ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

OE ONTSTOND GODSDIENST?

Vnj naar MAX MÜLLER

DOOR

J. G. TEN B O K K E L.

UITGEGEVEN DOOK DE

Vereeniging „DE DAGERAA Dquot;.

A M S T E R D A M, 1894.

ocr page 4
ocr page 5

(j*~ ramp;A zt C vö

HOE ONTSTOND GODSDIENST?

Vrij naar MAX MÜLLER

DOOR

J. G. TEN BOKKEL.

UITGEGEVEN DOOR DE

Vereenigfingquot; „DE DAGERAAD'

'A- *

•eclt;i 1 -

tf^sF: *■ . /• 'v. '•-/

3 - .

^c r * . -j

BiBLIOTHifEK NED. HERV. KERK

A M S T E R D A M, 1894.

ocr page 6
ocr page 7

Ik weet het niet.

Men behoeft zich niet te schamen, iets niet te weten, wat nog niemand heeft kunnen weten.

Ik weet hf-.t niet.

Ik weet het niet. Ik weet het niet.

De bespreking ran Prof. Max Mtiller's werk Fhysisclie Religion door den heer Sclierpenzeel, in de vorige April-aflevering-van dit tijdsclirift, deed een plan bij mij groeien dat reeds lang bad liggen kiemen, namelijk om te trachten een beknopt overzicht te geven van hetgeen deze groote taalvorscher in een zevental voorlezingen, in 1878 te Londen gehouden, heeft medegedeeld omtrent zijne meeningen en gevolgtrekkingen over den oorsprong en de ontwikkeling der godsdiensten, 't Spreekt vanzelf, ook Max Muller is niet alwetend, en door het bestu-deeren van zijne werken komen we, waar gevraagd wordt naar volstrekte waarheid, niet veel verder dan is aangeduid in het als motto boven dit artikel geplaatste uitknipsel van een ideaal cathechesatie-boekje. Maar toch verdienen zijne beschouwingen al onze aandacht, vooral daar zij in zoo menig opzicht afwijken van de gewone opvattingen, en een veel vasteren

1

ocr page 8

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

basis hebben dan de meeste op goed geluk af ons voorgezette proeven van oplossingen.

Dat de vraag naar meerder licht in deze kwestie, niet alleen onze belangstelling waard, maar ook zeer moeilijk en ingewikkeld is, zal wel door niemand worden tegengesproken. Er is een tijd geweest, dat men ernstig meende, door het noemen van het woord „priesterquot; een afdoend antwoord te hebben gegeven op de vraag naar den oorsprong der godsdiensten. Eene echt kinderlijke opvatting, die met zoovele andere spoken voor het logische denken der 19e eeuw verdwijnen moest. Dogma-stelsels, kerkgenootschappen en genootschapjes, ja, die zijn en waren niet zelden het werk van paus-zieke priesters, en het korte leven dier maak-dingen — een tiental eeuwen is al lang — getuigt dan ook wel krachtig voor het kunstmatige van al dat geknoei, maar geeft geen antwoord op de vraag, hoe het komt dat die verschillende opvolgende knutselaars, de eeuwen door bij de groote massa zulk een gunstigen bodem vonden voor hunne wanschapen plantjes en pootsels. Het godsdienstige voelen en gelooven gaat het aannemen der dogma's vooraf, spruit er niet uit voort. Het is geen willekeurige, den menschen van buiten aangewaaide overlevering, maar eene uit het eigen gemoed opborrelende stemming, die den mensch doet roepen naar een Alvader, en eerst na dien roep verschijnt de priester. Hij zoude niet het succes hebben gehad waarop hij zich beroemen kan, als niet vóór zijne verschijning een vaag en onbestemd godsbegrip het volk op zijne komst had voorbereid. Hij verschijnt om te maaien; wie of wat zaaide? Ziedaar de nog steeds onopgeloste vraag, onopgelost, ook nadat Herakleitos (500 v. C.) den godsdienst onder de zielsziekten rangschikte.

Evhemerus, een vrijdenker uit de vierde eeuw vóór onze jaartelling, meende en leerde dat de goden der Grieken slechts menschen waren, die tijdens hun leven hadden uitgemunt door dapperheid, wijsheid, rechtvaardigheid, of andere deugden, en na hunnen dood langzamerhand ten gevolge der steeds heller gekleurde overleveringen tot goden waren bevorderd. De Christenen hebben van deze stelling veel gebruik gemaakt tot bestrijding van het heidendom, en waar thans hün Jezus wordt

2

ocr page 9

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

afgetakeld tot mensch, worden zij betaald in dezelfde munt die zij vroeger voor echt hebben uitgegeven aan de Grieken. In onze dagen mag men Herbert Spencer den meest-talentvollen verdediger noemen van het Evhemerisme.

Eene andere verklaring geven de Symbolisten, die in elke vereerde godheid slechts eene gepersonifieerde menschelijke eigenschap meenen te moeten zien. Weer andere denkers trachtten, voornamelijk op het voetspoor van den Franschman De Brosses, door bestudeering van het Fetischisme den sleutel van het raadsel in handen te krijgen. Uit de omstandigheid dat deze eeredienst alleen (meenden zij) gevonden wordt bij de meest-onbeschaafde volken, dachten zij de gevolgtrekking te mogen maken dat hier de bron te vinden was, waaruit alle andere godsdiensten waren ontstaan. „Onze vooroudersquot; redeneerden zij, „stonden eens even laag als thans die Afrikanen, gevolgelijk waren zij toen wat de negers thans zijn, en uit den fetisch-dienst moeten derhalve de huidige godsdiensten zijn voortgekomen. Blijft nog slechts te onderzoeken, langs welken ■weg die ontwikkeling (?) 1) heeft plaats gehad.quot;

De godsdiensten van andere onbeschaafde of anders-beschaafde volken geeft weer aanleiding tot tal van andere veronderstellingen. Zoo zijn lange redeneeringen opgebouwd op de dier-vereering, die men in vele landen aantreft. Het heilige dier (totem) waarvan de Amerikaansche Indianen-stammen zich de nakomelingen noemen; de Groote Walvisch die, naast en boven rendier en zeehond, bij de Eskimo's zoo hoog staat aangeschreven; de beeren-dienst bij andere Noorsche volken; de stieren vereering der Egyptenaren; de heilige slangen van sommige negerstammen; de koeien der Todas, en de olifanten der Siameezen, zij alle moeten dienst doen om aan te toonen hoe het pitje er uitzag, waaruit de thans levende godsdienstboomen zijn omhooggeschoten. En ik behoef slechts te herinneren aan

') Dat vraagteeken achter »ontwikkelingquot; hoort niet in de redeneering thuis, doch werd door mij tusschengevoegd bij de gedachte aan de onmo-gelgkheid, om een wezenljjk onderscheid aan te toonen tusschen de fetisch van den neger, en de amulet of het moeder-gods-beeldje van den gt;ont-wikkeldenquot; Katholiek. Dat de twee geloovigen op elkanders heiligdommen minachtend neerzien, bewast niemendal. Dit tusschen twee haakjes.

3

ocr page 10

OORSPBONG DEE GODSDIENSTEN.

Dupuis en zijn Origine de lous les cultes, aan Hartogh Heys van Zouteveen en zijne Evolutie, en aan de artikelen die in den 4e jaargang van dit tijdschrift werden geplaatst door Orion en Perseus, om té doen zien dat mijne opsomming nog lang niet volledig is.

Nu gaan naar mijne meening al die proeven van oplossingen, behalve elk aan zijn eigenaardige kleine gebreken, te-zamen mank aan het groote euvel, van te licht heen te glijden over het a h c der vraag. Neemt men het bestaan van een heel, heel flauw gods-vermoeden aan, dan kan men langs verschillende wegen geraken tot den pauselijken voetkus of de Calvinistische predestinatieleer. Men begaat dan echter de fout, niet te beginnen bij het begin, en het schijnt mij juist een der groote verdiensten van Max Müller, die fout zoo geheel te zijn voorbijgezeild.

Er is echter meer. Müller plaatst zich geheel op het standpunt van den onbevooroordeelden vorscher, zonder merkbaar van de wijs te worden gebracht door liefde voor den eenen, of haat tegen den anderen godsdienst. Zijn optreden, zijne wijze van redeneeren heeft niets aanvallends of verdedigends, hij volgt dezelfde methode van werken die hij zich eigen maakte bij zijne taalstudiën, eene methode waarin voor hartstochtelijkheid nauwelijks plaats is. Het is niet de taak van den taalvorscher er over te vechten of wellicht de eene taal iets volkomener is dan de andere, meer onregelmatige naamwoorden of vreemde werkwoorden heeft dan de andere. Evenmin begint hij zijne nasporingen in de vooropgezette overtuiging dat er in den beginne slechts ééne taal was, of dat er in de toekomst slechts ééne zal overblijven. Hij verzamelt slechts feiten, regelt en ordent deze, tracht ze te begrijpen en in hunne beteekenis door te dringen, om dan daaruit de wetten en wegen af te lelden waardoor en waarlangs de taal zich heeft ontwikkeld of ten onder is gegaan. Evenzoo met de geschiedenis der godsdiensten. Als mensch zal men allicht jegens de eigen taal, l'egens de in kinderjaren geloofde godsdienst andere gevoelens koesteren dan jegens talen en godsdiensten die nooit op de ontwikkeling van ons gemoedsleven eenigen merkbaren invloed hadden, maar waar het de wetenschap geldt moet aan die

4

ocr page 11

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

liefde, aan dien afkeer het zwijgen worden opgelegd, en slechts feiten mogen spreken. Naar die onpartijdigheid heeft Müller steeds gestreefd, en ik mag zeggen met onovertroffen succes. „Mogen,quot; zoo drukt hij zich uit; „mogen de theologen, hetzij ze Brahmanas heeten of Sramanas, Mobeds of Mollahs, Rahhis of Doctors in de Theologie, mogen zij trachten aan te toonen dat de een of andere godsdienst goed of slecht, waar of valsch zij: wij begeeren slechts te weten hoe godsdienst mogelijk is; hoe menschelijke wezens als wij er toe komen kunnen, godsdienst te bezitten; wat godsdienst is, en hoe zij werd wat zij is.quot;

Het spreekt van zelf dat men boven allen godsdienst moet staan om zóó te kunnen spreken; dat elk aanhanger of verdediger van een bepaalde godsdienst, ieder die zich bij voorkeur Christen of Jood of Muslem noemt, een dergelijk onverschillig, of vindt men dit woord te hard, een dergelijk objectief standpunt moet afkeuren. Zelfs waar zoo iemand zich voornam onpartijdig te zijn, zal zijne voorliefde, zijn beroep, hem parten spelen. En daar het uit den aard der zaak in den regel theologen zijn die over theologie schrijven, zijn bijna alle werken over dit groote vraagteeken volstrekt onbetrouwbaar. Ieder die nog al geld uitgaf voor de dikwijls met veel ophef als „echt wetenschappelijkquot; aangekondigde studiën onzer godgeleerden, zal het gevoel kennen dat een weggegooide of verloren rijksdaalder bij ons opwekt, tenzij hij bij zijne inkoopen veel gelukkiger was dan ik. Wie echter werkelijk belang stelt in den godsdienst — en geen enkel vrijdenker mag onverschillig zijn voor dit machtigste van alle maatschappelijke verschijnselen — zal zich niet licht de moeite of kosten beklagen die hij zich op den hals haalde door het koopen en lezen van Müller, den niet-theoloog.

Volkomen bewust van het moeilijke der aanvaarde taak, zal ik trachten eene aanduiding, eene schets te geven van zijne methode, zoo getrouw mogelijk zijn gedachtengang en voorstellingswijze volgende. En zelfs waar, met allen eerbied voor, en alle erkenning van Müllers meesterschap, zijne gevolgtrekkingen mij minder juist schijnen, zal ik deze niet verzwijgen. Immers, ook de lezer behoudt vrijheid van oordeel. En men

5

ocr page 12

OOESPKONG DER GODSDIENSTEN.

bedenke, de geleerde taalvorscher hield zijne voorlezingen in eene zaal van Westminster-Abbey, voor een geloovig publiek!

