)4- 3J.2/ /gt;|||
Van den Schrijver.
tjU -j j.
1 i l' n ^ h t
l » I. ! . W 1 J L
!\ü
EENIGE OPMERKINGEN
â I
fle Mlnm Tan liet Turlscli.
: :v'y' â x-SK'I
REDEVOERING
uitgesproken op 26 Maart 1896
Dr.
P.HCTOR MAiiXIl ll
M. Th. HOUTSMA,
I'S l'Ki; liUKS-rxIVKUSITKIT ri'. fTUKCIIT.
â
EENIGE OPMERKINGEN
BETREFFENDE
DE BEOEFENING VAN HET TÃRKSCH.
EENIGE OPMERKINGEN
BETREFFENDE
Imlmg van liet Mscli.
REDEVOERING
uitgesproken op 26 Maart 1896
DOOR
Dr. M. Th. HOUTSMA,
RECTOR MAGNIFICUS DER RIJKS-UX1VERSITEIT TU UTRECHT.
J. VAN DRUTEN,
Senatus Votcraiionim Typograplius et Librorum Editor. Utrecht â 1S96.
Mijne Heeren! Curatoren, Professoren, Lectoren, Boctoten, Studenten en verder gij allen, die deze plechtigheid met Uwe tegenwoordigheid hert willen vereeren,
Zeer geachte toehoorders !
Het is niet zonder eenigen schroom, dat ik het waag op dezen feestdag onzer Universiteit lot U te spreken over een onderwerp, dat tot den kring mijner studievakken behoort. De Oosterse! ie Letteren genieten over het algemeen niet die populariteit, welke den wetenschappelijken onderzoeker op ander gebied bij den arbeid ondersteunt en aanmoedigt. Met geringe ingenomenheid, ja somtijds met kwalijk verholen bevreemding, ziet men den Oriëntalist verre en gevaarlijke reizen ondernemen, of in de studie zijner handschriften zich verdiepen om eene wetenschap te dienen, waarvan het praktisch nut niet zoo dadelijk in het oog valt. liet Oosten ligt nu eenmaal buiten den gezichtskring van velen; het is onbekend land en gelijk het vaderlandsche spreekwoord zegt: onbekend maakt onbemind.
Mogen dergelijke overwegingen ons soms terughouden om de resultaten van ons onderzoek al te dikwijls voor het publiek te brengen, de Rector Magnificus mag daaraan op dezen dag geen gewicht toekennen. Moge de hooge vlucht, die andere wetenschappen genomen hebben, de belangstelling in meerdere mate tot zich trekken, aan de Universiteit, waar vóór ongeveer twee eeuwen mijn
Jaarboek der Rijks-Universiteit 189G-1897, 1
2
beroemde voorganger te dezer plaatse, Adrianus Reland, het durfde wagen met eene rede over liet Perzisch zijn ambt te aanvaarden, daar kan de belangstelling voor bet Oostersch nog niet geheel uitgedoofd zijn. Het zal U dus noch verbazen, noch teleurstellen, indien ik voor eenige oogenblikken Uwe welwillende aandacht kom vragen voor eenige opmerkingen betreffende de beoefening van bet Turksch.
De bekendheid der Europeesche volken niet het Turksch dateert in den grond der zaak eerst, van het tijdstip, waarop de Osmanen vasten voet in Europa verkregen hebben en de reeds vroeger met de Italiaansche handelstaten aangeknoopte relatiën talrijker en veelvuldiger werden. Nog vindt men op enkele Bibliotheken kleine handschriften, bevattende Turksche woordenlijsten met Italiaansche verklaring, die onze studie in het eerste stadium barer ontwikkeling toonen. Wel bezitten wij in den zoogenaamden Codex Cumanicus van het jaar 1303 eene veel belangrijkere Turksch-Latijnsche en Turksch-Duitsche woordenlijst, maar deze draagt een geheel ander karakter, zoodat zij hier gevoegelijk onbesproken kan blijven. Wie zich dus de beginselen van het Turksch wilde eigen maken en niet in de gelegenheid was Constantinopel zelf te bezoeken reisde naar Venetië, waar overvloedige gelegenheid bestond zich de verlangde kennis te verwerven. Zóó deed onder anderen de bekende latere Leidsche Hoogleeraar Thomas Erpenius (f 1G24), die, voorzoover mij bekend, de eerste beoefenaar van het Turksch in Nederland was. Aan navolgers ontbrak het hem hier te lande niet, want de Republiek onderhield een levendig diplomatiek en handelsverkeer, zoowel met de Verhevene Porte zelve, als met de Turksche beheerschers der Barbarysche staten. En niet alleen de Regeering, maar ook particulieren waren om die reden dikwijls genoodzaakt de voorlichting van ge-
3
leerden, tlie de ontvangen brieven en stukken konden lozen en beantwoorden, in te roepen. Evenwel, deze studie droeg een bijna uitsluitend praktisch karakter, want voor wetenschappelijke taalstudie had men toenmaals noch lust, noch tijd. Geen tijd, daar de Hoogleeraren in het Oostersch het vol handig genoeg hadden met Hebreeuwsch en Arabisch, waarbij soms nog, gelijk met den beroemden Golius het geval was, de verplichting kwam om de wiskunde te onderwijzen. Maar ook geen lust, omdat men in het Turksch slechts een mengelmoes zag van inlandsche, Perzische en Arabische elementen en de letterkunde, voorzoover bekend, uitsluitend uit navolgingen van Perzische en Arabische origineelen scheen te bestaan. Hoogstens werd het nog als hulpvak bij de studie dezer talen beoefend, inzoover eenige belangrijke philologische geschriften in het Turksch geschreven waren. En gelijk het bij ons te lande ging, zóó gebeurde het ook elders: het Turksch bleef het stiefkind der Oriëntalisten en werd bijna uitsluitend om praktische doeleinden beoefend.
