LATIJNSCHE SPRAAKKUNST.
V.
GEDRUKT BIJ ED. IJÃÃ, TE LEIDEN.
- v i
9.
â »: 5 é
LATIJNSCHE
SPRAAK KM SI
DOOR
L. H. BOEKING,
OUD-LEERAAR AAN HET SEMINARIE HAGEVELD. Zesde verbeterde druk.
LEIDEN,
J. W. VAN LEEUWEN.
üitgeïer en Antiquar. Boekhandel. Hoogewoerd 89.
1897.
I N L E 11) I N G,
De Latijnsche spraakkunst of grammatica leert de Latijnache taal juist verstaan, en zuiver schrijven en spreken.
Zij bestaat uit drie deelen :
I. de woordvorming of etymoiogia. Deze leert de eigenschappen, de veranderingen en de afleiding kennen der w o o r d e n.
II. de woordvoeging of syntaxis. Deze bevat de regels, volgens welke de woorden tot zinnen en deze tot een rede worden verbonden.
III. de versbouwkunde of prosodia. Deze maakt ons bekend met de lengte der lettergrepen en hoe de woorden tot verzen worden samenaevoeed.
ETYMOLOGIA.
EERSTE HOOFDSTUK.
OVER DE UITSPRAAK DER LETTERS EN DEN KLEMTOON DER LETTERGREPEN.
§ I. De Latijnsche taal heeft dezelfde klinkers (vocales) als de Nederlandsche met uitzondering van de ij. Daarentegen komt in verscheidene woorden de Grieksche y (ypsilon) voor, welke evenals de Nederlandsche i wordt uitgesproken. B.v. pyra (pira), brandstapel , c y c n u s (cicnus), zwaan.
§ 2. De gebruikelijkste tweeklanken (diphthongi) zijn ae, au en oe. Zij worden uitgesproken als de Nederlandsche ee, ou en eu. B.v. aestas (eestas), zomer, au rum (ourum), cjoud, poena (peuna) straf.
Zoo a e en o e geen tweeklank vormen, zet men boven de e het scheidingsteeken (diaeresis). B.v. poëta, dichter, aër, lucht.
De tweeklank e u, welke als u i wordt uitgesproken, komt behalve in Grieksche woorden, zooals Perseus (eigennaam), eurus, oostenwind, slechts voor in neuter, cjeen van beiden,
alsmede in heus, he, hei, heu en eheu, ach, eeu, evenals, »eu, uf, n e u , en dat niet en n e u t i q u a m, volstrekt niet.
In alle overige woorden behooren de e u tot twee lettergrepen. B.v. malleus (malle-us), hamer.
De tweeklank ui komt slechts voor in hui, he, phui, foei eii bij dichters in huic en cui.
De tweeklank ei wordt slechts aangetroffen in hei, ach. In alle overige woorden spreekt men de ei gescheiden uit. B.v. mallei (malle-i), hamers.
Den Nederlandschen tweeklank ie vindt men niet in het Latijn. Men spreke derhalve het woord hod ie, heden, in drie lettergrepen uit.
Letters, Uitspraak.
7
§ 3.
§ 3. De medeklinkers (consonantes) zijn met uitzondering van de w in het Latijn dezelfde als in het Nederlandsch. De j, die alleen by het begin eener lettergreep vóór een klinker voorkomt, wordt door sommigen als i geschreven. B.v. Janus (eigennaam), iniuria, onrecht. De h wordt niet als consonant beschouwd, maar als het teeken eener aanblazing der volgende vocaal en wordt dan ook dikwijls weggelaten. B.v. Hannibal en Annibal. De k komt slechts-voor in Kalendae, de eerste dag der maand, en in de eigennamen Kaeso en Karthago.
üc c werd vroeger ook voor g gebruikt. Van dit gebruik is de afkorting C. en Cn. van Gajus on Guaeus nog overgebleven.
Do consonanten worden verdeeld in :
liquidae of vloeiende: 1, in , n , r; en
m u t a e of stomme, waartoe alle overige consonanten behooren behalve de s, welke als sisklank op zich zelve staat en de j en v, die halfklinkers of semivocalcs worden genoemd.
De mutao worden verdeeld in:
I a b i a 1 e s of lipletters: b, p, f.
1 i n g u a I e s of tongletters: d, t.
gutturales of keelletters: c, g, k, q.
X en z worden d up 1 ices of dubbele consonanten genoemd. X staat voor es of gs en z voor ds of ts.
Wij spreken in het algemeen de medeklinkers in het Latijn juist uit gelijk in onze taal. Men lette echter op de volgende uitzonderingen.
C wordt als k uitgesproken vóór a, o, u. au, vóór een consonant en op het einde van een woord. B.v. cast ra, legerplaats, color, kleur, cura, zorg, causa, oorzaak, classis, vloot, lac, melk. In alle overige gevallen wordt zij uitgesproken als een scherpe s. B.v. cc ra, was, Cy.rus (eigennaam), coeptum, onderneming, vaccae (vaksee), koeien.
De q komt alleen voor in verbinding met u en wordt met deze vocaal uitgesproken als kw. B.v. aqua (akwa), water.
Gu voorafgegaan door n en gevolgd door een vocaal wordt uitgesproken als g w , alzoo tweelettergrepig : 1 i n g u a (liti-gwa), tong, sanguis (san-gwis), hloed. Zoo er geen n voorafgaat, volgt men de uitspraak van onze taal, alzoo drielettergrepig: arguo (ar-gu-o), ik beschuldig, vijflettergrepig: exiguitas (ex-i-gu-i-tas), geringheid.
Su vóór een vocaal staande wordt uitgesproken als sw in su ad e o (swadeo) , ik raad aan, sua vis (swavis), aangenaam en suesco (sweaco), ik word gewoon, anders alssn. B.v suus (su-us), zijn, sues (su-es), zwijnen.
8 Quaniiteit, Klemtoon. § 4â5.
ïi wordt gewoonlijk uitgesproken als t i. B.v. Tiberius (eigennaam) , t o t id e m , even zoocelen, h o r t i, tuinen.
Ti wordt echter als tsi uitgesproken, wanneer er een vocaal op volgt [B.v. ratio (ra-tsio), reden, motio (mo-tsio), beweging] behalve in de vier volgende gevallen, waarin ti de Nederlandsche uitspraak behoudt:
lo. wanneer s, t of x voorafgaat. 13. v. ostium, haven, At tins (eigennaam), inixtio, vermenging.
2°. in totlus.
3°. in Grieksche woorden. B.v. Miltiades.
4°. iu den verouderden infinitivus op er. B.v. qua tier. Vs'l. § 117. c.
§ 4. Een lettergreep is lang of kort. Ter aanduiding hiervan kan men het teeken â boven een lange en het teelten - boven een korte lettergreep plaatsen. B.v. mensa, tafel.
Ofschoon de leer van do lengte of quaniiteit der lettergrepen eerst behandeld wordt in het derde deel der grammatica, zoo zij hier met het oog op de uitspraak het volgende opgemerkt.
Een lettergreep is lang:
1u. wanneer zij een diphthong bevat. B.v. poena, straf, caüsa, oorzaak.
2°. wanneer zij eindigt op een consonant en de volgende lettergreep begint met, een c o n s o n a n t. B.v. ille, deze, ar ma, wapenen.
3°. wanneer zij eindigt op een vocaal en de volgende lettergreep begint met j, x, z. B.v. major, grooter, axis, as, gaza, schat.
4°. gewoonlijk ook wanneer zij eindigt op een vocaal en de volgende lettergreep begint met twee consonanten, waarvan de tweede niet is 1 of r. B.v. rëstis, strop, doch as sec la, hijloo-per, volücris, vogel.
Een lettergreep is kort, wanneer zij op een vocaal eindigt en de volgende lettergreep met een vocaal of h begint. B.v. dubium, twijfel, nihil, niets.
§ 5. Om een woord van twee of meer lettergrepen behoorlijk uit te spreken moet men op een dezer lettergrepen den klemtoon leggen. Zoo zegt men ook in het Nederlandsch: vader, bewónderen, bewegen. In het Latijn volgt men hierbij deze regels.
10. Bij een woord van twee lettergrepen valt de klemtoon altijd op de eerste. B.v. rhétor, redenaar, h o m o, mensch, 1) é u s. God.
Afbreken. Recledeelen.
2°. Bij een woord van drie of meer lettergrepen valt de klemtoon op de voorlaatste of paen ultima, zoo deze lang is en anders op de derde van achteren ofantepaenultima. B.v. pal urn bes, houtduif, gratia, yanst. Vgl. § 15. 3 en 4 A.
Aanmerking. De achtervoegsels ne, que, ve, oe maken dat de klemtoon op de paenultima valt, uiettegenstaaude deze kort is. Men zegge dus: omniaque, patréve. Alleen zoo door aanhechting van que een nieuw woord ontstaat, zooals déuique uit deinque, volgt nien den gewonen regel. Men onderscheide dus ft a que, derhalve van itaque, m zoo, litique, voorzeker van uti'que, en opdat. Om de gelijkvormigheid met utérqueen plerfque zeggen sommigen altijd utraque en pleraque, ofschoon hier door aanhechting van q u e een nieuw woord ontstaan is.
Bij de composita van facio, waarin de a blijft, zooals calefacio, benefacio, heeft de lettergreep f a, zoo zij p a en ultima is, den klemtoon. B.v. calefaeitj benefacit.
TV ijl het van het hoogste belang is om van jongs af de woorden juist uit te spreken, zullen wij voor de eerstbeginnenden hij de drie- en meerlettergrepige woorden op de paenultima het tee-ken ~ of zetten, wanneer hare quantiteit niet uit de regels van § 4 kan afgeleid worden.
§ 6. De volgende regels loeren hoe men de woorden op het einde van een regel gewoon is af te breken.
1°. Twee vocalen, die geen diphthong vormen, behooreu tot twee lettergrepen. B.v. De-us.
2°. Samengestelde woorden scheidt men volgens de deelen, waaruit zij zijn samengesteld. B.v. ab-utor, re-spondeo, di-sto, dis-traho, abs-condo, ab-scindo, tran-scrlbo, su-spicio, pot-est, long-aevus, magn-animus, anim-ad verto.
De welluidenheidshalve aangehechte d van prod, red, sod behoort bij het voorvoegsel. B.v. prod-ire, red-ire, sed-itio.
3°. Een consouant, die tusschen twee vocalen staat, behoort bij de tweede lettergreep. B.v. A-le-xander, e-le-ge-ram.
4°. Wanneer meerdere consonanten, waarmede een Latijnsch woord kan beginnen, bij elkander staan, moeten zij bij de volgende lettergreep gevoegd worden. Men schrijve dus: n u-cl e us (elarus), a-cri s (crassus) fi-glTnus (gloria), va-fre (frater), i-gnis (gnarus), a-gri (gratia), po-ples (placeo), a-pnlis (primus), ma-tris (trans), e-s ca (scio), ve-spa (spatium), fu-stis (sterno), ca-stra (stringo). Kunnen meerdere consonanten niet aan het begin van een Latijnsch woord staan, dan worden zij gescheiden. B.v. doc-tus, tinc-tus, om-ni s, scrip-si, scrip-tum, mon-strum, val-lis, an-nus.
Aanmerking. Griekse he woorden breekt men af volgens de Grieksche regels. B.v. Me-mnon, Ae-gy-ptus, di-phthon-gus.
9
Nomina, Substantivum.
§ 7-9.
10
TWEEDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERDEELING DER WOORDEN.
§ 7. Volgens hunne beteekenis worden de woorden verdeeld in drie hoofdsoorten: nomina, naamwoorden, verba, werkwoorden, en particülae, kleine rededeelen.
§ 8. De nomina worden verdeeld in: substantïva, zelfstandige naamwoorden, adjectïva, bijvoegelijke naamwoorden, numeralia, telwoorden en pronomina, voornaamwoorden.
De nomina worden in het Latijn evenals in het Nederlandsch verbogen of gedeclineerd. Hierbij doet zich echter een belangrijk onderscheid voor. In het Nederlandsch geschiedt de verbuiging èn door het lidwoord èn door zekere veranderingen van het naamwoord. In het Latijn daarentegen bestaat geen lidwoord en geschiedt de verbuiging alleen door het naamwoord te veranderen.
Het gemis van het lidwoord heeft ten gevolge, dat men bij de vertaling uit het Latijn in het Nederlandsch enkel uit den samenhang moet opmaken of men bij een naamwoord het bepalend of het onbepalend of geen lidwoord moet plaatsen. Vir bijv. kan beteekenen de man, een man of enkel man.
DERDE HOOFDSTUK.
OVER HET SUBSTANTIVUM IN HET ALGEMEEN.
§ 9. Het substantivum is of een algemeen zelfstandig naamwoord, nomen appellatïvum óf een eigen zelfstandig naamwoord, nomen proprium.
Een nomen appellativum is een naam, welke aan alle voorwerpen van dezelfde soort gemeen is. B.v. arbor, hoorn, homo, mensch.
Een nomen proprium is een naam, welke slechts aan één voorwerp van dezelfde soort eigen is. B.v. Bucephalus (de naam van het bekende paard van Alexander den Groote), Athënae (de naam eener stad).
De substantïva worden ook verdeeld in nomina concrëta en abstracta.
Een nomen concretum is de naam van een zinnelijk waarneembare zaak of persoon. B.v. arbor, hoorn, son ex, grijsaard.
§ 10â11. Geslacht, Stam, Declinaties. 11
Een nomen abstractum is de naam van een zaak, welke niet zinnelijk waarneembaar is. B.v. se neet us, ouderdom, corruptie, verleiding.
Vervolgens noemt men:
collectiva de substantiva, die een verzameling aanduiden van personen of zaken. B.v exercïtus, leger, gr ex, h'dde.
patronymïca de eigennamen, die een persoon aanduiden als iemands zoon, dochter of afstammeling. B.v. Pelides, eemoon van Peleus.
gen tilia de eigennamen, die de bewoners van een stad of land aanduiden. B.v. A t lienie nsis, een Athener.
deminutiva de woorden, die een verkleining te kennen geven. B.v. a g e 11 u s, akkertje.
§ 10. De Latijnsche substantiva hebben drie geslachten of genera:
het mannelijk geslacht, genus masculinum, het vrouwelijk geslacht, genus feminïnura.
het onzijdig geslacht, genus neutrum.
Het getal of numerus is enkelvoudig of singularis en meervoudig of pluralis.
De verbuiging geschiedt in zes n a a m v a 11 e n of c a s u s. Zij zijn: nominatïvus, de naamval van het onderwerp.
genetïvus, de naamval, die aanduidt van wien iets is. datïvus, de naamval, dien wij aangeven door de voorzetsels aan of voor.
accusativus, de naamval van het voorwerp.
vocatlvus, de naamval, waarmede meu ,iemand aanspreekt, ablatlvus, de naamval, dien wij aanduiden door de voorzetsels met of door.
Aanmerking. De nominativus en vocativus worden casus recti genoemd en de overige naamvallen casus obllqui.
§ II. Een substantivum bestaat uit een gedeelte, dat stam en een gedeelte, dat uitgang genoemd wordt.
De stam is dat gedeelte, hetwelk overblijft, wanneer men den uitgang van den genetivus singularis wegneemt. B.v. pater, genetivus p a t r i s , stam p a t r.
Zouder iu verdere bijzonderheden te treden wenschen wij echter op te merken, dat de uitgang, zooals deze zich thans vertoont, iu vele gevalleu met de laatste letter van den stam is verbonden of samengesmolten. Eigenlijk toch gaat de stam der lste decliuatie uit op a, die der 2de op o, die der 3d'1 op een consouaut of i, die der 4d0 op u en die der 5dl! op e.
Eerste declinatie.
De naamvallen van een substantivum worden gevormd door achter den stam zekere uitgangen te voegen. Deze uitgangen zijn niet dezelfde voor alle woorden, maar worden tot vijf soorten teruggebracht. Hierdoor ontstaan vijf declinaties.
Om te weten volgens welke declinatie een substantivum verbogen wordt ziet men naar den uitgang van den genetivus singularis. Deze is in de
1ste declinatie a e.
9de i
- âi.
â is.
4de n u s.
SJ0 â ei.
Alle declinaties hebben het volgende gemeen.
1°. De neutra hebben in het enkelvoud en in het meervoud den nominativus, accusativus en vocativus aan elkander gelijk en deze naamvallen gaan in het meervoud uit op a.
2°. Alle substantiva hebben in het meervoud den vocativus aan den nominativus en den ablativus aan den d a t i v u s gelijk.
VIERDE HOOFDSTUK.
OVER DE REGELMATIGE DECLINATIES.
De eerste declinatie.
§ 12. De Latijnsche woorden der eerste declinatie gaan in den nominativus singularis uit op a.
De uitgangen dezer declinatie zijn:
|
S i n g u 1 a r i s. |
P1 u r a 1 i | ||
|
X o in. |
a |
X o m. |
ae |
|
Gen. |
ae |
Geu. |
arum |
|
Dat. |
ae |
Dat. |
is |
|
A cc. |
am |
A c c. |
as |
|
Voc. |
a |
Voc. |
ae |
|
Abl. |
a |
Abl. |
i s |
|
Voorbeeld |
van verbuiging. | ||
Singularis. Pluralis.
Xoni. mensa, de- tafel. mensae, de tafels.
Gen. mensae, van de tafel. mensa rum, van de tafels. Dat. mensae, aan of voorde tafel, mensis, aan of voor de tafels.
A cc. mens am. de tafel. mensas, de tafels.
Voc. mensa, o tafel. mensae, o tafels.
Abl. mensa, met of door de tafel, mens is, met of door de tafels.
12
Eerste declinatie.
Voorbeelden ter oefening.
ala, f. vleugel; aqua, f. water; ara, f. altaar; barba, f. haard; fortüna, f. geluk; incöla, m. inwoner; penna, f. m/tr;poëta, m. dichter; porta, f. poort; silva, f. bosch; stclla, f. ster; testa, f. scherf.
Aanmerking I. De vrouwelijke woorden dea, (jodin en filia, dochter hebben in den dat. en abl. plur. dea bus en filiabus, om hen te onderscheiden van de mannelijke woorden deus, (joden filius, zoon, der tweede declinatie. Zoo de beteekenis van godinnen en dochters uit den samenhang duidelijk is, zegt men d: i s en filiis.
Aanmerking II. Het woord fa mil ia, huisgezin, heeft zeer dikwijls in den gen. sing, den uitgang as, wanneer het voorafgegaan wordt door pater, vader, mater, moeder, filius of filia. B.v. filia familias, de dochter des huisgezins
Aanmerking III. Bij dichters gaat de gen. sing, soms 'lit op ïïi. B.v. aula, het hof, aulïli.
§ 13. De Griekse he woorden der eerste declinatie gaan inden
nominativus singularis uit op e, as, es. Die op e hebben in den
genetivns es.
Voorbeelden van verbuiging.
1.
Singularis. Pluralis.
Nom. ode, het gezang. odae, de gezangen.
Gen. odes, van het gezang. odarum, van de gezangen. Dat. odae, aan of voor het gezang, odis, aa» of voor de gezangen. Acc. oden, het gezang. odajï, de 'gezangen.
Voc. ode, o gezang. odae, o gezangen.
Abl. ode, met oï door het gezang, odis, met of door de gezangen.
2.
Nom. tiaras, de haarband. tiarae, de iutarhanden.
Gen. tiar a e, van den haarband, tiar a rum, van de haarbanden. Dat. tiar a e, aan of voor den haarb. tiar i s, aan of voor de haarb. A cc. tiar a n, den haarband. tiar a s, de haarbanden. Yoc. tiara, o haarband. tiarae, o haarbanden.
Abl. tiara, met of door den haarb. tiar i s, met of door de haarb.
3.
Nom. satrfipes, de landvoogd. satrap a e, de landvoogden. Gen. satrap a e, van den landvoogd, satrap arum, van de landvoogden. D a t, satrap a e, aan of voor den ld. satrap i s, aan of voor de landv. A cc. satrap e n , den landvoogd, satrap a s, de landvoogden. Voc. satrap e, o landvoogd. satrap a e, o landvoogden.
Ab!. satrap e, met of door den ld. satnlp i s, met ot door de landv.
13
Tweede declinatie.
§ 14-15.
14
Voorbeelden ter oefening.
aloë, f. aloë; crambe, f. kool; epitome, f. uittreksel; isagoge, f. inleiding; Lethe, f. (eigennaam); boreas, m. noordenwind; Aeneas, m. (eigennaam); anagnostes, m. voorlezer; cometes, m. staartster; dynastes, m. opperheer ;pyrites, m. vuursteen; Anchïses, m. (eigennaam).
Aanmerkingen. De namen van steden op e zooals Sinöpe hebben in den gen. sing, op de vraag waar den uitgang ae. B.v. S i ii 5p a e, te Sinope.
De woorden op as hebben dikwijls am in den acc. sing.
Vele Grieksche woorden op e eu es nemen zoowel in den nominativus als in de overige naamvallen do Latijnsche uitgangen aan.
De tweede declinatie.
§ 14. De Latijnsche woorden der tweede declinatie gaan in den nominativus singularis uit op er, ir, us, um. De woorden op um zijn onzijdig. De uitgangen dezer declinatie zijn: Singularis. Pluralis.
Masc. en Pem. Neutrum. Masc. en Fem. Neutrum.
Nom. er, ir, us, um No ra. i a
Gen. i Ge n. orum
Dat. o Dat. is
A cc. um A cc. os a
Voc. er, ir, e, um Voc. i a
Abl. o Abl. is
§ 15. Voorbeelden van verbuiging.
1.
Singularis. Pluralis.
Nom. puer, de knaap. puëri, de knapen.
Gen. puëri, van den knaap. puerürum, van de knapen. Dat. puer o, aan oïvoor den knaap, puer i s, aan of voor de knapen. A cc. puërum, den knaap. puer os, de knapen.
Voc. puer, o knaap. puëri. o knapen.
Abl. puGr o, met of door den knaap, puer i s, met of door de knapm.
Aanmerking. Evenals puer worden ook verbogen:
adulter, m. echtbreker. presbyter, m. priester.
gener, m. schoonzoon. .soeer, m. schoonvader.
1 i b ë r i, m. kinderen (enkel meerv.). vesper, m. avond.
Liber. bijnaam van Bacchus, heeft Libëri; Celtïber eu Iber, twee volksnamen, hebben ëri; Muleïber, bijnaam van Vulcanus, heeft Mulcibëri en Mulcïbri.
Tweede declinatie.
15
§ 15.
Alle overige substantiva op er der tweede declinatie stooten de e uit. Zij gaan naar het volgende voorbeeld.
Nom. ager, de akker. agri, de akkers.
Gen. agri, van den akker. agrorura, van de akkers.
Dat. agr o, aan of voor den akker, agr i s. aan of voor de akkers. Ace. agrum, den akker. agros, de akkers.
Voc. ager, o akker. agri, o akkers.
Abl. agr o, met of door den akker, agris, met of door de akkers.
2.
N o m. vir, de man. vir i, de mannen.
Gen. viri, van den man. vir o rum, van de mannen.
Dat. vir o, aan of voor denman. viris, aan of voor de mannen.
Ace. virum, den man. viros, de mannen.
Yoc. vir, o man. viri, o mannen.
Abl. viro, met of door den man. viris, met of door de mannen.
Aanmerking. Volgens vir worden verbogen de substantiva, die samengesteld zijn met vir, zooals decemvir, tienman, alsmede levir. zwager, en T re vir (volksnaam).
3.
Nom. popülus, het volk. popüli, de volken.
Gen. popüli, van het volk. populo rum, van de volken.
Dat. populo, aan of voor het volk. popülis, aan of voor de volken.
Acc. popülum, hei volk. popülos, de volken.
V o c. popul e, o volk. popül i, o, volken.
Abl. populo, met of door het volk. popüli s, met of door de volken.
Aanmerking. De Latijnsche eigennamen op ius en
jus, alsmede filius, zoon, en genius, beschermgeest, gaan in
den voc. sing, uit op i in plaats van op ie en je. Ueze vocati-
vus op i heeft den klemtoon altijd op de voorlaatste. 13.v. Vir-
gilius, Virgili, Gajus, Gai, Pompëjus, Pompei, tilius, fili.
De Latijnsche eigennamen op ius, die eigenlijk adjectiva zijn,
zooals Pi us, alsmede de Griekse he eigennamen op ius, zooals
Arïus, hebben den voc. regelmatig, derhalve Pie, xVrle.
Deus, God, wordt aldus verbogen.
Nom. Deus. Dii, ook Di, zelden Dei.
Gen. Dei. Deöruin,
D a. t. Deo. D i i s , ook Dis, zelden Deis.
Acc. Deum. Deos.
Voc. Deus. Dii, ook Di, zelden Dei.
Abl. Deo. Diis, ook Dis, zelden Deis.
Tweede declinatie.
16.
16
4.
X o m. bellum, de oorlog. bell a, de oorlogen.
Gen. belli, van den oorlog. bellöruin, van de oorlogen.
Dat. bell o, aan of voor dm oor for/, bell i s, aanoi voor de oorlog en.
A cc. bellum, den oorlog. bell a, de oorlogen.
Voc. bellum, o oorlog. bell a, o oorlogen.
Abl. bell o, met of door den oorlog. bellis, niet of door de oorlogen.
Aanmerking. De substantiva op i u ni en ius hebben in den gen. sing, soms i in plaats van ii. Ook hier valt Je klemtoon altijd op de voorlaatste. B.v. consilium, consili, Appius, Appi.
Voorbeelden ter oefening.
aueter, m. zuidenwind-, culter, m. mes; faber, m. werkman-, gener, m. schoonzoon-, liber, ra. hoek-, magister, ra. meester-, triumvir, in, drieman-, centumvir, ra. honderdman-, annus, m. jaar-, campus, ra. veld; cibus, m. spijs-, domlnus, ra. heer; genius, ra. beschermgeest; Horatius, ra. (eigennaam); ocülus, ra. oog; rustlcus, ra. boer; ser-vus, ra. slaaf; ventus, m. wind; donura, geschenk; exeraplura, voorbeeld; furtum, diefstal; officiura, plicht; pocitlura, beker; proe-liura, gevecht.
§ 16. De Grieksche woorden der tweede declinatie gaan uit op eus, os, on. De woorden op on zijn onzijdig.
Voorbeelden van verbuiging.
|
Singularis. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Derde declinatie.
§ 17â19.
17
Voorbeelden ter oefening.
Athreus, m. Morpheus, m. Orpheus, m. Delos, f. Naxos, f'. Samos, f. (eigennaam); Arctos, f'. heergesterntt, colon, punt; idolon, beeld; symposion , (jastmaal.
§ 17. Do Griokscho eigennamen op eus hebben in den ace. siug. ook ea. B.v. Per sea.
Sommige Grieksehe eigennamen op os hebben in den gen. en ace. sing, somtijds o. B.v. Athos, A the.
De GriekscLe eigennaam Pan thus heeft in den voc. sing. Pant hu.
In den gen. plur. van oorspronkelijk Grieksehe woorden vindt men soms bij titels van boeken den üitgang on. B.v. Libri georgicon, hoeken over den landbouw.
§ 18. Sommige substautiva der eerste en tweede declinatie hebben in den gen. plu r^ um in plaats van ar urn of or um, en wel gewoonlijk:
1°. do namen van muuton, maten en gewichten, zoo zij een telwoord bij zich hebben. B.v. duo milia sestertium (van sestertius, een geldstuk van 8 of 9 centen Kederlandsch); tria milia am-phörum (van amphora, een Romeinsche inhoudsmaat van ongeveer een ton). Zoo deze substautiva geen telwoord bij zich hebben of zoo het telwoord ui et dient om de hoeveelheid van hot geld, de maat of het gewicht te bepalen, moet men den uitgang arum of' orum behouden. B.v. j^otao duorum hor um nummorum diversae sunt, c?e stempels dezer twee ijeldstulcken zijn verschillend.
2°. oenige woorden en uitdrukkingen, zoöals: praefectus socium, hoofd der hondgenooien, praefectus fabrum, hoofd-der werklieden, duumvïrum, t r i u m v ï rum, dikwijls 1 i b e r u m , soms d e u ra, zooals in de spreekwijze pro deum atque h o m)iïAi m fidem, hij der goden en menschen trouw.
3°. soms ook en wel vooral bij dichters do namen van vre'emde volken en de composita op cola en gëna. B.v. Lapithum, Arglvnm, caelicölum, terrigënum.
Derde declinatie.
§ 19. De woorden der derde declinatie gaan in den nominativus singularis uit op een vocaal of op e, 1, n, r, s, t. x.
T)e st am der meeste woorden van deze declinatie kan alleen gevonden worden door is van den gen. sing, weg te schrappen. B.v. loo, leeuw, genetivus leönis, stam leon; carmen, gezang. genetivus car minis, stam car min; vox, stem, genetivus vocis, stam v o c.
Om derhalve oen substantivum van deze declinatie te kunnen verbuigen moet men den nom. en den gen. kennen. Zoo men niet zeker weet, hoe doze beide casus zijn, raadplege men altijd zijn woordenboek.
Derde declinatie.
19.
18
Pluralis.
Masc. en Fem. Neutrum.
N o m.
Gen.
D at.
Ace.
Voc.
Abl.
es
u m ibus
a a
es e s
ib u s
1.
De uitgangen dezer declinatie zijn: Singularis.
Masc. en Fem, Neutrum. Nom. verschillend.
Gen. is
Dat. i
Ace em â Nom.
Voc. = IV o m. =Nom.
Abl. e
Voorbeelden van verbuiging. Masculina en Feminina.
Singularis.
|
N o m. dolor, de smart. Gen. dolöris. Dat. dolor i. A cc. dolor em. V o c. dolor. A b 1. dolor e. |
comes, de makker. c omit is. comiti. comït e m. comes. comït e. P1 u ral is. |
imago, het beeld. imagïn i s. imagin e m. imago, imagin e. |
|
N o m. |
dolor e s. |
comité s.' |
imagïn e s. |
|
Gen. |
dolör u m. |
comitü m. |
imagïn u m. |
|
D a t. |
dolorïbus. |
comitïb u s. |
imagin i b u s |
|
A cc. |
dolör es. |
comités. |
imagin e s. |
|
Voc. |
dolor es. |
comït e s. |
imagi nes. |
|
Abl. |
dolori bus. |
comit 1 b u s. |
imagin i b u s, |
|
2. |
Neutra. |
Singularis. | |
|
N om. |
carmen, het |
gezany. genus, het get |
dacht. |
|
Gen. |
carmïn i s. |
generis. | |
|
Dat. |
carmïn i. |
genër i. | |
|
A cc. |
carmen. |
genus. | |
|
Voc. |
carmen. |
genus. | |
|
Abl. |
carmïn e. |
gener e. Pluralis. | |
|
N om. |
carmïn a. |
genër a. | |
|
Gen. |
carmïn u m. |
genëru m. | |
|
Dat. |
carminï bus. |
gener ï b u s. | |
|
A cc. |
carmïn a. |
genër a. | |
|
Voc. |
carmïn a. |
genër a. | |
|
Abl. |
carmin i bu s. |
gener ï b u s. |
V
§ 20â21. Derde declinatie. 19
Voorbeelden ter oefening.
aetas, atis, f. leeftijd-, agger, ëris, m. dam] anser, eris, m. gans-, artlfex, ïcis, m. kunstenaar; cadaver, ëris, n. lijk; caput, ïtis, n. hoofd-, corpus, oris, n. lichaam-, cuspis, Idis, f. punt\ custos, odis, m. wachter-, dux, ducis, m. aanvoerder-, I]urnen, ïnis, n. rivier-, heres, ëdis, m. erfgenaam-, lapis, idis, m. steen-, latus, ëris, n. zijde-, lepus, öris, ra. haas-, lex, legis, f. wet; miles, ïtis, m. soldaat] muiier, ëris, f. vrouw-, natio, önis, f. volksstam-, nepos, otis, m. kleinzoon; _nux, nucis, f. noot-, obses, idis, ra. gijzelaar-, ordo, Ãnis, m. rij; pectus, öris, n. borst-, pondus, ëris, n. gewicht; sermo, önis, m. gesprek: tempus, öris, n. tijd-, rex, regis, m. koning-, vigil, ilis, m. wachter-, virgo, mis, f. maagd.
§ 20. In den acc. sing, hebben im in plaats van era; 1°. de naraen van steden en rivieren en de Grieksche substantiva op is, die den gen. gelijk hebben aan den no ra. B.v. Neapölis, Neapölim, Tibëris, Tibërim, ha,a\s, grondslag, basira, poësis., dichtkunst, poësira.
2o. de volgende vrouweljjke substantiva, die insgelijks den gtn. gelijk hebben aan den nom.
altijd
am us sis, richtsnoer. sitis, dorst.
hn vis, ploegstaart. tussis, hoest.
r a v i s , heeschheid. vis, geweld.
Cuciimis, m. komkommer, heeft met. den gen. cucümis: cu-cümira, doch met den gejn. cucuraëris : cucumërem.
gewoonlijk
fe b r i s, koorts. r e s t i s, strop.
pelvis, hekken, seeüris, bijl.
puppis, achtersteven. turris, toren.
somtijds
b i p e u n i s, amp;y7. navis, schip.
cl a vi s, sleutel. ne p t i s, kleindochter.
mes sis, oogst. seraentis, zaaiing.
§ 21. In den abl. sing, hebben i in plaats van e:
lo. de substantiva, die in den ace. sing, im hebben. B.v. Neapöli, poësi, siti. Die met im en em hebben i en e en wel in dezelfde verhouding. Rest is echter heeft alleen res te, en seeüris alleen secüri.
20 Derde declinatie. § 22.
2°. de neutra op e, al, ar. B.v. mare, zee, mari, vectlgal, belasting, vectigali, calcar, spoor, calcari. Hiervan zijn uitgezonderd :
sal, salis, zout, yeestiyheid baccar, firis, wilde nardus.
(in sing. m. en n. in plur, m.). ju bar, ftris, glans.
far, farris, meel. h e p a r, fttis, lever.
nectar, aris, nectar.
alsmede de namen van steden op e, zooals Praeneste en rete , net.
3o. de namen der maanden op er en is. B.v, Aprllis, Aprili, September, S e p t e m b r i.
4°. de appellativa op is, die oorspronkelijk adjectiva zijn, zooals aequïilis, tijdgenoot, aequali. Maar de eigennamen op is, alsmede juvënis, jongeling, en gewoonlijk ook volucris, vogel en aedïlis, aediel, hebben e. B.v. Martialis, Martiale, Atheniensis, Athener, Atheniense.
5°. Imber, slagregen, beeft imbre en imbri. Ook vindt men den abl. op i in de volgende spreekwijzen: alicui aqua et igni inter-dieere, iemand het gebruik van water en vuur ontzeggen, in ballingschap zenden; ferro ignTque, te vuur en te zwaard; rur i, op het land; v esp ere en vesperi, des avonds; tem por i, bijtijds; luce en luci, op den dag; ten laatste somtijds bij sommige namen van steden op de vraag waar, zooals: Lacedaemöni, Carthagïni, en bij enkele parisyllaba op is, zooals: am nis, avis, civis.
§ 22. In den gen. plur. hebben ium in plaats van um:
1°. de neutra op e, alquot;, ar, die in den abl. sing, i hebben. Deze woorden gaan in den nom. ace. en voc. plur. uit op ia in plaats van op a. B.v. marium, mar ia. Evenzoo retium, retia.
2o. de parisyllaba (woorden, die in den gen. sing, evenveel lettergrepen hebben als in den nom.) op es en is. B.v. tur-ris, turrium, aequalis, aequalium, nubes, wolk, nubium.
Uitgezonderd zijn de volgende substantiva, die altijd um hebben: (ambages), f. omweg. Vgl. § 34. 3°. strues, f. stapel.
can is, m. hond. vat es, m. ivaarzegger.
juvënis, m. jongeling. volucris, f. vogel.
Apis, f. hij, men sis, m. maand, pan is, m. hrood en se des, f. zitplaats, hebben um en ium.
§ 22. Derde declinatie. 21
3°. de woorden :
caro, caruis, f. vleesch. uter, tris, m. lederen zak.
imber, bris, m. slagregen. venter, tris, m. buik.
linter, tris, f. boot.
4°. de monosyllaba (woorden van één lettergreep) die op twee of' drie consonanten uitgaan. B.v. mons, berg, mon-tium, stirps, stam, stirpium, alsmede de volgende monosyllaba, die op één consonant uitgaan:
as, assis, m. as (muntstuk). nix, nivis, f. sneeuw.
(faux) fauces, f. keel. Vgl. § 34. 3°. n ox, noctis, f. nacht.
glis, gliris, m. rat. os, ossis, n. been.
lis, litis, f. twist. par, paris, n. paar.
mas, maris, m. mannetje. strix, strigis, f. nachtraaf.
en gewoonlijk ook fraus, fraudis, f. bedrog, mus, mu.vis, m.
muis en lar, laris, m. huisgod.
Daarentegen hebben 1 y n x, losch, lincum, sphinx, sphinx, sphingum, gryps, grijpvogel, gryphum. Vgl. over ops § 24.
5°. gewoonlijk de twee- eu meerlettergrepige substantiva op ns en rs en de Latijnsche op nx. B.v. cliens, beschermeling, clientium, cohors (een legerafdeeling) cohortium, quincunx, (een gewicht van vijf Romeinsche onsen), quincuncium. Doch parens, dat in-het enkelvoud vader of moeder en in het meervoud ouders beteekent, heeft meermalen parentum.
6°. de volksnamen op as, atis en is,atis, zooals: Arpinas, Arpinatium, Samnis, Samnitium en gewoonlijk ook de meervoudige substantiva p e n a t e s, h uisgoden en o p t i m a t e s, aanzienlijken.
Dg appellativa op tas hebben soms iura. B.v. civitas, civitatum, soms civitatium.
Voorbeelden van verbuiging.
Neutra op e, al, ar. § 21. 2°. § 22. lo.
Singularis.
Nom. altare, het altaar, cervical, het hoofdkussen, cochlear, de lepel. Gr en. altaris. cervicalis. cochlearis.
Dat. altari. cervicali. cochlear!.
Acc. altare. cervical. cochlear.
Voc. altare. cervical. cochlear.
Abl. altari. cervicali. cochlear!.
Derde declinatie.
22
§ 22,
|
Pluralis. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Voorbeelden ter oefening.
ars, artis, f. kunst\ caro, carnis, f. vleesch-, familiaris, m. (oorspr. adj.) kennis; felis, f. kat; Charibdis, f. (gr, eigennaam); cinis, èris,
Derde declinatie.
23
§ 23â25.
m. mcii; December, bris, in. December-, fames, f. honger] mare, n. zee4, monlle, n. halsband-, mos, moris, m. gebruik; natalis, m. (oorspr. adj.) tjehnortedaij -, os, oris, n. mond; os,ossis,n. been; quies, ëtis, f. rust; Quiris, ïtis, m. (volksnaam); seeïiris, f. bijl] fons, fontis. m. bron; fraus, fraudis, f. bedrog-, juvënis, m. jongeling-, laquear, n. zoldering-, senex, senis, m. grijsaard-, sors, sortis, f. lot] tigris, is, m. (gr. subst.) tijger] tigris, idis, m. (gr. subst.) tijger-, Tigris, is, m. (eigennaam); tribnnal, n. rechterstoel] vas, vadis, m, borg; vectïgal, n, belasting] voluntas, atis, f. ivil.
§ 23. Do Grieksche ou vreemde eigennamen op es, gen. is hebben, zoo zij parisyllaba zijn, dikwijls ook i in den gen. sing. B.v. ïhemistocles, Themistoclis en Themistocli.
De Grieksche woorden op m a , zooals poe m a, 7ecZ«c/^; hebben in den dat. en abl. plur. gewoonlijk is in plaats van ibus. B.v. poömittis.
Sommige substantiva, die in den gen. plur. uitgaan op ium, hebben soms in den acc. plur. den uitgang is, en geheel verouderd eis (uit te spreken i s). B.v. a r t i s, kunsten, c i v i s (civeis), burgers.
De onzijdige namen van feesten, die enkel in het meervoud voorkomen, hebben in plaats van ium ook iorum in den gen. plur. B.v. Saturnalia, Saturn a Hum en Saturnaliorum.
§ 24. Juppïter heeft gen. Jovis, dat. Jovi, ace. Jovem, abl. Jove.
Bos, rund, gen. bovls, gaat in het enkelvoud regelmatig, maar in het meervoud: nom. ace. en voc. boves, gen. boum, dat. en abl. bubus, soms bobus.
Sus, zwijn, gen. suis, gaat regelmatig, doch heeft in den dat. en abl. plur. liever sub us dan sul bus.
Van vis, dat in het enkelvoud geweld, en in het meervoud krachten beteekent, bestaat in liet enkelvoud behalve den nom. slechts de ace. vim en de abl. vi. In het meervoud is de nom. ace. en voc. vires, de gen. virium, de dat. en abl. virïbus.
Van ops, dat in het enkelvoud hulp, en in het meervoud schatten beteekent, bestaat in het enkelvoud slechts de gen. opis, de ace. opem, en de abl. ope. In het meervoud gaat het regelmatig behalve in den gen. opum.
§ 25. Grieksche uitgangen.
Verschillende Grieksche woorden worden vooral bij dichters in sommige uaamvalleu op Grieksche wijze gedeclineerd. Zoo komen voor:
1°. de gen. sing, op os. B.v. Feleus, Peleos. In proza gebruikt men dezeu uitgang gewoonlijk bij Pan (de herdersgod), Panos.
De feminina op o zooals: echo, echo, Calypso, hebben gewoonlijk iu den gen. us. B.v. echus, Calypsus. Meestal blijven zij in de overige casus onverbogen.
z
24 Vierde declinatie. § 26.
2°. de ace. siug. op a. B.v. heros, held, heröa, Agamemnon, A g a m e m u ö n a. In proza gebruike men dezen vorm slechts bij a ë r, hirhf, aether, bovenlucht en P a n.
de a c c. sing, op in, y n, en. B.v. T igr i n, Ha 1 y n, Xer x en. De Latijusche uitgang is echter verreweg de verkieslijkste.
3°. De voc. sing, der Grieksche eigennamen op is, ys, eus wordt gevormd door wegvverping der s. B.v. Daphnis, Daphni, Tiphys, Tiphy, Orpheus, Orpheu. Die op is, idis hebben den voc. dikwijls gelijk aan den nom. B.v. Thai en Thais.
Van de mannelijke eigennamen op as, antis gaat do voc. uit op a. B.v. Calchas, C a 1 c h a.
De eigennamen op os hebben es of e. B.v. Achilles en Ac hi He.
4°. De neutra op o s hebben in den nom. en ace. plur. den uitgang e. B.v. eet os (een groote zeovisch), cete.
5°. Bij opschriften van boeken komt ook in deze declinatie soms de gen. plur. op on voor, B.v. metamorphoseon.
6°. Soms komt bij dichters de dat. plur. op si of sin voor. B.v. Lemniades, Lemniasi, Troas, Trottsin.
7°. Meermalen en somtijds zelfs bij goede prozaschrijvers hebben de ongelijklettergrepige Grieksche woorden den ace. plur. op as. B.v. phalanx, colonne, phalangas, Aethiops, Aethiöpas.
De vierde declinatie.
§ 26. De woorden dezer declinatie gaan uit op u s en u; die op u zijn onzijdig.
De uitgangen zijn:
Singularis. Pluralis.
Ma se. en Pem. Neutrum. M. en F. N.
Nom. us u Nom. us ua
Gen. us Gen. uum
I)at. ui ii Dat. i bus
Ace. um u Ace. us ua
Voc. us u Voc. us ua
Abl. u Abl. ibus
Voorbeelden van verbuiging.
Singularis.
f
5
| |||||||||||||||||||||
|
N o m. fruct u s. corn u a. Gen. fruct uum. corn u u m. |
Vijfde declinatie.
25
§ 27-28.
Dat. fructIbus. corn i b us.
A cc. fructus. cornua.
Voc. fructus. cornua.
A b 1. fruct I b u s. corn 1 b u s.
Voorbeelden ter oefening.
anus, f. oude vrouw\ cantus, m. gezang; currus, m. wagen; exer-citus, m. leger\ genu, n. knie; nurus, f. schoondochter] portïcus, f. galerij] socrus, f. schoonmoeder] transltus, m. overtocht] usus, m. gebruik] versus, m. vers; vultus, ra. gelaat.
§ 27. De volgende woorden hebben in den dat. en abl. plnr. ubus in plaats van ibus.
acus, f. naald. ])ecn, n. vee.
arcus, m. hoog. quercns, f. eik.
art us, m. gewricht. Vgl. § 34. 3°. s p e c u s, m. hol.
1 a c u s, m. meer. tribus, f. volksstam.
partus, m. geboorte. veru, n. braadspit.
Portus, haven, heeft ubus en ibus.
Aanmerking I. Domns, huis, wordt aldus verbogen: Singularis. Pluralis.
Nom. domus. domus.
Gen. domus, (domi, te huis.) domuum of domörum. Dat. domui, zelden domo. domlbus.
Acc. domum. domos, soms domus.
Voc. domus. domus.
Abl. domo, zelden domu. domïbus.
Aanmerking II. Bij sommige woorden vindt men soms den gen. sing, op i in plaats van op us. B.v. se nat us, senaat, sen at i, en den dat. sing, op u in plaats van op ui. B.v. equitatus, ruiterij, equitatu.
De neutra hebben somtijds in den gen. sing, u in plaats van us.
De vijfde declinatie.
§ 28. De woorden dezer declinatie gaan uit op es. De uitgangen zijn:
Singularis. Pluralis.
No m. es es
Gen. ei erum
Dat. ei ebus
A c c. e m es
Voc. es es
Abl. e ebus
Vijfde declinatie.
29â31.
26
Voorbeeld van verbuiging.
Singularis. Pluralis.
Nom. dies, dag. dies.
Gr en. diöi. dié rum.
Dat. diei. diëbus.
A cc. diem. dies.
Voc. dies. dietss.
Abl. die. diëbus.
§ 29. Slechts dies en res, zaak, hebben een volledig meervoud; van acies, slagorde, effigies, beeltenis, facies, gelaat, series, reeks en spes, hoop, komen bij goede prozaschrijvers in het meervoud slechts de nom. acc. en voc. voor. Van de overige woorden dezer declinatie zooals meridies, middag, glacies, ijs, bestaat geen meervoud. Deze woorden dienen tevens tot voorbeelden van verbuiging.
Aanmerking. In plaats van op ei ijaat de gen. sing, soms uit op e of i. Do dat. sing, gaat soms uit op e.
§ 30. Quantiteit van de paenuitima der uitgangen van de vijf declinaties.
1°. De voorlaatste lettergreep der dativi en ablativi op ibus en Ubus is kort. B.v. legïbus, quercubus; op abus en ëbus lang. B.v. filiabus, diëbus.
2°. De voorlaatste lettergreep der genetivi op arum, örum, ërum is lang. B.v. mensarum, puerörum, diërum.
3°. Van den uitgang ei der vijfde declinatie is de e lang, zoo er vóór e een vocaal staat. B.v. diëi; doch kort, zoo er vóór e een consonant staat. B.v. fidëi.
4°. De vocativi op ai en ëi van de eigennamen der tweede declinatie op ajus en ejus hebben de voorlaatste lettergreep lang. B.v. Gai, Pompëi.
VI JFDE HOOFDSTUK.
OVER DE ONREGELMATIGE DECLINATIE. § 31. Samengestelde declinatie.
Wanneer een substantivum samengesteld is uit twee woorden-, die beiden in den nom. staan, worden beide woorden gedeclineerd. B.v. respublfca, gemeenebest, gen. rèipublïcae, dat. reipu-blicae, enz.; j usj urandu in, eed, gen. j urisj urandi, dat. jurijurando, enz. Vgl. § 148.
Onregelmatige declinatie.
27
§ 32â33.
Zoo een substantivam samengesteld is uit twee woorden, waarvan het eene in den nom. en het andere in den gen. staat, wordt alleen het woord in den nom. gedeclineerd. B.v. juris-consultus, rechtsgeleerde, gen. juris co nsulti, dat. juris-consulto, enz. Evenzoo senatusconsultum, raadsbesluit, ple-bis c ï t u m, volksbesluit.
§ 32. Substantiva indeclinabilia.
Tot de substantival die niet verbogen kunnen worden, beboeren :
1°. de namen der letters, sommige vreemde woorden, zooals; manna en vele Griekse lie woorden op i en y. B.v. gummi, gom, asty, de stad (Athene). Van deze woorden bestaan echter meermalen verbuigbare bijvormen, zooals van gummi: g u m e n, Inis, g u m m a, Atis, g u m mis, is.
2°. vele vreemde, vooral Heb reeuwse he eigennamen, zooals: Judith, Bethleëm. Die eigennamen, welke een Latijn-schen of Griekse hen uitgang hebben, zooals Maria, Joannes, Judas worden naar de eerste of'derde declinatie verbogen.
Soms nemen vreemde eigennamen met onverbuigbaren uitgang-een Latijnse hen uitgang aan en kunnen dan verbogen worden. B.v. Abraham us, Judïtha. David, Daniel en Gabriel blijven in den nom. gewoonlijk onveranderd en worden verder regelmatig naar de derde declinatie verbogen. B.v. gen. Davïdis, Daniëlis, Gabrielis. Jesus heeft in den ace. Jesum, in de overige naamvallen Jesu.
§ 33. Singularia tantum.
Tot de substantiva, die sloekts in liet enkelvoud voorkomen , behooren :
1°. de namen van afgetrokken denkbeelden, die slechts e n k e 1-voudig gedacht worden, zooals de namen van deugden, ondeugden, wetenschappen. B.v. sapientia, wijsheid, pudor, schaamte.
Men gebruikt echter in het Latijn de nomina abstracta in het meervoud :
a. wanneer het aangeduide denkbeeld op m e e r d e r e personen betrekking heeft. B.v. Cornelius Nepos vitas multorum illustrium imperatorum descripsit, Cornelius Nepos heeft het leven van vele Manzientijke veldheereu beschreven. Incur res in odia hom i n u m , (/i? suit den haat der menschen heloopen. Inimicitiae acerbissimae erant inter Bomanos et Carthaginienses, er bestond een zeer hevige vijandschap tusschen de Romeinen en de Carthagers.
Dichters zetten soms voor de deftigheid een meervoud, al wordt er maar van één enkele zaak gesproken. Men noemt dit een pluralis m a j e s t a t i c us. B.v. Rector Olympi non agat hos currus, (den zonnewagen.)
Vijfde declinatie.
§ 29â31.
26
Voorbeeld van verbuiging.
Singularis. Pluralis.
Nom. dies, fZe dag. dies.
Gen. diëi. die rum.
Dat. diëi. diëbus.
A cc. diem. dies.
Voc. dies. dië'fe-as.
Abl. die. diëbus.
§ 29. Slechts dies eu res, zaak, hebben een volledig meervoud; van acies, slagorde, effigies, beeltenis, facies, gelaat, series, reeks en spes, hoop, komen bij goede prozaschrijvers in het meervoud slechts de nom. acc. en voc. voor. Van de overige woorden dezer declinatie zooals raeridies, middag, glacies, ijs, bestaat geen meervoud. Deze woorden dienen tevens tot voorbeelden van verbuiging.
Aanmerking. In plaats van op ei gaat do gen. sing, soms uit op e of i. De dat. sing, gaat soms uit op e.
§ 30. Quantiteit van de paenuitima der uitgangen van de vijf declinaties.
1°. De voorlaatste lettergreep der dati'vi en ablativi op ibus en ii bus is kort. B.v. legibus, qu ere ft bus; op abusenëbus lang. B.v. filiabus, diëbus.
2°. De voorlaatste lettergreep der genetivi op arum, or urn, ërum is lang. B.v. mensarum, puerórum, diërum.
3°. Van den uitgang ei der vijfde declinatie is de e lang, zoo er vóór e een vocaal staat. B.v. diëi; doch kort, zoo er vóór e een consonant staat. B.v. fidëi.
4°. De vocativi op ai en ëi van de eigennamen der tweede declinatie op ajus en ejus hebben de voorlaatste lettergreep lang. B.v. G a i, Pompëi.
VIJFDE HOOFDSTUK.
OVER DE ONREGELMATIGE DECLINATIE. § 31 Samengestelde declinatie.
Wanneer een substantivuin samengesteld is uit twee woorden-, die beiden in den nom. staan, worden beide woorden gedeclineerd. B.v. respublïca, gemeenebest, gen. rèipubllcae, dat. reipu-blïcae, enz.; j usjurandum, eed, gen. j urisj urandi, dat. j urijurand o, enz. Vgl. § 148.
Onregelmatige declinatie.
27
§ 32â33.
Zoo een substantivum samengesteld is uit twee woorden, waarvan bet eene in den nom. en bet andere in den gen. staat, wordt alleen bet woord in den nom. gedeclineerd. B.v. juris-consultus, rechtsgeleerde, gen. jurisoonsulti, dat. jurisconsult o, enz. Evenzoo senatusconsultum, raadsbealiiit, ple-bis c ï t u m, volksbesluit.
§ 32. Substaniiva indeclinabilia.
Tot de substantivaf die niet verbogen kunnen worden, be-booren ;
1°. de namen dor letters, sommige vreemde woorden, zooals: manna en vele Griekscbe woorden op i en y. B.v. gummi, gom, asty, de stad (Athene). Van deze woorden bestaan ecbter meermalen verbuigbare bijvormen, zooals van gummi: g u m e n, Inis, gum m a, atis, g u m mis, is.
2°. vele vreemde, vooral Hebreeuwsche eigennamen, zooals: Juditb, Betbleëm. Die eigennamen, welke een Latjjn-scben of Griekse hen uitgang hebben, zooals Maria, Joannes, Judas worden naar de eerste of'derde declinatie verbogen.
Soms nemen vreemde eigennamen met onverbuigbaren uitgang-een Latijn sc ben uitgang aan en kunnen dan verbogen worden. B.v. Abraham us, Judith a, David, Daniel en Gabriel blijven in den nom. gewoonlijk onveranderd en worden verder regelmatig naar de derde declinatie verbogen. B.v. gen. Davidis, Daniëlis, Gabriclis. Jesus beeft in den acc. Jesum, in de overige naamvallen Jesu.
§ 33. Singularia tantum.
Tot de substantiva, die sleelits in het enkelvoud voorkomen , behooren :
1°. de namen van afgetrokken denkbeelden, die slechts en k e 1-voudig gedacht worden, zooals de namen van deugden, ondeugden, wetenschappen. B.v. sapientia, wijsheid, pudor, schaamte.
Men gebruikt echter in het Latijn de nomina abstracta in het meervoud:
a. wanneer het aangeduide deukbeeld op meerdere personen betrekking heeft. B.v. Cornelius Nepos vitas muitorum illustrium imperatorum descripsit, Cornelius Nepos heeft het leven van vele .aanzienlijke veldheeren beschreven. Incurres in odia h o m i n u m , jij zult den haat der menschen beloopen. Inimicitiae acerbissimae erant inter Romanos et Carthaginlenses, er bestond een zeer hevige vijandschap tusschen de Romeinen en de Carthayers.
Dichters zetten soms voor de deftigheid een meervoud, al wordt er maar van één enkele zaak gesproken. Men noemt dit een pluralis maj est a tic us. B.v. Rector Olympi non agat hos currus, {den zonnewagen.)
Pluralia tantum.
28
34.
h. waunoer meu verschillende soorten of uitingen van een afgetrokken denkbeeld wil aanduiden. B.v. somnus et quiëtes cetërae, de slaaj) en de overige soorten van rust; timiditates, uitingen van vrees; irae, uitvallen van toorn; a mor es, liefdesbetuigingen; mort es, sterff/evallen.
2°. de stofnamen, zooals: au rum, goud, nix, sneeuw. Men gebruikt echter het meervoud om de stofsoorton uit te drukken of do voorwerpen, die uit zekere stof vervaardigd zijn. B.v. sales,ver-schillende zouten; ligna, houtsoorten; aera, koperen instrumenten; c e r a e , wassen heelden ; 1 a r d a, zijden gerookt spek.
Als stofnamen worden ook beschouwd de namen der tuin- en veldvruchten en dor voortbrengselen van akkerbouw en veeteelt, wauneer men uaraelijk aan de geheele soort denkt. B.v.Haevillae abundant por co, haedo, agno, gallïna, deze landgoederen zijn rijk aan varkens, hokken, lammeren en kippen. Catinus cicëris, een schotel erwten.
3°. de nomina propria, tenzij men daardoor meerdere personen wil aanduiden, die den zelf den naam dragen of die zekere gelijkenis met een bepaalden persoon hebben. B.v. Tres Scipiönes, de drie Scijno's , CicerSnes, redenaars als Cicero.
équot;. verschillende op zich zölven staande woorden, zooals; album, register, apparatus, toehcreidselen, fa ma, gerucht {afzonderlijke geruchten heeten rum ores), justitium, de vacantiedagen hij het gerecht , 1 e t u m, dood, m u n d u s, kaptafelgereedschap, specimen, proef, stalen, supellex, huisraad, ver, lente, vesper of vespëra, avond, vestis, kleeding (de afzonderlijke kleeding stukken heeten vestimenta).
5°. Meermalen staan ook algemeehe benamingen vau militairen in het enkelvoud in plaats van in het meervoud. B.v. miles, eques, pedes, h o s ti s.
Aanmerkingen. Do benamingen vau het li c h a am en de li ch aam s-deeleu, die in hot Xederlaudsch gewoonlijk in het enkelvoud gebruikt worden, zetten de Latijnen gaarne in het meervoud, wanneer zij op meer dan één persoon betrekking hebben. B.v. Mil it es terga dant, corpora curaut. Men vindt echter bij de beste schrijvers ook het enkelvoud. B.v. Ani mad ver tit Sequanos cap i te demisso terrain in t u er i.
§ 34. Pluralia tantum.
Tot de substantiva, die alleen of gewoonlijk in het meervoud voorkomen , behooren :
1°. verschillende namen van personen, waarbij de Latijnen zoowel als de Nederlanders aan een veelvoud denken. B.v. caelïtes, de hemelingen, excubiae, wacht, ge mini, tweelingen, infëri, de he-woners der onderwereld, libëri, kinderen, le mures, spoken, majöres, voorouders, m a n e s, de schimmen der afgestorvenen, opti mates, de aanzienlijken, p en a t e s, huisgoden, p o s t c r i, nakomelingen, p r i m ö r e s, de aanzienlijken, procëres, de aanzienlijken, superi, de hewoners der bovenwereld.
2°. de namen van bepaalde dagen, zooals: Kalendae, de 1quot;quot; dag der maand, Nonae, de 5d0 of l'1quot; dag der maand, Idus, de 13^ of 15de dag der maand, nundinae, marktdag, feriae, vacantie; de namen van feesten en feestelijke spelen, zooals: Bacchanilia,
Pluralia tantum.
het feest van Bacchus, natalitia, verjaarfeest, sponsulia, verlovinys-maal; verschilleude namoü Yan volkeu, eilandengroepen, gebergten, steden, zooals: Aborigines, Baleïtres, A lp es, Athënae.
3°. verschillende namen van samengestelde zaken, wier samenstellende deelen de Latijnen zich of niet voorstelden of met andere woorden aanduidden. Het begrip van vele dezer woorden drukken ook wij in het meervoud uit. De voornaamste dezer woorden zijn: alt ar ia altaar, ambages, omweg, angustiae, berypas, argutiae, spitsvondigheid, ar ma, wapenen, armamenta, scheepstuig, art us, gewrichten, bal-neae, hadhuis, bell ar ia, dessert, bigae, tweespan, bianditiae, liefkoozingen, c a n c e 11 i, traliewerk, c a n i, grijze haren, c a s s e s , jagersnet, cervices, nek, clathri, traliën,* cl i t e 11 a e,/pakzadel, codicil 1 i, briefje, compëdes, voetkluister, lt; crepundia, speelgoed, cunabüla, wieg, cunae, wieg, deliciae, venmak, dirae, vloek, divitiae, rijkdom, exta, ingewanden, exsequiae, begrafenis, exuviae, buitgemaakte wapenen, facetiae, aardigheden, fauces, keel, fasti, kalender, almanak, fides, lier, fores, dubbele deur, fori, rijen banken, foria, uitwerpselen, grates, dankbetuiging, ilia, onderlijf, illecebrae, verleiding, incunabula, ivieg, indutiae, wapenstilstand, induviae, kleederen, ineptiae, zotteklap, inferiae, lijkoffer, insidiae. hinderlaag, intestTna, ingewanden , j u s t a, lijk-plechtigheden, 1 o cü 1 i, kistje, lustra, het leger van wilde dieren, m a n u b i ae , buit, minae, bedreigingen, m oen ia, stadsmuur, nugae, beuzelingen, parietïnae, ruine, phalörae, paardentuig, praecor-d i a, middenrif, praestigiae, goochelarij, p r e c e s, gebed ,primitiae, eerstelingen, pugiilïïres, schrijftafel, quadrigae, vierspan, quis-quiliae, ontuig, reliquiae, overblijfselen, renes, nieren, sallnae, zoutgroeven, s c a 1 a e, trap, s c o p a c , bezem , s c r u t a, rommel, s e n t e s, doornstruiken, s e r t a, krans, s o r d e s, morsigheid, s p o 1 i a, buit, tenöbrae, duisternis, thermae, warme baden, tormina, kramp in het lijf, t r i c a e, potsen , u t e n s i 1 i a, gereedschap , v a 1 v a e, vleugeldeur, v e p r e s , doornstruiken, v e r b ë r a, geeselslagen, vindiciae, rechtvaqr-d ging, virgulta, houtgewas.
4quot;. eenige woorden, die in het meervoud eene van het enkelvoud afwijkende beteekenis hebben;
Singularis. Pluralis.
aedes, tempel. aed.es, tempels, huis.
aqua, water. aquae, tcateren, gezondheidsbron.
auxilium, hulp. auxilia, hulpmiddelen, hulptroepen.
car eer, kerker. carcëres, sluitboom der renbaan.
cast rum, kasteel. castra, legerplaats.
comitium, vergaderplaats van het com it ia, volksvergadering.
R omeinsche volk op het forum.
c o p i a, voorraad, overvloed. c o p i a e , troepen.
âcupedia, snoepachtigheid. cupediao, lekkernijen.
e p ü 1 u m , openhaar feestmaal. e p ü 1 a e , gerechten.
facultas, geschiktheid. faeultïites, (tijdelijk) vermogen.
finis, grens. fines, qrenzen, grondgebied.
fort una, geluk. fortunae, (tijdelijk) vermogen.
gratia, dankbaarheid. gratiae, dankbetuiging.
hortus, tuin. horti, tuinen, buitenplaats.
29
Defeciiva casibus.
§ 35â36.
30
|
i m p e (1 i m e n t u m , beletsel. littëra, letter. I u d u s, spel. naris, neusyat. n a t a 1 i s, geboortedag. opëra, moeite. (ops), hulp. Vgl. § 24. pars, deel. rostrum, snavel, scheepssneb. tabula, 2^an^-tempus, tijd. |
impedimenta, beletselen, bagage. littörae, letters, brief, letterkunde. 1 u d i, spelen, openbaar schouwspel. n a r e s, neus. li a t a 1 e s, afkomst. o p ë r a e, werklieden. o p e s, schatten. [speelt.) partes, deelen, partij, rol {die men rostra, het spreekgestoelte op het tabulae, rekeningboeken, {forum. tempora, slapen aan het hoofd. |
Defectiva casibus.
Tot de substantiva, die een of meer casus missen, behooreu: 1°. sommige substantiva, waarvan de nom. sing, ontbreekt. B.v. (daps), dap is, spijs, (dicio), dicionis, heerschappij, (frux), frugis, veldvrucht, (internecio), in ter nee io nis, ondergang, (pollis) poll in is, fijn meel. Van vicis (gen.), beurt, afwisseling, ontbreekt behalve den nom. ook de dat. sing, en de gen. plur.
2°. verschillende woorden, die slechts in den nom. en ace. voorkomen, namelijk: de Grieksche neutra op os en es in het enkelvoud en op o in het meervoud , zooals: cacoëthes, kwaadaardige ziekte, eet os, (een groote zeeviseh), Tempe, (dal in Thessalië); vervolgens het meervoud van sommige monosyllaba, als: neces, verschillende soorten van een geweldigen dood, tura, tvierookkorrels; eindelijk de woorden fas, goddelijk recht, nefas, onrecht, nihil, niets, (voor de ontbrekende casus van nihil gebruikt men nulla re s),insta r, evenbeeld, vorm, voorkomen. B.v. Navis u r b i s i n s t a r habere v i d e t u r. Bijzonder wordt dit woord gebruikt in de beteekenis van als, zooveel als, zoogoed als, doch slechts in verbindingen, waarin het als nom. of acc. te verklaren is. B.v. Achlvi equuni montis instar aedifica^ve-runt. Plato mi hi unus est instar omnium philosophor um. Men zegge niet: ad instar.
3°. verschillende substantiva, die slechts iu bepaalde verbindingen voorkomen, zooals: dicis causa, in schijn, ad ineïtas redigëre, tot het uiterste brengen, infitias ire, loochenen, venum dare, verkoopen, venum ire, verkocht worden, pes sum dare, te gronde heipén, pe s-sum ire, te gronde gaan, spoute, vrijwillig, dat gewoonlijk slechts in den abl. en wel in verbinding met een pronomen possessivum voorkomt. B.v. Vidua se pejerasse sua sponte professa est, de weduwe bekende vrijwillig dat zij een valschen eed had gedaan.
Ook verdient nog genoemd te worden het substantivum m a n e, ochtend, dat slechts in den nom. acc. en abl. siu'g. voorkomt, en nemo, niemand, dat slechts in den nom. dat. en acc. sing, mag gebruikt worden. In plaats van nemtnis zegt men nu 111 us en in plaats van nemïne nullo.
§ 36.
Abundantia.
Tot de substantiva, die verse hill elide vormen van gelijke beteekenis hebben , behooren :
IVde heteroclïta of substantiva, die met denzelfden of met een verschillenden nominativus op verschillende wTijze verbogen worden. B.v.
§ 35.
Abundantia.
§ 37.
31
elephantus, i. elephas, antis (slechts iu den no ra.
gebruikelijk), olifant.
femur, oris. femen, ïnis (niet in den nom.), dy.
juventus, ütis. juventa, ae (dichterlijk), jeugd.
requies, ëtis. requies, ei (slechts in den ace. en
a b 1. requiem , requie), rust.
vas, va sis (in het meervoud niet vasura, i (in het enkelvoud niet ge-gebruikelijk). bruikelijk), vat.
Verder verschillende substantiva, die naar de lste en S1'0 declinatie gaan, zooals: barbaria en barbaries, ruwheid, luxuria en luxuries, weelderigheid, materia en materies, stof. Gewoonlijk worden_ van do vormen der 5d° declinatie slechts de nom. a cc. en a bi. sing, gebruikt.
2°. de heter og en ea of substantiva, die een verschillend geslacht hebben. B.v. bacülum, n. en bacülus, ra. stok, coramentarius, ra. en commentarium, n. geschrift, cubitus, m. en cubïtura, n. (bijzonder als maat), elleboog.
De volgende woorden hebben in het meervoud een ander geslacht dan in hot enkelvoud:
Plur. carbitsa, n.
caeli, m.
freui, ra. en frena. n.
joci, m. en joca, n.
loei, m. plaatsen in boeken en oorden; loca, n. alleen oorden. ostreae, f. en ostrea, n.
rastri, ra. en rastra, n.
sibtli, ra. en dichterlij k ook sibïla, n.
tartara, n.
tonitrua, n.
ostrea, a e, f. oester.
rastrum, i, n. harh.
sibïlus, i, m. gesis.
tartarus , i, m. onderwereld.
tonïtrus, us, m. donder.
3°. sommige woorden, die heteroclita en hetérogenea te gelijk zijn. B.v.
aliraonia, ae, f. en aliraonium, i, n. voeding.
cingüla, a e, f. en cingulum , i, n. gordel.
contagium , i, n. en contagio, on is, f. besmetting.
raenda, ae, f. en mendum, i, n. schrijffout.
ZESDE HOOFDSTUK.
OVER DE GESLACHTSREGELS.
Algemeene regels.
§ 37. Mannelijk zijn de namen van mannen, volken^ maanden, rivieren, bergen en winden. B.v. poëta, (foc/iter, Per sa, een Pers, Januarius, Januari, Garumna, de Garonne, Atlas, het Atlasgebergte, aquilo, noordenwind.
Uitzonderingen. Vrouwelijk zijn opërae, werklieden, vigi-liae en excubiae, wacht, copiae, troepen, verder Styx en Lethe,
carbttsus, i, f- lijnwaad. caelum , i, n. hemel. frenum, i, n. gebit. jocus, i, m. scherts. locus, i, ra. plaats.
32 Geslachtsregels. § 38â39.
twee rivieren der ouder wereld, en eenige rivieren op a der eerste declinatie, zooals: AU ia.
Zoo bij de namen der bergen geen mons staat, hebben zij gewoonlijk het geslacht van hunnen uitgang, zooals Ida of I d e, f. P e lio n, n.
Onzijdig zijn acroïima, grappenmaker, auxilia, hulptroepen, maneipium, slaaf.
§ 38. Vrouwelijk zijn de namen van vrouwen, boomen, gewassen, steden, landen en eilanden. B.v. mater, moeder, q u e r c u s, eik, B a b y 1 o n , Italia, Cyprus.
Uitzonderingen. Van de namen van vrouwen zijn onzijdig scortum en prostibulum welke woorden een slechte vrouw aanduiden.
Van de namen van boomen en gewassen zijn onzijdig die op um der tweede en die op er der derde declinatie, alsmede robur, eik.
Man nel ij k zijn dumus, doornstruik, c a 1 it m u s, riet en enkele anderen.
Van de namen van steden zijn
mannelijk:
1°. de pluralia op i, als: Argi, Delphi.
quot;Ã!0. vier op o : Hippo, N a r b o, T r u s ï n o , S u 1 m o.
3°. Tunes en CaufJpus, eenige op us, untis, als: Pesslnus en op us, i, als: Stymphïtlus en soms ook Marathon.
onzij dig:
1°. die op um en de Grieksche op on, als: Tuscülum, II ion.
2°. de pluralia op a, als: Susa.
3°. die op e en ur van de derde declinatie, als: Praeneste, Ti bur.
4°. de indcclinabilia op i en y, als: Illiturgi, A sty.
Van de namen van landen zijn
mannelijk: Bosporus, Pontus, Hellespontus en Isthmus.
onzijdig: de enkelvoudige op um en de meervoudige op a, als: Latium, Baetra.
Van de namen van eilanden zijn onzijdig eenige op um, alsmede Delta.
§ 39. Sommige namen van personen hebben een dubbel geslacht. Deze substautiva, welke communia worden genoemd, kunnen zoowel een man als een vrouw aanduiden. Zij zijn voornamelijk :
a d o 1 e s c e n s, joiifjellntj, meisje, comes, yezel, gezellin.
afflnis, schoonbroeder, schoon- conjux, echtgenoot.
(zuster, contubernalis, tentkameraad. antistes, opperpriester, opper- con viva, (jast.
(priesteres, dux, leidsman, leidsvrouw.
ar 11 f e x, kunstenaar, kunstenares, heros, erfgenaam.
civis, burger, burgeres. hospes, gastheer, gastvrouw.
1
Vv
ty
§ 40â41. Geslachlsregels. 88
index, aanbrenger, aanbrengster, praesu 1, bestuurder, bestuur-infans, kind (benedeu 7 jaar). {deres.
in terp res, tolk. sacerdos, priester, priesteres.
j u v é n i s, jongeling, meisje. s a t e 11 e s, begeleider, begeleidster. parens, vader, moeder. vates, waarzegger, waarzeg ster.
pa truë lis, neef, nicht. v index, wreker, wreekster.
Van antistes en hospes komen voor het vrouwelijk geslacht ook de Tormen antistita en hospita voor.
§ 40. Verscheidene namen van personen hebben voor het mannelijk en vrouwelijk geslacht een verschillenden uitgang. Zij worden mobilia geheeten. Zoo het mannelijke substantivum op us of er uitgaat, heeft het vrouwelijke den uitgang a. B.v. coquus, kok, co qua, keukenmeid, magister, leermeester, magistra, leermeesteres. Eindigt het mannelijke substantivum op tor, dan gaat het vrouwelijke uit op trix. B.v. victor, overwinnaar, victrix, overwinnares. Nutrltor, opvoeder, heeft echter nu trix, voedster.
De volgende mobilia wijken van dezen regel af:
a v u s, grootvader. a via, grootmoeder.
c a u p o , waard. c o p a , waardin.
cliens, beschermeling. clienta, beschermeling.
fid leen, snarenspeler. fidicïna, snaren speelster.
leno, koppelaar. lena, koppelaarster.
nepos, kleinzoon. neptis, kleindochter.
poëta, dichter. poëtria, dichteres.
p s a 11 e s, snarenspeler. p s a 11 r i a, snarenspeelster.
p u e r, knaap. p u e 11 a, meisje.
rex, koning. regïna, koningin.
s o c e r, schoonvader. s o c r u s, schoonmoeder.
tibicen, fluitspeler. tibicïna, fluitspeelster.
§ 41. Onder de namen van dieren vindt men:
1 quot;. communia. Hiertoe behooren: bos, os, koe, canis, hond, teef, elephantus, olifant.
211. mobilia. Hiertoe behooren :
agnus, lam. agna, wijfjeslam.
aries, ram. ovis, ooi.
caper, bok. capra, geit.
cat us, kater. feles, kat.
cervus, hert. eer va, hinde.
3 -
Geslachtsregels.
34
§ 42â43.
co 1 iiin l) ii s , doffer.
c o 1 u in b ii, duif.
e q u a, merrie. g a 111 n a, kip. ca pel la, geitje. ju ven ca, vaars. 1 e a e n a, leeuwin. v a c c a, koe. ursa, herin. vit lila, kalf.
e q u u s , hengst. gallus, haan. haeflus, Lokje. juvencus, var. ! e o, leeuw.
t a u r ii s, stier. ursus, heer.
v i t ü 1 u s, kalf.
3°. epicoena. Hieronder verstaat men de nameii van dieren , welke voor de twee natuurlijke geslachten slechts één taalkundig geslacht hebben. Zoo zijn de woorden corvus, raaf, passer, musch, turdus, lijster, masculina, ook al worden zij gebruikt vooreen vrouwelijk dier en de woorden aquïla , arend, anas, eend, vulpes, ots, feminina hetzij zij gebruikt worden voor een mannetje of een wijfje. Zoo men bepaald wil uitdrukken, dat men een mannelijk of een vrouwelijk dier bedoelt, moet men bij den naam van het dier het woord mas of femina voegen. B.v. anas mas, waard, anas f e m i n a, eend.
§ 42 O ii z ij d ig zijn :
1quot;. de substantiva indeclinabilia met uitzondering van de namen van personen. Vgl. § 32. De namen der letters worden soms vrouwelijk gebruikt door er littera onder te verstaan. B.v. Duae T.
2°. de woorden, die alleen als woorden worden beschouwd zonder op hunne beteekenis te letten. B.v. Pater est masculi-n u m, het woord, vader is mannelijk.
3quot;. de woorden, die geen nomina zijn en als substantiva gebruikt worden. B.v. Ultimum vale, het laatste vaarwel. Tuum scire, uw weten.
Bijzondere regels.
De bijzondere regels golden niet voor de woorden, wier geslicht reeds bepaald is door de al gom een e regels.
Eerste declinatie.
§ 43. Do woorden op a eu e zijn vrouwelijk, die op as eu es mannelijk. Behalve de uitzonderingen volgens de algemeene regels, zooals de namen van mannen en volken, is nog mannelijk op a Kadi a, de Adriatische zee.
Tweede declinatie.
s 44. Do woorden op er, ir, us, os, e u s zijn mannelijk, die op um en ou zijn onzijdig.
§ 45. Geslachtsregels, ft ^ 35
77 V
Behalve de uitzonderingen volgens de algerneene regels zijn van de woorden op u s
v r o u w e 1 ij k :
1°. vier zuiver Lafcijusolie woorden: alvus, huik, ooi us, spinrokken, h u m u s , grond en v a n n u s, wan.
2quot;. verscheidene uit het Grieksch af korastige woorden. B.v. a n t i d Ãtu s, teyenyif, a 18 m u s, ondeelbaar lichaam, dialeotus, tongval, eremus, woestijn, exodus, uit jan;/, method ns, leerwijze, period us, volzin, ph a s e 1 u s, scheepje, s y n 6 d u s, vergadering.
o n z ij dig:
pelitgus, zee, virus, venijn en gewoonlijk vulgus, yemeen, welke woorden tevens het meervoud missen.
üerde declinatie.
§ 45. Mannelijk zijn de woorden op o, or, os, er, benevens de imparisyllaba op es. IS.v. sermo, gesprek, calor, warmte, f 1 o s, hloem, passer, musch, paries (ëtis), wand.
Uitzonderingen op o:
De woorden op do, go, io zijn vrouwelijk; daarbij caro en echo zijn het evenzoo;
doch mannelijk zijn har pit go,
o r d o , c a r d o , s c i p i o ,
stellio, septentrio,
margo, ligo, pugio,
titio, papilio,
unio, curculio,
scorpio, vespertilio,
alsmede de substantiva op io, die een getal aanduiden, zooals: ter-nio, drietal.
Harpilgo, haak, orde, volgorde, cardo, hengsel, scipio, staf. stellio, sterhagedis, septentrio, noorden, margo, rand, ligo, spade, pugio, dolk, titio, brandend stuk hout, papilio, vlinder, unio, parel, curculio, korenworm, scorpio, schorpioen, vespertilio, vleermuis.
Uitzonderingen op or:
Neutra zijn er vier op or:
m a r m o r, a e q u o r, a d o r, oor.
Feminini generis is slechts arbor, arböris.
Marmor, marmer, aequor , vlakte, ador, spelt, cor, hart, arbor, boom.
Uitzonderingen op o s :
F e m i n i n a zijn op o s deze drie: cos, dos, eos,
doch o s (oris) en o s (ossis)
zijn neutrius generis.
Cos, wetsteen, dos, huwelijksgift, eos, dageraad. ,
Uitzonderingen op e r:
Neutra zij n er veel op er:
ver, cadiïver, iter, tuber,
oicer, piper, siser, uber,
zingiber, suber, papiïver,
Geslachtsregels.
verbor, acer, siler, spin ter.
Man- en v r o u w e 1 ij k is 1 i n t e r.
Ver, lente, cadïïver, lij k, iter, reis, tuber, gezivel, cicer, grauwe erwt, piper, siser, suikerwortel, uber, uier, zingiber, gember, papaver,
maankop, suber, kurkboom, verber, (gewoonlijk in het meervoud) slag, acer, ahornboom, siler, wilg, spliutér', armband, linter. boot.
Uitzonderingen op es:
Een is neutrum, naamlijk : a e s,
doch feminina: reques,
q u i e s, m e r c e s, merges, t e g e s ,
c o m p e s , i n q u i e s en s e g e s.
Aes , koper, requies en quies, , merces , Zoo», nierges, sc/ioo/', teges, rietmat, compes, (gewoonlijk in het meervoud) voetkluisters, inquies, onrust, seges, zaadveld.
§ 46. Vrouwelijk zijn de woorden op as, aus, is, x, ys, de pa-risyllaba op es, bonevens do woorden op s met voorafgaanden medeklinker. B.v. aetas, leeftijd, laus, lof, au ris, oor, radix, wortel, c h e 1 y s, luit, n u b e s, wolk, h i e m s , win ter.
Uitzonderingen op a s:
Drie zjjn er mannelijk op as:
as, a d it m a s en el ë p li a s.
Vas (vasisgt; echter , fas, nefas zijn neutra niet den uitgang as.
As, een as (kopergeld), adamas, diamant, elëphas, olifant, vas, vat, fas, goddelijk recht, nefas, onrecht.
Uitzonderingen op i s:
Vele woorden zijn op is
m a s c u 1 i n i generis:
panis, penis, crinis, finis,
ignis, lapis, pulvis, c i n i s,
or bis, am nis en uatïtlis,
sanguis, unguis, glis, annalis,
fascis, axis, funis, en sis,
fustis, vectis, vomis, mensis,
vermis, c u c ü m i s en torris,
postis, mugïlis eu follis,
cassis, assis, callis, collis,
s e n t i s, piscis en m o1 a r i s,
eau lis, cossis en canalis.
Man- en vrouw lijk: anguis, torquis,
ca nis, tigris, pedis, pollis,
c o r b i s eu ook nog a q ü a 1 i s.
Panis, brood, penis, staart, crinis, haar, finis, einde, ignis, vuur, lapis, steen, pulvis, stof, cinis , asch, orbis, kring, amnis , stroom, natïllis , geboortedag, sanguis, bloed, unguis, nagel, glis, rat, annalis (gewoonlijk in het meervoud), jaarboek, fascis, bundel, axis, as (van een rad), funis touw, ensis, zwaard, fustis, stok, vectis, hefboom, yomis, ploegschaar, mensis, maand, vermis, worm, cucümis, komkommer, torris, brandend hout, postis, deurpost, mugïlis (zekere zeevisch), follis, blaasbalg, cassis (gewoonlijk in hot meervoud), jagersnet, assis, plank, callis, voetpad, collis, heuvel, seutis, doornstruik, piscis, visch, inolïiris, molensteen en
36
G eslachtsregels.
kies, caulis, stronk, cos: is, houtworm, canïïlis, kanaal, anguis, slanc/, torquis, halsketen, canis, hond, tigris, tijger, pedis, luis, pollis, stuifmeel, corbis , korf, aqualis , watervat.
Uitzonderingen op x:
Met x zijn manlijk die op ex,
bij voorbeeld: codex, ver vex, gr ex,
doch vrouw lijk blij ven lex en n e x,
supellex, forfex, faex en prex.
Manlijk zijn op ix, yx: calix,
fornix, phoenix* b o m b y x, v a r i x ,
calyx, coccyx, oryx, s o r i x ,
ook tradux, thorax en op unx;
d e u n x, quincunx en ook s e p t u n x.
Codex, hoek, vervex, hamel, grox, kudde, lex, wet, nex, geweldige dood, supellex, huisraad, forfex, schaar, faex, droesem, prex (gewoonlijk iu het meervoud), gebed, caüx, kelk, fornix, gewelf, phoenix (een fabelachtige vogel), bom by x, zijdeworm, varix, aderspat, calyx, bloemkelk, coccyx, koekoek, oryx, gazel, sorix (soort van uil), tradux , wijngaardrank, thorax, borstharnas, deunx, quincunx, septunx (onderdeelen der as).
Uitzonderingen op de parisyllaba op es:
Masculina zijn op es:
v e p r e s en a c i n it c e s,
v e r r e s en ook g a u s it p e s.
Mau- en vr ou w 1 ij k is pal u m bes.
Vepres (gewoonlijk in het meervoud), doornstruiken, acinaces, Perzische sabel, verres, everzwijn, gausapes, doek, palumbes, houtduif.
Uitzonderingen op de woorden op s met voorafgaanden medeklinker; M a n 1 ij k zijn op ons en e n s:
fons, mons, pons, dens, confluens,
bidens, trideus, occïdens,
r u d e n s, t o r r e n s, o r i e n s,
verder c h a 1 y p s, g r y p s, h y drops,
en ten laatste ook epops.
Pons, bron, mons, berg, pons, brug, dens, confluens,
waar zich twee rivieren vereenigen, bidons, gaffel (in de beteekenis van tweejarig schaap is het vrouwelijk), tridens, drietand, occïdens, westen, rudens, kabeltouw, torrens, bergstroom, oriens, oosten, chalyps, staal, gryps, grijpvogel, hydrops, waterzucht, epops, hoppe (een vogel).
§ 47. Onzijdig zijn de woorden op a, e, i, y, c, 1, n, t, ar, ur, us. B.v. ar 5 ma, specerij, mare, zee, sinapi, mosterd, m i s y , truffel, I ac, melk, vectigal, belasting, car in en, gezang, caput, hoofd, cal car, spoor, robur, kracht, pectus, horst.
Uitzonderingen:
Mannelijk ziju op letter 1:
de woorden sol, sal en mugil.
Ook zijn er elf op letter n:
ren, pecten, Hen, attitgen,
paean, canon, agon, lichen,
horizon en ook gnomon, splen.
Vijf op ur, als: fur en furfur,
astur. vultur en ook turtur.
37
Geslachtsreyels.
§ 48â50.
88
Ycryolgous zijn er vier op us:
mus, polypus, 1 e p u s, tripus.
Doch feminina zijn op us:
juventus, virtus, servïtus,
p o c u s, (pecüdis) eu s a 1 u s,
s e ii e e t u s , palus en incus,
tellus en meestal sus en g rus;
eindelijk de woorden sin don,
alcyon en ook aëdon.
Sol, zon, sal (Vgl. § 21. 2°.), mugil (zekere zeevisch), ren (gewoonlijk iu liet meervoud), nieren, pecten, kam, lien, milt, attagen, korhoen, paean, lofzang, canon, richtsnoer, agon, wedstrijd, lichen, dauwworm, horizon, gezichteinder, gnomon, zonnewijzer, splen, milt, far, dief, furfur, zemelen, astur (soort van havik), vultur, gier, turtur, tortel, mus, muis, polypus, polyp, lopus, haas, tripus, drievoet, juventus, jeugd, virtus, kracht, servïtus, slavernij, pecus, üdis, een stuk vee, (pecus, firis, n. het vee als soort, de schapen), salus, heil, sénectus, ouderdom, palus, moeras, incus, aanbeeld, tellus, aarde, sus, zwijn, grus, kraanvogel, sindon , fijn lijnwaad, alcyon, ijsvogel, aëdon, nachtegaal.
Vierde declinatie.
g 48. De woorden op us zijn mannelijk, die op u onzijdig.
Uitzonderingen op u s ?
Slechts feminina zijn op us:
quinquatrus, tribus, portïcus,
a c u s , domus, I d u s, m a n u s.
Man- eu vrouw lijk: pen us, specus.
Quinquatrus (slechts in het meervoud), zeker feest ter eere van Minerva, tribus, volksstam, portïcus, galerij, acus, naald, domus, huis, Idus (slechts in hot meervoud), de 13Je of 15jc dag der maand, manus, hand, penus , levensvoorraad, specus, hol.
Vijfde declinatie.
§ 49. Alle woorden dezer declinatie zijn vrouwelijk behalve meri-dies, middag, dat mannelijk is. Ook dies is mannelijk; wanneer het echter in het enkelvoud een bepaalden dag aanduidt of termijn beteekent, wordt het meermalen vrouwelijk gebruikt. B.v. ante oam diem; dies praestituta.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
OVER HET ADJECTIVUM.
1. Over de declinatie der adjectiva.
§ 50. Evenals in het Nederlandsch moeten de adjectiva ook in het Latijn met hunne substantiva overeenkomen in geslacht, getal en naamval.
§51. Verbuiyiny der adjectiva. 89
Sommige adjectiva, hebben voor ieder geslacht een verschillenden uitgang. B.v. rex pulcher, de schoone koning, regïna pulchra, de schoone koningin, tem plum pul ch rum, de schoone tempel.
Andere adjectiva hebben twee uitgangen, één voor het m a s c u 1 in u m cn fe m i n i n u m en één voor het neut r u m. B.v. v i r mort a lis, de sterfelijke nidii, muiier mortalis, de sterfelijke vrome, genus ra or tale, het sterfelijk geslacht.
Er zijn ook adjectiva, die slechts één uitgang hebben voor de drie geslachten. B.v. puer praestans, de voortreffelijke knaap, puella praestans, het voortreffelijke meisje, donum praestans, het voortreffelijke geschenk.
Adjectiva van drie uitgangen.
§ 5i De adjectiva van drie uitgangen gaan uit op us, a, um.
er, a, um.
er, is, e.
Die op us, a, um en er, a, um gaan in het mannelijk en onzijdig geslacht naar de tweede en in het vrouwelijk naar de eerste declinatie.
Die op er, is, e gaan in alle geslachten naar de derde declinatie. Zij hebben echter in den abl. sing, i, in den gen. plur. ium en in den nom. ace. en voc. plur. van het neutra m i a. '
Voorbeelden van verbuiging
1.
bonus, bona, bona m , goed.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
9 |
pulcher, pulchra, p u l c h ru m, schoon.
N. pulcher, pulchra, pulchrum. pulchri, pulchrae, pulchra. G. pulchri, pulchrae, pulchri. pulchrorum, pulchrarum, pulchrorum.
Verbuiging der adjectiva.
40
§ 51.
D. pulchi'o, pulchrae, pulcliro. pulcliris, pulchris, pulchris.
A. pulchrum, pulchram, pulchrum. pulchros, pulchras, pulchra.
V. pulcher, pulchra, pulchrum, pulchri, pulchrae, pulchra.
A. pulcliro, pulchra, pulchro. pulchris, pulchris, pulchris.
3.
|
acer, acris, |
acre, scherp. | |||||
|
N om. |
acer. |
acris. |
acre. |
acres, |
acres. |
acri a. |
|
G e n. |
acris, |
acris. |
acris. |
a c r i u m. |
ac ri u m. |
a c r i u m. |
|
Dat. |
acri. |
acri. |
acri. |
acri bus. |
acribus, |
acribus. |
|
A cc. |
acrem. |
acrem. |
acre. |
acres. |
acres. |
a c r i a. |
|
Voc. |
acer, |
acris, |
acre. |
acres, |
acres. |
acri a. |
|
Abl. |
acri. |
a c r i. |
acri. |
acribus. |
acribus. |
acribus. |
|
§ 52. |
A a n m e r |
k i n g e n. | ||||
|
1°. Volgens bonus gaan alle adjectiva op us behalve vet us (ëris), oud en intercus (litis), ivat onder de huid is, die slechts één uitgang hebben. 2quot;. Volgens pulcher gaan alle adjectiva op er behalve a. de volgende, die naar aeer gaan: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
alsmede de namen der maanden op er, zooals September.
Ce lei1 heeft in den gen. plur. eelerum iu de uitdrukking t r i b n a u s c e 1 ö r u m , hoofdman der ridders.
Sommige dezer adjectiva gaan in het masculinum ook wel op is uit.
h. de volgende vier, die van één uitgang zijn:
congener, gelijkslachtig. pauper, arm.
degëner, ontaard. uber, vruchtbaar.
3°. Alle adjectiva, die naar pulcher gaan, verliezen in de verbuiging de e, behalve :
|
§ 52. Verbuiging der adjectiva. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
benevens de adjectiva op fer en ger, die van fero en gero, ik draag, zijn afgeleid, zooals: frugïfer, frugifëra, frugi-fëruin. vruchtdrugend, arraïger, ar miger a, ar ra 1 gér u m , wapendragend. Dexter, recht sch, heeft d ex tra en somtijds dextëra. Tiet adjectivura satur (gen. satnri) verzadigd, heeft sat lira, satürum.
4°. Negen adjectiva hebben in den gen. sing, van alle geslachten ins en in den dat. sing. i. Zij zijn:
alius, een ander (van meerderen), totus, geheel.
alter, de ander (van twee). uil us, eenig.
neuter, geen (van beiden). unus, een.
nullus, c/een (van meerderen). uter, wie (van beiden), solus, alleen.
B.v. Nora, neuter, neutra, neutrum. Gen. neutrlus. Dat. neutri. Ace. neutrum, neutram, neutrum. ,
Alius, alia, alïud (het neutrum is niet: aliura) heeft in den gen. alius en in den dat. alïi.
Men spreke den gen. en dat. van al ter uit: alterïus, altëri.
In de samenstellingen van uter: uter que, elk (van beiden), utercunque, uterlïbet en uter vis, wie (van beiden) ook, wordt alleen uter gedeclineerd. B.v. uterque, utraque, u t r u ra q u e.
Van alter uter, een van beiden, wordt gewoonlijk slechts uter gedeclineerd. B.v. alterütra, alterutrïus. Soms worden beide woorden gedeclineerd. B.v. alterïusutrïus.
Voorbeelden ter oefening.
albus, ivit\ alter; probus, braaf] celeber; celer; liber; raacer, mager] malus, slecht] niger, zwart] parvus, klein] terrester; uterlïbet.
41
Verbuiging der adjectiva.
42
§ 53â55.
Hortus (i) pulcher, m, de schoone fain. Equus (i) cel er, m. het snelle paard. Scriba (ae) bonus, m. de (joede schrijver. Magna nubes (is), f. de groote trolh. Aliud templum (i), een andere tempel. Alta lacus (us), f. het diepe meer.
Adjectiva van twee uitgangen. § 53. De adjectiva van twee uitgangen gaan uit op is, e. Zij worden verbogen volgens de derde declinatie, doch hebben in den abl. sing, i, in den gen. pinr. iuni en in den nom. a c c. en v o c. plu r. van het n e u t r u ra i a.
Voorlieeki van verbuiging.
m o r t a 1 i s, in o r t a 1 e, sterft
Singularis.
Aanmerk inge n.
lo. Naar mortalis gaan alle adjectiva op is, ook liet eenigs-zins onregelmatige dis, dite (gen. ditis), rijk, dat evenwel inden vorm dis bijna nooit voorkomt. Ditia wordt altijd gebruikt als neutrum plurale van dives, terwijl gewoonlijk divïtum gebruikt wordt in plaats van ditium.
2°. De adjectiva op is, die van namen van steden zijc. afgeleid , hebben soms e in den abl.
Voorbeelden ter oefening.
brevis, kort; dnlcis, zoet; fortis , sterk; simïlis, gelijk.
Campus (i) viridis, m. het groene veld. Vir tenuis, m. de dunne man. Corpus (oris) debile, n. het zwakke lichaam. Mollis facies (ei) f. het zachte gelaat.
Adjectiva van één uitgang.
§ 55. Van één uitgang zijn alle adjectiva, die niet op us, er of is uitgaan, benevens vetus, intercus, congener, d e-gëner, pauper en uber.
Zij worden verbogen naar de derde declinatie, doch hebben, behoudens de uitzonderingen, in den abl. sing, i of e, in den
M. en F. mortales,
in o r t a 1 i u ra , mortalibus, mortales, mortales, mortalibus.
PI u ral is.
.\1. en F. N o m. mortalis, inortalis, mortali, mortalem, mortalis, mortal i,
N. inortale. mortalis. mortali. mortale. inortale. mortali.
N.
ra o r t a 1 i a. rao rtali u m. mortalibus. rao rt alia, mortali a. mortalibus.
Gen. D a t. A c c. Voc. Abl. § 54
Verbuiging der adjectiva.
48
§ 56.
gen. plur. iura en in den nom. acc. en v oc. plur. van liet neutrum ia.
Om deze adjectiva te kunnen declineeren moet men behalve den nom. ook den gen. kennen.
|
Voorbeeld van verbuigintj. felix (leis), gelukkig. Singularis. Pluralis. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
§ 56. A a n m e r k i n g e n.
1°. Altijd of gewoonlijk hebben i in den abl. sing, de adjectiva op ans en ens, die oorspronkelijk participia waren, als ;â vigïlans, waakzaam, sapiens, wijs; vervolgens die op plex, als: simplex, eenvoudig, alsmede:
teres, h e b e s, par en i n g e n s ,
me mor, concors, discors, recens,
iners, anceps, praeceps, repens,
in ops, pervïcax en audax,
atrox en trux en pertïnax.
Teres, ëtis, langwerpig rond, hebes, ëtis, stomp, par, is, gelijk, ingens, ntis, groot, memor, oris, gedachtig, concors, rdis, eendrachtig, discors, rdis, oneenig, recens, ntis, versch. iners, rtis, ongeschikt, auceps, cipitis, tweehoofdig, praeoeps, cipitis, steil, repens, ntis, onverwacht, inops, opis, hulpeloos, pervïcax, iicis, hardnekkig, audax, acis, vermetel, atrox, Ocis, gruwzaam, trux, ucis, woest, pertïnax, acis, hardnekkig.
Altijd of gewoonlijk hebben e :
sen ex, pauper, caelebs, hospes,
princeps, ales, dives, sospes,
pubes, parttceps en deses,
compos, impos en super s te s.
Senex, senis, oud, pauper, ëris, arm, caelebs, ibis, ongehuwd, hospes, ïtis, gastvrij, princeps, ïpis, eerste, ales, itis, gevleugeld.
Verbuiging der adjectiva.
44
§ 56.
dives, vltis, rijk, sospes, ïtis, behouden, piibes, ëris, volwassen, particeps, cipis, deelachtig, deses, idis, werkeloos, compos, potis, meester over (iets), impos, pötis, niet meester over (iets), superstes, stïtis, overlevend.
2°. In den gen. plur. hebben urn de adjectiva, die altijd of gewoonlijk e hebben in den abl., de composita van par, zooais impar, imparum, en
uber, cicnr (cicürum),
mem or, supplex (supplïcum),
vetus, immëmor, praeceps,
vigil, inops, artifex,
benevens de adjectiva, die samengesteld zijn met snbstantiva, welke in den gen. plur. um hebben, zooals degen er, ëris (van genus), ontaard, qua drupes, edis, viervoetig, versicolor, oris, hont, bi cor por, oris (van corpus), uit twee lichamen bestaande, anceps, cipitis (van ca'put), tweehoofdig. Loc up les, ëtis, vermogend, heeft um en ium.
Uber, ëris, vruchtbaar, cicur, üris, tam, memor, oris, gedachtig, supplex, leis, snieelcend, vetus, ëris, oud, immëmor, öris, ongedachtig, praeceps, cipitis, steil, vigil, llis, waakzaam, inops, opis, hulpeloos, artifex, ïcis, bekwaam.
3quot;. Vetus heeft in den nom. acc. en voc. plur. van het neut r u m a.
Men merke wel op, dat het neutrum plur. op ia der adjectiva van één uitgang slechts voorkomt van die op as, ans,ens, rs en x, henevens van par, hebes, teres, loctlples, quadriipes, versicolor, anceps en praeceps.
Voorbeelden ter oefening.
clemens, ntis, goedertieren', compos; dives; ingens; mendax; aci's, leugenachtig-, quadriipes; superstes; velox, ücis, snel; vetus.
Miles (ïtis) audax, m. de stoutmoedige soldaat. Manus (us) atrox, f. de vreeselijke hand. Volans (ntis) falco (önis), m. de vliegende valk. Uber ager (gri) m. de vruchtbare akker. Pertïnax aurïga (ae) m. de hardnekkige wagenmenner. Hebes cornu (us) n. de stompe hoorn.
§ 57. De volgende adjectiva zijn indeclinabilia: frugi, rech tschapen, n e q u a m , ondeugend, tot, zoovele, q u o t, koevele, zoovele als, quotquot en quotcunque, koevele ook, alïquot, eenige, totïdem, even zoovele. Men zegge dus: Nom. homo nequam. Gen. hominis nequam, enz.
Over de vergelijkingsirappen.
Ue adjectiva tot, quot, enz., alsmede pauci, a plerïque, pleraeque, plevaque, de meeste of zeer vele, ce-ter i, ae, a, de overigeen nonnul li, ae, a, eenige^ kunnen slechts bij meervoudige substantiva geplaatst worden..
Van plerïque komen bij latere schrijvers ook de enkelvoudige vormen pier a que (uom. fem.) en pier unique (acc. masc.) voor. Somtijds wordt plerumque als s u b s tan ti vu m gebruikt en zeer dikwijls als adverbium in do beteekenis van meestul. De geu. plur. is niet in gebruik en wordt vervangen door plurimorum, plurimarum.
Het enkelvoud van ceteri komt slechts voor bij collectiva. B.v. cetera classis. De nora. van het mannelijk enkelvoud bestaat niet. Somtijds komt ook in het enkelvoud non nullus voor.
§ 58. Wanneer de adjectiva van één uitgang als substantiva gebruikt worden, volgen zjj de declinatie der substantiva. B.v. A sapiente virtus semper m a x i m i pendïtur, door den wijze wordt de deugd altijd het hoogst geschat. Par, ee)i paar, heeft gewoonlijk pari in den abl. sing.
11. Over de vergelijkingstrappen.
i; 59 Evenals in het Nederlandsch zijn ook in het Latijn drie vergelijkingstrappen:
de stellende trap, gradus positivus. B.v. geleerd, doetus.
de vergrootende trap, gradus eomparatïvus. B.v. geleerder, d o c t i o r.
de overtreffende trap, gradus superlativus. B.v. zeer geleerd of het geleerdst, doctissimus.
De eomparativus wordt gevormd door ior en de superlati vus door issimus te voegen achter den S'tam van het ad-jectivum. Evenals bij een substantivum wordt de stam van een adjeetivum gevonden door den uitgang van den genetivus singularis weg te nemen. B.v. probus, braaf, probior, probissimus; p r u de n s, voorzichtig, prudent ior, prudenti s si m u s.
De eomparativus heeft voor het mannelijk en vrouwelijk geslacht denzelfden uitgang. Voor liet onzijdig geslacht verandert men or in us. B.v. probior, probius, prudenti or, prudenti us. De verbuiging geschiedt volgens de derde declinatie. In den abl. sing, vindt men somtijds i in plaats van e.
Voorbeeld van verbuiging.
M. en F. N. M. en F. N.
N o m, probior, probius. probiöres, probiöra.
Gen. probiöris, probiöris. probiörum, probiörum. Dat. probiüri, probiöri. probioribus, probioribus.
45
Over de onrecjelmatiye vergehjkingstrappen.
40
§ 60.
A cc. probiörcm, probius. probiores, probiöra. Voc. pvobior, probius. probiores, probiöra. A b 1. probiore (i), probiore (i). probioribus, probioribus.
De superlativus lieeft voor liet vrouwelijk geslacht den uitgang a en voor het onzijdig den uitgang um. B.v. probissi-mus, probissïma, probisstmum. De verbuiging geschiedt volgens bonus, a, um.
Over de onregelmatige vergelijkingstrappen.
§ 60. Op de gewone vorming der vergelijkingstrappen zijn de volgende uitzonderingen,
lu. De adjectiva op er vormen den coraparativus regelmatig, doch den super lativus door er te veranderen in errïmus. B.v. miser, ellendig, miserior, miserrïmus; acer, scherp, acrior, acerrïmus; 1 iber, vrij, liberior, liberrïmus.
2°. De volgende adjectiva op ilis vormen den compara-tivus regelmatig, doch den super lativus door ilis te veranderen in illimus: f'acjjis, gemakkelijk, facilior, facillimus; diffi-cllis, moeilijk, difficilior, difficillïmus; si ml lis, gelijk, similior, similllmus; dissimtlis, ongelijk, dissimilior, dissimillunus; gracilis, slank, gracilior, gracillïmus; humilis, laag, humilior, humillïmus.
De overige adjectiva op ilis gaan regelmatig. B.v. utïlis, nuttig, utilior, utilisslraus.
3°. De adjectiva op dïcus, ficus en völus van dico, facio en volo vormen den comparativus op entior en den super-la tiv us op entissïmus. B.v. maledicus, 'kwaadsprekend, maledicentior, ma 1 e dice n ti ssïmu s ; magnificus, jpmc/i-tig, magnificentior, magnificentissimus; benevölus, welwillend, benevolentior, bene vol ent is si mus. De adjectiva op dïcus (waarbij de voorlaatste lettergreep lang is) vormen de vergelijkingstrappen regelmatig, namelijk: pudlcus, eerbaar, p u d i c i o r, pudicissïmus; m e n d ï c u s, bedelachtig, m e n d i-c i o r, m e n d i c i s s ï m u s.
4quot;. De volgende adjectiva zijn geheel onregelmatig :
bonus, goed. me li or. optïmus.
dexter, rechtsch. dexterior. (dextimus).
egënus, behoeftig. egentior. egentissïmus.
frugi, reetschapen. frugalior. frugalissimus.
|
Over de vergelijkingstrappen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
47
Aanmerking. Plus wordt in het enkelvoud slechts gebruikt als een onzijdig substantivum, dat enkel in den non.', en ace. voorkomt. Ook bestaat de gen. pluris, over welks gebruik later zal gesproken worden. In het meervoud is plu res, plura een gewoon adjectivum, dat met uitzondering van den gen. plurium regelmatig verbogen wordt. Het samengestelde complüres, verscheidene, heeft in den nom. en ace. van het neutrum: complüra en soms, doch minder goed comp 1 uria.
P lures heeft altijd de beteekeuis van een comparativus, complüres daarentegen nooit en mag dus ook niet mot een volgend q u a m verbonden worden.
5°. De volgende adjectiva hebben twee onregelmatige superlativi: (exter of extërus) bui- exterior, meer lid- extrëmus en soms ex-
tenlandsch. terne aarts gelegen.
(infer of inferus) he- inferior, lager.
§ 61.
11 m u s, uiterste.
i n f i m u s of i in u s, onderste, laagste.
post rem us, laatste', p o s t u m ii s, na den dood des vaders geboren. suprëmus, laatste (van tijd), summus, hoogste (van plaats).
Aanmerkingen. Exter of exterus komt gewoonlijk slechts in hot meervoud voor.
infer of iuferus vindt meu iu goed Latiju slechts in mare infe-rum, de Toscaansche zee, en verder iu liet meervoud.
Posterus komt in het' enkelvoud niet voor iu den nom. vau het
neden.
(postêrus) volgend.
(supêrus) boven.
posterior, later.
superior, vroeger, vorig, hooger.
Over de veryelijkinystrappen.
§ 61â62.
48
manuelijk ou in zuiver proza slechts bij tijdsbepalingen, als: i n posto-rum diem, tegen den volyenden dag; verder bestaat slechts hot plurale tantum po s t er i, de nakomelingen.
Super us komt in zuiver proza slechts voor in mare superum, fZe Adriatische zee, en in het mannelijk en vrouwelijk meervoud.
Over tie gebrekkige vergelijkingstrappen.
§ 61. Verschillende adjectiva missen een dor vergelijkingstrappen.
Ds positivus ontbreekt van de volgende comparativi ea superlativi: citerior, aan deze zijde, dichter hij citimus, het meest aan deze zijde,
gelegen. het dichtst hij gelegen.
vdeterior, minder goed. deterrimus, de minst goede.
interior, meer binnenwaarts gelegen, intimus, de binnenste.
oeior, sneller. oeissimus, snelst.
*potior, verkieslijker. pocissimus, verkieslijkst.
^p r i o r, eerder. primus, de eerste.
* p r o p i o r, nader. p r o x i m u s , de naaste.
vul teri or, aan gene zijde gelegen. ultimus, de verwijderdste, laatste.
De comparativus ontbreekt van u up er us, alsmede van bellus, lief, bellissimus.
diversus, verschillend, diver si ssimus. \
falsus, valsch, falsi ssimus. * * â¢
inclïtus, heroemd, i n cl iti ssimus.
Vnovus, nieuw, novissimus.
ssacer, heilig, sacer rimus.
en van verscheidene als adjectiva gebruikte participia op us, zooals: m e r ï t u s, verdienstelijk, meritissimus.
De superlativus ontbreekt behalve van juvenis ook van de meeste adjectiva verbalia op ïlis en bïlis en van verschillende op zich zeiven staande woorden, als: agrestis, hoersch, a 1 aeer, levendig, ater, zwart, caecus, blind, declTvis, af hellend, deses, traag, j ej U u u s, nuchter, longinquus, verwijderd, propinquus, nabij, procllvis, vooroverhellend, protervus, moedwillig, salutïïris, heilzaam, satur, verzadigd, s e n e x, oud, s u r d u s , doof , teres, langwerpig rond, vulgaris, gemeen.
Aanmerking. De adjectiva verbalia amabïlis, beminnelijk, fer-ttlis, vruchtbaar, fragïlis, breekbaar, ignobïlis, onbekend, mobï-1 i s, bewegelijk, n o b ï 1 i s, heroemd, u t ï 1 i s, nuttig, hebben den superlativus.
§ 62- Vele adjectiva kunnen noch in den comparativus, noch in don superlativus gezet worden. Hiertoe behooren :
1quot;. de adjectiva, wier beteekenis geen vergelijking toelaat, zooals ; ligneus, houten, paternus, vaderlijk.
2°. de adjectiva op us met voorafgaande vocaal. 13.v. id o neus, geschikt, arduus, steil, dubius, twijfelachtig. De adjectiva op quus hebben echter de vergelijkingstrappen, zooals; antïquus, oud ,⢠antiquior, antiquisslmus; ook enkele op uus en ius. Zoo vindt men den superlativus van assiduus en pius.
3quot;. de meeste adjectiva, die samengesteld zijn met substautiva en verba, zooals: partïceps, degëner, i n o p s. Uitgezonderd zijn die op dt c u s
Over de numeralia.
49
§ 63â65.
fïcus en volus, alsmedo do samengestelde met ars, coi- en mens. B.v. iners, con cor s, demons.
4°. de adjectiva, die sianengesteld zijn met per, prae en sub. B.v. percommödus, zeer gelegen, praedives, zeer rijk, subdifficïlis, vrij moeilijk. Uitgezonderd zijn praeclarus, voortreffelijk, en do adjectiva, die oorspronkelijk participia waren, zooals: praostans, voortreffelijk , praecellens, uitstekend.
5°. de moeste adjectiva derivata op icus,ïdus, timus,iilus, ill is, aris, ilis. In us, ör us, en verscheidene adjectiva, die tot geen klas teruggebracht kunnen worden, zooals: al bus, rvit, mediöcris, middelmatig, rudis, ruw. Zoo men niet zeker weet, dat een adjectivum de vergelijkingstrappen heeft, raadplege men altijd zijn woordenboek.
§ 63. Wanneer men den comparativus of superlativus noodig heeft van een adjectivum, dat de vergelijkingstrappen mist, voegt men mag is, meer, of maxime, het meest, vóór den positivus. B.v. magis ido neus, maxime idonens.
In plaats van maxime kan men ook gebruiken val de, admödum, bene, oppïdo, multum. zeer, apprlme, imprimis, bijzonder, perquam, hij uitstek.
Men kan ook vele adjectiva in den superlativus zetten door voorvoeging-van per en enkele door voorvoeging van prae. B.v. per difficïlis, praedives. In perfïdus, trouweloos, en perjürus, meineedig, heeft per een ontkennende beteekenis. Somtijds wordt een met por samengesteld adjectivum gescheiden. B.v. Altera pars per mihi brevis fore videtur, het komt mij voor, dat het tweede deel zeer kort zal zijn.
§ 64. Sommige comparativi kan men in een verkleinenden vorm zetten door cülus, a, um achter het neutrum te voegen. B.v. grandiuscu-lus, a, um, vrij groot, majuscülus, a, um, een weinig grooter.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
OVER DE NUMERALIA.
§ 65. De numeralia worden in verschillende soorten verdeeld, waarvan de voornaamste zijn :
1°. de cardinalia of hoofdgetallen; zij staan op de vraag hoeveel (quot) evenals de Nederlandsche telwoorden: een, twee.
2°. de ordinalia of ranggetallen; zij staan op de vraag de hoeveelste (quotus) evenals bij ons: de eerste, de tweede.
3quot;. de distributïva of verdeelingsgetallen; zij staan op de vraag hoeveel telkens of hoeveel ieder (quotëni). B.v. telkens een, ieder een.
4quot;. de adverbia numeralia of telbijwoorden; zy staan op de vraag hoeveel maal (quoties). B.v. eenmaal, tweemaal.
De volgende tabel geeft een overzicht der verschillende numeralia.
4
|
50 65. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Numeralia.
|
Distributiva. |
Adverbia numeralia. | |
|
singüli, ae, a, elk een. |
seniel, eenmaal. |
I |
|
bini, elk twee. |
bis, tweemaal. |
li |
|
terni, elk drie. |
ter, driemaal. |
lil |
|
quaterni. |
quater. |
IV |
|
quini. |
quinquies. |
V |
|
seni. |
sexies. |
VI |
|
septêni. |
sopties. |
VII |
|
octoni. |
octies. |
VIII |
|
noveni. |
novies. |
IX |
|
deni. |
decies. |
X |
|
undeni. |
undecies. |
XI |
|
duodëni. |
duodecies. |
XII |
|
terni deni. |
terdeeies. |
XIII |
|
quaterni deni. |
quaterdecies. |
XIV |
|
quini deni. |
quindecies. |
XV |
|
seni deni. |
sedecies. |
XVI |
|
septêni deni. |
septiesdecies. |
XVII |
|
duodevicëni. |
duodevicies |
XVIII |
|
undevicëni. |
undevicies. |
XIX |
|
viceni. |
vicies. |
XX |
|
vicëni singüli. |
vicies semel of semel et vicies. |
XXI |
|
vicëni bini. |
vicies bis of bis et vicies. |
XXII |
|
duodetricëni. |
duodetricies. |
XXVIII |
|
undetricëni. |
undetricies. |
XXIX |
|
tricëni. |
tricies. |
XXX |
|
quadragëni. |
quadragies. |
XL |
|
quinquagëni. |
quinguagies. |
Ll |
|
sexagëni. |
sexagies. |
LX |
|
septuagëni. |
septuagies. |
LXX |
|
octogëni. |
octogies. |
LXXX |
|
nonagëni. |
nonagies. |
xc |
|
centëni. |
cenries. |
c |
|
centëni singüli. |
centies semel. |
Cl |
|
centëni bini. |
centies bis. |
CII |
|
ducëni. |
ducenties. |
cc |
|
trecëni. |
trecenties. |
ccc |
|
quadringëni. |
quadringenties. |
cccc |
|
quingëni. |
quingenties. |
10 of D |
|
sescëni. |
sescenties. |
IOC |
|
s'eptingëni. |
septingenties. |
I0CC |
|
octingëni. |
octingenties. |
I0CCC |
|
nongëni. |
nongenties. |
I0CCCC |
|
singüla milia. |
millies. |
CIO of M |
|
singula milia singüli. |
millies semel. |
CIOl |
|
singüla milia nongëni. |
millies nongenties. |
CIOIOCCCC |
|
bina milia. |
bis millies. |
ciocro |
|
centëna milia. |
centies millies. |
CCCIOOO |
|
decies centëna milia. |
decies centies millies. |
CCCCIOOOO |
Numeralia.
§ 66â67.
52
Aanmerkingen op de cardinalia.
§ 66. De drie eerste cardinalia worden aldus verbogen:
Singularis. Pluralis.
Nom. unus, una, unum. uni, unae, una.
Gen. unlus.) . ,, unorum, unarum, unorum.
gt;inallegenera. .
Dat. uni. ' unis. in alle genera.
Acc. unum, uuam, unum. unos, unas, una.
Abl. uno, una, uuo. unis. in alle genera.
Aanmerking. Het meervoud van unus wordt gebruikt: 1°. bij de pluralia tantum, die een enkelvoudige beteekenis hebben. B.v. u n a ca s t r a, ééne legerplaats; unae nuptiae, ééne bruiloft.
2°. wanneer unus alleen of dezelfde beteekent. B.v. Uni Ubii legates miserant, de Ubiërs alleen hadden gezanten gezonden. Lace-daemonii septingentos jam annos unis moribus vivunt, de Lacedemoniërs leven reeds 700 jaar volgens dezelfde zeden.
3°. bij het optellen van deelen die een meervoud vormen. B.v. Quis ignSrat, tria Graeoorum genera esse, quorum uni sunt lo-ues, Aeöles alteri. Do res tertii nominantur, wie weet niet, dat er drie soorten van Grieken zijn, van welke de eenen de Joniërs zijn, de anderen de Aeoliërs en de derden Doriërs genoemd worden.
Pluralis. Pluralis.
Nom. duo, duae, duo. Nom. tres, tres, tria.
Gen. duorum, duarum, duorum. Gen. trium. ) . ,, _ 1 , , , ^ ., gt;in alle genera.
Dat. duobus, duabus, duobus. Dat. tribus. )
Acc. duo en duos, duas, duo. Acc. tres, tres, tria. Abl. duobus, duabus, duobus. Abl. tribus, in alle genera. Yolgens duo gaat ook ambo, ambae, ambo, heiden.
In plaats van duorum vindt men soms duum bij milium. § 67. Van quattuor tot centum zijn de cardinalia onverbuigbaar. Ducenti, ae, a en de overige honderdtallen gaan regelmatig naar het meervoud der adjectiva op us, a, um. Bij de samengestelde telwoorden wordt het veranderlijke gedeelte gedeclineerd. B.v. Duorum et viginti homïnum, van 22 menschen.
Mille is in het enkelvoud (wanneer er van één duizend spraak is) gewoonlijk een onverbuigbaar adjectivum. B.v^ Nom. Mille milttes, duizend soldaten. Gen. mille milïtum, van duizend soldaten. Het meervoud mil ia is een onzijdig substan-tivum met den gen, milium en den dat. en abl. milïbus.
De getelde voorwerpen staan bij mi li a in den gen. B.v. duo milia militum , 2000 soldaten; duorum milium milïtum, van 2000 soldaten-, duobus milïbus milïtum, aan 2000 soldaten.
Numeralia.
Zoo met milia kleinere getallen zijn verbonden, plaatst men de getelde voorwerpen in den zelfden naamval, wanneer zij achteraan staan. B.v. Ha buit tria milia trecentos milites, hij had 3300 soldaten. Staan de getelde voorwerpen vóór milia, dan worden zij gewoonlijk in den gen. gezet. B.v. Hahuit militum tria milia trecentos. Men kan de getelde voorwerpen ook onmiddellijk achter milia in den gen. plaatsen en de kleinere getallen met et laten volgen. B.v. Habuit tria milia militum et trecentos.
De duizendtallen worden gewoonlijk gevormd door vermenigvuldiging van milia met een cardinale ofdistributivum. B.v. duo milia of Jjina milia, 2000.
De honderdduizendtallen worden gevormd door centum milia of centena milia te vermenigvuldigen met een adverbium numerale. Zoo is een millioen decies centum milia of decies centena milia.
§ 68. Om de tusschengetallen te vormen plaatst men van 20 tot 100 gewoonlijk of het kleinste getal voorop met et óf het grootste zonder et. B.v. quattuor et sexaginta of sexaginta quattuor.
De tusschengetallen met unus hebben het substantivum in het meervoud. B.v. homines unus et viginti, homines viginti unus, unus et viginti homines, viginti unus homines. Zoo echter unus met e t achteraan staat en gevolgd wordt door het substantivum , k a n dit ook in het enkelvoud staan. B.v. viginti et unus homo.
Boven 100 staat het grootste getal altijd voorop met of zonder et. B.v. mille unus of mille et unus. Men mag et slechts plaatsen onmiddellijk achter het grootste getal en nooit tweemaal et gebruiken. B.v. mille (et) trecenti sexaginta sex, niet: mille trecenti sexaginta et sex.
De met 8 en 9 samengestelde getallen worden gewoonlijk gevormd door aftrekking. Un (unus) en duo worden in dit geval niet verbogen. In plaats van undecentum zegt men liever novem et nonaginta of nonaginta novem. 98 heet altijd octo et nonaginta of nonaginta octo.
Waar wij om een groot getal te noemen honderd of duizend gebruiken, zeggen de Latijnen, zoo er een cardinale noodig is, ses-cent i, en zoo er een ordinale of adverbium numerale gevorderd wordt, millesimus of mil li es. B.v. Sescentas scrihïto mi hi dicas, nihil do, voer duizend processen tegen mij, ik betaal toch niets. Millies tibi dixi verbum excellendi care re p e r fcct o, Acw-derdmaal heb ik u gezegd, dat het werkwoord excello geen perfectum heeft.
53
Numeralia.
54
69â71.
Aanmerkingen op de ordinalia.
§ 69. De ordinalia zijn gewone adjectiva op us, a, um.
Bij de vorming der tusschengetallen zet men gewoonlijk van 13 tot 17 het kleinste getal vóór het grootste en wel zonder et; van 21 tot 98 geschiedt de samenvoeging juist gelijk bij de ca r di n ali a. Boven 100 zet men gewoonlijk het grootste getal voorop, terwijl men de kleinere getallen zonder verbinding laat volgen. B.v. Anno ducentesimo sexagesimo quarto.
Ook hier worden de met 8 en 9 samengestelde getallen het liefst gevormd door aftrekking.
De duizendtallen der ordinalia worden gevormd door vermenigvuldiging van millesimus met een adverbium numerale.
§ 70. De ordinalia worden gebruikt bij het,aangeven van jaartallen en uren. B.v. Anno millesimo nonagesimo sexto, in het jaar 1096. Quota hora est, hoe laat is het? Hora fere nona, hijna negen uur.
Wanneer een ordinale gevolgd wordt door quisque zegt men in het Nederlandsch om.de. B.v. Q uin t o'q uo q u e anno ludi celebra-bantur, om de rrm^jaar werden er spelen gehouden. Tertio quoque verbo peccat, om het andere woord maakt hij een fout.
Aanmerking. Bij het gebruiken der ordinalia rekenen de Romeinen gewoonlijk den terminus a quo en den terminus ad quem mede, evenals wij in onze uitdrukking: van daag over acht dagen. Vandaar beteekent quinto quoque anno, om de vier jaar, tertio quoque verbo, om het andere woord, febris quartana, derdendaagsche /coorfe, f e b r i s tertiana, anderendaagsche koorts.
Aanmerkingen op de distributiva en adverbia numeralia.
§ 71. De distributiva worden regelmatig gedeclineerd naar het meervoud der 1ste en 2de declinatie. Behalve van singuli gaat echter de gen. plur. gewoonlijk uit op um in plaats van op orum. B.v. binum, ternum.
Bij de tusschengetallen voegt men soms et. B.v. Qua-terni et viceni.
Telkens duizend heet niet millëni maar singula milia of alleen milia.
Bij de tusschengetallen der adverbia numeralia staat het kleinste getal achter het grootste zonder et of vóór het grootste met et. Yóór het grootste zonder et duidt het een vermenigvuldiging aan.
Bij de distributiva en adverbia numeralia kunnen de met 8 en 9 samengestelde getallen evengoed gevormd worden door bijvoeging. B.v. octoni deni, novies deeies.
Numeral ia.
55
§ 72â73.
§ 72. De distributiva worden gebruikt:
1°. om aan te duiden, dat zeker getal op ieder der genoemde personen of zaken van toepassing is. B.v. Caesar et Ariovistus denos oom j tos adduxerunt, Caesar en Ariovistus brachten ieder tien heye-leiders mede. Deccm comités zou beteekenen dat zij te zamen tien begeleiders medebrachten. Multicamëli singula, alii bi na t ub ër a in dor so ha bent, vele kameelen hebben één, andere twee bulten op den ruy. An toni us denarios quingëuos singulis militibus dat, Antonius (jeeft aan lederen soldaat 500 denariën. Staat, zooals in het laatste voorbeeld, bij den persoon of de zaak, waarvan gesproken wordt, singuli (zoo er sprake is van twee uterque , van meerdere unusqnisque), dan mag men de getelde voorwerpen ook aangeven door een car din ale. B.v. Antonius denarios quingentos singulis militibus dat. Zoo mag men ook het eerste voorbeeld vertalen: Caesar et Ariovistus uterque decern comités adduxerunt.
2°. bij het vermenigvuldigen; het vermenigvuldigtal is een dis-tributivum, .de^veiy^enigvuldiger een adverbium numerale, het product een B.v. Sexies octona sunt duodequin-
quaginta, 6 X 8 is 48. Non didïcit bis hina quot ess ent, hij weet niet hoeveel tweemaal tivee is. â
3°. bij do pluralia tantum, die eeii enkelvoudige beteekenis hebben. B.v. Quinae litterae, vijf brieven. Bina castra, twee legerplaatsen. Quiuque litterae beteekent vijf letters, duo castra twee kasteden. lu plaats van singuli en ter ui, die altijd hun distributieve beteekenis behouden, gebruikt men uni en trini. Bij de pluralia t a n t u m, die een meervoudige beteekenis hebben, gebruikt men de cardinalia. B.v. ünus ex majoribus, een zijner voorvaderen. Tres 1 i b e r i, drie kinderen.
Aanmerking. Bi ui wordt soms in plaats van duo gebruikt om twee zaken aan te duiden, die bij elkander behooren. B.v.Binae aures, de twee oor en. Bini scyphi, twee bij elkander behoorende bekers.
Over de breuken.
§ 73. De breuken worden in het Latijn op dezelfde wijze uitgedrukt als in het Nederlandsch, de teller door een eardinale en de noemer door een ordinale met of zonder pars. B.v. Quintae partes horae tros, | uur. Qninque octavae, -|.
Wanneer de teller 1 is, wordt hij in het Latijn niet uitgedrukt. B.v. Deeima, r'j.
Wanneer de teller één minder is dan de noemer, laat men den noemer gewoonlijk weg, maar voegt dan altijd partes bij den teller. B.v. f, duae partes; \, septem partes.
\ heet pars dimidia, dimidium; half, di midi us, a. um. B.v. Dimidium pa nis of dimidius pa nis, «m/(«/Æ ftrooc?. Gewoonlijk gebruikt men echter semis, gen. semissis. B.v. Semis panis, een half brood; semisses panis, halve brooden. Zoo er een ander getal voorafgaat, laat men gewoonlijk semis zonder verbuiging en zonder verbinding volgen. B.v. öj voet, sex semis pedes. Het is half zes, quinta semis hora est. Ee)i rijksdaalder, duo semis florena. Men drukt half ook uit door substantiva en adjectiva samen te stellen met semi. B.v,
Pronomina.
74â76.
56
61 voet, sex pedes et semïpes. Een half uur, s e m i h ö r a. Een half geleerde, semidoctus. Men lette echter wel op de verschillende spreekwijzen der Latijnsche taal. Zoo heet met halven wind zeilen ventum obliquum captare, half wanhopig zijn prope desperaturaesse.
Anderhalf is s e s q ui eu staat vooral in samenstellingen, zooals: s e s q u i-pes, sesqu i-m odi u s. Met een ordinale verbonden voegt het daaraan ^ toe. B.v. sesqui-tertius r= 3|.
Bij de tegenwoordige geld be rekening dr nkke men den jaarlijkschen interest uit door centesimae met een distributivum. B.v. 1 %, e e n-tesimae; 2%, binae centesimae; 5%, quinae centesimae.
Over de Romeinsche getalmerken.
§ 74. Betrekkelijk de Romeinsche getalmerken valt op te merken , dat het getal 500 oorspronkelijk werd uitgedrukt door het teeken io. De omgekeerde o wordt apoströphus genoemd. Bij iedere vermenigvuldiging met 10 voegt men er een apostro-phus achter. B.v. 100 = 5000, iooo = 50,000. Zet men evenveel rechte c's vóór de i als er apoströphi achter staan, dan wordt het getal verdubbeld. B.v. cio = 1000, ccioo = 10,000.
De duizendtallen worden ook aangegeven door een streep te plaatsen boven liet aantal der duizendtallen, zooals XXIII = 23,000; de honderdduizendtallen door ze in te sluiten in de figuur zooals: II = 200,000, XX = 2,000,000.
NEGENDE HOOFDSTUK.
OVER DE PRUNOMINA.
§ 75. De pronomina worden verdeeld in:
pronomina personalia, persoonlijke voornaamwoorden.
â reflexïva, wederkeerige â
â possessïva, bezittelijke â
â demon strati va, aanwijzende â
â relativa, betrekkelijke â
â interrogatlva, vragende â
â indefinita, onbepaalde â
Pronomina personalia.
§ 76. Er zjjn in het Latijn twee pronomina personalia, het pronomen personale van den eersten persoon: ego, ik, en van den tweeden persoon: tu, gij. In plaats van het Nederlandsche persoonlijke voornaamwoord van den derden persoon, hij, zij, het, gebruikt men in het Latijn een pronomen demonstrativum.
Pronomina.
57
§ 77â78.
|
De pronomina personalia worden op de volgende wijze verbogen. Singularis. Pluralis. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
kuimeii de pronomina personalia in alle casus versterkt worden door het achtervoegsel met in de beteekenis van zelf. B.v. ego met, ik zelf. Meermalen voegt men er nog ipse bij. B.v. vos met ipsos, u zeiven. In plaats vau tu zegt men soms ter versterking tute of tutëmet. In het oudere Latijn vindt men soms meme eu tete in plaats van meen te. De dichters zeggen meermalen mi in, plaats van mi hi. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Pronomina reflexiva.
§ 77. De pronomina personalia worden ook gebruikt als reflexiva van den eersten eu tweeden persoon. Voor den derden persoon bestaat er een bijzonder pronomen reftexivum. Het mist natuurlijk den nom., heeft in het enkelvoud en meervoud dezelfde vormen en wordt volgenderwijze verbogen.
Gen. sui, van zich.
Dat. sibi, aan of voor zich.
Ace. se, zich.
Abl. se, met of door zich.
Aanmerkingen. Evenals de pronomina personalia kan ook het reflexivum versterkt worden door met en door ipse.
Meermalen zegt men voor den nadruk se se in plaats van se.
Pronomina possessiva.
§ 78. Er zijn in het Latijn vijf pronomina possessiva:
voor den 1 sten persoon enkelvoud: mens, mea, raeum, mijn.
â â â â meervoud: noster, nostra, nostrum, ows.
â â 2^6quot; ,. enkelvoud: tuus, tua, tuum, uw.
â â â â meervoud: vest er, vestra, vest rum, me.
Pronomina.
voor den 3den persoon enkelvoud \ l zijn, haar.
en ' s u u s, sua, s u u m ' â â â â meervoud: \ ( hun , haar.
Het pronomen suus, sua, suum mag alleen in wederkee-rige zinnen gebruikt worden. Zoo er geen wederkeerigheid bestaat, vertaalt men het Nederlandsche bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon in het Latijn door een pronomen demonstra-tivum. Welk pronomen zoudt gij nu gebruiken in de volgende zinnen? Jan heeft zijn hond verkocht. Hebt gij zijn vader gespro-hen? Wij hebben hunne teeheningen gezien. Deze vrouw heeft haar eenige dochter verloren.
De pronomina possessiva worden regelmatig verbogen naar de eerste en tweede declinatie met uitzondering van me us, dat in den voc. sing, van het masculinum mi heeft.
Aanmerkingen. De abl. sing, wordt somtijds versterkt door het achtervoegsel pte, dat de beteekenis heeft van eigen. B.v, moopte consilio, door mijn eigen overleg; snapte manu, met zijn eigen hand.
Achter den abl. sing, van suus voegt men soms in dezelfde beteekenis met, waarop dan gewoonlijk nog een casus van ipse volgt. B.v. Hannibal suamet ipse fraude captus est, Hannibal werd door zijn eigen list gevangen.
Soms vindt men, maar hoogst zelden bij goede schrijvers, het pronomen possessivum (cujus), cuja, cujum, van tcien; het wordt nu eeus als relativum, dan eens als interrogativum gebruikt. B.v. Die mi hi, cujum pecus, zeg mij van wien de schapen zijn.
Van de possessiva worden de zoogenaamde prono min a gent ilia afgeleid, die aanduiden tot welk volk, familie of partij iemand behoort. Zij zijn:
nostras, atis, onze landgenoot, een van de onzen.
v e s t r a s, atis, niv landgenoot, een van de uwen.
cu jas, atis, wat landsman? van welke familie of partij?
De pronomina gentilia worden regelmatig verbogen als adjectiva vau één uitgang.
Pronomina demonstrativa.
§ 79. Er zijn in het Latijn zes pronomina demonstrativa; zij hebben voor de verschillende geslachten een verschillenden uitgang. Zij heeten:
bic, haec, hoe, deze, deze, dit. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, die spreekt. B.v. hie liber. dit (mijn) boek', hie locus, deze plaats (waar ik mij bevind). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den e e rs t e n persoon.
is te, ista, istud, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, tot wien gesproken wordt. B.v. iste
58
Pronomina.
59
§ 79.
liber, dat (uw) hoek\ is te locus, die plaats (waar gij u bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den tweeden persoon.
i 11 e, i 11 a , i 11 u d, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, over wien gesproken wordt. B.v. ille liber, dat (zijn) hoek; ille locus, die plaats (waar hij zich bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den derden persoon
is, ea, id, hij, zij, het óf die, die, dat. Men gebruikt dit pronomen als pronomen personale van den derden persoon en daar waar het pronomen possessivum van den derden persoon niet mag vertaald worden door suus, sua, suum. Het zou te pas komen bij de vertaling der volgende zinnen. Zij hebben hem geslagen. Ik heb zijn stok (den stok van hem) gebroken. Wij zagen haar; hare oogen (de oogen van haar) stonden vol tranen.
idem, e a d e m, i d e m, dezelfde, dezelfde, hetzelfde.
ipse, ipsa, ipsum, zelf of hij zelf, zij zelve, het zelf.
Deze pronomina worden op de volgende wijze verbogen.
Hie, haec, hoe, deze, deze, dit.
Singularis. Pluralis.
ïfom. hie, haec, hoc. hi, hae, haec.
Gen. hujus. , horum, ha rum , horum.
^ . ! in alle genera... . ,,
Dat. lime. ( 0 his. in alle g^enera.
Acc. hunc, banc, hoe. hos, bas, haec.
Abl. hoc, hac, hoc. his. in alle genera.
Aanmerking. Aan alle naamvallen van dit pronomen kan co en cïne gehecht worden, ce tot versterking van de aanwijzende beteekenis, cine om een vraag uit te drukken. Waar twee c's op elkander zouden volgen, wordt gewoonlijk ééne c uitgeworpen, als: hice (hicoej, h unci ne (hnuccine). In proza worden deze achtervoegsels gewoonlijk slechts gehecht aan de vormen, die op s uitgaan, als; hujusce, hisce.
Iste, ista, istud, die, die, dat.
Nom. iste, ista, istud. isti, istae, ista.
Gr en. istïus. , . istörum, istarum, istörum.
-r-v . â ,. jinallegenera.... ⢠' ,,
Dat. isti. ( 0 istis. in alle genera.
Acc. istum, istam, istud. istos, istas, ista.
Abl. isto, ista, isto. istis. in alle genera.
Aanmerking. Men vindt in het oudere Latijn ook do volgende vor-
Pronomina.
58
79.
voor den 3den persoon enkelvoud \ f zijn, haar.
en ' s ii u s, sua, s u u m â â B â meervoud: \ j hun, haar.
Het pronomen suus, sua, suum mag alleen in wederkee-rige zinnen gebruikt worden. Zoo er geen wederkeerigheid bestaat, vertaalt men het Nederlandsche bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon in het Latijn door een pronomen demonstra-tivum. quot;Welk pronomen zoudt gij nu gebruiken in de volgende zinnen? Jan heeft zijn hond verkocht. Hebt cjij zijn vader gesproken? Wij hebben hunne teekeningen gezien. Deze vrouw heeft haar eenige dochter verloren.
De pronomina possessiva worden regelmatig verbogen naar de eerste en tweede declinatie met uitzondering van me us, dat in den voc. sing, van het masculinum mi heeft.
Aanmerkingen. De abl. sing, wordt somtijds versterkt door het achtervoegsel pte, dat de beteekenis heeft van eigen. B.v. meopte cousilio, door mijn eigen overleg; sua pte maiiu, met zijn eigen hand.
Achter den abl. sing, van suus voegt men soms in dezelfde beteekenis met, waarop dan gewoonlijk nog een casus van ipse volgt. B.v. Hannibal suEmet ipse fraude captus est, Hannibal werd door zijn eigen list gevangen.
Soms vindt men, maar hoogst zelden bij goede schrijvers, het pronomen possessivum (eujus), cuja, cujum, van ivien; het wordt nu eens als relativum, dan eens als interrogativum gebruikt. B.v. Die mi hi, cujum pecus, zeg mij van wien de schapen zijn.
Van de possessiva worden de zoogenaamde prono min a gent ilia afgeleid, die aanduiden tot welk volk. familie of partij iemand behoort. Zij zijn:
nostras, atis, onze landgenoot, een van de onzen.
v e s t r a s, Htis, tav landgenoot, een van de uwen.
cu jas, atis, ivat landsman? van welke familie of partij?
De pronomina gentilia worden regelmatig verbogen als adjectiva van één uitgang.
Pronomina ciemonstrativa.
§ 79. Er zijn in het Latijn zes pronomina demonstrativa; zij hebben voor de verschillende geslachten een verschillenden uitgang. Zij heeten:
bic, haee, hoe, deze, deze, dit. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, die spreekt. B.v. hie liber, dit (mijn) hoek\ bic locus, deze plaats (waar ik mij bevind). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den eersten persoon.
iste, ista, istud, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, tot wien gesproken wordt. B.v. iste
Pronomina.
59
§ 79.
liber, dat (uw) hoek; is te locus, die plaats (waar gij u bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den tweeden persoon.
ille, illa, illud, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, over wien gesproken wordt. B.v. ille liber, dat (zijn) boek; ille locus, die plaats (waar bij zich bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den derden persoon
is, ea, id, hij, zij, het öf die, die, dat. Men gebruikt dit pronomen als pronomen personale van den derden persoon en daar waar het pronomen possessivum van den derden persoon niet mag vertaald worden door suns, sua, suum. Het zou te pas komen bij de vertaling der volgende zinnen. Zij hebben hem geslagen. Ik heb zijn stok (den stok van hem) gebroken. Wij zagen haar; hare oogen (de oogen van haar) stonden vol tranen.
idem, eamp;dem, idem, dezelfde, dezelfde, hetzelfde.
ipse, ipsa, ipsum, zelf of hij zelf, zij zelve, het zelf.
Deze pronomina worden op de volgende wijze verbogen.
Hie, haec, hoe, deze, deze, dit.
Singularis. Pluralis.
Nom. hie, haec, hoe. bi, hae, haec.
Gen. bujus. , . borum, harum, horum.
T-. , , . 1 in alle genera.,. . ,,
Dat. buie. ( 0 his. m alle genera.
Acc. bunc. banc, boe. hos, bas, haec.
Abl. hoc, hac, boe. bis. in alle genera.
Aanmerking. Aan alle naamvallen van dit pronomen kan ce en cïne gehecht worden, ce tot versterking van de aanwijzende beteekenis, cine om eeu vraag uit te drukken. Waar twee c's op elkander zouden volgen, wordt gewoonlijk ééne c uitgeworpen, als: hice (hicoe) , hunci ne (hunccine). In proza worden deze achtervoegsels gewoonlijk slechts gehecht aan de vormen, die op s uitgaan, als: hujusce, hisce.
Iste, ista, istud, die, die, dat.
Nom. iste, ista, istud. isti, istae, ista.
Gen. istlus. , . istorum, istarum, istürum.
-p. , ⢠,. Jinallegenera.... . ,,
Dat. isti. ( amp; istis. in alle genera.
A c c. istum, istam, istud. istos, istas, ista.
Abl. isto, ista, isto. istis. in alle genera.
Aanmerking. Men vindt in het oudere Latijn ook de volgende vor-
Pronomina.
6U
§ 79.
men: uom. istic, istaec, istoc of istuc. ace. instuuc, istauc, istoc of istuc. abl. istoc, istac, istoc. uom. en acc. plur. van hot neutrum istaec.
Ook van dit pronomen komen enkele vormen met cïne voor, als; istocine, istoscine.
Ille, ilia, illud, die, die, dat.
S i n g u 1 a ris. P1 u r a li s.
jSTom. ille, illa, illud. illi, illae, illa.
Gen. illlus. , illörum, illarum, illorum. Dat. illi. -'^n a^e »enei a-illis. in alle genera.
Ace. illüm, illam, illud. illos, illas, illa.
Abl. illo, illa, illo. illis. in alle genera.
Aanmerking. Men vindt in liet oudere Latijn ook de volgende vormen : nom. illic, illaec, illoc of illuc. a cc. illnnc, illauc, illoc of illuc. abl. illoc, illac, illoc. nom. en acc. plur. van het neutrum illaec. Vervolgens vindt men deu dat. sing, olli en den nom. en acc. plur. olli, ollos en olla.
Ook hier komen enkele vormen met cïne voor, als: illicine, i 11 a n c i n e.
Uit de verbinding van en, ziedaar en illum, illam, illos, illas zijn de spreekwijzen der blijspeldichters ontstaan: ellum, daar is hij, ellam, daar is sij, el los, el las, daar zijn zij.
Is, ea, id, hij, zij, het óf die, die, dat.
Singularis. Pluralis.
Nom. is. ea, id. ii (ei), eae, ea.
Gen. eius. . . ,, eorum, earum, eürum.
^ , . I i n a 11 e gen e r a... . . ' ,,
JJat. ei. ' ns (eis), m alle genera.
Acc. eum, earn, id. eos, eas, ea.
Abl. eo, ea, eo. iis (eis), in alle genera.
Aanmerking. Uit de verbinding van ecce, ziedaar en eum, eam, eos, eas zijn de spreekwijzen der blijspeldichters ontstaan: eccum, daar is hij, eccam, daar is zij, eccos en eccas, daar zijn zij.
Idem, eadem, idem, dezelfde, dezelfde, hetzelfde. Singularis. Pluralis.
Nom. idem, eadem, idem. iïdem (eldem,idem),eaedem,eftdem. Gen. eiusdem. ,. eorundem, earundem, eorundem.
Dat. eldem. }in alle Senera iisdem (eisdem, isdem). Acc. eundem, eandem, idem. eosdem, easdem, eö,dem. Abl. eödem, eadem, eödem. iisdem (eisdem, isdem).
§ 80â81. Pronomina. 61
Ipse, ipsa, ipsum, zelf of hij zelf, zij zelve, het zelf. Singularis. Pluralis.
Nom. ipse, ipsa, ipsum. ipsi, ipsae, ipsa.
Gr en. ipsïus. gt; alle o-ene ra ^Ps°rum' ipsarum, ipsörum. Dat. ipsi. gt; 0 ipsis. in alle genera.
A cc. ipsum, ipsam, ipsum. ipsos, ipsas, ipsa. Abl. ipso, ipsa, ipso. ipsis. in alle genera.
Aanmerking. Bij oude schrijvers vindt men soms ipsus in plaats van ipse en eapse, eopse, eurapse, eampse in plaats van ipsa, ipso, ipsum, ipsam. In zuiver Latijn komt meermalen het samengestelde woord re apse â re ipsa, inderdaad, voor. Bij de blijspeldichters treft men een superlativus ipsissimus aan.
Pronomina relativa.
§ 80. Het meest gewone Latijnsche pronomen relativum is qui,
quae, quod, die, die, dat; welke, welke, hetwelk. Het wordt
op de volgende wijze verbogen.
Singularis. Pluralis.
Nom. qui, quae, quod. qui, quae, quae.
Gen. cujus. ^ . ,, quorum, quarum, quorum,
J iinallegenera. 1 ' 1 ' 1 Dat. cui. ' quibus. m alle genera.
Acc. quem, quam, quod. quos, quas, quae.
Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.
Aanmerking. De gen. sing, heette oudtijds quojus en de dat. sing. quoi. In plaats van quibus bestaat nog een oude vorm quis en q u e i s (spreek uit: quis).
Pronomina interrogativa.
§ 81. De vragende voornaamwoorden tvie, wat, icelke, welk, lieeten in het Latijn: quis en qui voor het masculinum, quae voor het femininum, quid en quod voor het neutrum.
Het mannelijke quis is substantivum en adjectivura, qui gewoonlijk slechts adjectivum; het vrouwelijke quae is substantivum en adjectivum; het onzijdige quid enkel substantivum en quod enkel adjectivum.
De pronomina interrogativa worden bijna geheel als het relativum verbogen.
Singularis. Pluralis.
Nom. quis of qui, quae, quid of quod. qui, quae, quae.
Gren. cujus. 1. ,, quorum, quarum, quorum.
J Jin alle genera. ^ u ' 1
Dat. cui. I qmbus. in alle genera.
Acc. quem, quam, quid of quod. quos, quas, quae.
Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.
62 Pronomina. § 82â83.
AanraerkiD gen. In het oudere Latijn gebruikte men quis ook als feraiuinum.
Ter versterking van de vraag kan men het achtervoegsel nam aan de pronomina interrogativa hechten. B.v. Quisnam, wie toch? Qui bus-nam, aan wie toch ?
Zoo de vraag betrekking heeft op één van twee personen of zaken, moet men uter, utra, utrum, wie, wat, welke, welk van heiden gebruiken. B.v. Uter ocülus, welk oog? Utra m a n u s, welke hand ?
Pronomina indefinita.
§ 82. Het eenvoudigste Latijnsche pronomen indefinitum is quia en qui voor het masculinum, quae en qua voor het femininum, quid en quod voor het neutrum. Het gebruik der verschillende vormen als substantivum en adjectivum is juist hetzelfde als bij de pronomina interrogativa. Als substantivum beteekent het iets, als adjectivum eenig, een. Ook de declinatie geschiedt op dezelfde wijze als die der interrogativa, behalve dat men in plaats van quae in het vrouwelijk enkelvoud en in het onzijdig meervoud ook qua zegt.
Singularis. Pluralis.
Nom. quis of qui,^juae^of q u a, quid of quod, qui, quae, quae;of q u a.
Gen. cüjus. ) in alle g.enei.a quorum,quarum,quorum.
Dat. cui. ' qulbus. inallegenera.
A cc. quem, quam, quid of quod, quos, quas, quae of qua.
Abl. quo, qua, quo. quibus. in a 1 le genera.
§ 83. Van quis, qui worden door aanhechting van onverbuigbare voor- en achtervoegsels of door samenstelling met verbuigbare woorden verschillende andere pronomina indefinita gevormd. Zrzijn;
alïquis, alïqua, alïquid en aliquod, iemand, eenig. Dit pronomen heeft in het vrouwelijk enkelvoud en in liet onzijdig meervoud alleen alïqua (niet aliquae).
In plaats van aliquis komt soms aliqui voor, dat uitsluiteiui als adjectivum wordt gebruikt.
quispiam, quaepiam, quidpiam en quodpiam, iemand, eenig. Zelden in het meervoud.
quidam, quaedam, quod dam en quiddam, zeker iemand, een zeker. De acc. sing, is quendam, quandam, de gen. plur. quorundam, quarundam.
c{aavX/J(3 e V
vwv^ 4 -WAA I \ vvc § 84. Pronomina. 63
quivis, quaevis, quodvis en quid vis, \
quilibet, quaelibet, quodlibet en «uidlïbet, } ieder, elk. quisque, quaeque, quodque en quidque, '
quisquam, quidqüam (quicquam), iemand.
Quisquarn heeft geen feraininum en geen meervoud. Hot wordt gewoonlijk als substantivum gebruikt; voor de ontbrekende vormen en als adjectivum gebruikt men ullus, ulla, ullum, eenig.
unusquisque, unaquaeque, unum quodque en unum-quidque, iedereen, elk. gen. u n ï u se u j u sq u e , enz.
Vervolgens heeft men twee pronomina indefinita, die als relativa gebruikt worden, namelijk;
quicünque, quaecunque, quodcunque, ^ alwie,
q u i s q u i s, j welke ook.
Behalve den no ra. ra a sc. quisquis koraen van dit pronomen slechts de volgende vormen voor: quidquid (quicquid), quoquo (masc. en neutr.) en de vreemdsoortige raet modus samengestelde genetivus cüï-cüïmodi, van welken aard ook. Slechts zelden vindt men quemquem, quibnsquïbus er eerst later quaqua.
Ook heeft men één vragend pronoraeniudefiuitum, namelijk: ecqu is, ecqui; ecquae, ecqua; ecquid, ecquod, of iemand, of eeniy; wel iemand, ivel eenig? Soms wordt het versterkt met n a ra , als : e equi s n a m.
Over het gebruik vau deze pronomina wordt gesproken in de syntaxis. '
§ 84. Tot de pronomina rekent men ook zekere adjectiva , die cor-relativa genoemd worden, omdat zij volgons hun beteekenis en vorm in onderlinge betrekking met elkander staan. Zij worden onderscheiden in iuterrogativa, demonstrati va, relativa en indefinita en zijn:
interrogativa. demonstrativa. relativa.
q u a 1 i s, hoedanig ? talis, zoodanig. q u a 1 i s, zoodanig als.
q u a n t u s, hoe groot ? t a n t u s, zoo groot, q u a n t u s, zoo groot als. q u o t, hoevele ? tot, zoovele. q u o t, zoovele als.
quotus, de hoeveelste? totus, dezooveelste. quotus, de zooveelste als.
De relativa worden tot indefinita gemaakt
1°. door voorvoeging van ali, naraolijk: aliquantus, van een zekere, tamelijke grootte en aliquot, eenige, tamelijk vele.
2°. door verdubbeling, namelijk: q u ali s qualis , hoedanig ook, quotquot, hoevele ook, quantusquantus, hoe groot ook.
3°. door achtervoeging van cunque, lïbet en vis, namelijk: qualiscunque en qualislïbet, hoedanig ook, quantuscunque en quantuslïbet, hoe groot ook, quantum vis, hoeveel het ook zijn mag ^ quotcunque, hoevele ook, quotuscunquer(Ze hoeveelste ook slechtsm
Meermalen vindt men ook het samengestelde quotusquisque, quo-taquaeque, quotumquodque, hoe weinigen.
Over de verba in het algemeen.
64
§ 85â86.
TIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERBA IN HET ALGEMEEN.
§ 85. De verba worden volgons hunne be teek en is verdeeld in verba transitlva of overgankelijke werkwoorden en verba in transit! va of onovergankelijke werkwoorden. De laatste worden ook neutra of onzijdige werkwoorden genoemd.
De verba transitiva duiden een werking aan, welke zich richt op een voorwerp, dat die werking ondergaat. Dit voorwerp of object staat in den accusativus. B.v. Ik bemin mijne moeder, am o matrem me am.
De verba intransitiva duiden óf wel een werking aan, welke zich bepaalt bij den persoon of de zaak, die de werking verricht, evenals in het Nederlandsch loopen, slapen, of wel een werking, welke uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Dit verwijderd voorwerp staat in den ge n etivus, dativus of ablativus, evenals in het Nederlandsch gedenk mijner (2de naamval); dit zal u (3de naamval) niet baten.
Volgens hunnen vorm worden de verba verdeeld in activa of bedrijvende en passiva of lijdende. Zoo is amo, ik bemin, een verbum activum, amor, ik word bemind, oen verbum passivum. Het vervoegen van een werkwoord noemt men conjugeeren.
§ 86. Er zijn in het Latijn zes tijden of tempora: de tegenwoordige tijd of het praesens, die aanduidt, dat iets geschiedt op het oogenblik, waarop men spreekt. E.v. amo, ik bemin.
de onvolmaakt verleden tijd of het imperfectum, die aanduidt, dat iets nog bezig was te geschieden in een verleden tijd. B.v. a m a b a m, ik hem inde.
de volmaakt verleden tijd of het perfectum, die aanduidt, dat iets geschied is. B.v. amavi, ik heb bemind.
de meer dan volmaakt verleden tijd of het plusquamper-fee t um, die aanduidt, dat iets reeds geschied was in een verleden tijd. B.v. amavëram, ik had bemind.
de eerste toekomende tijd of het futurum simplex, die aanduidt, dat iets zal geschieden. B.v. amabo, ik zal beminnen.
de tweede toekomende tijd of het futurum exactum, die aanduidt, dat iets in een toekomenden tijd reeds geschied zal zijn. B.v amavëro, ik zal bemind hebben.
Over de verba in het aUjemeen.
§. 87â89.
65
§ 87. Er zijn in het Latijn drie wijzen of modi:
de aantoonende wijs of modus indicatlvus, die iets als werkelijk voorstelt. B.v. amo, ilc bemin.
de aanvoegende wijs of modus conjunctïvus, die iets als mogelijk of wenschelijk voorstelt. B.v. amem, dot ik herninne.
de gebiedende wijs of modus imperatlvus, die iets als een gebod, verzoek, vermaning voorstelt. B.v. ama, bemin.
§ 88. Behalve de modi komen bij een verbum nog de volgende vormen voor :
de infinitïvus of onbepaalde wijs (in oneigenlijken zin modus of wijs genoemd); deze stelt het begrip van het werkwoord geheel onbepaald voor. B.v. amare, beminnen.
de participia of deelwoorden, die het begrip van het werkwoord in den vorm van een adjectivum voorstellen. B.v. an.ans, beminnende, a mat us, bemind, amatür us, zullende beminnen, a mand us, moetende bemind worden. Het participium op dus, dat de bijbeteekenis van moeten heeft, draagt den naam van gerundivum. De participia op ns worden verbogen als adjectiva van één uitgang en hebben, behalve in enkele later te bespreken gevallen (Vgl. § 412. A. en 421), meestal i in den abl. sing. De overige participia worden verbogen als adjectiva van drie uitgangen,
het gerundium. Dezen vorm van het werkwoord, waarvoor men in het Nederlandsch geen bepaalden naam heeft, kan men het gemakkelijkst begrijpen, door hem te beschouwen als een verbogen infinitivus. Het gerundium komt namelijk voor in vier naamvallen met de uitgangen der tweede declinatie. Zoo is het gerundium van het werkwoord amare, beminnen:
Gen. amandi, van het beminnen.
Dat. amando, voor het beminnen.
Acc. amandum, {tot) het beminnen.
Abl. amando, door het beminnen.
de su pi na. Onder dezen naam verstaat men twee vormen van het werkwoord, die een soortgelijke beteekenis hebben als de infinitivus. B.v. amatum, om te beminnen,- amatu, om bemind te worden. Het supinum op um noemt men het eerste supinum, dat op u het tweede supinum.
Eau verbum, dat in den indicativus, conjunctivus of imperatlvus staat, wordt verbum fint turn genoemd. In de overige vormen heet het verbum infinitum.
i; 89. Evenals in het Nederlandsch heeft iedere tijd van den indicativus en conjunctivus drie personen en twee getallen.
De persoon of zaak, die zekere handeling verricht of ondergaat, wordt onderwerp of subject genoemtl en staat in den
5
Conjugatie van sum.
90.
66
n o m i n a t i v u s. Zoo echter de persoonlijke voornaamwoorden ik , gij, hij {zij, het), wij, gij, zij subject zijn, blijven zij in het Latijn gewoonlijk onvertaald.
ELFDE HOOFDSTUK.
CONJUGATIE VAN HET VERBUM SUM.
§ 90. Evenals het Nederlandsche werkwoord zijn wordt ook het Latijnsche verbum sum in vele gevallen als hulpwerkwoord gebruikt. De conjugatie van dit verbum moet derhalve gekend worden voordat wij verder kunnen gaan met de behandeling dei-gewone verba. Zij is geheel onregelmatig.
|
indicativus. |
Conjunctivus. |
|
Praesens. | |
|
Sing, sum, ik hen. |
Sing, sim, dat ik zij. |
|
ës, gij zijt. |
sis, dat gij zijt. |
|
est, hij is. |
sit, dat hij zij. |
|
|Plur. sümus, wij zijn. |
P1 u r. simus, dat wij zijn. |
|
estis, gij zijt. |
sïtis, dat gij zijt. |
|
sunt, zij zijn. |
sint, dat zij zijn. |
|
Imperfectum. | |
|
Sing, ëram, ik was. |
Sing, essem, dat ik ware. |
|
eras. |
esses, ik zon zijn. |
|
ërat. |
esset. |
|
P1 u r. eramus. |
Plur. essëmus. |
|
eratis. |
essëtis. |
|
ërant. |
essent. |
|
Perfectum. | |
|
Sing, fui, ik hen geweest. |
Sing, fuërim, dat ik geweest zij. |
|
fuisti. |
fuëris. |
|
fuit. |
fuërit. |
|
Plur. fuimus. |
Plur. fuerlmus. |
|
fuistis. |
fuerltis. |
|
fuërunt. |
fuërint. |
|
Plusquamperfectum. | |
|
Sing, fuëram, ik was geweest. |
Sing, f'uissem, datikgeweestware. |
|
fuëras. |
fuisses. ik zon geweest zijn. |
|
fuërat. |
fuisset. |
|
Plu r. fueramus. |
Plur. fuissümus. |
|
1 fueratis. |
fuissëtis. |
|
fuërant. |
fuissent. |
Conjugatie van sum.
