ocr page 1

O

/1' /C 'Ssy. J/_

DE SCHORSING

VAN

W. P, MCLA1NE PONT

als Advocaat en Procureur bij het Hoog Geregtshof van Nedeiiandsch-Indië.

NADER BEOORDEELD DOOR

EEiNIftE DESKUNDIGEN IN NEDERLAND.

Niet in den handel

ocr page 2
ocr page 3

y^-'- t-hyy l////

DE SCHORSING

's-GRAVENHAGE, GEBR. BELINFANTE.

1889.

VAN

M', P. MACLAINE PONÏ

als Advocaat en Procureur l)ij het Hoog Geregtsliof vau Nederlandscli-lndië.

NADER BEOORDEELD DOOR

EEN 1 GE DESKUNDIGEN IN NEDERLAND.

ocr page 4

Gedrukt bij GEDK. BEL1NFANTE, voorh.: A. D. SCHINK El..

ocr page 5

Nil conscire sibi.

Den 15 September 1888 werd uit naam van iemand, tegen wie ik voor een mijner cliënten twee processen gewonnen had voor den Raad van Justitie te Batavia, eene aanklagt tegen mij ingediend, hierachter opgenomen.

Den 8 Januari) 1889 werden de stukken, deze aanklagt betreffende, in handen gesteld van den Heer Procureur-Generaal bij het Hoog Geregtshof van N.-Indië, die bij zijne missive van 29 January daaraanvolgende te kennen gaf in deze geene aanleiding te vinden om tegen mij het nemen van eenigen maatregel te requireren, laat staan mijne afzetting te provoceren, gelijk namens mijne aanklaagster was verzocht.

Den elfden April 1889 deed de Eerste Kamer van het Hoog Geregtshof uitspraak op de aanklagt en schorste mij in mijne bediening voor den tijd van eene maand. Men vindt die beslissing hierachter.

Ieder die deze beslissing leest, zal met mij eens zijn, dat zij eene smet werpt op mijnen goeden naam. Daar ik evenwel meende mij zei ven in deze geheele aangelegenheid niets te verwijten te hebben, besloot ik mij niet daarbij neder te leggen,

ocr page 6

4

hoewel de wet in eene zaak als deze geen hooger beroep of cassatie, bijvoorbeeld op den JToogen Raad der Nederlanden, kent. Zijn goede naam toch is het bes be dat men van zyn voorgeslacht heeft geërfd, het kostbaarst kleinood dat men bezit, het beste erfdeel dat men aan zijne kinderen kan nalaten. En omdat de heeren Mrs. J. Sibenius Trip, A. J. Immink, W. C. Yebnstra, G. H. Lowe en H. A. van de Poel, die toen de Eerste Kamer van het Hof uitmaakten, dan wel de meerderheid hunner, van oordeel waren dat ik bij eene beslissing, gemotiveerd in termen, die my, mijns inziens, zoo zij onweersproken bleven, konden diffameren, geschorst behoorde te worden, was dit voor mij nog geen reden om niet te onderzoeken of anderen, van geen minderen naam als jurist en mensch, van geen mindere positie en verleden, van geen mindere onpartijdigheid en eerlijkheid, daar niet anders over zouden oordeelen.

Ofschoon ik reeds spoedig na mijne suspensie van hoogst geachte en bevoegde zijden in N.-Indië blijken mogt ontvangen, dat velen zich met de beslissing allerminst konden vereenigen, begreep ik toch dat ik onmogelijk in N.-Tndië kon vinden wat ik zocht, omdat die personen, welke daar woonachtig en tevens bevoegd zijn om eene zaak als deze te beoordeelen, natuurlijk bezwaar zouden maken openlijk eene beslissing van het Hof te beoordeelen. Vandaar dat ik besloot met al de stukken, die het Hof aanleiding gaven tot mijne schorsing, naar Nederland te vertrekken en ze aan enkele bekende mannen van hooge maatschappelijke positie ter lezing aan te bieden, met beleefd verzoek mij de vraag te willen beantwoorden of ik huns inziens teregt of ten onregte gestraft was, en mij te willen toestaan zoodanig gebruik van hun oordeel te maken, als ik in mijn belang zoude achten. Immers slechts in Nederland kon men

ocr page 7

5

juristen vinden, die, volkomen bevoegd om eene zaak als deze te beoordeelen, eensdeels buiten de regterlijke magt staan (van wier leden men toch veronderstellen kon dat de meesten zich liever niet in openbare beoordeeling zouden begeven van handelingen van hunne Indische collega's), anderdeels niet door den aard hunner betrekking weerhouden zouden worden om een oordeel uit te spreken over eene beslissing van een Koloniaal opperregterlijk collegie.

De Heeren, tot wie ik mij wendde, zyn Mr. J. Kappeijne van de Coppello, van 1845 tot 1877 Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden, daarna Minister van Binnenlandsche Zaken, thans Lid van de Eerste Kamer der Staten-Greneraal; Mr. J. Baron d'Aulnis de Bouroüill, Hoogleeraar in de Faculteit van Regtsgeleerdheid aan de Rijks-Universiteit te Utrecht; diens ambtgenoot Mr. M. S. Pols, vroeger Advocaat-Fiskaal voor de Land- en Zeemagt in Nederland; Mr. G. de Vries, vroeger Minister van Justitie, thans Lid van den Raad van State en Mr. J. van Gennep, oud-Advocaat en l'rocureur bij het Hoog Geregtshof van Ned.-Indië, thans Lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Ik zal mij bepalen met nevens het oordeel van de Eerste Kamer van het Hoog Geregtshof van Nederlandsch-Indie, zooals die destijds was geconstitueerd, liet oordeel van die Heeren af te drukken. Het voegt mij, tegenover het opperregterlijk collegie, waarbij ik geadmitteerd ben, en dat in deze zonder hooger beroep of cassatie regt sprak, niet, om eenige aanmerking te maken, hetzij op de wijze van procederen in deze gevolgd, hetzij op de feitelijke, hetzij op de juridieke overwegingen van het arrest: dat oordeel is door meerbevoegden uitgesproken.

ocr page 8

6

Ik wensch derhalve eenvoudig voor hen, die zich vergenoegen met op het gezag van anderen te gelooven, tegenover het gezag van de Ileeren Mrs. Sibenius Teip, Immink, Lctvve, Veekstra. en Yan de Poel dan wel vier, dan wel drie hunner, dat van den Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van jST.-Indiö en van de Heeren Mrs. Kappeijne van de Coppello, Baron d'Aulïqs de Bourouill, Pols, De Vries en Van Gennep te stellen.

Voor hen, die zich niet mogten willen vergenoegen met op het oordeel van anderen af te gaan, heb ik een compleet stel afschriften van alle stukken, die het Hof tot de onderwerpelijke beslissing gemoveerd hebben, gedeponeerd bij den Heer Mr. H. M. C. Poortman, notaris te Schiedam, en een ander compleet stel ten mijnen kantore onder de Javasche Bank te Batavia, waar zij gedurende tal van jaren ter inzage van een ieder zullen verblijven.

Ik eindig met een woord van innigen dank: aan U, woordvoerders der Indische pers, die over deze zaak wel het stilzwijgen hebt willen bewaren, zoo lang als ik tegenover de mij getroffen beslissing niemands oordeel kon overstellen dan dat van den Heer Procureur-Generaal; aan ü, die vóór mijne rehabilitatie mij uwe achting en vriendschap niet onthouden hebt; aan U, in jSTederland gevestigden. die, hoewel U zei ven, uit hoofde Uwer vroegere of tegenwoordige betrekkingen niet geroepen achtende eene beslissing van het Hoog Geregtshof openlijk in geschrifte te critiseren, U toch de moeite gegeven hebt de stukken te lezen en mij daarna zonder eenige uitzondering hebt medegedeeld de ten mijnen nadeele gevallen beslissing volkomen onverdiend te vinden; doch bovenal aan IJ mijne Heeren! wier oordeelvellingen hierachter prijken, die Uwen kostbaren tijd

ocr page 9

7

voor mij hebt opgeofferd en door eene volgens uw oordeel ten onregte gevallene regterlijke beslissing openly k te veroor-deelen, mij den grootsten dienst bewezen hebt, dien de eene man den anderen bewijzen kan: zijn goeden naam te zuiveren van eene smet.

Parijs, 8 October 1889.

P. MACLAINE PONT.

ocr page 10

In naam des Konings!

liet Hoog Gerechtshof van Xederlandsch-Indië (Eerste Kamer) heeft de navolgende beschikking genomen op het request waarvan de inhoud is als volgt;

Aan

het Hoog Gerechtshof van Ncderlandsch-lndié.

