ocr page 1

A qu 324.VII .9

ipi

IBT— ■..........

Rede

De veronderstelling

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

DE VERONDERSTELLING DER THEOLOGIE.

ocr page 6
ocr page 7

De veronderstelling

der Theologie.

REDEVOERING uitgesproken 25 Maart 1898

Dr. J. J. P. VALETON Jr.,

RECTOR MAGNIFICUS DER RIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT.

-lt;53^-

UTRECHT — 1898.

Stoom Boek- en Steendrukkerij „de Industriequot;'.

J. VAN DRUTEN.

ocr page 8
ocr page 9

Mijne Heeren ! Curatorex, Professoren, Doctoren en Studenten aan deze Universiteit, en gij allen, Dames en Heeren, die deze plechtigheid siet Uwe tegenwoordigheid

vereert;

Zeer geachte Toehoorders!

Op den bodem van iedere belangrijke vraag van eenigs-zins algemeene strekking vindt gij de theologie.

Ik weet niet van wien een dergelijke uitspraak oorspronkelijk is, . en ik zal er op dezen oogenblik geen onderzoek naar instellen. Maar hoe paradoxaal zij ook klinken moge, vooral in een tijd als de onze, waarin nog altoos velen de vroegere „regina scientiarnmquot; als „ancillaquot; meenen te kunnen behandelen, ik neem ze voor mijne rekening en ik herhaal: op den bodem van iedere belangrijke vraag van eenigszins algemeene strekking vindt gij de theologie.

Het is niet van deze plaats een debat te openen over de beteekenis van het woord theologie. Velen onder de woordvoerders nemen het tegenwoordig in den zin van godsdienst-ivetenschap, zoodat dan ook de godsdienst als object er van wordt beschouwd.

Ik deel deze opvatting niet, en ik ontken dat de thans vigeerende Wet op het Hooger Onderwijs, blijkens de geschiedenis van hare wording, deze opvatting veronderstellen, van deze opvatting uitgaan zou.

Godsdienst en theologie staan met elkander in zeer nauw verband; maar even onjuist als het zijn zou ze met

ocr page 10

6

elkaar te vereenzelvigen, even onjuist is het te meenen dat eerstgenoemde object van laatstgenoemde is. Veeleer loopen beiden een eindweegs parallel, hebben betrekking op hetzelfde object en onderscheiden zich hierdoor, dat wat in eerstgenoemde stemming, gemoedsaandoening, levenservaring is, in laatstgenoemde voorwerp is van onderzoek, van verstandelijk nadenken, zooveel immer mogelijk van wetenschappelijke uiteenzetting. Het is de zeilde verhouding zoowel wat verband als wat onderscheid aangaat, die er bestaat op het gebied der natuur tusschen de natuurwetenschap aan den eenen, de eenvoudige natuurbeschouwing, het natuurgenot aan den anderen kant.

Ik wensch, geroepen op dezen dies natalis onzer Universiteit eene rectorale oratie te houden, te spreken over de veronderstelling der theologie.

In den cyclus der wetenschap zijn, al is ook de scheiding nooit volkomen door te voeren, verschillende kringen.

In de mathematische vakken wordt gehandeld over de verhouding der lichamen onderling, en wordt deze in bepaalde formules gebracht.

In de natuurwetenschappen is het te doen om verklaring van die talloos vele verschijnselen, welke wij met onze zintuigen waarnemen, d. w. z. om de wetten volgens welke zij plaats vinden.

Er is eene biologische wetenschap die zich bezighoudt met het leven in zijn verschillende vormen.

Er is eene historische wetenschap met hare verschillende hulp-wetenschappen, wier taak het is na te vorschen en in een geregeld verhaal te brengen wat, in grootere of kleinere kringen, in het leven van persoon, volk of menschheid met al de daartusschen liggende schakeeringen heeft plaats gehad. Het is haar er om te doen zooveel

ocr page 11

7

mogelijk den samenhang aan te wijzen in de oogenschijn-lijkst hel verst van elkander verwijderde gebeurtenissen en alzoo den gang der ontwikkeling te schetsen, die het heden gemaakt heeft wat het is.

Er is eene wetenschappelijke bestudeering van de voortbrengselen van den menschelijken geest op onderscheiden gebied, in hun veelsoortigen oorsprong zoowel als in hunne veelzijdige gevolgen, en niet minder van den menschelijken geest zelf, in zijn wezen zoowel als in de talloos vele vormen, waarin hij zich openbaart.

Er zijn natuur-wetenschappen en er zijn geestelijke wetenschappen. En tot deze laatste behoort ook de theologie.

Men spreekt van literarische, historische, dogmatische, ook, al vind ik die uitdrukking weinig gelukkig, van practische theologie. Men denkt daarbij aan een kring van détailonderzoekingen, op letterkundig, geschiedkundig of dogma-matisch terrein. Maar toch daaraan, terecht, niet alleen. Zullen deze onderzoekingen den naam mogen dragen van theologie, dan moeten zij ook een theologischen stempel vertoonen, m.a. w. dan moeten zij in verband staan met het voorwerp der theologie.

Dit voorwerp is God. Ik wil het anders zeggen: de veronderstelling van alle theologie is God. Met deze veronderstelling staat of valt zij. Wat met haar niet in rechtstreekschen samenhang staat, is geen theologie.

Lang niet altoos is dit sterk genoeg gevoeld, althans duidelijk en krachtig genoeg uitgesproken. Men heeft het wetenschappelijk karakter der theologie willen redden door over te springen van God op het verschijnsel van den godsdienst, van het buiten den mensch staande op hetgeen daardoor in den mensch teweeggebracht wordt. Men koopt het voor dezen prijs te duur. Men is gelijk aan

ocr page 12

8

den mensch die de astronomie zou willen beoefenen alleen uit den invloed, dien de hemellichamen hebben b.v. op de planten- en dierenwereld, maar die vergeet, verwaarloost, niet noodig acht, misschien ook niet in staat is de telescoop behoorlijk te richten, en zon, maan en sterren als in het aangezicht te zien.

Die „theologiequot; zegt, zegt „Gocl'quot;. Er is een groote schroom dien naam uit te spreken, en het is als behoort hij in wetenschappelijke kringen, beter: in den kring der wetenschap, niet thuis. Maar dan ook geen theologie, dan ook niet den schijn aangenomen, als zou toch nog, ik zou haast zeggen: langs omwegen, door een achterdeur de theologie kunnen worden binnen gelaten, en de theologische studie als vak van wetenschap gered.

Een van beiden: of theologie, maar dan ook haar voorwerp erkend, hare veronderstelling aangenomen, haar beginsel gehuldigd, haar methode aanvaard; óf met dit alles gebroken en het ter zijde gesteld, maar dan ook openlijk uitgesproken en de praktijk er naar ingericht, dat waar het wetenschap geldt, er geen sprake meer kan zijn van theologie. Dan: haar boedel beschreven, haar erfenis verdeeld en onder gebracht in de verschillende kringen van letterkundige, historische en wijsgeerige onderzoekingen, wat niet meer wordt samengehouden door den band eener immers niet meer bestaande theologie.

