-ocr page 1-

_ .

.- . . ...jX .

A qu.326. JSL .23 . Rede Amsterda.n

'1111XIIII-111111111III111XIIII11XIIIIXX1111

M

H M H

N gt; lt;

H Ni H

M H

t\

H

M

mPH

NI

Hl

:■ H

. :.v •

' H •.; ■ .

4H

■ N ;s-' '

N

H N

- H H

■ M H H H

IB

N

N M

H

- H

■ H

■ N H H H

, H

^ M

N

H H H . H

|S

h • M . H

- H ;rH /N

H : H H N

4N ' H H

N H

- H

H N H M M

H

r H

H

H H M H H H H H gt; i U

♦ H

. H

1 M N

[] \\1':te\S(

N I

N

H

M H

.'--1 N

H.

«_____________

hHH

hH

^

I

Hl

hH

MC

m im

SN H H M N H i

v. -..

•. -v'

'i , KdiKii;

*

y-i

(1 K HO l' II K N or is A I' K I I. IS !l U,

n li A ,\NVA AICIHNU VAN II KT I1lt;Ugt;1; 1.1' l:l£ A A Us \ M l'.'l AAN IH 1 N I \ I'liS! 1111 11 \ MS I 1 l:|l \M .

';1{ (iKSClllKDKMS

!)«. II. (i; o i; (;

II A ll H MK

\ M S'iTI! HA M.

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE WETENSCHAP DER GESCHIEDENIS

ARE METHODE.

-ocr page 6-

i j 1

:RRITEIT TE UTRECHT

1

1759 7612

-ocr page 7-

DE WETENSCHAP DER GESCHIEDENIS

EN

HA HE METHODE.

REDEVOERING,

GEHOUDEN OP 18 A.P11IL 1890,

TER AANVAARDING VAN HET HOOGLEERAARSAMBT AAN DE UNIVERSITEIT TE AMSTERDAM.

ÜOÜK

DK. H. C. kogge.

AMSTERDAM. — Y. ROGGE. 1890.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Edel Achtbare tleeren Burt/eineesffr, W^fhoiidprs en Raden dezer stad;

Groot Achtbare Heeren Curaforen der Universiteit ran Amsterdam ;

Hooggeleerde Heeren Rector-Magnifi cit.s en Hoogleeraren aan deze Universiteit;

Wel Edele Heeren Studenten in de r er schillende wetenschappen ;

Gij allen, die door uwe tegenwoordigheid ran uwe belang stelling doet blijken;

Zeer geëerde Toehoorders!

Meer dan twee en een halve eeuw geleden, had zich eene uitgelezene schare van toehoorders vereenigd in het kerkje van het voormalig St.-Agnietenklooster op den 0. Z. Voorburgwal te Amsterdam. Burgemeesters en Raden van de vermaarde koopstad hadden besloten, eene Kweekschool te openen voor burgerzonen, die straks hunne studiën aan de Leidsche Hoogeschool zouden kunnen voltooien, en op den 8stei1 Januari 1632 werd deze nieuwe [nstelling voor Hooger Onderwijs geopend. Aan Gerard Johannes Yossius, een der grootste geleerden van zijn tijd, die als eerste hoogleeraar deze plechtigheid leidde, was de titel geschonken van „Professor Historiaequot;. De Geschiedenis, als de grondslag aller wetenschap, zou den

-ocr page 10-

G

weg hanen tot hooger ontwikkeling, ou daar de Kerk hiervan in de eerste plaats do vruchten kon plukken, was aan dat „historiaequot; niet zonder reden „ecclesiasticaequot; toegevoegd. Dat het geenszins in de bedoeling lag, het geschiedkundig onderwijs binnen deze grenzen te beperken, bleek weldra, toen in den titel van latere hoogleeraren de Algemeene naast de Kerkelijke Geschiedenis werd genoemd. Curatoren maakten scheiding tusschen die beide, zoodra aan de Doorluchtige School ook een leerstoel voor godgeleerdheid was opgericht. Kwam de eigenlijk gezegde Geschiedenis hierdoor beter tot haar recht, nu zij zelfstandig kon worden beoefend, — zoolang het historisch onderwijs aan dat van de Oude Letteren en de Welsprekendheid was verbonden, werd meer bepaald op de. studie der Oudheid de nadruk gelegd. Ifet duurde echter niet lang, of eene andere opvatting deed zich gelden. Was er nog geen sprake geweest van eene afzonderlijke beoefening der Vaderlandsche Geschiedenis, in 17G7 werd dit vak met name genoemd en aan Petrus Burmax opgedragen. Had men tot dusverre de Geschiedenis der Middeleeuwen als onderdeel der Algemeene niet opzettelijk aangeduid, hij het optreden van David Jacobus van Lennep werd ook hiervan melding gemaakt, terwijl Herman Bosscha juist aan dit onderdeel der Geschiedenis de stof voor zijne intreerede ontleende. Doch hij de uitbreiding van het terrein, waarop de Hoogleeraar in de Geschiedenis zich voortaan bewegen moest, bleek de taak hem opgelegd te zwaar, daar de Oude Letteren aan zijne zorgen toevertrouwd bleven. Het was dus een stap in de goede richting, toen men in 1819 het onderwijs in de ïsederlandsche Geschiedenis en Letteren aan

-ocr page 11-

7

een afzonderlijk hoogleeraar opdroeg. Maar het mocht de laatste niet zijn; de Geschiedenis vorderde een geheel man, die onverdeeld aan deze wetenschap al zijne krachten kon wijden. Zoo begrepen liet ook Curatoren, toen zy het voorstel deden, voor dit vak alleen een leerstoel op te richten. De samenkoppeling met de Nederlandsche Taal- en Letterkunde bleef nog- eenige jaren bestaan; doch bij dc verheffing van het Athenaeum tot eene Universiteit werd ook deze band geslaakt, en ten overvloede de Oude Geschiedenis met het onderwijs in de Romeinsche Oudheidkunde vereenigd. Do taak van den Hoogleeraar in de Geschiedenis omvatte van nu aan dlt;gt; Middel- en do Nieuwe Geschiedenis, alsmede die des Vaderlands. Aan haar heeft Jgrissen de laatste jaren van zijne academische werkzaamheid gewijd. Zij zal van nu aan de mijne zijn.

Verdient het de aandacht, dat de eerste leerstoel aan deze Instelling voor Hooger Onderwijs die der Historie is geweest, de tegenwoordige beteekenis van dezen leerstoel in betrekking tot zoovele andere vakken van wetenschap, en dc verschillende phases, die het onderwijs in dit vak alhier in zulk een belangrijk tijdperk heeft doorloopen, zijn als ware het eene afspiegeling van de ontwikkeling en uitbreiding der historische wetenschap sedert het midden der zeventiende eeuw tot heden. Merkwaardig zyn in dit opzicht ook de redevoeringen, voor zooverre de geleerden, met dit onderwijs belast, zich over den aard en de beteekenis er van hebben uitgesproken, toen zij hun ambt aanvaardden. „Het nut der Historiequot; was het onderwerp, dat Vossius — hij, die met zeldzame geleerdheid boeken schreef over de Grieksche en Latijn-

-ocr page 12-

sche geschiedschrijvers, zoo dei' oudheid als der middeleeuwen, — in sierlijk Latijn behandelde. De Historie is voor hem de moeder en voedster van de „sapientia naturaequot; (de natuurwetenschap), de „prudentia vitaequot; (do staatkunde) en de „religio veraquot; (de godgeleerdheid). Do (Teschiedenis is de wetenschap, die in hare schatkamers de ervaringen van alle eeuwen bewaart. Zij levert den wijsgeer de stof, om de oorzaken der verschijnselen op te sporen, ten nutte van het thans levend geslacht. Wil de mensch met vrucht arbeiden op het gebied van staat en maatschappij, dan moet hij weten, hoe alles geworden is. Zoo wordt de studie der Geschiedenis eene oefenschool voor het leven. Maar hare waarde is vooral gelegen in hetgeen zij beteekent voor de wetenschap in het algemeen. Greneeskunde en rechtsgeleerdheid, letterkunde en godgeleerdheid zijn der Historie gelijkelijk dank verschuldigd. ,.Adeo ut studium nullum, nulla scientia praestantior historia reperiri possit.quot;

Zoo werd van den aanvang de standaard der Geschiedenis hoog gehouden door den man, die in zijne „Ars historicaquot; -— eene merkwaardige proeve van methodologie voor dien tijd — er allen nadruk op legt, dat de historie eene wetenschap is, wel te onderscheiden van de icsTOQixi] Tt-jvi], de kunst om de Geschiedenis te schrijven. Zij omvat voor hem „de kennis aller gebeurtenissen, waarvan de herinnering verdient bewaard te blijven, om goed en gelukkig te levenquot;. Aan historische kritiek denkt hij nog niet; het vermoeden, dat de Geschiedenis haar geloofsbrief aan een onderzoek zou moeten onderwerpen, op gevaar af, dat haar misschien de toegang tot den tempel der wetenschap zou worden betwist, kon

-ocr page 13-

in een geleerde van die dagen nog niet opkomen. Haar recht op eene plaats, ja, als „magistra vitaequot; op eene eereplaats in de rij der wetenschappen, stond voor hem vast. Op dit standpunt hebben hare beoefenaars zich gehandhaafd, totdat de groote beweging op het gebied van wetenschappelijk onderzoek luinne rust kwam verstoren, en hen dwong het eften maar bedriegelijk pad te verlaten, om door kreupelbosch en bij schemerlicht zich nieuwe en zekerder wegen te banen.

