A''//'9 /olt;9 c j
/
ZESTAL LEERREDENEN
LUKAS XV,
|4, fi. p
DERDE DRUK.
UITGEGEVEN EOOR Dr. E. C. GRAVEMEIJER,
GOFUNCHEM.
RAVEMEIJER.
R. BOERMA,
THÃOLOGISCâ J1K BOEKHANDEL TE GfiONINGEN. â 1893. â
'S* lt; . -
A-
ZESTAL LEERREDENEN
OVER
VAN
LUKAS XV,
BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK
^ f P
DERDE DRUK.
UITGEGEVEN DOOR Dr. E. C. GRAVEMEIJER,
GORINCHEM.
/ Vó
5 -/t
7 /7 ^ ,
-J/
R. BOERMA,
THEOLOGISCHE BOEKHANDEL TE GRONINGEN. â 1893. â
RAVEMEIJER,
Gedrukt bij Gebroeders Hoitsema te Groningen.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2826 673 6
UIT DE VOORREDE VOOR DEN EERSTEN DRUK.
Men behartige de groote zaak, op welke het voor ons allen aankomt; redding van hel eeuzvig verderf, verkrijging van eene eindelooze zaligheid. De weg daartoe en de grond er van worden hier door den Za-1 ligmaker zelf klaar getoond.
Ik veroorloof mij hierbij eene drievoudige herinnering.
Eerst en vooral bedenke men, dat de zaligheid eene persoonlijke aangelegenheid is en zijn moet, hetwelk hier ook gansch bijzonder uitkomt. Wij worden niet massaal gezaligd. Kerkgeloof bewaart ons voor geen helle, brengt ons in geen hemel: de regtvaardige zal door zijn geloof leven. Ieder mensch moet, zal hij zalig worden, zich als een verlorene leeren kennen en tot bekeering en geloof komen. Het is niet genoeg belijder van 't geloof te zijn, wij moeten geloovige belijders en belijdende geloovigen wezen.
Dies mag ten tweede een ieder wél toezien, dat hij bij den strijd onzer dagen niet óf door onverschillig aanschouwen de kroon des levens verbeure, den overwinnaar beloofd, óf ook met al te blijven vragen; wat is waarheid ? bij volle tafel verhongere; als moest de zaligmakende waarheid nog eerst gevonden worden! In zake onzer zaligheid (en hiertoe is ons immers de heilige Schrift gegeven) hebben wij niet alleen waarheid, maar de waarheid. Zoo spreken de heilige mannen, die haar het eerst verkondigden, er zeiven van, met volle bewustheid dat zij haar hadden en noemen haar bij uitnemendheid en met nadruk de waarheid. Zij is voorwerpelijk gegeven en een iegelijk moet trachten tot kennis en beoefening van haar te komen, opdat zij ook onderwer-pelijk als de waarheid erkend en gesmaakt worde in hare zaligmakende kracht.
Eindelijk ten derde: niemand paaije zich met de gedachte, dat hij na den dood nog weder gelegenheid zal hebben om zich te bekeeren en tot geloof in Christus te komen. Zeggen sommigen: âja toch!quot; zeggen velen: âwellicht!quot; â men zie toe of hun zeggen meer geloof verdient dan de heilige Schrift, die er niets van leert, die het tegendeel klaar betuigt {Geloofsleer XXI vr. 5 vergel. XII vr. 30). â Hoe (^ gewichtig is dus dit leven !
Geve de Heere u, lezer, heil! schenke hij u een open oog, een open hart en doe hij u de waarheid verstaan â- en de waarheid zal u vrijmaken.
Onstwedde, 12 Augustus -1868. DE SCHRIJVER.
Deze leerredenen, waarvan nu een nieuwen druk {derde druk) verschijnt, werden voor 25 jaren op veler verlangen uitgegeven. Zij mochten zich in een gunstig oordeel verheugen van verschillende christelijke bladen.
In Groningerland, vooral het Oldambt; ja in Amsterdam en andere steden, zijn deze leerredenen voor velen ten zegen geweest, gelijk bleek uit de treffende brieven, die mijn onvergetelijke Vader in die dagen ontving.
Maar wat mijn Vader het meest verheugde was, dat zij een diepen indruk teweeg brachten bij een zijner zonen, die door Gods genade zich zeiven als de verloren zoon mocht leeren kennen, bij wien het zoover mocht komen, dat hem alles ontviel, waarop hij tot dusver steunde en bouwde. Ja, de barmhartige God, die voor onwaardigen Zijnen Zoon gezonden en overgegeven heeft in het lijden des doods, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; die Zijnen lieven Zoon zond, om verlorenen te zoeken en zalig te maken; verlorenen door Adams val, al dieper verloren door voortgaande zonden, eeuwig verloren buiten deze tusschenkomst zijner verlossende genade, deed hem ondervinden, dat die verlorenen bij ikh zeiven, de reeds gezochten en aanvankelijk gevondenen zijn. O, zoo ellendig als hij zich gevoelde bij het ontdekkend licht des Geestes, zoo zalig daarna toen Gods Zoon in hem geopenbaard werd en hij wegzonk als in Zijne machtige armen, om nu niet meer door zich zeiven, maar door Christus gerechtvaardigd, geheiligd en ter zaligheid geleid te worden en zoo ruste vond voor zijn hart.
Is het nu niet verklaarbaar, dat hij altoos bijzondere betrekking had op deze leen-edenen en zich zeer verblijdde, toen de heer R. Boerma, boekhandelaar te Groningen hem te kennen gaf, dat hij deze leerredenen op nieuw wilde uitgeven? Ja de bede kwam bij hem op: och mochten zij ook nog ten zegen zijn voor mijne dierbare kinderen, die zooveel gedragen werden op de vleugelen des gebeds van hunnen grootvader.
Lezer of lezeres, vergun mij deze mij dierbaar gewordene leerredenen u over te geven met deze bede:
O genadige God en Vader, uit wien, door wien en tot wien alle dingen zijn, wil door Uwen Geest de oogen verlichten ook van mijne dierbare kinderen die Gij mij gegeven hebt en van al degenen die nog niet zien, dat zij verloren zijn, opdat zij, die meenen, dat ze niets hebben verloren, overtuigd mogen worden van hun verloren staat.
Trek ze voorts door Uw woord en Geest tot Uwen Zoon, om in Hem gerechtvaardigd en geheiligd, in Hem nieuwe schepselen te worden.
En die dat zijn, zullen ook weten hoe diezelfde vrije genade, waarmee Gij hen zocht, hun voorkwaamt toen zij naar U niet vraagden en hen terecht bracht, hen ook voortdurend bewaren moet, om niet al het ontvangene weer te verliezen. â Doch Uwe genadegiften en roepingen zijn onberouwelijk.
Laat ook vooral in deze dagen van druk en buitengewone beproeving Uw volk troost en sterkte vinden in Uw Woord. Maak liet zaac. Uws Woords vruchtbaar in den akker der harten door Uwen Geest. Zoek het verlorene, breng het weggedrevene weer, zet de leden in 't lichaam vast, opdat hetgeen zwak en kreupel is, niet verdraaid (Hebr. 12 : 13), niet ontwricht worde, breng de afgewekenen weder, geef bij den strijd dezer dagen veel genade tot getrouwheid, een rein hart en een vasten geest.
Uw Koninkrijk kome! hier en alom, opdat Gij eenige en Dric-eenige God, Vader, Zoon en H. Geest, gediend en verheerlijkt moogt worden door een toegerust volk. Amen.
Gorinchem, December 1892.
Dr. E. C. GRAVEMEIJER.
LUEAS XV vs. 8â10.
DE VROUW EN HAAR VERLOREN PENNING:
Het werk des Heiligen Geestes omtrent den verloren zondaar.
Genade zij u van den Vader, die zondaars aanneemt, e?i Tan den Zoon, die verlorenen zoekt en wederbrengt, en van den Heiligen Geest, die de verdorvenen vernieimt! Amen.
Aan armen ivordt het evangelie verkondigd, ook dat noemt Jezus onder de teekenen van Zijnen tijd in het antwoord, hetwelk Hij aan twee discipelen van den Dooper gaf, Matth. 11:5: blinden worden ziende en kreupelen wandelen, melaat-schen worden gereinigd en dooven hooren, dooden worden opgewekt en aan armen wordt het Evangelie verkondigd.
Die discipelen hielden zich nog immer aan Johannes, in-plaats van tot Jezus te gaan. Daarom zond hen de trouwe wegbereider tot Jezus met de vraag, of Hij de beloofde Verlosser was, ten einde zij, door hetgeen zij hoorden en zagen, overtuigd mochten worden dat Hij het was. Toen gaf Jezus hun dat antwoord mede, waarin Hij op Zijne verbazende wonderwerken wees. En in dezelve ure, voor de oogen vap deze discipelen, genas Hij er velen van ziekten en kwalen en booze geesten en vele blinden gaf Hij het gezicht, Luk. 7 ; 21. Hij was de troost en toevlucht der ellendigen. Men kon het aan Hem zien en hooren dat Hij die was van wien de profeten
6
hadden gesproken en het is als of Hij met dat antwoord bijzonder heeft willen herinneren hetgeen Jesaja 29 : 18 , 19 had voorspeld, zeggende: te dien dage zullen de dooven hooren de woorden des boeks en de oogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den Heere en de behoeftigen onder de menschen zullen zich in den Heilige Israëls verheugen.
Aan armen wordt het Evangelie verkondigd, aan armen naar de wereld, aan armen in den geest.
Ook aan armen naar de wereld. Dat was toen iets buitengewoons en viel in het oog. De joodsche meesters, de rabbis, wilden niet te doen hebben met arme en geringe menschen, die voor het onderwijs niet betalen konden: Jezus toont dat Hij niet is een rabbi maar profeet. Doch de oude profeten werden doorgaans tot de koningen en oversten des volks gezonden, maar door dezen wordt aan armen het evangelie, de leer der zaligheid verkondigd. Gedenkt hierbij aan hetgeen ook Paulus zegt, 1 Kor. 1 : 28: het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is te niet zou maken, opdat geen vleesch zou roemen voor Hem.
Intusschen de uitwendige armoede is slechts een beeld van die geestelijke armoede, voor welke het evangelie der genade bestemd is. Moge iemand naar de wereld rijk of arm zijn, het evangelie wordt aan armen verkondigd, het is geheel en alleen voor zulken, die arm in den geest geworden zijn. Voor die nog rijk in zich zeiven zijn , is eerst de wetpredi-king noodig, opdat zij arm worden ; voor de armen is het evangelie, de boodschap van genade.
Armen â dat zijn degenen die met het kleed van eigengerechtigheid zich niet meer kunnen dekken , die hunne zware schuld voor God met schaamte en verlegenheid erkennen, die hongeren en dorsten, die gebrek aan alles hebben en geen
7
raad weten. Aan dezen wordt het evangelie verkondigd. Ja aan u, armen ! De Heere wil u geen lasten opleggen maar uwen druk verlichten en allen last van u nemen ; niet wil Hij u met hooge eischen beangstigen maar met Zijne beloften wil Hij uw bezwaard gemoed verkwikken. â Om niet, arme, om niet zult gij alles ontvangen. Goddelijke liefde maakt zondaars zalig: Gods kracht doet alles. Hooren wij het Evangelie !
TEKST : Lukas XV ; 8â10.
Of wat vrouw, hebbende tien penningen, â¢indien zij éénen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars en keert het huis met bezemen en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt ?
En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: iveest blijde met mij, want ik heb de penning gevonden, dien ik verloren had.
Alzoo, zeg Ik idieden, is er blijdschap voor de Engelen Gods over éénen zondaar, die zich bekeert.
Farizeën en Schriftgeleerden murmureerden dat Jezus zich met tollenaren en zondaren inliet. Hij antwoordde hun eerst met het roerend verhaal van den herder en het verloren schaap-. Dat was eene minzame toelichting, dat de schoonste rechtvaardiging van Zijn doen. Daar gaf Hij hun eenen blik in Zijn hart: liefde, zondaarsliefde was het wat Hem zoo drong om zich dergenen aan te nemen die zij verstietten. Zochten zij Hem deswege verachtelijk te maken, zij toonden daardoor, dat zij blind waren voor hunne eigen zonden en geen denkbeeld hadden van die goddelijke liefde, die geen lust heeft in des goddeloozen dood, maar hierin lust heeft dat de godde-looze zich bekeere en leve, geen denkbeeld van die genade.
8
die zich in de terechtbrenging van de diepstgezonkenen het meest verheerlijkt. â Hij had aan die spijtige spotters gansch anders kunnen antwoorden, zooals Hij bij andere gelegenheden ook heeft gedaan, maar thans was Zijn hart te aangenaam gesterad en te zeer met blijdschap vervuld over deze tollenaars en zondaars die daar allen tot Hem naderden. Daarom gaf Hij hun alleen zulk een antwoord, waardoor zij beschaamd werden. Hij vraagt hun of men niet gewoonlijk met moeite pleegt te zoeken naar hetgeen men heeft verloren. Ziet, wat doet een herder niet al om een verloren schaap? En, zoo vervolgt Hij nu, wat doet eene vrouw al niet om een verloren â penning? Zou den grooten God weinig gelegen liggen aan een verloren mensch ? O, Hem ligt er zooveel aan ! Hij wil er alles om doen, de Zoon, de Heilige Geest, de Vader!
De Heilige Geest! deze is het van wiens werk de tekst getuigt: de H. Geest den verloren zondaar zoekende en terecht-hrengende, afgebeeld in de gelijkenis van de vrouw en den verloren penning. Hier komt dus in overweging:
I. De gelijkenis zelve, haar hoofddoel en hare bijzonderheden.
II. De verloren zondaar van den H. Geest gezocht en terechtgebracht.
HL Wat ons hiermede gezegd wordt.
I.
1. De gelijkenis zelve. Wij moeten de punten wèl in het oog vatten, die hier het meest uitkomen: de vrouw, hare penningen , de verlorene, haar zoeken , haar vinden , hare blijdschap.
Van eene vrouw spreekt Jezus, en wel van eene zorgzame huisvrouw, die op hare huishouding behoorlijk acht geeft, die ook geenszins zoo rijk is, dat zij zich uit eenen verloren pen-
9
ning niets zou maken, ncaar die zich bezuinigen en haar kapitaaltje met alle vlijt bewaren moet.
Tien â penningen waren haar gansche schat. Voor penningen lezen wij in den grondtekst drachmen, waaruit dus nader blijkt, welke penningen of geldstukken het waren die zij had. De drachme was een zilverstuk, eene grieksche munt, doch toenmaals ook bij de Joden in gebruik. Zij bedroeg een vierde gedeelte van een stater , dergelijke Petrus in den mond van den visch vond ; twee zulke penningen waren de tempelschatting voor een persoon, weshalve Petrus met eenen stater voor Jezus en hemzelven saam betalen kon (Matth. 17 : 27). De drachme had eene waarde van nagenoeg 40 cents, zoodat deze huisvrouw omtrent vier gulden bezat. Van dezen haren schat verliest zij éénen penning, ééne drachme. Bij hare geringe bezitting, die zij ook wel door den arbeid harer handen met moeite verkregen heeft, is dat verlies haar verdrietig en smartelijk. Zij kan dien penning niet missen, zij heeft er geen rust van, zij wil, zij moet hem weder hebben.
Zij stelt alles in het werk om hem weertevinden. Zij ontsteekt eene kaars, zij steekt hare lamp op , om beter te kunnen zien in de hoeken en duistere plaatsen van het huis , waar de penning mocht verborgen liggen. Daar zij hem niet aanstonds vindt, gebruikt zij nog een ander middel: zij keert het huis wet bezemen, want de penning is mogelijk onder het stof geraakt. Zoo gaat zij, de lamp in de eene, den bezem in de andere hand lichtende en vegende het huis door; zij laat geen hoek of spleet onaangeraakt en ondoorzocht: zij zoekt naarstiglijk, aanhoudend en nauwkeurig, en zij geeft het niet op tot dat zij haren penning vindt.
Eindelijk vindt zij hem. En nu is zij zoo blijde als had zij een zeer grooten schat gevonden. En als zij hem gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de gehurinnen samen, zeggende : weest blijde met mij, icant ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. Hare blijdschap is zoo groot, dat
8
die zich in de terechtbrenging van de diepstgezonkenen het meest verheerlijkt. â Hij had aan die spijtige spotters gansch anders kunnen antwoorden, zooals Hij bij andere gelegenheden ook heeft gedaan, maar thans was Zijn hart te aangenaam gesterad en te zeer met blijdschap vervuld over deze tollenaars en zondaars die daar allen tot Hem naderden. Daarom gaf Hij hun alleen zulk een antwoord, waardoor zij beschaamd werden. Hij vraagt hun of men niet gewoonlijk met moeite pleegt te zoeken naar hetgeen men heeft verloren. Ziet, wat doet een herder niet al om een verloren schaap? En, zoo vervolgt Hij nu, wat doet eene vrouw al niet om een verloren penning? Zou den grooten God weinig gelegen liggen aan een verloren mensch ? O, Hem ligt er zooveel aan ! Hij wil er alles om doen, de Zoon, de Heilige Geest, de Vader!
De Heilige Geest! deze is het van wiens werk de tekst getuigt: de H. Geest den verloren zondaar zoekende en terecht-hrengende, afgebeeld in de gelijkenis van de vrouw en den verloren penning. Hier komt dus in overweging:
I. De gelijkenis zelve, haar hoofddoel en hare bijzonderheden.
II. De verloren zondaar van den H. Geest gezocht en terechtgebracht.
Hl. Wat ons hiermede gezegd wordt.
I.
1. De gelijkenis zelve. Wij moeten de punten wèl in het oog vatten, die hier liet meest uitkomen: de vrouw, hare penningen , de verlorene , haar zoeken , haar vinden , hare blijdschap.
Van eene vrouw spreekt Jezus, en wel van eene zorgzame huisvrouw , die op hare huishouding behoorlijk acht geeft, die ook geenszins zoo rijk is, dat zij zich uit eenen verloren pen-
9
ning niets zou maken, maar die zich bezuinigen en haar kapitaaltje met alle vlijt bewaren moet.
Tien penningen waren haar gansche schat. Voor penningen lezen wij in den grondtekst drachmen, waaruit dus nader blijkt, welke penningen of geldstukken het waren die zij had. De drachme was een zilverstuk, eene grieksche munt, doch toenmaals ook bij de Joden in gebruik. Zij bedroeg een vierde gedeelte van een stater , dergelijke Petrus in den mond van den visch vond ; twee zulke penningen waren de tempelschatting voor een persoon, weshalve Petrus met eenen stater voor Jezus en hemzelven saam betalen kon (Matth. 17 : 27). De drachme had eene waarde van nagenoeg 40 cents, zoodat deze huisvrouw omtrent vier gulden bezat. Van dezen haren schat verliest zij éénen penning, ééne drachme. Bij hare geringe bezitting, die zij ook wel door den arbeid barer handen met moeite verkregen heeft, is dat verlies haar verdrietig en smartelijk. Zij kan dien penning niet missen, zij heeft er geen rust van, zij wil, zij moet hem weder hebben.
Zij stelt alles in het werk om hem weertevinden. Zij ontsteekt eene kaars, zij steekt hare lamp op , om beter te kunnen zien in de hoeken en duistere plaatsen van het huis , waar de penning mocht verborgen liggen. Daar zij hem niet aanstonds vindt, gebruikt zij nog een ander middel: zij keert het huis met bezemen, want de penning is mogelijk onder het stof geraakt. Zoo gaat zij, de lamp in de eene, den bezem in de andere hand lichtende en vegende het huis door ; zij laat geen hoek of spleet onaangeraakt en ondoorzocht: zij zoekt naarstiglijk, aanhoudend en nauwkeurig, en zij geeft het niet op tot dat zij haren penning vindt.
Eindelijk vivclt zij hem. En nu is zij zoo blijde als had zij een zeer grooten schat gevonden. En als zij hem gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende : weest blijde met mij, ivant ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. Hare blijdschap is zoo groot, dat
10
zij die niet in zich verbergen kan: zij maakt aan hare vriendinnen en geburinnen bekend, welk een geluk haar wedervaren is, die moeten in hare vreugde deelen en feest met haar houden als ware het een geboortefeest.
2. Dat brengt Jezus nu over, daar hij v. 10 spreekt: alzoo, zeg ik ulieden , is er blijdschap voor de engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. Hier geeft de Zaligmaker zelf het hoofddoel van deze gelijkenis te verstaan, ziende op de farizeesche Schriftgeleerden. Hoe stak de blijdschap dezer vrouw en de vreugde der engelen tegen het murmureren der Farizeën af! Alzoo hadden ook zij blijde moeten zijn dat er verloren zondaars gezocht en gered werden en dat Jezus zich het lot der ellendigen aantrok â en ziet, zij murmureerden er over dat hij zich een vriend van tollenaren en zondaren toonde, zij hadden geen oog, geen hart voor zijne raenschen-liefde en zochten die zelfs, zooveel in hen was, tegentewer-ken. Hunne liefdeloosheid , die zij daar aan den dag legden , hun boosaardig bestaan wilde hij hun onder het oog brengen, opdat zij zich schamen en zich zeiven als zondaars kennen zouden. Met dat oogmerk maakt hij deze sluitreden van het mindere tot het meerdere, van het aardsche tot het hemel-sche: is niet eene huisvrouw al blijde, wanneer zij, niet veel geld hebbende, één stuk gelds verliest en dat wedervindt ? Moest gij u dan niet verblijden, wanneer er een verloren zondaar, een mensch , terechtgebracht wordt? Meent gij, dat aan zulke zondaars, die gij veracht, zoo min gelegen is? Ik zeg ulieden , blijdschap ontstaat er zelfs voor de engelen Gods over éénen zondaar, die zich bekeert! blijdschap ook wanneer 't maar écn is, grooter blijdschap wnnneer 'tmeer zijn, welk eene blijdschap dan, wanneer al de tollenaars en zondaars naderen!quot;
3. Zoo is dan het hoofddoel van dit zinnebeeldig voorstel kenbaar. Intusschen, wij hebben ook nog de bijzonderheden te overwegen, waardoor deze gelijkenis zich van de voorgaande onderscheidt: want de Heer Jezus zal toch wel niet tweemaal
11
onmiddelijk achter elkander één en hetzelfde hebben gezegd.
Het is waar, deze twee gelijkenissen komen hierin overeen, dat in beide het zoeken naar het verlorene het sterkst uitkomt , terwijl in de derde de wederaanneming van den boetvaardige een hoofdpunt is. In de beide eerste gelijkenissen wordt het uitvoerigst geschetst de zoekende liefde des verliezers , in de laatste de gesteldheid en werkzaamheid van den verlorene zelf; in de beide eerste was tweemaal genoemd de zondaar die zich bekeert, de derde schildert de bekeering, hoe zij toegaat. In de beide eerste is het verlorene geheel lijdelijk, in de derde, waar niet meer alleen zinnebeeldig maar rechtstreeks van den mensch gesproken wordt, komt deze zelf werkende voor, hoewel zijn wederkeer ook slechts het gevolg en de uitwerking is van de liefde die hem zocht. Die overeenkomst dezer twee gelijkenissen en haar gemeenschappelijk onderscheid van de derde in dit hoofdstuk is bij Lukas ook aangeduid: want de beide eerste volgen onmiddellijk op elkander in onafgebroken rede, als in éénen adem gesproken, maar waar de Evangelist tot de derde overgaat (v. 11) schrijft hij er voor: en Hij zeide, tot een teeken, dat er intusschen eene pauze was ingetreden en dat Jezus nu op nieuw aanhief.
Bij deze overeenkomst der twee eerste gelijkenissen zijn er echter ook bijzonderheden, die al de drie onderscheiden, zoowel ten aanzien van het verlorene als van den zoekenden. Namelijk de zondige mensch wordt uit driederlei oogpunt beschouwd, in driederlei toestand voorgesteld: eerst a\s een onwetende, die dwaas en onbedachtzaam omdoolt, onder het beeld van een afgezworven , dwalend schaap ; dan in ergeren staat, diepgezonken , verlaagd , gevoelloos en hard, als een in het stof liggende, met aarde bedekte, levenlooze penning; eindelijk komt de schuld aan den dag, de mensch wordt geteekend als de eigen oorzaak van al zijne ellende, als een van zijnen vader met weten en willen weggeloopen kind. â En wat de afwisselende personen betreft, door wie het verlorene wordt ge-
12
zocht of aangenomen, zoo ligt daarin kennelijk eene aanduiding van de Goddelijke drieëenheid, zooals die omtrent den zondaar tot zijne terechtbrenging onderscheidelijk werkzaam is. Namelijk de herder, in de eerste gelijkenis, is de Zoon; in de derde wordt de Vader uitdrukkelijk en met name genoemd: hierdoor worden wij er als van zelf toe geleid om onder de vrouw, in deze tweede gelijkenis, den Heiligen Geest te verstaan. De verloren zondaar, die in volslagen onmacht, bewege-loos en dood in het stof ligt en onnut is geworden, wordt gezocht, gevonden en gereinigd door den Heiligen Geest.
De vrouw is dan niet de christelijke kerk, gelijk Luther wilde, maar 't is de Heilige Geest die wel in wezen één is met den Vader en den Zoon, maar toch als persoon van beiden onderscheiden. Dat de H. Geest hier onder het beeld eener vrouw wordt voorgesteld, dit kan ons, op het gebied der Heilige Schrift, niet bevreemden en het heeft zijnen goeden grond. Want aan den H. Geest is het baren eigen, het voortbrengen van leven , het werk der vernieuwing. Dat doet hij in de natuur, van de schepping aan, toen hij leven barende op de wateren zweefde (Gen. 1 : 2) en jaarlijks bij de vernieuwing van het gelaat des aardrijks (Ps. 104 : 30). En hij is de werker van alle geestelijk leven, naar Christus woord: hetgeen uit den geest geboren is, dat is geest (Joh. 3 : 6).
De vrouw, die den H. G. verbeeldt, is huisvrouw, huismoeder: zoo is hier dan bedoeld de Geest als werkende in het huis Gods op aarde, lichtende, vegende, zoekende.
De vrouw zoekt naar den eenen penning, dien zij verloren heeft van de tien. Wat in de vorige gelijkenis de negenennegentig schapen waren, dat zijn hier de negen penningen : rechtvaardigen naar hun eigen gevoelen en uitwendig voorkomen, gezonden die den medicijnmeester niet van noode hebben, die geen verloren geraakte zondaars zijn, maar goed en wèl op hunne plaats zijn gebleven. Deze negen gaat Jezus hier voorbij, van dezen zwijgt Hij, om ze daarna ia de derde gelijkenis
13
onder het leelijke beeld van den ouderen zoon des te kenbaarder te doen uitkomen; hier spreekt Hij alleen van den éénen zondaar die zich bekeert, van den éénen verloren penning, dien de vrouw met veel moeite zocht.
Hoe veel den drieëenigen God aan een eenige in zonden verlorene menschenziel gelegen is, ziet, vrienden, met welken nadruk verkondigt Jezus dat hier in deze gelijkenissen, hoe levendig schildert Hij het! Ten sterkste betuigt Hij dat in geheel dit voorstel, opkliminendor wijze, met al meerder klem. Zelfs de getallen en de voorwerpen, die Hij noemt, drukken het uit. Eerst honderd: wat men honderdvoudig heeft, daarvan kan men nog al ligter één missen: nu tien: daar drukt het verlies van één al zwaarder; maar hoe veel harder valt het, wanneer men van twee één verliest! En ziet de voorwerpen aan: eerst een verloren dier, dan wel een verloren geldstuk, maar eindelijk een verloren kind, een zoon!
Nadat wij de gelijkenis zelve, haar hoofddoel en hare bijzonderheden hebben nagegaan, laat ons
II
beschouwen den verloren zondaar en zijne teregtbrenging, hier afgebeeld.
1. Een verloren penning, een verloren geldstuk, in het stof liggende, met aarde bedekt â treffende afbeelding van den verloren zondaar! Wij menschen zijn geld uit de munte Gods. Gelijk keizers en vorsten op het geld, dat zij munten, hun beeld en opschrift stellen (Matth. 22 : 20), zoo heeft God in het begin den mensch met zijn beeld, naar zijne gelijkenis geschapen. Maar verdwenen zijn de trekken van Gods heerlijk beeld, die ware Godskennis, geregtigheid en heiligheid, waarin het beeld Gods in nauweren zin bestond. Intusschen is de mensch ook na den zondenval een beelddrager Gods in ruimeren zin en wij mogen nog met Paulus zeggen: wij zijn
14
Gods geslacht (Hand. 17 : 29), van wege dien hoogen aanleg en al die hoedanigheden en gaven, waardoor de redelijke mensch zich boven het redelooze vee onderscheidt. Ook heeft de mensch nog dezelfde waardij als vóór den val: want ook de diepstgezonkene heeft een onsterfelijke ziel, met geen wereld te betalen.
Dus is de mensch in den staat der zonde gelijk als de verloren penning, als zoodanig een penning, waarvan beeld en opschrift deels verteerd zijn door den roest, deels afgeloopen door de voeten die hem hebben vertreden. Hij mag nog zijne waardij hebben, maar wat nut hij, zoolang de vrouw hem niet weder heeft? Hij is wat men noemt een dood kapitaal. Hij is nog wel een penning gebleven en, wanneer een munt-kenner hem te zien krijgt, zoo zal die, ofschoon het oorspronkelijke beeld en opschrift er niet meer aan is, hem evenwel aanstonds nog voor een penning erkennen; maar als goede, gangbare rijksmunt kan hij niet meer gelden, of hij moet gezuiverd, ja wel omgesmolten worden. Ook de mensch is na den val nog mensch gebleven, maar het beeld Gods missende kan hij in het koningrijk Gods niet ingaan, hij geldt daar niet, hij is onnut geworden (Rom. 3:12), hij deugt niet voor het Godsrijk, of hij moet uit den Geest herboren, moet door den Heiligen Geest vernieuwd worden naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft.
2. In korte trekken schildert Jezus hier het werk des Heiligen Geestes, die den verloren zondaar teregtbrengt en herstelt. De vernieuwing van den bedorven mensch was wel altijd van den aanvang af het werk des H. Geestes, maar onder de bedeeling des Nieuwen Verbonds zou dit regt openbaar worden. Gelijk de Zoon Gods zelf in de dagen Zijns vleesches gedurende Zijn zigtbaar verblijf in Israël als een herder het verloren schaap opzocht, zoo zou na Zijne te huiskomst, na Zijne hemelvaart (waarvan Hij in het 6de vers een wenk gaf) de H. Geest als Zijn plaatsbekleeder, wonende in
15
het geestelijke huis Zijner gemeente op aarde, met evenge-lijke zorg en onvermoeide liefde werkzaam zijn om het verlorene terecht te brengen.
Deze werkzaamheid is, dat hij licht, het huis keert, naar-stiglijk zoekt.
