ocr page 1

znr if

}

HET ONTSTAANquot;

EN

DE EERSTE WETTELIJKE REGELING

VAX HET WATERSCHAP

„DE OVERWAARD,quot;

DOOR

L. A, LANGEVELD,

Candidaat-Notaris to Hardinxvekl.

HA.UDINXVELD.

B. D. K. BUSÉ. 1887.

ocr page 2
ocr page 3

HET ONTSTAANquot;

EN

DE EERSTE WETTELIJKE REGELING

VAN HET WATERSCHAP

DE OVERWAARD,

99

99

DOOK

L A. LANGEVELD,

Candidaat-Notarif? te Hardinxveld.

/ / ,

/ /

-JU

HARDINXVELD,

B. D. K. BUSÉ. 1887.

ocr page 4

Ilpl

■

mÊÊÊÊÊsÊÊmm

mmm m mm:

■ - ■ .

ft

,

M xï

- • -. - ■ fvyt . lt; , S 1 - •; S^MHWaiBH Hhhb i'1 Samp;Ki!ss5amp;'^ j

: :.

.

r-

ül ''quot;MioiP mmgt;

t gt; -:

aas?.quot;

*amp;%mm mm «■■■hi

. * .mSHK, jj^^l

j^wmKral BBwaBfeMB ^»mb -- -quot; • gt;-' '« qBH|

■

ocr page 5

Dagteekent het bouwen van dijken en sluizen van Xeerland's vroegste tijden, het toezicht en bestuur over zoodanige werken behoort onder de oudste instellingen, welke men daar aantreft. Bijzonder is dit het geval met Zuid-Holland. Reeds voor eeuwen vindt men de kenteekenen en sporen van polderbesturen en van bepaalde ligchamen en collegiën, dit met het toezicht en beheer over alle waterbouwkundige werken ?.n dat gewest belast waren. In de oudste bescheiden zijn de blijken, dat reeds destijds dat gewest in bepaalde districten verdeeld was, waarover zoodanige afzonderlijke besturen het beheer hadden.

Jhr. Mr. W. T. gevers Deynoot, Statistieke opgaven en beschrijving van het hoogheemraadschap van Schieland.

Hoewel door sommigen wordt beweerd dat de Romeinen, tijdens hun bondgenootschap met de tusschen de hoofdrivieren Rijn, Maas en Merwede wonende Batavieren, in de eerste eeuwen onzer christelijke jaartelling, op waterstaatkundig gebied hier te lande de eerste stappen hebben gedaan, ligt de oudste geschiedenis van ons vaderland ecuwen achtereen in een te geheimzinnig duister gehuld, dan dat men met zekerheid den natuurlijken toestand zou kunnen bepalen.

Eerst in de 13e eeuw worden uit officiëele stukken bijzonderheden bekend aangaande den toestand dezer landen, waarvan de tegenwoordige Alblasserwaard het westelijkste en tevens laagste gedeelte uitmaakt. Van dien tijd af vindt men namen genoemd, grenzen afgetecamp;nd en verhoudingen medegedeeld, die ons het recht geven met eene volstrekte zekerheid eenig begrip te vormen van den inwendigen toestand dezer waard.

Waarschijnlijk was vóór de 12'- eeuw van geene aaneengeschakelde en hooge bedijking sprake, zoodat de Alblasserwaard , geheel uit laag veen bestaande, zeker telkens overstroomd werd. Dientengevolge bezonken op dat veen de slibstoffen uit de aangrenzende rivieren, en daar deze bij vermindering van snelheid van het water dadelijk neervallen, werd de strook, onmiddelijk langs de rivieren gelegen, met een laag rivierklei bedekt, die hier en daar

ocr page 6

4

wel 1 M. dik is. In 't midden bleef veen aan de oppervlakte liggen, hetgeen men tegenwoordig nog vindt in de binnen- of zoogenaamde broeklanden. Langs de rivieren was door de kleiafzetting het land dus zeker het hoogst gelegen.

