/I//9/9____21 c Ap,
sy/.
niiiiiiiinTriiiiiiuiiii.iiiii.Ttini i ⢠T
. ïiiiiiiSilil
UITGESPROKEN DEN pi\.KL 1891
IN HET KERKGEBOUW DER HERV. GEMEENTE
HELMOND
DOOK
H. S. BALSEM,
vroeger predikant in' O. I., thans te Beek c.a.
BIJ GELEGENHEID VAN DE
JAARVERGADERING
DER
AMeeling 's-Hertogenbosch
VAN HET
NED. ZENDELINGGENOOTSCHAP,
TsTiet in den lia.ii.clel.
BiSLiOTHüEK NED. HERV. KERK
de Kerlceraden der Hervormde Gemeenten, gelegen in de Af deeling 's Hertogenbosch van het Nederlandsche Zendelinggenootschap !
Ter lezing en met beleefd verzoek tot verspreiding in Uwen kring wordt deze Zendingsrede door het Bestuur van bovenge-neemde Afdeeling U toegezonden, teneinde bij meerderen belangstelling en deelneming te wekken, zoowel in de zaak der zending in het algemeen, als wat hare behartiging betreft door het Ned. Zendelinggenootschap in het bijzonder. Terwijl toch op de Gemeente van Christus in haar geheel de dure verplichting rust. om ook den Heiden en Mahomedaan to leeren weten dat zij menschen zijn, door hen te bestralen met het licht van Jezus' Evangelie, zijn er onder hare leden, ook in deze Afdeeling, nog velen, die zich aan deze hunne roeping niet gelegen laten liggen.
En wat baat het dan of de oogst al groot zij, indien de arbeiders slechts weinigen kunnen wezen, omdat de offervaardigheid voor de zaak der zending bij niet weinigen, nog tevergeefs wordt gezocht?
Vinde daarom dit goede woord bij menigeen een goede plaats, en werke het wat het werken moet.
Drage het ruimschoots bij tot vermeerdering der inkomsten van een Genootschap, dat Gods Koningrijk op aarde zoekt uit te breiden, en welks arbeid tot heden verre van ijdel is geweest.
Verhaaste het alzoo de komst van dien blijden en gewenschten dag, waarop aller hart Gods woning is geworden en de gauscho aarde Zijn Heiligdom wezen zal.
Namens het Bestuur der Afdeeling, L. G. KOIJAARDS, Voorzitter. J. PRINS, Secretaris. quot;W. J. OUDEGEEST, Penningmeester.
De jaarhjksche Contributie als Lid van het N. Z. G. bedraagt f 5.25, als Begunstiger minstens f 1.00.
-5 . -
n^All
B!SUOTH2cK
NED. HERV. KERK
't Is mij goed in uw midden te zijn. 't Is mij een aangename taak tot U een woord van opwekking te richten, en zoodoende bij U en bij mij zelven do liefde te verlevendigen en te ver-hoogen voor eene zaak, die ons allen ter harte gaat. Ik heb die taak niet zonder aarzeling aanvaard, omdat ik het recht tenauwernood meer bezit om over de zending te spreken, als over iets, dat ik van nabij ken, nu er reeds vijftien jaren liggen achter mijn verblijf in Indië; want ook daar, evenals in de gansche wereld, veranderen de toestanden met den tijd, en vooral de laatste jaren hebben daar zooveel nieuws zien ontstaan, zooveel, dat reden tot klagen, maar ook zooveel, dat grond voor blijdschap oplevert, dat iemand, die er reeds zoovele jaren vandaan is, er zich in menig opzicht als in eene andere wereld verplaatst zou wanen, wanneer hij terugkwam. Niettemin durf ik deze spreekbeurt te vervullen, ja, doe ik het met ingenomenheid, want ten opzichte der zending zijn in die jaren nevens min gunstige, ook hoogst verblijdende berichten tot ons gekomen, ten opzichte der zending zijn ook in ons Vaderland in die tijdruimte verschijnselen waar te nemen, die hoopgevend mogen heeten en waarop ik gaarne uwe aandacht vestigen wil. En dat doet het hart van een raensch, die voor die zaak liefde voelt, goed. 't Is waar, 't geloof is een macht, die ons in staat stelt tot hopen, tot hopen vaak tegen de grootste zwarigheden in, die ons desnoods alleen aan den arbeid doet blijven, wetend, dat die arbeid niet ijdel wezen lum, maar toch, hoe heerlijk is 't voor den vriend van dat Godsrijk, dat hij hier en daar dingen mag zien, die er op wijzen, dat de hoop in vervulling begint over te gaan. dat hij nu en dan op de vraag: âWachter, wat is er van den nacht?quot; ten antwoord mag krijgen: 't begint in het Oosten 'te dagen.