Dat noch een Frais'CIüs, noch een Wyttenbach eene diepere en breedere opvatting van de Historie bleken te huldigen, toen zij in eenigszins anderen vorm hetzelfde onderwerp behandelden, kan ons niet verwonderen. De nieuwe richting dagteekent eerst van den aanvang dezer eeuw, nadat men begonnen was van alle zijden bouwstoffen aan te dragen, die eene herziening eischten van hetgeen men tot hiertoe voor waarheid had gehouden. Toen Van Capelle den afzonderlijken leerstoel voor Vaderlandsche Geschiedenis en Letteren inwijdde, achtte hij het noodig, in het licht te stellen, uit welk oogpunt in den tegenwoordigen tijd de beoefening der Vaderlandsche Geschiedenis beschouwd moest worden. Anders was ook de toon, dien Enoelbregt aansloeg, toen hij over de methode van Niebuhr sprak en over diens invloed op historisch gebied. En voor Jorissen was het, bij de aanvaarding van zijn ambt, niet meer de vraag, welk belang de beoefening der Geschiedenis, uit een zedelijk oogpunt, voor de practijk des levens kan hebben, maar de bepaling van het begrip van Algemeene Geschiedenis, door zich rekenschap te geven van het karakter der Historie zelve.

-ocr page 14-

10

Geroepen om, in aansluiting aan zoovele achtbare voorgangers, het onderwijs in de Geschiedenis aan deze Universiteit voort te zetten volgens de eischen van dezen tijd, acht ik mij verplicht, n rekenschap te geven van de wijze, waarop ik mijne taak denk op te vatten. De omvang dezer wetenschap is zoo verbazend groot, hare letterkunde is zoo ontzagwekkend uitgebreid, de bekwaamheden, dio zij in meerdere of mindere mate bij hare beoefenaars onderstelt, zijn zoo talloos vele, dat zelfs een man in de volle kracht des levens zich wel mag afvragen, of hij in staat is, als gids op te treden voor hen, die haar beoefenen zullen. Hoeveel te meer moet hij dan het gewicht dezer roeping gevoelen, wien, volgens de eischen der Wet, betrekkelijk weinige jaren van openbare werkzaamheid zijn gegund! Wordt aan menige buitenlandsche universiteit de last van eiken leeraar op dit gebied verlicht, doordat het werk over meerderen is verdeeld, liier heeft een enkele, alsof hij Atlas ware, zijne schouders alleen onder dezen wereldbol te zetten. Maar van geen leeraar in de Geschiedenis kan gevorderd worden, zooals Stuart Mill te recht heeft gezegd, dat hij haar onderwijze in haar geheelen omvang. Wat mij de hoop geeft om, hoe kort of lang dan ook, met vrucht werkzaam te zijn, is de overtuiging, dat mij niet is opgelegd, de kennis, dio ik mij verworven heb, over te brengen in de hoofden van anderen, maar aan jongelieden den weg te wijzen, om door zelfstandig onderzoek tot wetenschap te komen, en iets van de geestdrift, die mij bezielt, over te storten in hunne harten. Door mij dit voor oogen te stellen, heb ik mij de grenzen afgebakend, waarbinnen ik mij wensch te be-

-ocr page 15-

11

wegen. Geon onderwerp kwam mij daarom geschikter voor, om het karakter, de richting en liet doel van mijn onderwijs in korte trekken voor u bloot te leggen, dan te spreken over de wetenschap der geschiedenis en hare methode.

Niet zonder opzet spreek ik van de wetenschap der geschiedenis. Deze omschrijving moge bij andere vakken misschien overtollig heeten, daar reeds hnnne namen het begrip van wetenschap in zich sluiten, bij de Geschiedenis is dit niet het geval, tenzij men van geschiedkunde wil spreken, of'het Grieksche woord tnvoola neemt in zijne oorspronkelijke beteekenis. Onder geschiedenis verstaan wij alleen wat geschied is, de gebeurtenissen die vroeger hebben plaats gehad, het verleden. Xiet de natuur is haar voorwerp, maar de inensch als zelfbewust, denkend, voelend en handelend wezen. Zij stelt zich ten doel, na te sporen eu in her lichttestellen, wat de menschheid, door alle eeuwen heen, heeft uitgericht en tot stand gebracht, en ging daarbij uit van de overtuiging, dat zij dit weten kan. Zij wil de lotgevallen der menschheid en hare ontwikkeling beschrijven, de gebeurtenissen beschouwen in haar verband en samenhang, en meende hiertoe in staat te zijn. Niet twijfelende of de uitkomsten van haar onderzoek waren even zeker als die, welke op elk ander gebied worden verkregen, aarzelde zij geen oogenblik, zich neder te zetten in de rij der wetenschappen. Hare data en fata achtte zij weinig minder betrouwbaar, dan de factoren der wiskunde en de gegevens der natuurkunde.

-ocr page 16-

12

Maar de rustelooze voortgang- van hot menschelyk onderzoek heeft tot eene ernstiger opvatting, tot eeno strengere bepaling van het begrip van wetenschap geleid. De twijfel aan de deugdelijkheid der kennis, ons door vroegere geslachten overgeleverd, heeft de oogen geopend voor ontelbare dwalingen. Wat men voor zuiver metaal had gehouden, bleek voor een deel klatergoud te zijn. Hoeveel valsche munt schuilde er niet onder de met zorg bijeenvergaarde schatten! Tegen den steeds wassenden stroom der kritiek was niets bestand, wat niet onwrikbaar vaststond. Het spreekt vanzelf, dat ook de Geschiedenis den invloed dier groote, hervormende beweging moest gevoelen. Anderen behoefden haar de bewijzen niet af te vorderen voor hetgeen zij als waarheid verkondigde : zij zelve begreep, de vraag tot klaarheid te moeten brengen, in hoeverre zij op den titel van wetenschap aanspraak mocht maken, en hare edelste beoefenaars hebben in onzen tijd die vraag moedig onder de oogen gezien. Eer ik over de methode kan handelen, dient uitgemaakt te zijn, of er bij de beoefening der Geschiedenis van zeker weten mag worden gesproken.

De gegevens, waarover de geschiedvorscher beschikken kan, zijn van tweeërlei aard: hij heeft werkelijke over-blyfselen, die getuigenis afleggen van de daden der voorgeslachten, en berichten van tijdgenooten of later levende personen. De eersten zijn zeer verscheiden van aard, maar in het algemeen kan er van gezegd worden, dat zij weinig zekerheid geven, of zelfs geheel onvoldoende zijn. Zelden is bij zichtbare gedenkteekenen de juiste tijd te bepalen, waaruit zij dagteekenen. Toch dient de geschiedvorscher dien tijd te weten, wil hij zich een oordeel

-ocr page 17-

13

vormen omtrent de voortgaande ontwikkeling van het volk, dat ze ons naliet. Wat waarborgt hem de betrouwbaarheid der opschriften, die ze soms dragen? Bouwvallen van steden, die sedert eeuwen zijn verdwenen, wat zeggen zy ons omtrent hare opkomst, haren bloei en haar verval? Wetten en staatsstukken zijn eene kostbare nalatenschap, maar zij krijgen eerst beteekenis, wanneer men ze beschouwen kan in het licht der omstandigheden, waaronder zij bet aanzijn ontvingen. Wat de voorgeslachten ons hebben nagelaten, zijn meestal op zich zelf staande fragmenten, niet ongelijk aan de stukken van eene legkaart, die eerst, wanneer zij ter rechter plaats kunnen worden ingevoegd, medewerken om ons eene duidelijke voorstelling van het geheel te geven. En waren nog maar alle overblijfselen in steen of metaal, alle bescheiden op perkament of papier, datgene waarvoor zij zich uitgeven! Immers door alle eeuwen heen beeft het niet aan opzettelyke vervalschingen ontbroken, en zelfs een scherpziend en voorzichtig onderzoeker is niet altijd voor misleiding gewaarborgd. Geestverwanten van Simonides, die de philologen meteen Uranius-palimp-sest trachtte te verschalken, treft de geschiedschrijver schier in alle tijdperken aan. De Arabier Selim en zijn handlanger Schapira, die zelfs geleerden aan de echtheid van hun Moabitisch vaatwerk deden gelooven, zijn waarlijk niet de eerste slimme bedriegers geweest, en zullen zeker de laatste niet zyn. Ontelbaar zijn de oorkonden, die, evenals de Isidorische Decretalen en de oudste pauselijke bul in het klooster Monte Casino, een „pseudoquot; op liet voorhoofd dragen. Mag het bij dezen stand van zaken uiet een Sisyphus-arbeid heeten, uit zulke brok-

-ocr page 18-

14

stukken een geheel te willen opbouwen, dat ons het verleden doet aanschouwen, gelijk het werkelijk is geweest?

