/ófl Tf-
Van den Sell rij ver.
Waar vele millioenen reeds gebleven zijn
EN
Waar vele millioenen nog zullen Mijven,
EEN ANTWOORD
G. ROESSINGH VAN ITERSON,
Oad-Referenclaris, Chef van de af deeling ..ComptahiUtetf bij het Departement van Justitie te Batavia.
L E I D E K , S. C. VAN 1)0KSRUlWiH. 1898.
WAAR VELE MILLIOENEN REEDS GEBLEVEN ZIJN
EN
WAAR VELE MILLIOENEN NOG ZULLEN BLIJVEN.
; A ,s9s j/,y
Waar Yele millioenen reeds gebleven zijn
EN
Waar vele millioenen nog zullen blijven.
EEN ANTWOORD
OP I)K
REPLIEK VAN DEN ÃÃD-Ã.-L HÃ0FD-A1TENAAR J. A. VAN DORSSER
DOOK.
G. ROESSINGH VAN ITERSON,
Oud-Referendaris, Chef van de afdeeling â Comptahiliteitquot; bij het Departement van Justitie te Batavia.
LEIDEN, S. C. VAN DOESBURGH. 1898.
KORTE OMSCHRIJVING VAN DEN INHOUD.
Blaclz..
Inleiding....................9
Aanlooning door welke redenen schrijver is gedwongen geworden om over den slechten toestand vun het geldelijk beheer in onze O.-l. bezittingen
een werk samen te stellen..............'13,
Idem waarom hij bij verzoekschrift, onder overlegging van oen exemplaar van dat werk, zich gewend hoeft tot de Tweede Ivanier der Staten-Generaal. 13
Idem wat daarvan het gevolg is geweest...........14
Idem wat tijdens het behandelen van de Indische begrooting in de Tweede
Kamer daarover is gezegd..............IS
Idem wat daarover in de Eerste Kamer werd verhandeld.....18
Het verschijnen van een repliek op dat werk.........20
Aantooning dat geen tegenstrijdigheid beslaat in mijne beweringen dat de inspectie van Financiën gerust kan worden afgeschaft ...... 21
Idem dat de heer Van Dorsser zich alleen zal bepalen tot het wederleggen van mijn beweren, dat het beheer van de ontvangsten niet goed
geregeld is...................21
Idem dat deze nog niet schijnt te weten dat orde en regelmaat eerste vcr-
eischten zijn om zulk een beheer goed te voeren.......22
Waardoor hij vergat te wederleggen mijne bewering dat de raming dei-
middelen nog steeds niet goed geregeld is..........22
Met eenige beschouwingen over een gedaan voorstel lot aanvulling van
die raming...................23
Aantooning dat wal deze beweert dooi' den heer De Roo schertsenderwijs
te zijn besproken nooit als scherts kan geuit worden......24
Idem dat ik nooit heb beweerd, het mij onverschillig zoude zijn of eerlijke
dan wel oneerlijke personen tot kashouder worden aangesteld ... 25 Idem dat ik zijne beweringen volkomen deel dat goede voorschriften tegen gewone diefstal niets vermogen.............20
Bladz.
Hel tekort te Pati nogmaals besproken...........26
Idem te Buitenzorg idem idem.............27
Idem te Tandjong-Pandang idem idem...........27
om aan te toonen dal de voorschriften op liet kasbeheer niet deugen . 28
De boekhouding van de algeineene ontvangers.........28
Hoe de heer Gonggrijp zijn kasbeheer heeft gevoerd.......29
en dat dit niets afdoet aan het slechte der beslaande voorschriften op liet
kasbeheer...................29
Aantooning dat een mij toegerekende fout geen fout is......29
en dat hel niet op den weg van Rechters ligt om zich met de voorschriften op het geldelijk beheer in te laten..........30
terwijl het jammer is dat de heer v. D. do inspectie van Financiën niet
heeft besproken.................31
Aantooning dat staal 6 geen overgang vormt tusschen boekhouding en
verantwoording.................31
en hoe de gewezen inspecteur van financiën Du Kock van die staten 6
heeft gesproken.................31
De verantwoording van de algemeenc ontvangers:
de jaarrekening..................32
de toelichting daarop................33
wat deze verantwoordiiig-slukken waard zijn.........33
hoe dit door mij is geregeld..............34
en dat met mijne voorschriften het werk maar heel weinig zal vermeerderen tegenover het ontstaan eener algeheele controle......35
Bespreking van een werkelijk ontdekte schrijlfout in mijn werk ... 35 Gedetailleerd-boek houding bij de departementen van algemeen bestuur niet
noodig....................35
en dus ook niet hel door mij ontworpen register âControle op de ont- 35
vangstenquot;...................35
Aantooning dat zulk een boekhouding wel degelijk noodig is en zulk een
register ook in een beslaande behoefte zal voorzien.......36
Idem dal de heer v. D. zich vergist als hij de optelling van dat register
niet geregeld acht, met de noodige toelichting........37
Over de boekhouding van de âmulatiën van geldquot;.......39
Over de bestaande controle op de invordering en verantwoording der ontvangsten ...................39
en waarom de vroeger daarvoor voorgeschreven controle door mij niet werd
gevolgd....................40
Waarom een afdoende controle door mij werd ontworpen.....40
Bij belastingen blijven hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur aangewezen voor toezicht................41
Waaraan mijn voorgeschreven âmemorandumquot; zijn ontstaan te danken heeft. 42
Hoe het moet worden gebruikt.............42
Bladz.
Wanneer liet âmemoriaal van inkomstenquot; moet worden in gebruik genomen. 42
Nog weder eens het âmemorandumquot;............42
Onwaar dat de grootste fout in het geldelijk beheer door de Regeering is
erkend ... ................ 43
Met mijne beschouwingen daarover.
Wat op het Noord- en Zuid-Nederlandsch handels-congres over hel noc-
dige en nuttige van een goede controle werd gezegd......44
liene boekhouding van de ârekening met derdenquot; bestond reeds ... 45
Hoe dit door Jen heer Spuenger van Eijk weid geregeld.....45
Wat in 1893, bij besluit van 5 Mei (Bijblad No. 4873) daarvoor in de
plaats kwam..................46
Met de vraag of ik niet volkomen gelijk bad met te veronderstellen dal
pas onlangs zulk een boekhouding was ingevoerd.......47
Mededeeling van den heer v. D. dal de betrekkelijke ontvangsten niet moeten worden geboekt uit slaat 6 maar uil de toelichting op de jaarrekening ...................W
Mei mijne beschouwingen daarover.
Hel vreemde dal een vroegere minister van Koloniën bij verzoek om inlichtingen omtrent mijne voorschriften, aan de Tweede Kamer twee adviezen overlegde, terwijl hij feitelijk maar één advies aanbood .... 48 mei mijne beschouwingen:
1°. Over een met den heer v. D. gehouden discours het geldelijk beheer
betreffende..................48
2quot;. Over een en ander bovenbedoeld advies rakende.......49
Hoe volgens den heer v. D. ontvangen belastingen worden gestort en op die
stortingen door hel Bestuur hel oog wordt gehouden......49
Mijne aanlooning dal Bestuursambtenaren niet in staal zijn knoeierijen van den ontvanger te ontdekken, met eenige beschouwingen daarover . 50
De door mij ontworpen geviseerde quitantiën.........50
Alle geopperde bezwaren van den heer v. D. alleen op te lossen door een
onderzoek van deskundige en onpartijdige personen.......52
Hoe ik daarover in 1883 reeds met den loenmaligen Minister van Koloniën
heb gesproken.................52
en hoe ik sedert op de noodzakelijkheid daarvan steeds heb gewezen . 52 Aantooning dat nu daartoe met nog te meer gerustheid kan worden overgegaan 53 mei eene bevestiging dat ik al mijne beschuldigingen blijf handhaven en
ook de vragen bij mijn verzoekschrift gesteld........53
Aanwijzing van H. H. leden van het âinstituut van accountantsquot; als do
eenige, lol oordeelen bevoegde personen..........53
Aantooning dal de heer v. D. in zijne beoordeeling geloond heeft Ie zijn
een niet deskundig en niet onpartijdig persoon........53
Vraag wal nu de Minister van Koloniën doen zal en, als hij naar Indië om opheldering schrijft, wal hem dan te wachten staal.....54
Bladz.
Aantooning wat van den tegenwoordigen Gouverneur-Generaal mag verwacht worden..................Ei'i
en wat van den tegenwoordigen Directeur van Financiën.....54
Idem dat ook van de Algemeene Rekenkamer in Indië moeilijk opheldering zal worden verkregen..............54
met aantooning wie tegenwoordig als president van dat college fungeert . 54
en wie als tijdelijk lid is opgenomen............55
Herhaling wat in de Eerste Kamer door den Minister van Koloniën werd
gezegd....................56
Wat daartoe aanleiding gal'.
Met aantooning dat uit dat gesprokene niet valt op te maken waar een
onderzoek naar de dooi- mij beschreven toestand zal worden gehouden . 56 en waarbij wordt aangegeven aan wie dat onderzoek kan worden opge-d ragen....................
Het was voor mij zeer zeker een aangenaam oogenblik toen ik uit het Verslag van de op 2'J December 1H'.)7 in Je Eerste Kamer der Staten-Greneraal gehouden beraadslaging mocht vernemen, dat een oud Oost-Indisch Hoofdambtenaar van zeer groote ervaring en kennis zich had aangeboden voor eene beantwoording van de door mij samengestelde en met een verzoekschrift aan de Tweede Kamer toegezonden âBijdrage tot de kennis van het Indisch Staatsbestuurquot; en ook dat do Minister van Koloniën reden meende te hebben om aan te nemen, dat in dat antwoord de in dat werk besproken zaak afdoende en goed zou worden behandeld.
Het zou mij toch zoo énorm veel genoegen doen als afdoende kon worden aangetoond, dat ik in mijne opvatting van den treurigen toestand, waarin het geldelijk beheer in onze O.-l. bezittingen zich nog steeds bevindt in het ongelijk was en dat de door mij opgenoemde gebreken in de voorschriften op dat beheer, óf niet bestonden, 61' ten minste zeer overdreven waren voorgesteld.
Daarom stemde mij de mededeeling van dien Minister tot groote dankbaarheid vooral ook omdat dan te gelijker tijd â bleek die meening juist te zijn â tevens een zware beschuldiging zou worden afgewenteld van de Indische en Nederlandsche autoriteiten, eene beschuldiging zoo zwaar dat ik van af het verschijnen van bedoeld werk mij er voortdurend over heb verwonderd, dat maar steeds niemand optrad om het daarin voorkomende te wederleggen en dit g wel daar, waar genoeg gepensioneerde en ook actief dienende ische ambtenaren met verlof aanwezig waren om, ware tegenspraak mogelijk, deze al dadelijk bekend te doen worden.
Maar hoe bitter werd ik teleurgesteld toen ik dat antwoord, geschreven door den heer I. A. van Dorssee, o. m. oud-lid en president van de Algemeen? Rekenkanur, oud directeur van Financiën in handen kreeg, daar mij, by lezing, dadelijk bleek dat deze, in
10
plaats van het voorkomende in die Bijdrage in zijn geheel te wederleggen, al spoedig mededeelde, dat hij een groot gedeelte daarvan onbesproken zou laten en alleen het beheer der ontvangsten zou behandelen, terwijl hij in deze slechts partiëele behandeling nog vol-genderwyze is te werk gegaan.
Hij vergat al dadelijk geheel het bespreken van den onhoudbaren toestand waarin de âEarning der Middelenquot; en ten gevolge van dien ook de verantwoording der ontvangsten zich bevindt, waardoor na 1874 ontstane inkomsten â retribntiën voor petroleum, goud etc. â die ten rechte behoorden te worden gerangschikt onder die van het departement van Onderwijs, Eeredienst en Xijverheid, daardoor thans aan het departement van Financiën moesten worden verantwoord.
Hij écarteerde een instemming van Ur. de lioo met mijn beweren âdat tot nog toe geen afdoende controle op de ontvangsten bestaatquot; door het voorwenden van schertsquot;; hij beschuldigde mij, in strijd met de waarheid, van onverschillig te zijn of eerlijke dan wel on-eerlijke personen tot kashouder worden aangesteld en hij gaf een doorslaand blijk van niet bekend te zijn met het feit, dat ik, blijkens mijn werk, zijne denkbeelden omtrent diefstal van die kashouders volkomen deel.
Ik bewees verder met aanhaling van voorbeelden dat kashouders bestaande tekorten verborgen kunnen houden door praktijken, die, bij eene behoorlijke toepassing van bestaande voorschriften, toch niet te ontdekken zijn en daardoor overeenkomstig zijn beweren, volkomen recht had te zoggen, dat de bestaande voorschriften niet deugen.
Het zou mij te ver voeren, als ik in deze alle pogingen moest gaan omschrijven door den heer v. D. tevergeefs aangewend om de bestaande voorschriften nog te verdedigen. Een en ander toonde ik in mijii achterstaand antwoord volkomen aan en ik wees er daarbij ook op, dat deze met zoo te handelen tevens heeft aan het licht gebracht, hoe weinig vertrouwen de iinancieele ambtenaren in of uit Indië verdienen om in zake verbeteringen in het geldelijk beheer aldaar een oordeel uit te spreken.
Van de repliek van den heer v. D. zijn echter door het ministerie van Koloniën 200 exemplaren besteld om daarvan o. m. aan alle leden van de Xederlandsclie Volksvertegenwoordiging een exemplaar uit te réiken. Daardoor zullen beide Kamers of in het geheel niet, of verkeerd worden ingelicht en heb ik het daarom een plicht geacht door
II
het samenvoegen van mijn bezwaren nog een antwoord samen te stellen waarvan ook ik die leden een exemplaar zal aanbieden.