Ietwat meer belangstelling, dan aan de taal- en letterkunde, viel aan de geschiedenis en ethnographie der Turken ten deel. Het afwijkende geloof, de met hetgeen elders in Europa gebruikelijk was, zoozeer verschillende gewoonten, eindelijk de gevreesde macht der Turken moesten onwillekeurig de nieuwsgierigheid prikkelen. Verschillende geschriften zagen het licht, die deze trachtten te bevredigen. Maar de belangstelling beperkte zich niet tot de Osmanische Turken ; men herinnerde zich ook, welk een geducht rijk de Mongolen in de Middeleeuwen gesticht hadden en welke belangrijke berichten daaromtrent door Christelijke zendelingen, die gezonden waren om den Groot-Khan te bekeeren, waren medegedeeld. Men vergeleek dit met hetgeen de Ouden over de Scythen en later over de Hunnen hadden verhaald, en vulde dit aan met
4
hetgeen men in enkele Chineesche berichten vond, die door den ijver van de Jezuïeten waren vertaald geworden. Ik kan mij het genoegen niet ontzeggen hier het werk van een landgenoot te vermelden, die wel is waar van de Osmanen zwijgt, maar overigens in zijn bekend werk âNoord en Oost ïartaryequot; tal van wetenswaardigheden omtrent de ethnographic van Siberië, Mongolië, Turkistan en Zuid-Rusland heeft bijeengebracht. Dit werk, voor het eerst uitgegeven in 1092, is te meer merkwaardig, omdat de schrijver, Nicolaas Witsen, volstrekt geen vakgeleerde was. Wel had hij op zijne Russische reis met enkele Aziaten kennis gemaakt, maar niet altijd tot zijn genoegen, zooals uit de weinig vleiende wijze, waarop hij zich soms over hen uitlaat, blijkt. Doch op zich zelve is het reeds merkwaardig, dat een man als Witsen voor dergelijke onderzoekingen tijd en moeite veil had, en daarbij komt, dat zijn werk als compilatie eene groote waarde heeft. Hij gebruikte daarvoor namelijk niet alleen uittreksels uit reeds gedrukte stukken, maar nam ook vele ongedrukte bescheiden op, die hij van verschillende, dikwijls zeer goed ingelichte personen, Aziaten en Euro-peesche geleerden, ontvangen bad. Ook aan kritisch oordeel ontbrak het hem niet, zoodat hij op afdoende gronden de ongerijmde meening, dat de Tartaren het overblijfsel zouden zijn van de tien in ballingschap gebleven Israëlietische stammen, weerlegt. Overigens was bij hem de aardrijkskunde en niet de ethnographie hoofdzaak en is zijn werk, gelijk van zelf spreekt, thans geheel verouderd.
Hooger staat nog het in het midden der vorige eeuw te Parijs verschenen geschiedwerk van Deguignes, llistoire des Huns getiteld, dat zelfs nu nog voor enkele gedeelten met vrucht geraadpleegd kan worden. Allengs werden namelijk verschillende Oostersche bronnen gemakkelijker
5
toegankelijk, waaronder vooral de Chineesche moeten genoemd worden. Maar wij kunnen hier geen dorre lijst van namen en titels geven. Genoeg zij het nog in het bijzonder de aandacht te vestigen op eene omstandigheid, die voor het onderzoek van Siberië hoogst gunstig gewei kt heeft: de verovering namelijk van dit uitgestrekte gebied door de Russen. Ieder weet, hoe onder de regeeriug van de talentvolle Catiiarina II de belangstelling voor Oosterscbe talen en voor verwante onderzoekingen levendig werd. Daaraan danken wij de latere geschriften van Pallas, Klaproth, Abel Rémusat en anderen, die reeds in het begin van onze eeuw leefden en het zwaartepunt der Turksche studiën van Constantinopel naar Centraal- en Hoog-Azië verplaatsten. De hier gesproken dialekten toch waren niet, gelijk dat der Osmanische Turken, door vreemde elementen bijna onkenbaar geworden, maar gaven nog een min of meer getrouw beeld van het oorspronkelijke Turksch.
En dit geldt niet alleen van de taal, maar is evenzeer van toepassing op de anthropologische en ethnographische vraagstukken, die ten aanzien van bet Turkenvolk oprijzen. De Osmanen hebben zich sedert hunne bekeering tot den Islam en hunne verhuizing naar de landstreken, die zij nu nog bewonen, in die mate met de daar gevestigde bevolking vermengd, dat zij alle kenmerken van het Mongoolsche ras, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, ten eenen male hebben verloren. Zij zijn nu zuivere Kaukasiërs geworden en vertegenwoordigen zelfs een bijzonder kloek gebouwd en wèl gevormd type van dit ras. Wel is waar zijn ook de Turksche Nomaden en Halfnomaden van Centraal-Azië geen zuivere Mongolen en treft men, bijvoorbeeld bij de Kirgisen, reeds een gemengd type aan, maar in het algemeen is het toch waar, dat hoe verder men naar het Oosten komt, des te duide-
6
lijker de Mongoolsche eigenaardigheden bij de Turken aan den dag komen. Overigens betreffen deze hoofdzakelijk het physiek; in geestelijk opzicht valt ter nauwernood verschil waar te nemen tusschen een echten Turkmen en een Arischen Kurde, of een Semietischen Bedowijn. Het menschelijk leven is in steppe of woestijn zóó gelijkvormig, dat het volkskarakter overal de zelfde plooi aanneemt en de instellingen en gebruiken eene in het oog vallende gelijkheid vertoonen. Eerst bij verdere ontwikkeling, bij den overgang tot het gezeten leven, komt het oorspronkelijke verschil in aanleg en begaafdheden voor den dag.
Toen nu in onze eeuw de vergelijkende taalwetenschap op vaste grondslagen was gevestigd, moest ook het Turksch de aandacht trekken eu de vraag beantwoord worden, tot welke groep van talen het behoorde. Men zag aanstonds in, dat het noch tot de Arische, noch tot de Semiotische groep kon gebracht worden en werd bij tie bestudeeriug der spraakkunst bijzonder getroffen door den hoogen eenvoud, de strenge regelmatigheid en tegelijk door den grooten vormenrijkdom van deze taal. liet is, zoo liet zich de bekende linguist Max Mllleb hooren, ') een waar genot eene Turksche spraakkunst door te lezen, zelfs al begeert men zich die niet praktisch eigen te maken. De vernuftige wijze, waarop de talrijke grammatische vormen gevormd worden, de regelmatigheid, die verbuigings- en vervoegingsleer beheerscht, de doorzichtigheid en begrijpelijkheid van den geheelen bouw moeten allen treffen, die eenig gevoel hebben, voor dat wonderlijk vermogen van den menschelyken geest, dat zich in de taal openbaart. Hier, zoo gaat hij voort, laat zich het inwendig raderwerk der taal even gemakkelijk bespieden,
') Lectures on the science of languaye 6 cd. London 1871. 1,354vvi,.
7
als het bouwen der cellen in een glazen bijenkorf, en men verbaast zich slechts, dat een zóó kunstig en welgeordend systeem door onontwikkelde Nomaden en niet veeleer door een gezelschap geleerde mannen is uitgedacht.
Wel is waar schuilt in deze beschouwingen eenige overdrijving, want ook het Turksch is niet zóó doorzichtig, of er blijlt nog meer dan één taalkundig raadsel ter verklaring over, maar in hoofdzaak heeft Max Muller volkomen gelijk en is de eerste indruk, dien men van eene Turksche spraakkunst ontvangt, inderdaad deze: hoe eenvoudig! hoe regelmatig! Eenvoud beteekent hier echter geenszins armoede, want het Turksche werkwoord heeft naar de berekening van een Engelsch Turkoloog, Shaw, 29000 mogelijke vormen. Daaruit blijkt voldoende, dat men de fijnste schakeeringen van tijd en wijze duidelijk en kort kan uitdrukken, al zoude men overigens tegen de berekening de juiste aanmerking kunnen maken, dat de taal geen rekenkunstig probleem is en niet met mogelijke, maar alleen met werkelijk voorkomende vormen te doen heeft.