In 't bizonder moet ik echter nog wijzen op ééne omstandigheid. Müller spreekt natuurlijk steeds over religion, en ik heb dit vertaald door godsdienst. Maar nu is religie een woord dat nog veel rekbaarder is dan ons godsdienst; de samenstellende deelen van dit laatste dwingen ons, te denken aan een god en aan het dienen van dien god, terwijl men van het woord religie de afkomst slechts gissen kan, zoodat niet alleen thans ieder het recht heeft, er een eigen beteekenis aan te hechten, maar ook de oorspronkelijke beteekenis in het duister ligt. Waarschijnlijk is het dus, dat Müller zoude hebben geaarzeld of geweigerd, alles te zeggen van godsdienst, wat hij onbeschroomd zegt van religion. Eerst meende ik om deze reden het woord onvertaald te moeten laten, en ook over religie te spreken, maar andere gronden deden mij van dit voornemen

terugkomen. De lezer is nu echter gewaarschuwd.

* *

«

Hoe komt het raenschdom aan godsdienst?

Hoe het komt dat wij bestaan, dat wij kunnen waarnemen, dat wij begrippen vormen en vergelijken, dat wij rekenen en berekenen, — dit zijn alle vragen welke niemand vreemd inde ooren kunnen klinken die ook maar eenigszins bekend is met de werken van oude en nieuwe wijsgeeren. De vraag echter hoe het komt dat wij gelooven, dat wij een bewustzijn hebben of wanen te hebben van die dingen, welke noch onze zinnen kunnen waarnemen, noch ons verstand kan begrijpen, deze vraag wordt slechts zelden door onze wijsgeeren aangeroerd.

In zijn, ook in het Hollandsch vertaalde werk „Het oude en het nieuwe geloofquot;, stelt Strauss de vraag: Hebben wij nog godsdienst ? En de beroemde en toegejuichte schrijver van „Das Leben Jesuquot; beantwoordt deze vraag, tot schrik van alle moderne broeders, beslist ontkennend. Om aan te duiden wat hij onder godsdienst verstaat, neemt Strauss de definitie van Schleiermacher, die afhankelijkheidsgevoel haar wezen noemt, en vult deze definitie aan met die van Feuerbach, die als wezen van den godsdienst den wensch noemt, door bid-

6

ocr page 13

OOBSPHONG DER GODSDIENSTEN.

den, offeren enz. iets aan 's werelds loop te veranderen.

Is deze dubbele definitie echter juist, is zij de eenig mogelijke? Afhankelijkheidsgevoel verklaart Strauss nog steeds te bezitten: „de wereld is voor ons eene werkplaats van wat verstandig en goed is; datgene, waaraan wij ons afhankelijk gevoelen, is geen ruwe overmacht, waarvoor wij ons met stomme onderwerping buigen, maar te-gelijk orde en wet, verstand en goedheid, waaraan we ons vol liefhebbend vertrouwen overgeven. In ons diepste binnenste voelen wij ons verwant met datgene, waarvan wij ons afhankelijk voelen, in deze afhankelijkheid bevinden wij ons vrij, en in ons gevoel voor het Heelal mengt zich trots met nederigheid, blijdschap met gelatenheid.quot;

Alles goed en wel, maar is dit gevoel ver verwijderd van wat Schleiermacher godsdienst noemde? 't Is waar, het door Feuerbach geëischte element ontbreekt er geheel aan, en bedenken we wat Heidensche en Christelijke orthodoxen onder godsdienst verstaan, dan kan het slechts aanleiding geven tot begripsverwarring, om ook dit vage en onbestemde gevoel met denzelfden naam aan te duiden. Toch schijnen we hier, na vele omzwervingen en ronddolingen, zoo nagenoeg weer te zijn aangeland bij het punt, waar onze voorouders, half onbewust aan godsdienst begonnen te denken, van goden begonnen te spreken. Want deze waarheid kan niet te-veel in het oog worden gehouden, dat duizend en nogmaals duizend woorden niet voldoende zouden zijn om ook maar bij benadering aan te duiden, welke begrippen in verschillende tijden en door verschillende menschen gehecht werden aan dat ééne woord: godsdienst.

* *

*

Godsdienst is geene uitvinding onzer dagen. Zij is, indien al niet zoo oud als de wereld, toch minstens zoo oud als de door ons gekende menschheid. De oudste schriftelijke gedenk-teekenen zijn bijna overal van godsdienstige strekking, en zelfs aan gene zijde der literatuur, in gedenkteekenen van anderen aard, vinden wij sporen van godsdienst. Nog vóór de oude Arische talen zich geheel van elkander scheidden, duizende

7

ocr page 14

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

jaren vóór de eerste hymnen van den Veda, de eerste Homerische regels werden neerg-eschreven, bestond er reeds eene uitdrukking voor licht, en daarvan, van den wortel D I Vquot;, lichtgeven, had men reeds een adjectief gevormd, deva, lichtgevend. Later werd dit adjectief deva, als een algemeen begrip, voor alle machten des lichts gebezigd, in tegenstelling met de machten der duisternis. Het heldere morgenrood wordt in de Veda aangeroepen als Devi Ushas, en dat het woord deva, de beteekenis van goddelijk aannam, kwam ongetwijfeld alleen door de oorspronkelijke beteekenis. Het licht werd god, maar vele eeuwen zouden nog verloopen, vóór een Thales (600 v. C.) het noodig konde achten, zijn koen protest te doen hooren

tegen de volksopvatting, dat god de schepper der wereld was.

* *

*

Een groot gedeelte der eerste voorlezing is gewijd aan de definitie van het woord godsdienst, en bij de duizende betee-kenissen die er aan worden gehecht, is het zeker niet overbodig, in een boek hetwelk om dat woord draait, eerst zoo nauwkeurig mogelijk aan te duiden, welk begrip de schrijver bedoelt bij het gebruiken van dien term. De opvatting van Prof. Müller is zeer ruim, en waar ik zeg dat het begrip: „een god dienenquot; geheel weg valt, zeg ik nog lang niet alles. Na het bespreken van de godsdienstige verrichtingen bij verschillende volken zegt hij letterlijk: „Hier zien we dus, hoe eenige onbeschaafde volken alles, en hoe anderen niets vereeren, en wie zal uitmaken, welke dier beiden het godsdiens-tigste is?quot; De mogelijkheid wordt derhalve aangenomen dat een geheel godsdienstloos volk (in de gewone beteekenis) het meest-godsdienstige is (in de Müllersche beteekenis)! Het is wel jammer dat de verschillende talen niet een paar duizend woorden meer tellen, zoodat het iets makkelijker viel elkander te begrijpen. Alleen voor het woordje godsdienst zouden eenige honderde andere woorden in de plaats dienen te treden. Bij elk schrijver stuiten we op een anderen zin. De wijsgeer Kant zegt uitdrukkelijk, dat elke poging om de godheid te behagen door daden die geene zedelijke waarde hebben, volkomen nutteloos is, geen godsdienst maar bijgeloof. Kerkgaan, bedevaarten

8

ocr page 15

OOBSPRONG DER GODSDIENSTEN.

of biechten, alles op zich zelf van nul en geenerlei waarde. Lijnrecht daartegenover staan de beweringen van duizende priesters, die wel niet zulke buitengewone denkhersens hebben als Kant, maar daarentegen bepaaldelijk zijn afgericht op godskennis. — Zoo gaat het, als men in de fout vervalt om te willen bepalen wat al of niet aangenaam zal zijn in de oogen van een Wezen, van welks bestaan men niet geheel zeker is. Godsdienst is afhankelijkheidsgevoel, leert Schleiermacher. Waarop Hegel: „in dat geval geen vromer schepsel dan een hond.quot;

Aan eene eigentlijke definitie waagt Muller zich dan ook niet. Zelfs erkent hij de onmogelijkheid, eene formule op te stellen die van toepassing zoude zijn op alles wat in den loop der eeuwen godsdienst is genoemd. Evenmin wil hij iets weten van een afzonderlijk godsdienstig bewustzijn waarmede onze modernen zich zoo druk maken. Met zulke praatjes, meent hij, kan men thans niet meer aankomen. Het aannemen van een godsdienstig instinkt, om dan daaruit het bestaan van het geloof te verklaren, zoude niets beter zijn dan het aannemen eener levenskracht, om dan daaruit het leven begrijpelijk te maken. Er is sleclits één bewustzijn, en evenals wc uit dit ééne bewustzijn zoowel gemoed als verstand afleiden, moeten we ook uit datzelfde bewustzijn het godsdienstige voelen afleiden.

In een vroeger werk, de Einleitung in die Religionswissen-schaft, gaf Müller de volgende aanduiding; „Godsdienst is een geestelijke aanleg, die menschen in staat stelt, het Oneindige in zich op te nemen onder de meest-verschillende namen en wisselende vormen ; een aanleg die niet slechts onafhankelijk is van verstand en zinnen, maar uit haren aard lijnrecht tegenover deze schijnt te staan. Zonder dezen aanleg*, dit vermogen, deze gave of dit instinkt, als we het zóó willen noemen, zoude elke godsdienst, zelfs de laagste vorm van fetisch- of afgods-dienst onmogelijk zijn, en wanneer wij slechts ooren hebben om te hooren, zullen wij spoedig in alle godsdiensten dien diepen grondtoon der ziel ontdekken, die zich openbaart in het pogen, om het onbegrijpelijke te begrijpen, het onnoembare te noemen, onverschillig of wij dit pogen eene weetgierigheid

9

ocr page 16

OORSPEONG DEB GODSDIENSTEN.

noemen naar de kennis van het absolute, een smacliten naar liet oneindige, of liefde tot God.quot;

Hier zijn we heel kort, gevaarlijk kort, bij het „godsdienstig bewustzijn,quot; en die afzonderlijke „aanlegquot; riekt meer naar geloof dan naar wetenschap. In zijn latere boek verklaart Müller dan ook, niet met deze omschrijving tevreden te zijn, al blijft hij de grondgedachte juist achten. Vooral met dien „aanlegquot; gaat hij thans den draak steken, en meent dat men met hetzelfde recht zoude kunnen spreken b. v. van de zwaartekracht, als iets op-zich-zelf-bestaande. Ware de wet der zwaartekracht in het oude Rome ontdekt dan zoude men allicht van haar eene godheid hebben gemaakt. Hij blijft er echter den nadruk op leggen dat het geloof niets heeft te maken met het verstand of de zinnen. Het zijn geheel afgescheiden begrippen. Wij kunnen evenmin met het verstand gelooven, als met het verstand zien. En evenmin met de zinnen gelooven, als eene gevolgtrekking maken.

De grondgedachte is zeker wel deze, om als het wezen van den godsdienst aan te nemen het verlangen naar, of de belangstelling in het Oneindige, het Onbereikbare. Het gevoel dat zich van den mensch meester maakt bij het beschouwen van een schoonen sterrenhemel, bij het staren op de wijde zee, en het luisteren naar haar gemurmel. Men zegge niet dat onze zinnen slechts geschikt en vatbaar zijn voor het waarnemen van het eindige, van het beperkte; dat alles wat deze grenzen overschrijdt niets is dan waan, en dat zelfs het woord oneindig een misgeboorte is. Men zegge niet, dat daarom ook de godsdienst geene wortelen heeft in het menschelijke bewustzijn, dat zij niets is dan een leugenbeeld in de woestijn des levens, den moeden wandelaar tot zich lokkende met hare schitterende kleuren, om hem vervolgens tot wanhoop te brengen als hij bespeurt dat de springende bronnen die hij uit de verte zag, slechts in schijn bestonden.