Futurum simplex.
Sing, ëro, ik zal zijn.
ëris.
ërit.
Plur. erimus.
erïtis.
ërunt.
Futurum exactum.
Sing, fuëro, ik zal geweest zijn.
fuëris.
fuërit.
Plur. fuerïmus.
fuerïtis.
fuërint.
Imperati vus.
Praesens. Futurum.
Sing. 2. esto, gij moet zijn.
3. esto, hij moet zijn. Plur. 2. estöte, gij moet zijn. 3. sunto, zij moeten zijn.
Infinitivus.
Praesens. esse, zijn.
Perfectum, fuisse, geweest zijn.
Futurum. futurum, am, um esse, zullen zijn.
Participium futurum.
futiirus, a, um, zullende zijn.'
Aanmerkingen. In plaats van essem, esses, esset, essent gebruiken sommige schrijvers, vooral in vo or waar d el ij ke zinnen, meermalen forem. fores, foret, forent. In plaats van futurum, am, um esse zegt men zeer dikwijls fore.
Bij de oudere Latijnsclie schrijvers komeu de volgende thans ongebruikelijke vormen voor: siem, sies, siefc, sient, eu fuam, fuas, fuat, fuaut in plaats van sim, sis, sit, sint; verder escit, escunt en es it, esunt in plaats vau erit, erunt. Evenzoo hebben zij een perfectum fuvi in plaats van fui.
§ 91. Evenals sum worden ook de composita van sum geconjugeerd, namelijk:
absum, ik hen afwezig. obsum, ik ben in den weg.
adsum, ik ben tegenwoordig. praesum, ik hen aan het hoofd.
desum, ik ontbreek. prosum, ik ben voordeelig.
insum, ik ben er in. subsum, ik ben er onder.
intersum, ik ben er bij. supersuni, ik ben overig.
67
Sing, futurusj sim, dut ik zijn
{zal.
sis.
sit.
simus.
sitis.
sint.
a, um
Plur. futüri,
ae, a
ontbreekt.
Sing. 2. ës, zij, wees. Plur. 2. este, zijt, weest.
Conjugatie der verba activa.
Betrekkelijk deze verba valt op te merken ;
1°. dat bij het futurum eonjunctivi en infinitivi de prae-positie vóór het participium moet gevoegd worden. B.v. prae-futurus sim; praefuturum esse.
2°. dat bij prosum pro in prod veranderd wordt, wanneer op pro een e volgt. B.v. prosjim, prodes, prodest, prosümus, prod est is, prosunt.
3°. dat alleen absum en praesum een participium prae-sens hebben, namelijk: absens, afwezig en praesens, tegenwoordig. Men lette bij het laatste verbum op de veranderde betee-kenis van het participium praesens.
4°. dat bij absum meermalen de b wegvalt vóór f. B.v. afui, afutu rus.
dat bij ad sum somtijds de d vóór s in s en meermalen vóór f in f veranderd wordt. B.v. assum, affui.
dat bij obsum gewoonlijk de b vóór f in f veranderd wordt. B.v. offui.
De leerling lette goed op de quantiteit van het verbum sum, om bij de vervoeging der composita geen fouten te maken tegen de uitspraak. Hoe zult gij uitspreken : prodero, praesimus, desumus, oberat?
V_____/ TWAALFDE HOOFDSTUK.
CONJUGATIE DER VERBA ACTIVA.
§ 92. De regelmatige verba worden vervoegd volgens vier conjugaties. Om te weten tot welke conjugatie een verbum behoort, ziet men naar den uitgang van den infinitivus praesens. Deze is in de
lste conjugatie are met lange a. B.v. amare. 2de â ere â lange e. â moncre. , 3de â ere â korte e. â legëre. 4de â Ire â lange i. â audïre.
Om een verbum te kunnen conjugeeren moet men vier vormen kennen, die hoofdvormen genoemd worden.
Zij zijn :
het praesens indicativi, uitgaande op o. het perfectum indicativi, â â i. de infinitivus praesens, â â re. het supinumprimum, â â um.
B.v.
ara o, araav i, araat u ra, amil r e, beminnen.
moneo, monui, monïtum, raonöre, vermanen.
leg o, leg i, lect u m, lege r e, lezen.
audi o, audïv i, audit u ra, audi r e, hoeren.
68
Conjugatie der verba activa.
§93.
69
§ 93. Van de hoofdvormen worden de overige vormen afgeleid. Van het praesens indicativi komen
1. het praesens conjunctivi door te veranderen
o der eerste conjugatie in em. B.v. amo, amem. eo â tweede â â earn. â moneo, moneam.
o â derde en vierde â â am. â ^eg0) leg am.
audio, audi am.
2. het imperfectum indicativi door te veranderen
o der eerste conjugatie in abam. B.v. amo, am aba m. eo â tweede â â ebam â moneo, mocëbam.
o â derde en vierde â â ebam. â lego, lege ba m.
audio, audiëbam.
3. liet futurum simplex indicativi door te veranderen o der eerste conjugatie in abo. B.v. amo, amabo.
eo â tweede â â eb o. â moneo, monëbc.
o â derde en vierde v â am. â lego, leg am.
audio, audi am.
4. het participium praesens door te veranderen
o der eerste conjugatie in ans. B.v. amo, amans. eo â tweede â â en s. â moneo, monens.
o â derde en vierde â ens. â lego, leg ens.
audi o, audi ens.
5. het gerundium door te veranderen
o der eerste conjugatie in audi. B.v. amo, amandi. eo â tweede â â endi. â moneo, monendi.
o â derde en vierde â âendi. â lego, leg endi.
audio, audiendi.
Van het perfectum indicativi komen
1. het perfectum conjunctivi door i te veranderen in ërim. B.v. amavi, amavërim, monui, monuërim, legi, leg ërim, audïvi, audivërim.
2. het plusquamperfectum indica tivi door i te veranderen in ëram. B.v. amavëram, monuëram, legëram, audivëram.
3. het plusquamperfectum conjunctivi door i te veranderen in issem. B.v. amavissem, monuissem, legissem, audivissem.
4. het futurum exactum door i te veranderen in ëro. B.v. amavëro, monuëro, legëro, audivëro.
5. de infinitivus perfecti door i te veranderen in isse. B.v. amavisse, monuisse, legisse, audivisse.
Van den infinitivus praesens komen
1. het imperfectum conjunctivi door achtervoeging van m. B.v. amare, amarem, monëre, monërem, legëre, legere m, audire, audlre m.
2. de imperativus door wegwerping van re. B.v. amare, ama, monëre, mone, legëre, lege, audlre, audi.
Conjugatie der verba activa.
Van het supinum primum komt het participium futurum door verandering van um in Sr us. B.v. amatum, amatürus, monïtum, monitürus, lectum, lectürus, audïtum, audit ü rus.
Het participium futurum met sim dient om het futurum con-junctivi en met esse om den infinitivus futuri te vormen. B.v. amatürus sim, amatürum esse, monitürus sim, monitürum esse, lectürus sim, lectürum esse, auditürus sim, auditürum esse.
Aanmerking. Vorming van het praesens, perfectum en supinum van den stam.
I. De stammen der verba gaan uit op een vocaal of op een consonant.
Zoo de stam op een vocaal uitgaat, blijft hij gewoonlijk in alle vormen van het werkwoord onveranderd. De meeste verba echter, wier stam op e uitgaat, werpen deze e bij de vorming van hot perfectum eu supinum weg. Eindigt de stam op a, dan behoort het verbum tot de lste conjugatie, op e tot de 2de, op u tot de 3(le, op i tot de 4fie.
Zoo de stam op een consonant uitgaat, behoort het verbum tot de 3de conjugatie.
II. Het praesens wordt van den stam gevormd door achtervoeging van o. De a van den stam der lste conjugatie smelt met deze o samen in o. In alle overige afgeleide vormen met uitzondering van het praesens conjunctivi blijft zij behouden. B.v. ama-o, amo, ama-s, am a-bam, a m a-b o.
In het praesens is de stam dikwijls versterk t en wel voornamelijk;
1°. door achtervoeging van i of u. B.v. cap-i-o, sting-u-o.
2°. door achtervoeging van n of t of door verdubbeliug van den medeklinker. B.v. ster-n-o, pec-t-o, fal-l-o.
3°. door achtervoeging van sc. B.v. di-sc-o (eigenlijk dic-sc-o van stam die).
4°. door tusschenvoeging van n of m, van n, wanneer de stam op een keelletter uitgaat, zooals: vinc-o, stam vic, pang-o, stam pag, van m , wanneer de stam op een lipletter uitgaat, zooals cum b-o, stam cub, rump-o, stam rup.
Somtijds blijft de versterkende n ook in het p er fe ct u m en supinum. B.v. fingo (stam fig) finxi; jungo (stam jug) junxi, junctum.
5°. door reduplicatie, zooals; gign-o (in plaats van gi-gen-o) stam gen.
III. Het perfectum wordt van den stam gevormd door achtervoeging van i. Deze i wordt op verschillende wijzen met den stam verbondon en wel:
1°. door v of u, door v, wanneer de stam op een vocaal, door u, wanneer de stam op een consonant uitgaat. B.v. lauda-v-i, dele-v-i, audi-v-i, doc-u-i, col-u-i. Wanneer hier en in het vervolg van verba der 2de conjugatie gezegd wordt, dat de stam op een consonant uitgaat, moet men daaronder verstaan ; na wegwerping der e. Vgl. I.
2°. door s. B.v. man-s-i, rep-s-i.
3°. onmiddellijk, doch in dit geval wordt de stamvocaal verlengd. B.v. vld-i van vïd(e)o, lëg-i van leg-o.
Aanmerking. Verschillende verba hebben in het perfectum de reduplicatie. B.v. totoudi van tondeo, cucurri van curro. Sponde o heeft spopondi. sto (uit stao) steti.
70
Conjugatie der verba activa.
71
§93.
IV. De su pi na der 1ste coujugatie worden allen, die der overige conjugaties meestal op turn gevormd, dat öf o n m i dd el lij k aan den stam wordt gehecht, zooals; ama-tum, dele-tum, audi-tum, of door middel eeuer v er bin di n g s-ï, zooals: frem-ï-tum.
In de 2fle en 3(le coujugatie gaat het supinum bijna altijd uit op sum, wanneer de stam van het verbum eindigt op d, t of rg. B.v. ar sum, van ard(e)-o, missum van mitt-o, tersum vau terg(e)-o.
V. In verschillende gevallen wordt de stam in het perfectum en supinum veranderd.
A. Bij de perfecta met v of u blijft de stam gewoonlijk onveranderd. B.v. ama-vi vau amo (ama-o), al-ui van al-o.
B. Bij do perfecta op si en bij de supiua op sum en turn komen de volgende veranderingen van consonanten voor.
1°. b verandert voor s eu t in p. B.v. scri b-o, scrip-si, scrip-tum.
2°. c, g, h, q smelteu met s in x samen eu veranderen vóór t ine. B.v. dic-o, dixi (dic-si), dictum; teg-o, texi (teg-si), tectum (teg-tum); trah-o, traxi (trah-si), tractnm (trah-ium); coq/u)-o, coxi (coq(u)-si), coctum (coq(u)-tum). Hetzelfde heeft plaats met v in vivo, vixi, victum; struo (oorspronkelijk struvo), struxi, stiuc-tum; fluo (oorspronkelijk fluvo), fluxi, fluctum.
3°. d en t vallen gewoonlijk weg vóór s, doch in dit geval wordt de voorafgaande korte vocaal verlengd. B.v. claud-o, clausi, clau-sum; divtdo (uit dis en stam vid), divlsi, divïsum. Somtijds heeft er assimilatie plaats. B.v. coucutio (de i is hier versterkend. Vgl. II. I0.) con c us si, concussum.
4°. Als dc stam op twee consonanten uitgaat, valt de laatste gewoonlijk weg vóór s eu t. B.v. mulc(e)-o, mul si, mulsum; Tnulg(e)-o, mulsi, mulsum; to r q (u)(e)-o , torsi, tortum.
5°. v wordt, zoo er een consonant voorafgaat, vóór tu m veranderd in ü. B.v. sol v-o, sol uturn. Zoo a, o of u voorafgaat, smelt zij daarmede samen tot au, ö, u. B.v. fav(e)-o, fautum; möv(e)-o, mlt;3-tum; ju v-o, jütum (in het praesons is de stanj ju va. Vgl. VI).
6°. m wordt somtijds vóór si en sum geassimileerd. B.v. prem-o, pressi, pres sum. Growoonlijk blijft zij echter onveranderd, doch wordt dan vóór si en eveneens vóór tuin gevolgd door p, B.v. s u m-o, sum psi, sumptum.
7°. r in het praesons, tusschon twee vocalen staande, is dikwijls uit s ontstaan en gaat vóór s en t in het perfectum en supinum weder iti s over. B.v. ur-o, us-si, us-tum; ger-o, ges-si, ges-tum. Ook in quaer-o, quaes-ivi, quaes-itum is de r van het praesens uit s ontstaan.
C. Bij verschillende verba wordt in het perfectum en supinum de stamvocaal veranderd. B.v. ago, egi; pello, pul sum.
VI. Bij meerdere verba komen do hoofdvormen van een verschillenden stam. B.v. sono (stam sona), son-ui, son-ttum (stam son); pet-o (stam pet), peti-vi, peti-tum (stam peti).
Aanmerking over de uitgangen der personen. Zie bladz. 76.
Naar de volgende voorbeelden worden de verba activa der verschillende conjugaties vervoegd.
|
72 Conjugatie der verba activa. § 93. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Conjugatie der verba activa.
§93.
73
|
III. Lego, legi, lectum, legere. Indicativus. Conjunctivus. P r a e s e r; s. |
IV. Audio, audlvi, audïtum, audire. Indicativus. Conjunctivus. Praesens. |
|
{ik lees). leg o. leg i i leg i t. leg ï m u s. leg i t i s. leg u n t. |
{dat il: leze). leg a m. leg a s. leg a t. leg a ni u s. leg a t i s. leg a n t. |
(ik hoor.) aud i o. aud i s. aud i t. aud ï m u s. aud 11 i s. aud i u n t. |
(dat ik hoore). audi a m. audi a s. audi a t. audi a m u s. audi ïï t i s. audi a n t. |
|
Imperfectum. (dat ik laze, ik zou lezen). leg ë r e m. ley; e r e s. t. leg e b a m u s. leg e b a t i s. leg ë b a n t. leg ë r leg eremus leg e r ë t i s. leg eren t. Perfe e t u m. (dat ik gelezen hehbe). leg ë r i m. leg ë r i s. leg è r i t. leg e r I m u s. leg e r i t i s. leg ë r i n t- (ik heh (jelezen). leg i. leg i s t i. leg i t. leg i m u s. leg i s t i s. leg ë r u n t. (ik las). leg ë b a m. leg e b a s. leg ë b a t. |
(ik hoorde.) audi ë b a m. audi ë b a s. audi ë b a t. audi e b a m u s. audi e b ïï t i s. audi ë b a n t. audïv i. audiv i s t i. audïv i t. audiv i m u s. audiv i s t i s. audiv ë r u n t. |
(dat ik hoorde, ik zou hoeren). aud ï r e m. aud ï r e s. aud I r e t. I m p e r f e c t u m. aud i r ë m u s. aud i r ë t i s. aud Trent. Perfectu m. (ik heb gehoord), (dat ik gehoord hehbe). audiv ë r i m. audiv ë r i s. audiv ë r i t. audiv e r i m u s. audiv e r ï t i s. audiv 'erin t. |
|
leg ë r a m. leg ë r a s. leg ë r a t. leg era m u s. leg e r a t i s. leg ë r a n t. (ik had (jelezen). |
(dat ik (jelezen hadde, ik zou gelezen hebben). leg i s s e m. leg i s s e s. leg i s s e t. leg i s s ë m u s. leg i s s ë t i s. leg i s s e n t. P 1 u squam p e rfectum. |
Plusquamperfectu m. (ik had ge- (dat ik gehoord hoord). hadde, ik zou gehoord hebben). audiv i s s e m. audiv i s 8 e 8. audiv i s s e t. audiv era m. audiv ë r a s. audiv ë r a t. audiv era m u s. audiv i 8 s ë m u s audiv e r a t i s. audiv i s s ë t i s. audiv ë r a n t. audiv i 8 s e n t. |
Conjugatie der verba activa.
§93.
74
Inclicativus. Conjunctivus. Futurum simplex.
Indicativus. Conjunctivus Futurum simplex.
{ik zal venna- \ {dat ik vermanen zal). moniturusosim.
Soic
|
{dat ik beminnen zal). amatürus.ï sim. | ||||||||||
|
a,
um monitüri,
ae,
a
e x a c t u m.
/SIS
'sit.
Isimus.simus.
sitis.
sint.
ontbreekt.
ontbreekt.
S. P.
P e r f. Fut.
{ik zal beminnen).
am a b o.
am a b i s.
am a b i t.
am a b i m u s.
am a b 11 i s.
am a b u n t.
Futurum e x a c t u m. {ik zal bemind hebben).
amav e r o.
amav ë r i s.
amav ë r i t.
amav e r ï m u s.
amav e r ï t i s.
amav ë r i n t.
Imperativus. Praesens.
S. 2. am a, bemin.
P. 2. am a t e, bemint.
Futurum.
S. 2. am a t o, gij moet beminnen.
3. am a t o, hij moet beminnen. P. 2. am a t ö t e, gij moet beminnen. 3. am a n t o, zij moeten beta innen. Infinitivus.
P r a e s. amare, beminnen.
zullen beminnen. Participium.
P r a e s. am a n s, beminnende. F u t. amat ïi r u s, a, um, zullende
beminnen.
Gerundia m.
G. am a n d i, van het beminnen. D. am a n d o, voor het beminnen. A. am a n d u m, {tot) het beminnen. A. am a n d o, door het beminnen.
S u p i n u m p r i m u m. amatum, om te beminnen.
amav i s s e, bemind hebben.
2. mon e t e, vermaant.
F u t u r u m.
S. 2. mon ê t o, gij moet vermanen.
3. mon e t o, hij moet vermanen. P. 2. mon e 151 e, gij moet. vermanen.
3. mon e n t o, zij moeten vermanen. Infinitivus.
P r a e s. monëre, vermanen.
P e r f. mon u i s s e, vermaand hebben. Fut. monitürum, am, um esse, zullen vermanen. Participium.
P r a e s. mon ens, vermanende. F u t. monit ü r u s, a, um, zullende vermanen. Gerundiu m.
G. mon e n d i, van het vermanen. D. mon e n d o, voor het vermanen. A. mon e n d u m, {tof) het vermanen. A. mon end o, door het vet manen.
S u p i n u m p r i m u m. monitum, om te vermanen.
nen).
mon ë b o.
mon e b i s.
mon 5 b i t.
mon e b ï m u s.
mon e b 11 i s.
mon ö b u n t.
Futurum {ik zal vermaand hebben). monu ë r o.
monu ë r i s.
monu ë r i t.
monu e r ï m u s.
monu e r ï t i s.
monu ë r i n t.
Imperativus.
Praesens.
2. mon e, vermaan.
Conjugatie der verba activa.
75
Indicativus. Conjunctivus. Futurum simplex.
Indicativus. Conjunctivus. Futurum simplex.
(ik zal lezen). [dat ik lezen zat).
{dat ik hooren
zal). auditürasjlsim. a, fsis. um 'sit. auditüri, ^simus. [sitis.
lecturus, i sim. a, i sis. um i sit. lectüri, ^ simus. ae, l sitis. a I sint. Futurum ex actum. {ik zal gelezen hebben).
leg er o.
leg ë r i s.
leg ë r i t.
legerïmus.
leger Itis.
leg ë r i n t.
Imperativus. Praesens.
S. 2. lege, lees.
P. 2. legite, leest.
Futurum.
S. 2. leg ito, gij moet lezen.
3. legïto, hij moet lezen. P. 2. legitöte, gij moet lezen. 3. leg unto, zij moeten lezen. Infinitivus.
Praes. legere, lezen.
Perf. legisse, gelezen hebben. Fut. lectürum, am, um esse, zullen lezen. Participium.
Praes. leg ens, lezende. Fut. leotürus, a, um, zullende lezen. Gerundium. G. legendi, van het lezen.
D. leg en do, voor het lezen. A. legendum, {tot) het lezen. A. legen do, door het lezen.
Supinum primum. lectum, om te lezen.
leg am. leges, leg e t. leg
emus.
legeti s. leg ent.
ae,
a
smt.
ontbreekt.
ontbreekt.
{ik zal hooren).
audi a m.
audi e s.
audi e t.
audi 5 m u s.
audië tis.
audi ent.
Futurum exact um.
{ik zal gehoord hebben.)
audiv ër o.
audivëri s.
audiv ë r i t.
audiver Imus audiv e r i t i s.
audiv ër int.
Imperativus. Praesens.
S. 2. audi, hoor.
P. 2. audi te, hoort.
Futurum.
S. 2. audi to, gij moet hooren.
3. audit o hij moet hooren. P. 2. audits te, gij moet hooren. 3. aud i u n t o, 'zij moeten hooren. Infinitivus.
Praes. audïre, hooren.
Perf, andiv i8se,gehoo7'dhebben. Fut. auditürum, am, um esse, zullen hooren. Participium.
Praes. audi e n s, hoorende. - Fut. auditürus, a, um,zullende
hooren.
Gerundium.
G. audi en di, van het hooren. D. audi en do, voor het hooren. A. audiendum, {tot) het hooren. A. audiendo, door het hooren. Supinum primum. i audltum, om te hooren.
Conjugatie der verba activa.
Voorbeelden ter oefening.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Aanmerking bohoorende op bladz. 71. |
P r a e s,
Fut. (ï)to (ï)to
P r a e s. (ï)te quot; â
Fut. (ï)t5te (u)nto
geconjugeerde vormen van een bestanddeelen ouderscheiden worden:
1°. de stam van het werkwoord.
2°. de verbindingsvocaal. Hierdoor verstaat men de korte vccaal, waardoor in verschillende gevallen de uitgang met den stam verbo-iden wordt. Zij is meestal ï, soms ë en vóór nt u. In bovenstaande tabellen is zij tusschen haakjes aangegeven.
3°. de kenletter van den tijd. Zoo is in amïïbo de b de ken-letter van het futurum simplex.
1ste persoon o, m, i (i)nius
II. in den indicativus
1ste persoon 2de persoon.
Sing. r (ë)ris
Plur. (i)mur (ï)mïni
III. in den imperativus
activi 2de persoon 3de persoon a, e, e, i â
76
De uitgangen der personen zijn
I. in den indicativus en eonjunctivus activi
2de persoon (i)s, (i)sti (ï)tis , (i)stis conjunctivas passivi
3de persoon (i)t
(u)nt, (e)runt
3de persoon
(ï)tur
(u)utur
Sing, Plur
en
passivi 2de persoon 3de persoon (e)re â
(ï)tor (ï)tor
(t)mïni â
(u)ntor.
Sing.
Plur. In de
verbum moeten de volgende
§ 94. Conjugatie der verba passiva. 77
DERTIENDE HOOFDSTUK.
CONJUGATIE DER VERBA PASSIVA.
§ 94. De volgende regels leeren hoe men de versclnllende vormen van het verbum passivum moet afleiden.
1. Het praesens indicativi en conjunctivi, het impevfectum indicativi en conjunctivi en het futurum simplex indicativi worden gemaakt van dezelfde tijden in het activum door o te veranderen in or en ra in r. B.v. amo, am or, amem, amer, araabam, amabar. araarem, amarer, amabo, arnabor, moneo, mone o r.
2. Het participium perfectum wordt gemaakt van het su-pinum door ura te veranderen in us. B.v. araatum, amatus, monit u m, raonlt u s.
Van het participium perfectum en het verbum sum worden gemaakt: het perfectum indicativi, conjunctivi en infinitivi, het plusquam perfect ura indicativi en conjunctivi en het futuru^m ex actum indicativi. B.v, amatus sum, amatus sim, araatum esse, amatus eram, amatus essem, amatus ero.
3. De infinitivus praesens komt van den infinitivus praesens activi door
are te veranderen in ari, zooals: am are, amari.
öreâ â âeri, â monëre, monêri.
ere n â â i, â legere, legi.
Ire â â ïri, â audi re, audlri.
4. De infinitivus futuri wordt gemaakt van het sup i n um primum met iri. B.v. araatum iri, monitura iri.
5. De imperativus van het passivum is gelijk aan den infinitivus van het activum. B.v. araare, amare.
6. Het gerundivum wordt gemaakt van het gerundium door di te veranderen in dus. B.v. araandi, araand us.
7. Het supinum secundum wordt gemaakt van het supinum primum door ura te veranderen in u. B.v. araatum, amatu.
Naar de volgende voorbeelden worden de verba passiva der vier verschillende conjugaties vervoegd.
78 Conjugatie der verba passiva. § 94.
2.
Indicativus. Conjunctivus Praesens.
1.
Indicativus. Conjunctivus. Praesens.
I n d
(ik w
leg oi legë: leg it leg ii legii legu
Imperfectum.
Imperfectum.
(ik word bemind).
am o r.
am a r i s. amatur.
ama m u r.
am a m ï n i.
aman tur.
{dat ik bemind worde). am e r.
ame r i s.
am e t u r.
am ë m u r. am e m I n i. am e n t u r.
(ik word vermaand). mon eor.
mon ë r i s. mon ë t u r. mon ë m u r. monemïni. mon e n t u r.
{dat ik vermaan
worde.) mon ear. mon eari s. mon ea tur. moneam ur. mon e am i n i. monean tur.
(ik werd vermaand).
mon ë b a r. mon e bar i s. mon e ba tur. mon e b a m u r. monebamini. moneban tur.
lege lege lege lege lege lege
Perfectum.
geweest), monïtus, ] sum.
a \ (
)
a.
5
um amati, ae,
a
amabar.
amabaris.
amabatur.
amabamur.
amabamïni.
am abantur.
(ik ben bemind geweest). améitus,} sum.
{ik iverd bemind).
(dat ik bemind
werde, ik zou bemind worden). amarer.
am a r e r i s. am a r ë t u r. am a r ë m u r. am a r e m ï n i. am a r e n t u r.
(dat ik bemind geweest zij.) amatus, ] sim. 0 [ sis. ) sit. \ simus. gt; sitis. j sint.
(dat ik vermaan
iverde,
ik zou verrnaam
worden). monërer. monerëris.
mon e r ë t u r. monerëmur.
mon e re m i ni. mon eren tur.
Perfectum.
(ik ben vermaand {dat ik vermaan u] geweest zij). monïtus, i sim.
|
:lecti | |||||||||||||||||||||
|
'1 um moniti, ae, a |
| ||||||||||||||||||||
(ik ti
Plusquam perfectum.
Plusquam perfect am.
{ik was vermaand geweest).
| amatus,
a,
um amati, ae,
a
lect a u
lect
a
)
a
(ik was bemind geweest).
. eram. eras. ) erat. \ eramus, v eratis. ; erant.
(dat ik bemind geweest ware, ik zou bemind geweest zijn). amatus, essem. a, 'esses, um ^esset. amati, ^essemus. ae, [essetis. a ;essent.
|
monïtus. |
eram. |
|
a, |
| eras. |
|
um |
erat. |
|
moniti, |
eramus. |
|
ae, |
1 eratis. |
|
a |
erant. |
(dat ik verrnaam geweest ware '4 ik zou vermaan '
geweest zijn). monTtus,|essem a, fesses. um esset. moniti, |essemni ae, (essetis.
essent.
Conjugatie der verba passiva.
79
3.
4.
vu s.
maani )
Indicativus. Conjunctivus. Praesens.
(ik word gelezen). (dat ik gelezen
worde).
leg or. leg ar.
Indicativus. Conjunctivus. Praesens.
(ik word gehoord). (dat ik gehoord
r.
i i.
:r.
maan
naam )â¢
3.
r.
ir.
ni. ur.
naam
V)-m.
8.
t.
mus.
tis.
nt.
Imperfectum.
Imperfectum.
lege r ë m u r. leger emïni. leg eren t u r. Perfectum.
Perfectum.
(dat ik gehoord r geweest zij). audltus,i sim. a, S sis. um ' sit. audïti, ^ simus. ae, gt; sitis. a ) sint. Plusquam perfectum.
/
um
leeti, ae, a
naa)amp;
are f
man j
jn).
em.
es.
et.
emul
etis.
ent.
lectus, a, um lecti, ae.
lectus, a, um lecti,
ae,
a
ae.
ae, a
(ih hen gelezen geweest). lectus, isum.
gt; es.
) est.
isumus. estis. sunt. P 1 u s q u a m sumus. estis. sunt. P 1 u s q u a m (ik' was gelezen geweest).
lege bar.
leg e b a r i s. legebatur. legebamur. leg e b a m i n i. legebantur.
leg ë r i s. leg 11 u r. leg i m u r. leg i m i n i. leguntur.
ieram. eras, erat. ) eramus. â eratis. ) erant.eram. eras, erat. ) eramus. â eratis. ) erant.
(ik werd gelezen).
(dat ik gelezen geweest ware, ik zou gelezen geweest zijn), i essem. ) esses. ' esset.
!essemus. essetis. essent.essemus. essetis. essent.
|
(dat ik gelezen geweest zij). | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
(dat ik gelezen
teerde, ik zou gelezen worden). leger er.
leger êris.
leg e r e t a r.
legaria. leg a t u r. lega m u r. leg a mi n i. legantur.
audi ë b a r.
audi eb ar i s. audi e b a t u r. audi e b a m u r. audiebamlni. audiebantur.
audïtus,! eram. a, gt; eras, um ^ erat. audïti, ) eramus.
aud i o r. audlris. aud 11 u r. aud I m u r. aud i m ï n i. aud i u n t u r.
(ik hen gehoord
geweest). audltus,i sum.
(ik tvas -qehoord geweest)
(ik werd gehoord).
' eratis. ^ erant.
(dat ik gehoord
werde, ik zou gehoord worden). aud I r e r. audirëris. audirëtur.
audi r ë m ur. audiremlni. aud ir entur.
(dat ik gehoord geweest ware, ik zou gehoord geweest zijn). audïtus.i essem. a, ' esses, um tl esset. auditi, || essemus.
worde). audi ar.
audi a r i s. audiatur. audi a m u r. audiamïni. audiantu r.
essetis. essent.
Conjugatie der verba passiva.
80
§ 93.
F u t
k zal g a r. ger got' gem ig e m gen F u t k zal ctus, a, um ecti, ae,
a
I
B. 2.
a
um
monïti, ae,
a
'i um amati, ae, a
\
1'. 2.
I
3.
3.
r a e r
u t.
lect ii
ge
Futurum simplex (I n d i c.}. {ih zal bemind worden).
am a b o r.
am a b é r i s.
am a b ï t u r.
am a b i m u r.
am a b i m i n i.
am a b u n t u r.
Futurum e x a c t u ra (I n d i c.). (ik zal bemind (jeivorden zijn).
amatus, , ero.
a, ' eris.
erit.
eriraus.
ei'ïtis.
erunt.
Imperativus. Praesens.
S. 2. ara a re, word bemind.
P. 2. ara a ra i n i, wordt bemind.
F u t u r u ra.
S. 2. am a t o r, gij moet bemind worden.
3. araa t o r, hij moet bemind worden.
P. 2. ara a b i ra i n i, gij moet bemind
worden.
3. ara a n t o r , zij moeten bemind
worden.
Infinitivus.
P r a e s. ara a r i, bemind worden. P e r f. amatura, ara, um esse, he-mind geweest zijn. Fut. araatum iri, zullen bemind
worden.
Participium perfectum, amatus, a, um, bemind.
Gerundivura.
am a n d u s , a , um, moetende bemind
ivorden. S u p i n u m secundum, amiïtu, om bemind te worden.
Futurum simplex (I n d i c.
(ik zal vermaand worden).
mon e b o r.
mon e b ë r i s.
mon e b ï t u r.
mon e b I m ii r.
mon e b i m i n i.
mon e b u n t u r.
Futurum e x a c t u ra (I n d i o.) {ik zal vermaand geworden zijn). raonïtus, j ero.
eris.
erit.
eriraus.
eritis.
erunt.
Imperativus, Praesens.
S. 2. mon ere, word vermaand. P. 2. mon e m ï n i, wordt vermaand.
F u t u r u ra. ^
S. 2. raonëtor, gij moet vermaan*
wordei
3. mon ê t o r , hij moet vermaan
word a gt;
P. 2. mon e b i m ï n i, gij moet vei
maand worder 3. mon ë n t o r, zij moeten vermaan
wordei Infinitivus.
P r a e s. monëri, vermaand worde)/.', P e r f. monïtura, ara, um esse, ven maand geweest zijn F u t. monïtura iri, zullen vermaan
wordeïi
Participium perfectum.
monit u s, a, um, vermaand.
Gerundivum.
mon e n d u s, a, ura , moetende vei\
maand wordem S u p i n u m s e c u n d u ra.
lect i
monit u, om vermaand te worden.
Conjugatie der verba passiva.
§ 94.
81
1 C.),
i i c.)
a, um audïti ae, a
erit.
i erimus.
gt; erltis.
5 erunt.
Imperativus.
P r a e s e n s.
]. 2. leg ore, word gelezen.
2. leg i m ï n i, wordt gelezen.
P u t u r u m.
S. 2. leg ï t o r, gij tiioef gelezen worden. S maanl
'ordei 3_ leg i tor, hij moet gelezen worden.
ae.
S.
'and.
maan ordei gt; t vei ordet â¢naan ordei
, ver t zijn] naan
um.
ic or den.
ordem
. 2. leg e m I n i, gij moet gelezen
worden.
3. leg u n t o r , zij moeten gelezen
worden.
Infinitivus.
r a e s. leg i, gelezen worden.
rden.y (; r f, lectum, am, um esse, gelezen
geweest zijn. â u t. lectum iri, zullen gelezen 'j worden.
0'cquot; Participium perfectum. in' loot u s , a , um, gelezen.
Gerundivum.
c t u r.
(K c m u r.
jo- e m ï n i.
e n t u r.
Futurum exact u m (I n d i c.). 'k zal gelezen geworden zijn),
3ctus, ) ero.
a, gt; eris.
um
GCtl?
fcgendus, a, um, moetende gelezen
â¢f!i4 W
S u p i n u m secundum.
iïct u, om gelezen te worden.
Futurum simplex (I n d i c.)
k zal gelezen worden).
Futurum simplex (Indi c.).
{ih zal gehoord worden).
audi a r.
audi oris.
audi c t u r.
audi e m u r.
audi e m I n i.
audi e u t u r.
Futurum e x a c t u m (Indi c.). (ih zal gehoord geworden zijn). audïtus, ^ ero.
gt; eris.
^ erit.
1 erimus.
' eritis.
^ erunt.
Imperativus.
P r a e s e n s.
. 2. and Ire, word gehoord. I*. 2. aud i m ï n i, wordt gehoord. F u t u r u m.
3. aud ï t o r , hij moet gehoord
worden.
P. 2. and i o m ï n i, gij moet gehoord
worden.
3. aud i u n t o r, zij moeten gehoord
worden.
Infinitivu s.
P r a e s. aud Iri, gehoord worden. P e r f. audïtum, am, um esse, gehoord geweest zijn. Fut. audïtum iri, zullen gehoord
worden.
Participium perfectum, audit u s , a, um, gehoord.
Gerundivum.
audi e n d u s , a
2. aud 11 o r , gij moet gehoord
worden.
moetende gehoord worden.
S u p i n u m s e c u n d u m. audit u, om gehoord te worden.
Conjugatie der verba passiva.
80
F ii {ik z leg a leg e leg o leg ë leg e leg e Pu {ik z leetu a, mi lecti, ae a
a
um moniti ae,
a
um amati, ae, a
\
S. 2 r'P. 2
S. 2 3
P. 2 3.
Pr: Pe
lect
leg'
lect
Futurum simplex (I n d i c.). (ik zal bemind worden).
am a b o r.
am a b ë r i s.
am a b 11 u r.
am a b ï m u r.
am a b i m ï n i.
am a b u n t u r.
Futurum e x a c t u m (I n d i c.). (ik zal bemind yeworden zijn).
amatus, \ ero.
a, ' eris.
erit.
erlmus.
eritis.
erunt.
Imperativus.
P r a e s e n s.
S. 2. am a re, word bemind. P. 2. am a, m I n i, wordt bemind.
F u t u r u m.
S. 2. am a t o r, gij moet bemind worden.
3. ama t o r, hij moet bemind worden.
P. 2. am a b i mï n i, gij moet bemind
worden.
3. am a n tor, zij moeten bemind
worden.
Infinitivus.
P r a e s. am a r i, bemind worden. P e r f. amatum, am, um esse, bemind geweest zijn. Fut. amatum iri, zullen bemind
irorden.
Participium perfectu m. amat u s , a, um, bemind.
Gerundivu m.
am a n d u s , a , um, moetende bemind
worden. S u p i n li m secundum, jamatu, om bemind te irorden.
Futurum simplex (I n d i c.).
(ik zal vermaand worden).
mon e b o r.
mon e b ë r i s.
mon e b 11 u r.
mon e b ï m u r.
mon e b i m ï n i.
mon e b u n t u r.
Futurum e x a c t u m (I n d i c,). {ik zal vermaand geworden zijn). monïtus, , ero.
eris.
erit.
erlmus.
eritis.
erunt.
Imperativus.
P r a e s e n s.
S. 2. mon ere, word vermaand. P. 2. mon e m ï n i, ivordt vermaand.
F u t u r u m.
S. 2. mon ë t o r , gij
moet vermaand worden
3. mon ë t o r , hij moet vermaand
worden.
P. 2. mon e b i m i n i, gij moet ver
maand worden.
8. mon ë n t o r, zij moeten vermaand
worden
Infinitivus.
P r a e s. mon ë r i, vermaand worden.
1 P e r f. monïtum, am, um esse, vermaand geweest zijn.i p u
iPu t, monitum iri, zullen vermaand*
irorden.
' Participium perfectum.
monïtus, a, um, vermaand.
G e r u n d i v u m.
mon e n d u s, a, um , moetende vermaand worden. S u p i n u m secundum.
monlt u, om vermaand te worden.
Conjugatie der verba passiva.
81
§ 94.
c.).
c.).
lectus, a, um leeti, ae, a
a, um auditi, ae, a
|S. ^r.
tel.
tana â¢den land â¢denver â¢den. mnd â¢den-
len.
S. 2.
3. P. 2.
leg ï t o r , gij moet gelezen worden. S, leg ï t o r, hij moet gelezen worden.
P r a e P e r f.
P r a e s. P e r f.
F u t.
ver-*
sy*H,F u t. land â¢den.
leg o n d u s , a .
verden.
Futurum simplex (I n d i c.).
{ik zal yelezen worden).
leg a r.
rleg e r i s.
, leg ö t u r.
leg e m u r.
leg e m ï n i.
leg e n t u r.
Futurum o x a c t u m (I n d i c.). (ik zal gelezen geworden zijn).
i ero.
\ eris.
^ erit.
i erïmus.
gt; eritis.
5 eruat.
Imperativua. Praesens.
2. leg ere, word gelezen.
2. leg i m ï n i, wordt F u t u r u m.
2
leg e m i n i, gij moet gelezen
worden.
3. log u n t o r, zij moeten gelezen
worden.
Infinitivus.
leg i, gelezen worden.
lectum, am, um esse, gelezen geweest zijn. lectum iri, zullen gelezen
worden.
Participiu m p e r f e e t u m. lect us, a , um, gelezen.
Gerundivu m.
moetende gelezen worden.
S u p i n u m s e c u n d u m. lect u, om gelezen te worden.
F u t u r u m simplex (Indi c.). {ik zal gehoord te orden).
audi a r.
audi oris.
audi 5 t u r.
audi e m u r.
audi e m i n i.
audi e u t u r.
Futurum e x a c t u m (Indi c.). (ih zal gehoord geworden zijn).
audltus, ^ ero.
gt; oris.
^ erit.
1 erïmus.
S eritis.
^ orunt.
Imperativu s.
P r a e s e n s.
S. 2. and Ire, ivord gehoord. 1'. 2. aud i m ï n i, wordt gehoord. F u t u r u m.
2. aud i t o r , gij moet gehoord
worden.
3. aud ï t o r , hij moet gehoord
â worden.
P. 2. audiemini, gij moet gehoord
worden.
3. aud i u n t o r, zij moeten gehoord
worden.
Infinitivus.
aud ï r i, gehoord worden. audïtum, am, um esse, gehoord geweest zijn. audïtum iri, zullen gehoord worden.
Participium perfectum, audit us, a, um, gehoord.
Gr e r u n d i v ii m.
audi e n d u s , a, um, moetende gehoord worden.
S u p i n u m s e c u n d u m.
audit u, om gehoord te worden.
6
Verba op io der derde conjugatie.
§ 95.
82
§ 95. Tot de derde conjugatie bohooren de volgende werkwoorden (benevens hunne composita) die op i o uitgaan ;
capio, nemen. fugio, vluchten. rapio, roor,en.
cupio, wenschen. jacio, werpen. sapio, smalen.
facio, doen. pario, voortbrengen.
fodio, graven. quatio, schudden.
verder de composita van de verouderde verba lacio en specio, zooals: allicio, aanlokken en conspïcio, aanschouwen, en eindelijk de drie deponentia (waarover in het volgende hoofdstuk) gradior, stappen, morior, sterven en patior, lijden.
Deze verba verliezen de i, wanneer zij gevolgd wordt door een andere i of korte ë r en in den 2'lon persoon enkelvoud van den imperativus praesens activi. De volgende tabel geeft een overzicht van de vormen, die tot moeilijkheid aanleiding kunnen geven.
|
Activum. |
Pass |
i v u m. | |
|
Indicativus. Conjunctivus. |
Indicativus. Conjunctivus. | ||
|
Praesens. |
P r a e |
sens. | |
|
capio. |
capiam. |
capior. |
capiar. |
|
capis. |
capias. |
capéris. |
capiaris. |
|
capit. |
capiat. |
capïtur. |
capiatur. |
|
i capimus. |
capiamus. |
capïmur. |
capiamur. |
|
i capitis. |
capiatis. |
capimïni. |
capiaraïni. |
|
I capiunt. |
capiant. |
capiuntur. |
capiantur. |
|
Imperfectu m. |
Imperfectu m. | ||
|
capiëbam. |
caperem. |
capiëbar. |
capërer. |
|
i capiebas. |
capëres. |
capiebaris. |
caperëris. |
|
capiëbat. |
caperet. |
capiebatur. |
caperëtur. |
|
capiebamus. |
caperëmus. |
capiebamur. |
caperëmur. i |
|
capiebatis. |
caperëtis. |
capiebamïni. |
caperemïni. |
|
capiëbant. |
capörent. |
capiebantur. |
caperentur. |
|
Futurum (indicativus). |
P u turum (ind ica tiv us). | ||
|
capiam. |
capiar. | ||
|
capies. |
capiëris. | ||
|
i capiet. |
capiëtur. | ||
|
| capiëmus. |
capiëmur. | ||
|
I capiëtis. |
capiemïni. | ||
|
capicnt. |
capientur. | ||
|
Imperativus. |
1 m p e r |
a t i v u s. | |
|
P r a e s. |
Put. |
P r a e s. |
F u t. |
|
cape. |
capito. |
j capëre. |
capitor. |
|
i capite. |
capito. |
capimïni. |
capitor. |
|
capito te. |
capiemïni. | ||
|
capiunto. |
1 |
capiuntor. | |
|
§ 96â98. Omzetting in hel passivum. 83 | ||||||||||||
|
§96. Een zin, waarin een verbum activum met een object voorkomt, wordt op de volgende wijze in het passivum gezet: het object van het activum wordt subject van het passivum en het subject van het activum wordt in den ablativus gezet. B.v. Terra nutrit hominem, de aarde voedt den mensch; li o m o nutrïtur terra, de mensch wordt gevoed door de aarde. Grand o dele vit messem, de hagel heeft de oogst vernield; raessis delëta estgrandine, de oogst is vernield door den hagel.
Wanneer het subject van het activum een persoon is. plaatst men bij de omzetting in het passivum de praepositie a of ab (wanneer het woord met een vocaal of h begint) vóór den ablativus. 13. v. Columbus i n v c n i t America m, Columbus heeft Ameriha ontdekt-, America inventa est a Columbo, Amerika is ontdekt (geworden) door Columbus.
§97. Een actieve zin, die in het Nederlandse!) men tot subject heeft, wordt bij de vertaling in het Latijn gewoonlijk in het passivum omgezet. B.v. men bemint mij, a mor; men bemint u, a mar is; men bemint hem, amatur; men bemint ons, a m a-m ii r ; uien bemint 'u, a m a m ï n i; men bemint hen, a m a n t u r ; men zal den vlijtigen leerling prijzen, disciptilus diligens 1 a u d a b ï t u r ; men heeft mij berispt, vituperatus sum.
§ 98. Niet alle verba kunnen in alle personen in het passivum gezet worden, maar alleen de verba transitiva. De verba intransitiva kunnen slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden. Dit is juist als in het Nederlandsch. Immers welk verstandig mensch zal zeggen : ik word geloopen? Men zegt; er wordt geloopen. In het Latijn zet men een verbum intrans-itivum onpersoonlijk in liet passivum door er den vorm aan te geven
Omzetting in het passivum.
§99.
84
van den derden persoon enkelvoud. B.v. er wordtgeloopen, currïtnr; er werd gestreden, pugnabatur; er zal geslapen worden, dormiëtu r.
Men gebruikt ook den onpersoonlijken passieven vorm, wanneer men subject is van een verbum intransiti v u m. B.v. s a 11 a t u r, men danst; saltarëtur, men zou dansen.
In de samengestelde tijden gebruikt men het neutrum singulare van het participium. B.v. ventum est, men is gekomen ; ventum e r a t, men was gekomen.
Wanneer in het Nederlandsch onovergankelijke werkwoorden persoonlijk gebruikt worden, zij men bij de vertaling in het Latijn goed op zijn hoede. In onze taal toch worden de samengestelde tijden van onovergankelijke werkwoorden meermalen vervoegd met het hulpwerkwoord zijn. B.v. ik hen gekomen, hij was gekomen. De pas beginnende leerling nu zou licht den passieven vorm gebruiken en vertalen: v e n t u s sum, ventuserat. Doch dit zou een zeer groote fout zijn. Want een verbum istrans-itivüm mag alleen oxpersooxlijk in het passivum gezet worden. Zoo een verbum intransitivum persoonlijk gebruikt wordt, moet men den actieven vorm kiezen. Men vertale dus: veni, venërat.
§ 99. De verba intransitiva, van welke wij in de vorige paragraaf spraken, duiden een werking aan, welke zich bepaalt bij den persoon of de zaak, die de werking verricht; maar blijkens § 85 zijn er ook verba intransitiva, wier werking uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Sommige dezer verba intransitiva zijn ook in het Nederlandsch onovergankelijke werkwoorden. B.v. prospieëre (patri), zorgen {voor zijn vader); place re (matri), behagen {aan zijn moeder). Andere verba echter zijn in bet Latijn intransitiva en in het Nederlandsch trans-itiva. B.v. pareer e (hosti), {zijn vijand) sparen ; persuade re (alicui), {iemand) overreden. Ook deze verba kunnen slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden en nemen dan den naamval bij zich, dien zij in het activum regëeren, B.v ik word gehoorzaamd, o b e d 11 u r m i h i; gij wordt gehoorzaamd, o b e d 11 u r t i b i; de vader wordt gehoorzaamd, obedïtur p a t r i; wij worden gehoorzaamd, obedïtur nobis; gij wordt gehoorzaamd , o b e-d 11 u r v o b i s ; de ouders worden gehoorzaamd, obedïtur p a-r e n t i b u s.
100â101. Conjugatie der ver-ba deponentia.
Over de quantiteit der paenultima in de regelmatige conjugaties.
§ 100. De kenlett ers der eerste, tweede en vierde conjugatie a, e , i (de vocalen, waarop het werkwoord uitgaat, wanneer men re van den inf. praes. wegschrapt) zijn vóór medeklinkers altijd lang (behalve de a in dare en zijn composita, zooals cir-cuindare). B.v. aniamus, amarem, monëte, monëbo, audltur, audïre.
Van de vocaien der uitgangen is
a altijd lang. B.v. amabamus, monueramus, legatis, audiaris.
e gewoonlijk lang. B.v. amarëraus, monuissëtis, legëris (fut. pass.), audirëmus. De e is kort
«) vóór ram, ro, rim en verdere actieve vormen van het plusquamperf. en fut. exact. ind. en vau het perf. conj. B.v. amavëravn, amavëro, amavërim.
b) in den- 2lleu persoon enkelvoud van liet fut. ind. pass. der eerste en tweede conjugatie. B.v. amabëris, monebëris.
c) bij de derde conjugatie
1°. in den 2(|equot; persoon enkelvoud van het praes. ind. pass. B.v. legeris.
2o. in den infinitivus praes. act. en 2den persoon enkelvoud van den imperativus praes. pass. B.v. legere.
3°. in het imp erf. conj. act. en pass. B.v. legërem, legërer. i altijd kort. B.v. amavlmus, monebïmus, legimus, audiveritis. o en u altijd lang. B.v. amatöte, amatürus.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERBA 0EP0NENT1A.
§ SOI. Verscheidene Latijnsche verba hebben de beteekenis van een verbum activum, doch den vorm van een verbum passivum. B.v. hortor, ik vermaan, v ere or, ik vrees, sequ-or, ik volcj, blandior, ik nlei. Deze verba komen in alle conjugaties voor en worden deponentia genoemd (omdat zij hunne passieve beteekenis afleggen , d e p o n ö r e).
Slechts twee vormen dezer verba hebben een passieve beteekenis, namelijk: het gerundivum en het s u p i n u m II.
De deponentia worden juist geconjugeerd als de passiva, behalve in den infinitivus futuri, die gelijk is aan het activum.
Ook hebben zij behalve de vormen van het passivum nog de volgende vormen van het activum: het participium prae-sens en futurum, het futurum conjunctivi, het gerundium en het supinum I.
De volgende tabel geeft een overzicht van de conjugatie dezer verba.
85
|
86 Conjugatie der verba deponentia. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
§ 101.
|
§ 101. Conjugatie der verba deponenüa. 87 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(
Conjugatie der verba deponentia.
88
§ 101.
F u t u r u m.
S. 2. hortator, gij moet vermanen.
3. hortator, hij moet vermanen.
P. 2. hortabimlni, gij moet vermanen.
3. hortantor, zij moeten vermanen.
Infinitivus.
P r a e s. hortari, vermanen.
P e r f. hortatum, am, urn esse, vermaand hebben. Fut. hortaturum, am, uin esse,
zullen verma)/en.
Participia m.
P r a e s. liortans, vermanende.
P é r f. hortatus, a, urn, vermaand
hebbende.
Fut. hortatürus, a, um, zullende
vermanen.
Gerundivum.
hortandus, a, um, moetende vermaand! verendus, a, um,
worden.
S. 2. hortare, vermaan. P. 2. hortamini, vermaant.
Imperativus. P r a e s e n s.
G e r u n d i u m.
Imperativus.
P r a e s e n s.
S. 2. verëre, vrees.
P. 2. veremini, vreest.
F u t u r u m.
S. 2. verütor, gij moet vreezen.
3. verëtor, Inj moet vreezen.
P. 2. verebimlni, gij moet vreezen.
3. verentor, zij moeten vreezen.
Infinitivus.
S. 2. P. 2.
S. 2.
3.
P. 2. 3.
P r a e s. verëri, vreezen.
P e r f. verïtum, am, um esse, gevreesd hebben. Fut. veritürum, am, um esse, zul- ^ u |
len vreezen.
Partieipiu m.
Praes. verens, vreezende. 'Pr a
Perf. veritus, a, um, gevreesd Per
hebbende.
P r a P e r
l
Fut. veriturus,
zullende p u t vreezen.
a, um.
Geruudivu m.
moetende gevreesd worden.
seqm
G e r u n d i u m.
Gen. hortandi, van het vermanen. Gen. verendi, van het vreezen. Dat. hortando, voor het vermanen. Dat. verende, voor liet vreezen. A c c. hortandum, (tot) het vermanen. \A. cc. verendum, (tot) het vreezen. A b 1. hortando, door het vermanen. Abl. verende, door het vreezen.
Ge n Dat Ac c, Abl
|
S u p i n u m. 1. hortatum, om te vermanen. 2. hortatu, om vermaand te worden. \ |
S u p i n u m. 1. verïtum, om te vreezen. 2. veritu, om gevreesd te worden. 1. se 2. S6 |
Conjugatie der verba deponent ia.
§ I01-
89
|
I m p e r a t i v u s. P r a e s e n s. S. 2. sequere, voly. P. 2. sequiralni, volgt. F u t u r u m. S. 2. sequïtor, gij moet velgen. 3. sequïtor, hij moet volgen. P. 2. sequemïni, gij moet volgen. 3. sequuntor, zij moeten volgen. Infinitivus. P r a e s. sequi, volgen. iPerf. secutum, am, um esse, gevolgd- hebben. â¢F ii t. secutürum, am, um esse, zullen volgen. Participiu m. P r a e s. sequens, volgende. Perf. secütus, a, um, gevolgd hebbende. F u t. secuturus, a, um, zullende volgen. Gerundiv u m. sequendus, a, um, moetende gevolgd worden. Gerundiu m. Gen. sequendi, van het volgen. Dat. sequendo, voor het volgen. Ace. sequendum, (tot) het volgen. Abl. sequendo, door het volgen. S ii p i n u m. 1. secütum, om te volgen. 2. secütu, om gevolgd, te worden. cje- 1)671. sulzen. eesd nde. 'nde zen. eesd ten. |
I m d e r a t i v u s. x. P r a e s e n s. S. 2. blandïre, vlei. P. 2. blandimlni, vleit. m. F ii t u r u S. 2. blandltor, gij moet vleien. 8. blandïtor, hij moet vleien. P. 2. blandiemlni, gij moet vleien. 3. blandiuntor, zij moeten vleien. Infinitivus. Praes. blandïri, vleien. Perf. blandïtum, am, um esse, gevleid hebben. Fut. blanditürum, am, um esse, zullen vleien. Participium. P r a e s. blandiens, vleiende. P e r f. blanditus, a , um , gevleid hebbende. Fut. blanditurus, a, um, zullende vleien. \ G e r ii n d i v u m. (blandiendum), moetende gevleid worden. \ G e r u n d i u m. Gen. blandiendi, van het vleien. Dat. blandiendo, voor het vleien. Ace. blandiendum, {tot) het vleien. Abl. blandiendo, door het vleien. S u p i n u m. 1. blandïtum, oni te vleien. 2. ontbreekt. |
|
90 Semideponentia. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
of transitiva of intransitiva. Zoo zijn hortor, vereor en seqnor transitiva; blandior, dat den dativus regeert, is intra n s i t i v u m. De verba deponentia, die intransitiva zijn, missen liet supinum TI en het gerundivum, in zoover dit persoonlij k gebruikt wordt.
De verba deponentia kunnen niet in het passivum gezet worden. Meermalen echter zal het gebeuren, dat wij een Nederland-schen passieven zin in het L a t ij n door een v e r b u m â d e-p o n e n s moeten vertalen. In zulk een geval moeten wij aan het Nederlandsch eerst een actieven vorm geven. Zoo men b.v. bij de vertaling van den zin : de hinderen worden beschermd door de ouders het verbum t u e o r moet gebruiken, zette men eerst den Nederhindsehen zin aldus om: de ouders beschennen de kinderen en vertale dan: parentes tuentur libëros. Zoo ook: de soldaten iverden aangemoedigd door den veldheer, niet: milites hortabantur a duce, maar dux hortabatur mi 1 ites.
Uit het bovenstaande volgt, dat de regel van § 97 over de vertaling van men door het passivum niet van toepassing is op de verba deponentia. Men vermaant ons heet in het Latijn niet: hortamur (dit beteekent: wij vermanen). Men zou kunnen zeggen : homines nos hortantur, de menschen vermanen ons.
Aanmerking. Het ontbrekende passivum kan aangevuld worden
lu. door esse of habere met een passend substautivum. B.v. odio esse, ije/iaut worden; invidiae esse, benijd worden; usui esse, gébruikt worden; admirationem habere, bewonderd worden.
§ 102.
Neutralia passiva.
91
103â104.
2°. door andere in beteekenis overeenkomende uitdrukkingen. B.v. in odium venire, in suspicion em vocari, oblivion e obrui, ad-miratione affïci.
§ 103. De verba a u de o,' a u s u s sum,' a u d ö r e, durven;
g a u d e o, g a v I s u s s u m, g a u d ö r e, zich verheugen; soleo, so Ut us sum, solo re. yetroon zijn; fido, fisus sum, fid ere, vertrouwen; benevens de composita van fido: confldo, ik vertrouw, en d i f-fido, ik wantrouw, worden semideponentia genoemd, omdat zij in het participium perfectum en de daarmede samengestelde tijden bij een passie ven vorm een actieve beteekenis hebben.
Aan deze verba sluiten zich de volgende intransitiva aan, die een participium perfectum hebben met actieve beteekenis;
een o e e n a t u s (jegeten hebbende.
juro jurat ü's' y gezivoren hebbende, beëedicjd.
eonjuro conjuratus samengezworen hebbende.
injuratus niet gezworen hebbende, onbeëedigd. p o t o p o t u s gedronken hebbende.
p r a n d e o p r a n s u s ontheten hebbende.
In de onpersoonlijke constructie met esse blijft echter de p a s-sieve beteekenis. B.v. c e n a t u m est, er is gegeten, )iien heeft gegeten ; quo d jurat um est, wat gezworen is. Vervolgens:
opgegroeid.
verouderd.
verouderd.
aaneengeg)-oeid.
gegroeid (dichterlijk).
verouderd, ingeworteld.
gehuwd (van een' vrouw). gewoon.
gewend.
§ 104. Vlak tegenover de deponentia staan de neutralia passiva of die verba, welke bij een act ie ven vorm een passieve , beteekenis hebben. Zij zijn:
vapülo, vapulavi, vapulatum, \, (jeslacjen loorden; veneo, venii, venltum, venire, verkocht worden; en gedeeltelijk ook
fio, fact us sum, fieri, worden, geschieden,(gemaakt worden') Aanmerkingen. Veneo en fio behooren tot de onregelmatige verba. Als activum van deze verba gebruikt men v e n d o, ik verkoop en f a c i o, ik maak, van welke beide verba geen andere passieve vormen voorkomen, dan de participia venditus, venden dus, en factus, faciendus. Men zegge dus nooit: vendor. ik word verkocht, facior, ik word gemaakt.
a d u 11 u s e x o 1 e t u s obsolëtus coalïtus c r e t u s inveteratu n u p t a s u e t u s assuëtus
a d o 1 e s c o e x o 1 e s c o obsolesco coalesce c r e s c o invoteraseo n u b o s u e s c o assuesco
Conjugatio periphrastica.
§ 105â106.
92
Ook van p e r d o, ik richt te yronde, gebruikt men in het passivum niet; perdor, maar het onregelmatige verbum p e r e o , ik ga te gronde. De eenige passieve vormen van perdo zijn het geheel adjectivum geworden participium p e r d ï t u s , verloren, diep gezonken en perdendus.
In plaats van vapulo gebruikt men in de beschaafde taal liever v e r-b ë r o r, het passivum van v e r b ë r o, ik sla.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE CONJUGATIO PERIPHRASTICA.
§ 105. Bij de conjugatie der verba zagen wij, dat verschillende tijden gevormd worden door een participium met het verbum sum. Zulk een wijze van vervoeging heet omschrijvende vervoeging of conjugatio periphrastica. Er zijn in het Latijn drie soorten van conjugatio periphrastica, eene met het participium perfectum, eene met het participium futurum en een e met liet gerundiv u m.
Conjugatio periphrastica met het participium perfectum.
|
§ 106- Deze conjugatie dient om de verleden tijden van het passivum te vormen, en wordt hier herhaald, omdat bij de gewone conjugatie niet allo vormen zjjn opgegeven. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Ofschoon beide vormen soms met elkander verwisseld worden, zoo wordt meermalen echter verschil van beteekenis aangenomen, Door de verleden e vormen van sum wordt namelijk het verledene meer bepaald | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Conjugatio periphrastica.
93
§ 107.
aangegeven. B.v. Epistola scripta est, de hriefis geschreven (waarbij niet uitgedrukt wordt, dat de brief niet meer bestaat); epistola scripta fait, de brief is geschreven geweest (doch bestaat niet meer).
Conjugatio periphrastica met het participium futurum.
§ !07. De verbinding var.' het participium futurum met het verbum sum leerden wij reeds kennen in het futurum conjunctivi en infinitivi van liet verbum activum en deponens. Buiten deze vormen heeft deze conjugatie gewoonlijk de beteekenis van voornemens zijnde, willende, op het punt zijnde.
Indicativus. Conjuuotivus.
P r a e s e n s.
amatürus. ik hen voornemens amatürus, dat ik voornemem
a, um sum, te beminnen. a, um sim, zij te beminnen.
I m pe rfe c t u m.
amatürus, ik teas voornemens amatïirus, dat ik voornemens a, um eram, te beminnen. a, um essem ware te beminnen.
Perfect u m.
amatürus, ik ben voornemens \ amatürus, dat ik voornemens a, um fui, geweest te beminnen. ' a, um fuerim, yeiveest zij te beminnen.
Plusquamperfectu ra.
amaturus, dat ik voornemens
amaturus, ik was voornemens
a, um fueram, geweest te be- a, ura fuissem', geweest ware te-
minnen. | beminnen.
Futurum simplex.
amatürus, ik zal voornemens , ,
' , i â ontbreekt.
a, um ero, zijn te beminnen.
Futurum e x a c t u m.
amatürus, ik zal voornemens
a, um fuero, geweest zijn te be- ontbreek t.
minnen.
Infinitivus.
Praes. amatürum, am, um esse, voornemens zijn te beminnen. P e r f. amatürum, am, ura fuisse, voornemens geweest zijn te beminnen. Fut. amatürura, ara, ura fore, voornemens zullen zijn te beminnen.
Aanmerking. In verbinding met participia moet men fore gebruiken in plaats van futurum, am, um esse.
Conjugatio periphrastica.
94
§ 108.
Conjugatio periphrastica met het gerundivum. § 108. In deze conjugatie, welke tot het passivum behoort, heeft het verbum de bijbeteekenis van moeten.
Indicativus. C o n j u n c t i v u s.
P r a e s e n s.
amandus, ik moet bemind wor- amandus, dat ik moete bemind a. um sum, den, a, um sim, worden.
ik ben te hem in nen.
dat ik te beminnen zij.
I m pe rfe c t um.
amandus, ik moest bemind wor- amandus, dat ik moest bemind
|
a, um eram, den, ik was te beminnen. |
a, um essem, worden, dat ik te beminnen ware. |
Perfectum.
amandus, ik heb bemind moeten amandus, dat ik hehbe bemind a. um fui, u-orden, a, um fuerim, moeten worden,
ik hen te beminnen dat ik te beminnen
geweest. geweest zij.
P1 u s q u a m p e r f ec tu m.
amandus, ik had bemind moeten amandus, dat ik hadde bemind a, um fueram, worden, a, um fuissem, moeten worden,
ik was te beminnen dat ik te beminnen
geweest. geweest ware.
Futurum simplex.
amandus, ik zal bemind moeten
a, um ero, worden, ontbreekt.
ik zal te beminnen zijn.
Futurum e x a c t u m.
amandus, ik zal bemind hebben
a, um fuero, moeten worden, ,, , ,
' ontbreekt.
ik zal te beminnen
geweest zijn.
Infinitivus.
Praes. amandum, am, um esse, bemind moeten worden,
te beminnen zijn.
Perf. amandum, am, um fuisse, bemind hebben moeten worden,
te beminnen geweest zijn. Fut. amandum, am, um fore, zullen bemind moeten worden,
te beminnen zullen zijn.
§ 109â111. Conjugatie periphrastica.
§ 109. Bij het gebruik van het gerundivum lette men op de volgende aanmerkingen.
1°. Een Nederlandsohe actieve zin met moeten wordt bij de. vertaling in het Latijn eerst omgezet in het passivum. B.v. De. hinderen moeten hunne ouders beminnen: de ouders moeten bemind worden door hunne kinderen.
2°. De persoon, door wien iets moet gedaan worden, komt in den dativus. Bovenstaand voorbeeld heet derhalve: par e n tes a m a n d i sunt 1 i b ë r i s. Ik moest een brief lezen (een brief moest gelezen worden door mij), e pis töla legenda er at mi hi.
3°. Alleen de verba transitiva kunnen persoonlijk in het gerundivum gezet worden. Bij de verba in transitiva moet men den onpersoonlijken vorm kiezen. Dit is geheel in overeenstemming met hetgeen wij in § 98 geleerd hebben. B.v. er moei geloopen worden of men moet looiden, currendum est; er moest gestreden worden of men moest strijden, pugnandum erat; er zal geslapen moeten worden of men zal moeten slapen, d o r m i e n d u m e r i t.
§ 110. Zeer dikwijls zullen wij in het Nederlandsch een actieven zin met moeten aantreffen, waarin een verbum transitivum voorkomt zonder voorwerp. B.v. ivij moeten overwinnen, gij moet schrijven. Ook in dit geval moeten wij eerst den actie ven zjn in het passivum omzetten, namelijk: er moet overwonnen ^wOrden door ons, er moet geschreven worden door u. Aan het Nederlandsch nu kan men reeds zien, dat men bij de vertaling in het Latijn den onpersoonlijken vorm moet/gebruiken, namelijk: vincendum est nobis, scribendum est vobis.
In andere gevallen zullen wij in het Nederlandsch een actieven zin met moeten aantreffen, waarin een verbum transitivum voorkomt met een voorwerp, doch van welken zin men subject is. B.v. men moet de vijanden ovenvinnen, men moet een brief schrijven. Men vertale nu niet- vincendum est hostes, scribendum est epistölam, maar men zette den zin eerst in het passivum: de vijanden moeten overwonnen worden, een brief moet geschreven worden en vertale dan letterlijk; hostes vince.ndi sunt, epistola scribenda est.
§ lü. Een bijzondere oplettendheid vorderen de verba intrans-itiva, wier werking uitgeoefend wor'dt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Hetzelfde, wat in § 99 geleerd werd, is ook hier van toepassing. Deze verba worden onpersoonlijk in het
95
Verba impersonalia.
96
§ 112.
gerundivum gezet en nemen dan den naamval bij zich, dien zij in het activum regeeren. B.v. Ik moet gehoorzaamd worden (er moet gehoorzaamd worden aan mij â obedlre regeert den dativus â), obediendum est mi bi. Men had den vijand moeten sparen (er had gespaard moeten worden [aan] den vijand â pare ere regeert den dativus â), parcendum fuerat hosti. Wij moeten een vlugger paard gebruiken (utor regeert den ablativus), door ons moet er gebruikt worden een vlugger paard, nobis utendum est velociore equo. Gij zult uw gezag moeten missen (egeo regeert den ablativus), door u zal er gemist moeten worden uw gezag, tibi egendum er it auctoritate tua.
Den opmerkzamen leerling zal het niet ontgaan zijn, dat sommige voorbeelden dezer paragraaf een dubbele beteekenis hebben. Obediendum est mi hi B.v. kan ook beteekenen : ik moet gehoorzamen. Later zal hij leeren hoe hij dergelijke dubbelzinnigheden kan vermijden.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERBA IMPERSONALIA.
§ 112. Ve rba impersonalia of onpersoonlijke werkwoorden zijn verba, die geen bepaalden persoon of zaak tot subject' hebben. Zij zijn öf activa of passiva. De woordjes men, het, er, die wij als subject bij onpersoonlijke werkwoorden voegen, worden in het Latijn niet door een afzonderlijk woord uitgedrukt. B.v. fulgürat, het weerlicht, pugnatur, men strijdt, er wordt gestreden. De verba impersonalia van den passieven vorm zijn voornamelijk verba intransitiva, die onpersoonlijk in het passivum gebruikt worden. B.v. currltur, men loopt-, dor-miëtur, men zal slapen; conandum est, men moet wagen.
Verscheidene verba worden gewoonlijk enkel als impersonalia gebruikt, zooals:
misëret, miseritum est, miserere, het jammert.
piget, pig uit (zelden pigftura est), pigëre, het verdriet.
paenïtet, paenituit, paenitëre, het berouwt.
pudet, pud uit of pudïtum est, pudëre, het schaamt.
taedet, pertaesum est, taedëre, het verveelt.
oportet, oportuit, oportëre, het moet.
en de meeste verba, die een weersges teIdheld aangeven, zooals: grandïnat, het hagelt, vesperascit, het ivordt avond.
§ 113â114. Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties. 97
Andere verba worden in de eene beteekenis als irapersonalia en in de andere als personalia gebruikt. B.v. accëdit, er komt bij, SLCcëdo, ik ga ergens heen', condücit, het is nuttig, con-d ü c o, ik breng hijeen.
§ 113- De impersonalia komen behalve in den infinitivus gewoonlijk alleen voor in den derden persoon enkelvoud van den indicativus en conjunctivus. In plaats van den imperativus gebruikt men het praesens conjunctivi. B.v. Pudeat te, schaam u.
De volgende tabel geeft een overzicht der conjugatie van het verbum impersonale activum tonat, tonuit, tonare, donderen.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Aanmorkiag. Vau sommige impersonalia komt een participium voor, zooals: pae nitons, pae niton dus, pud ens, pudendus. Zoo zij het gerundivum hebben, vormeu zij ook het gerundium, zooals: paoni-teudi, ad paenitendum. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties.
§ 114. Bij de perfecta (en afgeleide vormen) op a v i der eerste conjugatie kan vi wegvallen, wanneer er een s en ve, wanneer er
7
Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties. § 115â117.
een r volgt. B.v. amavisti, amasti, amavissem, am assem, ama-vèrini, amarim, amaveram, am ar am.
In de tweede en derde conjugatie kan hetzelfde geschieden bij de perfecta op evi, alsmede bij novi van nosco en soms bij movi van moveo. B.v. quievisti (van quiesco, ih rust), quiesti, quievêrunt, quiërunt, novistis, nostis, novërunt, norunt. In proza geschiedt dit meestal slechts in den derden pers. plur. van het perf. ind. en in het plusquamperf. ind. en conj. B.v. consuërunt, con sue ram, consuessem van consuesco, consuëvi, zich gewennen.
Bij de perfecta op ivi der derde en vierde conjugatie kan
1°. vi wegvallen, wanneer er een s volgt. B.v. audivisti, audisti, audivisse, audisse,
2°. v, wanneer er een e volgt. B.v. audivërunt, audiërunt, audivërim, audiérim.
Aanmerking. Minder gebruikelijk is de uitstootiug der v, wanneer er een i volgt (zonder s). B.v. audii iu plaats van audivi. Men vindt echter dikwijls desii van desïno, ophouden, en niet zelden petii van peto, op iets los yaan.
Do dichters laten soms vi weg zonder dat er een s volgt. B.v. petit (petlvit), douat (donavit). Ook vindt men adjüro in plaats van adjuvero.
Soms laten zij si weg, wanneer er een s volgt. B.v. scripsti (scrip-sisti), ad mis se (admisisse).
§ 115. In den derden pers. plur. van het perf. ind. act. gebruiken vooral de geschiedschrijvers dikwijls ëre in plaats van ërunt. B.v. fecëre (fecërunt). Vóór den uitgang ëre wordt de v niet uitgelaten. Men zegt dus niet audiëre in plaats van audiërunt.
§ 116. De tweede pers. sing, van het praes. imperfect, en fut. pass. en dep. kan uitgaan op re in plaats van op ris. B.v. amëre, amabare, amarëre, amabëre. In het praes. ind. echter wordt deze uitgang hoogst zelden gebruikt.
§ 117. Tot do verouderde vormen behooren:
a) een imperativus fut. der verba pass. en dop. op to in plaats van op tor in den derden persoon sing, en plur. B.v. arbitritto (arbitrator), een sen to (censentor) en op mïno in plaats van op tor in den tweeden en derden persoon sing. B.v. hortamïno (bortntor).
h) een fut. exact, en porf. eouj. der eerste conj. op asso en as sim in plaats van op avero eu averim; der tweede conj. op os so en es sim in plaats van op uero en uerini; der derde conj. op so en sim in plaats van op ero en erira. B.v. commonstrasso (coiumonstravero), prohibesso (prohibuero), jusso (jussero). Van die verouderde vormen vinden wij in den bloeitijd van het Latijn bij plechtige wenschen nog meermalen: faxo (dichterlijk), faxis, faxit, faxïmus, faxïtis, faxint in
98
Onregelmatige verba.
99
§ J18.
plaats van het fut. exact, fecero eu van het perf. conj. fecerira, euz. B.v. di immortales faxiut ut. Vervolgeus: ausim, ausis, ausit, ausiut, ik zou durven, iu plaats vau auserim (eea verouderd perfectum vau audeo).
Ook bestoud er eeu passivum vau deze vormeu. B.v. turbassitur (turbatum fuerit) eu eeu iufiiiitivus fut. act. B.v. expuguassere (expuguaturum esse).
d) eeu verleugde iufiuitivus praes. pass. op er. B.v. laudarier (laudari).
d) eeu imperfectum iud. op ibam eu een fut. ind. op ibo bij verba vau de vierde couj. B.v. u u t r i b a tn (nutriebam), s e r v i b o (serviam).
e) eeu praesens couj. act. op im. B.v. edim (edam;. Vau deze vormeu worden uog iu gebeds-eu eedsfonuuliereu gebruikt: duim, duis, duit, duiut iu plaats vau dem, des, det, deut eu perduiut in plaats van perdaut.
fj eeu gerundivum der derde eu vierde couj. op undus in plaats vau op endus. Deze vorm werd ook later meermaleu gebruikt iu bepaalde spreekwijzen, zooals: injure dicuudo; decemviri legibus scri-bundis; aliquera r e-p^eJTu u d^a r u m postulare; ook zegt men gewoonlijk potiuudus'van potior èn altijd oriuudus vau orior.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE ONREGELMATIGE VERBA.
§ 118. P ossuin, potui, posse, kunnen.
Dit verbum heet eigenlijk pot-sum (uit potis, instaat en sum), liet wordt geconjugeerd als sum. Hierbij valt echter op te merken: 1°. dat pot vóór een s veranderd wordt in pos. B.v. possu ui (potsum). 2°. dat potessem eu potesse samengetrokken wordt in possem eu p o s s e. /
3°. dat van fui eu afgeleide vormeu de f wegvalt. B.v. potui (potfui), potueram (potfueram).
Indicativus.' Coujunctivus.
Praesons.
{ik kan). {dat ik kunne).
S. possum, potes, potest, possim, possis, possit,
P. possiimusjpotestis, possunt. posslmus, possïtis, possint.
Imperfeetum.
(ik kon). (dat ik koude, ik zou kunnen).
S. potëram, potéras, poterat, possem, posses, posset, P. poterilmus, poteratis, potërant. possëmus, possëtis, possent.
Perfectum.
{ik heb kunnen). {dat ik hebbe kannen).
S. potui, potuisti, potuit, potuöriin, potuëris, potuërit,
P. potuünus, potuistis, potuërunt. potuerlmus, potueritis, potueriut.
100 Onregelmatige verba. § 119.
Plusquamperfectum.
{ik had kunnen). (dat ik hadde kunnen,
ik zou hebben kunnen). S. potuëram, potuëras, potuërat, potuissem, potuisscS^ potuisset, P. potueramus, potueratis, potuërant. potui8semus,potuisbêtis, potuissent. Futurum simplex.
(ik zal kunnen).
S. potëro, potëris, potërit. ontbreekt.
P. poterlmus, poterïtis, potërunt.
Futurum exactum.
(ik zal hebben kunnen).
S. potuéro, potuëris, potuërit, ontbreekt.
P. potuerïmus, potuerïtis, potuërint.
Infinitivus.
Praes. posse, kunnen.
Perf. potuisse, hebben kunnen.
Aanmerkingen. Het oorspronkelijke part. praes. po tens wordt slechts als adjectivum gebruikt in de beteekenis van machtig. De imperativus, het gerundium, enz. ontbreken.
Verouderde en dichterlijke vormen zijn potis es, potis est, potis sunt (potes, potest, possunt), po te (potest), pot esse (posse), possiem (possim).
§ 119. Edo, ëdi, ësum, ëdëre, eten. Vgl. § 136. V. Dit verbum gaat met zijn composita comëdo, opeten, exëdo, uitknagen, enz. regelmatig naar de derde conjugatie, doch heeft eenige bijvormen, welke wal de spelling betreft (niet de quana-teit) overeenkomen met de vormen van sum, die met es beginnen, namelijk;
Praes. Ind.
edo.
edis of ês.
edit â est.
edimus.
edïtis â estis.
edunt.
edëre of esse.
In het passivum vindt men e s t u r voor editur en e s s e t u r voor ederëtur.
Over het praes. conj. edim Vgl. § 117. e).
Imperf. Conj. edërem of essem. edëres â esses, edëret â esset. ederëmus â essemus. ederëtis ⢠â essetis. edërent â essent.
Infinitivus praeseu
Imperativus. ede of ës.
edlte â este. edito â esto. edito â esto. editöte â estote. edunto.
§ 120. Onregelmatige verba. 101
'K
% 120. Fero, tüli, latum, ferre, dragen.
Dit werkwoord gaat uaar de 3de conjugatie met deze afwijking, dat de verbindingsvocaal ï vóór s en t, en de verbindingsvocaal ë tusschen twee r's wordt weggeworpen. Ook valt de e weg aan het einde van den 2'len pers. sing, imperat. praes. act. De inf. pass. is ferri (van den ouden vorm ferëri in plaats van feri).
De vormen, die van het perfectum en supinum worden afgeleid, gaan regelmatig en worden liier niet opgenoemd.
Ac ti v u m.
Indicativus. Conjunctivus.
Praesens.
S. fero, fers, fert, S. feram, feras, ferat,
P. ferïmus, fertis, ferunt. P. feramus, feratis, ferant.
Imperfectum.
S. ferëbam, ferëbas, ferëbat, S. ferrem, ferres, ferret, P. ferebamus, ferebatis, ferëbant. P. ferrëmus, ferrëtis, ferrent.
Futurum simplex.
S. feram, feres, feret, latürus, a, um sim.
P. ferëmus, ferëtis, ferent.
Imperativus Praes. fer, ferte.
â Put. ferto, fertöte, ferunto.
Infinitivus Praes. ferre.
Participium Praes. ferens.
Gerundium. Gr. ferendi, D. ferendo, enz.
Passivum.
Indicativus. Conjunctivus.
Praesens.
S. feror, fer ris, fer tur, S. ferar, feraris, feratur,
P. ferimur, ferimlni, feruntur. P. feramur, feramlni, ferantur.
Imperfectum.
S. ferëbar, ferebaris, ferebatur, S. ferrer, ferrëris, ferrëtur, P.ferebamur,ferebamini,ferebantur.P. ferrëmur, ferremïni, fer-
(rentur.
Futurum simplex.
S. ferar, ferëris, ferëtur, ontbreekt.
P. ferëmur, feremlni, ferentur.
Imperativus Praes. ferre, ferimlni.
â Fut, fertor, fertor, feremlni, feruntor.
Infinitivus Praes. ferri.
Gerundivum. ferendus.
Onregelmatige verba.
102
§ 121.
Evenals fero worden ook de composita van fero geconjugeerd, affero, attüli, allatum, afferre, aanhrenyen.
antefero, antetflli, antelahim, anteferre, voortrekken.
.aufero, abstüli, ablatum, auferre, wegnemen.
eircumfëro, circumtüli, circumlatum, circumferre, ronddragen. s confero, contüli, collatum, conferre, bijeenbrengen.
defëro, detüli, delatum, deferre, wegdragen.
diffëro, distüli, dilatum, differre, uitstellen.
effero, oxtüli, elatnm, efFerre, uitdragen.
infëro, intüli, illatum, inferre, indragen.
offero. obtüli, oblatum, ofFerre, aanbieden.
perfero,quot; pertüli, perlatum, perferre, overbrengen.
praefëro, praefüli, praelatum, praeferre, de voorkeur geven.
profëro, protuli, prolatum, proferre, te voorschijn brengen.
refëro. retüli en rettüli, relatuin, referre, terugbrengen.
transfëro, transtüli, translatum, transferre, overbrengen.
Van postfëro, achterstellen eu sufforo, verdragen, komt geen perfectum of supinum voor. Sustüli, sublatum \Vordt gebruikt als perfectum en supinum van tollo, opheffen. Als perfectum en supinum van sufföro wordt gebruikt sus tin ui, sustentum.
Diffëro heeft in de beteekenis verschillen geen perfectum of'supinum.
§ 121. Volo, volui, veile, willen.
Nolo, nolui, nolle, niet willen.
Mal o, mal ui. malle, liever willen.
Xolo is samengetrokken uit ne volo, male uit mag is volo.
Indicatirus.
Praesens.
volo. nolo. malo,
vis. non vis. mavis.
vult. n o n v u 11. m a v u 11.
volümus. nolümus. malümus.
vultis. nonvultis. mavultis.
volunt. nolunt. malunt.
Imperfectum, nolëbam.
volebam.
malebam.
Perfectum.
nolui. malui.
Plusquamperfectum. noluëram. raaluëram.
volui.
voluëram.
Onregelmatige verba.
103
§ 121.
Futurum simplex.
volam, voles, volet, (nolam), noles, nolet, (malam), males, malet, volëmus, volëtis, volent. nol(3mus,nolëtis, nolent.malcmus,malötis,malent.
Futurum ex actum.
voluëro. noluëro. maluöro.
Coujuuctivus.
P raese n s.
velim. nolim. malim.
velis. nolis - malis.
velit. nolit. malit.
vellmus. nolïmus. mailmus.
velïtis. nolltis. malitis.
velint. nolint. malint.
Im per fee tu m,
vellem. nollem. mallem.
velles. nolles. malles.
vellet. noliet. mallet.
vellëmus. nollömus. mallömus.
vellêtis. nollctis. mallötis.
vellent. nollent. mallent.
Perfectum.
voluërim. noluërim. maluërim.
Plusquam perfectum.
voluissem. noluissem. maluissem.
I m p e r a t i v u s.
Praes. noli.
nolïte.
Fut. nolïto.
ontbreekt. nolïto. ontbreekt.
nolitüte.
nolunto.
In fini ti v us.
Praesens.
veile. nolle. malle.
Perfectum.
voluisse. noluisse. maluisse.
Participium praesens.
volens. nolens. ontbreekt.
f
104 Onregelmatige verba. § 122.
Aanmerkingen. De eerste persoon sing, van het fut. nol am en malam is ongebruikelijk.
Voor vult, vultis vindt men soms volt, voltis.
Als verouderde vormen komen voor nevis (non vis), nevult (non vult), neveHe (nolle), mavolo (male), mavelim (malim), mavel-lem (mallem).
§ 122. Eo, ivi, ït um, Ire, gaan.
Dit verbum wordt vervoegd naar de 4^ conjugatie met de volgende afwijkingen:
1°. Vóór a, o, u komt e in plaats van i, zooals; eo, earn, eunt (io, iam, iunt).
2°. Het imperfectum is ibam in plaats van iebam en het futurum ibo in plaats van iam.
3o. In de participia en in het gerundium wordt ent en end u n t en und.
Indieativus. Conjunctivus.
P r a e s e n s.
S. eo, is, it, S. earn, eas, eat,
P. ïmus, ïtis, eunt. P. eamus, eatis, eant.
Imperfectum.
S. Ibam, ïbas, Ibat, S. ïrem, ïres, ïret,
P. ibamus, ibatis, Ibant. P. iremus, irëtis, Irent.
Perfectum, ivi. ivërim.
Plusquamperfectum.
ivëram. ivissem.
Futurum simplex.
S. rbo, ibis, ïbit, itürus, a, um sim.
P. ibimus, ibïtis. ïbunt.
Futurum exactum.
ivëro.
Imperativus.
Praes. i, Ite.
Fut. Ito, ïto, itöte, eunto.
Infin iti vus.
Praes. ïre.
Perf. ivisse of isse.
Fut. itürum, am, um esse.
Participium.
Praes. iens, gen. euntis, dat. eunti, enz.
Fut. itürus, a, um.
Gerundium.
Gen. eundi, dat. eundo, enz.
â gt;
§ 123. Onregelmatige verba. 105
De composita van eo zijn: abeo, weggaan, adeo, ergens heen gaan, anteëo, voorgaan, circumeo, rondgaan, coëo, samenkomen, exeo, uitgaan, ineo, ingaan, intereo, omkomen, introëo, binnengaan, obeo. omgaan, pereo, omkomen, prodeo, te voorschijn komen, praeëo, voorgaan, praetereo, voorbijgaan, redeo, terug keer en, subeo, ondergaan, transeo, overgaan, veneo, verkocht worden.
Deze composica worden juist als eo vervoegd, behalve dat zij in het perfectum en de daarvan afgeleide vormen gewoonlijk de v verliezen. B.v. redii, rediérim. In den infinitivus perfect! en in den conjunctivus plusquamperfect! hebben zij zeer dikwijls i in plaats van ii. B.v. re dis se, redissem.
Veneo (uit venum en eo) mist supinum, imperativus, participia en gerundium. Vgl. § 104.
Over het gebruik van pereo. Vgl, § 104.
Ambio (uit amb en eo. Vgl. § 167) amblvi, ambïtum, ambrre, rondgaan, gaat regelmatig naar de vierde conjugatie. B.v. aniblunt, ambiens, ambientis, ambiebam.
Als ongebruikelijke bijvormen vindt men eam, ies, iet, enz. in plaats vau lbo, ibis , ibit, enz.
Veneo heeft soms veniebam in plaats van venibam en ambio soms ambibam in plaats vau ambiebam.
§ 123. Eo en zijn meeste composita zijn intransitiva en kunnen derhalve slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden. B.v. itur, men gaat, ibatur, men ging, itum est? men is gegaan, eundum erit, men zal moeten gaan.
De composita, die transitiva zijn, zooals adeo, ineo, praetereo, worden volgens het volgende voorbeeld in het passivum geconjugeerd.
Indicativus. Conjunctivus.
Praesens.
S. adeor, adiris, adïtur, S. adear, adearis, adeatur,
P. adlraur, adimini, adeuntur. P. adeamur, adeamïni, adeantur.
Imperfectum.
S. adïbar, adibaris, adibatur, S. adirer, adirëris, adirctur, P. adibamur, adibamlni, adibantur. P. adirömur, adiremini, adirentur.
Perfectum.
aditus. a. um sum. adïtus. a. um sim.
106 Onreyelmatige verba. § 124
Plusquamperfectuin.
aditns, a, um eram. adltus, a, um essem.
Futurum simplex.
S. adïboi', adibëris, adibltur,
j.,, i ⢠1 ⢠. t, , ontbreekt,
.r. adibimur, adibimim, adibuntur.
Futurum exactum.
adïtus, a, um ero. ontbreekt.
Imperativus.
Praes. adïre, adimini.
Fut. adltor, adïtor, adibimlni, adeuntor.
Infinitivus.
Praes. adïri.
Perf. adïtum, am, um esse.
Fut. adïtum iri.
Participium perfectum.
adltus, a, um.
Gerundivum.
adeundus,la, um.
§ 124.. Queo, quïvi, quïtum, quire, kunnen.
Nequeo, nequlvi, nequïtum, nequlre, niet kunnen. Indicativus.
P r a e s e n s.
S. queo; quis, quit, S. nequeo, nequis, nequit,
P. quimus, quitis, queunt. T3. nequTmus, nequltis, nequeunt.
Imperfectum.
S. quibam , â, quibat. S. nequibam, â, nequlbat.
P. â, â, nequlbant.
Perfectum.
S. quivi, â, quivit, nequlvi, nequisti, nequTvit,
P. â, â, quivërunt. P. â, â, nequivërunt.
Plusquamperfectum.
S. â, â, quicrat. S. â, â, nequiërat,
P. â , â , nequiërant.
Futurum simplex.
S. quibo.
P. â, â-, quibunt. P. â, â , nequTbunt.
Futurum exactum.
S. quivöro. ontbreekt.
§ 125. Onregelmatige verba. 107
Conjunctivus.
Praesens.
S. queam , queas , queat, *S. nequeara , nequeas nequeat,
P. queamus, quetitis, queant. P. nequeïïmus, nequeiitis, nequeant.
Imperfectum.
S. quirem , â , quiret, S. nequlrem , â , nequlret,
P. â, â, quirent. P. nequirëmus, â, nequrrent.
Perfectum.
S. â, â, quiverit. S. nequiverim, â, nequiërit.
P. â, â , nequierint.
Plusquam perfectum.
S. â, - , nequisset,
P. â , â , quissenr. P. ââ , â , nequiss'.'nt.
Infinitivus.
P r a e s, quire. nequire.
P e r f. quivisse, quisse. nequivisse, nequisse.
Participium.
P r a e s. quiens, gen. queuntis. nequiens, gen. nequeuntis.
Aanmerkingen. Deze verba worden veel zeldzamer gebruikt dan possum en non possum. Queo komt gewoonlijk slechts voor in ontkennende zinnen en alleen met een infinitivus.
Ook bestaan de volgende passieve vormen : quitur, nequTtur ,quita est en nequïtum est; zij worden nlleeu gebruikt met een inf. pass. B.v. Forma in tenebris nosci nou quita est.
§ 125 Flo, factus sum, fieri, worden, geschieden, gemaakt worden.
Dit verbum gaat regelmatig naar de 4de conjugatie behalve dat in den infinitivus praesens en in den conjunctivus im-perfecti de i verkort en daarachter een e gevoegd wordt.
De ontbrekende conjunctivus en infinitivus futuri worden aangevuld door futurus, a, um sim en futurum, am, um esse of fore.
In plaats van den ongebrnikelijken imperativus futuri fito, fitüte, fiunto zegt men fiat, fiatis, fiant ofesto,estöte,sunto.
Het perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum zijn regelmatig factus sum, sim, er am, essem, ero, factum esse. Het overige wordt volgenderwijze geconjugeerd.
Indicativus. Conjunctivus.
Praesens.
S. flo, fis, fit, S. fïam, fïas, flat,
P. (flmus. fïtis), fiunt. P. flamus, fiatis, fïant.
Onregelmatige verba.
108
§ 126.
Imperfectum.
S. fïebam, flëbas, fïebat, S. fïërem,' fïëres, fïëret,
P. fiëbamus, fïebatis, fïëbant. P. fïërëmus, fïërëtis, fïërent.
Futurum simplex.
S. fïam, fles, fïet, futürus, a, um sim.
P. fïëmus, fïëtis, fïent.
Imperativus.
Praes. S. fi. P. fite.
Put. ongebruikelijk.
I n fi n i ti v u s.
Praes. flëri.
Perf. factum, am, um esse.
Fut. futurum, am, um esse of fore, zullen irorden.
Participium.
Praes. ontbreekt.
Perf. factus, a, um, geworden.
Fut. futürus, a, um, zullende worden.
De gerundia en supina ontbreken.
Aanmerking. Fio wordt ook gebruikt als passivum van facio. Vgl. § 104. Het gerundivum is dan faciendus, moetende gemaakt worden en de infinitivus futuri factum iri, zullen gemaakt irorden.
Ook de composita van facio, die de a behouden, hebben fio
in het passivum. B.v. arefacio, droog maken, arefïo, are-
factus sum, arefiëri, droog worden of gemaakt worden. De
composita echter, waarin de a in i overgaat, hebben een eigen
passivum. B.v. conficio, bijeen brengen, conficior, confectus
sum, conflci; interficio, dooden, interficior, interfectus
sum, interfïci.
Als bijvormeu van couficior vindt men van confio: confieri, confit, confïat, confTunt, confTant, confiëret, confiërent.
Als bijvormen van deficior vindt men van defio: defiëri, defit, deflat, definnt, deflet.
Eindelijk heeft men nog een bijna verouderden vorm '\ni\i, hij hegint.
§ 126. Evenals fero verliezen ook de verba dico, zeggen, duco, voeren, en facio, maken, gewoonlijk de e in den tweeden persoon enkelvoud van den imperativus praesens activi, dus: die, due, fac. Hetzelfde geschiedt bij de composita dezer verba, behalve bij die van facio, welke in ficio veranderen. B.v. perficio, perfice.
Verba defectiva.
109
§ 127â128.
In plaats van den iraperativus praesens sci, seite van scio, ik weet, gebruikt men den imperativus futuri scito, scitöte.
§ 127. De volgende verba hebben een onregelmatig participium futurum.
|
abnuo, iceigeren. |
abnütum, |
abnuiturus. |
|
arguo, bewijzen. |
argütum, |
arguiturus. |
|
juvo, helpen. |
jutum, |
juvaturus. |
|
luo, boeten. |
lutum, |
luiturus. |
|
morior, sterven. |
mortuus sum. |
moriturus. |
|
nascor, geboren worden. |
natus sum. |
nasciturus. |
|
orior, ontstaan. |
ortus sum, |
oriturus. |
|
pario, voortbrengen. |
partum, |
pariturus. |
|
ruo, naar beneden storten. |
rutum. |
ruiturus. |
|
seco, snijden. |
sectum. |
secaturus. |
|
sono, klinken. |
sonitum, |
sonaturus. |
Aanmerkingen. Van fruor (fruitus en fructus sum) vindt men alleen fruiturus; van lavo (lautum, lavatum, lotum) alleen la-vaturus; van haurio (haustum en zelden hausum) zoowel hau-surus als hausturus.
Betrekkelijk orior, ortus sum, orïri valt nog op te merken, dat het in het praes. ind. en in den imper. geconjugeerd wordt naar de derde conjugatie, dus: orëris, oritur, orïmur, ori-mini; orëre, orïmïni, orltor. Het imperf. conj. heeft regelmatig or Ir er of ook or ér er. Hetzelfde heeft plaats bij de composita, behalve bij adorior, dat regelmatig gaat, dus: ado-rior, adorïris, adorïtur, ad orïmur, enz.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERBA DEFECTIVA.
§ 128. Inqu am, ik zeg.
Praes. Ind. inquam, inquis. inquit, inqulmus, inqultis, inquiunt.
â Conj. inquiat.
Imperf. Ind. inquiëbat of inqulbat.
Perf. Ind. inquisti, inquit.
Fut. Ind. inquies, inquiet.
I m p e r a t. inque, inquito.
110 Verba defecliva. § 129â130.
A a n ra e r k i u g e u. I u q u a m heeft dikwijls de beteekenis vau eeu perfectum.
I u q u i t heeft meermalen bij tegeuwerpiugeu de beteekenis van zegt men, heet het. B.v. Nou solemus, iuquit, ostendëre.
§ 129. Ajo, ik zeg.
Praes. Ind. ajo, ais, ait, ajunt.
â Couj. a.jas, ajat, ajant.
Imp erf. Ind. ajëbam, ajëbas, ajëbat, ajebïlinus, ajebatia, ajcbant.
Perf. Ind. ait.
Aanmerkingen. Br bestaat nog eeu ongebruikelijke i m p e r a t. aï en een als adjectivum gebruikt part. praes. ajens, hevestujend. lu plaats van ajebam zeggen de blijspeldichters ook a i b a m.
§ 130. Coepi, begonnen zijn.
M e m ï u i, zich herinneren.
O d i, haten.
Van deze verba is het praesens in onbruik geraakt. Memini en odi hebben in het perfectum de beteekenis van het praesens, iu het plusquainperfectum van het imperfectum en in het futurum exactum van liet futurum simplex. Alleen memini heeft een im-perativus.
Indicativus.
Perfectum.
coepi, ik ben begonnen. memini. ik herinner mij. odi, ik haat. coepisti, enz. meministi, enz. odisti, enz.
Plusquam perfectum.
cuepëram, ik was begon- meminëram, ik herinnerde odèram, ik nen. mij. haatte.
Futurum exactum.
coepero, ik zal begonnen meminëro, ik zal mij her- odero, ik zal zijn. inneren. haten.
Conjunctivus.
Perfectum.
coepërim, dat ik begon- meminörim, dat ik mij her- odërim, dat nen zij. inner e. ik hate.
Plusquainperfectum.
coepissem, dat ik begon- meminissem, dat ik mij odissem, dat nen ware, herinnerde, ik haatte,
ik zon begonnen zijn. ik zou mij herinneren. ik zou haten.
Verba defectiva.
§ 131.
Ill
Imperativus. memento, herinner u. mementöte, herinnert u.
ontbreekt.
ontbreekt.
In finiti vus.
P e r f. coepisse, begonnen zijn. meminisse, zich herinneren, odisse, haten.
|
Put. coepturum,am,umesse, ontbreekt. zullen beginnen. Participium. Perf. coeptus, a, um, begonnen zijnde, ontbreekt. Fut. coeptiirus,a,um,zullende beginnen. |
osurum, am, um esse, zullen haten. (osus, a, um), hatende. osurus, a, um, zullende haten. |
Aanmerkingeu. Als praeseus, imperfectum eu futurum simplex gebruikt meu bij coepi: iucipio, iucipiëbara, iucipiam. Daarentegen is i u c 5 p i iu plaats vau coepi bij eeu iufinitivus ouge-bruikelyk.
Coepi wordt gewooulijk verbonden met een infinitivus, zeldeu met een accusativus. Wordt er een iufinitivus passivi vereisch!: met zuiver passieve beteekenis , dan ge bruike men altijd coeptus sum. li.v. ürbs aedificari coepta est, men is begonnen de stad te houwen. Heeft de infinitivus passivi daarentegen intransitieve ofrefiexieve beteekenis, dan gebruike meu liever coepi. B.v. Tarquinius crudëlis fieri coepit, Tarquinius begon wreed te worden. Respublica augëri c o e p i t, de staat begon zich uit te breiden. Deze zelfde eigenaardigheid heeft ook plaats bij d e s ï u o. B.v. Orationes meae legi desïtae s u u t, men heeft opgehouden mijne redevoeringen te lezen.
In plaats van het zeldzame os us gebruikt men d^ composita exösus eu perösus, die in zuiver Latijn altijd eeu actieve beteekenis bebbeu. Beide participia regeereu den accusativus. B.v. Plebs consülum no meu perosa er at, het volk haatte den naam van consuls.
Eveuals memiui eu odi worden ook de perfecta n o v i {\a.u uosco, ik leer kennen) ik weet eu c o u s u e v i (van consueseo, ik gewen mij) ik ben gewoon in de beteekenis vau eeu p r a e a e u s gebruikt.
§ 131. Pari, spreken.
Praes. Ind. fatur, (famur, famlni, fantur).n
Imperf. Ind. (fabar). Couj. (farer).
Perf. en Plusquamperf. fatns sum, sim, eram, essem.
Put. Simpl. fabor, (fabëris), fabitnr.
I mperat. fare. Inf. fari. Sup. fatu.
Part. Praes. fans. Perf. fatus. Grerundivum fandus.
Gerundium, gen. faudi. abl. fando.s
A aumerkiuge u. De vormen tusscheu ( ) komeu alleen voor iu de composita a f f iï r i , aanspreken, euz.
Lijst van werkwoorden.
112
§ 132â134.
In proza vindt men bijna alleen fatur en fando audiro, hooren zeggen, van hooren zeggen hebben of roeten.
§ 132. Ave, wees gegroet, salve, wees gegroet, vale, vaarwel. Salve (salvëte, salveto), goeden dag, was het woord waarmede meu gewoonlijk bij het komen groette. Vale (valete, valëto), vaarwel, was vooral in gebruik bij het afscheid. Ave (avëte, avëto), dat weinig-gebruikt werd, heeft beide beteekenissen. Van salve en vale vindt meu een futurum salvëbis en valëbis. De infinitivi avëre, salvëre, valere worden slechts gebruikt iu verbinding met j u b e o. B.v. Valere t e j u b e o , ik zeg u vc.arwel.
§ 133. A p it g e met of zonder t e , pak u weg.
Cede (onderscheiden van cëdo, ik wijk) en in het meervoud cette (uit cedito, cedite ontstaan) wordt in de conversatietaal in de beteekenis van geef hier, zeg eens gebruikt met of zonder een accusativus. B.v. Cedo aquam manibus, geef wat water voor mijn handen. C e d o igitur, quid faciam, laat dan eens hooren wat ik doen zal. Cette d e x t r a s , geeft mij de hand.
Quaeso, quaesümus, ik bid, wij bidden, wordt gewoonlijk ter verzachting der uitdrukking tusschen andere woorden ingevoegd. B.v. Tu, quaeso, scribe, schrijf mij asjeblieft.
Age (ook bij een meervoud), a g ï t e wordt gebruikt in den zin vau kom, welaan. B.v. Age experiamur, welaan laten wij het beproeven.
LIJST
der voornaamste verba met onregelmatig gevormde perfecta en supina.
In deze lijst worden naast de simplicia slechts die composita opgenoemd, welke in de vorming hunner perfecta en supina van de simplicia afwijken.
§ 134. Verba der eerste conjugatie.
Het perfectum en supinüm der verba van de eerste conjugatie gaat gewoonlijk uit op H v i, a t u m. B.v. amo, amavi, amatum. Hiervan wjjken af
I. met reduplicatie in het perfectum.
Do, dëdi, datum, dilre, geven. Vgl. § 100.
Evenzoo de comp. met tweelettergrepig voorvoegsel circumdo, omgeven , satisdo, borgstellen, pessundo, verderven, venundo, verkoopen. De overige comp. met eenlettergrepig voorvoegsel hebben dïdi, dttum en gaan naar de derde conjugatie. B.v. addo, addïdi, addïtum , addöre, bijvoegen; credo, credidi, credïtum , credere , gelooten. Abscondo echter, verbergen, heeft gewoonlijk abscond i.
Sto , stëti, statuin, stare , staan.
De comp. met tweelettergrepige praeposities hebben in het perfectum steti. B.v. circumsto, rondom staan, circumsteti. De comp. met éénlettergrepige praeposities hebben iu het perf. s 111 i. B.v. adsto, er bij staan, adstïti. De comp. van sto missen het sup. behalve
Lijst van luerkwoorden.
113
§ 135.
praesto, overtreffen, praestïtum. Het part. fut. act. is echter p r a e -staturus. Ook van andere corap. komt een part. op urus voor, zooals: constaturus. Disto, verwijderd zijn en exsto, uitsteken, voorhanden zijn, missen het perfectum.
II. met perfectum op ui, supinum op tum, soms met verbindingsvocaal.
Crëpo, crepui, arepitura, crepare, yedruisch maken.
Cübo , cubui, cubïtum, cubïtre , liggen.
De comp. van cubo, die eon m vóór de b aannemen, gaan naar de derde conj. B.v. a c c u m b o , accubui, accubïtum, accumbëre, zich nederleggen.
Domo , domui, domïtum, domitre, temmen.
Frtco, fricui, frictum of fricatum , fricare , wrijven.
Refrïco, weder opkrabben, heeft enkel refricatum.
Mico, micui, (zonder sup.), mieïïre, glinsteren.
Emïco, emicui, e mica tum, snel te voorschijn konen.
Dimlco , dimicavi, d i m i c a t u m , strijden.
Neco, dooden (regelmatig).
Encco, e n e c u i, e n e c t u m (zelden enecstvi, enecstum), dooden. Plïco (slechts- in samenstellingen gebruikelijk).
Applïco, appliciivi en applicui, applicatum en applicïtum, applicare, toevoegen. Evenzoo explïco, ontvouwen en impltco, inwikkelen. De verba op p 1 i c o , die afgeleid zijn van a d j o c t i v a op p 1 e x , zooals duplïco, verdubbelen, hebben alleen ïirvi, a t u m.
NPöto, potïïvi, potum (zelden potatum), potïlre, drinken. Vgl. § 103. Sëco, secui, sectum, secïtre. Vgl. § 127.
Sono, sonui, sonttum, sonïtre, klinken. Vgl. § 127.
Resöno, iveergalmen, heeft r e s o n ït v i en mist het sup.
Tono, tonui, (zonder sup.), toiuïre, donderen.
Attono, bedonderen, verbluffen, heeft eorvïpart. perf. attonitus. Intöno, zich donderend, luid doen hooren, heeft een part. perf. i n t o n a t u s. Vöto , vetui, vetttum , vetïire , verbieden.
III. met perfectum opi, supiuum op tum en verlenging van de stamvocaal.
Jüvo, juvi, jntum, juvïïre, helpen. Vgl. § 127.
Adjiivo, ondersteunen, heeft in het part. fut. a d jut u r u s eu a d j u v a-t u r u s. Men lette goed op de verschilloude quautiteit van het p r a e s. eu perf. van adjuvo.
Lavo, lavi, lautum (la vat urn , lotum), lavare, wasschen. Vgl. § 127. Aanm.
§ 135. Verba der tweede conjugatie.
De verba dezer conjugatie, die regelmatig ëvi, ë t u in hebben, zijn: Deleo, delëvi, delëtum , delëre, vernietigen.
Fleo, flëvi, ttëtum, flëre, wtenen.
Neo, nëvi, nëtum , nëre , spinnen.
Pleo (slechts in sainenstellingen gebruikelijk).
Compleo, complevi, complëtum, complëre, vullen.
Hierbij komt nog met het sup. op ï t u m
Aböleo, abolëvi, abolïtum, abolëre, afschaffen, van het ongebruikelijke
8
Lijst van werkwoorden.
§ 135.
114
o 1 e o , welks overige composita op e s c o uitgaan en naar de derde
conjugatie vervoegd worden , namelijk :
Adoleseo, adolêvi, adultum, adolescere, opgroeien.
Exolesco, exolevi, exolëtum , exolescëre , afslijten.
Obsoleseo, obsolevi, obsolëtum, obsolescëre, verouderen.
Onregelmatig zijn
|
I. met perfectum op verbind |
ui, s u p i n u m o p t u m en nesvocaal. |
|
Careo, missen. Doleo, bedroefd zijn. Habeo, hebben. Comp. adhïlieo, - aumfende)!, debeo (voor dehibeo), schuldig zijn , prae-beo (voor praehibeo), aanbieden. JSceo, liggen. Lïceo, te koop zijn. Mëreo (ook deponens), verdienen. |
Möneo, vermanen. Nöceo, schaden. Pfireo, gehoorzamen. Placeo, behagen. Comp. displïceo, mishagen. Taceo, zwijgen. Comp- retïceo, verzwijgen. Terreo, verschrikken. V'öleo, gezond zijn. |
supinum op tum zonder iv er bi ndingsvocaal.
Döceo, docui, doctum , docêre , onderwijzen.
Miseeo, miscui, mixtum of mistum, miscere, mengen.
Teneo, tenui, tentum, tenëre, houden.
Comp. absttneo , abstinui, abstentum, abstinëre, zich onthouden. Torreo , torrui, tostum , torrëre, roosteren*
supinum op sum.
Censeo, censui, censum, censëre, schatten.
Comp. receiiseo; recensui, Irecensum en recensltum, monsteren.
zonder
Arceo, af honden.
De comp. coërceo, beteugelen en ex-orceo, oefenen, hebben een sup. e o-e r c ï t u m en exereïtum. Areo, droog zijn.
Caleo, warm zijn.
Calleo, eelt hebben, bekwaam zijn. â ..Candeo, gloeiend of ivit zijn.
Egeo, gebreh hebben.
Comp. indïgeo, gebrek hebben. -(-Emïneo, uitsteken.
Flüreo, bloeien.
Frondeo, bladeren hebben.
Horreo, huiveren.
Langueo, kwijnen.
Lateo, verborgen zijn.
Lïqueo, licui en liqui, vloeibaar zijn. 0Madeo, nat zijn.
, Nïteo, schitteren.
supinum.
Oleo, rieken (niet te verwarren met het ongebruikel. stamwoord v. a b o 1 e o). Comp. adöleo, aansteken, redoleo oen suboleo, naar iets rieken. Palleo, bleek zijn.
Pateo, open staan.
4-Rïgeo, stijf staan.
ïEubeo, rood zijn.
Sïleo, zwijgen.
Sorbeo, slurpen. .v^c'
Sordeo, vuil zijn.
^plendeo, schitteren.
Stüdeo, zKj^eijveren. Stüpeo^^eriaasfZ zijn.
Tïnieo, vreezen.
Torpeo, verstijfd zijn.
Tümeo, gezwollen zijn.
Vïgeo, frisch zijn.
Vïreo, groen zijn.
Lijst van werkwoorden.
§ 135.
115
II. met perfectum op si(xi),supiuum op tum.
Augeo , auxi, auctum , augere, vermeerderen.
Indulgeo, iudulsi, iudultura , indulgêre , toegeven.
VLügeo, luxi, luctum, lugcre , treuren.
Torqueo , torsi, tortum , torquëre , draaien.
s u p i n u m op s u m.
Ardeo, arsi, arsum, ardëre, branden.
Haereo, haesi, haesum, haerëre, blijven Heken.
Jttbeo, jussi, jussum, jubëre, bevelen.
Müueo, mausi, mausum . niauëre, blijven.
Mulceo, mulsi, mulsum , mulcêre , streelen.
Mulgeo, mulsi, mulsum, mulgëre, melken.
RTdeo, rTsi, risum, ridëre, lachen,
⢠Suiideo, suasi, suasum, suadëre, raden.
â ^Tergeo, tersi, tersum , tergëre, afwisschen.
zonder s u p i n u m.
Algeo, alsi, algëre, koud zijn.
Frigeo, frixi, frigëre, koud zijn.
Fulgeu, fulsi, fulgëre, schitteren.
Lüceo, luxi, lucëre, lichten.
VTurgeo, tursi, turgëre, zwellen.
Urgeo, ursi, urgëre, dringen.
III. met perfectum opi, supinum op tum eu
verlenging van de stamvocaal.
Caveo, cïivi, cautum , cavëre, op zijn hoede zijn.
Fiiveo, fïïvi, fautum, favëre, begunstigen.
Föveo, f övi, fötum , fovëre , koestéren.
Möveo. mëvi, mStum , movëre, bewegen.
Vöveo, viTvi, votum, vovëre, beloven, ,
IV. met perfectum op i, supinum op sum en verlenging van do stamvocaal of reduplicatie in het perfectum.
Prandeo, prandi, pransum, prandëro, ontbijten. Vgl. § 103.
Sedeo, sëdi, sessum, sedëre, zitten.
Behalve bij circumsedeo, belegeren, en supersedeo, hel ergens bij laten berusten, wordt bij de comp. do e van het p r a e s. veranderd in i. B.v. assideo, assëdi, assessum, assidëre, zitten hij iets.
Video, vïdi, visum, vidëre, zien.
Invideo, benijden, heeft geen supinum, wel een participium i n v i s u r u s. Mordeo, momordi, morsum, mordëre, bijten.
Pendeo, pependi, pensum, pendëre, hangen.
De comp. zonder pèrf. en sup. * . S L Q
Spondeo, spopondi, sponsüm, spondëre, beloven.AvCiX 1,0 Comp. despondeo, d e s p o n d i, despousum, verloven. Evenzoo respou-deo, antwoorden.
Tondeo, totondi, tonsum, tondêre, scheren.
Comp. detondeo, d e t o n d i , detonsum, afscheren. Evenzoo attondeo, scheren.
-'-,' , â¢%/-â¢- j-^fyJy-L/^~^, \s4~us-J^ McvL%t/ j
_______ ^rv-Jui - - 0^y^Jt.ay^ ^ -^-Camp; ^ -J lt;0^*^ â ^ -vt 'y£*v\ y.iïO'. ^
'dÃbxy-sW vV\*^a11^Agt;W lt;a-vi. -JU^iJ lt;, -è^-n CfjLamp;*-rgt;JL*X 1 gt;^JO0 nf
'quot;^'lYifr''^ -^^A^^^'-aXijsi rvan wei^kwoordeh,.' § 136.
zouder supinum.
Ferveo, fervi en ferbui, fervere, heet zijn.
Paveo, pïTvi, pavëre, hang zijn '. vJUd^js^.
Strldeo, stndi, stridëre, knarsen. I
Conulveo, connrvi en connixi, corniivere, knipoogen. '
V Een bijzondere vermelding verdienen : cieo, clvi, citum,ciëreen gt;
c i o , clvi, c T t u m , c ï r e , opwekken, in beweging brengen. Als simplex
gebruikt men gewoonlijk cieo. De comp. die de beteekenis hebben van
halen, roepen, hebben de vormen der vierde conjugatie, namef^k j'
a c c i 0 , laten halen, in het part. perf. slechts accitus; con oio, bijeen
roepen, part. perf. concltus (coucïtus, opgewekt)-, excio, oproepen,
part. perf. e x c T t u s (excitus, opgewekt). gt;
V. Deponentia.
Fateor, fassus sum, fatêri, bekennen.
Comp. confiteor, confessus sum, bekennen.
Liceor, licïtus sum, licëri, bieden.
Comp. pollioeór, pollicïtus sum, heioven. .
Medeor (zonder perf. daarvoor medicatus sum), medëri, genezen. AoJp^1^6 Mereoi-, merïtus sum, merëri, verdienen. Vgl. I dezer §. Men gebruikt bij voorkeur het activum met en zonder stipendia in de beteekenis : als soldaat dienen.
Misereor, miserïtus sum, miserëri, zich ontfermen. ^
Eeor, ratus sum, rëri, meenen. Het participium praeseus ontbreekt. Vgl. amp;
§ 414. 2».
Tueor, tuitus sum, tuëri, heschermen. In plaats van tuitus sum gebruikt
men gewoonlijk tutiitus sum van tutari. . 0 -u^eU^ '
Vereor, yerïtus sum, yerëri, vreezen.oc-k
§ Verba der derde conjugatie! vL,
Tr . . pi ⢠. 1 i ywvWAjW vjiquot;* W:£
Verba, wier perfectum op 1 uitgaat met supi nu m
op t u m.
Acuo, acui, acutum, a en ere, scherpen. A c ü t us wordt slechts gebruikt '
als adjectivum in de beteekenis van scherp. - v-. ;h^v h .
Arguo, argui, argütum, arguere, beschuldigen. A r g ïl t u s wordt slechts gebruikt als adjectivum in de beteekenis van scherpzinnig. Vgl. § 127. Aanm. Q.*
Exuo, exui, exütum, exuere, uittrekken, t. ---- .j P/11
Imbuo, imbui, imbntum, imbuëre, doortrekken. Je,*
yDtCl
Induo, indui, indutum, induëre, aantreklcen. Q ' Vm ^ ':Ji a..
Luo, lui, lïïtum, luöre, wasschen. Vgl. § 127. '
Minuo, minui, minütum, minuere, verminderen. y
Nuo, nui, nntum, nuëre, knikken, slechts gebruikelijk in de comp. algt; nuo, weigeren (Vgl. g 127), annuo, toestemmen, enz.
-vJluo, rui, rütum, ruëre, naar heneden storten. Vgl. § 127.
Spuo, spui, sputum, spuere, spuwen.
Statuo; statui, statntum, statuëre, vaststellen.
Comp. constituo, constitui, constitüfum, bepalen.
Suo, sui, sutum, suere, naaien.
Tribuo, tribui, tributum, tribuëre, toedeelen.
Solvo, solvi, solntum, solvëre, losmaken.
Volvo, volvi, volütum, volvëre, iventelen.
i
Lijst van werkwoorden.
§ 136.
117
zonder supinum.
Batuo, batui, batuëre, slaan.
Gruo, grui, gruöre, slechts gebruikelijk in de comp. congruo, overeenstemmen en ingruo, oj) iets losbreken. . ,
Metuo, metui, metuere, vreezen.-ivv^
Pluo, plui en pluvi, pluëre, regenen,
Sternuo, sternui, sternuëre, niezen.
De volgende verba wijken op verschillende wijzen hieraan af.
I. Verba, wier perfectum op ui uitgaat met supinum op tum zonder verbindingsvocaal.
Aio, alui, altura, alere, voeden.
Colo, colui, cultum, colere, kweeken.
Constllo, consului, consultum, consulere, raadpleijen.
Depso, depsui, depstum, depsëre, kneden.
Occiilo, occului, occultum, occulëre, verbergen.
Rapio, rapui, raptum, rapëre, rooven.
Comp. abrïpio, abripui, abreptum, iveyslepen.
Sëro (serui, sertum) serere, samenvoegen. Het p e r f. en sup. komt alleen bij de comp. voor, als: cousëro, conserui, consertum, samenvoegen. In plaats van het part. p e r f. van desëro, verlaten, gebruikt- men destitutus en van dissëro, redeneerèn, disputatas.
Texo, texui, textum, texëre, weven.
supinum op turn en verbindingsvocaal.
Frërao, fremui, fremltum, fremëre, brullen.
Gt'ino, gemui, gemïtum, gemëre, zuchten.
Giguo (in plaats van gi-gen-o), genui, genttum, gignëre, voortbrengen. Molo, molui, molïtum, molëre, malen.
] Piuso, pinsui (ook pinsi), pinsïtum (ook pinsum, pistum) pinsëre, fijns tooien. Pöno (samengetrokken uit pö-sï-no), pösui, pösitum, ponëre, plaatsen. Ströpo, strepui, strepïtum, strepere, gedruisch maken.
Vömo, vomui, vomïtum, vomöre, braken.
zonder supinum.
Compesco, compescui, compescëre, bedwingen.
Sterto, stertui, stertëre, snorken.
Trëmo, tremui, tremëre, beven.
II. Verba, wier perfectum op T v i uitgaat met supinum op Ttum.
Arcesso, arcesslvi, arcessTtum, arcessëre, ontbieden.
Capesso, capesslvi, capessitum, capessëre, aanvatten.
Facesso, facessïvi, facessltum, facessëre, maken.
Lacesso, lacessTvi, lacèssitum, lacessëre, tergen.
Cüpio, cupTvi, cupTtum, cupëre, begeeren.
Pëto, petïvi, petTtum, petëre, ergens op los gaan. Vgl. § 114. Aanm. Quaero, quaesTvi, quaesitum, quaerëre, zoeken.
Comp. acquTro, acquisTvi, acquisitum, verkrijgen.
â Rüdo, rudlvi, ruditum, rudëre, brullen.
Tëro, trTvi, trltum (in plaats van tertvi, terltum), terëre, wrijven.
Lijst van werkwoorden.
§ lae.
118
zonder supiuum.
Incesso, incessïvi, incessere, op iemand losgaan.
Sftpio, sapii (zeldeu sapivi en sapui), sapëre, smaken, verstand hehhen.\y*~- -d-i. Comp. resïpio, naar iets smaken, iveder tot zich zeiven komen.
III. Verba, wier perfectum op vi uitgaat, terwijl tevens een consonant van het praesens wordt uitgestooten.
Lïuo, livi en levi, lïtuni, linëre, bestrijken.
De comp. zooals oblïno, o b 1 ë v i, oblïtum, besmetten, hebben in het perf. enkel 1 e y i.
Sino. sTvi, sïtnm, sïnere, toelaten.
Vgl. over desïno § 114. Aanm. en § 130. Aanm.
Sëro, sëvi, sötum, serëre, zaaien.
Comp. consero, consevi, consïtum, bezaaien.
Cerno, crüvi, cretum, cernëre, afzonderen, zien. Het perf. en s u p. komen nooit voor in de beteekenis van zien en gewoonlijk slechts in de comp. deceruo, enz.
Sperno, sprévi, spretnm, spernëre, verachten.
Stei'no, stravi, stratum, sternëre, op den (/rond spreiden.
Comp. consterno, bedekken (consterno, verschrikken, gaat regelmatig
naar de eerste conjugatie).
Vgl. over de inchoativa op sco § 146.
IV. Verba, wier perfectum op si (xi) uitgaat met supinum op tum.
Carpo, carpsi, carptum, carpëre, plukken.
Comp. concerpo, concerpsi, concerptum, verscheuren.
(Clëpo, clepsi, cleptuni, clepëre, stelen) verouderd.
Rëpo, repsi, reptum, repëre, kruipen.
Serpo, serpsi, serpturn, serpëre, kruipen.
Scalpo, scalpsi, scalptum, sealpëre, krabben.
Seulpo, sculpsi, sculptum, seulpëre, beitelen.
Grltibo, glupsi, gluptum, glubëre, schillen. , ,
Nübo, nupsi, nuptum, nubëre, trouwen (van een vrouw). OU^ -w Scrlbo, scripsi, scriptum, scribëre, schrijven.
.Cömo, compsi, comptum, comëre, opsieren.
/ Dümo, dempsi, demptum. demëre, wegnemen.
Promo, prompsi, promptum, promëre, te voorschijn brengen.
Sumo, sumpsi, sumptum, sumëre, nemen.
Temno, tempsi, temptum, temnëre, verachten. In proza gebruikt men het comp. contemno.
Dlco, dixi, dictum, dicëre, zeggen.
Dnco, duxi, ductum, ducëre, voeren.
(Litcio, laxi, lactum, lacëre) ongebruikelijk simplex van de comp. allïcio, tot zich trekken, illtcio, tot iets verlokken, pellïcio, aanlokken. Deze comp. hebben 1 e x i, 1 e c t u m. Eltcio, uitlokken, heeft elicui, elicitum. (Spëcio, spexi, spectum, specëre, zien) verouderd simplex van adspïcio, i aanzien, enz.
Cöquo, coxi, coctum, coquëre, koken.
Cingo, cinxi, cinctum, cingëre, omgorden.
Lijsl van werkwoorden.
Fllgo, tiixi, flictum, Higëre, sluun, gewoonlijk; slechts gebruikt in. Je comp. affllgo, dotn nederstorten, enz. Pro fllgo, te gronde helpen, gaat regelmatig naar de eerste conj.
. .Frlgo, frixi, frictum en frixum, frigere, roosteren.
Jungo, junxi, junctum, jungëre, verhinden.
Lingo, linxi, linctum, lingcre, likken.
Mungo, munxi, munctuni, mungëre, snuiten. Men gebruikt gewoonlijk het comp. emungo.
^Plango, planxi, planctum, plangere, slaan (tegen de borst).
Rëgo, rexi, rectum, regëre, reyelen.
Comp. arrïgo, in de hoogte richten. In plaats van perrigo, -zich ergens heen hegeven, gebruikt men pergo, perrexi, perrectum, pergëre en in plaats van sarrigo, opstaan, sur go, surrexi, surrectum, surgëre. Van dit werkwoord komen weder de comp. assurgo, consurgo, enz.
Stinguo, stinxi, stinctum, stinguöre, verouderd simplex van distinguo, 'onderscheiden, en instinguo, ophitsen, dat slechts in het part. perf. instinetus gebruikelijk is; voor de overige vormen gebruikt men i n s 11 g o , dat regelmatig naar de eerste conj. gaat. Van een auder eveneens verouderd stinguo komen de comp. exstinguo en restinguo, uifblmschen.
'Sugo, suxi, suctum, sugëre, zuigen.
-iïëgo, texi, tectum, tegëre, bedekken. . gt; ^
Tingo, tinxi, tinetum, tingëre, doopen.i^^^^ fVt-O v ^
Ungo, unxi, unctum, ungëre, zalven. '
Trftho, traxi, tractum, trahëre, trekken.
Vëho, vexi, vcctum, vehëre, voeren. Voor de vertaling van de Neder-landsche onovergankelijke werkwoorden varen, rijden, moet men v e h o r gebruiken (met c u r r u , e q u o, n a v i). Als zoodanig heeft het ook een participium praesens en een gerundium. B.v. óm o q u o v e h e n s , te paard rijdende; in transvehendo, onder het voorhijrijden.
Fingo, finxi, fictum, fingëre, vormen.
Pingo, pinxi, pictum, pingëre, schilderen.
' Stringo, strinxi, strictum, stringëre, strijken. Bij de laatste drie verba is de versterkende consonant van het praes. in het sup, uitgeworpen.
Gëro, gessi, gestum, gerëre, dragen.
Ure, ussi, ustum, uröre, branden.
Tot de comp. behooren ambïiro, rondom verbranden, en comburo, verhranden.Xrk* *v,
Struo, struxi, structum, struere, opstapelen.
Vtvo, vixi, victum, vivëre, leven.
supinumopsum(xu m).
Flao, tluxi, fluxum, fluëre, vloeien.
Claudo, clausi, clausum, claudöre, sluiten.
Comp. circumcludo, circumclüsi, circumclusum, rondom insluiten.
Divïdo, divTsi, divlsum, dividöre, verdeelen.
Laedo, laesi, laesum, laedëre, stooten.*^* w -
Comp. allldo, alllsi, alllsum, aanstooten.
Lildo, lusi. lusum, ludëre, spelen.
Plaudo, plausi, plausum, plaudëre, in de handen klappen.
§ 136.
Lijst van werkwoorden.
§ 136.
120
Comp. applaudo, toejuichen, doch explödo, explösi, explosum, uitfluiten (een tooneelspeler). Evenzoo s u p p 1 0 d o (oedibus), met de voeten stampen (ten teekeu van af keuring^flJWj, OW-
Eïldo, rüsi, rasum, radëre, schaven. \
Eüdo, rösi, rosum, rodere, knagen.
Trüdo, trüsi, trusutn, trudere, stooten.
VjkIo (vilsi, vasum), vadöre, gaan. Het p e r f. en s u p. komt slechts Toor in de comp. circuinvïïdo, bevangen, enz.
Cï?do, cessi, cessum, cedëre, ivijken.
Mitto, mTsi, missum, mittëre, zenden.
Quatio, quassi, quassura, quatëre, schudden.
De comp. gaan uit op eütio, cussi, cussum, entire, zooals concütio, schol-hen.
Mergo, mersi, mersum, mergëre, onderdompelen.
Spargo, sparsi, sparsum, spargëre, strooien.
Comp. adspergo, adspersi, adspersum, besprengen.
Tèrgo, tersi, tersum, tergëre, afwisschen. Men viudt even dikwijls t e r g e 0, tersi, tersum, tergëre. De comp. gaan naar de tweede eonj.
Fïgo, fixi, fixum, figëre, vasthechten.
Flecto, iiexi, flexum, flectëre, huigen.
|-Pecto, pexi, pexum, peetere, kammen.
Necto, nexi en nexui, uexum, nectëre, knoopen.
De comp. zooals anuecto, samenknoqpen, hebben alleen u i in het perf.
Mëto (messui), messum, metëre, maaien. In plaats van het zeldzame messui, waarbij de u ingelascht is, zegt men liever messem feci.
Prömo, pressi, pressum, prem.ëre, drukken.
Comp. comprïmo, compressi, compressum, samendrukken.
Vello, velli eu vulsi, vulsum, vellëre, uittrekken. Evenzoo de comp. avello, afrukken, en evello, uittrekken. De overige comp. hebben alleen of gewoonlijk velli.
zonder s u p i n u m.
Ango, anxi, angëre, beangstigen.
Ningo, uinxi, ningëre, sneeuwen. Gewoonlijk onpersoonlijk.
zonder perfectum.
Frendo, frësum en fressum, freudöre, knarsetanden. Men heeft ook een __f r e n d e 0 van de tweede eonj.
Plecto, plexum, pleetere, Dit verbum is als activum verouderd
en wordt slechts in samenstellingen als depone ns gebruikt. Ook moet men het niet verwarren met plecto, straffen, dat p e r f. en sup. mist en gewoonlijk slechts in het passivum gebruikt wordt. Vgl.VllI dezer §.
V. Verba, die in het perfectum de stamvocaal verlengen, met s u p i n u m op t u m.
Ago, ëgi, actum, agëre, drijven.
Comp. a b ï g 0 , abëgi, abactum, wegdrijven. C 1 r c u m a g o , omwenden, p e r a g 0 , volvoeren en s a t a g o (zonder perf. en sup.), genoeg doen, behouden de a in het praesens. Csgo (uit coago) hoeft coëgi, coac-
Lijst van werkwoorden.
§ 136.
121
Dego Qiit deago) heeft degji (zeldzaam), zc yigeu, uiA : ^jjw w)
e, nemen. u
zon-
Cav
cloOAyi
i
T'
119.
comësum
en c o m e s t u m.
wier perfectum de reduplicatie heeft, met s u p i n u m op tum.
cantum, canëre, zingen. Als part. perf. gebruikt men niet
tum, cogere, noodzaken.
der sup. degore, doorbrengen Cftpio, cëpi, captum, capëre,
Comp. a c c ï p i o , accëpi, aeceptura, aannemen. In p i o,
cëpi, ceptum en e a p t u m , vooraf nemen, blijft de a iiehoude^T^ Emo, ëmi, emptum, ëmëre, koopen.
Comp. a d ï m o , adërai, ademptum, ontnemen. Bij c oj] m o , op koopen, blijft de e iu het praesens.
FScio, fëoi, factum, facöre, doen. Bij de comp. met een praepositie gaat a van het praes. in i en a van het sup. in e ovei-. B.v. affïcio, affêci, affectum, aandoen. Bij de overige comp. blijft de a behouden. B.v. assuefacio, assuefëci, assuefactum, yewennen. Vgl. § i25. Aanm. Fügio, ftigi, fugïtum, fugëre, vluchten.
Jacio, jëci, jactum, jacöre, werpen. Bjj de comp. wordt de a. van het praes. in i en van het sup. in e veranderd. B.v. abjïcio, abjëci, abjec-tum, wegwerpen. Hiervan is uitgezonderd superjacio, jeci. jectum en jactum, overwerpen. Bij de comp. vindt men meermalen i in plaats van j i; de uitspraak ji blijft echter behouden B.v. a b i c i o. Amicio (van am en jacio. Vgl. § lfi7), amixi en araicui, amictum, amiclre, helieeden, gaat naar de 4de conjugatie.
Lëgo, lëgi, lectum, legere, lezen. De e blijft in de comp. allëgo. hij kiezen, i n t e 11 ë g o , hegrijpen, n e g 1 ë g o (uit nee en lego), verwuar-loozen, p e r 1 e g o, doorlezen, praelëgo, voorlezen, r e 1 ë g o, herlezen. Bij de overige comp. gaat zij in het praes. in i over, als: c o 11 ï g o, collëgi, collectura, colligöre, verzamelen. Alle comp. hebben het perf. gelijk het simplex, doch d i 1 ï g o , beminnen, intellëgo en n e g 1 ë g o hebben e x i, namelijk: dilexi, intellexi, neglexi.
Bij de volgende verba wordt in hetperf. ensup. de versterkende consonant van het praes. uitgeworpen.
quot;F rango, fregi, fractum, frangëre, breken.
Comp. confriugo, confrëgi, confractum, verbreken.
Linquo, llqui, lictnm, linquëre. laten, komt meest in comp. voor, als relinquo, verlaten.
Pango, pauxi of pëgi, panctum of pactum, pangëre, vastmaken. In de beteekenis vaststellen bij verdrag is het perf. p e p ï g i en hot sup. pactum; voor het praes. gebruikt men dan liever p a c i s c o r. üe
comp. compingo, samenvoegen, impingo, aanhechten, hebben pëgi, pactum. Vinco, vlei, victnm, vineëre, overwinnen. Eumpo, rnpi, ruptum, rumpere, breken.
s u p i n u m op sum.
Fundo, füdi, füsum, fundëre, gieten.
Edo, ëdi, ësum, ëdëre, eten. Vgl.
Het comp. comëdo heeft het sup Fodio, fodi, fossum, fodëre, graven.
zonder s u p i n u m. Scabo, scïïbi, scabëre, krabben.
VI. Verba
tegen iets aanslaan, oppingo.
Crtno, A
Lijst van werkwoorden.
§ 136.
122
cantus, maar (carminibus) celebriitus, dietus, euz. De comp. zooals coucino, overeenstemmen, hebben c i n u i, centum.
Pilrio, pepëri, partum, parerc, haren. Vgl. § 127.
Do comp. gaan naar de Tierde conjugatie. Men lette wel op hun perfectum.
Comperio, compëri, eompertum, comperire, bevinden. Dit verbum wordt
in het p r a e s. ook als deponens gebruikt.
Repërio, repëri en reppori, repertum, reperlre, vinden.
Apërio, aporui, apertum, aperire, ojienen.
Opërio, operui, opertum, operire, bedekken.
Het part. fut. dezer verba wordt regelmatig gevormd. B.v. comperturus.
Tendo, tetendi, tentum en tensum, tendëre, spannen.
De comp. die evenals het simplex t u m en s u m hebben, zijn exteudo, â uitbreiden, proteudo, voor zich heen houden, en retendo, ontspannen. Enkel sum hebben detendo, afspannen, en ostendo, feowm; de overigen hebben enkel t u m. Alle comp. missen de reduplicatie. B.v, attendo, attendi, attentum, acht geven.
ïango, tetïgi, tactura, tangëre, raken.
Do comp. als attingo, attïgi, attactum, aanraken, missen de reduplicatie, Pungo, pupügi, punctum, pungëre, steken.
De comp. hebben puiixi. B.v. compungo, com pun xi, steken.
s u p i n u m op sum.
Citdo, cecidi, cïtsum, cadere, vallen.
De comp. missen de reduplicatie. B.v. occido, occtdi, occïisum, ondergaan, sneuvelen. Verder komt het sup. slechts voor van ineïdo, in iets vallen, en reeïdo, terugvallen.
Caedo, cecidi, caesum, caedëre, nedervellen.
De comp. missen de reduplicatie en hebben in het sup. c I s u m. B.v. occido, occidi, o c c I s u m , dooden. Men lette wel op de verschillende quantiteit der i bij cado en caedo met hunne composita.
Cello (slechts in samenstellingen gebruikelijk en wel zonder reduplicatie).
Percello, perculi, perculsum, percellëre, onderwerpen.
â De overige comp. missen het p e r f. en sup.
Curro, cucurri, cursum, currëre, loopen.
In de comp. wordt de reduplicatie somtijds behouden, als: accucurri, maar meestal valt zij weg, als: accurri.
Fallo, fefelli, falsum, fallöre, bedriegen. E^lsus is adjectivum; als participium gebruikt men d e c e p t u s. Het eeuige comp. refello, wederleggen, heeft refelü en mist het sup.
Pello, pepüli, pulsum, pellöre, verdrijven.
De comp. missen de reduplicatie, als: appello, appüli, appulsum, landen.
Pendo, pepeiuli, pensum, pondëre, wegen.
De comp. missen de reduplicatie, als: appendo, appendi, appensum,
toewegen.
Parco, peperci (zelden parsi), parsum, pareëre, sparen. In het perf. pass.
zegt men temperatum est in plaats van parsum est.
ïundo, tutttdi, tüsum en tunsum, tundere, stooten.
Do camp. missen de reduplicatie en hebben, zoo men obtundo uitzondert, slechts t u s u m , als: contundo, contüdi, contüsuni, plat slaan.
§ 136. Lijst van werkwoorden. 123
Fendo (slechts in samenstellingen gebruikelijk en wel zonder reduplicatie). Defendo, defendi, defensum, defendëre, verdedijen.
met reduplicatie der laatste syllabe.
Sisto, stïti (in plaats van sisttti), statuin, sistëre, 'plaatsen.
De comp. hebben stïti, stïtum, als: obsisto, obstïti, obstïtura,
zich verzetten. Ciroum sisto, omringen, heeft het perf. circumstëti.
zonder s u p i n u m.
Disco, didïci, discöre, leeren. bib (Ai tvvw^oWi^t
Posco, poposci, poscëre, vorderen.
VIL Verba, waarvan de reduplicatie zeker of vermoedelijk weggevallen is, met
s u p i n u m op t u m.
Bïbo, bïbi, (bibïtum), bibere, drinken. In plaats van het eerst later voorkomende bibïtuin met de daarvan afgeleide vormen gebruikt men p o-t u m of h a u s t u m.
Ico, lei, ictum, Tcëre, treffen. Vau het praesens komen slechts voor de vormen icit, icimus, icitur, icimur. Algemeen gebruikelijk zijn ici, ictus,
icere. Voor de overige vormen gebruikt men f e r i o.
Lambo, lambi, lambïtum, lambëre, lekken.
supinum op sum.
Findo, ftdi, fissum, Andere, splijten.
Scindo, scïdi, scissum, scindëre, scheuren.
Cando (slechts in samenstellingen gebruikelijk).
Accendo, accendi, accensum, accendëre, aansteken.
Cüdo, cüdi, cüsum, oudere, slaan.
TSlando, mandi, mansum, mandëre, kauwen.
Pando, pandi, passum (soms pansum), pandëre, uit elkander spreiden.
Prehendo, prehendi, prehensum, prehendëre, ⢠aanvatten. Men vindt ook een samengetrokken vorm prendo, prendi, prensum, prendëre.
Scando, seandi, scansuru, scandëre, heklimtnen.
Comp. adscendo, adscendi, adscensum, beklimmen.
Verro, verri, versum, verrëre, vegen.
Verto, verti, versum, vertëre, wenden. Dit verbum wordt ook als d e-p on ens gebruikt in de comp. devertor, zich afwenden, praevertor, vooruitkomen, en reverter, terugkeer en. Do beste schrijvers gebruiken echter in het p e r f. en de daarvan afgeleide tijden slechts den a c-tieren vorm.
Sldo, sëdi (soms sldi), sessum, sidëre, zich nederzetten.
zonder supinum.
Stride, strïdi, stridëre, knarsen (meestal stridöre. Vgl. § 135. IV).
Vtso, vïsi, visëre, bezoeken (sup. visum van video).
Psallo, psalli, psallëre, op de citer spelen.
VIII. Depone ntia.
Fruor, fruïtus en fructus sum, frui, genieten. Vgl. § 127. Aanm. In het perfectum gebruikt men liever usus sum.o ^IvwvaJv/V Ci/i/vvO ^.
Fungor, functus sum, fungi, verrichten, * 0
Lijst van werkwoorden.
§ 137.
124
Grtldior, gressus sum, gradi, gaan.
Comp. aggredior, aggressus sum, aggredi, naar iemand gaan.
Litbor, lapsus sum, labi, vallen.
Loquor, locutus sum, loqui, spreken.
Morior, mortuus süm, mori, sterven. Vgl. § 127.
Nltor, nisus en nixus sum, uiti, steunen.
Potior, passus sum, pati, lijden.
Comp. perpetior, perpessus sum, perpëti, verduren.
Plector (slechts in sameustellingen gebruikelijk).
Amplector, amplexus sum, ampleeti, omvatten.
Men verwarre boveustaaud jdector uiot met het passivum van pleeto, straffen. Vgl. IV dezer §.
Queror, questus sum, queri, hiagen.
Sequor, secütus sum, sequi, volgen. .
Utor, usus sum, üti, gebruiken. o-v
Apiscor, aptus sum, apisei, verkrijgen (verouderd).
Comp. adipiscor, adeptus sum, verkrijgen.
Defetiscor, defessus sum, defetisci, moede worden.
Expergiscor, experrectus sum, expergisci, ontwaken,
Irascor, irasci, zich vertoornen. Als p o r f. kau meu s u c e e n s u i gebruiken. I r a t u s is adjectivum.
Miniscor (slechts iu samenstellingen gebruikelijk).
Comminiscor, commentus sum, comminisci, bedenken. Als p e r f. vaiT reminiseor, zich herinneren, gebruikt men recordatus sum. Nanciscor, nactus of nanctus sum, nancisci, bekomen.
iNaseor, natus sum, uasci, ontstaan. Vgl. § 127.
Obliviscor, oblïtus sum, oblivisci, vergeten. Men verwarre het part. o b 11-
_ t u s niet met oblïtus van oblïno. Vgl. Ill dezer §.
Paciscor, pactus sum, pacisci, een verdrag sluiten.
Pascor, pastus sum, pasci, weiden.
Proficiscor, profectus sum, proficisci, vertrekken.
Ulciscor, ultus sum, ulcisci, zich wreken.
Vescor, vesci, eten. Als p e r f. gebruikt men pastus sum of edi. § 137. Verba der vierde conjugatie.
Het perfectum en supinum der verba van deze conjugatie gaat gewoonlijk uit op I v i, 11 u m. B.v. audio, a u d T v i, audltum, audire. Hiervan wijken af
I. de verba, wier perfectum op si (xi) uitgaat, met supinum op t u m.
Farcio, farci, fartum en farctum, farclre, vol stoppen.
Comp. confercio, conferci, confertum, vol stoppen. Soms blijft de a in de composita behouden.
Pulcio, fulsi, fultum, fulcïre, ondersteunen.
Haurio, hausi7 haustum, haurTre, putten. Vgl. § 127. Aanm.
Saopio, saepsi, saeptum, saepTre, omheinen.
Saucio, sanxi, sanctum eu sancTtum, sancire , verordenen.
Sarcio, sarsi, sartum, sarclre, verstellen.
Vincio, vinxi, vinctum, vinclre, hinden.
tj
§ 131. Lijst van werkwoorden. 125
supinum op sum.
Sentio, sensi, sensum, seutlre, c/evoelen.
Het comp. assentio. toestemmen, wordt liever als deponens gebruikt met perf. assensus sum.
II. Verbum met perfectum op ui.
Salio, salui (zelden salii), saitum, salire, springen.
Comp. asstlio, assilui (zelden ii). a s s u 11 u m , naar iets toespringen.
III. Verbum met verlengde stamvocaal in hot perfectu m.
Venio, voni, ventum, venire, komen.
IV. Verbum met onregelmatig supinum.
Sepëlio, sepeltvi, sepultura, sepellre, begraven.
V. Depone ntia.
Experior, expertus sum, experTri, beproeven.
Opperior, oppertus (ook opperTtus) sum, opperiri, afwachten.
Metior, mensus sum, metlri. Dieten.
Ordior, orsus sum, ordiri, beginnen.
Orior, ortus sum, oriri, ontstaan. Vgl. § 127. Aanm. en ij 117. f.
Potior, potTtus sum, potlri, bemachtigen. Bij dichters komen de vormen voor: potïtur, potïmur, potërer.
§ 138. Sommige verba hebben bij verschil van beteekenis onder een of ander opzicht overeenkomst van vorm.
1. Do volgende verba zijn gelijk iu het praesens, maar gaan naar een verschillende conjugatie.
Aggëro (are) ophoopen; (ere) aandragen.
Appello (are) noemen; (ëre) landen.
Collïgo (are) samenbinden; (ëre) verzamelen.
VCompello (are) aanspreken; (ëre) bijeendrijv'en.
-v Consterno (ïtre) verschrikken; (ëre) bedekken.
Eft'ëro (are) wild malven; (erre) uitdragen.
Fundo (are) gronden; (ëre) gieten.
Mando (are) opdragen; (ëre) kauwen.
Obsëro (are) sluiten; (ëre) zaaien.
Pando (are) krommen; (ëre) uitbreiden.
Resëro (are) openen; (ëre) tveder zaaien.
Völo (are) vliegen; (veile) willen.
2. De volgende verba hebben een gelijken vorm in hot praesens, maar een verschillende quantiteit en gaan naar een verschillende conjugatie.
Colo (are) doorzijgen; cölo (ëre) kweeken.
Dïco (are) toewijden; dlco (ëre) zeggen.
Edüco (are) opvoeden; edüco (ëre) uitvoeren.
Indïco (are) aanwijzen; indico (ëre) aankondigen.
Praedïco (are) bekend maken; praedico (ëre) voorzeggen.
Allëgo (are) ergens heen zenden ; allëgo (ëre) verkiezen.
Kelëgo (are) verbannen; relëgo (ëre) herlezen.
3. De volgende verba hebben gelijke perfecta eu supina.
Cerno, afzonderen; cresco, groeien (crevi, cretum).
Mulceo, streelen; mulgeo, melken (mulsi, mulsum).
Afleiding der suhstantiva. § 139â140.
Pendeo, hangen; peudo, wegen (pependi, peusum).
Sëdeo, zitten; sTdo, zich nederzetten (sedi, sessuni).
4. De volgende verba hebben gelijke perfecta.
Frigeo, koud zijn; frigo, roosteren (frixi).
Fulgeo, schitteren; fulcio, ondersteunen (fulsi).
Luceo, lichten; lugeo, treuren (luxi).
Liqueo, vloeibaar zijn; linquo, laten (liqui).
Paveo, hany zijn; pasco, weiden (pavi).
5. De volgende verba hebben gelijke supina.
Frïco, wrijven; frigo, roosteren (frictum).
Manco, Mij ven; mando, kauwen (mansum).
Pando, uit elkander spreiden; patior, lijden (passum).
Pango, vastmaken; paciscor, een verdrag sluiten (pactum).
Succenseo, toornig zijn; succendo, in brand steken (sucoeusum).
B venzoo acceuseo en accemlo.
ïeneo, houden; tendo, spannen (tentum).
Verro, vegen; verto, wenden (versum).
Vivo, leven; vinco, ovenvinnen (victum).
6. De volgende verba hebben een of meer vormen, waarvan alleen de quantiteit verschillend is.
arïïre ploegen en ïCrëre, droog zijn (itret en ïtret).
Canëre, grijs'ot.wit zijn en canëre, zingen (cïlnet en cituet).
ëdere, eten en edere, voortbrengen.
Jacëre, liggen en jacërè, 'werpen.
Manure, vloeien eu manëre, blijven (manet eti mïtnet).
Parïcrej pïirëre, p.trëre (pftret en paret; ^nen verklare hieruit ook het
verschil van parens en parens).
Sëferre, terugbrengen en rëferre van rëfert.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE AFLEIDING EN SAMENSTELLING DER WOORDEN.
§ 139. Algemeene bemerkingen. Het hoofdbestanddeel van een woord of de wortel wordt zelden in denzelfden vorm als woord gebruikt. B.v. sol. Meestal ondergaat de wortel een zekere verandering, waardoor hij een woord wordt. Het woord, dat door de geringste verandering uit den wortel ontstaan is, heet wortelwoord. Zoo is rego het wortelwoord van den wortel r e g.
Een woord, waarvan andere woorden afgeleid worden, heet stamwoord. Zoo is rego het stamwoord van r e g ï m e n , f a c i o van f a c ï 1 i s eu f a c i 1 i s weder van facilïtas.
De afgeleide woorden worden denominatlva genoemd, wanneer zij van een nomen en verbalia, wanneer zij van een verbum zijn afgeleid. Zoo is f 1 o r e o een verbum denominativum van Hos, a m o r een substantivum verbale van amo, docïlis een adjectivum verbale van doceo.
Over de afleiding der substantiva.
§ 140. De voornaamste substantiva verbalia hebben de volgende uitgangen:
1. o r , gehecht aan den sta m van het praesens, drukt de handeling of den toestand van het verbum uit. B.v. clamor, geschreeuw; favor, gunst; furor, razernij; amor, liefde; terror, schrik.
126
Afleiding der substantiva.
§ 140.
127
Zoo u m van het s u p i n u m veranderd wordt in or, duidt het afgeleide substantivum den handelenden persoon aan. B.v. amator, minnaar; doctor, leeraar; victor, 'overwinnaar; auditor, toehoorder. De substantiva op t o r vormen feminina op tri x. Vgl. § 40. Die op s o r hebben geen feminina, behalve tonsor, scheerder, tonstrix, defensor, verdediger, defenstrix, expulsor, verdrijver, expultrix.
Aanmerking. Enkele persoonsnamen op tor zijn denominativa. B.v. janttor (janua), deurwachter; viiïtor (via), reiziger.
2. i o of u s , gen. u s , (soms ti r a en ë 1 a), achter den stam van het s u p i n u m gevoegd, stelt de handeling of den toestand van hot verbum als een afgetrokken d e n k b e e 1 d voor. B.v. concursio en eoncursus, het sairienloopen, de samenkomst; potio en potus, het drinken; visio en visus, het zien, het gezicht; tractatio en tracUltus, de helwndeling; pictüra, het schilderen, de schildering; sepultura, de begrafenis; corruptie 'én corrüpteTa, de verleiding. Soms geeft het spraakgebruik aan den eenen of anderen uitgang een bepaalde beteekenis. B.v. auditie, het hoo-ren, audTtus, het gehoor (het vermogen om te hooren); merciitus, markt, mercatïïra, handel; statio, verblijf, status, toestand, stattlra, lichaamsgestalte.
Aanmerking I. Soms beteekenen de substantiva verbalia op io h e t d o o r de handeling v o o r t g e b r a c h t e. B.v. narratio, het verhaal als handeling en als zaak; oratio, het spreken en de redeneering.
het middel, waardoor de handeling geschiedt. B.v. ratio (van reor, rekenen, ergens voor houden), het verstand (het middel der berekening), de plaats der handeling. B.v. cenatio, eetkamer.
Aanmerki ng II. Bij sommige substantiva wordt i o aan den stam van het praesens gevoegd. B.v. oblivio {oh\\\\scov), vergetelheid. Wa.n-neer er zoowel van het praesens als van het supinum een substantivum op io gevormd is, drukt het eerste gewoonlijk den toestand en het tweede de handeling van het verbum uit. B.v. opinio, de meening (als iets duurzaams), opinatio, de vermoeding (als iets voorbijgaands); obsidio, de belegering (als blijvende toestand), obsessie, de belegering (als voorbijgaande handeling).
Aanmerking III. Men heeft ook eenige denominativa op io, welke een persoon aanduiden met don naam van zijn beroep. B.v. libellio, boekhandelaar; ludio, tooneelspeler; restio, touwslager.
3. men duidt de zaak aan, welke iets d o e t. B.v. Humen, de stroom (de zaak, die stroomt); lumen (uit lucmen), het licht; agmen, het leger op marsch. Zoo ook in het passivum: volumen (van volvo), de rol; acumen, de spits; examen (uit exagmeu), de zwerm b.v. van bijen (hetgeen uitgedreven wordt). Somtijds geeft deze uitgang het middel te kennen, waardoor iets geschiedt. B.v. solamen, troostmiddel; nomen (van no-sco), naam (het middel, waardoor men gekend wordt).
4. m e n t u m duidt een middel of werktuig aan. B.v. instru-mentum, werktuig; documentum (van doceo met de verbindingsvocaal u) bewijs; alimentum (van aio met de verbindingsvocaal i) voedsel; condi-mentum, kruiderij.
Meermalen bestaan de uitgangen men en m e u t u m naast elkander. B.v. tegümen en tegumeutum, deksel; medicïtmen en medicamentum, geneesmiddel.
Er zijn ook eenige denominativa op raentum. B.v. atramentum,
Afleiding der substantiva.
§ 141.
128
zwartsel, inkt (vau ater, zwart)) capillamentum, pruik (vau capillus, hoofdhaar); ferramentum, ijzeren gereedschap.
5. b ü 1 ii m eu c ü 1 u m duiden een werktuig, een goreedsehap of de plaats der handeling aan. B.v. venabülum,vohicülum, voertuig; pocülum (van stam po, waarvan ook potus, potare komt), drinkbeker; stabülum, stal; cubicülum, kamer.
Aanmerking I. Als de stam van het verbum uitgaat op c of g, wordt er ü 1 u ra aangehecht. B.v. vinculum, hand; eingulum, gordel.
Wanneer er een 1 in den stam is, gebruikt men crura in plaats van cülumenbrum in plaats van b ü 1 u in. B.v. fulcrum, schraag, vau fulcio, stutten; lavaerum, had, van lavo, wasschen; ventilabrum, wan, van ventilo, heen en weer bewegen.
Aanmerking II. Sommige woorden met dezen uitgang ziju denominativa. B.v. acetabulum, azijnvat; candelabrum, kandelaar; turibülum, wierookvat.
6. i u ra geeft de werking van het verbum of do plaats der handeling te kennen. B.v. gaudium, vreugde; odiura, haat; colloquium, gesprek; conjugiura (van coii-jungo, stam jug) en connubium, huwelijk; aediticiuin, gebouw; perfugium, toevlurhtsoord. Men heeft ook denominativa op i u m, die, zoo deze uitgang gehecht is aan deu stam van persoonsnamen, een betrekking of vereeniging te kennen geven. In sommige gevallen loopt de beteekeuis van het verbale en deno-minativum ineen. B.v. convivium, gastmaal (vereeniging van convlvae); collegium, genootschap (vereeniging van ambtgenooten); sacerdotiura,^jms-terschap (het ambt van priester). Zoo ium gevoegd wordt achter persoonsnamen op tor, geeft het afgeleide substantivum de p 1 a a t s der handeling te kennen. B.v. auditorium, gehoorzaal; dormitorium, slaapzaal.
7. I g o drukt vooral een ziekelijken toestand uit. B.v. impetigo, huidziekte; prurigo, jeukte; vertigo, duizeling.
8. T d o geeft een hartstochtelijken toestand te kennen. B.v. cupido, begeerte; fornudo, vrees; libido, wellust.
§ 141. De voornaamste uitgangen dor substantiva denominativa, welke van substantiva zijn afgeleid, zijn;
1. il lus, 81 us, ollus, illus, leus. Deze uitgangen dienen ora de verkleinwoorden te vormen. De derainutiva hebben gewoonlijk hot geslacht der stamwoorden en gaan voor het mannelijk uit op us, voor het vrouwelijk op a, voor het onzijdig op u ra. B.v. hortülus, tuintje; raaterciila, moedertje; oppidülum, stadje.
u 1 u s wordt aan den stara gehecht van substantiva der lste of 2d'-â en soms ook der 3dc declinatie en wel altijd als de stam op c of g eindigt. B.v. lunüla, maantje; puerulus, jongsleen; adolescentulus, aankomend jongeling; regülus, koninkje; facüla, fakkeltje. Wanneer de stara op een vocaal eindigt, gebruikt raen ölus in plaats van ü I u s. B.v. filiölas, zoontje; ingeniölum, een klein verstandje.
c ü 1 u s wordt gevoegd bij substantiva der 3'Je, en 5Ã0 declinatie. Hierbij valt op te raerkon:
a) cuius wordt ouniiddellijk aan den nominativus gehecht van de substantiva der 3'le declinatie, die uitgaan op 1, r en op s, wanneer deze in den genetivus in r overgaat. B.v. animalcülura, fratercülus, floscülus. Uitgezonderd zijn venter, ventricttlus; linter, lintricülus; rumor, r umuscülus; arbor, arbuscüla-
Alleidiny der subslantiva.
§ 141.
129
b) De substantiva der 3d0 declinatie op o (gen. o n i s of i n i s) veranderen o in u n e li 1 u s. B. v. homo, homunculus; oratio, o r a t i u n c u 1 a. Ook heeft men nog op unoülus: avunculus (avus), domuncula (domus), furunculus (fur), ranunculus (met veranderd geslacht van rana).
c) De substantiva op is en es (gen. is en ei) veranderen s in cuius. B.v. ignicülus, nubecula, diecula.
d) Ãij de overige substantiva wordt ciilus met de verbindingsvocaal i aan den stam gehecht. B.v. reticulum, particüla, ossiculum, articülus. Vas (vasis) heeft v a s c u 1 u ra; auguis a n g ui 11 a ; codex codicillus; lapis 1 a p i 11 u s.
e 11 u s komt voor bij substantiva der lstc en 2(le declinatie, wier stam uitgaat op ul, met voorafgaanden consonant, en n. B.v. tabella (tabula); f a b e 11 a (fabüla); ocellus (ocülus); popellus (popülus); sacellum (sacrum); c u 11 o 11 u s (cultor); a s e 1 1 u s (asïnus); a g n e 11 u s (agnus). Ook heeft men o p e 11 a van opera, p u e 11 u s van puer, p o r-c e 1 1 u s van poreus en c i s t e 11 a van cista.
illus vindt rneu slechts als uitgang van enkele deminutiva. B.v. bacil 1 u m van bacülum, s i g i 11 u m van signum, v e x i 1 1 u m van velum.