Maar den geschied vorscher staan nog andere bronnen ten dienste: eigenhandige opteekeningen van personen, die wat zij ons inededeelen hebben beleefd, of misschien wel betrokken waren bij de gebeurtenissen, waarvan zij ons verhalen. Alsof autopsie inderdaad iets ware, waarop wij ons veilig verlaten kunnen, waar het ons om volledige kennis der waarheid te doen is! Onze eigene ervaring leert uns iinmers liet tegendeel. Altijd zijn onze waarnemingen eenzijdig en onvolkomen. Wat bij toeval onze opmerkzaamheid niet heeft getrokken, laten wij weg; wat ten gevolge van onzen aanleg en ons karakter, van zekere gemoedsstemming of bijzondere voorliefde meer indruk op ons maakte, schuiven wij op den voorgrond. Bijna onbewust scheiden wij wat bijeen behoort, of leggen wij verband tusschen feiten, die op elkander volgden, zonder uit elkander voort te vloeien. Schieten wij in onze opvatting en in ons oordeel dus vaak te kort, kunnen wij dan van vroegere ooggetuigen iets anders verwachten ?

Stilzwijgend heb ik aangenomen, dat zulke berichtgevers onbevooroordeelden waren, die niet alleen de ware toedracht der zaken konden weten, maar haar ook voor hot nageslacht wilden opteekenen. Doch volstrekte objectiviteit behoort tot de grootste zeldzaamheden. Persoonlijke sympathie en antipathie, staatkundige en godsdienstige partijschap behoeven juist niet in oordeelvellingen geformuleerd te worden; zij verraden zich evenzeer in do groepeering van feiten, in datgene waarop de berichtgever nadruk legt, en niet minder in hetgeen

-ocr page 19-

15

hij verzwijgt. De lichtstralen, die uit de werkelijkheid van het verleden tot ons kwamen, dringen niet onmiddellijk door tot ons oog; van de glazen waardoor wij zo opvangen, hunne kleur en de wijze waarop zij geslepen zijn hangt het af, hoe wij de dingen zien.

Nog grooter wordt de moeielijkheid, wanneer wij te doen hebben met verhalen uit do tweede of derde hand. Bij mondelinge overlevering gaat zeer spoedig hot volband en de samenhang verloren. Hot volk hecht aan groote figuren, die hot gaarne ziet in oen gouden stralenkrans, zooals de middoleeuwsche kunst de Heiligen maalde op de wanden dor kathedralen. Het siert gebeurtenissen op met de spelingen zijner phantasie, en als de kroniekschrijver eindelijk de pon opneemt, boekt hij de sago. En deze schiet te dieper wortels, wanneer zij het nationaal gevoel streelt, of do toodore snaren roert van het gemoed. Een Wilhelm Tell, do Vrouwen van quot;Woins-berg, — tot in het drama van Schiller en de ballade van Bürgor leefden zij voort, en hoevelen zijn er, die nog in hen gelooven! Lag het criterium om waarheid van verdichting to scheiden maar altijd voor de hand! Zal het loswikkeleu van dezen knoop den gesehiedvorscher ooit gelukken?

Mogelijk acht men het een voorrecht, wanneer bij over meerdere berichten betreffende dezelfde gebeurtenis kan beschikken. Wat de een verzuimde op te teekonen, kan dooi- een tweede of dorde aan de vergetelheid zijn ontrukt. Met het nuchter en onopgesmukt verhaal van den een verbetert hij dat van oen ander, die de feiten vergroot en naar goedvinden opgeluisterd heeft. Inderdaad zijn er te allen tijde geschiedschrijvers geweest.

-ocr page 20-

16

die met bewonderenswaardige handigheid uit allerlei mededeelingen één geheel samenstelden. Zelfs tegenstrijdige belichten wisten zij voor elkander pasklaar te maken. Maar het is voor iemand met een nauwgezet geweten wat veel gevergd, zulk een har monistisch knutselwerk voor historie te houden. Met de „Gesta Dei per Francosquot; van den uitnemenden Anonymus, het „Chronicon Hierosolymitarumquot; van Albert van Aken, de „Belli sacri historiaquot; van Willem van Tykus en zoovele andere bronnen voor de geschiedenis van den eersten kruistocht vóór zich, zal een ernstig man het liever opgeven, zich eene juiste voorstelling te maken van de toedracht der zaken bij de verovering van Antiochië en Jeruzalem en de inrichting van het nieuwe Koninkrijk, dan dat hij het voorbeeld van zulke oppervlakkigen zou volgen.

Nog heb ik alleen gesproken van geschriften, wier echtheid, wat betreft den tijd waarin, en de personen dooi1 wie ze geschreven zijn, aan geen redelijken twijfel onderhevig is. Doch hoevele ondergeschoven geschiedverhalen kwamen er niet tot ons; hoevele handschriften zijn niet met kennelijke bedoelingen vervalscht! Daar hebt gij bijvoorbeeld het „Chronicon Corbejensequot;. Wie geloofde niet aan do echtheid, toen een afschrift ervan in de Bibliotheek te Hannover werd ontdekt? Widukind en andere auteurs over de Saksische keizers hadden, zoo meende men, uit deze bron geput. Maar de scherpziende oogen van Waitz en Hirsch kwamen tot de ontdekking, dat men hier te doen had met eene compilatie, die eerlang bleek van zekeren Falke afkomstig te zijn. Om de gewaagde hypothesen in zyno „Traditiones

-ocr page 21-

17

Corbejensesquot; to bevestigen, had doze hot Chronicon uit allerlei gedrukte en geschreven stukken saamgestold. Verlangt gij voorbeelden van nieuwere dagteekening, vergunt mij u dan te herinneren aan La Beaumelle's uitgave der brieven van Madame de Maintenou. Eono eeuw lang heeft men deze vrouw — Joeissen heeft het in eene zijner studiën aangetoond — en Lodewijk XIY naar deze „mémoiresquot; beoordeeld, totdat Lavallée, door de oorspronkelijke brieven uit te geven, overtuigend aantoonde, welk een schandelijk bedrog hier was gepleegd. Met de brieven van Maria Antoinette, die Feuillet de Conches ons in handen speelde, is hot niet veel beter gesteld. Wat al misleidingen van dien aard zijn er niet reeds aan het licht gebracht! Hebben ook wij niet onze Kroniek van Klaas Kolux en ons „Oera Linda bokquot;?

Doch genoeg om aan te toonen, wat al hinderpalen den goschiodvorscher, die zeker wil weten, in den weg staan. Al verlangt hij niet, op hot voorbeeld van Agrippa vax Netteshkim, een betoog te leveren „de incertitudine et vanitate historiaequot;, zal hij niet met don Bazelschon hoogleeraar Yischer er aan moeten twijfelen, „dass auf dom Grebiete des historischen Wissens keine absolute Sicherkeit, dass nie mehr als eine blosse Wahr-scheinlichkeit gOAVonnen werden kannquot;?

Ware het inderdaad zoo droevig- met de Historie ge-

o O

steld, zy zou nauwelijks verdienen, dat wij er ons mede bezighielden. Moeten wij haar beschouwen als een samenraapsel van onware en betwijfelbare feiten, dan kan

2

-ocr page 22-

18

hare beoefening ons niets dan teleurstelling baren, (jeeu pynlijker marteling rlan die van een wetenschappelijken Tantalus; hij dorst naar kennis, maar zoo vaak hij zich wil laven, wijkt het water van zijne lippen. Doch zoolang mannen als Grote en Macaulay, Gtjizot en Atjgustin Thierry, Mommsen en Raxke er eene eer in stellen, de edelste vermogens van den menschelijken geest aan historische studiën te wijden, behoeven wij nog niet te wanhopen. Laat het zijn, dat onkunde en bekrompenheid; opsiering en verdichting, partijdigheid en bedrog, in cén woord alle menschelijke zwakheden en ondeugden, ons den weg versperren om tot waarachtige kennis te geraken, het doel is te bereiken, zij het niet terstond, dan toch na langdurige inspanning. Gelijk voor ieder ander, staat ook voor den geschiedvorscher de tempel der wetenschap open.