Neen, ook het oneindige is nnnelijk-maarneembaar. Wanneer ons oog al dan niet gewapend, is doorgedrongen tot de verst-bereikbare lijn, dan is zeker de ééne zijde dier lijn begrensd door het eindige, maar de andere zijde eveneens door datgene wat voor het oog oneindig is. Denken we ons het gevoel dat

11

ocr page 17

OOHSPEONGr DER GODSDIENSTEN. 10

zich van den oermenscli meester maakt, bij deze waarnemiDg' van het onbekende, het oneindige. Gedurende zijne laagste geestelijke ontwikkeling moet noodzakelijk alles waarvan zijne zintuigen geen einde kunnen zien, geene grenzen kunnen bepalen, hem als oneindig en onbegrensd voorkomen. Hij ziet, maar ziet slechts tot een zeker punt. Verder dringt zijn oog niet door. Maar juist daar, op het punt waar zijne oogen den dienst weigeren, daar bespeurt hij willens of onwillens den druk van het oneindige. Deze druk is zinnelijk waarneembaar, niet enkel een logische gevolgtrekking. Schijnt het ons te stout, te zeggen dat de mensch werkelijk het onzichtbare ziet, dan zeggen we dat hij onder het gevoel van het onzichtbare lijdt, dat hij den druk van het- onzichtbare bespeurt, en dat dit onzichtbare voor den natuurmensch de eerste aanraking is met het oneindige.

Evenals met het oneindig-verre en groote, gaat het met het oneindig-kleine. Hoe wij onze zinnen ook scherpen en inspannen, zij worden nooit fijn genoeg om de kleinste voorwerpen te meten of te vatten. Er blijft steeds een onbereikbaar nog-kleiner. Het is makkelijk, te spreken over een atoom, een iets dat niet in tweeën gesplitst, niet verdeeld kan worden. Onze zintuigen weten daar niets van. Zij geven ons evenmin atomen als onweegbare stoffen of, zooals Robert Mayer deze laatst-gevonden goden noemde, onstoffelijke stoffen. Nemen onze zinnen iets zeer kleins waar, dan voelen zij niet slechts de mogelijkheid, maar zelfs het bestaan van nog kleinere lichamen. Tus-schen het middenpunt en den omtrek, dien elk voorwerp hebben moet om gezien en gemeten te kunnen worden, bestaat steeds een straal, een gedeelte eener afmeting, die ons onmiddellijk de zinnelijke aanraking verschaft met het oneindige, met het oneindig-kleine tegenover het oneindig-groote.

Wat van tijd en ruimte geldt, is ook waar voor hoeveelheid en hoedanigheid.

Indien wij over kleuren en tonen spreken, schijnen wij ons zoo geheel en al in het gebied van het eindige te bewegen. Dit is rood, zeggen we, dit groen, dit violet. Dit is C, dit D, dit E. Wat zeggen echter onze zinnen? Wanneer wij wanen, de zeven kleuren van den regenboog te zien, waar is dan het

ocr page 18

OORSPKONG DER GODSDIENSTEN.

oog dat scherp genoeg is om de lijn aan te wijzen waarlangs blauw eindigt en groen begint, waar groen eindigt en geel begint? De waarheid is, dat we gemakshalve, zonder veel praatjes, de oneindigheid van kleuren in zeven graden verdeelen, en dan tevreden zijn. En zelfs deze ruwe indeeling in zeven graden heeft betrekkelijk eerst laat plaats gehad in de ontwikkeling der zinnelijke waarneming. Xenophanes en Aristoteles spreken nog van een driekleurigen regenboog. In de Edda heet de regenboog niet de zevenkleurige, maar de driekleurige brug. Eerst zeer laat leerde het menschelijke oog, het blauw te onderscheiden. Thans verschijnt nauwelijk één boek, waarin niet wordt gesproken over den blauwen hemel. Maar in de oude hymnen van de Veda, waar zoo dikwijls sprake is van morgenrood, van zon, en van hemel, lezen we nooit iets van het blauw des hemels. In de Zend-Avesta, het heilige boek der lichl-gewesten, wordt de blauwe hemel nooit genoemd. Homerus, de zanger van Griekenland, vermeldt den blauwen hemel niet. In Oud- noch Nieuw Testament wordt er van gesproken.

Waarschijnlijk is het, dat het oog ook vroeger de verschillende kleuren wel zag, maar bij gebrek aan taal ze niet in het bewustzijn kon brengen.

Bij tonen nemen we iets dergelijks waar. Ons oor begint te hooren, als het aantal trillingen meer is dan dertig in de seconde ; bij een geringer aantal is het voor ons slechts ruischen-Overtreft bet aantal trillingen het cijfer vierduizend, dan houdt het oor op, de tonen te onderscheiden. En evenals er buiten het nog-waarneembare violet een ultra-violet ligt, dat voor onze oogen slechts donker is, maar zich in het spectroscoop door duidelijke lijnen verraadt, zal niemand durven beweren dat er buiten de aangeduide grenzen geene tonen of kleuren meer bestaan. Ook hier hebben we zeer breede graden. We onderscheiden slechts de noten, de halve noten, en misschien kwartnoten, maar een oneindig aantal tusschenliggende noten vallen buiten ons onderscheidingsvermogen.

Men meene nu niet, dat dit betoog het bewijs moet leveren dat de godsdienst enkel en uitsluitend wortelt in het dorre begrip van het oneindige. Dit alles werd slechts geschreven ter verdediging tegen die wijsgeeren, welke den godsdienst

12

ocr page 19

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

steeds beschouwen als te vallen buiten het bereik der wijsbegeerte, welke ons steeds weder in de ooren roepen, dat zij ééns voor al het bewijs hebben geleverd, dat het Oneindige nooit een onderwerp kan zijn van het menschelijk bewustzijn, daar onze zinnen, die den eenigen toegang vormen tot den zetel van het bewustzijn, nooit met het oneindige in aanraking komen. Ter hunner bestrijding achtte ik het noodig aan te toonen, dat de feiten waarop zij zich beroepen geene feiten zijn, maar dat het oneindige van den beginne af deel heeft uitgemaakt van alle eindige waarnemingen, evenals de blauwe kleur, ofschoon wij voor deze kleur geen woord aantreffen bij Veddahs en Papoeas. Ook toen de menschen nog geen naam hadden voor het oneindige, en dit nog niet ten-volle in hun bewustzijn was gedrongen, hadden zij er een voorgevoel van. De waarneming van het eindige ging en gaat steeds gepaard met het gevoel der oneindigheid. Het zijn derhalve onze zintuigen, die ons bet gevoel van het oneindige geven. Wat er van dit gevoel groeit, leert ons de godsdienst-geschiedenis, want

dit gevoel is de kiem van allen godsdienst.

* *

*

Wanneer men alle boeken raadpleegt, die in de laatste honderd jaren over de geschiedenis der godsdiensten geschreven werden, dan vindt men, naast alle afwijkingen, in één punt steeds overeenstemming, namelijk hierin, dat het Fetischisme de laagst-denkbare vorm is van wat nog godsdienst mag genoemd worden. Iets lagers, meent men, is niet te bedenken, en daarmede is dan bewezen dat men hier te doen heeft met het begin van allen godsdienst. Het schijnt mij wel de moeite waard, dit Fetischisme en de geschiedenis van het woord, van iets nader bij te beschouwen.

Het woord vinden we nergens vóór het jaar 1750. In dit jaar verscheen een anoniem boek, getiteld: Du Culte des Dieux Fetiches, ou Parallèle de l'ancienne Religion de l'Egypte avec la Religion actuelle de Nigritie. Het is thans geen geheim meer dat de schrijver van dit boek De Brosses was, de bekende president De Brosses, een der uitstekendste vrienden van Vol-aire. Vooral op aanraden van Buffon had hij zich gewijd aan

13

ocr page 20

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

de studie der wilde volken, aan de wetenschap die wij thans anthropologic noemen. Hij las alle boeken van zeevarenden en ontdekkingsreizigers die hij machtig konde worden, en behalve andere werken vervaardigde hij naar deze bronnen het hiervoren genoemde werk. Onbevredigd met de bestaande meeningen omtrent den oorsprong der mythologie en der godsdiensten, begreep hij dat het bestudeeren van de zeden en gebruiken der toen op den laagsten trap van beschaving staande wilden onschatbare hulpmiddelen zoude opleveren voor de oplossing van dit oude vraagstuk.

„De beide bestanddeelen der heidensche theologiequot;, zegt hij, „berusten of op de vereering der hemellichamen (Sabaïsme), of op de waarschijnlijk nog oudere vereering van stoffelijke, aardsche voorwerpen, door de Afrika-negers (eigenlijk door hunne bezoekers en ontdekkers) fetiche genoemd. Ik zal dezen eeredienst derhalve in het vervolg fetischisme noemen, en zal dezen term toepassen op alle volken welke dieren of levenlooze voorwerpen vereeren, zelfs wanneer deze voorwerpen in den eigenlijken zin des woords, minder goden zijn, dan wel zaken waaraan men goddelijke eigenschappen heeft toegekend, zooals orakels, amuletten of talismans. Want het staat vast dat al deze opvattingen eenzelfden oorsprong hebben, en deel uitmaken van eenzelfden godsdienstvorm, die vroeger over de geheele aarde verbreid was, en die op zich zelf beschouwd moet worden, daar hij eene afzonderlijke soort vormt onder de verschillende godsdiensten der heidenwereld.quot;

De Brosses verdeelt zijn boek in drieën. In het eerste vinden wij eene verzameling van alle toen bekende bizonderheden omtrent den fetischdienst der Afrikaansche wilden. In het tweede vergelijkt hij dezen fetischdienst met de godsdienstige gebruiken van de beroemdste volken der Oudheid. In het derde tracht hij aan te toonen, uit de groote overeenkomst tusschen die beide, dat de hedendaagsche negers een standpunt innemen, waarop eerst ook die oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen hebben gestaan. Alle volken, beweert hij, moeten beginnen met fetischisme, om dan later te geraken tot het veelgodendom, en nog later tot het ééngodendom. Alleen de Joden zouden hierop eene uitzondering maken, als zijnde nooit fetischaanbidders geweest.

14

ocr page 21

OOBSPBONG DEK GODSDIENSTEN.

Het is zeer merkwaardig1 hoe zelfs zulk een onafhankelijke geest als De Brosses zich hier door zijne opvoeding parten liet spelen. Hadde hij met even scherpe oogen in het Oude Testament gezocht naar sporen van fetischdienst, als hij deze overal elders ontdekte, zoo zoude hem genoeg te denken zijn gegeven door Teraphim, ürim, Thummim en Ephod, om niet eens te spreken over het gouden kalf en de koperen slang.

Niettegenstaande dit, en menig ander zwak punt, bleef er genoeg waarschijnlijks in de geheele redeneering om haar op vele plaatsen ingang te verschaffen. Het valt dan ook niet te loochenen, dat zij ons zeer natuurlijk, zeer aannemelijk in de ooren klinkt. Weldra vond zij haren weg in de handboeken der godsdienst-geschiedenis, ja zelfs in schoolboeken.

Toch schijnt de geheele opvatting in al hare gevolgtrekkingen onjuist. In de alleroudste, nog slechts korten tijd voor ons toegankelijke gedenkteekenen der oudste godsdiensten zoeken wij vergeefs naar duidelijke sporen van het fetiscbisme, terwijl deze in latere tijdvakken steeds menigvuldiger voorkomen. Terwijl men in de Rig-Veda nauwelijks één spoor van fetischdienst aantreft, zijn de latere boeken er vol van, reeds

te beginnen met de Atharva-Veda.

♦ *

*

Waarom gaven de christelijke Portugeezen den naam feitigos aan de voorwerpen die zij zagen vereeren door de negers van de goudkust? De reden ligt vooor de hand. Feitigos waren hun allen gemeenzaam bekend, namelijk als amuletten of talismans. Waarschijnlijk droegen zij allen kettingen, kruisjes of beeldjes, die voor de afvaart behoorlijk door de priesters gewijd en gezegend waren geworden. In zekeren zin waren zij zelf fetisch-dienaars. Zagen zij nu hoe een neger een of ander sieraad aan zijn hart drukte, of geen afstand wilde doen van een bont-gekleurden steun, of zich op de knieën wierp voor een zorgvuldig bewaard stuk hout, dan lag de gevolgtrekking voor de hand dat deze voorwerpen in het oog dier negers heilige relieken waren, in den trant als hun eigen fetigos. En daar van verdere godsdienstige plechtigheden niets viel te bespeuren.

15

ocr page 22

OORSPBONG DER GODSDIENSTEN.

begreep meo dat de vereering dier feiticos den geheelen negergodsdienst uitmaakte.