Den eenvoud van het Turksch wilde men verder hierin zien, dat de uitgangen bij declinatie en conjugatie mechanisch aan den stam gevoegd worden, zoodat deze zelf daarbij onveranderd blijft en stam en uitgang ten allen tijde gemakkelijk van elkaar te scheiden zijn. In de Semietische en Arische talen is dit slechts bij uitzondering het geval en wordt er dikwijls groote linguïstische kennis vereischt om door vergelijking van een groot aantal vormen den oorspronkelijken uitgang terug te vinden en te verklaren. Vele andere talen echter staan in dit opzicht met het Turksch gelijk en worden daarom door sommige linguisten samengevat onder den naam van agglutineerende talen. Intusschen, voor eene wetenschappelijke klassifi-catie is dit onderscheidingsteeken allerminst berekend.
8
omdat agglutinatie in schier alle talen voorkomt en op die wijze talen worden bijeenvoegd, die overigens niet de geringste morphologische overeenkomst met elkaar hebben. Wellicht had dan ook de onderscheiding van tlecteerende en agglutineerende talen niet zulk een onver-dienden bijval gevonden, indien zij niet bij Max Muller en anderen in samenhang had gestaan met eene luchtig opgebouwde theorie omtrent de ontwikkeling der mensche-lijke taal in het algemeen. Die theorie hield in hoofdzaak in, dat in de oudste periode der taalvorming alleen éénlettergrepige woorden gebruikt werden, wat naar Max Muller meende, onder andere het geval is met het Chineesch; dat men vervolgens die monosyllaben, om enkele dikwijls terugkeerende verhoudingen aan te duiden, aaneengelijmd had, zoodat eenige veel gebruikte vormwoorden allengs de waarde gekregen hadden van voor- en achtervoegsels; dat eindelijk stam en vormwoorden met elkaar tot één organisch geheel waren versmolten en de flecteerende talen waren ontstaan.
Deze mechanische theorie beval zich aan door hare eenvoudigheid, maar eenvoud is niet altijd het kenmerk dei-waarheid. Allerminst bij een zóó samengesteld verschijnsel als de menschelijke taal, welker geschiedenis even oud is, als die van het menschelijk geslacht zelf. Nadere onderzoekingen hebben dan ook uitgemaakt, dat de agglutinatie voor eene wetenschappelijke indeeling der talen volstrekt onbruikbaar is en dat men, wat meer in het bijzonder het Turksch betreft, goed doet dit met de Mongoolsche, Tun-gusische, Samojedische en Finsch-Ugrische dialekten tot één afzonderlijke groep te verbinden, die men aanduidt met den naam Ural-Altaïsche talen. Al deze talen worden beheerscht door de wet der vokaal-harmonie, krachtens welke in één woord, óf alleen gutturale, óf alleen palatale vokalen mogen voorkomen, zoodat de klinkers van achter-
9
voegsels bijvoorbeeld zich naar die van het hoofdwoord moeten schikken. Al betreft deze wet schijnbaar alleen de klankleer, zij doet ook elders in de spraakkunst haren invloed gevoelen en is niet minder karakteristiek voor de genoemde talen, dan bijvoorbeeld het drie-rad ikalen stelsel voor die der Semieten. Pieeds Viguier legde baar in 1790 aan zijne Turksche spraakkunst ten grondslag, maar de beteekenis zijner ontdekking werd aanvankelijk over het hoofd gezien, ofschoon zij juist bijzonder merkwaardig was, omdat hij haar deed bij bet dialekt van Constantinopel, dat, gelijk ik opmerkte, zoovele niet-Turksche bestanddeelen in zich heeft opgenomen. Zóó vast is namelijk deze wet, dat vreemde woorden zich daaraan ook moeten onderwerpen op het gevaar af van onkenbaar te worden. Overigens werkt zij er in het Turksch, evenals in het Finsch en elders, toe mede, dat de lettergrepen duidelijk worden uitgesproken en de geheele taal zich door zoetvloeiendheid onderscheidt.
Al was nu voorloopig de wetenschappelijke klassificatie van het Turksch voldoende nauwkeurig bepaald, de studie ervan werd zeer bemoeilijkt door gebrek aan voldoend litterarisch materiaal. Wel had men de Osmanische letterkunde, maar, gelijk wij reeds zeiden, men wenschte liever de zuivere dialekten van Centraal-Azië te bestudeeren. Enkele daarvan hadden zich inderdaad tot litterarische talen ontwikkeld, dat is, men bezat daarin eene geschreven letterkunde, zij het ook van beperkten omvang. Maar de monumenten daarvan sluimerden in het traditioneele stof der Bibliotheken, of waren nog in het geheel niet naar Europa gebracht. Daarenboven bestond in vele andere dialekten geen geschreven letterkunde, zoodat om deze te kennen, slechts persoonlijke omgang met de stammen, die ze spraken, tot het doel kon voeren. En hoe groot ook de ijver der Turkologen was, niet ieder had tijd.
10
lust, of genegenheid om gemimen tijd bij de stammen van Zuid-Siberië en Turkistan door te brengen. Gelukkig kwamen ervaren linguisten ') hierbij te hulp, die hetgeen zij uit den mond der inboorlingen hadden gehoord: allerlei vertellingen, liederen, spreekwoorden en wat dies meer zij, naar vaste phonetische regels opteekenden en later dooiden druk voor ieder toegankelijk maakten. Europeesche geleerden onderzochten terzelfder tijd de schatten der Bibliotheken en gaven de belangrijkste daarin gevondene Turksche geschriften uit, zoodat ons thans een omvangrijk materiaal ten dienste staat, in meer dan vijf en twintig Turksche dialekten. Als men daarbij bedenkt, dat Abel Rémusat er in 1820 nog maar vier wist te onderscheiden, dan ziet men dadelijk in, hoezeer wij in de kennis van het Turksch zijn vooruitgegaan.
En zoo ooit de waarheid gebleken is van de spreuk; die zoekt zal vinden, dan is dit hier het geval geweest, want wat niemand had durven verwachten is door het archaeologisch onderzoek aan den dag gebracht. Zoo baarde het voor ruim een tiental jaren reeds opzien, dat men in de Siberische provincie Semiretchië een aantal grafsteenen had ontdekt met Turksche opschriften in Syrisch schrift. Deze combinatie kan vreemd schijnen, doch laat zich gemakkelijk verklaren. De grafsteenen toch behoorden aan Turksche Christenen, die door Syrische Nestorianen lot het Christendom waren bekeerd geworden en van hen tevens het letterschrift hadden geleerd. Wel wist men, dat deze ijverige zendelingen dwars door Azië heen tot in China waren doorgedrongen en onder de
') Ik denk hierbij aan Radloff, Prohen der Volkslilteralur der iiiiicischen Stüinme Südsihiriens 6 Bd. SI. Petersburg 1866âJ 8S(i; ,1. Kunos, Oszmdn-törok népköltési gyiijteménij 2 13d. Budapest 1887â1889.
