-ocr page 1-

467

' - ■ I

f - ' ^ \r

DE

|WARE LIEFDEZUSTER

I MET BETREKKING TOT DE ZIEKEN

3 EN HET

| ONDERWIJS DEB KINDEREN.

II

H j

Vak 164 quot; 1

HÈÊÊm

■lülüi

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

DE

WARE LIEFDEZUSTER

MET BETREKKING TOT DE ZIEKEN

ÉN HET

ONDERWIJS DEB KINDEREN.

DOOR

F. PETEES, C.SS.R.

Liturgische VareeniglrWj A«rt»btsd©m UTRECHT ^ _

GULPEN, 1891.

DRUK VAN M. ALBERTS EN ZONEN, UITGEVERS.

-ocr page 5-

GOEDKEURING.

Door onzen Hoogw. P. Generaal N. Mauron daartoe gemachtigd, staan wij toe, dat het boekje «De ware Liefdezuster enz. door F. Peters, C. SS. R.», gedrukt worde.

J. MEEUWISSEN, C.SS.R.

Sup. Prov.

IMPRIMATUR.

Kuraemundae 8 Septernbris 1891.

P. J. H. RUSSEL, Can. Tueol. ,

Librorum Censor.

-ocr page 6-

VOORBERICHT.

Onder de verschillende liefdewerken, welke Gode toegewijde maagden met zulke groote edelmoedigheid verrichten, komen vooral in aanmerking de verpleging der zieken en het onderwijs der kinderen. Den lijdenden evenmensch met eene meer dan moederlijke zorg te verplegen, hun lijden te verzachten, hen door een vurig gebed en een stichtend voorbeeld voor te bereiden tot de gelukzalige eeuwigheid , is een Gode hoogst aangenaam, den zieken zeiven hoogst nuttig en den verpleegsters hoogst verdienstelijk werk. Zij, die door God tot zulk een verheven werk geroepen zijn, zijn Gode dankbaarheid verschuldigd en mogen zich gelukkig achten. Immers zij kunnen op eene bijzondere wijze God verheerljjken, vele zielen winnen voor den hemel en stijgen tot een hoogen trap van volmaking. Evenzoo de Bruiden des Heeren, die door God geroepen en door hunne Oversten bestemd worden tot het onderwijs der kinderen. Ook dezen zijn met eene zeer verheven taak belast. Zij waken met de grootste zorgvuldigheid op de onschuld der kinderen. Zij leeren hen het kwaad vermijden , zonder dat zij het kwaad kennen. Zij verwijderen van hen zooveel mogelijk alles, waardoor een slapende harts-

-ocr page 7-

tocht zou kunnen ontwaken en zij leggen den grondslag van hun godsdienstig leven voor de toekomst. Maar dan moet eene Liefdezuster ook eene ware Liefdezuster zijn. En daarom heb ik gemeend haar in dit werkje te mogen wijzen op die eigenschappen, welke eene ware Liefdezuster moet bezitten om dien naam waardig te dragen en door in eenige bijzonderheden te treden , haar te wijzen op hetgeen zij vermijden en beoefenen moet. Moge dit werkje haar welkom zijn, moge God er door verheerlijkt en het heil der zielen er door bevorderd worden. Dan is de wensch des schrijvers vervuld en zijn arbeid ruim beloond.

-ocr page 8-

HOOFDSTUK I.

Wat is eeiie ware llefdezustei»?

§ 1-

In het oog der wereld eene dwaze jonge dochter,

IDat eene jonge dochter, karig met goede natuurlijke en lichamelijke hoedanigheden bedeeld , aan wie de zondige wereld zich niets laat gelegen zijn, de wereld verlaat om zich den dienst des Heeren toe te wijden, hiermede neemt de wereld genoegen. Ongestoord kan zij den weg inslaan, die naar het huis des Heeren leidt, Geene poging wendt de wereld aan om haar van besluit te doen veranderen. Vrij en ongehinderd kan zij de wereld verlaten, van wie de wereld niet wil gediend zijn.

De ware Liefdezuster. 1

-ocr page 9-

2

Maar als er spraak van is, dat eene jeugdige persoon met een goed voorkomen, begaafd met vele goede natuurlijke en lichamelijke hoedanigheden , en tevens niet onvermogend, de wereld zal verlaten om Jezus in den persoon van arme zieken te dienen; dat kan de wereld niet dulden. Alles wordt in het werk gesteld om haar zulke gedachte uit het hoofd te bannen, niets laat men onbeproefd om haar van plan te doen veranderen. De toekomst in de wereld wordt liaar zoo rooskleurig mogelijk voorgespiegeld. Meer dan ooit is zij nu welkom in de gezelschappen. Meer dan ooit wordt zij geprezen en gevleid, ja als met loftuitingen overladen. Meer dan ooit tracht men zich toe-srans te verschaffen tot dat voor de wereld

O O

gesloten hart. Maar ook meer dan ooit schittert thans hare deugd; met eene bewonderenswaardige edelmoedigheid zet zij haar eenmaal opgevat plan door. Doof voor de stem der wereld, doof voor den overigens zoo verleidenden sirenenzang, dien zij in de verte hoort, luistert zij alleen naar de stem des Heeren, die haar onder dnizenden tot Zijne bruid heeft uitgekozen. Innig overtuigd van hare zwakheid en de veranderlijkheid van 's menschen hart, steunt zij niet op hare eigene krachten; maar op de hulp van den Welbeminde haars harten. Vandaar dat zij vuriger dan ooit bidt en zich

-ocr page 10-

3

meermalen sterkt met het Brood der Engelen. Innig vereenigd in de H. Communie met Jezus, die de liefde zelve is, ontvlamt ook hare liefde, zoodat zij uitroept met den Profeet: »Wat heb ik in den hemel en wat verlang ik op aarde buiten LM... De God mijns harten en mijn deel is God voor eeuwigquot; (1). De liefde sterk als de dood, doet haar verachten wat de wereld haar kan aanbieden. De liefde geeft haar vleugelen en over een berg van moeilijkheden vliegt zij heen. De God baars harten werpt haar den reddingsband der liefde toe, zij grijpt dien met beide handen vast en laat hem niet los. Door God den Vader wordt zij tot Zijnen Zoon getrokken, die haar als Bruid verlangt. Alle banden, die haar nog aan de wereld boeien, worden verbroken. Opgetogen van vreugde roept zij uit: »Onze ziel ontkwam als eene musch uit den strik des vogelaars; de strik is verbroken en wij zijn ontkomenquot; (2). Los van alle banden en alleen gebonden door den zoeten band der liefde Gods, ijlt zij als eene hinde den strik ontsnapt, over het gebergte naar de stille eenzaamheid, naar het huis des Heeren, ver buiten het gewoel der wereld. Nu ziet de wereld zich hare prooi ontsnapt. Maar nu veranderen ook hare loftuitingen, hare voor-

(1) Ps. 72. 25. (2) Ps. 123. 7.

-ocr page 11-

4

komendheid en hare liefde van weleer, in verachting en bespotting. De vroeger zoo gevierde wordt als eene dwaze en uitzinnige jonge dochter beschouwd, die op het drijven van een onervaren leidsman, haar geluk met voeten treedt. O arm kind! zoo spreekt de teleurgestelde wereld en met gehuichelde droefheid beweent zij haren dwazen slap. Hadde zij minstens eerst de wereld genoten, dan konde zij beter oordeelen, maar nu weet zij niet wat zij doet.

O dwaze redeneering! alvorens aan het gift te verzaken, zou men eerst het moeten proeven om te weten welke werking het heeft. O baatzuchtige en huichelachtige wereld! om eene jonge dochter, die haar bevalt in haar midden te behouden, prijst en vleit zij haar bovenmate. Gelukt dit middel niet, dan neemt zij den schijn aan van ware belangstelling, zij beklaagt haar als iemand, die zijn ongeluk te gemoet loopt. Baat ook dit middel niet, dan haalt men de schouders op en zegt: dat zij dan heenga, zij zelve moet het weten, maar-dwaas is zij in den hoogsten graad. Ja waarlijk dwaas is zij geworden in het oog der wereld, maar wijs in het oog van God. De wereld moge zich wijs wanen, zij roeme op hare wijsheid, maar onherroepelijk blijft het woord des Heeren waar: »De wijsheid dezer wereld

-ocr page 12-

is dwaasheid bij Godquot; (I) en wat de wereld dwaasheid noemt is bij God wijsheid. Die jonge dochter is nu dwaas geworden voor de wereld om wijs te zijn. Maar wat ligt er haar aan gelegen hoe de wereld over haar denkt, hoe de wereld over haar spreekt: zij is der wereld en de wereld haar gekruisigd. Met de Bruid der gezangen roept zij jubelend uit: »Ik heb Dengenen gevonden, dien mijne ziel liefheeft; ik zal Hem vasthouden en Hem niet laten gaanquot; (2). Zij bindt zich zelve met drie koorden aan Hem vast, ilat is, door de drie geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid om voor altijd eene getrouwe bruid des Heeren te zijn. De wereld lacht met haar en zij lacht met de wereld; dood voor de wereld, leeft zij voor Gol en slijt hare dagen in zoete rust en ongestoorder! vrede aan de zijde van haren goddelijken Bruidegom. Maar vooraleer zij zoo ver gekomen is, moet zij zich niet alleen getroosten door de wereld voor eene dwaze jonge dochter, maar ook door bloed- en aanverwanten vaak voor een ondankbaar kind gehouden te worden.

(1) I Corinth. 3. 19. (2) Cant. 3. 4.

-ocr page 13-

6

§ 2.

In het oog van bloed- en aanverwanten vaak een ondankbaar kind.

Als een voornaam, hooggeplaatst, rijk en tevens godsdienstig jongeling zijn oog laat vallen op eene jonge dochter van geringeren stand en haar ten huwelijk vraagt, dan hebben hare ouders in den regel niets daartegen in te brengen, maar zij zijn er zelfs zeer mede ingenomen. Verre van zulk aanzoek van de hand te wijzen, wordt het met vreugde begroet. De hand van zulken jongeling mag hunne dochter niet weigeren. Zulk aanzoek doet zich hoogst zelden voor; duizenden zouden haar geluk benijden en zij mag het niet met voeten treden. Maar als de Zoon Gods, die alle beminnelijke hoedanigheden in een eindeioozen graad bezit, zich gewaardigt eene jonge dochter onder duizenden uit te kiezen en haar als Bruid aan te nemen, dan worden er helaas! vele ouders gevonden, die, in plaats van zulke blijde tijding met vreugde te begroeten, zich bitter bedroeven, als waren zij door eene zware ramp getrollen; die niet zelden alles in het werk stellen om hunne dochter over te halen zulke vereeniging niet aan te gaan. En zonderling genoeg! het zijn nog dikwijls ouders, die overigens als deugdzame katholieken staan aangeschreven. Aan

-ocr page 14-

7

een schepsel staan zij hunne dochter af, aan den Schepper willen zij haar niet geven, alsof het schepsel, niet de Schepper, hun kind gelukkig maken kan. Vandaar dat zij geene redenen tegen, maar vele redenen voor de verbintenis harer dochter met het schepsel weten aan te halen, maar als er spraak is van eene nauwe verbintenis met God, dan doen zij allerlei redenen daartegen gelden, hoe ongegrond, hoe ongerijmd dan ook. Beschouwt dan eene jonge dochter het als een plicht hare ouders vroegtijdig te verwittigen als een jongeling om hare hand komt vragen, iets anders is het, als zij zich tot liet klooster geroepen gevoelt; in dergelijk geval meent zij terecht niet gehouden te zijn hen aanstonds in kennis te stellen van haar voornemen, overtuigd als zij is dat de ouders omtrent deze zaak hunne dochter slechts zelden goeden raad kunnen, maar dikwijls slechten raad zullen geven ; immers, zien wij niet gewoonlijk, dat onder allerlei voorwendsels haar zulke verbintenis ten sterkste ontraden wordt. De moeder treedt in den regel op den voorgrond en gebruikt al hare welsprekendheid om haar van plan te doen veranderen, om hare dochter van zulke verbintenis terug te houden, op gevaar af zich zelve met hare dochter ongelukkig te maken voor tijd en eeuwigheid.

-ocr page 15-

8

Eindelijk na veel gebeden en haar biechtvader geraadpleegd te hebben, maakt zij haren ouders, niet zonder vreeze, haar plan bekend en vraagt hun met allen eerbied het verlof de wereld te mogen verlaten om zich den Hecre Jezus toe te wijden. Nauwelijks is deze bede van hare lippen of het arme kind heeft een harden strijd te verduren. Met weemoed in het hart, met tranen in de oogen aanschouwt de moeder hare teergeliefde dochter en stamelt de woorden: »Gij mijn kind, wilt gij dan uwe moeder verlaten, geen steun voor mij zijn in mijne oude dagen ? Gij kunt in de wereld immers ook deugdzaam leven, waarom mij dan verlaten, die zooveel voor u gedaan en geleden hebquot;?Zulke taal hoort men maar al te dikwijls. Het is de stem der natuur, waaraan eene jonge dochter niet altijd weerstand biedt. Blijft zij echter getrouw aan de stom des Hoeren, dan is er aan bidden en smeeken geen einde. Bedreigingen zelfs ontbreken niet. Niets zal haar worden medegegeven. Aan haar kinderlijk erfdeel moet zij vaak, gedeeltelijk althans, verzaken. En met dit alles blijft haar de toestemming geweigerd. Blijft zij onwrikbaar in haai- voornemen, dan worden dikwijls bloed- en aanverwanten en anderen, die eenigen invloed op haar kunnen hebben, aangesproken om haar van besluit te

-ocr page 16-

9

doen veranderen. Ziet men haar, van alle kanten in het nauw gebracht, wankelen in haar opgevat plan , dan wordt de zedelijke dwang dien men op haar uitoefent, verdubbeld. Maar volhardt zij in haar voornemen , blijft zij aan hare roeping getrouw, sluit zij hare ooren voor alle srneekingen en bedreigingen om alleen te luisteren naar de stom des Heeren, dan wordt zij als eene ondankbare beschouwd, als een koud en onverschillig kind, dat geene liefde voor zijne ouders heeft. Hoe! een ouden vader, eene bejaarde moeder te verlaten, geen steun voor hen te willen zijn in hunne oude dagen, is dat geene verregaande ondankbaarheid? — Maar doof voor smeeking en bedreiging, blijft zij ook doof voor het harde verwijt dat zij hooren moet. Met eene groote edelmoedigheid verheft zij zich boven dat alles. Zij heeft de stem van God gehoord: sHoor o dochter! en zie en neig uw oor, en vergeet uw volk en uws vaders huisquot; (1) en tevens de vreeselijke bedreiging van den Heer Jezus: »Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardigquot; (2) en sNiemand die zijne hand aan den ploeg geslagen heeft, en achterwaarts ziet, is voor het rijk Gods geschiktquot; (3). Met een heilig geweld, dat zij zich

(1) Ps. 44. 11. (2) Math. 10. 37. (3) Luc. 9. 62.

-ocr page 17-

40

aandoet, rukt zij zich los uic de armen van een bedrukten vader, van eene bedroefde moeder om naar het land te gaan door God haar aangetoond. Daar wachten haar met ongeduld eene menigte arme zieken, die reikhalzend naar hunne verzorging uitzien en haar als eene tee-dere moeder begroeten.

§ 3.

In het oog der zieken eene teedere moeder.

Vrome stichtingen van weleer, milde bijdragen van velen in onze dagen hebben, als blijvende getuigen der christelijke liefde, zoovele gebouwen doen verrijzen, waar de arme zieken een toevluchtsoord vinden en kosteloo.s worden verpleegd. Wat zou er zonder deze gast- of ziekenhuizen van hen geworden? Immers, betreurenswaardig is het lot der armen, maar al lei-betreurenswaardigst, als zij hulpeloos op een ziekbed, zeg ik liever op een handvol stroo liggen uitgestrekt. Zij zijn de meest hulpbehoevende menschen, die zichzelven onmogelijk kunnen redden. Zeer velen den rijken vrek gelijk, trekken zich hun lot niet aan. Eene moeder, die hen verplegen kan, bezitten velen niet meer. En zou dit ook het geval zijn, menige moeder bezit de middelen niet om haar kind te verzorgen, zooals het behoort en zij zelve zoo vurig verlangt. Haar wil is goed, maar de

-ocr page 18-

n

macht ontbreekt haar en tevens niet zelden de tijd, die voor andere kinderen en de dage-lijksche huiselijke bezigheden gevorderd wordt. Nog eens, wat zou er dan van zulke arme zieken geworden, indien zij aan hun eigen lot schier werden overgelaten en er geene ziekenhuizen bestonden? Dan Gode zij dank men vindt ze bijna in alle steden en in vele groote plaatsen. Maar wie zal ze daar verplegen? Wie zal de vernederendste werken bij zulke bediening vereischt, zich laten welgevallen ? Wie zal ze dag en nacht met do teederste liefde verzorgen ? Zullen het dienstboden zijn, die voor geld tot zulke diensten zich leenen ? Maar dan is het geld de eenigste drijfveer van hunnen arbeid en de ware liefde tot den lijdenden evenmensch laat maar al te dikwijls veel te wenschen over. Vele zieken in de stad Parijs, door bezoldigde leeken verzorgd, zonden het kunnen getuigen. Maar wie is zij die het ouderlijk huis verlaat, waarin niet zelden welvaart heerscht, om zich te midden van arme en vaak walgelijke zieken te begeven, zonder geldelijke verdiensten, zonder de minste tijdelijke belooning? Wie zal den zieken daar zonder aardsche vergelding de nederigste diensten bewijzen ? Wie hare nachtrust opofferen om met onuitputtelijk geduld en eene weergalooze liefde ze te verplegen ? Wie als

-ocr page 19-

12

cenc teedere en bezorgde moeder zich plaatsen aan hun ziekbed om hunne zuchten te doen staken, hunne tranen af' te drogen en hunne wonden te helpen heelen? O! het is deze edele jonge dochter, die de wereld heeft verlaten om zich als eene ware Liefdezuster den dienst des Heeren toe te wijden. Om ongehinderd den lijdenden Jezus in den persoon der zieken behulpzaam te kunnen zijn, heeft zij alle banden verbroken, die haar aan de wereld boei-den. Zij heeft ^ich losgemaakt van do omgeving der bloed- en aanverwanten, verzaakt aan eene verbintenis met het vergankelijk schepsel, om des te vrijer den goddelijken Zaligmaker te dienen, die Zich gewaardigd heeft den dienst, den armen zieken bewezen, te beschouwen alsof deze Hem zeiven ware bewezen. In plaats van eene meesteres te zijn in haar eigen huis, wordt zij eene nederige dienstmaagd in het huis des Heeren. In plaats van te gebieden als eene meesteres in haar huis aan al hare onderdanen, wordt zij de onderdanige dienares van eene menigte arme zieken, wien zij, als waren zij Christus zelf met eerbied alle diensten bewijst. In plaats van zich te vermaken in wercldsche gezelschappen, vindt zij haar genoegen in het midden van hen, die arm en verlaten met walgelijke ziekten behebt zijn. In plaats dat haar oor gestreeld wordt door

-ocr page 20-

13

de muziek van concerten en tooneelspelen hoort zij het zuchten en klagen van den lijdenden naaste en luistert zij aandachtig niet om te genieten maar om te helpen. Verzaakt zij aan het vooruitzicht in de wereld moeder te worden, het is alleen om moeder te zijn van arme en ongelukkige zieken, die zij met de teederheid eener moeder verpleegt en verzorgt. Wat meer is, eene natuurlijke moeder kan haar ziek kind niet beter verzorgen, dan zij zorg draagt voor de zieken aaa hare bediening-toevertrouwd. Is het dan ook wonder, dat dezen haar als eene tweede moeder beschouwen , terwijl zij God danken, dat Hij hun zulke moeder geschonken heeft. Wat een verrukkend schouwspel voor de Engelen in den hemel en de menschen op aarde! Eene jeugdige maagd, die volop de wereld kan genieten, treedt de wereld en hare genoegens onder de voeten, geheel vrijwillig zonder eenigen dwang, om geheel haar leven te slijten in het midden van arme en lijdende menschen, alwaar de natuur niets aantrekkelijks vindt en men voortdurend zich moet overwinnen om de vernederendste diensten te bewijzen aan arme kran-ken soms door eene walgelijke en besmettelijke ziekte aangetast, liet is een verrukkend schouwspel aan de heidensche wereld onbekend. In de R. K. Kerk alléén is men er getuige van en

-ocr page 21-

14

geen wonder, zij is vruchtbaar gemaakt door den H. Geest, die de liefde is des Vaders en des Zoons. Een schouwspel, dat die landen hindert, welke tot het heidendom overhellen en het daarom niet willen dulden. Maar wat heeft dan toch eene jonge dochter hiertoe kunnen doen besluiten ? De liefde tot Jezus , de liefde sterk als de dood. Wat eene verhevene roeping door God te zijn uitgekozen om Hem in den persoon der zieken uit liefde te dienen!

-ocr page 22-

HOOFDSTUK 11.

Verheven is hare roeping.

§ 1-

Omdat haar leven veel overeenkomt met het werkzame leven van Jezus.

IDe schepping is ongetwijfeld de eerste weldaad, door God, den Schepper, ons geschonken. Immers waartoe zouden alle andere weidaden ons kunnen dienen , indien wij niet bestonden? Na de weldaad der schepping volgt het verlossingswerk. Zonder de verlossing waren wij kinderen des doods, kinderen der goddelijke wrake. De derde weldaad, volgens den 'H. Kerkleeraar Alphonsus, de grootste na de schepping en de verlossing, waarmede slechts weinigen verrijkt zijn, wordt eene jonge doch ter geschonken, als God haar roept tot den kloosterlijken staat.

In het eene klooster leidt men een beschou-

-ocr page 23-

16

wend leven, dat is, men werkt er niet naar buiten, men geeft er geen onderwijs aan de jeugd, men verpleegt er geene zieken, men verzorgt er geene weezen , men neemt geene ouden van dagen op. In het andere leidt men ook een beschouwend maar een werkzaam leven tevens met betrekking tot den naaste, die daar buiten is. Men bidt en overweegt er op zijn tijd, maar voor het grootste gedeelte van den dag houdt men zich bezig met het verplegen van zieken en andere liefdewerken. Wij zullen hier niet over die verschillende orden of congregatiën in liet bijzonder spreken, veel minder van de bewijzen, welke men wil doen gelden om de eene kloosterlijke inrichting boven de andere te verheffen. Eene ware liefdezuster heeft echter dit voor, dat haar leven veel overeenkomst heeft met het leven van onzen goddelijken Zaligmaker op aarde. Nu en dan zonderde Hij zich af van de menigte die Hem omringde, om alleen te bidden , ja zelfs den nacht bracht hij soms door in het gebed. Maar slaan wij het H. Evangelie open, dan zien wij ook, dat Hij rondging, overal weldoende. Hij had een groot medelijden met de armen en gaf hun te eten. Eene groote menigte volks had Hem drie dagen zonder voedsel gevolgd. Dit wekte Zijn medelijden op. Hij wilde Zich over die menigte er-

-ocr page 24-

17

barmen. »Ik heb medelijdenquot;, zoo sprak Hij, »met de schare, want zie, zij zijn nu reeds drie dagen aanhoudend bij Mij en hebben niets te eten. En zoo Ik hen zonder spijze naar hunne huizen laat gaan, zullen zij op den weg bezwijken, want sommigen van hen zijn van verre gekomenquot; (1). En Hij deed een wonder van liefde. Hij vermenigvuldigde het weinige brood, dat aanwezig was, om duizenden te voeden. En wat doet eene Liefdezuster ? Zij doet wel is wqar geen wonder in den letterlijken zin, maar zij snelt van het eene ziekbed naar het andere, den eenen zieke geeft zij te eten, den anderen te drinken, een derden reikt zij de geneesmiddelen toe elk uur van den dag. Zijn dat ook niet als zoovele wonderen van liefde? Zeide Jezus: sik heb medelijden met de menigte,quot; Zijne Bruid zegt het op hare beurt, zij spijst de hongerigen en laaft de dor-stigen. Overtuigd van het medelijdend Hart van Jezus, omstuwden Hem lammen, dooven, stommen en zieken. Vol erbarming over hunnen ellendigen toestand, kon Hij niet besluiten hen zonder troost weg te zenden. Het eene wonder van genezing volgde het andere. Den dooven gaf Hij het gehoor, den stommen de spraak, den blinden het gezicht, den lammen den gang.

(1) Mare. 8. 2. 3. .De ware Liefdezuster.

-ocr page 25-

18

De bezetenen werden verlost, lt;le zieken genezen. Konden dezen niet tot Hem komen, zij werden tot Hem gedragen, ja. Hij wilde zelf een zieken dienstknecht gaan bezoeken. ))Ik zal komen,quot; zeide Hij tot zijn meester, »en hem genezenquot; (1). Wat een medelijdend Hart, het Hart des Zaligmakers! Hij erbarmde Zich over allen, niemand ging ongetroost van Hem weg. Zelfs zij, die behebt met de melaatschheid, afzichtelijk waren om aan te zien, werden dooiden zoo medelijdenden Zaligmaker met liefde ontvangen, getroost en van hunne melaatschheid genezen. En ofschoon Hij voorzag, dat er van de tien melaatschcn slechts één zou terugkomen om Hem te bedanken, genas Hij ze toch allen. Wat doet nu eene ware Liefdezuster? Zij beijvert zich zooveel mogelijk do voetstappen te drukken van Jezus, haren goddelijken Bruidegom. Zij gaat rond in de zalen van het «asthuis, begeeft zich van het eene ziekbed

O 7 o

naar het andere, overal weldoende. Hier staat zij den heelmeester ter zijde, daar verpleegt zij den zieke, ginds helpt zij den lamme. Op het voorbeeld van Jezus, tien waren Samaritaan, giet zij olie in de wonden der gekwetsten. Zij doet het met een hart vol medelijden, terwijl woorden van troost en opbeuring van hare lippen

(1) Matth. 8. 7.