Eerst ontsteekt hij het licht, de kaars des woords, den kandelaar des evangelies en hij gaat daarmede lichten vooral door middel van de prediking in het openbaar, maar ook door iedere getuigenis van de waarheid in het afgezonderde. Nadat de opperste herder predikende en roepende in het huis Israëls had omgelicht en naar zijn hemelhuis was wedergekeerd, zette deze zijn werk voort in den Heiligen Geest. De Heilige Geest stak den kandelaar op, door dat hij eerst de Apostelen deed opstaan , hen met kennis en wijsheid vervulde en hen in al de waarheid leidde, van toen af als hij onder het teeken van vuurtongen op hen nederdaalde in het huis waar zij zaten. Hij steekt voortgaande dien kandelaar op overal waar hij heils-gezanten en getuigen verwekt en hen bekwaam maakt, om voor anderen tot een licht te wezen. Door deze werktuigen licht de Heilige Geest zelf, gelijk Christus van hem heeft gesproken ; die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel (Joh. 16 : 8), om te zeggen tot de gebondenen: gaat uit! tot hen die in duisternis zijn: komt te voorschijn! (Jes. 49 ; 9). â De H. Geest ontsteekt ook licht in de ziel en ontdekt den verloren zondaar aan zich zeiven, zoodat deze gewaar wordt, in welk een diepte van ellenden hij ligt. Daar komt alles aan den dag, dan wordt het zon-denvuil openbaar, bij dat licht erkent de mensch wat hij door de zonde geworden is , hoe besmet, bedorven , mismaakt, onmachtig. Hij verliest zich zeiven, het eigen leven. Maar dat licht doet hem ook Jezus kennen en in Hem vindt hij redding en waarachtig leven.
Ten tweede de vrouw keert het huis met bezemen. Hierbij mogen wij denken aan al die instellingen en middelen, bij
16
het predikambt gevoegd, door welke de Heilige Geest in de kerk mede tot ontdekking en terechtbrenging van het verlorene werkt, vooral het oefenen van opzicht en tucht, niet alleen ter bewaring van orde, maar ook om het reine en het onreine te scheiden, een toezien en onderzoeken als het ware tot in alle hoeken en gaten, teneinde niets, wat verborgen schuilt, onbeacht en onaangeraakt blijve. Ook oordeelen en straf-gerichten, tuchtroeden in Gods hand, dienen daartoe om het huis te vegen. En in 't gemeen is dit keeren van het huis met bezemen alle ontdekkende beweging en roering, die de Geest Gods verwekt om de tot daartoe verhorgenen en verlorenen , die tot het eeuwige leven geordineerd zijn, te raken en aan 't licht te brengen. â Waar de Geest komt vegen, begint het te stuiven, in de kerk en ook in het hart. Het vuil raakt daar los, maar om den penning niet langer te bedekken.
Want dit is het doel en hiertoe moet alles medewerken, dat de verlorene gevonden worde. Daarom wordt ten derde het zoeken nog bijzonder vermeld als de eigenlijke hoofdzaak bij al deze verrichtingen : al lichtende en vegende zoekt de vrouw, hare gedachten zijn er op bepaald, haar oog is gescherpt, hare opmerkzaamheid ingespannen. Het is haar om het verlorene te doen: zij zoekt naarstiglijk totdat zij haren zilverling vindt. Zoo werkt de Geest Gods voort, totdat de verloren zondaar is gevonden : bekeerd, terechtgebracht, gereinigd , vernieuwd en toegedaan tot de gemeente die zalig wordt.
De vrouw is'verblijd als zij haren penning heeft gevonden: zij roept de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had. â Van den herder werd (v. 6) gezegd dat hij te huis kwam; van de vrouw niet, zij woont in het huis. De Heilige Geest heeft een huis, waarin hij woont en werkt, met eene afdeeling boven, dat is de gemeente in den hemel, waar geen zoeken meer noodig is, en een gedeelte
17
beneden, dat is de kerk op aarde, een groot huis (2 Tim 2: 20), waar de bediening des woords is en de H. Geest werkt, waar gezocht en gevonden wordt, waar de vorming voor het hoogere geschiedt. â De herder riep de vrienden en gehuren samen, hier daarentegen zijn het de vriendinnen en geburinnec die geroepen worden; doch dit maakt geen verschil, het is alleen om de gepastheid in dit voorstel omdat de handelende persoon als eene vrouw wordt vertoond. Dat er de engelen door te verstaan zijn is uit vs. 10 gewis, waar Jezus spreekt: alzoo. zeg ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. De engelen hebben hun verblijf in den hemel, doch zij krijgen ook te zien en te hooren wat er tot Gods eer op aarde gebeurt. Hoe dat toegaat, kan geen mensch zeggen. Maar er .gaat zeker veel meer in het heelal om dan wij menschen denken. Dit weten wij, de engelen hebben hunne opwachting voor Gods troon en worden van daar af en toe uitgezonden op aarde ten dienst dergenen, die de zaligheid beërven zullen. Er is dus eene nauwe gemeenschap tusschen de aarde en den hemel, hetwelk ook Paulus Hebr. 12 : 22 den geloovigen zoo nadrukkelijk herinnert, zeggende: maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der engelen. En geeft niet dezelfde Apostel 1 Kor. 11 : 10 te kennen dat bij de godsdienstige vergaderingen der Christenen engelen tegenwoordig zijn, waar hij leert dat de vrouw zich zedig moet gedragen om der engelen wil? Dat was ook reeds aangeduid door de cherubim in Israëls heiligdom. En hier zegt ons de Zoon Gods, die alle engelen aanbidden, dat zij zich verblijden over de redding van één verlorene. Ja het is iedermaal eene blijdschap voor de engelen Gods, wanneer een zondaar zich bekeert; in de onzichtbare wereld der geesten wordt een vreugdefeest gevierd, wanneer in eens zondaars hart Christus eene gestalte verkrijgt even als zij eens vreugde bedreven bij Zijne verschijning in de menschheid. Zij
2
18
hebben gejuicht, deze onsterfelijke kinderen Gods, bij de vorming der woeste en ledige aarde, zij juichen nog meer bij de herschepping van het door de zonde verwoeste schepsel, want in één wedergeboren zondaar op aarde zien zij meer heerlijkheid van God dan in geheel de wereld zijns aardrijks.
ILL
Wat wordt ons nu met het voorgestelde gezegd? Het is eene getuigenis van onze ellendigheid en eene waarschuwing voor verharding in de zonde. Het behelst de aanbieding van eene alles werkende genade. Het geeft dankstof en bemoediging.
1. Toehoorders moet ons niet ten diepste treffen dat droevig en vernederend, maar waarachtig beeld, hetwelk de Heer Jezus ons hier voorhoudt van onze ellendigheid? De goddelijke waarheid rukt ons de vijgebladeren af, en stelt al de heerlijkheid, waaronder de ellende van Adams kinderen zich verbergt, in hare nietigheid ten toon. O ziet toch, in welk een naren toestand de mensch verkeert, zoolang hij onbekeerd is; een verloren penning, in een duisteren hoek in het stof liggende en met vuiligheid overdekt, ziet daar een beeld van de verachtelijke laagheid, waarin de mensch, dat eens zoo heerlijk en nog zoo kostbaar schepsel, door de zonde geraakt. â Schaap en penning beide verloren! Kan het verdwaalde schaap nog blaten, kan dat zijn leed en gevaar nog voelen, de penning voelt niets. Ziet wat er eindelijk van den zondaar wordt die in de zonde voortgaat: hij wordt als de penning, zoo gevoelloos en hard, liggende in het vuil der zonde. Zoo gaat het van kwaad tot erger, van de onwetendheid en dwaasheid des dwalenden schaaps, hetwelk 't beter meende te krijgen wanneer het wegliep, tot de ongevoeligheid des pennings die onder het stof ligt, maar ook tot al dieper ellende, gelijk Jeremia van de Joden klaagt: die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opge-
19
trokken zijn, omhelzen den drek (Klaagd. 4: 5). Dien schrik-kelijken voortgang in den ellendigen staat der zonde stelt ook Paulus ons ter waarschuwing voor oogen, waar hij de heidenen afteekent als wandelende, gelijk het dwalend schaap, m de ijdelheid hum gemoeds, Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten, Welke, ongevoelig, als de penning , geworden zijnde, zich zeiven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven (Ef.4:17â19). Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: heden, indien gij Zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet! Maar vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde! (Hebr. 3.) â Hebt gij u nog om geen bekeering bekommerd en het altijd uitgesteld, och zondaar, sterveling! denk toch eens na, wat zal dan uw einde zijn? Acht tocht uw gevaar niet garing, maar bid God, dat Hij u oogen geve om het te zien, dat Hij u een hart geve om het te gevoelen. Haast u, haast u, 't is nog een tijd van genade. Gij zijt op weg naar de eeuwigheid. Ras kan het gedaan zijn. Dit vluchtige, kortstondige leven is te gewichtig om lichtzinnig te wezen en om het aan den dienst eener wereld toe te wijden, die met al hare begeerlijkheid voorbijgaat en die met al hare penningen, met al haar zilver en goud geene ziel kan lossen. O verlaat, verlaat den breeden weg, die met iederen stap, welken gij er op doet, al gevaarlijker wordt en in verschrikking en wanhoop eindigt. Gaat gij er op voort, ach dan is er blijdschap in de helle voor de verworpene geesten van den afgrond. Maar wanneer een zondaar zich bekeert, is er blijdschap voor de engelen Gods in den hemel.
2. Zegt gij verlegen: hoe kom ik er toe ? Bij de men-schen is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. En 't is ook noodig, dat gij dit erkent. Jezus
2*
20
leert liet in deze gelijkenis ook zeer nadrukkelijk. Want wat vermag de verloren penning? niets! Wat de aan zich zeiven overgelaten mensch ? ook niets, al verwacht hij alles van zijne eigen kracht, gelijk de Chaldeër bij den profeet, houdende deze zijne kracht voor zijnen god (Hab. 1 : 11). Maar ziet gij dit in, hoe bedorven, hoe onmachtig gij zijt, gewis dat is u reeds van God gegeven. Waar het zonden-vuil erkent wordt, daar is zeker reeds licht, daar is eene roering van den Geest. Versaag niet! houd moed! Immers in dit voorstel van den Heiland is tegelijk voor verlegenen behelsd de troostrijke aanbieding van eene alleswerkende genade. De penning doet niets, alles wordt aan hem gedaan. Gedenkt, de Heere is een God, die wel zeer hoog woont, maar ook zeer laag ziet, Die den geringe uit het stof opricht en den nooddruftige uit den drek verhoogt (Ps. 113 : 7. Zie op tot Hem, roep Hem aan in uwe nooden. Hij hoort uwe stem, uwe smeekingen. Hebben banden des doods u omvangen en angsten der helle u getroffen, zucht gij in benauwdheid , in droefenis, laat niet af den naam des Heeren aan te roepen met de bede: och Heere! bevrijd mijne ziel! De Heere is genadig en rechtvaardig en onze God is ontfermende (Ps. 116). De hemelsche Vader zal den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden. Want er is een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige. En Hij is eene verzoening voor onze zonden. Dezen heeft God door Zijne rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekeering en vergeving der zonden (Hand 5 : 31). Die gave wil Hij ook u geven, arme, treurende! De almachtige Geest, die van den Vader door den Zoon uitgaat, kan en wil in u werken wat u onmogelijk is; Hij kan het heerlijke beeld Gods in u weer oprichten; hoe bedorven gij ook zijt, Hij kan u maken tot een nieuw schepsel, geschapen in Jezus Christus tot goede werken. â Komt gij u zelf te onwaardig, te gering, te nietig voor,
21
om zulks ooit voor u te durven verwachten ? O gedenk dan aan hetgeen Jezus heeft gezegd van het schaap en van den penning. Hoeveel gaat een mensch een schaap te boven ? (Matth. 12 : 12). En wat deed de herder er niet om? Wat weegt een penning tegen een mensch? maar welk belang stelde de vrouw er in! Gij, die nog niets dan dood en verderf voor uwe oogen ziet, wees verzekerd, gij kunt zoo vurig niet haken naar de zaligheid als de Drieëenige God gewillig is om ze u te schenken.
3. Is het echter voor u zeiven kennelijk dat gii tot de gevondenen behoort, kunt gij in de bewegingen en uitgangen van uw hart, in uwe keuze , in geheel uw bestaan opmerken, dat het werk van Gods Geest waarlijk in u is begonnen, erkent dan ook dankbaar de dingen die u geschonken zijn en laat hetgeen de Heere tot hiertoe aan u gedaan heeft, u bemoedigen voor de toekomst.
Ziet gedurig eens weer om op die diepe ellendigheid en dat hachelijk gevaar waaruit gij, wedergeborenen tot eene levende hope, door Gods genade gered zijt, opdat gij uw onverdiend voorrecht en uwe tegenwoordige veiligheid des te hooger leert waardeeren. Zijt gij niet als de penning van onder het stof opgezocht en tot het licht gebracht? Was er dan een tijd, waar gij, tot besef van uwen staat gekomen, klagen moest: ik ben gezonken in grondeloozen modder (Ps. 69 : 3), welk eene dankstof, wanneer gij nu moogt zeggen: ik heb den Heere lang verwacht en Hij heeft Zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord. En Hij heeft mij uit eenen ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald en heeft mijne voeten op eene rotsteen gesteld, Hij heeft mijne gangen vastgemaakt (Ps. 40 : 2 , 3). Weest dankbaar! Hebt Hem lief, die u het eerst heeft liefgehad. Bedenkt, wat Jezus tot uwe redding heeft gedaan. Weest erkentelijk voor den trouwen arbeid van den Geest der genade, zonder Wien gij onbekeerd zoudt gebleven zijn, die tot u wilde afdalen in het vuile stof om u
22
te zoeken, om u te zuiveren, om u met des rechten keizers beeld en opschrift weer te versieren en u alzoo tot den hemel-schen schat der verloste zielen toe te voegen.
En zoudt gij niet gemoedigd mogen zijn voor het toekomende? Hij die een goed werk in u begonnen heeft, zal dat ook voleindigen tot op den dag van Jezus Christus. Al moet gij veel tegenstand verduren, de Heere is met u, Hij zal u bewaren. Wanneer de wereld spot, lastert, woedt, het bevreemde u niet, zij heeft dat altijd gedaan. Die dat doen bezondigen zich en zij mogen toezien dat over henlieden niet kome hetgeen gezegd is in de profeten: ziet, gij verachters en verwondert u en verdwijnt, want Ik werk een werk in uwe dagen, een werk 't welk gij niet zult gelooven, zoo het u iemand verhaalt (Hand. 13 : 41). Maar gij die gevonden en in hope zalig geworden zijt, troost u hiermede, dat het vaste fondament Gods staat hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen die de Zijne zijn; maar dan ook: een iegelijk die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. De Heere zal Zijn werk niet verloochenen en welke beroeringen en omkeeringen er ook ontstaan, de gevondene penningen gaan niet weer verloren en die het zegel des levenden Gods dragen, worden bewaard. â Laat u ook niet ontmoedigen bij de dagelijksche ondervinding van uwe onvolmaaktheid, bij de smartelijke gewaarwording dat er nog zooveel overblijfselen van de verdorven natuur in u woelen, bij de droevige ervaring dat al wat gij doet nog zoo onrein en met zonde besmet is. Het blijft een strijd op aarde. Daarom kan hier ook geen volmaakte en bestendige blijdschap worden genoten. Maar eens zal uwe vreugde volkomen worden, wanneer gij uit dit tranendal wordt overgebracht naar den zaligen hemel. Ja er komt een staat van heerlijkheid, waar aan al de verlosten geen vlek of rimpel meer zijn zal, waar het beeld Gods in volle reinheid zal blinken. En is er nu blijdschap voor de engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert, welk eene
23
blijdschap zal dat voor hen zijn, wanneer al de bekeerden verheerlijkt daar staan! Dan zal hnn lied met dat der verlosten zich paren en uit hun aller mond zal de stemme opgaan: de lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.
'k Ben alles, God! door Uw genade.
Wat heb ik dat ik niet ontving?
Och dat ik altijd dan te rade
Met mijn gebrek en rijkdom ging :
Dan was mij Uw genade , o God!
Genoeg, ook in het bitterst lot.
(J. F. SCHIMSHEIMER.)
Ps. 25 : 2 , 4. â 103 : 2 , 4. n 72:11.
Gelezen : Efez. 4 : 10â24.
LUK AS XV vs. 11â13.
De verloren zoon van den vader weggetogen:
DE MENSCH VAN GOD AFGEVALLEN.
Uit de diepte des lijdens roept de godvruchtige dichter van den 130 Psalm tot zijnen God en zegt vs. 3; Zoo gij, Heere, de ongerechtigheden gade slaat, Heere, wie zal bestaan? Ziet daar belijdenis van schuld. Zoo moet het. Geen beklag als ware het lijden onverdiend, maar van harte toegestemd dat al het lijden verdiende straf is en dat, wierde alle zonde naar recht gestraft, geen mensch zou kunnen bestaan. Wie om redding uit zijn nooden smeekt, moet met schuldbelijdenis komen, moet bekennen dat hij met al de kinderen van Adam strafwaardig is. Wij hebben te doen met een heilig, alwetend en almachtig God. Slaat Hij de ongerechtigheden gade, roept Hij ons ter verantwoording, wil Hij met ons rekenen en rechten, wie zal voor Hem bestaan? Niemand. Wie moet daar niet als een schuldige vol van angst en bange verwachting neerzinken ? En openbaart Hij zijnen toorn, komt Hij met straf, wie moet daaronder niet vergaan? Dan is het gelijk als Mozes met Israël onder de oordeelen Gods betuigen moest: wij vergaan door Uwen toorn en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns. (Ps. 90: 7, 8.) Wie kan zijne zonden tellen? en wie recht beseffen wat kwaad er in iedere zonde ligt?
Toch leeft zoo menig mensch in de grootste zorgeloosheid
25
voort als had hij niet zoo veel te vreezen, als kon hij wel voor God bestaan. Waarom? Hij ziet niet in dat de Wet Gods geestelijk is, hij verstaat niet wat er al van hem gevorderd wordt en eigenlievend acht hij al wat hij doet hoog en zijne verkeerdheden en overtredingen acht hij gering. Maar komen de oordeelen Gods over hem, dan kan hij niet bestaan, dan moet hij ondervinden wat de profeet zegt van degenen die op zich zeiven vertrouwen: hunne webhen deugen niet tot kleederen en zij kunnen zich zeiven niet dekken met hunne werken. (Jes. 59: 6.)
De eigengerechtigheid is de grootste hinderpaal voor de bekeering. Tegen haar heeft de genade altijd te strijden gehad. Hoe meer zij zich voordeed, des te nadrukkelijker werd er van de zonde getuigd. Vooral door den Heere Jezus zelf in de dagen Zijner profetische bediening. Want in de blinde en hoogmoedige Farizeën trad de eigengerechtigheid het stoutst en met de grootste onbeschaamdheid op. Daartegen sprak met nadruk de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige. Gaat maar Zijne redenen na, altijd is Hij er op uit om den mensch eerst tot schuldbesef te brengen, tot het gevoel van zondaar te zijn. Daarom stelde Hij het beeld van den zondigen mensch zoo duidelijk voor en toonde den mensch in zijne ware gedaante. Ook hier.
TEKST : Lukas XV : 11â13.
En Hij zeide: een zeker mensch had twee zonen.
En de jongste van hen zeide tot den vader: vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.
En niet vele dagen daarna de jongste zoon alles hijeenvergaderd hebbende is weggereisd in een vergelegen land en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.
26
De drie gelijkenissen, waaruit dit overheerlijke Hoofdstuk bestaat, zijn tegen de Farizeën gericht, die murmureerden, dat Jezus tollenaars en zondaars ontving. Hij beschaamt hunne enghartigheid en hun liefdeloozen trots door hun in krachtige trekken de ruime liefde Gods af te ⢠malen, de groote, alle menschelijke gedachten te bovengaande ontfermende liefde des Drieënigen omtrent verloren zondaars.
Eerst, in de gelijkenis van herder en schaap treedt ons kennelijk voor oogen het beeld van den Zoon Gods, van Jezus zeiven, die het verlorene zoekt en zalig maakt. In de tweede van de vrouw en den penning, wordt het werk des Heiligen Geestes afgeschetst. In deze derde openbaart zich de Vader. Hier toont Jezus ons den aanvang en oorsprong van 's men-schen ellendigheid en den verschrikkelijken voortgang der zonde; hier beschrijft Hij het werk der bekeering inwendig en uitwendig, daar Hij ons voor oogen stelt, wat er bij de bekeering in het hart des zondaars omgaat en hoe hij in bestaan en gedrag verandert; hier wordt de liefde des Vaders met eene levendigheid en kracht geschilderd die het hart moet breken â waartegen in den ouderen zoon het beeld van den gevoelloozen Farizeër treurig afsteekt, die tegen vader en broeder murmureert.
In het tafereel van den verloren zoon ligt iets onuitsprekelijk boeiends. Al heeft men het honderdmaal gelezen, men leest, men hoort het altijd weer als nieuw. Het roert, het verplettert, het beurt op. Geen wonder: het is een uitvloeisel van de opperste Wijsheid en het is uit het leven genomen, zoodanig dat het bijkans geen gelijkenis maar werkelijkheid is wat ons hier voor oogen treedt. Ieder bekeerde ziet in dezen klaren spiegel zijn eigen beeld en er wordt ook geen zondaar zalig of de weg van den verloren zoon wordt zijn weg.
Wij bepalen ons bij den tekst en beschouwen het leven in de zonde zoo als het begint en voortgaat.
27
I. Het beeld: een zoon van zijn vader gescheiden en zijn goed doorbrengende.
II. De zaak: de mensch van God gescheiden, niet minder een doorbrenger.
I.
1. Er was eens een huisvader die twee zonen had, met wie hij op zijn landgoed leefde. Hij was rijk, hij bezat uitgestrekte gronden en in zijn huis ontbrak het niet aan eenig ding. Hij was goed jegens zijne kinderen, alle liefde bewees hij hun en zij hadden waarlijk geen reden om onvergenoegd te zijn. Met geen zorgen behoefden zij zich te kwellen , al wat zij billijker wijze maar wenschen konden vonden zij volop in het rijke vaderlijke huis. Zoo sleten zij gelukkige dagen.
a. Maar een duistere wolk kwam op dit vredige huis aantrekken : er zou een droevige scheuring ontstaan. Den jong-sten zoon begon het bij zijn vader te vervelen: hij maakte zich allerhande plannen, bij hem rees het voornemen op, het vaderlijke huis te verlaten en buitenslands te gaan. Toen eindelijk dat besluit bij hem rijp geworden was, trad hij tot zijnen vader en zeide: vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt.
Wat begeerde hij, tot hoever strekte zijn eisch zich uit? Sommigen verstaan het dus, dat hij niet geheel zijn erfdeel vraagde maar alleen een uitzet, zooveel als noodig was om in gevestigden staat te treden. Daarmede wilde hij gaan reizen, dat zou dan zeggen naar oostersche wijze koophandel drijven en zijn fortuin maken. â Maar aan handel en winst dacht deze jongeling wel weinig en zijn eisch was zoo bescheiden en betamelijk niet. Dat blijkt ook uit het beloop des verbaals. Immers had hij maar een gedeelte van 't geen hij erven kon ontvangen en dus het overige bij zijnen vader laten berusten, dan ware hij, toen hij verarmde en gebrek leed,
28
nog niet gansch arm geweest en hii zou veel eerder en vrijmoediger naar zijns vaders buis zijn gekeerd. En de tekst zegt het uitdrukkelijk, de grondtekst althans, naar welken hij spreekt niet: geef mij een deel van het mij toekomende goed, maar: geef mij het mij toekomende deel van het goed.
Of zou men voor den eisch van dezen zoon nog wat meerderen grond kunnen bijbrengen door te veronderstellen dat de moeder was gestorven en dat de jongste zoon, nu tot zijne jaren gekomen, zijn deel van het moederlijke vermogen wilde ontvangen? Ook dat mogen wij niet aannemen. Want zulke scheiding van vaderlijk en moederlijk goed had bij de ouden geheel niet plaats: de man was heer van alles.
De eisch van dezen zoon was stout: hij begeerde geheel zijn erfdeel; Want het goed is het vermogen zijns vaders; daarvan vraagt hij dat deel dat hem toekomt, eigenlijk het op hem vallende deel, dus zooveel als hij eens na zijns vaders dood zou kunnen krijgen.
Onbescheiden eisch! Hoe kwam hij toch daartoe? had hij het niet goed bij zijnen vader? kon hij het wel ergens in de wereld beter hebben? Ach nog eer dat stoute woord over zijne lippen ging, had hij in zijn hart het vaderlijke huis reeds verlaten en deze snoode taal was slechts de uitbraak van het kwaad dat zich in zijn binnenste had gevestigd. Hij zegt nog: vader! maar de kinderzin was in hem uitgedoofd. Booze bedenkingen waren in zijn hart opgekomen: hij was innerlijk al van zijnen vader vervreemd , de liefde van zijnen vader was hem hoe langer zoo meer onverschillig geworden. De vader is hem zoo lief niet meer als 's vaders geld, hij kan den tijd niet afwachten dat zijn vader sterft en hij zijn erfdeel in handen krijgt en naar eigen zin en lust daarover beschikken kan. â Het vaderlijke huis is hem veel te nauw; altijd zoo onder het oog, opzicht en gezag des vaders te staan , dat verdriet hem, de tegenwoordigheid des vaders wordt hem lastig. Hij wil de wereld in. Dwaze jongeling! Vrij wil
29
hij zijn, hi] wil zijn eigen heer en meester wezen. Of hij zijnen vader verdriet veroorzaakt, zich zijn ongenoegen verwekt , verstoring maakt in het huis, den vader zijnen dienst onttrekt, het goed vermindert â dat alles kreunt hem al minder, over dat alles kan hij allengs heen. Hij wil zijn eigen zijn, wat hij is en wat hij heeft, wil hij voor zich zeiven wezen, voor zich zei ven hebben. Wonderschoone dagen spiegelt hij zich voor, hij denkt dat hij gelukkig zal zijn, wanneer hij van alle banden ontslagen geheel naar eigen zin kan handelen. Dan kan hij zoo menig genoegen smaken dat hem nu ontzegd is, dan alle vermakelijkheden bijwonen waarvan hij bij zijnen vader niets heeft. En hij heeft wel gehoord, hoe schoon, hoe vroolijk het elders in de wereld is en een of ander kwaadstoker heeft hem wel allerhande moois voorgespiegeld en veel kwaad ingeblazen en tot hem gezegd: âwat hebt gij zoo van 't leven ?quot; â Ach ziet, wat zwarte ondankbaarheid â al de weldaden, die hij dagelijks geniet, zijn ze niet van zijnen vader? maar hij acht ze voor niets. En welke aanmatiging van den zoon die zoo tegen zijnen vader durft optreden en den vadernaam nog wel op de lippen voert maar tot wien de vader wel mocht zeggen, ben ik een vader, waar is mijne eer? ben ik een heer, waar is mijne vreeze? welk een vermetelheid van den jongeling, die tot zijnen vader gaat spreken: geef mij van uw vermogen het deel dat mij toekomt! â als of hem iets toekwam, als of hij er een recht op had, als of de vader over zijn goed niet vrij kon beschikken, ook, wanneer hij wilde, ten nadeele van den ontaarden zoon! Langen tijd mocht hij niet wagen den vader zoo aanspreken, âik durf het niet zeggenquot; zal hij menigmaal bij zich zeiven gedacht hebben. Maar eindelijk was het denkbeeld, waarmee hij omging, hem zoo eigen en zoo machtig geworden dat hij er mee uitkwam, te meer omdat hij daarbij dacht: âmijn vader is goedig, hij weigert het mij niet.quot; b. Met welk een oog mag de vader dezen zoon aangezien
30
hebben, toen die dat verlangen uitsprak! Ziin lievend hart werd aangegrepen van droefheid en smart. Hij zag de booze bittere bron waaruit het voortkwam, hij voorzag de nare, schrikkelijke gevolgen die het hebben zou. Maar weigert hij? zegt hij: âkind, dat doe ik niet?quot; dreigt hij? spreekt hij verbolgen: âgij ondankbare, gij ontevredene, wat hebt gij voor? wacht, ik zal u dat afleeren?quot; Neen. Hij waarschuwt hem wel, hij vermaant, hij smeekt hem om van zijn voornemen af te staan â maar te vergeefs. Want het was niet maar een oogenblikkelijke lust die hem aangreep, niet slechts een vluchtige ter kwader ure bij hem opgekomen gedachte, maar het was reeds geheel zijn ingewortelde zin en wil en alles stond bij hem vast besloten. Daarom weigert de vader niet: hij wil hem niet dwingen bij hem te blijven, want hij wil vader over zijne kinderen wezen, geen tyran, vrijwillige gehoorzaamheid wil hij en niet eene gedwongene.
Hij dan deelde hun het goed. De oudste zoon bekwam naar het recht der eerstgeboorte het vaste goed, de eigenlijke vaderlijke erve â zoodat na de deeling al wat de vader had hem behoorde, gelijk de vader daarna (vs. 31) tot hem zeide: al het mijne is uwe â doch niet om het nu al aanstonds zelf te aanvaarden en vrij daarover te beschikken, maar om het te hebben onder het voortdurend beheer van zijnen vader. Aan den jongsten zoon werd zijn deel uitbetaald.
2. Hooren wij verder. Jezus verhaalt van hem vs. 13: En niet vele dagen daarna is de jongste zoon, alles bijeenver-gaderd hebbende, icegyereisd in een vergelegen land en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.
a. De jongeling had nu dan wat hij erven kon. Bezint hij zich nog ? Neen, hij maakt haast om weg te komen. Hij pakt alles in wat nu het zijne was, zijn geld, zijne kleinoodiën en kostbaarheden, zijne kleederen, geheel zijn lijfstoebehooren. Binnen weinige dagen is hij gereed. En nu trekt hij weg, niet treurig, maar vroolijk. Anders valt het een welgeaard kind
31
zoo zwaar, van de ouderlijke woning te scheiden; daar wordt het hart zoo vol, daar blijven de oogen niet droog; dat laatste woord âvader! moeder!quot; o het wil er haast niet uit; het is als of men het leven verliet en in den dood ging. Maar deze jongeling is ongevoelig. Hooghartig en koud zegt hij zijnen vader vaarwel, die in zijn binnenste verscheurd van smart met een oog vol van het diepste leedgevoel hem teeder aanziet en liefdevol en ernstig hem nog ten afscheid vermaant en waarschuwt. âKind , spreekt hij, gij wilt nu eenmaal gaan, ik wil u niet dwingen te blijven , maar gij bedriegt u, gij zult het ondervinden , het gaat niet goed; wellicht zult gij zelf eens anders gevoelen; nu ga dan heen â ik blijf aan u gedenken â â
h. De zoon is dan weggetogen uit het vaderlijke huis. Hij reist al voort. Hij blijft niet in een naburig land, neen , hij trekt verre teeg van het vaderhuis. Nu kan hij dan in zijne eigen wegen wandelen, nu is hij dan vrij waarnaar hij zoo heeft verlangd. Hij is zijn eigen heer, hij kan nu doen en laten wat hij wil. Hij heeft zijnen vader niet meer voor de oogen, hij behoeft diens lessen niet meer te hooren. Hij behoeft niet meer ter kerk te gaan, hij behoeft niet meer te lezen, niet meer te bidden. Hij kan vloeken, drinken, spelen, tieren â geen lastige vermaner zegt hem er iets van. â Maar is zijn hart voldaan? heeft hij nu dan werkelijk bereikt wat hij als zoo schoon en begeerlijk zich voorstelde? â
Nadat hij al verscheiden landen is doorgereisd en behoorlijk heeft omgezien in de wijde wereld, gaat hij â zeker op handigen raad van gelijkgezinden â zich in eene groote stad vestigen, waar weelde en wellust heerschen, om daar nu eens recht het leven te genieten en zich naar hartenlust te vermaken. Daar leeft hij nu alle dagen vroolijk en prachtig. Hij is rijk en hij is kwistig. Dat brengt hem ras eenen drom van vrienden toe. Hij stort zich in den stroom van al de wereldsche begeerlijkheden. Hij voert eene staatsie als of er
32
aan zijn vermogen geen uitputten was. Hij neemt gretig deel aan al de zinstreelende vermakelijkheden der stad; waar iets is, hij is er bij en al voortgetrokken door zijn eigen lusten en door het voorbeeld zijner godvergeten makkers geeft hij zich hoe langer zoo meer over aan eene ongebonden, woeste leefwijs. â Hij geeft al uit â en beurt niet in. En zoo duurt het niet lang, of zijn geld is verdwenen, zijn vermogen verspild, zijn goed doorgebracht. Doorgebracht, zegt het verhaal, eigenlijk verstrooid', jammerlijk tegendeel van het vroegere , evenzoo eigenmachtige bijeenvergaderen van al het zijne: nu verstrooide hij het, hij gaf het al uit â voor niets! het was als in de winden gegooid â het vloog naar alle kanten weg. Wat had hij er van?
