ocr page 1

De Wording van het Woord

en de Ontwikkeling der taal.

REDEVOERING op den 20 Maart 1891 uit gesproken

DOOR

DR. J. H. GALLÉE,

Rector Magnificus der Universiteit te Utrecht.

Overgedrukt uil het Jaarboek der Rijks-Universiteit te Uhecht 189092.

Utrecht—1892.

Stoom Boek- en Steendrukkerij ,,de Industriequot; J. VAN D RUT EN.

ocr page 2

A. qu.

^gt;2'!

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

/ff.jy Jamp;/..

De wirili fan let ïïoori enieonWïelliierTaiil.

REDEVOERING

op den 20stcn Maart 1891 uitgesproken

DOOR

Dr. J. H. GALlEE,

RECTOR MAGNIFICUS DER UNIVERSITEIT TE UTRECHT.

ocr page 6
ocr page 7

Mijne Heeren Curatorex\, Professoren,

Lectoren, Doctoren, Studenten, geachte schare van hoorderessen en hoorders!

Op den feestdag bij uitnemendheid onzer Universiteit heet ik u welkom in dit auditorium. Uwe aanwezigheid hier ter plaatse in zoo grooten getale is als eene stilzwijgende betuiging, dat gij in onze alma mater, die heden haar 5 lst0 lustrum viert, levendig belangstelt en u verheugt in haren bloei.

Inderdaad wij hebben geen reden om ons te beklagen over gebrek aan belangstelling van uwe zijde. Ontvingen wij niet zoo van Provinciaal en van Stedelijk bestuur als van de burgerij de duidelijke bewijzen, dat zij wilden doen wat tot verbetering der Universiteit, tot voordeel der wetenschap kon strekken, voor zoover het in hun vermogen was?

Voorzeker, uit zulke samenwerking ontleent onze Universiteit eene groote kracht. Moge bij elk lustrum de redenaar evenzoo kunnen getuigen, dat in den afgeloopen tijdskring meerdere ontwikkeling der wetenschap en de bloei der Universiteit het doel van aller eendrachtig streven was.

Waar gij samenkomt op een dag als dezen, daar verwacht gij, dat de spreker u een blik doe slaan op de vorderingen der wetenschap of op den samenhang, die er tüsschen de wetenschappen bestaat en hare samenwerking in het pogen om het mechanisme der verschijnselen.

ocr page 8

72

die wij in de wereld waarnemen, te verklaren of den raensch in zijn wezen en ontwikkeling te doorgronden,— eene rede dus, die, haar stof ontleenend aan het gebied der wetenschap, waaraan de spreker zich bij voorkeur gewijd heeft, zich niet uitsluitend hierbij bepaalt, maar ook een ruimeren kring van toehoorders dan zijne vakgenooten tot nadenken aanspoort.

Met dit doel koos ik uit het groote gebied der taalwetenschap een onderwerp, dat zeker uwe belangstelling kan wekken maar bij welks behandeling ik op uwe welwillendheid meen te moeten rekenen, dewijl ik mij volkomen bewust ben, dat er aan eene afdoende beantwoording der vraag nog vele moeilijkheden in den weg staan. Wij kennen de waarheid nog niet; daarom zij het mij vergund, in hypothetischen vorm de conclusie uit de gegevens der wetenschap formuleerend, u een blik te doen slaan op den weg, dien het wetenschappelijk onderzoek ingeslagen heeft, hopende der waarheid naderbij te komen.

„De parel mijner ziele is het woordquot; zong de Perzische dichter Na^ir voor meer dan 800 jaren.

De geschiedenis van het woord, van de ontwikkeling der taal, het voornaamste voortbrengsel van des menschen denkvermogen, had voor mij eene groote aantfekkings-kracht.

Moge het onmogelijk zijn, de groote vraag, hoe de taal zich in den mond des menschen heeft ontwikkeld, hier in haren geheelen omvang te behandelen, toch wil ik trachten u te doen zien, van welk standpunt men heden ten dage de wordingsgeschiedenis der taal kan beschouwen.

Niet enkel de taalkundige heeft zich met de beantwoording dezer vraag bezig gehouden; ook de zoöloog, de physioloog en de psycholoog hebben getracht haar

ocr page 9

73

der oplossing meer nabij te brengen. Van alle zijden is daardoor nieuw materiaal voor onderzoek toegevoerd: zelfs hetgeen voor korten tijd nog in den schoot der aarde verborgen lag — zooals fossielen uit het Schipkahol in Bohemen, die van Neanderthal, Cannstadt en andere plaatsen, — draagt het zijne bij, om het onderzoek naar de geschiedenis van den mensch en van zijne taal op meerder en beter grondslagen te doen berusten. Alles wat de anthropologie aan het licht heeft gebracht, waardoor wij beter inlichtingen verkregen omtrent den mensch en zijn bestaan, heeft voor ons bij dit onderzoek waarde.

De taalkunde toch is een deel der anthropologie in hare ruimste opvatting. Niet uit den vorm alleen kan men den mensch leeren kennen, maar evenmin alleen uit de taal.

Een der groote vragen op dit gebied is: hoe is de natuur mensch tot beschaafd mensch geworden, m. a. w. hoe heeft de mensch verworven wat hij thans bezit? Hiertoe behoort ook de taal — ook haar bezit moest langzamerhand verkregen worden, zij is geen eigendom dat de mensch als zoodanig mede ter wereld bracht. Stel eens, dat het mogelijk ware eenige kinderen van de meest beschaafden en ontwikkelden kort na de geboorte op een van de menschen vergeten plek te brengen, waar zij konden opgroeien en zich ontwikkelen — die kinderen zouden, in leven blijvende, waarschijnlijk noch de gewoonten hunner vaderen volgen, noch hunne maatschap' pelijke instellingen en inrichtingen hebben, zij zouden zelfs hunne moedertaal niet spreken.

Wel zouden zij evenals het tegenwoordig menschdom langzamerhand al deze voordeelen trachten te verkrijgen, waarschijnlijk zouden zij betrekkelijk meer geschiktheid hebben om zich deze zaken eigen te maken door de dispositie der

ocr page 10

74

erfelijkheid, maar toch alle handwerk, maatschappelijke organisatie, kunst, nijverheid, wetenschap, zouden zij zich weer moeten verwerven en voor alles zouden zij zich taal moeten eigen maken.

Wij stellen ons thans de vraag: hoe is de mensch in het bezit van zijne taal gekomen, hoe heeft het gearticuleerd spreken zich bij den mensch ontwikkeld? want wij weten door onze taalstudie, dat de talen, die wij thans kennen, zich uit oudere ontwikkeld hebben; wij weten, dat wij niet in eene der ons bekende talen de oorspronkelijke taal te zoeken hebben.

In vroegere eeuwen had men gansch andere voorstellingen omtrent ontstaan en ontwikkeling der talen.

Vele jaren voor Christus — dit is wel het oudste onderzoek, dat wij kennen op dit gebied — wilde een koning van het oude Egypte ') weten welke der in zijn tijd bestaande talen de oudste Avas, waaruit alle andere ontstaan zouden zijn; en hij meende dit vraagstuk op zeer practische wijze te kunnen oplossen.

Het is ü bekend, hoe hij twree kinderen afzonderde met eene geit als zoogster, meenende; dat deze twee kinderen weder de oorspronkelijke taal des menschen zouden gaan spreken, waaaruit dan te besluiten was, welke der talen den voorrang voor alle andere moest hebben. En de kinderen spraken, zooals de taalgeleerden des konings uitmaakten, een Phrygisch woord pexóg. Wij echter zouden het voor eene navolging van het geluid der geit houden, en mitsdien als een sprekend bewijs laten gelden, dat de mensch in dezen in hooge mate onder den invloed dei-hem omringende levende natuur staat. Ook in latere herhalingen hebben zulke proeven nooit tot iets anders geleid.

') Herod. II, 22.

ocr page 11

75

Zeer vruchtbaar zijn de bespiegelingen der oudheid op dit gebied niet geweest, Plato nam zeker geen verkeerde conclusie, toen hij in zijn Cratylus. na de twee tegenovergestelde meeningen van zijn tijd door de tegenstanders Cratylus en Her mogen es te hebben laten uiteenzetten, door Socrates liet verklaren, dat de zaak hem even duister was gebleven als te voren. Het waren de stellingen van Demokritos en Herakleitos, die hij in zijn dialoog ter sprake bracht. De een hield het er voor, dat de woorden deels door overeenkomst, deels door toeval gevormd waren. Maar welke verklaring, mag men vragen, is er in toeval gelegen, en doet overeenkomst niet reeds taal veronderstellen?

