itt
â 'üfe
4ifegt; aiSana
be '
Boschermer der Kinderen. Raadgever voor de keuze van een levensstaat
ioor
3. â¬. 3an5en, C. s. s, H.
r; RniiG, Amsterdam. 1899/
V«kl63
pe«-
WÃÃÃ
/o , A //i
ISTOVEEN y
TER EERE DES
H, Aioisiis Maria de Lieri,
BESCHERMER DER KINDEREN^ RAADGEVER BIJ DE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT,
DOOR
J. L. JANSEN, C. s.s. R.
LUurgisêtT© â¢â¢ ' '
Aartsteisdem 'ri 1 in al
G. BORG,
AMSTE1IDAM.
1899.
VERKLARING.
Om to volflocn aan liet Decreet van Ukbanus VIII verklaren wij aan de in dit hoek aangehaalde feiten slechts menschelijk gezag toe te kennen.
OOEDKEUlimiEN.
Door den Hoogiu. Pater Generaal M. Raus gemachtigd, staan wij toe, dat deze Novene tee eeee des H. A lphoxsus gedrukt worde.
J. C. Meeuwissen C. SS. R.
Sup. prov. Roll. Amsterdam, 15 Juni 1899.
IMPltlMATLR.
TI. F. J. RIKMENSPOEL. Libr. censor. AMSÃELODAMI, 7 Julii 1899.
INLEIDING.
Den vereerders des heiligen Al-plioTisus de' Liguori, zoo leeken, als priesters eu kloosterling-en, bieden wij dit boekje aan, tot handleiding bij eene Novene te zijner eer gehouden. Hot beschouwen zijner deugden, in deze bladzijden geschetst, het lezen der bezielde woorden, door heinzelven gesproken, zullen ongetwijfeld de godsvrucht tot den heiligen Leeraar nog grooter, het vertrouwen op zijne tusschenkomst nog levendiger maken.
In het bijzonder echter bieden wij deze bladzijden vooreerst aan dé Christelijke Moeders aan. Overbekend is het, dat de heilige Alphonsns de macht zijner voorspraak bijzonder gaarne haar betoont; de gevallen, waarin het vertrouwen dier CL riste-
II
lijke Moeders op luin vaderlijken beschermer schitterend beloond werd, zijn uiterst talrijk. Kon het ook anders? Een Heilige, die tijdens zijn leven op aarde zoozeer heeft uitgemunt door zijne liefde voor de kinderen, zou liij, nu hij verheerlijkt Gods aanschijn geniet, in liefde verkoeld zijn en niet veeleer nog- groo-ter ijver aan den dag leggen voor hun geestelijk en tijdelijk heil? Hoe diep betreurde hij het lot dier arme kinderen, die door onvoorzichtigheid of nalatigheid der ouders of door audere oorzaken stierven, alvorens hunne ziel door het Doopsel van de erfsmet gereinigd was! Al hield hij ze, niet den H. Thomas vanAquine, niet voor ongelukkig, toch betreurde hij het innig, dat zij Gods zaligende aanschouwing nooit zonden genieten. Vandaar, dat hij in de Regels der door hem gestichte Congregatie de bepaling opnam, dat ten eeuwigen dage eiken Donderdag de leden zijner
Ill
orde alle geboden, Communiën en goede weiken moesten opdragen voor de kinderen, die het levensliclit nog niet hadden aanschouwd. C1) Bovendien wilde God, dat onder de mirakelen, kort na Alphonsus' dood door zijne tusschenkomst verkregen, verscheidene geschiedden ten gunste van kleine kinderen. Ook in ons Vaderland is dan ook de devotie tot den H. Alphonsus onder de Christelijke Moeders vrij algemeen.
Maar ook aan de jungelieden van beider geslacht, die over de llt;euze van een levensstaat beraadslagen, of die, na eene goede keus gedaan te
(') Te Amsterdam iu de Kerk der Ecdenip-toristen wordt iederen Donderdag te 9 ure tot ditzelfde doel eene H. Mis aan het altaar des H. Alphonsus opgedragen, waarna de reliquie des Heiligen vereerd wordt. Ouders, die godvruchtige gebeden, voor deze omstandigheden geschikt, verlangen, kunnen die vinden in het werkje; âliet zielenheil mijner kinderen,quot; door K. Wnlfingh. Amsterdam, F. H. J. Bekker.
IV
hebben, moeielijklicden ondervinden om ze to volgen, bevelen wij het houden eener Noveve ter eere des heiligen Alphonsus dringend aan. Op vertrouwen en aanroeping hunnerzijds heeft de heilige Leeraar een bijzonder recht; zij zeiven vinden in den persoon des Heiligen de grootste waarborgen van verhoord te worden. Aan wie trouwens heeft Alphonsus tijdens zijn leven op aarde meer belangstelling en hulpvaardigheid betoond dan aan hen? Voor wie heeft hij zoovele brieven, voor wie zijne werkjes over de keuze van een levensstaat, over de roeping tot grooter volmaaktheid geschreven? (') Al die
(') Zie: Geestelijke brieven van den H. Alphonsus. Bene keurlezing uit het Italiaansdi door J. L. Jansen. C. s.s. E. G. Borg, Amsterdam. â De andere geschriften des Heiligen over dit onderwerp vindt men verzameld in het boekje: Keuze van een levensstaat. Raadgevingen door den H. Alphonsus (in het vlaamsch) vertaald door H. Theelen, Redemptorist. s-Bosch. W. van Gulick. â
V
zorg'en en die belangstelling, al die moeite getroostte zich de Heilige, wijl hij overtuigd was van het groote gewicht dezer keuze. Hij zeide, met den H. Gregorius, âdat onze eeuwige zaligheid voornamelijk afhangt van onze gehoorzaamheid om den staat te omhelzen, tot welken de Heer ons roeptquot;; hij leerde, met den vromen Lode wijk van Grenade, âdat de roeping het hoofdrad is van geheel het levenquot; ; en dat âeven als een uurwerk, welks hoofdrad gebrekkig is, waardeloos wordt, zoo ook geheel ons leven niets anders zal zijn dan eene aaneenschakeling van dwalingen, als wij onze roeping niet volgen.quot;
Was deze overtuiging bij den heiligen Alphonsus reeds zoo levendig
Zie ook het verdienstelijke werkje: Overliet intreden in een klooster. Gevoelen van den H. Thomas van Aquinc en den H. Alphonsus M. de Liguori. Vertaald en vrij bewerkt door J. Brouwer, Redemptorist. 's-Bosch. W. van Gulick.
VI
op aarde, en deed zij zijn vlammenden ijver voor het heil van allen zooveel ondernemen om de jongelieden in dit pnnt behulpzaam te zijn, hoeveel meer zal hij nu in den hemel voor hen doen, nu hij veel machtiger is en het groote gewicht der keuze van een levensstaat en van het volgen dei-roeping Gods nog veel duidelijker inziet.
Daarbij komt nog, dat de heilige Alphonsus zelf ondervonden heeft, hoe groot de aarzeling, hoe zwaar de strijd bij het kiezen van een levensstaat zijn kan. Langs hoe verborgen en allermoeielijkste wegen werd hij zelf door God tot zijne bestemming gevoerd! Door wat al twijfels en duisternissen heeft bij moeten gaan, door welk een tegenstrijdigheid van beoordeeling en raadgevingen! En toen hij met zekerheid zijne roeping kende, toen hij wist, wat God van hem wilde, aan hoeveel moest hij toen verzaken, hoeveel verduren van die hem het
VII
dierbaarste waren! En toch, welk een bereidvaardigheid om Gods stem te volgen, maar vooral welk eene standvastigheid, ondanks de schitterendste vooruitzichten, die de wereld hem bood; onlangs de langdurige verbittering en droefheid zijn vaders; ondanks alle aanvallen, die zijns vaders liefde en toorn hem beurtelings deden ondergaan ; ondanks de afkeuring dei-wereld : eene standvastigheid, die toen vooral heeft uitgeblonken, toen na eene eerste poging om de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers te stichten, al zijne gezellen op één na hem verlieten, toen hij verlaten en alleen stond en voor geheel Napels een voorwerp van bespotting was geworden, en toen toch getrouw bleef, ja zich door gelofte verbond om, al moest hij alleen blijven, zich toch te wijden aan het heil der meest verlatene zielen.
Ongetwijfeld, aan een Heilige, wien het volgen van Gods roepstem zooveel heeft gekost, geeft God ook de bij-
vur
zondere inaclit om hun te hulp te komen, die in dergelijke omstandigheden vorkeeren ; om raad en verlichting te schenken aan die nog onzeker zijn over hetgeen hun te doen staat, kracht en volharding aan hen, die reeds eene goede keuze hebben gedaan. Ja vooral dan, als zij wellicht gevaar loopen na de hand reeds aan den ploeg geslagen te hebben, weder om te zien en dus. volgens het woord van Jezus Christus, ongeschikt te zijn voor hot Rijk Gods, dan zullen dezen met vrucht den grooteu Heilige aanroepen ; hij zal hun die bovennatuurlijke kracht, die vastberadenheid, die standvastigheid verwerven, die de kroon is van elk goed besluit, en een der schoonste sieraden der jongelieden.
Onder de Brieven des Heiligen, welke op de keuze van een levensstaat betrekking hebben, vindon wij er verscheidene, tot jongelieden van beider geslacht of tot priesters gericht, wier roeping tot een volmaakteren
IX
staat reeds genoegzaam zeker was. Ue toon, die in deze brieven heersclit, beantwoordt dan ook dooi' zijne vurigheid, Ja door liet vriendelijke geweld, dat er in ligt, ten volle aan de diepe overtuiging en den groot en zielenijver des Heiligen. Dan eens dringend, dan eens teeder, dan eens verwijtend Iaat hij den door God geroepene niet met rust, tot deze Gods stem gevolgd heeft.
Is echter die roeping nog twijfelachtig-, dan slaat hij een geheel anderen toon aan. Als een voorbeeld zijner wijze voorzichtigheid en gematigdheid in deze gevallen, halen wij hier een enkelen brief aan, gericht aan een jongeling, die over hot kiezen van een levensstaat beraadslaagde.
âOngetwijfeld, zoo schreef hemde Heilige, men moet vader en moeder verlaten, als God het wil, maar die wil van God toont zich nog niet omtrent u. Bewaar dus de stemming om bereid te zijn het te doen, wanneer de biechtvader het u gebiedt.
X
maar zoolang hij liet u niet zegt, moet gij doorgaan. Zorg, zoo dikwijls mogelijk de H. Communie te ontvangen, met verlof van uwen biechtvader.quot;
âHebt gij door den dag of des avonds wat vrijen tijd, ga dan een weinig in de eenzaamheid aan God denken, en lees een of ander geestelijk boek. Hoor de H. Mis, als gij kunt, en breng een bezoek aan het H Sacrament (ik bedoel: als gij kunt) en blijf zoo doorgaan.quot;
âVraag uwen biechtvader verlof dikwijlder de H. Communie te ontvangen. Vraag aan uwe familie, dat zij u op werkdagen wat tijd geve, als gij te Communie gaat. Maar blijf niet te lang in de kerk, want dat zou bij uwe familie ontevredenheid kunnen veroorzaken ; en dit moet ge vermijden.quot; (/)
(') Geestelijke brieven, bl. 214.
XI
Deze Novene is wel is waar bijzonder geschikt om als voorbereiding tot het feest des Heiligen (2 Augustus) te dienen, docli zij kan natuurlijk op eiken tijd des jaars gehouden worden.
Tijdens do Noveen kan men, vóór of na de Overweging, negenmaal het Weesgegroet met een Glorie zij den Vader enz. bidden, om God en de H. Maagd te danken voor de aan Alphon-sus verleende genaden en om daardoor tevens zijne voorspraak in te roepen. Men kan daarbij voegen hot gebed, dat de H. Kerk zelve tot Al-phonsus richt (blz. 10) of hot andere, dat wij op hot einde laten volgen, en waaraan een aflaat van SOO dagen verbonden is.
NOVEEN
TFR EERE VAN DEN
H. ALPHONSUS MARIA DE L1GU0RI,
Bissch op, Kei Meer aai â¢,
Stichter van de Congr. des AUerh. Verlossers. i696~i;s;.
(Feestdag 2 Augustus.)
EERSTE DAG,
(2-t Juli.)
Hoe de H. Alphonsus door God g-eroepen werd.
VOO ]{ BEREIDING. 1)
By het begin dezer Novene van voorbereiding tot het feest van den II. Alphonsus moet ons hart vervuld zijn van het grootste vertrouwen op zijne machtige voorspraak. Htf, die tydens zijn sterfelijk leven zoo goed was voor die zich tot hem wendden, en tevens zoo machtig was by God, zal nu met nog veel grooter liefde ons gebed aanhooren en nog zekerder voor ons van God alles verkrijgen waaraan wij behoefte hebben ; vooral als wij aan
1) Deze Voorbereidingen kunnen 's avonds te voren gelezen worden.
2
ons gebed de beschouwing en navolging pareu zijner schoone voorbeelden. Laat ons morgen beginnen met te overwegen, hoe hü tot de heiligheid geroepen werd. Herinneren wy ons thans slechts de woorden, welke de Heilige in zijne Inleiding tot de Bezoeken hy het Allerh. Sacrament geschreven heeft:
âTot myu zes-en-twintigste jaar heb ik tot myn ongeluk, in de wereld geleefd. Gelukkig zijtgij, indien gij vroeger dan ik u van de wereld kunt losmaken en TJ geheel geven aan dien God, die zich zeiven geheel aan U gegeven heeft.quot;
Eerste Punt.
In liet levcu der Heiligen, die God op meer bijzondere wijze tot zijne werktuigen heeft uitgekozen, kan men bijna altijd een oogenblik erkennen, dat meer bepaaldelijk het oogenblik der goddelijke roeping is, het keerpunt van het gewone tot het buitengewone. Soms is het eene werking Gods in de ziel alleen; soms vergezeld van eene, hetzij natuurlijke hetzij wonderbare gebeurtenis, door God gebruikt om [de innerlijke werking zijner genade te versterken en af te
3
beelden, f1) luimer echter zien wij er den invloed van gedurende liet gelieele leven; immer blijft dit begin zich als bijzonder kenmerk van het leven des heiligen toonen.
God had dan den blik zijner voorliefde geworpen op den jongen edelman Alphonsns de Liguori, hem uitgekozen tot een helder licht te midden der duisternis der laatste eeuwen; hij bestemde hem om een steunpilaar en sieraad der Kerk te zijn, het voorbeeld der bisschoppen en priesters, de redder van tallooze zielen, de vader en aanvoerder eener nieuwe schaar kloosterlingen, toegewijd aan de verbreiding der kennis en liefde van Jezus Christus. Geen wonder, dat zulk eene zending door eene buitengewone roeping is voorafgegaan.
Het was dan eenige maanden, sedert de jeugdige, toen reeds beroemde advocaat, na het verliezen van
O Dilgskron. Leben des H. Alfonsus. 11. p. 23.
4
eeu gewichtig' proces, de rechtbank en een schitterende toekomst had vaarwel gezegd; in een tijd, dat ten gevolge hiervan tusschen hem en zijn vader de bitterste oneenigheid was gerezen. Met beklemd hart begaf hij zich in dien toestand eens naar het hospitaal der ongeneeslijken om er verlichting te vinden voor zijne smart. Daar wachtte hem Gods genade.
Gelijk God weleer zich aanMozes vertoonde te midden van brandende doornen, zoo sprak Hij ook nu tot Alphonsus te midden der kwelling, die hem zijns vaders ontevredenheid veroorzaakte, te midden der lichamelijke ellende der zieken, die hij voor zijne oogen had. Terwijl hij dezen zijne diensten gaat aanbieden, ziet hij zich op eens omgeven van een groot licht; het huis schijnt hem op zijne grondvesten te beven. Tegelijk hoort hij eene stem in zijn binnenste, die hem zegt. â Verlaat de ivereld en geef u aan Mij.quot; â Alphon-
5
sus staat verbaasd, maar zet zijnen arbeid voort. Na eenigen tijd verlaat hij het hospitaal; doch op de trappen gekomen hoort hij dezelfde stem, maar nu luid in de ooren klinkend; â Verlaat de wereld en geef u aan Mij.quot; Nu barst Alphonsus in tranen los en zegt, als een andere Paulus: âMijn God, al te lang heb ik uwe genade weerstaan; hier ben ik, doe met mij, wat Grij wilt.quot; â Onmiddellijk gaat hij naar de kerk van O. L. Vrouw, onder den titel van âvrijkoopiny der slaven knielt voor het altaar, Avijdt zich aan God toe, doet afstand van de wereld en van alles, wat hem aan de wereld binden kan. Tot teeken van zijn besluit gespt hij zijnen degen ios en legt dien op het altaar van Maria neêr.
Te huis gekomen begint hij, wederom gelijk de Apostel der Heidenen, met een driedaagsch vasten zijn nieuw leven in te leiden. Het was den 28 Augustus 1723; Alphonsus noemde later dien dag den dag zijner hekeering.
6
Tweede Punt.
Het woord, dat God tot zijne uitverkorenen spreekt, werkt uit, wat liet beteekent. \ivus est serrno Dei et efficax 0) â â Verlaat de ivereld en geef u aan Mij,quot; â zóó had God tot Alphonsus gesproken, en tegelijk daardoor in zijne ziel die diepe overtuiging gevestigd, die zich in al zijne latere daden, woorden en geschriften uitspreekt; âGod alleen verdient, dat men zich geheel aan Hem wegschen-ke, aan Hem geve, geheel, zonder eenig voorbehoud; Hij alleen verdient het; al het andere is onze krachtsinspanning niet waardig.quot; Niet zoozeer in het woord âvolmaaktheid,quot; of âvereeniging, verbinding met God,quot; vinden wij het eigenaardig karakter van Alphonsus' heiligheid terug, neen, het was veelmeer de gedachte van zich aan God te geven, zich aan Hem
(') Hebr. IV. 12.
weg te schonken, die zijne ziel overweldigd had en die in hem dat vaste besluit deed ontstaan, elke kracht van geest of hart, van ziel of lichaam zooveel mogelijk aan de wereld en aan zich zeiven te onttrekken, en dienstbaar te maken aan God alleen.
Aan God te donken, naar Hem te streven, voor Hem zich af te matten scheen Alphonsus de eenig ware bezigheid toe; elke andere daad scheen hem zóó ijdel, dat hij zo zijne aandacht onwaardig hield. En deze gedachte zelve was een vrucht van dat levendig geloof, dat hem Gods schoonheid, goedheid, beminnelijkheid, liefde in een zóó schitterend licht deed aanschouwen, dat God de Zon werd zijner ziel, waarbij al hot geschapene kleur en waarde verloor en zijn omgang met God zóó innig werd en zóó verheven, als hadde hij den Onzichtbare onmiddellijk voorde oogen gehad; Invisihilem quasi videns1) O Hebr. XI. 27.