Wanneer naderhand (vs. 30) zijn oudere broeder van hem zegt tot zijn vader: hij heeft uw goed met hoeren doorgebracht , zoo kon men wel daartegen inbrengen dat deze broeder daar iets heeft beweerd waarvoor hem het bewijs ontbrak en dat hij naar zijnen nijdigen aard de zaak heeft overdreven. Maar Jezus zelf geeft den verkwister hier geen beter getuigenis: hij heeft aldaar zijn goed doorgebracht levende overdadiglijk: overdadig, naar den eigenlijken zin des woords heilloos, zich zei ven verdervende, eene uitdrukking, die allerhande onmatigheid en losbandigheid te kennen geeft; om het met woorden van Paulus te zeggen: hij heeft geleefd in hrasserijen en drotikenschappen, in slaapkameren en ontuchtigheden (Rora; 13: 13). Hij leidde een liederlijk leven.
Ongelukkig jong mensch! Nadat hij eenmaal de banden afgeworpen en zijne voeten gezet heeft op den weg der zondaren, ijlt hij al voort op de gladde baan. Het kwaad is hem geene verzoeking, het is zijne keus. Aan zijn vader denkt hij niet meer, de vermaningen', uit diens mond gehoord, zijn vergeten, dood en oordeel en eeuwigheid komen hem niet in gedachten, het geweten moet zwijgen, het wordt als met een brandijzer toegeschroeid. Tot nadenken komt hij niet, daar-
33
voor zorgt de duivel, wiens hi] is, wien hij ook dient. â Losse lieden, lichtmissen zijn zijn gezelschap. Hij geeft gelagen , hij woont gelagen bij. Zijn huis is het gedurig tooneel van schaterend gejubel, dat bij de nachtelijke slempmalen wild en woest weergalmt. Wellustige deernen hangen zich als adders om hem, hoeren spannen hem in hare strikken en azen op zijn leven en zijn goed. En zoo gaat hij voort en brengt zijne kostbare dagen onzinnig door en verkwist zijn vermogen, brassende, zwelgende, onder heilloos, ziel-doodend en zinverdoovend vermaak â tot dat de laatste penning is uitgegeven, het laatste kleinood verkocht, â tot dat hij al zijn goed heeft doorgebracht!
II.
1. Tot zoover gaan wij ditmaal, tot zoover stelt de tekst ons de geschiedenis van den verloren zoon voor oogen. En hier sluit ook in den loop dezes verdwaalden het eerste perk. Hier staan wij stil en vragen: wat is de zin en bedoeling van dit voorstel ? wat is de zaak, die de Heiland in deze gelijkenis afbeeldt?
Een zeker mensch had twee zonen. Die tnensch is God. Maar wie zijn de twee zonen ? Hier moeten wij herinneren, dat degenen dwalen en met geheel de gelijkenis in de war geraken die meenen dat de oudste zoon de ware kinderen Gods, de wezenlijk rechtvaardigen verbeeldt; de teekening van dien oudsten zoon (v. 25 v.v.) leert het tegendeel. Wat dan?
a. Door de twee zonen beeldt Jezus die twee partijen af, die hij daar voor zich had en tot welke hij sprak, namelijk door den oudsten zoon de Farizeën, de uitwendig en schijnbaar rechtvaardigen, door den jongsten zoon de tollenaars en zondaars. Hierop doelt dit leerbeeld in de eerste plaats. Doch het ziet nog wijder.
h. In ruimeren zin ziet het op Jood en heiden: in den
3
34
oudsten zoon is het jodendom, in den jongsten het heidendom afgebeeld. Want gelijkerwijs binnen het joodsche volk de Fari-zeën zich zelve onderscheiden boven de tollenaars en bij uitnemendheid genaamde zondaars, zoo onderscheidde zich wederom het joodsche volk in het geheel boven de heidenen die in afgoderij en in alle onreinigheid verzonken waren en die God wandelen liet in hunne wegen.
c. Eindelijk in nog ruimeren zin, in nog wijderen omvang is het waar wat dit zinnebeeldig verhaal afschetst; de oudste zoon is het beeld van al die menschen, tot welk volk ook behoorende, die uitwendig zedig leven en schijnbaar den wil Gods doen, de verloren zoon het beeld van hen die alle banden verbreken en ook in het openbaar als zondaars uitkomen.
Merken wij nu niet, Vrienden, de uitnemende wijsheid en doordringende kracht van Jezus rede? Zien wij niet hoe hij nederslaat den hoogmoed der zelfgerechtigen, den ijdelen waan der trotsche zielen? hoe hij alles onder de zonde besluit opdat niets overblijve dan genade? Let slechts op! Eerst stelt hij die twee gelijk in voorrecht en bezit als kinderen van éénen vader in eenzelfde huis: dat was al tegen de inbeelding van hen, die zich boven de zondaars verhieven. En dan stelt hij wederom beiden gelijk als zondaars, hoe verschillend ook in bestaan en houding. De Heer Jezus leert ons hier hetzelfde wat zijn Apostel Paulus heeft uitgesproken: er is geen onderscheid: Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3: 22, 23). Want stelt Jezus den âzondaarquot; wel in al de boosheid en schandelijkheid zijner zonde voor, hij doet ook den schijnbaar rechtvaardige (v. 25 v.v.) uitkomen als een bedekt erg zondaar en brengt zijne boosheid aan den dag. En zoo staan dan beiden ook hierin gelijk dat zij beiden zondaars zijn. â Maar hierop volgt een groot verschil tusschen deze twee en wie wordt daar de meerdere ? de zondaar ! De zondaar bekeert zich, van den zelfgerechte wordt geen bekeering vermeld! Tollenaren en zondaren bekeeren
35
zich, Farizeën blijven onbekeerd! â Heidenen bekeeren zich, Joden blijven verhard. â En overal in de menschheid het gedurige, het gewone verschijnsel: grove, uitspattende zondaars worden nog bekeerd en gaan in, uiterlijk deugdzamen die op zich zeiven vertrouwen, gaan zeiven niet in en hinderen anderen!
Uit het aaugetoonde doel dezer gelijkenis gaat ons nu ook hierover een licht op, waarom de Zaligmaker juist den/ow//-sten zoon als verloren zondaar voorstelt en de zelfgerechten door den oudsten afbeeldt. Het is geenzins om de verdwaling des verlorenen halverwege te ontschuldigen wegens zijne jongheid, want ook de oudere was immers in zijnen tijdjow^ geweest; maar het is omdat de eigengerechtige Farizeën zich den voorrang bij God boven anderen, als liet ware den rang van eerstgeborenen aanmatigden. Dies voegde het dat (/ie zoon, door wien de zelfgerechten zouden afgebeeld worden, de eerstgeborene , de oudste was en dat de verlorene en verachte zondaren door den tweeden, jongeren zoon werden afgeschetst.
2. Er is dan niet één rechtvaardige: de schijnbaar niet verlorene is toch een verlorene en de verloren zoon is het waarachtig beeld van ieder zondig mensch.
De mensch een verloren zoon! Een zoon, maar â een verlorene! Ziet daar hoogheid en val!
a. Wij zijn Gods geslacht. Adam wordt in de geslachtslijst bij Lukas (3: 38) de zoon van God genoemd. Geschapen naar Gods beeld blonk de mensch in heerlijkheid uit boven al de schepselen der aarde. De Almachtige was niet alleen zijn schepper, maar in alles had Hij zich als zijn vader bewezen. Met uitnemende gaven had Hij hem uitgerust, met weldaden had Hij hem overladen , al den rijkdom Zijner liefde had Hij voor hem ontsloten, aan geen goed liet Hij het hem gebreken, al de volheid der aarde had Hij hem geschonken, over alle schepselen hem de heerschappij gegeven, doch niet om eigenmachtig daarmede te handelen en om er als met een
3*
36
roof van God mee af te gaan, maar om het als een leengoed tot Zijne eer te gebruiken. De mensch was Gods bevoorrechte zoon, opdat hij God zijnen Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou om Hem te loven en te prijzen.
Hoe goed had het de verloren zoon, toen hij nog was in het ouderlijke huïs! Hoe goed had het de mensch, toen hij nog woonde in het paradijs! Was hij daar niet als een kind bij zijnen vader? Daar leefde hij in gemeenschap met God, in gestadigen omgang met hem, rein van hart, heerlijk van lichaam, een wonder van Gods alvermogen, wijsheid en liefde. Daar had hij alles in overvloed, â een koningszoon van den rijksten en liefdevolsten vader op het ruimst verzorgd.
b. Maar hoe zijt gij gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads!
Beschouwt den zoon in de gelijkenis. Hij legt den grond tot al zijne navolgend^ ellende door dat hij vrij en onafhankelijk zijn wil en met zijn goed gaat reizen â al wijder van het vaderlijke huis af. Ziet daar des menschen val! De mensch wilde wezen gelijk God, vrij en onafhankelijk. Begoocheld door het woord des verzoekers, betooverd door de voorgespiegelde heerlijkheid, verscheurde hij den band van gehoorzaamheid, doorbrak hij dat eenige perk, hetwelk de wijze en goede Vader hem had gesteld. Hij wilde heerlijk en gelukkig zijn huiten God, hij begon iets te zoeken langs eigen weg, een eigenwil vestigde zich in hem tegenover den wil van God:. hij scheidde zich van God af, hij werd zijn eigen. En ziet, daar hebben wij den grond en oorsprong van alle menschelijke ellende.
c. In Adam hebben wij allen gezondigd. Zijn afval van God was de val der menschheid. En die afval wordt al voortgezet , in het algemeen en persoonlijk. 1 n het algemeen: de menschheid streeft naar onafhankelijkheid, haar natuurlijke strekking en loop is van God af. De geschiedenis bewijst
37
het. En waar de Heere tusschenbeide kwam met zjine oor-el eelen of met zijne yenade, telkens weer nieuwe afwijking,â verwijdering, telkens weer een ondankbaar wegloopen met Gods goed en gaven! â En evenzoo gaat hei persoonlijk. Immer op nieuw scheidt zich de mensch van dien God, die hem gemaakt heeft en Adams nakomelingen zondigen voort in de gelijkheid der overtreding van Adam. Het kind groeit op en ach de innerlijke vervreemdheid van God, van Adam overgeërfd, openbaart en voleindigt zich weldra door geheele verwijdering, waar de hartveranderende genade niet tusschenbeide komt. Het wordt kennelijk dat de mensch bij al zijn natuurlijk leven geestelijk dood is. Groot geworden vraagt hij alles voor zich en beschouwt het als zijn eigen, schoon hij al wat hij bezit van God heeft â lichaam , ziel, leven, bekwaamheden, tijd â hij handelt er eigenmachtig mede; hij vergaart alles bijeen en reist er mede weg naar een vergelegen land. Dat vergelegen land is de wereld met hare begeerlijkheden, waar men naar het vleesch leeft en aan God niet denkt. Dat is de weg der zonde. De zondige mensch is naar den geest verreisd, wijd weggetogen van Hem , in wiens gemeenschap hij zou leven, in wiens dienst en verheerlijking hij zijnen lust hebben moest. â En wat is in die vervreemdheid van God des zondaars werk? Van den verloren zoon lezen wij: hij heeft aldaar zijn goed doorgebracht levende overdadiglijk. Zoo is het ook letterlijk al met menig jongeling gegaan, die vóór zijn tijd heer wilde wezen en zich te vroeg aan de ouderlijke tucht onttrok , maar weldra een prooi der verleiding werd en met brassen, spel, ontucht en allerhande losbandigheid zijn geld en goed verkwistte. â Maar hier wordt over het geheel de van God vervreemde zondaar als een verkwister geschetst, die zijn goed door een overdadig leven en met boeren doorbrengt. En is het in waarheid wel anders? Is de mensch, die zonder God in de wereld leeft, geen doorbrenger ? Hij verkwist Gods goed en
38
gaven, omdat hij God niet in erkentenis houdt en Hem niet verheerlijkt of dankt. Zijn verborgen leven, zijn hart is onrein en woest gelijk bij den verloren zoon , al komt het ook niet tot zulke teugellooze daden. Hij boeleert met de wereld en met hetgeen in de wereld is. Daarvoor leeft hij met lichaam en ziel, daaraan offert hij zich zeiven op en verkwist den kostbaren eenigen tijd van genade, die, eenmaal afgeloopen, niet wederom gegeven wordt. En eer men 't verwacht, soms vroeg, komt de dood en met den dood het oordeel! Vreeselijke gedachte! schrikkelijk lot dat degenen wacht die onbekeerd heengaan, na een verbeuzeld leven !
Denkt daaraan, jongelieden ! en ziet wel toe wat gij doet en op welken weg gij wandelt. Hoort wat de wijze Prediker (11 : 9) zegt: verblijd u, o jongeling, in uwe jeugd en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap en wandel in de wegen uws harten eu in de aanschouwing uwer oogen; maar weet, dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht. Kinderen, jongelingen, jongedoch-ters, och verspilt toch uwen schoonsten tijd niet in den dienst der zonde. Gedenkt aan uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, zoekt Jezus, opdat gij door hem moogt worden kinderen van God. â En allen, spiegelt u in den verloren zoon, die het waarachtig beeld is van den zondaar in zijne zorgeloosheid. Toehoorder! zijt gij nog onbekeerd, zie dan aan dien verkwister wat gij voor God zijt en op welk een gevaarlijken weg gij wandelt. Gij moet bekeerd worden. En dat lijdt geen uitstel. De dood wenkt ieder uur. En de bijl ligt ook alrcede aan den wortel der boomen ; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Bekeer u, gij afgekeerde, spreekt de Heere, zoo zal ik mijnen toorn op u niet doen vallen : want Ik ben goedertieren, spreekt de Heere, Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden. Alleen ken uwe ongerechtigheid , dat gij tegen den Heere uwen God hebt over-
39
treden en uwe wegen verstrooid hebt tot de vreemden â maar zijt mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de Heere. Bekeert u, gij af keerige kinderen ! spreekt de Heere. Ja wat de Heere tot het zondige Israël sprak, dat wordt ook u nog toegeroepen: gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nogthans weder tot mij, spreekt de Heere (Jer. 3). Hoe zwaar uwe zonden zijn, gij kunt er staat op maken, er is vergiffenis bij God te verkrijgen, op grond van Christus voldoening, op Christus voorspraak; hij wil u, wanneer gij met berouw tot hem komt, liefderijk aannemen en al uwe afkeeringen genezen.
Of is het voorgestelde beeld van den verdwaalden zoon eene afteekening van hetgeen gij vroeger waart en nu zoo niet meer zijt ? Mag tot u gezegd worden: dit waart gij, sommigen , maar gij zijt afgewasschen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods? o zoo danht Hem voor zijne groote genade. Maar wandelt ook voorzichtiglijk. Indien iemand meent te staan, die zie toe dat hij niet valle. Bedenkt, geheiligden, de wortelen van alle kwaad liggen nog in des harten diepe gronden. Waakt vooral tegen den zoo diep ge wortelden eigenzin en eigenwil. Gewent u bij alles wat gij voorneemt op te zien tot uwen Vader die in hemelen is en in kinderlijke afhankelijkheid voor Hem te wandelen. Hoe ongelukkig ging bet den zoon, toen die zich aan zijns vaders wil onttrok en zijn eigen zin opvolgde! Steunt niet op eigen kracht. Hoe ras bezweek de zoon voor de verleiding, daar hij meende zijn eigen heer te kunnen zijn! Wat hebt gij noodiger, kinderen Gods, dan 's Vaders bestendige leiding en bewaring? Hoe meer gij dat erkent en daarom bidt, des te minder zult gij afzwerven. Weest tevreden met uw lot, met uw stand, weg en gaven. Tracht niet naar hooge dingen. Zijt vergenoegd met het tegenwoordige. De Heere heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik
40
zal u niet verlaten. En waar hebt gij 't beter dan bij uwen Vader? Wat kan booger genoegen baren dan in kinderlijke onderwerping en gehoorzaamheid Zijnen wil te doen? Want de wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid. Amen.
De mensch is met of zonder God :
Een kind des lichts of kind des Boozen.
De ziel heeft altijd óf 't gebod Of d' eigenwil tot heer gekozen.
Mijn ziel! beproef u hoe gij staat.
En vraag (geen rust is hier gedooglijk)
Of gij naar hel of hemel gaat,
Want weet; geen derde weg is mooglijk.
(J. F. Schimshei mer.)
Ps. 119 ; 3, 5. â 73: 13, 14. â 25 : 10. Voorgelezen: Psalm 14.
LUK AS XV vs. 14â16.
DE VERLOREN ZOON GEBREK LIJDENDE:
DE ZONDAAR ELLENDIG.
Daarom, zie, ik zal uwen teeg met doornen betuinen en ik zal eenen heininqmuur maken, dat zij hare paden niet zal vinden. Zoo spreekt de Heere Hosea 2 : 5 tot en van de overspelige vrouw, Israëls gemeente. Zij ging hare eigene wegen, zij liep hare boelen na: zij had den levenden God, haar Maker en haar man, verlaten en diende afgoden. Zij zeide: ik zal mijne boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijne wol en mijn vlas , mijne olie en mijnen drank geven. Daar spreekt de Heere , haar echte man, die op Sinaï het trouwverbond met haar gesloten had, ^ haar; ik zal 't u beletten, ik zal uwen weg met doornen betuinen, dat gij tot uwe boelen niet gaan kunt; en, terwijl hij zich als het ware keert en het aangezicht van haar afwendt, zegt hij van haar: ik zal eenen heiningmuur maken, dat zij hare paden niet zal vinden. En tvaardoor wilde hij haar de wegen tot hare boelen stremmen ? Hij wilde den zegen en voorspoed wegnemen, dien men niet aan Hem maar aan de afgoden toeschreef en tot afgoderij misbruikte, opdat men in den nemer den vroegeren gever erkende, en hij wilde haar van alle zijden âzoo benauwen, dat zij dit hoereren wel zou laten aanstaanquot; '), dat zij zeggen zou: ik zal heengaan en keer en weder tot mijnen vorigen man, want toen was mij beter dan nu.
') Ksntt.
42
Zoo handelt de rechtvaardige en barmhartige God met volken en personen. Naar zijne rechtvaardigheid straft hij het afzwerven en maakt de zonde bitter. En zijne liefde gebruikt dit als een middel, om afgedwaalden terecht te brengen. Waar geen vermaning meer baat, waar alle woorden vruchteloos zijn , komt hij eindelijk met doornen van verdrukking en met een muur van tegenheden. Hij betuint den weg met doornen en muurt tegen den zondaar op, zoodat hij niet meer voort kan en al zijn arbeid te vergeefs is. En bij zijne hulpeloosheid wordt hij gewaar, dat hij zelf door zijn moedwillige afwijking al deze ellende heeft veroorzaakt. Hem blijft niets overig dan zich op genade overtegeven aan een God die roept: keert weder, gij afkeerigen, ik zal uwe afkeeringen genezen! â Dezen weg zien wij ook afgeschetst in den verloren zoon.
TEKST : Lukas XV : 14-16.
En als hij het al verteerd had, werd er een groote hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden.
En hij ging heen en voegde zich hij een van de burgers deszelven lands en die zond hem op zijn land, om zwijnen te weiden.
En hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten en niemand gaf hem {dien).
Wat de wijze Salomo zegt Spreuk. 23 : 21 : een zuiper en vraat zal arm worden en de sluimering doet verscheurde kleederen dragen â dat zien wij bevestigd in dezen dwazen zoon, wiens weg en lot ons in dit zinnebeeldig verhaal wordt voorgesteld. Het treurig begin en de hollende voortgang der zonde staat geteekend in hetgeen onzen tekst voorafgaat. Daar trad de zondaar op als een eigenzinnig, hoogmoedig en ondankbaar veriater van zijnen vader en als een zinneloos doorbrenger van al zijn goed in een overdadig leven. Snelle
43
afloop der wateren , nadat eenmaal de dam was doorbroken!
Nu zullen wij den verkwister tot de uiterste armoeds zien vervallen, in zoo hooge mate, dat hi] niet eens kan krijgen zooveel als hem noodig is cm zipen honger te stillen. Bij de overweging hiervan moeten wij wederom in het oog houden dat Jezus bi] den verloren zoon wel allereerst doelt op de tollenaren en zondaren in tegenstelling van de Farizeën en voorts op de heidenen tegenover de Joden, maar dan in het gemeen op alle zondaars in tegenstelling van uitwendig rechtvaardigen.
In onzen tekst nu is afgebeeld de diepe ellendigheid, waarin de van God vervreemde zondaar door de wellusten des vlee-sches vervalt. Ziet dan den ellendestaat
I. Van den verloren zoon.
II. Van iederen zondaar.
I.
Op de moedwillige verlating van het vaderlijke huis en de heillooze verkwisting kon niets dan ellende volgen. Deze jammerstaat van den verlorene doet zich voor in een toenemend gebrek, een verachteliik dienen en volslagen hulpeloosheid.
1. Klimmend gebrek: v. 14: en als hij het al verteerd had, werd er een groote hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden.
a. Alles verteerd! Verwijderd van zijn vader zette de ontaarde zoon, zoo lang hij kon , zijn zondig leven voort in dat land, naar hetwelk hij met zijn goed was heengetogen. Dat vreemde , vergelegen land was hem helaas geen vreemd land , zoolang hij er in hoovaardij en weelde zijn vleesch kon verzorgen; dat land der wereld had hij zich als tot een ander vaderland gekozen en hij vond zich daar maar al te zeer te huis , zoolang hij zijne lusten kon voldoen. Hij braste
44
al voort. Ook toen hij wel reeds moest opmerken dat zijn voorraad minder werd, stelde hij geen perk aan zijne verkwisting en veranderde zijne leefwijs niet. Te diep was het kwaad bij hem geworteld, te machtig was hem de bruisende stroom van wellusten , in welken hij zich had gestort en die hem al wijder wegvoerde; ook was zijn hoogmoed te groot dan dat hij van den eenmaal genomen koers met manmoedig besluit en vaste keus ras kon afbuigen en een nederiger , matiger en bescheidener leeftrant beginnen. Gelukkig, wie nog ter tijds zich beraadt en met beslistheid spreekt: ik wil niet langer zoo! Maar deze wellusteling hield vol in zijne vaart zoolang als de weg hem niet werd gesloten. Hij moest voor en na al schulden maken. Maar zijne helpers hielden hem in het oog en pasten op hunnen tijd. Eindelijk vielen de schuldeischers als gieren op hem aan en sloegen de hand aan al wat hij nog had â en hij was arm. Alles verteerd!
h. En als hij alles verteerd had, werd er een yroote hongersnood en hij begon gebrek te lijden. Overdaad en onmatigheid baren gebrek , achter de weelde en verkwisting wandelt de armoede aan en volgt haar op den voet. Voornamelijk wanneer er ongunstige tijden invallen en alle leefmiddelen duur en schaarsch worden, dan is er bij slechte huishouding des te eerder en meerder nood, terwijl men bij zuinig overleg en wijze spaarzaamheid nog wel wat wijder komt. Ook is gebrek veel drukkender voor hem, die in lediggang en weelde leefde en aan al de begeerten zijns vleesches ruimschoots voedsel gaf dan die de matigheid betrachtte en zelfbeheer-sching oefende, te zwaarder drukkende, hoe plotselijker het invalt en hoe wijder het zich uitbreidt. Nu ontstond er in dat land, waar de ondeugende zi on zich ophield, een groote hongersnood. Opmerkelijk zamentreffen van de verarming dezes verkwisters en den algemeenen nood des lands. Dat was niet bij geval. Wij kunnen het ons zoo voorstellen, dat er onvruchtbare tijden over dat land waren aangebroken, waar de
45
hemel als koper, de aarde als ijzer was en de Heere zijne hand sloot, alzoo dat men zaaide maar niet inbracht en de schuren ledig bleven. Dan klimmen ras de prijzen der voedingsmiddelen , dan is er weldra prangende nood. Hoe verschrikkelijk was het in Egypte en in de landen rondom, toen de door Jozef voorspelde onvruchtbare jaren waren aangekomen : er was geen brood in het gansche land: want de honger was zeer zwaar, zoodat het land van Egypte en het land Kanaan raasden van wege dien honger (Gen. 47: 13). Maar in den tekst wordt de hongersnood ook duidelijk in verband gebracht met de verkwisting van den in het land gekomen doorbrenger. Want het is: als hij alles verteerd had, werd daar een groote hongersnood in datzelve land, zoodat deze hongersnood hier voorkomt als een gevolg van dat die doorbrenger alles had verteerd. Door de zaak zoo voortestellen wil Jezus te kennen geven, dat wij bij dezen hongersnood niet zoozeer aan de andere inwoners des lands zullen denken, hoe die ook daarvan hadden te lijden en hoe die zich en elkander er nog doorhielpen, maar bepaaldelijk aan dezen doorbrenger, hoe deze, tengevolge van zijne brasserij en verkwisting , dien hongersnood ondervond en gebrek begon te lijden en, als dwaas en zinneloos verkwister bekend, veracht en gehaat, van alle hulp ontbloot moest staan. En hij had immers ook in groote mate daartoe bijgedragen. Hoe veel had hij verslonden door zijne onophoudelijke overdadige brasserijen met zijne talrijke gezelschappen ! De wijsheid, zegt Salomo (Pred. 9: 18), is beter dan de krijgswapenen; maar een eenig zondaar verderft veel goeds.
c. Genoeg, zijn toestand werd ellendig; hij begon gebrek te lijden. Treurige wissel in zijn lot! Smartelijke neerstorting uit de hoogte van geluk in akelige diepte van jammer! Vroeger overdaad, nu nijpende armoede. Wist bij te voren haast niet wat bij eten wilde , waren hem de uitgezochtste lekkernijen niet lekker genoeg, nu had hij geen brood. Wist
46
hij vroeger bijkans niet hoe hij zich wilde kleeden , was het schitterendste pronkgewaad hem niet sierlijk genoeg, nu kon hij heengaan in het ras verslijtende , laatste, eenige deksel zijns lichaams, hem van al zijnen voorraad overgebleven. Baart het een groot verschil, vrienden, wanneer wij een schoonen, weligen vruchtboom in bloeimaand aanschouwen , prijkende in al zijne pracht en daarna dienzelfden boom in barren winter zien , met stronkige takken, ontbladerd , kaal en naakt: niet minder stak deze verarmde rijke af bij hetgeen hij eertijds was , nu van al die heerlijkheid beroofd, die hij vroeger ten toon spreidde. En is het een verbazende wissel , wanneer een kostbaar en trotsch gebouw, rijk versierd en schitterende van luister, door de vlammen wordt verwoest en niets overlaat dan brokken van gehavende muren , aangebrande houten en halfverkoolde binten : zoo ontzaggelijk was ook de omkeer in den staat van dezen rijken brasser: geheel zijn geluksgebouw lag in puin.
Had zijn rijkdom en zijne kwistigheid hem vrienden toegevoerd , zij verdwenen toen hij verarmde. Al die brooddronken makkers, die in zijne goede dagen lustig met hem hadden geleefd, bekreunden zich om hem niet, nu zijne tafel niet meer voor hen werd aangericht. En tot welken vermeenden vriend hij zich wendde, hij klopte aan doovemans deur: geen oog dat medelijden had, geene hand die hem hulpe bood, geen hart dat in die wereldstad voor hem klopte, â diepe verachting veelmeer, smaad, blijken van verontwaardiging en bitterheid tegen dezen mateloozen verkwister. Wat hij nooit gevoeld had, dat proefde hij nu: armoede, met al dat drukkende, vernederende en pijnigende, dat daaraan is verknocht, te ondragelijker, naar mate de vroegere welstand grooter en de weelde teugelloozer was geweest. Ontzettend verschil tusschen nu en vroeger! En toch, hij begon nu nog maar gebrek te lijden , 't zou daarna nog anders komen.
2. Het gebrek bracht hem in lage dienstbaarheid. â Daar
47
stond hi], arm, verlaten, hongerig. Wat zal hij? In de stad kan hij niet bliiven. Schaamte en nood drijven hem uit. Maar waarheen dan? Hij ging heen, zegt Jezus v. 15, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands en die zond hem op zijn land om zwijnen te weiden.
Zouden wij mogen denken, vrienden, dat onze opperste Leermeester dezen stap des ongelukkigen als eene prijswaardige daad wil voorstellen, als een loffelijk voorbeeld van een verlegene, die, door harde stormen van onspoed neergeworpen uit de hoogte van welvaart, moedig de handen aan 't werk slaat om in zijne nooddruft te voorzien, die met zelfverloochening zijn drukkend lot draagt, zich met oprechte verootmoediging in de omstandigheden voegt en zich ook het vernederendste werk laat welgevallen met stille buiging onder de hand der Allerhoogsten en kinderlijk vertrouwen op Gods hulp? Neen, het is niet alzoo. Veelmeer het is een beeld van die verdwaasden , die, na door eigen schuld ellendig te zijn geworden , nog onbuigzaam voortgaan op hunne eigene wegen en zich niet bekeeren, die, hoe meer zij geslagen worden , des afvals slechts des te meer maken maar zich daardoor dan ook in al dieper jammeren storten. Wederkeer tot den Vader, dat was het eenige redmiddel, dat de eenige weg van behoud voor dezen en voor iederen ellendige. Maar denkt hij daaraan ? Doet hij eene poging om tot zijnen vader terug te komen ?
a. Rij ging heen â maar niet tot zijnen vader. Dit was nog een geheel ander gaan dan v. 18 en 20 van hem vermeld wordt. Nog sprak hij niet tot zich zeiven: ik zal tot mijnen vader gaan. Neen , met dit heengaan zette hij nog zijne verwijdering van den vader voort; dit was nog een werk en blijk van zijnen eigenzin. Even als in zijn geluk , zoo ging hij nu na het aanbreken van de kwade dagen zijn eigen wegen: hij wilde zich zelf helpen. Maar had hij begonnen gebrek te lijden , door deze bedriegelijke eigen hulp zou
46
hi} vroeger bijkans niet hoe hij zich wilde kleeden , was het schitterendste pronkgewaad hem niet sierlijk genoeg, nu kon hij heengaan in het ras verslijtende, laatste, eenige deksel zijns lichaams, hem van al zijnen voorraad overgebleven. Baart het een groot verschil, vrienden, wanneer wij een schoonen, weligen vruchtboom in bloeimaand aanschouwen , prijkende in al zijne pracht en daarna dienzelfden boom in harren winter zien , met stronkige takken , ontbladerd, kaal en naakt: niet minder stak deze verarmde rijke af bij hetgeen hij eertijds was , nu van al die heerlijkheid beroofd, die hij vroeger ten toon spreidde. En is het een verbazende wissel , wanneer een kostbaar en trotsch gebouw, rijk versierd en schitterende van luister , door de vlammen wordt verwoest en niets overlaat dan brokken van gehavende muren , aangebrande houten en halfverkoolde binten : zoo ontzaggelijk was ook de omkeer in den staat van dezen rijken brasser: geheel zijn geluksgebouw lag in puin.
