ocr page 1

./Qljl ,1^1. 22,,, lt;/„,

'Ja

Waar vele inillioenen reeds gebleven zijn

EN

Waar Yele millioenen nog zullen blijven.

M li IS li El li ER IN NI'MÜWIHNDIE.

EEN ANTWOORD

AAN DEN

OUD-O.-I. 11 Uü F1 )-A.M BTEN A A R P. II. VAN DER KEMP

G. ROESSINGH VAN ITERSON,

Oud-Referendaris, Chef van de af deeling „Compiahilite/il' bij het Departement van Justitie te Batavia.

LEIDEN, S. C. VAN UOESBURGH. 1899.

ocr page 2
ocr page 3

j:,

WAAR VELE M1LLI0ENEN REEDS GEBLEVEN ZIJN

EN

WAAR VELE MILLIOENEN NOG ZULLEN BLIJVEN.

ocr page 4

LEIDEN I STOOMBOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.

ocr page 5

Waar vele millloenen reeds gebleven zijn

EN

Waar vele millloenen nog zullen blijven.

M KASIiEIIFiR IN NEDERLANDSCIHPIE. EEN ANTWOORD

AAN DEN

OUD-O.-I. HOOFD-AMBTEMAE V. II. VAN DEK KEMP,

DOOR

G. ROESSINGH VAN ITERSON,

Oud-Referendaris, Chef van de afdeeliny „Comptabiliteitquot; hij het Departement van Justitie te Batavia.

|

LEIDEN, S. C. VAN DOESBURGH. 1899.

ocr page 6
ocr page 7

Op een Zondagmidilag in den zomer van het vorige jaar, gedurende de muziekuitvoering, de „tentquot; willende verlaten, werd ik door den lieer Van der Kemp staande gehouden voor eene raededeeling dat hy bezig was een artikel tegen my te schrijven. Jsa het uitkomen van myn werk „Waar vele millioenen reeds gebleven zyn en waar vele millioenen uog zullen blijven. Eene bijdrage tot de kennis van het Indisch Staatsbestuurquot;, had hij van het daarin voorkomende kennis genomen maar, hoewel het al dadelijk volstrekt niet met my eens zijnde, hy had toen gezwegen. Nu echter de heer Van Doksseh op die „Bydragequot; eene repliek had uitgegeven en de heer v. d. K. het met het daarin behandelde ook niet eens was, had hy vermeend dat zwygen te moeten verbreken en voelde hy zich verplicht ook eens aan te geven hoe eigenlyk de geldelijke administratie in Indië behoorde geregeld te worden.

Ik wist reeds genoeg van den heer v. d. K. om my over diens optreden niet erg ongerust te maken en toen my dan ook in den loop van ons gesprek werd medegedeeld „dat als zyn artikel zou zyn verschenen, het niet noodig zou wezen dat ik nog zon antwoorden,quot; volgde van my daarop dadelijk, „dat zulk eene mededeeling daartoe zeer zeker niet voldoende was en het alleen van den inhoud van zijn artikel zou afhangen of ik dit al dan niet doen zou.quot;

Nu het verscheen in „de Economistquot; van Augustus, September en (Jctober 1898 en volgens den bladwijzer moest het handelen over „Kasboekhoudingquot;, maar ik zag onder het lezen al spoèdig dat het bovendien eene niet onbelangrijke bespreking bevatte van de comptabiliteitswet, en ook, dat myn optreden met weinig welwillendheid was behandeld.

Het trok verder myne aandacht dat aanhalingen uit mijne „Bydragequot; tot tweemaal toe verkeerd waren weergegeven, terwijl het optreden van dien schryver in zake „Kasboekhoudingquot; minstens genomen

ocr page 8

6

vreemd genoemd moest worden daar hij, behalve het niet aangeven, zelfs van eene omschrijving van zijn Kasboek, het geldelijk beheer daar ook wil voeren zonder afdoende controle op de ontvangsten.

ünder het bespreken van het nut zyner boekhouding, waarvan de invoering zou moeten gepaard gaan met afschaffing van de nu daarvoor bestaande registers, toonde hij zich weinig op de hoogte van hetgeen daarna zou moeten geschieden in zake de verantwoording der algemeene ontvangers aan de verschillende departementen van algemeen bestuur, zoodat ik wel gedwongen ben geworden al mijne bezwaren in een artikel samen te vatten en daarbij verplicht hen geweest zaken te releveeren die mij reeds lang bekend waren doch waarover ik tot dusverre steeds heb gezwegen, en dit nu heeft de heer v. d. K. aan eigen optreden te danken.

Den 3ai!n April jl. bij de redactie van „de Economistquot; ingeleverd, al dadelijk onder de mededeeling echter dat, mocht dat antwoord niet voor opname geschikt blijken, ik het dan zelf weder zou uitgeven, ontving ik het 31 Mei d. a. v. uit handen van die redactie terug met de mededeeling dat het niet voor plaatsing kon in aanmerking komen. Eenige dagen te voren was mij reeds toegegeven, dat het beter zou geweest zijn als het artikel van den heer v. d. K. geweigerd was geworden, terwijl by teruggave van mijn artikel mij nog werd voorgelezen dat ook het publiek reeds aanmerkingen over die opname had gemaakt en dit zal wel hebben medegewerkt om myn antwoord maar liever niet te plaatsen.

Het heeft zeker zijn aangename zyde ook dit geschrift weder zelf in druk te doen verschijnen, maar nu hoop en vertrouw ik dat, als het eenmaal zal zyn verschenen, de redactie van „de Economistquot; daarover een overzicht in dat tydschrift zal opnemen ten einde hen die het artikel van den heer v. d. K. in zijn geheel mochten hebben gelezen, deze in de gelegenheid te stellen ook van myne bezwaren daartegen kennis te nemen.

's H a g e , 14 Juni 1899.

ocr page 9

Al leyl dc waerheijt in het graf, Al wat haer druckt dat moet cr af.

Jacob Cats.