Ik heb daarbij tevens aangetoond hoe en door wie de volle waarheid kan aan het licht komen en ik heb dit gedaan in liet vertrouwen dat daardoor op de mede aangegeven wijze een onderzoek zal worden geprovoceerd om daardoor een einde te maken aan den treurigen toestand waarin het geldelijk beheer in onze O.-I. bezittingen zich nog altijd bevindt.
's H a g e , September 1898.
You Ciui fool, nil the people some of the time, anil some of Hie people all Hie lime, bul you cannot fool all Hie people all the lime.
Abraham Lincoln.
Zij die deze voor lezing in de hand zullen nemen kunnen bekend zijn met het feit dat schrijver, toen hij in 1880 met verlof hier te lande was, van den toen maligen minister van Koloniën Mr. W. Baron van Goltstein eene opdracht ontving tot het ontwerpen van betere voorschriften op het geldelijk beheer in onze Oost-Indische bezittingen en ook welke treurige gevolgen die opdracht voor hem na zich sleepte.
Einde 1888 in Nederland teruggekeerd werd op verschillende wijzen getracht een onderzoek naar den slechten toestand van dat beheer uit te lokken, maar te vergeefs! Autoriteiten die daartoe het initiatief hadden behooren te nemen deden dit niet en de volksvertegenwoordiging werd met tastbare onjuistheden om den tuin geleid; in één woord, schrijver stootte overal het hoofd, waardoor hij ten slotte gedwongen is geworden een werk samen te stellen waarin zijne in tal van jaren over dien toestand opgedane bevinding werd te boek gesteld.
Dat werk verscheen 3 April 1897 onder den titel âWaar vele millioenen reeds gebleven zijn en waar vele millioenen nog zullen blijven. Eene bijdrage tot de kennis van het Indisch Staatsbestuur.
Met een exemplaar daarvan als bijlage heeft hij zich den 12en October d. a. v. met een verzoekschrift tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal gewend en, wat ten gevolge van
14
dien in dat regeerings-college over het een en ander sedert werd uitgesproken volgt hier onder.
Uit Handelingen 1897â1S98, II, vel 35 blz. 131 neem ik daartoe over:
De heer van Limbdrg Stikuji, lid der Commissie voor de Verzoekschriften, brengt, namens deze, het volgende verslag uit;
In handen uwer Commissie is gesteld een adres van den heer Gr. Eoessingh van Iteiison, oud-referendaris, chef van de afdeeling Comptabiliteit bij het departement van justitie te Batavia. Als by lage is overgelegd eene lijvige brochure, waarin de adressant wijst op gebreken en leemten die er bestaan in het geldelijk beheer in Indië, en met name ook wijst op het ontbreken van eene voldoende controle op de ontvangsten. De conclusie van zijn request, waarin hij uitvoerig verwijst naar genoemde brochure, is deze: hij went zich tot de Kamer met het verzoek:
âdat zij een onderzoek provoceere naar alles door hem in zijne bovenaangehaalde Bijdrage tot de kennis van het Indisch Staatsbestuur aangetoond, om, wanneer dat onderzoek zal zijn afgeloopen, de vraag te overweger. ;
â1quot;. of zij het nog langer mag gedoogen, dat nog steeds millioenen uit de kassen in Nederlandsch-Indië verdwijnen alleen door slechte voorschriften, terwijl goede voorschriften, die dit verder onmogelijk zonden maken, door adressant reeds in 1883 by het Ministerie van Koloniën zyn ingeleverd, waar zij, op grond van aangegeven redenen, zyn ter zijde gelegd.
â2°. of zij er nog langer in mag berusten dat wordt voortgegaan met het aanstellen van inspecteurs van financiën, die den lande jaarlijks, alleen aan traktementen en reiskosten, zeker op meer dan twee ton gouds te staan komen, terwyl die inspecteurs, behalve dat zy bovenbedoelden slechten toestand nooit onder hooger aandacht hebben gebracht, voor geen van de hun opgedragen werkzaamheden noodig zijn.
âdat uwe Kamer verder als haar oordeel uitspreke dat alle termen aanwezig zyn om:
â1°. zoo spoedig mogelijk gevolg te geven aan het voorschrift van art. 49 van het Regeeringsreglement en het ontslag van de Indische Ambtenaars bij wet te regelen;
â2°. in het midden latende welke maatregelen zullen behooren te worden getroffen tegenover de Indische Kekenkamer, in zake hare houding het geldelyk beheer aldaar betreffende, den Mi-
15
nister van Koloniën nit te noodigen, met intrekking van liet Kouinklyk besluit van 30 December 1882 nn. 2 (Indisch Staatsblad 1883 n0. 33) â waartoe een voorstel zeker gaarne zal worden ingewilligd â die Rekenkamer opnieuw te verlieffen tot een âKoninklijkquot; en daardoor weer onafhankelijk college.quot;
Met het oog op de in behandeling zijnde begrooting, heeft de Commissie de eer voor te stellen het adres ter grillie neder te leggen, ter inzage voor de leden.
Daartoe wordt besloten.
Uit Handelingen 1897â1.898 IT vel 45 blz. 170 neem ik verder over wat in de vergadering van 19 November 1897 over dat verzoekschrift werd te berde gebracht:
Beraadslaging over de IlldL' Afdeeling (departement van financiën) in het algemeen.
De heer van Vlijmen : Mijnheer de Voorzitter! Slechts een paar eenvoudige vragen heb ik aan den Minister te doen.
De Kamer heeft een verzoekschrift ontvangen van den heer Roessingii van Iterson, oud-referendaris, chef van de afdeeling âcomptabiliteitquot; bij het departement van justitie te Batavia, die zich beroept op een uitvoerig door hem geschreven boekwerk, waarin hij heeft betoogd dat er groote gebreken zouden zijn in het geldelijk beheer in Oost-lndië, en wel meer bepaaldelijk in de controle over de ontvangsten, zoodat dientengevolge sedert jaren millioenen zouden verloren gegaan zijn voor de schatkist en nog voortdurend zullen verloren gaan als er geene hervormingen worden aangebracht in het geldelijk beheer.
Ik zal natuuriyk over deze zaak niet in bijzonderheden treden, want daar is, helaas, al zooveel tyd verloren gegaan met onvruchtbare discussiën; ik onthoud my derhalve van citaten uit dat werk, maar bepaal mij er toe de aandacht van den Minister op het boek van den heer Roessingh van Iterson te vestigen, en tot hem een paar eenvoudige vagen te richten.
In de eerste plaats zou ik wenschen te weten of de heer Roessingh van Iterson door den Minister beschouwd wordt als competent te zijn om over het geldelijk beheer een oordeel te kunnen uitspreken dat waarde heeft, en in de tweede plaats of Zijne Excellentie bereid zou zijn om een onderzoek te doen instellen naar de juistheid van de beweringen van dezen oudambtenaar.
Het spreekt toch vanzelf dat de zeer positieve toon van het
16
door mij aangeduide werk op een lid der Kamer een eenigzins diepen indruk moet maken, en wanneer het werkelijk waar ware wat de schrijver beweert dan zou dit natuurlijk rampzalig zijn voor de schatkist. Ik hoop daarom, dat de Minister ray in deze wel eenig licht zal willen versohaffen.
De heer van Lm burg Stuujm : Mynheer de Voorzitter! Ik wenseh mijne stem te voegen by die van den geachteu afgevaardigde uit Veghel. Die geachte afgevaardigde heeft de hoofd-moraenten van het korte betoog, dat ik mij voorgesteld had te houden in zake het adres van den heer Roessingh van Iterson, reeds aangegeven en ik kan dus nog korter zijn dan reeds in mijn plan had gelegen.
De lijvige brochure van den heer Roessingh van Iterson â als by lage by het adres overgelegd â is eigenlijk eene door-loopende beschuldiging tegen de financieele politiek der Kegee-ring. Hij keurt vele der bestaande bepalingen af, toont aan dat de controle op de ontvangsten niet goed is geregeld, beweert dat de bevoegdheid van den Grouverneur-Generaal om in bepaalde gevallen een lid van de Rekenkamer aan te wijzen, aan dat college het karakter van wat hij noemt een Koninklijk college, ontneemt en daardoor de onafhankelijkheid van de leden niet wordt gewaarborgd.
Wat benoemingen betreft, geeft hy zeer sterke staaltjes. Op bladz. 268 van zijne brochure zegt hij bijv. dat een inspecteur van financiën, die een tekort bij 's lands kas te Menado van f 30,000 onopgemerkt liet passeeren â welk tekort later by hot departement van binnenlandsch bestuur werd ontdekt â aan wien door den officier van justitie te Makasser werd aangetoond, dat ieder ander met gewoon meuscheuverstand begaafd persoon dit tekort had moeten ontdekken â hier verwijst hij naar blz. 196 zijner brochure, waar de toelichting van het requisitoir van dien officier van justitie wordt medegedeeld â dat die heer niettemin later is benoemd tot president van de Algemcene Rekenkamer. Zoo geeft hij nog meer voorbeelden van verschillenden aard, waarop ik niet verder wil ingaan, maar die het mij toch wenschelijk doen voorkomen, dat de Regeering een onderzoek late instellen naar enkele van de beschuldigingen door den heer Roessingh van Iterson uitgesproken. Wat hij van de benoemingen zegt laat ik verder rusten ; het komt my voor, dat het Parlement zeer voorzichtig moet zijn bij het critiseeren van benoa-mingen. Maar waar hij beweert, dat de ontvangsten niet te controleeren zyn, dat de bestaande bepalingen in de practijk
17
niet deugen, daar komt het mij voor, dat ik niets te veel vraag, wanneer ik den minister vriendelijk verzoek omtrent deze punten een onderzoek te willen doen instellen.
De heer Cremeu, Minister van Koloniën: Mijnheer de Voorzitter! Nn ik nog zoo kort deze plaats bekleed is het wel wat moeilyk voor mij eene brochure van zoo grooten omvang als door de beide vorige geachte sprekers is aangehaald te bespreken. Ware de zaak ter sprake gebracht in het Voorloopig Verslag, dan had ik, en dat ware voor mij gemakkelijker geweest, er in de Memorie van Antwoord schriftelijk op kunnen antwoorden.
De heer van Vlijmen heeft mij gevraagd, of de schry ver van de brochure een competent im.n is en of wij veel waarde aan zijne beweringen kunnen hechten? Mijnheer de Voorzitter. Het is reeds oj) zich zelf uiterst moeilijk in deze Vergadering de mérites te bespreken van oud-ambtenaren in Indië, maar vooral is dit het geval wanneer men, zooals ik, niet het genoegen heeft gehad den schrijver onder mijne orders aan het werk te zien. Ik durf dus niet op de vraag van den geachten afgevaardigde te antwoorden. In het algemeen zou ik dit willen zeggen. Naar het my voorkomt kan de beantwoording van brochures het best geschieden door brochures, en aangezien de bedoelde schrijver nog al veel personen in zijn geschrift genoemd heeft, is het wellicht niet onmogelijk, dat een van die personen, wanneer hij althans de beweringen de moeite van het wederleggen waard acht, daartoe overgaat.
Aan het hoofd van het departement van financiën in Indië hebben verschillende bekwame financiers gestaan, als de heeren Spreng Eu van Eyk, Hoteks, van Dorssen en anderen. .Pen passé, et des meilleurs. Nu is het zeer onwaarschijnlijk, dat deze mannen, waarvan er een ook van deze plaats de moeilijke taak te vervullen heeft gehad om de uitgaven en inkomsten van de Indische begrooting te doen kloppen, eene regeling, welke mil-lioenen baat gaf, niet met beide handen zonden hebben aangegrepen, Daarom vermoed ik, dat wat die schrijver beweerd heeft, nu niet zóó voor de hand ligt en niet zóóveel vertrouwen verdient als sommigen by het lezen der brochures oppervlakkig meenen.
Evenwel wil ik gaarne eens onderzoeken of niet een van de oud-ambtenaren, die aan dezen diensttak zijn werkzaam geweest het op zynen weg acht te liggen om tegenover deze brochure eene kleine, eenvoudige brochure te schrijven, terwijl ik, wanneer dit niet het geval mocht zijn, aan de Indische Regecring
18
opheldering zal vragen. Dan zullen, dunkt mij, het Voorloopig Verslag en de Memorie van Antwoord van het volgend jaar eene geschikte gelegenheid aanbieden om op deze zaak terug te komen.
De beraadslaging wordt gesloten.
Maar ook in de Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft dat verzoekschrift de aandacht getrokken daar toch in het Voorloopig Verslag, gedagteekend 13 December 1897, over diezelfde begrooting daarover werd aangeteekend:
Ill^ AFDEELINGr.
Financiën.
In meer dan eene afdeeling werd ter sprake gebracht het verzoekschrift aan do Tweede Kamer der Staten-Generaal en de daarby gevoegde uitvoerige âBydrage tot de kennis van het Indisch Staatsbestuurquot;, van de hand van den heer Gr. Roessisch van Iterson. Men drong er op aan, dat omtrent het daarin medegedeelde een ernstig onderzoek door den Minister van Koloniën zoude worden ingesteld.
Zie Handelingen 1897â1898 I, vel 9, blz. 26.
Hierop werd door dien Minister onder dagteekening van den 22sten dier maand geantwoord.
Zooals de ondergeteekende reeds in de vergadering der Tweede Kamer van 19 November jl. heeft medegedeeld, zal hij niet in gebreke blijven ter zake van de door den heer Gr. Roessingij van Iterson gemaakte opmerkingen aan de Indische Regeering opheldering te vragen, tenzij die opmerkingen reeds door een geschrift, waaraan een deskundig gepensionneerd Indisch hoefd-ambtenaar bezig is, voldoende mochten beantwoord zijn.
Zie idem vel 12, blz. 37, terwijl onder de beraadslaging nog het volgende werd uitgesproken:
Beraadslaging over hoofdstuk II {Uitgaven in Nederlandsch-Indie).