-ocr page 26-

19

vloeien. Zij lijdt met de lijdenden en wendt alle middelen aan om hun lijden te verzachten. Zij gunt zich nauwelijks de noodige rust, zij vergeet haar eigen lijden om de smarten van anderen te lenigen. Zij vraagt geene dankbaarheid voor de bewezen diensten. Immers zij laat niet na de ondankbare zieken met dezelfde, ja met nog grootere liefde te verzorgen. Zóó deed de H. Catharina van Siëna. Eiken morgen ging zij op een bepaald uur eene arme vrouw, die ter oorzake van een vreeselijken kanker er afzichtelijk uitzag, uit liefde verplegen. Deze echter in plaats van zeer dankbaar te zijn voor de aan haar bewezen diensten, matigde zich het recht aan eener meesteres. Zij gaf aan die Heilige hare bevelen, en kwam deze een weinig na het gewone uur, dan werd zij berispt. De Heilige vroeg om vergeving, beloofde beterschap en verdubbelde hare zorg, doordrongen van dat levendig geloof, dat ons Christus doet beschouwen in den persoon der zieken.

§ 2.

Omdat de zieken Christus vertegenwoordigen.

Hadde eene jonge dochter geen geloof, nooit zou zij eene Liefdezuster worden. Door het geloof heeft zij gezegevierd over een drievoudig rijk, het rijk der wereld , het rijk satans en

-ocr page 27-

20

het rijk haars harten. Daar nu liet ware geloof alleen te yinden is in de R. K. Kerk, worden in haren schoot alleen zulke heldinnen aangekweekt , die de bewondering uitmaken eener heidensche wereld. Maar ware eene Liefdezuster niet bezield met een levendig en vurig geloof, dan zou men bij haar te vergeefs dien moed en die zelfopoffering zoeken, waarvan zij steeds blijken geeft. Zij beschouwt den Zaligmaker zeiven in den persoon dei' zieken, die zij verpleegt. Zij weet en gelooft, zooals het H. Evangelie het ons leert, dat Christus de diensten den zieken bewezen, beschouwt alsof zij Hem zeiven bewezen waren. Hoe anders kan men het verklaren, dat eene jonge dochter, geacht en gezocht in de wereld, deze verlaat, om als eene Bruid des Heeren zich aan de verpleging der zieken toe te wijden, hun de vernederendste en walgelijkste diensten bewijst, waarvan de natuur een afkeer heeft? Dat Christus zelf soms de gedaante aannam van een zieke, lezen wij in het leven van sommige Heiligen. Toen de Paus Leo IX bevolen had oenen melaatschen, dien men langs den weg liggend had gevonden, in zijn eigen bed te plaatsen , was deze den volgenden dag spoorloos verdwenen, waaruit men afleidde, dat Christus de gedaante van dien melaatsche had aangenomen. Een kloosterling, met name Marty-

-ocr page 28-

21

rius, zoo verhaalt ons de H. Paus Gregorius, nam een melaatsche op zijne schouders en droeg hem naar het klooster. Voor de deur gekomen, sprong de zieke op den grond en vertoonde zich onder eene gedaante, waarin men Jezus Christus erkende en steeg ten hemel. Bezield mot zulk levendig geloof was het den Heiligen een waar genoegen den zieken behulpzaam te mogen zijn, omdat zij Christus in den persoon der zieken beschouwden , zooals de H. Gregorius van Nazianze getuigt van den H. Basilius. Nadat de H. Elisabeth van Hongarijen eenige melaatschen gewasschen, gereinigd, met kostbaar lijnwaad afgedroogd en ze met alle zorg had gedekt, zeide zij tot hare dienstmaagden: wat zijn wij gelukkig den Heer Jezus zoo te kunnen verzorgen en kleeden! Geen dienst was voor die Heilige, de dochter eens konings, nauwelijks 22 jaren oud, te vernederend, te walgelijk, als zij zieken kon verplegen, want elke zieke was voor haar het levend afbeeldsel van den hemelschen Bruidegom harer ziel. En de afzichtelijkste zieken , van welken de anderen den grootsten afkeer hadden, verpleegde zij met eene gansch bijzondere toegenegenheid. Bezield met dat levendig geloof, acht ook eene ware Liefdezuster zich gelukkig, Jezus, haren goddelijken Bruidegom te mogen oppassen, kleeden en verple-

-ocr page 29-

2'2

gen. Is zij op hare knieën gezeten bij een zieke, dan verbeeldt zij zich aan de voeten van Jezus, en bewijst hem alle mogelijke diensten, en dat zelfs met eene zekere hoogachting, een diepen eerbied alsof zij Jezus zeiven in persoon verzorgde. O welke verhevene bestemming voor eene jonge dochter! Door God ge-roepon te zijn, den Heer Jezus in den persoon der kranken te mogen verplegen! In de wereld worden er weinigen gevonden, die afgunstig zijn op zulke bediening, maar ware het mogelijk, de Engelen in den hemel zouden haar benijden. Eene ware Liefdezuster gevoelt zich dan ook gelukkig. De wereld moge wellicht lachen met zulk geluk en haar niet zoo gelukkig wanen; maar zou er ééne Liefdezuster zijn die zich niet gelukkig gevoelt, honderden jonge dochters worden er in de wereld gevonden, ongelukkiger dan zij. Ik overdrijf de zaak niet, ik zelf kan en mag als getuige optreden na eene ondervinding van 43 jaren: nog nooit heb ik eene ware Liefdezuster ongelukkig aangetroffen. Zij heeft haar kruis te dragen zooals iedereen, maar als Bruid van een gekruisigden Bruidegom, acht zij zich gelukkig Hem in den persoon der zieken, het kruis te helpen dragen. Open dan, o Liefdezuster, de oogen des ge-loofs, beschouw Christus in den persoon der kranken, besef uw geluk en dank den Heer

-ocr page 30-

23

Je?us voor zulke verhevene roeping, temeer omdat gij als Liefdezuster het groote gobod der naastenliefde in zulke hooge mate beoefent.

§ 3-

Omdat zij het groote gebod der naastenliefde in zulken verheven graad beoefent.

Het eerste en het grootste onder alle geboden luidt; »Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk ; gij zult uwen naaste liefhebben als u zeivenquot; (i). Deze geboden zijn als twee takken van denzelfden boem. Onmogelijk God te beminnen, zonder zijnen naaste lief te hebben. En naarmate men God bemint, zal de liefde tot den naaste toenemen. Maar is het geloof zonder de werken dood, evenzoo verdient de liefde zonder de werken den naam van liefde niet. Moet men God beminnen niet met woord of tong, maar met daad en waarheid, zoo ook zijnen naaste. En wie geeft meer blijken van zulke daadwerkelijke en opofferende liefde tot den naaste, dan eene ware Liefdezuster? Onder de geringe

(1) Mare, 12. 30.

-ocr page 31-

24

burgers worden er gevonden die, indachtig de les dooi' Tobias aan zijn zoon gegeven: »Indien gij veel hebt, geef dan overvloedig, indien gij weinig bezit, deel van dat weinige gaarne medequot; (1), die, zeg ik, het hunne bijdragen om een ziekenhuis tot stand te brengen, alwaar arme zieken kosteloos worden verpleegd, en onder de gegoeden worden er ook gevonden, die tot dat verheven doel veel bijdragen. Dit is zeker een Gode zeer aangenaam offer, dat zijn loon niet missen zal. Zij geven op deze wijze blijken van hunne liefde tot den naaste. Maar geven eenigen tot zulk verheven doel van hunnen overvloed, anderen van het benoodigde; geven sommigen zelfs groote sommen gelds, zij geven toch hunne vrijheid, hunne rust, hunne gezondheid en zeker hun leven niet ten beste om de arme zieken behulpzaam te zijn. Maar ziedaar die edelmoedige jonge dochter; gedreven door hare liefde tot den lijdenden even-mensch, dien zij om en in God teeder bemint, brengt zij de menschlicvendheid op eene heldhaftige wijze in beoefening. Vooreerst verzaakt zij, niet voor een gedeelte, maar aan geheel haar vermogen, zoodat zij, na de gedane gelofte der armoede, over niets meer willekeurig beschikken kan. Zij geeft haar geheele fortuin

(1) Tobias 4. 9.

-ocr page 32-

25

aan Jezus, die het in den persoon der arme zieken aanvaardt. Hare vrijheid staat zij af om al de dagen van haar leven de arme kranken te dienen; en wordt haar het noodige voedsel en de noodige kleeding gegeven, dan is zij dankbaar, meer vraagt zij niet. Over hare krachten en hare gezondheid kunnen de zieken voortaan beschikken, zij brengt ze hun ten oller. Zich voortdurend te bewegen dag en nacht in een onaangenamen dampkring, terwijl men niets hoort dan zuchten, klagen en kermen, is voor de natuur zeer onaangenaam, en dit alles getroost eene ware Liefdezuster zich gaarne. Kon zij nu geregeld de behoorlijke nachtrust genieten , hare lichamelijke krachten zouden hierdoor gesterkt worden, maar hoe dikwijls wordt zij niet uit haren slaap gewekt om nu dezen dan genen te helpen? En is dit ook het geval niet, in hare groote bezorgdheid en bezield mot eene meer dan moederlijke liefde, verbeeldt zij zich de slem eens zieken te hooren, lt;if zij meent dat hare tegenwoordigheid ver-eischt wordt, zoodat zij veeleer sluimert dan een verkwikkenden slaap geniet. Bij dit alles bepaalt zich hare heldhaftige liefde niet. Is iemand door eene besmettelijke ziekte aangetast, wien ziet dan de zieke aan zijn bed van smarten staan ? Vrienden en vriendinnen ? Uit vrees voor besmetting honden zij zich verwij-

-ocr page 33-

26

derd. Bloed- en aanverwanten? Maar ook velen van dezen blijven op een afstand. Wie nadert den zieke? Wie verpleegt hem? Wie staat liem onverschrokken dag en nacht ter zijde ? Wie trotseert tret heldenmoed het gevaar dor besmetting ? Wie is bereid te sterven met den stervende? De ware Liefdezuster. Gaarne wil zij een slachtoffer barer liefde zijn. Werpt een blik op de naamlijst der overleden Liefdezusters van verschillende inrichtingen, raadpleegt de geschiedenis en gij zult er velen vinden onder zulke bewonderenswaardige heldinnen, die gevallen zijn op het slagveld der liefde. Geen wonder dat de zieken zoo gaarne zulke heldhaftige Zusters aan hunne zijde zien en haar als aardsche Engelen begroeten. Geen wonder dat op het oorlogsveld gekwetste soldaten ze zoo gaarne ontmoeten in het midden der vijandelijke kogels, maar ook geen wonder, dat zij in een land waar men van God en Zijne Kerk niet weten wil, uit do gasthuizen verwijderd worden. Satan, de vorst dezer wereld en zijne aanhangers, kunnen de Bruiden des Heeren niet dulden, die door Zijn kruis aan de hel hare prooi ontrukt en den satan verslagen heeft. Zij willen van Liefdezusters, de Bruiden van Jezus, niet hooren. Immers zij dienen den Heer Jezus, verheerlijken Hem, en winnen vele zielen voor den hemel.

-ocr page 34-

HOOFDSTUK III.

Welk doel moet eene ware Liefdezuster beoogc li.

§ l-

Hare eigene volmaking.

lEïet doel, dat elke jonge dochter, bij haar intreden in een klooster moet beoogen, is hare eigene volmaking. Dit is het eerste en voornaamste doel, dit te bereiken moet haar rusteloos streven zijn. Maar zij zal er niet in slagen, tenzij door het onderhouden van hare door de H. Kerk goedgekeurde regels. Kan het echter ontegensprekelijk bewezen worden, dat zij volgens hare regelen altijd geleefd heeft, dan zou dit alleen voldoende zijn om na haren dood eene plaats te bekleeden onder het getal der Heiligen in den hemel. De voorbestemming eener kloosterlinge, herhaalde dikwijls de

-ocr page 35-

28

H. Franciscus van Sales, is verbonden aan de liefde voor hare regels. Men moet natuurlijk door zulke liefde eene daadwerkelijke verstaan. Eene ware Liefdezuster streeft derhalve naar hare volmaking en zal die ook bereiken door lt;le stipte naleving barer regels en deze regels verplichten haar tot liefdewerken. Onder deze neemt het verplegen van zieken eene eervolle en hoogst verdienstelijke plaats in. Eene ware Liefdezuster, door bare Overste tot dit verbeven werk bestemd, neemt dan ook hare taak ter harte. Men kan echter rechtstreeks of zijdelings werken aan het verzorgen dei-zieken. Eenigen zijn in de onmiddelijke omgeving van de zieken, anderen helpen dezen door koken, wasschen, schrobben en vegen. Maai- allen werken tot hetzelfde verheven doel en allen vinden middelen in overvloed om zich te heiligen. Eene ware Liefdezuster weet dan ook een gretig gebruik te maken van alle middelen, die zij bij de band beeft om reuzenstappen te doen op den weg der volmaaktheid. Maar innig overtuigd dat bare eigene krachten te kort schieten om die middelen naar behooren te benutten en dat zij niets verrichten kan zonder de genade, put zij in het gebed en de overweging voortdurend nieuwe krachten om er vorderingen in te rnaken. Bijgestaan door de genade, is zij immer opge-

-ocr page 36-

29

ruimd welken zieke zij ook moet verplegen. Is deze lastig en nooit tevreden, zij integendeel is altijd tevreden. Eu hoe dikwijls gebeurt het niet, dat men lastige zieken te verplegen heeft? Zij willen dat de goede zuster altijd bij hen blijve; niet een oogenblik mag zij zich verwijderen om elders de behulpzame hand te bieden. Nu is dit, dan dat niet goed. Nu werken de geneesmiddelen verkeerd, dan weder is het voedsel niet versterkend genoeg. Vandaag klagen zij over de ligging, morgen over de wijze waarop zij bediend worden. In één woord men moge doen wat men wil, nooit zijn zij tevreden. Wat meer is, men treft zeer ondankbare en jaloersche zieken aan, die het goed met kwaad vergelden en de zuster beschuldigen van nalatigheid, zorgeloosheid en liefdeloosheid, dat zij onderscheid maakt tusschen zieken en zieken. Aan de eenen staat zij alles, aan do anderen niets toe, zoo luidt het, voor de eenen heeft zij steeds den tijd, voor de anderen nooit. De ware Liefdezuster weet zich boven dat alles te verhellen. Is zij niet vatbaar voor vleierij , zij is ook gevoelloos voor den blaam, dien men op haar werpt. Wordt zij geprezen of miskend, het is haar persoon onverschillig, mits Jezus haar goddelijke Bruidegom tevreden zij. Niet den menschen maar Gode wil zij behagen.

-ocr page 37-

30

Mogen de zieken hare diensten niet waardee-ren, dat vergt zij ook niet, mits God ze haar als zoovele verdiensten voor den hemel aan-rekene. Immers zij is geene Liefdezuster geworden om eene voorbijgaande voldoening te genieten, maar om zich in de deugd te volmaken. Zij zoekt God en God alleen en wie God zoekt, vindt Hem ook. Een ziekenzaal, zegt de H. Thomas van Villanova, is gelijk aan het brandend braambosch van Mozes. Men vindt er God tusschen de doornen der onaangenaamheden, die men in den dienst der zieken te verduren heeft. Het hart van eene ware ziekenverpleegster wordt verwarmd door een gloed van liefde en godsvrucht en God zelf geeft haar vele gunstige gelegenheden om met de genade van boven haar voordeel te doen door de beoefening van ootmoed, geduld en andere uitmuntende deugden. Van zulke gelegenheid wist een broeder, bij de woestijnbewoners met de ziekenverpleging belast, een goed gebruik te maken. Achttien Jaren lang bediende hij den Abt Ammoës, zonder ooit een enkel woord van troost te ontvangen. Toen de zieke zou gaan sterven , nam hij dien broeder bij de hand, beval hem aan de ouden van dagen met deze woorden: «Ziedaar geen mensch maar een Engel, die mij 18 jaren gediend heeft, zonder dat ik hem

-ocr page 38-

31

met een enkel goed woord getroost liebquot;. Deze broeder zocht geen troost, geene belooning bij de menscben, anders zou bij dien zieke niet 18 jaren met zulke liefde gediend hebben. Gode te behagen, steeds heiliger en volmaakter te worden, dat was zijn vurigste verlangen. Dit is ook hetgeen eene ware Liefdezuster steeds beoogt. Zeker, wel zou men haar naar het voorbeeld van dien Abt, ook een Engel kunnen noemen, maar zij is en blijft toch een mensch, zij heeft eene weerspannige en zwakke natuur, den kinderen Adams eigen. Vandaar dat zij niet zelden een natuurlijken weerzin zal ontwaren in hare bediening, vooral wanneer zij zeer lastige, walgelijke zieken moet verplegen en nog meer in het bijzonder als dezen door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast. Maar die een doel wil bereiken , moot hiertoe de middelen gebruiken, dit weet zij. Zij wil werken aan hare volmaking, daarom heeft zij de wereld verlaten. Zij deinst dan ook niet terug voor de middelen, die haar tot de volmaaktheid leiden. Wat meer is; met eene bewonderenswaardige edelmoedigheid, eene ongestoorde kalmte en eene inwendige vreugde grijpt zij naar die middelen, welke haar spoediger en zekerder tot de volmaaktheid brengen, zooals het bedienen van hen, die lastig zijn en wier omgeving besmettelijk is.

-ocr page 39-

32

Zoo handelt eenc ware Liefdezuster, die bij liet verlaten der wereld, zich hare eigene volmaaktheid ten doel stelt en de verheerlijking van haren goddelijken Bruidegom beoogt.

§ 2.

God te verheerlijken.

»Mijne glorie zal i'v een ander niet afstaanquot;(l), zoo sprak God weleer door den mond van Zijn Profeet. En hoe zon God afstand kunnen doen van de glorie die Hem alleen toekomt ? Hij schenkt ons weldaden zonder tal, maar de glorie behoudt Hij voor zich zeiven. Alle schepselen verheerlijken hunnen Schepper, allen op hunne eigenaardige manier, zelfs de levenlooze en redelooze wezens. »Het dier des velds, de draken en de struisvogels,quot; zegt God, «zullen Mij verheerlijkenquot; (2). Zou de mensch, het redelijk schepsel Gods, zijn Schepper niet verheerlijken? Zou hij zich.de glorie toeeigenen, die God alleen toekomt ? Dit zij verre van ons. Met den H. Paulus moeten wij allen zeggen: »Den Koning der eeuwen, den onslerfelijken, den onzichtbaren, den eenigen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amenquot; (3). Zóó zij het! zóó geschiede het! Hem alléén

d) Isaias 48, tl. (2) Ib. 43. £6. (3) I Timolh. 1. 17.

-ocr page 40-

33

komt alle eer en heerlijkheid toe. Hem in alles te verheerlijken moet ons doel zijn, en zeker het doel van eene Liefdezuster, die Hij tot Zijne Bruid heeft uitgekozen. Niemand heeft God den Vader meer vereerd op aarde dan Jezus Zijn goddelijke Zoon. Bekleed met de menschelijke natuur, verheerlijkte Hij voortdurend Zijn Vader. Met het volste recht zeide Hij dan: sik eer Mijnen Vader, Ik zoek Mijne eer nietquot; (1). Zoo ook moet eene ware Liefdezuster kunnen spreken : ik zoek niet mijne eer maar de eer van mijn goddelijken Bruidegom. Door de zieken geprezen en geloofd te worden zoek ik niet, maar dat zij Hem loven. Hem prijzen wien alle eer toekomt. Geloofd, geëerd en verheerlijkt zij Jezus in eeuwigheid, ziedaar mijne leuze. Zij volgt het voorbeeld van Jezus, zij volgt het voorbeeld van Maria, Jezus' Moeder. Toon deze nederige Maagd door Elisabeth werd geprezen, die haar met luider stemme toeriep: »Gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams. En van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt,quot; bracht Zij al dien lof tot God, en zeide : ))Mijne ziel verheft den Heerquot;. Als wilde zij zeggen: Gij prijst mij, en ik prijs den Heer, wien alle glorie toekomt. Allen

(1) Joan. 8. 50. (2) Matth. 5. 16. De ware Liefdezuster.

3

-ocr page 41-

34

lof, dien men eene ware Liefdezuster toezwaait, brengt zij tot God terug. Zij verpleegt de zieken met eene meer dan moederlijke bezorgdheid; dag en nacht is zij over hen bekommerd. Zij volgt het voorbeeld na van de H. Maria Mag-dalena de Pazzi, van wie verhaald wordt, dat zij, bij het hooren van den minsten zucht, 's nachts opstond, en aanstonds ging zien wat de zieke noodig had, om haar tc helpen, en zij deed het met zulk opgeruimd gelaat, dat men zou gezegd hebben, dat haar zelve een dienst bewezen werd. Zoo doet, of althans zoo tracht te doen eene ware Liefdezuster, maar dat alles doet zij niet om zelve geprezen te worden, maar opdat God worde verheerlijkt, indachtig de woorden van Jezus: «Zoo schijne uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader, die in den hemel is, verheerlijkenquot;. Zij werke dan, de Liefdezuster, zij verzorge en verplege de zieken met alle liefde, opdat dezen, niet haar, maar God danken en verheerlijken, die hun zulke Zuster gezonden heeft. Mogen de zieken hare goedheid prijzen, zij antwoorde eenvoudig: God alleen is goed. Toonen zij haar hunne dankbaarheid, het antwoord luidt: dankt den goeden God voor de u verleende hulp. In één woord, zij wende allen lof van zich af, opdat God alleen geloofd en verheerlijkt worde. O! welke eer

-ocr page 42-

35

en glorie geeft zulke ware Liefdezuster aan God, die alle eer en glorie waardig is! Op welke verheven wijze wordt Hij door haar verheerlijkt? En hoe afzichtelijker en walgelijker de zieken zijn, die zij met liefde verpleegt, hoe grooter het gevaar der besmetting is, des te meer wordt God verheerlijkt, omdat God het is, die haar de genade schenkt op zulke heldhaftige wijze de liefde tot den naaste te beoefenen, waartoe zij, aan zich zelve overgelaten , niet in staat zou zijn. Dit begrijpt eenieder, en daarom looft men God, die haar met zulken heldenmoed bezield heeft. De Zusters die een beschouwend leven leiden, verheerlijken God, door schier elk uur van den dag en vaak bij nacht, den lof van God te verkondigen door het bidden der getijden. Dit deed ook de H. Maria Magdalena van Pazzi en toch zeide zij: ik onderwerp mij van ganscher harte aan den wil van God, maar indien Hij mij had willen gebruiken als eene dienstmaagd ia het gasthuis, hoe gelukkig zou ik mij dan gevoelen ! En dat zij zich volkomen van die taak zou gekweten hebben, blijkt uit hare teedere liefde voor hare zieke medezusters. Als zij dezen veel zag lijden zeide zij : ik zou wel willen dat ik uw lijden kon stelen. Daar God mij een sterk gestel gegeven heeft, zou ik minder gevoelig zijn. Vijftien dagen en nachten bleef

-ocr page 43-

36

zij aan het ziekbed eener zuster, nu en dan sliep zij slechts eenige oogonblikken op een stoel. Eene -werkzuster had aan haar been eene wond, waarin de wonnen krielden en die eene verpestende lucht verspreidde. Uit vrees dat anderen het bij haar niet konden uithouden, bracht zij de zieke in eene afgezonderde kamer. Daar reinigde zij de wond en verwijderde de wormen met eene bewonderenswaardige en heldhaftige liefde. Geen twijfel of God werd door zulke liefdewerken, uit gehoorzaamheid verricht, meer verheerlijkt dan door de schoonste gebeden, die eene Liefdezuster volgens haren eigen wil zou storten. Eene ware Liefdezuster kan God in hooge mate verheerlijken. Zij doet het dan ook, en op het voorbeeld van den Gelukzaligen Clemens Maria Hofbauer heeft zij voortdurend deze woorden op hare lippen : »Alles mijnen God ter eerequot;. God in alles te verheerlijken is haar rusteloos streven, alsmede zielen te winnen voor den hemel, opdat zij

Hem verheerlijken in eeuwigheid.

§ 3-

Zielen te winnen voor den hemel.

Die geen ijver heeft voor het heil der zielen, zegt de H. Augustinus, heeft ook geene liefde voor God. Dat eene ware Liefdezuster God

-ocr page 44-

37

veel bemint, heeft zij getoond door Hem het offer te brengen van alles wat haar dierbaar is op aarde. Te Zijner liefde is zij een levend maar Gode dierbaar offer geworden. Geen wonder dan ook dat zij God door allen bemind zou willen zien. De gelegenheid om het vuur der liefde Gods in de harten van anderen te doen ontbranden, ontbreekt haar niet. Zeer velen worden in eene ziekenzaal gebracht, ziek naar het lichaam maar zieker naar de ziel. Het lichaam kan niet altijd de gezondheid herkrijgen, wel de ziel. Is de zieke naar het lichaam, ondanks alle zorg der bekwaamste geneesheeren ook hopeloos, een zieke naar de -ziel is nooit zonder hoop op genezing. Blijven de krachtigste geneesmiddelen, gepaard met het vurigst verlangen des lijders om te genezen, dikwijls zonder goed gevolg, de zieke naar de ziel behoeft slechts het geneesmiddel te gebruiken door den geestelijken geneesheer voorgeschreven, en de ziel, hoe ziek dan ook, is genezen; hoe lang ook reeds dood, zij herleeft.