8
waaruit weer nieuwe kracht hem toevloeide, om de schenking van zich zeiven eiken dag, ja elk uur volmaakter te doen zijn. Alphonsus trachtte die overtuiging door gebed en akten steeds te versterken, wel wetend, dat een oneindig beminnelijke God eene altijd klimmende toewijding verdient en dat, bij gebrek aan voedsel, de overtuiging zelve kwijnt. Vandaar, dat wij hem altijd hooren terugkomen op de eeuwige waarheden, die de nietigheid van wat God niet is, zoo duidelijk aan het licht brengen, en dat hij daartegenover altijd God stelt om telkens te herhalen; âMijn God, ik bemin U, U alleen, en niets anders, ik wil alles doen, wat U behaagt.quot; Vandaar, dat wij hem woorden hooren spreken als deze:quot; O mijn God, o leven mijner ziel, ik geloof, dat Gij het eeuige goed zijt, dat verdient bemind te worden. Ik geloof, dat Gij het meest de zielen bemint. Ik geloof, dat noch in dit leven noch in
9
het andere er een grooter geluk bestaat dan U te beminnen en Uwen wil te doen. Dit alles geloof ik vas-telijk en daarom verzaak ik aan alles, om geheel de Uwe te zijn en niets anders te bezitten dan U... O eeuwige Waarheid, ik geloof in U,o oneindige Barmhartigheid, ik vertrouw op U, o oneindige Goedheid, ik bemin U, oneindige Liefde, ik geef mij geheel aan Ã. f1) Weg van mij, verachtelijke schepselen, mijn eenig goed is God. (2) Weg van mij aardsche genegenheden. Een tijd lang heb ik u eene plaats in mijn hart gegeven, maar toen was ik blind. (8) O mijn God, ik dank U voor het licht, dat Gij mij nu geeft; Gij doet er mij mede inzien, dat alle goederen dezer aarde rook, slijk, ijdelheid en bedrog
(') Beoefening der liefde tot J. C. hfdst. XV. (-) Beschouwingen over het religieuze leven 2de Besch.
(3) Beoefening der liefde tot J. C. Godvruchtige gevoelens. VII.
10
zijn, dat Gij alleen het ware, dat Gij het ecnigc goed zijt. (v) O heilig geloof, verlicht zoovele arme blinden, die zich in het ongeluk stortenquot; (2)
(Negenmaal het Weesgegroeten driemaal-. Eere zij den Vader enz.)
Vervolgens; v. Bid voor ons, H. Al-phonsus.
E, Opdat wij waardig worden de beloften van Christus:
O God, die door den H. Alphonsns Maria, uwen belijder en bisschop, van ijver voor het heil der zielen blakend, uwe kerk met eene nieuwe nakomelingschap verrijkt hebt, geef, bidden wij ü, dat wij door zijne heilzame vermaningen onderwezen en door zijne voorbeelden gesterkt gelukkig tot U mogen komen. Door Christus onzen Heer. Amen.
Ofwel het gebed op hlz. 28.
0) t. a. p. I.
O t. a. p.
11
Voorbeeld.
S. Alphonsus9 liefde voor de kinderen.
Alphonsus hartelijke liefde voor de jeugd was zoo algemeen bekend, dat de landslieden, die overdag op het veld moesten arbeiden, hunne kinderen des morgens naar het bischoppelyk paleis brachten en dan gerust naar hun werk togen. Nadat hy de bisschoppelyke ambtsbediening had neergelegd en te Nocera, in het klooster zyner Congregatie, was teruggekeerd, bleef hy zich een oprechten kindervriend toonen. Om zyne geknakte gezondheid eenigszins te herstellen, hadden de geneesheeren hem voorgeschreven dagclyks tegen den avond zich in een rjjtuig naar buiten te begeven. Hiervan maakten de ouders ten voordeele hunner kinderen gebruik. Want nauwelyks bespeurde men's avonds het rytuig, waarvoor het paard stapvoets ging, of er kwamen moeders opdagen met zieke kinderen op den arm. Vol teederheid gebood Alphonsus den koetsier halt te houden; hij liet zich door den dienaar, die hem vergezelde, de kindertjes aanbieden, maakte het kruisteeken op hun voorhoofd, stortte een kort gebed voor hen, zeide aan de moeders, dat zy de H. Maagd zouden aanroepen, en de kinderen werden van hunne kwalen genezen. Toen de heilige Bisschop in latere dagen uithoofde zijner zwakheid niet meer ryden kon, vond de moederliefde een ander middel uit; men bracht nu de kinderen naar het klooster, en de enkele oplegging van Alphonsus' handen was voldoende om hun de
12
gezondheid terug te geven. Zijn dienstknecht Alexis en de leekebroeder Franciseus Antonius, die den heiligen Grijsaard ter zijde stonden, hebben verklaard, dat het getal der aldus gezenenen duizenden bedroeg.
Treffend ook was het schouwspel, dat men genieten kon, wanneer de Heilige in zijn hoogen ouderdom somtijds een weinig aan de kloosterpoort neder-zat om de frische lucht te genieten. Tal van kinderen snelden dan tot hem en zaten luisterend aan zijn voeten nèer. Hoezeer ook door ziels- en lichaamssmarten gefolterd, toch speelde dan een vriendelijke glimlach omzijne lippen; welgemoed, vroolijk, schertsend zelf maakte hy zich dan klein met de kleinen om hun aller harten voor Christus te winnen.
Zoo was Alphonsus tot in zijn laatste dagen ook in dit punt een getrouw navolger van Jezus, den goddelijken Kindervriend, die in de dagen zijner omwandeling op aarde zoo minzaam zeide: âLaat de kleinen tot mfl komen, en wilt hen niet verhinderen, want hunner is het rijk der hemelenquot;.
(De Vollcsmissionaris. Dl. ll.blz. 349 vlgg.j
TWEEDE DAG.
(25 Juli.)
Liefde van den H. Alphonsus tot God.
VOORBEREIDING.
âVerlaat de wereld en geef ü aan my,quot; zóó had God tot Alphonsus gesproken; in die woorden hebben hunne uitwerking vooral getoond in Alphon-
13
sus' wil, en daardoor tevens al de vermogens zijner ziel tot dien oneindig beminnelijken God gekeerd. Waarlyk, hij heeft letterlyk in vervulling gebracht de woorden, die Mozes tot het volk van Israël gesproken heeft: âGy zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel uit al uwe kracht. En deze woorden.... zullen in uw hart gegrift staan, en gy zult ze aan uwe zonen herhalen, en gy zult er aan denken als gy te huis gezeten zyt, en als gy u op weg bevindt, iu uwen slaap en by uw ontwaken. En gij zult ze als een teeken om uwe handen winden, zij zullen voortdurend u voor de oogen zweven en gy zult ze schryven op den drempel en do deuren van uw huis.quot; (1)
Eerste Punt.
Onder de Heiligen, die door de beoefening der liefde tot God het meest hebben uitgeschenen, neemt de heilige Alphonsns eene voorname plaats in. God had hem een hart gegeven, zeer gevoelig voor alles, wat schoon en beminnelijk is. Eenmaal overtuigd, dat God de hoogste schoon-
(') Deut, VI. v. 4â8.
14
lie id en het eenig' ware goed is, heeft hij zich dan ook met al de krachten zijner ziel onmiddellijk op God geworpen, en in de beoefening der liefde tot God geheel zijn toeleg op de heiligheid, om zco te spreken, doen opgaan. Hij wist, dat waarheen de liefde streeft, ook al het andere in den mensch wordt meegevoerd. Hij was van oordeel, dat het uitroeien onzer gebreken en de beoefening der zedelijke deugden zeer zeker onze zorgen vragen, maar dat onze hoofdtoeleg op de liefde tot God moet zijn gericht; dat deze de verkeerde neiging tot ons zeiven niet alleen van hare vruchten en takken berooft, maaide bijl aan den wortel zet; en dat op de liefde toepasselijk zijn de woorden des Zaligmakers: haec oporti t fa-cere: dit moet men doen; op het overige, de woorden: et illa non omii-tere: het andere niet verwaarloozen.
Hij zeide dan ook: âDe volmaaktheid bestaat in God te beminnen uit
15
âgeheel zijn hart.quot; (l) âAan eene ziel, âdie God bemint, leert die liefde al-âles vermijden, wat Hem mishaagt âon alles doen, wat Hem behaagtquot;. (-') âDe weg der liefde, zoo zegt hij nog âin een zijner brieven, (s) schijnt mij âde zekerste te zijn, en wel voor al-âlen ; zij bindt de ziel aan God en âgeeft sterkte en volharding.quot; â âBij âallegeheimen, menschwording, schep-âping, instandhouding, moet men niet âbij het geheim blijven, maar vooral âopklimmen tot hot Hart van God, âom te zien, met welke liefde God âhet gewerkt heeft;quot; en aan de novicen zijner Congregatie schreef hij: âDe âliefde is die gouden band, die de âzielen aan God hecht, en zóó innig, âdat zij bijna van God niet meer kun-ânen gescheiden worden. Daaromquot; zoo vervolgt hij, âdaarom bid ik u, altijd
(') Beoefening der liefde tot J. C. hfdst. I. (-) t. a. p.
O Brief van 8 Jan. 1755. £_____
16
âakten van liefde te doen, onder de âmeditatie, als gij te Communie gaat, âbij het bezoek, bij de lezing, in uwe âcel, in den refter, als gij buiten zijt, âop alle plaatsen en op alle tijden,.. âen die dezen weg' niet volgt zal ge-â makkelijk zijne roeping verliezen.'^1) Vandaar, dat bij elke handeling altijd zijne beweegreden was: âom God genoegen te doen;quot; vandaar, dat hij bij elke bezigheid, bij elk gebed akten van liefde deed en herhaalde, zoodat hij van zich zeiven aan een zijner paters getuigen kon, âdat hij die akten altijd deed,quot; en men hem op het einde zijns levens tot God hoorde zeggen: âO Heer, Gij weet wel, dat alles, wat ik gedacht, gezegd, gedaan en geschreven heb, ik dat alles heb gezegd en gedaan voor de zielen en voor uwe glorie.quot; (5)
(') Brief van 28 Jan. 1762.
(2) Tannoja. Vita ed istituto di S. Alfonso. 1. IV. c. 34.
17
Daarom had hij zulk eene groo-te godsvrucht tot den H. Geest, die, gelijk hij in zijne Noveen voor Pinksteren zegt, âde liefde zelve is, welke God de Vader en God de Zoon elkander toedragenquot; en âaan wien de genade der liefde vooral wordt toegeschreven.quot;
Daarom vroeg hij ook voortdurend de liefde tot God. En het was hem niet genoeg akten van liefde duizendwerf te herhalen; hij wilde ze altijd volmaakter, altijd vuriger. âMijn God, zoo zegt hij ergens, âdat het aan anderen genoeg zij U maar alleen de hoogste achting toe te dragen; ik voor mij, ik zal mij nooit tevreden stellen, als ik U daarbij niet met de grootste innigheid bemin, meer dan een vriend, meer dan een broeder, meer dan een vader, meer dan een bruidegom.quot; O) En elders : âIk wil U beminnen, mijn God, met al mijne krachten, ik wil
(â ) Berruti. Lo Spirito di S. Alfonso, c. XV.
3
18
U gehoorzaam zijn in alles, zonder eigenbelang-, zonder vertróósting, zonder beloonins-, ik wil U dienen uit liefde, mijne belooning zal zijn U te beminnen.quot; i1)
Tweede I'unt.
Die oceaan en bron van alle schoon-beid en goedheid, de onzichtbare Ko-ninn' der glorie, is echter om onze liefde zekerder te winnen zichtbaar geworden in den Godmenscb Jezus Christus, opdat wij door Hem-tot de liefde van het onzichtbare gevoerd zouden worden, gelijk do H. Kerk zingt: Ut duin visihiliier Deum cog-noscimus, per Inmc in invisihiliiimamo-rem rapianmr. (2) De liefde, die zijn opperste Goed van Alphonsus vioeg, kon hij dus onverdeeld schenken aan een mensch, die tegelijk zijn Uod was,
(') Bezoeken aan liet Allerh. Vilde Bezoek. (-) Praef. Nativ.
19
mensch geworden uit liefde tot hem; een mensch, die met goddelijken mond van zich getuigde: âIk hen de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader, tenzij door Mij.quot; Ego sum via, Veritas et vita; nemo venit ad Patron nisi per me, (') en van wien geschreven staat: âAlles heeft do Vader in zijne handen gesteld:' Omnia dedit Ãi Pater in ma-nus ( -) en âdoor niemand anders kunnen wij zalig worden:quot; Non est in alio aliquo Salns. (3) Zóó vertoonde zich Jezus Christus aan Alphonsus' oogen en dit gezicht deed in hem ecu vuur ontbranden als van een serafijn; een vuur door vernieuwde overweging van het geheim der Menschwording, dooi' duizenden akten van liefde altijd gevoed. Vandaar die vlammende woorden, die hij op elke bladzijde zijner
(') Jo. XIV. 6.
C2) Jo. xin. 3.
O Act. IV. v. 11.
20
boeken heeft neergeschreven; die herhaling' van den zoeten naam Jezus, die u het beeld van den Apostel dei-
liefde of van een heiligen Paulus voor
den geest brengt; vandaar zijn getuigenis, dat âdo liefde tot Jezus Chris-°tus de voornaamste of liever de eeni-quot;ge devotie van een Christen moet 'vzijnquot; en dat âde nalatigheid der pre-'^dikers en biechtvaders om de zielen quot;daartoe aan te sporen, de oorzaak âis, dat zij weinig voortgang maken âin dc beoefening der deugden en quot;altijd dezelfde fouten blijven begaan, quot;ja zelfs in zware zonden vallen.quot; (') Vandaar ook, dat, als hij de zijnen tot liefde voor Orde en Regeltucht aanspoorde, de woorden bezigde.
Wat is de Congregatie ? Wat ts de Regel ? Dat is Jems Christus zelf.quot; O Die liefde tot Jezus Christus dwong hem als 't ware den Godmensch nooit
(i) Nov. ter eerc v. h. H. Hart. Inleiding. (-) Berruti. e. XI.
21
uit het oog-te verliezen, bijna altijd over Hem te mediteeren, Hem in zijne handelingen tot voorbeeld te kiezen, zich in alles tot Hem te richten, zich met Hem altijd, tot zelfs in den slaap en bij zijn ontwaken, te onderhouden als hadde hij Hem, gelijk Panlus van zich getuigt, met de oogen zijns lichaams gezien : Christum Jesum Do-minnm Nostrum vicli. (l)
Die liefde ontdeed hem altijd meer en meer van zich zeiven, van elk vertrouwen op eigen verdiensten en eigen kracht, om hem al zijne hoop, zonder het minste voorbehoud, te doen stellen op de verdiensten van Jezus Christus, die de zijne waren geworden. Zij deed hem tot zijne zonen deze woorden richten: âMijne welbeminde Broeders, het voornaamste, wat ik u aanbeveel, is do liefde tot Jezus Christus ... Daarvoor heeft Hij ons uitgekozen en van eeuwigheid tot deze
(') I. Cor. IX. v. l,
22
CongTegatie geroepen: Om Hem te beminnen en te doen beminnen. ( ) Overstroomd van deze gevoelens van liefde en vertrouwen zien wij onzen Heilige voor de Kribbe van bet Kindje Jezus nederknielen om zijne lietde te wijden aan Hem, die niet alleen meuscb, maar ook een klein en beminnelijk Kind heeft willen worden.
Alpbonsus beeft gewild, dat op eiken 25sten dag der maand, uit dank-baarbeid voor bet gebeim der Menseb-wording, zijne zonen hunne kloostei-o-eloften zouden vernieuwen, en bvj heeft zelf hun een schoon voorbeeld van zulk eene hernieuwing nagelaten. Eens n.1., bij was reeds 90 jaren oud, hoorde men hem luide aldus spreken . O miin God, ik heb de meening de quot;.geloften van armoede, van zuiyer-' beid en van gehoorzaamheid at te quot;lego-en; ik wil door die geloften genoegen doen in mijn leven en na
(â¢) Ciïcul. van 29 Juli. 1774.
23
âmijnen dood in het paradijs. Op nieuw âwerp ik mij in de handen uwer barmhartigheid, en ik hoop, door middel âdier geloften, U eeuwig te beminnen. âMijne Moeder Maria, in uwe handen âvernieuw ik de geloften van armoede, âzuiverheid en gehoorzaamheid, ik âwil onder uwen mantel sterven. Ik âbemin IJ en wil U eeuwig beminnen
) âin den Hemel te samen met Jezus
âChristus. Amen.quot; C)
(Als boven, blz. 10)
j Voorbeeld.
:l St. [Al pli on sus' liefde voor de kinderen.
{Vervolg.)
To Nocera, do stad, waar Alphonsus oen groot gedeelte zijns levens doorbracht en den dood der 0 Heiligen stierf, woonde eene dame, Thoresia l)e-
^ siderio, wier achtjarig zoontje reeds lang zoozeer
door allerlei smarten gekweld werd, dat het geen ^ oogenblik rust kon vinden. Alphonsus zegende het
U kind, spoorde het aan dagelijks drie Weesgegroeten
jq, ter eere der H. Maagd te bidden en aanstonds was
het genezen.
0) Berruti. o. VII.
24
Een edelman uit het diocees Nola vroeg eens Alphonsns' zegen voor zyn zoontje, dat doof was. Van ganscher harte schonk de Bisschop dien, en de doofheid was geweken. â Nog grooter wonder mocht een kanunnik van St. Agatha, de bisschopsstad des Heiligen, aanschouwen. Op zekeren dag kwam hij by Monseigneur en daar hij do liefde van Alphonsus voor de kleine kinderen kende, had h\j z\jn vierjarig neefje meegebracht. De goedhartige Heilige beval den leekebroeder, die hem diende, het kind eenige versnaperingen te geven en wilde zijn naam weten. âHy heet Thomas, antwoordde de kanunnik, maar helaas. Monseigneur de arme kleine is stom geboren. Het eenige, wat hij kan uitspreken, is de letter O.quot; Een innig medelyden vertoonde zich bij deze woorden op het gelaat des Heiligen. Hij maakte het Kruisteeken op het voorhoofd van het kind, nam daarop een prentje van Onze Lieve Vrouw, liet het eerbiedig door hem kussen, en vroeg hem, wie die heilige was. âDat is de Heilige Maagd,quot; riep de kleine uit; op het eigen oogenblik was zijn tong ontbonden. Alphonsus echter wilde het wonder ontveinzen en zeide tot den kanunnik: âGy ziet wel, dat Thomas niet stom is; zyne spraak is slechts een weinig belemmerd, maar dat zal langzamerhand wel beter gaan.quot;
Van dat oogenblik sprak het kind zeer goed ; de genezing was weldra door de gehecle stad bekend en vermeerderde alom den eerbied voor den Heilige.
25
DERDE DAG.
(26 Juli.)
Godsvrucht des H. Alplionsus tot liet H. Sacrament des Altaars.
VOORBEREfDINO.
Puer vains est nobis et füiiis datus est nobis. Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons geschonken. Dit geschenk van liefde, waardoor God zynen Zoon en Jezus Christus zich zeiven aan ons gegeven heeft, bereikt zyne voltooiing in het H. Sacrament des Altaars, waar Christus, naar de uitdrukking van het Concilie van Trente, de rykdom-men zijner goddelijke liefde jegens de menschen als het ware heeft uitgestort: divitias divini sui er ga homines amoris velut effudit. (1) Morgen zullen wij overwegen, hoe de II. Alplionsus aan die liefde van Jezus Christus in het Allerheiligste heeft beantwoord. Bidden wy hem om de genade van hem daarin na te volgen.
Eerste Punt.
De overgroote liefde van den H. Alplionsus voor den goddelijken Zaligmaker, het verlangen van Jezus Christus om ons in zijn H. Sacrament zijne
(') Sess. xxni. c. ir.
26
oneindige liefde te toonen, door onze spijs, ons slachtoffer, onze gezel te worden; zijne begeerte om daar van de menschen wederliefde te ontvangen, dit alles is de oorzaak geweest, dat men Alphonsus, naar de uitdrukking van een zijner levensbeschrijvers (^, bij uitnemendheid âden beminnaar van het Allerheiligste Sacrament desAltaarsquot; noemen mag. Daar, voor het Allerheiligste, vindon wij Alphonsus uren lang neergeknield in zijne jeugd (2), daar vinden wij hom terug, als hij, gebroken door ziekte en hoogen ouderdom, niet meer werken of schrijven kan. Acht uren lang, zoo lezen wij, bracht hij er toen dagelijks in aanbidding en beschouwing door. En als hot waar is, wat hij zelf getuigde: âEen weinig tijds, hoe gering ook, voor het Allerheiligste behoorlijk doorgebracht, doet wonderenquot; (:i), wat
(') Tannoja I. c. VI.