In een artikel van de hand van den oud Oost-Ind. hoofdambtenaar P. H. van Kemp, voorkomende in „de Economistquot; van Augustus, September en October 1S9S en getiteld: „Van Kasboekhoudingquot;, schrijft deze, na aangetoond te hebben hoe slecht in onze Oost-Indische bezittingen die boekhouding is geregeld, op biz. 781):

„Het komt mij echter voor, dat de Minister een onderzoek in den zin als Van Iteeson bedoelt, gerust kan nalaten. Hij beginne eenvoudig aan de Indische regeering in overweging te geven de invoering van eene ordentelijke kasboekhouding met afschaffing en vervanging van de onmogelijke ontvang- en uitgaafregisters; en hij geve wijders bevel, dat men voortaan steeds een waar uitvoerig verslag opmake van de geschiedenis van ieder tekort dat ontstaan mocht.quot;

Bij request van 12 October 1897 verzocht ik echter aan do Tweede Kamer der Staten-Generaal -) „dat dat Regeerings-College een onderzoek zou provoceeren naar alles door mij in eene bij dat verzoekschrift overgelegde „Bijdrage tot de kennis van het Indisch-Staatsbestuurquot; aangetoond,quot; en met dat „allesquot; werd o. m. het geheele geldelijke beheer aldaar bedoeld en

1

Ik maak in deze gebruik van een present-exemplaar, overdruk van dat artikel.

ocr page 10

8

zeker niet alleen de boekhouding bi] de kassen. De heer v. d. K. heeft dus een groote onjuistheid begaan met te beweren dat door de invoering van zijne ordentelijke kasboekhouding het door mij gevraagd onderzoek zou kunnen worden nagelaten.

Zooals hierboven werd aangegeven wil hij de invoering van die kasboekhouding gepaard doen gaan met afschaffing van de nu bestaande ontvang- en uitgaafregisters, maar daarbij had hij dan toch ook wel mogen aangeven hoe de verantwoording der ontvangsten en uitgaven aan de departementen van algemeen bestuur, daarna zal moeten geschieden, want de nu daarvoor gebruikt wordende staten Komptabiliteit Nos. 6 en 7, die uit bedoelde registers worden samengesteld, kunnen, na hunne afschaffing, dus niet meer worden opgemaakt.

De heer v. d. K. had daarom bij het voornemen van afschaffing van die registers van ontvang en uitgaaf, de staten 6 en 7 mede als vervallen moeten opnoemen met in de plaats stelling van een behoorlijke verantwoording, maar dit deed hij niet, blijkbaar omdat hij niet goed wist wat daarvoor aan te geven.

Immers zegt hij op blz. 72 „dat het geven daarvoor van extracten ^weinig practisch zal blijkenquot; en dat hij gelooft dat „nu de administratie er eenmaal op is ingericht om de gegevens van het kasboek nader door de ontvangers voor de departementen te doen verwerken, het beter zal zijn dit te behoudenquot; maar hoe dit dan zal moeten geschieden geeft hij ook niet aan, neen, hij zegt verder „dat dat geen zaken van boekhoudingsbeginselen zijnquot; en laat er dan op volgen „dat het grootboek-bij de italiaansche boekhouding in gebruik ook bij de staats-boekhouding niet kan gemist worden.quot;

De heer v. d. K. is dus van oordeel, dat de boekhouding van ontvangsten en uitgaven reeds bij de kassen ophoudt wat met grond moet worden betwijfeld daar elke — dus ook de staatsboekhouding — pas eindigt als, öf de balans, of het slot van rekening is vastgesteld.

De staat houdt daarvoor niet aan een grootboek maar behoort daarvoor aan te houden registers, artikelsgewijze aan-

ocr page 11

9

toonende hoeveel meer of minder is uitbetaald dan daarvoor werd begroot en hoeveel meer of minder is ontvangen dan daarvoor werd geraamd. Deze bedragen zijn alleen te verkrijgen als de ontvanger maandelijks aan elk departement van algemeen bestuur een voor zooveel noodig gespecificeerde opgaaf doet toekomen van dat wat hij dag voor dag voor dat departement heeft ontvangen en uitgegeven, en deze opgaaf is op geen andere wijze te verkrijgen dan door extracten uit het kasboek.

Ook de heer Mekeen, met het denkbeeld voor oogen dat eene algemeene boekhouding in Indië weder zou worden ingevoerd, schreef op blz. 18 van zijn artikel „De comptabiliteit in Ned. Indiëquot; — Zie Tijdschrift voor Ned. Indië. Jaargang 1879 — „Daar nu de algemeene ontvangers, in hunne speciale hoedanigheid van kashouder verantwoordelijk zijn aan den directeur van Financiën, behooren aan hem duplikaten of afschriften van het kasboek (maandelijks te extraheeren) te worden ingezonden.quot;

Hoe zulk een verantwoording met zijn ordentelijk kasboek zou moeten geschieden, had de heer v. d. K. dus ook behooren te vermelden, want de daarvoor noodige voorschriften besprak ik op blz. 75 tot 77 van mijne „Bijdragequot; en dat heeft hij gelezen ook, want hij teekent daarover op blz. 40 in een noot aan:

„De heer van Iterson, een nieuw kasboek verzinnende, wil ook den datum van een volgenden kasdag plaatsen „in het midden van de beide afsluitstrepen van den vorigen dagquot; blz. 76. En al die menschen schrijven maar over boekhouding!quot;

Dat deze het door mij ontworpen kasboek niet heeft begrepen kan ik alleen vreemd noemen. Hij noodzaakt mij daardoor echter nu nog eenige toelichtingen daarop te geven die ik vóór deze niet noodig vond nader te omschrijven.

Het stellen van den datum van den volgenden, in de afsluit-streep van den vorigen kasdag heb ik overgenomen van de door den heer v. d. K. zoo terecht hoog gehouden italiaansche

ocr page 12

10

boekhouding waar dit bij „Journaalquot; en „Memoriaalquot; ook zoo plaats heeft.