Eene ware Liefdezuster staat den geneesheeren trouw ter zijde om de pijn van dezen zieke te verzachten, de wonden van genen te heelen, maar nooit verliest zij de ziel des lijders uit het oog. Met de grootste bereidvaardigheid en met de teederste liefde leent zij zich om den zieken alle mogelijke diensten te bewijzen, in

-ocr page 45-

38

de zoete hoop en blijde verwachting ééne ziel voor den hemel te kunnen winnen , en niet zelden ziet zij haren vurigsten wensch vervuld. Immers zijn er honderden, die eenigen tijd door ware Liefdezusters verpleegd, de vroegere gezondheid herkregen hebben, dan zijn er wel duizenden, die genezen zijn geworden naar de ziel. Wat meer is, het behoort tot de zeldzaamheden dat een zieke die katholiek, maar beladen is met zonden, een gasthuis verlaat zonder zich met God te hebben verzoend, na er de liefderijke en de meer dan moederlijke verzorging te hebben ondervonden van de Bruiden des Heeren. En wat is er de reden van? Wat doet dan eene ware Liefdezuster om eene ziel voor God te winnen ? Vooreerst behandelt zij den zieke met alle zorg en groote voorkomendheid. Dit treft den zieke, die niet gewoon is met zulke liefde en zachtheid behandeld te worden. Hij weet, dat zij uit liefde tot God de wereld heeft verlaten om zieken te verplegen, zonder eene tijdelijke belooning te bedingen. Getuige van zulke offervaardige liefde, begint hij zijn eigen gedrag te veroordeelen. Want, zegt de H. Gregorius, als een zondaar een rechtvaardige ziet, verwijt en veroordeelt hij zich zeiven. Betuigt de zieke zijnen innigsten dank aan de Liefdezuster, dan luidt het antwoord: O! bid maar voor mij. Hoe! zegt hij.

-ocr page 46-

39

voor ii bidden! gij hebt het niet noodig, maar ik, ik ben een groote zondaar. O! hervat de Zuster, dan kunnen wij Gods barmhartigheid niet genoeg loven. Hij heeft u niet laten sterven in uwe zonden, maar hier naar het gasthuis gezonden om zich uwer te erbarmen. Hij heeft zich wel erbarmd over grootere zondaren dan gij zijt. O! God is zoo goed! Bij het hoeren van zulke opbeurende en troostvolle woorden, herleeft zijn vertrouwen. Immers men kan den zondigen zieke niet genoeg op Gods eindelooze barmhartigheid wijzen. O! zegt zij, de biechtvader alhier zal niet over u verwonderd zijn, gij zult hem meêvallen, want hij heeft zooveel gehoord, en daarenboven zal hij u met liefde aanhooren en ontvangen. Na eene goede biecht te hebben gesproken, zult gij kalm en gerust zijn, hetgeen de. gezondheid des lichaams zeer bevordert. Inmiddels spoort zij den zieke aan tot het gebed , om zijne toevlucht te nemen tot de goede Moeder Maria, de toevlucht der zondaren. Soms kan het ook raadzaam zijn met den zieke gezamenlijk, bijv. een of drie Wees gegroeten te bidden. Begint de zieke te bidden, dan is zijne bekeering nagenoeg verzekerd. Zij, van haren kant, overtuigd dat zijne bekeering het werk der genade is, houdt niet op voor hem te bidden en spoort tevens anderen aan voor hem vurige gebeden ten hemel te zenden.

-ocr page 47-

40

Zij zoigt tevens dat de zieke zijne oogen kan vestigen op een kruisbeeld, en de beeltenis der H. Maagd. Zij neemt zich echter in acht om geene bekentenis-van den zieke uit te lokken van zijne gepleegde zonden, zelfs niet in het algemeen. Wat meer is, zou de zieke, zooals soms gebeurt, beginnen te spreken over zijn zondig leven, dan valt zij hem in de rede, en zegt hem dat hij dat alles maai' oprecht aan den biechtvader moet belijden, dat het voor haar niet noodig is dat alles te weten. Immers hierdoor zal zij zich zelve voor de bekoring vrijwaren, die, tengevolge van het aanhooren zijner zonden, zou kunnen ontstaan. Zij vraagt hem tevens of hij ook een bepaalden biecht-\ader verlangt en geeft hem zooveel mogelijk alle vrijheid in de keuze eens biechtvaders, en zij zal, in geen geval hem een biechtvader als willen opdringen. Is men gezond, dan kan men een biechtvader kiezen ; en een zieke, die niet in staat is om naar dezen of genen biechtvader te gaan, zou men in dit punt van zijne vrijheid berooven ? Wellicht heeft niemand zulke vrijheid zoo noodig als juist een zieke die in gevaar is van sterven. Eene ware Liefdezuster laat dan ook den zieke hieromtrent volkomen vrij, terwijl zij zorg draagt dat hij zoo spoedig mogelijk zijne biecht spreke. Heeft de zieke zijne biecht gesproken, en zou zij be-

-ocr page 48-

41

merken dat hij nog niet volkomen gerust is, dan vraagt zij of hij den biechtvader nog eens verlangt, of misschien gaarne een anderen wenscht te spreken. Deze vrijheid der biecht is van het hoogste belang. Hoe dikwijls ondervindt niet een biechtvader, dat men op zijn ziekbed, op den rand des grafs, nog niet oprecht heeft gebiecht! Op het minste verlangen van den zieke om een biechtvader, bevredigt de ware Liefdezuster hem aanstonds, al zou hij ook reeds zijne biecht gesproken hebben. Zij spreekt den zieke ook over het schapulier, maar dringt er niet sterk op aan als de zieke er niet van hooren wil, zooals dit soms het geval is bij hen die alles hebben gelezen, die het geloof nog wel niet verloren hebben, maar wier geloof toch zwak is, die niets gelooven dan hetgeen zij moeten gelooven, en de oefeningen van godsvrucht, den deugdzamen katholiek eigen , beschouwen als kinderachtigheden of als dweeperij. Men stelt zich bij zulke zieken tevreden met het noodzakelijke, uit vrees dat, als men meer van hen vorderen wil, zij zelfs van hetgeen noodzakelijk is niet meer willen weten. Is eindelijk de zieke stervende, dan beijvert zich de Zuster, van zielenijver blakende, dat hij, zoo het kan gevonden worden, in die laatste oogenblikken door een priester worde bijgestaan, opdat hij nog eenmaal de

-ocr page 49-

42

H. Absolutie ontvange en gesterkt worde tegen de aanvallen satans, die vaak hevig zijn, daar hij voorziet dat die ziel hem anders voor eeuwig gaat ontsnappen. Ontmoet de Zuster een priester in het gasthuis bij andere zieken, dan waarschuwt zij dezen, opdat hij zijne hulp verleene aan den stervende. Is de zieke zieltogend, zonder priester aan zijn sterfbed, dan bidt zij de gebeden der stervenden. besproeit nu en dan den zieke met wijwater, waarvoor de duivel steeds bevreesd is. Nu en dan doet zij een schietgebed, of zij spreekt de zoete namen uit van Jezus, Maria en Jozef. Dat de zieke bij tijds de laatste HH. Sacramenten ontvange, is hare eerste en voornaamste zorg. O! hoevele zielen kan eene ware Liefdezuster niet winnen voor den hemel. Dezen worden voor haar als zoovele voorspreeksters bij God in den hemel; zij houden niet op voor haar te bidden, totdat ook zij in dat land der levenden zij aangekomen. Anna, de moeder van Samuel, sprak in een verheven lofzang van eene moeder, die vele kinderen had en ten slotte er niet één bezat, en van eene andere onvruchtbare moeder, die ten slotte zich van vele kinderen omringd zag. De H. Franciscus van Assisië zegt: die vruchtbare moeder is eene figuur van een priester die bij het verkondigen van Gods woord, niet het heil der

-ocr page 50-

43

zielen , maar zich zeiven zoekt. Hij verbeeldt zich vele geestelijke kinderen te bezitten die hij voor God gewonnen heeft, maar in het oordeel zal hij zien dat zij hem niet toebehooren. De onvruchtbare moeder is eene figuur van iemand die de priesterlijke bediening niet kan uitoefenen en meent geene zielen te kunnen winnen voor den hemel. Maar in het oordeel zal God hem de zaligheid dier zielen toeschrijven , die hij door zijn gebed bekeerd heeft. Zoo zal eene ware Liefdezuster, die zich verbeeldt niet één geestelijk kind te bezitten, zich in het oordeel omringd zien van eene menigte zielen die zij door hare nederigheid, zachtmoedigheid en waakzaamheid, gepaard met een vurig gebed, voor God heeft gewonnen, en die in eeuwigheid als zoovele parelen zullen schitteren aan hare kroon. Immers het zijn vooral deze drie deugden die haar kinderen voor den hemel doet winnen.

-ocr page 51-

HOOFDSTUK IV.

Welke zijn de middelen, die zij moet gebruiken om dat, verheven doel te bereiken.

§ 1

De nederigheid.

Onder de vele deugden, die eene ware Liefdezuster aangenaam maken aan God en beminnelijk voor den naaste, bekleedt de nederigheid de voornaamste plaats. Dit begrijpt zij en hiervan ten volle overtuigd, legt zij zich met allen ijver toe op deze deugd in haren omgang met God en de menschen en doet ze steeds doorstralen in hare woorden en werken. Zij heeft de wereld verlaten om het huis harer volmaking op te trekken. Maar, zegt de H. Augustinus, als men een hoog huis wil bouwen, dan moet men beginnen

-ocr page 52-

45

met een diepen grondslag te leggen. De grondslag van het geestelijk huis onzer volmaking is de nederigheid. Dit weet eene ware Liefdezuster en daarom vernedert zij zich zooveel mogelijk te allen tijde, op alle plaatsen, in alle betrekkingen, in gedachten, woorden en werken, in alles en voor allen , voor God en voor de menschen. Ten volle overtuigd van hare nietigheid en hare diepe geestelijke ellende, beschouwt zij zich steeds als eene onnutte dienstmaagd, onwaardig den naam van eene dienstmaagd, veel minder dien van eene Bruid des Heeren te dragen, onwaardig Christus in den persoon der zieken te verplegen. Bezield met zulke nederige gevoelens is zij verwonderd, dat God haar, ellendig en zondig als zij is, heeft willen roepen tot zulke verheven bediening. Zij acht zich onwaardig den schoenriem te ontbinden van den zieke, die Christus vertegenwoordigt, onwaardig zelfs de vernederendste diensten den zieken te bewijzen. God, die den hoovaardigen weerstand biedt, en den nederigen zijne genade schenkt, overlaadt zulke nederige Bruid met verhevene gunsten en genaden zonder tal, en in een betrekkelijk korten tijd brengt zij het zeer ver in de volmaaktheid en bereikt alzoo spoedig het doel harer intrede in het klooster, dat is hare eigene heiliging. Het nietig viooltje, dat

-ocr page 53-

46

zoo weelderig bloeit in den tuin des harten van eene ware Liefdezuster, verspreidt in het midden der onaangenaooe lucht, dien men in een gasthuis inademt, een welriekenden geur Gode en den menschen hoogst aangenaam. Nietig in haar eigen oog, wordt zij groot in het oog van God , wiens glorie zij alom verkondigt, in tegenstelling van een hoovaar-dig mensch die in alles zijne eigene glorie zoekt. Door een mensch ingenomen met zich zeiven wordt God niet verheerlijkt. Integendeel, door zijn eigen glorie te zoeken, tracht hij datgene voor zich te verkrijgen, wat aan God toekomt. En God staat Zijne glorie niet af en kan het ook niet doen. De mensch dus, die met de zucht naar zelfverheffing besmet is, wordt een walg voor God. De zelfverheffing, zegt de H. Laurentius Justinianus, is hatelijk in het oog van God, verderfelijk voor dengenen wien zij eigen is en lastig voor den naaste. Eene ware Liefdezuster, die niets zóózeer ter harte neemt als hare eigene volmaking, Gods verheerlijking en het heil der zielen, verfoeit de zelfverheffing als het grootste beletsel dat de bereiking van dat verheven doel in den weg staat. Zij vernedert zich diep voor God, en God weet haar te verheffen. Zij geeft aan God alleen de glorie en God schenkt haar wederkeerig een schat van genaden. Zij ver-

-ocr page 54-

47

nedert zich voor de zieken, die zij verpleegt en dezen op hunne beurt beminnen haar, eerbiedigen haar en schenken haar hun vertrouwen , dat zoo noodig is om hen voor God te winnen. Zonder weerzin te toonen, ja met liefde zelfs zal zij den zieken allerlei diensten bewijzen hoe walgelijk, hoe vernederend ook, overtuigd dat zij alsdan eene aanmerking, een woord van aanmoediging tot geduld en over-gevipg aan Gods H. wil, op gepasten tijd en wijze in het midden gebracht, des te gereeder zullen aannemen. Zie eene ware Liefdezuster aan het werk. Bezield met een levendig geloof dat haar Christus in den persoon der zieken doet beschouwen, is haar niets te veel, niets te vernederend. Terwijl zij het lichaam verzorgt , beijvert zij zich de ziel der kranken te genezen en hen zooveel mogelijk voor verdere zonden te vrijwaren. Vandaar dat zij zich zóó stipt kwijt van hare taak, dat de zieken redelijker wijze geene redenen hebben tot klagen. Zou het echter gebeuren, wat overigens in een gasthuis schier onvermijdelijk is, dat zij niet juist op het oogenblik aanwezig is, dat de zieke haar verlangt of een geneesmiddel moet innemen en deze zich daarom boos maakt of ongeduldig is, dan, hoe schuldeloos overigens ook, bekent eene nederige Liefdezuster schuldig te zijn aan vele nalatigheden

-ocr page 55-

48

en belooft den zieke , dat zij in het vervolg zich zal beteren. Is de zieke zelf de schuld, dat iets omvergestooten of gebroken wordt, dan zal zij zich zelve wederom eene onvoorzichtige of onhandige noemen liever dan den waren schuldige bekend te maken of dezen eenig verwijt te doen. Wordt zij soms door een lastigen zieke berispt of door ruwe woorden beleedigd, dan heeft zij zooals de Profeet van haren Bruidegom getuigt, geene tegen-redenen in haren mond, zij zwijgt en vernedert zich voor God. Indachtig dat Jezus, haar goddelijke Bruidegom, zich zoo diep vernederd heeft ter liefde van haar, heeft zij moed en kracht om alle vernederingen met geduld ja met liefde te verdragen, wat meer is, om zelfs de vernederingen te zoeken, met het verheven doel Hem meer en meer te gelijken. De Heer Jezus, zegt de H. Leo, heeft voor alle kracht de ware en vrijwillige vernedering uitgekozen en ze aan anderen geleerd. Eene ware Liefdezuster, die het begrijpt, doet dan ook hare kracht in de ware nederigheid bestaan en daardoor vermag ze op het hart der zieken zooveel. Verouderde en hardvochtige zondaars zijn dan ook doorgaans niet bestand tegen zulke nederigheid, die zij bij de Zuster ontwaren en op hunne beurt willen zij zich vernederen door hunne zonden met alle op-

-ocr page 56-

49

rechtheid te belijden. Eene ware Liefdezuster gelijkt den adelaar. Deze verheft zich hoog in de lucht, maar nauwelijks bespiedt hij een aas of pijlsnel vliegt hij er heen om zich er aan te vergasten. Evenzoo verheft zij zich in haar geest boven alles wat aardsch en vergankelijk is, maar bespeurt zij eenen vernederenden dienst te verrichten, dan spant zij de vleugelen der liefde uit, om hare ziel te voeden met dat voor haar nederig hart zoo smakelijk voedsel. Door zóó te handelen stijgt zij in volmaaktheid, maakt zij zich meester van de harten der zieken, die zij tot rouwmoedigheid stemt op eene zóó zachtzinnige wijze, dat de belijdenis hunner zonden hun niet zoo zwaar valt, waardoor zij zelve getroost. God verheerlijkt en de Engelen verblijd worden. Ik zeg op eene zachtzinnige wijze. Immers eene nederige Liefdezuster is tevens ook zachtmoedig.

§ 2.

De Zachtmoedigheid.

De geest van Christus, zegt de H. Bonaven-tura, is een geest van zachtmoedigheid. Van Hem staat er geschreven: »Mijn geest is zoeter dan honigquot; (1). Hj wil, dat de zachtmoe-

(1) Eccli. 24 . 27. De ware Liefdezuster.

4

-ocr page 57-

50

digheid en nederigheid in Zijne dienaren uitblinken: »Leert van Mijquot;, zegt Hij, »\vant Ik ben zachtmoedig en nederig van hartequot; (1). Wie zal zich meer beijveren om in die deugden uit te munten dan eene Bruid des Hee-ren, die in alles haren goddelijken Bruidegom tracht te gelijken? De zachtmoedigheid en de nederigheid zijn als twee zusters door Christus nauw vereenigd, zij zijn tweelingen onscheidbaar van elkander. Eene nederige Liefdezuster zal tevens zachtmoedig zijn. Zij bewaart altijd dezelfde gemoedsstemming, hetzij zij geprezen of versmaad worde. Haar geest is een zachtmoedige, geduldige, vreedzame geest, die alle ruwheid, bitterheid en wraaklust buiten sluit. Zij is aan eene onbeweeglijke rots gelijk, die dan vooral hare vastheid toont als de woedende golven zich aan hare voeten breken. Evenzoo blijft zij kalm en bedaard als de zieken tot gramschap geneigd worden. Het meest opbruisend gemoed stoort den vrede haars harten niet. Eene ware Liefdezuster schenkt aan hetzelve de rust en tevredenheid weder. De Bruidegom spreekt de Bruid der gezangen onder anderen aan met de volgende woorden; j)Uwe lippen zijn als eene droppelende honigraat, honig en melk zijn onder uwe tongquot; (2).

(1) Matth. 11. 29. 12; Cant. 4. 11.

-ocr page 58-

51

Eene ware Liefdezuster beijvert zicli uit al haar vermogen om zulken lof eenigermate waardig te zijn. Van hare lippen vloeit nooit «en bitter, scherp of bijtend woord. Met zachtheid , voorkomendheid, minzaamheid spreekt zij den zieke aan, Ja zelfs met hartelijke en teedere woorden; tenzij de omstandigheid van den persoon, van de plaats of de voorzichtig-heid, die men nooit uit het oog mag verliezen , het zwijgen zou aanraden. Zij weet dat de H. Franciscus van Sales duizenden zondaars en van het geloof afgedwaalde personen heeft bekeerd door degelijke, duidelijke en onweerlegbare bewijzen, maar vooral door zijne bewonderenswaardige zachtmoedig-heid. Van dat eerste middel kan eene Liefdezuster zich in den regel niet bedienen en het redetwisten met een ongeloovigen zieke over geloofszaken, zou soms voor hem nadee-lige gevolgen kunnen hebben; maar van liet tweede middel maakt eene ware Liefdezuster een gretig gebruik. Zachtmoedig is zij in hooge mate, én in hare woorden, én in hare werken. Men erkent haar aanstonds als de Bruid van eenen bij uitstek zachtmoediger! Bruidegom, wiens geest zoeter is dan honig. Immers geene deugd, zegt de H. Joannes Chrysostomus, doet ons zóó dicht naderen tot God en aan Hem zóó gelijken als de zachtmoedigheid. Doorlezen

-ocr page 59-

52

wij het H. Evangelie, dan zien wij, dat de Heer Jezus met alle zachtheid en minzaamheid de zondaars en zondaressen behandelde. Hij wilde dan ook dat Zijne Apostelen zich van de zachtmoedigheid als van een sterk wapen zouden bedienen om de wereld te bekeeren. »Ziequot;, zoo sprak hij hun toe, »Ik zend u als schapen te midden vati wolvenquot; (1). Door hunne zachtmoedigheid moesten zij de wolven als in schapen veranderen. Verwondt eene doldriftige tong den geest, zooals de H. Geest getuigt (2), Hij voegt er ook bij : »Eene zachtmoedige tong is een boom des levensquot;. Vele zieken, nog zieker naar de ziel dan naar het lichaam, hebben, door eene zachtmoedige Bruid des Heeren in een gasthuis verpl ;egd, daar het leven der ziel teruggevonden. In het midden der wolven, zoo menigvuldig in eene be-dorvene wereld, leefden zij als wolven, die door hun ergerlijk leven het kleed der onschuld van velen in flarden scheurden. Maar gekomen in het midden van de Bruiden des Heeren, door hare zachtmoedigheid aan lammeren gelijk, zijn zij als lammeren geworden. De moeder van den H. Andreas Corsini zag in eenen droom, dat zij een wolf ter wereld had gebracht, die, op den drempel van een kloos-

(1) Matth. 10. 16. (2) Prov. 15. 4.

-ocr page 60-

53

ter der Karmelieten gekomen, in een lam veranderd werd. Zoo ook vindt men niet zelden zieken , die in hunne gezonde dagen als verscheurende wolven rondliepen; maar nauwelijks zijn zij in een gasthuis door eene zachtmoedige Liefdezuster eenige dagen verzorgd , of zij worden aan lammeren gelijk. »Een zacht antwoordquot;, zegt de H. Geest, »doet de gramschap bedarenquot; (1). Is een zieke, in het begin woelig en gramstorig, door zachte woorden en eene zachte behandeling wordt hij kalm, rustig en geduldig, in één woord J'Ü verandert als van gedaante. «Blaast gijquot;, zoo staat er geschreven, »op eene vonk, zij ontvlamt en spuwt gij er op, zij gaat uit: beiden komen voort uit den mondquot; (2). Zou in ■het hart van een zieke nog een vonkje van het vuur der liefde Gods aanwezig zijn, dan zou een hard, een ruw of beleedigend woord hem toegesproken dat vonkje doen uitgaan, maar als men er zachtjes op blaast, dat is, den zieke zacht en liefderijk verzorgt, dan zal dat vonkje vuur van lieverlede ontvlammen. Schampere taal hitst den toorn aan, een zacht antwoord daarentegen stilt de gramschap. Dit leert de ondervinding en wij zien het bevestigd in het leven van den II. Macarius van

(1) Prov. 15. 1. (2) Eccli. 28. 14.

-ocr page 61-

54

Egypte. Op reis zond hij zijn leerling vooruit, die een heiden ontmoette en dezen beleedigende woorden toesprak. De heiden ontstak in gramschap en overlaadde dien leerling met slagen. Wat verder ontmoette de heiden den H. Ma-carius. Deze groette hem allervriendelijkst en sprak hem allerminzaamst toe. Het gevolg er van was, dat de heiden en vele anderen met hem, zich bekeerden. Eene ware Liefdezuster ondervindt dagelijks hetgeen de H. Franciscus van Sales zegt: men vangt meer vliegen met een druppel honig, dan met een geheel vat azijn en vandaar dat zij altijd honig heeft onder hare tong en honigzoete woorden vloeien steeds van hare lippen, zelfs dan wanneer zij tot een zieke spreekt, die haar bij hare Overste valsch zou beschuldigd hebben van nalatigheid , onoplettendheid, zorgeloosheid of andere fouten; uit vrees dat deze haar wellicht van wraaklust zou verdenken, behandelt zij hem met eene gansch bijzondere zachtheid, zonder zich op eenigerlei wijze bij hem te beklagen over de tegen haar ingebrachte beschuldiging. Zulke nederige en zachtmoedige handelwijze, zegt de H. Theresia, doet soms meer goed dan tien preeken. Laat ik hier ten slotte bijvoegen hetgeen de H. Ephrem van de zachtmoedigheid zegt: »Ik smeek u dat gij al uwe krachten aanwendt ten einde u gron-

-ocr page 62-

55

dig in deze verheven deugd te vestigen, want er zijn geene goede werken, waarmede iiij zich niet verrijkt, die zachtmoedig is. Hij verheugt zich in de beleedigingen, dankt Godin de rampen, die hem treffen, bedaart met liefde de ■ gramschap van anderen, verdraagt met moed de berisping , bemint de afhankelijkheid, neemt behagen in de vernedering, verheft zich niet over het goede dat hij verricht, leeft met allen in vrede en de geveinsdheid is hem vreemdquot;. O! hoe groot, hoe beminnelijk zijn de rijkdommen der zachtmoedigheid ! Allen verheffen deze onvergelijkelijke deugd. En zoo zullen de zieken eene ware Liefdezuster in wier hart de zachtmoedigheid diepe wortelen heeft geschoten, eerbiedigen, beminnen en verheffen, totdat zij door God verheerlijkt wordt in den hemel. Zij moge dan waakzaam zijn op zich zelve, opdat haar nimmer een hard woord ontvalle. Maar zij wake ook over anderen.

§ 3.

De waakzaamheid.