God. Ik weet, dat als ik dezen naam uitspreek, ik voor velen niet anders geef dan een klank. Ik kan ook Gods bestaan niet bewijzen, en ik denk er geen oogenblik aan het óf hier óf elders te beproeven. Wat Kant ten opzichte van de bewijzen voor het bestaan van God gedaan heeft, laat zich niet ongedaan maken. Bewijzen, afdoende, voldingende, den mensch tot geloof dwingende bewijzen voor Gods bestaan zijn er niet, Is het vreemd? Laat

ocr page 13

9

de stof zich bewijzen? of iets anders van wat toch de noodzakelijke veronderstelling van alle wetenschap is? God poneert zich zelf. Hij is er. Hij staat boven alle bewijs. Wij gelooven in God.

Theologie veronderstelt geloof. Er zijn in iedere wetenschap woorden, die er als het ware schering en inslag van zijn, die er in gebruikt worden in zeer verschillende schakeering, naar die dientengevolge ook aanleiding geven tot het meest schromelijk misverstand.

Is het zoo niet, om één voorbeeld te noemen, met het woord ivet? Wat een verwarring is er ontstaan, ontstaat er nog steeds, doordat dit woord, op zeer onderscheiden gebied gebruikt, van het eene op het andere gebied wordt overgebracht en men nu, onwillekeurig en zonder zich er bewust van te zijn, het neemt op het eene gebied in een zin dien het alleen op het andere heeft! En is het anders met woorden als doel, keuze en tal van anderen?

Tot die woorden behoort ook het zoo even genoemde geloof- Er is een fides qua creditur en een fides quae creditur. Beide mogen niet met elkander verward worden. Laat mij aanstonds zeggen, dat hier alleen van het eerste sprake kan zyn.

Maar ook dan nog: geloof? Geloof is onzekerheid, zoo heet het. Het sluit het iceten buiten en wordt er door buiten gesloten. Zoolang men gelooft, weet men niet, en waar het weten aanvangt, houdt het gelooven op. Ik stem natuurlijk toe dat in het dagelijksch leven het woord zoo gebruikt wordt. Maar is het billijk te miskennen, dat het hier iets anders beteekent, en dat het hier bedoeld wordt op dezelfde wijze, waarop dit met de woorden zien, hooren, tasten en dergelijke het geval is, t. w. als een middel waardoor weten ontstaat?

ocr page 14

10

Geloof is onvrijheid, zoo zegt men. Die gelooft, heeft zich gebonden aan iets, dat eenmaal door hem zelf of door anderen voor hem is vastgesteld, en waarvan hij niet mag ot wil afwijken. Alle Averkelijke vrijheid van onderzoek is daardoor, op dat punt ten minste, voor hem onmogelijk. Nog eens: ik geef toe dat bij de fides quae creditur maar al te dikwijls aanleiding gegeven is en wordt voor eene dergelijke beschuldiging, ofschoon ook daartegen nog wel een en ander te zeggen zou zijn, en het waarlijk niet de theologie alleen is, die zich wel eens op deze wijze aan onwetenschappelijke gebondenheid schuldig maakt.

Maar ook hier weer: is het billijk, ook van dengeen, die geheel buiten deze dingen staat en die zelf niet gelooft, voorbij te zien dat als in den door mij bedoelden zin gesproken wordt van gelooven, daarbij niet gedacht wordt aan een bepaalden inhoud van opvattingen, voorstellingen, leeringen of wat dies meer zij, maar aan een betrekking tusschen den menschelijken geest en de onzienlyke dingen, wilt gij: aan den invloed dien de mensch van deze dingen ondergaat ?

Is de ziende onvrij, omdat hij zich gebonden acht, neen; gebonden is, ook en vooral bij zijn wetenschappelijk onderzoek, door hetgeen hij gezien heeft en ziet? Of de hoorende, omdat hij niet los is van de klanken, die misschien reeds vóór geruimen tijd zijn oor getroffen hebben?

Er zijn menschen, die in allen deele onder de meest ontwikkelden kunnen worden gerekend, bij wie oog en oor geloten zijn voor die talloos vele kleur- en klankscha-keeringen, die toch door anderen, schoon misschien in allerlei opzichten lager staande, met onmiskenbare zekerheid onderscheiden worden. Kan het worden gewraakt, dat deze laatsten daarmee blijven rekening houden, ook al

ocr page 15

11

gelukt het hun niet dan zeer ten deele, rekenschap te geven van de fijnheden van wat zij hooren en zien 1 Kan kleurenblindheid ooit normatief zijn? of zal het afgestompte gehoor en het verzwakte gezicht tot maatstaf moeten dienen ook voor wie met een beter gehoor en gezicht zijn begaafd ?

Nu, wij verklaren, en wij houden dat vol tegen alle ongeloof en alle tegenspraak in. dat in het diepst van ons wezen gewaarwordingen, aandoeningen, indrukken aanwezig zijn, niet gewrocht door dingen die zich afspiegelen op het netvlies van ons oog, of die onze gehoorzenuw doen trillen, of onzen tastzin in beweging brengen, en die zich toch aan ons hebben opgedrongen met niet minder, wat zeg ik ? met grooter zekerheid dan die waarbij dit wel het geval is. En wij vatten deze allen samen in het woord fjeloof.

Er is een gelooven dat niet anders is dan een aannemen van wat men niet weet, met halve of kwart en derhalve geen zekerheid. En er is een gelooven dat de meest onmiddellijke, de meest besliste zekerheid geeft. Is het noodig, alvorens met dat laatste te mogen rekenen, dat men eerst den niet-geloovende en die er dus niets van verstaat, van de werkelijkheid er van heeft overtuigd?

Men spreekt in sommige kringen met voorliefde van „geloovigequot; en „ongeloovigequot; wetenschap. Ik versta die uitdrukkingen niet. Ik bedoel dit: als men geen bezwaar maakt te spreken van een „wetenquot; op grond van wat men gezien, gehoord, getast ook nagedacht heeft, laat men dan ook voor degenen die zich met de fijnste vezelen van hun bestaan gebonden gevoelen aan de onzienlijke wereld, het recht erkennen van het niazei voovutv, „wij roeten door het geloof'.

Hier ontmoeten wij God. Theologie veronderstelt geloof,

ocr page 16

12

geloof in God. In dezen naam vat ik samen wat ik zoo even noemde: de onzienlijke tvereld.