(-) Tannoja. I. c. VI en IX.
(3) Berrnti. c. XV.
27
moeten dan die uren van aanbidding in Alphonsus' hart een schat van heiligheid hebben voortgebracht! Dikwijls geraakte hij dan ook in geestverrukking ; soms hoorde men hom uitroepen: âO eeuwige liefde, ik bemin U, o eeuwige liefde, ik bemin U prae amoris vchementia vel seraphicis liquescebal ardoribus, vel insolitis qua-tiehatur motibus, vel abstrahehaiur a sensibus. (2)
Daar, voor het Allerheiligste, hoo-ren wij hem zeggen in een zijner Bezoeken: âNoch dood, noch loven zal âmij van de liefde tot God kunnen âscheiden;quot; (8) en elders: âO had ik âhet heerlijk lot te sterven voor de âverdediging der waarheid van het Al-âlerh. Sacrament.quot; (4) Was hij door zijnen dienaar het koor binnengeleid, dan schenen zijne krachten te her-
(') ïannoja. IV. c. XXXIV.
(-) Brev. lioiLi. 2 Aug. 11 noot.
(:l) ]5ezoekeii. XXV.
(4) t. a. p. XVII.
28
leven, dan was hij buiten zich zeiven van vreugde; dan putte hij zich uit in woorden, die zijne liefde voor het Allerh. Sacrament to kennen gaven: âHier is het H. Sacrament, zeide hij; âhier wordt do Communie âuitgedeeld. Het H, Sacrament is niet âoveral te vinden. O hoe schoon, twee âlampen branden voortdurend voor âhet Allerheiligste. Hier wordt het âH. Sacrament uitgesteld. En hoelang âzullen wij bij hot Allerheiligste blij-âven ? Eu wanneer zullen wij het âopnieuw gaan bezoeken?quot; â âIk zou, zoo sprak hij een andermaal, ik zou tien mijlen ver gaan om de H. Mis te gaan bijwonen.quot; En toen hij na eene ziekte hot altaar weer beklimmen mocht, zeide hij: âNu ik de H. Mis maar weer kan lezen, nu is mij alles om het even.quot; â Toen hij voor goed van dat geluk was beroofd, communiceerde hij dagelijks, het aangezicht van liefde ontvlamd en met een hevig verlangen, dat hem deed uit-
29
roepen: âGeef mij Jezus Christusquot; en dat hem elk oogenblik van uitstel ondragelijk deed zijn. (') En kon het anders, nadat wij hem in zijne âBezoekenquot; aldus hooren spreken: âZiehier de bron van alle g'oed, Jezus in zijn H. Sacrament, waar Hij ons uitnoodigt onzen dorst te komen lesschon. Si quis si tit, veniat ad me et hibat.quot; C2) En elders, waar hij zonder het te weten zich zeiven beschrijft:quot; De Heiligen, die geen anderen schat achten of beminnen dan Jezus Christus, hebben op het H. Sacrament des Altaars geheel hun hart en hunne liefde gesteld.quot; (3) âO, welk een overvloed van geuaden hebben de Heiligen te allen tijde aan deze bron van liefde geput. quot; O) âVerveelt men zich, zoo zegt hij nog, âbij het H. Sacrament, dat komt, omdait men Jezus weinig bemint; de Heiligen
(') Berruti. c. XV.
C2) Bezoeken. I.
(3) Bezoeken. VI.
(4) t. a. p.
30
Lebben er de genoegens des hemels gesmaakt.quot; (/)
Tweede Punt.
In de voorrede van zijne âBezoeken aan het Allerh. Sacramentquot; schrijft de H. Alphonsus eenige woorden, die zoowel een schoon getuigenis omtrent hem zeiven bevatten, als een troostende opwekking voor ons. ,. Wij kunnen, zoo zegt hij, op aarde geen edeler en beminnelijker Schat vinden, dan Jezus in het Altaargeheim, en zonder twijfel is na het gebruik der H. Sacramenten, onder allo oefeningen van godsvrucht het bezoeken van Jezus Christus in het H. Sacrament de eerste in rang, de aangenaamste aan God en de nuttigste voor onze zielen.quot;
âWeet ook, dat een kwartier uurs te bidden in tegenwoordigheid van Jezus voor uwe ziel misschien nut-
(') t. a. p. IV.
.'51
ti^'cr zal zijn, clan de overige geestelijke oefeningen, die gij dagelijks verricht. En wie weet, of ook gij niet, terwijl gij in een of andere kerk Jezus bezoekt, liet vaste besluit zult maken van ii geheel aan God te goven. Ik voor mij kan U zeggen, dat ik het aan de godsvrucht tot Jezus in het Allerheiligste, hoewel flauw en onvolmaakt door mij beoefend, te danken heb, dat ik nu buiten de wereld ben, waarin ik tot mijn 26ste jaar heb geleefd. Gelukkig noem ik u, indien gij vroeger dan ik aan de wereld kunt vaarwel zeggen en u geheel en al geven aan Hem, die zich zelven geheel en al aan U gegeven heeft! Nog eens, gelukkig noem ik U, en dat niet alleen voor de eeuwigheid, maar zelfs voor den tijd. O welk een zoete geneugte is het met geloof en teedere godsvrucht te knielen voorliet Tabernakel, om daar, gelijk een vriend met zijn vriend, zich met Jezus Christus te onderhouden... Welk eene
32
geneugte Hem daar zijne genade, zijne liefde zijnen hemel te vragen; daar akten van liefde te doen tot dien Heer, die op dat altaar zijnen hemel-schen Vader voor ons smeekt, brandend van liefde tot ons!quot; Alphonsus achtte dan ook de religieuzen bijzonder gelukkig, wijl zij voortdurend bij Jezus in het H. Sacrament mochten wonen. âJezus Christus, zoo schrijft hij O, is opzettelijk voor hen m ao Kerk tegenwoordig, opdat zij Hem op elk uur van den dag zouden kunnen vinden. Daar kunnen zij zich voortdurend met hunnen Heer onderhouden. Jezus Christus van zijnen kant gaat gaarne vertrouwelijk met zijne dienaren om, die Hij uit Egypte heeft geleid om hun in dit leven zijne tegenwoordigheid in het H. Sacrament te doen genieten, in afwachting,^ dat zij Hem van aanschijn tot aanschijn gaan aanschouwen in den hemel.quot; Hij schreef
(i) Beschouwingen over het religieuze leven. Xlde Besch,
33
dan ook in eene der circulairen aan zijne zonen gericht: âLaat ons gierig zijn op den tijd en liem besteden aan het gebed en liet bezoek van liet H. Sacrament, dat alleen daarom onder ons verblijft.quot; f1)
Bidden wij dan met de woorden des Heiligen zeiven;
âO mijn Verlosser, verborgen onder den sluier van liet goddelijk Sacra-nient, zie ndj hier in uwe tegenwoordigheid ... O mijn Jezus ..., ik verlang altijd bij U te blijven om mij altijd inniger met ü te vereenigen. Ik bemin U, mijn in dit Sacrament van liefde verborgen God. Uit liefde tot mij blijft Gij voortdurend op dit altaar ; ik wil ook uit liefde tot U zooveel mogelijk in Uwe tegenwoordigheid blijven. Gij blijft hier opgesloten en bemint mij zonder ophouden ; met U wil ik hier opgesloten zijn en ü zonder ophouden beminnen.quot;
(') Circul. van 8 Aug. 1754.
4
34
âAllerheilig'SteMaagdMaria, verwerf
mij eene grooto liefde tot liet H. Sacrament.quot; C1)
(Als boven, blz. 10)
Voorbeeld.
Alphonsus' boekje: âBezoeken bij het H. Sacrament (les Altaars en bij de Moeder Oodsquot;.
Het eerste gedrukte werk, wat aan Alphonsus vruchtbare pen ontvloeüie, was het bovengenoemde boekje, thans zoo algemeen, ja over de geheele wereld verspreid. Het heeft de rij geopend van dat groote aantal geschriften des Heiligen, waardoor hij als leeraar der heilige Kerk is opgetreden, en die hem do schitterende kroon van de Kerkleeraars-waardigheid verworven hebben. Doch zoo ergens, dan zeker heeft Alphonsus reeds in dat eerste werk geheel zijne hart en zijne ziel neêrgclegd. Die bladzijden ademen zulk eene liefde voor den onder broodsgedaanten verborgen God, zulk een vertrouwen en teederheid jegens de allerheiligste Maagd, dat elk geloovig gemoed als van zelf zich van de gevoelens bedient, in dat werkje uitgedrukt, en dat eene ziel, die in zonde leeft, maar nog niet geheel van God vervreemd is, als van zelve tot
(') Beschouwingen enz. t. a. p.
35
God wêer wordt teruggevoerd. Vandaar deontüag-gelijke verspreiding van dit werkje, in tallooze uitgaven, bij miilioenen, in zeer vele talen, tot zelfs in liet Arabisch en het Malabaarseh; zoodat in de Procesakten ter voorbereiding van Alphonsns verheffing tot de kerkleeraarswaardigheid gezegd wordt: âBehalve de Navolging van Christus (van Thomas van Kempen) znlien maar zeer weinige boeken van dien aard bestaan, die in zoo korten tijd op zulke wijze over de geheele katholieke wereld verbreid zijn. Daarom is het ook niet te verwonderen, dat het Bezoek aan het'AUerheiligste Sacrament tegenwoordig onder de gewone oefeningen van devotie gerekend wordt en eigen is aan alle vrome christenenquot;.
In de Inleiding van het werkje, waaruit mij reeds eenige zinsneden in do Ovenveging hebben aangehaald, spreekt de Heilige zijnen lezer aldus toe: âOnthecht u van de gezelschappen der menschen ; kom voortaan iederen dag, zij het ook slechts een halt uur of een kwartier in eene of andere kerk, waar Jezus Christus in liet Allerheiigste rust, u niet Hem onderhouden. Gustate et videte quoniam sitavis est Dominus 1) Beproeft het, en gy zult ondervinden, welk groot voordeel, gij uit die heilige oefening zult trekken. Woest hiervan overtuigd: eene ziel, die met eenige ingetogenheid bidt voor het H. Sacrament, ontvangt meer troost van Jezus Christus, dan de wereld met al haar feesten en vermaken haar kan gevenquot;.
0) Ps. 33. V. 9.
36
Als treffende bevestiging van deze woorden kunnen wü het volgende aanhalen, wat een fransch
schrnver ons mededeelt. (1)
Wy hebben, zoo verhaalt hij, een man van de wereld gekend, die van een zeer misdadig leven tot een zeer ijverig overging. Zijne bekeering was plotseling, voorbeeldig en volhardend. Welnu, vooral zijne volharding schreef h« toe aan zvjne bijzondere liefde om het H. Sacrament te begroeten. Het schoone werkje: Bezoeken aan het Allerheiligste Sacrament droeg hij altijd bü zich, hy verslond als het ware die van liefde vervulde bladzijden. Dikwijls hebben wü hem hooren verzekeren, dat die bezoeken hem een geluk verschaften, dat alle andere geluk ver te boven gaat.quot;
VIERDE DAG.
(27 Juli.)
Alplionsus' overgeving aan Gods Heiligen Wil.
VOORBKREIDING.
Gelijk de H. Paulus, toen hij op weg naar Damascus plotseling door een licht omgeven en ter aarde geworpen werd, op de stem van Jezus antwoordde; âHeer, wat wilt gü, dat ik doe; Domme
(i) Pratique du Christianisme par M. 1'abbé Dubois, pag. 524.
37
qiiid me vis facere (quot;1), zoo ook sprak Alphonsus, toen God hem riep: âMgn God, hier ben ik, doe met my, wat Gy wilt.quot; Deze woorden maken een der hoofdtonen van zijn leven uit; wy hooren ze hem in alle omstandigheden herhalen, vooral in zijn lijden. Mogen ons steeds de woorden voor oogen zweven, die de Heilige in cenezyner brieven schreef: Fiat voluntas tua, dat is het woord, dat alle Heiligen gemaakt heeft.quot; (2)
Eerste Punt.
Alphonsus hield, zooveel hij kon, zijne oogen steeds op God zeiven gericht. Hij kon dan ook, als hij zijne liefde tot God door daden moest too-nen, niets anders tot richtsnoer en maatstaf kiezen, dan den Allerheilig-sten Goddelijken Wil zeiven. Hij volgde hierin het voorbeeld van Jezus Christus, die ons door zijne woorden vooral op den aanbiddelijken Wil zijns Vaders wijst. Vandaar, dat wij in Alphonsus niet zoozeer de gedachte aan de glorie, die God uit zijne schep-
(') Act. Ap. IX. v. 6,
0 Brief van 6 Aug. 1774.
38
selen trekt, als wel de gedachte aan Gods Heilig Welbehagen voortdurend ontmoeten O) en dat hij zijn toeleg op de heiligheid deed bestaan in het streven, om zich met Gods Wil te vereenigen, die gelijk Hij in een zijner Bezoeken (1) zegt; âgeheel heilig, geheel goed, geheel schoon, geheel volmaakt, geheel beminnelijk is, en wiens beschikkingen altijd vol zijn van liefde en op ons welzijn gericht!quot; (:ï)
Nergens zoozeer wellicht, als m de gelijkvormigheid en de veree-niging van zijnen wil met dien van God, heeft zich Alphonsus' deugd heldhaftig getoond.
Hij was door God bestemd om een groot heilige te worden; en, zoo zegt hij ergens; âGroote heiligen worden niet gemaakt zonder groote krui-
1
{-) Bezoeken. X.
39
sen,quot; (i) âvooral inwendigequot; (2); en op eene andere plaats: âDe Heiligen zijn die uitverkoren steenen, waarvan de H. Kerk in hare Getijden zingt: door de slagen des bijtels moeten zij bewerkt worden, dat is door bekoringen, door angsten, door duisternissen en door andere in- en uitwendige kwellingen; zóó worden zij geschikt gemaakt voor den hemel.quot; (3) Zijn leven is dan ook, van de stichting zijner Congregatie af, eene aaneenschakeling van lijden geweest. Sinds het jaar 1744 had hij bijna jaarlijks eene ziekte, meermalen eene doode-lijke; die ziekten veroorzaakten hem de hevigste pijnen, vooral echter de laatste, die zeventien jaren duurde en die den Heilige tot een wonder van geduld heeft gemaakt. Te midden van al dat lijden ontsnapt hem
(') Brief v. 26 Mei 1767. C2) â â 8 Sept. 1773.
(a) Beoefeuing dor liefde tot J. C. c. XVII. §2.
40
geene klacht; spreekt hij er over, dan is het om er in te berusten, om God er voor te danken, om de volkoming overgeving aan zijn Wil te vragen. Doch de uitwendige pijnen van Alphon-sus waren niets vergeleken bij zijn inwendig lijden; bij de bekoringen, de angsten, de dorheden, die hij heett moeten doorstaan; bij de kwellingen, die hom de mcnschen hebben veroorzaakt vooral tijdens zijn episcopaat; zij waren niets, in vergelijking bij het leed, dat hem zijne liefde voor de Congregatie, het kind zijner smarten, heeft gekost. En toch, welk eene overgeving, welk eene opoffering van alles aan Gods Wil! âTk stel mij de Congregatie voor, zoo schrijft hij aan pater Blasucci, ('), als een scheepje te midden der zee, door de winnen geteisterd, in afwachting, totdat God ons bekend make, waar Hij ze wil heen voeren en eene vaste rustplaats
(') Brief v. 24 Oct. 1776.
41
geven. Wil Hij, dat zij verga, dan zeg ik van nu af en zal het immer zeggen; Zijn Wil zij altijd gezegendquot;. En toen God hem dat offer werkelijk scheen te vragen, toen de Congregatie haren ondergang nabij was, toen zijne eigen kinderen hem de bitterste kwelling veroorzaakten en hij de gunst des Pausen verloor, toen bleef hij zijn woord getrouw. âIk ben in droefheid gedompeld, zoo schreef hij, en doe niets dan bittere tranen schreien. Maar God wil het, zijn H. Naam zij altijd gezegendquot;, f1) En elders: âIn deze aangelegenheid betuig ik duizendmaal aan God, dat ik niets anders wil, dan wat Hem behaagt en wat Hem het meest behaagt.quot; (4)
Tweede Punt.
âAl onze volmaaktheid, zoo begint Alphonsus zijne âVerhandeling over
{') Brief van 18 Oct. 1780.
C2) â â 29 Jau. 1781.
42
de gelijkvormigheid met Gods H. Wilquot;, al onze volmaaktheid beslaat in onzen zoo beminnelijken God lief te hebben. Maar al de volmaaktheid der liefde tot God bestaat in onzen wil met zijnen allerheiligsten Wil te vereenigen.quot; âDocb, zegt hij verder, âwij moeten niet alleen in de beschikkingen van den goddelijken Wil berusten, wij moeten er ook naar streven geen andere verlangens te hebben, dan God heeft.quot;
âDit moet het doel zijn van al onze werken, van al onze verlangens, onze overwegingen en gebeden. Om dit te verkrijgen moeten wij de hull) inquot; roepen van al onze H. Voorsprekers, van onze Engelen-Bewaarders en bovenal van de goddelijke Moeder Maria, die daarom de volmaaktste van alle Heiligen is geweest, omdat zij met meer volmaaktheid den goddelijken Wil heeft omhelsd.quot; â Maar, zoo voegt Alphonsus er onmiddellijk bij, dan toont zich de volmaaktheid
43
onzer liefde, als wij in liet lijden ons met Gods Wil verecnigen; en niet alleen ia liet lijden, dat ons onmiddellijk van God, maar ook dat ons van de menschen overkomt. âZich in voorspoed met Gods Wil voreenigen, dat kunnen ook de zondaars; maar liet in tegenspoed te doen, dat is liet werk der Heiligenquot;. âDie God bemint, zegt hij in een zijner Brieven, (!) verheugt zich in het lijdenquot;, en elders: âO hoe schoon is het God te beminnen, en Hem te beminnen in voortdurend lijden, (2) zonder troost.quot; (3) Aan die groote liefde van Alphonsus voor Gods heiligen Wil danken wij die heldhaftige akte van overgeving, waaraan hij eene plaats geeft onder de Gevoelens van eene ziel, die geheel aan Jezus Christus wil toebehooren.quot; (')
(') Brief v. 19 Mei 1756. ( ) â â 2 Juli. 1767.
(3) Brief van 30 April 1771.
(4) Beoefening enz. VI.
44
Trachten wij ze onzen Heilige na te zeggen:
âMijn Jezus, telkens als ik zeg: God zij gezegend, of: Gods wil geschiede, wil ik daardoor alles aannemen, wat Gij over mij beschikt, in den tijd en in de eeuwigheid. Ik wil geen ander ambt, geen andere talenten, geen andere woning, andere Meeding, andere gezondheid, dan die Gij voor mij hebt bestemd. â Wilt Gij, dat ik veracht worde, dat men een afkeer van mij hebbe, dat ik beneden de anderen worde gesteld, belasterd en mishandeld, ook door die mij het dierbaarste zijn, dan wil ik het ook â Wilt Gij, dat ik arm worde, uit mijn vaderland verbannen, in den kerker geworpen en leve in voortdurende angst en kwelling, dan wil ik het ook. - - Wilt Gij, dat ik altijd ziek zij, vol wonden, van allen verlaten, dan wil ik het ook, en zoolang als U behaagt. Mijn leven zelf stel ik in uwe handen. Ik aanvaard den dood.