De eerste kolom voor ontvangsten en voor uitgaven in mijn kasboek, een kolom die meestal voor het invullen van den datum wordt aangewezen, kon ik daarvoor in deze niet gebruiken omdat ik die noodig had voor het volgnummer en juist dit volgnummer moet zeer nauwkeurig ingevuld worden, omdat het tevens moet dienen voor de controle bij de departementen van algemeen bestuur. Zie mijn „Bijdragequot; blz. 87, kolom 14.

Technische bezwaren zijn verder ook niet aan te voeren en daardoor is de door mij voor die datum aangegeven plaats dus volkomen juist en is een andere plaats daarvoor aan te wijzen zelfs niet mogelijk.

Op blz. 73 teekent de heer v. d. K. verder in een noot ook nog aan:

„Volgens de heer van Iterson zou voor een ordelijke boekhouding de samenstelling der Middelenbegrooting, geheel gelijk moeten gemaakt worden aan de inrichting der uitgavenbegroo-ting, in zoover dat men dan invoere artikelsgewijze splitsing. Zie blz. 77 en 78. — Grootere overeenstemming tusschen de inrichting van beide begrootingen werd reeds door den heer E. de Waal en ook door mij voorgestaan; doch de heer van Iteeson gaat verder; hij schijnt zich geen bruikbaar kasboek te kunnen denken, zonder dat eerst de middelenbegrooting worde gewijzigd. Waarom dat noodig moet wezen, is mij niet klaar.quot;

Na hetgeen ik in de door dezen aangehaalde bladzijden van mijne „Bijdragequot; daarvoor reeds aanvoerde is het kenmerkend dat het noodige van zulk een wijziging den heer v. d. K. niet klaar is.

Wordt de raming der middelen niet veranderd, dan zal men bij invoering van een goed kasboek, voor de „uitgavenquot; dan daarvoor kunnen gebruiken het model door mij omschreven cp blz. 75 van die „Bijdragequot;, maar voor de „ontvangstenquot; is dit dan niet te gebruiken en moet dat model gewijzigd worden.

ocr page 13

11

De bestaande „Eaming der Middelenquot; kent geen „afdeelin-genquot; wel „hoofdgroepenquot;, en verder artikelen, maar deze zijn o. a. voor de artikelen 6 en 20 bovendien gespecifieerd onder letters loopende bij artikel 6 tot w. en bij artikel 20 tot n.

Daarom zal dan in de 8e en 9e kolom het opschrift volgender wijze behooren te worden veranderd.

Voor „afdeelingquot; zal in de 8e kolom moeten worden gesteld „hoofdgroepquot;, terwijl de invulling zal moeten geschieden met E. en H. C. voor „Regeering en Hooge Collegiënquot;, D. v. J. voor „Departement van Justitiequot; enz., terwijl, wordt die „Ramingquot; op de door mij aangegeven wijze veranderd, daarvoor, met gebruikmaking van hetzelfde als door mij voor de „uitgavenquot; aangegeven model, dan voor die twee en de andere afdeelingen moeten ingevuld worden de cijfers 1, 2 enz. Zeer zeker toch veel duidelijker en veel eenvoudiger tevens.

Verder moet, gebruik makende van de bestaande „Ramingquot;, mijn aangegeven 9e kolom gesplitst worden in „artikelquot; en „letterquot; en dan is het zeer mogelijk dat bij het departement van Financiën ontvangen belastingen, onder de letters c, e en i verantwoord, door onoplettendheid van het personeel verkeerd worden ingenomen en deze zeer groote mogelijkheid kan niet plaats vinden als al de verschillende ontvangsten onder artikels worden gebracht. Met letters als de door mij zooeven genoemde kan men zich zelfs zeer gemakkelijk vergissen, met getallen behoeft dit niet.

Ook is geen enkele steekhoudende verdediging aan te voeren voor het ontbreken van een post „Andere ontvangstenquot; bij de verschillende burgerlijke departementen van algemeen bestuur — Oorlog en Marine hebben die post wel — en wordt aan elk dier departementen zulk een post toegevoegd dan kan de 9e hoofdgroep „Ontvangsten van gemengden aard en toevallige batenquot; verdwijnen en met deze het artikel „alle andere ontvangstenquot;, thans gebruikt wordende voor al die departementen te zamen, terwijl de twee verder onder die hoofdgroep voorkomende artikelen ten rechte onder het departe-

ocr page 14

12

mont van Burgerlijke Openbare werken tehuis behooren en daarom bij die afdeeling moeten worden onder dak gebracht.

Ik hoop dat het nu voor den heer v. d. K. duidelijk genoeg zal zijn waarom bij invoering van een goed kasboek, te gelijker tijd de „Raming der Middelenquot; noodzakelijk eene wijziging behoort te ondergaan, trouwens, had hij maar een weinigje doorgedacht over hetgeen ik daarover reeds bekend deed worden, dan had hij ook zonder boven gegeven nadere toelichting, dit moeten begrijpen.

Wat betreft het verwerken door de algemeene ontvangers van de gegevens hunner boekhouding voor de departementen van algemeen bestuur, dit bestaat alleen hierin, dat deze bij de reeds genoemde staten 6 en 7 maandelijks globaal opgeven wat zij artikels- en lettersgewijze liebben ontvangen en ook artikels-gewijze, wat zij hebben uitgegeven.

Hetgeen bij die opgaven moet worden in acht genomen is te vinden in artikel 4 van de „Voorschriftenquot; in Indisch bijblad no. 2718, maar wat niet te vinden is, is het voorschrift, hoe en waarin de gedane ontvangsten bij die departementen moeten worden geboekt, daar zulk een voorschrift en zulk een register voor de ontvangsten niet bestaat.