Geeft eerbiedig te kennen Mr. Egbert Geerlof Daniel Geruardus AVassink, handelende ten deze krachtens de bevoegdheid hem toegekend bij artikel 34 van het reglement op de burgerlijke rechtsvordering voor de Raden van Justitie op Java en het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië voor en namens zijne moeder Catiiarina Johanna Kijdsmeir, weduwe van Doctor Geerlof Wassink, wonende te Batavia, die ten blijke daarvan dit request mede onderteekent;

dat requestrante is mede-eigenares voor één zestiende onverdeeld aandeel in de fidei commissaire landen Tjiampea, Tji-banboelan en Sadeng Oost, gelegen in de assistent-residentie Buitenzorg;

dat deze landen sints tal van jaren zijn verhuurd geworden aan den heer Frederik Hendrik Constant van Motman, thans wonende te Tadjoer, onder Buitenzorg; het laatst bij akte van 13 Juni 1882, sub n0. 24, voor den tydelijk vervangenden notaris alhier, Mr. A. L. C. Kleyn verleden;

ocr page 11

9

dat deze huurder onmachtig bleek den huurschat ad f 200.200 'sjaars te betalen, en aan te zuiveren het door hem aanvanke-lijk bij de Koloniale Bank gestort, doch later weder grooten-deels verbruikt waarborgfonds ten behoeve der verhuurders ad f 100.000;

dat daarom de verhuurders bij akte den 20sten April 1887, sub n0. 67, voor den notaris alhier H. J. Mebrtens verleden, den huurschat voor de jaren 1886 en 1887 hebben teruggebracht op f 150.000 'sjaars en wijders er in hebben toegestemd, dat het waarborgfonds in 1887 onaangezuiverd zoude blijven;

dat de huurder zich bij die akte verbond, om vóór of op ultimo Mei 1887 voorstellen te doen tot regeling der betaling van de huur, welke verschuldigd zoiide zijn na ultimo December 1887;

dat deze voorstellen echter niet werden gedaan, althans geheel onvoldoende bleken te zijn; daar van aanzuivering van het waarborgfonds geen sprake was, zoodat de verhuurders en eigenaren der landen te rade zijn geworden de behartiging hunner belangen op te dragen aan de heeren Henri Jacques van SwiETEN en Hendrik Pieter Folkert ten Gate, die blijkens akte den 3ei1 Maart 1888, sub nu. 6, voor den notaris C. S. Hein alhier verleden, zoo gezamenlijk als ieder afzonderlijk werden aangesteld tot administrateurs der genoemde landen, zulks ingevolge het bepaalde bij het onderhandsch codicil van den insteller van het fidei-commis Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk, dd. 5 Augustus 1885;

dat Henri Jacques van Swieten voornoemd, na vruchteloos gepoogd te hebben zich in der minne de landen door den huurder te doen overgeven, dezen tot ontruiming heeft gedagvaard voor den Raad van Justitie te Batavia en tevens tot het hooren van waarde verklaren van een door hem op de producten

ocr page 12

10

dier landen, met toestemming van 's Raads voorzitter, gelegd revindicatoir beslag;

dat hangende deze gedingen de heer Joseph Macartich Johannes, koopman, wonende te Batavia, conservatoir arrest ten laste van den huurder op dezelfde producten heeft doen leggen, en dit arrest is van waarde verklaard door den Raad van Justitie te Batavia bij vonnis bij verstek gewezen;

dat Henri Jacques van Swieten, nadat Joseph Macartich Johannes bleek te willen overgaan tot den verkoop der producten door hem in conservatoir beslag genomen, zich daartegen voor de eigenaren der landen met dagvaarding voor den Raad van Justitie te Batavia heeft verzet;

dat de beide nu eerstgenoemde gedingen hangende waren in appel bij het Hof, toen bij akte, den llei1 Juli 1888, sub n0. 32 voor den alhier resideerenden notaris J. D. de Riemer verleden, tusschen den huurder en Henki Jacques van Swieten werd overeengekomen, dat het huurcontract zoude geacht worden ontbonden te zijn van 1 Januari 1888 af, en dat de drie procedures zouden zijn beëindigd;

dat dan ook ter nakoming van deze overeenkomst door Henri Jacques van Swieten en F. H. C. van Motman ter terechtzitting van het Hof roya is verzocht van de beide in appel aanhangige zaken;

dat echter, toen ook ter terechtzitting van den Raad van Justitie alhier door Henri Jacques van Swieten roija werd verzocht van de door hem tegen F. H. C. van Motman en J. M. Johannes in verzet tegen den verkoop der producten, aangevangen procedure, het verzoek daartoe aanvankelijk door beide gedaagden, doch later, nadat F. H. C. van Motman zich van een anderen procureur had voorzien, alleen door

ocr page 13

11

J. M. Johannes werd tegengesproken, welk geschil alsnog bij den Raad van Justitie te Batavia hangend en onafgedaan is;

dat eene der bepalingen van de akte van 11 Juli 1888 n0. 32 was, dat J. M. Johannes huurder zoude worden van Tjiampea, doch deze bleek niet bij machte te zijn de Internationale Crediet-en Handelsvereeniging Rotterdam als borg te stellen, gelijk was overeengekomen, ten gevolge waarvan het huurcontract met hem niet is kunnen worden verleden;

dat desniettemin J. M. Johannes goed heeft kunnen vinden, om gebruik te maken van het vonnis vroeger bij verstek tegen F. H. C. van Motman geobtineerd en op 30 Juli 1888 executoriaal beslag te doen leggen op de producten der meergenoemde landen, evenals of daarvan F. 11. C. van Motman eigenaar zoude zijn;

dat tegen dit vonnis en deze executie F. H. C. van Motman zich heeft verzet en J. M. Johannes ter zake voor den Raad van J ustitie te Batavia heeft gedagvaard;

dat Henri Jacquks van Swieten als administrateur van de landen zich heeft verzet voor de eigenaars dier landen tegen den verkoop der producten met dagvaarding van den geëxecuteerde en den executant voor den Raad van Justitie te Batavia;

dat thans de stukken dier drie procedures bij den Raad van Justitie te Batavia in rondlezing zijn;

dat uit deze stukken blijkt, dat voor F. 11. C. van Motman en J. M. Johannes, totdat de akte van 11 Juli 1888, nquot;. 32 werd gepasseerd, in de verschillende genoemde gedingen hebben geoccupeerd Mrs. Pieter Maclaine Pont en Dirk Fock, beiden advocaten en procureurs bij het Hof;

dat wijders uit deze stukken, speciaal uit die door F. II. C. van Motmam overgelegd in zijne procedure tot verzet tegen het

ocr page 14

12

verstekvonnis en tegen de uit kracht daarvan tegen hem gedirigeerde executie, blijkt, dat deze beide advocaten en procureurs in de uitoefening van hun beroep zich niet zoo gedragen hebben als van hen kon en mocht verwacht worden;

dat toch Mr. P. Maclaiïte Pont handelende zoo voor zich in privé, als in hoedanigheid van gemachtigde van F. H. C. van Motman, met J. M. Johannes bij onderhandsche akte dd0. 17 April 1888 eene overeenkomst heeft aangegaan, die de kennelyke strekking had zich met bedriegelijke verkorting van de rechten der erfgenamen van de landen Tjiampea, Tjibanboe-lan en Sadeng Oost, meester te maken van de producten dier landen ten profijte van zijnen zoogezegden lastgever, van J. M. Johannes, en van zich zei ven en Mr. D. Fock ;

dat toch daarbij werd overeengekomen, dat F. H. C. van Motman zoude gedoogen, dat de producten ten zijnen laste door Johannes werden in beslag genomen en verkocht, terwijl het provenu tusschen hen beiden zoude worden verdeeld, nadat daaruit vooraf zoude zijn gevonden eene som van f 20,000 voor de beide genoemde advocaten voor alle hunne werkzaamheden ;

dat nu de eigenaren van de landen of nog verhuurders waren, of niet;

dat zij in het eerste geval hadden een praeferent recht op de producten, volgens artikel 1189, n0. 2 van het Burgerlijk Wetboek; en in het tweede geval daarvan waren eigenaren, zoodat in beide gevallen hun recht door de overeenkomst bedriegelijk werd verkort;

dat ter tenuitvoerlegging dezer overeenkomst Mr. D. Fock goed heeft kunnen vinden van 's Raads voorzitter voor J. M. Johannes te verzoeken verlof tot het leggen van conservatoir

ocr page 15

13

beslag op de roerende goederen van F. H. C. yak Motmaït, als zoude deze zijn aangevangen met de verduistering dier goederen, onder anderen blijkende uit een verkoop van goederen in zijn huis gelegen alhier op Tanah Abang;

dat echter uit de verder overgelegde stukken blijkt, dat de verkoop van die goederen plaats had gehad door tusschenkomst van Mr. P. Maclaine Pont, die het provenu daarvan inde en in voldoening van honorarium aanhield;

dat deze beide advocaten en procureurs derhalve, niet alleen onder beding van eene som buiten alle verhouding staande tot hun honorarium, eene akte opmaakten ter bedriegelyke verkorting van de rechten van derden, maar bovendien zich niet hebben ontzien, den rechter te adieren met een verzoek tot het leggen van conservatoir arrest op grond van feiten, die zij zeiven hadden verzonnen en wisten met de waarheid in strijd te zijn ;

