REDE
OP DEN
DIES NATALIS
DER
UNIVERSITEIT VAI AISTEEMI,
deu 8s,en Januiiri 1897,
UIT GESP KOKEN DOOB.
Prof. Dr. C. H. K U H N.
Rector Magnificus.
Zeer Geachte Aamcezigen.
Wie jarenlang van nabij aanschouwd heeft, hoe de dood te midden van de bevolking eener groote stad rondwaart, heeft, al ware hij de onaandoenlijkheid zelve, vragen bij zich voelen opkomen, die wel door niets anders ter wereld met zoo pijnlijke scherpte gesteld worden.
Waarlijk, Gij kunt mij veilig gelooven, het valt niet gemakkelijk, om staande naast het kille lijk, en denkende aan het wicht van wee, dat zoo menig ontslapene had te torsen, op den duur de vraag te onderdrukken: waartoe dit alles, waarom op een wijze zóo wreed ?
Toch zal ik niet beproeven haar hier te beantwoorden. Ik geef er de voorkeur aan om met la Bihijkre te schertsen; âdat daarover alles reeds gezegd is, en dat men te laat zou komen, nadat zeven duizend jaren lang menschen geleefd en gedacht hebben! '
Een gebrek aan ernst zult Ge daarin wel niet zien. Het moge U enkel toonen, dat althans voor 't oogenblik een antwoord mij overbodig schijnt.
Geheel anders is het daarentegen met een tweede vraag, die met niet minder klem door zulk een onafzienbare rij dooden ons wordt voorgelegd, en wel deze: waartoe leidt dit alles?
Met haar heeft men zich tot nu weinig bezig gehouden. Men bleef zich tevreden stellen met de reeds in overouden tijd nagenoeg-algemeen geworden overtuiging, dat het sterven der individuen dezen doet verdwijnen. ⢠;
Aan dichters werd overgelaten te- bezingen, aan geschiedschrijvers, wijsgeeren, zedeleeraars om uiteen te zetten, welke gevolgen aan het sterven der individquot; t zich vastknoopen voor den engen of wijderen kring, waartoe dezen eens behoord hadden.
Om den invloed, dien het na langer of korter tijd verdwijnen van elk individu op het geheel der overblijvenden heeft, bekommerde men zich weinig. Nagenoeg allen bepaalden zich tot de vage bewering.
88
dat âiedere mensch te eeniger tijd plaats moest maken voor eeu ander.quot;
Deze onbewuste voorloopers van Malthus zouden thans voor een goed deel tot diens felste bestrijders behooren, wier lijfspreuk: âde aarde is ruim genoegquot; meer dan bekend is.
Toch ontbraken geenszins alle gegevens voor de beantwoording van onze vraag, die misschien het best aldus gesteld wordt: welken invloed oefent het sterven der individuen uit op de lichaams- en geestes-eigenschappen van het menschdom ?
Ieder weet, dat geheele volksstammen zijn uitgeroeid of uitgestorven. Teder begrijpt, hoe onze rijkvertakte stamboom daarbij telkens een tak of loot voor altijd verloor. En wat de oorzaken van dit verschijnsel aangaat, de ervaring heeft afdoende bewezen, dat het beruchte âvuurwater,quot; en besmettingstoffen, aan de beschaafde wereld ontleend, bijna even spoedig geheele stammen kunnen uitroeien als kruit en lood. Daarom heeft wellicht menigeen een oogen-blik nagedacht bij liet verhaal uit den Kosmos van Humboldt, omtrent dien papegaai, het laatste wezen, dat zich bediende van de taal van een pas uitgeroeiden volksstam.
Veelal laten zich echter voor het verdwijnen van geheele groepen van menschen allerminst zulke tastbare redenen aanwijzen. Tot vóór korten tijd lagen deze integendeel bijna volkomen in het duister, voor al die gevallen, waarin bij het ten gronde gaan van eenig menschenslag â haast zei ik â minder grove invloeden in het spel waren.
Van de gevolgen wist men ongeveer niets. Niemand vermoedde, dat het sterven der individuen, wellicht zelfs uit onze omgeving, een zeker bestanddeel der bevolking doet wegslinken en zoo allengs een ander slag van menschen te voorschijn roept.
Toch maken onderzoekingen, in het Groot-Hertogdom Baden verricht dit, ook voor andere landen, in hooge mate waarschijnlijk.
Wat ik bedoel komt in het kort hierop neer, dat althans in beschaafde landen het stadsleven meer en meer van de wereld doet verdwijnen hen, die in geestesaanleg boven de anderen staan.
Een nog onverklaarbare samenhang tusschen de geestvermogens en den lichaamsbouw, met name den schedelvorm van den mensch, heeft het mogelijk gemaakt dit proces als op den voet te volgen. Daarom heb ik niet geschroomd het voor heden tot onderwerp te
89
kiezen. Want bij cene gelegenheid als deze moet, dunkt mij uwe aandacht niet zoozeer gevraagd worden voor wat reeds hoven eiken twijfel verheven is, voor de rijpe vrucht dus, als voor den jeugdigen knop, die vol beloften, juist zich opent.
In mijn studententijd werd, en niet alleen door feestvierende studenten, nog al eens met warmte de leuze verkondigd: âde taal is gansch het volk.quot;
Door den loop der geheurtcnissen spoedig meedoogenloos geloochcn-straft, stierf' zij weg, tot droefheid van den een en verfoeid door den ander.
Zij had weinig recht op zooveel onderscheiding. Zij was voortgevloeid uit een duhhele vergissing.
Omstreeks 1835 had quot;Wiseman gemeend in het gebruik derzelfde taal liet kenmerk van eenheid van ras gevonden te hebben; mitsdien zou het spreken derzelfde taal aantoonen: gelijkheid van afstamming, bijeenbehooren krachtens lichamelijke verwantschap. Eerste vergissing! Een volk, dien naam waardig, moest derhalve bestaan uit éene reusachtige familie, uit een ras en omgekeerd dus een taal heel het volk kenmerken? â neen zijn! â Tweede vergissing en â schromelijke overdrijving tevens!
Het schijnt dus geoorloofd zonder eenigen omhaal tegenover de klinkende leuze liet feit te stellen, dat tot nu nergens ter wereld eenig volk is aangetroffen, 't welk zich op zuiverheid van ras beroemen kan. Zelfs het âoude volkquot;, overigens terecht beroemd om zijn trouw aan de vaderen, mist dit voorrecht.
Gebleken is dit vooral, maar niet uitsluitend, door anatomisch-anthropologisch onderzoek. Godsdienstige voorschriften zijn evenmin als de meest Draconische strafbepalingen bij machte te verhinderen, dat kruising tot stand komt, wanneer twee menschengroepen van verschillende afkomst met elkaar in aanraking zijn. Wel kan een en ander de kruising beperken. Te veel moet men zich echter daarvan niet voorstellen. Want wat o. a. de geschiedenis van Z.-Afrika daaromtrent leert, grenst aan het ongelooflijke.
