t
L/
|_____._
% .....' _
MARAN ATHA
IX u )R
S. F. W. ROORDA VAN EYSINGA,
Emeritus Predikant.
'S-GRAVENHAGE. â H. L. SMITS. 1891.
__
-^/ IF
MARAN ATHA
V. VV. KO(U{l)A VAN KYSIN(
Emeritus predikant.
INHOUD.
Biz.
VJ511KLAU1NG VAN MATTHEUS XXIV........ 1
HET VERHAAL VAN DE TEMPELRUINIGING......3S
DE STRAFREDE VAN JEZUS TEGEN DE SCHRIFTGELEERDEN
EN PHAIUZEÃRS. MATTH. XXUI........54
MOEILIJKHEID VAN DEZEN TIJD VAN OVERGANG. HOE KOMEN
WIJ WEER TOT EEN VASTE OVERTUIGING?.....77
VERDERE BIJZONDERHEDEN VAN DEN STRIJD TUSSCHEN DE PAULINISCHE EN DE JOODSCHE CHRISTENEN; INVLOED DIER PARTIJSCHAP OP VERSCHILLENDE VOORSTELLINGEN IN HET NIEUWE TESTAMENT. RICHTSNOER VAN BEOORDEELING : JEZUS DENK- EN HANDELWIJZE . . . . 82
VOORWOORD.
Dit geschrilt is fen vooitzetfcing van mijn: Christus en G li ri s te nd o in , \V ü â /. u is Oliristus Meiisch geworden P I n v 1 o e cl van li et S |) i r i t i s in e o ]gt; d e G od s il i ens t-wetenschap, (1) en moet nog door andere worden gevolgd Zij moeten gelezen worden in samenhang met de spiritisehe levens- en wereldhescliouwing die ik in mijn Spiritiseh Tijd-sehrilt (lS7:iâ1'-\, en ISSl) en de Blijde Hoodseliap (1 SS5â 1 SU I) (*) heb doen kennen. Toch \ ormt elk dier geschriften eeiiigsüins een geheel op zich zelf.
Voor de bepaling der jaren heb ik de gewone tijdrekening gevolgd. Wie meer wetenschappelijke nauwkeurigheid verlangt, raadplege : Keim's CJ e s c hi c h t e J e s u 1, 3ü 1â108. li 1 5â(!;J I, volgens wiens zorgvuldige berekeningen en combinatiën Jezus optreden meest waarschijnlijk te stellen is in het jaar Ml./:}.1), en zijne geboorte niet later kan gesteld worden dan in het jaar !⢠voor onze tijdrekening, maar mogelijk reeds 2, 3 of 4 jaren vroeger heeft plaats gehad. Met het oog op deze berekening herinnert Rudolph Seydel (Das LO v angel ium von â¢lesu in seinen Ve rh ill t n i s sen zu 15 uddh a-Sage und Bu dd ha-Leh re) aan de bekende plaats uit Johannes: Gij zijt nog geen 50 jaren en wilt Abraham gezien hebben? â De chronologic van Lukas, laat hij er op volgen, is in alle opzichten tegenstrijdig en onhoudbaar.
1
Bij h. l. Smits, te's Gravenhago. Zio uuk: Eon nieuw void voor de wetenschap, on Itot S [iiri tis m o en do openbare meeuiiig, vooral het 3de stuk: Het hart van hot vraagstuk, boido bij Mousing on Visser, 's Hage.
VERKLARING VAN MATTHEUS XXIV.1)
Hot was in het vroegjaar van 68 dat in Jeruzalem deze burgeroorlog werd gevoerd 2), ergerlijk, daar men al zijne krachten zoo noodig had tegen de Romeinen, die geheel Galilea reeds hadden veroverd en zich gereed maakten om de hoofdstad aan te tasten, nog meer door de dwingelandij, waarmee de ijveraars den staat van zaken veranderden en onder de aanzienlijken hunne slachtingen aanrichteden, maar allermeest door de heiligschennis die zij pleegden tegen den tempel, daar zij dezen om zijne sterkte in bezit namen en niet schroomden dien als een burcht te gebruiken, vanwaar zij hunne uitvallen doden tegen de burgers. De afschuw over dien gruwel dreef den achtbaren hoogopriester Ananus de burgers te wapen te roepen ten einde het nationale heiligdom aan de geweldenaars te ontrukken; maar zoo werd dan de tempel zelf het tooneel van den broederoorlog. En daar de ijveraars aldus door de overmacht der burgers belegerd van dezen geen genade te wachten hadden, deinsden zij voor niets meer terug, âHet eerste gevecht, zoo lezen âwij, geschiedde bij den tempel, onder het werpen van âsteenen en schichten; en die de vlucht namen worden door
') Zie over den kritischen voorarbeid: Oer Wiederkunftsgedanke Jesu, nach den Synoptikern kritisch untersucht and darc/estelt von Dr. Wilhelm quot;VVeiffenbach Lie. u. a. o. Professor der theologie in Giessen.â Leipzig, Diuck und Verslag von Breiïkopf und Hürtel, 4873.
a) Zie: Historie van den oorlog der Joden tegen de Romeinen, door FlaviüS Jozephus, He Boek, IToofdst. 44 tot en met het He Hoofdst. van het IVe lïoek (vert. door Sigebert Haverkamp, uitgave van Dr. J. A. Gerth van Wijk, Leiden, A. W. SijtiigfI'') welk deel dezer Historie is overgedrukt in de laatst voorgaande aflevering van De Blijde Boodschap.
1
2
âhunne vijanden met zwaarden omgebracht, zoodat er velen âvan weêrskanten doodbleven. De gekwetsten werden door âde inwoners in hunne huizen gebracht; en de ijveraars âdroegen de hunnen in den Tempel, zonder zich te ontzien âde heiligheid van onzen Godsdienst te schenden en die âdoor hun bloed te bezoedelen ....
Doch hoe was onder dien gruwel do Christengemeente te moede? Zij die de stem van den goeden herder had verstaan, die zijn leven gaf voor zijne schapen? Zij had de blijde boodschap verstaan: Bekeert u, want hot koningrijk der hemelen is nabij gekomen! Zij had zijn woord bewaard: het koninkrijk der hemelen is binnen ulieden! Door zelfverloochening, door de opdracht van een rein geweten aan God, door gehoorzaamheid -van Zijne stem, die zij vernamen in hun geheiligd gemoed, hau ' v de verborgenheid gevat van dat koninkrijk der hemelen, t, Tezus aangekondigd en gegrondvest in zijn bloed, dat de eenig mogelijke, de eenig radicale en zuivere oplossing was van de vreesehjke krisis, waaruit het Joodsche volk thans in een laatste wanhopige poging trachtte zich los te worstelen. Alle Joodsche partijen waren in valsche stellingen, in onloutere, zelfs dooien door onzedelijke toestanden, op dwaalwegen die slechts op verderf konden uitloopen. Alleen de Christengemeente was op den waren weg, had een hoog verheven zui ver ideaal, dat het waardig einddoel was van Israels meer dan duizendjarige godsdienstgeschiedenis. Het bewijs ligt voor de hand. Lees Jozefus. Welk een voortreffelijk geschiedwerk heeft hij geleverd tegenover de onbeholpen historische verhalen en overleveringen der ongeletterde Christenen. Maar nergens vindt gij bij het Joodsche volk in de laatste en zwaarste krisis van zijn volksbestaan een van God gezonden held die hun voorgaat, een profeet die hun den weg wijst en den raad Gods openbaart: de profetische geest heeft zich teruggetrokken in de Christengemeenten en herleeft hier met een overvloed dat Petrus ze kon vermanen: Wie
3
spreekt die spreke als de woorden Gods! Wie dient, diene als uit kracht die God verleent.
Het was hun zuiver zedelijk en vroom gevoel dat de christenen vatbaar maakte om Jezus te volgen en zich met vurige overtuiging en heilige geestdrift toe te wijden aan het hooge ideaal dat hij hun had voorgehouden. Dit kenmerk der oudste Christengemeenten moet goed in 't oog gevat en goed vastgehouden worden; want hun denkvormen bleven Joodsch, en hun Messiaansche verwachtingen hadden joodsche vormen, waaraan zij hartstochtelijk waren gehecht. Het was hun fijn gevoel dat met de vreeselijke rampen van den tijd en de ruwe handelingen van het joodsche volk in de smartelijkste botsing kwam, en deed smachten naar een uitredding die niet van beneden, maar van boven moest komen. Maar het was immer het joodsche Messias-ideaal, toegepast op den gekruisten en verheerlijkten Christus. En zoo ontstond in den ondragelijk geworden angst en nood des tijds de verwachting dat Christus in hemelsche heerlijkheid verschijnende op de wolken des hemels, en omringd door zijne heilige engelen, op aarde zou nederdalen om gericht te iiouden over de levenden en de dooden, en zijn koninkrijk op te richten te Jeruzalem, waarmee de gouden eeuw zou beginnen en de hemel op aarde worden gevestigd.
Het was in die verwachting dat zij de teekenen der tijden nagingen, en de Schriften der profeten doorvorschten om aanwijzingen te vinden voor den tijd der wederverschijning des Heeren. Lees de Openbaring van Johannes die in dezen tijd is geschreven. Met welk een zorg is alles uit het oude verbond bijeenverzameld, niet welk een ge-kunstel is alles bjjeengeknutseld, om op liet gezag der oude openbaring een vorm te verkrijgen voor het Messiasrijk dat zij verwachten, een nieuw Jeruzalem dat uit den hemel gedaald, de plaats van het oude aardsche Jeruzalem zou innemen; maar tocli altijd op aarde, op dezelfde plaats, als het oude Jeruzalem zou gevestigd zijn, waarvoor dan
\
4
echter de hemel en de aarde een groote verandering zou moeten ondergaan ; maar ook die verandering was een deel van hun geloof: âwant wij verwachten naar zijn woord nieuwe hemelen en een nieuwe aardequot;.
Een hunner meest geliefde profetische boeken was Daniël. Hoe waar had hij de rampen geschilderd, waardoor Israël geteisterd werd, de vreesehjke dwingelandij, waardoor het geloof der vromen werd beproefd! Maar wat hen het meeste trof was de ontheiliging des tempels, waarvan hij had geprofeteerd, de âgruwel der verwoestingquot;, dien hij had voorspeld '). En was het niet die heiligschennis, was het niet die gruwel, dien de Christenen in deze dagen aanschouwden, nu de Zeloten onder Johannes van Giskala den tempel hadden bezet en gemaakt tot den zetel hunner dwingelandij , vanwaar zij moorddadige uitvallen deden tegen de burgers, zoodat niet alleen de voorhof een tooneel van slachting werd, maar de gewonden en gesneuvelden hunner partij door hen zelfs in den tempel werden gesleept en de heilige plaats met hun bloed werd bezoedeld? â
De ergernis over dien gruwel, door den hoogepriester Ananus en de burgerij en door Flavins Jozefus met zoo sterke woorden uitgeboezemd, was bij de Christenen zeker niet minder, ja, eerder nog heviger. De ondragelijk geworden nood en angst des tijds, zijn toppunt bereikende in de ongehoorde ontheiliging des tempels, was het onmiskenbare teeken dat het einde der tegenwoordige wereld op handen was. En had Daniël die de gebeurtenissen der verre toekomst zoo nauwkeurig voorspeld had, dien âgruwel der verwoestingquot; niet aangeduid als het tijdstip, van waar uit zij de naderende katastrophe tot op den dag konden berekenen? âEn van dien tijd af, dat het gedurig offer âzal weggenomen, en de gruwel der verwoesting zal ge-
') Zie tot recht verstand der hier bedoelde profetie van Daniël: de Blijde Boodschap, Dl. II, Aflev. 2, hl. 76â93. Vergelijk over de Joodsche getallen-symboliek, Hausraïh, Geselt, v. Jezus tijd en tijdgen. bl. 96, 97.
5
âsteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagenquot;. Dus, het einde der tegenwoordige wereld was nabij. De verdrukkingen, die de barensweeën waren van het 'komende Messiasrijk, die verdrukkingen grooter dan de wereld ooit had gekend, en waaronder thans het mensch-dom zuchtte, waren de onmiskenbare voorteekenen van ie naderende wederkomst des Heeren.
Dit was ten tijde, waarin wij ons thans bevinden, het geloof der Jeruzalemsche Christenen, liet geloof van alle Apostelen â en die denkwijze moet men kennen om een profetisch geschrift te begrijpen dat in dezen tijd verscheen, een vliegend blad, bevattende een vizioen van de dingen die komen zouden, een inspiratie van een vurig geloovige, door hem in schrift gebracht om de Christenen bij hunne Paaschviering te troosten en te versterken, en hun den weg der redding te wijzen.
Dit geschrift luidde als volgt:
âZoodra gij zult vernomen hebben van oorlogen en oorlogsgeruchten , zoo laat u niet verschrikken. Dit moet geschieden. Want volk zal tegen volk opstaan en koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen aardbevingen zijn van plaats tot plaats; er zullen hongersnooden en beroeringen zijn. Dit zijn de aanvangen der weeën.
Maar zoodra gij zult aanschouwd hebben den gruwel der verwoesting, waarvan de profeet Daniël gesproken heeft, staande op de heilige plaats â de lezer lette daarop! â laat dan die in Judea zijn naar het gebergte vluchten. En wie op het dak is dale niet af en ga niet naar binnen om iets uit zijn huis te halen. En wie op den akker is keere niet rugwaarts om zijn kleed te halen. Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Maar bidt tot God dat het niet des winters geschiede, noch op een sabbath. Want die dagen zullen een jammer zijn als niet geweest is van den aanvang der schepping, die God schiep, tot den huidigen oogenblik, en als zeker niet meer zijn zal.
6
En wanneer de Heer die dagen niet verkort had, dan zou geen vleesch behouden zijn. Maar om der uitverkorenen wil verkortte hij die dagen.
Maar aanstonds na den jammer dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten des hemels zullen bewogen worden. En dan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen, en dan zullen al de geslachten der aarde weenen. En zullen den Zoon des menschen zien komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. En dan zendt hij zijne engelen uit met een bazuin van groot geluid en zal de uitverkorenen van de v:-- winden bijeen verzamelen van den rand der aarde den rand des hemels. Voorwaar, zeg ik u, dit geslü' /al niet voorbijgaan totdat dit alles zal geschied 'quot; hemel en de aarde zullen
vergaan; maar mijne woorden zullen niet vergaan.quot; quot;*),
âWant die dagen zullen een jammer zijn als niet geweest is van den aanvang der schepping die God schiep tot den huldigen oogenblik, en als zeker niet meer zijn zal. En wanneer de Heer die dagen niet verkort had, dan zou geen vleesch behouden zijnquot;.
Dus, al de ijselijkheden die men had doorleefd en dagelijks moest verduren waren nog slechts een voorspel van de jammeren die komen zouden.
Hooren wij wat Jozefus verhaalt, toen de stad, dooiden vijand meer en meer ingesloten en bestookt, inwendig door den hongersnood en de razernij der Zeloten werd verscheurd.
»Voor de rijken was het blijven of het vluchten even gevaarlijk; want als iemand slechts middelen had, was dit oorzaak genoeg om hem om te brengen. Ondertusschen nam
') Matth. XXIV vs 6â8; 15â22; 29â31; 34.
7
de hongersnood steeds toe, hetwelk de verwoedheid der oproerigen ook deed aangroeien, waaruit van tijd tot tijd zeer verschrikkelijke gevolgen ontstonden; want dewijl er geen koren meer voorhanden was, liepen deze moedwilligen overal met geweld in de huizen, om die te doorzoeken; en indien zij iets vonden, sloegen zij de eigenaars daafvan, omdat dezen het niet hadden bekend gemaakt; doch zoo zij niets konden vinden, beschuldigden zij hen, dat zij het verborgen hadden, en pijnigden hen, opdat zij het te voorschijn zonden brengen; want als iemand er maar redelijk welvarend uitzag, hield men het voor een bewijs dat er nog voorraad was; doch die reeds uitgemergeld waren liet men mot vrede, meenende het onnoodig hen te dooden, die door don honger welhaast zouden moeten sterven. Vele rijken gaven heimelijk al hun goed voor een maat tarwe; en die van een geringen stand waren voor een maat gerst.
Men verschool zich in de afgelegenste plaatsen der huizen, alwaar sommigen het koren ongemalen opaten, en anderen meel daarvan bakten, naar dat de nood of de vrees hen drong. Nergens zag men tafels gedekt, maar elk rukte de spijs maar van het vuur, zonder die gaar te laten worden. Nooit heeft men jammerlijker ellende gezien. Het waren alleen de rijken, die nog wat hadden; maar al de anderen beklaagden hun ongeluk te vergeefs; en naardien zulk een nijpend gebrek als de hongersnood is alle ontzag doet verliezen , rukten de vrouwen hunne mannen het brood uit de handen, de kinderen ontnamen het hunnen vaders, en wat nog erger is, de moeders ontrukten het hunnen kleinen kinderen. Die nog een weinig te eten hadden konden het niet zoo verbergen, of anderen kwamen het hun terstond ontnemen; want zoodra als men maar een huis gesloten zag, vermoedde men straks dat die er binnen waren iets te eten hadden, en daarop brak men de deuren open, en haalde de lieden de beten uit den mond; de ouden die zich daartegen te weer stelden werden geslagen; de vrouwen die hetgeen zij in hare handen hadden poogden te verbergen.
8
werden bij de keel gegrepen en jammerlijk gesleurd; en de kleine kinderen van moeders schoot gerukt en met de koekjes in hunne handen rondgeslingerd en tegen den grond geworpen. Indien iemand deze woedende lieden poogde te ontloopen, en de spijs metterhaast op te slikken, werden zij daarover zoo bijster vertoornd alsof hun groot onrecht geschiedde; en men bedacht de allerwreedste pijnigingen om daardoor aan mondkost te komen. De mannen hing men aan hun gemacht op, of men boorde hen met spitse stokken van achteren in het lijf, of men deed hun andere ijselijke pijnen aan, alleen om hen brood of een handvol meel, dat zij verborgen hadden, te voorschijn te doen brengen. Inmiddels was het bij deze roovers nog zoo sober niet gesteld; want zoo zij door dergelijken nood geperst, zoodanige daden ondernomen hadden, zou er nog schijn van ontschuldiging geweest zijn; maar zij deden dit om zich gehard te maken tegen alle gruweldaden en voorraad voor vele dagen te verzamelen. Ja, zij ontnamen den armen de kruiden welke dezen des nachts buiten de stad met levensgevaar geplukt hadden, zonder naar hun smeeken in Gods naam, dat men hun toch een gedeelte daarvan zou laten behouden, te willen luisteren; en zij wilden het nog voor een groote gunst geacht hebben, dat ze hen niet dood sloegen, nadat ze hen beroofd hadden.
âAldus werden de arme lieden door het krijgsvolk mishandeld, maar de rijken werden voor de tirannen gebracht, die al deze schelmstukken door hun gezag stijfden en op valsche aanklachten sommigen deden sterven, alsot zij voorgehad hadden de stad aan de Romeinen over te leveren; doch de meesten onder de beschuldiging van tot dezen te hebben willen overloopen. Simon zond hen, die hij van hunne goederen beroofd had, Johannes toe; en die Johannes dus behandeld had zond hij aan Simon; aldus aasden zij op bet bloed des volks en deelden den roof dier ellendigen te samen. Zij waren wel verdeeld ten opzichte der heerschappij, maar in hunne schelmerijen toonden zij
9
zich eendrachtig, en wie den anderen van zijnen roof niet meededeelde, dien hield men voor zeer snood; even alsof den éénen een groot ongelijk geschiedde, wanneer hij zijn deel niet kroeg van hetgeen hij, door de verfoeilijke gemeenschap van misdaden, evenzeer verdiend had als de ander.
âHet zou mij onmogelijk wezen, al de wreedheden dezer goddelooze menschen stuk voor stuk te verhalen; het zal mij geuoeg zijn te zeggen, dat ik niet geloof dat ooit eenige stad zooveel uitgestaan of eenig volk ooit zulke gruwelen bedreven heeft. Zij vervloekten zelfs hunne eigene landgenooten, opdat hunne verwoedheid tegen de vreemdelingen verschoonlijker schijnen zoude. En gelijk, wanneer het bederf op het hoogst gekomen is, de lucht zoo besmet dat er geen verbergen aan is, zoo drong de waarheid deze schelmen ook te bekennen, dat zij enkel slaven, opgeraapt volk, misgeboorten en het schuim on zes volks waren. Zij konden zich inderdaad beroemen dat ze Jeruzalem verdelgd, en de Romeinen tot het behalen van zulk een doodelijke overwinning gedwongen hebben, ja, dat zij zeiven als brandstichters van den tempel mochten aangemerkt worden, dewijl men naar hunnen zin al te lang toefde met er de vlam in te steken; want zij zagen die uit de bovenstad uitslaan, zonder eenig hartzeer daarover te betoenen, noch een traan deswege te storten; alhoewel er Romeinen waren die er zich bedroefd over toonden.quot;
Zoo was het binnen de muren. Zij die door den honger gedreven zich buiten de poorten waagden om in de valleien kruiden of wortelen te zoeken, werden, daar Titus op hen deed loeren, weldra gegrepen, en, na het uitstaan van wreede pijnen, in het gezicht der belegerden gekruisigd, en dat nog wel op bespottelijke wijzen, om hen te tergen, daar de soldaten brandden om hun grimmigheid aan hen te koelen. Nauwelijks kon men kruisen genoeg maken of plaats vinden om ze te zetten; want dagelijks werden er vijfhonderd of meer gevangen. Anderen liet Titus de handen
10
afkappen en zond ze zoo terug. En toch, ofschoon de rampzaligen een zekeren en pijnlijken dood voor oogen hadden, maakten velen van de eerste gelegenheid gebruik om de stad te ontvluchten, daar zij de wreede straffen des vijands verkozen boven de folteringen van den hongersnood.
âWant die dagen zullen een jammer zijn als niet geweest is van den aanvang der schepping die God schiep tot den huidigen oogenblik, en als zeker niet meer zijn zal.quot; Voorwaar! wel had de schrijver dezer apokalypse, (dat is openbaring, zooals men zulke voorspellingen en onthullingen noemde) die stellig onder inspiratie schreef, een waarachtig voorgevoel van de jammeren die aanstaande waren. En voelende dat God zijne uitverkoren niet zou verlaten, maar hen ook in die vreeselijke verdrukking zou kunnen beschermen en uitredden, ried hij hen, als de pijnlijke voorboden van het naderend wereldgericht, de barensweeën van de toekomende eeuw, zich zouden doen gevoelen, ijlings op zelfbehoud bedacht te zijn: âLaat dan die in Judea zijn naar het gebergte vluchten. En wie op het dak is dale niet af om iets uit zijn huis te halen. En wie op den akker is keere niet rugwaarts om zijn kleed te halenquot;.
Het moge vreemd scliijnen dat in die wereldkrisis het gebergte aan de bewoners van Judea, dat is aan de ge-loovigen die deze openbaring aannamen, een veilige schuilplaats aanbood. Men ziet er uit dat de dichter onder den indruk schreef van de plagen, waar Jeruzalem door geteisterd werd, dat hij zich dacht als de plaats, waar bij uitnemendheid het oordeel werd voltrokken. âVan hier! weg van hier! uit de stad die van God afgevallen door Hem is overgegeven aan het verderf dat zij in blinde woede over zich zelve brengtquot; â dit was de natuurlijke kreet van het zelfbehoud voor de geloovigen, die getrouw aan hunnen Pleer, geen deel wilden hebben noch aan de gruwelen, noch aan den zelfmoord zijner verwerpers.
Reeds hadden in 66 bij de eerste uitbarsting van den
11
opstand de Christenen in menigte Jeruzalem verlaten, en schoon door de Joden vervolgd, was het hun gelukt over den Jordaan te komen en in Pella, waar zij waarschijnlijk een vermogend beschermer hadden, een veilige schuilplaats te vinden.
De Jeruzalemsche gemeente was reeds opgelost. Hoe trouw en innig zij zich na de kruisiging en wederverschijning van haren Heer ook aan de moedergemeente had gehecht, deze had haar onbarmhartig en onverzoenlijk van zich gestooten. Eerst had zij Stephanus gesteenigd, dat het sein was voor een algcmeene vervolging. Toen had zij zijn grooten opvolger Paulus tot het mikpunt gemaakt van haren haat. Maar ook Jakobus, de broeder dos Hoeren, het hoofd der Jeruzalemsche gemeente, algemeen âde Rechtvaardigequot; genaamd, die trouwer en nauwgezetter was dan eenig Jood in de naleving van de voorschriften der wet, die dagelijks knielde in den tempel om voor zijn volk te bidden, zoodat zijne knieën als van een kemel vereeld waren, had geen genade gevonden in hunne oogen, alleen omdat hij in Christus de vervulling zag van de wet en de profeten. Zij hadden hem naar de tinne des tempels gevoerd en van hem geëischt om tegen den Christus te getuigen; en toen hij in plaats daarvan den Christus verheerlijkte, hadden zij hem in de diepte te pletter geworpen, en toen hij nog voor zijn moordenaren bad hem gesteenigd, totdat een voller hem met een stok het hoofd verbrijzelde. Ook den Keizer hadden zij tegen de Christenen opgehitst en zoo meegewerkt tot de gruwelijke vervolging on Ier Xero, waarbij Petrus en Paulus als slachtoffers gevallen waren en allerwege op de Christenen jacht was gemaakt. De band tusschen de ontaarde moeder en de dochter, die de erfgenaam was geworden van het woord des levens, was verbroken. De groote leeraar, die in dezen tijd nog uit Jeruzalem den brief aan de Hebreeën had geschreven, had de geheele oude bedeeling als verouderd en nabij de verdwijning geteekend. Het was als een vormelijk afscheid aan de zinnebeelden en schaduwen die hadden uitgediend,
12
nu de vervulling was gekomen. Al de profetische geschriften van de nieuwe bedeeling waren in den vreemde geschreven. Er was een Godspraak, zegt Jozephus, dat de tempel, als hij door burgerbloed zou worden bevlekt, verwoest zou worden. En waarlijk, Micha had geprofeteerd: Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jacobs, en gij oversten van het huis Israels die vau het gericht een gruwel hebt en al wat recht is verkeert, bouwende Zion met bloed en Jeruzalem met onrecht: Hare hoofden rechten om geschenken en hare priesters leeren om loon, en hare profeten waarzeggen om geld : nog steunen zij op den Ileere zeggende: Is de Heere niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. Daarom om uwentwil zal Zion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhóopen worden en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds. ')
Helaas! het vleeschelijk Israël was te allen tijde even onbekeerlijk geweest. Wat beteekenden de ongerechtigheden, die Micha had aanschouwd, bij de gruwelen, waar in deze tijden de goddeloozen in Jeruzalem zich dag aan dag als mee vet mestten ?
Het gevecht in den voorhof des tempels, dat wij boven beschreven, werd eerlang gevolgd door een slachting in den tempel zei ven.
âOp den 14deii van grasmaand, verhaalt Jozefus, op welken dag de Joden het Pascha vieren ter gedachtenis hunner verlossing uit de dienstbaarheid van Egypte, deed Eleazar de poort des tempels openen, om hen die daar wilden komen om God te aanbidden, binnen te laten. Van deze gelegenheid bediende Johannes zich tot uitvoering van zijn goddeloozen toeleg; en hij beval aan eenigen van de zijnen, die het minst bekend, en doorgaans onrein waren, zwaarden onder hunne kleeding te verbergen en zich onder hen, die naar den Tempel gingen, te vermengen. Nauwelijks waren dezen daar binnen, of zij wierpen hunne klee-
â ) Micha III, vs. 9â12.
13
ding af en vertoonden zich gewapend. Dit verwekte terstond groot geraas en gewoel nabij den Tempel; en in die verwarring meende het volk dat het op hen allen samen gemunt was; maar die van Eleazars aanhang bemerkten wel dat het hen alleen gold. Zij die aan de poorten wacht hielden, liepen weg; anderen zich niet durvende te weer stellen, verlieten de plaatsen, welke zij versterkt hadden en poogden door de riolen té ontkomen; en het gewone volk, dat naar het altaar en rondom den Tempel geweken was, werd met voeten vertreden, en met stokken en zwaarden dood geslagen.
De moordenaars poogden het ombrengen van deze men-schen daarmee te verschoonen, dat zij van hunne tegenpartij waren; en zoo zij door iemand van hen slechts eenmaal waren beleedigd geworden, dat was oorzaak genoeg om hun den dood aan te doen, en dus raakten velen onschuldig, jammerlijk om het leven; maar die zich van Eleazar's volk in de riolen en elders verborgen hadden, kwamen op goede toezegging daar weder uit en vereenig-den zich met hunne vijanden. Xadat zij zich aldus van het binnenste des Tempels meester gemaakt, en de drie verdeelde partijen door dit middel tot twee gemaakt hadden, waagde Johannes Simon nog stouter te bevechten.quot;
Maar aan die heiligschennis zou hij eerlang nog meer toevoegen.