Zij, die aan de Geschiedenis haar wetenschappelijk karakter hebben betwist, verweten haar het gemis van resultaten, zooals door de studie der natuur zijn verkregen. Het verwijt is onbillijk: zoowel de voorwerpen van het onderzoek als de hulpmiddelen, waarvan men zich bedient, zijn geheel verschillend. De natuurwetenschap beweegt zich uitsluitend op het gebied dei-zinnelijke waarnemingen; zij kan wegen en meten, door proefondervindelijk onderzoek verkregen uitkomsten controleeren, door te scheiden en te verbinden den aard en de gevolgen bepalen van stoffelijke werkingen. De Geschiedenis daarentegen vermag slechts voor een klein deel te beschikken over stof, die binnen het bereik der zinnen valt; de drijfveeren der menschen zijn met geen passer af te meten, hunne bedoelingen met geen proefvocht

-ocr page 23-

19

te ontleden. Aangenomen dat de geschiedvorscher even zeker kan weten als de natuuronderzoeker, hij zal hetzelfde doel toch langs anderen weg moeten bereiken. Ware het hem gegeven, wetten tc ontdekken, waardoor de handelingen der menschen beheerscht en de lotgevallen der volken verklaard worden, hij zou op even vasten bodem staan als de physicus en de astronoom. Maar al willen wij niet twijfelen aan de mogelykheid, dat zulke wetten gevonden kunnen worden, vooralsnog kennen wij ze niet. Wat Buckle ons in zyn belangrijk werk als zoodanig wil doen aannemen, mag dien naam niet dragen. Nochtans, al erkennen wij, dat de Geschiedenis haar wetenschappelijk karakter niet kan bewijzen op de manier, waarop de wis- en natuurkunde dit plegen te doen, daaruit volgt niet, dat zij het recht mist, zich eene wetenschap te noemen. ,,AVe claimquot;, zegt Freeman te recht, „for our studies a place among the sciences. We claim no superiority; we claim simple equality; the various branches of knowledge should be content to stand side by side as brethren in a free democracyquot;. Waartoe meer? Welsprekender mond dan de mijne heeft reeds een tiental jaren geleden do plaats aangewezen, die de Geschiedenis in den kring der wetenschappen inneemt.

Uit het onderscheid tusschen het materiaal, waarmede de geschiedvorscher en de natuuronderzoeker werken, blijkt reeds dadelijk, dat wij meer op den vorm dan op den inhoud van het weten hebben te letten. Het vinden van de kroniek van Michael Panaretus, waarin de geschiedenis van het rijk Trebisonde begraven lag; van de staatspapieren in het archief van Simancas, die de

2*

-ocr page 24-

20

geheimen ontsluierden der regeering van Filips II, ziedaar ontdekkingen, voor de wetenschap van niet minder belang, dan die van Kirchhofp en Buksen of van Louis Pasteur. Het valt ook niet te miskennen, dat er veel is, wat onomstootelijk vaststaat, waaraan geen redelijk menseh twijfelen zal. Uit allerlei tijdperken zijn gedenkteekenen en oorkonden voor ons bewaard gebleven, wier echtheid niet betwist kan worden. De besluiten, die wij daaruit trekken betreffende vroegere toestanden, zijn even zeker als die, welke uit de verschillende lagen omtrent de vorming van de aardkorst worden afgeleid. De beweging op godsdienstig gebied in de zestiende en zeventiende eeuw en de daarmede in verband staande worsteling der volken; de verandering in het Europeesch sta ten verband en de wijziging der regeeringstelsels, zij wijzen met even groote zekerheid naar de Hervorming en de Fransche Revolutie met hare onmiddellijke gevolgen, als de storingen in den loop van Uranus wezen op het bestaan van eene nog onbekende planeet. De moord van quot;Willem van Oranje, de nederlaag van Napoleoït bij Waterloo, — wie denkt er aan zulke feiten te bewijzen ? Het valt niet te loochenen, dat, hoe groot de som dier feiten ook zijn mag, ons weten nog maar stukwerk is. De geschiedenis van staten en volken bestaat niet uit fragmenten; zij moet een geheel vormen. Welnu, zoo wij ons bepalen bij de opeenvolging der hoofdgebeurtenissen, dan kan het ons niet ontgaan, dat eene eindelooze keten van oorzaken en gevolgen de handelingen der menschen verbindt. Van den geleidelijken gang der menschelijke ontwikkeling zijn wij even zeker als van die der natuur.

-ocr page 25-

21

Doch hiermede zijn wij niet voldaan: de historicus wenscht hooger op te klimmen en dieper af te dalen. Hij wil begrijpen, doorgronden en verklaren. De uitspraken der voorgeslachten omtrent de groote vraagstukken des levens toetst de wijsgeer aan zijne denkwetten, maar dezen maatstaf kan de geschiedvorscher bij menschelijke handelingen niet aanleggen. Met de regelen der logica vermag hij al even weinig uit te richten als met wiskunstige formules. Waar vindt hij een waarborg om niet mis te tasten, als hij de daden der men-schen in liet juiste licht wil plaatsen ? Alsof hij zelf geen mensch ware, van gelijke bewegingen als al zijne natuurgenooten! Bij alle verschil van ras en taal, van zeden en gewoonten, blijft de menschelijke natuur zich zelve gelijk. Dezelfde zwakheden en gebreken, waarop hij zichzelven betrapt, dezelfde hartstochten, die woelen in zijne borst, kenmerkten ook vroegere geslachten. Liefde en haat, vroomheid en dweepzucht, overmoed en

vrees, eerzucht en zelfverloochening,--wanneer be-

heerschten zij niet 's menschen doen en laten, beslisten zij niet welk eene rol hij zou spelen, bepaalden zij niet den invloed, dien hij zou uitoefenen op tydgenoot en nageslacht? Hoe gebrekkig onze psychologische kennis ook nog zij, in ons zei ven hebben wij toch den sleutel tot oplossing van menig vraagstuk, het kompas waarnaar wij ons veilig richten kunnen. Ons verplaatsende in de toestanden van het verleden, verkrijgt dit op deze wijze eerst beteekenis en leven. De figuren, die wij voor onze verbeelding oproepen, zyn geen stukken van een schaakbord, maar worden menschen van vleesch en bloed, wier hoofden denken, wier harten kloppen. Yoor den

-ocr page 26-

22

geschiedvorscher, die het „ken u zeivenquot; verstaat, is de Historie geen met zeven zegels gesloten boek.

Van welke zijde Avij dit onderwerp ook bezien, altijd komen wy tot de slotsom, dat hier zeker weten mogelijk is. Reeds is een schat van wetenschap vergaard, die nog steeds toeneemt, dank zij het rusteloos streven van zoovele uitnemende voorgangers. Wij behoeven geene historisch-kritische axiomata, als die van Adolf Rhomberg, om aan de uitkomsten onzer studie den hoog-sten graad van zekerheid te geven ; wat Waitz, Giese-brecht, Droysen, vox Sybel en zoovele anderen ons in hunne werken leeren, is overtuigend genoeg. Met dit al zijn wij te eerlijk om niet te belijden, dat het voor menige bladzijde der Geschiedenis nog niet gelukt is, het uitgesleten schrift verstaanbaar te lezen en de leemten voldoende aan te vullen. Moet de geschied vorscher zich vaak met eene gissing behelpen, kan hij het soms slechts tot waarschijnlijkheid brengen, hij behoeft zich daarover niet te verontrusten. Rij andere wetenschappen is het niet anders. Is de wijsbegeerte zoo zeker van al hare stellingen, en zijn alle uitkomsten der statistiek boven bedenking verheven? Staan er geen raadselen meer te lezen in het sterrenschrift des hemels en in het steen-schrift der aarde? Zal het bij elk ander onderzoek geoorloofd zijn, door hypothesen tot ontdekking der waarheid te komen, en bij de Historie niet? Moeten wij niet allen belijden: wij kennen ten deele? Juist daarom zetten wij te zamen het onderzoek voort, opdat ons weten in gehalte degelijker, in inhoud rijker worde. Ook de geschiedvorscher stelt zich geen ander doel. Al kan zijne wetenschap nog niet voldoen aan de hoogste

-ocr page 27-

eischen, de noodzakelijkheid is hem opgelegd te heproe-ven, of hij het zoover vermag te brengen. Op welke wyze de Geschiedenis dit ideaal tracht te bereiken, zegt ons hare method e.