45
dien Gij mij hebt bestemd. Ook den dood van mijne vrienden en bloedver-wanton neem ik aan. Ik wil ook alles, wat Gij wilt omtrent mijn geestelijken voortgang'. Ik wil U beminnen uit al mijne krachten, maar ik stel mij tevreden met hetgeen Gij wilt. Ik wil sterven, o mijn Zaligmaker, om Uwen heiligen Wil te volbrengenquot;. â âO Wil van God, ik bemin U ; ik bemin U, zooveel als ik God bemin, want Gij zijt God zelf; ik bemin U dus uit geheel mijn hart; ik geef mij geheel aan ü.quot; (') (Als boven, blz. 10)
Voorbeeld.
Alplionsus' eerste wonderen na zijn dood.
Alphonsus was den Isten Augustus 1787 gestorven. Het heilig lichaam werd den volgenden dag naar de kerk gedragen en er tentoongesteld, terwijl van alle kanten duizenden toestroomden om den grooten Dienaar Gods hunne vereering tebetoonen. De moeders reikten hunne kinderen over aan den
(') Bezoeken. X.
46
leekebroedcr Franciscus Antonius en aan Alplionsus' trouwen dienstUncclit Alexis, die zich liij do lijkbaar bevonden, om ze aan de H. Overblijfselen te doen aanraken. Vooral dient hier de genezing vermeld te worden van een kind, dat reeds stervend naar de kerk gebracht werd en door de aanraking van het H. Liehaam op eens genas.
Jozef Maria Fusco, aldus was de naam van den kleine, niet veel meer dan één jaar oud, was sinds den 19den Juli doodelyk ziek. Den 2den Augustus des morgens had men alle hoop verloren. Daar verneemt eene tante van het kind, dat er zoovelen genezen worden door de aanroeping van Alplionsus; en ondanks den tegenstand der moeder en van andere familieleden, die beweerden, dat het zieke knaapje onderweg zou sterven, neemt zij liet op en ijlt er meê naar de kerk ; de moeder volgt van verre. In de kerk gekomen, doet men eerst een rozenkrans aan liet lichaam des Heiligen aanraken en legt hem op den kleinen stervende: doch te vergeefs. Daar komt de moeder naderbij, voelt haar vertrouwen verlevendigd en vraagt den genoemden leekebroedcr, of hij den kleine zelve aan Alplionsus' lichaam wil aanraken. De broeder doet het en het kind is plotseling genezen.
(Vervolg op blz. 57.)
47
VIJFDE DAG.
(28 Juli.)
Godsvrnclit van Alphonsus tot liet Lijden van Jezus Christus.
VOORBEREIDING.
De H. Alphonsus heeft zijne godsvrucht tot den lijdenden Jezus getoond, door Hem om wille van zi)n Lijden vurig te beminnen, en op de verdiensten van dat Lijden al zijne hoop to stellen. âAlle Heiligen, zoo schrijft hij, âwetende, dat het Jezus Christus aangenaam is, dat wij dikwijls aan zijn Lijdenden-ken, waren bijna voortdurend bezig om de smarten en versmadingen te overwegen, welke onzeteedere Verlosser in zijn geheel leven en vooral bij zijn dood geleden heeft. âIk lich er over geschrevenquot;, zegt bij verder, âvoor het nut van anderen, maar meer nog tot mijn eigen geestelijk voordeel. Want, daar ik reeds zeven-cn-zeventig jaren tel, wil ik door deze overweging mij totden dood voorbereiden. Inderdaad lees ik er zeer dikwijls in, om als mijn laatste uur slaat, de oogen gevestigd te hebben op den gekruisten Jezus, die al mijne hoop is.quot; (1)
Eerste Punt.
Alpliousus lieeft uit geheel zijn
(V Beschouwingen over het lijden van J. Chv.
48
hart en uit al zijne krachten Jezus Christus bemind, omdat Hij zijn boa was en zijn opperste Goed, mensch o-eworden om de menschen te vei lossen Doch onze Heilige maakt er ons voortdurend opmerkzaam op, dat één enkel gebed, één enkele zucht van Jezus Christus voor de redding van duizend werelden voldoende was. Jesus had dus, zoo zeide Alphonsus, een gelukkig, een eervol leven kunnen leiden en ons evenwel redden van den dood. - En toch wat heeft Jezus Christus gedaan ? Zonder de minste noodzakelijkheid, noch ^ van ziinen, noch van onzen kant, heett Hii een leven gekozen, waarvan elk oogenblik eene pijn of eene versma-ding is geweest, en dat leven geëindigd in een zee van martelingen en met een schandelijken dood. Watis, zoo vroeg Alphonsus, daarvan de reden geweest? Eu hij antwoordde zich zeiven met de woorden des ü. Joannes Chrysostomus; âDe voor-
49
naamste reden was, den menschen te doen kennen, hoezeer God hen bemindequot;: Haec prima causa dominicae passionis, quia sciri voluit, quantum amaret hominem Deus, qui plus amari voluit quam timeri. Immers, zegt de Heilig-o, de menschen houden het er voor, dat diegene hen het meest bemint, die het meest voor hen lijdt. âWelnu, zegt God tot zijne schepselen, âals dan lijden voor u een teeken van liefde is, dan zal ik niet alleen voor u werken, niet alleen u scheppen en bewaren, ook niet alleen de mensch-heid aannemen, maar in diemensch-heid lijden, zoodat gij aan mijne liefde niet meer twijfelen kunt.quot; En Jezus Christus heeft dit gedaan op eene wijze, die slechts de liefde van een God kon uitdenken; in eene mate, die Alphonsus met een Heilige deed uitroepen; âWij hebben de Eeuwige Wijsheid door overmaat van liefde dwaas zien worden.quot; Vidimus Sapien-tiam autoris nh niet ate infatuatam. Hij
50
rekende het zich dan ook tot een eersten plicht Viin dankbaarheid den gekruisten Jezus altijd voor oog-en te hebben en zeide eens: âO Jezus Christus, het schijnt mij nog duizend jaren, voor ik U kan zien; en als ik U dan de voeten zal hebben gekust, zal mijn eerste woord tot U zijn; O mijn Jezus Christus, ik dank U, dat Gij zooveel voor mij hebt willen lijden; wat heeft mijne ziel U gekost!quot; (') Maar vooral trachtte hij aan de voornaamste bedoeling van Jezus Christus te beantwoorden en in elke dier pijnen, in elke dier wonden, in dien dood vooral de liefde altijd beter te loeren kennen, die een oneindige God aan elke ziel toedraagt. Al-phonsus heeft dat gedaan met een ijver, eene inspanning, eene volharding, waartoe slechts eene liefde voor God en eene aangeboren vurigheid als de zijne in staat waren. Zijne
C) Berruti. C. XXXII. § 1.
51
liefde voor Jezus Christus richt zich bijna altijd op diens lijden en kruisdood. Welk een vuur echter die beschouwing in zijne ziel ontstoken heeft, welk een onmetelijk en heldhaftig vertrouwen op dat kostbaar Bloed zij in hem heeft voortgebracht, gaat alle beschrijving te boven. Als men die liefdeontboezemingen, die vlammende woorden des Heiligen leest, zou men zich bijna afvragen, of ooit een mensch vuriger heeft liefgehad of ten minste zijne liefde niet meer gloed, meer kracht en teederheid tevens geeft uitgesproken. Trachten wij ten minste eenige er van na te zeggen: âO menschwording, o verlossing, o lijden van Jesus Christus! O calvarieberg, o geesels, o doornen, o nagelen, o kruis, die mijnen Heer gekweld hebt! O zoete woorden, die mij de liefde herinnert, die mij een God heeft toegedragen, o gaat nimmer uit mijn geest of mijn hart. O allerheiligste wonden, gij
52
zijt de eeuwige rustplaats mijner ziel,
gij, de gelukkige oven, waar zi] altijd vau liefde zal branden. (l) â J goedheid, o teederheid van een bod voor de zielen! O kon ook ik, mijn Jezus, mijn bloed en mijn leven op een kruis of onder de bijl voor U «even! Dat alle engelen en alle scliep-selen uwe oneindige liefde prijzen. O eeuwig Woord, o man van smarten, mijn Jezus, mijn schat, mijn leven, miin troost, mijne liefde, mijn al, ik bemin U en vrees niets anders dan U te verliezenquot;. (2)
Tweede Punt.
Die niet altijd den gekruisten Jezus in zijn hart draagt, zeide de H. Alphonsus, moet nooit gelooven iets gedaan te hebben,quot; (8) maar ook
(') Beoefening der liefde tot J. Chï. Godvruchtige gevoelens, VII. en Berruti. c. X\ 1.
à Berruti. C. XVI. Zie ook Beoefening der liefd tot J. C. Mdst. I. n. 20.
53
âdie den gekruisten Jezus voor oogen heeft, kan niet nalaten hem te beminnen,1' en âte verlangen om alles voor Hem te lijden.quot; (2) Hij wilde dan ook, dat men in de preeken en de missies dikwijls zou wijzen op de liefde, die Jezus ons in zijn lijden betoond heeft; âde bekeeringen, zeide hij, die alleen uit vrees voortkomen, duren kort, maar als iemand liefde opvat voor den gekruisten Jezus, is er niets meer te vreezen.quot; (:5) Vooral echter wilde Hij, dat zijne zonen in de liefde tot den lijdenden Zaligmaker zouden uitmunten.quot; âOm de liefde tot God te verkrijgen, zoo schreef hij in eene circulaire, (4) âmoeten wij ons innig hechten aan het lijden van den god-delijken Verlosser, door er eiken dag een weinig over te niediteeren en, zoo mogelijk, den kruisweg te doen.
(') t. a. p.
('-) Brief v. 30 April 1771.
(3) Berruti. XVI.
C1) van 8 Aug. 1754
54
Ik bid alle tegenwoordige en toekomstige Oversten, in de Kapittels dikwijls de liefde tot het lijden van Jezus aan-te bevelen. Wij doen niets anders op onze missiën. Welk eene schande zou het voor ons zijn op den dag des oordeels te moeten verschijnen na minder liefde voor Jezus Christus te hebben gehad, dan eene arme vrouwquot;. Eens, op Witten Donderdag van het jaar 175a, zeide hij hun; âMijne Broeders, al is de Vasten en de Goede Week geëindigd, toch moet men niet ophouden het lijden van Jezus Christus te overwegen... Ik voor mij, ..ik beken u oprecht, dat ik er nooit mede ophoud; ik kan niet over iets anders mediteeren; daar vind ik alles. Daar leert men op eene andere wijze de Regels onderhouden, daar leert men op eene andere wijze missie geven, daar op eene andere wijze verachtingen en vennoeienissen op zich nemenquot;. (0 Hij zeide nog, dat men
(') Berriiti. XVI.
in die overweging- niet âbij de schors moest blijven, maar doordringen in do nederigheid, de versterving-, do smarten van don Verlosser.quot; (')
Dit laatste, dat dóórdringen in het lijden van den Zaligmaker, hoeft Al-phonsus vooral in beoefening gebracht door zijne godsvrucht tot het H. Hart van Jezus. Dit goddelijk Hart, zoo leert ons de Heilige, heeft moer dan alle andere doelen der monschheid van Jezus Christus de gevolgen van de liefde en smart des Verlossers ondergaan en dus schrikkelijk geleden, door âhet vooruitzicht der martelingen, die men Hem voorbereidde en der ondankbaarheid, die Hij na zooveel liefde van de menschen had te verwachten, vooral in zijn H. Sacrament.quot; Daarbij kwam nog de uitdrukkelijke wil des Zaligmakers zeiven, die door de de-
(') t a. p.
(-) Noveen ter eere van het H. Hart.
56
votie tot zijn H. Hart voor die ondankbaarheid vergoeding en eerherstel wilde ontvangen. De liefde dus, die Alphonsus voor Jezus en zijn lijden had, maakte hem ook tot een vurigen vereerder van zijn H. Hart. Hooren wij, hoe hij hetzelve toespreekt: âO beminnelijk Hart van mijn Zaligmaker, o Hart, dat voor mij op het kruis gewond zijt door de lans mijner zonden. O beminnend Hart, dat zoo weinig door demenschen wordt bemind, o herstel Gij zelf zoo groote ondankbaarheid.quot; (0 âO Jezus, hoe heb ik Uw hart zoozeer kunnen bedroeven, dat mij zoo heeft bemind. O kon ik zooveel droefheid over mijne zonden hebben, als Gij er in uw leven over hebt gehad.quot; (3) O beminnend Hart van mijn Jezus, ik zou U zooveel eer en glorie wil-
(') Gevoelens gericht tot het H. Hart van Jezus.
(-) Noveen ter eere van het H. Hart van Jezus IV.
67
len geven, als Gij in de Kerken aan den eeuwigen Vader geeft. Ik weet, dat Gij op dit altaar mij met dezelfde liefde bemint, als toen Gij in een zee van smarten Uw leven hebt geëindigd. Ik erken, dat ik U veel verschuldigd ben... het is nog weinig als ik geslachtofferd en geheel verteerd worde voor U. (')
(Als boven, blz. 10)
Voorbeeld.
Alphonsus9 eerste wonderen na zijn dood.
{Vervolg van hlz. 46.)
Den volgenden dag, 3den Augustus, kwam een oom van het genezen knaapje, een priester uit Noeera, deze wonderbare gebeurtenis in het klooster der Redemptoristen verhalen. Een der paters schonk hem een klein portret van Alphonsus. In het huis, waar het knaapje woonde, gekomen, liet hij den kleine het portretje zien, alsof hg wilde zeggen : ^Ziedaar dengene, die u genezen heeft.'' Het éénjarige kind bezag vol aandacht het prentje, en riep toen op eens, ofschoon het nog nooit had kunnen spreken : âAlphonsus, Alphonsus!quot; En vervolgens
0) Bezoeken XXV.
58
op hot plaatje wgzond on zyne handjes en oogjes ton hemel verhotïoml ging het door: âAlphonsus in den hemel! de heilige, de heilirje in den hemel!' In stille verbazing staarden de aanwezigen dit schouwspel aan; het kind had immers nog nooit dien naam gehoord en had nog nooit gesproken. En middelerwijl riep het opnieuw nog blijder, met de handen ten hemel: ,J)e heilige in den hemel! Alphonsus in den hemel!'' Den volgendon dag, toen men den kleine het prentje opnieuw toonde, lier-haalde hij zijnen uitroep ; en toen de tante hem het plaatje wilde afnemen, slaakte het kind luide kreten en begon hitter te woenen. Zij geeft het een ander, een der H. Maagd, maar hot kind roept schreiend uit: âNeen, dat is het niet!quot; Dan geeft zij het ware prentje terug, en het kind klapt in de handen van vreugde, grijpt het aan, kust het en drukt het tegen zyn voorhoofd.
üp dienzelfden dag, don -ïdcn Augustus, was nauwelijks de kerk, waar het lichaam van Alphonsus den vorigen avond hegraven was, geopend, of honderden kleine kinderen kwamen haar hinnen-geloopen ; uit eigen beweging snelden zij naar het graf des Heiligen, kusten en herkusten den steen met de teekenen der teederste devotie, en riepen als uit één mond, dat zij den Heilige vereeren.
59
ZESDE DAG.
(29 Juli.)
Alphonsus' haat tegen de zonde.
VOORBEREIDING.
Morgen zullen wij overwegen, hoezeer de IJ. Alphonsus de zonde hooft gehaat. Hij zag haar als dat âhelsehe monster,quot; dat zich lijnrecht tegenover God en Jezus Christus stelt; als dat monster, dat de oorzaak is geweest van het lijden, het schrikkelijke lijden van oen God. Hij schroef dan ook boven aan het werkje, dat over fa Beoefening der liefde tot J. C/ir. handelt, deze woorden dos H. Paulus: âDie onzen Hoor Jezus Christus niet bemint, die zij gevloekt.quot; Si quis non amat Do-minuni nostrum Jesum Christum Sit anathema. (T. Cor. XVI. 22). En elders zegt hij : âO vervloekte zonde, ik haat en verfooi u.quot; 1)
Vragen ook wy dien haat togen de zonde.
Eerste Punt.
Van don H. Joannes Chrysostomus werd eens door een zijner tijdgenooten gezegd: âHij vreest niets dan de
(') Beoefening der liefde tot J. C. â Godvr. gevoelens. III.
60
zonde.quot; Hie vir nihil timet nisipec-caturn. De H. Alphonsus legde tïGus als bisschop van zicli zeiven ditzeltde getuigenis af. Toen men hem nl. vrees wilde inboezemen voor den invloed
van een machtig persoon, tegen wien hij een strengen maatregel had moeten nemen, antwoordde hij; âIk ben niet bevreesd, o neen, ik vrees alleen de doodzonde.quot; (') De reden hiervan was, dat hij God alleen beminde, alleen Jezus Christus en diens heiligen en aanbiddelijken Wil liefhad, en daar alles, wat tegen den Wil van Jezus Christus geschiedt, zonde is, heeft hij met evenveel kracht als hij Jezus beminde, de zonde gehaat. Boyendien zag hij, dat hoewel Jezus Christus voor onze zonden had kunnen voldoen zonder te lijden, en in dat lijden vooral eene buitensporige liefde zich vertoont, â Jezus toch metterdaad alle tijdelijke straffen van alle
(') Berruti. c. XIV.
61
zonden der menschen op zich heeft willen nemen; elke zonde dus, zij moge groot of klein zijn, heeft het lijden van Jezus Christus vermeerderd.
Doch er is nog meer. Het Eeuwig Woord, zoo merkt Alphonsus in eene zijner meditaties op ('), was daardoor zelf, dat Hij voor onze zonden wilde voldoen, âbeladen met alle godslasteringen, alle afschuwelijkheden, alle heiligschennissen en alle zouden der menschen.quot; âZiet Hem daar, zoo spreekt Alphonsus, âuit liefde tot ons een voorwerp van vloek geworden voor zijnen Hemelschen Vader. Zooveel doodzonden, als er ooit door de menschen zijn begaan of zullen begaan worden, zooveel vervloekingen heeft Hij op zich genomen. In dien staat vertoonde Hij zich voor zijn Vader van het eerste oogenblik van zijn bestaan ; en als zoodanig veroordeelt
(') Mcdit. voor den Advent. 1ste Zaterdag. I. p. 21.
62
Hom zijn Vader om, gevonniscl als een voorworp van vervloeking, te sterven aan het kruis.quot; â Daarbij kwam nog, zegt ons eldersde Heilige (1), dat Jezus Christus, die de zonde zoozeer haat, voorzag, dat door zoovelen zijne liefde en zijn bloed zou worden veracht en zij toch zouden doorgaan God te vergrammen. Bovendien âvoorzag Jezus in het bijzonder al de zonden, die wij zouden bedrijven, na door Hem ten koste van zooveel lijden en van zulk een wreeden en smartelijken dood verlost te zijn.quot; Hij voorzag eene grenzenlooze ondankbaarheid voor eene onmetelijke liefde (2). Dit alles heeft de zoude aan Jezus Christus berokkend, en daarom heeft Alphonsus de zonde zoozeer verfoeid, meer dan omdat zij de hel verdient, want zoo spreekt hij zijn Verlosser aan (3);
1
1) t. a. p. blz. 40. 41.
2
(2) Noveen ter eere van liet H. Hart.
3
(3) Beoefening der liefde tot J. Clir. â God-vr. gevoelens. III.
63
âhet vuur der hel, dat de rechtmatige straf der zoude is, is niet zoo groot, als uwe onmetelijke liefde voor mij.quot; En was altijd zijne beweegreden om hot goede te doen: âaan God genoegen te geven,quot;--de reden, waarom hij de zonde vluchtte, was, dat hij Jezus Christus geen verdriet wilde veroorzaken. Vandaar zijne woorden als deze: âAlleen de zonde moeten wij vreezen, de zonde alleen moet ons bedroeven.quot; â â âLiever levend verbranden in een kalkoven dan eene doodzonde doen.quot; Vandaar die levendige uitdrukkingen van afschuw als hij over de zonde spreekt; die voortdurende akten van berouw. En daar Jezus door elke zoude, hoe klein ook, wordt gekwetst, zeide hij: âGeen enkele zonde, hoe klein ook, is een klein kwaadquot; (2), en iu een zijner brieven: âIk zou liever mijn hoofd
(') Berruti. XIV. C2) t. a. p.