âNadat Johannes het volk tot zoodanig een staat gebracht had, dat er niets meer van te halen was, keerde hij zich van zijn gewonen diefstal tot kerkrooverij, en waagde het de geschenken te smelten, Gode in den Tempel toegewijd, en hetgene voor den godsdienst bestemd was, zooals bekers, schotels, tafels, zonder zelfs de gouden vaten te verschoonen, welke Augustus en zijne Keizerin tot eene gift gezonden hadden; want de Romeinsche Keizers hadden dien Tempel altoos geëerd, en met geschenken verrijkt. Aldus beroofde een Jood deze heilige plaats van de gaven, waarmede uit-heemschen haar vereerd hadden; en hij had de onbe-
14
schaamdlieid van tot zijne makkers te zeggen, dat zij geene zwarigheid behoefden te maken om deze Godgewijde dingen te gebruiken , nademaal zij voor God en den Tempel streden, en dat zij, die dat heiligdom beschermden, daar ook wel van leven mochten; daarom ook bestond hij onbeschroomd den wijn en de olie, welke de priesters in liet binnenste des tempels bewaarden, en voor de offeranden gebruikten onder de zijnen uit te doelen, die met zwieren en .drinken meer dan een hin daarvan verteerden.
Men behoort het dan mijner droefheid ten goede te houden, dat ik zog, dat indien de Romeinen getoefd hadden met deze misdadigen door de wapenen te straffen, ik geloof dat de aarde zelf zich geopend zou hebben om de stad Jeruzalem te verslinden, of dat God haar door een tweeden zondvloed verdelgd, of als Sodom door vuur uit den hemel verteerd zou hebben; vermits de gruwelen die aldaar bedreven werden en die eindelijk den ondergang des volks veroorzaakten, nog erger waren dan die waaraan Sodom te gronde ging.
Ik zou nooit geëindigd hebben, indien ik al de ellende, dezer stad overkomen, in bijzonderheden zou willen verhalen ; doch dit weinige kan er tot een staal van dienen. Manneus, Lazarus zoon, op dezen tijd tot ïitus overge-gekomen, verhaalde dat er van den veertienden van grasmaand tot den eersten van hooimaand, honderd vijftien duizend achthonderd tachtig lijken, door de poort, alwaar hij het bevel had, uitgedragen waren, zonder dat hij eonige andere daaronder rekende, dan dezulken, welker getal hij weten moest ter oorzake van eene openbare uitdeeling waarover hij het bewind had; want de andere werden door hunne vrienden begraven, dat is, over de muren heenge-worpen, dewijl dit de geheele begrafenis was die men hun gaf. Andere overgeloopeneu, personen van groot aanzien, verklaarden dat het getal der arme lieden, aldus ter stad uitgeworpen, wel zeshonderd duizend beliep, terwijl het getal der anderen niet begroot kon worden; omdat men
15
eindelijk al die lijken niet kunnende uitdragen, hen in de grootste huizen gesmeten, en de deuren daarvan toegesloten had; dat eene maat koren voor een talent ') was verkocht geworden; en dat, na het maken van den muur, waarmee de belegeraars de stad omringd hadden, de arme lieden niet langer kunnende uitgaan om kruiden te plukken, in de riolen naar eenige spijs gingen zoeken, ja, oude koemest en andere drek, waar het gezicht van gruwt, als voedsel gebruikten. De Romeinen konden dit verhaal niet aanhooren, zonder met groote deernis daarover vervuld te worden; maar de oproerigen, hoewel zij deze ellende voor hunne oogen zagen, werden er niet eens door bewogen, omdat de goddelijke beschikking hen dermate verblind had, dat ze zeiven op den uitersten rand stonden om met de stad in eeu jammerlijk verderf te stortenquot;.
Er is ons in ditzelfde hoofdstuk van Mattheus een woord bewaard, waarin de lijklucht ons tegenkomt, waarvan Jeruzalem vervuld was. âWaar het doode lichaam is, daar zullen de arenden vergaderd worden.quot; 2) Voor de Christenen was Jeruzalem als een lichaam, waaruit de geest geweken was, een lijk reeds in volle ontbinding, en de god-deloozen, naar wie het had geluisterd, met versmading van de stem des goeden herders, die het ten prijs van zijn leven had willen redden, waren thans de gieren die het zieltogend lichaam verscheurden. Welk een band was er nog tusschen de christengemeente en de stad die zij eens heilig had geacht, de stad waaraan zij zich met zooveel liefde en geloof had gehecht, maar die nu als een riekend aas de prooi der roofvogelen was geworden ? â
Keeds bij het begin van den opstand was een groot deel naar Pella uitgeweken; in bet vroegjaar van 68 had weer de waarschuwing geklonken: als gij zien zult den gruwel
') Circa f 4500.â ') Matth. XXIY vs. 28
16
der verwoesting, dat dan die in Judea zijn naar het gebergte vluchten! â En waarvoor zouden zij langer in Jeruzalem gebleven zijn ? Waarvoor zouden zij dag aan dag getuigen zijn van die gruwelen die zij niet konden keeren, van die toenemende ontbinding, waarin Gods oordeel over de zondige stad werd voltrokken?
De gelijkenis der talenten begint bij Lukas met de woorden: âEen zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land om voor zich-zelven een koninkrijk te ontvangen en dan weder te keeren.quot; De bedoeling dier woorden is thans duidelijk genoeg. De Heer was, na zijn kruisdood en wederverschijning, ten hemel gevaren, om het koninkrijk te ontvangen. Maar de plaats waar hij heerschen moest was toch altijd Jeruzalem. Dus, hij zou weldra wederkeereu, om in Jeruzalem zijne heerschappij te vestigen, en zijne hemelvaart was als een korte reis, die voor hem noodig was om door God begiftigd te worden met dat heerlijke koninkrijk, het nieuwe, het hemelsche Jeruzalem, dat hij door zijn lijden en sterven had veroverd. Hij nam dus voor korten tijd afscheid van zijne vrieuden en dienaren en gaf hun zijne bevelen om gedurende zijne afwezigheid zijne belangen goed te behartigen. Hij regelde de taak die hij hun opdroeg naar ieders bekwaamheden; zij kenden hem als een ijverig heer die rechtvaardig, maar streng tn nauwgezet rekenschap zou vorderen van hun beheer, zoodat gedurende zijne afwezigheid ijver en trouwe plichtsbetrachting het wachtwoord was dat allen hadden te behartigen; het tijdstip van zijne terugkomst werd hun niet nauwkeurig bepaald, maar terugkomen zou hij en wel na korten tijd, en geheel onverwacht â dus moesten zij waakzaam zijn, zich te allen tijde gereed houden om hem te ontvangen; de hun toevertrouwde talenten mochten intusschen niet sluimeren in doode rust, neen, zij moesten er mee woekeren, zoodat de Heer het zijne met ruime winst zou kunnen terugeischen â o, hoe heerlijk zou voor zijne getrouwen dan zijne terugkomst zijn, hoe koninklijk zou hij hun ijver
17
beloonen, maar wee! den trage en onverschillige, die geen hart had voor de eer en de belangen zijns Heeren â die geen winst gedaan had met het toevertrouwde goed, hem zou ook wat hij had nog worden afgenomen. Het was voorwaar! een stoute greep om de hemelvaart des Heeren te vergelijken met een korte reis naar een vergelegen land. Maar hoe kwam de Christengemeente aan dit denkbeeld, dat allen zoo machtig aangreep, dat de drijfveer wordt hunner geschiedenis en als de tegenpool van die hersenschim die de joodsche ij veraars tot razernij dreef?
Ik verbeeld mij dat bij de uitbarsting van don opstand in 66, toen de eerste verhuizing naar Pella plaats greep, en meer nog in het voorjaar van 68 toen do waarschuwing klonk: Dat die in Judea zijn naar het gebergte vluchten! de Christenen hunne reis aanvaardden als onder het geleide van hun Heer in deu hemel. Gelijk Israël in de woestijn werd voorgegaan door de vuurkolom des nachts en de rookkolom des daags â en de engel des Heeren was in de kolom â zoo trokken zij uit onder de bescherming van hunnen Heer die hunne voorhoede aanvoerde en hunne achterhoede sloot. Met Jeruzalem hadden zij afgerekend. Het doode lichaam was reeds een prooi der arenden. Te Pella zouden Gods uitverkorenen een veilige schuilplaats vinden voor de jammeren zoo als niet geweest waren van den aanvang der Schepping en niet meer zijn zouden. Maar die jammeren waren de barens-weeën van het naderend wereldgericht dat te Jeruzalem zou worden voltrokken en Pella was slechts een plaats van kort oponthoud. Jeruzalem was altijd de stad des grooten Konings â een nieuw Jeruzalem zou uit den Hemel dalen; en Jezus jongeren hadden maar te zorgen dat te allen tijde hunne lendenen omgord en hunne kaarsen brandende waren â zie, hij zou komen als een dief in den nacht â geen slaap mocht hen bevangen, geen zorgeloosheid hen besluipen â want dan, juist in zoo'n zorgeloos oogenblik kon hij komen; en wee de zorgeloozen, die zich onverhoeds lieten overvallen! â
18
Zij zouden beschaamd staan en hun deel gezet worden bij de ontrouwen.
De eerste christenen waren geen geschiedschrijvers; van historische nauwgezetheid en objectiviteit hadden zij zelfs geen begrip. Maar wie in het voortreffelijk geschiedwerk van Jozefus te vergeefs gezocht heeft naar de ader dei-profetie â die wordt wonderlijk verrast als hij in de onbeholpen oirkonden van het Nieuwe Testament zoo overvloedig het woord des Heeren ziet vervuld: wie in mij gelooft, zoo als de Schrift zegt, stroomen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. De geest des grooten meesters is vaardig over hen geworden: zij dichten de eene gelijkenis na de andere, in openbaringen en vizioenen schilderen zij de voleinding der tegenwoordige eeuw en het toekomstig gericht, eu hunne predikers zijn onvermoeid om door voorbeelden uit de Schrift, door voorbeelden uit het dagelijksch leven, de gemeente tot waakzaamheid, tot ijver en nauwgezette plichtsbetrachting aan te sporen, tot lijdzaamheid en volharding te verznanen.
Het eigenaardige van die gelijkenissen, vizioenen, openbaringen, voorspellingen, predikatiën is dat zij alles zagen als door het oog van hunnen Heer. Christus had reeds zoodanig gestalte in hen verkregen dat zij sprakeu als in zijnen naam, in volle verzekerdheid dat zij spraken in zijnen geest j en zoo schroomden zij niet om hunne leeringen met het gezag des Meesters te bekleeden, hunne woorden te verkondigen als woorden van Christus zeiven.
En zoo is inzonderheid dit deel van Mattheus vervuld met fragmenten, waarin zich treffend en onmiskenbaar liet geloof der Jeruzalemsche Christenen afspiegelt, maar die alle te samen, hoe verschillend ook in strekking, ja soms in rechtstreekschen strijd met elkander en met de tijdorde, toch bijeen worden gevoegd als redenen in een kort tijdsverloop uitgesproken door Jezus zeiven.
Duidelijk spiegelt die donkwijs der Judeesche Christenen zich af in de gelijkenis der twaalf meisjes, die als speel-
19
nooten voor een bruiloft den bruidegom hadden op te wachten, van wie zes met wijze berekening zicli op alle gebeurlijkheden hadden voorbereid, maar zes zonder verder vooruit te zien, lichtvaardig waren opgetogec geenszins toegerust voor de beproevingen die haar konden wachten.
Te volharden in het geloof, steeds aan de eischen dei-opgelegde taak te kunnen voldoen, onder alle beproevingen staande te blijven eu ten laatste de kroon der overwinning weg te dragen, die leveukunst wordt vergeleken bij het wijs beleid der zes meisjes die gezorgd hadden olie in voorraad te hebben om hare lampen brandende te houden. De bruidegom toefde te komen. Dit was de groote beproeving-voor het geloof der Jndeesche Christenen. De wederkomst des Heeren die hun zoo zeker was voorspeld en die een einde moest maken aan de zware verdrukking dezes tijds, liet al door op zich wachten. Zou hij wel waarlijk komen ? Zij plaagden zich in dagelijksche zelfverloochening en moeilijke onthouding, hun lijdzaamheid werd op de hardste proeven gesteld, en was de verwachting waarvoor zij dit alles verduurden geen ijdele hersenschim? â Nu werd het geloof beproefd. Wie grondige studiën gemaakt, ijverig den bijbel doorvorscht, zich een rotsvaste overtuiging gevormd had, maar vooral wie een eeuwigen inhoud had voor zijn ideaal, wie in de beoefening zijner dagelijksche plichten, zoo als hij ze begreep, zich die deugden had eigen gemaakt die het eeuwige leven zijn dat reeds hier op aarde wordt genoten â die had altijd olie in voorraad om zijne lamp brandende te houden. Hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke en al werd ook zijne verwachting- steeds uitgesteld , hij wist in wien hij geloofde en de heer die getrouw is zou zijne trouwe jongeren niet beschamen.
Het geloof aan de wederkomst des Heeren was het door-gangspunt, dat het onsterfelijkheidsgeloof der Jndeesche Christenen in zijn historische ontwikkeling onvermijdelijk moest doortrekken. En men zal steeds zien dat ernstige menschen van al hunne hulpmiddelen gebruik maken om
20
zich een volledige levens- en wereldbeschouwing te vormen. Ieder geloovige is aan zijne dogmatiek hartstochtelijk en innig gehecht. De verwachting der Judeesche Christenen van de nabij zijnde wederkomst des Heeren was een begoocheling. Maar in dien vorm die eerlang verdwijnen moest had zich zulk een schat van deugden en eeuwige waarheden gevormd (het Nieuwe Testament getuigt het op iedere bladzijde) dat toen die verwachting zich oploste en plaats moest maken voor een hooger ontwikkelingsvorm van het geloof, het Christendom geplant was en de geest van den verheerlijkten Christus voor immer woning gemaakt had in zijne aardsche gemeente.
quot;Wat ons ontbreekt is een geoefende verbeelding, zonder welke het ons toch niet gelukken zal ons in verre tijden en toestanden in te denken, een warm meegevoel om de sterke aandoeningen van hen, die harde beproevingen te verduren hebben, meê te leven. Wat de profeten onderscheidde is de innigheid, waarmee zij het leven huns volks medeleefden, de fijnheid van hun zedelijk gevoel, dat in botsing komende met onbeschaamde ongerechtigheden, schokken ervoer, waaruit de profetische, de eeuwige waarheden ontsprongen. Het was de verontwaardiging over de vertreding van Gods geboden, zonder dat eenig menschelijk gezag er tegen opkwam, die hen in den geest de goddelijke oordeelen deed aanschouwen, die onvermijdelijk komen moesten om de snood vertrapte wetten van God te herstellen. Het was een vonk van dien profetischen geest, die in Jozefus ontgloorde, den man die in zijn omvattend brein en deelnemend hart Israëls laatste worsteling zoo trouw medeleefde en zoo waar wist te beschrijven dat zij leven zal zoolang er een geschiedenis zijn zal; het was de smart, waarmee hij de misdaden van zijn volk aanzag, misdaden die alle maat te boven gingen, waardoor zijne aandacht werd gevestigd op Gods gerichten, de grootste waarvan de heilige schrift gewaagt, den zondvloed en de verwoesting van Sodom en Gomorra, toen de menschen ook volslagen
21
onbekeerlijk bleken, en een oordeel dat de geheele wereld omvatte, een vuurregen, waardoor de goddelooze steden werden verdelgd, noodig waren om de ordeningen Gods te handhaven.
Het waren die Godsgerichten, waar de aandacht der .Tu-deesche Christenleeraars zich mee voedde; en daar de alles te boven gaande gruwelen des tijds thans weder en nu voor liet laatst, een rechtstreeks en alles omvattend wereldgericht aankondigden, moesten de vroegere oordeelen hen waarschuwen, om niet weêr re vervallen in de zorgeloosheid, waarvan de tijdgenooten van Xoach en van Lot de slachtoffers geweest waren.
Dit gaf aanleiding tot predikatiën als de volgende: âEn gelijk de dagen van Noach waren, alzoo zal ook zijn de de toekomst van den zoon des menschen; want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de arke ging, en erkenden 't niet totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam, alzoo zal ook zijn de toekomst van den zoon des menschen.quot; ')
âDesgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij planteden, zij bouwden; maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulpher van den hemel en verdierf ze allen. Evenzoo zal het zijn in den dag, op welken de zoon des menschen zal geopenbaard worden. In dien dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af om het weg te nemen en die op den akker is, die keere niet naar hetgeen achter is. Gedenkt aan de vrouw van Lot.quot; 1)
Dezelfde vermaning werd met een voorbeeld uit het dagelijksch leven aangeklemd: âMaar weet dit, dat zoo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de diet
1
') Luk. XVII vs. 29â32.
22
komen zoude, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis huis niet hebben laten doorgraven; daarom zijt ook gij bereid; want in welke ure gij 'tniet meent, zal de zoon des menschen komen.quot; ')
Maar daar de tijd zoo hoog ernstig en liet gevaar zoo groot en zoo nabij was, kwam het er vooral op aan dat de leeraars en voorgangers hun plicht deden. IToort dan hoe een man van hoog gezag de leeraars vermaant om trouw hun ambt waar te nemen:
âWie is dan de voorzichtige en trouwe huisbestuurder, dien zijn heer over zijne dienstboden gesteld heeft, om hun te rechter tijd hun voedsel uit te deelen ? Zalig is die dienstknecht , welken zijn heer komende zal vinden alzoo doende. Voorwaar ik zegge u dat bij hem zetten zal over al zijne goederen.
Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zoude zeggen : Mijn heer vertoeft te komen. En zou beginnen zijne mededieustknechten te slaan en te eten en te drinken met de dronkaards, zoo zal de heer dezes dienstknechts komende ten dage in welken hij hem niet verwacht en ter ure die hij niet weet, en zal hem afscheiden en zijn deel zetten met de geveinsden: daar zal weening zijn en tandgekners.quot; 2)
Onder allerlei vormen keert gedurig hetzelfde denkbeeld terug: âZiet toe, waakt en bidt: want gij weet niet, wanneer de tijd is. Gelijk een nienscb buiten 's lands reizende, zijn huis verliet en zijnen dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat hij zoude waken: zoo waakt dan; want gij weet niet wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond; opdat hij niet onvoorziens kome en u slapende vinde. Eu 't geen ik u zegge, dat zeg ik allen: Waakt!quot; â ') Gelijk zij die levendig
') Matth. XXIY vs. 43, 44.
') Vs. 45â51.
') Mark. XIII vs. 33â37.
23
hunne verantwoordelijkheid voelden met ingespannen aandacht de teekenen der tijden volgden, zoo namen zij ook met scherpen blik de inenschen waar over wie eerlang het oordeel zou worden geveld. Zij hadden in hunne gemeente echtgenooten van wie de een hun onderwijs ernstig ter harte nam en zich vlijtig voorbereidde voor den grooten dag, terwijl de ander die sombere voorstellingen nuchter opnam en in twijfel trok, ja er kritiek op gaf en den spot mee dreef; hetzelfde verschil vond men in hun zedelijken zin; de een was gemoedelijk en nauwgezet, do ander luchthartig en lovende voor het oogenblik. Dat onderscheid zagen zij ook bij hun dienstboden en arbeiders. Maar in den dag van Christus zouden die uiterlijke verbintenissen vervallen; ieders aard zou ten volle openbaar worden en ieder loon krijgen naaiwerken.
âTk zegge u; In dien nacht zullen twee op één bed zijn, de een zal aangenomen, en de ander verlaten worden; twee vrouwen zullen te samen malen; de eene zal aangenomen en de andere verlaten worden; twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen en de ander verlaten worden.quot; ')
Het was een tijd van groote spanning. De staatkundige toestand was ondragelijk; de rampen, waardoor het volk van God geteisterd werd, in schreeuwende tegenspraak met de heerlijke verwachtingen die hun godsdienst hen geleerd had te koesteren. Jezus die de geschiedenis van zijn volk en zijn tijd doorgrond had en de naaste toekomst als een geopend boek voor zich zag liggen had hun een uitweg gewezen, waarop hun schoone verwachtingen boven bidden en denken zouden vervuld worden; maar de weg was eng, de weg der zelfverloochening, en slechts weinigen wisten den weg te onderkennen; slechts weinigen durfden den strijd aanvaarden, waardoor zij konden ingaan in de poort die ten
â ) Lukas XVIII vs. 34â36.
24
leven leidt. En is het tegenwoordig wel anders? Het aandoenlijk woord dat ons uit dien tijd is overgeleverd: Maaide zoon des menschen als hij komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde? schijnt de geheels geschiedenis door tc klinken en herhaalt zich in elke nieuw3 waarheid die zich in den tijdgeest openbaart; want de nieuwe waarheden komen altijd in botsing mot de heerschende dogmatiek van den dag; on het zijn niet alleen do Parizeërs die de blijde boodschap van Jezus naar den maatstaf hunner dogmatiek verwierpen en den prediker tot den kruisdood veroordeelden â als dit het karakter is der Farizeërs en der openbare meening die zich onder hun invloed had gevormd, dan is do heerschende dogmatiek van alle tijden, van alle kerken on scholen fari-zeeuwsch â en wie ervaren heeft hoe mooielijk een nieuwe waarheid zich in de wereld inburgert, die verwondert zich niet dat het ideaal van Jezus, bij al zijn eenvoud toch zoo verheven en diepzinnig, slechts door zeer weinigen (ware uitverkorenen) werd begrepen, en door de groote menigte en hare toongevers stompzinnig en hooghartig versmaad.
Maar de logika der geschiedenis verloochende zich niet. De Joden die Jezus verwierpen kwamen in een wanhopig valsche stelling. Niet in staat het geloof van Jezus te betrachten, gingen zij hun eigen wegen die hen leidden tot misdaad, roekeloosheid en dweeperij. De moordpriemers (siccarii) en de rooverbenden waren de geesel van stad en land, waar men de aan den band ontloopen boeren kan bijvoegen die het land doortrokken om de gezeten lieden te plunderen; de heerschzuchtige zeloten sleepten hunne partijen mede in den wanhopigen oorlog togen de Romeinen en godsdienstige dweepers spiegelden de onnoozele menigte voor dat God wonderen zou doen om hunne droomen te verwezenlijken.
Te midden van die drijvers trachtten te vergeefs de zoogenaamde gematigden hun invloed te doen gelden. In tijden van omwenteling is de macht bij de radicalen en de ultra's. De ware oplossing der strijdvragen, de ware redding uit den nood had Jezus gegeven; en wie de kracht niet
25
hadden hom te volgen, ai meenden zij het nog zoo goed) al werden zij ook aangevoerd door zulk een achtbaar man als Ananus, werden door den waanzin van den tijdgeest verslonden.
Wij lezen meermalen van toovenaars; wij lezen van valsclie Christussen die teekenen en wonderen zouden doen, waardoor zij, indien het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen zouden verleiden; 't geen ons onwillekeurig aan mediums doet denken, die immers bij alle volken en in alle tijden voorkomen; en schoon het mediumschap, mits goed aangewend, een voortreffelijke gave is, en zelfs groote profeten zich als hooge mediums hebben onderscheiden, zoo weten wij toch ook dat het mediumschap op zich zelf volstrekt geen bewijs is voor zedelijke of verstandelijke voortreffelijkheid; en dat integendeel menschen, die zich niet aan redelijke tucht hebben gewend, als zij mediale eigenschappen bezitten, juist daardoor bizonder vatbaar zijn om door dwaalgeesten te worden verleid.
Grelijk do radicalen altijd tot het begin torug willen koeren , hetgeen met verstand en met onverstand geschieden kan, zoo was hot in dien tijd oen algemeen verbreide meening, dat het volk weer met Mozes van voren af aan moest beginnen, en reeds vroeger had een zekere Theudas door oen ruwe uitlegging der schrift zich ingebeeld dat de intocht van Israël in het heilige land, naar de goddelijke voorschriften der boeken van Mozes, nu eerst in waarheid beginnen moest en een groote menigte verleid om hem met al hunne have in het overjordaansche te volgen en hun voorspeld dat de overgang van den Jordaan den geloovigen even zoo gemakkelijk zou vallen als eens onder Jozua; ja die zou hen eerst tot den rechten doop worden om iu het Koninkrijk Gods in te gaan. Maar de romeinsche stadhouder Fadus zond een eskadron ruiters op hem af, die zijne aanhangers onverhoeds aan den Jordaan overvielen en uiteen dreven; hem zelf werd het hoofd afgehouwen en naar Jeruzalem gebracht.
26
Zoo stond onder den stadhouder Felix weêr een egyptische jood op, die door een verkeerde schriftverklaring bewijzen wilde dat, aangezien Jeruzalem een heidensche stad was geworden, hare muren even zoo moesten vallen als eens die van Jericho onder Jozua, en als zij op die wijze in de stad waren getrokken, dan zou hot oogenblik gekomen zijn dat hun de heerschappij over de wereld zou toevallen. Reeds had liij oprukkende van de oostelijke woestijn vele lieden uit het volk bij zich aan den olijfberg verzameld, toen Felix met een gewapende macht te paard en te voet hem overviel, 400 man doodde en 200 gevangen nam; maar de Egyptenaar zelf ontvluchtte en schijnt nog verder aanhang te hebben gevonden.
Ook de volgende stadhouder, Porcius Festus kreeg weer met een wonderproteet te doen, die op zijne wijze Mozes en Christus naiipende, het volk groot nabijzijnd heil en het ophouden van alle rampen beloofde, als zij hem in de woestijn wilden volgen; maar Festus zond een troep ruiters en voetvolk op hem af, die aan dezen waanzin een bloedig einde maakten.
Ook op zulke dweepers hadden de leeraars der Christengemeente hunne aandacht gevestigd; en in de vermaningen, waarmee zij haar voor hun bedriegelijke voorstellingen waarschuwen , spiegelt ook dit teeken des tijds zich getrouwelijk af.
In den samenhang waarin zij hunne woorden brengen, laten zij Jezus zeggen: âEu Jezus antwoordende zeide tot hen: ziet toe dat niemand u verleide; want velen zullen komen onder mijnen naam zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.quot; ')
âAlsdan zoo iemand tot ulieden zal zeggen; zie, hier is de Christus of daar, gelooft het niet; want daar zullen valsche profeten opstaan en zullen groote teekenen en wouderen doen, alzoo dat zij, iudien het mogelijk ware, ook
') Matth. XXIV VS. 4, 5
27
de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, ik heb liet u voorzegd ! Zoo zij dan tot u zullen zeggen: zie, hij is in de woestijn, gaat niet uit; zie, liij is in de binnenkameren gelooft het niet. Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot het Westen, alzoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen zijn.quot; ')
Dus, dit stond vast, hun Heer was ia den hemel, en indien er onder de Christenen zwakgeloovigen waren die zich door valsche profeten, door het gerucht van hun wonderen en teekenen, door hun vurige welsprekendheid, waaraan hue eigen geloof (want ook een dweeper houdt zich overtuigd) een wegslepende kracht gaf, lieten verontrusten en twijfelmoedig werden â dan moesten zij hooger opzien. Want wat de valsche profeten ook mochten voorbrengen , armzalig en nietig was hot voor den waren ge-loovige die de heerlijkheid van Christus verwachtte. âWant gelijk de bliksem uitgaat van hot Oosten en schijnt tot het Westen, alzoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen zijn.quot;
Maar bij de rampen dos tijds en de verdolingen van den eeuwgeest voegden zich nu nog de vervolgingen en verdrukkingen om liet geloof, en wat nog pijnlijker was de ontrouw in eigen boezem en de afval der zwakken. Als de beproevingen de maat onzer lijdzaamheid te boven gaan, wordt ook de goedgezinde oproerig. Waar zijn de ijzeren karakters die alle beproevingen uitharden en getrouw blijven tot het einde? Dat is de vuurproef, waaronder ook geloo-vigen bezwijken. En als er meer van hen gevergd wordt dan hun geestkracht geven kan, dan haten zij degenen die hun, zij het ook alleen door hun voorbeeld, zulke hooge, zoo als zij beweren, onnatuurlijke eischen stellen durven. Er komt twist en tweedracht in het kleine gezin der getrouwen. De afval neemt toe. En waar de Christenen het
') Matth. XXIV VS. 23â27.
28
treurig schouwspel geven van ontrouw, is het wonder dat daar de geestdrift van velen voor liet gemeenschappelijk geloof verkoelt?
o Wie onder al die beproevingen getrouw bleef, hoe moest zijn gebeele ziel zich oplossen in de bede: Kom haastelijk, Heer Jezus, ja, kom haastelijk!
Hoe levendig voelde hij in zijn eigen ziel, dat de rampen des tijds de barensweeën waren van de openbaring der toekomst van Christus! Hoe duidelijk zag hij daarin do voorteekenen, van de naderende Katastrophe ! Als hij na het gure jaargetijde het uitloopen van het nieuwe loof zag dat den komenden zomer spelde, dan verheugde zich zijn ziel; want het was hem een zinnebeeld van de teekenen des tijds; de natuur liegt niet; gelijk in het uitspruitende loof de zomer zijne komst aanzegt, zoo verkondigden voor den ziener de barensweeën, waar de wereld onder zuchtte, de geboorte van de voelbaar naderende toekomende eeuw.
Voorwaar! het was een hooge geest, waarin zulke gedachten opwelden. Is ooit in een menschelijk vernuft het ontwerp opgekomen van een heldendicht zoo grootsch als de Jeruzalemsche Christenen dichtten van de wederkomst huns Heeren?
Al de trekken van dit heldendicht zijn in deze fragmenten verzameld. Johannes heeft ze uitgewerkt tot een kunstig gedicht; maar de argelooze, ongekunstelde eenvoud, waarmee zij hier zijn neergeschreven, geven den trouwsten afdruk van een zielsgesteldheid, die éénig is in de geschiedenis der wereld. Hier leeren wij de helden kennen, die het heldendicht hebben geschapen, waardoor van eeuw tot eeuw de wereld moest worden vernieuwd naar de gelijkenis van Christus, dat is de vestiging des Christendoms. En treffend is de onbeholpenheid van den stijl, waarin zich de grootheid van de gedachte verbergt.