Weinige jaren geleden verscheen er eene „Geschichte der Deutschen Historiographiequot;, bewerkt door Dr. von Wegelb. Yoor Nederland bezitten wij zulk een werk nog niet, want de „Bibliotheek der Xederlandsche geschiedschrijversquot; van De Wind, behalve dat dit boek onvoltooid is, beantwoordt op verre na niet meer aan hetgeen wij thans van zoodanig geschrift mogen verlangen. Kon ik op zulk een oordeelkundig overzicht wijzen, dan zou daaruit terstond blijken, hoeveel dilettanten, die de wetenschap geen stap verder hebben gebracht, zich met het schrijven van geschiedkundige boeken hebben beziggehouden. Dit verschijnsel moet ons niet bevreemden. Het is een vrij algemeen gevoelen, dat iemand, die een goeden stijl schrijft en de noodige gave van combinatie bezit, alleszins in staat is, een onderhoudend en leerzaam boek over eenig gedeelte der geschiedenis saam te stellen. De gegevens zijn gemakkelijk bijeen te brengen, en zijn gezond verstand zegt hem, hoe hij ze gebruiken moet. Men kan dit laten gelden, wanneer de schrijver zich enkel ten doel stelt, een aaneengeschakeld verhaal van gebeurtenissen te geven, by het licht dat anderen daarover hebben doen opgaan. Wel verre dat de man van wetenschap hierop uit de hoogte zou neerzien, kan het hem niet anders dan welkom zijn, wanneer de vruchten van zijn onderzoek in ruimer

-ocr page 28-

24

kring verspreid, in huis en school overgebracht worden. Evenmin zal hij liet den dichter euvel duiden, indien deze aan de historie de stof ontleent, om ons een levend beeld voor oogen te stellen. Maar aan den geschiedvorscher worden andere en vrij wat hooger eischen gesteld. Zijne taak is zoo eenvoudig niet, en het is gansch niet onverschillig hoe hij haar aanvat. Men heeft weieens gezegd, dat niets op aarde moeielij kei-te erlangen is dan de historische waarheid. Al is dit misschien wat sterk uitgedrukt, het lijdt toch geen twijfel, dat het opsporen dier waarheid veel geduld en groote inspanning vordert. Niet ten onrechte bespreekt Freeman opzettelijk „the difficulties of historical studyquot;, en heeft de hoogleeraar Berkheim een „Lehrbuch der historischen Methodequot; geschreven. Ernstige voorbereidingen langdurige oefening moeten voorafgaan, wil de historicus behoorlijk zijn toegerust voor zijne taak. Hij moet over veel kennis kunnen beschikken en mag' quot;-een vreem-

O O

deling zijn op menig ander gebied der wetenschap. Een scherp oordeel en een fijn gevoel moeten hem in staat stellen, zich van alles rekenschap te geven. Waarlijk, de methode van geschiedkundig onderzoek is niet iets, waarvan ieder zich zoo maar bedienen kan. Op een afstand gezien, schijnt het niet moeilijk den berg te beklimmen, welks top het maagdelijk sneeuwkleed dekt. Doch vraagt het den gids eens: hij zal u andere dingen verhalen.

Vóór alles dient nadruk gelegd te worden op het beginsel, waarvan de geschiedenis uitgaat. Lucianus stelde reeds op den voorgrond: voiovroi jxoi 6 nv/youtytvg taxa), ayoftog, ddtxaaros, iXtrfOfgog, napptjaiae xccl nihijQiias

cflkog. Het moet hem om waarheid, het mag hem om

-ocr page 29-

25

niets anders rc doen zijn. Derhalve kan de plant, die hij wil aankweeken, niet tieren onder de drukkende atmosfeer van het gezag, maar alleen groeien en bloeien in de frissche lucht der vrijheid. Wars van alle autoriteitsgeloof, los van alle overgeleverde dogmata, begint hij zyne nasporingen. De natuurkundige vraagt niet, wat hij vinden zal; hij zoekt, en elke ontdekking is hem welkom. Zoo kent ook de historicus geen voorliefde of afkeer. Men versta mij wel! Daar hij een man is van overtuiging, een kind van zijn tijd, begaafd met zedelijk gevoel en religieusen zin, kan het niet anders, of personen en gebeurtenissen zullen beurtelings sympathie en antipathie by hem wekken. Volstrekte objectiviteit is geen indifferentisme of apathie. Maar iets anders is het, volkomen onbevooroordeeld en onpartijdig uit te vinden wat geschied is, iets anders, over hetgeen men als waarheid gevonden heeft een subjectief oordeel te vellen. Wil men weten, of althans kunnen gelooven, dan moet eene eerlijke scepsis het punt van uitgang zijn.

Welke methode zal de geschiedvorscher volgen, om verder zijn doel te bereiken? Sommigen hebben gezegd: die der exacte wetenschappen. Alsof deze methode voor elk wetenschappelijk onderzoek pasklaar ware gemaakt, en de manier, waarop men te werk gaat, niet afhankelijk ware van het materiaal, waarover men beschikken kan, en de soort van kennis, die men verkrijgen wil. Het zou harerzyds ondankbaar zijn, zoo de Geschiedenis miskende, dat zij, bij het herzien van hare theoretische grondslagen, veel aan het voorbeeld der zusterweten-schappen verschuldigd is, gelijk deze van haar het belang van het bestudeeren der historische ontwikkeling hebben

-ocr page 30-

26

afgezien. Nochtans handhaaft do Geschiedenis haar recht op eene eigene methode, die punten van aanraking heeft met elke andere, maar er toch ook van verschillen kan. A.ls een ontleedkundige legt de geschiedvorscher het organisme der menschelijke samenleving bloot, om de beweging barer spieren, de werking barer zenuwen na te gaan; als een palaeontoloog tracht hij uit enkele fossiele beenderen het skelet weer op te bouwen van menschelijke toestanden uit lang vervlogen tijden. Staan hem overblijfselen ten dienste, dan bepaalt hij hunne echtheid en betrekkelijke waarde, volgens regelen dei-kritiek, die proefhoudend zijn bevonden; daarvan toch hangt het af, of en in hoeverre zij kracht van bewijs bezitten. Moet hij rekenen met berichten van tijdgenoo-ten, met vroeger of later op schrift gestelde overleveringen, dan is wederom allereerst de kritiek aan het woord, om op deugdelijke gronden uit te maken, wat, na afscheiding van al het twijfelachtige en onbewijsbare, als stellig zeker kan worden aangenomen. Om den samenhang der gebeurtenissen te vinden, een bepaald feit juist te kunnen beoordeelen, volgt bij den weg van inductie en deductie. Door de verschillende factoren af-zonderlyk en in bun onderling verband te beschouwen, die geleid hebben tot de terechtstelling van Karel I, leeren wy het karakter en de gevolgen der Engelsche revolutie begrijpen. Wil men den val van Joh an de Witt verklaren, dan dient men goed bekend te zijn niet de staatkundige instellingen van de Republiek der Vereenigde Gewesten, met de verhouding der partijen, en de reeks der gebeurtenissen, die aan de ontknooping van dit bloedig drama zijn voorafgegaan. Ziedaar in

-ocr page 31-

27

enkele trekken de weg afgeteekend, die de geschied-vorscher te bewandelen heeft.

Zet de geschiedkundige zich aan den arbeid, dan is het eerste, wat hem te doen staat, het bijeenbrengen der bronnen. 2'onder grondige bronnenstudie kan er van wetenschappelijk onderzoek geen sprake zijn. Zij zijn, gelijk wij reeds opmerkten, van tweeërlei aard, en het spreekt vanzelf, dat hij allereerst zal vragen naar overblijfselen on getuigenissen, die het naast staan aan de gebeurtenissen, waarmede hij zich bezighoudt. Ky zal de grenslijn tusschen hetgeen al of niet eene bron kan genoemd worden, zeker niet te eng trekken. Door willekeurige verwerping kan allicht erts ongebruikt blijven, die toch enkele korrels edel metaal bevat, terwijl door nauwgezette keuring vanzelf het bruikbare van het nuttelooze wordt gescheiden. Vlugschriften, hoe gebrekkig ook van vorm, bevatten de indrukken, die staatkundige en maatschappelijke gebeurtenissen op tijdge-nooten hebben gemaakt, en in de rijmelarij van een Coenraad Droste schuilt menige bijzonderheid, waarvan de geschiedvorscher weet party te trekken. Schijnbaar onbeduidende voorwerpen, na eeuwen uit den schoot der aarde opgedolven, hebben vaak op het spoor gebracht van belangrijke ontdekkingen, en de bewijzen geleverd voor feiten, waarvan de herinnering slechts door do overlevering was bewaard. Zoo zal nog onlangs de Ameri-kaansche Egyptoloog Welbour -— indien het bericht althans waarheid behelst — in het bezit zijn gekomen van een steen met hiëroglyphen, waarop de namen voorkomen van een tot nu toe onbekenden Egyptischen koning, en van zekeren Chu-he, die door godsdienstige

-ocr page 32-

28

en andere handelingen had weten te bewerken, dat de hongersnood, ontstaan door het zeven jaren uitblijven van de Nijl-overstrooming, niet noodlottig werd voor het land. Voorts zal de historicus zich niet beperken tot hetgeen iiij uitsluitend zijn arbeidsveld noemt. De resultaten van de philologische en geographische wetenschappen kunnen hem niet onverschillig zijn. Taalverwantschap en physisehe gesteldheid van den bodem kunnen licht verspreiden over menig vraagstuk betreffende de ontwikkeling der volken, de vorming van nationaliteiten en den gang der beschaving. De namen van plaatsen en landstreken zijn blijvende getuigen van lang verdwenen volksstammen, en de woorden waarmede nog altijd zekere planten, dieren en andere voorwerpen worden aangeduid, wijzen op het verkeer tusschen ver van elkander wonende volken. Zonder hierover verder uit te weiden, meen ik duidelijk genoeg te hebben uitgesproken, wat in het algemeen de bronnen moeten zijn voor het historisch onderzoek.