Nu stelle men zich echter eens voor dat de negers, na uit de verte het gedrag der blanke indringers gade te hebben geslagen, zich hadden afgevraagd wat voor een godsdienst die menschen er toch eigentlijk op nahielden. Wat zouden zij hebben gezegd? Zij zagen hoe de Portugeesche matrozen hunne rozenkransen droegen, hoe zij buigingen maakten voor altaren, en zich op de knieën wierpen voor een houten kruis. Nooit zagen zij hen in stilte bidden, of groote kerkelijke feesten vieren. En hun gedrag gaf niet den indruk, dat zij uit vrees voor de Goden zich verre hielden van misdaden. Wat zoude derhalve natuurlijker geweest zijn, dan dat zij tot de conclusie waren gekomen dat de geheele godsdienst der blanken bestond in eene vereering van Gru-grus, — dit was hun woord voor wat de Portugeezen feitico noemden — dat zij niets wisten van een Grooten Geest of Hemelkoning, noch Hem ooit aanbaden of dienden !

Wij kunnen nog verder gaan. Wanneer wij overblijfselen van gestorven vrienden, de asch b.v., of een vlok haar, als eene gedachtenis bewaren, deze van tijd tot tijd bezien, ja er enkele woorden tegen spreken, dan kan men dit fetischisme noemen.

Wanneer het zwaard van een dapper krijgsman of het vaandel waaronder eene overwinning werd bevochten; vóór het ten-strijde trekken, met eerbied en geestdrift door de soldaten wordt begroet, dan kan men dat fetischisme noemen.

Wanneer de vaandels der uittrekkende legers, zooals dikwijls gebeurt, door priesters worden gezegend, dan kan men dat fetischisme noemen.

Sterker nog. Wanneer een soldaat, in zijne ergernis over de nederlaag, zijn zwaard stuk breekt of het vaandel verscheurt, kan men dan niet met recht zeggen, dat hij zijn fetisch tuchtigt ? En moet het niet fetischisme worden genoemd, de wijze waarop vele Katholieken, maar vooral de Russische boeren, met hunne heiligen-beelden bandelen, deze straffende of be-loonende naar gelang men al of niet over hun gedrag tevreden is?

16

ocr page 23

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

Wat het Portug-eesclie woord feitico betreft, dit komt van het Latijnsche factitius en werd gedurende de middeleeuwen de gewone uitdrukking voor amuletten en soortgelijke zaken. In dien zin gebruikten het de Portugeesche matrozen. Het was dus een fout van De Brosses, onder het woord fetisch ook voorwerpen te begrijpen als boomen, bergen, rivieren en zelfs dieren. Hij verwarde zoodoende drie godsdienst-phasen:

1. Physiolatrie, of de vereering van natuur-voorwerpen die bij den mensci gevoelens van eerbied en vrees opwekken, als bergen, boomen, rivieren, enz.;

2. Zoolatrie, of vereering van dieren, zooals wij deze vooral aantreffen bij de zeer beschaafde bewoners van het oude Egypte;

3. Fetischisme in de eigentlijke beteekenis van het woord, dat wil zeggen de bijgeloovige vereering van schijnbaar onbe-teekenende voorwerpen, die op-zich-zelf beschouwd niet de minste aanspraak kunnen maken op vereering.

Dit is echter nog niet alles. De Brosses maakt zelfs geen onderscheid tusschen de zoover van elkander afstaande begrippen: afgoderij en fetischisme. Een fetisch toch beteekent naar den oorspronkelijken zin van het woord een voorwerp, dat op-zich-zelf bovennatuurlijk is; de afgod daarentegen was slechts een teeken, een zinnebeeld van iets anders. Ongetwijfeld konde een afgod afdalen tot den rang van fetisch, maar daarom is het nog niet hetzelfde. Door dit gebrek aan onderscheidingsvermogen verviel De Brosses in de dwaling, te meenen dat de oude volken langs den weg van het fetischisme gekomen waren tot

polytheïsme en monotheïsme, of veelgodendom en ééngodendom.

* *

*

Het denkbeeld, uit hetgeen de wilden thans zijn, af te leiden wat de beschaafde volken geweest zijn, bevat veel goeds, maar voert ook zeer licht tot geheel verkeerde opvattingen. Vooral, omdat wij niet weten of wellicht ettelijke gebruiken dier wilden niet afkomstig zijn uit tijden toen zij op een hoogeren ontwikkelingstrap dan thans stonden. Niet onmogelijk is het; dat de voorouders der naaktloopende Afrikanen zeer beschaafd^ volken waren, waarvan zij de verbasterde nakomelip^én zijn.j Zeer te-recht zegt Herbert Spencer hierover : 1) \

') Sociology.

'l ,-coV. Ktwk

„lir-D • ' I J

17

ocr page 24

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

„Gemakkelijk zoude men kunnen uitmaken wat inderdaad primitief is, indien wij slechts berichten hadden over werkelijk-primitieve menschen. Wij hebben echter alle reden om te vermoeden, dat de laagste thans-levende menschen, welke maatschappijen vormen van de allernieuwste soort, niet kunnen geacht worden voorbeelden te zijn van den mensch zooals hij oorspronkelijk was. Waarschijnlijk stonden de voorouders van de meesten zoo niet van allen, op een hoogeren trap van ontwikkeling, en in datgene wat zij gelooven en meenen, kan veel zijn blijven sluimeren van het vroeger-geloofde. Even onhoudbaar als de theorie van een steeds-voortgaand verval, is de theorie van eene voortdurende ontwikkeling. Niet steeds, maar toch somtijds, ontspruit de barbaarschheid uit eene vernietigde beschaving, en wellicht had men even dikwijls verval als ontwikkeling.quot;

Het is inderdaad alles-behalve voldoende, een paar jaren te even onder Papoea's of Andamanen, om te weten hoe het er uitzag bij de voorouders van Grieken en Romeinen. Inzonderheid ook bij de godsdiensten van vele volken, is geschiedkundig een zeker verval aan te toonen. Abraham was overtuigd van de éénheid Gods, en Salomo bouwde altaren voor afgoden, Efeze, dat 600 v. C. luisterde naar een der wijste mannen die ooit werd geboren, was duizend jaren later vol van het onbeteekenende gezwets van den kerkvader Cyrillus en het door hem gepresideerde concilie. De Hindoes, die vóór duizende jaren reeds de duizeligste hoogten der philosophie hadden bereikt, zijn thans in vele streken vervallen tot een onwaar-digen koeien- en apendienst. En de geschiedenis eener godsdienst na te speuren blijft zelfs moeilijk in die zeldzame gevallen, waar ons eene geheele letterkunde ten dienste staat. Nog steeds zijn het open vragen, of de zangers van de Rig-Veda al dan niet aan onsterfelijkheid geloofden, en of de schrijvers der Avesta een oorspronkelijk dualisme, een gelijkheid tusschen het goede en het kwade beginsel aannamen.

Niettegenstaande alle moeilijkheden, weet men thans genoeg van de godsdiensten der z. g. wilde volken, om te kunnen vaststellen dat niet in het fetischisme het begin van allen eere-dienst te zoeken is, en dat fétischisme integendeel op eene

18

ocr page 25

OOBSPROKG DER GODSDIENSTEN.

periode van verval wijst. Ook bestaat geen enkele godsdienst uitsluitend uit fetischisme. Het is waar, de vereering van levenlooze voorwerpen heeft in Afrika grootere afmetingen aangenomen dan ergens elders. Maar achter en boven die voorwerpen bevindt zich ook voor de Afrika-negers eene Hoogere Macht, een God of Goden, een wereldschepper, voor wien zij in hunne taal bizondere namen hebben. Onjuist is het, te denken dat zij in dit opzicht principieel zooveel verschillen van Christenen.

De Ashantijnen hebben eene tamelijk afgeronde voorstelling van God, wien zij den Hoogen of den Hoogsten noemen; hij is de schepper, hij geeft regen en zonneschijn en al het goede, en heeft de zevendaagsche week ingesteld. Hij weet alles, en in zijn huis of zijne stad worden de goede menschen na den dood opgenomen. Hij bemoeit zich echter thans niet met 's werelds zaken, en staat te hoog om door menschen vereerd te worden. Men ziet het, de Ashantijnen zijn vele Europeanen vooruit. Evenals deze hebben zij ook een oppersten boozen geest, een duivel, de vijand der menschen. Sommige namen waarmede zij God aanduiden, beteekenen oorspronkelijk zon, of hemel, of regengever; andere heer des hemels, hemelkoning, onzichtbare schepper. De wolken dienen hem ten sluier, de sterren tot sieraden. Hij zendt zijne kinderen, de geesten des lichts, naar de aarde om zijne bevelen over te brengen.

Bij tal van andere Afrika-bewoners, zoogenaamde fetisch-dienaars, vindt men soortgelijke voorstellingen. Vooral die „geesten des lichtsquot;, de christelijke engelen, vormden een gewichtig bestanddeel in tal van godsdiensten. Zij komen overal te voorschijn, waar de klove tusschen mensch en God te groot geworden is, en waar dientengevolge de mensch naar middelaars uitziet, om deze zelf-gegraven kloof te dempen. Zoo verdedigde reeds Celsus krachtig de vereering der geniï, de Christenen berispende dat zij dit oude gebruik niet volgen. „God,quot; zegt hij, „geschiedt daardoor geen onrecht. Hij kan niets verliezen. De ondergeschikte geesten zijn niet zijne mededingers, zoodat Hem de hun toegebrachte eer verdrieten kan. Wij vereeren in hen slechts de eigenschappen van God-zelve, van Wien zij hunne macht ontvingen.quot;

19

ocr page 26

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

Alles komt slechts hierop aaa, goed te vatten wat de neger bedoelen kan, wat hij eigentlijk meent, als hij ons een steen laat zien, en zegt dat deze zijn god is. Wat bedoelt hij met die uitdrukking? Wat verstaat hij onder het woord god? Als een klein kind ons een kat bracht, en ons vertelde dat deze een gewerveld dier was, zouden we ons toch zeker hierover het meeste verwonderen, hoe een kind aan eene dergelijke uitdrukking kwam. — Van deze eenvoudige zijde schijnt geen der vroegere schrijvers over godsdienst-geschiedenis de zaak te hebben bezien. En toch schijnt het zoo voor de hand te liggen, dat een meer of minder diepgaand godsbegrip het vereeren van steenen of stokken moet voorafgaan, en het is juist de taak der godsdienstwetenschap, de langzame en aarzelend volbrachte stappen te bestudeeren, waarmede de menschelijke geest, van datgene wat eenvoudig en redelijk is, voortschrijdt tot datgene wat geheel buiten het verstandsgebied schijnt te liggen.

* ♦

*

Ofschoon ongetwijfeld het bestudeeren van de godsdiensten der thans levende volken, niettegenstaande al de onjuiste gevolgtrekkingen, dikwijls op het goede spoor der godsdienstgeschiedenis kan brengen, is het om al de hiervoren opgenoemde oorzaken toch wenschelijker, bij voorkeur ter schole te gaan bij zulke volken die, naast het thans-bestaande, naast de nieuwere vormen, gelegenheid aanbieden om ook de dieperliggende lagen, of juister gezegd, de verder van ons verwijderde godsdienstvormen te onderzoeken, en te vergelijken met datgene wat er in den loop der eeuwen uit gegroeid is. Ongetwijfeld heeft ook deze studie haar moeielijke zijde, evengoed als gene, maar de bodem waarop wij hier arbeiden is toch vaster en dieper, en belooft een rijkeren oogst.