âAlsdan zullen zij u overleveren in verdrukking en zullen u dooden en gij zult gehaat worden van alle volkeren, om mijns naams wille. En dan zullen er velen geërgerd
29
worden en zullen elkander overleveren en elkander liaten. En omdat do ongereclitigheid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkoelen; maar wie volharden zal tot den einde die zal zalig worden.quot; ')
âEu leert van don vijgeboora deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teeder wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is. Alzoo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zoo weet dat liet nabij is voor de deur.quot; 2).
Het heldendicht was geschapen; het geloof der jongeren had zich in drie momenten tot zulk een kracht verheven, dat het, ook na het heengaan des Meesters, zijn koninkrijk op aarde kon grondvesten en zijn goddelijk werk voortzetten. Het eerste bewijs van hun geloof was dat zij in den nederigen proieet van Nazareth hun Messias hadden erkend, al vleiden zij zich ook met de ijdele verwachting dat hij te zijner ure den troon van David weder zou oprichten, een begoocheling-, waardoor zij bij zijn leven niet konden begrijpen dat hij lijden en sterven moest, hoe duidelijk hij het hun ook leerde. De krisis, waarmee de tweede phase begon, was de kruisdood, waardoor-hun geloof aanvankelijk werd vernietigd; maar het herleefde, toen Christus zich als de verrezene uit de dooden met onbedriegelijke teekenen aan hen vertoonde, en gedurende 40 dagen bij onderscheidene gelegenheden weder met hen sprak en hun verklaarde hoe de Christus door lijden tot zijne heerlijkheid moest ingaan; het derde ontwikkelingsmoment was dat zij in den geest den verheerlijkten Christus volgden in den hemel, waar zij hem zagen gezeten aan de rechterhand des Vaders, die alle macht in hemel en op aarde in zijno handen gegeven had, en van waar hij zijn koninkrijk bleef besturen en zijne getrouwen beschermen van eeuw tot
') Matth. XXIV VS 9, 10, 12, 13.
') Matth. XXIV vs 32, 33.
30
eeuw. Nooit is een grooter geloofsdaad verricht dan dat aldus hemel en aarde door een onverbrekehjken band werden verbonden; nooit heeft de kennis van God zulk een vordering gemaakt als toen eenige eenvoudige Israëlieten Zijne volmaakte openbaring erkende in Jezus, het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn wezen; nooit was de wereldregeering in zulk een helder en zaligmakend licht verschenen als sedert Jezus jongeren hem als den plaatsbekleeder en vertegenwoordiger des Vaders gezeten zagen op den troon der heerlijkheid, bekleed met alle macht in hemel en op aarde.
Het geloof der Christenen moest nog een vierde ontwikkelingsmoment doorloopen. Zij moesten leeren begrijpen dat Christus hun zijn geest bad nagelaten, dat die hen indachtig zou maken wat hij hun geleerd had; die zou als zijn plaatsbekleeder en trooster zijn die hen van lieverlede, naarmate zij het dragen konden, in alle waarheid zou leiden. Immers, persoonlijk had hij hun nog niet alles kunnen zeggen, daar zij het nog niet begrijpen konden. Maar dit zou het bewijs zijn van zijne trouw en wereldregeering dat hij voort zou gaan hun zijn geest te zenden; âik zal met u zijn alle de dagen der wereldquot;, en zijne zegenende nabijheid zouden zij ervaren in elke nieuwe waarheid die hij hun zou openbaren door de leeraars die hij hun op het juiste tijdstip zou zenden.
Dit vierde ontwikkclingsraoment bereikte hot geloof der Christenen in het vierde naar Johannes genoemde Evangelie, dat c. 140 jaren na Christus geschreven werd; maar wij zijn thans nog in het jaar 68; en de groote afstand van die beide tijdstippen., waar twee menschenleeftijden tusschen liggen, zal men het duidelijkst voelen, als men de Openbaring van Jobannes met het naar Johannes genoemde evangelie vergelijkt. Welk een koortsachtige opgewondenheid, welk een opgeschroefde verbeelding, welk een hartstochtelijk fanatisme geeft in de Openbaring van Johannes zich lucht! Het is een ware tour de force van den geest.
31
Voor zulk een zielsgesteldheid was het niet te sterk zich een nieuw Jeruzalem te verbeelden, door zinnelijken glans alle wereldsche praal overtreffende en uit den hemel dalende om de plaats van het oude Jeruzalem in te nemen en de zetel te worden van een zalig rijk, waarmee de hemel op aarde, gevestigd zou worden.
Voelt men nu in welke joodsche banden het geloof ook der vurigste Christenen nog gevangen was? Voelt men nu in welke joodsche denkvormen de leer van Jezus werd opgenomen toen hij zijn geestelijk koninkrijk verkondigde? Nergens voelt men duidelijker den diepen zin van het woord des profeten: Zoover de hemel is boven de aarde zoover zijn Mijne gedachten boven uwe gedachten, spreekt de Heer, als wanneer men Jezus' verheven prediking van het koninkrijk der hemelen met de overspannen fantasmagorieën der Jeruzalemschc Christenen vergelijkt. Het was een schitterende bloesem, maar die moest verwelken en afvallen, opdat de vrucht eener hoogere waarheid zich zou zetten. En de wereldgeschiedenis ging haar ernstigen gang en stoorde zich niet aan de droombeelden der vurige geloovigen. De lente volgde op de lente, en telken jare sproot op nieuw het jonge lover aan den vijgeboom uit; het geslacht dat Jezus gekend had daalde ten grave, en een nieuw geslacht verrees en worstelde met dezelfde verwachting van de nabijzijnde wederkomst des Heeren, en zoo volgde het eene geslacht op het andere; maar de verwoeste tempel werd niet weder opgericht, en geen nieuw Jeruzalem daalde uit den hemel, en geen Christus verscheen op de wolken; maar de geest van Christus bleef werken in zijne gemeente, en nieuwe leeraars stonden op die naar de behoefte des tijds zijn evangelie verklaarden en aan zijn koninkrijk een vorm gaven, waarin het zich in de wereld kon handhaven; en zoo groeide het mostaardzaad en breidde de gemeente zich uit en het geloof ging voort de wereld te overwinnen en het bloed der martelaren werd het zaad der kerk.
Langzamerhand werd het den geloovigen duidelijk, dat
32
het woord des Heeren; gaat henen, onderwijst alle volken onvereenigbaar was met hunne verwachting dat Hy ree s ia de naaste toekomst zijn Rijk op aarde zou vestigen. En toen hunne vurige verwachting door de onverbiddelijke geschiedenis was afgekoeld, toen lieten zij haar wel met geheel varen, maar verschoven de vervulling toch in een vene toekomst; en een verstandig leeraar, m wien dit licht het eerst was opgegaan, wist ook de gemeente in dit verre uitzicht te doen berusten. Hij kleedt zijn onderwijs weer in den naïeven vorm van een woord van Jezus, als die o-ezegd zou hebben: âEn dit evangelie des koninklijks zal L de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis allen volkeren en dan zal het einde komen. ')
Toen dit inzicht verkregen was, had de verwachting van Jezus nabijzijnde wederkomst zich zelve overleefd. En toen de werkelijkheid meer en meer haar geduchte macht deed gevoelen, toen men het dagelijks ondervond met welk een tegenstand men te worstelen had om de wereld te overwinnen, toen week ook het uitzicht dat aan alle vo ken het Evangelie zou verkondigd zijn in zulk een ver verschiet, dat het buiten alle berekening viel. Toen kwam een andere gedachte bij hen op. Die groote verborgenheid, wanneer de voleinding der eeuwen zijn zou, mocht zij wel aan de menschen geopenbaard worden? Neen, dat was een geheim, waarin liet roekeloos, ja ongeoorloofd was te willen doordringen. En dit nieuwe inzicht werd weder aan de gemeente bekend gemaakt in den naam van Jezus als die gezegd zou hebben: »Doch van dien dag en die ure weet niemand, ooc niet de engelen der hemelen, dan mijn vader alleen. )
Men ziet uit deze ontleding dat de lange rede die in Mattheus XXIV voorkomt als door Jezus kort voor zijn dood gehouden in antwoord op een vraag van zijne leerlingen een zeer ingewikkeld letterkundig samenstel is, waar-
') Matth. XXIV vs. 14. ») Matth. XXIV vs. 36.
33
van de verscliillencle deelen een menschenleeftijcl na Jezus' dood, door verschillende personen bij onderscheidene gelegenheden geschreven zijn en met weinig oordeel in dit hoofdstuk bijeen gevoegd.
Dit ingewikkeld samenstel vinden wij ook terug in een rede, volgons Mattheus, bij een andere gelegenheid door Jezus gehouden, nl. toen hij zijne leerlingen voor het eerst uitzond om aan hunne landgenooten de blijde boodschap te brengen dat liet koningrijk der hemelen gekomen was. Matth. X vs. 16â23 lezen wij: âZie, ik zende u als schapen in 't midden der wolven : zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven. Maar wacht u voor de menschen ; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen en in hunne synagogen zullen zij u geeselen. En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden om mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis ; doch wanneer zij u overleveren zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken zult; want gij zijt het niet die spreekt, maar de geest des vaders die in u spreekt. En de broeder zal den broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen ze dooden. En gij zult van allen gehaat worden om mijnen naam; maar die volstandig zal blijven tot den einde die zal zalig worden. Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere ; want voorwaar zegge ik u, gij zult uwe reize door de steden Israëls niet geëindigd hebben of de zoon des menschen zal gekomen zijn.quot;
Dus, volgens deze rede had de komst van den zoon des menschen, dat is de openbaring van den Messias in de bovenaardsche heerlijkheid, waarvan wij de beschrijving gelezen hebben, reeds moeten geschieden voordat de leerlingen door Jezus ter prediking uitgezonden hunne reis zouden voleindigd hebben ; maar toen zij terugkwamen van hunne reis, vonden zij Jezus zoo als zij hem verlaten hadden, loerende en het land doorgaande goeddoende, het voorbeeld
3
34
gevende van nederigheid en zaclitmoediglieid als die gekomen was niet om gediend te worden, maar om te dienen. Dus ziet men dat de Redacteur zich vastwerkt en dat zulke teksten slechts begrijpelijk worden, door ze volgens het karakter dat zij vertoonen, terug te brengen tot den tijd, waarin zij ontstaan zijn en de personen die ze gesproken en neergeschreven hebben.
In en omstreeks het jaar 68 na Christus heerschte er inderdaad een groote zendingsijver onder de Judeesche Christenen; en het is natuurlijk, dat zij gehoorzamende aan het gebod des meesters, zich diep doordrongen van het koninklijke woord door hem gesproken, waardoor hij hen zoo wonderlijk had bemoedigd en gesterkt voor hunne taak: âzijt niet bezorgd hoe of wat gij spreken zult; want gij zijt het niet die spreekt, maar de geest des vaders die in u spreektquot; '). En wat op die eerste zendingsreis niet gebeurd is, hebben zij later overvloedig ondervonden. Wat volgens Mattheus Jezus aan de twaalven voorspelde, dat voorzeide hij volgens Lukas aan de 70 die hij later uitzond '). Maar wat lezen wij onmiddellijk daarna? De 70 keerden weder met groote blijdschap over den zegen dien zij op hun werk hadden ondervonden, zoodat de sombere voorspellingen, die wij in het begin van dit hoofdstuk lezen, geenszins waren bevestigd. Maar al die vervolgingen hebben zij later in ruime mate ondervonden. Zij zijn overgeleverd aan Raadsvergaderingen , zij zijn voor stadhouders en koningen gesteld, zij zijn in de synagogen gegeeseld, zij hebben op hunne reizen het lot der zendelingen ondervonden, zij kwamen in steden en huizen, waar zij met vreugde werden ontvangen, maar ook in dezulken, waar de krachten die zij openbaarden , â zooals het genezen van kranken door de gave der gezondmaking, het uitdrijven van onreine geesten, redenen vol dos geloofs en des heiligen geestes, afstuitten op stugge
') Zie Aanteekening achter dit hoofdstuk.
2) Lukas X.
onvatbaarheid en zelfs vijandschap opwekten , zoodat zij vluchten moesten om hun leven te redden. Chorazin, Bothsaïda, en Kapernaüm zijn berucht geworden om hunne onbekeer-lijkheid; en toch hadden juist daar de gaven des heiligen geestes en het woord des levens zich op de heerlijkste wijze geopenbaard.
Is het wonder, nu de geest der Judeesche Christenen vervuld was van het naderend wereldgericht, en zij steeds het lot van Sodom en Gomorra voor oogen hadden als dat het goddelooze Jeruzalem boven het hoofd hing, dat de zendelingen hetzelfde oordeel zagen zweven boven die steden die hun goede boodschap met hoon en smaad hadden afgewezen, ja de predikers mishandeld en vervolgd, zoodat zij vluchten moesten om den dood te ontgaan?
Ontzag bevangt ons, als in hun gloeiende verontwaardiging hun stijl een vlucht neemt, waarin de hooge geest van oud-Israëls profeten herleeft. âWee n, Chorazin, wee ti Bethsaïda! zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden zich in zak en assche bekeerd hebben; en gij Kapernaüm die tot den hemel toe verhoogd zijt, zult tot de hel toe nedergestooten worden!quot; Het is die vurige bezieling, waarin zij den moed putteden om te sproken in den naam des Heeren, hot is die hooge profetische stijl, waardoor hun woorden 19 eeuwen bij de Christenen gegolden hebben uls woorden des Meesters. En toch, als wij er kalm over nadenken, hoe levendig voelen wij dan bij die uitbarstingen van hevige verontwaardiging, dat God niet is in den storm, noch in het vuur, noch in de aardbeving, maar in het suizen eener zachte stilte.
Ach, niet allen waren zoo sterk als Stephanus die onder de steeniging op de knieën viel, biddende : Heer roken hun deze zonde niet toe! Gedurig vlamde het Elias-vuur in hen op, dat de zonen van Zebedeüs deed uitroepen: âHeer! zullen wij zeggen dat vuur van den hemel dale om dezen te verslinden?quot; En als zij in angst en ergernis zoo'n vij-
36
andige stad verlieten, die zij met de hartelijkste liefde en de vurigste zucht om haar te redden hadden bezocht, ja, dan werd de gramschap hun te machtig; ook het stof dat van die stad aan hunne voeten kleefde, schudden zij af, en met een bitterheid, waarin het wraakvuur van Israëls oudste profeten gloeide, riepen zij uit: het zal Sodom en Gomorra, in den dag des oordeels, verdragelijker zij n dan die stad. Maar wij vragen : Is dit de geest des meesters, die zijne prediking begon met de woorden : Zalig zijn de zaclitmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven? â Is dit de zielsgesteldheid die hij hun voorhield toen hij zeide: âZalig zijt gij als do menschen u smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzoo hebben zij vervolgd de profeten die voor u geweest zijn?quot; â Neen, voorwaar! â de Heilige Geest heeft ons indachtig gemaakt wat de meester in waarheid gesproken heeft; en in zijnen naam zeggen wij tot die driftige ij veraars, die de wederhoorige zondaren gedurig dreigden met den vuurregen van Sodom en Gomorra : âGij weet niet van hoedanigen geest gij zijt; de Zoon des Menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden.quot;
Wat de huiselijke oneenigheden betreft, had reedsMicha VII: 5, 6 geklaagd, âvertrouwt niet op uw vriend, verlaat u niet op een bekende, wacht u om voor uw boezemvriendin uw gemoed te openbaren; want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen hare moeder, de schoondochter tegen hare schoonmoeder; een ieders vijanden zijn zijne huisgenooten.quot; En wij begrijpen dat de Christenen die uit de Schrift dagelijksche versterking en leering putte-den, getroffen werden als zij hun eigen toestanden zoo juist door den profeet beschreven vonden. Die bittere ervaringen waren het onvermijdelijk gevolg van hot geloof van Christus, dat zij in dagelijksche beproeving moesten hand-
37
haven. En die vijandschap met de wereld en hun naaste betrekkingen, Jezns had ze hun duidelijk voorzegd. Maalais dat nu in zulke bijzonderheden, bij voorkeur met woorden uit de schrift wordt uitgewerkt, dan vinden wij daarin geheel de wijze der Judeesche Christenen terug, die gewoon warén aan do toestanden die zij beleefden stof voor profetieën te ontleeneu. liet was hun een troostrijke gedachte dat Jezus hun dit had voorspeld; cn in hoofdzaak was dit ook waar.
A a n tee ke n i n g. »Zijt niet bezorgd hoe of wat gij spreken zult, want hot zal u in die ure gegeven worden wat gij sproken zult; want gii zijt liet niet die spreekt, maar de geest des Vaders die in u spreekt.quot; Dat zijn zeer merkwaardige woorden door Mattheus uit voile overtuiging nedergeschreven. Hij had dat gedurende vele jaren na den dood van Christus bij herhaling ondervonden. Toch is er in die verheven woorden meer dan Mattheus uit zich zelf begrijpen kon; men bedenke dat hij medium was en deze woorden schreef onder de ingeving van zijn' geleidenden Geest. {Commentaar van Rose).
HET VERHAAL VAN DE TEMPELREffllGING.
Als Mattheus Jezus intocht in Jeruzalem hoeft verhaald laat hij daarop volgen:
âEu Jezus ging in don tempel Gods, en dreef uit allen die verkochten en kochten in den tempel en keerde om de tafelen der wisselaars en de zitstoelen dergenen die do duiven verkochten. En hij zoide tot hen: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een raoordonaarsknü gemaakt. ')
Rose's onderwijzende geesten maken, in hun commentaar op de Evangeliën, bij dit bericht de volgende opmerkingen.
âHetgeen in vs. 12 en 13 staat heeft betrekking op hetgeen wij reeds gemeld hebben omtrent het handeldrijven van hen die door de priesters werden begunstigd. Hier wordt het voorgesteld op een wijze alsof do tempel in een soort van markt en wisselkantoor was veranderd geworden.
âDat was waar tot een zekere hoogte; maar dat geschiedde in het belang van de offerdienst. Zij die uit verre landen kwamen en vreemd geld hadden, moesten dat omwisselen, om offerdieren te kunnen koopen en andere onkosten te kunnen voldoen. Die toelating was niet zoozeer af te keuren, te meer daar het inderdaad buiten den eigenlijken tempel en meestal in den voorhof of in de galerijen plaats greep.
âDat was niet de eigenlijke geheiligde grond, maar de plaats waar het volk zich verzamelde, en de vreemden die van verre kwamen don geheelen dag verbleven, en som-
') Matth. XXI vs. â¢12, 13.
39
tij (Is zelfs, door den nood gedwongen, de nachten doorbrengen moesten; wat veelal oogluikend werd toegestaan, wanneer de stad gelieel vol was, en liet omnensehelijk zou geweest zijn hen te dwingen om buiten de muren der stad den nacht in het veld door te brengen. Zij die om godsdienstplichten te vervullen naar den tempel waren gekomen, mochten wel eenige toegeeflijkheid ondervinden ').
âWat was dan do reden van die lievige handelingen van onzen Heer? wat in de overige evangeliën wordt herhaald en nog sterker voorgesteld, alsof Jezus zelfs slagen zou hebben uitgedeeld, i lij, de zachtmoedige en liefderijke Jezus, zou voor iets dat inderdaad niet laakbaar was, zich zulk een hevige handelwijs hebben veroorloofd? Iets wat op die wijs de dienaren van den tempel, die met de orde belast waren, zich niet zouden hebben veroorloofd.
âDe Christenen overdreven de waarde van den tempel; dat wat reeds zeer hoog bij de Joden stond wilden zij nog hooger doen rijzen. In den tempel moest alles heilig en eerbiedwaardig zijn; met den grootsten ernst moesten de godsdienstplichten worden verricht; houding, taal en kleeding daarmede overeenkomen, en wat daarmede in strijd was vonden zij onuitstaanbaar. Het denkbeeld van een Godshuis vatten zij op als een woning van God, en God als een licht kwetsbaar, naijverig God, die niet kon dulden dat in Zijn huis geheel wereldsche handelingen en geldbejag plaats greep. Dat was het wat zij de priesters verweten,
') Ilior heeft Roimanis overtuigend aangetoond dat zoolang de wet van Mozes nog gold, noodzakelijk met name ten tijde van het Pascha, ten behoeve der vreemde feestbezoekers oU'erdieren van alle soort naar den tempel gebracht moesten worden, dat daarvoor een plaats in de uiterste tempelruimte, den zoogenaamden voorhof der heidenen, wettig ingeruimd was, en dat het voor een teeken van vromen ijver gold, als daar recht veel vee te koop werd geboden. Even onontbeerlijk waren op dezelfde plaats de wisselaars, van wie de feestbezoekers voor hun gangbaar geld de gebruikelijke tempelmunt konden inruilen. (Vergelijk mijn Reimarus S. '195 vv.) D. F. Strausz, Das Lebcn Jem Leipzig, lirockhaus 18Ã4, S. 214.
40
on voor ten hoogste ergerlijk hielden en als onwaardig voorstelden.
âAl de eerste Christenen stemden in hun ijver voor alles wat zij zaken van God noemden volkomen overeen, zoowel die uit de Joden als uit de heidenen afkomstig waren. Hunne strenge zoden en levenswijze, het nauwgezet opvolgen der wet gaf aan do Christe'njoden in den aanvang een sterken invloed en vcei aavolgers onder de Joden; en het was het belang der joodsche Christenen om den eerbied voor den tempel zoo voor te stellen als zij werkelijk te goeder trouw meenden dat ook Christus er over gedacht zou hebben.
âWerkelijk had deze bij zijn leven zijne afkeuring over dien handel te kennen gegeven, niet om de zaak, maar om het misbruik, om de wanorde, het geweld en geschreeuw, dat daarbij plaats greep, maar vooral omdat de priesters dat toelieten, niet in het belang van het volk, maar om eigen voordeel, waardoor alles boven de waarde en dus ten nadeele van het volk geschiedde. Het was dus niet geheel onwaar dat Christus do wijze en het doel waarom het geschiedde afkeurde; maar het verhaal zelf is geheel overdreven, en handelingen van geweld heeft Christus nooit gepleegd. Waarvoor had dat ook moeten dienen ? Hij die zulke buitengewone krachten bezat, wat zoo duidelijk door hetgeen hij verricht heeft is gebleken, hij behoefde slechts te willen en het zou onmiddelijk door de Geesten, die voor de men-schen onzichtbaar zouden gebleven zijn, verricht zijn gewordenquot;.
Wat betreft het handel drijven dat door de priesters werd begunstigd, daaromtrent doen onze onderwijzende Geesten een mededeeling bij Matth. XVI vs. 5â12. âEn als zijne discipelen op de andore zijde gekomen waren hadden zij vergeten brooden mede te nemen. En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdeesem der Pharizeërs en Sadduceërs. En zij overlegden bij zich zeiven zeggende: Het is omdat wij geene brooden medegenomen hebben. En
41
Jezus dat wetende zeide tot hen: Wat overlegt gij bij u zelven, gij kleingcloovigon! dat gij geene brooden medegenomen hebt? verstaat gij nog niet en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijfduizend menschen en hoeveel korven gij opnaamt? Noch aan de zeven brooden der vierduizend en hoeveel manden gij opnaamt? Hoe verstaat gij niet dat ik u niet van brood gesproken lieb, als ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdecsem der Pharizeërs en Sadduceërs? Toen verstonden zij, dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zunrdeesem des broods, maar van de leere der Pharizeërs en Sadduceërs.quot;
Onze onderwijzende geesten maken daarbij de volgende aanteekening: âHet is thans zonder eenige verklaring moeielijk te begrijpen, hoe het mogelijk was dat de leerlingen, toen onze Heer hen waarschuwde om zich te wachten voor het zuurdeeg der Farizeërs en Sadduceërs, dat konden verwarren met het niet medonemeu van de brooden die zij vergeten hadden; maar dat was voor de tijdgenooten van Christus zeer goed te verstaan.
âHet aanvoeren van koopwaren en verkoopen van levensmiddelen in den tempel kon niet geschieden zonder verlof van de geestelijkheid. Die trokken er hunne voordeelen van, zoo als van alles wat daar gebeurde. Zij die daarin handel dreven werden overal door hen beschermd, voorgostaan en begunstigd. Het volk wist dat en zij die de geestelijkheid noodig hadden of hen vreesden deden even zoo.
âDie handelaars volgden de schare en vertoonden zich bij alle vereenigingen, vooral wanneer daar personen uit den geestelijken stand werden aangetroffen. Ten gevolge van die bescherming verkochten zij meer dan de gewone onafhankelijke handelaars; desniettemin waren hunne koopwaren duurder en minder goed ten nadeele van het volk. Daarom was onze Heer tegen dien tempelhandel en daardoor ontstond dat misverstand bij zijne apostelen.quot;
Omtreut de macht die Jezus steeds te zijner beschikking had door de hulp van Machtige Geesten, bevat Rose's com-
42
mentaar een mededeeling ter verklaring van Lukas IV, vs. 28â30, waar wij lezen: âEn zij werden allen in de Synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. En opstaande wierpen zij hem uit, buiten de stad en leidden hem op den top des bergs op welken hunne stad gebouwd was, om hem van de steilte af te werpen. Maar hij door het midden van hen doorgegaan zijnde ging weg.quot; Onze onderwijzende Geesten maken daarbij de volgende aan-teekening;
âDe verzen 29 en 30 zijn hoogst merkwaardig. Het volk dreef Jezus naar den steilen wand van een hoogen berg, om hem wegens het door hem in de synagoge vermeende misdrijf er af te werpen. Dat kon zonder de toelating van de geestelijkheid niet geschieden; die hebben dus daarin toegestemd of hot althans oogluikend toegelaten. Anders zou deze daartegen opgekomen zijn, en zoo men tegen haren wil gehandeld had, zou hot heiligschennis geweest zijn, wat de geestelijkheid niet .ongestraft zou gelaten hebben. Dit bewijst hoe vroeg reeds de geestelijkheid in Jezus iemand zag die hare heerschappij zou bestrijden; maar tevens dat zoo lang' onze Heer begreep dat het oogenblik tot vervulling van zijn oogmerk nog niet gekomen was. Hij de kracht bezat om alle geweld met gemak te weder-staan. Daar staat in vs. 30: âDoch hij ging midden door hen heen en vertrok.quot;
âHoe is dat geschied? â Zeker niet door geweld van zijne zijde; maar toch moest er ruimte voor hem zijn gemaakt geworden, om midden door hen heen te kunnen gaan. Ons is dit volkomen duidelijk, maar voor degenen die onbekend zijn met hetgeen het Spiritisme leert en wat de Geesten vermogen, is dat niet zoo gemakkelijk te begrijpen.
âVelen zullen echter gehoord hebben, dat voorwerpen bewogen en opgeheven zijn geworden; sommigen hebben zelfs ondervonden dat Geesten groote. kracht kunnen uitoefenen; en toch was van alles alleen de uitkomst zichtbaar.
43
âPlet geschiedt door een sterke samentrekking van den zielsaether, en wel zoozeer dat deze een vast en hard lichaam wordt, dat men voelt zonder het te kunnen zien. Zoo zijn er velen die een hand ontvangen, die een sterke drukking of schok ondervonden hebben, of ook ter zijde gedrongen zijn, zonder dat zij iets konden zien. Zoo iets is ook hier gebeurd; de duizenden Machtige Geesten, die tor beschikking staan van Onzen lieer, en bereid zijn op Zijn bevel alles te verrichten, konden met betrekkelijk geringe inspanning al die opeengedrongen Nazareners ter zijde schuiven, die wel de uitwerking van dit krachtbetoon ondervonden, maar de oorzaak niet konden zien en nog veel minder begrijpen. Daarna zijn zij denkelijk verbaasd, verschrikt en zelfs zeer ontsteld uit elkander gestoven, zonder den schijn van een poging aan te wenden om zich tegen die onzichtbare kracht te verzetten. Dat alles werd vroeger zoo weinig begrepen, dat men nauwelijks vermoedde dat hier een zoogenaamd wonder had plaats gegrepen.quot; ')
quot;Men zal in deze aanteekeningen een geheel anderen toon hebben opgemerkt dan waar wij in de menschelijke commentaren aan gewoon zijn. Door eenige heldere opmerkingen wordt het verhaal van de reiniging des tempels ons verklaard als een onzuivere overlevering die evenals Matth. XXIV haar oorsprong heeft in de eigenaardige denkwijs der Judeesche Christenen. quot;Wij krijgen tevens een meer algemeen overzicht van de soort van handel die door de priesters werd begunstigd, waardoor een zonderling bericht wordt opgehelderd dat tot nog toe moeilijk te begrijpen was. Dan wordt ons een verklaring gegeven van de onzichtbare macht die Jezus steeds te zijner beschikking had. Wij voelen
r) Dr. J. Hooykaas erkent het feit en beschrijft den a Hoop met deze woorden: «Maar hij â alsof de woedende menigte plotseling met blindheid geslagen wordt! â- hij gaat midden door haar heen en vertrekt uit zijne ongeloovige geboorteplaats.quot; Is dit eene verklaring? â
BijbA voor Jonyelieden V, bl. 280.