In mijne „Bijdragequot; behandelde ik deze groote leemte op blz. 83 tot 89 en gaf daarbij aan hoe zulk een register behoort te worden ingericht. Dat had de oud-chef van het departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid toch zeker ook wel mogen bespreken en daarbij moeten aangeven hoe met zijn stelsel van kasboekhouding in den vervolge die boeking bij de departementen van algemeen bestuur zal moeten geschieden, maar ook dit deed hij niet, hij bepaalde zich alleen tot de bewering „dat een grootboek moet worden aangehoudenquot;, zoodat gerust kan worden aangenomen dat hem niet bekend is, dat zulk een boek bij staatsadministratie in het geheel niet kan gebruikt worden.

ocr page 15

13

Wat echter de kroon zet op het onvolkoraene van het door den heer v. d. K. ongevraagd aangeboden advies is dit, dat deze het invoeren van een verbeterd kasboek voldoende acht voor het voeren van een goed geldelijk beheer en daarbij ook weder geheel vergeet dat zonder een afdoende controle op de ontvangsten dit eenvoudig niet mogelijk is.

Over het verbeteren van die zoo groote fout spreekt hij ten minste geen woord en juist deze is oorzaak geweest dat reeds vele millioenen uit de kassen in Indië zijn verdwenen, terwijl, wordt hierin geen afdoende verbetering aangebracht, dat verder daaruit vele millioenen nog zullen verdwijnen zonder dat men altijd bij machte zal zijn den schuldige aan te wijzen en, is dit onverhoopt het geval, hen dan nog aan te toonen dat zij zelf die diefstal pleegden.

Een en ander besprak ik in mijne „Bijdragequot;, o. m. op blz. 54 tot 69, 144 tot 148, 172 tot 175, 296 en 297 De heer

1) De op de laiitste Uvee bladzijden besproken voorbeelden kan ik nog weder met twee aanvullen:

Zoo werd bij vonnis van den Raad van Justitie te Samarang, van 31 Maart •1890, de ontslagen algemeen ontvanger te Tjilatjap, J. ,1. Gorter, vrijgesproken, omdat de beklaagde geen andere schuld had aan de verdwijning eener som van ongeveer ƒ 5000, dan die haar oorsprong vond in gebrekkige controle, zoodat er geen aanleiding bestond tot zijne verdere vervolging of zijn terechtstelling. Zie „Handelingenquot; 1898—1899, II [52. 1].

Ten gevolge van een. door het openbaar ministerie ingesteld, hooger beroep werd deze uitspraak bij vonnis van het Hoog-üerechtshof van Ned. Indië van 30 April d. a. v. bekrachtigd.

Dat, ten gevolge van een administratief onderzoek, die gewezen kashouder later bij besluit van 2' Juni 1891 nquot;. 34 niet eervol uit 's lands dienst werd ontslagen, moge verdiend zijn, het onderzoek daartoe werd echter weder gehouden door hen die in de eerste plaats hadden behooren te zorgen dat niet „gebrekkige controlequot; aanleiding tot vrijspraak had kunnen zijn en daarom laat ook deze administratieve maatregel weder veel te denken over. Den rechter heelt nu in deze ook de bestaande „gebrekkige controlequot; geconstateerd.

Uit „de Avondpostquot; van 14 April 1899, 2e blad neem ik voor het tweede over;

„Ontslagen uit 's lands dienst de geschorste algemeene ontvanger te Madioen, C. E. Hennings, met bepaling dat nader zal worden beslist of dat ontslag al

ocr page 16

14

v. d. K. kan dus niet beweren dat dat onderwerp niet voldoende door mij is besproken, toch vond hij een onderzoek als door mij gevraagd niet noodig, want volgens zijn beweren kwam alles in orde als het door hem ontworpen kasboek slechts werd ingevoerd en daarbij dan tevens werd gelast „dat van af dat oogenblik een waar uitvoerig verslag moet worden opgemaakt van de geschiedenis van ieder tekort dat later mocht ontstaan.quot;

De heer v. d. K. vergeet echter daarop te laten volgen — altijd als zulk een tekort wordt ontdekt — want zonder afdoende controle zullen deze dikwijls niet ontdekt worden, waardoor ook het opmaken van een verslag tot de onmogelijkheden behoort, terwijl, wordt zulk een tekort toevallig eens wel ontdekt, uit de dan op te maken geschiedenis steeds zal blijken dat, als een afdoende controle op de ontvangsten had bestaan, zulk een tekort zeer zeker achterwege zou zijn gebleven en daarom noemde de heer van Vlijmen in de zitting der Tweede Kamer van 19 November 1897 deze fout te recht „rampzalig voor de schatkistquot;, terwijl de heer Reekers in de d. a. v. zitting der Eerste Kamer hierover als zijne meening bekend stelde „dat daaruit misbruiken voortspruiten alles zeer ten nadeele van 's lands kasquot; O-

Na al de voorbeelden, die ik daarvoor reeds opnoemde, is toelichting hierop verder overbodig, maar de heer v. d. K. schijnt het noodige van zulk een controle ook weder niet begrepen te hebben. Hij geeft hiermede een afdoend bewijs een onderwerp te hebben behandeld, waarvan hij in het jaar 1885 of 1886 mij reeds zelf verklaarde niet op de hoogte te zijn en waarvan hij, blijkens het hierboven aangetoonde, op dit oogenblik nog

dan niet als eervol moet worden beschouwd,quot; terwijl ik uit „de Avondpostquot; van den 13en April te voren reeds had gezien dat dit ontslag zou worden verleend „ten gevolge van onregelmatigheden in zijn beheer geconstateerd.quot;

En hieruit blijkt dat de in 1893, bij Indisch bijblad n0. 4873 o. m. ingevoerde scherpere controle op de ontvangsten alweder niet afdoende schijnt te zijn, wat ik op blz. 259 van mijne „Bijdragequot; trouwens reeds aantoonde.

1) Zie mijn „Antwoordquot; blz. 16 en 19.

ocr page 17

15

niet op de hoogte is en dit nog wel, nadat hij van 16 Apr.'l 1887 als secretaris en van 30 Juli 1889 tot 5 December 1894 als directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid ruim 7 jaren de betrokken afdeeling van de begrooting van uitgaven en ook van de raming der middelen onder zijn beheer heeft gehad.