1 ë u s komt slechts voor in a c u 1 ö u s van acus, equulëus of e c u-1 ë u s van equus, hinnulëus van hinnus en n u c 1 ë u s vau nux.
Aanmerking. De deminutiva hebben meermalen een bijbeteekenis, waardoor teederheid, medelijden, verachting of spot wordt uitgedrukt.
B.v. a m i c u 1 u s , de dierbare vriend; muiier cula, de zwakke vrouw, lacri inula, de krokodillentraan; nummuli, het ellendige (jeld; p u e r u 1 u s , een fatterir/ kereltje.
2. a r i u m geeft een bewaarplaats te kennen. B.v. granarium, graanzolder; armamentarium, tuighuis; columbarium, duiventil; tabula-rium, kantoor; seminarium, kweekschool.
3. ëtum, aan den stam gehecht van namen van gewassen, duidt de plaats aan, waar zij in menigte groeien. B.v. quercetum, eikenwoud; vinütum, wijnberg; olivëtum, olijfbosch. Met een kleine afwijking zijn gevormd salictum (voor salicetum), wilgenbosch;' arbustum (voor arboretum), een met boo men bezette plaats; virgultum (voor virguletum), plantage; carectum (voor caricetum), een met biezen begroeide plaats. Van saxum, rotssteen, komt saxëtum, een rotsachtige plaats.
4. ile bij den naam van dieren gevoegd, duidt den stal aan. B.v. equile, paardenstal; ovile, schaapskooi; bublle (in plaats van bovlle), ossenstal. Enkele verbalia op lie geven de plaats der handeling aan. B.v. cubrle, legerstede; sedile, zitplaats.
5. iï t u s , gen. us, bij den naam van personen gevoegd, geeft een ambt te kennen. B.v. consulatus, het ambt van consul; pontificatus, het ambt van pontifex.
6. I n a , bij den naam van personen gevoegd, geeft een b e d r ij f of een werkplaats te kennen. B.v. medicTna, geneeskunde; sutrlna, schoenmakerswinkel; tonstrina, barbierswinkel. In gallina van gallus en r e g I n a vau rex duidt de uitgang ina het vrouwelijk geslacht aan.
7. De gewone uitgang der mannelijke patronymica (Vgl. § 9) is ïdes, gen. a e. B.v. P r i a m ï d e s van Priamus, Cecropïdes van Cecrops. Men gebruikt echter Tdes bij namen op eus en cles. B.v. Atrldes van Atreus, Her a elides van Heracles. De namen op a s der lstc declinatie hebben a des on die op i u s der 2tl0 declinatie i it d e s. B.v.
9
Afleiding der adjectiva.
§ 142â144
130
Aeueades vau Aenêas, ThestiSdes van Thestius. Ook nameu met andere uitgangen hebben soms iudes.
De vrouwelijke patronymica hebben de volgende uitgangen: is overeenkomende mot ï dos. B.v. T a u t a li s van Tantalus; ë i s overeenkomende met I d e s. B.v. Nquot; e r ë i s van Jfereus; t a s overeenkomende met i 3 d e s. B.v. T host i as van Thestius. Van Aenëas komt Aenëis.
§ 142. De voornaamste uitgangen der substantiva denominativa, welke van adjectiva zij n afgeleid, zijn : tas, t ü d o , ia, i t i a, ë d o en ra o u i a. Deze denominativa drukken de eigenschap van het adjec-tivum uit iu den vorm van een substantivum en worden in het Neder-landsch meestal vertaald door zelfstandige naamwoorden op held. B.v. libertas, vrijheid; fortitude, dapperheid; miseria, ellende; avaritia, gieriy-heid; gravëdo, loomheid; castimonia, kuischheid.
Over de afleiding der adjectiva.
§ 143. De voornaamste uitgangen der adjectiva verbalia zijn:
1. b u u d ii s. Do adjectiva met dezen uitgang hebben meestal de v e r-sterkte beteekeuis van het participium praesens. B.v. haesi-tabundus, vol zwarigheid; deliberabundus, onatiij ovenvejjend; mirabundus, in gestadige bewondering; lacrimabundus, hevig weenend. In enkele gevallen vindt men deze adjectiva met den casus van hun verbum. B.v. Vitabundus c a s t r a.
Van gelijke beteekeuis zijn sommige adjectiva verbalia op c u n d u s. B.v. facundus (van fari), bespraakt; iracundus, driftig.
2. ï d u s heeft de beteekeuis van hot participium praesens als blijvende eigenschap. B.v. ealïdus, warm; madidus, nat; timïdus, vreesachtig.
Gelijke beteekeuis heeft de uitgang u u s. B.v. assiduus, bestendig (die steeds bij of aan iets zit); congruus, voegzaam. Zoo deze uitgang aan den stam van verba transitiva gehecht is, heeft hij een passieve beteekeuis. B.v. eonspicuus, zichtbaar (wat gezien wordt); individuus, ondeelbaar; irriguus, bevochtigd.
3. ï 1 i s en b ï 1 i s drukken gewoonlijk in passieven zin de m o g e-1 ij k h e i d van iets uit. B.v. fragïlis, breekbaar; credibtlis, geloofbaar, geloofwaardig; flexibïlis, buigzaam; mobïlis (voor movibilis), bewegelijk. Sommige dezer adjectiva hebben een a c t i e v o n zin, zooals horribïlis, schrikkelijk (hetgeen doet schrikken), andere hebben nu eens een a c-t i e v o , dan weder een passie v e beteekeuis, zooals flebïlis, beweew.'ns-waardig en weenende.
Er zijn ook eenige denominativa op atïlis, die aanduiden, waartoe iets bestemd is. B.v. aquatïlis, voor het water bestemd (om daarin te leven).
4. a x geeft een sterke, meestal verkeerde neiging te kennen. B.v. pugnax, strijdlustig; loquax, praatziek; rapax, roofgierig.
Van gelijke beteekeuis is de uitgang ü 1 u s. B.v. credülus, lichtgeloovig; garrülus, babbelachtig.
§ 144. De voornaamste uitgangen der adjectiva denominativa, welke van substantiva zijn afgeleid, zijn
A. van nomina appellativa;
1. ëus beteokent de stof, waarvan iets gemaakt is, soms ook een gelijkheid. B.v. ferrous, ijzeren; aureus, gouden; ligneus, houten;
A/leiding der adjectiva.
§ 144.
131
virgineus, maagdelijk. Sommige dezer adjectiva, vooral die een houtsoort aauduiden, gaan uit op nous en n u s. B.v. querueus en quernus (waarbij cl uitgevallen is) eiken; eburneus en eburnus, ivoren.
2. aceus en iceus wijzen de stof of den oorsprong aan. B.v. chartacens, papieren; membranaeeus, perkamentm; patricius, adellijk (van de oude Romeinsche senatoren afstammend). Sommige dezer adjectiva zijn van participia afgeleid. B.v. collaticeus, door bijdragen ontstaan; subditicius, ondergeschoven.
3. iceus (soms met tusschengevoegde t) drukt uit, waartoe iets b e-hoort of waarop iets b e t r e k k i n g heeft. B.v. classicus, hetgeen op de vloot betrekking heeft; domiiïïcus, aan den heer behoorende; domestïcus, het huis betreffende.
De adjectiva op I c u s , welke van verba en praeposities zijn afgeleid, hebben een lange i. B.v. amicus, pudicus, antlcus, de voorste.
4. llis, gevoegd bij algemeene benamingen van personen duidt aan, dat iets de kenmerken draagt van den aard dier peisonen. B.v. anilis, oudwijfachtig; servTlis, slaafsch; virllis, mannelijk. Deze uitgang is, wat beteekenis en quantiteit betreft, niet te verwarren met den uitgang ï 1 i s der adjectiva v e r b a li a. Vgl. g 143. 3. Onder de d e n o-minativa hebben een korte i; humïlis, nederig, en parilis, gelijkvormig.
5. a li s geeft te kennen, waarmede iets in betrekking staat, alsmede dat zich in zekeren persoon of zaak de eigenschappen vertoo-uen van het stamwoord. B.v. corporalis, lichamelijk; regïïlis, koninklijk; mortiïlis, sterfelijk. Wanneer er in het stamwoord een 1 is, gebruikt men meest altijd deu uitgang a: r i s. B.v. militaris, den krijg betreffende.
6. i u s, gehecht aan persoonsnamen op or, duidt aan, wat hun toebehoort of wat in overeenstemming is met hunne geaardheid. B.v. amatorius, verliefd; nugatorius, beuzelachtig; accusatorius, zooals iets van een aanklager pleegt te zijn. Men zegt ook patrius, vaderlijk; regius, koninklijk.
7. I n u s , gevoegd bij den naam van levende wezens en voornamelijk van dieren, duidt een toebehoor en of herkomst aan. B.v. divinus, goddelijk; mascullnus, mannelijk; asiuTnus, van een ezel; equlnus, van een paard. Vooral dienen deze adjectiva om met of zonder c a r o het vleesch der dieren aan te duiden. B.v. vitullna, kalfsvleesch. Van bos, ovis, en sus krijgt men in deze beteekenis bubulus, ovillus, suillus.
ïnus wordt vooral gebruikt bij afleidingen van gewassen en delfstoffen om de stof aan te duiden. B.v. cedrïnus, van een ceder; fa-gïnus, beukenhouten; adamanfinus, diamanten.
t ï n u s komt vooral voor bij afgeleide tijdsbepalingen. B.v. crastï-nus, van morgen; diutïnus, langdurig; hornotïuus, van dit jaar; anno-tïnus, van het vorige jaar. In matutmus, in den morgen geschiedend, repeutïnus, plotseling, en vespertinus, tot den avond behoorend, is de i lang.
â 5^8. a r i u s duidt aan waartoe iets behoort. B.v. legionarius, tot een legioen behoorend. Vooral gebruikt men de adjectiva van dezen uitgang met of zonder homo of f a b e r om iemand bij den naam van zijn beroep aan te duiden. B.v. argentarius, bankier; coriarius, leerlooier; car-bonarius, kolenbrander. Vau de distri butiva worden adjectiva op a r i u s gevormd, die aaugeven uit hoeveel eenheden of g e 1 ij k e d e e 1 e n een zaak bestaat. B.v. versus senarius, een zesvoetig vers; cohors
Afleiding der adjectiva.
132
144.
quingenaria, een cohors van vijfhonderd soldaten; senex octogenarius, een grijsaard van tachtig jaren, lu plaats vau singularius zegt men s i u g u-1 ïï r i s eu iu plaats van milleuarius m i 1 li a r i u s. Voor de tusschen-getallen voegt men een enkelvoudig distributivum vóór het adjectivum op arius. B.v. lex qui na vicenaria, de wet op de meerderjarigheid.
9. ïï n u s , vooral bij namen van plaatsen gevoegd, geeft een zekere gelijkheid of een toebehooren te kennen. B.v. montanus, wat met de hergen in betrekking staat; urbiinus, steedsch, beschaafd. De adjectiva op anus, die van o r d i n a 1 i a zijn afgeleid, geven de a f d e e 1 i n g of k 1 a s aan, waartoe iemand behoort. B.v. milites tertiadeeirnaui, quartadecimani, soldaten van het 13de, li116 legioen. Meermalen hebben deze adjectiva een meer algemeene beteekenis. B.v. febris quartïiua, de derdendaagsche, tertiana, de anderendaagsche koorts. Vgl. § 70. A.
10. ït s u s (u o s u s , zoo het stamwoord tot de 4:'le declinatie behoort) drukt een volheid uit. B.v. aerumuosus, vol rampspoed; viiiösus, he-schönken ; vultuösus, iemand die te veel uitdrukking in zijn gelaatstrekken brengt.
11. lent us, gewoonlijk met voorafgaande u of o, geeft eveneens een volheid te kennen. B.v. turbulentus, fraudulentus, wZ violentus, geweldig.
12. a; t u s duidt aan, waarvan iemand voorzien is, zooals barbatus, iemand, die een haard heeft; dentïitus, getand; togïïtus, een toga dragende.
Sommige adjectiva vau deze beteekenis gaan uit op 11 u s, zooals auritus, lang oor ig; andere op ïltus, zooals cornutus, gehoornd.
13. e n s i s, bij namen van plaatsen gevoegd, duidt aan wat op die plaatsen betrekking heeft of zich daar bevindt. B.v. castrensis, de legerplaats betreffende; forensis, wat zich op de markt bevindt.
B. van nomina propria:
1. De namen van personen worden in adjectiva veranderd door den uitgang i ïi u u s , somtijds anus en r n u s. Deze adjectiva duiden aan wat op zekeren persoon betrekking heeft of naar hem genoemd is. B.v. Caesar, Caesar iiïnus; Sulla, S u 11 a n u s ; Verres, V e r r I n u s.
Do llomeinsche familienamen op i u s worden als adjectiva gebruikt om het geslacht aan te duiden of wetten en openbare werken van een lid dier familie. B.v. gens Tullia; lex Cornelia: via Appia; circus Flaminius.
Bij de G r i e k s c h e namen van personen worden meestal de uitgangen ë u s en ï c u s gebruikt. B.v.Epicurus, Epicurëus; Socrates, S o c r a t ï c u s.
Aanmerking. De Romeinen hadden minstens twee namen. De eers te naam, die steeds afgekort werd geschreven, heette praenomen; de tweede naam, die op i u s uitging, was de familienaam of nomen gentilicium. B.v. C. (Gajus) M arius. Dikwijls hadden zij nog een derden naam, cognomen geheeten. B.v. L. (Lucius) Cornelius Sulla. Wanneer iemand door adoptie in een andere geus was gekomen eu dus zijn naam veranderde, voegde hij achter zjjn nieuwen naam den naam van zijn vroegere gens, voorzien van den uitgang a n u s. Zoo was P. (Publius) Cornelius Scipio Aemilianus een Aemilius, die door adoptie iu de gens Cornelia was gekomen.
2. De namen van steden, dorpen en vlekken nemen bij de vorming van adjectiva de uitgangen anus, inns, en sis, as aan. B.v.
Afleiding der verba.
133
§ 145â146.
Eoma, R o m a n u s ; Ameria, Amerlnus; Narbo, Narboneusis; ArpTnum, A r p T n a s. Deze adjectiva geven te kennen wat op zekere stad enz. betrekking heeft, daaruit afstamt, daarnaar genoemd is; zij worden ook als substantiva gebruikt om de inwoners aan te duiden.
De Griek sc he namen van steden krijgen gewoonlijk de uitgangen ïus en a e u s. B.v. Corinthus, Corinthius; Larissa, Larissaeus.
3. De namen van volken worden tot adjectiva gemaakt door den uitgang ïcus, s;elden i u s. B.v. Gallus, Gallicus; Syrus, Syrïus. Bij namen van personen zet men in proza liever den naam van het volk dau het adjectivum, dat van den naam van het volk is gemaakt. B.v. miles Gallus; poëta Hispnnus.
4. Do namen van landen, die zei ven meestal van de namen van volken zijn afgeleid, nemen bij de vorming der adjectiva de uitgangen iensis en iciïnus aan. B.v. Hispania, Hispaniensis; Gallia, Gallicanus. Deze adjectiva duiden aim, wat zich in zeker land toevallig bevindt, daar geschiedt, maar niet wat daar inheemsch is. B.v. 1 e f.' a t u s Hispaniensis, een Romein, die in Spanje gezant is; (1 e g a t u s Hispiïnus, een Spanjaard, die (jezant is) ; b e 11 u m H i s p a n i e n s e , de oorlog door Caesar tegen de partij van Ponipejus in Spanje gevoerd; (bellum Hisptinum, een oorlog, die met de Spanjaarden gevoerd is); Gallus, een geboren Galliër i Bremius dux Gallorum); G a 11 ï c u s, uit Gallië afstammend, uit Galliërs bestaande (copiae Gallïcae); Gallicanus, wat op Gallië betrekking heeft, zich daar bevindt (copiae Gallicanae, Romeinsche troepen in Gallië).
§ 145. Tot de adjectiva denominativa, welke van adjectiva zijn afgeleid, behooren voornamelijk do deminutiva op ü 1 u s , 8 1 u s , c ü 1 u s en e 11 u s. B.v. parvulus, aureölus, tristiculus, novellus. P a u c u s heeft paulus, paululus, pauxillus en pauxillulus. B o n u s heeft bellus en bellülus. Vgl. over de deminutiva der comparativi § 64.
Over de afleiding der verba.
§ 140. Tot de verba v e r b a 1 i a behooren :
1. de verba frequentatlva eu intensitlv^a, die naar do lste conjugatie gaan. Zij duiden ee» gedurige herhaling of versterking aan der handeling van het stamwoord en worden gevormd van het s u p i n u m door ïï t li m te veranderen in ï t o of u m in o. B.v. clamo, schreeuwen, clamïto, gedurig schreeuwen; volo, vliegen, vol ito, heen en weer vliegen; domo, d o m ï t o, temmen; adjuvo, a d j u t o, helpen; cano, canto, zingen.
De frequentativa, afgeleid van verba der 3'le conjugatie, vormen soms nieuwe frequentativa. B.v. curro, loojieti, curso, loopen, cursïto, heen en weer loope)i; dico, zeggen, dicto, dicteeren, dictïto, dikwijls zeggen.
Van sommige verba bestaat alleen de dubbel-frequeutatieve vorm. B.v. ago, drijven, actïto, dikwijls drijven; scribo, schrijven, scriptïto, dikwijls schrijven.
Sommige frequentativa zijn gevormd van het praesens door verandering van o of eo in ï t o. B.v. nosco, noscïto, leeren kennen; lateo, 1 a t ï t o , verborgen zijn.
Eeuige frequentativa zijn deponentia. B.v. m i n ï t o r van minor, dreigen; tutor van tueor, beschermen.
2. de verba desideratlva, die naar de 4'le conjugatie gaan, doch
'A/leidinfj der verba.
134
§ 147.
perfectum en supinum missen. Zij drukken een verlangen uit naar de handeling van het stamwoord en worden gevormd van het supinum door verandering van urn in ttrio. B.v. edo, esürio, eetkist, honr/er hebben; emo, emptürio, kooplust hebben. Morior heeft merit ürio, willen sterven.
De verba op ürio (met lange u) zooals: ligtirio, slurpen, prürio, jeukte gevoelen, alsmede r1e verba denominativa der l6'0 conjugatie: decurio en eenturio zijn geen desiderativa.
3. de verba deminutlva, die naar do lste conjugatie gaan. Zij drukken een verkleining der handeling uit en worden gevormd door o of eo van het praesens te veranderen in illo. B.v. canto, cantillo, neuriën; conscrlbo, conscribillo, krabbelen. Doze verba komen hoogst zelden en nooit in zuiver proza voor.
4. de verba inchoatTva. Deze verba drukken het beginnen uit van de handeling of' den toestand des stamwoords en worden gevormd van de verba der
lste conjugatie door o te veranderen in a s c o.
2Je â â e o â â e s c o.
306 en 4,'e n â o of i o â r i s c o.
B.v. labasco (labo), dreigen te vallen; p all es co (palleo), bleek tvorden ; r e v i v i s c o (vivo), beginnen te herleven; obdormisco (dormio), insluimeren.
Verscheidene verba inchoativa zijn denominativa. B.v. r e p u e r a s c o (puer), weder kind worden; maturesco (matïirus), rijp worden.
De inchoativa gaan naar de 3de conjugatie. De v e r b a I i a hebben het perfectum en het supinum gelijk aan het stamwoord. B.v. inveterasco, inveterilvi, invetertïtum, inveteraseere, oud worden; exardesco, exarsi, exarsum, exardescere, ontbranden. De denominativa missen allen het supinum en de meesten ook het perfectum ; wanneer het perfectum bestaat, gaat het uit op u i. B.v. maturesco, m a t u r u i.
Tot de inchoativa, die van ongebruikelijke stamwoorden gevormd zijn, behooren:
c r e s e o , crëvi, crëtum, crescëre, groeien.
n o s c o (oorspronkelijk gnosco, vanwaar de g in de composita), növi, nötum, noscöre, leeren kennen. Vgl. § 130. Aanm. Evenzoo ignosco, vergeven. Agnosco, cognosco en reco gnosco hebben a g n ï t u m , cognitum, recognïtum. De overige comp. missen het supinum.
p a s c o , pïlvi, pastum, pascere, weiden.
q u i e s c o , quiëvi, quiëtum, quieseëre, rusten.
suesco, suevi, suetum, suescère, zich gewennen. Vgl. § 130. Aanm.
De verba compesco, disco, glisco en posco mogen niet tot de inchoativa gerekend worden, daar s c tot hun stam behoort.
§ 147. De verba denominativa worden gevormd door are, ere, T r e aan den stam der substantiva of adjectiva te hechten.
Die op ïl r e en T r e zijn meestal transitiva en beteekenen een bewerken of maken van datgene, wat het stamwoord aanduidt. B.v. fraudEre (fraudem facëre), bedriegen; 1 a u d ïï r e (laudem tribuëre), prijzen; a p t ïl r c (aptum reddëre), geschikt maken; f i n T r e (finem facëre), eindigen; mollire (mollem reddëre), week maken.
Die op Ere zijn bijna allen in transitiva en beteekenen, zoo zij van substantiva zijn afgeleid, een hebben, en zoo zij van adjectiva zijn afgeleid, een z ij n van datgene, wat het stamwoord aanduidt. B.v,
§ 148â150. Samenstelling der woorden.
f 1 o r c r e (flos), bloeien {bloemen hehhen); 1 u c ë r e (lux), lichten; a 1 b ere (albus), wit zijn; cal ver e (calvus), kaal zijn.
Ook worden er op deze wijze, vooral van substautiva, depouentia gevormd oj) it r i , die beteekeueu dat men datgene is, wat het stamwoord beteekent of dat men zich daarmede bezig houdt. B.v. aemulïiri, wedijveren; d o m i n H r 1, heerschen ; graecari, als een Griek leven; aquiïri, water halen; p i s c a r i, visschen. De meeste dezer deponentia zijn intransitiv a.
Over de samenstelling tier woorden.
§ 148. Wanneer de woorden uit een enkel woord bestaan, heeten zij s i m p 1 i c i a. B.v. discipulus, d o c t u s ; zoo zij uit twee of meer woorden bestaan, worden zij composita genoemd. B.v. cou discipulus, i n d o c t u s.
De substautiva, waarover in § 31 gesproken is, zijn slechts schijnbaar samengestelde woorden, omdat de samenstellende deelen hun eigen vorm hebben behouden. Zij worden dan ook zeer dikwijls gescheiden geschreven en wel altijd in verbinding met conjunctiones, die op de tweede plaats moeten staan. B.v. r e s q u e p u b 1 i c a ; s e n a t u s e n i m consult a.
§ 149. Het eerste gedeelte van ecu samengesteld woord is öf een n o m e n of een verbum of een adverbium öf een praepositio.
1. Wanneer liet eerste gedeelte een nomen is, wordt de stam daarvan met het tweede gedeelte verbonden gewoonlijk door een korte ï. soms door een korte ö of u. B.v. p a t r-ï-eïda, a r t-ï-fex, a r m-ï-ger, m i s e r-t-cors, b e 1 1-i-gpro, een t-ï-mitnus, q u a d r-tt-pes, sac r-Ã-sanctus.
Somtijds heeft er afwijking plaats van dozen regel. B.v. m a n c e p s
â manu-ceps; a u s p e x = avi-spex ; n a u f r a g u s â navi-fragüs ; 1 a p i-c t d a ~ lapidi-cida; t i b I c e n = tibii-cen (tubtcen en fidïcen hebben een korte i volgens den regel); m e r i d i e s m medii-dies ; stipendium
â stipi-pendium ; v e n e f ï c u s m venëni-ficus.
De numeralia blijven onveranderd of' nomen^den uitgang u m aan. B.v. q u i n q u e-rëmis, d u u m-vir. Gewoonlijk echter wordt duo in bi, tres in tri en quattuor in q u a dr i veranderd. B.v. biennium, tricn-n i u m , quadriennium.
Wanneer het tweede gedeelte vau hot compositum met een klinker begint, vervalt de verbindingsvocaal. B.v. magn-a n i m u s.
Bij do Griek so he composita, wier eerste gedeelte een nomen is, vervangt do o de plaats der i van het Latijn. B.t. p h i 1-o-söphus, p h i l-o-logus, g r a e c-o-stitsis.
2. Verba maken het eerste gedeelte van een compositum slechts uit in enkele samenstellingen van facio en fio. B.v. a r e facio, c a 1 e-facio, a s s u e facio, are fio.
3. De adverbia bene, male, blijven onveranderd, zooals: bene facio, male dico. In plaats van non gebruikt men in de samenstelling n e. B.v. n e f a s , n e s c i o , nemo (nc-homo).
4. Over de samenstelling met praeposities Vgl. g 166â167.
§ 150. Het tweede gedeelte van een samengesteld woord bepaalt tot welke soort van woorden hot compositum moet gebracht worden.
Bij samenstelling met praeposities blijft het tweede gedeelte öf geheel onveranderd, öf ondergaat een verandering in zijn vocaal.
185
§ 151â153.
136
Adverbia.
Onver an der d blijven i, o, u, iï, ë. B.v. adscrlbo, o p p n n o , addüco, illïtbor, subrëpo.
De korte ft blijft in enkele woorden behouden, zoouls in de composita van c a v e o , ra a n e o , t r tt h o; meestal echter gaat zij over in ï, soms in ë, een enkele maal in tt. B.v. accïpio (cilpio); instïtuo (statue); conscendo (scando); adspergo (spargo); concütio (quatio).
De korte ë blijft onveranderd in de composita van f ë r o , p e t o , tëgo, tëro, gëro en gedeeltelijk van logo; meestal wordt zij echter veranderd in ï. B.v. a s s ï d e o (sëdeo); abstïneo (tëneo).
Ae blijft onveranderd in de composita van h a e r e o en in p e r t a e s u m est; overigens wordt zij veranderd in T. B.v. i n c I d o (caedo); illïdo (laedo); i n q ti T r o (quaeroj.
Au wordt u of n. B.v. c o n c 1 ü d o (claudo); explodo (plaudo) ; van audio komt o b e d i o of zooals anderen schrijven o b o e d i o.
Bij samenstelling met nomina en v e r b a ondergaat het tweede gedeelte meestal de eene of andere verandering. B.v. opt f e x (facio); partï c e p s (capio); causi d ï c u s (dTco); miserï c o r s (cor).
OVER DE PARTICULAE.
§ 151. Onder particulae verstaat men die rededeelen, welke noch gedeclineerd noch geconjugeerd worden. Zij zijn: adverbia, bijwoorden; praepositiones, voorzetsels; conjunctiones, voegwoorden; interjectiones, tusschenwerpsels. gt;
TWINTIGSTE HOOFDSTUK. OVER DE ADVERBIA.
§ 152. Gelijk de adjectiva dienen ter bepaling van substantiva, zoo dienen de adverbia ter bepaling van verba, adjectiva en andere adverbia. B.v. P nul ens homo prudenter agit, een voorzichtig mensch handelt voorzichtig. Vir ex i mie doet us, een huiten-gewoon geleerd man. Satis bene scrip sit, hij heeft goed genoeg geschreven.
Er zijn drie soorten van adverbia: 1) adverbia modi, bijwoorden van wijs, op de vraag: hoe. Hiertoe behooren de adverbia der bovenstaande voorbeelden. 2) adverbia loei', bijwoorden van plaats, op de vraag: waar, vanwaar, waarheen, waarlangs. B.v. ibi, daar. inde, vandaar, eo, daarheen, hac, hierlangs. 8) adverbia temporis, bijwoorden van tijd, op de vraag: wanneer, hoe lang, hoe dikwijls. B.v. nunquam, nooit, diu, lang, p 1 e r u m q u e, meestal.
§ 153. Van de adjectiva en participia der tweede declinatie maakt men adverbia op e. Deze uitgang komt in de plaats van de i des genetivus singularis. B.v. longus, longe, doctus, docte,
§ 154â156. Adverbia. 137
asper, aspëre, aeger, aegre. Bonus evenwel heeft bene (van een ouden vorm benus^.
A a n m e r k i n g. Eenige adverbia op o hebben een eeuigszins andere beteekenis dan de adjectiva, waarvan zij afgeleid zijn, namelijk: planus effen, plane, duidelijk, ten volle; san us, gezond, sane, zeker; valï-d u s, sterk, v a 1 d e (de i is uitgevallen), zeer.
§ 154. Van de adjectiva en participia der derde declinatie worden adverbia gevormd op ter. Deze uitgang wordt door een korte i met den stam verbonden. Het gemakkelijkst is den uitgang van den genetivus singularis te veranderen in iter. B.v. utïlis, utilïter, acer, acrlter, ferox, ferociter. Eindigt de genetivus op ntis of rtis, dan gaat het adverbium uit op nter of rter. B.v. conveniens, convenienter, sellers, sollerter.
In plaats van audaciter zegt men gewoonlijk audacter en van difficiliter difficulter. Bij latere schrijvers vindt men ook difficile.
Aanmerking I. Ook zijn op ter gevormd a l ï t e r , anders, '-'au alius, gnavïler of uavïter, vlijtig, van gnavus of navus, ne quit er, slecht, van nequam, obiter, in het voorbijgaan, van obTre, viol ent er, geweldig, van violeutus.
A a n m e r k i n g II. Eenige adjectiva op us bobben adverbia op e eu ter. 15.v. dure en durïter van durus, humane en humanïter van humanus, 1 u c u 1 e n t e en luculenter van luculentus. slt; h
i? 155. Eenige adverbia zijn gelijk aan den ablativus op o der adjectiva, namelijk: arcano, heimelijk, auspioato, ter goeder uur, cito, spoedig, continuo, aanstonds, c r e b r o , menigvuldig, directe, rechtstreeks, f a 1 s o, valschelijk, festin ato, met haast, f o r t u T t o , hij toeval, g r a-t u T t o , om niet, i m m e r ï t o, onverdiend, improvise, onverhoeds, intestate, zonder testament gemaakt te hebben, i n o p-i n a t o, onverwachts, iterate, herhaaldelijk, liquïdo, zonder bedenken, manifeste, klaarblijkelijk, merite, met recht, m u tuo, wederkeerig, necessario, noodzakelijk, necopiuato, onverwachts, optato, naar wensch, perpetuo, bestendig, praeparate, met voorbereiding, precario, om godswil, se-crëto, heimelijk, sedulo, ijverig, serie, in ernst, sero, laat, sor-tito, door het lot, s u balt o, plotseling, tuto, veilig.
Ook gaau op o uit emnlno, geheel en al, en oppido, zeer.
A anmerkin g. üe volgende adverbia gaan uit op e eu o, doch met eenig verschil van beteekenis.
certe, zeker, althans. certo, zeker, stellig.
composite, geregeld. composite, volgens afspraak.
censulte, met overleg. consulto, met opzet.
contrarie, o/j tegenovergestelde wijs. contrarie, integendeel.
rare, wijd uit elkander. raro, zelden.
vere, naar waarheid. vero, inderdaad, voorzeker.
156. Sommige adverbia zijn gelijk aan den accusativus singularis van het neutrum der adjectiva, namelijk: cetërum, overigens, fa c 11 e, gemakkelijk, i m p ü n e, ongestraft, m u 11 u m,
§ 157â158.
Adverbia.
138
ceel, nimium, te veel, paulum, weinig, pier unique, meestal, quantum, hoeveel, re eens, nog kort geleden, solum, alleen,
sublime, in de hoogte, tantum, zooveel.
C o m m ö (1 u m beteekeut juist, juist van pas, c o m m ö d o , up passende wijs.
De adverbia op u m worden (met uitzondering van het hier niet genoemde p a r u m , te weinig), door prozaschrijvers gewoonlijk slechts bij v e r lgt; a geplaatst.
§ 157. Van verschillende adjectiva worden geen adverbia afgeleid of omdat hunne beteekenis de vorming van adverbia niet toelaat of' uit andere meestal onbekende gronden. Zoo gebruikt men als adverbium van magnus val de (niet magne), van nber ubertim (niet uberiter), van vetus vetuste (niet veteriter), van fidus fideliter (niet fide), van priviitus pri victim (niet private).
§ 158. De meeste adverbia op e, o, ter. die van adjectiva zijn afgeleid, kunnen in den comparativus en super la tiv us geplaatst worden.
De comparativus van een adverbium ia gelijk aan hot neutrum van den comparativus van het adjectivum. B.v. doc-tius, elegantius, pejus. In plaats van majus gebruikt men magi s.
De superlativus van een adverbium wordt gevormd van den superlativus van het adjectivum door us te veranderen in e. B.v. doctissïme, elegantissïme, pessime.
Ook van de adverbia op o eindigt de superlativus op e. B.v. cito, citissime. Merïto en tuto hebben echter liefst meritis-s ï m o en t u t i s s ï m o.
Aanmerking I. Sommige adverbia gaan in den superlativus uit op ura, namelijk: plurïmum, zeer veel, het meest, minimum, zeer weinig, het minst, (mini me, geenszins, in het geheel niet), summum, hoogstens â vooral bij getallen â (slimme, in den hoogsten graad), potissïmurn, het verkies lij kst, ultïmum en â ultimo, postrëmum en postrëmo, extrëmum en extrëmo, te7i laatste, eindelijk.
Aanmerking II. Ook de volgende adverbia bezitten verge-lijkingstrappen:
diu, lang, diutius, diutissime.
nuper, onlangs, nuperrime.
saepe, dikwijls, saepius, meermalen, saepisslme.
satis, genoeg, satius, beter. L
tempëri, bij tijds, temperius, tijdiger.
valde, zeer, magis, meer, inaxïme, het meest.
Praepositiones.
§ 159â161.
139
Ook vindt men van secus, anders, deu comparativus secius, anders, doch gewoonlijk slechts in de verbinding nihïlo of non secins quam, niet anders dan en nihïlo secius, desniettemin.
§ 159. Van de ordinalia worden adverbia gemaakt op um en o. B.v. tertium en tertio, voor de derde maal, ten derde, quartum en quarto, voor de vierde maal, ten vierde. Het verschil van uitgang schijnt in het algemeen geen verschil van be teekenis te geven. De adverbia op um zijn evenwel het meest in gebruik.
Pr imum en primo beteekenen beiden fow de eerste maal; pr i m lim daarenboven ten eerste eu primo in het begin.
In plaats van secundum, voor de tweede maal, gebruikt men 1 te-rum en in plaats van sec undo, ten ticeede, zegt men liever deiude of t u m.
§ 160. Van sommige substantiva en adjectiva worden adverbia op 11 u s afgeleid om den oorsprong aan te duiden. B,v. caelïtus, van den hemel, fundïtus, van den grond af (tot den grond toe), antiquitus, van oudsher, divinitus, van godswecje.
Door u m van het s u p i n u m te veranderen in i m worden adverbia gevormd, die beteekenen op welke w ij z e iets geschiedt. B.v. cursim, terloops, r a p t i m , ijlings, s e n s i m , allengs. Men heeft ook eenige d e-nominativa op atim van dezelfde beteekenis. B.v. g r e g it t i m , hoopsgewijze, gradittim, trapsgewijze, v i c a t i m , van straat tot straat. Zonder a zijn t r i b n t i m , volgens tribus, v i r T t i m , man voor man, f u r t i m , steelsgewijze.
Sommige adverbia zijn ontstaan uit bepaalde naamvallen van substantiva, zooals: partim (oude acc, van pars), deels; for as, naar huiten, for is, buiten (acc. en abl. van het ongebruikelijke forae in plaats van fores); noctu (abl. van noctus, een ongebruikelijken bijvorrp van nox), des nachts.
Andere adverbia zijn gevormd door samenstelling, zooals; denuo (de novo); h o d i e (hoc die); i m p r T m i s (in primis), m a g n o p ö r e (magno opere); profecto (pro facto); n u d i u s t e r t i u s (nunc dies tertius).
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DE PRAEPOSITIONES.
§ 161. De praeposities regeeren deels den accusativus, deels den ablativus, deels den accusativus en den ablativus.
Sommige praeposities worden ook als adverbia gebruikt.
Den accusativus regeeren :
ante, apud, ad, adversus,
circum, circa, citra, cis,
erga, contra, inter, extra,
infra, intra, juxta, ob,
Praeposüiones.
§ 162.
140
penes, pone, post en praeter,
prope, propter, per, secundum,
supra, versus, ultra, trans.
Ante, voor; apud, bij; ad, tof, naar, hij; adversus, tegen; circum, circa, om, rondom; citra, cis, aan deze zijde van; erga, jegens; contra, tegen; inter, onder, fusschen; extra, huiten; infra, onder, heneden; intra, hinnen; juxta, naast; ob, rvegens; penes, hij; pone, achter; post, achter, na; praeter, hehalve; prope, nabij; propter, wegens; per, door; secundum, langs, volgens; supra, hoven; versus, naar den kant van; ultra, over; trans, over.
Den ablativus regeeren :
absque, a, ab, abs en de,
coram, pro, cum, ex en e,.
sine, t e n u s, clam en p r a e.
Absque, zonder; a, ab, abs, van, door; de, over; coram, in tegenwoordigheid van; pro, voor; cutn, met; ex en e, uit; sine, zonder; tenus, tot aan; clam, huiten weten van; prae, wegens.
Den accusativus en abiativus regeeren :
in met den acc, naar, in, op de vraag waarheen.
â â abl. in, op, aan, â â â waar. sub â â acc. onder, â â â waarheen.
n â abl. onder, nu » waar.
super met den acc. hoven, gedurende.
â â abl. aangaande, over.
sub ter, onder.
§ 162. Aanmerkingen op de praeposities met den accusativus.
1. Ante, vóór, van plaats eu tijd tegenover post, achter, na. B.v. Ante (post) o p p i d u m , vóór (achter') de stad. Ante (post) paucos dies, vóór {na) weinige dagen.
Somtijds beteekeut ante hoven. B.v. Laudari ante alios, loven . anderen, meer dan anderen geprezen worden.
Ante wordt gaarne als adverbium gebruikt in verbinding met participia. B.v. Vita ante acta, het vroeger door gebrachte leven.
2. Apud, bij, voorval bij personen. B.v. Heri apud avuncülum m e u m c e n a v i , (/isteren heb ik: gegeten hij mijn oom. ApudCaesitrem, in het huis van Caesar. Zelden staat apud bij namen van plaatsen. B.v. Apud Mantin ëam, bij Man tinea.
Men gebruikt ook apud, zoo men den naam eens schrijvers noemt in plaats van den naam zijner boeken. B.v. Apud Xenophontem legimus, wij lezen in Xenophon. In Xenophonte zou verkeerd zijn.
Voor de rechters heet apud ju dices, niet ante judices, want voor
Praepositiones.
§ 162.
141
staat hier niet tegenover achter. Evenzoo spreken voor, tot het leger, eontionari a p u d m i I i t e s.
3. A d wordt gebruikt:
a) van t ij d.
tot, op de vraag tot hoelang. B.v. Ad summam senectutem, tot den hoog sten ouderdom.
tegen, op de vraag wanneer. B.v. Ad vesper a rn , tegen den avond, op, bij een bepaalden tijd op de vraag wanneer. B.v. Ad diem, op den hepaalden dag; ad tempus, op den juisten tijd (ook voor een korten tijd).
h) van plaats.
tot, aan, op de vraag waarheen. B.v. Venio ad te, ik kom tot u. S c r i b o ad p a t r e m , ik schrijf aan mijn vader.
hij, aan, op de vraag waar (niet bij personen, in welk geval apud gebruikt wordt). B.v. Ad urbem, hij de stad; ad Rhenurn, aan den Rijn; ad mens am, aan tafel. Overdrachtelijk: ad lucernas opus f a c i u n t, zij werken hij licht.
c) b ij getallen.
ongeveer. B.v. Ad sescentos evaserunt, ongeveer zeshonderd zijn er ontkomen. lu deze beteekenis kan ad ook als adverbium gebruikt worden. B.v. Ad sesceuti evaserunt.
d) vau doel e;a betrekking.
tot, voor. B.v. Ad omnia p a r a t u s , tot idles bereid.
overeenkomstig. B.v. Ad voluntatem, volgens den wil; ad n u t u m , op zijn ivenk.
met betrekking tot, in vergelijking van. B.v. Terra ad universum caeli complexum puncti instar obtïnet,(7e aarde is in vergelijking van de gansche hemelruimte slechts een stip.
e) spreekwijzen. Ad verbum, woordelijk, woord voor woord. A d unum o nines, allen zonder uitzondering.
4. Ad versus (ook wel adversum) en contra tegenover. B.v. Insula, quae adversus (contra) Brundislnum portum est, het eiland, dat tegenover de haven van Brundisium ligt.
Zij beteekenen ook, evenals er ga, tegen, jegens, maar met dit verschil, dat contra gewoonlijk staat in vijandelijken, erga gewoonlijk in vriend-schappelijken en adversus zoowel in vijandelijken als in vriendschap-pelijken zin. B.v. Contra leges, tegen de wetten; m o u s erga te a m o r , mijne liefde jegens u; adversus a 1 i q u e m b e 11 u m g e-rëre en reverentiam habere, tegen iemand oorlog voeren en eerbied voor iemand koesteren.
5. C i r c u m en circa, om, rondom, van plaats; circum, wanneer er spraak is van een kriugvorm, zooals: terra circum a x e m s u u m m o v ë t u r , de aarde draait om haar as; circa, wanneer de beteekenis meer algemeen is: in den omtrek, zooals: urbes, quae circa Romam s u u t, de steden in den omtrek van Rome.
Circa wordt ook gebruikt bij opgaven van t ij d en getal in de beteekenis omtrent, omstreeks. B.v. Circa eandem hor am, omtrent hetzelfde uur; oppida circa Septuaginta, omstreeks zeventig steden. In dezelfde beteekenis wordt somtijds c i r c ï t er gebruikt. B.v. C i r c ï t e r meridiem, omtrent den middag; gewoonlijk echter is circiter adverbium.
Praepositiones.
§ 192.
142
B.v. Sexaginta cir citer domus ineen dio deletae suut, omstreeks zeventig iiuizeii zijn door den brand verwoest.
6. C i s en c i t r a , aan deze zijde van; eis, wanneer de eene plaats onmiddellijk aan de andere grenst, zooals: Gallia sit a est cis P y-renaeos montes, Frankrijk ligt aan deze zijde van de Pyreneën; c i t r a , wanneer de eene plaats niet onmiddellijk aan de andere grenst, zooals: Lutetia Parisiorum citra Pyrenaeos montos s i t a est, Parijs ligt aan deze zijde van de Pyreneën.
Bij latere schrijvers beteekeut citra ook zonder. B.v. Citra i u v i-d i a m , zonder afgunst.
7. Trans en ultra, aan gene zijde van, trans (tegenover eis) bij onmiddelljjke begrenzing, ultra (tegenover citra) bij niet onmiddellijke begrenzing. Voor de Ãuitschers ligt Frankrijk thans ultra R h e n u m , vroeger trans K h e u u m.
Ultra beteekent soms meer dan. B.v. Ultra feminam mollis, rveeker dan een vrouw.
8. Inter, tusschen, van plaats. B.v. Mons est inter urbem et 1' 1 u v i u m , er is een berg tusschen de stad en de rivier.
onder, van t ij d. B.v. Inter c e n a m , onder, gedurende den maaltijd.
onder, tusschen, in overdraehtelijken zin. B.v. Inter nos dieëre liceat, onder (tusschen) ons gezegd.
9. Extra, builen, meestal van plaats. B.v. Extra urbem habitat, hij woont buiten de stad. Somtijds behalve, zonder. B.v. Nemo extra d u c e m , niemand behalve den veldheer. Extrajocum, zonder scherts.
10. Infra, onder, beneden, van plaats en t ij d. B.v. Infra 1 u n a m nihil est nisi m o r t a 1 e, onder de maan is alles sterfelijk. Homerus non infra Ly cur gum fuit. Homerus leefde niet later dan Lycurgus. Van w a-a rdeering. B.v. E u in infra o m n e s p u t o , ik stel hem beneden allen. Van maat. B.v. Uri sunt magnitudïne paulo infra elephantos, de buffels zijn een weinig kleiner dan de olifanten.
11. Intra, binnen, van p 1 a a t s en t ij d. B.v. Intra hostium prae-sidia esse, binnen de vijandelijke liniën zijn. Inter deeimum diem urbem c e p i t, binnen {in minder dan) tien dagen nam hij de stad in.
12. Juxta, nevens, naast, van plaats. B.v. Attius sepultus est juxta viam Appiam, Attius is begraven naast den Appischen weg.
Als adverbium beteekent juxta gewoonlijk evenzeer, op gelijke wijze. B.v. MargarTtae a feminis juxta virisque gestantur, de edelgesteenten worden evenzeer door vrouwen als door mannen gedragen.
13. Ob, wegens, om. B.v. Ob delictum, wegens een vergrijp. Plaatselijk komt het slechts voor in de uitdrukking ob oculos ver sari, voor oogen zweven.
14. Penes, bij, van bezit of macht. B.v. Penes regem imperium est, het oppergezag is in handen van den koning. Penes me arbitrium est hu jus rei, aan mij is de beslissing in deze zaak.
15. Pone, achter, van plaats (zeldzaam). B.v. Pone castra, ac/jto-de legerplaats.
16. Praeter, voorbij, langs (bij beweging). B.v. Praeter pratum rivus fertur, langs de weide vloeit een beek.
buiten, tegen. B.v. Praeter opinionem, buiten verwachting. Wanneer buiten den zin heeft van zonder mag men praeter niet gebruiken. B.v. buiten allen twijfel, sine ulla dubitationc.
Praeposttiones.
143
§ 162.
behnlve, zoo wol bij uitzondering als bij toevoeging. B.v. JTemo praetor Lucullum, niemand behalve Lucullus. Praeter auctor itatera vires quoque ha bet, behalve het aanzien heeft hij ook de macht (hij heeft èn het aanzien èu de macht).
boven, voor. B.v. Excellöre praeter ceteros, zich boven de overigen onderscheiden.
17. Prope en propter, nabij, van plaats. B.v. Prope (prop-t e r) o p p i d u m , nabij de stad.
Propter beteekeut ook wegens, om, evenals ob, doch met dit verschil, dat propter meestal een werkelijk bestaauden eu ob een gedachten grond aangeeft. B.v. Ego te propter modestiam tuam dilïgo, ik bemin u omdat gij bescheiden zijt; ob modestiam, omdat ik u voor bescheiden houd. In de uitdrukkingen hanc ob causam, ob earn rem, enz. wordt ob dikwijls gebruikt om een werkelijk bestaauden grond aan te geven.
P rope wordt ook van t ij d gebruikt in de beteekenis van tegen. B.v. Prope Kal en das Sextiles, tegen den 1st0 Augustus.
Prope, als adverbium loei gebruikt, heeft gewoonlijk de praepositie a bij zich. B.v. Prope a S i c i 1 i a, nabij Sicilië.
De comparativus en superlativus p r o p i u s en p r o x i m e worden öf geconstrueerd met den accusativus öf met do praepositie a (zelden mot den dativus). B.v. Propius urbern, dichter bij de stad; proximo a b u r b e, zeer dicht hij de stad.
18. Per, door, over, van plaats. B.v. Per Italiam iter facöre, door Italië reizen. Corona m per forum ferre, een kroon over de markt dragen. Per mare navigare, op zee varen. Per m a n u s tradïlae religion es, godsdienstige gebruiken, die van den eene op den andere zijn overgegaan.
in, o/}, bij verbreiding over een ruimte. B.v. Equitos per oram maritïmam e r a n t d i s p o s 11 i, de ruiters Karen op het strand geplaatst. Dispouëre vigilias per urbem, permuros, wachten uitzetten overal in de stad, op de muren.
bij, bjj eeden en gebeden. B.v. Per d e o s immortales te or o, ik bid u bij de onsterfelijke goden. Ju rare per a liquid, bij iets zweren.
lu verbinding met lieëre, posse, esse, enz. beteekent per wat betreft. B.v. Per me licet, wat mij betreft, is het geoorloofd.
19. Secundum, naast, onmiddellijk achter, na, van plaats, t ij d en r a n g o r d e. B.v. Marcellus vulnus aceëpit secundum au rem, Marcellus ontving een wond onmiddellijk achter het oor. Secundum comitia, aanstonds na de cornitiën. Secundum f r a t r e m t u mihi omnium h o m i n u m c a r i s s i ra u s es, na mijn broeder zijt gij mij de dierbaarste van alle menschen.
langs. B.v. Secundum mare iter f a c ë r e, langs de zee reizen.
volgens, overeenkomstig, ten voordeele van, in overdrachtelijken zin. B.v. Secundum naturam vivere, volgens de natuur leven. Secundum a 1 i q u e ra decernöre, ten gunste van iemand beslissen.
20. Supra, boven, van plaats, maat en t jj d. B.v. Supra lunam sunt aeterna omnia, boven de maan is alles eeuwig. Supra modum, bovenmate. Supra sexaginta annos, boven de zestig jaar. Paulo supra hanc raemoriam, een weinig vóór onzen leeftijd.
Praepositiones.
§ 163.
144
21. Versus, naar den kant van, staat bijna altijd achter het substau-tivum en heeft, behalve bij namen vau steden eu domus, gewoonlijk ad of in vóór den naam der plaats. B.v. Romam versus, ad OceÃnum versus, in Italia m versus proficisci, vertrekken in de. richtiwj van Rome, zeewaarts, naar den kant van Italië.
§ 163. Aanmerkingen op de praeposities met den ablativus
1. A wordt slechts vóór een consonant geplaatst; ab moet staan vóór een vocaal of h eu kan staan vóór een consonant, behalve, b, m, v; abs is zeldzaam behalve in de verbinding abs te, waarvoor echter wel zoo goed a te, maar niet a b t e gezegd wordt. Deze praepositie wordt gebruikt:
van tijd, in de beteekenis van-af, na, sedert. B.v. Ab in fa ut ia, van kindsbeen af. Quartus a victoria meusis, de vierde maand na de overwinning. ,
vau opvolging in raug, na. B.v. Secundus a rege, de eerste na den koning. Vgl. § 70. Aanm.
van plaats, van, aan, ter aanduiding van deu kant, waar iets geschiedt of vanwaar iets komt. B.v. Alexander a front e et a tergo h ostein habebat, Alexander had den vijand van voren en in den rwj. Zoo zegt men ook: stare, esse ab aliquo, op iemands zijde zijn, iemands partij vohjen, facer e ab aliquo, in iemands belang handelen.
in overdrachtelijken zin, van den kunt van, met betrekking tot. B.v. Augustus a mat re Pompejum contingebat, Augustus was van moederszijde verwant met Potnpefus. Zoo drukt men ook op eigenaardige wijze iemands betrekking uit. B.v. Alicujus of alien i esse ab epistölis, a bibliothëca, a potione, iemands secretaris, bibliothecaris, schenker zijn.
2. Absque, zonder, is verouderd.
3. Cum, met. B.v. Cum Pan sa vixi, ik heb met Pansa geleefd. Bij verba, die een vijandige beteekenis hebben, tegen. B.v. Cum aliquo bellum geröre, tegen iemand oorlog voeren. Meermalen vertalen wij cum door bij. B.v. Omnia me a mecnm porto, al het mijne draag ik bij mij.
Cum wordt bij den ablativus der pronomina personalia en reflexiva (me, te, se, nobis, vobis) altijd achteraan gehecht. B.v. me cum, met mij. Bij het relativum (quo, qua, quibus) kan men cum voorop zetten of achteraan hechten. B.v. cum quo of quo cum. Zoo het relativum echter met een substautivum verbonden is, moet cum vóór het relativum gevoegd worden. B.v. cum quo viro (niet quocum viro).
4. De, van, uit, van plaats. B.v. De sella exsïlit, hij springt op van zijn stoel. Catallnae f e r r u m de m a n i b n s e x t o r s i m u s, wij hebben Catilina het zwaard uit de handen gewrongen. De rostris p r o n u n t i a r e, openlijk van het spreekgestoelte bekend maken.
Met dezelfde beteekenis dient d e ook om don oorsprong of het geheel aan te duiden. B.v. Mult a do to audivi ik heb veel van u (iiit uwen mond) gehoord. Homo de plebe, een man uit het volk.
over, aangaande. B.v. Mult a de te audivi, ik heb veel over u gehoord.
Bij tijdsbepalingen op dt; vraag wanneer, in den loop van, zoo de tijd onbepaald wordt opgegeven, eu onmiddellijk na, zoo de tijd bepaald wordt opgegeven. B.v. Na vi gare de mense Decembri, uitvaren in den loop van December. De tertia vigilia, in de derde nachtwaak.
Praepositiones.
§ 163.
145
Non bonus sommis est do prandio, het is niet goed onmiddellijk na het eten te slapen.
In sommige uitdrukkingen volgens, naar. B.v. De amicorum co n-s i 1 i o, volgens den raad der vrienden. D e mor e, naar gewoonte.
5. Ex kan vóór consonanten en vocalen, e slechts vóór consonanten geplaatst worden.
uit, van, van plaats. B.v. Ex u r b e, uit de stad. /oo ook in de spreekwijze ex e q u o p u g n a r e, te paard strijden. Ex adverse, e r e g i o n e, recht tegenover. Vgl. § 280. A.
sedert, na, van tijd. B.v. Ex illo die, sedert dien dag.
Om de verandering vau den eenen toestand in den anderen, de stof waaruit iets bestaat, een deel van een geheel aan te geven. B.v. E servo te li bert urn meum feci, ik heb u van slaaf tot mijn vrijgelatene gemaakt. Statua ex auro facta, een gouden standbeeld. U n u s e m u 11 i s; één uit velen.
Om de oorzaak van iets aan te geven. B.v. Ex lassitudïne artius dor mi re, vaster slapen van vermoeidheid. Ex lege, krachtens de wet.
Om de w ij z e aan te duiden, waarop iets geschiedt. B.v. Ex animo 1 a u d a r e, van harte prijzen. Ex improvise, onvoorziens.
Soms ten nutte van, in het belang van. B.v. E s t e (hier geen ex) republic a.
6. F r a e, voor, van plaats, maar slechts in verbinding meteen pionomen en een verbum van beweging, vooral f e r r e. B.v. G r e g e m p r a e se a g e r e, de kudde voor zich uitdrijven. P r a o se f e r r e, openlijk te kennen geven.
wegens, van, ter aanduiding van de oorzaak, waardoor iets verhinderd wordt, doeh alleen in ontkennende zinnen. B.v. Prae d o 1 ö r e 1 o q u i non possum, ik kan van droefheid, niet spreken.
ifl vergelijking van. B.v. Prae se omnes comtomnit, hij acht allen gering in vergelijking van zich zeiven.
7. Pro, vóór, van plaats, tegenover intra. B.v. Pro castris, vóór de legerplaats (niet binnen); was de zin niet achter, dan zou men zeggen ante cast ra.
ter verdediging van. B.v. Pro patria pugnare, strijden voor het vaderland.
in plaats van, zoo goed als. B.v. Pro con stil o esse, de plaats van den consul bekleeden. Pro dam na to esse, zoo goed als veroordeeld zijn.
ter vergelding van. B.v. Nullam mereëdem pro tanto beneficie accëpi, ik hen volstrekt niet beloond geworden voor zulk een weldaad.
volgens, overeenkomstig. B.v. Pro viribus, naar vermogen.
8. Ten us, tot aan, wordt achter den casus geplaatst. B.v. Collo tonus, tot aan den hals. Deze praepositie staat voornamelijk in de verbinding verbo en nomine tenus, in schijn.
Soms regeert tonus den genetivus en hoogst zelden den accusativus.
9. Sine, zonder. B.v. Sine periculo, zonder gevaar.
10. Coram, in tegenwoordigheid van. B.v. Coram populo, in tegenwoordigheid van het volk.
11. Cl am, buiten weten van. B.v. Cl am pat re, huiten weten van den vader.
Soms regeert clam don accusativus.
10
Praepositiones.
§ 164-
146
§ 164. Aanmerkingen op de praeposities met den accusativus en abiativus.
1. In met den acc. naar, in, tot, voor, tegen.
bij verba van beweging op de vraag waarheen. B.v. In Graeciam profieisci, naar Griekenland vertrekken.
bij uit li re id in g in de ruimte. B.v. Decern pedes in latitudi-n e m, tien voeten in de hreedte.
bij ver de el in gen. B.v. Ea regio flu mine in du as partes dividïtur, deze landstreek wordt door de rivier in twee deelen verdeeld.
bij de verba van veranderen. B.v. Niobe in lapïdem mutata est, Niohe werd in een steen veranderd.
ter uitdrukking van een doel. B.v. Pecunia data est in rem m i-litarem, er werd geld gegeven voor het krijgswezen. Malta in ali-quam sententiam dice re, veel voor zeker gevoelen zeggen.
om aan te duiden, dat iets op de toekomst betrekking heeft. B.v. In crastïuum diem diffëro res sevëras, ernstige zaken stel ik uit tot morgen. In tres dies commeatum secum portant, zij nemen voor drie dagen leeftocht mede. In p o s t 6 r n m, in het vervolg. I n a e t e r n u m, voor eeuwig.
Ook in de spreekwijzen jurare in verba magistri, zweren hij de woorden zijns meesters-, aliquid face re in spem, iets doen in de hoop op; esse (habere) in pot est a tem = in potestatem venire in eaque esse.
I n met den a b 1. in, aan, op, bij, over, vooral van plaats op de vraag waar. B.v. In urbe esse, in de stad zijn] in ripa flu minis, op den oever der rivier-, pontem face re in flu mine, een brug maken over de rivier.
onder, om aan te duiden, dat iemand tot zekere klas van menschen behoort. B.v. In mag nis viris numerari, onder de groote mannen gerekend worden. Bijzonder wordt in met deze beteekenis gebruikt in de spreekwijzen in his (iis), in qui bus, waar wij na iets in het algemeen aangegeven te hebben zeggen: en onder dezen, onder wie zich bevonden, onder anderen. B.v. Plerosque f u g i e n t e s, in q u i b u s H a u n o n e m, occiderunt.
2. Sub met den acc. onder, van plaats op de vraag waarheen. B.v. Romanos sub jugum mittëre, de Romeinen onder het juk laten doorgaan. Overdrachtelijk. B.v. Sub potestatem redigöre, cwdec zijn macht brengen.
van tijd, omstreeks. B.v. Sub mediam noctem, omstreeks middernacht. Tegen, kort voor. B.v. Sub ortum solis, tegen het aanbreken van den dag. Soms onmiddellijk na. B.v. Sub eas litteras sta-tim recitatae sunt tuae, onmiddellijk na dezen brief werd aanstonds de uwe voorgelezen.
Sub met den abl. onder, van plaats op de vraag waar. B.y. Sub d ivo, onder den blooten hemel. Saepe est sub palliolo sordido s a p i e n t i a.
Vau tijd drukt het vooral een gelijktijdigheid uit. B.v. Sub luce (bij dag) urbem ingressus sum. Pompejus portas obstruit, ne sub ipsa profectione milites oppidum irrumpörent, Pompejus verschanste de poorten, opdat de soldaten op het oogenblik van zijn vertrek niet zouden binnendringen.
Overdrachtelijk. B.v. Sub oculis omnium, onder aller oogen.
Praepositiones.
§ 165- 166.
147
Vooral in don zin van ouderhoorigheid. B.v. Sub Romulo, onder de regeering van Romulus. Gentes, quae era ut sub Romanorum imperio, de volken, die onder het gebied der Romeinen tcaren.
3. Super met den a c o. hoven, op de vraag waar en w a a r h e e n. B.v. Super aliquem sedëre, hoven iemand zitten (aan tafel). Super aspïdera assidere, op een adder gaan zitten.
hehalve, nog daarbij. B.v. Super morbum etiam fames affëcit exercïtum, behalve de ziekte deed ook de honger het leger in krachten afnemen.
meer dan, bij getallen. B.v. Super quadraginta, meer dan {over de) veertig.
Super met den abl. evenals deover, aangaande. B.v. Supev aliqua re ad aliquem scriböre, over zekere zaak aan iemand schrijven.
4. Subter met den ace. onder, van plaats. B.v. Plato iram in pectöre, eupiditatem sub ter praecordia locavir, Plato plaatste den toorn in de horst, de hegeerlijkheid onder het middenrif.
Subter met den abl. is dichterlijk en hoogst zeldzaam.
§ 165. Dichters en latere prozaschrijvers gebruiken sommige adverbia als p raeposities, namelijk palam, procul en si mul met den abl. en usque met den ace. B.v. Palam populo, openlijk voor het volk; procul mari, ver van zee; si mul his, tegelijk niet hen; usque pedes, tot aan de voeten. In zuiver proza zegt men procul a, si mul cum en, behalve bij namen van steden, usque ad (in, sub).
Usque wordt ook verbonden met a en ex. B.v. Usque ab heroï-cis temporibus, van de heldentijden af.
Aanmerking. De ablativi ergo, causa en gratia, wegens, om wille van zijn, wat hun gebruik betreft, gelijk te stellen met praeposi-ties. Zij worden verbonden met den gen. en staan altijd daarachter. B.v. Victoriae ergo, wegens de overwinning; bestiarum causa, h o m i n u m gratia, om wille van de dieren, van de menschen.
S 166. De praeposities Ifflmen veelvuldig voor in samenstelling met andere woorden. Zij behouden gewoonlijk hare h' ofdbeteekenis, doch ondergaan dikwijls eenc verandering in haren vorm. De volgende opmerkingen geven de voornaamste veranderingen aan, dir zich hierbij voordoen.
Ad blijft onveranderd vóór vocalen en vóór h, b, d, j, v, m. B.v. adeo, adhibeo, adbïbo, addo, adjtivo, adveho, admlror. Vóór de overige consonanten wordt d geassimileerd (vóór qu in c), B.v. accedo, affero, aggredior, alloquor, annuo, appareo, acquTro, arripio, assurgo, attribuo. Vóór gn valt d weg. B.v. agnatus, agnosco; meermalen ook voor sc, sp, st. B.v. ascendo, aspicio, ast o. In arcesso werd d tot r.
Ante blijft onveranderd behalve iu anticïpo (ante en capio) en autist o, waarvoor men echter ook antes to schrijft.
Circum blijft onveranderd behalve dat men meermalen circueo in plaats van circumeo en altijd circuitio en circuit us schrijft.
Cum verandert in samenstelling u altijd in o. De m blijft vóór b, m, p; wordt geassimileerd vóór 1, n, r; gaat over in n vóór de overige consonanten en valt weg vóór vocalen (uitgezonderd comedo, comes, comitium en comïtor) gn en h; soms ook vóór n.
B.v. combïbo, committo, comprïmo.
Praepositiones.
§ 167.
148
collïgo,coiinecto,corrf)do.
conjuugo, confëro.
coëo, cognosco, cohaereo, coniveo.
Inter blijft onveranderd behalve in intellëgo.
Ob blijft onveranderd behalve vóór c, f, g, p, in welke gevallen de b geassimileerd wordt. B.v. occurro, offëro, oggannio, oppono. In obsolesco en ostendo komt een onde vorm obs voor. De b is weggevallen van obs in ostendo en van o b in o m i 11 o en o p e r i o.
Por blijft onveranderd behalve in pollicio, waar de r geassimileerd en in pejero, waar de r uitgevallen is.
Post ondergaat slechts verandering in p o m e r i u m en p o m e r i-d i a n u s.
Trans blijft gewoonlijk onveranderd. Men schrijft echter boter tra do, tradnco, trajicio en trano dan transdo, enz. Ook laat men meestal de s weg, wanneer hot tweede gedeelte van het compositiim met s begint. B.v. transcribo.
A, ab, abs en wel a vóór m en v, zooals amitto, avello, evenzoo aspernor; abs vóór c en t, zooals abscondo, abstineo; ab in alle andere gevallen, behalve bij aufëro en aufugio. Ook vindt men meermalen aförem, aföre in plaats van abforem, abföre. Vgl. over afui § 91. 4°. In asporto, aspello in as een overblijfsel van abs.
E, ex en wel ex vóór vocalen en vóór c, h, p, q, s, t, (behalve in epoto, epfftns en eseendo). B.v. exeëdo, exhibeo, expfïno, exqniro, exsëquor, extruho. Vóór f wordt ex geassimileerd, zooals in effëro. In alle andere gevallen gebruikt men e (behalve in ex lex). B.v. ebïbo, edo.
Pro wordt prod in prodeo, prodïgo en prodesse.
In wordt im vóór b, m, p. B.v. imbïbo, immitto, imps no; het wordt geassimileerd vóór 1 en r. B.v. i 11T d o , i r r u m p o. Vóór g n valt de n weg, zooals iguosco, ignominia, ignsrus. In alle andere gevallen blijft in onveranderd. B.v. incur ro, indico, in f undo.
Sub blijft onveranderd vóór vocalen en vóór de meeste consonanten ; het wordt geassimileerd vóór e, f, g, m, p, r. B.v. succurro, sufficio, suggëro, summitto, suppöno, surripio. Zoo sub echter een verzwakkende betoekenis aan het woord geeft, laat men het beter onveranderd. B.v. subcrispus, subflïtvus, subgrandis, submo-lostus, subpallïdus, subrusticus. Ook zonder verzwakkende be-teekenis blijft hst meermalen, vooral vóór m en r, onveranderd. B.v. subministro, subruo. In suspicio en susplro is de b weggevallen. In suscipio, suseïto, suspendo, sustinec en sust u li neemt met een ouden vorm subs aan, waarvan de b is weggevallen.
§ 167. Er zij a eenige praeposities, die alleen in samenstelling voorkomen, namelijk:
amb, am of an, om, rondom, van weerszijden. B.v. am pleet or, omhelzen, a m b i o, rondyaan, ambustus, rondom verbrand, a m p ti t o , rondom afsnijden, a n c e p s, van weerszijden een hoofd, aangezicht hebbend.
dis, di (dif vóór f en dirindiribeo uit dishabeo en dirïmo uit disemo), uiteen. B.v. distribuo, verdeelen, dimitto, uiteen laten gaan, diffundo, uit elkander gieten.
in, on. B.v. incautus, onvoorzichtig. Men lette wel op het verschil
Conjunctiones en interjectiones.
§ 168â169.
149
van beteekeuis tussclieu dit i u en tie vroeger behandelde praepositie met den ace. en abl. B.v. in diet us van indlco, aangezetjd, en indict us, ongezegd; invocatus van invöco, aangeroepen, en invocatus, ongeroepen.
por (mot assimilatie vóór 1 en s), naar toe, te yemoet, keen. B.v. porrïgo, uitstrekken, polliceor, zich tot iets aanbieden, heioven, pos-si d o, in bezit nemen.
re, terug, weder. B.v. recedo, teruggaan, reficio, herstellen. Vóór vocalen en h en in reddo zegt men red. B.v. redeo, redhibeo.
se, afzonderlijk, zonder. B.v. sop5no, ter zijde leggen, secïirus, zonder zorg, gerust. In seditiois een d ingesclioven. Se wordt so in socors.
v e, huiten, zonder. B.v. v e c o r s, waanzinnig. Soms zeer. B.v. v e p a 1-1 ï d u s, zeer bleek.
TWEE EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK. OVER DE CONJUNCTIONES EN INTERJECTIONES.
|
§ 168. De deeld in de copulatïvae, disjunctïvae, adversatïvae, comparativae, concluslvae, eoucessïvae, condicionales, causales, finales, temporales, interrogativae. Over het worden. |
verbindende, scheidende. â tegenstellende. â vergelijkende. â gevolgtrekkende. â toegevende. â voorwaardelijke. â redengevende. â doelaamvijzende. â tijdbepalende. â conjimctiones worden volgende soorten : vragende. â der conjuncties gebruik B.v. |
volgens hare beteekeuis ver e t, en, q u o q u e, ook. aut, vel, of. sed, maar, tarnen, echter. ut, zooals, quasi, alsof. i t a q u e , i g i t u r, der ha Ive. etsi, quamquam, ofschoon. s i, indien^ nisi, tenzij. nam, want, quod, omdat. ut, opdat, ne, opdat niet. cum, toen, postquam, wactoi. n um, a n. zal in de syntaxis gesproken |
§ 169. De interjectiones zijn deels klanknabootsende geluiden, deels nomina, verba of' adverbia, die tot het uitdrukken van gemoedsbewegingen gebezigd worden.
Tot de eerste soort behooren ter uitdrukking van vreugde: i o , hoezee, ha, h a li a h e, ha, ha.
van smart: vae, ivee, hou, eheü, ohe, pro, ach, helaas. van verwondering: o, hui, hem, oh em, o, he, ach, aha, welzoo. atat, papae, wel drommels, sakkerloot, en, ecce, ziedaar. van afkeuring: phui, foei.
van aansporing: eja, welaan, euge, bravo, goedzoo.
bij roepen: heus, eho, ehodum, hei, holla, hoor eens hier.
Gonjunctiones en interjectiones.
§169.
150
Tot de tweede soort behooreu:
pax, stil, (/een woord meer, malum, trai drommel, voor den duivel, bona verba, zacht wat, sis (si vis), sultis (st vultis), sodes (si audies), als H u hlief't, bene, weZ bekome 't, belle, heerlijk. Bij verzekeringen en eeden gebruikt men
n e, waarachtig. Men plaatse dit woord slechts vóór pronomina. B.v. Ne is te baud me cum sen tit, hij is het waarlijk niet met mij eens.
mehercüles, mehercttle, mehercle (ita me Hercules juvet of ita me Hercule juves), bij Hercules.
mecastor, ecastor (me Castor juvet), bij Castor.
pol, edepol (me deus Pollux juvet), bij Pollux.
medius fidius (me deus Fidius juvet), waarachtig, God weet het.
SYNTAXIS.
EERSTE HOOFDSTUK.
OVER DE HOOFDBESTANDDEELEN VAN DEN ZIN.
§ 170. Een zin bestaat minstens uit een onderwerp of subject en een gezegde of praedioaat.
Aanmerking.* De eenvoudigste woordplaatsing van een Latijnschen zin is deze, dat de ziu begint met het subject en eindigt met het praedioaat, terwijl de bepalingen in het midden geplaatst worden en wei zoo, dat zij des te dichter bij het subject of' praedioaat staan, naarmate zij zich daaraan inniger aansluiten. B.v. Cicero a c i v i b u s suis K o m a m revocatus est. Imago p u 1 c h r a Miner-vae ex aero, opus Phidiae, At he nis collocata est. Pater hodie mag no cum gaudio filio suo li brum donavit. Caesar oppidan is partem exercitus auxilio rellquit.
* Van deze woordplaatsing wordt echter dikwijls afgeweken om de woorden, die in de gedachte van den spreker of schrijver het voornaamste zijn, te doen uitkomen. Het woord namelijk, dat den meesten nadruk heeft, wordt voorop, en het woord, dat de gedachte van den zin voltooit, achteraan gezet. B.v. Latins patet illius scelëris contagio. Intus, intus, inquam, est equais Trojanus. Magna vis est conscientiae.
In zinnen, die met een conjunctie of relativum beginnen en in een accusativus cum infinitive wordt het woord, waarop de meeste nadruk valt, meermalen achteraan gezet. B.v. Tantum abest, ut nestra miremur, ut usque eo difticiles ae morosi simus, u t nobis non satisfaciat ipse Demosthenes. Relatione contrariorum, antTqui jam ante Isocrfttem delectabantur et maxime Gorgias, eujus in oratiene plerumque effïcit numerum ipsa concinnitas. In iis perniciosus est error, qui existi-mant, libidïnum peccatorumque omnium patere in amicitia licentiam.
Bij het stellen van een zin moet men ook zorgen voor de welluidendheid. Daartegen strijdt
1°. wanneer meerdere één- of gelijklettergrepige woorden met denzelfden stemval op elkander volgen. B.v. C u r tu in hac re te non debere cedere erederes? Ista pugna Caesar muitos Gallos vicit atque cepit. Komani Germauos hucusque invictos vicerunt. African us ïvumantiuos gloriose resistontes superavit.
2°. wanneer woorden naast elkander staan met scherp klinkende of moeilijk uit te spreken consonanten of vocalen. B.v. Rex Xerxes. Ingens est stridor. Baccae aeneae amoenissimae.
Over de hoofdbestanddeelen van den zin. § 17iâ174.
3°. wauueor meerdere woorden, wier uitgang douzelfden klank heeft, op elkander volgen. B.v. Horum duorum fortissimorum viro-rum. Quid quid fit, id pater nou con cede t. Het op elkander volgen van woorden, die met q u beginnen, was niet onaangenaam voor het oor der Romeinen. B.v. Qui quo ui am, quid die er et, in tol legere noluit.
§ 171. Het subject is óf een s ub s t a n t i vum of een woord, dat als substantivum wordt gebruikt, of een gebeele zin* B.v. Aqua fluit, liet water vloeit. Quis dormit, wie slaapt er? Mali punientur, de bonzen zullen gestraft worden. Beati sunt possidentes, zalig zijn de bezitters. Mentïri. turpe est, liegen is schandelijk. Quod venisti mihi g ra tuin est» dat gij gekomen zijt is mij aangenaam.
§ 172. Het subject van den eersten en tweeden persoon wordt weggelaten behalve bij tegenstellingen en wanneer er de nadruk op valt. B.v. Praeterïta mutare non possümus, tcij kunnen het verledene niet veranderen. Ego reges ej eci , vos tyranuos introducltis, ik heb de koningen verdreven en gij voert de dwingelanden binnen. Tu mentis es compos? Tu non const ringen dus?
Plet subject van den derden persoon wordt weggelaten, wanneer het genoegzaam uit den samenhang kan opgemaakt worden.
§ 173. Het praedicaat is of een enkel verbum of een verbum met een substantivum of adjectivum. B.v. Rosa floret, de roos bloeit. Rosa flos est, de roos is een bloem. Rosa pul-chra est, de roos is schoon.
'* Aanmerking. Somtijds bestaat het praedicaat uit het verbum sum en een adverbium. In zulk een geval heeft sum dikwijls de betee-nis van zich hecinden, gesteld zijn, enz. B.v. Sic vita ho milium est. Ubïvis tutius sum quam in regno meo. Diu est, cum te vidi. Rectissime sunt a pud te omnia. Patri a est ubiciiuque est bene. Sapienti sat. Vgl. § ITi. Aanm. 1°.
§ 174. Het praedicaatsverbum kan weggelaten worden, wanneer men het tweemaal in den zelfden vorm zou moeten gebruiken. B.v. Nauta de ventis, de tauris narrat arator, de schipper vertelt van den wind, de landman van de stieren. Dit kan ook geschieden, wanneer het verbum in een anderen persoon of in een ander getal zou voorkomen. B.v. Magis ego te amo. quam tu me (amas), ik bemin u meer dan gij mij bemint. Beate vivëre alii in alio (ponunt), vos in voluptate po-nitis. In Hyrcania plebs publicos alit oanes, optimate^ (alunt) domesticos.
152
174. Over de hoofdbestanddeelen van den zin. 153
Aanmerking. Meermalen worden als praedioaatsverba uitgelaten :
1°. est, sunt (zelden erat, erant, fnit, fuerunt) in spreuken en algemeene waarheden. B.v. Quot homines, tot sententiaej zooveel hoofden, zooveel zinnen. Jucundi acti lab ores, gedaan werk is aangenaam. Zeer dikwijls wordt esse uitgelaten in de samengestelde tijden van den accusativus cum infinitive, vooral zoo het participium op urum uitgnat. B.v. Venturum se dixit. Nihil factum putavit. Hoc in medio relinquen-dum duxi. Vgl. § 388. A. II. en § 389. A. II.
Est en sunt worden ook uitgelaten bij korte, scherpe tegenstellingen eu in rhetorische vragen. B.v. Sed haec leviora, illa vero gravia atque magna. Num igitur horum senectus miser abilis, qui se a g r i cultione oblectabant?
* 2°. inquit, bij het mededeeleu van een geregeld gesprek. In proza wordt het subject dan altijd uitgedrukt eu meestal vóór de aangehaalde woorden geplaatst. B.v. at ille, tuin ego, cui ego.
* 3°. dico en facio, doch slechts wanneer liet subject genoemd w ordt eu er een goedkeurend of afkeurend ad verbium bij deze verba staat. B.v. Scite eü.im (dicit) Cbrysippus, ut gladii causa vaglnam, sic praeter mundum cetera omnia aliorum causa esse gen erat a. Melius hi (fecerunt) quam nos.
Ook worden facio en fio meermalen weggelaten in korte negatieve zinnen, die een waarschuwing bevatten. B.v. De ever ten-dis urbibus val de considerandum est, ne quid te mere, ue quid crude liter. Livius laat facio ook weg in de uitdrukking: quid aliud quam? nihil aliud quam. B.v. Per biduum nihil aliud (fecerunt) quam steterunt parati ad pugnandum, twee dagen lang deden zij niets anders dan slagvaardig staan.
4°. verschillciidc verba, die uit den samenhang 'der rede gemakkelijk verstaan worden. B.v. 111e ex me (quaesivit), nihilne novi audis-sem. Sed ad ista alias (respondebo), nunc Lucilium audiamüs. Sed non necesse est nunc om nia (commeniorare). S u rsu m cord a (dii'igite). Hiertoe behooren ook sommige spreekwoorden, zooals: for tun a fortes (adjuvat), die waagt, die wint. Minima de malis (eligenda sunt) van ticee kwaden moet men het minste kiezen. Bis ad eundem (lapidem otfendere), zich tweemaal aan denzelfden steen stooten.
5°. Zeer gewoon is de weglating van het verbum in de volgende spreekwijzen.
Quid turn? quid postea? (sequitur, factum est). B.v. Nemo post re ges exactos de plebe consul fuit. Quid postea? N u 11 a n e r è s nova i n s t i t u i debet?
Quid it a? (waarbij het voorafgaande verbum moet aangevuld worden). B.v. Quam molestum est uno digïto plus habere! Quid ita? Quiauec ad speciem nee ad usum alium quinque desidörant
Quid mult a? Quid plura? Ne plu ra (dicam). Ne multis (verbis utar), om kort te gaan. Quid ad me (hoe pertiuet)? wat gaat mij dit aan? Nihil ad rem (pertiuet), dit doet niets ter zake. Quid mi hi cum hac re (uegotii est)? wat heb ik daarmede te maken.
154 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 175â176.
6°. Ten laatste zij opgemerkt, dat de Latijnen in afwijking van de Nederlanders de werkwoorden dieo, scito, scitote en dergelijken altijd weglaten na bijzinnen met ne en qnod (wat betreft). B.v. Ne quis a nobis hoc ita dici forte miretur: ne nosquidem liuic uni studio penïtns nnquam dedïti fuimus. Quod seribis te veile scire, qui sit rei publicae status: summa dissensio est.
TWEEDE HOOFDSTUK.
REGELS VAN OVEREENKOMST.
I. Overeenkomst tusschen het subject en het praedicaat.
§ 175. Het praedicaatsverbum komt met het subject overeen in persoon en getal. B.v. Tu doces, nos dis dm us gij onderwijst, wij leeren. Virtus ma net, divitiae pereunt de deugd blijft, de rijkdom vergaat.
oA an merking I. Zoo de nomina partitiva plerlque, multi, p lures, pauci en dergelijken subject zijn en den genetivus pluralis nostrum of vestrum bij zich hebben, strat het praedicaatsverbum in den eersten of tweeden persoon van het meervoud. B.v. Plerlque nostrum ignorabamus. Multi vestrum ignorabatis. Dit heeft ook plaats, wanneer de genetivus der pronomina personalia verzwegen is. B.v. Plerlque, qui meminerimus, supersümus, de meesten onzer, die zich dit herinneren, zijn nog in leven. Potuistis nonnulli liomae al ie nas opes ex spec tare. Bij ut er que staat het verbum echter in den derden persoon. B.v. Uterque nostrum audivit (niet au d i v i m u s).
Aanmerking II. Wanneer met een enkelvoudig subject van den derden persoon een substantivum verbonden is door de praepositie cum, staat hot praedicaatsverbum, zoo het op beiden betrekking heeft, meermalen in het meervoud. B.v. Ipse rex cum aliquot principibus capiuntur. Bij een subject van den eersten of tweeden persoon gebruikt men echter bijna altijd het enkelvoud. B.v. Ego cum fratre Capuam profectus sum. Tu ipse cum Sexto, scire velim, quid cogites.
§ 176. Het praedicaatsadjeetivum (participium of pronomen) komt met het subject overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. Pu er modest us est, de knaap is bescheiden. Prata sect a sunt, de weiden zijn gemaaid. Hi 1 ibri sunt mei, deze hoeken zijn de mijnen. Haec muiier erat prudentissima, deze vrouw was het voorzichtigst. (Let hier op het verschillend spraakgebruik van het Nederlandsch en liet Latijn). Mentiri turpe est. Quod venisti mi hi gratum est. Vgl. § 42.
* Aanmerking I. Somtijds is het praedicaatsadjectivum een superlativus, die een genetivus partitivus bij zich heeft van
§ 177. Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. 155
een ander geslacht dan het subject. Zoo nu het subject een nomen concretum is, komt het praedicaatsadjectivum gewoonlijk in het geslacht van het subject. B.v. Elephantus prudentissimus est omnium bestiarum. Meermalen echter staat het praedicaatsadjectivum ten gevolge van de woordplaatsing in het geslacht van den genetivus partitivus. B.v. Velocissimum omnium animalium d el p hm us est. Zoo het subject een nomen abstractum is, neemt het praedicaatsadjectivum altijd het geslacht aan van den genetivus partitivus. B.v. Se r vitus postremum omnium malorum est.
O Aan merking II. Nu en dau vindt men een onzijdig praedicaatsadjectivum bij een mannelijk of vrouwelijk subject. B.v. ïur-pitudo pejus est qnara dolor. Aliud est oratio, aliud disputatio. Varium et mutabile semper fe m i n a. Deze afwijking wordt verklaard door het praedicaatsadjectivum als een su b s tan t i v u m te beschouwen. In hot Nederlandsch voegt men bij de vertaling van zulk een adjectivum dikwijls iets, zaak, wezen. B.v. Een redevoering is iets anders dan een redetwist. Een vrouw is altijd een wispelturig en veranderlijk ivezen. QAan merking III. Zoo hot subject een infinitivus is, worden de praedicaatsadjectiva van één uitgang niet in den nominativus van het neutrum, maar in den genetivus van het masculinum geplaatst. B.v. Dementis est opinari, mundum casu esse ortum, het is onzinnüj te gelooven, dat de wereld door toeval ontstaan is. Tem-pori cf de re, id est necessitati parëre, semper sapientis est h a b i t u m.
Aanmerking IV. De, eigennamen van schepen en tooueelstuk-ken (soms ook van steden en planten) hebben het praedicaatssadjec-tivum altijd in het vrouwelijk geslacht, wijl men er de appellativa navis en fabula onder verstaat. B.v. Ceutaurus ad scopülos al-llsa est, de Centaurus is tegen de klippen verbrijzeld. Nota Yobis est P1 a u t i P s e u d o 1 u s, de Fseudolus van Plaufus is u bekend.
§ 177. Het praedicaatssubstantivum komt met het subject overeen in n a a m v a 1. B.v. S o m n u s est imago mortis, de slaap is een beeld des doods.
Zoo liet praedicaatssubstaiitivum tot de c o m m u n i a behoort en een adjectivum bij zich heeft, komt dit ook inhet geslacht van het subject. B.v. I nvidia assidua comes fortünae estgt; de nijd is de cjestaduje gezel van het geluk.
Zoo het praedicaatssübstantivum tot de m o b i 1 i a behoort, komt het met het subject overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. African ut rix leonum est, Africa is de voedster der leeuwen. Athênae omnium artium inventrices fuerunt, Athene is de grondlegster van alle wetenschappen (jeieeest. Wanneer het subject o n z ij d i g is , wordt de mannelijke vorm der mobilia gebruikt. B.v. Tempus est vitae magister, de tijd is de leermeester des levens..,
* Zoo het subject tot de epicoena behoort, wordt die vorm der
156 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 178â179.
mobilia gebruikt, welke met het grammaticaal geslacht van het subject overeeukomt^-B.v. Aquïla est vol u cru m regina.
§ 178. Somwijlen richt zich het praedicaat niet naar het grammaticaal geslacht en getal van het subject, maar naar het geslacht en getal van de personen, die door het subject worden aangeduid. Deze constructie, welke vooral bij de geschiedschrijvers voorkomt en slechts spaarzaam mag nagevolgd worden, heet constructio ad synësin en wordt aangetroffen;
1°. bij milia en bij uitdrukkingen, waardoor in figuurlijken zin personen worden aangeduid. B.v. Duo milia Tyriorum crucibus affixi sunt, twee duizend Tyriêrs werden gekruisigd. Capita con juration is securi peren ssi sunt, de hoofden der samenzwering werden onthoofd.
2°. bij enkelvoudige pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals: uterque, quisque, alius alium, alter alterum. B.v. Uterque e o r u m exercitum ex castris e d u c u n t, heiden voerden zij het leger uit de legerplaats. Levissimus quisque novas res male bant, de lichtzinnig sten wilden liever een omwenteling.
3°. bij nomina collectiva, als zij van.personen gebruikt worden. B.v. Magna multitudo hominum in urbem convenerant, een groote menigte menschen was in de stad bijeengekomen. Het meervoudige praedicaat mag hier uiet vóór het enkelvoudige subject geplaatst worden. In klassiek proza wordt de constructio ad synesiu bij collectiva bijna alleen maar gebruikt, wanneer iu een bijzin naar een vroeger genoemd collectivum verwezen wordt. B.v. Hoc idem generi humano ovënit, quod (met de gedachte aau homines) in terra collocati sunt. Orgetorix civitati persuasit ut (met de gedachte aan cives) de finibus suis exirent.
Aanmerking. Bij partim-partim (welke uitdrukking dezelfde beteekenis heeft als alii-alii) staat het praedicaat altijd in het meervoud en in het geslacht der van partim afhangende substantiva. B.v. Bonorum partim neccssaria, partim non necessaria sunt, sommige goederen zijn noodzakelijk, andere zijn niet noodzakelijk. Partim e nobis timïdi sunt, partim a re publica a ver si.
§ 179. Meermalen is eeu pronomen demonstrativum of interrogativum subject van een zin , welks praedicaat gevormd wordt door een verbum met een substantirum. B.v. Dit is de beroemde slag hij het meer Trasirnenus. Wat is de oorzaak uwer droefheid 9 In zulk een geval komt het pronomen in het Latijn gewoonlijk in het geslacht en getal van het p r a e d i c a a t s-substantivum en niet zooals in het Nederlandsch in het neutrum singulare. B.v. Haec est nobïlis ad Trasumënum pugna. Quae est tristitiae tuae-causa? Idem veile atque idem nolle ea demum vera amicitia est.
* Zoo echter de nadr uk op het pronomen valt of het onbepaalde moet uitkömen, plaatst men het in het neutrum singulare. B.v. Id humauitas vocabatur, zoo iets heette beschaafdheid. Quid est, si hoe non est contumelia, wat is dan een heleediging, zoo dit er-geen is?
§ 180â182. Overeenkomst tusschen subject en praedicaat.
Ss § 180. Wanneer het praedicaatssubstantivum eeu ander getal heeft dan hot subject, komt het verbum gewoonlijk overeen met het s u b-jeet. B.v. Captlvi sunt militum praeda, de cjevanyenen zijn de buit der soldaten. Zoo het verbum echter het dichtst bij het praedicaatssubstantivum staat, kan het daarmede ook overeenkomen. B.v. Athenae clarissima urbs Graeciae fuit, Athene is de beroemdste stad van Griekenland (jen:eest. Is het subject evenwel een infinitivus, dan moet het verbum met het meervoudige praedicaatssubstantivum overeenkomen. B.v. Contentum suis rebus esse maxi mae sunt divitiae, tevredenheid met zijn toestand is de grootste rijkdom.
§ 181. Wanneer het praedicaatssubstantivum een ander geslacht heeft day het subject en het verbum uit sum en een participium bestaat, komt het participium gewoonlijk in het geslacht van het subject. B.v. Sommis nominandus est imago mortis, den slaap moet men een leeld des doods noemen. Zoo het participium echter het dichtst bij het praedicaatssubstantivum staat, kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. Non om nis error stultitia est die en da, niet iedere dwaling is dwaasheid te noemen. Is het subject evenwel een nomen proprium, dan moet liet participium daarmede overeenkomen. B.v. Semirftmis puer esse credïta est, men geloofde dat Semiramis een jongen was.,
§ 182. Zoo een zin twee of meer enkelvoudige subjecten lieefl, komt hot praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud, wanneer de subjecten personen of' personen en zaken zijn. B.v. In nostra acie Castor et Pollux ex equis pugnare . t i s i sunt, in ons leger zag men Castor en Pollux te paard strijden. Sypliax regnumque ejus in potestate Eomano-r u m e r a n t, Syphax en zijn rijk waren in de macht der Bomei-nen. Zijn die subjecten echter verbonden door aut, aut-aut, vel-vel, et-et, nec-nec, non -non, sive-sive, clan wordt het praedicaatsverbum gewoonlijk in het enkelvoud geplaatst. B.v. Si Socrfites aut Antisthënes dicëret, indien Socrates of Antisthenes het zeide. Men vindt echter ook liet meervoud en wel vooral, wanneer een der subjecten een pronomen van den 1 sten of 2cleu persoon is. B.v. IST e q n e h o s t i u m m u 11 i t u d o n e q u e t e 1 o r u m vis a r c e r e i m p ë t u m ejus v i r i p o t u e-runt. In decemvir is neque Caesar neque ego habiti s u m u s.
Bij s e n a t u s p o p u 1 u s q u e R o m a n u s en dergelijke uitdrukkingen, die één geheel aanduiden, staat bijna altijd het enkelvoud. B.v. Sen at us p op u lus que Rom an us semper aequus erga victos fuit.
Zoo de subjecten zaken zijn, komt liet praedicaatsverbum in het enkelvoud, wanneer die zaken als één geheel worden beschouwd, en in het meervoud, wanneer zij als verschillend
157
158 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 183â184.
worden voorgesteld. B.y. Religio et fides antepon at ur amicitiae, godsdienst en trouw (= nauwgezette plichtsbetrachting) stelle men hoven vriendschap. Jus et injuria natura diju-dicantur, recht en onrecht zijn van natuur onderscheiden.
Zoo enkel- en meervoudige subjecten verbonden zijn, staat het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud. B.v. Vita, mors, d i v i t i a e , paupertas o m n e s homines v e h e m e n t i s-sime permövent, leven en dood, rijkdom en armoede roeren alle menschen zeer geweldig. Is het praedicaatsverbum echter het dichtst bij het enkelvoudige subject geplaatst, dan kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. JSTunc mi hi nihil libri, nihil doctrïna prod est, thans haten mij noch mijn hoeken, noch mijn geleerdheid.
§ 183. Wanneer de subjecten in persoon verschillen, staat het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud en wel zoo, dat de eerste persoon boven den tweeden en de tweede boven den derden gaat. B.v. Si tu et ïullia valetis, ego et Cicero val emus, zoo gij en Tullia welvarend zij t, ik en Cicero zijn welvarend. Somtijds evenwel komt het verbum met het naaste subject overeen en dit is bij tegenstellingen zelfs noodzakelijk. B.v. Non ego, sed tu hoe dixisti, niet ik, maar gij heht dit gezegd.
Aanmerking, üe Latijnen zetten den eersten persoon steeds voorop, zooals: ego et tu, ego et ille, terwijl wij gewoonlijk zeggen: gij en ik, hij en ik.
r
§ 184. Zoo een zin meerdere subjecten heeft van gelijk geslacht, staat het praedicaa^sadjectivum (of participium) in het geslacht dier subjecten. B.v. Mater et soror mihi carae sunt, mijn moeder en mijn zuster zijn mij dierbaar. Zijn die subjecten evenwel zaken van het vrouwelijk geamp;lacht, dan kan het praedicaats-adjectivum ook in het neutrum staan. B.v. Virtus fidesque vestra spectata mihi sunt, uw deugd en trouw zijn mij bekend.
Zoo een zin meerdere subjecten heeft van verschillend geslacht, neemt liet praedicaatsadjectivum, wanneer hét . in het enkelvoud staat, het geslacht aan van het naaste subject. B.v. Cingetorïgi principatus et imperium est tradïtum, aan Cingetorix werd, de voorrang en de heerschappij opgedragen. Staat het praedicaatsadjectivum daarentegen in hetmeervoud, dan komt het^ zoo de subjecten personen zijn, in het mannelijk. B.v. Jam
§ 185. Overeenkomst tusschen substantivum en attributum.
pridem pater et mater mi hi mor tui sunt, reeds lane/ geleden zijn mijn vader en moeder gestorven.
zoo de subjecten zaken zijn, in liet onzijdig. B.v. Libri et pictürae saepe carissiraa sunt, hoeken en schilderijen zijn dikwijls zeer duur. ^
zoo de subjecteu persoiieu en zaken zijn, in het geslacht dor personen of iu het o n z ij d i g, naarmate de personen meer als zaken of de zaken meer als personen worden opgevat. B.v. Rex regiaque classis (= classiarii regii) una profecti sunt. de koning en de koninklijke vloot zijn ie zamen vertrokken. Inter se iuimica sui.'t libera civitas et rex (= regia potestas).
Aanmerking. Somtijds neemt het praedicaatsad jectivum hot geslachtaan van het naaste meervoudige subject. B.v. Visae sunt nocturno tempore faces ardor que caeli, men zag hij nacht fakkels en een gloed aan den hemel.
II. Overeenkomst tusschen het substantivum en het attributum.
§ 185. Een ad jectivum (participium of pronomen) kan onmiddellijk verbonden worden met een substantivum. Zulk een adjectivum heet attributum en komt met het substantivum overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. Vera amicitia, ware vriendschap. Tempus praeterïtum, de verleden tijd. H a e c domus, dit huis.
Aanmerking I. Met een substantivum kan onmiddellijk een adverbium worden verbonden:
1°. wanneer het begrip zelf vau het substantivum nader bepaald wordt. B.v. Vere puer, een echte jongen. Door het adjectivum ver us zou aan het substantivum puer een eigenschap worden toegekend, die niet tot het begrip van dat substantivum behoort. M a g i s m u 1 i e r, een vrouw in den hoogeren' zin van het woord; major muiier, een vrouw van grootere lichaamsgestalte.
2°. wauneer het substantivum den zin van een verbum of adjectivum heeft. B.v. Pópulus late rex = late regnans. Publico testis, iemand, die getuigenis aflegt in naam van den staat.
3°. wanneer het substantivum eigenlijk een participium perfecti passivi is. B.v. Praeclare of praeclarum factum, een voortreffelijke daad. Pacëtooffacëtura responsum, een geestig antwoord. Alen zegt echter altijd bene, male, recto factum.
4°. wanneer het substantivum een adjectivum of p r o n o m e n bij zich heeft; in dit geval staat het adverbium tusschen het adjectivum en het substantivum. B.v. Om nes circa gentes, alle volken in den omtrek. Duosimul mala, twee rampen te gelijk. Heeft het substantivum geen adjectivum of pronomen bij zich, dan worden de Nederlandsche adverbia bij de vertaling in het Latijn of wel veranderd in passende adjectiva of pronomina of omschreven door een relatieven zin. B.v. De reis daarheen, id iter. De volken in den omtrek, gentes, quae circa habitant.
A.anmerking II. Somtijds worden subslantiva als attributa
159
Gebruik der attrihuta.
] 60
§ 186â187.
bij andere sulistantiva gevoegd. B.y. Excercitus tiro, een ongeoefend leger. Soror mea virgo, mijn ongehuwde zuster. Als zoodanig worden gewoonlijk slechts gebruikt:
10. de m o b i 1 i a op tor en t r i x. B.y. Victrix legio, een overwinnend legioen.
2°. do namen van Tolken. B.v. Miles Gallus. Vgl. § 144. B. 3.
3°. ii e m o en quisquara in plaats van nullus eu ullus. B.v. Nemo homo. Nee quisquam orator. Deze woorden moeten gebruikt worden bij substantiva, die eigenlijk adjectiva zijn en bij namen v a n volken. B.y. Nemo doet ns, geen geleerde. Nemo alius, geen under. Nemo Gallus, geen. Galliër. Nee quisqu am h o n e-s t u s, en geen fatsoenlijk man.
( Aanmerking 111. Dichters plaatsen soms een adjeetivum bij een substantiyum, om daaraan een eigenschap toe te schrijven, welke eerst door de handeling van het werkwoord yeroorzaakt wordt. Men noemt dit prolepsis. B.v. Submersas obrue puppes = obrue puppes, ut submergantur. ïer frustra compronsa manus effugit imago = ter manus imago effugit, ut frustra comprensa esset. Premit placid a aequora pont us = pontus aequora ita premit, ut placida fiant.
Eveneens plaatsen zij soms het adjeetivum behoorende bij een substantiyum in den genetivus bij het substantiyum, waarvan de genetivus afhangt. Men noemt dit hypallageadjectivi. B.v. Quid antiques sign or um suspicio ortus voor antiquorum signorum. Tyrrhenus t u b a e clangor voor Tyrrhenae tubae clangor. ( * § 186. Wanneer een adjeetivum betrekking hoeft op twee of meer substantiva, richt het zich gewoonlijk naar het naaste substantiyum. B.v. O mn es fluvii et maria of fluvii om nes et maria óf fluvii et maria omnia. Zoo hot adjeetivum vóór het laatste substantiyum wordt geplaatst (fluvii et omnia maria), heeft het alleen daarop betrekking.
Om duidelijkheid en nadruk te bevorderen kan men het adjeetivum herhalen of het substantiyum er mede verbinden door et-et. B.v. Deum incorrupt a men te incorr uptïlque voce v ene rein ur of Deum incorr up ta et men te et voce veneremur.
§ 187. In het Nederlandsch staan dikwijls twee adjectiva zonder voegwoord bij één substantiyum. B.v. een oude heilige eik; heerlijke roode wijn. In het Latijn mag dit slechts dan geschieden, wanneer het eene dier adjectiva oen enkel begrip vormt met het substantiyum. B.y. Excellens vinum rubrum. Proelium equestre adveisum. Nonnullae naves longae. Dienen de adjectiva daarentegen om verschillende hoedanigheden van een substantiyum aan te geven, dan worden zij of wel verbonden door een voegwoord, öf het eene dier adjectiva wordt omschreven. B.y. Quercus vetus et sacra. Bollum diuturnum ac perniciosum, een langdurige verderfelijke oorlog. Crate rae ex aere pulcherrimae, zeer prachtige metalen meng vaten. Ilaec paucitas militum paene inermium, deze weinige bijna ongewapende soldaten. Gewoonlijk staat et tusschen m u 11 u s (plurimus) en een ander adjeetivum, wanneer men de veelheid wil laten uitkomen. B.v. M u 11 i et n o b i 1 e s homines, vele aanzienlijke lieden. V e r-santur in animo meo multae et magnae co g i ta ti o n es. Valt er echter geen nadruk op do veelheid, dan blijft et weg. B.v. Mult a majores vestri magna et gravia bella gesserunt. 1
Gebruik der altributa.
§ 188â 190.
161
§ 188. Wanneer twee of' meer adjectiva zoo met een substautivum ziju verbonden, dat daardoor twee of meer zaken van denzelfden naam worden aangeduid, staat het substautivum in het enkelvoud of in het meervoud, maar heeft, zoo het subject is, het praedicaat altijd in het meervoud. B.v. Ovis alba et nigra, een wit en een zn-art schaap. Legio nes secunda «t ter t ia, het tweede en derde legioen- Pocu 1 um aur eum et argenteum ra i hi d o nata sunt, een gouden en een zilveren beker zijn mij ten geschenke gegeven.
a ij 189. In liet Latijn mogen slechts drie soorten van adjectiva bij eigennamen gevoegd worden:
1°. de adjectiva, die dienen om een persoon of zaak te onderscheiden van andere personen of zaken, die denzelfden naam dragen. B.v. Scipio major. Alexander Magnus. Gallia Cisalpina.
2°. de adjectiva, die do ge b oor t e pl aa ts aanduiden. B.v. Miltiades A t he nie n sis.
3°. de adjectiva van hoeveelheid. B.v. Grallia om nis. Athenae s o 1 a e.
Zoo er in het Nederlandseh andere adjectiva bij eigennamen staan, worden zij in het Latijn met een passend nomen appellativum verbonden en daarmede achter den eigennaam geplaatst of wel het pronomen iste of ille wordt tusschen het adjectivum en den eigennaam gevoegd. Bij beide wijzen van omschrijving gebruikt men gewoonlijk den superlativus. B.v. De wijze Socrates, Socrates, homosapientis-s i m u s of Socrates ille sapieutissimus. In den briefstij 1 en de taal des gewonen levens komen echter meerdere uitzonderingen voor. B.v. Suavissimus Cicero. Dnlcissime Attic e. Cum tuo Servio j ucundissimo.
Aanmerk! u g. Adjectiva, die als kenmerk aan een geheele soort van levende wezens worden toegekend, worden in proza liefst niet onmiddellijk met hun substantivum verbonden. B.v. Lepus, animal timidum, de schuwe haas, doch lepus timidus, een schuwf. haas.
*r § 190. Dikwijls gebruikt men in het Latijn een adjectivum, waar wij een adverbium of andere bepalingen bezigen. Dit geschiedt:
1° om de gemoedsstemming of den toestand aan te duiden, waarin iemiind zich tijdens zekere handeling bevindt. Hiertoe behooren de adjectiva laetus, sobrius, t rept dus, invTtus, alsmede de deel-woordelijke adjectiva absens, libens, praesens, sciens, prudens, occultus, mortuus. B.v. Socrates venen um laetus ha u sit, Socrates dronk blijde den giftbeker uit. Absens id prohibëre non potui t, in zijne afwezigheid kon hij dit niet beletten. Mortuo Socrati mag nu'i honor habitus est, aan Socrates werd na zijn dood groote eer bewezen. Men gebruikt echter een adverbium, zoo men wil aanduiden, o p w e 1 k e w ij s de handeling van het werkwoord geschiedt. B.v. Scienter dicere de a 1 iqua re, met kennis van zaken over iets spreken.
2°. 'in plaats van de adverbia van volgorde of rangschikking. Zoodaipige adjectiva zijn princeps, medius, inferior, superior, prioT, posterior, primus, ultimus, imus, infimus, extre-mus., postremus. B.v. Tyriorum gons litteras prima aut
11
Gebruik der aUribula.
§ 191-
1G2
docuit aut didïcit, de Tyriërs hebben het eerst de wetenschappen onderwezen of geleerd. Hannibal princeps in proelium ibat, Hannibal placht het eerst in het gevecht te gaan. Discubuit medius inter Tarquinium et Per per nam, hij legde zich midden tusschen Tarquinius en 1'er per na neder.
Men lette goed op of hot adjectivum moet overeenkomen met hot subject of met het object. Wanneer men zegt: ik heb het eerst deze stad bezocht, dan luidt de vertaling: primus hare urbem adii, wanneer de zin is: ik was de eerste die deze stad bezocht, doch: hanc urbem primam adii, wanneer de zin is: deze stad was de eerste die ik bezocht. Zou eerst staan tegenover daarna, dan moet men een adverbium gebruiken en vertalen: primum hanc urbem adii. ^
3°. dikwijls ook bij unus, solus, tot us, frequens, creber, ^jaj^jduus, rarus en somtijds bij sublTmis, tardus, om nis, u n i-versus, mult us, enz. B.v. Scaevöla solos novem menses Asiae p ra e f ii i t, Scaevöla had slechts negen maanden het bestuur over Azië. Homo nou sibi se soli natum mem ine rit, ee,:, mensch bedenke, dat hij niet enkel voor zich zeiven geboren is. Caesar freqüens in senatu ade-rat. Caesar was dikwijls in den senaat aanwezig. Apparent rari nantes in gurgïte vasto, hier en daar ziet men er een drijven in de wijde zee.
§ 191. Bij de ver inding van eeu substantivum en een attributum staat in bet algemeen dat woord voorop, waarop de nadruk valt. Zoo noemt Plinius zijne natuurkunde libros naturalis historiae, omdat naturalis voor hem hoofdbegrip en historiae bijzaak is.
In sommige gevallen bepaalt bet gebruik de plaats van het adjectivum. B.v. C i v i s R o m a n u s, p o p u 1 u s Roman n s, f r a t r e s g e-m ï n i, genus h u m a n u m, a e s a 1 i e n u m, jus c i v i 1 e, r e s familiaris.
Veellettergrepige adjectiva worden gewoonlijk achter eenlettergrepige substantiva geplaatst. B.v. D i immortales, res innumera-bïles. Ook staan gewoonlijk achteraan de adjectiva, die van eigennamen zijn afgeleid en de adjectiva, die een casus bij zich hebbel). B.v. L y-s a ii der Lacedaemonius. Homo sum ra is virtutibus or nat us.
Tusschen liet substantivum en zijn attributum worden gewoonlijk geplaatst :
10. de regeeringeu van het attributum, zooals in het laatste voorbeeld.
2°. de genetivi en praeposities met hare regeering, die ter bepaling van het substantivum dienen. B.v. Amicitia u s q u c a de x-t r e m u m v i t a e d i e m m a n s i t. T u o r u m e r g a m e m e r i t o-r u m m e m o r i a.
Andere woorden van den zin worden slechts dan tusschen bet substantivum en zijn attributum geplaatst, wanneer men zoowel op bet substantivum als op het attributum een bij zon der en nadruk wil leggen. B.v. Magnum animo c e p i d o 1 o r e m. A e d u i e q u i t e s a d ( a e-s a r e m o m n e s revertuntur. I s t a mihituafuitporju-cunda a propositaoratione digressie.
Wanneer twee adjectiva bij één substantivum behooren, staan óf beiden voorop, zooals: egregia et praeclara indoles, of beiden ach-
0
§ 192â194. Nomen appositum. 163
eraan, zoouls: senaturo afflictum et abjeotum excitavi, of het eene vóór het substantivum en het andere na het voegwoord, zooals: effrenata libido et indomïta.
III. Overeenkomst tusschen het substantivum en het nomen appositum.
§ 192. Een substantivum, bij een ander substantivum gevoegd om het nader te verklaren, wordt nomen appositum genoemd. 13.v. Archias poëta, de dichter Archias.
Somtijds heeft een nomen appositum betrekking op een uitgelaten pronomen. B.v. Hoo tibi, juventus Romana, iiulicïmus helium (voor nos, juventus Komana).
Het nomen appositum komt met tiet substantivum overeen in naamval. B.v. Cicero, elarissimus orator Romanorum, ab Antonio occTsus est, Cicero, de beroemdste redenaar der Romeinen, werd door Antonius gedood. Colïte justitiam, vir-tutem exce 11 en tissimam , beoefent de rechtvaardigheid, een zeer uitstekende deugd.
Zoo het nomen appositum tot de mobilia behoort, moet het ook in geslachten getal overeenkomen. B.v. Romulus con-ditor urbis, Romulus, de stichter der stad. Omitto A the nas omnium artium inventrïces, ik spreek niet van Athene, de grondlegster aller wetenschappen.
'â 'Aanmerking. De geslachtsnaam staat achter de voornamen van twee of meer personen van dien naam in het meervoud. B.v. Gajus et Lucius Memraii, Gajus en Lucius Memmius.
*§ 193. Wanneer het nomen appositum van een subject een ander geslacht of getal heeft dan het subject, richt het praedicaat zich gewoonlijk naar het sub ject. B.v. Tul Ha, deliciae nostrae, ni u-nuscülum tuum flagïtat, Tullia, mijn lieveling, vraagt een geschenkje van u. Zoo echter de meervoudige namen van steden de woorden urbs, oppïdum of civïtas als appositie bij zich hebben, komt het praedicaat in den regel met deze woorden overeen B.v. Volsiuii, oppidum opulentissimum, concrematum est fulmïne, Vol-cinii, een zeer welvarende stad, is door den bliksem verbrand.
§ 194. In het Xederlandsch zetten wij dikwijls een substantivum in appositie, dat de Latijnen in den gen etiv us plaatsen. Dit geschiedt:
1°. altijd bij de woorden vox, nomen, verbum en dergelijken. B.v. Het woord missen is een treurig iets, t riste est nomen c a r e n d i. De familie Sr.ipio heeft vele dappere mannen voortgebracht, g e n s Scipionum ra u 1 t o s fortissimos v i r o s t u I i t. Het getal 300, numerus trecentorum.
2°. meermalen bij de namen van al g e m e en e b eg r i p p e n , die nader bepaald worden door een substantivum. Wij plaatsen hier zeer dikwijls het woord namelijk bij. B.v. Er hood zich een geschikt geneesmiddel aan,
Nomen appositum.
§ 195â198.
164
namelijk water, opportünum remedium aquae oblatum est. Ik meende dat gij het consulaat door andere deugden verdiendet, namelijk door ingetogenheid en achtbaarheid, aliis virtutibus con tine ntiae et gravitatis te cousulatu dignum putavi.
3°. somtijds bjj een nomen appellativum, dat gevolgd wordt dnov den eigennaam eener stad. B.v. Uvbs Patavii,de stad Patavihm. 1 n oppido Antiochtae.
§ 195. In het Nederliiudsch wordt een nomen appositum dikwijls voorafgegaan door het woord namelijk. Wij zagen er in de vorige paragraaf-reeds een voorbeeld van. Dit woord nu wordt in het Latijn of niet öf door qui est öf door d i c o vertaald. Hierbij valt echter op te merken, dat bij d i c o bet nomen appositum in den accusativus gezet wordt, wanneer het substantivum, dat nader verklaard wordt, in dennomina-tivus staat, doch in denzelfden naamval als het voorafgaande substantivum, wanneer dit niet in den noniinaHvus staat. B.v. De vader der geschiedenis, namelijk Herodotus, werd te Halicarnassus geboren, parens historiae, Herodotus öf qui fuit Herodotus öfHero-dotum dico, Halicarnassi natns est. Voor twee zaken ben ik minder dan gij, namelijk door mijn geboorte en door mijn goeden naam, d u a h u s rebus inferior v o b i s sum, g e n e r e dico et fama. Volgens 2°. der vorige paragraaf zou men het laatste voorbeeld ook mogen vertalen: du a bus rebus generis et famae inferior vobis sum. Evenzoo zou het laatste voorbeeld aldaar volgens den regel van deze paragraaf vertaald kunnen worden: aliis virtutibus, continentia dico et gravitate, te cousulatu dignum putavi.
§ De t o o u 1 o o z e telwoorden, die in het Nederlandsch
dikwijls vóór een nomen appositum staan, blijven in het Latijn o n v e r-taald. B.v. Scipio verwoestte Carthago en Numantia, twee zeer bloeiende steden, Scipio Carthaginem et Numantiam, f 1 o r e n t i s-simas urbes, e x s t i n x i t. Zoo er echter in het Nederlandsch met nadruk stond: welke heiden zeer bloeiende steden waren, zou men moeten vertalen: d u a s florentissimas urbes. Aristides, een der rechtschapenste mannen, moest voor de afgunst zijner medeburgers wijken, Aristides, vir probissimus, civium invidiae cessit. Zoo men in het Latijn zeide: unus ex probissimis viris, zou de zin wezen: Aristides was de eenige der rechtschapenste mannen, die voor de afgunst zijner medeburgers moest wijken.
â¢Â§ 197. Wanneer in het Nederlandsch een nomen appositum nader verklaard wordt door een relatieven zin, wordt het in het Latijn in den relatieven zin opgenomen. B.v. Babyion, een stad, die men zegt dat door Nimrod gebouwd is, ligt aan den Euphraat, Babyion, quam u r b e m Nimrod condidisse f e r t u r, ad E u p h r a t e m s i t a est. Oppius negotia procürat Rufi, quo e quite Romano fanii-liarissime utor. Fir mi et constant es amici deligendi sunt, cujus generis {een soort, waaraan) est magna penuria.
§ 15)8. * Het woord als, dat in het Nederlandsch zeer dikwijls vóór een bijstelling staat, blijft in het Latjjn onvertaald, wanneer het nomen appositum een w e r k e 1 ij k bestaande eigenschap, toestand of betrekking te kennen geeft. B.v. Caio begon als oud man (toen hij een oud man was) de geschiedenis te schrijven, Cato sen ex historiam
Pronomen relativum en anlececlens.
§ 199â2(J0.
165
s c r i b e r e i n s t i t u i t. Zoo dit woord echter ten vergel ij king of' een vermeenden toestaud aanduidt, wordt liet vertaald door ut, v e 1 u t, t a m q u a m , quasi. B.v. Cicero heeft als een waarzegger (alsof hij een waarzegger was) de toekomst coorspeld, Cicero futura cecïnit ut vates.
Me» kan als vóór een bijstelling nog op verseliillende andere manieren vertalen en wel:
1°. wanneer het een redengevende beteekenis heeft, door cum, quippe qui, utpöte qui, een relatieven zin, een participium, u t mot den indicativus en enkel u t. B.v. De Acheërs zonden als hondgenooten der Romeinen hulptroepen, A c h a e i, cum Roinanorum socii ess ent (ut... erant), au x ilia miser unt. Archytas ut als Ptjthagoreër geen hoonen, Archytas a Pythagoreorum disciplina profectus (ut Pythagorëus) fa ba abstinuit. Ut duidt ook meermalen een beperkende toelichting aan, die wij uitdrukken door als, voor. B.v. Epicharmus acütus nee in sulsus homo ut Sicülus. M u 11 a e in C a t o n e ut i u h o m i u e Romano 1 i 11 e r a e erant.
2°. wanneer het beteekent: op de manier, naar de wijze van, door more, m o d o, in m o d u m B.v. De soldaten hebben in de Rijnstreken niet als overwinnaars maar als roooers huisgehouden, mi lit es in r e g i o n i b u s R h e n o adjacentibus non victörum s e d 1 a t r O n u m m o d o e g e r u n t.
3°. wamieer h9t beteekent: zoo goed als, door pro. B.v. De veldheer werd als dood van het slagveld in een hut gebracht, dux pro m o r t u o i' x a c i e in c a s a m a b 1 a t u s est.
§ 199. Het nomen appositum staat iu het Latjjn gewoonlijk achter het substantivum, dat er door verklaard wordt, vooral wanneer het de naam is van een waardigheid, titel of beroep B.v. Cicero consul. Enniuspoëta. Z e n o S t o ï c u s. Men zegt echter altijd urbs R o m a. Beenzoo worden de woorden tragoedia, fabula, 1 u d i, r e x, provincia en imperator in de beteekenis van keizer, wanneer zij geen adjectivum of genetivus als nadere bepaling bij zich hebben, gewoonlijk vóór den eigennaam' gevoegd. B.v. Rex Dejotïtrus. Fabula Oedipus. Imperator Claudius (Claudius imperator, de veldheer Claudius).
IV. Overeenkomst tusschen hetpronomen relativum en hetantecedens.
§ 200. Het pronomen relativum komt met het antecëdens (het woord, waarop het betrekking heeft) overeen in geslacht en getal; de naamval wordt bepaald door den zin, waarin het staat. B.v.
Juvenis, cujus amicus es, modestus est. â cuidonumdedisti, â â quemvidisti, r
â dequoaudivisti, â
de jongeling, wiens vriend gij zijt, aan rvien gij een geschenk gegeven hebt, fwen gij gezien hebt, van men gij gehoord, hebt, is bescheiden.
Pronomen relativum en antecedens.
§ 200.
166
Wanneer het relativum subject is, staat het praedicaats-v er bum in den persoon van het antecedens. B.v. Ego, qui scribo; tu, qui scribis; pater, qui scribit; nos, qui scribïmus; vos, qui scribïtis; f rat res, qui scribunt. Men lette vooral op dezen regel, wanneer de pronomina personalia antecedens zijn, doch omdat zij geen nadruk hebben zijn weggelaten. B.v. Ad es to te o mn es an i mis, qui ad est is corporibus.
Wanneer het relativum betrekking heeft op een vocativus, staat het praedicaatsverbura in den tweeden persoon. B.v. O uox ilia, quae paene aeternas huic urbi tenebras attulisti!
Het relativum staat aan het hoofd van den relatieven zin, en gewoonlijk onmiddellijk achter het antecedens.
^Aanmerking I. Zoo het relativum betrekking Leeft op een i u-fiuitivus of op een gelieeleu zin, staat het in het o n z ij d i g enkelvoud. Gewoonlijk zegt men echter in plaats van q u o d: id quod en ook wel quae re s. Tevens zet men zulk oen relatieven zin op een passende plaats tussehen de woorden van den zin, die antecedens is. B.v. Si a v o b i s, id quod non s p e r o , d e s e r a r, tarnen animo, non d e f i c i a m , indien ik door u verlaten word, Jietyeen ik niet hoop, zal ik echter den moed' niet verliezen. F rate r tuus, q u a m rem ex' animo doleo,iiiacieceeïdit, uw broeder is, hetgeen mij hartelijk S2rijt, in den slay gesneuveld.
* A a n m e r k i n g II. Zoo het relativum op meerdere substantiva betrekking heeft, staat het in het meervoud; 'voor het geslacht gelden dezelfde regels van overeenkomst, die voor het praedicaatsadjec-tivum gegeven zijn. Vgl. § 184.
* Aanmerking III. Zoo het relativum betrekking heeft op twee substantiva van verschillend geslacht, die in appositie staan, komt het met een van beiden overeen. B.v. R hen us flu men, qui of quod agrum Helvetiorum a Germ an is divïdit, de rivier de Rijn, die het land der Helvetiërs van dat der Germanen scheidt.
A a n m e r k i n g IV. Ook op het relativum zijn de regels toepasselijk van de constructie adsynesin. B.v. Caesar equitatum p r a e ra i 11 i t, qui v i d e a n t, q u a m in partem h o' s t e s i c e r faciaut, Caesar zond de ruiterij vooruit, om te zien, naar welken kant de vijanden trokken.
Aanmerking V. Somtijds wordt het antecedens bij het relativum herhaald. B.v. Erant omnino itinera duo, (j ui bus itiueritus domo exire possent. Zeer gewoon is deze herhaling bij dies. B.v. Dies enim nullus erat, Antii cum essem, quo die non melius scirem Romae quid ageretur, quam ii, qui erant Romae. Noodzakelijk is deze herhaling, wanneer er twee woorden voorafgaan en het zonder herhaling onduidelijk zou zijn, op welk van beiden het relativum betrekking heeft. B.v. Lit ter as misit de villïcoP. Septimii, hominis ornati, qui villicus caedem fecerat.
Aanmerking VI. Wanneer het relativum betrekking heeft op een
. ⢠, I ' 1â'' ' -7 w â - .' lt;- ' C^-
§ 201â204. Pronomen relativum en antecedens. 167
pronomen p oss es si v u m, richt liet zich naar het pronomeu p erson a le, dat door het possessivum wordt aangeduid. 13. v. Vestra culpa, qui leges reipublicae iieglcxistis, c o r r u i s t i s.
ifiet navolgenswaardig zijn de voorbeelden, waarin het relativum betrekking heeft op de personen, die door het adjectivum van het antecedens worden aangeduid. B.v. V e j e n s helium e x o r t u m, quibus Sabini arm a coujunxerant (= Vejeutum).
'x'§ 201. Zoo in een relatieven ziu een praedicaatssubstanti-vum staat, richt zich het relativum gewoonlijk in geslacht en getal niet naar het antecedens, maar naar het praedicaatssubstantivum. B.v, Thebae ipsae, quod Boeotiae caput est, in magno tumultu erant, Thebe zelf, dat de hoofdstad van Boeotii! is, was in groote opschudding. Animal plenum rationis, quem vocamus hominem. Het relativum komt echter met het antecedens overeen , indien de relatieve zin dient om het voorgaande substantivum te onderscheide n van andere voorwerpen derzclfde soort en soms ook, wanneer het praedicaatssubstantivum een vreemd woord is. B.v. F 1 u m e n, q u o d T a m ö s i s v o c a t u r, de rivier, welke de Teems genoemd wordt. Motus auimi, quos Graeci n o m i-n a n t, de hartstochten, welke de Grieken noemen.
§ 202. Volgens, overeenkomstig, zooals men kan verwachten van kan men in het Latijn vertalen door de praepositie pro. B.v. Zooals men van â uwe wijsheid kan verwachten, zult gij gemakkelijk inzien wat het heste Is om te doen, tu pro tua prudent ia, quid optimum factu sit, facile vide bis. Bij zulke bepalingen echter gebruiken de Latijnen zeer dikwijls in plaats van de praepositie pro een relatieven zi n , waarin het relativum óf in den nominativus of iu denablativus qualitatis staat. B.v. Tu, quae tua est prudentia of qua es prudent ia, quid optimum factu sit, facile vide li is. Attendëre te volo, quae in m a n i b u s sunt. Qua e n i m prudentia es nihil te f u-giet, si meas litter as diligenter le ge ris. Spero, quae tua prudentia et temperantia est, te jam vaTcre.
§ 203. In het Nederlandsch heeft het relativum meermalen een s u-perla tivus tot antecedens. B.v. Hij was de eerste, die dit deed. Themistocles zond den getrouwsten slaaf, dien hij had. Wijl dit iu het Latijn niet geoorloofd is, zoo kan men voor de vertaling van deze en dergelijke zinnen een dor volgende constructies gebruiken:
1°. Men geeft met weglating van het relativum een korteren vorm aan de gedachte. B.v. H i c primus fecit. Hij ivas de laatste, die uit bed gehaald werd, iste ultimus lecto excussus est.
2°. Men plaatst bij dun superlativus den genetivus omnium en maakt dit woord tot antecedens. B.v. Jugurtha, de slechtste mensch, die op aarde leeft, Jngurtha homo omnium, quos terra s u s t i-net, sceleratissimus.
3°. Men past de constructie toe van § 208 of van § 296. 1°.
§ 204. W anueer iu het Nederlaudsch bij de verba sentiendi et declarandi een voorwerp staat, dat nader bepaald wordt door een relatieven zin, zet men in het Latijn dat voorwerp gewoonlijk a ch t e r het relativum, waarmede het dan in naamval overeenkomt, fen verandert vervolgens den relatieven zin in een zijdelingse he vraag. B.v. iVïe-
Gebruik van hel relativum.
§ 205â207.
168
mand kent den tijd, waarop hij sterven moet, nemo no vit, quo tempore moriendum si bi sit. Mijn leermeester heeft mij dikwijls tje-wezen op de gevaren, welke voor de jeugd uit een lui en werkeloos leven ontstaan, saepenuraero magister, quae pericnla juventuti ex vita inerti atque otiosa uascerentiir, me m on uit.
§ 205. Soms gebruiken de Latijnen ter bevordering der duidelijkheid een conjunctie, waar wij een pronomen rel ativum plaatsen. B.v. Be vijanden van Alcibiades, die begrepen dat men hem niet kon schaden, besloten zich voor het oogenblik rustig te houden, inimici Alcibiadis, quia noceri nou posse intellegebant,quiescendum in prae-senti decreverunt. Gastvrienden, die men eens in bescherming heeft genomen, moet men op alle wijzen beschermen, hospïtes, si quos in fidem receperis, quacunque rati one tutandi sunt.
§ 20G. Wanneer op een substantivum twee relatieve zinnen volgen, die door en verbonden zijn en het relativum niet in denzelfden naamval hebben, laten de Latijnen het tweede relativum, zoo dit subject of object is, somtijds onvertaald. B.v. Het voetvolk, dat Volux had medegebracht en dat bij het vorige gevecht niet tegenwoordig was geweest, viel de achterhoede der Romeinen aan, pedites, quos Volux adduxerat a t q u ë in p r i o r e pugnanonaffue-rant, p o s t r*e m a m Roman orum a c i e m i n v tl d u n t.
Meermalen vindt men in zulk een geval in plaats van het relativum, onverschillig in welken casus, het pronomen demonstrativum is, ea, id gezet. B.v. Wacht u voor hem, die zijne vrienden in hunne af-⢠viezigheid belastert en hij wien alle braven gehaat zijn ,cavëto eum, qui absentes araicos rodit oique om nes boni homines odiosi sunt. Dit geschiedt gewoonlijk, wanneer do tweede relatieve zin ontkennend is. B.v. Om nes admiramur Fabricium, qui aurum a Pyrrho oblatum repudiavit nee eum blanditiae promissaque a virtute deduxerunt.
§ 207. Zeer dikwijls plaatsen de Latijnen het antecedens in den relatieven zin en zetten dezen dan voorop. Men noemt dit attraetio. B.v. Quae cupiditates a natura profici-scuntur, facile explentur, de verlangens, die uit de natuur voortkomen, worden gemakkelijk vervuld. Quo anno Tarqui-nius Superbus lloma ex pul sus est, Atlienienses Hip-pi am pepulerunt, in het jaar, waarin Tarquinms Superbus uit Home verdreven werd, verjoegen de Atheners Hippias. Zoo het antecedens echter in een anderen naamval staat dan het relativum, wordt het gewoonlijk vervangen door het pronomen demonstrativum is, ea, id. B.v. Quibus herbis bestiae non vescuntur, eas saepe liomines edunt, de kruiden, welke de dieren niet eten, eten dikwij Is de menschen.
Aanmerkingen. De dichters laten bij het gebruik der attractio niet alleen het demonstrativum meermalen weg, maar zetteu ook den relatieven zin achteraan. B.v. Poëta id si bi negïïti credidit solum dari, populo ut placerent, quasfecissetfabulas, Ook
Gebruik van hel relativum
§ 208â210.
169
laten zij soms het autecedeus in den zelfden naamval als het r e-I at i ynm voorafgaan. B.v. Ur bem, q u am s ta111 o, v est ra est.
Een ander soort van attractio bestaat daarin, dat het relativum, hetwelk in den accusativus moest staan, geplaatst wordt in den casus van het autecedens, zoo deze een ablativus is. B.v. N o t a n t e j u d i c e quo no s t i. I u his color ibus q u i b u s m odo dixi sti. Bij de beste schrijvers geschiedt dit slechts in verkorte zinnen, waarin het verbum van den hoofdzin kan aangevuld worden. B.v. N a t u s p a t r e, quo d i x i m u s, h o n e s t o â quo eum natum esse diximus. Qui bus poter at sauciis ductis secum ad urbem per git sauciis, quos secum ducere poterat, secum ductis.
§ 208. Soms wordt het attributum Tan het autecedens iu den relatieven zin gezet. B.v. Alvus calöre, quem multum ha bet, omnia quae accëpit, confïcit, de maag verteert door de groote warmte, die zij bezit, al het ontvangene. Dit heeft meermalen plaats, wanneer in het Nederlandsch de relatieve zin dient om een superla-tivus nader te verklaren. B.v. T h em is tocl es de ser vis suis,quem habuit fi d e 1 is s i m u m , mi sit. M. Popilius in tumulo, quem proximum capere potuit, valium ducere coepit. Vgl. § 203.
§ 209. Somtijds hangt van oen relatieven zin een bijzin af, waarin een pronomen demonstrativum voorkomt, dat op d e n z e 1 f-den persoon of zaak betrekking heeft als het relativum. B.v. Wij bewonderen Alexander, die, zoo hem een langer leven was ten deel gevallen, de geheele wereld zou onderworpen hebben. In zulk een geval mag men in het Latijü het demonstrativum weglaten en het relativum in den n a a m v a 1 van het demonstrativum zetten. B.v.
Admiramur Alexandrum,
qui, si diutius vixisset, die, zoo hij langer geleefd had,
cujus si vita (qui, si ejus vita) die, zoo zijn leven (het leven van longior fuisset, hem) langer geweest was,
cui si vita (qui, si ei vita) 1 o n gi o r die, zoo hein een langer leven was contigisset, ten deel gevallen,
quem si vivum (qui, si eum vivum) die, zoo hem het lot langer in het for tun a diutius reservasset, leven had gelaten,
a quo nisi lgt;eus (qui, nisi Deus ab die, zou God hem niet zoo spoedig eo) v i t a m immature abstulisset, uit het leven had geroepen , totum orbem terrarum subegisset.
ï r a s y b u 1 o corona a populo data e s t, q u a m quod (quae, quod earn) amor civium et nou vis expresse rat, nullam habuit invidiam. Trois filius fuit G any modes, quem cum (qui, cum eum) dii in caelum abstulissent, Jovi pocula ministrabat.
Voor ilen nadruk en de duidelijkheid plaatst men somtijds na den bijzin een demonstrativum iu den naamval, waarin het relativum buiten de toepassing dezer constructie zou staan. B.v. Saepissime legi, nihil mali esse in morte, in qua si (quae, si in ila) resideat sen sus, immortalitas ilia potius quam mors di een da sit. Mult a sunt probabilia, quae quam quam (quibus, quamquarn ea) non pereipiuntur, tarn en his sapientis vita re git nr.
§ 210. De Latijnen plaatsen dikwijls in het begin vwii een zin een relativum in plaats van een d e m o n s t r a t i v u m met e t, a u te m, v e r o.
Gebruik van den nominativus.
§ 211â213.
170
sed, tarnen, enim, igitur, itaque, nam. Op het demoustrativum mag dau evenwel geen sterke nadruk liggen. B.v. Ratio docetDeum esse; quo (et eo of eo autem) concesso eonfitendum est, ejus consilio muudura administrari. Multas ad res perutiles Xenophontis libri sunt: quos lesite, quaeso, studiose.
Door deze eigenaardigheid van den Latijnschen zinbouw staan meermalen in het begin van een zin twee relativa naast elkander. B.v. Nihil est pretiosius animi tranquillitate; qua (ea enim) qui caret, eum ne regiae quidem opes quidquam juvant. A Cu. Pompejo omnium rerum egrcgiarum sumantur exempla; qui quo die (nam eo die, quo is) a vobis maritime belle praepo-sïtus est imperator, maxima repente vilïtas annöuae con-secuta est. Contra quem qui (qui autem contra eum) exercitus d u x e r u u t, i i s s e n a t u s singulares h o n o r e s d e c r ë v i t.
Aanmerking. Bij het relativum mag men nooit autem, vero, nam, enim, igitur, itaque plaatsen (tarnen wordt meermalen gevonden) behalve wanneer een relatieve zin gevolgd wordt door een demonstratieven zin. Vgl. § 463. 3°. B.v. Perdiffieilisetperobscnraquae-stio est de natura deorum: quae (nooit quae vero) ad agni-tionem animi pulcherrima est. Evenzoo heet de zin: hij beloofde veel, ivai hij echter niet gaf, niet m u 11 a, p o 11 i cï t u s e s t, q u a e v e r o non praestitit, maar öf quae non praestitit öf sed ea (ea vero) non praestitit. Tua aetas ineïdit in id bellum.... Cjuo tam en in bell o mag nam laudem consequebare equita n do, jac lila u do, eet. Talium juvenum consuetudine utere; qui vero pet u la n te s sunt, eos proeul a te remove. Cujus autem aures veritati clausae sunt, hu jus salus desperanda est.
§ 211. Uit de neiging der Latijnen om de zinnen door het relativum te verbinden, moet men het spraakgebruik verklaren, volgens hetwelk vele conjuncties, maar vooral si, nisi en e t si, meermalen met het pronomen q no d verbonden worden. B.v. Quodsi curam fu gi mus,virtus fugiendaest.
DERDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN OEN NOMINATiVUS.
§ 212. liet onderwerp staat in den nominativus (behalve in de constructie van den accusativus cum infinitivo en van den ab la t i v us a b s ol u t u s). B.v. A eg y p t i i con d i u n t m o r-tuos, de Egyptenaren balsemen de lijken.
§ 213. Men wordt in het Latijn vertaald :
1°. door het passivum. Vgl. § 97, 98, 102, 109â112.
2°. door den eersten persoon m eer voud , wanneer algemeen geldende uitdrukkingen ook op den spreker van toepassing zijn. B.v. Men gelooft gaarne, wat Dien wemcht, quae volümus li-benter ere d t mus. Men leert veel, wat men naderhand vergeet, mult a disci mus, quae postea obliviscimur. Zoo men goed leeft, wordt men geprezen, laudamur, si bene vivlraus.
Dubbele nominativus.
171
214.
3°. door den derden persoon meervoud van het activum, wanneer men een gerucht, een opvatting of een a 1 gein een e gewoonte wil aanduiden. Deze wijze van uitdrukking is vooral gebruikelijk in het praesens indicativi en wel bijzonder bij de verba d i c u n t, f e r u n t, p e r h l b e n t, t r a d u n t, a j u n t, nar rant, putant, ere dunt, ook wel bij andere activa en bij deponentia, vooral zoo er vul go bijgevoegd wordt. B.v. In het westen vereert men het meest Saturnus , Saturn um ma xi me vulgo colunt ad occidentem. Algemeen wenschte men Pompt jus geluk-, vulgo gratulabantur P o m p e j o.
4°. door den tweeden persoon enkelvoud zoowei van den indicativus als van den co n j u n c ti v us , wanneer men zich voorstelt tot een bijzonderen persoon te spreken. B.v. Zoo men overeenkomstig de natuur leeft. zal men' nooit arm zijn, si ad naturam vives, nunquam eris pauper. Men moet alles met beleid doen , a g ë r e d e c e t, q u o d a g a s , prudente r.
*5°. door quis, quispiam, all q u i s , eu iu ontkennende zinuen door quisquam, wanneer men in iemand kan veranderd worden, vooral bij het inleiden van een tegenwerping. B.v. Men wordt ter dood veroordeeld, zoo men het opperbevel te hnaj in handen houdt, m o r t e multatur, si quis diutius imperium retïnet. Hier zou men kunnen vragen, hie quaerat quispiam. Non credet quisquam id fieri posse.
*6°. Men blijft onvertaald, zoo er een verbum impersouale of een infiuitivus subjecti wordt gebruikt. B.v. Men zul niet meer onzijdig mogen blijven, inedios esse jam non lice hit. Het is billijk dat men zijn vriend vergiffenis schenkt, ignoseëre amico aequumest.
Bij een infiuitivus objecti wordt men vertaald door het reflexivu m. B.v. E q u i d e m in s e n e c t a h o c d e p u t o m i s e r-rimum seutire eaaetate esse se odiosum alter i.
Aanmerking. Zoo bij een infiuitivus een b ij z i n staat, die in het Nederlandsch men tot subject heeft, mag ook de d e r d e persoon enkelvoud van den coujunctivus gebruikt worden. B.v. Nihil m i h i praestabilius v i d e t u r q u a m hominum meutes allicëre quo velit (waarhten men wil). Meer gewoon is hier echter de t w e o d e persoon enkelvoud van den conjnnctivus.
§ 214. Een dubbelen nominativus, een van het subject en een van het praedicaatsnomen hebben:
1°. de werkwoorden van zijn, esse, fore, worden, fieri, evadëre, existëre ; geboren worden, nasci, blijven, manëre, schijnen, vidëri, verschijnen, apparëre. B.v. Brutus homo magnus evasit, Brutus is een groot man geworden. Nemo nascttur doctus, niemand wordt geleerd geboren. Scythae i n v i c t i mansërunt, de Scythen zijn onverwonnen gebleven.
*A a n m e r k i n g. Datgene, waaruit iets geworden of ontstaan is ,
Dubbele nominativus.
§ 215.
172
staat in don a b 1 a t i v u s met ex of d e. B.v. Magister Autonii ex o r a tore arator factus est,(fe leermeester van Antonius is van redenaar landbouwer geworden.
2de verba passiva, die heteekenen gehouden, g e a c h ^, genoemd, gerekend, geoordeeld, verkozen, aangesteld worden. Vgl. § 221. De woorden als, tot, voor worden bij deze verba niet vertaald. 13. v. Camillus dictator d ictus est, Camilluft is tot dictator benoemd. Vulpes callidissimum animal existimatur, de vos wordt voor een zeer schrander dier gehouden.
â¦Aanmerking I. Het participium perfectum dezer verba wordt gewoonlijk slechts met eeu praedicaatsnomen verbonden in den nominativus en accusativus. B.v. Marius hostis judicatus.
Aanmerking II. De dichters gebruiken audio in de beteekenis van nomïnor, dicor met een dubbelen nominativus. B.v. Rexque paterque audisti, koning en vader zijt gij genoemd. De spreekwijzen male, commode bene au dire, in kwaden, tamelijk goeden, goeden naam staan, worden ook in zuiver proza gebruikt. B.v. Er at sur daster M. C rassus; sed aliud moles tins, quod male au die bat.
§ 215- Het Nederlandsche werkwoord schijnen kan persoonlijk en onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Gij schijnt braaf te zijn en het schijnt dat gij braaf zijl. Het Latijnsche werkwoord videri daarentegen mag in de beteekenis van schijnen alleen persoonlijk gebruikt worden. B.v. Vide ris bonus esse.
Om bij de vertaling uit hot Nederlandscli in liet Latijn de onpersoonlijke constructie in de persoonlijke te veranderen handelt men aldus: men maakt het subject van den bijzin tot subject van bet werkwoord schijnen en plaatst het werkwoord van den bijzin in den infinitivus. Het woordje dat valt weg. B.v. Het schijnt, dat gij geloopen hebt, gij schijnt geloupen te hebben, vide ris cucurrisse. Het scheen, dat zij geslapen hadden, zij schenen geslapen te hebben, vide ban tur dormivisse. Hat zal schijnen, dat wij dwalen, wij zullen schijnen te dwalen, videbï-mur er ra re Men noemt dit de constructie van den nominativus cum infinitive.
Aanmerking I. V i d e o r wordt ook persoonlijk geconstrueerd in tusschenzinnen met u t, waar wij zeggen naar het schijnt, zooals het mij voorkomt. B.v. Ego tibi paucis verbis, ut mihividebar, responderam. Consiliis, ut v i d e m u r, bonis u t i m u r.
Aanmerking II. V i d.e or m i h i beteekeut het komt mij voor dat ik, ik geloof. B.v. A in e n s m i h i f u i ss e v i d e o r, het komt mij voor, dat ik verbijsterd gewee-tt hen. Fortuuatus si bi Damöcles videbatur esse, Damocles geloofde gelukkig te wezen.
Aanmerking III. Videri wordt in de beteekenis van goedvinden
Nominativiis cum infinüivo.
173
§ 216.
onpersoonlijk geconstueerd; het heeft dan of een infinitivusóf een aecnsatiyus cum infinitive of ut bij zich. B.v. De senaat vond (joed gezanten te zenden, visum est senatui mittere legates of mitti leg a tos of ut mittere ntur legati.
/Aanmerking IV. Videri wordt door Cicero dikwijls gebruikt om een bijzin welluidend te doen eindigen. B.v. Kestat ut de i m ]) e r a t o r e ad id bellum d e I i g e n d o a c t a n t i s rebus p r a e ï i-ciendo dicendum esse vid e atur. Hiervan is wel onderscheiden wanneer men videri gebruikt, om zijn meening in een wellevenden vorm uit te drukken. B.v. Ex omnibus saeculis vix tri a a ut quattuor nominantur paria amicorum:quo in g e n e r e s p e r a r e v i d e o r S c i p i o n i s et L a e 1 i i amicitiam n o t a m p o s t e r i t a t i fore.
§ 216. Evenals bij videor wordt de nominat.ivus cum infinitivo gebruikt:
1°. bij de verba passiva dicor, men zegt, dat ik, perhibeor, men beweert, dat ik, existïmor, putor, men meent, dat ik. 15.v.. Men zeyt, dat ik zal komen, ik word gezegd te zullen komen, ri dicor vent u rus esse. Men beweerde, dat gij gezegd hadt, gij J. werdt beweerd gezegd te hebben, perhibebaris dixisse. Men zal meenen, dat zij gestorven zijn, zij zullen gemeend worden gestorven te zijn, existimabuntur mort ui esse.
^Aanmerking. In de samengestelde tijden kunnen deze verba ook onpersoon lijk gebruikt worden met een aecusativuscuminfi-nitivo, en moeten zij onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer de infinitivus bestaat uit een p a r t i c i p i u m met e s s e. B.v. T u hoe f e c i s s e putatus es of te hoc fecisse putatum est, men heeft gemeend, dat gij dit gedaan hebt. PlerTque inviti hoe fecisse putandi sunt of plerosque invTtos hoe fecisse putandum est. A the nas eon-dïtas esse putatum est, niet: Athenae eonditae esse putatae sunt.
In de niet samengestelde tijden kunnen deze verba onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer zij geen los gerucht, maar een stellige verklaring te kennen geven. Zij m o e t e n onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer zjj een dativus bij zich hebben of een demonstrati-vum, dat op den afhankelijken zin heenwijst. B.v. Nuntiatur hostes in agro Gablno consedisse, men bericht (als zeker), dat de vijand zich oj} Gabijnsch grondgebied gelegerd heeft. De hoe Verri dicitur habere eum perböna tore um Sta, men zegt can hem aan Verves, dat hij zeer goed vaatwerk heeft. Vgl. § 399 en § 459 2°. A. I.
2o bij de verba passiva van verhalen, feror, narror, trador,
maar alleen in den derden persoon zoowel enkelvoud als meervoud: somtijds ook met dezelfde ⢠beperkende bepaling bij nuntior, indteor, negor,enz. B.v.Homulus regem Amu-lium interemisse fertur, men verhaalt, dat Romulus koning Amulius gedood heeft. Men verhaalt, dat ik beet tradunt me, men verhaalt, dat gij f e r u n t te.
Gebruik van den accusativus.
§ 217â218.
174
3°. bij de verba passiva ju beor, vetor, sinor, prohibeor, insimulor, cog or en arguor, die evenals vide or ook in de samengestelde tijden persoonlijk geconstrueerd 7iioeten worden. Vgl. § 391.
^ Aanmerking 1. In de constructie van den uominativns cum infinitivo wordt de infinitivus futuri passivi liefst niet gebruikt. Men zegge dus niet imperator videtur laudatum iri, maar gebruike een andere ^iuswending of een omschrijving met futurum esse of fore ut. * Aanmerking II. Men mag geen doorloopend verhaal schrijven in den nominativus cum infinitivo. Zoo een verhaal met deze constructie begint, moet men bij den tweeden zin reeds overgaan in den accusativus cum infi niti vo. B.v. Ad Themistoclem quidam d o c t u s homo acces-sisse dicitur eique artem memoriae pollicïtus essesetradi-turum. Cum ille quaesisset, quid nam illa ars efficere posset, dixisse illum doctorem, ut omnia meminisset; et ei Themistoclemrespondissegratius sibi illum essefacturum, si se oblivisci, quae vellet, quam si meminisse docuiaset.
VIERDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN DEN ACCUSATIVUS.
§ 217. De verba transitiva, zoowel de deponentia als de activa, hebben het object in den accusativus. B.v. Romulus c o n d l d i t R o m a m, Romulus heeft Rome gesticht. Petrus m e n-dacium comment us est, Petrus heeft een leugen verzonnen.
Aanmerking T. Men lette op het verschillend spraakgebruik van het Latijn en bet jNederlandsch. 15.v. petére urbem, naar de stad. gaan; mutare v es tem, van kleeding veranderen; incipëre aliquid, iets of met iets beginnen; parare bellum, zich ten oorlog toerusten. Men raadplege steeds zijn woordenboek.
^Aanmerking II. Bij sommige verba transitiva wordt het object meermalen uitgelaten. B.v. solvere (pecuniam) betalen, a p p e 11 ë r e (navem) landen, movëre (castra) opbreken, sust in ere (impetum) stand houden, flectëre (iter) den koers wenden.
Hiervan is wel onderscheiden, wanneer een transitivum zoogenaamd absoluut staat. Zoo zegt men in onze taal : hij drinkt â voor hij is aan den drank, hij vertelt voor hij doet een verhaal. In het Latijn moet men in zulk een geval dikwijls een omschrijving gebruiken. B.v. V i n o d e d ï-t u m esse of i n d ü 1 g ë r e.
*§ 218. Verscheidene verba zijn in de eene beteekenis transitiva en in de andere intra nsitiva. B.v.
animadverto aliquid, iets opmerken.
â inaliquem, iemand bestraffen.
caveo aliquem en ab aliquo, zich voor iemand wachten.
Accusativus bij intransitiva.
175
§ 219.
c a v e o a 1 i q u i d, iets voorkomen.
â a 1 i c u i , voor iemand zon/en.
co n sti 1 o aliq u e m , iemand raadplegen.
â a 1 i c u i , voor iemand zorgen.
â i u a 1 i q u e m (g-raviter), iemand hehandelen (op gestrenge wijze), credo aliquid, iets voor waar houden, geïooven.
r a I i c u i, geloof sluan , gelooven aan iemand of iets â aliquid alio ui, iets aan iemand toevertrouwen.
c u p i o aliquid, iets hegeeren.
at i c u i , iemand genegen zijn. , . , i, . o
m a n e o a 1 i q u e m , op iemand wachten. hJ-quot; â inaliquare,m iets volharden.
n a 1 i c u i, hij iemand blijven.
m e t u o ) a 1 i q u e m , ienvnid vreezen.
t i m e o ^ a lie ui en d e al i quo, voor iemand beducht, bekommerd zijn. modëror aliquid, iets inrichten , besturen.
v a 1 i c u i, iemand matigen.
prospicio \ aliquid, iets vooruitzien.
provideo i alicui, voor iemand zorgen.
r e c i p i o aliquid, iets op zich nemen.
â alicui, iemand voor iets instaan, â
â me, ik trek mij terug.
tempëro aliquid, matigen, regeer en.
â alicui, aan iets paal en perk stellen, iemand sparen. â abaliquare, zich van iets onthouden.
i q u e m , iemand wenschen te spreken. / , .. .f i c u i , iemand genegen zijn.
Bij sommige verba intransitiva staat in
S
enkele ge-
vallen een accusativus. Dit geschiedt:
1°. bij de verba van rieken (oleo, redöleo) en smaken (sapig, resïpio) om de zaak aan te duiden. waarnaar iets riekt of smaakt, B.v. Olet unguenta, hij riekt naar parfunierie. Haec cere-visia picem rest pit. dit hier smaakt naar het vat (pek). Evenzoo bij si tire (sanguinem). naar bloed dorsten; e sur ire (aurum), naar goud hongeren; anhêlare (scelns), naar boosheid ademen, op niets denken dan op.hoosheid; so na re (pingue quidda.m), naar iets doms klinken, een onheschaajde spraak hehhen.
2°. wanneer het substantivum denzelfden stam of gelijke be teekenis heeft als het verbum en een adjectivum, pronomen of gen-etivus bij zich heeft. Ook wij zeggen: een strijd strijden, een weg gaan. B.v. Mi rum somniavi somnium, ik heb een zonderlingen droom gehad. Hoe bellum bellare, dezen oorlog voeren. Vitam exsiilis vivërè. in ballingschap leven.
3°. wanneer het een onzijdig pronomen of adjectivum van hoeveelheid is. B.v. Hoc.tibi assentiri non possum, hierin kan ik u niet bijvallen. Quid diffërunt homines a
_ J
cU- quot;t)
v o 1 o a
a
Dubbele accusativus.
§ 220â 221.
176
ceteris animantibus, waarin verschillen de menschen van de overige bezielde wezens? Stotmtc hor omnia, ik erger mij over alles.
§ 220. Vel e verba i n t r a n s i t i v a, die een beweging uitdrukken, zooals ire, gaan. currëre, hopen, worden door samenstelling met prae posities transitiva en regeeren dan den accusativus. Men moet hier twee gevallen onderscheiden.
1°. De accusativus staat bij alle composita met circum, per, prae ter en trans. B.v. Circum ire tentoria, de tenten rondgaan. P a ma ur b em p e r v a d i t, het gerucht verbreidt zich door de stad. Pr a eter ire aliquid silentio, iets stilzwijgend voorbijgaan. Transcendëre murum, over een muur klimmen.
Ook de meeste intransitiva, die geen beweging uitdrukken, worden door samenstelling met circum transitiva. B.v. Circum-sedëre urbem, een stad belegeren. Multa me pericula circum s t a n t, vele gevaren omringen mij.
2°. De accusativus staat bij vele composita met ad, cum, in, wanneer zij in een gewijzigde beteekenis gebruikt worden. B.v. A dire aliquem, iemand gaan spreken; a dire ad aliquem» naar iemana gaan. Ad ire urbem, een stad bezoeken; a dire ad urbem, een stad naderen. Con venire aliquem, hij iemand komen om met hem te spreken; convenire cum aliquo, met iemand overeenstemmen, fngrëdi iter, een reis aanvaarden; in-grëdi $n)oration em, een redevoering aanvangen. Op dezen regel komen vele uitzonderingen voor. Ook worden verschillende intransitiva door samenstelling met andere praeposities transitiva. Het woordenboek zij voortdurend onze raadsman. .
§ 221. Een dubbelen accusativus, een vaii het object en een van het p raedicaatsno men hebben de verba, die beteekenen :
a) tot iets maken (facio, efficio, reddo), benoemen, kiezen, aanstellen (creo, deligo, elïgo, declare, designo). B.v. Universus popülus Ciceronem consülem declaravit, het gansche volk Mee ft Cicero tot consul benoemd.
b) noemen (nomïno, appello, dico, voco), betitelen (inscrïbo), voor iets houden, aanzien, verklaren (duco, existimo, judïco, puto, numëro, habeo). B.v. Senatus Antonium hoste m judicavit, de senaat verklaarde Anton ins voor een vijand van den staat.
c) als of tot iets hebben, geven, nemen, aannemen (habeo, do, addo, capio. sumo, assumo, adscisco). B.v. Lacedae-
Dubbele accusativus.
§ 222.
177
moii ii regibus suis augürem assessorem dederunt, de Lacedemoniërs gaven aan hun koningen een wichelaar tot raadsman.
d) ie eren kennen a 1 s (cognosco). B.v. Cogn osces me tuae dignitatis fautorem, gij zult mij leer en kennen als een begunstiger uwer waardigheid.
Deze verba worden in het passivum met een dubbelen no-minativus gebruikt. Vgl. § 214. 2«.
^-Aanmerking 1. Reddo, maken (iets ;u eon andoren toestand brengen) heeft gewoonlijk slechts een adjectivum tot praedicaats-nomen. In het passivum gebruikt men f io of efficior. B.v. ïheraistocles Athenionses rei militaris perTtos reddidit en in het passivum: Athenionses a Themistocle rei m i 1 i t a ri s p e r 11 i f a c t i sunt. Men gebruikt altijd f a c e r e in de uitdrukking facere aliquem cortiorern alicujus rei of de aliqua re, iemand van iets verwittigen, kennis geven. ^Aanmerking II. Wanneer habeo met een dubbelen accusativus geconstrueerd wordt, heeft hot meestal den zin iets aan iemand hebben. B.v. Habeo te carum, ik heb u lief {\k heb aan u iemand, die mij lief is). In de boteekenis voor iets houden, als iets beschouwen gebruikt men in plaats van den praedicaatsaccusativus liever pro met den ablativus of (i n) 1 o c o, (in) numero met den genetivus. B.v. Aliquem pro hoste, in h o s t i u m numero habere. In hot passivum heeft h a b e r i in de beteckenis voor iets gehouden worden een dubbelen nominativus of wat meer gewoon is de b o v e n-genoemde omschrijving. B.v. Aristldes habitus est justissimus. Prodigii loco ea clad os haberi coepta est.
Ook bij d u c o en p u t o wordt meermalen pro geplaatst. B.v. Pro nihilo, pro certo putare, d u cere ali quid, iets als niets, als zeker beschouwen. ,
Gewoonlijk staat echter bij duoo, puto, judico, existimo en altijd bij credo een accusativus cum infinitive. B.v. Puto te f e 11 c o m esse, ik houd u voor gelukkig.
Aanmerking III. Bij de verba van nemen, kiezen wordt de zaak, waartoe men iets neemt, ook uitgedrukt door den d a t i v u s of door de praepositie a d. B.v. Locum domicilie c a p e r e, een plaats tot verblijf nemen. L o c a p a c a t a ad hibernacula legere, een rustige streek voor winterkwartier kiezen.
Aanmerking IV. Wanneer het object dezer verbaeen pronomen demonstrativum is, komt dit gewoonlijk in het geslacht en getal van het praedicaatssubstantivum. B.v. Eas divitias, eambouamfamam putabant, dit beschouwden zij als rijkdom en als goeden naam. Vgl. § 170.
§ 222. De verba zich betoenen, zich^gedragen, zooals se praobere, se praestare, se ostendëre, hebben behalve den accusativus van het pronomen reflexivum nog een accusativus van het praedicaatsnomen. B.v. Crudëlem se praebuit, hij heeft zich wreed gedragen. ''' â !
12
Dubbele accusativus.
§ 223â224.
178
^Aanmerking. Bij praestare mogen alleen pvaedicaatsrinmina staan, die iets goeds uitdrukken. B.v. Honest os et urban os vos prae-stitistis, gij hehf « fatsoenlijk- en beleefd gedragen. Se gerëre wordt in zuiver Latijn alleen met adverbia of' met pro verbonden. B.v. Honeste et urbane vos gessistis. Se gerere pro cive.
§ 223. De verba docere, edocere, leeren, onder rich ten, d e-d o c ë r e, a flee ren, maken dat iemand iets afleert, en c e 1 a r e, verbergen, hebben behalve den accusativus van den persoon ook een accusativus van de zaa k. Catilïnajuventutem mala
facinora edocebat, Catilina leerde de jongelingen euveldaden. Antigönus iter om nes celabat, Antigonus hield zijn tocht voor allen verborgen. Vgl. § 390.
Bij het passivum van deze verba wordt de accusativus van den persoon subject en blijft de accusativus van de zaak. B.v. Juventus a Catilina mala facinora edocebatur, door Catilina iverden aan de jongelingen euveldaden geleerd.
*Aa nmer kingen. In de beteekeuis iemand van iets kennis geven zegt \ (men docere en edocere aliquem de aliqua re.
Met uitzondering van het participium perfectum gebruikt men in plaats van d o c e r i en e d o c e r i gewoonlijk disc ere aliquid a b a 1 i q u o of i n s t i t u i, i m b u i, i n s t r u i aliqua re.
Bij doctus en edoctus wordt de zaak, waarin men onderwezen is, gewoonlijk uitgedrukt óf door een ablativusof door een infinitivus. B.v. Doctus et Graecis litteris et Latinis. Graece lo-qui doctus. Het neutrum der adjectiva van lioeveelheid en der pronomina staat echter in den accusativus. B.v. Edoctus cuncta.
Ofschoon men zegt docere (discere) a r t e m, zoo staat echter het werktuig, waarmede een kunst wordt uitgeoefend, in den a b 1 a t i v u s. B.v. Docere aliquem t i b i s, f i d i b u s, a r m i s, e q u o , pils.