Ik heb bij Oud-Israël ter schole gegaan. De meest algemeene benaming die hier voor „Godquot; wordt gebruikt, is Elohim. Afgezien van de vraag of wij in dat woord al dan niet een meervoudsvorm hebben te zien, en zoo ja, waaruit deze dan te verklaren is, is het duidelijk dat het meer is een nomen appellativum dan een nomen proprium, meer een soortnaam dan de aanwijzing van een bepaald individu. Evenals ha-adam niet alleen den enkelen mensch, maar evenzeer de menschen, de menschheid aanduidt, beteekent ook ha-elohim niet uitsluitend wat wij gewoon zijn uit te drukken met het woord God, maar is het veel meer de god-heid in meer algemeenen zin, het goddelijke, wat wij noemen: het hoven-natuurlijke, de geestelijke wereld. Dat in Israël de grens tusschen het natuurlijke en het boven-natuurlyke anders getrokken werd dan wij dit thans zouden doen, is daarbij natuurlijk van geheel ondergeschikt belang.

Iemand heeft eens gezegd dat altoos de eene mensch atheïst is in de oogen eens anderen. En helaas, daarvan is maar al te veel waar. In de eerste eeuwen onzer jaartelling werden de Christenen door de romeinsche wereld als üfooi vervolgd. Ook later deden zich dergelijke verschijnselen voor; en al is het in andere vormen, het is zoo gebleven tot den huidigen dag. Waar men zijn eigen godsbegrip niet terugvindt, kost het moeite geloof in God aan te nemen. De maar al te veel heerschende regel is deze: „wie de dingen niet ziet, zooals ik, ziet ze nietquot;.

Voor de theologie ligt hierin het groote, uit wetenschappelijk oogpunt bijna onoverkomelijk bezwaar. Ons godsbegrip hangt af, zal het goed zijn, van onze gods/tennis, en onze godskennis staat in het nauwste verband met

ocr page 17

13

onzen Qodadienst. Er is ook een terugwerking — zou het anders mogelijk zijn? — van het begrip op den dienst, zoowel wat de daarin gehuldigde voorstellingen als voornamelijk wat de daartoe behoorende godsvereering betreft. Deze komt ook weer te staan onder den invloed van het begrip. Maar toch, in het algemeen: onze theologie wordt door onzen godsdienst beheerscht. Er zijn verschillende godsdiensten; daarom zijn er ook verschillende theologiën. De vraag is: wat kent gij van God ?

Ik wil twee dingen herinneren uit de boeken des Ouden Testaments. Het eerste is dit: Israels God heet, naar de tegenwoordig meest algemeen aangenomen uitspraak van dezen naam: Jahwe.

Voor het godsdienstig bewustzijn van Israël beteek ent deze naam, afgezien van den historischen oorsprong er van: Hij zal zijn, naar het hebreeuwsche taaleigen en in het verband, waar de verklaring er van gegeven wordt, met weglating van het onbepaalde object: ^Hij zal het zijnquot;, nl. dat, wat hij zijn zal, voor u.

Hij zal het zijn. Ik ken geen Godsnaam, diein eenvoudiger vorm dieper gedachte bevat; ook geen, waarin, meer dan in dezen, juist datgene ligt uitgedrukt, wat ik u wensch voor te stellen als het eigenaardige van onze godskennis.

Elohim is. Maar wat zegt dat? De gedachte Elohim is zoo ruim. Ieder volk heeft zijn eigen. Hoe is zijn naam? Aan den eenen kant ligt in den naam Jahwe de afwijzing van deze vraag. Wanneer de ervaring wordt opgedaan, wat God voor Israël is, dan is dat genoeg. Maar aan den anderen kant: wenscht Israël toch een naam voor zyn God, welnu dan zij het een zoodanige, waarin zonder nadere bepaling de betrekking van God tot Israël wordt uitgedrukt.

Iedere godsdienst wordt het best gekend door de namen

ocr page 18

14

zijner goden. Ook met dien van Israël is dat het geval. Niet wie God is op zichzelf, maar wat hij is voor zijn volk, staat daarin op den voorgrond. Het karakter van dezen godsdienst, gelijk in den grond der zaak van iederen godsdienst, die werkelijk dien naam verdient, is niet meta-fysisch-dogmatisch, maar empirisch-ethisch.

Ik heb elders gewezen op de groote beleekenis van den naam Jahwe voor de geschiedenis van den israëlie-tischen godsdienst, met name voor de ontplooiing van het daarin heerschend monotheïsme. Deze beteekenis ligt eensdeels hierin, dat bij als van louter formeelen aard het kader vormde, waarbinnen het godsdienstig leven zich naar alle zijden ontwikkelen kon; anderdeels hierin dat bij deze ontwikkeling toch de eenheid dier verschillende zyden er door bewaard en in de hand gewerkt werd.

Hij zal het zvjn. En als hij dan toont wie hij is, als in den loop der tijden en in den gang der geschiedenis steeds meer van God wordt gemerkt en dientengevolge voor wie er eenmaal oog voor gekregen heeft, de openbaring van den Onbekende steeds voortgaat, dan is daarin ook de mogelijkheid gegeven van een steeds rijker wordende godskennis, en meer dan de mogelijkheid, ook de werkelijkheid daarvan. De naam krijgt meer inhoud. En het Hij zal zvjn die hij zijn zal wordt voltooid in het Niemv-Testamentische; Onze Vader die in de hemelen is. Merkwaardige coïncidentie, als die naam wordt gegeven,wordt de eerste, anders dan bij groote uitzondering, niet meer gebruikt.

Welnu, wat zich in Israël binnen den kring en het leven van één.enkel volk heeft afgespeeld, ik pas het toe op de verhouding in het algemeen van God tot den mensch. Hij zal het zijn, d. i. God.

Er is een tweede zaak, die ik uit de boeken des Ouden Testaments heb geleerd en die ik hier noemen wil. Deze:

ocr page 19

15

het woord in het Oude Testament door kennen vertaald, jada', beteekent niet in de eerste plaats een verstandelijk weten, maar beteekent: in betrekking staan, omgang, bemoeienis hebben, zich inlaten met. Het komt voor tol zelfs als synoniem van zorgen, liefde koesteren voor. Veel misverstand ware voorkomen, indien men dit in theologicis altoos in het oog gehouden had. Wij kennen God, voor zoover er een levensbetrekking tusschen hem en ons is, voor zoover wij den invloed hebben ondergaan van de onzienlijke wereld, voor zoover deze zich aan ons heeft kenbaar gemaakt. In Oud-Israël wordt van de andere Elohim niet in de eerste plaats gezegd dat, zij niet bestaan, — andere volken dienen ze immers — maar dat Israël noch zijne vaderen ze ooit heeft gekend, d. w. z. er ooit iets van gemerkt.

Wij gebruiken hier het woord openharing. Ik zou het willen omschrijven in den meest algemeenen zin: als het zich doen gelden, het invloed oefenen, het iets van zich laten merken van de dingen die niet gezien worden, op onzen geest. Theologie onderstelt openharing.