Ik weet dat de lieer v. d. K. zich nog herinnert, mij dit niet op de hoogte zijn zelf medegedeeld te hebben, daar ik in Juni 1898 daarover met hem nog heb gesproken, maar voor den lezer hierover het navolgende;

In den loop van een der genoemde jaren de heer v. d. K. eens bij de eene of andere feestelijne gelegenheid ontmoetende vroeg ik, na inleidend gesprek, of deze niet genegen zoude zijn de door mij ontworpen voorschriften op het geldelijk beheer in onze O.-I. bezittingen eens na te lezen en mij daarna zijn oordeel daarover mede te deelen, wat gaarne werd aan-aangenomen.

Leeraar aan de Indische instelling te Batavia, noemde deze mij toen een dag dat hij des morgens niet daarheen behoefde te gaan en mij werd opgegeven ten einde bedoelde stukken hem zelf te kunnen overhandigen, waaraan ik toen voldeed.

Na overgave werd mij toen gezegd een week later op denzelfden dag terug te komen om die stukken weder te halen; zij zouden dan zijn nagelezen en mij kon den uitslag dan worden medegedeeld.

Maar vreemd keek ik op toen acht dagen later, op mijn vraag wat het resultaat was geweest van dat lezen, de heer v. d. K. mij daarop mededeelde „dat hij die voorschriften zelfs niet had ingezien, want dat hij van comptabiliteit niet het minste verstand had.quot;

Ik zal hier wel niet behoeven te zeggen dat ik zulk eene mededeeling zeer zeker in het geheel niet had verwacht en gaf dan ook dadelijk daarop ten antwoord „dat mij dit ten zeerste verwonderde daar ik mij dan niet kon begrijpen hoe hij, zonder daarvan eenige kennis te hebben, toch een werk van

ocr page 18

16

4 deelen daarover had geschreven,quot; en daarop kreeg ik toen de verrassende mededeeling „dat hij al de gegevens voor dat werk van den heer Mekern had gekregen.quot;

De heer v. d. K. heeft dus kans gezien om met gegevens door een ander verstrekt zulk een werk samen te stellen en dit nog wel onder zijn eigen naam het licht te doen zien. Hij dus niet, maar wel de heer M. is de schrijver van het werk: „De administratie der geldmiddelen in Ned. Indië,quot; van 1881 tot 1883 te Amsterdam verschenen en toch zal eerstgenoemde als schrijver er van ten eeuwigen dage blijven aangewezen, want in de „Encyclopaedie van Ned. Indiëquot; wordt onder „comptabelenquot; en „comptabiliteitquot; bij opgave van de literatuur daarover in de eerste plaats dat werk genoemd en als de schrijver natuurlijk de heer v. d. K. opgegeven.

En nu wil het mij zoo voorkomen dat deze met zijn hierboven aangegeven advies ook alweder niet origineel is geweest.

Op blz. 23, laatste alinea, van mijne „Bijdragequot; nam ik van het reeds genoemde artikel van den heer Mekern in het „Tijdschrift voor Ned. Indiëquot; van 1879 het volgende over: „Het besluit van 10 December 1873 n0. 6 dient zoo spoedig mogelijk te worden gewijzigd in dien zin dat de registers volgens de formulieren 1 tot en met 5 worden afgeschaft tegen wederinvoering van het vroegere kasmemoriaal of een ander wezenlijk kasboek,quot; en nu vraag ik: stemt ten opzichte van het verbeteren van de kasboekhouding het boven omschreven advies van den heer v. d. K. niet met het zooeven genoemd advies van den heer M., wat den zin betreft, volkomen met elkaar overeen ?

Maar er is nog een rede om aan te nemen dat de heer v. d. K. ook dit bovenstaande wel niet nageschreven maar toch gevolgd heeft en wel: dat even als de heer v. d. K. ook de heer M. de grootste fout in het comptabel beheer nl. het ontbreken van een afdoende controle op de ontvangsten nooit heeft ontdekt.

ocr page 19

17

Hierin nu stemmen beide heeren ook weder merkwaardig met elkaar overeen, maar het onbesproken laten ni; van die groote fout door den heer v. d. K. is daarom des te merkwaardiger omdat ik in „de Indische Gidsquot; van September 1890, zie mijne „Bijdragequot; blz. 54 vv., reeds de aandacht er op heb gevestigd en daarna steeds ben voortgegaan telkens weder daarop in de eerste plaats te wijzen.

En toch durft de heer v. d. K. op blz. 6 te schrijven „dat voor zoover ik niet heb overdreven, mijne philippica tegen de indische staatsboekhouding hoofdzakelijk ontleend heb aan de critieken van de heeren van Delden en Mekern, en dit terwijl ook eerstgenoemde het ontbreken van die afdoende controle op de ontvangsten geheel onopgemerkt liet en beide heeren alleen op het onvoldoende van de voorschriften op het kasbeheer wezen, terwijl ik van den aanvang af heb aangetoond en dit met bewijzen gestaafd, dat het geheele geldelijk beheer slecht geregeld is.

De beschuldiging dat ik zou hebben overdreven, werd ook reeds door den heer van Doessee, op blz. 7 van zijn „repliekquot;, en zeker niet op aangename wijze behandeld. Ik vond het echter niet noodig dit punt in mijn „Antwoordquot; speciaal te bespreken, maar nu de heer v. d. K. dit ook ophaalt wil ik deze er nu op wijzen dat al mijne bezwaren tegen den bestaanden toestand geuit, met bewijzen zijn gestaafd. Met die beschuldiging zouden die bewijzen te gelijker tijd moeten zijn weerlegd geworden, maar dit deed hij niet, hij bepaalde zich alleen tot bovenstaande bewering zonder meer en daarom heeft deze alweder niet de minste waarde.

Dat de heer il. een zeer noodige betere boekhouding van de „Rekening met Derdenquot; pas wilde invoeren als de begrootings-boekhouding goed geregeld zou zijn en dit terwijl het zonder eenige moeite met elke le Januari had kunnen geschieden, daar beide boekhoudingen niets met elkaar gemeen hebben, toonde ik reeds op blz. 257 van mijne „Bijdragequot; aan. Dat hij het ontbreken van eene afdoende controle op de ontvangsten niet

ocr page 20

18

ontdekte bewees ik nog zooeven, maar nu wil ik hier nog een geval vermelden waaruit weder blijkt dat deze zelfs van nog een der eenvoudigste comptabiliteitsvoorschriften ook alweder niet op de hoogte was en daardoor zich zelf in de eerste plaats groote onaangenaamheden bezorgde.