Laten wij dan dit uur van godsdienstig samenzijn gebruiken
4
obi elkander te wjjzeu op 't geen er bemoedigends en verblijdends ten aanzien der zaak, die ons lief is, in de laatste jaren in Nederland en in O. Indië valt waar te nemen.
Stemmen wij ons daartoe door gezang en gebed.
Indien ik mij niet bedrieg, dan kunnen wij in Nederland, wanneer wij de openbare meening raadplegen, met blijdschap gewagen van een gunstige wending, die zich in de denkbeelden omtrent onze overzeesclie bezittingen in 't algemeen, en omtrent de zending in 't bijzonder heeft voorgedaan.
't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat het met het Neder-landsche volk ten aanzien zijner koloniën ging, gelijk het, belaas, veelal gaat met do menschen vau 't geen men noemt den vierden stand, dat men namelijk veel gewaagde van rechten, die men meende te mogen doen gelden, maar minder van plichten, die men te vervullen had. Er waren er niet weinigen, die, zonder zich te schamen, op de vraag: , waarvoor hebben wij onze Oosten West-Indische bezittingen?quot; zonder aarzelen ten antwoord durfden geven: om er voordeel van te trekken. In de schatting dier menschen bestonden de koloniën om het moederland, en niet het moederland om de koloniën.
Goddank, het ras der zulken is zoo goed als uitgestorven. Men zij overigens in de politiek liberaal of behoudend, men behooro overigens tot de volgelingen van Knijper of van Schaepman, het koloniale vraagstuk is in zooverre geen vraagstuk meer, dat allen het hier over met elkander eens zyn: aan die donkergekleurde menschen daar ginds behoort recht te geschieden , en dat recht bestaat hierin, dat wij zooveel mogelijk moeten meewerken tot hunne stoffelijke, verstandelijke en zedelijke verheffing.
In de oorzaken dezer omkeering behoeven we ons niet te verdiepen, wc hebben alleen te letten op die omkeering zelve.
quot;Wie voelt niet, dat de zaal; der Evangelieverkondiging daarmede eene nieuwe toekomst te gemoet ging. Br waren geen grooter vijanden, geen feller tegenstanders van de uitbreiding van het Christendom, dan die voormalige Oud-gasten, die ons wilden opdringen, dat de staatkunde van Nederland moest meebrengen die Javanen in onwetendheid te laten, opdat zjj niet, tot het bewustzijn hunner kracht ontwaakt, die kracht zouden gebruiken om onze heerschappij over hen af te schudden, en ons uit het
5
Oosten te verjagen. Hunne sttm wordt ternauwernood meer vernomen. Nog niet lang geleden is de zaak der Evangelieverkondiging besproken in een vergadering van het Indisch genootschap, voornamelijk uit een staatkundig oogpunt, en niemand was het met den spreker oneens, die nieh op een toon van groote ingenomenheid, een ingenomenheid, steunend op eigen aanschouwing, over don arbeid der zendelingen uitgelaten had.1)
Er waren geen grooter vijanden, geen feller tegenstanders van de Evangelie-verbreiding in Indië, dan die voormalige Oud-gasten, die ons wilden opdringen, dat do bevolking van onzen Indischen Archipel zich gelukkig, o, zoo gelukkig gevoelde in hare onwetendheid. Zou 't waar zijn? Zou die bevolking waaldijk gelukkig zijn en zich gelukkig voelen, zoolang jaarlijks millioenen, aan 't gebruik van opium tot haar verdierl ij Icing besteed, de welvaart ondermijnen, het huiselijk leven verwoesten en de altijd vloeiende bron blijven van do afschuwelijkste misdaden? Zou die bevolking waarlijk gelukkig zjjn en zich gelukkig voelen, zoolang jaarlijks scheepsladingen niet Mekkagangers van Java reizen naar het land van den profeet, om er een goed deel van hun vermogen heen te brengen, en dan terug te keeren in den kring hunner landgenooten, om voortaan grootendeels op hunne kosten te leven? 't Zou mij verwonderen, indien de schatten, die deze bedevaartgangers meeslepen uit hun land, niet meer, veel meer bedroegen, dan 't geen de Iloomsche bevolking van Nederland jaarlijks offert aan Paus en Kerk.