Indien ik hierover zou willen doorspreken, ik zou moeten wijzen op wat aan het tot stand komen, en niet minder aan het in stand blijven van deze betrekking tusschen God en den mensch in den weg staat, t.w. op de macht der zinnelijkheid, op het overheerscht worden door de dingen van het aardsche leven en van den tijd, op de zelfzucht die den mensch zich in zichzelf doet opsluiten en die hem onvatbaar maakt voor geestelijke invloeden, i. é w. op wat naar bijbelsch spraakgebruik de zonde is.

En aan den anderen kant, ik zou moeten wijzen op wat aan het zich openstellen voor geestelijke invloeden bevorderlijk is. Maeterlinck spreekt van Ie silence actif. Ik zal het niet met elkander gelijk stellen; maar toch, al brengt het ons in een geheel verschillend klimaat, er is

ocr page 20

16

overeenstemming tusschen. Ik lees in de Evangeliën: „wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en de deur gesloten hebbende, bidt uwen Vader, die in het verborgen isquot;, en ik lees ook van Eenen, „die in het verborgen ziet en in het verborgen hoortquot;. Theologie veronderstelt gebed.

Maar het is mij thans genoeg deze dingen even te hebben aangeroerd.

Het oog alleen ziet niet, ook niet het meest normale oog; er moet iets zijn dat gezien wordt. Iedere godsdienst, alle geloof in den zoo even besproken zin van het woord, veronderstelt openharing, berust op indrukken, die op 's menschen geest teweeggebracht zijn.

Er is verschil van helderheid in het zich daarvan bewust worden. De oorzaak er van kan liggen in de meerdere of mindere vatbaarheid van den menschelijken geest, laat mij zeggen mogen: in de meerdere of mindere zuiverheid van den spiegel, waarin hij de binnen zijn bereik geplaatste beelden opvangt. Zij kan ook liggen in het meer of minder nabij getreden zijn van die beelden zelf. Er is groote verscheidenheid, en ook als wij afzien van de individuen om alleen te blijven staan bij volken en kringen, blijft deze.

Bij de behandeling van de geschiedenis der godsdiensten, zal deze in waarheid een theologisch vak zijn, moet het niet alleen te doen zijn om de verzameling en rangschikking van historisch materiaal, maar ook om waardeering, d. w. z. zooveel immer mogelijk om bepaling van het quantum Godskennis, dat in ieder er van tot uitdrukking komt.

De theoloog gaat daarbij uit van zijn eigen Gotekennis, in casu van zijn eigen gods^'ew^. In dit opzicht, hoezeer ook zich toeleggende op de meest stricte onpartijdig-

ocr page 21

17

heid en objectiviteit in het meedeelen van feiten en zaken, kan de theologie niet neutraal zijn. Haar daartoe te willen maken, op straffe van haar alle wetenschappelijk karakter te ontzeggen, haar te willen dwingen niets anders te zijn dan theologie, dus niet christelijk of israëlietisch of mohammedaansch ol huddhistisch of wat anders gij noemen wilt, maar alleen: wetenschappelijk, is haar onmogelijk maken, haar wezen miskennen, haar berooven van wat haar eigenaardigheid is. Hier vooral is het Sóg fioi nov arai onafwijsbare eisch.

Trouwens is het elders anders? Zal men bij het natuuronderzoek niet hebben uit te gaan, ik zal niet eens zeggen; van een bepaald standpunt, dat dan ook weer voor een goed deel de resultaten beheerscht, maar dan toch van een bepaalde natuurbeschouwing, laat mij liever zeggen: van een bepaalde verhouding tegenover het voorwerp van zijn onderzoek, die niet maar eenvoudig voor een ander kan worden ter zijde gesteld ? Men zal toch niet in ernst kunnen beweren dat de wetenschap „wetenschapquot; is, en dat bij „objectief onderzoekquot; de resultaten altoos dezelfde zijn zullen, onverschillig b.v. of men op coper-nicaansch dan wel op vóór-copernicaansch standpunt staat.

Maar waarom dit zelfde dan wel waar het geldt de theologie? is wat het Christendom aan Godskennis geeft, voor wie zich eenmaal daarin heeft ingeleefd, die er de heerlijke vrucht van gesmaakt heeft en zijn leven er door heeft voelen vernieuwd en veranderd worden, minder zeker dan op haar gebied voor den tegenwoordigen natuuronderzoeker de nieuwere, na-copernicaansche natuurbeschouwing? Ik geef u de verzekering dat het zoo niet behoeft te zijn. Maar moet het hem dan niet èn allerzonderlingst èn buitengewoon onbillijk in de ooren klinken telkens weder te hooren dat, zal hy voor zijn theologisch

ocr page 22

18

onderzoek den naam „wetenschapquot; kunnen handhaven, hij iets zou moeten kunnen geven, waarbij het onverschillig is welken godsdienst hij belijdt?

Ik wil er gaarne voor uitkomen; theologie is voor mij christelijke theologie. Voor een ander, naarmate van den godsdienst, dien hij belijdt, zal zij zijn: israëlietische of mohammedaansche of buddhistische. Men vraagt naar het recht van de eene boven de andere. Ik stem dadelijk toe dat in abstracto dit recht niet te bewijzen is, en dat het alleen te vinden is in de superioriteit van den eenen godsdienst boven den anderen.

Maar heeft dan ook in dezen de geschiedenis niet een woord mede te spreken? Ik spreek in ons gezegend Nederland. Ik spreek niet van de individuen als zoodanig, maar van het geheel van ons volk in zijn groote meerderheid, in den geest die het, laat het zijn in zeer verschillende mate, maar dan toch in de verschillende lagen van ons volksbestaan, doordringt en bezielt, die het gemaakt heeft wat het is, en die er nog altijd zij het ook zeer onvolkomen, zijn stempel opdrukt. En ik vraag: is het pretentie, wanneer ik spreek van een „christelijkquot; volk? Ik denk er niet aan de vraag individueel te maken en ze aldus te stellen: zijn wij allen, zijn wij nog, zijn wij reeds „Christenenquot;? want ik weet dat naar al deze zijden ook in deze illustre vergadering het antwoord van velen ontkennend zou zijn. Maar is het daarom niet waar, dat ons volk den christelijken godsdienst belijdt? en ik zou geen recht hebben in theologicis, ook bij wetenschappelijk onderzoek uit ie gaan van de Godskennis die door dezen godsdienst in zijn hoogste openbaring mij aan de hand is gedaan?