Toen inspecteur van Financiën, delegeerde de heer M. een zeker bedrag, wat natuurlijk van zijn traktement in Indië ingehouden, daarop in Nederland werd uitbetaald.

De ordonnancies en mandaten voor tractement van die Inspecteurs, afgegeven op de kas der hoofdplaats hunner afdeeling, werden toen ter tijd hun gewoonlijk nagezonden of aan opgegeven personen afgegeven om die, na terugkomst te verzilveren, daar gsld voor de verdere reis niet noodig was en, was dit wel het geval, het dan gemakkelijk werd verkregen door middel van herhaald voorschot op steeds grooter wordende reisdeclaratie.

Ook de heer M. hield op dusdanige wijze eenige maanden zijne ordonnanties aan, maar kreeg dientengevolge al spoedig een brief uit Nederland met den vraag, waarom hij zijne delegatie had gestaakt en waarbij waarschijnlijk nog wel het een en ander meer zal zijn geschreven.

Deze, op zijne terugkeer naar Batavia zijnde, gaat, daar aangekomen, dadelijk naar de betrokken afdeeling van het departement van Financiën en begint met op bekende wijze op te treden, terwijl hij eindigde met de mededeeling dat hij ook den Directeur zou inlichten hoe slecht bij zijn departement de delegatiestaten werden bijgehouden.

De afdeelings-chef, een ambtenaar die op dit oogenblik nog in dienst is, liet deze beschuldiging dadelijk nagaan en kwam al spoedig tot de ontdekking dat de oorzaak van dat staken geheel en al aan den heer M. zelf was te wijten.

Door het niet ontvangen van zijn tractement had het bedrag der delegatie niet kunnen zijn ingehouden en was alleen daardoor stagnatie ontstaan, zoodat, toen die hoofdcommies al spoedig daarop bij genoemden Directeur werd geroepen, waar hij de heer M. nog aantrof, deze, na gestelde vragen met de nuchtere

ocr page 21

19

opmerking voor den dag moest komen dat en waardoor die inspecteur van Financiën eenig en alleen zelf de schuld van alles was.

En tot op dat oogenblik had hij die zeer eenvoudige quaestie ook alweder niet eens begrepen.

Na van het bovenstaande te hebben kennis genomen zal men mij toch moeten toegeven dat een grondig onderzoek door werkelijk deskundige personen van datgene wat de heer M. ter verbetering van onderwerpelijk bedoeld kasbeheer aangaf vóór de invoering zeer zeker hoogst nocdig zou zijn en dat de heer v. d. K door te adviseeren een gedeelte van de door eerstgenoemde reeds aangegeven, door hem daartoe overgenomen verbeteringen zonder zulk een onderzoek in te voeren op onverantwoordelijke wijze gehandeld heeft en volgt uit een en ander van zelf dat niet de minste waarde moet worden gehecht aan de tirade op blz. 6 van diens artikel voorkomende, nl. „dat hij door het indisch staatsbestuur van veel hooger standpunt te hebben kunnen waarnemen dan schrijver dezes, alleen daardoor reeds tot een betere beoordeeling ook meer geschikt zou zijn.quot;

Door zoo op te treden noodzaakt hij mij nu ook nog een geval mede te deelen wat mij zelf door toedoen van genoemden heer v. d. K. is overkomen en dat nog een bewijs te meer oplevert hoe weinig begrip deze altijd van goede administratie heeft gehad.

Toen eigenaar van 7 aandeelen in de te Soerabaia gevestigde brandassurantie-maatschappij „Veritasquot;, kwam het dividend van de jaren 1888, 1889 en 1890 mij hier te lande behoorlijk in handen.

Te zijner tijd zag ik ook dat over 1891 een dividend van 6 % zou worden uitgekeerd, maar een aanwijzing daarvoor kwam niet tot mij en, toen ik hierover om inlichtingen vroeg werd mij door den toenmaligen directeur de heer W. medegedeeld dat deze, in de veronderstelling dat ik een gemachtigde te Batavia had, die gelden daarheen had gezonden terwijl ik

ocr page 22

20

kort daarop van den agent van genoemde maatschappij de heer S., aldaar de mededeeling ontving „dat dat bedrag abusi-velijk aan den heer van der Kemp was uitbetaald maar teruggevraagd en mij daarna toegezonden zou worden.quot;

Eindelijk en wel 6 Februari 1893 kreeg ik dat dividend over 1891 in handen — ten gevolge van dat abuis dus bijna een jaar later als gewoonlijk — en dit heeft kunnen geschieden omdat genoemde heer v. d. K., van wien ik aanneem, dat ook hij aandeelen „Veritasquot; de zijne noemde, anders toch zou eene ontvangst van gelden die niet behoorden te worden ontvangen, eenvoudig monsterachtig zijn geweest, de hem toegezonden quitantie bij overgave, na ontvangst van de daarin genoemde som, niet eens heeft ingezien, anders had hij dadelijk moeten ontdekken dat hij f 42 meer ontving dan hem toekwam.

Bovendien had hij, was hij goed administrateur geweest, uit de hem toegezonden balans dier maatschappij of uit de quitantie overnemende wat hem toekwam, bij boeking daarvan ook moeten zien dat hij te veel geld ontvangen had, maar ook dit is blijkbaar niet het geval geweest, want restitutie van bedoelde f 42 moest zelfs worden verzocht.