Zouden zij zich gelukkig achten, waar het bijgeloof onder hen rondspookt, om hen, bij ieder vreemd verschijnsel dat zich voordoet, te doen sidderen van vrees, zij, onder wie do band des huwelijks even weinig bindend is uls het gegeven woord, onder wie 't besef der heiligheid van het huwelijk even gering is als hun achting voor, hun waardeering van de vrouw? Gelukkig onze tijd, waarin men in dat opzicht tot andere gedachten begint te komen.
Er waren geen grooter vijanden, geen feller tegenstanders van de uitbreiding des Christendoms in onzen Indischen Archipel, dan die voormalige Oud-gasten, die stoutweg durfden beweren, dat de Javaan op zijn laag peil van zedelijkheid nog beter was dan het Christendom hem maken zou. 'tMoge waar z[jn, dat
1
Ik bedoel de voordracht, onlangs in eene vergadering van liet Indisch genootschap gehouden door Mr. O. J. H. Graaf van Limburg Stirum
6
de Islam slaafsche onderwerping in de hand werkt, die den Javaan des te gemakkelijker de onderdanige dienaar van zijn meester doet zijn; 't moge waar zijn, en 'tis waar, dat onder dat volk hier eu daar voorbeelden konden en kunneu worden aangewezen van aanhankelijkheid en trouw, als waarmee de hond zijn meester aanhangt, 'tis niet waar, dat die eigenschappen noodzakelijk zouden moeten verdwijnen, waar liefde de plaats inneemt van vrees, waar heilige eerbied voor den plicht tot nauwgezet plichtbetrachten noopt, 't Moge waar zijn, dat de Javaan iu zijn matigheid vaak velen onzer beschaamt, maar 'tis niet waar en 't kan niet waar zijn, dat hij deze zou vaarwel zeggen, wanneer hij het oor leent aan de prediking van een Evangelie, dat immers ook Paulus noopte om voor wereldlingen en zondaars te getuigen van matigheid en rechtvaardigheid. Ik sprak reeds van 't geringe besef van de heiligheid van 't huwelijk, van de minachting voor do vrouw, 't Is [niet noodig, dat ik gewaag van de zedeloosheid, daarvan 't noodzakelijk gevolg. Ik wil niet spreken van de traagheid, die ik voor een goed deel op rekening wil stellen van het tropisch klimaat, maar ik wil en moet wel wijzen op de oneerlijkheid, het onbeschaamd woord-verbreken , op 't gemis aan waarheidsliefde, op 't gemis aan medegevoel voor 't lijden van een ander, op de verbazende, de afschuwelijke kalmte, waarmeê een Javaan een ander het grootste ongeluk ziet krijgen. Ik wil en moet in dit verband meedeelen, dat ik zelf, in de toen verwaarloosde, sinds vele jaren door geen zendeling meer bezochte desa Swakoe, in den Oosthoek van Java, waar thans. Goddank, door de werkzaamheid van Kremer nieuw leven is ontstaan, dat ik daar uit den mond niet alleen van de besturende ambtenaren de getuigenis mocht vernemen; âmet deze menschen heeft de politie en de justitie in deze afdeeling, die overigens ongunstig bekend staat, weinig of niets te doen maar dat ik daar ook van de particuliere tabaksondernemers mocht hooren: âmet deze menschen werken wij gaarne, zij houden zich aan 't gegeven woord, zij zijn eerlijk en trouw.quot;
Het Christendom, zelfs waar het optreedt in eenen [ons vreemd geworden vorm, maakt de menschen beter. Dat wordt en dat moet worden erkend in Nederland, nu 't eigenbelang niet meer tot ontkennen noopt. Er is bijna niemand meer, die het durft loochenen. Als een verblijdend bewijs daarvoor mag ik u opmerkzaam maken op een verschijnsel, op een feit, dat meer