Het is aan geen twijfel onderhevig dat de rivierstanden sedert dien tijd betrekkelijk hooger geworden zijn, daar anders deze landen, zelfs bij lage ebbestanden altijd geheel onder water zouden moeten gestaan hebben, hetgeen thans zou geschieden als er geene dijken waren. Bovendien mag men wel aannemen, dat het land, tengevolge van de betere waterontlasting sedert de 14° eeuw en het daardoor droog houden van de bovenkorst, is ingeklonken. Toch zal men althans voor sommige deelen van de Alblasserwaard wel eene vroege bedijking mogen aannemen, al moeten wij ons de toenmalige dijken zeker niet voorstellen als de hooge, zware lichamen die ons tegenwoordig tegen het buitenwater beveiligen. Wij vinden n.1. in oude charters Papendrecht reeds in het jaar 1105 vermeld, eveneens Hardinxveld in hetzelfde jaar genoemd, en men kan moeilijk aannemen, dat deze plaatsen bewoond konden zijn bij een betrekkelijke ligging van land en water als in onze dagen en zonder cenige omdijking, daar zij alsdan nagenoeg altijd overstroomd zouden geweest zijn.

De natuurtoestand, waarin de Alblasserwaard langen tijd verkeerde, had aan het einde der 13° eeuw plaats gemaakt voor een vrij goed georganiseerd geheel. In het jaar 1277 n.1. gaf Graaf Floris V een handvest, waarbij een algemeen bestuur werd ingesteld over één grooten dijkring, die toen dus reeds moet bestaan hebben. Deze liep van de Lek bij Ameide langs de Ameider Zijdewint (Zouwendijk), over Hoorendamme (nabij Hoornaar), aan de noordzijde van de Giessen, langs de Merwede nederwaarts tot de Matena, (benedeneinde van Sliedrecht), vervolgens noordwaarts op langs de Matena tot Ond-Alblas, van daar als Zijdewint noordelijk tol de Lek, en langs deze rivier opgaande tot Ameide.

ocr page 7

5

De Giessen was c!v= iuen nog open van Hoorendam af, en eveneens het benedengedeelte van de rivier de Alblas.

Schelluimn, Giessen-Nieuwkerk en Hardinxveld waren buitenlanden van de Giessen, en ook de landen van Papendrecht, Alhlas, Alhlasserdam en Nieuw Lekkerland waren buiten de genoemde omringing gelegen en zeker reeds gedeeltelijk afzonderlijk bedijkt.

Wat de waterontlasting betreft, de ambachten zullen, hoewel niet alle waterstaatkundig gescheiden, ieder voor zich, door middel van de Giessen en de Alhlas, of wel dadelijk op Lek, Noord en Merwe, hun overtollig water op de huitenrivier hebben gebracht. Daardoor werd de waterlossing van deze landen afhankelijk van de ebbe-standen van het buitenwater.

Van daar laat het zich verklaren de ontwikkeling der siuis-werken met die der bedijkingen samenging en zij, evenals deze, in Holland reeds in de 12® eeuw voorkwamen. Blijkens een charter van bisschop Herman van 'Utrecht van het jaar 1155, werd aan „die van Lobeke'' (Lop/k) verdund door zijne eigendommen eene „Welteringe'' (wetering) te graven tot den IJssel toe en in den IJsseldijk eene „Slusequot; (sluis) te leggen.

De eerste sluis van de Alblasserwaard vinden wij vermeld in een handvest van Graaf Floris V gegeven, „maenen „daghe nae Sinte Lucas daghe in 't jaer onses Heeren „thwaelff hondert ende eenen en dachtigtquot;, waarbij aan Gijsrrecht, Heer van Langerak en de binnen diens heerlijkheid wonende lieden vergund wordt, hunne landen tusschen Gelkenes en Tienhoven te doen uitwateren langs de Giessen op de Merwede door den dam van „Olt Ghiesenquot;, met bepaling, dat de koslen van dammen en sluizen dooide betrokken landen zullen worden gedragen „hove hoeve gelixquot; (dat is naar gelang hunner oppervlakte), evenals dit geschiedt door die van de Heeren van „Brederoede1quot; en „Arckelequot;. Waar dit punt van uitstrooming was gelegen, is moeilijk met juistheid te bepalen; met eenigen grond