Het is waar, dat schriftelijke oorkonden ons nooit zeer ver terugvoeren in de geschiedenis van een godsdienst. Eerst nadat een godsdienst een zekeren graad van vastheid heeft bereikt, en een maatschappelijke beteekenis heeft verkregen, wordt de belangstelling van personen of maatschappijen voldoende opgewekt om op te teekenen alles wat van haren stichter of haren

20

ocr page 27

OORSPRONG DER SODSDIENST.

oorsprong bekend is, en over het eerste worden erlangt de nakomelingschap geene of onbetrouwbare berichten. Strenge geschiedkundige waarde bezitten deze oorkonden bijna nooit, vooral door latere opzettelijke vervalschingen. Zoo zijn er onmiskenbare sporen van ontwikkeling en verval in den Joodschen godsdienst, zooals wij dezen uit het Oude Testament kennen, maar deze sporen kunnen slechts met grooten ijver en nauwkeurige studie ontdekt en gevolgd worden. De meeste schrijvers schijnen zich eerder tot taak te hebben gesteld, deze sporen uit te wisschen, dan ze helder in het licht te stellen. Zij wilden den Joodschen godsdienst voorstellen als van het begin af aan geheel kant en klaar, als eene openbaring Gods, onvatbaar voor hoogere ontwikkeling en volmaking. En bij een ernstigen wil schrikt men niet terug voor een beetje, maar ziet zelfs kans, overeenstemming- en harmonie te vinden in de velerlei offer-geboden van Leviticus, en de woorden uit Psalm 51 vers 18 en 19: „Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen. De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachtenquot;. Hier vindt men zoo duidelijk mogelijk ontwikkeling, en de theologen dienen te gaan inzien, dat aan de wet der ontwikkeling zelfs die godsdiensten onderworpen zijn, welke zij ons aanbieden als goddelijke openbaring.

Wat voor den Joodschen godsdienst geldt, is evenzeer van toepassing op dien van Zoroaster. Ook hier biedt men ons een godsdienst als een geheel volmaakt en sluitend stelsel, geopenbaard door Ahuramazda, verkondigd door Zoroaster. Europeesche geleerdheid bekommert zich echter weinig om dergelijke voorstellingen, en tracht zorgvuldig het oude van het nieuwe te scheiden, hoe moeilijk dit dikwijls ook valle. Bij andere godsdiensten valt juist dezelfde opmerking te maken.

Geen land echter biedt zulke uitg-ebreide hulpmiddelen voor eene grondige studie van het ontstaan en de ontwikkeling van den godsdienst, als Indiê. Beter dan ergens elders kan men in Indië nagaan en onderzoeken, hoe godsdienstige gedachten en godsdienstige uitdrukkingen ontstaan, hoe zij toenemen in kracht, zich uitbreiden, van geslacht tot geslacht eene andere

21

ocr page 28

OOSSPRONÖ DER GODSDIENSTEN.

beteekenis verkrijgen, en toch steeds eene zekere overeenkomst blijven vertoonen met de bron waaruit zij voortkwamen. De heilige boeken van Indië zijn voor de studie van den oorsprong en de ontwikkeling van den godsdienst van even groot nut, als voor de studie van den oorsprong en de ontwikkeling der menschelijke taal. Natuurlijk is het volstrekt niet uitgemaakt, dat de ontwikkeling van andere godsdiensten precies denzelfden weg doorloopen heeft als de Indische; zoowel begin als voortgang kan bij andere volken anders zijn geweest. De waarschijnlijkheid echter pleit er voor, dat deze verschillen wel niet zoo heel groot zullen zijn, en dat de circa 10.000 zegge tienduizend Sanskrit-handschriften die door de eeuwen heen tot ons kwamen, indirect eene aanduiding geven van het ontstaan en den groei aller godsdiensten.

h'et is met geene mogelijkheid uit te maken, omstreeks welken tijd de Brahmanen voor het eerst de stelling opwierpen, dat de Veda eene Goddelijke openbaring, en derhalve onfeilbaar was. Evenals andere soortgelijke beweringen schijnt zich dit leerstuk geleidelijk ontwikkeld te hebben, tot er ten-slotte eene openbarings-theorie uit gegroeid was, even kunstig en sluitend als die van eenigen anderen godsdienst. Het ontkennen van dezen goddelijken oorsprong der heilige boeken was wel een der hoofdpunten, waarin de Boeddhisten van de Brahmanen afweken, en eenigen twijfel zal er bij skeptische naturen altijd wel geweest zijn. Het is niet waarschijnlijk dat Boeddha de eerste loochenaar was van de goddelijkheid der heilige boeken, maar de geschiedenis der ketterijen is ook in dezen godsdienst moeilijk te volgen. Blijkbaar heeft in zeer hooge oudheid ook in Indië, naast de orthodox-geloovige kerk, een materialistisch-wijsgeerige school bestaan, en sommige tot ons gekomen uitspraken bewijzen, dat ook de zachte Hindoe bij gelegenheid harde slagen wist uit te deelen. Honderde jaren vóór onze jaartelling, vóór de z.g. geboorte van Jezus, werd reeds de Brahmaansche priesters met bitteren spot verweten en voorgerekend, dat zij slechts uit hebzucht, en als een middel om gemakkelijk aan den kost te komen, de zielmissen en offeranden hadden ingevoerd. — Wat gaan we langzaam vooruit — als we vooruitgaan! Niettegenstaande dien spot en die logica zijn

22

ocr page 29

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

ze nog1 steeds bij millioenen te tellen, de geloovige Christenen die dagelijks met geringe wijzigingen nadreunen, wat 1000 en meer jaren vóór de geboorte van Christus door Brahmanen werd voorgezongen! En waarom zou (dat niet altijd zoo blijven? Waarom zal ook ónze beschaving niet vernietigd worden, zooals zij tot hiertoe alle vernietigd zijn?

Maar ik dwaal af. We zijn bezig aan den oorsprong der godsdiensten.

* *

*

Waar de fetisch-theorie ons geheel onvoldoende schijnt te zijn voor de verklaring van het ontstaan der eerste godsbegrippen, komt het er nu op aan een betere verklaring te vinden. Tot de godsdienst-zelve, of hunne priesters, wenden wij, verstandsmenschen, ons in-dezen te vergeefs. Alle godsdiensten, hoe verschillend overigens, stemmen hierin overeen, dat zij een waarheids-bewijs te hunnen gunste, alleen door zinnelijke waarneming, niet te leveren achten. Dit geldt voor allen, voor het christendom en voor het fetischisme; in zijnen fetisch vereert de wilde geen gewonen steen, maar een steen die volgens zijn geloof nog iets anders, iets hoogers is, iets wat buiten het bereik van onze handen, ooren en oogen ligt.

Indien wij meenden dat woorden ons konden helpen, zouden wij spoedig geneigd zijn te zeggen dat alle ;godsdienstige ideën, die buiten de grenzen liggen onzer zinnelijke waarneming, hunne afkomst danken aan eene Openbaring van buiten af. Zooiets klinkt, en er bestaat dan ook nauwelijks één godsdienst, die niet op iets dergelijks boogt. Wij behoeven echter deze bewering slechts te vertalen in de fetisch-taal, om te zien hoe onvoldoende deze oplossing is. Stel dat wij een Aschanti-priester vroegen hoe hij wist dat zijn steen geen gewone steen was, maar iets anders, en hij antwoordde ons, dat hem dit geopenbaard was door den fetisch-zelve, wat zouden wij daarop antwoorden? Toch berust de theorie eener oude Openbaring steeds op deze redeneering. Hoe wist de mensch dat er goden zijn? De goden hebben het hem zelf gezegd.

Bij alle rassen vinden wij deze voorstelling, zoowel bij de laagste als bij de hoogste. Onder sommige Afrikaansche

23

ocr page 30

OOKSPBONG DER GODSDIENSTEN.

stammen bestaat de overlevering, „dat vroeger de hemel korter bij de aarde was dan thans, dat de Hooge God en Schepper in persoon den menschen lessen van hooge wijsheid heeft gegeven, doch thans ver weg, in den hemel woontquot;. De Hindoes en de Grieken zeggen hetzelfde, en beroepen zich op hunne voorouders, die in nauwere gemeenschap met de Goden zouden hebben geleefd, en van hen alle godsdienstige voorschriften ontvingen.

Velen die erkennen dat eene dergelijke openbaringsleer onhoudbaar is, trachten de moeilijkheid te overwinnen met behulp van een ander woord. Zij beweren, dat de mensch ia het bezit is van een godsdienstig instinkt, waardoor hij, de eenige van alle schepselen, in staat zoude zijn het oneindige, het onzichtbare, het goddelijke waar te nemen.

Indien wij ook dit antwoord vertalen in eenvoudige fetisch-taal, is er alle reden om ons te verwonderen over onze onnoozel-heid. Zeide ons een Aschanti-priester, dat hij in zijnen fetisch meer zag dan een gewone steen, omdat hij voor dit diepere inzicht een instinkt ontvangen had, dan zouden wij vermoedelijk verbaasd staan over den vooruitgang in holle-woordenkramerij, die deze wilde onder den invloed der Europesche beschaving had gemaakt. Wij hebben evenveel en even weinig recht, een godsdienstig instinkt aan te nemen ter verklaring van den oorsprong der godsdienstige ideën, als een taai-instinkt om den oorsprong der talen te verklaren, of een reken-instinkt ter verklaring van onze bekwaamheid in het tellen. Veel hooger dan bakerpraatjes staan dergelijke oplossingen niet.

Na alzoo de oude bruggen te hebben afgebroken., waarover men zoo gemakkelijk konde ontloopen aan de tallooze moeilijkheden die zich opdoen bij het vorschen naar den oorsprong der godsdienstige denkbeelden, blijft ons niets over dan verder te gaan, en te onderzoeken welke uitkomsten wij kunnen bereiken zonder de toevlucht te nemen tot stellingen als goddelijke openbaring of godsdienstig instinkt. Wij hebben onze vijf zinnen, en de wereld ligt vóór ons, zooals onze zinnen ons deze doen kennen en waarnemen. Hoe komen we met deze gegevens aan het begrip eener onzienlijke wereld, of liever, hoe kwamen onze Arische voorouders daartoe ?

24

ocr page 31

OORSPRONG DEK GODSDIENSTEN.

Beginnen wij met het begin. Wij noemen werkelijk en tastbaar, alles wat wij met onze vijf zinnen kunnen waarnemen. Zoo althans begrijpt bet een eenvoudig menscb, en wij behoeven hier niet de vraag te stellen, of onze zinnen ons niet foppen, of het wel inderdaad werkelijk bestaat wat zij waarnemen. Wij hebben thans niet te doen met menschen als Berkeley of Hume, ook niet met Empedokles of Xeuophanes, maar met een zeer primitief holbewoner, uit het quaternaire^ misscMen uit het tertiaire tijdvak. Voor hem is een been, dat hij betasten, ruiken, proeven, zien en desverlangd door het stuk te breken hooren kan, iets zoo werkelijks, als met mogelijkheid te bedenken is.

Vooral op het gevoel hebben de menschen steeds veel vertrouwd. Ooren en oogen mogen bedriegen, als het gevoel deze twee te-hulp komt, als wij een voorwerp beiasten kunnen,, twijfelen wij niet meer aan de werkelijkheid. Ook de taal verraadt dit vertrouwen op den tast-zin. Als wij willen te kennen geven dat aan de waarheid eener zaak redelijkerwijze niet mag worden getwijfeld, zeggen we dat zij tastbaar is. De Duitschers spreken van handgreifiich, Engelschen en Fran-schen eveneens van manifest of manifeste. Zien wij nu, welke voorwerpen onze holbewoners tastbaar kon noemen. Steenen, schelpen, beenderen, boomen, bergen, rivieren, dieren en menschen, zij waren alle tastbaar, hij kon ze met de hand betasten, zij bestonden dus.

Toch kan men deze opsomming van oorspronkelijke kennis in twee soorten verdeelen :

1. Voorwerpen als steenen, schelpen, beenderen, bloemen,, vruchten, boomtakken, waterdruppels, aardkluiten, dieren, deze-alle kunnen naar welgevallen van alle kanten betast worden. Men ziet ze geheel vóór zich. Zij ontsnappen onze vingers niet. Niets aan hun uiterlijk is onbekend of onnaspeurbaar.