dat wijders uit de stukken blijkt, dat deze beide advocaten en procureurs al het mogelijke hebben gedaan om den loop der procedures te stremmen en te belemmeren, ten einde de eigenaren van Tj iampea, Tjibanboelan en Sadeng Oost, voor een groot deel onvermogende lieden, die de inkomsten dier landen niet kunnen missen, af te matten en van de vervolging van hun goed recht te doen afzien;

dat eindelijk uit die stukken blijkt, dat deze beide advocaten en procureurs tegelijk èn de belangen van F. H. C. van Motman èn die van J. M. Johannes voorstaande, tegenstrijdige belangen voorstonden, alleen te verzoenen door het ontwerpen van een plan tot bedriegelijke verkorting der rechten van derden;

dat in één woord bij de behandeling van de zaken van de landen Tjiampea c. a. betreffende, by die beide advocaten en

ocr page 16

14

procureurs niets heeft voorgezeten als het meest vuige eigenbelang, dat hen tot middelen de toevlucht deed nemen den advocaat en procureur ten eenenmale onwaardig;

dat requestrante, die zelve voor een niet gering aandeel belang hebbende bij de meergenoemde landen, het niet langer kon aanzien, dat twee practizijns, bij het Hof geadmitteerd, het toeleggen op haar nadeel en op den ondergang van vele behoeftige mede-eigenaren dier landen, en doorgaan met het voeren van procedures, waarvoor zich een fatsoenlijk advocaat en procureur schamen zoude;

dat het Hoog Gerechtshof volgens artikel 192 van het reglement op de Kechterlijke Organisatie enz., verplicht is toezicht te houden over de gedragingen der bij hetzelve toegelaten practizijns met opzicht tot de uitoefening van hun beroep, en bevoegd is, hen te vermanen, te schorsen, te beboeten en hunne afzetting aan den Gouverneur-Generaal voor te dragen;

dat requestrante van oordeel is, dat de feiten, gebleken uit de hierboven genoemde procedures, van zoodanigen ernstigen

4

aard zyn, dat tot het nemen van den laatsten maatregel alle-zins termen voorhanden zijn;

weshalve requestrante eerbiedig verzoekt, dat het den Hove behage de afzetting van de beide practizijns bij het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië Mrs. P. Maclaine Pont en D. Fock voor te dragen aan den Gouverneur-Generaal van N ederlandsch-ïnd i ë.

Hetwelk doende enz.,

(w. g.) G. WASSINK, C. J. WASSINK.

Batavia, 15 September 1888.

ocr page 17

15

Het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indié, (Eerste Kamer). Gelezen :

1°. het request, gedagteekend Batavia 15 September 1888 van Mr. E. Gr. D. Gr. Wassink qq., zijne moeder C. J. Kijdsmeir, eigenares voor een zestiende onverdeeld aandeel in de fidei-commissaire landen Tjiampea, Tjibanboelan en Sadeng Oost, daarbij in substantie mededeelende;

dat zij met de overige eigenaren en verhuurders van evenge-melde landen den huurder, F. H. C. van Motman, tot ontruiming hebben doen dagvaarden;

dat de huurder, na zich aanvankelijk in vereeniging met (zijn geldschieter) J. M. Johannes daartegen te hebben verweerd, de procedure in der minne beëindigde, en eene vordering tegen voornoemden Johannes instelde, in den loop waarvan uit geschriften is gebleken, dat de in den beginne ook voor Van Motman en later voor Johannes alleen geoccupeerd hebbende advocaten en procureurs Mrs. P. Maclaine Pont en D. Fock ;

a. onder beding eener som van f 20000, buiten eenige verhouding tot hun honorarium staande, eene akte dd. 17 April 1888 hebben opgemaakt ter bedriegelijke verkorting van de rechten der erven van meergemelde landen, bovendien niet schromende den rechter te adieren met een verzoek om conservatoir beslag op de roerende goederen van Van Motman, op grond van feiten, die zij zelve wisten met de waarheid in strijd te zijn, vermits de voor de beweerde verduistering aangevoerde vendutie door Van Motman van de goederen in zijne woning op Tanah Abang, plaats had door tusschenkomst van Mr. Pont zelf, die het provenu van den verkoop inde en in voldoening van honorarium aanhield;

ocr page 18

16

h. al het mogelijke hebben gedaan om den loop der procedure te stremmen en te belemmeren ten einde vaak gemelde eigenaren van de vervolging van hun goed recht te doen afzien, toen zij in den beginne èn voor Van Motman èn voor Johannes procedeerden, tevens tegenstrijdige belangen voorstaande, en in het algemeen middelen te baat nemende den advocaat en procureur onwaardig;

verzoekende adressante mitsdien, op grond van het bepaalde bij artikel 192 van het reglement op de Rechterlijke Organisatie, de afzetting van meergenoemde advocaten en procureurs van Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal te provoceeren;

2°. de memoriën gedagteekend Batavia 8 en 12 December van de advokaten en procureurs Mr. P. Maclaine Pont en I). Fock naar aanleiding van 'sTIofs schrijven van 19 November tevoren;

wordende in de eerste dier memoriën door Mr. Pont voorop gesteld, dat de verantwoordelijkheid van alles wat er in de door requestrante bedoelde gedingen tot 20 Juni 1888 geschied is, uitsluitend op hem rust en ook de geïncrimineerde aanvraag om conservatoir beslag geheel door hem gesteld is (hebbende zijn associé Mr. Fock haar slechts geteekend), terwijl verder de aandacht er op wordt gevestigd, dat de klacht niet uitgaat van zijn gewezen cliënt Van Motman, en er beroep gedaan is op zijne aan dezen gerichte, maar door derden overgelegde confiden-tieele brieven, welk een en ander het twijfelachtig zoude maken, of de rechter in casu op de ingebrachte grieven zoude kunnen letten ;

trachtende Mr. Pont voorts in een uitvoerig narré van de aanleiding zyner relatiën tot F. IT. C. van Motman, de intieme geschiedenis der Tjampea-processen en het daarbij door hem verrichte te betoogen, dat al zijne handelingen in deze slechts

ocr page 19

17

ten doel hadden het goed recht zijner cliënten tegenover de hun aangedane onherstelbaar verknoeide processen op te houden; dat de belangen van die cliënten niet tegenstrijdig waren, het geïncrimineerde bedrag van f 20000 hem geheel uit eigen beweging door hen werd aangeboden, en, wanneer hij al in zijn request om conservatoir beslag tot staving der beweerde verduistering een niet geheel juisten grond op gaf, de verduistering zelve zeer zeker plaats had gehad, en van de vendutie alleen kiesch-heidshalve melding werd gemaakt om Van Müïman een onnoodig odium te besparen, en de overlegging te voorkomen van een proces-verbaal, waarin zijne eigen naaste bloedverwanten hem van verduistering van de producten der landerijen (die hij volgens een met Johannes gesloten consignatie-contract dezen moest leverend beschuldigden;

3quot;. de missive van den Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van 29 Januari 1889 n0. 191 in voldoening aan 's Hofs opdracht van den 8steii dier maand.

Onder overname van enkele der daarvoor door Mr. Pont en Fock aangevoerde motieven te kennen gevende geen aanleiding te vinden om tegen hen het nemen van eenigen maatregel te requireeren, laat staan hunne afzetting te provoceeren;

Gezien de stukken;

Overwegende, dat bij artikel 192 van het reglement op de Rechterlijke Organisatie aan de rechterlijke collegiën de verplichting is opgelegd toezicht te houden op de gedragingen der bij die collegiën toegelaten practizijns, voor zooveel betreft de uitoefening van hun beroep;

dat uit die verplichting ook de noodzakelijkheid volgt op

tegen hen ingebrachte bezwaren acht te geven, al spruiten zy

ook niet voort van hunne tegenwoordige of gewezen cliënten

2

ocr page 20

18

èn al worden rle justificatoire bescheiden ook niet door dezen speciaal tot liet indienen eener klacht geproduceerd;