De kruising, waardoor de tegenwoordige inwoners van Europa gevormd zijn, is in verschillenden, maar lang vervlogen tijd begonnen. Zij is, op steeds ruimer schaal, tot den huldigen dag voortgezet.
90
Daarom worden in ons midden zoo zelden individuen gelooren, die het geheel der kenmerken van een ras vrij zuiver en volledig ver-toonen. Zoogenaamd atavisme slechts kan hen doen ontstaan. Ove rigens herinnert, althans in West-Europa, nog slechts het Joodsche element der bevolking de groote menigte levendig genoeg aan het eertijds alles beheerschende rasverschil om haar daarop bij hare handelingen te doen letten.
De gevolgen zijn uiet uitgebleven. Tot ergenis van den anthro-poloog de Lavoice. Deze klaagt: âIn de steden ziet men reeds enkel individuen met donkere oogen en blond haar; met lange gezichten vastgehecht aan ronde schedels; met gelaatstrekken eigenlijk bestemd voor een andere tronie; de neus te klein, de mond te groot, de kin te zwaar. De armen zijn te kort voor de beenen, of de beenen te lang voor den romp. Sluike haren op het hoofd en een krulbaard. De neus is dikwijls te lang aan eene zijde, te kort aan de andere, en zijn tusschenschot staat scheef. De oogen verschillen in kleur, en de oogbollen passen niet in de oogkassen, 't Schijnt inderdaad,
alsof de mensch hetzeltde schoonheids-ideaal najaagt als.....de
straathond.quot;
De wrevelige toon moge bevreemden, opmerkingsgave kan aan de Lapoi ge moeielijk ontzegd worden. Maar hoe ook â het mensch-dom moge door de in 't onnoemlijke voortgezette kruising misvormd zijn, of niet. zooveel blijkt wel, dat dit proces onder de menschen allerminst tot gelijk- en gelijkvormigheid geleid heeft.
Verwonderen kan ons dit niet
Ai.fonsus de Tiende, de Wijze van Castilië, 'n merkwaardig man, die onder meer èn een sterrewacht oprichtte, èn het erfrecht anders regelde, liet zijne hovelingen reeds te vergeefs zoeken naar twee volkomen gelijke bladeren aan een boom. Waar dus betrekke1 ijk zoo eenvoudige voorwerpen steeds ongelijk zijn, daar kon vooi de zooveel meer samengestelde menschelijke organismen niets anders verwacht worden.
Zelfs, indien wij dus de oude a-prioristische stelling, dat ongelijkheid een onmisbaar kenmerk van objectieve realiteit is, niet bewijsbaar zouden achten, dan toch zou de ervaring ons noodzaken te erkennen, dat alle dingen, 't zij voorwerpen, 't zij organismen, van
91
elkaar nog door meer verschillen dan door de plaats en het tijdstip, waarop zij worden waargenomen.
Hieruit volgt echter onmiddelijk, dat de bedoelde verschillen groot genoeg zijn oin door ons opgemerkt te kunnen worden.
Trouwens elke dag, als 't ware, overtuigt er ons van, dat wij, meer in het bijzonder, menschelijke individuen zeer gemakkelijk van elkaar kunnen onderscheiden.
Wij hebben van onze prilste jeugd af zooveel aanleiding om ons daarin te oefenen, dat wij bij die onderscheiding allerlei bijzonderheden zonder inspanning juist opvatten en in ons geheugen prenten, ofschoon deze grooter,deels van zoo subtielen aard zijn, dat wij ze naar Gtalton's juiste opmerking noch kunnen meten, noch zelfs beschrijven.
De diepe ligging van een oog, het beloop eener kaaklijn, de klank eener stem, de slapheid van eene houding, laten zich door woorden slechts losjes aanduiden. Eén oogopslag leert ons de golvende vormen van het menscheiijk lichaam nauwkeuriger kennen dan geheele reeksen van bepalingen met passer en graadboog.
Merkwaardigerwijze heeft Bertillon, in Parijs, kunnen aantoonen hoe het, ondanks dit alles, mogelijk is een individu te herkennen met behulp van slechts enkele, maar dan ook nauwkeurig bepaalde gegevens.
De daarbij gevolgde methode is overbekend. Men verschaft zich de gegevens ten deele door meting, ten deele met behulp van een voor altijd vastgestelde kleurenschaal en eindelijk, maar niet het minst, door eene stelselmatige beschrijving van elke bijzonderheid, die, zonder tot de normale eigenschappen van den mensch te behooren, bij het onderzochte individu wordt opgemerkt.
De bruikbaarheid dezer methode mag bewezen geacht worden: over hare vertrouwbaarheid in zeer moeielijke gevallen zal m. i. eerst ruimere ervaring kunnen beslissen.
Vollediger onderzoek dan aan den levende mogelijk is, heeft echter reeds bewezen, dat tusschen twee individuen, zelfs wanneer zij ten sprekendste op elkaar gelijken, steeds zeer merkbaar verschil bestaat.
Vergunt mij U daarvan een en ander mee te deelen. Ik zal zoodoende tevens gelegenheid vinden om â en vooral hierom is het
92
mij te doen â U in kennis te brengen met de oorzaken, waarvan de individueele verschillen tnsschen menschen afhankelijk zijn.
't Is een bekende zaak, dat tweelingen, vooral wanneer beiden zijn van gelijk geslacht, zoozeer op elkaar kunnen gelijken, dat zelfs hunne moeder slechts met behulp van kunstmatige herkenningsteekenen er in slaagt hen niet met elkaar te verwisselen. Op de komische zijde van zoo verbijsterde gelijkenis wordt in vele anecdoten de aandacht gevestigd. Het volgende is echter, geloof ik, historisch. Twee schooljongens, een tweelingpaar, hielden er dol van kattekwaad uit te voeren en gaven dikwijls aanleiding tot klachten; maar terwijl de jongens nooit wilden erkennen wie van hen de schuldige was, wisten hunne aanklagers nooit recht wie van beiden zich had vergrepen. Een hunner meesters placht dan te verzekeren, dat hij zich nimmer zou blootstellen aan de mogelijkheid een onschuldige voor een schuldige te straffen; een andere meester tuchtigde hen â om de beurt?, neen steeds beiden!
Gai/iox, aan wien dit ontleend werd, is, geloof ik, tot nu de eenige die de overeenkomst en het verschil tusschen tweelingen ernstig en degelijk onderzocht heeft.