44
nu dat het letterlijke waarheid is wat Jezus in den hof van Getsemane zeide: âOf meent gij dat ik mijnen Vader niet kan bidden en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzettenquot;; en door die onthulling wordt op eens het ware karakter hersteld, dat, naar de eclit historische oirkonden, Jezus optreden en handelingen steeds kenmerkt; hij leerde niet slechts, maar hij handelde ook als machthebbende, een karakter dat de moderne godgeleerden, in strijd met de geschiedenis, door hun vernuftige, maar fletse voorstellingen getracht hebben uit te wisschen. Men voelt nu ook, dat Jezus, zoo hij rechtstreeks had willen ingrijpen op het beheer van do tempeldienst, niet noodig had gehad geweld te gebruiken en tot handdadigheden over te gaan, daar een wenk van hem voldoende zou geweest zijn om legioenen van engelen te doen aansnellen om de ergernissen te verwijderen, die hem aanstoot gaven. Hij had slechts te willen, en de Machtige Geesten zouden op geheimzinnige wijze de heiligschenners hebben verdreven, zonder dat iemand begreep -hoe. Maar Jezus wilde dit niet.
Als wij nu het bericht bij Mattheus nauwkeuriger toetsen, dan valt het ons op dat Jezus tot de wisselaars en handelaars zegt: âMijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.quot; ') Hun bedrijf moge erg onstichtelijk geweest zijn, dat was nog geen reden om hen moordenaars te noemen. De vierde evangelist heeft dit gevoeld en laat Jezus zeggen: âNeemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel.quot; Maar dit is kennelijk een opzettelijke verzachting, een willekeurige verandering, die geen verklaring geeft hoe die eerste harde uitdrukking heeft kunnen ontstaan.
Om dit te begrijpen moeten wij ons herinneren dat volgens de verhalen van Jozefus, die wij boven hebben meegedeeld, er vóór en tijdens het beleg van Jeruzalem wer-
L) Vergelijk Jesaja LVI, 7 en Jeremia VII, H.
45
kelijk moordtooneelen in den tempel hebben plaats gehad; en als men dan bedenkt dat bij de Christenen de eerbied voor den tempel nog grooter was dan bij de Joden, dan kan men zich, bij hun hooggestemd zedelijk gevoel, licht voor stellen welk een ergernis zij daarover moesten gevoelen. Het was âde gruwel der verwoestingquot;, die reeds een hunner profeten de nabijzijnde wederkomst des Heeren had doen voorspellen, en die evenzoo bij een ander hunner leeraars liet strenge bedd des Meesters voor den geest riep, als hoogste rechter die onheiligen toeroepende: âMijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.quot;
Wij zullen nog meer voorbeelden aantreffen dat gruwelen, waarvan de Judeesche Christenen tijdens het beleg ooggetuigen waren, en ook wat zij als gruwelen beschouwden, in redenen van Jezus worden ingevlochten, als waren zij door hem veroordeeld, waardoor zonderlinge anachronismen ontstaan. En zoo verraden ook hier de woorden van het bericht zelve den oorsprong. Het geheele verhaal is weder een afspiegeling van de gemoedsgesteldheid dor Jeruzalem-sche Christenen, die gebonden in de joodsche begrippen van de heiligheid des tempels, door hnn fijn zedelijk gevoel niet slechts over die moordtooneelen diep verontwaardigd waren, maar zich ook over den onheiligen omhaal , die met het geld wisselen en offeren verbonden was, lang hadden geërgerd. Wat kon die ruwe offerdienst, waar zij geen deel meer aan namen, en die na liet offer op Golgotha alle beteekenis voor hen verloren had, hun anders dan aanstoot geven? â
Maar toen het oordeel dat zij als in naam van Christus over de heiligschenners van hun tijd hadden uitgesproken, Jezus zelf in den mond was gelegd, moest het een men-schenleeftijd terug worden verplaatst, en verbonden met ergernissen, die ook in Jezus tijd met het geldwisselen en offeren verbonden waren. Maar ieder voelt dat het verwijt: âgij hebt het huis mijns Vaders tot een moordenaarskuil
46
gemaakt,quot; op de wisselaars en handelaars van offerdieren niet past.
Inderdaad, de handelwijze die Jezus hier wordt toegeschreven is onbestaanbaar: zij was revolutionair, zij was een staatsgreep. Maar geen welberaden hervormer, al deinst hij ook voor een staatsgreep niet terug, zal een gevestigd bestuur omverwerpen, tenzij hij besloten is om het op staanden voet door een beter te vervangen. Maar het lag immers volstrekt niet in Jezus bedoeling om die verouderde en ontaarde tempeldienst, die zichzelve overleefd en geoordeeld had en die bezig was zichzelve te vernietigen, te hervormen.
Het is treffend hoe in de sehaarsche, veelal onzuivere en verwarde berichten van dien tijd, de woorden die Jezus waarlijk gesproken heeft, zoo doorstralen, dat wij daarin zijn eigen gedachten herkennen. Bij Johannes lezen wij: âDe Joden antwoordden dan en zeiden tot hem : âWatteeken toont gij ons dat gij deze dingen doet ?quot; Jezus antwoordde en zeide tot hen: âBreekt dezen tempel en in drie dagen zal ik denzelven oprichten.quot; Wel verre van de uitgeleefde tempeldienst te willen hervormen, liet hij het aan de tempelhoeren over hun eigen werk af te breken. In drie dagen zou hij een nieuwen tempel bouwen, dat is zijne gemeente, die te gelijk met zijne wederverschijning na zijn dood zou verrijzen. Jezus de tempeldienst hervormen! welk een bekrompen, onmogelijk denkbeeld! zoo dikwijls de jongeren en de meester over dezelfde zaak hunne gedachten zoggen, zien wij dat zij door een afstand van eeuwen zijn gescheiden. .,En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en zijne discipelen kwamen bij hem om hem de gebouwen des tempels te toonen. En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zegge ik, hier zal niet een steen op den anderen gelaten worden, die niet zal afgebroken worden.quot; Het stoute woord door Jezus in den tempel tot de priesters gesproken, en de vreeselijke voorspelling aan zijne jongeren dat de tempel zou worden verwoest, werden later de aan-
47
sluitingspunten, waaraan liet verhaal van de tempelreiniging en de voorspelling van Jezus' nabijzijnde wederkomst werden vastgeknoopt. Maar Jezus' eigen woorden zijn niet geheel verloren gegaan. Toen Jezus voor liet Sanhedrin was gebracht, kwamen ten laatste twee getuigen en zeiden: âüeze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken en in drie dagen denzelven opbouwenquot; '). Diezelfde beschuldiging wordt herhaald als Stephanus voor den hoogen raad wordt gebracht, toen de getuigen verklaarden: âDeze mensch houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet, want wij hebben hem hoeren zeggen dat deze Jezus de JSFazarener deze plaats zal verbreken en de zeden veranderen zal, die Mozes ons overgeleverd heeftquot; 2).
Hier spreekt duidelijk het oordeel van het Joodsche volk over Jezus' leer en Averk; dit was inderdaad een opheffing van de bestaande godsdienst, die door allen die hem niet begrepen als een doodeljjke beleediging moest worden opgevat, die slechts door zijn dood kon worden geboet; maar
') Matth. XXVI, vs. 01, waar gezegd wordt twee val ache getuigen, 't geen beteekenen kan dat zij Jezus' woorden niet geheel juist hebben weergegeven; maar de nieuwere ernstige uitleggers zijn van oordeel dat er voor de bewering der getuigen wel degelijk grond was. Immers de leer van Stephanus, Paulus, den schrijver van den brief aan de Hebreërs, die allen beweerden de leer des meesters in zijn waren geest te ontwikkelen, leidde tot algeheele afschaffing der wet van Mozes. Maar dat wilde Mattheus en de Joodsche Christenen niet. Zij begrepen het geloof in Christus zoo, dat het hen in staat stelde de wet van Mozes geheel te vervullen, naar letter en geest. Hun Christus was een andere dan die der Paulinische Christenen, ook een andere dan de Christus der historie. Mattheus behield steeds zijn verwantschap met de Joden, en wilde dit standpunt te eerder bewaren omdat het veiliger was. «Die vrijwillige onderwerping der Joodsche Christenen aan de wetten van Mozes was de oorzaak dat zij altoos in den tempel geduld bleven en tot den ondergang van Jeruzalem wel als een secte, maar niet als afvalligen beschouwd werden.quot; (Commentaar van Rose). Daarom was Mattheus ongenegen de stoute woorden van Jezus, waarop Stephanus zich beriep, als de ware meening des meesters te erkennen.
1) Hand. VI, vs. 13, wederom valsche getuigen.
48
voor zijne jongGron werd de gemeenschïip niet Jezus een nieuw levensbeginsel; zijne gemeente werd liet lichaam waarin hij na zijne verheerlijking voortleefde, en die gemeente is de nieuwe door hem gebouwde tempel, waarin God woning maakt, daar liij voortdurend bezield wordt door zijnen geest.
Neen, de strijd door Jezus met de priesters gevoerd, de aanval door hem op de bestaande orde van zaken gericht was veel ernstiger, voel gevaarlijker dan door het verhaal van die tempelreiniging wordt aangeduid. Gesteld dat hij werkelijk zulk een opruiming hadde gehouden, dan zou dit een nutteloos bedrijf zijn geweest. Men verbeeldt zich toch niet dat daarmee de offerdienst en het storten der tempelgaven ophield? En zoolang dit zijn gang ging, moesten er een geld- en offermarkt zijn. Of kan men zich voorstellen, dat de tempeloversten, ter wille van den profeet van Xazarot, plotseling een regeling invoerden, waardoor de onstichtelijke praktijken afgeschaft en een meer voegzame handelwijze werd ingevoerd? â Maar dat is ondenkbaar; vooreerst kon dat zoo snel niet geschieden, en het was ook onmogelijk, omdat de ergernis vooral bestond in de hebzucht en den onheiligen zin die bij die praktijken heerschten ; en door een enkele daad van geweld worden inhalige kooplieden en heerschzuchtige priesters niet bekeerd. En zoo men, uit ontzag voor den profeet uit Galilea, een bewijs van toenadering had gegeven, dan zou dit een begin van geloof zijn geweest , dat echter geheel onvoldoende bleef. Want het was Jezus niet te doen om in de verouderde tempeldienst meer welvoegelijkheid in te voeren, neen, wat hem ergerde was de tegenstrijdigheid tusschen al dien omhaal, die als eisch van de godsdienst zoo ijverig werd behartigd, en de ondeugd die van die instellingen schaamteloos gebruik maakte om eigen heersch- en hebzucht te voldoen. Maar er is niet het geringste blijk dat de tempeloversten aan Jezus' oischen zouden hebben toegegeven ; integendeel, de vijandschap nam steeds toe; de tempeldienst met haar onhebbelijken nasleep
49
bleef onveranderd. Hadde Jezus zoo gewelddadig op de heersclieude gebruiken ingegrepen, dai) hadden de over-priesters niet naar redenen en voorwendsels behoeven te zoeken om den gehaten profeet onschadelijk te maken ; dan ware een rechtsgrond om de hand aan hem te slaan hun zoo volledig geleverd, dat zij niet konden nalaten hun gezag tegen den rustverstoorder te doen gelden; maar de moeilijkheid lag daarin dat Jezus geen geweld gebruikte, maar het volk leerde; door zijn zienerblik, waarvoor de waarheden van Israëls profeten steeds open en bloot lagen, opende hij ook hun de oogen voor die heldere en eenvoudige, maar zoo diep ingrijpende, en helaas! zoo schromelijk verwaarloosde, door menschelijke inzettingen krachteloos gemaakte leeringen. Maar meer dan de profeten was hier ! En de heilige geest die hem bezielde boezemde een ontzag in, waarvoor de geheele priesterkaste, die voor menschelijke inzettingen ijverde, moest zwichten.
Telkens lezen wij als zij hem zochten te vangen dat zij de schare vreesden, want deze hielden hem voor een profeet; en hoe weinig ons van zijn levenwekkend woord ook zij overgeleverd, behoeven wij toch niet te vragen, hoe Jezus over die geruischmakenJe tempeldienst hebbe geoordeeld. Had David niet reeds gezegd, toen hij in diepe verslagenheid voor God zijne zonde beleed : âtot offerande hebt gij geen lust, in brandoffers hebt gij geen behagen ; de offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult gij niet verachtenquot; '). Had Jezus niet hetzelfde gezegd toen hij tegen dien Farizeër die met zelfbehagen voor God zijn goede werken opsomde den ootmoedigen tollenaar overstelde, die ook zijn oogen niet durfde opslaan en van verre staande niet anders kon uitbrengen dan; o God, wees mij zondaar genadig. Deze ging af gerechtvaardigd meer dan die ; en waar was hier in dat onheilig gewoel iets van dien ootmoed te ontdekken ? ââ Die over-
') Ps. LI ; 18, 19.
4
50
dreven ijver, dat praalvertoon in het volbrengen van doode werken was de altijddurende ziekte van liet vleescnelijk Israël, die de groote profeten niet slechts met hartzeer betreurden, maar die hun vaak walging inboezemde om de boosheid die er mee gepaard ging. Zoo had Amos, als sprak de Heer zelf uit zijn mond, de overijverige vromen van zijn tijd toegeroepen: âIk haat, ik versmaad uwe feesten, en ik mag uwe verbodsdagen niet rieken ; want ofschoon gij mij brandoffers offert, mitsgaders uwe spijsoffers, ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uwe mestkalven mag ik niet aanzienquot;. Want diezelfden âhaatten in de poort dengene die bestrafte en hadden een gruwel van dien die oprechtelijk sprak; zij vertraden den arme, zij benauwden den rechtvaardige, zij namen losgeld aan en verstieten de nooddruftigen in de poortquot;. Houdt dus op met uwe ijdele feesten en ceremoniën : âMaar laat het recht stroomen als water en de gerechtigheid als oen sterke beekquot; '). Dit is de grondtoon die door de woorden van alle profeten heenklinkt:
âWaartoe zal mij zijn de veelheid uwer slachtoffers ? zegt de Heer door de dienst van Jesaja; ik ben zat van de brandoffers der rammen en van het vet der mestkalven, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor mijne oogen weg, laat af van kwaad te doen, leert goed doen, zoekt het recht, vermaant den onrechtvaardige, doet den wees recht, neemt de twistzaak der weduwe ter hand.quot; 2)
O hetgeen God van ons wil is zoo eenvoudig : âHij heeft u bekend gemaakt, zegt Micha, o mensch wat goed is; en wat eischt de Heer van u dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uwen God ?quot; 3)
') Amos V : 21. 22, 10, 11, 12, 24. ') Jesaja I ; 11, 10, 17. ') Micha VI ; 8. Vergelijk ook Jer. VII : 3 vv.
51
De woorden der profeten zijn zuiver en klaar gezond verstand; en hetzelfde vernam de schare weer van Jezus, als hij hun leerde dat het ook op den sabbat geoorloofd is goed te doen, dat niet het eten met ongewasschen handen den mensch verontreinigt, maar wel de booze begeerten die hij in zijn hart koestert.
Maar met welk een gezag verkondigde hij die spreuken, die zoo verrassend hun verstand verlichtten. zoo onweerstaanbaar tot hun geweten spraken ! âDe sabbath is voor den mensch, niet de mensch voor den sabbath; de Zoon des menschen is heer ook van den sabbathquot;- Ziedaar het ware gezag! Als Jezus den iunorlijken mensch verwakkerd heeft om getuigenis te geven aan de waarheid, zoodat het gevoel van het kindschap Gods in hem herleeft, bezegelt hij die waarheid door goddelijk gezag. En wanneer hij de schare vrijmaakt van heillooze priestervoogdij, zeggende: âlaat hen varen, het zijn blinde leidslieden der blinden!quot; â dan is dat kalme woord een zedelijke doodsteek.
Er ging bij het volk een droeve weeklacht om, dat er sinds eeuwen geen profeet meer in Israël was opgestaan. De latere profeten werkten slechts door hunne geschriften, die zij uitgaven onder do namen van heilig geachte mannen. Het persoonlijk optreden, het spreken in den naam des Heeren, het worstelen met het volk en zijne leidslieden als man tegen man â die heldentijd was sedert eeuwen voorbij. Maar Jezus bracht zijne goede boodschap weer rechtstreeks tot de schare, en als zij ontzet stonden over zijne leer, riepen zij in geestdrift uit: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en God heeft zijn volk bezocht.
En thans stond do groote profeet, omringd door de schare die hem vereerde en gaarne naar hem luisterde, in den tempel rechtstreeks tegenover de priesters en hun aanhang. Wat de groote kracht der profeten uitmaakte, hun helder inzicht in den zedelijken toestand des volks, dat gaf ook aan het oordeel van Jezus, als hij naast dat vertoon van
52
een doode godsdienst liet zedelijk bederf doorschouwde, dat wij boven beschreven hebben, een gewicht dat voorde priesterheerschappij vernietigend was. Jezus was ditmaal niet gekomen om hen te verschoonen. Maar zijn wapen was liet zwaard des geestes. En schoon hij geen hoorders had bekwaam om zijn goddelijke woorden geheel zuiver en volledig op te teekenen, zij zijn toch niet verloren gegaan. Weldra zullen wij vernemen, hoe zijne jongeren den strijd met de overpriesters opnemen, en toen hij zijn zending door zijn kruisdood had bezegeld, en hun ten derden dage verscheen en de woorden vernieuwde die hij drie jaren lang tot hen gesproken had, toen bleek het hoe waarachtig hij was toen hij hen troostte met den geest der waarheid die zijn werk zou voortzetten. Toen werd de gemeente het lichaam dat hij als de verheerlijkte bleef bezielen; toen getuigde zijn geest door den mond zijner getrouwen; toen werd de menschheid de tempel, waarin God woning maakte; en dit heerlijk ideaal behoeft ons slechts te worden herinnerd, om ons bij zijn goddelijke grootheid met droefheid onze kleinheid te doen gevoelen.
Een punt. blijft nog op te helderen over. Hoe is het te verklaren dat de schrijver van het naar Johannes genoemde evangelie, dat c. 140 n. C. verscheen, het verhaal der synoptische evangeliën overneemt, en nog versterkt, daar van hém de toevoeging is: âeen geesel van touwkens gemaakt hebbende, dreef hij ze allen uit?quot;
De commentaar van Rose geeft daarop het volgende antwoord: âIn de 2de eeuw begon het kerkelijk gezag zich een macht aan te matigen, die de joodsche Christenen wel hadden gewenscht in den tempel van Jeruzalem te kunnen uitoefenen, maar die zij daar niet konden of durfden in werking brengen, zoo lang het Sanhedrin der Joden nog bestond. Nu zij echter eigen kerken hadden, die zij zooveel mogelijk naar het model der joodsche synagogen inrichtten en daar geheel heer en meester waren, meenden zij dat
ook in volle toepassing te moeten brengen en, op het voorbeeld van Christus te moeten wijzen om hun gedrag te rechtvaardigen.
Zij waren ongemeen streng tegenover de gemeente en in 'c bijzonder tegen de nieuw bekeerden (Neophyten), vat ook veelmaals noodig was, zoowel ten opzichte van hun gedrag, als van hun onwil, nalatigheid en onleerzame traagheid. Menigmaal waren daartegen bedenkingen geopperd, ak. een handelwijze strijdig met den geest van liefde van onzen heer. Daarvoor diende nu het voorbeeld door Christus gegeven; men moest daarop kunnen wijzen ten betooge dat ook hij een strenge kerktucht had verlangd.quot;
Ik geef deze aanteekening zoo als ik haar vind; zij hoeft de verdienste van een nieuw gezichtspunt te openen; maaide vraag blijft over: Is zij historisch juist ?
Ter beantwoording dier vraag verkrijgen wij eenige belangrijke gegevens in het grondig geleerde en tevens zoo schoon en zuiver geschreven werk van Dr F. Pijper, Geschiedenis der hoete en biecht in de Christelijke Kerk, 1ste Dl, bl. 142â145 ') Men houde steeds voor oogen dat Geesten zijn menschen zonder grof stoffeljjk lichaam, gelijk menschen Geesten zijn met dat lichaam. Geesten maken dus geenerlei aanspraak op onfeilbaarheid; hun mededee-lingen op goed geloof aan te nemen, daarvan kan geen sprake zijn; alles wat zij zeggen moet scherp worden beproefd; maar als zij ons nieuwe denkbeelden aan de hand doen, als zij ons stof geven tot onderzoek en nadenken, als zij ons helderder inzicht geven in duistere zaken, onze begrippen louteren, aanvullen en in beter samenhang brengen, doe men er zijn voordeel mee.
') 's Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1801.
DE STRAFREDE VAK JEZUS TEÃEiX DE SCHRIFTGELEERDEN EN PHARIZEÃRS. MATTH. XXIII.
Dat deze rede niet zoo door Jezus kan zijn uitgesproken, is uit den aard der zaak zoo duidelijk, dat bij een nauwkeurige ontleding, geen mensch die zijn onbevangen gezond verstand raadpleegt, daaraan twijfelen kan.
Uit denzelfden tijd waarin Matth. XXIV ontstaan is, toen Johannes van Giskaxa en zijne ijveraars in Jeruzalem hun schrikbewind uitoefenden, verhaalt Jozefus ons de volgende vreeselijke gebeurtenis:
âNadat Ananus en Jezus (een vroom priester die de Idumeërs van hunnen vijandigeu aanslag tegen de stad had willen afbrengen), zoo wreed vermoord waren, koelden de IJveraars en de Idumeërs hunne woede aan het gewone volk en richtten er een schrikkelijke slachting onder aan. Belangende de personen van aanzien, die zetten zij in de gevangenis, in de hoop van hen op hunne zijde te trekken; maar er was niemand van hen, die niet liever den dood wilde lijden dan zicli met die booze menschen tot verderf des vaderlands vereenigen. Doch zij kwamen niet vrij met het verlies van hun leven, maar moesten eerst allerlei wreede pijnigingen doorstaan, en men doodde hen niet met het zwaard, voordat hunne lichamen onder de pijnen bezweken en zij onmachtig waren die langer te verdragen. Zij vulden de kerkers bij nacht met degenen die zij bij dag gevangen namen en wierpen de lichamen der dooden buiten , om plaats te maken voor de levenden welke zij eveneens wilden ombrengen. Inmiddels was de schrik onder het volk
55
zoo groot, dat niemand zijne vrienden en magen openlijk durfde beweenen noch begraven; want als men wilde kermen en tranen storten, moest men zich in zijn huis opsluiten, en eerst naar alle kanten uitzien of men ook door iemand kou bespied of gehoord worden ; want het mededoogen werd door die wreede menschen voor zulk een misdaad gehouden, dat men de dooden niet beschreien mocht zonder het leven te verliezen. Alles wat men doen kon was bij nacht een weinig aarde over de lichamen dergenen die zoo onmensche-lijk vermoord waren, te werpen; of indien zulks somtijds bij lichten dag geschiedde, werd het voor een zeer stout bestaau gehouden. Aldus sneuvelden er twaalf duizend meuschen van diegenen, die van den besten stand en het grootste vermogen waren.
âDeze tirannen eindelijk het bloedvergieten moede, veinsden eenige manier van rechtspleging te willen in acht nomen; en dewijl zij zich voorgenomen hadden Zachakias, Baruch's zoon, te doen sterven, omdat niet alleen zijne doorluchtige afkomst, maar ook zijne deugd, achtbaarheid, liefde voor de vromen én zijn haat tegen de boozen hem ontzag gaven, terwijl zijn groote rijkdom een geschikt lokaas voor hunne gierigheid was, kozen zij zeventig van de voornaamsten des volks, welke zij in schijn aanstelden om zijne rechters te wezen, maar aan wie zij inderdaad geene macht gaven. Toon klaagden zij hem bij hou aan, dat hij de stad aan do Romeinen had willen overleveren, en tot dien einde oen bode naar Vespasianus gezonden had. En hoewel or geen bewijs, ja, uiet de minste waarschijnlijkheid voor deze beweerde misdaad was, hielden zij echter staande, dat de beschuldiging waar was en wilden zij dat hun getuigenis genoegzaam zou zjj n tot veroordeeling van den aangeklaagde.
âZachakias bemerkte wel dat deze rechtspleging slechts veinzerij was, die op gevangenisstraf zou uitloopen en eindelijk door den dood gevolgd worden. Maar hoewel hij geeno hoop op behoud zag, liet hij den moed niet zinken; maar verweet zijuon beschuldigers met verachting, dat zij
56
zich van zulk een schandelijke list bedienden, om de waarheid door blijkbare lasteringen te vermommen. Vervolgens weerde hij met weinig woorden de misdaden van zich af, die men hem ten laste legde en deed ze op hen zeiven neêrkomen. Hij toonde hoe zij van den beginne af een menigte van misdaden aan elkander geschakeld, en al het snoodste, dat ongerechtigheid, verwoedheid en goddeloosheid verrichten konden, te samen gehoopt hadden; en hij eindigde niet don zeer jammerlijken toestand zijns vaderlands te beklagen. Dit vertoog maakte do IJveraars zoo verwoed , dat niets hen wederhield om Zacharias op staanden voet te dooden, dan dat zij tot het einde toe wilden voortgaan eenigen schijn van recht aan hun vonnis te geven, en te zien of degenen, die zij tot dien einde verkozen hadden, moeds genoeg zouden hebben om dit te vellen, in een tijd waarin zij zulks niet zonder levensgevaar doen konden.
âZij stonden derhalve aan deze zeventig rechters toe, uitspraak te doen; en dewijl er niet één was, die niet liever den dood wilde ondergaan dan het verwijt te dragen van een vromen man onschuldig veroordeeld te hebben, spraken zij hom eendrachtig vrij. De IJveraars dit hoorende begonnen als verwoed te schreeuwen; want zij konden niet dulden dat die rechters niet hadden willen begrijpen dat de macht welke zij hun gegeven hadden slechts eene ingebeelde macht was, van welke men niet gedacht had dat zij gebruik zouden hebben durven maken; en daarop vielen twee van de stoutsten dezer booswichten op Zacharias aan, brachten hem om in het midden van den Tempel en snauwden hem schamper toe; âOntvang van ons deze vrijspraak, die veel zekerder is dan de andere.quot;
âDaarna wierpen zij zijn lijk in het dal, dat beneden don tempel is; en de zeventig rechters sloegen zij met het plat van hunne zwaarden en joegen hen alzoo smadelijk buiten den omgang van den Tempel; en dat hun bloed niet vergoten werd, was alleen opdat zij door de gansche stad tot
57
getuigen zouden strekken, hoe deze eertijds bloeiendekoofd-süid tot dienstbaarheid was gebracht.quot; ')
Deze afschuwelijke gerechtelijke moord is voldoende om ons de gloeiende verontwaardiging van de Christenen te doen begrijpen, die onder zulke gruwelen leven moesten; zij zagen het voor oogen, zij ervoeren het met hartzeer dat de farizeeuwsche werkheiligheid die zulke vruchten voortbracht een doode en verderfelijke godsdienst was, en hun hart schreide bij de gedachte dat het verblinde volk de dwingelandij van zulke meesters verkozen had boven de leiding van den goeden herder die hen ten prijs van zijn leven had willen redden. Dit alles vindt zijne uitdrukking in Mattheus XXIII dat een uitboezeming van droefheid en verontwaardiging, maar ook een uitbarsting van toorn is die soms tot woede stijgt; volgens de gewoonte die wij gevonden hebben, maken zij weder Jezus tot don tolk van hun gevoel: âGij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helsche verdoemenis ontvlieden ? Daarom, zie, ik zende tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen dooden en kruisigen en sommige uit dezelve zult gij geeselen in uwe synagogen en zult ze vervolgen van stad tot stad. Opdat op u kome al het recht vaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van liet bloed des rechtvaardigen Abels af tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tusschen den tempel en den altaar. Voorwaar, zegge ik u, al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt en steenigt die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijk een hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild.quot;
Maar iedereen voelt dat Jezus onmogelijk aan zijne tegenstanders den moord van Zacharia kon verwijten die eerst vijf-en-dertig jaren later heeft plaats gehad, en die niet
') Joodsche oorlog, IVquot; Boek. lloofdst. 23.
58
gepleegd is door de Parizeërs en Schriftgeleerden, tot wie hij sprak, maar door Johannes van Giskala en zijne bendeJ een partij die in Jezns dagen nog niet bestond.
Even duidelijk verraadt zicli de denkwijs der joodsche Christenen in de woorden van den aanhef: âToen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen zeggende: Ue Schriftgeleerden en de Farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozes; daarom wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt en doet hotquot; - dat met de leer van Jezus in lijnrechten strijd is. Do harde en gebrekkige wet van Mozes zou hun richtsnoer niet meer zijn, maar de wil des hemelquot; schen Vaders, dien de reine van harte in zijn binnenste zou vernemen; zij zouden niet alles doen wat de Pharizeërs en Schriftgeleerden hun voorschreven, want die geveinsden maakten het woord Gods krachteloos door hunne inzettingen. Immers hun hebzucht ging zoo ver dat zij hun onnoozele volgelingen leerden zelfs bun ouders de schuldige ondersteuning te onthouden, zoo dat dienen kon om de middelen te vinden tot aanschaffing van een offer dat zij beloofd hadden.
En in deze zelfde rede worden de Schriftgeleerden en Pharizeers, dwazen, blinden, geveinsden genoemd, die door hun arglistige spitsvondigheden zedelijkheid en gezond verstand ontzielden, ja slangen , adderengebroedsel, kinderen der hel die hunne volgelingen tot kindoren der hel maken tweemaal meer dan zij zelve zijn. En toch moest men alles doen wat zij zeiden. Jezus zulke tegenstrijdigheden in den mond te leggen is toch al te erg.