Wanneer bij c e 1 a r e de zaak niet wordt uitgedrukt door het neutrum van een adjectivum van hoeveelheid of van een pronomen, staat zij in het activum meermalen en in hot passivum gewoonljjk in den ablativus met d e. B.v. Bassus nostermedehoclibro e c 1 a v i t, onze Bassus heeft mij in onwetendheid gelaten over dit hoek. De bes existimare te maximisderebusafratreesse celatum, gij moet in de meening verkeeren, dat de voornaamste zaken door xew broeder voor u verborgen zijn gehouden.
§ 224. De verba flagitare, poseëre, vorderen, reposeëre, terugvorderen, or a re, rogare, vragen , verzoeken, en i n t e r r o-gare, vragen, kunnen evenals docere twee accusativi regeeren. B.v. Pacem te pose i mus omnes, wij vorderen allen den vrede van u. Caesar fru men turn Aeduos flagitabat, Caesar eischte koren van de Aeduërs.
Betrekkelijk deze verba valt op te merken, dat zij gewoonlijk slechts dan twee accusativi bij zich hebben, wanneer de accusativus
Dubbele accusativus.
§ 225â226.
179
der zaak door het neutrum van een pronomen of adjecti-vum wordt uitgedrukt. B.v. Hoe te ve hem enter rogo, ut famae tuae s e r v ; a s, dit verzoek ik u dringend, dat gij zorgt voor uw goeden naam. Hoc, quod te interrögo, responde, antwoord op hetgeen ik u vraag.
Aanmerking I. Wordt de zaak niet uitgedrukt door een onzijdig adjeotivum of pronomen , dan zegt meu gewoonlijk flagitare, poseëre aliquid ab aliquo, iets van iemand vorderen; rogare, inter-rogare aüquem de aliqua re, iemand naar iets vragen.
Bij orare, rogare, verzoeken, bidden, laat men in dit geval óf den accusativus van den persoon weg öf men gebruikt een zin met ut of n e. B.v. Legatos ad Caesarera mittunt rogatnm auxiliura of ut ipsis opem ferret. Men viudt echter altijd twee accusativi in de ' spreekwijze or are (rogare) aliquera se n t e u t ia ra (te s t i m oni u m), iemand vragen om zijn gevoelen te zeggen (om getuigenis te geven).
In het passivum komt bij deze verba de accusativus der zaak weinig voor, behalve in de spreekwijze rogatus (inter rogatus) seutentiam (testimouiu m). 13. v. S c i t o in e non esse ^ c c rogatnm seutentiam.
Aanmerking II. Meu lette op de gewone constructie der volgende verba: petëre, postulare aliquid a b aliquo, iets van iemand verzoeken, eischen ; precari aliquera, iemand bidden , a 1 i q u i d a b aliquo, iemand om iets bidden, aliquid alicui, iemand iets toewenschen; quaere re aliquid ab, de, ex aliquo, iets aan /; iemand eragen ypercontari aliquem de aliqua re of aliquid ex aliquo, iemand over iets uithooren. _'V-CV\0
^Aaunierking III. Opmerking verdienèk^dé^vOfgende spreekwijzen : aidigëre aliquem jusjuratidum, iemand een eed laten doen, en veile aliquem aliquid, iets van iemand willen.
§ 225. De verba monëre, a dm on ere, 'vermanen, iiortari, aanmoedigen, cogëre, dwingen, arguëre, insimulare, beschuldigen kunnen naast den accusativus van den persoon nog een onzijdig pronomen of adjectivum van hoeveelheid in den accusativus bij zich hebben. B.v. Discipulos id unum moneo, ut pr acceptor es non minus quam ipsa stud ia am ent, hiertoe alleen vermaan ik de leerlingen, dat zij evenzeer hunne leermeesters als hunne studiën liefhehhen. II le cives id cogit omnes. De accusativus der zaak blijft bij het passivum. B.v. Non audïmus ea, quae ab nat u ra monëmur, wij luisteren niet naar de vermaningen, die wij van de natuur ontvangen. Omnes volui mus, quodarguimur. Vgl. § 390.
§ 226. De verba trajicio, traduco, transporto hebben naast den accusativus van het object ook den accusativus van de plaats bij zich. B.v. Agesilaus Hellespontum co-
Gebruik van den dativus.
§ 227â228.
180
pias trajecit. Agesilaus voerde zijne troepen over den Hellespont. De accusativus van de plaats blijft in het passivum. B.v.Exer-citus a Caesare Rhenum transportatus est, helleger werd door Caesar over den Rijn gevoerd. Meermalen echter wordt de praepositie herhaald. B.v. Ariovistus hominum multitudi-nem trans Rhenum in Galliam traduxit.
VIJFDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN DEN DATIVUS
§ 227. De dativus staat op de vraag aan wien bij de verba transitiva, die beteekenen geven, ontnemen, schrijven, berichten, beloven, gebieden en dergelijken. B.v. Mittam tibi li bruin, ik zal u een hoek zenden. Date panem paupe-ribus, geeft hrood aan de armen.
Aanmerking I. Van de verba van gebieden zijn uitgezonderd jubeo en veto. Vgl. § 390,
*Aanmerking II. Soms gebruikt men iu plaats van den dativus de praepositie ad. B.v. Scribere aliquid alicui of ad aliquem,
iemand iets schrijven.
§ 228. De dativus staat bij verba transitiva en intransi-tiva op de vraag waarvoor, voor wien (ten wiens voordeel of nadeel). Dativus commödi et in com modi. B.v. Non scholae, sed vitae discïmus, wij leeren niet voor de school, viaar voor het leven. PisistrS-tus si bi non patriae Mega-renses vicit, Pisistratus overwon de Meg aren sers voor zich zeiven en niet voor zijn vaderland.
Deze dativus heeft ook de beteekenis van voor in den zin van ter eere van. B.v. Consüli assurgëre, caput aperire, de semïta decedëre solebant.
* A a ii m e r k i n g I. Wanneer voor den zin heeft van ter verdediging van, ter vergelding van, vertaalt men het door pro. Vgl. § 16c'. 7.
Aanmerking II. De dativus siaat meermalen in plaats van de praepositie a p u d en wel:
1°. wanneer er spraak is van een gewoonte bij zeker volk of zekere klas van raenschen. B.v. Barb it ris ex fortuna pendet fides, hij de harharen is de trouw afhankelijk van het geluk.
2°. bij excusare en purgare, zich verontschuldigen (excusare, wanneer men te kort geschoten is z o n d e r schuld, purgare mot schuld). Excusare alicui tarditatem litterarum, zich hij iemand verontschuldigen over zijn nalatigheid in het schrijven. A m i c o m e o me per litter as ea de re purgavi, ik heb mij hij mijn vriend over die zaak in een brief verontschuldigd.
r T
â I1
i
§ 229â230. Dativus ethicus. 181
§ 229. Meermalen staat de dativus der pronomina personalia ter uitdrukking van verwondering, deelneming en wrevel. Dativus ethicus. B.v. At tibi re pen te pan eis post diebus venit ad me Caninius, maar, verheeld tt, daar komt weinige dagen later Caninius onverwachts bij mij. Quid'mi hi Celsus agit, hoe maakt het toch mijn Celsus ? Quid hoe sibi vult, wat moet dit he teekenen ?
§ 230. Vele verba intransitiva regeeren den dativus krachtens hunne beteekenis. Hiertoe behooren de verba van nuttig en schadelijk zijn, genegenheid en afkeer hebben, heer-schen en dienen, behagen en mishagen, vertrouwen en wantrouwen, naderen, dreigen en vertoornd zijn. B.v. Omnibus prod esse volümus, wij willen voor allen nuttig zijn. .
Nemo omnibus place re potest, niemand kan aan allen behagen.
Hiertoe behooren ook auxiliari en opitulari, heWen. bene-,___
dïcëre, zegenen, blandiri, vleien, i n v i d e r e, henijden, medëri, cl/a genezen, maledïeëre, vervloeken, nubëre, trouwen, parcëre,
sparen, patrocïnari, beschermen , persuadëre, overreden, overtuigen , s t u d ë r e, naar iets streven, v a c a r e, zich op iets toeleggen (vacare (ab) aliqua re, vrij zijn van iets).
In vide o heeft ook den dativus der zaak; de persoon staat alsdan in den genetivus of wordt uitgedrukt door het possessivum. B.v. I n v i d e o
h o n o r i a 1 i c u j u s, ik henijd iemands eer of ik benijd iemand, om zijn eer. I n v i d e o dignitati t u a e, ik benijd uwe waardigheid of ik henijd u om uwe waardigheid.
vervolgens de uitdrukkingen morem gerëre, iemands zin doen,
o b v i a m (obvium) i r e, te gemoet gaan, p r a e s t o esse, bij de hand zijn, dicto au dien tem esse, gehoórzamen, fidem habere, geloof slaan.
eindelijk de impersonalia Meet, het staat vrij, li bet, het lust, accldit, contingit, evënit, het overkomt, enz. B.v. Quod
quot;⢠l V , â â tC
licet Jovi, non licet bovi. Quantum huic malum aeeïdit.
Sommige dezer verba hebben een dubbele regeering. Zoo heeft het participium perfectum van nubo (Ygl. § 102) nupta a lie ui of cum aliquo. Pi do en confïdo, vertrouwen, hebben den persoon in den dativus, doch de zaak meest in den a b 1 a t i v u s.
Men herinnere zich nog eens (Vgl. § 99), dat deze verba alleen onpersoonljjk in het passivum kunnen gezet worden. B.v. Ne templis quidem ab hos.te temperatu in est (Vgl. § 136 parco),
zelfs de tempels werden niet gespaard door de vijanden. Non semper fellces sunt, quibus ab hominibus invidetur, zij,
Dativus bij verba composita.
§ 231.
182
die door de menschen benijd worden, zijn niet altijd gelukkig. Per-suasum tibi sit of persuade tibi, sermones fatui illlus horainis milii incommodare, trees overtuigd dat de gesprekken met dien dwaas lastig voor mij zijn.
Aanmerkiug. Dichters zetten soms een intrausitivum persoon lijk in het passivum. B.v. Vix equïdem credar. Ego cur, acqui-röre pauca si possum, invideor?
§ 231. De verba, die samengesteld zijn met ad, ante, cum (con), in en inter, ob, post, prae, sub en super, hebben, zoo de praeposities hare eigenlijke beteekenis behouden, den dativus bij zich van het nomen, waarop de praeposities betrekking hebben. B.v. Anatum ova gallïnis saepe supponïmus, dikwijls leggen wij eendeneieren onder kippen. Manlius filii cari-tatem publïcae utilitati posthabuit, Manlius stelde de liefde voor zijn zoon achter het belang van den staat. Nasus i t a locatus est, ut quasi murus oculis interjectus esse videatur, de neus is zoo geplaatst, dat hij als een muur tusschen de oogen schijnt gesteld te zijn.
Men lette wel op, dat de praeposities hare eigenlijke beteekenis moeten behouden; dit is echter, vooral bij de composita met ad en cum, dikwijls niet het geval. B.v. Confugëre ad ali-quem, zijn toevlucht tot iemand nemen; approbare senten-t i a m , zijn gevoelen bewijzen.
* A a n m e r k i u g I. Bij vele vau deze verba wordt in plaats van den dativus de praepositie gevoegd, waarmode zij samengesteld zijn of oene van gelijke beteekenis. Dit is vooral het geval bij de composita met ad, cum en i n. Zoo zegt men altijd appellëre classem, n a v e m ad t e r r a m , landen met de vloot, met het schip ; c o m m u-n i c a r e a 1 i q u i d cum a 1 i q u o, iemand iets mededeelen ; meest altijd inesse in aliqua re. B.v. In hac vita nihil in est nisi miser ia, in dit leven is niets dan ellende. (In het perfectum zegt men altijd fuit in plaats van infuit).
/â¢^5 Interesse alicui rei beteekent hij iets tegenwoordig zijn, maar altjjd zegt men interest inter, er is onderscheid tusschen.
Bij vele verba wordt de praepositie herhaald, wanneer zij een p 1 a a t-s e 1 ij k e betrekking uitdrukt. B.v. A c c ë d o ad u r b e m , ik ga naar de stad, maar m i h i animus a c c ë d i t, ik krijg moed. Incidëre in i n s i d i a s, in hinderlaag geraken, maar terror exercitui incïdit, de schrik overviel het leger, ói-cacto tâ - %-«A/vvuB!aC-ü2a£,w ^ Aanmerking II. I ii cu mbëre heeft i n (ad) niet den accusativus, zooals in g 1 a d i u m , in (ad) litteras, zich in zijn zwaard storten, zich op de letteren toeleggen. Bij dichters en lateren staat ook de dativus, zooals t o r o, op een peluw gaan liggen.
Assuescëre, insuescëre, consuescëre, zich of iemand
§ 232 â233. Dativus bij adjectiva.
aan iets (jewennen, regeereu den dativus of ablativus, soms a d met deu accusativus.
cquiescëre, ergens in berusten, regeert soms den dativus, doch gewoonlijk deu ablativus en wel meestal nvet i n.
Supersedere, iets laten rusten, ophouden iets te doen, heeft meer den ablativus dan den dativus.
Adjaeêre, assidere,adstare hebben gewoonlijk deu d at i v ü s.
Ill u d ë r e bespotten, regeert den accusativus of dativus; i u-s u 11 a r e, hoonen, den dativus of i n met deu accusativus. -totAntecedëre, praeeedere eu a u t e I r e, overtreffen, hebben 'tren persoon, dien men overtreft, in deu dativus of a e e u s a t i-vus en de zaak, waarin men hem overtreft, in den ablativus. Antecellëre, excellëre en p i' a t t a i e hebben den persoon, dien men overtreft, in den dativus.
^Interd i c ë r e, iemand iets ontzeggen , verbieden , heeft bij den dativus van den p e r s o o n of den accusativus of den ab!ativus van de z a a k. Do laatste constructie komt vooral voor in de uitdrukking interdicëre alicui aqult et igni, iemand in balling schap zenden. Sacrificiis interdicëre beteekent verbieden de offeranden bij te wonen, in den kerkeljken ban doen.
§ 232. De verba adspergëre, i aspergé re, besproeien, c i r-cumda re, circumfundëre, omringen, donar e, schenken, im-p er tire, mededeelen, exuëre, uittrekken, induëre, aantrekken, en intereludëre, afsnijden, hebben óf allquem (quid) aliqua re of alicui aliquid. B.v. Servius Tullius urbem Roma m fossis (urbi Romae fossas) circumdëdifc, Servius Tullius omringde de stad, Rome met grachten. In het passivum luidt deze zin óf urbs Roma a Servio Tullio fossis circum-diita est óf urbi Romae a Servio Tullio fossae eircum-d a t a e sun t.
â¦Aanmerking 1. Importire heeft gewoonlijk alicui aliquid.
Bij e x u e r e en i n d u e r e blijft de dativus dor pronomina reflexiva gewoonlijk weg. B.v. Exuo, in duo vest e m.
Exuere heeft in de beteekenis iemand van iets berooven altijd a 1 i-q u e m a 1 i q u a r e.,
Aanmerking II. Bij liet p a s s i v u m met reflexieve beteekenis van e x u o en i n d u o , alsmede van e i u g o, omgorden, en a c c i n g o, aangorden, staat de zaak, die men uit- of aantrekt, iu den a b 1 a t i v u s en bij dichters ook in den accusativus. B.v. Induor veste purpurea (vestcm purpuream), ik trek een purperen kleed aan.
Somtijds voegen dichters ook bij andere verba passiva een accusativus. B.v. Pueri laevo suspensi loculos t abu 1 am q ue 1 acer t o , .st7ioo(/o»-gens, die hun schooltasch en schrijfplankje om den linkerschouder gehangen hebben. Inductaque cornibus au rum victima, het offerdier, dat men goud om de horens had gebracht. Per que pedes traject us lora tuinen tes, wien men riemen door de gezwollen voeten had getrokken.
§ 233. De dativus staat bij de adjectiva (en sommige adverbia), die beteekenen nuttig en schadelijk, geschikt en ouge-
183
Dativus hij adjectiva.
184
% 233.
schikt, aangenaam en onaangenaam, g e m a k k e 1 ij k en moeilijk, gelijk en ongelijk, bevriend en vijandig, bekend en onbekend, nabij, verwant, eigen en gemeen, alsmede bij necessarins, noodzakelijk, obnoxius, onderhevig., honestus, eervol, foe dus, afschuwelijk, tnrpis, schandelijk, en bij de adjectiva op bil is. B.v. Romulus multitudïni gra-tus fuit, Romulns was welgevallig aan de menigte. Veritas ple-risque molesta atque odiüsa est, de waarheid is voor de meesten onaangenaam en lastig. Hominum genëri universo cult Sr a a grom m est s al u tar is, de landhouw is heilzaam voor het gansche menschelijk geslacht. Mors est terribïlis iis, quorum cum vita omnia exstinguuntur, de dood is verschrikkelijk voor hen, met wier leven alles vergaat. Sapientis est naturae c on v e iii e n t er vivëre, het is wijs om overeenkomstig de natuur te leven.
Men lette wel op het verschillend spraakgebruik van het Latijn en het Nederlandsch. B.v. amicus mi hi, bevriend met mij; com-mödus tibi, geschikt voor u; in fens us ei, verbitterd op hem ; aequus nobis, gunstig gezind jegens ons; alienus alicui rei, afkeerig van iets.
^Aanmerking I. Bjj de adjectiva van nuttig en scha do lijk, geschikt en ongeschikt staat do persoon altijd in den dativus, doch do zaak gewoonlijk in den accusativus met ad. B.v. Caleei habïles et apti ad pedem, schoenen geschikt en passend voor den voet. Homo ad nullam rem u t i 1 i s, iemand, die voor niets nuttig is. y'-A aumerking II. De adjectiva van g e i ij k h e i d en o n g e 1 ij k-heid similis (assimilis, consimilis) endissimilis hebben bij zaken den genetivus of dativus, bij personen meestal den genetivus, doch den dativus, zoo de gelijkheid slechts gedeeltelijk is. B.v. S o m u u s mortis of mor ti similis est, rfe slaaj) is gelijk aan den dood. Hie adolescens est patris similis, deze jongeling gelijkt sprekend op zijn vader. L. Scipionis nepos patri similis fuit ore, de kleinzoon van Lucius Scipio had juist denzelfden mond als zijn vader. Men zegt echter altijd mei, tui, sui, nostri, vestri similis (dissimilis), mijns gelijke, en v e r i similis, waarschijnlijk.
Par en d i s p a r worden in de beteekenis van gelijk en ongelijk gewoonlijk met den genetivus der pronomina geconstrueerd. B.v. M e t e 11 u m , cujus paucos pares haec civitas tulit,cum Pisöne non confëram. Zoo zij echter beteckeneu tegen iemand {niet) opgewassen, regeeren zjj altijd den dativus. B.v. Pares a d-versariis esse non possum us.
Aequalis heeft den genetivus en dativus. â¢-A anmerking III. Bij de adjectiva van bevriend envijandig kunnen ook de praeposities in, er ga, adversus geplaatst worden. B.v. Benevölus.erga aliquem, welwillend jegens iemand.
Dativus hij esse.
§ 234.
185
Amicus, ininiieus en f a ra i 1 i a r i s kinineu in den positivus eu superlativus als substantiva gebruikt worden en als zoodanig met een pronomen possessivum of met een gonetivus verbonden worden. B.y. Homo m i h i familiarissimus of f a m i 1 i-arissimus m e u s , mijn vertrouwdste vriend. Inimicissim u s MaecenHtis, de yrootste vijand van Maecenas.
Aanmerking IV. De adjectiva, die nabij, verwant beteekeuon , worden ook als substantiva gebruikt. B.v. Propitquus mens, mijn bloedverwant. Afflnis Caesar is, een aanverwant van Caesar.
P r o p i o r en p r o x i m u s regeeron , vooral in plaatselijke beteekenis, ook den accusativus. B.v. Propior montiofmoutem, dichter hij den berg. U b i i p r o x i ra i K h e n u m incoluerunt, de Ubiërs tvoonden zeer dicht hij den Rijn. Vgl. § 162. 17.
Afflnis heeft in de beteekenis van deelhebbend den genetivus of dativus. B.v. rei c a p i t a 1 i s , facinori.
Aanmerking V. Bij proprius, eifjen, eu c o m m u n i s, gemeen, staat meestal de genetivus, wanneer liet begrip van e i g e n d o ra op den voorgrond treedt. B.v. Caelum omnium horainum commune est, de hemel (het luchtgewelf) is het gemeenschappelijk eigendom van alle menschen. Daarentegen o m n i a e t a t i mors communis est, de dood is aan iederen leeftijd gemeen. De pronomina personalia moeten echter altijd ia den dativus staan. B.v. M i h i p r o-prium est. Commune mihi aliquid est c u ra aliquo.
Ook staat do genetivus of dativus cogn , gelijknamig,
peculiar is, bijzonder, super stes, overlevend, sac er, aan een godheid gewijd (cum genetivo), ten vloek, ten verderve gewijd (cum dativo).
§ 234. Het verbum sum heeft dikwijls de beteekenis van hebben, bezitten. In dit geval staat de zaak, welke bezeten wordt, in den nominativus en de bezitter in den dativus. B.v. Non idem semper floribus color est,! de bloemen hebben niet altijd dezelfde kleur. Sunt mihi multi libri, ik heb vele hoeken.
Aanmerking I. Dü bezitter kan ook in den genetivus staan. Hierbij doet zich echter dit verschil van beteekenis voor. Zoo de bezitter in den dativus staat, valt de nadruk op de zaak, die bezeten wordt. B.v. Patri meo est domus, mijn vader bezit een h u i s. Zoo de bezitter in den genetivus staat, valt de nadruk op den persoon, die bezit. B.v. Patris mei est domus, het huis behoort aan raijnvader.
Aanmerking II. Esse raet den da t i v us raag niet gebruikt worden om liet bezit van geestelijke eu lichamelijke eigenschappen of hoedanigheden aan te duiden. B.v. Themistocles bezat een groote scherpzinnigheid wordt niet vertaald: ï h e ra i s t o e 1 i magnum consilium fuit, maar: Themistocles (vir) magni consilii fuit of Themistocles mag no consilio fuit of in Themistocle ma-. g n u m c o n s i 1 i u ra f u i t öf m a g n u in c o n s i 1 i u m f u i t T h e ra i s t o c 1 i s. A Aanmerking III. Esse alicui cum aliquo duidt bijna altijd een wederzijdsch of onderling bezit aan. B.v. Est mi li i cum fratre tuo araicitia, consuetudo, controversia, ik en uw broeder hebben vriendschap, omgang, twist met elkander. H o ra i n i
V
Dubbele dativus.
§ 235â236.
186
cum Deo similitudo est. Er a ut ei v e t e r e s inimicitiae cum duobus Rosciis.
. Aanmerking IV. Hebben, bezitten wordt ook vertaald door: habere, zoowel van stoffel ijke als geestelijke goederen, possidëre, wanneer het stoffelijke goederen zijn en het eigendomsrecht moet uittomen. B.v. Seqaïtni partem agri Aeduo-rum, quam vi atque ar mis ceperant, possidebant.
u t i, waaneer meu de hoedanigheid van het bezeten voorwerp wil laten uitkomen en dit eeu adjectivum,pronomen of nomen a p p o s i t u m bij zich heeft. H.v. Utibona valetudine,idoueis e q u i s, patredivite. Hannibal S o s i 1 o 1 i 11 e r a r u m G r a e-carum usus est doet ore.
§ 235. In de spreekwijs est mi hl nomen, cognomen, ik heet, ik word bijgenaamd, staat de naam in den nominativus of dativus, zelden in den genetivus. B.v. Est mi hi nomen Mercurius, Mercurio, zelden Mercurii, ik heet Mercurius.
Bij nomen, cognomen dare, add ere, enz. staat de naam gewoonlijk in den dativus, ook wel in den accusativus. B.v. Ei cognomen dedorunt tardo (tarduin), zij hebben hem den bijnaam cj eg even'van den trage. Bij bet passivum staat de naam gewoonlijk in den dativus, ook wel in den nominativus, zelden in den genetivus. B.v. Cognomen ei datum est tardo (tardus, tardi).
Bij nomen en cognomen ha beo staat de eigennaam liefst in den accusativus, docb een nomen appellarivum in den genetivus. B.v. Ca to cognomen habebat sapient is.
Bij nomine, met den naam, genaamd, staat de naam in denzelfden naamval als liet woord, dat hij moet bepalen. B.v. Circa u r b e m nomine A1 b a m.
§ 236. Bij het verbum sum in de beteekenis van strekken, verstrekken staan twee dativi, de eene van den persoon op de vraag voor wien of aan wien, de andere van de zaak op de vraag waartoe. B.v. Virtutes liomini- decöri sunt, de. deugden strekken den mensch tot sieraad. In id studium, in quo estis, incumbïte, ut et vobis honori et amicis utilitati et rei publicae emolumento esse possïtis.
Deze twee dativi staan ook bij fore, fieri, dare, geven, m i 11 é r e, zenden, ire, gaan, venire, komen, p r o f i c i s c i, vertrekken , re li n quë re, achterlaten, alsmede bij de verba van toerekenen , zooals: apponëre, tribuëre, habere, vertër e , dueëre. B.v. Ampla domus dedecöri domino saepe fit,
Gebruik van den genetivus.
§ 237â238.
187
een prachtig huis icordt den eigenaar dikwijls tot schande. Pau-sanias venit Atfcïcis auxiiio, Pausanias kwam den Athe-ners te hulp. Quo cl aliunde ha bes, tl bi laudi ne duxëris, reken u niet tot eer, wat gij niet van u zelven hebt.
â¦Aanmerking I. Betrekkelijk den dativus van de zaak valt op te merken, dat hij niet in liet meervoud mag staan en geen pronomen possessivum of g e n e t i v u s bij zich mag hebben. Men zegt dus niet: quasdam res alio ui do nis dare, maar : d o n o dar e. [Deze zaak strekt tot uw voordeel is niet: haec res tuo commode est, maar : haec res t i b i c o m m ö d o e -s t. De wetten strekken tot welzijn van alle burgers is niet: leges utilitati omnium civium sunt, maar : leges omnibus c i v i b u s utilitati sunt.
* Aanmerking 11. Bij esse, fore, fieri wordt de dativus der zaak soms tot praedicaatsnominativus, bij dare, accipëre enz. tot praedicaatsaccusativus gemaakt. B.v. Statu as oongessit, ne praeda h o s t i e s s e n t. L a t i n i c o r 5 n a m a u r e a m J o v i d o n u m m11 u u t.
Een enkele maal vindt men i n of a d in plaats van den dativus. B.v. Rellquit ibi exercitum ad praesidium. Gloriam mi hi in crimen vertis.
* Aan merking 111. In verschillende uitdrukkingen wordt de dativus van den persoon meermalen of gewoonlijk weggelaten. B.v. E sse (alioui) argumento, testimonio, tot bewijs, tot (jetimjenis dienen; a 1 i q u i d (alicui) pignori pon ere, iets te pand (/even; aliquid douo acci-p e r e, iets ten geschenke krijgen ; diem dieëre colloquio, een dag be2Mlen voor een mondeling onderhoud ; a 1 i q u e m 1 u d i b r i o of d e r i s u i, contemptui habere, iemand voor den gek houden, verachten; a 1 i q u i d quaestui, religisni habere, winst uit iets trekken, zich van iets een gewetenszaak maken; receptui canöre, den aftocht blazen.
§ 237. Somtijds hangt een dativus onmiddellijk af van substantiva, die afgeleid zijn van verba, welke den dativus regeeren. B.v. O b t e m-peratio legibus, gehoorzaamheid aan de / wetten; insidiae c o n s u 1 i; traditie a 11 e r i; ejus hou ö r i f a u t o r.
ZESDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN ÃEN GENETIVUS.
§ 238. De genetivus heeft in het Latijn twee hoofdbeteeke-nissen. Plet volgende voorbeeld doet dit duidelijk zien. Amor pat ris kan namelijk beteekenen :
1°. de diefde van den vader, de liefde, welke de vader heeft voor zijne kinderen; in dit geval is de vader het subject, dat bemint. Deze genetivus heet genetivus subjectlvus.
2°. de liefde voor den vader, de liefde, waarmede de kinderen den vader beminnen; in dit geval is de vader liet object, dat de kinderen beminnen. Deze genetivus heet ge n e ti v u s objectïvus. Met us h ostium recte dicitur et cum timent hostes et
Genetivus possessivus.
§ 239â240.
188
cum timentur. In onze taal vindt men een voorbeeld van den genetivus objectivus in de uitdrukking vreeze des Heer en.
De genetivus subjectivus heeft weder verschillende beteeke-nissen en wordt als zoodanig verdeeld in :
ge n e tl v u s p o s ses si v u s. genetivus epexegetfcus.
â qualitatis. â criminis.
» partitïvus. â p r e t i i.
§ 239. Genetivus possessivus. Deze genetivus geeft te kennen, van wien iets is of voorkomt. B.v. Vita homi-num, het leven der mensehen (liet leven, dat de menschen bezitten). Beneficia Dei, de weldaden Gods (de weldaden, welke voortkomen van God).
In het Nederlandsch kunnen wij hier verschillende voorzetsels gebruiken. B.v. Bellum Gallorum, de oorlog met de Galliërs; urbs Italiae, een stad in Italië; aqua putei, het water uit den imt.
* A a n m e r k i n g. Meermalen kan men naar verkiezing een genetivus possessivus of eeu d a t i v ü s gebruiken. B.v. Id omnium of o m n ib u s in ore est, allen spreken hierover. A li e u i of a 1 i c u-j us ad pedes accidëre,procumböre,se projieëre, iemand te voet vallen. Canis of cani eau dam praecidëre.deseeare, een hond zijn staart afhakken. Tandem finem fac injuriarum of injur iis, maak toch een einde aan uwe heleedigingen.
§ 240. De pronomina pe r son alia mogen niet in den genetivus possessivus staan, behalve nostrum en vestrum in verbinding met omnium. In plaats van de personalia gebruikt men de possessiva, die in geslacht, getal en naamval met het substantivum overeenkomen. B.v. Domus mea, het huis van mij of mijn huis. Nostrum omnium natura, de natuur van ons allen of ons aller natuur. Voluntati omnium vestrum parui, ik heb aan den wil van u allen gehoorzaamd.
Volgt echter het pronomen bjj omnium o n m i d d e 11 ij k op een praopositie, dan behoudt men het possessivum. B.v. De no stro omnium i n t e r i t u eogitant. Daarentegen : a d omnium n o s t r u m salutem pertinent.
Aanmerking. Wanneer de pronomina possessiva, die in plaats van den genetivus subjectivus der pronomina personalia gebruikt worden, een nomen als nadere bepaling bij zich hebben, wordt dit in den genetivus gezet. B.v. SolTus meum peccatum corrïgi non potest, de misslag van mij alleen kan niet yoedyemaakt worden. Urbs nostra amborum opera sal va fuit, door ons heider toedoen is de stad gered. Tuum hominis simplïcis pectus vidimus. Vgl. § 468. 3°.
Dichters zetten op deze wijze ook participia in den genetivus.
Genetivus possessivus.
§ 241.
189
B.v. Cum mea nemo script a le gat vulgo recitare timentis. In proza gebruikt men in zulk een geval een relatieven ziu. B.v. Omnia sunt mea culpa commissa, quiabhis me a ra a r i p u t a b a m, qui invidebant.
§ 241. Somtijds wordt het s u b s t a n t i v u m, waarvan een genetivus possessivus afhangt, weggelaten. Tot deze substantiva behooren;
1°. filius, zoon, filia, dochter, uxor, vrouw, servus, slaaf', libertus, vrijyelatene. B.v. Ciceröuis Terentia, Cicero's vróuw Terentia. Caecilia Metelli, Caecilia, de dochter van Metellus. De weglating van filius heeft vooral plaats bij vreemde namen. B.v. Ptolemaeus Lagi. Hannibal Gisgönis.
2°. aedes, templum, fanum, tempel. Ueze substantiva vallen vooral weg, als zii afhangen van de praepositie ad (ook wel a) en gevolgd worden door den naam eener godheid. B.v. Habita-batrex ad Jovis Statöris, de koning ivoonde hij den tempel van Jupiter Stator.
30. res, n e g o t i u m , zaak, eigendom , proprium, eigenschap, munus, ambt, taak, opus, iverk, oïficinm, plicht, indicium, teeken, bij esse, facëre, fieri en bij de verba, die beteekenen ergens voor houden of gehouden worden en schijnen. Deze substantiva worden gewoonlijk weggelaten, behalve wanneer de nadruk of de duidelijkheid anders vordert. De genetivus met esse kan dikwijls vertaald worden door moeten, kunnen, passen, vereischen, enz. B.v. Domus est patris, het huis is het eigendom van den vader. Cu jus vis hominis est er rare, ieder mensch kan dwalen. Populi grati est praemiis afficëre bene merïtos de republica cives, een dankbaar volk moet de burgers, die zich verdienstelijk hebben gemaakt jegens den staat,
beloonen of het past een dankbaar volk.....te beloonen. P o p u 1 u s
Romanus omnia suae potestatis fecit, hei Bomeinsche volk brach t alles onder zijn mach t. T e m p ö r i c e d ë r e semper s a -pientis habïtum est, voor de omstandigheden te wijken heeft men altijd als het werk van een ivijs man beschouwd. Boni p a-s tor is est oves tondCr e non deglubëre, het is de plicht van een goeden herder zijn schapen te scheren, niet te villen.
4 Hiertoe behoort ook de uitdrukking mor is est (est in more, est in more posïtu m), hetgeen beteekent, dat iets een algemeene gewoonte is, terwijl mos est aanduidt, dat iets een gewoonte is, waarnaar men zich niet algemeen richt.
Aanmerking. *In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men hier het neutrum der possessiva. B.v.
/ /
Genetivus qualitatis.
§ 242.
190
Tuum est videre, quid agatur, het is de zaak van u (uw zaak) te zien wat er gebeurt. Quae an tea patris fuerunt, nunc mea sunt, hetgeen vroeger aan mijn vader toebehoorde is thans het eigendom van mij.
Ook hier staat eeu nader bepalend nomen in den genetivus. B.v. Meura consülis est vigilare, als consul is het mijn plicht te waken. Vgl. § 240. Aanm.
§ 242. Genetivus qualitatis. Deze genetivus dient om de hoedanigheden of eigenschappen van een persoon of zaak aan te geven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van of met. B.v. Pavo avis est eximiae pulchritudinis, de pauw is een vogel van buitengewone schoonheid. Pu er bonae indölis bonique in genii maximum patris est gaudium, een kind met een goed karakter en een goed verstand is de grootste vreugde van een vader. Plurimarum palmarum vetus gladiator, een oud zwaardvechter, die vele overwinningen behaald heeft. Non multi cibi accipies hos pi tem, sed multi joci, gij zult een gust ontvangen . die weinig eet en veel schertst.
De genetivus qualitatis moet altijd een adjectivum (pronomen, numerale, participium) bij zich hebben. Een man van verstand is dus niet homo ingenii, maar homo ingeniösus of homo magni ingenii; een man van jaren niet vir anno rum, maar vir provectiöris aetatis.
â¦Aanmerking I. Tot den genetivus qualitatis behooren ook de verbindingen van modi met een pronomen. B.v. Hujusmödi 1 i l) r i, zoodanige boeken. ApSgeistiusmodi salute ni, weg met zulk een behoud. De genetivus cuicuimödi (Vgl. § 83) mag slechts gebruikt worden met esse.
Aanmerking II. De volgende woorden staan in den accusativus in plaats van in den genetivus qualitatis:
secus .virile of m u 1 i ë b r e. B.v. Liberorum capitum virile secus ad decem milia captasunt,er zijn omtrent tien duizend vrije lieden van het mannelijk geslacht gevangen genomen.
li bram of li bras in verbinding met pondo. B.v. Corona aurea libram pondo, tres libras pondo, een gouden kroon van één {drie) pond gewicht. Men gebruikt echter meestal pondo zonder libram of libras. In dit geval staat het onverbogen met een telwoord in den accusativus of genetivus. B.v. Torques aureus duo pondo, een gouden keten van twee pond. Corona aurea pondo ducentum (= duceutorum), een gouden kroon van twee honderd pond.
somtijds genus met id, illud, hoc, quod, omne. B.v. PavSnes pasen ii tur omne genus f r u m e n t o , pamcen eten alle graansoorten (graan van alle soort). Seis me oratio nes aut aliquid id genus solïtum scribëre, gij weet dat ik gewoonlijk redevoeringen of'iets dergelijks schrijf. Ook vindt men id of illud aetatis voor ejus of illius aetatis. B.v. Homo id aetatis, een man van dien leeftijd.
Genetivus partitivus.
§ 243â245.
191
§ 243. De genetivus qualitatis staat ook bij esse, fieri, haberi en dergehjken met uitlating van homo of res. Wij gebruiken hier dikwijls het werkwoord hebben of bezitten. B.v. Non estsanae mentis, qui Deum esse negat, hij heeft geen gezond verstand, die het bestaan van God ontkent. Critognatus magnae aucto-ritatis habitus est, Critognatus werd voor een man van groot en invloed gehouden.
*Bij de verba sentiendi et declarandi ka» ook esse wegblijven. B.v. Esse Deum ita perspicuum est, ut, idquineget, vix eum sanae mentis existïmem.
Aanmerking. Men vvachte zioh wel om het bezit van stoffel ij ke goederen uit te drukken door esse met een genetivus qua-litatis en hel; bezit vau eigenschappen en hoedanigheden door esse met eeu dativus. Vgl. § 234. Aanm. II.
§ 244. Genetivus partitivus. Deze genetivus staat bij woorden, die een deel van een geheel aangeven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van, uit, onder. B.v. Pauci hominum sorte sua conr,enti sunt, weinigen onder de menschen zijn met hun lot A n imalium alia sunt mansuëta, alia fera,
van de dieren zijn sommige tam, andere wild of sommige dieren zijn tam, andere wild.
Van de pronomina personalia gebruikt men de vormen nostrum en vest rum en in plaats van den genetivus pluralis sui ex se of suorum. B.v. Nemo vestrum hoe ignorat, niemand uwer weet dit niet. Pan cos ex se (of suorum) mise-runt, zij zonden eenigen uit hun midden.
§ 245. De woorden, die een genetivus partitivus bij zich hebben , zijn :
lü. de substantiva, die een maat, gewicht of hoeveelheid aanduiden. In onze taal gebruiken wij hier geen voorzetsel. B.v. Mod ius tritici, een maat tarwe. Libra farris, een pond meel. Magna vis auri, een groote menigte goud.
2°. de numeralia en de pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals; pauci, multi, uter, alter, neuter, quis, quot. B.v. Equïtum centum quinquaginta inter-fecti sunt, van de ruiters zijn er honderd en vijf tig gedood. Quis hominum sine 1 a b 5 r e c 1 a r u s e v a s i t, wie der menschen is zonder werken beroemd geworden ? Nihil tam absurde d i c i p o t-est, quod non dicaturab aliquo philosophorum, men kan niets zoo dwaas zeggen, dat niet gezegd wordt door den 'een of ander der wijs geer en.
Genetivus partitivus.
245.
192
* A a ii in e r k i n g I. Het s u b s t a n t i v u ra, dat het geheel aanduidt, kau ook in plaats van in den genetivus partitivus te staan, met het nume-raie, pronomen of adjectivum van hoeveelheid in naamval overeenkomen. De beteekeuis is dan echter niet geheel dezelfde. Zoo men namelijk zegt mui li militum ceciderunt, dan beschouwt men de soldaten in betrekking tot andere soldaten. Zegt men echter muiti milites ceciderunt, dan stelt men de soldaten tegenover andere menschen. Het Latijn komt hier juist met het Nederlandsch overeen. * Utorque maakt evenwel een uitzondering. Dit woord wordt altijd verbonden met een genetivus partitivus van een pronomen, behalve wanneer het een pronomen relativum van het on zij dig geslacht is en wanneer u ter que in het meervoud staat. B.v. Ut er que nostrum, wij heiden ; u t e r q u e h o r u ra , zij heiden /quorum u t e r q u e, die heiden; doch quod utrumquo, hi utrlque. Is ut er que verbonden met een substantivum, dan moet het hiermede in geslacht, getal en naamval overeenkomen, ook al staat er een pronomen bij. B.v. üterque frater, heide broeders, üterque ille dux.
Plerique wordt liefst niet met een genetivus partitivus verbonden. B.v. Quod plerique om nes faciunt adolescentuli, wat meest alle of de allermeeste jongelingen doen. Vgl. § 175. Aanm. I.
Aanmerking II. De genetivus partitivus wordt niet gebruikt:
a) wanneer in het Nederlandsch achter de eigenlijke of oneigenlijke telwoorden, zooals: een, twee, geen., velen, weinigen, meerderen een genetivus met een pronomen possessivum staat. B.v. Ik heh geen uwer brieven ontvangen, nullam epistolam tuam aeeëpi. Vergeet geen mijner ivoorden, noli u 11 ura dictum meumoblivisci. Weinigen uwer vrienden, pauci amici tui. Ik heh dit uit vele uwer schriften vernomen , illud ex multis tuis lib ris cognövi. Een mijner vrienden, amicus mens. Nostrae naves duae in ancöris constiterunt.
b) wanneer het woord van hoeveelheid het aantal van het geheel aangeeft. B.v. De af deelingen van het Romeinsche volk, waarvan er vijf en dertig waren, werden verdeeld in stedelijke en landelijke, tribusRoma-nae, quae triginta quinque fuerunt, dividebantur in ur-bauas et rustïcas. Corona audientium, quos video muitos wil zeggen, dat ik een talrijke schare van toehoorders zie; quorum video muitos, dat ik velen van mijn toehoorders, maar niet allen zie. Let ook op de volgende zinnen. Met hoevelen zijt gij, quot est is? If ij zijn met niet meer dan honderd, non plures sum us quam centum.
c) wanneer de deelen van het geheel worden aangegeven door quis-que, uterque, pars... pars, alius... alius, alter.,, alter, enz. en het geheel vooral moet uitkomen. B.v. Capti ab Jugurtha pars in crucem acti, pars bestiis objecti sunt. Nostri repentino metu perculsi, si bi quisque pro moribus consu-lunt. Decemviri perturbati alius in aliam partem castro-rum dis cur runt. Enkele malen richt zich het praedicaat niet naar het subject, maar naar de als appositie bijgevoegde deelen en staat alsdan altijd daarachter. B.v. Pictures et poëtae suum quisque opus a vulgo con si der a ri vult. Duo con sul es ejus auni alter ferro, alter morbo periit.
d) wanneer het woord van hoeveelheid wordt uitgelaten. B.v. (reef hem van de bootten is niet da ei fa ba rum, maar da ei de fa bis.
Genetivus partitivus.
§ 245.
193
3°. de adjectiva en adverbia in den superlativus of in den comparativus, wanneer deze in plaats van den superlativus gebruikt wordt, benevens eenige adjectiva in den p os it i vus, die de beteekenis hebben van een superlativus, zooals: princeps, de eerste, medius, de middelste, reliquus, overuj. B.v. Varro doctissimus fuit R om a no rum, Varro is de geleerdste der Romeinen geweest. Major f rat rum melius pug na vit, de oudste der (twee) broeders heeft het beste gestreden. Non sine causa dii hominesque h unc condendae Romae locum e leger unt, region um Italiae medium, niet zonder reden hebben de goden en de menschen voor het stichten van Bome deze plaats gekozen in het midden der landstreken van Italië. Cicero omnium oratorum Latine loquitur elegantissime. Cicero spreekt van alle redenaars het sierlijkst Latijn.
A a n m e r k i ii g- l. *Do dichters en geschiedschrijvers gebruiken de fcuper-lativi primus, postremus. ultimus, novissimus, sum mus, in firn us, imus, intimus, ex t rem us, enz. alsmede do positivi medius, reliquus, enz. meermalen ais enkelvoudige onzijdige substautiva cl laten er dan een genetivus partitivus van afhangen. B.v. Extremum aetatis, het laatste (gedeelte) van het leven; relïquum noctis, het overige [gedeelte) van den nacht; medium anni, het midden van het jaar. De beste prozaschrijvers echter gebruiken deze superlativi en positivi, wanneer zij een deel van een geheel aanduiden, als adjectiva en zeggen ex trema aetas, reltqua nox, medius annus. Zjj plaatsen deze adjectiva in dit geval altijd vóór het substantivum. B.v. Sol in medio mundo situs est, de zon is in het midden der ivereld geplaatst. Quis est hie sen ex, quem video in ultima platea, wie is die grijsaard, dien ik daar zie op het einde van de straat? Prima luce summus mons a Labiëno tenebatur, bij het begin van den dag werd de top des bergs door Labienus beset. Zoo deze adjectiva achter het substantivum staan, hebben zij dezelfde beteekenis als in het Nederlandsch. Zoo is media urbs het midden der stad, doch urbs media de middelste stad.
Somtijds gebruiken ook Cicero en Caesar sommige superlativi en positivi in het neutrum plurale als substautiva met een genetivus partitivus. B.v. Summa pectoris, de bovenste gedeelten van de borst; cuj usque artis diffici 11 im a, de moeielijleste punten van iedere kunst; in occult is ac recondïtis temp li, in de geheime en verborgen plaatsen van den tempel.
^Aanmerking II. *Somtijds wordt bij telwoorden en adjectiva van hoeveelheid en meermalen bij comparativi en superlativi de genetivus partitivus vervangen door de praeposities inter, ex, ook wel de, in, nooit a. B.v. Ex nostris militibus circiter Septuaginta ceciderunt, van onze soldaten zijn er omstreeks zeventig gesneuveld. Inter maxima vitia nullum est f'requentius qua,m ingrEti animi, van de grootste misdaden is er geen meer gewoon dan die der ondankbaarheid. Acerrimus ex omnibus nostris sensibus
13
190 Genelivus qualitatis. § 242.
T u u m est v i d e r e , quid ag atur, het is de zaak van u (uw zaak) te zien wat er gebeurt. Quae an tea patris fuerunt, nunc mea sunt, hei'/een vroeger aan mijn vader toehehoorde is thans het eigendom van mij.
Ook hier staat een nader bepalend nomen in den genetivus. B.v. M e u ra c o n s ü 1 i s est v i g i 1 a r e, als consul is het mijn plicht te waken. Vgl. § 240. Aarnn.
§ 242. Genetivus qualitatis. Deze genetivus dient om de hoedanigheden of eigenschappen van een persoon of zaak aan te geven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van of met. B.v. Pavo avis est eximiae pulchritudïnis, de pauw is een vogel van huitengewone schoonheid. Pu er bonae indölis bonïque in genii maximum patris est gaudium, een kind met een goed karakter en een goed verstand is de grootste vreugde van een vader. Plurimarum palmarum vetus gladiator, een oud zwaardvechter, die vele overwinningen behaald, heeft. Non multi cibi accipies hospïtem, sed multi joci, gij zult een gast ontvangen, die weinig eet en veel schertst.
De genetivus qualitatis moet altijd een adjectivum (pronomen, numerale, participium) bij zich hebben. Een man van verstand is dus niet homo ingenii, maar homo ingeniösus of homo magni ingenii; een man van jaren niet vir anno rum, maar vir provectiöris aetatis.
â¦Aanmerking I. Tot den genetivus qualitatis behooren ook de verbindingen van modi met een pronomen. B.v. Hujusmödi 1 i b r i, zoodanige boeken. Apftge istiusmodi salute ra, weg met zulk een behoud. De genetivus euicuimödi (Vgl. § 83) raag slechts gebruikt worden met esse.
Aanmerking II. De volgende woorden staan in den accusativus in plaats van in don geuetivus qualitatis;
secus .virile of ranliëbre. B.v. Liberorura capitum virile secus ad decern milia captasunt, er zijn omtrent tien duizend vrije lieden van het mannelijk geslacht gevangen yenomen.
li bram of li bras in verbinding niet pondo. B.v. Corona aurea libram pondo, tres libras pondo, een gouden kroon van één {drié) pond gewicht. Men gebruikt echter meestal pondo zonder libram of libras. In dit geval staat het onverbogen met een telwoord in den accusativus of genetivus. B.v. Torques aureus duo pondo, een gouden keten van twee pond. Corona aurea pondo ducentum (â ducentorum), een gouden kroon van twee honderd pond.
somtijds genus met id, illud, hoe, quod, orane. B.v. Pavtïnes pasen ntur orane genus frumento, pauwen eten alle graansoorten (graan van alle soort). Seis me oratio nes aut aliquid id genus solïtum scribe re, gij weet dat ik gewoonlijk redevoeringen o fiets dergelijks schrijf. Ook vindt raen id of illud aetatis voor ejus of illius aetatis. B.v. Homo id aetatis, een man van dien leeftijd.
Genetivus partitivus.
§ 243â245.
191
§ 243. De genetivus qualitatis staat ook bij esse, fieri, habëri en dergelijken met uitlating van homo of res. Wij gebruiken hier dikwijls het werkwoord hebben of bezitten. B.v. Non estsanae mentis, qui Deum esse neg at, hij heej t geen gezond verstand, die het bestaan van God ontkent. Critognatus magnae aucto-ritatis habitus est, Critognatus werd voor een man van grooten invloed gehouden.
*Bij de verba sentiendi et declaraudi kan ook esse wegblijven. B.v. Esse Deum ita perspicuura est, ut, idquineget, vix eum sanae mentis existïmem.
Aanmerking. Men wachte zich wel om liet bezit van stoffel ijke goederen uit te drukken door esse mot een genetivus qualitatis en liet bezit van eigenschappen en hoedanigheden door esse met een dativus. Vgl. § 234. Aanm. II.
§ 244. Genetivus partitivus. Deze genetivus staat bij woorden, die een deel van een geheel aangeven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van, uit, onder. B.v. Pauci homi nu ra sorte sua content! sunt, weinigen onder de menschen zijn met hun lot tevmfe». A n i m aliu m alia sunt mansuëta, alia fe.ra, van de dieren zijn sommige tam, andere wild of sommige dieren zijn tam, andere ivild.
Van de pronomina personalia gebruikt men de vormen nostrum en vest rum en iti plaats van den genetivus pluralis sui ex se of suorum. B.v. Nemo vestrura hoe ignörat, niemand uwer weet dit niet. Paucos ex se (of suorum) mise-runt, zij zonden eenigen uit hun midden.
§ 245. De woorden, die een genetivus partitivus bij zich hebben , zijn :
1°. de substantiva, die een maat, gewicht of boe veelheid aanduiden. In onze taal gebruiken wij hier geen voorzetsel. B.v. Modius tritïci, een maat tarwe. Libra far ris, een pond meel. Magna vis auri, een groote menigte goud.
2°. de numeralia en de pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals: pauci, multi, ut er, alter, neuter, quis, quot. B.v. Equïtum centum quinquaginta inter-fecti sunt, van de ruiters zijn er honderd en vijf tig gedood. Quis hominum sine laböre clarus evasit. wie der menschen is zonder werken beroemd geworden? Nihil tam absurde diei potest, quod non dicatur ab aliquo philosophorum, men kan niets zoo dwaas zeggen, dat niet gezegd wordt door den 'een of ander der ivijsgeeren.
Genetivus partitivus.
§ 245.
192
*Aa ii merking I. Het s u b s t a n t i v u m, dat het geheel aanduidt, kau ook in plaats van in den genetivus partitivus te staan, met het nu morale, pronomen of adjectivum van hoeveelheid in naamval overeenkomen. De beteekeuis is dan echter niet geheel dezelfde. Zoo men namelijk zegt mul li militum ceeiderunt, dan beschouwt men de soldaten in betrekking tot andere soldaten. Zegt men echter multi inilites ceeiderunt, dan stelt men de soldaten tegenover andere menschen. Het Latijn komt hier juist met het Nederlandsch overeen, quot;f» Ut er qua maakt evenwel een uitzondering. Dit woord wordt altijd verbondon met een genetivus partitivus van een pronomen, behalve wanneer het een pronomen relativum van het onzij dig geslacht is en wanneer ut er que in het meervoud staat. B.v. Uterque nostrum, icij heiden ; uterque h o r u m, zij heiden ; q u o r u m uterque, die beiden; doch quod utrumque, hi utrlque. Is uterque verbonden met een su bs t a n ti v u m, dan moet het hiermede in geslacht, getal en naamval overeenkomen, ook al staat er een pronomen bij. B.v. Uterque frater, heide broeders. Uterque ille dux.
Plerlquo wordt liefst niet met een genetivus partitivus verbonden. B.v. Quod plerique om nes faciunt adolescent u li, wat meest alle of de allermeeste jongelingen doen. Vgl. § 175. Aanm. I.
A a n m e r k i ii g 11. De genetivus partitivus wordt niet gebruikt:
d) wanneer in het Nederlandsch achter de eigenlijke of oneigenlijke telwoorden, zooals: een, twee, geen, velen, weinigen, meerderen een geue-tivus met een pronomen possessivuni staat. B.v. Ik heb geen uwer brieven ontvangen, nullam epistolam tuam aceëpi. Vergeet geen mijner ivoorden, noli ullum dictum meum oblivisei. Weinigen uwer vrienden, pauci amici tui. Ik heb dit uit vele uiver schriften vernomen , illud ex multis tuis lib ris cognHvi. Een mijner vrienden, amicus meus. Nostrae naves duae in ancöris constiterunt.
b) wanneer het woord van hoeveelheid het aantal van het geheel aangeeft. B.v. Be afdeelingen van het Romeinsche volk, waarvan er vijf en dertig waren, werden verdeeld' in stedelijke en landelijke, tribus Kom a-n ae, quae triginta qui n que fuerunt, dividebantur in ur-banas et rustïcas. Corona audientium, quos video muitos wil zeggen, dat ik een talrijke schare van toehoorders zie; quorum video muitos, dat ik velen van mijn toehoorders, maar niet allen zie. Let ook op de volgende zinnen. Met hoevelen zijt gij, quot est is? Wij zijn met niet meer dan honderd, non plu res sum us quam centum.
c) wanneer de deelen van het geheel worden aangegeven door quis-que, uterque, pars... pars, alius... alius, alter... alter, enz. en het geheel vooral moet uitkomen. B.v. Capti ab Jugurtha pars in crucem acti, pars bestiis objecti sunt. Nostri repentino metu perculsi, si bi quisque pro moribus consu-lunt. Decemviri perturbati alius in aliam partem castro-rum discurrunt. Enkele malen richt zich het praedicaat niet naar het subject, maar naar de als appositie bijgevoegde deelen en staat alsdan altijd daarachter. B.v. Pictures et poëtae suum quisque opus a vulgo con side ra ri vult. Duo consul es ejus anni alter ferro, alter morbo periit.
d) wanneer het woord van hoeveelheid wordt uitgelaten, B.v. Geef hem van de boonen is niet da ei f aba rum, maar da ei de fa bis.
Genetivus partitivus.
§ 245.
193
30. de ad j ec ti va en adverbia in den superlativus of in den comparativus, wanneer deze in plaats van den superlativus gebruikt wordt, benevens eenige adjectiva in den positivus, die de beteekenis hebben van een superlativus, zooals; princeps, de eerste, medius, de middelste, reliquus, overig. B.v. Varro d o c t i s s i m u s f u i t Romanorum, Varro is de geleerdste der Romeinen geweest. Major f r a t r u m melius p u g n a v i t, de oudste der (twee) broeders heeft het beste gestreden. Non sine causa d i i li o m i n e s q n o li u a e eondendae R o m a e 1 o c u m e leger unt, regionum Italiae medium, niet zonder reden hebben de goden en de menschen voor het stichten van Rome deze plaats gekozen in het midden der landstreken van Italië. Cicero omnium oratorum Latine loquitur elegantissime, Cicero spreekt van alle redenaars het sierlijkst Latijn.
Aanmerking 1. *üe dichters en gescliiedschnjvers gebruiken de super-hitivi primus, postremus. ultimas, uovissimus, suiniaus, in firn as, imas, iatimas, ex^remus, enz. alsmede de positivi m e-dias, rel'quus, enz. meermalen als eakelvoadige onzijdige sabstaativa eu laten er dan een genetivas partitivus van af-hangen. B.v. Ext re mam aetatis, het laatste {gedeelte) van het leven: relïqaam noctis, het overige {gedeelte) van den nacht; mediam anni, het midden van het jaar. De beste prozaschrijvers echter gebraiken deze saperlativi en positivi, wanneer zij een deel van een geheel aanduiden, als adjectiva en zeggen ex trema aetas, relïqua nox, medius annus. Zij plaatsen deze adjectiva in dit geval altijd vóór het substantivum. B.v. Sol in medio man do si tas est, de zon is in het midden der wereld geplaatst. Quis est hie sen ex, quem video in ultima plat ca, wie is die grijsaard, dien ik'daar zie op het einde can de straat ? P r i m a lace sammus mo us a Labiëno ten eb a tar, hij het begin van den dag werd de top des bergs door Labienus beset. Zoo deze adjectiva achter het substantivum staan, hebben zij dezelfde beteekenis als in het Nederlaudsch. Zoo is media urbs het midden der stad, doch urbs media de middelste stad.
Somtijds gebraiken ook Cicero eu Caesar sommige saperlativi eu positivi in het neutrum plu rale als sabstantiva met een genetivus partitivas. B.v. Summa pectoris, de bovenste gedeelten van de borst; cujusque art is difficillima, de moeielij leste punten van iedere kunst; in occult is ac recondïtis temp li, in de geheime en verborgen plaatsen van den tempel.
^Aanmerking 11. *Somtijds wordt bij telwoorden en adjectiva van hoeveelheid en meermalen bij comparativi en saperlativi de genetivas partitivas vervangen door de praeposities inter, ex, ook wel de, in, nooit a. B.v. Ex nostris militibas circiter septaa-ginta ceciderunt, van onze soldaten zijn er omstreeks zeventig ge-sneuveld. Inter maxima vitia nullum est frequeatias qaam ingrati a ui mi, van de grootste misdaden is er geen meer gewoon dan die der ondankbaarheid. Acerrimas ex omnibus nostris sen si bus
13
Genetivus partitivus.
§ 245
194
est sen sus videndi, het scherpste van al onze zintuigen is het gezicht.
De praepositie ox, de (soms in) is noodzakelijk, waaneer het geheel wordt voorgesteld door een substantivum met eeu numerale of' door een numerale alleen. B.v. Optimus ex viginti fund is, het beste der twintig landgoederen. De tribus hoe extremum est, dit is het laatste van de drie. Cicero en Caesar verbinden u u u s altijd met ex of de, wanneer het niet gevolgd wordt door alter of alius. B.v. Uuus de multis. Wordt hot echter door eeu dezer beide woorden gevolgd, dan gebruiken zij een g e n e t i v u s partitivus. B.v. Gallia est om nis divïsa in partes tres, quarum unam incöluut B e 1 g a e, a I i a in A q u i t ïï n i, t e r t i a m C e 11 a e.
*4°. de adverbia van hoeveelheid, wanneer zij als substan, tiva gebruikt worden, zooals: a hun de, affïttim, overvloedig, parum-te weinig, nimis, te veel, satis, genoeg, partim, deels. B.v. Nonnulli orator es nimis insi diarum ad ca p ie n das auresadhïbent, C r a s s u s i n s u m m a comitate h a b e h a t e t ia m severitatis satis. Bij nomina coucreta gebruikt men satis liever met een adjecti-vum dan met een genetivus partitivus. Zoo zegt men beter satis multi mi lit es dan satis mil i tuin, beter satis magna pecunia dan satis pecuniae.
Aanmerkingen. De adverbia van plaats ubi, ubicunque, nns-quam, usquam, unde, hie, hue, eo, aliquo nemen soms ter versterking van hunne heteekenis de genetivi gentium, terrarum, loei, loco rum bij zich. B.v. Ubi gentium es, waar ter wereld zij t gij'i Nusquam terrarum invenltur homo omnibus partibus fc-1 i x, nergens ter wereld vindt men iemand, die onder alle opzichten gelukkig is.
Algemeen gebruikelijk is de spreekwijze quoad ejus fieri potest, fa cere possum, in zoover zulks kun geschieden, zoo goed mogelijk. B.v. Causas hujus rei investigavi, quoad ejus fieri potüit. Velim, no intermittas, quoad ejus fa cere pot er is, scribe re ad me, etiamsi rem, de qua se rib as, non habebis.
De adverbia e o, quo, hue en adeo worden door sommige schrijvers in de oneigenlijke beteekenis van graad, trap met een genetivus verhouden. B.v. Ipsi nescire videmini quo ameutiae progressi sit is, zelf' schijnt gij niet ie weten tot welk een graad van waanzinnigheid gij gekomen zjt. Eo audaciae processerat, tot zulk een trap van vermetelheid was hij gekomen. Cicero en Caesar zullen hier zeggen ad eam (tantam) audaciam of tantum audaciïx processerat.
Niet navolgenswaardig zijn de tijdsbepalingen postea loei, naderhand, interea loci, intiisschen, ad hue locorum, tot nu toe, tum temporis, toen.
5U. *de volgende onzijdige pronomina eu adjectiva van hoeveelheid: hoc, id, illud, istud, idem, quid en quod met hunne composita, aliud, amplius, multum, plus, plurimum, m i n u s, mini m u m, p a u 1 u m, p a u 1 u 1 u m, n i m i u m, d i m i d i u m, tantum, zooveel, quantum, hoeveel, tantülum, zoo weinig, quan-t ü I u m, hoe weinig, tantundem, even zooceel, aliquant u m, vrij wat, alsmede nihil, niets. (Magnum en parvum worden nooit, exi-guum hoogst zelden aldus geconstrueerd). B.v. Homo sum, humani nihil a me a I i e n u m p u t o.
*Deze woorden mogen echter slechts dan een genetivus partitivus bij
Genetivus parlitv us.
§ 245.
195
zich hebben, wanneer zij in den nominativus of accusativus staan en niet afhangen vaneen praepositie. B.v. Quid injuriae t i I) i factum est, welk onrecht is u yeschied ? S o I nobis omnibus idem iucis et calfJris 1 a r g ï t u r, de zon yeeff ons allen evenveel licht en imrmte. P I a m i n i u s id tantum h o s t i u m, cj u o d ex a d v e r s o erat, conspexit, Flaminius zag slechts dut yedeelte der vijanden, dat tet/enover hem stond. Dimidium facti, qui bene coepit, ha bet, een goed begin is het halve werk. Men mag echter niet zeggen per m u 1-t u in temporis iu plaats van per multuin tempus; niet in hoe op ere minimo consilii us us es in plaats van in hoc opere m i-n i tn o c o n s i 1 i o u s u s es. Soms echter vindt men a d m u I t u m diei (ad multurn diem); ad id loci, aetatis, audaciae (ad enm locum, ad eam aetatem, au laciam).
Xiet enkel substantiva mogen bij deze woorden in den genetivus par-titivus staan, maar ook enkelvoudige onzijdige ad jee ti va der tweede declinatie. B.v. Aliquid n o v i, iets niemvs. Nquot; i h i 1 s i n-cêri, niets oprechts. Wanneer van deze adjectiva een ander woord afhangt, zooals: nihil fide sua indignum fecit, hij heeft niets gedaan, dat. zijne trouw onwaardig was, of' wanneer de bovengenoemde woorden als adverbia gebruikt worden, zooals: nihil te d i-g n u ra i n v e n i o, ik hevind u volstrekt niet waardig, mag de genetivus partitivus niet gebruikt worden.
De adjectiva der derde declinatie, alsmede alius mogen niet in den genetivus partitivus gezet worden, maar moeten met het onzijdige pronomen of adjectivntn van hoeveelheid overeenkomen in geslacht, getal ea naamval. B.v. Niets anders, nihil a 1 i u d. Iets hemelsch, aliquid c a e I e s t e. Slechts één geval is uitgezonderd, wanneer namelijk een aljeotivnm der derde declinatie verbonden is met een adjectivum der tweede declinatie, dat in den genetivus partitivus voorop staat. B.v. Aliquid divini et caelestis. Ook mot herhaling van het regeerende woord: nihil soitdi, nihil expressi, nihil eminentis. Men kan echter evengoed zegden aliquid divinum et caeleste en moet dit doen, wanneer hei adjectivum der derde declinatie voorop staat. B.v. Aliquid c a e leste c t divinum.
^ Aanmerking. Do adjectiva der tweede declinatie behoeven bij deze woorden niet in den genetivus te staan. Men kan evengoed zeggen aliquid novum als aliquid novi; de eerste uitdrukking doet echter meer de q u a I i t e i t, de laatste meer de quantiteit uitkomen. Zoo ook: haecstatua est aliquid pulchrum en haec statu a ha bet aliquid p u 1 c h r i.
Behalve p 1 n s, tantundem en quid met zijn composita kunnen daze pronomina en adjectiva van hoeveelheid ook als adjectiva gebruikt worden. Hoe negotium is evengoed als hoe negotii, mul tuin tempus evengoed als multum temporis. Men moer echter altijd peggen p I u s . hosti u in, zoo men geen plnres hostes wil gebruiken, q u id re i, zoo men niet liever zeyit q u a e re s.
Tantum, quantum is in de beteekenis zoo groot, hoe groot altijd adjectivum. B.v. Tantum negotium, een zoo groote taak; tanti homines, zoo groote menschen; in de beteekenis zooveel, hoeveel altijd s u b s t an ti vu m. B.v. Habes tantum librorum, quantum ego v i x h o m i ii u m v i 'd i, gij hezit zooveel hoeken, als ik nauwelijks menschen heh gezien.
Genetivus criminis.
196
§ 246â248.
§ 246. Genetivus epexegetieus. Met dezen naam duidt men den genetivus aan, die in sommige gevallen de plaats vervangt eener Nederlandsche appositie. Vgl. § 194. ^-cv%
§ 247. Genetivus criminis. In dezen genetivus staat (gewoonlijk met uitlating van crimine of nomïne) de naam van de m i s d a a d bij de verba van beschuldigen, aanklagen,, overtuigen, veroordeelen en vrij spreken , alsmede bij de adjectiva en participia reus, noxius, schuldig, innoxius, i n s o n s , onschuldig, compertus, manifest us, overtuigd. B.v. Aliquem ambitus, falsi, parricidii accusare, defer re, postulare, iemand aanklagen of beschuldigen van kuiperij, vervalsching, oud ermoord. Aliquem damnare of con-demnare perduellionis, sacrilegii, iemand veroordeelen om landverraad. tempelroof. Aliquem a b s o 1 v ë r e capitis, iemand vrijspreken van de doodstraf (van een misdaad, waarop de doodstraf staat).
AVanneer de misdaad niet bepaald wordt aangegeven, moeten digt; ablativi crimine of nomine gebruikt worden. B.v. Si inïquus es in me judex, condemnabo e o d e m ego te crimine, zoo gij voor mij een onrechtvaardig rechter zijt, zal ik u om dezelfde misdaad veroordeelen.
Meermalen staat in plaats van den genetivus criminis de praepo-sitie de. B.v. De majestate accusare aliquem, iemand' beschuldigen van een vergrijp tegen de waardigheid van den staat.
Deze praepositie is noodzakelijk, wanneer de genetivus van een woord niet bestaat. B.v. De vi coarguöre aliquem, iemand
aanklagen van verzet tegen den staat.
*Aanmerkiug. Wanneer accusare, incus are berispen, zich beklagen beteokoiien, hebben zij gewoonlijk den naam van de misdaad in den accusativus en van den persoon in den genetivus. B.v. Inertiam accu sas adolescentium, gij berispt de. jongelingen over hunne vadsigheid, f- ; ' â¢c
§ 248. Den naam der straf, waartoe iemand veroordeeld wordt, drukt men bij damnare en condemnare uit door capitis (ook ca pi te, een enkele maal morte, nooit mortis), ter dood, quanti, tot hoeveel, dupli, quadrtlpli, octüpli, tot een duh-hele, vierdubbele, achtdubbele boete. B.v. Maj ores no s tri in legibus posuerunt, furem dupli condemnari, foenera
toremquadrupli.
*A a n m er k i n g e n. Bepaalde geldsommen staan altijd in den ablativus. B.v. Aliquem damnare decem milibus aeris, d u-
#
Genetivus objeclivus.
197
§ 249â250.
o e ii t i s fl o r c ii i s, iemand veroordeelen tot tien duizend as, twee honderd gulden.
Andere genetivi od ablativi komen bij goede prozaschrijvers uiet voor. Zoo de straf op deze wijze niet kan worden uitgedrukt, gebruikt rnon oeu omschrijving en wel meestal met m u 11 a r e, straffen, waarbij de straf in den abiativus staat. B.v. Hij werd tot gevangenis veroordeeld, damnatus et in carcërem (vinciila) conjectus est. Hij werd veroordeeld tot een geldboete, tot balling schap ^ om gegeeseld te worden, damnatus et pecunia, exsilio, verberibus multatus est.
In het zilveren tijdvak zeide men ook damnare aliquem in ex-pen sas, ad bestias, in met al la, iemand veroordeelen tot de kosten, tot een dierengevecht, tot mijnarheid.
Voti (votorum) damnatus beteekent iemand, die zijn wensrh verkregen heeft.
§ 249. Genetivus pretii. Bij de verba van schatten en achten (aestïmo, facio , puto, habeo, duco, pendo) staan de volgende adjectiva in den genetivus, om aan te duiden hoe hoog iets geschat of geacht wordt: magni (niet multi), hoog, pluris (niet majoris), hooger, plurimi, maxi mi, zeer hoog, of het hoogst, permagni, zeer hoog, parvi, gering, min oris, gering er, minimi, zeer gering of het geringst, tanti, zoo hoog, quanti, hoe hoog, tantïdem, even hoog, quantivis, alles waard, q uan t icu n que, hoe hoog ook. B.v. Voluptatem virtus minimi facit, de deugd acht het zinnelijk genot zeer gering. Quanti quisque se ipse facit, tanti fit ab amicis, een ieder wordt zoo hoog door zijn vrienden geacht als hij zich
Aanmerking. Om in de taal van het gezellig verkeer aan te duiden, dat men aan iets volstrekt geen waarde toekent, voegt men bij de verba non facer e, non habere, non putare, non ducere de genetivi assis, een as, teruncii, het vierde eener as, i'\ occi,een vlok, nauci, een schil, pili, een haar, hu jus, dit. B.v. Servum non nauci facio, ik acht den slaaf geen zier, geen duit waard.
Ook vindt mon soms nihïli in plaats van pro nihïlo habere, putare, ducere. Vgl. § 221. Aanra. II. Vervolgens aliquid aoqui of aequi bonlique fa cere, aliquid boni consulej'e, iets voor Hef nemen, ergens mede tevreden zijn.
§ 250. Genetivus objectivus bij substantiva. Deze genetivus staat bij alle substantiva, die een handeling of gewaarwording te kennen geven, welke op een of ander object overgaat. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels tot, naar, jegens, op, in, tegen, enz. B. v. Cupidïtas pecuniae, begeerte naar geld. Taedium laboris, verdriet in den arbeid. Fiducia virium suarum, vertrouwen op zijn krachten. Incitamentum honoris, een prikkel tot eer. Appetentia cibi, verlangen naar spijs. Potest as vitae necisque, macht over leven en dood.
Genetivus objectivu a.
198
§ 251â252.
Aanmerking. Een NedeHandsch samengesteld zelfstandig-naamwoord wordt in het Latijn dikwijls vertaald door twee sub-stantiva, waarvan het eene in den genetivus possessivus of objectivus staat. 15. v. I)e handelsstand, ordo mere a to rum. Krijysfooneel, belli se des. Eerzucht, cupidïtas gloriae. Waarheiddief de, v e r i t a t i s a m o r,
§ 251. Bij den genetivus objectivus gebruikt men gewoonlijk de pronomina personalia mei, tui, sui, nostri, v es tri (nooit nostrum, vestrum). JJ.v. Desiderium mei, het verlangen naar mij. Mem or ia nostri, de herinnering aan ons. A mor sui, eigenliefde.
Aanmerking I. De uitdrukking pars mei, tui, nostri, vestri» zooals: nostri pars me'lor animus est, ons leste deel is de ziel, moet als genetivus objeetivu; verklaard worden.
Aanmerking II. Meermalen worden de pronomina possessiva gebruikt in plaats van de personalia in den genetivus objectivus. B.v. Invidia tua, nijd tegen u. Ipse suus f' u i t ae c n 8 a t o r, hij is de beschuldiger geweest van zich zetten. Vos oramus ut memoriam nostra ni perpetuo servetis, wij hidden u de herinnering aan ons altijd te bewaren. Ha bend a ratio non sua solum, sed etiam aiiorum, men moet niet alleen op zich zelren, maar ook op anderen acht slaan.
Aanmerking Jll. Meermalen komen de pronomina demon strati va, interrogativa ou relativa, in plaats van in den genetivus possessivus of objectivus te staan, als attributum met het regeerende substantivum overeen. B.v. Hie dolor (hujns lei dolor) animum in e u m fregit, de smart hierover heejt mijn hart gebroken. Qua admiration e tenëris, waarover verwondert gij u? Quae pule h rit u do major est quam virtutis, rfe schoonheid tan deze zaak is grooter dan die der dapperheid. Scaevöla in eo numero tuit. qui Porsênam interim ere pa rati er ant, Scaevola behoorde tot het getal van diegenen, welke Porsena wilden dooden. Amicitia est ex eo gen ere, quae vit am beat am reddunt, de vriendschap behoort tot die soort van zaken, welke het leven gelukkig waken.
*t; 252. Zooals uit § 238 bleek kan men soms bij de verbinding van sommige substantiva met een genetivus niet zien of'het een genetivus subjectivus ot objectivus is. Gewoonlijk zullen de overige woorden van den zin deze dubbelzinnigheid opheffen. Zoo kan sine metu hostium esse alleen beteekenen: zonder vrees voor de vijanden zijn. itjuria inimicorum me infellcem reddidit kan eveneens slechts denzin hebben: het onrecht, dut mijne vijanden mij aandeden, heeft mij ont/e-lukkig gemaakt. Wordt de dubbelzinnigheid echter niet opgeheven door het zinverband, dan gebruikt men een praepositie of een omschrijving. B.v. Pietas erga parentes of pietas, qua liberi parentes venerantur, praecliïra est virtus.
Ook buiten het geval van dubbelzinnigheid gebruikt men meermalen iu plaats van den genetivus objectivus van personen (niet van zaken) een
Genetivus objeclivus.
199
§ 253â254.
tig
cu pi dus avïdus studiosus fastidiósus, afkeerig van. perltua y
gnarus prudens conscius, zich
/ ervaren tn.
bewust' van.
I
consors
compos
potens
impos
iinpörens
impentus rudis
onervaren m.
narns )
iprüdens j
onbekend met.
praepositie bij de substantiva van genegeuheid en afkeer, van vriendschap en vijandschap. Vooral geschiedt dit, wanneer het regeerende snbstantivum een pronomen possessivum bij zich heett of zelf in den genetivus staat. B.v. Me as er ga te am or. Si quid am or is erg a in e in te resïdet.
Zoo men geon praepositie gebruikt in geval de eene.genetivus van den anderen afhangt, zorge men voor een duidelijke woordplaatsing. B.v. N o n alia ulla fuit causa in ter mission is epis tol arum, nisi quod ubi esses, plane nesciebam.
t; 253. De genetivus staat gewoonlijk achter hot regeerende nomon behalve wanneer de nadruk op den genetivus valt. B.v. M ors f rat ris tui acerbissima mihi fuit. A tb eniensium urbs omnium artium fuit inventrix. Animi mot us, hartstochten. Terrae mo-t ii s, aardbevina. Belli f o r t u n a, krijgsgeluk. Corporis voluptates, zingenot.
Behoort één genetivus bij twee nomina, dan staat hij of voor hot eerste nomen of achter het tweede of achter hut eerste. K.v. Caesar i s f o r t i t u d o et prudeutia of f o r t i t u d o el prudentiaCae-saris óf fortitudo Caesaris et prudeutia.
Behooren twee door een copula verbonden genetivi bij één nomen, dan staan zij of beiden voorop of Vjeiden achteraan of het nomen wordt gevoegd tusschen den eersten genetivus en do copula. B.v. Caesaris et Ciceronis or at ion es öf oratio nes Caesaris et Ciceronis of Caesaris o r a . i o n e s et Ciceronis.
Zoo een genetivus subjectivusen een genetivus objectivus bij één substantivum staan, komt gewoonlijk de genetivus subjectivvis voorop, en dan öf het substantivum óf de genetivus objectivus, naarmate het zinverband vordert. B.v. He 1 v e t i o r u ra injuriae p o p u 1 i Horna :i i, heleedigingen van de Helvetiërs jegens de Rumeinen. Scaovolae d i c e n d i elegantiam satis cognïtam h a b e m u s.
§ 254. Genetivus objectivus bij adjectiva. Dezen genetivus regeeren:
1°. de adjectiva. die beteekenen begeerig, ervaren, gedach-deelachtig, machtig, en het tegendeel. ITiertoe behooren :
inscius, onbeuast van.
insuetus
, gt; ongewoon aan.
insolens I ^
memor, gedachtig aan.
immëmor, ongedachtig aan.
partïceps
deelhebbend aan.
iets mach lig, meester over.
iets niet machtig, geen meester over.
begeerig naar.
Genetivus objectivus.
200
§ 254.
B.v. Solus ho in o rationis est particeps, alleen de mensch is der rede deelachtig. Pythagoras sapientiae studiösos appellavit philosöphos, Pythagoras noemde hen, die be-geerig iraren naar wijsheid, wijsgeeren. O m n e s immeinörem beneficii ode runt, allen haten dengene, die een iveldaad niet gedachtig is.
Dichters en latere schrijvers voegen dezen genetivus ook bij andere adjectiva. B.v. integer vitae scelerisque purns.
â¦Aanmerking I. Bij eonscius, zich bewust van, staat meestal nog een dativus van den persoon. B.v. Nullius culpae sibi cou-s ei urn esse. In de beteekenis van medewetend regeert het ook den dativus (illi faeinöri couscius) en de praepositie de (his de rebus conscins).
Ru dis en prudens worden ook met in geconstruoerd. B.v. Rudis in jure civTli. Prudens in judicando.
Ins uët u s staat ook met ad. B.v. Insuetus ad onera portanda.
Aanmerking II. Geheel eigenaardig staat dikwijls bjj dichters en latere schrijvers de genetivus animi bij de adjectiva, die een gemoedsstemming uitdrukken, en bij de verba, die angstig, twijfelmoedig zijn beteekenen. B.v. Aeger animi, bekommerd van geest. Discrucior animi, ik word gefolterd in mijn geinoed. Bchiilve bij pende r e animi, twijfelmoedig zijn, gebruikt Cicero bij zulke verba den ablativus partis animo. In het meervoud heet het altijd pende re ani-mis (nooit anitnorum). In plaats van den genetivus animi zet men in klassiek proza dit woord met het regeerende adjectivum in den genetivus of ablativus qu al it at is. B.v. Homo audacis animi of audaci animo in plaats van audax animi.
2quot;. vele participia praesentia van verba transitiva, wanneer zij niet een voorbjjgaande handeling, maar een duurzame eigenschap beteekenen. B.v. Hannibal frigöris et caloris patiens fuit, Hannibal was gehard tegen koude en hitte. Men zegt daarentegen: milïtes Hannibalis, dum Alpes supërant, f r i g u s patientes f n e r u n t, de soldaten van Hannibal doorstonden bij hunnen overtocht over de Alpen de koude. Artium intellëgens, een kunstkenner. Religion um neglëgens, ongodsdienstig* P1 u v i u s n a v i u m patiens, een bevaarbare rivier. Ook wanneer zij in den eomparativus en sup erla tivus staan. B.v. Quis famulus amantior do mini est quam can is? Sumus natura app e te n ti ss i m i iionestatis.
Tot deze participia behooren voornamelijk amans, appëtens, colens, dilïgens, efficiens, fugiens^metuens, neglë-gens, patiens, sitiens.
» Staat bij deze participia een adverbium, dan regeeren zij gewoonlijk den accusativus. B.v. Sol est co n st an t iss im e efficiens vicissitudïnes a nni versari as. Men vindt echter ook den genetivus. B.v. Eqnes loc ü pies, sui negotii bene geren s.
Genetivus hij pudet.
201
§ 255â256.
-vT/ quot;.,3°. in het latere Latijn de adjectiva op ax, die van verba trans-^ /itiva zijn afgeleid. B.v. Tenax propositi, vast op zijn stuk staande.
§ 255. Genetivus objectivus bij verba. De verba adino-neo, commoneo, co m mo ne f acio, ik herinner (een ander), ni e m i n i, reminiscor, r e c o r d o r , v e n i t m i h i in m e n t e m, ik herinner mij, en ob li vise or, ik vergeet, hebben den persoon of de zaak, welke men zich zeiven of een ander in de gedachte brengt of welke men vergeet, in den genetivus. B.v. Semper hu jus diëi et loei meminero, altijd zal ik mij dezen dag en deze plaats herinneren. Proprium est s t u 11 i t i a e a 1 i o r u m vitia eer n ere, oblivisci suorum, het is eigen aan een dwaas de gebreken van anderen te zien en de zijnen te vergeten. Venit mihi Platönis in men tem, ik herinner mij (toevallig) Plato. Foederis eum ad in on uit, hij herinnerde hem aan het verhond.
*A a u m e rk inga u. De onzijdige pronomina en adjectiva van hoeveelheid staan bij deze verba in den accusativus. B.v. Illud me praeclare ad m on es. Admoneo, co mm on eo en com-monefacio hebben dikwijls de praepositie de. B.v. De proelio vos paulo ante invTtus admonui.
emini heeft de zaak in den genetivus of accusativus (mt-minisse beneficia; raeraini. coustantiae tuae), den persoon in de betee-kenis ik herinner mij noij (en met een ontkenning niet meer) in den accusativus (Antipater ille Sidouius, quern tu probe meministi) en in de beteekeuis ik denk aan iemand in den genetivus (memineris mei). Soms heeft nieraini d e.
Reminiscor heeft den genetivus of accusativus.
-JRecordor en ob li viseer hebben de zaak in den genetivus of accusativus, recorder den persoon met de en obliviscor den persoon in den genetivus.
^enit mihi in men tem kan de zaak, zoo deze voorgesteld wordt door een onzijdig pronomen of adjectivum van hoeveelheid, of door een substautivum van algemeene bereekenis, zooals res, genus, ook als subject in den nominativus hebben. B.v. Quae mihi venie-baut in men tem existimavi me ad te oportêre scribëre.
§ 256. De verba irapersonalia
pudet, piget, paenïtet,
t a e d e t atque m i s e r e t hebben den persoon, die zich schaamt, die verdriet of berouw heeft, wien iets verveelt of die medelijden gevoelt, in den accusativus (behalve bjj^het gerundivum, waar de dativus gebruikt wordt) en den persoon of de zaak, waarover hij zich schaamt, enz. in den genetivus. B.v. Tui me misëret, tk heb medelijden met u. Taedet eum vitae, hij heeft verdriet in zijn leven. Sunt homines, quos libidïnis infamiaeque suae
Genelivus bij interest.
202
§ 257.
neque pudeat neque taedeat. Consilii nostri nobis paenitendum p u t o.
De zaak kiin ook uitgedrukt worden door een infinitivus (niet door den genetivus van het gerundium) en door een zin met quod of met een vraagwoord. B.v. Non me pudet fateri uescire, quod (terugziende op een uitgelaten id) nes ei am, ik schaam mij niet te bekennen dat ik niet weet, wat ik niet weet. Q u i n t u m paen ïtet quod an i mum tuum offendit, Qdintus heeft berouw dat hij u heleediyd heeft. Non paenïtet me quantum profe-cerim, ik heb geen berouw over de vorderingen, die ik gemaakt heb.
Aanmerkingen. Bij deze impersonalia moeten de werkwoorden posse, deb ere, sol ere, de sin ere en dergelijken onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Non potest paeni të r-e me hu jus faeti, ik kan hierover geen berouw gevoelen. Debuerat i 11 o s p u d e r e h u j u s fact i zij hadden zich moeten schamen oner deze daad. liespondeam Himilconi, non desisse paeni-tere me belli.
De neutra der pronomina staan bij deze verba in den accusativus. B.v. Sapiens nihil fa c i t, quod paeniterepossit. In dit voorbeeld is de accusativus van den persoon weggelaten.
Ook de persoon, voor wien men zich schaamt, staat bij pudet in den genetivus. B.v. Me tui, mi pater, pudet, vader, ik schaam mij voor u.
Evenals liet impersonale miser et worden ook de â personalia mis ere or en miseresco met dea genetivus verbonden. B.v. Miserere me i, heb medelijden met mij. M i s é r o r en o o in m i-sëror, bejammeren, beklagen, regeeren den accusativus. B.v. Misera mini s oei os.
§ 257. I n t e rest en r e f e r t, het is van belam/, er is of ligt aan gelegen, worden op de volgende wijze geconstrueerd.
1°. De persoon, voor wien iets van belang is, staat in den genetivus. B.v. P a t r i s interest, het is voor den vader van belang, er ligt den vader aangelegen.
In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men den ablativus der pronomina possessiva mea, tua, sua, nostra, vest ra. -Waarschijnlijk vinden deze woorden hunne verklaring, in een uitgelaten causa. B.v. Mea interest, het is voor mij van belang. Caesar dieëre solebat, non tam sua quam reipublïcae interesse uti salvus esset, Caesar placht te
Genetivus bij mierest.
203
§ 257.
zeyc/en, dat het niet zoo zeer voor hem als wel voor den staat van belaruj was, dat hij behouden was.
â ft Bij deze ablativi plaatst men geen nomen appositum, maar een relatieven zin. B.v. Interest mea, qui pater sum, filiorum meorum animos doctrina et litteris imbui, voor mij als cader is het van he.lany dat mijn zoons een degelijke wetenschappelijke opvoeding ontvangen. Men moet echter altijd zeggen: omnium nostrum, \ e-strum interest. Ipsius en ipsorum worden nooit ter versterking bij deze ablativi gevoegd.
2quot;. De zaak, waarin iemand belang stelt of waaraan iemand gelegen is, wordt uitgedrukt door een infinitivus (zoo de subjecten dezelfde zijn), door een accusativus cum infinitivo (zoo de subjecten verschillend zijn), door een zijdelingsche vraag en door een bijzin met ut, ut non of ne. B.v. Interest omnium ree te facëre, het is voor allen van bplang om oprecht te handelen. Magistri interest, discipülum esse diligente m of utrum discipu 1 us di 1 ïgens sit necue of ut disci-pülus sit dili'gens, er ligt den leermeester aan gelegen, dat zijn leerling vlijtig is.
De zaak, waarin men belang stelt, mag niet uitgedrukt worden door een s u bs t a n t i v um. B.v. Mij ligt veel aan uwe goedkeuring gelegen is niet: multuin mea interest ap p robati oni s tuae maar: abs te approbari of approberne abs te öl ut abs te appröber.
De algemeene uitdrukkingen daaraan, hieraan, waaraan worden vertaald door den accusativus der pronomina id, illud, quod, quid. B.v.lllud mea magni interest, te ut videam, hieraan ligt mij veel gelegen dat ik u zie. Vg.1. § 219. 3°.
3°. Hoeveel iemand aan iets gelegen is, wordt uitgedrukt of .door den genetivus pretii magni. permagni, parvi, nihïli, tanti, quanti ^iiet multi, pluris, majoris minoris, maximi, plu-riini, minimi) of door de adverbia magnopëre, vehementer, magis, paruin, enz. óf door de neutra singularia van pronomina en adjectiva multum, plus, minus, plurimum, minimum, ali-quid, en/, alsmede door nihil. B.v. Magni (magnopère, multum) mea interest, er ligt mij veel aan gelegen. Mea magis of plus (niet pluris) i n t e r e s t q^u am v e s t r a,e/- ligt mij meer aan gelegen dan u.
4°. De zaak, waarvnor iets van belang is, staat in den accusativus met ad. B.v. Magni ad honorem nostrum interest q u a m prim d m ad u r b e ra me v e n i r e, het is van groot belang voor onze eer, dat ik zoo spoedig mogelijk naar de stad kom.
Ablativus cavsae.
204
§ 258â259.
^ Aanmerking. Refert wordt weinig verbonden met den genetivus van den persoon, meermalen met de ablativi mea, tua, enz., meestal staat het op zich zei ven. B.v. Quid refert qnam diu vixeris, nisi bene vixeris, wat is er aan gelegen hoe lang men geleefd heeft, indien men niet goed geleefd heeft? Non refert quam muitos lib ros, sed quam bonos habeas, het komt er niet op aan of men vele, maar of men goede boeken heeft.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN DEN ABLATIVUS.
§ 258. De ablativus dient in het algemeen om verschillende bepalingen aan te duiden en wordt onderscheiden in :
ablativus causae. ablativus partis.
â instrumenti. â pretii.
â modi. â qualitatis.
§ 259. Ablativus causae. Deze ablativus geeft de oorzaak aan, waardoor iets geschiedt. Hij staat:
1°. bji de verba passiva. Vgl. § 96. A of ab staat ook bij namen van dieren en zaken, die als personen zijn voorgesteld; bjj dieren ook wel, zonder dat zij als personen zijn voorgesteld. B v. Cervus laceratur a leone. Non est consentaneum, qui invictum se a labore praestiterit, eum vinei a voluptate.
Aanmerking I. *Somtijds staat bjj een tijd met het participium perfectum de dativus in plaats van den ablativus causae. B.v. Mihi consilium captum jam d i u e s t, reeds lang is door mij een besluit genomen. Vgl. g 415.
üe dativus moet gebruikt worden hij het gerundivum. Vgl § 109. 2°. Zoo door don dativus echter onduidelij k heid ontstaat, gebruikt men deu ablativus causae. B.v. Hisce civibus est a v o b i s consulendum, voor deze burgers moet door n gezorgd worden. Zoo hier do dativus stond, zou de zin ook kunnen beteekenen: door deze burgers moet voor u gezorgd worden. Men kan de onduidelijkhoid ook opheffen door een verbum te nemen, dat geeu dativus regeert, of door debeo, oportet of dergeljjk werkwoord te gebruiken. Zoo kan men zeggen in plaats van tibi succurrendum est mihi óf t u m i h i j a v a n-dus es óf debeo tibi succurrere of oportet me tibi snccurrere.
Men behoudt ook den ablativus causae bij een t e g e n s t e 11 i n g met een ablativus causae en wanneer de handelende persoon bijzonder moet uitkomen. B.v. Nee, si a populo praeteritus est, a j u d i c i-bus condemn an dus est. Admonendum potiusteame quam rogand um puto.
Aanmerking I[. *B j g i g u i, u a s c i, oriri staat de naam van d-ni vale r, de ouders en den stand in den ablativus zonder prauposicie. B.v, Mercurius J o v e et Ma ja nat us e r Mercurnis
Ablativus causae.
205
§ 260.
stamde af van Jupiter en Maja. N o b ï 1 i g e n ë r e o r t u s, uit een aanzienlijk geslacht gesproten. E q u e s t r i loco g e n ï t u s, uit den ridderstand geboren.
Bij den naam der moeder en bij pronomina staat gewoonlijk ex (de), bij afstamming van voorouders en in overdrachtelijken zin a. B.v. Cato Uticensis ortus (oriundus) a Censorio. Nulla tam detest a bïlis pestis est, quae non homini ab ho-minenascatur. ' ^
2°. bij adj ec ti va en v erba i n transi ti v a, die een passieve
beteekenis hebben, zooals: fessus, vermoeid, saucius, gewond, in ter ire (= interftci), omkomen, crescëre (= augëri), groeien. B.v. Pessus vulnöre, afgemat door zijn wond. Marcel lus periit ab Ha n n iba 1 e, Marcellus werd gedood door Hannibal. Concordia res parvae crescunt, discord ia maximae dilabuntur, door eendracht worden kleine zaken groot, door tivee-dmcht gaan de grootste zaken te gronde.
Hiertoe behooren vooral de verba, die een gemoedsaandoening te kennen geven, zooals die van vreugde en droefheid en de adjectiva a n x i u s , angstig m a e s t u s â treurig, superbus, trotse h, 1 a e t u s , blijde, contentus, tevreden, f r e t u s, vertrouwend. B.v. Delicto dole re, correctione gaudëre o p o r t e t, over een misslag moet men zich bedroeven, over een terecht-wijzing zich verheugen. Natura parvo cultu con tent a est, de natuur is met een geringe verzorging tevreden.
â¦Aanmerkingen. Gloriari (de) virtute beteekentslt;c//. beroemen op zijn dapperheid, in virtute, zijn roem zoeken in de dapperheid. ⢠N i t i (in) a 1 i q u a re, steunen op iets, a d (soms in) a 1 i q u i d , streven naar iets. B.v. S a 1 u s h o m i n u m non veritate solum, s e d e t i a m f a m a n i 111 u r. N i t ï m u r in v, e 111 u m semper cupimusque u e g ii t a.
â fLaborare, aan iets lijden, regeert den a b 1 a t i v u s. B.v. m o r b o, ziek zijn; odio, gehaat zijn. Zoo echter het lichaamsdeel, waaraan men pijn heeft, genoemd wordt, gebruikt meu gewoonlijk e x. B.v. Laborare ex pedibus, ex intestTnis, pijn aan de voeten, in de ingewanden hebben. \
tare, bij iets volharden, heeft gewoonlijk den ablativus, zelden in B.v. Stare foedëre, jurejurando, een verbond, een eed houden. -gt;-C o n s t a r e en consistere, bestaan uit of in iets, regeeren den ablativus, meestal met e x of i n. B.v. Homo ex animo et co r pore constat, de inensch bestaat uit ziel en lichaam. Vita om nis Germanorum in venationibus atque in studiis rei militaris consistit. Zoo gelijksoortige deeleu van een geheel worden aangegeven, gebruikt men esse met den genetivus. B.v. Annus trecentorum sexaginta quinque dierum est, het jaar bestaat uit 365 dagen.
§ 260 De innerlijke beweegreden en de uitwendige grond, waarom iets geschiedt, kunnen uitgedrukt worden door
Ablativus causae.
206
§ 260.
den ablativus. B.v Ode runt peccare boni virtutis a more, de goeden haten het kwaad uit liefde tot de deugd. Quidam morbo aliquo et sensus stupore sua vit a tem c i b i non s e n t i u n t, ten gevolge van een of andere ziekte en stompheid van zintuig hebben sommigen geen smaak van hun eten.
^Aanmerking I. Do innerlijke be weegr eden wordt gewoonlijk 'uitgedrukt dour omschrijving met het participium perfectum passivum vuu eeu verbum, dat bewegen, overhalen, aanzetten beteekent. B.v. Uit medelijden, mot us, commstus, im pulsus, a d-ductus m i se r i co r d i a. Uit haat, iuceusus, i uf'lam matus odio. U it vrees, perterrïtus in e t u. Uit wanhoop, fr actus desperation e.
*Aanraerking 11. De uitwendige grond wordt gewoonlijk aangegeven door ie a'dativi jussu, injussu, rogatu, oratu, adino-nï tu, per mis.su, coucessu, enz, met bijvoeging van een genet iv us of' pronomen possessiv u m. «B.v. Ad mortem te duci jussu con su lis jam pridem oportebat, reeds eer had men u op bevdvan den consul ter dood moeten brengen, ürbs meo jussu munlta est, de stad is op mijn bevel versterkt. Behalve bij deze woorden gebruikt men meestal de praeposities propter, ob, of de ablativi causS, gratia, ergo, nomine met een genetivus of pronomen p o s s e s s i v u m.
Het is echter niet onverschillig welk dezer woorden men gebruikt.
'Pro p ter geeft een w e r k e I ij k bestaan den, o b een g e-d ach ten grond aan. Vgl. § 162. 17.
^ C a u s a geeft een doel te kennen. B.v. V e n a t o r e s c a n e s venation is causa coudocefaciunt, de jagers dresseeren de honden om de jacht.
Gratia beteekent ter wille, ten gunste van. B.v. B e s t i a e h o m i-num gratia generatae sunt, de dieren zijn ter wille van de menschen geschapen.
'â¢Ergo wordt slechts gebruikt in eenige geijkte spreekwijzen, zooals: v i r t ü t i s ergo d o n a r i; victoriae ergo d o n u m d e d i t.
^Nomine wordt meestal slechts gebruikt, waar wij in naam van kunnen zetten, zooals meo nomine; q n o d ad me L e u t ü 1 i nomine scripsisti, I o c u t u s sum cum C i n c i o.
In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men, behalve bij een sterke tegenstelling, de pronomina possessiva. B.v. T u a causa hoc facio, ik doe dit om uwentwil. Quara multa, quae n os t r i causa n u n q ua m faceremus,facimus causa a m i o o r u m. (Bij do plaatsing van causa is de chiasmus toegepast. Vgl. § 481. A.)
Zonder genetivus of pronomen possessivum zegt men ea du causa, ob earn causam. In proza voegt men nooit een possessivum bjj gratia.
De genetivus en het pronomen possessivum worden vóór deze ablativi geplaatst.
*A an merking HI. Zoo men de oorzaak wil aangeven, waardoor iets verhinderd wordt, gebruikt men gewoonlijk p r a e. Vgl. § 1(58. 6.
Aanmerking IV. Zoo om, wegens den zin heeft van wat betreft, gebruikt men per. B.v. Per m e a u t m a n 5 r e a u t abiretibi licet, om mij moogt gij biljoen of weggaan. Cum per v a I e t u-d ï n e m navigare p o t e r i s , ad n o s v e n i , zoo gij weyens uwe gezondheid de zeereis kunt maken, kom dan naar ons.
Ahlativus instrumenti.
207
§ 261â262.
§ 261- Ablativus instrumenti. Deze ablativus geeft het middel te kennen, waardoor of het werktuig, waarmede iets geschiedt. B.v. Cornibus tauri, apri dentihus tutantur, de stieren verdedigen ziek met hunne horen*, de zwijnen met hunne tanden. C a n ë r e t i b ii s , fluitspelen. Ludére pila, tes-sëris, kaatsen, dobbelen. Vehi equo, nave, paardrijden, varen.
In het Latijn gebruikt men dikwijls een ablativus instrumenti, waar wij ook een plaatsbepaling aanwenden. B.v. Portitor par va cumba. nos trans flu men trajëcit, de veerman zette oris in een bootje over de rivier. Pisces rete c a p ë r e , vise li vangen in een net. Aqua m h a m a h a u r i r e , water scheppen in een emmer. S a n g u ï n e m patëra excipëre, bloed opvangen in een schaal Include re a 1 i q u e m c a r c ë r e (ook in careërem), iemand in een kerker sluiten. Recipëre a 1 i-q u e m do in o , iemand bij zich in huis nemen.
Aanmerking. Hij de verba van afmeten, beoordeelen, schatten staat de maatstaf in den ablativus, soms met ex. B.v. Magnos homines virtute metïmur, non fortuna, groote mannen beoordeelen wij naar hunne deugd, niet naar hun geluk. Gralli spar ia om nis temporis non numero dierum, sed noctium finiunt. Vulgus ex veritate pan ca, ex o pinion e multa aestïmat.
§ 262. De persoon, door wiens bemiddeling of tusschenkomst men iets verricht, staat gewoonlijk in den accusativus met per. B.v. Per servos de tuo adventu certi'or fact us sum, door slaven hen ik van uwe komst verwittigd. Per tabellarios misi Ho mam litter as, met brievenboden heb ik een brief naar Home gezonden.
De soldaten, van welke een veldheer zich bedient, staan meermalen in don ablativus. B.v. Paucis mi I it i bus turriin proximani eepit, met weinig suldaten bemachtigde hij den naasten toren. Ho stem sagittariis et f u n d i t o r i b u s e m ï n u s terrebat, hij verschrikte den vijand uit de verte door de boogschutters en slingeraars.
iu plaats van por wordt ook opera gebruikt, vooral zoo er een pronomen p o s s e s s i v u m bij staat. B.v. C i ce r o n i s u n I u s opera respublica conservata est, door toedoen van Cicero alleen is de. staat behouden. Mea opera (per ine) T a r e n t u ra recepisti, door mij hebt gij Tarente weder veroverd.
Ook gebruikt men soms, maar alleen in gunstig en zin, den ablativus beueficio. B.v. Beneficie tuo (per te) sal v us sum, door u ben ik gered.
Ablativus modi.
208
§ 263â264.
§ 263. Ablativus modi. Deze ablativus drukt de wijze uit, waarop iets geschiedt. Gewoonlijk bestaat hij uit een substan-tivum en een adjectivu m met of zonder cum. B.v. Legiones nostrae incredibïli (cum) celeritate profectae sunt,
onze legioenen zijn met ongeloofelijken spoed vertrokken.
Cum doet tien ablativus moili sterker uitkomen. B.v. Huuc li bruin summa d i li g e n t i a 1 e g i = diligeutissiine; doch cum summa diligentia, ik heb dit boek niet enkel gelezen, maar ik heb bij het lezen de grootste aandacht gehad.
A a n m e r k i n g I. C u in wordt niet gevoegd ;
10; bij de substantiva, die wijze beteekenen, zooals: modo, ratione, r i t u, ra o r e. B.v. Hoe modo s c r i p s i. Bij modo mogen alleen pronomina en adjectiva van hoeveelheid gevoegd worden, zooals: simïli, pari, o ra n i, hoc, a 1 i q u o, q u o d a m modo. Indien er andere adjectiva noodig zijn, gebruikt men een andere uitdrukking. Zoo zegt men niet fortissimo modo maar summa cum v i r t u t e p u-g n a r e ; niet hostTli modo maar hostiltter of hostile m in ni o d u m a g r o s p o p u 1 a r i.
2°. bij animo, meute, consilio. B.v. Aequo animo, hac me ii te, hoe consilio id fero.
30. bij condicione, lego. B.v. E a condicione, ealege fieri potest.
4°. bij lichaamsdeelen. B.v. Nu do c a p ï t e, promijsso capillo in cedë re.
(g-A a nmerkingll. Cum wordt a 11 ij d gevoegd:
l0. bij een uitwendige bijkomende omstandigheid, waar wjj ontZer kunnen zeggen. B.v. Divitiilcusmultis cura la-crïmis Caesarem com plexus obsecrare coepit.
2°. ora het gelijktijdig gevolg der handeling aan te duiden, waar wij tot kunnen zeggen. B.v. M i 11 i a d e s A t h e u a s magna o u m offensione c i v i u m s u o r u m r e d 1 i t. f Aanmerking III. In plaats van een adjectivum staat dikwijls een genetivus bij modo, ratione, rit u, more, periculo, met gevaar, pace, v e n i a, met verlof, auspicio, auspiciis, onder het bestuur, i m p e r i o, onder het hevel, d u c t u, onder de leiding, loco, in plaats, simulation e, onder voorwendsel, specie, onder den schijn. B.v. Pausanias more Pers a rum luxuriosius epulaba-tür. In loco beteekent op zijn tijd. B.v. Dulce est desipëre in loco, het is aangenaam op zijn tijd de wijsheid aan kant te zetten.
§ 264. Zoo de wijze, waarop iets geschiedt, enkel door een substa nt i vum wordt uitgedrukt, moet men cum gebruiken. B.v. Litterae cum cura diligen tiaque scriptae, eew die met zorg en nauwkeurigheid geschreven is.
Aanmerking. I. In plaats van c u m gebruikt men meermalen p e r, vooral wanneer de uitwendige w ij z e wordt aangegeven, zooals per 1 u d u m et j o c u m, per litteras, of wanneer men een substantivum gebruikt, dat een z o d e 1 ij k e verdorvenheid te kennen geeft, zooals per vim, per injuriam, per calumniam.
Ablativus partis.
§ 265â266.
2Ã9
Aaumerkiug 11. De volgende substantiva wordeu zonder cum gebruikt; s i 1 e n t i o, stilzwijgend, d o 1 o, met list, fraude, met bedroe/, v i, met geweld, lege, op wettelijke wijze, jure, met recht, i n j u r i a, ten onrechte, via, ratio ne,ordine, ordelijk, voluntate, orij-willig, alsmede vitio om aan te duiden, dat er bij iemands verkiezing tot eene of andere waardigheid zekere informaliteiten zijn geschied. B.v. Mors eorum, quorum vita laudabitur, silentio praeteriri non d e b o b i t.
§ 265. W anneer men begeleid of vergezeld wordt van personen of aanduidt, dat iemand iets bij zich heeft, gebruikt men cum. B.v. Cum aliquo esse, proficisci, met iemand zijn, vertrekken. Servi cum telis co m pre h en si sunt, de slaven zijn met de wapenen bi, de hand gevangen (jenomen. R o-mam cum febri v e n i, ik hen te Rome gekomen met de koorts. Majorem partem diëi cum tunica pul la s ede re so le bat, het grootste gedeelte van den dag placht hij in een donkerkleurig onderkleed te zitten. Bij het aangeven van iemands kleeding kan cum ook weggelaten worden.
quot;fA . anmerking. Bij hot substantivum comitatus en bij een militair gevolg wordt, zoo er een adjeetivum bij staat, c u m dikwijls weggelaten. B.v. M a g n o comitatu, met een groot geleide. Toto exercitu consul profectus est, de consul is met het gansche leger vertrokken. Bij mi t tere eu zijn composita, alsook bijeen bepaald troepental, mag cum niet weggelaten worden. B.v. Caesar C. Volucenum cum navi Ion ga praemittit. Caesar cnm equitibus nongentis in castra pervenit.
§ 266- Ablativus partis. Deze ablativus duidt het deel of de zaak aan, ten opzichte waarvan iets'gezegd wordt. B.v. Agesilaus clan dus er at alter o pede, Agesilaus tras kreupel aan den eenen voet. Nemo Romanorum Ciceroni par fuit eloquentia, niemand der Romeinen heeft Cicero geëvenaard in tvelsprekendheid. N a t i o n e Gallus, een Galliër van geboorte. Acer j u d i c i o, scherpzinnig van oordeel. N u m é r o q u i n q ii e, vijf in getal.
* Hiertoe behooren ook:
de ablativi senteutia, opinio ne, judicio, testimonio meteen pronomen possessivum of genetivus^ waarbij dan dikwijls nog quidem gevoegd wordt. B.v. Isocratis gloriam nemo meo quidem judicio est postea consecütus, den roem van Isocrates heeft volgens mijn oordeel niemand naderhand verkregen. S o er a t e s omnium eruditorum testimonio totiusque judicio Graeciae philosophorum omnium fuit princeps. Wanneer volgens beteekeut loi. wquot;, gebruikt men ex of d e. B.v. Ex mea sententia arbor ilia caesa est.
vervolgens n a t u bij g r a n d i s (niet magnus), major, m a x i m u s , minor, minimus. B.v. A d o 1 e s c e n t i s est m a j or e s n a t u v e r ë r i.
14
A blativus pretii.
§ 267.
210
eindelijk de uitdrukkingen quid facies hoc liomine (ook do iioc homine en huic ho mini), writ zult gij met dien mensch beginnen? Quid me (mihi, de me) fiet, wat zal er met mij gebeuren?
Aanmerking. Dichters en sommige prozaschrijvers gebruiken soms in plaats van den ablativus partis den zoogenaamden a c c u sati v u s graecus. B.v. V i t e caput t e g i t u r Bacchus, Bacchus bedekt zich het hoofd met wijnranken. Os humerosque deo similis, van gelaat en schouders aan een god gelijk. Ad ver sum femur tragüla gravïter ictus, van voren in de dij door een werpspies zwaar gewond. Ook do beste prozaisten gebruiken dezen accusativus in de uitdrukkingen magna m (majorem, maxi mam) partem, g rootendeels, waarvoor men echter ook vindt magna (majore, maxima) ex parte, en vicom, in de plaats van, met betrekking lot voor in vicem, ad vicem. B.v. Suëbi m a x i m a m partem 1 a c t e a t q u e p e c 6 r e v i v u u t. Consul s o 11 i-cïtus est eorum vicem (om hunnentwille).
§ 267. Ablativus pretii. Bij de verba van koopen (emo) en ver koop on ivendo, veneo), buren (condüco) en verburen (loco, collöco), te koop zijn (liceo, prosto), te staan komen, kosten (sto, consto) en schatten, alsmede bij dignus, waardig, in dig n us, onwaardig, ven a lis, te koop, v i 1 i s, goedkoop, en ca rus, duur, staat de prijs of waarde, zoo deze wordt uitgedrukt door een subsr.antivum, in den ablativus. B.v. Viginti talentis unam orationem Isocrstes vendidit, Isocrates verkocht êéne redevoering mor twintig talenten. V i c-toria ad Mantinêam parta Epaminondae vita constïtit, de overwinning bij Mantinea behaald kostte aan Epaminondas liet leven. Veritas auro digna est, de waarheid is goud waard. Quod non opus est, nummo carum est, wat gij niet noodig hebt. is voor een penning le duur. Lis qui n q uagi n ta talentis aestimata est, het proces is op vijftig talenten geschat.
Zoo men de verba van schatten uitzondert (Vgl. § 249) staan bij deze verba en adjectiva de volgende adjectiva in den ablativus: magno (niet multo), permagno, plurimo parvo, minimo, nihilo, nimio en de volgende in den genetivus: pluris, duurder, min oris, goedkooper, tanti, zoo duur, quanti, hoe duur, tantidem, even duur. Ook vindt men bij deze verba adverbia, zooals: care, duur, vilius, goedkooper, bene. voor een goeden prijs, gratis, voor niet. B.v. Venditöri expëdit rem venire quam plurimo, voor den verkooper is het voordeel ig. dat de zaak zoo duur mogelijk verkocht wordt. Mercatores non tantidem v e n d u n t, quanti e m e r u n t, de kooplieden ver koopen niet voor denzelfden prijs, waarvoor zij gekocht hebben. Gratis constat navis, het schip kost niets.
Ablativus qualitatis.
211
§ 268.
Aanmerking I. Bij aestiino komen ook de ablativi magno en permagno voor.
Aanmerking II. Esse met den geuetivus pretii heteekent zooveel waard zijn, met den ablativus pretii zooveel kosten. De genetivi t an ti; qnanti, pluris en minor is staan iu beide beteeken issen. B.v. Me a mihi conscientia pluris est quam omnium sermo. Modius frumenti in Sioilia bi nis sestertiis, summum ternis erat. T a ii t i est bsteekent evenals operae pretium est het is de moeite ivaard. B.v. Est mihi t a n t i h u j u s i u v i d i a e t e m p e s t a-t e m s u b i r e.
*A a n mor king 111. De genetivus en ablativus pretii staan ook bij een a re, habitare, doeëre, enz. om den p r ij s aan te duiden, waarvoor men dineert, woont, les geeft. B.v. Quanti do ces? T a I e u t o.
*A a n m e r k i n g IV. De verba mutare,commutare,perirutare, verwisselen, verruilen, hebben de zaak, die men v e r r u i 11, in den accusativus en de zaak, die ra e u ontvangt, iu den ablativus. B.v. Fidem et religion era pecunia mutare, om geld van godsdienst veranderen. Dichters en minder goede prozaschrijvers zetten ook de zaak, die men ontvangt, in den accusativus, en de zaak, die men verruilt, iu den ablativus. B.v. Exsilium pat-ria muteravat, hij had voor zijn vaderland de ballingschap gekozen. Men vindt deze constructie ook bij de beste prozaschrijvers, doch met cum voor den ablativus. B.v. Paucis sine dolore lieïtum est mortem cum viva com mutare, slechts weinigen hebben zonder smart mogen sterven.
§ 268. Ablativus qualitatis. De ablativus qualitatis komt in constructie en beteekenis met den genetivus qualitatis overeen. B.v. Erat inter Labiënum et hostem flu men ripis praerup-tis, tusschen Labienus en den vijand was een rivier met steile oevers. Agesilaus statüra fuit humili et corpöre exigüo, Agesilaus ivas een man van een kleine gestalte en een tenger lichaam of Agesilaus had een kleine gestalte en een tenger lichaam.
*Men mag echter niet in alle gevallen naar verkiezing den genetivus of ablativus qualitatis gebruiken.
Men gebruikt, den geuetivus qualitatis:
1°. wanneer de eigenschappen werden opgegeven naar getal, tijd, ruimte, gewicht. B.v. Fossa quindëcira pedum, een gracht van vijftien voet. Vir gravioris aetatis, een man van bejaarden leeftijd. Sax a mag ui ponderis, steenen van een groot gewicht. v 2°. om aangeboren, blijvende eigenschappeu aan te'geveu. B.v. Homo durae severitatis, een man van een streng karakter.
Men gebruikt den ablativus qualitatis:
â â¢âl0. om de feitelijke gemoedsstemming aan te geven. B.v. Bono animo sum, ik ben goed gestemd. Maximo dolore er am, ik was zeer bedroefd.
L 2°. ter aanduiding van hoedanigheden, die niet op het geheele lichaam betrekking hebben. B.v. Britanni sunt capillo promisso, de Bri-tanniërs dragen lang haar. Homo magno capite, een man met een
212 Ablativus qualitatis bij verba en adjediva. § 269.
t
groot houfd. Bij onnatuurlijke lichaamsdeelen moet raon cum gebruiken. B.v. Agnus cum suillo capite. Poreus eum ore hu ma no.
3°. wanneer aan verscheidene personen do hoedanigheden in het meervoud worden toegekend. B.v. Homines in genlis praestantissi-m i s, menschen met een zeer voortreffelijk karakter. G e n s h i r t i s c o r-porihus.
^4°. wanneer het adjectivum, dat gewoonlijk bij den geuetivus en ablativus qualitatis staat, vervangen wordt door een substantivum, dat een bepaalde gedaante, maat, gewicht, enz. te kennen geeft. B.v. Bos cervi figura, een os met de gedaante van een hert. Vicus oppidi magnitudine, een dorp zoo groot als een stad. Clavus digiti crassitudine, een nagel van een vinger dikte.
Aanmerking. De genetivus en ablativus qualitatis worden slechts zeer zelden onmiddellijk met een nomen proprium verbouden. B.v. Agesiliiiis an no rum octoginta in Aegyptum profeet us est, Agesilaus trok als tachtigjarig grijsaard naar Egypte. Gewoonlijk zet men er een nomen appositum bij. B.v. Agesilaus, vir annorum octoginta.
§ 269. De verba en adjectiva, die overvloed en gebrek, vullen, verzadigen, voorzien, berooven en bevrijden beteekenen, hebben den ablativus ter aanduiding van datgene, waarvan men overvloed heeft, enz. B.v. Miseram est caröre consuetudlne amicorum, het is ongelukkig den omgang met vrienden te missen. Aegritüdo per totam noctem superior em som no me privavit, het verdriet heeft mij dezen geheelen nacht van den slaap beroofd. Homo praeditus est ratione et ora.tione, de mensch is hegaafd met rede en spraak. Omnia castella facile expugnari possunt, in quae potest asellus auro onustus ascendëre.
Tot deze verba behooren :
abundare \ satiare i
redundare ^ overvloed hebben. saturare 5 verzac^9en-
affluëre ) cumulare, ophoopen.
afficëre, aandoen. ornare, voorzien.
carëre, missen. orbare i
egëre ^ privare ; berooven.
⢠i- - ; qebrek hebben. i
indigere Æ J spoliare *
complëre j liberare ^
explëre gt; vullen. exsolvëre gt; bevrijden.
implëre ' expedire ;
gt;SA a n m er ki n ge n. Afficëre aliquem aliqua re heeft verschillende beteekenissen. B.v. beneficio, honore, iemand een weldaad, een eer bewijzen; laetitia, dolore, iemand verblijden, bedroeven; poena, m o r t e, iemand straffen, dooden. Evenzoo in het passivum: g r a vi m o r b.o
Ablativus hij verba en adjectiva.
213
§ 270.
gravi vulnëre affïci, zwaar ziek, zwaar yeivond worden; admira-tioue, metu affïci, bewonderd, bevreesd worden.
Egcre heeft somtyds, iudigëre meermalen iu de beteekeuis van H00di(j hebben den genet iv us. B.v. Consilii tui indigeo.
C o m p 1 ë r e en i m p 1 ë r e hebben vooral bij personen meermalen den genetivus. B.v. Coraplëtus jam me r cats rum carcer erat.
Liberare heeft bij zak en gewoonlijk den enkelen ablativus (al iq uem metu), bij persouen altijd a (patriam a tyrannis).
Tot deze adjectiva behooren :
aliënus, ongepast. onustus, heiaden.
dives, rijk. oplmus, rijk.
inops, arm. orbus, beroofd.
liber, vrij. praeditus, begaafd.
locuples, rijk. refertus, vol.
nudus, beroofd. vacuus, ledig.
Aanmerking 1. Ue volgende adjectiva regeeren gewoonlijk den genetivus :
egönus, gebrek hebbende. immünis, vrij.
expers, verstoken. plenus, vol.
fertllis, vruchtbaar. prodigus, verkwistend.
quot;Aanmerking II. Aliënus heeft in de beteekenis ongepast, niet overeenkomstig den ablativus met of zonder a, deu genetivus en den d a t i v u s. B.v. Alien ura est(a)dignitate, dignitatis, dignitati.
afkeerig den ablativus met a. B.v. Alieno a te animo fuit. onbekend met den ablativus met a of i n. B.v. H o m o non aliënus a litter is. In physïcis Epicurus totus est aliënus.
â¦Aanmerking III. Dives, inops, nudus, refertus (bij personen) hebben ook den genetivus.
Inops, liber (bij personen altijd) nudus, vacuus hebben ook den ablativus met a.
§ 270. De verba, die beteekenen:
ver wij de ren , verdrij v en, zooais; pello, depello, expello, moveo, amoveo. demoveo, removeo.
zich verwijderen, zooals: cedo, abscëdo, decëdo, excëdo, afhouden, zooals: arceo, prohibeo, exclüdo, defendo,
zich afhouden, zooals: abstineo, desisto,
hebben de zaak. waarvan men iemand of iets yerwijdert of af houdt, in den ablativus met pf zonder de praepositie a, de, ex, doch den persoon altijd met a (soms ex). B.v. Fellere aliquem (ex) regno, (ab) urbe, (de) moenibus. Manus abstinere ab aliquo. Excedere ex ephëbis, e puëris.
^ Aanmerking I. Over het algemeen hebben deze verba een praepositie bij zich, wanneer zij een plaatselijke betrekking uitdruk-
Ablativus bij deponent ia.
214
§ 271.
ken, eu den enkelen ablativus, zoo zij in een overdrachtelij keu zin genomen worden. B.v. abstinere ignem ab aede, man us ab a 1 i ë n i s, doch abstinere (se) c i b o, injuria. Bij enkele verba wordt nooit een praepositie gebruikt. B.v. Abdicare se magistratu, tutëla, zijn ambt, zijn voogdij nederleggen.
Aanmerking 11. Prohibëre met de vijandelijke zaak of persoon in den accusativus beteekent afhouden van (hostom itinëre, a pugna), met de bevriende zaak of persoon in den accusativus beschermen tegen (amicum ealamitate, a periculo).
Evenzoo beteekent defendëre aliquem ab injuriis, ab hosti-bus, iemand verdedigen tegen onrecht, tegen de vijanden, en defendëre a 1 i q u i d a b a 1 i q u o, iets van iemand afwenden.
Aanmerking 111. De composita met se en dis, zooals: s e c e r-n ë r e, sejungëre, afzonderen, afscheiden, discernëre, onderscheiden, (1 i s j u ii gë r e, vaneensch e iden, alsmede alienare, a b a 1 i e n a r e, vervreemden van, absterrëre, afschrikken van, deterrëre, afbrengen van, abhorrëre, een afgrijzen hebben van, staan in het beste proza altijd met de praepositie a.
Discrepare, dissen tire, dissidëre, discordar e; niet overeenstemmen, oneenhj zijn, hebben meermalen cum in plaats van a. Met het refloxivum verbonden hebben zij inter se.
Aanmerking IV. Dichters plaatsen bij de verba van verwijdering soms een genetivus. B.v. D e s i n e querelarum.
Aanmerking V. Bij de verba p 1 u e r e, s u d a r e eu dergelijken en bij de verba van offeren, zooals: sacrificare, sacrum facere, staat de ablativus of accusativus. B. v. P 1 u i t sanguine of s a n g u i n e m. Senatus quadraginta majoribus hostiis consules sacrifi-carejussit. Nullum agnum sacrificavit.
§ 27!. De verba deponentia utor, gebruiken, fruor, genieten, fungor, verrichten, potior, bemachtigen, vescor, eten, (alsmede hunne composita abütor, perfruor, defungor, perfungor) regeeren den ablativus. B.v. Homines olim glande vesce-bantur, de menschen aten vroeger eikels. Ilelötes a pud Lace-daemonios servorum munëre fungebantur, de Heloten verrichtten hij de Lacedemoniërs den dienst ran slaven.
*A an merking I. Utor, fruor, fungor, potior eu vescor worden in de casus obliqui van het gerundivum als transitiva gebruikt. B.v. Spes potiundorum castrorum. Expetuntur divitiae a multis ad fruendas voluptates. In fun gen do munere. In den nominativus gebruikt meu de onpersoonlijke constructie, dus niet: utendae sunt vires, maar: u ten duin est v i r i b u s.
Buiten het gerundivum worden deze verba hoogst zelden als transitiva gebruikt.
Aanmerking 11. Fruor mag niet gebruikt worden in den zin van
hebben, ontvangen. Zoo beteekent eer genieten in h o n o r e esse, een goede gezondheid genieten bona valetudine uti, onderwijs genieten e r u d i r i.
Potior regeert soms een genet ivus en wel altijd in de uitdrukking rerum potiri, zich meester maken van de opperheerschappij.
§ 272â274. Vocativus. 215
§ 272. Bij opus e s s o, nooclig hebben, staat de persoon of zaak, die n o o d i g heeft, in den d a t i v u s, en de persoon of zaak, die noodig is, in den ablativus of nominativus. Opus blijft onverbogen. B.v. Dux of duce mihi opus est, ik heb een leidsman nondiy. Mult a exempla mihi opus sunt óf multis ex e nip lis mihi opus est, ik heb vele coorbeelden noodig.
*Aaumerkiug I. De neutra dor adjectiva on pronomina staan in don nominativus. B.v. Multa opus sunt; quod opus est.
In negatieve zinnen staan de substantiva geregeld in den ablativus. B.v. Quid opus est exeinplo? Nihil opus est duce. ^Aanmerkiug II. 1Zoo de zaak, welke noodig is, door een v e r-b u m wordt uitgedrukt, gebruikt men gewoonlijk oen infinitivus of een accusativus cum infinitive. B.v. Quid o p u s e s t tam multa dicëre, waartoe is het noodig zooveel te zeggen? Si quid erit, quod te scire opus sit, scribam, zoo er iets is, dat gij noodig hebt te iveten, zal ik het u schrijven.
Somtijds staat in bevestigende zinnen een participium perfecti p a s s i v i. B.v. Nihil er at, cur pr operate (properare) opus asset. Opus fuit Hirtio con ven to (convenire Hirtium).
Ook komt nu en dan het supinum op u voor en hoogst zelden ut.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN DEN VOCATIVUS.
§ 273. De naam van den aangesproken persoon staat in den vocativus. B.v. Quintlli Vare, legio nes redde, Quin-tilius Varus, geef mij mijne legioenen terug. Vgl. § 200.
^ l)c vocativus staat in het begin van deu zin, wanneer men iemand met zekeren nadruk toespreekt, maar anders gewoonlijk in het midden en dan liefst achter het woord, waarin do tweede persoon is uitgedrukt. B.v. Tiberlne pater, te p r e c o r. V i n c ë r e seis, Hannibal, victoria u t i nescis. Q u o u s q u e tandem a b u t ë r e , C a t i 11 u a, patientia nostra.
â «rAanmer kingen. Soms staat de nominativus in plaats van den vocativus. B.v. Audi tu, populus Albanus, hoor het, gij volk van Alha. *⢠Soms staat een adjectivum of participium in deu vocativus in plaats van in den nominativus. B.v. Quo moriture ruis, waar gaat gij heen om te sterven? Deze eigenaardigheid is gewoon in de uitdrukking m a c t e v i r t u t e (e s t o , e s t e), goed zoo, braaf. M a c t e v i r t u t e diligentiaque esto, heil u, wijl gij zoo braaf en zoo vlijtig zijt. l;Ook in het meervoud zegt men liever mac te dan inacti. B.v. M a c t e v i r t u t e, m i 1 i t e s R o m a n i, e s t e, geluk met uwen heldenmoed, soldaten van Rome.
1
§ 274. Zoo men iemand hartstochtelijk aanroept of toespreekt, zet inen de iaterjectio o voor den vocativus. B.v. O dii boni, quid est Lu hominisvitadiu.
Plaatshepalinyen.
I
216
§ 275â276.
Bij uitroepingen van bewondering, smart, toorn gebruikt men den accusativus met of zonder iuterjectio. B.v. Me caecum, qui hoc non v i d e a m, hoe kan ik toch zoo blind zijn, dat ik dit niet ' zie. Huncïne hominem, hancïne impudentiam, ju dices, wat voor een mensch, rechters, welk een onheschaamdheid! O fallücem ^ h o m i n u m s p e m , o hedriegelijke hoop der menschen! H e u m e m i s ë r u m, ach mij ongelukkige !
Bij en en ecce, zie, ziedaar, staat gewoonlijk de nominativus, , soms de accusativus. B.v. En causa, zie, dat is de oorzaak.
Ecce litterae tuae, zie, daar kwam een brief van u.
) Bij v a e en hei staat do d a f i v u s. B.v. V a e v i c t i s, xcee den over-lt; wonnenen. Hei m i h i, wee mij.
Bij pro staat, behalve in de uitdrukking pro deum at que homi-n u in f i d e m, de vocativus. B.v. Pro s a n c t e Juppiter, ach heilige Jupiter!
i f Bij bene, als men drinkt op iemands gezondheid, staat do accusativus of d a t i v u s. B.v. Bene te. Bene t i b i.
NEGENDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK DER NAAMVALLEN BIJ BEPALINGEN VAN PLAATS, TIJD EN RUIMTE.
I. Plaatsbepalingen.
§ 275. De namen der steden en gewoonlijk ook der kleine eilanden staan op de vraag:
waarheen in den accusativus. B.v. Profectus est Horn am, Athênas, Corinthum, Carthagïnem, Cypruin.
vanwaar in den ablativus. B.v. Profectus est Roma, Athenis, Corinth o, Cart hag ine, Cypro.
waar in den genetivus, zoo zij singularia zijn der eerste of tweede declinatie en in den ablativus, zoo zij pluralia zijn of naar de derde declinatie verbogen worden. B.v. Vixit Romae, Sinopae, Co r int hi, Athenis,Carthagine,Cypri.
Aanmerking. Ook bij substantiva verbalia staan de namen van steden in den accusativus of ablativus zonder praepositie. B.v. Redïtus Romam. Narbone reditu s. Mansio Formiis.
§ 276. Zoo bij de namen van steden een adjectivum of pronomen staat, zet men hen gewoonlijk op de vraag waarheen in den accusativus en op de vraag vanwaar in den ablativus zonder praepositie. Op de vraag waar staan zij allen in den ablativus, de singularia der eerste en tweede declinatie gewoonlijk met in (behalve zoo er totus bij staat), de overigen gewoonlijk zonder in. B.v. Proficiscor Carthaginem Novam, ik ver-
Plaatshepa liny en.
217
S 277-278.
trek naar Nieuw-Carthago. Venerun t ipsa Sa mo, zij zijn van Sa mos zelf gekomen. In ipsa Alexandria, te A lexandrië zelf, 31 a 1 o c u in t i m o r e R o m a e esse q u a m sine t i m o r e A t li e-n i s tuis.
Aanmerking. Men herinnere zich, dat ook voor de eigennamen van steden do regels gelden, welke in § 189 voor de adjectiva bij eigennamen zjju gegeven. Een ervaren prozaschrijver zal d'is niet zetten doctas Athenas proficisci.
gt;5 277. Wanneer op den naam eener stad een nomen a p p o s i-t.urn volgt, heeft dit op de vragen waarheen en vanwaar gewoonlijk een praepositie voor zich. B.v. Demaratus se con-tiilit Tarquinios, in urbem Etruriae florentissimam, D ernaratus begaf zich naar Tarqühiii, een bloeiende stad van Etrurië. Fonteji genus Tuscülo, ex clarissimo muniei-pio, profectum erat, de familie Fontejns was afkomstig van de beroemde vrijstad Tusculum. Op de vraag waar staat het nomen appositum altijd, ook bij de singularia der eerste en tweede declinatie, in den ablativus met-of-gowdtt' in. B.v. Archias Antiochiae natus est, |i n|f celëbri quondam urbe, Archias werd gt-boren te Antiochié, weleer een volkrijke stad.
Wanneer daarentegen een nomen appositum vóór den naam eener stad staat, hetgeen gewoonlijk geschiedt wanneer het geen attributum bij zich heeft, wordt er altijd een praepositie voorgezet. B.v. Ad urbem Ancyram. Ex oppldo Gergovia. De singularia der eerste en tweede declinatie worden in dit geval op de vraag waar gewoonlijk in den ablatiVus geplaatst, B.v. Simon in oppïdo Citio mortuus est. Vgl. § 194. 8°.
, Aanmerkin g. Zoo op den naam eener stad een relativum volgt, heeft dit altijd een praepositie bij zich. B.v. Athenae, in Vj ii i b u s. Men zegt echter wel zoo gaarne n b i of i n qua u r b e.
278. Men gebruikt de praepositie per om aan te duiden door of over welke stad men gaat. B.v. Per Thebas profectus est K o m a m, hij is door of over Thehe tiaar Rome vertrokken.
Aanmerking. Bij de substautiva, die geen eigennamen van steden zijn, gebruikt men op de vraag door of over welke plaats, in welke richting, langs welken weg gewoonlijk den ablativus. B.v. Viïi Appia proficisci, lanys den Appisclien weg vertrekken. F r n-mentum flumïne Ar^re subvexit, hij voerde hel graan de rivier de Arar op. Lupus Esquillna porta ingressus est, een wolf kwam door de Esquilijnschepoort de stad binnen. Behalve bij de substautiva, die richting, weg beteekenen, kau men op bovengenoemde vragen ook per gebruiken. Men moet dus zeggen lineïï recta, in een rechte richting, via Appia; men kan zeggen per Esquillnam portam.
218 Plaatsbepalingen. § 279â281.
§ 279gt;gt; Vertrekt men uit de omstreken eener stad, dan gebruikt meu de praepositie a. B.v. Caesar a Gergovia discessit, Caesar hruk ojm van Gergovia (welke stad hij belegerde). Classis ab Ostia profecta est, de doot is van Ostia vertrokken.
Om aan te duiden, dat men zich in de richting van een stad begeeft of dat iets in de nabijheid van een stad geschiedt, gebruikt men in het eerste geval ad, en in het tweede geval ad, p r o p e, soms a p u d. B.v. Iter d i r i g ë r e ad M u t ï n a m, den weg inslaan naar Mutina. P u g n a ad C a n n a s , de slag hij Canme.
Men voegt ook a en a d voor de namen der steden, wanneer meu wil aangeven, dat zekere streek zich uitstrekt van de eene stad tot de andere. B.v. O m u i s o r a a S a 1 ü n i s ad O r t c u m , de gansche kust van Salonae tot Oricus.
§ 280. De namen der landen en groote eilanden, alsmede de appellativa staan gewoonlijk op de vraag waarheen inden accusativus niet in of ad, op de vraag vanwaar in den abla-tivus met ex, ab of de, op de vraag waar in den ab la 11 v us met in. B.v. Ex Europa in Asiam red lit, hij is uit Europa naar Azië teruggekeerd. Ja eet in li tore, hij ligt op het strand.
Aanmerkingen. Meermalen worden de volks n a m e n in plaats van de namen der landen gebruikt en als zoodanig geconstrueerd. B.v. In Persas proficisci, naar Perzië vertrekken:
Wanneer op de vraag w a a r h e e n de praepositie in of ad gebruikt wordt, geelt i n over liet algemeen te kennen, dat men ergens binnenkomt, ad, dat men in de onmiddellijke nabijheid komt, zonder er binnen te gaan. B.v. E o i n u r b e m en e o a d u r b e m.
Op de vraag v a n w a a r beteekent over het algemeen e x uit, a b van den kant van, d e afwaarts. B.v. Proficiscor ex Italia. V e n i o a p a t r e. Descendo de G a p i t o 1 i o.
§ 281. Domus en rus volgen dezelfde regels als de namen dei-steden, namelijk do mum, naar huis, rus, naar het land, domo (niet domu) van huis, rure, van het land, domi (niet domus, soms domui) te huis, ruri, op het land.
Zijn er meerdere personen, die do eene hier, de andere daar wonen, dan heet gewoonlijk naar huis domos (niet dofnus). B.v. Inde domos diffugerunt.
Domus wordt gewoonlijk ook zonder praepositie gebruikt, wanneer het vergezeld is van een pronomen possessivum of van het adjectivum alio n a. B.v. Domi meae, in mijn huis; do mum tuani, naar mv huis; domo aliena, uit eens anders huis. Nonne mavis sine p eric ulo tuae domi esse quam cum periculo alienae? Zoo bij domus andere pronomina of adjectiva staan, moet men een praepositie gebruiken. B.v. In do mum
Plaatsbepalingen.
219
§ 282â283.
veterem re mi gr a re e nova, uit een nieuw huis weder zijn intrek nemen in een oud huis.
Zoo bij domus de genetivus staat vau den bezitter, kan men de praeposities gebruiken of weglaten. B.v. Do mi of in domo Caesar is. (In) do mum Mae li i tela inferuntur. (E)
domo Caesar is mult a ad te delata sunt.
^Aanmerking I. Wanneer domus een gebouw en rus een landgoed aanduidt, moet men een praepositie gebruiken. B.v. 111 domo furtum factum est ab eo, qui do mi fuit. Carïcas iu Alben so ruse Syria i n t ü li t L. Yitellius.
Zoo bij rus een adjectivum of pronomen staat, gebruikt men op de vraag waar deü ablativus op e. B.v. Rure pater no. In illo rure.
Dichters gebruiken dezen vorm ook zonder adjectivum.
*A anmerking II. B e 11 u m en militia worden in verbinding met domi ook in den genetivus geplaatst. B.v. Belli domïque,
do mi militiaeque, te huis en in het veld, in oorlog en trede.
â¦Aanmerking III. Humus staat op de vraag waar in den genetivus, behalve wanneer er een adjectivum bij staat. B.v. Hurai, in humo nu da jacëre, op den grond, op den blooten grond liggen. ^
Van den grond heet humo of ab humo, naar den grond in of ad
h u m u m. Xcovv(
⢠⢠⢠⢠^ ^
*§ 282. De ablativus zonder praepositie staat op de vraag waar bij: /
terra m a r I q u e, te land en ter zee.
d extra, aan de rechterhand, sinistra of laeva, aan de linkerhand.
gewoonlijk bij loco en locis in verbinding met een adjectivum of pronomen. B.v. Sec undo loco pugnare, op een gunstige plaats strijden. Meliore loco res surt n ostra e, onze zaken bevinden zich in een gunstiger toestand. Hoe loco, op deze plaats. Multis locis,
op vele plaatsen.
soms bij parte en p a r t i b u s. B.v. U t r a q u e parte T i b P r i s. Relïquis oppidi partibus.
bij alle plaatsbepalingen met totus, soms met om nis, universus, medius. B.v. Tota Koma, domo, Italia, uj be. Totis castris,
c a m p i s.
zoo men den ganschen inhoud aangeeft van een geschrift of gedeelte van een geschrift. B.v. Herodotus secundo libro de vete-ribus Aegyptiis narrat. Hoe c a p 11 e, hae parte libri disputatur de justitia. Causa m meae voluntatis exposui tibi superioribuslitteris.
Aanmerking. Zoo bij plaatsbepalingen met totus en bij het opgeven van den inhoud eens geschrifts niet de gansche plaats of inhoud wordt bedoeld, gebruikt men in. B.v. Diplomitta in tota provincia passim data sunt. In hoe libro (seripto, capite) nomen carendi invenltur. Unam adhucate epistolam acceperam, in qua significatur, aliam te ante dedisse, quam non acceperam.
§ 283. Bij vele verba, die een be w egi ng naar iets aanduiden,
staat gewoonlijk in en sub met den ab 1 a ti vus. Hiertoe behooren :
Tijdsbepalingen.
220
§ 284â285.
1) de verba van plaatsen, zooals : p o n o, loco, c o 11 e o, statu o, constituo, consisto, consïdo. B.v. Li brum in mensa ponëre, een boek op de tafel leggen. Calceos sub scamno pone, zet uw schoenen onder de hank. Praesidia in oppidis constituëre. Platoni in cunis dormienti apes in labellis consederunt. De enkelvoudige namen der steden van de eerste en tweede declinatie komen bij deze verba in den genetivus, de overige namen der steden in den ablativus zonder praepositie. Van de composita van pono worden impöno en ex pono gewoonlijk met in enden accusativus geconstrueerd. B.v. Milïtes in naves im pon ere. Ex pon ére m i 1 i t e s in t e r r a m.
Aanmerking. Dichters zetten bij verba van beweging wel eens den dativus. B.v. It clamor caelo, het yeschreeuw stijgt ten hemel. fepolia conjiciunt igni, zij werpen den hu it in het vuur.
2) de verba van hechten, graveeren, drukken, zooals: figo, defïgo, insculpo, inscribe, incïdo, imprïmo. B.v. Hannönis corpus in cruce fixum est, Hanno's lichaam werd aan een kruis gehecht. Vultus in aliquo figere, zijn blikken op iemand vestigen. Sicam in corpöre a lie uj us de-fig ë r e, iemand een dolk in het lichaam steken. Imprimëre sigillum in c e r a, een zegel op het was drukken.
§ 284. Bij de verba van aankomen, te zamen komen, vergaderen, boodschappen, zooals: advenire, convenire, congregare, nuntiare staat in en sub met den accusativus, niettegenstaande wij in het Nederlandsch de vraag waar stellen. De namen der steden staan in den accusativus zonder praepositie. B.v. Advenire in urbem, in de stad aankomen. Cucurrit ad matrem Neapölim, hij liep naar zijn moeder te Napels. Romam nuntiatum est fugisse Antonium, men boodschapte te Rome, dat Antonius gevlucht was. C i v e s unum se in locum ad curiam congregabant, de burgers verzamelden zich op een en dezelfde plaats vóór het raadhuis.
amp; Aanmerking. Bij navem conscendëre zetten de Latijnen de namen der steden op de vraag waar iu den ablativus. B.v. Ta-rento, Ephëso, scheep gaan te Tarente, te Ephese. Voor andere woorden staat de praepositie a. B.v. Ab Here £1 lis portu.
ââ II. Tijdsbepalingen.
§ 285. Een tijdsbepaling staat op de vraag hoelang in den accusativus met of zonder per. B.v. Troja per decern
Tijdsbepalingen.
§ 286.
221
annos oppugnata est, Troje is tien jaren lang belegerd. Appius caecus muitos annos fuit, Appius is gedurende vele jaren blind geweest. Tres aan os continuos me cum ha-bi tav it, driejaren achtereen heeft hij bij mij gewoond.
*A a ii m o i' k i ii g e n. Somtijds staat op de vraag hoelang de a b 1 a t i v u s. B.v. Pugnatum est continenter h o r i s q u i n-q u e, men streed onafgebroken vijf uren lang.
Zoo een tijdsbepaling op de vraag hoelang onmiddellijk met een substantivum verbonden is, gebruikt men den genetivus quali-t a t i s. B.v. Exsilium quattuordëcim a u n o r u m toleravit, veertien jaren lang bracht hij in ballingschap door.
Op de vraag sinds hoelang zet men den accusativus van een ordinale met jam, waarbij men het loopende jaar mcderekent. B.v. Mithridates annum jam t e r t i u m et vicesimum r e g n a t, sinds twee en twintig jaren regeert Mithridates.
Op de vraag tegen wanneer, tot wanneer, voor hoelang gebruikt men den accusativus met in. B.v. Ad cenam invitatus sum in posterum diem. In crastïnum diem diffëro res seve-r a s. Phaëthon c u r r u m paternum in d i e m r o g a v i t.
Op de vraag tot hoelang gebruikt men ad. B.v. S o p h 6 e 1 e s ad sum mam senectutem tragoedias fecit.
§ 286. Een tijdsbepaling op de vraag wanneer staat in den ablativus. B.v. Tertio anno u r b s c a p t a est, in het derde jaar werd de stad ingenomen. Timoleon maxima proelia natali die suo fecit omnia, Timoleon heeft zijn grootste veldslagen allen op zijn verjaardag geleverd.
â¦Aanmerking I. Ten tijde van iemand heet (niet tempore) tempo-rib u s of a e t a t e a 1 i c u j u s, ten tijde dat eo tempore cum, eo tempore quo, quo tempore.
Tempore (minder goed in tempore) beteekenWe rechter tijd, in eo (hoc, tali) tempore in dit hachelijk oogenhlik, inzulke tijdsomstandigheden.
Men gebruikt ook in bij de uitdrukkingen in praesenti, in prae-sentia, voor het tegenwoordige, op dit oogenhiik, en meei'malon zoo om nis bij een tijdsbepaling staat. B.v. In omniaeternitate, inomni aetate, in omnibus saeculis.
^Aanmerking II. De substantiva, die den ouderdom aangeven, zoöals pueritia, juventus, alsmede de substantiva, die geen eigenlijke tijdsbepaling uitdrukken, zooals bellum, pax, hebben, zoo zij zonder attributum staan, op de vraag wanneer in voor den ablativus. B.v. In senectute, in bello, in den oorlog,'m vita. In den ablativus zonder in staan initio, principio, comitiis, ludis en de substantiva der vierde declinatie, zooals a d v e n t u, discessu, exïtu.
Zoo deze substantiva echter een attributum bij zich hebben, staan zij op de vraag wanneer in den ablativus zonder in. B.v. Prima pueritia, extrema senectute, bello Punïco secundo,. tumultu servïli. Bij bellum blijft de praepositie ook weg, wanneer het met een genetivus verbonden is, zooals bello Latinorum en zoo het beteekeut in oorlogstijd.
Tijdsbepalingen. § 287â290.
§ 287. Om aan te duiden dat iets geschiedt binnen, in verloop van zekeren tyd gebruikt men den ablativus met of zonder in of de praeposities intra, inter. B.v. Agamemnon vix decern an nis (intra, inter decern annos)unam urbem cepit, Agamemnon nam nauwelijks in tien jaren ééne stad in. In bello Punïco, in den loop van den Panischen oorlog.
*A a u m er k i n g. Intra met een ordinale betoekent voor den afioop van, in minder dan. Vgl. § 162. 11.
Bij lt;le adverbia u u m e r a 1 i a en bij de d i s t r i b u t i v a gebruikt men op de vraag hoe dikwijls binnen zekeren tijd meestal i n. B.v. Bis in die. Sol bi nas in singulis au nis reversiones facit.
§ 288. Op de vraag hoelang te voren, hoelang daarna staat de accusativus of de ablativus met ante en post (nooit antea of postea); zoo ante en post voorop staan, de accusativus, zoo zij achteraan staan, de ablativus, zoo zij in het midden staan, de accusativus of de ablativus. Men kan hier naar verkiezing de car din al ia of de ordinalia gebruiken. Vgl. § 70. A. B.v. Hij stierf driejaar later, mortuus est
post tres anno s. trespostannos.
post quartum annu m. q u a r t u m post annum,
tribusannispost. tribus post annis.
quarto anno post. quartopostanno.
â¦Aanmerking. Op dezelfde wijze zegt men ook mul to ante (post), lang te voren, veel vroeger; non multo ante (post), niet lang te voren, niet veel vroeger; non ita multo ante (post), juist niet lang te voren, niet zeer veel vroeger; paulo of brevi ante (post), kort te voren, een weinig vroeger; aliquanto ante (post), geruimen tijd te voren. Men kau bij deze abiativi ante en post ook voorop zetten B.v. Ante paulo.
§ 289. Zoo het tijdstip, vóór of na hetwelk iets geschied is, wordt aangegeven door een su bstan ti vum, laat men dit afhangen van ante of post en plaatst de tijdsbepaling op de vraag hoelang te voren, hoelang daarna in den ablativus. B.v. Paucis diebus post mortem Africani, weinige dagen naden dood van Africanus. L. Sextius consul factus est annis post Romam condïtam trecentis duodenonaginta. Tertio post ejus mortem anno.
§ 290. Zoo het tijdstip, vóór of na hetwelk iets geschied is, wordt aangegeven door een verbum, gebruikt men de conjunctio quam, welke met ante en post tot één woord verbonden wordt of van ante en post gescheiden blijft. B.v. Hij stierf drie jaren nadat hij gekomen was, mortuus est
222
Tijdsbepalingen.
228
§ 291
tribus a n n i s (quartoanno)postquam v e n e r a t.
post tres a n no s (q u a r t um annum) q u a m v e n e r a t.
tres post annos (quarum post annum) quam venerat.
tribus post an nis (quarto post anno) quam venerat. In plaats van die ante, die post zegt men steeds p rid ie, postri-die. B.v. Andricus postridie ad me ven it quam inspec-tar gm.
* Aanmerking I. Waaneer bij zulk eeu tijdsbepalmg metpost(uiet met ante) de ablativus staat, kan men post weglaten en vervolgens in plaats van quam liet pronomen relativum of cum gebruiken. B.v. Mortnus est tribus an nis quam, qui bus of cum venerat.
Aanmerking IJ. Zoo men bjj de. vraag hoelang te voren wil aangeven, dat men bedoelt van den tijd af waarop men spreekt, gebruikt men abhinc met den accusativus of aljlativus of men zet de tijdsbepaling in den ablativus met het pronomen bic. A bh in c staat vóór de tijdsbepaling, welke door cardinal!a, niet door ordi-nalia wordt opgegeven. B.v. Mater mea,abhinc decern annos mortua est, thans tien jaren f/eleden is mijn moeder yestorven. Ro-scius litem deeïdit abhiac an nis quattuor. Nemo his viginti an nis Romanae reipublicae fuit hostis, niemand is in de laatste twintig jaren den Romeinschen staat vijandig geweest. Zoo men over iets spreekt, dat op eeu vroegeren tijd betrekking heeft, gebruikt men den ablativus met ille. B.v. Diodörus respondit se paucis illis diebus argentum misisseLilybaeum, Diodorus an twoordde, dat hij toen weinige dagen te voren (/eld naar Lilijbaeioiad gezonden.
§ 29!. Den ouderdom van iemand drukt men uit;
10. door n a t u s met den accusativus. B.v. C a t o annos quinque et octoginta natüs e vita disqessit.
20. door agens met een ordinale, 'waarbij het loopende jaar wordt medegerekend. B.v. Vice si mum aetatis annum agens, negentien jaar oud.
8°. door den genetivus qualitatis. B.v. Puer decern an-n or u m.
40. i.door de adjectiva op a rins. B.v. Senex octogenarius.
5o. door den ablativus met een ordinale, waarbij het loopende jaar wordt medegerekend en wel met of' zonder aetatis. B.v. Alexander decessit quarto et tricesimo (aetatis) anno, Alexander stierf op drie en dertigjarigen leeftijd, of in zijn vier en dertigste jaar.
Aanmerking. Ouder, jonger dan heet major, minor quam met het nomen van den 1 e e f t ij d in den accusativus of genetivus. Men kan quam ook weglaten en hot nomen van den leeftijd in den accusativus of genetivus laten staan of het in den a b 1 a t i-
Ruimtebepalingen.
224
§ 292â293.
v u s zetten. Zoo het uomeu van deu leeftijd in don accusativus staat, voegt men er altijd n a t u s bij en zoo liet in den genetivus staat, meermalen natu. Ouder clan tien jaar heet derhalve:
major q u a m decern a n n o s n a t u s.
major q u a m d e c e m n n o r u m (11 a t u).
m a j o r decern a n n o s natu s.
m a J o r d e c e m a n n o r u m (nat u).
m a j o r d e c e m a n n i s.
III. Ruimtebepalingen.
§ 292. Bij de verba, adjeetiva en adverbia van uitgebreidheid staat de a c cu s a t i v ii s op de vragen hoever, h o e 1 a n g, ho e b r e e d, lioe hoog, hoe diep, hoe dik. B.v. Nemo est qui possit biduo septingenta mi li a passuum am bul are, er is nie-mand, die in twee dagen zeven honderd mijlen ver kan wandelen. A recta conscientia non trans ver sum unguem (digi turn) oportet discedëre, van de goede inspraak des gewetens moet men geen nagel {vinger) breed afwijken. Fossa duos pedes lata, een gracht van twee voet breedte. Ter ram duos pedes al te i n-fo d ë r e, den grond twee voet diep opgraven.
U quot;â â â â / Cl to tyvl-A ----c-'â
â¦Aanmerking J. Magnus, c r a s s u s, p r o f u n d u s worden niet geconstrueerd met den accusativus van uitgebreidheid. Voor magnus en crassus kan men de constructie gebruiken van § 268. 4° en voor profuudus het adjectivum a 1 t u s. B.v. Fossa duos pedes a 1 t a . een gracht ter diepte van twee voet.
â¦Aanmerking 11. Men kan de hoogte, diepte, enz. ook uitdrukken door den genetivus qualitatis. B.v. Colossus centum vigiuti pedum, een kolos van 120 voet hoof/te. Deze genetivus kan nader bepaald worden door in met den accusativus van een sub-stantivum, dat iioogte, diepte, enz. heteekent. B.v. M u r u s s e d ë c i m pedum in altitudïnem, in latitudïnem, in 1 o n g i t u-d ï n e m , een muur van 16 voet hoogte, breedte, lengte.
§ 293. Bij de verba van verwijdering, zooals: abesse, di-stare staat de afstand in den accusativus of a bl a t i vu s. B.v. T e m p 1 u m q u i n q u e m i 1 i a of q u i n q u e m i 1 i b n s p a ^s u u m ab urbe d i s ta t, de tempel is vijf mijlen van de stad verwijderd.
Beide naamvallen geven ook aan op welken afstand iets geschiedt. B.v. Ariovistus milibus passuum sex a Caesar is castris consëdit, Ariovistus zette zich neder op zes mijlen afstand van Caesar's legerplaats.
*A a n m e r k i n g. Wordt de afstand aangeduid door s p a t i u m of intervallum met een genetivus, dan moeten deze woorden in den ablativus staan. B.v. Hannibal quindëcim ferme milium s p a t i o c a s t r a a b ï a r e n t o p o s u i t. Soms wordt s p a t i o uitgelaten. B.v. Gastra aberant bidui.
Comparativus.
§ 294â295.
225
Woi-dt de plaats, vanwaar do afstand gerekeud wordt, niet aangegeven, dan zet men de praepositie a vóór het nomen van den afstand. B.v. A milibus passunm duobus cast ra posuerunt.
TIENDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK DER NAAMVALLEN BIJ DE VER-GELIJKINGSTRAPPEN.
§ 294. Wanneer twee substantiva of pronomina met elkander vergeleken worden door den comparativus van een adjectivum of adverbium, moec men het Nederlandsehe dan vertalen door q u a m en beide substantiva in den zelfden naamval zetren. B.v. Sol major est q u a m terra, de zon is yrooter dan de aarde. Honesta mors est melior quam turpis vita, een eervolle dood is heter dan een schandelijk leven. Nemini plura beneficia tribuisti quam mi hi, gij hebt aan niemand meer weldaden heivezen dan aan mij. Cui potius eredam quam t i b i, wien zal ik eerder gelooven dan u ?
Qua m volgt ook op m aio, ik wil liever, praes tat, het is beter, en ultra, verder. B.v. Saepe taeëre praestafc quam loqui, het is dikwijls heter te zwijgen dan te spreken.
*Aan merking. In bovenstaande voorbeelden kan men het werkwoord in het tweede lid den vergelijking herhalen, namelijk: de zon is grooter dan de aarde is; gij nebt aan niemand meer weldaden bewezen dan gij aan mij bewezen hebt. Zoo deze herhaling niet mogelijk is, plaatst men het tweede lid in den nominativus met quam... est (sunt), quam... erat (erant), enz. B.v. Dit zijn woorden van Varr.o, een grooter geleerde dan Claudius (geweest is), haec verba sunt Varren is, hominis, quam fuit Claudius, doctioris. Staat het eerste lid echter in den accusativus, dan kan men ook het t w eed e lid met quam in den accusativus plaatsen. B.v. Ego hominem eallidiorem neminem vidi quam Phormiönem of quam Phormio est, ik heb nooit een schranderder man gezien dun Phormio.
§ 295. Wanneer het eerste lid der vergelijking in den nominativus of accusativus subject! (in de constructie van den accusativus cum infinitivo) staat, kan men quam weglaten en het tweede lid in den a b 1 a t i v u s plaatsen. B.v. Honesta mors turpi vita melior est. Lacrima nihil citius ar esc it, niets droogt spoediger op dan een traan. Tunica propior pallio est, het hemd is nader dan de rok. Neminem Romano rum Cicerone eloquentie rem fuisse vete r e s judicarunt, de ouden hebben verklaard, dat niemand der Romeinen welsprekender is geweest dan Cicero.
15
226 Comparativvs. § 296â297.
'A a u m o r k i n^ I. Wanneer het eerste lid der vergeljjkiiig in den accusativus object! staat, mag men qua in iu zuiver proza alleen dan weglaten, wanneer er geen dubbelzinnigheid kan ontstaan; in den regel doen de Latijnen het slechts in n egati e ve zinnen. B.v. Q u em aucti/reni locupletiorem Plato ne laudare possumus, welken Hchrijver kunnen wij als rijker prijzen dan Plato? Hoc mi hi gratius nihil fa cl» re pot es, gij kunt mij niets aangenamers doen (hm dit. In den volgenden zin zou de weglating van quam dubbelzinnigheid veroorzaken : vCïermani graviores hos tos sustinuerunt quam Romanos^
Aanmerking II. Wanneer de ablativi hoc of quo(=et hoe) bij een comparativus staan om op het tweede lid der vergelijking te wijzen, moet men toch voor het tweede lid quam zetten. B.v. Quid h o c m i s e-rius, quam eum, qui tot annos designatus consul fuerit, fieri cons,ulem non posse? Quo quid absurdius quam homines jam m o r t e d e 1 ë t o s reponëre in d e o s ?
U § 296. Quam moet weggelaten worden:
1°. wanneer het tweede lid der vergelijking een pronomen relativum is. B.v. Aristoteles, quo nemo unquani ilootior fuit. Stagiris natus est. Letterlijk vertaald luidt deze zin; Aristoteles, geleerder dan wie niemand ooit geweest is, werd te Stagira geboren. Men moet echter vertalen: Aristoteles de grootste geleerde, die er ooit geweest is, werd te Stagira geboren. Do Latijnen gebruiken namelijk meermalen een ontkennenden zin met den comparativus, waar wij een bevestigenden zin met den superlativus in don hoogste n trap aanwenden. Zoo kan men ook vertalen: Ik heli uit Homerus de honderd Leste verzen uitgeschreven, die ik kon vinden, ex Homero centum e x-scripsi versus, qui bus me li or es in venire non potui. Scipio Africanus bracht den tweeden Punischen oorlog ten einde, den grootsten en gevaarlijksten, dien de Romeinen ooit gevoerd hebben, Scipio Africanus confëcit secundum bellum Punicum, quo ma jus peri-c u 1 o s i u s q u e R o m a n i gesserunt nullum. Vgl. § 203.