Eenieder moet waken over zich zeiven, zij daarenboven die over anderen gesteld zijn, moeten ook over dezen waken. Eene ware Liefdezuster houdt dan ook steeds een waakzaam oog op zich zelve en op de zieken aan

-ocr page 63-

50

hare zorgen toevertrouwd. Als eene getrouwe Bruid des Heeren waakt zij op hare zintiugeu. Zij sluit hare ooren voor alle vleiende of ontstichtende woorden. Zij wendt hare oogen af van alies wat noodeloos is te zien en aanleiding zou kunnen geven tot bekoringen. Zij houdt zich inmiddels overtuigd dat alles wat niet vrijwillig is, haar niet tot zonde wordt aangerekend. Zij maakt zich hierover verder niet ongerust, denkt er niet over na, opdat deze gedachte haar niet hindere in hare verdere bezigheden. Angstvalligheid komt-niet te pas, en zeer zeker niet bij eene Liefdezuster, die door ze niet te bestrijden zich ongeschikt zou maken om hare bediening waar te nemen zooals het behoort. Zij houdt zich verder overtuigd , dat alles wat zij doet uit gehoorzaamheid, voor haar geen gevaar zal opleveren. De gehoorzaamheid legt haar de bediening op van ziekenverpleegster, en bijgevolg alles te doen wat zulke bediening vordert. God, die haar door de Overste met zulke bediening belast, waakt over Zijne Bruid, en aan de zijde van haren goddelijken Bruidegom vreest zij niet, veel minder, dan wanneer zij zelfs met het inzicht zulk gevaar te ontwijken, zich aan de gehoorzaamheid zou onttrekken. Soms gebeurt het dat, met Gods toelating, de duivel deze Bruid bekcort, alleen met het doel om haar

-ocr page 64-

57

van hare verheven bediening afkeerig te maken, en ze met minder ijver en zorg waar te nemen, daar hij weet dat eene ware Liefdezuster hem vele zielen ontrukt. Maar de bekoring is de zonde niet. Ware de bekoring alleen eene voldoende reden om een liefdewerk te staken, dan zou men vele gasthuizen moeten sluiten , en duizenden zieken waren aan hun lot overgelaten. Het woord Liefdezuster zou aan niemand meer als naam kunnen gegeven worden en van liefdewerken geen spraak meer zijn. Een Heilige werd gedurende zijn gebed hevig bekoord en hoorde tevens eene stem die hem toeriep : als gij ophoudt, houd ik ook op. Het was de stem van den vijand van al het goede, die zou ophouden met hem te bekoren, als hij zijti gebed maar staken wilde. Maar zoo dwaas was deze niet; hij ging voort met bidden, terwijl hij de bekoring verachtte. Evenzoo doet eene ware Liefdezuster. Zij stoort zich niet aan de bekoring waarmede satan haar plaagt, zij zet haar liefdewerk voort met de grootste kalmte. Zoolang zij kalm en bedaard de noodige waakzaamheid op zich zelve uitoefent, zonder angstvalligheid, zal zij ook beter kunnen waken over de zieken, aan hare zorg toevertrouwd. In een ziekenhuis komen allerlei soort van personen. Onder dezen zijn soms kinderen die in een betrekkelijk gevorderden leeftijd, onschul-

-ocr page 65-

58

dig zijn en het kwaad niet kennen. Op dezen houdt eene ware Liefdezuster steeds een waakzaam oog. Zij zorgt dat bij dezen een slapende hartstocht niet ontwake, dat zij niets in hunne onwetendheid doen, wat zij later met het bewustzijn van zonde zouden kunnen plegen, en dat zij in den godsdienst onderwezen worden, minstens datgene kennen, wat zij noodzakelijk weten moeten. Verder zijn er nog soms zieken, die, niet onschuldig als een kind , toch zulke verwaarloosde opvoeding hebben genoten, dat zij weinig begrip hebben van de uitwendige zedigheid en niet begrijpen, dat voor anderen iets hinderlijk zijn, kan, wat hen zeiven niet hindert. Dezen worden door eene waakzame Liefdezuster met alle voorzichtigheid, tot eene betrekkelijke welvoegelijkheid en eene uitwendige zedigheid gevormd. Eindelijk worden er nog zieken gevonden, die, door en door bedorven, alle schaamte schijnen verloren te hebben. Tegenover dezen gebruikt de ware Liefdezuster haar gezag, spreekt hen aan met klem, zij spaart de bedreigingen niet en vraagt inmiddels raad aan hare Overste. Met betrekking tot alle zieken verliest eene ware Liefdezuster de volgende punten niet uit het oog. Zij onderzoekt of een zieke niet soms iets heeft medegebracht wat niet stichtend is, zooals platen, boeken of geschriften en vraagt hare Overste

-ocr page 66-

59

wat hiermede moet gedaan worden. Van dienstbewijzen, die de zieke in geenen deele noodig heeft of die hem niet nuttig zijn, onthoudt zij zich en dit zoowel uit voorzichtigheid jegens zich zelve als om den naaste geene reden tot ontstichting te geven. Maar het kan ook gebeuren , dat een zieke voor de anderen een steen des aanstoots wordt, hetzij door woorden of werken, en ook betrekkelijk dit punt is eene ware Liefdezuster zeer waakzaam. Overigens let zij op allen en op alles. Zij draagt zorg dat den zieken op den bepaalden tijd, de voorgeschreven geneesmiddelen en het behoorlijke voedsel worden toegediend. En daar de ziel der zieken het voornaamste is, verliest zij deze niet uit het oog. Uit vrees dat een zieke door een onverwachten dood weggerukt, of van het bewustzijn beroofd zou worden, gebruikt zij alle voorzorg dat hem bij tijds de laatste HH. Sacramenten worden toegediend. Zij spoort hem aan tot geduld en volle overgeving aan Gods H. Wil, opdat, wanneer het lichaam sterft, de ziel het eeuwige leven moge genieten. Ik zou eene ware Liefdezuster, die in hare betrekking en op hare manier werkt aan het heil der zielen, dat helaas ! in verwereldlijkte gasthuizen zoo vaak verwaarloosd wordt, met de woorden van den H. Paulus kunnen toespreken: ))Maar gij, wees waakzaam, lijdzaam

-ocr page 67-

60

in alles, doe het werk van een Evangelist, vervul uwe bedieningquot; (1). Om zich echter stipt en met alle nauwgezetheid van hare bediening te kwijten, neemt eene ware Liefdezuster zich in acht voor eigenzinnigheid, gehechtheid en traagheid.

(1) II Timoth. 4, 5.

-ocr page 68-

HOOFDSTUK V.

Waarvoor moet zij zich in acht nemen.

§ 1-

Voor eigenzinnigheid.

TV Heer Jezus is ter liefde vau ons gehoorzaam geworden tot den dood, en wel tot den dood des kruises, en daardoor heett Hij ons allen de gehoorzaamheid geleerd, en getoond hoe wij in alles, zelfs in zaken, die ons zwaar vallen en met groote opofl'eringen gepaard gaan, onderdanig moeten zijn. Dit weet eene ware Liefdezuster, en zij begrijpt dat haren goddelijken Bruidegom niets aangenamer is, dan Hem in alles en te allen tijde stipt te gehoorzamen, als Hij haar in den persoon der Overste gebiedt of verbiedt. Vandaar dat zij zonder eenig voorbehoud aan haren wil verzaakt, om in alles wal niet zeker zonde is, den wil harer Overste te doen. Zij is in de handen der Overste als een werktuig, waarvan deze

-ocr page 69-

62

zich naar goedvinden kan bedienen. De wil harer Overste is haar wil, wat haar ook bevolen worde, altijd is zij bereid. Het »ik wil of ik wil niet,quot; is haar onbekend. Zij heeft geen wil, tenzij om te willen wat haar Overste wil. Zij verfoeit de eigenzinnigheid als iets ■wat haar in hooge mate in het oog van haren goddelijken Bruidegom ontsiert. Keuze tusschen tijd en tijd, plaats en plaats, persoon en persoon, werk en werk, heeft zij niet. De Overste kieze; wat deze gekozen heeft kiest ook zij. Moet zij de zieken verzorgen, voor of na den middag, bij dag of bij nacht, daarvoor is zij onverschillig. Wordt zij geplaatst in deze of gene zaal, boven of beneden, zij geeft steeds blijken van eene heilige onverschilligheid. Welke zieken zij te verplegen heeft, zij mogen geduldig of lastig, besmettelijk zijn of niet, zij bekommert er zich niet over, -alle zieken vertegenwoordigen haren goddelijken Bruidegom, dezen te dienen is haar eenig verlangen, onder welke gedaante Hij zich ook vertoone. Welk werk men haar ook oplegge, hetzij de geneesmiddelen te bereiden in de apotheek, hetzij de zalen te vegen, hetzij te zorgen voor de wasch en het linnengoed, hetzij de zieken te verplegen , hetzij den heelmeester in zijn werk ter. zijde te staan, in één woord, wat de verordening der Overste haar ook voorschrijve, alles

-ocr page 70-

63

dóet zij met dezelfde gemoedsstemming, blijmoedig en bereidvaardig slaat zij de handen aan alles wat haar wordt bevolen. En dit niet alleen, maar zij verricht ook het haar opgelegde werk, op de wijze die haar is voorgeschreven, al heeft zij ook in sommige gevallen de innige overtuiging dat eene andere wijze van handelen zekerder en spoediger tot het beoogde doel leidt. Meent zij in geweten verplicht te zijn eene opmerking te maken, zij doet het met allen eenvoud en eerbied aan het gezag verschuldigd, zonder hare manier van zien te willen doordrijven. Slaat men geen acht op hare opmerking, dan neemt zij zich wel in acht, in het verrichten harer werkzaamheden haar eigen gevoelen te volgen, overtuigd dat Gods zegen rust op de gehoorzaamheid, en dat God de handelingen, die haar afkeurenswaardig toeschijnen, tot welzijn der zieken kan doen strekken. Van de wijze van behandelen door den geneesheer of den heelmeester voorgeschreven, wijkt zij in geenen deele af. Zij onderwerpt haar oordeel aan dat van deskundigen ; zij wil niet wijzer zijn dan de meesters in het vak. Maar zij gebruikt verstand en verstaat de blinde gehoorzaamheid niet zóó , dat zij in elk geval zich aan het voorgeschre-vene houdt, zelfs dan wanneer het duidelijk is dat de geneesheer omtrent den persoon of het

-ocr page 71-

64

geneesmiddel zich heeft vergist, hetgeen in een groot gasthuis, waar vele zieken zijn, soms gebeuren kan. Evenmin houdt zij zich aan de letter van het voorgeschrevene, als zij zeker weet dat de bedoeling anders was. Hieromtrent echter gebruikt zij alle voorzichtigheid, en dient nooit in den twijfel, omtrent de bedoeling, een geneesmiddel toe, dat in de verste verte schadelijk zou kunnen werken. Zij doet niet zooals sommigen wellicht doen, die met de beste bedoeling, volgens eigen zienswijze, de zieken verplegen, alléén omdat zij zich verbeelden, dat deze wijze van behandelen tot welzijn strekt der kranken. Eene ware Liefdezuster, onthecht van haar eigen oordeel, beschouwt altijd die handelwijze als de beste voor haar, welke haar door de gehoorzaamheid wordt voorgeschreven. 'Stipt houdt zij zich aan alles wat haar wordt bevolen,* overtuigd dat God het zóó van haar verlangt, en Gods zegen er op rusten zal. Gaarne handelt en werkt zij, in alles afhankelijk van hare Overste of van eene medezuster die aan het hoofd staat van eene ziekenzaal of die, in eene ondergeschikte bediening, welke den arbeid van meerdere zusters vordert, de plaats van Overste waarneemt. Met dien geest van afhankelijkheid bezield, laat zij de verantwoordelijk'ieid voor de keuze der middelen over aan hen, onder wier gezag

-ocr page 72-

65

zij geplaatst is. Stel mij als een zegel op uwe armen, zoo spreekt de goddelijke Bruidegom tot Zijne Bruid. Eene ware Liefdezuster, de Bruid des Heeren, heeft hare armen, het zinnebeeld der werkzaamheid verzegeld met dat goddelijk zegel, zoodat zij hare armen gebruikt tot dat werk, dat God haar oplegt, en zij verricht het op den tijd wanneer, op de plaats waar, en op de wijze waarop God het verlangt, wiens stem zij in die harer Overste erkent. O ! hoe heilzaam werken zulke verzegelde armen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn der kranken. Gelukkig de zieken, die door zulke Liefdezuster verpleegd worden. Zij zullen God loven en zulke Liefdezuster hunnen oprechten dank betuigen. Deze zal, op hare beurt. God danken en Hern de eere geven , wien alleen de eer toekomt Niet den menschen, maar Gode te behagen is steeds haar rusteloos streven. Ondanks den lof dien men haar toezwaait, den dank dien men haar betuigt, laat zij zich niet vervoeren door eene natuurlijke liefde voor degenen, die haar prijzen en danken. Haar hart blijft gesloten voor alle vreemde liefde. Niet aan het schepsel zal zij zich hechten, maar alleen aan haren god-delijken Bruidegom. Immers niet hare handen alleen zijn verzegeld , maar ook op haar hart heeft zij Jezus als een goddelijk zegel gedrukt.

De ware Liefdtzuster. 5

-ocr page 73-

GÜ § 2-

Voor de gehechtheid.

Eene ware Liefdezuster vergeet nooit, dat zij mensch, dat is, een zondig kind Adams is. Zij verliest liaro zwakheid nooit uit het oog, vandaar dat zij zich zelve steeds mistrouwt, vooral in het teedcre punt van de genegenheid des harten. Zij weet en gevoelt, dat haar hart niet altijil gevoelloos blijft voor de blijken van liefde en dankbaarheid haar gegeven. Maar zij is uitermate op hare hoede om nooit eeno zekere genegenheid, die zij in haar binnenste voor een schepsel ontwaart, te voeden. Zij verbeeldt zich niet, zooals dit bij sommigen het geval is, dat men niet te ver kan gaan in blijken te geven van eene teedere liefde en bijzondere toegenegenheid. Zij is van het tegenovergestelde ten volste overtuigd. Zij, zegt de H. Theresia, die God onvolmaakt dienen, ontdekken ook slechts in geringe mate het gevaar, dat er schuilt in het toegeven aan eene bijzondere genegenheid voor het schepsel, en beschouwen zelfs die overdreven teedere liefde als eene deugd. Zij echter, die werkelijk naar de volmaaktheid streven, kennen er het gevaar van. Zij gevoelen, dat deze hunnen wil verzwakt en een beletsel is om zich geheel en al aan Gods lief.Ie too te wij-

-ocr page 74-

67

ilen. Ik geloof, zegt de H. Theresia verder, •dat men eene zekere genegenheid tot het schepsel en het doen blijken dier genegenheid meer aantreft bij de vrouwen dan bij de mannen. De vrouwen zijn in den regel gevoeliger, het ontbreekt haar vaak aan doorzicht en vandaar dat zij soms de slang niet ontwaren, die schuilt onder het gras. Dezelfde Heilige, sprekende van eene bijzondere vriendschap en toegenegenheid, die eene Zuster voor eene andere heeft opgevat, zegt: men gevoelt het verdriet lt;lat haar wordt aangedaan, men verlangt iets te bezitten wat haar aangenaam is, om het haar als een geschenk te geven, men zoekt lt;le gelegenheden om haar te kunnen spreken, meestal met geen ander doel dan om haar te zeggen, dat zij veel van haar houdt of om over andere zaken te spreken , die niet te pas komen , maar niet over de liefde, die men God toedraagt. Want het is zeldzaam, dat zulke vertrouwelijke omgang eene wederzijdsche aansporing om God te beminnen, ten doel heeft. Niet zelden gebeurt het, dat een zieke, naar gelang hij in beterschap toeneemt, de hem bewezen diensten weet te waardeeren en niet ■weet, op welke wijze hij zijne dankbaarheid :zal toonen voor zulke liefderijke verzorging. Hij prijst, hij dankt de Zuster en een traan van aandoening ontrolt zijn oog. Van deze blij-

-ocr page 75-

68

ken van dankbaarheid en toegenegenheid maakt Satan gebruik om ook in haar hart een vonkje te doen ontvlammen van eene al te natuurlijke genegenheid. Dat men bij zulke bewijzen van liefde en dankbaarheid koud en onverschillig blijve, dit zou te veel gevergd zijn. Dit is immers niet in onze macht, evenmin als het in onze macht is elke genegenheid voor iemand' te voorkomen. Maar iets anders is het eene genegenheid voor iemand te gevoelen, iets anders deze door woorden of werken te too-nen. Eene ware Liefdezuster, eene getrouwe Bruid des Heeren gebruikt in zulk teeder punt alle omzichtigheid. Zonder aan de welvoesre-

'J 'O

lijkheid en de vereischte wellevendheid te kort te schieten, geeft zij behendig aan die woorden van innige dankbetuiging eene andere wending, vermijdt elke vertrouwelijkheid en onderhoudt zich met zulken persoon niet langer dan noodig is en wanneer de noodzakelijkheid of de liefde tot den naaste het niet vergen, vermijdt zij zelfs elk gesprek en zeer zeker elke teedere uitdrukking. Houdt, ondanks alle omzichtigheid. Satan niet op het vuur eener ongeregelde liefde aan te blazen, dan wendt zich eene ware Liefdezuster tot hare Overste om onder het een of ander voorwendsel den zieke door eene andere Zuster te doen bedienen. In één woord zij gebruikt alle voorzorg

-ocr page 76-

69

■om een vonkje van eene ongeregelde of zelfs natuurlijke liefde oogenblikkelijk uit tc dooven. Zij wacht niet totdat het ontvlamt en het vuur haar aangrijpt. Zij kent het gevaar en wat het ook moge kosten, zij wil, zij zal het vermijden. Wij lezen in de kerkelijke geschiedenis, dat eene godvreezende dame de gewoonte had des nachts in het geheim en in alle stilte de lichamen der martelaren te begraven. Nu gebeurde het eens, dat zij een Martelaar in leven vond. Hare eerste zorg was hem naar hare woning te doen vervoeren, waar hij met de meeste liefde en zorg door haar werd ver-pleegd. En helaas! hij genas langzamerhand van zijne bekomen wonden. Ik zeg: helaas! Immers beiden verloren het leven der ziel. Satan jaloersch op beider deugd, die zoo heerlijk schitterde, daar de eene reeds zooveel bloed voor het geloof vergoten had en de andere misschien het gevaar voor haar leven trotseerde, ontstak in beider harten eerst het vuur eener natuurlijke en weldra van eene ongeregelde liefde. Dat zoo gevaarlijk vuur werd door hen niet uitgedoofd en het gevolg er van was dat beiden aan het geloof verzaakten, waarvoor zij reeds zoovele offers hadden gebracht. Hieruit zien wij, dat eene bijzondere genegenheid een vreeselijk wapen is, waarvan Satan zich bedient om soms deugdzame, ja heilige per-

-ocr page 77-

70

sonen te treffen en te dooden naar de ziel. Voor dit wapen moeten wij meer beducht zijn dan voor het zwaard der vervolgers. Geen ouderdom, geene vroeger getoonde deugd mag ons van de voorzichtigheid hieromtrent ontslaan. De ondervinding van zoovelen strekke hier ons tot waarschuwing. De H. Macarius verhaalt ons, dat een grijsaard, reeds half door het vuur verteerd om aan zijn geloof niet te verzaken, eene genegenheid had opgevat voor eene godvruchtige vrouw, die hem |in zijn kerker kwam bedienen en het gevolg er van was, dat hij de liefde tot zijn God verloor om niet te verzaken aan de liefde tot het schepsel. Eene ware Liefdezuster brengt dan ook altijd getrouw in beoefening hetgeen de H. Geest-zegt : «Bewaak uw hart met de grootste zorgvuldigheid , want daaruit komt het leven voortquot; (1). Zij heeft eenmaal den goddelijken Bruidegom haar hart onverdeeld geschonken. Dit hart bewaakt zij met alle zorg, houdt het voortdurend gesloten voor alle vreemde liefde en bidt den Heer Jezus met alle nederigheid en vurigheid tevens, dat Hij nimmer gedooge dat zij het goddelijk zegel, waarmede haar hart gesloten is, verbreke. Van haren kant waakt zij op elke genegenheid des harten, om

(1) Prov. 4. 23.

-ocr page 78-

• 71

deze, wanneer zij natuurlijk of ongeregeld is, onmiddeiijk te onderdrukken. En daar zij ook tevens weet, dat veel arbeid en drukke bezigheden goede middelen zijn om door geene verkeerde genegenheden gekweld te worden , is zij altijd werkzaam, verfoeit elk tijdverlies en kent geene traagheid in haar werk.

§ 3-

Voor de Traagheid.

»De mensch wordt geboren om te werken r lezen wij in liet boek Job, gelijk de vogel om te vliegenquot; (1). Dit weet en begrijpt eene ware Liefdezuster zeer goed. Zij heeft zich geheel en al den dienst des Heeren toegewijd, om Hem in den persoon des kranken te dienen alle de dagen haars levens en daarom bezield zooals zij is met een levendig geloot bedient zij met groote ollervaardigheid en on-vermoeiden ijver alle zieken alsof zij haren goddelijken Bruidegom in persoon diende. Dit levendig geloof ontvlamt hare liefde, en de liefde geeft haar vleugelen om zich in aller

C? O

ijl derwaarts te begeven, waar de zieken hare hulp behoeven. Zij begeeft zich van het eene ziekbed naar hei andere, verricht daar het noodige werk met alle zorg, zonder haren tijd

(1) Job. 5. 7.

-ocr page 79-

72

te verspillen met noodelooze en langdurige gesprekken. In een gasthuis valt zeer veel te tloen. Als men gedurende den ganschen dag gewerkt heeft, verlangt men naar rust. Maar hoe dikwijls wordt men niet gestoord in zijne nachtrust? Niet ééns maar meermalen wordt men in één nacht gewekt, nu heeft de zieke behoefte aan dit, dan aan dat. Maar ook soms wordt haar geene nachtrust gegund. Zij moet waken terwijl de andere Zusters slapen. Nooit toont zij zich wrevelig, hoe vermoeid zij ook moge zijn. Gedreven door de vurige liefde, die zij haren beminden Bruidegom toedraagt, deinst zij voor den arbeid niet terug. Zij werkt met liefde en kent als het ware geene vermoeienis. Waar bemind wordt, zegt de H. Augustinus, wordt niet geleden, of als men te lijden heeft, dan wordt het lijden bemind. Vandaar dat de Heiligen , zooals wij lezen in hun leven, steeds opofferend werkzaam waren. Zij gunden zich zelven nauwelijks den tijd tot de noodige nachtrust en deze werd nog vaak onderbroken om God te bidden. De tijd was in hun oog te kostbaar om hem nutteloos te verspillen. «De tijd is kortquot; (1), zegt de H. Paulus, dat wil zeggen: dc tijd ons verleend, om ons voor te bereiden tot de eeuwigheid is van korten duur

(1) I Corinth. 7. 29.

-ocr page 80-

73

»Laat onsquot;, zoo schreef liij aan de Galatiërs, in het goede te doen niet moede worden; want te zijner tijd zullen wij maaien, indien wij niet moede worden. Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons, weldoen aan allenquot; (1). De Heiligen hebben veel gewerkt in hun leven en daarom genieten zij de eeuwige rust. Zij liebben gezaaid in het zweet huns aanschijns en thans hebben zij de eeuwige vreugde in-geoogst. De H. Alphonsus deed zelfs de gelofte nooit een oogenblik van den kostbaren tijd te verliezen. Eene ware Liefdezuster, zonder door zulke gelofte zich te binden, beschouwt dit aardsche leven als eenen door God haar verleenden tijd om te verdienen en zij is dan ook zóó werkzaam alsof zij zich door zulke belofte gebonden zag. Het is waai1, somtijds zijn de werkzaamheden zóó zwaar, zóó menigvuldig, dat de lichamelijke klachten schier niet toereikend zijn om ze naar behooren te verrichten ■en in zulk geval wendt zij zich met alle nederigheid en bereidvaardigheid tevens tot hare Overste, omdat zij meent hiertoe in geweten verplicht te zijn. Zou echter de Overste oor-deelen, dat in de gegeven omstandigheid haar geen hulp kan verleend worden, buigt zij nederig het hoofd en hervat den arbeid met nieu-

1

Gall. 6. 9. 10.

-ocr page 81-

74

wen moed, overtuigd dat God machtig genoeg is haar de noodige krachten te schenken. Bij haar vermoeiend werk en als uitgeput van krachten, beschouwt zij haren goddelijken Bruidegom beladen met een nog veel zwaarder kruis, dat Hij uit liefde tot haar gedragen heeft op Zijne bebloede schouders. Gesterkt door dit voorbeeld en gesteund door de hulp des Heeren, doet zij als wonderen van liefde. De H. Theresia verhaalt ons het volgende voorbeeld. Een kloosterling zeide mij, dat hij een onwrikbaar voornemen had gemaakt om alles te doen wat zijn Overste hem zou bevelen, hoeveel het hem ook mocht kosten. Op zekeren dag, zoo vertelde hij aan de H. Theresia, had ik zwaar gewerkt. Van vermoeienis als uitgeput, ging ik tegen het vallen van den avond een oogenblik zitten om wat uit te rusten. Maar zie , daar kwam de Overste en beval mij eene schop te nemen en in den tuin te gaan spitten. Zonder een woord tegen te spreken, deed ik mij zei ven geweld aan en begaf mij naar den tuin. Ik moest door een gangetje, dat naar den tuin leidt en daar verschijnt mij de Zaligmaker beladen met Zijn kruis, zóó afgemat en uitgeput van krachten, dat mijne vermoeienis en raijn lijden niets be-teekenden in vergelijking met hetgeen Hij leed. Op deze wijze, voegt de H. Theresia er

-ocr page 82-

75

bij, beloonde God de gehoorzaamheid van Zijn getrouwen dienaar. Eene ware Bruid des Hee-ren, al verwacht zij zulke buitengewone gunst niet, aanvaardt blijmoedig het haar opgelegde werk, zonder zich bij hare medezusters te beklagen ovèr den zwaren arbeid, zooals sommigen doen. Dezen klagen en willen beklaagd worden. Zij hebben te veel werk, zoo luidt het en middelerwijl zij den tijd verspillen met klagen, verliezen zij den tijd om te werken. Zonderling genoeg; zij hebben wel tijd om te praten en zich te beklagen en geen tijd om te werken. Eene ware Liefdezuster werkt veel en klaagt niet, zelfs dan niet als zij onder het gebed of de overweging geroepen wordt bij de zieken. Wat meer is; wordt haar arbeid vereischt tijdens het H. Misoffer in de week, ook dan nog klaagt zij niet. Volgaarne brengt zij dat offer in vereeniging met zoovele offers, welke Jezus zich te barer liefde getroost heeft. Onderhoudt zij zich in de kapel met God en wordt zij geroepen, dan verlaat zij God om God. De gedachte dat zoovele menschen in de wereld zich ongelooflijk veel moeite geven, onverpoosd werken en zwaren arbeid zich getroosten om aardsche schatten te vergaderen, maakt haar beschaamd en dient haar tot spoorslag om minstens zooveel te werken voor den hemel, als zoovelen doen voor de aarde. Een landman

-ocr page 83-

76

beploegt en bezaait den akker in het zweet zijns aanschijns, in de, zoete hoop op een rijken oogst en niet zelden ziet hij zich in zijne verwachting teleurgesteld. Evenzoo getroost eene ware Liefdezuster zich veel cn zwaar werk, in de blijde verwachting haren arbeid eenmaal rijkelijk beloond te zien en nimmer wordt zij teleurgesteld. Met kalmte, ja met vreugde ziet zij den dood naderen, zij vreest het oordeel niet, de deur des hemels wordt haar geopend en zij treedt in de vreugde ■des Hoeren binnen.

-ocr page 84-

HOOFDSTUK VI.

Het loon dat haar wacht.