In zijne verhandeling zoekt men echter te vergeefs naar schei]) bepaalde anatomische â of wilt ge liever â morphologische gegevens. Trouwens de gelegenheid om die bijeen te brengen biedt zich zelden aan. Zoo heb ik nog slechts eenmaal een tweelingpaar, nauwkeuriger kunnen bestudeeren.
De gelijkenis tusschen die twee kinderen, meisjes, was zoo groot, dat men ze naar het uiterlijk niet van elkaar kon onderscheiden. Beiden waren, schijnbaar gezond, binnen enkele uren bezweken onder volmaakt dezelfde ziekteverschijnselen. Vandaar een vermoeder, op vergiftiging en gerechtelijke obductie.
Ofschoon nu beiden volkomen aan dezelfde ziekte overleden bleken te zijn, en ofschoon bovendien bij beiden dezelfde, aangeborene, pathologische afwijking in beide eiernesten bestond, zoo was toch niets gemakkelijker dan tusschen deze kinderen talrijke punten van verschil, zoo in scelet-bouw als in andere opzichten, aan te wijzen. Dit was zelfs dermate het geval, dat, wel bezien, tusschen bijna alle gelijknamige organen, verschil als in 'toog sprong.
Mij dunkt, ik hoor reeds opmerken, dat het aangevoerde, nu niet
93
zoo bijzonder gewichtig schijnt, daar het bekend genoeg is, hoe bij dieren de dikwerf talrijke jongen van één worp onderling zeer merkbaar plegen te verschillen.
De vergelijking zou wel niet geheel juist zijn, maar toch een punt aanroeren waaraan door Gr a lion te weinig aandacht geschonken is. Tweelingen ontstaan geenszins altijd op dezelfde wijze. Soms worden zij bij den mensch door dezelfde omstandigheden in het leven geroepen als die, welke de talrijkheid van één worp bij dieren bepalen. Maar door Rijder weten wij. hoe het uiterst waarschijnlijk is, dat tweelingen zich nog op cene geheel andere wijze kunnen ontwikkelen.
Voor dubbelmisgeboorten, tweelingen min of meer met elkaar in samenhang, zooals bijv. de overbekende Siameezen Chang en Eng, heeft Hu dei: dit zelfs streng bewezen. Uit eenc enkele eicel met éene kern en éen kernlichaampje, bevrucht door eene enkele spermatozoïde gelukte het hem kunstmatig dubbelwezens te doen ontstaan. Deze waren ten blijke van hunne herkomst uit éen ei op een gemeenschappelijk dooier- of voedingsblaasje vastgehecht, terwijl de beide lichamen over eene grootere of kleinere uitgebreidheid samenhingen.
Rijueu kon zulke dubbelwezens willekeurig te voorschijn brengen, door bevruchte zalmeieren gedurende de eerste tijdperken hunner ontwikkeling vrij levendig te schudden.
Herhaaldelijk heb ik dergelijke menschelijke dubbelwezens kunnen onderzoeken, en daaronder, die vrij wat inniger tot éen geheel vereer,igd waren dan de reeds genoemde Chang en Eng. Sommige daarvan bezaten gemeenschappelijk slechts éen hart en éene lever.
Op grond der zooevcn vermelde experimenten mag van zulke wezens met groote waarschijnlijkheid aangenomen worden, dat zij zich insgelijks uit een enkelvoudig ei bevrucht door slechts éen spermatozoïde ontwikkeld hebben.
Des te belangrijker dus, dat ook de beide individuen van zulk een dubbelwezen van elkaar verschillen door ongelijkheid der gelijknamige organen. In een geval vond ik o. a., dat de vier, overigens vrij regelmatig gevormde, ooren allen merkbaar van elkaar verschilden.
De vorm en bouw van het oor, waaraan sommige psychiaters en anthropologen-criminalisten nog al hechten, blijken dus vrij wisselvallig.
Galton's onderzoek omtrent de eigenschappen van tweelingen zou
94
belangrijk in waarde gewonnen en ongetwijfeld nog sprekender resultaten opgeleverd hebben, indien bij voor elk zijner gevallen bad kunnen mededeelen van welke afwijking in bet gewone beloop van bet generatieproces de tweelinggeboorte bet gevolg geweest is.
Elders zijn ecbter feiten vermeld, die niet enkel over den licbaams-bouw, maar tevens over bet geestesleven van dubbelmisgeboorten heel wat licht verspreiden.
In de vorige eeuw werd te Presburg zulk een dubbelwezen geboren, dat 22 jaren leefde. De beide individuen waren van het vrouwelijk geslacht, en hare borstkassen aan de achterzijde zoo aan-eengehecht, dat de zusters elkaar nimmer konden aanzien. Het benedeneinde van beider darmkanaal was gemeenschappelijk, overigens had ieder afzonderlijke organen. Even verschillend van humeur als van uiterlijk, misbruikte de sterkste hare kracht dikwijls jegens de andere.
Soms was de eene ziek, terwijl de andere gezond bleef. De laatste was mooi, zacht, bedaard en weinig zinnelijk; hare zuster daarentegen leelijk, kwaadwillig, twistziek, heftig en vurig. Het krakeel tusscben beiden herbaalde zich zoo dikwijls, en nam telkens een zoo bedenkelijk karakter aan, dat de Kardinaal van Saksen-Zeits ze in een klooster deed opnemen en onophoudelijk liet bewaken.
Ik mag 't nu wel overbodig rekenen de meer intieme geschiedenis van Chasc: en Eng te verhalen, quot;t Zal voldoende zijn op te merken, dat deze op juist hetzelfde neerkomt; ook zij waren dikwijls verwoed op elkaar en meestal naar aanleiding van schijnbare kleinigheden. Zij raakten echter zelden handgemeen, en onderscheiden zich daardoor gunstig van de gezusters uit Presburg; vrouwenhaters zullen dit wellicht met eenige belangstelling vernemen; en menschenken-ners verwonderen zich over niets!
Vanwaar nu dit verschil naar lichaam en geest, tussclien individuen, die toch gedurende liet geheele leven in zoo volmaakt dezelfde omstandigheden verkeerden, en bovendien, van zoo gelijke afkomst?
Aan Walter Heapk is een proef gelukt, die een meesterstukje van experimenteer-kunst mag beeten. Hij is er in geslaagd, om reeds bevruchte en tot beginnende klieving gekomene zoogdiereieren aan bet moederdier te ontnemen, ze over te brengen bij een ander wijfje, waarbij zij zich daarna volledig ontwikkelden.
De zaak is in 't kort deze: Angora-konijnen zijn van konijnen vau ander ras gemakkelijk aan de vacht te onderkennen.