Meer scheen te pleiten voor de stelling van Herakleitos, die aannam, dat de natuur door hare werking op den mensch bij dezen de taal had doen ontstaan. Dit was vooral op te maken uit den zichtbaren samenhang, die er tusschen de woorden en hetgeen zij aanduiden zou bestaan: zoo vond hij, om het in Nederlandsche woorden uit te drukken, in staan, stok, stam, staf, stijf, steen, een begrip van onbeweeglijkheid, vastheid, dat in den klank st was gelegen, evenzoo in week, wak, winkelen e. a. een begrip van zwakheid of zachtheid, welk gronddenkbeeld dooide letter w werd uitgedrukt; doch hoe dit te rijmen was met het voorkomen der w in woest, icild, wapen, wolf en dergelijke, bleef onverklaard.

Bij de andere hypothesen der oudheid en die der middeleeuwen zal ik nu niet stil staan en evenmin u bepalen bij de wijzen, waarop in de voorgaande eeuwen deze kwestie behandeld werd. De voorname vraag van de 16° en 'tbegin der 17e eeuw was niet: hoe is de taal ontstaan, maar welke taal werd in het paradijs door Adam en Eva gesproken? Mocht een enkele soms van

ocr page 12

76

den weg afdwalen en meenen, dat dit de Vlaamsche taal zou geweest zijn, de meesten bleven aan het verhaal uit den Pentateuch getrouw en trachtten uit het Hebreeuwsch alle mogelijke talen af te leiden.

Een der eersten, die aantoonde, dat deze weg verkeerd was en nimmer tot het doel kon voeren, was Leibnitz. 0

Toch is, zoo al niet de theorie zelve nog verdedigers vond, haar invloed lang merkbaar geweest. Men bleef aan het Mosaïsch scheppingsverhaal vasthouden, en zelfs Jacob Grimm kon er zich slechts gedeeltelijk van losmaken.

Als antwoord op de vragen, of de mensch als kind of als volwassene geschapen werd; of zich de taal bij een menschenpaar ontwikkelde dan wel bij meer, roept hij uit 1) : „Das ist anzunehmen, dass mann und weib zusammen, vollwüchsig erschaffen wurden, der erste mensch war nie kind, doch das erste kind hatte einen vater.quot; Maar bij meer dan een paar nam de taal een aanvang, althans : „es ist sogar wahrscheinlich dass mehr als ein paar „erschaffen ivurde, scJion aus dein natürlichen grimde, weil die „erste mutter möglicherweise lauter sohne oder lanter töchter „hatte gebaren können. Auch erklart sich der sprache ursprung „viel leichter, wenn alsogleich zwei oder drei menschenpaare „und bald Hire kinder an ihr bildeten.quot;

Grimm nam aan, dat de volkomen mensch, zich van ziine spraak-organen bewust wordend, op volmaakte wijze was begonnen te spreken, en daarmede in overeenstemming is ook zijn verder betoog, hoe in verloop van tijd de taal hare oorspronkelijke zuiverheid van uitdrukking verliest: na de schepping der taal was geen nieuwe schepping

1

) Grimm, Ueber den Ursprung der Sprache (1858), p. 33.

ocr page 13

77

mogelijk en na den bloeitijd ving het tijdperk van degeneratie aan

De taal des menschen ontstond in eene menscben-massa ; zij werd voortgebracht „ durcb naturtrieb und freie kraft.quot; „Unmittelbar aus dem1) menschlichen denken „emporgestiegen, sich ihm anschmiegend, mit ihm schritt „haltend, ist sie allgemeines gut und erbe geworden aller „menschen, das sicb keinem versagtquot; 2).

Bij G r i tn m ontstaat spreken uit denken — gansch anders Von Humbo 1 dt, die de woorden van Locke „dat taal en verstand onscheidbaar zijnquot; op zijne geniale wijze uitwerkte. De taal was voor bem „das bildende organ des gedankensquot;3). Werkzaamheid van het intellect, die, wanneer zij innerlijk bleef, voorbij zou gaan zonder een spoor achter te laten, wordt door het woord waarneembaar ; zij is onscheidbaar met de taal verbonden, want denken zonder woorden of spraakklanken te gebruiken is onmogelijk. De taal is één met den geest, gesproten uit de oneindige oorzaak, het zich vrij ontwikkelend levens-principiura. Dit voor ons menschen onverklaarbare princi-pium trachtten Rousseau4), Diderot, e. a. te verklaren door het enkele woord nature, later door Ren an 5) op andere wijze herhaald in zijn woord : „si 1'on accorde a l'animal l'originalité du cri, pourquoi refuser a l'homme l'originalité de la parolequot; ?

Een grooten aanhang heeft Gondillac gehad: deze was van oordeel dat men juist in de natuurkreten, die

1

) Grimm, 1. c., p. 53.

2

) Locke, On the human understanding, IV, 5, 4.

3

'*) W. v. Humboldt, Sprachphilos. werke (herausgeg. v. H. Steinthal), p. 50.

4

s) Rousseau, Discours sur l'origine du langage.

5

) Renan, De l'origine du langage.

ocr page 14

78

de mensch met het dier gemeen heeft bij de uitingen van genot of smart, dus in de tusschenwerpsels, de beginsels tier woorden moest zoeken. Met de taalvorming kunnen deze woordjes echter niet in zoo nauw verband gestaan hebben als G o n d i 11 a c onderstelde : hoe toch zou het dan mogelijk zijn, dat talen, die overeenkomstige interjecties hebben zooals Chineesch en Nederlandsch, in verdere woord- en klankformatie zoo geheel afwijken?

Bovendien zijn de woorden, waarop de voorstanders dezer hypothese hunne stelling baseerden, in vroegere tijdperken gansch anders van vorm geweest dan de interjecties, die zij op het oog hadden. Mogen van sommige interjecties eenige woorden gevormd zijn, hun getal is zoo gering, dat men niet op grond van deze enkele in de interjecties het uitgangspunt voor het ontstaan van taal mag zoeken.

Vele aanhangers had ook de hypothese door Max Muller „Bow- wow- theoriequot; gedoopt De zich oefenende geest van den onontwikkelden mensch zocht, zegt Herder, kenmerken in hetgeen om hem heen was; de klanken, die hij in de natuur waarnam, waren voor hem de kenmerken bij uitnemendheid.

Dit kenmerk trachtte hij uit te drukken door navolging van het geluid, en zoo duidde hij het voorwerp, dat hij onderscheidde, aan. Dies erste Merkmal der Besinnunj war Wort der Seele mit ihm ist die menschliche Sprache erfunden '). De menschlijke taal was de uiting der krachten, welke den mensch door zijne natuur eigen waren, welke hij reeds als dier bezat, toen zij uiting gaven aan zijn gevoel in ongearticuleerde geluiden1). Scherp

1

') T. a. pl., p. 3.

ocr page 15

79

onderscheidt hij tusschen beide eu stelt zich tegenover Condillac's theorie. Hoeveel er te leeren is uit Herders werken, is niet in een enkel woord samen te vatten: men vindt bij hem een groot aantal geniale gedachten, doch hij is maar al te dikwijls in tegenspraak met zich zelf. Zijn laatste werk, waarin hij de goddelijke schepping der taal verkondigt, bestrijdt dan ook zijn eerste werk dat hier tegen gericht was. Waardoor de mensch nu ook tot de taalvorming aangedreven werd, in alle gevallen — zoo meende Herder — vormde hij zijne woorden èf door navolging van natuurgeluiden óf door symbolische omzetting in tonen van de beweging van hetgeen geen geluid gaf. Was een woord als donder niet geheel in overeenstemming met het geluid, dat er door werd aangeduid ? Kon men zich een beter woord dan hlitz denken, om het plotseling, snel verschijnende en weder verdwijnende licht aan te wijzen?

De vergelijkende taalstudie heeft aan deze theorie een voornamen steun ontnomen door aan te toonen, dat de oorspronkelijke vormen dezer woorden aanmerkelijk verschilden van de ons bekende, waarop de hypothese gebouwd was.