7
zegt, dan de welsprekendste woorden vermogen, 't Is u allen zeker bekend, toeli wil ik het in herinnering brengen. De groote, met millioenen werkende, verbazende schatten afwerpende Deli-maatsehappij, die, gelijk gij weet, op Sumatra wouden en woeste gronden in tabaksvelden herschept, en daar honderden, neon duizenden arbeiders in dienst heeft, heeft het openlijk uitgesproken, dat zij don Christen werkman verre verkiest boven den heiden of den mahomedaan. Zij heeft, en dat is iets, dat voor eenige jaren nog schier ondenkbaar was, zij heeft het Nederlandsehe zendeling-genootschap gevraagd om voor hare rekening eenen zendeling beschikbaar te stellen om onder de Battaks op Sumatra het Christendom te brengen , en de zendeling K r u ij t, do zoon van den edelen man van Modjo-Warno is daar werkzaam met eenige helpers, die hij onder de Christen-inlanders van de Minahassa heeft aangeworven. Schoone triumf voor de goede zaak, die wij voorstaan! Welsprekende weerlegging van de beschuldiging, die vroeger op de lippen van de vijanden der zending lag, en door duizenden, die den Christen-inlander niet kenden, en toch meespreken wilden, op hun gezag af werd herhaald: âhet Christendom maakt den inlander onbruikbaar, maakt hem te trotsch en te lui om te werken.quot;
De Evangelisatie in Indiö voor Nederland gevaarlijk, de inlander in zijn onwetendheid gelukkig, de inlander als mohomedaan of als heiden beter en bruikbaarder dan hij als christen wezen zal, wat dunkt u, moest het niet velen afschrikken om ons in ons werk te steunen, wanneer deze dingen hun op een toon van gezag werden verkondigd? Al deze dingen stonden in den dienst van een stelsel, dat heeft uitgediend, en dat bijna niemand meer durft te verdedigen. Merkwaardige, gezegende omkeer in do openbare meening! Nergens heeft onze regeering ordelievender, vreedzamer onderdanen, nergens wordt de zegen van het Europeesch bestuur, ondanks het gebrekkige, dat het nog aau-kluft, meer gewaardeerd, dan waar het Evangelie doordringt; onze troepen in de Molukken hebben, althans in de laatste vjjftig jaren, nooit hun wapens behoeven te keeren tegen de christenen, alleen hebben zij ze moeten gebruiken tot het tuchtigen der koppesnellende Alfoeren.
Licht brengt altijd blijdschap en geluk, 't kan voor den inlander geen zegen zijn om in ontwikkeling te staan beneden onze kinderen, die de kinderschoenen beginnen te ontwassen. Godsdienstige
8
ontwikkeling is de eerste voorwaarde voor beter zedelijke toestanden, een godsdienst, die liefde predikt, en den mensch teruggeeft aan de eischen van zijn eigen couseientie, moet hem tot een beter mensch maken, een christen moet beter zijn dan een heiden of een volgeling van den profeet van Mekka. Ziedaar wat in de laatste jaren in ons Vaderland levendiger gevoeld, krachtiger uitgesproken wordt. Ik meen dat ik recht had van bemoedigende verschijnselen te spreken, die hier vallen waar te nemen, dat hier de hoop aanvankelijk in vervulling begint over te gaan, dat wij hier iets verwezenlijkt zien van de gedachte, die het geloof ons ingeeft, en die bet geloof nooit missen kanwat goed is en waar moge tegenstand vindon, en zal tegenstand vinden, zoolang deze wereld in menig opzicht een zondige wereld blijft, maar sterven kan het niet, eindelijk zegepraalt do goede zaak.