Heafe ontnam nu aan een Angora-wijfje, nadat liet met een rasgenoot gespeeld had, twee bevruchte eieren, eu bracht die te bestemder plaatse bij een wijfje van liet gewone ras, wier zwangerschap even ver gevorderd was. Toen nu dit laatste dier jongen wierp, bleken vier daarvan tot het gewone ras te behooren, terwijl de twee overige daarentegen alle kenmerken van het Angora-ras vertoonden.
Treffender kon wel niet blijken, hoe weinig invloed het moeder-dier â gedurende de zwangerschap uitoefent op de qualitatieve eigenschappen van het jonge individu, dat zich uit de bevruchte eicel bij haar vormt liet embryonale ontwikkelingsproces is dus, althans in qualitatieven zin, in de hoogste mate onafhankelijk van uitwendige invloeden. Tailooze feiten leeren dit insgelijks, en streng genomen zelfs op nog overtuigender wijze. Wij mogen dus bewezen achten, dat de soort â zoowel als de individueele kenmerken van het toekomstige wezen allen reeds bepaald worden op het oogenblik, waarop bij de bevruchting de kernen der mannelijke en vrouwelijke kiem zich tot éen geheel vereenigen.
De soortverschillen, de bijzonderheden dus, waardoor de mensch zicli van alle andere dierlijke wezens onderscheidt, kunnen wij hier verder laten rusten. Van meer gewicht zijn, althans nu, voor ons de verschillen tusschen de individuen. Want, daar alle groepen van nienschen, dus ook de rassen slechts uit individuen bestaan, die alle dezelfde soorteigenschappen bezitten, kan alleen meerdere of mindere overeenkomst in individueele hoedanigheden een maatstaf opleveren, ter indeeling van de individuen in verschillende rassen. Rasverschil is dus enkel liet individueele verschil, dat elk lid eener bepaalde groep van alle leden eener andere groep onderscheidt.
Wij hebben nu gezien, hoe individueel verschil niet alleen steeds aanwezig is, maar bovendien, dat het bij den eersten aanleg reeds voor goed bepaald wordt. Het mag nog wel eens herhaald worden: Twee individuen, die door de paring van één en dezelfde mannelijke kiem aan één en dezelfde vrouwelijke kiem ontstaan, en die ook na hunne geboorte krachtens hunne organisatie voortdurend aan volkomen dezelfde invloeden blootgesteld waren, verschillen van elkaar èn lichamelijk èn psychisch.
96
Het verschil tusschen de individuen spruit nu niet hieruit voort, dat hij hunnen aanleg nieuwe eigenschappen aan het oude geheel zouden worden toegevoegd. Steeds kan het verschil herleid worden tot eene hijzondere en nieuwe combinatie derzelfde eigenschappen. Het is dus van quantitatieven aard. Alles hangt af van de meerdere of mindere mate, waarin elk der eigenschappen telkens aanwezig is.
Verklaarbaar wordt dit. zoodra men zich he.iinnert, hoe de kinderen hunne hoedanigheden slechts verkregen hebben doordien de ouders ze op hen overdroegen. Want het staat vast, dat bij dc reproductie elke ouder niet het geheel zijner eigenschappen op het kind doet overgaan, maar dat die overdracht als 't ware stuksgewijze, dus voor elke eigenschap in het bijzonder geschiedt. Daarom worden de verschillende eigenschappen geenszins allen even trouw overgedragen, dat is steeds in dezelfde mate of tot een zelfde bedrag.
Dit opmerkelijk verschijnsel hangt nu eens af van de individualiteit van den onder, dan weer van den aard der eigenschap zelve. Een sprekend voorbeeld van de eerste verhouding is de bekende Bourbon-neus, op wiens, bezit de onlangs overleden Hertog van Nemours zoo trotsch was, en waaraan zelfs weinige jaren geleden de reiziger Kouselet in Centraal-Indië aan liet hof van Hliopal herkende... een afsiannneling in rechte lijn van Frans den Eerste. De groote bestendigheid, waarmede de gemiddelde lichaamslengte der ouders bij het kind teruggevonden wordt, leert daarentegen, hoe sommige eigenschappen krachtens haren aard bijna steeds ongewijzigd worden overgedragen.
Dit alles heeft tengevolge, dat eene bevolking zich steeds als 't ware in een overgangstoestand bevindt. Kruising tracht daarin de oorspronkelijke rasverschillen meer en meer te doen verdwijnen, zonder dat zij daartoe ooit ten volle geraakt. Moe minder ver de ineensmelting gevorderd is, en hoe kleiner het aantal rassen, dat aan haar onderworpen werd, des te gemakkelijker gelukt het de individuen van gekruist ras in groepen te rangschikken, waarvan elke die lieden bevat, welke meer dan dc overigen de typische kenmerken van elk der oorspronkelijke rassen verfoonen. â
Bij het bepalen van de lichaamslengte der dienstplichtigen in het Groot-Hertogdom Baden, heeft de anthropoloog Ono A.mmon zich er
97
van kunnen overtuigen, dat de bevolking van dit land door de kruising van twee rassen is ontstaan. Het viel hem weldra op, dat wanneer de getallen, bij het meten der individueele lichaamslengten verkregen, voor welk district ook, op de bekende wijze met behulp van abscis en ordinaten graphiscb werden voorgesteld, dit telkens leidde tot bet ontstaan van eene gebroken lijn van zeer eigenaardig beloop. Deze lijn of curve onderscheidde zicb steeds door het bezit van twee min of meer van elkaar verwijderd liggende toppunten. Het verschijnen van zulk eene lijn wijst altijd zeker en onmiddellijk aan, dat de gegevens, die zij graphiscb weergeeft, zich met met betrekking tot het onderzochte punt nog in een ander opzicht van elkaar onderscheiden dan door grootte of bedrag. De vraag is dus voor A.umovs waarnemingen; in welk opzicht? Aangezien door hem dienstplichtigen gemeten zijn, kan het geslacht buiten aanmerking blijven Daarentegen dient overwogen te worden in hoeverre leeftijd en voeding, zij :t afzonderlijk, zij ;t te zamen op de vastgestelde lengten invloed gehad kunnen hebben. Dc onderzochten waren 19 jaren oud en daarboven. Op dien leeftijd beeft men echter, zooals 't volk zegt, ânog alles behalve zijn groei beet.quot; Integendeel, en dit moge velen met Z.E. den minister van Houten verzoenen, Qlektelkt reeds, heeft voor België aangetoond, dat de mannelijke ingezetenen eerst tusschen het ^58t0 en 26st0 jaar hunne volle lengte bereiken. De mannelijke bevolking wordt daar te lande van het 19lle tot 30sto jaar zelfs pl. m. 2 cM. langer. Ieder kan aan zijne omgeving er zich licht van overtuigen, en Ekis.mann beeft het voorde Kussen met cijfers in de hand bewezen, dat de groei in die jaren geenszins enkel uit toename der lichaamslengte blijkt.