Zoo is donner uit donder ontstaan, en dit weder uit een wortel tan, die spannen beteekende. Zoo hangt hlitz met met Gr. Ind. hhrdj, schitteren, samen en is met

een ander achtervoegsel in bliksem, blaken, bleek, e. a. terug te vinden.

Wij willen niet ontkennen, dat enkele woorden door nabootsing van den klank kunnen ontstaan zijn, maar het is slechts van weinige bewezen.

Wat ons in deze theorie moet treffen, is. dat de natuur-mensch „kenmerken zochtquot;, eigenaardigheden waarnam, 'redeneerde maar er geen woorden voor had.

ocr page 16

80

Mocht men bij den niet sprekenden natuurmensch ook denkvermogen onderstellen, verstand kon zich bij hem niet ontwikkelen voor de taal er was: ontwikkeling van het menschelijk denken was slechts mogelijk door woorden.

Bij den mensch in zijne ontwikkelingsperiode, bij het kind, worden door het spreken gedachten opgewekt. Het kind hoort klanken, en begint die allengs aan bepaalde voorstellingen te verbinden. Terwijl de eerste kreten en geluiden niets dan de begeerten en gevoelens uitdrukken, die wij menschen met de dieren gemeen hebben, begint het kind langzamerhand zich te oefenen om geluiden, die het opmerkt dat bepaalde beteekenis hebben, na te volgen. De denkorganen worden van lieverlede zóó geoefend, dat het kind herinnering krijgt van de geluiden, die het gedurig in verband met bepaalde zaken of daden hoort; het begint deze te abstraheeren. en zoo ontstaat spreken, dat, aanvankelijk gebrekkig het gehoorde weergevend, juister wordt naarmate de spraakorganen meer worden geoefend. Ontwikkelen denk- en spraakorganen zich meer, dan neemt ook de taal, de woordenschat, in omvang toe. Gelijktijdig ziet men zoo èn spreken èn denken zich bij het kind ontwikkelen. Er is een weer-keerige invloed van het een op het andere waarneembaar. Ook bij den mensch moet dit het geval geweest zijn, moeten zich denken en spreken onafscheidelijk van elkander hebben ontwikkeld.

Daarop gewezen te hebben is de verdienste van Heyse geweest. Hij zag in, dat het onmogelijk was om door overleg, door redeneeren tot gearticuleerd spreken te komen

Volgens hem was de taal geen werk van het berekenend verstand maar van de natuurkracht van den algemeenen

') Heyse, System der Sprachwissenschaft, p. 48, e. v.

ocr page 17

81

geest, van het goddelijke in den mensch. Naast den objectieven algemeenen geest staat de subjectieve geest, „der reflectirende Verstand als freie Tatigkeit des Indivi-duums.quot; De objectieve geest kan als zelfbewuste geest werkzaam zijn zonder in zijne uiting zelfbewust te zijn. Door den zelfbewust vrijen geest is op den weg der natuurlijke ontwikkeling van zijn innerlijk wezen de taal voortgebracht.

„ Die Sprache istein Natur er zeugnis des menschlichen Geistes', ihre Erzeugumj geschieht mit Notivendigkeit, ohne hesonnene Ahsicht unci Hares Bewusstsein '), aus innerem Instincte des Geistes, also in der Form einer organischen Natur tatigkeit.'''

Het is eene „Naturtatigkeitquot;, dat alles wat getroffen wordt, geluid geeft, en ieder ding heeft zijn eigen geluid; goud klinkt anders dan tin, hout anders dan steen.

Deze „naturtatigkeitquot; was, volgens Heyse, ook eenmaal den mensch eigen. „Daardoor werd elke voorstelling, toen zij den eersten keer zijne hersenen deed trillen, in een klank overgezet. Sedert is dat instinct — als men 't zoo mag noemen — voor den mensch verloren gegaan.quot;

Eene gevaarlijke methode, om aan den voortijd krachten toe te kennen, wier bestaan uit geen enkel gegeven gededuceerd kan worden. Te recht schreef een uwer: „men verbeurt den naam van wetènschappelijk man. wanneer men vermogens of krachten laat aanrukken die de ervaring ons niet kennen doét1)/'

Toch heeft deze hypothese vele hoogst begaafde mannen medegesleept. Ik herinner slechts aan de bekende woorden van Max Müller: man responds—man rings.

1

) Jhr. Dr. B. H. G. K. van der Wijck, Tijdspiegel 1874: De Oorsprong der taal.

Jaardoek der ÜMVERSiTEiT 1890;92. (t

ocr page 18

De mensch was, volgens Max Mailer's voorstelling, evenals het dier begiftigd met het vermogen om zijn gevoel te uiten door interjecties, zijn gewaarwordingen door beteekenisvolle klanken, maar bovendien bezat hij hij instinct de gave, om in gearticuleerde taal de indrukken van zijn geest mede te deelen Veel heeft Max Müller gewijzigd onder den invloed van de klaar geformuleerde theorie van Noiré, maar toch heeft hij zich hiervan niet kunnen losmaken: hij is blijven vasthouden aan de scheiding tusschen mensch en dier, welke niet alleen thans veroorzaakt wordt door de taal maar ook in vroeger tijden bestaan heeft, zoo niet door het bezit van taal, dan toch door het bezit van onontwikkeld taaiinstinct,

Max Müller zegt: „man is an animal, maar eendier, dat noch nu noch ooit in vorige perioden met andere dieren gelijk te stellen wasquot;; Noiré daarentegen meent, dat de mensch eenmaal aan de andere dieren gelijk was, maar zich boven hen 1) heeft weten te verheffen. Hij behoort reeds tot de nieuwere onderzoekers, door wie de vraag omtrent de wording der taal op andere wijze gesteld wordt. Tot hen mij thans wendende, zal ik mij niet met de stelsels der verschillende onderzoekers ieder in het bijzonder bezighouden, liever u in 't kort mededeelen tot welke uitkomsten ik gekomen ben door den arbeid van mannen als Wundt,2) Noiré 2), Whitney 3) en vooral van Steinthal4) en Ziehen.

1

) Der Ursprung iler Sprache, Mainz 1877. Logos, Ursprung und Wesen

der Begriffe, Leipzig, 1885.

2

) Essays, 1885.

3

) Origin of Language.

4

) Der Ursprung der Sprache, 1888. Abriss der Sprachwissenschaft, 1881.

ocr page 19

83

Toch mag ik liier toe niet overgaan alvorens met een enkel woord gewezen te hebben op het groote werk van L a-z a r u s G e i g e r, den onvermoeiden onderzoeker en denker, dien ik den laatste der oude ot' den overgang tot de nieuwe school zou willen noemen.

,,Hoe konquot;, vroeg G e i g e r, „een wezen, met verstand begaafd, ontstaan uit een verstandelooze, hoe een sprekende uit een spraaklooze? En zijn antwoord was — in grove trekken medegedeeld, want zijn boek is vier deelen groot—: de urlaut, dien de mensch, zooals elk levend wezen, in staat was uit te drukken, word bij hem door de vertrekkingen van het gelaat en den mond, bij aandoeningen van begeerte of onlust, op verschillende manieren gewijzigd. Deze gewijzigde klanken werden door anderen overgenomen en verder uitgebreid, en zoo ontwikkelden zich tallooze klanken, welke beteekenis kregen door de herinnering aan gewaaarwordingen erbij uitgedrukt. Ook wat met het oog werd gezien, had eene reflex-beweging der spraakorganen ten gevolge, waardoor aan zoovele verschillende grondwoorden het aanzijn werd geschonken.

Geiger heeft over de groote vragen, die hij in zijne werken behandeld heeft, veel gedacht en veel nieuws medegedeeld; zijne werken') zijn tie vrucht van een menschen-leven, maar zij zijn onvoltooid, ook in wetenschappelijken zin. Hij heeft zich niet volkomen rekenschap kunnen geven van de hoofdzaak; het denken kon hij niet duidelijk maken, want hij had geene voldoende kennis van de taal, hij had geen diepen blik in haar wezen. Zijne etymologische be-toogen bewijzen dat meer dan iets anders. Laat ik slechts wijzen op etymologische verbindingen als nacht met niyer,

') L. Geiger, Zur Entwickelungsgeschichte der Menschheit, Stuttgart 1878-L. Geiger, Der Ursprung der Sprache, Stuttgart, 187'J.

ocr page 20

84

mond met snoet, Lat. mando, met Gr. uvw en Germ, muis, muskei en mossel, in welke laatste, naar hij meende, het denkbeeld van zich openen en weer sluiten vervat was.