En die oud-hoofdambtenaar, die eigen vermogen zoo slordig administreerde, die zoo weinig controle op eigen ontvangsten uitoefende dat hij, mij toekomende gelden ontving zonder dit zelfs te merken, die man durft zich op te werpen als iemand uitsluitend tot oordeelen bevoegd en gerechtigd om over het geldelijk beheer in Indië, zelfs ongevraagd advies uit te brengen ; men heeft uit het hierboven aangeteekende reeds gezien met welk resultaat. En toch vond de minister van Koloniën het noodig in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, den 236quot; November 1898 te verklaren „het niet te zullen nalaten om niet alleen de aandacht der Indische regeering op het artikel van den heer van der Kemp te vestigen, maar ook bepaald te vragen of de weg, dien hij aangeeft, beter is dan de tegenwoordigequot;

1) Zie „Handelingenquot; 1897—1898. II. blz. 200.

ocr page 23

21

Om bij een artikel over kasboekhouding in zeer ruime mate ook de comptabiliteitswet ter sprake te brengen, terwijl deze zoo goed als niets daarmede te maken heeft, dit had de hetr y. d. K., als tot niets dienende gerust achterwege kunnen laten, zelfs dat wat hij op blz. 78 van zijn artikel er later nog bijvoegde, want wat daar, ten gevolge van een voorstel van den directeur van Justitie werd aangehaald, sloeg niet op gedurende het loopende jaar opgekomen nieuwe inkomsten, neen, het betrof ontvangsten die reeds jaren waren gestort en voor het gemak maar altijd waren verantwoord onder „alle andere ontvangstenquot; van de 9e hoofdgroep „Ontvangsten van gemengden aard en toevallige baten.quot;

Dit was door den heer Sprekger van Eijk bij samenstelling van de modellen, behoorende bij zijne voorschriften geheel over het hoofd gezien en daarom wilde genoemde departement chef met een voorstel tot aanvulling dit op die wijze onder de aandacht der Regeering brengen.

Ik moet de heer v. d. K. hieromtrent verder nog opmerken dat inkomsten die gedurende het loopend jaar opkomen, be-hooren te worden verantwoord onder „Alle andere ontvangstenquot; van het betrokken departement en dit zal bij het geldelijk beheer in onze O.-I. bezittingen pas kunnen geschieden nadat de raming van de middelen op de door mij aangegeven wijze zal zijn veranderd en als dan de door mij samengestelde voorschriften mede worden ingevoerd dan kan, bij samenstelling van de „raming der middelenquot; voor het volgend jaar zulk een ontvangst, altijd als deze daarvoor aanleiding geeft, dan onder een afzonderlijk hoofd daarbij worden opgenomen.

Dergelijke zaken, heer v. d. K., worden administratief in orde gemaakt en is een voorschrift in de comptabiliteitswet daarvoor niet noodig.

Als tot niets dienende laat ik hier mede onbesproken de scheeve of onjuiste voorstellingen mij persoonlijk betreffende.

ocr page 24

22

één daarvan moet ik echter uitzonderen omdat de heer v. d. K. daarin te ver is gegaan.

Op blz. 5 van zijn artikel schrijft deze:

,.Had de heer van Itersox ons niet verzekerd, dat door hem de strijd was aangebonden „vooral in het belang van den landequot; (blz. 214), „dan zou ik hem verzoeken om dan toch te bedenken, dat hij zelf beloofde te zwijgen als men hem in de rekenkamer plaatste.quot;

Volgende op hetgeen deze op blz. 4 aanteekent omtrent mijn onderhoud op 9 Januari 1895 met den toenmaligen minister van Koloniën Mr. J. H. Bergsma, en daarbij releveerende wat deze mij antwoordde, eindigt die schrijver met eenige puntjes en daarom laat ik nu in zijn geheel hier volgen wat bij die gelegenheid tusschen dien Minister en mij werd verhandeld en wat ik, ten gevolge van dien daarover schreef op blz. 280 van mijne „Bijdragequot;:

„Na den Minister medegedeeld te hebben waarom hij mij weder bij zich zag, vroeg ik daarop welk resultaat het onderzoek had opgeleverd omtrent een in te voeren controle op de ontvangsten, wat werd beantwoord met het gezegde „dat daarna wel een onderzoek was ingesteld geworden, maar dat door hem geen tijd was gevonden kunnen worden, mij van het resultaat daarvan mededeeling te doen,quot; en toch had die dienaar der Kroon mij een bericht toegezegd.

Naar aanleiding van het hiervoor reeds aangeteekend beweren dat de voorschriften van den heer S. v. B. wel goed waren, deelde ik verder mede dat ik een klein gedeelte van het concept dezer had medegebracht waarin ik hem wilde aan-toonen wat aan die voorschriften ontbrak, zie blz. 89, en dat ik dit gaarne desverlangd zoude voorlezen. Dit werd echter niet noodig geoordeeld, neen, mij werd dadelijk de vraag gedaan : „of ik soms dacht dat het eventueel uitgeven van deze bijdrage hem Excellentie zelfs maar eenigszins zenuwachtig zou

ocr page 25

23

maken ?quot; wat door mij beantwoord werd met het gezegde; „dat ik er zeker van was dit niet het geval zoude zijnquot; maar tevens „dat ook anderen die brochure zouden lezen en ik er dan even zeker van was dat de inhoud op dezen een zeer on-aangenamen indruk zoude makenquot; en deed daarop de vraag „of het niet beter zoude zijn mij voor het lidmaatschap van de A. R. aan te bevelen daar, in die betrekking, het mij gegeven zou zijn kalm tot verbeteringen te geraken, terwijl deze den een of anderen dag toch zouden moeten komen en dan zeker op een minder kalme wijze,quot; terwijl verder nog ter loops werd opgemerkt dat, wilde hij Minister tot die aanbeveling overgaan, dan ook het uitgeven van onderwerpelijke bijdrage gelijktijdig zou worden voorkomen.quot;

En nu vraag ik of hierin iets gevonden wordt van eene belofte, dat ik zou zwijgen als men mij bij de Rekenkamer plaatste? Immers neen, want ik heb juist gezegd „dat het mij dan gegeven zou zijn kalm tot verbetering te gerakenquot; en dit zou met zwijgen zeer zeker niet te verkrijgen zijn.