't Is voorts uitermate waarschijnlijk, dat ook de voeding op den lengtegroei van bet nog niet volwassen lichaam terugwerkt. Galton heeft door meting en schatting gevonden, dat de tegenwoordige Engelschman iets langer is dan zijn oniniddellijke voorgangers. Dit kan ternauwernood aan iets anders worden toegeschreven dan hieraan' dat sedert het begin en vooral sedert het midden dezer eeuw de lagere standen in Engeland zich aanmerkelijk beter, althans veel krachtiger voeden. Clewicbtiger nog is, voor wie Amjion's uitkomsten beoordeelen wil, dat eene meer krachtige voeding tevens den lengte-groei verhaast. Daarom bereiken dc landlieden, die over het geheel
98
minder krachtig voedsel tot zich nemen, eerst later dan de stedelingen den vollen wasdom.
Nog een ander opmerkelijk verschijnsel hangt waarschijnlijk af van den invloed der voeding op den groei. De bekende anthropoloog Collionon zag allengs langere rekruten zich aanmelden uit streken, waardoorheen kort te voren eene spoorweglijn was aangelegd, 't Schijnt niet te gewaagd dit curieuse feit toe te schrij ven aan den indirecten invloed, dien spoorwegen op het vertier, mitsdien op de welvaart, en daarmee op de voeding der omwonende bevolking uitoefenen.
Ik mocht over den samenhang van de lichaamslengte met leeftijd en voeding niet zwijgen, want zij noopt tot omzichtigheid, en liet is, dunkt mij, jammer, dat Ammon daarmede niet meer rekening gehouden heeft. Toch belet mij dit niet hem toe te geven, dat de tweetoppige vorm zijner curven der lichaamslengte afhankelijk moet zijn van rasverschil.
Reeds hierom niet, omdat historisch schijnt vast te staan, dat de oorspronkelijke bewoners van Baden voor ongeveer zestien eeuwen uit de vlakte naar de bergen verdrongen zijn door de Germanen, die zich eerst toen aan den Duitschen Boven-liijn begonnen te vestigen. De kenmerken van het G-ermaansche ras, zijn met behulp zoowel van historische als anthropologische gegevens dikwerf beschreven. De Germanen waren van lange gestalte, langhoofdig, blauwoogig, blond en blank, intelligent, moedig, trouw en kuisch.
Volgens de Lapouge, en meer nog volgens Aiuio.v, zouden, zij zoowel deze voortreffelijke eigenschappen als hunne monogamie en hunne lange beenen â de ware reden hunner groote lichaamslengte, â te danken hebben aan de ellende, die hunne stamouders, de holbewoners van Westelijk Europa, in de ijsperiode doorstaan hebben. In d:.en barren tijd van nog ongemeten duur zou de mensch slechts met de grootste inspanning hebben kunnen voorzien âin eigen onderhoud en dat van zijn gezinquot;. Vandaar, dat ten slotte slechts zij zouden zijn overgebleven, die intelligent, monogaam en tevens, door hunne lange beenen vlugge jagers waren.âIk vrees, dat sommigen, bijv. Eugènk Dubois, tegen deze voorstelling eenig bezwaar zullen hebben. In zijn aantrekkelijk âThe climates of the geological pastquot; betoogt Dubois met nadruk, dat de temperatuur in de gematigde zone gedurende de ijsperiode nog niet 5° C. lager dan tegenwoordig geweest kan
99
zijn. üe Lapouge en Ammon stellen zich echter blijkbaar voor, dat in die te slechter faam staande periode zoo ong-eveer alles ijs en sneeuw geweest is. Misschien dus, dat het beter is voorhands achter hunne gissing een vraagteeken te plaatsen.
Van grooter belang dan de vraag, hoe de Germanen de hun toegekende eigenschappen deelachtig geworden zijn, is voor ons deze; of zij die inderdaad allen en in vollen luister bezeten hebbengt;' Daaraan valt wat het lichamelijke aangaat, dunkt mij, niet te twijfelen; en wat geest en karakter betreft, ja! â wij hebben alien zooveel Ger-maansch bloed in onze aderen!
Ik stel IJ voor het oordeel over te laten bijv. aan een Japaneeschen anthropoloog. Al te lang zal deze zich wel niet laten wachten; hij zal, vertrouw ik, nauwkeurig uiteenzetten, hoe hunne overigens zoo lofwaardige karakterhoedanigheden aan de Germanen echte tevredenheid met het bestaande hebben onthouden, en hoe zij dientengevolge geneigd waren tot reizen en trekken.
De wereldgeschiedenis zal hem echter dwingen, zooal niet dankbaar, dan toch volmondig te erkennen, dat in verstandelijke vermogens de Germanen voor geen ander ras hebben ondergedaan.
Omtrent de raskenmerken der oudste bewoners van Baden, van hen dus, waarmee de Germanen zich later gekruist hebben, kan men zich alleen indirect vergewissen. Het blijkt dan, dat zij geweest zullen zijn: klein van gestalte, rond hoofdig, met bruine oogen, zwarte haren en donker van huid. Zij behoorden dus tot den zoogenaamden Mon-goloïden of Ãuranoïden typus. Zij hebben, waarschijnlijk uit Azië komende, reeds in overouden tijd Baden door het dal van de Donau heen bereikt. In geesteseigenschappen met de Aziatische rassen overeenkomende, zijn, voor 't oogenblik, slechts de mindere vlugheid van hun verstand, hun grooter vermogen oin te berusten en te volharden, alsook hunne uit zelfzucht voortvloeiende listigheid voor ons van belang.
De twee rassen, die in het tegenwoordige Baden tot kruising gekomen zijn, onderscheidden zich dus van elkaar o. a. door een zeer tastbaar en tevens zeer vertrouwbaar anatomisch of, juister gezegd, morphologisch kenmerk. Het Germaansche was langhoofdig, het Mongoloïde daarentegen rondhoofdig. De mate, zoowel van lang- als rondhoofdigheid kan door een getal worden uitgedrukt, 't welk de
100
verhouding tusschen den afstand van het voorste tot het achterste punt en de grootste dwarse afmeting van den schedel aangeeft. Dit getal heet index cephalicus. Hendrik de Vierde, le bon roi Henri, was een beroemd langhoofdige; Napoleon de Eerste werd, naar den vorm zijner steken te oordeelen, althans in rondhoofdigheid door geen beroemd man geëvenaard.
Drieërlei kan nu gebeuren, wanneer een individu van een lang-hoofdig ras zich kruist men een ander, tot een rondhoofdig behoorende.