In de geschiedenis der natuur, in de wording der taal, speelt, volgens G e i g e r, het toeval eene voorname rol. Dat de woorden hunne bepaalde beteekenis kregen is werking van het toeval geweest. Eene dierlijke vertrekking van het gelaat deed een klank voortbrengen, het toeval verbond dezen aan eene waarneming. ') „Soist denn üherall die Sprache primar, der Beyriff entsteht durch das Wort, ünd zwar dies von jeher, die Sprache hat die Vermmft er-schaffen; vor ihr war der Mensch vernimftlos.quot; Daargelaten nog of men zich met deze verklaring van alle werking uit toeval kan vereenigen, zal zeker de laatste zinsnede door velen niet zoo grif aangenomen worden.

Is het wel zoo zeker, dat er zonder taal geen verstand kan bestaan? Neem een papegaai. Hij kan woorden leeren; hij kan, als de mensch die ze hem leerde, ze spreken; wat binnen bereik zijner waarneming valt, zal hij met de aangeleerde woorden aanduiden. Kwam bij hem nu verstand dóór de taalquot;? Ik geloof het niet. De taal, die hij kan leeren spreken, is zeer beperkt. Wat buiten het veld zijner waarneming valt, zal hij, al leert hij den klank nabootsen, toch niet met bewust doel gaan gebruiken. Zijne taal wordt in dit opzicht beperkt door de beperktheid van zijne hersenen, van zijn denkvermogen.

Zie aan den anderen kant een doofstomme. De doof geborene spreekt niet, hij uit niet-gearticuleerde geluiden om de aandacht van anderen tot zich te trekken of ergens op te vestigen, want hij heeft waargenomen, dat anderen door deze bewegingen, die voor hem ongehoorde geluiden

') Geiger, Urspr, d. Spr., p. 141.

ocr page 21

85

veroorzaken, aandachtig worden. Veronderstelt dit nu niet reeds verstandelijke vermogens? Zijn verstand moge slechts gedeeltelijk ontwikkeld zijn, maar zoover mogelijk heeft hij het door de andere zintuigen ontwikkeld. En toont hij dit niet, zoodra hem de gelegenheid geopend vordt om met andere wezens in geestelijke aanraking te komen ?

Verstand en taal wordt meest als het hoofdkenmerk van den mensch tegenover het dier aangegeven.

Wat bij het dier instinct heet, is bij den mensch het gezonde menschenverstand, heeft Lichtenberg gezegd: maar wat is het onderscheid1? Is het niet meer quantitatief dan qualitatief? Ook dieren hebben abstraheer-vermogen, maar het reikt niet zoo ver als dat van den mensch.

En wederom, ontwikkelen ook het denkvermogen en het aantal klanken bij het dier zich misschien niet op onmerkbare wijze? Hebben zij onder elkander geen taal *)? Kunnen wij, nauwkeurig observeerend, bij de hooger staande dieren, waarmede wij het meest omgaan, niet onderscheiden tus-schen de klanken, die zij onder verschillende omstandig-beden voortbrengen, b.v. bij dieren, waarbij wij het meest intellect-ontwikkeling bevorderen zooals de honden; terwijl bij andere dieren, bij welke wij uitsluitend streven naar verbetering van het physiek, b.v. de koeien, de geluiden veel minder afwisseling aanbieden.

Ziedaar tal van vragen, waarop vooral na en tengevolge van het optreden van de natuurphilosophen als Darwin ') en

') Zie ook een artikel van Garner in de New Review (Haarl. cour. v. 19 Juni 1891) over de taal der apen, waarin deze verzekert, dat hij door middel van den phonograaf enkele woorden uit de taal van een aap heeft opgevangen, die, toen hij ze bij andere apen van dezelfde soort herhaalde, verstaan werden. Deze apen moeien dan m. i. te voren in vrijen staat of in gevangenschap met elkander of met andere dezelfde taal sprekende apen in aanraking geweest zijn. Deze proeven zullen echter nog wel herhaald dienen te worden, voor zij volkomen betrouwbaar zija.

ocr page 22

86

Haeckel1) de aandacht gevestigd is. Door hunne werken is een groote invloed geoefend op de verdere behandeling der vraag omtrent de ontwikkeling van de taal van den mensch, niet het minst door de veranderingen in methode, die er het gevolg van geweest zijn.

De taal wordt niet meer als in de dagen van Schleicher2) beschouwd als een zelfstandig organisme, dat zich in den mensch ontwikkelt, zelf werkend en toch afhankelijk van den wil. Wij weten, dat de taal de uiting is der werking-van bepaalde organen bij den eenen mensch, welke door het gehoor van den anderen mensch wordt waargenomen; dat zij dus is de geestesuiting van een individu opgenomen door een ander. Men is gaan inzien, dat alleen uit de taal der individuen volkomen kennis van het wezen der taal te verkrijgen is

Is men uit de massa de individuen gaan afzonderen, de taal en het denkvermogen van den levenden mensch in al hun verschillende vormen gaan bestudeeren, ook van het verleden tracht men zulks te doen door van schrijvers, die uit eenig oogpunt belangrijk zijn, regel en afwijking met statistische nauwkeurigheid te registreeren. Zoo krijgt men een getrouw beeld van de eigenaardigheden van de taal des menschen in verschillende tijden, wordt het mogelijk zich een beter denkbeeld te vormen van de verhouding van 's menschen taal tot 's menschen denken.

1

) E. Haeckel, Generelle Morphologic der organismen, Berlin 1866, 2 din. en Natürliche Schöpfungsgeschichte, Berlin, 1868.

2

) Schleicher zelf komt hier tegen op in Ueber die Bedeutung dor Sprache etc., Weimar, 1865, p. 10.

Scherer, ZGDS., Widmung XIV: Jch snche jede sprache auf zu lösen in eine reihe auf einander folgender entstehungsacte, deren jeder durch die stelle, die er in de.m verlauf einnimmt, seine individuelle farbe und eigen-thümliche hestimintlieit erhalt.

ocr page 23

87

Men heeft dus niet meer het algemeene in de eerste plaats als voorwerp der studie, maar men tracht den omgekeerden weg te gaan: van het speciale door te dringen tot het algemeene, van het individu tot de dialecten, tot de talen en zoo het geheel der menschelvjhe taal te doorgronden.

Was het op het punt van den oorsprong der taal tot voor Geizer de vraag geweest, hoe en waarom de reeds verstandelijk ontwikkelde mensch was gaan spreken, thans leerde men van de natuurphilosophen, „dat de mensch uit „een wezen van lager ontwikkeling gesproten, van gelijke „afstamming was als de andere zoogdieren. Bij den „urmensch waren zenuwstelsel en hersenen tot eene hoogere „ontwikkeling gekomen, terwijl de rechtopgaande houding, „welke hij aannam, van grooten invloed was op de ont-„ wikkeling van zijn vermogen om te spreken. Er ontston. „den verschillende wijzigingen in de organen, die de klanken „voortbrachten, en zoo werd het hem mogelijk eene groo-„tere verscheidenheid geluiden voort te brengen.quot;

Tal van generaties moeten er voorafgegaan zijn aan den mensch, zooals wij hem kennen, generaties, eene langzaam opklimmende reeks van verstandelijke en lichamelijke ontwikkeling vormende.

Enkele overblijfsels van deze menschen uit vroegere tijden werden er gevonden. Zijn zij ook in geringen getale aangetroffen, sommige zoo fragmentarisch, dat men er over in twijfel verkeerde, zooveel heeft men er uit op kunnen maken dat de vroegere mensch lichamelijk niet zoo ontwikkeld en toegerust was als de tegenwoordig levende, en op sommige punten zich nog niet zoover verwijderd had van het naast verwante dier.

Deze fossielen verkondigen ons een verleden voor het bestaan van den mensch, waarbij duizende jaren slechts eene spanne tijds zijn.

ocr page 24

88

Maar al toont de anthropoloog ons uit fossielen, dat er een onontwikkeld, niet, als wij, gearticuleerd sprekend menschengeslacht vooraf is gegaan, zoo leeren ons zijne fossiele schedels nog niet de wijze, waarop de hersens, in dat bekkeneel besloten, moeten gewerkt hebben. Niet daaruit zal men tot de kennis van de ontwikkeling van het denkvermogen en van de taal kunnen komen.