2°. wanneer een eigenschap van zekeren persoon of zaak vergeleken wordt met iets, waarin die eigenschap op de hoogste wijze aanwezig is. B.v. In i v e candidior, p i s c e s a n i o r, I u c e c 1 a r i o r, e a r-b ö n e ii i g r i o r, p 1 u m ït 1 e v i o r.
3°. bij inferior en posterior. B.v. Sapiens h u m a a a o m-n i a inferiora v i r t u t e d u c i t. Estboniconsulissuam s a 1 u t e m p o s t e r i o r e m salute c o m m u n i d u c e r e.
,,v § 25)7. Bij minus, plus en am pi i us staat het tweede lid der ver-«gelijking, wanneer dit een getal is of een substantivum, dat een maat beteekent, zooals annus, pars, digitus transversus, met of zonder quam in denzelfden naamval als het eerste lid. B.v. Flus (quam) q u i n g e n t o s c o 1 a p h o s i n f r e g i t m i h i, hij heeft mij meer dan vijf honderd oorvegen gegeven. Quinctius tecum plus annum vixit, Quinctius heeft langer dan een jaar met u omgegaan.
-Wanneer minus, plus en amplius in den nominativus of accusativus staan, kan men, quam weglatende, het tweede lid ook in den ablativus plaatsen. B.v. Plus uno verum esse non potest. Roscius n u n q u a m plus triduo Romae fuit.
Betrekkelijk deze woorden valt verder op te merken:
Comparativus.
§ 298.
227
s-10. dat zij meestal onveranderd blijven. B.v. Pictores antiqui non sunt usi plus quam quattuor coloribus.
, 2°. dat quam kan weggelaten worden, ook al staat het eerste lid der vergelijking niet in den nominativus of accusativus. B.v. Spatium est non amplius pedum sescentorum.
-3°. dat het verbum altijd in het meervoud staat, wanneer deze woorden subject zijn en het tweede lid der vergelijking in het meervoud staat. B.v. Non plus quattuor milia effugerunt, niet meer dan vier duizend zijn er ontkomen.
Aanmerking I. Deze woorden worden soms tusschen de woorden van het tweede lid der vergelijking' ingeschoven, B.v. Decern haud amplius dierum frumentum in horreis fuit, er was voor niet meer dan tien dagen koren in de schuren. Soms ook staan dezt woorden met een ontkenning achter het tweede lid der vergelijking. B.v. Quin-que milium armatorum, nou amplius, relictum erat prae-sidium, er was een bezetting achtergelaten van niet meer dan vijf duizend geivapenden.
.Aanmerking II. Over het verschil van beteekenis tusschen dIus, magis en amplius valt op te merken :
Plus staat als comparativus van multum op de vraag hoeveel. B.v. Plus edisti quam ego.
Magis staat als comparativus van val de op de vraag hoezeer. B.v. Ne quid magis timueris quam adulatores.
Amplius wordt vooral gebruikt bij opgaven van ruimte, tijd en getal en in de uitdrukkingen quid amplius, nihil amplius, nee quidquam amplius. B.v. Amplius septingenti cives pesti-lentia mor tui sunt.
Dikwijls kan men van deze comparativi naar verkiezing den eenen of den anderen gebruiken. B.v. Plus of amplius sex menses sunt. Codrus patriam magis of plus quam semetipsum amavit. In plaats van plus mag men echter geen magis gebruiken, dus niet: magis edisti quam ego.
Aanmerking III. Somtijds wordt ook longius evenzoo geconstrueerd. B.v. Graecorum copiae non longius milia passuum octo aberant.
-C § 298. De comparativus wordt gebruikt:
1°. met de ablativi opinione, spo, exspectatione (bij de geschiedschrijvers ook aequo, justo, so li to, dicto en enkele andere) om te kennen te geven, dat iets de meening, hoop of verwachting overtreft of er niet aan beantwoordt. Gewoonlijk staan deze ablativi vóór den comparativus. B.v. Caesar opinione celerius venturus esse d i c i t u r ,â men zegt dat Caesar spoediger zal komen dan men meent. L a e-vTnus consul serius spe omnium Kom am ven it, de consul Laevinus kwam later dan men algemeen hoopte te Rome.
2°. met quam pro om uit te drukken dat iets in geen verhouding staat tot iets anders. B.v. Sum pt us multorumhominummajor est quam pro facultatibus, de uitgaven van vele menschen staan niet in verhouding tot hun vermogen. Proelium atrocius quam pro numero pugnantium edïtur, er werd een gevecht geleverd, welks moorddadigheid in geen verhouding stond tot het getal der strijders of dat moorddadiger was dan men van het getal der strijders zou verwachten.
Comparativus.
228
§ 299â300.
3°. met quam ut of quam qui eu den eonjunotivus om aau te duiden, dat iets te groot is om of te groot dan dat. B.v. Hoe viuum acidius est quam ut bibatur, deze wijn is te zuur om te drinken. Major sum quam cui possit fortuna noeere, ik ben te groot dan dat het lot mij zou kunnen schaden. Quam qui komt vooral bij dichters en latere prozaschrijvers voor. In plaats van quam ut gebruikt men meermalen en wel vooral na po tins, liever, enkel quam met den conjunctivus. B.v. Pausanias epulabatur luxuriosius, quam qui aderant perpëti possent. Vir bonus statuit omnem cruciatum perferre potius quam aut officium prodat aut fidem. Vgl. § 403.
Aanmerking. Wanneer de eonjuuctio dat niet van den comparativus, maar van het verbum afhangt, moet de constructie van het verbum gevolgd worden. B.v. Nihil certius scimus quam nos mori-turos esse. Vgl. § 397. 1°. Nihil certius a natura constitutum est quam utmoriamur. Vgl. § 388. Nihil magis dolemus quam quod moriemur. Vgl. § 345. 1°.
§ 299. Om te kennen te geven, dat van twee eigenschappen de eene meer dan de andere op een persoon of zaak van toepassing is, zet men beiden in den comparativus met quam of in den p o s i t i v u s met magis âquam. B.v. Themistöcl es callidior quam justior fuit,
Themistocles was meer slim dan rechtvaardig of Themistoclcs was wel rechtvaardig maar toch nog slimmer. Rixantes multa magis cupïde quam urbane loquuntur, twistenden zeggen vele woorden meer op hartstochtelijken dan op hoffelijken toon of twistenden zeggen vele woorden wel op hartstochtelijken maar niet genoeg op hoffelijken toon.
§ 300. De comparativus dient ook om een vrij hoog en en een te h'o'b gen trap uit te drukken. Men kan hiervoor echter ook den positivus gebruiken, in het eerste geval met satis, in het tweede met nimis. B.v. Senectus est natura loquacior of satis loquax, de ouderdom is nog al mapachtig van aard. Themistocles liberius of nimis libëre vivebat, Themistocles leefde al te los. De comparativus heeft ook de beteekenis van wat met den positivus; in deze beteekenis wordt er meermalen pa ulo bijgevoegd. B.v. Senectus est pa ulo morosior, de ouderdom is wat knorrig.
Aanmerking. Verscheidene adjectiva, wier beteekenis iets afkeurenswaardigs te kennen geeft, plegen de Latijnen in den positivus te zetten, waar wij om het voorgevoegde te of al te den comparativus zouden verwachten. B.v. Angustos fines habere, een te beperkt grondgebied hebben; lente a g e r e, te langzaam handelen ; I o n g u m est, het zou te lang zijn.
Daarentegen plaatsen de Latijnen meermalen een comparativus, waar wij aan geen vergelijking denken en den positivus gebruiken. B.v. Nulla res major (geen zaak van eenig gewicht) sine e o gerebatur. Medici gravioribus morbis (zware ziekten) periculosas curationes adhibere coguntur.
Cornparativus.
§ 301 â 302.
229
§ 301. Wanneer twee personen of zaken met elkander vergeleken worden of wanneer een geheel in twee deelen verdeeld wordt en deze deelen tegenover elkander gesteld worden, gebruiken de Nederlanders den positivus of den super lativus, doch de Latijnen den cornparativus. B.v. Ik heb twee brieven van u ontvangen , ik beantwoord daarom eerst den eersten, d u a s e p i s t ó-las abs te accëpi, respondeo igitur prins ad priorem. De kleine visschen voeden zich met waterinsekten, de ijroote niet vis-schen, mi no res pisces insectis aquatilibus vescuntur, majorespiscibus. De grootste helft, major pars (maxima pars beteekent een zeer groot deel). Wie van beide broeders is de oudste, uter f rat rum major natu est? Klein-Azie, Asia m i n o r. Gallië aan deze zijde, Gallia citerior.
i; 302. Hoeveel de eene zaak de andere overtreft wordt uitgedrukt door den ablativus mensurae. B.v. Hi be rn ia dimidio minor est quam Britannia, Hiberniè is de helft kleiner dan Britanniè.
Zeer dikwijls gebruikt men hier de volgende ablativi: q u o, hoe, eo, des te, quanto, hoeveel, hoe, tan to, zooveel, des te, mnlto. veel, a 1 i q u a n t o, iets of vrij wat, p a u 1 o, weinig, n i h 11 o, niets, alter o tanto, eens of tweemaal zooveel, quinquies tanto, vijfmaal zooveel. B.v. Patria mi hi vita mea mnlto est carior, mijn vaderland is mij veel dierbaarder dan mijn leven. Homines, quo plu ra habent, eo cupiunt ampliora, hoe meer de menschen bezitten, des te meer verlangen zij.
^*A an merking I. De ablativus mensurae wordt ook gevoegd bij de praeposities, adverbia eu verba, die de beteekenis van een cornparativus hebben, zooals: ante, post, infra, supra, citra, ultra, malle, en de verba vau overtreffen, zooals: praestare, superare, antecéllere, antecedëre, excellëre. B.v. Uri sunt magnitu-dine paulo infra elephantos, de buffels zijn een weinig kleiner dan de olifanten. Multo praestat virtus divitiis, deugd is veel voortreffelijker dan rijkdom.
''Bij de verba van overtreffen mag men in plaats van de ablativi multo, tanto, quanto en aliquanto ook de adverbia multum, tantum, quantum en aliquantum voegen. B.v. Miramur, hunc hominem multum antecellere ceteris.
â¦Aanmerking II. Nog vóór een comparativus blijft meestal onvertaald. Men mag het echte ' 1 1 ' el, bij lateren
adhuc). B.v. Lingua
Superlativus.
230
§ 303.
comparativus. B.v. Mul to etiam gravius queritur, hij klaagt nog veel ernstiger (niet etiam multo gravius.)
Aanmerking III. Om bij een vergelijking de tegenstelling sterk te laten uitkomen zet men het tweede lid der vergelijking vóór den comparativus. B.v- Natura virum, quam muliërem, fecit auda-ciorem. Veniunt, qui me audiant, quasi doctum hominem, quia paulo sum, quam ipsi, doctior. Facere quam sanare vulnëra facilius est.
â ^A an merking IV. In plaats van quo quis (quisque) . . eo met twee comparativi kan men ook zeggen ut quisque... ita met twee superlativi. B.v, Hoe rechtschapener iemand is, des te moeilijker houdt hij anderen voor niet rechtschapen, quo quisque est vir pro-bior, eo diffieilius esse alios improbos suspicatur of ut quisque est vir probissimus, ita difficillime esse alios improbos suspicatur. Hoe zeldzamer iets is, des te hooger wordt het geschat, quo quid rarius est, eo pluris aestimatur of ut quidque rarissimum est, ita maximi aestimatur.
§ 303. Wanneer de superlativus den hoogsten graad te kennen geeft, kan hij versterkt worden ;
1°. door unus of unus omnium. B.v. Scaevölam unum nostrae civitatis praestantissimum audeo dicëre, ik durf zeggen, dat Scaevola de alleruitstekendste man is van onzen staat. Eloquentia res una est omnium dif fi c i 11 ima.
2°. door multo of longe, verreweg. B.v. Athenienses omnium Grraecorum multo (longe) ingeniosissimi sunt.
3°. door vel of etiam, zelfs (nooit ipse). B.v. Vel (etiam) sapientissimus potest errare.
4o. door quam met of zonder possum, zoo... mogelijk. B.v. Quid sentiam, quam brevissime (possum) tibi dieam.
5°. door quantus possum (doch eukel bij maxim us) en ut possum, zoo. . . mogelijk. B.v. Caesar quantis maxi mis itiueri-bus potuit ad hostem contendit. Ut potui accuratissime, te tuam.que rem tutatus sum. Quantus maxi ra us possum wordt bij Cicero altijd voorafgegaan door tantus. B.v. Tauta est inter eos, quanta maxima esse potest, morum studiorum-que disseusio.
A an merking. Om ' aan te duiden, dat iets zoo groot mogelijk is, gebruiken de Latijnen ook de volgende uitdrukkingen: ut nihil supra possit, ut nihil possit accedere, ut supra nihil pos-sit addi. B.v. Improbïtas Catilinae tam magna fuit, ut nihil posset accedere. Vervolgens tam... quam qui met een superlativus en ita of sic... ut qui met een superlativus. B.v. Tam gratum id mihi erit, quam quod gratissimum (sc. mihi erit). Te semper sic colam et tüebor, ut quem diligen-
tissime (sc. colam et tuebor).
V.^ AtX- PoJ-ï v-'iv .. V*
Vergelijkende woorden.
231
§ 304â306.
304. Eeu superlativus gevolgd door quisque wordt vertaald door allen met den positivus ofquot; door liet bepalend lidwoord met deu superlativus, waarbij men dan naar omstandigheden nog juist, telkens, altijd kan voegen. B.v. Fortissimus quisque miles in hac pugna cecïdit, de dapperste ot juist de dapperste soldaten zijn in dezen slag gesneuveld. Ex p kilo soph is optimus et gravissimus quisque confitetur, multa se ignorare, alle voortreffelijke en gezaghebbende wijsgeeren bekennen, dat zij vele zaken niet weten.
gt;. Zeer dikwijls is zulk eeu superlativus met quisque door eeu verbum verbonden met een anderen superlativus. B.v. Optimum quidque r a-rissimum est, het beste is altijd liet zeldzaamste. Maxi raae cuique fortunae minime credendum est, o[i het hoogste geluk is juist het minst te bouwen.
In klassiek Latijn gebruikt men hier bijua altijd den singularis behalve bij de pluralia tantum en wanneer het neutram plurale q u a e q u e in plaats van quidque staat. B.v. Tuae mi hi litterae longissimae quaeque gratissimae eruut. Receutissima quaeque sunt cor recta maxime.
§ 305. ^4/s wordt na idem vertaald door qui, na talis door q u a 1 i s , na t a n t u s door q u a n t u s, na tot en t o 11 d e m door quot, na tam door quam, na to ties door q noties. B.v. E o d e m mode me d e c ö p i t quo te, hij heeft mij op dezelfde wijze bedrogen als u. N e m o u n q u a m t a n t a crudelitate u s u s est,quot; quanta C a m b y s e s, niemand is ooit zoo wreed geweest als Camhyses. Plerïque a m i e u m t a 1 e m v o 1 u n t, quales ipsi esse non possuut.
Aanmerking *Meii kau als na idem ook vertalen door ac, at-que, ut, wanneer beide leden der vergelijking hetzelfde verbum hebben. B.v. Plato idem sensit at que Pythagoras, Plato is van dezelfde meening geweest als Pythagoras. Is dit niet het geval, dan moet men qui gebruiken. B.v. Plato idem sensit, quod Pythagoras docuerat.
Dichters en latere prozaschrijvers vertalen als na idem ook door cum en door den dativus. B.v. 111e eiidem nobis jurat us in ar ma, hij die bij hetzelfde vaandel trouw gezworen heeft als wij.
^*§ 30G. Als en dan worden door ac of atque vertaald na de adjectiva en adverbia, die eeu g e 1 ij k h e i d of overeenkomst en het tegendeel beteekenen, zooals: similis,dissimïlis, par, dis par, contra rius, alius, similiter, parTfer, aeque , u.erinj^e^prpinde, alïter, contra, secus. B.v. Gave ue simili foïTüna utaris at-que ego usus sum, jjas op dut gij niet een gelijk lot hebt, als ik gehad heb. Vides omnia fere coutra ac dixisti evenisse, gij ziet dat bijna alles anders is uitgekomen dan gij gezegd hebt. Longe alia nobis, ac tu scripseras, narrantur, men verhaalt ons geheel iets anders, dan gij geschreven hebt. Na coutrarius, het tegendeel, het tegenovergestelde, moet van hetgeen ook door a c of atque vertaald worden. B.v. Contrarium decernebat ac pa ulo ante decreverat.
Aanmerking I. In plaats van ao na alius eu aliter te plaatsen,
Beteekenis der tempora.
232
§ 307â309.
kan men alius (mits het in denzelfdcn naamval komt als het eerste alius) en aliter ook herhalen om het verschil des te sterker te doen uitkomen. B.v. Multi homines aliud loquuntur, aliud sentiunt,
â vele menschen spreken anders dan zij meenen. Aliter cum tyranno, aliter cnm amico vivitnr, men gaat anders met. een dwingeland om dan met een vriend.
Aanmerking II. Wanneer alius of aliter een ontkenning bjj zich hebben of zooals in vragen een ontkennende beteekenis verkrijgen, worden zij gevolgd door ae, wanneer de zin is juist dezelfde als, door q u a m, wanneer de zin is niet geringers dan, door nisi, wanneer de zin is slechts. B.v. Nunc non alius sum at que an tea fui, ik hen thans juist dezelfde als vroeger. Ly san der nihil aliud molTtus est, cjuam ut om nes civitates in sua tenëret po testate, Lysander trachtte naar niets geringers, dan om alle staten in zijne macht te hebben. Bellum ita suscipiatnr, ut nihil aliud nisi pax quae-slta videatur, men beginne een oorlog zoo, dut men slechts naar den vrede schijnt te streven.
§ 307. Na de ontkennende woorden nemo, nihil, nullus, u 11 n s, n u n q u a m, u n q u a m, n u s q u a in , n s q n a m en na een vraag met ontkennende beteekenis wordt dan vertaald door nisi. B.v. Atlienienses auxilium nusquam petiverunt nisi a
La c eda em on i i s, de Atheners vroegen nergens hulp dan hij de Lacedemoniërs.
ELFDE HOOFDSTUK.
OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK DER TEMPORA.
§ 308. De grondbeteekenis der tijden komt het duidelijkst uit in den indicativus. De wijzigingen, welke deze beteekenis in den conjunctivus, imperativus, infinitivus en het participium ondergaat, worden in de bijzondere gevallen in het bijzonder besproken.
§ 309. Het praesens wordt gebruikt ter aanduiding:
1°. van hetgeen werkelijk tegenwoordig is. B.v. Loquëris adhue cum omnes tacent, gij spreekt nog terwijl allen zwijgen.
2o, van hetgeen men zich als tegenwoordig voorstelt; dit geschiedt vooral bij het aangeven van gewoonten en algemeen geldende waarheden en bij het aanhalen van gezegden uit vroegere schrijvers. B.v. Quotidie corpus frigïda aqu^f- lavo, dagelijks wasch ik mij met koud water. Virtus sola hcffiiines beatos reddit, de deugd alleen maakt de menschen gelukkig. Homerus Jovem deorum hominumque pat rem appellat, Homerus noemt Jupiter den vader der goden en der menschen.
Beleekenis der tempora.
§ 310â311.
283
Aanmerking. Wanneer iemand zich zelven afvraagt, wat hij op het oogenblik waarop hij spreekt zal doen, gebruiken de Latijnen het praosens, waar wij den toekomenden tijd gebruiken. B.v. Quid ago, wal zal ik doen? Imusne sessum, znllen wij gaan zitten?
V .UUrv 0UAlA/y-o^ .
§ sior Het perfectum heeft in het Latijn een dubbele beteeke-nis. Vooreerst beteekent het juist hetzelfde als de Nederlandsche volmaakt verleden tijd (perfectum absolütum). B.v. Vixi, ik heb geleefd. Corpora nobis natura in fir ma d o d i t, de natuur heeft ons een zivak lichaam gegeven. Vervolgens wordt her perfectum evenals de Nederlandsche onvolmaakt verleden tijd gebruikt om iets te verhalen (perfectum historicum). B.v. Caesar exer-cltum finibus 11a 1 iae adm5vit, Rubicönem transii t, Ro-mam occupavit. Pompejum persecutus est eumque in campis Pharsalïcis devicit, Caesar rukte met zijn leger naar de grenzen van Italië, ging over den Rubicon, nam 1'oine in, achtervolgde Pomp ejus en overwon hem hij Pharsalus.
^Aanmerking. *In een levendig verhaal gebruikt men in plaats van het perfectum historicum het zoogenaamde praesens historicum, om de verledene gebeurtenissen als tegenwoordig voor te stel Ion en don spoed te doen uitkomen, waarmede de gebeurtenissen elkander zijn opgevolgd. B.v. Tota Italia delectus habentur, arma impe-rautur, pecuniae a municipiis exiguntur, e fanis tolluntur, omnia divina human a que jura permiscentur. -- Repente post ter gum equitatus cernitur, cohortes aliae appropin-quant, hostes terga vertunt, fugientibus equites occur-r u n t, fit magna c 1 a d e s.
Het praesens historicum volgt gewoonlijk achter dum, terwijl, om de gelijktijdigheid van twee handelingen aan te geven. B.v. Dum ego in Sicilia sum, nulla statua dejecta est, terwijl ik in Sicilië was, werd er geen enkel heeld omvergehaald. Multi dum diserte loquun-tur rusticis, assecuti sunt, ut eorum doctrina nee a diser-tissimis possit intellegi. Zoo men echter wil aanduiden^ dat twee handelingen even lang geduurd hebben, volgt achter dum, zoolang als, ook het imperfectum en soms het perfectum. B.v. Dum Sulla in allis rebus erat occupatus, erant interea, qui suis vulne-ribus mederentur. Hoc feci, dum licuit, intermlsi, quoad non licuit. Vgl. § 364.
§ 311. Het imperfectum wordt gebruikt:
1°. om aan te duiden, dat een verleden handeling gelijktijdig geschiedde met een andere handeling of nog voortduurde, toen een andere gebeurtenis plaats had. B.v. Tarquinius muro lapideo circumdftre urbem parabat, cum bellum Sabïnuin in-tervênit, Tarquinius was voornemens de stad met een steenen muur te omringen, toen de oorlog met de Sabijnen uitbrak.
Beteekenis der tempora.
234
§ 312.
*Aanmerkiug I. In eeu verhaal zal het perfectum voortdurend afwisselen met het imperfectum, daar het perfectum de hoofdhandelingen beschrijft en het imperfectum de bijkomende omstandigheden aangeeft, beschrijvingen invlecht, toestanden schildert. Het perfectum zet het verhaal voort, het imperfectum doet het verhaal stilstaan. B.v. Caesar Alesiam circumvallare instituit; erat autem oppidum in collo summo, cujus radices duabus ex partibus flumina subluebaut. Cares, qui tum Lemnum incolebant, resistere ausi non sunt atque ex insula demi-grarunt. Aequi se in oppida receperuut murisque se tene-bant. Conticuëre om nes intentlque ora teuebant.
Aanmerking II. In plaats van het imperfectum gebruikt men in een Verhaal bij gevoelvolle schil der in gen, om snel afwisselende, elkander verdringende handelingeu en toestanden uit te drukken, den zooge-naamden infinitivus historicus. In den regel volgen meerdere infiuitivi op elkander; zij kunnen actief eu passief zijn en hebben het subject in den nominativus. B.v.Quae cum Athenas nun-tiata essent, om nes relictis domibus per urbem discurrere pavidi, alius alium sciscitari, auctorem nuntii require re.
2°. om in het verledene dikwijls h e rh a a 1 d e handelingeu, z e d e n en gewoonten aan te geven. B.v. Ut Romae consules, sic Carthagine quotannis bini reges creabantur. Post ci-bnm meridianum Augustus pan lisper conqniescebat.
31*. somtijds om aan te duiden, dat eeu handeling wel begonnen, maar niet ten einde gebracht of zonder gevolg gebleven is (imperfectum conatus). B.v. Cato pro legeT quae abrogabatur, ita disseruit, aldus sprak Cato voor de wet, die afgeschaft moest worden (maar niet afgeschaft werd). Consul animos militum leniebat, de consul trachtte de yenioederen der soldaten te bedaren (maar slaagde niet).
Aanmerking. Somtijds wordt door een zoogenaamde attractio tem-' poris in bijzinnen, waar wij een tegenwoordigen tijd gebruiken, een imperfectum geplaatst. B.v. Anti qui tas melius ea fortasse, quae er ant vera, cernebat.
§ 312. Het p 1 u s q u a in p e r f e c t ii in duidt aan, dat een handeling reeds g e s c li i e d was, toen een andere handeling begon. B.v. Pausanias eödem loco sepultus est, ubi vitam p os u erat, Pausanias werd op dezelfde plaats begraven, waar hij gestorven was.
Het Latijn is veel keuriger op het gebruik van het plusquaniper-fectum dan het Nederlandsch. Wij zeggen: Iphicrates doorstak den wachter, dien hij zag slapen, met zijn lans, docli de Latijnen: Iphicrates v i g 11 e ni, q u e m dormientem v i d e r a t, cuspid e trans fixit, omdat de handeling van zien reeds geschied was, toen de handeling van doorsteken begon. Persae, cum Athenas pervenissent, sacerdotes, quos in
Bet eekenis der tempora.
§ 313â314.
235
arce invenerant, inter fecerunt, toen de Perzen te Athene kwamen, doodden zij de priesters, welke zij in den burg vonden-
Aanmerking I. De verba van vragen staan meermal en in het imperfectum, waar men om de nauwkeurigheid het plusquamperfectum zou verwachten. B.v. Socrates, cum rogaretur cujiitem se esse diceret, mundanura in quit, toen men Socrates vroeg voor welk een landsman hij zich uitgaf antwoordde hij: voor een wereldburger.
A a n m e r k i n g II. De geschiedschrijvers zetten soms het plusquam-perfectum in plaats van het perfectum, om den spoed aan te duiden, waarmede zekere handeling geschiedde. B.v. Postquam se recepe-runt, ver te rat periculum in Romanos.
§ 313. Het futurum simplex duidt een toekomstige handeling aan. B.v. O m n e s homines morientur, alle menschen zullen sterven.
a u m e r k i n g I. In het Nedorlandsch gebruiken wij meermalen bij adverbia eu andere bepalingen, die op de toekomst zien, het praesens, waar de Latijnen het futurum plaatsen. B.v. Morgen gaan wij naar buiten, eras rus proficiscemur. Over acht dagen komen wij terug, octo diebua interjectis revertemur.
V*A anmerking II. Men wachte zich wel hot futurum te gebruiken, waar de conjugatie periphrastica met het participium op u r u s te pas komt. In den volgenden zin b.v. gij moet mijn persoon beminnen en niet mijn goed, zoo wij ware vrienden zullen {ivillen, moeten) zijn, wordt niet gewezen op een toekomenden tijd, maar op een stemming des gemoeds, die thans aanwezig moet zijn. Vandaar in het Latijn: me ipsum ames oportet, nou mea, si veri amici futuri sumus. Respersas man us sanguine pater no jjdices videant oportet, si tantum facïnus credituri suut.
lu de conjugatie periphrastica heeft het participium op u r u s, vooral na si, soms de beteekenis van bestemd zijn tot iets of dat de handeling te verwachten is en kan dan meermalen door moeten vertaald worden. B.v. Siunaestinteriturus animus cumcorpore {indien de ziel bestemd is om of moet) vos tarnen memoriam nostri pie servabitis. Si tibi nemo responsurus esset (indien gij ook verwachten kont, dat niemand u zou antwoorden) t a m e u ipsam causam demonstrare non posses.
Om in het passivum uit te drukken, dat iets op het punt is van te geschieden, gebruikt men de onpersoonlijke spreekwijze in eo est, ut. B.v. Hij was op het punt om overwonnen te worden, in eo erat, ut vinceretur. Men kan deze spreekwijze ook gebruiken bij de verba activa en deponentia. B.v. In eo est, ut profici scamur, wij zijn op het punt om te vertrekken. Jam in eo erat, ut muros evadëret miles, de soldaten waren reeds op het punt om uit de stad te ontkomen.
§ 314. Het futurum exactum duidt een toekomstige handeling aan, die reeds geschied zal zijn, wanneer een andere toekomstige handeling begint. B.v. Cuin Romam venero, statim ad te scribam, wanneer ik te Rome zal gekomen zijn, zal ik aanstonds aan u schrijven. Ut sementem feceris it a metes.
Beteekenis der tempora.
236
315.
Aanmerking I. Meermalen staat het futurum exactum en wel bijzonder v i d e r o in verbinding met mox, post, alias, in plaats van het futurum simplex. B.v. Quae fuerit causa mox
v i d e r o , wat de reden geweest is, zal ik aanstonds overwegen. Q u o d quis non cito didicerit, nunquam didieerit.
Aanmerking II. Wanneer de hoofdzin in het futurum of in den imperativus staat of een uitdrukking bevat, die een toekomstige beteekeuis heeft, zooals: est met het gerundivum, licet, opus est, op or tot, couvënit, volo, possum, moeten de bijzinnen in het futurum staan, zoo zij gelijktijdig plaats hebben met de handeling van den hoofdzin (wij gebruiken dikwijls het praeseus) en in het futurum exactum, zoo zij reeds geschied zijn voordat de handeling van den hoofdzin begint (wij gebruiken dikwijls het praesens of het perfectum). B.v. Naturam si sequemur dueem, nunquam aberrabimus, zoo wij de natuur als leidsvrouw volgen, zullen wij nooit afdwalen. Non faciam finem rogaudi donee pre-cibus meis obsecutus er is, ik zal niet ophouden met hidden totdat yij mijn verzoek verhoord hebt. Lu do et joco uti licet turn, cum gravibus seriisque rebus satisfeceris, schertsen en spelen mag men dan eerst, wanneer men zijn ernstige bezigheden heeft afgedaan.
Zoo de hoofdzin echter in den imperativus praesens staat en de bijzin begint met si, cum, ubi en dergelijke partikels, mogen possum en volo ook in hot p ra e se n s gezet worden. B.v. D efe n d e, si potes.
§ 315. Bij het schrijven hunner brieven verplaatsen de Latijnen zich gewoonlijk in den tijd, waarop de brieven zullen gelezen worden. Zij gebruiken derhalve het imperfectum of perfectum in plaats van ons praesens, en het plusquamperfectum in plaats van ons perfectum. B.v. Nihil habebam quod scribe rem; neque enim novi quid-quam audieram et ad tuas omues epistolas rescripseram pridie, ik heb niets te schrijven; want ik heb niets nieuws gehoord en al uw brieven gisteren beantwoord. Pridie Idus Februarias haec scripsi; eo die apud Pomponium eram cenaturus, ik schrijf dit den 12de Februari; heden zal ik hij Pomponius dineeren.
Het is natuurlijk, dat datgene in het praesens moet staan, wat de geadresseerde zich als praesens denken moet. B.v. Si vales, bene est, ego valeo. Ego te maxime et feci semper et facio.
Zelfs Cicero houdt zich niet altijd aan bovengenoemde regels. De nieuwere latinisten richten zich in hunne brieven gewoonlijk naai het gebruik der levende talen.
Aanmerking I. De adverbia temporis moeten overeenkomen met de t ij d e n van het verbum. Heden heet derhalve e o die, gisteren pridie, morgen, postridie. Adhuc en nunc, die aniers slechts bij een praesens en perfectum mogen staan, worden in brieven ook met het imperfectum en plusquamperfectum verbonden. B.v. Bib tt lus ne cogitabat quidem etiam nunc in provinciam suam accedëre, Bihulus denkt er ook thans «o? niet aan naar zijn wingewest te vertrekken. . â
a 1 ⢠rr o - w . ' . . , ' tAv â¢â¢â¢
Aanmerking 11. Bjj het opschrift van een bnet zet de schryver eerst zijn eigen naam, vervolgans of de formule S. P. D. (salutem plu-rimam dicit) of den naam van den geadresseerde in den dativus. B.v. Lentulus S. P. D. Ciceroni suo ofLentulus Ciceroni
ConsecuHo temporum.
237
§ 316â317.
s u o S. P. D. Wordt de formule afgekort tot een enkele S. dan staat zij altijd na den dativus. B.v. Cicero Attico S. Wordt zij afgekort tot S. P. of S. D. dan meestal in het midden, doch ook wel na den dativus.
Aanmerking III. Plaats en datum worden door de Latijuen aan het einde van den brief gezet en wel eerst de datum en dan de plaats (op de vraag vanwaar). B.v. Valete. Pridie Kalen das Ma jas, Brundisio. Voegt men er D. of D a t a bij, dan moet dit vóór den datum staan. B.v. Vale. DataXonisMartiis, ex castris ïarichëis.
tv Y
TWxVALFDE HOOFDSTUK. OVER DE CONSECUTIO TEMPORUM.
§ 316. De tijd der b ij z i n n e n, die in den conjunctivas staan, is afhankelijk van den tijd des h o o f d z i r; s. De regels, welke hierop betrekking hebben, noemt men de leer der consecutio temporum. Zij worden verdeeld in algemeene en bijzondere regels.
§ 317. De algemeene regels zijn:
A. Wanneer het verbum van den hoofdzin een p r a e s e n s,(p e r f e c-t u m absolutu m), futurum of futurum exactumis (tempora der eerste kïas), gebruikt men in de bijzinnen het praesens om een tegenwoordige, bet perfectum om een verledene, het participium op urns met s i m om een toekomende handeling aan te duiden. B.v. Audio (audivi, audiam, audivero) quid a gas, egeris, a c t u r u s sis, ik hoor ivat gij doet, (/eduan hebt, zult doen.
B. Wanneer het verbum van den hoofdzin een imperfectum, perfectum historicum of plusquamperfectum is (tempora der tweede klas) gebruikt men in do bijzinnen het imperfectum om een gelijktijdige, het plusquamperfectum om een verledene, het participium op urus met essem om een toekomende handeling aan te duiden. B.v. Audiebam (audivi, audiveram) quid agëres, egisses, acturus esses, ik hoorde wat gij deedt, gedaan 'heht, zoudt doen.
Aanmerking I. Op een perfectum absolutum volgt in do el-aanduiden de zinnen en zijdelingsche vragen gewoonlijk niet een praesens, maar een imperfectum, omdat de inhoud van zulke bijzinnen gewoonlijk reeds bjj het begin der handeling van den hoofdzin aanwezig was. B.v. Haec, ut vos excitarem, locutus sum, ik heb dit gezegd om u op te wekken. Hoc propterea de me dixi, ut mihi ignoscëres, ik heb dit daarom over mij zeiven gezegd, opdat gij mij vergeven moogt. Ho die expertus sum, quam caducafeli-citas esset, heden heb ik ondervonden, hoe vergankelijk het geluk is. Satis multas causas atttili, cur bellum geren du m esset, ik heb genoeg redenen aangehaald, waarom de oorlog moet gevoerd worden.
Zoo echter het perfectum absolutum de beteekenis heeft van een praesens, volgt in den bijzin ook een praesens. B.v. M e m b r i s utimur prins, quam didicimus (= scimus), c u j u s e a utilitatis causa habeamus. Exploratum est (= notum est) omnibus, quo loco causa tua sit. Etiamne ad sub-sellia cum ferro atque telis venistis (= adestis), u t h i c me aut juguletis, aut condemnetis? Audivi quid a g a s beteekent ik heb gehoord (~ ik weet van hooren zeggen) wat gij doet
Consecutio temporum.
238
§ 318,
Aanmerking II. Zoo de toekomstige beteekeuis van den bijzin reeds blijkt uit den hoofdzin en de conjunctie van den bijzin, gebruikt men in plaats van het participium op urus met sim het praesens , en in plaats van het participium op urus met essem het i mp er fee t um. B.v.Rogo ut veuias. Py thia praeeëpit, ut Miltiadem impera-torem sibi sumërent. Timeo ne veniat. Timebam, ut veniret.
Blijkt echter de toekomstige beteekenis van den bijzin niet uit den hoofdzin e» de conjunctie van den bjjzin, dan moet men het participium op urus met sim of essem gebruiken. B.v. Agamemnon non du-bitat, quin Troja brevi sit p oritur a. Nesciebat Cicero, an senteutiam suam non omnibus probaturus esset. _^Aanmerkiug III. Wanneer een verbum geen participium op urus heeft, zooals~ae verba passiva en de verba zonder supinum, gebruikt men een omschrijving met futurum sit (esset) ut en het praesens (imperfectum) conjunctivi. B.v. Non dubito, quin futurum sit ut hujus rei te paeniteat. Non dubitabara, quin futurum esset ut Pompejus a Caesare vinceretur.
Aanmerking IV. Voor den conjunctivus van het futurum ex actum gebruikt men gewoonlijk het perfectum of plusquam-perfectum c on j u n ct i v i psoras ook een omschrijving met futurum sit (esset) ut en het perfectum (plusquamperfectum) conjunctivij B.v. N e s c i o u u m (futurum sit, ut) eras jam redierit, ik weet niet of hij morgen reeds teruggekomen zal zijn. Nesciebam num (futurum esset, ut) postridie jam rediisset, ik wist niet of hij den volgenden dag reeds teruggekomen zou zijn.
Aanmerking V. De conjunctivus perfecti als modus optativus, concessivus en potentialis wordt beschouwd als een tempus der eerste klas. B.v. Q u i s dubitaverit, quin i 11 v i r t u t e di v i t i a e sint?
§ 318. De bijzondere regels zijn:
I. In gevolgaanduidende zinnen (met ut, ut non, qui, quin) is de tijd onafhankelijk van den hoofdzin. Men gebruikt dien tijd, welken de bijzin zou vereischen, zoo hij onafhankelijk was. B.v. Ver res Sicilian! ita vex a vit ac perdïdit, ut ea restitui in antiquum statum nullo modo possit. Zoo beide zinnen onafhankelijk van elkander waren, zouden zij luiden : Verres Siciliam vexavit ac perdidit; e'a restitui in antiquum statum nullo modo potest. Muiier tamvehementer lapidem de tecto dejëcit, ut regis caput et galea m perfrin-gëret. Ego in causis publïcis ita sum versatus, ut defend erim muitos, laeserim nominem. Tanta opibns Etruria erat, ut totam ter ram fama no minis sui implesset.
Na het perfectum der verba van geschieden, zooals: facium est, acctdit, contigit volgt echter altijd het imperfectum. B.v. Accïdit ut una nocte omnes Hermae dejicerentur.
II. Voor wr aar de 1 ij ke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het praesens of perfectum conjunctivi staan, richten zich, zoo zij afhankelijk worden van een tempus der tweede klas, naar de regels der consecutio temporum. B.v. Gajus Latine loquatur, si pater ju beat wordt in een afhankelijken vorm: Non dubitabam, quin Gajus Latine loqueretur, si pater juberet. Hier vervalt dus
Consecutio temporum.
239
318.
het onderscheid van beteekenis, dat de verschillende tijden van den eoujunctivus iu de voorwaardelijke zinnen hebben. Vgl. § 331â332.
Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het i ra-perfectum conjunctivi staan, blijven in het imperfectum, ook al worden zij afhankelijk van eeu praesens. B.v. Non du bi to, quin me adjuvares, si posses.
Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het plus-q u a m p erf e c t u m conjunctivi staan, veranderen gewoonlijk, wanneer zij afhankelijk zijn geworden, het plusquamperfectum conjunctivi van den hoofdzin in het participium op urus met fuerim. B.v. Die, quidnam facturus fueris, si eo tempore censor fuisses. Tanta inopia est coactus Hannibal, ut, nisi turn fugae specie m abeundo timuisset, Gallia m repètiturus fuerit.
Niet zelden echter behouden zij ook iu den hoofdzin het plusquamperfectum conjunctivi. B.v. ve ritus es, nisi is tan; artem oratione exaggerasses, ne operam perdidisses. Dit geschiedt vooral bij de verba passiva en bij de verba, die geen s u p i n u ra hebben. B.v. Hoe ille si repudiasset, dubitatis quin ei vis esset allata? Non dub ito, quin, si hoe fecisses, facti te paeni-tuisset. Zoo deze verba hot plusquamperfectum conjunctivi niet behouden, moet men een omschrijving gebruiken. In den eersten zin zou deze wezen: quin futurum fuerit, ut ei vis afferretur, in den tv^ee-den: quin futurum fuerit, ut facti te paeniteret.
Voorwaardelijke zinnen, wier hoofdzin in het imperfectum of perfectum indicativi staat van possum of van de conjugatio periphrastica met het gerundivum, veranderen deze tijden, zoo zij, afhankelijk worden, in het perfectum conjunctivi. B.v. Hand du-bium fuit, quin, nisi ea mora intervenisset, castra eo die capi potuerint. Adeo acquis viribus gesta res est, ut si affuissent Etrusci et Umbri, accipienda cl a des fuerit.
III. Ofschoon in voorwaardelijke zinnen het imperjectum conjunctivi eigenlijk het praesens en het plusquamperfectum conjunctivi het perfectum der voorwaardelijke wijs is, zoo worden deze tijden echter met betrekking tot de bijzinnen gewoonlijk beschouwd als een wezenlijk imperfectum en plusquamperfectum. B.v. Si, bis bi na quot essen t, didicisset Epicurus, hoc certe non dice ret, zoo Epicurus geleerd had, hoeveel tweemaal twee is, sou hij dit zeker niet zeyyen. Somtijds staan de bijzinnen hier echter in een tempus van de eerste klas. B.v. Memorare possera, qui bus in locis ra a xi ra as hostium c o p i a s p o p u 1 u s R o m a n u s p a r v a m a n u f u d e r i t, nisi e a res longius nos ab incepto traheret.
IV. Wanneer een bijzin afhankelijk is van een infinitivus praesens of futuri, richt zich het verbum van den bijzin naar het verbum van den hoofdzin. B.v. Cato inirari so ajebat, quod non ridë-ret haruspex, haruspïcem c.um vidisset. Negat Aristldes quidquam utile esse (q u i d q u a ra se factum m), quod cum ho n estate pugnet.
Zoo de bijzin echter afhankelijk is van een infinitivus perfeeti, staat het verbum van den bijzin altijd in een tempus der tweede klas. B.v. Satis mi hi raulta verba fecisse video r, quare esset hoe bellu ra necessarium, het komt mij voor, dat ik genoegzaam heh aangetoond, waarom deze oorlog noodzakelijk is. De gevolgaanduidende
Indicativus.
§ 319.
240
zinnen zijn ook hier onafhankelijk. B.v. Docet it a se possedisse, ut nee vi nee cl am possede rit.
V. Wanneer eeu bijzin afhankelijk is van eeu supinum, gerundium, participium, adjectiyum ofsubstantivum, richt zich het verbum van den bijzin naar het verbum van den hoofdzin. B.v. M i s e-ruut Delphos consultum, quid nam fa eer ent de rebus suis. Ad deliberandum quid facto opus sit, antequam eg er is aggredi oportet. Aristldes animadvertit quendam seri-bentem, ut patria pelleretur. Perdiccas diu quid agëret incertus ad postremum tamen recessit. Explieavi sen-tentiam meam, eteoquidemconsiliotuum judicium ut cognoscërem.
VI. Wanneer een bijzin afhankelijk is van een anderen bijzin, die in den conjunctivus staat, bepaalt niet de hoofdzin, maar de regee-rende bijzin den tijd van den afhankelijken bijzin. B.v. Nesc io, qu id-nam causae sit, cur nullas ad melitteras desfdederis). Nescio, quid nam causae fuerit, cur nullas ad me lit-teras dares (dedisses).
VII. Het praesens historiën m kan men met betrekking tot den tijd der bijzinnen beschouwen öf als praesens öf als perfectum historiënm. B.v. Helvetii legatos mittunt, qui dicant of qui dicerent. Meermalen staan bij denzelfden hoofdzin in het praesens historieum sommige bijzinnen in het praesens en andere in het i m-perfectum conjunctivi.
Bijzinnen met cum narrativum blijven bij het praesens historieum in het imperfectum ofplusquamperfectum conjunctivi staan. B.v. Caesar, cum id nuntiatnm esset, matürat ab urbe proficisci.
Wanneer de meeningen van oude schrijvers worden aangehaald, volgt soms op een hoofdzin in het praesens een bijzin in het imperfectum. B.v. Chrysippus dispütat, aethera esse eum, quem homines Jovem appellaren t.
Bij een infinitivus historicus staan de bijzinnen in de tempora der tweede klas. B.v. Reus q u a t 6 r e v i n c u 1 a, v o c a r e deos, ut sibi redde rent exsilium.
VIII. Soms staat' bij een hoofdzin in het praesens eeu bijzin in het imperfectum. B.v. Video causas esse permultas, quae istum impellërent. Gewoonlijk kan men zulk een bjjzin verklaren als een voor w aar delij ken zin. Men volge echter deze afwijking niet na.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTIVUS IN HOOFDZINNEN.
I. Indicativus.
§ 319. De indicativus beteekent in het algemeen, dat iets in werkelijkheid bestaat of voorondersteld wordt te bestaan. In de meeste gevallen wordt de indicativus in het Latijn op dezelfde wijze gebruikt als in het Nederlandsch. Slechts enkele afwijkingen komen voor. Zij worden besproken in de volgende paragrafen.
§ 320â323.
Indicativus.
241
§ 320. Meermalen zijn de werkwoorden kunnen, moeten, betamen ver-hondeu met het hulpwerkwoord zouden, zonder dat er een bijzin met indien bijstaat of bjjgedacht moet worden. Vgl. § 333. B.v. Ik zou vele voorbeelden kunnen opnoemen van rijke lieden, die niet gelukkig geweest zijn. Het zou te icens':hen zijn, dat gij eindelijk eens een anderen weg insloegt. - Wanneer deze werkwoorden vertaald worden door possum, debeo, oportet, uecesse est, lieet, convenit, decet of het gerundivum met sum, gebruikt men den indicativus en wel het praesens, zoo meu spreekt van een tegenwoordige, en het imperfectum, perfectum of plusquamperfectum, zoo men spreekt van een verleden handeling. B.v. Mult a exempla divïtum viro-rum enumerare possum, qui beati non fuerunt. Optandum est, ut al i qua nlt;l o aliam viam ingrediare. Soms gebruikt men ook in liet Nederlandseh liet hulpwerkwoord zouden niet. Zoo kan men de vertaling van het laatste voorbeeld beginnen; het ware te wenschen. Evenzoo: gij moest vlijtiger zijn, diligentior esse debes.
Om te weten welken verleden tijd men moet gei ruiken, lette men op de omschrijving van het volgende voorbeeld. Hoc fa cere de be bas, gij hadt dit moeten doen en moet het ook thaus nog doen. H o c f a c e r e il e b u i s t i, gij hadt dit moeten doen, maar thaus is het te laat en niet meer mogelijk. Hoe facere de hue ras, gij hadt dit moeten doen, maar toon was het te laat en niet meer mogelijk.
____.Dezelfde eigenaardigheid in het gebruik van den indicativus geldt ook
voor de onpersoonlijke uitdrukkingen, die bestaan uiteen adjectivum met esse en dezelfde beteekenis hebben als bovengenoemde verba, zooals: par, aequum, justum, fas, consentaneum, satis of satius est = decet, licet; melius, u ti 1 iu s; optabilius est ;= oportet, couvënit; longum, magnum, immensum, infinitum, grave, difficile est = non possum. Vgl. over het gebruik van den positivus der laatstgenoemde adjectiva § 300. Aanm. B.v. Aequum sane fuit Socratem capitis non condemn ar i, het zou zeker bi lijk geweest zijn, dat Socrates niet ter dood veroordeeld werd. Longum est {het zou te omslachtig zijn) o m n e s memorare artifices, q u o s A t h e u a e tulerun t.
_§ 321. Bij pa ene en prope, bijna, staat het perfectum indica-tivi, terwijl wij gewoonlijk den meer dan volmaakt verleden tijd of een zin met zouden gebruiken. B.v. P ae u e o bilt us sum, quod maxime tuit memorandum, bijna had ik vergeten of bijna zou ik vergeten hebben, wat het meest vermeldingswaardig was.
-gt;5 322. Bij for tas se, misschien (wanneer men goede gronden voor een vermoeden heeft) staat de indicativus. B.v. Kar as tuas quidem, f o r t a s s e en i m non p e r f e r u u t u r, s e d s u a v e s a c c i p i o 1 i 11 e r a s. Bij torst tan (wanneer men geen goede gronden voor een vermoeden heeft) staat de conjuncti vus. B.v. Forsïtan quaeratis, qui i s t e error sit et quae t a n t a f o r m r d o.
II Conjunctivus.
§ 323. De co njunctivus beteekent in liet algemeen, dat iets niet in werkelijkheid, maar slechts in de gedachte bestaat. Hij
IG
Conjunctive.
§ 324.
242
staat in hoofdzinnen als modus optatlvus, concessïvus, potentialis en dubitatïvus.
Aanmerking. In onze taal wordt de conjunctivus dikwijlsom-schreven door de hulpwerkwoorden laten, mogen, moeten, hunnen, zullen, zouden. B.v. Eamus, laten wij gaan. Moriar, ni ve-rum est, ik mag sterven, ah het niet waar is. Quid faeiam? earn? non earn? wat moet ik doen ? zal ik gaan? zal ik niet gaan? Nil fecit, quod sue een seas, hij heeft niets gedaan, waarover gij toornig kunt worden. In fae In us j u rasse putes, gij zoudt meenen, dat zij tot gruweldaden samengezworen hadden.
§ 324. De conjunctivus wordt gebruikt als modus optativus:
1°. ter aanduiding van een wensch, dikwijls met bijvoeging van u'tinam. De ontkenning wordt gewoonlijk uitgedrukt doorne. Het praesens en perfectum beteekenen, dat men de vervulling van den wensch voor m o g e 1 ij k, het imperfectum en p 1 u s-q u a m p er fee tu m, dat men de vervulling voor niet mogelijk houdt. B.v. Hoc di bene vertant, de goden mogen hunnen zegen daartoe geven, ütinam amicus con val es cat (con valuer it), moge mijn vriend genezen {genezen zijn)! U t i n a m amicus c n n-valescëret, mocht mijn vriend genezen (maar hij zal niet genezen)! Utinam amicus convaluisset, mocht mijn vriend genezen zijn (maar hij is niet genezen)! Utinam n-e n i m i s v i t a e c u p i d i fuissemus!
Een wensch kan omschreven worden door velim, uolim, malim, wanneer de vervulling mogelijk is, door vellem, nol 1cm, mall era, wanneer de vervulling niet mogelijk is. De bijzin volgt in deu conjunctivus zonder ut. B.v. Velim mi hi ignoscas. Vellem ad esse posset Panaetius.
Het woord dan, hetgeen wij meermalen op een wensch laten volgen, wordt of' vertaald door profecto of onvertaald gelaten. B.v. Quam vollera ad illas ptilcherrimas epülas me invitasses, (profecto) reliquiarum nihil haberemus.
Dichters zetten soms o si in plaats van utinam en stellen niet vervulbare wenschen als vervulbaar voor. B.v. O mihi praeteritos ref'e-rat si Juppiter annos.
*1°. om een aanmoediging uit te drukken, maar gewoonlijk slechts in den lsten persoon meervoud van het praesens. B.v. Imitemur majores nos tros, laten wij onze voorvaderen navolgen. Ne difficilia optemus. Meminerimus etiam ad-versus infimos iustitiam esse servandam.
§ 325â326. Conjunctivus. 243
3°. om bij eed en. dat men de waarheid zegt, aan te geven wat er geschieden raag, zoo men liegt. Men gebruikt hier öf den enkelen conjunctivus, wanneer de bijzin in den indicativus staat met s i, si non of n i (nisi wordt niet gebruikt) öf den conjunctivus met i t a, wanneer de bijzin in den indicativus staat met ut of ut non. B.v. Dii me puniant, si galllnas tuas veneno inter feci. Mori ar, ni omnia tecum communicavi. It a me dii am ent, ut gallinas tuas veneno non in ter feci. Ita vivnm, ut tecum omnia communicavi.
§ 325. De conjunctivus wordt gebruikt als modus concessi-vus, wanneer men iets toegeeft of vooronderstelt. Als ontkenning staat n e of, zoo zij zich aan een enkel woord aansluit, ut non. Men gebruikt het praesens en perfectum, zoo men de vooronderstelling als waar beschouwt. In dit geval kan men er een conjunctio concessiva voor plaatsen. B.v. Fueris doctus, pi us non fuisti, toegegeven dat gij geleerd geweest zijt, braaf zijt gij niet geweest. Naturam expellas furca, tarnen usque recur ret. Exercitus si pacis nomen audierit ut non refërat pedem, insistet certe. Ne sit sane summum malum dolor, malum certe est.
*\Vordt de vooronderstelling als onwaar beschouwd, dan gebruikt men het imperfectum of plusquamperfectum en wel altijd met ut. B.v. Ut rationem Plato nullam afferret, ipsa auctori-tate me frangëret, voorondersteld dat Plato geen enkele reden aanvoerde, dan zou hij mij toch door zijn gezag voor zich winnen.
§ 326. De conjunctivus' wordt gebruikt als m o d u s potentialis om iets in een zachteren vorm, slechts als m o g e 1 ij k uit te spreken. Als ontkenning staat n o n. Meti gebruikt het praesens en perfectum zonder verschil van beteekenis, om aan te geven, dat iets thans nog mogelijk is, het imperfectum (het plusquamperfectum wordt niet gebruikt) om aan te geven, dat iets vroeger m o g e 1 ij k was, maar thans niet meer. B.v. H i c quae rat quispiam, hier zou iemand kunnen vragen. Hoe sine ulla dubitatione confirm averim, eloquen-t i a m rem unam esse omnium difficillimam, zonder eenigen twijfel zou ik durven beweren, dat de welsprekendheid een allermoeielijkste zaak is. Hoe tantum b e 11 u m q u i s u n q u a m arbitraretur ab uno imperatore confici posse, wie had ooit kunnen gelooven, dat deze zoo groote oorlog door één veldheer zou ten einde kunnen gebracht worden?
Het imperfectum wordt vooral gebruikt in den 2'1'!n persoon enkelvoud ter uitdrukking vau ons men bij dieëre, c red ere, putare eu dcrgelijken. B.v. Maesti mi lite s, credo res vie tos, redierunt iu
244 Modus bij de subordineerende conjuncties. § 327 â 328.
cast ra, treurig keerden de soldaten, men zou hen i:oor orerwonnenen gehouden hebben, in de legerplaats terug. I s t i mirandum i u m o d u m , c a d e s venatieos Jiceres, odorabantur omnia et per vestigabant.
Aanmerking. Wil men iets niet slechts als mogelijk voorstellen, maar tegelijk een vermoeden uitdrukken, dat misschien iu werkelijkheid bestaat, dan mag men den enkelen conjunctivus niet gebruiken; men maakt den zin alsdan afhankelijk van haud scio au, nescio an of van een verbum van gelooven, schijnen. Men lette op dit verschil van beteekenis in de volgende zinnen. Dicat quispiam Alexandrum laude bellica super iorem fuisse Ha u nib ale, misschien beweert iemand, en puto Alexandrum laude bellica su per iorem fuisse Hannibale of Alexander.... superior fuisse m i h i v i d e t u r of haud scio au Alexander... superior fuerit, Alexander mag wel overtroffen hebben. ^..........,
§ 327- De conjunctivus wordt gebruikt als modus d u b i t a-t i v u s bij twijfelachtige.vragen. De ontkenning is non. B.v. Quid faciam? eam? non earn? wat moet ik doen? zul ik (/aan? zal ik niet gaan? (ik weet het niet).
In plaats vau den Nederlandschen meer dan volmaakt verleden tijd gebruikt meu in het Latijn het imperfectu m. B.v. Valerius q u o t i d i e cantabat, e r a t e n i m scaenïcus; quid f a c e r e t aliud? Valerius zong dagelijks, want hij was tooneelspeler; wat zou hij anders hebben moeten doen?
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTIVUS IN BIJZINNEN. DIE MET EEN CONJUNCTIE BEGINNEN.
§ 328. De conjuncties zijn öf coordineerend of sub ordineer e n d.
De coor dineer en de conjuncties verbinden zinnen, die onafhankelijk zijn van elkander; zij zijn de conjunctiones copulativae, disjunctivae, adversativae, conclusiv^e
De subordineerende conjuncties maken den zin, waartoe zij behooren. afhankelijk van een anderen zin; zij zijn de conjunctiones condicionales, concessivae, com-parativae, eau sales, finales, temporales. Alleen deze conjuncties oefenen invloed op den modus uit.
Een zin, die met een subordineerende conjunctie begint, heet bijzin, terwijl men den zin, waarvan de bijzin afhankelijk is, hoofdzin noemt.
Aanmerking I. De conjuncties staan gewoonlijk in het begin van den bijzin. Zoo echter de bijzin vóór den hoofdzin staat, worden de
Modus bij de subordineerende conjuncties.
§ 328.
245
subordmeerende conjuncties meermalen na een of meer woorden gezet, waarop de nadruk valt. Bij prozaschrijvers wordt het verbum nooit en het relativum altijd vóór de conjunctie geplaatst. B.v. Romam ut nuntiatum est, Vejos cap tos, im men sum gaudium fuit. Quae cum ita sint. Ca til i na, per ge quo coopisti. Ook indien de hoofdzin voorop staat, worden ut, opdat, zoodat, en ne, opdat niet, somtijds na een woord gezet, waarop de nadruk valt. Het verbum is hier weder uitgezonderd. B.v. Caesar me invltat, si bi ut sim legatus. Catilina post u lab at, patres conscripti ne quid de se temere crederent. Het meest geschiedt dit met ut consecuti-v u ra na een woord met ontkennende beteekenis, zooals: v i x ut, nemo ut, nullus ut, nihil ut, prope ut, paene ut. B.v. Brevi spatio inter jee to, vix ut rebus, quas constituissent, collo can dis atque administrandis tempus daretur, hostes ex omnibus partibus siguo dato deeurrere. Atque eo facto sic do 1 uit, nihil ut tulerit gravius in vita.
A a u m e r k i n g II. De Latijnen voegen gaarne een bijzin tusscheu de woorden van den hoofdzin. Zij doen dit in de volgende getallen eu op de volgende wijze:
1°. wanneer het subject van den hoofdzin tegelijk sübjeet van den b ij z i n is. In dit geval wordt het subject slechts eens uitgedrukt en wel vóór de conjunctie van den bijzin. B.v. Cicero, ubi s p e m 1 i b e r t a t i s a m i s s a m vidit, Italia m relinquëre constituit, zoodra Cicero zacj, dat zijn hoop op vrijheid verloren teas, besloot hij Italic te verlaten.
\ 2°. wanneer het object van den hoofdzin tegelijk object van den bijzin is. In dit geval wordt het object slechts eens uitgedrukt en we! vóór de conjunctie van den bijzin. B.v. Demosthënem, quam-quam om nes sunt admirati, tam en nemo assecutus est, ofschoon allen Demosthenes hebben bewonderd, heeft toch niemand hem geëvenaard.
\30. wanneer het subject van den hoofdzin tegelijk in een casus obliquus van den bijzin staat. In dit geval staat het subject van den hoofdzin vóór de conjunctie van den bijzin; in den bijzin wordt de casus obliquus aangeduid door een pronomen. B.v. Socrates, cum araici ex vinculis eum dedueere veil ent, mori mal uit, Socrates wilde liever sterven, toen zijne vrienden hem uit de gevanc/enis wilden wegvoeren. Men kan ook vertalen: toen de vrienden van Socrates hem uit de gevangenis wilden wegvoeren, wilde hij liever sterven.
,4°. wanneer het subject van den bijzin tegelijk in een casus obliquus van den hoofdzin staat. In dit geval staat de casus obliquus van den hoofdzin vóór de conjunctie van den bijzin; in den bijzin wordt het subject niet aangeduid door een pronomen. B.v. Po m pejus Cretensibus, cum ad eum usque in Pamphyliam legates misissent, spem deditionis non adëmit, Fompejus ontnam den Cretensers de hoop op overgave niet, toen zij hem in Pam-phylië gezanten hadden gezonden. Men kan ook vertalen : toen de Cretensers gezanten hadden gezonden tot Pomp ejus in Pamphylië, ontnam hij hun de hoop op overgave niet.
5°. Ook zonder dat de hoofdzin en de bijzin een gemeenschappelijk woord bevatten, wordt de bijzin meermalen tusscheu de woorden van den hoofdzin gevoegd. B.v. In si dia tor es, postquara in eum locum a g m e n pervënit, d e c e p t i o r d i u e atque v e s 111 n, in eum fa-
246 Modus bij de conjunctiones condicionales. § 329â330.
ciunt impetum, qui suppositus er at. Quamobrem, si ornate locutus est physic us ille Democ ritus, ornatus verborum oratoris putandus est.
6°. Meermalen wordt een bijzin, die van eeu anderen bijzin afhangt, tusscheu de woorden van dien bijzin geplaatst. B.v. Credo ego vos, judices, mirari, quid sit quod, cum tot sumrai orator es kominesque nobilissimi sedeant, ego potissimum surrexe-rim, qui cet.
Bij het in elkander plaatsen van verschillende zinnen moet men steeds letten op duidelijkheid en welluidendheid. Daarom geve men aan de tusschengevoegde zinnen altijd die plaats, welke het zinverband vordert. Ook zorge men, dat de verba der verschillende zinnen, vooral wanneer zij gelijkvormige uitgangen hebben, niet allen op elkander volgen. Als voorbeeld van een verkeerd gesteldeu zin diene de volgende: Pari ferme intervallo ab jugo coustiterunt, nuntios in cast ra remissos, qui quid sibi, cum praeter spem hostis oceur-risset, faciendum esset, consulerent, quieti opperientes.
7°. Wanneer twee bijzinnen, die met eeu versehilleude subordi-neerende conjunctie beginnen en niet door et verbonden zijn, bij éénen hoofdzin behooren, kan men den zin op vijf manieren stellen. B.v.
übi redieris, libra m tibi dabo, si postulabis.
U b i redieris, 1 i b r u m, si postulabis, tibi dabo.
Dabo tibi, ubi redieris, librum, si postulabis.
Tibi, ubi redieris, librum, si postulabis, dabo.
Ubi redieris, si postulabis librum, tibi dabo.
i. Conjunctiones condicionales.
§ 329. Men kan een voorwaarde of vooronderstelling op drie verschillende wijzen opvatten, namelijk: als werkelijk bestaande, als mogelijk bestaande en als niet bestaande. u
Aanmerking. Het woordje dan, hetwelk wij dikwijls vóór den hoofdzin plaatsen, blijft in liet Latijn gewoonlijk onvertaald. B.v. Si facies, remunerabor, zoo gij het doet, dan zal ik u beloonen.
§ 330. Eerste geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als werkelijk bestaande. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den indicativus. B.v. Indien (jij ditje-looft (ik vooronderstel, dat gij dit werkelijk doet) dwaalt gij, si id credis, erras. Si dies est, lucet, zoo het day is, is het licht. In litteris non multam proficies, nisi omnibus viribus in eas incubueris, gij zult het in de wetenschap niet ver brengen, zoo gij er u niet met alle kracht op toelegt.
Aanmerking I. De hoofdzin kan ook in den conjunctivus of iraperativus staan. B.v. Domus meaardebatinPalatio; consules epulabantur. Quod si meis incommödis laeta-
§ 331-332. Modus bij de conjunctiones condicionales.
bantur, urbis tameu periculo commoverentur. Si de me ipso plura videbor dice re, iguoscitote.
Aanmerking II. De b ij zin staat in den conjunctivus:
1°. wanneer men vertaald wordt door den 2den persoon enkelvoud, alsmede na si quis. B.v. Memoria minuïtur, nisi earn exereeas. Turpis est excusatio, si quis contra re ra-p u b 1 i c a m se amici causa fecisse fateatur.
2°. wanneer de hoofdzin zelf' een bijzin is, die in den conjunctivus staat. B.v. Res ita com parata est, ut, si id credas, erres.
§ 331. T wee de geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als mogelijk bestaande, zoodat zij misschien met de werkelijkheid overeenkomt. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den conjunctivus van het praesens of perfectum. B.v. huiien gij dit yeloofdet (en dit doet gij misschien^ zoudt (jij dwalen, si id credas, erres. Indien iemand dit zou lt;jedaun hebhen (en dit is misschien zoo) zoudt gij hem onvoorzichtig genoemd hebben, si quis id focerit, imprudentem eum d i x e r i s.
Aanmerking I. Het perfectum coujunctivi wordt vooral gebruikt, zoo men ter verklaring of staving eener opgezette stelling mogelijke gevallen als voorbeelden aanhaalt. Voor de duidelijkheid zet men hier meermalen ut, bij voorbeeld, vóór si. B.v. (Ut) si gladium quis apud te sa na men te deposuerit, repëtat insanieus, reddëre pec-catum sit, officium non reddöre, zoo iemand hij voorbeeld, terwijl hij bij zijn verstand was, een zwaard bij n had neergelegd en dit in staat van waanzinnigheid teruyvroey, zou het een misslag zijn het hem te geven, en een plicht het hein te weigeren.
Aanmerking II. De hoofdzin staat in den indicativus, wanneer men deu inhoud daarvan als zeker wil voorstellen of wanneer men de mogelijkheid door possum uitdrukt. B.v. lutrare, si possim, castra h ostium volo. Non jucunde vivitur, nisi cum v i r-tute vivatur. Innoeens, si accu sat us sit, absolvi potest.
§ 332. Derde geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als niet bestaande. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den conjunctivus van het imperfectum of plusquamperfectum. B.v. Indien gij dit geloofdet (hetgeen gij nu niet doet) zondt gij dwalen, si id credères, err ar es. Indien gij dit geloofd hadt (hetgeen gij niet gedaan hebt) zoudt gij gedivaald hebben, si id credidisses, erravisses. Nisi Alexander ess em, ego vero veile m esseDiogënes. Quae vita fuisset Priamo, si ab adolescentia scisset, quos event us senectutis esset habiturus?
Aanmerking I. Bi; niet bestaande vooronderstellingen zetten de Latijnen meermalen in den bijzin het imperfectum, waar wij het
247
Modus bij de conjunctiones condicionales. § 338â334.
plusquamperfectum zouden verwachten. B.v. o n jam Troïcis tempo r i b u s tantum 1 a u d i s in dicendoUlixi tribuissetHomerus, nisi jam tum esset honos eloquentiae.
Aanmerking II. Bij niet bestaande vooronderstellingen staut liet verbum van den hoofdzin niet zelden in den indicativus en wel:
1°. wanneer het behoort tot de verba van kunnen, moeten, betamen, waarover in § 320 gesproken is. B.v. Deleri totus exer-ei t u s p o t ii i t, si fugientes persecuti v i c t o r e s e s s e n t, het yansche ley er zou vernietigd hebben kunnen zijn, indien de overwinnaars de vluchtelingen achtervolgd hadden. Contumeliis eum onerasti, quem pat ris loco, si uil a in te pietas esset, colëre de be bas. Si u u u ra d i e m ra o r a t i e s s e t i s, moriendum omnibus f u i t. Zoo de vooronderstelling echter op de toekomst betrekking heeft, moet het verbum van den hoofdzin in den conjunctivus staan. B.v. Cluentio ignoscöre debebitis, quod haec dici patiatur; m i h i ignoseëre non deberetis, si t a e e r e ra {zoo ik zwijgen zou, maar ik zal niet zwijgen).
2°. wanneer het bestaat uit een participium op urus met er am of fu i en men een vast besluit wil te kennen geven. B.v. A r atores qui remans er ant, relicturi o ra nes a gr os erant, nisi ad eos M e t e 11 u s li o ra a 1 i 11 e r a s m i s i s s e t, de achtergebleven landlieden zouden allen ongetwijfeld hunne landerijen verlaten hebben, zoo Metellus hun niet uit Rome geschreven had. F u r i u m et A e m i 1 i ü m,quot; si t r i b u n i me triuraphare prohiber ent, testes citaturus fui r er u m a me g e s t a r u m.
3°. om uit te drukken dat iets op het punt was van te geschieden. B.v. Ferrum deferebat in pectus, nisi proxirai dextram at-tinuissent, hij zou zich het zwaard, in de borst hebben gestooten, zoo de omstanders zijn hand niet hadden vastgehouden. Per ie ram, nisi F a u n u s i c t u in s u b 1 e v a s s e t. Dit.geschiedt vooral bij liet p e r f e c t u m niet paene en prope. Vgl. § 321. B.v. Pons sublicius iter paene hostibus dedit, nisi unus vir fuisset, Horatius Codes, qui eet.
§ 333. Bij tegenstellingen en in een levendig gesprek wordt si somtijds uitgelaten. B.v. Negat quis, nego. ait, ajo, zoo iemand neen zegt, zeg ik ook neen, en zoo iemand: ja zegt, zeg ik ook ja.
Soms wordt de bijzin weggelaten of op een andere wijze aangeduid. B.v. Omnia, quae dicara, sic erant illustria, ut ad ea probanda totara Siciliam testera adhibere possem (vul aan; si testibus uti vollera). A n i in i magnitude, r e m 51 a co ra ra u n i 1 a t e (= si coraraunitas reraota sit), feritas sit quaedam et i ra ra a ui tas. Qui vide ret (= si quis videret), u r b era e a p t a ra d i c e r e t.
Somtijds staat in plaats van den bijzin een imperativus. Het voegwoord en, dat wij hier gewoonlijk gebruiken, raag in het Latijn niet vertaald worden. B.v. Lege li bruin: intellöges. Sequëre prae-c e p t a medici: b r e v i convalesces.
gt;^~§ 334. Sin (= si autera, si vero) en versterkt sin autera, indien echter, wordt gebruikt, zoo er reeds eenAj^rmij^eisJelliiig is voorafgegaan. B.v. Mercatura, si tenuis est, soroida putanda est; sin magna et copiosa, non est admödura v i t n peran d a. Waaneer er
248
§ 335â337. Modus bij de conjunctiones condicionales.
geen vooronderstelling is voorafgegaan, moet men indien echter vertalen door sed si.
335. ïusschen nisi en si non bestaat in het algemeen hetzelfde onderscheid als tusschen het Nederlandsche indien niet en indien niet. Bij nisi valt do klemtoon op indien, bij si non op niet. jSTisi go-gebruikt men, als niet voorondersteld wordt dat, si non, als voorondersteld wordt dat niet.
Nisi wordt gebruikt, wanneer de geheele zin ontkend wordt. Men kan dan indien niet veranderen in tenzij dat, behalve wanneer. B.v. P a r v i sunt for is ar ma, nisi est consilium do mi. Soms zegt men nisi si. B.v. Xoli putare, me longiores epistolas scribere, nisi si quis ad me plura scrip sit.
Si nou wordt gebruikt:
1°. wanneer slechts een enkel woord ontkend wordt. B.v. A eq ui-tas tollitur omnis, si habere suum cuique non licet.
2° wanneer een vooronderstelling, na eerst affirmative uitgesproken te zijn, nog eens negative herhaald wordt. B.v. Si id feceris, rn a-gnam habebo gratiam; si non feceris, ignoscam. Wordt bij de negatieve herhaling het verbum niet genoemd, dan moet men zoo niet door si (sin) minus, sin a 111 e r vertalen. B.v. Hoe si assecu-tus sum, gaudeo; si minus, me consülor.
3°. wanneer in den hoofdzin op een of andere wijze iets wordt teruggenomen van hetgeen in den bijzin ontkend is. Wij voegen in cien hoofdzin gewooulijk dan toch, de Latijnen a t, t a m e n, certe, attitmen, at certe. B.v. Si magnum virum non con so qui possum us, attïimen aemulari possum us. Zoo in den bijzin geen verbum staat, zeggen do Latijnen in plaats van si non ook si minus. B.v. Quanta t e m p e s t a s i n v i d i a e nobis, si minus in praesens tempus, at in poster itatem i m p e n d e t!
Ni, dat iu beteek enis overeenkomt met si non, doch altijd den g e h e e 1 e u zin ontkent, wordt vooral gebruikt /bij e e d e n, bedreigingen, weddingschappen en verzekeringen van allerlei aard. Vgl. g 324. 3°.
§ 336. Nisi forte, nisi vero, hehalve misschien wanneer, of het moest zijn dat, geven een uitzondering op, die eigenlijk geen uitzondering is, om daardoor aan te toouon, dat men niet kan afwijken van een aangenomen meening, zonder een ongerijmdheid aan te nemen. Zij staan altijd met den indicativus. Nisi forte heeft dikwijls, nisi vero altijd een ironischen zin. B.v. Nemo fere saltat sobrius, nisi forte insHnit. Hostes facile vi neem us, nisi vero ere dim us, eos quos terra marique priore bello vicimus, a quibus stipendia per viginti annos exogimus, plus spei n act os esse.
§ 337. Nisi wordt ook gebruikt in niet voorwaardelijke zinnen, en wel:
1°. iu de beteekenis van dan na nemo, nihil, enz. Vgl. § 307.
2°. met non in de beteekenis van slechts. In dit geval wordt nisi en non gewoonlijk zoo geplaatst, dat non vóór het verbum en nisi op de plaats van ons slechts staat. B.v. Nisi inter bonos v i r o s a m i c i t i a esse non p o t e s t of e s s e amicitia non potest n i s i i n t e r b o n o s v i r o s.
249
7
250 Modus bij de conjunctiones concessivae. § 338â;i3ci.
Wauneer slechts uitsluitend op een verbum betrekking heeft, zooals;
vele ineitëchen slapen en eten slechts, moet men om uisi te gebruiken een omschrijving aanwenden met nihil aliud facere of age re. B.v.
Multi homines nihil aliud faciunt nisi dormiunt et edunt.
Soms staat nisi iu de beteekenis van slechts in een onafhankelijken zin, die volgt op eeu negatieven zin. B.v. De re nihil possum judicare; nisi illud mihi persuadeo, te talem virum nihil tem ere feeisse (slechts daarvan hen ik overtuigd). ' ''e-
3°. met q u o d ter vertaling van behalve dat. ^V. T u s c u 1 a n u ra et P o m p e j a n u m m e v a 1 d e delectant nisi quod me a e r e a 11 e n o obruerunt. In plaats van nisi quod gebruikt men ook praeterquam quod.
7*»§ 338. De conjunctiones condicionales m o d o, d u m, d u m m ö d o ,
indien slechts, mits, ra o d o n e, d u m n e , d u m ra 6 d o n e , indien slechts niet, mits niet, regeeren altijd den coujunctivus en volgen de algemeene regels der consecutio temporum. B.v. Man ent in gen ia s e n i b u s, in o d o per man eat studium et industria. R o x pollicïtus est omnia se facturum, modo ne cogeretur corpus s u u ra d e d ë r e.
il. Conjunctiones concessivae.
§ 339- De oonjunctiones concessivae licet, cum, qua in vis (zelden quantumvis, quamlibet) schoon, ofschoon, ut, gesteld, toe-gegeven dat, al, n e, ut non, gesteld, toegegeven dat niet, regeeren den conjunctivus. B.v. Ilia q u a m v i s r i d i c it 1 a es-sent, mihi tarnen r i s u m non m o v e r.u n t, ofschoon deze dingen belachelijk waren, hebben zij mij echter niet aan het lachen gebracht. Licet fremant om nes, ego non tacebo, ofschoon allen mompelen, ik zal toch niet zwijgen. Homines, cu m m u 1 t i s rebus infirmiores sint, h a c re maxime bestiis praestant, quod loqui possunt, ofschoon de menschen onder verschillende opzichten zwakker zijn, overtreffen zij vooral daardoor de dieren, dat zij kunnen spreken. Ut de sint vires, tam en est laudanda voluntas, «Z ontbreekt de kracht, toch is de wil te prijzen.
Aanmerking I. Licet komt slechts voor met het praeseus ^
en perfectum conjunctivi en wordt meermalen verbonden met q u a m v i s. B.v. Quaravis licet insectemurStoicos,nie-tuo ue soli philosöphi sint.
Aanmerking II. Quam vis staat meermalen als adverbium in de beteekenis van hoe â ook bij een adjectivum of adv erbium.
B.v. Si hoe onëre carërem, quamvis parvis Italiae latebris contentus essem, zoo ik van dezen last bevrijd was, zou ik met een hoekje van Italië hoe klein ook tevreden zijn. Non mihi difficile est quamvis mul tos nominatim proferre, het zou niet moeilijk voor mij zijn er zoovelen (jij maar wilt bij name te noemen.
Over ut, ne, ut nonVgl. § 325.
§ 340â342. Modus bij de conjunctiones comparativae.
§ 340. Qu a m q u a m, ofschoon, regeert gewoonlijk den i n d i-c a t i v u s en wordt gebruikt, wanneer datgene, wat men toegeeft, w e r k e 1 ij k zoo is. B.v. Quamquam om nis virtus nos ad se allicit, tam en justitia id maxime efflcit, ofschoon iedere deugd ons aantrekt, zoo doet dit echter wel het meest de rechtvaardigheid.
Aanmerking I. Quamquam (soms etsi) wordt ook geplaatst bij het begin vau een onafhiinkelijken ziu in de beteekenis van maar, toch, intusschen, niettemin om hetgeen voorafgaat te beperken of te verbeteren. B.v. N u n q u a m officii te m o n 5 r e d e s i i; quamquam om nes monition es et p reces quid profecerunt, nooit heb ik opyehouden u aan uw plicht te herinneren; intusschen wat hebben al mijn vermaningen en gebeden gvbaut? Quamquam quid loquor, maar waartoe spreek ik nog?
Aanmerking II. Q u a m v i s eu q u a m q u a m beteei:enen ook in weerwil van, ondanks, niettegenstaande. B.v. Qua m vis prudens sis, in weerwil van uwe voorzichtigheid. Quamquam doctissimus e s, ondanks uwe groote geleerdheid.
§ 341. Etsi, etia m s i, t a m e t s i, ofschoon, hoewel, al, volgen voor den modus dezelfde regels als si. Zij hebben den indiea-tivus, wanneer de inhoud van den zin als werkelij k bestaande, den conjunctivus van het praesens of perfectum, wanneer de inhoud van den zin als mogelijk bestaande, den conjunctivus van het imperfectum of plusquamperfectum , wanneer de inhoud van den zin als niet bestaande beschouwd wordt. De Latijnen plegen echter etsi en tam etsi slechts dan te gebruiken, wanneer de inhoud van den zin als, w e r k e lij k bestaande beschouwd wordt. B.v. Optimi homines faciunt, quod honestum est, etsi nullum emolumentum consecutu-rum vident, de beste menschen doen datgene wat betamelijk is, ofschoon zij zien dat er geen voordeel uit voortkomen zal. Quod turpe est, id etiamsi occultetur, tam en honestum fieri nu Ho modo potest. Etsi nihil aliud Sullae nisi consulatum abstulissetis, tamen^o vos contentos esse oportebat.
III. Conjunctiones comparativae.
§ 342. De conjunctiones comparativae tamquam, tamquam si , quasi, ac si, vel ut (veluti) si, aeque (proinde, perinde, nonsecus)acsi, en somtijds velut, sicut (sicüti), alsof, even alsof, regeeren den conjunctivus en worden gebruikt, wanneer een voorondersteld geval met een werkelijk geval vergeleken wordt B.v. Sequani absentis Ariovisti crudeHtatem,
251
Modus bij de conjunctiones comparativae.
§ 343.
252
velüti si coram a des set, hor re bant, de Sequanen huiverden voor de wreedheid van Ariovistus, wanneer hij afwezig was, even alsof hij persoonlijk aanwezig was. Lamentaris, quasi amici obliti rui sint, gij klaagt alsof moe vrienden u vergeten hebben. Sed quid ego his testibus utor, quasi res dubia aut obscüra sit.
Aaumerkiug I. Wanneer bij deze conjuncties een imperfectum of plusquamperfectum conjuuctivi staat na een hoofdzin in het p r a e s e n s, moet men don bijzin verklaren als een verkorten v o o r-waardelijken zin. B.v. Negotia tibi non secus commendo ac si mea essent = ac commendarem, si mea essent.
Aanmerking II. Somtijds staat bij quasi, tamquam, vel ut een participium conjunctum. B.v. Graecas litter as sic a vide arripuit Cato, quasi diuturnam sitim explore cu pions. Het is echter beter om het verbum in den conjunctivns te plaatsen.
Aanmerking III. Quasi, quasi vero, proinde quasi hebben meermalen een irouische beteekenis, wanneer men spottend wil aangeven, wat niot het geval is. B.v. Laudant eos, qui aequo animo m o r i a 111 u r ; qui a 11 e r T u s mortem aequo animo f e r a n t, eos putant v i tu p e r and os : quasi fieri ullo modo pos sit, ut q u i s q u a m plus a 11 e r u in d i 1 ï g a t q u a m se.
Aanmerking IV. Op de Nederlaudsche werkwoorden schijnen, veinzen, voorgeven, vermoeden, verdenken en dergelijken volgt meermalen een bij/in met alsof in plaats van met dat. B.v. Lysander nam den schijn uan alsof hij het orakel ondervraagd had. Het schijnt alsof de natuur in Alcihiades heeft willen beproeven, ivat zij kon voortbrengen. In het Latijn staat hij deze verba altijd de accusativus cum infinitive en bij videri de nominativus cum infinitive. B.v. Ly san der ora-culum se consuluisse simulavit. In Alcibiade natura videtur experta esse, quid efficöre posset.
§ 343. De conjunctiones ut (uti), sic ut (sicviti), que mad mo-dum (soms tamquam en quomödo), evenals, gelijk, staau met den indicativus en worden gebruikt, wanneer werkelijke gevallen met elkander vergeleken worden. Het Nederlandsche zoo in het tweede lid der vergelijking wordt vertaald door ita of sic. B.v. Ut hirundo ins tan te bi ome avolat, sic infldus amicus commutata fort una desërit ami cum, gelijk de zwaluiv bij het naderen van den winter wegvliegt, zoo verlaat ook een ontrouwe vriend, zijn vriend, wanneer de fortuin zich gekeerd heeft.
Aanmerking I. Ut â ita (sic) beteekenen meermalen ivel â maar, ofschoon â toch. B.v. Frater t u u s ut a e t a t e inferior me est, ita magnitudine corporis superior, uw broeder is ivel jonger dan ik, maar hij overtreft mij in lichaamsgrootte. Hannibal ut Romanos muit is et atrocibus proeliis devlcit, ita rempu blicam Roma nam e verter e non pot uit.
Aanmerking II. Het Nederlandsche hoe vóór een werkwoord wordt vertaald door ut, wanneer het op welke wijze, en door qu am
§ 344â345. Modus hij de conjuncliones causa les.
of quautopere, wanneer het hoe zeer beteekent. B.v. Audisti ut me circumsteterint. Q u a ra c u p i u u t 1 a u d a r i! Hoeweinig heet quam non en quam nihil. B.v. Quam id te non decebat.
IV. Conjunctiones causales.
§ 344. De conjunctiones causales quod, quia, omdat, dewijl, regeeren den indicativus, wanneer men de reden van iets aangeeft volgens zijn eigen meening, en den conjunctivus, wanneer men de reden van iets aangeeft volgens de meening van een ander. Socrates werd veroordeeld, omdat hij de jonyelin-lt;jen bedierf aeet derhal ve Socrates a c c u s a t u s est, q u o d corrumpebat juventutem, wanneer men wil aangeven, dat dit zij ne meening is, en quod corrumpëret juventutem, wanneer men wil aangeven, dat dit de meening der rechters was.
tf Aanmerking I. Qüod geeft een reden aan, die in de gedachte bestaat (omdat ik of een ander dit of dat zoo meen). B.v. Aristides expulsus est patria, quod praeter modum Justus erat of es set.
Quia geeft eea reden aan, die in de werkelijkheid bestaat. B.v. E d o, quia e s u r i o. V o 1 s c i, quia n o n d u m a b A e q u i s v e n i s-sent exercitus, dimicare non ausi sunt.
^ Aanmerking II. Non quodofnonquo (bij lateren ook nou quia) regeert den conjunctivus. Gewoonlijk volgt hierop sed quod, sed quia met den indicativus of sed ut met den conjunctivus. B.v. Socratesinjudicio ad h u m i 1 e s p r e c e s d e s c e u d e r e n o 1 u i t, non quod ju dices elude re vellet, sed quia nullTus culpao sibi conscius erat. Ad te litter as dedi, non quo haberem magnopere, quod scriberem, sed ut loquerer tecum absens.
Wanneer nou quod en non quo versterkt worden door eo, ideo, idcirco, propterea, plaatst men de ontkenning gewoonlijk vóór de versterkende woorden in den hoofdzin. B.v. Non idcirco librorum u s u m diraiserara, quod iis succensërem, sed quod eorum me suppudebat, niet daarom had ih het gebruik der boehen laten varen, omdat ik er verstoord op was, maar omdat ik er mij een weinig voor schaamde.
^Na non quod, nou quo volgt meermalen non, dat; zoo het op den ganscheu zin betrekking heeft; met quod of quo kan samengetrokken worden tot quin. B.v. lisdem de rebus volui ad te saepius scribere, non quin (non quod uou) confiderem diligentiae tuae, sed rei magnitude me movebat.
Aanmerking III. Wanneer op quod een verbum van zeggen of ra e e n e n volgt, staat dit gewoonlijk in den conjunctivus, ofschoon niet de omstandigheid, dat iemand iets zegt of meent, maar wel «Ie inhoud daarvan als reden wordt opgegeven. B.v. Graeci obölum in os mortuorum injiciebant, quod illis eo nummo a pud inferos opus esse putarent.
§ 345. Het voegwoord dat wordt door quod vertaald:
1°. bij de verba van blijdschap, droefheid, verwonde-
253
Modus bij de conjunctiones causales.
§ 345.
254
ring (verba affectuum). B.v. GTaudeo, quod mihi faves, ik hen blijde, dat gij mij begunstigt.
2°. in bijzinnen, die subject zijn van onpersoonlijke verba en uitdrukkingen. B.v. Quod victor victis pare it, magnum est, dat de overwinnaar de overwonnenen spaart, is grootmoedig.
*Het ouderschekl tusschen quod en den accusativus cum infinitive, die eveneens bij de verba van 1° en 2° staat, is hieriu gelegen, dat quod den inhoud van den bijzin voorstelt als iets werkelijks en de accusativus cum infinitive als een bewering, meening of voorouderstelling. B.v. Quod victor victis parelt magnum est, het is grootmoedig van den overwinnaar, dat hij de overwonnenen spaart (een werkelijk bestaand geval). V i c t o r e m victis paree re magnum est, het is grootmoedig van een overwinnaar, dat of zoo hij de overwonnenen spaart (eeu voorondersteld geval). Evenzoo : vir bonus semper gaudet res amici bono loco esse, wanneer de zaken van zijn vriend goed staan. Daarentegen: Gajus, vir bonus, gaudel quod res amici bono loco sunt, dat de zaken van zijn vriend werkelijk goed staan.
Aanmerking. Op (hue, e o, e ü d e m) a c c e d i t volgt quod, wanueer een werk el ij k bestaand feit aau het voorgaande wordt toegevoegd. B.v. Accedit quod patrem plus etiam amo, quam ipse scit. Zoo het bijgevoegde feit echter niet werkelijk bestaat of accedit de beteekenis van geschieden heeft, gebruikt men ut. B.v. Hue si accedëret, ut talis homo dives esse t, summa omnium invidia exoriretur. Ad App. Claudii senectutem accedebat etiam, ut caecus esset.
3°. wanneer het dient ter verklaring van een pronomen of adverbium demonstrativum. B.v. Hoe uno praestamus vel maxime feris, quod exprimëre dicendo sensa possum u s, daardoor alleen overtreffen ivij wel het meest de dieren, dat wij ome gevoelens door te spreken kunnen uitdrukken. Velo-cïtas lucis inde potest cognosei, quod multo breviore tempore ad oculos nostros pervënit, quam sonu:? ad a u r e s.
^A anmerkingl. Wanneer een demonstrativum overvloedigerwijze bij een verbum staat, dat den accusativus cum infinitive of ut regeert, moeten deze constructies behoudeu blijven. B.v. lllud negare non petes, hoc vere dici. Hoe te hertor, ut praeceptorem non minus fere, quam ipsa studia a mes.
Aanmerking II. Quod staat ook bij vergelijkingen na qua m ter verklaring vau eeu uitgelaten demonstrativum. B.v. Nullum majus Cicero patriae attülit munus, quam quod cou-jurationem Catilinariam detexit. Men verwarre q u a m quod niet met quam ut of quam qui. Vgl. § 298. 3°.
Aanmerking III. Wanneer quod ter verklaring staat van een zin, die geen demonstrativum bevat, beteekent het de omstandigheid dat.
§ 346â347. Modus bij de conjunctiones causa les. 255
B.v. Eumëni multum detraxit inter Macedones viventi, quod alienae erat civitatis.
4°. na facëre, fiëri, accidit, evénit en dergelijken, wanneer deze verba een adverbium of adverbiale bepaling van goedkeuring of' afkeuring bij zich hebben. Quod beteekent hier niet enkel dat, maar ook omdat, daaraan dat, wanneer. B-v. Bene feeisti, quod eum convenisti, (/ij hebt yoed (jehandeld, dat (j ij naar hem toegegaan zijt. Hippocrates v i d e t u r h o n e-stissime fecisse, quod quosdam errores suos, ne poster! err a rent, confessus est, Hippocrates heeft daaraan zeer wel gedaan, dat hij eenige zijner dwalingen heieden heeft, opdat de nakomelingschap niet zou dwalen. Non pigritia facio, quod non mea manu scribo, wanneer ik niet eigenhandig schrijf, zoo doe ik dit niet uit traagheid.
Nederlandsche zinnen met daaraan dat worden dikwijls zeer verkort in het Latijn uitgedrukt. B.v. Alcibiades deed zeer wijs daaraan, dat hij van Syracuse naar Sparta vluchtte, Alcibiades sapientissime a Syracusis Spartam perfugit.
5°. Wanneer bij het beantwoorden van een of andere zaak een uitdrukking herhaald wordt, om daarop een aanmerking te maken, wordt wat betreft dat, wanneer vertaald door quo d. Zulk een zin met quod staat altijd voorop. B.v. Quod me Agamemnon em aemulari p ii t a s, f a I 1 ë r i s, wanneer gij meent (wat uwe meening betreft), dat ik Agamemnon nastreef, zoo bedriegt gij u. Vgl. g 174. 6°.
§ 346. Gum, daar, dewijl, regeert den conjunctivus. B.v. Dionysius, cum in communibus suggestis con siste re non audëret, contionari ex turri alta solebat, daar Dionysius niet durfde staan op de gewone redenaarsgestoelten, vas hij gewoon van een hoog en toren te spreken.
Cum regeert den indicativus, wanneer het staat in plaats van quod bij de verba van geluk wensehen en bedanken. B.v. Gra-tülor tibi, cum tantum vales apud Dolabellam. Tibi gra-tias ago, cum tantum litterae meae potueruut.
Cum geeft iets aau als grond eener reden e er ing. B.v. Cum sint in nobis consilium, ratio, prudentia, uecesse est Deum haec ipsa habere major a. Wij, menscheu hebben verstand; God echter heeft alles volmaakter dan de menschen; derhalve heeft God ook een volmaakter verstand dan de menschen.
§ 347. Quoni am, quandoquidem (zelden quando) daar, dewijl en siquldem, daar immers, regeeren den iudicativus. B.v. Quoni am de genëre belli dixi, nunm de magnitu-dine pauca dicam. Hoe confiteor jure mihi obtigisse, quandoquidem tam iners sum. Antiquissimum e doctis
Modus bij de conjundiones finales. § 348â349.
est gonus poëtarum, sicjuidem Homerus tuit ante Ro-111 ani coiidïtam. Id oniitto, (^uando vobis ita placet,
Deze conjuncties geven een bekend feit als reden op.
Siquidem beteekent soms zoo ten minste. B.v. N o s vero, si qui dom in voluptate sunt omnia, longe multumque superamur a be st iis.
g 348. Verschillende conjuuctiones causales zijn coordineerend, namelijk nam, nam que (met versterkte beteekenis en bijna alleen vóór vocalen), enim, etenim (met versterkte beteekenis), want. Nam is vooral bewijzend, enim vooral verklarend. Deze conjuncties staan altijd in het begin van den zin, behalve en i m, dat gewoonlijk op de t w eede
plaats staat. Vgl. § 527. A. 1 en II. .. t i . i â¢
Nam, enim, etenim beteekenen ook namelijk. In deze beteekenis worden 'zij alleen gebruikt, wanneer iets verklaard wordt in een nieuwen zin. 13. v. Rernm bona rum et mal arum tria suntgenera : n a m aut in animis, aut in corporibus, aut extra esse possunt. Over de vertaling van namelijk vóór een nomen appositum V glâ § 195.
Tot de coordineerende conjunctiones causales behooren ook nempe, nimTrum, scilicet, videlicet. Meermalen hebben zij een ironi-schen zin; scilicet heeft dit bijna altijd.
Nempe, iodi wel. B.v. Quid volunt le g e s ? n em pe u t i is o li-
te m p e r e iiWs,.,WAlt;Ml1 ⢠! , r â 1 ⢠T
Nimlrum, ongetwijfeld. B.v. Si diligenter, quid Miltiades potuerit, conside'rav eris, omnibus regibus hunc regem n i m T r u m a n t e p ö n e s.
Scilicet, videlicet, natuurlijk. B.v. Catilina, homo videlicet permodestus et timid us, vocem cons u lis ferre nou po tuit. Vim scilicet ego desideravi, qui, dum vis fuit, nihil egi.
§ 349. Quippe wordt vooral gebruikt met het pronomen relativum en met cum, wanneer deze woorden een redengevende beteekenis hebben. B.v. Centauri, quippe quorum insita imma-nitas vi Bacchi molllta esset, ante currum dei ingredie-bantur, de Centauren liepen voor den -wagen van den god, daar hunne natuurlijke woestheid door de kracht van Bacchus getemperd was. Cimöni turpe non fuit sororem germanam habere in raatrimomo, quippe cum ejus cives eödem uterentur institute
Quippe staat ook vóór een nomen appositum in de beteekenis van voorzeker. B.v. Sol Democrïto magnus videtur, quippe hom'ini erudïto.
Soms staat het in diezelfde beteekenis op zich zeiven, doch moet dan quot;evolgd worden door een zin met nam, enim, cum. B.v. Ista ipsa a tequot; apte et rotunde sunt dicta; quippe: ha bes enim n rhetoribus.
V. Conjunctiones finales.
§ 34ft, De conjunctiones finales ut (uti), opdat, om te, dat, n e, opdat niet, om niet te, dat niet, neve (neu), en opdat niet, quo, opdat des te, opdat daardoor, quin, dat niet, quo min us, dat niet, regeeren den conjunctivas. Naast ut finale bespreken
256
Modus bij de conjunctiones finales.
§ 351.
257
wij hier ut consecutivum, hetwelk zoodat, dat beteekent en insgelijks den conjunctivus regeert.
§ 351. Ut finale staat:
1°. zonder van een bepaald verbum af te hangen in de beteeke-nis opdat, om te. B.v. E dim us ut viva mus, non vivlmus ut eda mus, aij eten om te leven, wij leven niet om te eten. Porrus moe ni bus ci rcum datus est, ut ipsam urbem digni-tate aequipararet, de haven werd met muren omringd, opdat zij de stad zelve in waardigheid, zou evenaren.
Om geen fouten te maken tegen den persoon en het getal van het verbum verandert men om te in opdat.
2quot;. afhangende van de verba, die de beteekenis hebben van bewerken, of trachten te bewerken dat iets geschiedt, zooals die van zorgen, bidden, verzoeken, eischen, vermanen, uitnopdigen, raden, aansporen, bevelen, opdragen, wen schen, veroorloven, verkrijgen, waarachter wij een zin met dat of een onbepaalde wijs laten volgen. B.v. S o 1 efflcit, ut omnia floreant, de zon maakt, dat alles bloeit. Caesar milites hortatus est, ut a or iter dimicarent. Caesar vermaande zijne soldaten om dapper te strijden. Ante senectutem curavi, ut bene bene moriar.
vivërem, in senectute, ut
|
Tot deze verba belmoren: addueëre, overhalen. adipisci, verkrijgen. admonëre, aanmanen. assëqui, het zoover brengen. auctorem esse, aanraden. concedëre, toestaan. censcre, aanraden. consëqui, verkrijgen. contendere, trachten te hen-erken. curare, zorgen. edicëre, hevelen. efficëre, bewerken. facëre, maken. flagitare, vorderen. hortari, vermanen. |
ld agëre, trachten te bewerken. impellëre, aansporen. impetrare, verwerven. incitare, aansporen. invitare, nitnoodigen. mandare, opdragen. monëre, vermanen. 'Wv movëre. aansporen. operam dare, moeite doen. -J- ^ ^^ optare, wenschen. c orare, vragen. petëre, verzoeken. perficëre, bewerken. permittëre, veroorloven. persuadëre, overreden. â¢17 4^J3^jV\^rJL Jr |
258 Modus hij de conjunctiones finales. § 351.
postulare, eischen. providere, zorgen.
praeeipëre, hevelen. rogare, verzoeken.
precari, hidden. suadëre, aanraden.
prospicëre, zorgen.
Aanmerking I. Auctorem esse, herichten. c e n s e r e. van qevoelen zijn. concedëre, toegeven, contendere, heiveren, edi-cëre, hekend maken, efficëre, bewijzen, m on ere, admonëre, herinneren, persuadëre, overtuigen, prospicëre, vooruitzien, (postulare. eischen, doch alleen zoo het verbum van den afhan-l^Ljken zin een passivum of' de ponen s is) regeerenden accu-sutivus cum infinitive. B.v. Male pugnatum esse in Algldo multi auctores sunt. Diarchus vult efficëre, animos esse mortales. Militibus persuasit, se contra barbamp;ros proficisci. Coneëdo decs esse beatos. Monuit Caesar ejus diei victoriam in equltum virtute const are. ^
â¦Aanmerking II. Bijzondere opmerkzaamheid vorderen de verschillende constructies van facio.
Facio ut wordt dikwijls ter omschrjjviug gebruikt, vooral wanneer het vergezeld is van libenter ofinvltus. B.v. InvTtus quidera feci, ut L. Fla minium e senatu ej ice rem, tegen mijn sin heb ik L. Flaminius uit den senaat gezet. Facio libenter, ut per lit ter as tecum collöquar.
Facio met den accusativus cum infinitivo (bijzonder in de vormen f a c en f a c i a m u s) beteekent vooronderstellen. B.v. F a c qui ego sim esse te, vooronderstel eens dat gij zijt, die ik hen.
Facio met het participium praesens of met den infinitivus praesens passivi beteekent iemand, in een geschrift of tooneelstuk iets lategt;i doen, iets met iemand laten gebeuren. B.v. Polyp hemum Homerus cum ariëte collo qn en tem facit, Homerus laat Polypheem met een ram spreken. Isocratem Plato admirabiliter in Phasdro laudari facit, Fto laat in zijn Fhaedrus Isocrates zeer hoog prijzen. Men mag hier geen infinitivus activi bij facio zetten. Evenals facio worden ook fingo en indüco geconstrueerd. B.v. Ho ra tins Ulijxeni cum Tiresia apud inferos colloquentem et ex e o, quibus artibus amissas op es recuperare possit, quaere n tem i n d u c i t.
Wanneer facio en ago nihil of n i h i I a I i u d tot object hebben en nader bepaald worden door den comparativus van een adverbium, moet het verbum achter n i s i of qua m in denzelfdeu vorm staan als facio en ago. B.v. Nihil libentius facio quamscribo ad t e, ik doe niets liever dan aan u schrijven. Nihil a 1 i n d f e c r u n t, nisi rem detulerunt. Si TorquStus S u 11 a m solum accu-s asset, ego quoque hoc tempore nihil aliud age rem, nisi e u m d e f e n d e r e m.
i
§ 352â353. Modus bij de conjunctiones finales.
Aanmerking III. Bij de verba van vragen, verzoeken, bidden, vermanen staat somtijds de coujunctivus zonder ut. B.v. Rogo vos auxilio mihi veniatis.
§ 352. Ne wordt gebruikt in doelaanduidende zinnen, die ontkennend zijn, en wel:
1°. zonder van een bepaald verbum af te hangen. B.v. Ne va na urbis magiiitudo esset, alliciendae m u 1 tit u din is causa asylum a p ë r i t, opdat de uitbreiding der stad niet vergeefsch zou zijn, opende hij eene vrijplaats om volk te lokken. Sermone eo debemus uti, qui natü.s est nobis, ne Grraeca verba i n c u 1 c a n t e s r i d e a m u r.
2quot;. bij de verba van § 351. 2°. B.v. Cura, ne in morbum i n c ï das, zorg dat gij niet ziek wordt. Miltiamp;deshortatus est pontis custodes, ne a for tuna da tam occasionem liberandae Graeciae dimittërent.
3°. bij de verba van verhoeden, verhinderen, tegenstreven en weigeren, om uit te drukken wat men wil verhoeden, enz. Wij gebruiken gewoonlijk in onze taal geen ontkenning. B.v. Pythagorëis interdictum erat, ne faba vesce-rentur, aan de leerlingen van Pythagoras was het verboden bonnen te eten. Regülus in senajtu ne sententiam dicëret recu-savit, Begulus weigerde in den senaat zijn gevoelen te zeggen. Cavebis, ne me attingas, si sapis.
Tot deze verba behooren :
obstare, in d'en weg staan. prohibëre, verhinderen. ^,
repugnare, zich verzetten.
resistére, tegenstreven.
Aanmerking. Cavëre ut beteekent zorgen, verordenen dat.
Impedire en prohibëre regeeren ook een accusativus van den persoon en een infinitivus van de zaak. Vgl. § 390 en 391.
Somtijds staat ook een iufiuitivus bij recusare en bij het passivum vau deterrëre. B.v. Neque adhuc repertus est quisquam, qui mori recusare t. Nefarias ejus libidï-nes commemorare pudore deterreor.
Bij verschillende dezer verba staat ook quominus. Vgl. § 361.
§ 353. Wanneer in de doelaanduidende zinnen, waarover in 1°. en 2°. der vorige paragraaf gesproken is, de ontkenning slechts op een enkel woord van den zin betrekking heeft, moet men in
259
^ A J
cavëre, zich wachten.
deterrëre, afschrikken. impedire, verhinderen, beletten. interdicëre, verbieden.
obsistëre, verhinderen.
Modus bij de conjunctiones finales. § 354.
plaats van ne ut non gebruiken. B.v. Id ago, ut non solum mi hi, sed omnibus civibus prosim, ik tracht niet enkel voor mij, maar voor al mijn medeburgers voordeeluj te zijn. Confer te ad Man Hum, Catillna, ut a me non ejectus ad alie-nos, sed invitatus ad tuos esse videaris.
Bij facio, efficio, perficio mag men altijd ut non gebruiken.
Aanmerking I. Utnoudicara, om niet te spreken van, duidt aan, dat men van het grootere niet gewaagt, omdat liet kleinere reeds genoeg bewijst. B.v. Alexander cognomine Magni dig nis-si mus fuit; nam ut de rebus praeclarissimis ab eo gestis non dicara, quis rex bon arum artium amantior, quis clementior fuit?
Xe dicain, om niet te zeggen, toont aau, dat men iets sterkers zou kunnen zeggen, doch dit niet doet uit vrees van te veel te zeggen. B.v. Cru d Slis ne dicam seeleratus fuisti.
ij-Aanmerkiug II. In doelaanduidende zinnen gebruikt men n e q u i s in plaats van ut nemo.
nequid â â âut nihil.
neullus â v â ut nullus.
nequando â â â ut nunquam necttbi â â âut nusquam.
Waar echter ut non zou moeten staan behoude men ook ut nemo, enz.
Aanmerking III. In plaats van ne zegt men meermalen na verba met positieve beteekenis (§ 352. 1°. en 2°.) voor den nadruk ut ne. Deze woorden worden öf niet gescheiden zooals gewooniijk geschiedt bij ut ne quis, ut ne quid of zoo gescheiden, dat ne onmiddellijk vóór het verbum gezet wordt. B.v. Justitiae primum munus est, ut ne quis cui uoceat. Sed ut hie, qui intervünit, neignöret, quae res agatur: de natura agebamus deorum. ^ Aanmerking IV. Wanneer twee doelaanduidende zinnen door een coujunctio copulativa verbonden zijn en de tweede zin negatief is, gebruikt meu gewoonlijk neve (neu) en niet neque. B.v. Caesar mili-tes cohortatus est, uti suae pristïnae virtutis memoriam retinërent neve perturbarentur animis. Hoe te rogo, ne demittas animum neve te obrui magnitudine negotii sinas.
Zoo de eerste doelaanduidende zin positief is, mag de tweede ook met neque verbonden worden. B.v. His, ut diutius morarentnr neque suis auxilium ferrent, persuaderi non poterat.
§ 354. Bij de verba en uitdrukkingen van vrees en bezorgdheid, zooals: metuo, timeo, vereor, metus est, pericu-lum est, metus ineïdit alicui, wordt dat vertaald door n e en dat niet door ut of ne non (ne nullus, enz.). De Latijnen denken bij deze verba niet zoozeer aan hetgeen men vreest, als wel aan hetgeen men wenscht. B.v. Avarus semper verëtur, ut satis habeat, een gierigaard vreest altijd, dat hij niet genoeg heeft. Timebam, ne evenirent ea, quae acciderant;
260
Modus bij de conjunctiones finales.
§ 355.
261
ik vreesde, dat die dingen zouden geschieden, welke gebeurd zijn. Periculum est, ne ille te verbis obruat. Vereor ne consolatio nulla vera pos sit reperiri.
*A a u m e r k i ii g I. In twee gevallen moet dat niet door n e non vertaald worden en wel:
1°. wanneer liet verbum van vreezen een ontkenning bij zich heeft. B.v. Non véreor, ne tua virtus opinioni hominum non respondeat.
2°. wanneer de ontkenning slechts op een enkel woord van den bijzin betrekking heeft. B.v. Metuo, ue non libenter, sed c o a c t u s p a r e a t.
*Aanmerking II. Wanneer metuo, timeo en vereor de beteekenis hebben van aarzelen,, ^chromen, kunnen zij ook een i n f i u i-t i v n s bij zich hebben. B?\\ quot;v ere óriau dare praesentem. Vos Allobrogum testimoniis non credere ti metis!
*A an merking III. Bij de substantiva van vrees kai; men in plaats van n e met den conj unctivus ook den genetivns van het gerundium zetten. B.v. M e t u s amittendi.
§ 355. Ut oonsecutivum staat:
1quot;. bij alle uitdrukkingen, waarin de beteekenis van zoo ligt, zooals; ita, sic, tam, tantopére, eo, adeo, ejusmódi, tot, tantus, talis, is (== talis). B.v. Deus tam potens est ut omnia, quae velit, efficére possit, amp;od is zoo machtig, dat hij alles, wat hij teil, tof stand kan brengen. Dion eo rem perduxit, ut pacem tyrannus facére vellet, Dion bracht de zaak zoover, dat de tyran vrede wilde maken.
Meermalen blijven deze uitdrukkingen weg; alsdan moet ut oonsecutivum door zoodat vertaald worden. B.v. Arboribus con-sita Italia est, ut tota pomarium videatur, Italië is niet boom en beplant, zoodat het overal een boomgaard schijnt. In naturis hominum dissimilitudines sunt, ut alios dulcia, alios suba m ara delectent.
2ft. bij de onpersoonlijke verba en uitdrukkingen, die tot grondbeteekenis hebben het geschiedt, er blijft nog over, er volgt, mits zij geen adverbium van goedkeuring of afkeuring bij zich hebben. Vgl. § 045. 4°. B.v. Persaepe accldit, ut ut ill tas cum honestate certet, het gebeurt zeer dikwijls, dat het nuttige in strijd is met het betamelijke. Restat ut doceam, omnia, quae sint in hoe mundo, hominum causa facta esse. Negavit moris esse Graecorum, ut in convivio virorum accumbërent muliêres.
Modus bij de conjunctiones finales.
§ 356.
262
Tot deze verba behooien:
est, het geval is. lex est, er is een wet.
in eo est, het is op het punt. futurum est, het zal geschieden.
prope est, het scheelt weinig. fieri potest, het is mogelijk.
fit \ fieri non potest, het is onmogelijk.
accMit,â. U gesel,Ml, ~ ,
contingit gt; , , proximum est, er volqt nu.
v ° [ net gebeurt. r 7
evenit k restat
usu venit ) reliquum est
consuetudo (consue- ) 7 . â relinqultur \ er blijft nog over.
tudinis) est ' superest i
mos (moris) est ) ' extrêmum est]
^Aanmerking I. Daaruit volgt beteekent eenvoudig sequitur of inde, hinc, ex eo eff'icttur. B.v. Si virtutes pares sunt inter se, sequitur ut etiam vitia sint paria. Evenals achter efficitur volgt soms na sequitur eeu accusativus cum infinitive. B.v. Eorum, quae jJOSu^U^alter um alteri con-sëquens est, ut sequatur, vitam Dèatani virtute confïci. , Aanmerking II. Bij contingit staat vooral bij dichters en latere prozaschrijvers ook de infinitivus. B.v. Non cuivis homini contingit adire Corinthum.
Bij mos est, consuetudo est staat ook de infinitivus, de accusativus cum infinitive of de genetivus vau het gerundium. B.v. Mihi mos.est plura audire quam loqui. Mos est hominum potentioremiufirmioripraepöui. Mos adversandi t u r p i s e s t. Vgl. § 433. A.
3°. bij een comparativus met quam (te groot om, te groot dan dat). Vgl. § 298. 4°.
§ 356. Na tantum abest, het is er zoover af, volgen gewoonlijk twee zinnen met u t. Men bemerke wel, dat deze spreekwijze in het Latijn onpersoonlijk gebruikt wordt en dat het tweede ut niet gevolgd wordt door p o t i u s, wel door contra integendeel, of etiam, zelfs. B.v. Tantum abest, ut te reprehendam, ut te laudem, ik ben er zoover af u te laken, dat ik u integendeel prijs.
In plaats van deu tweeden zin met u t staat soms voor den nadruk een hoofdzin. B.v. Tantum abfuit, ut inflammares nostros animos: somnum isto loco vix tenebamus.
\Tantum abest ut â ut dient ook ter vertaling van laat staan dan dat, wel serre van â integendeel. B.v. Tantum abest, ut hoe nego-tio divites si mus facti, ut pecuniam meruerimus nullam, wij hebben bij deze zaak niets verdiend, laat staan dan dat wij er rijk door geworden zouden zijn of wel verre van rijk geworden te zijn door deze zaak, hebben wij Integendeel er niets bij verdiend.
In plaats van tantum abest ut â ut gebruikt men ook it a non, adeo
Modus bij de conjundiones finales.
263
§ 357â359.
ii o ii (nihil) â ut, zuo weinig â dat. B.v. Haoc / erbaadeo nihil moverunt quemquam, ut legati propo violatisint, deze woorden maakten zoo weinig indruk op iemand, dat de gezanten bijna mishandeld zijn of het was er zoover af, dat deze woorden eenigen indruk op iemand maakten, dat de gezanten bijna mishandeld zijn.
Laat staan dan dat wordt ook vertaald door n e d u m of u e d i c a m met den eoujunctivus. B.v. Hoe negotio peeuniam me-r u i m u s nullam, n e d u m d i v i t e s f a e t i s i m u s.
Wanneer tantum abesse een werkelijke verwijdering aanduidt, wordt het persoonlijk gebruikt. B.v. Tantum abes a perfectione maximorum o p e r u m, utfundamentanondumjeceris.
S 357. Wanneer een gevolgaanduidende zin ontkend wordt, gebruikt men niet ne, maar ut non, ut nullus, at nihil, enz. B.v. Turn forte aegrotabam, ut a d n u p t i a s t u a s venire non p o s s e m, ik was toen toevallif/ ongesteld, zoodat ik niet op uw bruiloft kon komen.
\ Een tweede gevolgaanduidende zin, die ontkennend is, wordt met den eersten verbonden door neque (niet neve). U.v. Multi homines tam avari sunt, ut vix famem expieant neque pauper es a m i e o s j u v e n t.
§ 558. Quo (= ut eo) wordt gewoonlijk gebruikt vóór een comparativus in de beteekenis opdat des te. B.v. Lege m breve m esse oportet, quo facilius ab imperltis teneatur, een wet moet kort zijn, opdat zij des te gemakkelijker door onkundigen onthouden worde.
Meermalen echter beteekont het ook opdat daardoor. B.v. 1 n funeribus A t h e n i e n s i u in s u b 1 a t a e r a t celebrïtas v i r o-rum ac mu 1 iërutn, quo lamentatie minueretur.
§ 359. Quin (ontstaan uit qu^ ne) wordt gebruikt na ontkennende en beperkende ïinnen, alsmede na vragen met quia en quid, die een ontkennende beteekenis hebben. Het staat:
1°. in plaats van qui non en quod non. B.v. Nemo fere est, quin acutius vitia in altëro quam recta videat, er is bijna niemand, die niet scherper de gebreken dan de goede eigenschappen in een ander ziet. Nihil est, quin male nar-rando possit depravari, er is niets of het kan door slecht vertellen bedorven worden. Quis est (= nemo est) quin cer-nat, quanta vis sit in sensibus, wie is er, die niet ziet, welk een kracht er in de zintuigen is?
*Aanmerking I. Men gebruikt quin gewoonlijk slechts in plaats van den uominativus qui non en quod non (zelden quae nou). Men zegge
264 Modus bij de conjundiones finales. § 359.
derhalve : N u 11 a gons tam f e r a est, c u j u s m e u t e m no n i m b u e r i t d e o r u ni opinio. C u in n u 1 1 o u u q u a m congres-s u s sura, q u e m non v i c e r i m.
Soms echter vindt men quin in plaats van den accusativus quod non en meermalen in plaats van den ablativus quo non na dies. B.v. Nihil contumeliarum defuit, quin (= quod non) suhiret. Hortensius nullum patiebatur esse diem, quin (â quo nou) aut in foro dicöret aut meditaretur extra forum.
*Aanmerking II. Quin map; niet gebruikt worden, wanneer qui non of quod non slechts een enkel woord van den hoofdziu bepaalt en niet van den ganschen hoofdzin afhankelijk is. B.v. Judex esse bonus nemo potest, qui suspicione cert a non movetur. Kihil potest placëre, quod non decet. Zoo men zeide quin moveatur, quin dec eat, zou de beteekenis geheel veranderen.
2°. in plaats van ut nou, dat niet, zonder fe, om niet te, of. B.v. Nunquam aceedo, quiu abs te abeam doctior, ik Kom nooit bij u of ik ga geleerder van u weg. Nunquam eum adspexit, quin eum fratricldam appellaret, zij zag hem nooit zonder hem een broedermoordenaar te noemen. Nulla causa est, quin hoc facia in, ik heb geen reden om dit niet te doen.
Om bij het gebruik' van quin in de beteekenrs van zonder tè. geen fouten te maken tegen den persoon rtn- Iwt getal van liet verbum, verandere men zonder te in zonder dat.
*A anmerking I. Wanneer de hoofdzin niet ontkennend is of de ontkenning slechts op een enkel woord betrekking heeft, mag men quin niet gebruiken. B.v. Non adeo imperïtussum,uthoc n e s c i a m, ik hen niet zoo onervaren, dut ik dit niet weet.
*A a n m e r k i n g II. Het gebruik van quin in plaats van q u i n o n en u t no n is niet noodzakelijk. B.v. Q u i s e r a t, qui id non s c i r e t, wie was er, die dit niet wist. Octavianus nunquam filios suos populo com men da vit ut nou diet1 ret: si merebuntur, Octavianus beval zijne zonen nooit aan het volk aan, zonder er hij te zeggen: indien zij hef zullen verdienen.
3°. in de beteekenis van dat, om te, of bij de verba en uitdrukkingen van twijfelen, verwijderd zijn, nalaten, zich weerhouden. B.v. Non debet dubitari, quin fuerint ante Homerum poëtae, men moet niet twijfelen, dat er vóór Homerus dichters geweest zijn. Paulum afuit, quin Ismenias i n te rf i eer e tu r, het scheelde weinig of Ismenias werd gedood. Aegre tenüre me potui, quin contumaci adolesceu-tulo al a pa m dueërem, ik kon mij moeielijk weerhouden om den onbeschaamden jongen een oorveeg te geven.
Tot deze verba behooren.
non (vix) dubito, ik twijfel niet {nauwelijks).
§ 36Uâ361. Modus hij de conjunctiones finales.
non est dubium, er is r/een twijfel aan.
quis (= nemo) dubitat, wie twijfelt er aan.
non multum (longe, procul) abest, het scheelt niet veel.
paulum, nihil abest, het scheelt weinig, niets.
non praetermitto, ik laat niet na.
non recüso, ik heb er niet tegen.
non (vix, aegre) abstineo
v n me retineo I , .. â , ,
\ tk kan nu/ met (nauwelnks, â - me contineo , . ...... , ,
_ i ïHOBwivjlt) wccvhoucisfi,
tenere me non possum l
temperare mini non possum
Met uitzondering van de verba van twijfelen hebben de meeste dezer verba soms n e in plaats van quin. Somtijds vindt men bij non du bi to den accusativus cum intinitivo.
*A aumerkiug I. o n d u b i t o heeft in de beteekeuis ik aarzel niet meestal den infinitivus bij zich. B.v. Homo m i t i s s i in u s non dubitat Leutülum aeternis teuebris vineulisque m a ii d a r e. Gewoonlijk voegt men echter quin achter dubitandum non est en n o 1 i (n o 1 i t e) d u b i t a r e. B.v. N o 1 i t e d u b i t a r e quiuPompejo c r e d a t i s omnia.
*Aa ii ra er king II. Men lette wel op het verschil tusschen face re non p o s s u ni q u i n , het is noodzakelijk dat ik, en f a c e r e non possum ut, het is onmogelijk dat ik, alsmede tusschen fieri non potest quin, het is noodzakelijk dat, en fieri non potest ut, het is onmogelijk dat. B.v. Fieri non potest (juin te r e p r e-h e n d a ra, het is onmogelijk dat ik n niet zou berispen, of ik moet u berispen. Fieri non potest ut te r e p r e h e n d a m , «s onmogelijk u te berispen of ik kan n niet berispen.
Dezelfde beteekeuis als f a c e r e non possum quin heeft ook non possum non met volgenden infinitivus. B.v. Qui ra o r t e ra i in ra a 1 i s p o n i t, non potest e a m non t i ra e r e. ^
§ 360. Met zelden staat quin in onafhankelijke zinnen zonder invloed op den modus uit te oefenen en wel;
1quot;. bij vragen in de beteekeuis waarom niet om een aaninoedi-ging of aanmaning te geven. B.v. Quin conscendïraus equos, waarom stijgen wij niet te paard? (laten wij te paard stijgen). Quin expergiscimini, waarom wordt gij niet wakker? (wordt toch wakker).
2°. bij den eersten persoon meervoud van den conjunctivus en bij den iraperativus in de beteekeuis van toc/i. B.v. Q uin eamus, laat ons toch gaan. Quin o ra i 11 e ra e, laat mij toch met vrede.
3°. alleen of met p o t i u s, i in ra o, e t i a m in de beteekeuis ja zelfs. B.v. Multum s e r i b o die, (juin e t i a ra n o c t i b u s, ik schrijf veel bij dag, ja zelfs hij nacht.
§ 361. Q u o m I n u s (= ut eo minus) staat:
1°. in de beteekeuis van dat. om te bij de verba van verhin-
265
Modus bij de conjunctiones temporales. § 362â363.
deren, zooals: deter r ere, imped ire, obsistëre, obstare, prohibere. waarbij volgens § 352. 3°. ook ne kan staan. B.v. Quid obstat, quo minus deus sit beat us, wat belet een god out yelakkiy te zijn? Vis imbrium iinpedivit, quominus agricölae fruges colligerent, de sterke regenbuien hebben verhinderd, dat de landbouwers den oogst binnenhaalden. Aetas non impëdit, quominus litterarum studia teneamus usque ad ultimum tempus senectutis.
Zoo deterrere en impedire een ontkenning bij zich hebben, kunnen zij ook quin rogeeren.
*2°. in de beteekenis van dat, om te bij de ontkeuneude werkwoorden non abstineo,uon ine conti n eo, tem per are mihi nou possum, non praetermitto, non r ecu so, waarop volgens § 359. 3°. ook quin (soms u e) kan volgen. B.v. Non recusabo, quominus o ra n e s ra e a s c r i p t a 1 e g a n t, ik zal er niet tegen hebben, dat allen mijne schriften lezen. ^ ^
*3°. in de beteekenis van dat niet bij per me stat of fit, het ligt aan mij, het is mijn schuld. B.v. Per Afranium stetit, quominus proelio dimicaretur, het lag aan Afranius, dat erniet gestreden werd.
Zoo deze uitdrukkingen een ontkenning bij zich hebben, kan ook quin volgen. B.v. PerValerium non stetit, quin fides praestaretur.
VI. Conjunctiones temporales.
§ 362. De conjunctiones temporales zijn cum, cum pri-mum, ut, ut primum, ubi, simulatque, sim ülac (zelden simul), postquam, antëquam, priusquam, dum, donec, quod, zelden quando.
§ 363. Cum regeert in het algemeen den indicativus, wanneer het zuiver tijdbepalend is, den co u j un c t i vus, wanneer het op eene of andere wijze redengevend is. Voor de bijzondere gevallen gelden de volgende regels.
A. Cum regeert den conj uncti vus, wanneer het is:
1°. cum causale, daar, dewijl. Vgl. § 346.
2°. cum concessïvum, ofschoon. Vgl. § 339.
3°. cum narratlvum, toen. Het staat altjjd met het imperfectum of p 1 us q nam pe r f e c t u m conjunctivi, wanneer er in een verhaal tusschen de gebeurtenis van den hoofdzin en van den bijzin eenig innerlijk verband bestaat. B.v. Zeuönem, cum Athënis essem, audiebam frequenter, toen ik te Athene was, woonde ik dikwijls de lessen bij van Zeno. Caesar, cum Pompejum apud P hars alum vicisset, in A si am
266
Modus bij de conjunctiones temporales.
§ 363.
267
trajecit, toen Caesar Pompejus bij Pharsalus overwonnen had,
stak hij over naar Azië.
(4°. cum adversativura, terwijl, met de bij beteekeuis vau daaren-feï/eTi. B.v. Lu dis, cum discëre debeas, gij speelt, terwijl jij (daarentegen) leeren moest. Nostrorum equïtum erat quinque milium numerus, cum hostes uon amplius octiugeutos equïtes habere ut. Hier mag men nooit dum gebruiken.
Ciim regeert den indicativus, wanneer het is:
1quot;. cum temporale, ten tijde dat, terwijl, wanneer. B.v. Facile omnes, cum va 1 emus, recta consi 1 ia aegrótis damus, wanneer wij gezond zijn, geren wij allen gemakkelijk goeden raad aan zieken. Omnia sunt incerta, cuma jurediscessumest. Meermalen zal in den hoofdzin tuin, eo tempore, eo die staan. B.v. Credo tuin, cum Sicilia Horebat opibus, magna artit'icia tuis se in ea insula.
2°. *eum iterativum, zoo dikwijls als, telkens wanneer. B.'v. Cum epistolam tuam legi, a lac r Tm is vix me coutineo, zoo dikwijls als ik uw brief lees, kun ik slechts met moeite mijne tranen weerhouden. A g e r cum muitos annos quievit, uberiores efferre fructus solet.
Wanneer de handeling vau den bijzin geschiedt vóór de handeling van den hoofdzin, heeft cum iterativum den bijzin in het perfectum, zoo de hoofdzin in het praesens staat, en in het plusquamper-factum, zoo de hoofdzin in een verleden tijd staat.
Bij Livius en anderen heeft cum iterativum ook den conjunctivus van het imperfectum en plusq nam perfectum.
3°. *c u m a d d i t T v u m , toe)i, wanneer aan de handeling van den hoofdzin iets nieuws, iets onverwachts wordt aangeknoopt. B.v. Una in epistolam jam obsignavera m0 cum subïto tabel-la r i u s t u a s I i 11 e r a s m i h i reddidit, ik had den eenen brief reeds verzegeld, toen op eens de hrievenhode mij uw brief overhandigde. Jam lux appetebat, cum rex al .teres milites arm a capere et exire in aciem jubet.
Betrekkelijk de tijden valt op te merken, dat de hoofdzin altijd in het imperfectum en plusq nam perfectum staat en gewoonlijk een der adverbia vix, aegre, jam, n o n d u m bij zich heeft. De bijziu staat in het perfectum of praesens historicum en bevat dikwijls een der adverbia repen te, subïto.
Wanneer de gebeurtenissen van den hoofdzin en van den bijzin g e-lijktijdig plaats hebben, staat cum interim (ititerea, etiamtum) met het imperfectum of perfectum indicativi, naar gelang de hoofdzin in het imperfectum of perfectum staat. B.v. Caedebatur vir-gis in medio foro Messanae civis Roman us, cum interea nulla vox alia illius misëri audiebatur,nisi haec:civisRo-manus sum. Piso ultimas Hadriani maris or as petivit,cum interim Dyrrhachii milites domum obsidere cooperunt.
4°. cum explicatTvum, daardoor dat, regeert den indicativus van het praesens en perfectum,fdoch den conjunctivus van het imperfectum en pl u sq uam per f eet u mIN B.v. De te, Catilina,
Modus bij de conjunctiones temporales.
§ 364.
268
cu ra taceut, clamant, daardoor, Catilina, dat zij over u zwijgen, spreken zij met luide stem. Cum tibi labor anti affui, rae amicum tuum esse indieavi, doordat ik u in uwen nood heb hijyestaan, heh ik bewezen, dat ik uw vriend hen. Munatius Plancus qjiotidie meam potentiam iuvidiose criininabatur, cum dieëret, sena-t u m non q u o d s e u t i r e t, s e d q u o d ego v e 11 e m, decern ere.
Aanmerking I, Gum regeert ook den coujunctivusin de uitdrukkiugeu est, fuit, erit tempus (dies) cum, wanneer niet zoozeer de tijd als zoodanig, als wel een of andere eigenaardigheid van dien tijd wordt aangegeven. B.v. Fuit t e m p u s , c u m r u r a c o 1 ë-r e n t homines u e q u e u r b e m h a b 5 r e n t.
Aanmerking II. Ãe indicativus staat na uitdrukkingen als de volgende: diu est cum, het is hmy (jeleden dat, nonnulli anni sunt c u ra, er zijn reeds verscheidene jaren verloopen sedert. B.v. A m p 1 i u s viginti anni sunt, cum hanc villam exstruxit, er zijn reeds meer dan twintig jaren verloopen, sedert hij dit landhuis liet bouwen.
§ 364. Dum, dou.ec en quoad hebben den indicativus in de beteekenis zoolang oh. B.v. Lacedaemoniorum gens for-tis fuit, dum Lycurgi leges vigebant, de Lacedemoniërs waren dapper zoolany de wetten van Lycurgus bloeiden. Donec eris felix, multos numerabis araicos. Cato, quoad vixit, virt uturn laude ere vit.
In de beteekenis totdat, zoolang totdat, regeeren zij den indicativus, wanneer er tusschen den bijzin en den hoofdzin slechts een tijdelijk verband bestaat, doch den conjunctivus, wanneer de bijzin het doel of de beweegreden van de handeling-des hoofdzins te kennen geeft. B.v. Epaminondas f er rum in co r po re retinuit, quoad renuntiatum est, vicisse Boeotios, Epaminondas liet den pijl in zijn lichaam zitten totdat men hem geboodschapt had, dat de Boeotiërs overwonnen hadden. Hoc carmen disce, dum expedite possis declamare, leer dit gedicht, totdal gij het vlug kimt voordragen. Vgl. § 310. A.
Aanmerking I. *Wanneer dum en quoad gelijk zijn aan ut i n t er e a, hebben zij ook in de beteekenis zoolang als den conjunctivus. B.v. Horatius Cocles impötum h ostium sustinuit, quoad ceteri pontem int err ura pë ren t, Horatius Cocles hield zoolang den aanvul der vijanden uit als de overigen de brug afbraken.
Livius gebruikt ook donec in deze beteekenis met den conjunctivus van het imperfectum en plusquamperfectum.
Aanmerking II. Dum staat slechts met het praesens en imperfectum, niet met de andere tijden van den conjunctivus.
Na maneo, ex spec to en opper i or dum, ik wacht totdat, staat het praesens, perfectum of futurum exactura van den indicativus. B.v. Man sit in ea condicioue, dum judïces rejecti sunt. Ego in Arcano opper ior, dum ista cognosce. Opperiar, dum redieris. Wanneer dum echter
365â366. Modus bij de conjunctiones temporales.
gelijk is aau ut iuterea, volgt het praesens of imperfee-t u m van deu conjunctivus. B.v. Caesar constituit ex-spectare, du ra sui in u nu m colligerentuv.
Aanmerking III. Bij dum komt vooral uit de gelijktijdigheid, bij d o n e c de evenlange duur, bij q u o a d het einde.
§ 365- Antequan! (anteaquam) en priusquam (of gescheiden ante, prius â quam) voordat, hebben
1°. wanneer de hoofdzin in het perfectum historieum staat, het imperfectum en pi u s q u am p er fe c t u m in den conjunctivus, doch het perfectum in den indicativus. B.v. Numi-dae, priusquam ex castris subveniretur, in proximos colles discesserunt, de Numidiërs gingen, voordat men uit de legerplaats te hulp kwam, naar de naasthij zijnde heuvelen Achaei non ante au si sunt capessëre bellum, quam ab Roma revertissent legati. Carthago prius condita est. quam Cyrus Babylönem expugnavit.
Hierbij valt op te merken, dat het perfectum een zuiver tijde-1 ij k e betrekking aangeeft, terwijl het imperfectum eu p 1 u s q u a m-perfectum de handeling als door het subject van den hoofdzin b e-doeld voorstellen. In het Nederlamlsch vertalen wij ook het perfectum door den onvolmaakt of meer dan volmaakt verleden tijd.
2°. wanneer de hoofdzin in het praesens of futurum simplex staat, liet praesens in den indicativus of conjunctivus zonder merkbaar verschil van beteekenis. B.v. F u 1 gur videmus, priusquam tonltrum audimus of audiamus, wij zim den bliksem, voordat wij den donder hoor en. Antequam de L. Murëna dicëre instituo, pro me ipso pauca die am.
De conjunctivus wordt altijd gebruikt, wanneer het verbum in den tweeden persoon enkelvoud staat ter vertaling van ons men. B.v. Priusquam incipias ccnsulto, ubi consulueris mature facto opus est.
*3°. wanneer de hoofdzin in het futurum simplex staat en de handeling van den bijzin reeds geschied is, als de handeling van den hoofdzin begint, het futurum exact um in den indicativus. B.v. Non defatigabor, antequam hoe percepero,«A: zal niet moede worden, voordat ik dit verneem of zal vernomen hebben. Vgl. § 314. A. II.
§ 366. Postquam (posteaquam), nadat, regeert den indicativus en wel gewoonlijk;
1°. van het perfectum, wanneer niet bepaald wordt aangegeven , dat er eenige tijd is verloopen tusschen de handeling van den hoofdzin en den bijzin. B.v. Lacedaemonii, postquam audierunt muros instrui, legatos Athenas mise-
269
Modus bij de conjundiones temporales.
270
§ 367.
runt, nadat de Lacedemoniërs gehoord hadden, dat er muren ge-boinvd werden, zonden zij gezanten naar Athene.
Bij levendige beschr ij vingen kan in plaats van het perfectum ook het praesens historicjim volgen. B.v. Postquam perfügae murum arietibus feriri vident, au rum at-(j u e argentum in forum comportant.
2o. van het p 1 u s q u a m p e r f e c t u in, wanneer bepaald
(naar dagen, maanden, jaren, enz.) wordt aangegeven, dat er j
eenige tijd is verloopen tusschen de handeling van den hoofdzin en V
den bijzin. B.v. Hannibal, tertio anno postquam domo )
profugerat, in Africam rediit, drie jaar nadat Hannibal \
het huis ontvlucht had, kwam hij in Africa terug. I
3°. van het imperfectum, wanneer de handeling van deu bijzin nog voortduurt, als de handeling van den hoofdzin begint. B.v. Postquam nihil us q nam iiosttle cernebatur, Galli viam ingressi sunt, nadat noy altijd nergens eenig spoor van de vijanden zichtbaar icas, vingen de Galliërs den tocht aan.
4°. van het praesens, wanneer postquam of p o s t e a q u a m sedert dat beteekent. B.v, Kelegatus mihi videor,postea-q u a m in F o r m i a n o sum, het komt mij voor dat ik verbannen hen, sedert ik mij op mijn landgoed bij Formiae bevind.
Aanmerking. Bij postquam staat somtijds het imperfectum of plus-quamperfectum conjunctivi, wanneer er namelijk, evenals bij cum narra-tivum, eenig innerlijk verband bestaat tusschen de gebeurtenis van deu hoofdzin en den bijzin. B.v. Mithridates posteaquam maximas aedificasset classes exercitusque permagnos comparasset, usque in Hispaniam legatos ac litteras misit.
§ 367. De conjuncties, die zoodra beteekenen, zooals: cum p r i m u m, ut (nooit u t i geschreven), ut primum, ubi, ubi , primum, simiilac, simulatque, regeeren den indicativus, en wel van het perfectum bij handelingen, die slechts een enkele maal gebeurd zijn, en van het plusquamperfectum bij het beschrijven van telkens terugkeerende handelingen. B.v. übi illud audïvit, nuntium ad regem misit, zoodra hij dit gehoord had, zond hij een bode naar den koning. Alcibiades simulac se remiserat neque causa subérat, quare ani-mi laborem perferret, luxuriösus reperiebatur, zoodra Alcibiades zich ontspannen had en er geen reden was, waarom hij zijn geest zou inspannen, toonde hij zich telkens weelderig.
In plaats van het perfectum staat bij deze conjuncties ook het praesens historicum. B.v. Quae ubi nuntiantur Romam, senatus extemplo dictatorem dici iussit.
. - f:
/
368.
271
Modus in vragende zinnen.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNC-TIVUS IN VRAGENDE ZINNEN.
§ 368. De vragen zijn rechtstreekach, wanneer zij op zich zeiven staan, en zijdelingsch, wanneer zij var, een ander woord afhangen.
De rechtstreeksche vragen staan in den indicative« (wanneer de t w ijfelachtige vragen in den modu? dubitativus buiten rekening gelaten worden). B.v. Quid dicis. vü zigt gij?
De zijdelingsche vragen staan in den c o n j u n c t i v us. B.« Non intellëgo quid dicas, ik begrijp niet wat gij zejt.
Wanneer een vraag niet begint met een pronomen of a d-v erbium interrogativum, gebruikt men in het Latijn gewoonlijk een conjunctio inter rogativa. Hierbij moet men wel onderscheid maken of een vraag rechtstreeks c h of zijdelingsch, e e n 1 e d i g of tweeledig is.
Het onderscheid tusschen een relatieven zin en een zijdelingsche vraag bestaat daarin, dat de eerste afhangt van een n o m e n en de tweede van een verbum. B.v. Novi ill os amicos q u i-b u s uteris, doch novi q u i b u s a m i c i s u t a r i s. Hierbij moet men echter goed toezien of het antecedens misschien niet uitgelaten is, zooals: d i c a m quod sentio â id quod sentio, of in den relatieven zin is opgenomen, zooals: quo u t u n t u r a r g u-m e n t o ad p r o b a n d u m o p e r a e p r e t i u m est c o n s i-d e r a r e = cousiderare argumentum, quo utuntur. Zoo de bijzin een zijdelingsche vraag was, zou hij luiden: quid sentiam, fjuc utantur argument o. Vgl. § 204, 207 en 4b;i. 3°.
Aanmerking: 1. Na de impera.Hvi d i c en vide staat meermalen een rechtstreeksche vraag, waar evengoed een zijdelingsche zou kunnen staan. B.v. Die quae so: u u m te ill a ter rent, eilieve zeg eens, zijt gij daarvoor bevreesd r' Vide! q u a m con versa res est! zie eens! wat zijn de zaken veranderd!
Aanmerking II. Meermalen staat nescio met een pronomen of ad v er bi u m in t err o gat i v u m zonder invloed op den raodus uit te oefenen. Nescio quis beteekent dan aliquis, nescio quid aliquid, nescio quomodo of nescio quo pacto incerto quodam modo. B.v. Nescio qua permötus est divinatione, hij is door een zeker voorgevoel aangezet. Nescio quid turbatus esse mihi vidëris, het komt mij voor dat f/ij eenigszins ontsteld zijt. Nescio quomodo inhaeret in mentibus quasi saeculorum quoddam augurium futurorum. Op de zelfde wijze worden mi rum quam, nilrum quantum, nimium quantum en dergelijke uitdrukkingen
272 Eenledige rechlstreeksche vragen. ' § 309.
o-eliruikt. B.\. Sales iu diceudo uimium quantum valent. Id mirum qudntum prof uit ad coneordiam civitatis. i' Aanmerking III. Het vraagwoord wordt weggelaten, wanneer meu wil laten aitkomen, dat men het tegenovergestelde meent van datgene wat men vraagt. B.v. Cadit in virum bonum mentiri emolument! ca:isa? Nihil profecto minus. Vgl. § 395. A.
g 369- Bij eenledige rechtstreeksche vragen .. orden ie volgende conjuncties gebruikt:
1quot;. re, gewoonlijk wanneer men onzeker is of men een bevestigend of een ontkennend antwoord zal krijgen. Het wordt sc li ter het woord gevoegd, waarop de nadruk valt, en daarmede aan het b e g i n van den zin gezet. B.v. Totane urbs a r s 11, is de y arische stad afgebrand ? Meministine me hoe in senatu dieëre, herinnert gij u, dat ik dit in den senaat gezegd heb ? Soms drukt het verwondering, wrevel of t w ij f e 1 uit. B.v. Putasne me istudfacërepotuisse, meent gij dat ik dit heb kunnen doen ? Gewoonlijk echter wordt bij dergelijke vragen geen vraagwoord gebruikt. B.v. R o g a s, vraagt gij dit nog ? Tu hoe non vides, ziet dit niet?
Aanmerkingen. In de taal van het gewone leven wordt de e van ne dikwijls weggelaten en zoo er een s voor n e gaat, valt deze ook w eg. B.v. C r e d o n' t i b i hoc? V i n' v i s n e ? V i d e n' = v i d e s n e ? Vgl. § 129. A.
Het met verwondering vragende, alleenstaande /A ? heet egon e? zoo? werkelijk ? i t a n e ? itane est? itaue vero? itane tandem? Niet waar? nonne? Is het ernst? meent gij het? ei, ei? zoo, zoo? a i n' (= ais'ne) tu? ain' tandem?
2quot;. nonne, wanneer men een bevestigend antwoord verwacht. YVij metten gewoonlijk niet bij bet werkwoord B.v. Nonne poëtae post muïtem nobilitari volunt, willen de dichters na hun dood niet vereerd worden ?
'⢠Aanmerking I. Wanneer meerdere vragen, waarop men een bevestigend antwoord verwacht, op elkander volgen, staat bij de eerste vraag nonne en bij de volgende vragen gewoonlijk non. B.v. Nonne hunc in vinettla duci, non ad mortem rapi, non summo supplicio maetari imperabis?
Aanmerking II. Zoo men iets door een voorbeeld wil bewijzen, zegt men gewoonlijk videsne, videmusne, videtisne, waar wij nonne vides zouden verwachten. B.v. Videtisne ut apud Home-rum saepissime Nestor de virtutibus suis praedïcet.
3quot;. n u m, wanneer men een ontkennend antwoord verwacht. Wij zetten dikwijls soms of vel bij het werkwoord. B.v. N u in negare audes, durft gij het soms ontkennen? N u m patas
§ 37lt;lâlt;7 i. Ãenledige zijdelingsche vragen. '273 )
met a m d e m e n t e m f u i s s e, (jij yelooft toch zeker niet, dat ik zoo dtraas geweest hen?
Aanmerking. In plaats van num gebruikt men soms het sterkere n u ra n e, num u a m, n u m q u i J of e en uul. B.v. D e u m i p s u m nu m u e
v i tl i s t i, heht gij God zeiven ooit ijezien?^ n'mif u ashabetis
p a t r i a s, heht (jij dan iwee vaderlanden? E c q u i d a 11 e n d i s, let (/ij wel up?
4°. an, wanneer onmiddellijk na zekere bewering naar iets onwa r-schijnlijks gevraagd wordt; wij gebruiken gewoonlijk of, of sums. B.v. Non ego te dictis offend ere volui: an put as me parvi fa cere benevelen tiam tuam, ik heb n door mijne woorden niet willen beleedii/en; of denkt (jij soms dat ik uwe genegenheid gering acht ?
Vervolgens, wanneer op een alge me ene vraag een meer bijzondere vraag volgt; wij zeggen dikwijls toch wel. li.v. Q a an do ista vis e vanuit? an postquara homines minus creduli esse coeperunt? wanneer is deze kracht (te Delphi) verdwenen? toch wel nadat de menschen minder lichtgeloovig begonnen te zijn ?
Aanmerking. Wanneer met an naar iets onwaarschijulijks gevraagd wordt, moeten de pronomina en adverbia gebruikt worden, die voor negatieve zinnen dienen. B.v. An quisquam put at? An putas, quemquam esse, qui? An u n q u a m a u d 11 u m est?
Somtijds staat au zonder verbum iu den zin van sive. B.v. ïliemi-s t o c 1 e s, cum ei Simonïdes an q u i s alius a r t e m memoriae polliceretur, oblivionis, inquit, ma Hem.
§ 370. Bij e e ii 1 e d i g e zijdelingsche vragen wordt of,
of soms vertaald door num, of of niet (met bijna gelijke betee-kenis) door n e. B.v. Q u a e r o, num p e c u n i a m ei d e d e r i s,
ik vraag - of gij hem het geld gegeven heht. Hamilcar q u a e-s i v i t a b H an n i b a 1 e, v e 11 e t n e s e c n m in c a s t r a proficisei, Hamilcar vroeg aan Hannibal,'of hij {niet) met hem naar de legerplaats wilde gaan. Moet de ontkenning sterk uitkomen,
dan zegt men n o n n e. B.v. C r o e s u s ex S o 1 ü n e quaeslvit,
n o n n e se b e a t i s s i m n m p u t a r e t, Croesus vroeg aan Solon of hij hem niet voor den gelukkigsten mensch hield. Hier valt de , klemtoon op niet.
*Aa n merking. lii zuiver proza vindt men (sora^na exspecto, ox-perior, conor, ten to en qua er o iu plaats van num si gebruikt. B.v. Quaesivit, si incolümes equites evasissent.
Wanneer in den afhankelijkeu zin volo of possum staat, wordt soms het werkwoord beproeven uitgelaten. B.v. Host es circumfuu-duutur ex omnibus par ti bus, si quem adïtum reperiri possent, de vijanden verspreidden zich langs alle kanten om te beproeven of zij een toeguiKj konden vinden.
§ 371. Xa de verba en uitdrukingen, die onzekerheid te kennen geven, zocals: dub ito, dubium est, incertum est, delibéro, ha es Ito, nescio, haud scio wordt of niet vertaald
18
Tweeledige vragen.
§ 372.
274
dour an, eu of teel door an non of an met een andere ontkenning, zooals: nemo, nullus, nusquam. Men wachte zich wel om hier quisquam, u 11 u s, unquam te gebruiken. B.v. Dubito, an hu no primum omnium po nam, ik twijfel of ik dezen niet hoven allen zal stellen (ik ben geneigd dit te doen). C. Gracchus si diutius vixisset, nescio an eloquentia parem ha buis set nemïnem, ik weet niet of C. Gracchus, zoo hij langer geleefd had, wel iemand zou gehad hehhen, die hem in welsprekendheid evenaarde (ik geloof het niet).
Dubito a u, h a u d s c i o an, euz. staan meermalen zonder verbum in de beteekenis van misschien. B.v. Contigit t i bi qu od h au d s ci o an nemini, u is te heart (je.rallen wat misschien nog niemand te beurt lt;/e-vallen is. Moriendum eer te est et id incertum an hoc ipso die, wij moeten zeker sterven eu misschien nog dezen day. Vgl. over non dubito § 359. 3°. en A. I.
Wanneer men door nescio, hand s c i o geen onzekerheid in het weten, maar een stellig niet weten wil uitdrukken, dan gebruikt men n u m. B.v. Nescio, n u m p o e t a e f u e r i n t ante H o m e r u, m, ik weet niet of er coor /{omerus dichters geweest zijn.
§ 372. Bij tweeledige vragen, zoowel rechtstreeksche als zijde-liugsche, gebruikt men in het eerste lid utrum of ne en in het tweede lid an (soms arme). B.v. Utrum ea vest ra an nostra culpa est,*'/» dat uwe of onze schuld? Gastin e mundus est effect us an vi divïna, is de wereld door toeral gemaakt of door goddelijke kracht? Inter praetor es magna fuit con-tentio, utrum moenibus se defendërent, an acie decer-nëre n t. Quaerïtur virtus suamne propter dignitatem an propter aliquos fructus expetatur.
*Bij korte scherp tegenover elkander staande tweeledige vragen laat men soms het vraagwoord voor hot eerste lid weg. B.v. Rides au p lor as, lacht gij of weent gij? Bij zijdelingsehe vragen wordt in dit geval voor an soms n e gebruikt. B.v. Ni hi 1 interesse p u t a n t v a 1 e a m u s a e g r I n e s i m u s.
quot;Bij tweeledige vragen wordt of niet gewoonlijk vertaald door ai nou, zoo zij rechtstreeksch ziju, eu door neen e, zoo zij zijdelingsch zijn. B.v. Estne ea an non, is zij het of niet? Nondum de Eu m ene SS t a t u e r. a t Antigönus, conservaret e u m n e c n e.
^ATa n m e r k i u g I. Wanneer een vraag meer dan twee leden heeft, wordt au herhaald. B.v. Pert urbantur Galli, copiasne ad versus hostem du cere, au castra defendëre, au fuga sal u tem p e-tore praestaret. In plaats van ne â au â au vindt men somtijds ne â ne â ne. B.v. Deorumue im mortal i urn, popultne K o-m an i, ve st r a m u e, qui su m m a m po te statera h abe t is h oc t e m-pore, fidem implörem?
Aanmerking II. Twee vragen, die hetzelfde praedicaat heb-
gt;â V quot;
§ 373â374. Tweeledige vragen. 275
beu, doch waarvau de eene bevestigend eu de andere ontkeuueud is, kunnen met herhaling vau het praedieaat zonder vraagwoord worden uitgedrukt. Het Nederlandsehe voegwoord m tusschen de twee vragen wordt in het Latijn niet vertaald. B.v. Ergo haec veteranus miles fa cere poterit, dootus vir sapiens que non poter it? Ergo his trio hoe videbit iu scaena, nou videbit vir sapiens in vita? De eerste vraag wordt ook wel ingeleid met an of au vero. B.v. An (vero) Scythes Anach arsis potuit pro nihilo pecu-niam ducere, nostrates philosöphi non poter nut? Wij kunnen zulke zinnen ook met terwijl aan elkander koppelen. Vgl. § 524. ^Aanmerking II [. Men vvachte zich wel an te verwarren met de conjunctiones rtisjunctivae aut of vel, die wel verschillende begrippen ouderscheiden, maar ze niet tegenover elkander plaatsen. B.v. N ou n u 11 i dubitant de mundo, casune ipse sit effectus aut necessitate a 1 i q u a au r a t i o n e a c meute d i v i n a.
Aanmerking IV. üp het pronomen utrum volgt soms een tweeledige vraag als appositie. B.v. Utrum i g i t u r mavis, s t a-timue nos vel a^-f a c e r e au p a u 1 ü 1 u m remigrare?
t; 373. Zoo liet'antwoord op een vraag slechts een aanwijzing is van den persoon of zaak, waarnaar gevraagd wordt, staat in het antwoord dezelfde naamval als in de vraag. B.v. Quis legem tulit? Rullus, wie heeft de wet gemaakt? Rullus. Cujus est ista domus? Pat ris mei, van uien is dit huis? Van mijn rader.
Somtijds vordert de constructie een anderen naamval. B.v. C ujus est 1 i b e r ? Mens, van wien is het boek ? Van mij. ti a anti li o c emisti? Parvo, voor hoeveel hebt gij dit gekocht? Voor een geringen prijs.
§ 374. Ons ja wordt uitgedrukt:
lo. door dat woord der vraag te herhalen, waarop de nadruk valt, dikwijls met bijvoeging van vero. B.v. Tune hoc Antonio dixisti? Ego vero. Hocine tu xlntonio dixisti? Koe vero. Antoniöne tu hoe dixisti? Antonio vero. Dixi-stïne hoc Antonio? Dixi vero.
2o. door ita, ita est, ita vero est, etiam, sane, sane quid e m, o m n ï n o, c e r t e.
Ons neen wordt uitgedrukt:
lu. door non met dat woord der vraag, waarop de nadruk valt. B.v. Solusne veuisti? Non solus.
2°. door non ita, non vero, mini me, mini me vero.
Aanmerking I. Zoo het antwoord de vraag verbetert, gebruikt men immo en sterker immo vero of immo vero e.tiam. Dit woord heeft een dubbele beteekenis, namelijk: integendeel en ja zelfs. B.v. N um ille tibi familiar is est? Immo a lie nis sim us, is hij uw vriend? Integendeel mijn grootste vijand? Causa tibi nonne videtur bona?
276 Modus m relatieve zinnen. . , § 375. ^
SU^JAVâ ir^-tUTT^r; ,
lt; » 1 gt;JU /J*.
Immo vero optima, komt de reden u niet yoed voor? Ja zelfs zeer (joed. Catiliua tarnen v i v i t. V i v i t ? Immo vero e t i a m i n s e u a t li m v e u i t.
Aanmerking 11. Wanneer ons Ja of neen door want gevolgd wordt,
blijft het meermalen onvertaald. B.v. Suntne igitur insidiae ten-de re plagas, etiamsi excitaturus non sis feras nee agita-turus? Ipsae enim ferae nullo insequente saepe incidunt.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNC-TIVUS IN RELATIEVE ZINNEN.
§ 375. Relatieve zinnen, ook die niet een adverbium relativum beginnen, staan in den conjunctivus:
1quot;. wanneer het relativum opgelost kan worden in cum (causale of concessivum) daar, ofschoon, en een pronomen demonstrati v urn, person ale of possessivum. Qui is dan gelijk aan cum ego. cum tu, cum is; cujus aan cum mens, cum tuus, cum ejus; cui aan cum mihi, cum tibi, cum ei, enz. B.v. Cur tibi in v id earn, qui omnibus rebus abundem, waarom zou ik a benijden, daar ik van alles overvloed heb'? Caninius f'u i t m i r i f ï c a v i g i 1 a n t i a, qui s u o toto consul a tu s o m n u m non viderit, Caninius bezat een verwonderlijke waakzaamheid,
daar hij in zijn tjeheele consulaat den slaap niet je.zien heeft.
Quia Ciceron em non 1 ega t, cujus 1 ibri tam p u 1 ch ri sin t, wie zou Cicero niet lezen, daar zijne geschriften zoo schoon zijn -?
Gewoonlijk zal cum causale bevat zijn in het relativum, dat op een uitroeping volgt. B.v. O fortunate adolescens, qui (cum tu)
t u a e v i r t u t i s H o m e r u m praecönem in veneris!
2°. wanneer het relativum opgelost kan worden in ut (finale of consecutivum) opdat, zoodat, dat, en een pronomen demon-strativum, per son ale of possessivum. B.v. Ve je rites 1 e g a t o s m i s e r u n t, qui (ut ii) p a c e m p e t ê r e n t, de Vlt;jenters zonden gezanten om den vrede te vragen. Multi eripiunt aliis, quod (ut ld) aliis largiantur, velen ontnemen aan de eenen om het aan de anderen te geven. Nemo hominum tan t us est, qui (ut is) uullïus op'e indigeat, niemand der menschen is zoo groot, dat hij niemands hulp behoeft.
quot;Een bijzondere opmerkzaamheid vordert het pronomen is, dat meermalen een eigenschap aanduidt, die door het relativum nader verklaard wordt. Is qui kan dan opgelost worden in talis ut met een
§ 375. Modus in relatieve zinnen. 277
pronomen. B.v. Xon is sum, qui (talis ut ego) mortis timure ter-re ar, ik- hen de Man niet o»i mij door vrees voor den dood te laten verschrikken. X o n sum us ii, qui bus (tales, ut nobis) nihil verum v i d e a t u r.
â¦Wanneer is qui niet opgelost kan worden in talis ut met een pronomen, moet de indicativus volgen. B.v. Doeïlis est is, qui attente vult audi re. Tu es enim is, qui consilio me saepe adjuvisti. In deze zinnen wordt niet gewezen op een eigenschap, maar op een feit.
A a n m e r k i u g I. Evenals vóór u t conseeutivum blijven ook vóór het relativum, dat opgelost kan worden in ut conseeutivum met een prouo-men, de uitdrakkingen, die soo beteekenen, meermalen weg. B.v. Nullus est dolor, quem longinquïtas temporis non mitïget. Nunc dicis a 1 iqii id , q uo d ad rem pertinoat. K onne sat ius est m u t u m esse, q u a m q u o d nemo intellegat d i c ë r e ? X e n o p h a-nes, unus, qui deos esse dice ret, divinatiouem funditus s u s tu I i t.
A a ii m e r k i n g II. De conjuuctivus wordt altijd gebruikt, wanneer met een adj activum een relatieve zin verbonden wordt, die de be-teekeuis van een adjectivum heeft. B.v. O ra tor om perfectum et cui nihil admodum desit Demosten em facile dixeris.
3quot;. na de adjectiva dig n us, indignus, apt us en i^doneus, waar wij dikwijls om te gebruiken met een pronomen d emolist rati vum, per son ale of possess! vum. B.v. Quisquis turpibus Yoluptatibus inservit, indignus est qui homo nominetur, alirle zich overgeeft aan zijn onbetamelijke lusten, is onwaardig een mensch genoemd te worden. Indignus sum, cujus (ut meis) peccatis ignoscas, ik verdien niet, dat gij â mijn misslagen vergeeft. Dignus es, cujus (ut tuos) libros legam, gij verdient, dat ik uwe hoeken lees. Voluptas non est digna, ad quam (ut ad earn) sapiens respiciat. Digna est virtus, cui (utei) studeamus. Dignus es, quem (ut te) om nes a ra ent. Nulla raihi videbat ur aptior persöna, quae de senectute loqueretur, quam Ca to nis. S o 1 a ra m e n t e m c e n s e b a n t i d o n e a m, cui c r e d e r e t u r.
Aanmerking. Na dignus en indignus mag men dan alleen u t in plaats van qui gebruiken, wanneer er onmiddellijk een ander qui voorafgaat. Zoo zegge men niet: muftos homines vidi, qui, qui vituperarentur, digni erant, maar: qui ut vituperarentur.
Na a^t'us eu idoneus kan ook ad met het gerundium volgen of de dWtivus van het gerundium.
Dichters en latere prozaschrijvers laten op deze adjectiva ook den infinitivus volgen.