Maar de onbezonnen wijze, waarop deze rede is samengesteld springt in het oog bij vs. 15, waar men Jezus laat zeggen: âWee u, gij Schriftgeleerden en Parizeërs, gij geveinsden! want gij omreist zee en land, om éénen Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem tot een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt!quot; De woedende haat die zich in dien uitval lucht geeft is zoo'n knarsende wanklank dat wij het een lastering noemen moeten zulke woorden aan Jezus toe te schrijven
59
Maar wat de zaak nog erger maakt is dat het een uitval is van de Paulinische tegen de joodsche Christenen. Van de Farizeërs en Schriftgeleerden van Jezus dagen. kon niet gezegd worden dat zij zee en land omreisden om bekeerlingen te maken. Die zendingsijver is eerst door Jezus opgewekt ; het was vooral Paulus die met grooten zegen onder de heidenen werkzaam was geweest; maar dit had den naijver der joodsche Chistenen gaande gemaakt, die nu ook van Jeruzalem uit zendelingen afvaardigden om juist in de gemeenten die Paulus gesticht had de jongbekeerde Christenen uit do heidenen te bewerken, ten einde hen tot Jo-dengenooten te maken, dat voor hen de onmisbare voor-waarde was om in de Christelijke gemeenschap te worden opgenomen. Die strijd tusschen Paulus en de Joden-Christenen was een oorzaak van veel twist en vijandschap onder de volgelingen van Jezus; maar de felheid, waarmee de haat zich in deze woorden lucht geeft is hoogst leerzaam om ons den grooten afstand te doen voelen tusschen de alomvattende, nooit door hartstocht verdonkerde liefde van Jezus en de hekrompen denkwijze zijner volgelingen, waardoor het dan begrijpelijk wordt dat zij die ons zijne leer hebben overgeleverd haar zoo veelvuldig hebben misvormd. En toch stralen de eigen woorden van Jezus zoo helder door alle misverstand heen, dat de waarheden die hij leert hem ons openbaren als den grooten leeraar dien zulke bekrompen en hartstochtelijke volgelingen onmogelijk konden verdichten. Als Strausz de woorden van Jezus uit de bergrede heeft vermeld: Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij haten. Maar ik zeg u: Hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen die u geweld doen en die u vervolgen, opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders die in de hemelen is; want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; want indien gij lief hebt die u liefhebben , wat loon hebt gij ? Doen ook niet de Tollenaar.*
58
gepleegd is door de Parizeërs en Schriftgeleerden, tot wie hij sprak, maar door Johannes van Giskala en zijne bende,, een partij die in Jezus dagen nog niet bestond.
Even duidelijk verraadt zich de denkwijs der joodsche Christenen in de woorden van den aanhef: âToen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen zeggende; T)e Schriftgeleerden en de Farizeërs zijn gezeten op don stoel van Mozes; daarom wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt en doet hetquot; â dat met de leer van Jezus in lijnrechten strijd is. De harde en gebrekkige wet van Mozes zou hun richtsnoer niet meer zijn, maar de wil des hemelquot; schen Vaders, dien do reine van harte in zijn binnenste zou vernomen; zij zouden niet alles doen wat de Pharizeërs en Schriftgeleerden hun voorschreven, want die geveinsden maakten het woord Gods krachteloos door hunne inzettingen. Immers hun hebzucht ging zoo ver dat zij hun onnoozele volgelingen leerden zelfs hun ouders de schuldige ondersteuning te onthouden, zoo dat dienen kon om de middelen te vinden tot aanschaffing van een offer dat zij beloofd hadden.
En in deze zelfde rede worden de Schriftgeleerden en Pharizeers, dwazen, blinden, geveinsden genoemd, die door hun arglistige spitsvondigheden zedelijkheid en gezond verstand ontzielden, ja slangen, adderengebroedsel, kinderen der hel die hunne volgelingen tot kindoren der hel maken tweemaal meer dan zij zelve zijn. En toch moest men alles doen wat zij zeiden. Jezus zulke tegenstrijdigheden in den mond te leggen is toch al te erg.
Maar de onbezonnen wijze, waarop deze rede is samengesteld springt in het oog bij vs. 15, waar men Jezus laat zeggen: âWee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden! want gij omreist zee en land, om éénen Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem tot een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt!quot; De woedende haat die zich in dien uitval lucht geeft is zoo'n knarsende wanklank dat wij liet een lastering noemen moeten zulke woorden aan Jezus toe te schrijven
59
Maar wat de zaak nog erger maakt is dat het een uitval is van de Paulinische tegen do joodscbe Christenen. Van de Farizeërs en Schriftgeleerden van Jezus dagen, kon niet gezegd worden dat zij zee en land omreisden om bekeerlingen te maken. Die zendingsijver is eerst door Jezus opgewekt ; liet was vooral Paulus die met grooten zegen onder de heidenen werkzaam was geweest; maar dit had den naijver der joodsche Chistenen gaande gemaakt, die nu ook van Jeruzalem uit zendelingen afvaardigden om juist in de gemeenten die Paulus gesticht had de jongbekeerde Christenen uit de heidenen te bewerken, ten einde hen tot Jo-dengenooten te maken, dat voor hen de onmisbare voorwaarde was om in de Christelijke gemeenschap te worden opgenomen. Die strijd tusschen Paulus en de Joden-Christenen was een oorzaak van veel twist en vijandschap onder de volgelingen van Jezus; maar de felheid, waarmee de haat zich in deze woorden lucht geeft is hoogst leerzaam om ons don grooten afstand te doen voelen tusschen de alomvattende, nooit door hartstocht verdonkerde liefde vnn Jezus en de bekrompen denkwijze zijner volgelingen, waardoor het dan begrijpelijk wordt dat zij die ons zijne leer hebben overgeleverd haar zoo veelvuldig hebben misvormd. En toch stralen de eigen woorden van Jezus zoo helder door alle misverstand heen, dat de waarheden die hij leert hem ons openbaren als den grooten leeraar dien zulke bekrompen en hartstochtelijke volgelingen onmogelijk konden verdichten. Als Strausz de woorden van Jezus uit de bergrede heeft vermeld; Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij haten. Maar ik zeg u; Hebt uwe vijanden lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen die u geweld doen en die u vervolgen, opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders die in de hemelen is; want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; want indien gij lief hebt die u liefhebben , wat loon hebt gij ? Doen ook niet de Tollenaar')
GO
hetzelfde? En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boTen anderen? Doen ook niet de Tollenaars alzoo? Weest dan gij lieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is â dan laat hij daarop volgen: âals ergens een spreuk in het Nieuwe Testament, dan is deze zeker van Jezus zelf en hem niet later in den mond gelegd; want de geheele volgende tijd tot aan do voltooiing onzer evangeliën, was dooi- strijd en naijver veel te verhit en te bekrompen, om gevoelens voort te brengen van zulk een blijmoedige, wereldomvattende liefde.quot;
Ook door haar eigenaardigen stijl verraden sommige spreuken die Jezus hier worden toegeschreven de denkwijze der joodsche Christenen: âWee u, gij blinde liedslieden! die zegt: zoo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig. Gij dwazen en blinden! want wat is meerder? het goud of de tempel die het goud heiligt? En zoo wie gezworen zal hebben bij hot altaar, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij de gave die daarop is, die is schuldig. Gij dwazen en blinden! want wat is meerder? de gave of het altaar dat de gave heiligt? Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en bij al wat daarop is. En wie zweert bij den tempel die zweert bij denzei ven en bij dien die daarin woont. En wie zweert bij den hemel die zweert bij den troon Gods en bij dien die daarop zit.quot;
Het was de joodsche voorstelling dat de hemel een hard schitterend gewelf is, waarboven de schatkameren zijn van de sneeuw en den regen en daarboven een zoldering, waarop een troon gevestigd is, die de zetel is des Aller-hoogsten.
Hoe geheel anders is do stijl van Jezus, wanneer hij ons leert in de zon de openbaring te zien van Gods liefde, die zich gelijkelijk uitstrekt over goeden en boozen! hij houdt aan onze verbeelding geen onmogelijk beeld van God voor, geen wereldsch koning in grootere afmetingen, maar
61
heiligt ons hart door de liefde, opdat wij hem die Geest is, door het gereinigde geestesoog aanschouwen. Dus, de wereld, waarin hij zich zoo luisterrijk openbaart, het reine hart, waarin hij woning maakt door zijn heiligen geest, is zijne woonstede, niet die tempel, het tooneel van dagelijks wederkeerende ergernissen, dien hij ten ondergang heeft gewijd. En is het in den geest van Jezus dat het altaar de offergave heiligt? âZoo gij dan uwe gave zult op hot altaar offeren, eu aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft, laat daar uwe gave voor hot altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uwen broeder en kom dan en offer uwe gavequot;.
Het heerschend kenmerk van de denkwijs der Joodsche Christenen tijdens den moord van Zacharia, de verwachting der nabijzijnde schitterende wederkomst des Hoeren, ontbreekt ook in deze rede niet, daar zij sluit met de woorden: âWant ik zegge u: Gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren!quot;
âHet schijnt met de verzen die voorafgaan een aanhaling te zijn uit een verloren joodsch Christelijk geschrift, vervaardigd kort vóór het einde van den joodschen Staat, wellicht eenigszins in den trant van het gelijktijdig boek, de Openbaring, althans in den vorm eener godspraak en inhoudende de beschrijving van het nabijzijnd einde der wereld en do komst van het godsrijk.quot; ')
Rose's onderwijzende Geesten hebben in hun commentaar op de vier evangeliën op de incest besliste en nadrukkelijke wijze verklaard en in bijzonderheden uiteengezet, dat deze, behoudens enkele woorden van Jezus, het werk van Joodsche Christenen is uit later tijd. Zij vragen met verontwaardiging hoe het mogelijk is dat Christenen zulke uitvallen van woedenden haat aan onzen Heer hebben kun-
') Dr. J. Hoovkaas. De Bijbel voor Jongelieden. VI, bl. 53.
62
nen toeschrijven. En toen mij door hen de oogen waren geopend, werd ik door verschillende opmerkingen der nieuwere kritiek en door verder nadenken in staat gesteld die rede in hare verschillende bestanddeelen uiteen te leggen. Ik neem nu uit Rose's commentaar nog de volgende opmerkingen over ;
âDe joodsche Christenen mochten wel de wet van Aiozes volgen en in dat opzicht zelfs alles doen wat de Schriftgeleerden en Pharizeërs hun zouden zeggen; want die waren gezeten op den stoel van Mozes, dus wettig aangesteld om de wet te handhaven en met het gezag bekleed om in haar naam te spreken. Maar dat was het nu juist wat den hevi-gen twist veroorzaakte tusschen de joodsche christenen en de christenen uit de heidenen. De eersten beschouwden het Christendom als een gezuiverd jodendom en dus zich zelve als beter dan hen die bij het oude jodendom gebleven waren en zich onder het gezag der joodsche priesters bleven stellen. Dit laatste nu wilden de joodsche Christenen niet; zij haatten en verfoeiden dien priesterstand, die hun te hoog, te rijk en te geleerd was '); maar de wet wilden zij streng gevolgd hebben met al hare instellingen, tot zelfs de besnijdenis toe. Dat was een van de krachtige redenen waarom zij zooveel volgelingen onder de mindere standen vonden, die insgelijks zeer wangunstig en vijandig gezind waren tegen de hoogere standen van de joodsche maatschappij. In deze rede verraadt zich een wijdijver tusschen de joodsche Christenen en de Parizeërs en Schriftgeleerden van uit het joodsche standpunt: âal wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt en doet het; want zij zeggen t en doen 't niet; want zij binden lasten die zwaar zijn en kwalijk om te dragen en leggen ze op de schouderen der
gt;) Dan toch een dorre, onvruchtbare, kleingeestige geleerdheid, die het beter is niet te hebben; het tegendeel van dien natuurlijken, eenvoudige.! waarheidszin, die vaak het best bewaard blijft bij ongeleerden die niet in schoolsche stelsels zijn verstrikt. «Zalig de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen.
63
menschen; maar zij willen die met den vinger niet verroeren.quot; Ziet dus, hoe ver die priesters bij de joodsche Christenen in strenge wetsbetrachting en werkheiligheid achterstaan. Van de wet mocht tittel, noch jota vallen; ook de tienden van de munte en de dille en het komijn moesten worden opgebracht â dus, al wat de wet voorschrijft werd door de joodsche Christenen niet slechts gehandhaafd, maar ook nageleefd. Maar hoe onwaardig stak daarbij het gedrag der priesters af! âA.1 hun werken doen zij om van de menschen gezien te worden; want zij maken hunne gedenkcedels breed, en maken de zoomen van hunne kleedereu groot. En zij beminnen de vooraanzitting op de maaltijden en de voorgestoelten in de synagogen, ook de begroetingen op de markten en van de menschen genaamd te worden, rabbi, rabbi; zij eten de huizen der weduwen op en dat onder den schijn van lang te bidden; in het helfen der tienden laten zij zich niets ontsnappen, ook het geringste niet; maar het zwaarste der wet, het oordeel en de barmhartigheid en het geloof laten zij na. Door arglistige spitsvondigheden leeren zij de menschen valsch te zweren; zij reinigen het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof en ongerechtigheid; zij zijn als de witgepleisterde graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol van roof en ongerechtigheid; zij sluiten het koninkrijk der hemelen voor de menschen, overmits zij daar niet ingaan, noch degenen die ingaan zouden, laten ingaan ... welk een stortvloed van de zwaarste beschuldigingen! En daarbij de gedurige herhaling van dat vreeselijke wee u! die benamingen van geveinsden, dwazen, blinden, slangen, adderen-ge-broedsel, kinderen der hel die onmogelijk de helsche verdoemenis kunnen ontgaan! Wat hebben wij van die vreeselijke uitvallen te denken ?
Hoofdzaak is dat in een laatste ontmoeting van Jezus met de Pharazeërs en Schriftgeleerden hun gezag geknakt, hun heersch- eu hebzucht, hun ijdelheid en geveinsdheid
64
ontmaskerd, hun drogredenen vernietigd werden; de gemeente werd weer tot oordeelen geroepen, zedelijkheid en gezond verstand weer vrij gemaakt, de valsche godsdienst veroordeeld, en door de loutering van het geweten het rechtstreeksch verkeer van den mensch met God hersteld. Dit is wel waarlijk de geest van Christus; zoo moet hij in den tempel hebben gesproken, omdat het de oorzaak was van zijn dcod en er geen andere oorzaak geweest is. Het was ook onvermijdelijk, omdat de jongeren zich zonder dit voorbeeld nooit van het gezag der priesters zouden vrij gemaakt hebben. Ook Jezus kernspreuken en klemmende logika zijn te herkennen. En ook die woorden die kennelijk uit de denkwijs van Jezus zwakkere volgelingen zijn gevloeid en door misverstand verdonkerd hebben een hoog, ja wereldhistorisch belang. Al wat zij zeggen verkondigen zij in den naam van Christus; waaruit blijkt hoe diep zijn gezag gevestigd is, hoe krachtig ziju geest in de gemeente voortleeft, zoodat in die streng demokratische vereeniging hij als de onzichtbare koning regeert. En uit den overvloed zijns geestes stroomen denkbeelden in hun ziel die het enge stelsel,- waarin zij nog gevangen waren, reeds verbreken.
âDe priesters en de schriftgeleerden beminnen de vooraanzitting op de maaltijden en de begroeting op de markten en van de menschen genaamd te worden; rabbi, rabbi! Doch gij zult niet rabbi genaamd worden: want één is uw meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde: want één is uw vader namelijk die in de hemelen is. Maar de zneeste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelven ver-hoogen zal die zal vernederd worden; en wie zichzelven vernederen zal, die zal verhoogd worden.quot;
Is daarmede niet een nieuwe geest in de menschheid ontwaakt? Is daarmede do bekrompen joodsch-Christelijke dogmatiek niet reeds overwonnen? Is het niet onbestaanbaar dat menschen die geen anderen Vader dan God, geen anderen meester dan Christus erkennen zich nog buigen
65
onder het gezag van arglistige priesters ? Wat in deze rede ook uit het gemoed der Jeruzalemsche Christenen zij gevloeid, het is een voortzetting van den strijd, waarvan Jezus het voorbeeld had gegeven. Reeds in de bergrede vernemen wij : ))Ik zegge u; tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Pharizeërs, dat gij in het koninkrijk dor hemelen geenszins zult ingaan.quot;
Tn de synagoge, wel verre van de voorgangers te ontzien, roept hij de gemeente op om getuigen te zijn van de genezingen die hij doet, en neemt de gelegenheid waar om hun weer vertrouwen in te boezemen op de inspraken van hun gezond verstand en zedelijk gevoel. Zijn geheele strijd is samengevat in het volgende verhaal (Mattheus XV vs. 1 â14):
âToon kwamen tot Jezus schriftgeleerden en pharizeërs van Jeruzalem, zeggende: âWaarom overtreden uwe discipelen de inzetting der ouden ? want zij wasschen hunne handen niet, wanneer zij brood zullen eten.quot; Maar hij antwoordende zeide tot hen : âWaarom overtreedt pok gij het gebod Gods door uwe inzetting? want God heeft geboden, zeggende: Eer uwen vader en moeder; en wie vader of moeder vloekt die zal den dood sterven. Maar gij zegt: Zoo wie tot vader of moeder zal zeggen : zoo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen dat heb ik tot een offer bestemd, en zjjnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet. En gij hebt Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting. Gij geveinsden ! wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: dit volk genaakt mij met hunnen mond, en eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij ; doch te vergeefs eeren zij mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn. En als hij de schare tot zich geroepen had, zeide hij tot hen : Hoort en verstaat, 't Gene ten monde ingaat onreinigt den mensch niet; maar 't gene ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mensch.
66
Toen kwamen zijne discipelen tot hem en zeiden : Weet gij dat de Pharizeërs deze rede hoorende geërgerd zijn geweest ? Maar hij antwoordende, zeide : Alle plante die mijn hemel-sche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Laat ze varen, ze zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zullen zij beide in de gracht vallen. En Petrus antwoordende, zeide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis. Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende ? Verstaat gij nog niet dat al wat ten monde ingaat in den buik komt en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen ; maar die dingen die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart; want uit het harte komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen. Deze dingen zijn 't die den mensch ontreinigen ; maar het eten met ongewasschen handen ontreinigt den mensch niet. En Jezus van daar gaande vertrok naar de deelen van Tyrus en Sidon.quot;
Volgens Hausrath ondernam Jezus die buitenlandsche reis, omdat hij zich voor het tegenwoordige in zijn vaderland niet meer veilig voelde ').
In dit ééne verhaal is de geheele strijd van Jezus met de Pharizeërs en Schriftgeleerden naar het leven geteckend. Duidelijk en beslist stelt hij de nietigheid van menschelijke
') Geschiedenis van Jezus' tijd en tijdgenooten, iloor A. Hausrath , professor a. d. hooge school te Heidelberg, naar het hoogduitsch bewerkt door D. Lodeesen, Amsterdam, G. T.. Fun'ke 1869, (44-3 bl.). Deze gissing van Hausrath krijgt een hoogen graad van waarschijnlijkheid door Mark. III : 1â7 ; Luk. VI : 7â11 ; Joh. VII : 1. Als men deze echt historische getuigenissen goed doordenkt, begrijpt men dat de profeet uit Nazaret, door de priesters evenzeer gehaat als gevreesd, toen h j vóór het Pascha in den tempel te Jeruzalem openlijk in dezen geest leerde door dit optreden zijne vijanden tot het uiterste dreef. Jezus' woorden en handelingen spreken in de berichten die tot ons gekomen zijn zoo duidelijk dat zij bij de scherpste kritiek slechts te helderder aan het licht komen. Men schrome dus niet het bijwerk der overlevering te erkennen voor hetgeen het is.
67
inzettingen, tegenover liet gebod van God, zoo als liet spreekt in liet geweten, in hare nietigheid ten toon. Naar dat geweten, naar hun eigen rede verwijst hij de schare; de groote volksleeraar spreekt met een duidelijkheid die geen platheid schroomt, om hun de waarheid als tastbaar te maken, en zonder eenige verschooning werpt hij het aangematigd gezag der zelfzuchtige leeraars op den groeten weg, opdat allen het vertrappen. En toch, welk een gematigdheid, welk een verhevenheid in zijn stijl! âAlle plante die mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, die zal uitgeroeid worden.quot;
Jezus heeft hot menschelijk geweten wakker gemaakt; en dat heeft bij monde der jodenchristenen het oordeel voortgezet dat hij over de wereld en hare ongerechtigheden heeft geveld. Geen hooger rechter dan het zuivere geweten. Dat onderkent niet slechts de wetten Gods, maar volbrengt ze. Daartegen is geen wereldsche macht bestand; en de Jeruzalemsche gemeente toonde zich de waardige opvolger van hem die de wereld heeft overwonnen.
quot;Want ook die uitbarstingen van woedenden haat die ons zoo pijnlijk aandeden, verschijnen in een ander licht, wanneer wij de ergernissen in aanmerking nemen, waardoor zij veroorzaakt werden. Wat is afschuwelijker dan die gerechtelijke moord van Zacharia ? En hij was slechts een van de twaalfduizend slachtoffers, die onder het zwaard der Idameërs vielen, door de zeloten ingeroepen en tegen de burgers opgehitst, onder voorwendsel dat zij de heilige stad en den tempel hadden te beschermen. Het was een toestand als die Hosea deed uitroepen: De profeet moet razend worden! Voorwaar! die razernij en der profetie zijn het kwaad niet waarover men zich heeft te ergeren. Wanneer in tijden van diepe verdorvenheid alle goddelijke en menschelijke wetten met voeten worden getreden en de wettige overheid als verlamd is en de menigte van schrik verstomt en angstig voor de dwingelanden wegschuilt en
08
de fortuinzoekers hun gunst zoeken om voordeel te trekken uit de algemeene ellende, dan zijn die uitbarstingen der verontwaardiging als de bliksem die de overzwangere lucht â zuivert â het zijn de razernijen van den profeet die de verkrachte menschelijkheid wreken. âGij slangen, gij adde-rengebroedsel! hoe zult gij de helsche verdoemenis ontvlieden ! â dat is een uitbarsting van woede â maar niet van gekwetste eigenliefde of van teleurgestelde hebzucht â het is do haat der zonde, de hartstocht der rechtvaardigheid , die alles meeslepende hartstocht, zonder welken geen zedelijke grootheid bestaat. En zulke hevig opbruisende naturen zijn geen wreedaards. Dezulken zijn niet in staat den zondaar, als zij hem hebben neergeveld, in koelen bloede te pijnigen, alleen om aan hun gekwetste hoogheid te voldoen , zooals zij van God durven beweren die uit dezen tekst een bewijs putten voor de eeuwigheid der helsche straffen. Deze sofisten zijn gevaarlijk en de ware afstammelingen van die zondaren, waar de ijver der profeten tegen gericht was.
Ook die woedende uitval der paulinische Christenen tegen de pharizeërs en schriftgeleerden onder- de joodsche Christenen; âquot;Wee u, gij geveinsden! want gij omreist zee en land om éénen Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijtquot;âdie schrille kreet die ons doet sidderen van ontroering om den feilen haat die zich daarin uitstort â wordt een uiting van natuurlijk menschelijk gevoel zoodra wij ons verplaatsen in den strijd die zulke hevige hartstochten gaande maakte.
Men weet waar de strijd over liep. De joodsche Christenen bleven joden, eu wilden de wet van Mozes in al hare deelen, tot de besnijdenis toe, hebben nageleefd; daarvan mocht tittel noch iota vallen; het Christendom was voor hen het volmaakte Jodendom; en geen heiden kon deel erlangen aan liet koninkrijk der hemelen, tenzij hij zich tot naleving van de wet verplichtte. quot;Wel werd voor de
69
Chistenen uit de heidenen een belangrijke verlichting toegestaan '); maar voor de drijvers was dit geenszins voldoende. En dit kon ook niet anders; het was niet te doen om een meer of minder; maar om het beginsel. Paulus verklaarde de wet van Mozes vervallen; wie in Christus gelooft, zoo leerde hij, die is een nieuw schepsel; die wandelt niet meer naar het vleesch, maar naar den geest; de liefde Gods die in zijn hart is uitgestort maakt dat hij zich een kind Gods gevoelt, dat uit dankbare liefde het welgevallen des hemelschen quot;V aders volbrengt, zoodat hij ontgroeid is aan de wet, die slechts bestemd was om de minderjarige menscbheid op te voeden tot hij vatbaar wordt om Christus te erkennen. Do wet bad dus uitgediend, had haar gezag verloren. En dit was voor de joodsche Christenen een doodelijke ergernis. En nu gingen zij na, waaraan Paulus het recht ontleende om zoo te leeraren. Was hij gezeten geweest aan do voeten des Meesters ? Had hij hem wel eenmaal gezien of gesproken ? Was bet wel aan hem dat hij zijn zending ontleende? Hij was een afvallige; die al de joden, die onder de heidenen waren leerde van Mozes afvallen, zeggende dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen -). Dat konden zij niet lijdelijk aanzien. âZij bepaalden zich niet tot eene onvruchtbare bestrijding in theorieën of gevoelens. Weldra kwam het hunnerzijds tot dadelijke vijandelijkheden en arbeidden zij vol vuur aan de vernietiging van een werk, hetwelk zij uit overtuiging verfoeiden. Terwijl Paulus, met eene even omzichtige als ridderlijke gematigdheid, zorgvuldig vermeed om inbreuk te maken op hetgeen hij niet weigerde bet gebied zijner ambtgenooten te noemen, en zich ten plicht stelde om alleen daar te prediken, waar deze tot nog toe den voet niet hadden gezet, bracht de
') Hand. XV vs. 28, '20. Vergelijk. Dr. I. Hooykaas, Du Bijbel voor Jonglieden. Dl. VI, bl. '245.
quot;) Hand. XXI vs. 21.
70
vijand letterlijk een tegenzendiug op de been, met liet erkende doel om hen, die alleen het evangelie van Paulus hadden ontvangen, tot dat van Jeruzalem terug te brengen. Sporen dier tegenzending ontmoeten wij in grooten getale in de brieven. Zij zaaide tweedracht te Corinthe, zij ondermijnde de kerken van Galatie. zij zond overal op de hielen des apostels mannen uit, die hem bij zijne gemeente in eon ongunstig daglicht stolden, die hein zijn titel en roeping betwisteden, en zelf er zicli de eer van toeëigenden. Zij vertoonden zelfs aanbevelingsbrieven, ongetwijfeld van achtbaren oorsprong, teneinde zich in de kerken in te dringen. Zij zonden er rond ten «gunste hunner meeningen, onder den naam zelf van hunnen tegenstander. In liet gemeen durfden zij zich beroepen op liet patronaat der hoofden van de metropolitaan-kerk, wier namen zich ongelukkigerwijze, gaarne gelooven wij, ten onrechte, in dezen treurigen strijd gemengd vinden. Zij maakten voor ile apostelen in Palestina op een uitsluitend gezn-g aanspraak, hetwelk deze ongetwijfeld de laatsten zouden geweest zijn voor zich te eischen en hetwelk Paulus vast besloten was hun niet toe te kennen. Zij noemden zich de eenige en waarachtige discipelen van Christus; zij leiden in zijnen naam, als heilsvoorwaarde, de besnijdenis, de feestdagen, de schifting der spijzen, en in het gemeen al de kerkgebruiken en onthoudingen, die door wet en overlevering waren voorgeschreven, aan de geloovigen op, en braken onverwachts alle gemeenschap af met de niet besneden Christenen, welke door Paulus als broeders in het groot gezin waren toegelaten geworden. Hun hart werd zelfs niet bevredigd door do roemvolle rampen en de edele getrouwheid des apostels. Gevangen en in levensgevaar te Rome aangekomen, vond hij onder de Christenen aldaar geene vrienden om hem in zijn rechtsgeding bij te staan, en na twee jaren verbljjfs, gedurende welke, dobberend tusschen vrees en hoop, hij geen oogenblik opgehouden had werkzaam te zjjn aan de bevordering van het Godsrijk, heeft
71
hij zich nog to boklagon over don onwil van lieden, die hoewel voorgevende Christus te prediken, er behagen in schepten den toestand van den apostel nog bezwarender te maken dan hij reeds was.
âOnder degenen die zijne gevoelens niet deelden, wist Panlus zeer wel onderscheid te maken tusschen hen, wier geestelijke zwakheid, wier vreesachtige conscientie hen verhinderde zich tot de hoogte van zijn standpunt te verheffen en diegenen die zich door een zelfzuchtig fanatisme lieten drijven en geene onzedelijke middelen beneden zich achtten ter bereiking van een doel, dat vreemd was aan het Evangelie. Hoe groote inschikkelijkheid hoeft bij niet voor de eersten, hoe klein maakt hij zich, ten einde hunne eenvoudige en onschuldige vooroordeelen niet te kwetsen! Hij legt zich noodelooze en onbeduidende ontberingen op, liever dan door liet voorbeeld, al was het van een geoorloofd genot, de zoodanigen mede te slepen, die dit genot niet anders hadden kunnen smaken dan met onderdrukking van de stem huns nog kwalijk verlichten gewetens. Hij laat niet af hen met zachtheid te onderwijzen, of de gronden, waarmede hij de waarheid zijner leer zegevierend kan be-toogen, tot in liet oneindige te herhalen. Hij behoort gansch en al toe aan zijn werk van licht en vrijheid; zijn gemak, zijne nachtrust, zijne veiligheid, zijn leven, alles offert hij op, ten einde de kerken de baan van evangelischen vooruitgang te doen betreden, en wanneer de wapenen der logiek onmachtig zijn geweest om over het trage nadenken of het achterdochtige vooroordeel te zegevieren, dan zijn de teederste uitstortingen des gemoeds, de hartstochtelijkste betuigingen van leedwezen, de laatste, de allerlaatste waarnaar hij grijpt.