Met bet bijeenbrengen der bronnen is de veel omvattende arbeid slechts aangevangen; zij moeten elk afzonderlijk aan een streng onderzoek onderworpen worden. Behooren zij tot den tijd, waaruit zij heeten te dagteekenen? Zijn ze werkelijk afkomstig van hen, wier namen zij dragen? Blijkt uit vorm en inhoud, dat zij gehouden mogen worden voor datgene, wat ze zijn willen? Moeten wij ze als oorspronkelijke bronnen beschouwen, dan wel als afgeleid uit andere, die verloren gingen, of althans tot hiertoe onbekend bleven? Hebben wij er meerdere over hetzelfde onderwerp: vullen zy dan elkander aan, of zijn zij met elkander in strijd.

-ocr page 33-

29

en hoe laten zich belangrijke afwijkingen verklaren? Ziedaar enkele der vele vragen, die beantwoord moeten worden, alvorens wij met gerustheid zulke bronnen raadplegen kunnen. Zonder voorafgaande uitwendige kritiek zich op dergelijke gidsen te verlaten, is even bedenkelijk, als zich bij hot afdalen in steengroeven aan den eersten den besten toe te vertrouwen. Monumenten en over-blijfselen, regesta en diplomata, keuren en privilegiën, verbalen en dépêches, gedenkschriften en brieven, kronieken en annalen, genealogieën en historiën, allen zonder onderscheid moeten zij zich aan deze vuurproef onderwerpen, alvorens de geschiedvorscher er zich van bedienen kan. Archaeologie, palaeographie en chronologie moeten hem hierbij voorlichten. Zonder kennis van hetgeen de studie der oorkonden, der zegels en wapens heeft geleerd, loopt hij gevaar, telkens mis te tasten. Want aan ondergeschoven stukken van allerlei aard ontbreekt het niet, en eerst door het ware van het valsche te onderscheiden, komt hij op vasten bodem te staan.

De kritiek heeft hiermede op verre na haar laatste woord nog niet gesproken. Laat het uitgemaakt zijn, dat een geschrift werkelijk afkomstig is van hem, wiens naam het draagt, dat aan verminking of bijvoeging door eene latere hand niet kan worden gedacht, dat de berichtgever volkomen te goeder trouw is: verdient alles, wat hij zegt daarom geloof? Schrijvers, wier opteeke-ningen wij raadplegen, zijn in elk geval maar mediums, waardoor de kennis van het verleden tot ons komt, en er is ons dus alles aan gelegen, zeiven het medegedeelde te wikken en te wegen. De twijfel aan de geloofwaardigheid eener getuigenis is zoo oud als de Geschiedenis

-ocr page 34-

30

zelve. Herodotus komt er rond voor uit, dat hij niet alles aanneemt, wat priesters en andere berichtgevers hem verteld hebben, en Tacitus schroomt niet te erkennen, dat hij weinig waarde hecht aan de geruchten, die er omtrent den dood van Germanicus in omloop zijn. Ook in de zoo ten onrechte als duister en barbaarsch gebrandmerkte middeleeuwen sluimerde de geest der kritiek niet geheel. Ondanks het geloof in sproken en mirakelen ontwaakte hij reeds vóór de ISquot;56 ■eeuw, om zich daarna telkens krachtiger te uiten. Onder den invloed van het Humanisme en de Hervorming — ik herinner slechts aan Laurentius Valla en de Maagdenburger Centuriatoren — deed de kritiek duide-1 ijker hare stem hooren. Toen ontelbare nieuwe bouwstoffen uit archieven en boekerijen werden aangedragen, wierp zij zich daarop, om te ziften en te keuren. Reeds het voorbeeld van Mabillon bewijst, dat zij zich hare roeping bewust is geworden, maar eerst sedert het begin dezer eeuw heeft zij zich op elk gebied der wetenschap, niet het minst op dat der Historie, doen gelden. Tan Niebuhr, den eigenlijken stichter der kritische school, tot Leopold von Ranke overzien wij eene achtbare rij van mannen, die, allen volgens dezelfde methode arbeidende, zoowel in het historisch onderricht als in de historiographie eene geheele omkeering hebben te weeg-gebracht. Wat Ranke betreft, hebben wij een merkwaardig getuigenis van een zijner leerlingen. „Aanvankelijk verwonderde ik mijquot;, zegt Floto, „over de methode van den beroemden geschiedschrijver; hij gaf geen bepaalden leercursus, hij hield geen betoogende voordrachten. Ranke liet ons lezen. Nu eens interpreteerden wij de „Genna-

-ocr page 35-

31

niaquot;, dan weder lazen wij een paar kronieken, die over hetzelfde onderwerp handelden. Of wel, hij deelde ons de drie berichten mede, die Karel Y, op den dag- toen hij Tunis veroverde, over deze gebeurtenis liet geven, en maakte er ons opmerkzaam op, waarin zij elkander tegenspraken. Bij zulke studiën strooide hij al spelende, de vruchtbaarste opmerkingen uit, waarover ieder dan verder kon nadenken. In één woord: hij toonde ons, uit welke documenten alleen eene authentieke geschiedenis kan worden geput, en leerde ons die documenten lezen.quot;

Uit- en inwendige kritiek moeten dus uitspraak hebben gedaan, alvorens de geschiedvorscher zich veilig van zijne bronnen bedienen kan. Indien vooringenomenheid of eigenbelang de pen bestuurden dergenen, wier geschriften hij raadpleegt, zal alles op eene goudschaal moeten worden gewogen, terwijl bekentenissen, huns ondanks door de waarheid afgedwongen, dubbele waarde erlangen. Verraden andere schrijvers misschien kortzichtigheid en onkunde, lichtgeloovigheid en bekrompenheid, hiermede moet rekening worden gehouden, eer wij hunne berichten aannemen. Eerst wanneer dat onderzoek is afge-loopen, kan de historicus verder gaan. Want hij neemt het ontleedmes niet enkel ter hand, om gezonde en zieke organen van elkaar te scheiden, maar om het geheele organisme te leeren kennen. Hij wil niet afbreken; hij wenscht op te bouwen. Op de analyse volgt de synthese. Het kunstig raderwerk van de maatschappij moet weder in elkander gezet worden, opdat wij den slingerslag hooren van het groote uurwerk, en den gang bespeuren der wijzers op de wijzerplaat der menschelijke ontwikkeling. Met het vaststellen der feiten is nog niet meer

-ocr page 36-

dan het geraamte gevonden; „das Uebrigequot;, zegt Wilhelm vox Humboldt, „muss hierzu empfunden, geschlossen, errathen werdenquot;. De geschiedkundige verplaatst zich in de toestanden van weleer, neemt de vraagstukken in zich op, die toen aan de orde waren, beluistert de gedachten dergenen, die eens hun tijd beheerschten, doorgrondt de plannen der zelfzuchtigen, en verstaat de klachten der lijdenden. Zoo tracht hij uit de nevelen van het verleden de werkelijkheid weder te voorschijn te roepen. Wellicht fluistert zijne godsdienstige overtuiging hem daarbij de woorden in van Bossuet : „Souvenez-vous que ce long enchamement des causes particulières qui font et défont les empires, dépend des ordres secrets de la divine Providencequot;, of onderschrijft hij de verklaring van vox Humboldt: „Die Weltgeschichte istnichtohne Weltregierung verstandlichquot;. Nochtans mag ook dit hem niet weerhouden, zoo mogelijk het gordijn weg te schuiven, waarachter het heilige der heiligen verborgen is. Niet altijd noch in alle opzichten zal hij verwezenlijkt zien, wat hij zich voorstelde; maar heeft hij der wetenschap geen dienst bewezen, als hij bereiken mag, wat voorshands mogelyk is?

Hoe ruim of hoe eng zal de geschiedvorscher den cirkel trekken, waarbinnen hij zich bij zijn onderzoek beweegt ? Al is voor hem de Geschiedenis wat meer en wat anders dan eene reeks van oorlogen en omwentelingen; al zijn in zijn oog de handelende personen ook nog andere dan vorsten en staatslieden: zal zijn gezichtskring zich bepalen tot de groote gebeurtenissen op staatkundig en maatschappelijk gebied, of moet hij het geheele volksleven — wetenschap, kunst, handel en nijverheid, zeden

-ocr page 37-

33

en gewoonten — in zijn gezichtskring opnemen ? Buckle en zijne geestverwanten hebben, op het voetspoor van Eichhorn en Savigny, voor het laatste gepleit. Daargelaten dat het begrip dezer zoogenaamde „Kulturge-schichtequot; tamelijk vaag is, nio«4t nog altijd het bewijs geleverd worden, dat onze wetenschap werkelijk gebaat wordt met zulk eene verplaatsing van het zwaartepunt. De Tubinger hoogleeraar ScnaFER heeft onlangs de opmerking gemaakt, dat kleine volken, met name de Denen en de Hollanders, eene bijzondere voorliefde voor deze richting hebben. Wij behoeven ons dit niet als een verwijt aan te trekken. Indien sommigen zich ten onzent verdienstelijk hebben gemaakt door hor voorgeslacht in zijn huiselijk en maatschappelijk leven te bestudeeren, en de hoofdstad des Rijks op een Museum voor geschiedenis en kunst kan wijzen, gelijk Parijs er een bezif in het Hotel Clugny, Neurenberg en München in hunne Nationale Museën, dan mag de historicus hiervoor zeker dankbaar zijn. Toch vergeet hij geen oogenblik, dat de geschiedenis der menschheid in het algemeen, die dei' volken in het bijzonder, voor hem hoofdzaak is, dat de laatsten eerst beteekenis voor hem krijgen, wanneer zij één staatsverband vormen, en dat het hem bovenal te doen is om de oplossing der politieke kwestiën, die vroeger en later aan de orde waren. Even verkeerd als het zijn zou, op zulke bijpaden der „Kulturquot; af te dwalen, even dwaas mag het heeten te eischen, dat een Newton onder de olmen te Cambridge, een Volta op zijne villa aan het meer van Como, een Stephenson in zijne berookte woning te Killingworth hem meer moeten aantrekken dan een Lodewijk XIV of een Napoleon I.