64
willen verliezen, dan eene vrijwillige leugen te begaan.quot;
Tweede Punt.
Do haat tegen de zonde heeft in Alphonsns uitgeschenen van zijne eerste jeugd af. Als kind van twaalf jaren zien wij hem het bij het spel gewonnen geld, dat de aanleiding tot eene kleine zonde was geweest, met verontAvaardiging wegwerpen, terwijl hij zegt: âWeihoe, moet God om eenige nietige geldstukken beleedigd worden?quot; (2) En zoo heeft hij zich in zijn volgend leven voor dat monster weten te hoeden, dat do H. Kerk in hem âeene wonderbare onschuld prijst, die hij nooit door eene doodzonde bevlekt heeftquot;; miram vitae innocentiam, quam nunquam ulla le-thali lahe foedavit. Van de lichte
65
fouten, die hij beging-, beschuldig-de hij zich met een berouw, als ware hij de grootste der zondaren. (') Op do missies voer hij tegen de zonde uit met een ijver, dien slechts een groote haat tegen de zonde voortbrengen kan. Als bisschop kende hij rust noch duur, als hij slechts van eene zonde hoorde.
Noch kosten noch moeiten heeft hij gespaard om ze te bestrijden; haar vreesde hij alleen. In zijne geschriften weet hij de boosheid der zonde met do levendigste kleuren te schilderen ; het is, alsof hij van nabij een blik in het Hart van Jezus heeft mogen werpen, en er den afkeer heeft gezien, dien een Godmensch de zonde toedraagt. âEeuwige Vader', zoo zegt hij ergens, âik offer ü de smart en den afschuw op, die uw goddelijke Zoon over mijne fouten gevoeld heeft, en ik bid ü om zijne verdiensten, mij van een
(') Berniti. c. XIV.
66
zoo levendig berouw te doordringen, dat ik voortaan leve in voortdurende rouwmoedigheid en voortdurende smart.quot;
Nooit echter wellicht heeft zich die haat tegen elke zonde op treffender wijze getoond, dan toen in het jaar 1775 de pogingen der vijanden zijner Congregatie haar den ondergang nabij hadden gebracht. Alphonsus beminde haar als eene moeder haar kind, en zag het gevaar zoo goed in, dat hij schreef: âIk ben door vrees bevangen bij het schrikkelijk gezicht der vernietiging van de geheele Congregatie; zij zweeft mij als een schrikbeeld voor de oogen.quot; (-) Te midden van die angsten raadt men hem aan een middel te gebruiken, dat hoewel in zich onschuldig, toch aanleiding kan geven tot een beleediging Gods. Toen antwoordde Alphonsus; âDat zal ik nim-
(') Noveen ter eere van het H. Hart. IV. (â -) Brief van 20 Maart. 1775.
67
nier doen : liever zie ik de Conc/regatie vernietigd, dan oorzaak te zijn oolc maar van een schaduw van zonde.quot;
Moge dit voorbeeld des Heiligen ons altijd voor den geest zweven, mogen wij er altijd naar handelen. Wij, die zijne navolgers willen zijn, moeten den strijd voortzetten, dien Alphonsus tegen de zonde heeft gevoerd, gelijk God zelf in eene openbaring aan eenc bevoorrechte ziel omtrent de leden der door Alphonsus gestichte Congregatie getuigde; âDezen heb ik uitgekozen, opdat zij de wereld van de zonden reinigen.quot; (2) Terecht zeide dus eens Alphonsus tot de Communiteit van het klooster te Nocera:
âWelk eene schande, als men een lid van de CongTegatie des Allerh. Verlossers dagelijksche zonden met open oogen zou zien bedrijven.quot; (3) En
(') Tannoja. I. III. c. LXXV. C2) Dilgskron. I. p. 80. (3) Berruti. c. II.
68
des te levendiger moot dio haat tegen de zonde in ons zijn, naarmate onze werkkringquot; ons wellicht meer blootstelt om aan haren aanblik gewoon te worden en de vrees er voor te verliezen. God heeft het zóó beschikt, dat nog een der laatste woorden van Alphonsus eene les daaromtrent zou zijn. Eenige dagen vóór zijn dood, den 25ste Juli, des morgens, was de Heilige zeer terneergeslagen; hij werdt beangst en bekoord. Toen hoorde men hem onder de H. Mis deze woorden spreken : âdie zonde doet, 'is een vijand van God.quot; 0)
Bidden wij den Heilige, (lat deze woorden altijd dieper in ons hart worden gegrift, dat de liefde tot Jezus ze er in vestige ; opdat altijd de leus van Alphonsus ook de onze zij : Gevloeid zij de zonde; gevloeid hij, die onzen Heer Jezus Christus niet hemintquot; (Als boven, blz. 10)
(') Dilgskron. II. p. 483.
69
Voorbeeld.
Zorg1 van Alphonsus voor zijne neefjes, Joseph en Alplions de Lig-uori.
Beiden waren zonen van Alphonsus' broeder, Hercules de Liguori, die den 8sten Sept. 1870 overleed. De oudste, Joseph, leefde nog bij de heiligverklaring van zjjn oom in 1839 en droeg by deze gelegenheid te Rome de vaan des Heiligen. Deze waakte, zooveel het in zyn vermogen was, voor hunne eeuwige en tydelyke belangen. Toen Hercules hen op nog zeer jeugdigen leeftyd in een college wilde plaatsen, raadde hy hem dit af, niet alleen wijl hy van dat college niet al te gunstige gedachte had, maar ook wyl hy niet goedkeurde, dat men zonder noodzakelykheid kinderen beneden de tien of twaalf jaren in een instituut plaatste. âIn de eerste jeugd, zeide hy, is het veel beter, dat de kinderen de kiemen der godsvrucht en do geheele opvoeding in den familiekring ontvangen.quot; Ook tegen het plan van Hercules om zyne zonen in het college der koninklyke pages te doen opnemen, verzette Alphonsus zich. âHoe onschuldiger de kinderen zyn, schreef hij hem, des te gemakkelijker kunnen zij door omgang met anderen vooral met ouderen, bedorven worden. Eén, die bedorven is, is in staat er honderd tot val te brengen. Houd uwe kinderen onder uwe oogen, mettertijd zal God in alles voorzien. Zorg voor hun geestelyk welzyn ; dan zal de Voorzienigheid zelve voor het lichamelyke zorgen, zonder
70
schade voor de ziel.quot; Ook met betrekking tot het dienstpersoneel spoorde Alphonsus zyn broeder tot de grootste voorzichtigheid aan. âDe kinderen der voorname huizen, zeide hy, worden dikwyls bedorven door huisknechten, kamerdienaars en koetsiers.quot;
In het jaar 1780, (de heilige was toen 84 jaren oud, en zjjne neefjes verbleven in het college voor adellgke jongelingen te Napels) had hy een bezoek hunnerzijds verwacht tydens de Paaschvacantie; doch toen dit bezoek om ons onbekende redenen was achterwege gebleven, schreef hy hun uit No-cera een schooncn brief, waarvan wy hier eenige zinsneden laten volgen.
âIk had U hier verwacht om U mynen laatsten zegen te geven en mijne laatste raadgevingen ; maar wyl het God niet behaagd heeft, mij dezen troost te schenken, zegen ik U van verre; en ik zegen U uiterharte en bid den goeden God, dat ook Hy U uit den Hemel zegene en in uwe teedere harten zijne liefde storte; eene liefde, welke altyd dure en U tot de eeuwige zaligheid voere, waar ik, als God my barmhartig is, U zal afwachten.quot;
âUw grootste zorg moet zijn God te vreezen als uwen Heer, maar meer nog Hem te beminnen als uwen Vader.quot;
âJa waarlyk, Hy is uw Vader; bemint Hem dus teeder. En gelukkig z\jt gy, als gij Hem bemint met oprechtheid des harten van uwe kindsheid af; niet hard, maar zacht zal u het juk des Heeren dan toeschynen en beminnelyk zyne heilige Wet.
71
Gij zult uwe ongeregelde hartstochten leeren overwinnen, en gij zult zegevieren over de vganden uwer ziel. De gewoonte van goed te doen zal zich langzamerhand in ü versterken, en zoo zal ü gemakkelijk en aangenaam worden, hetgeen voor anderen, die tot ondeugd vervallen zfln, lastig en moeiiyk isquot;.
âMÃne kinderen, bemint uwen God, Jezus Christus, bemint Hem vurig en bewaart die liefde in uwe harten met zorg, met vreeze van ze te verliezen. Het is een groot verlies, Gods liefde, zijne genade en vriendschap te verliezen, en zijne verontwaardiging en zijne straffen in te loopen.quot;
(Vervolg op blz. Hl)
ZEVENDE DAG.
(30 Juli.)
IJver, waarmede Alphonsus zich aan God gegeven heeft.
VOORBEREIDING.
âGeef u aan My,quot; had God tot Alphonsus gesproken, toen Hij hem tot zijnen dienst riep, en door die woorden z\jne ziel op geheel bijzondere wijze tot zich getrokken. Alphonsus heeft daaraan beantwoord met eene edelmoedigheid, met een ftver en inspanning, die de grootheid der genade scheen te willen evenaren. âIk weet niet, zoo hebbenz\jne
72
zielbestnurders van hem getuigd, âof er iemand in Gods Kerk is geweest, die zoowel in-als uitwendig zich met zooveel inspanning heeft toegelegd op de heldhaftige beoefening van alle deugden, als Alphonsus de Liguori.quot; (1) Bidden wij den Heilige hem te mogen navolgen.
Eeeste Punt.
De ijver van Alphonsus voor zijne eigene heiliging was ocne vrucht zijner liefde tot God, wiens wil het is, dat wij heilig worden: Haec esl enim voluntas Dei: Sanctificatio vestra (2); en die ijver heeft zich getoond in in de mate, waarmede hij de middelen ter heiliging heeft aangewend.
Als eerste middel heeft Alphonsus altijd een onmetelijk verlangen gevoed om alles te doen, wat God kon behagen. Hij zelf achtte dit verlangen volstrekt noodzakelijk. âNooit, zoo zegt hij ergens, is iemand
(') Bcrrnti. c II. (-) I Thess. IV v, 3,
73
heilig geworden zonder een vurig verlangen.quot; 0) â Dat verlangen bracht in hem een onwrikbaar besluit voort. âDie dat besluit niet heef t, zegt hij, handelt met zwakheid en zal in de gelegenheden den afkeer niet overwinnen; maar eene ziel, die besloten is, overwint alles met Gods hulp; en deze ontbreekt nooit.quot; (2) âIk wil en verlang vurig heilig te worden, zegt hij elders, niet om meer glorie en genot te erlangen, maar om U, mijn God, in dit en het ander leven meer te beminnen en U meer te behagen. Ziehier alles, wat ik U vraag: ik wil U beminnen, mijn God; en om U te beminnen, bied ik mij aan, eiken arbeid en elk lijden te ondergaan.quot; (:1)
Ben eerste vrucht van dit verlangen en dit besluit, was de zorg
(') Beschouw over het lelig. leven.IXBesch.
('-) BeocfeniDg der liefde fot J. C. â Korte samenvatting enz. XII.
(3) Besch, over het relig. leven ï. a. p.
74
om geen enkel oonenhlik tijds te verliezen. Hierin is Alphonsus zóó ver gegaan, dat hij er zich door belofte toe verbond; eene daad, die het proces zijner zaligverklaring prijst als eene âbewonderenswaardige gelofte, geheel nieuw in Gods Kerk en zoo juist Alphonsus kenschetsend.quot; (0 En hierbij dient men op te merken, dat hij zo waarschijnlijk reeds heeft afgelegd omtrent den tijd der stichting zijner Congregatie, dat is, meer dan 50 jaren vóór zijn zaligen dood. Die ijver van Alphonsus voor zijne heiliging, gesteund door die heldhaftige gelofte, bracht ook die bewonderenswaardige dagorde voort, die Alphonsus, hetzij als overste, hetzij als bisschop volgde; eene dagorde, waarin bijna alles voor arbeid en gebed, bijna niets voor rust en ver-poozing is. Vandaar ook, dat men hem nooit met onverschillige zaken
(') Berruti. c. III,
75
bezig zag, noch met de studie van stoffen, waaraan geen wezelijk nut was verbonden. (') Vandaar ook die voortdurende waakzaamheid op zich zeiven, dat voortdurend overwegen der eeuwige waarheden en goddelijke geheimen; vandaar eene zucht naar lijfkastijdingen, die, hadde de gehoorzaamheid hem niet weerhouden, de boetplegingen van een Petrus van Alcantara en een Henricus Suso hadden overtroffen. (2) Ook dat onvermoeide doorzetten van zijn arbeid als missionaris, als overste, als bisschop, als schrijver te midden van zijne ziekten en pijnen, ondanks tegenwerking en verdrietelijkheden had niet alleen het heil des naasten ten doel; hij legde zich die vermoeienissen ook op, zoo zeide hij, âom zijn lichaam af te matten.quot; (3) En
(') ïannoja. IV. c. XXXVII. (â -) Bcrruti. c. XXIX. (â¢') T. a. p.
76
al deze pogingen vonden hunne kroon in Alphonsus' voortduren den omgang met God, door allerlei akten van deugd, buiten zijne gewone oefeningen verricht. Toen hij 88 jaren oud geworden was, liet hij ze, uit vrees van ze te vergeten, opschrijven. f1) Het waren dagelijks honderd-veertig akten, telkens tien, van liefde, van vertrouwen, van berouw, van vereeniging met Gods wil, van liefde tot Jezus, tot Maria, tot het H. Sacrament, van vertrouwen op J. C., op Maria, van overgeving in het lijden, van berusting in Gods beschikkingen, van overgeving aan J. C., aan Maria en tien gebeden om Gods H. Wil te doen.
En wat hier nog in 't bijzonder onze aandacht verdient en wat in hem bijzonder uitschittert, is de standvastigheid zijns ijvers; met hetzelfde vuur bleef hij voortarbeiden van het oogen-
(') ïannoja. IV. c. XXXIV.
77
blik, dat hij God begon te dienen, tot aan zijnen dood; ja, gelijk wij zagen, nam die ijver altijd grooter verhoudingen aan. Men heeft opgemerkt, dat Alphonsus op hoogen leeftijd nog altijd dezelfde oefeningen verrichtte, die hij ondernomen had in zijne jeugd. B. v. tot zijn dood bleef hij het Ave Maria bidden bij het slaan der klok, gelijk hij was begonnen sinds zijne voorbereiding tot den geestelijken stand; zoodat hij, toen hij doof was geworden, verlangde, dat men hem waarschuwde; de psalmen ter eere van Maria's naam, die hij als jongeling was begonnen te bidden, bad hij nog als bisschop en tot op het einde zijns levens; hij had zich, toen hij nog in de wereld leefde, verplicht het Allerh. Sacrament te bezoeken, dat in de kerken van Napels beurtelings werd uitgesteld; welnu, waar hij ook was, tot aan zijn dood, bleef hij dat doen, minstens in den geest; bij had trouwens altijd de lijst
78
bij zicli, waarop de kerk aangegeven stond, waar dien dag aanbidding was; en toen hij niet meer kon lezen, vroeg hij eiken dag aan denleeken-broeder, in welke kerk van Napels het veertigurengebed telkens gehouden werd. In zijne jeugd deed bij den Kruisweg-, hij bleef dit doen, toen hij gelieel gebrekkig was en zich door een leekebroeder en zijn dienaar moest laten leiden. Altijd knielde hij bij het Angelus Domini. Welnu, ook oud en gebrekkig onderbrak hij het, eten om op de knieën te vallen. Alphonsns had na dit alles wel het recht aldus tot zijne zonen te spreken: O)
âMijne paters en broeders, drie dingen moet een lid der Congregatie doen: 1° de fouten vermijden, â 2° zicb onthouden van nuttelooze dingen. â 3° zijn best doen altijd voortgang te maken op den weg der
(') Berruti. c. II.
79
volmaaktheid. In de Congregatie zijn wij verplicht naar de heiligheid te streven; daartoe geeft God ons zooveel middelen, die Hij aan anderen niet geeft. â Wij moeten nooit zeggen : het is genoeg; nooit stilstaan, noch ons met eene middelmaligheicl te vreden stellen; maar wij moeten altijd, den eenen dag meer dan den anderen, vooruitgaan, indien wij goed willen eindigen.quot;
Tweede Punt.
Onder alle middelen, die do ijver voor zijne heiliging Alphonsus deed gebruiken, is dat middel het voornaamste geweest, hetwelk Jezus Christus zelf het moest heeft aanbevolen, n.I. het middel, of, gelijk hij het noemt, het groote middel des gebeds, het vragen om genaden. En heeft de ijver, die altijd en in alles in hem uitscheen, hem den titel van Doctor Zelantissimus âallerijverigsten Lee-
80
raarquot; verworven, met evenveel recht gaf liem de godsvruclit der geloovigen gt; den naam van âApostel des Gebedsquot;. In liet werk, dat de Heilige over het Gebed heeft geschreven, drukt hij zijne overtuiging omtrent dit punt aldus uit; (') âHet vluchten der gelegenheden, het bestrijden der bekoringen, het aanhooren van Gods woord, het overwegen der eeuwige waarheden enz., zijn zeker allernuttigste oefeningen en zeer geschikt om Gods genade te bewaren; maar waartoe dienen de preeken, de meditaties en alle andere middelen zonder het gebed, daar God heeft verklaard zijne genade niet te willen geven, dan aan hem, die bidt? Volgens den gewonen loop der Voorzienigheid zullen zonder het gebed (n.1. zonder het vragen om genade) al onze meditaties, al onze besluiten, al onze beloften nutteloos zijn; als wij niet vragen,
(') Het groote middel des Gebeds. Inleiding.
81
zullen wij altijd ongetrouw zijn aan alle verlichtingen, die wij van God ontvangen eu aan alle beloften, die wij doen. De verlichtingen, de overwegingen, de goede voornemens maken, dat wij in de gevaren tot het gebed onze toevlucht nemen. Door het gebed verkrijgen wij Gods hulp;... laten wij het gebed na, dan vallen wij.quot;
Volgens deze overtuiging heeft Al-phonsus altijd gehandeld; niet alleen neemt hij in zijne geschriften elke gelegenheid daartoe te baat, maar ook altijd hooren wij hem, of zelf bidden en God om genaden smeeken, of het gebed van anderen vragen. âAlle predikers, zoo schreef hij nog, alle biechtvaders, alle boeken moesten niets mot grooter warmte en kracht inprenten, dan de verplichting om te bidden.quot; (v) En wat bijzonder het overwinnen der bekoringen be-
(') T. a. p.
7
82
treft, zeide hij ocns. âHet eeniye middel is zich in Gods handen te stellen ; alle andere middelen zijn bedrioge-lijk.quot; (') En tot zijne zonen richtte hij in het 1775 de volgende vermaning: âDe meditatiën, die de menschen in de wereld honden, zijn meer om hun de eeuwige waarheden voor oogen te stellen; maar voor u, die reeds daarvan doordrongen zijt, is het gebed meer noodzakelijk... Vraagt altijd de genaden aan God in naam van Jezus Christus en aan Jezus Christus in zijn eigen naam, vooral de liefde tot God en de genade om geheel aan Hem toe te behooren. Zegt dikwijls: Mijn God, in naam van Jezus Christus, maak, dat wij geheel aan Hem zijnquot; (2)
Sluiten wij deze overweging met dit gebed des Heiligen leeraars: âO eeuwig Woord, Gij hebt uw bloed
(') Berruti. C. XIII. ('2) 4 Nov. 1775.