âDoch hoe is hij veranderd, wanneer hij met de tweede soort dier tegenstanders te doen heeft! Voor ben geen genade, voor hen geen ridderlijke wapenen! Alle hulpmiddelen eener vurige en hartstochtelijke rhetoriek worden ingeroepen oin hen te bestrijden. Satiere, ironie, uitval.
72
uitdaging, eigen lof, vragen als die aan een beschuldigde worden gericht, opeenstapelingen die naar den eisch eener rechtbank gelijken, alles is welkom, wanneer de strijd aanvangt, en de slagen vallen droog en dof' op lieden, die verachtelijker zouden zijn, indien zij minder slecht waren. De woorden die hun naar het hoofd worden geworpen, kwetsen de wellevende vormen eener eeuw die als de onze, de hebbelijkheid van het natuurlijke door de etiquette verloren heeft. Zij zijn falsarissen, leugenaars, honden, suppoosten van den Satan, die zelf somwijlen liet uiterljjk aanneemt van een engel des lichts. Woordspelingen even geestig door hare gevatheid als vreemdklinkend voor ooren die van zulk spraakgebruik zijn vervreemd, roepen de spotternij te hulp ten dienste der goede zaak, en dienen zelfs tot uitbarstingen van wrevel, wier gruwzame kracht ons moer verwondert dan meesleept.
âDe lieden, tegen wie deze onweerstaanbare welsprekendheid wordt gericht, zou Paulus zich ten plicht hebben gesteld te sparen, hij zou een min harde praktijk op hen hebben toegepast, indien dwaling des verstands of vasthoudendheid aan verouderde denkbeelden hun éénig gebrek ware geweest. Doch de bekrompen begrippen dezer vertegenwoordigers der overlevering verstikten, onder den druk hunne dorre formulen en van hun hoogmoedig ascetisme, tevens de liefde en het geloof. Zij beschouwden de Evangelieprediking als een wervingsmiddel voor hunne kleine coterie, de Kerk als een soort van kweekschool voor de synagoge, als een veld, door hunne inhalige proselytenzucht te ontginnen. Rechtzinnig zoowel in den goeden als in den kwaden zin van het woord zagen zij in Paulus den neoloog, den ketter; zijn groote geest werd in den ban gedaan, omdat hij weigerde de dienstknecht te zijn van hunne schcol-sche wijsheid. Den vooruitgang instinktmatig hatende en de wetenschap, zooals hunne vaders die hadden uitgesproken, als de hoogste uitdrukking der waarheid beschouwende, voegden zij bij al de onbuigzaamheid van een priester-
73
lijken kastegeest, al den waan eener dorre en onvruchtbare geleerdheid en al de bitterheid der ontmaskerde eigenliefde.
âIndien men meent dat de apostel zich te veel heeft overgegeven aan de heftigheid der polemiek tegen zulke bestrijders, dat sommige bladzijden zijner Brieven die den redenaar eer aan doen, een schaduw werpen op het karakter van den mensch, vooral wanneer men ze vergelijkt bij de bestendige en bewonderenswaardige kalmte van Jezus, te midden van niet minder vijandige ontmoetingen, beijveren wij ons de beweegredenen te doen gelden, waardoor dit verwijt wordt verzacht. Men moot den mensch en den Grods-zoou, hem die wist dat de toekomst hem behoorde en die er de zegepraal zijns Evangelies in las, en hem die in de behoeften en plichten des oogenbliks verloren, zich stootte aan de hinderpalen op zijnen weg, niet met elkander willen vergelijken. De Meester kon weten en verklaren dat het geloof bergen verzet; de geloovige leerling moest al de veerkracht van zijnen wil, al de werkzaamheid van zijnen ijver besteden, om de bergen, die zich voor hem opstapelden, door te steken of over te klimmen. Gods tijden zijn oneindig, de tijden van den mensch zijn beperkt, de krachtige zielen willen zelve de taak volbrengen, die zij zich hebben opgelegd, en de middelen, waarnaar zij grijpen, dragen den stempel dezer vurige overhaasting.quot;')
Wij zullen nog meer gelegenheid vinden om in de bijzonderheden van dezen strijd door te dringen; de geloofsijver ontaardde in de felste verbittering; men verloor alle gematigdheid uit het oog; men kon in den vijand geen goed meer zien, hij was een onverlaat die zich aan het heiligste vergreep,
'] Deze geheele aanhaling is genomen uit: Geschiedenis der Christelijke Godgeleerdheid gedurende liet apostoliesch tijdvak, door Eduard Ueuss, uit het franseh vert. door Cd. Busken FIuet, He Dl. bl. 482â486. Haarlem. A. C. Kruseman [thans Tjeenk Willink] -1855, waar ook de bewijsplaatsen worden aangehaald.
74
die tot iecleren prijs moest worden vernietigd en tegen wien alles geoorloofd was. De uitval Matth. XXIII, 15 is slechts een fragment uit dien strijd, een onwillekeurige, maar al te getrouwe afdruk van de lieerschende partijschap. En toch waren die partijen de eenigen die de goddelijke waarde van het Christendom begrepen en er alles voor veil hadden. Het Chistendom was nog in zij no kindsheid ; de geloovigen hadden de moeilijke deugd nog niet geleerd om verdraagzaam te zijn jegens de onverdrnagzamen, een plicht die ook ons nog zoo zwaar valt; en hoe vaak hebben wij daartegen gezondigd eer wij eindelijk begrepen wat het zegt zich te verloochenen en Christus na te volgen. Wat beduiden onze ergernissen bij hetgeen bij heeft moeten lijden ? Zij noemden hem oen vraat en wijnzuiper; zij hebben hem bespot, be-spogen, gegeeseld; en toen zij hem aan het kruis hechtten, sloeg hij de oogen ten hemel en bad: Vader vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen.
Vergeten wij het niet dat wij aan de christelijke partijen die elkander met zulk een feilen haat bestreden te danken hebben wat ons van Jezus geest en loven is overgeleverd. Die geest straalt zoo helder door alle nevelen hoen dat wij in staat zjjn, zijn goddelijk beeld te reinigen van de vlekken , waarmee de partijschap in hare uitspattingen het heeft bezoedeld. Wij hebben gezien hoe verschrikkelijk onder de oudste Christenen de geloofsijver woedde; maar het woord des Meesters: âGij weet niet van hoedanigen geest gij zijt; de zoon des monschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar te behoudenquot;, is voldoende om op eens den storm te doen bedaren.
Wat is toch het kenmerk der waarheid? Is het genoeg to zeggen; de Bijbel is Gods Woord? â Xeen! In die verzameling van godsdienstige geschriften der Joden is veel Joodsch wangeloof van heidenschen aard en oorsprong, en het geloof aan den duivel en de eeuwige verdoemenis is niet slechts ongerijmd en onzinnig, maar een Godslastering. Gods oudste en algemeene en altijddurende openbaring is
I O
liet verstand en het zedelijk gevoel in de ziel van ieder raensch; liet verstan 1 dat hem leert wat waar en het zedelijk gevoel dat hem leert wat goed is; om hot ware en goede te erkennen moet men het zoeken en liefhebben en trouw betrachten; en door harmonische samenwerking van die beide wordt het verstand wijsheid en het zedelijk gevoel deugd, die vereenigd den mensch be sten lig doen vorderen in volmaking, ja den volmakingszin als een zelfstandig vermogen in hem te voorschijn brengen, wanrdoor het hem een behoefte wordt om zichzelven en alles wat onder zijn invloed komt te hervormen maar het beeld der volmaaktheid. Op dien weg leert hij God kennen als de hoogste en absolute volmaaktheid en zichzelven als zijn kind bestemd om Hem na te volgen.
Dit is het kenmerk der waarheid dat men God erkent als de absolute volmaaktheid. Hem liefheeft boven alles en naar zijn beste vermogen zijn wil tracht te volbrengen.
Een duivel bestaat niet en kan niet bestaan omdat er geen absoluut kwaad beginsel is; God deelt zijn heerschappij niet mot den vorst der duisternis, omdat hij als de Eenige en Almachtige geen tweede Macht over zich heeft die Hem eeuwig zou kunnen trotseeren; God schept geen mensehen om hen voor eeuwig rampzalig te maken; menschen die in een kort leven van eenige tientallen jaren het kwade hebben gedaan, daarvoor in alle eeuwigheid te teisteren is zoo wreed en onzinnig dat Gode zulk een onzinnige wreedheid toe te schrijven het handtastelijk bewjjs is van een verbasterd verstand en ecu ziekelijken godsdienstzin, en aldus den Uijbel te gebruiken om liet verstand te bederven en bet zedelijk en godsdienstig gevoel ziek te maken is kleingeestige letterdienst, is afgoderij, is voedsel geven aan slechte neigingen, is den heiligen geest weerstaan.
Zeker, er is heilige geest in den bijbel; maar om dien te voelen, moet men die geschriften lezen met onbevangen verstand en rein gemoed. Het oordeel is de geest des onderscheids, en die heeft in een lang verloop van eeuwen
76
onder de menschen een oordeelkundige en wijsgeerige methode voortgebracht die ons den bijbel leert kennen als oen hoogst belangrijk deel der algemeene godsdienst-geschie-denis. De wijsbegeerte van de godsdienst, ja alle wetenschappen zijn vruchten en openbaringen des heiligen geestes; en wie ernstig naar volmaking streeft zal in die wetenschappen overvloedige stof vinden om de wereld en haren Schepper beter te leeren kennen en God te danken dat Hij de menschen naar hunne behoeften en vatbaarheid onderwijst.
Grods grootste openbaring heeft Hij gegeven in de rede en het geweten van den mensch, dien Hij naar Zijn beeld en gelijkenis heeft geschapen. Geen schooner wetenschap dan de zielkunde. Een zuivere, volledige en voor ieder mensch van goeden wille bevattelijke zielkunde heeft het wetenschappelijk spiritisme aan de wereld geschonken; en wie deze heeft begrepen weet dat hij het kenmerk der waarheid bezit. ')
') Zie; Dc ziel des menschen in hany verleden en toekomst, alsmede: He! geestelijk beginsel in zijn ontwikkelinfj en vordering tol in het mensche-Ijk tijdvak enz. II. L. Smits, 's Ifage.
MOEILIJKHEID VAN DEZEN TIJD VAN OVERGANG. HOE KOMEN WIJ WEER TOT EEN VASTE OVERTUIGING?
Het is een moeilijke tijd dien wij doorleven. Nadat de Hervormers het Protestantisme gegrond hadden op de fiG boeken des Ouden en Nieuwen Verbonds die golden als het woord Gods en wij meer dan drie eeuwen in dat geloof zijn opgevoed, heeft de nieuwere kritiek die boeken als menschenwerk doen kennen en daarin zooveel gebrekkigs, onnauwkeurigs, ja onwaars, aangetoond dat het voor kritische lezers onmogelijk geworden is den bijbel in dezen vorm en samenhang als regel en uitdrukking van hun geloof te erkennen. Het Nieuwe Testament, waarmede wij ons thans bezig houden, is gebleken een zeer ingewikkeld letterkundig samenstel te zijn, waarin waarheid en verdichting zoo dooreengewerkt zijn dat meer dan een halve eeuw van scherp kritisch onderzoek, waar de grootste uitlegkun-digen der meest beschaafde Christenvolken met inspanning van alle krachten aan deelnamen, nog niet in staat geweest is om waarheid en verdichting behoorlijk te scheiden. De persoonlijkheid van Jezus is nog steeds een verborgenheid; en de verschillende christelijke partijen vormen zich van hem de meest verschillende voorstellingen. Voor de ortodoxe Christenen is Jezus de tweede persoon uit de drieënheid, een stijve, tegenstrijdige, in sommige opzichten terugstoo-tende, volstrekt onmogelijke figuur, die verkregen is door met harmonistisch geknutsel al de berichten van het Nieuwe Testament tot een geheel te verwerken; maar het is geen geheel; het is een samenstel dat liet karakter vertoont van de bekrompen, bevoordeelde, onverdraagzame schoolgeleerdheid die het heeft voortgebracht; een scholastisch gewrocht
78
zonder harmonie, zonder waarheid, zonder geest of leven; een geliefkoosd werktuig in de handen der priesters om domme geloovigen aan hun heerschappij te onderwerpen, maar in weerwil van hen zeiven krachtig werkzaam om redelijke menschen van de godsdienst afkeerig te maken en in de armen van het atheïsme te voeren.
Tegenover hen verkondigen de moderne of kritische geleerden dat Jezus is de zoon van Jozef en Maria en een kind van zijn tijd. Zij hebben met groote vlijt en scherpzinnigheid de oirkonden van het Nieuwe Testament ontleed en daarover een nieuw, vaak verrassend licht doen opgaan. Uit de berichten, die na scherpe kritiek hun bleken echt historisch te zijn, hebben zij een beeld van Jezus ontworpen , waarin trekken van ongeëvenaarde zielogrootheid uitblinken. Maar zij blijven gevangen in het vooroordeel der Academiën, die geen andere feiten erkennen dan die de officieele natuurwetenschap op haar tegenwoordig standpunt weet te verklaren. Sedert meer dan een eeuw voeren de Academiën een woesten oorlog tegen het Magnetisme, die het jam-merlijkste voorbeeld is van fanatisme, dat de geschiedenis der wetenschappen beeft opgeleverd. ') Tn onze dagen wordt die oorlog met nieuwe verwatenheid voortgezet tegen het spiri-
') Zie over de laaghartige wet tegen liet Magnetisme onlangs door de Fransche Kamer aangenomen: Moniteur Spirite et Magnélique 15 Juin 1891, Bruxelles 100, Rue de Mérode, St. Gillis, p. 116, dat een duidelijk voorbeeld is van hetgeen ik meermalen beweerde, dat nl. de Academiën de eigenlijke regeeringen zijn, daar zij de denkbeelden vormen die door de wetgevende macht onder wettelijke formulen worden gebracht. Het blijkt nu duidelijk dat de Academiën bang zijn voor het magnetisme, en daar zij de openbare meening naar hare materialistische denkwijze hebben gevormd, van hare tijdelijke overmacht gebruik maken om den gevreesden vijand te fnuiken. Het blijkt nu ook dat onze christelijke wetgevers met dezelfde vrijmoedigheid als de joodsche raad Jezus als een misdadiger zouden veroordeelen, omdat hij genezingen deed, zonder door het officieel gezag daartoe gemachtigd te zijn. Ook in dit opzicht blijkt de overeenkomst van het magnetisme en spiritisme met het oorspronkelijk Christendom dat het onder vervolging moet groeien.
79
tisme. Het is kennelijk een strijd om haar zelfbehoud; want de academiën zijn materialistisch; en het magnetisme en spiritisme zijn de dood van het materialisme. Ongelukkigerwijs laten de moderne godgeleerden zich door de Academiën op sleeptouw nemen en zijn onnoozel genoeg te beweren dat alleen die natuurkrachten recht van bestaan hebben die de ofïicieele natuurwetenschap onzer dagen erkent: onbeschroomd verkondigen zij op het voorbeeld van Stkaüsz : wonderen zijn onmogelijk, en wonderverhalen zijn verdicht. Boor van Jezus een raensch te maken naar hun beeld en gelijkenis, brengen zij op hem hun eigene beperktheid, twijfelingen en zwakheden over eu die mengeling van verhevenheid en zwakheid, die een gevolg is van hun dubbel-aardige opvatting, blijkt onwaar bij de majesteit van Jezus' woorden en handelingen, die in alle overleveringen doorstraalt en in de zuiver historische oirkonden in het helderste licht verschijnt. Zij maken hom onkenbaar en de geschiedenis onbegrijpelijk, daar zij de oorzaken ontkennen waardoor de werkingen die hij voortbracht alleen mogelijk waren.
In deze omstandigheden is hot niet te verwonderen dat voor velen het historisch bestaan van Jezus zelf onzeker is geworden; er is een uitgebreide literatuur ontstaan, waarin men tracht het leven van Jezus als een mythe te verklaren, en die verklaringen worden gegeven met een geleerdheid en scherpzinnigheid, waardoor zelfs Christenen, die meenden vast te staan in het geloof, verontrust en verschrikt werden, zoodat zij in hun angst zich meenden te redden door zich hals over kop te werpen in liet lettergeloof der orthodoxie.
Dit lettergeloof heeft echter uitgediend; on wil men Jezus kennen zooals hij onder ons heeft geleefd en gewerkt, dan moet men het Nieuwe Testament oordeelkundig lezeu, dat is de verschillende berichten elk in zijn eigen karakter leeren begrijpen, zooals dat door een nauwgezet historisch-kritisch onderzoek tot klaarheid is gebracht; dan moet men zijn gezichtskring uitbreiden ver over de bekrompen sfeer van het materialisme; men moet een open oog hebben voor de
80
natuurkrachten die door het Magnetisme en Spiritisme zijn ontdekt; men moet uiet halsstarrig weigeren zich door het wetenschappelijke Spiritisme te laten voorlichten, al stelt het onze waarheidliefde ook op ernstige proeven, al vordert het ook studiën die buiten de lijn onzer denkgewoonten liggen ; men moet ook den moed hebben aan de waarheden te gelooven, die men na grondig en nauwgezet onderzoek heeft verkregen, die waarheden in haar eigen natuurlijk verband brengen en de gegevens die de historische en zielkundige wetenschappen ons hebben verschaft naar den eisch van het onderwerp verwerken. De nieuw testamentische schrijvers zijn in het construeeren hunner historische voorstellingen met groote vrijheid te werk gegaan, daarbij hun meermalen onjuiste begrippen tot richtsnoer nemende; de stoutheid waarmee zij aan hunne dwalingen geloofden moge ons moed geven om aan onze waarheden te gelooven en die als richtsnoer te volgen ; maar het eenige wat ons zeker leiden kan is liefde tot Jezus; zijn woorden, zijn geest en leven stralen zoo helder door het inenschelijke bijwerk heen dat hij zich duidelijk aan ons openbaart als de weg, de waarheid en het leven, de voleinder des geloofs, de ons van God gegeven leidsman die de menschheid tot haar heerlijke bestemming voert. Zulk een persoon wordt niet verdicht, maar brengt slechts zich zelf voort. De kritiek kan dit slechts bevestigen ; want hoevele handen ook werkzaam geweest zijn om de trekken bijeen te brengen, waaruit zijn beeld en leven zijn samengesteld, zij toonen overal het groot verschil tusschen Jezus hooge volkomenheid en de gebrekkige overlevering. Toch zijn alle christelijke partijen, hoe verschillend ook in richting, hoe vijandig ook tegen elkander gekeerd, vereenigd door hun geloof in Jezus; allen ijveren voor het Ideaal, dat hun door Jezus is geïnspireerd, en hun zendingswerk is slechts te begrijpen als het doorwerken van Jezus geest.
Jezus hoeft geen regel schrifts nagelaten ; hij hoeft geen leerlingen gehad zooals Sokrates, groote genieën die hun
81
meester begrepen en liet tot hun levenstaak maakten zijn leer en werk nauwkeurig en volledig aan de wereld over te leveren ; Jezus laat zijn werk aan zich zelf over; hij strooit zjjn zaad uit en laat het over aan God die den wasdom geeft; wetende dat hij het werk doet dat zijn Vader hem heeft toevertrouwd, is hij verzekerd dat God het zal voleinden. De betrekking tusschen de menschen- en do geestenwereld die altijd heeft bestaan is door hem zooveel inniger geworden dat van nu af aan een bestendige toevoer van nieuwe krachten hot leven der menschheid komt versterken. Met deze wetenschap is in onze dagen voor het Christendom een nieuw tijdvak begonnen..
0
VERDERE BIJZONDERHEDEN VAN DEN STRIJD TUSSCHEN DE PAULINISCHE EN DE JOODSCHE CHRISTENEN ; INVLOED DIER PARTIJSCHAP OP VERSCHILLENDE VOORSTELLINGEN IN HET NIEUWE TESTAMENT.
RICHTSNOER VAN BEOORDEELING: JEZUS DENK- EN HANDELWIJZE.
Het kwam er voor do christelijke partijen op aan om hetgeen zij leerden door liet gezag van Christus te kunnen bekrachtigen. Ieder was overtuigd dat zijne leer overeenstemde met die van zijnen lieer, 't Is waar, de geschilpunten waarover later gestreden werd, waren in Jezus dagen nog niet aan de orde; de meester had groote waarheden uitgesproken, beginselen van ver- strekkende gevolgen; maar zelf had hij do gevolgtrekkingen niot gemaakt, die uit zijne grondstellingen waren af to leiden, althans niet volledig; dat zou geheel ontijdig zijn geweest; ja, hij was jegens do heerschendo godsdienstige gebruiken verdraagzaam gestemd; alleen, wanneer menschelijke inzettingen afbreuk deden aan de zedelijkheid, verwierp hij ze zonder verschooning; maar wie in de overgeleverde vormen van hun godsdienstig geloof voldoening vonden voor hun vroom gemoed die verhinderde of ontried hij geenszins die vormen in acht te nomen. Jezus liet ieder vrij om te offeren; maar vermaande slechts om niet te offeren mot wrok of vijandschap in hot hart.
Die verre strekking, die diep ingrijpende werking zijnor leer moest bij degenen die hem het best begrepen onver-mijdelijk meer en meer tot helder bewustzijn komen; maar
83
ook de tegenpartij die levenslang aan de vormen van liet joodsclie geloof en de joodsche eeredieost gehecht bleef, vond in de versehoonende verdraagzaamheid van Jezus een grond om hem als hun geestverwant en zich zelven als zijn trouwste leerlingen te beschouwen. Beide partijen voelden de noodzakelijkheid om de leer van Jezus meer in bijzonderheden uit te werken, zoodat zij tot een volledig richtsnoer kou strekken voor de geloofsrichting die ieder volgde. Beiden waren overtuigd, dat Jezus, zoo hij nog leefde, in de aanhangige geschilion, een oordeel zou uitspreken in hunnen geest. Zijn machtige persoonlijkheid rees voor ieders verbeelding, met ziju koninklijk gezag, met zijn eigen kernspreuken, juist die stellingen uitsprekende, waar de verontruste en weifelende gemoederen voor liet oogenblik behoefte aan hadden. Beiden gingen daarin met dezelfde argeloosheid, dezelfde vrijheid en beslistheid te werk; en zoo ontstonden bij de strijdende partijen kernspreuken, die lijnrecht tegen elkander overstonden, en waar beiden zich met gelijk vertrouwen op beriepen als ware woorden van Jezus.
Jezus had zijne verhouding tot de wet in groote trekken duidelijk uitgesproken. âMeent niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen oin te ontbinden maar te vervullen.quot; De Grod door Mozes en de profeten verkondigd was voor Jezus de ware God, die door hunne dienst tot zijn volk had gesproken; maar om de hardigheid hunner harten had Mozes hun slechts de eerste ruwe beginselen der zedelijkheid kunnen leeren en veel moeten toelaten dat voor meergevorderden niet meer geoorloofd was. âGij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen; maar ik zeg u dat zoo wie eene vrouw aanziet om haar te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan. Gij hebt gehoord, dat er gezegd is; Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten; maar ik zeg u: Hebt uwe vijanden lief âquot; dat is de vervulling van de wet en de profeten â
84
de koninklijke weg om Gods geboden volkomen te volbrengen. Maar hoe hebben de joodsche Christenen die verheven woorden van Jezus uitgelegd?quot; âWant voorwaar zegge ik u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota, noch één tittel van de wet voorbijgaan totdat liet alles zal zijn geschied. Zoo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden en de menschen alzoo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het koninkrijk der hemelen; maar zqo wie dezelve zal gedaan en geloerd hebben, die zal groot genaamd worden in het koninkrijk der hemelen.quot; Door die uitlegging is liet groote woord van Jezus ontzield, en het verband met de volgende spreuken, waarin Jezus zelt' de uitlegging zijner grondstelling geeft, verbroken, zoodat zij zich duidelijk doen kennen als ingeschoven en mot opzet hier tusschengevoegd om de beroemde spreuk des Meesters tot een bewijsgrond te maken voor het joodsch-christelijk leerstelsel.
Maar de andere partijen waren niet minder stout. De Ebionieten beweerden ook een Mattheüs-evangelie te bezitten , en dat bevatte volgens Epiphanius ') deze uitspraak van Christus: âIk bon gekomen om de offers af te schaffen, en wanneer gij niet aflaat te offeren zal de toorn (Gods) niet van u aflaten.quot; Dit is de afschuw van bloedige offers, dien de Ebionieten met de Esseners gemeen hadden en die met hunne onthouding van vleeschspijzen en streng ascetische levenswijze samenhing en in hun eigenaardige levens- en wereldbeschouwing gegrond was. De Ebionieten waren niet minder overtuigd dan hun tegenpartij en konden met grond beweren dat Jezus en zijne jongeren nooit een offer hadden gebracht.
Even duidelijk als Jezus stelling tegenover de wet is zijne verhouding tegenover de heidenen. Door de opheffing der coremoniëndienst was voor Jezus de scheidsmuur tus-schen joden en heidenen gevallen. Hij. de reine van harte,
') Haeres. XXX, 10. Ã. F. Stuausz, Das Leben Jesu, 18G4, S. 212, 215.
85
die God zag in Zijne alomtegenwoordigheid en dagelijk-sche openbaring en onmiddelijke nabijheid, ja, die door wederkeerige liefde zich één met Hem voelde, en door het wonen des Vaders in zyn hart niet slechts zalig was, maar ook de wereld zalig kon maken, sprak ieder zalig, die door zedelijke reinheid, zij het ook slechts aanvankelijk, voor de kinderlijke gemeenschap met God vatbaar was.
Hij die in do gemengde schare de reinen van harte do zachtmoedigen, de barmhartigen, de hongerenden en dorstenden naar gerechtigheid, de vredestichters, de getrouwen die vervolging verdroegen om des gewetens wil, herkende, al ware het ook dat die deugden slechts aanvankelijk in hen ontloken, onderkende die vatbaarheid ook bij de heidenen, die hem met onbevangen vertrouwen te gemoet kwamen. De heiden, die onder de macht van zijn goddelijken geest hem om hulp en redding bad, en gevoelende dat zijne groote kracht slechts in de dienst stond van zijne groote liefde, niet vreesde dat Jezus hem als een vreemdeling zou verstoeten, die heiden was nader bij liet koninkrijk der hemelen dan de stugge Jood, wiens hard gemoed zich even weerbarstig toonde voor zijn prediking als voor zijn liefde. En wie eenmaal in de zon den dagelijks wederkeerenden bode van Gods liefde had erkend, die goeden en boozen, joden en heidenen met dezelfde mildheid bestraalt, die kon ook niet meer twijfelen of do zon der gerechtigheid die over Israël was opgegaan, was bestemd om alle volken te verlichten. Ook de voorwaarden, waarop de heidenen in het koninkrijk der hemelen konden opgenomen worden waren in Jezus voorbeeld en woorden duidelijk aangewezen. Hij die den gevallene vergiffenis schonk, zonder hem een offer te gelasten, alleen omdat hij in hem ootmoedig schuldgevoel en eerbied voor ware heiligheid zag, zou met den heiden niet anders hebben gehandeld. Ja, die omhaal van menschelijke inzettingen was hem een walg; zij hadden de zedelijkheid verstikt, de vroomheid tot smakeloos zout gemaakt; hij had ze op den grooten
86
weg geworpen opdat ieder ze vertrappen kon; en niets was meer strijdig met zijne bedoelingen dan dien nntteloozen, ondragelijken last aan vreemde volken op te binden; integendeel , hij noodigde allen die vermoeid en beladen waren om doel te verkrijgen aan do vrede die hij aan zijn volgelingen wist te schenken: âKomt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven. Neemt mijn juk op u en leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van harte, en gij zult ruste vinden voor uwe zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.quot;
Het juk van Jezus is zelfverloochening, gehoorzaamheid aan de stem van God in het geweten.
Als wij nu met de liefde van Jezus in het hart ons in de bekrompen sfeer der joodsche denkwijze verplaatsen, wordt het ons bang te moede. In hun hoogmoedig gevoel van uitverkiezing zagen zij op de vreemden, die zij âon-besnedenenquot; noemden met verachting neer; zij noemden de lieidenén âhonden en zwijnenquot;; en even als alles zijn reden heeft, even als de Grieken in het gevoel hunner hoogere beschaving de vreemde volken âbarbarenquot; noemden, zoo moet erkend worden dat de grove, en wel de onnatuurlijke ontlicht, waar deze beschaafdste onder de heidenen zich zoo ergerlijk aan overgaven, voor de Joden, die zich in dit opzicht gunstig onderscheidden, een reden was om zich als een volk van beteren huize te beschouwen. Het kan niet ontkend worden dat toen de heidenen in menigte in de christelijke kerk werden opgenomen, ook hun vuile ondeugden het jonge Christendom gruwelijk bezoedelden '); en die smartelijke ervaring maakt ons de denkwijze der joodsche Christenen meer begrijpelijk. Deze hebben er voor gezorgd hun gevoelen in de Evangeliën in te dragen, en i n de zoogenaamde bergrede spreuken ingeschoven, waardoor de bedoeling van Jezus schromelijk misvormd, ja.
Vergelijk: F. Laurent, Etudes sur Vhisloire de VItumanité, T. IV, Le Christianisme.