Om den mensch als denkend wezen te leeren kennen is het eenige middel onderzoek van zijne gedachtenvor-ming, studie van zijne taal. De gedachtenvorming bij bet kind en de daarmede gepaard gaande ontwikkeling der taai van het kind moet bij dit onderzoek zeker een voornamer plaats innemen dan totnogtoe het geval was.

Vinden wij in de tijden, waarin wij den mensch kunnen nagaan, eene geleidelijke ontwikkeling van zijn denkvermogen, eene uitbreiding van zijne taal, dan zal men uit hetgeen bekend is omtrent het onbekende met eenige waarschijnlijkheid mogen besluiten, dat beide zich in vorige perioden op dezelfde wijze hebben ontwikkeld.

Eerst daarna kan men de vraag stellen, hoe heeft bij dien aanleg, bij die ontwikkeling, die de natuurphilosoof ons van den voormensch heeft leeren kennen, ook de taal zich ontwikkeld, hoe is de mensch tot gearticuleerde taal gekomen.

Alle onderzoek naar de geschiedenis van de ontwikkeling der menschelijke taal, zeide ik, moet uitgaan van de studie der taal van de individuen. Paul in zijn uitnemend werk Principiën der Sprachgeschichte heeft onder de taal-vorschers het eerst met groote kracht hierop aangedrongen: ')

') Principiën der Sprachgeschichte2, p. 22.

ocr page 25

89

de uitingen van de individuen en hunnen onderlingen invloed moet de taalvorscher zoo nauwkeurig mogelijk trachten waar te nemen.

„Men bewere niet, dat het nutteloos is eene taak te „geven, welke men onmogelijk zal kunnen volbrengen. Ook daarom is het der moeite waard het ideaal van wetenschappelijk streven voor te houden, omdat wij ons daar-„door klaar bewust worden, hoe groot de afstand is, die „ons werken er nog van scheidt.quot;

„Eine unvermeidliche notwendigkeit aber ist es für uns „eine allgemeine vorstellung von dem spiel der krafte in „diesem ganzen massenhaften getriebe zu machen, die wir „bestandig vor augen haben müssen, wenn wir die wenigen „dürftigen fragmente, die uns daraus wirklich gegeben sind, „richtig einzuordnen versuchen wollen. ')

Van die krachten kunnen wij slechts een klein gedeelte leeren kennen; het meest belangwekkende, de opwekking der voorstellingen en alle psychische handelingen, welke hiervan het gevolg zijn, onttrekken zich nog grootendeels aan onze directe waarneming.1) Deze handelingen worden ons eerst merkbaar door het woord, waaraan zij een kortstondig aanzijn geven. Dit schijnt ons niet zoo kortstondig — vooral sedert wij door schrift en druk het woord verduurzaamd en verveelvuldigd zien, — toch is het woord niets anders dan het resultaat eener hersenwerking, die zich door middel van het oor bij een ander herhaalt. Bij spreker en hoorder laat het een indruk na in het psychisch orgaan, waarop het in het onbewuste terugzinkt om, als de omstandigheden het vereischen, weder uit het onbewuste in het bewustzijn te treden en als klank het oor te treffen.

1

) Vgl. Dr. Th. Ziehen, Lcitfaden derPhys. Psychologie, Jena, G. Fischer, 1891.

ocr page 26

90

Klank en voorstelling, die te zamen voor ons liet woord vormen, zijn ten nauwste verbonden: zoodra wij onbewust ons eene voorstelling voor den geest roepen, treedt als van zelf de daarbij behoorende klank op den voorgrond. Met den klank en de voorstelling van bet begrip verbinden zich weder allerlei andere voorstellingen zooals van syntaxis, persoons- en casusuitgangen.

Voorstellingen kunnen, wanneer de voortbrenging van den indruk in langen tijd niet herhaald is, door de hierdoor ontstaande verzwakking der voortbrengingskracht, bijna') niet of uiterst moeielijk weder in het bewustzijn te brengen zijn. Hoe meer de herhaling geschiedt of hoe sterker de aandoening op de bron dezer voortbrengingskracht geweest is, des te gemakkelijker kan herhaling van de wedervoortbrenging in het bewustzijn geschieden. Daardoor is bet denk- en spreekvermogen van een individu aan voortdurende verandering blootgesteld, terwijl bovendien door de voortdurende oefening der organen meerdere ontwikkeling, grootere fijnheid, wordt teweeggebracht.

Daar nu ieders bouw, ieders aanleg verschillend is, zullen er in de uitingen der individuen groote verschillen merkbaar zijn; verschillen, die bovendien aan eene voortdurende verandering onderhevig zijn.

Niets zou wenschelijker zijn dan nauwkeurige beschrijvingen te bezitten van de taal van verschillende personen in verschillende tijdperken van hun leven, maar de wensen is licht uitgesproken, hoogst moeielijk echter vervuld.

Van de geschreven taal van een persoon valt dit gemakkelijker, maar welk een hemelsbreed verschil tusschen het gesproken woord en het geschrevene. Hoe veel duizend kleinigheden ontsnappen er niet, die onmogelijk uit te

') Wundt, Essays, 112—119.

ocr page 27

91

drukken zijn zelfs in een beter van allerlei teekens voorzien schrift clan het onze is. Doch hoe natuurlijk het ook zij, om haar in haar geheelen omvang waar te nemen, de gesproken taal moet in de eerste plaats voorwerp van observatie worden.

Juist de taal van het individu met zijne onjuiste voorstellingen uit verschillende oorzaak voortspruitend, met de veranderingen en wijzigingen in klanken en in beteekenis-sen der woorden en uitdrukkingen, met al dat oude, dat herhaald of vernieuwd wordt, is van het meeste belang, om de ontwikkeling van het denkvermogen en van de taal nauwkeuriger te leeren kennen.

Terwijl in de taal van elk individu geregelde ontwikkeling in verband met de ontwikkeling zijner denkvermogens is waar te nemen, staat elk individu en ook zijne taal onder den invloed van anderen, zoowel door hetgeen hij van hen hoort, als door de noodzakelijkheid om zich voor die anderen verstaanbaar uit te drukken. Daardoor wordt de mensch gedwongen, zijne eigenaardigheden,door opvoeding en physiek verkregen, te beteugelen. Wil de mensch zich voor anderen verstaanbaar maken, zijne voorstellingen bij anderen ingang doen vinden, dan ziet hij zich als genoodzaakt om die woorden, die zinsneden te gebruiken, die door degenen, tot wie men spreekt, verstaan zullen worden.

Hierdoor ontstaat eene sterke toenadering in de taal der individuen, die met elkander in geregeld verkeer staan, zoo sterk, dat zij den oppervlakkigen waarnemer gelijkheid zal schijnen. Hoe minder de omgang is, hoe grooter de individueele verschillen zullen zijn.

Waar de mensch in nauwe aanraking met den mensch is, zooals in de enge dalen der gebergten, in de kleine plaatsen, zal men, een klein aantal individualism en over

ocr page 28

92

het hoofd ziende, eenheid van taal waarnemen. Ontstaat, waar vroeger betrekkelijke eenheid was, eene scheiding b. v. door het trekken eener politieke grens, daar zal men door de belemmering of door het ophouden van het verkeer de individueele verschillen van den eenen en den anderen kant verschillende richting aan de ontwikkeling van de taal zien geven. Laat ik slechts herinneren aan het Amerikaansch naast het Engelsch, het Transvaalsch naast het Nederlandsch.

Wat ten opzichte van politieke hindernissen in het verkeer gezegd werd, geldt evenzeer van de belemmering in den omvang door uitbreiding in aantal. Of er zich tus-schen de beide groepen van individuen eene geographische belemmering van het verkeer bevindt, dan wel of zich tusschen personen een steeds toenemend aantal menschen plaatst, beide hebben ten gevolge, dat het directe verkeer, dat de omgang van de op de uitersten zich bevindende individuen belemmerd wordt.

Dit laat zich in de taal bemerken. Neemt de volksmassa toe, dan ontstaan er groepen in, die met elkander, in voortdurend verkeer staande, zich in hare taal naar elkander richten: zoo ontwikkelen zich idiomen, welke tot dialecten en bij uitbreiding van het aantal sprekers tot talen worden.