Had zijn rijkdom en zijne kwistigheid hem vrienden toegevoerd , zij verdwenen toen hij verarmde. Al die brooddronken makkers, die in zijne goede dagen lustig met hem hadden geleefd, bekreunden zich om hem niet, nu zijne tafel niet meer voor hen werd aangericht. En tot welken vermeenden vriend hij zich wendde, hij klopte aan doovemans deur; geen oog dat medelijden had, geene hand die hem hulpe bood, geen hart dat in die wereldstad voor hem klopte, â diepe verachting veelmeer, smaad, blijken van verontwaardiging en bitterheid tegen dezen mateloozen verkwister. War, hij nooit gevoeld had, dat proefde hij nu: armoede, met al dat drukkende, vernederende en pijnigende, dat daaraan is verknocht, te ondragelijker, naar mate de vroegere welstand grooter en de weelde teugelloozer was geweest. Ontzettend verschil tusschen nu en vroeger! En toch, hij hegon nu nog maar gebrek te lijden , 't zou daarna nog anders komen.
2. Het gebrek bracht hem in lage dienstbaarheid. â Daar
47
stond hij, arm, verlaten, hongerig. Wat zal hij? In de stad kan hij niet blijven. Schaamte en nood drijven hem uit. Maar waarheen dan? Hij ging heen, zegt Jezus v. 15, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands en die zond hem op zijn land om zwijnen te weiden.
Zouden wij mogen denken, vrienden, dat onze opperste Leermeester dezen stap des ongelukkigen als eene prijswaardige daad wil voorstellen , als een loffelijk voorbeeld van een verlegene, die, door harde stormen van onspoed neergeworpen uit de hoogte van welvaart, moedig de banden aan 't werk slaat om in zijne nooddruft te voorzien, die met zelfverloochening zijn drukkend lot draagt, zich met oprechte verootmoediging in de omstandigheden voegt en zich ook het vernederendste werk laat welgevallen met stille buiging onder de hand der Allerhoogsten en kinderlijk vertrouwen op Gods hulp? Neen, het is niet alzoo. Veelmeer het is een beeld van die verdwaasden , die, na door eigen schuld ellendig te zijn geworden , nog onbuigzaam voortgaan op hunne eigene wegen en zich niet bekeeren, die, hoe meer zij geslagen worden , des afvals slechts des te meer maken maar zich daardoor dan ook in al dieper jammeren storten. Wederkeer tot den Vader, dat was het eenige redmiddel, dat de eenige weg van behoud voor dezen en voor iederen ellendige. Maar denkt hij daaraan ? Doet hij eene poging om tot zijnen vader terug te komen ?
a. Hij ging heen â maar niet tot zijnen vader. Dit was nog een geheel ander gaan dan v. 18 en 20 van hem vermeld wordt. Nog sprak hij niet tot zich zeiven: ik zal tot mijnen vader gaan. Neen , met dit heengaan zette hij nog zijne verwijdering van den vader voort; dit was nog een werk en blijk van zijnen eigenzin. Even als in zijn geluk , zoo ging hij nu na het aanbreken van de kwade dagen zijn eigen wegen; hij wilde zich zelf helpen. Maar had hij begonnen gebrek te lijden, door deze bedriegelijke eigen hulp zou
48
hij in het uiterst gebrek geraken. â Uitwendig was het nu geheel anders met hem dan te voren. Het wilde en woeste leven van vroeger had een einde; de dartelheid , losbandigheid en goddeloosheid van dien tijd, toen hij zich in weelde baadde , waren geweken; maar dat had alleen zijne verarming gedaan , hij was er toe gedwongen door dat hij niets meer bezat. Zijn hart was nog niet veranderd. Hij denkt nog niet aan zijnen vader, hij wil nog geen schuld belijden, hij bekent nog niet dat hij gezondigd en dwaas gehandeld heeft. Geen spoor van dat alles. Integendeel hij gaat nog dieper in gemeenschap met de zondaren, hij begeeft zich in eene nieuwe nog nauwere verbintenis met de lieden dezer wereld: hij voegt zich hij een van de burgers deszelven lands â om dezen te dienen, om voor luttel Icons te verrichten wat die hem maar in dezen tijd van nood wil te doen geven. Zoo verre is hem nog de gedachte van terugtekeeren tot zijnen vader en met belijdenis van zijne schuld diens ontferming interoepen, dat hij liever elk ander middel aangrijpt, om zijn armzalig leven te onderhouden. Zijn hart was nog geheel vervreemd van zijnen vader. Het beeld van zijn vader stond in hem nog geheel achter zijn eigen ik en, hoezeer zijn uitwendige toestand ook anders was dan te voren, hij was er niet door verbeterd , hij leefde ook nu nog zich zeiven, even eigenzinnig als toen hij tot zijnen vader sprak : geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. â Hij dan voegde zich hij of, naar de be-teekenis van het grondwoord, hij hing zich aan een van de burgers deszelven lands. Alzoo in eene nieuwe, nog nadere gemeenschap trad hij met de ingezetenen van dat land, met de ingeburgerde zondaars. Doch geheel anders dan te voren. Vroeger, toen hij rijk was, hing hij zich aan hen om met hen te dartelen en te brassen; nu hij arm was, werd dit aanhangen aan hen een afhangen van hen. Hij, die zoo van vrijheid en onafhankelijkheid had gedroomd, werd een slaaf op de jam-merlijkste wijs. Dat had hij er van dat hij zijnen vader verliet.
49
b. Ziet tot welk een lagen staat de verloren zoon afdaalt. Deze burger, bij wien hij zich vervoegde aan wien hij zich hing, zich overgaf, zond hem op zijne landen, om zwijnen te weiden.
Die man, die ingezetene in het vergelegen, heidensche land der zonde was weinig aangedaan door het gezicht van den ongelukkige die zich bij hem aandiende. De barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed (Spr. 12 : 10). â De aangekomene heeft met bevende stem gevraagd of er niet eenig werk voor hem is. Maar de dure tijd laat al geen overbodige werklieden toe. En deze vreemde jongeling vertoont weinig wat hem aanbeveelt. Dat zonderlinge voorkomen â als van een verloopen jonker, dat welkige lichaam, die teere handen tot arbeid min geschikt â zeker dat alles kon hem bij dien landburger al bezwaarlijk ingang verschaffen. Waartoe zal men hem gebruiken ? Hij wordt dan ook eerst wel afgewezen en moet het harde woord hooren : âvoor u is hier geen plaats , er zijn al leegloopers genoeg.quot; Maar de nood dringt. De arme spreekt smeekingeu: âneem mij toch aan in uwen dienst, anders moet ik omkomen!quot; â âWel nu,quot; spreekt de landheer, âhoed dan mijne zwijnen.quot; â Gereedelijk grijpt de jongeling dit middel aan om zich zelf te helpen: hij verhuurt zich als zwijnenhoeder! Zijn loon wordt niet eens genoemd: voor een niet noemenswaardig loon moet hij het verachte-lijkste werk verrichten. â Treffender kon Jezus, tot Joden sprekende, den ellendigen en verachten staat van den diepgezonken verkwister niet schilderen dan door hem als een arm zwijnenhoeder af te schetsen, daar de Joden van de onreine zwijnen den diepsten afkeer hadden en zelfs het hoeden van zwijnen voor hun volk ongeoorloofd achtten.
De rijke zoon is nu zwijnenhoeder. Waartoe kan de mensch niet komen! tot welk een diep verval kan de rijke en aanzienlijke geraken , niet slechts door wederwaardigheden maar ook , gelijk deze , door wangedrag! â Dag aan dag moet hij
4
50
met de talrijke kudde omtrekken en in hitte en koude , in goed weer en noodweer de onreine, eigenzinnige, onhandelbare, woeste beesten hoeden. De kleederen, die zijn lichaam nog dekten, zijn door wind en weer ras verflenst. Zijne levenskracht verteert, want die heer, dien hij dient, geeft hem niet eens genoeg te eten.
3. Volslagen hulpeloosheid! De Heere Jezus zegt van hem v. 16 : En hij begeerde zijnen huik te vullen met den draf dien de zwijnen aten en niemand gaf hem.
In plaats van draf staat in den grondtekst een woord dat eene soort van peulvruchten beteekent, groeiend aan zekere boomen, die bijzonder in Syrië en Palestina in groote menigte gevonden worden , bij de natuurkundigen bekend onder den naam St. Jansbroodboom; die peulen placht men als voeder voor het vee te gebruiken , bijzonder voor de zwijnen, waar die gehouden werden en in tijden van grooten nood werden zij ook van arme menschen gegeten. â Met dat beestenvoeder , met dien draf dien de zwijnen aten, begeerde deze zoon van edelen huize zijnen ledigen, hongerigen buik te vullen en niemand gaf hem iets '). Namelijk des daags moest hij op het veld de zwijnen hoeden en daar hij van zijnen harden heer niet zat te eten kreeg, zoo had hij, wanneer des avonds de zwijnen in den stal kwamen en hun gtiwoon voeder ontvingen, grooten lust om met dat voeder zijnen honger te stillen â en niemand gaf hem iets. Zoo was hij dan van alle hulp verstoken en moest het nijpendst gebrek lijden. Hij vermagerde van honger. Want behalve het sober deel, dat hem ten loon van zijnen strengen heer werd toegemeten,
') Prof. G. B. Winer, Bibl. Realwoerterb. onder âJohannisbrodbaum âSt. Jansbroodpeulen zijn hier niet als eene voor den menseh ongenietbare zaak genoemd, maar het treurige lot des verdwaalden bestaat hierin, dat hij ze begeert om zat te worden, en terwijl de zwijnen daarmede gevoederd worden, ze toch niet bekomen kan , omdat namelijk in den duren tijd de huisheer er spaarzaam mee omgaat.quot;
51
kon hij niets bekomen: niemand gaf hem iets; want wie nog iets geven kon, wilde het niet, omdat hij een deugniet, een overgegeven doorbrenger en de eigen oorzaak van zijn gebrek was. â Als een zwijn had hij geleefd, nu was hij bij de zwijnen en werd nog minder dan een zwijn geacht. Hoe ongelukkig ! In het vaderlijke huis had hij overvloed, nu kan hij niet eens zooveel verdienen als noodig is om zich zat te eten. Vroeger ging hij prachtig gekleed, nu hangen slechts armzalige vodden om zijn lichaam. Voorheen leefde hij in het genot van de ruimste weldaden, nu kwijnt hij in honger en kommer. Vroeger in aanzien en eere, nu een verachte slaaf. En wat hij ook aangrijpt, om zich nog staande te houden, 't is vruchteloos, 't zijn rietstaven die zijne hand doorboren.
II.
Zoo zijn wij dan in onze beschouwing den verloren zoon gevolgd op zijnen weg en hebben gadeslagen , boe de zonde hem ongelukkig maakte. Zien wij dit tafereel nu nog eenmaal aan en gaan wij aandachtig na, wat de Heere Jezus met deze beeldspraak ons wil zeggen, zoo moeten wij daarin erkennen eene levendige doch waarachtige schilderij van de diepe ellende waarin de verlating van God lederen zondaar stort, een jam-merstaat, welks bitterheid elk mensch, die met den verloren zoon zich bekeert, ook eerst in eenige mate ondervindt.
1. De zonde heeft gebrek ten gevolg. Ziet het aanstonds in den eersten zondaar. Nadat Adam zijne vrijheid misbruikt had, moest hij het paradijs en dezelfs heerlijkheid missen. In plaats van zijn vroegeren overvloed had hij van toen af met gebrek en nood te worstelen. En hoe arm was zijne ziel geworden, dervende nu de heerlijkheid Gods! â De kinderen volgen den vader. Wat de mensch nu nog heeft, al zondigende brengt hij het door en moet dan gebrek lijden. Lichaamskrachten en zielsvermogens, zij worden ijdellijk ver-
4*
52
spild dooi' hem dio ze aan de zonde wijdt en daarmede zijnen Schepper niet eert en ten laatste zijn zij verbruikt en de zondaar is arm. De kostbare tijd, de schoone gelegenheden en goede middelen door den goeden God tot bereiking van quot;s levens doel gegeven, hoe worden zij verkwist! de talenten begraven, ja vernield! en al de gaven van den liefdevollen Vader , die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen , worden in snoode godvergetenheid tot een voedsel der lusten misbruikt. â Maar het goed dat de mensch bederft is niet zijn eigen. Met recht zeide de oudste broeder tot den vader: hij heeft me goed doorgebracht. Het behoort den Heere toe en die zal eenmaal een iegelijk tot verantwoording roepen en zeggen: geef rekenschap van uw rentmeesterschap! â Bij het najagen van zingenot en vleeschelijk vermaak denkt de zondaar aan geen einde; inmiddels loopt de tijd schielijk af en het verschrikkelijke einde komt, dat menigeen te laat de oogen opent. â Het aardsche goed vergaat en alle genot dat men er van heeft, neemt, vooral bij overdadig gebruikt, haast een einde. Voor een ieder die alleen in de wereld zijn deel zoekt, komt de tijd om gebrek te lijden en wel het gevoeligst en scherpst voor degenen die ook uitwendig in grove zonden en buitensporigheden verzonken waren. Wie ook niet verarmt, verliest toch mettertijd het genot van hetgeen hem te voren streelde en de ziel, de onsterfelijke ziel, voor welke niet gezorgd is, begint dan gebrek te lijden en moet de ontzettende leegte voelen, die door het gemis van geestelijk goed bij het ophouden der wereldvreugd veroorzaakt wordt. En dat is nog maar een begin der smarten : wat zal het namaals zijn! Op een leven zonder God in de wereld doorgebracht kan niets anders volgen dan dat verschrikkelijke lot, hetwelk de Heere Jezus ons voorstelt van den rijken man in de helle, die nu alles miste en in de pijn was, die vergeefs riep om verkoeling van zijne brandende tong en jammerde: ik lijde smarten in deze vlam!
53
O denk er toch aan, sterveling en tracht naar betere dingen , met de zaligheid gevoegd. De wereld laat het hart, waarin God de eeawe gelegd heeft, altijd onvoldaan en wie zijn deel in haar zoekt, moet eenmaal, ongelukkig wanneer te laat, ondervinden dat hij zich jammerlijk bedrogen heeft. Het ware, zielverzadigende levensbrood is niet voorhanden in het land der zonde. Verzadiging voor uwe ziel vindt gij alleen in God en gij kunt God tot uw deel niet verkrijgen dan door en in Christus. Deze is het brood dat uit den hemel is nedergedaald, om der wereld het leven te geven. Bezit gij dat, dan zijt gij waarlijk rijk en dan wordt gij eens, wanneer gij deze arme wereld verlaat, nog rijker.
2. Het leven zonder God in de wereld is een staat van lage dienstbaarheid. Wie God verlaat, stort zich niet alleen in gebrek, maar maakt zich ook dienstbaar aan schepselen. Lage dienstbaarheid! die zich op allerhande gebied in allerhande wijze vertoont. Wie van geen goddelijke openbaring weten wil, wie Gods woord verwerpt, die wordt een slaaf van menschenleer en nu aan dezen dan aan oen anderen naam, die juist gezag heeft, dienstbaar. Wie het juk van Gods geboden afwerpt, wordt een slaaf zijner lusten , dienstbaar aan de vleeschelijke en wereldsche begeerlijkheden. Het leven in de zonde is eene dienstbaarheid , den mensch onwaardig, ont-eerend en schandelijk. Heeft de Heere Jezus dat niet met grooten nadruk betuigd, toen hij tot de Joden, die zich beroemden vrije menschen te zijn , plechtig sprak: voorwaar , voorwaar zeg ik u: een iegelijk die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde? (Joh. 8: 34). En waarschuwt niet de Apostel Petrus voor opgeblazen ijdelheid-sprekers, die vrijheid beloven, terwijl zij zeiven dienstknechten zijn der verdorvenheid ? want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt (2 Petr. 2: 19).
Een ieder mensch is voor zijne bekeering in zulk eenen staat van dienstbaarheid: want toen gij dienstknechten der
54
zonde waart, zoo waart gij vri} van de gerechtigheid, spreekt Paulus tot de bekeerden (Rom. 6: 20). Maar, dieper op den grond gezien, wie is het wel, dien men dan dient? Men dient den duivel: want deze is de vader der leugen, de god dezer eeuw, de overste dezer wereld. Die de zonde doet, is uit den duivel, want de duivel zondigt van den beginne (1 Joh. 3: 8). En al de burgers in het land der godverzaking, die zich daarin al recht vastgezet hebben, zijn 't niet werktuigen van den boozen geest, die hen bezielt en hen geheel beheerst? Die booze regeert in stad en land, hij heeft zich ingeburgerd in deze aardsche wereld. De mensch, God verlatende, begaf zich in zijnen dienst. En immer nog verhuren leugenaars en goddeloozen zich aan hem en verbinden zich, om voor een armzalig loon zijnen wil te doen en alles te verrichten wat hem behaagt.
De Booze is een hard heer. Welk werk legt hij zijn on-derhoorigen op? zwijnen weiden! dat zegt in het algemeen laag en onwaardig werk. Hij wil dat men alleen zorge voor de dierlijke behoeften ,' voor het lichaam, voor bevrediging van de zinnelijke lusten en begeerlijkbeden. Zijn voorschrift is: werk niet om de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, maar werk alleen om de spijs die vergaat! Maar hoe diep ook gezonken, hoe zeer ook tot de dieren verlaagd, is en blijft toch de mensch meer dan dier; er liggen hoogei e behoeften in hem, die zich nooit geheel onderdrukken laten. Wie ook zoo diep is gedaald, dat hij slechts bevrediging zoekt voor zijn dierlijk deel, voor zijnen buik, moet toch daarbij den prikkel der onuitroeibare hoogere behoeften voelen en gewaar worden, dat hij zich in eenen staat bevindt strijdig tegen zijn eigen wezen, verslaafd en dienstbaar aan hetgeen waarvan hij vrij zijn moest. De draf dezer wereld moge den buik vullen, de onsterfelijke ziel wordt er niet van verzadigd.
3. En ziet eindelijk die verlatenheid in den dag der benauwdheid , die volslagen hulpeloosheid, waarin de dienaar
55
der zonde zich ten laatste brengt. De verloren zoon vond in zijn gebrek en nood niemand die hem iets gaf. Wie God verlaat wordt met verlatenheid gestraft. Voor een ieder die Hem blijft verlaten en in zijne afkeering volhardt, komt de tijd, in welken hij dat moet ondervinden. Hij mag dan roepen tot zijne medezondaren, zij geven hem geen troost, tot de afgoden die hij heeft gediend, zij zijn er niet. De wereld biedt geen hulp. Satan spot met zijne prooi. Ach de zonde maakt den mensch ongelukkig, rampzalig.
Sterveling, verspil uw tijd en krachten niet aan hetgeen u eens begeeft! Hooger goed wordt u aangeboden. Een genadig God roept u toe : waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtelijk tiaar Mij, spreekt deHeere, en eet het goede en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uwe ziel zal leven: ivant Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden van David (Jes. 55: 2, 3). Hiertoe heeft God zijnen Zoon gezonden, hiertoe heeft de Zoon het vaderlijke huis verlaten en is arm geworden, daar Hij rijk was, om arme zondaren rijk te maken; heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen, om voor ellendige slaven vrijheid te verwerven; is verzonken geweest in een staat van de volslagenste verlatenheid en hulpeloosheid, opdat, die tot Hem komen, nimmermeer verlaten zouden worden. Wendt u naar Hem toe. Te vergeefs zoekt gij uw heil bij menschen; daar blijft gij ongeholpen even als de verloren zoon, toen die in voortgezette dwaasheid zich bij een van de burgeren des lands voegde. Maar wendt u tot dezen Heer; die is machtig om te verlossen en Hij is gewillig en trouw. Hij zegt; die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Tot Jezus moet gij komen, door den Zoon komt gij tot den Vader en tot al de volheid van het vaderlijke huis.
Kent gij dien weg? O zult gij u dan niet verblijden over
56
uwe aanvankelijke verlossing uit die ellendigheid, waarin gij door de zonde verzonken waart?
Is de vervreemdheid van God een staat van zielsgebrek, dankt Hem voor zijne genade, dat Hij u het ware levensbrood geschonken en u dit geleerd heeft: de mensch zal hij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat (Matth. 4: 4). Dankt Hem, dat Hij aan u niet doet wat Hij eens door den profeet Amos dreigde: ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik eenen honger in het land zal zenden, niet eenen honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden des Hee-ren. En zij zullen zwerven van zee tot zee en van het noorden tot het oosten: zij zullen omloopen om het woord des Hee-ren te zoeken maar zullen het niet vinden (Am. 8: 11, 12). Veelmeer; nabij u is het woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken (Rom. 10: 8). Is de Bijbel niet een geestelijke spijskamer? Gaat er dan ook gedurig toe, zoekt er dagelijks voedsel uit voor uwe ziel!
Is de zonde een staat van dienstbaarheid, hoort dan wat de Heere Jezus spreekt tot degenen die in hem gelooven: indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen. En zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken. Indien dan de Zoon, die de waarheid is, u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult. gij waarlijk vrij zijn. Zoekt dan al meer van de zonde vrij en Gode dienstbaar te worden, opdat gij uwe vrucht hebt tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven.
Is eindelijk de zonde- en werelddienst een staat van ongenoegen en onvoldaanheid, van verlatenheid en troosteloosheid, zoo trekt dan uwe begeerten al meer af van die dingen, die u niet verzadigen kunnen, van die wereld, die met al haren draf wel den buik kan vullen maar de ziel niet kan voeden. Houdt u aan den Heere, den God uws heils. Die zal u niet
57
begeven noch verlaten. Dat is een gansch ander Heer dan die wereldheer, bij wien de verloren zoon zich in dienst begaf. Onder zijne leiding staande moogt gij juichen: de Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij neder-liggen in grazige weiden, Hi] voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel. â Die verre van hem zijn, zullen vergaan, Hij roeit uit allen die van hem afhoereren. Maar is onze lust in Hem, is het ons genoegen, onze zaligheid, nabij God te wezen, dan mogen wij onversaagd aan de toekomst denken en, op Hem vertrouwende, zeggen: al bezwijkt ook eens mijn vleesch en mijn hart, in honger en kommer, in tegenspoed en lijden, in ziekte en dood, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. Amen.
(Wie mensch is, wie christen :) voor hem leeft een God,
Meedoogend , ontfermend , genadig.
In alles voorziet Hij en regelt het lot;
Voor ons is Hij niet dan weldadig.
Hij wreekt, ja, het booze , Hij straft en beproeft,
Maar weet wat ons harte ter zuivering behoeft :
Zijn straf is eens Vaders kastijden ;
Zijn plagen zijn redding , genezing voor 't hart, En 't einde van 't doorstaan der duldzame smart Is eeuwig-gezaligd verblijden.
(Bilderdijk.)
Ps. 25 : 3 , 5.
â 33:10,11.
â 25 : 7.
Gelezen : Spreuk. 13 : 11â25.
56
uwe aanvankelijke verlossing uit die ellendigheid, waarin gij door de zonde verzonken waart?
Is de vervreemdheid van God een staat van zielsgebrek, dankt Hem voor zijne genade; dat Hij u het ware levensbrood geschonken en u dit geleerd heeft: de mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat (Matth. 4: 4). Dankt Hem, dat Hij aan u niet doet wat Hij eens door den profeet Amos dreigde: ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik eenen honger in het land zal zenden, niet eenen honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden des Hee-ren. En zij zullen zwerven van zee tot zee en van het noorden tot het oosten: zij zullen omloopen om het woord des Hee-ren te zoeken maar zullen het niet vinden (Am. 8: 11, 12). Veelmeer: nabij u is het woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken (Rom. 10: 8). Is de Bijbel niet een geestelijke spijskamer? Gaat er dan ook gedurig toe, zoekt er dagelijks voedsel uit voor uwe ziel!
Is de zonde een staat van dienstbaarheid, hoort dan wat de Heere Jezus spreekt tot degenen die in hem gelooven: indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen. En zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken. Indien dan de Zoon, die de waarheid is, u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. Zoekt dan al meer van de zonde vrij en Gode dienstbaar te worden, opdat gij uwe vrucht hebt tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven.
Is eindelijk de zonde- en werelddienst een staat van ongenoegen en onvoldaanheid, van verlatenheid en troosteloosheid, zoo trekt dan uwe begeerten al meer af van die dingen, die u niet verzadigen kunnen, van die wereld, die met al haren draf wel den buik kan vullen maar de ziel niet kan voeden. Houdt u aan den Heere, den God uws heils. Die zal u niet
57
begeven noch verlaten. Dat is een gansch ander Heer dan die wereldheer, bij wien de verloren zoon zich in dienst begaf. Onder zijne leiding staande moogt gij juichen: de Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij neder-liggen in grazige weiden, Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel. â Die verre van hem zijn, zullen vergaan. Hij roeit uit allen die van hem afhoereren. Maar is onze lust in Hem, is het ons genoegen, onze zaligheid, nabij God te wezen, dan mogen wij onversaagd aan de toekomst denken en, op Hem vertrouwende, zeggen: al bezwijkt ook eens mijn vleesch en mijn hart, in honger en kommer, in tegenspoed en lijden, in ziekte en dood, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. Amen.
(Wie mensch is , wie christen :) voor hem leeft een God,
Meedoogend , ontfermend ,, genadig.
In alles voorziet Hij en regelt het lot;
Voor ons is Hij niet dan weldadig.
Hij wreekt, ja, het booze, Hij straft en beproeft,
Maar weet wat ons harte ter zuivering behoeft;
Zijn straf is eens Vaders kastijden ;
Zijn plagen zijn redding , genezing voor 't hart , En 't einde van 't doorstaan der duldzame smart Is eeuwig-gezaligd verblijden.
(Bilderdijk.)
Ps. 25 : 3 , 5.
â 33:10,11.
â 25:7.
Gelezen : Spreuk. 13 : 11â25.
LUK AS XV : 17â20«.
De yerloren zoon tot den vader wederkeerende:
DES ZONDAARS BEKEERING TOT GOD.
Gij dan bekeer u tot uwen God! Zoo vermaant de profeet Hosea (12 : 7) het diepgezonken volk, het afvallige Israël en hij roept het ook Juda toe, want de Heere had ook eenen twist met Juda. Het rijk der tien stammen was onder dien koning, onder wiens regeering de profeet Hosea was geboren, onder den tweeden Jerobeam, den zoon van Joas, nog weer tot een hoogen trap van macht en luister opgeklommen. Doch bij dezen kortstondigen bloei waren de zonden des volks nog meerder geworden. De straf volgde: er brak een akelig tijdperk aan van verwarring, regeeringloosheid, revolutiën en allerlei gruwelen, waardoor ten laatste het volk gebracht werd in de handen van den koning van Assyrië. Tot dat volk, hetwelk de profeet op zoo gevaarlijken weg zag afzakken, richt hij de vermaning, om zich nog te bekeeren: hekeer u ! keer om! Het is de Heere, tot wien de dwalenden worden teruggeroepen : de Heere, in wiens hand de adem is van al wat leeft en de geest van alle vleesch des menschen, de Heere, wiens roepstem men niet ongestraft versmaadt, tegen wien men niet dan tot zijn eigen verderf spreken kan: wijk van ons, aan de kennis van uwe wegen hebben wij geen lust. Het is de Heere, Jehovah, de Verbondsgod, die zich met dezen naam aan Jakobs zaad had bekend gemaakt. Daarom wordt hij ook hun God genoemd: bekeer u tot meen God. In de verbondsbetrekking tusschen God en dat volk â hoe-
59
zeer door het afgodische volk schandelijk verzaakt, maar toch niet vernietigd, lag voor Israël evenals nu voor christelijke volken een krachtige en aandoenlyke drangreden tot bekeering. Heere is zijn gedenknaam: gij dan hekeer u tot uwen God! â Bekeering is noodig voor ieder mensch: want allen zijn afgeweken. â Wat is bekeering en hoe geschiedt zij ? Laat ons hooren!
TEKST : Ltikas XV : 17â20^.
En tot zich zeiven gekomen zijnde, zeide hij: hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood en ik verga van honger!
Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan en ik zal tot hem zeggen; vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u;
En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden maak mij als éénen van uwe huurlingen.
En opstaande ging hij naar zijnen vader.
Hier keert zich het blad in de geschiedenis van den verloren zoon. Hier wordt het helder. Nadat het eerst recht duister is geworden, begint het licht doortebreken. Waar de verloren zondaar zich als verloren erkent, is hij gevonden. Daartoe moet het komen bij iederen zondaar die behouden zal worden. Langs dezen weg, die hier zoo treffend getee-kend staat, ontrooft de Sterkere den sterke zijne vaten.
Hier hooren wij uit Jezus mond, wat eene waarachtige bekeering is. De verlorene komt tot inkeer, tot nadenken, tot vol besef van zijnen jammerstaat; hij vat het voornemen om tot zijnen vader wedertekeeren , een voornemen niet zoo als er duizende in de lucht vervliegen, maar hij brengt het ook ten uitvoer door werkelijke verlating van het vreemde land en wederkeering tot den vader.
60
Geve de Heere God ons opene oogen bij de beschouwing van dit tafereel! Hem love de ziel, die hier mag opmerken wat bij haar zelve is omgegaan. En mochten er nog velen bewogen worden om den verloren zoon in de bekeering te volgen, om optestaan en tot den Vader te gaan ! â Van de hekeering handelen wij. Laat ons bepeinzen :
I. Wat er in den verloren zoon omging.
II. Wat tot eene waarachtige bekeering behoort.
I.
1. De bekeering vangt van binnen aan en openbaart zich daarop ook naar buiten. O! hoe veel gaat er eerst in het binnenste om , eer uitwendig de beslissende stap tot omkeer van den dwaalweg gedaan wordt! Het eerste begin van de verandering dezes goddeloozen bestond hierin dat hij tot zich zeiven kwam.
Opmerkelijk gezegde: hij is tot zich zeiven gekomen.
a. Dat toont ons, iioe verkeerd het met hem had gestaan , dat zegt ons: hij was tot daartoe buiten zich zeiven geweest.