§ t-

Een geruste dood.

oorwaar , voorwaar zeg ik u ; gij zult schreien en weenen, maar de wereld zal zicli verheugen; gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in blijdschap veranderenquot; (1), zoo sprak de Zaligmaker in. Zijne afscheidsrede tot Zijne Apostelen. Op deze of dergelijke wijze zou men eene jonge dochter kunnen toespreken die zich als Liefdezuster, den dienst des Heeren wil toewijden: gij zult weenen vooral bij het laatste afscheid van uwe dierbare ouders, van bloedverwanten en vrienden. In de wereld zal men zich vermaken, de wereldsche

(1) Joan. 16. 20.

-ocr page 85-

78

genoegens zul men hartstochtelijk najagen. Met volle teugen zal men drinken uit den beker der weelde. Met een minachtend schouderop-halen zal men op u nederzien, die aan dat alles verzaakt, en naar het voorbeeld van Mo-zes liever wilt onderdrukt worden met Gods volk dan de voorbijgaande genoegens der wereld te smaken. Weet derhalve, o Bruid des Heeren, dat, terwijl de wereld zich zal vermaken, gij menigmaal zult zuchten onder uwen arbeid en het zware kruis dat gij te dragen hebt. Dan met de grootste edelmoedigheid neemt eene ware Liefdezuster, op het voorbeeld van haren goddelijken Bruidegom, het kruis op hare schouders om de vreugde haar voorgesteld, en laat de genoegens der wereld aan hen die ze begeeren. Afgezonderd van de wereld, slijt zij hare dagen in een ziekenhuis waar niets te vinden is wat hare zinneti streelt. Maar de gedaante dezer wereld gaat voorbij, de tijd staat evenmin stil in de wereld als in oen gasthuis. De wereldsche vermaken spoeden even ras ten einde, als het lijden in den dienst des Heeren En bij den naderenden dood wat gebeurt er dan? De vreugde, die men in de wereld heeft genoten, verandert in droefheid, en de droefheid eener ware Liefdezuster, indien ik ze droefheid noemen mag, verandert in blijdschap. Welke zichtbare tegenstelling

-ocr page 86-

70

ontwaart men niet bij het ziekbed van eene wereldsche jonge dochter die verzot is op de wereld en bij dat van eene ware Liefdezuster, die Jezus in den persoon der zieken heeft gediend. De eerste ziet met groote huivering en zichtbare ontsteltenis den naderenden dood. Zij vleit zich altijd nog met de hoop op genezing. Wordt deze haar ontnomen, dan klemt zij zich krampachtig vast aan don draad des levens , slaakt diepe zuchten en verwijt den •dood. dat hij haar aan de genoegens der wereld komt ontrukken. Zij werpt een blik in het verleden en vindt niets wat haar in dit benauwde oogenblik kan troosten. Aan de toekomst durft zij niet denken of zij siddert over al hare ledematen. Geheel anders is de gesteltenis der tweede, dat is, van eene ware Liefdezuster, die haar leven heeft doorgebracht in het midden van den lijdenden evenmensch. Met kalmte ziet zij den dood naderen. Niets houdt haar terugquot; in de wereld. Aan de wereld zelve met al hare genoegens heeft zij reeds lang verzaakt, hare familie uit liefde tot God verlaten. Zij is niet gehecht aan het leven, dat zij den Heere heeft toegewijd en bereid is Hem ten offer te brengen. Hare medezusters weten het, en daarom vreezen zij niet haar het einde baars levens aan te kondigen. Wat meer is, men •haast zich om haar deze blijde tijding mede

-ocr page 87-

80

te deelen. Met groote vreugde begroet zij dan ook deze vreugdevolle tijding en met blijdschap antwoordt zij met de woorden van den Profeet, terwijl zij hare oogen ten hemel slaat: ))Voer mij uit den kerker om uwen naam te loven, de vromen wachten af dat Gij mij zult vergeldenquot; (1). »Want wat heb ik in den hemel, en wat verlang ik op aarde buiten U, o mijn Jezus! Mijn vleescht bezwijkt en mijn hart; de God mijns harten en mijn deel is God voor eeuwigquot; (2). Ja, zoo mag eene ware Liefdezuster spreken op haar sterfbed. God heeft haar uitverkoren tot Zijne Bruid. God was steeds de God haars harten, en nu mag zij ook vast vertrouwen, dat God haar deel zal zijn in eeuwigheid. Zij zegent de voetstappen die zij in het ziekenhuis gezet, de vernederende diensten die zij bewezen, de nachten die zij gewaakt heeft. Zij dankt God voor hare verheven roeping, die haar zoovele verdiensten en zulk gerust sterfuur bezorgd heeft. Met een heilig ongeduld verbeidt zij den dood, om met Christus te zijn. De angstvalligheden, een zwaar kruis voor godminnende zielen, hebben opgehouden. Weleer was zij vol angst, als zij dacht aan den dood , thans ziet zij met vreugde en vol vertrouwen den dood te gemoet. Ik vrees

(1) Pa. M-l, 8. (2) 1b. 7-2. 25. 26.

-ocr page 88-

81

niet te sterven, zegt zij met den FI. Ambrosius, want wij hebben een goeden Meester. Dezen Meester heeft zij trouw als Zijne Bruid gediend in den persoon der kranken , en nu behoeft zij de komst des Heeren niet te vreezen. Geduldig heeft zij geleden, met moed gestreden en nu kan zij met den H. Paulus zeggen: sik heb den goeden strijd gestreden, den loop voleindigd, het geloof bewaard. Voorts is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij te dien dage geven zalquot; (1). Deze kroon ziet zij reeds blinken boven haar hoofd. Immers God schenkt Zijne Bruid reeds een voorsmaak van de he-melsche geneugten. Zij is gelijk aan iemand, die zijne familie heeft verlaten om in vreemde landen de goudvelden te bezoeken, en nu, na veel lijden , na op zee de stormen te hebben getrotseerd, op het punt staat met schatten beladen voet aan wal te zetten om onbezorgd de overige dagen zijns levens in den kring zijner familie te slijten. Welke blijdschap, welke vreugde gevoelt hij niet op dat zoo gelukkig oogenblik. Maar onbeschrijfelijk grooter is de vreugde, die eene ware Liefdezuster in de laatste oogenblikken haars levens bezielt. Zij heeft aan hare ouders en bloedverwanten vaarwel

(1) 11 Timoth. 4. 8. De ware Liefdezuster.

6

-ocr page 89-

82

gezegd om onder de vreemden, wellicht ver verwijderd van hare geboorteplaats, geen vergankelijk goud, maar schatten te vergaderen voor den hemel. Veel heeft zij geleden, de bedorven-natuur steeds overwonnen en nu is zij, rijk in verdiensten, op het punt het hemelsch vaderland binnen te gaan, alwaar zoovelen harer kennissen, bloed- en aanverwanten zich bevinden, waar de allerheiligste Maagd Maria, door wie ons alle genaden geworden, haar met vreugde verwacht, en haar goddelijke Zoon bereid is, Zijne getrouwe Bruid met heerlijkheid te kronen. Welk onbeschrijfelijk genoegen smaakt zij op dat oogenblik, nu zij voor de deur des hemels staat die haar zal worden geopend ! Zij hoort de stem van haren goddelijken Bruidegom die haar toeroept: Kom Mijne Bruid, kom uit de dorre woestenij der wereld, kom, de winter is voorbij, eene eeuwige lente is daar. Kom , gij wordt gekroond met eene onverwelkbare kroon van glans en heerlijkheid. Het is waai-, eerst moet zij nog verschijnen voor Gods oordeel, niet om veroordeeld, maar om de hemelsche glorie waardig geoordeeld te worden. Immers het kan niet anders of gunstig is het oordeel voor eene ware en trouwe Bruid des Heeren.

-ocr page 90-

83

§ 2.

Een gunstig oordeel.

God is goed, oneindig goed, wie kan er aan twijfelen? Hij is ook rechtvaardig en Zijne rechtvaardigheid is even eindeloos als Zijne goedheid. Wie kan het loochenen ? God is goed en omdat Hij oneindig goed is, schenkt Hij den mensch Zijne genaden zonder tal, die als de vruchten zijn van den boom des kruises, besproeid met Zijn goddelijk Bloed. En mits de mensch van zijnen kant met die genaden medewerkt, zal Hij hem overvloediglijk beloonen in de eeuwigheid. Maar God is ook rechtvaardig, en daarom zal Hij, die niets onbeloond laat, ook niets ongestraft laten voorbijgaan. Streng zal dan het oordeel zijn dat Hij zal vellen, die de harten en nieren doorgrondt, en gezegd heeft: sik zeg u, van alle ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zij zullen rekenschap daarvan geven op den lt;lag des oordeelsquot; (1). Hij zal niet alleen oor-deelen over de slechte maar ook over de goede werken, of deze verricht zijn op den daarvoor bestemden tijd, op de bepaalde plaats en op de behoorlijke wijze. Maar ondanks deze gestrengheid behoeft eene ware Liefdezuster, de

(1) Matth. 12. 36.

-ocr page 91-

84

getrouwe Bruid des Heeren, geene overtollige vrees te koesteren voor het oordeel dat haar wacht. Immers als men eene zekere liefde voor God ontwaart en bereid is liever te sterven dan eene doodzonde te plegen, —- en in deze gesteltenis bevindt zich eene ware Liefdezuster, — dan kan men, zegt de H. Alphonsus, eene zedelijke zekerheid hebben in Gods genade te zijn. Die met Christus lijdt, zal ook met Christus verheerlijkt worden. Veel heeft eene ware Liefdezuster geleden uit liefde tot haren Bruidegom. en wel verre van zich hierover te bedroeven, ziet zij met vreugde op haar lijden terug. Immers de armoede, zegt de H. Alphonsus, die zij beoefend, de vernederingen die zij verdragen, de boete die zij gepleegd, de onthechting van het aardsche waaraan zij verzaakt heeft, maken den dood zacht en beminnelijk, terwijl zij de hoop vermeerderen op het eeuwig leven. Bezield met een vast vertrouwen, steunende op de verdiensten en de belofte van den Heer Jezus, slaat zij de booze geesten op de vlucht, die eene laatste poging aanwenden, om haar alle vertrouwen te ontnemen en tot moedeloosheid, ja als tot wanhoop te brengen, door Gods oordeel zóó streng voor (e stellen alsof er geene hoop van zaligheid voor haar bestaat. Onwrikbaar echter blijft haar vertrouwen, en zij wordt dan ook niet teleurgesteld.

-ocr page 92-

85

Immers »de lioopquot;, zegt de H. Paulus, ))be-schaamt nietquot; (1). En zeer zeker zal eene ware Liefdezuster niet beschaamd gemaakt worden in het oordeel. Met een gerust gemoed kan zij voor het oordeel Gods verschijnen, gunstig zal het voor haar zijn. Een kloosterling van de Sociëteit van Jezus, gelijk de H. Alphonsus ons verhaalt, begon op zijn sterfbed te lachen. Zijne medebroeders, bevreesd voor eene misleiding, vroegen hem naar de reden zijner vreugde, en zijn antwoord luidde; waarom zou ik niet lachen als ik verzekert! ben van den hemel? Heeft de Heer niet het eeuwige leven beloofd aan hem, die te Zijner liefde de wereld verlaat? Welnu dan, ik heb voor Hem alles verlaten en God kan Zijn woord niet ontrouw worden. Derhalve lach ik omdat ik zeker ben naar den hemel te gaan. De H. Joannes Chrysostomus schreef reeds in dien zin aan een kloosterling: God kan niet liegen, en Hij heeft het eeuwig leven beloofd aan dengene die ter liefde van Hem de wereld verlaat. Gij hebt ze verlaten, wat zou u dan kunnen doen twijfelen aan de verwezenlijking Zijner belofte ? Met recht noemt dan ook de H. Laurentius Justinianus het kloosterlijk leven de deur des hemels. Die het klooster binnen-

(1) Rom 5. 5.

-ocr page 93-

86

treedt, daarin met ijver volhardt tot aan den dood, heeft een bijna zeker vooruitzicht dat hem de deur des hemels zal worden geopend. En terecht, zegt de H. Bernardus, dat het zelden of nooit gebeuren zal dat iemand van zijne cel naar de hel gaat, omdat het even zelden gebeurt, dat iemand daarin volharde tot aan den dood, tenzij hij voor den hemel is voorbestemd. Geen wonder dan dat de H. Maria van Oignies het Te Deum aanhief toen zij den dood voelde naderen. Geen wonder dat Gerar-dus, de broeder van den H. Bernardus, begon te zingen bij de gedachte: ik sterf in mijn klooster. Geen wonder dat de geleerde Suarez van de Sociëteit van Jezus, op zijn sterfbed zeide dat hij zich nooit had kunnen verbeelden dat het zoo zoet en aangenaam was te sterven. Geen wonder ook, dat ecne ware Liefdezuster met kalmte en met vreugde den dood te gemoet ziet en gerust voor Gods oordeel verschijnt, met het volste vertrouwen uit den mond van haren goddelijken Bruidegom de troostvolle woorden te zullen hoeren; welaan, getrouwe dienstmaagd, treed binnen in de vreugde des Heeren. Hoe zou zij ook vreezen voor Hem te verschijnen, dien zij in den persoon der zieken zoo trouw gediend heeft? En hoe zou Jezus haar kunnen veroordeelen, die zich zelve ter liefde van Hem tot zulken zwa-

-ocr page 94-

87

ren arbeid, tot zooveel nachtwaken , tot zoovele vernederende diensten veroordeeld heeft? Zij houde zich verzekerd haren Bruidegom als Rechter met een allerminzaamst gelaat in liet oordeel te zullen ontmoeten. Immers Hij zal haar zeggen; gij hebt Mij gespijsd toen Ik honger, gelaafd toen Ik dorst had, gekleed toen Ik naakt, bezocht toen Ik ziek was, want alle diensten den zieken bewezen, hebt gij Mij bewezen. Tot loon van uwen arbeid zult gij in vrede rusten, tot loon van den drank, dien g'j Mij hebt toegereikt, zult gij drinken uit den kelk van vreugde, omdat gij Mij te eten hebt gegeven, zal Ik u het verborgen manna geven, gij hebt Mij gekleed en nu zal Ik u bekleeden met heerlijkheid. O God, welke vreugde! Zoudt gij misschien nog iets te boeten hebben, ras zal die schuld zijn afbetaald en zij gaat den hemel binnen, alwaar een overgroot loon haar deel zal zijn in eeuwigheid.

§ 3.

Een verheven troon, in den hemel.

üod is rechtvaardig. Van alles wat men voor llern doet of lijdt, zal niets onbeloond blijven. )gt;Wie uquot;, zoo sprak Hij tot Zijne leerlingen , seen beker water te drinken geeft om Mijnen naam, d. i. omdat gij leerlingen

-ocr page 95-

88

van Christus zijt, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon niet verliezenquot; (1). Welk loon staat dan eeiie vare Liefdezuster niet te wachten, die niet alleen duizenden malen, den zieken m Christus' naam te drinken gegeven, maar geheel haar leven besteed heeft om ze te verzorgen, te verplegen en hun ontelbare diensten te bewijzen ? Koevele offers heeft zij den Heere niet gebracht? Was het geen offer toen zij als eene jeudige persoon aan alles verzaakte wat de wereld haar aanbood om de Bruid te worden van een gekruisigden God, gekroond met doornen en te deelen in Zijn lijden? Was het geen offer gepaard met vele tranen, toen zij hare ouders, bloed- en aanverwanten verliet om den lijdenden Jezus in den persoon der kranken te verzorgen? Was haar geheel leven niet een voortdurend offer? Was zij zelve niet een levend offer? Zonder twijfel zal zij, na veel deel gehad te hebben in Christus' lijden, ook een groot aandeel hebben in Zijne heerlijkheid. Is het leven van een waar kloosterling, volgens den godvruchtigen Thomas van Kempen, een voortdurend martelaarschap, dan verdient het leven van eene ware Liefdezuster dien naam bij uitstek. Zij is wel geene martelares iti den eigelijken zin des woords.

(Ij Mare, 9. 40.

-ocr page 96-

89

maar wint liet lijden van een martelaar liet in lievigheid, haar lijden wint het in den langen duur. Is hij, die sterft voor het geloof een martelaar van het geloof, eene ware Liefdezuster is eene martelares der volmaaktheid en dit martelaarschap, zegt de H. Alphonsus, schijnt verhevener dan het eerste. Maar zou eene Liefdezuster het slachtoffer worden van naastenliefde door besmettelijke zieken te verplegen, dan zegt het Romeinsch martelaarsboek, dat zij volgens het algemeen godvruchtig gevoelen der geloovigen als eene martelares beschouwd wordt. En, volgens den H. Alphonsus, zijn er meer dan 300 schrijvers, die haar in dat geval dien schoonen titel toekennen. In de Kronijken van de Orde der Minderbroeders leest men, dat een Pater, die zich uit gehoorzaamheid aan de verpleging der pestlijders had toegewijd, na zijn dood geheel schitterend van glorie aan een zijner medebroeders verscheen en op de vraag of hij reeds gestorven was antwoordde: »Ik ben niet dood; nu eerst kan ik in waarheid zeggen dat ik begin te levenquot;. Menige Liefdezuster zal dan ook de kroon der martelaren dragen in het rijk der hemelen, en tevens met die der maagden versierd onder velen uitblinken als eene schitterende ster, terwijl zij onder het zingen van het lied der maagden het Lam Gods volgen zal waarheen

-ocr page 97-

90

het ook moge gaan. Maar ook alleen reeds om hare werken van naastenliefde zal hare belooning groot zijn, te meer daar God, zooals de H. Alphonsus zegt, vrijgeviger is in liet be-loonen dei- goede, dan streng in het bestraffen der slechte werken. Verbeelden wij ons eene Jonge dochter in de wereld. Eiken morgen staat zij op om half vijf. Een half uur brengt zij dan door in het inwendig gebed. Zij bidt eiken dag. behalve het rozenhoedje, de getijden der H. Maagd. Zij biecht elke week en nadert driemaal in de week tot de H. Communie. Den overigen tijd besteedt zij aan het verplegen der zieken, waartoe zij daarenboven elk uur van den nacht bereid is. Zij doet dit alles met geen ander doel dan om Gode te behagen. Zou men zulke jonge dochter in de wereld niet eene heilige noemen? Welnu dat alles doet eene ware Liefdezuster, niet één of twee jaren, maar tot aan haren dood, door eene gelofte zelfs heeft zij zich tot zulk een leven verbonden. Wat een schat van verdiensten heeft zij niet in haar leven voor den hemel vergaderd, te meer daar al hare liefdewerken, die den stempel dragen der gehoorzaamheid en geschieden krachtens de afgelegde belofte, veel verdienstelijker zijn dan die, welke oen leek in de wereld verricht. Elke voetstap, dien zij doet uit gehoorzaamheid, zal zijn loon

-ocr page 98-

91

niet missei). Zij zelve kan die duizenden schreden niet tellen, maar zij zijn geteld door haren Engelbewaarder. Een woestijnbewoner, eenigszins ontevreden, dat hij op zulk een verren afstand het water moest halen, hoorde op zijn weg de voetstappen van iemand, die hem volgde. Hij zag om en verwonderd iemand in die dorre woestenij te ontmoeten, vroeg hij den vreemdeling, wat hij deed in die eenzaamheid en het antwoord luidde: ik tel uwe voetstappen. Die vreemdeling was een Engel Gods. Zijne ontevredenheid was geweken en ongetwijfeld verlangde hij het water op eenen nog grooteren afstand te moeten halen. Eene ware Liefdezuster, bezield met een levendig geloof, vreest stappen noch trappen. Zij zet de eersten met liefde, beklimt de tweeden met vreugde. Is zij op aarde in het midden der zieken en gewonden als een Serafijn van liefde, zij mag de hoop koesteren eene plaats onder de Serafijnen te zullen bekleeden in den hemel. En dat zulke hoop niet vermetel is, kunnen wij afleiden uit de woorden van den H. Kerkleeraar Alphonsus: ik houd het voor zeker, zegt hij, dat de meeste tronen der Serafijnen, die aanhangers geworden zijn van Lucifer en daarom ter helle veroordeeld, zullen ingenomen worden door personen in liet kloosterleven geheiligd. Hoe het ook moge zijn

-ocr page 99-

92

schoon en overheerlijk zal toch de troon zijn, dien zij bekleeden zal in eeuwigheid. Nu is haar leven met Christus haar Bruidegom verborgen in God. Zij leidt een verborgen leve.i, alleen aan hare dierbare zieken bekend. Zij kent de wereld niet en is door de wereld niet gekend. Van een leven als zij leidt wil de wereld niet weten. Eenmaal echter zal zij de wereld, die haar nu als eene dwaze jonge dochter veroordeelt, op hare beurt oordeelen, als men haar, gezeten op een troon van heerlijkheid zal aanschouwen in het dal van Josa-phat. Immers de belofte door den Hoer Jezus aan Petrus gedaan, dat de Apostelen, die alles verlaten en Jezus gevolgd hebben, in den laat-sten dag des oordeels, op een verheven troon zullen zitten om de twaalf stammen Israels te oordeelen, strekt zich uit tot allen, die alles verlaten en Jezus volgen, gelijk door de twaalf stammen Israëls de volkeren der aarde bedoeld worden. 01 hoe verheven zal haar troon, hoe schitterend hare kroon, hoe schoon haar verheerlijkt lichaam zijn ! Als eene glansrijke ster zal zij schitteren in eeuwigheid. Valt u dan, o ware Bruid des Heeren, soms de arbeid zwaar, het lijden drukkend, het waken lastig, het verplegen moeilijk, sla dan uwe oogen ten hemel. De hoop op belooning, zegt de H. Augustinus, is de troost in den arbeid.

-ocr page 100-

93

Gedenk de woorden van den H. Paulus: »Ik houde het er voor, dat het lijden dezes tijds van geen gewicht is tegenover de toekomstige-heerlijkheid, die in ons geopenbaard zal wordenquot; (i). Vallen de arbeid, het lijden, de vernederingen u zwaar, zij hebben niets te-beduiden in vergelijking met de belooning ^ zóó onbegrijpelijk groot zal het loon zijn dat. u wacht in eeuwigheid.

SLOTBEMERKING.

Wat ik gezegd heb van het verplegen dei-zieken is ook grootendeels toepasselijk op het verzorgen van ouden van dagen. Dezen zijn ter-oorzake van hunnen hoog gevorderden leeftijd niet zelden ziek naar het lichaam en naar den geest. Vaak zijn zij gelijk aan kinderen wat hun verstandelijk vermogen betreft. Waren zij, nu in alles den kinderen gelijk, men zou ze als kinderen kunnen behandelen, maar de goede hoedanigheden den kinderen eigen, zoekt men te vergeefs en de slechte vertoonen zich duidelijk. Zij, die als kinderen zijn, willen tock niet als kinderen worden beschouwd. Dezen stelt men met weinig tevreden, niet zoo de ouden van dagen. Oude mannen en vooral oude vrouwen altijd tevreden te willen stellen is.

(1) Rom. 8. 18.

-ocr page 101-

94

eene kunst, die men vruchteloos zou willen aanleeren. Met oude mannen kan men dikwijls onderhandelen, zij luisteren naar reden; maar met oude vrouwen valt doorgaans niet te re-lt;leneeren. Oude mannen kan men spoedig tot zwijgen brengen, maar bij oude vrouwen is dit eene onmogelijkheid. Zijn oude mannen soms ijverzuchtig, oude vrouwen zijn jaloersch in hooge mate. Spreken de mannen, de vrouwen zijn onuitputtelijk in woorden. Spreken de mannen meestal onderling in vrede, de vrouwen veroorzaken door hun voortdurend gepraat niet zelden twist en oneenigheid. De gebreken van anderen worden besproken, niet zelden onder hatelijkheden en verwijtingen. Neemt men er eene in bescherming tegen eene kwaadsprekende tong, dan wordt deze nog meer gescherpt en aan het kwaadspreken komt geen einde, zooilat het verstandigste dikwijls is te zwijgen of over iets anders te spreken. Wat doet nu eene ware Liefdezuster, cfie ze verzorgen moet? Zij volgt den raad van den H. Augustinus; zij keert het kwaad zooveel in haar vermogen is en wat zij niet keeren kan, verdraagt zij. Trekt zij partij voor deze dan wordt eene andere boos. Vrij van alle partijzucht, behandelt zij allen onpartijdig met eene voorkomende liefde, zonder zich verder aan hunne gesprekken te storen. Zij bewaart den

-ocr page 102-

95

inwenrligen vrede, blijft kalm en bedaard en doet haar best om den ouderlingen vrede te bewaren. Kan zij hierin niet altijd slagen dan is het haar genoeg, dat God en hare Overste over haar tevreden zijn. Prijst zij soms dezen •of genen wegens eene goede hoedanigheid, zij doet het opdat zij des te gereeder hunne slechte hoedanigheden zouden afleggen. Zij behandelt hen in de praktijk als groote kinderen zonder iets te laten merken, dat zij ze als zoodanig beschouwt. Vele fouten weet zij bij hen te verontschuldigen, omdat zij een gevolg zijn hetzij van onwetendheid, hetzij van vroeger aangenomen gewoonten, hetzij van gebrek aan opvoeding of aan verstand. Kleinere fouten ziet zij meestal door de vingers, terwijl zij meer acht geeft op grovere overtredingen om deze zooveel doenlijk met alle voorzichtigheid «n liefde te doen ophouden. Om haar gezag te handhaven vermijdt zij eenen al te vertrou-welijken omgang, zij spreekt niet veel en ofschoon altijd met eene groote zachtmoedigheid toch met een zekeren ernst. Zij verzoekt veeleer iets, dan zij gebiedt. Vindt zij er die ondanks alle waarschuwingen en vermaningen , halsstarrig blijven en onverbeterlijk zijn, dan roept zij de hulp in van hare Overste en raadpleegt haar, wat in deze omstandigheid te doen is. Dat hare bediening met vele moei-

-ocr page 103-

96

lijkheden en onaangenaamheden gepaard gaat, weet en ondervindt zij dagelijks. Maar hare liefde tot God is vurig genoeg om dat alles met geduld, ja met vreugde te verdragen, overtuigd, dat het haren Bruidegom behage-lijk, den ouden van dagen voordeelig en voor haar zelve zoo verdienstelijk is.