4quot;. na algemeene uitdrukkingen, zooals: sunt, er zijn er, non desunt, het ontbreekt niet aan personen, inveniuntur, repe-
Modus in relatieve zinnen.
278
§ 375.
riuntur, mm vindt er, nemo est, nullus est, ev is niemand, nihil est, er is niets, non h a b e o, ik heb niets, q u i s est, (= er is niemand), quotusqui sque est (= er is bijna niemand). B.v. Sunt qui censeant una animum cum cor pore occidëre, er zijn er die memen, dat de ziel en het lichaam te gelijk vernietigd, worden. Nihil est, quod tam misëros faciat quam impiëtas et see lus, er is niets dat zulke ongelukkigen maakt dan de geweten loosheid en de misdaad. Quis est, cui exploratum sit, se ad vespërum esse victurum, wie is er die zeker weet, dat hij tot den avond zal leven? Nihil habe-ham, quod scribërem, ik had niets te schrijven.
Bij deze algemeene uitdrukkingen kan ook een onbepaald subject staan. B.v. Tn omnibus saecülis pauciores viri reperti sunt, qui suas cupiditates, quam qui hostiuin copias vineërent.
Aanmerking f. *De conjunctivus volgt ook op est quod, er is reden, dat of' om te; non est quod, er is geen reden; nihil est quod, er is volstrekt geen reden; quid est quod, welke reden is er. B.v. Quid est, quod fleas, welke reden is er dat gij weent of waarom weent gij?
In plaats van quod, welk woord geen pronomen relativum, maar een conjunctio is, kan men ook zeggen quare, cur, quamobrem, soms ut. Bij quid en nihil kan men nog causae voegen. B.v. Quid crat causae, cur metuöret, welke reden had hij om te vreezen? Nihil est causae, (|Uod iis invideamus, quos vulgus magnos et felices no mi nat, wij hebben volstrekt geen reden om hen te benijden, die het volk groot en gelukkig noemt.
Zoo ook na est ubi, est unde, est quatënus. B.v. Est ubi id valeat, er zijn gevallen waarin dit geldt. Est unde jus civile di-scatur, er zijn bronnen voor de studie van het burgerlijk recht. Est q nat en us amicitiae dari ven ia pos sit, er zijn (jrenzen tot welke de vriendschap mag gaan.
Aanmerking II. Wanneer bij sunt een nomen van hoeveelheid als subject staat en op bepaalde personen of zaken gewezen wordt, volgt op qui gewoonlijk de indjvcatijus. B.v. Sunt bestiae quaedam, in qui bus inest aliquid simile virtutis. Duae sunt artes, quae possunt locare homines in amplis-simo gradu dignitatis, una imp erator is, altera or at oris h o n i.
5°. wanneer zij een wezenlijk gedeelte uitmaken van een afhankelijke gedachte, die in den infinitivus, accusativus cum infinitive of conjunctivus staat. B.v. Paoile est continëre eos, quibus praesis, si te ipse contineas,
het is gemakkelijk diegenen te bedwingen, over wie men gesteld is.
Modus in relatieve zinnen.
279
s 376-
zoo men zich zeloen bedwingt. Mos est Athenis quotan-nis laudari in oontione eos, qui sint in proelio inter-fecti. Sunt, qui quidvis perpetiantur, duin, quod v e 1 i n t, c o n s e q u a n t u r.
Aanmerking. Men gebruikt echter deu iudicativus:
u) wanneer do relatieve zin een aanraerkiiig bevat van den schrijver. K.v. Classem Athenienses Miltiadi dederunt, ut i n-s ü 1 a s, quae b a r b a r o s adjuverant, b e 11 o p e r s e q u e r e t u r.
JA wanneer de relatieve zin dient ter omschnjving van een begrip, waarvoor in liet Latijn volrftrekt geen of ten minste geen geschikt sub-stantivum bestaat. B.v. Asia tam oplmaetfertï!isest,ut multitudineearum i- e r u m , quae exportantur, facile omnibus torris antecellat. Res, quae exportantur is een noodzakelijke omschrijving van het begrip uitvoer, waarvoor in het Latijn geen substantivum bestaat. El o q u endi v i s e ffï ci t, ut e a, quae i g' n o r a m u s (beter dan ignorata) d i s c ë r e et e a, quae s c i m u s (beter dan scita) alios d o c e r e possTmus.
6quot;. wanneer zij iets mededeelen als de gedachte of m e e n i n g v an e e n a n d o r. B.v. Z e n o appellat b e a t a m v i t a m earn s o 1 a m , quae cum v i r t u t e d e g a t u r. Lysander eos, qui Atheuiensium rebus studuissent, ex u r b e e j ë e i t. P a e t u s o in u e s 1 i b r o s, q u o s frater s u u s reliquisset (volgens de meening van Paetus), m i h i d o n a v i t.
7°. wanneer zij een woord of een zin beperken. B.v. Non edepol ego te, ij u o d s e i a m (voor zoover ik weet) u n q u a m ante h u n c d i e m v i d i. Gewoonlijk plaatst men bij het relativum in deze beteekenis q u i d e m. B.v. Ciceronis oratio nes, q u a s q u i d e m 1 e g e r i m, et verbis e t r e b i s i 11 u s t r e s sunt, de redevoeringen van Cicero zijn, coor zoover ik ze gelezen heh, naar vorm en inhoud voortreffelijk.
A a n m e r k i n g. Voor zoover kan men ook Vertalen door quatënus, quoad of quantum met den iudicativus. B.v. Quatënus negle-genria tabellar lorn m fieri dicis; quöad fieri potes't; quantum ego sci o.
§ 376. Alle door verdubbeling of door samenstelling nJfc cunque gevormde relativa, pronomina zoowel als adverbia, hebben den indicativus bjj zioh. Het werkwoord mogen blijft bij deze woorden onvertaald. B.v. Quid quid a dace jussum erit,, militibus faciendum est, wat door den veldheer ook bevolen mag zijn. het moet door de soldaten gedaan'worden, üteunque se se res habet, tua est culpa, hoe het ook zijn moge, het is aire schuld.
Men gebruikt echter den conjunctivus, zoo het verbum in den tweeden persoon enkelvoud staat ter aanduiding van het Nederlandsche men. B.v. Quqtquot e n u m ë r e s oratores, hoeveel redenaars men ook moge optellen.
Imperativus.
280
§ 377â379.
Livius eu latere schrijvers gebruiken bij het beschrijven van herhaalde handelingen hier gaarne den c o ji j u n c t i v u s. B.v. Q u o-c ii n q u e se contulisset, v i c t o r i a m s e e u m t r a h e b a t.
ZEVENTIENDE HOOFDST1' K.
OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN IMPERATIVUS.
§ 377. De imperativus dient in het algemeen om een bevel wensch, verzoek of vermaning uit te drukken.
§ 378. Men gebruikt het praesens van den imperativus, wanneer men aan een bepaalden persoon iets beveelt, dat óf aanstonds moet geschieden, óf zoo het reeds bestaat moet voortduren. B.v. Janna patet, proficiscëre, de deur staat open, vertrek. Vive felix. leef gelukkig. Si quid in te peecavi, ignosee, zoo ik u iets misdaan heh, vergeef het mij.
*A a n m e r k i u g I. Ter verzachting van een gebod gebruikt men v e 1 i m met den eonjuuctivus (Vgl. ij 324. 1quot;.) of men voegt quaeso, o r o , sis, s o d e s, d u m bij den imperativus. B.v. D i c a s v e 1 i m. Tii quaeso ere broad me scribe. Refer an imu m t u ü m , sis, ad veritatem, bezin n toch. J u b e, s o d e s. eet. Die lt;1 u m , eet. Ons maar bij een imperativus wordt vertaald door m o d o. B.v. Die modo, zey het maar.
*A a n m e r k i n g 11. Ter versterking van een gebod gebruikt men fac (gewoonlijk zonder ut) of cura ut met den conjunctivas. B.v. F a c v e n i a s. Cura ut vale a s.
Aanmerking III. Een gebod in den derden persoon wordt uitgedrukt door het praeseus conjunct ivi. B.v. Qui ad i pi se i ver am g 1 o r i a m v o 1 e t, j u s t i t i a e f u n g a t u r o f f i c i i s.
A a ii ra e r k i n g IV. Zoo men niet tot een bepaalden persoon spreekt, gebruikt men den tweeden persoon enkelvoud van het p r a e-s e n s c o n j u n c t i v i. B.v. I n j u r i a s f o r t u u a e. q u a s f e r r e n e q u e a s, d e f u g i e n d o r e 1 i n q u a s.
§ 379. Men gebruikt liet futurum van den imperativus, wanneer iets in de toekomst, na verloop van zekere handeling, of bij later voorkomende gelegenheden moet geschieden. Het komt vooral voor in wetten, verdragen, testamenten, algemeene regels en wanneer de vervulling van het gebod afhangt van de vervulling eener voorwaarde. B.v. Cras petlto, dabitur; nunc abi, vraag liet morgen, dan zal het u gegeven worden, maar ga nu weg. Regio imperio duo sunto iique consules appel-lantor; illis sal us pub lie a sup re ma lex es to. Servus mens Sticlius liber esto. Ignoseito saepe altëri, n u n-quam tibi. Cum valetudini tuae consulueris. tuin consul! to navigation i.
Irnperativus.
§ 380â382.
281
§ 380. Een verbod wordt door goede prozaschrijvers uitgedrukt:
1quot;. door ne met het perfectum conjunctivi, zoo het een verbod in den tweeden persoon is, en met het praesens conjunctivi, zoo het een verbod in den derden persoon is. B.v. Ne dubitaveris, twijfel er niet aan. Ne quis fasti diat g r a m m a t ï c e s e 1 e m e n t a, niemand hehhe een afkeer van de grondbeginselen der spraakkunst.
2°. verzachtend door omschrijving met noli, nolïte. B.v. Nolïte mentiri, (jij moet niet liegen.
3°. versterkend door omschrijving met cave (dikwijls zonder ne) of fac ne en den conjunctivus van het praesens of perfectum. B.v. Cave c r e d a s of credideris, geloof het toch niet. Fac n e quid o m i 11 a s, sla toch niets over.
Aanmerking I. Zoo men niet tot een bepaalden persoon spreekt, gebruikt men n e met den tweeden persoon enkelvoud van het praesens c o u j u n e t i v i. B.v. I s t o bono u t ü r e, d u m a d s i t; cum a b s i t, n e requlras.
Aanmerking 11. In wetten en algemeene regels wordt een verbod uitgedrukt door n e met liet futurum van den i m p e r a t i v u s. B.v. Nocturna sacrificia n e s u n t o. B o r e a f 1 a n t e n e a r a t o, semen ne jaeïto.
A a n m e r k i n g 111. Een dubbel verbod wordt niet verbonden door ii e q u e maar door n e v e. B.v. H o m i n e m m o r t u u m in u r b e n e s e p e 111 o n e v e u r 11 o. ^
1 'â TrxU|Ht.
gt;5 381. Wanneer men zeker is , dat iemand^ aan een gebod of verbod gehoor zal geven, kan in^n'^wtT-Tfiir twe e^en persoon van het futurum i n d i c a t i v i gebruiken. B.v. T u non cessabis et e a , quae babes i n s t i t ü t a, perfides. Men gebruikt dezen vorm van uitdrukking vooral aan het einde van een brief. B.v. Vale bis i S i t u r et a m i c i s s a 1 u t e m dices.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
OVER DEN INFINITIVUS.
382. De infiiiitivus, die het begrip van het werkwoord geheel onbepaald voorstelt, kan beschouwd worden als een substanti-vuin verbale neutrlus generis met twee naamvallen, den â nominativus en den accusativus. De infinitivus regeert den casus van het verbum en wordt door adverbia, niet door ad-jeetiva bepaald. B.v. Het lezen van een boek. lib rum legére; het oplettend lezen van een hoek, librum attente legere.
De leerling lette wel op, dat het Latijn niet toelaat om, zooals in onze taal, een genetivus van een als substantivum gebruikten
282 Infinitivus. § 88:1
infinitivus te laten afhangen. De infinitivus regeert altijd den casus van het verbum. B.v. het bebouwen van het land, c o 1 ë r e
a g r u m; het begunstigen zijner vrienden , f a v e r e a m i c i s; het gebruiken van list, u t i fraud e.
Aanmerking I. In den accusativus mag de infiuitivus enkel als object beschouwd worden. Slechts bij interest inter kan men in proza den infinitivus van de praepositie laten afhangen. B.v. Aristo et Pyrrho inter optime valere et gravissime aegrotare nihil prorsus dice bant interesse. Men lette hierop wel, wanneer in het Nederlandsch na met den infinitivus gebruikt wordt. B.v. Na dit gehoord te hebben zond hij een hode tot den koning. In het Latijn zegt men: ubi illud audivit, uuntium ad regem misit.
Aau merking 11 Slechts enkele pronomina demon strati va j namelijk: hoe, illud, ipsum, totum hoe worden als adjectiva met den infinitivus verbonden. B.v. M e hoe ipsum nihil agere del eet at.
Hoogst zelden wordt een possessivum met den infinitivus,verlion-den. B.v. M e u m intellegëre nulla pecunia v e n d o.
g 383. Do infinitivus staat als subject:
1°. bij est (erat, fuit, eet.) met oen praedicaatsuome n. B.v. Dulce et décorum est pro patria mori, het is aangenaam en eervol voor het vaderland te sterven. A p u d P e r s a s summa 1 a u s erat f o r t i t e r v e n a r i, luxuriose v i v ë r o, dapper jagen en weelderig leven gold bij de Perzen voor den hoog sten roem. Pingëre artiflci jucundius est quam pinxisse.
Aanmerking 1. In het Nederlandsch gebruiken wij niet zelden een voorwaardelijke n zin in plaats van een infinitivus. B.v. Het is aangenaam en eervol, zoo men voor het vaderland sterft.
Aanmerking II. Zoo bij est een infinitivus subjecti staat, kan men in plaats van een praedicaatsnomen ook een infinitivus zetten. B.v. Docto homini vivere est cogitare.
2°. bij verba impersonalia, zooals: pudet, piget, pae-nitet, taedet, misëret (§ 256), interest, refert (§ 257.2°.) opus est 272. A. II.), deeet, het betaamt, het past, het staat ivel, dedëcet, het betaamt niet, juvat, delectat, het vermaakt, het verheugt, fug it, het ontsnapt, necesse est, het is noodzakelijk, o port et, het moet, het behoort, licet, het is geoorloofd, libet, het lust, at tl net, het komt er op aan. B.v. Ex malis eligëre minima oportet, van het kwade moet men het minste kiezen. Quid attïnet eum iis, quibuscum re con-venias, verbis disceptare, wat komt het er op aan over de woorden te twisten, zoo men het in de zaak eens is.
Aanmerking I. Wanneer de infinitivus subjecti een accusativus objecti bij zich heeft, verandert men gewoonlijk den infi-
InfinUivus.
283
§ 384.
nitivus activi in den infinitivus passivi; hierdoor ontstaat dan een accusativus cum infinitivo. B.v. Hunc lib rum omnibus commendari decet, men mag dit hoek aan allen aanbevelen. Ejusmödi exempla sescenta licet proferri, men kan honderd dei-gelijke voorheelden aanhalen.
Aanmerking II. Wanneer de infinitivus subjecti een prae-dicaatsnomen bij zich heeft, of bestaat uit een participium met esse, staat dit praedicaatsnomen of participium in den accusativus. B.v. Bonum esse praestat quam bonam vidëri, het is beter goed te zijn dan goed te schijnen Senem ante tempus fieri misërum est, oud te worden vóór zijn tijd is ellendig. Praestat honeste vivëre, quam honeste natum esse, het is heter zich goed te gedragen dan van goeden huize te zijn.
Aanmerking III. Na verschillende onpersoonlijke uitdrukkingen, zooals; satis mi hi est, melius er it, paenitebit, pudebit, alsmede na satis h a b e o en eontentus sum laten de schrijvers der zilveren eeuw gaarne een infinitivus perfeeti in plaits vaneen infinitivus praesens volgeu. B.v. Coutenti s u m u s id u n u m d i x i s s e , wij zijn tevreden dit alleen te zeggen. Melius e r i t v o c e m non m i s i s s e , het zal beier zijn geen geluid te geven.
§ 384. Decet, dedécet, juvat, delect at, fa Hit, fugit
' . . . 1 ^ K. 1
en praeterit hebben den persoon, wien iets betaamt, niet taamt, vermaakt, ontstapt, in den accusativus. B.v. Decet verecundum esse adolescentem, het betaamt een jongeling 'quot;H'p-
t ⢠i r\ â ⢠â¢â¢ i *1
bescheiden te zijn. O ra tore m irasci minïme decet, simular non dedëcet, voor een redenaar is het volstrekt niet betamelijk toornig te worden, het te veinzen is niet onbetamelijk. Fugit me i 11 ii d ad t e a n t e a s c r i b ere, het is mij ontgaan dit eerder aan u te schrijven.
Deze verba kunnen ook als personalia gebruikt worden, doch van decet en dedëcet mag in zuiver proza gewoonlijk slechts het neutrum van een pronomen of adjectivu m subject wezen. B.v. L u d u s e o s d e 1 e c t a t. A 1 i ë n a n o s non decent. Id q u e m q u e decet. Wanneer fa 1 1 o persoonlijk gebruikt wordt, is de z a a k steeds subject. B.v. Ik heb mij in mijn meening bedrogen, opinio me f e f e 11 i t.
Behalve bij decet en dedecet kan bij deze verba ook een accusativus cum infinitivo als subject staan. B.v. Me v a 1 d e juvat te h i 1 a r i esse animo, het verheugt mij zeer, dat gij opgeruimd zijt. Me fallit fratremtuumvenisse, het is mij onbekend, dat uw broeder gekomen is.
§ 385â386.
284
Infmitivus.
§ 385. quot;Wanneer bij nee esse est en oportet de persoon of zaak is uitgedrukt, die iets moet doen of zijn, gebruikt men den accusatiTus cum infinitive. B.v. ISTecesse est nos obe-dire parentibus, wij moeten onze ouders gehoorzamen. Legem brevem esse oportet, een wet moet kort zijn.
Wanneer necesse est en oportet zeiven in den infiniti. vus staan, hebben zij regelmatig den infinitivus of den accusativus cum infiniti vo bij zich. B.v. Dico necesse esse liane legem valere, ik zecj dat het noodzakelijk is, dat deze wet van kracht is. Zoo dit het geval niet is. mogen zij ook den con junctivus zonder ut bij zich hebben, doch staan dan altijd daarachter. B.v. Qui bene impërat, bene pa ru er it ali-quando necesse est, een c/oed hevelhebher moet eens een (joed onderdaan geweest zijn. Me ipsum ames oportet, non mea, gij moet mijn persoon beminnen en niet mijne goederen.
Aanmerk i u g. Zoo bij necesse est de persoon, voor wieu iets noodzakelijk is, sterk moet uitkomen, gebruikt men niet den accusativus cum infinitivo, maar den infinitivus met den dativus. B.v. Non q u i d q u i d t i b i audi re utile est, id mihi dice re necesse est, niet alles, wat voor u nuttiy is om te hooren, hen ik verplicht te zeggen.
§ 386. Bij licet staat de persoon, aan wien iets geoorloofd is. gewoonlijk in den dativus, en wanneer de infinitivus subjecti een praedicaatsadjectivum bij zich heeft, komt dit ook in den dativus. Een praedicaatssu bstantivum echter wordt liefst in den accusativus gezet. B.v. Mihi neglegenti esse non licet, ik mag niet nalatig zijn. Is erat annus, quo per leges ei consul em fieri licë ret.
Zoo bij licet geen dativus van den persoon staat, moet het praedicaatsnomen bij den infinitivus in den accusativus staan. B.v. Medios esse jam non licebit, men zal niet meer onzijdig mogen blijven.
*A a n m e r k i n g 1. Somtijds staat bij licet in plaats van den dativus cum infinitivo de accusativus cum infinitivo. B.v. Non licet me isto tan to bono uti.
Licet staat ook meermalen met den conjunctivus' zonder ut. B.v. Per me lie et ster tas, voor mijn part moogt gij snorken.
Aanmerking II. Wanneer bij licet met den dativus ook necesse est met den dativus staat, mag dit laatste verbum ook een praedicaatsnomen in den dativus hebben. B.v. UI is ti'midis et ig nïtvis licet esse, vobis necesse est forti bus viris esse.
Dichters en latere prozaschrjjvers zetten ook bij mihi d a v u r, prodest, satius est, con tingit esse het praedicaatsnomen in
Infinitivus.
285
§ 387.
den d a t i v u s. B.v. Jovis esse uepöti contigit haud u u i. Nou profuit equis velocibus esse.
§ 387. De infinitivus staat als object bij de verba, die zeiven geen volkomen begrip uitdrukken, zooals die van kunnen, moeten, mogen, beginnen, gewoon zijn. B.v. G a 1-11 n a s s a g i n a r e 1) e 1 i a c i eoeperunt, de Deliërs beyonnen de kippen te mesten.
|
Tot deze verba behooren; assuescère ( zich gewennen. consuescére ^ audëre, durven. cunctari, talmen. concupiscère, hegeeven. cessare ] desinére â ophouden. desistëre \ coepisse \ ineipére ⢠beffinnen. instituëre \ cogitare, denken. f tmchlen. niti ^ ignorare, niet weten. debëre, moeten. discere, leer en. |
maturare festinare properare meminisse recordari neglegëre, verzuimen. posse ^ quire nequire. scire, weten, kunnen. nescire, niet weten, niet kunnen. oblivisci, vergeten. omittëre, nalaten. pergëre, voortgaan. perseverare, volharden. solcre, gewoon zijn. | zich haasten. gedenken. kunnen. niet kunnen. |
Vgl. over desinere en coepisse § 130. A.
Aanmerking I. Wanneer de infinitivus objecti een praedi-caatsnomen bij zich heeft, staat dit in den nominativus. B.v. Beat us esse sine virtüte nemo potest, niemand kan zonder deugd gelukkig zijn. Xon omnes didicerunt libëri esse, niet allen hebben geleerd zelfstandig te zijn.
Aanmerking II. Iva cogitare, discëre, ignorare, meminisse, recordari, scire, nescire, oblivisci volgt 0'gt;k een accusativus cum infinitivo.
Aaumerking III. Het adjeetivum par at us, bereid, wordt door de beste prozaschrijvers behalve met ad en het gerundium ook met den infinitivus geconstrueerd. B.v. Gives Roma ui omnia perpëti p a r a t i e r a n t. De dichters voegen deu infinitivus ook bij andere adjectiva.
§ 388â389.
Infinitivus.
286
§ 388. Bij de verba:
statuére , iu animo habere, voornemens zijn.
constituere I animum inducére ^
decernère hesluiten. meditari pinden zin hebben.
consilium capere i tentare, beproeven.
consilium inire ) parare, gereed maken.
staat gewoonlijk de infinitivus, wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als deze verba. Men kan echter ook ut laten volgen. B.v. Constitui do mi manëre of ut do mi manêrem, U: heb besloten te huis te blijven. Zoo de bijzin een ander subject heeft, moet ut volgen. B.v. Constitui, ut tu do mi manëres, ik heb besloten, dat gij te huis zult blijven.
Aan m e r k i n g I. Zoo s t a t u o ik ben van meening, en d e-c e r n o ik oordeel beteekent, gebruikt men den accusativus cum i n f i n i t i v o. B.v. S e n a t u s dec rëvit, Cicero nis opera conjurationem esse patefacta m.
Aanmerking II. Bij statuo, constituo en decerno kan in de lieteekenis van hesluiten ook een accusativus cum infinitive van het gerundivum staan, waarbij esse zeer dikwijls weggelaten wordt. B.v. Inimici Alcibiadis (juiescenduin in praesenti decreve-r li n t. Caesar non e x s p e c t a u d u m s i b i statuit.
⢠§ 389. Bij vo 1 o, nolo, maio, cupio, ik wetisch, en studeo, ik tracht, staat de infinitivus, wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als de hoofdzin, en de accusativus cum infinitive, wanneer de bijzin een ander subject heeft dan de hoofdzin. B.v. Hoe facëre volo, ik wil dit doen. ümnes homines student beati fieri, alle menschen trachten gelukkig te worden. Volo is esse, quem tu me esse voluisti, ik wil zoodanig zijn, als gij geivild hebt dat ik ben.
Aanmerking I. Wanneer ue bijzin hetzelfde subject heeft als de hoofdzin en tot praedicaat esse of v i d e r i met een praedi-caatsnomen of een infinitivus p a s s i v i, mag men in plaats van een infinitivus ook een accusativus eum infiniti'vo gebruiken. B.v. Sapientem c i v e m me e s s e 'e t numerari volo, ik rvensvh een wijs te hurger zijn en er voor gehouden worden. G r a t u ni me videri studeo omnibus.
Zoo men wil uitdrukken, dat iemands wil of wensch niet vervuld kau worden, moet men een accusativus cum infinitivo gebruiken. B.v. Quam cupio, me falsum esse vatem, hoe gaarne wenschie ik een valsche profeet te zijn.
Aanmerking II. Wanneer op volo, nolo, cupio een accusativus cum infinitivo p a s s i v i volgt, kau men in plaats van den infinitivus praesens den infinitivus perfeeti zetten, meestal met weglating
Infinitivus.
287
§ 890.
van esse. B.v. Yolo hoc fieri of hoc factum volo. Patriam oxs tine tam cupit. Hanc laud em aliis praereptam nolo.
Bij volo, malo, s t u (Le.o_.staat wel eens ut. B.v. Voluut mi hi r e s p o n d e a s. quot; â¢
Bij volo, nolo, malo staat meermalen in korte zinnen in plaats van den accusatixus cum infinitivo de conjunctivus zonder ut. B v. Nolo m i h i irascaris. Malo t e sapiens hostism o-tnat, quara stulti cives 1 a u d e n t. Vgl. § 32i. 1°.
§ 390. Bij de verba:
doeëre, leer en. (Vgl. § 223.) cogëre, dwingen. (Vgl. § 225.) jubere, bevelen. arguére j
vetare, verbieden. insiniulare ^ bef-chuldiyen.
sinëre, toelaten. impedire /
assuefaeëre, yewoon maken. prohibere ^ beletten, leihindet en.
staat naast den accusativus van den persoon de infinitivus der zaak B.v. Doceo te Latine loqui, ik leer u Latijn spreken. Lex peregrlnum vetat in murum adscendére. de wet verbiedt den vreemdelinq op den muur te klimmen. Lycurgus vir gin es sine dote nub ére jussit, Lycurgus beval dat de meisjes zonder huwelijksgift zouden trouwen. Impiëtas cujus in animo versatur, nunquam sinit eum respirare, nun-quam acq ui escëre, Insimulant hominem fraudandi causa discessisse. Caesar eas nation es imperio po pul i Romani pare re as sue fee it.
Wij gebruiken hier dikwijls een bijzin met dat en het hulpwerkwoord zouden. Men wachte zich wel achter deze verba een infinitivus f u t u r i te plaatsen.
Aanmerki n g 1. Bij j u b e o en veto wordt de accusativus van den persoon meermalen weggelaten, wanneer het duidelijk is, tot welke klas van lieden het bevel of verbod gericht wordt. B.v. Dux receptui can ere jussit (sc. tubicines), de veldheer beval den aftocht te blazen. Desperatis Hippocrates vetat adhibëre medici nam (sc.- medicum), Hippocrates verbiedt (jeneesmiddelen toe te dienen aan hopeloozen.
Zoo bij deze verba de accusativus van den persoon is weggelaten, het bevel of verbod niet tot een bepaalde klas van lieden gericht is en de infinitivus een accusativus objecti bij zich heeft, verandert men den zin gewoonlijk in een accusativus cum infinitivo. B.v. Virgin i us arripi ju bet hominem
Infinitivus.
288
§ 391.
et in vincula duci, Virginias beveelt den man te (jrijpen en in de jevangenis te werpen. Ju bet portas claudi, hij beveelt ile poorten te sluiten. Vet ui t q uemq uam ad eu m ad mi11i, hij verbood iemand bij hem toe te laten.
Bij hut geven van volksbesluiteu heeft j n b e o den co u j un c-t i v u s met ut of n e, doch in dit geval móet de accusativus van den persoon worden weggelaten. B.v. Populus Roman us jusserat, ut Sullae voluntas populo Romano ess et pro lege. Q u o d n e f i e r e t consules jusserunt.
Aanmerking II. Bij i m p e d i r e en prohibëre kan men in plaats van den accusativus des persoons en den infinitivus der zaak een bijzin met ne of quominua zetten. Men zegge dus óf nihil me impédit fugitlvum hunc servum eruci affi-g ë r e óf nihil i m p ë d i t, q u o m i n u s (n e) fugitïvum hunc servum cruci affïgam. Vgl. § 361. 1°.
Aanmerking III. Zoo bij s i n o geen accusativus van den persoon staat en de infinitivus een accusativus objecti bij zich heeft, moet men den accusativus c u m infinitive p a s s i v i gebruiken. B.v. S u ë b i ad se v i n u m i m p o r t a r i o m n I n o non s i n u n t.
Na den imperativus van dit verbum volgt soms de conjunc-t i v u s zonder ut. B.v. Sine me e x p u r g e in.
§ 391. Wanneer bij de verba jubeo, veto, «ino,assue-f a c i o , c o g o, a r g u o. i n s i m ü 1 o, p r o b i b e o de persoon, die beveelt, verbiedt, enz. niet wordt uitgedrukt, worden zij in het passivum gezet en evenals videor met den nomina tiv us cum infinitive geconstrueerd. Vgl. § 216. 3°. B.v. Jugurtha respond ere jussus est, men beval Jugurtha te. antwoorden. Jussus es renuntiari consul, inen beval u als consul uit te roepen. Milites Pindari domurtr laedëre vetlti erant, men had aan de soldaten verboden het huis van Pindarus te beschadigen. Prohibemur hoe facëre, men verbiedt ons dit te doen. Non si nor hoe facëre, men laat mij dit niet doen. Occidisse pat rem Roscius arguttur, Roscias wordt beschuldigd, dat hij zijn vader gedood heeft.
Aanmerking. Wanneer jubeo, veto en pro hi beo in liet passivum gezet worden, lette men wel op, of de afhankelijke infinitivus in het activum of passivum moet staan. Dit is vooral noodzakeljjk, omdat wij in het Nederlandsch een actieven
Accusativus cum infinitivo.
289
392â394.
infinitivus plegen te gebruiken. B.v, Men beval hein te antwoorden, respondëre jussus est. Men beval Deerns Magius in de legerplaats te brengen, Decius Magius in castra duci jussus est. Om zich voor het maken van fouten te wachten, ) zette men eerst den Nederlandschen infinitivus om in een zin met
dat. B.v. Men beval, dat hij zou antwoorden. Men beval, dat Decius Magius in de legerplaats gebracht werd.
*§ 392. Niet zelden vindt men bij habere den infinitivus van die ere en dergelijken in plaats van een relatieven zin. B.v. Nihil h a b e o ad te dieere, scribërein plaats van nihil habeo, quod ad te d i c a ni, s c r i b a m.
Ook zegt men bibëre dare te drinken geven, bibere ministrare,
schenker zijn.
§ 393. Bij de werkwoorden van hoor en en zien staan in het Latijn drie constructies:
10. een participium p r a e s e n s overeenkomende met het o b j eet. B.v. Lusciniam canentem a u d ï v i, ifc heb den nachtegaal hoor en zingen. S o r 5 r e m t u a m a m b u 1 a n f e m v i d i, ik heb nw zuster zien wandelen.
2°. een accusativus cum infinitivo. B.v. Lusciniam canëre audivi. Sororem tuam ambulare vidi.
3°. cum met den conjunetivus. B.v. Lusciniam audïvi, cum canéret. Sororem tuam vidi, cum ambularet.
Hierbij valt op to merken, dat bij do eerste constructie de persoon,
dien men iets hoort of ziet doen, hoofdbegrip is, en bij de tweede constructie de handeling, welke men iemand hoort of ziet doen. Bij de derde constructie wordt de waarneming als beperkt voorgesteld.
Zoo men iets niet zelf, maar van een ander hoort, moet men den accusativus cum infinitivo gebruiken.
Aanmerking I. In plaats van audio dicentem a 1 i q u e m,
ik hoor iemand zeggen, zegt men liever audio aliquem of ex a 1 i q u o cum d i c a t. Audio aliquem dicentem is echter noodzakelijk in de beteekenis ik hoor iemand een redevoering houden. ) Aanmerking 11. Videre ut beteekent zorgen, trachten, toezien dat,
v id ere ne, toezien dat niet. B.v. Vivendum est ut ea liberali-tate utamur, quae prosit amicis, noceat nemini. Videant con sul es ne quid respublica detriment! capiat. wu. w
-n*. ' wt-V\ .'VJ.t, Wt .tV'^
NEGENTIENDE HOOFDSTUK. '
OVER DEN ACCUSATIVUS CUM INFINITIVO.
§ 394. Dikwijls hangt in het Nederlandsch een zin van een anderen zin af door de conjunctie dat. B.v. Wij voelen, dat het vuur warm is. Ik verheug mij, dat mijn vertrek ivordt goedgekeurd.
19
Accusativus cum infhiitivo.
290
§ 395â396.
In vele gevallen wordt zulk een zin op de volgende wijze in het Latijn vertaald: men laat dat onvertaald, zet het subject in den accusativus en het werkwoord in den infinitivus. B. v. Sentïmus, i g n e m c a 1 ë r e. G a u d e o, p r o f e c-t i o n e m m e a m 1 a u d a r i.
Zoo de infinitivus een praedicaatsnomen bij zich heeft of bestaat uit esse met een participium, wordt het praedicaatsnomen of participium ook in den accusativus geplaatst. B.v. Ik weet, dat ik sterfelijk hen, scio, me esse mortalem. Hij zeide, dat de Grieken overwonnen waren, dixit, Graecos victos esse.
Deze constructie noemt men den accusativus cum infinitive. De volgende zin kan dienen als voorbeeld van een accusativus cum infinitive in onze taal. Elk meent zijn uil een valk te zijn.
Aanmerking. Wanneer het verbum van den afhankelijken zin een impersonale is, ontbreekt do a c c u s a t i v u s. B.v. Credo p 1 u ë r e, ik geloof dat het ree/ent.
§ 395. Evenals de infinitivus bekleedt ook de accusativus cum infinitivo of de plaats van subject of de plaats van object. In den zin: het is waarschijnlijk, dat mijn vader zal terugkeeren, verisimïle est, p a t r e m m e u m r e v e r s ü r u m esse, bekleedt de accusativus cum infinitivo de plaats van subject, juist alsof men zeide: de terugkeer van mijn vader is waarschijnlijk. Zegt men daarentegen: hij bericht, dat de veldheer overwonnen heeft, nuntiat, ducem vicisse, dan bekleedt de accusativus cum infinitivo de plaats van object, juist alsof men zeide: hij bericht de overwinning van den veldheer.
Aanmerking. Schijnbaar onafhankelijk staat Je accusativus eum infinitivo bij uitroepingen van verwondering en smart, en (met het vraagwoord n e) bij spijtige vragen. B.v. T e doctum hominem esse, gij een geleerde zijn / A d e ö n e esse hominem infelïcem q u e m q u a m ut ego sum, is tvel iemand zoo ongelukkig als ik? Meu kan dezen accusativus cum infinitivo verklaren door een uitgelaten verbum sentiendi of declarandi.
§ 396. De accusativus cum infinitivo staat als subject:
1°. bij est (erat, fuit, enz.) met het neutrum van een adjèc-tivum of met een substantivum. B.v. Victörem pareëre victis aequum est, het is billijk, dat een overwinnaar de over-wonnenen spaart. F a e ï n u s est v i n c i r i c i v e m R o m a n u m, het is een euveldaad, dat een liomeinsch burger geboeid wordt.
Hiertoe behooren de volgende uitdrukkingen;
Accusativus cum infinitivo.
§ 397.
291
aequum, par, justum est, het is billijk, rechtvaardig; apertum, manifestum, perspicuum est, het is blijkbaar, klaarblijkelijk, duidelijk; credibiie, verum, verisimïle, consentaneum est, het is geloofwaardig, waar, 'waarschijnlijk, natuurlijk; pulchrum, indignum, molestum est, het is schoon, onverdiend, lastig; facmus, scelus est, het is een euveldaad, een misdaad.
2°. bij vele verba impersonalia. B.v. Omnibus bonis expëdit salvam esse rempublïeam, voor alle ivelden-kenden is hei nuttig, dat de staat in welstand verkeert.
Tot deze verba behooren:
apparet, het blijkt. convénit, het behoort. ^ ^
constat, het is bekend. placet, het behaagt. -.u,;
condücit / , . , displïcet, het hehaaqt niet.
\ het ts voordeeuq.
expedit ^
3o. bij de passiva der verba sentiendi et decla-randi (Vgl. § 397. I0.) behalve bij .die, welke een n omina ti-vus cum iniinitivo regoeren. Vgl. § 21 15.v. x m u 1 11 s rebus intellëgi potest, niTfh^luïk'' divïna provi-
Aaa.'W.
d e n t i a administrari, uit vele zaken kan men opmaken, dat â
7 777 7 11 7**7 â¢â¢ 1 ' 1 1 I 1 1 I f ^ a,'-N
de wereld door de
goddelijke voorzienigheid bestuurd wordt
. Slt;j jv. (t.16
Aanmerking. Na verschillende onpersoonlijke luftïmÃiaugeiï est eu een adjectivuin of substantivuin, zooals: verum, v e r i s i-mile, rarum est, cultus, ros, vitium est, volgt somtijds u t,quot;^wu*quot;r'Mi meermalen ook na expedit, co u ven it, placet, displïcet. B.v. Verum est, ut po pul us Romanus om nes gentes virtute superave rit, het is waar, dat het liomeinsche volk alle volken in dapperheid overtroffen heeft. Cultus deorum est optimus ut eos semper pura, iutëgra, iueorrupta meute veneremur,
de beste godsdienst is deze, dat wij de goden altijd met een zuiver, ongeschonden en vlekkeloos gemoed vereeren. Men verklaart hier u t door ouder deze uitdrukkingen oen verbum van geschieden te verstaan.
Ook volgt na deze uitdrukkingen q u o d. Vgl. § 345. 2°.
§ 397. De accusativus cum infinitivo staat als object:
1°. bij de verba, die een gewaarwording, gedachte of verklaring te kennen geven, om aau te duiden, dat iemand iets doet of dat iets geschiedt (verba sentiendi et declarandi). B.v. Aristotëles docet, O r p h e u m poëtam nunquam fuisse, Aristoteles leert, dat de dichter Orpheus nooit bestaan heëft. Ostendit, se cum rege collöqui veile, hij gaf te kennen,
dat hij niet den koning een mondgesprek wilde hebben.
*
Accusativus cum infinitivo.
397.
292
|
Tot deze verba behooren: accipëre, vernemen. affirmare, bevestigen. animadvertëre, bemerken. arbitrari, meenen. certiorem facëre, kennis geven. clamare, roepen. cognoscëre, vernemen. colligëre, opmaken. commemorare, vermelden. comperire, bevinden. concludëre, hesluiten. confidëre, vertrouwen. confirmare, verzekeren. confitëri, bekennen. conjicëre, gissen. credëre, gelooven. § 221. A. II. declarare, verklaren. defendere, verdedigen. demonstrare, aan toon en. 7 gt; desperare, wanhopen. dicëre, zeggen. § 216. I0. A. disserëre, heiveren. dissimulare, ontveinzen. divinare, voorspellen. ducëre, meenen. § 221. A. II. existimare, meenen. § 216.10.A.22] exspectare, verwachten. [A. II. fatêri, bekennen. ferre, verhalen. § 216. 1°. A. fidëre, vertrouwen. fingëre, zich voorstellen. improbare, afkeuren. indicare, aankondigen. § 216. 1°. A, infitiari, loochenen. intellegëre, hegrijpen. invenire, vinden. judicare, oor deden. §221.A. II. jurare, zweren. |
laudare, prijzen. legëre, lezen. memorare, vermelden. mentiri, liegen. minari, dreigen. monstrare, aantoonen. narrare, verhalen. § 216. 1°. A. negare, ontkennen. § 216. 1°. A. nuntiare, boodschappen. §216.10.A. objicëre, verwijten. obtestari, plechtig verzekeren. ominari, voorspellen. opinari, meenen. ostendëre, aantoonen. percipëre, bemerken. perhibëre, heiveren. § 216. 1°. A. pollicëri, beloven. porteudëre, voorspellen. praedicare, verkondigen. praedicëre,. voorzeggen. probare, goedkeuren. prodére, verhalen. profiteri, bekennen. promittëre, heioven. putare, meenen. § 216. 1°. A. 221. referre, vermelden. [A. II, renuntiare, boodschappen. reperire, bevinden. reri, meenen. respondëre, antwoorden. scribëre, schrijven. scire, weten. sen tire, gevoelen. significare, te kennen geven. simulare, veinzen. sperare, hopen. spondëre, beloven. suspicari, vermoeden. |
*
1 gt;
Accusativus cum inftnilivo.
§ 397.
293
|
sustinere, uithouden. testari, getuigen. |
tradere, verhalen. § 216. 1°. A. vovere, een gelofte doen. |
Wanneer het subject van den hoofdzin en van den bijzin hetzelfde is, staat in het Nederlandsch meermalen bij de verba sen-tiendi et declarandi in plaats van een bijzin met dat een enkele infinitivus. B.v. Ik geloof gedwaald te hebben. Ik beken al te vreesachtig geweest te zijn. In zulk een geval wachte men zich wel, om een nominativus cum infinitivo te gebruiken. Men vertale : Puto me erravisse. ^imis me timidum fuisse confiteor.
De dichters evenwel gebruiken hier somtijds een nominativus cum infinitivo. B.v. Vir bonus a it esse paratus. Rettulit Ajax esseJovis pronepos.
Evenals bij de verba sentiendi et declarandi staat ook de accusativus cum infinitivo bij de substantiva fa ma, opinio, spes, nuntius en anderen, waarin de beteekenis van een verbum sentiendi of declarandi gelegen is. Zoo ook bij sommige adjectiva van diezelfde beteekenis, zooals, certus, ignarus, peritus, enz. B.v. Plurimorum philosophorum sententiae spem affërunt, posse animos, cum e corporibus excesseri nt, in caelum quasi in domicilium s u u ra p e r v e n i r e. P e r i-tus fortius adversus Romanos aurum esse quam ferrum.
*A a n m e r k i u g I. Wanneer de verba sentiendi et declaraudi niet aauduiden, dat iemand iets doet of dat iets geschiedt, maar een bevel, raad of wensch te kennen geven, moet men u t of n e laten volgen. De verba sentiendi et declarandi komen dan krachtens hunne beteekenis overeen met de verba, waarover in § 351. 2°. gesproken is. B.v. P y th i a respondit, ut moenibus ligneis se munirent, de Fythia antwoordde, dat zij zich achter houten muren moesten verschansen. Men zegt: pater scrips it mihi, filio proficisci lieëre, wanneer de vader door zijn schrijven verklaart, dat zijn zooft mag vertrekken, doch: pater scripsit mihi, ut filio proficisci licêret; wanneer de vader door zijn schrijven verzoekt, dat zijn zoon mag vertrekken.
*A anmerking II. Bij de verba van hopen, beloven, ^g e-1 o o v e n), zweren, dreigen (s pera re, jurare,polliceri, promittëre, sp onder e, vovëre, minari, enz.) staat in het Nederlandsch meermalen een infinitivus praesens. B.v. Caesar dreigde de stad tot den grond toe te verwoesten. In het Latijn echter moet op deze verba altijd een accusativus cum infinitivo in het futurum volgen, zoo de handeling nog toekomstig is. B.v. Caesar urbem fundïtus deleturum se esse minatus est. Milites se potius morituros juraverunt quam ar ma tradituros. Spero rem conventuram esse. Promitto tibi rem prospöre ces-suram. Vgl. over posse, enz. § 404. 11. A. II.
Aanmerking III. In het Nederlandsch worden de verba sentiendi et declaraudi, alsmede de onpersoonlijke uitdrukkingen en verba, die den
Accusativus cum inftnüivo.
294
§ 397.
accusativus cum infinitivo regeeren (Vgl. § 396. 1°. en 2°.) en de betee-kenis hebben van verba sentiendi et declarandi, dikwijls als tusschenzinnen gezet of door adverbiale uitdrukkingen vervangen. B.v. Mijn vader zal, naar men zegt, (zooals ik hoop, vermoedelijk) spoedig terugkeeren. In het Latijn mag men nu eveneens zoggen: pater, ut ajunt, (spero, opTnor, maar deze woorden liefst zonder ut) mox redlbit. Gewoonlijk echter maakt men zulk een tusschenzin tot hoofdzin en laat er dan eeu accusativus cum infinitivo op volgen. B.v. Patrem ajunt (sjerOj^ojQTnor) mox rediturum esse. Pericles was, zooals hekend is, de zoon van voorname ouders, Periclem filium fuisse constat nobilissimorum parentum. Facile addu-cïmur ut assentianmr iis, quos bonis moribus praedttos esse opinamur, wij worden er gemakkelijk toe gebracht om met hen in te stemmen, die naar onze meening een goed karakter hebben. Evenzoo vertaalt men waarschijnlijk door verisimïle est (of videor met den nominativus cum infinitivo), blijkbaar door apertum est, enz.^^34^
De verba putare, existimaro, arbitrari, enz. alsmede videri en non dubitare worden omschrijvenderwijze gebruikt ter vertaling van de Nederlandsche bijwoorden wel en zeker in verbinding met zullen, moeten of kunnen om de onzekerheid of de waarschijnlijkheid van een vermoeden uit te drukken. B.v. Hoe zullen die tien duizend Grieken wel verrukt zijn geweest van vreugde, toen zij na een moeitevollen tocht van den top eens bergs de zee in het gezicht kregen, decern milia ilia Graecoruni, cum laboribus itineris superatis ex summo quo dam monte mare conspexissent, quanto g audio eos perfusos esse yutas (putatis, putamus) ?
2°. bij de verba, die willen, toelaten en het tegendeel be-teekenen (verba voluntatis). B.v. Alcibiades A the nas Lacedaemoniis servire non poter at pati, Alcibiades kon niet dulden, dat Athene aan de Lacedemomèrs onderworpen was.
Tot deze verba behooren volo, nolo, nialo, cupio, studeo (§ 389), jnbeo, veto (§ 390. A. I.), si no (§ 890. A. Ill), p a t i 0 r, ik duld, i m p ë r 0, ik beveel.
Bij impëro mag slechts een accusativus cura infinitivo van een verbum passivum of de pon ens staan. B.v. Tm per a vit ser-pentes in vasa fictilia conjïei, hij beval, dat men de slangen in aarden kruiken zou werpen. Caesar quinque cohortes de media nocte proficisci imperat. Zoo op i m p e r 0 een actieve zin volgt, zegt men a li c u i ut met den conjuncfivus. B.v. Dux militibus imperavit, ut pontem facërent, de veldheer beval de soldaten een brug te maken.
Bij de overige verba voluntatis, zooals: opto, d 0 s t u 1 o. m a n d 0. oro, praecipio, zet men altijd of gewoonlijk ut. Vgl. § 351.2°.
3quot;. bij de verba, die blij d schap, droefheid, verwondering te kennen geven (verba affectuu m). B.v. Gaudeo te mihi fa ver e, ik hen blijde, dat gij mij begunstigt.
Accusativus cum infinitivo.
295
§ 398â399.
Tot deze verba behooren:
admirari, zich ver won deren. indignari, zich verontwaardigen.
delectari, zich verheugen. irasci, zich vertoornen.
dolcre, bedroefd zijn. lactari, zich verheugen.
aegre ferre, misnoegd zijn. mirari. zich verwonderen.
gaudere, zich verheugen. queri, zich beklagen.
gloriari, zich beroemen. sollicitari, bekommerd zijn.
Op deze verba volgt ook q u o d. Vgl. § 345. 1quot;.
De verba gratulari, gelukwenschen, en g r a t i a s a g ë r e -bedanken, hebben gewoonlijk q u o d. Vgl. § 346.
Op mirari en admirari volgt ook si. B.v. Mirer si ami-1* c n m habere p o t u i t.
*§ 3!)8. Het subject van den accusativus cum infinitivo wordt slechts zelden uitgelaten. Nu en dan geschiedt dit echter mot de pro n o-m i n a personalia en wel:
1°. in k o r t e z i n n e n. B.v. I d (se) n e s c i r e dixit, hij zeide, dat hij dit niet wist.
2°. wanneer hetzelfde pronomen met een infinitivus onmiddellijk voorafgaat. B.v. Pudëret me dice re ^me) non intellexisse, tk zou mij schamen te zeggen, dat ik het niet begrepen had.
3°. meermalen in een oratio obliqua, waarin verscheidene accusa-tivi cum infinitivo met het subject se op elkander volgen.
*§ 399. In hot Nederlandscb wordt meermalen het subject van een bijzin met dat in den hoofdzin geplaatst met van of over. B.v. Men verhaalt can Pythagoras, dat hij eens te Phlius kwam. In het Latijn ni;
raag men niet zeggen: de Pythagöra nar rant, eum olim Phliun-tem venisse, maar men moet hot woord dat met van of over in den hoofdzin staat, tot subject maken van den accusativus cum infinitivo. B.v. Py thagoram narrant olim Phliuntem venisse. lis fidem habemus, quos plus intellegere quam nos arbitramur, wij schenken aan hen vertrouwen, van wie wij meenen, dat zij meer verstand hebben dan wij. Deze opmerking geldt ook, wanneer er een nomina-t i v u s cum infinitivo gebruikt moet worden. B.v. Dicebare profectus esse, men zeide van u dat gij vertrokken waart. Evenzoo zou het bovenstaande voorbeeld kunnen liceten: Pythagoras n a r-ratur olim Phliuntem venisse. Vgl. § 216. 1quot;. A.
Op gelijke wijze handelt men ook, wanneer in hot Nederlaudsch een pronomen possessivum van den bijzin betrekking beeft op een substan tivum met van of' over in den hoofdzin. B.v. Van Diongsius verhaalt men, dat zijne matigheid in spijs en drank groot geweest is. In het Latijn nu zegt men niet; de Dionysio t r a d u n t, s u m m a m f u i s s e ejus temperantiam in v i c t u, maar: D i o n y s i i sum m a jn f u isse in victu temperantiam tradunt.
Slechts dan mag men d e in den hoofdzin zetten, wanneer hot beteekent wat betreft en het daarmede verbonden substantivura een sterken n a d r u k heeft. B.v. De Antonio jam ante tibi scripsi, non esse eum a meconventum, wat Antonkis betreft, zoo heb ik ti reeds vroeger geschreven, dat ik hem niet bezocht heb.
Accusativus cum infinitivo.
296
§ 400â403.
§ 400. Wanneer het verbum van een accusativus cuiu infinitivo een accusativus objecti bij zich heeft, ontstaat er soms dubbelzinnigheid. Men kan deze meermalen opheffen door een bepaalde plaatsing der woorden en altijd door den zin in het passivum te zetten. Met opzet legde de dichter Ennius Apollo in zijn godspraak aan Pyrrhus de volgende woorden in den mond: Ajo tevAeacld a, Ji o m a n o s v i n c é r e posse. Had Apollo ondubbelzinnig willen^sprekenT^daiTniiadrTiij^gezegiiquot; of te a R o m a-n i s of Romanos a te vinei posse.
§ 401. W anneer mot een accusativus cum iufinitivo oen relatieve zin verbonden is, die terugziet op een voorafgaand idem en hetzelfde verbum beeft als de accusativus cum infinitivo, wordt het verbum van den relatieven zin gewoonlijk uitgelaten en het subject in den accusativus gezet. B.v. Platönem f e r u n t idem s e n-sisse de immortalitate animo rum, quod Pythagöra ra, men zegt dat Plato hetzelfde gevoelen had over de onsterfelijkheid der ziel als Pythagoras {dat Pythagoras had). Te suspïcor iisdem rebus, q u i b u s me i p s u m , commoveri, ik vermoed, dat gij door dezelfde zaken getroffen wordt als ik (waardoor ik getroffen word). Zoo de relatieve zin volledig werd uitgedrukt, zoo bij luiden : quo d P y t h a g o r a s senserit; quibus ego ipse commovear.
§ 402. Wanneer het verbum van een relatieven zin (waarin qui terugziet op idem, qualis op talis, quant üs op taut us, q u o t op tot) een accusativus cum infinitivo regeert en een ander subject heeft dan de hoofdzin, moeten er in het Latijn sommige woorden aangevuld worden, die in het Nederlandsch gewoonlijk worden uitgelaten. B.v. Be schade is niet zoo groot als ik gedacht had (dat zij was), damnum non tantum est, quantum id esse p u t a b a m. Gij zijt niet zoodanig als ik gehoopt had (dat gij zijn zendt), non talis es, quale ra te fore sporavera ra.
§ 403. Wanneer twee zinnen, die hetzelfde verbum hebben, met elkander vergeleken worden door den comparativus en quara, en de eerste zin in den accusativus cum iufinitivo staat, blijft het verbum van den tweeden zin gewoonlijk weg en wordt bet subject in den accusativus geplaatst. B.v. Tereutium ceuseo e 1 e g a n t i o r e m f u i s s e p o ë t a m q nam P 1 a u t u ra, ik geloof dat Terentius een keuriger dichter geweest is dan Plautus (geweest is). Men kan q u a m ook weglaten en het subject van den tweeden zin in den ablativus plaatsen. Vgl. § 295.
Zoo iedere zin zijn eigen verbum heeft, zet men don ziti met quara of in den accusativus cum infinitivo of in don conjunc-tivus met of zonder ut.., B.v. Nonne, tibi affirraavi, quid vis me potius perpessurum quam exWtaliaexiturum, heb ih u niet verzekerd, dat ik liever alles zou verduren, dan dat ik Italië zon verlaten? Certum ha beo, majores quoque quamlïbet d i mi cation em subituros fuisso potius, quam eas leges si bi im-pSni paterentur. ïestatus est. Mag notes in corpora sua citius saevituros, quam ut Roman ara amicitiam violaront.
Accusativus cum infinitivo.
§ 404.
297
â § 404. Voor het gebruik der tijden bij den accusativus cum infinitivo volge men de volgende regels.
I. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, iu den tegenwoordigen of toekomenden tijd staat, vertaalt men in den bijzin:
den tegenwoordigen tijd door het praesens. B.v. li- geloof (zal ge-looven) dat hij schrijft, credo (eredam) e u m s c r i b ë r e.
den onvolmaakt, volmaakt en meer dan volmaakt verleden tijd door het perfectum. B.v. Ik yeloof (zal gelooven) dat hij schreef, geschreven heeft, geschreven had, credo (eredam) eum scripsisse.
den toekomenden tijd door het futurum. B.v. H: gdoof {v.a\ gelooven) dat hij zal schrijven, credo (eredam) eum scripturum esse.
II. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, in een der verleden t ij d e n of in de voorwaardelijke w ij s staat, vertaalt men in den bijzin:
den tegenwoordigen en onvolmaakt verleden tijd door het praesens. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, had geloofd, zou gelooven, zou geloofd hebben) dat hij schrijft, schreef, credebam (credïdi, eredideram, credërem, credidissem) eum seribëre.
den volmaakt en meer dan volmaakt verleden tijd door het p t r f e c-t u m. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, enz.) dat hij geschreven heeft, geschreven had, credebam (credïdi, enz.) eum scripsisse.
den toekomenden tijd door het futurum. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, enz.) dat hij zou schrijven, credebam (credïdi, enz.) eum scripturum esse.
Aanmerking I. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, iu den volmaakt verleden tijd staat en het werkwoord van den bijzin in den onvolmaakt verleden tijd, doch de handeling van den bijzin reeds geschied was, voordat de handeling van den hoofdzin begon, gebruikt men niet het praesens, maar het perfectum infinitivi. B.v. Vele schrijvers hebben bericht, dat de koning irij het gevecht tegenwoordig was, multi scriptores tradiderunt, r e g e m in p r o e 1 i o a f f u i s s e.
» Aanmerking II. De infinitivus futuri wordt meermalen in het activum en zeer dikwijls in het passivum omschreven door fore (zeldzamer futurum esse) ut met het praesens conjunctivi, zoo de hoofdzin in eeu tempus van de eerste klas, en met het imperfectum conjunctivi, zoo de hoofdzin iu eeu tempus van de tweede klas staat. B.v.
Credo fore (futurum esse) ut epistolam scribas.
â â â â âepistolascribatur.
Credebam fore (futurum esse) ut epistolam scriberes. â â â â âepistolascriberetur.
Deze omschrijving wordt zeer dikwijls gebruikt na spero en spes en is noodzakelijk bij de verba, die geeu infinitivus futuri kunnen vormen. B.v.
ile consolatur spes fore ut progressum faciatis.
Dico fore (futurum esse) ut te hujus rei paeniteat.
Dicebam n â â ââ â âpaeniteret.
De infinitivi posse, veile, nolle, malle worden ooit als jnfinitivi futuri gebruikt. B.v. Spero veile mecum Sulpicium collöqui. Totius Gralliae sese potiri posse sper ant.
In plaats van esse staat somtijds fore bij het participium op urus.
Accusativus cum infinitivo.
§ 405â406.
298
B.v. Putate matron as urbis ac liberos nostros ad genua vestra obversaturos fore.
Aanmerking III. Bij me mini en memo r ia teneo worden verleden gebeurtenissen, waarvan men zelf getuige was, door den infi-nitivus praesens uitgedrukt. B.v. Me mini Catonem auuo antequam mort u us est mecum disserëre, ik herinner mij dat Cato een jaar voor zijn dood een gesprek met mij had. M e m o r i a teneo Scaevolam, cum esset summa senectute, quotidie facere omnibus conveniendi sui potestaten).
Zoo men echter iets mededeelt, waarvan men zelf geen getuige was, of zoo men een feit, waarvan men getuige was, als verleden voorstelt, gebruikt men deu infinitivus perfect!. B.v. M em i n e r am C. Marium, cum vim armorum profugisset, senile corpus paludibus occultasse. Meministi me it a distribuisse causam.
, § 405. JJe infinitivus van het futurum ex actum wordt gevormd:
1°. in het activum door fore ut met het perfectum conjunct!vi, zoo het verbum van den hoofdzin in een tempus van de eerste klas, en met het p 1 u s q u a m p e r f e c t u m conjunctivi, zoo het verbum van den hoofdzin in een tempus van de tweede klas staat. B.v.
Credo fore ut epistolam scripser!s.
Credebam â n â scripsisses.
2°. in het passivum en bij de deponentia door het participium perfectum met fore of door fore ut met het perfectum of plusquamperfectum conjunctivi. B.v. Credo (c r e d e b a m) e p ! s t o-lam scriptam fore. Credo me turn jam profectum fore. Sperabam fore, ut e a, q u a e superioribns litteris a te petissemus, impetrata essent.
~ § 400. De hoofdzin eener vooronderstelling van het d e r d e geval wordt in den accusativus cum infinitivo uitgedrukt:
1°. zoo hij !n de oratio recta in het imperfectum conjunctivi staat, door den infinitivus futuri. B.v. Hoe si diceres, er ra res heet: existtmo te, si hoe diceres, erraturum esse.
Zoo het verbum geen infinitivus futuri kan vormen, gebruikt men een omschrijviug met futurum esse (niet fore) u t en het imperfectum conjunctivi en deze omschrijving is in het passivum de gewone constructie. B.v. Exist! mo, si hoc face res, futurum esse ut multareris (zelden te multatum iri.)
2°. zoo hij in de oratio recta in het plusquamperfectum eon-junctivi van het activum staat, door het participium op urus met fuisse, en zoo het verbum geen participium op urus heeft;, door omschrijving met futurum fuisse u t en het imperfectum conjunctivi. B.v. Existimo te erraturum fuisse, si hoc dixisses. E x i-stimo, si hoc feeisses, futurum fuisse ut facti te paeniteret.
Deze omschrijving wordt altijd gebruikt in het passivum. B.v. Si hoe fecisses, existimo futurum fuisse ut multareris.
Oratio obliqua.
407â408.
299
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DE ORATIO OBLIQUA.
§ 407. In de oratio recta worden iemands woorden of gedachten weergegeven, zooals zij gesproken of gedacht zijn. B.v.
Socrates zeide: allen zijn welsprekend genoeg in hetgeen zij weten.
In de oratio obliqua daarentegen worden iemands woorden of gedachten verhalenderwijze medegedeeld en afhankelij k gemaakt van, een verbum sentiendi of declarandi. E.v. Socrates zeide, dat allen welsprekend genoeg zijn in hetgeen zij weten.
§ 408. Voor de verandering der hoofdzinnen van de oratio recta in de oratio obliqua gelden de volgende regels.
I. De hoofdzinnen der oratio recta, die een verhaal of uitspraak bevatten en in den indicativus staan, worden in de oratio obliqua uitgedrukt door den accusativus cum infinitive. B.v.
Solon dixit: nemo ante Solon dixit, n e m I n e m mortem beatus est praedi- ante mortem beatum esse c a n d u s. praedicandu m.
II. De hoofdzinnen der oratio recta, die een bevel, verzoek, wensch of vermaning uitdrukken en in den imperativus of conjunctivus staan, worden in de oratio obliqua in den c o n-junctivus gezet, gewoonlijk zonder ut, zoo zij bevestigend zijn, met ne, zoo zij ontkennend zijn. B.v.
Respondit: nondum tempus Respondit, nondum tempus pugnae est; castris vos te- pugnae'esse; castris se te-nëte vosque ex laböre refi- nërent seque ex labore refi-cïte. cërent.
Caesar milites hort a tus est; Caesar milites hortatus ne ea, quae acciderunt, g r a- est, ne ea, quae acci dissent, vit er feratis neve his rebus gr a vit er ferrent neve bis terreamini. rebus terrerentur.
Aanmerking. Men lette wel op, dat hier spraak is van hoofdzinnen, die in de oratio recta in den conjunctivus staan (Vgl. § 323ââ 327.) en afhangen van een verbum sentiendi of declarandi en vervolgens dat de verba, waarover § 397. 1°. A. I. gesproken wordt, beschouwd moeten worden als verba van bewerken of trachten te bewerken. Overigens hebben ook sommige dezer verba somtijds den conjunctivus zonder ut. Vgl. § 352. 2°. A. III.
III. De hoofdzinnen der oratio recta, die een vraag bevatten en in den indicativus staan, worden in de oratio obliqua uitgedrukt dooiden conjunctivus, zoo het een vraag van den 2'Ien persoon is, en gewoonlijk door den accusativus cum infinitive, zoo het een vraag van den l'quot;quot;1 of 3den persoon is. B.v.
=
300 Oratio obliqua. § 409â410.
Caesar milites allocütus Caesar militesallocutus
est: quid tandem veremïui est, quid tandem vererentur
aut cur de vestra salute de- aut cur de sua salute de-
speratis? sperarent?
Plebs fremit: quid vivï- Plebs fremit, quid se vi-
mus, quid in parte civium vere,quid in parte civium
censëmur? ceusëri?
Tribuni militum dixeruut: Tribuni militum dixerunt,
quid est levius aut turpius quid esse levius aut turpius
quam, auctore hoste, de sum- quam, auctore hoste, de sum-
mis rebus capere consilium? mis rebus capere consilium?
De vragen der oratio recta, die in den modus potentialis of dubitativus staan, behouden dezeu modus in de oratio obliqua. B.v.
Quis mi hi hoe persuadeat? Quis sibihocpersuadëret?
Cur for tu nam perielite- Cur fortunam periclita-
mur? rentur?
§ 409. De bijzinnen der oratio recta staan, behoudens de uitzonderingen, in de oratio obliqua in den conjunctivus. B.v.
Dixit miles: omnia feci. Dixit miles, se omnia fe-quae mi hi imperata erant. cisse, quae sibi imperat a
e s s e n t.
Respondit dux: miles R e sjp o n d i t dux, m i I i t e m p o e n a in d e d i t, q u o n i a m p o e n a m d e d i s s e, q u o n i a m i m p e r i o non paruerat. i m p e r i o non paruisset. ^ Aanm erking I. De bijzinnen, welke een aanmerking bevatten van den schrijver, en welke dienen ter omschrijving van een begrip, waarvoor in het Latijn volstrekt geeu of ten minste geen geschikt sub-stantivum bestaat, staan in den indicativus. Vgl. § 375. 5°. A.
Aanmerking II. De relatieve ziimeu, die opgelost kuniien worden in et of nam met een demonstrativum, kunnen in de oratio obliqua in den accusativus cum infinitive staan. B.v. Ad ea Herennius respondit, m u 11 o s a n n o s jam inter R o m a n u m Nolanumque po pul um amicitiam esse, cujus (et ejus) n e u t r o s ad eum diem paenitëre. Themistocles dixit, Athenieusium urbem ut propugnaculum opposïtum esse barbaris, apud quam (nam apud earn) jam bis classes regias fe cisse naufragium.
Aanmerking 111. Wijl de oratio obliqua gewoonlijk van een verbum afhangt, dat iu een verleden tijd staat, zoo zullen gewoonlijk ook alle zinnen iu den conjunctivus volgens de leer der consecutio temporum in de tempora der tweede klas staan. Meermalen echter vindt, men, vooral in een langere oratio obliqua, het praesens of perfectum con-junctivi gebruikt, niettegenstaande het verbum van den hoofdzin in een verleden tijd staat. Den schrijver zweeft dan een praesens h i-st o r i c u m voor den geest.
§ 410. De pronomina personalia en possessiva van den Isten per8oon (ego, nos, meus, noster) worden in de oratio obliqua veranderd in het prouomen reflexivum (sui, sibi, se, suus), en zoo zij in den nominativus moeten staan in ipse. B.v. Ari-
Oratio obliqaa.
§ 411.
301
ovistus respondit, si ipse Caes8.ri non praescribëret quemadmödum suo jure uteretur. non oportere sese a Caesare in suo jure impediri.
De pronomina personalia en possessiva van den 2,len persoon (tu, vos, tuus, vester) worden in de oratio obliqua veranderd in ille, soms ook, vooral als zij toonloos zijn, in is. B.v. Cave, ne te cunctante Numïdae sibi eonsülant wordt in de oratio obliqua: caveat, ne illo cunctante Numidae sibi cons til an t. Alexandre a Dodonaeo Jove data dictio est, cavëret Acherusiam aquam; ibi fatis ejus termtnum dari.
Wanneer deze pronomina in de oratio recta als r efl e xi vu m gebruikt zijn, moeten zij in de oratio obliqua, die altijd in den derden persoon wordt voorgesteld, natuurlijk ook in het reflex i vu m van den derden persoon veranderd worden. Men zie de voorbeelden in § 408. II en III.
Voor het persoonlijk voornaamwoord van den S11611 persoon gebruikt men ook in de oratio obliqua gewoonlijk is.
Aanmerking. Zoo in de oratio recta het pronomen hic en het adverbium nunc voorkomen, worden deze woorden in de oratio obliqua na een tempus van de tweede klas gewoonlijk veranderd in ille en turn. B.v. Hic dies omnes labores et victorias confirn-abit zal worden ilium diem.... confirmaturum.
*§ 411. Meermalen wordt het verbum, waarvan de oratio obliqua afhangt, verzwegen, zoodat men er bij de vertaling een verbum sentiendi of declarandi moet bijvoegen. B.v. Hominem secunda oratione extollit, ilium regem, ingentem virum esse, hij stak den man door een vleiende toespraak in de hoogte, zeggende dat hij een koning en een groot man was.
Niet zelden gaat er een ontkennend verbum vooraf, zoodat men een bevestigend verbum moet aanvullen. B.v. Eegülus reddi captlvos negavit esse utile; illos enim adolescentes esse et bonos duces, se jam conf'ectum senectute.
Aanmerking. Inquam mag alleen gebruikt worden bij de oratio recta en staat altijd tusschen do gesproken woorden. B.v. Ennius, animus aeger, in quit, semper errat. Zoo het bij inquam be-hoorende subject ook tusschen de woorden der oratio recta staat, wordt het gewoonlijk achter inquam gezet. B.v. Optime, inquit Tullius, ph i 1 o so p h ia m laudasti. Wanneer het subject een participium bij zich heeft, staat het hiermede voorop, terwijl inquam tusschen de gesproken woorden volgt. B.v. Tum Crassus subrldens, quid censes, inquit, Cotta? Voor de ontbrekende vormen van inquam gebruikt men dico. B.v. Timotheum ferunt, cum cenavis-set apud Plat one m, dixisse: vestrae quidem cenae non solum in praesentia, sed etiam postero die jucundae.
Ajo wordt gewoonlijk bij de oratio obliqua geplaatst, en wel voor, tusschen of na de woorden, maar heeft altijd zjjn subject bij zich. B.v. Non male, ait Callimachus, lacrimasse PriSmum. In de vormen ut ait, ajunt mag het ook bij de oratio recta gebruikt worden. B.v. O praeclarum custödem, ut ajunt, lupum!
302 Participia. § 41-2â414.
EENquot; EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DE PARTICIPIA.
I
§ 412. De participia zijn volgens hun vorm adjectiva en komen met het substantivum, waarbij zij behooren, overeen in geslacht, gt;
getal en naamval.
Volgens hunne be teekenis zijn zij verba en regeeren hun eigen casus. B.v. Tuam petens amicitiam, uwe vriendschap inroepende. Tota regione potïtus, de geheele landstreek bemachtigd hebbende.
De tijden der participia richten zich naar de betrekking, waarin zij staan tot het verbum van den zin. B.v. Ridens hoc dicit (dixit, dieet), hij zegt (zeide, zal zeggen) dit lachende. Alexander Per sis bellum illaturus magnas copias contraxit, Alexander voornemens zijnde de Perzen te beoorlogen bracht een groot leger op de been.
*Aanmerkiug. Wanneer de participia op ns een object of nadere bepaling bij zich hebbeu, gaan zij in den ablativus singularis gewoonlijk uit op e. B.v. E pat re Stoicos ridente. Cum exeroitu pugnare cupiente. Cnm consule redeunte ex Boeotia. Ook zegt men altijd ab ineunte aetate, adolescentia.
§ 413. Verschillende participia praesentia en perfecta zijn geheel in adjectiva overgegaan en kunnen zelfs in den com-parativus en superlativus gezet worden. B.v. Patiens, praestans, diligens, doctus, ornatus.
^Aanmerking I. In het Nederlandsch worden de tegenwoordige deelwoorden van overgankelijke werkwoorden dikwijls als adjectiva gebruikt. B.v. Een drukkende oorloc/, een roerende melodie, troostende woorden, met biddende stem. In het Latijn daarentegen mogen de participia praesentia van verba transitiva, zoo zij niet geheel in adjectiva zijn overgegaan, niet als adjectiva (zonder object of regeering)
gebruikt worden. Bovenstaande voorbeelden vertale men dus niet; bellum premens, uumeri commoventes, verba solantia, voce oranti, maar:
bellutn grave, flebïles numöri, verba plena solatii, sup-plïci voce.
â¢Mat hjt gebruik der participia praesentia van verba i n trans-,
itiva en der participia perfecta kan men veel vrijer zijn.
Aanmerking II. Het participium op urus wordt met uitzohden;SgfJ3K^ van futurus en venturus, toekomend, in proza bijna niet als adjecti- j, vura gebruikt. ^
Ook als participium gebruikt mist het in proza, zoo men weder futurus en venturus uitzondert, den genetivus pluralis.
v § -tl-t. Bstrekkelijk de beteekenis der participia perfecta van sommige verba deponentia valt op te merken:
i
§ 415â416.
Participia.
303
-*1°. dat zij ook eeu passieve beteekeuis hebben. De voornaamste zijn; comitatus, begeleid, complexus, omvat, coufessus, hekend, coutestatus, beproefd, di m e n s u s, afgemeten, emeutltus, voor-gewend, expertus, beproefd, interpretatus, verklaard, meditatus^
overlegd, p a c t u s, bedongen, partïtus, gedeeld, p o p u 1 a t u s, verwoest. Men bemerke echter wel, dat Cicero deze participia slechts dan als'-quot;quot;^ ,,/^J passiva pleegt te gebruiken, wanneer zij met werkelijke participia passiva yigt; ' â â verbonden zijn. B.v. Populatus atque vexatus; dimensus atq ue-.-yquot;'^ descriptus. Ook worden deze participia hoogst zelden als passiva gebruikt in den ablativus absolutus en om de eigenlijke passieve - v.i.. tijden te vormen. B.v. Gallia po pu lata est beteekent niet; Gallië verwoest geworden, maar Gallië is (ligt) verwoest.
y20. dat zij meermalen, vooral bij een verbum in het praeseus of-^v-p e r f t! e t u m historicum, de beteekenis hebben van participia praesentia. Zoo altijd rat us (Vgl. § 135. V.), meenende, dikwijls verïtus, tisus, arbitratus, enz. B.v. Caesar, insidias verïtus, exercitum castris conti n uit, Caesar, een iünderlaag vreezende,
hield zijn leger binnen de legerplaats.
Hetzelfde geldt van de participia perfecta der semidepouentia fis us, confisus, diffisus, solïtus, soms ook ausus en gavlsus.
*§415. Het participium p e rfe ct u ra van sommige verba pass iv a-vooral van die, welke keuner. en besluiten beteekeneu (explora-tum, coguïtura, per cep turn, perspectum, stat ut um, consti-tutum, d el i b er at u m) wordt meermalen met habeo, mihiest, soms ook met teneo en possideo gebruikt in plaats van hot perfectum activum om de uitdrukking te versterken en het voor tdureu van den toestand aan te duiden. B.v. Statütum habeo omnibus viri-bus in di seen dam linguam. Latinam incumbëre, ik heh vast besloten mij met alle kracht op het Latijn toe te leggen. ANTullio mi hi exploratum est, nihil eum fecisse scientem, quod esset contra e x i s t i m a t i o ne m tuam. Eum locum, quem no bi li tas praesidiis firmatum tenebat, rescidistis. Roscii patrimonium domestici praedönes vi ereptum possident.
Soms zegt men ook in plaats van mihi persuasum est persuasum habeo (slechts een enkele maal:, mihi persuasum habeo).
Aanmerking 1. Ook in den ac c u s a ti v u s cu ra iufiuitivo wordt de infinitivus perfecti omschreven niet tenëri, zoo men wil aanduiden, dat een vroeger begonnen handeling nog voortduurt. B.v. Accëpi u r b e m o b s e s s a in t e n e r i, ik heh vernomen, dat de stad ingesloten is. Vgl. over de beteekenis van obsessam esse en fuisse § 106.
^Aanmerking 11. In het Nederlandsch gebruiken wij dikwijls bij het beschrijven van tegenwoordige handelingen en toestanden eeu verleden deelwoord met hot hulpwerkwoord zijn. B.v. De sprinkhanen zijn bedekt met een licht breekbare huid. Dit stuk is getiteld: de geboeide Prometheus. In zulke gevallen moet men in het Latijn het praeseus passivi gebruiken. B.v. Locustae fragïli crusta muniuntur.
Haec fabtila Prometheus vinctus inscribïtur.
§ 4!6. Wijl in het Latijn de verba activa (behalve die § 103 zijn opgegeven) geen participium perfectum, en de verba passiva geen participium praesens hebben, zoo moet men
302
304 Participia. § 417â418.
meermalen een Nederlandsch participium in het Latijn vertalen door een bijzin met qui of met een conjunctie of door een ablativus absolutus. B.v. Caesar in Gallié gekomen zijnde voerde zijne troepen uit de winterkwartieren, Caesar, cum in § Galliam venisset, copias exhiberniseduxit. Het hout
me1 gewreven wordende ontbrandt, lignum, quod terïtur, inflam-
Se matur. Een stem gehoord hebbende ging hij weg, voce audita
' ab i i t.
Aanmerking. Wanneer wij een verleden deelwoord gebruiken iu mr plaats van het ontbrekende participium praesens passivi, zet men in het
Latijn een relatieven zin. B.v. Ãe belegerde stad, urbs quae obside-tur. Een goed bestuurde staat, res publica quae bene admi-nistr atur.
§ 417. In het Latijn worden zeer dikwijls par ticipia geplaatst, waar wij bijzinnen gebruiken. Hier zijn twee gevallen mogelijk: óf wel liet subject van den bijzin komt op een of andere wijze in den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van participium conjunctum, of wel het subject van den bijzin komt niet in den hoofdzin voor en alsdan draagt de uit constructie den naam van ablativus absolutus. Over de laatste
cquot; constructie wordt in het volgende hoofdstuk gehandeld.
§ 418. Het participium conjunctum staat vooreerst in plaats van een relatieven bijzin. B.v. P eloponnësus est paeninsüla. Z1J angustis Isthmi faucibus contine n ti adh aerens (= quae
P; ... adhaeret), de Peloponnesus is een schiereiland, dat door de smalle
1)] landengte van Isthmus met het vasteland verhonden is. Pisistratus
primus Homëri li bros, confüsos an tea (= qui antea ^ confusi erant), sic disposuisse dicïtur, ut nunc habemus.
^Aanmerking I. Het participium op urus wordt hoogst zelden aldus gebruikt. B.v. Ho rati us Cocles rem au sus est plus famae ha-]e' bituram ad posteros quam fidei.
ge Aanmerking II. Wanneer het relativum betrekking heeft op een
substantivum met een pronomen d e m o n s t r a t i v u m of op een demonstrativum alleen, valt bij de verandering in het participium P conjunctum het demonstrativum weg. B.v. Odiosum genus eorum
hominum, qui officia exprobraut wordt: odiosum genus ho-^ minum officia exprobrantium. Ea, quae male parta sunt,
male dilabuntur wordt: male parta male dilabuntur. v' Aanmerking III. Een relatieve bijzin wordt hoogst zelden in een
vl participium conjunctum veranderd:
1°. wanneer dit participium als subject in den nominativus zou r moeten staan. B.v. Is qui potestatem habet (uiet potestaten!
â y habens). li qui audiunt (niet audieutes) in plaats van auditores.
v
1
lima ]
ZÃ xit
Pc
Al
gr\
be] uit cu alt
§ 419. Participia. 3@5
Egeus (praedicaatsadjectivum) aeque est is, qui non satis habet et is, cui nihil satis potest esse.
Ook in andere naamvallon behoudt men wel zoo lief het relativum. B.v. M'. Curius non au rum habere praeclarum si'bi videri dixit, sed iis, qui ha herent au rum, imp era re. Men mag'echter een participium gebruiken. B.v. Medici lev iter aegrotantesleviter euraut. Mettius in palüdem sose strepitu sequentium (van degenen, die hem volgden) trepidante equo conjëcit. De dativus van zulk een participium wordt gebruikt bij het aangeven van afstanden en van de ligging van plaatsen. B.v. Hie enim vent us adversum te not Athenis proficiseentibus, deze wind is een tegenwind, als men uit Athene komt. Caesar Gomphos pervünit, quod est op-pidum primum Thessaliae venientibus ah Epiro.
2°. na woorden van hoeveelheid, zooals: u n u s, alter, aliquot, o m n e s, nemo. B.v. Omnia, quae ad vic t u m cu 11 um que pertïneut, niet: omnia .... pertinentia.
3°. wanneer hij dient om een bepaalden persoon of zaak van anderen te onderscheiden. B.v. Pittiicus ille, qui septem sapientium numero est habitus. Flumen est Arar, quod per fines Ae-duorum et Sequanorum in Rhodftnum in flu it.
4°. bij de vertaling van zoogenaamd, hoven genoemd, enz. we'ke uitdrukkingen geregeld vertaald worden door een relatieven zin met de verba voco, dico, nomïno, memoro, commemöro, inscrTbo. B.v. Vestra, quae dicitur, vita mors est, uw zoogenaamde leven is de dood (nooit ita dicta). Du ah us his person is, quas supra d i x i, t e r t i a adjungitur.
Zoo de adverbia ita, sic, supra, enz. verzwegen worden, vindt men soms een participium gebruikt.
§ 419. Het participium conjunctum staat vervolgens iu plaats van een b ij z i n met een subordineer en de conjunctio condi-cionalis, concessiva, causalis of temporalis. B.v. Quis potest, mortem metuens (= si mortem metuit), esse non miser? Risua interdum ita rep en te erumpit, ut eum cupientes (= quamvis cupiamus) tenëre nequeamus. Dio-nysius tyrannus, cultros metuens tonsorios (= quia... metuebat), can den ti car bone si bi adurebat ca p il 1 u m. Dio-nysius tyrannus, Syracusis expulsus (= postquam .... expulsus est), Corinthi puöros docebat. Hostes, hanc adepti victor ia m (= cum... adepti essent), in perpetuum se fore victor es confidebant.
*A an merking I. Wanneer een participium conjunctum in de plaats komt van oen bijzin met een conjunctio, mag er een pronomen d em o ns t r at i v u m mede verbonden blijven. B.v. Quid posset iis esse laetum, cxïtus suos cogitantibus {â si exitus suos cogitarent).
Aanmerking 11. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt in plaats van een bijzin met nisi, blijft nisi staan, zoo er een
20
§ 417â418.
Participia.
304
meermalen een Nederlandsch participium in het Latijn vertalen door éen bijzin met qui of met een conjunctie of door een ablativus absolutus. B.v. Caesar in Gallië gekotnen zijnde voerde zijne troepen uit de winterkwartieren. Caesar, cum in Galliam venisset, copias ex hibernis eduxit. Het hout (jeivreven wordende ontbrandt, lignum, quod t e r ït u r, i n f 1 a m-matur. Een stem gehoord hebbende ging hij weg, voce audita ' ab i i t.
Aanmerking-. Wanneer wij eeu verleden deelwoord gebruiken in plaats van het ontbrekende participium praesens passivi, zet men in het Latijn eeu relatieven zin. B.v. Be belegerde stad, urbs quae obside-tur. Een goed lestuurde staat, res publica quae bene admi-nistratur.
§ 417. In het Latijn worden zeer dikwijls par t icipia geplaatst, waar wij bijzinnen gebruiken. Hier zijn twee gevallen mogelijk: óf wel het subject van den bijzin komt op een of andere wijze in den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van participium conjunctum, of wel het subject van den bijzin komt niet in den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van ablativus absolutus. Over de laatste constructie wordt in het volgende hoofdstuk gehandeld.
§ 418. Het participium conjunctum staat vooreerst in plaats van een relatieven bijzin. B.v. Peloponnesus est paeninsula, angustis 1sthmi faucibuscontinentiadbaerens (= quae ... adhaeret), de Peloponnesus is een schiereiland, dat door de smalle landengte van Isthmus met het vasteland verhonden is. Pisistratus primus Homëri libros, confüsos antea (= qui antea confusi erant), sic disposuisse dieïtur, ut nunc habemus.
â * A a n m e r k i n g I. Het participium op urus wordt hoogst zelden aldus gebruikt. B.v. Horatius Cocles rem ausus est plus famae ha-bituram ad posteros quam fidei.
Aanmerking II. Wanneer het relativum betrekking heeft op eeu substantivum met een pronomen demoustrativum of op een demonstrativum alleen, valt bij de verandering in het participium conjunctum het demonstrativum weg. B.v. Odiösum genus eorum hominum, qui officia expröbrant wordt: odiosum genus ho-minum officia ex p r o bra n tiu m. Ea, quae male parta sunt, male dilabuntur wordt: male parta male dilabuntur.
Aanmerking III. Een relatieve bijzin wordt hoogst zelden in een participium conjunctum veranderd:
1°. wanneer dit participium als subject in den nominativus zou moeten staan. B.v. Is qui potest atem ha bet (ui et potastatem habens). li qui audiunt (niet audientes) in plaats van auditores.
Participia.
305
§ 419.
Egeus (praedicaatsadjectivum) aeque est is, qui non satis ha bet et is, cui nihil satis potest esse.
Ook iu andere naamvallen behoudt men wel zoo lief het relativum. B.v. M'. Curius non au rum habere praeclarum si'bi videri dixit, sed iis, qui ha herent aurum, imperarc. Men mag echter een participium gebruiken. B.v. Medici lev iter aegrotantes lev iter curant. Mettius in paludem sese strepitu sequentium (van degenen, die hem volgden) t rep id an te equo conjëcit. De dativus van zulk een participium wordt gebruikt bij het aangeven van afstanden en van de ligging van plaatsen. B.v. Hie enim vent us adversum tenet Athenis proficiscentibus, deze wind is een tegenwind, als men uit Athene komt. Caesar Gomphos pervënit, quod est op-pidum primum Thessaliae venientibus ab Bpiro.
2°. ua woorden van hoeveelheid, zooals : u n u s, alter, aliquot, omnes, nemo. B.v. Omnia, quae ad victum cultumque pertinent, niet: omnia .... pertinentia.
3°. wanneer hij dient om een bepaalden persoon of zaak van anderen te onderscheiden. B.v. Pittitcus ille, qui se p tem sapventium numero est habitus. Flu men est Arar, quod per fines Ae-duorum et Sequanorum in RhodSnum in flu it.
4°. bij de vertaling van zoogenaamd, hoven genoemd, enz. weike uitdrukkingen geregeld vertaald worden door een relatieven zin met de verba voco, dico, nomïno, memoro, commemoro, inscrTbo. B.v. Vestra, quae dicitur, vita mors est, uw zoogenaamde leven is de- dood (nooit ita dicta). Duabus his persönis, quas supra dixi, tertia adjungitur.
Zoo de adverbia ita, sic, supra, enz. verzwegen worden, vindt men soms een participium gebruikt.
§ 419. Het participium conjunctum staat vervolgens in plaats van een b ij z i n met een subor dineer en de conjunctio condi-cionalis, concessiva, causalis of temporalis. B.v. Quis potest, mortem metuens (=â si mortem metuit), esse non miser? Risua interdum ita rep en te erumpit, ut eum cnpientes (â quamvis cupiamus) tenere nequeamus. Dio-nysius tyrannus, cultros metuens tonsorios (== quia... metuebat), can den ti carböne si bi adurebat capillum. Dio-nysius tyr annus, Syracusis expulsus (= postquam.... expulsus est), Corinthi puëros docebat. Hostes, liane adepti victor ia m (= cum... adepti essent), in perpetuum se fore victor es confidebant.
*A a n m e r k i n g I. Wanneer een participium conjunctum in de plaats komt van een bijzin met een conjunctie, mag er een pronomen demonstrativum mede verbonden blijven. B.v. Quid posset iis esse laetum, exïtus suos cogitantibus (= si exitus suos cogitareut).
Aanmerking 11. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt iu plaats van een bijzin met nisi, blijft nisi staan, zoo er een
2n
Participia.
§ 420.
306
ontkenuing in den hoofdziu staat. B.v. Non mohercüle mihi nisi adnionïto (= nisi admonitus essera) venisset in meutem.
Latere sehrijyers laten soms de conjuncties quamquara, q nam vis, etiamsi, etsi l)ij het participium conjunctuni staan. B.v. Caesarem milites, quamvis recusantem, ultro in Africam secuti sunt.
Aanmerking III. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt in plaats van een bijzin met een conjunctie coneessiva, voegt men er meermalen tarnen bij. B.v. Scripta tua jam diu exspec-tans non audeo tamen flagitare.
Aanmerking IV. Latere schrijvers gebruiken ook het participium op urus in plaats van een bijzin met ut finale. B.v. Hannibal in Etruriam ducit, eam quoque gentem adjuncturus (= ut eam quoque gentem adjungat). Soms staat dit participium bij hen ook in plaats van een bijzin met andere conjuncties.
§ 420. Het participium conjunctum staat ook in plaats van een zin, die door et of sed met een anderen zin verbonden is. B.v. Grrues, cum loca ealidiora petentes mare transmittunt, triangüli efficiunt formara (= petunt et transmittunt). Ve teres Peripatetici Academicïque, re c on s e n t i en t e s, voca-bülis differebant (= re consentiebant sed vocabulis differebant).
Van twee werkwoorden, die in het Nederlandsch door en of doch verbonden zijn, mag liet eene slechts dan door een participium praesens vertaald worden, wanneer beid-er handeling gelijktijdig plaats heeft. Zoo de handeling van het eene verbum geschiedt na de handeling van het andere verbum, moet men een participium perfectum gebruiken. Bij deze constructie vestige men altijd al zijn aandacht op de beteekenis van het participium. B.v. Caesar tastte de vijanden aan en versloeg hen, Caesar hostes aggressujs fugavit óf Caesar hostes petïtos fu-gavit of Caesar, cum in h'ostes incurrisset, fugavit. Waarom komt aggressus overeen met Caesar? Waarom komt petitos overeen met hostes en is de zin eerst in het passivum omgezet? Waarom is bij de vertaling met het verbum incurro
geen participium conjunctum gebruikt?
\anmerking I. De Latijnen herhalen meermalen het participium perfectum van het voorgaande verbum met of zonder conjunctio copula-tiva waar wij «», en daarna, en vervolgens zeggen. B v. Urbem cepit (et) captain in een dit, hij nam de stad in en stak haar daarna in brand. Latrönes viatörem occiderunt occisumque ex arbore suspenderunt.
Aanmerking 11. Hoogst zelden worden twee participia met één nomen verbonden. Men zegge dus niet: Ciceronem legentem inventum salutavi, maar : C icero n e m, q uem inveneram 1 ege n t e m, sal u t a v i.
Aanmerking III. Wanneer een participium eonjunctum gebruikt wordt, blijven de casus van is en van de pronomina personalia,
Ablativus absolutus.
§ 421.
807
welke op het subject van den zin betrekking Lebben, onvertaald, indien hierdoor ten minste geea onduidelijkheid ontstaat. B.v. Socrates Xenophouti (niet eum) consulenti exposuit, quae yideban-tur. Custodes portas (niet ab iis) clausas lapidibus obstru-x e ru n ti
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DEN ABLATIVUS ABSOLUTUS.
§ 421. Een ablativus absolütus is een bijzin, welks subject in den ablativus en welks praedicaatsverbum in het participium staat. E.v. Regibus exterminatis, libertas constituta est, toen de koningen verdreven waren, werd de vrijheid gevestigd. De volgende zinnen kunnen dienen als voorbeelden van een soortgelijke constructie in onze taal: onverrichter zake-, niemand uitgezonderd] niets meer aan de orde zijnde.
De bijzinnen, die in den ablativus absolutus gezet kunnen worden, beginnen in bet Nederlandsch gewoonlijk met een der conjuncties toen, als, nadat, wanneer, terwijl, zoodra, dewijl, daar, ofschoon, hoewel, indien.
Wanneer men zulke bijzinnen in den ablativus absolutus wil zetten, laat men de conjunctie, waarmede zij beginnen, onvertaald en zet men het subject in den ablativus en het praedicaatsverbum in het participium. Dit participium moet dan met het subject overeenkomen in geslacht, getal en naamval. Hierbij valt op te merken, dat de ablativus singularis van het participium praesens in den ablativus absolutus altijd uitgaat op e. B.v. Terwijl Tarquinius regeerde, kwam Pythagoras in Italië, Tarquinio regnant e, Pythagoras in Italiam venit. Toen Trajanus gestorven rvas, is Hadrianus keizer geworden, Trajano mortuo, Hadrianus imperator factus est. Wanneer de oorzaak der ziekte gevonden is, nieenen de geneesheeren, dat de genezing gevonden is, causa m o r b i i n-venta, medici curationem esse inventam putant. Indien de natuur zich verzet, is de arbeid vruchteloos, reluctante na-türa, irritus labor est. Ofschoon alle zaken verloren zijn, kan toch de deugd zich zelve staande houden, perdïtis omnibus rebus, tamen ipsa virtus se sustentare potest.
Aanmerking I. Dikwijls vertaalt men een ablativus absolutus niet door een bijzin, maar door een bepaling bestaande uit een
Ahlativus absolutus.
§ 422.
308
praepositie en een snbstantivum. Zoo kan men bovenstaande voorbeelden vertalen: sedert de verdrijving der koningen; onder de regeering van Tarquinius; na den dood van Trajanus. Caesar Gallis devictis Romara rediit, na de overwinning op de Galliërs, keerde Caesar naar Rome terug. Graeci adveni-entibus Persis Thermopylas ceperunt, hij de aankomst der Perzen veroverden de Grieken Thermopylae.
Aanmerking II. De Latijnen zetten dikwijls, waar wij twee zinnen door en of maar aan elkander koppelen, een dezer zinnen in den ablativus absolutus. Dit mag echter alleen dan geschieden, wanneer de zin, die in den ablativus absolutus gezet zal worden, door nadat of toen veranderd kan worden in een bijzin, welks subject niet in den hoofdzin voorkomt. B.v. Dareus besloot een leger uit Azië naar Europa te voeren en de Scythen te beoorlogen. Da-reus, ex Asia in Europarn exercitu trajecto, Scythis bellum infer re decrëvit. Antonius verstiet de zuster van Octavianus en huwde met Cleopatra, Antonius, repudiata sorore Octaviani, Cleopatram duxit uxörem. Demetrius zette Philip pus aan om de Aetoliérs te laten varen, maar den Romeinen den oorlog aan te doen, Demetrius imp ü lit Philip-pum, ut omissis Aetolis bellum Romania infer ret.
Aanmerking III. Q nis que blijft als bepaling van het subject van een ablativus absolutus in den nominativus staan. B.v. Muit is si bi quisque imperium petentibus. His regibus in suorum quis-que majorum vestigia nitentibus.
Aanmerking IV. Latere schrijvers zetten soms een conjunctie bij den ablativus absolutus, zooals; quasi, quamquam, quamvis. B.v. Augustus ïfeapolim trajëcit, quamquam morbo variante. In klassiek Latijn voegt men er nu en dan ut, tamquara, vel ut, sieut bij met de beteekenis van alsof en wanneer de ablativus absolutus een voorwaardelijke beteekenis heeft nisi in plaats van non. B.v. Gallilaeti ut explorata victoria {alsof de overwinning zeker ivas) ad castra Roman orum per gunt. Nihil potest even ire nisi causa antecedente.
§ 422. Om een ablativus absolutus te mogen gebruiken is noodig:
lu. dat het subject van den ablativus absolutus op geene wijze voorkomt of aangeduid wordt in den hoofdzin. Wanneer men bij voorbeeld zegt: als de ooievaars terugkeeren, begint het lente te zijn, vertaalt men zeer goed: ciconiis redeuntibus ver esse incipit; doch zegt men: als de ooievaars terug keer en, zoeken zij hunne vroegere nesten weder op, dan zou het verkeerd zijn te vertalen: ciconiis redeuntibus nidos priores repë-
Ahlativus absolutus.
§ 422.
309
tunt, want hier zou het subject ran den ahlativus absolutus hetzelfde wezen als het subject van den hoofdzin. Men moet hier vertalen: ciconiae redeuntes nidos priores repétunt of ciconiae, cum redeunt, nidos priores repëtunt. Evenzoo vertaalt men: Hannibal verbrandde de stad, toen zij was ingenomen, niet: Hannibal urbem incendit, ea capta, want hier zou hei subject van den ahlativus absolutus hetzelfde wezen als het object van den hoofdzin. Men vertaalt hier: Hannibal urbem captam incendit of urbem, quam ceperat, Hannibal incendit of Hannibal, postquam cepit, urbem incendit. Als de zon opkomt worden de nevels door hare stralen verdreven, niet: sole oriente, nebula ejus radiis dispellïtur, maar: nebula solis orientis radiis dispellïtur. Toen het houten paard door de Trojanen in de stad getrokken was, kropen de Grieken des nachts uit deszelfs huik, niet: equo ligneo a Trojanis in urbem tracto, Grraeci noctu ex ejus ventre prosiluerunt, maar: ex ventre equi lignei a Trojanis in urbem tracti noctu prosiluerunt Graeci.
Aanmerking. Nu en dau wijken ook de beste schrijvers van dezen regel af. B.v. M. Porcius Cato, vivo quoque Scipiöne, allatrare ejus magnitudinem solïtus erat. Caesar, principibus Trevirorum ad secon-vocatis, hos singillatim Cingetorigi concilia vit. Het is echter niet raadzaam deze afwijkingen na te volgen, behalve wanneer de ahlativus absolutus dient tot bepaling van een accusativus cum infinitivo of van een participium. Zie de voorbeelden § 454. A.
2°. dat het verbum een geschikt participium heeft. Men lette derhalve op de volgende opmerkingen.
«) Het participium praesens heeft altijd, behalve bij de neutralia passiva, een actieve beteekenis. Wanneer er derhalve staat: Toen de stad door de Bomeinen aangevallen werd, was de winter nog niet geeindigd, moet men, om een ahlativus absolutus te kunnen gebruiken, eerst een actieven vorm aan den bijzin geven, namelijk: Toen de Bomeinen de stad aanvielen, en vervolgens vertalen: Romanis urbem aggredientibus, hiems nondum finita erat.
b) De verba activa hebben geen participium perfectum. Zoo er derhalve staat: Nadat Caesar de Galliërs overwonnen had, keerde hij naar Bome terug, moet men, om een ahlativus absolutus te kunnen gebruiken, eerst een passieven vorm aan den bijzin geven, namelijk: Caesar keerde, nadat de Galliërs overwonnen waren.
Ablativus absolutus.
310
§ 423.
naar Home terug, en clan vertalen: Caesar, Gallis devietis, R o m a m r e d i i t.
c) Het participium perfectum der intransitieve verba passiva mag enkel onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Tem-peratum est, men heeft gespaard; ventum est, men is gekomen. Zoo er derhalve staat: Daar de dieven gespaard zijn, begin ik weder te vreezen, mag men niet zeggen: furibus temperatis, rursus timëre incipio. De ablativus absolutus is hier onmogelijk te gebruiken en men moet mot een conjunctie zeggen, cum furibus temperatum sit, rursus timëre incipio. Toen de vijanden gekomen waren, verlieten wij de stad, niet: hostibus ven tis, maar: cum host es ve nissent, urbem reliqulmus.
d) Het participium perfectum der verba deponentia
heeft een actieve beteekenis. Nadat de vijanden vervolgd waren
keerden de soldaten terug wordt derhalve niet vertaald: hostibus
persecütis, milltes re die runt, maar: milites hostes
persecïiti red ie runt, alsof er in het Nederlandsch stond: de
soldaten, de vijanden vervolgd hebbende, keerden terug. quot; Aanmerking. De ablativus absolutus met het participium op urus en met het gerundivum komt zeer zelden voor. Het gerundivum heeft in dit geval gewoonlijk do beteekenis van een participium praesens pas-sivi. B.v. Contio plausum meo nomine recitando dedit â cum recitaretur.
*3°. dat de bijzin op een of andere wijze in tijdelijk, voorwaardelijk, toegevend of oorzakelijk verband staat met den hoofdzin. Volgens het verhaal van Livius is Sagunte in de achtste- maand der belegering ingenomen heet derhalve niet: Livio auctsre Saguntum octavo mense, quam oppugn ari coeptum erat, captum est (dit zou beteekenen : up raad, op aandrijven van Livius) maar: Saguntum.... captum esse Livius auctor est. Naar het eenparig oordeel van alle geleerden hebben de Grieken alle overige volkeren in kunsten en wetenschappen ver overtroffen, niet: omnibus doctis cousentien-tibus Graeci ceteras omnes nationes artibus litterisque multo superaverunt, maar: omnes docti consentiunt, Grae-cos.... superasse.
. § 423. De ablativus absolutus is meer of minder ongebruikelijk :
1°. in bijzinnen, wier verbum met een praedicaatsnomen verbonden is. B.v. Cicerone consüle creato, toen Cicero tot consul benoemd wüs, in plaats van cum Cicero consul creatus esset.
2°. in bijzinnen, wier subject verbonden is met een nomen ap-positum of met een adjectivum, dat de plaats van een bijzin bekleedt, of met een participium. B.v. Cum Gajus puer mortuus esset, niet: Gajo puero mortuo. Cum milites inviti ex castris educti essen t, niet: militibus invltis ex castris eductis. Gum milites fortiter pugn antes caesi essen t, niet: militibus fortiter pugnantibus caesis..
Ablativus absolutus.
311
§ 424â426.
nou geeft, of door een substantivum, dat den persoon aanduidt met betrekkiug tot zijn bijzondere werkzaamheid, zooals: adjütor; auctor, dux, judex, praeceptor, testis, tot zijn ambtelijke waardigheid, zooals: consul, praetor, rex, imperator, en tot zijn leeftijd, zooals: puer, puerülus, senex. B v. Deo propitio, wanneer God yenadiy is. I' aire vivo, bij hel leveti van mijn vader. X a-tura duce, onder de leidiny der natuur. Cicerone con sul e, onder het consulaat van Cicero. Xo 1)is puöris, toen wij kinderen waren. Deze coustructie vindt hare verklaring daarin, dat er in het Latijn geen participium praesEus of perfectum van het verbum sum bestaat. â % § 425. Vooral bij Livius en lateren vindt men soms een ablativus absolutus gebruikt, die schijnbaar het subject mist en enkel uit een participium bestaat en wel:
1°. wanneer er een pronomen demonstrativum of indefini-tum is uitgelaten, dat door een relativum nader verklaard wordt. B.v. Hannibal Ibërum co pi as trajëcit prae missis, qui Aipium trausïtus specularentur, Hannihnl trok met zijn troepen over den Ehro, nadat hij er eeni(jen vooruitgezonden had om den overtocht over de Alpen te verkennen.
2°. wanneer bij do participia audit o, cognïto, com pert o; exp'o-rato, d esperato, nuntiato, e die to en eeuige anderen, een ga-heele zin de plaats van het subject vervangt. B.v. Hanuibal. cognïto sibi insidias parari, fuga salutem quaeslvit, Hannibal bemerkt hebbende, dat hem hinderlagen gelegd werden, zocht zijn heil in de vlucht. Somtijds wordt op deze wijze in plaats van eeu participium een adjectivum gebruikt. B.v. Multi annantes navibus, in-certo (= cum incertum essct) prae tenëbris quid peterent a ut vitarent, foede iuterierunt.
Aanmerking'. Sointjjds hebben sommige substantiva en adjectiva, die dienen ter aanduiding van het weder, en eenige participia iu den ablativus de kracht van een ablativus absolutus. B.v. Humor allapsus extrinsecus, ut in tectoriis videmus austro (â cum auster est), su do rem videtur imitari. Sereno (caelo), bij helderen hemel. Tranquillo (mari), hij een kalme zee. fn cujus a m nis transgress u, multuni cortato (= cum multum certatum esset), pervf-c i t B a r d a n e s.
Somtijds vindt men ook een ablativus absolutus met een pronomen possessivum of demonstrativum, met nullus of een genetivus possessivus. B.v. Minus facile eam rem imperio nostro con-sequi poter a nt. Obviam fit Miloni Clodius expeditus, nulla raeda, nullis impedi mentis, nullis Graecis comitibus.
§ 426. In den ablativus absolutus blijven de pronomina, welke op het subject van den hoofdzin terugzien, onvertaald, behalve wanneer de duidelijkheid of nadruk anders eischt. B.v. Cae-
Gerundivum en gerundium.
312
§ 427.
sar, Pompejo victo, in Galliam profeetus est, Caesar vertrok naar Gallië, nadat Pompejus door hem overwonnen was. Occasione oblata Romam profeetus sum, nadat mij de gelegenheid ivas aangeboden, hen ik naar Bome vertrokken. Quis potest aut deserta per se patria aut oppressa beatus esse?
Hetzelfde geschiedt wanneer de pronomina op een ander woord van den hoofdzin terugzien en door de weglating geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Carthaginienses Regülum, resectis(ei) palpëbris, vigilando necaverunt.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER HET GERUNDIVUM EN GERUNDIUM.
§ 427. Het gerundi vum (Vgl. § 108â111) kan verschillende beteekenissen hebben.
lu. In den nominativus en in den accusativus cum infinitive beteekent het, dat iets moet gedaan worden. B.v. Epistöla scribenda est, de brief moet geschreven worden. Scimus, epistölam esse scribendam, wij iveten, dat de brief geschreven moet worden.
K *2°. In de casus obliqui kan het dezelfde beteekenis hebben, maar ook dat iets gedaan wordt; als zoodanig vervangt het de plaats van het ontbrekende participium praesens passivum. B.v. S u-perstitione tollen da non tollïtur religio, doordat het hijgeloof vernietigd wordt, wordt de godsdienst niet vernietigd.
lt;*3°. Met een ontkenning of vix, in vragen en vooronderstellende zinnen gaat de beteekenis van moeten dikwijls over in die van mogen. B.v. Auctor minïme spernendus, een schrijver, dien men volstrekt niet gering mag achten. Homo vix ferendus, een niensch, dien men niet gaarne mag lijden. S i Circe et Calypso mulië-res appellandae sunt, zoo Circe en Calypso vrouwen genoemd mogen worden.
*4°. Met vix heeft het ook de beteekenis van kunnen. B.v. Dolor vix ferendus, een bijna ondragelijke pijn, een pijn, die men nauwelijks verdragen kan.
Aanmerking I. In het Nederlandsch kan het begrip van m o e-ten ook uitgedrukt worden door te met de onbepaalde wijs. B.v. Vir maximopëre colendus, een man, die hoog vereerd moet worden of een hoog te vereeren man. De onbepaalde wijs met te duidt echter ook het begrip van kunnen aan. B.v. Deze
Gerundivum en gerundium.
§ 428.
313
ziekte is niet te genezen â deze ziekte kan niet genezen worden. Men vertale nu niet: hic morbus sanandus non est (dit be-teekent: deze ziekte moet niet genezen worden) maar hic morbus sanari non potest. De hrand ivas niet te iZwssc/iert, uiet: in cen-dium restinguendum non erat, maar: incendium rest i n g u i non p o t e r a t.
Aanmerking 11. Hoogst zelden vindt raeu het gerundivum van een verbum transitivum onpersoonlijk met een object gebruikt. B.v. Lou gam aliquam viam eonfecisti, quam nobis quoque ingredien-dum est in plaats van quae nobis quoque ingredienda est. Men volge deze constructie niet na.
§ 428. Bij het object der verba van geven, overgeven, op zich nemen en dergelijken (do, trado, man do. mitto, permitto, impöno, propöno, concëdo, relinquo, acci-pio, suspicio, loco, verhuren, condüco, huren), wordt het gerundivum gevoegd om aan te duiden, wat met het object moet geschieden. In het Nederlandsch gebruiken wij meestal een substantivum verbale of een infinitivus. B.v. Dux urbem mili-tibus diripiendam tradïdit, de veldheer gaf de stad aan de-soldaten ter plundering over. Commoda mi bi li brum legen-d u m, leen mij een boek om te lezen.
In het passivum wordt het gerundivum in den nominativus bij het subject gevoegd. B.v. Liber mi hi legen dus datur. Summa rerum data est tuenda.
T-Zoo het object dezer verba niet iets moet ondergaan, maar dient om iets te doen, gebruikt men ad met het gerundium. B.v. Commoda mihi cal it mum ad scribendum, leen ni ij een pe)i om te schrijven. quot;kDeze constructie staat ook bij curare in de beteekenis van laten. B.v. Conon muros dirütos a Lysandro reficiendos cu-ravit, Conon liet de muren, die door Lijsander verwoest waren, weder oj)houwen.
*A an merking. Laten wordt in het Latijn vertaald:
lu. = zorgen door curare. Zie bovenstaand voorbeeld.
20- = hevelen door jubëre, imperare, edicëre. B.v. Caesar tertiam legiouem opus perfieëre jussit.
3°. = toestaan door sinëre,'permittëre. B.v. Sine (permitte ut) paulisper foras exe am, oonfestim reveniam.
4°. â dulden door pati B.v. Cur injuriis te lacessi patëris.
S0- = maken dat iets geschiedt door facëre, efficëre. B.v. Mei tei inferveat facito. .â
6°. = voorstellen (in een geschrift of tooneelstuk). Vgl. § 351. 2°. A. II.
7°. door het passivum. B.v. Tondëri, zich laten scheren. Deter-rëri, zich laten afschrikken. Hoc facile intellegïtur, dit laat zich
312 Gerundivum en gerundium. § 427.
sar, Pompejo victo, in Gallia m profeetus est, Caesar vertrok naar Gallië, nadat Pom pejus door hem overwonnen was. Occasione oblata Romam profeetus sum, nadat mij de gelegenheid was aangeboden, hen ik naar Bome vertrokken. Quis potest aut deserta per se patria aut oppressa beatus esse?
Hetzelfde geschiedt wanneer de pronomina op een ander woord van den hoofdzin terugzien en door de weglating geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Carthaginienses Regülum, reseetis (ei) palpëbris, vigil an do ne cave runt.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER HET GERUNDIVUM EN GERUNDIUM.
§ 427. Het gerundivum (Vgl. § 108â111) kau verschillende beteekenissen hebben.
lu. In den nominativus en in den accusativus cum infi-nitivo beteekent liet, dat iets moet gedaan worden. B.v. Epistóla scribenda est, de brief moet geschreven worden. Scimus, epistölam esse scribendam, wij iveten, dat de brief geschreven moet worden.
X.*20. In de casus obliqui kau het dezelfde beteekenis hebben, maar ook dat iets gedaan wordt; als zoodanig vervangt het de plaats van het ontbrekende participium praesens passivum. B.v. Su-perstitione tollen da non tollïtur religio, doordat het bijgeloof vernietigd wordt, wordt de godsdienst niet vernietigd.
lt;*3°. Met een ontkenning of vix, in vragen en voorouder-stellende zinnen gaat de beteekenis van moeten dikwijls over in die van mogen. B.v. Auctor minïme spernendus, een schrijver, dien men volstrekt niet gering mag achten. Homo vix fe ren dus, een rnensch, dien men niet gaarne mag lijden. Si Circe et Calypso mulië-r e s a p p e 11 a n d a e sunt, zoo Circe en Calypso vrouwen genoemd mogen worden.
*4°. Met vix heeft het ook de beteekenis van kunnen. B.v. Dolor vix ferendus, een bijna ondragelijke pijn, een pijn, die men nauwelijks verdragen kan.
Aanmerking I. In het Nederlaadscb kan het begrip van m o e-ten ook uitgedrukt worden door te met de onbepaalde wijs. B.v. Vir maximopëre colendus, een man, die hoog vereerd moet worden of een hoog te vereeren man. De onbepaalde w ij s met te duidt echter ook het begrip van kunnen aan. B.v. Deze
Gerundivum en gerundium.
§ 428.
313
ziekte is niet te genezen = deze ziekte kan niet genezen worden. Men vertale nu niet: hic morbus sanandus non est (dit be-teekent: deze ziekte moet niet genezen worden) maar h i c morbus sanari non potest. I)e brand was niet te blusschen, niet: ineen-dium restinguendum non erat, maar: incendium rest i n g u i non p o t e r a t.
Aanmerking II. Hoogst zelden vindt men het gerundivum van een verbum transitivura onpersoonlijk met een object gebruikt. B.v. Lou gam aliquam viam confecisti, quam nobis quoque ingredien-dum est in plaats van quae nobis quoque ingredienda est. Men volge deze constructie niet na.
§ 428. Bij het object der verba van geven, overgeven, op zich nemen en dergelijken (do, trado. mando, mitto, permitto, impöno, propono, concedo, relinquo, acci-pio, suspicio, loco, verhuren, condiïco, huren), wordt het gerundivum gevoegd om aan te duiden, wat met het object moet geschieden. In het Nederlandsch gebruiken wij meestal een substantivum verbale of een infinitivus. B.v. Dux urbem mili-tibus diripiendam trad i dit, de veldheer gaf de stad aan de soldaten ter 'plundering over. Com mod a mi hi li brum legen-d u m, leen mij een boel: om te lezen.
In het passivum wordt het gerundivum in den nominativus bij het subject gevoegd. B.v. Liber mi hi legen dus datur. Summa r e r u m data est t u e n d a.
quot;gt;-Zoo het object dezer verba niet iets moet dudergaan, maar dient om iets te doen, gebruikt men ad met het gerundium. B.v. Com-moda mihi calamum ad s c r i b e n d n m, leeti mij een pen om te schrijven. â ^Deze constructie staat ook bij curare in de beteekenis van B.v. Conon muros dirütos a Lysandro reficiendos cu-r a v i t, Conon liet de muren, die door Ljsander verwoest waren, weder ojihouiren.
''Aanmerking. Laten wordt in het Latijn vertaald:
I0- = zorgen door curare. Zie bovenstaaud voorbeeld.
-0- â hevelen door jubëre, imperare, edieëre. B.v. Caesar tertiam legionem opus perfieëre jussit.
3°. = toestaan door s i u ë r e,' pe r mi t te r e. B.v. Sine (permitte ut) paulisper foras exeam, coufestim reveniam.
4°. ~ dulden door pati B.v. Cur injuriis te lacessi patëris.
50- - maken dat iets geschiedt door facëre, effieëre. B.v. Mei ter iuferveat facit o. ' j ^ â ****,:
6°. â voorstellen (in een geschrift of tooneelstuk). Vgl. § 351. 2°. A. II.
7°. door het passivum. B.v. Tondëri, zich laten scheren. Deter-rëri, zich laten afschrikken. Hoc facile intellegïtur, dit laat zich
Gerundivum en gerundium. § 429â430.
gemakkelijk begrijpen. Multi avaritia ad turpissima scelëra rapiuntur, velen laten zich door gierigheid tot de schandelijkste misdaden vervoeren.
8°. niet laten â zich wachten door cavere. B.v. Cave ira abri-pi a r e.
9°. niet laten â verhinderen door impedire, prohibëre. B.v.Mens mali sibi couscia uoeentes trauquille dormire prohtbet.
Dikwijls blijft laten ouvertaald, wanneer het namelijk duidelijk is, dat iemand iets doet door tusschenkomst van een ander. B.v. Caesar pon-tem in Kheno feeit, Caesar liet een brug over den Jïijn maken.
§ 429. Het gerundium dient om de casus obliqui te vormen van den iufinitivus praesens activi, beschouwd als een substantivum verbale. Evenals de infinitivus stelt het gerundium het begrip van het verbum geheel onbepaald voor, regeert den casus van het verbum en wordt door adverbia en niet door adjectiva bepaald. B.v. Docendo discimus, wij leeren door te onderwijzen. Consilium condendi urbem, het plan om een stad te bouwen. Virtus satis potest ad beate vivendum, de deugd vermag genoeg om gelukkig te leven.
S Aanmerking. Ofschoon het gerundium een actieve bcteekenis heeft, wordt het toch soms in een passieven zin gebruikt. B.v. Athenas erudiendi gratia missus {r= ut erudiretur). Aqua nitrösa utïlis est bibendo (= quae bibatur).
§ 430. Zoo bij het gerundium van een verbum transitivum een object staat, verandert men gewoonlijk het gerundium in het gerundivum. Dit geschiedt op de volgende wijze; men zet het object in den naamval van het gerundium en laat er het gerundivum in geslacht, getal en naamval mede overeenkomen. B.v. Consuetüdo immolandi hommes, de gewoonte om menschen te offeren, hominum immolandorum. Tempus accommodatum est demetendo fructus, het is een geschikte tijd om de vruchten, te oogsten, fructibus de meten dis. Puer propensus est ad legendum libros, de knaap is geneigd om hoeken te lezen, ad libros 1 ege n dos. Multi neg 1 egen tes sunt in eligendo amlcos, velen zijn onachtzaam in het kiezen hunner
vrienden, in amicis eligendis.
Hoogst zelden staat een accusativus objecti bij het gerundium van een verbum transitivum. B.v. Oblivisceudum est scelera.
^Aanmerking 1. Zoo het gerundium in den genetivus staat en de pronomina personalia me, te, se nos, vos tot object heeft, gebruikt men bij de verandering in het gerundivum altijd den vorm op i, zonder naar geslacht of getal te zien. B.v. Muiier sui servandi causa aufügit. Non vereor, nequis hoe mevestr.adhor-tandi causa magnifïce loqui existimet.
314
Gerundivum en gerundium.
§ 431â433.
315
Aanmerking II. Somtijds vindt men ook bij goede prozaschrijvers een genetivus pluralis verbonden met den genetivus van het gerundium van een verbum transitivum. B.v. Exemplorum eligendi potestas. â -jaa tx ii 'w*. â ,
§ 431. De verandering van het gerundium in het gerundivum moet geschieden, zoo het gerundium in den genetivus staat afhangende van causa of g r a t i a, in den accusativus of ablativus afhangende van een praepositie Kof in den d a t i v u s.
*§ 432. De verandering van het gerundium in het gerundivum pleegt niet te geschieden:
1°. wanneer het object van het gerundium een pronomen of ad-jectivum neutrius generis is eu door vorm en sameuhaug niet van het mannelijk geslacht te onderscheiden is. B.v. Studium illud videndi (niet illius videndi). Parvanon coutemnendo majores nostri maximam hanc urbem fecerunt (uiet par vis non contemnendis).
Wel heeft die verandering plaats, wanneer op het pronomen of adjec-tivum neutrius generis het neutrum quae volgt en het onzijdige adjec-tivum een substantivum abstractum is. B.v. Inparandis iis quae ad vitam degendam necessaria sunt. Veri videndi cupiditas.
2Ã. wanneer men eenige vormen op orum of arum bij elkander zou krijgen. B.v. Effëror studio liberos vestros videndi (niet liberorum vestrorum videndorum).
3°. wanneer bij tegenstellingen de nadruk op het verbum valt. B.v. Injurias ferendo majorem laudem mereberis quam ul-ciscendo.
40. in de uitdrukking suum cuique tribuendo. B.v. An tl qui faciles erant in suum cuique tribuendo.
§ 433. De genetivus van het gerundium staat:
1°. bij substantiva op de vraag wat voor een. In het Ne-derlandsch gebruiken, wij gewoonlijk óf een infinitivus met om te of een praepositie óf een samengesteld zelfstandig naamwoord óf een bijstelling. B.v.
als genetivus subjectivus: difficultas navigandi, de moeilijkheid om te varen of der scheepvaart; temerltas judicandi, onbezonnenheid in het oordeelen.
als genetivus objectivus: spes vincendi, de hoop om te overwinnen, op overwinning; cupiditas pugnandi, de begeerte om te strijden, strijdlust.
als genetivus epexegeticus; nomen carendi, het woord missen.
2°. bij de adjectiva, welke den genetivus regeeren. B.v. Ut equus equitandi imperlto inutïlis est, ita libri sunt inutïles ignaro legendi, gelijk een paard zonder nut is voor
Gerundivum en gerundium.
§ 434.
316
iemand, die onervaren is in het paardrijden, zoo zijn hoeken nutteloos voor iemand, die niet kan lezen.
3°. bij de ablativi causa en gratia. B.v. Canes venandi et custodiendi causa facti sunt, de honden zijn geschapen om te jagen en te waken.
4°. met esse om uit te drukken, waartoe iets dienstig is. In deze beteekeuis moet het gerundium altijd een object hebben en in het gerundivum veranderd worden. B.v. Regium imperium initio con-servaudae libertatis fuerat, het koningschap had in het begin gediend om de vrijheid te bewaren.
*Aanraerking. quot;Wanneer de substautiva tempus, c o n s i 1 i u m,-^. mos, consuetudo, jus, occasio, enz. verbonden zijn met e s t,-vnji, moet men goed toezien of de genetivus van liet gerundium (op de vraag wat voor een) of de infinitivus subjecti (op de vraag wat) gebruikt moet worden. Zoo zegt men: mos adversandi turpis est,
doch: ejus mos est ad versari; non est mihi tempus ad haec respond en di, doch: tempus jam est de hac re dicëre. Dikwijls bepaalt de opvatting des schrijvers de eeue of andere constructie. B.v. , Tempus est abire of a b e u n d i. ^X'
Bij facultatem, copiam, locum Q/elegenKeia), s~ignum dare, causa of ratio est, princeps of auctor sum (existo) alieni kan in plaats vau den genetivus ook ad met den accusativus van het gerundium staan. B.v. Oppidum mag nam a ^ u m bellum dabat facultatem. Archias Ciceroni princcps exstïtit ad ingrediendam optimarum artium rationem.
§ 434. De dativus van het gerundium staat:
lo. bij sommige adjectiva, die den dativus regeeren, vooral : utilis, inutïlis, aptus, idoneus, accommodatus, par, impar. B.v. Arböres hiëme inter du m tanta nivis copia obtectae sunt, ut ejus onëri sustinendo vix pares sint, de hoornen zijn des winters soms met zooveel sneeuw beladen, dat zij nauwelijks in staat zijn den last daarvan te dragen. De beste schrijvers voegen echter gewoonlijk bij deze adjectiva ad met den accusativus van het gerundiunx^eji^!^^ ^ ^
2o. bij sommige verba en uitdfulcltingéTTTlIie den dativus regeeren, om het doel aan te geven, vooral: intentum esse, opëram dare, cur am impertire, praeesse, diem dicëre, locum capëre, satis esse en esse in de beteekenis van kunnen, in staat zijn. B.v. Consul placandis diis dat operam, de consul tracht de goden te verzoenen. Onëri ferendo sumus, wij kunnen den last dragen.
3°. I)ij de composita van v i r, die een ambt of waardigheid aanduiden, alsmede bij comitia om het doel aan te geven. B.v. Triumviri reipublicae c o n s t i t u e n d a-e, de driemannen ter regeling van
§ 435â436. Gerundivum en gerundium. 317
den staat. Comitia consuli creando, de volksvergadering voor het kiezen van een consul.
Aaumerkiug. Behalve in eenige geijkte uitdrukkingen, zooals non solven do esse, niet in staat zijn om te betalen, scribendo a d e s s e, als getuige tegenwoordig zijn hij het opmaker van een document, komt de enkele dativus van het gerundium bijna niet voor. Men zegge derhalve: idoneus ad imperandum (niet impe-rando), finem scribendi facere (niet scribendo^.
§ 435. De accusativus van het gerundium staat alleen afhangende van een praepositie. Het meest komt ad voor ter aanduiding van een doel, soms ob, en bij confer re, trans-ferre, convertere ook in. B.v. Breve tempus aetatis satis longum est ad bene beate que vivendum, de korte tijd des levens is lang genoeg om goed en gelukkig te leven. Plagi-tiosum est ob rem judicandam pecuniam accipëre. Cicero quidquid habuit virium, id in civium liber-tatem defendendam contülit.
Aanmerking I. Van de overige praeposities wordt het meest nog i n t e r0 gebruikt, waarbij echter gewoonlijk het gerundium gevoegd wordt, mét hef gerundivum. B.v. Mores puerornm se iuter l u d e n d u m simplicius detëgunt.
Aaumerkiug II. üe dichters zetten meermalen den infinitivus in plaats van het gerundium in den genetivus of in don accusativus met ad. B.v. Ajax cedöre uescius in plaats van cedendi. Proteus pecus egit altos visere montes in plaats van ad visendos m o n t e s.
§ 436. Do ablativus van het gerundium staat gewoonlijk:
1°. als ablativus causae of instrument i. B.v. Ho mi nis mens discendo alltur et c o g i t a n d o', de menschelijke geest wordt gevoed door leeren en denken. Caesar dan do, sublevando. ignoscendo, Cato nihil largiendo gloriam adeptus est.
2°. afhangende van in, ab, ex, de, soms pro. B.v. In vo-luptate spernenda virtus vei maxime cernïtur, in het verachten der genoegens komt de deugd wel het meeste uit. Ab amando ductum est amicitiae nomen. Summa voluptas ex discendo capitur. Multa de bene beatëque vivendo a Platone disputata sunt.
Soms staat de ablativus van liet gerundium in plaats van het participium praesens. B.v. Quis talia fando tempëret a lacrimis!
*Aan merking. De Nederlandsche praepositie zonder mag nooit vertaald worden door sine met den ablativus van het geruudium of gerundivum. Men gebruikt daarvoor een der volgende uitdrukkingen:
Supina.
§ 437.
318
1 1°. een ontkenning met een participium conjunctum of ablativus absolutus. B.v. R o ra a n i non rogati Gr-aecis auxiHum offPrunt. Nullo resistente aut repugnant e a 1 i q u i d f a c i o.
2°. een ontkennend adj ecti vum, zooals: ignSrus, inscius, insciens, inspërans, imprndens. B.v. Agesilitus omnesin Asia satrïtpas regios imp aratos imprudentesque offendit.
3°. ut non, en zoo er een ontkenning voorafgaat, qui non of quiu. B.v. Multi malunt existimari boni viri, ut non sint, quam esse, ut non putentur. Alexander Magnus cum nullo uuquam hoste congressus est, quem non vicerit. Nullum ad hue inter misi diem, quin aliquid ad te litterarum darem.
4°. nisi. B.v. Nullum imperium est tutum, nisi ben e-volentia munltur. Nihil praecepta at que artes valent nisi adjuvante natura.
5°. c u mv met een ontkenning en den conjunctivus. B.v. Abiisti, cura nihil mihi dixisses.
6°. neque of et â non. B.v. Multi pro bant oratores et poëtas neque intellegunt, qua re commöti proben t.
7Ã. sine met den ablativus van een substantivum. B.v. S e n-sim sine sensu aetas senescit {zonder dat men het voelt.)
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DE SUPINA.
§ 437. Het supinum op um staat bij verba, die een beweging van de eene plaats naar de andere aanduiden (vooral mit-tëre, venire, ire), om het doel der beweging aan te geven. Het regeert den casus van zijn verbum. B.v. Divitiacus Romam ad senatum venit auxilinm postulatum, Divitiacus kwam te Rome hij den senaat om hulp te vragen. Agesilaus Ephësum hiematum exereïtum reduxit.
Men zegt ook filiam alicni nuptum dare, zijn dochter aan iemand uithuwelijken; aliquem sessum recipëre, iemand een zetel aanbieden.
*Aan merking. In het algemeen wordt het supium op um, wanneer het een object of adverbium bij zich heeft, door goede schrijvers niet veel gebruikt; ook komen de omschrijvende uitdrukkingen raet ire, zooals: perdïtum, raptum, ultum ire, vooral bij lateren en bij dichters voor. Geijkt is cubïtum ire, naar bed gaan.
In plaats van het supinum op um gebruikt men liever qui (vooral bij mittere) of ut met den conjunctivus, causa met den gene-tivus en ad met den accusativus van het gerundium of gerundivum. Men kan derhalve zeggen: Legati Delphos missi sunt, consultum Apollinem, ut of qui eonsulërent Apollinem, ad consulendum Apollinem, Apollinis consul en di causa.
Gebruik van sommige substantiva.
319
§ 438â439.
Bij veuire staat ook het participium praeseus. B.v. Legati venerunt pacem petentes. Vgl. § 419. A. IV.
§ 438. Het supinum op u, dat altijd een passieve beteekenis heeft, wordt gevoegd bij sommige adjectiva en onverbuigbare substantiva, waar wij om te met de onbepaalde wijs gebruiken. B.v. Turpe dictu est, het is schandelijk om te zeggen. Ple-raque dictu quam re sunt faciliora, de meeste zaken zijn gemakkelijker om te zeggen dan om te doen.
*Hefc supinum op u wordt slechts bij weinige woorden gebruikt, het meest nog bij: difficïlis, facïlis, honestus, incredibïlis, jucundus, mirabïlis, optimus, procllvis, turpis, u 111 i s , alsmede bij fas, hetgeen geoorloofd is, en n e f a s, hetgeen ongeoorloofd is. Vgl. § 272. A. li.
De meest gebruikelijke supiua op u zijn: dictu, factu, audit u^ eognïtu, visu, adïtu, zeldzamer: memoratu, inventu, intellectu, transitu, perpessu.
*Aaiimerki ng. Bij facïlis, difficïlis en jucundus gebruikt men in plaats van het supiuura op u wel zoo dikwijls ad met het gerundium, of zoo deze adjectiva in het neutrum staan den iufiniti-v us. Men kan zeggen: haec res facilis est dictu of haec res facilis est ad diceudum ofhanc rem facile est dicere. Men zegt echter geregeld difficile dictu en factu est.
In het algemeen is het gebruik van het süpinum op u zeer beperkt.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN SOMMIGE SUBSTANTIVA.
§ 439. Verschillende adjectiva zijn volkomen in substantiva overgegaan en kunnen geheel als zoodanig beschouwd worden. B.v. B o n u m, het goede, amicus, vriend, servus, slaaf, simïle, gelijkenis, commune, gemeente. Men zegt dus zeer goed : summum b o n u m, fidelis amicus.
Andere adjectiva komen als substantiva voor in sommige spreekwijzen, waarin veelal een bepaald substantivum wordt uitgelaten. B.v. C a n i (capilli); c a 1 ï d a m, f r i g ï d a m (aquam) l a i TT; primas, s ecu n-das (partes) agere; d e x t r a, s i n i s rf^a (manus); a e s t T v a, hiberna, statTva (castra); Tusculanum (praedium).
De overige adjectiva worden gewoonlijk slechts als substantiva gebruikt;
1°. wanneer zij van het mannelijk enkelvoud zijn, in den genetivus bij est (en in den aecusativu^ B.v. S t u 11 i est in errore perseverare, het is eigen aan een dwaas om in zijn dwaling te volharden. Plurimum interest inter doctu met rudem, er is een zeer groot verschil tusschen een geleerde en een omvetende.
2°. wanneer zij van het o n z jj d i g enkelvoud zijn en tot de tweede declinatie behooren, in den nominativus subject i, den accusativus subjecti en object i, den genetivus partitivus (Vgl. § 245. 5°.) en in verbinding met praeposities. B.v. Nihil n o v i, niets nieuws. Aliquem de medio tollëre.
Gebruik van sommige substantiva.
§ 440.
320
iemand uit den weg ruimen. Naves in arïdum subdueëre, de schepen op het drooye trekken. Vgl. § 245. 3°. A. I.
3°. wauneer zij vau het m a n ii e 1 ij k (6fquot;quot;équot;n zijcfigmeervoud zijn, in alle n a a m v a 11 e nM mits er y geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Et pauperes et divites m o r re èT u 't^zoowel de rijken als de armen zullen sterven. Omnia h u m a n a sunt fragilia, al het menschelijke is vergankelijk. Zoo de volgende zin: ambiguorum p 1 u r a genera sunt, niet door den samenhang verklaard wordt, zal hij onduidelijk zijn, omdat er zoowel dubbelzinnige personen als dubbelzinnige zaken bedoeld kuuuen zijn.
Aanmerking I. Zoo de adjectiva niet als substantiva gebruikt mogen worden, omschrijft men hen, de mannelijke met vir, of homo, de vrouwelijke met femina, de onzijdige met res, allen met relatieve zinnen. B.v. De brave doet niemand leed, homo probus of is qui probus haberi vult, neminem laedit. Memoria rerum praeteritarum. A rebus turpi bus abhorrëre. Ea, quae utilia sunt. Vgl. g 185. A. II. 3°.
Aanmerking II. Het onzijdig enkelvoud wordt gewoonlijk gebruikt, wanneer men het begrip van liet adjeetivum als een substanti vum abstractum wil aanduiden. B.v. B o n u m , het goede, malum, het kwade. Somtijds geeft het iets concreets te kennen. B.v. Gratum face re alicui, iemand een aangenamen dienst heivijzen. V e r u m (nooit veritatem) d i eer e, de waarheid zeggen. i-J-*
Het onzijdig meervoud wordt gewoonlijk gebruikt om de bijzondere zaken, die de eigenschap van het adjeetivum bezitten, als een su b s t au ti vu m een er et u m nan te duiden. B.v. Humana d e s p ice r e, vera et falsa dignoseëre, turpia et inhonesta fugëre.
Aanmerking III. Do als substantiva gebruikte adjectiva hebben gewoonlijk slechts adjectiva van hoeveelheid eu pronomina bij zich. B.v.
docti, om n es boni, n I i '[ n Vf pauperes. De andere adjectiva moeten omschreven worden. B.v. De grootste geleerden, doctis-s i m i (met of zonder homines). Een grooter geleerde, homo d o c t i o r. Uitstekende geleerden, homines doctrina excelleutes of homines eximie docti.
§ 440. De Litijneu gebruiken gaarne nomina concreta, waar wij abstracta aanwenden:
1°. om den ouderdom aan te geven, waarin of sinds welken iemand iets gedaan heeft, zooals: pvier, adoleseens, adole-scentülus, juvönis, sen ex, grandis nat u^in plaats van in p u e r i t i a, enz. en a b infante, a p a r v ü 1 o, 'a pli ë r o, a b adolescent ulo (bij meerdere personen in het meervoud) in plaats van a pueritia, ab adolescentia, enz. B.v. C a t o a d m ö d u m senex Graeeas litter as didïcit. Cicero ejusque frater ingenuis artibus a pueris dedïti fuerunt.
2°. wanneer de namen van ambten alstijdsbepaling worden gebruikt. B.v. Cicerone consulein plaats van in consulatu Ciceronis ; ante (post) Ciceronem consulein iu plaats van ante (post) consulatum Ciceronis. Scipio anno ante me een sore m mortuus est. Men kan echter het nomen abstractum behouden, wanneer het nomen concretum als appositie van het subject
1
§ 441 â443. Gebruik van sommige subslantiva. 321
zon staan. B.v. C 1 o d i u s t r i b u n u s p 1 e b i s of i u tribunatu p 1 o b i s leges c i v i t a t i peruiciosissimas t n 1 i t.
S 441. Somtijds gebruiken de Latijnen abstracta in plaats van e o ii e r e t a. Als zoodanig komen het meest voor; nobilïtas (nobiles), juventus (juvenes), vieinïtas (vicini), servitium (servi), le vis ar mat ur a (leviter armati), posterïtas (pcsteri), legatie (legati). B.v. L'egendus est Gracclius orator, si quisqnam alius, juventuti. N u s q ua m b e n i g n e i e g a f i o audita est.
Meermalen zet men in het Latijn een substantivum abstractum in plaats van een Nederlandsch adjectivum, waarop een bijzondere nadruk valt. B.v. Nonne seis Milonem brachiorum rob ore nimis fretum periisse . veef yij niet, dat M.ilo stierf omdat hij zich te veel up zijn krachtige armen verliet? Nulla re ma gis odiosus mi h i es quam jactantia oration is, door niets zijt gij onuitstaanbaarder voor mij dan door mee hoogdravende taai. Het gezond verstand zij altijd onze sids bij het toepassen der Latijnsche eigenaardigheden. quot;Wie toch zal coximus bonitatem panis als vertaling durven leveren van den zin: wij hebben goed brood gebakken, of wie zal durven zeggen, zoo hij een geleerd man gesproken heeft; locutus sum cum doctrina v i r i.
§ 442. Meermalen wordt een Nederlandsch adjectivum vertaald door den genetivus van een Latijnsch s u bstantivum, vooral zoo er in het Latijn geen passend adjectivum bestaat. B.v. Zinnelijke genoegens, corporis voluptates, lichamelijke smart, dolor corporis, philosophise he leerstellingen, praecepta philosophiae, mathematische berekeningen, mathematicorum rationes, priesterlijke rechten, jura sacerdotum, revolutionaire plannen, a n d a e i u m c i v i u m c o ii s i 1 i a,- vijandelijke legerplaats, h ostium castra.
Niet zelden wordt een Nederlandsch adjectivum vertaald door een substantivum met een conjunctie c o p u 1 a t i v a of door een omschrijving met p 1 e n u s. Zoo heet een lafhartig verraad proditio a t q u e i g n a v i a of proditio plena i g n a v i a e, wijze gematigdheid moderatio et sapientia, een verkwikkende rust r e q u i e s plena oblectationis.
Soms is het begrip van een Nederlandsch adjectivum reeds begrepen in een Latijnsch substantivum. B.v. Zinnelijke lust, libido, uitwendige glans, splendor, innerlijke kracht, virtus, grondige kennis, perspi-cientia, een onberispelijk gedrag, innocentia, de denkende geest, m e n s.^
Soms wordt oen Nederlandsch samengesteld zelfstandig naamwoord. vertaald door een substantivum met een adjectivum. B.v. Wijnkelder, c e 11 a vinaria, vrachtschip, navis o n e r a r i a. Ook wel door twee substantiva verbonden door een conjunctie copulativa. B.v. zivaartekraeht, gravitas et pondus, ooggetuige, testis et spectator. Vgl.§ 250. A.
XATTVW IAV4 vwsAxA.
g 443. Nederlandsche substantiva vallen in het Latijn dikwijls geheel weg of worden enkel aangeduid door het n e u t r u m van een p r o n o-m e n demonstrativu m. Dit geschiedt:
lquot;. met zulke substantiva, die op een volgenden accusativus cum i ii f i n i t i v o of z ij d e 1 i 11 g s c h e vraag wijzen, zooals : waarheid, woord, uitspraak, bemerking, waarneming, meening, overtuiging, oordeel, stelling. B.v. Ik houd de meening vast, dat slechts de wijze gelukkig is, ^o c^.t e n e o , b e a t u m esse n e m i n e m nisi sapientem.
i 21
cX/C
Gebruik van sommige substantiva.
322
§ 444â445.
Bij allen slaat deze waarheid rast, dat niemand vóór den dood yelukkiy te noemen is, inter o m u e s hoc constat, 11 e m i n e m ante mortem beatüm esse praedicandum. Geef mij een stuf, waarover ik schrijven kan, m i h i da, de quo scriba ni. Wij hehhen (je.e,n middel om van te leven, u on h a b e m us u n d e v i v a m u s.
2°. met zulke substantiva, die op eeu 'volgenden zin met u t wijzen, zooals: doel, voordeel, eigenschap, hron, vrucht. B.v. Hannibal beoogde gedurende zijn gansche leven slechts dit e'éne doel, de vernietiging de)- Eo-meinsche macht, Hannibal per omnem vit am hoc unum seen t us est, ut Romanorum p o t e s t a t e m exstinguëret.
§ 444. Nederlandsche substantiva worden dikwijls omschreven door participia en wel:
lquot;. door het participium praesens, wanneer iets ge 1 ij kt ij d i g plaats heeft. B.v. Orane malum nascens facile opprimïtur, alle kicaad wordt in de geboorte gemakkelijk onderdrukt. Nemo laborantera me a dj u vit, niemand heeft mij in mijn nood ondersteund. 8 p e-eiem timentium praebetis, gij doet vrees vermoeden.
2°. door het participium perfectum, wanneer de handeling als geschied en door het gerundivum, wanneer de handeling als nog niet geschied gedacht wordt. In den nominativus en in den accusativus cum infinitive kan het gerundivum niet op deze wijze gebruikt worden (Vgl. § 427. lu.). Meu kan hier ook do praeposities ad, ante, o b, post, propter, a b, de, ex, in gebruiken. B.v. Caesar e inter-ficiendo Brutus et Oassius patriae libertatem restituëre conati sunt, Brutus en Cassius trachtten door de vermoording van Caesar hun vaderland weder vrij te maken. Caesar e interfecto Brutus et Cassius patriae libertatem non restituerunt. A b oppugn anda N e a p ö li llannibalem absterruere conspecta ra o e n i a; het gezicht der muren deed Hannibal afzien van de belegering van Napels. Bar bil rus quidam Hasdrubalem ob iram interfecti ab eo do mini obtruncavir. Primus liber est de conté mnenda mor te. Ante urbem condïtam.
§ 445. Meermalen worden Nederlandsche substantiva omschreven:
1°. door infinitivi. B.v. Affer argumenta, qui bus Deum esse demoustretur, geef de bewijzen voor het bestaan van God. Saepenumero acctdit, ut careamus voluptate, qua frui jucundissimum nobis er at, dikwijls gebeurt het, dat wij een genoegen missen, wélks genot ons hoogst aangenaam zou zijn.
2°. door zij delingsche vragen. B.v. Uiligenter co n side ra n-dum est, quid ex om ui re even ire sol eat, men moet de gevolgen van iedere handeling met zorg overdenken. Die quid sentias, zeg uw gevoelen. V i d e n d u m est, quo sua q u e m q u e n a t u r a max i m e ferre videatur, men moet op ieders natuurlijke neiging letten.
3°. door bijzinnen met conjuncties. B.v. Mali, dum mortem in stare sentiunt, timore et so 11 i ci t u di n e afficiuntur, bij het gevoel van de nadering des doods worden de boozen met vrees en onrust vervuld. Hector nee precibus pat ris nee matris lacrimis de-ter rit us est, qu om in us eer tarnen cum Achille iniret. Hector liet zich noch door de gebeden zijns vaders noch door de tranen zijner moeder ' van den strijd wet Achilles terughouden.
Aanmerking. Op bovengenoemde wijze worden ook Nederlandsche
§ 446â447. Gebruik van sommige substanliva.
adverbia prouominaüa omschreven. B.v. Ik ben daanan overtuiycl, per-s u a s i animo, rem i fc a se li a b e r e. Hij geeft daarvoor de reden aan, rationem affert, cur ita fiat. Veel heeft mij daarin helemmerd, multa impedi verunt, quominus id facerem.
§ 446. Nederlaudscbe substantiva worden vertaald door relatieve zinnen:
lo, wanneer er in liet Latijn enkel substantiva op tor, trix aanwezig zijn en een persoon moet aangeduid worden, die slechts voor een enkele maal een zekere handeling verricht. Zoo heet hij. die een enkele maal een redevoering houdt, niet orator, maar is, qui dicit (dixit, dieet). Zoo ook: praemia iis, qui optime ceeinissent, proposïta e r a n t, er waren belooningen uitgeloofd voor de heste zangers.
Aanmerking. Ofschoon de verbalia op tor, trix in den regel slechts zulke personen aanduiden, welke de gewoonte of' het beroep hebben van zekere handeling te verrichten, zoo mogen zij echter ook gebruikt worden van iemand, die slechts eenmaal zekere handeling verricht heeft, maar daardoor een historische persoonlijkheid geworden is. B.v. Romulus condïtor urbis fuit. Thomistocles patriae liberator. Cicero Ver ris aceusator.
2°. zoo zij de beteekeuis hebben van gesel, partij genoot, leerling, enz. B.v. De partjgenooten van Caesar, qui stabant cum Caesar e. De volgelingen van Pythagoras, qui a Pythagora p r o f e e t i s u n f. De leerlingen van Plato, qui sunt a P I a t o n e.
3o. ter omschrijving of versterking van den zin. B.v. Met Gods hulp heb ik al mijn wenschen verkregen, Deo juvante omnia, quae concupTvi, consecutus sum. Voor God bestaat er geen onmogelijkheid, nihil est quod Deus effieëre non possit.
§ 447. Sommige substantiva worden dikwijls ter omschrijving aangewend. Hiertoe behooren vooral: res, genus, modus, ratio, animus en corpus.
Ros wordt vooral gebruikt in plaats van onzijdige adjectiva en pronomina (Vgl. § 439. A. L). Somtijds heeft een pronomen neutrum betrekking op een voorafgaand res. B.v. Earum rerum ntrumque. H u m a n a r u m rerum pleraque f o r t u n a regit.
Meermalen wordt het Nederlandsche subject het door res vertaald. B.v. Het kwam tot een gevecht, res ad arm a ven it. Het gaat beter dan ik gedacht had, res melius it quam putarain.
Genus wordt evenals het Nederlandsche wijze, opzicht, betrekking ter omschrijving gebruikt. B.v. In hoe genëre, hierin. Quo in gen ere, waarin. In omni gen ere te quotidie desidëro, onder ieder opzicht verlang ik dagelijks naar u. Omni genere virtutis f 1 o r f1 r e, alle deugden bezitten.
Modus wordt vooral gebruikt ter omschrijving van adverbia. B.v. Hoc mod o of in hunc raoduni locutns est, hij heeft aldus gesproken. Mirum in modum gaudeo, ik ben zeer verheugd. Vgl. § 263. A. I.
liatio, dat eigenlijk rekening, aanmerking beteekent, blijft zeer dikwijls in het Nederlandsch onvertaald. B.v. Propter rationem belli G-allici = propter bellum Grallicum. Oratio tnea, aliena ab judi-ciorum ratione = ab judiciis. Tot a igitur ratio talium largi-
323
Pronomina personalia en possessiva. § 448â45U.
tionum vitiosa est, sert interdum uecessaria = tales largiti-oues oranes.
Animus, coi-pus, Toluiitas, enz. worden dikwijls gebruikt in plaats van de pronomina personalia om meer bepaald dat deel van den mensch aan te geven, waarop de handeling van het verbum betrekking heeft. B.v. Ik heb hij mij zeiven besloten mijn ambt neer te leggen, cum animo (m e o) constitui m u n e r e me a b d i c a r e. Laten wij op die weide gaan liggen, corpora in illo prato prosternamus. Wij zullen n gaarne gehoorzamen, 1 i b e n t e s voluntati t u a e m o r e m g e r e m u s. Gij spreekt zoo zacht, dat ik u niet versta, tam summisse loque.ris, ut orationem tuam non intellëgam. Beangstig u niet langer om mij, noli diutius sollicitari meis rebus.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK DER PRONOMINA I. Pronomina personalia en possessiva.
§ 448. Meermalen wordt nos gebruikt voor ego en no ster voormens. B.v. Vides, Deraosthenem multa perficëre, nos multa conari. Totum negotium non est dignum viribus nostris, qui ma-jora on era in republica sustinere possim et soleam.
Dikwijls zet men met weglating van het pronomen hot verbum in den eersten persoon van het meervoud in plaats van het enkelvoud. B.v. Sex 1 i b r o s de republica tunc s c r i p s i m u s, cum gubernacüla reipublicae tenebamus. Virtutem satis posse ad beate vivendum supra diximus. Men moet dit meervoud niet beschouwen als een pluralis majestatis, maar als een pluralis m o-d e s t i a e, wijl raeu hierdoor zijn eigen persoonlijkheid achter die zijner lezers of hoorders tracht te verbergen.
Vos, vest er in plaats van tn, tuus mag niet gebruikt worden.
§ 449. De pronomina personalia staan dikwijls overtollig bij quidemâ sed. B.v. Ami cum tuum non^juidem odimus, sed eer te non probamus, wij haten uw vriend wel niet, maar prijzen hem toch ook niet. Hierbij valt op te mei-keu:
1°. dat in plaats van ego quidem e quidem gebruikt wordt. B.v. Divitias non equidem con tem no, sed pluris tarnen e x i s t ï m o virtutem, ik veracht den rijkdom wel niet, maar schat de deugd toch hoog er.
2°. dat men ille gebruikt als pronomen personale van den derden persoon. B.v. P. Scipio non saepe ille quidem dicebat, sed sale facetiisque om nes superabat.
3°. dat quidem altijd achter het pronomen staat, ofschoon de klemtoon op een ander woord valt. B.v. Ti bi persuade esse te quidem in i h i c a r i s s i m u m, sed m u 11 o fore cariorem, si t a 1 i b u s m o n u-mentis praeceptisque laetabere(in plaats van carissimum quidem).
§ 450. De pronomina possessiva worden gewoonlijk weggelaten, wanneer zij uit den samenhang verstaan worden; dit zal meestal geschieden, wanneer zij terugzien op het subject van den zin. B.v. Deum oculis conspicëre non possum u's. Viator es sitim aqua sed ant.
324
Pronomina refiexiva.
§ 451â453.
325
Dezo pronomiua moeten echter geplaatst worden, zoo zij den n a d r u k hebben en bij tegenstellingen. B.v. Pat rem meum, cum proscriptus non esset,jugulastis;rae domo meaper v i in expulistis; patrimonium meum possidetis. Tam mihi mea vita, quam tua tibi cara est.
Aanmerking. Wanneer de pronomina possessiva geen bezit aanduiden, worden zij dikwijls vervangen door een demonstrat;vum of relatieven ziu. B.v. Socrates sapientissimus vir illius aetatis, Socrates, de wijste man van zijn tijd. Cicero in eo libro, quem scrip sit de a m i c i t i a, Cicero in zijn boek over de vriendschap.
§ 451. Betrekkelijk de be teekenis der pronomina possessiva valt op te merken :
1°. dat zij en wel vooral suus soms de beteekenis hebben van juist, recht, passend, wettelijk. B.v. Tempore tuo pugnasti, yij hebt juist op den rechten tijd gestreden. Cicero suo anno consul est fact us, Cicero werd consul, zoodra hij den bij de wet bepaalden ouderdom bereikt had. Dikwijls vindt men meo, tuo, suo, nostro, vestro jure, met volh recht, soms optimo jure, nooit pleuo of omni jure.
2°. dat zij dikwijls gebruikt worden in plaats van de pronomina personalia om aan te duiden, dat iets van zekeren persoon afkomstig is. B.v. Multas uno tempore accüpi epistolas tuas, ik heb verscheidene brieven te gelijk van u ontvangen.
3°. dat zij dienen ter vertaling van eigen, wanneer dit de tegenovergestelde beteekenis heeft van a 1 i e n u s, wat aan een ander toebehoort. B.v. I s t u d s c e 1 u s m e i s o c u 1 i s v i d i, ik heb deze misdaad met eigen oogen gezien. A 1 i e n i s o c u 1 i s rem a g ë r e , niet door eigen oogen zien. Vgl. § 468. 3Ã.
Staat eigen tegenover gemeenschappelijk, communis, dan wordt het vertaald door proprius. B.v. Propriis vir i bus bellum g er ere, met eigen middelen oorlog voeren. I s t a calamitas communis est utriusque nostrum, s e d culpa mea propria est. Sua cu i que virtnti la us propria debetur.
§ 452. De pronomina possessiva staan gewoonlijk achter het sub-stantivum; zoo er de nadruk op valt, staan zij voorop. B.v. Meum consilium accommodabo ad tuum. Haec mea ma nu scripsi.
Zoo in denzelfden zin een pronomen possessivum en een pronomen person ale voorkomt, staat het possessivum gaarne onmiddellijk v o ó r het personale. B.v. Mea mihi conscientia pluris est quam omnium s e r m o. S e q u ë r e quo tua te n a t u r a d u ci t. S u u m se negotium a g ë r e d i c u n t.
II Pronomina reflexiva.
S 453. De pronomina reflexiva sui, sibi, se en suus. sua, s u u m worden vooreerst gebruikt, wanneer een pronomen van den derden persoon betrekking heeft op het subject van den zin, waarin het staat. B.v. Caesar se ad suos recöpitj Caesar heg af zich neder naar de zijnen. Deus agnoseïtur ex operibus suis, men leert God uit zijn werken kennen. Yerres solus cum sua cohorte relin'quitur, alleen Verres met
326 Pronomina rejlexiva. § 453.
zijn cohort wordt achtergelaten. Is de h o n o r e r e g n i c u ni Agesilao, suo patruo, contend it.
Deze regel geldt niet alleen, wanneer het pronomen van den derden persoon onmiddellijk afhangt van het praedicaatsverbuin, ' zooals Caesar se recepit, maar ook wanneer het door een ander woord van den zin geregeerd wordt, zooals Caesar se ad suos recepit. Men lette hierop vooral bij het gebruik van sui, si bi, se, omdat wij in het Nederlandsch in dit geval meermalen hem, haar, hun en niet zich zeggen. B.v. Homo placabilis injuriis sibi i 11 atis facile ignoscit, een vreedzaam mensch vergeet gemakkelijk de hem aangedane belvedigingen. Alexander praefectum e q u i t ii t u s incautius in se r u e n t e m hasta transfixit. Se ti at ui populus ipse m o d e r a n d i etregendi sui potestatem tradidit. O m n e s s u o s c a r o s h a b e t, me q u i d e m se ipso c a r i o r e m.
Zeer dikwijls gebruikeu de Latijnen het prouomeu is, waar wij volgens bovenstaaiulen regel het reflexivum zouden verwachten. B.v. Pom-pejus, cum decretum de me Capuae fecit, ipse cuuctae Italiae cupienti et ejus (niet suam) fidem imploranti signum dedit {=_ cunctae Italiae quae (reditum meum) cupiebat et ejus (Pompeji) fidem implorabat). ïhemistocles cum propter multas ejus (niet suas) virtutes magna cum dignitate viveret, Lacedaemouii legates Atheuas miserunt, qui eum absen-tem accusarent (= cum magna eum dignitate viveret â multae enim ei erant virtutes). In zulke gevallen wordt het gedeelte van den zin, waarin het prouomeu i s voorkomt, beschouwd niet als de gedachte of uitdrukking van het subject, maar van den schrijver. Somtijds ook ziet i s terug op het logische subject van den zin. B.v. Pahius a me diligitur propter summam ejus humanitatem = ego diligo Pabium propter sum-mam ejus humanitatem.
Aanmerking I. Het Nederlandsche pronomen reflexivum wordt in het Latijn dikwijls uitgedrukt door den passieven vorm van het werkwoord, B.v. Delectari, zich vermaken, falli, zich bedriegen, m o v e r i, zich bewegen, 1 a v a r i, zich baden, c o n-gregari, zich verzamelen, offerri, zich aanbieden, exerccri, zich oefenen. Wanneer de passieve vorm van het werkwoord dient ter vertaling van het Nederlandsche pronomen reflexivum, worden de omschrijvende werkwoorden zien, bevinden, gevoelen, enz. in het Latijn meestal onvertaald gelaten. B.v. C o g o r, ik zie mij gedwongen. Non excitor ut hoe faeiam, ik gevoel mij niet opgeivckt om dit te doen.
Dezelfde reflexieve beteekenis hebben sommige deponent ia, zooals: 1 a e t a r i, zich verhengen, v e s c i, zich voeden, v e r s a r i,
tronomina rejlexiua.
327
§ 454.
zich ergens ophouden, en sommige activa, zooals; abstinere, zich onthouden, defleetére, zich af keer en.
Aanmerking II. .Men mag nooit suns gebruiken, wanneer een zin twee onderwerpen heeft, die door een conjunctie met elkander verbonden zijn, en bij het tweede onderwerp hef bezittelijk voornaamwoord zijn, huur, hun terugziet op het eerste onderwerp. B.v. Alleen Verres en zijn cohort worden achtergelaten, V err es solus er ejus c o h o r s r e 1 i n q u u n t u r. De veldheer en en hunne soldaten gingen op de vlucht, duces e o r u m q u e m i 1 i t e s f u g e r u n t. Athenienses u r b e in s u a m a e d e Minervae o r n a v e r u n t e o r u m q u e magnificentia m m i r a r a est pos ter i tas. Roman i Corinth ios vice runt e or unique or na inent a in suam urbem t r a n spo r t ar un t.
Aanmerking 111. Suns wordt ook gebruikt, wanneer het terugziet op een woord, dat hoewel quot;-een subject van den zin, toch subject der handeling- is. B.v. Mul tos peccatorum suorum paenitet, velen hebben l'erotiiv over hunne zonden. Cui non educator es sui in me n te v ersantur? = quis non educatores suos in mento habet? Justo desunt sua verba doiori = justus dolor sua verba non habet.
Meerinalen ook gebruikt men ;-uus, vooral in de heteekenis zijn eigen, haar eigen, hun ei jen, ofschoon het geen betrekking heeft noch op liet subject van den zin, noch op het subject van de handeling, maar op een ander woord van den zin, waarin het staat. In dit geval mag het niet terug kunnen zien op het subject, hetgeen de persoon, het getal en de heteekenis van liet praedicaat moeten beslissen. B.v. Aristldem sui cives ejecerunt, zijn eigen burgers hebben Aristides verbannen. Scipio Syracusanis suas res res tit uit, Scipio gaf aan de Syru-cusers huntie bezittingen terug (hier heft de heteekenis van het praedicaat alle dubbelzinnigheid op). Ce pi mus coin ml) am in nido suo, wij hebbeïi de duif in haar nest gevangen. Vol a ter ran os in sua possession e r e t i n e b a m. Caesar F a b i u m cum 1 e g i o n e s n a (doch et 1 e g i o n e m ejus) r e m i 11 i t in h i b e r n a.