Laat mij ze mogen samenvatten in één enkel woord. Wat mij betreft ten minste, ik keu op dit gebied geen

ocr page 23

19

gedachte eenvoudiger uitgedrukt, maar toch werkelijk diepzinniger, rijker van inhoud en meer omvattend in haar ontwikkeling dan die neergelegd is in het woord van het vierde Evangelie: „het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond'\

In dat woord ligt een theologie. Ik zal niet trachten van deze plaats in het bestek eener enkele rede de levenservaring te schetsen, die aan zulk een uitspraak ten grondslag ligt en die ze ons ook alleen recht kan doen verstaan, noch ook de lijnen aan te wijzen die van uit deze gedachte niet alleen de theologie, maar het geheele christelijk wijs-geerig denken, de levens- en wereldbeschouwing gedurende eeuwen hebben beheerscht en dit voor een gedeelte nog doen. Samenhangend met joodsche beschouwingen en gevormd onder den invloed der hellenistische speculatie geeft dit woord tegenover de heidensche gnosis aan de christelijke Godskennis, d. i. aan de christelijke idee zelf een scherpe en beknopte uitdrukking, en is als het ware de classieke formule daarvoor. Er werd door positie genomen in menigerlei strijd op wijsgeerig gebied, en ook voor onze dagen is de gedachte er van nog niet uitgeput. De vraag naar de verhouding van God en mensch, van het eindige en het oneindige, van eeuwigheid en tijd, van het ideaal te zoeken alleen in een toekomstigen hemel, dan wel het ingebracht te weten in de dingen der aarde en het daar nu te willen verwerkelijken zonder het er toch in te doen opgaan; de vraag ook - en dit is zeker niet het minst belangrijke — naar de verhouding van idee en historie werd en wordt er door onder een bepaalden gezichtshoek gebracht. Maar bovenal, er werd door uitdrukking gegeven aan wat men in Christus bezat: „en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eerstgeboornen des Vaders vol van genade en waarheidquot;

ocr page 24

20

Velen onzer tijdgenooten, en daaronder van wie den toon aangeven op allerlei gebied, klinkt zulk een woord in de ooren als komende uit eene andere wereld, onbegrijpelijk voor den mensch der 19d8 eeuw, niet anders dan klank. Dat men, alvorens de schouders er over op te halen en het voorbij te gaan als verouderde speculatie, het trachte te verstaan, eensdeels uit de terminologie niet alleen van het Hellenisme maar ook niet minder van het Jodendom zelf, en anderdeels uit de christelijke levenservaring, die worstelende met de taal zich niet anders kan uitdrukken dan met behulp van slechts ten deele passende categoriën. Waarlijk, het woord is er belangrijk en diep genoeg voor!

In onze dagen is een weder opleven van theosophische, ook van neo-platonische beschouwingen duidelijk merkbaar. Ook het Mauicheïsme treedt in modernen vorm weder op. Deze richtingen raken de theologie van zeer nabi). In een woord als het zoo evengenoemde ligt de afwijzing èn van beschouwingen, waarbij het kwaad gezocht wordt in de materie als zoodanig, èn van de zulke, waarbij in den grond der zaak de materie in niet wordt opgelost, ènvan die, waarbij zij als het hoogste, om niet te zeggen als het een en al, wordt beschouwd.

Deze dingen hebben principiëele beteekenis. Meer dan voor eenigen tijd is in de laatste jaren de aandacht er weder op gevestigd geworden. Theologische beschouwingen, in den aanvang onzer christelijke jaartelling in dekringen van het jeugdige Christendom levende, in allerlei toepassingen aan het werk gezet en naar meer dan ééne zijde kracht oefenende, spreken ook thans nog haar woord, en beheer-schen de geesten, meer wellicht dan in den roes van het leven en onder het détail-onderzoek in de bij uitstek wetenschappelijk genaamde laboratoria velen opmerken en erkennen.

ocr page 25

21

Ik weet zeer goed, natuurlijk, dat ook met een woord als het zoo even genoemde, niet alles gezegd is. Samenvatting van diep doorgedachte ervaring, is het uitgangspunt geworden van eene geheel nieuwe ontwikkeling. Eu de splitsingen bleven niet uit. Kerken ontstonden, en met deze kerken verdeeldheden van allerlei aard. Een boom opgroeiende in volle krachtsontwikkeling zet zijn takken en twijgen en bladen, en in de volheid van zijn breeden, zich naar alle zijden uitbreidenden kruin wordt de eenheid van den stam niet meer gezien. En toch, deze is er.

De geschiedenis van de christelijke kerk — en de christelijke theologie is daarvan het leven — is een geschiedenis van voortdurenden strijd. En de strijd onder zondige menschen wordt op zondige wijze gevoerd, en optimi corruptio pessima. Die de geschiedenis der christelijke kerk alleen van buiten af beziet, merkt niets minder dan eenheid, en het too-neel dat zich voor zijne oogen ontrolt, is verre van liefelijk.

Bij de beoordeeling en veroordeeling daarvan is veel eenzijdigheid en overdrijving aan het woord. Oppervlakkige verwatenheid, wetenschappelijk farizeïsme, ook alles behalve nobele „Schadenfreudequot; hebben het spreekwoordelijk gewordene odium theologicum maar al te veel doen weerklinken. Eerlijke waardeering van wat ook daaraan ten grondslag lag, was vaak verre te zoeken. Bovendien, behoeft er op gewezen te worden dat nog in onze dagen, neem welk gebied gij wilt: van wetenschap of kunst, van politiek of letterkunde, niet het minst van sociale belangen, het woord odium met gansch andere epitheta dan dat van theologicum verbonden moet worden ?

Doch het zij zoo ! De beschuldiging, die in deze uitdrukking ligt opgesloten — ik durf ze niet afwijzen, en ik zal geen verontschuldigingen of verzachtende omstandigheden pleiten. Er is veel bedorven in, ook door de

ocr page 26

22

theologie. Toch, dit blyft, en het moest veel meer erkend en uitgesproken worden, dat ook bij de meest minutieuse en splinterige twistvragen, die den toeschouwer,, die deze dingen alleen van buiten beziet, onbeduidend, misschien wel ridicuul moeten toeschijnen, toch afgezien van allen hartstocht die zich er mede vermengt, van alle politiek die er gebruik van maakt, van alle intrigues door persoonlijke belangen er mede verbonden, op den bodem eene levensvraag ligt. Het is de religieuse energie, gelijk men het genoemd heeft, die leerstukken heeft geïnspireerd, hoe vol tegenstrijdigheden ook.

Ook de enkele i in den strijd tusschen het óf-ioovoLog en het d/ioiovaioe — ik spreek opzettelijk van lang vervlogen eeuwen — gold een levensbeginsel, een persoonlijke verhouding tot God. Dialektiek was er bij aan het woord; staatkunde speelde er mee; veeten van allerlei aard schoven zich er in. Toch op den bodem van alles lag iets anders en meer.