De heer Reekers: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb het woord gevraagd voor eene zeer korte opmerking naar aankiding van een antwoord dat door den Minister gegeven is bij de IIIde
19
afdeeling van dit wetsontwerp. In het Voorloopig Verslag werd de aandacht van Zijne Excellentie gevestigd op eene brochure van den heer Koessingh van Iterson, die op verschillende gebreken in het beheer van de Indische financiën wyst, en nn luidt het antwoord, dat de Minister bereid is daaromtrent aan de Indische regeering opheldering te vragen, tenzij die opmerkingen reeds door een ander geschrift mochten beantwoord zijn. Zonder in het allerminst te willen beweren, dat het de taak van den Minister is om elke grief en elke opmerking, die in eene brochure of ander geschrift wordt uitgesproken, terstond te maken tot een onderwerp van een speciaal onderzoek, meen ik toch, dat er in dit geval alle aanleiding bestaat voor den Minister om de zaak zelf ter hand te nemen en niet eerst leide-lijk te wachten of er een ander geschrift verschijnt en of in dat geschrift de brochure van den heer Koessingh tan Iteuson op afdoende wy ze wordt wederlegd.
Ik wil my allerminst tot het orgaan maken van de grieven die in die brochure zijn opgenomen, weinig competent als ik ben om in zake van de Indische administratie een oordeel uit te spreken, maar het valt toch niet te ontkennen, dat er zeer gewichtige bezwaren door dien schrijver worden opgenoemd. Ik wijs vooral op dit bezwaar, dat het zeer moeilyk zou wezen eene behoorlyke controle uit te oefenen op de inkomsten in Indië, ten gevolge van onvoldoende voorschriften. Daaruit ontspruiten dan misbruiken, alles zeer ten nadeele van 's lands kas. De beweringen van den schrijver zijn geen losse gezegden, maar worden met tal van feiten gestaafd. Ja, er is nog meer. Men kan, zooals ook mij te beurt is gevallen, van personen, die door hun vroegeren werkkring in Indië volkomen goed in staat zijn om een oordeel in deze zaak te vellen, de meening vernemen, dat, ten minste in dit laatste opzicht, de voorstellingen van den heer Eoessingu van Itebson op verre na niet ongegrond zijn.
Nu is het zeer begrijpelijk dat men in die omstandigheden gaarne eenig meer licht wenseht. Ken particuliere brochure is tot het geven van dat licht volkomen onvoldoende, omdat een particulier niet beschikt over de middelen die der Regeering ten dienste staan om de feiten op behoorlyke wijze te controleeren. Bovendien wekt hetgeen door een particulier wordt medegedeeld veel minder vertrouwen dan de mededeelingen van den Minister, en, laat ik er bijvoegen, vooral van dezen Minister, die, by iedereen bekend is als een bijzonder scherpzinnig man en dus zeker beter dan iemand in staat, om eene questie tot klaarheid
20
te brengen, indien hij liaar onderzoek ter hand neemt. Ik vertrouw daarom dat de Minister daartoe alsnog zal willen besluiten, geheel onafhankelijk van datgene wat anderen mochten doen.
De heer Ceejieu, Minister van Koloniën: De brochure waarop ik in het door den geachten afgevaardigde besproken antwoord het oog had, zal geleverd worden door een oud-Indisch hoofdambtenaar van zeer groote ervaring en kennis, die tot mij is gekomen om te vragen, of het my aangenaam zoude zyn, wanneer hy op die brochure antwoordde. Toen ik die vraag toestemmend beantwoordde, vroeg by ot hy zon mogen beschikken over de gegevens, die by myn Departement berusten. Ik heb gaarne daartoe myne toestemming gegeven. Immers liet beantwoorden van eene eenigszins volumineuse brochure zou een arbeid kosten, aan de ambtenaren in Indië, dien ik hnn liever bespaard zou zien. Ik meen reden te hebben om aan te nemen, dat in het antwoord van den door my bedoelden oud-ambtenaar de zaak af doende en goed zal worden behandeld en, ofschoon dit antwoord toch eene particuliere brochure zal zijn, zal deze toch in zoover een officieus karakter hebben, dat de schrijver de gegevens heeft gekregen van het Departement van Koloniën. Blykt het, dat in het beloofde geschrift de bezwaren van den heer Roessingh tan Itebson niet voldoende zyn weerlegd, dan ben ik, zooals ik heb toegezegd, genegen om een verder onderzoek naar de zaak in te stellen. Ik heb echter niet den minsten indruk dat dit zal noodig zyn en meen dat wy in allen gevalle de brochure moeten afwachten, waarvan ik in de Memorie van Beantwoording sprak.
De beraadslaging wordt gesloten en het wctsonlwcrp zonder hoofdelijke stemming aangenomen.
Zie idem vel 22, blz. 77.
Die brochure is 9 Juni 1898 verschenen onder den titel: âDe Millioenenstudie van don lieer G. Eoessingh van Iterson, toegelicht en beoordeeld door J. A. van Dorsser, Oud-Hoold-ambtenaar in Nederlandscli-Indië.
Het spijt mij zeer dat ik alweder dadelijk moet beginnen, met ook den heer v. D. er op te wijzen dat aan ernstige be-
21
denkingen onderhevig is wat hij in die brochure aanvoert, om aan te toonen, dat tegenstrijdigheid zou bestaan in mijn beweringen, als zoude het Kader Inspecteurs van Financiën kunnen worden afgeschaft.
Hij zegt daarover op blz. 8. âWaar ik hierna alleen over de voorschriften op het financieel beheer zal handelen en dus onder meer de Inspectie van Financiën buiten sprake zal laten, kan het nuttig zijn hier nog â als laatste voorbeeld â te wijzen op de tegenstrijdigheid, die men aantreft in het betoog van den heer v. I. over de mogelijkheid om die inspectie af te schaffen,quot; en haalt daarvoor op die en de volgende bladzijden enkele door mij gebezigde zinnen aan om dit aan te toonen.
Had nu de heer v. D. echter het door mij daarvoor aangevoerde in zijn geheel ter neder geschreven dan had iedereen dadelijk kunnen zien, dat de conclusie, waartoe ik kwam â en dit alleen nam de heer v. D. over â van dat geschrevene het gevolg was en dan tevens dat intrekking van de inspecteurs van Financiën, als zijnde een geheel overbodig kader ambtenaren, alleen dan zou kunnen geschieden als de voorschriften op het geldelijk beheer eerst afdoende waren gewijzigd.
Dit nu deed hij niet en daarom heeft zijn boven omschreven aantooning van tegenstrijdigheden niet de minste waarde en wettigen deze zeer zeker niet het onbesproken laten van bedoelde inspectie. Maar er is meer.
De heer v. D. zegt verder nog op blz. 31, âdat hij uitsluitend de ontvangsten zal besprekenquot; maar dan bepaalt zich de âtoelichting en beoordeelingquot; van mijne âMillioenenstudiequot; alleen tot dat wat ik daarin aanvoerde over het onvoldoende beheer dier ontvangsten, zonder meer.
Hij heeft zich dus al dadelijk afgemaakt van eone volledige beantwoording der feiten in die brochure successievelijk voorgebracht en voldoet dus niet aan hetgeen hij voorgaf te zullen doen, blz. 20.
Of nu, ten gevolge van dien, de minister van Koloniën nog
22
steeds reden zal hebben om aan te nemen dat in dat antwoord de zaak goed en afdoende zal worden behandeld valt zeer te betwijfelen terwijl op dat antwoord zelf ook nog al het een en ander valt aan te merken.
Dit blijkt uit het volgende:
Men moet het toch zeker vreemd noemen, dat iemand die het tot de hoogste betrekking gebracht heeft, welke bij het geldelijk beheer in onze O. I. bezittingen bereikt kan worden, deze toch nog zoo weinig weet, dat orde en regelmaat eerste vereischten zijn om zulk een beheer goed te voeren.
Op blz. 77 van mijn werk toonde ik o. m. aan, dat de âraming der middelenquot; nog steeds dezelfde is als die, vroeger onder de generale directie van Financiën in gebruik en gaf, met de wetenschap dat thans elk departement zijn eigen ontvangsten en uitgaven beheert, daarbij aan hoe die raming daarvoor behoord te worden gewijzigd en hoe ook in verband daarmede de âbegrooting van uitgavenquot; moest worden aangevuld.
quot;Wetende nu dat deze alleen het beheer der ontvangsten wil behandelen zou men denken dat de heer v. D. dit punt in de eerste plaats zou hebben ter sprake gebracht en het, of onder opgave van redenen afgekeurd of, zoo dit niet mogelijk was zijn instemming met het door mij ter verbetering aangegevene zou hebben betuigd. Neen, over een en ander is in zijn betoog geen woord te vinden en dit is toch zeer zeker al heel vreemd.
Maar deze houding geeft mij ook aanleiding om hier mede te bespreken wat de heer v. D. op blz. 34 zegt over een in der tijd gedaan voorstel tot aanvulling van die raming.
Volgens deze werd bij de boeking der ontvangsten vóór 1874 in het Kas-memoriaal dikwijls zeer liberaal te werk gegaan door ontvangsten te boeken onder hoofden die niet met de âraming der middelenquot; overeen kwamen wat meermalen het vragen van inlichtingen noodig maakte en dan zegt hij: âDit kan geen verwondering baren, als men in aanmerking
23
neemt, dat een of twee jaren nadat de nieuwe voorschriften waren ingevoerd, een van de Departementen in overweging gaf om in het nieuwe register van ontvang een hoofd bij te voegen, dat niet in de raming der middelen voorkwam.''
Dit voorstel nu was van den directeur van Justitie en werd door mij geconcipieerd.
De heer v. D. kan bekend zijn met het feit dat toen begin 1875 het geldelijk beheer van Justitie dat tot dusverre door Financiën was gevoerd, ten rechte naar eerstgenoemd departement overging â ik werd bij besluit van 26 Januari 1S75 No. 25 als le commies bij dat departement overgeplaatst â die overgang alles behalve in den smaak viel van het reeds bij Justitie werkzaam zijnde personeel, waaronder vooral moot genoemd worden de toen fungeerendeu inspecteur van de gevangenissen.
Dit, mijnheer v. D. was eenig en alleen de oorzaak dat de werkzaamheden bij de afdeeling âcomptabiliteitquot; zoo slecht geregeld werden en zeker waren het niet de referendarissen die, zooals gij op blz. 16 veronderstelt daaraan schuld hadden.
Mocht de heer v. D. dit eens meer gedetailleerd willen weten, welnu ik ben ten allen tijde volgaarne bereid hem daarvan in te lichten. Dit hier te doen vind ik niet noodig.
Alleen wil ik nog aanteekenen dat dit ook oorzaak was dat van dat toegevoegde personeel, met toestemming van de Regeering, sedert geen conduitestaten meer werden ingediend, wat later, ook bij Bijblad, toch weder werd voorgeschreven.
In Mei 1878 opgetreden als chef van genoemde afdeeling âComptabiliteitquot; besprak ik al spoedig daarna met den directeur van Justitie de ontwerp-begrooting voor 1879 en vestigde ik diens aandacht toen op het feit dat â ik vermeen op Celebes â twee ontvangsten onder Justitie behoorende, onder âAlle andere Ontvangstenquot; aan Financiën werden verantwoord. Ik deelde daarbij toen ook mede dat de inrichting van de âStaten van Ontvangquot; geen aanvulling van posten toeliet en toon vond de heer Buux â nog steeds onder den indruk, dat
24
de plaats gehad hebbende toevoeging van de afdeeling âComptabiliteitquot; aan zijn departement ook hem een onaangename last veroorzaakte â bedoeld punt een geschikt middel om door het doen van een voorstel tot aanvulling van de âraming der middelenquot;, de Rogeering indirect op een onmogelijken toestand in dat geldelijk beheer te wijzen.
Daarom alleen werd het voorstel tut aanvulling gedaan en nu ook de heer v. D. zelf schrijft dat de in gebruik zijnde registers van ontvang zulk eenc uitbreiding niet toelaten vraag ik nu dezen, waar moeten bij de aanstaande invoering der mijnwet, waardoor nieuwe millioenen in 's lands kas kunnen vloeien deze millioenen worden ten onder gebracht? en dan kan hierop alleen worden geantwoord natuurlijk onder âAlle andere Ontvangstenquot; staande onder het beheer van het departement van Financiën, terwijl die ontvangsten toch te huis behoo-ren bij het departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid.
En ook deze grove onregelmatigheid in het geldelijk beheer vond de heer v. D. niet eens de moeite waard om in zijn repliek ter sprake te brengen, maar dit heeft hij ook niet kunnen doen want een ontkennen was niet mogelijk en een bekennen paste niet in zijn stelsel van aftuigen.,
Voortgaande komt nu voor bespreking in aanmerking de grootste fout in het onderwerpelijk bedoeld geldelijk beheer nl. het ontbreken van een afdoende controle op de ontvangsten en hiervan zegt de heer v. D. op blz. 24.
Dr. de Koo, oud-directeur van Financiën, schreef indertijd blijkbaar schertsenderwijs: âDe grootste grief van den heer v. I. tegen de tegenwoordige regeling is, dat zij geen waarborgen geeft tegen het verduisteren van ontvangsten door ontrouwe kashouders en zeker zou de heer v. I. den Staat een niet genoeg te waardeeren dienst bewijzen, wanneer hij het middel daartegen kon aangeven.quot;
Denkt de heer v. D. dat in een geval als onderwerpelijk, scherts zoude te pas komen? immers neen, want hij weet zelf veel te goed dat eene uiting als die van Dr. de Roo nooit
25
schertsenderwijze wordt uitgesproken, .vooral niet door iemand wion grove nalatigheid werd ten laste gelegd.
Er is dan ook in deze van scherts geen sprake geweest, maar de heer v. D. moest er iets op vinden ora de zoo ware uiting van dien oud-directeur van Financiën te elimineerer. en door scherts voor te wenden, heeft hij getracht dat te doen.