2. Voorwerpen als boomen, bergen, rivieren, de aarde, enz»

Reeds een boom, althans zoo'n oude woudreus als men somtijds aantreft, heeft iets overweldigends, iets ontzagwekkends. Zijne diepste wortelen zijn buiten ons bereik, zijn top zweeft ver boven ons. Wij kunnen onder hem staan, hem aanraken,, naar hem opzien, maar onze zintuigen zijn niet in staat, hem

25'

ocr page 32

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

op-eens te bevatten. Bovendien is er Leven in den boom, hij groeit, vormt takken, bladeren, bloesems en vruchten; hij schudt in den herfst zijn loof af, om zich de volgende lente met een nieuw gewaad te tooien. Er is iets in en aan hem, gaande buiten de grenzen der zinnelijke waarneming, en toch onloochenbaar werkelijk, en dit Onbekende en Onkenbare werd voor de denkdieren een voorwerp van steeds nieuwe verwondering. Eensdeels konden zij den boom met hunne zintuigen vatten, anderdeels ontsnapte hij aan hunne waarneming

Een soortgelijk gevoel van verwondering werd opgewekt bij het zien van bergen, rivieren, de zee, de aarde. Wanneer we aan den voet van een berg staan, en naar het punt staren waar zijn top in de wolken verdwijnt, komen wij ons-zelven voor als dwergen tegenover een reus. En er zijn zelfs onbeklimbare bergen, die voor de dalbewoners derhalve het einde hunner kleine wereld vormen. De schemering, de zon, maan en sterren schijnen van de bergen opwaarts te stijgen, het hemeldak schijnt op hen te rusten, en wanneer onze oogen zijn opgeklommen tot de hoogst-zichtbare toppen, dan voelen wij ons als aan den drempel eener hoogere wereld. — Men bedenke wel, hier is geen sprake van de gevoelens van een negentiende-eeuwsch geleerde, die precies weet wkt er achter die bergen te vinden is, maar van de aandoeningen eens holbewoners, die pas begonnen is zelfbewust te denken, en dat in het land waar de Veda-hymmen het eerst weerklonken, en Dr. Hooker van één punt uit, twintig sneeuwtoppen waarnam, elk meer dan 20.000 voet hoog, en schijnbaar te-zamen het blauwe hemelgewelf torschend! Ook het sterkste hart moet bij zulk een schouwspel een siddering gevoelen, als in aanraking met het Oneindige.

Na de bergen wenden wij ons tot de watervallen en stroomen. Wat verstaan wij eigentlijk onder den naam „rivierquot;? Wij zien wel de watermassa, die dagelijks onze woning voorbij vlucht, maar nooit zien wij de rivier, nooit een en denzelfden waterstroom. Hoe bekend hij ons ook moge schijnen, hij blijft toch buiten het bereik onzer zintuigen, wij weten evenmin vanwaar hij komt als waar hij henen gaat.

Seneca zegt in eene zijner brieven: „Met ontzag beschouwen

26

ocr page 33

OOKSPKONÖ DER GODSDIENSTEN.

■wij den oorsprong der groote rivieren; wij richten altaren op voor eenen waterstroom die plotseling met volle kracht uit de verborgen diepte te voorschijn bruischt; wij vereeren de warme bronnen, en vele meeren zijn ons heilig om hunne donkerheid of hunne onpeilbare diepte.quot;

Zonder nog te denken aan al de weldaden welke een rivier de oeverbewoners bewijst, door hunne velden te besproeien, hunne kudden te drenken, en hun een wal te zijn tegen de aanvallen der vijanden; zonder in aanmerking te nemen de vreeselijke verwoesting welke eene toornige rivier kan aanrichten, of den noodlottigen dood van hen die door hare woeste golven worden medegesleurd; buiten dit alles moest reeds alleen het zien eener rivier, komende zonder dat men weet van waar , gaande zonder dat men weet waarheen, bij de oudste aardbewoners een gevoel wakker roepen, een besef, dat er nog iets bestond buiten het kleine plekje grond dat zij hun vaderland noemden; dat zij van alle zijden omgeven waren door onzichtbare, oneindige, door goddelijke machten.

Echter, wij moeten nog verder gaan. De opgenoemde zaken konden althans nog ten-deele worden betast en geproefd, maar er zijn ook ettelijke voorwerpen, die wel met de oogen kunnen worden gezien, maar die voorts aan alle waarneming ontsnappen. Ik bedoel den hemel, de sterren, de zon en maan, het morgenrood, en vooral in deze vinden wij de kiemen van datgene, wat later als god of goddelijk zal worden aangeduid. Wenden wij ons tot de Veda-hymnen, om te zien wat de godsdienst der Indiërs oorspronkelijk was.

Aan wie waren de hymnen gericht, die als oudste overblijfselen van menschelijke dichtkunst behouden bleven? Niet aan houtblokken zijn ze gericht, of aan steenen, maar aan rivieren, aan bergen, aan wolken, aan de aarde, aan den hemel, aan het morgenrood, aan de zon; derhalve niet aan tastbare voorwerpen, zoogenaamde fetischen, maar juist aan half-tastbare, of ontastbare voorwerpen.

Hierin vinden wij eene krachtige bevestiging van ons vermoeden, eene bevestiging, waaraan vóór honderd jaren nog niemand uit de verste verte denken kon. Want wie zoude toen hebben gedacht aan de mogelijkheid, dat we eens in staat

27

ocr page 34

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

zouden zijn de ontwikkeling der Indische beschaving na te pluizen uit een literatuur, die reeds meer dan duizend jaren oud was, toen Alexander de Groote zijn tocht naar Indië volbracht? Het ontstaan der eerste woorden, der woordwortels, leert ons duidelijk hoe die oermenschen de geheele hen omringende natuur beschouwden als iets dat handelde, als iets werkzaams, als daden verrichtende, gelijk aan de dadeu van menschen.. Zij vermenschlijkten, verpersoonlijkten de geheele natuur. Vragen wij bij voorbeeld, wat de ouden dachten als zij van eene rivier spraken, dan luidt het antwoord: zij dachten juist zoo, als zij haar noemden, en zij noemden haar naar mate van de verschillende verrichtingen die zij haar toeschreven. Zij noemden haar looper, of ruischer; vloot zij kalm daarheen, dan was zij de ploeger of de pijl; drenkte zij de oeverlanden, dan was zij de moeder; diende zij ter beschutting van het land, dan heette zij beschermer. Steeds echter werd zij beschouwd en aangeduid als eene handelende persoonlijkheid. Hetzelfde geldt voor de zon (de verlichter), voor het morgenrood (de opwekker), voor den donder (de bruller), voor den regen (de bevochtiger), voor het vuur (de hardlooper). En bij de voortschrijdende ontwikkeling der taal, bij het geleidelijk ontstaan van werkwoorden en woordverbuigingen, behielden deze uitdrukkingswijzen nog langen tijd hunne oorspronkelijke beteekenis.

Bestudeeren wij nu de Veda's, dan zien wij dat de tot ons gekomen hymnen alle aan zekere devaids zijn gericht. Dit woord heeft thans geheel dezelfde beteekenis als ons woord God, maar in bedoelde hymnen komt het geen enkele maal in deze beteekenis voor. Het idee eener godheid had zich nog niet gevormd. De devaia, was eenvoudig datgene, waaraan de hymne gericht was, het onderwerp van Tiet gedicht, in het algemeen de of het toegesprokene. Een dier, een wagen, een schild, konde devaia zijn. In tweegesprekken heette de spreker rishi, de toegesprokene devald, zoodat de twee personen beurtelings het een en het ander waren.

Evenmin is het aan twijfel onderhevig, of het denkbeeld 't welk de Veda-dichter aan het woord deva verbond, heeft niets te maken met de voorstelling die wij thans aanduiden als

28

ocr page 35

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

Crod. Deva, van den wortel div, lichtgeven, beteekende oorspronkelijk helder; de woordenboeken van thans vertalen: goddelijk. Wilden we echter bij het vertalen der onde Veda-hymnen het woord deva steeds door god of goddelijk weêrgeven, ■dan zouden we soms tot heele vreemde resultaten geraken! De waarheid is, dat in den tijd waarvan wij spreken, de Goden niog niet bestonden, in den zin dien wij aan dat woord hechten. Zij waren nog slechts bezig, zich langzaam een bestaan te veroveren, of met andere woorden, het begrip en de naam ■God waren in het eerste stadium van ontwikkeling. In de quot;Veda kunnen wij de geboorte en den groei der Goden waarnemen, het ontstaan en de ontwikkeling der woorden waarmede de Godheid wordt aangeduid. In de latere hymnen zien wij •de opvolgende trappen in de ontwikkeling dezer voorstellingen van het goddelijke.

Deva is niet het eenige woord in de Veda hetwelk, oorspronkelijk eane andere beteekenis hebbende, langzamerhand gebruikt werd ter aanduiding van het godsbegrip. Ook vasu, een zeer gewone naam voor zekere Veda-goden, beteekende oorspronkelijk helder.

Eenigszins anders verging het het woord asura. Oorspronkelijk diende dit ter uitdrukking van de gedachte dat sommige zaken niet, als dieren en menschen, van voorbijgaanden aard waren, doch onveranderlijk, evenmin onderworpen aan den dood als aan de kwalen des ouderdoms. Zóó de zon, de maan, het hemelgewelf. Terwijl nu de aanwending van deva beperkt bleef tot de lichte en weldadige natuurverschijnselen, gold deze beperking niet voor asura, zoodat weldra door dit woord niet slechts de goede, maar ook de booze machten werden aangeduid.

Het onomstootbare bewijs, dat niet in het fetischisme de oorsprong van den Indischen godsdienst is te zoeken, ligt, zooals ik reeds gelegenheid had op te merken, in de omstandigheid dat de oudste hymnen niet gericht zijn aan tastbare voorwerpen, maar alle aan half-tastbare, of ontastbare. Eenige staaltjes mogen hier volgen:

„Mogen winden en stroomen honig uitgieten over den rechtvaardige; mogen onze planten zoet zijn.quot;

29

ocr page 36

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

„Honig1 zij de nacht en het morgenrood; honig-rijk zij hemel en aarde; honig zij de hemel, onze vader.quot;

Het sanskrit-woord madhv, is hier vertaald door honig, maar eigentlijk heeft het eene veel wijdere beteekenis, en werd er door aangeduid alles wat zoet, wat aangenaam was. Ook ver-frisschende regen en zoete melk waren madhu.

Maar we hebben meer aanhalingen te doen:

„De driemaal zeven snelle stroomen, het groote water, de boomen, de bergen en het vuur roepen wij te hulp.quot;

„Zegenrijk ga de ver-blikkende zon over ons op, zegenrijk mogen ons de vier windstreken zijn, zegenrijk de vaste bergen, zegenrijk de rivieren, zegenrijk al het water.quot;

„Mogen de vaste bergen ons verhooren.quot;

„Mogen de hooggeprezen bergen en de schitterende stroomen ons bescherming verleenen.quot;

„Wij smeekeu om de bescherming van hemel en aarde; de moederlijke stroomen, de grasrijke bergen, de zon en het morgenrood smeeken wij ons vrij te doen blijven van zonde.quot;

Vooral de rivieren, en in het bizonder de Penjab ^ worden dikwijls aangeroepen:

„Uwe onvergelijkbare grootte, o water, moge de dichter hier verkondigen van Vivasvat's zetel. Telkens zeven en zeven kwamen zij drievoudig aangestroomd, maar de Indus overtreft alle loopers (rivieren) in kracht.quot;

„Het geluid dringt van de aarde tot den hemel; een eindeloos bruischen gaat van haar uit, met lichtglans. Als uit eene wolk ruischen de regenstroomen wanneer de Indus nadert, brullende als een stier.quot;

„Als eene moeder naar hare kinderen, zoo ijlen de loeiende koeien (rivieren) op u toe met hare melk. Als een koning in den strijd voert gij de beide legervleugels aan, wanneer gij voortschrijdt aan de spits der stroomenden.quot;

„Schitterend, stralend, in grooten glans, stuwt zij hare golven door de landstreken, zij, de ongetemde Sindhu, de snelste der snellen, als eene schoone merrie, een heerlijk schouwspel.quot;

Uit duizenden zijn deze aanroepingen gekozen, omdat zij zijn gericht tot geheel zichtbare en deels tastbare voorwerpen,

30

1

) 5 stroomen waaruit de Indus ontstaat.

ocr page 37

OORSPRONG DEK GODSDIENSTEN.

tot halfgoden. Thans volgt de vraag of wij deze voorwerpen als goden mogen aanduiden. Op vele plaatsen beslist niet; immers wij-zelve, ofschoon niet geloovende aan een veel-goden-dom, zouden soortgelijke uitdrukkingen kunnen bezigen, uitroepen kannen richten tot boomen, bergen en rivieren, om ons gunstig te zijn.