En zoo is het telkens geweest. In den strijd tegen de iconoclasten in de 8ste eeuw onzer jaartelling was het het diep godsdienstig streven God in beeld en symbool den mensch nader te brengen, dat met alle macht dreef tot verzet tegen het meer nuchtere, meer „verstandigequot; streven van hen, die, het Mohammedanisme zijn meest heftige bezwaren tegen het Christendom uit de hand willende slaan, aandrongen op verwijdering van alle beelden uit de kerken, en daarmede op een, naar het heette meer geestelijke, maar in den grond der zaak meer deïstische Godsvereering.

In het bekende „Cur Deus homo V' in de ilcle eeuw wordt het mysterie der verlossing voorgesteld in den vorm van een juridisch proces. Ook den meest rechtzinnige onzer dagen moet de wijze waarop dit geschiedt, vreemd tegenkomen. En toch, hoe spreekt zich ook

ocr page 27

23

daarin onmiskenbaar de diep gevoelde behoefte uit recht te laten wedervaren aan de heiligheid Gods, zonder welker volle erkenning er op den duur geen werkelijk leven met God kan bestaan. Dat naar de eene zijde, en naar de andere ? Waarlijk, het waren niet voornamelijk motieven van diaiectischen aard, die in vroegeren en lateren tijd velen er toe brachten zich tegen het stelsel van Anselmus te verzetten, en zoowel de eenzydigheid als het juridiek schema er van te bestrijden. Levenservaring en Godskennis waren ook daarbij aan het woord.

Ik zou de geheele dogmengeschiedenis op deze wijze kunnen doorloopen. De Hervorming der 16de eeuw was een kreet, der consciëntie, een zich willen stellen, een zich gesteld weten onmiddellijk, zonder priesterlijke tusschen-komst, tegenover God. Aan het verschil tusschen roomsche en protestantsche dogmatiek, gelijk binnen den kring dezer laatste, tusschen luthersche en gereformeerde — ik zou in nog meer onderscheidingen kunnen afdalen — ligt verschil van wereld- en levensbeschouwing, d. w. z. in den grond der zaak — want iedere wereld- en levensbeschouwing komt ten slotte daarop neer — van Godskennis ten grondslag.

Dit openbaart zich op ieder gebied. Omdat men anders staat tegenover God, staat men anders tegenover de be-ginselvragen van wetenschap, kunst, politiek, neem welk ander gebied gij wilt: ook van zedelijkheid.

Ik spreek het woord niet voor schotjes, in vroegere tijden gewettigd, maar die thans haar beteekenis verloren hebben en nog alleen worden opgehouden door de macht van gewoonte of geld. Toch — er zijn ook dieper liggende verschillen, en iedere tijd brengt ook op het gebied van het godsdienstige leven zijn eigen splitsingen mee.

Uitvloeisel van het christelijk levensbeginsel is de ééne

ocr page 28

24

algemeene Christelijke Kerk. Er is een Christendom boven geloofsverdeeldheid. Maar het wordt niet bereikt door een ontkennen en kunstmatig in de schaduw stellen van wat verdeelt, maar integendeel door ieders beginsel tot zijn recht te laten komen, en door in de consequente doorvoering daarvan de eenzijdigheid er van te leeren kennen, bestrijden en overwinnen. Er is een wegzetten van alle verscheidenheid op godsdienstig gebied, dat de dood is van alle waarachtig leven, en waaraan niet kan mee doen die zelf gekomen is tot Godskennis, tot persoonlijke verzekerdheid, tot waarachtig geloof. Er zijn zoovele Roomschen die geen Roomschen, zoovele Protestanten die geen Protestanten, i. é. w. zoovele Christenen, die geen Christenen meer zijn. Dan is het niet moeilijk eenheid te vinden, te spreken van neutraliteit, en zich verheven te achten boven geloofsverdeeldheid. Maar dan gaat het ten koste van het beginsel, d. i. van het leven, en de prijs, die daarvoor betaald moet worden, is mij te duur.

Waar geloofsovertuiging staat tegenover geloofsovertuiging is strijd, en de groote vraag is slechts deze: daarbij niet verder te gaan dan werkelijk het beginsel mede brengt en er uit te weren wat gevolg is van zondige hartstochten. Maar ook waar geloof is, is eenheid: in de diepte door het eenvoudige fl . . at men gelooft, in het ideaal, omdat men ziet op de volkomen kennis die verkregen zal worden.

Theologie veronderstelt cjeloof, geloof in God, geloof in een God die zich zelf aan menschen heeft geopenbaard. Ik voeg er nu nog aan toe: theologie veronderstelt een kring, waarin naar een bepaalde zijde het leven des ge-loofs zich uit spreken kan.

Theologie en Kerk behooren bijeen. Ik weet dat in de praktijk zich tal van bezwaren tegen deze verbinding

ocr page 29

25

voordoen. Bij onze hoogduitsche naburen, meer nog dan bii ons, wordt tusschen de begrippen „wetenschappelijkequot; en „kerkelijkequot; theologie een „entweder-oderquot; gesteld. En wat wij zoo nu en dan bemerken van het ingrijpen van kerkelijke autoriteiten op het gebied van de vrije theologische studie, schijnt die tegenstelling maar al te zeer te wettigen. Toch is daarmee het beginsel zelf niet gewraakt.

Er is misschien geen neteliger questie dan die van de Kerk. Ook in ons vaderland is dit maar al te dikwijls gebleken. Voor een groot deel ligt de oorzaak daarvan in de verwikkeling van staatkundige, maatschappelijke en kerkelijke belangen, m. a. w. in het ingrijpen van het eene gebied op het andere. In den gang der geschiedenis kon deze verwikkeling niet uitblijven, en de gevolgen daarvan werken nog na.

Ook op het gebied der theologische studie is dit het geval. Ik bespreek deze dingen niet uit het oogpunt van den staat. Ik begeef mij niet in de vraag in hoeverre historisch gewordene toestanden recht van bestaan blijven behouden ook voor latere tijden, noch ook in de andere, daar zoo nauw mee verbonden, naar de beteekenis van eenmaal verkregen rechten.

Onze Utrechtsche Universiteit is voor een gedeelte voortgekomen uit theologischen drang. In het Besluit den 3den Mei 1632 door de vroedschap van Utrecht genomen tot oprichting eener Illustre School,wordt onder de vakken, die daar onderwezen zullen worden, in de eerste plaats genoemd de Heilige Theologie', dan volgen de Bechtsgeleerd-heid, de Philosophie en andere wetenschappen. Dat met de eerste geen andere dan de hervormde theologie wordt bedoeld, behoeft geen betoog. Weinigen zeker zullen in onze dagen nog de rede voor hunne rekening nemen, waarmede den 23sten Maart 1636 drie dagen voor de plech-

ocr page 30

26

tige inwijding der Hoogeschool de hoogleeraar Voetsius in het midden der hervormde gemeente van ieder der verschillende kunsten en wetenschappen in het hreede betoogde, dat en in hoeverre zij door de Heilige Schriften werden aanbevolen en verondersteld, om dan ook van haren kant weder tot beter verstand van deze te dienen. En toch ook in dergelijke ons nu zoo vreemd in de ooren klinkende beschouwingen heeft het geheim gelegen van veler liefde voor onze Hoogeschool, tot op zekere hoogte ook het geheim van haar bloei.