Krachtens het stuksgewijze van de overdracht der eigenschappen bij erfelijkheid zal kunnen ontstaan:
1°. een individu met een schedelvorm, die het numeriek gemiddelde is van die der beide ouders, een mesocephaal, of middenhoofd dus, bij wien de onderling verschillende indices cephalici der ouders niet meer te herkennen zullen zijn. â Geeft daarentegen bij den aanleg van het kind de index cephalicus van een der ouders den doorslag, dan zal of 2quot;. een langhoofdige, óf S11. een rondhoofdige geboren kunnen worden.
Iets minder dor zal U dit alles voorkomen, zoodra ge weten zult, dat blijkens de ervaring, tusschen den index cephalicus en den psy-chischen aanleg in t algemeen een eigenaardige verhouding bestaat. De erfelijkheid doet beiden over 't geheel genomen ook bij individuen van gekruist ras steeds op dezelfde wijze samengaan als zooeven voor de Germanen en Mongoloïden bleek. Terwijl dus de mesocephaal èn in schedelvorm èn in psychischen aanleg een echte middenman is, vertegenwoordigen daarentegen de langhoofdigen in Baden, in beide genoemde opzichten meer den Germaanschen, dc rondhoofdigen den Mongoloïden typus.
De index cephalicus kan nu aan den levende voldoend nauwkeurig gemeten worden. Daarom heeft dit raskenmerk beter dan eenig ander Ammon in staat gesteld te bepalen, hoe de beide oorspronkelijke rassen zich afspiegelen in de thans levende bevolking, en hoe 't hun vergaat. Zijne gegevens zijn verkregen door zeer nauwkeurig en veelomvattend onderzoek. In hoofdzaak werd dit verricht aan drie lichtingen van ,,Wehrpflichtigenquot; te zamen GT01 man sterk, allen afkomstig uit de Amtsbezirke Karlsruhe en Freiburg, en in den regel tusschen 19 en 20 jaren oud De aldus verkregene data konden vergeleken worden met andere, die vroeger reeds voor geheel
101
Baden vastgesteld waren. Bij de oudere onderzoekingen waren verschillende pnnten buiten aanmerking gebleven. De gemiddelde waarde van den index cephalic us voor geheel Baden berust echter op meting bij 11,125 man. liet onderzoek strekte zich bovendien uit tot de leerlingen van zekere scholen in dezelfde Amtsbezirke. Van het tijdvoovende van dergelijke studiën kan men zich een denkbeeld vormen, wanneer men weet, dat behalve de gewone en geneeskundige, ten aanzien van elk individu minstens acht data, waarvan 3 door meting, bepaald moesten worden. De eigenaardige regeling der dienstplicht in het Duitsche rijk kwam aan het onderzoek zeer ter stade. Zij liet toe den graad van verstandelijke ontwikkeling van ieder dei-onderzochten onmiddelijk en voldoend nauwkeurig te bepalen en tevens den maatschappelijkeu stand, waartoe zij behoorden.
De overgroote meerderheid van de jongelieden uit den hoogsten stand meldt zich als eenjarig vrijwilliger aan op grond van afgelegd eindexamen aan een gymnasium, obere Real- of Realschule. Die uit den middenstand plegen daarentegen deze scholen niet tot het einde van den leergang te doorloopen en vertooncn daarom den âBerech-tigungsschein zuin einjahrigen freiwilligen Dienst,quot; die door het afleggen van een weinig-eischend, speciaal examen verkregen wordt. De overigen, die enkel de lagere school bezocht hebben, treden in de gelederen voor den vollen diensttijd.
Zoo werkt dus in Duitschland de leger organisatie het bezoek der middelbare en hoogere scholen in de hand, â eene schamele vergoeding voor de deerniswekkende opofferingen, die zoo menig gezin zich getrooste moet voor den zoon, die Einjahriger of officier is.
Ik mag niet verwachten, dat de belangrijkheid der uitkomsten het mij zou doen vergeven, wanneer ik ze hier achtereenvolgens noemde.
Te schoolsch zou mijn opsomming worden. Daarom zal ik U in hoofdzaak slechts mededeelen welke gevolgtrekkingen daaruit voortgevloeid zijn.
De typus âmenschquot; of, wat in den grond der zaak hetzelfde is, rhomme moyen van Qaételet heeft zich in den loop der tijden veranderd en ondergaat nog voortdurend verandering. Het geheel van invloeden, waarmede de buitenwereld op den mensch inwerkt, verwijdert uit het menschdom die individuen en groepen van individuen, die onbekwaam geworden zijn tot verder voortbestaan. Ondanks al
102
ons tegenstribbelen heeft dus zelfs in de meest beschaafde landen steeds een zifting plaats, waaraan alle levenden onbewust en tegen hnn wil onderworpen worden. Wij mogen dit ziftingsproces een uitkiezen door de Natuur, een natunrkeuze noemen, wanneer wij ons slechts de Natuur daarbij niet voorstellen, als een met bewusten wil handelend wezen, maar als een geheel van krachten, van energiën, wier onderlinge wisselwerking in het eind zal leiden tot evenwicht, en daarmede tot het ontbreken van al wat beweging cn leven heet.
Dahwin, die het tegenwoordig peil van 's menschen lichamelijke en geestelijke ontwikkeling vooral aan natuurkeus toeschreef, heeft dus juister gezien dan zijn criticus, de Hertog van Argyll. Deze laatste wilde van natuurkeus niet hooren, omdat immers de mensch zidi van de wilde dieven juist in de richting van meerdere physieke hulpeloosheid en zwakte onderscheidt.
Akoyu. zag evenwel voorbij, dat de mensch verstand bezit, wel niet altijd heel veel, maar dan toch eenig. Ofschoon nu sommigen, mede op gezag van Plato, 's menschen rede verduisterd achten, â veel wordt bewezen, wat niet waar is! Laat ons dus enkel zeggen, dat die rede juist het wapen is, waarin 's menschen kracht schuilt, dat dit wapen in den loop der tijden nimmer aan deugdelijkheid verloren heeft, en integendeel steeds meer het vlammend zwaard geworden is, waarmee de mensch door de duisternis heen zich een weg baant.
Niemand heeft dit dieper gevoelt dan Darwi.v, en juist dit moet het hem gemakkelijk gemaakt hebben in strijd met de meening van Wallace tot de erkentenis te komen, dat desniettemin onze rede het proces, 'twelk natuurkeus genoemd wordt, in zijn voortgang niet kan stuiten. Verre van dien! Zoo Am mom's onderzoekingen iets in 't licht gesteld hebben, dan is het juist, hoe de natuurkeus bij de zifting der individuen, in de beschaafde wereld, bijna uitsluitend haar aangrijpingspunt zoekt in hunne geestvermogens en karakter, aan de psychische zijde dus.
Zijne Karlsrukeu en Freiburger gegevens leeren niet alleen, dat er verschil bestaat tusschen den schedelvorm in de stad en op het land, maar bevestigen tevens, dat een verschil in geestesaanleg daarmede onafscheidelijk verbonden is.