Op dat gezegde van Dr. de Roo werd door mij, zieblz. 114, geantwoord:
âIk heb daarbij tevens aangegeven, hoe de controle op de ontvangsten moet worden geregeld om verduistering van gelden verder onmogelijk te maken. Daardoor zou ik, altijd volgens den heer de Roo, âden Staat een niet genoeg to waardeeren dienst hebben bewezen;quot; â die dienst is echter tot heden nog niet erkend.quot;
Had nu de hoer v. D. het bovenstaande ook in zijn geheel aangehaald dan had men dadelijk kunnen zien, dat ik niets bijzonders deed, toen ik de laatste alleen door hem aangehaalde 9 woorden ter neder schreef, want dit was niets als een voortzetting van het door Dr. de Roo geopperde, maar die aanleiding nam hij ook weder niet over en hierdoor kregen die woorden een geheel anderen zin en pasten zij daardoor volkomen in zijn stelsel van tegenspraak.
Ik heb hier ook voor mij liggen het schrijven van Dr. de Roo van 1 October 1890, zie blz. 112 en 116 van mijnwerk, en daarin wordt na het hiervoor reeds genoemd woord âaangevenquot; verder gezegd: âMaar met den besten wil kan ik de ingenomenheid van den heer v. I. met zijn werk niet anders zien dan groote zelfverblinding en een ieder die een weinig nadenkt zal het met mij eens zijn.quot;
Is ook dat scherts? heer v. D,, zeker neen en toch werd het in een adem met het door u als zoodanig aangehaalde tor neder geschreven.
De conclusie van den heer v. D., als zoude volgens mij het er niet op aan komen of eerlijke dan wel oneerlijke menschen
26
tot kashouder worden aangesteld â zie blz. 25 â zou ik om het belachelijke liever geheel onbesproken laten. Dit nu in deze niet in mijne macht liggende teeken ik hierbij alleen aan, dat ieder met een gezond verstand begaafd persoon na lezing van dat, wat ik op blz. 142 van mijn werk daarvoor ter neder schreef zeker niet tot die conclusie zal komen.
De heer v. D. zegt verder op blz. 26.
âBehalve wellicht van den heer v. L, vrees ik geen tegen-spraak, wanneer ik beweer, dat het voorkomen van kastekorten op zich zelf niets bewijst omtrent de al of niet deugdelijkheid der bestaande voorschriften en dat de beste voorschriften zulke tekorten, voor zoover zij het gevolg zijn van diefstal, niet kunnen voorkomen, maar wel kunnen en moeten verhinderen, dat tekorten verborgen blijven en dus den oneerlijken kashouder gelegenheid worde gegeven, hunne oneerlijke handelingen langer tot nadeel van 's lands kas uit te oefenen. Wanneer dus bij het aan den dag komen van een tekort blijkt, dat dit reeds eenigen tijd bestond en dat het verborgen is gehouden door praktijken, die bij eene behoorlijke toepassing der bestaande voorschriften niet konden worden ontdekt, door hen, die ze hadden moeten ontdekken, dan eerst heeft men recht te zeggen, dat die voorschriften niet goed zijn.quot;
Ten opzichte van liet begin moet ik de heer v. D. verwijzen naar hetgeen ik onder dagteekening van 12 Juli 1891 reeds in De Indische Gids publiceerde en dat hij kan vinden op blz. 177 van mijn werk. Hij kan daaruit zien dat ik reeds toen zijne denkbeelden omtrent diefstal volkomen deelde, en hij zich dus over tegenspraak van mijne zijde niet had behoeven uit te laten.
Omtrent hetgeen hij verder aanteekende het volgende:
Op blz. 57 noemde ik een tekort van f 6357,525 bij 's lands kas te Pati later geconstateerd en zooals de heer Stkuick daarvoor aanteekende, eerst niet ontdekt, doordat de secretaris dier residentie het register van overschrijving van vaste goe-
27
deren voor de inspectie der kas niet wilde afstaan. Welnu ik toonde daarbij aan, dat van genoemd bedrag eene som van Æ2769,995 niet voor overschrijvings-rechten maar voor verschillende andere ontwerpen was ontvangen; dat die som in verschillende bedragen niet was geboekt en dat de adjunct-inspecteur van Financiën in de S^e afdeeling daarvan niets had ontdekt.
Op blz. 61 nam ik uit de acte van beschuldiging in zake van Honk, gewezen kashouder te Buitenzorg, over dat deze eenige, op verschillende tijdstippen ontvangen bedragen, eenvoudig niet had geboekt en dat dit door 2 inspecteurs van Financiën en ook door het hoofd van plaatselijk bestuur niot is kunnen worden ontdekt, terwijl ik op blz. 63 neerschreef wat te Kota-Radja was gebeurd met betaalde successie-rechten; dat die rechten door den kassier waren ontvangen maar eenvoudig niet geboekt, dat de kashouder daarvan niets had gemerkt en dat de betrokken inspecteur van Financiën dit ook niet had ontdekt, zoodat, had niet een notaris hier te lande om restitutie van die ten onrechte betaalde successie-rechten gevraagd waarschijnlijk nooit was uitgekomen dat die gelden wel waren ontvangen maar niet verantwoord.
En werd, niettegenstaande bij 's lands kas te Tandjong-Pandan een tekort werd geconstateerd van f 23.006.095, de Peil als commies-kashouder aldaar niet vrijgesproken? Zie blz. 59 van mijn werk. Werd, wegens een tekort aldaar groot f 10.384.64 van Ek als zoodanig ook niet vrijgesproken, blz. 74 idem, en werd diens opvolger, niettegenstaande een tekort was ontdekt van f 3000.â, dat hij sedert echter bijpaste, toch ook niet in zijne betrekking gehandhaafd?, blz. 275 idem, terwijl van Ek die dat gestolene indertijd ook bijpaste nu, sedert 9 Mei 1897 lid is van de Wees- en Boedelkamer te Padang.
En zijn deze feiten niet het gevolg van onvoldoende voorschriften ? Zeer zeker wel, want bij geen van allen werd noch door de hoofden van gewestelijk of plaatselijk bestuur noch door betrokken inspecteurs van Financiën eenige aanmerking
28
gemaakt dat de bestaande voorschriften niet naar behooren waren toegepast.
Genoemde tekorten konden dus eenigen tijd verborgen blijven door praktijken niet van eene behoorlijke toepassing van die voorschriften afhankelijk en dit zegt genoeg. Trouwens na de verklaring van den inspecteur van Financiën âMauren-brechorquot; â zie blz. 80 van mijn werk â had de heer v. U. waarlijk niet zooveel moeite behoeven te doen om alsnog een poging tot verdediging van die voorschriften aan te wenden; zïj deugen niet en ik had volkomen recht met dat te zeggen.
Voortgaande behandelt de heer v. D. van blz. 33 tot 48 de boekhouding van de algemeene ontvangers.
Op zijne uitweidingen over wat vroeger bestond, wat in de plaats daarvan door den heer S. v. E. word ontworpen en hoe goed daarmede sedert is gewerkt zal ik den heer v. D. niet voegen. Na al hetgeen reeds door de heeren van Delden en Mekern zoo ten rechte werd aangevoerd om aan te toonen, dat de door dezen daarvoor ontworpen voorschriften niet deugen, kan ik kort zijn.
In hot door mij voor die ontvangers ontworpen Kasboek worden de ontvangsten en uitgaven tegenover elkander ingenomen en moet het saldo in Kas dagelijks worden vastgesteld waardoor de Kashouders worden gedwongen hun kas dagelijks op te maken.
Deze twee voor een Kasboek zoo hoog noodige voorschriften bestaan voor dat van den heer Sprenger van Eyk niet en dit samen genomen met hetgeen de zooeven genoemde Heeren reeds aanvoerden maakt het duidelijk dat dit Kasboek niet goed kan zijn en nu moge de heer v. D. blijkens een op blz. 47 gegeven overzicht van beide, voor het boeken der ontvangsten ontworpen, modellen aannemen dat als het door mij aangegeven Kasboek aan alle vereischten van een goed Kasboek voldoet, van de registers van ontvang van den heer S. v. E. veilig hetzelfde mag gezegd worden.
üit het voorgaande alleen blijkt al duidelijk dat beide modellen lang niet gelijk zijn en de twee zooeven genoemde gebreken daaruit niet zijn op te maken, evenmin als de omvang van beide boeken waardoor eene vergelijking onmogelijk en dus de conclusie van den heer v. D. van nul en geener waarde is.
Dat de heer Gonggrijp, zooals de heer v. D. op blz. 40 aan-teekent, het heeft weten gedaan te krijgen om als algemeen ontvanger te Batavia de Staten 1, 2, 3 en 5 zoo geregeld bij te doen houden, dat daaruit bij eene opname der kas geen moeilijkheden voortvloeiden is uitstekend. Zoolang ik te Batavia verblijf hield zat bij de 2 chineesche kassiers tevens een ambtenaar, die gedane ontvangsten en uitgaven aanteekende en daaruit moeten bovengenoemde staten ingevuld zijn zoodat uit bovenstaande aanteekening alleen voortvloeit dat de heer G. dagelijks genoemde registers liet invullen. Ontvangers echter met minder ijver of met minder eerlijke bedoelingen kunnen dat bijwerken veel later doen waardoor de mogelijkheid tot knoeien altijd blijft bestaan.
En is het daarom te verwonderen dat ik door het zooeven aangeteekende o.m. ook aan dien toestand eens en vour altijd een einde wil maken ? Zeer zeker niet.
De fout mij op blz. 42 door den heer v. D. toegerekend kan ik in geenen deele accepteeren.
Hij zegt daar dat bij het bepalen van het kas-saldo, staat 7 niet noodig is want dat staat 6 dat saldo reeds aangeeft.
Volkomen juist maar de heer v. D. vergeet daarbij iets waarvan hij later op blz. 50 zelf melding maakt nl. dat dat saldo pas kan gebruikt worden als het door Financien is geverifieerd en vastgesteld; vóór dien tijd niet en daar nu hiermede eenigen tijd verloopt vond ik het beter, in plaats van dit saldo, staat 7 daarvoor te gebruiken. Dus geen fout van mijne zijde, wel wordt er een door den heer v. D. begaan. Afgescheiden hiervan wordt dat saldo in staat 6 geheel op de
30
zelfde wijze bepaald als door mij werd aangegeven en nu vraag ik of zulk een geheel gelijke wijze van berekening de uitdrukkingen wettigt â nog wel onder opmerking dat die fout op zich zelf weinig belangrijk is â mij toch op blz. 43 door die oud O. I. hoofdambtenaar toegevoegd en die vraag kan alleen ontkennend worden beantwoord.
Ter geruststelling van dien schrijver teeken ik hier nog aan dat van af het oogenblik dat de âVerzameling van administratieve voorschriften voor de Departementen van Algemeen bestuur betrekkelijk de controle op de landsontvangsten en uitgavenquot; door de firma Betjining en Wijt werd uitgegeven, dat boekje sedert in mijn bezit is geweest en nog is waardoor ik van toen af de staten 6 in hun geheel steeds onder de oogen heb gehad.
Dat de rechter bij het beoordeelen van kastekorten te gelijkertijd ook zou moeten overwegen of de inrichting van de boekhouding der algeraeene ontvangers al of niet voldoende is om daaruit te bewijzen wat bewezen kan en moet worden moge de heer v. D. op blz. 45 veronderstellen, uit tal van vonnissen blijkt duidelijk dat zoo iets niet op zijn weg ligt en juist het aangehaalde kastekort van ± f 30000 te Menado toont dit afdoende aan, daar daarbij wel werd geconstateerd, dat die som was gestolen maar alweder niet bewezen kon worden dat Beugman zelf de dader was. In de boekhouding moet dus iets niet in orde geweest zijn en toch werd bij het vonnis geen woord geuit over de slechte voorschriften, die dat in de hand hadden gewerkt.
Ook het aangehaalde tekort te Lahat toont dit duidelijk aan. Wel zegt de heer v. D. op blz. 46. âAls bewezen werd dus aangenomen de niet-boeking van het ontvangen geld het eenige wat mijns inziens door de boekhouding kan worden bewezenquot; maar ik laat hierna volgen;
Zeker werd dit als bewezen aangenomen, maar hoe is men tot dat bewijs gekomen? Noch de adjunct-inspecteur van Financiën Du Cloux, noch de Resident van Palembang konden
31
dit, zelfs na zeer lange inspectie ontdekken, maar de opvolger van beschuldigde kwam er achter, niet uit de boeken, want daaruit bleek niets, dus op een andere wijze en zeker is het den rechter toen duidelijk geweest, dat die boekhouding niet goed was, maar ook hier maakte hij daarop niet de minste aanmerking.
Jammer dat door het buiten bespreking laten van de inspectie van Financiën, zie blz. 13, de hoer v. D. zich zelf daardoor buiten de mogelijkheid heeft gesteld de houding in deze van inspecteurs van Financiën te behandelen, maar dit doet bij mij de vraag rijzen of de heer v. D. dit niet met voordacht heeft gedaan daar niets kan worden bijgebracht om die houding van genoemde ambtenaren in wat dan ook te verdedigen.
Dat, zooals de heer v. D. vermeent, staat 6 een overgang zou vormen tusschen boekhouding en verantwoording, blz. 48 en dat hij ook een band zou vormen tusschen algemeene ontvanger en directeur van Financiën, blz. 50, geloove wie 't wil! Al wat ik daarover reeds bekend deed worden toont duidelijk aan, dat die staat noch voor het een, noch voor het ander geschikt is en wel, omdat een vaste basis van vergelijking ontbreekt en zoolang die basis nl. een afdoende controle op de ontvangsten, niet wordt ingevoerd, is noch het een noch het ander mogelijk, terwijl, wordt zij ingevoerd, staat 6 dan verder geheel overbodig zal zijn.
Ten overvloede neem ik hier nog over wat Jhr. W. H. W. de Kock in zijn Handboek voor de Algemeene Ontvangers ') op blz. 117 onder § 320 van die staten 6 aanteekent.