Zoo door het gebruik van suus echter d ü b b e 1 z i u n i g h e i d ontstaat, of wanneer het pronomen volstrekt geen nadruk heeft, gebruikt men den genetivns van is, ea, id. B.v. Accipïter coin m bam c e p i t in nido ejus. Wat zou i n nido suo betee-kenen 'i D e u ni agnoscimus ex o p e r i b u s e j u s. Y e r r i 1 i t-t e r a e complures a m n 1 t i s ejus a m i c i s a f f e r u u t u r.
In verbinding met quisque moet men altijd suus gebruiken. Eveueens moet men de zijnen, de haren, de hunnen altijd door s u i vertalen. B.v. Aequïtas t o 1 111 u r om nis, si habere suum cuique non licet. Id maxime quemque decet, quod est cuj usque maxime suum. Conserva tuis suos.
§ 454. De pronomina reflexiva worden vervolgens gebruikt, wanneer in den accusativus cum infinitivo een pronomen van den derden persoon terugziet op het subject van den
Pronomina reflexiva.
828
§ 455.
hoofdzin. B.v. Cincinnatus nuntium aceëpit, se dicta-torem esse factum, Cincinnatus vernam, dat hij dictator was geworden. Men zegt echter: Cincinnato n u n t i a t u m est, e u m dietatorem esse factum, want hier ziet het pronomen van den derden persoon in den accusativus cum infinitivo niet terug op het subject van den hoofdzin. Petrus mihi nar ra vit, pat r e m s u u m d e f u n c t u m esse, Petrus heeft mij verhaald, dat zijn vader gestorven is. Ait se paenitere, illum au tem non paenitere. Socrates m u 11 a v i t i a s i b i i n s 11 a, s e d r a t i o n e a se dejecta esse d i c e b a t.
quot;Aaumerking. Het reflexivum wordt ook gebruikt als subject van ecu ablativus absolutus, wanneer dit lietzelfde is als bot subject van den hoofdzin en de ahlativns absolutus dient tot bepaling van een accusativus cum infinitivo. B.v. Ca to affirm at se vivo illum triumpha-turum. Caesar Gal Ham temptari se absente nol eb at.
Soms vindt men het reflexivum als subject van een ablativus absolutus, wanneer deze dient tot bepaling van eon participiu m. B.v. L a u-d a t o r temporis a c t i se p u e r o.
§ 455. De pronomina reflexiva worden ten laatste gebruikt in alle b ij z i n n e n , waarin een pronomen van den derden persoon terugziet op liet subject van den hoofdzin, zoo zij namelijk iets mededeelen volgens de gedachte of voorstelling van het subject van den hoofdzin. 13.v. Nesciebat dux, quid milites de se dice rent, de veldheer wist niet, wat de soldaten van hem zeiden. Vicïnus a me petïvit, ut hodie apud se cenarem, mijn huurman heeft mij verzocht om heden het middagmaal hij hem te gebruiken. Gajus divitias conté mnebat, quod se fellceiu redder e non possent. Gajus verachtte den rijkdom, wijl deze hem (volgeiis zijne meening) niet gelukkig kon maken. Hannibal imperavit puëro, ut propëre sibl nun-tiaret, num undïque obsideretur, Hannibal beval den knaap hem te boodschappen of hij van alle kanten werd ingesloten.
Uit het juiste begrip van dezen regel volgt, dat een pronomen van den derdén persoon, ofschoon het terugziet op het subject van den hoofdzin, niet door het reflexivum mag vertaald worden, wanneer het voorkomt in bijzinnen, die in den indicativus staan of die afhangen van ut consecutivum of van een tij d s b ep ale n d cum. B.v. Gajus contemnebat divitias quod eum felï-cem redd ere non po ter an t. (Hier wordt de reden aangegeven
Pronomina reflexiva.
§ 456â457.
329
volgens de meening van een ander). Epaininondas erat diser-tus, ut nemo Th eb anus ei par es set eloquentia. Men zou echter moeten zeggen: Epaminondas s u m m o studio eloquentiae o per am de dit, ne quis (= ut nemo) T h e b a n u s s i b i par e s s e t eloquentia. A 1 c i b i a d e s, cum ei nuntius in S i c i 1 i a m missus esse t, u t do mum r e d i r e t, non p a r ë r e n o 1 u i t et in t r i r ë ra e m , quae ad e u m d e p o r t a n d u m erat m i s s a, adscendit.'
i; 456. Wanneer in een bijzin een refiexivum staat, kan het somtijds onduidelijk wezen of het terugziet op het subject van den hoofdzin of op het subject van den bijzin. In het boven aangehaalde voorbeeld; nesciebat dux, quid milites de se dice-rent, kan se namelijk volgens 453 terugzien op milites en volgens § 455 op d u x. Zoo nu de samenhang niet uitmaakt, op welk van beide subjecten het refiexivum betrekking heeft, gebruikt men ipse, indien het pronomen terugziet op het subject van den hoofdzin. 15.v. J u g u r t h a legates ad c o n s u 1 e in mi 11 i t, qui ipsi liberisque vit am pete rent. Caesar g ra v iter suos incusavit, quod sua de virtute aut de ipsïus diligentia desperareut.
De Latijnen zijn overigens niet zeer angstvallig op dit punt. Ten bewijze hiervan strekt, dat zij meermalen in denzelfden bijzin twee refiexiva plaatsen, waarvan het eene op het subject van den hoofdzin en het andere op het subject van den bijzin terugziet. B.v. Ariovistus ait, nemiuem secum (cum Ariovisto) sine sua (op neminem betrekking hebbende) pernicie contendisse. Roman i legates miser unt, qui a P rus ia rege peter ent, ne inimicissimum suum (Romanorum) se cum (cum Prusia, subject van den bijzin) habëret sibiqu ^(Romania) d e d é r e t.
V .-v-e'A. «
§ 457. Somtijds wordt het retlexivunr'gebruikt in Vyzinuou, die niet de gedachte uitdrukken van het subject, maar van een ander woord van den hoofdzin. Zulk een woord moet echter het subject der handeling wezen. B.v. A Caesare invitor (= Caesar me invitat) sibi ut sim le gat us, ik word door Caesar uityenoodigd om zijn gezant te zijn. Faustülo spes fuerat (= Faustulus spera-verat) r e g i a m s t i r p e m a p u d se educatum i r i.
Aanmerking1. Nu en dan vindt men eeu of andere afwijking van bovengeuoemde regels. B.v. Helvetii persuildent Rauritcis et Tulingis, ut una cura iis proficiscantur. Patres nil rectum, nisi quod placuit sibi, duo unt.
Pronomina demonstraliva.
§ 458 â 460.
330
Veel gebruikelijk is de tusschengevoegde ziu quantum in se est. B.v. Pater, quantum in se luit, T r a c e m me e r e a v i t. Het is echter beter in ipso te zeggen. B.v. I s t i homines nomen civium Romanorum, quantum in ipsisfuit, sustuleruut.
§ 4:58. Het woord elkander wordt gewoonlijk vertaald door inter nos, inter vos, inter se, of' door alius a 1 i u m , a 1 i i alios, alter alterum, uterque utrumque. B.v. Aniiimus inter nos, wij beminnen elkander. Amatis inter vos, gij bemint elkandei\ Kespu-blica nos inter nos conciliatura est, de republiek zul ons met elkander verzoenen. Homines inter sc a mare de bent, de menschen moeten elkander beminnen. Alter alterum adspeximus, wij zayen elkander aan. P1 r il t a e vel ignsti inter se alii al ios adjuvaban t, zelfs zonder elkander te kennen hielpen de zeeroovers elkander.
Aanmerking. Vicissim en invicem, welke woorden in later tijd ook elkander boteekenen, gaven oorspronkelijk een afwisseling te kennen, zooals wij uitdrukken door beurtelings, bij afwisseling. B.v. Homines vicissim dor miunt et vigilant. Defatigatis i n v i c e m i u t ö g r i s u c c ë d u n t.
Ill Pronomina demonstrativa.
§ 45*.). Hie, liet pronomen demonstrativum van den eersten persoon, wordt gebruikt;
1°. om aan te duiden, dat iets den spreker z e 1 v e n betreft of hem naar plaats of t ij d nabij is. Als zoodanig beteekent het meermalen mijn, ons, tegenwoordig, laatst. B.v. Hi mores, o)ize zeden. \ n h a c magnificentia u r b i s , bij de tegenwoordige pracht der stad. Hoe bi enuio, in de laatste twee jaren.
2°. om te wijzen op iets, dat onmiddellijk volgt. Als zoodanig beteekent het meermalen de volgende, hetgeen nooit vertaald mag worden door sequens. B.v. Locutus est in hunc modum,hij sprak aldus. Hoe H e s i o d i, het volgende gezegde van Hesiodus. V e t u s hoe est, de n ihï 1 o nihil fit, het is een oude spreuk: uit niets komt niets.
Aanmerking I. Meermalen wordt op deze wijze een volgende accusativus cum iufinitivo of een ziu met ut aangeduid. Vgl. § 443. In dit geval moet het woord slechts onvertaald blijven. B.v. 11 o c d i co, m o I 1 i-tiem hujus aetatis mul to major em esse, quam quae majo-rum nostrorum memoria fuit, slechts dit zeg ik, dat de weekheid van den tegenwoordigen tijd veel grooter is, dan zij ten tijde onzer voorraderen was. Zoo op een accusativus cum iufinitivo gewezen wordt, kau men in plaats van hoe ook sic of ita gebruiken. B.v. Sic a majori-b u s nostrisaccepimus, praetürem q u a e s 15 r i s u o p a t r i s loco esse oportëre, dit hebben wij van onze voorouders oeergeno)nen, dat een praetor bij zijn qitaestor de plaats van een vader behoort te vervullen.
Aanmerking II. Zoo iets, dat volgt, wordt gezegd tegenover iets, dat voorafgaat, moet h i c gebruikt worden om op het voorafgaande eu i 11 e om op het volgende te wijzen. B.v. S e d hoe (het zoo even genoemde) commune vitium, illud (hetgeen volgt) E p i-c ü r i p r o p r i u m. S e d h a e c (hetgeen gezegd is) 1 e v i o r a , ilia (hetgeen volgt) v e r o g r a v i o r a.
§ 460. I s t e, het pronomen demonstrativum van den tweeden persoon, wordt gebruikt:
Pronomina demonstrativa.
§ 461â462.
331
1°. om aan te duideu, dat iets betrekking heeft op den persoon, t o t wien men spreekt. B.v. Istud scelus meis oculis vidi, ik heb uw misdaad met eigen oogen gezien. De istis rebus exspecto tuas lit-teras, over hetgeen er bij u geschiedt, verwacht ik een brief van u.
2°. om een zekere ver achting te kennen te geven, vooral wanneer men spreekt over zijn tegenpartij. B.v. Rxpönam vobis ex quibus generibus hominum istae copiae (Catilinariae) c o ni p a-rentur. Quis hoe non perspicit, praeclare nobiscum actum iri, si pop u lus Roman us istTus u n T u s (Verris) supplicio contentus er it?
§ -461. I 1 1 e, het pronomen demonstrativum van den derden persoon, wordt gebruikt:
1°. om aan te duiden, dat iets betrekking heeft op den persoon, over wien men spreekt of dat iets naar plaats of t ij d verwijderd is. B.v. S e r v i i n j u r i a s nimisaegre f e r u n t; quid i li o s bono genere natos, magna virtu te p rae ditos, opiu a mini a n i m i habuisse?Tum ille,uonsuni,inquit,aeseius i s t a inter Gr r a e c o s d i c i s o 1 e r e. Turn p r i m u m p h i 1 o s o-phia, non illa de natura, quae fuerat autiquior, sed liaec, iu qua de bonis rebus et ma lis disputatur, iaventa dicitur.
2°. om aan te duiden, dat iets bekend, beroemd is. B.v. lilud P 1 a t o n i s , dit bekende gezegde can Plato. Ex s u o regno sic Mithridates profügit, ut ex eödem Pon to Medëa illa quondam profugisse dicitur. Uit deze beteekenis van ille verklaart men deszelfs verbinding met andere pronomina. B.v. H i c ille egregius annus nunc i n s t a t.
Aanmerking. Ille wordt soms overtollig achter sic gevoegd, wanneer een substantivum uit het tweede lid eener vergelijking vóór het eerste lid der vergelijking staat. B.v. I ngen io si, ut aes Corinthium in aerugïnem, sic i 11 i in m o r b u m ineïdunt t a r d i u s.
§ 462. H i c en ille worden dikwijls tegenover elkander gesteld om twee te voren genoemde nomina aan te, duiden. Gewoonlijk ziet hic op het laatst genoemde en ille op het eerst genoemde. B.v. Scipio et Hannibal sum mi imperatores fuerunt; hic Car-thaginiensis, ille Roman us fuit. Zoo echter het eerst genoemde nomen in de gedachte des sprekers het voornaamste is, ziet hic op het eerst genoemde en ille op het laatst genoemde. B.v. Cave ' J a t 5 n i anteponasSocratem: hujus euim facta, illius dicta laudabantur.
Ter bevordering van de duidelijkheid of wanneer h i c en i 11 e reeds gebruikt zijn, kan men prior â posterior, superior â inferior, superior â posterior gebruiken. B.v. Cum duo sint genera decertandi, unum per disceptationem, al te rum per vim, cumque illud proprium sit hominum, hoe beluarum: confu-giendum est ad posterius, si uti non licet superior e.
Wanneer er drie nomina voorafgaan, ziet hic op het laatste, iste op het middelste, ille op het eerste. B.v. ïullium, Atticum et Trebatium dilïgo; hunc quidem ob mores festivos, istum ob ingenii liberalitatem, ilium propter incre-d i b i 1 e d i c e n d i genus, ik bemin Tullius, Atticus en Trebatius, dezen om zijn geestig karakter, den tweede om zijn edele denkwijze, den eerste om zijn buitengewone gave van spreken.
Pronomina demonstrativa.
§ 463.
382
Aanmerking. I. Deze en yene, de een en de ander (â sommigeu) heet hic et hie, hic et ille,illeetille; deze of gene, hic ant i 11 e. B.v. Nou dicam illinc hoe signum ablatum esse et illud; hoc d ie o, nullum te Aspen di signum, Verre s, reliquisse.
Aanmerking II. Hic, iste, ille worden dikwijls ter versterking yan de beteekenis of welluidendheidshalve verbonden met talis, taut us en tam met een adjectivum. B.v. Da op er am ut hunc talem virum videas quam primuni. Hae tam variae artes.
§ 463. I s wordt gebruikt:
1°. wauueer men een enkel voudigen persoon, dien men eerst in het algemeen heeft aangeduid, tot subject maakt van een ziu, waarin iets naders van hem verhaald wordt. B.v. 1'. Annius Asellus mor-tuus est C. Sacerdote praetore. Is, cum haberet unïcam filiam, eam bonis suis her ede ra instituit, onder het praetor-scltap can C. Sacerdos stierf P. Annius Asellus. Vaar deze slechts een eenige dochter had, benoemde hij haar tot erfgenaam van zijne bezittingen.
2°. als persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon, doch alleeu in de casus obliqui. B.v. Legates miserunt, qui eum absentem aceusareut, zij zonden gezanten om hem in zijne afwezigheid te beschuldigen. Als zoodanig wordt is in den gene-tivus gebruikt, wanneer het Nederlandsehe bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon niet vertaald mag worden door s u u s. Vgl. de voorbeelden van § 453â455. Evenals de pronomina possessiva wordt ook de ge net iv us van is gewoonlijk weggelaten, zoo hij uit den sameuhang verstaan wordt. B.v. K o v i M a r c u ra non minus quam f r a t r e m Q u i u t u m.
3°. als antecedens van het relativum. B.v. Is, qui Deum a ra at, vitia fugit. Fieri potest, ut recte quis sentiat et id quod sentit, polite elöqui non possit. lietüli me ad ea stu-dia, quae Ion go in ter va 11 o inter missa revoeavi.
Wanneer is geen substantivum bij zich heeft, zonder nadruk staat, en in denzelfden naamval geplaatst is als het relativum, wordt het meermalen weggelaten. B.v. Maximum oruamentum amicitiae tollit, qui ex ea tollit vereeuudiam. Somtijds geschiedt dit ook, wanneer de naamvallen verschillen. B.v. Inter om nes philosophos constat^ (eum) qui unam habet, omnes habere virtutes. Miseranda vita (eorum) qui se m e t u i quam a m a r i m a 1 u n t.
Wanneer i s geen substantivum bij zich heeft, wordt de demonstratieve zin voor den nadruk gaarne achter den relatieven zin gezet. B.v. Male se res habet, cum, quod virtute effici debet, id tentatur pecunia. A quo plurimum sperant homines, ei potissimum inserviunt. De relatieve zin mag echter nooit voorop staan, wanneer hij ter omschrijving dient van een substantivum. B,v. Ma rins Plotii ingenio putabat ea quae gesserat posse celebrari.
Aanmerking I. Wanneer een substantivum, dat nader verklaard wordt door een relatieven zin, in het Nederlandsch voorafgegaan wTordt door het niet bepalend lidwoord in de beteekenis van zoodanig een, ioo groot een, moet men dit in het Latijn vertalen door is of tantus. B.v. Hij bedreigde mij met een hevigheid, die zelfs de zachtmoedigsten zou verbitteren, ea (tanta) ira mihi rainatus est, quae (quanta) etiam placidissimos exacerbaret.
Pronomina demons'rativa.
Aanmerking II. Evenals bij is qui, wordt ook bij talis qua lis, tam quam, tantus quant us, enz. de demonstratieve zin voor den nadruk gaarne achteraan geplaatst. B.v. Socrates hanc viam ad gloriam proximam dieebat esse, si quis id ageret, ut qualis haberi vellet talis esset. Quodsi, quam audax est ad c o nan du m, tam esset obscurus in agendo, for tas se aliqua in re nos aliquando fefellisset. Quo quisque est sollertior et ing'euiosior, hoe docet iracundius et laboriosius.
§ 4G4. W anneer een nomen proprium in een nieuwen zin nader beschreven wordt, mogen de Nederlandsche appellativa man, vromv, enz. in het Latijn niet vertaald worden. B.v. Erat turn in castris quidam ilarci gt;i s. Is (niet is vir) i mpëtum host iu m eru mpo n ti um r e-tüdit. II or a ti us Venusiae nat us er at. Hnjus 'niet hujus poëtae) c a r m i n a tam p r a e el a r a sunt ut nihil supra, p o s s i t.
§ 465. Het pronomen i s valt weg:
1°. wanneer het in liet tweede lid eener vergelijking of tegenstelling verbonden is met een genetivus. B.v. Classis Bri tannor um major est quam Gallorum (niet quam ea Crallorum). Dei praecep-t i s m a g i s obediendum est quam h o m i n n m (niet quam iis ho-minum). Corpus dormientis jacet ut mortui (niet ut iil raortui). Ante d o m u m pistöris t i 1 i a, ante vestitSris f a g u s est (niet ante eam vestitoris). Quis est qui possit conferre vitani ï re-bon ii cum L'olabellae. Voor de duidelijkheid herhaalt men bij verschil vau casus soms het substantivum, waarop het Nederlandsche demonstrativum terugziet. B.v. Nulla est celeritas, quae possit cum animi celerita'te contendere. Soms zet men het woord, dat in den genetivus moet staan, in den casus van het uitgelaten demonstrativum. B.v. Oratio captivorum cum perfugis con ven it (= cum oratione perfugarum).
2°. wanneer het bjj een tweede verbum of substantivum in denzelfden casus zou moeten staan als het nomen, waarop liet betrekking heeft. B.v. Caesar overwon Pompejus bij Pharsalus en vercolyde hem tot in Egypte, Caesar Pompejum ad P h a r s a 1 u m devTcitatque usque iuAegyptum p e r s e c u tu s est. De vederen der vogelen en hunne heenderen zijn met lucht gevuld, avium et pennaeetossaaëre repleta sunt. De oude Grieken noemden Ceres de wetgeefster en vereerden haar als zoodanig, p r i s c i Graeci Cerëremlegifëram et vocabant et venerabantur.
§ 46(5. Een nadere bepaling, welke men sterk wil laten uitkomen, wordt met het voorgaande verbonden door et is, isque, at que is, en wel, en nog icel, nee is, en wel niet, en nog wel niet, sed is, maar dan. B.v. Geef mij asjeblieft een mes en wel een scherp, da mi hi quaes o cultrum et eum aeütum. Er waren eenige jongelingen en wel van geen geringe afkomst, e r a n t aliquot adolescentes nee ii ten ui loco orti. Sever itatem in se n eet u te probo, sed eam modïcam. Zoo zulk eene bepaling op een geheelen zin betrekking heeft, gebruikt men et id, id que. B.v. Linguam m o-mordi idque tam vehement er, ut sanguis emicaret,iX' heb op mijne tong gebeten en tvel zoo hevig, dat het bloed er uit sprong.
S 4G7. Idem wordt gebruikt, wanneer aan den zelf den persoon of' zaak een tweede praedicaat wordt toegevoegd. Het beteekent
§ 464â467.
Pronomina demon sir ativa.
% 468.
334
insgelijks, ook, tevens, zoo de praedicaten gelijksoortig, nochtans, maar daarentegen, zoo zij tegenovergesteld zijn. B.v. Matiira ceritsa suavissima eademque sal uberrima sunt, rijpe kersen zijn zeer smakelijk e» tevens zeer rjezond. Inventi multi sunt, qui vit am profundëre pro patria parati essent, iïdem gloriae jactu-ram ne minimam quidem facer e vel leut, er zijn er velen yevon-den, die bereid waren hun leven voor hun vaderland op te offeren, maar die zich daarentegen niet het geringste verlies van roem wilden getroosten.
§ 468. Ipse won't gebruikt in de volgende beteekenissen:
1°. hij zelf, zij zelve, het zelf om een persoon of zaak sterk te doen uitkomen eu tegenover andere personen of zaken te stellen. B.v. Q u a e-ram ex ipsa, ik zal het haar zelve (en geen ander) vragen. Vooral didiit liet om sterk aan te duiden, dat een pronomen van den bijzin terugziet op liet subject vnn den hoofdzin. Wij laten dan gewoonlijk onvertaald, doch leggen den nadruk op het pronomen. B.v. Caesar respondit sic ut ipsius dignitas postulabat, sicut ipsi pla-cuit, sicut ipsum decebat. Caesar antwoordde zooals het zijn waardigheid vereischte, zooals het hem behaagde, zooals het hem voegde.
2°. zelf. B.v. Ipse vidi, ik heb het zelf gezien. Vooral wordt ipse met deze beteekenis gebruikt in reflexieve zinnen. Het komt alsdan overeen met liet subject, wanneer men wil aanduiden, dat het subject en niet een ander de handeling verricht. B.v. Cato mortem sibi ipse conscivit, Cato benam zich zeiven het leven. Si nos ipsi laud a-mus, uecesse non est alios nos laudare, zoo wij ons zeiven prijzen, moeten anderen ons niet prijzen. Porta ipsa se a p e r u i t, de poort ging van zelf open. Zoo men echter wil aanduiden, dat de handeling op het subject en niet op een ander gericht is, laat men ipse overeenkomen met het pronomen reflexivum. B.v. Non a m a t i s nisi vos i p s o s, gij bemint, u zeiven slechts. Discipuli non magistris sed sibi ipsis discunt, de leerlingen leeren niet voor hun leermeesters maar voor zich zeiven. Meermalen echter vindt men den nominativus, waar men een anderen casus zou verwachten. B.v. Q u i d est negotii continëre eos, qui bus praesis, si te ipse con tineas. Dit geschiedt vooral, zoo ipse v ó ó r hot pronomen reflexivum staat en ook zoo het volgt op por me, per se. B.v. Medici ipsi se curare non pos sunt. Virtus per se ipsa placet. Achter mem et, nobis met, no smet, enz. staat ipse bijna altijd in denzelfden casus. B.v. Xolite vosmetipsos c o n s o 1 a r i.
3°. eigen bij de pronomina possessiva. /oo ipse hier betrekking heeft op het subject, komt het gewoonlijk inden nominativus. B.v. Neg leg is tuum ipse commodum (minder goed tuura ipsius com-modum), gij verwaarloost uw eigen belang. Crassus et Antonius ex scriptis cognosci ipsi suis non potuerunt. Zoo ipse niet op het subject terugziet, staat het altijd in den genetivus volgens den regel van § 240. A. B.v. Vestra ipsornm causa hoc feci, ik heh dit om uw eigen belang gedaan.
4°. juist (niet te verwarren met forte, bij toeval), persoonlijk, onmiddellijk, eigenlijk, als zoodanig, reeds (wanneer reeds veranderd kan worden in zelfs, mag het niet vertaald worden door j a m). B.v. Q ua 11 u o r heb-domftdes ipsae sunt, cum a via me a mortua est, hit is juist vier weken yèleden dat mijn grootmoeder stierf. Crassus erat triennio
Pronomina interrogediva.
§ 469â470.
335
ipso minor q u a. m A n t o u i u s, Crassus was juist drie jaren jonyer dun Antonius. Is ipse, juist hij. Nunc lp sum apud te esse ve-lim, juist nu zou ik gaarne hij u zijn. Re gin a ipsa exercitui a de rat, de koningin was persoonlijk hij het leger tegenwoordig. Post ipsum proelium iugens tem pes tas exorta est, onmiddellijk na het gevecht brak er een hevige storm los. Robur ipsum exereituum Gr a ec or urn in milifcibus gravis armaturae fuit, de eigenlijke kern der Grieksche legers bestond in de zwaar gewapenden. Divitiae ipsae neminem mortiilem beatum red de re pos sunt, rijkdom als zoodanig kan den mensch niet gelukkig maken, ipsa vita quotidian a demonstrat ex p a r v 1 s rebus m a g n a s o r i r i, reeds hel dagelijksche leven toont, dat kleine omstandigheden groote gevolgen kunnen hebben.
5°. insgelijks, ook. In plaats van ipse zegt men ook ipse q u o q u e, ipse e t i a m, et ipse of het adverbium item. In deze beteekenis wordt ipse gebruikt, zoo aan een tweede subject'een zelfde p r a e d i-e a a t wordt toegevoegd als aan een vroeger subject. B.v. Deinde Crassus tres ipse excitavit recitatores, daarop liet ook Crassus (evenals zijn tegenpartij gedaan had) drie lezers optreden. K e x ipse q u o q u e p u g n a v i t, ook de koning streed mede. A d e r a t Romulus augur cum R e m o f r a t r e item a u g ü r e.
§ 4(59. De pronomina demonstrativa staan meestal vóór het subslan-tivum. B.v. H i c m o n s, i 11 o tempore. Wanneer i 1 1 e de beteekenis heeft van die bekende, staat het gewoonlijk achter het substantivum. B.v. Mede a i ^ 1 a. Staat er bij een demonstrativura en een substantivum nog een adjectivum, dan komt het pronomen gewoonlijk in het midden. B.v. Magnus 11 le Alexander. Bij do verbinding met possessiva worden de demonstrativa gewoonlijk voorop gezet. B.v. Haee mea d o in u s. Ipse staat in verbinding met andere pronomina gewoonlijk daarachter. B.v. Hoe ipsum. Sua ipsi frumenta corrumpunt.
IV. Pronomina interrogativa.
§ 470. Door q u i s vraagt men naar den n a a m , door q u i (= qualis) naar de hoedanigheid van een persoon of zaak. B.v. Quis senator, hoe. heet de senator? Qui senator, wat voor een man is de senator?
Ten gevolge van dit verschil in beteekenis wordt qui, doch enkel in z ij d e 1 i ng sch e vragen, ook als substantivum gebruikt. B.v. Qui sis et quid facere possis, considëra, bedenk wat voor een man gij zijl en wat gij doen kunt. Somtijds wordt q u i in zijdelingsche vragen ook gebruikt in plaats van quis, wanneer het volgende woord met een s begint. B.v. Themistocles domino navis, qui sit, a p e r i t.
Aanmerking 1. In algemeene vragen met o n t k e n-n e n d e beteekenis moet men waar, hoe vertalen door quis; want mot u b i vraagt men naar de pi a a t s , w a a r en met q u o m o d o naar de wijze, waarop iets geschiedt. B.v. Waar is iemand die alle goede eigenschappen mist, q u i s est, qui omnibus virtutibus o a r-e a t? Hoe kan iemand twijfelen, dat Cicero zijn vaderland gered heeft, quis d u b i t e t, q u i n Cicero p a t r i a m s e r v a v e r i t ?
Aanmerking II. Er bestaat nog een oude ablativus singularis q u i, welke in reehtstreeksche en zijdelingsche vragen gebruikt wordt ais a d-v e r b i u m interrogativum. Dit woord staat;
Pronomina indeftnita.
§ 471â4T3.
ma
1°. in de beteekenis van hoe, waarvan. B.v. Qui fit, hoe komt het? Aristldes v i x r e 1 ï q u i t, qui (= unde) efferretur, Aristi-deé liet nauwelijks yenoe;/ na om daarvan hegraven te worden. Vooral wordt het in deze beteekeuis gebruikt met u t o r. B.t. H a b e o qui u t a r , ik heh iets om daarvan te leven.
2°. niet aangehecht cum in plaats van q u o c um (soms quaeum) om op een on bepaalden persoon te wijzen. B.v. Mi hi da, q u i e u m omnia communtcem, (jeef mij iemand, aan wien ik alles kan mededeelen. Men zegge echter niet: pater q u i c u m , omdat men hier een bepaalden persoon heeft.
§ 471. Quid wordt gebruikt in den nominativus en a c c u-s a t i v u s. In de overige naamvallen gebruikt men quae re s. B.v. Cu jus rei cupïdus es, waarnaar zijt gij hegeerig? Quid be-teekent ook waarom, waartoe? B.v. Quid m e t u a m mortem, waarom zal ik den dood vreezen? Sed quid opus est plura (sc. comme-morare), maar waartoe is het noodig nog meer te vermelden?
Aanmerking I. De uitdrukkingen quid, quid e n i m , quid i g i t u r dienen ter inleiding van een vraag, hebben onmiddellijk achter zich het hoofdbegrip der vraag en vervolgens liet vraagwoord met het overige gedeelte der vraag. B.v. Quid? Cadmi filia nonne Asvxoléce nominata est a Graeeis? Quid igitur? Contra Brutumne me dicturum p u t a s ?
Vooral vindt men quid? quod,â¢! quid? si in de beteekenis van ja zelfs bij den overgang tot een bewijs, dat de voorafgaande bewijzen in kracht overtreft. B.v. Quid? quod homines i n f i m a for tun a, nulla spe rerum gerend arum, opifïces denïqu edele c-tantur historia? Dit argument diende als het sterkste bewijs van de stelling: historiam delectare. Quid? si etiamjucundaest memoria praeteritorum ma lorum?
Aanmerking II. Het met quid samengestelde adverbium quidni. waarom niet, zeker, waarop altijd de conjunctivus volgt, geeft in den vorm eeuer vraag een sterke bevestiging te kennen. B.v. C u m Salinator eum rogaret, ulmeminisset,operasuase ïarentum recepisse, quidni, i n q u i t, meminerim? Nunquam enim recepisse m, nisi tu perdidisses. Quidni verwarre men niet met quin. Vgl. § 360. 1°.
§ 472. De Latijnen kunnen in denzelfden zin twee of meer vragen met elkander verbinden. In hot Nederlandsch moet men bij de vertaling van zulk een dubbele vraag een omschrijving gebruiken. B.v. Considêra P i s o, q u i s q u e m fraudasse d i c a t u r , let op, Piso, wie nien zegt dat bedrogen heeft en dat bedrogen is. Multum interest quid a quo fiat, er is veel aan gelegen wat er gedüan wordt en door wien het gedaan wordt. Milo si Clodium interficere voluisset, quantae quoties occasiones quam praeclarae fuerunt?
V. Pronomina indefinita.
§ 473. Q u i s , qui wordt vooral gebruikt na si, nisi, n e, n u m , quo, q u a n t o , u b i, cum. B.v. Metellusedixit, no qu is in castris coctum cibum ven der et. Quoquisdoctiorest, eo modestior esse solet.
§ 474â475. Pronomina indefinita. 337
Zoo echter. «» het proiiomen ign»nMguiii de n a d r u k list, gebruikt men a 1 i q u i ^.v 1 u 'h f'fs' f' u i t /VT11 s t ii-
t ei-o o. T i ra e b a t Pompejus omnia, n e a 1 i q u i d vos t i m e-r e t i s. Wij drukken soms den nadruk, die op aliquis ligt, uit door werkelijk. B.v. Si a 1 i q u i d d a n d u m est v o 1 u p t a t i, s e n e c t u s modïcis conviviis potest d e 1 e c t a r i.
Q u i s staat ook op zich zelveu. B.v. D i x e r i t q u i s. Morbus aut egestas a ut quid ejus modi,
Aanmerking 1. In hoofdzinnen en na quo,quanto, u b i, cum mag men alleen q u i s als substantivu m gebruiken.
Na si, nisi, no, n u in mag men (ju is en qui zonder onderscheid als substan t ivum eu als adjectivu m gebruiken. B.v. N eA} b $ q u i s en u e qui. Si q u i s dux eu si qui du x. vx;-cgt;,.' f-v
Aanmerking 11. Si eu ne worden soms met quis tot één^
woord verbonden. B.v. Siquis, u e q u i s. Altijd verbonden schrijft men n u m quis en e c q u i s.
§ 474. Aliquis, iemand, eeniy, de een of ander, deze of yene, wordt gebruikt, wanneer men over een on bepaalden, maar we r k e 1 ij k b e s t a a ii d e ii persoon of zaak spreekt. Het staat bijna altijd in b e-vestigende zinnen. Vgl. § 477. 1°.
Aliquid heeft evenals hot Nederlandsche iets soms de bijbeteekeuis van beduidend. B.v. Nunc dicis aliquid, nu zegt gij iets, dat tvai te beduiden heeft. Est aliquid, ducem exercitui praeesse,
het is geen geringe zaak aan het hoofd van een leger te staan.
Wanneer iets in het Nedorlandsch een adj eet i v u m bij zich hoeft, moet het in het Latijn onvertaald blijven. B.v. In ballingschap te leven is een treurig iets, in exsilio esse mi se rum est. Vgl. § 176. A. II.
Aanmerking. Het zeldzaam voorkomende quispiam is gewoonlijk te vertalen door deze of gene. B.v. Portasse dixerit quispiam.
§ 475. Quidam wordt gebruikt:
1°. om een bepaalden persoon of zaak in b,ot algemeen aan te duiden. B.v. Oceurrit quidam, zeker iemand (dien ik uiet nader zal aanduiden) kwam mij tegen, ümmidius quidam, een zekere Ummidius.
Om do bepalende betoekonis van quidam te versterken, voegt men er ineerraalen c e r t u s bij. B.v. Ut saltatori m o t u s non q u i-vis, sod cert us quidam est dar. us, sic ATita agenda est c e r t o g e n e r e q u o d a m , non quolïbet.
In het meervoud heeft quidam somtijds do beteekenis van eenigen, sommigen. B.v. Quidam h o c d i c u n t.
2°. om de beteekenis van een substantivum of adjectivum te verzachten. Niet zelden is het dan verbonden met quasi, tamquam.
!n het Nedorlandsch geeft men deze verzachtende beteekenis te kennen door liet niet bepalend lidwoord of door om zoo te zeggen, een soort van. B.v. S a o p e audi v i , p o o t a m b o n u m n e ra i n o m sine i n f1 a m m a t i o u e a n i m o r u m oxsistere posse et sine quodam afflatu quasi furoris. Gcntes subjectas forrea quad am servitute op pres sit. Translatum verbum maxime tamquam stellis quibusdam n o t a t et illuminat orationem. ^
Soms versterkt quidam de beteekenis van een adjectivum en moet dan vertaald worden door zeer, buitengewoon. B.v. Mithridates mira ij u a d a m m e ni o r i a f u i t.
'22
Pronomina indefinita.
§ 476â477.
338
Aauraerking. Quidam staat in den regel achter het suh-stantivum. B.v. Homo quidam. Zoo bij het substantivum een adjee-tivum staat, wordt quidam gewoonlijk daar tusseheu geplaatst. B.v. Incredibilis quaedara celeritas.
§ 476. Q u i s q u e wordt vooral in vier gevallen gebruikt:
1°. bij ordinalia. Vgl. § 70. 2°. bij superiativi. Vgl. § 304.
3°. bij pr o n om i n a en ad v er b i a r e 1 at i va. B.v. Scipio pollicetur sibi magnae curae fore ut omnia civitatibus, quae cu-j usque fuisseut, restituerentur. Zoo quisque subj eet is van den hoofdzin en de constructie der attr actio gebruikt wordt, moet het in den relatieven zin geplaatst worden. B.v. Quam quisque norit ar-tem, in hac se exerceat. Vgl. over quo quisque met den compa-ratiyus en ut quisque met den superlativus § 302. A. IV.
4°. bij reflexiva. B.v. Fabiusait fabrum esse suae quemque fortunae. Milites pro sua quisque virtute donati sunt.
Aanmerking I. Quisque staat geregeld a c h t e r de ordinalia, superiativi, relativa en reflexiva. In drie gevallen echter staat quisque vóór de reflexiva: 1°. wanneer bij de constructie der attractio een reflexi-v um in den relatieven zin voorkomt. B.v. Quanti quisque se facit, tanti fit ab amicis. 2°. wanneer het r ef 1 e x i v u m om den nadruk aan het einde van den zin geplaatst wordt. B.v. Id maxime quemque decet, quod est cuj usque maxime suum. 3°. wanneer quisque met een g e-uetivus partitivus verbonden is. B.v. Bestiarum quae que suum tenens munus ma net in lege naturae. Vgl. § 245. 2°. Aanm. II. c.
Aanmerking II. Unusquisque, quilïbet en quivis staan gewoonlijk op zich zelven. B.v. Quivis homo potest quem-vis turpem de quolibet rumorem proferre.
§ 477. Q u i s q u a m en u 11 u s worden gebruikt:
1°. in ontkennende zinnen en na sine en vix. B.v. Non credo quid quam me omisisse ad rem quod per tin eat, ik geloof niet, dat ik iets heb overgeslagen, wat op de zaak betrekking heeft. Caesar mili-tesquemquaminterficerevetuit. Caesar verbood zijne soldaten iemand te dooden. Sine ullo periculo, zonder eenig gevaar. Dieet quispian: vix quemquam inveniri, qui pecunia m contemnat.
Wanneer de ontkenning echter op een enkel woord betrekking heeft of wanneer twee ontkenningen elkander vernietigen, gebruikt men a 1 i-q u i s. B.v. Cum a 1 i q u i d non habeas, wanneer men iets niet heeft. Hoe non sine aliqua rtubitatione confiteor. Verres nihil unquam fecit sine aliquo quaestu.
2°. in vragen en andere zinnen, die een ontkennende beteekenis hebben. B.v. Quisquamne istud negat, is er wel iemand, die dit ontkent? Quasi quisquam hoe dicat, alsof er iemand is die dit zegt.
Na n e, n e v e en n u m staat gewoonlijk q u i s. B.v. N u m q u i s Epaminondae par fuit eloquentia?
3U. na quam in het tweede lid eener vergelijking. B.v. D e 1 i i Apollinem majore religione colunt quam quemquam deorum. In rege Mithridate devincendo Pom pejus felicior fuit quam quisquam superiorum ducum. Diutius in hac urbe quam in alia ulla commoratus est.
4°. in bevestigende zinnen, vooral na si, wanneer een groote
Pronominalia.
§ 478-482.
339
nadruk ligt op iemand, eenig. B.v. E n 11 a r si u 11 o m o d o poter o. Quaradiu quisquam er it, qui te del'eu de re audeat, vives. Dum praesidia ulla l'ueruut, Koscius in Sullae praesidiis fuit. Huic, si cuiquam est fide u dum, te c o m m i 11 e. Daarentegen; si cui est l'ideudum, autea explo-randum est, utrum seereta custodire possit uecne
§ 478. Quicunque en quisquis worden in zuiver Latijn slechts als relativa gebruikt en vorderen een verbum finitum. B.v. Quem-cunque librum legeris, ejus sum mam paucis verbis in commentaria referte. Quidquid ortum est, aliquando intereat necesse est. Quoscunquedetequeriaudivi, quacunque potui ratioue plaeavi.
Quaeunque ratio ne, quocunque modo, quoquo modo, op welke wijze ook, in ieder geval, komen ook zonder verbum finitum voor. B.v, Quae sanari poterunt, quacunque ratio ne sauabo.
Somtijds wordt c u n q u e door een toonloos woord van q u i gescheiden. B.v. Rationem, quo ea me ounque ducit, sequar.
§ 475). Hot vragende pronomen indefinitum e c q u i s doet gewoonlijk een ontkennend antwoord verwachten. B.v. E c q u i s v e n i t, is er iemand c/ekomen ?Bcquis me hod ie vivitfortunatior, leeft er thans wel iemand gelukkiger dan ik? li o g a t o e c q u i d in r u a m statuam c ontulerit.
§ 480. Quotusquisque komt gewoonlijk slechts voor bij uitroepingen en wel iu den nominativus singularis. B.v. Quotusquisque formosus est! Quotusquisque est, cui sapient; a omnibus omnium divitiis praeponenda vi de a t u r ! Vgl. i; 375.4.
VI. Pronominalia.
4 481. Vau de^adjectiva pronominalia (aldus geuoemd om hunne overeenkomst met de pronomina) mogen alter, ut er en n e u t e r met hunne composita slechts gebruikt worden, wanneer er spraak is van twee personen of zaken. B.v. Hannibal altero oculo caecus fuit, Hannibal was aan het eene, oog blind. Neutrum laudo nee a u d a c e m nee t i m ï d u m, ik prijs geen van beiden, noch den vermetele, noch dan vreesachtige. Vulcanus utrüque pede claudicasse fertur, men zegt dat Vulcanus aan heide voeten kreupel was. Demosthenes et Cicero clarissimi oratores fuerunt; uter eorum prae-stantior fuerit in medio relinquo.
Aanmerking. Alter, dat gewoonlijk door cle andere vertaald wordt; beteekent ook een ander, wanneer men in plaats daarvan een tweede kan zetten. B.v. Detrahëre a 11 e r i s u i c o m ra o d i causa contra naturam est.
Waar wij van twea personen sprekende zeggen: de eene {de eerste) de andere (de tweede), gebruiken de Latijnen: unus, prior, alter â alter.
§ 482. U t e r q u e, heiden, wordt in het enkelvoud gebruikt, wanneer het betrekking heeft op enkelvoudige personen of zaken. B.v. M i 1-tiades et Themistocles quamquam de pat r ia optime meruerant, tarnen uterque civium injuriis affectus est.
Het wordt in het meervoud gebruikt bij pluralia tantum, zooals
Pronominalia.
§ 483-484.
;;40
utraeque litterae, utr aque cas tra en wanneer het betrekking heeft op substaötiva, die in het meervoud staan. B.v. Caesar cum G e r-m a u i s et Britaunis bellum iutulisset, utrosque vleit.
Aanmerking;. Duo beteekent twee, eenvoudig als een veelheid beschouwd. A m b o duidt aan, dat twee reeds genoemde personen of zaken als één geheel worden voorgesteld. U t e r q u e geeft te kennen, dat twee reeds g e u o e m d e personen of zaken als twee zelfstandige eenheden worden voorgesteld. B.v. Duo sen a tor es mi hi obviani sunt factijambo salutavi, uterqueresalutavit. Men moet zeggen: Hannibal (ad Cannas) exercitus a tn b o r u m c o n s u 1 u m vicit, wanneer men wi! aanduiden, dat de legers dor twee consuls één geheel uitmaakten, doch : utriusque con sul is, wanneer de legers der beide con-s'.ls ieder op zich zei ven stonden en afzonderlijk verslagen werden.
§ 483. Men mag yeen slechts dan door nullus vertalen, â¢wanneer het den zin heeft van geen enkel, volstrekt yeen. B.v. Nullus homo, yeen (enkel) mensch. Nulla magna virtus, yeen enkele groote deuyd. Nullum m i h i a u x i 1 i u m p r a e b e t. Zoo yeen slechts dient om aan den zin een ontkennende beteekenis te geven, moet het vertaald worden door n o n. B.v. Ik heh yeen tijd om mij op te houden, n o n h a b e o tempus m o r a n d i. Geen nuttelooze moeite, non i n u t i 1 i s opera. Geen yroute deugd, non magna virtus.
Bij esse en in de taal van het gezellig leven ook bij andere verba staat soms nullus in plaats van non. Het versterkt de ontkenning en moet altijd niet het subject overeenkomen. B.v. No lit e arbitrari me, cum a v o b i s d i s o e s s e r o , n u s q u a m a u t nullum fore.
§ 484. Al ius wordt in het Latjjn met een anderen casus van alius of met een van alius afgeleid adverbium verbonden, waar wij een breedere wijze van uitdrukking bezigen. B.v. A1 i i s a 1 i u d v i d e t u r optimum, den eene schijnt dit, den andere dat het heste toe. Alius alio m o d o i u t e r p r e t u t u r, de eene verklaart het op deze, de andere op yene wijze. A 1 i i s aliunde p e r i c u 1 u m est, den eene dreigt het yevaar van deze, den andere weer van een andere zijde.
Deze wijze van uitdrukking vindt men ook, wanneer twee verschillende naamvallen van hetzelfde substan tivum in denzelfden zin worden gezet. B.v. Aetas aetati sueeëdit, het eene yeslacht volyt op het andere. Dies d i e m t r u dit, de eene day verdringt den anderen. Virtus v i r t u t i tam s i m i 1 i s est q u a m v i t i u m v i t i o.
Woorden van den zelfden vorm staan in hetzelfde lid van een zin nooit naast elkander, wel in twee bij elkander behoorende leden van een zin. B.v. Alius videtur alius (niet alius alius videtun. Artemisia q u a m d i u v i x i t, v i x i t in 1 u c t u.
A a n m e r k i n g. Woorden, die verwante of tegenover g c-stelde begrippen aanduiden, staan gaarne naast elkander, zoo zij tol hetzelfde lid van een zin behooren. B.v. Mortali immortal i-t a t e m non arbitror contemneudam. Q u a e d a m i' a 1 s a v e r i s p e c i e m h a b e n t. Zoo zulke woorden tot verschillende leden vau een zin behooren, staat het eene in liet begin van het eerste lid en het andere op 'het einde van het tweede lid. B.v. E r r a r e mehercule malo cum Plat one, quam cum istis vera sen tire.
Wanneer twee woorden tegenover twee andere woorden staan gebruikt men gaarne een chiasmus, d. i. men zet de tegenover elkander staande
Gebruik van sommige adverbia.
341
§ 485â486.
woorden in omgekeerde orde. B.v. Non video quoraodosedare possint mala praesentia praeteritae voluptates. Fateor vulgi judicium a judicio meo dissensisse.
Soms vindt men den chiasmus bij oen reeks van drie of meer woorden. B.v. Cum summa testificatione t u o r u m i ii te officiorum et a mor is erg a te sui.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER HET GEBRUIK VAN SOMMIGE ADVERBIA.
§ 485. Zeer dikwijls staat in het Latijn een verbum, waar wij een adverbium plegen te gebruiken. B.v. Door overreding richt men (jewoon-lijk meer uit dan door yetveld, persuadendo plus effïci solet q u a in v i. Cato ried den Romeinen onophoudelijk aan om Carthago te verwoesten, Cato Kom an is, ut Carthaginem del Br ent, sua der e nou destttit. Op het bericht dat de Helvetiërs Gallië trachtten binnen te dringen, vertrok Caesar in allerijl uit Rome, Caesar Helvetios in G a 1 lia m irrumpëre c o n ar i eer tior f'ac t u s ab u r b e pr ofici sc i m a t u r a v i t. Evenzoo kan men niet meer, niet verder vertalon door d e s t a o,
gaarne door volo, langzamerhand door coepi, spoedig door p r o p ë r o. â
Op dezelfde wijze vertaald men dikwijls een Nederlandsch adverbium meteen verbum in het Latijn door twee synonieme ver ba. B.v.iiktLv, leger van Mardonius werd hij Plataeae geheel en al geslagen, exercitus^Qvrvkc,^ .M a r d o n i i apudPlataeas fusus fugatusque est.DeAeduërssmeeli-^^^^ ten Caesar dringend om hulp, A e d u i C a e s a r e m imploraveruut a t q
0 r a v e r u ii t, ut s i b i a u x i 1 i u m ferret. Het is onze plicht alle hartstoch ten krachtig te onderdrukken, nostrum est o m n e s cupiditates coercëre a t q n e reprimëre. De Carthagers wezen de smadelijke vredesvoorwaarden, die de Romeinen hun stelden, onvoorwaardelijk af, C a r-thaginienses contumeliosas pacis condicioues, quas li o m a n i tulerant, repudiaverunt a t q n e respuerunt.
De Latijnen voegen dikwijls een adverbium bij het verbum, waar wij omslachtiger zeggen: het is.... en een bijzin met wanneer of dat of een infinitivus met te. B.v. Melius peribimus. F u g e r i s honestius quam pugnaveris contra pa tri am. Vgl. gt;5 345. 4°. , .
§ Zoo wordt vertaald «oor s 1 c, 11 a, tam, tautopëre en ad e o.
Sic (op deze wijze) hoeft vooral een aantoonende beteekems.^||^f^' B.v. Sic vita h 0 m i n u m est. Sic res se h a b e t.
11 a heeft of dezelfde beteekenis als sic öf het geeft een b e p 0 r k i n te kennen (slechts onder voorwaarde, slechts in zoover). B.v. N 0 s t r i
1 111 pera10res ita de Mithridate triumpharunt ut i 11 e pu 1 sus super atusque regnaret. Ita te defend ito, ut neminem 1 a e d a s.
Tam (zoo zeer) geeft een h o o g e r e n g r a a d te kennen en wordt slechts gevoegd bij a d j e c t i v a en a d v e r b i a.
Tautopëre heeft dezelfde beteekenis als t a in, doch wordt met verba verbonden.
Adeo (tot dien graad) staat bij adjectiva, adverbia en verba en wordt altijd gevolgd door u t. B.v. Ade0ue hospes es in hac urbe, ut haee nescias?
Zoo weinig heet ita non, adeo nou, usque e o non. B.v.
Gebruik van sommige adverbia.
342
§ 487â488.
Graecosita non amas, ut ne ad villam quidemtuam via Graeca ire soleas.
§ 487. Het gewone adverbium van ontkerming is n o n. B.v. Hoe nou credo. Quis hoe non credat?
Haud wordt iu den regel slechts gebruikt bij adjectiva en adverbia om dezen een tegenovergestelde beteeken is te geven. B.v. Haud dubie = certissime. Haud mediöeris = egregius. Vooral komt het voor in de verbinding haud sane en hand ita, gevolgd door een adjectivum. B.v. Hand ita magna manu Graeciae fugatus est. Haud sane difficile dictu est. Zeer gebruikelijk is ook haud scio an en annou. B.v. Sed hand scio an reote ea virtus frugalitas appellari possit. Wanneer op een ontkenning eeu tegenstelling volgt, mag men nooit haud gebruiken. Men zegge dus altijd: non modoâsed, non quod â sed, non tam â quam.
Sterke ontkenningen worden onder anderen uitgedrukt door m i n i m e, nequïtquam, neutïquam, haudquaquam, nihil (het laatste bijna enkel bij verb a). B.v. Homo minime ambitiosus. Preces meae nihil te moverun t.
Ne â q u i d e m, zelfs niet, niet eens, ook niet, heeft het woord, waarop de nadruk valt, tusschen n e en q u i d e m. B.v. Talis v i r ne eogitare quidem quidquam audebat, quod non audeat praedicare. Superbia ne regem quidem decet.
Bij uitroepingen van verwondering wordt niet ia het Latijn onvertaald gelaten. B.v. Quam muitos scriptores rerum suarum mag n us ille Alexander secum habuisse dicitur!
§ 488. De ontkenning staat gewoonlijk onmiddellijk vóór het woord, dat ontkend moet worden. B.v. Canis me non momordit, sed Iambi t. Canis non me momordit, sedfratremmeum. Non canis me momordit, sed anguis.
Zoo de gansche zin ontkend wordt, lette men op de volgende eigenaardigheden.
1°. De Latijnen plaatsen de ontkenning niet achter maar vóór het verbum van den hoofdzin. B.v. Nou r i d e o, ik lach niet.
2°. Zoo van het verbum finitum een infinitivus afhangt, komt de ontkenning vóór het verbum finitum. B.v. Venire non possum, ik kan niet komen. Nihil est quod Deus efficere non possit, er is niets, dat God niet doen kan. Hanc epistolam cur non scindi velis, nulla causa est. (Hier wordt alleen de infinitivus ontkend).
â¢Squot;. Zoo het verbum bestaat uit een participium met esse, komt de ontkenning vóór het hulpwerkwoord. B.v. Divitiae sapienti expe-tendae nou sunt. Slechts bij tegenstellingen staat de ontKenning vóór het participium. B.v. Callicrates hacreligione non modo abincepto non deter r ïtu s, sedadmaturarid urn con ciTatus est.
4°. Bij sterken nadruk zetten de Latijnen eeu ontkenning, die op den ganschen zin betrekking heeft, gaarne aan het hoofd van den zin. B.v. Non ego secundis rebus nostris gloriabor. Nou ergo erunt isti homines audiendi.
5°. In relatieve zinnen staat non gaarne onmiddellijk achter hot relativum. B.v. Quae tam firma civitas, quae non odiis et discidiis funditus possit everti?
Gebruik van sommige adverbia.
343
§ 489â491.
§ 489. Twee ontkenningen vernietigen elkander. Het is echter voor de beteekenis niet onverschillig, hoe de ontkenningen geplaatst zijn. Zoo non voorop staat, drukken de twee ontkenningen een zwakke, zoo non achteraan staat, een sterke bevestiging uit. B.v.
nemo â non, ieder.
nullus â â non, ieder.
u i h i 1 â non, alles. nunquam â non, altijd. contemnit. Noiinömo miser
mortem e x o p t a t. Nemo non benigrius est s u i j u d e x.
Aanmerking. Twee ontkenningen vernietigen elkander niet, wanneer op een voorafgaande ontkenning ne â quidem of nee â nee volgt. B.v. Non praetereundum est ne id quidem. Sic habeas, nihil mehercule temihineccariusessenec suavius. Nemo unquam neque poëta neque orator f'uit, qui quemquam meliorem quam se putaret.
§ 490. De adverbia loei worden onderscheideii in interrogativa, d emo n s t r a ti v a , relativa en indefinita. Zij zijn op de vraag:
n o n n ë m o , iemand.
n o n n u 11 u s , een of einder. non nïhil, iets. nonnunquam, somtijds. Nemo sapiens mortem
|
(I nterrogativa). u b i, waar? unde, vanwaar? quo, waarheen ? qua, waarlangs? |
(Demonstrativa). i b i, daar. inde, vandaar. e o, daarheen. e a, daarlangs. waar: vanwaar: waarheen: waarlangs: |
(Relativa), u b i, waar. unde, vanwaar. quo, waarheen. qua, waarlangs.
i 11 i c, i 11i n e, i 1 1 u c , i 1 1 a c ,
daar. vandaar, daarheen, daarlangs.
hier, vanhier, hierheen, hierlangs,
i s 11 c , i s t i n c , i s t u c, i s t a c,
(Indefinita).
a 1 i c ti b i, ergens.
a 1 i c u ii d e , ergens vandaan.
a 1 ï q u o , ergens heen.
a 11 q u a , ergens langs.
Verder behooren tot de indefinita: alibi, elders, ubicunque, u b i u b i, waar ook, u b ï v i s , u b I q u e, overal, quocunque, waarheen ook, q u o v i s, q u o 1 ï b e t; onverschillig waarheen, undecunque, vanwaar ook, q u a c u n que, langs welken weg' ook.
Aanmerking. De adverbia loei staan dikwijls met betrekking op voorafgaande zaken in plaats van een pronomen met een praepositie. B.v. Quae urbs fuit, unde (= e qua) Lucullus cerilsum in Italiam at-tulit? Aquïlae nidos in iis fere locis ponunt, quo (= ad quae) nisi vitae perieulo perveniri non potest. Praetor classi occurrit septem que inde (= ex ea) uaves cepit.
In zuiver proza mogen deze adverbia geen betrekking hebben op personen, behalve wanneer deze worden aangeduid door een pronomen of algemeen e benaming. B.v. P r a e t e r te nemo fuit, u b i nostrum jus ob tin eremus. Orator de q navis re multo dicit ornatius, quam ille ipse, unde cognörit.
§ 491. Van de pronomina demonstrativa hic, iste, ille worden adverbia loei afgeleid, die een meer bepaalde beteekenis hebben dan de adverbia, waarover in de vorige paragraaf gesproken is. Zij zijn op de vraag:
waar: hic,
vanwaar: hinc,
waarheen : h u c,
waarlangs: h a c,
Plaatsing der praeposilies.
344
§ 492â494,
Voor het gebruik van deze adverbia gelden dezelfde regels, die voor het gebruik der pronomina, waarvan zij afgeleid werden, gegeven zijn. /00 schrijft bijv. Cicero aan Atticus: L i c e t t i b i significarim, ut ad me venires, id 0 m i 11 o tarnen: intellego, te re istic prodesse, hie ne verbo quidem levare me posse.
Aan ra e r k i n g. Bij de verba van plaatsen (Vgl. § 283.) gebruikt men de adverbia loei i b i, u b i, h i c, istic, i 1 1 i c in plaats van e 0, quo, hue, i s t u c, i 11 u c, en bij de verba van aankomen (Vgl. § 2amp;4.) de adverbia loci eo, quo, hue, istuc, illue iu plaats van i b i, u b i, hie, istic, i 11 i c.
§ Men lette wel op de verschillende beteekenis der adverbia
temporis t u 111, tunc, nunc, jam.
T u ra beteekent toeti (het staat in hoofdzinnen tegenover c u m in bijzinnen), daarop, noy (zoo dit woord op het verledene betrekking heeft). B.v. C u ra o m n e s a d e s s e 111, t u m i 1 1 e e x 0 r s u s est d i c e r e. P r i ra u ra Graecoru ra , t u m R oraanorum res g e s t a s u a r r a b o. Pisistrittus, vivo e t i a m t u m S 0 1 o n e {noy hij het leven van Solon), imperium Atheniensium occupavit. Zoo noy betrekking heeft op iets, dat tegenwoordig is, wordt het vertaald door a d h u c. B.v. N i h i 1 adhue de pace composita audivi.
T u n c beteekent toen en staat meestal tegenover n u n c. B.v. Nunc a j u 111, q u 0 d tunc n e g a b a 111.
Nunc wordt alleen gebruikt van hetgeen tegenwoordig is. Zoo thans betrekking heeft op een verleden tijd heet het tum of tune. B.v. 1 u ra demum {nu eerst) Croesus, cum in eo er at, ut in rogo eombureretur, quam vere Solon dixisset, in teilexit.
Jam dient tot voortzetting van een verhaal. B.v. Postquara supra, q u i b u s de c a u s i s b e 11 u m Peloponnesiitcura o r t u ra sit, breviter exposuimus, jam ad helium i p s u in d e s c r i-b e n d u m n 0 s convertaraus. Met een ontkenning verbonden beteekent j a m, meer. B.v. Hodienullijam 1 e 0 n e s 1 n G r a e c i a sunt, feoms komt het overeen met ons al. B.v. Jam satis s t.
§ 49.J. Wanneer bij een optelling de getallen niet noodzakelijk moeten aangegeven worden, gebruikt men in plaats van de adverbia uumeralia prim urn, sec undo, tertium, q u ar tum liever de adverbia priraura deinde, turn, d e n ï q u e. B. v. Q u a 11 u 0 r genera n o ra i n u ra sunt, priraura substan tiva, deinde adjectiva, tum pronomina, denique numeralia.
Bestaat de optelling uit meer dan vier leden, dan kan men öf tum herhalen of er aeeëdit, hue adde tusschen voegen. Soms ztt raen achter denique nog postremo.
Denique dient ook om na een optelling van verschillende zaken het Nederlandsche kortom? ld een woord uit te drukken. B.v. Deus caelum, ter rara, mar ia, om nes denique res efföeit.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DE PLAATSING DER PRAEPOSITIES.
§ 494. De praeposities staan gewoonlijk onmiddellijk vóór het woord, waarop zij betrekking hebben.
Plaatsing der praeposities.
§ 495-497.
345
Vgl. over de plaats van versus § 162. 21, vau c u m § 163. 3, van t e ii u s § 163. 8.
Wanneer inter betrekking heeft op twee substantiva, staat het somtijds tusschou beiden in. B.v. Sax a inter et alia loca periculosa, tusschen rotsen en andere gevaarlijke plaatsen.
Bij eed en en gebeden wordt per gewoonlijk van zijn casus gescheiden door den accusativus van het pronomen personale des persoons, wieu men bidt of bezweert, en ook wel door den nominativus van het pronomen personale des persoons, die bidt ot zweert. B.v. Per ego te doos oro, ik smeek u hij de goden. Somtijds wordt oro uitgelaten. B.v. Patres conscripti per vos liberos atqne parentes subvenlte misero mi hi.
§ 49.5. Wanneer op een adjectivum een sterke nadruk valt,
wordt het gaarne van zijn substantivum gescheiden en vóór de praepo-sitie geplaatst, vooral wanneer deze van éóne lettergreep is. B.v. Magno cum p e r i c u 1 o. T a n t o in li o n o r e.
§ 4S)6. Wanneer een pronomen relativum (soms ook een demon-strativum) afhangt van een praepositie (bijzonder au te, contra, inter, propter, de) staat het niet zelden vóór de praepositie. B.v. lies, qua de agitur. Quem contra dicit. Dies, quam ante. Dichters plaatsen soms een substantivu m vóór zjjn praepositie. B.v. O s s a super r e c ü b a u s.
Wanneer een pronomen relativum of demonstrativum als attributum bij een substantivum staat, worden de éénlettergrepige praeposities gaarne tusschen beiden in geplaatst. B.v. Qua in urbe.
Ista in re. Quibus de causis. Hanc ob rem. Quem ad modum. Zoo kan men ook zeggen: Quorum ad scientiam. Cujus cum mo rib us. liet pronomen is staat echter geregeld achter de praepositie. B.v. Ob eam rem. Cum ea cura. Ab oo hom ine. Slechts de staat meermalen na i s. B.v. E a de causa, lis de r e b u s.
§ 497. De praepositie kan van haar casus gescheiden worden:
1°. door een genetivus, waarvan dan weder een bijzin kan afhangen. B.v. Ante urbis portas. Propter Hispanorum, apud quos consul fuerat, injurias. .Men voege echter geen anderen naamval tusschen de praepositie en haar casus. Dus niet: ad praesidiis firma n d a m o e n i a, maar : ad m o e n i a praesidiis f i r m a n d a.
Niet: in mihi in visum locum, maar : in locum m i h i i n v I-s u m. Hot meermalen voorkomende in suum cuique tribuendo moet als uitzondering beschouwd worden.
2°. door een adverbium. B.v. Ad beate vivendum. De p r a e c 1 a r e g e s t i s rebus.
3°. door., q u 6,^11 e, v e. B.v. Profectus ad c a s t r a h o s t i u m e x q u e pP?rjTTn q u o c o p i a s specula n das. In den regel echter '
worden deze conjuncties niet aan éénlettergrepige praeposities gehecht, behalve wanneer dezelfde praepositie reeds voorafgaat, maar aan de woor-'i^J^Tj den, die van de praeposities afhangen. B.v. Hannibal patriam rellquit ad Antiochumque confügit. In nostrane po-te s t a t e est? De tempo ribus deque universa republic a.
Sine classe sinéque exercitu.
4°. door a u c e m, e n i ni, v e r o, tarnen, q u i d e ra, zoo de praeposities namelijk een accusativus regeeren. B.v. P r a e t e r e n i ra
Plaatsing der praeposities.
346
§ 498â501.
tres disciplinas. Postautem AlexandriMagni mortem. Gewoonlijk zegt men echter: praeter tres enim disciplinas, post Alexandri Magni au tem mortem.
5°. door e t-e t, a u t-a u t, v e 1-v e 1. B.v. Atticus honorem non petiit propter vel gratia m vel dignitatem.
Aanmerking. Dichters veroorloven zich de grootste vrijheid. B.v. â¢Injiciunt ipsis ex vincula sertis. Subter captos ar ma sedere duces.
§ 498. In het Latijn mogen geen twee praeposities naast elkander staan. Meu vertale derhalve: met uit Griekenland ontboden soldaten, met: cum ex Graecia arcessTtis militibus, maar: cummilitibus ex Graecia areessltis of cum arcessitis ex Graecia militibus
§ 499. Wanneer iu het Nederlandsch twee praeposities betrekking hebben op één substantivura moet men iu het Latijn of het substantivum herhalen of het pronomen is in deszelfs plaats stellen. B.v. Vóór en in de leyerplaats, ante c a s t r a et in castris (of i u ii s). De herhaling van het substantivum is echter niet noodig 1°. wanneer de praeposities denzelfden naamval regeeren. B.v. Intra extraque m u u i t i on es. 2°. wanneer de tweede praepositie als adverbium kau gebruikt worden eu achteraan staat. B.v. Boren en onder de aarde, supra t e r r a ra et infra. Sommigen spraken voor, anderen tegen het ivetscoorstel, a 1 i i pro lege, a 1 i i contra d i x e r u n t.
§ 500. Een praepositie, die op meerdere substautiva betrekking heeft, wordt herhaald, wanneer de substantiva ieder in hot bijzonder moeten uitkomen. Dit zal gewoonlijk het geval zijn, wanneer zij verbonden worden door e t-e t, t a ra-q u a m, a u t, s e d, nisi, euz. B.v. Persae et a pud Salamina et apud Plat a eas male pugnaveruut. Nou ex mea opinionesedexhomiuum rumors. Zoo echter de substautiva als een eenheid opgevat worden, heeft er geeu herhaling plaats. B.v. Milites pro uxoribus et liberis pugnant. Vooral geschiedt dit :
10. bij een appositie altijd. B.v. Cum duobus ducibus in Italia decertatura est, Pyrrho et Haunibale.
2°. bij korte, levendige optellingen en bij verdeelingen. B.v. Hoe appitret in bestiis, volucribus, nautibus, agrestibus, cicuribus, feris. Iu for mis aliisdignitas iuest, aliisveuustas.
3quot;. bij vragen, die zich innig aansluiten aan hetgeen voorafgaat. B.v. A Jove incipiendum. Quo Jove?
4°. gewoonlijk ook bij het relativum wanneer de zin afgekort is en het verbum, dat bij het antecedens staat, herhaald kau worden. B.v. Cimon ineïdit in eaiidem invjdiam, qua ra pater suus. Me tuae litter ae nunquam in tantamspemadduxe-runt, q u a n t a m aliorum. a^. a . v..*.-,,
§ 501. Onze gewoonte om een substantivum ^oor een p r ae po s it i e van een ander substantivum te laten afhangen ligt niet in den geest der Latijnsche taal. De Latijnen gebruiken hier gewoonlijk:
1°. den genetivus (subjectivus of objectivus) of een andereu casus obliquus.
2°. een omschrij ving met een participium of relatieven zin. B.v. Een stad met muren, urbs moeuibus cincta. Een huis in de stad, domus in urbe sita. In Cato's hoett over den landbouw, i n
Conjunctiones copidativae.
§ 502.
347
Catonis libro, qui de agricultura est edit u s. /m mijn hoek over den staat, in libris, quos de republica scrips i.
3°. een adjectivum. B.v. Steden aan de zee, urbes maritimae. Een vat van zilver, vas argenteum. De roem van zijn voorouders, fulgor a vltus. Een misdaad tegen (joden en menschen, divinum hu-manumque scelus. Vooral gebruiken zij gaarne adjectiva afgeleid van nomina propria. B.v. De eenvoudigheid van Cicero, simplicitas Ci-ceroniaua. De reis naar Brtindisium, iter Brundislnum. Hercules hij Xenophon (zooals hij in de werken van Xenophon voorkomt). Hercules Xenophonteus. Gewoonlijk geschiedt dit om iemands geboorteplaats aan te duiden en zeer dikwijls bij be Hum om den koning of bet volk aan te geven, waarmede de oorlog gevoerd wordt. B.v. Trasybulus Atheniensis. Bellum Mithridatïcum, F unicum.
Meermalen echter worden ook twee substantiva door een praepositie met elkander verbonden. B.v. Epistola ad Caesarem. Proelium apud Leuctra. Vooral geschiedt dit met cum, sine, de en bij substantiva verbalia, die een beweging te kemien geven. B.v. Otium cum dignitate. Lectio sine ulla delectation e. Triumphus de Gallis. Transraissus ex Gallia in Britan-niam. ïlivorum a fonte deductio. Excessus e vita.
Geheel onberispelijk is de verbinding door een praepositie, wanneer deze met haar casus tusschen een substantivum en een attributum of genetivus staat. B.v. Multae in Graecia urbes. Tertius de phi-losophia liber. Meus erga te amor. Clarorum virorum post mortem ho n ores. Caesar is inHispania res s ec u n d ae.Vgl.§252.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OVER DE COORDINEERENDE CONJUNCTIES. I. Conjunctiones copuiativae.
§ 502. E t is het meest algemeene koppelwoord en dient tot verbinding van allerlei woorden en zinnen. B.v. L e o et asïnus venatum iverunt.
Atque (voor vocalen en consonanten) en ae (nooit voor een vocaal of h~) worden vooral gebruikt;
1°. ter aanknooping van iets gewichtigers en sterkers in den zin van en zelfs (rem d i f f i c i 1 e m atque omnium d i f f i c i 11 i ra a m), en ook (s o c i i atque e x t e r a e n a t i o n e s), en wel vooral (m a g n a diis immortalibus habenda est atque huic ipsi Jovi S t a t 5 r i gratia).
2°. ter verbinding van synonieme en tegenovergestelde begrippen. B.v. O rare atque obsecrare. Hou est a atque in honest a.
3°. ter afwisseling van et, wanneer het eene verbonden lid wederom tweeledig is. B.v. Magnifica vox et magno viro ae sapieuti d i g n a.
Que duidt aan, dat de verbonden begrippen een geheel vormen. B.v. Cives se suaque tradiderunt. Senatus pop til usque R o ra a n n s. Men hechte que niet aan het laatste woord van een zin en ook niet aan a, a b, ad, apud, o b en sub.
Aanmerking. In plaats van et zegge raeu nonit nee (neque) â n o n. Deze uitdrukking, die en zeker ook, en inderdaad beteekeut, wordt
Conjunctiones copulativae.
348
§ 503â505.
slechts gebruikt, zoo er een ander verbum volgt en wel gewoonlijk gescheiden. B.v. Rem tibi diligenter exposui neque tu haec non intellexisti.
§ 503. Tot de conjunctiones copulativae kunnen ook gebracht worden e t i a m , ook, zelfs, nog, eu q u o q u e, ook, op (jelijke wijze. E t i a m (vóór of na het woord, waarop het betrekking heeft) heeft een v e r-ster kende, quo que (altijd na het woord, waarop het betrekking heeft) heeft een gelijkstellende beteekenis. B.v. M i h i res familiaris etiam ad necessaria deest. Me q u o q u e de m o r t e f i 1 i i c e r t i o r e m fecit.
Aan me r kling I. Atque etiam, en zelfs, verbindt twee begrippen met versterkende beteekenis, atque a d e o , o Æ liever, geeft een verbetering aan van het vorige begrip. B.v. In omnibus c i r-culis atque etiam in conviviis sunt, qui exercitum in Macedonia m d u c a n t. V e r r e s cum m a x i m o d e t r i m e n t o a t q u e a d e o oxitio vectigalium totam Hieronïcam legem sustülit.
Aanmerking II. Ook de beste schrijvers gebruiken nu eu dan et in plaats van etiam, vooral bij pronomina en conjunctiones, zooals: et ille, et iste, et ipse, et nunc, non solum (modo) â sed e t, niet alleen â maar zelfs.
§ 504. Meermalen worden twee begrippen die één geheel uitdrukken, zonder conjunctio copulativa naast elkander gezet. Meu noemt dit asyndeton. Het geschiedt:
10. bij tegenstellingen en spreekwoordelijke verbindingen. B. v. S u m ra i i n f i m i; d o c t i i n d o c t i; prima postrema; p u b 1 i c a p r i v a t a; maxima minima; v e 1 i s r e m i s ; e q u i v i r i; dicta facta.
2°. bij arabtgenoote n. B.v. C n. P o m p e j o M. C r a s s o consulibus.
3°. bij handelingen, die onmiddellijk met elkander verbonden zijn. B.v. Ad sunt, queruntur Siculi universi.
§ 505. Bij de optelling van drie of meer begrippen, worden deze of onverbonden naast elkander geplaatst (asyndeton) of allen door et verbonden (polysyndeton). B.v. Qu al is apud Grraecos Pherecydes, HellanTcus, Aousïlas f uit, talis uosterCato etPictoret Piso.
A 1 i i, c e t e r i, r e 1 i q u i, waardoor men het Nederlandsche en zoo voort vertaalt, worden bijna altijd zonder conjuuctie met de vorige woorden verbonden. B.v. Sint sane ista bona, quae putantur, hoaores, d i v i t i a e, voluptates, cetera.
Wanneer de overige woorden onverbonden zijn, wordt het laatste woord ook door que met de vorige verbonden (Vgl. § 502), en zoo de begrippen der twee laatste woorden nauw aan elkander verwant zijn, ook door atque. B.v. Constantia, gr a vitas, fortitude reliquaeque virtu te s. Honor, gloria, divitiae, cultus atque vestTtus corporis muitos delectant.
Wanneer de opgetelde woorden paarsgewijze tegenover elkander staan, blijven zij gewoonlijk allen onverbonden. B.v. Omnibus moriendum est, d i v i t i b u s p a u p e r i b u s, s u ra m i s i n f 1 ra i s. Quid j u d i c a n t sensus? Dulce a ra ar u ra, lene asperum, prope longe. stare m o v e r e, q u a d r a t u m r o t u n d u ra.
§ 506â509. Conjunctiones copulativao.
Aa um er king. Men kan bij de optelling van twee of meer begrippen oen rethorischen klank aan den ziu geven door de herhaling van een zelfde woord voor ieder lid. Men noemt dit anaphora. B.v. Qua m f r a g i 1 i a, q n a m c a d n c a sunt omnia h u m a n a. Nullus u n q u a m philosöphus tam humanus, tam modestus, tam ab omni fasti dio alien us fuit quam Socrates.
§ 50(5. Door et non, at que non wordt gewooniijk slechts een en k e 1 woord ontkend. B.v. Ab hos ti bus constanter et non timide pugnatum est. Zoo de ontkenning op een gansehen zin betrekking hoeft, zegt men gewoonlijk nee of neque (beiden zonder eenig verschil vóór klinkers en medeklinkers). Neque kan naar omstandigheden vertaald worden door en niet, noch, ook niet, maar niet. B.v. Druïdes a bello a b e s s e consuBrunt neque t r i b u t a p e n d u n t. K e s c o e p-tae neque perfecta e.
Op dezelfde wijze zegt men in plaats van et nemo gewoonlijk neque quisquam, van et nullus neque ullus, van et nihil neque quid-quam, van et nunquatn neque unquam. Zoo echter de ontkeuniiig sterk moet uitkomen, mag deze verandering niet geschieden. B.v. Domus temëre et nullo consilio administratur. Eo si mus auimo ut moriendi diem nobis faustum putemus niuilque in m a 1 i s d u c a m u s, q u o d sit a d i i s constitutum.
Evenzoo heet nooit iemand nemo u n q u a m, nergens iemand nemo ii s q u a m, nooit iets nihil unquam, nergens iets nihil u s q u a m. B.v. Nulla unquam tam e x i g u a m a n u s t a n t a s o p o s prostravit. Nihil unquam fecit sine aliquo quaestu a t q u e p r a e d a.
§ 507. Een ontkennende ziu met v e r o, t a m e n, e n i m, i g i t u r wordt gewoonlijk ingeleid met neque. Men vertale dus: tcant niet neque e n 1 m, maar niet neque v e r o, echter niet neque t a m e n, alzoo niet neque i g i t u r. R u t i 1 i u s h u i c humilitati vel mortem anteponendam esse d i c e b t. Neque v e r 0 hoe solum dixit, sed ipse et sensit et fecit.
Zoo echter de ontkenning een sterken nadruk heeft of slechts bij een enkel woord van den zin behoort of in verschillende zinnen herhaald wordt (anaphora), gebruikt men n 0 n. B.v. Haec novi judieii nova forma t e r r e t o c u 1 o s, j u d i c e s. Non e 11 i m corona consessus v ester cinctus est, ut solebat; non usitata frequentia s t i p a t i s u m u s, eet.
§ 508. Wanneer een ontkenning betrekking heeft op twee woorden, die in het Nederlandsch door en verbonden zijn, wordt in het Latijn of de ontkenning herhaald of het tweede met het eerste woord verbonden door a u t of v e. B.v. Niet de hesten en ernstig sten, maar de onbeschaamdsten en praatzuchtigsten worden gekozen, nou 0 p t i m u s q u is-que nee gravissimus, sed irapudentissimus loqu a cis-sim usque deligïtur. Hunc nee hosticus auferet eusis, nee 1 a t ë r u m dolor a u t tarda podagra. Nee r e c ï t 0 cuiquam nisi amieis, non ubïvis coramve quibusltbet.
§ 501). Bij de verbinding van twee woorden of zinnen gebruiken de Latijnen gaarne een dubbele conjunctie copulativa, om daardoor de onderlinge betrekking der verbonden woorden of zinnen juister uit te drukken.
349
350 Conjunctiones copulativae. , 8 510â511.. n
C,-, \SA^X V^r^.
Vooreerst staat als zoodanig et â et, zoowel â als, waardoor aan de beide leden een gelijk gewicht wordt toegekend. B. v. R o m a u o r u m et in bellicis et in civilibus officiis vigebat industria. Sum mus et orator et poëta. Rex et potentissimus et nobilissiraus. Wij laten de eerste conjunctie zeer dikwijls onvertaald.
Zoo de beide leden ontkennend zijn, zegt men neque â neque,
niet â noch, noch â noch, evenmin â als. Bij het tweede lid wordt meermalen voor den nadruk v e r o gevoegd. B.y. Mentiri nee possum nee, si posse m, cupërem. Hoe genus cupiditatum nee ad potiendum difficile esse een set, nee vero ad caren-dum. Zoo er een andere ontkenning voorafgaat, kan men in plaats vair i neque â neque ook a u t â a u t zetten. B.v. e m o hoe factum aut admirabitur aut imitabitur. Vgl. § 489. A.
Zoo het eene lid bevestigend en het audere outkeunend is, zegt men et â neque, niet alleen â maar ook niet, of n e q u e â e t, niet alleen niet â maar ook. B.v. Via et eerta nee Ion ga. Homo nee meo judicio stultus et suo valde prudens. Wij laten het eene voegwoord gewoonlijk onvertaald. B.v. Een veilige en niet lange weg.
§ 510. Cum â t u m, niet alleen, â maar ook, zoowel â als vooral, is van et â et onderscheiden doordat het den nadruk op het tweede lid legt. B.v. Ex victoria cum multa mala, turn tyrannis exsistet. Dicendi vis cum in omnibus rebus hu man is, tum in civitatibus regen dis plurimum va let. Wjj vertalen eum â tum dikwijls door hijzonder echter voor ]iet tweede lid te zetten.
Tum wordt dikwijls versterkt door praecipue, maxime, imprimis, vero, certe, etiam. B.v. Volvendi sunt libri cum aliorum tum imprimis Ciceronis.
Zoo er meer dau twee leden zijn, herhaalt men t u m. B.v. Eum pater moriens cum tutor i bus et propinquis, tum legibus, tum aequitati magistratuuni, tum judiciis vestris com men datum putavit.
Wanneer c u m in deze verbinding een causale of concessieve beteekenis heeft, regeert het den conjunctivus. B.v. Cum multae res in philosophia uequiïquam satis adhuc explicatae sint, tum perdifficilis est quaestio de natura deorum.
Aanmerking. Van cum â tum is onderscheiden tum â tum, dat evenals modo â modo nu eens âtto/t eens beteekent. B.v. In fleet it sol cursum tuin ad septentriones tum ad meridiem. Modo a i t, modo n e g a t.
§ 511. Tam â q u a m , evenzeer â als, is van et â et onderscheiden doordat het een even hoogen graad aan beide loden toekent. B.v. Tam omnibus ignoscere crudelitas quam nulli.
Non tam â quam beteekent niet zoozeer â als. B.v. De e o non tam quia longum est, quam quia perspicuum. dici nihil est necesse.
Wanneer evenzeer â als de bij beteekenis heeft van minstens evenzeerâals, vertaald men het door non minus â q u a m. B.v. L i b e r i hominibus non minus cari esse de bent quam patria, aan de menschen moeten hunne kinderen (minstens) even dierbaar zijn als hun vaderland.
Zoo men de twee leden omkeert, kan men in plaats van non minus â quam nou magis â quam gebruiken. B.v. Patria hominibus nou
§ 512. Conjunctiones copulativae. 351
magis cara esse debet quam liberi. Alexander verrichtte evenzeer de werkzaamheden van yeineen soldaat als die van veldheer óf Alexander non ducis magis quam militis munera exsequebaturöfAlexander non ruinns militisquam ducis munera exscquebatur.
Non magis â quam beteekent ook evenmin â als, niet zoozeer â als wel. B.v. T u non magis aegrötus es quam ego, gij zijt evenmin ziek als ik. Jus a p u d v e t e r e s Romanos non ! e g i b u s magis quam natura valebat, het recht werd hij de oude Romeinen niet zoozeer in stand yehcude n door de geschreven wetten als wel door het natuurlijk gevoel.
§ 512. Non m o d o (solum, fail f ü tó) â s ed ^vVy'u m) e t i a m, niet alleen (niet slechts, niet enkel) â maar daarenboven, is daardoor van et â et onderscheiden, dat het tweede lid nog iets bij het eerste lid voegt. B.v. Non paranda nobis solum sapieutia, sed fruenda etiam. Scipio African us urbibus ever sis iuimicissimis imperio Romano non modo praesentia, verum etiam fut u ra bella delevit.
Non modo â sed wordt in twee beteekeuisseu gebruikt:
1°. niet slechts â neen of niet slechts â maar veeleer, wanneer het tweede lid den inhoud van het eerste lid in zich bevat; men gaat dan van het kleinere over tot het grootere. B.v. Sum consecutusnon modo, ut domus tua tota, sed ut cuncta ei vit as metibi amicissimum esse cognosceret. T u h a n c legem d a t a m esse nou modo scivisti, sed ipse dedisti.
2°. ik wil niet zeggen â maar slechts, wanneer men wil aanduiden, dat het eerste lid te veel bevat en dat men zich aan het tweede, hetwelk minder is, houdt; hier gaat men van het grootere over tot het kleinere. B.v. Jecissem me ipse potius in profundum, ut ceteros conservarem, quam illos mei tam cupïdos non modo ad c e r t a m mortem, sed in magnum v i t a e discrtmen adducerem. In plaats van non modo â sed kan men ook zeggen: non d i c a m of non d i c o â sed. B.v. Q u i d s t e n i m minus non d i c o o r a t o r i s, sed h o m i n i s. Zoo më'n den zin omkeert, kan men nedum of n e dicam, laat staan gebruiken. B.v. Q u ae civitas est in Asia, quae non modo imperato r is aut legati, sed uuius tribun i militum animos ac spiritus cape re possit? of quae civitas est in Asia, quae unlus tribuui militum animos ac spiritus cap ere possit, n e dicam (nedum) imperatoris aut legati? Vgl. § 356.
Niet alleen niet â maar integendeel heet non modo non â sed potius. B.v. Non modo non pro me est, sed contra me est potius.
Niet alleen niet â maar ook niet heet non modo non â sed ne... quidem. B.v. Ego nou modo tibi non irascor, sed ne reprehend o quidam factum tuum. Zoo beide leden een gemeeVi schappelijk praedicaat hebben en dit in het tweede lid staat, zegt men in plaats van non modo non enkel non modo. B.v. Asseutatio non modo amico, sed ne libero quidem dig na est, vleierij is niet alleen een vriend, maar ook een vrij man onwaardig. Zoo echter ieder lid zjju eigen verbum heeft of zoo het gemeenschappelijke verbum in het eerste lid staat, moet men non modo non behouden.
Aaumerkiug. Modo non en tantum nou beteekenen bijna. B.v. Senem per epistolas pellexit, modo non nioutes a u r i po llïceus.
ï
1
Conjunction es disjunctivae. § 513â516.
II. Conjunctiones disjunctivae.
§ 513. A u t geeft te kennen, dat van de aangegeven zaken slechts één waar is of kan geschieden en tevens dat er geen plaats is voor oen derde. B.v. H i c v i n c e n d u m a u t morion dum es t. Zeer dikwijls wordt het om den nadruk verdubbeld. B.v. O m n e euuntiatum a u t v e r u m a u t f a 1 s u m est.
Meermalen beteekeut aut of zelfs, of ten minste. B.v. Nemini expe-d iebat u 11 u m in S i ci 1 i a t u m u 11 u m aut be 11 um co m m o ver i. C u u c t i aut m a g' u a pars Siccensium f i d e m m u t a r u n t:
En noch â noch wordt gewoonlijk vertaald niet door et uequeâ neque, maar door n e q u e aut â aut. B.v. C o n s t a u t i s e s t n u 11 o casu perturbari neque aut spe aut motu de suscepta s e u t e n t i a deterreri.
Opdat noch â noch heet ne aut â aut. B.v. Hoe ego facile pa-tior sileri, ne iu liac civitate tanta facinöris immauitas aut oxstitisse aut nou vindicata esse videatur.
En wordt behalve in het geval, dat § 508 besproken is, ook door aut of v e vertaald in negatieve vragen en na comparativi. B.v. Kum leges nostras moresve novit? Accessit istuc d o c t r i n a nou moderata nee m i t i s, s e d p a u 1 o a s p e r i o r et d u r i o r, q u a m v e r i t a s aut n a t u r a patiatur.
§ 514. Vel dient meestal om een betere uitdrukking in plaats van een minder goede te zetten. B.v. Ardor c a e 1 e s t i s, qui aether vel caelum n o m i n a t u r. quot;Vandaar staat het dikwijls in verbinding met p o t i u s, d i c a m of e t i a ni. B.v. Epicurus li o m o m i n i ra e m a-lus vel potius optimus. Stupörem hominis vel die am p e c ti d i s attendite. Laudanda est vel e t i a m amanda.
Vel â vel scheidt twee begrippen, welke eeu derde niet noodzakelijk uitsluiten. B.v. Vel imperatore vel m i 1 i t e me u t i m i n i, gehndkt mij als bevelhebber of als soldaat (of als wTat anders). Zoo hier aut â aut gebruikt was, zou de zin zijn: of als bevelhebber öf als soldaat, maar niet als wat anders.
Aanmerking. Vel als adverbium gebruikt heeft de boteekenis van zelfs. B.v. P u e r i 1 u d o r u m causa vel f a m e m et s i t i m perfërunt. In deze beieekenis staat hot dikwijls bij s u p e r 1 a t i v i. Vgl. § 303. 3°. Bij pronomina heeft het ook de beteekenis van reeds. B.v. R e m ita esse vel ex hoc intellegi potest.
§ 515. Ve verbindt slechts enkele woorden met elkander en duidt aan, dat het onderscheid tusscheu beiden wat de zaak betreft van geen beteekenis is. B.v. A u d i t or e s in hilaritatem risurave con ver tere. Het wordt dikwijls gebruikt bij getallen. B.v. ïer quaterve eum v i d i, ik heb hnn misschien drie of viermaal gezien. In sommige verbindingen wordt v e dikwijls weggelaten. B.v. Plus minus; serins o c i u s.
§ 510. Sive beteekent dat liet den spreker onverschillig is, welke der genoemde personen of zaken genomen wordt. B.v. Hoc Plato sive quis alius dixit. Gewoonlijk echter dient het evenals v e 1 om de eerste uitdrukking te verbeteren en wordt gaarne met potius of etiam verbonden. B.v. Discessus sive potius t u r p i s s i ra a fuga.
Sive â sive duidt aan, dat men het niet voor uitgemaakt houdt, welke van beide zaken de w'are is. B.v. L o g e s, quas sive Juppiter sive Minos sanxit.
:552
§ 517â519. Conjunctiones adversativae.
S e u komt bij Cicero gewoonlijk slechts voor iu verbinding met p o t i u s. B.v. Regie sen potius tyrannic e.
Aanmerking. Bij s i v e-s i v e wordt het verbum in den i n d i-c a t i v u s gezet. Het Nederlaudsche werkwoord mogen blijft altijd onvertaald. B.v. Sive verum est sive falsum, mihi quidem ita renuntiatum est. Zoo het tweede lid ontkennend is, zeggen wij gewoonlijk of niet; iu het Latijn moet het verbum echter altijd aangevuld wordeu. B.v. Si fatum tibi est ex hoe morbo con-valescere, sive tu medic inam adhibueris. sive non adhibueris, convalesces.
Hetzij dat, hetzij wijl heet sive q u o d, sive q u ia. B.v. Ro m ul us centum croavit senatores, sive quia is numerus satis erat, sive quia soli centum erant, qui creari patres possent.
III. Conjunctiones adversativae.
§ 517. Sed geeft een tegenstelling te kennen, die het voorgaande beperkt, zoo de zin positief, en op he ft, zoo de zin negatief is. B.v. Alcibiades ingeuiosus homo, sed in omni vita in const .ins fnit. Otii fructusestnoncontentioanimi, sed relaxatio.
Sed wordt ook gebruikt in een redevoering om den overgang te maken tot een nieuw deel of om na een digressie weder ter zake te komen. B.v. Sed jam satis m u 11 a de causa; restat ut orem obtesterque vos, j u d i c e s, eet. Sed redeat unde aberravit oratio.
Aanmerking. Wel â maar wordt vertaald:
1°. door sed. B.v. Marius manu fortissimus, sed inge-nio aspero fuit.
2°. door een pronomen personale gevolgd door quidem â sed. B.v. Marius manu i li e quidem fortissimus, sed ingenio aspero fuit. Vgl. § 449.
3°. door ut â ita. B.v. Marius ut manu fortissimus, ita ingenio aspero fuit. Vgl. § 343. A. I.
4°. zoo beide leden ieder een afzonderlijken zin vormen, ook door het beperkende ita gevolgd door ut consecutivum. Ygl. § 486. Wel niet â maar heet dan ita non â u t. B.v. Aristoteles et Xeno-erfttes ita non sola virtute finem bonorum contineri p u t a n t, ut rebus tarnen omnibus virtutem antepünant.
5°. door et si of quamquam â tam en, wanneer het subject der beide zinnen verschillend is. B.v. Quamquam int el lego, quid optimum factu sit, tamen ne faciam multa impediunt.
§ 518. Verum heeft een sterkere beteekenis dan sed, doch wordt gewoonlijk slechts gebruikt evenals sed bij het maken van een overgang of na een digressie en in de uitdrukking non solum â-verum etiam. B.v. Verum quidem haec hactënus..
In plaats van sed en verum gebruiken Livius en anderen ook c e t e r u m.
§ 519. Vero (gewoonlijk op de tweede plaats te stellen) wordt gebruikt, wanneer men het voorgaande toegeeft, doch er als tegenstelling nog iets grooters en gewichtigers tegenover plaatst. B.v. Musïca Roman is moribus abest a principis persona, saltare vero etiam iu vitiis ponitur.
353
23
Conjunctiones adversativae.
520â523.
354
Enimvero, ja waarlijk, heeft geen adversafcieve maar bevestigende kracht. B.v. Enimvëro mirari satis non queo.
V e r u m enimvëro drukt de sterkst mogelijke tegenstelling uit. B.v. M u'tTim ortales indocti incultique vitara trans-ierunt. Eorum ego vitam raorteraquejuxtaaestimo. Verum enimvero is d e m u m mihi viverevidetur, qui aliquo negotio intent us praeclari facinöris autartis b o n a e f a m a m q u a e r i t.
§ 520. A u t e ra (gewoonlijk op de tweede plaats te stellen) is de zwakste conjunctio adversativa. Zjj dient om iets aan te voeren, wat van het voorgaande onderscheiden is of om een verhaal voort te zetten of om een aanmerking te maken. B.v. Gyges a nullo videbatur, ipse autem omnia videhat. Oppidumoppuguarecoe-pit; erat autera oppidum et looi natura et arte munTtum.
Autem staat ook hij de propositie minor van een syllogismus. B.v. Jus civile est aequitas constituta iis, qui ejusdem ci-vitatis sunt, ad res suas obtinendas; ejus autem aequita-tis utilis est cognitio: utilis est ergo juris civilisseientia.
§ 521. At (ast verouderd en dichterlijk) wordt gebruikt:
1°. om twee gedachten, die beiden waar zijn, met nadruk tegenover eikander te stellen. B.v. M a g n a e d i v i 11 a e, vis corporis, alia omnia hujusmodi brevi dilabur. tur, at iugenii egregia f a c i n ö r a immortalia sunt.
2°. om een tegenwerping of op te geven {maar kan men tegenwerpen, maar hoor ik zeggen) of op afdoende wijze te weerleggen (maar hiertegen zeg ik). In het laatste geval zegt men dikwijls at e n i m, at v e r o. B.v. Canes aluntur in capitolio, ut significent, si fures venerint. At {maar zult gij zeggen) fures internoscere non jp o s s u n t. D i c u n t i s t i, j u v e n u m m o r e s a m e p e s s u m d a-yt p s esse; at e n i m q u o m tandem j u v e n e ra pessumdëdi? ^? 3°. bij uitroepingen van verwondering of ontevredenheid. B.v. Y e-- stram aequitatera una mater o p p u g u a t. At quae mater! {maar ivat voor een moeder ook!) Vgl. § 335. 3Ã.
y § 522. A t q u i (slechts aan het begin van een zin te zetten) wordt gebruikt in een dubbele beteekenis;
^ 1°. en toch, wanneer men het voorafgaande toegeeft, maar tevens er iets tegen inbrengt, waardoor het vernietigd of verzwakt wordt. B.v. V i-detis nihil esse morti tam simile quam somnum.Atqui dor-mientium animi declarant divinitatem suam. O rem dif-ficilem, inquis, et inexplicabilem. Atqui ex pil can da est.
2°. hu echter, bij een propositio minor evenals autem. B.v.Si virtutes pares sunt inter se, paria etiam essevitianecesse est. Atqui pares esse virtutes, facillime potest por-sptci. Sequitur igitur, ut etiam vitia sint paria.
§ 523. T a m e n (voorop te plaatsen, zoo het den nadruk heeft, anders na het woord, dat den nadruk beeft) wordt gebruikt na zinnen met een conjunctio concessiva of waarin men zulk een conjunctio kan aanvullen. B.v. Pausanias accusatus capitis absolvitur; multatur t a m e n pecunia.
Et t a m e n beteekent en evenwel, a 11 3 m e n maar evenwel, s e d t a m e n intusschen, v e r u m t il ra e n intusschen, echter toch.
.J
lt;iy
§ 524â527. Conjunctiones conclusivae. 355
§ 524. Wanneer men een ontkennenden en een bevestigenden zin tegenover eikander stelt, wordt maar, doch {niet) gewoonlijk öf vertaald door et, at que, que (neque) óf onvertaald gelaten. quot;Men zal hierbij meermalen het verbum moeten herhalen. B.v. Sniïsit ei, ne se mo-vëret et exspectaret. Hostes in fugam dederunt neque per-sëqui potuerunt. Lycurgus Spartam fortitudine civium, non moenibus muniri voluit. Ex propinquitafe benevolen-tia tolli potest, ex amicitia non potest. Vincere seis, Hannibal, victoria u t i nescis. In plaats van het verbum te herhalen kan men ook item bij de ontkenning voegen. B.v. Hoe Heren li potuit fortasse contingere, nobis non item.
Terwijl in den zin van daar tocji blijft, zoo een bevestigende en een ontkennende vraag tegenover elkander gesteld worden, onvertaald. B.v. Wat, dit hebben mannen niet kunnen doen, terwijl knapen het hebben kunnen doen, Quid, hoc pueri potuerunt, viri non potuerunt? Quid causae est, cur Cassandra furens futura prospiciat^ Priam us sapiens idem face re non possit? Vgl. § 372. A. II.
Een tegenstelling kan dikwijls versterkt worden door een chiasmus te gebruiken. De coujunctio adversativa blijft dan gewoonlijk onvertaald. B.v. Si gladium quisapud te sana meute deposuerit, repëtat insaniens, reddere peccatum sit, officium non reddere. Ratio nostra consentit, repugnat oratio.
IV. Conjunctiones conclusivae.
§ 525. Ergo (voorop te zetten of na liet woord, dat den klemtoon heeft) wordt slechts gebruikt bij een logische gevolgtrekking. B.v. O m n e s homines m o r t a 1 e s sunt; a t q u i Gajus homo est; ergo Gajus mor talis est,
§ 526. 11 a que (aan het begin van den zin te plaatsen) geeft gewoonlijk een uit feiten voortvloeiend gevolg te kennen en is bijna niet verschillend van het relatieve q u a r e, quamobrem, q u a-propter B.v. In PhociSue tantum f u i t odium m u I t i t u-dinis, ut nemo au sus sit eum lib er sepelire. It a que {en zoo kwam het, dat) a servis sepultus est.
§ 527. Igïtur (gewoonljjk op de tweede plaats te zetten, soms ook na meerdere nauw verbonden woorden) geeft een gevolg te kennen, (lat als van zelf spreekt en dan ook als bijzaak beschouwd wordt. B.v. Bestiölae quaedam unum diem vivunt; ex his igitur hora octava quae mortua est, provecta aetate mortua est.
Aanmerking I. [gitur, enim, au tem, quidem, vero, quo-q u e staan in den regel tusschen den voornaam en den geslachtsnaam van een persoon. B.v. Gn. igitur Pompejus. M. enim Marcellus.
Aanmerking II. Igitur, e n i m , a u t e m staan gewoonlijk op de derde plaats, wanneer de zin begint:
1quot;. met een praedicaatsnomen en een vorm van sum. B.v. Ve-rius est igitur illud. Moriendum est enim omnibus.
2°. met non est, neque est, nihil est, nemo est, quis est, hie est, eet. B.v. Haec est enim Socrattca ratio.
30. met een c o u j u n e t i e, een negatie, een r e 1 a t i v u m of interrogativum en het daarop volgende woord een sterken klemtoon vordert. B.v. Cum d i c i s igitur. Non v i d e t a u t e m. Nu m vis igitur a u d i r e ?
Conjunctiones cunclusivae.
§ 528â529.
356
4°. En daarom, en alzoo vertale men niet door et igitur of igitur-que, maar of door ob eamque rem, et ob eam causam, eaque de causa öf door quare, quamobrem, quocirca, quapropter, unde öf door ut consecutivum of een andere passende subordinee-rende conjunctie. B.v. Het iveder is slecht en daarom hunnen wij niet uitgaan, tempestas quia mala est, in publicum prodire non possumus of tempestas tam mala est, ut in publicum prod-ire nou possTmus. Themistocles had door zijn overwinning op de Perzen bij Salamis Griekenland gered en werd daarom zelfs door de Spartanen geëerd, Themistocles, quippe qui Persis ad Salamina victis Graeciam servasset, ipsis Sparta nis in hou ore fuit.
§ 528. P r o i n d e staat gewoonlijk slechts met den imperativus of conjunctivus om een opwekking of aanmaning in te leiden, die uit hetgeen voorafgaat Toortvloeit. B.t. Quae resecanda sunt, non patiar ad perniciem civitatismanere; proinde aut exeant aut quiescant.
§ 529. Evenals de bovengenoemde conjuncties zich noodzakelijk aansluiten aan het voorafgaande, zoo hebben eo, ideo, idcirco, propte r e a meestal betrekking op een volgenden zin met quod, ut, ne, enz. B.v. Omnium fortissimi sunt Belgae propterea, quod a cultu atque human itate provinciae longissime absunt. Ideo ad te veni, ut te consolarer. Idcirco mutuae amicitiae comparantur, ut commune commödutn mutuis officiis gubernetur. Homines suorum mortem eo lugent, quod eos orbatos vitaecommodisarbitrantur.
P R O S O D I A.
EEESTE HOOFDSTUK.
OVER DE QUANTITEIT DER LETTERGREPEN.
Algemeene regels.
§ 530. Een lettergreep is of lang öf kort öf nu eens lang en dan eens kort (syllaba anceps.)
De lengte eener lettergreep hangt af óf van de natuur dei-vocaal (syllaba natura longa of brevis) of van de plaatsing dei-vocaal vóór andere letters (syllaba positione longa of brevis).
§ 531. Van natuur lang is iedere diphthong en iedere enkele vocaal, die door samentrekking van twee vocalen ontstaan is. B.v. poena, cogo (cöago), tibïcen (tibiicen), junior (jüvënior).
§ 532. Kort is iedere vocaal, die vóór een andere vocaal in hetzelfde woord staat, ook wanneer er een h tusschen beiden is. B.v. Dêus, plus, trnho, vëho. Ook van natuur lange vocalen en diphthongen worden in dit geval kort. B.v. dëorsum. sëor-sum, praëacutus.
Van dezen regel zijn uitgezonderd:
1quot;. de a van den genetivus ai der eerste declinatie. Vgl. § 12. A. II.
2°. de e van den uitgang ei der vijfde declinatie, zoo er vóór e een vocaal staat. Vgl. § 30. 3°.
3°. de a en e van den uitgang ai en ei in den vocativus der eigennamen op ajus en ejus. Vgl. § 30. 4°.
4°. de i van fio, behalve in het imperfectum conjunctivi en in den infinitivus praesens. Vgl. § 125.
5quot;. de i van den genetivus op lus der pronomina en der adjectiva van § 52. 4°. Behalve in alius wordt deze i door dichters dikwijls kort gebruikt. B.v. illius, alterius.
Algemeene regels over de quantiteit. § 533â534.
6°. ëheu, öhe (soms öhe), dïus, Diana (ook Diana).
Aanmerking. De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit. B.v. aër, eos, Amphïon, Agesilaus, Maëonia. Betrekkelijk de uitgangen ea en eus of ia en ius valt op te merken, dat de e en i lang zijn, wanneer zij uit six, en sioc, doch kort, wanneer zij uit ex en ix ontstaan zijn. Lang zijn derhalve: Gala-töa. Medea, Iphigenïa, Darcus, Alexandria, Antioehïa, Nicomedïa, Samaria, Seleucia, Thalïa, Arlus, Basi-lius, nosocomlum, Epieurëus. Pythagorëus, spondeus; maar kort: i d é a, philosophia, t h e o 1 o g ï a, a s t r o 1 o g i a. Hetzelfde geldt van den uitgang id es der patronymica, naarmate deze in het Grieksch (Priamides, Aeacïdes) of
(A tri des, Pel ld es) is. Als uitzonderingen worden genoemd platëa, straat, soms chorea en Academïa in plaats van chorca en Academïa.
§ 533. Een lettergreep is positione lang;
1°. wanneer zij eindigt op twee consonanten of op x. B.v. a m a b O n t, radix.
2°. wanneer zij eindigt op een consonant en de volgende lettergreep van hetzelfde of van het volgende woord met een consonant begint. B.v. Ille, arma, In nova.
3°. wanneer zij eindigt op een korte vocaal en de volgende lettergreep van hetzelfde woord begint met j, x, z of twee consonanten, waarvan de tweede niet is 1 of r. B.v. major, axis, gaza, rëstis, nëscio.
In de composita van jügum maakt de j geen positie. B.v. bijlig us, quadrïjiigus. Qu maakt geen positie. B.v. liquidusj evenmin doet dit de h met een consonant. B.v. abhinc.
§ 534. Een lettergreep is positione lang of kort, wanneer zij eindigt op een korte vocaal en de volgende lettergreep van hetzelfde woord begint met twee consonanten, waarvan de tweede 1 of r is. B.v. rCpleo, röfluo, rëcreo, tenëbrae, lugübris, vol fieri s. Men noemt dit positio debilis. In pruza wordt een lettergreep met positio debilis altijd kort uitgesproken.
Aanmerking. Wanneer de vocaal van natuur lang is, wordt de lettergreep altijd lang gemeten. B.v. salübris, delübrum, d ë t r a h o. Eveneens is een lettergreep altijd lang, wanneer in s a m e n-gestelde woorden het eerste gedeelte op een consonant eindigt en het tweede met 1 of r begint. B.v. abluo, cbrëpo.
De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit.
358
Quantiteit der voorste lettergrepen.
359
§ 535â536.
Bijzondere regels.
I. Over de quantiteit der voorste lettergrepen.
S 535. l)e quantiteit der voorste lettergrepen kan men slechts door het gebruik en het vlijtig raadplegen van een goed woordenboek leeren kennen. Behalve op de aanmerkingen, die wij in het negentiende hoofdstuk der etymologia betrekkelijk de quantiteit maakten, lente men nog op de volgende regels:
1°. De u in het begin van een woord is altijd lang behalve in ut. titer, wie van heiden, tibi, uterus, ülüla, lipïipa en enkele eigennamen. B.v. über, ut or, ïinus, üva.
2°. De perfecta met reduplicatie hebben de eerste lettergreep kort en ook de tweede, tenzij deze positione lang is. B.v. tëtigi, didlci. doch fëfëlli, cucïirri. Uitgezonderd is cëcïdi van caedo (niet cécidi van ca do).
3°. De verba met meer dan tweelettergrepige perfecta op vi hebben zoowel in het perfectum als in het supinum de voorlaatste lang. B.v. amavi, amatum, delëvi, delötum, petivi, petitum, audïvi, audïtum. Zoo het perfectum niet op ivi (ii) uitgaat, is de voorlaatste van het supinum op itum kort. B.v, ha bi turn, credit um. Uitgezonderd is recensïtum.
4°. De verba, wier perfectum op ui eindigt, hebben een korte stamvocaal. B.v. veto, placeo, colo, apërio. Uitgezonderd zijn pono (doch pus ui, posltum), floreo en pareo.
5°. De verba op io der derde conjugatie hebben een korte stamvocaal. B.v. eapio, facio.
6°. Dare heeft altijd een korte stamvocaal behalve in da en d a s.
Aanmerking. Over de quantiteit der paenultima van de uitgangen der declinaties en conjugaties vergelijke men § 30 en § 100. Jn het futurum exact um en het perfectum conjunctivi kunnen de dichters de i der uitgangen imus en it is naar verkiezing lang of kort nemen.
Sommige woorden van dezelfde spelling hebben een verschillende quantiteit. B.v. labor (verbum) en labor (subst.) latere (verbum) en latere (abl. van latus en later), ma nes, mane (van mancre) en miï nes {schimmen), mane {ochtend), repen s (part. van rëpo) en rêpens (adj.).
§ 536. De afgeleide en samengestelde woorden behouden gewoonlijk de quantiteit der stamwoorden en der simplicia, ook
Quantiteit der voorste lettergrepen.
360
§ 536.
wanneer de stamvocaal veranderd wordt. B.v. a mor, Am or is, amo, redamo; clamo, clamavi, reelamo; monïtum, monitio; caêdo, occldo; cado, occido.
Op dezen regel zijn de volgende uitzonderingen:
I. in de geconjugeerde en gedeclineerde vormen.
1°. De perfecta en supina van twee lettergrepen hebben, behalve als het vocalis ante vocalem is, de eerste lettergreep lang. ook al is die in het praesens kort. B.v. lêgi van lego; feci van facio; müvi en mötum van möveo: vïdi en vïsum van video.
De eerste lettergreep is echter kort in de perfecta: bibi, dedi, fldi,
stèti, stïti, tüli, scidi.
de supina: datum, satum, ratum, statum van sisto,
i t u m, 1 i t u m, q u i t u m, s ï t u m, r ü t u m, c i t um van cieo,
In statum van sto en cl tuin van cio is de eerste lettergreep lang.
Aanmerking. Men wachte zich wel de perfecta der samengestelde verba als tweelettergrepig te beschouwen, wanneer de reduplicatie van het simplex is weggevallen. B.v. comperio, compëri van pario, peperi. Vgl. § 136. VI.
2°. In de declinatie worden de lange stamvocalen verkort van bos, 1 a r, m a s( par, pes, salenvas, vadis (niet v a s, v a s i s). B.v. bóvis, la ris.
II. in de afleidingen.
Lang wordt de korte stamvocaal in de volgende woorden; humanus (hömo), lex, lëgis (legere), Ut era, lïtus (litum), rna-cëro (macer), pax, pacis (pacio), persöna (persöno), rex, rëgis, rëgüla (rëgere), sëdes, sednlus (sëdeo), sëmen (sero), stipendium (stips. stipis), suspicio (suspicor), tëgüla (tëgere).
Kort wordt de lange stamvocaal in de volgende woorden: ambitus, ambltio (ambïtum), dïeax (dïcere), dux. dücis, redux, redücis, edücare (dücere), fides, perfidus (fido, fïdus, infidus), lab a re (lïïbi), lücerna (lüceo), mol est us (möles), natare (natum), nota, nötare (nötus), odium (ódi), sópor (sópire), statio, stabilis, sta bul um (statum, stare), vöcare (vox, vöcis).
III. in de samenstellingen.
Lang wordt de korte stamvocaal in imbëcillus (baculus).
Quantiteit der eindlettergrepen.
361
§ 537â538.
Kort wordt de lange stamvocaal in d e j ë r o, p e j ë r o (jüro), agnltus, cognitus (nötus), pronübus, i n n ü b u s (niïbo), s i q u i d e m (sï), d i r i m o, d I s e r t u s (di), in de composita op d I c u s van dïeere, zooals fatidlcus en verder in verschillende composita met pro, zooals profanus, profari, procella, prönëpos, protervus.
Aanmerking. Meermalen zal men door de bekende uitspraak van zeker woord de quantiteit eeuer bepaalde lettergreep kunnen leeren kennen. Daartoe moet men die lettergreep door samenstelling of verbuiging tot paenultima maken. Wenscht men b.v. de quantiteit te kennen van mi in hominibus. dan laat men bus weg; nu weet men uit de bekende uitspraak van den dativus singularis homïni, dat de i kort is. Evenzoo zal de eerste lettergreep van oro en miror lang zijn, omdat men gewoon is te zeggen adöro, admiror, doch kort van mor or en super, omdat men zegt commöror, d e s ü p e r.
II. Over de quantiteit der eindlettergrepen. § 537. Monosyllaba.
I. Alle monosyllaba, die uitgaan op een vocaal, zijn lang, uitgenomen de achtervoegsels në, quë, vë, cë, të, psë, pte en de onscheidbare praepositie r ë (r ë in het impersonale r e f e r t is van anderen oorsprong). Vgl. over si, dï en pro in composita § 536. III.
II. Van de monosyllaba, die uitgaan op een consonant, zijn lang:
«) alle substantiva, behalve cör, v i r, fel, mël, as en 0 s (ossis).
h) alle overige monosyllaba, behalve die uitgaan op b, d, 1, t, (zooals ab, ad, pol, dat), alsmede an, in,fac,nëc,për, för, ter, quis (nom.), bis, is (pron.), cis (praep.), ës (van sum). H r c (nom.) is a n e e p s.
§ 538. Polysyllaba, die op een vocaal eindigen.
I. De uitgang a is kort, behalve
a) in den ablativus singularis der eerste declinatie. B.v. mensa.
h) in den vocativus singularis dei' Grieksche woorden op as. B.v. Aenea, Atla.
c) in den imperativus activi der eerste conjugatie. B.v. a m a. Uitgezonderd is p u t a in de beteekenis hij voorbeeld.
d) in de onveranderlijke woorden. B.v. anteïi, contra, er ga, f r u s t r a. Uitgezonderd zijn e j a, i t a, quia.
Quantiteit der eindlettergrepen.
362
§ 589.
II. De uitgang e is kort, behalve
a) in den ablativus singularis der vijfde declinatie, zooals die, benevens in de adverbia hodië, pridië, postridië, quotidic en in den ablativus f a m ë.
h) in den imperativus activi der tweede conjugatie. B.v. d o c ë. Doch cave, h a b e, vale, vide, t a c e, j u b e, m a n e worden soms kort gevonden.
c] in de adverbia op e, afgeleid van adjectiva der tweede declinatie. B.v. doctë, miserë. Eveneens in ferë, fermë, ohë; doch kort in bené, malö, anceps in supernë, inferno, interne.
d) in de woorden, die in liet Grieksch op ^ uitgaan. B.v. Ni öb ë, T e m p ë.
III. De uitgang i is lang, behalve
a) in nisi, quasi en c u I.
h) in den dativus en vocativus van Grieksche woorden. B v. D a p h n i d ï, A 1 e x I.
De i is anceps in mihï, tibï, sibf, ibï, ubï. In de composita zegt men altijd ibidem, u b I q u e, doch u b i n a m en u bi vis. Van ut (utï) heeten de composita utinam en u tl que.
IV. De uitgang o is lang behalve in modö, cito, illicö, i m m ö, c e d ó (§ 133), ego. duo, o c t ö.
De o is anceps in den nominativus der derde declinatie, in het praesens van alle conjugaties, in het gerundium op do en in de adverbia ergo, derhalve (doch ergo, wegens), porrö, postre-m ö, s e r Ã, q u a n d à (doch altijd quandöquide m).
V. De uitgang u is altijd lang en y altijd kort.
§ 539. Polysyllaba, die op een consonant eindigen.
Alle twee- en meerlettergrepige woorden, die op eei anderen consonant dan s eindigen, hebben de laatste lettergreep kort. B.v. d o n ë c, i 11 ü d, consul, a m ë m, d e ü m, carmen, 1 a u d e r, caput.
Lang zijn echter liën, alëc, ill 5 c, i 11 a c, illic, istöc, istac, istic, en de composita van par, zooals d i s p a r. De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit. zooals: cratër, aër (gen. a ë r i s), aethër (gen. a e t h é r i s), Aenëan. Patelen mater hebben de laatste lettergreep echter kort, zoo ook de nomina op o r. B.v. rhetor, Hectör.
Voor de woorden, die op s uitgaan, gelden de volgende regels.
I. De uitgang as is lang, behalve
a) in a n ft s (anatis).
Over de verzen in het algemeen.
363
§ 540.
h) in de Grieksche woorden op as (adis), zooals: Ilias (Iliadis).
c) in den Griekschen accusativus pluralis der derde declinatie, zooals: h e r o a s, p li a 1 a n g a s.
II. De uitgang es is lang, behalve
a) in den nominativus singularis der derde declinatie, wanneer de genetivus uitgaat op Itis, ëtis, idis niet korte paenultinia, zooals: milès, segês, obsës. Doch a bies, ariës, pariës.
h) in pene s.
c) in den nominativus en vocativus pluralis van Grieksche woorden der derde declinatie, zooals: chlatnydës en in de Grieksche neutra op es, zooals: Oynosargës.
III. De uitgang is is kort, behalve
d) in den dativus en ablativus pluralis. B.v. men sis, nobïs.
h) in den accusativus pluralis op is. B.v. om nis.
c) in den nominativus singularis, zoo de genetivus uitgaat op ï ti s, ïnis, ent is, B.v. Sam nis, Salamis, Simóïs.
d) in den Tweeden persoon enkelvoud van het praesens indica-tivi activi der verba van de vierde conjugatie, zooals: audïs, alsmede in velïs, nolïs, malïs, possïs.
e) somtijds in den tweeden persoon enkelvoud van het futurum exactum. B.v. reddiderïs.
IV. De uitgang os is lang, behalve
a) in compös, impös.
h) in de woorden, die in het Grieksch op cc uitgaan, zooals: Delos, Arcadös.
V. De uitgang us is kort, behalve
a) in den nominativus singularis der derde declinatie, wanneer de genetivus een lange n heeft, zooals: virtüs, palus, tellïis.
b) in den genetivus singularis en in den pluralis der vierde declinatie. B.v. fr u c t ti s.
c) in de woorden, die in het Grieksch op ov: uitgaan, zooals: Sapphüs, Pan thüs, doch kort in Oedipus en polypus.
VI. De uitgang ys is altijd kort. B.v. chlamys.
TWEEDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERZEN IN HET ALGEMEEN.
§ 540. Door een vers verstaat men in het Latijn een reeks van lange en korte lettergrepen, die volgens een vasten regel in afwisselende orde op elkander volgen.
364 Voeten. § 541.
De leden, waaruit zulk een reeks van ordelijk op elkander volgende lange en korte lettergrepen bestaat, noemt men voeten (pedes). De bepaalde opvolging van lange en korte lettergrepen in een voet heet metrum.
De voeten worden naar het getal en de (juantiteit der lettergrepen onder verschillende namen aangeduid.
I. Voeten van twee lettergrepen.
pyrrhiehius; bene.
iambus: rëgünt.
â ^ trochaeus of chorëus: matrë.
â â spondeus; vöbls.
II. Voeten van drie lettergrepen.
tribrftchys: tégërë.
anapaestus: domino.
â dactylus; omnia.
w â w amphibrachys: dëdlssë.
quot; bacchlus; dölörës.
w palimbacchlus; lögïssë.
â wâ creticus; aöquitas.
â molossus; aüdïrï.
III. Voeten van vier lettergrepen.
proceleusmaticus: mëmöria.
pa eon primus: hlstörlft.
paeon secundus: mödestta.
pa eon tertius; glörlösa.
paeou quartus; cëlëritas.
ionïcus a minore; rëdëüntcs.
ion leus a majore: aüdacïft.
diiambus: pötëntiaë.
ditrochaeus of dichorëus: êrudïtiis.
choriamb us; prospiciünt.
antispastus; rëduxërë.
epitritns primus; salutantës.
epitritus secundus; Impëratrïx.
epitrltus tertius; aüctorltas.
epitrltus quartus; örnamëntft.
dispondcus: praëcëptorës.
§ 541. De tijd, dien de uitspraak eener korte lettergreep vordert, heet mora. De uitspraak eener lange lettergreep vereischt twee morae. De dichters mogen in vele gevallen voeten van een
W W W
N - W W ^
^ W
V WW - W
WWW -
W W--
N--WW
x W -w_
^-W - w
-WW_
\W--w
gt; - W--
Arsis en thesis.
§ 542â543.
365
gelijk aantal morae met elkander verwisselen. Zoo mogen zij
soms een spondeus (--) gebruiken in plaats van een dactylus
(âof een tribrachys ^ in plaats van een iambus (wâ).
De voeten, die uit lange en korte lettergrepen bestaan, zooals de dactylus en de iambus, heeten eigenlijke voeten. De voeten, die enkel uit lange of enkel uit korte lettergrepen bestaan, zooals de spondeus en de tribrachys, heeten oneigenlijke voeten en dienen om in sommige gevallen in plaats van de eigenlijke voeten gebruikt te worden.
§ 542. De regelmatige beweging der stem bij de ordelijke afwisseling der lange en korte lettergrepen van een vers noemt men rhythmus. De rhythmus, die in onze taal vooral op den klemtoon bij de uitspraak berust, hangt in de Latijnsche verzer voornamelijk af van de verheffing der stem bij een lange en van de daling der stem bij een korte lettergreep. De plaats die een lange lettergreep in een eigenlijken voet inneemt, noemt men arsis, en de plaats, die de korte lettergrepen innemen, thesis. Zoo staat in een iambus (*-'â) de eerste lettergreep in thesi, de tweede in ar si. In een dactylus (_^^) daarentegen heeft de eerste lettergreep de arsis en hebben de beide laatste lettergrepen de thesis. De arsis kan men aanduiden door het teeken'.
In de o n e i g e n 1 ij k e voeten vallen de arsis en de thesis op d e-zelfde plaats als in de eigenlijke voeten, die door de oneigenlijke voeten vervangen worden. Zoo zal een spondeus de eerste lettergreep in arsi hebben (-i-â), wanneer hij in plaats van een dactylus (â,-'w) staat, doch de laatste (--wanneer hij in plaats
van een anapaest us (wwâ) gebruikt wordt. Wanneer, zooals bij de tribrachys, twee korte lettergrepen in plaaats van één lange staan, dan heeft de eerste korte ^ de a r s i s, zoo de tribrachys in plaats van een trochaeus (â^) staat, doch de tweede korte zoo de tribrachys in plaats van een
iambus (wâ) staat.
De eigenlijke voeten heeten eenvoudige, wanneer zij slechts één arsis hebben, zooals de iambus, de trochaeus, de dactylus en de anapaestus, doch samengestelde, wanneer zij twee arses hebben, zooals de ere tic us en de bac-chius. De eerste arsis wordt hoofdarsis genoemd en aangeduid door het teekenquot;.
§ 543. De verzen worden verdeeld in eenvoudige en sa-
Verdeeling der verzen.
366
§ 544.
mengestelde verzen. Een vers is een vo udig, wanneer er slechts voeten van hetzelfde metrum in voorkomen, bij voorbeeld enkel dactyli of voeten, die in plaats van dactyli mogen gebruikt worden. Een vers is samengesteld, wanneer voeten van verschillend metrum met elkander verbonden worden.
De eenvoudige verzen worden genoemd deels naar de voeten, die hun hoofdmetrum vormen, zooais dactylische, jambische verzen, deels naar het getal der voeten, die er in voorkomen. Zoo worden de dactylische verzen onderscheiden in versus dimëtri, trimëtri, tetramëtri, pentamëtri en hexa-mëtri, naarmate zij uit, 2, 3, 4, 5 of 6 voeten bestaan. De meeste soorten van eenvoudige verzen echter hebben niet één voet als maat bij de telling, maar een vereeniging van twee voeten, welke dipödie genoemd wordt. Zoo zal een anapae-stisch vers, wanneer het uit twee anapaesti bestaat, een mono meter, en wanneer het uit vier anapaesti bestaat, een dimëter genoemd worden. Evenzoo heet een jambisch vers van zes iambi een trimeter en een trochaeïsch vers van acht trochaei een tetrameter. Men noemt zulk een eenvoudig vers echter ook naar het getal der enkele voeten versus quaternarius, senarius, octonarius.
De samengestelde verzen worden evenals de dactylische naar het getal der enkele voeten genoemd.
Aanmerking. Somtijds wordt het eigenlijke metrum van een vers voorafgegaan door één of twee lettergrepen, die men in het eerste geval anacrusis, in het tweede basis noemt. De basis is gewoonlijk een spondeus of trochaeus.
§ 544. In verschillende verssoorten ontbreken aan den laats ten voet één of twee lettergiepen. Zulk een verssoort noemt men versus catalectïcus en wel catalecticus in syllabam, wanneer er slechts één lettergreep van den laatsten voet overig is, catalecticus in bisyllabum, wanneer er twee lettergrepen van den laatsten voet overig zijn.
Een vers, welks laatste voet volledig is, wordt versus aca-t a 1 e c t u s genoemd.
Een vers, dat aan het einde van den laatsten voet een lettergreep te veel heeft, noemt men versus hy per cat alec t us.
Wanneer een vers naar dipodieën wordt gemeten en er een halve dipodie aan den laatsten voet ontbreekt, noemt men het versus brachycatalectus.
Caesura. Elmo. Hiatus.
§ 545â546.
367
De laatste lettergreep van ieder eenvoudig vers mag naar verkiezing lang of kort genomen worden.
Een vers volgens zijn voeten afmeten noemt men s can dee ren-
§ 545. Wanneer in een vers het einde van ieder woord samenvalt inet het einde van een voet, zal het onwelluidend zijn. B.v.
Aürëa | car mi na ] Jülï | scribis | maxime | va tam. Daarom zorgen de dichters, dat de woorden op een of meer plaatsen in het vers door de voeten doorgesneden worden. B.v.
Tune tüa 1 rés agi tür, parTjés cüm [ proximüs ardët.
Bij langere verzen is het ook noodig, dat er op een of andere plaats in het vers een rustpunt is. Men verkrijgt dit door de zoogenaamde caesura en diaeresis, die het vers op bepaalde plaatsen achter een woord doorsnijden en daar voor het begrip van den zin bij het lezen een kortere of langere pauze vorderen.
Deze doorsnijding wordt caesura genoemd, wanneer zij valt binnen een voet en wel caesura masculina, zoo zij achter de arsis, en caesura fe m i n i n a, zoo zij in de thesis valt.
Men noemt de doorsnijding diaeresis, zoo zij valt op het einde van een voet. De caesura en de diaeresis worden gewoonlijk aangegeven door het teeken || . B.v.
Caesura masculina.
I n c id i t | in Scyl|lam||qul | vult v i t a r e C ha r y b d i m.
Caesura feminina.
Obstupuit simul | ipsë(|sïmul percussus Achates.
Diaeresis.
Die mi hi, [Damoeta, cujjum pèciis? H An Me lib oei?
§ 546. Wanneer in een vers een woord op een vocaal of m eindigt en het volgende woord met een vocaal of h begint, laten de dichters die twee lettergrepen gewoonlijk tot één lettergreep samensmelten met de quantiteit der tweede lettergreep. Men noemt dit elisio of uitstooting. Men lette hierop wel bij het lezen van gedichten. Zoo spreke men uit sapere aude: saper' aude; improvisi aderant; improvis' aderant; tollere humo; toller' humo; dicarn equidem: die' equidem. Wanneer het werkwoord est volgt, wordt niet de voorafgaande vocaal of de m met haar vocaal, maar de e van est geëlideerd. Zoo leze men in het volgende vers:
Oranjdum est ut 1 sit mens | san a in | co r po re | sano.
Orandum 'st ut sit mens san' in corpore sano.
Diastole. Syncope. Synizesis.
368
§ 547â549.
Wanneer de elisio verwaarloosd wordt, ontstaat er een zoogenaamde hiatus of gaping. Deze is slechts in sommige gevallen geoorloofd en wel:
lü. bij éénlettergrepige woorden. B.v. 5 ilbl | campl.
2quot;. bij lange vocalen diein ar s i staan. B.v. fém In ë[à ülüjlatii.
3®. bij lange vocalen en tweeklanken, die als korte gebruikt zijn en in thesi staan. B.v.
dïcjtóquë valé vale | inquït ët | écho.
4H. wanneer er een lang leesteeken tusschen beide vocalen staat. B.v.
Et v e r a^i n c eS|S u patuit dëa. || Ille^ubi | matrem.
Aanmerking. Slechts zelden wordt de slotlettergreep van een vers geëlideerd, wanneer het volgende vers met een vocaal of h begint. B.v.
Omnia iMérciirïö simllisHvcicémquë cölörêmque
Et c ri n e s fla vos H et | membra decora j u|v en tae.
Zulk een vers noemt men versus hypermëter, niet te verwarren met een versus hypercatalectus. Vgl. § 544.
§ 547. Een korte lettergreep wordt somtijds lang genomen, wanneer zij in arsi staat. Men noemt dit diastole of uitzei-tincj. B.v.
Pectoribrts inhlans H spirantia ] consulit ] exta.
Sideraqué vën;tique nocent || avidaeque volucres.
Omgekeerd wordt een lange lettergreep somtijds kort genomen. Men noemt dit systole of inkrimping. B.v.
Obstipujï stëtëruntque cojmae^et vox faucibusjhaesit.
De diastole en systole komen vooral te pas bij woorden, die zonder deze uitzetting of inkrimping niet in een verssoort gebruikt kunnen worden. Zoo vindt men in een hexameter altijd P rlam I-des in plaats' van Prïamides en altërlus in plaats van a 11 ë r ï u s.
§ 548. Somtijds laten de dichters een vocaal weg uit het midden van een woord. B.v. puertia in plaats van pueritia. Men noemt dit syncope.
Somtijds valt er een letter aan het einde van een woord weg. B.v. viden in plaats van videsne, ain in plaats van aisne. Dit heet apocöpe.
§ 549. Somtijds worden in een woord twee lettergrepen, waarvan de eerste op een vocaal eindigt en de tweede met een vocaal
Dactylische verzen.
§ 550â553.
369
begint, tot één lettergreep samengetrokken. Men noemt dit syn-izësis. B.v. dein, prout, dee runt, postea.
Meermalen worden door de synizesis de vocalen i en u in de consonanten j en v veranderd, die dan met de voorgaande consonanten positie maken. B.v. abiétë wordt abjëtë; genuS, wordt g ë n v ft.
Omgekeerd worden de j en v ook in i en u veranderd. B.v. Gaïüs in plaats van Gajus; silüaë in plaats van s 11 v a ë. Men noemt dit dialysis.
§ 550- De scheiding der lettergrepen, die in zuiver proza soms gevonden wordt in de niet per samengestelde adjectiva (quot;§ 63) en in q u i c u n q u e (§ 478), heeft meermalen plaats in verzen. B.v. H a c fortuna ten us; super unus era m. Deze scheiding wordt tmesis geheeten.
DERDE HOOFDSTUK.
OVER DE VOORNAAMSTE SOORTEN VAN EENVOUDIGE VERZEN.
v A Dactylische verzen.
§ 551. V e r s ü s A d o n i u s of dactylicus dimeter catalecticus in bisyllabum. Twee dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt.
| -Qquot; /
Térrüit | ürbèm.
o V 552. Ve rsus Archilochius minor of dactylicus trimeter catalecricus in syllabam. Drie dactyli, aan den laatsten van welke twee lettergrepen ontbreken.
w w | _z_ w w | ^_
Pü 1Vts ët | ümbra süjraüs.
0 quot;§ 553- Versus Alcmauius of dactylicus tetrameter catalecticus in bisyllabum. Vier dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaats van de twee eerste dactyli staat meermalen een spondeus, zelden in plaats van den derden dactylus. Na de tweede of derde arsis pleegt een caesuur te staan.
W W j _J_ W j _J_ \J W j â
Ossïbus 1 ét capiti ïnhümatö.
24
Dactylische verzen.
§ 554.
370
§ 554. Versus h e r o i c u s of dactylicus hexameter catalecticus in bisyllabum. Zes dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaats van de vier eerste dactyli kunnen ook spondei gebruikt worden.
/ \J W | _J_ WW j _J_ W W j _±_ W W j W W j _!_ ~
| -L--| -L--| -L--j W W j wquot;
Ar ma vï|rümquë cano, Trójaé qui [ primus ab | oris.
Zoo in den vijfden voet van een hexameter een spondeus staat, noemt men het versus spondaïcus. In dit geval zal de vierde voet meestal een dactylus zijn en het laatste woord vier lettergrepen hebben.
' WW | / W W j W W j W W j _£__j _L ~
Cara dëüm süböjlés, magnum Jövïs | incrëméntüm.
De voornaamste caesuren van een hexameter zijn:
a) de penthemimëres na de arsis van den derden voet.
Régia | crédé mi hi, j] res \ ést süccurrërë i 1 apsis.
h) de y.a,T0i rpirov Tpoxxlov in dc thesis van den derden voet.
Odërünt pëccarë j| bö|ni vlrtütïs ajmürë.
c) de hep hth emimëres na de arsis van den vierden voet, meestal met een bijcaesuur na de arsis van den tweeden voet (trithemimëres) en soms met een bijcaesuur in de thesis van den tweeden voet {y.iy,Tx (isitrspsy ^poy^xïo'j).
Quid r ë fërt, || mör bo^an für tis, || përë;amnë rapf nïs.
Obstüpüérë; || sëd j ante^ft 1 ïas || Arëjthnsa söjrÃrës.
De diaerësis valt gewoonlijk na den derden voet.
Ut pri|müm j üxta stëtït || agno vitquë pë r | ümbram.
Somwijlen en wel vooral in het carmen bucolicum valt de diaeresis na den vierden voet. Deze diaeresis wordt caesura bucolica genoemd en is gewoonlijk met een andere caesuur verbonden.
H e ü, h e ü, qu id v ö 1 ü{i || ml s ë'r à mïhï?||FlÃrlbüs Aü strum.
Aanmerking. De dichters laten soms een hexameter eindigen op een monosyllabum om daardoor iets indrukwekkends te schilderen, een geluid na te bootsen of iets komisch voort te brengen.
lllic, ut perhibent, aut intempesta silet nox.
Tum pro ra a ver tit ec undis
Dat latus: insequitur cumulo praeruptus aquae mons.
Parturiunt montes, nascetur ridiculus mus.
Trochaeische verzen.
555â556.
371
Minder vreemd is een monosyllabum op het einde, wanneer het door een ander monosyllabum wordt voorafgegaan.
Principibus placuisse viris non ultima laus est.
Somtijds, hoewel hoogst zelden, rijmt de penthemimeres met de laatste lettergreep.
Si Trojae fatis||aliquid restare putatis.
Men noemt deze verzen versus Leonini naar Leo, een Parijzer monnik uit de 10de eeuw. In de middeleeuwen waren deze verzen zeer in zwang.
Dum can is os rodit, socium. quem diligit, odit.
Hac sunt in fossa Bedae venerabilis ossa.
§ 555. Versus pent am eter. Een pentameter komt alleen voor in verbinding met een hexameter, waarmede het een zoogenaamd distichon vormt, dat vooral in epigrammata en in elegische verzen gebruikt wordt.
Een pentameter bestaat uit twee door de diaeresis gescheiden deelen, die beiden gevormd worden door twee dactyli en een lange lettergreep, derhalve uit 2 X 24 voet. In plaats van de tvvee dactyli der eerste heltt kunnen ook spondei staan. De laatste lettergreep kan volgens § 544 ook kort zijn. Soms vindt men op het einde der eerste helft een korte lettergreep, die dan door de arsis de waarde van een lange krijgt. Vgl. § 547.
r
-Iâ \j KJ -I~ KJ KJ 'l KJ \J yj Kj â
_L__j _Z____-L. | kj ^ \J kj â
Principiis obsta! Sero medicina paratur.
Cüm mala | pér Ion | gas || cönvillüérë moras.
\ B. Trochaeische verzen.
§ 556. In de trocnaeïsche verzen is de trochaeus (âde hoofdvoet. Zij worden in dipodieën afgedeeld. De hoofdarsis valt op de eerste lettergreep van iedere dipodie.
De trochaeus kan altjjd vervangen worden door een tribnlchys (www)- laatste voet van elke dipodie kan ook oen spondeus
(--) zijn of een anapaest us (ww_) Het schema van een mo-
nomëter is derhalve:
-iL w _i_ w
KJ ^ KJ â¢â S KJ ^
r _
KJ -
Dactylische verzen.
§ 554.
370
§ 554. Versus heroicusof dactylicus hexameter catalecticus in bisyllabum. Zes dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaats van de vier eerste dactyli kunnen ook spondei gebruikt worden.
| _J__ WW j w W | W W j _J_ W W j _I_ ~ _L__| __|_Z__\ _L____\J | â
Arma vijrümquë cano, Trojaé qui | primus ab | örïs.
Zoo in den vijfden voet van een hexameter een spondeus staat, noemt men het versus spondaïcus. In dit geval zal de vierde voet meestal een dactylus zijn en het laatste woord vier lettergrepen hebben.
' W 1 ww | _J_ w W | W W | _L__| _i_ wquot;
Cara déiim sübö|lés, magnum Jövïs | increlméntiim.
De voornaamste caesureu van een hexameter zijn:
а) de penthemimëres na de arsis van den derden voet.
Rég ia | crédé mi hi, || res | ést sïiccürrerë j lapsls,
б) de v.K'vo!. rphcy rpoxuloy in do thesis van den derden voet.
Odërünt pëccarë j| bö|ni vlrtütïs ajmÃrë.
c) de hephtb emimëres na de arsis van den vierden voet, meestal met een bijcaesuur na de arsis van den tweeden voet (trithemimëres) en soms met een bijcaesuur in de thesis van den tweeden voet (y.xrx Ssvrspcy rpoxuln).
Quid r e f é r t, || m o r b o^a n fürtïs, ||përëamnë r a p i n ï s.
O b s t ü p üjë r ë; || s ë d | a n t e^a 1 ï a s || A r ë|t h ü s a s ö r ö r ë s.
De diaeresis valt gewoonlijk na den derden voet.
Ut prïjmüm jüxta stëtït jj agno vitquë per | ümbram.
Somwijlen en wel vooral in het carmen bucolicum valt de diaeresis na den vierden voet. Deze diaeresis wordt caesura bucolica genoemd en is gewoonlijk met een andere caesuur verbonden.
Heü, beü, quid vö 1 üji || misë'r o m 1 hi? ||Flörïbüs Aüstrüm.
Aanmerking. De dichters laten soms een hexameter eindigen op een monosyllabum om daardoor iets indrukwekkends te schilderen, een geluid na te bootsen of iets komisch voort te brengen.
lllic, ut perhibent, aut intempesta silet nox.
Tum prora avertit et undis
Dat latus: insequitur cumulo praeruptus aquae mons.
Parturiunt montes, nascetur ridiculus raus.
Trochaeïsche verzen.
§ 555â556.
371
Minder vreemd is een monosyllabum op het einde, wanneer het door een ander monosyllabum wordt voorafgegaan.
Principibus placuisse viris non ultima lans est.
Somtijds, hoewel hoogst zelden, rijmt de penthemimeres met de laatste lettergreep.
Si ïrojae fatis||aliquid restare putatis.
Men noemt deze verzen versus Leonini naar Leo, een Parijzer monaik uit de 10de eeuw. In de middeleeuwer; waren deze verzen zeer in zwang.
Dum can is os rod it, socium. quem diligit, odit.
Hac sunt in fossa Bedae venerabilis ossa.
§ 555. Ve rsus pentameter. Een pentameter komt alleen voor in verbinding met een hexameter, waarmede het een zoogenaamd distichon vormt, dat vooral in epigrammata en in elegische verzen gebruikt wordt.
Een pentameter bestaat uit twee door de diaeresis gescheiden deelen, die beiden gevormd worden door twee dactyli en een lange lettergreep, derhalve uit 2X2^ voet. In plaats van de twee dactyli der eerste heltt kunnen ook spondei staan. De laatste lettergreep kan volgens § 544 ook kort zijn. Soms vindt men op het einde der eerste helft een korte lettergreep, die dan door de arsis de waarde van een lange krijgr. Vgl. § 547.
I w
_1_ \J \J WW _1_ II w w _i. w w â _!____ ^
Principiis obsta! Sero medicina paratur.
Ctim mala | pér Ion | gas i| cónvftlüjérë mórds.
B. Trochaeïsche verzen.
§ 556. In de trochaeïsche verzen is de trochaeus (â ^) de hoofdvoet. Zij worden in dipodieën afgedeeld. De hoofdarsis valt op de eerste lettergreep van iedere dipodie.
De trochaeus kan altjjd vervangen worden door een tribrachys (www)- -^e laatste voet van elke dipodie kan ook oen spondeus
(--) zijn of een anapaestus (ww_) Het schema van een mo-
nomëter is derhalve:
Jambische verzen.
§ 557â561.
372
§ 557. Bij Horatius vindt men een trochaeïsche verssoort, welke dimeter trochaicus catalecticus in syllabam heet en altijd dezen vorm heeft:
JL^-l !-^J 1 quot; v / â
Truditur dijes dié.
C. Jambische verzen.
§ 558. De jambische verzen worden naar dipodieën gemeten. Elke iambus, met uitzondering van den laatsten, kan verwisseld worden met een t r i b r a c h y s. Daarentegen kan men den eersten iam-bus van elke dipodie veranderen in een spondeus, een dactylus of een anapaestus. De hoofdarsis valt op de tweede lettergreep van iedere dipodie, behalve zoo er een anapaestus gebruikt wordt; deze heeft haar op de derde lettergreep. Het schema van een mono-meter is derhalve;
JL \j -L.
\J O/ \Li w)
__IJ_
KJ JL
§ 559. Het gebruikelijkste jambische vers is de trimeter acatalec-tus, ook versus senarius geheeten. Dit vers heeft meestal een caesuur na de eerste, soms ook na de tweede thesis der tweede dipodie. Met uitzondering van bovengenoemde verwisselingen is het schema:
Jl_ KJ _!_ j W jl J!_ KJ _f_ j KJ _ff_ KJ ^
Quid öbsërajtis || aurIbüs | fündis prêeés?
Non sSxa nü|dïs || sttrdiojra navïtis
NêptÃnüs aIto || tündït hibërnus saló.
§ 560. Versus iambicus dimeter acatalectus of versus quaternarius. Met uitzondering van bovengenoemde verwisselingen is het schema:
KJ /f KJ r j KJ Jf_ KJ^J
Beatus ille qui procul negotiis.
Ut prïsca géns | mörtallüm.
Paterna rura bubus exercet suis,
SölÃtüs ómnï foênërè.
§ 561. Versus iambicus trimeter catalecticus in syllabam. Dit vers heeft dezelfde caesuur als de trimeter acatalectus van § 559.
(L i v_; !l JL. 1 JL. quot;Oquot;
Non ebur neque aureum
Mëa rëni|dët||ïn dómó | lacunar.
§ 562â564. Samengestelde verzen. 373
V
§ 562. Versus alc aicus enueasyllabus of iambicus dimeter hypercataleetus. Het laat slechts in den eersten en derden voet een spondeus in plaats van een iambus roe. Bij Horatius is de derde voet altijd een spondeus.
w -!L JL j J JL J- [ quot;
__tj_ j__rj_
Sï frSctiis ïllabstür örbls.
D. Ionische verzen.
§ 563. Tetrameter ionicus a minore.
w ~L--j J--j \J J--} J--
Mlsërarum^ëst | nëque^amóri | darê Itidüni | néquê dulcï.
VIERDE HOOFDSTUK.
OVER DE VOORNAAMSTE SOORTEN VAN SAMENGESTELDE
VERZEN.
§ 564. De eenvoudigste samengestelde verzen zijn de logaoedische. Zij bestaan uit dactyli en trochaei. Tot deze verzen behooren ;
I. Versus Aristophanïcus of logaoedicus simpliciter dactylicus duplieiter trochaicus acataleetus.
Témper at [ óra I frénls.
'II. Versus Alcalcus decasyllftbus of logaoedicus duplieiter dactylicus duplieiter trochaicus acatalectus.
| | J-^j i J-~
Pürpürëi mëtüünt tyjrannï.
III. Versus Archil oc hl us major of logaoedicus tetrameter dactylicus acatalectus tripliciter trochaicus acatalectus met een cae-suur na de arsis van den derden voet en een diaeresis na den vierden voet. In plaats van de drie eerste dactyli mogen ook spondei staan.
t ^ i il ^ w II f w I f i_â 'j
Ull_
Sólvïtür | a c r ï s hïjéms |] gr ajta vleë, vérlsjét F a v ó n i,
IV. Versus Pherecratëus of logaoedicus simpliciter dactylicus simpliciter trochaicus acatalectus sum basi.
J__I i w ' 1 ' ~
Vis formósa vldérï.
Samengestelde verzen.
374
§ 564.
V. Versus Grlyconeus of logaoedieus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi.
---| j âZ.w j â
-i- u
Nil m ö rit a 11 b ü s | a r d ïi u niquot;ë s t.
VI. Versus Asclepiadeus minor of logaoedieus simpliciter choriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na den choriambus.
-1__I l-Lw I ^
-i- w
Créscënjtém s ê q u i t ü r || c li r a p è c ft n Ija m.
VII. Versus Asclepiadeus major of logaoedieus dupliciter choriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na iederen choriambus. Samengestelde woorden mogen door de diaeresis gescheiden gedacht worden.
â | ^ ^L. I l-!L ^ ^ tl _jL V xV I w I â
-L
Quis post vinftgravém milïtlam^aót paupèrlem crëlpat? Arcajnfquë fldésHprödiga pér 1| 1 ücIdï|ör v J tr5.
VIII. Versus Sapphicus minor of logaoedieus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (§ 556) als basis (bij Horatius altijd in den vorm van een epitritus
secundus _^__). Dit vers heeft een caesuur na de arsis van den
dactylus, soms ook na de eerste korte van de thesis.
JL su -i__i il ^ W 1 _L w I ~
Intégér vïtaé||scëlérisquë | piirtis.
Daünfaé dëféndëHdëjcüs Camënaë.
IX. Versus Sapphïcus ma jor of logaoedieus simpliciter choriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (§ 556) als basis (bij Horatius altijd in
den vorm van een epitritus secundus â ^--). Dit vers heeft een
caesuur na de hoofdarsis van den choriambus en een diaeresis na de tweede arsis van den choriambus.
____________/ w w I / w I / ~
Té dëös o;rö || SJrbarin || cür pr0péras ajmandö.
X. Versus Alcaïcus hen decasyllabu s of logaoedieus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum anacrusi (â) et monometro troehaico (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrï-
Horntiaansche monosticha.
375
§ 565-567.
tus secundus â ^---). Gewoonlijk staat vóór den dactylus een diaeresis.
Dfl 1 ce^ét dëcörum^est || prö patrT:a mo rI. _ § 565. Meer ingewikkeld zijn de versus asynartëti of die verzen, welke uit twee deelon van een verschillende verssoort bestaan. Tusschen deze beide deelen is de hiatus en de syllaba anceps altijd geoorloofd Tot de versus asynartëti behooren ; *
I. Versus elegiambus, bestaande uit een Arohilochïus minor (§ 552) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 560). Tusschen beide deelen is altijd een diaeresis.
1 i w â -! 1 â !l I kj ^ â
D é s i u ë t I imparï büs || cêrtarë sübmotus p ü d ó r.
II. Versus iambelegus, bestaande uit een iambicus dimeter acatalectus (§ 560) en een Archilochius minor (§ 552). Tusschen beide deelen is altijd een diaeresis.
W Jf_ _J_ I _n_ 11 \ J_ W 1 ~
Lëvarê dirIs pëctöra||sÃllicitiidïnibiis.
VIJFDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERBINDING VAN VERZEN TOT GEDICHTEN
§ 566. Een gedicht is een geheel van meerdere verzen, die tot dezelfde of tot een verschillende soort behooren.
Wanneer verzen van verschillende soort tot een geheel verbonden zijn, moeten zij elkander voortdurend ia dezelfde orde opvolgen. Men noemt dit metrum. Men spreekt echter ook van metrum, wanneer verzen van dezelfde soort met elkander verbonden zijn.
Zoo het metrum uit één vers bestaat, heet het monostïchon, zoo het uit twee verzen bestaat, wordt het distichon, zoo het uit meer dan twee verzen bestaat, wordt het stropha genoemd.
§ 567. Tot de Horatiaansche monosticha behooren :
I. Metrum Asclepiadëum primum, uit een Asclepiadëus minor (§ 564. VI) bestaande.
Maecenas ata vis || ëd i të r ég lib (is.
II. Metrum Asclepiadëum majus, uit een Asclepiadëus major (§ 564. VII) bestaande.
T fl nëlquaesïëris || scire n ë f a s || q u é m m i h i q u 6 m 11 b i.
III. Metrum iambicum primum, uit een iambicus senarius (§ 559) bestaande.
Jam j am^éff icS'd || dö mantis ; scïêntlaé.
Horatiaansche disticha.
376
§ 568.
IV. Metrum ionicum a minore, uit een tetrameter ionicus a minore (§ 563) bestaande.
Misërarum^'ëst | nëque^amörï | darëlüdüm | nëquëdülcï. § 568. Tot de Horatiaansche disticha behooren :
3 I. Metrum Asclepiadëum secundum, bestaande uit een Glyconëus (§ 564. V) en een Asclepiadëus minor (§ 564. VI).
Sic të | Dtvit pö tëns Cylprï
Sic fra|três Hëlënaé || lüclda | sidëirft.
Hâ Metrum Sapplncum majus, bestaande uit een Aristophanicus (§ 564. I) en een Sapphicus major (§ 564. IX).
L j d i a | die p ë r | ö m n ë s
Të d ëos ü rö || Sy ba r in || c ur pro pér as a m an do.
III. Metrum Archilochïum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Archilochïus minor (§ 552).
Diffüjgérë n ijvës || rëdëjunt jam | gramïna | cam pis A r b ö r I|b us q u ë cömaé.
IV. Metrum Archilochïum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambelëgus (§ 565. II).
HÃrrida | témpëjstas || caelum contrftxit ët | imbrës Nivësquë dédücilnt J ö v é m || nunc mare | nünc sïlüae.
V. Metrum Archilochïum tertium, bestaande uit een iambicus senarius (§ 559) en een elegiambus (§ 565 I).
P ë 11 ï nihil | m ë jj s ï c ü t a n t ë a j ü v a t
S cribërë | vérsicü|10s||amörë pérjcOssÃm grAvi.
VI. Metrum Archilochïum quartum, bestaande uit een Archilochïus major (§ 564. III) en een iambicus trimeter catalecticus (§ 561).
S ö 1 vï t u r | ilcr i s hïjé m s || g r a t a vice 1 veris | ét Fajvö n ï Trahuntquë si c|c a s || mach I n aé | carinas.
VII. Metrum iamblcum secundum, bestaande uit een iambicus senarius (§ 559) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 560).
Ibis Libürlnïs || intér alta navliim Amice pró'pügnacüla.
VIII. Metrum Pythiambïcum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 560).
Mollis In'értlft | cür || tantam ditlfüdérlt | imis Oblivïöjnëm sënsïbüs.
IX. Metrum Pythiambïcum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambicus senarius (§ 559).
Altëra | jam tërl tür || bellis cïlvillbüs | aëtas
Horatiaansche strophen.
§ 569.
377
Süïs ët ipjsa RÃma virlbus ruit.
X. Metrum Alcmanium, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Alcmanius (§ 553).
Laüdabünt alill H clajram Rhödön | aüt Mltyllénèn Aüt Ephëson bimairlsve Cö|rinthl.
XI. Metrum Hipponactëum, bestaande uit een dimeter trochaicus catalecticus (§ 557) en een iambicus trimeter catalectious (§ 561).
Non ëbü.r nëlque^aurëüm
Méa rëniidët |1 In domo | lacunar.
§ 569. Tot de Horatiaansche strophen behooreu:
I. Metrum Asclepiadëum tertium, bestaande uit drie Asclepiadëi inores (§ 564. VI) en een Glyconëus (§ 564. V).
Divls | Ãrté bonis, || Ãp11më | Rómülaë Ciis tos | gên ti s,ab és || jam nirnïium di ü:
Matüjrüm rëdïtüm || pöllïcï tus Pat rum Sanctó || concll Ijö, r ë d ï.
⢠II. Metrum Asclepiadëum quartum, bestaande uit twee Asclepiadëi minóres (§ 564. VI). een Pherecratëus (§ 564. IV) en een Glyconëus (§ 564. V).
DiSjnSm tënëraé||dïcitë | virgines:
Intönsüm, püërï, || dicitë j Cynthljüm:
L a t ö n a m q uë s U,p r ë mö Dllëctam pëni tüs Jö vl.
. Stropha Sapphica, bestaande uit drie Sapphici minores (§ 564. VIII) en een Adonius (§ 551).
Intëgër vltaé || scëlërisquë | purüs STön ëgët Maüjris || jaculis, neique^arcu.
Nëc vënénaltis || gravida sagittïs,
Püscë, phalré tra.
. Stropha Alcaica, bestaande uit twee Alcaici hendecasyllabi (§ 564. X), een Alcaicus enneasyllabus (§ 562) en een Alcaicus decasyllabus (§ 564. II).
AngÃstam^amice || paüpërïjém pa ti Rübüstüs acrï || milltlla pulër Condïscat; ét || Parthös fëröcës Véxët ëiqués mëtüjéndüs | hasta.
EERSTE AANHANGSEL.
OVER DEN ROMEINSCHEN KALENDER.
De maanden hadden bjj de Romeinen dezelfde namen als bij ons, namelijk: Januarius, Februarius, Martius, Aprllis, Ma-jus, Junius, Julius, Augustus, September, October, November, December. Vóór Keizer Augustus heette Julius Quintïlis en Augustus Sextïlis. De namen der maanden worden gewoonlijk als adjectiva gebruikt.
De maanden hadden ook hetzelfde aantal dagen, namelijk: Februari 28 en in het schrikkeljaar 29, April, Juni, September, November, (Apjunseno zegt men om het geheugen te hulp te komen) 30, de overige 31.
Bij het aangeven van den datum telden de Romeinen de dagen der maand niet van den eersten tot den laatsten. Zij gaven aan drie dagen van iedere maand een bijzonderen naam. De lste heette Kalendae, de Nonae, de 13de Idus (gen. uum). Zoo men derhalve wilde uitdrukken, dat iets geschied was op den lRte»J 5den of 13den Januari, zeide men: hoc factum est Kalendis^ No nis, Idibus Januari is. In Maart, Mei, Juli en October (Milmo, waarbij il Juli beteekent) vielen de Nonae echter op den
7den en c}e JJyg 0p dejj 15den
Den dag vóór de Kalendae, Nonae en Idus drukte men uit door pridie met den accusativus; bij de Nonae en Idus werd de naam derzeifde, bij de Kalendae de naam der volgende maand gevoegd. B.v. Hij is gestorven of op den 31sten Januari of op den 4dequot; Februari of op den 14den Maart, mortuus est aut pridie Kalendas Februarias (pridie Kal. Febr.) aut pridie Nonas Februarias (pridie Non. Febr.) aut pridie Idus Marti as (pridie ld. Mart).
Een andere dag werd aangeduid door te bepalen de hoeveelste dag het was vóór de eerst volgende Kalendae, Nonae of Idus; hierbij werd de dag, van welken en de dag, tot welken men telde, medegerekend. B.v. Op den 30sten December, die tertio ante
Romeinsche kalender.
Kalendas Januarias; oj) den 2den April, die quarto ante Nonas Apriles; op den 10dequot; Mei, die sexto ante Idus Ma jas. Gewoonlijk echter gebruikten de Romeinen een kortere of gewijzigde uitdrukking. Zij zeiden namelijk of wel met weglating van die en ante: tertio Kalendas Januarias (III. Kal. Jan.); quarto iNonas Apriles (IV. Non. Apr.); sexto Idus Ma jas (VI. Id. Maj.); of wat meer gewoon was, zij plaatsten dies met het ordinale in den accusativus tusschen ante en den daarvan afhangenden accusativus, namelijk: ante diem tertium Kalendas Januarias (a. d. III. Kal. Jan.); ante diem quartum Nonas Apriles (a. d. IV. Non. Apr.); ante diem sextum Idus Maj as (a. d. VI. ld. Maj.). Deze geheele uitdrukking werd als één woord beschouwd en zeer dikwijls afwijkend van het gewone gebruik (Vgl. § 498) met de praepositie in of ex verbonden. B.v. Caedein optimatium contuiisti in a. d. V. Kal. Nov. [tot den 28ste,, October). Supplicatio indicta est ex a. d. V. Id. Oct. (sedert den li1'6quot; October). Evenzoo voegde men ook usque ad voor pridie. B.v. Nos in Formiano esse vol u mus usque ad p rid ie Nonas Ma jas {tot den 6den Mei).
In een schrikkeljaar had :1e maand Februari evenals bij ons 29 dagen. De Romeinen voegden echter den schrikkeldag niet achter den 28stequot;, maar achter den 24sten. Den 24stcn noemden zij als gewoonlijk a. d. VI. Kal. Mart. en den schrikkeldag a. d. bi-sext um Kal. Mart. De voorgaande en volgende dagen behielden hun eigen namen. B.v. Op den 23Ptequot; Februari, a. d. VII. K a 1. Mart; op den 28stcn Februari, pridie Kal. Mart.