Overwegende ten aanzien van de klacht zelve;

dat, mede volgens de opgaven en inzichten van Mr. P. M aclaine Pont, blijkens de door hem ingediende memorie, meergenoemde F. H. C. van Motman, huurder der landen Tjampea, Tjibanboelan en Sadeng Oost, toen hij door de eigenaren tot ontruiming werd gedagvaard, reeds zeer bejaard, ziekelijk en totaal geruïneerd was, terwijl hij zich niet alleen geheel buiten staat bevond zijne verplichtingen als huurder in de toekomst na te leven, maar op het bewuste tijdstip bovendien feitelijk reeds in mora verkeerde;

dat, mocht het hem niettemin geoorloofd wezen den eisch der eigenaren (dat hij alsnu de landen zoude ontruimen) te bestrijden, aangezien dan toch tegen de ingestelde actie in elk geval juridische bezwaren waren aan te voeren, — het zeer zeker met de eischen der eerlijkheid moeilijk viel te rijmen, dat de huurder in de gegeven omstandigheden en zijn notoir onvermogen, het niet daarbij liet, maar bovendien met een crediteur, zijn geldschieter, eene overeenkomst aanging, waarbij geen rekening werd gehouden met het feit dat eigenaren en verhuurders van landerijen, al stellen zij tegen een huurder ook eene verkeerde actie in, desniettemin eigenaren en verhuurders blij ven, en daarentegen door den nalatigen huurder over de producten der landerijen werd beschikt, als ware hy onbezwaard eigenaar van den grond;

dat nu die overeenkomst beraamd en goedgekeurd werd door Mr. Pont, en deze wel aan zijne erkentenis de mededeeling toevoegt, dat het grootste doel der verbintenis was: bewaring der producten in statu quo tot dat het Hof zoude hebben

ocr page 21

19

beslist, doch de contracteerende partijen, waaronder de betrokken praktizyn, dat doel dan niet duidelijk uitgedrukt en zich in geen geval daaraan gedragen blijken te hebben;

dat toch de bewuste overeenkomst van 17 April 1888, voor zoover ter zake dienende, luidt:

Artikel 1. Als Johannes voor zijne vordering op Van Motman beslag op diens roerende goederen wil leggen, zal de laatste zich daartegen niet verzetten :

Artikel 2. De in beslag te nemen goederen zullen worden verkocht door Mr. Pont en Fock;

Artikel 3. Uit het provenu worden betaald in de eerste plaats de honoraria van die advocaten voor hunne werkzaamheden in de Tjarapea-processen ad f 20,000;

De rest zal worden verdeeld tusschen Johannes en Van Motman, voor den eerste 2/3 d. tot zijne geheele vordering betaald is, voor den laatste Vs d.;

dat hieruit veel eerder valt af te leiden, dat het doel niet was de producten te bewaren, tot dat in hoogste instantie zoude zijn beslist, maar om ze te verkoopen en het provenu aan Johannes en Van Motman uit te keeren, voor zooveel er nog iets overbleef, na aftrek van het in de allereerste plaats door de helpende praktizijns in te houden honorarium ad f 20,000 ;

dat dit nog duidelyker wordt, na kennisname der brieven van Mr. Pont aan Van Motman, dd. 17 en 24 Mei 1888, waarin de eerste den laatste schrijft padie te verkoopen en hem geld te zenden en bovenal van 14 Juni 1888, waarbij er aan wordt herinnerd, dat hot plan was, om de producten, voor zoover ze niet namens de tegenpartij in revindicatoir beslag waren genomen, ondershands te verkoopen, onder conditie dat hem (Mr. Pont) al het yeld werd afgedragen;

ocr page 22

20

dat mitsdien, zelfs al ware de voorstelling van Mr. Pont juist en het voor de tegenwoordige tijden niet onaanzienlijk honorarium van f 20.000 niet door hem bedongen, maar hem door Van Motman en Johannes uit eigen beweging aangeboden — ook in dat geval genoemde advocaat verplicht was geweest zich van de toetreding tot de bovenomschreven overeenkomst te onthouden, daar het honorarium uit een deel van de met de procedure te behalen winsten zoude bestaan en in vele opzichten overeenkomt met het pactum de quota lite, hetwelk reeds bij de Romeinen den advocaten verboden, onver-eenigbaar met hun ambt is, omdat het hen in de verzoeking brengt het te behalen geldelijk voordeel boven het goed recht van partijen te stellen en zaken aan te raden, welke zij niet in gemoede rechtens gegrond kunnen achten;

Overwegende dat de advocaat en procureur Mr. Pont, daarby tevens wel degelijk tegenstrijdige belangen heeft waargenomen en hieraan niets veranderd wordt door de omstandigheid, waarop hy zelf beroep doet en (waaruit tegelijk van het tegenstrijdige dier belangen blijkt) dat hy namelijk herhaaldelijk Van Motman gewaarschuwd heeft voor Johannes op zyne hoede te wezen;

Overwegende ten slotte, dat tegen de grief als zoude die advokaat den rechter geadieerd hebben met een verzoek om conservatoir beslag op grond van door hem zeiven verzonnen feiten, niets anders in het midden is gebracht, dan dat zulks geschiedde om aan Van Motman een onnoodig odium te besparen;

Overwegende dienaangaande, dat daargelaten dat dit laatste in geen geval er toe had mogen leiden aan den rechter een op eene onwaarheid berustend verzoek te doen, de ter verontschuldiging aangevoerde grond niet opgaat;

ocr page 23

^-

ll

21

dat toch het proces-verbaal volgens hetwelk de kinderen eu kindskinderen van Van Motmak, hun vader en grootvader van verkoop van producten ten nadeele van Johannes zouden betichten, de kracht geheel daargelaten van het daaruit te putten bewijs, is van 8 December 1887, en dus nooit dienst zoude hebben kunnen doen voor een verzoek om conservatoir beslag dd. 26 April 1888, terwijl het mogelijk is, dat er ook wel tegen laatstgemelden tijd producten van Tjampea door Van Motman verkocht zijn, maar uit de bovenaangehaalde brieven van Mr. Pont aan hem voldoende valt af te leiden, dat die verkoopen op advies en met voorkennis van eerstgenoemde zei ven hebben plaats gehad;

Overwegende, dat mitsdien, terwijl zelfs de daarvoor aangevoerde beweegreden geen waarde heeft, uit de eigen erkentenis van Mr. Pont blijkt, dat hij aan den heer president van don Raad van Justitie te Batavia een verzoek heeft gesteld qq. Johannes om conservatoir beslag op de goederen van Van Motman als zoude deze, onder meer, de opbrengst van de publieke vendutie te zijnen huize in April 1888 ten nadeele van genoemden crediteur hebben verduisterd;

terwijl uit den brief van Mr. Pont aan Van Motman dd. 26 April 1888 blijkt, dat eerstgenoemde bedoeld provenu ad f 1748.45 netto getoucheerd en grootendeels voor zich zeiven behouden heeft;

Overwegende, dat bij resumtie van het vorenstaande, de advocaat en procureur Mr. P. Maclaine Pont;

1°. er toe is getreden zijne diensten als practizijn te leenen tegen een honorarium, van niet onaanzienlijk bedrag, te vinden uit den verkoop van producten, omtrent welke de rechtsgedingen werden gevoerd, waarin hij zoude occupeeren;

ocr page 24

22

2°. bij evenbedoelcle processen voor twee personen, die tegenstrijdige belangen hadden, is opgetreden, en

3°. den rechter heeft misleid;

dat hij hierdoor zijne plichten ernstig heeft verzuimd en mitsdien de tweede alinea van artikel 192 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie op hem behoort te worden toegepast ;

dat zijn ambtgenoot en associé Mr. D. Fock wel is waar het bovenomschreven request aan den president van den Raad van Justitie alhier heeft onderteekend, maar het mogelijk is, dat hij, die toen eerst kort geleden uit Europa was teruggekeerd, niet geheel op de hoogte van zaken was en in elk geval van zijn opzet niet voldoende blijkt, weshalve het nemen van eenigen maatregel te zijnen opzichte voorshands niet dringend noodzakelijk voorkomt;

Gelet op de aangehaalde bepaling, art. 187 en 191 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie en art. 1910 van het Burgerlijk Wetboek;

BESCHIKKENDE:

Schorst den advocaat en procureur Mr. P. Maclaine Pont in zijne bediening voor den tijd van een maand, in te gaan veertien dagen na de beteekening dezer beschikking;

Draagt de uitvoering op aan het Openbaar Ministerie.

Aldus gedaan door de heeren meesters J. Sibenius Tkip, president, A. J. Immink, W. C. Vebnstra, Gr. H. Lowe en H. A. van de Poel, Raadsheeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting van Donderdag den elfden April 1800 negen en tachtig in tegenwoordigheid van de heeren meesters J. Sibenius Tiiip, president, A. Stibbe Lzs., A. J. Immink, W. C. Veenstra

ocr page 25

23

en G. H. Lowe, Raadsheeren, van den Procureur-Generaal vertegenwoordigd door den Advocaat-Generaal Mr. H. Wichers en van 's Hofs griffier Jhr. Mr. J. W. A. von Schmidt auf Altenstadt ; zijnde de Raadsheer Mr. H. A. van de Poel wegens andere ambtsbezigheden verhinderd bij de uitspraak tegenwoordig te zyn;

Onderstond {w. g.) J. Sibenius Trip, A. J. Immink, W. C. Veenstra, G. H. Lowe, A. van de Poel.

In kennisse van my. De Griffier {w.g.) W. von Schmidt auf Altenstadt.

Uitgereikt voor grosse aan het Openbaar Ministerie.