83
en uw loven opgeofferd om aan onze gebeden zoo grooto waarde te geven, dat wij alles kunnen verkrijgen, wat wij vragen. Maar helaas, wij zijn zoo nalatig voor onze zaligheid, dat wij IJ zelfs de noodige genaden niet willen vragen. Gij hebt, door ons het groote middel des gebeds te schenken, ons den sleutel uwer goddelijke schatten in handen gegeven, en wij, door niet te vragen, blijven in den ellendigen staat, waarin wij zijn. O Heer, verlicht ons en doe ons begrijpen, wat bij Uwen eeuwigen Vader de gebeden vermogen, die wij Hem aanbieden in Uwen naam en om Uwe verdiensten-quot; (l)
(Als boven, blz. 10).
Voorbeeld.
Zorg van Alphonsus voor zijne ueeljes Joseph en Alphonsus de Liguori.
{Vervolg van blz. 71.)
âIk beveel u aan, nederig te zijn. Zonder uedo-
(') Het groote middel des Gebeds t, a. p.
84
riglieid zult g'J nooit iets doen, wat wezenlijk goed is, noch echte en soliede deugd bezitten; of gij zult ze gemakkelijk verliezen.quot;
âGod weerstaat de hoovaardigen en toont zijne barmhartigheid aan de ncderigen : de nederigen zyn Gods vrienden. Als gij op u zelven let, zult gy niet hoovaardig zyn. Al het goede wat gy bezit, is een geschenk des Heeren.quot;
âSlaat gy uwe oogen op uwe fouten, die wezen-lyk uw eigendom zyn, dan moet gy u voortdurend vernederen. Weest als nederigen, met liefde en dankbaarheid gehoorzaam aan uwe oversten inliet college. Hetzij zy u onderrichten, hetzy zy u lief-koozen, of u berispen, altyd toonen zy u de ware genegenheid huns harten. Gehoorzaamt hun, eerbiedigt hen, bemint hen, gelijk gij uw eigen vader gehoorzamen, hem eerbiedigeu en beminnen moet.quot;
.,lk hoop, dat gij dit in beoefening zult brengen, om genoegen te doen aan God, aan uw vader en aan mij.quot;
âTot mijn spyt heb ik vernomen, dat gy u weinig op de studie toelegt. O mijne kinderen. Indien gij wist, hoe verkeerd gy handelt!quot;
â De onwetendheid en de ledigheid zyn de vruchtbare bronnen van zonden en ondeugden. Studeert dus met oplettendheid, met toeleg, met inspanning, om God te kennen, zyne weldaden en belooningen te kennen en Hem veel te beminnen. Maakt gy u nu den tyd en zoovele middelen, die God u geeft, niet ten nutte, dan zal liet u later misschien berouwen.quot;
85
âHet ccnigc, wat ray troosten kan, is, te hooren, dat gij in de studiën vorderingen maakt, on dagelijks toeneemt in de vreeze des Heeren.quot;
âMogen mijne laatste vermaningen in uwe teedere harten gegrift staan en die vrucht in u voortbrengen, welke ik verlang.quot;
âOnderhoudt de regels van het college ora God genoegen te doen; wees: godvruchtig tot de Allerheiligste Maagd, aan wier besehenning en bijzondere zorg ik u overlaat; ik zegen u in Jezus Christus, ojidat gij Hera moogt toebehooren iu tijd en eeuwigheid.quot;
ACHTSTE DAG.
(31 Juli.)
Devotie van Alplionsus tot de Allerzaligste Maagd Maria.
VOORBEREIDING.
âLaat ons uit den grond onzer harten, uit geheel onze ziel, uit al onze krachten Maria vereeren: want dit is do Wil van Hem, die gewild heeft, dat wij alles door Maria zonden ontvangen. Deze woorden des H. Bernardus geven ons de maat aan van de liefde, het vertrouwen, de toewijding des Heiligen Alplionsus jegens de heilige en onbevlekte Maagd. Deze gedachten hebben van Alplionsus den dienaar van Maria bij uitnemendheid gemaakt.
86
it zullen w\j morgen overwegen, op den dag, die zijn sterven voorafging en waarop de Koningin des Hemels haren dienaar met hare zichtbare tegenwoordigheid is komen troosten (1) Wijden ook wij ons opnieuw geheel aan Maria toe.
Eerste Punt.
Als wij do liefde van Alphonsus tot de allerheiligste Maagd Maria willen kennen, moeten wij tot maatstaf nemen zijne liefde voor God, die wil, dat wij Maria na Hem het meest beounnen; zijne liefde voor Jezus Christus, wiens Moeder zij is; zijne liefde voor de drie goddelijke Personen, die Maria hoven elk schepsel hebben uitgekozen en liefgehad, en haar hebben versierd met alle schoonheid en genade, waarvoor een schepsel vatbaar is. Doch Alphonsus zelf zal hieromtrent als getuige optreden. âVan kindsbeen af, zoo zegt hij in een zijner werken ('2). âheb ik eene
(') Tannoja. IV. c. 37.
(-) Antwoord aan Eolli. (Berniti c. XVII.)
87
bijzondere godsvrucht en liefde voor Maria gekoesterd;quot; âhaar rozenkrans, haar scapulier waren mij dierbaar van af mijne eerste jeugd.quot; Deze godsvrucht tot de allerheiligste Maagd zien wij in hem met de jaren klimmen. âToen ik jong was, zoo zeido hij eens tot zijn bestuurder, sprak ik dikwijls met Maria; bij haar ging ik te rade in alle aangelegenheden der Congregatie, en Zij zeide mij zoo schoone zaken.quot; Toen hij 54 jaar oud geworden was, gaf hij een bock uit, getiteld âDe Heerlijkheden van Mariaquot; in wiens toewijding hij aldus tot Jezus Christus spreekt: âMijn beminnelijke Verlosser en Heer, ik, uw ellendige dienaar, wetend hoe aangenaam het U is, dat men uwe allerheiligste Moeder... tracht te verheerlijken, ik heb het plan opgevat, dit boek, dat over hare Heerlijkheden handelt, in het licht te ge-
(') Berruti.C. XVII.
88
ven... Gelief rleze zwakke hulde mijner liefde voor U en Uwe lieve Moeder aan te nemen... En tot belooning vraag ik U, mij zooveel liefde voor Maria te geven, als ik door dit werk in de harten der lezers heh willen ontsteken.quot; En tot Maria zegt hij: âGij weet, dat ik uit liefde tot U en uit dankbaarheid voor de weldaden, die Gij mij zoo ruimschoots hebt verleend, zonder ophouden, in het openbaar en in het bijzonder, heb getracht U overal te doen kennen en aan allen de neiging voor de zoete en heilzame oefeningen uwer vereering in te storten. Ik hoop daarmede door te gaan tot mijn laat-sten snik; maar mijne hooge jaren en zwakke gezondheid zeggen mij, dat het einde van mijn pelgrimstocht nabij is.... daarom heb ik dit boek op de wereld willen laten, opdat het na mij voortga U te prijzen... Mijne welbeminde Koningin, ik vertrouw, dat deze geringe gave aan uw edel-
89
moedig hart aangenaam zal zijn, want hot is goliecl en al een go schonk van liefde.' ' En tot belooning vraagt hij: âMaak, dat ik ü nog vuriger beminno, en dat elkeen, in wiens handen dat werk zal komen, ontstoken worde van liefde tot ü.quot;
Waarlijk, Alphonsus mocht zoo van zich zeiven spreken; duizenden akten van godsvrucht, van versterving, van ijver ter eere van Maria verricht, en in zijn leven opgeteekend, komen zijn getuigenis bevestigen. Die liefde deed hem altijd duidelijker Maria's grootheid en beminnelijkheid zien; zij gaf hem die heerlijke titels in, waarmede hij de glorie zijner Koningin en Moeder beschreef; die zucht, hare voorrechten, ten koste van alles, te verdedigen; dat verlangen haar te zien in den hemel; zij deed hem in zijne heerlijke Lofprijzing van Maria woorden schrijven, die slechts een hart van liefde vervoerd uitdenken kan: âOp uw aanblik, zoo
90
roept hij haar too, âverdwijnt alle andere schoonheid, gelijk de sterren voor het licht der zon. Gij alleen hebt grooter waarde dan alles, wat geschapen is. O Maria, koer uwe liefdevolle oogen tot mij; zie mij aan, trek mij tot U, en maak, dat ik na God niets anders heminne, dan U, o beminnelijkste, o zoetste Maria, Moeder van mijn Jezus en ook mijne Moedor.quot;
Tweede Punt.
Niet alleen do heiligheid echter en de schoonheid van Maria heeft Al-phonsus aan Haar gehecht en tot haren dienaar bij uitnemendheid gemaakt. Alphonsus immers wilde boven alles God beminnen en zijnen wil volbrengen, en daarom zalig worden; maar Hij hield het voor zeker, dat hij niets van dit alles zou kunnen doen zonder Maria's voorspraak. Met de moeste kracht hooft hij zijne overtuiging
91
daaromtrent in zijne werken uitgesproken en met bewijzen gestaafd; en hij maakte de woorden van een H. Bernardns en H. Antoninus tot de zijne, als zij zeggen: âGod wil ons alles geven door Maria, en: âZonder hare voorspraak iets trillen verkrijgen, is willen vliegen zonder vleugelen.quot; O) Daarbij wist hij, en hij leert hot ons uitdrukkelijk, dat God aan Maria voor ons het hart eener Moeder gegeven hoeft, zoo vervuld van medelijden en erbarming, dat Zij het reinste beeld van Gods Barmhartigheid zelve is en God, om zoo te spreken, aan Haar alleon hot uitoefenen dier barmhartigheid heeft overgelaten. ,.Zij is onze Moederquot;, zeide hij dikwijls tot hen, die hem kwamen bezoeken of raad vragen; âZij moet ons in don hemel brengen, Zij ons bijstaan in het uur des doods; o, hoe slecht zou het met ons gesteld zijn, als wij Maria niet
(') Bezoeken. Inleiding-.
92
hadden.quot; (O Aan Maria's barmhar-tiglieid deelachtig te worden, door op Haar te vertrouwen, dit was dus voor Alphonsns eene zorg, die bij hem elke daad, elk woord, elk verlangen heeft vergezeld; op hare barmhartigheid vooral, zoo zegt hij, (quot;) heeft hij de menschen willen wijzen als op het middel onzer zaligheid. Hij wilde dan ook, dat zijne zonen, bij elke oefening, over Maria's barmhartigheid tot het volk zouden spreken. Aan Haar schreef hij alles toe, wat hij reeds had ontvangen. âZijne bekee-ring, zijne roeping om de wereld te verlaten en alle overige genaden ;quot; (3) van Haar leerde hij allen de liefde tot God, de volharding, een goeden dood te vragen; Haar te beminnen en te vereeren achtte hij een onderpand des hemels; die Haren dienst ver-
(') Beirut!. C. XVII.
(-) Heerlijkheden v. Maria. lui.
(3) â â â Opdracht.
93
waarloosde schoon hem in groot gevaar van verloren te gaan. (') Voor de toekomst verwachtte Hij alles van Haar, voor zich zei ven, voor de Congregatie, voor don uitslag der missiën. Op heldhaftige wijze echter toonde zich zijn vertrouwen op Maria, toen in zijne laatste levensjaren de duivel hom tot wanhoop wilde verleiden: âMijne hoop is Jezus Christus, zeide hij telkens, en na Hem de allerheiligste Maagd.quot; En eens, bij zijn ontwaken, liet hij de volgende woorden opschrijven, opdat zij hem in het oogenblik der bekoring zouden sterken: âHeden 21 December 1785. Ik, Alphonsus de Liguori, van de Congregatie des allerh. Verlossers, vertrouwend op de goedheid van Jezus Christus, sterf gerust en ik geloof vastelijk zalig te zullen worden dooide verdiensten van Jezus Christus en der allerheiligste Maagd Maria; en hoop
(') Berruti. C. XVII.
94
spoedig liun den verschuldigden dank te gaan betuigen in den hemel.quot; (l) En zijne zonen wijst hij er op, welk een dank zij aan God verschnldigd zijn, âdat zij deel uitmaken van de Congregatie des Allerh. Verlossers, waar men, â liet zijn zijne eigene woorden â âzich op bijzondere wijze aan Maria verbindt door dagelijksche bezoeken, door liet vasten des Zaterdags, door bijzondere verstervingen in de novenen harer ieesten, en door den ijver om overal hare devotie te verspreiden..; waar de gebruiken der communiteit en de voorbeelden dei-medebroeders als 't ware dwingen, om tot Maria zijne toevlucht te nemen en die teedere Moeder zonder ophouden te vereeren, die zoo terecht de vreugde, de hoop, het leven, de zaligheid wordt genoemd van hem, die haar aanroept en vereert.quot; 0
(') Berniti. O. XIII.
(-) Beschouwingen over liet relig. leven. XVde B.
95
âZij zal eono bijzondere zorg' voor hem dragen en de genade verwerven om heilig te worden.quot; (') (Als boven, blz. 10)
Voorbeeld.
Uit ceu brief van Al|))ilt;gt;ti8iis aau M. dc Robertis, over zijne intrede in het klooster.
Ciorani 15 Maart, 1744.
âMijnheer.
âIk heb van uw lott'elijk voorneraen of van uwe neiging om in liet klooster te treden gehooril; doeh ik was niet weinig verwonderd, dat U dat voornemen aan anderen heeft medegedeeld en niet aan mij, aan wien, wyl ik overste ben, die niededeeling het best geschieden kon. Nog iets anders heeft mij een weinig misnoegen veroorzaakt: nl. dat men U een antwoord gegeven heeft, dat U het volgen uwer roeping voor langen tijd zal doen uitstellen. In dit uitstel ligt oen groot gevaar van de roeping te verliezen: want in zulke omstandigheden tracht de duivel, wanneer hy er niet in kan slagen alles aanstonds af te breken, ten minste de zaak op de lange baan te doen schuiven. Zoo is hij er dikw ijls
(') Circulaire van 29 Juli 1774.
96
In geslaagd aan velen de schoonste roeping te doen verliezen.quot;
âWat de uwe betreft, zij schijnt mij zeker van God te komen ; van de beantwoording eraan zal dus zeker uwe eeuwige zaligheid afhangen. Daarom bid ik ü, zoo spoedig mogelijk mij te komen spreken; want ik meen U den weg veel te znllen verkorten, als gij, mynheer, in uwen goeden wil volhardt.quot;
.,Bij zulke zaken, als het er namelijk op aankomt aan Gods stem te gehoorzamen, dan, â gij weet het, mijnheer, dan moet. men moedig handelen en zich geweld aandoen. Het komt er niet op aan, dat men al zyne bloedverwanten misnoegen veroorzaakt ; als men God maar genoegen doet en zijne ziel maar in veiligheid stelt.quot;
âMisschien zal mijn brief voor TJ nutteloos zijn; misschien zijt ge tengevolge van dat uitstel, dat U is aangeraden, óf van gedachte veranderd, óf verkoeld in uwen ijver; maar is dit ook het geval, dan zal deze brief ten minste dienen om U aan de stem te herinneren, die Jezus Christus U heeft doen hooren; en U herinneren aan het verlangen, dat H(j heeft, van ü geheel te bezitten.quot;
âIk bid U intusschen deze zaak opnieuw aan Jezus Christus aan te bevelen, zoowel bij de coin-muuie als bij uwe dagelijksehe meditatie, die gij, ik vertrouw het, mijnheer, uiet hebt achtergelaten.quot;
âBegin ook een noveen tot O. L, Vrouw Onbevlekt Ontvangen, opdat zij U ingeve, wat voor uwe eeuwige zaligheid het beste is en het meest in staat
97
zal Zijn ü te troosten in het oogenblik deslt;loods.quot;
âIk beveel U zon dringend mogelijk aan, dezen brief en uwe roeping geheim te houden, ten opzichte van allen, wie het ook zij; want openbaart men zulke zaken, dan vindt de duivel licht liet middel ze te beletten of à er in te doen verflauwen ; hij spreekt dan door den mond van anderen. O, hoevelen hebben zóó de roeping verloren, en God geve, dat ook gij, mijnheer, niet op deze wijze verkoeld zijt.quot;
â Alphonsus' dringende; woorden bleven niet vruchteloos. De Robertis trad werkelijk in de Congregatie des Allerh. Verlossers en legde do geloften af in de handen des Heiligen den ftden Juli 1746 te Iliceto. Hij stierf in geur van heiligheid den 20sten April 1807 te Caposele, na meer dan zestig jaren professie. De algeineene Cataloog der Congregatie prijst zijne godsvrucht tot Maria, door wonderen bezegeld, en teekent aan, dat hij het grootste gedeelte van den dag in gebed doorbracht.
NEGENDE DAG. (1 Augustus.)
Zielenijver des H. Alphonsus.
VOORBEREIDING.
Morgen is het de sterfdag van den Heiligen Alphonsus. Onder het luiden van het âEngel des Heerenquot; heeft hij zijn strijd volstredeu, zijne loopbaan voleind. Geheel de levensstrijd des Heiligen,,
8
98
geheel zijn arbeid, was eene inspanning geweest uit liefde tot God voor liet heil der zielen. âMijn God, zoo hoorde men hem eens zeggen, Gy weet dat alles, wat ik gedacht, gezegd, gedaan en geschreven heb, ik dat alles heb gezegd en gedaan voor het heil der zielen en uwe glorie.quot; (1) Bidden w\j intusschen met de H. Kerk: .,0 God, die door den H. Alphonsus Maria, uwen belyder en bisschop, van \jver voor het heil der zielen blakend, uwe Kerk met eene nieuwe nakomelingschap verrykt hebt, wij bidden U, dat wij door zyne heilzame vermaningen onderwezen en door zyne voorbeelden gesterkt, gelukkig tot U mogen komen. Door Chr. O. H.quot;
Eeeste Punt.
De H. Kerk past op Alphonsus de woorden toe, die de propheet Isaïas van Jezus Christus heeft gesproken : ,, De geest des Heeren is op mij; daarom heeft Hij mij gezalfd; Hij zond mij 0111 den armen het Evangelie te verkondigen, de vermorzelde harten te genezen.quot; Spiritus Do-mini super me, propter quod unxit
(') ïannoja. IV. c. XXXIV.
99
me; evangelizare pcntperihus misit me; sanare contritos corcle. C2) En als antwoord hioroj) legt zij den Heilige deze woorden des H. Paulus in den mond: âToen liet Hem behaag'de, die mij van den beginne heeft uitgekozen, dat ik Hem aan de volkeren verkondigen zou, heb ik mij geen oogenblik door de bandon dos bloods laten weerhouden:'' Cum au tem pla-cuit ei, qui me segregavit ex utero matris meae, ut evangelizarem illum in gentibus continuo non acquievi carni et savguini.
Inderdaad, toen Alphonsus in het hospitaal der ongeneeslijken Gods stem had gehoord; toen hij geantwoord had: ,.Doe met mij, ivat Oij tvilt,quot; en toen hij in gebed en overweging en door het woord zijner zielbestuurders de zekerheid had verkregen, dat God hem tot de bekeering der zondaren riep: directus
(') Is. C. LXI. v. l.
100
divinitus in poenitentiam rjentiim, toen hebben hom noch de schittc-vendste vooruitzichten, noch de genoegens der aarde, noch de liefde en droefheid zijns vaders, noch de bespottingen der wereld, noch de on-getrouwheid zijner vrienden, noch angst of moeielijkheid of arbeid, hoe zwaar en pijnlijk ook, kunnen terughouden. God vul het â dit was voor Alphonsus genoeg. Gelijk wij dan een Paulus hooren uitroepen: âWee mij, zoo ik het Evangelie niet verkondig: ,. Necessitas mild incumbit; rm mini mihi est, si non evangeli-zaveroquot; (1), zoo schreef Alphonsus aan zijn vader: âIk ben bereid van het Aartsbisdom van Napels, als het mij aangeboden werd, afstand te doen om mij aan het groote werk te wijden, waartoe Jezus Christus mij geroepen heeft; liet ik dit na, ik zou mij bijna als een verworpeling be-
(') I Cor. IX. 16.