Procentsgewijze komen onder de stedelingen bijna driemaal zooveel
103
langhoofdigen, en daarenboven meer dan driemaal minder rondhoof-fligen voor dan onder de landlieden.
Onder de lialf-stedelingen, dat zijn zij, die zeiven in stad, docli wier vaders op het land geboren werden, bevinden zich procentsgewijze tweemaal zooveel langhoofdigen en slechts half zooveel rondhoofdigen als onder de landlieden.
Met het woord stedelingen werden hier bedoeld, zij, die in plaatsen met meer dan 12,000 inwoners geboren zijn. Al wat daar buiten ligt werd land gerekend.
De zooeven vermelde verhoudingen moeten van blijvenden aard zijn, want zij zijn op willekeurige tijdstippen op verschillende plaatsen onderzocht en gelijk bevonden.
Terwijl dus de mesocephale, indifferente schedelvormen, dat zijn die, bij wier bezitters de lichamelijke en psychische raskenmerken door ineenvloeiing als zoodanig onherkenbaar geworden zijn, overal vrij wel even menigvuldig worden aangetroffen, is dit voor de langen rondhoofdigen allerminst het geval.
Deze komen in de verschillende groepen der bevolking in zeer verschillende mate voor, en daarbij vertoont zich een opvolging, die het mogelijk maakt die groepen in een bepaalde volgorde te rangschikken, welke voor de mate van rond- juist de omgekeerde is als voor die der langhoofdigheid.
Langhoofdigen treft men onder de stedelingen driemaal, en onder de half-stedelingen tweemaal zooveel aan als onder de landlieden.
De van het land naar stad verhuisden houden het midden tusschen de groep der half-stedelingen en die der landlieden, maar naderen daarbij meer tot de laatste.
Een zoo opvallend onderscheid vraagt om verklaring.
A.m.mon zoekt deze in den invloed, dien de steden op den mensch uitoefenen.
Als de Loreley uit de sage lokken zij, volgens hem, zekere lieden met onweerstaanbare macht tot zich om hen allen binnen korten tijd te vernietigen, hen en hun geslacht. De steden zijn het, waardoor onder ons natuurkeus plaats heeft. Zij immers trekken niet allen aan, maar wel hen, die krachtens hunnen psychischen aanleg slechts weinig berusting, maar des te meer intelligentie, moed en ondernemingsgeest bezitten. Gij kent ze wellicht, die ontzaglijk zware
104
rollen â walzen heeten ze in de industrie â die in gladde, haast statige wenteling het suikerriet uitpersen en verpletteren.
Niet anders doen de steden met liet meest begaafde deel van ons geslacht. Zij dwingen hen onverwijld het beste te geven, dat in hen is, door ze te vermorzelen.
Ma ar Gij verwacht van mij geen lyriek. Het is beter te begrijpen dan te jammeren, ju mij dunkt, nog zal wat ik daar zeide, U meer geweldig dan overtuigend schijnen.
Dien indruk mag ik echter niet laten voortbestaan. De zienswijze van Ammon steunt op te goede gronden, dan dat haar vreemde klank en haar diepingrijpend karakter haar in Uw schatting zouden mogen blijven benadeel en.
Daarom in :t kort nog dit Wij hebben hier te doen met gevolgtrekkingen uit statistieken. Het is dus wel overbodig op te merken, dat zij ons nimmer kunnen doen voorspellen, wat in een gegeven geval met noodzakelijk zal gebeuren, wel echter wat een voldoend groot aantal gevallen zal doen blijken. Zoo dus wellicht menigeen uit eigen ervaring feiten zou weten aan te voeren op eenig punt in strijd met hetgeen ik ga zeggen, dan moge hem dit aan de juistheid van het meegedeelde niet onmiddelijk doen twijfelen.
Ammon heeft het opmerkelijke feit geconstateerd, dat van de 6701 rekruten geen enkele, die op het land woonde, in stad geboren was. Hij leidt daaruit af, dat wie zich eens in de stad gevestigd hebben, evenmin als hunne kinderen, ooit weer naar het land terugkeeren. Hij erkent echter, dat enkele zonen van stedelingen als ambtenaren, naar buiten gezonden worden, en daar een gezin stichten. Hij zal evenzeer wel toegeven, dat menig jonkman of meisje van het land een paar jaren in stad de fortuin beproeft en kinderloos naar huis keert. Ook zal hij niet ontkennen, dat bedaagden, die, van het land afkomstig, in stad hun beste jaren doorleefd hebben, niet zelden haar verlaten, om buiten rustig te genieten of hun einde af te wachten. â Dit alles geschiedt althans ontegenzeggelijk hier te lande. Het is echter met het feit, dat geen enkele rekruut, die op het land woonde in stad geboren was, blijkbaar niet in tegenspraak, en voor het lot der stadsbevolkingen van weinig belang.
Zoo dus is Ammon tot de gevolgtrekking gekomen, dat de steden niet weer loslaten wie zich daar, in den waren zin des woords, ge-
105
vestigd hebben. Voor Karlsruhe en Freiburg acht ik dit inderdaad door hem bewezen.
Geoims Mansion is langs eenigszins anderen weg voor alle steden van Beieren en voor Leipzig â alleen voor dezen waren de noodige statistische gegevens aanwezig â tot dezelfde uitkomst geraakt. Voor al die steden heeft deze gevonden, dat hare ter plaatse geborene ingezetenen binnen tweemaal een mensehenleeftijd uitsterven, en door het toestroomen van der stad vreemden vervangen worden.
Door de vermenigvuldiging van hen, die op het land wonen, wordt echter niet alleen het in de steden onophoudelijk ontstaande deficit aangevuld, maar zelfs meer dan gedekt. Is dit juist, dan volgt daaruit. dat hier de natuurkeus haar spel speelt en althans in Duitschland het menschenslag verandert. Want de stroom van het land naar de steden sleept, zooals wij zagen, relatief meer onrustige langhoofdigen weg, en laat de meer berustende rondhoofdigen op het land achter. In overeenstemming hiermede blijkt nu, dat de rondhoofdigheid onder de Duitschers sedert ouden tijd aanmerkelijk is toegenomen.
Het lot der rond en langhoofdige elementen in de steden is evenwel niet hetzelfde. Zoo beiden daar ten slotte uitsterven, ook hier ^ weer doet de natuurkeus zich gelden. De rondhoofdigen zullen door hunne mindere bevattelijkheid en hun geringere energie in de steden de maatschappelijk minder bruikbaren blijken. Zelfs indien nu de nadeelen der nieuwe omgeving op hen overigens niet sterker mochten inwerken dan op de langhoofdigen, zoo zuilen zij toch bij deze laatsten in één opzicht moeten achterstaan. Want meerdere maatschappelijke bruikbaarheid beteekent ruimere verdiensten, en dit, op zijne beurt,
meer krachtige voeding. Een nieuwe zifting dus, en wederom naar gelang van den psychischen aanleg, ecne zifting, die velen en velen voor goed uit het leven doet verdwijnen. Het is nu overbekend,
dat in steden de sterfte der lagere standen, en daartoe behooren die rondhoofdigen, grooter is dan in de hoogere.