11
Turksche stammen vele bekeerlingen hadden gemaakt, maar sedert de verbreiding van den Islam was dit vergeten en men kon ter nauwernood hopen, dat nog eenmaal de grafsteenen der bekeerden zelf voor hunne werkzaamheid getuigenis zouden afleggen. Al waren die steenen dus niet bijzonder oud â want zij dateeren uit de 13de en 14de eeuw â toch haddon zij hunne beteekenis niet alleen a-oor de linguïstiek, maar ook voor de Christelijke kerkgeschiedenis.
Deze ontdekking werd echter geheel in de schaduw gesteld, toen men eenige jaren later in Noordwestelijk Mongolië, in het stroomgebied van den Orkhon, een paar grafmonumenten vond met eene zeer uitvoerige inscriptie in tot dusver onverklaarde letterteekens. Onverklaarde, niet geheel onbekende, want men had vroeger reeds hier en daar in Siberië dergelijke teekens gezien, maar weinig moeite gedaan om de beteekenis ervan te doorgronden. Daar echter de thans gevonden inscription vergezeld waren van een Chineesch bijschrift en men buitendien uit Ghineesche bronnen wist, dat hier ergens de grafmonumenten opgericht waren voor twee Turksche prinsen, in de jaren 731 en 734 onzer jaartelling overleden, zoo scheen er alle kans te bestaan, dat de onverklaarde letterteekens spoedig gelezen zouden kunnen worden. Evenwel deze hoop bleek ijdel. Het Ghineesche bijschrift was geene vertaling van dat hetwelk in het vreemde letterschrift gesteld was, en zelfs de eigennamen kon men daarin niet terug vinden. Toch gelukte het aan het geduld en de scherpzinnigheid van den Deenschen geleerde Thomsen langs anderen weg den sleutel tot lezing van het letterschrift te vinden. De nieuwere linguïstiek moest nu weder het bewijs leveren, dat zij bij machte is een onbekend dialekt te reconstrueeren, gelijk zij het vroeger met de Egyptische, Oud-Perzische en Assyrische opschriften gedaan had. Het
12
probleem was hier echter inzoover eenvoudiger, omdat van te voren vaststond, dat men met een Turksch dialekt te doen had. Zij heeft dan ook die proef glansrijk doorstaan, want de verklaringen door den Paissischen Tnrkoloog Radloff en onlangs door Thomsen /.elf gegeven mogen nog op ondergeschikte punten ruimte voor twijfel overlaten, over hel geheel genomen zijn zij zeer bevredigend. Wij kennen daardoor niet alleen een oud dialekt meer, maar weten thans uit de meest authentieke bronnen, dat reeds in de achtste eeuw onzer jaartelling deze Turken van het verre Oosten in het bezit waren van een zeer ontwikkeld letterschrift en een zekeren trap van beschaving bereikt hadden, onafhankelijk van Christendom of Islam. De inhoud der inscriptie wijst hier en daar duidelijk op Chineeschen invloed, maar het letterschrift is zelf niet van Chineeschen oorsprong. Of het, gelijk Thomsen meent, eene transformatie is van het over de geheele wereld verspreide oud-Phoenicische alphabet schijnt mij nog onzeker; althans onmiddellijk is het daaruit wel niet ontstaan.
Doch het is thans de gelegenheid niet om in deze en andere vragen, die naar aanleiding van deze nieuwste ontdekking oprijzen, ons verder te verdiepen. Zooveel meen ik echter te hebben aangetoond, dat de studie van het Turksch in onze eeuw geheel nieuwe banen heeft ingeslagen en zich voornamelijk gericht heeft op de kennis van de uit linguistisch oogpunt zóó belangrijke Aziatische dialekten. De archaeologische ontdekkingen, waarvan ik in de laatste plaats sprak, zijn echter niet alleen voor de studie der taal, maar ook voor die van de geschiedenis der Turken van gewicht. Ook daarover willen wij enkele opmerkingen maken.
De volksnaam Turken wordt, zooals bekend is, in AVestersche bronnen voor het eerst genoemd ten tijde van
13
den Byzantynschen keizer Justinianus I in de zesde eeuw onzer jaartelling. Ongeveer in denzelfden tijd wordt hij ook vermeld onder den vorm Tukiu bij Chineesche schrijvers. Op de zoo even besproken inscriptie komt hij overal voor als de nationale naam bij uitnemendheid en sedert wordt hij in allerlei Oostersche en Westersche bronnen herhaaldelijk genoemd. Men heeft echter gevraagd, of hetzelfde volk niet reeds vroeger in de geschiedenis bekend geweest is, zij het dan ook onder een anderen naam. Het is evenwel gemakkelijker die vraag te stellen, dan haar te beantwoorden, want de naam Turk is een volksnaam, evenals Germaan, en omvat verschillende stammen, die meestal onder hun eigen naam bekend waren, zonder bijvoeging van den algemeenen volksnaam. Daarbij komt nog, dat deze stamnamen onophoudelijk wisselen, omdat de politieke verhoudingen bij Nomaden weinig stabiel zijn. Immers de kern van den stam is de familie, welker leden dezelfde afstamming en dezelfde belangen gemeen hebben. Verdere verwanten en arme op zich zelve slaande familiën sluiten zich daarbij aan en vormen samen wat men in het Turksch een aid of Nomadendorp noemt, terwijl zij zich onderwerpen aan het gezag, dat door het familiehoofd over alle leden wordt uil geoefend. Is dit hoofd door zijne afstamming, rijkdom of bekwaamheden ook bij de bewoners van naburige aids gezien, dan tracht bij allicht, zoo de omstandigheden hem eenigszins gunstig zijn, zijn gezag ook daarover uit te breiden. Gelukt hem dit, dan vormen die familiën met haren aanhang den stam, die soms den naam aanneemt van hel gemeenschappelijk opperhoofd. Zoo spreken wij van Seldjuken, van Osmanen, alsof hel hier bepaalde afdeelingen van hel Turkenvolk betreft, terwijl feitelijk deze namen een complex van slam-men aanduiden, die op een bepaald oogenblik onder de leiding van Seldjuk en van Osman zich hebben vereenigd-
14
Toen de afstammelingen van Seldjuk niet machtig genoeg meer waren om die stammen bijeen te houden, verdween ook de naam Seldjnken spoorloos uit de geschiedenis en evenzoo zal het met den naam Osmanen gaan, als de regeereude dynastie te Constantinopel mocht komen te vallen. Dat in tijden van onrust en oorlog tusschen de verschillende stammen, soms een talentvol veroveraar tal van stammen onder zijn gezag vereenigt en de oorspronkelijke familie zich op de wijze van eene lawine tot eene geheele horde uitbreidt, is bekend. Zóó ontstond bijvoorbeeld het ontzaglijke rijk der Mongolen in de Middeleeuwen, dat eerst allerlei Mongoolsche en Turksche stammen in zich opnam en vervolgens natiën van de meest verschillende afstamming omvatte. Zóó ging het ook vroeger ten tijde der volksverhuizing en daardoor is meteen duidelijk, waarom de vraag nog steeds ijverig besproken wordt, of de in Europa zóó gevreesde Hunnen van Turksche nationaliteit waren, of niet. Uit het thans opgemerkte is duidelijk, dat deze vraag inderdaad voor geen bepaald antwoord vatbaar is, want de naar Europa getrokken Hunnen bestonden, evenals later de Mongolen, uit een complex van stammen, die zich ouder de leiding van Attila, den geesel Gods tijdelijk vereenigd hadden, en, toen zij niet meer door het gezag bijeengehouden werden, weer uiteenvielen, zoodat de naam Hunnen even spoorloos uit de geschiedenis verdwijnt, als hij plotseling daarin opdoemt.