ocr page 8

6

zoude men kunnen aannemen, dit moet zijn geweest te Giessendam, dat reeds in 1231 vermeld wordt, onder het ambacht van Giessen Oudekerk (Olt Ghiesen) gelegen, dat, zooals zijn naam het reeds uitdrukt, in tegenstelling van Giessen Nieuwkerk, het oudste is geweest en ook het eerst tot ontwikkeling kwam door de verblijfplaats der aan de overzijde der Giessen wonende Brederodes (Giessenburg). Voor de kennis van de waterschappen uit dien tijd achten wij dit handvest van belang, daar het ons vergunt een vluchtigen blik te slaan in hunne toenmalige inrichting en tot het besluit doet komen de natuurlijke ligging dezer landen medebrengt, de oorspronkelijke wijze van water-loozing met de Giessen als boezem, zij het ook in een ruwen vorm, de grondslag uitmaakt van het tegenwoordige stelsel. In hel jaar 1282 waren dus reeds in de Giessen werken aanwezig om hot overtollige water der landen van de Heeren van Brederode en Arkel bij lage waterstanden te loozen en in het tegenovergestelde geval bij hooge vloeden als keermiddel te dienen; een gemeenschappelijk optreden derhalve van eenige, welligt de eenigste, grondeigenaren, tot bereiking van één zeilde doel; waartoe de te maken kosten van aanleg en onderhoud worden omgeslagen over al de eigendommen elk naar hare grootte; een begin derhalve van het water- of heemraadschap Overwaard. Dat het echter eene nog zeer beperkte ver-eeniging van landen was, in vergelijking met thans, kan blijken uit het feit. dat hierin slechts begrepen waren de landen van Arkel beneden de Zouwe, zijnde Arkel, Hnoy-Uokland en Hoornaar en die van Brederode (1) n.1. Giessen-hovenkerk, Peursum, Ottoland, Slingeland, Goudriaan en Noordeloos; hiertoe behoorden dus niet de heerlijkheden

(1) Hoewel men in dezen tijd kon zeggen, de Heeren van Brederode van hun slot te Woordeloos uit, op hunnen telganger gezeten, de oude Gravenstad Dordrecht konden bereiken, zonder het grondgebied van anderen te betreden, hadden zij de heerlijkheden Giessendam, Wijngaarden en Papendrecht in waterschapszaken vau bovengenoemde geheel afgescheiden.

ocr page 9

7

van Hardinxveld, Giessen Nieuwherh en Schelluinen, welko eerst in 136G werden ingedijkt en ook toen eerst in het waterschap konden worden opgenomen. De later toetredende landen van Herlaer, bestaande uit Ameide, Meerkerk en Tienhoven en van Liesveld, zijnde Gelkenes, Ammers en Graveland, behielden hunne zelfstandigheid en bleven als voorheen de rivier de Lek als het gewenschte afvloeiïngs-kanaal van het overtollige water beschouwen. Vreemd genoeg wordt alleen het tusschen beide inliggende Langerak, door dit handvest opgenomen in de bestaande vereeniging en brengt voortaan door het graven van een watergang langs Goudriaan naar de Giessen zijn waterspiegel tot een lager peil dan voorheen, aangezien de ebbe in de Merwede bij Giessendatn sterker was dan die op de Lek bij Schoonhoven; de vergunning hiertoe wordt verleend door den Graaf als eigenaar van alle rivieren en wateren, eene gunst hier speciaal aan den Heer van Langerak verleend.

Hoogst waarschijnlijk bestonden voor hot waterschap nog geen wettelijke voorschriften en berustte de regeling meer op mondelinge afspraken en van ouds bestaande gebruiken. Do zorg voor de tijdige waterlossing was overgelaten aan bet oordeel van het beperkt aantal eigenaars en droeg derhalve een geheel particulier karakter; van eenig bestuur of eenige staatsinmenging was geen sprake.