âIndien alle betrokken ambtenaren, model ambtenaren waren, zou de bewering, dat de departementen in den loop van het jaar door de extracten uit de maandstaten gelegenheid heb-
l) In de bibliotheek van het Ministerie van Koloniën te vinden onder nn. 5400.
ben âom na te gaan of al dan niet geregeld betaald of verantwoord wordtquot;, meer schijn van waarheid hebben dan nu.
In werkelijkheid toch is de examinatie dier extracten-maandstaten bij de departementen zeer bezwarend, omdat, daar niet altijd of niet tijdig genoeg alle gegevens aanwezig zijn om de in de extracten voorkomende globale sommen te verifieeren. Soms zijn niet alle stortingen bij de departementen bekend; de inname van de gestorte sommen is wel eens verkeerd of een algemeene ontvanger verhandelt niet in dezelfde maand bij kas een door hem afgegeven quitantie. Daardoor komen de aangegeven bedragen slechts gedeeltelijk overeen met die van het departement. De verificatie van de extracten is dan ook gebrekkig. Zij kost veel tijd en wil men bepaald exami-neeren, dan zou een wijdloopige correspondentie ter bekoming van gespecificeerde opgaven betrekkelijk de in de staten vermelde sommen daaruit voortvloeien, hetgeen natuurlijk de bedoeling niet is.
Het is dan ook geen uitzondering dat bij een departement, met de Toelichting op de Jaarrekening wordt ontvangen een nota van het departement van Financiën, mededeelende, dat tusschen het extract uit den maandstaat comptabiliteit nD. 6 en de toelichting, bestaande verschillen niet van invloed zijn op het saldo in kas, dus dat er foutieve boekingen hebben plaats gehad.quot;
En dit mijnheer v. D. is geschreven in een Handhoek voor Algemeene Ontvangers en .... door een oud-inspecteur van Financiën, nu tijdelijk lid van de Algemeene Rekenkamer.
Van biz. 53 tot 78 bespreekt de heer v. D. de verantwoording van de âAlgemeene Ontvangersquot; ingevolge artikel 24 der comptabiliteits-wet, hetwelk voorschrijft, dat de comptabelen minstens eenmaal 'sjaars rekening afleggen aan de Algemeene Rekenkamer en zegt daarvan:
âDaarvoor is vastgesteld het model van een jaarrekening-coniptabiliteit no. 19 (Bijblad no. 2889), die â natuurlijk slechts met één kolom voor de ontvangen en uitgegeven be-
33
dragen â geheel overeenstemt met den maandstaat compt. No. 6, waaruit volgt, dat â behoudens de redressen wegens verkeerde boeking, die vóór de opmaking der jaarrekening worden aangebracht, â de cijfers der jaarrekening overeenkomen met die in de laatste kolom van den maandstaat No. 6 van E'ecember. De opmaking der jaarrekening is dus voor de ontvangers een zeer eenvoudig werk en even gemakkelijk is de cijferverificatie bij het Departement van Financiën, dat ook een exemplaar van de jaarrekening ontvangt. Daaraan worden eenvoudig de cijfers der rekening vergeleken met die van den maandstaat compt. No. 6 over December en de verschillen nagegaan. Heffen die verschillen elkander op, in dier voege dat de totalen der ontvangsten en die der uitgaven volgens rekening en staat gelijk zijn en de saldo-berekening bij beiden overeenstemt, dan heeft men de zekerheid, dat de jaarrekening, wat de cijfers der kasmutatiën betreft met de boekhouding overeenstemt.quot;
Om verder een volledig overzicht te krijgen van de door die ontvangers gevoerde administratie wordt door hom op blz. 5G aangeteekend:
«Welnu, niet anders dan zulk een overzicht is do staat, die als Toelichting op de jaarrekening bekend staat en voorgeschreven is bij artt. 7 en 8 der bepalingen in Sthl. 1875 No. 23; het model er van vindt men in Bijblad No. 3147.quot;
Ook in deze kan ik kort zijn.
Door het ontbreken van een afdoende controle op de ontvangsten is hot doen van rekening door de algemeene ontvangers alles behalve zeker, en hoe aardig is dit, bij mij steeds voorgezeten hebbend denkbeeld, nu door den gewezen inspecteur van Financiën, thans tijdelijk lid van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch Indië, de Kock op blz. 31 bevestigd.
De eerlijke kashouders moeten hieruit niet opmaken, dat zij geen rekening hebben gedaan of niet zullen doen. Neen, de oneerlijken onder hen heb ik alleen op het oog en deze kun-
34
nen ontvangen bedragen weglaten, zonder dat dit altijd kan worden ontdekt.
Een en ander bewees ik in mijn werk door aanhaling van de noodige feiten.
Deze toestand nu werd in de eerste plaats door mij verbeterd door het ontwerpen van een afdoende controle op de onl-vangsten en hierbij heb ik tevens rekening gehouden met het feit dat een algemeen ontvanger als rekenplichtige in de eerste plaats moet verantwoorden alles wat hij ontvangen heeft, daar dat, wat hij ontvangen moet bij zijn kasverantwoording niet tepas komt. Zie hierover blz. 64 van de brochure v. D.
En dienen dan met toepassing van die controle bij het einde der maand die ontvangers hunne extracten Kasboek aan de verschillende departementen in, dan zijn van alle plaats gehad hebbende ontvangsten de bewijzen reeds aanwezig en geboekt en is door de eenvoudige invulling van het nummer waaronder zulk een ontvangst bij kas werd ingenomen, de boeking en tevens de controle afgeloopen en heeft de algemeene ontvanger daardoor voldaan aan alles waaraan hij als rekenplichtige voldoen moet.
En blijkt het onverhoopt dat een ontvangen post niet is verantwoord, welnu dan worden dadelijk de noodige maatregelen genomen en kan dan tevens het bewijs worden geleverd, dat de ontvanger zelf het geld opstak.
Denkt nu de heer v. D. dat met zulk een controle genoemde ontvangers zich nog langer aan het niet verantwoorden van ontvangen posten zullen schuldig maken. Ik ben zeker dat geen van hen er ooit meer aan zal denken en dit alleen is noodig.
Waar nu met het invoeren van mijn voorschriften het verder inzenden van de staten 6 met extracten bovendien vooralle departementen. Financiën alleen uitgezonderd, van de Jaarrekening, van de Toelichting daarop in duplo en van de staten 7 komt te vervallen dan zal het indienen van 384 extracten Kasboek per jaar, zooals de heer v. D. op blz. 66
aangeeft zeer zeker al heel weinig meer werk veroorzaken en dit weinige meerdere werk zal dan zeker wel opwegen tegen de gelijktijdig daarmede dan ingevoerde afdoende controle.
Ik eindig dit gedeelte met een korte bespreking van een door den heer v. D. ontdekte fout in mijn door hem besproken werk nl. die aangehaald op blz. 75.
Zeer juist teekent deze daar aan dat ik niet had mogen spreken van een âToelichting op do Jaarrekening uitgavenquot; want deze bestaat niet en ten rechte zegt hij dan ook op blz. 77 dat uitgaven als daarbij bedoeld gevonden worden uit staat 7.
Die fout brengt ook alweder niet de minste verandering in de vergelijking waarvoor ik bovenbedoelde woorden ter neder schreef, ook niet in het doel, waarvoor ik dit deed en met deze wetenschap is het mij niet recht duidelijk hoe de heer v. D. deze schrijffout in opzienbare wijze met veel dikkere letters heeft gepubliceerd.
Door dit op die wijze te hebben gedaan blijkt duidelijk dat hij het spreekwoord van de balk en de splinter geheel schijnt vergeten te zijn.
In de laatste alinea van blz. 98 zegt de heer v. D.
âIk meen genoeg gezegd te hebben om duidelijk te maken, dat, zelfs al ware een gedetailleerde boekhouding bij de Departementen noodig â wat ik ontken en door de ondervinding van circa 25 jaren niet is aangetoond â een register, als door den heer v. I. voorgesteld, noch als aanvulling, noch als verbetering van het bestaande, aanbeveling zou verdienen en dat integendeel de aanhouding van zulk een monsterregis-ter â gelijk een der Indische adviseurs het terecht noemde â slechts tot groote moeilijkheid en verwarring aanleiding zou geven.quot;
Twintig bladzijden druk heeft die schrijver noodig gehad om tot die conclusie te komen, eene conclusie zoo ongerijmd dat het mij altijd een raadsel zal blijven hoe een oud-lid en Pre-
36
sident van de Algemeene Rekenkamer, oud-directeur van Financiën dit heeft durven nederschrijven.
De departementen waaraan de ontvangsten verantwoord moeten worden, zouden eene gedetailleerde opgave van die ontvangsten voor eene behoorlijke boeking niet eens behoeven. Waarlijk heer v. D., de heer Sprenger van Eyk vermeende dit ook doch iedereen weet nu welke resultaten dat denkbeeld heeft opgeleverd en nu zeg ik hier nog eens dat aan die kantoren wel degelijk de ontvangsten gedetailleerd moeten worden verantwoord:
1°. om de ontvangers te dwingen alles te boeken wat zij hebben ontvangen;
2°. om de departementen in de gelegenheid te stellen te kunnen controleeren of dat wat als ontvangen werd opgegeven werkelijk ook moest worden ontvangen, en
3°. om te kunnen nagaan of alle ontvangsten ook als zoodanig behoorlijk worden verantwoord.
Daarvoor zijn gedetailleerde opgaven wel degelijk noodig.
Dat het daarvoor door mij ontworpen register voor de controle op de ontvangsten een monsterregister zoude zijn, moge de hierboven aangehaalde adviseur vermeend hebben, het wordt in allen gevallen departements- en artikelsgewijze aangehouden, en nu moge sommige artikelen meer of minder opleveren dan bij de raming der middelen werd begroot, belangrijk veel meer of minder is dit gewoonlijk niet, zoodat ik wel kan zeggen dat de opbrengst gewoonlijk binnen de raming dier middelen blijft.
Met die wetenschap is het mij een raadsel hoe genoemde adviseur op het denkbeeld van een monsterregister is kunnen komen.
Ik zal niet ontkennen dat bedoeld register bij eenige artikelen wel een zekere uitgebreidheid zal krijgen, maar men neme daarbij dan toch dadelijk in aanmerking dat een beheer, loopende over een bedrag van 110 a 140 millioen gulden 'sjaars zeker niet met kleine of zelfs zonder registers gevoerd kan worden,
37
zooals dit bij de voorschriften van den heer Sprenger van Eijk het geval is.
Na op blz. 97 aangeteekend te hebben hoe de ontvangsten in mijn registers worden geboekt en hoe door aanteekening van het kasboeknummer wordt aangetoond, dat de ontvangst ook verantwoord is, zegt de heer v. D.
âStel nu b. v., dat in Mei eene ordonnancie wordt afgegeven, bij de uitbetaling waarvan een inhouding moet plaats hebben, dan wordt ook de betrekkelijke opdracht tot verantwoording in Mei in het register geboekt en het bedrag in kolom 11 ingevuld.
Maar wanneer de ordonnancie van betaling bij kas zal worden verhandeld, weet men niet; het kan spoedig zijn, het kan ook lang duren.
Onderstellen wij, dat de uitbetaling der ordonnantie eerst in October plaats heeft (eene onderstelling, die blijkens de praktijk volstrekt niet ongerijmd is), dan zal ook de inhouding eerst in het extract-kasboek over October voorkomen, en eerst t daaruit het kasboeknummer in het register worden overgenomen, maar dan zal ook gedurende al die maanden het register niet kunnen worden opgeteld, want volgens de laatste alinea van art. 22 geschieden de optelling en het transport der bedragen eerst wanneer al de kasboeknummers in het register zijn aangeteekend, wat volkomen rationeel is. En al dien tijd zal men dan niet kunnen opgeven het totaal van de ontvangsten van het middel, dat naar de meening van den Heer v. I. op elk oogenblik door het register moet worden aangegeven.quot;
Had nu de heer v. D. mijne âToelichtende Notaquot; op die voorschriften goed nagelezen dan had hij gezien, dat ik voor die boeking het volgende heb aangeteekend ;
âYoor de uitgaven:
âElke bladzijde kan dadelijk nadat daarop de negen posten geboekt zijn, worden opgeteld, doch de som mag eerst slechts met potlood worden ingevuld. Later als de uitbetaling door de algemeene ontvangers is geconstateerd en dit bladzijde voor
38
bladzijde aangewezen is door aanvulling van do kasboeknumraers, dan wel de daarvoor in de plaats tredende nummers van redresposten of uitbetaling in Nederland, mag de som met inkt worden ingevuld.
In die som kan echter van het eerste oogenblik af geene verandering meer gebracht worden, de latere invulling met inkt dient alleen om aan te toonen dat alle posten die voorafgaan, ook verantwoord zijn.quot;
Voor de ontvangsten, 2 alinea's later.
âDo verantwoording der ontvangsten geschiedt geheel op dezelfde wijze als die der uitgaven.quot;
Dus mijnheer v. D. wat voor de uitgaven werd voorgeschreven is ook geheel van toepassing op de ontvangsten. Elke bladzijde die is volgeboekt wordt opgeteld en de som met potlood ingevuld waardoor men dus elke minuut het totaal der ontvangsten kan opgeven. Hadt gij het door mij daarvoor voor-geschrevene behoorlijk gelezen dan had gij niet tot uw conclusie behoeven te komen en nu doe ik de vraag: was de groote beknoptheid van die nota, waarover gij op blz. 32 zelfs uwe verwondering uitsprak, ook oorzaak dat gij dit voorschrift over het hoofd zag?
Verder zegt de heer v. D. op blz. 98.