Nu lezen wij wel bij Chineesche schrijvers van tal van nomadische volken, die op de grenzen van China leefden en op verschillende tijden groote rijken stichtten, maar wie zal zeggen, of die Nomaden nu van Turksche, Mongoolsche, of Tungusische afstamming waren? Wat zij ous van de volkseigenaardigheden dezer Nomaden mede-deelen past op den een zoo goed, als op den ander. In Westersche-, bepaaldelijk Byzantijnsche bronnen, is men
15
niet nauwkeuriger; ja hier worden meer dan eens al deze volken met den uit de oudheid overgeleverden naam van Scythen aangeduid. Al is het dus zeker, dat het Turksche volk zelf onder is, dan het tijdstip, waarop het onder dien naam bekend is geworden, zoo is liet desniettemin hopeloos om her. onder de vele vroeger genoemde stamnamen te herkennen en de geschiedenis der Turken tot vóór het genoemde tijdstip op te halen. Trouwens ook nog daarna duurt het geruimen tijd, voordat de Turken voor de wereldgeschiedenis belangrijk beginnen te worden. Immers dit had eerst plaats, toen zij tot den Islam overgegaan, de erfenis aanvaardden van de Arabieren, wier werk zij in Voor-Azië hebben voortgezet. Het is merkwaardig, dat in de periode, die wij de Middeleeuwen plegen te noemen, voornamelijk met het oog op West-Europeesche toestanden, ook in Azië geheel andere volken op den voorgrond treden, dan vroeger. De oude cultuurvolken, Chineezen, Perzen schijnen voor het oogenblik hunne rol Ie hebben afgespeeld, en in hunne plaats treden Nomadische volkeren op, eerst de Arabieren, dan de Turken, eindelijk de Mongolen, die te voren zoo goed als onbekend waren en als barbaren beschouwd werden, die in hunne steppen en woestijnen steeds op hetzelfde standpunt van ontwikkeling waren blijven staan. Van deze drie volken hebben ongetwijfeld de Arabieren door den Islam, dien zij predikten, den duurzaamsten en diepstgaanden invloed geoefend, gelijk zij ook overigens de meest begaafden waren. Maar toch ook de geschiedenis van Turken en Mongolen is niet zonder belang en biedt den beoefenaar van de geschiedenis der beschaving menig belangwekkend probleem ter oplossing.
Inzonderheid trekt de oude en oorspronkelijke godsdienstvorm dezer volken onze aandacht. Wat men daaromtrent vroeger wist was hoogst gebrekkig en verward.
IG
gelijk men aanstonds ziet, wanneer men bijvoorbeeld de opmerkingen van Witsen daaromtrent naleest. Dit was trouwens niet anders te verwachten, want men had daaromtrent slechts eenige verspreide berichten in de geschiedwerken, die over de Mongolen handelden, en verder mededeelingen van reizigers. Later is dit materiaal wel in omvang en nauwkeurigheid toegenomen, maar het bleef toch voortdurend onvoldoende, om ons de religieuse voorstellingen en gebruiken in hunnen samenhang levendig voor oogen te stellen. Om dit te kunnen doen is het noodig ons geheel op het standpunt van den primitieven mensch te verplaatsen, ons in zijne wereldbeschouwing in te deuken, zijne wijze van uitdrukking te verstaan, zijne instellingen en gebruiken in het licht daarvan te beschouwen. Daarom voldoen ons zelfs de nauwkeurigste berichten van reizigers niet, want het is ons niet alleen om de feiten te doen, maar niet minder om de verklaring ervan, en die kan ons alleen de inlander zelf geven. Derhalve eerst toen ervaren linguisten de litteratuur van het folklore verzameld hadden en onder meer ook de bezweringsliederen der Shamans door den druk hadden bekend gemaakt en verduidelijkt door hetgeen zij zelf gezien en gehoord hadden, eerst toen begonnen wij een beter inzicht te krijgen in hunnen primitieven godsdienst. Toen eerst bleek, dat deze voor den beoefenaar der vergelijkende godsdienstwetenschap ongeveer dezelfde betee-kenis had, als de Turksche taal voor den linguist. Gebruiken, die in een meer ontwikkelden godsdienstvorm als onbegrepen gewoonten voortleven, of wel duidelijk door eene gezochte verklaring daarvoor pasklaar zijn gemaakt, vertoonen hier nog hun oorspronkelijk karakter, in samenhang met het geheel van religieuse voorstellingen. Eigenaardigheden van den Islam, zooals die bij enkele Turksche stammen wordt opgevat, bleken nu overblijfsels
17
te zijn van den primitieven godsdienst, die hardnekkig voortwoekerden, ondanks den geheel anderen geest van den nieuwen godsdienst. Ja men vond de sporen van dezelfde opvatting ook elders hij geheel andere volken terug, gelijk dit bijvoorbeeld door den te vroeg aan de wetenschap ontvallen Leidschen Hoogleeraar Wilken ten aanzien van Nederlandsch-lndië is aangetoond.
Een gelukkig toeval heeft namelijk gewild, ofschoon bijna alle Turksche stammen zich tot den Islam hebben bekeerd, gelijk de Mongolen voor een goed deel het Buddhisme hebben aangenomen, dat enkele Turksche en Mongoolsche stammen aan hunnen primitieven godsdienst tot heden zijn getrouw gebleven. Russische geleerden hebben bij deze stammen langen tijd vertoefd, de volkslitteratuur verzameld en de religieuse voorstellingen en gebruiken nauwkeurig beschreven. Daaraan danken wij onze kennis van het Shamanisme, want zóó pleegt men dezen ouden godsdienstvorm te noemen. Ik wil trachten U in eenige hoofdtrekken den aard ervan te schetsen.