-ocr page 38-

34

Die dit verlangde was Dr Hois Raymond, en hoe lioog deze ook staan moge als hoogleeraar in de natnurweten-sohaj), toch had hij niet duidelijker kunnen toonen, hoe weinig hij liet wezen der (leschiedenis begreep, dan roen hij verklaarde: „Wie armselig und unbedeutend erscheinen die irdischen Dinge! Wie kleinlich alle jene Kreignisse, deneu wir gewöhnt sind solche quot;Wichtigkeit bei zu legen, dass wir sic unter dein stolzen Namen Weltgeschiehte zusammenlassen, da sic doch nichts sind als zur einen Halfte die Kriegsgeschichte, zur anderen die Gescliichtc der Walnivorstcllungen einiger Kultuj-völker!quot; Fn waarheid bestaat er geen strijd tusschen de eigenlijke Historie cn de Geschiedenis der beschaving, zooals deze zich in maatschappelijk cn huiselijk leven, in kunst en letteren openbaart. Wel zijn het de intel-lectueele ideeën en zedelijke krachten, die de Geschiedenis beheerschen, en deze leeren wij eerst kennen dooide studie van het staatkAdig leven der natiën en de diplomatieke betrekkingen, waarin zij tot elkander staan; doch hoe daarbij de geschiedschrijver zijn voordeel kan doen met de bijzonder kenmerkende trekken van het volksleven, om aan de schildering van het verleden gloed en kleur bij te zetten, hebben Macaulay en Ranke ons geleerd.

Het noemen dezer beide namen brengt er mij vanzelf toe, nog een laatste punt aan te roeren. Yoor ieder, die zich aan de wetenschap der geschiedenis wijdt, is het ongetwijfeld van het grootste belang, de geschiedschrijvers van vroeger en later tijd met elkander te vergelijken, en meer bepaald die van onze eeuw te bestudeeren. Caklyle en Motley, Johannes von Müller en Schlos-

-ocr page 39-

35

ser, Thiers en Michelet, ziedaar verscheidenheid van namen en nationaliteiten, maar hoeveel meer verschilt het karakter hunner werken! Hoe geheel anders heeft elk zijne taak opgevat; welk een onderscheid in koloriet, in de verdeeling van licht en schaduw by de waardeering der feiten! Ook na aftrek van alles, wat op rekening van de subjectiviteit der schrijvers, hunne staatkundige richting, hunne godsdienstige overtuiging, hun nationaal gevoel moet worden gesteld, blijft er nog genoeg over, dat ons fot terechtwijzing kan dienen. Doch wat spreek ik van vreemde schrijvers, alsof wij niet onze eigene hadden, bij wie wij ter school kunnen gaan! Daar is er niet één van Bor en Hooft tot Bakhuyzen vax den Brink en Fruix, die, wanneer wij hem scherp in de oogen zien en zijne gelaatstrekken bestudeeren, ons geen stof tot nadenken geeft. Niet het naslaan, maar het bestudeeren van hunne werken doet ons de lijn vinden, waarlangs onze wetenschap zich ontwikkeld heeft tot de hoogte waarop zy nu staat.

Elke wetenschap wordt gebaat door de beoefening barer geschiedenis. Het heden wortelt in het verleden, en de wet der continuïteit geldt niet alleen voor de stoffelijke dingen, maar evenzeer ten aanzien van de geestelijke werkzaamheid der menschheid. In dit opzicht mag gezegd worden, dat de Historie haar licht over alle wetenschap laat schijnen, en de wijze, waarop zij met vrucht beoefend kan worden, de aandacht verdient van allen, die, in welke richting ook, onze kennis willen vermeerderen. Voor haar zelve heeft zij nog een bijzonder voordeel: zij doet ons den tijd, waarin wij leven, begrijpen. Nochtans, al verkondigt zij waarheden, die

3*

-ocr page 40-

36

voor de praktijk dos levens van onschatbare waarde zijn, het is niet daarom alleen, dat de priester, die in den tempel der wetenschap hare geheimen ontsluiert, haar eert en liefheeft. Hij zoekt haar om haar zelfs wille. „Wat kan er aangenamer heetenquot; — om met een woord van den grooten Ranki: te besluiten, gesproken toen hij in 1836 zijn ambt aanvaardde aan de Berlijusche Hooge-school — „wat kan het menschelijk verstand meer welkom zijn, dan de kern van liet diepste geheim der gebeurtenissen in zich op te nemen, en bij een of ander volk gade te slaan, hoe de menschelijke dingen gegrondvest worden, in kracht toenemen, wassen en gedijen? En hoe, als men langzamerhand zóóver komt, dat men, hetzij met billijk zelfvertrouwen kan vermoeden, hetzij met oogen, die door oefening scherper zien, volledig waarnemen kan, in welke richting het menschelijk geslacht zich in ieder tijdperk heeft bewogen, wat het nagestreefd, wat het bereikt en zich werkelijk verworven heeft? Inderdaad, dit is een deel van het goddelijk weten. Juist dit is het, wat wij met hulp der Geschiedenis trachten te bereiken; eenig' en alleen in het zoeken van die kennis li^t haar

O O

doel. Wie zal dan nog willen vragen, of die nuttig is of niet? Het is ons genoeg te erkennen, dat zulk een weten, niet minder dan eenig ander, tot de volmaking van den inenschelijken geest behoort.quot;

Dat mij heden de onderscheiding te beurt valt, aan de Universiteit van Amsterdam als Hoogleeraar in de Greschiedenis op te treden, heb ik aan U te danken, Edel-Achtbare Heeren Bestuurders dezer stad, aan ü. Curatoren

-ocr page 41-

37

dezer Universiteit! Het was uw wensch, dat de opengevallen leerstoel door mij zou worden ingenomen, en de Eaad heeft uwe keuze bekrachtigd, onze geëerbiedigde Koning heeft er zijn ze^el aan gehecht. Kan het U verwonderen, dat ik aarzelde, de omvangrijke taak te aanvaarden? De last der verantwoordelijkheid weegt op gevorderden leeftijd zwaarder, en bij het klimmen der jaren daalt woleens de moed, om een groot werk nog te beginnen. Bovendien kostte liet mij veel, te scheiden van cene instelling, waaraan ik gedurende twaalf jaren mijne beste krachten heb gewijd, en die ik, dank zij uwe medewerking, dank ook de vrijgevige beschikking van vele voorstanders van wetenschap en letteren, tot zulk eene verblijdende hoogte heb mogen brengen. Toch heb ik gemeend, de nieuwe, eervolle roeping te moeten volgen, omdat de lust tot wetenschappelijk onderzoek in mij nog niets van zijne jeugdige frischheid heeft verloren. Het vertrouwen, door U in mij gesteld, hoop ik niet te beschamen. Wederkeerig durf ik van U alle ondersteuning verwachten. Voor den Bibliothecaris hebt Gij steeds een geopend oor gehad; ook de Hoogleeraar mag op uwe welwillendheid rekenen. Moge het my gegeven zijn, ook door mijn onderwijs den bloei te bevorderen der Universiteit, voor welker belangen (rij met zooveel ijver waakt en strijdt!