De Griffier van het Hoog Gerechtshof van N.-I.. (iv. g.) E. RIJKE.

Voor copy conform,

De Deurwaarder hij het Hoog Gerechtshof van N.-l., (w. (/.) E. A. ORTH.

's-Gravenhage, 2 Juli 1889.

WelEdelGestrenge lieer !

Na kennisneming der mij door (J toevertrouwde stukken, vereenig ik mij geheel met het advies van den Heer Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N. I. Er is geen blijk, dat door U als raadsman en gemachtigde van de HH. Motman en Johannes iets zou zijn verricht, dat aan liet Hof gegronde aanleiding geven kon om art. 192, 2de lid van het

ocr page 26

24

Reglement op de Rechterlijke Organisatie op ü toe te passen. Het is, geloof ik, alleen in Indië, dat zoo iets op klachte eener wraakzuchtige tegenparty kan gebeuren.

Onder verzekering mijner oprechte hoogachting heb ik de eer te zijn

Van ÜEdelGestr.

de dienstwillige dienaar,

{(jet.-) J. KAPPEIJNE VAN DE COPPELLO.

De ondergeteekende, Mr. J. Baron d'Aulnis de Boukouill, Iloogleeraar in de Faculteit van Rechtsgeleerdheid aan de Rijks-Universiteit te Utrecht, gelezen hebbende eene beschikking van de Eerste Kamer van het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië, dd. 11 April 1889, waarbij Mr. P. Ma.claine Pont, advocaat en procureur te Batavia, voor eene maand in zijne bediening is geschorst, ter zake van zijne handelingen in een proces van H. J. van Swieten qq. tegen F. H. C. van Motman tot ontruiming der landerijen Tjampea enz., en in een conservatoir beslag van J. M. Johannes op producten dier landerijen;

gelezen hebbende de ter zake dienende stukken in afschrift, op welke de genoemde Kamer van het Hof hare beschikking heeft gegrond;

is van oordeel:

dat de genoemde beschikking ten onrechte genomen is, en daarentegen, in overeenstemming met den Procureur-Greneraal bij genoemd Hof, had behooren in te houden afwijzing van de tegen Mr. Maclaine Pont ingediende klacht;

ocr page 27

25

daar toch de drie in die beschikking geformuleerde grieven onhoudbaar zijn, immers:

1°. de beschuldiging dat Mr. Maclaine Pont bij overeenkomst zich een honorarium heeft bedongen uit den verkoop van producten, omtrent welke hij als advocaat rechtsgedingen voerde, geen ernstige grief mag heeten, aangezien duidelijk blijkt, dat die producten het eigendom waren van zijn cliënt, en andere crediteuren daardoor niet werden beroofd van de middelen om hun recht te doen gelden, hebbende zij trouwens later die middelen aangewend, terwijl bovendien in dergelijke aanwijzing van het fonds, waaruit het door een overigens onvermogend cliënt verschuldigd honorarium eens advocaats zal worden betaald, niets onzedelijks gelegen is;

2quot;. de beschuldiging, dat Mr. Maclaine Pont in genoemde processen is opgetreden voor twee personen, die tegenstrijdige belangen hadden, ten eenenmale ongegrond is, daar ZEd. is opgetreden voor een gemeenschappelijk belang van F. li. C. van Motman en diens schuldeischer Johannes, een belang, hetwelk deze heeren bij overeenkomst gezamenlijk aan Mr. Maclaine Pont ter behartiging hebben opgedragen;

3°. evenmin gegrond is de beschuldiging, dat Mr. Pont den President van den Raad van Justitie te Batavia heeft misleid door een request om conservatoir beslag op de producten van Tjampea te doen berusten op eene onwaarheid, aangezien de feiten in bedoeld request wel degelijk waar zijn gebleken, terwijl de vraag of op grond dier feiten een conservatoir beslag mag worden gelegd, uitsluitend ter beoordeeling stond van den genoemden President en wijders nergens blijkt, dat deze President beweert misleid te zijn geworden, ja zelfs nergens blijkt, dat deze ambtenaar door de Eerste Kamer van het Hof is gehoord;

ocr page 28

26

en is voorts van oordeel:

dat toen in Maart 1888 de heer F. H. C. va.n Motman als huurder van Tjampea enz. werd aangevallen met eene juridisch onhoudbare vordering op korte termijnen, en bedreigd werd met eene executie bij voorraad zonder borgtocht, door welke executie zoowel de belangen van hem zeiven als die van zijn geldschieter Johannes grovelijk konden worden benadeeld, dat toen door zijn advocaat Mr. Maclaine Pont met ijver en scherpzinnigheid en zonder eenig plichtverzuim is gehandeld.

Afgegeven te Utrecht, 26 Juli 1889. {get.) J. d'AULNIS DE BOUROUILL.

Na nauwkeurige kennisneming van de stukken in zake de disciplinaire vervolging tegen Mrs. Maclaine Pont en Fock, advocaten en procureurs te Batavia, en van de door het Hoog Gerechtshof te Batavia dd. 11 April 1889 ten opzichte van den eersten genomen beslissing, aarzelt de ondergeteekende geen oogenblik zich te vereenigen met het gevoelen van den Procureur-Generaal bij gezegd Hof, dat geen aanleiding te vinden was vooreenigen disciplinairen maatregel. De beslissing van het Hof berust deels op een blijkbaar misverstand der feiten, deels op eene miskenning of onjuiste opvatting van de bevoegdheden en plichten van gedingvoerende partyen en hare raadsleden. De drie door het Hof als bewezen aangenomen feiten, vinden deels geen steun in de stukken of komen deels daarin anders voor.

I. Hoe het Hof in de bepaling betreffende het honorarium van den advocaat in de overeenkomst van 17 April 1888 een pactum de quota litis of iets daarmede overeenstemmende kan

ocr page 29

27

vinden, is een raadsel, tenzij het onder zoodanig pactum iets anders verstaat dan de woorden uitdrukken. De vraag of dat honorarium te hoog is en of het door den advocaat bedongen of hem door belanghebbende partijen is aangeboden, kan ter zijde worden gelaten; daar belanghebbende partyen daartegen blijkbaar geen bezwaar hebben gehad en zelfs de Heer Motman, niettegenstaande zijne latere bewering dat het contract zonder zijne voorkennis is tot stand gekomen, er geeneriei grief van heeft gemaakt, na er kennis van te hebben bekomen. Maar de bepaling zelve dat dat honorarium uit de opbrengst der te ver-koopen producten zou worden voldaan, bevat niets laakbaars, en is eene bepaling by dergelijke schikkingen zeer gebruikelijk. Het afkeurend oordeel van het Hof staat trouwens blijkbaar in verband met zyn afkeurend oordeel over die schikking zelve uitgesproken, maar even onvoldoende gemotiveerd. Volgens het Hof viel die schikking niet te rijmen met de eischen der eerlijkheid, omdat daarbij geene rekening wordt gehouden met de rechten der eigenaars en verhuurders van het land Tjampea, maar door den huurder over de produkten van dat land beschikt als ware hij onbezwaard eigenaar van den grond. Grond en beteekenis dezer overweging zijn moeilyk te vatten. Voor zoover uit de stukkeu, waarop het Hof uitspraak deed, blijkt, was er een proces aanhangig over den eigendom van of het recht op den oogst. De eigenaars en verhuurders beweerden dat die oogst hun toekwam, op grond dat het huurcontract was vervallen wegens niet-nakoming van een der voorwaarden der huurovereenkomst, terwijl de huurder, als zoodanig en niet als eigenaar van den grond, beweerde dat de oogst hem toekwam zoolang de huurovereenkomst niet was ontbonden. Bedoelt het Hof met zijne overweging dat het recht der verhuurders op den oogst

ocr page 30

28

onbetwistbaar was, dan is dit eene zeer betwistbare stelling, maar die bovendien niets atdoet, want de omstandigheid dat het recht op dien oogst in lite was, belette de gedingvoerende partijen niet omtrent de produkten van dien oogst met derden overeenkomsten aan te gaan voor het geval ze hun proces wonnen. Door zijn contract met den lieer .Johannes versterkte de huurder zijne positie in het proces tegenover de verhuurders, maar de wettige rechten van deze werden en konden er niet door worden gekrenkt.

II. De meening dat door Mr. Maclaine Pont tegenstrijdige belangen zijn waargenomen, mist allen feitelyken grondslag. Volgens de stukken heeft hij de belangen van de Heeren Motman en Johannes tegelijkertijd waargenomen, nadat door de overeenkomst van 17 April 1888 alle tegenstrijdigheid van belangen was opgeheven, totdat ten gevolge van de buiten zijn weten en medewerking aangegane schikking met de verhuurders opnieuw tegenstrijdigheid van belangen is ontstaan. Wat in dien tusschen-tijd door hem in de zaak is verricht, is, blijkens de overgelegde correspondentie zelve, in onderling overleg en met volkomen goedkeuring van beide belanghebbende partijen geschied. Waarin na de overeenkomst van 17 April die tegenstrijdigheid van belangen bestond, wordt dan ook niet aangeduid.