De Shamanist dan stelt zich voor, dat de aardoppervlakte het midden uitmaakt tusschen twee werelden, den hemel en de onderwereld, die elk weder in verschillende schichten, of lagen zijn verdeeld. Elk dezer schichten, ovenals de aarde zelf, heeft haar eigen goden, wier werkzaamheid echter niet tot de schicht, waarin zij gewoonlijk verblijf houden, beperkt is. Bepaaldelijk oefenen zij invloed uit op de aarde en de schepselen, die haar bewonen. Omtrent dit alles bestaan tal van mythologische voorstellingen, waarvan men vroeger niets vermoedde en die belangrijke paralelen opleveren voor dergelijke voorstellingen bij andere volken Wij zullen ons thans daarin niet
') Vg. H. Kern, Over de godsdienstleer der Burjaten, Versl. en Meded. der Kon. Akad. van Wetensch. Afd. Letierk, 3de reeks, deel X p. 44â74.
Jaarboek der Rijks-Universiteit 189G-1897. 2
18
begeven, nocli over de rangorde der verschillende goden uitweiden, genoeg de gewone mensch staat allereerst in betrekking tot de goden der aarde zelve, hoofdzakelijk personificatiën van de natuurelementen. Wil hij ook met de hemelgoden en die der onderwereld in verbinding treden â en dit is noodzakelijk, omdat, gelijk wij reeds opmerkten, deze grooten invloed op het lot der stervelingen uitoefenen, â zoo kan dit alleen geschieden door bemiddeling van de zielen der afgestorven voorouders, die immers met de geesten- en godenwereld in nadere aanraking komen. Vandaar dat naast de afbeelding der hemelgoden ook die van de negen voorouders van den Shamanist op de heilige plaats in de hut gevonden wordt. Maar zelfs de gemeenschap met de zielen der afgestorvenen heeft hare bezwaren, want deze vertoeven gewoonlijk in het zielenland, waar de gewone mensch niet kan komen. Daartoe heeft men de bemiddeling noodig van den Shaman, ot zooals de Turken hem noemen, van den Kam, die het bovennatuurlijk vermogen bezit om met behulp van de zielen zijner voorouders zijn lichaam tijdelijk te verlaten en zich in boven- en onderwereld te verplaatsen. Zijn ambt is daarom erfelijk, kan echter zoowel door mannen als door vrouwen worden uitgeoefend. Maar niet ieder afstammeling van een Shaman is daarom ook zelf Shaman. Hij moet namelijk bovendien zijn bovennatuurlijk vermogen bewijzen, door zich onder het bespelen van een traditioneel instrument, de Shamanentrommel, in geestverrukking te brengen, ongevoelig te worden voor uitwendige indrukken en toeren te verrichten, die het vermogen van den gewonen mensch te boven gaan. Het behoeft niet gezegd te worden, dat de onontwikkelde mensch daarom den Shaman als met bovennatuurlijke krachten begaafd vreest. De Mon-goolsche geschiedenis levert ons dan ook menig voorbeeld, dat zij bij regeeringsmaatregelen geraadpleegd werden en
19
grooten invloed daarop oefenden. In gewone omstandigheden echter vervullen zij de rol van priester en profeet, van waarzegger en geneesheer tevens. Een hunner belangrijkste functiën is het geleiden van de zielen der afgestorvenen naar het zielenland, want, gelijk schier overal, zoo treft men ook bij de oude Turken de voorstelling aan, dat de ziel, na het verlaten van het lichaam, eenzaam om hare oude woonplaats rondwaart en uit nijd jegens de overlevenden hen, of hun vee zoekt te schaden. Als booze geesten, vampiers, moeten zij zoo spoedig mogelijk naar de plaats, waar zij behooren, gebracht worden. Daartoe ontbiedt men, veelal op den veertigsten dag na het overlijden, den Shaman, die deze taak onder begeleiding van zijne trommel ook gelukkig volvoert. Radloff, die deze ceremonie zelf beeft bijgewoond, geeft er de volgende beschrijving van ^ âToen het donker begon te worden klonken op eenigen afstand van de jurt (hut) de doffe slagen van de Shamanentrommel. Ik trad in de deur en zag, hoe de Shaman, terwijl hij zijne gelijkmatige eentonige zangwijze liet hooren, op een afstand van honderd schreden, met afgemeten tred om de jurt ging, terwijl hij van tijd lot tijd hard op de trommel sloeg. Voortdurend beschreef hij een nauweren kring, lotdat hij eindelijk dicht langs den buitenkant van de jurt heenging en daarop in de door het vuur verlichte woning trad. Hij hield de trommel in alle richtingen boven het haardvuur, zoodat de rook het vel ervan aan de binnen- en buitenzijde bestreek en ging vervolgens met plechtigen ernst tusschen deur en vuur zitten, terwijl hij een eentonig gezang in korte afgebroken tonen voortbracht. Dit gezang werd steeds zachter, totdat het ten slotte in een zacht jammeren en klagen overging, evenals de van tijd tot
') AV. Radloff, Aus Sibirieii II, p. 53 vvg.
20
tijd op de trommel gegeven slagen voortdurend zwakker werden. Toen stond de Shaman voorzichtig op, schreed met sluipenden gang de jurt rond, riep de overledene bij haren naam en wendde het hoofd naar alle kanten, alsof hij de geroepene in de woning zocht. Soms bootste hij met piepende stem die van de doode na, welke hom jammerend smeekte haar bij de haren te laten, daar zij bevreesd was voor den eindeloos langen weg, dien zij niet alleen zonde kunnen afleggen; zij zonde ook zoo gaarne bij hare kinderen willen blijven. De Shaman dringt haar echter onbarmhartig van den eenen hoek in den andere door de kracht van zijne trommel, die hij voor het binnentreden met vele en machtige geesten gevuld had. Eerst na lang zoeken en dringen gelukt het hem de ziel der overledene tusschen trommel en stok te vangen en dan met de trommel tegen den grond te drukken. Zijn gezang wordt luider en heftiger, maar nog steeds afgebroken door het zachte klagen van de vastgehoudene. Hij keert nu de toover-trommel met de voorzijde naar den grond en slaat zóó, dat de slagen dof en hol klinken, alsof zij diep uit de aarde voortkomen. Ook het gezang wordt weder doffer, eerst in gorgelenden toon, dan steeds zachter in een zacht fluisteren overgaande, want de Shaman verwijdert zich van de jurt en heeft den weg naar de onderwereld, naar het Doodenrijk ingeslagen. Met een heftigen slag kondigt hij zijne aankomst aldaar aan en begint hij een gesprek met de daar reeds aanwezige vroeger overledene verwanten, bij wie hij de doode brengt. Deze weigeren echter de nieuwe ziel toe te laten; de Shaman zoekt hen te overreden, bidt en smeekt; alles te vergeefs! Eindelijk grijpt hij de brandewijnflesch en plengt den dooden het levenswater. Dit nemen zij met vreugde aan, eene bonte verwarring van stemmen ontstaat, die langzamerhand een stamelend geluid geven, want de brandewijn begint te werken. De
21
dooden zingen en juichen en zoo gelukt het hem eindelijk de nieuwe ziel bij hen binnen te smokkelen. Nu wordt het gezang van den Shaman weer luider, daar hij de Doodenwereld verlaten heeft en de Bovenwereld nadert. Hier aangekomen springt hij plotseling op, geraakt in heftige stuiptrekkingen; zijn gezang wordt een wild schreeuwen en in wilde sprongen springt hij in de jurt rond, totdat hij ten slotte met zweet overdekt bewusteloos op den grond valt''.