Waarlijk op grond der historie behoeft onze theologische faculteit er zich niet voor te schamen, dat zij van staatswege ingesteld, zij het ook niet meer suo jure, dan toch door den drang der omstandigheden, de kweekschool van predikanten bepaald der Ned. Herv. Kerk is gebleven, en daardoor factisch met deze kerk in de nauwste betrekking is blijven staan.

Maar ik spreek van uit het standpunt der theologie. En dan aarzel ik niet als mijne overtuiging uit te spreken dat in ons vaderland aan deze een misstep, haast zou ik zeggen: een misdaad, begaan is, door de scheiding in 1877 in ons theologisch Hooger Onderwijs ingevoerd tusschen de vakken die van staatswege en andere die van wege de kerk moeten worden onderwezen. Eene theologie, die niet uitloopt op dogmatiek, mits dit woord recht verstaan wordt, d. w. z. eene theologie wier ernstig streven het niet is, de Godskennis, waarvan zij uitgaat, uiteen te zetten zoo veel immer mogelijk in geregelden samenhang, in juiste bewoordingen, in vormen bevredigend voor het verstand, op de hoogte van de wijsgeerige, gelijk in het algemeen van de wetenschappelijke ontwikkeling, rekening houdende met de geestesstroomingen van haren tijd —, zulk eene theologie is eene gedecapiteerde theologie, die in den

ocr page 31

27

grond der zaak haar naam niet meer verdient. Maar ook eene theologie die niet wortelt in het geloof d. i. in de Godskennis van een bepaalden kring, noem dien kerk, kerkgenootschap of hoe anders ook, is eene theologie zonder bodem en waaraan de levenstoevoer ontbreekt. Zij moet sterven, zij wordt samenvatting van zeker zeer belangrijke kundigheden maar zonder werkelijke eenheid, haar karakter als theologie gaat te loor.

Men spreekt tegenwoordig niet alleen van kerkelijke maar ook — wat zeker iets anders is — van theologische staat kunde. Men zou op die wijze het woord theologisch verbinden kunnen — en men doet het — met de meest verschillende zaken. Die het doen, doen het om te blamee-ren, en wie zich eene beschuldiging als die daarin gelegen is, voor de voeten geworpen ziet, voelt zich daardoor gekrenkt.

Ik beoordeel niet of en in hoeverre er niet wel aanleiding gegeven is voor eene dergelijke beschuldiging. Maar dit wil ik uitspreken. Niets heeft der theologie meer kwaad gedaan dan hare beoefenaars zelve haar deden, door met verzaking van hare natuurlijke grenzen, met hare resultaten, d. w. hier zeggen met hare machtspreuken, in te grijpen op ander, haar misschien zeer verwant, maar haar daarom toch niettoebehoorend gebied.

De theologie is in dezen niet de eenige schuldige. Ook de natuur-wetenschappen, ook de geschiedvorsching met haar historisch-critisch onderzoek, ook, om deze alleen nog te noemen: de politiek, zijn dikwijls overgesprongen van hare eigene, wettig verkregene resultaten op gebieden waar zij niet t'huis behoorden, bepaald ook op dat der theologie. Zij hebben daar vele vreemde elementen gebracht en niet altoos in het oog gehouden, dat ook zij zich daardoor schuldig maakten aan hetgeen waarvan zij hare z.g. tegenstandster, de theologie, beschuldigden.

ocr page 32

28

Maar, theoloog, spreek ik van eigen gebied. Ook dooide theologie zijn de grenzen maar al te veel uitgewischt, laat mij liever zeggen: over het hoofd gezien, bewust of onbewust ter zijde gezet. Men heeft geoordeeld, zijn veto's uitgesproken, stellige verklaringen gegeven omtrent zaken nauw samengegroeid met godsdienstige opvattingen, en die daarom beschouwd werden als tot haar gebied te behooren, maar waarover men toch zonder gansch andere studie niet aldus had mogen oordeelen, omdat zij op ander gebied een voorwerp geworden waren van veelomvattend, nauwgezet, ernstig détail-onderzoek.

Ik zal niet zeggen dat zulk een optreden der theologie niet te verklaren is. Geen studievak staat in dit opzicht aan zooveel gevaren, moeilijkheden, verleidingen bloot. Samen-gewassen met in bepaalde tijden heerschende voorstellingen op het gebied zoowel van de natuur-wetenschap als van de geschiedenis, van de politieke verhoudingen zoowel als in het algemeen van de cultuur, moet zij zich uitspreken in vormen daaraan ontleend, haar daardoor aan de hand gedaan.

De theologie gaat uit van kennisse Gods. Het is haar te doen om het absolute; zij berust op wat daarvan, d. i. van God openbaar geworden is, in den geest des menschen, in natuur en geschiedenis, — ik ben Christentheoloog, en daarom voeg ik er bij: bovenal in Jezus Christus, in wien de Christenheid de hoogste openbaring Gods erkent. Maar bij het bespreken, het in beeld brengen en het verwerken daarvan is zij gebonden aan uitdrukkingen ontleend aan het eindige, d. i, aan het betrekkelijke. Eu dit is voorwerp van wetenschappelijk onderzoek. Voortgang van kennis is hier niet alleen niet buitengesloten maaide meest natuurlijke eisch. En voortgang in kennis brengt wijziging mede van inzicht, van begrip, van formuleering.

Uitvloeisel van het christelijk levensbeginsel is in onze

ocr page 33

29

dagen niet minder dan in vroegere eeuwen het geloof in de scheppingsdaad Gods. Maar nu langs allerlei wegen de kennis van het heelal, van onze aarde, van geheel de natuur, ook in haar verleden en in hare ontwikkeling een gansch andere is dan vóór eeuwen, spreekt het vanzelf dat ook in de wijze waarop deze scheppingsdaad Gods, en zoo ook de voortdurende betrekking van God tot de wereld, wordt voorgesteld, deze meerdere kennis zich moet laten gelden en haar stempel op onze voorstellingen zetten. Dat mag niet anders. Dat te willen tegenhouden, gelijk maar al te veel wordt beproefd, is der theologie niet alleen een brevet van onvermogen geven, maar ook haar sluiten buiten den kring van menschelijke belangstelling en waardeering.