III. Wat betreft de aangevoerde misleiding van den President van den Raad van Justitie, ontbreekt insgelijks alle feitelijke grondslag. Blijkens de overgelegde beschikking werd het verlof tot conservatoir beslag aangevraagd, op grond van twee in het request gestelde feiten, gequalificeerd als een begin van verduistering van des schuldenaars roerende goederen. De onwaarheid dier feiten op zich zelve, blijkt niet alleen uit niets, maar schijnt zelfs niet beweerd. Het feit van de vendue schynt zelfs onbe-

ocr page 31

29

twist, en ook het feit van het verduisteren van produkten van den oogst, wordt gestaafd door een proces-verbaal, dat, zoo het al geen volledig bewijs levert, toch in allen gevalle bewyst dat het niet door Mr. Pont is verzonnen. De misleiding schijnt dan ook hierin te worden gevonden dat ze als bewys zijn aangewend dat de schuldenaar aangevangen had zijne roerende goederen te verduisteren, wat ze volgens het Hof niet waren, omdat de vendue door Mr. Pont zeiven was gehouden en de opbrengst gestrekt had tot betaling van zyne declaratie, en het andere feit reeds in December 1887 was gepleegd. Gesteld dat de meening van het Hof juist is, dan volgt daaruit in geen er;kel opzicht dat tot staving van het verzoek onware of verzonnen feiten zijn aangevoerd, of de President van den Raad van Justitie is misleid. Het Hof verwart blijkbaar feiten met de daaraan toegekende qualificatie of juridieke appreciatie. Of de aangevoerde feiten een begin van verduistering opleverden, is een vraag van interpretatie der wet, die onjuist of zelfs op ongerijmde wijze kan worden beantwoord, zonder dat van misleiding sprake kan zijn. De President van den Raad van Justitie mag verondersteld worden de wet te kennen en mitsdien niet te kunnen misleid worden door eene onjuiste juridieke bewering of gevolgtrekking. Heeft hij ten onrechte de aangeduide feiten als voldoende beschouwd om het verzochte verlof te verleenen, dan heeft hij de wet verkeerd toegepast, maar is niet misleid. Van misleiding zou alleen sprake kunnen zijn, wanneer hij ten opzichte van de feitelijke gegevens was misleid. Daarvan blijkt echter niets. Uit niets blijkt zelfs dat hij onbekend is gebleven met de omstandigheden waarop het Hof zijn oordeel vestigde, dat er eenige misleiding heeft plaats gehad. Hij is voor zoover uit de stukken of 's Hofs beslissing blijkt, niet gehoord. En er

ocr page 32

30

is meer. Hij was verplicht alvorens zijn verlof te verleenen, de feiten, al zij het ook summier, te onderzoeken, was niet gehouden die feiten op het enkele beweren van den schuldeischer aan te nemen. Hij moet dus, tot aan het bewijs van het tegendeel verondersteld worden aan dien plicht te hebben voldaan, en met voldoende kennis van feiten het verlof te hebben verleend. En

i

dan komt het oordeel of er al dan niet termen bestonden in de aangevoerde feiten aan liem alleen toe.

Utrecht, 26 Juli 1889.

(get.) M. S. POLS, Hnogleeraar.

Voor copie conform.

H. M. C. POORTMAN, Notaris.

Schiedam, 26 Augustus 1889.

Mr. P. MA CL A INK PONT.

's-Gravenhage, 6 Sept. 1889.

WelEdelGestrenge Heer!

Op Uw verzoek heb ik kennis genomen van de door het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië bij arrest van 11 April 1889 tegen U uitgesproken schorsing, van de te Uwer verdediging ingediende memorie met de daarbij behoorende stukken en van de adviezen door de Professoren d'Aulnis de Bourotjill en Pols over dat arrest gegeven.

Na lezing dier stukken komt het mij voor, dat de bedenkingen door beide Professoren tegen 's Hofs beslissing aange-

ocr page 33

31

voerd, gegrond zijn en ben ik daarom van oordeel, dat het Hof, in overeenstemming met den Procureur-Generaal, had behooren te verklaren, dat er geen termen waren om in casu krachtens art. 192 Rechterlijke Organisatie eenigen maatregel te nemen.

Met achting en vriendschap,

{get.) G. DE VRIES Az.

Voor copie conform, H. M. C. POORTMAN, Notaris.

Schiedam, 10 September 1889.

De ondergeteekende:

Gelezen eene beschikking van het Hoog Gerechtshof van Nederlandsch-Indië \an den lltUn April 1889, waarbij met toepassing van art. 192 van het reglement op de Rechterlijke Organisatie de advocaat en procureur Mr. Maclaine Pont voor den tijd van eene maand wordt geschorst in zijne bediening, op grond dat hij : 1°. er toe is getreden zijne diensten als praktizijn te verleenen tegen een honorarium van niet onaanzienlijk bedrag, te vinden uit den verkoop van producten, omtrent welke de rechtsgedingen werden gevoerd, waarin hij zoude occupeeren; 2quot;. bij evenbedoelde processen voor twee personen die tegenstrijdige belangen hadden is opgetreden en 3°. den rechter heeft misleid.

Gezien de stukken ;

Gelet op aangehaald wetsartikel, luidende :

„De rechterlijke collegien zijn verplicht om toezicht te houden over de gedragingen der bij dezelve toegelaten practizijns met opzicht tot de uitoefening van hun beroep. Zij zijn bevoegd om

ocr page 34

32

die practizijns ingeval van verwaarloozing der belangen van hunne cliënten of ander plichtverzuim, of wel bij betoonde oneerbiedigheid aan het collegie, of deszelfs leden, gelijk mede wegens het bezigen van onbetamelijke uitdrukkingen ten aanzien der wet of van het openbaar gezag te vermanen en desnoods, naar gelang van zaken, in hunne bediening te schorsen voor den tijd van hoogstens drie maanden enz.

Gevraagd, of de bovengenoemde wetsbepaling door het Hof met juistheid is toegepast.

Is van oordeel, dat het Hof zich had behooren te vereenigen met het gevoelen van den Procureur-Generaal, dat er geene aanleiding bestond, om tegen Mr. Pont eenigen disciplinairen maatregel te nemen.

Van de drie aangevoerde gronden heeft kennelijk vooral de eerste zwaar bij het Hof gewogen, doordien het gemeend heeft in de overeenkomst van 17 April 1888 tusschen Van Müïman, vertegenwoordigd door zijnen gemachtigde Mr. Maclaine Pont, en Johannes aangegaan zoodanig pactum de quota litis aan te treffen, als reeds van ouds in het Romeinsche recht veroordeeld, ook nog in het tegenwoordige ongeoorloofd moet worden geacht.

Het schijnt onnoodig zich te verdiepen in een onderzoek naar het juist verstand van uitspraken van het Romeinsch recht, die ook in Nederlandsch-Indiö alle toepasselijkheid hebben verloren, daar voor de beoordeeling der ambtelijke gedragingen van Mr. Pont alles aankomt op tweeërlei: het bedrag van het uit te keeren honorarium en de wijze van uitbetaling.

Bij bedingen omtrent het bedrag van het honorarium, dat door hem van zijne eigen cliënten en uit hunne middelen zal worden genoten, kan de te hulp geroepen raadsman natuurlijk

ocr page 35

83

meer of minder kiesch te werk gaan, in allen gevalle gaan dergelijke overeenkomsten de tegenpartij of derden niet aan en is evenmin daarbij de openbare orde betrokken, zoodat rechtelijke of disciplinaire tusschenkomst niet te pas komt, tenzij de de cliënten zelve zich over misleiding of kwade praktijken beklagen. Immers zoo geene overeenkomst vooraf is getroffen en na afloop der zaak op de gewone wijze gedeclareerd wordt, kan de ingediende declaratie aan taxatie onderworpen en misschien belangrijk verminderd worden ; wegens te hoog rekenen wordt in Nederland nimmer disciplinaire bestraffing uitgesproken en nog veel minder bestaat daarvoor aanleiding als het bedrag contractueel is vastgesteld.

In hoever f 20,000 zelfs voor Nederlandsch-Indië en onder de gegeven omstandigheden, een buitensporig cijfer te noemen is, durft de ondergeteekende niet beoordeelen, maar waar het vaststaat, dat de toestemming der cliënten eene geheel vrijwillige en met volledige kennis van zaken gegevene is geweest, dat zij ook naderhand van geen berouw over hunne toezegging hebben doen blijken, noch eenig beklag hunnerzijds bij het Hof is gedaan, terwijl bovendien te denken viel niet louter aan eigenlijk honorarium als advocaat, maar aan gewoon mandat salarié, daar Mr. Pont voor het bezorgen van den verkoop der in beslag te nemen goederen eene gewone procuratie op zich nam, waardoor hij zich als rekenplichtige burgerrechtelijk verbond, wordt in zijne handelingen wat de hoegrootheid van het toegekende honorarium betreft, niets gevonden, dat in de termen van het toegepaste artikel valt. In de waardeering dier handelingen zou het geen verandering brengen, al ware het bedongen honorarium beneden het middelmatige geweest. Zijne

diensten duur te laten beloonen is geen schending van ambts-

3

ocr page 36

34

plicht. De betaling moest komen uit de beurs van Johannes en waar Johannes tevreden is, ontbreekt alle grond tot beklag.