Belangwekkender nog worden de uitkomsten van Ammon, wanneer wij ze zien bevestigen het reeds langs anderen weg vastgestelde feit,
dat de psychische aanleg der langhoofdigen hen meer geschikt maakt voor intellectueele ontwikkeling dan de rondhoofdigen.
Op tweeërlei wijze kwam ciit op nieuw aan het licht.
Zoo in Karlsruhe als in Mannheim bleek voor de scholieren van
106
de Grymuasia en Real-gymnasia, niet alleen de schedelvorm in 't algemeen naar gelang van de herkomst der individuen uit de stad of van het land op de gewone wijze te verschillen, maar tevens een zeer opmerkelijk onderscheid tusschen de leerlingen der zoogenaamde âUntersecundaquot; en die der o hoogere klassen. Uit deUnter-secunda verlaten veler, deze scholen, omdat zij dan het recht verkregen hebben slechts een jaar te dienen, terwijl zij geen wetenschap-gelijke opleiding begeeren. Bij de groote voorliefde van onze naburen voor den geleerden stand ligt echter veelal in dit zich terugtrekken een erkentenis van minderen aanleg voor studie opgesloten. Het zijn nu wederom de rondhoofdigen waarvan op deze wijze de drie hoogere klassen bevrijd worden.
Eindelijk. In Karlsruhe bestaat een natuurwetenschappelijk gezelschap. De leden daarvan behooren tot de geleerden, die het wat verder gebracht hebben. Am.mo.v kreeg verlof hu-me schedels te onderzoeken. Slechts 12 waren verschenen. Eerst later werden 18 anderen gemeten. Heze waren bij het vorig onderzoek niet aanwezig geweest, omdat het toen heel slecht weer was, en het zelfs afgrijselijk stormde. Onder die 30 was geen enkel rondhoofd te vinden. Te zamen waren de leden langhoofdiger dan eenige andere groep in Baden. Maar toch, het allermeest langhoofdig was het twaalftal, dat indertijd wind en weer getrotseerd had.
Ammon's werk is veel omvattender dan het medegedeelde kan doen vermoeden. Slechts enkele punten daaruit heb ik onder uwe aandacht gebracht.
Wie veel beweert heeft veel te verantwoorden.
Ik zou mij niet gaarne bij elke redeneering, zei I's niet bij elk feitelijk gegeven van Ammon rustig neerleggen.
Ik weet zeer wel, dat voor andere landen nog eerst blijken moet, wat voor Baden aan het licht kwam.
Haarde hoofdzaak schijnt vast te staan, en is opmerkelijk genoeg. De natuurkeus, dat zijn: de invloeden der buitenwereld, die bestendig en geregeld, dus volgens wetten, maar blindelings op ons inwerken, vinden hun aangrijpingspunt vooral in onzen psychischen aanleg. Zij maken zich van ons meester door het stadsleven, op zijne beurt, n'en déplaise Leo Tolstoï, een noodzakelijk uitvloeisel van de organisatie van 's menschen geest.
107
Waarom echter maait liet stadsleven de lauglioofdigen uit de bevolking gestadig weg? Waarom roeit liet juist de grootste intellectueele krachten uit?
Tot deze vragen bestaat voorzeker aanleiding. Te meer, omdat het stadsleven de langhoofdigen zeiven, d. i. wat hun eigen bestaan betreft, stellig niet meer benadeelt dan de rondhoofdigen. De sterfte in steden is onder de hoogere standen, dus ook wel onder de langhoofdigen, het kleinst. De zittende levenswijze der meer ontwikkelden, die U onmiddellijk voor den geest kwam, blijkt dus voor het individu niet schadelijk, wanneer dit overigens behoorlijk verzorgd en gevoed wordt Bovendien de half-stedelingen tellen proportioneel minder langhoofdigen dan de stedelingen. De verhouding tusschen beide groepen bleek te zijn 2: 3. Het aantal langhoofdigen neemt dus relatief toe, wanneer de eerste generatie der ingezetenen tot tweede wordt. In het eerste geslacht worden dus de langhoofdigen door het stadsleven zelfs begunstigd. Nogmaals derhalve: waarom verdwijnen zij, en wel, zooals wij nu weten, reeds met het tweede geslacht?
Het antwoord kan slechts zijn, omdat zij ophouden zich te vermenigvuldigen, omdat zij geene nakomelingen hebben.
Waarom ontbreken hun die?
Omdat zij laat huwen zegt de een; omdat zij geen kinderen willen hebben, antwoordt een ander,quot; en spreekt dan van de moreele verbastering dier zoogenaamde meestontwikkelden, en schimpt op Fransche laagheden.
Ik zal U het antwoord schuldig blijven, omdat ik niet bewijzen kan. Maar ik wil niet verzwijgen dat al die oppervlakkigheden mij tegenstaan, en dat ik kalm een degelijk onderzoek afwacht, dat heel wat daarvan tot pulver zal malen en doen verstuiven.
Moge weldra een zoon van dat veel gesmade Fransche volk, met dat vernuft, die nauwkeurigheid en, bovenal, die helderheid, waarin hot heel de wereld is voorgegaan, onomstootelijk bewijzen, dat intensieve inspanning van den geest de vruchtbaarheid van het lichaam vermindert.
Zou dan toch het oude verhaal waarheid bevatten ?
Zou de boom der kennis slechts giftige vruchten dragen ?
Wij armen, die ons het oneindige niet kunnen voorstellen, maar
108
die wel quot;besef hebben van den korten duur vim ons bestaan, wij zijn zoo gewoon slechts met ons zeiven te rekenen. En wanneer wij dan droef moeten erkennen, dat welhaast van ons niets meer over zal zijn, dan zoeken wij troost in de gedachte, dat onze nakomelingen zullen leven om ons dankbaar te zijn, en om voor de eer van onzen naam te waken.
Maar ook, wij kunnen, bedenkende, dat wie niet meer zijn, niet meer lijden, niet meer genieten, ons losmaken, èn van ons zeiven èn van de onzen. Dan verzoent onze goddelijke rede ons met het bestaande, door ons ervan te overtuigen, dat alleen het bestaande bestaanbaar is. En eerst dan hooren wij met volkomen welbehagen het woord van den Olympicus: âund immer circulirt ein neues, frisches Blut.quot;