Het is my een streelend gevoel, Hooggeleerde Heeren, die ik van nu aan mijne ambtgenooten mag noemen, in uw midden te worden opgenomen. Doch Gij zult mij wel gelooven, wanneer ik U verzeker, dat ik niet zonder schroom onder U zitting neem. Daar zijn er onder U, die reeds lang als leeraren der wetenschap

-ocr page 42-

38

hebben gearbeid, mannen wier namen in 011« vaderland en daarbuiten mot eore worden genoemd. Daarbij vergeet ik niet, wat het zeggen wil, een geleerde als Jorissen op te volgen, die een sieraad was dezer Universiteit. Wat heeft hij niet gewoekerd met zijn tijd en zijne gaven! Dat hij een geschiedvorscher was van den eersten rang, bewijzen zijne werken. Meer dan ééne bladzijde onzer Vaderlandsche Geschiedenis is eigenlijk eerst door hem geschreven. Hoe hij in de collegezaal door zijne weg-sleepende voordracht wist te boeien, getuigen zij, die het voorrecht hadden zijne leerlingen te zijn, uit éénen mond. Welk een verlies onze Universiteit dooi' den dood van Jorissen heeft geleden, de afgetreden Rector-Magnificus herinnerde het ons in zijne jongste rede. Zulk een man kan ik opvolgen, niet vervangen. Toch hoop ik, met niet minder liefde voor de wetenschap bezield dan hij, aan uwe zijde met vrucht te kunnen arbeiden. Ik tel onder ü vele vrienden; voor niemand uwer ben ik een onbekende. Zoo vaak ik als Bibliothecaris met U in aanraking kwam, hebt (jij mij steeds met achting bejegend. De studie mijner zonen aan deze Universiteit heeft als vanzelf de leermeesters en den vader nader tot elkander gebracht. Dit alles geeft mij goeden moed. Zou het dan nog noodig zijn, mij in uwe toegenegenheid aan te bevelen, inzonderheid bij U, leden der Faculteit, waartoe ik zal behooren ?

Hoe verheugt het mij, ook U hier te zien. Hooggeleerde Boot ! Ik ben den tijd nog niet vergeten, toen wij met U op uw studeerkamer de quot;Eoya nal 'Huïoui lazen, en dankbaar herdenkt de leerling van Petrus Epkema, wat hij aan uw onderricht verschuldigd is. Ware het

-ocr page 43-

:iy

nier, iliit dt' wet V geboden liad af te treden, nog zoudt (jij, altijd helder van hoofd, met onverzwakte kracht jongeheden kunnen voorgaan bij de studie der klassieken. Moge uwe opgerichte gestalte en uwe onvermoeide werkzaamheid ons nog lang het cijfer uwer jaren doen vergeten!

Nog een tweeden hoogbejaarden leermeester zou ik van deze plaats zoo gaarne willen begroeten. De Hoogleeraar Veth had sedert lang zijn werkkring aan het Athenaeum lllustro van Amsterdam met oen anderen te Leiden verwisseld, toen de tijd van rust voor hem aanbrak. Maar, zoo ergens, dan weet men in do eerste koopstad des Kijks te waardeeren, wat hij hier en elders voor de kennis onzer kostbare Indische bezittingen heeft gedaan en nog altijd doet. Ik acht het een voorrecht, hem tot leermeester te hebben gehad. De wensch, dat het hem gegeven worde nog menigmaal ons voor te lichten uit den schat zijner wetenschap, zal hier zeker weerklank vinden.

Daar rijzen andere gestalten op voor mijnen geest, gestalten van mannen, die eens sieraden waren van het Athenseum mijner vaderstad en van de Seminariën aldaar, de Van der Hoeven's, vader en zoon. Domkla Nieuwenhuis en Van Gilsk, en vóór alles het beeld van onzen onvergetelijken Willem Moll. Zij, die het voorrecht hadden zijno leerlingen te zijn. kunnen met mij getuigen van zijne bezielende leiding. Zoo iemand, dan wist hij den zin voor historische studiën te wekken. Nooit zal ik ze vergeten, de avonden, waarop een kring van leerlingen zich te zijnen huize vereenigde. Elk leverde op zijne beurt een opstel over eenig kerk-geschiedkundig onderwerp, dat blijken moest dragen van

-ocr page 44-

40

zelfstandonderzoek. De schriftelijke kritiek, die daarna door een ander werd geleverd, was weieens even onbeholpen als het opstel zelf. Maar hoe leerzaam was dan voor allen liet altijd toegevend, maar niettemin streng oordeel van don meester! Door zijne terechtwijzingen en zijn voorbeeld hebben wij in die jaren geleerd, hoe de historische waarheid opgespoord en in het licht gesteld worden moet.

Van dat verleden dagteekeut ook de hand, die mij tot heden ten nauwste verbond aan mijn hooggeschatten vriend Acquoy. Al houdt de heerschende ziekte hem aan zijne kamer gebonden bittere teleurstelling voor hem en voor mij — toch kan en mag ik heden niet over hem zwijgen. Er zijn heilige uren in het leven, als allerlei dierbare herinneringen van jaren her zich opeens verlevendigen, uren waarin het hart meer gevoelt, dan de mond vermag uit te spreken. Zulk eenc ure is de tegenwoordige voor ons beiden. Op den weg, die achter ons ligt, staat meer dan één gedenkteeken van onderling overleg en gemeenschappelijken arbeid. Plannen hebben wij te zamen ontworpen, te zamen tot uitvoering gebracht. Bij elk wetenschappelijk onderzoek van den een, was de ander altijd zijn vertrouwde. Zelden bracht ik mijn werk onder de oogen van anderen, zonder het eerst aan zijn oordeel te hebben onderworpen, en hoeveel ben ik daarbij aan zijn raad en voorlichting, aan zijne grondige kennis en zijn kritischen blik verschuldigd! Eer en voldoening, zoo vaak een onzer zijn streven met gunstigen uitslag bekroond zag, wij deelden ze samen. Dat ik mij van nu aan onverdeeld aan de wetenschap zal kunnen wijden, geen ander die

-ocr page 45-

41

het met mij zoo hoog waardeert als hij. Moge liet ons gegeven worden, zoo lang in éénen geest samen te arbeiden, dat ik het groote werk voltooid mag zien, waartoe hij zich bij het aanvaarden van zijn ambt heeft aangegord !

Ook U, hooggeleerde Fruin, van deze plaats te mogen begroeten, verhoogt voor mij niet weinig de beteekenis van deze plechtigheid. Hoe zou ik kunnen vergeten, wat ik dank weet aan den vriendschappelijken omgang met ü, gedurende de jaren van mijn verblijf te Leiden? Heb ik, na mijn vertrek, menigmaal uw gemis betreurd, thans gevoel ik dubbel, hoe uwe veelomvattende kennis, uwe rijke ervaring op het gebied van historisch onderzoek mij ten goede zou komen, indien ik telkens, gelijk weleer, tot U kon gaan. Door bij de vervulling van mijn ambt op U te zien, en anderen op U te wijzen, koester ik de verwachting, eenigermate het ideaal te kunnen nabijkomen, dat ik mij voor oogen heb gesteld.

Myn laatste woord geldt ü, Heeren Studenten aan deze Universiteit. Dacht ik zoo even terug aan mijn eigen studententijd, ik kan mij nog met ü jong gevoelen. Heerlijke leeftijd, waarin do geest zijne krachten ontplooit, om te beproeven al hooger en hooger te stijgen I Moe trotsch gevoelen wij ons, als het ons voor het eerst vergund wordt, zeiven op ontdekkingen uit te gaan! Gij zijt in dat gelukkig tijdperk, waarin al hetgeen men door eigen inspanning heeft gevonden, nog de volle frischheid en bekoorlijkheid heeft van het nieuwe. Al hebt Gy eene keuze gedaan voor uw volgend leven, toch zult Gij gevoelen, dat eenzijdige vakstudie alleen ons de breede opvatting niet schenkt, waaraan de maat-

-ocr page 46-

42

schappij, l)ij de oplossing van belangryke vraagstukken, zoo groote behoefte heeft. Veelzijdige ontwikkeling scherpt het oordeel; de kennisneming van andere deelen dei-wetenschap geeft wrijving van gedachten. Zoo mag ik dan vertrouwen, dat Gij allen ook belang stelt in historisch onderzoek. Straks zult Gij zelfstandig in het maat-schappelijk leven optreden, en in dezen gewichtigen tijd kan het U niet onverschillig zijn, het heden te begrijpen, door te weten hoe het geworden is. Meer in het bijzonder zal ik uw gids zijn, MM. HH., die U wijdt aan letterkundige en historische studiën. quot;Wilt in my niet enkel den leermeester zien, maar te allen tijde op mij rekenen, zoo vaak Gij bij uw arbeid raad en voorlichting behoeft, fk hoop niet te logenstraffen, wat een achtenswaardig man mij schreef: „Tk twijfel geenszins of wat Beza op ruim zestigjarigen leeftijd voor Wtenbogaert was: een trouw raadgever en leidsman, een vaderlijke vriend, gij dit ook met uwe kennis en uwe ervaring zijn zult voor discipelen, die zicli aan ü aansluitenquot;. Groot zou zeker mijne voldoening zijn, indien ik er onder U vinden mocht, die het hier aangevangen onderzoek ook later wilden voortzetten. Maar al is dit niet het geval, toch hoop ik U allen te doordringen van dien echt weten-schappelijken geest, die niet enkel in zich opneemt wat anderen hebben gevonden, maar die het ook zelfstandig verwerkt. Daarom roep ik U ten slotte het woord van Göthe toe : „Was du ererbt von deinen Vatern hast, erwirb es um es zu besitzenquot;.

1 k h eb g e z e g d.

-ocr page 47-
-ocr page 48-
-ocr page 49-

s

-ocr page 50-