Eene verdere schrede wordt reeds gedaan, waar bergen en rivieren worden gesmeekt om bescherming. Maar zelfs dat is nog eenigszins te begrijpen. Nog heden ten dage zoude het een Zwitsersch patriot kunnen invallen, de bergen van zijn vaderland aan te roepen tot hulp tegen den vijand.

Maar op de eene schrede volgt steeds een andere. Tot de bergen worden gebeden gericht; waarom zoude men dat echter doen, als zij niet kunnen hooren? De zon wordt al-ziend genoemd, is zij dat echter niet werkelijk ? De hemel wordt vaderlijk,, en daarna Vader genoemd; maar waakt dan de hemel niet over ons, beschermt hij niet ons en de geheele aarde ? Bestaat er iets zoo oud, zoo hoog, soms zoo goedig, op andere tijden zoo vreeselijk, als de hemel? Wij mogen ons nauwelijks verwonderen dat al deze dingen, in de taai onzer voorouders devas, helderheid, genoemd, worden aangeroepen om honig, d. w. z. vreugde, voedsel, geluk te verleenen; ook wij weten dat zij de gevers zijn van vele goede gaven.

Vreemd klinkt het ons echter in de ooren, als deze devas worden gebeden om ons te bewaren vrij van de zonde; dat is blijkbaar weer een begrip van lateren tijd. Duidelijker wordt dit ons eerst stfcfwij zien dat het begrip zonde langzaam inde plaats is getreden van het begrip duisternis. Ofschoon de Veda's eerst omstreeks 1000 v. C. verzameld werden, moeten zij daarvoor reeds eeuwen bestaan hebben, en er was dus alle tijd voor de ontwikkeling der eerst zoo eenvoudige begrippen. Had men de oude Veda-dichters gevraagd of de rivieren en bergen hunne Goden waren, dan zouden zij ons waarschijnlijk even min hebben begrepen als een kind, dat wij zouden vragen of paarden, vliegen en visschen, dieren zijn. Beiden zouden de vraag ontkennend beantwoorden, daar zij nog niet in staat zijn, voorwerpen van zulk een groote verscheidenheid onder een gezamentlijk begrip te brengen. Het godsbegrip ontwik-

31

ocr page 38

32 OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

kelde zich langzaam en in stilte, terwijl de dichters hunne hymnen zongen aan de onderscheidene half-tastbare of ontastbare voorwerpen. Langzaam werd eene -wereld opgebouwd, bestaande uit voorwerpen die slechts met een of twee zintuigen konden worden waargenomen, tot men aanlandde bij eene wereld die met geen enkel zintuig waarneembaar is. Eerst werden die voorwerpen dichterlijk voorgesteld als begaafd met tal van krachten en eigenschappen, tot na tal van eeuwen de volgende geslachten er toe kwamen, uit die dichterlijk-bedoelde ■eigenschappen te besluiten tot iets min of meer persoonlijks.

Zoo met het vuur. Thans doet het vuur zich aan ons voor, niet slechts als zichtbaar, maar zelfs als tastbaar. Wat was het echter voor de oudste aardbewoners? Waarschijnlijk heeft -de mensch lang op aarde geleefd, was reeds ontwikkeld tot de eerste trappen van denken en spreken, vóór hij vuur wist te ontsteken en te gebruiken. Wèl had hij het gezien. De bliksemstralen had hij gezien, het licht en de warmte der zon had hij waargenomen, wellicht was hij zelfs de doodelijk-verschrikte getuige geweest van een geweldigen boschbrand. Iets zeer wonderlijks lag er in het verschijnen en het verdwijnen van dat vuur. Plotseling kwam bet, even plotseling verdween het. Als door eene geheimzinnige macht voelden zij zich er door aangetrokken, even als thans nog onze kinderen. Het maakte op hen den indruk, dien wij zouden gevoelen bij het zien van een geest. Gaven zij het namen, dan waren deze uitingen van den ontvangen indruk: de Verlichter, de Verwarmer, de Vernietiger. Vooral echter waren zij verwonderd over de snelheid waarmede het zich bewoog (in de bliksemstralen b.v.) en zij noemden het de Snelle, Sanskrit Ag-nis. En deze Agnis werd God, en al het wonderlijke en dichterlijke dat men van Agnis had verhaald, veranderde in theologie.

Tal der oude Veda-hymnen zijn gericht tot de zon, hare namen zijn even talrijk als de geschiedenissen die men van haar verhaalt, van hare grootheid, hare majesteit, hare scheppende kracht. Ook dit werd theologie.

Het morgenrood was oorspronkelijk de opgaande zon, het avondrood de ondergaande zon. Later werden deze verschijnselen- van elkander en van de zon gescheiden, en nu gaven

*

ocr page 39

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

zij aanleiding tot een rijken oogst van mythen en verhalen. Wij krijgen de Dioskuren, de Tweelingen, Sanskrit Asvinau, en bevinden ons nu feitelijk in de oude mythologie en godsdienst.

Van weder eene andere orde was de donder. Wij hooren zijn rommelen, maar wij kunnen hem evenmin zien, als voelen, ruiken of proeven. Een onpersoonlijk brullen of donderen, zooals wij ons dat kunnen voorstellen, konde door de oude Ariërs niet begrepen worden. Als zij den donder hoorden, spraken zij van den Donderaar, even als zij van een Huiler spraken als de leeuw zijne machtige stem in het woud deed weerklinken. Een onpersoonlijk huilen was er voor hen niet. In den naam Donderaar {Rtidra), hebben wij voor het eerst een naam van iemand die nooit was gezien, maar aan wiens geweldige macht toch niemand konde twijfelen. Weldra schreef men den Donderaar tal van daden toe: hij slingerde den bliksem, als ware het met boog en pijl; hij verpletterde de boozen en beschermde de goeden, hij bracht licht in de duisternis, frisch-heid na hitte, gezondheid na ziekte.

De wind, van wien niemand weet vanwaar hij komt noch waar hij henen gaat, de wind deed besluiten tot het bestaan van een Waaier, VSyu. En naast hem ontstonden afzonderlijk de Marutas, Stormgoden, de Geweldigen. „Zij kunnen ons ter aarde werpen, wij hen nietquot;, in dit gevoel ligt de kiem van godsdienstig denken.

Regendroppels heeten in het Sanskrit ind-u, en hij die hen zendt, de Regenaar, heette weldra Ind-ra. Is het wonder dat deze spoedig eene hoofdgodheid werd, hij van wiens grillen de menschen zich zoo geheel afhankelijk wisten, wiens gaven voor hen leven of dood beteekenden ?

Zoo was langzamerhand de hemel bevolkt geworden met allerlei goden, devas, en in de Veda kan men duidelijk hun ontstaan volgen. Oorspronkelijk geene andere beteekenis hebbende dan licht, helder, werd dit woord slechts gebruikt om de eigenschappen aan te duiden van het vuur, den hemel, het morgenrood, de zon. Toen de oorspronkelijke beteekenis in vergetelheid raakte, werden de devas de Machten des lichts, de Goden, en in het Latijnsche deus, het Fransche Dien, en het Engelsche divine leeft het woord nog steeds voort. En

33

ocr page 40

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

waar de oude, steeds in beschaving en denkvermogen toenemende Indiërs reeds vóór duizende jaren van het bekende besloten tot het onbekende, van de natuur tot een God der natuur, om daarna dien weg verder af te wandelen en aan te landen bij een diep-wijsgeerig atheïsme, daar bidden nog eiken dag tal van „beschaafde en ontwikkeldequot; Europeanen tot hunne afgedankte Goden, en wanen zich verheven boven de Boeddhistische heidenen!

Den hemel noemden onze eenvoudige voorvaders oorspronkelijk Lichtgever, Verlichter, Sanskrit Dyaus, en vóór vijfduizend of meer jaren baden zij tot een Hemelvader, Dyu pitar.

Voor vierduizend jaren baden de Ariërs die naar het zuiden waren getrokken, aan de oevers van den Penjab, tot Dyaush-pitd, Hemelvader.

Voor drieduizend jaren noemden hem de Ariërs aan de oevers van den Hellespont Zeus, ZeLc irxrfip, Hemelvader.

Voor tweeduizend jaren baden de naar Italië getrokken Ariërs hem aan als Ju-piter, Hemelvader.

Voor duizend jaren werd hij in de donkere wouden van Duitschland door onze voorvaderen aangeroepen als Tiu of Zio, Hemelvader.

En het is aldus gebleven tot op den huidigen dag.

* *

*

Nihil in fide quod non ante fuerit in sensu. In den godsdienst bevindt zich niets, wat er niet inkwam door den weg der zintuigen. Zoo luidt het motto boven Müllers vijfde hoofdstuk, en ieder die de vier vorige hoofdstukken aandachtig heeft gelezen, zal moeten toestemmen dat deze uitspraak bewezen was vóór zij gedaan werd. Hoe onzijdig Müller ook beweert te willen zijn, hoe stellig hij het moge hebben uitgesproken dat hij geen onderzoek wenschte in te stellen naar de waarheid van een of anderen godsdienst, wij kunnen na al het gelezene niet anders dan die beweringen nemen voor wat zij zijn: suiker om de bittere pil, welke de vrome Engelschen wordt te slikken gegeven in een orthodox kerkgebouw. Het is niet alleen een hoogst komisch, maar ook een verblijdend

34

ocr page 41

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

teeken des tijds; in die deftige Westminster-Abbey, waar eiken middag eene Anglikaanscbe godsdienstoefening wordt gehouden, van waar eiken middag ritueele gezangen over Verlossers en Heilige Geest en zulke dingen ten hemel stijgen, daar door een erkend-bevoegde te hooren uitleggen en bewijzen dat al die plechtigheden en ceremonien slechts de bewijzen zijn van onze verbazende achterlijkheid en domheid. Wij gunnen die brave Engelschen van harte het dunne suikerlaagje.

Inderdaad is het zeer dun. Hij, de man die geen enkele godsdienst wil aanvallen, hij zegt onder anderen in zoovele woorden: „alles wat beweert, in ons Weten te zijn doorgedrongen door eene andere poort dan die der zinnen, is smokkelwaar, en wat sommigen vertellen van goddelijke openbaring of godsdienstig instinct, is onzin.quot; Wat zoude onze Vrije Gemeente een benauwd gezicht trekken als haar vrije voorganger zoo durfde spreken!

Vooral de laatste hoofdstukken zijn zeer leerzaam, maar ook zoo rijk aan inhoud, dat het mij een geheel onbegonnen werk schijnt te zijn, eene poging te wagen om dien inhoud verkort weer te geven. Door eigen redeneering en door aanhalingen uit de Veda's bewijst Muller dat de oude Brahmanen niet bleven staan op het standpunt van beschaving waar de meeste Europeanen zich thans bevinden, n.1. bij het geloof aan een persoonlijk God, maar dat zij van het boven-beschreven kin-derlijk-dicbterlijke standpunt, over het deïsme, steeds aanstevenden op het atheïsme, en daar ook aankwamen.

In de oudste Veda's worden zon, vuur, enz. aangeroepen in bewoordingen, die duidelijk bewijzen dat er niet aan iets persoonlijks werd gedacht. Uitdrukkelijk wordt er gezegd dat het vuur geen Vader is, al roept men het aan.—Later wordt het vergeleken bij een Vader, men vraagt de verschillende machtige natuurverschijnselen, goed te zijn „als een Vaderquot;. „Verhoor ons, Indra, als een Vaderquot;. Weer later werden zij Vaders, maar daarop volgt het tijdperk, waarin de Brahmanen begrepen dat geen enkele eigenschap van een aardsch vader van toepassing is op dengene dien zij God noemden, en zij staakten het bidden. Natuurlijk ging ook deze ontwikkeling uiterst langzaam, en de dichters zullen nog eeuwen lang Indra

35

ocr page 42

OORSPItONG DER GODSDIENSTEN.

en Mitra, Varu«a en Agni hebben aangeroepen, toen reeds de Indische wijsgeeren hiertegen protesteerden.