101
schouwen.quot; Bn toen bijna al zijne gezellen hem verlieten, toen angst en moedeloosheid met al hunne zwaarte hem drukten, verplichtte hij zich op zware zonde, zich zeiven, al moest hij ook alleen Wijven, aan de verlatene zielen te wijden. (2) Omnia Jacio propter Evangelium ut particeps ejus efficiar. Als Alphonsus dan sinds dien tijd geen rust meer heeft gekend; als hij, nadat hem hot preeken onmogelijk werd, toch zonder ophouden de pen bleef voeren, ondanks zijne jaren, zijne ziekten en pijnen, dan is het geweest, gelijk de H. Kerk, altijd met de woorden dos H. Panlus, hem doet spreken : âOmdat hij alles voor allen geworden is om allen zalig te maken:quot; Omnibus omnia factus sum, tit omnes facer em salvos; omdat hij alles bereid waste lijden voor het heil der zielen: Omnia
(') Brief van 5 Aug. 1736.
(â 2) Tannoja. 11. C. V,
102
sustineo propter electos ut et ipsi sahitem consequantur; omdat voor de zielen hem geen vernedering', geen arbeid, geen moeite te veel was: Ego antem lihentissime impendam et superimpendar ipse pro anhnabus vestris. Bij deze gedachte aan Gods Wil, kwam het zien van Gods liefde voor de zielen Alphonsus'ijver nog meer ontvonken. Do beschouwing van een God, die zijn eenigen Zoon voor de menschen hoeft overgeleverd; van Jezus, den gekruisten Jezus, wiens dood, wiens wonden alle één voor één hem toeriepen: âZoo heb ik elke ziel bemindquot; deed Alphonsus zeggen: âAls Jezus Christus reeds voor ééne enkele ziel op het kruis zou gestorven zijn, dan moeten ook wij ons zelfs voor ééne ziel opofferen om ze voor Jezus Christus te winnen. Kon ik over de geheele wereld missies doen houden, ik zou het doen.quot;
103
Tweede Punt.
Een der voornaamste vruchten des ijvers van den H. Alphonsus voor het heil der zielen is ongetwijfeld geweest de stichting en vorming van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers. Aan zijne liefde voor de zielen danken zijne zonen het geluk, dat zij in die Congregatie genieten, en dankt de wereld het goed, dat het God behaagd heeft door haar tot stand te brengen. Alphonsus beminde haar dan ook zoozeer, dat hij verklaarde; âIk ben bereid te sterven om de Congregatie niet vernietigd te zien.quot; âJa zelfs voor ieder uwer, zoo schreef hij in oene circulaire aan zijne zonen gericht, âben ik bereid bloed en leven te geven, omdat uw leven veel kan bijdragen tot de glorie Gods.quot; (2)
(') Brief van 26 Januari 1776.
('-) Circulaire van 8 Aug. 1754,
104
Vandaar die aandrang bij zijn zielbestuurder om tot de stichting der Congregatie over te gaan. âIk sterf van verlangen om te komen,quot; zoo schrijft hij. âZie eens, hoe de duivel alles in het werk stelt om vertraging te doen ontstaan. Laat ons aanstonds beginnen; zijne pogingen zullen verijdeld worden; spoed, spoed, spoed, tereerevan Jezus en Maria.quot; O) Vandaar die woorden, later bij een hevige vervolging aan P. Viilani gericht: âIk ben van schrik verslagen bij het vreeselijk gezicht der vernietiging van de Congregatiequot; (2); vandaar ook, dat hij die vervolgingen noemde, âhot werk der hel, die het groote werk der missiën wil vernietigd zien, dat haar zoozeer den oorlog aandoet.quot; (3)
Hij heeft dan ook niets nagelaten
(') Brief van October 1732. (â ) Brief van 20 Maart 1775. (a) Circulaire vau November 1776,
105
om de Congregatie te doen toenemen en bloeien, haar in stand te houden te midden der vervolgingen, ten koste van zichzelven, zonder dat ooit de last of de kwellingen van liet stichten en van het bestuur, die hem waarlijk tot een martelaar hebben gemaakt, zijne liefde konden doen verflauwen. â Bovendien heeft hij alle zorgen aangewend, dat al hare leden den geest hunner roeping behielden en vermeerderden. Achtte hij diegenen met weinig liefde voor Jezus Christus bezield, die niet voor de bekeering der zondaren bidden, van al de zijnen vorderde hij, dat zij, om zoo te zeggen, alles, wat zij deden, voor de zondaren, de verlatene zielen, en de heiliging aller menschen zouden opofferen. Vooral echter heeft hij zijne priesters geschikte werktuigen willen maken van Jezus Christus en de voortzetting van het Verlossingswerk. Hij heeft hen gevormd in de aposlolisdie deugden,
106
in de wijze van Gods woord te verkondigen ; zijne moraal, zoo verklaarde hij zelf meermalen, (O schreef hij voor hen, zoodat de Kerk terecht aan zijne zonen de woorden des Apostels in den mond legt: Idoneos nos fecit ministros novi Testamenti: Hij heeft ons tot geschikte bedienaren des Evangelies gemaakt. â Hoort nog, hoe hij de zijnen toespreekt in zijne âBeschouwinffen over den religieuzen staat.'quot; C2) âHij, die tot de Congregatie des Allerh. Verlossers geroepen is, zal nooit een waar leerling van J. C. zijn en niet heilig worden, als hij niet naar het doel zijner roeping streeft en den geest der Congregatie niet in zich opneemt, die bestaat in het streven naar de bekeering der meest verlatene zielen... Elke religieus moet dus in zich dezen geest, dien ijver
(') Circul. Vein 8 Aug. 1754. Zie ook Theol. moralis Introd. en Homo Apostolicus â Introd.
('-) XIIWc BescbouwiDg.
107
voor het heil der zielen in den hoog'stcn graad levendig honden; daarheen moet hij al zijne krachtsinspanning richten, en als zijne Oversten hem iets opleggen, moet hij al zijne gedachten en zorgen er aan wijden. Men zou zich geen waar lid dezer Congregatie kunnen noemen, indien men niet uit geheel zijn hart zulk een last aannam... en als men er de voorkeur aan gaf zich in afzondering en eenzaamheid alleen met zich zeiven bezig te houden.quot; En in zijne schoone circulaire van 1774, waarin hij de verhevenheid der roeping der zijnen en do vrucht dei-missiën zoo heerlijk schildert, schreef hij deze woorden: âIk zou niet willen eindigen, zoozeer verlang ik u allen te zien branden van liefde tot J. 0. en geheel levend voor do vermeerdering zijner glorie, vooral in deze ongelukkige tijdon, waarin J. C. zoo weinig bemind wordt.quot;
En wijl oen ieder, in wolken staat hij
108
ook leve, kan medewerken tot de bekeering der zondaren en de redding der zielen, zoo kan ieder volgens zijn staat, dit schoonc gebed desHeiligen tot liet zijne maken: âMijn Heer Jezus Christus, hoe kan ik U genoegzaam danken voor de barmhartigheid, waarmede Gij mij geroepen hebt om het heilig werk te vervullen, dat Gij op aarde vervuld hebt? Welke aanspraak had ik op deze eer en dit voorrecht, ik, die U zoozeer beleedigd heb? O mijn Verlosser, daar Gij U gewaardigd hebt mij te roepen, wil ik ook al mijne krachten voor uwen dienst gebruiken. Hier ben ik, ik bied mij aan alle vermoeienissen te ondergaan en zelfs mijn bloed en leven te geven om U te gehoorzamen. En hierin wil ik niet mijne eigene neigingen volgen of mij de toejuiching en achting der menschen verwerven; het eenige, wat ik verlang, is U door allen bemind te zien, gelijk Gij het verdient. Ik acht mij gelukkig door
109
U voor flit groote work geroepen to zijn; en terwijl ik er mij aan wijd, betuig ik te verzaken aan allen lof der menscben, aan alle persoonlijke voldoening, om alleen Uwe glorie te zoeken. Aan U de oer en alles, wat U aangenaam kan zijn; aan mij alleen de tegenspoed, de vernederingen en bet verdriet. O Heer, neem dit offer aan van oen ellendigen zondaar, die U verlangt te beminnen en ook door anderen bemind te zien. O Maria, maebtige voorspreekster. Gij, die zooveel liefde voor de zielen bebt, sta mij bij.quot;
(Als boven, blz. 10.)
Voorbeeld.
Een kind door Alphonsns' reliquiegenezen.
Den llden Januari 1833 zond de dienaar Gods Jozef Passerat, overste der Redemptoristen te We enen, wiens proces van Zalig- en Heiligverklaring reeds is ingeleid, het volgende bericht aan zijnen Overste in Italië: Den30December 1832werd
(') T. a. p.
110
een meisje, Anna gelieeten, door zulk een hevige longontsteking aangetast, dat de ziekte naar de hersenen steeg en de Ijjderes zich op het ontvangen der laatste HH. Sacramenten moest voorhereiden. Haar biechtvader, wetende dat het kind eene groote devotie tot Alphonsus had, sprak tot haar: âGelooft gü, myn kind, dat de tusschenkomst van den Zaligen Alphonsus u kan genezen?quot; âEnwaarom niet? hernam zij ; is âhy dan mijn Vader niet?quot; â âNu dan, hervatte de priester, ik zal u eene reli-quie zenden van het kleed, waarin hij stierf.quot; â De reliquie werd haar gezonden, met het hevel ze O]) het hoofd, onder de doeken te leggen. Weinig tijds later vonden de biechtvader en de geneesheer haar veel slechter dan voorheen, ja het sterven nabij. Jn den avond, tegen negen uur, stamelde zij halfluid : âIk ga heen, ik sterf.quot; Tegen tien uur verzamelde zij al hare krachten, nam het plaatje van S. Alphonsus, dat vóór haar stond, kuste het, legde het op de reliquie, en terwijl zij een akte van vertrouwen verwekte op de voorbede van Gods dienaar, drukte zij ze nogr vaster op haar hoofd. Ondertusschen viel zij in slaap; doch toen zij eenige minuten later ontwaakte, sprak zij met luide stem : âHoe licht is mijn hoofd, hoe licH mijne hand!quot; Zij richt zich op en roept uit: Mijn God, ik ben volmaakt gezond,quot; en aanstonds stond Zà 0P, knielde neder, dankte God ön begon met hare dienstmaagden de Litanie des H. Alphonsus te bidden en een lied te zingen te zijner eer. De bewoners des huizes, waar het kind verbleef, kwa-
Ill
men op liet hooren daarvan toegeschoten : doch hoe stonden z\\ verbaasd, toen zy het kind, dat zij stervend waanden, daar zagen neergeknield, geheel gekleed, niet frissehe en blozende kleur, als ware zij nooit ziek geweest! Zij vroeg wat te eten, was blij en tevreden en gevoelde zich volmaakt hersteld. Den volgenden morgen ging z\j in de kerk der Redemptoristen God danken, dat het Hem behaagd had zijnen dienaar Alphonsus door de groote weldaad aan haar betoond zoo schitterend te verheerlijken.
FEESTDAG VAN DEN HEILIGEN ALPHONSUS.
(2 Augustus.)
Heerlijkheid des lieilig-en Alphonsus.
V O O R B E R K ID1 N (i.
Als de H. Kerk het leven en de daden van den H. Alphonsus beschouwt, rijst haar het beeld van den profeet Elias voor den geest en past zij op Alphonsus de woorden toe, die van Elias geschreven staan : âSurrexit quasi ignis et verhum ipsius quamp;si faeula ar débatquot;: Hij is opgestaan als een vuur, en zijn woord was als een brandende fakkelquot;. Ook voor ons, die morgen zyne verheerlijking vieren, straalt hij in dien glans der heiligheid, des woords en der mirakelen; en wjj zien hem als een anderen
112
Elias, in een vurigen wagen, â de vlammenzyner liefde tot God â opgenomen ten hemel. Vol vreugde en bewondering staren wij hem na en roepen hem met Eliseus' woorden toe: âO vader, goede vader, gij zyt onze steun en onze gidsquot;. Pater mi. pater mi, currus Israël etaurlga ejus. Gcljjk Elias zjjnen mantel, zoo laat Alphonsus ons zijn voorbeeld, zijne regels, zijne geschriften na als middel om in ons dien geest te bewaren, die ons als zijne leerlingen en navolgers zal doen kennen. â Bidden wij hem, dat zün dubbele geest, de geest van arbeid en gebed, in ons kome en altijd toeneme: ut fiat in nobis duplex spiritus ejus.
Eerste Punt.
God, die van zich zclvon getuigt ; âDie mij verheerlijkt, dien zal ook ik verheerlijkenquot;, quicumque ghrifi-caverit me, glorifiedbo eumquot;, (â¢) is reeds tijdens Alphonsus' leven begonnen deze belofte in hem te verwezenlijken. Zoo groot is de glans geweest, die zijne heiligheid heeft afgeworpen, dat een tijdgenoot, een Pater Dominicaan, die hem van nabij kende, aldus over hem
(') I. Reg. C. II. v. 30.
113
spreekt: âAls Missionaris en als Bisschop kwam mij Alphonsus altijd voor als een serafijn, meteenmensche-lijk hulsel omkleed, en zóó van liefde doordrongen, dat in hem al, wat aardsch, zwakheid en menschelijke hartstocht was, scheen verteerd en vernietigd. Steeds heeft hij zich aan mijne oogen vertoond zóó ver in deugd gevorderd, als ware hij reeds bevestigd in de genade. Een volkomen slachtoffer geworden op Gods altaar, leefde hij door het leven van Jezus Christus zei ven, niets willende, dan Gods Heiligen Wil, waarmede hij altijd vereenzelvigd was... Zijn leven scheen een voortdurend mirakel. Zeer weinig rust, zeer weinig voedsel, een zwak gestel gepaard aan bovenmatige en aanhoudende inspanning, waartoe hij de kracht vond in het vuur zijns ijvers voor de glorie Gods... En wat ten slotte hem tot een held heeft gc-
(quot;) Berruti. C. II,
9
114
maakt in de loopbaan der deugd, dat was die vrijheid zijns geestes, die hem te midden der zorgen en bezigheden een onbeschrijfelijke ingetogenheid deed bewarenquot;. Zóó werden reeds in Alphonsus' leven de woorden der H. Schrift verwezenlijkt: âDie U beminnen, o God, dat zij schitteren, gelijk de zon bij hare opkomst.quot; Qui dïligunt Te, sicut sol in orln suo splendet, ita rutilent.quot; (')
Doch wie zal ons de heerlijkheid van die zon beschrijven, nu zij tot hare middaghoogte is gekomen; wie zal ons de glorie en het geluk doen kennen van de ziel des Heiligen, sinds het oogenblik, dat zij met God, met Jezus Christus, met Maria onmiddellijk vereenigd is; sinds dat oogenblik, waarvan hij in zijn leven had gezegd: âMijn Jezus, het schijnt mij nog duizend jaren, eer ik sterven kan en U zien (2) sinds dat oogen-
(') Judic. c. V. v. 31.
(â !) Berruti. C. XIII.
115
blik, waarop hij, na den onzekeren arbeid dezes levens in de omhelzing van Jezus Christus deze woorden mocht hooren; âAVees gerust, goede dienstknecht, gij hebt goed gearbeid; ik ben tevreden, treed binnen in de glorie uws Heeren.quot; Ja, in de glorie, die van het aangezicht Gods op hem straat, zetelt Alphonsus op een troon, het hoofd omkransd met de dubbele kroon der maagden en leeraars; omgeven, gelijk hij zelf zich uitdrukt, 0) âdoor die honderdduizenden zielenquot; die door zijn woord, zijn voorbeeld, zijne geschriften zijn zalig geworden, maar vooral omringd van al zijne zonen en beschermelingen: Circa ilium corona fratrum, die zijne vreugde en heerlijkheid vermeerderen: vos estis gaudium et corona gloriae.quot; (2) Waarlijk, God heeft zijne belofte gestand gedaan. Qui se Immiliat ex-
(') Circul. v. 29 Juli 1774. (-) I. Thess. 11, 19.
116
allabitur: âDio zich vernedert, zal verheven wordenquot;; Alphonsus' woorden zijn bewaarheid: âHoe meer wij op aarde arm, veracht en vervolgd zullen zijn, des te grooter belooning wacht ons in den hemel.quot; Het woord, door God tot David gesproken en door de Kerk op hare Heiligen toegepast, (2) is in Alphonsus vervuld: âBij Mij zei ven heb ik gezworen: Zijne nakomelingschap blijft eeuwig bestaan; en zijn troon is als een zon voor mijn aangezicht en gelijk de maan, die voor eeuwig gevestigd is: Seniel juravi in sancto meo; semen ejus in aeternum manebit et sedes ejus simt sol in conspedu meo et simt luna perfecta in aeternum. (3) En op aarde is de zang der lofprijzing, de glorie der mirakelen, die hem reeds in zijn leven heeft vergezeld, over
(') Circul. v. 30 Sept. 1770.
(-) Commune imius martyris Pontificis.
(3) Ps- LXXXVIII. V. 36. 38.
117
zijn graf heengegaan en hem meer dan honderd jaren door gevolgd. Op zijne voorspraak genezen de zieken, vinden de ongelnkkigen hulp; zijne reliquieën zijn de werktuigen van Gods almacht geworden. Al de Pausen, die na hom hebben geleefd, hebben hem hunne hulde gebracht, de Kerk vereert hem op hare altaren, zij wijdt hem hare tempels, zij heeft hem de kroon der leeraren op het hoofd gezet en noemt hem het licht en don gids der geloovigen. De bisschoppen on priesters bezingen zijn lof; zijn naam staat naast dien van Maria boven oen onnoemelijk aantal beschermelingen en vereerders. O) Zijne werken, de schat van de bedienaren dor Kerk, verspreiden zich tot aan do eindpalen dor wereld; geen taal, waar-
(') Bekend is de Aartsbroederschap van 0. L. Vrouw van altijddurenden Bijstand en van den H. Alphonsus. wier hoofdzetel te Kome is en die over de geheele wereld is verbreid.
118
in zijn woord de harten niet tot kennis en liefde van Jezus en Maria voert. Zijne Congregatie breidt zich uit om de liefde haars Stichters overal heen te dragen, waar God haar roept. Waarlijk, Alphonsus is verheerlijkt. gelijk slechts een God zijne dienaren verheerlijken kan. Sic ho-norabitur, quemcumque vóluerit Sex li onware.
Tweede Punt.
Als de H. Alphonsus in zulk cene glorie voor de oogen der geheele zegepralende en strijdende Kerk schittert, hoe moet hij zich dan aan de oogen en het hart vertoonen van hen, die hij tijdens zijn leven zijne welbeminde broeders en zonen noemde en het ook werkelijk zijn en van hen allen, die hem bijzonder vereeren en aanroepen. Met welk een gevoel van liefde zullen zij hem
(') Esther VI. 9.
119
gelukwenschen met de glorie, die Hij geniet en God danken, die hun zulk een Vader en Patroon en aan dien Vader en Beschermer zulke heerlijkheid geschonken heeft. â Doch aan wie Alphonsus tot Patroon en Vader gegeven is, heeft God ook jegens Hem bijzondere verplichtingen opgelegd. â Is Alphonsus de leeraar der geiieele Kerk, dan moeten zijne geschriften vooral door die hem als Patroon of Stichter vereeren gelezen worden. Zijn trouwens de geschriften der Heiligen niet het beste middel om hunnen geest te kennen, over te nemen en te bewaren? Danken wij dan God, dat Hij ons in de talrijke werken des Heiligen daartoe zoo buitengewone middelen gegeven heeft; waarlijk, non fecit taliter omni nationi, niet aan allen beeft Hij dit gedaan.