-ocr page 104-

TW^JBEIDE rXBElL.

De ware Liefdezuster met betrekking tot het onderwijs.

Hetzij eene Liefdezuster door hare Overste bestemd worde tot liet verplegen der zieken, hetzij tot liet onderwijs der kinderen, in het oog der wereld blijft zij immer eene dwaze jonge dochter, en in het oog der ouders dikwijls een ondankbaar kind, maar voor de zieken of de kinderen is zij eene teedere moeder. Het eerste hoofdstuk van het eerste deel is derhalve eve»i toepasselijk op eene Liefdezuster, die zich met het geven van onderwijs belast, als op haar, die de zieken verpleegt. Wat het loon betreft dat eene ware Liefdezuster wacht, die de kinderen onderwijst, zij leze wat ik in het laatste hoofdstuk hierover geschreven heb. Immers ook dat loon zal haar aandeel zijn en met betrekking tot haar, kan ik hier nog de woor-

| De ware Liefdezuster. 7

-ocr page 105-

98

den der H. Sclirift bijvoegen, dat zij, die velen in de gerechtigheid onderwijzen, als sterren zullen blinken in de eeuwigheid. Wat echter de roeping betreft van eene Liefdezuster tot liet onderwijs bestemd, het doel dat zij moet beoogen, de middelen die zij moet gebruiken om dat doel te bereiken, de strijd die haar wacht, over dat alles moet wat breedvoeriger worden gesproken.

-ocr page 106-

HOOFDSTUK 1.

Hare verheven roeping.

§ 1.

Met betrekking tot God.

sIEïet Woord is vleesch geworden en lieeft onder ons gewoond.quot; Maar hoe vertoonde zich dat eeuwig Woord voor de eerste maal onder de menschen, onder welke gedaante verscheen het op aarde? Niet als een volwassen mensch zooals Adam, maar als een klein en hulpeloos kind, geboren uit de vlekkelooze Maagd Maria. Hij, die allen voedt, wordt gevoed, die hemel en aarde draagt, wordt gedragen, die alles regelt en bestuurt, wordt bewaakt en aan d« hand geleid. Immers de eenige Zoon Gods, mensch geworden, is in alles den menschen gelijk geworden, de zon.le alleen uitgenomen. Als Kind was Hij ook den kinderen gelijk. Hij

-ocr page 107-

■100

werd gevoed en gedragen door Zijne H. Moeder. Deze aanbad dat Kind als haar God, maar verzorgde het tevens als de teederste aller moeders. Met welk onbeschrijflijk geluk aanschouwde Maria haar goddelijk Kind! Met welke ongekende vreugde werd Het door Haar verzorgd! De ware Liefdezuster, die men daar in de bewaarschool ziet in het midden van eene menigte kinderen, deelt als eenigermate in dat geluk van de Allerheiligste Maagd Maria. Die kinderen, het is waar, zijn slechts menschen, maar bezield, zooals zij is, met een levendig geloof, beschouwt zij het goddelijk Kind Jezus in den persoon van elk kind aan hare zorg toevertrouwd. Zij herinnert zich steeds do woorden van Jezus: »A1 wat gij den minsten der Mijnen doet in Mijnen naam, hebt gij Mij gedaanquot;. Het lijdt geen twijfel of God ziet met welbehagen neder op Zijne Bruid, die na aan eene aardsche verbintenis en aan alles wat de wereld haar kan aanbieden te hebben verzaakt, voor vreemde en vaak arme kinderen als eene moeder is geworden, die zij met de grootste toewijding, ter liefde van Jezus, verzorgt. Zij doet het met des te grooter genoegen, omdat die kinderen het kleed der onschuld dragen, in wier harten de Vader en de Zoon en de H. Geest Hunne woonplaats genomen hebben in den H. Doop. Vandaar dat zij die

-ocr page 108-

101

kinderen als met een zekeren eerbied behandelt, omdat zij zoo dierbaar zijn aan Gods Hart. O konde zij eens hunne zoo verrukkend schoone zielen aanschouwen, hare liefde voor die kinderen steeg ten top, terwijl zij God zou danken haar in liet midden dier schuldeloozen geplaatst te hebben. Het is waar, sommigen onder hen zijn, met de lichamelijke oogen beschouwd , weinig net en zindelijk, maar allen zijn naar de ziel verrukkend schoon en den Engelen gelijk. Geen wonder dat eene ware Bruid des Hoeren er zooveel prijs op stelt haar leven te slijten in het midden der kinderen, op het voorbeeld van haren goddelijken Bruidegom, die hen zoo gaarne tot Zich zag naderen. Immers de H. Marcus zegt: »En men bracht kinderen tot Hem, opdat Hij die zou aanraken. De leerlingen nu berispten degenen, die ze brachten. Maar toen Jezus hen zag, nam Hij het zeer kwalijk, en zeide tot hen : Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert hen niet; want voor dezulken is het rijk van Godquot; (1). Wie zal zich hierna nog verwonderen eene ware Bruid des Heeren te hooren zeggen: laat die kleine kinderen tot mij komen, moeders! belet het hen niet; met eene meer dan moederlijke liefde zal ik ze verzorgen. Wie zal verwonderd zijn, als hij

(1) Mare. 10. 13. 14,

-ocr page 109-

402

ziet, dat eene ware Liefdezuster, indien het haar vrijstond, meer zou wenschen kleine dan wel grootere kinderen te verzorgen en te onderwijzen, omdat zij hierdoor meer aan haren goddelijken Bruidegom gelijkt. Verheven is derhalve de roeping eener Liefdezuster, die door God geroepen is den kinderen hare zorg toe te wijden, temeer nog omdat zij voortdurend herinnerd wordt aan de gewichtige les door Jezus den Apostelen en ons allen gegeven. De Apostelen waren vóór de komst des H. Geestes niet vrij te pleiten van hoogmoedige en eerzuchtige gedachten. Zij hadden zelfs onderling getwist over den voorrang. Wat deed nu de Heer Jezus ? Hij riep een kind tot Zich, stelde het in hun midden, en zeide : «Voorwaar zeg Ik u, indien gij u niet bekeert en wordt als kinderen, gij zult het Rijk der hemelen niet ingaanquot; (1). Hierdoor leerde Hij hen en ons allen hoe volstrekt noodzakelijk de ootmoedigheid is om zalig te kunnen worden. Zij morsten worden gelijk kleine kinderen, die van rang noch eerzucht weten. En ook wij moeten den kinderen gelijken. Wij willen wel gaarne veronderstellen, dat eene Bruid van Hem, die Zich zoo diep vernederd, zelfs Zich als 't ware vernietigd heeft, de gedaante van een dienst

el) Matth. 18. 2. 3.

-ocr page 110-

103

knecht aannemende, zal uitmunten in nederigheid , of althans uit al haar vermogen zich voortdurend beijveren zal om deze zoo noodzakelijke deugd te erlangen. Maar wij mogen toch ook veronderstellen, dat de hoovaardige geest, de hoovaardij in persoon , eene Bruid des Heeren soms kwelt met hoovaardige gedachten, vooral haar die boven vele anderen in kennissen uitmunt. Zij nu die grootere kinderen onderwijst, loopt in den regel meer gevaar die gewichtige les des Heeren soms te vergeten en zich door hoovaardige gedachten te laten vervoeren, dan zij die kleineren onderricht, vooreerst omdat hiervoor zooveel geleerdheid niet gevorderd en zij, die het geeft doorgaans minder geteld wordt, en ten tweede omdat zij kleine kinderen steeds voor zich heeft en dus voortdurend herinnerd wordt aan de woorden van Jezus, die niemand en zeker niet eene meesteres vergeten mag; tenzij gij wordet als kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen niet binnengaan. Eene ware Liefdezuster is dan ook zeer tevreden en dankt God als zij in de bewaarschool den kleinen kinderen hare zorg moet wijden, maar toont zich ook niet wrevelig of weigerachtig, als zij kinderen moet onderwijzen die de bewaarschool gaan verlaten of reeds eengeruimen tijd verlaten hebben. Immers hierdoor zal zij velen Ouders behulp-

-ocr page 111-

104

zaam zijn in de opvoeding liunner kinderen, en hun deze zware taak in ruime mate vergemakkelijken.

§ 2.

Met betrekking tot de ouders.

Ongelukkig, diep ongelukkig zijn de kinderen, wier opvoeding door de ouders wordt verwaarloosd, omdat zij niet genoeg de zware verplichting beseften, die zij in dit punt te vervullen hebben. En is dit ook niet het geval, dan geven zij zich toch dikwijls niet de ver-eischte moeite, ter oorzake van eene zekere traagheid, of wel zij besteden den hiervoor benoodigden tijd aan hunne andere tijdelijke aangelegenheden. Soms ook zijn de ouders niet in staat hiertoe tijd te vinden; immers zij moeten zwaar wei ken om hunnen kinderen het noodige onderhoud te verschaffen. En zonden zij ook over den benoodigden tijd kunnen beschikken, dan nog laat eene goede opvoeding vaak veel te vvenschen over, omdat de ouders zeiven niet zeer godsdienstig zijn, ofwel omdat het hun ontbreekt aan overleg, aan oordeel en aan bekwaamheid. Maar dank zij der goddelijke Voorzienigheid. Zij heeft scholen, gestichten en pensionaten in het leven geroepen, waar Zijne Bruiden met de opvoeding, het

-ocr page 112-

105

onderwijs en vooral het godsdienstig onderricht van vele kinderen zich belasten en alzoo den ouders hunne gewichtige taak grootendeels vergemakkelijken. Men vindt zulke scholen, waarin hetzij door Broeders, hetzij door Zusters den kinderen onderwijs en godsdienstig onderricht gegeven wordt, bijna in alle steden en in zeer vele dorpen. Indien nu de ouders of zij, die hunne plaats vervangen, de kinderen naar zulke scholen zonden, in plaats van naar de godsdienstlooze, dan zouden zij zich reeds voor een groot gedeelte kwijten van den zwaren plicht eener godsdienstige opvoeding. Zij behoeven het niet te laten, omdat het hun aan tijdelijke middelen ontbreekt. Immers door dezen wordt ook aan behoeftige kinderen kosteloos onderwijs gegeven. Ouders, die hunnen kinderen eene ware liefde toedragen en niets zoo vurig verlangen als hen én in dit én in het andere leven gelukkig te zien, — iets wat onmogelijk is zonder godsdienstig onderwijs, — vinden een grooten steun bij de Liefdezusters, die zeker zoo vurig als de ouders het geluk der kinderen behartigen en daarom van alle wereldsche beslommeringen zich hebben ontdaan om ongehinderd al hunnen tijd aan het godsdienstig onderricht der kinderen te kunnen besteden. Eene ware Liefdezuster dopr hare Overste voor hèt onderwijs bestemd, legt zich

-ocr page 113-

•106

dan ook met ijver toe op de studie om zich in het onderwijs te bekwamen. Immers om onderwijs te mogen en te kunnen geven moet zij minstens in ééne taal en in andere bijvakken ervaren zijn. Onvermoeid ziet men haar dan ook aan het werk en hoe meer zij zich bekwaam maakt in de van haar gevorderde kennis en in de wijze om die kennis aan anderen mede te deelen, des te minder zullen de ouders in hunne verwachting teleurgesteld worden en des te meer zal de school, waarin zij onderwijs geeft, bloeien en door kinderen worden bekocht., die terwijl zij worden onderwezen in de natuurlijke kennis, tevens eene meer grondige kennis van onzen H. Godsdienst zullen erlangen. Zij legt zich toe op de studie, niet louter om te weten, want dit is nieuwsgierigheid , niet om voor geleerd te worden aangezien, want dit is ijdelheid en hoogmoed, maar alleen omdat God het wil, om in de gelegenheid gesteld te worden Hem door zoovele kinderen beter te leeren kennen en vuriger te doen beminnen. De ondervinding leert dan ook, dat kinderen, die de school door Zusters bestuurd bezoeken, vrij wat beter in den godsdienst ervaren zijn dan vele anderen die in godsdienstlooze scholen worden onderricht. Zeer vele Eerw. Herders, die het geluk hebben eene school in hunne Parochie te be-

-ocr page 114-

107

zitten door Eerw. Zusters geleid, zouden het kunnen getuigen, als de kinderen tot de eerste H. Communie worden opgeleid. Dit strekke eene ware Liefdezuster tot troost en spoorslag tevens, om zich te bekwamen in die vakken, waarin de gehoorzaamheid haar oplegt kinderen te onderwijzen. Sommige Zusters vormen zich een niet juist denkbeeld van de ware godsvrucht. Zij verbeelden zich, dat eene dorre studie bijv. ;van letter- of rekenkunde aanleiding geeft tot vele verstrooidheden, dorheid in gebed en daarom een beletsel is voor de innige vereeniging met haren goddelijken Bruidegom. Vandaar dat zij zich met een zekeren weerzin op de studie toeleggen en het gevolg er van is, dat zij minder ervaren zijn in het onderwijs. Eene ware Liefdezuster denkt er anders over. Zij weet en is er van overtuigd dat, wat de gehoorzaamheid en derhalve God zelf haar oplegt, niet alleen geen beletsel zijn kan voor eene innige vereeniging met Jezus, maar deze in liooge mate vermeerdert, als men uit liefde tot Hem, zich met ijver toelegt op hetgeen de Overste heeft voorgeschreven, hoe verstrooiend overigens het werk ook zijn moge. Die geen ijver heeft voor het heil der zielen, zegt de H. Augustinus, heeft ook geene liefde tot God. Dit begrijpt eene ware Liefdezuster en zij wenscht niets vuriger dan het vuur der

-ocr page 115-

108

liefde Gods in de harten der kinderen meer en meer te ontsteken. Vandaar dat zij zich met allen ijver toelegt op de studie, om daardoor in de gelegenheid gesteld te worden de kinderen te onderwijzen en tevens in die jeugdige harten gevoelens van godsvrucht aan te kweeken, iets wat de ouders zoo vurig verlangen , die daarom dan ook hunne kinderen naar de scholen der Zusters zenden. Wat een goed sticht eene ware Liefdezuster in de school! maar ook wat een schat van verdiensten vergadert zij daar!

§ 3.

Met betrekking tot haar zelve.

Het voornaamste doel, dat eene ware Liefdezuster beoogt bij het verlaten der wereld is hare eigene heiliging en volmaaktheid. Maar lijdt het rijk der hemelen geweld en zal niemand het veroveren, die zich geen geweld aandoet, zoo zal men ook niet tot de volmaaktheid geraken, tenzij men zich zeiven moeite geve en overwinne. Men gaat op den weg der volmaaktheid niet vooruit of men moet eiken voetstap betwisten aan de bedorven neiging des harten. De natuurlijke geneigdheid niet te willen bestrijden, staat gelijk met niet vooruit te willen gaan. De eene moet zulke geneigd-

-ocr page 116-

109

licid meer bestrijden dan de andere, omdat voor haar zicli meer de gelegenlieid daartoe voordoet. Dit alles begrijpt eene ware Liefdezuster. Dat men zicli zei ven dit heilig geweld steeds moet aandoen, daarvan is zij ten volste overtuigd. In het midden der schoolkinderen ondervindt zij het eiken dag, ja meermalen daags. Er zijn in eene school soms havelooze kinderen, wier aanzien alleen een walg veroorzaakt, vooral voor eene jonge dochter uit den fatsoenlijken burgerstand, in wier ouderlijk huis geene slordigheid of onzindelijkheid te bespeuren was. Natuurlijkerwijze gesproken moet zulke jonge dochter, thans de Bruid des Heeren geworden, maar van natuur niet veranderd, van zulke slordige en onzindelijke kinderen een afkeer hebben. Maar ziet, zij doet zich geweld aan en ware zij zelve de moeder, zij kon niet liefderijker omgaan met dat kind. Zij bestuurt die niet zelden onzindelijke handjes om het kind een kruisje te leeren maken of te leeren schrijven als het wat grooter is. Wat meelis, eene ware Liefdezuster heeft als eene zekere voorliefde voor zulke arme en verwaarloosde kinderen, op het voorbeeld van den H. Vincentius van Paulo, die den melaatschen eene bijzondere liefde toedroeg. O hoe welgevallig is het aan het goddelijk Kind Jezus, zich met zulke liefde in den persoon van dat

-ocr page 117-

110

verlaten kind behandeld te zien. Maar ook wat eene overwinning van haren kant op de bedorven natuur en wat een schat van verdiensten voor den hemel. Er zijn ook onwetende en zeer onwetende kinderen in de school, die nauwelijks vatbaar zijn voor onderricht. Men zal hun tienmalen hetzelfde herhalen vooraleer men een weinig begrip bij hen ontwaart en hebben zij na veel inspanning iets van het gezegde begrepen, een dag, soms een uur daarna, hebben zij alles weder vergeten. Waarlijk zij stellen het geduld der Zuster op eene harde proef. Maar eene ware Liefdezuster is bij het onderricht aan zulke kinderen onuitputtelijk in geduld. Voor de derde, voor de tiende maal zal zij hetzelfde herhalen met dezelfde kalmte en gelatenheid als ware het voor den eersten keer. Niet alsof het haar geene moeite kost, maar zij weet zich zóó te bedwingen, dat geen ongeduld bij haar te bespeuren is. Zoover zal zij het in eenige dagen of maanden niet brengen, maar door zich voortdurend geweld aan te doen en ondersteund door de genade, zal zij er ten slotte in slagen. Men vindt ook in de scholen ondeugende en stijfhoofdige kinderen. Men zal hun herhaalde malen iets gebieden of verbieden, maar zij luisteren niet, zij zijn voor beterschap schier onvatbaar. Zij zijn eene voortdurende plaag voor

-ocr page 118-

Ill

de Zusters, deze is ten einde raad. Met arme en onwetende kinderen heeft zij innig medelijden ; die arme schepsels kunnen het niet helpen, maar bij dezen komt kwaadwilligheid in het spel. Eene ware Liefdezuster nu weet onderscheid te maken tusschen de ondeugd en den persoon die ze bezit. Terwijl zij de ondeugd verfoeit en haat, blijft zij den persoon beminnen en laat zich niet onder voorwendsel van de ondeugd te straffen, door de gramschap vervoeren, die haar de voorzichtigheid en het nakomen der voorschriften van Oversten uit het oog doet verliezen. Dit vergt eene niet geringe moeite, maar zij herinnert zich het spreekwoord: men heeft niets zonder moeite, en zeer zeker niet eene hoogere volmaaktheid. Vandaar dat zij ook geene moeite spaart. Indien nu de ouders de Zusters ter zijde stonden, dan zou men op den duur zulke onverbeterlijke kinderen nog kunnen veranderen, maar helaas! vele ouders en vooral vele moeders trekken partij voor hunne kinderen, hoe ondeugend overigens ook. Het kind klaagt bij zijne moeder over de strenge behandeling en de opgelegde straf. Verdiend of niet verdiend, in haar oog is haar kind onschuldig, het is een goed en braaf kind, zoo luidt het en aanstonds gaat zij in opgewonden toestand naar de Eerw. Overste om hare klachten in te die-

-ocr page 119-

112

nen tegen de Zuster. Dit is een tweede kruis, gevoegd bij het eerste en voor al hare moeite beloont haar de goede God niet deze nieuwe onaangenaamheid. Maar eene ware Liefdezuster wordt daarom niet boos op zulke moeder, zij blijft kalm en bedaard, het geweten verwijt haar niets en ontvangt zij ook eene onverdiende berisping van hare Overste, dan hoort zij die met nederigheid aan, zonder zich te verontschuldigen en bidt inmiddels voor de Overste en voor die onverstandige moeder, zonder zich later op het kind te wreken. Veel, zeer veel heeft zij dan weder voor den hemel verdiend. De gelegenheid hiertoe zal haar nooit ontbreken. Immers zwaar is de haar opgelegde taak, en ondankbaar tevens. Betuigen de zieken dikwijls hunne dankbaarheid ■ voor eene liefdevolle verpleging, eene Zuster die de kinderen onderwijst, moet op geene dankbaarheid rekenen. Zij beseffen de hun bewezen weldaad niet, van tucht willen zij niet weten eti de Zuster, die ze handhaaft, ontvangt dan niet zelden scheldwoorden en een ontevreden gezicht tot belooning. Maar eene ware Liefdezuster verwacht haar loon alleen van God, die haar dan ook rijkelijker zal beloonen, naarmate zij de ondankbaarheid der kinderen met meer geduld verdraagt. Zij vergeeft het den kinderen van harte, dezen zijn niet wijzer en ondanks

-ocr page 120-

113

die ondankbaarheid en vele andere moeilijkheden en onaangenaamheden, die met het onderwijs gepaard gaan, zal eene ware Liefdezuster, door Gods genade ondersteund met rassche schreden vooruitgaan op den weg dei-volmaaktheid en eene godsdienstige opvoeding der kinderen het gevolg er van zijn, hunne onschuld zal bewaard en de grondslag gelegd worden van een godsdienstig leven in de toekomst. Immers dit is het doel, waarnaar eene ware Liefdezuster streeft.

8

De ware Liefdezuster.

-ocr page 121-

HOOFDSTUK II.

Welk doel moet zij beoogen.

§ 1-

Den kinderen eene godsdienstige opvoeding te geven.

üet onderwijs wordt in onze dagen hoog opgevoerd. Men stelt zich niet tevreden de kinderen van minderen stand te onderwijzen in liet lezen, schrijven en rekenen. Eene onderwijzeres moet meer, veel meer weten, anders mag zij niet onderwijzen. De kinderen moeten op eene onzen voorouders ongekende hoogte van ■wetenschap gebracht worden. Met alle geweld als 't ware moet hun de geleerdheid 'en wijsheid worden ingeprent. Alle middelen, hoe kostbaar ook, worden hiertoe aangewend. Scholen vindt men overal, en opvoedingsgestichten

-ocr page 122-

115

in menigte. Indien nu de kinderen in evenredigheid ook wijzer werden, niet in het kwaad en in hetgeen er in de booze wereld omgaat, zooals dit helaas! dikwijls het geval is, maar wijzer in den waren zin des woords, dat is, godsdienstige!- en deugdzamer, dan ware zulke hooge opvoering van het onderwijs eene ware weldaad. Maar hoe knnnen kinderen gods-dienstiger worden in eene school, waarin van geen godsdienst mag gesproken worden? De vooruitgang in de natuurlijke wetenschappen valt niet te ontkennen. Maar dezen staan in zulk nauw verband met de kennis van den Schepper der natuur, dat men, met terzijdestelling van godsdienstleer, noodzakelijkerwijze tot alle ongerijmdheden komt. Zou men niet meenen in dien tijd te zijn, waarvan de H. Paulus spreekt: »Daar zal een tijd zijn, dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar met oorenjeukte bevangen, zich leeraars naar hunne lusten in menigte zullen aanschaffen , en hun gehoor zullen zij afwenden van de waarheid, en zich keeren tot fabelsquot; (1). Want is onder anderen de leer van een Darwin niet eene fabel van de ergste soort, waardoor men den kinderen zou willen wijsmaken , dat een aap zich tot een mensch ontwikkeld heeft en

(1) II Timoth. 4. 3. 4.

-ocr page 123-

HG

dat onze eerste voorouders apen zijn geweest? Helaas! betreurenswaardig is liet onderwijs dat God en godsdienst buiten sluit. Maar gelukkig dat er Bruiden des Heeren gevonden worden, die zich met allen ijver op het onderwijs toeleggen, dat met godsdienstleer gepaard gaat. Immers in de scholen door dezen bestuurd , loopt een kind geen gevaar van lieverlede den onvergelijkelijken schat des geloofs te zullen verliezen. Wat meer is, onder hare leiding zal het geloof door den H. Geest in de harten der kinderen uitgestort, meer en meer aangekweekt, versterkt en verlevendigd worden. Eene ware Liefdezuster, begaafd met een gezond oordeel en bezield met eene warme liefde, zal zich met ijver toeleggen op een degelijk onderwijs, en niet altijd over godsdienstige zaken spreken bij wijze van con-ferentiën- Immers hierdoor zou het degelijk onderwijs lijden, dit zegt het gezond oordeel. Maai- waar het te pas komt, wijst zij de kinderen op den godsdienst en de door God ge-openbaarde waarheden, door onze Moeder de H. Kerk ons voorgesteld om te gelooven, en dit vraagt de liefde den kinderen verschuldigd. Eene ware Liefdezuster weet zich dan ook zóó te gedragen, dat ouders noch voogden gegronde redenen hebben om over het onderwijs te klagen , dat de kinderen in de godsdienstleer

-ocr page 124-

117

tevens, naar gelang van hunne jaren, behoorlijk onderwezen worden, tot voldoening der ouders en der Eerw. herders der plaats. Wat nu de godsdienstleer betreft, stelt zich eene ware en met ijver bezielde Liefdezuster er niet mede tevreden dat de kinderen de hun aangewezen lessen van buiten kennen en de, gestelde vragen beantwoorden, zij geeft zich ook alle moeite den kinderen zooveel mogelijk te doen begrijpen wat zij zeggen, daarom stelt zij soms dezelfde vraag met andere woorden, en vraagt eene verklaring van het gegeven antwoord, bijv. zij vraagt: wat is de mensch? En het antwoord van het kind luidt: een redelijk schepsel Gods.... Hiermede stelt de Zuster zich niet tevreden, zij vraagt verder wat wil dat zeggen, een redelijk schepsel; zijn dan de dieren ook geene redelijke schepsels ? Waarin verschilt dan de mensch van een dier? Zoo vraagt zij ook eene verklaring van andere antwoorden , en weet het kind deze niet te geven, dan doet zij het zelve, zonder zich verder in te laten met godgeleerde vraagstukken. Op deze wijze wordt de godsdienstleer niet eene zaak van louter geheugen. Wat men van buiten leert, zonder er iets van te begrijpen, wordt ras vergeten. Vandaar dat men menscheu van gevorderden leeftijd aantreft, die uls kind uitmuntten in de kennis van den catechismus, maar thans o zoo

-ocr page 125-

118

weinig begrip hebben van den godsdienst en zijne leer. Kost het eene ware Liefdezuster ook vele moeite en geduld in dit punt, zij getroost zich die gaarne, en beschouwt het als hoofdzaak, temeer daar een degelijk onderricht in den godsdienst noodzakelijk is voor de zedelijkheid. Zonder godsdienst geene zedelijkheid, en zonder een degelijk onderricht in den godsdienst, zou een kind weldra zijne onschuld verliezen.