87
onkenbaar wordt gemaakt. âGeeft het heilige den honden niet, en werpt uwe paarlen niet voor de zwijnen; opdat zij niet te eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden en zicii omkeerende u verscheuren.quot; ') Het laatste schijnt oen toespeling te zjjn op de mishandelingen die Paulus van de heidenen hooft moeten verduren; dat was te wachten geweest; had hij zich laten raden, hij had zijne parelen niet zoo roekeloos voor die zwijnen geworpen; maar hij liet zich niet gezeggen; hij meende do heidenen maar zonder voorbereiding tot de gemeenschap der Christenen tc kunnen toelaten. Het was er hem dan ook naar gegaan. Nog bitterder is do uitval: âWacht u voor de valsclie profeten, die in schaapsvachten tot u komen, maar van bin-ânen zijn ze verscheurende wolven.quot; -) Gruwelijker konden Paulus vermaningen tot liefde en zijn prediking vol des geloofs en des heiligen geestos niot worden miskend; en waar de geloofstaat zoo hoog gestegen was, daar was het onmogelijk in den tegenstander nog iets goeds tc zien; daar was men in staat zijn schoonste deugden in de hatelijkste ondeugden te verkeeren.
Tocli stond het onder alle partijen vast dat ook aan de heidenen de boodschap des heils moest worden gebracht en dit is wol zeer merkwaardig. Als men nagaat hoe strijdig de opvattingen waren omtrent dc noodzakelijkheid tot het in-achtnemen der wet, van waar dan die eenstemmigheid omtrent do heidenbekeering? Zelfs Paulus ziet daarin een groote verborgenheid, die van do grondlegging der wereld af een geheimenis geweest en eerst in dezen tijd geopenbaard is geworden, en liet is voor hem een bewijs van de liefde en grootdadigheid Gods, waarin hij niet moede wordt te dolen en onuitputtelijke stof vindt voor aanbidding.
Maar hoe konden de Jodenchristenen die in hun nationale vooroordeelen vastgegroeid en voor die taak zoo weinig ge-
') Matth. VII VS. 0, lü.
') Matth. VII vs. 15.
88
schikt waren de bekeering der heidenen zoo gereedelijk ook als hunne roeping erkennen ?
Matthens bericht ons dat Jezus bij zijn laatste afscheid zijne jongeren beval: âGaat henen, onderwijst alle volkeren, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb.quot; En Steaüsz zegt met zijn eigen rondheid, dat die woorden niet echt kunnen zijn, omdat zij na de opstanding zouden gesproken zijn en deze niet heeft plaats gehad. Maar zoo doende voegt hij een feit te meer bij de andere die voor de moderne kritiek onverklaarbaar blijven. Wij laten het joodsche woord opstanding in zijn waarde; maar gelooven aan verschijningen des Heeren, die tot een orde van feiten behooren, die door ontelbare geloofwaardige getuigen zoo goed gestaafd en door het wetenschappelijk spiritisme zoo duidelijk verklaard zijn, dat alleen ongeneeslijk vooroordeel ze nog ontkennen kan. Zonder die verschijningen dos Heeren blijft het onverklaarbaar hoe zijne jongeren en vrienden van uit de diepste neerslachtigheid tot vaste verzekerdheid des geloofs, tot zalige blijdschap en vurige geestdrift herleefden ; onverklaarbaar, waardoor de eeuwenoude en zoo heilig geachte Sabbat overging in den Zondag, den dag, waarop Jezus getrouwen het eerst de zekerheid kregen van zijn verrijzenis. En bij die raadselen voegen de modernen nu nog het derde: âVan waar dc eenstemmigheid van alle christelijke partijen om aan de heidenen het evangelie van Christus te prediken ?quot;
Aan dat gebod van Christus twijfelde niemand; en ook de joodsche Christenen waren er zich duidelijker van bewust geworden toen zij, in hun eigen zendingswerk, de onbekeerlijkheid der Joden en de vatbaarheid der heidenen, waarop Jezus zoo dikwijls had gewezen, door harde ervaring hadden leeren kennen. Maar de voorwaarde, waarop zij aan de heidenen deel aan hot Messiaansche heil wilden toekennen, bleef voor hen altijd inachtneming de wet van Mozes.
De joodsche Christenen legden er nadruk op dat de twaalf
89
Apostelen door Jezus zelf verkozen en onderwezen waren eu in dagelijksch vertrouwelijk verkeer getuigen waren geweest van zijne wijze van doen; en wij begrijpen gemakkelijk, daar Jezus in den omgang met zijne volksgenooten allen onnoodigen en schadelijken aanstoot vermeed en hun zwakheden spaarde, dat zij uit zijne verschoonende en verdraagzame handelwijze veel konden aanvoeren dat hun als bekrachtiging van hun joodsch-christelijk leerstelsel gold. Ma ar Paulus noemt dat âChristus kennen naar het vleeschquot;; en stelt daar tegenover: âZoo iemand in Christus is die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie het is alles nieuw geworden.quot; ')
De afstammelingen der joodsche Christenen in onze dagen zijn die geloovigen, die zich beroepen op âChristus naar de Schriftquot;; een uitdrukking, waarmee zij te kennen willen geven, dat zij vau kritiek der evangelische oirkonden niets willen weten; zij nemen eenvoudig alle berichten als even waar aan; de geest des onderscheids behoort bij hen niet tot het geloof; hun geloof is een lettergeloof; hunne kennis van Christus is een kennis naar het vleesch; voor hen hoeft Paulus te vergeefs geleerd: dc letter doodt, de geest maakt levend; maar het voorbeeld van Paulus is voor allen die in staat zijn hem te begrijpen, een openbaring die ons leert Christus te kennen naar den geest.
Jezus gezindheid jegens de heidenen kunnen wij geheel loeren kennen door zijn verkeer met hen, die âzondarenquot; werden genoemd, de verstootelingen die uit de synagoge waren gebannen en van den omgang met de rechtzinnige Joden uitgesloten. Dr. J. Hooykaas geeft ons daarvan de volgende schoono beschrijving:
âZiehier mijn knecht, dien Ik verkoren heb, mijn geliefde, in wien mijne ziel welbehagen heeft! Ik zal mijn Geest op
') '2 Kor. T, 10, 17.
90
liem loggen on Inj zal den heidenen het recht verkondigen. Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de straat zijne stem hooren. Een geknakt riet zal hij niet
verbreken en een rookende vlaspit niet uitdooven,......
totdat hij het Recht heeft doen zegepralen. En op zijn naam zullen de heidenen hopen.quot; Zoo ongeveer had, vijt eeuwen geleden, de tweede Jezaja den knecht van Jahwe geteekend, die Israël weder oprichten en liet licht der volkeren worden zou. ') Mattheus haalt deze woorden aan als in den persoon van Jezus vervuld, voornamelijk door zijne bescheidenheid, zijn zorgvuldig vermijden van alle opspraak 2). In die schoone en alleszins getrouwe beschrijving nu komt één trek voor, die ons met zeldzame fijnheid Jezus gedrag tegenover do zondaars onder zijne natie schildert. Het gekrookte riet breekt hij niet; don ellendigen, verslagen en ontmoedigd door gevoel van schuld en machteloosheid, ontneemt hij niet door strenge verwijten en harde eischen, het laatste uitzicht op redding, maar stelt alle moeite in hot werk om hen op te richten, met zachte hand te steunen en hunne zedelijke kracht te doen herwinnen. Het nog walmend lemmet in de lamp dooft hij niet: hen in wie nog een vonk van hooger leven gloort, die dooide verachting van alle deugdzamon en vromen voor goed dreigt uit te gaan, geeft hij niet door hooghartige bejegening aan wanhoop en verderf prijs, maar trekt zich hunner aan met een kieschheid, zachtmoedigheid en barmhartigheid zonder wederga, waardoor hij die vonk beschermt en tot oen heldere vlam aanblaast.
âDit getuigenis aangaande Jezus is zuivere waarheid. Eenige verhalen in onze Evangeliën mogen ten bewijze strekken. Te gelijk zijn zij ons een toelichting, hoe Jezus aanvankelijk zijne taak als heraut van het Godsrijk heeft opgevat.
') Jez. XLII : 1âi. Zio Deel IV, Bijbel voor Jongelieden Hoofdst. X. s) Matth. XU : 17â21.
91
Tot wering van misverstand ga hier eene nadere verklaring vooraf, wie met âzondaarsquot; bedoeld worden. Niets gewoner toch dan het zeggen: alle monscher; zijn zondaars. Maar ook niets dat meer strijdt tegen het spraakgebruik der Evangeliën. Daar heeft het woord altijd zijne oorspronkelijke, sterke beteekenis en duidt het zelfs een bijzondere soort van menschen aan. Paulus is de eerste geweest, die op het gansche inenschdom vóór Christus en op allen, die niet in Christus gelooven, deze benaming heeft toegepast ') en daardoor aanleiding gegeven om haar in dien algemeenen zin te gebruiken. Nu heeft over liet geheel â zeer merkwaardig ! â Paulus een veel grooter invloed op de leerstellingen en denkbeelden der Christenen geoefend dan Jezus zelf, Jezus dacht er niet aan alle menschen op ééne lijn te plaatsen, en maakte stellig, overeenkomstig de dageiijk-sche ervaring, onderscheid tusschen goeden en boozen, rechtvaardigen en zondaars 2.)
Bij âzondaarsquot; in de Evangeliën moeten wij dan vooral aan eene bepaalde klasse van menschen denken, en wel aan de gebannenen uit de synagoge. Wij weten dat elke synagoge haren overste en hare oudsten had. Dezen vormden samen een college, dat een zeker gezag uitoefende, zoowel kerktucht als rechtspraak, nu eens lichte lijfstraffen liet toedienen 3), dan weder over hen, die zich aan vaderland, godsdienst of zedelijkheid zwaar vergrepen hadden, het banvonnis uitsprak 4), d. i. het verbod om die synagoge te betreden. Wie nu door zulk een vormis getroffen waren, heetten bij uitstek zondaars. Onder âzondaresquot; werd gemeenlijk eene lichte kooi verstaan.
Tot deze klasse behoorden met name de âtollenaarsquot;, dat zijn : de ambtenaren van hooger en lager rang, aangesteld
') Rom. III: 9, verg. V: 8, 12 vgg.
3) Matth. V : 45, IX : 13. Luk. Vt : 32â34, XV ; 7.
3) Matth. X : 17, XXIII : 34, 2 Kor. XI : 24.
-) Joh. XI ; 22, XII : 42, XVI : 2.
92
door de Romeinsche ridders, die te Rome de opbrengst der heffingen op den in- en uitvoer van koopwaren in de provincie , meest voor den tijd van vijf jaren, van den staat gepacht hadden en veelal de schandelijkste middelen niet ontzagen om ze zoo winstgevend mogelijk te maken. Natuurlijk moesten ook hunne handlangers in deze bedriegerij en afzetterij hun aandeel aan de winst hebben. Doch deze ambtenaren werden niet alleen als dieven en roovers beschouwd, ook als landverraders, omdat zij uit vuigo winzucht en laaghartig eigenbelang met de Romeinsche onderdrukkers heulden, en als goddeloozen, omdat zij een schatting inden, die in veler oog ongeoorloofd was, als aan een ander dan aan Israels eenigen wettigen opperheer betaald '). Geen wonder dat zij werden veracht en gehaat, uit do synagoge geweerd cn eerloos verklaard. Hun getuigenis voor den rechter tegen andere Joden was niet geldig, hun uiterste wilsbeschikking van onwaarde. hun kas vervloekt, zoodat niemand er geld mocht wisselen.
Tollenaars en alle âzondaarsquot; stonden met heidenen gelijk 2), als afgesneden van do kerkelijke cn burgerlijke gemeenschap der Joden en vervallen van de rechten en voorrechten der leden van 's Heeren uitverkoren volk; zij waren ook de rjjken onder hen, buitengesloten van alle godsdienstige en fatsoenlijke kringen en geschuwd als âonreinenquot; : dat óéne woord wilde wat zeggen voor de Joodsche maatschappij van Jezus dagen, die door het denkbeeld van (Levietisehe) reinheid geheel beheerscht werd! Zij .van hun kant wreekten zich door steeds zwaarder geldafpersing ; behielpen zich met elkanders gezelschap en zochten zich veelal schadeloos te stellen door een losbandig leven 3). Velen, hoe langer hoe
') Matth. XXII : 15 vgg. Zie flij bel voor Jonffelieden, V, bl. 405. ') Verg. Matth. V : 40, 47 met Luk. VI ; 32â34. Zie Matth. XVIII XXVI : 45, Gal. II ; 45.
') Matth. XXI ; 34, 32, Luk. VII : 34, XVIU : 44, XIX : 8. Zie Bijbel coor Jonyeliedcn V, bl. 426.
93
dieper gezonken, eindigden met zich zeiven te verachten, reddeloos verloren in aller, ook in eigen oog.
Welnu, hunner trok Jezus zich aan. Wij moeten sterker spreken : Jezus beschouwde het als zijne bijzondere roeping, diegenen onder zijn volk, die tot de zondaars of verlorenen behoorden terecht te brengen. Uitdrukkelijk en hij herhaling verklaarde hij : âDe Zoon des menschen is gekomen om het verlorene te zoeken en te behoudenquot; ') ; zijne zending was in de eerste plaats tot deze âverlorene schapen van het huis Israëlquot; 2). Merken wij evenwel op, dat hij bij die woorden niet enkel op die gevonnisden of de ambtenaren het oog had, maar op alle verstootelingen der Joodsche maatschappij, ook op die klasse van menschen die in den Talmud met den naam van âvolken des landsquot; bestempeld, die uit onkunde of achteloosheid de reinheidswstten enz. overtraden, hetzij in den omgang met heidenen â vooral in Galilea zeer talrijk â hetzij iu andere opzichten ; monschen die zich beneden het gewone peil van ontwikkeling en (wettelijke) vroomheid bevonden, die wellicht zelden of nooit den tempel in zijn luister aanschouwd en zeker nooit de leer des Jodendoms goed gehoord of althans begrepen hadden. Al ontbrak het onder hen aan betergezinden, aan heil-begeerigen niet, in de openbare meening stonden zij het naast aan de zondaars, indien niet op óéne lijn met hen. 't Waren allen onreinen. Do leeraars der Wet lieten zich niet met hen in, achtten het beneden zich tot hun gezichtskring af te dalen, wendden zelfs geen poging aan om hun Wet en Profeten verstaanbaar te maken. Het vonnis luidde ; âDeze schare die de Wet niet kent____vervloekt zijn ze !quot; 3)
Dat waren dan de personen, tot wie Jezus zich bij voorkeur wendde. Wellicht hadden reeds in het ouderlijk huis zijne gedachten zich gericht op deze verstootelingen. Niet
') Matth. XVII [ ; 11. ') Luk. XIX : 10. s) Joh. VII : 49.
94
dat hij te Nazaret met velen hunner in aanraking kwam ; immers moeten wij hen meer in de grootere steden en de brandpunten van verkeer van Galilea zoeken; maar zijn medelijden werd opgewekt, wanneer hij van hen met onverholen afkeer hoorde gewagen, en zijn hart zeide hem, dat deze breede, diepe klove tusschen die onreineu en het uitverkoren, den lieer geheiligd Israël, moest worden gedempt. Gedurende zijn verblijf bij Johannes trof' hem de vatbaarheid van velen hunner voor de prediking van het Godsrijk '). En toen hij zelf optrad, voelde hij zich gedrongen , hen terecht te brengen...... âIk ben gekomen,
niet om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekeering.quot;
âWanneer Jezus te Kapernaum vertoefde, was zijn geliefkoosde wandeling aan den oever van het meer. Van dezen kant de stad uitgaande, moest men voorbij het belastingkantoor. -) Zoo gebeurde het eens, dat hij tegen het etensuur daarlangs terugkeerende, een der ambtenaren vóór het gebouw zag zitten en hem riep: âGa met mij mede!'' De aangesprokene â zijn naam was Levi, Alfeus zoon â stond oogenblikkelijk op en volgde hem naar zijn huis Waarschijnlijk had deze man reeds vroeger Jezus aandacht getrokken door de belangstelling, waarmede hij, altijd op eerbiedigen afstand, naar zijne toespraken of gelijkenissen kon luisteren, en las de menschenkenner thans in zijn oog wenschen die de tollenaar niet durfde uitspreken, maar die hij door deze uitnoodiging voorkwam en vervulde. Doch hiermee was ook het ijs gebroken. Terwijl Levi bij Jezus aan den disch aanlag, kwamen er van zijne ambtgenooten en andere zondaars, om ook het gezelschap van Jezus te genieten. Hun moed en hun vertrouwen werden beloond.
') Zie B. v. J. L. V, bl. 126, 135.
') Zie 13. v. J. L. V, bl. 140.
') Matth. IX: 9â13. In vs. 10 is verkeerdelijk ingevoegd: (van Mattheus); Jezus nam den tollenaar mede naai' zijn eigen huis.
95
Jezus betrachtte ook jegens hen de wetten der Oostersehe gastvrijheid en ontving hen aan zijne tafel. Dit was een stap van gewicht en kou niet nalaten verbazing en ergernis te wekken. Ook eenige Farizeesche Schriftgeleerden waren hem nagegaan, en ziende wat er geschiedde, gaven zij hunne verontwaardiging bij zijne leerlingen lucht: âEet en driukt hij luet zondaars en tollenaars?quot; â Maar Jezus hoorde de vraag en had het antwoord gereed:
âDe gezonden hebben den goneosheer niet noodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen , maar zondaars.quot;
âLetten wij op de wijze, waarop Jezus met deze meu-schen omgaat. Hij roept hen: uit zich zeiven zouden zij, gewoon overal smadelijk teruggestooteu te worden en daardoor wantrouwend, er nooit toe gekomen zijn te naderen tot een profeet. Indien bjj niet het eerst de hnnd hun toegestoken had, nooit ware er eenige betrekking aangeknoopt tusschen hem en hen. Doch nauw heeft hij de eerste schrede gedaan, of velen komen met aandrang. Maar vooral, hij eet met hen! Dat was wel: beide, godsdienstige bezwaren en regelen van welvoegelijkheid, met voeten treden. Tafelgemeen-schap immers sloot een soort van vriendschap in en bond een duurzame betrekking aan ').
Het bleef dan ook niet bij dien éénen keer; zelfs leed de goede naam van Jezus bij enkelen door die gedurige aanraking met dat slag van menschen 2). Ja, niet alleen dat hij, door dien gemeenzamen omgang met deze onroinen, met alle nationale, maatschappelijke en godsdienstige voor-oordeelen brak, maar ongetwijfeld moest hij, met zijn kiesch gevoel, zich ook over veel heenzetten, dat in de taal en manieren, in de personen der zondaars hem stuittequot;. Als wij bedenken welk een strijd het ons kost om den afkeer dien het kwade ons inboezemt niet over te brengen op den
') Verg. ) Kor. V : ld ; Gal. II : i'2.
!) Luk. VII vs. 34; XV vs. 1, 2.
96
overtreder, maar hem als onzen broeder te achten en lief te hebben, dan voelen wij het verhevene van de kalme zachtheid, waarmee Jezus die verstootenen zijn liefde betoonde. âHij zoekt hen op en gaat gemeenzaam met hen om en bejegent hen op vriendschappelijken voet. Waarom? Zijn hart drong hem. De zaak was, dat hij beginnen moest met hen op te heffen door hun het gevoel van eigenwaarde, de achting voor zichzelven terug te schenken. Dat kon hij alleen door te toonen, dat hij hen zoo slecht, zoo hopeloos niet vond, maar met hen wilde verkeeren als goede bekenden; om hen onder zijn invloed te krijgen, moest hij nog meer voorkomend, innemend, vertrouwelijk zijn dan tegenover anderen; indien hij hen uit de hoogte met neder-buigende goedheid had behandeld, de genezing ware mislukt.quot; ')
En nu de uitwerking! Zij wordt ons o. a. beschreven in enkele voorvallen, die wij hier in de woorden van Lukas laten volgen:
âEn Jezus ingekomen zijnde ging door Jericho. En zie, daar was een man, met name geheeton Zaecheüs; en deze was een overste der tollenaren, en liij was rijk; en hij zocht Jezus te zien, wie hij was; en kon niet van wege de schare, omdat hij klein van persoon was; en vooruit-loopende klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij hem mochte zien; want hij zou langs dien weg voorbijgaan. En als Jezus aan die plaatse kwam, opwaarts ziende zag hij hem, en zeide tot hem; Zaccheüs! haast u en kom af; want ik moet heden in uw huis blijven; en hij haastte zich en kwam af, en ontving hem met blijdschap. En allen die het zagen murmureerden zeggende: hij is tot een zon-diff man inKOgaan om te herbergen. En Zaccheüs stond en
O O O '
zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijne goederen, Ileere! geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. En
') Bijbel voor Jongelieden, Dl. V, bl. 2'.i5 yv.
97
Jezus zeido tot hem: lieden is dezen huize zaligheid geschied . nademaal ook deze een zoon Abrahams is; want de Zoon des raenschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.quot; ')
âEn een der pharizeërs bad hem dat hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des pharizeërs huis, zat hij aan; en zie eene vrouw in de stad, welke eeno zondares was verstaande dat hij in des pharizeërs huis aanzat, bracht eene albasten flosch met zalve; en staande achter aan zijne voeten, weenende begon zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten en zalfde ze met de zalve. En de pharizeër die hem genood had zulks ziende, sprak bij zich zeiven zeggende: Deze, indien hij een profeet ware, zoude wel weten, wat en hoedanige deze vrouw is die hom aanraakt; want zij is eene zondares. En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon! ik heb u wat te zeggen; en hij sprak: Meester! zeg het.
Jezus zeide: Een zeker schuldheer luid twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig. En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben ? En Simon antwoordende, zeide: ik acht dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft; en hij zeide tot hom: gij hebt recht geoordeeld. En zich om-keerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Tk ben in uw huis gekomen; water voor mijne voeten hebt gij niet gegeven; maar deze heeft mijne voeten met tranen nat gemaakt, en mot het haar van haar hoofd afgedroogd. Gij hebt mij geen kus gegeven; maar deze van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar doze hoeft mijne voeten met zalve gezalfd. Daarom zegge
') Luk. XIX VS. -1 â 10.
98
ik u, hare zonden zijn haar vergeven die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt die heeft weinig lief. En hij zeide tot haar; Uwe zonden zijn n vergeven. En die mede aanzaten begonnen te zeggen bij zichzelven; NVie is deze die ook de zonden veigeeft? Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede. ')
Onze onderwijzende geesten maken bij dit verhaal de volgende aanteekening:
âDoor de volmaakte menschenkennis van onzen Heer wist Hij wat in die vrouw omging, en dat liet niet alleen haar lichtzinnig gedrag was dat haar zoo neêrdrukte, maar ook het besef dat zij anderen diep ongelukkig had gemaakt, waar zij dat toch niet had bedoeld. Zij had gehoor gegeven aan verleiding en was weggesleept door de begoocheling van een hevigen hartstocht, en te laat ontdekte zij dat waar zij verwachtte gelukkig te zijn en gelukkig te maken, zij slechts had toegegeven aan zelfzucht en zinnelijke lichtzinnigheid en hetzelfde had geoogst, dat daardoor met haar gemoedsrust al haar geluk en ook dat van anderen die haar liefhadden was verwoest geworden. En nu teruggestooten zijnde was zij prijs gegeven aan de minachting van het fatsoenlijk publiek, dat in het bewustzijn van zijn kerkelijke zuiverheid uit de hoogte op haar nederzag.
âDie innerlijke stem die van God komt bad haar den raad gegeven om zicli tot Hem te wenden, die reeds zoovelen had genezen. Haar verstand had dat volkomen goedgekeurd, wat te verwachten was; want die stem van God is dat wat ons aanzet om vooruit te streven naar alles wat ons beter en gelukkiger kan maken. Die stem had haar gezegd: Gij zult niet te vergeefs bij Hem naar rust voor uw geweten zoeken. Dat alles kon Jezus weten, maar dat wisten de overigen niet of zeer onvolmaakt. Hij, Onze Heer, wist dat zij een hart bezat vol
') Luk. Vil : 36â50.
99
liefde, dat zich gelukkig gevoelde door anderen gelukkig te maken; maar onbeschermd, onkundig en goed van vertrouwen was zij schandelijk misleid en verstoeten. Over zulke vrouwen oordeelden de Joden met buitengewone strengheid, hoewel zij zelve veelal de meeste schuld hadden aan hare afdwaling.
De vergiffenis der zonden was hier wel degelijk door een lang lijden en boetedoening voorafgegaan. En het geloof dat haar behouden had was niets anders dan het vertrouwen dat zij in de liefde van Onzen Heer voor alle menschen had gesteld.quot;
Ten opzichte van Jezus omgang met Tollenaren en zondaren bevat de commentaar van Rose naar aanleiding van Matth. IX : 9â13 het volgende:
âDo gemeenzaamheid in den omgang is bij de menschen gewoonlijk een gevolg van geestverwantschap, dat is gelijkgestemde denk- en zienswijze, overeenstemming van kennis en verstandskrachten. Maar Jezus gemeenzaamheid vloeide voort uit zijn liefdevolle gezindheid jegens menschen van veel geringer ontwikkeling; en dat is het wat zij noo-dig hebben. Jegens hen moet de liefde van het gemoed uitstroomen, om zooveel mogelijk hunne harten daarmede te vervullen.
âEerst later moet het verstand volgen, om te overtuigen te overreden en te bevestigen; opdat door de liefderijke handelingen het zedelijk gevoel worde opgewekt en door de vereeniging met het verstand de deugd worde geboren. Die deugd moet wederkeerig het verstand bezadigen en tot wijsheid geleiden, waaruit ten laatste door de gezamenlijke werking van de wijsheid met de deugd onze werkelijke vooruitgang moet voortkomen. Dat waren de kranken, waarvoor Onze Heer als geneesmeester was overgekomen.
âDe zedelijke verbetering door de werking dor liefde was toenmaals zoo iets buitengewoons dat liet voor de meesten wel onbegrijpelijk moest blijven; en dat moet ons niet ver-
100
wonderen; als wij aan deze liefde van Onzen Heer onze tegenwoordige beschaving toetsen, hoeveel ontbreekt er dan aan dat zij ook door de Christenen zou worden begrepen.
âWanneer wij bij Jezus zichtbare verschyning en omwandeling op aarde, nagaan hoever hij de menschen in alles vooruit was, verwonderen wij ons over de macht van Zijn geest, waardoor hij de schare tot zich trok, en schoon dit slechts bij weinigen doorwerkte, wist hij dezen toch zoo te boeien en te bezielen, dat zij alles verlieten om hem te volgen, en geen hooger doel kenden dan zich naar hem te vormen.
âSedert zijn bijna 19 eeuwen verloopen, gedurende al dien tijd heeft de geest van Onzen Heer voortgewerkt; het is zeer langzaam tot ontwikkeling gekomen, en toch, hoe snel zijn de vorderingen vergeleken bij de tijden vóór Christus! Eerst nu is de tijd gekomen om de oorzaken van die schijnbaar langzame en werkelijk zoo snelle vorderingen te openbaren. Wij zullen daar telkens op terug moeten komen, want het ziju factoren in de geschiedenis der beschaving die tot nog toe ver buiten den gezichtskring lagen der menschelijke wetenschap.quot;
Wat ons in den omgang van Jezus met de zondaren treft is het eenvoudige en natuurlijke. Wij bemerken niets van leerstellig onderwijs, van strenge regelen voor liet gedrag, van deftig ceremonieel of vormelijkheid. Jezus noodigt den tollenaar aan zijn disch of is zijn gast â de gewone vorm van gul, vriendschappelijk verkeer; maar daarin lag het stoute, het oorspronkelijke, een handelwijs die de priesters beschouwden als een zwaar vergrijp tegen de goede orde die zij zochten te handhaven, maar dio de zondaren zoo in hot hart greep dat zij andere menschen werden. En geen wonder!
Verbeeld u den profeet die geen andere gedachte heeft dan het koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, verzekerd dat alle andere dingen hem zullen toegeworpen worden.
101
tegenover tollenaren die steeds bedacht waren zich door onwettige middelen te verrijken; verbeeld u den reine van harte, die ous doet voelen dat de begeerte te voeden hetzelfde is als overspel in het hnrt te plegen, tegenover do zondares die er haar beroep van maakt hare eer te ver-koopen â voelen wij dan niet â- als hij die ongelnkkigen vriendelijk tegemoet treedt en hen als zijns gelijken bejegent â dat die gemeenzaamheid hen overstelpt? â Jezus gaf zich zelf; hij was aan den vriendendisch geen streng zedemeestor, hij beminde het gezellig verkeer, hij zag in ieder het goede; maar dat goede ontlook onder zijne woorden en blikken, als onder de stralen van de zon der gerechtigheid. Zijne woorden tintelen van dankbare levensvreugde. quot;Wie van ons blijft koel bij het licht der zon die ons de harmonie des heelals openbaart? Maar die zon is voor Jezus het zinnebeeld van een hooger licht; hij ziet alles schitteren in den glans der liefde Gods. Vandaar dat alles wat hij met zijne woorden aanraakt â de muschjes die zich zorgeloos voeden uit den overvloedigen voorraadschuur der natuur â de bloemen, die het graskleed der aarde versieren â getuigen van Gods mildheid en majesteit die niet anders kan dan zijne kunstschatten kwistig uitstrooien â nieuwe schoonheden verkrijgt. Zijne vriendelijke deelneming aan alles wat hij ziet â de kinderen die bruiloftje of begrafenisje spelen â de weduwe die haar huis keert en de geburen roept om zich met haar te verheugen in den teruggevonden penning â openbaart ons het geheim van het ware levensgeluk; het is de liefdevolle deelneming, waardoor wij ons bestaan vermenigvuldigen. De betoovering in den omgang, die de grootste macht uitmaakte van de genieën die do wereld liebben beheerscht, heeft nooit iemand bezeten zooals Jezus. En zooals hij in zijn eigen land met de verworpenen omging , zoo zou hij ook met de heidenen hebben omgegaan. Zeker zou hij hen niet in massa in zijn koninkrijk hebben opgenomen, alleen door de toediening van den doop of do inprenting van een katechismus; maar hij zou ook daar
102
gesproken hebben uit den overvloed zijns harten. En als hij onder zijn gehoor zondaressen had gezien die verbrijzeld door zijn goddelijke liefde behoefte hadden om aan zijne voeten te weenen â dan zou het weer van zijne lippen hebben geruischt: dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede en zondig niet meer.