Zelfs Radloff erkent, dat het fantastische tooneel indruk op hem maakte en men begrijpt dus zonder moeite, dat tie onontwikkelde toehoorders, voor wie dit alles werkelijkheid is, geheel onder den indruk ervan komen en dikwijls ook zelf in geestverrukking geraken. Het is bekend dat dergelijke handelingen aanstekelijk zijn en dat te meer, naarmate het suggestief vermogen van den Shaman sterker is. Bij dezen zelf hebben wij met auto-suggestie te doen, die hem gemakkelijk valt, zoowel omdat hij door herhaalde oefening zich zonder moeite in een dergelijken ekstatischen toestand brengt, als ook omdat hij door zijne afstamming van nature daartoe praedispositie heeft, want wij herinneren ons, dat zijn ambt erfelijk is. By hem hebben wij dus met een pathologisch verschijnsel te doen; hij behoort tot de groote klasse der zenuwlijders, of zooals de geijkte term luidt, tot de lijders aan âdegeneratieve psychosequot; '). Maar, men is tegenwoordig wel wat te veel geneigd om de natuurlijke verklaring van dergelijke verschijnselen voor het een en het al te houden en te vergeten, dat de betee-kenis ervan daarmede volstrekt niet volledig in het licht gesteld is. Immers die beteekenis beperkt zich niet tot den handelenden persoon zelf, maar strekt zich ook uit
') Vg. C. Winkler. De beteekenis van het onderwijs in depsijchiatrie voor de geneeskunde. Utrecht. 1893 p. 25 vvg.
22
tot den invloed door hem op anderen geoefend. Het gebeurt verder niet zelden, dat dergelijke neuropathen begaafd zijn met groote geestelijke gaven en door den invloed van hun woord machtige religieuse bewegingen veroorzaken, die voor den beoefenaar der godsdienstwetenschap van uitnemend gewicht zijn. Een sprekend voorbeeld daarvan levert de profeet van den Islam, Mohammed, die in de eerste jaren van zijn optreden evenzoo leed aan hallucinatiën en ekstatische toestanden. Nu is het ongetwijfeld belangrijk te weten, van welken aard deze waren en uit welke ziekte zij moeten verklaard worden, maar daarmede is nog geenszins de door hem in het leven geroepen Islam voor ons duidelijk geworden, noch zelfs de persoonlijkheid van Mohammed volledig in bet licht gesteld.
Wie meent het geheim van dergelijke persoonlijkheden verklaard te hebben door aan te toonen, dat zij neuropathen, of, gelijk men van Mohammed beweerd heeft, dat hij aan epileptische, of ook wel, dat hij aan hysterische ziekten leed, verkeert in eeno groote dwaling, al geven wij toe, dat misschien groote geestesgaven door dien ziekelijken toestand nog in hare werking verhoogd kunnen worden.
Van zeer groot gewicht is echter de vraag in welke maatschappij dergelijke personen optreden en daarin ligt juist de belangrijkheid der Turksche Shamanen voor den beoefenaar der godsdienstwetenschap. Zij geven namelijk uiting aan het heerschende volksgeloof en zijn in volkomen barinonie met de animistische wereldbeschouwing van hunne omgeving. Want ieder weet, dat ook in meer ontwikkelde vormen van godsvereering af en toe zich dergelijke verschijnselen voordoen, ja dat zij ook op profaan gebied niet zeldzaam zijn. Het is voldoende aan de beruchte heksenprocessen te herinneren, of aan onze spiritistische mediums. Maar in deze beide gevallen is
de mensclielijke maatschappij reeds het animistische standpunt te Ijoven, of behoorde zij het althans te boven te zijn, zoodat de verschijnselen thans een ziekelijk karakter dragen en 6f aan den Duivel, óf aan bedrog worden toegeschreven. Wil men ze echter in hunnen wezenlijken aard leeren kennen, dan biedt de primitieve maatschappij der oude Turken daarvoor eene uitnemende gelegenheid.
Over dit onderwerp zoude nog veel te zeggen zijn, maar het ligt buiten mijn bestek in meer bijzonderheden te treden. Mij was bet slechts te doen U eenig denkbeeld te geven van de verschillende richtingen, waarin zich het wetenschappelijk onderzoek der Turkologen heeft bewogen, van de resultaten daarbij verkregen en van het belang daarvan niet alleen voor den engen kring van vakgenooten, maar voor den linguist, den historicus, den theoloog in het algemeen. Ik heb getracht (J de overtuiging te geven, dat op dit vroeger zóó verwaarloosde gebied in den laatsten tijd ijverig en met vrucht is gewerkt, dat de studie ervan op een breeden philologischen grondslag is opgetrokken. Ook hier toch geldt de opmerking, dat de wetenschappelijke waarheid niet maar zóó aan de oppervlakte ligt, om door iederen voorbijganger ter loops te worden gegrepen, maar dat zij evenals de parel in de diepte der zee, of bet edel metaal in het ingewand dolaarde, met inspanning van alle krachten moet gezocht worden.
Evenwel om wetenschappelijke resultaten alleen is het niet te doen. De studie van het Turksch is een onderdeel van die der Oriental ia in het algemeen en deze heeft met alle letterkundige wetenschap dit gemeen, dat zij in den dienst staat dier humaniteit, welke met recht van zichzelve getuigen kan, dat haar niets inenschelijks vreemd is. De geschiedenis zelve bewijst dit. Haar eerste grondlegger, de beroemde Humanist Reuchlin, nam den hand-
24
schoen op voor de verdrukte Joden en voerde de studie der Hebreeuwsche spraakkunst in de scholen der Christelijke godgeleerden in. Sedert zijn optreden heeft zich de moderne West-Europeesche beschaving krachtig ontwikkeld en, naar men met eenig recht beweren mag, in die richting, dat het beginsel der humaniteit in sleeds wijderen kring is toegepast. Welnu, de ontwikkeling der Oostersche studiën heelt daarmede gelijken tred gehouden: de Hervorming, zoowel als het opkomen der nieuwere denkbeelden in het laatst der vorige eeuw vormen evenzeer belangrijke keerpunten in deze wetenschap.