Sommige geleerden hebben in de taal des menschen eene centrifugale en eene centripetale beweging willen waarnemen. Zij meenden, dat in een vroegeren tijd het aantal dialecten toenam, en zagen in den tegenwoordigen tijd daarvoor in de plaats treden eene groote neiging om de dialecten te laten verdwijnen en in ééne taal te doen opgaan; zoo zouden dan later alle talen worden tot ééne — de groote wereldtaal. Een heerlijk verschiet — indien het waar kon worden!

ocr page 29

93

Dat het aantal dialecten sinds de oudste tijden toegenomen is, geen taalkenner zal dit tegenspreken.

De bewering, dat de dialecten thans gaandeweg verdwijnen, berust echter op onvoldoende waarneming. Wel dwingt de uitbreiding in het verkeer tot uitbreiding der algemeene taal, maar ook naast de algemeene taal blijft de individueele taal bestaan, die elk mensch spreekt als hij zich tot zijne naaste omgeving richt. In druk wordt deze niet zooveel meer gebruikt, daar men zijne gedachte liefst zoo algemeen mogelijk gelezen ziet, maar in elk geschrift, dat niet voor het algemeen bestemd is, laat men zijne persoonlijke eigenaardigheden meer den vrijen loop. Verdwijnen de dialecten uit cle geschreven taal, veranderen de oude dialecten sterker van vorm door den invloed der algemeene taal, dialecten blijven bestaan, want waar vele individuen spreken, daar blijven individueele eigenaardigheden en verschillen waarneembaar zelfs in de algemeenen spreek- en schrijftaal, waaruit men ze zooveel mogelijk tracht te weren.

Wat kunnen wij nu waarnemen, wanneer wij, steeds teruggaande, de taal van later tijden met die van den voortijd vergelijken?

Bij den mensch op rijperen leeftijd zien wij een grooteren woordenschat dan zijn eigendom was, toen hij nog een kind of knaap was. Evenzoo kunnen wy, by vergelijking van eene taal in verschillende lijden, in den lateren tijd eene groote toeneming in den woordenschat waarnemen.

Verdam heeft het eens berekend van onzen Nederland-schen taalschat. In de woordenboeken, die de woorden van onzen tijd bevatten, vond hij ongeveer 83.000 woorden, in die van het middelnederlandsch ongeveer de helft. Hetzelfde was ook het geval met woordenboeken in andere talen.

ocr page 30

94

Nu wil ik gaarne aamieraen, dat wij van onze taal vol-iediger woordenboeken kunnen maken dan van de vroegere talen, waarvan vele woorden ons zullen ontsnappen, maar toch is het verschil in een tijdperk van omstreeks 400 jaar zeer belangrijk.

De oude meening, dat in het grondwoord, in den wortel, alle beteekenissen, die men bij de latere afleidingen opmerkte, moesten aanwezig zijn, is onjuist gebleken. Wij hebben leeren inzien door nauwkeurige studie van de woorden en hunne beteekenis, zooals zij door menschen op verschillende tijden gebruikt werden, dat soms slechts eene kleinigheid voldoende was, om het begrip, dat men aan het woord hechtte, te wijzigen, dat, wanneer zulke wijzigingen door bijkomende omstandigheden zich gedurig herhaalden, een woord zóó van beteekenis kon veranderen, dat het eene voorstelling bij den hedendaagschen mensch teweegbrengt lijnrecht tegenovergesteld aan die, welke het voor drie of vierhonderd jaar deed ontstaan. Laat ik alleen wijzen op slecht, dat vroeger eene goede eigenschap die van eenvoudig, eigenlijk effen, aanduidde, en op fe/is, in ïessel en in Teisterbant aanwezig, dat met Seióg en dexter samenhangend oorspronkelijk rechter en onder den invloed der wichelaarskunst zuiderging beteekenen, welke beteekenis in Tessel, het zuidereiland, en Teisterbant, den zuideroever, bewaard bleef.

Zoo knoopen zich in verloop van tijd aan één woord verschillende beteekenissen vast. Steeds enger trekken wij de grenzen van het begrip, steeds fijner wordt de definitie, en steeds meer woorden hebben wij daardoor noodig om in onze behoefte te voorzien.

Wij zijn dus genoodzaakt voortdurend nieuwe woorden te vormen. Wordt er eene nieuwe uitvinding gedaan, dan is er een nieuw woord noodig. Is er eene nieuwe voor-

ocr page 31

stelling in onzen geest gevormd, dan trachten wij daarvoor den juisten naam te vinden. Soms geven verschillende personen ieder een anderen naam, en dan zal men een korter of langeren tijd een strijd om het bestaan ziea, z. a. tusschen velocipede en rijwiel, zilndnadel en achterlader, en wat hel gemakkelijkst door denk- en spraakorganen wordt voortgebracht, behoudt meest het veld, ook al heeft een vreemdeling het geschonken. Ik herinner slecht aan mucj-neet tegenover zeilsteen.

Nu eens zal men een nieuw woord vormen door samenvoeging van bestaande woorden, dan weder maakt men het uit de bestanddeelen van het een of ander woord, die men wijzigt door samensmelting met deelen van andere woorden.

Liefst gebruiken wij voor de vorming van nieuwe woorden het ons bekende materiaal, dat ons op het oogen-blik der vorming het best voor het doel schijnt te passen, en maar zeer weinig nieuwe klankverbindingen zien wij ontstaan. Bovendien is het van vele woorden, die ons nieuw van klank schijnen, zooals o.a. kletsen, dat aan klets nabootsing van het geluid der zweep, sjirpen, dat aan het geluid van den krekel ontleend schijnt, hoogst moeielijkte zeggen, dat zij daaraan en niet aan een ander woord ontleend zijn.

Welke is nu de reden, dat wij hoe langer hoe mi ider nieuwe woorden door nieuwe klankverbindingen vormen1?

Wij hebben het niet noodig; wij kunnen ons met hetgeen bestaat verder helpen en goed helpen. Hoe meer woorden wij kennen, hoe grooter onze ontwikkeling is, des te minder zullen wij ons, onbewust, behoeven in te spannen om een volstrekt nieuwen klank te vinden, die aan ons doel beantwoorden kan. Van daar ook, dat men bij minder ontwikkelden, bij menschen, die een meer beperkt vocabulaire hebben, eer een nieuwe klankverbinding, om een voor hen

ocr page 32

96

nieuw begrip uit te drukken, zal hooren, dan bij meer ontwikkelden.

Ditzelfde is waar te nemen in de taal der kinderen, maar door den geringen invloed van de taal der kinderen op hunne omgeving en den zooveel grooteren invloed van de taal der volwassenen op de kinderen zijn deze kinderwoorden, wanneer niet een volwassene soms er een overneemt en verder brengt, meest, als de ephemeriden, kinderen van eenen dag.

Hoever wij teruggaan, steeds zien wij hetzelfde zich herhalen: voortdurend breidt de mensch zijn woordenschat uit door in de eerste plaats het bestaande voor zijne woordvorming te gebruiken.

Zien wij in de tegenwoordige taal dat woorden als goed in voddegoed, suikergoed, poetsgoed. waschgoed e. a., lijk in lieflijk, denkelijk, hiliijk enz. hunne beteekenis min of meer verhezen en bijna tot achtervoegsel worden, ook in vorige perioden is dat het geval geweest; en evenals Zyl-in lateren tijd door verlies van zijn accent in Uk en lek veranderde, in bet Engelsch zelfs tot hj in truly enz. werd, zoo zijn ook in vroeger dagen tal van woorden, die in samenstelling met andere voorkwamen, van vorm en beteekenis zoo veranderd, dat zij thans alleen door kennis der vroegere vormen te begrijpen zijn.

Van al die oude samenstellingen zijn de laatste deelen het meest veranderd. Het gevoel, dat het samenstellingen van woorden waren en dat elk lid dus bepaalde beteekenis en waarde had, is reeds vroeg verloren gegaan. Toen zij toonloos geworden waren en hunnen oorspronkelijken vorm verloren hadden, zag men er geen woorden meer in, maar bloot achtervoegsels, en door onjuiste redeneering werden zij dikwijls geplaatst achter woorden, waarbij zij volgens hunne eigenlijke beteekenis niet behoorden, zelfs gaf verkeerde afdeeling

ocr page 33

97

van syllaben aanleiding, dat er nieuwe achtei voegsels uit ontstonden.

Zoo zijn èn in lateren èn in overouden tijd zulke leden van samenstellingen zoo veranderd, dat zij thans onkenbaar geworden zijn, vele ons wel nooit geheel duidelijk zullen worden.