De zondige mensch is bij zich zeiven niet te huis: hij is al reizende, hij zweeft en zwerft buiten zich om, is met zijne gedachten en begeerten op duizenderlei dingen buiten zich bepaald en zoekt zijn geluk en genoegen in aardsche zaken en betrekkingen , terwijl toch in hem zeiven, in zijn eigen binnenste de bronwel moet geopend worden van zalig leven en van waar genot. Onafhankelijk van de zichtbare , vergankelijke dingen, niet beheerscht van uitwendige, wisselende omstandigheden, moet inwendig het geluk gevestigd en de boom geplant zijn, welks bladeren niet afvallen. Zoolang er inwendig geen vastigheid, geen eenheid is verkregen , is de mensch als een schip zonder stuur, als een steen in den slinger: hij wordt gedreven waarheen wind en
61
golven willen , hij wordt gezwaaid en geworpen naar het believen van een ieder die hem in handen krijgt. Daarom is de hede zoo noodig: vereenig mijn hart tot de vreeze Uws naams (Ps. 86: 11). Zoolang de mensch zijn geluk huiten zich zeiven zoekt, hliift hij ongelukkig. Niet dat hij de zaligheid uit zich zeiven kan halen , gelijk de spin haar weefsel uit zich zelve haalt, neen, hij moet alles van God ontvangen, maar inwendig, in zich zeiven , moet hij deze zaligheid verkrijgen, bezitten , genieten. De ziel, die rusteloos omzwerft buiten zich in de veelheid der dingen , moet dan eerst tot zich zelve komen. In dezen zin kwam ook de verloren zoon tot zich zeiven.
b. Daarmede wordt dan tegelijk dit gezegd : hij begon zich te bezinnen. Hij had zinneloos gehandeld, onzinnig, dolzinnig in de jaren van voorspoed; ook sedert zijn ongeluk was hij nog niet tot nadenken gekomen : nu kwam hij tot verstand , tot bewustheid van zich zeiven, tot besef van zijnen waren toestand. In leugen en zelfbedrog was hij verstrikt geweest en alles had zich in een valsch licht aan hem vertoond: de strik brak, de begoocheling week en de waarheid trad hem voor 't gezicht. Trotsch en wrevelig had hij zich , zoolang hij kon, tegen alles ver-set en zijn hart tegen de slagen verhard ; onder het nijpend gebrek na een wellustig leven was hij in een staat van gevoelloosheid verzonken , en ware de hand , die hem aangreep en hem schudde, hem niet te sterk geworden, hij zou omgekomen zijn in zijne jammeren. Hij werd wakker als uit een diepen slaap, hij werd nuchter als uit een langdurige bedwelming. Hij kreeg het gevaar te zien , waarin hij verkeerde. Toen was zijne redding zeker: want nu was hij waarlijk een verlorene, en die dat zijn ; worden gered.
e. Gedrukt van den last zijns jammers zat de arme zwijnenhoeder peinzende met neergebogen hoofd op het veld. De grommende zwijnen, die in de aarde wroeten , de lompen, die aan zijn lichaam hangen, de honger, die hem foltert,
62
alles, alles getuigt van zijne diepe ellendigheid. Daar rijst in zijn verstompten geest eindelijk weer het beeld van zijnen vader op, als een lichtstraal in duisteren nacht, en de gedachte aan het vaderlijke huis wordt in hem levendig. Hij vergelijkt zijne tegenwoordige ellendigheid met zijn vroegeren heerlijken stand en de tegenstelling tusschen hetgeen hij eens was en nu is verplettert hem. Zijn toestand wordt hem ondragelijk ; hij kan het daar niet langer uithouden, de wateren komen hem aan de lippen , de nood is op het hoogste geklommen en met eenen schreeuw barst hij uit: hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood en ik verqa van honger !
Het is al aanstonds een goed teeken , dat hij zich niet beklaagt over het gemis van die zinvermaken en dat wereldgenot , waarin hij in zijn zondig leven zich had gebaad; neen, hij ziet dit nu wel in, dat heeft hem toen toch ook niet waarlijk voldaan en hij verlangt dat niet weer terug. Zijne gedachten gaan wijder. Aan den vader denkt hij en aan het vaderlijke huis. Hij stelt zich voor hoe het daar is. Daar, denkt hij , lijdt er geen één gebrek, daar is alles in volheid. Daar is die goede vader met zijn milde handen en vriendelijke oogen en deelt onbekrompen uit aan allen die tot zijn huis behooren. En ik heb moedwillig dat geluk verbeurd. Ach, hoe dwaas heb ik gehandeld, dat ik van mijnen vader ben weggegaan. Rampzalige daad , die ik begaan heb ! Hoe jammerlijk heb ik mij bedrogen, hoe snood ben ik misleid! De geringste daglooner heeft het daar onvergelijkbaar beter dan ik hier. Hoe velen zijn bij mijn vader in dienst en hebben het ruim , worden rijkelijk geloond , hebben overvloed van brood â en ik heb hier niet eens het allernoodigste , ik , die daar als kind, als zoon wezen kon, ik nu in den verachtelijk-sten dienst bij dezen harden burger in dit vreemde land, ik verga hier van honger.
2. Ik verga van honger! â dat was als een noodkreet.
63
welken de afgematte ellendeling slaakte. Maar een oog van erbarmen was op hem gevestigd , een verborgen hand der liefde hield hem vast, dat hij niet in wanhoop verzonk. Het was nu met hem tot het alleruiterste gekomen, zoo kon het niet lang meer met hem duren. Hij was thans reeds als een doode. Maar ziet, het is als of in dezen zelfden oogenblik een levensvonk in hem wordt aangeblazen en een dal Achor (Hos. 2 : 14) opent zich in deze benauwdheid voor hem tot eene deur der hope. Er komt iets nieuws in hem op , een beter beginsel roert zich in hem. Want pas is de doffe kreet: âik verga van hongerquot; over het veld verklonken of hij spreekt: ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan en ik zul tot hem zeggen: vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u. En ik ben niet meer ivaardig uw zoon genaamd te worden, maak mij als éénen van uwe huurlingen.
a. Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan. Het wordt hem gegeven dit te willen, dit te zeggen. Hij wordt er toe gedrongen en hij voelt zich er toe bekrachtigd. Er komt iets in hem, wat zijne matte ziel opheft en dit voornemen bij hem verwekt. Want hij was dood door de misdaden en de zonden en hoe zal een doode opstaan, tenzij door het woord der almacht geroepen en met levenskracht doordrongen ? Deze wil nu opstaan en tot den vader gaan. Hij wil, hij moet. Wie tot zich zeiven gekomen is, kan het bij zich zeiven niet uithouden: hij moet opstaan, het drijft hem voort, hij moet tot God terug, van wien hij door de zonde was gescheiden en buiten wien hij geen rust meer vinden kan.
De verloren zoon wil tot zijnen vader gaan. Ziet, welk een omkeer in hem. Hij wil nu het tegengestelde van hetgeen hij vroeger wilde. Toen was zijn wil, wegtegaan van den vader, nu wil hij tot hem gaan. Zijn zondige eigenwil was verbroken, een nieuwe, betere wil was in hem geboren. Gelukkige omkeer! Gezegende ure, waar in de verslagene ziel kracht komt en het neerhangende hoofd zich opricht met
64
dit woord: ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan. Verblijdende gedachte, heilrijk voornemen, dadelijk af te keeren van het hellenpad, terstond te treden op den hemelweg! De wijdverdwaalde wil nu niet langer blijven in deze rampzalige verwijdering van zijnen vader. Hij wil den onbarmhartigen burger, dien hij de zwijnen hoedt, uiet langer dienen. En al wilde hem iemand in het vreemde land nu ook schatten schenken, om daarvan weer vroolijk en prachtig te leven, hij zou het ten eenenmale verachten. Tot zijnen vader wil hij, tot zijnen vader trekt het hem. Bij dien moet hij wezen, in diens liefdevolle gemeenschap ligt zijn geluk, zijne zaligheid. Dat staat bij hem vast.
b. Maar zal hij, die het zoo slecht gemaakt heeft, den vader onder de oogen durven komen ? Hij weet, de goede vader heeft de gerechtigheid lief en haat de goddeloosheid. Daarvoor kent hij hem. Hoe zal hij dan ingang vinden ? Zal hij met verontschuldigingen komen? peinst hij er op, wat hij al tot zijne verschooning zal kunnen inbrengen ? de dwaasheid en lichtzinnigheid, aan de jeugd eigen? den invloed van slechte voorbeelden? de kracht der verleiding? zelfs wel de toegevendheid van zijnen vader, die hem gaan liet? Of zal hij gelijk Adam zijne overtredingen bedekken en door eigenliefde zijne misdaad verbergen (Job 31 : 33)? alsof hij niets onbehoorlijks had gedaan en alleen door den hongersnood in dat vergelegen land zoo arm en ongelukkig was geworden ? Neen, met leugens wil hij voor zijnen vader niet komen: ik zal tot hem zeggen, spreekt hij bij zich zeiven: vader ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u !
Ik heb gezondigd! Nu wil hij het bekennen, het moet er uit, het hart is hem vol, de schuld drukt, perst hem ; hij ziet, hij voelt, hij wil 't belijden , hoe slecht, hoe afschuwelijk hij gehandeld heeft. Hij telt zijne zonden niet op, hij noemt ze niet bij name, maar zij staan hem als geschreven voor oogen, ja geheel zijn leven komt hem nu als ééne groote on-
65
afgebroken zonde voor. Hij heeft niets intebrengen , om zich vrij te pleiten , hij geeft het geheel op, hij veroordeelt zich zelf, hij zelf is de oorzaak van al zijne ellende, hij wijt ze aan niemand dan aan zich zeiven.
Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u! â In de gelijkenis is de vader een mensch; voor hem had de ongehoorzame zoon niet alleen gezondigd , maar ook tegen den hemel, dat zegt dus: tegen God. Jezus doet hem echter niet zeggen tegen God, maar tegen den hemel, omdat de vader in de gelijkenis God zeiven verbeeldt.
De zoon heeft gezondigd tegen den hemel en voor zijnen vader â alzoo gezondigd tegen God en menschen, niet alleen tegen menschen, maar tegen den hoogen God! Och dat alle kinderen dit bedachten! De zoon en de dochter, die tegen den vader, tegen de moeder aangaan, die zich tegen hunne ouders bezondigen , zondigen tegen den hemel en hoonen God zeiven in het aangezicht. En het kwaad dat zij doen, die hun vader en moeder niet eeren, schreit ten hemel. Noemt men sommige zonden bij uitnemendheid hemelschreiende zonden, naar het gezegde der ouden : Ten hemel schreeuwt 't vergoten bloed en Sodoms zonde. Ten hemel der verdrukten leed, de nood der weeuw en 't ingehouden loon â ook het verdriet, dat ontaarde kinderen hunnen ouders aandoen, schreit ten hemel en roept de wrake van den hemel af. En iedere zonde is eene beleediging en terging van den God des hemels. Wel kan de mensch, die worm, die made, den grooten, in zich zelf volzaligen God door ongehoorzaamheid zoo min onttrekken als door goed te doen Hem toebrengen , naar het woord van Elihu : Bemerk den hemel en zie en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hooger dan gij. Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? indien uwe overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem ? Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem? of wat ontvangt Hij uit uwe hand? (Job 35 : 5â7). Maar op den zondaar zeiven komt de schade, hij
5
66
verbeurt er den hemel door naar het onwrikbare recht Gods , hij stelt zich , zooveel in hem is, tegen den hemel en houdt zich er van uitgesloten. De zondaar, die zich zeiven leert kennen, weet dan ook dat hij tegen den hemel heeft gezondigd door dac Hij tegen den Vader zondigde, die in de hemelen is. En zoo staat de berouwhebbende, wederkeerende, schuldbeliidende mensch daar als zondaar voor den Vader der geesten en voor al de hemellingen en hi} bekent: âik ben een zondaar, een verbreker van uwe orde, ik ben schuldig en moet mij schamen voor U en Uw gansche huis!quot;
De verloren zoon erkent en belijdt, dat hij al de voorrechten van het huis en al de weldaden des vaders verbeurd heeft.
De gedachte aan 's vaders goedheid en zijnen ondank, de ]
smaad welken hij geheel het vaderlijke huis heeft aangedaan, t
maar bovenal dat hij zijnen vader, voor wien hij nu hoog- |
achting en liefde begint te voelen, zoo grievend heeft ge- c
krenkt, dit verscheurt hem het hart. Maar hij wil, hij moet j
naar hem terug. Hij wil belijdenis doen van zijne overtre- ^
dingen, hij wil hem om eenige gunst smeeken â de geringste s is hem genoeg: hij wil zeggen, indien hij het maar zeggen
kan: ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te ivorden, jj
maak mij als één en van uwe huurlingen. e
Die vriendelijke ontvangst, die hem (vs. 20) van den vader Vl
te beurt valt, kan hij zich nu nog niet voorstellen. Zoo g(
groote, voorkomende liefde verwacht hij niet. Hij acht het ^
voor recht en billijk, wanneer de vader geheel niet meer van q hem weten wil en hij als een deugniet bij de deur zal worden
afgewezen. Daarom komt het bij hem niet op te willen zeggen: 2j
âik heb wel alles verbeurd, maar â ik heb berouw â neem mij Wl
nog weer genadig als uw zoon, als uw kind aan!quot; Neen , jjj
maar hij wil zeggen: maak mij als één en van uwe huurlingen.quot; fe
Dit zal voor hem reeds eene groote weldaad zijn, wanneer ^o
de vader hem maar onder de geringste werklieden opneemt en hij maar als dienstknecht bij hem mag arbeiden; met den
67
laagsten, moeiliiksten post wil hij zich gaarne vergenoegen. Hierbij ligt nog wel een wortel van werkgerechtigheid te gronde, als of hij zich vervolgens door trouwen arbeid de liefde des vaders nog zal kunnen waardig maken , terwijl deze gedachte hem bij zijne aankomst wordt ontnomen door die blijken van liefde, waarmede de vader hem vóórkomt, waardoor het openbaar wordt dat de vader hem het eerst heeft liefgehad , zoodat hij bij de ontmoeting er niet toe komt, om deze woorden âmaak mij als éénen van uwe huurlingenquot; uittespre-ken. Maar het voornemen, om zijnen vader nederig te dienen, blijft toch in zijn hart; slechts wordt het door de ondervinding der overvloedige genade gezuiverd. En zoo is het en moet het zijn bij iederen zondaar die zich bekeert. Hij is van zijne schuld, van zijne geheele onwaardigheid en ook van zijne onbekwaamheid om iets bijzonders te verrichten , ten diepste overtuigd en hij zal zich verblijden, wanneer hij maar in Gods huis en rijk wordt opgenomen en daarin mag verkeeren , al moet hij er de allergerinste plaats bekleeden , al ware hij er slechts een dorpel wachter. Geen plaats , geen dienst is hem te nederig: want hij is niets in zijne oogen en toch heeft hij waarlijk de begeerte, om op een of ander wijze ter dienst en verheerlijking van God werkzaam te wezen en nuttig voor zijn evenmensch te worden; niet als of hij daardoor gi ed kon maken wat hij vroeger verzuimd en misdaan heeft, maar omdat er nu waarlijk een wil en lust in hem is om God te dienen.
3. De verleren zoon staat vast in zijn voornemen; hij wil zich opmaken en tot zijnen vader wederkeeren. Hij gaat den weg van Kaïn niet op, die wanhoopte zonder waar berouw; hij doet niet als Saul en als Judas: hij slaat niet van vertwijfeling de handen aan zich zeiven. En wat is het, dat hem tot zulk een schrikkelijk einde niet doet komen ? Dit, dat met het voornemen om wedertekeeren ook aanstonds in hem een vonkje van geloof ontwaakte, een verborgen vertrouwen
5*
60
dat hij, met berouw en schuldbelijdenis aankomende , niet geheel zou worden verstoeten. Dat verborgen vertrouwen bliikt ook hieruit, dat hij in ziine alleenspraak herhaaldelijk den naam âvaderquot; gebruikt. En dat was zijn behoud: want had hij geheel niets van zulk een vertrouwen gehad, hij ware niet teruggekeerd, hij ware âin de zonde blijven liggenquot; en in zijnen druk vergaan.
Op den wil volgt de daad : en opstaande ging hij naar zijnen vader. Het is niet genoeg te willen omkeeren , het doen moet er bijkomen. God ziet wel het hart aan, in het hart moet eerst de bekeering geschieden en zonder bekeering des harten is de bekeering des levens slechts schijn; maar wie waarlijk anders van harte wordt; drukt het ook uit, betoont en bezegelt het ook met de daad. Waar God het willen geeft, daar geeft hij ook volbrengen.
De verloren zoon staat op en gaat op weg naar 't vaderland. Jaren zijn er verloopen , sinds hij het verliet. Hoe geheel anders is het nu met hem dan toen! Vol was hij weggetogen, ledig zal hij wederkeeren. â Zal hij den weg vinden? Zal hij de reis kunnen volbrengen? Zal hij ooit bij zijn vader aankomen? Zal hij, uitgeteerd van honger en kommer, niet onderweg bezwijken ? Een heirleger van afschrikkende bedenkingen mag hem nog wel in dezen oogenblik bestormen, maar hij vermant zich, hij breekt door, hij overwint, hij denkt: kom ik om, zoo kom ik om , hij wil, hij moet voort; zoo ellendig , zoo afzichtelijk als hij is , wil hij heen ; h:j staat op en gaat op weg naar zijnen vader. â Hij draalt niet, hij wil niet wachten totdat hij zich eerst beter kleedeu en opschikken kan; hoe zal hij dat ook? Zijn nood lijdt geen uitstel. Hij verlaat de zwijnen â dezen zullen door middel van anderen, die in dienst van den burger zijn, wel terechtkomem ; hij verlaat dien burger , tot wiens dienst hij zich niet langer verbonden acht; hij verlaat het land der zonde en der smart, dat hem een tranendal geworden is, hij richt zijne schreden naar
69
dat land, waarheen een onweerstaanbare drang hem voortdrijft en als getrokken en gedragen van hooger kracht, bij al zijne zwakheid, reist hij voort, tot dat hij eindelijk ter plaats waar hij rusten kan, aankomt. â Is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt ?
II.
Dit gedeelte van de gelijkenis van den verloren zoon, dat wij thans hebben beschouwd, is bij uitnemendheid belangrijk. Hier staat de ladder der bekeering met al hare sporten klaar voor onze oogen geteekend, die ook alle moeten worden betreden , hoezeer liet bij den eenen schielijker, bij den anderen langzamer gaat. Hier zegt ons de Heere Jezus zelf, wat eene waarachtige bekeering is en hoe zij geschiedt. Wel komt dit het meest kenbaar uit bij zulken, die woest en losbandig in grove zonden leefden, maar in het wezen der zaak wordt het toch van allen ondervonden, die in het huis des Vaders komen. Immers alle menschen zijn zondaars en door de zonde van God vervreemd. Wat is noodig? inkeer, inzicht, vast voornemen, schuldbekentenis, omkeer.
1. Inkeer. Hoe verschillend ook de leidingen Gods zijn mogen, dat is toch de aanvang van ieder ware bekeering, dat de zondige mensch tot inkeer, tot zich zeiven komt. Dit was bij den verloren zoon het eerste dat hij tot zich zeiven kwam. â Kent gij dat, toehoorder? is dat bij u geschied? Hebt gij met u zeiven te doen gekregen? o dan zult gij ook verder gebracht worden. Of zijt gij u zeiven nog als een vreemde? wel overal te huis, maar bij u zeiven niet? Dan moet het geheel anders worden: want gij moet eerst tot uzel-ven komen, eer gij tot God, tot den Vader, komen kunt. Hoe ver zijn die dan nog van den weg des heils , die al het mogelijke doen, om zich maar te verstrooien! Och sta stil, sterveling! Ernstige stemmen roepen u tot inkeer: de vluch-
70
tigheid van den tijd, de vergankelijkheid en iidelheid der on-dermaansche dingen, de oordeelen Gods , die er op aarde zijn, bet ruischen der roeden van verre of nabij, waarmede de band des Allerboogsten gedurig bet menscbdom slaat, bet woord Gods, dat u gepredikt wordt, dat u vermaant, waarschuwt , tot de zaligheid uitnoodigt â alles roept u toe: sta toch stil, o menscb! laat u niet langer wegsleepen door den stroom der wereld, kom eens tot uzelven, bezin u, denk eens na! wat zijt gij? waarbeen gaat gij? wat hebt gij te verwachten ! wat zou uw lot wel zijn , wanneer gij heden, morgen werd weggenomen? denk eens na!
2. Wie tot inkeer komt, krijgt ook een inzicht in zijnen toestand en ziet daar het tweede wat noodig is: de zondaar moet inzien en erkennen, hoe ellendig bij door de zonde is geworden. Zoo was het bij den verloren zoon: boe vele huurlingen mijns vaders, riep bij uit, bebben overvloed van brood en ik verga van honger!
Huurlingen â dit beteekent iets. Maar wat wordt er door afgebeeld?
a. Zou Jezus daarmede èefreerr/e zondaars bedoelen? Neen, dat kan niet: want de bekeerden zijn kinderen Gods, en huurlingen des vaders is bier gezegd juist in tegenstelling tegen zonen of kinderen. Daarom moet bet zoodanigen beteeke-nen die minder zijn dan zonen : want anders zou de verloren zoon er weinig mede zeggen wanneer hij spreekt: die hebben bet beter dan ik.
b. Dies denken wij eer aan zedige, doch slechts wettisch Goddienende menscben. De verkwister, die al zijn goed beeft doorgebracht, die door een liederlijk leven ook zijne tijdelijke welvaart beeft verwoest, zijn lichaam bedorven , zijne krachten verspild , zijne gezondheid ondermijnd, maar nu tot inkeer is gekomen en ten volle voelt, hoe ongelukkig bij is, moet wel zeggen : âboe velen, die geen ware kinderen Gods zijn, maar om des voordeels wil zich ordelijk
71
en betamelijk gedragen en God den Heere slechts om loon slaafachtig dienen, genieten tijdeliik geluk â en ik, een zoon uit 's vaders huis, moet wegens mijne buitensporigheden van honger omkomen.quot; Intusschen ook dezen zijn toch van eenerlei oorsprong en afstamming met den verlorene en alle menschen zonder onderscheid zijn van nature kinderen des toorns.
c. Daarom moeten wij nog wel dieper afdalen en zeggen: wat voor den verloren zoon in de gelijkenis de huurlingen zijn, dat zijn voor den overtuigden zondaar in zijne bevinding de lagere wezens, de redelooze schepselen â geheel naar het diep gevoel van ellendigheid, hetwelk hem, die tot zich zeiven gekomen is , dreigt te overmannen : âik ben ongelukkiger dan de redelooze schepselen ! de dieren des velds , deze zwijnen zelfs , en de vogelen des hemels, die de hun gestelde orde moeten bewaren, die met noodzakelijkheid, door ingeschapen drift, hunne diensten in de natuur doen â want zij allen zijn Gods knechten (Ps. 119:91) â hebben overvloed van spijs, zijn wél verzorgd en vroolijk daar hunnen aard â en ik , een mensch van Gods geslacht, verga van honger!quot; Zegt, bekeerden , is het wel vreemd , dat, wien de oogen opengaan over hetgeen hij is en over hetgeen hem wacht, in de over-mate van zijne ellendigheid het redelooze dier gelukkiger acht dan zich ?
Ik verga van honger ! Schrikkelijke toestand , wanneer het met den arme zoo ver gekomen is, dat hij van honger sterven moet! En dat wordt in geestelijken zin het lot van allen die hun heil buiten God zoeken. De wereld laat hare dienaren verhongeren. Gij moogt rijk zijn of arm , in wetenschappen geoefend of ongeleerd , nooit zult gij bij de wereld bevrediging vinden voor verstand , hart en geweten. Draf is het wat zij geeft, ook het beste wat zij biedt. Bij het vroolijkst en prachtigst leven , bij de keurigste maaltijden, bij allen overvloed van goed en genot in deze wereld blijft de ziel, de onsterfe-
72
lijke ziel ledig. Is de wereld nog uw één en al, waarlijk gy zijt in gevaar van honger te vergaan. Alleen het brood des levens uit 's Vaders huis , alleen het manna dat verborgen is , verzadigt. Dat is Jezus, in wien naar het welbehagen des Vaders al de volheid woont. O begeer, zoek dat ware en duurachtige goed , sterveling ! Het wordt u nog aangeboden. Geef nu gehoor, opdat gij niet, nog langer door den schijn bedrogen , in eindeloos en onherstelbaar gebrek verzinkt!
Ik verga van honger! Hiertoe moet het komen, anders blijft men nog bij den zwijnendraf zitten. Zoo lang de voor raad van eigen kracht, wijsheid en gerechtigheid nog niet is opgeteerd, heeft men geen behoefte aan Jezus. Men moet eerst honger voelen. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid , want zij zullen verzadigd worden. Wél hem, die hiertoe gebracht wordt, dat hij moet uitroepen: ik verga! Want dan komt het tot beslissing, tot eene goede keus, tot een vast besluit.
3. En dit is het derde in de bekeering, een voornemen als bij den verloren zoon: ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan. Men moet uitgaan uit het vreemde, vergelegen land, waarheen men verdwaald is. Dat land is overal in de wereld. Het is de weield zelve, in zoover zij van God vervreemd is, de wereld als het gebied des Satans in tegenstelling tegen het rijk van God. B]n dit voornemen is de ernstige, welberaden en onwrikbare wil, om de dienst der zonde te verlaten en God te zoeken. Het is niet genoeg, tot zich zeiven gekomen te zijn ; men moet dan ook tot God komen.
4. Maar hoe ? Met schuldbelijdenis, en ziet daar een vierde stuk, dat niet ontbreken mag. Schuldbelijdenis! vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u! Zoo doet de verloren zoon al belijdenis bij zich zeiven , zoo wil hij het voor den vader doen, oprecht, ongeveinsd, openhartig. Het valt zwaar, schuld te bekennen. Wat al uitvluchten worden er gezocht, welke dekmantelen, hoeveel plooijingen ! Maar daarbij
73
heeft men toch geen vrede , het geweten blijft ons aanklagen, het hart blLift als gesnoerd en geperst. Bij oprechte bekentenis is het alsof er een last wegvalt. Leest slechts den 32 psalm. â Ik heb gezondigd! Niet slechts de gevolgen der zonde, de rampen en ellenden, moeten bejammerd, de zonde zelve moet betreurd en verfoeid worden. Onder het gewicht der verdrukkingen moet het juist het hartinnig berouw van de zonde wezen , wat ons het meest benauwt. Het moet niet wezen gelijk het bij Farao was, die maar van de plagen wilde vrij zijn, die alleen van Mozes en Aaron vergeving vroeg en door' dezen God den Heere wilde gebeden hebben : dat hij slechts dezen dood van mij weg neme (Ex. 10 ; 17). Veelmeer het moet zijn als bij Davii (Ps. 51); wees mij genadig, o God, naar uwe goedertierenheid, delg mijne overtreding uit naar de grootheid uwer barmhartigheden. Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid en reinig mij van mijne zonde. Want ik ken mijne overtredingen en mijne zonde is steeds voor mij. Tegen u, u alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in uwe oogen! â Die zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.
Bij oprechte schuldbelijdenis vernedert men zich en veroordeelt men zich zeiven en is nu gewillig om God te dienen. Ik hen niet meer waardig uw zoon genaamd te worden, maak mij als éénen van uwe huurlingen. Dat is de taal des boet-vaardigen. Dit moet erkend en beleden worden, dat alle recht verbeurd is door de zonde en er moet niets overblijven dan zich op genade overtegeven aan den wil van God , dat hij met ons doe wat hem behaagt en ons gebruike waartoe hij verkiest. Stemt gij daarmede niet in , ontwaakte ? niet waar, met de minste plaats in Gods huis en rijk zoudt gij tevreden zijn, wanneer gij maar wistet dat gij er toebe-hoordet, en de nederigste dienst zoudt gij u eene eere achten. Doch verdienen laat zich de genade niet, dan ware het geen
74
genade meer. Ook is het onmogelijk natebetalen met goede werken zoomin als vooruittebetalen met goede voornemens. Toch moeten de geloften betaald worden, niet ter vergoeding maar uit den drang van dankbaarheid. Zoo worden ook bij den profeet Ilosea (14 : 3) aan het boetvaardige Israël deze woorden in den mond gelegd om ze tot den Heere te zeggen: neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zoo zullen wii betalen de varren onzer lippen. En de Heere spreekt: ik zal hunlieder afkeering genezen , ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben: want mijn toorn is van hen afgekeerd. Niet als huurling slechts, maar als kind wil God u aannemen en herscheppen. Alles is verbeurd. Hier komt het evangelie den berouwhebbenden en vreezenden te gemoet en geeft de verzekering van de mogeliikheid en den weg om Gods kind te worden, namelijk door het geloof in den Heere Jezus Christus. â Ik zal ulieden aannemen. En ik zal u tot een Vader zijn en gij zult mij tot zonen en dochteren zijn , zegt de Heere de Almachtige. Eu dat is een wonder in de oogen van alle begenadigden en doet hen, wanneer zij het recht indenken , met verbazing uitroepen: ziet hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.
5. Maar er moet dan ook een werkelijke omkeer geschieden. Dit is het vijfde punt dat zich hier voordoet en waardoor de bekeering wordt voltooid. Ziet den verloren zoon: opstaande ging hij naar zijnen vader. Zoo alleen is bet eene waarachtige bekeering. Wel met nadruk vermaant de profeet Hosea (14 : 2): bekeer u, o Israël, tot den Heere uwen God toe, terwijl hij (7 : 16) moest klagen: zij keeren zich, maar niet tot den Allerhoogste, zij zijn als een hedriegelijke hoog. Dat is eene bekeering, waarbij men de gedaante van godzaligheid aanneemt, maar hare kracht verloochent, waar men zich opmaakt, maar zich wederom bij andere burgers in het vreemde land gaat verhuren of onderweg staan blijft, gelijk
75
Lots huisvrouw, toen die uit Sodom was gegaan; eene bekeering , waarbij men met zijn hart in de wereld bliift. Met zulk een schijn van bekeering is de Heere Gud niet gediend. Geheelen omkeer eiscbt hij, bij niets anders mag men staan blijven , bij niets buiten hem zich ophouden. En wie waarlijk bekeerd wordt, voelt zich ook van alle banden los en kan zich niet meer houden bij hetgeen waaraan hij vroeger kleefde. Dan is het; Assur zal ons niet behouden , wij zullen niet rijden op paarden en tot het werk onzer handen niet meer zeggen ; gij zijt onze God. Immers zal een wees, een hulpelooze bij u ontfermd worden (Hos. 14: 4). Dat is een hoofdstuk van de eere , welke God bij de bekeering van den mensch weder ontvangt, dat men alle eigen hulp en alle troost van schepselen voor ijdelheid erkent en als een hulpelooze bij God ontferming zoekt en tot zijne vaderlijke liefde en genade de toevlucht neemt. Zoo wordt Gods naam weer geheiligd.