âMaar het kan zelfs gebeuren en is gebeurd (als het in te houden bedrag nagenoeg gelijk is aan dat, wat moet worden uitbetaald en de crediteur tevens debiteur dus per saldo weinig of niets in handen krijgt), dat eene ordonnancie, waarop eeno inhouding is bevolen, in het geheel niet ter betaling wordt aangeboden. Dan blijft dus nevens het in de opdracht tot verantwoording vermeld en in het register geboekt bedrag, gedurende het geheele jaar het kasboeknummer oningevuld en zou dus het register in het geheel niet kunnen worden opgeteld. Wat in zoo'n geval moet worden gedaan, heeft de heer v. I. niet voorgeschreven.quot;
Juist heer v. D. duplikaat van ordonnancie en opdracht tot verantwoording zijn in de betrokken registers geboekt en blij-
39
ven eenigen tijd als niet verantwoord voortloopen. Na bovenstaande toelichting doet dit aan het saldo van beide registers niets af en daar van ordonnancies als onderwerpelijk bedoeld de noodige stukken bij het departement aanwezig zijn, is niets gemakkelijker dan deze nog eens na te lezen want dan ziet. men dadelijk waaraan de niet aanbieding moet worden toegeschreven en kost het verder weinig moeite de noodige informaties in te winnen, zelfs den crediteur te doen uitnoodigen de zaak alsnog in orde te brengen en, voldoet deze dan nog niet â wat, daar dit in den regel Chineezen zijn, mij zeer zou verwonderen â welnu dan wordt zulk een zaak overgelaten aan den loop van de comptabiliteit maar dan ook zal de aan het bestuur zijnde minister van Koloniën bij latere navraag door de Tweede Kamer niet langer naar redenen behoeven te zoeken om hot bestaan van dergelijke onvoldane vorderingen toe te lichten.
Van iemand als de heer v. D. die een gedetailleerde boekhouding van gedane ontvangsten en uitgaven bij de verschillende departementen van algemeen bestuur al niet noodig achtte, kan moeilijk verwacht worden dat hij een zelfde boekhouding voor de âmutatiën van geldquot; wel zou goed vinden. Hij doet dit dan ook niet en noemt het door mij daarvoor ontworpen register eenvoudig een waardig familie-lid van het op blz. 35 besproken âmonsterregisterquot;.
Om dezelfde redenen op die bladzijde voor het aanhouden van dat zoogenaamde âmonsterregisterquot; aangevoerd moet ook van alle ontvangsten en uitgaven voor de âmutatiën van geldquot; gedetailleerd boek worden gehouden en is daarvoor een kas-gewijze aangehouden register niet voldoende. Dit klemt nu nog meer nadat Jhr. de Kook op blz. 32 zoo geheel onwillekeurig heeft aangetoond tot welken warwinkel do vergelijking ook van dat register met jaarrekening en toelichting aanleiding geeft.
Na te hebben kennis genomen van alles, wat de hoor v, D
40
op biz. 99 vv. aanvoert om de door den heer S. v. E. ontworpen controle op de invordering en verantwoording der ontvangsten te bepleiten, zullen velen tot de conclusie komen, dat aan die controle niets ontbreekt. Het is echter wel jammer, dat de praktijk afdoende heeft bewezen, dat die controle juist in alle opzichten dringend verbetering vereischt.
Allen, die in meerdere of mindere mate met het geldelijk beheer in Indiö hebben kennis gemaakt, zelfs velen, die daar buiten staan weten toch maar al te goed dat de algemeene ontvangers sommige ontvangsten voor langeren of korteren tijd kunnen verduisteren, zonder dat men in staat is dit te ontdekken. De door mij aangehaalde feiten hebben dit duidelijk aangetoond en nu moge de hoer v. D. bij het schrijven van zijne âToelichting en beoordeeling van mijne millioenenstudiequot; wanhopende pogingen hebben aangewend om die toestand te ontkennen, zij bestaat en gaat men eenmaal tot het houden van een onderzoek over, dan zal blijken dat ik bij het bekend maken van dien toestand niets anders heb gedaan dan het aan het licht brengen van de zuivere waarheid.
De heer v. D. begint zijn pleidooi met de vraag â waarom bij de door mij ontworpen voorschriften ik eene wederinvoering van de controle, bedoeld bij staatsblad 1820 No. 15, zie blz. 96 van mijn werk, niet heb in overweging gegeven ? en hierop moet ik hem dadelijk antwoorden, dat ik de reeds sedert jaren hier te lande toegepast wordende controle met eenige wijziging beter vond. Wel aardig dat âFlaneurquot;, zie mijn gedrukt request blz. 10, die vroegere controle ook wel eenvoudiger en beter noemde dan de latere van den heer S. v. E. maar deze toekende daarbij tevens aan dat zij toch âoudervvetschquot; was.
Op blz. 34 hiervoor gaf ik reeds aan dat en waarom door mij een afdoende controle op de ontvangsten was ontworpen en dat daarbij was uitgegaan van de stelling dat de algemeene ontvanger in de eerste plaats behoort te verantwoorden alles wat hij ontvangen heeft.
Welnu mijnheer v. D. tot dat systeem behoort ook de ia-
41
gevoordo, door u als oanoodig voorgestelde âopdracht tot verantwoording.quot;
Na uw daarvan op liet 107 v. v. voorkomende, zeer woordenrijke omschrijving behoef ik daarvoor in geen nadere bespreking te treden, alleen wil ik hier nog aanteekenen, dat bij een volledige controle zulke bewijsstukken niet kunnen worden gemist.
Dit is ook het geval met het door mij voorgeschreven, op blz. 115 door den heer v. D. behandeld âJournaalquot; met âToelichtende notaquot; voor het verantwoorden van ontvangen belasting penningen.
Dat dat Journaal veel overeenkomst heeft met liet door dezen daarbij genoemd âHulpregisterquot; zal wel niemand ontkennen, daar beiden moeten dienen voor het boeken van wegens belastingen ontvangen gelden, maar de Toelichtende Staten zijn daarbij toch wel nieuw en beiden dienen ook weder voor eene volledige verantwoording.
Dat bij toepassing van die registers de ontvangers toch zouden kunnen knoeien, zooals de heer v. D. op blz. 119 aangeeft kan ik niet tegenspreken, maar de hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur zijn de aangewezen personen om dit, even als nu van tijd tot tijd na te gaan en daarom schreef ik ook in mijn aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend request â zie blz. 22 van het gedrukte â dat ik voor het verantwoorden van die ontvangsten een controle had ontworpen die met het gering aantal europeanen aldaar in de toepassing geen bezwaar zou opleveren.
Bij het behandelen van het besluit van 1 October 1898 No. 4, Bijblad No. 4873, waarbij de voorschriften zijn verscherpt voor comptabelen die hunne ontvangsten overstorten bij de algc-mcene ontvangers, stelde ik op blz. 259 van mijn werk reeds de vraag âwanneer is een te betalen bedrag vorderbaar?quot; en antwoordde ik toen daarop ânatuurlijk op den dag aangegeven voor de betaling.quot;
Tot dat tijdstip behoort zulk een bedrag dus onder geen
42
enkele ontvangst te huis en moet de persoon met de invordering belast er alleen het oog op houden, dat het op tijd wordt betaald.
Aan deze overweging had het door mij ontworpen âMemorandumquot; zijn ontstaan te danken en ik ontwierp het met de wetenschap, dat bij elke goed ingerichte administratie zulk een âmemorandumquot; moet worden aangehouden en ook steeds aangehouden wordt.
Wordt niet op tijd betaald, welnu dan geven mijne cfeui den heer v. D. alle overgenomen voorschriften aan wat dan moet geschieden en daarna pas komt bij onmacht of onwil van den debiteur het âmemoriaal van inkomstenquot; in aanmerking.
Ik heb nu spijt, dat ik aan mijn bij het samenstellen der voorschriften toon bestaan hebbend plan om dat register weder te noemen een âregister van achterstallige debiteurenquot; geen gevolg heb gegeven want dat is het. feitelijk en had ik dat gedaan dan zou de heer v. D. mijne voorschriften daarop misschien beter begrepen hebben.
Ik vind het allerminst noodig de op blz. 135 v. v. voorkomende belachelijke praatjes te beantwoorden. Voor iemand die begrijpen wil zijn die voorschriften zoo eenvoudig mogelijk, voor iemand echter die niet begrijpen wil zijn uit dezelfde voorschriften natuurlijk altijd moeilijkheden te distilleeren die voor een oningewijde zwaar kunnen wegen, alleen wil ik hier nog aanteekenen dat het bezwaar op blz. 144 door dien schrijver geopperd alweder geen bezwaar is want de chefs der departementen van algemeen bestuur hebben met opgaven van boekening in het âmemorandumquot; niets te maken evenmin als de Algemeene Rekenkamer, zie blz. 146.
Zooals hierboven reeds werd aangegeven is het voldoende dat de algemeene ontvangers daarmede bekend zijn. Volgt op den dag dat zulk een bedrag een vordering wordt, geen betaling, welnu dan worden alle betrokken autoriteiten dadelijk daarvan in wetenschap gesteld en dit alleen is noodig.
En toen nu het zooeven genoemde Bijblad nquot;. 4873 met
43
het daarbij opgenomen besluit van 1 October 1893 n0. 4 het licht had gezien was van mij de veronderstelling zeer zeker gewettigd, dat de grootste fout in het comptabel beheer eindelijk door de Indische Regeering was erkend.
âEenvoudig onwaarquot; schrijft de heer v. D. op blz. 155 eu laat dan volgen.
âSedert 1874 bestaat eenc controle op de ontvangsten volgens een systeem, dat tot op den huidigen dag niet de minste verandering heeft ondergaan. Maar, terwijl do voorschriften, die van dit systeem het uitvloeisel waren, aanvankelijk zoo goed on volledig mogelijk zijn vastgesteld, is men van den beginne af aan en vooral toen de opruiming van den achterstand meer tijd overliet om aan verbeteringen te denken, er op uit geweest om, gebruik makende van de door de praktijk gegeven aanwijzingen, die voorschriften zooveel mogelijk vollediger en beter te maken en scherper te omschrijven, eene practische en zooveel mogelijk eenvormige uitvoering daarvan te verzekeren enz.
En met deze bewering denkt do heer v. D. mijn bovenomschreven veronderstelling te wederleggen.
Hoe durft toch deze als oud lid en president van de Alge-meene Rekenkamer, oud directeur van Financien te beweren dat sedert 1874 een controle op de ontvangsten bestaat terwijl ik aantoonde en met bewijzen staafde, dat dit voor een deel van die ontvangsten niet zoo is en daardoor alleen al reeds vele millioenen uit de kassen in Indie verdwenen zijn. Moest om die bewering te kunnen plaatsen de reeds door Dr. Dk Roo in 1890 plaats gehad hebbende erkenning van die grootste fout onder voorwenden van scherts worden geëlimineerd? zie blz. 24, en werd het door mij op blz. 32 nu opgenomen oordeel van den gewezen inspecteur van Financiën De Kook over de verantwoording van zulke ontvangsten met voordacht vergeten om de conclusie te kunnen nederschrijven dat de voorschriften die van dat door den heer v. D. veronderstelde systeem van controle een uitvloeisel waren, nu door opgemeld besluit van 1 October 1893 zooveel mogelijk zijn
44
verbeterd, terwijl ik op blz. 258 v. v. van mijn werk al aangaf, wat bij dat besluit word verbeterd, wat zeer onvoldoende werd geregeld en wat geheel werd vergeten.
Dat de heer v. D. als voorlichter van de nederlandsche volksvertegenwoordiging zich op boven omschreven wijze van zijne vrijwillig op zich genomen verplichtingen kwijt, ziet hierover wil ik mijn oordeel liever maar niet uitspreken.
Ten overvloede neem ik hier nog op wat op het te Arnhem gehouden Noord- en Zuid-Nederlandsch Handelscongres over het nut en do noodzakeiijkheid eener goede controle ook werd in het midden gebracht.
Uit het âAlgemeen Handelsbladquot; van 6 Juli 1897, ochtendblad neem ik daartoe uver wat de heer âLamsveltquot; op de den 5 Juli te voren gehouden vergadering daarover zeide:
In alle knngen der maatschappij, in het algemeen alsook op particulier terrein, levert dit onderwerp stuf tot beschouwing. Het onderwerp is aldus uitgebreid, en spr. hoopt in een compacte behandeling te slagen. Tot voor korten tijd gold liet instellen van controle als een bewijs van wantrouwen en nog is het in vele zaken zoo, dat men zich als controleur synoniem met dwarskijker acht.
Vaak wordt de controle onder hoffelijke bewoordingen gemaskeerd en als een noodzakelijk kwaad beschouwd. En toch immers, wie volkomen eerlijk is, kan nooit eene goede controle schuwen, integendeel het vermeerdert energie en werkkracht. Spr. wil daarom enkele wenken geven hoe z. i. controle moet gevoerd worden. De menschelijke neiging om scheef te gaan, zoodra controle ontbreekt, maakt de controle reeds noodig en nuttig. De pers, als eerste controle verdient reeds grooten lof. Spr. citeert de in de laatste jaren door deze controle ook in hot buitenland aan don dag gekomen knoeieryen, en wijst o. a. op het recente voorbeeld hier ter stede, waar door gebrek aan controle een som van een ton ten nadeele van den Staat kon verduisterd worden ').
1) Dit. was ook bij een ontvanger van (ie Registratie, en iliv/.e weid n.b. nog wel door zijn oigeu klerk tol dal bedrag bestolen. Dit in aanvulling van het voorkomende op blz. 204 van mijn werk.
45
Ter zelfder tijd besprak deze ook de instelling op 5 Januari 1895 van het âNederlandsch Instituut van Accountantsquot; v3n deelde hij de verschillende werkzaamheden mede, waartoe d? Accountants geroepen kunnen worden.
Als slot van onderwerpelijke aangelegenheid wil ik nu hier nog aanteekenen dat de heer v. D. op blz. 157 mogelijk juist is in zijn beweren dat ik het besluit van I October 18Ã3 genoemd heb âeene controle op de ontvangsten door do algemeene ontvangers bewerkstelligdquot; maar daar deze niet opgeeft waar ik dit gedaan heb, is die bewering moeilijk te controleeren. Maar wel is te controleeren dat ik op blz. 258 de juiste bewoordingen van dat besluit heb aangegeven en het verder geheel juist heb omschreven. Ik heb met het oog op bovenaangehaalde beschuldiging mij de moeite gegeven dit nog eens goed na te gaan.