Maar al is ons nog veel in de vormen in de geschie-nis der achtervoegsels duister, uit hetgeen ons bekend is mogen wij met reden het besluit trekken, dat ook datgene, wat men thans woordvorming en buiging noemt, oorspronkelijk uitgegaan is van eene samenstelling van woorden, die tot eene eenheid samensmolten.

Het eerste lid, het hoofdwoord is, zoowel bij de woordvorming als bij de buiging, het best bewaard gebleven. Wel zijn ook deze woorden aan veranderingen onderhevig geweest — laat ik slechts umlaut, ablaut en reduplicatie noemen — maar toch zijn zij gemakkelijker te herkennen, en wij kunnen deze, al naarmate wij ze meer ontdoen van hetgeen tot de thans bestaande woordformatie heeft bijgedragen, terugbrengen tot verschillende centra met een zeer eenvoudigen klank en algemeene beteekenis. Zulke centra noemen wij taalwortels. De eene taalvor-scher verstaat echter onder dezen naam nog iets anders dan de ander. Terwijl de een kan met de beteekenis geluid geven, waarvan lat. canere en ndl. haan, een wortel noemt, meent de ander nog verder te kunnen gaan en verklaart de n in kan voor het overblijfsel eener achtergevoegde syllabe, zoodat de wortel dus ka zou luiden, waaruit door samenstelling b.v. zoowel kan als kas, in (carmm, uit casmen, en camena aanwezig) en kas (in ohd, haren prijzen) zouden ontstaan zijn. Veel pleit er voor de laatste opvatting door hetgeen men in latere perioden heeft waargenomen. maar het is niet meer dan waarschijnlijkheid.

Jaaruoek der Universiteit 1890 92, /

ocr page 34

lt;)8

Vindt men naast budh (waarvan ons bod) een vorm beudh (ndl. bied) en een vorm baudh (in ndl. bood aanwezig), dan rijst de vraag, aan welken een voorrang van ouderdom te geven is. Of zijn zij naast elkaar ontstaan in den mond van verschillende individuen?

Tal van vragen zijn nog onbeantwoord : hoe de eenvoudige klankcombinaties door verschillend accent vermeerderd zijn, vergroot door verschillende ons nog onbekende wijzen van samenstelling; evenzoo de tijd der verbinding van woorden tot woordstammen, der verbinding met pronominale en met casussuffixen, over dat alles ligt nog duisternis, waarin wij raden kunnen, maar ook niet meer. Is onze kennis van de wordingsgeschiedenis der Indoger-maansche talen in de laatste 30 jaren aanmerkelijk toegenomen, er blijft nog veel, zeer veel te onderzoeken, voor wij op al deze vragen een antwoord kunnen geven. Zoover is echter het onderzoek der Indogermaansche en der Semitische talen gevorderd, dat men zeggen kan, dat beide zich ontwikkeld hebben uit wortelwoorden, die uit eenvoudige klankverbindingen bestonden, waaraan eene algemeene beteekenis eigen moet geweest zijn.

Het aantal dezer wortels wordt door sommigen op bijna 800, door anderen op meer dan duizend berekend. Naar mijne meening is het onmogelijk met eenige zekerheid te bepalen.

Koevele woorden, die in de dagen van Maerlant nog in den volksmond gangbaar waren, worden thans niet meer gehoord, zijn ons nauwlijks bekend in hunne beteekenis! Kunnen er niet tal van wortels bestaan hebben, die ons nog onbekend zijn, die of vervormd en verminkt in achtervoegsels voort leven of uit het taalleven verdwenen zijn ?

De geheele wijze van uitdrukking der gedachte is in dien voortijd waarschijnlijk even als de wijze van denken zeer

ocr page 35

99

verschillend van de onze geweest. Allerlei hulpwoorden, waarover wij bij den zinsbouw beschikken, schijnen in dien tijd te hebben ontbroken. Naar hetgeen ons bekend is oordeel ende, zouden wij, indien wij ons eene voorstelling der Indogermaansche taal in deze periode van ontwikkeling wilden maken, ons eene taal moeten denken als die van een kind, dat spreekt zonder buigingsuitgangen of hulpwerkwoorden te gebruiken, eene taal waarin elk woord als een onbepaald algeheel begrip werd uitgedrukt, terwijl de omstandigheden, waarin het geuit werd, het nader bepaalden. Zulke taal zou, geholpen door gebarentaal, voldoende zijn voor menschen, wier nooden en behoeften weinig zijn, die geene gedachten hebben, welke veel verder gaan dan hunne materieele behoeften.

Tusschen den eersten tijd, waaruit ons de oudste der Indogermaansche talen — het Sanskrit uit de 10° eeuw voor Christus — bekend is, en den tijd, dat zulke taal gesproken werd, ligt nog eene zeer groote tijdsruimte. Van eene taal tot eene andere groep behoorend, van het Egyptisch, kennen wij gedenkstukken uit nog ouderen tijd. Deze taal kunnen wij nagaan van omstreeks 3000 jaren voor Christus tot 1000 jaren na Christus, gedurende minstens 4000 jaren, en ook hier zien wij weder, dat de taal zich uit eenvoudige beginselen ontwikkelt en dat de mensch eerst na eeuwen en eeuwenlang gebruik de beschikking krijgt over een rijkdom van uitdrukking.

Maar hoever wij ook hiermede teruggaan, wij blijven nog altijd zeer ver van de eerste tijdperken van ontwikkeling der taal verwijderd. De taal van den minder ontwikkelden mensch zal nog zeer nauwkeurig onderzocht moeten worden, daardoor zal het wellicht mogelijk worden, zich betere voorstelingen van de taal dier oudere tijdperken te maken. Wellicht verspreiden ook de talen

ocr page 36

100

der nog onbeschaafde natuurvolken op sommige punten eenig licht.

Eene andere vraag, die daarnevens zich opdringt, is: zijn alle talen aan elkander verwant? Zijn alle uit ééne bron gesproten? Of zullen wij verschillende centra van ontstaan moeten aannemen?

Was het al mogelijk, bij de wortelvormen der Indoger-maansche woorden op vermoedelijke dialectische verschillen de aandacht te vestigen, wijken ook Indogermaansch en Semitisch, Chineesch en Egyptisch in vormen en ontwikkeling belangrijk van elkander af, zóó dat men haast geen punt van overeenkomst kan vinden, toch mag men daarom nog niet tot verschillenden oorsprong besluiten, daar men niet de groote veranderingen, die in voorhistorischen tijd hebben plaats gegrepen, niet bekend is.

Of men van eene eenheid uit mag gaan dan wel moet aannemen, dat bij verschillende groepen van natuurmenschen zich talen ontwikkeld hebben, die het aanzijn aan de verschillende taalfamilies gegeven hebben, is eene vraag, waarop men nog het antwoord schuldig moet blijven.

Wij weten zelfs niet eens met zekerheid te zeggen of, onze Indogermaansche voorouders uit de poolstreken afkomstig waren dan wel uit het hart van Azië.

Hoeveel ons hiervan nu nog onbekend zij, wij mogen met eenigen grond zeggen, dat alle talen uit klein begin, uit eenvoudige klankverbindingen met algemeene beteeke-nis, geworden zijn wat zij nu zijn.

Wij weten, dat de menschelijke taal, zooals wij haar thans kennen, zich geleidelijk ontwikkelt en uitbreidt; wij weten, dat zij van de oudste tijden, dat wij haar hebben leeren kennen, steeds denzelfden ontwikkelingsgang gevolgd heeft: wij mogen dus op gronden van waarschijnlijkheid

ocr page 37

tot

besluiten dat dit ook vroeger liet geval moet geweest zijn; dat dus gearticuleerde taal zich langzamerhand uit niet-gearticuleerde taal moet ontwikkeld hebben.

Wat is gearticuleerde taal en hoe komt zij tot stand? met andere woorden: hoe denkt en spreekt de mensch? Dit is eene voorname vraag, wanneer men cle ontwikkeling van de taal bij den mensch wil bestudeeren.