Op dan, ziel! zonder uitstel! opgestaan van de gebroken bakken , die geen water houden ! Zondaar , hekeer u ! Dat is Gods stem , dat is zijn uitgesproken tril, die u ook nog in dezen oogenblik wordt aangekondigd; wie weet of het niet voor de laatste maal is ? Bekeer u , dat is zijne vermaning : want de dienst der zonde moet verlaten worden, anders kan er geene gemeenschap zijn met een heilig God. Bekeer u, dat is zijne waarschuwing: want wie zich niet bekeert, maar in zijne zonden sterft, gaat naar de helle. Bekeer u, dat is de lokstem zijner liefde, de stem des genadigen , die zich nog bereidwillig verklaart, om strafwaardigen van hunne schuld te ontslaan en met ontferming aantenemen. Heden, heden, terwijl gij zijne stem hoort, verhard uw hart niet! Hoe lang znlt gij hinken op twee gedachten ? het moet tot een vast besluit, tot een besliste keuze komen. Och stel niet langer uit wat geen uitstel lijdt! â En gij arme en ellendige, wanhoop niet! gij die twijfelmoedig en radeloos nederzit, gij
76
vindt geen troost zoolang gij bii u zeiven blieft. God roept u, zooals gij zijt. Schroomt gij zoo tot hem te gaan en vraagt gij bekommerd : waarmedn zal ik den Heere tegenkomen en mij hukken voor den hoor/en God ? Geen offers ter verzoening kunt gij hem brengen, met hem behachelijke werken kunt gij nooit komen. Deze eischt hij ook niet, maar neem woorden met u en bekeer u tot den Heere, zeg tot hem: neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede. Stort uw hart vrijmoedig uit, smeek ootmoedig om genade. Er is een Voorbidder voor de biddenden, een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus , de rechtvaardige en hij is eene verzoening voor onze zonden. Pleit op het bloed des Lams. Welaan dan, het is nu nog een genadetijd : doe als üavid en zeg: ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere. Doe als de verloren zoon en God zal gewisselijk aan u doen, wat in de gelijkenis de vader aan den verlorene deed. Zijn oor is open voor het gebed des ellendigen. â Hebt gij dat ervaren, hebt gij uzelven leeren kennen als een gevallene en verlorene in Adam en zijt gij gevonden , opgestaan en aangenomen in Christus, zult {jij dan niet Gods genade als de eenige oorzaak van uwe redding prijzen ? Immers de wederkeer van den verloren zoon tot den vader was niet zijn werk. Door hooger hand werd alles zoo gevoegd , dat hij moest wederkee-ren en dat hij het kon. De bekeering is Gods werk , van achteren ziet men dat in. Daarom, bekeerden, geeft God de eer ! Herdenkt gedurig al wat hij aan u heeft gedaan en hoe hij, waar alle dingen tegen u schenen te zijn, juist die alle u tot een zegen deed worden en tot uw heil deed medewerken. â Doch legt u niet ter rust op hetgeen achter is en met u is geschied, maar ziet ook op hetgeen nog vóór u ligt. Daar is nog zoo menig gevaar, zoo veel verzoeking om weer aftedwalen. Wie afwijkt en in zonden valt, moet âniet in de zonde blijven liggenquot; maar opstaan en wederkeeren met ootmoedige schuldbelijdenis , gelijk David , gelijk Petrus , en
77
in de vernieuwde en voortgaande bekeering komt ook â wederom alles zoo voor wat bij de eerste bekeering heeft plaats gehad , alleenlijk dit dat âwij een eeuwig verbond der genade met God hebbenquot; en dat de genadegiften en de roeping Gods onberouwelijk zijn, dit blijft nu bij alle leedgevoel het hart verborgen schragen. En de Hoere roept: keert weder, gij afkeerige kinderen, Ik zal uwe afkeeringen genezen. Hij nu, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal. Daarom gemoedigd voort! Al is het dat nog gedurig de vijand u den weg bestrijdt en gedurig nieuwe beproevingen en hinderpalen zich opdoen, bereiken zult gij eens het schoone doel waarnaar uw hart haakt. Moet gij nog een tijdlang als een vreemdeling in deze wereld zwerven, gij nadert toch hare grenspalen en eenmaal zult gij aankomen in het huis des Vaders en in die zalige rust ingaan, die er overblijft voor het volk van God. Amen.
Laat dit verhaal u in geen zonde stijven ,
Maar alle zonde en wanhoop buiten drijven; Uw schuld die is al oud en zwaar genoeg ,
Dat zich uw ongeloof daarbij niet voeg'!
Zoo gii uw oor voor Jezus niet meer sluit,
Kom vrij, hij zegt: ik werp u geenszins uit.
Ps. 51 : 1 , 2.
â 84 : 3, 4.
â 22 : 14.
Gelezen; Spreuk. 28 : 1 â 14.
LUK AS XV vs. 20^â24.
De Verloren Zoon met blijdschap ontvangen:
De genadevolle aanneming des boetvaardigen bij God.
De heilige Apostel Paulus zegt Rom. 5 : 20: Maar de ivet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde, en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geworden.
Het is alleen door de gehoorzaamheid van Christus, mijne medezondaren , dat wij tot rechtvaardigen voor God gesteld worden, gelijk wij door de ongehoorzaamheid van Adam tot zondaars gesteld zijn geworden. Dat is de weg. Niet kunnen wij voor God bestaan met goede werken, met werken van godsdienst, cerimonieel of hoe ook genaamd, met liefdewerken omtrent onzen naaste, met eigene, wettische gehoorzaamheid naar de eeiste en de tweede tafel. Neen, in geenerlei wijze. Daartoe is de wet ook niet gegeven. Maar de wet is âbovendienquot; ingekomen, is âvan ter zijdequot; â dus niet door natuurlijke , noodzakelijke ontwikkeling , maar door buitengewone tusschenkomst â ingetreden , namelijk tusschen de schuld in Adam en de genade in Christus, na de eerste, vóór de andere, opdat de misdaad te meerder worde.
De ervaring bewijst dat. De wet, van den heiligen God op Sinaï gegeven, kon de zonde niet wegnemen. Het volk, dat de wet ontving, werd er niet door gerechtvaardigd noch geheiligd. Waartoe kwam zij dan tusschen in? om het vuur
79
nog feller te doen branden, om den droesem op te roeren. De wet maakt de zonde meerder: door dat zij haar openhaar maakt bij hare strenge eischen; door dat zij tot tegenstand prikkelt, want âwij streven naar het verbodene en altjid begeeren wij wat ons ontzegd isquot;; de zonde neemt oorzaak door het gebod ; eindelijk door dat zij over de zonde den vloek uitspreekt: de wet is de kracht der zonde.
De zonde heerscht ook vóór de wet, maar de verschrikkelijke macht der zonde wordt niet erkend voor 't geen zij is tot dat de wet er tusschen inkomt en op het hart valt en aanvangt te eischen, te dreigen, te bestraffen en te verdoemen. Den mensch is zijn eigen toestand verborgen: de wet is het middel tot ontdekking. Wie tot grondige zelfkennis is gebracht, vindt geen redding dan in de genade, die aan het vermoeide , afgesloofde hart vrede en leven geeft. Dan is het gelijk de Apostel zegt: icaar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest. Bij wien de zonde onder het licht en vuur der wet bovenmate zondigende is geworden en wie in Christus vergeving en leven ontvangt, dien is het een wonder dat God hem aanneemt: hij erkent daarin overmaat van genade. Waar de zonde veel was en machtig , daar bleek de genade , in vergeving en heiligmaking, des te overvloediger en almachtig te zijn.
Wordt de overvloed van genade ons niet treffend getoond in den verloren zoon ?
TEKST : Lu kas XV : 20^â24.
En als hij nog ver van hem was , zag hem zijn vader en werd met innerlijke ontferming bewogen en toeloopende viel hem om zijnen hals en kuste hem.
En de zoon zeide tot hem: vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.
80
Maar de vader zei de tot zijne dienstknechten : brengt hier voort het beste kleed en doet het hem aan en geeft eenen ring aan zijne hand en schoenen aan de voeten.
En brengt het gemeste kalf en slacht het en laat ons eten en vroolijk zijn.
Want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden en hij was verloren en is gevonden! En zij begonnen vroolijk te zijn.
Hier zet de Goddelijke liefde de kroon op haar werk. Hier opent zich eene bron van zaligen troost voor het gefolterd hart: er is genade bij God, ook voor den grootsten der zondaren! wie wederkeert, hoe snood hij heeft misdreven, hij wordt aangenomen, ja met blijdschap ontvangen. Wie kon denken dat de groote God zoo zou doen ? De eeniggeborene , die in den schoot des Vaders was , zelf van den God der liefde gezonden, om het verlorene te zoeken en zaligtemaken, heeft het ons verklaard. Hartroerend stelt hij ons dat voor onder dit beeld van dezen vader, die zijnen met berouw terugkomenden zoon niet verstoot, maar met vreugde begroet en met gaven en eere overlaadt.
Zalig, wie zich zeiven mag kennen als zulk een gekomene en aangenomene! Bemoedigend tafereel voor wie nog verlegen en angstig van verre staat! met het oog hierop moet de twijfel wijken of God genade wil bewijzen aan gansch onwaardigen. En wie nog op zondigen weg wandelt, ook dien wordt hiermede van Gods wege toegeroepen; keer om , nog wordt gij aangenomen !
Het is dan een bekoorlijk onderwerp , geliefde vrienden, dat zich thans voor ons ter overweging aanbiedt: wij komen nu tot de eigenlijke en eerste oorzaak van des zondaars verlossing , de ontferming Gods.
81
Beschouwen wij
I. Het beeld: de vriendelijke ontvangst van den verloren zoon bij zijnen vader.
II. üe bedoelde waarheid: de genadige aanneming van den berouwhebbenden zondaar bij God.
I.
1. De verloren zoon is opgestaan, hij heeft zich op weg begeven om het vreemde land uittekomen, hij is reizende naar zijnen vader. Verre was hij weggetogen, dies moet hij een langen weg afleggen om terugtekomen. Zijn weg is een weg van strijd. Hij heeft voortgaande te kampen met hinderpalen en bezwaren van buiten, met aanvechtingen van binnen.
a. Hij is arm en zwak. Hij moet, om zijnen honger te stillen, onderweg wel bedelen en daarbij ondervindt hij nog weer dikmaals de onmeedoogendheid der wereld; of hij voedt zich met kruiden van het veld , waar hij ze vindt. Toch komt hij voort, deze eenzame pelgrim, bij al zijne gevaren. Dreigt hij soms te bezwijken, het is alsof een verborgen arm hem schraagt en eene geheime kracht hem weer sterkt. De zon gaat over hem op en onder en wanneer hij na het dalen van den dag zich moede neerlegt op de aarde, verheugt hij zich dat hij toch weer zooveel wijder is gekomen en de rust, die hij mag genieten , vernieuwt zijnen moed. Het is hem soms als of er een bij hem is, wiens oog liefdevol op hem ziet, wiens hand hem beschermt. Met het krieken van den dageraad maakt hij zich telkens weer op en zet zijnen tocht voort. Hij blijft bewaard bij de koude des nachts en bij de hitte van den dag. Al had hij nu op zijnen weg ook nog kans gezien om weer beter lot binnen dat vreemde land te verkrijgen, al had een ingezetene voor hem de deur geopend en hem de bekoorlijkste aanbiedingen gedaan, hij zou het ten eenenmale hebben veracht. Maar hem werd ook niets aangeboden. Voor
6
82
hem was het een hongerland, over hetwelk hij den dood zijne vale schaduwen zag spreiden.
h. Met geen minder bezwaren had hij inwendig te worstelen. Gedurig viel hem nog de vrees weer aan, of men hem niet aan de deur van zijns vaders huis zou afwijzen en als een verloopen deugniet wegjagen. En rees de gedachte aan zijn zondig leven bij hem weer op en aan al die schandelijkheden, waaraan hij zich had schuldig gemaakt, ach dan kwam hij zich zeiven zoo laag , zoo verachtelijk voor, dat hij schrikte van voorttegaan. En wanneer hij op den naren toestand van zijn lichaam zag , wanneer hij het oog sloeg op die vermagerde , verslenste leden en op die vuile vodden die hem kommerlijk dekten ; of wanneer uit een helder waterplas , waar hij zijnen dorst ging lesschen , zijn eigen hol gelaat hem aanzag : ach dan schaamde hij zich voor zich zeiven en hem viel een groote angst aan , dan schroomde hij zijnen vader zoo onder de oogen te komen en zijne beenen beefden. Toch geeft hij het niet op. Hij moet voort. Want keert hij op zijn weg weer om en richt hij zijne schreden terugwaarts in het land der ellende of blijft hij stilstaan en staakt hij zijnen gang, hij weet, dan moet hij omkomen. En hij wil voort. Zijn hart is afkeerig van dat onreine , akelige land enjnj huivert voor de duistere machten die daar heerschen; het berouwt hem in zijn hart dat hij er geweest is ; daarbij dringt een geheime trek naar zijnen vader hem al voort en deze drang krijgt steeds weer de overhand boven al wat hem wil beletten van voorttegaan. En hij kan voortgaan. Hoe neergeslagen hij soms is, hoe twijfelmoedig dikmaals, hoe radeloos vaak bij vernieuwd bezwaar, bij herhaalde aanvechtingen, telkens krachtiger breekt bij hem het vertrouwen door op de vergevende goedheid zijns vaders. Zoo gaat hij voort.
2. Maar de vader ? Heeft deze nog een hart voor hem ? Wil hij nog te doen hebben met zulk een zoon die het zoo heeft gemaakt ? O hij is goed en vriendelijk boven denken.
m
Hooren wij: als de zoon nog ver was, zag hem zijn vader en werd met innerlijke ontferming bewogen en toeloopende viel hij hem om zijnen hals en kuste hem.
Uit de menschheid ontleent Jezus het beeld van dezen vader. Is het er in werkelpkheid te vinden ? Is er zulk een vader, die jegens zulk een zoon zoo zou handelen ? In allen gevalle geeft de minzame Zaligmaker hierin meteen een wenk voor ouders, een voorbeeld. Is het dat een kind, een zoon of dochter, halstarrig en ongezeggelijk eenen weg inslaat die niet goed is, tegen bidden en vermanen zich aan alle verleiding gaat overgeven en zich ongelukkig maakt, maar daarna met berouw, schuldbelijdenis en onderwerping wederkeert, dan mogen ouders niet hard , onmeedoogend en onverbiddelijk zijn; om niet te verderven hetgeen waarin misschien nog een zegen is, maar moeten, behoudens hun gezag, barmhartigheid bewijzen.
Nog is de zoon ver van het vaderlijke huis, zoo ziet hem reeds zijn vader. Eens had hij met smart dezen zoon met een schat van goederen en rijk uitgedost naar dien kant zien wegtrekken ; het is, als heeft hij van uit de hoogte van zijn huis hem nageoogd tot in het verre land: het oog eens vaders reikt ver! Het is, als heeft hij den verlorene in de verste verwijdering nimmer uit het oog verloren. In zijn hart is hij altijd geweest. Het is als heeft hij hem gedurig weer tegemoet gezien en als was zijne liefde staroogende, hopende en wachtende op zijne wederkomst. Daar komt in de verte een ellendige, schamele gestalte langzaam en met wankelende schreden aanzweven. Eer iemand van het gezin den arme ziet, ziet de vader hem. Hoe onkenbaar ook, hoe weinig hij ook geleek op hetgeen hij eertijds was, het scherpziende, doordringende vaderoog herkent hem reeds van verre: ja, het is zijn zoon, de verlorene!
Komt er toorn op bij den vader ? veracht hij den diepge-zonkene ? O neen, zijn lievend hart wordt van medelijden
G*
84
ontstoken: hij wordt met innerlijke ontferming bewogen , hij is met hem begaan.
De ontferming drijft hem uit. Hij ziet wel, hoe schroomvallig , hoe schoorvoetende, neergebogen van schaamte en vrees de deerlijk gehavende zwerver daar aankomt, niet door onvermijdelijke rampen, maar door eigen schuld zoo ellendig geworden. En het zwaarste lijden is de schuld ! De vader weet, hoe noodig het voor den verootmoedigde is dat hij schielijk worde opgebeurd en er aan dien angst, die hem tegen het oogenblik der beslissing al heftiger aanvalt, een einde worde gemaakt; en hij is blijde dat de verlorene er maar weer aankomt. Het medelijden en de blijdschap dringen hem. Hij loopt hem tegemoet. Niet langzaam gaat hij, als of hij zich nog eerst bedacht, als of hij nog aarzelde, neen hij loopt naar hem toe , met open armen en uitgestrekte handen en terwijl hij hem aanziet met zijn heldere, vriendelijke oogen , waarin de vrede te lezen stond , valt hij hem om den hals, drukt hem aan zijne borst en kust hem hartelijk welkom.
De zoon weent.
Roerend was eens de ontmoeting tusschen Jakob en zijn lang vermisten Jozef in Gosen. Als Jozef zich aan zijn ouden vader vertoonde, âzoo viel hij hem om den hals en weende lang aan zijnen hals.quot; En Israël zeide tot Jozef; dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb dat gij nog leeft! Maar hier is 't geen onschuldige Jozef, door broeders verkocht, geen Jozef, die ook in de ure der verzoeking trouw was gebleven en tot de overspelige vrouw, welke âmet hare redenen vleidequot;, had gezegd: hoe zou ik dit een zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God? Hier is 't een schuldige , die zwaar misdreven heeft.
Welke liefde! Nog eer de wedergekeerde een woord gesproken , nog eer hij schuld beleden en vergeving gesmeekt heeft, omhelst en kust hem de vader. Geen verwijt, geen
85
hard woord tegen den schuldige, maar enkel liefdeblijken. Geen zweem van verachting en walging voor den bcdelarmen, bemorsten zwijnenhoeder: de vader sluit hem in zijne armen en drukt den kus der verzoening op zijne lippen. Dat was meer dan David deed, toen die zijnen zoon Absalom kuste (2 Sam. 14 ; 33). Door deze omhelzing en dezen vaderkus neemt hij hem plechtig weer aan als zijnen zoon, als zijn kind.
3. De zoon is getroffen. In de eerste oogenblikken weet bij niet hoe 't hem is, of hij waakt dan droomt, of 't werkelijkheid is of verbeelding. En kon het anders ? moest hij niet verbaasd staan bij deze boven alle verwachting liefderijke, teedere, minzame ontvangst ? Maar nu gaat hem ook het hart open â en wat na xoo vele en zoo zware zonden geschieden moest, dat blijft hier ook niet uit: oprechte schuldbelijdenis, boetvaardige en eerbiedige onderwerping van den afgedwaalde. Onder een vloed van tranen stamelt hij : vader, ik heb (je-zondigd tegen den hemel en voor u en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.
Zijn berouw is oprecht, zijne belijdenis zuiver , zijne onderwerping ongeveinsd. Eén ding is het dat hem het meest bezwaart : zijne zonden. Dat is het eerste wat er uit moet. De omhelzing en de vaderkus hebben hem wel aanstonds verzekerd dat hij van zijnen vader niets te vreezen , dat hij alle goeds van hem te wachten heeft; hij is daardoor gerustgesteld, zoodat hij âvader!quot; zeggen kan. Maar deze voorkomende liefde, die de vader hem bewijst, doet hem nu niet denken: âgelukkig, het gevaar is over!quot; Veelmeer nu de angst hem is ontvallen , wordt het gevoel van zijne schuld nog teederder , inniger, sterker dan te voren , zijn hart smelt weg als was bij dezen gloed van liefde, die hem omvangt. Als huurling zich aanbieden, om voor loon bij zijnen vader te arbeiden en zijne genegenheid zich te veruienen â dat kan hij nu niet meer, daar de vader hem zijne genegenheid reeds geschonken en betoond heeft door dat hij hem omhelsde met zijne armen
86
en hem kuste met de kussen zijns monds. Maar des te dieper gevoelt hij nu zijne onwaardigheid en met nog andere indrukken en nog meer waarheid, dan toen hij in het vreemde land nog verre van zijnen vader eerst tot zich zeiven kwam , spreekt hij nu snikkende onder de omhelzingen des vaders met zachte stem : vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u en ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden !
4. Wat zegt de vader hierop ? Hij antwoordt met enkel betooningen van liefde, die den zoo hartelijk verwelkomden boeteling al meer verbazen. Hij leidt zelf zijnen zoon naar huis. Daar is inmiddels ook reeds beweging ontstaan. Het gezin heeft den uitgang des vaders wel bemerkt, men bevroedt dat er iets gaande is. Althans de huisknechten staan reeds uitziende, als de vader daar met dien arme aankomt. Hebben zij tot hunne verwondering wellicht iets van de omhelzingen des vaders aanschouwd ?
Dadelijk richt de vader het woord tot deze zijne voornaamste dienaren : hij geeft hun bevel, om den aangekomene te bedienen. En in hetgeen de vader tot de dienaren des huizes spreekt, kan de verloren zoon het afdoend antwoord op zijne belijdenis hooren. Hij had met bevende stem gezegd: ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maar de vader (welke tegenstelling!) zegt tot de dienaren zijns huizes : brengt uit (nog stonden zij buiten het huis) het beste kleed en doet het hem aan en geeft eenen ring aan zijne hand en schoenen aan de voeten; en brengt het gemeste kalf en slacht het en laat ons eten en vroolijk zijn.
De verloren zoon heeft nog om niets gebeden hij heeft alleen belijdenis van zijne schuld gedaan ; mild en overvloedig wordt hem, alvorens hij een bede doet, alles geschonken.
De afzichtelijke vodden worden hem afgenomen en weggedaan ; hij zag ze voortaan niet meer. Het beste kleed, eigenlijk het eerste kleed , den huisknechten als zoodanig wel bekend , voor den eersten in het huis bestemd , het kleed des
87
eerstgeborenen wordt hem aangedaan. Een vingerring doet men aan zijne hand, een zegelring, met het wapen van het huis, ten blijke dat hi] er nu als lid toebehoorde. Schoenen doet men aan zijne voeten, nadat deze hem gewasschen zijn; hij was wel zonder schoenen, met wondgeloopen voeten aangekomen. Zoo staat hij daar gereinigd, gekleed en versierd van het hoofd tot de voeten: geheel zijne gedaante is veranderd. De vader ziet hem met welgevallen, de huisgenooten zien hem met verwondering en met eerbied aan, hij zelf is als buiten zich.
En nu zal hij ook ondervinden dat in het huis zijns vaders overvloed is van brood. Hij zal niet maar zoo ter nauwer-nood zijn deel ontvangen, om zijnen honger te stillen, neen, hij zal geëerd worden als zoon des huizes. Aan de tafel des vaders komt hij aanzitten en de uitgehongerde eet en drinkt tot verzadiging, hij ontvangt aanstonds mede van het goede van zijn vaders huis. Maar dat is den vader nog niet genoeg. Er zal om des wedergekeerden wil een feestmaal worden aangericht, geheel het huis zal vreugde bedrijven en de wederkomst des verlorenen plechtig vieren.
De vader heeft een gemest half. Het is voor eene bijzonder feestelijke gelegenheid bestemd, het is als was het juist voor dit feest gespaard. De huisknechten hebben bevel ontvangen het nu te slachten. Het wordt toebereid en al wat voorts tot een heerlijk vreugdenmaal behoort, wordt door de vaardige dienaren weldra gereed gemaakt. Geheel het gezin wordt in de feestzaal ter maaltijd vergaderd, al de huisgenooten samengeroepen om feest te houden. Laat ons eten en vroolijk zijn! spreekt de vader en hij geeft als het ware den tekst op tot de vreugdezangen, die zij zullen aanheffen en waarvan het huis zal weergalmen, ja hij heft zelf het feestlied aan, in deze welluidende woorden waarin hij de oorzaak van zijne blijdschap uitspreekt; deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden, hij tras verloren en is gevonden!
88
En zij begonnen vroolijk te zijn, zij allen, ook de wedergekeerde zoon. Waarlijk, dat was iets anders dan wat van hem vs. 14 werd gezegd; hij begon gebrek te lijden! Hij was in eer en goed hersteld. Was hij bij de voorkomende liefde des vaders eerst als een droomende geweest, nu had hij de volle , zalige bewustheid, dat het geen droom maar werkelijkheid was. Hij zat daar aan den rijken maaltijd op de eervolste plaats met zijnen verheugden vader en de blijde huis-genooten aan. Zijn hart is overstelpt van ootmoedige dankerkentenis voor zoo veel goedheid. Van gebrek en schande is hij nu ontheven, hij deelt in al den overvloed van het vaderlijke huis, hij is gelukkig â en hij is dat geworden, dit weet hij nu, niet door eenig recht, waardigheid en ver-dienst , maar geheel en alleen door de onverdiende , gadelooze gunst van zijnen vader.
II.
â¢Â«*.
Keeren wij ons nu van het beeld tot de zaak, beschouwen wij de bedoelde waarheid: de genadige aanneming van den berouwhebbenden zondaar bij God.
Is het waarlijk zoo ? Mag de verlegen zondaar er staat op maken dat hij werkelijk zoo bij God zal worden aangenomen als deze zoon bij zijnen vader ? Het is waar, de zaak is groot, is verwonderlijk en gaat ons begrip te boven. Wanneer wij aanmerken wat God is en wat wij zijn, dan komt het ons schier ondenkbaar voor. Zou de Heer des hemels en der aarde, de in zich zeiven volzalige en algenoeg-zame God, die geen schepsel noodig heeft en die, zoo hij van schepselen wil gediend worden , een talloos heir van engelen heeft gereed staan, vaardig als een vlammend vuur, zou die waarlijk omzien naar een mensch, die eene made is en des memchen kind die een worm isf (Job 25: 6). Zou die heilige God, voor wien de Serafs zelfs hun aangezicht be-
89
dekken, zich waarlijk tot den o«mnen zondaar zoo nederbui-gen als hier in dit tafereel de aardsche vader tot zijnen zoon ? Zou de rechtvaardige God , die immers den schuldige niet onschuldig houdt, den strafwaardige, die het tegen hem in alles bedorven heeft, zoo verschoonen ? dat nietige schepsel, dat zijnen eigen wil durfde volgen, niet alleen verdragen maar zoo beweldadigen ? Is er werkelijk zulk een liefde , zulk eene ontferming bij God ?
In welk menschenhart kon ooit dat denkbeeld opkomen , had God het niet zelf geopenbaard ? Maar hij heeft het betuigd met ivoorden en daden , niet alleen in het Nieuwe Verbond , maar van den beginne af: hij heeft zijne ontferming bewezen aan arme zondaren ten allen tijde. Maar duidelijker , indrukkelijker, treffender dan ooit wordt het ons hier voor oogen gesteld. Hier zien wij in Gods hart. Ja, zoo is God, gelijk zijn eigen en eeniggeboren Zoon, de waarachtige en getrouwe getuige, hier leert. Hierin moet de beangste ziel troost zoeken. En dit is de hoofdzaak, die de Zaligmaker tot bemoediging voor alle tollenaren en zondaren met nadruk betuigt: âindien een aardsch vader, een mensch , die toch van nature boos is , zich over zijn verloopen kind ontfermt, dat hem zwaar beleedigd en langdurig bedroefd heeft en het verschoont, ja, goeddoet, wanneer het met belijdenis van schuld ootmoedig wederkeert, zoo zal God, die de goedheid zelve is , gewis niet hard wezen jegens den boetvaardigen zondaar, die zich op genade komt overgeven.quot; Dat heeft de Heere ook reeds door de mond van Jesaja (65 : 24) verzekerd: het zal geschieden , eer zij roepen , zoo zal ik antwoorden; terwijl zjj no;j spreken , zoo zal ik hooren. Dat is het wat ook David van zich mocht betuigen : müne zonde maakte ik u bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide : ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere, en gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde (Ps. 32: 5).
2. Ja, niet alleen vindt de berouwhebbende zondaar ont-
90
ferming bij God , maar geheel de terechtbrenging des verlorenen is van het eerste beginsel aan een werk van Gods genade. Wij zagen dat reeds in deze gelijkenis. De nood, waarin de verloren zoon geraakt, was het van hooger hand beschikte middel tot zijnen omkeer. Had hij geen gebrek gekregen en ware de hongersnood niet gekomen, zou hij wel uit het vreemde land zijn wedergekeerd ? En hier in hetgeen wij nu beschouwden , kunnen wij het allerduidelijkst opmerken. Het zien des vaders, toen de ellendige nog verre van hem was , de innerlijke ontferming, het tegemoetloopen, de omhelzing, het kussen â dat alles is een sprekend beeld van voorkomende genade. De Heere ziet naar den verlorene om , eer deze naar hem uitziet. Dat ondervond ook Nathanaël, tot wien Jezus sprak: eer u Filippus riep , daar gij onder den vijgeboom waart, zag ik u (Joh. 1 : 49). Dit had ook de vluchtende Hagar ervaren: heb ik ook hier gezien naar dien, die mij aanziet ? sprak zij en zij noemde den haam des Hee-ren : gij God des aanziens (Gen. 16: 13).
Ieder geredde moet betuigen: âGod heeft mij aangezien, zijn vaderoog was op mij in mijne zonde en in mijnen jam-merstaat.quot; En dat is de eerste oorzaak van de behoudenis des verlorenen. Hetgeen de Heer bij Ezechiël(h. K!) zegt van Israël in Egypteland, het ellendige volk, dat hij opnam en verloste, dat is waarheid voor een ieder zondaar, dien hij leven geeft; geen oog had medelijden over u â om zich over u te erbammen â spreekt de Heere â ik zag u vertreden zijnde in uw bloed en ik zeide tot u in uw bloed : leef! ja ik zeide tot u in uw bloed: leef! Uit deze voorkomende genade vloeien al de verdere weldaden en gaven voort. Ziet, wat hier in de gelijkenis de vader aan den verloren zoon deed, datzelfde had God aan Israël gedaan, naar zijn eigen woorden daar bij Ezechiël. Merkwaardige overeenkomst van hetgeen Jezus hier van den verloren zondaar leert met wat de Heere daar door den profeet in zinnebeeldige taal van dat Israël zegt.
91
hetwelk hij aanzag. Ik zwoer u en kwam met u in een verhond, spreekt de Heere Heere, en gij werdt de mijne. Daarna wiesch ik u met water â en zalfde u met olie. Ik bekleedde u â en ik schoeide u â en omgordde u. â Ook versierde ik u met sieraad en deed armringen aan uwe handen â en eene kroon der heerlijkheid op uw hoofd. En dan ook spijziging met overvloed !
Maar doet God dat al zonder voldoening aan zijn recht? Bestrijders van de genoegdoeningsleer hebben gemeend ook met deze gelijkenis hun gevoelen te verdedigen: als of de monsch maar zoo tot God kon komen, alsof van scJiuldbetaling door een borg niet de rede mocht zijn.
Het is waar, hier staat van een middelaar niets. Want de slachting van het kalf ten feestmale zal toch wel Christus zoendood niet zijn. Maar wij moeten hierbij dit bedenken;
1. Het was de middelaar zelf, die deze gelijktnis sprak en, daartoe bevoegd, zulk eeue verzekering van de ontfermende liefde des hemelschen Vaders gaf. 2. Vooraan had hij allerduidelijkst van zich zelïen gesproken onder het beeld van den Herder â en wij weten dat deze zijn leven voor de schapen ging stellen. Men moet deze derde gelijkenis niet uit het verhand met de beide vorige rukken â om niet eens te spreken van het verband der geheele heilige Schrift. Deze drie vormen één geheel en schetsen de liefde des Zoons, het werk des Heiligen Geestes en hier de ontferming des Vaders. 3. Hier wordt recht aanschouwelijk getoond, wat de heilige Schrift elders leert: dat de Vader het is , uit wien alle dingen zijn , ook het verlossingswerk, en de zoon , door wien. Met de Schrift stemt de Belijdenis onzer kerk. Het is niet als had de Zoon meer liefde dan de Vader gehad en als of de toorn des Vadjrs eerst door Christus in liefde ware gekeerd. Neen de ontfermende liefde des Vaders was juist de bewegende oorzaak van dat hij zijnen zoon, zijnen eeniggeborene in de wereld zond; alzoo lief heeft God de wereld gehad! In den
92
volmaakten Rechter gaan toorn en ontfermende liefde saam. De rechtelijke toorn Gods kon niet gestild, bevredigd worden dan met volle genoegdoening door een middelaar: anders trof hij de schuldigen zelve. Uit ontfermende liefde gaf God hiertoe zynen eigen zoon, uit liefde gaf de Zoon zich zeiven vrijwillig over om voor zondaren verlossing aantebrengen op eene Godebetamende wijze , door in de plaats van die zondaren , die verlost en gezaligd zouden worden, aan de goddelijke gerechtigheid te voldoen, door alles te doen en alles te lijden wat van rechtswege zij doen en lijden moesten, door de wet te vervullen en den vloek der wet, waarin de toorn Gods tegen de zonde zich openbaart, in al zijne ontzaggelijkheid te dragen. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op hem. 4. Wij hebben in deze gelijkenis niet voorbijtezien het tegemoetkomen van den vader. Hoe kan God als een Vader den mensch, den zondaar tegemoetkomen? Niet anders dan in zijnen Openbaarder van den beginne af, in zijnen Zoon, zijnen eeniggeborene, die geen jongeren en geen ouderen broeder heeft, maar zich niet schaamt de in hem geheiligden broeders te noemen. In Christus komt God als Vader den zondaar voor; eerst door belofte, in de volheid des tijds door zijne verschijning in het vleesch en nu door het woord, dat den gekruisigden en verhoogden Middelaar voorstelt en door den Geest die hem verheerlijkt.