Trouwens, ook in en achter de oudste gebeden schuilt meer dan men oppervlakkig zoude meenen. Waar de oude Indiërs volgens de uitgesproken woorden bet Morgenrood aanbaden, daar was hun gebed feitelijk gericht tot datgene wat zij aan de andere zijde van het Morgenrood meenden te zien, aan de andere zijde der deur waardoor de zon stralend en schitterend te voorschijn trad: tot Aditi, de Oneindigheid. In eene aan Mitra en Varuwa, Dag en Nacht, gerichte hymne lezen wij: „Gij Mitra en Varuwa, bestijgt den Wagen die goudglanzend is bij het opflikkeren van het morgenrood, en die ijzeren le-moenen heeft bij den ondergang der zon, want van daar ziet gij Aditi en Diti,quot; dat wil zeggen wat aan gene zijde en aan deze zijde is, wat oneindig en wat eindig is, wat onsterfelijk en wat sterfelijk is.

Elders lezen we: „Datgene vanwaar de zon zich opheft en waarbenen zij nederdaalt, dat is, geloof ik, het Oudste, en daarboven staat niemand.quot;

Zeer belangwekkend is het verder, na te gaan hoe in dat licht-lievende zonneland de begrippen duisternis en zonde elkander zijn opgevolgd. Eerst in alle, aan de lichtgoden gerichte hymnen een smeeken om bevrijd en verlost te mogen worden van donkerheid ; daarna, toen men zich meer rekenschap begon te geven van de ziels-aandoeningen, werd er gebeden om wegneming van den angst, de schrik, waarmede de duisternis gepaard gaat, en daaruit ontstond weder het begrip van zonde, en het bidden om zondeloosheid.

Dat is de groote leer, die wij uit de Veda hebben te putten. Al onze gedachten, ook de schijnbaar meest-abstracte, hebben hun natuurlijk beginpunt in datgene, wat dagelijks door ons wordt waargenomen. Nihil in fide nisi quod ante fueril in sensu. Voorstellingen die op het eerste gezicht geheel liggen buiten het bereik onzer zinnen, blijken toch te wortelen in die natuur welke wij — het is moeilijk te zeggen waarom — steeds geneigd zijn te verachten. Met duizend stemmen spreekt zij tot ons. Voor een tijd moge de mensch deze stemmen niet opmerken, zij klinken weder, dag op dag, nacht op nacht, tot

36

ocr page 43

OORSPKONGr DER GODSDIENSTEN.

zij eindelijk gehoor vinden. En dan wordt de taal die zij spreken steeds duidelijker, en wat eerst slechts een zonsopgang scheen, wordt ten-slotte eeue zichtbare openbaring van het Oneindige, terwijl de zonsondergang een blik veroorlooft op de onsterfelijkheid. — Niemand spreekt thans meer van eene aangeboren taal. De taal, dat weet men nu, is gegroeid, geworden. En zoo zal de tijd komen dat ook niemand zal durven spreken van aangeboren godsbegrippen. De meusch moet alles wat

hij noodig heeft, in het zweet zijns aanschijns verwerven.

* *

Reeds zeer vroeg oordeelden de Veda-dichters het noodig, te ijveren tegen hen die niet aan hunne goden geloofden. „De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.quot; Dat kunnen we lezen in Psalm 14, en ook in de Veda. „Lofzingt Indra, als gij buit wilt behalen.quot; Wel zegt iemand: „Indra bestaat niet. Wie heeft hem gezien ? Wien zullen wij prijzen ?quot; En het Veda-antwoord is nog afdoender dan het bijbelsche, want Indra-zelf treedt nu sprekend op: „Hier ben ik, zanger! Zie mij aan! Ik ben machtiger dan al het geborene.quot;

In een andere hymne lezen we : „De Vreeselijke, van wien zij vragen: Waar is hij? ja van wien zij zeggen: hij bestaat niet! — ziet, hij neemt de have zijner vijanden weg, zooals de speler den inzet. Gelooft aan hem; voorwaar, hij is Indra.quot;

Maar niet allen nemen genoegen met deze bewijsvoering; langzaam worden Indra en Dyaus en zelfs Pra^apati verdrongen, langzaam verbrokkelen zij, onverholen verklaart een volgende dichter dat alle Goden slechts namen zijn, en deze overtuiging wint veld. Van Europeesch standpunt zoude men allicht meenen, dat na deze ontdekking de Indiërs met minachting en afschuw zich hebben afgewend van alles wat zij eeuwen lang hadden aangebeden. Of dat zij als de Grieken toen hunne tempels in puin stortten, als de oude Germanen toen de oude heilige eiken werden omgehakt zonder dat Odin verscheen om die misdaad te wreken, hunne oude Goden vervormden tot duivels, en zich wierpen in de armen van een nieuwen godsdienst.

In Indië ging het echter anders. Er was geen andere godsdienst waartoe de Brahmanen hunne toevlucht hadden kunnen

37

ocr page 44

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

nemen toen de oude Goden en beschermers hun ontvielen. In plaats van een nieuwen godsdienst aan te nemen, schreden zij moedig voorwaarts op de oude straat, in het vertrouwen dat deze moert roeren tot het doel, dat sedert het eerste ontwaken der zinnen hun voor den geest had gezweefd. Het laatste gedeelte der quot;Veda, de zoogenaamde Upanishaden, mag niet meer godsdienst- of religie-leer genoemd worden, het is zuivere bespiegelende wijsbegeerte, zonder offers, zonder gebeden, zonder eenigen eeredienst.

In de oudste Veda-hymnen lezen wij op elke bladzijde, hoe de grootste belooningen worden beloofd aan hen, die steeds de voorgeschreven offer-plechtigheden trouw volbrengen.

Daarna volgt een tijdperk met eene geheel andere leer, wier doel is aan te toonen dat men offers kan brengen zonder eenige pracht of uiterlijke plechtigheid, alleen op zuiver-geestelijke wijze. Men heeft zich het offer eenvoudig voor te stellen, het in den geest of in de herinnering aan zich te laten voorbijgaan, en de verdienste is even groot als ware het offer werkelijk gebracht.

En dan komen de Upanishaden, welke niet slechts de volkomen nutteloosheid leeren van alle ceremoniën, maar hare schadelijkheid bewijzen, het doemwaardige aantoonen van elk offer, van elke handeling, voortspruitende uit hoop op loon. Zoo beslist mogelijk spreken zij het uit, dat slechts bijgeloof de Devas als goden kan doen beschouwen, en dat er slechts ééne hoop op verlossing en zaligheid is, wanneer namelijk het Ik zich oplost in het Al, en daar zijne rust vindt.

Wat voor ons. Christenen en anti-Christenen, vooral moeilijk te vatten is, dat is de broederlijke verdraagzaamheid waarin deze drie geheel verschillende stelsels naast elkander voortleven, vervat in één en hetzelfde heilige boek. De oude Brah-mahnen, die steeds grooter talent aan den dag legden dan de bekwaamste Christelijke kerkvaders, wanneer zij moesten bewijzen dat hunne heilige boeken eene goddelijke openbaring bevatten, zij rekenden steeds de Upanishaden tot die heilige schriften. Nog steeds bestaan er brahmaansche families, waar de zoon de oude heilige liederen woord voor woord van buiten leert, waar de vader dagelijks zijne heilige plichten en offers volbrengt, terwijl de grootvader alle plechtigheden en cere-

38

ocr page 45

OORSPRONG DER GODSDIENSTEN.

moniën als ijdel beschouwt, in de Vedische goden niets ziet dan namen voor datgene wat hij boven alle namen verheven weet, en rust zoekt waar zij alleen te vinden is; in de hoogste wijsgeerige zelfkennis en zelf bespiegeling, die voor hem tevens de hoogste godsdienst is. Zij is de Vedftnta, het einde, het doel, de vervulling der geheele Veda.

De drie geslachten hebben geleerd, in vrede samen te leven. De grootvader, ofschoon meer ontwikkeld en verlicht, ziet niet met minachting neder op zoon en kleinzoon. Veel minder houdt hij hen voor huichelaars. Hij weet, dat ook voor hen de tijd der bevrijding komen zal. En ook de zoon, ofschoon nog gebonden in de ketenen van zijn geloof en bijgeloof, denkt of zegt niets kwaads van zijn vader. In de Veda-leer schijnt eene kracht van verdraagzaamheid te schuilen, die wij slechts kunnen bewonderen en benijden. Ook voor de geloovigen onderling. Zij, die van ouds-her Agni, het vuur, vereerden, leefden steeds als goede buren met hen die geloofden aan Indra, den regengever; zij, die Prayamp;pati aanriepen, toonden geene minachting voor de stamgenooten die hunne offers brachten aan de kleine devas. Eene vergelijking tusschen hen en ons valt zeker niet uit in hun nadeel. Steeds heeft het Christendom broederliefde gepredikt, maar ook steeds hebben Christenen om allerlei geringe meening-verschillen elkander met wellust vervolgd en gedood, vast overtuigd dat er slechts één waar geloof was, en dat zich dat ééne in de eigen ziel met volkomen juistheid afspiegelde. En de geheele geschiedenis zoude protesteeren, als wij ons wilden diets maken dat de minst-geloovigen, de vrijdenkers van alle eeuwen, hunne Christelijke afkomst steeds hadden verloochend. Zeker, de vergelijking met de meer-geloovigen kunnen zij in den regel schitterend doorstaan, maar van Chris-telijken bloede zijn wij allen. En na alles wat wij vernamen van de Indische heidenen, zullen wel niet velen dit als een aanbeveling beschouwen.

* *

«

Het zoude niet moeilijk zijn, dit korte overzicht van een zeer belangrijk boek nog vele bladzijden te rekken. Zoo zuiver mogelijk heb ik getracht, Müller's gedachtengang te volgen en weer te geven, en ik meen dat alles wat hij verder zegt en

39

ocr page 46

ol-ST^-cS^Z

40 00U3PR0NG DEU GODSDIENSTEN.

bewijst, geheel dezelfde strekking- heeft als het door mij uitgezochte. Het g-eheele werk dient om aan te toonen, dat de godsdienst der Indiërs — naar alle waarschijnlijkheid de moeder-godsdienst van het Christendom, (welks kerkelijke plechtigheden en gebruiken meest alle een treffende overeenkomst vertoonen met die moeder: tonsuur, rozenkrans, klooster, biecht, ongehuwde staat der priesters, enz. enz.) langzaam en geleidelijk is ontstaan uit het onbestemde gevoel van ontzag, vrees en liefde, dat grootsche natuurverschijnselen, dat rivieren, bergen en hemellichten hen inboezemden. De fijnst-bewerktuigden dier oude Indiërs, die liet dichterlijkste, hoogst-ontwikkelde geestesleven leidden, richtten aanroepingen tot die natuurverschijnselen, waarin deze als zedelijke, met wil- en denkvermogen begaafde wezens werden voorgesteld. Zoo als onze kinderen, of ook wij zelf wel eens zeggen: toe, lieve regen, blijf nog een beetje aanhouden. Of als we uit willen: toe, lieve zon, blijf nu vandaag eens den geheelen dag schijnen.

De minder-ontwikkelden leerden deze aanroepingen, deze g-edichten, van-buiten, en gingen na eenige eeuwen werkelijk als wezens vereeren de voorwerpen, welke oorspronkelijk slechts in fig-uurlijken zin als zoodanig waren voorgesteld. En daar de minst-ontwikkelden de groote meerderheid vormen, werd hünne opvatting de volksopvatting, de volksgodsdienst.

Dat deze verklaring meer is dan een vermoeden, eene losse stelling, blijkt duidelijk uit de oorspronkelijke beteekenis der woorden, waarmede later de Goden werden aangeduid. Immers, deze woorden waren nagenoeg alle oorspronkelijk de benaming van de bovenbedoelde natuurverschijnselen, van rivieren en bergen, van morgenrood en onweer. Poëzie, beeldspraak, was vervormd tot platten eeredienst van niet-bestaande Wezens. Dieper denken deed vervolgens bij de beschaafden het geloof aan deze Wezens weder verdwijnen, en volgen de Christenen ook hierin de Indiërs na, dan zullen na korter of langer tijd Vader, Zoon en Heilige Geest ook hunne plaatsen innemen naast de afgedankte Wodan, Jupiter en Bnhaspati, en godsdienst zal weder zijn wat hij oorspronkelijk was: poëzie.

J. G. TEN Bokkel.

ocr page 47
ocr page 48

a®