Ik zal hier niet in een uitvoerig betoog uiteenzetten, door welke werkingen der hersenen de taal wordt voortgebracht. Het zij mij vergund met een kort woord iets uit de laatste onderzoekingen der psychologie ') mede te cleelen. Vooral van de physiologische psychologie, welke als leervak nog eene al te bescheiden plaats inneemt, mogen wij licht in dezen verwachten. Hare verdienste is het te hebben aangetoond, hoe nauw het denken met het spreken verbonden is. Zij leert, dat het spreken eene der bewegingen is, waarmede gemoedsaandoeningen of voorstellingen worden uitgedrukt, en dat het spreken dus als eene zoogenaamde uitdrukkingsbeweging behoort te worden behandeld.

Sommige van deze bewegingen zijn, schijnbaar, niet aan den wil onderworpen, zooals lachen, weenen, schreeuwen van pijn, sidderen van vrees, trillen van vreugde. Met inspanning van wilskracht, met oefening, kan men er echter in slagen ze opzettelijk, d. i. zelfbewust, voort te brengen.

Andere dezer bewegingen als gebaren der hand, schouderophalen, hoofdschudden, enz. maakt de mensch met bewustzijn, zij worden dan ook gebezigd met het bepaald bewuste doel, om anderen eenigszins te doen zien wat er in onze hersenen omgaat.

') Dr. Th. Ziehen, Leltfaden dei- Physiologische Psychologie. Jena, G. Fischer, 18'Jl.

ocr page 38

102

De gewichtigste beweging is echter de spraak. Door haar drukt men in voor anderen verstaanbare klanken zijne eigene waarnemingen en voorstellingen uit. Die waarnemingen en voorstellingen zijn een gevolg van werkingen op de cellen der hersenschors, uitgeoefend door zenuwen, die tengevolge van indrukken van buiten, op de zintuigen ontvangen, geprikkeld werden.

In de menschelijke hersenen zijn sommige deelen tot een veel hoogeren graad van ontwikkeling gekomen dan bij andere verwante dierlijke wezens. Dit zijn o. a. die deelen, waarin de cellen en zenuwen gelegen zijn, die het spreken beheerschen.

Door de werking van andere deelen der hersenen op deze deelen ontstaan langs bewegingszenuwen bepaalde bewegingen in longen, keel en mond, waardoor dan klanken voortgebracht worden, die, door de gehoorsorganen naar de hersenschors van een ander mensch overgebracht, daar dezelfde of dergelijke gewaarwordingen en voorstellingen doen ontstaan. Deze klanken zullen bij herhaling dezelfde voorstelling weder opwekken, daar zij dezelfde zenuwen prikkelen, dezelfde cellen aandoen.

Door de zintuigen, zeide ik, worden de indrukken op de hersencellen overgebracht. Niet enkel door het gehoororgaan is de eene mensch in staat om gewaarwordingen en voorstellingen van een ander mensch, wanneer deze ze hem kenbaar maakt, op te nemen. Ook gezichts- en-tastzin kunnen hiervoor werkzaam zijn, zooals bij de doofstommen. Deze daarvoor inspannen kan niet de doofstomme zelf; hij heeft hiervoor even als het kind de hulp van den denkenden en sprekenden mensch noodig, want hij moet door gezicht en gevoel oplettend gemaakt worden op de organen. Dat zelfs één zintuig, het gevoel, voldoende is om het onder goede leiding tot het maken

ocr page 39

103

van voorstellingen en tot gedachten wisseling te brengen, bewijst het zoo bekende geval van eene blinde doofstomme, die zelfs lezen en schrijven leerde. Hare zintuigen beperkten zich tot een, maar de organen, die het denken beheerschen, waren volkomen gezond, en door vernuftige wijze van handelen was het mogelijk deze tot ontwikkeling te brengen.

Is door ziekte het gedeelte van het organisme, dat het spreken beheerscht, geheel verwoest, dan is spraak onmogelijk; is het gedeeltelijk te gronde gegaan, dan zullen slechts enkele woordsoorten gebruikt kunnen worden, terwijl zwakte of tijdelijke krenking dezer organen lichte of ernstige storingen der spraak ten gevolge hebben, welke verdwynen, wanneer de oorzaak ophoudt te bestaan.

Verstoring in sommige andere deelen der hersenen, heeft eene krenking van het denkvermogen ten gevolge, welke echter niet met belemmering van de spraak behoeft gepaard te gaan. Hieruit wordt het duidelijk, dat spreken en denken van verschillende deelen der hersenen afhankelijk zijn. Het is mogelijk gewaarwordingen, aandoeningen van het gevoel, zelfs eene mate van voorstelling te bezitten en het vermogen te missen om te spreken.

Juist dit nu is het onderscheidende tusschen mensch en dier, dat die deelen der hersenen, welke van invloed zijn op de bewegingen voor de spraak, bij de dieren uiterst weinig ontwikkeld zijn. Terwijl het dier, deels door gebarentaal, deels door bewegingen, die geluid voortbrengen, gemoedsaandoeningen kan uitdrukken en zelfs eenige verscheidenheid van uitdrukkingswijze bezit, mist het het vermogen om elke gewaarwording, elke waarneming door eene speciale klankverbinding uit te drukken.

üe mensch alleen vermag dit naarmate van de ont-

ocr page 40

101-

wikkeling zijner spraakorganen, van zijn zenuwstelsel en van zijne hersenen.

Is iili de taal geheel afhankelijk van het denken van den mensch en dus van zijn psychisch-physischen toestand, dan is ook de ontwikkeling der taal ten nauwste verbon-met de ontwikkeling van den mensch.

Waar wij op taalkundig gebied ontwikkeling uit kleiner begin kunnen aantoonen, zullen wy ook mogen aannemen, dat, wanneer de anthropoloog ons de wording van den mensch uit een minder ontwikkeld wezen aantoont, de taal zich uit geluiden moet ontwikkeld hebben, zooals wij die bij minder ontwikkelde wezens aantreffen.

Geluiden voortbrengen om de aandacht van anderen op iets te vestigen moet het begin van taal geweest zijn.')

Ook bij de dieren kunnen wij dit soms waarnemen, maar het is nog verre van gearticuleerde taal. Deze begint eerst, wanneer wij den klank door anderen opzettelijk nagevolgd zien;1) niet enkel om de aandacht op dezelfde zaak te vestigen, wanneer deze zich weder vertoont, maar om door de klanken het herinneringsbeeld weder te doen ontstaan, of m. a. w. de zaak of daad weer in de herinering te brengen 2).

Eeuwen moet het geduurd hebben eer twee verschillende waarnemingen door twee verschillende klanken uitgedrukt en door anderen verstaan werden; toen echter eenmaal deze groote schrede gedaan was, heeft de invloed der erfelijkheid met den invloed van de wrijving dei-gedachten er veel toe bijgedragen, dat de menschelijke vermogens zich meer en meer ontwikkelden, om eindelijk

1

) Noiré, Urspr. d. Spr., p. 249.

2

) Noirè, 1. c., p. 289, 306. 345.

ocr page 41

105

tot die hoogte te komen, waarop wij de beschaafde en denkende volken kennen.

Bij den eenen mensch is het hersenorganisme minder ontwikkeld dan bij den ander; den een is een betere aanleg ten deel gevallen en, waar dit het geval is, waar fijner gevormde organen zijn, daar volgt fijner deuken en ontwikkelder taal. De minder bedeelde bedenke echter, dat ook deze, als elk orgaan, door oefening meer ontwikkeld kunnen worden, dat zij in kracht en fijnheid kunnen toenemen wanneer hij met volharding de juiste middelen er voor in het werk stelt.

Waar wij nu in de natuur rondzien, daar mogen wij eene langzaam toenemende ontwikkeling bespeuren. In alles spreekt zij zich uit, niet het minst bij den mensch. Men verheugt zich over dien vooruitgang, over dat streven naar volmaking, maar zeer moeielijk valt het den blik terug te werpen op de afgelegde eigen baan. De gedachte van lagere afkomst te zijn lacht bijna niemand aan — en toch ten onrechte: want tegenover hooge ontwikkeling, waarop men trotsch is, moet noodwendig de lagere herkomst staan. Juist in het denkbeeld, dat de mensch zich uit lageren toestand zoo mocht ontwikkelen, ligt iets zeer verheffends: naar hooger, steeds hooger, gevoerd door de groote ongekende macht, door geen sterveling begrepen, maar waarvan ieder, die de natuur beschouwt en hare wordingsgeschiedenis onderzoekt, met eiken dag meer de grootheid beseft.

Ik heb gezegd.

ocr page 42
ocr page 43
ocr page 44
ocr page 45
ocr page 46