Voortgaande zegt de heer v. 1). op blz. 15S;
âEven onwaar is de bewering, dat de boekhouding van ontvangsten en uitgaven voor rekening van derden ontbrak en eerst bij het besluit van 5 Mei 1893 No. 50 werd voorgeschreven.
Die boekhouding bestond (ook bij de algemeene rekenkamer) krachtens het besluit van 19 Januari 1875 No. 9, waarbij zij was voorgeschreven. Het besluit van 5 Mei 1893 No. 50 was slechts eene noodzakelijke wijziging van bestaande voorschriften, maar met behoud van dezelfde strekking.quot;
In de âAdministratieve voorschriften,quot; vastgesteld bij artikel 4 van het Indisch besluit van 19 Januari 1875 No. 9 (Bijblad No. 2814) wordt bij artikel 1 gezegd;
âHet departement van Financiën houdt bovendien aan:
registers van de rekeningen mot derden aantoonende de ontvangsten en uitgaven.quot;
terwijl artikel 16 laatste alinea voorschrijft;
âDe duplostaat ordonnanciën, betrekkelijk de rekeningen met
46
derdon, worden door do overige departementen van Algemeen Bestuur aan dat van Financiën gezonden, vergezeld van een staat No. 8 in siraplo.quot;
Verder werd bij artikel 4 van het besluit van 10 December 1873, No. 6 (Bijblad No. 2718) voorgeschreven:
âBinnen acht dagen na afloop van elke maand, voor het eerst na atloop van de maand Januari 1874, zenden de al-gemeene ontvangers aan den directeur van Financiën een maandstaat in duplo volgens hierbij gevoegd formulier (comptabiliteit No. 6.)
Do bewijzen van gedane uitgaven worden daarbij overgelegd onder bijvoeging van een staat in duplo volgens hierbij gevoegd formulier (comptabiliteit No. 7.)
Voor elke afdeeling der begrooting wordt een afzonderlijke staat No. 7 opgemaakt: evonzoo voor de teruggaven, voor de mutation van geld en voor de rekening met derden.quot;
Voorop stellende, dat ik reeds op blz. 257 van mijn werk aantoonde, hoe slecht de boekhouding van de rekening met derden vroeger was geregeld; dat men verder voor verbetering van die boekhouding zelfs niets had willen doen en met de wetenschap, dat bij staat 6 de ontvangsten globaal werden opgegeven waren deze voorschriften toch zeker niet voldoende om daarmede eene behoorlijke boekhouding te voeren. Daarop verscheen toen in 1893 het besluit van 5 Mei No. 50 {Bijblad No. 4873) en dit zegt ten dezen opzichte:
âDo betrokken Departementen van Algemeen Bestuur houden de noodige boekhouding aan van de ontvangsten en uitgaven, voor rekening van derden gedaan. Ten aanzien van elke rubriek wordt, omtrent de noodzakelijkheid van dergelijke boekhoudicg, de wijze waarop deze moet worden ingericht en hot Departement, dat de boekhouding c. q. moet aanhouden, door de chefs der departementen in onderling overleg en in elk geval in overleg met de Algemeene Eekenkamer beslist. Wanneer het overleg niet tot overeenstemming leidt, wordt de beslissing van den Gouverneur Generaal ingeroepen.quot;
47
Voor het hierboven omschrovone, in 1873 daarvoor aange-gevene kwam het daarna genoemde in 1893 daarvoor in de plaats en nu vraag ik, had ik niet volkomen gelijk met te veronderstellen dat nu, ten gevolge van dien, een boekhouding van de rekening met derden was ingevoerd en dat dus directeur van Financiën en Algemeene Rekenkamer in Ned. Indië met tot dusverre onvoldoende voorschriften dat beheer hadden gevoerd, terwijl met hot oog op het onmogelijke van eene boeking der ontvangsten âdat die verbeteringen = 0 waren.quot; Die vraag kan toch alleen toestemmend worden beantwoord.
En wat zegt nu de heer v. D. op blz. 159.
âDe ontvangsten voor rekening met derden worden niet overgenomen uit den staat No. G, maar uit de toelichting op de jaarrekening, waarin zij post voor post voorkomen.quot;
Ah zoo, heer v. D., uit de toelichting op de jaarrekening!
Het model van die toelichting werd vastgesteld bij het besluit van 23 Januari 1877 No. 9 en aan de algemeene ontvangers van 's lands kas toegezonden bij missive van den directeur van Financiën luidende:
âMet de samenstelling der staten wordt een aanvang gemaakt dadelijk na verstrijken van hot jaar waarop zij betrekking hebben.quot;
Dat voorschrift door den heer v. D. op blz. 61 reeds van mij overgenomen, dus aan hem bekend, is nooit voor wijziging vatbaar en kan dan ook niet gewijzigd worden, maar, daardoor is het te gelijker tijd zeker dat ontvangsten, voor rekening van derden in Januari gedaan, 14 maanden daarna kunnen worden geboekt, aannemende dat voor opmaking verzonding en ontvangst van de daarvoor noodige toelichting 3 maanden toch zeker wel noodig zijn.
Waarlijk heer v. D. wat men van zulk een boekhouding wel zou mogen en kunnen zeggen laat ik hier liever onuitgesproken.
48
Wanneer een minister van Koloniën, om aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te toonen dat voorschriften voor een beter comptabel beheer in onze O.-I. bezittingen die op last van een zijner voorgangers werden ontworpen onbruikbaar zijn geoordeeld, daarvoor aan dat regeerings college twee adviezen overlegt -â zie blz. 177 van mijn werk â dan mag worden aangenomen, dat dit adviezen zijn van den directeur van Financiën en van de Algemeene Kokenkamer aldaar, maar daar nu in antwoord op het verslag van de commissie van voorbereiding voor het onderzoek van de rekening van ontvangsten en uitgaven voor Ned. Indië voor het dienstjaar 1879 door dien Minister gesproken werd van 2 adviezen, zonder te zeggen van wien zij waren, was ik zelf zoo heel zeker niet of die twee zooeven genoemde autoriteiten, ze ook uitbrachten. Daarom vroeg ik toen aan een van de leden dier Kamer dit eens voor mij na te zien, wat deze mij beloofde te zullen doen en een paar dagen later kreeg ik daarop toen de mededeeling dat die adviezen werkelijk door de zooeven genoemde autoriteiten waren uitgebracht.
Was het met die mededeeling te verwonderen dat ik daarop verder sprak van de adviezen van den directeur van Financiën en van de Algemeene rekenkamer? Zeker niet en allerminst kan mij hiervan een verwijt worden gemaakt en had een andere vergissing, waarvan de heer v. D. op diezelfde bladzijde 158 melding maakte, mij zeer zeker niet tot meer voorzichtigheid behoeven te stemmen.
Heeft de heer v. D. goed onthouden waarover â na de mededeeling van die laatste vergissing, welke daarin bestond dat in tegenstelling van wat ik had medegedeeld, niet hij mijne voorschriften gedurende zijn verblijf hier te lande had onderzocht â ons zeer lang discours toen geloopen heeft en is bij niet vergeten met welke woorden wij van elkander gingen. Ik wil die woorden op dit oogenblik niet herhalen maar zeer waarschijnlijk doet zich later nog wel eens de gelegenheid voor
49
die bekend te doen worden. Mocht de heer v. ü. een en ander soms vergeten zijn dan wil ik hem nog wel eens ook daarvan weder op de hoogte helpen.
Alleen teeken ik hier nog aan, dat het ministerie van Koloniën door alleen het advies van don directeur van Financiën aan te bieden onder overlegging van een rapport van een aan dezen ondergeschikten inspecteur van Financiën zeer zeker niet had mogen spreken van twee adviezen maar wel van dat van den directeur van Financiën, van 17 April 1887 waarbij overgelegd liet rapport van den inspecteur bij dien tak van dienst van 15 April te voren.
Had men dat gedaan dan had men correct gehandeld maar, door dat niet te doen, maakt dit op mij denzelfden indruk als de handeling, omschreven op blz. 255 van mijn werk.
Zeer waarschijnlijk dat beide rapporten door een zelfde persoon zijn samengesteld.
De heer v. D. het reeds genoemde besluit van 1 October verder besprekende zegt nog op blz. 1(30.
âOverstorting door inlanders geschiedt bijna alleen van belastingen (landrente, bedrijfsbelasting, hoofdelijke belastingen op de Buitenbezittingen). Op de geregelde aanzuivering van die belastingen wordt door het Bestuur voortdurend toezicht gehouden, niet alleen om knoeierij van den ontvanger te voorkomen, maar ook en vooral om te waken, dat de belasting ontvangende inlanders goed voor de inning zorgen en tijdig het geinde in 's lands kas storten. Dat toezicht kan natuurlijk niet alle belastingplichtigen omvatten, maar dit behoeft ook niet. De bestuursambtenaren kennen den gewonen loop der betaling öf bij ondervinding, of uit de staten van vorige jaren; zij weten in welke maand de betaling een aanvang neemt en in welke maand het meest betaald wordt; zij weten of de actueele welvaart der bevolking al dan niet op een spoedige aanzuivering kans geeft; kortom zij weten, wat onder de gegeven omstandigheden ongeveer moet binnenkomen en hebben
4
48
Wanneer een minister van Koloniën, om aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te toonen dat voorschriften voor een beter comptabel beheer in onze O.-I. bezittingen die op last van een zijner voorgangers werden ontworpen onbruikbaar zijn geoordeeld, daarvoor aan dat regeerings college twee adviezen overlegt â zie blz. 177 van mijn werk â dan raag worden aangenomen, dat dit adviezen zijn van den directeur van Financiën en van de Algeinoene Rekenkamer aldaar, maar daar nu in antwoord op het verslag van de commissie van voorbereiding voor het onderzoek van de rekening van ontvangsten en uitgaven voor Ned. Indië voor het dienstjaar 1879 door dien Minister gesproken werd van 2 adviezen, zonder te zeggen van wien zij waren, was ik zelf zoo heel zeker niet of die twee zoooven genoemde autoriteiten, ze ook uitbrachten. Daarom vroeg ik toen aan een van de leden dier Kamer dit eens voor mij na te zien, wat deze raij beloofde te zullen doen en een paar dagen later kreeg ik daarop toen de mededeeling dat die adviezen werkelijk door de zooeven genoemde autoriteiten waren uitgebracht.
Was het met die mededeeling te verwonderen dat ik daarop verder sprak van de adviezen van den directeur van Financiën en van de Algemeene rekenkamer? Zeker niet en allerminst kan mij hiervan een verwijt worden gemaakt en had een andere vergissing, waarvan de heer v. D. op diezelfde bladzijde 158 melding maakte, mij zeer zeker niet tot meer voorzichtigheid behoeven te stemmen.
Heeft de heer v. D. goed onthouden waarover â na de mededeeling van die laatste vergissing, welke daarin bestond dat in tegenstelling van wat ik had medegedeeld, niet hij mijne voorschriften gedurende zijn verblijf hier te lande had onderzocht â ons zeer lang discours toen geloopen heeft en is hij niet vergeten met welke woorden wij van elkander gingen. Ik wil die woorden op dit oogenblik niet herhalen maar zeer waarschijnlijk doet zich later nog wel eens de gelegenheid voor
49
die bekend te doen worden. Mocht de heer v. ü. een en ander soms vergeten zijn dan wil ik hem nog wel eens ook daarvan weder op de hoogte helpen.
Alleen teeken ik hier nog aan, dat het ministerie van Koloniën door alleen het advies van den directeur van Financiën aan te bieden onder overlegging van een rapport van een aan dezen ondergeschikten inspecteur van Financiën zeer zeker niet had mogen spreken van twee adviezen maar wel van dat van den directeur van Financiën, van 17 April 1887 waarbij overgelegd het rapport van den inspecteur bij dien tak van dienst van 15 April te voren.
Had men dat gedaan dan had men correct gehandeld maar, door dat niet te doen, maakt dit op mij denzelfden indruk als de handeling, omschreven op blz. 255 van mijn werk.
Zeer waarschijnlijk dat beide rapporten door een zelfde persoon zijn samengesteld.
De heer v. D. het reeds genoemde besluit van 1 October verder besprekende zegt nog op blz. 160.
âOverstorting door inlanders geschiedt bijna alleen van belastingen (landrente, bedrijfsbelasting, hoofdelijke belastingen op de Buitenbezittingen). Op de geregelde aanzuivering van die belastingen wordt door liet Bestuur voortdurend toezicht gehouden, niet alleen om knoeierij van den ontvanger te voorkomen, maar ook en vooral om te waken, dat de belasting ontvangende inlanders goed voor de inning zorgen en tijdig het geinde in 's lands kas storten. Dat toezicht kan natuurlijk niet alle belastingplichtigen omvatten, maar dit behoeft ook niet. De bestuursambtenaren kennen den gewonen loop der betaling of bij ondervinding, of uit de staten van vorige jaren; zij weten in welke maand de betaling een aanvang neemt en in welke maand het meest betaald wordt; zij weten of de actueele welvaart der bevolking al dan niet op een spoedige aanzuivering kans geeft; kortom zij weten, wat onder de gegeven omstandigheden ongeveer moet binnenkomen en hebben
4
50
daarin een voldoende grondslag voor hun toezicht in den loop van het jaar en kunnen verder nu en dan bij eenige als achterstallig opgeven belastingschuldigen informeeren, terwijl na atloop van het jaar de invordering van den achterstand gelegenheid geeft om eventueele malversatiën te ontdekken. Ook heeft men bij de Departementen aan de opgaven in de staten 6 genoeg voor een onderzoek of de aanzuivering der belasting een normaal verloop heeft, terwijl bij de verificatie van de toelichting op de jaarrekening nog eens goed wordt nagegaan of de loop der ontvangsten niet tot bemerking aanleiding geeft.quot;
Dat door het Bestuur geregeld toezicht wordt gehouden op de aanzuivering van de genoemde belastingen is uitstekend. Het is trouwens de eenige autoriteit in staat daarvoor iets te kunnen doen; maar dat door dat toezicht gelijktijdig knoeierijen van den ontvanger zouden zijn te voorkomen, ziet, mijnheer v. D. hoe gij dat hebt durven schrijven is niet te begrijpen en zal ook wel altijd een raadsel blijven.