Maar hoe de kring dier studiën zich ook uitbreidde, hoezeer de wetenschappelijke methode in diepte en nauwkeurigheid won, steeds bleef het doel van den Oriëntalist onveranderlijk hetzelfde, namelijk: om de Oostersche volken en hunne beschaving, die ons aanvankelijk zóó vreemd en zonderling voorkomt, beter te begrijpen en te waar-deeren. Daarom heeft hij te strijden met de vooroordeelen en verzinsels door oppervlakkigheid en kwaadwilligheid omtrent die volken in Europa verbreid, door onkunde en lichtgeloovigheid maar al te gemakkelijk aangenomen. Ieder Oriëntalist, met welk volk hij zich ook bezighoudt, weet daarvan te verhalen en acht het zijnen plicht in dezen het gezag der wetenschap, dat hem toekomt, te handhaven.
Ook het âgele rasquot;, waartoe de Turken oorspronkelijk behoorden, deelt ruimschoots in die weinig welwillende beoordeeling van de zijde dergenen, die het niet kennen; ja sommigen gaan zelfs zoo ver een kruistocht daartegen te prediken, omdat hunne verbeelding hen doet vreezen, dat dit eenmaal onze industrie kan te gronde richten, ja ons bestaan zelf bedreigen. Het is waarlijk niet de taak der wetenschap, allerminst die der Oriëntalisten, om zich in dienst te stellen van dergelijke bekrompen zelfzuchtige denkbeelden, die evenals het Anti-semitisme onze bescha-
25
ving ontsieren. Veeleer ligt het op haren weg wat er werkelijk goeds en schoons in onze beschaving is aan de Oostersche volken mede te deelen en zóó doende de toekomstige, algemeen menschelijke beschaving voor te bereiden, die niet meer het uitsluitend eigendom van één volk, of één groep van volkeren zijn zal. Vooral in eon land als het onze, dat geroepen is over millioenen Aziaten te heerschen, heeft deze grootsche taak een uitnemend praktisch belang.
Juiste en rechtvaardige begrippen aan te kweeken, waarheid en gerechtigheid te dienen, zietdaar wat wij als onzen plicht beschouwen. Daaraan herinnert ons ook de feestdag, dien wij heden vieren. Nergens hebben wij het licht van de zon der gerechtigheid meer noodig, dan bij het beoordeelen van vreemde volken en toestanden. Moge dan de Universiteit, die die zon in haar wapen voert, groeien en bloeien! Moge die zon zelve tot in lengte van dagen in onverzwakten luister hier schitteren en haar weldadigen invloed tot in het verre Oosten doen gevoelen!
Artikel 90 der Wet op het Hooger Onderwijs kent aan de Senaten het recht toe om op voordracht der faculteiten, wegens zeer uitstekende verdiensten, aan Nederlanders of vreemdelingen, het doctoraat honoris causa te verleenen. Van dit recht wordt betrekkelijk zelden gebruik gemaakt, maar toch stelt de Senaat daarop hoogen prijs, omdat het hem eene welkome gelegenheid aanbiedt om de hoogste eer, welke hij geven kan, te verleenen aan hen, die zich op eenig gebied van wetenschap groote verdiensten hebben verworven.
Het was eene daad van gerechtigheid. Hooggeachte Heer Kok! toen hij besloot het Doctoraat in de Neder-
26
landsche Letteren honoris causa aan U te verleenen en met deze plechtigheid de feestelijkheid van dezen dag te bekronen. Ik noodig den Hoogleeraar van der Vliet, door den Senaat als Uw Promotor aangewezen, uit, zich wel van de hem opgedragen taak te willen kwijten.
De Hooglceraar van per Vliet plaatst zich hierop vóór het spreekgestoelte en richt, na het uitspreken der gebruikelijke formule, de volgende toespraak tot den nieuw benoemden Doctor:
G. Doctor.
Het is mij aangenaam de eerste te mogen zijn, die u met de zoo even verworvene, zoo wel verdiende onderscheiding gelukwenscht.
Wanneer ik dat doe, doe ik dat niet in de eerste plaats uit mijn eigen naam, maar uit dien van den Academischen Senaat en van de Faculteit van Letteren en Wijsbegeerte, op welker voordracht u dit eerbewijs is verleend.
Al achten wij ook het bezit van den titel u zoo even geschonken, wanneer dat bezit langs den gewonen weg is verworven, geen gering voorrecht; wij zijn er ons van bewust, dat die titel zijne rechte waarde, zijne volle be-teekenis, slechts voor dengene erlangt, die na afloop der Akademische vorming, in het volle leven, toont zijne eigene kennis en die van anderen te icillen en te kunnen vermeerderen.
Begint dus bij gewone doctoren de beantwoording der vraag naar dat willen en dat kunnen eerst na de promotie; gij, geachte Doctor, hebt die vraag reeds van te voren beantwoord.
Gij waart doctor lang voor dat gij doctor waart, in dien zin, dat gij u zeiven en ons veel geleerd hebt in een tak van kennis, wel door velen ter loops en tot uitspanning
27
beoefend, door weinigen slechts met ernst en met weten-schappelijken zin.
Den naam van Doctor in de Nederlandsche Letteren zult gij ongetwijfeld met eere dragen: immers ook tot onze eigene Letterkunde â Hooft en Huygens kunnen er van getuigen, â hebben zich uwe studiën met geluk uitgestrekt.
Ware echter de keuze ruimer geweest, waarschijnlijk had men er de voorkeur aan gegeven, u Doctor in de Nieuwere Letteren te noemen: daar toch, vooral op het terrein van het Italiaansch en van de vergelijkende moderne letterkunde liggen uwe hoofdverdiensten; daar bovenal mogen wij met de woorden van uwen lievelingszanger gewagen:
del tuo parlare honesto qu'honora te e quei qu'udito Vhanno,
van uwe degelijke en schoone taal, die zoowel u zeiven tot eer strekt, als hen, die naar u hebben geluisterd.
Moge u het voorrecht geschonken worden, G. D., nog vele jaren met voldoening terug te zien op den arbeid, die achter u ligt en om, terwijl de eene dag den anderen onderwijst, dien arbeid steeds nader te brengen tot zijne voltooiing, steeds nader tot zijne volmaking.
|
aanvraagbriefje duidelijk invullen |
Materiaal gedrukt vanaf 1801 voor gebruik; binnen/tewteftU.B. (het niet bedoelde doorhalen) |
|
Plaatsnr(s)volgenscatalogus Schrijver Titel boek/tijdschrift Band/volume/jaar (met blz.) Datum aanvraag |
.....lX.7..A.f.................... .......................................... .Lxche^.-. .XuaT.C^................................... Handtekening bij ontvangst: |
UBOB 005-87 UD 25
v \
o oj cn t-i-n quot;
- â» ;S t-H U» à *
so m -
agt; rquot; ^ .« c/gt; ^
-t as
c » _ -i gt; O
sa 3gt; O
rn âi V
O -J
â r- rn M ^
gp er
c
TT
CD D CD
-T
(/) quot;O 0) w
gt;
CD
m
m
u»
i
o
tr â¢
lt;©
o
o gt;
cz
c^v-
rvi