Wordt verder Alphonsus door de H. Kerk aan allo geloovigen tot voorbeeld gesteld, vooral toch tot zijne vereerders en zonen richt hij de
120
woorden der Apostels: âWeestmijne navolgers, gelijk ik Christus' navolger ben.quot; Imitatores mei estate simt et e//6 Chris li. En ook in dit opzicht heeft God zich uiterst mild jegens hen getoond, door zoovele bijzonderheden zijns levens te hebben doen bewaren; zoodat er als 't ware geen toestand in ons leven is, of wij weten, hoe Alphonsus er zich in gedragen heeft. - En zal de Heilige als volgeling van Christus en beoefenaar der armoede eenmaal met Christus ten oordeel gezeten zijn, vooral zal hij eenmaal de Rechter wezen van hen, die er zich op beroemen zijne beschermelingen te zijn. Hooren wij de ernstige woorden, die hij in zijn leven tot de zijnen richtte, maar hun ook nu uit den hemel toespreekt; âAls iemand eene fout bedrijft, en er zich in den grond des harten over vernedert, hij zij verzekerd, dat ik hein ook uit den grond des harten vergeef; zijne vernedering zal hem
121
mij zelfs nog dierbaarder maken, dan te voren... Maar die onvolmaakten zal ik niet dulden, die zich niet willen beteren en die hunne onvolmaaktheden zoeken te verdedigen; bij voorbeeld fouten tegen de gehoorzaamheid, de armoede, de nederigheid, de broederlijke liefde.quot; C1) â âIk verwittig een ieder, die deze vermaningen in den wind slaat, dat ik op den laatsten dag zijn eerste aanklager zal zijn voor den rechterstoel van Jezus Christus, want ik heb niet opgehouden u deze zelfde vermaningen te doen, en toch heb ik velen God den rug zien keeren... ik wacht ze allen op den jongsten dag.quot; (2) En tot de Oversten: ,.Ik betuig, dat ik eenmaal op den jongsten dag voor den rechterstoel van Jezus Christus zal beschuldigen eiken Overste, die, om niemand verdriet aan te
(') Circul v. 8 Aug. 1754. {â ) Circ. v. 26 Febr. 1771.
122
doen, schadelijke fouten zou dulden of oorzaak zou zijn van verslapping1 in de Congregatie.quot; f1)
Doch boven alles is en blijft Alphon-susâ onze Vaderquot; gelijk men hemin zijn levenzoo gaarnenoemde. (2)EenVader, die beloofd heeft, dat hij in den hemel â het zijn eigene woorden â âmet God over de belangen der zijnen zou onderhandelen;quot; (;i) een Vader, die zijn bloed en leven voor ieder dei-zijnen verklaarde veil te hebben; (4) die tijdens zijn leven aan zijne zonen schreef: âNa God is ieder uwer het voorwerp mijner innigste liefde.quot; (3) ,.Ik bemin ieder uwer â God weet hot â meer dan mijn broeder en mijne moederquot;; C6) âIk zegen U en omhels U, (7), en ik bid onophoude-
(') Circul. v. 8 Aug. 1754.
{-) üilgskron. II. p. 497.
(3) Circul. van 27 Febr. 1771
(4) Circul. v. 8 Aug. 1754.
1 (5) t. a. p.
(0) t. a. p.
O t. a. p.
123
ien lijk voor Uquot; (r); een Vader, die, ge-ing lijk hij zeide, in den hemel de zijnen wacht âom daar nooit meer van hen gt;n- te scheiden.quot; (2) Als hij op aarde 'jn zoo innig heeft lief gehad, dan zal M', hij de zijnen nog veel meer hemin-el nen in den hemel. En wij, wij zul-
et len geen dag laten voorbijgaan zonder
'U hem met het grootste vertrouwen ge-
ie naden te vragen, de liefde tot Jezus
3r en Maria, de genade des gebeds, de
4) volharding, zijnen geest en zijnen
h zegen. Dan zal ook de wensch onzes
't Vaders vervuld worden, dien hij heeft
') uitgesproken: Ik zegen u allen en
t en elk in het bijzonder in naam der
i Allerh. Drievuldigheid; en ik bid
i Jezus Christus zijne liefde altijd meer
en meer te ontsteken in hen, die nu in de Congregatie leven en die in de toekomst er in leven zullen; opdat wij in den hemel, brandend van
(') Circ. v. 26 Pebr. 1772 en 30 Sept. 1770. (â 2) Oircul. v. 29 Juli 177-1.
124
liefde als serafijnen, de eeuwigheid door God mogen prijzen en de barmhartigheden bezingen, die Hij ons bewezen heeft.quot; f1)
(Als boven, blz. 10.)
Voorbeeld.
Pius IX eu Leo XIII over den H. Alplionsus.
Geen schooner kroon, na die der mirakelen, kon na Alplionsus' dood hem op aarde op het hoofd worden gezet, dan door de heerlyke getuigenissen, welke de twee laatste pausen, de onvergetelijke Pius IX en de thans roemrijk regeerende Leo XIII over hem hebben uitgesproken.
Nauwelijks had Pius IX met onfeilbaar gezag aan Alphonsus den titel van üTerfcZeemar toegekend, of h\j richtte daarover zijn herderlyk woord tot de katholieke Kerk en, tot eeuwige, gedachtenis, verklaarde hij: âVolgens een allerwijst plan van den Almachtigen God was het geschied, dat, toen het Jansenisme velen tot zich trok, Alphonsus Maria de' Liguori opstond en in het midden der katholieke Kerk zyne stem verhief en de taak op zich nam de nieuwe dwaling van den akker des Heeren tot den wortel toe uit te roeien. Maar dit was Alphonsus
(*) Circul. v. 29 Juli 1774.
125
niet genoeg: voor de glorie Gods, voor het geestelijk heil der raenschen schreef hij vele boeken vol geleerdheid en godsvrucht, hetzij om aan de bestuurders der zielen den waren en veiligen middelweg tusschen te groote strengheid en te grootc ruimte [van geweten aan te toonen; hetzg om hot katholieke Geloof te bevestigen en te handhaven tegen de ketters; hetzfl om de rechten des H. Stoels te verdedigen, hetzij om de harten der Geloovigen tot godsvrucht op to wekken. En men kan in volle waarheid zeggen, dat er geene dwaling in onzen tijd bestaat, of Alphonsus heeft ze, ten minste grootendeels, weerlegd. Ja, wat wij omtrent de Onbevlekte Ontvangenis der Moeder Gods en de Onfeilbaarheid des Pausen hebben geleeraard, dat vindt men in Alphonsus' werken en allerduidelijkst uiteengezet en allerkrachtigst bewezen.quot;
(Litterae aposstolicac van 7 Juli 1871.)
En Leo XIII schreef den 28 Augustus 1879 het volgende; âHoewel de geschriften van den heiligen Lceraar Alphonsus M. de' Liguori, tot groot nut der Christenheid, reeds over de gelicele wereld verspreid zijn, is het toch te wenschen, dat hun gebruik altijd meer algemeen worde, en zij in aller handen komen. Hü immers heeft op de geschiktste wijze do waarheden van het katholiek Geloof voor allen bevattelijk gemaakt; hij heeft aller godsvrucht buitengewoon opgewekt en aan hen, die in het midden van don nacht dezer wereld dwalen, den weg aangetoond om, aan de macht der duif-ternis ontrukt, te kunnen overgaan in het licht en
126
het ryk Gods. Hij heeft verder de goddelyke Openbaring met allersterkste'bewyzen tegen hare bestryders gehandhaafd; de waarheid onzes geloofs krachtig verdedigd; met onweerstaanbare overtuiging de Onbevlekte Ontvangenis der Moeder Gods bewezen ; het oppergezag en de onfeilbaarheid des Pausen heeft hy met alle inspanning voorgestaan. Hy heeft met godsvrucht en geleerheid de plannen uiteengezet, door God opgevat eu. uitgevoerd in het bewerken van de zaligheid der menschen door Jezus Christus; hy heeft de psalmen en hymnen der kerkelijke getijden vêrklaard, op eene wyze, die zeer geschikt is om de godsvrucht by de geestelijkheid op te wekken. Hy toonde de heerlijkheid der Kerk door de zegepraal harer martelaren; alle ketterijen heeft hy, zoowel door hunne geschiedenis te schrijven als door ze op dogmatisch gebied aan te vallen, met kracht bestreden, vooral echter heeft hij de dwalingen weerlegd van het Jansenisme en Febionianisme, die te zijnen tyde zich vooral verspreidden en in zich de kiem besloten van die menigte van monsterachtige dwa-ingen, waardoor thans de grondslagen van Kerk en Staat worden geschokt; en met zooveel scherpzinnigheid heeft hij dien stryd gevoerd, dat de meeste stellingen, die eene eeuw later door den SyUabus werden veroordeeld, reeds met name in zyne geschriften wederlegd zijn. Ja men kan in volle waarheid zeggen, dat er geen dwaling van onzen tyd is, die niet door Alphonsus ten minste grootendeels is wederlegd.quot;
127
âEn om niet te spreken van zijne Moraaltheologie wier naam over de geheele wereld met lof vermeld wordt en een volkomen veilig richtsnoer voor de zielbestuurders is, â Alphonsus heeft met een nieuw vuur de kwijnende liefde door veelvuldige en geleerde geestelijke geschriften gekoesterd, gevoed en doen toenemen; vooral jegens Onzen Heer Jezus Christus en zijne allerzoetste Moeder, in wier liefde hy, tot onbeschryfelijk nut der geloovigen, zelfs de verkoelde harten ontstoken heeft. En bij dit alles is het vooral opmerkelijk, dat, gelijk na een naarstig onderzoek gebleken is, hoewel hy zooveel geschreven heeft, de geloovigen toch al zijne boeken zonder vrees voor eenige dwaling kunnen doorloopen.quot;
128
Gebed tot den H. Alphonsus.
0 mijn roemvolle en geliefde Beschermer, heilige Alphonsus, gij, die die zooveel gedaan en geleden hebt om de vrucht der Verlossing aan de menschen te verzekeren, zie neer op de ellende mijner arme ziel en heb medelijden met mij. Verwerf mij, door uwe machtige voorspraak bij Jezus en Maria, met een waar berouw de vergiffenis mijner vroegere zonden, een grooten afschrik voor het kwaad en de kracht om altijd weerstand te bieden aan de bekoring. Deel mij, bid ik U, een vonkje mede van die brandende liefde, welke uw hart altijd ontvlamde, en maak, dat ik, in navolging van U, het goddelijk Welbehagen tot eenigon regel van mijn leven houde. Vraag bovendien voor mij eene vurige en standvastige liefde tot Jezus en eene teedere en kinderlijke godsvrucht tot Maria, de
129
genade van altijd te bidden cn tot het oogenblik van mijnen dood in den dienst van God te volharden, opdat ik mij eindelijk met U kunne vereenig-en, om God en de Allerliei-ligste Maagd Maria te loven in de g-ansche eeuwigheid. Amen.
Aflaat van 200 dagen éénmaal daags. (Eescr. van de Congr. der Aflaten 18 Juni 1887.)
Gebed des H. Alphonsus.
Om de liefde tot Jezus Christus te verier ij gen.
O mijn gekruiste Liefde, mijn beminnelijkste Jezus, ik geloof in U, ik belijd ü als den waren Zoon Gods en den Zaligmaker der wereld. Ik aanbid U uit den afgrond mijner ellenden en ik dank ü voor den dood, dien Gij hebt willen ondergaan om mij het leven der goddelijke genade
10
130
te verwerven. O getrouwste aller vrienden! O liefdevolste aller vaders! O beminnelijkste aller meesters! Mijn beminde Verlosser, aan U ben ik al mijn geluk verschuldigd, mijne ziel, mijn licbaam en gebeel mij zeiven. Door ü ben ik van de bel bevrijd; door U heb ik de vergiffenis mijner zonden ontvangen; door U is mij de hoop op den hemel geschonken. Maar ik, ondankbare, in plaats van U te beminnen, heb U na zooveel barmhartigheden en teekenen van bijzondere voorliefde op nieuw beleedigd. Ik zie, dat ik tot straf verdienen zou veroordeeld te worden om U niet meer te kannen beminnen. Doch neen, mijn Jezus, kies voor mij alle andere straffen uit, maar deze niet. Heb ik U in het verledene veracht, thans bemin ik U, en ik verlang U te beminnen uit geheel mijn hart. Maar Gij weet wel, dat ik niets vermag zonder uwe hulp. Nu Gij mij dan beveelt U lief te hebben, en Gij
131
mij elke genade aanbiedt, opdat ik ze vrage in Uwen naam, zoo stel ik mij, arm als ik ben, maar vertrouwend op Uwe goedheid en op de belofte, die gij mij door deze woorden gedaan bebt: Als gij den Vader iets in mijnen naam vraagt, dat zal ik doen, voor den troon uwer barmhartigheid, en ik vraag U, om de verdiensten van Uw lijden op de eerste plaats de vergiffenis van al mijne zonden. Ik heb er berouw over uit geheel mijne ziel, wijl ik U, oneindige Goedheid, daardoor beleedigd heb. Vergeef mij dus, en geef mij met de vergiffenis de heilige volharding tot aan den dood, en geef mij intusschen de gave Uwer heilige liefde.
O mijn Jezus, mijne hoop en mijne eonige liefde, mijn leven, mijn schat, mijn al, spreid over mijne ziel dat licht der waarheid uit en dat vuur der liefde, dat Gij op de aarde zijt komen brengen. Verlicht mij om altijd beter te kennen de schoone aanspraken, die Gij
13a
op onze liefde hebt en cle onmetelijke liefde, die Gij mij hebt toegedragen door zooveel te lijden en te sterven voor mij. Maak, bid ik U, dat in mij eene liefde zij, gelijk waarmede Uw eeuwige Vader U bemint. En gelijk Hij in U is, en hetzelfde is, als Gij zijt, zoo moge ook ik door middel eener ware liefde in U zijn, en door eene volmaakte vereeniging van wil geheel één met U. Geef mij dan, o mijn Jezus, de genade van ü te beminnen uit al mijne neiging en ü altijd to beminnen en U altijd de genade te vragen van U lief te hebben. Moge ik zoo mijn leven in Uwe liefde eindigen, in den hemel komen om U te beminnen met zuiverder en volmaakte liefde en, door U voor eeuwig te bezitten, ook niet meer ophouden U lief te hebben.
O Moeder der schoone liefde. Allerheiligste Maagd, mijne voorspreekster, mijne hoop na Jezus, Gij, die onder de schepselen dien God het meest
133
bemint, en niets meer verlangt, dan Hem van alle zielen bemind te zien, ik bid U om de liefde van dien Zoon, die om mijne zaligheid te bewerken voor uwe oogen gestorven is, bid voor mij en verkrijg mij de genade Hem lief te hebben, altijd en van ganscher harte. Aan U vraag ik deze genade, van U verhoop ik ze. Amen.
Gebed des heiligen Alphonsus.
Om de eindvólharding te verwerven.
Eeuwige God, ik aanbid U, en ik dank U, dat Gij mij geschapen hebt en mij hebt verlost door Jezus Christus; ik dank U, dat Gij mij tot een kind der heilige Kerk hebt gemaakt; dat Gij op mij gewacht hebt, toen ik in zonde leefde; dat Gij mij zoo dikwijls vergeven hebt en mij daarna voor zooveel zonden hebt behoed, waarin ik zou gevallen zijn, indien Gij
134
mij niet met Uwe genade waart te hulp gekomen. Maar de vijanden zullen niet ophouden mij tot aan mijnen dood te bekoren ; als Gij mij niet bijstaat, zal ik IJ opnieuw beleedigen en erger dan te voren. Geef mij, om de liefde van Jezus Christus, de heilige volharding. Jezus Christus heeft ons beloofd, dat Gij ons alle genaden zoudt schenken, die wij U zouden vragen in zijnen Naam. Om de verdiensten dan van dien Zoon vraag ik U de genade, dat ik mij niet meer van U afscheide: Ne per-mittcis me separari a Te. En die genade vraag ik ü nog voor alle anderen, die op hot oogenblik Uwe vriendschap genieten. Ik ben er zeker van, dat, zoo ik voortga U de volharding te vragen, ik ze zal verkrijgen; want Gij hebt beloofd te verhooren, die U iets vraagt. Maar hiervoor ben ik bevreesd: ik ben bevreesd, dat ik in eene of andore gelegenheid zal nalaten mij aan U
135
aan te bevelen, en zóó verloren te gaan. Die genade vraag ik ü dus in naam van Jezus en Maria: de genade van niet op te houden met bidden. Geef, dat ik in de bekoringen altijd tot U mijne toevlucht neme, door de namen van Jezus en Maria aan te roepen. Zóó, o mijn God, hoop ik vastclijk, in uwe genade to sterven en ü te gaan beminnen in het Paradijs, waar ik zeker zal zijn, dat ik mij niet van U zal scheiden en U zal liefhebben do geheele eeuwigheid door. Amen.
Praktische wijze om het inwendig gebed te doen.
Van den H. Alphonsus.
In de Voorhereidinrj zegge men: I. Mijn God, ik geloof, dat Gij hier tegenwoordig zijt, ilc aanbid U uit geheel wijn hart, JI. Heer, om mijne
136
zonden verdiende ik de hél; maar het spijt mij U heleedigd te hebben; schenk mij vergiffenis. III. Eeuwige Vader, ter liefde van Jezus en Maria, geef mij licht. â Dan bevele men zich door een Wees-gegroet aan de Allerheiligste Maagd aan; verder aan den H. Joseph, den Engel-bewaarder en den Patroonheilige, en gaat men over tot de meditatie.
Men leze de overweging enhoude op, waar men voedsel vindt. En daarna zorge men gevoelens van nederigheid, van dankbaarheid te verwekken, en bovenal gevoelens van berouw en liefde en van berusting omtrent alles in Gods heiligen Wil en opoffering van zich zeiven, door de woorden: Heer, doe met mij, wat U behaagt, en doe mij kennen, wat Gij van mij wilt; ik wil dat alles doen. Men zorge ook bijzonder oèi genaden te bidden; men vrage God de heilige volharding, zijne liefde, en kracht en licht om altijd den god-
137
delijken Wil te doen en om altijd te bidden.
Vóór laet einde der overweging moet men het bijzonder besluit maken om eenige fout te vermijden, waarin men dikwijlder valt, en eindigen met een Onze-Vader en een Wees-gegroet; en altijd bovele men bij zijn gebed de zielen des vagevuurs en de zondaren aan.
INHOUD.
Inleiding.......Wz. i.
Eerste dag. Hoe de H. Al-phonsus door God geroepen werd....... 1
Tweede dag. Liefde van den
H. Alphonsus tot God . â 12 Derde dag. Godsvruclit des H. Alphonsus tot liet H. Sacrara ent des Altaars. â 25 Vierde dag. Alphonsus' over-
geving aan Gods H. Wil. â 36 Vijfde dag. Godsvrucht van Alphonsus tot het Lijden
van Jezus..... ,⢠47
Zesde dag. Alphonsus' haat
togen de zonde. ... â 59 Zevende dag. IJver, waarmede Alphonsus zich aan God gegeven heeft , . â 71
139
Achtste day. Devotie van Alphonsus tot deAllerh.
Maagd Maria .... blz. 85 Negende dag. Zielenijver des
H. Alphonsus .... â 97 Feestdag des Heiligen. Heerlijkheid des H. Alphonsus. â 111 Gebed tot den H. Alphonsus. ,, 128 Gebed des H. Alphonsus om de liefde tot Jezus Christus te verkrijgen . â129 Oébed des H. Alphonsus om de eindvolharding te
verkrijgen..... â133
Praktische wijze om het inwendig gehed te doen.
Van den H. Alphonsus . â135