In het een practizijn geoorloofd niet de cliënten, die hem de behartiging hunner belangen opdragen, over zijn salaris te contracteeren, het staat hem ongetwijfeld evenzeer vrij te vorderen, dat vooruit bij hem worde gestort.

Dit echter is hier niet geschied en het Hof heeft juist aanstoot genomen aan de in de overeenkomst tusschen Van Motman, vertegenwoordigd door Mr. Pont, en diens geldschieter Johannes opgenomen bepaling, dat de in beslag te nemen goederen zouden worden verkocht door Mr. Pont en Mr. Fociv en uit het provenu de honoraria van die advocaten voor hunne werkzaamheden in de Tjampea-processen in de eerste plaats zouden worden betaald en de rest in dier voege tusschen Johannes en Van Motman verdeeld, dat de eerste daarvan twee derden zou krijgen totdat zijne geheele vordering betaald was, en de tweede een derde.

De overeenkomst had alzoo ten doel om te regelen, hoe de opbrengst der in beslag te nemen goederen tusschen Johannes en Van Motman zoude worden verdeeld en van die regeling is de alleszins natuurlijke en billijke schikking dat in de door de contractanten gezamenlijk op te nemen rekening en verantwoording de honoraria der advocaten als gemaakte onkosten ter concurrentie der overeengekomen som (ad f 20,000) in uitgaaf zou worden geleden, een gebruikelijk onderdeel. Bijna in elke overeenkomst bepaalt men, door wie en hoe de kosten zullen worden gedragen. Eene persoonlijke verbintenis van Mr. Pont zeiven daar hij er slechts q.q. in voorkomt en door zijne eigen mede-onderteekening slechts het daarbij opgedragen mandaat op zich nam, behelst de akte niet, noch heeft men recht om hem te

ocr page 37

35

verdenken, dat hij, door het lokaas van een aanzienlijk salaris verleid, zich het voeren der Tjampea-processen, waarmede hij anders geweigerd zou hebben zich in te laten, heeft laten opdragen, want die processen waren reeds aanhangig en daarin Mr. Po kt, zooals Johannes zeer goed wist, voor Y an Motman werkzaam. Juist in het door de landheeren zijn cliënt aangedaan geding lag voor den raadsman de drangreden om zich met Johannes te verstaan. Evenmin wordt in de overeenkomst gezegd en allerminst door Mr. Pont in eenig van hem uitgegaan schrijven erkend, dat hem alleen dan honorarium verschuldigd zijn zou, indien dit uit het provenu der executie kon worden gevonden. Men kan vermoeden dat bij ongunstigen uitslag der procedure de cliënten van Mr. Pont kwalijk bij machte zouden geweest zijn om kosten te voldoen en er bij denken, dat zij juist daarom bereid waren hunne pleitbezorgers, ingeval van succes, met bijzonder ruime hand te beloonen, er is ook bij dergelijke vooronderstelling, in het algemeen, niets laakwaardigs in, dat een advocaat zich belast met de ijverige waarneming der belangen van een cliënt van wien hij vooruit weet, dat hij by verlies van het proces pro-deo voor hem zal hebben gewerkt. Met de gebruiken, instellingen of adat der Indische balie is de ondergeteekende onbekend, doch in Nederland, naar hij durft verzekeren, komen zulke gevallen niet zelden voor en blijft de uitslag van liet proces op het eindcijfer der declaratie dikwijls niet zonder invloed. Slechts dan levert de handelwijze van den practizijn grond van bezwaar op, zoo blijkt, dat hij uit gewinzucht zijne diensten heeft geleend tot het voeren van een rechtsgeding waarmede geen fatsoenlijk confrère zich zou hebben willen belasten.

Op dat standpunt plaatst zich dan ook met der daad het Hof.

ocr page 38

36

Het zoekt de verkeerdheid in het samenspannen van Van Motman met Johannes tegen de landheeren en wraakt in hunne overeenkomst den listigen toeleg om de rechten hunner tegenpartij op slinksche wijze te verkorten.

In deze opvatting echter heeft het Hof (het zij salva reve-rentia gezegd) kennelijk gedwaald en art. 1340 I. B. W. over het hoofd gezien. Zelfs bijaldien de schuldvordering van Johannes eene verdichte geweest ware, zou zijn beslaglegging geen hinder hebben kunnen toebrengen aan de zakelijke rechten van derden. En de schuldvordering van Johannes tegen Van Motman was een deugdelijke waarvoor dadelijk vonnis had kunnen worden gevraagd en vervolgens executoriaal beslag gelegd. Maar of het gelegd arrest conservatoir of executoriaal is, of het nog vóór en niet eerst na de van waarde verklaring of toewijzing der vordering gedaan wordt, is voor derden volmaakt onverschillig, want altoos blijft aan hem, die beweert eigenaar der in beslag genomen goederen te zijn of daaraan zakelijk recht te hebben, onverlet om zich op grond van art. 460 I. B. R. tegen den verkoop te verzetten.

Het recht der landheeren op de door Johannes gearresteerde goederen bleef gaaf en in zijn geheel, door geene overeenkomsten tusschen hun huurder en diens geldschieter kon er afbreuk aan worden gedaan. En ook feitelijk werd de oogst niet aan de vervolging der rechthebbenden onttrokken, want wie goederen in beslag neemt, houdt ze vast ten behoeve van allen, die bij of tegen den verkoop kunnen opkomen. Evenmin is er sprake van in het werk stellen van geheimzinnige kunstgrepen. Het beslag kon niet gelegd en tot de van waarde verklaring geprocedeerd worden dan in het openbaar. En stelt men de vraag of een fatsoenlijk practiziju had behooren te weigeren om zich met de

ocr page 39

37

verdediging, zelfs a outrance, van Van Motman tegen den aanval der landheeren, zelfs al hadden deze verstandiger geprocedeerd, te belasten, moet zij, te rade gegaan met de usantiën der balie hier te lande, beslist ontkennend worden beantwoord.

Van Motman stond tusschen twee vuren, van voren besprongen door zijne landheeren, liep hij gevaar van achteren door zijn geldschieter te worden aangegrepen. Het was dus juist gezien van Mr. Pont, dat hij Van Motman en Johannes tot elkander bracht en een verbond liet sluiten tegen den gemeen-schappelijken vijand. Voor Van Motman was de overeenkomst van 17 April 1888 een ware uitredding, door welke zijne positie belangrijk werd versterkt. En ook Johannes kreeg er de zekerheid door, dat zijne rechten zouden worden gehandhaafd en zijne vordering modo et tempore utili geldend gemaakt tegen een schuldenaar, die in plaats van hem tegen te werken en uitvluchten te zoeken, zich verbonden had zijn eisch niet tegen te spreken en in de beslaglegging te berusten. En dat kon, ja moest Van Motman in eerlijkheid doen. Het kan alzoo niet met ernst worden beweerd, dat Mr. Pont, inziende dat in het gedrang, waarin door den aanval der landheeren Van Motman geraakt was, diens belang medebracht, zich met zijn geldschieter te verstaan nochtans zwarigheid had moeten maken tot dergelijke coalitie de hand te leenen uit consideratie voor de tegenpartij .

Iets berispelijks in de bewuste overeenkomst kan alleen hij vinden, die uitgaat van de veronderstelling, dat Johannes wijs had gedaan in lijdelijke afwachting van hetgeen met Van Motman gebeuren zou stil en roerloos te blijven en Mr. Pont hem heeft belezen en overgehaald tot het voeren van een doel-

ocr page 40

38

loos proces, ten einde zich zeiven ten koste van dien onnoozelen Armeniër te verrijken, doch deze gratuite en kwaadwillige onderstelling is tevens, volgt men den loop en de geschiedenis van het proces, ongerijmd en wat ten deze alles afdoet, de omgekeerde van die, waaruit het Hof redeneert. Dit toch schorstte Mr. Po xt niet omdat hij de belangen van Johannes slecht had waargenomen, maar omdat hij dit, naar 's Hofs oordeel, tegen de landheeren al te goed heeft gedaan.