Gaan wij nu voor een oogenblik in onze verbeelding naar Java. Ik begon met u te zeggen, dat ik, nu reeds vijftien jaren uit Indiö terug, het recht begin te verliezen, om over de zending te sproken als over iets, waarmee ik nog van nabij bekend ben. Maar toch kan, bij 't geen ik nu bedoel, mijn vroeger verblijf daar mij van dienst zijn. Modjo-Warno, een halve eeuw geleden bestond die plaats niet. Een dicht oerwoud bedekte den bodem, in weelderigen overvloed slingerden zich de tropische gewassen door elkander, den bodem voor eens menscheu voet onbegaanbaar makend, een vochtige, met allerlei uitwasemingen bezwangerde lucht hing onder de kroon en dei-stoute woudreuzen , die zich in do hoogte vereenigden tot een dicht looverdak, waardoor de stralen der zon slechts schaars konden heendringen. â Menschen woonden daar niet, dat kon ook niet. Alleen de koningstijger beschouwde deze woeste natuur als zijn onbetwislbaar grondgebied. Daar klinken forsche bijlslagen door het woud en verstoren de rust, waarin het voor immer gedompeld scheen, wellicht paart zich het vuur aan het ijzer, en gaat straks een deel van het bosch in vlammen op. Een kleine kampong verrijst, de eerste nederzetting van inlandsche christenen op Java. Het zaadkorreltje kiemt en ontwikkelt, wel ziet de man, die het plantte slechts een teedere loot, wel zal 'took hier een ander zijn, die zaait, een ander die maait; straks roept do dood Jellesma, die gearbeid heeft met de taaie volharding aan zijn
9
Prieschen landaard eigen, van zijn post, maai- Kruijt zal voortzetten, wat hij aanving, Modjo-Warno zal zich langzaam maar zeker opwerken. Wij zijn er eu wij blijven er, zal het wachtwoord zijn des geloofs. Eeods trok, toon ik nog op Java was, die schepping der zending in hooge mate de aandacht. Kruijt was de man, om daartoe te dwingen. Zijn school maakte toen reeds op een mij bekenden hooggoplaatsten ambtenaar, geen vriend der zending, een indruk, die machtiger was dan het vooroordeel waarmêe hij daar henen toog. âIk benquot; zoo verklaarde mij een ander, âgeen voorstander van de zending, maar ter wille van dien man , ben ik lid van 't zendelinggenootschap.quot; Dat is een macht, dat is de macht der persoonlijkheid. Maar dit in 't voorbijgaan, ïoen ik Java verliet, was Modjo-Warno bloeiend, maar er \\as nog geen sprake van een steenen kerk, geen sprake van een geregelde gemeenschap tusschen die plaats en andere. En thans, laat ik u voorlezen, wat de Indische Nieuwsbladen schrijven.
Het volgende komt voor in het âBataviaasch Nieuwsbladquot; van 5 Januari 1891, overgenomen uit de Soerabajasche Courant.
Op den 25stcn dezer werd het Kerstfeest gevierd door deinlandsche gemeente te Módjo-warno, gelegen in de afdeeling Djombang. Tal van Europeesche kennissen en vrienden van de Heeren Kruijt, vader en zoon, zendelingen aldaar, hadden zich er heen begeven om die viering bij te wonen. Nauwelijks reed de tram de kampongs langs waar de christenen wonen, of men zag de Javaansche huisjes, groot en klein, met guirlandes van groen versierd en, even buiten de kampong, stopte de tram juist voor de woning van den zendeling. Eene lief gelegen, ruime woning lacht u tegen, met een verrukkelijk uitzicht op bet Ardjoeno-gebergte.
âLinks van het huis, op eirca 50 pas afstands, staat een steenen gebouw, de school der gemeente, die tegen iedere Europeesche school hier in de residentie, wat ruimte eu bouworde betreft, kan wedijveren. Daar gaan dagelijks ongeveer 600 kinderen school, zonder over gebrek aan ruimte of luchtigheid te klagen. Voor dien dag echter waren stoelen en banken weggeborgen en was het gebouw groen gemaakt en tot speelplaats voor de schoolgaande jeugd ingericht. Aan den rechterkant van het woonhuis vindt men ook op een afstand van ongeveer 50 pas, de kerk, een groot steenen gebouw in Euro-peeschen trant gebouwd, keurig van stijl, met een torentje aan den voorkant, waar een circa 3 voet hooge klok hangt.