In en door Christus stort zich de Goddelijke ïiefde uit. Welke liefde! De Vader omhelst het schuldige, doch zijne schuld erkennend kind; Hij kust, Hij beademt als bezielend en leven inblazend den dooden zondaar, Hij liefkoost den zoo gansch vervallenen, mismaakten, onreinen. Is God groot in macht en majesteit, grooter nog is Hij, waar Hij, die het heelal aan zijne voeten heeft liggen, zoo zich nederbuigt tot een nietig schepsel!
Zijne ontferming is de eerste oorzaak van onze redding. Dat predikt ons deze gansche gelijkenis. Ziet, de betoonin-
93
gen van Zijne liefde gaan voor het reinigen en versieren aan. De vader wacht niet totdat de ellendige net gekleed en opgesierd is. Wie tot God komt, die komt als een zondaar, als een goddelooze; alle pogingen om zich zelf te reinigen, alle voornemens om zich zelf voor hem hehagelijk te maken, vervliegen ook als waterbellen in de lucht. Alles, alles moet eerst van den Vader zeiven gegeven worden, opdat de geredden bekennen: uit genade zijn wij zalig geworden door het geloof, en dal niet uit ons, het is Gods gave.
En bij het ondervinden van deze genade erkent men eerst recht zijne onwaardigheid en voelt en betreurt eerst recht hart-innig met weemoed en leedwezen zijne zonden. In den aanvang, wanneer de zondaar tot zich zeiven komt, is het berouw nog nooit rein; het kan sterk uitbreken in jammeren en klagen, maar zuiver is het niet, omdat er telkens eerst zooveel slaafsche schrik en eigengerechtige voornemens mede onderloopen. Maar de openbaring van Gods genade neemt die weg. De genade vermurwt het hart en bij de gewaarwording van Gods vrije liefde doet de zondaar eerst met ware verootmoediging en met een rein gevoel de belijdenis: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u en ben niet waardig uw kind genaamd te worden. Maar terwijl de zondaar in de bewustheid van zijne onwaardigheid daar staat, als een ellendige, jammerlijk, arm, blind en naakt en verwonderd en ontsteld is over Gods genade, die zich aan hem openbaart en nog niet waagt zich dezelve toe te eigenen: zoo neemt de hemelsche Vader door de opvolgende, overtuigendste liefdeblijken allen twijfel van den begenadigde weg. Met woorden zegt tot hem de vader in de gelijkenis wel niet: âgij zijt mijn kindquot;, maar de daden spreken. En waar de vader aan de dienstknechten zijne bevelen geeft, zegt hij: âdeze mijn zoonquot;, om hen te doen weten waarvoor zij den wedergekomenen hebben te houden, die zij nu moeten bedienen.
De dienstknechten (vs. 22), dienaren des huizes, zijn wel
94
meerder dan huurlingen. Uit de rede van één van hen (v. 27) blijkt dat dezen gansch eensgezind met den huisvader zijn. Wie zijn het? Men kon er de dienaren des woords onder verstaan, doch met meerder reden denken wij weder aan de engelen Gods; want dezen zijn vroeger (v. 10) uitdrukkelijk genoemd en evenals die engelen in de beide voorgaande gelijkenissen (v. 6 en 9), zoo worden hier (v. 23) deze dienstknechten opgewekt om mede vroulijk te zijn. Gods engelen verheugen zich over de bekeering van een zondaar en moeten den bekeerde en begenadigde bedienen. Want zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen ?
3. De aanneming des zondaars bij God wordt volledig en bevestigd door de genadegiften, afgeschetst in die kostbare gaven, waarmede in de gelijkenis de vader den opgenomen zoon begiftigde. Vooreerst; het beste kleed. Dat is de gerechtigheid van Christus. Maar dat kleed moet aangedaan worden, 't Is niet genoeg, het uit te brengen en te vertoo-nen; het aandoen is de zaak waarop het aankomt. Maar ook dit wordt dan aan den schroomvallige niet overgelaten om het zelf aan te doen, de Vader laat het hem aandoen. Voor Adam en zijne vrouw maakte de Heere God niet alleen rokken van vellen, maar hij toog ze hun ook aan (Gen. 3: 21). En in het gezicht, dat de profeet Zacharia zag van den hooge-priester Josua, hoorde hij den Heere tot zijne dienaren spreken : doet deze vuile kleederen van hem weg; en tot Josua; zie Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselkleeren aandoen. â En zij togen hem kleederen aan (Zach. 3: 4, 5). Wat baat een kleed, zoo het niet wordt aangedaan? De gerechtigheid en zaligheid is door Christus niet alleen verworven maar zij wordt aan een ieder, die tot hem komt, ook toegeëigend met dit vertrouwen: âdat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden , eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij.quot;
95
Welke genade! welk eene stof tot blijdschap! Daar mag de gerechtvaardigde juichen over zijn deel en zeggen: ik ben zeer vroolijk in den Heere, mjine ziel verheugt zich in mijnen God : want hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft hij mij omgedaan (Jes. 61 : 10.)
De tweede gave is de vingering: geeft eenen ring aan zijne hand! een gouden vingerring, sieraad van een rijk en vrij man (Jak. 2:2), blijk van recht en gezag , verbondsteeken ! Nam niet Farao zijnen ring van zijne hand af en deed hem aan Jozefs hand ? (Gen. 41 : 42). Hier is dan de ring de verzekering van de vrijheid , van het zoonschap, kindsrechten de eere des begenadigden, onderpand en zegel van 's vaders onverbreekbaar liefdeverbond. Deze verzekering en verzegeling geschiedt door den Heiligen Geest, den Geest der aanneming tot kinderen, in welken wij roepen: Abba, Vader! â Geeft eenen ring aan zijne band, beveelt de Vader. De ware verzekering kan men zich zelf niet geven. Niemand kan iets nemen, tenzij het hem van boven gegeven worde. Die ons met u bevestigt in Christus en die ons gezalfd heeft, is God; Die ons ook heeft verzegeld en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven (2 Kor. 1 : 21 , 22). Ook kan niemand het gegevene zelf bewaren. Is er niet veel, christen, wat u weer gedurig twijfelachtig dreigt te maken ? Doch wat de hemelsche Vader geeft, dat blijft gegeven: zijne genadegiften en roeping zijn onberouwelijk. God is getrouw. Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen , spreekt de Heere, uw Ontfermen
Eindelijk het derde geschenk: schoenen aan de voeten , dat is de noodige gave en kracht tot heiligen wandel, tot nieuwe gehoorzaamheid ; meteen wederom een teeken van vrijheid, daar een slaaf geen schoenen dragen mocht. De begenadigde ontvangt de roeping en kracht om niet in slaafsche, maar in
94
meerder dan huurlingen. Uit de rede van één van hen (v. 27) blijkt dat dezen gansch eensgezind met den huisvader zijn. Wie zijn het? Men kon er de dienaren des woords onder verstaan, doch met meerder reden denken wij weder aan de engelen Gods: want dezen zijn vroeger (v. 10) uitdrukkelijk genoemd en evenals die engelen in de beide voorgaande gelijkenissen (v. 6 en 9), zoo worden hier (v. 23) deze dienstknechten opgewekt om mede vroolijk te zijn. Gods engelen verheugen zich over de bekeering van een zondaar en moeten den bekeerde en begenadigde bedienen. Want zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen ?
3. De aanneming des zondaars bij God wordt volledig en bevestigd door de ymadecjiften, afgeschetst in die kostbare gaven, waarmede in de gelijkenis de vader den opgenomen zoon begiftigde. Vooreerst: het beste Meed. Dat is de gerechtigheid van Christus. Maar dat kleed moet aangedaan worden, 't Is niet genoeg, liet uit te brengen en te vertoo-nen; het aandoen is de zaak waarop het aankomt. Maar ook dit wordt dan aan den schroomvallige niet overgelaten om het zelf aan te doen, de Vader laat het hem aandoen. Voor Adam en zijne vrouw maakte de Heere God niet alleen rokken van vellen, maar hij tooc) ze hun ook aan (Gen. 3: 21). En in het gezicht, dat de profeet Zacharia zag van der. hooge-priester Josua, hoorde hij den Heere tot zijne dienaren spreken : doet deze vuile kleederen van hem weg; en tot Josua: zie Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselkleeren aandoen. â En zij togen hem kleederen aan (Zach. 3: 4, 5). Wat baat een kleed, zoo het niet wordt aangedaan? De gerechtigheid en zaligheid is door Christus niet alleen verworven maar zij wordt aan een ieder, die tot hem komt, ook toegeëigend met dit vertrouwen: âdat niet alleen anderen maar ook mij vergeving der zonden , eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij.quot;
95
Welke genade! welk eene stof tot blijdschap ! Daar mag de gerechtvaardigde juichen over zijn deel en zeggen: ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God: want hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft hij mij omgedaan (Jes. 61 : 10.)
De tweede gave is de vingering: geeft eenen ring aan zijne hand! een gouden vingerring, sieraad van een rijk en vrij man (Jak. 2:2), blijk van recht en gezag, verbondsteeken ! Nam niet Farao zijnen ring van zijne hand af en deed hem aan Jozefs hand ? (Gen. 41: 42). Hier is dan de ring de verzekering van de vrijheid , van het zoonschap, kindsrecht en de eere des begenadigden, onderpand en zegel van 's vaders onverbreekbaar liefdeverbond. Deze verzekering en verzegeling geschiedt door den Heiligen Geest, den Geest der aanneming tot kinderen, in welken wij roepen: Abba, Vader! â Geeft eenen ring aan zijne hand, beveelt de Vader. De ware verzekering kan men zich zelf niet geven. Niemand kan iets nemen , tenzij het hem van boven gegeven worde. Die ons met u bevestigt in Christus en die ons gezalfd heeft, is God; Die ons ook beeft verzegeld en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven (2 Kor. 1 : 21 , 22). Ook kan niemand het gegevene zelf bewaren. Is er niet veel, christen, wat u weer gedurig twijfelachtig dreigt te maken ? Doch wat de hemelsche Vader geeft, dat blijft gegeven; zijne genadegiften en roeping zijn onberouwelijk. God is getrouw. Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen , spreekt de Heere, uw Ontfermer.
Eindelijk het derde geschenk: schoenen aan de voeten , dat is de noodige gave en kracht tot heiligen wandel, tot nieuwe gehoorzaamheid ; meteen wederom een teeken van vrijheid , daar een slaaf geen schoenen dragen mocht. De begenadigde ontvangt de roeping en kracht om niet in slaafsche , maar in
96
vrije, kinderlijke gehoorzaamheid te wandelen, wordt bereidwillig en bekwaam om God in geest en waarheid te dienen, krijgt vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch.
Ziet hier , geliefden , de rechte orde des heils. De schoenen komen laatst. Eerst moet ons de Vader omhelsd , gekust, in zijne gemeenschap opgenomen hebben, eerst moet het kleed der gerechtigheid van Christus ons aangedaan , eerst de ring des verzekerden geloofs geschonken zijn, onder het diep gevoel van onze onwaardigheid en onbekwaamheid: dan volgt de gave der schoenen, om te loopen in het pad van Gods geboden, ja ook om op slangen en schorpioenen te treden , de bekwaammaking om God te dienen zonder vreeze in heiligheid en gerechtigheid voor hem al de dagen onzes levens, de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het evangelie des vredes. â Is het zoo met ons toegegaan ? vinden wij in ons dat onbedriegelijk kenmerk van ware bekeering? Die heilsorde kende ook de vrome Israeliet, als hij sprak: ik zal de weg uwer geboden loopen , als gij mijn hart verwijd zult hebben (Ps. 119: 32). En een ieder, die met den verloren zoon tot den vader is wedergekeerd , kan ook met Petrus zeggen: zijne Goddelijke kracht heeft ons alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd (2 Petr. 1: 3).
4. In deze aanneming en herstelling des zondaars heeft God zijn welbehagen. Verkwikte hij zich eens in het volbrachte werk der schepping, nog meer verlustigt hij zich in het werk der verlossing. Het is hem eene blijdschap. Dat zegt ons in do gelijkenis het vreugdemaal, hetwelk de verblijde huisvader aanricht. Daardoor wil Jezus tot troost voor al de tollenaren en zondaren en tot beschaming van alle farizeën met nadruk betuigen: zulkeu lust heeft God in de bekeering en het leven des zondaars.
Wie zou dit kunnen gelooven, dat de groote God zich over
97
een zondig, nietig schepsel verblijdt, en wel over zulken, die de wereldsche of kerkelijke hoogmoed met verachting aanblikt? Maar opdat gij dit weten zoudt, gij arme en verachte, niet alleen hoe bereidwillig God is om u aan te nemen, maar hoe Hij zich zelfs verblijdt, wanneer gij tot Hem komt, juist daarom heeft de Heere Jezus het hier bij herhaling ten sterkste verzekerd. Reeds v. 7 sprak Hij, dat er blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert; wederom v. 10: er is blijdschap voor de engelen Gods over éénen zondaar, die zich bekeert. En hier noemt Hij nu duidelijk den hemelschen Vader zeiven en stelt ons Hem in zijne blijdschap voor met zijne huisgenooten, zijne hemelsche dienaren, allen verblijd over des verloren zondaars bekeering.
Zult gij dan ook niet komen, gij die nog verre van God zijt, die zonder God in de wereld en alleen voor de wereld leeft ? Wilt gij uwe onsterfelijke ziel nog langer bij den draf der wereld laten derven, om eindelijk bij 't breken van den levensdraad in de duistere, nare afgronden van een tweeden dood, in de kwalen der eeuwige rampzaligheid te verzinken ? Neen, neen, niet wijder voort op den weg, die tot het verderf leidt! Waakt op rechtvaardiglijk en zondigt niet! Wringt u los, verdwaalden, uit de strikken der verleiding! Gaat uit â nog kan 't geschieden â gaat uit het land des hongers en kommers, uit de dienstbaarheid der zonde! De onzekerheid en kortheid van den genadetijd gedoogt geen uitstel. Het is tot u, sterveling, als tot Lot (Gen. 19: 17): behoud u om uws levens wil, zie niet achter u om en sta niet op deze gansche vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
Het is u voorgesteld en bewezen, dat er voor den snood-sten zondaar, die zich bekeert, ontferming is bij God, dat Hij ook den diepst gezonkene, die tot Hem komt, niet afwijst. God is zoo goed, Hij is een God die mildelijk geeft en niet verwijt. Zal dit alles u te vergeefs gezegd zijn? Wilt gij
7
98
van gebrek vergaan, daar er in het huis des Vaders overvloed is van brood ? O kom, de weg is nog te vinden, de deur staat nog geopend. Christus is de weg en Hij is de deur. Maar buiten Hem om kunt gi] ook niet binnenkomen. Door Hem, door Zijne bemiddeling alleen kunt gij vrede met God verkrijgen. In den Zoon vindt gij den ontfermenden Vader. Alle pogingen om zonder Christus terecht te komen zijn vruchteloos. Want wat gij doet, de schuld staat daar. Maar Christus is eene verzoening voor onze zonden. Buiten Hem is er geene verzoening met God.
Zoo zie dan op Christus, wend u naar Hem toe, roep Hem aan, draag u aan Hem op. Niet als een heilige zult gij tot Hem komen, maar als een zondaar, met de bekentenis dat gij alle straf verdiend hebt en u nergens meer veilig vindt. Maar dan moet gij ook deze getuigenis aannemen: Christus heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor on-rechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Grijp die waarheid aan als een vast steunpunt te midden van alle stormen en golven. Of denkt gij bij u zeiven; ik heb te veel, te zwaar gezondigd, ik kan niet gelooven, dat de heilige God het mij vergeven zal ? Maar opdat gij dit gelooven zoudt, heeft de Heere Jezus het tafereel van den verloren zoon voorgesteld. Houdt er uwe aandacht op, het moet u opbeuren. Zie toch dien vader, hoe hij den schuldige tegenkomt. O de hemelsche Vader komt in dit woord ook u tegen en bereidt ook tot u zijne armen uit. Al hadt gij ook zwaarder nog gezondigd dan de verloren zoon, er is vergeving voor den berouw hebbende. Het bloed van Jezus Christus, den Zone Gods, reinigt ons van alle zonde. En te grooter blijdschap zal er in den hemel zijn, hoe rampzaliger de verdwaling is geweest, waaruit de verlorene weder keert. Hoe onrein, hoe mismaakt gij wezen moogt, kom maar tot Jezus, zoo als gij zijt. In Hem, door Hem wil de Vader u alles schenken, wil u reinigen van de zonde, u met gerechtigheid bekleeden en
99
u in nieuwigheid des levens doen wandelen. En al moet gij nog veel en lang worstelen , gij zult eens overwinnen en in eenen staat komen , dat gij zeggen moogt: mij is barmhartigheid geschied.
Is het zoo met u geworden , moogt gij gelooven dat God uw Vader is en dat gij door Christus Zijn kind geworden zijt, o gevondene, verblijd u in den Heere! Gods kind te zijn, o heerlijke stand, groote genade, maar ook dure verplichting. Alle roem is uitgesloten. Is niet de vrije ontferming Gods de eenige oorzaak van uwe terechtbrenging? Was Hij het niet, die u met mededoogen aanzag, toen gij verre waart ? Hij kwam u voor, kwam in Christus u te gemoet, Hij nam u op en omvatte u met de armen Zijner liefde. Moet gij niet met Hiskia zeggen: Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame, want Gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen? (Jes. 38:17). Alles, alles is genade. Erken uwe voorrechten, maar ook uwe roeping. Is het beste kleed, de gerechtigheid van Christus, u geschonken en aangedaan, bedenk dan ook dit woord: zalig is hij die waakt en zijne kleederen bewaart! (Op. 16 : 15). Is de ring u gegeven, het zegel en onderpand van uw kindschap, gedenk dan ook aan deze vermaning: bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegelt zijt tot den dag der verlossing (Ef. 4 : 30). Heeft Hij uwe voeten geschoeid, wandel dan ook als een vreedzaam kind Gods waardiglijk naar het Evangelie. En hoe meer verkwikking gij van Hem ontvangt, hoe meer Hij uwe ziel spijzigt en onthaalt , hoe meer vertroosting , vrede en blijdschap gij door den Heiligen Geest in uw gemoed geniet, laat het u aanzetten om ook in alles des te ijveriger en nauwgezetter uwen plicht te betrachten. Kinderlijke gevoelens betamen het kind Gods: kinderlijk geloof aan al Zijne woorden, kinderlijke onderwerping aan Zijn hoog bestel, stille berusting in Zijne wegen, hoe donker zij ook zijn mogen, kinderlijk vertrouwen
7*
100
op Zijn alvermogen en op Zijne liefde. Kastijdt Hij u, Hij kastijdt als een vader tot uw nut; Hij zal steeds uit de duisternis te Zijner tijd het licht doen opgaan en alles voor u ten goede doen medewerken. Hij is een getrouw Vader, Zijne genade is onveranderlijk. Heeft Christus door Zijne genoegdoening u het recht verworven en de macht gegeven, geloovi-gen, om kinderen Gods te worden, Zijne voorbidding geeft u ook de macht om het te blijven. De Heere zal u niet begeven noch verlaten. Gedurende uwe reis door de woestijn dezer wereld zal Hij u bewaren, uitredden , ondersteunen bij verlegenheid en in gevaar, Hij zal u troosten en sterken bij smart en droefenis. En treedt gij eenmaal het dal des doods in, Hij zal bij u zijn en uwe oogen opslaande in de eeuwigheid zult gij u onder de hemellingen bevinden in het heerlijk huis des Vaders. Dan is de strijd volstreden, de beproeving geëindigd ; dan zult gij blijdschap hebben , na het leed dezer ondermaansche wereld , vereenigd met al de verheerlijkte kinderen Gods. Verzadiging der vreugde is bij het aangezicht des Heeren ; liefelijkheden zijn in Zijne rechterhand, om ze te geven , eeuwiglijk. Amen.
Men zoekt den grond van 't heilvverk in zich zeiven :
Dit hindert maar de ware wel te delven
Van Godes gunst, zijn vrije harteliefde ,
Die menschen liefde omdat het Hem beliefde.
Genade komt ons aan ons zelf ontdekken
En 't hart naar den ontdekten Jezus trekken.
(D. Montanus.)
Ps. 103 : 1 , 2.
i) li 5,6.
â n V.
Gelezen: Efez. 2 : 11â22.
LUK AS XV vs. 25â32.
DE OUDSTE ZOON:
Eigengerechtigheid tegenover de Genade.
Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk Gods. Zoo sprak de Heere Jezus tot Zijne discipelen (Matth. 19 : 24), als de rijke jongeling bedroefd was weggegaan, omdat hij van zijnen mammon niet scheiden kon.
Een kemel door het oog van eene naald â dat is eene onmogelijkheid.
Men heeft dit gezegde willen verzwakken door het kameel te verdunnen of door de naald te vergrooten. Sommige uitleggers hebben, door verandering van ééne letter in den grondtekst '), van kameel kabel gemaakt, 't welk nog wat beter bij de naald zou passen : âeerder gaat een kabeltouw door het oog eener naald, dan een rijke in het koninkrijk Gods.quot; Anderen, vasthoudende dat het gaan hier gezegd wordt van iets dat voeten heeft, hebben gedacht, dat Jezus met het oog eener naald eene poort van Jeruzalem bedoelde, die wegens hare nauwte naald zou genoemd zijn , zoo laag en eng, dat de bultige kemel zich er slechts gebukt en met veel moeite kon doorwringen, maar er dan toch door kon. Maar welke van de twaalf poorten van het toenmalige Jeruzalem zou dat gweest zijn? Er is geene onder dien naam bekend.
Ieder poging om het denkbeeld van eene onmogelijkheid wegtenemen , loopt lijnrecht tegen Jezus bedoeling in. Onze
') KójUtXov in plaats van KcifiTjXov.
102
opperste Leeraar wil kennelijk iets onmogelijks aanduiden. Hij doet dat met een spreekwoord, ook later bij de Joden gebruikelijk. Luidt het in onze ooren vreemd, âeen kemel doorzwelgenquot; (Matth. 23 : 24) klinkt voor ons ook zonderling.
Jezus wil zeggen: een rijke han niet ingaan in het koningrijk Gods.
Er is eene opklimming in Zijne woorden: eerst zeide Hij: 't is bezwaarlijk, maar nu , met een âwederom ze g Ik u betuigt Hij: 't is onmogelijk.
Onmogelijk is het dat een rijke inga in het koningrijk Gods â een rijke in beiderlei opzicht, in stoffelijk of geestelijk goed.
De rijke naar de wereld, zoolang hij een rijke is , zoolang hij met zijnen rijkdom waarlijk rijk meent te zijn , dus zoolang het aardsche goed zijn schat is, kan , met zulk gevoelen en bestaan, onmogelijk ingaan en burger zijn in het koningrijk Gods. Hij behoeft zijn goed niet weg te werpen, maar het moet zijn schat niet meer zijn. Zoolang zijn rijkdom hem rijk maakt, kan en wil hij in dat geestelijke rijk, dat niet van deze wereld is, geenszins ingaan.
En wie zich zeiven rijk waant aan geestelijk goed , die zijn eigen wijsheid, goedheid en kracht voldoende acht en zich zeiven behaagt, met allerhande goede werken rijk beladen, kan die ingaan ? Onmogelijk, zoolang hij dus bestaat. Het eigene moet in allen opzichte verzaakt worden. Voor armen van geest opent zich de poort van het genaderijk.
Wie kan dan zalig worden?
Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
Maar geen wonder dat de Zaligmaker daar met het woord sloot: vele eersten zullen laatsten zijn en vele laatsten eersten.
Wij zullen tegenwoordig nader booren van eenen rijke, die niet inging, van eenen eerste die een laatste werd, die achter bleef, die buiten bleef.
103
TEKST ; Ltikas XV ; 25-32.
En zijn oudste zoon tvas in het veld en als hij kwam en het huis genaakte, hoorde hij gezang en gerei.
En tot zich geroepen hebbende ééne van de knechten vraagde, wat dat mocht zijn.
En deze zeide tot hem: uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.
Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit en bad hem.
Doch hij antwoordende zeide tot den vader: zie ik dien u nu zoo vele jaren en heb nooit uw gebod overtreden en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn.
Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
En hij zeide tot hem: kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is uw.
Men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden en hij was verloren en is gevonden.
Kon het verhaal niet sluiten met de bliidschap over den geredden zoon, die verloren was geweest ? Neen , de aanhef vorderde nog iets. Immers het begin was: een zeker mensch had twee zonen. Liet er zich dienstvolgens nu niet ook nog een woord van den anderen verwachten? Bovendien zou de âgenade voor zondaarsquot; tegen alle eigen gerechtigen voldingend en afdoende worden bepleit, zoo moest hun de keerziide van het vorige ook worden voorgehouden en de verdediging in eenen aanval eindigen. De tollenaars en zondaars, deze jongste zonen, waren nu vertroost door hetgeen
104
zij van den verlorene gehoord hadden en zij begonnen vroo-lijk te zijn. De Farizeën en Schriftgeleerden stonden beschaamd. Maar dezen zouden nu nog gevoeliger aangevat worden. In het beeld van den oudsten zoon stelt de wijze Zaligmaker hen niet alleen ten toon, maar Hij wil hen ook nog, kon 'tzijn, tot inkeer brengen. Ook de eigen gerechti-gen worden tot bekeering geroepen, doch met de waarschuwing, dat zij zullen buiten blijven, indien zij zich niet bekee-ren. â Hier zien wij dan de eigen gerechtigheid tegenover het werk der genade. Gaan wij na.
I. het bestaan en gedrag van den oudsten zoon.
II. wat het beduidt en waartoe het sterkt.
I.
1. In het huis des vaders, die zijnen verloren zoon had weder ontvangen, was alles feestelijk gestemd. Een kostelijk maal was er aangericht. De goede vader was zoo blijde en al de zijnen waren blijde met hem. Vreugde straalde van zijn gelaat bij het aanschouwen van deze zoon, die daar nu zoo gelukkig en dankbaar aanzat. De huisgenooten waren opgetogen en konden hunne blijdschap niet inhouden. Samen begonnen zij met den huisvader vroolijk te zijn.
Doch zijn oudste zoon was in het veld. Dit is nu de andere van die twee zonen, in den aanvang (v. 11} genoemd, zoon van denzelfden vader.
Hij was in het veld. Is dat tot zijn lof gezegd, om aan te duiden, dat hij een arbeidzaam, vlijtig, oppassend mensch was? Hij zelf beroemt zich er aanstonds op bij zijnen vader (v. 29): zie, ik dien u zoo vele jaren! Maar nauw bezien wordt er van dezen zoon niets loffelijks gezegd dan hetgeen bij daar zelf hooghartig van zich tot zijnen vader spreekt. En houden wij dat voor oogen, dan kunnen wij ook dit: hij was in bet veld niet als een lof opvatten , maar moeten
105
vermoeden dat het een en donkeren achtergrond heeft. Wij hooren ook niet dat de vader hem wegens zijn vlijt en arbeid prijst. Hij was in het veld, hij de huurlingen. Maar of hij daar wel zelf veel werks deed ? of hij daar niet misschien zoo wat omliep en zich op zijn recht en gezag nog al iets liet voorstaan en hen, die daar werkten, slechts wakker aandreef â, dat wordt hier met opzet in twijfel gelaten. Met de Farizeën althans, die hij afbeeldt, was het niet beter; zij binden lasten, sprak Jezus van hen, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen en leggen ze op de schouderen der men-schen, maar zij willen die met hunnen vinger niet verroeren (Matth. 24 : 4).
De oudste zoon was in het veld, als naar gewoonte. Het doet ons denken, dat hij liever buiten's huis verkeerde dan onder de oogen van zijn vader. Een zekere vreemdheid en koelheid jegens zijnen vader bleek hem eigen te zijn. Ja met geheel de verhouding tusschen hem en zijnen vader was het niet richtig. Er lag iets tusschen hen beiden. Want ten eerste over al dat âdienenquot; van den oudsten zoon heeft de vader zich niet zoo kunnen verblijden als over het wederkeeren van den verlorene. Over dezen , dien hij met nadruk zijnen zoon noemt, is hij zoo verheugd en hij roept met zulke opgetogenheid uit: deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden; heeft hij van den anderen zoon wel ooit zoo groote blijdschap gehad ? Ten Tweede. Toen de vader met zoo groote blijdschap den verlorene had wederontvangen , valt het niet in het oog, dat hij niet dadelijk naar den oudste zond en hem tijding gaf van de heugelijke gebeurtenis en hem bekend maakte met de wederkomst des broeders ? Hij laat het feestmaal aanrichten en roept geheel zijn huisgezin saam tot vreugdebedrijf : is het niet bevreemdend dat dit alles omgaat zonder den oudste en dat deze niet eens geroepen wordt tot het huiselijke feest? Ware alles wél geweest, hij had dan toch wel eer dan al de huisknechten deelgenoot van 's vaders vreugde
106
moeten ziin- Maar zonderling, hij was in het veld en de vader liet hem daar blijven tot dat hij kwam. Had de jongste in het openbaar zich van zijnen vader gescheiden, was die open uit zijn eigen weg gegaan, dezelfde eigenzin en verwijdering, schoon in anderen vorm, was bij den oudste gevestigd. En de vader kende zijn bestaan, hij had hem er lang op aangezien, hij had wel opgemerkt dat zijn hart niet recht was voor hem en van zijne komst verwachtte hij niets goeds: daarom riep hij hem niet.
2. Eindelijk komt hjj aangetreden. Maar als hij in de nabijheid is van het huis, wat treft daar zijne oogen ? Hij hoort gezang en gerei. De tonen van vreugdezangen met statige muziek galmen hem van uit de vaderlijke woning toe. Maar verblijdt het hem ? denkt hij aanstonds : daar is wat goeds gebeurd, onzen huize is zeker een groot heil wedervaren, men is er blijde? en spoedt hij, nu zelf verblijd, naar binnen om te zien de oorzaak van deze luide vreugde? Ach neen: terwijl de huisgenooten daarbinnen zingen van blijdschap en huppelen van zielevreugd, wordt hij daarbuiten ontsteld en verstoord in zijn gemoed. âHoe?quot; denkt hij, âwat zou dat zijn ? wat hebben zij daarbinnen wel ? en dat buiten mij?quot; Hij wordt al nijdig in zijn gemoed en, in plaats van geen oogenblik anders te denken dan dat de goede vader om goede redenen feest geeft en alzoo verheugd naar binnen te snellen, om in de vreugd des huizes te deelen, blijft hij stijf en strak als een pilaar staan.
Daar krijgt hij één en van de loopende huisknechten bij het huis in het oog; dezen roept hij, wel hard en barsch genoeg, tot zich en vraagt wat er gaande is. â JJw broeder is gekomen,quot; antwoordt de vlugge dienaar, âen uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.quot;
De dienaar zag wel dat de zoon verdrietig en gemelijk was. Wilde hij door zijn antwoord het vuur, dat hij bij den eer-
107
sten aanblik van dit gefronst gelaat wel al zag smeulen, nog meer aanblazen , gelijk sommigen het verstaan ? Neen, hij antwoordt eenvoudig op de gedane vraag, hij geeft zonder omhaal en zonder eenig blijk van hartelijke en booze bedoeling het gevraagd bescheid, hij zegt naar waarheid wat er van de zaak is. Hij spreekt niet op verachtelijken of spottenden toon van den weer te recht gekomen verkwister; hij zegt niet: de deugniet, de weglooper is er weer, maar met achting: uw broeder is gekomen â schoon hij misschien wel eens uit den mond des oudsten booze, schampere gezegden had gehoord over den broeder, dien hij als broeder niet meer wilde kennen. De dienaar weet en is er getuige van geweest, hoe de vader den wedergekeerde liefderijk als zijn kind heeft aangenomen en met eere en heerlijkheid begiftigd. Daarom spreekt hij van hem met eerbied: uw broeder. Die is gekomen: hoe armzalig en ellendig hij had uitgezien en wat de vader met hem had gedaan, daarvan spreekt hij niet; maar de blijdschap , die thans geheel het huis bewoog en die ook hem vervulde, drukt hij uit in de woorden: uw vader heeft het gemeste kalf doen slachten, omdat hij hem, uwen broeder, gezond iceder ontvangen heeft. Zoo weet dan de oudste: de broeder leeft, als van de dooden opgestaan , hij is gezond, hij is in huis, hij is het voorwerp van deze vreugde, de vader en al de huisgenooten zijn vroolijk met hem en over hem !