§ 2.

De onschuld der kinderen te bewaren.

Met de hooge opvoering van het onderwijs en de vele godsdienstlooze scholen gaat de zedelijkheid niet vooruit. Dit is een noodzakelijk gevolg van een onderwijs zonder godsdienst. Immers een mensch zonder godsdienst is een mensch zonder zeden; de godsdienst alléén houdt de opkomende hartstochten in bedwang »Het vleeschquot;, zegt de H.Paulus, «begeert tegen den geest en de geest tegen het vleeschquot; (1). Beiden zijn voortdurend met elkander in strijd. Als de mensch het vleesch laat lieer-schen over den geest, dan is hij gelijk aan een ruiter, die een teugelloos paard bestijgt.

(1) Gal. 5. 17.

-ocr page 126-

119

Het lichaam redeneert niet evenmin als liet paard. Ten slotte storten paard en ruiter in een afgrond, het lichaam en de ziel in de hol. Welke verhevene taak rust op eene Liefdezuster voor het onderwijs bestemd! Het geldt hier het zoo verrukkend schoone kleed der onschuld, waarmede de kinderen'^versierd zijn, zooveel mogelijk vlekkeloos te bewaren en al hare zorg aan te wenden, opdat het door een kind tot de jaren van verstand gekomen niet roekeloos in flarden worde gescheurd. De ziel van het kind is een kostbaar pand door God aan hare zorg toevertrouwd, waarvan haar eenmaal rekenschap zal worden gevraagd. Het kan nochtans gebeuren, dat een kind, ondanks alle zorg en waakzaamheid van eene, in den waren zin des woords, heilige Liefdezuster, toch zijne onschuld verliest, zonder eenige hoegenaamde schuld der Zuster. Maar hieruit mag men niet afleiden, zooals de booze wereld doet, die het op de Bruiden des Heeren heeft gemunt, dat zulke school niet deugt. Want is er ééne school te vinden, die nooit door één kind zelfs van 9 a 10 jaren oud, verlaten wordt, tenzij nog in den staat van onschuld ? En zou deze redeneering der booze wereld opgaan, dan wordt er niet ééne school gevonden of zij deugt niet. En zou er ook één kind op eene godsdienstige school zijne onschuld

-ocr page 127-

120

verliezen, zonder eenige schuld van den kant der Zusters, bijv. op straat alwaar de Zuster het niet bewaken kan; wie zal het getal kunnen opsommen van kin leren van een betrekkelijk jeugdigen leeftijd, die de onschuld verliezen, terwijl zij godsdienstlooze scholen bezoeken en in aanraking komen met reeds vroeg bedorven kinderen? En gave God, dat meesters en meesteressen zich hieromtrent niets te verwijten hadden en zij voor Gods oogen in dit zoo gewichtig punt, schuldeloos waren. Maallaten wij deze zaak over aan het oordeel van hen, die op de hoogte zijn en van degenen, die van eene droevige ondervinding weten te spreken. Hoe ook ongodsdienstigen hierover mogen oordee-len, eene ware Liefdezuster rekent het zich tot den eersten en voornaamsten plicht de onschuld der kinderen te bewaken, alles zorgvuldig te vermijden en te verwijderen, wat bij de kinderen een verkeerden indruk zou kunnen veroorzaken of een nadeeligen invloed uitoefenen op hunne jeugdige harten. Het is van het hoogste belang, dat een zoo gevaarlijke hartstocht als die der zinnelijkheid zoolang mogelijk bij de kinderen in een sla-penden toestand blijve. Eene ware Liefdezuster beseft het ten volle en daar zij brandt van ijver voor het heil der zielen, spaart zij geene moeite, deinst zij voor geen offer terug. Over-

-ocr page 128-

121

tuigd van haar onvermogen om hierin naar wensch te slagen, neemt zij hare toevlucht tot het gebed. Vooral wendt zij zich tot de Engelbewaarders dier kinderen, opdat dezen haar mogen voorlichten en bijstaan. Te dien einde neemt zij de gewoonte aan, voor de school begint, in stilte bijv. 3 Wees gegroeten en 3 Glorie zij den Vader... te bidden ter eere van die Engelbewaarders, voor het behoud hunner onschuld. O wat een verheven en verdienstelijk werk de onschuld te besvaren al ware het maar bij één kind ! Om ééne ziel te redden moeten wij des noods bereid zijn ons bloed te geven tot den laatsten druppel toe. Wat eene moeite hebben de heilige Missionarissen zich niet getroost, welke offers niet gebracht om zelfs maar ééne ziel te winnen voor den hemel! Welnu is het niet verhevener en prijzenswaardiger eene ziel te vrijwaren vóór den val dan haar te redden na den val ? Veronderstelt eens: twee Zusters zijn aangewezen om op de kinderen te letten. De eene heeft tot taak toe te zien, dat geen kind in het water valle. De andere het kind te redden, dat bij ongeluk in het water zou gevallen zijn. Is dan de taak van de eerste niet veel verhevener en roemrijker, vooral wanneer zij zich zóó van hare taak weet te kwijten, dat de tweede weinig of niets te doen heeft? Welnu, eene

-ocr page 129-

122

ware Liefdezuster is belast met de verheven taak de kinderen voor den val, dat is de zonde te vrijwaren, zoolang zij onder hare leiding staan. Naarmate zij zich met ijver kwijt van dezen gewichtigen plicht, zal zij de taak dei-Priesters en Missionarissen vergemakkelijken. In latere dagen zullen de kinderen zulke Zuster dankbaar zijn, de Eerw. Herders der plaats haar prijzen en God zal haar ten slotte in ruime mate beloonen, niet alleen voor het goede dat zij den kinderen heeft bewezen, maar ook voor het goede, dat de kinderen later, in welken staat dan ook door God geplaatst, zullen verrichten, in zooverre dit een gevolg is van de zorg en de waakzaamheid, waarmede eene ware Liefdezuster hun als kinderen eene godsdienstige opvoeding heeft gegeven. Zij heeft den grondslag gelegd van menig godsdienstig huisgezin.

§ 3.

Den grondslag te leggen van hun toekomstig maatschappelijk en godsdienstig leven.

Wil men een schoon en degelijk gebouw optrekken, dan moet men volgens de gemaakte en goedgekeurde plannen, beginnen met den grondslag te leggen. Is deze goed, vast en degelijk, dan kan men voortgaan met den

-ocr page 130-

123

bouw. Deze zal dan degelijk zijn en nagenoeg geene gevaren opleveren , ómdat hij rust op hechte grondslagen. De geestelijke bouw dei-maatschappij moet den godsdienst tot grondslag hebben. Zonder dezen vasten en hechten grondslag is eene ordelijke maatschappij zelfs niet denkbaar. Aan de Bruiden des Heeren tot het onderwijs bestemd is vaak voor een groot gedeelte het leggen van dezen grondslag toevertrouwd, omdat zij den kinderen reeds eene godsdienstige opvoeding moeten geven. Is deze grondslag goed gelegd, heeft een kind te beginnen met het aanleeren van het maken van het teeken des kruises, een aan zijne jaren geëvenredigd godsdienstig onderricht genoten, heeft men het gewezen op de waarheden van ons H. Geloof, het hiervan doordrongen, dan kan het wel gebeuren, als de hartstochten zich heviger doen gevoelen, dat het dan in zijn gedrag afwijkt van die waarheden; het jeugdig hart kan wel voor eenigen tijd in de booze wereld tot zonden verleid worden, maaide geest blijft niet bedorven. Zelf zal het zijn ongeregeld leven afkeuren, als in strijd met hetgeen het geleerd heeft. En de waarheden des geloofs steeds indachtig zal het ras tot inkeer komen, de gepleegde zonden verfoeien, en met een rouwmoedig hart uitroepen; »De zonden mijner jeugd en mijne onwetendheden,

-ocr page 131-

-124

o Heer! gedenk ze niet, gedenk mijner naar uwe barmhartigheidquot; (1). Door zulke kinderen wier harten, zooais die van alle kinderen Adams, wei immer tot het kwaad overhellen, maar wier geest voorgelicht door het geloof en ondersteund door Gods genade, over de booze neigingen des harten weet te zegevieren, wordt later eene samenleving gevormd, die, omdat zij den Godsdienst tot grondslag heeft, de ongebondenheid en zedeloosheid keert en hen, die er leden van zijn gelukkig maakt. Getuigen zoovele huisgezinnen, wier vader en moeder als kind. God reeds hebben leeren kennen en beminnen in de school, die in de vreeze des Heeren opgevoed, elkander oprecht liefhebben, elkanders gebreken weten te verdragen en hunnen kinderen een geluk bezorgen, dat buiten den godsdienst nergens ter wereld gevonden wordt. In den regel heerscht er ook in zulke godsdienstige huisgezinnen eene betrekkelijke welvaart. En zouden zij ook met tegenspoed, ziekten of andere wederwaardigheden bezocht worden, wat overigens het lot van alle kinderen Adams is, de huiselijke vrede wordt er niet door gestoord. Men lijdt met geduld en gelatenheid , overgegeven in Gcds H. Wil, die degenen kastijdt, welke Hij liefheeft.

(1) Ps. 24. 7.

-ocr page 132-

125

Inmiddels zoeken zij op de eerste plaats het rijk Gods, in het volste vertrouwen dat htm al het andere zal toegegeven worden. In hunne verwachting worden zij dan ook niet teleurgesteld , meestal zijn die kruisjes van eenen voorbijgaanden aard. Is er in zulk huisgezin ook geene welvaart, er heerscht toch eene zekere zindelijkheid, gepaard met eene groote bedrijvigheid. Do moeder heeft als kind en als aankomend meisje, toen zij de naaien breischool der Zusters bezocht, den arbeid en de zindelijkheid tevens geleerd, zij werd gewaarschuwd tegen den lediggang, de oorzaak van zooveel kwaad. O ! wat een gelukkig huisgezin , waarvan de vrouw godsdienstig, werkzaam en zindelijk is, zooals zij het reeds in hare kinderjaren van de Zusters geleerd heeft. »Gelukkig de manquot;, zegt de H. Geest, »die eene brave huisvrouw heeft, want het getal zijner levensjaren wordt dubbel. Eene wakkere huisvrouw is de vreugde van haren man en hij zal zijne levensjaren in vrede vervullen. Eene goede vrouw is een heerlijk lot; als lot van hen, die God vreezen, wordt zij den man gegeven voor zijne goede daden. Hetzij rijk, hetzij arm, hun hart is welgemoed en altijd vertoonen zij een blij gelaatquot; (1). O wat een

(1) Eccli. 26. 1—i.

-ocr page 133-

120

gelukkig dorp, wat eene gelukkige stad, waarin zulke huisgezinnen in menigte worden aangetroffen ! Groot en verheven is dan de roeping eener Liefdezuster, belast met de opleiding der vrouwelijke jeugd. Bestemd om jeugdige meisjes op te leiden volgens haren stand, haar eene godsdienstige opvoeding te bezorgen en ze te vormen tot deugdzame, eerbiedige en werkzame kinderen in het ouderlijk huis, totdat de goede God ze roept tot een zeke-ren staat des levens en wel voor het grootste gedeelte tot den staat des huwelijks, verricht eene ware Liefdezuster een onberekenbaar goed dat ingrijpt in het wezen van een gelukkig huisgezin en eene gelukkige maatschappij. Eene ware Liefdezuster is hiervan ten volle overtuigd en daarom brengt zij ook gaarne hare vrijheid en hare rust ten offer en neemt zij alle geschikte middelen te baat, om des te zekerder dat verheven doel te bereiken.

-ocr page 134-

HOOFDSTUK HL

Welke middelen moet zij aainvendeu om haar doel te bereiken.

§ i-

De waakzaamheid.

IDie de jeugd moet leiden , iieeft de toekomst in handen. Immers de volgende levensjaren staan in zulk nauw verband met de kinderjaren, dat men in den regel zeggen kan: zulk jong meisje, zulke jonge dochter, zulke huisvrouw en zulke huismoeder. Dit begrijpt de booze wereld en daarom zou zij zich gaarne meester maken van het kind. Maar ook eene ware Liefdezuster begrijpt het, en daarom bewaakt zij, met eene meer dan moederlijke zorg, de kinderen aan hare leiding toevertrouwd. Zij verliest ze nooit uit het oog, want zij weet dat een enkel onbewaakt oogenblik soms dat

-ocr page 135-

128

oogenblik is wat satan bespiedt om zijn slag te slaan, het kind wonden toe te brengen waarvan het later niet of zeer moeilijk te genezen is. Vandaar dat zij de kinderen met arendsoogen gadeslaat, zonder hun te laten merken dat zij bespied worden. Zij doet niet gelijk eene angstvallige Zuster, die nauwelijks hare oogen durft opslaan uit vrees van iets te zien wat haar aanleiding tot bekoring zou kunnen geven. Eene vreemdsoortige waakzaamheid, die niet strookt met den ijver voor het heil der zielen. Kan zij vaak elders raadzaam, prijzenswaardig, soms noodzakelijk zijn, in de school bij de kinderen is zij misplaatst. De bedoeling eener ware Liefdezuster is zuiver, zij vervult een duren plicht, en stoort zich niet aan eene angstvalligheid, die tot niets anders dient, dan haar te belemmeren zich stipt van dien plicht te kwijten. Zij weet dat overdrevene vreesachtigheid juist aanleiding geeft tot allerlei gedachten. De vrees die haar bezielt is, niet genoeg te waken en aan haren plicht dei-waakzaamheid te kort te schieten. Zij slaat dan ook gedurig hare oogen in het rond, zij bespiedt de houding, de manieren der kinderen om te weten of zij iets bespeurt in strijd met de uitwendige zedigheid of welgemanierdheid. Immers ook eene ruwe ongemanierdheid duldt zij bij de kinderen niet, overtuigd dat de wel-

-ocr page 136-

129

levendheid, de welvoegelijklieid, een eeigevoel ten gevolge hebben dat de zediglieid beschut, evenals de schors den boom bewaart. Zonder van de kinderen ingebeelde meisjes te maken vergt zij toch eene zekere gemanierdheid overeenkomstig met hunne jaren en hunnen stand. Zij let ook nauwkeurig op bijzondere vriendschappen, opdat het eene kind het andere niet bederve. Zou er echter onder zoovele kinderen één kind gevonden worden, dat reeds bedorven is, dan is zij uiterst waakzaam, dat zulk kind de anderen niet verleide. En zou zulk gevaar niet te vermijden zijn, dan waarschuwt zij haar Overste, opdat deze de noodige maatregelen neme zulk kind te verwijderen of althans onschadelijk te maken. En in dit punt stoort zij zich aan geen menschenvrees; wiens kind het ook moge zijn, zij blijft onverzettelijk. Immers het algemeen welzijn gaat boven dat van een afzonderlijk persoon. Is eene Zuster niet waakzaam van den beginne af op de kinderen, die voor het eerst hare school bezoeken, dan kan één slecht kind in korten tijd reeds een ontzettend kwaad veroorzaken. Aan eene woekerplant gelijk, berooft het andere kinderen van de vruchten, die ze anders zouden plukken van eene godsdienstige opvoeding. Eene waakzame Zuster heeft zulke verderfelijke woekerplant 'ras in het oog en zij haast zich

De ware LiefJezustei*. 9

-ocr page 137-

130

deze va» haren bodem te verwijderen. Zou zij zelve tijdens de klas een boek inzien , dan draagt zij zorg, dat de lectuur haar niet dermate boeit dat de waakzaamheid op de kinderen te wenschen overlaat. Zij ziet het boek in op eene wijze, dat de vereischte waakzaamheid in geenen deele er onder lijdt. Zou dit het geval zijn, dan leest zij niet en houdt een waakzaam oog op de kinderen. Bemerkt zij een al te vertrouwelijken omgang van twee kinderen onderling, dat het eene kind een briefje schrijft aan het andere, wat onder grootere meisjes nog wel eens het geval is , dat het eene aan het andere iets laat zien, of aanwijst in een woordenboek, dan kan het wel iets onschuldigs zijn, maar soms kan er iets achter schuilen wat verkeerd is, en daarom zal zoo iets het waakzaam oog der Zuster niet ontgaan. Nooit zal eene ware Liefdezuster twee kinderen zonder toezicht laten , hetzij dat zij zich uit de school verwijderen, hetzij hun het blijven in de school tot straf worde opgelegd. De duivel slaapt niet, hij loert voortdurend op zijne prooi. Eene ware Liefdezuster weet het, en daarom waakt ook zij van haren kant, opdat niet één kind worde bedorven. Maar hare waakzaamheid gaat ook tevens gepaard met eene groote voorzichtigheid.

-ocr page 138-

131

§ 2-

De Voorzichtigheid.

IJver hebben voor het geestelijk welzijn van onzen evenmensch is prijzenswaardig. De verschuldigde naastenliefde maakt het ons zelfs ten plicht. Veel nut kan een vurige ijver stichten, zeer veel goed tot stand brengen, zelfs de gansche bevolking van eene gemeente heiligen. Maar de onvoorzichtigheid kan ook veel kwaad ten gevolge hebben en daarom moet de ijver altijd door de voorzichtigheid geleid worden, anders zou het kunnen gebeuren, dat men niet alleen zijn doel niet bereikt, maar de zaak verergert. Vandaar dat eene ware Liefdezuster voor het onderwijs der kinderen bestemd, zich door eenen verkeerden ijver niet laat vervoeren. De voorzichtigheid doet haar den gunstigen tijd, de geschikte plaats en de beste wijze van handelen uitkiezen. Moet zij een kind of een reeds grooter meisje iets voor oogen houden , waarmede zij geen haast behoeft te maken, dan wacht zij op een gunstig oogenblik. Is zij zelve ontroerd of in eene eenigszins opgewonden stemming, dan onthoudt zij zich van het maken eener aanmerking en zeer zeker van een kind te berispen, overtuigd dat haar dan al licht een

-ocr page 139-

132

onvoorzichtig woord kan ontvallen en dat eene vermaning of waarschuwing in geene goede aarde zal vallen. Maar iedereen is ook niet goed gestemd om eene vei maning aan te hoo-ren. Is if mand in eene droevige of toornige stemming, dan zal eene berisping of vermaning hem gegeven zelden haar doel bereiken en daarom wacht eene voorzichtige Liefdezuster eene gunstige gelegenheid af om een kind als het goed gestemd is te vermanen, welke vermaning dan ook doorgaans goed wordt aangenomen. Maar is eene fout niet in het openbaar geschied, dan wacht zij zich wel een kind daarover te berispen in tegenwoordigheid van anderen. Immers zij zou daardoor een kind verlegen maken en het eenigermate verbitteren. Zij kont den algemeenen regel: eene geheime fout wordt in het geheim berispt. Zij zorgt daarenboven nog, dat anderen niet alleen de vermaning niet hooren, maar zelfs niet bemerken, dat het kind eene berisping ontvangt. Wat verder de wijze van vermanen of waarschuwen betreft, hieromtrent is zij uiterst omzichtig. Vooreerst neemt zij zich in acht, dat een onschuldig kind geen achterdocht krijge of vermoeden opvatte van iets, wat het niet weten moet en hare woorden geene aanleiding kunnen geven om een kind in een teeder punt wijzer te maken dan het is. Wordt

-ocr page 140-

133

een kind bij haar door een ander kind aangeklaagd van iets gedaan te hebben, dat niet past, dan gebeurt het soms dat zulk beschuldigd kind stom en sprakeloos blijft. Om het te doen spreken, stelt zij geene vraag, waaruit het kind eenig kwaad kan afleiden, waaromtrent het onwetend is, bijv. hebt gij dit, hebt gij dat gedaan, terwijl zij de zaak met haren naam noemt. Immers e'en kind is weetgierig en zou dan later aan een ander kind kunnen vragen: de Zuster heeft mij dit en dat gevraagd, wat is dat? Wat wil zij daardoor zeggen ? Doen nog kleine en schul-delooze kinderen iets wat in strijd is met de uitwendige zedigheid, dan spreekt zij van geene zonde, maar doet het door het kind beschouwen als iets, wat in groote mate onfatsoenlijk is, wat een wel opgevoed kind nimmer doen, een kind uit de laagste klasse zelfs nimmer bedrijven zal. Zij dreigt het daarenboven , het aan de ouders te zullen zeggen, indien het nog ooit zoo onfatsoenlijk is. Op deze wijze zal zij het kind een afschrik doen krijgen van een kwaad, dat het nog niet kent, en ook niet kennen moet. Ook zal eene voorzichtige Liefdezuster geen valsch geweten vormen bij de kinderen, geene zonde maken van iets, wat geene zonde is, den kinderen geene verplichting opleggen van iets te biechten,

-ocr page 141-

134

wat in onwetendheid geschied is, volgens het spreekwoord: onwetend zondigt men niet. In geen enkel geval zal zij den kinderen vrees aanjagen voor de biecht om ze van het kwaad terug te houden, door bijv. te zeggen: wat zal de biechtvader wel denken van zulk onfatsoenlijk kind, gij zult uwe eerste H. Communie nog niet mogen doen; nooit heeft eene voorzichtige Liefdezuster zich van dergelijke woorden bediend. Immers zij geven aanleiding tot vele heiligschennissen. Integendeel zij spoort de kinderen aan om alles openhartig te belijden, waaraan zij plichtig zijn, zonder de minste vrees. Met betrekking tot de voorzichtigheid in het spreken, denkt eene verstandige Zuster vooraleer zij spreekt: »De lippen des onverstandigenquot;, zegt de H. Geest, «spreken dwaze dingen, maar de woorden des verstan-digen zijn op de schaal gewogen. Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun hartquot; (1). Dwaze men-schen spreken, vooraleer zij nadenken, maar wijzen denken eerst na vooraleer zij spreken. Eene verstandige Zuster weet te zwijgen en ook te spreken, op den bekwamen tijd. O wat houdt eene voorzichtige Liefdezuster vele kinderen af van het kwaad zonder dat zij het

(1) Eccli. 21. 28. 29.

-ocr page 142-

135

kwaad leeren! Maar men /.orge niet alleen de kinderen van liet kwaad af te houden, men spore ze ook tot het goede aan. Om het levon te erlangen dat eeuwig duurt, moet men de zonden vluchten en de deugden beoefenen. En daarom beijvert zicli eene ware Liefdezuster met alle zorg en omzichtigheid in de jeugdige harten de deugden aan te kweeken, die de kinderen later gelukkig maken. Het beste middel om hierin te slagen is het goede voorbeeld. IJdel zullen alle vermaningen, nutteloos alle pogingen zijn, indien de kinderen de deugden niet zien beoefenen, die men hun aanprijst. De eerste en voornaamste zorg eener ware Liefdezuster is dan ook de kinderen in alles te stichten, hun altijd een goed voorbeeld te aeven, hen tot God te trekken meer door

O '

daden dan door woorden.

§ 3.

Het goede voorbeeld.

Woorden wekken, zegt het aloude spreekwoord, maar voorbeelden trekken. Dit is te allen tijde zoo geweest en zal ook te allen tijde zoo blijven. Wij zien het bewaarheid in alle menschen, maar vooral in kinderen. Dezen wier verstand nog niet genoegzaam ontwikkeld is, luisteren beter naar voorbeelden dan naar

-ocr page 143-

136

woorden. De deugden, zegt de H. Vincentins van Paulo, die men ziet beoefenen, maken meer indruk dan de deugden, die men hoort verkondigen. De stem van het voorbeeld, zegt de H. Laurentius Justinianus klinkt luider dan de stem des monds. Deze stem hooren de kinderen , maar naar de stem van het voorbeeld luisteren zij. Maakt het goede voorbeeld altijd een goeden indruk, meer nog op de jeugdige harten der kinderen. Zij leeren beter met de oogen dan met de ooren. Wat zij gehoord hebben, vergeten zij al spoedig, maar niet zoo ras wat zij gezien hebben. Het voorbeeld heeft altijd veel goed teweeg gebracht, maar ook veel kwaad en meer kwaad dan goed. Immers een slecht voorbeeld wordt spoediger gevolgd dan het goede, omdat de menscli van nature meer geneigd is tot het kwaad dan tot het goed. Een slechte indruk, dien een kind ontvangt, wordt later moeilijk uit-gewischt. O! eene ware Liefdezuster begrijpt dit zoo goed en vandaar, dat zij zeer op hare hoede is geen kind te ontstichten waarin dan ook. Zelfs vermijdt zij allen schijn van kwaad volgens hetgeen er geschreven staat «Onthoudt u van allen kwaden schijnquot; (1) om door haar gedrag niet soms den kinderen ergernis te

(1) I Thess. 5. 22.

-ocr page 144-

137

geven. Hiermede niet tevreden beijvert zij zich den kinderen in alles een goed en stichtend voorbeeld te geven, zoodat zij hen met de woorden van den H. Apostel Paulus kunne toespreken; »Ik bid « dan, weest mijne navolgers, gelijk ik het ben van Christusquot; (l). In alles, wat tot eene goede en godsdienstige opvoeding vereischt wordt, strekt zij den kinderen tot voorbeeld. Tot eene goede opvoeding behoort eene zekere welgemanierdheid en daarom zorgt zij in de tegenwoordigheid der kinderen, niets te zeggen, niets te doen wat hiermede in strijd is. Wat zij bij de kinderen afkeurt, mogen dezen bij haar niet opmerken. Immers dan zeggen zij al ras; de Zuster heeft het zelf gedaan. De zindelijkheid laat in vele huisgezinnen nog al iets te wen-schen over. Maar het spreekwoord zegt: de appel valt niet ver van den boom; zoo moeder, zoo kind. Eene Liefdezuster is als eene tweede moeder voor het kind en daarom is het hare taak den kinderen eene groote zindelijkheid in te prenten. Ik bedoel niet eene overdreven netheid, die louter ijdelheid verraadt, maar eene zekere reinheid en zindelijkheid , die elk kind past. Overtuigd dat een kind haar opneemt van het hoofd tot de voe-

(1) 1 Corinth. 4. 16.