Daarom zeggen wij : de Jodenchristenen die de heidenen niet tot hunne gemeente wilden toelaten dan op voorwaarde dat zij zich tot naleving van de wet van Mozes verplichtten, hebben den Meester niet begrepen.
Vestigen wij thans onze aandacht op hetgeen wij lezen in Mattheus XXII, vs. 1 â14.
âEn Jezus antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen zeggende: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning, die zijnen zoon eene bruiloft bereid had; en hij zond zijne dienstknechten uit om de genooden ter bruiloft te roepen en zij wilden niet komen. quot;Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoodig-den: Zie ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen en mestkalven zijn geslacht en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft; maar zij zulks niet achtende zijn henengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijne koopmanschap. En de anderen grepen zijne, dienstknechten, deden hun smaad aan en doodden ze. Als nu de koning dat hoorde werd hij toornig en zijne krijgsheiren zendende, heeft hij die doodslagers vernield en hunne stad in brand gestoken. Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: De bruiloft is welbereid, doch de genooden waren 't niet waardig; daarom gaat uit op de uitgangen der wegen, en zoo velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. En die dienstknechten uitgaande op de wegen vergaderden allen die zij vonden, beide kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld mot aanzittende gasten. En als de koning ingegaan was om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar eenen mensch, niet gekleed met een bruiloftskleed; en zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed
103
aanhebbende ? En hij yerstomcle. Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg en werpt hem buiten in de duisternis; daar zal zijn weening en tandgekners; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.quot;
Is dit de sfeer van Jezus, waarin wij ons hier bevinden?
Eerlijk gezegd, toen wij in onze jeugd die gelijkenis van buiten moesten leeren, begrepen wij nooit wat dat bruiloftskleed beduidde. Wij lazen den bijbel tot leering en stichting, en de vrome eerbied, waarmee wij de Evangeliën beschouwden , drong ons om in alles een stichtelijken zin te vinden; maar de theorie, waarop ons godsdienstonderwijs berustte, dat ieder Evangelie een schoon eerbiedwaardig geheel vormt, is verkeerd; en heeft dit nadeel dat hot de vrije werking van ons oordeel belemmert en ons verhindert ons zuiver rekenschap te geven van de indrukken, die wij bij het bijbellezen ontvangen. Die indrukken zijn zeer gemengd en verschillend; al die harde veroordeelingen tot de holsche straffen, die uit liet bekrompen, onverdraagzaam, door vooroordeel verduisterd gemoed der joodsche Christenen zijn gevloeid, maar Jezus in den mond werden gelogd, vloeiden met zijn eigen goddelijke woorden tot een onzuiver beeld in een; en tegenover het goddelijk gezag, dat men ons geleerd had aan den bybel toe te kennen, verstomde ons oordeel en ons zedelijk gevoel. Calvijn die de eeuwige verdoemenis en nog wel ten gevolge van goddelijke voorbeschikking een âafgrijselijk besluitquot; noemt en toch wil dut wij liet als een openbaring van goddelijke rechtvaardigheid znllen aanbidden, beeft de Gereformeerde Kerk in een tegenstrijdigheid gebracht, waar zij nu al meer dan drie eeuwen in vast zit; zijn geest is liet waardoor de kritiek die ons uit die tegenstrijdigheid heeft verlost als bet werk van den anti-christ wordt gelasterd; en met het fanatisme van oen ziekelijker! godsdienstzin klemt men zich noch steeds aan die tegenstrijdigheid, als aan zijn plechtanker vast; want de Roomsch-Katholieke en de Orthodox Gereformeerde Kerken voelen zeer goed, dat zoo zij het
104
dogma der eeuwige verdoemenis los lieten, zij van haar grondslag zouden worden verplaatst en genoodzaakt om redelijk to worden. Dan zou zeker de zedelijke wereldorde, voor zoover zij door de menschen moet verwezenlijkt worden, een andere gedaante aannemen en een trouwer beeld ver-toonen van liet koninkrijk der hemelen; maar dan was het ook uit met de priesterheerschappij; en dat wil men niet: buiten hot priesterschap geen zaligheid.
Onderzoeken wij dan nu wat het bruiloftskleed beduidt, waarom de arme drommel, die zonder hetzelve ter bruiloft verscheen, in de buitenste duisternis moest worden geworpen. Dat is het joodsch-christelijk leerstelsel, zonder hetwelk aan te nemen en na te leven geen heiden, al beleed hij ook Christus als zijn Zaligmaker, al was hij ook van harte bereid zijne geboden te bewaren, tot de christelijke gemeente mocht worden toegelaten. âHet Joden-Christendom, zegt de hoogleeraar J. H. Scholten, is de richting, die, tegenover de voortgaande ontwikkeling van het christelijk beginsel door Paulus, op den verouderden bodem van het Judaïsme staan bleef, en als stationair conservatieve partij, in plaats van met het traditioneele Jodendom te breken, zich in vijandige houding tegen de vrije denkwijze van Paulus overstelde. Het hoofdkarakter van het Joodsch-Christelijk standpunt is gelegen in het vereenigen van besnijdenis en wet met de erkenning van Jezus als den Messias. Met het wettelijk standpunt verbond het Joden-Christendom ascetische nauwgezetheid in het vermijden van' zekere spijzen, alsmede van don omgang met heidenen en het tweede huwelijk; voorts het doen van geloften, het vieren van heilige dagen, het vasten en andere vormelijke verrichtingen. In het een en ander stelde men het wezen der Christelijke vroomheidquot; ').
Dus, de gast die zonder bruiloftskleed ter koninklijke
1) Geschiedenis der christelijke Godgeleerdheid gedurende hei tijdperk des Nieuwen Testaments. Leyden, P. Engels 1858, ik27 bl. §§108â110.
105
bruiloft verscheen, stelt al die heidenen voor die door Paulus eu zijne geestverwanten alleen op het geloof' in Christus in de Christelijke gemeenschap werden opgenomen. Die allen werden door den liefderijken dichter van deze gelijkenis slechtweg tor eeuwige verdoomenis verwezen. Hier hebben wij het eerste voorbeeld van die leerstellige Godgeleerdheid en heerschzuchtigo priesterheerschappij, die al van den aanvang af trachtte zich van het Christendom meester te maken, en liet zaligmakend Evangelie te vervormen tot een werktuig van geestdoodende dwingelandij. Zij heeft zich als een parasiet aan de woorden van Christus gehecht en naar den aard van woekerplanten die woorden verwurgd en vermoord, weshalve het onvermijdelijk noodig is die woekerplanten' overal na te speuren en met wortel en tak uit te roeien.
De Jodenchristenen waren de aanvallers. Als Paulus zich beriep op den zegen zijner werkzaamheid onder de heidenen, op zijn prediking, waardoor God ook hun den heiligen geest had geschonken en wonderen onder hen wrocht, dan wilden zij dien pleitgrond niet laten gelden, daar dat alles geen waarde had zoolang aan den eiscli der wret niet was voldaan.
Maar volgens hunne manier laten zij Jezus het oordeel der verwerping uitspreken. âVelen zullen ten jongsten dage tot mij zeggen : âHeer, lieer! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, in uwen naam demonen uitgeworpen en groote krachten doen werken ? En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: gaat weg van mij die de wet overtreedtquot; ').
De Paulinisten antwoordden in denzelfden stijl. De tegenstanders die zich op de Apostelen beriepen stelden op den voorgrond dat deze met Jezus in dagelijkschen omgang ver-verkeerd hadden en door hem zeiven onderwezen waren en onder de eerste Joden-christenen waren er zeker velen die hem door persoonlijke aanschouwing kenden en zijne toehoorders geweest waren. quot;Wij hebben boven reeds gezien dat
') Matth. VU : 22, 23.
106
Paulus dit noemdé: Christus to kennen naar het vleesch, een kennis die zeer oppervlakkig kon zijn ; het was een ijdele room, een wapen dat hun uit de handen moest geslagen worden, en zoo ontstond in Paulinische kringen het volgend oordeel als door Jezus uitgesproken : âAlsdan (in het toekomstig gericht) zult gij beginnen te zeggen : Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken en gij hebt in onze straten geleerd. En hy zal zeggen : Ik zegge u, ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van mij allo gij werkers der ongerechtigheid! Aldaar zal zijn weening en tandgeknars, wanneer gij zult zien Abraham en Tzatik en Jakob en al de profeten in het koninkrijk Gods, maar ulieden buitengeworpen. En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het koninkrijk Gods, en zie er zijn laatsten die de eersten zullen zijn ; en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn ').
Een oorzaak van hevigen strijd was het deelnemen aan heidensche offermalen. Bij de heidenen zoowel als bij de Joden bestond de offerplechtigheid daarin dat een deel van het offerdier ter eere der godheid word verbrand en van hot overige een feestmaal aangericht, waarbij rechtens de priester aanzat en do offeraar zijne vrienden en betrekkingen te gast noodigde. Dit was een gewone vorm van feestvieren en vriendschappelijk samenzijn; en het was natuurlijk dat de Christenen uit de heidenen, die door hun overgang niet dadelijk alle oude betrekking met hunne vrienden en verwanten afbraken, als vroeger tot deelneming werden genoodigd. Dit nu was in de oogen der Joden-christenen verschrikkelijk; de afgoden waren in hunne oogon booze geesten, duivelen; te eten van hetgeen den duivelen geofferd werd en nog wel in den afgodstempel was een gruwel der gruwelen. En dat liet Paulus toe! âHet koninkrijk der hemelen, zoide hij, is niet spijs en drank; maar vrede en gerechtigheid en blijdschap uit den heiligen geest. Eet
l) Lak. XIII : 20â30.
107
alles wat uit liet slachthuis wordt voorgezet, niets onderzoekende om des gewetens wil. Alle gave Gods is goed met dankzegging genoten zijnde.quot; Alleen, wanneer het deelnemen aan zoo'n offermaal den zwakken broeder aanstoot mocht, geven, vermaande hij er zich van te onthouden. De sterke moest verschooning gebruiken jegens don zwakke. Men mocht ook niet eten met twijfel in het gemoed; en daarom moest de vrijzinnige zich wachten den broeder die gewetensbezwaren had door zjjn voorbeeld mede te slepen; daar immers de spijze niet waard was om daarvoor den broeder voor wien Christus gestorven was ten val te brengen. ') Maar die schoone, verhevene denkwijze, even vrijzinnig als nauwgezet kon de joodsche ijveraars niet ontwapenen. En zoo laat Johannes. de schrijver der Openbaring, geheel in den stijl van dien tijd, den verheerlijkten Christus, die hem in den geest verschijnt, zeggen: âSchrijf aan don engel der gemeente van Ephese.... Tk weet uwe werken en uwen arbeid en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen en dat gij beproefd hebt degenen die voorgeven dat zij Apostelen zijn en zij zijn hot niet, on hebt ze leugenaars bevondenen zoo wordt de gemeente te Smyrna een synagoge des Satans genoemd; en te Pergamus heeft de Satan zijn' troon opgericht; en verder heet hot: Schrijf aan den engel der gemeente te Thyatire: âDit zegt de zoon van God, die zijne oogen heeft als een vlamme vuurs en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk ; ik weet uwe werken en liefde en dienst en geloof en uwe lijdzaamheid en uwe werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste; maar ik heb tegen u dat gij de vrouw Jezabel die zichzelve zegt eene profetes te zijn, laat leeren en mijne dienstknechten verleiden dat zij hoereeren en afgodenoffer etenquot; enz. 2).
') 1 Kor. VIII, X.
') Openb. 11:2. 0, 13, '2Ã, 22, 23.
108
Jcz.ibel is de zinnebeeldige naam voor valsche leeraren; eu met âhoererijquot; wordt bedoeld een tweede huwelijk en echtverbindtenissen in graden Viin bloedverwantschap die de Joden ongeoorloofd achtten, maar die Paul us niet verbood. En schoon de groote heidenapostel zelf het voorbeeld gaf van onthouding en de verhevenste begrippen over het huwelijk koesterde, kon dit den joodsch-christelijken ijveraar niet beletten om tegen de meerdere vrijheid, die hij den heidenchristenen veroorloofde, venijnig uit te varen â ulles in naam van Christus! !)
De partijwoede was tot het uiterste gestegen. Wat Pau-lus en zijne geloofsverwanten dankbaar roemden als vrucht des Heiligen Geestes, dat noemden de joodsch-christelijke ij veraars werken des Satans. En tot dat uiterste moest het komen; het was een logische noodzakelijkheid; het is een zielkundig verschijnsel van liet hoogste belang, dat wij volstrekt moeten leeren begrijpen ; want alles te begrijpen is alles te vergeven.
De Joden hadden ook van Johannes den Dooper gezegd: bij heelt den duivel; en zij hadden ook tot Jezus gezegd: Zeggen wij niet wol dat gij een Samaritaan zijt en den duivel hebt? ââ Mattheus heeft een verhaal van een strijd dien Jezus te voeren had met de Farizeërs, die hem beschuldigden dat hij de duivelen uitwierp door Beëlzebul, den overste der duivelen. Deze strijd gelijkt zoo op dien, welken Paulus tegen de Joden-christenen te voeren had, ja de laatste schijnt zoo duidelijk door het verhaal heen, dat beide als ineen vloeien; maar er is een trek in die kennelijk van de Paulinische Christenen afkomstig en zoo strijdig is met den geest van Christus dat het noodig is dien duidelijk in het licht te stellen. Het verhaal van Mattheus luidt als volgt:
') Zie in den Bijbel oooi- jonge lieden van Dr. J, Uuovkaas liet belangrijk lioofilstnk: Paulus te life/e, Dl. VI. bl. '203 vv.
109
Toon werd tot hem gebracht een van den duivel bezeten die blind en stom was; en hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. En alle de scharen ontzettenden zich en zeidon: Is niet deze de zoonDavitls? Maar de Pharizeërs dit gehoord hebbende zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlzebul, den overste der duivelen. Doch Jezus, kennende hunne gedachten, zeide tot hen; Een ieder koninkrijk dat tegen zich zelf verdeeld is wordt verwoest; en oen iedere stad of huis, dat tegen zicli zelf verdeeld is, zal niet bestaan. En indien de Satan den Satan uitwerpt, zoo is hij tegen zichzelven verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? En indien ik door Beëlzebul do duivelen uitwerpt, door wien werpen ze dan uwe zonen uit? Daarom zullen die uwe rechters zijn. Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerpe, zoo is dan het koninkrijk Gods tot u gekomen. Of hoe kan iemand in 't huis eens sterken inkomen, en zijne vaten ontroovon, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe ? on alsdan zal hij zijn huis berooven. Wie met mij niet is, die is tegen mij; en wie mot mij niet vergadert die verstrooit, Daarom zegge ik u : Alle zonde en lastering zal don menschon vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den menschon niet vergeven worden. En zoo wie een woord gesproken zal hebben togen den Zoon des menschon, liet zal hom vergeven worden; maar zoo wie togen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, hot zal hom niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in do toekomende. Of maakt den boom goed en zijne vrucht goed; of maakt don boom kwaad en zijne vrucht kwaad, want uit do vrucht wordt dé boom gekend. Gij adderon-gebroodsols! hoe kunt gij goede dingen sproken daar gij boos zijt? Want uit don overvloed dos harten spreekt de mond. Do goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de boozo mensch brengt boozo dingen voort uit den boozen schat. Maar ik zegge u dat van olk ijdel woord 't wolk do menschon zullen gesproken
110
hebben, zij van 't zelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.quot; ')
Hier wordt onderscheid gemaakt tussclien lastering van den Zoon des menschen en van den Heiligen Geest.
Dr. J. Hooykaas maakt daaromtrent de volgende schoone opmerking : âDeze onderscheiding verplaatst ons kennelijk in den tijd na Jezus' heengaan, de eeuw des Geestes toen Paulus 7net zijne medearbeiders blinde Heidenen, tot de stomme afgoden voort- en heengedreven, bekeerde. Zijne tegenstanders zochten den machtigen indruk, door zijne vruchtbare werkzaamheid gemaakt, uit te wisschen door liet welslagen aan een bondgenootschap met den satan te wijten. Maar zijne vrienden kwamen tegen die miskenning op: Zij was eeue lastering van den Heiligen Geest, wiens werking in den gang der heidenbekeering en in de harten der geloovige Grieken onmiskenbaar was; zij was als zoodanig schuldiger zelfs, eene hardnekkiger verblinding en dus onvergeeflijker dan weleer de verwerping van Jezus door do Joden. Bezigden de Joden-christenen, als zij proselieten maakten, wel andere middelen dan Paulus? Zou de Satan zelf zijne aanbidders tot God laten brengen ? Neen, het bleek wel dat die machtige wereldheerscher gebonden en een sterkere in zijn huis ingedrongen was om hem het zijne te ontrooven. Het geschiedde door Gods Geest; het was het bewijs voor de spoedige komst van het Godsrijk. Wie thans niet mee vergaderde voor de schaapskooi, maar verdeeldheid en verwarring aanbracht, die was een tegenstander van den Christus. Wachte zich ieder voor de onvergeeflijke zonde!quot; 2)
Dat afschuwelijk smaadwoord; Gij adderengebroedsel! dat Jezus ook hirr in den mond wordt gelegd, de waanzinnige vermetelheid, waarmee ook thans weder de eene partij de
') Matth. XII : 22â36.
') De bijbel voor Jonjelieden, VI. bl. 276.
Ill
andere aan do eeuwige verdoemenis overlevert, toonen duidelijk uit welke bron die uitbarstingen van woede zijn voortgekomen. Als zielkundig verschijnsel, zeide ik, zijn zij hoogst belangrijk â zoo ging het altijd in den gods-dienstigeu partijstrijd. In het stelseltje der Joden-christenen was geen plaats voor de ruime levens- en wereldbeschouwing van Paulus; dus moest deze uit den booze zijn. Laten wij hen niet lichtvaardig veroordeelen. Onze tegenwoordige kerkelijke en sclioolsche partijen zijn niet wijzer. In hun stelseltje is geen plaats voor do wereld van feiten die het Spiritisme en Magnetisme aan iiet licht hebben gebracht â dus moeten allen die op redelijke gronden die feiten erkennen als zielekrunkeu worden geteekend. Nu begrijpen wij ook, waarom de gi'oote Meester zijne tegenstanders zoo dikwijls te gemoet treedt met de harde beschuldiging : Gij geveinsden! â Geveinsdheid ligt op den bodem van al dat vertoon dat men maakt togen het Spiritisme, alsof men het te bespottelijk vindt om het ernstig te onderzoeken. Het is eigenbelnng 't welk dat masker te hulp neemt, daar men anders zijn stelseltje zou moeten herzien â en bij dien eisch is men te moede alsof men zijn leven zou verliezen â en dat wil men niet â al is het ook de voorwaarde om zijn loven te behouden.
Reeds meer dan 40 jaren worden over de geheele wereld waarheden verkondigd die bestemd zijn de menschen te verlossen uit de tegenstrijdigheden, waarin zij gevangen zitten en hen die als verweesde kinderen zijn tot hun hemelschen Vader terug te brengen. Tientallen van millioe-nen zijn er door ten leven ontwaakt.; maar alle kerkelijke en sclioolsche partijen gaan onverschillig en koelbloedig, ja hardnekkig voort die waarheden te verloochenen en te versmaden, en zoo zij konden, zouden zij ze vermoorden. Wat zouden diezelfden gedaan hebben in de dagen van Jezus en Paulus? ââ Op die vraag een zuiver antwoord te zoe-
112
ken is nuttiger dan de Farizeërs en de Joden-cliristenen lichtvaardig te veroordeelen. ')
Ik beroep mij op mijn leven, mijne geschriften ten bewijze dat ik alles wat de moderne theologie waars geleerd, schoons geleverd, goeds voortgebracht hoeft, zooveel ik er mij mee bekend heb kunnen maken, ten volle erken en dankbaar waardeer. Als haar leerling heb ik dit werk geschreven. Slechts heb ik hare ware grondstellingen zuiverder bewaard, trouwer toegepast dan de moderne theologen; slechts heb ik den zuurdeezem harer heillooze dwalingen uitgezuiverd. Ik heb mij ontvankelijk gesteld voor de nieuwe waarheden die de hemelsche Vader, die tot nu toe werkt, ons in deze dagen heeft geopenbaard ; en als Zijn leerling heb ik Hem als onzen hoogsten Leermeester weder aan de wereld bekend gemaakt. Maar dat woord verstonden mijne ambtgenooten niet; en daarom zeide ik dat zij dienaren zijn van een dooden God.
De hevigheid, waarmee door het Spiritisme de partijstrijd herleeft, kan ons den waren aard van den strijd der oudste christelijke partijen leeren begrijpen.
Welke uitbarstingen van woede, welke knarsende wanklanken , welke helsche verwenschingen hebben wij gehoord ! Men moot het door ervaring weten dat er eon rechtzinnigheid is die den lijdzaamsten mensch tot het uiterste drijft om te begrijpen wat het was dat aldus de warmste jongeren van Jezus in het harnas joeg! Het is goed dat men zulks
1) Om do verantwoordelijkheid der Joden te beoordeelen voor het niet aannemen der leer van Onzen lieer, bedenke men dat «slechts een klein gedeelte daarmeê bekend kon wezen, en onder dezen waren er maar enkelen die het begrepen. Al de Joden waren zoo volkomen doordrongen, do'r opvoeding en onderwijs, van het denkbeeld van een aardscben Messias, dat bet verwondering moet baren dat er nog gevonden werden die dat denkbeeld loslieten; ook is dat gedurende het leven van Christus bijna niet geschied. Eerst na zijn dood begonnen velen het van die zijde in te zien. Tot de weinigen die het reeds vroeger begrepen hadden behoorde de Apostel Johannes.quot; (Commentaar van Rose.)
113
heeft ondervonden ; men moet alles leeren begrijpen. Maar om het geheel te begrijpen moet men ook dit bij ervaring weten dat alleen de hoogste waarheid in staat is om zoo diep de gemoederen te beroeren. En als men zijne kalmte herkregen heeft, zoodat men weder een open oog heeft voor de deugden en verdiensten van zijn tegenstanders, dan zal men ook dit begrijpen dat in het Nieuwe Testament de kreten van den gloeiendsten haat en de uitbceze-mingen der teederste liefde naast elkander liggen, ja, gelijktijdig worden geslaakt. Alleen zulk een liefde kan zoo haten. Het is een bekend zeggen dat pessimisten teleurgestelde idealisten, menschenhaters diep gegriefde nienschen-vrienden zijn. Die zelfde partijen die elkander satanskinderen en adderengebroedsel scholden zijn het die het Nieuwe Testament hebben geschreven â dus het meeste gedaan om de wereld te zaligen. Nu zal men ook begrijpen dat de partijstrijd het hevigst woedt tusschen hen die elkander het naast verwant zijn.
Elize van Calcar, het hoofd der Spiritualisten in Nederland, is de felste bestrijdster van de leer der wedergeboorte die door de Spiritisten wordt gepredikt. Zij die met ons het werkdadig verkeer der mensehen â en Geestenwereld erkent, zij die aan de mededeelingen van gevorderde geesten de schoonste onthullingen dankt, zij begrijpt de waarde van het Geesten-onderwijs. Wat is natuurlijker dan dat zij dit zuiver wil houden? Maar de wedergeboorte past niet in haar stelsel (dat altijd min of meer orthodox is); en nu beweert zij dat de leer der wedergeboorte uit den leugen is, nu meent zij een verdienstelijk werk te doen door van die leer (die zij nooit begrepen heeft) karikaturen te maken; en op hare dogmatiek doordravende ontziet zij zich niet te beweren dat het Spiritisme tot atheisme leidt. Gelooft zij dit werkelijk? Of bedriegt zij zich met valsche overleggingen ? De Spiritisten blijven er nog al kalm onder en zeggen dat zij op dit punt kleurenblind is.
Hoe majestueus zweeft boven dien partijstrijd de gestalte
8
114
van Christus! â En zoo de strijdende partijen in hun waanzin ook hem met hun slijk hebben bezoedeld, zoo de orthodoxie nog in onze dagen dat slijk bijeenraapt om daaruit het dogma te kneeden der eeuwige verdoemenis, dan is het meer dan tijd, dan is het dure plicht, zijn goddelijk beeld van dat slijk te bevrijden. Dat is het werk der ernstige kritiek; want ook zij is een gave des heiligen Geestes. Zonder Strausz zou de moderne theologie er niet geweest zijn; en de moderne theologie is eene der weg-bereidsters van het wetenschappelijk spiritisme.
Nog een woord ten slotte. Van al die ij veraars die steeds zoo vaardig waren hun tegenstanders aan de eeuwige verdoemenis over te leveren, heeft niet één de verborgenheid van het leven hiernamaals doorschouwd. Thans is de voorhang weggeschoven. En met een trouwe beschrijving van de straf die werkelijk den moedwilligen overtreder wacht willen wij dit Hoofdstuk besluiten.
Onze onderwijzende Geesten maken bij Matth. XII vs. 31 en 32 de volgende aanteekening.
âTe spreken en te lasteren tegen God geschiedde vroeger veel en ook nog in onze dagen door hen die God niet kennen; voor hen die weten dat Hij de absolute volmaaktheid is, is zulks onmogelijk.
âDe Godloochenaars kennen God niet en spreken over Hem in hunne onwetendheid en veeltijds met lichtzinnigheid. Het zijn dus alleen dezulken die Hem gebrekkig kennen of in de boosheid van hun hart wel God erkennen, maar Hem haten omdat zij Hem vreezen en dat is natuurlijk. De vrees is, wanneer men die in liooge mate order-vindt, onuitstaanbaar; het is eene foltering die den mensch krankzinnig kan maken en de Geesten in de Geestenwereld een rustelooze gejaagdheid doet ondervinden, waardoor zij voor alles vluchten, zich overal te vergeefs trachten te verbergen en van woede en wanhoop knarstandend God en alles verwenschen wat hen wil dwingen van hun booze bedoelingen en handelingen af te laten.
115
âDezulken zijn wel diep ongelukkig: maar God verlaat zijne kinderen nooit; Zijne liefde is diep bewogen met hunne onuitsprekelijke ellende; en in Zijne onmetelijke liefde is de redding van den rampzalige onherroepelijk besloten; alleen het moet door den zondaar zeiven verricht worden, en dat is niet gemakkelijk te verkrijgen.
âOp alle woede en vertwijfeling volgt uitputting; eu de zelfmoord kan geen verlichting aanbrengen; want die verplaatst den mensch wel in de Geestenwereld, maar niet buiten den invloed van de Geesten, die te zijner verbetering worden uitgezonden.
âDe reddelooze toestand van den ongelukkige brengt zijn verstand tot de overtuiging dat hij een dwaasheid heeft begaan, die met meer verstand en doorzicht vermeden had kunnen worden. Om daaruit te geraken huichelt hij onderwerping en berouw; maar die misleiding is onmogelijk; de onderwerping moet door boetedoening blijken; dat verwerpt hij hooghartig, maar dan blijft de ondragelijke toestand voortduren.
âDan volgen opnieuw woede, vertwijfeling en verwen-schingen, die door terugkeer tot berouw en beloften worden gevolgd en wel moeten eindigen met onderwerping en de bewijzen daarvan door boetedoening.
âDit verbetert onmiddelijk den toestand van den ongelukkige, en is de aanvang van een beter gedrag dat nog zeer ver is van goed te zijn; en hem aan vele nieuwe overtredingen bloot stelt; maar met vallen en opstaan komt de mensch altoos vooruit, en wat hij eens heeft bereikt in het zedelijke kan hij niet meer verliezen; daar mogen in het menschelijk tijdvak eeuwen toe gevorderd worden, eindelijk komt iedere ziel zoo ver dat zij naar een betere wereld kan overgaan.
âDaaruit volgt dat Mattheus dwaalt, wanneer hij zegt dat lasteringen tegen den Heiligen Geest (dat is God, want hij is de éénige Geest) niet vergeven worden. Dat zijn verkeerde begrippen die toen algemeen bestonden en nog niet verdwenen zijn,
116
âlu de menschelijke ziel zit een deel van God: hoe kan dat verloren gaan en voor eeuwig gestraft worden? Neen! alles wordt tot zaligheid opgeleid; maar wij moeten het door strijden en werken zelve bereiken; daarin zit de moeiehjkheid. Dat hebben de menschen gevoeld, en daaruit de zedelijke onmacht afgeleid; maar dat is eene dwaling; want wat moeiehjk is is daarom nog niet onmogelijk.
âDoor d?e dwaling is men tot de rampzalige leer van genade en verkiezing gekomen; en dat is meer dan een leugen; want dat is een laster die zoo grof is, die zoo indruischt tegen Grods oneindige liefde, die Hij zonder uitzondering voor al Zijne kinderen gevoelt, dat de ergste boosheid niets zou kunnen bedenken, dat God meer zou kunnen krenken, indien het ons mogelijk ware om Hem te beleedigen. Verwerp daarom geheel die leerstelling; want in dat alles is geen zweem van waarheid.quot;