De tegen Mr. Macxainb Pokt uitgesproken schorsing op grond, dat hij tot de overeenkomst van 17 April 1888 is toegetreden, was dus niet verdiend. Terecht vraagt Chauveau Adolphe, Tarif p. 28, de quel droit viendrait-on empêcher les officiers ministériels de faire avec leurs clients les pactes permis è tous les citoyens et sous quelle loi se fonderait-on pour annuler un traité par lequel l'avoué aurait mille francs en cas de gain du procés et rien, pas même ses déboursés, en cas de perte? Ici chance aléatoire et par conséquent pas d'appréciation possible.

Dans les divers exemples que nous venons de citer les officiers ministériels sont done k Tabri de toute poursuite, il y a plus, ils sont entièrement dans l'exercice consciencieux de leur profession.

De tweede grond van het Hof is moeilijk anders dan uit een misverstand van de ware verhouding der pjytijen te verklaren. Yan Motman was en bleef de cliënt van Mr. Pont, tegen v. Motman stond in jure Johannes als schuldeischer over en voor Johannes als eischer trad Mr. Pont tegen v. Motman als gedaagde op. Maar hij deed dit in hun gezamenlijk by overeenkomst geregeld belang. In de aanneming geheel ter goeder trouw van het door beiden gemeenschappelijk opgedragen man-

ocr page 41

39

daat handelde Mr. Pont volstrekt niet onkiesch, want zijn optreden voor Johannes tegen v. Motman was door de goedkeuring van den laatsten volkomen gerechtvaardigd. Volenti non fit injuria.

Dat nochtans Mr. Po XT het belang van zijn oudsten cliënt niet aan dat van Johannes heeft opgeofferd, constateert het Hof zelf uit de vertrouwelijke practizynsbriefjes door Mr. Pont aan v. Motman geschreven, die, horrendum dictu door een derde aan het Hof zyn overgelegd. Van den anderen kant heeft Mr. Pont het vertrouwen van Johannes steeds ongeschokt behouden. Hoe kan dan het Hof den raadsman over wien de eigen cliënten zich niet beklagen, op grond van art. 192 II. O. schorsen, ter zake dat hij, daar waar zij werkelijk geen tegenstrijdig maar een gemeenschappelijk belang hadden, hun speciaal mandaat, om dat bepaalde belang te behartigen, aannam en niet aan Johannes een anderen procureur opdrong?

Grooter indruk maakt de derde grond: misleiding van den rechter. Voorzeker de poging daartoe verdient, overal waar zij beproefd wordt, ernstige afkeuring en scherpe berisping. Doch rust niet de zware beschuldiging op een feit te onbeduidend en te nietig om dus te worden gequalificeerd ?

Het verlof om voor Johannes onder Van Motman conservatoir beslag te leggen is van den President van den Raad van Justitie verkregen op grond van een volgens het Hof scheef voorgesteld feit. Hierin heeft de gepleegde misleiding eenig en alleen bestaan.

In het belang van den geëxecuteerde mag beslag niet gelegd worden dan door den houder van een executorialen titel en op dien regel laat de wet slechts bepaalde uitzonderingen toe; of conservatoir of executoriaal beslag gelegd wordt, is voor derden

ocr page 42

40

of voor de openbare orde volmaakt onverschilig, maar de wet vordert in art. 720 I. B. R. het verlof van den President als waarborg tegen kwelling van den schuldenaar. De Belleijme, ordannances sur requêtes p. 132 geeft de ratio legis aan: une permission injuste peut exposer le saisi, dont elle paralyse les ressources, a suspendre ses paiements: elle peut lui causer an préjudice souvent irreparable. Daarom wordt het verlof gegeven periculo petentis. De president kon licht in dwaling gebracht worden: Terreur est facile, lorsqu'on statue sur l'exposé d'une seule partie et sans contradicteur, om die reden is het verlof ten onrechte verkregen, kan hij tegen wien het verleend is, ingevolge art. 724 in verzet komen en opheffing-met schadevergoeding eischen. Zooals de aard der burgerlijke rechtsgedingen meebrengt is hier, gelijk overal waar partijen zich in hare dagvaardingen conclusiën, memoriën en andere dingtalen onjuiste beweringen veroorloven, de poena temere litigantium de straf. Misleiding van den President was alleen denkbaar ten nadeele van Van Motman. En met hem was juist Johannes het eens. Waar dus de geëxecuteerde in de zaak berust, ja vooraf heeft toegestemd, vervalt de mogelijkheid en waar alles volgens onderlinge afspraak geschiedt, de bedoeling om te benadeelen. liet verzoek om verlof was louter vervulling eener wettelijke en hier ij dele formaliteit. Misleiding onderstelt dolus malus kwade trouw en daarvan zou alleen sprake kunnen geweest zyn, zoo het verzoek aan den President ten oogmerk gehad had om v. Motman te vergauwen.

Doch zoo aan v. Motman geen ongelijk is aangedaan, is evenwel de President van den Raad van Justitie in dwaling gebracht. Dit raakt een zeer teeder punt. Ofschoon toch in het algemeen het geene schennis van ambtsplicht is ten voordeele

ocr page 43

41

van zijn cliënt de feiten ten gunstigste voor te stellen, is een procureur, wil hij zijn goeden naam en invloed bij den President behouden, wel niet rechtens, maar toch zedelijk verplicht geene aanleiding te geven, dat deze magistraat in al te goed vertrouwen op hem, derden benadeelt of in strijd met de wet handelt. V ergeet hij dat, zoo wacht hem een duchtige vermaning binnenskamers, maar nimmer, en dat wel rauwelijks, schorsing door een hooger, aan de beschikking op het request, vreemd collegie bij eene in het openbaar uitgeproken veroordeeling, wat volgens het Fransche Hof van cassatie in zaken van discipline een excès de pouvoir is.

Evenmin toch als de geëxecuteerde Van Motman, heeft zich de President van den Raad van Justitie te Batavia over Mr. Maclaine Pont bij het Hoog Gerechtshof beklaagd, ja naar het schijnt, is deze magistraat niet eens gehoord.

Dat hij dus in waarheid misleid is en niet het verlof, periculo petentis, verleend heeft, blijkt niet.

In het request ten verzoeke van Johannes den 26ste11 April 1888 ingediend, en wel niet door Mr. Pont als procureur geteekend, maar toch volgens zijne erkentenis door hem opgesteld en waarvan hij de zedelijke verantwoordelijkheid onvoorwaardelijk op zich neemt, staat letterlijk: „dat adressant met zekerheid vernomen heeft dat genoemde heer v. Motman in strijd met de overeenkomst vele producten van Tjampea, die hij aan adressant had moeten consigneeren, te Buitenzorg heeft verkocht en de opbrengst voor zich heeft gehouden.

Dat die heer verder dezer dagen publieke vendutie heeft gehouden van zijne roerende goederen, gestaan hebbende in zijn huis op Tanabang te Batavia.

Materieel waren beide deze feiten waar, maar er volgt op

ocr page 44

42

(trouwens met de eigen woorden der wet en zooals in ieder formulierboek) dat hij dus is aangevangen met het verduisteren zijner goederen.

Dat doel, beslist het Hof, had v. Motman bij de te Batavia gehouden vendutie niet en Mr. Pont, de steller van het request, wist dat, want hij had het provenu dier vendutie zelf getoucheerd. Aangenomen nu, dat door deze bijzonderheid de vervreemding door zijn schuldenaar van diens goed met opzicht tot Johannes geen aanvankelijke verduistering in den zin der wet opleverde, staat vast, dat v. Motman zich die qualificatie liet aanleunen en blijkt uit niets, dat de President van den raad van Justitie het verlof zou hebben geweigerd, wanneer hij geweten had, wat er van het provenu dier te Batavia gehouden vendutie was geworden. De wet onderstelt, dat conservatoir beslag gelegd wordt tegen den wil van den schuldenaar ; hier deed zich het singuliere geval voor, dat het geschiedde met voorkennis en goedkeuring van den schuldenaar, maar daarmede vervalt dan ook alle reden om Mr. Pont te verdenken van misleiding van den rechter. liet kan niet van hem gezegd worden, dat hij den President arglistig heeft willen verschalken en verleiden tot het vergunnen eener inbeslagneming, welke hij zelf overtuigd was onrechtmatig te zijn. Bij het gebruiken dezer stéréotype, aan de wet letterlijk ontleende bewoordingen ter vervulling eener bloote formaliteit ontbrak de oneerlijke bedoeling, want door het verleenen van het verlof kon de President geen nadeel toebrengen, noch zich schuldig maken aan verkrachting der wet.

's- Gravenhage, 1 Augustus 1889.

(geteekend) KAPPEIJNE VAN DE COPPELLO.

ocr page 45

48

De ondergeteekende, zich in het algemeen met het disciplinair standpunt van vorenstaand advies vereenigende, heeft daarin niets gevonden wat voor Nederlandsch-Tndië tot gewijzigde beschouwingen zou moeten aanleiding geven.

Rotterdam, 28 September 1889.

(geieekend) .T. VAN GENNEP.

Voor copie conform, H. M. C. POORTMAN.

ocr page 46
ocr page 47
ocr page 48