Aanmerking I. Evenals pridie gebruikte men soms ook po-stridie met den accusativus voor het aangeven van den datum. B.v. Postridie Idus Quintiles, op den 16Jen Juli.
Aanmerking II. Soms gaf men ook den datum aan naar de namen der feesten en wel op dezelfde wijze als bij de namen dei-maanden. B.v. Terminalibus, op den 23stDri Februari. Ante diem q u i n t u m Ter in i n a 1 i a, op den 19Jen Februari. Postridie ludos Apo 11 in a res, op den 6Jequot; Juli.
De volgende tabel geeft een overzicht van den Romeinschen kalender.
379
Romeinsche kalender.
380
|
a -M |
Maart, Mei, Juli |
Januari, Aug |
ustus |
April, Juni, Septem |
Februari. | |||||||
|
en October. |
en December. |
ber |
eu November. | |||||||||
|
cö q |
(31 dagen). |
(31 dagen). |
(30 dagen). |
(28 dagen.) | ||||||||
|
1 |
Kalendis Martiis. |
Kalendis Januariis. Kalendis Aprilibus. |
Kalendis Februariis | |||||||||
|
2 |
'VI. \ |
a.d. |
|IV. /iNonas |
^ j ^iv. ^Nonas a 'lil. Upr. |
a ^ (iv. iNonas a' 1lII. bebr. | |||||||
|
3 |
a.d. |
IV. (Nonas |
(lil. ijan. | |||||||||
|
4 |
ilV.1 Martias. |
pridie Non. Jan. |
pridie Non. Apr. |
pridie Non. Febr. | ||||||||
|
5 |
hl; |
Nonis Jan. |
Nonis Apr. |
Nonis Febr. | ||||||||
|
6 |
pridie Non. Mart. |
VIII. \ |
VIII. \ |
VIII. \ | ||||||||
|
7 |
No nis Mart. |
VIL 1 |
VII. |
VIL | ||||||||
|
8 9 |
VIII. .VIL |
a.d. |
VI. ( Idus iV. ( Jan. |
a.d. |
VI. f Idus iV. ( Apr. |
a.d. |
VI. f Idus V. ( Febr. | |||||
|
10 |
a.d. |
ivi. r idus V. / Mart. |
rv. |
fiv. * |
IV. \ | |||||||
|
11 |
in. / |
1 |
iii. |
III. | ||||||||
|
12 |
( 1 |
'iv. |
pridie Idus Jan. |
pridie Idus Apr. |
^ j pridie Idus Febr. | |||||||
|
13 |
iii. |
1 |
Ibidus Jan. |
Idibus Apr. |
Idibus Febr. | |||||||
|
14 |
pridie Idus Mart. |
XIX. |
XVIII. |
XVI. | ||||||||
|
15 |
Idibus Mart. |
XVIII. |
XVII. |
XV. | ||||||||
|
16 |
IXVII |
XVII. |
XVI. |
XIV. | ||||||||
|
17 |
XVI. |
XVI. |
w |
XV. |
XIII. | |||||||
|
18 |
XV. |
XV. |
cdquot; 3 |
XIV. |
_ Pt o jl |
XII. |
W p | |||||
|
19 |
XIV. |
XIV. |
«3 |
XIII. |
S- g O O |
XI. |
cd- | |||||
|
20 21 22 |
XII]. XII. XL |
^ - ö cd i crq a P cl- CD p lt;n- cc go J0 |
a.d. |
XIII. Ixn. XL |
S 3 5° 2. p* â cc pc - |
a.d. |
XII. XL jX. |
Oquot; P- cd cc CC , fâ! ® g |
a.d. |
X. IX. VIII. |
p co !-^ p | |
|
23 |
a.d. |
x- |
2. |
X. |
IX. |
CD i0 |
VIL |
p* po | ||||
|
24 |
IX. |
§ 5quot; o i0 |
IX. |
GC cd |
VUL |
1 = O |
VI. | |||||
|
25 |
VIII. |
3 S- ^ |
VIII. |
quot;quot;O ct- cd |
VII. |
co p co |
V. | |||||
|
26 |
VII. |
ft O 3 f0 5* |
VII. |
S- 1-5 |
VI. |
rv. | ||||||
|
27 |
VI. |
VI. |
O JE |
V. |
lm. | |||||||
|
28 |
V. |
V. |
IV. |
pridie Kalendas | ||||||||
|
29 |
IV. |
ÃV. |
III. |
Martias. | ||||||||
|
30 |
III. |
III. |
pridie Kalendas | |||||||||
|
|31pridie Kalendas |
pridie Kalendas |
(der |
volg. maand). | |||||||||
|
(dei |
volg. maand). |
(der |
volg. maand). | |||||||||
TWEEDE AANHANGSEL.
OVER DE ROMEINSCHE GEWICHTEN, MUNTEN EN MATEN.
I. Romeinsclie gewichten. Het Romeirische pond (libra, pondo) werd als geheel en eenheid a s genoemd; het werd verdeeld in twaalf unciae; elk aantal dezer unciae droeg een bijzonderen naam, namelijk:
1 uncia â T^, u n c i a. 7 unciae = f7T, s e p t u n x.
2 unciae -=i, sextans. 8 unciae = , bes.
3 unciae =4-, quadrans. 9 unciae = |-, dodrans.
4 unciae â J-, t r i e n s. 10 unciae = dextans.
5 unciae = t5j, q u i n c u n x. 11 unciae â d e u n x.
6 unciae = , s e m i s. 12 unciae = 1, as.
Deze namen dienden tevens om bij erfenissen, vlakte- en lengtematen en renteberekeningen de onderdeelen der erfenis (als geheel dan as genoemd), der vlakte- (jugerum) en lengtemaat (pes) en der renteëenheid aan te duiden. B.v. Heres ex asse, een universeel erfgenaam. Heres ex dodrante, ex triente, een erfyenaam van het 1 deel der nalatenschap. Triumviri viritim divi-serunt terna jugera et septunces (3T% bunder). O b e i i-scus centum viginti quinque pedum et dodrantis (125| voet). Fenus ex triente factum er at bessibus, de interest was van l tot -j pet. maandelijks gesteyen, d. i. van 4% tot 8% jaarlijks; want de Romeinen berekenden den interest bij de maand, niet bij het jaar.
II. Romeinsclie munten. In den vroegsten tijd hadden de Romeinen slechts kopergeld (aes) en berekenden dit naar ponden (asses). Men zeide: asses duo, tres, enz. Bij geldsommen van twee en meer duizend pond liet men asses weg, doch voegde er den genetivus aeris bij. B.v. Centum mil ia aeris.
Sedert de invoering van het zilvergeld (omstreeks 268 v. Chr.) werd de sestertius (Vgl. § 18. I0.) bij opgaven van geldswaarde als eenheid aangenomen. B.v. T re cent i sestertii, 300 sestertiën. Mille sestertii of mille sestertium, 1000 sestertiën. Zoo de som twee of meer duizenden bedroeg, gebruikte men het substantivum plurale sestertia, dat de beteekenis had van 1000 sestertiën en waarbij gewoonlijk distributiva en geen cardinalia gevoegd werden. B.v. Bina sestertia, 2W0'sestertiën. Centena sestertia, 100000 sestertiën. Zoo ging men voort tot 999000 sestertiën, non-gena no na ge na novena sestertia. Kleinere getallen werden
Bomeinsche munten en maten.
er door et mede verbonden. B.v. Sep te na sestertia et sestertii ducenti quadraginta tres, 7243 sestertiën.
Volledig uitgedrukt heet een millioen sestertiën: decies centena mil ia sestertium (gen. plur.) Men vindt ook wel decies centena met weglating van milia sestertium. Gewoonlijk echter gebruikte men het substantivum singulare sestertium met achtervoeging van het adverbium numerale decies. Sestertium heeft dan de waarde van 100000. Evenzoo beteekent 2000000 sestertium vicies, 3000000 sestertium tricies. Sestertium wordt regelmatig naar de 2de declinatie verbogen. B.v. Syngrapha sestertii een ties, een wissel van \OOOOOQO sestertiën. In sestertie vicies e g er e, 2000000 sestertiën arm zijn. Wanneer de samenhang geen dubbelzinnigheid veroorzaakt, wordt soms ook sestertium uitgelaten en alleen het adverbium numerale gezet. B.v. Ilia dissipatio pecuniae publi-cae ferenda nullo modo est, per quam Antonius septies mil li es avert it (sc. sestertium, i. e. 700000000 sestertiën.)
Sestertius, sestertia en sestertium worden dikwijls aangeduid door het teeken H. S. (eigenljjk II semis, 2^ as, omdat de sestertius oorspronkelijk gelijk was aan 2^ as). Wanneer bij dit teeken een onverbuigbaar telwoord of een Romeinsch cijfer staat, b.v. H. S. X., kan er dubbelzinnigheid ontstaan of er 10, 10000 of 1000000 sestertiën worden bedoeld. Ge-woonlijk echter zal de samenhang deze dubbelzinnigheid opheffen.
III. liomeinsche maten. Voor de lengtemaat had men de pes, voet, die verdeeld werd in 16 digiti, duimen. Verder: semi-pes = ^ voet; pal mus, palm = 4 digiti of \ voet en in latei-tijd = 12 digiti of | voet; palmipes = 1 voet: cubi tu s, e? = 1^ voet; passus = 5 voet; dec e m p ë da = 10 voet; act us = 120 voet; milliarium = 1000 passus of 5000 voet; stadium, een Grieksche lengtemaat, was gelijk aan 125 passus of 625 voet. 5 milliaria of 40 stadia zijn gelijk aan een geographische of Duitsche mijl (van 15 op één breedtegraad).
Voor de vlaktemaat diende de jugerum, bunder, die 240 voet lang en 120 voet breed was en dus 22,800 Q voeten bevatte.
Voor de inhoudsmaat van natte waren had men de amphora. Deze bevatte 2 urnae of 3 modii, 8 congii, 48 sextarii, 96 heminae, 192 quartarii, 576 cyathi. De grootste maat was de culeus â 20 amphorae.
Voor het meten van droge waren bediende men zich meestal van dezelfde maten; het meest gewoon was de m o d i u s. 6 modii maakten een medimnus.
382
DERDE AANHANGSEL.
OVER DE GEBRUIKELIJKSTE AFKORTINGEN.
|
I Voornamen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
11 Woorden uit het openbare leven. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
III. In brieven.
S. = Salutem. S.V.B.E.E.V. == Si vales, bene est,
S. P. â Salutem plurimam. ego valeo.
S. D. â Salutem dico. S.V.V.B.E.E.V.â Si vos valetis, bene
S. P. D. â Salutem plurimam est; ego valeo.
â dico. D. â Data.
Af kortingen.
384
|
IV. Verschillende meestal eerst later voorkomende afkortingen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
cc _ a/gt;wvw gt;i*N'--~w-v*»vvir | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
- r ... % j
ALGEMEEN REGISTER. OP DE ETYMOLOGIA EN SYNTAXIS.
|
A. a, a b, a b s, iu pass. zinncu 96; bet. eu gebr. 163. 1 ; bij gerund, iu plaats van dat. 259. 1°. 1; bij verb, intr. 259. 2°; bij abl. vau scheiding 270; bij namen van steden 279; onderscheiden van de, ex 280. A; bij het aangeven van den afstand 293. A; qui sunt a Platone 446. 2°. abalienare, constr. 270. A. III. abdicare, constr. 270. A. I. a b e s s e, afui, 91. 4°; met acc. of abl. van afstand 293 ; tantum abest ut. . . ut 356; non multum abest quin 359. 3°. a b h i n c met acc. of abl. 290. A.II. abhorrere, constr. 270. A. III. ablativus der l'te deel. op abus 13; sing, op e en i 21 en 56; plur. van Gr. subst. op ma 23; der 4tle deel. op ibus eu ubus 27; van comparat. 59; van part. opansenons88,412.A.en421; soorten van abl. 258; abl. causae 259; bij gigni, nasci, oriri 259. A. II; abl. instrum. ook in plaats van Ned. plaats-bep. 261; bij de verb, van afmeten 261. A ; abl. modi 263â265; bij militair gevolg met of zonder cum 265. A; abl. partis 266; abl. pretii 267; abl. qualit. 268; abl. van scheiding met of zonder a, de, ex 270; abl. loei bij namen van steden 275; bij plaatsen in boeken 282; in plaats van per c. acc. 285. A; abl. temporis 286; met of zonder in 286. A. f en II; op de vraag hoelang te j voren of daarna 288â290; abl. van afstand 293; abl. na een comp. in plaats van quam 295; abl. mensurae 302; abl. van het gerund. 435. |
ablativus absolutus 421. abnuiturus 127. abscedere, constr. 270. a b s e n s, bet. 91. 3°; in plaats van een adv. 190. 1°, absolvere met gen. 247. absque, bet. en gebr. 164. 2. absterrere, constr. 270. A. III. abstinere, constr. 270 en A. I; nou abstineo quin 359. 3U; quominus 361. 2°; zich onthouden 453. A. I. abstracta, bepaling 9; in plur. 33. 1»; concreta in plaats van abstracta 440; abstracta in plaats van concreta en adject. 441. abundantia 36. abundare, const. 269. a b u n d e c. gen. part. 245. 4quot;. a b u 11, constr. 271. a c; a t q u e, als, na idem en adj. van gelijkheid 305--306; ac si c. conj. 342; atque is 446; bet. en geb. 502; atque etiam, adeo 503. A. I; bij het laatste woord 505; ac non en neque 506 ; voor sed 524. accedere met dat. of ad 231. A. I; ut nihil possit accedere 303. A; ac-cedit ut en quod 345. 2°. A; bij optellingen 493. accent der woorden 5. a c c i d i t met dat. 230; quod 345. 4quot;; ut 355. 2°. |
25
Algemeen register.
386
|
accingere, constr. 232. a c c i p e r e met dat. van doel of ace. 23G. A. II; met acc. o. inf. 397. 1°; met gerund. 428. accommodare niet dat. gerund, of ad 434. 1°. accusare met geu. en de 247 en A. accusativus op em en im 20 ; op is in plaats van es 23; van Gr. woorden der 3Je deel. 25. 2°; op as in plaats van es 25. 7quot; ; van het object 217 ; bij intrans. 219; bjj samengest. verba van beweging 220; dubb. acc. 221â226; bij passiva 232. A. II; bij part. op ans en eus 254. 2°; bij verb, van herinneren 255. A; acc. graecus 266. A; ace. bij uitroep. 274 ; bij namen van steden 275â277 ; van landen 280; bij tijdbep. 285â288; bij abhinc 290. A. II; van uitgebreidheid 292; bij een inf.subj.383. 2°. A. II; bij een vergelijking met een acc. c. inf. 403 ; van hot gerund. 435. accusativus cum infinitive bij videtur 215. A. Ill; bij dicitur, traditur 216; verschilleud van quod 345. 1°. eu 2°; in plaats van een inf. met eeu object 383.2°. A. I; beschrijving 394; bij uitroep, en vragen 395. A; verschillend van ut 397. 1°. A. I; bij verba van zweren, beloven 397.1quot;.A.II; in plaats vau Ned.adverb.397. 1°. A.III; met weglating van acc. subj. 398; twee zinnen met elkander vergeleken 403 ; gebruik der tijden 404; in orat. obi. 408. I. III. en 409. A. II; in rel. zinnen 409 A.II;iu het perf. omschreven met teneri 415.A.I;ter omschrijving van subst.445. 1quot;; aangeduid door hoe, sic, ita 459. A. I. acquiescere, constr. 231. A. II. a c r o a m a, gesl. 37. activum, afleiding der tijden 93; in pass. veranderd 96â99; zoo het eeu depon. is 102; met reflex, bet. 453. A. I. a c u s, ubus 27. a e u t u s, gebr. 136. I. ad, bet. en gebr. 102. 3; onderscheiden van apud 162. 3. b.); als adverb. 162. 3. c); ad â versus 162. 21; bij verba van nemen, kiezen 221. A. III; in plaats van dat. 227. A. II; bij verba comp. 231 ; in plaats van dat. van doel 236. A. II; bij interest 257. 4° ; bij namen van steden 279 ; onderscheiden van in 280. A; bij tijds-bep. 285. A; met gerund. 433. A ; 434. 1°; 435. |
ad de re met dubb. acc. 221. e); ut nihil supra possit addi 303. A. adducere ut 351. 2°. adeo met gen. 245. 4°. A; adeo non â ut 356; bet. 486; atque adeo 503. A. I. ad esse, assum, affui 91. 4°. a d h u c locorum 245. 4°. A ; bij een comp. 302. A. II; in brieven 315. A. II; nog 492. a d i g e r e jusjurandum 224. A. III. a d i p i s c i ut 351. 2°. a dire, constr. 220. 2quot;; aditu 438. adjacere met dat. 231. A. II. adjectiva, declinatie 50; defect. 56. 3°; indeclin. 57; verbogen als subst. gebruikt 58; vergelijking 59; met per samengest. soms gescheiden 63; afleiding 143; op buudus met den casus van het verb. 143. I; op ilis en bilis met act. en pass. bet. 143. 3; in het neutr. als adv. 156; vau één uitgang in gen. in plaats van nom. 176. A. III; als attributa 185; Ned. adj. in plaats van Lat. adv. 185. A. 1; Ned. adj. in plaats van Lat. subst. 185. A. II; één adj. bij meer subst. 186; meer adj. bij één subst. 187 â 188; bjj eigennamen 189; in plaats van Ned. adv. 190; plaatsing 191; op bilis met dat. 233; met gen. obj. 254; in posit, in plaats van comp. 300. A; in den abl. abs. 424; met geu. van het gerund. 433. 2°; met dat. van het gerund. 434. 1°; met sup. op u 438; als subst. gebruikt 439; op arius in plaats van een nomen abstr. 440. 1quot;; Ned. adj. door Lat. subst. vertaald 441; Ned. adj. door een gen. of door een conjunctie of niet vertaald 442; na de praep. gezet 495; Lat. adj. in plaats van Ned. praep. 501. 3°. adj uvare soms adjuro in fut. exact. 114, A; quantiteit 134. III. admirari met acc. c. inf. 397. 3'. admodum vormt een superl. 63. ad m on ere, coustr. 255; met ut of' : acc. c. inf. 351. 2°. |
Algemeen register.
387
|
admouitu 260. A. II. adolescens, coram. 39; ab ado-lescentia 440. 1°. adolesco met part. perf. 103. adoriri, geconj. 127. A. adsciscere met dubb. acc. 221.c). adspergere, eonstr. 282. ad stare met dat. 231. A. II. adulter, eri, 15. I. A. adveuire met acc. 284. adventu 286. A. II. adverbia, verdeeliug 152; vorming 153; op o 155; door het neutr. van een adj. uitgedrukt staan slechts bij verba 156; in comp. en superl. 158; op itus en im 160; praep. als adv. 162 en 499; als praep. gebruikt 165; bij esse 173. A; bij subst. of omschreven door adj. of rel. 185. A. 1; met gen. 245. 3°. en 4°; omschreven 445. A. en 447; door verba vertaald 485; adv. loei 4:90; in plaats van een pron. met een praep. 490. A; van pron. afgeleid 491; bij verba van plaatsen en aankomen 491. A; staan achter de praep. 497. 2°. a d v e r s u s, ad versum, contra, erga, 162. 4. aedes, bet. 34. 4°; uitgel. 241. 2°. aedilis, abl. sing, e 21. 4°. aeger animi 254. 1°. A. II. a eg r e bij cum additivum 363. B. 3°. a e q u a 1 i s met gen. of dat. 233. A.II. aeque ac 306; aeque ac si 342. aequi bonique facere 249. A. aequo met corap. 298. 1°. aequum est in ind. 320;metacc. c. inf. 396. 1quot;. a e r, aera, 25. 2°. aestimare met gen. pretii 249; met abl. pretii 267. A. I. aetas, id aetatis 242. A. II; bij het aangeven van den ouderdom 291. 5°. aether, aethera, 25. 2°. afbreking der lettergrepen 6. affatira met gen. 245. 4°. afficere, constr. 269 en A. affinis, comm. 38; met gen. en dat. 233. A. IV. a f f i r m a r e met acc. c. inf. 397. 1°. a ff lu ere, constr. 269. affui 91. 4quot;. |
afleiding der tijden act. 92â93; pass. 94; der subst. 140; der adj. 143; der verba 146; der adverb. 153. afui 91. 4°. age, agite 133. agens ter aanduiding van den ouderdom 291. 2°. age re, id agere ut 351. 2°; nihil aliud 351. 2°. A. 11. agnus, agna 41. 2°. a i n(voor aisne) tu, tandem 369.10.A. ajo, geeonj. 129; ajunt 213. 3°; gebr. en plaatsing 411. A. al, jam 492; te bij adj. 300. alacer, is, e 52. 2°. album, sing. tant. 33. 4':'. ales, abl. e, gen. um 56. 1°. en 2°. alias met fut. exact. 314. A. I. alien are, constr. 270. A. III. alien us, constr. 269. A. II. alimonia en alimonium 36. 3°. aliquanto bij comp. 302. aliquantum met gen. part. 245. 5Ã; voor aliquanto 302. A. I. a 1 i q u i s en r.liqui in plur. aliqua 83; aliquis, men 213. 5°; aliquo met gen. 245. 4°. A; bet. en gebr. 473â474; met non sine 477. 1°. a 1 i t e r,vormingl54.A.I;aliter ac306; alius aliter 306. A. 1; sin aliter 335. 2°. alius, gen. lus 52. 4°; nihil aliud (facere) quam 174. A. 3°; niet met gen. part. 245. 2°. A. II. e.); aliud met gen. 245. 5°; alius ac 306; aliud aliud 306. A. I; non alius ac, quam, nisi 306. A. II; nihil aliud agere 351. 2°. A. II; alius alium, elkander, 458; de een dit de ander dat 484. a 1 s, instar 35. 2°; bij een nomen appos. 198 en 1°; niet vertaald 214. 2°; vertaald door qui. ac, quantus, enz. 305; als zoodanig, ipse, 468. 4°. alsof achter de verba van schijnen 342. A. IV; bij abl. abs. 421. A. IV. alter, era, erum 52.3°; gen. Tus 52. 4°; niet met gen. part. 245. 2quot;. A. II. e); altero tanto bij een comp. 302; alter alterum, elkander 458; gebr. 481. alteruter, gedeclin. 52. 4°. al tus 292. am, amb, an, praep. 167. a mans met gen. 254 2°. |
Algemeen register.
388
|
ambages, um 22. 2°. ambire, geconj. 122. ambo, gedecl. 66 ; bet. 482. A. ambten uitgedr. door concreta 440.20. amicus, constr. 233. A. III. a m o v e r e, constr. 270. a m p 1 i u s met gen. 245. 5°; bet. en gebr. met en zonder quam 267. amphora, gen. piur. um 18. 1°. a m u s s i s, im 20 2°; i 21. 1°. an in rechtstr. vragen 369. 4°; na non dubito 371 ; an (anne) in zijdel. vragen, an vero, annon 372. anaphora, bepaling 505. anceps, abl. i 56. 1°; gen. um 56. 2°. ander (een), alter, 481. A. anderhalf, vertaald 73. anhelare met ace. 219. 1°. animadvertere, constr. 218; met acc. c. inf. 397. 1°. animus in gen. bij adj. en verb. 254. 1°. A. II ; in abl. modi 263. A. I; animum inducere met inf. of ut 388; ter omschrijving 447. antepraep. en als adv. bij part. 162.1; onderscheiden van pro 163. 7; bij tijdsbep. 288â290; met abl. mensurae 302. A. I. antecedens, bepal. 200; in den rel. zin gezet 207â208. antecedere, antecellere, anteire, constr. 231. A. II; met abl. mensurae 302. A. I. antequam bij tijdsbep. 288â 290 ; met ind. en conj. 365. a n t i s t e s, comm. en antistita 39. antwoord op vragen 373. a n x i u s met abl. 259. 2°. a p a g e 133. apert um est met acc. c. inf. 396. 1°. apis, um, ium 22. 2°. apparatus, sing. taut. 33. 4°. a p p a r e t met acc. c. inf. 396. 2°. appellare met dubb. acc. 221. b). appellativa, bepal. 9; worden niet vertaald 464. |
appellere ad 231. A. I. appetens met gen. 254. 2°. apponere met dubb. dat. 236. appositie bet. en gebr. 192 ; bij meerv. namen van steden 193; Ned. app. in het Lat. door gen. vertaald 194; namelijk vertaald 195; wanneer de telwoord. niet vertaald worden 196; in den rel. zin gezet 197 ; met of zonder ut, tamquam, enz. 198; plaatsing 199; bij pron. poss. 240. A en 241. A; niet bij de ablat. mea, enz. 257. 1°; bij namen van steden 277; de praep. valt weg 500.1°. app rime 63. aptus met dat. of ad 233. A. I; aptus qui met conj. 375. 3°; met dat. gerund, of ad 434. 2°. apud, bet. en gebr. 162. 2°; vervangen door den dat. 228. A. II; bij namen van steden 279. aqua en aquae 34. 4°; uitgel. 439. arbitrari met acc. c. inf. 397. 1quot;; arbitratus met tegenw. bet. 414. 2°. a r c e r e, constr. 270. a r c u s, ubus 27. arguere, part. fut. 127. A; geen part. perf. 136. I; constr. 390â391. argumento esse 236. A. III. aries, ovis 41. 2°. artifex, comm. 39; gen. um 56. 2°. art us, ubus 27. as, assium 22. 4°; assis non habere 249. A. as per, era, erum 52. 3°. assentire liever depon, 137. I. assequi ut 351. 2°. assidere met dat. 231. A. II. assiduus heeft een superl. 61. 2°; in plaats van adv. 190. 3°. assimilatie der praep. 166. assuefacere, constr. 390â391. assuescere, part. perf. 130; constr. 231. A. II; met inf. 387. assumere met dubb. acc. 221. c). asyndeton 504â505. at (ast) met of zonder certe in voorw. zinnen 335. 2°; bet. en gebr. met of zonder enim, vero 521. a t q u e, zie ac. atqui 522. attamen in voorw. zinnen 355. 3U; bet. 523. attinet met inf. 383. 2°. attractio van het rel. 207. attributum overeenkomst 185; in den rel. zin gezet 208; de pron. als attrib. in plaats van in den gen. 251. A. III. atro x, abl. i 56. 1°. auctorem esse met ut of acc. e. |
Algemeen register.
389
|
inf. 351. 2U; met geu. gerund, of ad 433. A. audax, abl. i 56. 1°; audaciter en audacter 154. andere, semidep. 103; perf. conj. ausim 117. b; met inf. 387; ausus met tegenw. bet. 414. 2°. audire met dnbb. nom. eu male, bene audire 214. 2°. A. II ; dicto au-dientem esse 230; met part. praes. ace. c. inf. of cum 393; audito als abl. abs. 425. 2°; auditu 438. ausim 117. b. auspicio, abl. modi 263. A. III. au stro, 425. A. a u t, subst. door aut verbonden met enk. praed. 182; in vragen 372. A. III; aut-aut na eeu praep. 497. 5°; in de bet. van en 508 ; aut-aut in plaats van neque-neque 509; bet. en gebr. 513; van aut-aut 514. au tem niet bij een relat. 210. A; achter een praep. 497. 4°; bet. eu plaatsing 520 en 527. auxiliari met dat. 230. aux ilium eu auxilia 34. 4°; gesl. 37. ave, avete, avere 182. avid us met gen. 254. 1°. avus, avia 40. B. baccar 21. 2°. en 22. 1°. ba cuius en baculum 36. 2°. barbaria eu barbaries 36. 1°. beduidend, aliquid, 474. behalve misschien wanneer 336; behalve dat 337. beiden valt weg 196; uterque of ambo 482. bekend, ille, 461. 2°. bellum bellare 219. 2°; belli domi-que 281. A. II; bello, abl. temp. 286. A. II. bene vormt een superl. 63; adv. van bonus 153; audire 214. 2°. A. II; met acc. of dat. 274. benedicere met dat. 230. beneficio, door, 262. beproeven, uitgel. 370. A. beroemd, ille, 461. 2°. bestaan uit 259. 2°. A. bestias (ad) damnare 248. A. |
bevinden, niet vertaald 453. A. I. bezitten, vertaald 234. bibere zonder sup. 136. VII; dare en administrare 392. bicorpor, geu. urn 56. 2°. bidens, gesl. 4o. bi ui in plaats van duo, 72. A. bipennis 20. 2°; 21. 1°. bis in die 287. A. blandiri met dat. 230. bonus, melior, optimus 60. 4°; adv. bene 153; boni consulere 249. A. bos, gedeel. 24; subst. comm. 41. 1°. bovengenoemd, vertaald 418. A. III. 4°. breuken 73. brevi ante 288. A. briefstijl 315. buitengewoon, quidam 475. 2°. buris, im, i, ium 20. 2°; 21. 1°. bij, vert. door dat. 228. A. II. bijna, vertaald 512. bij voorbeeld door ut 331. A. bijzonder echter 510. C. caelebs, e, um 56. 1°. en 2°. caelum en caeli 36. 2°. ca li da (aqua) 439. campester, is, e 52. 2°. can ere zonder part. perf. 136. VI; receptui 236. A. Ill; met abl. instr. 261. ca ui (capilli) 439. ca nis, canum, 22. 2°; gesl. 41. 1°. caper, capra, 41. 2°. cap ere met dubb. acc. 221. c). capilli, uitgel. 439. capitis en capite damnare 248. carbasus, gesl. 36. 2°. carcer, bet. 34. 4°. car ere met abl. 269. caro, carnium 22. 3°; uitgel. 144. 7. car us met abl. pretii 267. castrum, bet. 34. 4°; castra uitgel. 439. casus recti en obliqui 10. A. cat us, feies 41. 2°. eau po, copa 40. causa met gen. plaatsing 165. A; onderscheiden van propter, ob, gratia 260. A. II; nihil est causae quod met |
Algemeen register.
390
|
conj. 375. 3°. A. I; causa est met gen. gerund, of ad 433. A. cayere, constr. 218; met ne, ut 352. 3°; ter omschrijv. van den imper. 380. 3°; cavere ne, niet laten 428. A. cedo, imper. 133. celare, constr. 223. celeber, is, e 52. 2°. celer, is, e 52. 2°. Celtiber, eri 15. I. A. cenare met part. perf. 103; met gen. en abl. pretii 267. A. II. een sere met ut of acc. c. inf. 351. 2°. centesimae, procent, 73. cerner e, bet. in perf. en sup. 136. III. certato, 425. A. certe en certo, bet. 155. A; in voorw. zinnen 335. 3U; bij antwoorden 374; cumâturn certe 510. certiorem facere 221. A. I; met acc. c. inf. 397. 1°. eervus, cerva 41. 2°. cessare met inf. 887. ceteri, adj. defect. 57. ceterum, overigens 156; = sed518. cette, imper. 133. chiasmus 484. A. en 524. cicur, gen. um 56. 2°. cingere, constr. 232. A. II. cingula en cingulum 36. 3°. cic en cieo, gebr. 135. IV. circa, circum, circiter 162. 5. cir cum dare, constr. 232. circumeo en circueo 166; met acc. 220. 1». circumfundere, constr. 232. circumsedere met acc. 220. 1°. cis, citra, bet. 162. 6; citra met abl. mensurae 302. A. I. civis, comm. 39. civitas bij meerv. namen van steden 193. cl am met abl. en acc. 163. 11. clamare met acc. c. inf. 397. 1°. cl avis 20. 2°; 21. 1°. cli ens, clienta 40. coalescere met part. perf. 103. coepi geconj. 130; in het praes. incipio en wanneer in het pass. 130. A; met inf. 386; ter omschrijving 485. cogere, constr. 390 â 391. cogitare met inf. en acc. c. inf. 387. |
cognomen mihiest,datur,habeo235. cognominis met gen.ofdat.238.A.V. cognoscere met dubb. acc. 221. c); met acc. c. inf. 397. 1°; cognitum habeo 415; cognito als abl. abs. 425. 2°; cognitu 438. col ens met gen. 254. 2°. collectiva, bep. 9; met het praed. in plur. 178. 3°. colligere met acc. c. inf. 397. 1°. collocare met gen. en abl. pretii 266; met in en abl. 283. 1). columbus, columba 41. 2°. comes, comm. 29. com it at us (subst.) zonder cum 265. A; (part.) met pass. bet. 414. 1°. comitium, comitia, bet. 34. 4°; comitiis, abl. temp. 286. A. II; comitia met dat. ger. 434. 3°. c o m m e m o r a r e met ac. c. inf. 397.1°. commentarius en commentarium 36. 1°. commiserari met acc. 256. commode en commodum 156. commonere, commonefacere, constr. 255. communia, bepaling 39; diernamen 41. 1°; als praedicaat 177. communicare, constr. 231. A. I. communis, constr. 233. A. V. commutare, constr. 267. A. IV. comparativus, vorming 59; ontbreekt 61â62; van adverb. 158; bet. en gebr. 294â302 ; van partic. 413; zonder is in het tweede lid 465. 1°. comperire met acc. c. inf. 397. 1°; comperto als abl. abs. 425. 2°. compertus met gen. 247. complere, constr. 269 en A. complexus met pass. bet. 414. 1°. complures, gedecl. en bet. 60. 4quot;. A. compos, abl. e, gen. ui» 56. 1°. en 2°; met gen. 254. 1°. composita, vorming 148â150. composite en composite, bet. 155. A. conari met si 370. A; met inf. 387. concede re met ut of acc. c. inf. 351. 2°; met gerund. 428. concessu 260. A. II. concludere met acc. c. inf. 397.1°. concors, abl. i 56. 1°. concreta, bepaling9; in plaats van abs- |
Algemeen register.
391
|
tracta 44Ã; abstr. in plaats vau concr. 441. concupiscere met inf. 387. condemn ar e; constr. 247â248. condicione, abl. modi 263. A. I. coudueere met gen. en abl. pretii 267: conducit met ace. c. inf. 396. 2°; mot gerund. 428. conferre in 435. con fessus met pass. bet. 414. 1quot;. con fide re, semidep. 103; constr. 230; met ace. c. inf. 397. 1°; oontisus in plaats van part. praes. 414. 2°. con fir mare met ace. c. inf. 397. lü. confiteri met ace. c. inf. 397. 1°; confessus met pass. bet. 414. 1°. congener 52. 2°. congregare in met acc. 284; in pass. zich verzamelen 453. A. 1. conjicere met acc. c. inf. 397. 1°. conjugatie der verba 93â; aanmerkingen op de conjug. 114â117; conjug. periphr. iu plaats van Ned. fut. 313. A. 11. conjuuctiones, verdeeling 168 en 328; in plaats van Ned. appositie 198; in plaats van rel. zinnen 205; subordi-neerende 328â; door part. conjunc-tum uitgedr 419; bij part. eoujunctum geplaatst 419. A. II en 442. A. II; door abl. abs. uitgedr. 421; bij abl. abs. geplaatst 421. A. IV; iu plaats van Ned. subst. 445. 3°; coordineerende 502â . conjujictivus van het fut. en fut. exact, omschreven 317. A. Ill en IV; Ned. conj. wordt in het Lat. indic. 320; opdat ook zonder ut na velim, vellem, euz. 324; concess. 325; potential. 326; dubit. 327; bjj conjuncties 328â; van een verbum van zeggen of meenen na quod 344. A. III; zonder ut 351. A. III; in zijdelingsche vragen 368; in relat. zinnen 375; in orat. obliq. 407- 408. conjurare met part. perf. 103. conjux, comm. 39. conscendero uavem met abl. 284. A. conscius, constr. 254. 1quot;. en A. I. consecutio temporum 316; in de orat. obliqua 409. A. III. consentaneum est in indic. 320; met acc. c. inf. 396. 1°. consequi ut 351. 2°. con si der e in met abl. 283. |
consilio, abl. modi 263. A. I; consilium capio of est met in of ut 388; met gen. gerund. 433. A. consimil is met gen. en dat. 233.A.n. con sis tere in, ex 259. A; in met abl. 283. consonanten, uitspraak, verdeeling 3; assimilatie bij samenst. mot praep. 166â167. consors met gen. 254. 1°. con stare, bestaan uit 259. 2°. A; met gen. en abl. pretii 266; constat met acc. c. iuf. 396. 2°. constituere in met abl. 283; met inf. acc. c. inf. en ut 388; constitutum habere, euz. 415. constructio ad synesiu 178; bij hot rel. 200. A. IV. consuescere iu perf. met tegenw. bet. 130. A; constr. 231. A. II; met iuf. 387. consuetudo est ut 355. 2quot;; met inf. of gen. gerund. 433. A. consulere, constr. 218; boni 249. A. con sul te en eonsulto 155. A. contagium eu contagio 36. 3°. contemptui habere 236. A. TIL conteudere met ut of acc. c. inf. 351. 2°. couteutus met abl. 359. 2quot;; sum mot iuf. perf. 283. 2quot;. A. III. contestatus mot pass. bet. 414. 1°. co ut in eo (nou me) quin 359. 3quot;; quomiuus 361. 2quot;. con tin git met dat. 230; ut 355.2°; met iuf. 355. 2quot;. A. II; met dat. van het praedicaat 386. A. II. contra, adversus, erga 162. 4°; contra ac 306; na tantum abest 356. contrarie en contrario 155. A. contrarius ac 806. cout uberualis, comm. 39. convenire, constr. 220. 2°; met in eu acc. 384; conveuit in indic. 320; met acc. c. inf. of ut 396. convertere in 435. c o n v i v a, comm. 39. coordineerende conjuncties, bepaling 328; bet. en gebr. 502â. copia en copiae 34. 4°; gesl. 37; copiam dare met gen. ger. of ad 433. A. coram, praop. 163. 10. |
Algemeen register.
392
|
corpus ter omschrijving 447. correlativa pron. 84; adverb. 490. crass us niet met acc. van uitgebreidheid 292. A. I. creare met dubb. acc. 221. a), creber in plaats van Ned. adv. 190. 3°. credere, credunt 213. 3°; constr. 218; crederes 326; credon voor credone 369. 1°. A; met acc. c. inf. 397. 1°. credibile est met. aoc. c. inf. 396. 1°. crescere met part. perf. 103; met abl. causae 259. 2quot;. crimine uitgel. 247. cubitus en cubitum 36. 2°; ire 437. cucumis 20. 2°. on 21. 1°. cuicuimodi, bet. 83; met esse 242. A. I. cujas en cujus, cuja, cujum 78. A. cultus est ut 396. A. cum, praep. 163. 3; numerus van het praedicaat zoo cum twee subj. verbindt 175. A. II; bij abl. modi 263â265; valt weg bij militair gevolg 265. A; na idem 305. A; qui stabant cum Caesare 446. 2°. cum, conj. bij appos. 198. 1°; in plaats van quam bij tijdsbep. 290. A. I; bet. en gebr. 363; cum primum 367; cum quis473; cumâtum 510. cu mul are met abl. 269. cunctari met inf. 387. cupedia en cupediae 34. 4quot;. cupere, constr. 218; met inf. of acc. c. inf. 389. cupidus met gen. 254. 1°. cur, est cur en nihil est causae cur met conj. 375. 4°. A. I. c u r a m impertire met dat. ger. 434. 2°. curare ut 351. 2°; ter omschrijving van den imper. 378. A. II; laten met gerund. 428. D. daar toch, niet vertaald 524. daaraan dat, quod 34f. 4°. daaruit volgt 355. 2°. A. I. damnare, constr. 247â248. dan vertaald door quam of niet vertaald 294â302; door ac, atque 306; door nisi 307; bij wenschen 324. 1°; dan onvertaald 329. A; dan toch, at, tarnen enz. 335. 2°. |
dare, quantiteit 100; in praes. conj. duim 117. e); met dubb. acc. 221. e); met dubb. dat. 236; mihi datur esse 386. A. II; dare bibere 392; met gerund. 428; dare fa-cultatem met gen. gerund, of ad 433. A. dat niet vertaald door ne non 354. en A. I. dativus bij verba van nemen, kiezen 221. A. III; op de vraag aan wien 227; vervangen door ad 227. A. II; dat. comraodi onderscheiden van pro 228. A. I; in plaats van apud 228. A. II; dat. ethicus 229; bij samengest. verba 231; bij esse 234â236; bij subst. 237; in plaats van gen. poss. 239. A; in plaats van abl. causae en bij gerund. 259. 1°. A. I; bij verba van beweging 283. 1quot;. A; na idem 305. A; bij licet en necesse est 386; dat. gerund. 434. de, bet. 163. 4; waaruit iets geworden is 214. 1°. A; onderscheiden van ab, ex 280. A; in plaats van gen. partit. 245. 3°. A. II; van gen. crim. 247; volgens 266; wat betreft bij een acc. c. iiif. 399; met gerund. 436. 2°. doa, deabus 12. A, I. debere iu den ind. 320; met inf. 387. deeedere, constr. 270. decernere met inf. acc. c. inf. of ut 388. decet en dedecet in den ind. 320; constr. 383â384. declarare met dubb. acc. 221. a); met acc. c. inf. 397. lü. declinatie dor subst. 11â en 58; adject. 50â; numer. 66â; pron. 70 part. 88, 412. A. en 421. A. I. dedocere, constr. 223. deesse, non desunt qui met conj. 375. 4a. defectiva, vis, ops 24; der 5(le deel. 29 en 36. 1°; subst. 35; adject. 56. 3°; in de vergelijking 61â62; verba 128â. defender e, constr. 270 en A. II; met acc. c. inf. 397. 1°. defensor, defenstrix, 140. 1. defer re met gen. 247. defigere in met abl. 283. deflectere, zich afwenden 453.A.II. de fungi, constr. 271. degener, 55; gen. um 56. 2°. deinde, bet. 159; bij optelling 493. |
Algemeen register.
393
|
delectat, constr. 383â384; delectari met acc. c. inf. 397. 3°; zich 453. A. I. deliberare au 371; deliberatum habere 415. deligere met dubb. aco. 221. a). deminutiva, bep. 9; van compar. 64; van subst. 141. 1; van adj. 145; van verba 14(3. 3. demoustare met acc. c. inf. 397. 1°. demonstrati va, verbogen 79; richten zich naar het praedicaatsn. 179 en 221. A. IV; in plaats van het rel. 206; staan overvloedig bij de attractio 209; niet in gen. 251. A. III; verklaard door quod, ut en acc. c. inf. 345. 3°. A. I; bij deu inf. 382. A. II; uitgelaten bij het part. conjunctura 418. A. II. en 420. A. III; geplaatst bij het part. conjunctum 419. A. I; uitgelaten in abl. abs. 425. lo. en 426; in plaats van Ned. subst. 443; overtollig bij quidem 449; bet. en gebruik 459â; versterkt door tam 463. A; plaatsing 469; voor de praep. gezet 496. Zie verder hic, iste, enz. demovere, constr. 270. d e n i q u e 493. den om i na ti va, bepaling en vorming 139--. de peil ere, constr. 270. deponentia, vervoeging en in het pass. gebruikt 101 en 102.A; in part. perf. met pass. bet. 414. 1°; met tegeuw. bet. 414. 2'J; met reflex, bet. 453. A. I. il er is ui habere 236. A. III. derivata, bepaling eu vorming 139. deserere zonder part. perf. 136. 1. deses, abl. e. gen. um 56. 1°. en 2°. desiderativa, bet.en vorming 146.2. designare met dubb. acc. 221. a). desinere, desii, 114. A; wanneer in pass. gebruikt 130. A; met inf. 387; ter omschrijving 485. desistere, constr. 270; met inf. 387; ter omschrijving 485. des p era re met acc. c. inf. 397. 1°; desperate als abl. abs. 425. 2°. de ter r ere, constr. 270. A. III; met ue 352. 3°; in pass, met inf. 352. 3quot;. A; quominus 361. 7°; nou deterreo quin 361. 1°. deus, verbogen 15. 3. A; in gen. plur. deum 18. 2°. |
dexter, verbogen 52. 3°; in comp. en superl. 60. 4°; dextra in abl. 282; dextra (manus) 439. deze en geae 462. A. I; deze of gene, hic aut ille 492. A. I. en aliquis 474. di, dis, praep. 167. diaeresis 2. dicere, imper. die 126; valt weg 174. A. 3°. en 6quot;; bet. namelijk 195; dicunt 213. 3°; dicor met nom. c. inf. 216. 1°; met dubb. acc. 221. b); diem colloquio 236. A. III; diceres 326 ; ue dicam in plaats van tantum abest utâ ut 356; audio aliquem cum dicat 393. A. I; met acc. c. inf. 397. 1°; sic (supra) dictus 418. A. III. 4°; dictu 438; ne dicam in plaats van non modo-sed 512. 2°; vei dicam 513. dicis causa 35. 3°. dicto audientem esse met dat. 230; met compar. 298. 1°. dies, geslacht 49; bij het rel. herhaald 200. A. V; diem dicere colloquio 236. A. Ill; eo die cum 363. B. lu; met dat. gerund. 434. 2°. differ re, verschillen, zonder perf. en sup. 119. difficilis, comp. en superl. 60. 2°; adv. difficile, difficiliter, difficulter 154; difficile est in indic. 320; difficilis mat sup. II, ad of inf. 438. diffide/e, semidep. 103; diffisus met tegeuw. bet. 414. 2°. dignus met abl. pretii 267; qui (ut) met conj. 375. 3°. diligens met gen. 254. 2°. di men sus met pass. bet. 414. 1°. dimidium, bet. 73; met gen. part. 245. 5°. diphthongi 2. d i s, dite 54. 1°. disc ere in plaats van doceri 223. A; met inf. en acc. c. inf. 387. discernere, constr. 270. A. III. discessu 286. A. II. discordare, constr. 270. A. III. discors, abl. i 56. 1°. discrepare, constr. 270. A. ILL disjungere, constr. 270. A. III. dis par, constr. 233. A. II; ac 306. displicet met acc. c. inf. of ut 396. dissentire, constr. 270. A. III. |
Algemeen register.
394
|
disserere met ace. e. inf. 397. 1°. dissidere, constr. 270. A. III. d i s s i m i 1 i s, comp. en superl. 60. 2° ; met gen. en dat. 238. A. II; ac, atque 306. dissimulare met ace. c. iuf. 397. 1°. d i s t a r e met acc. of abl. van afstand 293. distributiva, gebr. 72; met in 287. A. diu, comp. en superl. 158. A. II; est cum 363. B. A. II. dives, ditia 54. 10 ; abl. e, gen. um 56. 10. en 2°; met abl. 269; met gen. 269 A.III. divinare met acc. c. inf. 397. 1°. do cere, constr. 223; met gen. en abl. pretii 267. A. 111. doch (niet), et, atque (neque) 524. d o 1 e r e met acc. c. inf. 397. 3°. d o 1 o , abl. modi 264. A. II. domus, verbogen 27. A. I; gelijk namen van steden 281. don are, constr. 232. douec, bet. en gebr. 364. d o n o accipere 236. A. III. du bi to an 371; non dubito met quin of acc. c. inf. 359; met inf. 359. 3°. A. I. d u b i u m non est quin 359. 30. du cere, imper. due 126; met dubb. acc. 221. b); met pro 221. A. II; met dubb. dat. 236; met gen. pretii 249; met acc. e. inf. 397. 1°. ductu, abl. modi 263. A. III. duim, praes. couj. van do 117. e). duizend, vertaald 68. dum met praes. imperf. of perf. 310. A; dum (ne) indien slechts (niet) 338; bet. en gebr. 364; bij een imperat. 378. d u m m o d o (ne) 338. duo, gedeclin. 66; valt weg 196 onderscheiden van ambo en uterque 482. A. d u p 1 i, 248. dure, duriter 154. A. II. duumviri, gen. um 18. 2°. dux, comm. 39. E. e, ex, praep. 163. 5 ; duidt aan, waaruit iets geworden is 214. lö. A; in plaats van gen. partit. 245. 3Ã.A. n;bij verba |
van afmeten 261. A.; ex mea sententia 266; onderscheiden van ab, de 280. A. e c a s t o r , bet. 169. e c c e, en, met pron. demonstr. verbonden 79; met den nominativus 274. echter valt weg bij het rel. 210. A. ecqui, ecquis, bet. 83; gebr. 479. ecquid, 369. 3°. A. en 370. e d e p o 1, bet. 169. e d er e, geconj. 119. e d i ce r e met ut of acc. c. inf. 351. 2°; edicto als abl. abs. 425. 2°; laten 428. A. e d o c e r e, constr. 223. e e d e n hoe uitgedrukt 324. 3°. een en dezelfde 66. A. 2quot;; een van valt weg 196; de een en de ander 462. A. I; door is, tantus 463. A. I; de een of ander, aliquis 474; door quidam 475. 2°. efficere met dubb. acc. 221. a); elfieiens met gen. 254. 2°; met ut en acc. c. inf. 351. 2U; met ne of ut non 353; ex eo efïicitur 355. 2quot;. A. 1; laten 428. A. e genus iu comp. en superl. 60. 4Ã; met gen. 269. A. I. e g e r e, constr. 369 en A. egomet 76. A; egone 369. lü. A ; ego wordt nos 448. Zie verder personalia. eigen door pte en met 78. A; door pron. poss. of proprius 451. 3°; door ; ipse 468. 3°. eigenlijk door ipse 468. 4°. eigennamen vreemde 32. 2quot;; in plur. 33. 3°; met welke adject, verbonden 189. eilanden (namen vani constr. 275. en 280. elephantus en elephas 36. 1quot;; geslacht 41. 1°. eligere met dubb. acc. 211. a). elkander 458. ementitus met pass. bet. 414. 1quot;. e m e r e met gen. en abl. pretii 267. en in hot Nederl. weggelaten bij twee adj. 187 ; niet vertaald in voorw. zinnen 334; en daarna door part. perf. 420. A. I; door abl. abs. 421. A. II; en wel door et is 466; door et, ac, atque, que 502; door neque, aut, ve; en zoo voort 505; en noch â noch door neque aut â aut 508 en 513; at 521. 3f'; en daarom (alzoo) 527. A II. 4°. |
Algemeen register.
395
|
enim niet na een relat. 210. A; bet. en gebr. 348; quid enim 471. A; achter een praep. 497. 4°; neque enim 507 ; enimvero 519; plaatsing 527. e o met gen. partit. 245. 4:°. A; quoâeo met comparat. 302 ; ter versterking van non quod 344. A. II; wijzende op een zin met quod, ut, ne 529. epicoena 41. 3U; als praedieaatsn. 177. e p u 1 u m en epulae 34. 4°. equester, is, e 52. 2°. e q u i d e m 449. 1°. e q u u s , equa 41. 2°. er, vertaald 112. er ga, adversus, contra 162. 4. ergo, wegens, met gen. en plaatsing 165. A; gebr. 260. A. II. ergo, derhalve 525. esse, geconj. 90; verschil van bet. in de conj. periphr. 106; vormen van edo 119; ab aliquo en alicui ab epi-stolis 163. 1; raet adverb. 173. A; uitgel. 174. A. 1°; met dubb. nom. 214. 1°; met gen. en dat. van bezit 234. A. I; est mihi aliquid cum aliquo 234. A. III; met dubb. dat. 236; met gen. poss. 241. 3°; met gen. qual. 243 ; bestaan uit 259. 2U. A.; mot gen. en abl. pretii 267. A. II; est ut 355. 2°; sunt qui, est quod met conj. 375. 4Ã; mihi est met part. perf. 415; met gen. gerund. 433. 4quot;; met dat. gerund. 434. 2°. esurire met ace. 219. 1°. et â et met enk. praed. 182; verbindt twee adject. 187; et ipse 468.5°; et â et na een praep. 497. 5°; et, atque, que 502; et voor etiani 503. A. II; weglating van of verbinding door et â et 504â505; et non en neque, et nemo en nee quisquam, enz. 506; et â et, zoowel â als; et â neque; neque â et 509 ; et tarnen 523; maar 524. e t e n i m 348. ethicus dativus 229. etiam bij compar. 302. A. I; bij superl. 303. 3°; bij tantum abest 356; quin etiam 360. 3°; ja 374 ; ipse etiam 468. 5o; bet. en plaatsing 503; tum etiam 510; vel etiam 513; sive etiam 516. etiam si, bet. en gebr. 341; bij een partic. 419. A. III. |
etiam tum [bij cum additivum 363. B. 3°. et si, quod etsi 211; maar 340. A. I; bet. en gebr. 341 ; bij een partic. 419. A. III; etsi â tarnen, wel â maar 517. A. 5°. e vader e, constr. 214. e v e n a 1 s, juxta, 162. 12. even it met dat. 230; quod 345. 4°; ut 355. 2°. evenmin â als 509 en 511. evenzeer â als 511. excedere, constr. 270. e x c e 11 e r e praeter 162. 16; met dat. 231. A. II; met abl. measurae 302. A. I. excludere, constr. 270. e x c u b i a e , gesl. 37. excusare, constr. 228. A. II. 2°. exerceri, zich oefenen, 453. A. I. existimare in pass. met nom. c. inf. 216. 1°; met dubb. aec. 221. b); met ace. c. inf. 397. 1quot;. exitu, abl. temp. 286. A. II. ex o sus met acc. 130. A. expedire met abl. 269; expedit met acc. c. inf. of ut 396. e x p e 11 e r e , constr. 270. expensas (in) damnare 248. A. experiri si 370. A; expertus met pass. bet. 414. 1°. e x p e r s met gen. 269. A. I. e x p 1 e/r e met abl. 269. explode re, bet. 136. IV. exploratum habere 415; explorato als abl. abs. 425. 2o. exponere in met acc. 283. e x p u 1 s o r, expultrix 140. 1. exsistere met dubb. nom. 214. 1°; exsistunt qui met conj. 875. 4°. exsolescere met part. perf. 103. exsolvere met abl. 269. exspectare dum 364. A. II; si 370. A; met acc. c. inf. 397. 1°. exspectatione met comp. 298. 2°. ex ter, era, erum 52. 3°; exterus, adj. defect. 60. 5°. extra, praep. 162. 9. extremum, extremo 158. A. I. extremus iu plaats van Ned. adv. 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 8°. A. I; extremum est ut 355. 2°. e x u e r e, constr. 232. |
Algemeen register.
396
|
P. fab ul a, plaatsing 199. fa cere in pass, fieri 104; iu wen-scheu faxo 117. b.); compos, die in pass, fieri hebben 125. A; iu imperat. fac 126; ab aliquo 163. 1; weggelaten 174 A. 3°; met dubb. acc. 221. a); aliquera certiorem 221. A. I; myt gen. poss. 241. 3°; met gen. pretii 249; aequi boni 249. A; quid facies hoc homine 266; quod 345. 4°; bet. en constr. 351. 2°. A. II; ne of ut uon 353; facere uon possum quin en ut 359. 3°. A. II; fac ter omschrijving van den imper. 878. A. II; fac ne 380. 3°; laten 428. A; factu 438. facilis, comp. en superl. 60. 2°; adverb. facile 156; met sup., ad eu gerund, of inf. 438. facinus est met acc. c. inf. 396.1°. fac t u m met een adverb. 185. A. I. 3°. fa cult as en facultates 34. 4°; dare facultatem met ad of gen. gerund. 433. A. falli, zich bedriegen 453. A. I. fallo, fallit, constr. 384. fama, sing. tant. 33. 4°; met acc. c. inf. 397. 1quot;. fam ilia, gen. sing, as 12. A. It. familiar is, constr. 233. A. III. fanum, uitgel. 241. 2°. far, abl. e 21. 2°. fari, geconj. eu fando audire 131. fas, subst. defect. 35. 2°; est in indie. 320; met sup. II 438. fastidiosus met gen. 254. 1quot;. fateri met acc. c. inf. 397. 1°. faux, faucium 22. 4U. faxo in wenschen 117. b). febris 20. 2°. eu 21. 1°. feesten (namon van) in gen. plur. ium en iorum 23. femina bij epicoena 41. 3°; omschrijving 439. A. I. femur en femeu 36. 1°. ferre, geconj. 120; ferunt 213. 3°; in pass, met nom. c. inf. 216. 2°; met acc. c. inf. 397. 1°. en 3°. fessus met abl. 259. 2°. fertilis met gen. 269. A. I. festiuo met inf. 387. fid em habere met dat. 230. |
fid ere, semid. 103; constr. 230; met acc. c. inf. 397. 1°; fisus met tegenw. bet. 414. 2°. fidicen, fidicina 40. fid us, adv. fideliter 157. fieri, pass, van facere 104; geconj. 125; wordt weggel. 174. 3°; met dubb. nom. 214. 1quot;; met dubb. dat. 236; met gen. poss. 241. 3°; met gen. qualit. 243; quid me fiet 266; quod 345. 4°; tit ut, fieri (uon) potest ut 355. 2°; fieri non potest quin 359. 3°. A. II; per me fit quominus, non per me fit quin 361. 3°. figere in met abl. 283. filia (familias) dat. en abl. abus 12. A. I. en II; uitgel. 241. 1°. filius familias 12. A. II; voc. i 15. 3. A; uitgel. 241. 1°. fingere met part, praes. 351. 2°. A. II; met acc. c. inf. 397. 1°. finis, bet. 34. 4°; finem facere met gen. of dat. 239. A; met gen. gerund. 434. A. flag i tare, constr. 224; ut 351. 2°. f'locci non habere 249. A. foedus met dat. 233. fore, gebr. 90. A; moet gebruikt worden 107; A ; met dubb. nom. 214. 1°; met dubb. dat. 236; fore ut ter omschrijving van den inf. fut. 404. A. II. en 405. fortasse en forsitan 322. forte, bet. 468. 4°. for tuna, bet. 34. 4°. fraus, f'raudium 22. 4°; fraude, abl. modi 264. A. II. frenum, freni, frena 36. 2°. frequeus in plaats vau adv. 190. 3°. frequentativa, bet.eu vorming 146. fret us met abl. 259. 2U. frugi, adj. indeel. 57; in comp. en superl. 60. 4quot;. frui, part. fut. 127. A; usus sum 136. VIII; constr. 271. fueram, fuero, fui bij de verleden tijden van het pass. 106. fugiens met gen. 254. 2°. fugit, constr. 383â384. fungi, constr. 271. futurum simplex, bet. eu gebr. 313; in den conj. omschreven 317. A. III; hij een bevel 381. |
Algemeen register.
397
|
futurum exactura, bet. en gebr. 314; in den conj. omschreven 317. A. IV. futurum sit ut ter omschrijving van den conj. fut. 317. A. Ill en IV; est' ut 355. 2°; esse ut 404. A. II. en 406 1°; fuisse ut 406. 2°. G. gallus, gallina 41. 2°. gandere, semidep. 103; met acc. c. inf. of quod 397. 3°; gavisus met tegenw. bet. 414. 2°. geen, nullus of non 483. gener, eri 15. I. A. genetivus op on bij titels van boeken 17 eu 25. 5°; op um in plaats van arum, orum 18; gen. subject, en object. 238; gen. poss. 239; in plaats van dat. 239. A; gen. als appositie 240. A. en 241. A; gen. qualit. 242 en 263; gen. partit. 244â245; gen. epexeg. 246; gen. criminis 247; gen. pretii 249; gen. obj. 250â; gen. veranderd in attributum 251. A. III; plaatsiug 253; bij namen van steden 275â en 283; gen. qualit. bij tijdsbepaling 285. A; bij ouderdom 291. 3quot;; bij ruimtebepaling 292. A. II; gen. gerund. 433; gen. van een subst. in plaats van een Ned. adj. 442. genius, voc. i 15. 3. A. genoemd (boven) 418. A. III. 4°. gentilia, bepaling9;pronomina78.A, gentium bij ubi, unde, enz. 245. 4°^. genus, alia id genus 242. A. II; ex eo genere quae 251. A. Ill; ter omschrijving 447. gerere se met adverb. ofpro 222. A. gerundium 429â. gerundivum, bet. en gebr. 109â 111 en 427â; op undus 117. f; met sum in indicat. 320; ter omschrijving van Ned. subst. en onderscheiden van het part. perf. 444. 2°. geschrift, inhoud aangegeven 282. geslachtsnaam in plur. 192. A. geslachtsregel s 37â. getalmerken (Rom.) 74. gevoelen, niet vertaald 453. A. L. gewichten (namen van) gen. plur. um 18. 1°. gezel, omschreven 446. 2°. |
gibber, era, erum 52. 3°. gigni, constr. 259. 1°. A. II. glis, glirium 22. 4°. gloriari, constr. 259. 2°. A; met acc. c. inf. 397. 3°. gnarus met gen. 254. 1°. graad, vertaald 245. 4°. A. gracilis, comp. en superl. 60. 2°. gratia en gratiae 34. 4°; met gen. en plaatsing 165. A; bet. 260. A. II; gratias ago cum 346, quod 397. 3°. gratulari cum 346; quod 397. 3°. grave est in ind. 320. Griekse he uitgangen der 2lle 17; eigennamen op es, gen. is en i; woorden op ma in dat. en abl. plur. is 23; uitgangen der 3de 25. gryps, gryphum 22. 4°. U, habere met dubb. acc. 221. c); met pro, loco, numero 221. A. I; bezitten 234. A. IV; met dubb. dat. 236; ha-beri met gen. qual. 243; met gen. pretii 249; non habeo quod 375. 4°; habeo met inf. 392; met part. perf. 415. habilis met dat. of ad 233. A. I. habitare met gen. en abl. pretii 267. A. III. haedus, capella 41. 2°. haesitare an 371. half, vertaald 73. haud scio an 371; baud (sane, ita) haudquaquam, bet. en gebr. 487. haurire in part. fut. 127. A. hebes 56. 1°. hebben, vertaald 234 en 243. Hebree uw sc he eigennam. 82. 2°. hei met dat. 274. he par 21. 2°. heres, comm. 39. het, vertaald 112; door res 447. heteroclita 36. heterogenea 36. hetzij dat (wijl) 516. A. beu bij uitroepingen 274. hie, bice 79; in his 164. 1; (adverb.) met gen. part. 245. 4°. A; hoc met gen. part. 245. 5°; hie dolor, de smart hierover 251. A. Ill; bij tijdsbepaling |
Algemeen register.
398
|
290. A. II; ter aanwijzing van een compar. 295. A. II; hoe bij een inf. 382. A. II; in de orat. obl. 410; bet. en gebr. 459; ter aanwijzing van een ace. e. inf. 459. A. I; hie â ille 459. A. II. en 462; hie et ille 462. A. I; hie met tam, tantus verbonden 462. A. II. hoe â des te 302. A. IV; hoe â ook, quamvis 339. A. II; hoe, hoe weinig, ut, quara, quautopere, quam non, quam nihil 343. A. II; quis en quomodo 470.A.I. homo, uitgel. 243; ter omschr. 439. A. I. honderd, vert. 68. honestus met dat. 233; met sup. II. 438. hoofdtijden 134â. hoofdzinnen in indie. 319â ; in conj. 323 â; bet. 328; in orat. obl. 408. hortari met dubb. aee. 225; ut 351. 2°. hortus en horti 34. 4°. hospes, hospita 39. hue met gen. partit. 245. 4°. A; hue adde bij optelling 493. hu jus non habere 249. A. humane en humaniter 154. A. II. humi en humo, eonstr. 281. A. III. humilis, eomp. en sup. 60. 2°. I. I b e r , ëri 15. I. A. ieere, verb, defeet. 136. VII. i d c i r c o ter versterking van non quod 344. A. II; wijst op een zin met quod, ut, ne 529. idem met gen. 245. 5°; ae, qui, cum en dat. 305; bet. en gebr. 467. i d e o ter versterking' van nou quod 344. A. II; wijst op een zin met quod, ut, ne 529. idoneus qui met conj. 375. 3°; met dat. gerund, of ad 434. 1°. iets niet vertaald bjj het praedie. 176. A. II. en 464. igitur niet na een relat. 210. A; quid igitnr 471. A.; non igitur en neque igitur 507; bet. en plaatsing 507; et igitur 527. A. 11. 4°. i g n a r u s met gen. 254. 1°. |
i g n e en igni 21. 5°. i g n o r a r e met inf. en ace. c. inf. 387. ik ? egone ? 369. 1°. A; ik wil niet zeggen â maar slechts 512. 2°. ille bij eigennamen 189; illud aeta-tis 242. A. II; illud met gen. 245. 5°; bij tijdsbepaling 290. A. II; illud bij een inf. 382. A. II; in de orat. obliq. 410; ille quidem 449. 2°; ille â hic 459. A. II. en 462; bet. en gebr. 461; overtollig bij sie 461. A; ille et ille 462. A. I; ille met tam, tantus 462. A. II; plaatsing 469. Zie verder de-monstrativa, i 11 u d e r e , constr. 231. A. II. imber 21. 5°. en 22. 3°. i m b u i in plaats van doceri 223. A. i m m e m o r, gen. um 56. 2quot; ; met gen. 254. 1°. immensum est in ind. 320. immo (quin) 360. 3°; vero 374. i m m u n i s met gon. 269. A. I. im par met dat. gerund, of ad 434. 1°. impedimentum, bet. 34. 4°. impedire ne 352. 3quot;; quominns 361. 1°; non impedio quin 361. 1°; met aec. en inf. 390; niet laten 428. A. impellere ut 351. 2°. imperare, eonstr. 397. 2°; laten 428. A. imperativus van impersonalia 113; in plaats van een voorw. zin 334; bet. en gebr. 377 â; in de orat. obl. 408. II. imperator, plaatsing 199. imperfectum, bet. en gebr. 311; iu plaats van plusquamperf. 312. A. I; bij kunnen, moeten, betamen 320; bij ntinam 324 ; in den modus eoncess. 325; potent. 326; dubit. 327; in voorw. zinnen 332. A. I. imperio. abl. modi 263. A. III. i m p e r i t u s met gen. 254. 1°. impertire, constr. 232. impetrare ut 351. 2°. implere, constr. 269 en A. imponere in met ace. 283; met gerund. 428. i m p o s, abl. e, gen. um 56. 1°. en 2°; met gen. 254. 1°. i m p o t e n s met gen. 254. 1°. imprimere in met abl. 283. |
Algemeen register.
399
|
imprimis ter versterking van tumö 10. improbare met acc. c. inf. 397.1°. ^ imprudens met gen. 254. 1°. i m p u n e 156. itnus in plaats van Hed. adv. 190. 2°; uiet met gen. part. 245. 3quot;. A. I. in, bet. eu gebr. 164. I; in plaats van dat. van doel 236. A. II; van gen. partit. 245. 3°. A. II; door abl. instrum. vertaald 261; valt weg bij plaatsbep. van steden 276â277; bij namen van landen 280; onderscheiden van ad 280. A; met abl. in plaats van acc. 283 ; bij tijds-bep. 285â287 ; ia eo tempore 286. A. I; bis in die 287. A; in ultitudinem, enz. 292. A. II; met abl. gerund. 436. 2°. i n , on 167. incertum est au 37 l. inchoativa, bep. eu vorm. 146.4°.; incldere in met abl. 283. incïdere met dat. of in 231. A. I. j iucipere als praes. van coepi 130. A; met inf. 387. i n c i t a r e ut 351. 2quot;. i n c i t a s (ad) redigere 35. 3°. includere aliquem aliqua re of in aliquid 261. incredibilis met sup. 11 438. incumbere, constr. 231. A. 11. iucusare met gen. crim. 247. A. inde niet bij sequitur 355. A. I; = ex ea 490. A. indeclinabilia subst. 32; adj. 57. i n d e f i nit a pronom.82â83; uitgel. in abl. abs. 425. 1°; bet. en gebr. 473â480. index, comm. 39. i n d i c a r e in pass, met uom. c. inf. 216. 2quot;; met acc. c. iuf. 397. 1quot;. indicativus, bet. en gebr. 319; in plaats van Ned. conj. 320; in voorw. zinnen 331. A. II en 332. A. II; bij nisi forte, nisi vero 336; bij cum causale 346; in de orat. obl. 408. A. I. indicium uitgel. 241. 3°. indien echter, sin of sed si 334; indien uiet door uisi, si non 335; indien slechts (niet), modo (ne) enz. 338. i n d i g e r e, constr. 269 en A. indignari met acc. c. iuf. 397. 3°. indignus met abl. 267; qui (ut) met conj. 375. 3quot;; indignum est met acc. c. inf. 396. 1°. |
i n d u c er e met part. praes.351.20.A.II. i n d u e r e, constr. 232. in één woord, denique 493. in eo est, bet. eu gebr. 313. A. II; ut 355. 2°. i n e r s , abl. i 56. 1°. inesse; constr. 231. A. I. i n f a n s, comm. 39. infer, inferus, gebr. 60. 5°. inferior in plaats van Ned. adv. 190. 2°; zonder quam 296. 3°; inferior â superior in plaats vat, hicâalle 462. infimus uiet met gen. partit. 245. 3°. A. I. infinitivus fut. pass. niet gebruikt 216. 3°. A; historicus 311. 1°. A. II; bet. en gebr. 382; als praedic. 383. 1°. A. II; met praedicaatsnoraeu in acc. 383. 2°. A. II; inf. perf. in plaats van inf. praes. 383. 2quot;. A. Ill; met prae-dicaatsuomen in nom. 387. A. II; inf. fut. na verba van hopen 397. 1°. A. II; inf. fut. omschreven 404. II. A. II; inf. praes. bij raemini 404. II. A. Ill; inf. fut. exact. 405; in plaats van ad met ger. 435. A. II; ter omschrijving van Ned. subst. 445. 1°. infinitum est iu indic. 320. i u f i t 127. A. infitiari met acc. c. inf. 397. 1°. i n f i t i a s ire 35. 3°. infra, praep. 162. 10; met abl. mens. 302. A. I.' i n g e n s 56. 1°. i n g r e d i, constr. 220. 2°. i n i m i c i t i a e 33. 1°. i u i m i c u s, constr. 233. A. III. initio, abl. temp. 286. A. II. injuratus, bet. 103. in juria, abl. modi 264. A. II. i n j u s s u 260. A. II. i n n o x i u s met gen. 247. in ops, abl. i 56. 1°; gen. um 56. 2°; met abl, gen. en ab 269 en A. III. inquam, geconj. en bet, 128; valt weg 174. A. 2°; gebr, en plaatsing 411. A. 1 n s c i u s met gen. 254. 1quot;, inscribere met dubb. acc, 221. b); in met abl. 283, insoulpere in met abl. 283, i ii s g e 1 ij k s, idem 467; et ipse 468. 5U, insimulare, constr. 390â391. |
Algemeen register.
400
|
in so lens met gen. 254. 1°. in sons met gen. 247. inspergere, constr. 232. i n s t a r, subst. defect. 35. 2°. instinguere, gebr. 136. IV. instituere in pass. voor doceri 223. A; met inf. 387. i n s t r u i voor doceri 223. A. insuescere, constr. 231. A. II. i n s u e t u s, constr. 254. 1°. en A.I. insultare, constr. 23. A. II. integendeel 374. A. I. intellegere met acc. c. inf. 397. lu; in pass. zich laten begrijpen 428. A; intellectu 438. intensitiva, bep. en vorming 146.1. intentum esse met dat.gerund.434.20. inter, praep. 162. 8; in plaats van gen. partit. 245. 3°. A. II; bij tijdsbep. 287; bij interesse 382. A. I; met acc. gerund. 435. A. I; inter se, inter nos 458 ; plaatsing 494. intercludere, constr, 232. i n t e r c u s, utis 52. 1°. interdicere, constr. 231. A. II; ne 352. 3quot;. i n t e r e a loci 245. 4quot;. A; bij cum additivum 363. B. 3°. interesse alicui 231. A. I. interest, hoe vertaald 73. interest, constr. 257; inter met inf. 383. A. I. interim bij cum additivum 363.B. 3°. int er ire met abl. causae 259. 2°. interjectie nes 169. interpre s, comm. 39. interpretatus met pass. bet. 414.1quot;. interrogare, constr. 224. i u t er r oga t i v u m, gedecl. 81; richt zich naar het praedicaatsn. 179; als attributum in plaats van gen. 251. A. III; gebr. 470â472. Zie verder quis, qui. intervallum in abl. van afstand 293. A. intimus niet in gen. partit. 245.3quot;. A.I. intra, praep. 162. 11; bij tijdsbep. 287. intransitiva in pass. gezet 98â 99 en 230. A; met acc. 219; samengest. met praep. hebben zij het obj. in acc. 220; met dat. 231; met gen. 255; met abl. 271. intusschen, quamquam 340. A. I. |
in u t il i s met dat. gerund, of ad 434. A. in venire, inveniuntur qui met conj. 375. 4°; met acc. c. inf. 397. 1°; in-ventu 438. inveterascere metpart. perf.103. i n v i c e m, bet. en gebr. 458. A. i n v i d e r e, constr, 230. i n v i t a r e ut 351. 2°. i n v i t u s in plaats van Ned. adv. 190. 1». in weerwil van 340. A. II. ipse niet bij mea 257. 1°; ipsum bij een inf. 382. A. II; in orat. obi. 410; ipse of suus in bijzinnen 456; bet. en gebr. 468; me ipsum en me ipse 468. 2°; et ipse 468. 5°; plaatsing 469. i r a s c i zonder perf. 136. VII; met acc. c. inf. 397. 3°. ire, geconj. 122; met dubb. dat. 236; met sup. 437. i s, in iis 164. 1; id quod 200. A. I; in plaats van het rel. 206; bij de attractie 207; aliquid id genus, id aeta-tis 242. A. II; id met gen. partit. eu ad id loci, aetatis, audaciae 245. 5°; ex eo genere quae 251. A. Ill; is sum qui met conj. 375. 2°; in orat. obi. 410; ejus en suus 453. A. II en III; bet. en gebr. 463â; weggel. voor het relat. 463. 3°. voor het Ned. een 463. A. I; uitgel. bij een Ned. gen. 465. 1°; bij een tweede verbum of subst. 465. 2°; et is, isque 466; bij een praep, 496; in plaats van een subst. bij een tweede praep. 499. Zie verder demon-strativa. i s t e bij eigennamen 189; istud met gen. 255, 5°; bet. en gebr. 460; ille, hic 462; met talis, tantus 462. A. II. i t a, ut quisque met superl. â ita met superl. 302, A, IV; ita â ut qui met superl. 303, A; ita â ut bij eeden 324, 3quot;; utâita, welâmaar 343. A. I; ita nonâut in plaats van tantum abest 356; itane (est, vero) 369. 1quot;. A; ita (est, vero est) als antwoord 374. 2°; ter aanduiding van een acc. c. inf. 459, A. I; ita en sic, ita non, bet. 486; ita (non) â ut, wel (niet) ^âmaar 517. A. 4°. 11 a q u e en itaque 5. A; niet bij rel. 210. A; bet. 526. |
Algemeen register.
401
|
item gelijk aau et ipse 468. 5°; non item 524. i t e r u m, bet. 159. J. j a, ja zelfs, quiu (potius, immo, etiam) 360. 3°; als antwoord 374; quid quod, quid si 471. A. j a c e r e werpt in de compos, j weg 136. V. j a m bij ordinalia op de vraag sinds hoelang 285. A; bij cum additivum 363. B. 3°; niet voor ipse 468. 4°; bet. 492; niet bij pronom. 514. A. J e s u s, gedecl. 32. 2°. j o c u s, joei, joca 36. 2. jonger dan 291. A. j u b a r 21. 2°. j u b e r e, constr. 390â391; lateu 428. A. jucundus met sup. 11, ad en gerund. of inf. 438. ju die are met dubb. acc. 221. b); met acc. c. inf. 397. 1°. j u d i e i o (meo) 266. juist dezelfde als, non alius ac 306. A. II; door pron. poss. 451. 1°; door ipse 468. 4°. J u p p i t e r, gedecl. 24. j u r a r e met part. perf. act. 103; met acc. c. inf. 397. 1°. en A. II. jure, abl. modi 264. A. II; meo, tuo jure 451. 1°. jus est met inf. of geu. gerund. 433. A. j u s j u r a n d u m, gedecl. 31. j u s s ii 260. A. II. justitium, sing. tant. 33. 4quot;. j u s t o met compar. 298. 1°. j u s t u m est in indicat. 320; met acc. c. inf. 396. 1quot;. j u v a r e in part. fut. 127;juvat, coustr. 383â 384; met acc. c. inf. 397. 1°. juvencus, juvenea 41. 2quot;. j u v e n i s, abl. siug. e 21. 4°; gen. plur. um 22. 2°; comm. 39; in comp. en superl. 60. 4°; in plaats van een abstractum 440. 1°. juventus en juventa 36. 1quot;; voor juvenes 441. j u x t a 162. 12. |
K. kleeding met of zonder cum 265. klemtoon der woorden 5. kortom, denique 493. kunnen door esse cum gen. 241. 3°; door possum ;n indic. 320; door den conj. 323. A; door gerund. 427. 4quot;; door esse met dat. gerund. 434. 2°. L. laat staan dan door tantum abest utâut, nedum en ne dicam 356. laatst door hic 459. 1°. labor are met abl. of ex 259. 2°. A. 1 a c e r, era, erum 52. 3°. 1 a c u s, ubus 27. 1 a e t a r i met acc. c. inf. 397. 3°; zich verheugen 453. A. I. 1 a e t u s in plaats van Ned. adv. 190. 1°; met abl. 259. 2°. 1 a e v a, abl. loei 282. 1 a n d e u (namen van) geslacht 38; constructie 280; bewoners in plaats van 280. A. 1 a r, larium 22. 4°. laten vertaald 323. A. en 428. 1 au dare met acc. c. inf. 397. 1°. 1 a v a r e, part. fut. 127. A; in pass zich badei^ 453. A. 1. leerling omschreven 446. 2°. legatio voor legati 441. lege, abl. modi 263. A. I. en 264. A. II. legere met acc. c. inf. 397. 1°. 1 e n o, lena 40. 1 e o, leaena 41. 2. 1 e t u m, sing. tant. 33. 4U. 1 e v i s armatura voor leviter ar-mati 441. lex est ut 355. 2quot;. li b en s in plaats van Ned. adv. 190.1°. L i b e r , eri 15. I. A. 1 i b e r , era erum, 52. 3à ; coustr. 269 en A. III. liberare met abl. 269 en A. liberi, geu. soms um 18. 2°. li bet met dat. 230; constr. 383. 2°. lib er t us, uitgel. 241. 1°. li bram pondo 242. A. II. |
26
Algemeen
402
register.
|
li cere met geu. en abl. pretii 266. licet met dat. 230; in indic. 320 ; constr. 383 en 386. licet, ofschoon 339. lichaamsdeelen in'het meervoud 33. 5°. A. 1 i n t e r, ium 22. 3Ã. lis, litium 22. 4°. 1 i 11 e r a, bet. 34. 4°. 1 o ca re met gen. en abl. pretii 266; met in en abl. 281. 1); met gerund. 428. locus, loci, loea 36. 2°; (in) loco habere 221. A. II; loci, locorum bij ubi, unde 245. 4°. A.; loco, abl. modi, in loco, 263. A. III; loco, locis op de vraag waar 282; locum dare met gen. gerund, of ad 433. A.; locum capere met dat. gerund. 434. 2°. 1 o c u p 1 e s, um, ium 56.2°; met abl. 269. longe bij superl. 303. 1°. longius, constr. 297. A. III. Ion gum est in indic. 320. luculente en luculenter 154. A. II. ludere met abl. instrum. 261. 1 u d i b r i o habere 236. A. III. ludus, bet. 34. 4°; plaatsing 199; ludus, abl. temp. 286. A. II. luere, part. fut. 127. 1 u x in abl. luce en luci 21. 5quot;. 1 u x u r i a en luxuries 36. 1°. lynx, lyncum 22. 4°. M. maar valt weg bij het relat. 210; quamquam 340. A. I; modo 378. A. I; door abl. abs. 421. A. II; maar dan, sed is 466; maar daarentegen, idem 467; sed, vero, autem, at 517â521; maar (niet), et, atque (neque) of valt weg bij tegenstelling 524. maatstaf in den abl. 261. A.-m a c t e , bet. en gebr. 278. A. m a e s t u s met abl. 259. 2quot;. m a g i s vormt een eomparat. 63 ; ma-gis muiier en major muiier 185. A. I. 1°; onderscheiden van plus en amplius297. A. II; magis-quam bij vergelijking van twee eigenschappen 299; nou magis-quam 511. |
magnus iu comp. en superl. 60.4°; adv. valde 157; magni, gen. pretii 249 en 257. 3Ã; maguam partem 266. A; magno, abl. pretii 267; niet met acc. van ruimte 292. A. I; magnum est in indic. 320. majoris, geen gen. pretii 249 en 257. 3°. maj usculus 64. maledicere met dat. 230. malus iu comp. en superl. 60. 4°; male audire 214. 2°. A. II. malle, geconj. 121; quam 294; met abl. mensurae 302. A. I; malim, mallem bij wenschen 324. 1°; met inf, acc. c. inf. en ut 389 ; als inf. fut. 404. II. A. II. man niet vertaald 464. mancipium, gesl. 37. man dare ut 351. 2°; soms acc. e. inf. 397. 3quot;; met gerund. 428. m a n e, subst. defect. 35. 3°. manere met dubb. nom. 214. 1°; constr. 218; dum 364. A. II. manifest us met gen. 247; mani-festum est met acc. c. inf. 396. 1°. m a n u s, uitgel. 439. mare, terra marique 282. m a s, marium 22. 4°; bij epicoena 41. 3°. maten (namen van) iu geu. plur. um 18. 1°. mater f a m i 1 i a s 12. A. II. materia en materies 36. 1°. maturare met inf. 387; ter omschrijving 485. maturus iu comp. en superl. 60. 4°. maxime vormt eeu superl. 63; ter versterking van tum 510. m a x i m i, gen. pretii 249 ; niet bij interest 257. 3°. meeastor, bet. 163. m e d e r i met dat. 230. meditari met inf. of ut 388; medi-tatus met pass. bet. 414. 1°. medius iu plaats van Ned. adv. 190. 2°; met gen. partit. 245. 3°; wanneer niet in gen partit. 245. 3C. A. I. mediusfidius, bet. 169. me hercules, bet. 169. melius est in indic. 320; erit met inf. perf. 383. 2°. A. II. me mini, geconj. 130; constr. 255; met inf. en acc. c. inf. 387; met inf. praes. 404. II. A. III. |
Algemeen register.
403
|
me mor, i, um 56 1° eu 2»; met gen. 254. 1°. memorare met acc. c. inf. 397. 1°; memoratu 438. memoria teuere met inf. praes. 404. II. A. III. men vertaald 112 en 213. ra e n d a en mendum 36. 3°. mendicus, comp. en superl. 60. 3°. m e n s i s , um, ium 22. 2°. men te, abl. modi 263. A. I. mentiri met acc. c. inf. 397. 1°. merer e, geb. 135. V. merite, meritissimo 158. messis, i 20. 2°; ium 21. 1°. met vertaald door cum 163. 3; door gen. qualit. 242; door abl. modi 263â; door abl. qualit. 268. m e t a 11 a (in) damnare 248. A. metuere, coristr. 218; metuens met gen. 254. 2°; met ne, ne nou, ut en inf. 354. m e t u s est met ne, ne non, ut of gen. gerund. 354. meus, vocat. mi 78. m i voor mihi 76. A. militairen in het enkelvoud 33. 5° ; militair geleide met en zonder cum 265. A. militia in gen. op de vraag waar 281. A. II. mille, adj. en subst. 67. ra i 11 i e s , duizendmaal 68. mi n ari met acc. c. inf. 397. l0.en A. II, minimum en minime 158. A. I; minimum met gen. partit. 245. 5°; minimi, gen. pretii 249, doch niet bij interest 257. 3°; minimo, abl. pretii 267; minime (vero) neen 374; minime als een versterkt non 487. ministrare bibere 392. raiuoris, gen. pretii 249 en 267; niet bij interest 257. 3°. minus met gen. partit. 245. 5°; bet. eu gebr. met en zonder quam 297; si minus 335. 2°; non minusâquam 511. mirabilis met sup. II 438. m i r a r i, constr. 897. 3°. mi rum quam, quantum 368. A. III. miser, era, erum 52. 3°. miser ari met acc. 256. misereri met gen. 256. miserescere met gen. 256. |
miseret, constr. 256. misschien, dubito an 371. mits (niet), mode (ne) enz. 338. mittere met dubb. dat. 236; cum 265. A; met gerund. 428 ; met sup. 437. mob ilia,' vorming 40 en 140. I; diernamen 41. 2° : als praedicaatsn. 177 ; als adj. gebruikt 185. A. II. 1°; als appositie 192; omschreven 446. 1°. mod er ari, cotstr. 218. modo (ne), indien slechts (niet) met conj. 338, maar 378. A.I; modoâmodo 510; non modoâsed (ne-quidem), modo non 512. modus, modo, in modum bij een appositie 198. 2°; als abl. modi 263 A. I en III; omschrijvend subst. 447. modus in hoofdzinnen 319â; iu bijzinnen 328â. moeten door esse cum gen. 241.3°; door imperf. de con. 311. 3C; door part. op urus 313. A. II; in den iudic. in plaats van conj. 320; niet vertaald 323. A; vertaald door gerund. 427. mogen vertaald door modus optativus met of zonder utinam 324. 1°; bjj eedeu 324. 3o; niet vertaald bij quidquid, utcunque 376; vertaald door licet 383; vertaald door gerund. 427. 3°; niet vertaald bij sive-sive 516. A. m ole s t um est met acc. c. inf. 396. lr. m o n e p e , constr. 225 ; met ut en acc. c. inf. 251. 2°. monstrare met acc. c. inf. 397.1°. mori, part. fut. 127. m o r t e damnare 248. mos, more bij een appositie 198.2'; morem gerere met dat. 230; mos est en moris est 241. 3°; more, abl. modi 263. A. I. 1°. en A. III; mos est ut 355. 2°; mos est met inf. of gen. van het gerund. 433. A. m o v e r e kan iu het perf. vi verliezen 114; constr. 270; ut 351. 2°; moveri, zich bewegen 453. A. I. m o x met fut. exact. 314. A. I. Mulciber, eri ea ri 15. I. A. multare, constr. 248. A. mult us in comp. en superl. 60. 4°; multum vormt een superl. 63; heeft als adv. multum 156 et 187; in plaats van Ned. adv. 190. 3°; multum met g'u. |
Algemeen register.
404
|
partit. 245. 5°; multi geen gen. pretii 249 en 257. 3°; multo bij een comp. 302; multum in plaats van multo 302 A. I; multo bij een superl. 303. 1°. mundus, sing. tant. 38. 4°. munten (namen van) gen. plur. um 18. 1°. munus, uitgel. 241. 3°. m u s, murium 22. mutare, constr. 267. A. IV. N. n a met inf. 382. A. I. nam, niet bij relat. 210. A; bet. en gebr. 348. namelijk bij appositie 195; door nam, enim, etenim 348. namen der Romeinen 144. B. I. A. n a m q u e, 348. naris, bet. 34. 4°. narrare, narrant 213. 3Ã; in pass. met nom. c. inf. 216. 2°; met acc. c. inf. 397. 1°. nasci, part. fut 127; met dubb. nom. 214. 1°; eonstr. 259. 1°. A. II; natus met acc. van leeftijd 291. 1°. na tal is, bet. 34. 4°. natu bij major, minor 266 en 291. A. nauci non habere 249. A. navis 20. 2°. en 21. l0;navemcon-seendere met abl. 284. A. ne, waarachtig, plaatsing 169. n e, opdat niet, ne plura, ne multis met uitlating vau het praedicaatsverbum 174. A. 5°; bij modus optat. 324; bij modus concess. 325; plaatsing 328. A. I; modo (dummodo) ne 338; ne, ofschoon 339; bet. en gcbr. 352â^ ne dicam en ut non dicam 353. A. I; ne quis en ut nemo 353. A. II; ut ne 353. A. III; ne, ne non et ut bij verba van vrees 354; ne dicam in plaats van tantum abest utâut 356; ne met praes. en perf. conj. ter uitdrukking van een verbod 380. 1°; bij den imper. 380. A. II; bij verba sentiendi et declarandi 397. 1°. A. I; ne quis eu aliquis 473; ne quisquam 477. 2°; ne dicam in plaats vau non modoâsed 512. 2°; ne autâaut 513. n e, vraagwoord 369. 1°; in plaats vain nonne 369. 2°. A. II; in zijdeling. |
vragen 370; in tweeledige vragen 372; bij vragen in den ace. c. inf. 305. A; niet aan éénletterg. praep. gehecht 497. 3°. nee, neque, neeânee met enkelv. praed. 182; nee of neve 353. A. IV; neque is 466; neeânee voorafgegaan door een ontkenning 489. A; nee non 502. A; nee, neque, et non, non quisquam, nee unquam, enz. 506; nee vero (tamen, enim, igitur) 507 en 508; nequeâneque (autâaut) nequeâet 509; neque autâaut 513; echter niet 524. necessarius met dat. 233. necesse est in indic. 320; constr. 383. 2quot;, 385, 386. A. II. necne 372. nectar, abl. sing, e 21. 2°. necu bi en ut nusquam 353. A. II. nedum, bet. 356; in plaats van non modoâsed 512. 2°. neen, vertaald 374. nefas, subst. defect. 35. 2°; met sup. II 438. negare in pass, met nom. c. inf. 216. 2°; met acc. c. inf. 397. 1°. negatie 487â; plaatsing 488; twee negaties vormen een affirmatie 489; bij twee woorden behoorende 508. neglegens met gen. 254. 2°. neglegere met inf. 387. negotium, uitgel. 241. 3°. nemo, subst. defect. 35. 3°; als adj. gebr. 185. A. II. 3°; nisi 307; ut 328. A. I; ne quis en ut nemo 353. A. II; nemo est qui met conj. 375. 4°; nemo non en nonnemo 489; et nemo en neque quisquam, nemo unquam (usquam) 506. nempe 348. nepos, neptis 40. neptis 20. 2°. en 21. 1°. nequam, adj. indeel. 57; in comp. en superl. 60. 4v; adv. nequiter 154. A. I. nequaquani 487. neque. Zie nec. nequeo, geconj. 124. neâquidem, gebr. 487; voorafgegaan door een ontkenning 489. A; non modoâsed ne quidem 512. nergens iemand 506. nescio quis, enz. met indic. 368. A. II; nescio an 326. A. en 371; met inf. en ace. c. inf. 387. |
Algemeen register.
405
|
neuter, gen. ius 52. 4°; gebr. 481. ueutiquam 487. ueutralia passiva 104. neutrum van adj. als adv. gebr. 156; van het praedicaat bij een subst. van een ander geslacht 176. A. II. en III; van adj. en pron. met gen. partit. 245. 5°; van adject, als subst. gebr. 439. neve, neu 353. A. IV; bij een dubbel verbod 380. A. III. ui bij eeden 324. 3°; in plaats van nisi 335. 3°. niet valt weg bij uitroep. 487; niet alleen â maar ook (niet), niet â noch 509 en 510; niet zoozeer â als wel 511; niet alleen â maar daarenboven, niet slechts â neen, niet slechts â maar veeleer, niet alleeu niet â maar integendeel (maar ook niet) 512. niets geringers dan, non alius quam 206. A. II. niettegenstaande, quamvis, quam-quam 340. A. II. niettemin, quamqnam 340. A. I. uihil vervangen door nulla res 35. 2°; iiihilo secius 158. A. II; nihil ali-ud (facere) quam 174. A. 3quot;; nihil ad rem 174. A. 5°; pro uihilo putare 221. A. II; met gen. partit. 245. 5°; nihili, gen. pretii 249. A. en 257. 3°; uihilo bij compar. 302; nihil nisi 307; ut 328. A. I; nihil (aliud) agere of facere nisi, of quam 351. A. II; ne quid en ut nihil 353. A. II; nihil est quod met conj. 375. 4°; versterkt non 487; uihil nou en uonnihil 489; nihil uuquam (usquam) et nihil of nee quidquam 506. nimirum 348. nimis met gen. partit. 245. 4°; met posit. 300. nimium 156; met gen. partit. 245. 5U; nimio, abl. pretii 267; nimium quantum 368. A. III. nisi, quod nisi 211; na non alius 306. A. II; na ontkenningen 307; nisi, si non en nisi si 335; nisi forte, nisi vero 336; non â nisi 337. 2°; nisi quod 337. 3°; bij een partic. 419. A. II; nisi quis 473. niti, constr. 259. 2°. A; met inf. 387. nix. nivium 22. 4quot;. |
uobilitas voor nobiles 441. noch â noch 509. nogtans, idem 467. nog voor een comp. 302. A. II; door tum en adhuc 492; door etiam 503. nolle, geconj. 121; nolim, nollem bij een wensch 324. 1°; ter omschrijving van den imper. 380. 2°; met inf. acc. c. inf. of conj. 389; als inf. fut. 404. II. A. II. nomen met gen. epexeg. 194. 1°; nomen mihi est, habeo; nomiue, genaamd 235; uitgel. 247; in naam van 260. A. II. nomina, soorten 8. nomina propria, bep. 9; in plur. 33. 3°; gevolgd door man, vrouw 464. no mi nare met dubb. acc. 221. b). nominativus dubb. 214; in plaats van voe. 273. A. nominativus cum infinitive 215; niet in een doorloopend verhaal 216. 3°. A; achter verba sentiendi 397. 1°. non secius quam 158. A. II; nouâ non met enkelv. praedic. 182; bij modus potent. 326; bij modus dubit. 327; i nou nisi 337; non quo (quod, quia) ! 344. A. II; non possum nou 359. 3°. A. II; non voor nonne 369. 2°. A. I; non (ita), neen 374; nou est quod, non habeo quod met conj. 375. 4°; non sine met' aliquis 477. 1°; non voor het Ned. geen 483; non en baud; non valt | weg bij uitroep. 487; nou nemo en nemo non enz. 489; nee non 502. A. I; non modo â sed et 503. A. II; et nou en nee 506; non tarnen, non vero, enz. j minder goed 507; non magis â quam 'en nou miuusâquam 511; non modoâ sed (etiam), non modo (non â sed ue quidem, non dicam (dico) â sed, non modo nonâsed potius 512. B. 3°. non duin bij cum additivum 363. nonne, is het ernst 369. 1°. A; in reehtstr. vragen 369. 2°; in zijdel. vragen 370. nonnulli soms in sing. 57. nonnuuquam en nunquam non 489. nooit iemand 506. no smet 76. A; nostrum bij partit. met praedic. in den ls'en persoon 175. A. I: nostrum omnium 240; nostrum, |
Algemeen register.
406
|
gen. partit. 244; nostri, gen. object. 251; nostri bij gerund, op di 430. A. I; nos voor ego 448; overtollig bij qui-dem 449. Zie verder personalia. no ster voor meus 448. Zie verder possessiva. nos cere kan in het perf. vi verliezen 114; in het perf. met tegenw. bet. 130. A. nostras 78. A. novissimus niet met gen. partit. 245. 3°. A. I. nox, noctium 22. 4°. noxius met gen. 247. nu, thans, nunc, turn, tunc 492. nu eens â dan eens 510. nubere met part. perf. 103; constr. 230; nuptum dare 437. nu dus met abl. gen. en ab 269. en A. III. nullus, nulla res voor nihil 35. 2°; gen. ius 52. 3°; verkeerd voor nemo 185. A. II. 3°; nisi 307; ut 328. A. I; ne ullus en ut nullus 353. A. II; nullus est qui met conj. 375. 4quot;; staat niet altijd voor het Ned. geen 483; nullus non en non nullus 489; et nullus en neque ullus 506. n u m in rechtstr. vragen 369. 3°; in zijdel. vragen 370; num quis 473; num quisquam 477. 2°. numeralia, declin. en gebr. 65â; tooulooze vallen weg 196; niet met gen. partit. 245. 2°. A. II. a); bij tijdsbepaling 285â. numerare met dubb. acc. 221. b). numerus van het praedicaat 182; (in) numero habere 221. A. II; is numerus qui met praedic. in plur. 251. A. III. numnam, numne, num quid 369. 3°. A. en 370. nunc in brieven 215. A. I; in orat. obi. 410; nunc ipsum 468. 4°; bet. 492. nunquam nisi 307; ne quando en ut nunquam 353. A. II; nunquam non en nonnunquam 489; et nunquam en nec unquam 506. nuntiare in pass, met nom. c. inf. 216. 2°; in met acc. 284; met acc. c. inf. 397. 1°; nuntialo als abl. abs. 425. 3°. nuntius met acc. c. inf. 397. 1°. |
nuper, nuperrime 158. A.II. nuperus, nuperrimus 60. 4°. nusquam terrarum, enz. 245. 4°. A; nisi 307; necubi en ut nusquam 353. A. II. nutritor, nutrix 40. 4 li«. 0. o bij vocativus 274; si 324. 1°. ob, praep. 162. 13; onderscheiden van propter 162. 17; bij een uitwendi-gen grond 260. A. II; met gerund. 435. obesse, offui 91. 4°. obiter, bet. 154. A. I. object uitgel. 217. A.; bij verba sentiendi geplaatst in een zijdel. vraag 204; bij het gerund. 427. A. II. objicere met acc. c. inf. 397. 1°. oblivisci, const. 255; met inf. en acc. c. inf. 387. o bn ox ius met dat. 233. obsistere ne 352. 3°; quominus 361. 1°. obsolescere met part. perf. 103. obstarene 352. 3°; quominus361.1°. obtestari met acc. c. inf. 397. 1°. obviam ire met dat. 230. occasio est met inf. of gen. gerund. 433. A. occultus in plaats van Ned. adv. 190. 1°. octupli 248. odi, geconj. 130. of het moest zijn dat 336; (soms), an 369. 4°; (soms) ne, num 370; si 370. A; ne 372; aut, vel, ve 513â; of niet, nonne 370; an 371; annon en necne 372; of wel 371; sive 516. A; of liever 503. A. I; of zelfs (ten minste) 513. offerri, zich aanbieden 453. A. I. officium, uitgel. 241. 3°. ofschoonâtoch 343. A. I. olere met acc. 219. lö. om de 70. om zoo te zeggen, quidam 475. 2°. ominari met acc. c. inf. 397. 1°. omittere met inf. 387. omnino 374. o muis, ad unum omnes 162. 3°; in plaats van Xed. adv. 190. 3°; omnium nostrum, vestrum 240; omne genus |
)
Algemeen register.
407
|
242. A. II; zonder in bij plaatsbep. 282. omschrijving met facio ut 351. A. II; met tenere, possidere, habere 415; met plenus 442; van Ned. subst. 444â446; door Lat. subst. 447. omstandigheid (de), dat, quod 345. 3°. A. III. ondanks 330. A. II. onder anderen 164. 1. onmiddellijk, ipse 468. 4°. ontkenningswoorde n.Zie negatie, onustus met abl. 269. ook vertaald door idem 467; door et ipse 468. 5°; niet, neâquidem 487; door etiam, quoque, et 508. op het punt zijn van 107 en 313. A. II; bij voorwaardelijke zinnen 332. A. II. 3'\ opdat nochânoch 513. opera, bet. 34. 4°; gesl. 37; opera, door 262; operam dare ut 351. 2quot;; met dat. gerund. 434. 2quot;. opimus met abl. 269. opinari met acc. c. inf. 397. 1°. op ini one als abl. partis 266; met comp. 298. 1°; opinio met acc. c. inf. 397. 1°. o p i t u 1 a r i met dat. 230. oportet in indic. 320; coustr. 383 en 385. opperiri dum 364. A. II. oppido vormt een superl. 63. o pp i dum bij meerv. namen van steden 193. ops, subst. defect. 24; bet. 34. 4°. optabilius est in indic. 320. opt are ut 351. 2°; soms acc. c. inf. 397. 2°. optelling 493; zonder herhaling van praep. 500. 2°. optimatium 22. 6quot;. optimus met sup. II. 438. o p u s, uitgel. 241. 3°. opus est, constr. 272. orare, constr. 224; ut 351. 2°; bij den imperat. 378; uitgelaten 494. oratio obliqua 407. oratu 260. A. II. or bare met abl. 269. or bus met abl. 269. |
ordinalia bij jaartal en uur, alsmede met quisque 70; vormen adv. op um en o 159; op de vraag sinds hoelang met jam 285. A; bij het aangeven van iemands ouderdom 291. 2°. en 5°. or dine, abl. modi 264. A. II. oriri, oriundus 117. f; met onregelm. part. fut. 127; gaat in praes. indic. naar de 3°e conj. 127. A; met abl. ofa, de, ex 259. 1°. A. II. ornare met abl. 269. os, ossium 22. i0. osteadere met dubb. acc. 222; met acc. c. inf. 397. 1°. ostrea 39. 2quot;. ouder dan 291. A. ouderdom niet iu en abl. 286. A. II; wordt uitgedrukt 291; door subst. concreta 440. overeenkomstig, vertaald 202. overtreffen (verba van) 231. A. II; met abl. mensurae 302. A. I. P. pace, abl. modi 263. A. III. pact us met pass. bet. 414. 1°. pa ene met perf. indic. 321; ut 228. A.I. paenitet, constr. 256; met inf. perf. 383. 2°. A. III. palam met abl. 165. pal us ter, is, e 52. 2quot;. Pan, gedecl. 25. 1°. en 2°. pangere, bet. 136. V. pan is, um, ium 22. 2°. par, gen. plur. ium 22. 4°; adj. 56. 1°; abl. sing, i en e 58; met gen. of dat. 233. A. II; ac 306; par est in indic. 320; met acc. c. inf. 396. 1°; met dat. gerund, of ad 434. 1°. parare met inf. of ut 388. par at us met inf. of ad 387. A. III. par cere in perf. pass, temperatum est 135. VI; met dat. 230. parens, gen. plur. ium en um 22. 5quot;; comm. 39. par ere met onregelm. part. fut. 127; in de compos, regelm. 136. VI. pariter ac 306. pars, bet. 34. 4°; met meerv. praed. 178. 3°; pars mei 251. A. I; magnam ⢠partem 266. A; in den abl. zonder praep. 282; partes uitgel. 439. |
Algemeen register.
408
|
particeps, abl. e, gen. ium 56. 1°. eu 2°; met geu. 254. 1°. participia, deel. 88, 412. A. en 421; op bundus 117. f; in plaats van Ned. appositie 198. 1°; part. perf. van verb, met dubb. nom. alleen in nom. en ace. 214. 2°. A. I; op ans en ens met gen. obj. 254. 2°; part. perf. pass. ter om-schr. van een abl. causae 260. A. I; met een conj. verbonden 342. A. II. en 419. A. II; part, praes. bij audio en video 393; als adj. gebr. en in den comp. en superl. 413; part, praes. van verba transit, niet als adj. gebruikt 413. A. I; part. fut. act. gebruikt 413. A. II. en 418. A. I; part. perf. van verba dep. met pass. bet. 414. 1°; met tegenw. bet. 414. 2°; part. perf. met! habeo, teneo, possideo 415; part, con-junctum en abl. abs. 417; part. fut. act. duidt een doel aan 419. A. IV; part, praes. wanneer gebruikt 420; part, perf. herhaald 420. A. I; part. perf. pass, als abl. abs. gebruikt 425; part, praes. vervangen door het gerund. 427. 2°; part, praes. bij venire 437. A; ter omschrijving van snbst. 444; ter omschrijving van praep. 501. 2°. particulae bij oneigenlijk samen-gest. woorden 148; verdeeling 151. partim â partim 178. A; met gen. partit. 245. 4quot;. partitus met pass. bet. 414. 1°. partus, ubus 27. partijgenoot, omschr. 446. 2quot;. parum,adv. 156;metgeu.partit.245.40.1 parvus in comp. en superl. 60. 4°; parvi, gen. pretii 249 en 257. 3°; parvo, abl. pretii 267. passen door esse c. gen. 241. 3°. passend vertaald door pron. poss. 451. 1°. passivum, vorming en eonjug. 94; transit, in pass, gezet 96; intransit. in pass, gezet 98â99; dep. niet in pass, gezet 102; ontbrekend aangevuld 102. A;! ter vertaling van men 213. 1°; meteen acc. 232. A. II; ter vertaling van laten 428. A; met reflex, bet. 453. A. I. pater familias 12. A. II. pa t i met acc. c.inf. 397. 2°; laten 428. A. patiens met gen. 254. 2°. |
patrocinari met dat. 230. patronymica, bep. 9; vorming 141.7. patruelis, comm. 39. pauper 52. 2°; abl. e, gen. um 56. 1°. en 2quot;. pauci, plur. taut. 57. paulo aute288.A;bij compar.300en302. paululum met gen. partit. 245. 5°. paulum. adv. 156; met gen. partit. 245. 5°. pecu, ubus 27. peculiaris met gen. en dat. 233.A.V. pec us, gesl. 47. p e d e s t e r, is, e 52. 2°. pelagus, gesl. 44. 2°. pellere, constr. 270. pelvis 20. 2°. en 21. 1°. penates, ium 22. 6U. pende re met gen. pretii 249; animi 254. 1«. A. II. penes 162. 14. per vormt een superl. en wordt soms van het adj. gescheiden 63; praep. 162. 18; om, wegens 260. A. IV; door mid-del van 262; in plaats van cum 264. A. I; bij namen van steden 278; op de vraag hoelang 285; bij eeden 494. percipere met acc. c. inf. 397. 1quot;; perceptum habere 415. percontari, eonstr. 224. A. II. per der e in pass. perire 104. A; in praes. conj. perduint 117. e). perfectum met tegenw. bet. 130 en A; absolutuni eu historicum, bet. eu gebr. 310; onderscheiden van im-perf. 311. A. I; Ned. perf. in plaats van Lat. plusqp. 312. A. II; van Lat. fut. exact. 314. A. II; perf. iuf. in plaats van praes. inf. 383. 2°. A. Ill; omschreven door habeo, teneo 415; Ned. perf. in plaats van Lat. praes. 415. A. II. perficere ut 351. 2°; ne of ut non 353. perfidus, bet. 63. perfrui, constr. 271. perfungi, constr. 271. p erge re met inf. 387. perhibere, perhibent 213. 3°; iu pass. met nom. c. inf. 216. 1°; met acc. c. inf. 397. 1°. periculo, abl. modi 263. A. III; periculum ne, ut of gen. gerund. 354. |
Algemeen register.
409
|
periade ac 306; ac si 342. per ire pass. van perdere 104. A. j peritus met gen. 254. 1°. perjurus, bet. 63. permagni, gen. pret. 249 en 257. 3°; permagno, abl. pret. 267. permissu 260. A. II. permittere ut 251. 2°; met gerund. 428; laten 428. A. permutare, constr. 267. A. IV. perosus mei: acc. 130. A. perpessu 438. perseverare met inf. 387. persoonlijk, ipse 468. 4°. personalia, gedecl. 76; vallen weg als subject 89; niet in gen. poss. 240; en 241. A; in gen. obj. 251; vallen weg in ace. c. inf. 398; in de orat. obl.410; vallen weg bij een part. conjunctum 420. A. III; in den abl. abs. 426; bij het gerund. 430. A. I; omschreveii 447; gebr. 448â; met ipse 468. 2°. Zie ver-; der ego, nos, vestrum. perspectum habere 415. perspicuum est met acc. c. inf. 396. 1°. persuade re met dat. 430; met ut en acc. c. iuf. 351. 2U; persuasum habere 415. per tin ax, abl. i 56. 1°. pertinere, uitgel. 174. A. 6°. per v ad ere met ace. 220. 1°. pervicax. abl. i 56. 1°. p e s s u m dare, ire 35. 3quot;. p e t e r e, perf. petii 114. A; constr. 224. A. II; ut 351. 2quot;. piget, perf. 112; constr. 256. p i 1 i non habere 249. A. plaatsbepaling, namen van steden op e gen. ae op de vraag waar 13; door abl. iustr. 261; van namen van steden, enz. 275â; bij brieven 315. A. II. placet met acc. c. inf. of ut 396. plane, bet. 153. A. planten (namen van) met vrouw, praedic. 176. IV. pleetere, gebr. 136. IV. plenus, met gen. 269. A. J; ter omschrijving 442. pier i que, gedecl. 57; niet met gen. partit. 245. 2°. A. I. pier unique, adv. 156. |
plu ere, constr. 270. A. V. pluralia tantum 34; met distri-but. 72. 3°. pluralis van nom. abstr. 33. 1°; van eigennamen 33. 3°; majestaticus 33. A; van het praedic. bij een enkelv. subj. 178; modestiae 448. p 1 u r i m u m in gen. plur. in plaats van plerorumque 57; adv. 158. A. I; met gen. partit. 245. 5°; plurimi, gen. pretii 249. doch niet bij interest 257. 3°; plurimo, abl. pretii 267. plus, gebr. 60. 4°. A; met gen. partit. 245. 5°; pluris, gen. pretii 249, 257. 3°. en 267; bet. en gebr. met en zonder quam 297; plus minus 515. p 1 u s q u a m p e r f e c t u m, bet. en gebr. 312. poëta, poëtria 40. pol, bet. 169. pol li eer i met acc. c. inf. 397. 1°. en A. II. polysyndeton 505. pond o, constr. 242. A. II. poue, praep. 162. 15. ponere pignori 236. A. III; constr. 283. I). populatus met pass. bet. 414. 1°. portendere met ace. c. inf. 397. 1°. port us, ubus, ibus 27. posceye, constr. 224. positivus ontbreekt 61; met ma-gis â quam 299; met satis en nimis 300. posse, geconj. 118; quam (quantus, ut) possum 303. 4°. en 5°; in praes. in plaats van fut. 314. A. II; in indic. in plaats van conj. 320 en 331. A. I; facere (non) possum quin en ut en non i possum non met inf. 359. 3°. A. II; met inf. 387; als inf. fut. 404. II. A. II. possessiva, gedecl. 78; in plaats van gen. poss. 240 en 241. A; van gen. obj. 251. A. II; in plaats van person. bij causa, enz. 260. A. II; bij een inf. 382. A. II; in de orat. obi. 410; bet. en gebr. 450â; met ipse 468. 3°. Zie verder meus, enz. p o s s i d e r e, bet. en gebr. 234. A. IV; met part. perf. 415. post, bet. en gebr. 162. I; bij tijds-bep. 288â290; met abl. mensurae 302. A. I; met fut. exact. 314. A. I. |
Algemeen
410
register.
|
p o s t e a loei 245. 4°. A. posteaquam, constr. 366. posterior iu plaats van Ned. adv. 190. 2°; zonder quam 296. 3°; posterior â prior in plaats van hic â ille 462. posteritas voor posteri 441. pos ter us wanneer gebruikt 60. 5°. postquam bij tijdsbep. 288â290; constr. 366. postremum, poscremo 158. A. I; bij optelling 493. postremus in plaats van Ned. adv. 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 3°. A. I. postridie iu briefstijl 315. A. I. postul a re, constr. 224. A. II; met gen. crim. 247; met ut en acc. c. inf. 351. 2°. pot ar e met part. perf. act. 103. po tens, adj. 118. A ; met gen. 254. 1°. p o t ir i, potiundus 117. f); potïtur 138. V ; constr. 271. potissimum 158. A. I. potius quam (ut) 298. 3°; niet na tantum abest 356; quin potius 360. 8°; vel potius 513; sive potius 516. p r a e vormt den superl. 63; bet. en gebr. 163. 6. praebere met dubb. acc. 222. praeeedere, constr. 231. A. II. praecellens heeft comp. en superl. 62. 4». praeceps, abl. i 56. 1°; gen. um 56. 2». praecipe re ut 351. 2°; soms acc. c. inf. 397. 2°. praecipue versterkt turn 510. praeclarus heeft comp. en superl. 62. 4°. praedicaat, overeenkomst met het subj. 175â. praedicaatsadjectivum in gen. in plaats van nom. 176. A. III. praedicaatsnomen bij een inf. en acc. 383. 2°. A. II; iu nom. 387. A. II. praedieaatsverbum uitgel. 174. praedicare met acc. c. inf. 397. 1°. praedicere met acc. c. inf. 397. 1°. praeditus met abl. 269. p r a e d i u m uitgel. 439. praeesse met dat. gerund. 434. 2°. praefectus socium^ fabrum 18. 2°. |
praeposities, bet. en gebr. 161â; in samenstelling 166â167 ; in plaats van gen. part. 245. 3°. A. II; in plaats van gen. obj. 252; bij namen van steden en landen 275â; met het gerund. 435â436; plaatsing 494â*; geen twee naast elkaar 498; twee bij één subst. 499; bij meer subst. behoorend 500; Ned, uitdrukking met een praep. vertaald door gen. obj. partic. rel. of adj. 501. praesens, bet. 91. 3Ã; in plaats van Ned. adv. 190. 1°; in praesenti en in praesentia 286. A. I. praesens, bet. en gebr. 309;quot; Lat. praes. voor Ned. fut. 309. A; praesens historicum 310. A; Ned. praes. door Lat. fut. 313. A. I. en 314. A. II; door Lat. fut. exact. 314. A. II; door Lat. perf. 363. B. 2°; Lat. praes. voor Ned. perf. 415. A. II, praestans heeft comp. en superl.62.4°. praestare met sup. en part. fut. 134. I; met dubb. acc. 222; aliquem aliqua re 231. A. II; met quam 294; met abl. mensurae 302. A. I. praesto esse met dat. 230. p r a e s u 1, comm. 39. praeter, bet. 162. 16. praeterire met acc. 220. 1°; praeterit, constr. 384. praeter mittere (non) quiu 359. 3°; quominus 361. 1°. praeterquam quod 337. 3°. prandere met part. perf. 103. pre car i, constr. 224. A. 11; ut 351. 2°. presbyter, eri 15. I. A. pridie in brieven 315 A. I. primas (partes) agere 439. primus, adv. primo en primum 159; in plaats van Ned. adv. U'O. 2°; wanneer niet met gen. partit. 245. 3quot;. A. I; primum bij optelling 493. princeps, abl. e, gen. um 56. 1° en 2°; in plaats van Ned. adv. 190. 2°; met gen. partit. 245. 3°. p r i n c i p i o 286. A. II. prior in plaats van Ned. adv. 190. 2°; in plaats van primus 301; priorâ posterior in plaats van ille â hic 462. priusquam, constr. 365. privare met abl. 269. privatus, adv. privadm 157. |
Algemeen register.
411
|
pro deum atque hominum fidem 18. 2°; sancte Juppiter 274. pro, praep. 163. 7; zoo goed als 198. 3°; volgens 202; bij habere; du-cere, putare 221. A. II; quam pro na een compar. 298. 2°. pro bare met acc. c. inf. 397. 1°. procent, vertaald 73. proclivis met sup. II 438. p r o c u 1 (a) met abl. 165. p r o d e r e met acc. c. inf. 397. 1°. prod esse, geconj. 91. 2° ; mihi prod-est met dat. van het praedic. 386. A. II. p r o d i g u s met gen. 269. A. I. profecto, gebr. 324. 1°. proficisci met dubb. dat. 236. profiteri met acc. c. inf. 397. 1°. profundus niet met acc. van ruimte 272. A. I. proliibere, constr. 270 en A. II; ne 352. 3°; quominus 361. 1°; met acc. c. inf. 390; met nom. c. inf. 391; niet laten 428. A. p r o i n d e ac 306 ; ac si 342 ; quasi 342. A. III; gebr. 528. prolepsis 185. A. III. promittere met acc. c. inf. 397. lü en A. II. pronomina, gedecl. 75â; in de orat. obl. 410; gebr. 448â. Zie verder personalia, enz. pronomiualia, gebr. 481â. prope (a), propius, proxime 162. 17 ; bij namen van steden 279; met perf. ind. 321; ut 328. A. I; est ut 355. 2°. pr opera re met inf. 387; ter omschrijving 485. propinquus met gen. en dat. 233. A. IV. p r o p i o r, constr. 233. A. IV. proponere met gerund. 428. proprium, uitgel. 241. 3°. proprius, constr. 233. A. V; eigen 451. 3°. propter en ob 162. 17; bij een beweegreden 260. A. II. propterea ter versterking van non quod 344. A. II; gebr. 529. p r o s p e r, era, erum 52. 3°. prosperus in comp. en super!. 60. 4°. prospicere, constr. 218; met ut en acc. c. inf. 351. 2quot;. |
prostare met gen. en abl. pretii 266. prostibulum, gesl. 38. providere, constr. 218; ut 351.2°. providus in comp. en superl. 60.4°. provincia, plaatsing 199. proximus, constr. 233. A. IV; proximum est ut 355. 2°. p r u d e n s in plaats van Ned. adv. 190. 1°; constr. 254. 1° en A. p s a i t e s, psaltria 40. p u b e s, abl. e gen. um 56. 1°. en 2°. pud et, perf. 112; constr. 256; met inf. perf. 383. 2°. A. III. p u d i c u s, comp. en superl. 60. 3°. puer, puella 40; in pueritia, a puero 440. 1°. p u 1 c h r u ia est niet acc. c. inf. 396. 1°. puppis, im 20. 2°; i 21. 1°. p u r g a r e met dat. 228. A. II. 2°. putare, putant 213. 4°; in pass. met nom. c. inf. 216. 3°; met dubb. acc. 221. b); met pro 221. A. II; met gen. pretii 249 ; putares 326 ; met acc. c. inf. 397. 1°. p u t e r, is, e 52. 2quot;. Q- qu, uitspraak 3. qua drupes, gen. um 56. 2°. quadrupli 248. qua er ere, constr. 224. A. 11; si 370. A. q u a e s o , gebr. 133. quaestui habere 236. A. III. q u a 1 i s, als, na talis 305; plaatsing 463. A. II. quam niet na complures 60. 4°. A; in plaats van postquam 290. A. I; valt weg na major, minor natu 291. A; uitgel. na een compar. 295â; valt weg na plus, minus, amplius 297; quam pro 298. 2°; quam ut, quam qui na compar. 298. 3°; quam (possum) met superl. 303. 4°; tam-quam qui met superl. 304. A; nou alius quam 306. A. II; onderscheiden van ut 343. A. 11; quam quod 345. 3°. A. II; vóór tam geplaatst 463. A. II; quam quis-quam 477. 3°. quamlibet 339. quamobrem 526 en 527. A. II. 4°. |
Algemeen
412
register.
|
quamquam, gebr. 340 ; bij een part. 419. A. III; bij een abl. abs. 421. A. IV; â tarnen 517. 5°. quamvis, gebr. 339; in weerwil van 340. A. II; bij een part. 419. A. III; bij een abl. abs. 421. A. IV. q u a n d o 347 ; ne quando 353. A. II. quandoquidem 347. quanticunque, gen. pretii 249. qnantiteit, algem. regel 4; der paenultima in de deel. 30; in de conj. 100; van dare 100; fieri 125. A; oriri 127. A; adjuvare 134. Ill; cire en ciere 135. IV; van potior 137. V; van gelijke vormen 138. 2 en 6. Zie verder de pros-odia. quantivis, gen. pretii 249. quantulum met gen. partit. 245.5°. quantumvis, constr. 339. quant us, adv. quantum 156; quantum in plaats van quanto 202. A. I; quantum met gen. partit. 245. 5°; quanti, gen. van straf 248; gen. pretii 249. 257. 3°. en 267; quanto â tanto bij comp. 302; quantus maximus possum 303. 5°; als na tantus 305; quantum, voor zoover 375. 7°. A; vóór tantus geplaatst 463. A. II; quanto quis 473. quapropter 526 en 527. A. 11.4°. quare 526 en 527. A. II. 4°. quasi bij appositie 198; bet. en gebr. 342; bij een part. 342. A. II; brj abl. abs. 421. A. IV; bij quidam 475. 2°. quatenus (est) met eonj. 375. 4°. A. I; voor zoover 375. 7°. A. que aan praep. gehecht 497. 3C; bet. 502; bij het laatste woord 505; voor sed 524. queis voor quibus 80. quemadmodum 343. queo, geconj. 124; slechts in ontk. zinnen gebruikt 124. A; met inf. 387. quercus, ubus 27. queri met acc. c. inf. 397. 3°. qui, quae, quod, pron. rel. gedecl. 80; in verbinding met cum 163. 3; in quibus 164. 1; qui est, namelijk 195; regels van overeenkomst en plaatsing 200; id quod 200 A. I; herhaald 200. A. V; richt zich naar het praedicaats-nom. 201; overeenkomstig 202 ; attractio 207 â; in plaats van demonstr. met voegwoord 210; qui vero 210. A; als attributum in plaats van in den gen. 251. A. III; na namen van steden 277. A; quo ter aanwijzing van een compar. |
295. A. II; in abl. vóór een compar. 296. 1°; quam qui na een compar. 298. 3°; na idem 305; plaatsing bij conj. 328. A. I; met conjunct. 375; qui qui-dem 375. 7°; staat voor de praep. 496; zonder praep. 500. 4°. Zie verder relatieve zinnen. qui, hoe, quicum 470. A. II. quia, bet. en gebr. 344. quicunque, bet. en gebr. 478. quidam, bet. en plaatsing 475. quidem bij sententia 266; si qui-dem 347; bij het relat. 375. 7°; quidemâsed met overtollig pronom. 449; achter een praep. 497. 4°; plaatsing 527. A. I. Zie verder neâquidem. quidni, bet. en gebr. 471. A. quilibet, gebr. 476. A. II. quin, non quin in plaats van non quod non 344. A. II; bet. en gebr. 359â360. quippe in plaats van appositie 198. 1°; bet. en gebr. 349. quis, qui, pron. interrog, gedecl. 81; quid aliud (facere) quam ] 74. A. 3°; quid turn? quid postea? enz. 174, A. 5°; richt zich naar het praedicaatsn. 179; quid met gen. partit. 245. 5°; quis est qui met couj. 375. 4°; onderscheiden 470; quid in de cas. obi. quae res 471; quid, quid enim, quid quod, quid si 471. A. Zie verder interrogativum. quis, qui, pron. indef. gedecl. 82; men 213. 5°; quid, quod met gen. partit. 245. 5°; ne quis (quid) en ut nemo (nihil) 353. A. II; bet. en gebr. 473. Zie verder indefinita. quis voor quibus 80. quispiam, bet. en gebr. 83 en 474; men 213. 5°. quisquam bij een adj. 185. A. II. 3°; gebr. 477; nec quisquam 506. quisque met praed. in plur. 178. 2°; niet met gen. partit. 245. 2°. A. II. e); quo quisque met compar. 302 ; ut quisque met superl. 303. A. IV; met superl. 304; in den nom. bij een abl. |
Algemeen register.
413
|
abs. 421. A. III; met suus 453. A. III; gebr. en plaatsing 476. q u i s q u i s, nom. defect. 83; met indic. 876; gebr. 478. qui vis, gebr, 476. A. I. quo ter aanwijzing van een comp. 295. A. II; met gen. partit. 245. 4°. A; quoâeo met compar. 302; non quoâsed quod (utgt; en non quo non of non quin 344. A. II; = ut eo met conj. 358; quo quis 473; â ad quae 490. A. quoad ejus fieri potest 245. 4°. A; totdat 364; voor zoover 375. 7°. A. quocirca 527. A. II. 4°. quod, nisi quod 337. 3°; dat, omdat , wat betreft, bet. en gebr. 344â 345 en 397. 3°. quodsi (nisi, etsi) 211. q u oj u s quoi 80 A. quo minus, bet. en gebr. 361. q u o m o d o, evenals 343 ; bet. 470. A. I. quoniam 347. quo que, ipse quoque 468. 5°; bet. en plaatsing 803 en 527. A. I. quot na tot en totidem 305. q u o t i e s na toties 305. quotusquisque, gedeol. 84; gebr. 480. R. ra pi, zich laten vervoeren 428. A. rarus, adv. rare en raro 155. A; in plaats van Ned. adv. 190. 30;rarumest ut 396. A. rastrum 86. 2°. ratio, ratione, abl. modi 268. A. I. III. en 264. A. II; est met gen. gerund, of ad 433. A; ter omschrijving 447. ra vis, im, i 20. 2° en 21. 1°. re, praep. 167. reap se 79. ree ens, abl. i 56. 1°; adv. 156. recept ui canere 236. A. III. recht, vertaald door pron. poss. 451. 1°. r ecip e r e , constr. 218 ; met abl. instr. 261. recordari constr. 255; met inf. en acc. c. inf. 387. |
r e c u s a r e ne en met inf. 352. 3°; non recuso quin 359. 3°; quominus 361. 2°. redd ere met dubb. acc. 221. a) en A. I. redolere met ace. 219. 1°. reiundare, constr. 269. reduplicatie van verba der lste 134. I; der 2Je 135. IV; der 3de 186. VI. VII. reeds, vertaald door ipse 468. 4°; door vel 514. A. r e f e r r e met acc. c. inf. 397. 10. r ef ert, constr. 257. refertus, constr. 269 en A. III. reflexivum, gedecl. 77â78; niet uitgedrukt bij exuo en induo 232; in orat. obl. 410; bij het gerund, op di 430. A. I; bet. en plaatsing van suus 451â452; bet. en gebr. 453â; met ipse 468. 2°; met quisque 476. 4° en A. I. relatieve zinnen ttr omschrijving van adv. 185. A. I. 4°; in plaats van eeu nomen appositum 198. l0;niet vertaald in het Lat. 208 ; in zijdel. vraag veranderd 204; in een zin met eeu conjunctie 205; het tweede relat. door een demonstr. vertaald 206; attractio 207â; na een pron. poss. 240. A, bij namen van steden 277. A; bij tijdsbop. 290. Av I; plaatsing van het rel. bij conj. 328. A. I; in den conjunct. 375; in den acc, c. inf. 401â402; in ora. obl. 409 ; voor verleden deel woord 416. A; door een part. vertaald 418 ; ter omschrijving van Ned. adj. 439 A. I; van subst. 446 en 463. 3°; met quisque 476. 3°; ter omschrijving van praep. 501. 2°. Zie verder qui, quae, quod. religioni habere 236. A. III. reliuquere met dubb. dat. 286; relinquitur ut 855. 2°; met gerund. 428. reliquus met en zonder gen. par-tit. 245. 3°. en A. I; reliquum est ut 355. 5°. reminisci zonder perf. 136. VIII; constr. 255. removere, constr. 270. renuntiare met acc. c. inf. 397 1°. r e p e n s, abl. i, 56. 1°. reperire, reperiuntur qui met conj. i 375. 4°; met acc. c. inf. 397. 1°. |
Algemeen register.
414
|
reposcere, constr. 224. repugnare ne 352. 3°. requies 36. 1°. reri mist part. praes. 135. V; met acc. c. inf. 397. 1°; ratus met tegeirw. bet. 414. 1°. res, uitgel. 241. 3°. en 243; res est ut 396. A; omschrijvend subst. 447; quae res in plaats van quid 471. resipere met ace. 219. 1°. resistere ne 352. 3°. respond ere met acc. e. inf. 397. 1°. responsum met adj. of adv. 185. A. I. 4°. respublica gedecl. 31. rest at ut 355. 2°. restis, im 20. 2°; e 21. 1°. rete 21. 2°. re tine re (non se) quin 359. 3°. reus met gen. 247. reverter in perf. reverti 136. VII. rex, regina 40; plaatsing 199. ritu, abl. modi 263. A. 1. III. rogare, constr. 224; in imperf. in plaats van plusquamp. 312. A. I; ut 351. 2°; met enkelen conj. 351. A. III. rogatu 260. A. II. rostrum, bet. 34. 4°. rudis, constr. 254. 1°. en A. mere met onregel. part. fut. 127. ruimtebepalingen 9 â rus, constr. 281. S. sac er met gen. en dat. 233. A. V. sacerdos. comm. 39. sacrificare, constr. 270. A. V. saepe in comp. en superl. 158. A. II. sal, gedecl. 21. 2°. saluber, is, e 52. 2°. salve, salvete, salvere 132. samengestelde declinatie 31 ; woorden gescheiden door conjuncties 148; samenstelling der woorden 148â150. sane, bet. 153. A; sane quidem 374; haud sane 487. sapere met acc. 219. 1°. sa tel les, comm. 39. satiare met abl. 269. |
satis in compar. 158. A. II; met gen. part. 245. 4°; met posit. 300; satius est in indic. 320; satis est met iuf. pcrf. 383. 2°. A. Ill; met dat. van het praedic. 396. A. II; met dat. gerund. 434. 20. satur, gedecl. 52. 3°. saturare met abl. 269. saucius met abl. 259. 2°. s c e 1 u s est met acc. c. inf. 269. 1°. schepen (namen van) met vrouw, praedic. 176. A. IV. sciens in plaats van Ned. adv. 190. 1°. scilicet 348. s c i o, scito, scitote 126; valt weg 174. A. 6°; hand scio an 371 ; met iuf. en ace. c. inf. 387. scortum, gesl. 38. scribere met acc. c. inf. 397. 1°; scribendo adesse 434. A. se, praep. 167. secare met onregelm. part. fut. 127. secernere, constr. 270. A. III. secundas (partes) agere 439. secundum, praep. 163. I. secundus, adv. secundum, secundo 159; secundus ab 163. I. sec us, secius, gebr. 158. A. II; non secus ac si 342. secus virile 242. A. II. securis, im 20. 2°; i 21. 1°. s e d, non quodâsed quod (quia, ut) 344. A. II; sed et 503. A. II; non modoâsed 512; bet. 517: sed tamen 523; uitgel. 524. se des, um, ium 22. 2°. sejuugere, constr. 270. A. III. sementis 20. 2° en 21. 1°. semideponentia 103. semis 73. senatus populusque Romauus met enk. praed. 182. senex, abl. e, gen. um 56. 1° en 2°; in plaats van een abstractum 440. 1°. sensim 160. sententiam rogare 224. A. I; ex mea sententia 266. s entire met acc. c. inf. 397. 1°. sequens niet de volgende 459. 2°. sequitur met ut of acc. c. inf. 355. 2°. sereno (caelo) 425. A. serius oei us 515. |
Algemeen register.
415
|
servire serviiutem 219. 2°. servitium iu plaats van servi 441. servus, uitgel. 241. 1°. sescenti 68. se se iu plaats vau se 77. A. se s q u i 73. sessurn redpere 437. sestertius, gen. plur. um. 18. 1°. seu, zie sive. si, quod si 211; o si 324. 1°; bij eeden 324. 3°; gebr. iu voorw. zinnen 330â; uitgel. 333; si non en nisi 335; si miuus (aliter) 335. 2°; = num iu zijdel. vragen 370. A; bij mirari 397. 3°; si quis, qui 473; si quisquam 477. 4°. si bi lus 36. 2°. sic â- ut qui met superl. 303. A; utâsic 843; ter aanduiding van een ace. c. inf. 459. A. I; met overtollig ille 401. A; bet. 486. s i c u t, alsof 324; evenals 343; bij abl. abs. 421. A. IV, siguificare met acc. c. iuf. 397. 1°. signum dare met gen. gerund, of ad 433. A. silentio, abl. modi 264. A. 11. silvester, is, e 52. 2°. similis, comp. eu superl. 60. 2°; coustr. 233. A. II; ac 306. similiter ac 306. simplicia, bep. 148. si mul (cum) met abl. 165. sim u lac, constr. 367. simulare met acc. c. inf. 397. 1°. simulatione, abl. modi 263. A. III. sin (autem) 334; sin aliter (minus) 335. 2° eu 3°. sine, praep. 163. 9; sine ullo en sine aliquo 477. ln. sinere, constr. 390â-391; laten 428. A. singularia tantum 33. singularis (Ned.) moet Lat. plur. worden 33; vg,u het praed. 128; van adj. als subst. gebr. 439. A. II. singuli, uni 72. 3°. sinister iu comp. en superl. 60. 4°; sinistra zonder in 282; (manus) 439. siq uidem 347. sis=si vis 169; bij imperat. 378. sitire met acc. 219. 1°; sitiens met gen. 254. 2°. |
sitis, im 20. 2°; i 21. 1°. sive (seu) â sive niet enkelv. praed. 182; sive quod (quia); sive potius (etiam); siveâsive met verbum in den indic. 516. slechts, non alius nisi 806. A. II; nou nisi 337; wordt niet vertaald 459. A.I. sobrius in plaats van Ned.adv. 190.1l). so eer, geu. eri 15. I. A; socrus 40. sodes=si audes 169; bij imper. 378. solere-, semidep. 103; met inf. 387; solitus met tegenw. bet. 414. 2°; ter omschrijving 485. s o 1 i t o bij compar. 298. 10. sollicitari met acc. c. iuf. 397.3°. solus, gen. ius 52. 4°; adv. solum 156; in plaats van Ned. adv. 190. 3°. s o 1 v e n d o non esse 434. A. somnium somniare 219. 2U. soms, niet vert. 869. 3°. sou are met ouregelm. part. fut. 127; met aoc. 219. 1°. soort, eeu soort vau quidam 475. 2°. sos pes, abl. o, gen. ura 56. 1° en 2°. spatio met gen. of uitgelaten 293. A. specie, abl. modi 263. A. III. specimen, sing. taut. 88. 4°. spec us, ubus 27. s per ar e met acc. c. inf. 397.1°en A.II; met fore ut 404. A. II. spes, spe met compar. 298. 1°; met acc. c. inf. 397. 1°; met fore ut 404. A. II. sphinx, sphingum 22. 4°. spoliare met abl. 269. spondere met acc. c. inf. 397. Iquot;, en A. II. spoute met pron. poss. verboudeu 35. 3°. stare ab aliquo 163. 1; met abl. of in 259. 2°. A; met gen. en abl. pretii 266; stat per me quominus en non stat per me quin 861. 3°. statuere iu met abl. 283; mot acc. c. inf. ut of inf. 388; statutum habere 415. steden (namen van) op e gen. ae 13. A; met vrouw, praedic. 176. A. IV. iu gen. epex. 194. 3°; plaatsbep. 275â. stofnamen in siug. en plur. 83. strix, strigium 22. 4°. strues, um 22. 2°. stndere met dat. 820; met inf. acc. c. inf. en ut 389. |
Algemeen register.
416
|
studiosus met gen. 254, 1°. suadere ut 351. 2°. sub, praep. 164. 2; met abl. in plaats van acc. 283. sublimis, adv. sublime 156; in plaats van Ned. adv. 190. 3°. subject en praedicaat 170; weggelaten 172; overeenstemming 175â; weggel. in acc. c. inf. 398. substantiva, declin. 12â; indeel. 32; defect. 35; heterocl. 36; geslachtsr, 37â; comm. 39; mobil. 40; epicoen. 41; afleiding 140â; met adv. verbonden 185. A. I; als adj. gobr. 185. A. II; bij het relat. herhaald 200. A. I; in den rel. zin geplaatst 207; met dat. 237; met acc. en abl. 275. A. II; in den abl. abs. 424; concreta 440; abstracta 441; in plaats van Ned. adj. 442; Ned. subst. vallen weg in het Lat. 443; omschreven 444â446; herhaald bij praep. 499; Ned. subst. in verbinding met praep. 501. sub ter, praep. 164. 4. sudare, constr. 270. A. V. suescere met part. perf. 103. sui, si bi, se, zie reflexivum. sultis=si vultis 169. sum ere met dubb. acc. 221. c). s u m m u s, adv. sunime en summum 158. A. I; niet met gen. partit. 245. 3°. A. I. su pell ex, sing. tant. 33. 4quot;. super, praep. 164. 3. superare met abl. mens. 302. A. I. superbus met abl. 259. 2°. superest ut 355. 2°. superior in plaats van Ned. adv. 190. 2°; superiorâinferior in plaats van illeâhic 462. superlativus, vorming 59â; ontbreekt 61â62; door per en prae 63; richt zich in geslacht niet naar den gen. partit. 176. A. I; bij eigennamen 189; in den rel. zin opgenomen 208; Ned. superl. vertaald door Lat. comp. met relat. 296. 1°; ut quisque â ita met twee superl. 802. A. IV; versterkt door unus, enz. 303; superl. met quisque 304. supersedere met abl. en dat. 231. A. II. superstes, abl. e, gen. um 56. 1°. |
en 2°; met gen. of dat. 233. A. V. su per us, gebr. 60. 5n. supin a 437â438. supplex, gen. um 56. 2°. supplodere, bet. 136. IV. supra, praep. 162. 20; met abl. mens. 302. A. I; ut nihil snpra possit 303. A; quos supra dixi 418. A. 111.4°. sus, gedecl. 24. suscipere met gerund. 428. suspicari met acc. c. inf. 397. 1°. sustinere met acc. c. inf. 397. 1°. suus, zie reflexivum. syllaben (afbreking der) 6. synesin (constructio ad) 178 en 200. A. IV. T. tabula, bet. 34. 4°. taedet, perf. 112; constr. 256. talis â qualis 305; versterkt een , demonstr. 462. A. II; na qualis 463. A. II. tamâquam qui met superl. 303. A; tam- quam, zooâals 305; versterkt een demonstr. 462. A. II; na quam gepl. 463. A. II; bet. 486; tamâquam, evenzeerâals 511. tamen na een relat. 210. A; in voorw. zinnen 335. 3°; bij een part. conjunctnm 419. A. III; staat achter de praep. 497. 4°; neque tamen 507; etsi (quamquam)â tamen 517. A. 5°; bet. en plaatsing 523. tametsi, bet. en gebr, 341. tamquam bij appositie 198; (si) alsof 342; bij een part. 342. A. II; evenals 343; bij een abl. abs. 422. A. IV; bij quidem 475. 2°. tant idem, gen. preti: 249 en 267. tantopere, bet. 486. tantulum met gen. psrtit. 245. 5°. tantundem met gen. partit. 245. 5°. tant us, adv. tantum 156; tantum met gen. partit. 245. 5quot;; tanti, gen, pretii 249, 257. 3°. en 267; tanti est 267. A. II; tantoâquanto, altero tanto met compar. 302; tantum in plaats van tanto 302. A. I; tantusâquantus 305; tantum abest utâut 356; bij een demonstr. 462. A. II; een 463. A. I; vóór quantum geplaatst 163. A. II; tantum non 512. |
Algemeen register.
417
|
tardus in plaats van Ned. adv. 190.3°. tartar us 3G. 2°. taurus, vacca 41. 2°. t o bij adject. 300; door inf. of gerund. 427. A. 1. ' tegenwoordig door hie 459. 1°. telwoorden. Zie numeralia. T e m p e, subst. defect. 35. 2°. tern per are, temperatum est voor parsum est 136. VI; constr. 218; mihi non possum ([uin 359. 3°; quorninus 361. 2quot;. to in peri, temperius 158. A. 11. tem piu in, uitgel. 241. 2°. tempora, afleiding 92â94; bet. en gebr. 308â; in brieven 315; consecutio temporum 316â; van den acc. c. inf. 404. tempus, abl. i en e 21. 5°; bet. 34. 4°; ad tempus 162. 3; (in) tempore, eo tempore cum 286. A. 1 en 363. B. 1°; tempus est met inf. of gen. gerund. 433. A. toner, era, orum 52. 3quot;. t e n e r c me non possum 359. 3quot;; teneri met part. 415. t o n t a r e si 370. A; met inf. of ut 388. t e n u s, praep. 163. 8. teres 56. 1°. t e r n i, trini 72. 3quot;. terrarum bij ubi, enz. 245. 4°. A; terra marique 282. t e r r e s t o r, is, e 52. 2quot;. teruncii non habere 249. A. tor wij], dum 310. A; cum adver-sativum 363. A. 4°; cum temporale 363, B. 1quot;; wordt niet vertaald â¢r.24. tost ar i met acc. c. inf. 397. 1°. testimonium rogaro 224. A. 1; testimonio esse 236. A. Ill; testimonio, abl. part. 266. t li a n s vertaald 492. t i b i c e n, tibicina 40; quantitoit 149. t i m e r e, constr. 218; met ne, no non, ut of inf. 354. tiro als adj. gebr. 185. A. 11. t o c b, quamquam 340. A. I; quin 360. 2quot;; toch wel, an 369. 4°. toon, tum, tunc 492. tonderi, zich laten scheren 428. A. tonitrus 36. 2°. t o n s o r, tonstrix 140. 10. too n eolst ukken (namen van) met vrouw, praedic. 176v A. IV. |
t o t= quot 305. t o t i d e mâ quot 305. t o t i e sâ quoties 305. t o t u s, gen. ius 52. 4quot;; in plaats van Ned. adv. 190. 3°; zonder in bij plaatsbepaling 282; totum hoc bij inf. 382. A. II. trachten door irr.perf. de con. 311. 3°. t r a d o r e, tradui;t 213. 3°; in pass, met nom. c. inf. 216. 3°; met acc. c. inf. 397. 1°; met gerund. 428. traducere met dubb. acc. 226. tragoedia, plaatsing 199. trajicere met dubb. acc. 226. tranquillo 425. A. trans en ultra 162. 7. transcendere met acc. 220. 1°. transferre in 445. transitu 438. transportare met dubb. acc. 226. trap, vertaald 245. 4°. A. trepidus in plaats van Ned. adv. 190. 1°. tribuero met dubb. dat. 236. tribus, ubus 27. trini voor tcrni 72. 3°. triumvir, gen. plur. um 18. 2°; met dat. 434. 3°. trux, abl. i 56. 1°. tu, tute, tutemet 76. A. Zio verder personalia. tueri iu perf. weinig gebr. 135. V. tuin- en veldvruchten in sing. 33. 2°. tum in plaats van secundo 159; temporis 245. 4°. A; by cum temporale 363. B. 1°; in orat. obi. 410. A; bet. 492; bij optellingen 493; tumâtum, cumâturn (vero) 510. tunc, bet. 492. turpis met dat. 233; met sup. II 438. turris, im 20. 2o; i 21. 1quot;. tussis, im 20. 2°; i 21. 1°. tuto, tutissimo 158. t jj d sb op al i u ge n 285â; uitgedrukt door subst. conereta 440. U. uber, is 52. 2°; gen. um 56. 2quot;; adv. ubertim 157. ubi met gen. partit. 245. 4°. A; = in qua 277. A; ubi (primum) constr. |
27
Algemeen register.
418
|
3G7; est ubi met conj. 375. 4°. A. [; steeds plaatselijk 470. A. 1; ubi quis 473. ubicunque met gen. partit. 245. 4°. A. uitroepingen in ace. 274; in ace. c. inf. 395. A; zonder non 487. ullus, gen. ius 52. 4°; ne ullus en ut nullus 353. A. II; bot. en gebr. 477; nee ullus 506. u 11 i m u s, adv. ultimum en ultimo 158. A. I; in plaats van Ned. adv. 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 3°. A. 1. ultra en trans 162. 7; quam 294; met abl. mens. 302. A. I. unde met gen. partit. 245. 4°. A; est unde met conj. 375. 3°. A. I; = e qua 490. A; en daarom 527. A. II 4°. universus in plaats van Ned. adv. 190. 3°. u n q u a m nisi 307 ; nemo unquatn en neque unquam 506. u n u s, gedecl. 66 ; in plur. gebr. 66. A; ad unum omnes 162. 3. e); in plaats van Ned. adv. 190. 3°; valt weg 196; met gen. partit. of ex, de 245. 3°. A. II; ter versterking van den superl. 303.1°. uuusquisque met een cardiuale 72. 1°; gebr. 476. A. II. u r b s als appos. bij meerv. namen van steden 193; plaatsing 199. ursus, ursa 41. 2°. u s q u a m met gen. partit. 245.4°. A; nisi 307; nemo usquam en nee usquam 506. usque (ad, in sub, a, ex) 165. u s u venit ut 355. 2°. ut eoncessivum 325 en 339. ut comparativum bij een appos. met of zonder een verbum in den indie. 198 en 1°; ut quisque met superl. â ita met superl. 302. A. IV; ut possum met superl. 303. 5°; ita (sic) â ut qui met superl. 303. A ; na idem 305. A; ut â ita bij eeden 324. 3°; bij voorbeeld 331. A. I; ut si met conj. 342; evenals 343; hoe, onderscheiden van quam 343. A. II; bij abl. abs. 421. A. IV; ut â ita, wel â maar 517. A. 3°. ut finale, plaatsing 328. A. I; bet. 351; uitgel. bij verba van vragen 351. A. III; ut non in plaats van ne 353; ut non dicam en ne dicam 353. A. I; |
ut ne en ne 353. A. III; bij verba van vrees 354; na verum est, enz. 396. A; na verba sentiendi 397. 1quot;. A. 1. ut consecutivum, plaatsing 328. A. I; bet. en gebr. 355â357 ; en daarom 527. A. II. 4°. ut temporale (primum) 367. utcunque met indic. 376. u t e r , utrium 22. 3o. u t e r, gen. ius 52. 4°; van twee gebr. 481. uterlibet, gen. ius 52. 4n. uterque, uitspraak 5. A; gen. ius 32. 4°; met een cardinale 72. l*; met praedic. in plur. 178. 2:gt;-, met gen. partit. 245. 2°. A. I; uterque utrumque 458; bet. en gebr. 482. u ter vis, gen. ius 52. 4°. uti, hebben, bezitten 234. A. IV; constr. 271; usus met tegenw. bet. 414. 2quot;. uti in plaats van ut finale 350; niet in plaats van ut temporale 367. u t i 1 i s met dat. of ad 233. A. 1; utilius est in indic. 320; met dat. ger. of ad 434. 1°; met. sup. II 438. u t i n a m (ne) 324. 1°. li t i q u e en uti'que 5. A. ut po te qui bij een appos. 198. 1quot;. u t r u m â an 372. uxor, uitgel. 241. 1°. V. v a c a r e, constr. 230. vacuus, constr. 269 en A. III. v a e met dat, 274. val de vormt een superl. 63; bet. 153. A; compar. en superl. 158. A. II. vale, valete, valere 182. vapulo, pass. bet. 104: beter ver-beror 104. A. v a s en vasum 36. 1°. vat es, um 22. 2°; comm. 39. v e, zonder, 167. ve aan praep. gehecht 497. 3° en 508; bet. en gebr. 515. vehi, bet. 136. IV; metabl. instr. 261. v e 1-vel met enk. praed. 182; bij compar. 302. A. II; bij superl. 303.3°; staat achter praep. 497. 5°; vol potius (dicam, etiam), vel â vel 514. veile geconj. 121; constr. 218; |
Algemeen register.
419
|
met dubb. acc. 224. A. Ill ; in praes. iu plaats van fut. 314. A. 11; volim, vcllom bij weuschou 324. 1°; veliin bij den imper. 378; met iuf. aec. c. inf. ut en eouj. zonder ut 389 ; als inf. fut. 404. 11. A. II; ter omschrijving 485. vol ut bij een appos. 198; velut si met conj. 342; bij een partic. 342. A. II; bij abl. abs. 421. A. I V. venalis met abl. 267. v e u d e r e , activum vau veueo 104. A; met gen. e:i abl. pretii 267. veueo met pass. bet. 104; verb, defect. 122. veuia, abl. modi 263. A. 111. v e u i r e met dubb. dat. 236 ; venit mihi in mentem 255; met sup. I eu partic. praes. 437. venter, iuin 22. 3°. v e n u m dare, ire 35. 3°. ver, sing. taut. 33. 4°. verba in het algemeen 85; act. 92; pass. 94; der 3d' op io 95; dep. 101; impers. 112; onregelm. 118â; defect. 128â; mot onregelm. hoofdtijden 134 - ; afleiding 146â: vallen weg als praed. 174. ; voor Ned. adv. 485. verba sentiendi et deel arandi gevolgd door zijdel. vraag 204; met ut of ne 397. 1°. A. I; ter omschrijving van adverb. 397. 1°. A. lil; uitgel. in de orat. obl. 411. verbalia, bep. 139; op tor en trix als praedicaatsnom. 177; als adj. gebr. 185. A. 11. 1J; wanneer niet gebr. 446. 1°. verberor beter dan vapulo 104. A. verbod hoe uit te drukken 380. verbum finitum en infinitum 87. verbum (ad) bet. 163. 3. e); met I gen. epex. 194. 1°. vereischen door esse c. gen. 24 i. 3°. v e r e r i, constr. 354 ; veritus met tegenw. bet. 414. 2°. verisimilis 233. A. 1; verisimile est met acc. c. inf. en ut 396. vermenigvuldigen hoe dit geschiedt 72. 2°. v e r o en vere 155. A ; niet na een relat. 210. A; quasi vero 342. A. Ill; immo vero 374; achter een praep. 497. 4°; neque vero 507; neque â neque vero 508; tum vero 510; bet. en plaatsing 519; bij eigenn. 527. A. I. ver sari, zich ophouden 453. A. I. versicol o;', gen. um 56. 2°. |
versus (ad, in) 162. 21. ver tere in de compos, soms depon. 136. VII; met dubb. dat. 236. veru, ubus 27. verum, bet. eu gebr. 518. verum en im vero 519. verumtamen 523. ver us, adv. vere eu vero 155. A; vere puer eu verus puer 185. A. 1. Iquot;. verum est met acc. c. inf. en ut 396. vesci zonder perf 136. VIII; constr. 271; zith voeden 453. A. I. vesper, gen. eri 15. I. A; abl. e en i 21. 5°; sing. tant. 33. 4quot;. vest is, sing, tant 33. 4°. vostras 78. A. vest rum met partitiva heeft prae-dic. in den 2Jlt;quot;1 pers. 175. A. I; ve-strum omnium 240; gen. part. 244; vestri, gen. obj. 251; vestri verbonden met gerund, op di 430. A. I. vetare, constr. 390â391. vetus, eris, 52. 1°; um, a 56. 2quot; en 3'J; comp. en superl. 60. 4quot;; adv. vetusie 157. via, abl. modi 264. A. II. vieinitas voor viciui 441. v i c i s^ subst.defect. 35.1°; vicein 266.A. vi cis sim, bet. 458. A. videlicet, 348. v i d e n voor videsne 369. 1quot;. A. videre in pass. met dubb. nom. 214. 1°; met nom. c. iuf. 215; videro in plaats van videbo 314. A. I; videsne 369. 2°. A. 11; constr. 393; in pass. ter omschrijving 397. 1quot;. A. III; visu 438. vigil, gen. um 56. 2°. v i gi li a e, gesl. 37. v i 1 i s met abl. 267. vin voor visne 369. 1°. A. vindex, comm. 39. violen ter, vorming 154. A. I. vir (composita van) mot dat. ger. 434. 3°; omschrijvend subst. 439. A. I. vir go als adj. gebr. 185. A. II. virus, gesl. 44. 2°. vis, nomen defect. 24; vi en per vim 264. A. I. II. vitio, abl. modi 264. A. II; vitium est ut 396. A. |
Algemeen register.
420
|
vitul us, vitula 41. 2quot;. vix ut 328. A. 1; bij cum ailditi-vum 363. B. 3°; mot gerund. 427. 3° eu 4°; met ullus on quisquam 477. 1quot;. vocalen, uitspraak 1â2; verandering bij samenstelling 149â150. vocare met dubb. acc. 221. b). vocativus, gobr. 273. volgeling, omschreven 446. 2°. volgende, hic 459. 2°. volgens, ad 162. 3; secundum 162. 19; pro of rolat. 202; door abl. met en zonder ex, de 266. volken (namen van) in gen. plur. um 18. 3°; als adj. gebr. 185. A. II. 2°; in plaats van landen 280. volucer, is, e 52. 2°. volucris, e 21. 4°; um 22. 2°. voluntas, voluntate, abl. modi 264. A. II; ter omschrijving 447. voor, ut 198. 1°; onvertaald 214. 2°; door dat. 228; door pro 228. A. I. voorzeker, quippe 349. voor zoover, vertaald 375. 7°. voorwaardelijke zinnen, couse-cutio temporum 318. II; modus 329â; omschreven 333 ; door infin. uitgedr. 383. 1°. A. I. vos, zie personalia. voti damnatus, bet. 248. A. vovere met acc. c. inf'. 397. lu en A. II. vox met gen. epex. 194. 1°. vragen (zijdel.) bij verba sentiendi in plaats van een subst. en een rel. zin 204; twijfelende 327; constr. 368 â; spijtige door acc. c. inf. 395. A; in orat. obl. 408. III; ter omschrijving van subst. 445. 2; ingeleid door quid, quid enim 471. A; twee in een z^i 472. vrouw, niet vertaald 464. v u 1 g o bij de vertaling van men 213,3quot;. vulgus, gesl. 44. W. waar vertaald door qui, ubi 470. waarom, waartoe, quid 471. waarom niet, quin 360.1°; quidni 471. A. waarvan, qui 470. A. II. 1°. wanneer, quod 345. 4° en 5quot;. |
wat met den positivus 300. wat betreft dat, quod 345.5,,; bij een acc. c. inf. de 399. wegens 260. A. IV. w e I, niet vert. 369. 3 ; en wel, isque 466 ; (niet) â maar 51 7. A. wel verre vanâ intogondeel 356. werkelijk? 369. 1°. A; aliquis473. wettelijk vertaald door pron. poss. 451. 1°. woordplaatsing van orgo, causa, gratia 165. A; ne 169 ; (eenvoudigste) van een zin 170. A; van het subject bij uitlating van inquit 174. A. 2° ; van het praedicaat bij de constr. ad synesin 178. 3°; van don eersten persoon 183. A; van een adverb, als adj. gebruikt 185. A. I. 4quot;; van iste en ille bij eigennamen 189. 31'; adjectiva 191; nomen appositum 199; relativum 200 eu A. I. en 328. A. I; primus, postre-mus, enz. zonder gen. partit. 245. 3°. A. I; genetivus 253; vocativus 273; minus, plus, amplius 297. A. I; dor abl. opinione, enz. 298. 1°; tweede lid der vergelijking 302. A. III; opschrift, plaats, datum in brieven 315. A. II en lil; bijzinnen met subordineeronde conjunctie 328. A. I en II; nonânisi 337. 2'J; eo, ideo, idcirco, propterea bij non quod 344. A. II; quod, wat betreft 345. 5°; nam, namque, etenim 348; ut ne 353. A. III; ne 369. 1°; inquam, ajo 411. A; pron. poss. 452; van relat. vóór demonstr. 463. 3° en A. II; demonstr. 469; quidam 475. A; quisque 476. A. I; van verwante en tegenovergestelde begrippen 484. A; ontkenning 488; praeposides 494â; quo 502; neeâ nou 502. A; etiam, quoque 503 en 527; autom 520 en 527; tarnen 523; ergo, itaque, igitur, enim, quidem, vero 525â527. Z. zeer, quidam 475. 2°. zeker, quidni 471. A. zelf door met bij pron. pers. en reflex. 76. A; door ipse 468. 2°. zelfs voor een superl. vel of etiam 303. 3°; zelfsâniet, neâquidem 487; vel 514. A. |
Algemeen register.
421
|
zie li b o toon o ii als 222. zien uiet vertaald 453. A. 1. ziet gjj uiet 369. 2A. 11. zonder, allen zonder uitzondering 162. 3. e); cltra 162, 6; extra 162. 9; sine, quin, ut non, enz. 436. A; zonder oenig gevaar, uiet zonder eenigo aarzeling 477. 1°. zoo? itane? enz. 369. 1°. A. zoo door sic, ita 486. zoo goed (veel) als, instar 35.2quot;. zoo uiet door nisi, si non, si nü-nus (alitor) 335. |
zoo ten minste, siquidem 347. zooâtoch 335. 3quot;. zoo weinig, ita nou, 486. z o o a 1 s men kan verwachten van 202. zoogenaamd 418. A. III. 4quot;. zoolangâals, dum niet imperf. of port'. 310. A. zoowelâals (vooral) 509â510. zouden, niet vertaald 323. A. zullen, uiet vertaald 323. A. |
/
4