Dus ook weder een onjuistheid van den heer v. d. K. in aanhalingen uit mijn werk, maar nu ga ik verder en vraag of dat wat ik daarna schreef nl. „dat verbeteringen zouden moeten komen en dan zeer zeker op een minder kalme wijzequot; dit nu niet reeds in begin van uitvoering is ?

Al spoedig na de benoeming van Mr. Th. H. de Meester tot vice-president van den Raad van Nederlandsch-Indie, werd mij door vrienden en kennissen van deze medegedeeld, niet alleen dat hij mijne „Bijdragequot; had gelezen maar ook dat het uitgeven er van de aanleidende oorzaak van die benoeming was geweest, terwijl ik kort daarop door een bekend, te Batavia woonachtig persoon, toen met verlof hier te lande aanwezig, van den heer de Meester de vraag ontving „of ik ook plan had de brochure van Dorsser te beantwoorden?quot; wat, daar ik dat antwoord reeds bijna gereed had, toestemmend werd beantwoord.

Maar nu onlangs nog en wel in de laatste dagen van

ocr page 26

24

Februari werd mij door een lid vau de Eerste Kamer medegedeeld „dat de heer de Meestkr zijne benoeming tot vice-president aan de onthullingen in mijne „Bijdragequot; te danken hadquot; en liet deze er toen verder op volgen „dat hij zich eerst er in zou moeten werken alvorens advies te kunnen uitbrengen,quot; wat met andere woorden wil zeggen, dat hij zich daartoe eerst van het geldelijk beheer in onze O. I. bezittingen op de hoogte moet stellen voor hij tot eene beoordeeling van het al of niet goede der daarbij gebruikt wordende voorschriften zal kunnen overgaan.

Ik gaf daarop te kennen dat dat voor den heer de M. in de gegeven omstandigheden niet veel bezwaar zal opleveren, daar ik de grove gebreken van die voorschriften reeds in genoemde „Bijdragequot; allen heb aangegeven en de kleinere gebreken uit de door mij samengestelde voorschriften door een man van zaken zelfs zeer gemakkelijk zullen te vinden zijn, waarna dit onderwerp verder bleef rusten.

Maar als nu het onderzoek van den heer de M. zal zijn afgeloopen — deze heeft, tegen den regel in en waarschijnlijk voor dat doel een kantoor gekregen in een der kamers van het paleis op Weltevreden voor den Raad van Nederlandsch-Indië gereserveerd — en als het dan blijkt — en dit alleen is mogelijk — dat alles waar is wat ik in genoemde „Bijdragequot; heb bekend doen worden, zal dan, met invoering van betere voorschriften, ook niet streng behooren te worden opgetreden tegen hen die, in strijd met hun plicht, steeds slechte voorschriften zijn blijven toepassen, waardoor het mogelijk is geweest dat den lande vele millioenen zijn ontstolen geworden, zoo iets kan, ten minste naar het mij voorkomt, dan ook niet uitblijven en dan zal te gelijker tijd ook bewaarheid worden wat ik 9 Januari 1895 den heer Bergsjia als minister van Koloniën reeds in het vooruitzicht stelde en dat deze toen grootendeels had kunnen voorkomen door mij voor het lidmaatschap van de Algemeene Rekenkamer in Ned.-Indië aan te bevelen terwijl, nu het slechte van het geldelijk beheer in onze

ocr page 27

25

O.-I. bezittingen thans publiek domein is geworden dit zeer zeker nu niet meer mogelijk is.

En dan pas heer v. d. K. zal een werkelijk tooneelstukjo, drama, worden opgevoerd, zie uw artikel, blz. 4, waarin voor mij geen enkele rol zal te vinden zijn en de werkelijk mede-spelende door ieder gemakkelijk zullen zijn aan te wijzen.

Nu moet de heer v. d. K. niet veronderstellen dat ik, het bovenstaande nederschrijvende, daardoor mijn gevoeligheid heb willen toonen over zijn onzalig optreden tegen dat wat ik mij ten doel heb gesteld, integendeel, ik ben hem voor de wijze waarop hij dit heeft gedaan zelfs zeer dankbaar want, behalve dat wat ik hierboven reeds aantoonde, heeft hij ook nog persoonlijk bevestigd wat ik op blz. 91 van mijne „Bijdragequot; reeds schreef, nl.: „dat ik van de comptabiliteitskennis der chefs van de Departementen van Algemeen Bestuur de treurigste ondervinding had opgedaan.quot;

Maar er is meer.

Door te vermelden wat het oud-lid van de Algemeene Rekenkamer in Ned.-Indiö — vóór dien o. a. kashouder te Samarang en inspecteur van Financiën, ik meen te Soerabaia — de heer B. C. J. Heijman hem over de bestaande kasboekhouding heeft gezegd, nl. „dat diens oordeel daarover nooit gunstig was geweest,quot; zie blz. 81, toont hij ook nu tevens aan hoe deze zijn plicht heeft vervuld door dit als lid van genoemd college steeds te verzwijgen en het beter heeft gevonden om, door zich stil te houden, met de verdere leden van dat college mede te gaan.

En hiermede wordt nu nog eens op nieuw bewaarheid wat ik in mijne „Bijdragequot; op blz. 286 vv. van dat college ter neder schreef en wat mij, toen verder aangevuld, op blz. 56 van mijn „Antwoordquot;, aanleiding gaf „om genoemd college als onbevoegd tot het geven van onpartijdige ophelderingen te wraken.quot;

ocr page 28

26

En tooh zal de heer de Meester de noodige inlichtingen van den directeur van Financiën en van de Algemeene Rekenkamer moeten verkrijgen, 't is waarlijk fraai, maar ik hoop dat ook dit artikel nog tijdig onder zijne oogen zal komen om, voor zoover dit niet reeds heeft plaats gehad, deze dan nog weder te overtuigen dat bij het beoordeelen dier verkregen inlichtingen het gezonde verstand een groote rol moet spelen.

Ben Haag, 31 Maart 1899.

ocr page 29
ocr page 30
ocr page 31
ocr page 32