Gij behoorde toch te weten dat geen enkel bestuursambtenaar daartoe instaat is alleen door het ontbreken eener afdoende controle op de ontvangsten terwijl, werden de door u even te voren genoemde, door mij daarvoor aangegeven geviseerde quitanties ingevoerd, zij daartoe ten allen tijde in staat zonden zijn.
Had de heer Haaxman, zie blz. 298 van mijn werk, voorde ontvangen som van f 11972,373, wegens hoofdelijke belasting gestort, quitantie moeten afgeven en had die quitantie geviseerd moeten worden, dan was het duplikaat van dat visum met het einde der week gezonden aan het departement van Financiën en had dan, met het einde der maand, de ontvanger die golden niet verantwoord, dan zou dit dadelijk gebleken zijn, tei-wijl, was door overgroote drukte de verantwoording niet op tijd door den ontvanger ingezonden en had deze, aan de indiening herinnerd, zich moeten verontschuldigen door gebrek aan personeel, dan was de resident in dat geval wel gedwongen geworden tot het doorzenden van reeds lang gedane voorstellen
51
tot vermeerdering daarvan en had de zaak in enkele dagen zijn beslag gekregen, terwijl de afloop heel wat billijker zou zijn in zijn werk gegaan, dan nu geschied is.
Ik teeken hier ten overvloede nog aan, dat met die controle fraude niet mogelijk zoude zijn zelfs al wilden ontvanger en overstorter te samen knoeien, zooals de heer v. D. ook nog op blz. 160 aangeeft, want wat gestort werd zou met het einde der week blijken terwijl, zooals ik hierboven reeds aangaf, op do gestorte bedragen door het Bestuur de noodige controle kan worden uitgeoefend.
Ziet mijnheer v. D. dat is toch wol controle en zulk een controle is met de voorschriften van den heer Sprengeu van Eijk niet mogelijk, even onmogelijk als om bij exaiuinatie van de staten G te constateeron dat de aanzuivering van bedoelde belastingen een normaal verloop heeft gehad en om, bij verificatie van do toelichting op de jaarrekening, behoorlijk te kunnen nagaan of de loop der ontvangsten niet tot bemerking aanleiding geeft.
Na al hetgeen ik hiervoor reeds bekend deed worden is toelichting hierop niet meer noodlg.
Ik heb er zeer zeker lang over nagedacht voor ik er toe bon overgegaan om de aanteekening voorkomende op de door betaalmeesters hier te lande af te geven quitanties bij die door mij voor Ned. Indiö ontworpen zoodanig te veranderen dat gerust gezegd kan worden, dat zij daar volkomen bruikbaar zijn en ik ben tot die verandering overgegaan in de overtuiging dat iederen, dus ook de Indische Regeering ten allen tijde bevoegd is ter verzekering van zijn eigendom die maatregelen te nomen welke daarvoor noodig worden geoordeeld. Daarom stelde ik het imperatieve voorschrift âdat die quitanties ongeldig zijn wanneer zij binnen 3 dagen na afgifte niet zijn geviseerd.quot;
Dit voorschrift achtte ik noodzakelijk, niet om, zooals de heer v. D. op blz. 170 aangeeft, als hier te lande meestal gebrui-
52
kelijk, zulke quitanties geschikt te maken om als bewijs van storting als andersints dienst te doen, neen, om door hot toezenden aan de betrokken departementen van de strooken van dat visum, de ontvangers te dwingen, alle ontvangen gelden, ook als zoodanig te verantwoorden. Hiervoor worden zij ook hier te lande alleen gebruikt.
Daarom was naar mijn oordeel zulk een visum noodig â dat het uitgebreider werd geregeld dan dat alhier gebruikelijk vindt zijn oorzaak alleen in de groote afstanden â en nu moge de heer v. D. op blz. 171 daartegen verschillende bezwaren aanvoeren, die en de verder in deze reeds behandelde zijn alleen op te lossen bij een onderzoek door eene commissie van deskundige en onpartijdige personen.
Men denke toch niet dat ik, in navolging van den heer Speengee van Eijk, ooit heb verlangd dat de door mij ontworpen voorschriften, dadelijk zouden worden ingevoerd, zeer zeker niet. Den dag dat ik na het volbrengen van de mij opgedragen werkzaamheden van den, dienzelfden dag opgetreden minister van Koloniën, den heer vax Bloemen quot;Waanders afscheid nam besprak ik toen ook een onderzoek in dien geest van mijn ingeleverde voorschriften, wat die minister mij toen toezegde en wel vreemd, dat ik van zulk een onderzoek verder nooit iets heb vernomen. Neen in de plaats daarvan werd de heer CfONO-gkyp als indisch ambtenaar met verlof daarmede belast en de stukken daarna ter zijde gelegd.
Zou de ambtenaar nu laatst op blz. 49 nog genoemd ook in deze wijze van onderzoek de hand soms hebben gehad? Het wil mij zoo voorkomen dat deze er zeer zeker niet geheel vreemd aan zal gebleven zijn.
Sedert heb ik er steeds op aangedrongen zulk een onderzoek te doen houden en dit blijkt o. m. op de bladzijden 178, 227, 232, 237, 244 en quot;253 van mijn werk, tot nu toe zonder eenig resultaat, maar nu rijst de vraag, zal na al hetgeen ik nu nog weder te boek stelde om, tegen het beweren van den heer v. D. in, aan te toonen dat de verantwoording der ontvangsten
53
door den heer Speenger vax Er.ik zeer slecht is geregeld, dit onderzoek nu eindelijk plaats vinden? mij dunkt, dat de minister van Koloniën daartoe thans gerust zal kunnen overgaan daar toch de heer v. D. van wien werd verondersteld âdat hij de zaak afdoende en goed zou behandelen'' zich al dadelijk met een praatje van het beantwoorden van het grootste gedeelte van mijn werk heeft afgemaakt en dit alleen reeds genoeg aantoont, dat hij tot zulk een afdoende behandeling zich niet in staat gevoelde.
Ik handhaaf dan ook al de beschuldigingen in mijn werk uitgesproken en de vragen bij mijn hiervoor omschreven request gedaan en mochten nu minister van Koloniën en Xederlandsche volks-vertegenwoordiging een onderzoek willen doen instellen, laat men zich dan wenden tot het reeds op blz. 45 genoemde instituut van accountants. De leden daarvan zijn deskundige en onpartijdige personen en zullen zeker zulk een onderzoek niet weigeren, te meer daar zij zich, waar noodig, door den heer van Dorsser en door mij kunnen laten voorlichten.
Als dan die Heeren hebben onderzocht wat in de bestaande voorschriften goed is geregeld, wat daarbij geheel of gedeeltelijk werd vergeten en tevens hebben beoordeeld wat daarvoor door mij voor verbetering werd aangegeven en als daarna dan goede voorschriften zijn vastgesteld dan zal gezegd kunnen worden, dat het geldelijk beheer in onze Oost-Indische bezittingen eindelijk goed geregeld zal zijn.
Na van mijn bovenstaand antwoord in zijn geheel te hebben kennis genomen zal men toch moeilijk kunnen erkennen, dat de heer v. D. in zijn repliek is opgetreden als deskundig en onpartijdig persoon en zoo iemand toch is in de eerste plaats noodig om al het door mij aangetoonde behoorlijk te wederleggen, altijd als zulks mogelijk is. Is het niet mogelijk? dan behoort het ook erkend te worden.
Het grootste gedeelte van mijn werk beantwoordde hij niet, zijne wederlegging was treurig en erkennen deed hij niets.
54
neen, hij vergat, als niets viel in te brengen, in die gevallen liever de bespreking.
Zal nu de minister van Koloniën bij zijn plan blijven en alsnog aan de Indische regeering opheldering vragen, blz. 17, maar dan kan deze, afgaande op hetgeen de heer v. D. leverde nu reeds nagaan hoe die ophelderingen zullen luiden en daarom vind ik het niet onnoodig het volgende nog eens onder zijne aandacht te brengen.
De houding toch die de tegenwoordige Gouverneur-Generaal vóór zijn vertrek naar Indië tegenover mij aannam, alleen om den ontwerper van onderwerpelijk bedoelde voorschriften niet te ontstemmen, heb ik omschreven op blz. 289 v. v. van mijn werk; hoe de tegenwoordige directeur van Financiën, de heer Bakhuizen van Brink als inspecteur bij die tak van dienst in zake Wennink zijn plicht vervulde is te vinden op blz. 2Ã1 van die brochure; hoe in zake Haaxman die zelfde hoofdambtenaar, maar toen als directeur van Financiën optrad of liever niet optrad, wordt gevonden op blz. 303 en hoe ook hij als zoodanig een geldelijk beheer heeft gevoerd en nog voert, dat met de bestaande voorschriften niet goed te voeren is, blijkt door dat geheele werk heen.
Zullen do ophelderingen die deze autoriteiten zullen verschaffen steekhoudend zijn? Ik hoop het, maar gelooven doe ik het niet.
Voor dat ik overga tot het aantoonen, dat ook van de Al-gemeene Rekenkamer in Ned. Indië moeilijk afdoende opheldering zal worden verkregen, vervolg ik eerst wat ik op blz. 268 v. v. over dat college reeds aanteekende.
Als President fungeert op dit oogenblik de heer H. van Alphen J.Rzn.
Van deze toekende ik op blz. 227 van mijn werk aan, hoe hij als adjunct-inspecteur van Financiën met Dr. de Koo als inspecteur, op Banka tal van later wegens fraude geincrimi-neerde stukken voor gezien en goedgekeurd teekende, daardoor den lande voor duizenden benadeelde en deze duizenden be-
55
loopen samen, volgons aanteekening van den heer Struick ^ een som van f 91.188.03, terwijl het bijna wiskunstig zeker is, dat nog veel meer werd gestolen dat niet werd ontdekt.
Bij dat college, dat in het Verslag harer werkzaamheden enz. over 1895 2) geen woord repte over den slechten toestand van liet geldelijk beheer, zie blz. 26 van mijn gedrukt verzoekschrift, is nu bovendien door den Gouverneur-Generaal tot tijdelijk lid aangesteld Jhr. W. H. W. de Kock â zie Nieuwe Rotterd. Courant van 30 November 1897, Eerste Blad, B. â van wien ik o. a. op blz. 69 en 70 van mijn werk aantee-kende dat hij van 14 April 1892 tot 11 April 1895 was inspecteur van Financiën in de afdeeling; dat hij als zoodanig ingevolge Indisch Staatsblad 1879 No. 59 liet oog had moeten houden op de venduadministratie te Probolingo, maar dit niet deed waardoor de vendumeester aldaar â en ik nam dit over uit de Avondpost van 14 Juli 1896 â op een gegeven oogenblik werd belast met de restitutie eener som van f 151.723.555 wegens onaangezuiverde vorderingen van die administratie.
Het âBataviaasch Nieuwsbladquot; teekende hierover aan âWij zijn benieuwd wat er van terecht komt, en of men er zich mede vergenoegen zal, voor zulk een wanbeheer eene vergoeding op te leggen, welke natuurlijk nimmer zal worden voldaan.quot;
Verder beantwoordde ik nog een artikel van genoemden heer de Kock, zie blz. 193 tot 213 van mijn werk, en eindigde dit met de woorden;
âDat artikel bleek mij na lezing zoo vol onjuistheden te zijn en was daarenboven geschreven op een zoo onwaardigen toon, onwaardig vooral met het oog op het belangrijke van het behandeld onderwerp, dat hot mij tegen de borst stuitte om ook
U Zie Indische Gids 1887 blz. 032.
2) Moet zijn 1800. in (int over 1807 wordt ook ïïeen woord over dien toe-sland gerept.
56
dezen, en nog wel als actief dienend ambtenaar, omtrent al zijn verkeerde voorstellingen te moeten terechtwijzen. Alleen daarom deed ik het niet.quot;
Dit nu eenmaal wetende mag men zich zeker wel verwonderen over zulk een keuze, vooral daar de heer de Kock inviel voor het met verlof vertrokken militair lid van dat college en, ben ik goed geinformeerd, dan was ook een militair als tijdelijk lid voorgedragen. Ik schrijf hier dan ook gerust ter neder dat door die benoeming de onafhankelijkheid van de indische rekenkamer er alweder niet op verbeterd zal zijn en daarom wraak ik dan ook dat college als onbevoegd tot het geven van onpartijdige ophelderingen.
In de Eerste Kamer der Staten-Generaal verklaarde later genoemde Minister, zie blz. 20, âdat wanneer mijne bezwaren niet voldoende werden wederlegd, Hij, zooals reeds was toegezegd, genegen zoude zijn om een verder onderzoek naar de zaak in te stellen,quot; en dit antwoord werd gegeven op het gesprokene door het lid van die Kamer Mr. P. I. A. M. Reekers, die o. ra. aanvoerde, dat er naar het hem voorkwam âalle aanleiding voor den Minister van Koloniën bestond de zaak zelf ter hand te nemen en niet eerst leidelijk af te wachten of er een ander geschrift verschijnt en of in dat geschrift de brochure van den heer Roessingh van Iterson op afdoende wijze wordt wederlegd.quot;
Uit het antwoord daarop van den Minister valt nu moeielijk op te maken wat zal geschieden, een onderzoek hier te lande of wel in Indië en daarom vond ik het noodig er op te wijzen wat men van een onderzoek daar heeft te wachten, en tevens aan te geven, wie hier als deskundige en onpartijdige personen tot zulk een onderzoek eenig en alleei bevoegd zijn.
Ik vermeen daarmede alweder niets dan mijn plicht te hebben gedaan.