De kennis der geschiedenis breidt zich van jaar tot jaar uit, en in diepte èn in omvang. Kennis van andere godsdiensten is getreden naast die van den israëlietischen en den christelijken godsdienst, en ook binnen den kring dezer laatsten hebben èn de geschiedenis der letterkunde èn de dogmengeschiedenis afmetingen aangenomen, die men vroeger nooit had verwacht. Uitvloeisel van het christelijk levensbeginsel is geloof in, en meer dan dat; persoonlijke verzekerdheid aangaande de openharing Gods. Maar ook de wijze, waarop deze plaats gehad heeft, haar voortgang, haar ontwikkeling, haar uitbreiding, staat voor wie geschiedenis kent, in een gansch ander licht dan voor wie dit niet doet.

Veel van wat vroeger gedacht werd zonder tusschenoor-zaken te hebben plaats gevonden, is nu in zijn tusschen-oorzaken openbaar geworden en wie zal zeggen, waar hier het einde zal zijn? Uitvloeisel van het christelijk levensbeginsel zoowel als veronderstelling daarvan, is erkenning van het bovennatuurlijke. Maar ook in de schatting van wat al dan niet bovennatuurlijk raag heeten, komt ten

ocr page 34

30

gevolge van nauwkeuriger onderzoek telkens verandering.

Aan de theologie stelt dit alles zware eischen: van waakzaamheid, van voorzichtigheid, van zelfbeperking en zelfverloochening, van onderscheiding, ook van bereidwilligheid om al het verworvene en voor een oogenblik in vaste vormen gebrachte, telkens weer in den smeltkroes te werpen, en goed te vinden dat het daaruit in steeds nieuwe vormen te voorschijn komt. De theologie heeft te doen met het eeuwige, maar misschien is er geen gebied — acli waarom is onze theologie in dezen zoo vaak de karikatuur van wat zi] zijn moet? — waarop, om aan den eisch te voldoen, men zoo op de hoogte moet zijn van den üjd.

Wij leven zoo snel. De eene theorie verdringt de andere. Wat gisteren uitgemaakt scheen, is het vandaag niet meer en wordt morgen wellicht als verouderd ter zijde gesteld. Dit noopt tot voorzichtigheid. Op ieder gebied. Het is nog zoo lang niet geleden dat de tijding ons in ontroering bracht, als zou langs wetenschappeiyken weg de overwinning van een der meest gevaarlijke ziekten, tot nu toe ongeneeselijk geacht, gevonden zijn. Honderden bij honderden werden teleurgesteld, en de ziekte blijft hare slachtoffers eischen.

Ik zeg dit zonder eenige ondankbaarheid voor het vele dat de wetenschap op ieder gebied aan het licht heeft gebracht. Toch — de waarlijk wetenschappelijke man is voorzichtig en wordt het in klimmende mate, met theoriën uit misschien zeer onvoldoende gegevens opgebouwd, en te niet gedaan mogelijk door een enkele ontdekking van den volgenden dag.

En zal dan nu, zoo vraagt men, de theologie met dat alles moeten meegaan? Zal zij die voor groote kringen de draagsLer en de predikster en voor zoover mogelijk ook de verdedigster van het eeuwige is, zich moeten laten leiden, althans in hare formules en vormen, door wat zich

ocr page 35

31

misschien reeds na zeer korten tijd zal doen kennen als de waan van één dag?

Er is zoo veel strijd. Men spreekt van de wetenschap en men wraakt bij de theologie dat zij zich in zoovele en daaronder zoo verschillende meeningen uit, maar waar is dan toch die ééne onfeilbare wetenschap, die een einde kan maken aan den strijd der meeningen en die er aanspraak op heeft onvoorwaardelijk te worden gevolgd?

Waarlijk, het kan niemand verwonderen dat in theologische kringen velen, door droeve ervaring geleerd en zelf het onderscheid niet kunnende aanwijzen tusschen wel gevestigde resultaten en geruchtmakende meeningen, weigeren, zij het ook dikwijls te onrechte, zich bij de formuleering hunner geloofsovertuigingen te laten leiden door den stroom der wetenschap, en maar liever fn dezen van verre blijven staan.

Dat zij het doen! Maar dat zij het doen blijvend op eigen terrein, niet veroordeelende, niet willende heerschen, afwachtende wat blijken zal waarheid te zijn en ontvankelijk voor iederen lichtstraal, die in welk opzicht ook verder kan brengen!

De theoloog, om theoloog te kunnen zijn, heeft noodig verzekerdheid aangaande het voorwerp van zijn geloof. Welnu, men kan gerust zeggen, dat de vrees, die zoo velen bezielt, wijzigingen te brengen in overgeleverde denkbeelden in omgekeerde verhouding staat tot de mate dier verzekerdheid. Er zijn maar zoo weinigen, die den indruk geven werkelijk ernst te maken met die groote gedachte naar alle zijden en in elk barer termen: „het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoondquot;.

Ik begon met de opmerking dat op den bodem van alles ligt de theologie. Wat het voorwerp is van hare beschou-

ocr page 36

3^

wingen en dus ook de stuwkracht van haar optreden, ligt ten grondslag aan alle openbaringen, aan alle optreden van den menschelijken geest.

Wij staan nu eenmaal tusschen twee eeuwigheden, en wat bovendrijft om voor een oogenblik voorwerp van wetenschappelijk détail-onderzoek te zijn, is verschijnsel, niet het wezen der dingen zelf. Ook bij het meest positieve onderzoek drijven wij dientengevolge op geloof. Niet alleen het buddhistisch en het christelijk, het roomsch en hetprotes-tantsch geloof, ook wat zich voordoet als het meest beslist owgeloof behoort tot de categorie „geloof — ik zou het willen noemen: het geloof van den ongeloovige, — en geen mensch die bij welk vak van onderzoek ook, als dat verder gaat dan de verschijnselen, zich daarvan kan losmaken.

Voor den Christen zijn de eeuwige dingen nabij gekomen in Christus Jezus. De theoloog, medelevende het leven van de gemeente van Christus, neemt daarin zijn uitgangspunt. De weg dien hij volgen moet, gaat van binnen naar buiten, niet andersom. Eerst godsdienst. Godskennis, geloof, dan theologie. Van uit het levende middelpunt, Christus, dringt zijn blik door in de eeuwige dingen.

In natuur en geschiedenis, in kunst en wetenschap, in het leven van den individu en in dat van de gemeenschap leert hij opmerken den eeuwigen achtergrond. God. En door al de wanklanken heen, die vooralsnog niet kunnen worden opgelost, hoort hij in al deze dingen het lied der aanbidding: Soli Deo Gloria!

In de vertolking van dat lied ligt mede zijn taak. Zwaar is zij, maar heerlijk. Als ook in onze dagen en onder onze theologen maar meer werd gerekend met wat ten SiOtte de veronderstelling is van alle waarachtige theologie; „ God geopenbaard in Jezus Christusquot;.

Ik heb gezegd.

lt;t i. Gt r Q x

_______

ocr page 37

_

ocr page 38
ocr page 39
ocr page 40