2. Wat werkt dat bericht bij den oudste uit? Is het hem een goede boodschap en zegt hij nu verblijd tot dezen huisdienaar: kom, ik ga mede naar binnen, ik wil mijnen broeder zien ? Neen, maar hij werd toornig en wilde niet ingaan.
Dat doet ons diep in zijn binnenste zien, daar vertoont zich reeds kenbaar genoeg zijn boos hart. Ziet, welk eene gevoelloosheid! Hoe blijde de vader moet zijn , nu de verlorene is wedergekomen, dat stelt hij zich niet eens voor; hoe gelukkig de broeder, daaraan denkt hij niet: hij heeft er geheel geen gevoel voor. Liever had hij van den broeder nooit
108
weer iets gehoord; nu moet hij vernemen dat hij er weer is. Hij oordeelt, de ondeugd moest met zweepslagen weggejaagd zijn ; nu hoort hij dat hij eervol is opgenomen : dat keurt hij af, hij wil hem niet zien. Wat is dat voor een hart, dat hij in zich draagt? hoe koud, hoe liefdeloos! â Ziet, welk een trots ! welk een eigenzin ! Hij acht zich onteerd door de eer die den onwaardigen broeder wordt bewezen , hij houdt het voor een onrecht, hem aangedaan. Hij rekent zich voor te goed om met dien onreine gemeenschap te hebben en de handelwijs van zijnen vader belgt, beleedigt, verbittert hem. Hij wordt rood van toorn en, zegt de dienstknecht, die wederom binnengaat: kom mede! hij blijft staan , hij wil niet ingaan.
De dienaar zegt het aan den huisvader. Deze zendt nu niet slechts eene uitnoodiging aan hem, maar hij wil zelf met hem spreken. Daar staat de vader op te midden van zijne blijdschap en gelijk hij den boetvaardige was tegemoet gegaan, zoo gaat hij nu tot den hoogmoedige uit. Minzaam spreekt hij hem aan en noodigt hem vriendelijk, ja bidt hem om toch integaan. Het baat niet. De voorkomende liefde, de zachtmoedigheid, de nederbuiging van den vader verteedert den trotsaard niet, bezadigt zijne gramstorigheid niet, bedaart zijnen toorn niet. Neen het is olie in 't vuur en de boosheid van zijn hart breekt nu in volle vlam uit. Geen ontzag voor den vader houdt zijne tong gebreideld, schaamteloos vaart hij tegen zijnen vader uit: zie, ik dien u zoo vele jaren en heb nooit een gebod van u overtreden en gij hebt mij nooit een hokje gegeven, opdat ik met mijne vrienden mogt vroolijk zijn. Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
In deze woorden komt het binnenste van den oudsten zoon nu nog meer naar buiten. Hier openbaart hij geheel zijn onkinderlijk bestaan. Hij geeft hoog van zich zeiven op. Hij twist met zijnen vader, hij doet hem verwijtingen, hij
109
houdt hem voor dat hij niet recht, dat hij partijdig gehandeld , dat hij hem tekort gedaan heeft. Hij spreekt dat alles uit op eenen toon , die een kind jegens zijnen vader niet betaamt , met woorden, die geen blijk dragen van den eerbied. welken de Goddelijke huiswet den kinderen gebiedt. Hij zegt niet eens âvader.quot; Waarlijk hij heet wel zoon , kind, maar hij is het niet. Let slechts, hoe hij zich heroemt, hoe hij zijnen vader beschuldigt.
a. Hij beroemt zich op zjjn werk en onberispelijk gedrag.
Op zijn werk: zie, ik dien u zoo vele jaren â al mijne
jaren , wil hij zeggen. Wat hij gedaan heeft, wat hij doet, het is niet uit liefde gedaan, hij heeft zich nooit zalig gevoeld in dit zijn doen: hij zelf noemt het een dienen. En indien hij ook alles gedaan had wat hem bevolen was, hij had dan toch slechts gedaan hetgeen hij schuldig was te doen: wat kon hij eischen ? Maar hij rekent het zich als eene verdienste aan, als een werk waarop hij iets vragen kan. â Met een gewillig hart heeft hij niet gewerkt; hij heeft gediend, het is hem een last geweest. Ach is dat een zoon, die zoo loonzuchtig spreekt, met een hart zoo vreemd , zoo ver van den vader, voor wien de vader geen vader is maar slechts gebieder, dien hij niet liefheeft noch kinderlijk eert, maar als huurling dient?
Hij beroemt zich op een onberispelijk gedrag: ik heb nooit een gebod van u overtreden. Hij heeft dan niets te belijden, de vader heeft hem niets te vergeven ; hij is zijnen vader niets schuldig gebleven , hij heeft altijd zijn plicht gedaan â terwijl hij nog in dit zelfde oogenblik den vader onteert, den broeder benijdt. Welke blindheid! Verbazend verschil tusschen de ootmoedige belijdenis van den jongste: vader, ik heb gezondigd! en deze hooghartige taal des oudsten: ik heb nooit een gebod van u overtreden !
b. Terwjjl hij van zich zeiven roemt, beschuldigt en bekijft hij den vader: bij de hooge verbeelding van zich zeiven
110
heeft hij ook hooge eischen en meent dat de vader hem groo-telijks is verplicht, maar hem niet naar behooren heeft behandeld. Hoe vermetel! Hij durft zeggen : ik heb altijd stipte-lijk gedaan wat gij mij hadt geboden en gij hebt mij nooit een genoegen bereid, zelfs een hokje â spijtige tegenstelling tegen het gemeste kalf dat hem hoog zit! -â een bokje hebt gij mij nooit gegeven, opdat ik daarvan ook een maaltijd kon aanrichten en met mijne vrienden mogt vroolijk zijn. Ziet, om de gaven is het hem te doen, niet om den gever; uit ware liefde heeft hij zijnen vader niet gehoorzaamd. Hij geeft te kennen hoe hij denkt, hij zegt hier duidelijk genoeg: gij hebt mij niet gegeven wat mij toekwam. Die ondankbare! had hij niet alles van zijnen vader? En is dat naar den grond zijns harten niet dezelfde zin , die in den jongsten zoon was, toen deze zeide: vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt ?
Hij haalt daar van zijne vrienden aan: wederom een blijk van zijne innerlijke vervreemdheid van den vader. Hij had zijne bijzondere vrienden. Maar hoedanige vrienden mochten dat wel zijn, met wie hij zooveel ophad en die hem nader aan het hart lagen dan zijn vader? Die kameraden â zij deelden zeker in zijne gevoelens, streelden wel zijnen hoogmoed en stookten zijne onvergenoegdheid aan en vormden wellicht eene geheime oppositie tegen het vaderlijke huisbestuur ? En wat mocht dat dan voor eene vroolijkheid zijn, die hij met deze makkers weieens begeerde te genieten ?
Voor mij met mijne vrienden geen bokje, maar als deze uw zoon gekomen is, zegt hij, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
Met verachting spreekt hij van den aangekomene. Hij zegt niet eens: âmijn broeder,quot; maar âdeze uw zoon:quot; moogt gij hem voor uw zoon erkennen, ik erken hem voor mijn broeder niet. Hij acht hem voor niets, hij haat zijnen broeder. Die is gekomen, dat weet hij nu; maax hoe hij kwam,
Ill
daarnaar vraagt hij niet, dat heeft hij niet gezien: dat diep berouw, die oprechte schuldbeliidenis, die hartgrondige bekeering , en vooral de liefdevolle ontferming des vaders zijn voor deze hoogmoedige vreemde dingen , voor welker werkelijkheid en waarheid hij geen oog heeft. O hoe bevestigt het zich wat Jezus heeft gezegd : tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koningrijk Gods niet zien! Van wezenlijke verandering des harten , van een overgaan uit den dood tot het leven wil de eigengerechtige niet weten. Ziet dezen: hij heeft alleen een open en scherp oog voor het kwade van den broeder, op wien hij zijne steenen werpt. Uw goed heeft hij met hoeren doorgebracht, zegt hij tot den vader. Dit was waar. Maar dat hij het zoo ras uitspreekt, bewijst dat er in hem geen zweem is van die liefde die geen kwaad denkt en die alle dingen bedekt. De sterkste uitdrukking gebruikt hij, om met éénen trek dat liederlijke leven te brandmerken, hetwelk hij van den broeder , al wist hij het anders niet, vaardig veronderstelt en hetwelk de neiging van zijn eigen hart, vol van gelijk kwaad, hem vermoeden doet. Tot den vader spreekt hij dit zoo rauw en grovelijk uit, als om het hem te verwijten , als droeg deze er de schuld van. En voor dien hebt gij het gemeste kalf geslacht ? spreekt hij verbolgen. Zijn oog is boos, omdat de vader zoo goed is; hij is vol van bittere gal. Is dat een zoon, een kind, een broeder ?
4. Na zulk eene taal van den verbitterden nijdigaard, en dat op zoo vriendelijke bede des vaders, zou 't billijk en recht zijn geweest, had de vader geen woord meer tot hem gesproken. Maar zijne liefde is nog niet uitgeput. Met de grootste kalmte zegt hij nog iets tot dezen zoon, om, ware 't mogelijk , dat onkinderlijke kind zijn gansch verkeerd bestaan onder het oog te brengen en alzoo ook dezen verlorene nog weder te gewinnen â niet minder verloren, niet weiniger met zijn hart van den vader verwijderd dan het de jongste ook met zijn lichaam was geweest. Hij zegt hem dat hij geen reden
112
had om zich te beklagen; hij verklaart dat er reden bestond tot blijdschap.
a. Wat beklaagt gij u? spreekt de vader tot dezen Kaïn, waarom zijt gij tegen uwen broeder ontstoken ? â Immers het minzame onthaal van zijnen broeder was voor hem geen schande en bij al de verkwisting van den jongste leed de oudste geen schade: want van 's oudsten goed had de jongste niet ontvangen, maar zijn eigen erfdeel, terwijl al het andere, het vaste goed , den oudste stond toetevallen. Maar zoolang de vader leefde, was deze heer en eigenaar van alles en kon hij met het zijne niet doen wat hij wilde?
Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is uw ? Dat is het minnelijke wederwoord van den vader tot den ontevreden zoon. Heeft deze niet eenmaal âvaderquot; gezegd, de vader spreekt hem toch teerhartig als kind aan. Het zegt intusschen niet zoo zeer wat hij is als wat hij wezen moet. Deze naam zal hem te binnenbrengen, hoe hij behoorde te zijn : het is eene getuigenis tegen hem, het is tot zijne beschaming. Kind, gij zijt altijd bij mij, zoon des huizes; wat spreekt gij zoo van dienen, als waart gij maar een huurling? Wat mort gij, dat ik u nooit een bokje gaf? heb ik u ooit iets geweigerd ? kondt en mocht gij van mij niet alle goede gave bidden ? En wat wilt gij toch met die vrienden, die gij uwe vrienden noemt? Gij hebt immers mij, gij zijt altijd bij mij, gij kunt mijne gemeenschap genieten; gij weet, mijn vaderhart stond altijd voor u open: hoe is dat met u ? ben ik u dan niet genoeg ? is het u dan niet goed nabij mij te wezen ? â Is het u om de goederen te doen ? Gij wordt niet bekort, hetgeen aan uwen broeder is gegeven en thans voor hem wordt ten koste gelegd, vermindert het uwe niet. En al het mijne is uw: de vader wil zeggen: zijt gij waarlijk kind, mijn goed is dan uw goed, dat gij als kind staat te erven. De vader verstoot hem nog niet, maar wat stond hem te wachten, wanneer hij niet anders werd en in zijn boosheid en opstand tegen den vader verhardde?
113
h. De vader sluit met de betuiging, dat hier reden bestond voor blijdschap: men behoorde dan v rooi ijk en blijde te zijn: want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden , en hij was verloren en is gevonden. De heer des huizes had tegenover den murmureerder alleen zijn gezag kunnen doen gelden: ik wilde het zoo, dat er een vreugdemaal werd aangericht; is miin bevel u niet genoeg ? Maar ten einde hem het onredelijke van zijn gedrag onder het oog te brengen , verklaart hij aan hem, even als vroeger aan de dienstknechten , de reden die hem drong en om welke het al de zijnen betaamde zich te verheugen. Hoe? zal er in een huisgezin geen blijdschap wezen, wanneer daar een kind van doo-delijke ziekte geneest en uit de kaken des doods is gered ? geen blijdschap, wanneer een kind , een zoon verloren geraakt en vermist was, maar wedergevonden is en terechtgekomen? â Wilde de oudere in deze vreugd niet deelen over den geredden broeder, hij moest dan wel een gansch onbroederlijke broeder, ja geen broeder wezen â zoomin als de priester en de Leviet naasten waren van hem die onder de moordenaars gevallen was. Maar indien dit, was hij dan voor den vader een zoon, een kind ? Hem werd hiermede gezegd: is de vreugd in ons huis u een verdriet, dan moet gij buiten blijven: gij kunt mijn zoon niet zijn , wanneer gij zijn broeder niet wezen wilt.
Hoe liep het met den eigenzinnige af? Erkende hij thans zyn boos bestaan, zijnen opstand tegen zijnen vader, die lang bij hem had geschuild, maar nu ten volle was uitgebroken? Boog hij zich met schaamte en bekende hij die liefde des vaders , die ook hem nog zocht ? Beleed bij met berouw: vader, ik heb gezondigd, vergeef nu ook mij, neem mij in genade aan?
Neen, de betuiging des vaders van zijne en zijns huizes welgegronde blijdschap over den gevonden verlorene is het laatste wat ons wordt bericht; daarmede valt de voorhang van
8
114
het roerend tooneel. Géén woord heeft de oudste te zeggen op dat laatste woord van den vader tot hem. Hij wordt niet met geweld naar binnen gebracht: wat zou hij daar zoo doen ? Geen bekeering wordt van hem vermeld. En dit zwijgen, dit stille slot doet ons helaas niet anders denken dan dat de vader weer naar binnen gaat en de murmureerder huiten blijft. En waarlijk het was toen en het is nog alzoo: de bekeering van zulken als deze is allerzeldzaamst; lichter gaat een kemel door het oog eener naald: zij willen zeiven niet ingaan en verhinderen ook anderen om integaan.
n.
Wij vragen: wat beduidt dit beeld? en waartoe strekt dit voorstel ?
1. Wat beduidt het? Wie is deze oudste zoon? Zeker zijn het in de eerste plaats de Farizeën, dan de Joden in het gemeen, eindelijk allen die zich zeiven verheffen.
De oudste zoon beeldt ten eerste de Farizeën af, met wie Jezus daar te doen had. Dat is uit het verband duidelijk. Geheel dit voorstel was uit de daar tegenwoordige omstandigheden gevloeid. De Farizeën en Schriftgeleerden, die daar stonden te murmureeren, omdat Jezus zoo goed was jegens de tollenaars en zondaars, moesten in hun geweten wel bekennen : Hij doelt op ons, van ons heeft Hij dat gezegd.
En gewis, zij waren hier naar waarheid geteekend. Treffend was het ook, dat de Heiland juist den oudsten van de twee zonen tot een beeld van hen stelde, waarop wij bij het begin van dit tafereel reeds hebben gelet. De Farizeën toch schreven zich hooge voorrechten toe boven het volk: zij waren de eigenlijke kinderen en wettige erfgenamen van het huis Gods , naar hunne gedachten. Daar nu de eerstgeborene zoon naar aloud recht veel vopruit had boven zijne broederen, zoo was het juist gepast dat Jezus den eersten zoon tot vertegen-
115
woordiger van die ingebeelde rechtvaardigen met hunne gewaande voorrechten koos. Zij waren er over verontwaardigd, dat Jezus zich met de verachte tollenaren en zondaren inliet, ja blijde met hen was. Zij morden. Zij achtten het heneden hunne waardigheid zich bij zulke onreinen te voegen: zij wilden niet ingaan. De hemelsche Vader kwam daar tot hen in Christus, in wien hij nu in die laatste dagen sprak en noo-digde ook hen nog liefderijk, om integaan, om te deelen in de zaligheid uit genade. Maar dat was niet naar den smaak van hun hoogmoedig hart. In hunne blindheid meenden zij God altijd gediend en zijne geboden onderhouden te hebben en eigenden zich in Gods huis den voorrang toe als eerstgeborene zonen. Zij waren naar hun gevoelen de eerste en belangrijkste mannen voor het godsrijk; nu zagen zij zich als zeer misbaar achteruitgezet â de eersten werden de laat-sten â, dat was hun onverdragelijk: toen ontstak hun toorn.
Hunne verkeerdheid werd hun hier op de treffendste wijs voor oogen gesteld. Hier toonde hun de hartenkenner, wat zij waren: jegens God geheel onkinderlijk, loonzuchtig, trotsch op hunne werken, jegens hunne medemenschen en wel jegens die zich bekeerden en genade ontvingen, liefdeloos, nijdig, bitter. Hoe dwaas , hoe onrechtvaardig ! de zondaars, die zich bekeerden, hielden zij nog immer voor de oude zondaren, hetgeen God gereinigd had, was hun nog niet rein. Hoe onbillijk is het, wanneer men iemand, die vroeger een slecht leven leidde, maar zich bekeerd heeft en een nieuw leven heeft aangevangen , nog altijd om zijne vorige zonden veracht en hem die verwijt. Die dat doen, gelooven wel geen bekeering , houden haar voor zich zeiven niet noodig, voor diepge-zonkenen niet mogelijk. â Om hun de onredelijkheid van hunne ontevredenheid te bewijzen, herinnert Jezus hun nog, dat zij bij de aanneming van zulke verloren zonen als daar die tollenaars en zondaars waren , geen schade leden. Immers de gemeenschap met God (om als kinderen altijd bij Hem te
116
zijn) met al de goederen van zijn huis {al het Mijne is het uwe), werd ook hun nog aangeboden, maar, zouden zij er deelgenooten en erfgenamen van zijn, dan moesten zij anders van hart, moesten in waarheid Gods kinderen worden. Wilden zij op hun standpunt blijven, dan helaas moesten zij buiten staan. Maar wat hem betrof, Hij wilde blijde zijn met de ellendige zondaars die tot Hem kwamen en Hij wilde alzoo doen, wat Hij zijnen vader zag doen, die hierin lust heeft dat de zondaar zich bekeere en leve.
Doch de Heer doelt niet op de murmureerende Farizeën alleen; Zijn oog zag wijder uit: Hij kenmerkt in den oudsten zoon ten tweede de eigengerechtige Joden in het gemeen tegenover de heidenen , die Joden , die er op roemden, dat God gezegd had, mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël (Ex. 4; 22), die Joden, die hoogmoedig op hunne voorrechten steunden en de onreine heidenen verachtten en van hunne aanneming in het koninkrijk Gods niet weten wilden. Hoe diep dit in den Jood zat, bleek naderhand meermalen; het bleek quot;aanstonds, toen Petrus het eerst in Kornelius huis het hemelrijk voor de heidenen had ontsloten; geloovigen, die uit de besnijdenis waren , twistten tegen hem en deden hem een verwijt bijna als de Farizeën hier den Heiland, zeggende , gij zijt ingegaan tot mannen die die voorhuid hebben en hebt met hen gegeten (Hand. 11: 3).
Eindelijk ten derde ziet de Heer op alle soortgelijke hoog-moedigen te aller plaatse en in alle volk, die zich zeiven rechtvaardigen en anderen veroordeelen en die door de bekeering en begenadiging van zondaren, welke uitgespat hebben, geërgerd worden. Dit is zoo vast in 's menschen natuur geworteld , dat er ook in den bekeerde nog iets van overblijft. Was het niet ook zoo met Jona ? Dat de Ninevieten zich bekeerden en nu gespaard werden, dit verdroot Jona met groot verdriet en zijn toorn ontstak (Jon. 4: 1). De genade geeft een ruim hart en de liefde is niet afgunstig, maar de liefde
117
kan verkoelen, de genade kan verdonkeren â en dan komt ook bij Gods ware kinderen uit de schuilhoeken van het hart de oudste zoon wederom ten voorschijn: men wil alleen vroom zijn, alleen genade hebben. Helaas de oudste zoon is overal â en toch, zooals hij zich zelf verbeeldt te zijn, is hij in werkelijkheid nergens: nergens is er een, die God altijd trouw gediend en nooit een gebod overtreden heeft allen zijn verloren zonen , maar niet allen kennen zich er voor.
2. Waartoe strekt dit voorstel van den oudsten zoon ? Het staat daar tot waarschuwing voor zelfbedrog, het toont de noodzakelijkheid van hekeering ook voor zedigen, het is eene bemoediging voor die zich bekeeren tegen miskenning, het wekt tot blijdschap op in het werk des Heer en.
a. Hier zien wij tot ons aller waarschuwing, hoe jammerlijk de mensch zich zei ven bedriegen kan. Gelijk de oudste zoon, zoo kan men meenen, dat men Gods geboden onderhoudt , terwijl men een hart heeft vol van nijd en alle boosheid ; men kan zich op zijn goed gedrag beroemen en er zelfs voor God op pleiten, terwijl men in hetzelfde oogenblik door liefdeloosheid en ongerechtigheid zich grovelijk bezondigt. O blindheid! dille en komijn brengt men in rekening, maar het zwaarste der wet, het oordeel en de barmhartigheid en het geloof, laat men na (Matth. 23 : 23). â Men kan in de schoonste gelegenheid zijn om te koopen zonder geld en zonder prijs, onder het ruimste aanbod om alle goed te ontvangen en er toch van verstoken blijven, wijl men meent er een recht op te hebben of het reeds te bezitten. Gedenkt het woord dat de getrouwe Zaligmaker heeft gesproken: wie heeft, dien zal gegeven worden en hij zal overvloediglijk hebben ; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft (Matth. 13 : 12).
b. Ook de zedigste mensch heeft hekeering noodig. Gevaarlijk is de gedachte dat men voor zich geen bekeering
118
noodig zou hebben, dewijl men niet heeft uitgespat. Hoe nauwgezet voor het uitwendige iemand ook mag geleefd hebben , hoe lofwaardig ook voor de menschen en hoezeer het vast staat dat op reine zeden altijd zegen rust: zoo wordt toch zonder bekeering geen mensch behouden. Alle ware volgelingen van Jezus, alle wezenlijke deelgenooten van het koninkrijk Gods zijn bekeerde zondaars, die verloren waren maar gevonden zijn, die dood waren maar levend zijn geworden. Er is geen onbekeerde onder. Zie dan wél toe, sterveling of gij er toebehoort. Kent gij nog niets van die bekommering , van die vrees, van die droefheid, die er altijd voorafgaat eer de hope des eeuwigen levens wordt verkregen , hebt gij nog steeds in het denkbeeld verkeerd dat het wél met u stond: o geloof dit, het moet nog anders worden. Is het voorstel van Jezus niet beschamend voor die op hunnen eerbaren wandel steunen ? Sluit er uwe oogen niet voor! O mocht gij in het licht der voorgestelde waarheid u zei ven leeren kennen en voor God uit den grond uws harten deze nog nooit gedane belijdenis doen: ik ben de verloren zoon, niets beter! Dan is er nog redding. De liefdevolle Zaligmaker wil ook uwe ziel behouden; in Hem komt de ontfermende Vader ook tot u uit door dit woord, ook u bidt Hij om integaan. Wee u, wanneer gij deze goedertierenheid Gods van u stoot! dan helaas moet gij Zijne gestrengheid ondervinden. Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Geef gehoor aan de vermaning, gehoor aan de bede, die in de helle niet meer gehoord wordt: bekeer u, laat u verzoenen met God!
c. Het voorgestelde dient ook tot bemoediging voor die zich bekeeren, om zich niet te kreunen aan het oordeel der trotsche wereld, die in den oudsten zoon is afgebeeld. â Gemeenschap met den Vader door Christus in den Heiligen Geest, dat de groote zaak, waarvoor men alles moet overhebben, waarvoor noen alles moet dragen. Het kost strijd
119
om integaan. Waar zich een zondaar bekeert en den weg der goddeloozen verlaat, daar zullen dezen weldra hunne vijandschap betoenen: hoogmoedige wereldlingen zullem hem met verachtende blikken aanzien en met zijne bekeering spotten. En 't kan gebeuren dat ook christenen hem eerst met wantrouwen behandelen even als Saulus na zijne bekeering ondervond, daar de christenen te Jeruzalem hem allen vreesden , niet geloovende dat hij een discipel was (Hand. 9 : 26). Moet gij zulks op aarde ondervinden , laat het u dan bemoedigen , dat er in den hemel blijdschap over u is, laat het u dan genoeg wezen, dat gij Jezus tot Voorspraak hebt, dat de Heilige Geest u een nieuw hart heeft gegeven, dat de hemelsche Vader u liefheeft. En allen, die uit God geboren zijn, zullen u ook weldra kennen en liefhebben.
d. Eindelijk dit voorstel wekt tot blijdschap op in het werk des Heeren. Verblijdt u, kinderen Gods, in zijne genade, zoo vooï u zeiven als aangaande uwe medemenschen: weest het tegendeel van den oudsten zoon.
Ziet niet altoos mismoedig op het bederf alleen, dat helaas nog in u woelt, maar verheugt u ook in de dingen die u van God geschonken zijn. Uit genade wordt gij zalig. Hoe meer gij dat in het oog houdt, hoe vaster gij bouwt op die genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus, destemeer verzekerdheid zult gij verkrijgen, des te schielijker zullen telkens de wolken afdrijven, die uit het besef van uwe gebreken en onwaardigheid over uwe ziel oprijzen , destemeer zult gij uwen weg met blijdschap wandelen.
Uit genade zalig! Zoo gij dat recht erkent, zult gij ook over de bekeering van anderen recht oordeelen en u daarin verblijden. Want gij vertrouwt dan al aanstonds dat het waarheid zijn kan, wetende dat de genade machtig is om het te doen. Daarom twijfelde ook Barnabas niet aan Saulus bekeering , maar nam hem tot zich en leidde hem tot de Apostelen (Hand. 9 : 27). En Paulus verblijdde zich reeds bij de
120
gedachte en den wensch, dat koning Agrippa en allen die daar met hem waren, hem gelijk mochten worden in het geloof (Hand. 26 ; 29). Zoo moet het wezen. W' i i j-ten wij ons en vroolijk zijn, wanneer God werkt, wanneer de vrije genade Gods zich in de bekeering van zondaren verheerlijkt , in welk genootschap, in welken vorm en door welke werktuigen het ook geschiede. Verheugen moet het ons, ook waar een Eldad en een Medad in het leger profeteren en wij mogen niet zeggen : mijn heer Mozes, verbied hun! (Num. 11 ; 27 , 28); blijde moeten wij wezen, waar anderen, âdie ons niet volgen ,quot; in den naam van Jezus duivelen uitwerpen (Mark. 9 : 38), blijde, wanneer wij ontwaren, dat de wind blaast waarheen hij wil. Blijdschap moet het bij ons verwekken , wanneer het werk des Heeren onder de Heidenen voortgaat en Joden toegebracht worden, blijdschap, wanneer God zich uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen lof toebereidt. Dan worde onze mond vervuld met lachen en onze tong met gej uich, dan mogen wij zeggen: de Heere heeft groote dingen aan dezen, groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd. Amen.
Laat u dit woord van Jezus diep inscherpen :
âWie tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen!
Al wie gelooft (geen zonde, schuld , noch feil Wordt uitgezonderd) krijgt Gods eeuwig heil.quot;
Geen zonde dan , hoe hoog ten top gesteigerd , Verschoont uw kwaad, zoo gij 't heilmiddel weigert.
Gods gunst is nooit, o mensch , uw weig'ring waard, Al zijt gij die nooit waardig: die aanvaard!
(D, Montanus.)
Ps. 138 : 2 , 3.
â 86 : 5 , 6.
â 133 : 3.
Voorgelezen: 1 Joh. 3: 1â13.
|
â\ | ||
|
â | ||
|
' | ||
|
ie |
' i | |
|
e- |
0 | |
|
j- | ||
|
er |
i. | |
|
r- | ||
|
le |
- | |
|
)k | ||
|
'ij |
⢠, | |
|
n. |
⢠| |
|
ie |
1 | |
|
3n | ||
|
id | ||
|
k- | ||
|
â¢t- | ||
|
jd | ||
|
of | ||
|
en | ||
|
re | ||
|
n, |
' | |
|
- |
Bij den Uitgever dezes is mede verschenen:
GRAVÃMEIJER, Gereformeerde Geloofsleer,, nagezien door Dr. E. C. Gravemeijer. Nieuwe uitgaaf in 3 deelen, met Algemeen
Register. Prijs ingenaaid..........Æ 12,00.
Geb. in half chagr. leêren banden met verg. . . . -15,00.
Van dit werk met doorloopende pagineerihg, op best papier gedrukt, is het '1' deel, groot 845 pag., verschenen.
GRAVEMEIJER, Vijftal Leerredenen uit den Brief aan de Hebreen................Æ 0,f)0.
GRAVEMEIJER, Goddelijk Geleide, Exodus 33 : 15. Intree-predikatie gehouden te M i d w o 1 d a..........Æ 0,20.
GRAVEMEIJER, Afscheid van Midwolda. Leerrede uit Johannes 2 : 28 ...........,...../ 0,20.
GRAVEMEIJER, Jezus Zondaarsliefde. Leerrede uit Lukas 15:1-7................/0,20.
GRAVEMEIJER, Een Kreupele Genezen. Leerrede over Handelingen 3 : 1â8................Æ 0,15.
GRAVEMEIJER, Zestal Leerredenen over de Verloren Zoon / 0,50. A. P. A. DU CL0UX, Eerste en Tweede Twaalftal Leerredenen.
Vrije Stoffen. Prijs van ieder bundel......f 1,00.
H. F. KQHLBRUGGE, Zeven Leerredenen over den Profeet Jona / 0,50. HUTCHESON, Zakelijke en Praktikale verklaring van de 12 kleine Profeten. Uit het Engelsch vertaald, met breede voorrede enz., door Ds. Theod. van der Groe. Onveranderde uitgave, onder
toezicht van Dr. E. C. Gravemeijer en Ds. J. Teves. Verschijnt
in 8 stukken, ieder groot 11 vel . . ......3. /1,00.
of in 2 din., geb. in half leer, met vergulde titels . - 9.50.
Het eerste deel is reeds verschenen.
/EGEDIUS FRANKEN, Kern der Christelijke Leer . . . / 1,00.
Uittreksel uit de Belijdenissen van AUGUSTINUS. . . . Æ0,10.
Ter perse:
PETRUS IMMENS, De Godvruchtige Avondmaalganger. Prijs
ingenaaid. . ............. . /1,80.
Gebonden, met verguld...........- 2,30.
Het zal onder toezicht van een deskundige in de nieuwe .spelling en net duidelijke letter, op best papier gedrukt, worden uitgegeven. Groot omstreeks 45 vel.