10
âTo 9 uren is de dienst begonnen, bijgewoond door honderden inlanders, mannon en vrouwen van eiken leeftijd, de mannen allen aan de eene zijde gezeten, de vrouwen aan de andere. Men staat verbaasd over den ernst, de plechtigheid en de orde, die steeds tot het einde van den dienst onder dien drom van inlanders blijven heerschen; maar nog meer verwonderd is men, bij het hoeren zingen van koraalmuziek door inlandsche meisjes en knapen, op een wijze als men meent alleen van Europeanen te mogen verwachten.
âNa den dienst wachtte der gemeente een gezellig koffieu\irtje ten huize van den zendeling, en na den middag tegen 3 uren had de prijsuitdeeling plaats. Negen honderd prijzen waren in het schoollokaal op tafels gerangschikt, die nu aan de schoolkinderen, vermeerderd met die van naburige kampongs, werden uitgereikt, welke bezigheid tot 5 uren duurde, waarna allen zich gingen te goed doen aan het maal, dat in do pendoppo van het heerenhuis was klaar gezet; alles even ordelijk Daarna bleef do jeugd zich amuseereu met allerhande spelletjes, meisjes en jongens afzonderlijk, tot 10 uren, toen z[j, na nog eene versnapei-ing te hebben genuttigd, gelukkig en tevreden naar huis gingen.
âMaar ook de bezoeker heeft een' aangenamen indruk ontvangen van hetgeen hij gezien heeft. De liefde, die de inlander daar het geheele gezi'-: van den zendeling toedraagt, en waarvan hij zoo ondubbelzinnige bljjken geeft; de toewijding ook weêr van den anderen kant aan de gemeente, door wie zij op de hauden worden gedragen, terwijl, hoe vrij en onbevreesd jongen en ouden van dagen zich daar voelen, deze toch nimmer vergeten, dat z[j Javanen zijn, daar dü Javaansche gebruiken en gewoonten er stipt in acht worden genomen en de gehechtheid aan des zendelings gezin steeds met den noodigen eerbied betoond blijft, dit alles dwingt achting af voor hen, die een dergelijken toestand als nu daar bestaat, hebben weten in het leven te roepen. Zijn dergelijke gemeenten, op die wijze georganiseerd en geleid, over Java verspreid, dan zal dit ongetwijfeld een groote factor wezen voor do versterking van het Nederlandscho gezag. quot;Wij zijn overtuigd, dat allen, die te Módjówarno zijn geweest, eenstemmig van dit gevoelen zullen zijn. en wie er nog niet geweest is, kunnen wij een kjjkje gerust aanbevelen en hun de verzekering geven, dat zij in den Heer Kruijt en de familie lieve, hartelijke en gulle mensehen zullen vinden, die al het mogelijke doen om het hunnen bezoekers aangenaam te maken.quot;
11
Welk een verbazende vooruitgang. Maar dat is niet, wat ik in de eerste plaats bedoel. Ik heb het oog op wat anders. Ik herken den toon niet meer, waarop die beide nieuwsbladen, 't een uit eigen beweging, 't andere bij overname zich hier uitlaten over de zaak der Evangelisatie. Voor vijftien jaren was dat zoo geheel anders. Toen werd die zaak of dood gezwegen, en dat was, bij de vrij algemeen heerschende stemming bijna het beste wat men wenschen kon, of er werd over geschreven op een toon van minachting. Men verwachtte er niet veel van, en men vond dat niet onvermakelijk , dat men er niet veel van verwachtte. Men sprak het onverholen uit, of liet het tusschen de regels doorlezen, dat men hoogstens een gevoel van medelijden koesterde voor de dweepzucht, waarvan de zending de openbaring was, dat men niet geloofde in de onbaatzuchtigheid van den zendeling, dat men do misleiden beklaagde, die in Nederland hun geld offerden voor zulk een zaak. En thans; de waardeerende wijze, waarop daar zoo even dat kersfeest besproken werd , doet ons goed. Bedrieg ik mij niet, dan is de wijze, waarop die bladen zich uitlaten, ons een teeken, dat ook daar de openbare meening langzamerhand in een beter spoor wordt geleid, dat in het verre oosten op de vraag : wachter, wat is er van den nacht ? het antwoord past; 't begint eindelijk te dageu.