-ocr page 145-

138

ten, vertoont zich eene ware Liefdezuster den kinderen altijd zoo, dat dezen niets in haar bemerken, wat met de zindelijkheid in strijd is. Tot de zindelijkheid behoort ook de ordelijkheid. Waar alles onder de voeten ligt en niets op zijne plaats, kan van zindelijkheid geen spraak zijn en ook hierin gaat de Zuster de kinderen voor. Tot eene godsdienstige opvoeding behoort onderwerping aan en eerbied voor het gezag. Eene ware Liefdezuster weet dan ook haar gezag met eene gepaste streng-heid te handhaven. Immers er staat geschreven: «Armoede en schande wachten hem, die de tucht verwerptquot; (1). Maar ook in dit punt onderwijst zij de kinderen door haar voorbeeld. Zij houdt zich stipt aan de voorschriften der Overste, is op den bepaalden tijd in de school aanwezig, spreekt altijd met den grootsten eerbied van hare Overste en zal nimmer de verordeningen van het wettig gezag gispen of afkeuren, üe Overste zelve zal zij altijd met grooten eerbied bejegenen en ook die Zuster, welke aan het hoofd der school is geplaatst. Hetgeen deze voorschrijft, komt zij stipt na, zij wil door haar voorbeeld den kinderen geene aanleiding geven om zich op hunne beurt ongehoorzaam te toonen. Handhaaft eene

(1; Prov. 13. 18.

-ocr page 146-

139

ware Liefdezuster haar gezag, zij doet het altijd met zachtheid, nooit laat zij zich door drift vervoeren, opdat de kinderen zien dat het ernst is, maai- niet kunnen zeggen of denken: wat is de Zuster boos. Eene ongehoorzame Zuster zal den kinderen nimmer de gehoorzaamheid, eene grammoedige nimmer de zachtmoedigheid leeren. En dit is zoo met alle zedelijke deugden. Te vergeefs zal men deze den kinderen aanprijzen, als zij ze niet beoefend zien. Hoe zullen de kinderen met eerbied het teeken des H. Kruises maken, met eerbied en aandacht leeren bidden, indien de Zuster hun hierin geen goed voorbeeld geeft t Daarom zal men eene ware Liefdezuster nimmer een soort van kruis zien maken, dat op geen kruis gelijkt, zooals vele personen in de wereld doen, haar niet hooren bidden met overhaasting om het maar af te hebben. Indien de Zuster door haar voorbeeld de kinderen niet goed onderwijst, zullen zij later zelden een goed kruis maken en zelden bidden zooals het behoort. Eene ware Liefdezuster doet daarom haar best zich zoo te gedragen, dat de kinderen niets weten af te kenren in hare woorden of werken. O! driewerf gelukkig de kinderen, die onder de leiding staan van zulke Zuster. Op hunne beurt maken zij ook latei-hun huisgezin gelukkig en zoo strekt zich eene

-ocr page 147-

140

godsdienstige opvoeding uit tot liet verste nageslacht. O arme wereld, arme huisgezinnen, indien er geene Bruiden des Heeren gevonden werden, die door de kinderen te onderwijzen, den grondslag leggen van eene godsdienstige samenleving! Verheven is hunne roeping, maar zij moeten ook der roeping waardig wandelen en zich nauwkeurig wachten voor alles wat •een blaam zou kunnen werpen op eene zoo verhevene roeping en zich voor eene drievoudige gehechtheid in acht nemen.

-ocr page 148-

HOOFDSTUK IV.

Wat moet zij vermijden.

§ 1-

De gehechtheid aan haar eigen oordeel.

»3De wetenscliap blaast opquot;, zegt de H. Pau-lus (1), tlat wil zeggen: kennis en wetenschap als zij alleen staan en niet gepaard gaan mot de liefde, maken den mensch hoogmoedig. De mensch is volgens de bedorven natuur hoo-vaardig. Wij zien het reeds bij kinderen. Het is genoeg hun te zeggen: dit of dat kunt gij niet en zij wagen hun leven om te doen zien dat zij het kunnen. Als men nu begaafd met een vlug verstand .eenige kennis heeft opgedaan, dan maakt de booze geest, die de hoo-vaardigheid zelve is, hiervan gebruik om den mensch eene verheven gedachte van zich zeiven te doen opvatten. Hij verheft zich in zijn

(1) 1 Corinth. .w. 1.

-ocr page 149-

142

geest boven anderen en in zijne waanwijsheid ziet hij met eene zekere minachting op hen neder. Hij beschouwt ze als menschen zonder doorzicht en van een bekrompen geest. Hij, hij alleen heeft de wijsheid in pacht. Voor zulke personen is de geleerdheid als een gevaarlijk wapen, waarmede zij zich zei ven en anderen diepe wonden toebrengen. Een hoo-vaardig mensch, zegt de H. Augustinus is eene groote ellende. Maar eene hoovaardige Zuster, lt;le Bruid van een zoo diep vernederden Bruidegom is eene nog grootere ellende. God weerstaat zulke Bruid. Voor hare medezusters is zij een last, voor hare Overste een zwaar kruis en voor de kinderen een steen des aanstoots. Eene bekwame en goed onderrichte Zuster kan groote diensten bewijzen, mits zij nederig blijve. Maar is zij hoovaardig, eigenwijs, gehecht aan hare manier van zien, dan kan men haar voor niets gebruiken en hare talenten blijven begraven. Eene ware Liefdezuster, die uitmunt in kennis en wetenschap, wil niet eigenwijs zijn, indachtig de woorden des H. Geestes: »Wees niet wijs in uw eigen oo-genquot; (1). Zij beschouwt de anderen als wijzer en verstandiger dan zij. Zij luistert gaarne naar goeden raad en is zelfs bereid het voor-

(1) Prov. 3. 7.

-ocr page 150-

143

beeld te volgen van den H. Thomas van Aquine. Deze overtrof in zijne jongelingsjaren zijne medebroeders zeer ver in geleerdheid, maar had er den schijn niet van, zoodat een eenvoudige broeder zich aanbood om hem nu en dan afzonderlijk les te geven. Dit aanbod nam de Heilige met liefde en dankbaarheid aan. Geen wonder dat eene Bruid des Heeren zoo handelen zou. Immers zij is de Bruid van Hem, die door Zijne ouders gevonden werd in den tempel, zittende in het midden der leeraars, hen hoorende en hen vragende (1). Jezus de wijsheid zelve, Hij luistert naar hetgeen zij leerden, Hij ondervroeg hen als was Hij zelf hun leerling. Jezus luistert, Jezus ondervraagt en Zijne Bruid zou niet luisteren, maar willen dat anderen alleen naar haar zouden luisteren, zich niet gewaardigen anderen te ondervragen, maar altijd, zelfs ongevraagd, anderen raad willen geven? Wat anderen doen, zou zij afkeuren, wat zij doet moeten anderen goedkeuren. Waarlijk zulke Bruid des Heeren verdient den naam eener ware Liefdezuster niet. Immers deze is met al hare kennis niet opgeblazen, niet eigenwijs, maar nederig, inschikkelijk en zeer gehoorzaam. Wordt zij door hare Overste ondervraagd naar haar ge-

(1) Lucas 2. 46.

-ocr page 151-

144

voelen, clan zal zij dat met kinderlijken eenvoud verklaren, maar zij is er niet aan gehecht en zal hot niet doordrijven. Wat eene Overste ook moge beslissen, alles is haar om het even. Zou eene verordening niet strooken met hare zienswijze, aanstonds brengt zij haar persoonlijk gevoelen ten ofTer en handelt volgens de inzichten harer Overste, met derizelfden ijver en met dezelfde nauwgezetheid alsof de verordening van haai1 zelve quot;ware uitgegaan, zelfs geen woord van tegenspraak vloeit van hare lippen. Bezield met een levendig geloof, weet zij dat eene wettige Overste op eene meer bijzondere wijze door den H. Geest verlicht wordt om de scholen naar behooren te bestu-ren en daarom onderwerpt zij zich volkomen in alles, wat de Overste omtrent het schoolwezen beslist, hetzij wat het uur betreft, hetzij de wijze waarop een onderricht moet gegeven worden, in één woord in alles wat maar eenigs-zins met het onderwijs in verband staat. Zij is overtuigd, dat zij dan, maar ook dan alleen op Gods zegen kan rekenen, dat op die wijze alleen de scholen zullen bloeien en zij een schat van verdiensten kan vergaderen. De H. Dorotheas is overtuigd, dat niets gevaarlijker, niets verderfelijker is dan zijn eigen gevoelen te volgen en zijne eigene zienswijze als richtsnoer te nemen van zijne handelwijze.

-ocr page 152-

145

Als gij ooit zouclt hooren, zegt dezelfde Heilige, dat iemand zijner roeping niet waardig wandelt en in merkelijke fouten gevallen is, weet dan dat hij zoover gekomen is, omdat hij zijn eigen gids heeft willen zijn. Eene overigens geleerde Liefdezuster, die niet nederig maar gehecht is aan haar eigen oordeel, zich in den geest boven anderen verheft, verdient den naam van eene geleerde niet. Zij is zeer dom. Immers zij kent het alphabet nog niet van het geestelijk leven. Dit alphabet moet elke zuster kennen , die den kinderen het a b c wil leeren zooals het behoort. Bekennen dat men het niet kent, is de eerste stap tot die kennis. Dit bekende de H. Arsenius. In de wereld leermeester van den keizer Arcadius, raadpleegde hij, monnik geworden, een on-geletterden grijsaard. En als men hem vroeg, waarom hij, die zoo geleerd en ervaren was, een onwetenden ouden man raadpleegde, gaf hij tot antwoord: het is waar, ik heb eenige kennis opgedaan, maar ik ken het alphabet nog niet van dezen grijsaard. Zou derhalve eene Liefdezuster voor het onderwijs bestemd, den naam eener ware Liefdezuster willen dragen , dan moet zij het alphabet van het geestelijke leven goed kennen, dat is, de nederigheid bezitten, niet eigenwijs, niet gehecht zijn aan haar eigen oordeel, evenmin als aan

De ware Liefdezuster. U

-ocr page 153-

146

lt;le kinderen zeiven, die door haar onderwezen worden.

§ 2.

De geheehtlieid aan de kinderen.

Dat satan zijne aanvallen vooral richt tegen de Bruiden des Heeren, lijdt geen twijfel. En zijne vurigste pijlen zal hij op de eerste plaats werpen naar eene ware Liefdezuster, die hem zoovele zielen ontrukt. Eene ware Liefdezuster is hierover geenszins verwonderd, maar inmiddels is zij toch steeds op hare hoede. Zij weet dat de slang zich verbergt onder het gras, en daarom ziet zij goed toe waar zij hare voeten zet. Onder voorwendsel dat zij als eene tweede moeder door God voor de kinderen bestemd is, spiegelt die arglistige geest haar voor, dat hare liefde voor de kinderen niet te teeder, niet te hartelijk zijn kan, met het doel om haar eene verkeerde genegenheid tot dit of dat kind te doen opvatten. Ik geloof, zegt de H. Theresia, dat men eene overdreven liefde tot het schepsel meer bij de vrouwen dan bij de mannen aantreft. Men ziet hoe de jonge meisjes voortdurend in de vertrouwelijkste gemeenschap met elkander omgaan. Evenzoo vertrouwelijk zouden zij met eene Zuster willen omgaan, wanneer deze niet op hare hoede

-ocr page 154-

147

ware, en van lieverlede zou de ware en reine liefde, den naaste verschuldigd, in eene natuurlijke en eene verkeerde genegenheid kunnen ontaarden, hetzij van den kant des kinds, hetzij van den kant der Zuster zelve, en die onderlinge liefde zou wel eens te teeder, te hartelijk, te vertrouwelijk kunnen worden. Dit gevaar is minder groot, als het kind een onooglijk voorkomen, weinig of geene lichamelijke bevalligheden zou hebben; maar grooter wordt het gevaar , als het een goed, bevallig en welgemanierd kind is. Teekenen van eene al te natuurlijke liefde zouden onder anderen zijn: veel meer werk maken van dat dan van een ander kind, het in deze of gene zaak bevoorrechten, zich veel langer met hetzelfde onderhouden , altijd hare partij trekken , zich ongerust gevoelen als het afwezig is, droevig gestemd zijn als het de school zou verlaten en zoo verder. Eene ware Liefdezuster, die naar de volmaking streeft, en omzichtig wandelt, wordt al zeer spoedig de slang gewaar, die schuilt onder het gras, en vermijdt met alle zorg den strik die haar gespannen wordt. Zij gevoelt dat haar hart meer van haren goddelijken Bruidegom wowlt afgetrokken, dat zij in haar gebed en overweging met meer dorheden en verstrooidheden te kampen heeft, in één woord, dat het schepsel de plaats van den Schepper

-ocr page 155-

148

in haar hart zou willen innemen. Zij bewaakt dan ook haar hart met de grootste zorgvuldigheid voor elke genegenheid die hare liefde tot God zou kunnen verkoelen. Zij beschouwt alle kinderen met de oogen des geloofs, allen zijn haar even dierbaar, voor allen draagt zij gelijke zorg, voor allen moet zij rekenschap geven, en zou er oen kind zijn, dat hare voorliefde verdient, dan zou dat het armste, het ongelukkigste van allen zijn, op het voorbeeld van den H. Vincentius van Paulo, die zich op de eerste plaats het lot der meest verlaten kinderen aantrok. En dit is ook het geval met elke Zuster, die de voetstappen drukken wil van dezen grooten Heilige, vader der weezeu en havelooze kindeven. Eene ware Liefdezuster doet gelijk een schatrijk heer, die vele koffers met papieren van waarde bezit. Het eene koffer is schooner dan het andere, het is sierlijker, netter en schooner omkleed, maar dit doet niets ter zake, dit is slechts eene bijzaak. Het voornaamste is het geld in papieren of ellekteti. Dat een kind wat netter er uitziet, een beter voorkomen heeft, wat schooner gekleed is, dit alles is maar eene bijzaak, het voornaamste is, de innerlijke waarde in .een kind verborgen, dat is, de ziel vrijgekocht door het Bloed van een God. Deze houdt eene ware Liefdezuster in het oog. Eu even gelijk een

-ocr page 156-

149

onooglijke kofl'crsoms de grootste waarde bevat, zoo bezit een terugstootend kind soms de schoonste ziel. Besciiouwt men eene ware, eerte stichtende, eene voor het heil der kinderen van ijver blakende zuster in de school, dan ziet men dat zij geen onderscheid maakt tus-schen kinderen en kinderen, allen zijn haar even dierbaar, in allen stelt zij evenveel belang. Allen beminnen haar, maar door allen doet zij zich eerbiedigen, en daarom vermijdt zij oen al te vertrbuwelijken omgang en al te teedere uitdrukkingen. In het midden van vele kinderen bewaakt zij ze allen ; maar toch haar eigen hart op de eerste plaats. Dit hart blijft voor welk kind dan ook gesloten. Voor haren goddelijken Bruidegom alléén is er plaats. Hij alléén is er de Heer, dé Meester van, Hem alléén behoort het toe. Een mededinger duldt Hij niet. Zoolang de H. Theresia nog eene al te natuurlijke liefde het schepsel toedroeg, kon er geene spraak zijn van eene innige vereeni-ging met haren goddelijken Bruidegom, maar zoodra zij er zich volkomen van onthecht had, sprak deze haar toe : nu zult gij voortaan als eene ware Bruid met een vurigen ijver voor Mijne eer bezield, Mij verheerlijken. En zoo zal eene ware, van alles en van allen onthechte Liefdezuster, haren goddelijken Bruidegom grootelijks verheerlijken, voor wiens eer

-ocr page 157-

150

zij alles veil heeft, hare rust, hare gezondheid en haar leven. Los van alle schepselen, maakt zij zich ook los van eene al te groote bezorgdheid voor hare gezondiieid. Liever wil zij ecnige dagen van haar leven opofferen om God te verheerlijken, dan door eene overtollige bezorgdheid voor hare gezondheid weinig of niets doen.

§ 3.

De gehechtheid aan hare gezondheid.

De H. Geest zegt; »Het vergankelijk lichaam bewaart de ziel en deze aardsche hulle drukt het kommervolle gemoed ter nederquot; (1). Dit is nu eenmaal zoo. Wij zijn geene Engelen. Wij bestaan uit ziel en lichaam. Het lichaam moet der ziel ten dienste staan, maar wij moeten het lichaam het noodige voedsel geven, opdat het werken kunne en dit voedsel moet in overeenstemming zijn met de werkzaamheden, die het moet verrichten. Den ganschen dag in de school zijn en schier onafgebroken met de kinderen spreken is geen geringe arbeid. En daarom wordt aan de Liefdezuster het noodige voedsel gegeven om zich behoorlijk van hare taak te kunnen kwijten, alsmede

(1) Sap. 9. 15.

-ocr page 158-

151

al hetgeen noodig is om haar gezond en sterk te doen zijn. Eene ware Liefdezuster beantwoordt aan de inzichten harer Overste. Zij gebruikt liet noodige voedsel en de ver-eischte voorzorg om hare gezondheid te bewaren. Overtuigd dat dit het verlangen van hare Overste is, zal zij hare lichamelijke krachten niet verzwakken door eene versterving in strijd met de rede en de bedoeling der Overste. »Geen schat, zegt de H. Geest, »die den schat der gezondheid te boven gaatquot; (1) en dezen schat, door God haar geschonken, zal zij niet noodeloos op het spel zetten. Ontneemt God haar de gezondheid, of vraagt de gehoorzaamheid er het offer van, dan is zij bereid zulk offer voor Gods eer en het heil der zielen zich te getroosten, maar zij zal ze niet roekeloos in gevaar brengen. Zij is er geene meesteres van. Het is een schat haar toevertrouwd, dien zij met de noodige omzichtigheid moet bewaren. Eene ware Liefdezuster doet het dan ook en maakt er een gewetensbezwaar uit hare gezondheid te krenken door onvoorzichtigheden of misplaatste verstervingen. Maar gebruikt zij de noodige voorzorgen, overeenkomstig de voorschriften harer regelen en de verordeningen iiarer Overste, zij is toch niet

(1) Eccli. 30. 16.

-ocr page 159-

152

zóó bezorgd voor, zóó gehecht aan hare gezondheid, dat zij voortdurend hieromtrent klachten uit en nu voor dit dan voor dat werk terugdeinst onder voorwendsel, dat hare gezondheid er schade door zou lijden. Er zijn er die voortdurend voor hare gezondheid bekommerd zijn, zij wanen zich ziek, nu is dit werk te zwaar, dan dit vertrek, waar zij werken, niet ruim, niet frisch, niet luchtig genoeg, dan weder kunnen zij het eten der communiteit niet verdragen en vandaar dat zij uitzonderingen maken op den regel, door te eten buiten het gewone uur en dan moet dat eten nog naar haren smaak zijn. Zij zijn alleen ziek in hunne verbeelding, niet in werkelijkheid. Inmiddels slijten zij den kostbaren tijd huns levens zonder iets nuttigs te verrichten. Zij strekken der Overste tot last, haren medezusters geven zij ontstichting en geven intusschen aan hare natuur, wat zij verlangt. Zij, die behept zijn met deze kwaal zouden goed doen zich steeds de woorden der H. Theresia te herinneren: ik was nooit gezonder, dan wanneer ik aan mijne gezondheid niet dacht. Bij eene ware Liefdezuster, die zich geheel en al den dienst des Heeren heeft toegewijd, ontmoet men die overdreven zorg voor hare gezondheid niet. Maakt de gehoorzaamheid of de waakzaamheid het haar tot

-ocr page 160-

153

pliclit op eene plaats te zijn, waar liet warm of koud is om op de kinderen te letten, dan is zij voor verkoudheid noch andere ziekte bevreesd. Als de goede God haar door de gehoorzaamheid eene plaats aanwijst, dan laat zij verder hare gezondheid aan God en hare Overste over. Gedurende 9 jaren zond de H. Phiiippus Nerius zijn leerling, den geleerden en beroemden Kardinaal Baronius, naar het gasthuis om de zieken te verzorgen ondanks de koorts, waaraan deze leed en dikwijls kwam hij zonder de koorts terug. Een ander maal beval hij hem een groot stuk brood te eten, terwijl hij ziek was en wat natuurlijker wijze zijne ziekte moest verergeren, gebruikte God als een middel om hem te genezen , want nauwelijks had hij liet gegeten of zijne ziekte was verdwenen. Eene ware Liefdezuster volgt het voorbeeld van tlezen groo-ten geleerde. Met kinderlijken eenvoud maakt zij hare Overste bekend met haren lichame-lijken toestand, zij doet en laat wat hare Overste gebiedt of verbiedt, zonder zich verder om hare gezondheid te bekommeren. Meermalen schenkt God haar eene goede gezondheid en een ander, die al te bezorgd is voor haar lichaam, blijft altijd even zwak. En zou de goede God haar ook met eene ziekte komen bezoeken, dan zal ze dat bezoek met geduld

-ocr page 161-

154

met gelatenheid, ja met liefde afwachten en , was zij een voorbeeld in har*! gezonde dagen, zij zal het eveneens zijn tijdens hare ziekte. Heeft zij veel verdiend door te werken voor God, meer nog zal zij verdienen door te lijden voor God. En zoo eindigt zij haar verdienstelijk leven in den dienst des Heeren, om van Hem als loon harer werken, het eeuwig leven te erlangen, aan eene ware Liefdezuster beloofd, die harer roeping waardig wandelt, en na vele kinderen onderwezen en in de deugd te hebben bevestigd, zullen dezen als zoovele parelen zijn aan hare kroon van heerlijkheid.

-ocr page 162-

IJSTIHIOXTID-

Ie Dee]. Met betrekking tot de zieken.

HOOFDSTUK I.

Wat is eene ware Lietrlezuster ?

§ 1. In liet oog der wereld eene dwaze jonge dochter . . . .

§ 2. In het oog van bloed- en aanverwanten

vaak een ondankbaar kind § 3 In het oog der zieken eene teedere moeder

HOOFDSTUK II.

Verheven is hare roeping. § 1. Omdat haar leven veel overeenkomt met

het werkzame leven van Jezus § 2. Omdat de zieken Christus vertegenwoordigen . . . . . § 3. Omdat zij het groote gebod der naastenliefde in zulken verheven graad beoefent

-ocr page 163-

156

HOOFDSTUK 111.

Welk doel moet cene ware Liefdezuster beoogen ?

§ i. Hare eigene volmaking

§ 2. God te verheerlijken

,§ 3. Zielen te winnen voor den hemel

HOOFDSTUK IV.

Welke zijn de middelen, die zij moet gebruiken om dat verheven doel te bereiken ?

Si quot;1. De nederigheid ....

2. De zachtmoedigheid ■5 3. De waakzaamheid

HOOFDSTUK V.

Waarvoor moet zij zich in acht nemen?

§ 1 • Voor eigenzinnigheid § 2. Voor de gehechtheid § 3. Voor de traagheid

HOOFDSTUK VI.

Het loon dat haar wacht.

§ i. Een geruste dood .... § 2. Een gunstig oordeel § 3. Een verheven troon in den hemel Slotbemerking .....

-ocr page 164-

157

IIe Deel. Met betrekking tot liet onderwijs der kinderen.

HOOFDSTUK I.

Hare verheven roeping. § 1. Met betrekking tot God . . 'J'J

§ 2. Met betrekking tot de ouders . .104

§ 3. Met betrekking tot haar zelve . .108

HOOFDSTUK 11.

Welk doel moet zij beoogen ? § 1. Den kinderen eene godsdienstige opvoeding te geven . . . .114 § 2. De onschuld der kinderen te bewaren . 118 § 3. Den grondslag te leggen van hun toekomstig maatschappelijk en godsdienstig leven 122

HOOFDSTUK III.

Welke middelen moet zij aanwenden om

haar doel te bereiken ?

§ 1. De waakzaamheid . . . . 127

§ 2. De voorzichtigheid . . . 131

§ 3. Het goede voorbeeld . . . 135

HOOFDSTUK IV.

Wat moet zij vermijden?

§ 1. De gehechtheid aan haar eigen oordeel . 141

§ 2. De gehechtheid aan de kinderen . 140

§ 3. De gehechtheid aan hare gezondheid . 150

-ocr page 165-
-ocr page 166-
-ocr page 167-

1

-ocr page 168-
-ocr page 169-

Bij de uitgevers dezes zijn verder verschene^ en alom verkrijgbaar:

PARABELEN EN VERGELIJKINGEN op Gods- ., dienstig gebied. Door F. Peters, Redemp-; torist.

Prijs f 0,60; franco per post f 0,70. . DE VERLOREN ZOON.

Pri)» t 0,24.

HET LIJDEN VAN CHRISTUS, eene leerschool

der voornaamste deugden,

Prjjs f 1.50; franco per post f 1,60.

GOEDE RAADGEVINGEN aan eene jonge dochter in de wereld.

Prijs f 0,30 ; franco per post / 0,.i4.

HEILZAME WENKEN betrekkelijk de roeping en voorbereiding tot den huwelijken

btaat. pr^g 0 go. franco per p0g(; f o,34.

DE WARE DIENSTBODE.

Prijs f 0,12; franco per post f 0,14

St. BARBARA-BOEKJE of korte beschrijving, van het leven, den marteldood en de vereering der H. Maagd en Martelares BARBARA, Patrones voor een goeden dood. Door Pater A. Scheepers, Redemptorist.

Prijs ƒ 0,10; franco per post f 0,12.

HANDBOEKJE VAN 0. L V. VAN ALTIJDDU-RENDEN BIJSTAND. Door denzelfden. Tweede vijfduizendtal.

Prijs f 0,12; franco per post f 0,14. Idem...... in 't Duitsch.