Indien ik in mijne opvatting van hetgeen ik meende te hebben waargenomen, niet geheel heb misgetast, dan zien wij hoopgevende, verblijdende verschijnselen.
Laten wij ons daarover verheugen! Maar laten wij ei niet bij stil zitten! Laat dat alles niet werken op onze gemakzucht, maar ons integendeel prikkelen tot verhoogde en vermeerderde krachtsinspanning.
Want, en ook daarover mogen wij niet zwijgen, nog is er veel, onnoemelijk veel te doen. â Nog zijn er veel, onnoemelijk veel zwarigheden te overwinnen.
Wat is een Modjo-Warno op Java? Een zandkorrel bij een berg, een klein eilandje in een onafzienbare zee, enkele duizendtallen , tegenover veel meer millioenen. 't Is nog maar een begin, een heel klein begin.
Wat is de deelneming der gemeente iu 't werk der zending ? Ik zou 't haast kunnen vergelijken bij 't geen Modjo-Warno is
12
voor Java. 't Is nog maar een begin, 't getuigt nog op verre na niet van de liefde, de geestdrift, die deze zaak algemeen wokken moest, indien de liefde voor den godsdienst, de geestdrift voor het christendom algemeen ware. Nog altoos verkeert ons genootschap in geldnood, en gaat het gebukt onder jaarlijksehe tekorten. De uitgaven vermeerderen, nieuwe zendingsposten moeten worden opgericht, en de inkomsten houden daarmee geen gelijken tred.
Rome loert op elke gunstige gelegenheid, om zijn voordeel te doen met ons werk. Het oogst, waar het niet heeft gezaaid, heeft zich in de Minahassa voor goed genesteld, en zal, door de Regeering allervriendelijkst behandeld, niet nalaten, dat ook elders te doen, indien 't maar kan. Van de Roomsche propaganda vreezen wij voor den Europeaan in Indië, die volbloed anticlericaal is niets, voor deu inlander alles.
Hoeveel meer kracht zon er van ons uitgaan, indien wij godsdienstige!-, indien wij meer Christenen waren!
Godsdienstiger, meer Christenen! Och, als wij acht geveu op de toestanden hier, op de onverschilligheid niet alleen, maar ook op de toenemende genotzucht en weelde, op de toenemende genotzucht, die 't zedelijk leven doet verslappen, en de zonde binnenleidt; als wij ons oog laten gaan over de toestanden in onze groote steden, de middelpunten onzer beschaving, waar, helaas, de verdierlijkende ellende der armoede, de verfijnde openbaringen van zondelust bij de rijken ons soms de vraag in 't hart geven: kan 'took zjjn, dat onze beschaving een versieten beschaving is, dan rijst daarnevens wel eens die andere vraag; mogen zulke toestanden overgebracht worden naar ginds?
Neen, dat is het Christendom, dat is de godsdienst niet, dat is niet omdat wij Christenen zijn, dat is omdat wij het nog niet, 't nog veel te weinig zijn.
Hoe meer wjj 't worden, hoe beter 't hier wordt, hoe meer ook de zendingsgeest ontwaakt.
Daarom 't onze gedaan met macht en met goed vertrouwen!
De geest des tijds, niet in een enkel tijdperk der geschiedenis, niet in eene eeuw, maar wat is een eeuw in 't leven der volkeren, de geest des tijds in zijn geheel genomen, moet zijn, moet worden, dit gelooveu wij, de heilige geest, de geest van God. Daarop steunen wij, want der tijden Heer is God.
Amen.
BBLIOTHeSK -D. HERV. KERK