Omstreeks denzelfden tijd begint zich in het westelijk deel van de Alblasserwaard eveneens een waterschap te ontwikkelen.

De heerlijkheden Papendrecht, Alhlas, Alhlasserdam en Nieuw Lekkerland waren nog buitendijks gelegen landen, Streefkerk had zijne uitwatering, zooals thans, op de rivier de Lek. De binnenlanden daarentegen, zijnde de ambachten van Bleskensgraaf, Wijngaarden en Ruijhroék, Hoficegen, Brandwijk , Gyheland, Molenaarsgraaf en Laagblokland, voerden het overtollige water af door de rivier de Alblas, die in de Noord hare uitmonding heeft. Aanvankelijk nam deze een aanvang bij Bleskensgraaf, zoodat de uitwatering van de

ocr page 10

8

achtergelegen gedeelten niet dan zeer gebrekkig geschiedde. Ten einde hierin te voorzien werd op last van de Heeren Blassekijn en Molenaar door hunne eigendommen oostwaarts een watergang gegraven in het verlengde van de Alblas, thans nog bekend als Graaf of Graafstroom, strekkende tot nabij Laaghlokland. Het is ter herinnering aan het ontstaan van dezen nieuwen boezem, dat de dorpen Bleskens-tjraaf (Blassekijn) en Molenaarsgraaf hunnen naam ontleenen. De uitwateringswerken moeten gelegen hebben in de Alblas, tusschen het dorp van dien naam en Bleskensgraaf, waardoor tevens de verbinding werd bewerkstelligd van de hiervoor-gemelde dijken Zijde of Zijdewint en Matena, loopende van Streefkerk tot Papendrecht. Zoo was aan het einde der 13e eeuw ongeveer de toestand van de Alblasserwaard ten opzichte van de waterontlasting.

Hoewel nog niet ten volle georganiseerd, waren dus de grondslagen gelegd voor de waterschappen Over- en Nederwaard, waarvan het eerste de landen bevatte loozend door de Giessen, het tweede, die, welke langs de Alblas uitwaterden.

De in 1365 ondernomen bedijking van Ilardinxveld, Giessen-Nieuwkerk en Schelluinen bracht eene groote verandering teweeg in de tot dien tijd gevolgde wijze van waterlossing, daar nu de Giessen voor goed geheel en al van het buitenwater werd afgesloten. De meer uitgebreide belangen en de hooger stijgende standen op de Merwede en Lek deden naar een ander plan omzien voor de landen van Brederode, Arkel, Herlaer en Liesveld, welke beide laatsten, eveneens eene betere waterlossing behoevende, zich thans bij het reeds bestaande waterschap aansloten. De weg was aangewezen; het laagste punt van uitstrooming vond men aan het Elshout ajd Lek, waar de ebbe veel lager dan te Giessendam afliep. Tot bereiking van dit doel was de medewerking van velen noodzakelijk; men moest n. 1. een geheel nieuw waterschap of kanaal graven van Giessen-Nieuwkerk langs Ottoland noordwaarts

ocr page 11

9

op tot Graveland en Aimners en van daar in eene west-waartscho richting langs den zuidelijken rand van Streefkerk en Nieuw Lekkerland tot in het diep van de Lek. Overtuigd van den goeden uitslag der onderneming, mocht men zich in den steun van de betrokken personen verheugen; zelfs Hertog Albrecht van Beijeren, Ruwaard van Holland enz., hechtte zijn zegel aan het nieuw op te richten waterschap door toe te stemmen dat de werken door zijn Graafschap (1) loop zouden nemen, het waterschap als zoodanig te erkennen en zijn bestuur te machtigen tot het voeren der schouw, het maken van keuren, enz. Dat dit echter niet om niet geschiedde, blijkt uit een bepaling van het na te melden handvest, waarin gesproken wordt van „gecoften landenquot;, zoodat wij als zeker kunnen aannemen dat de Graaf eene behoorlijke vergoeding zal hebben ontvangen voor de be-noodigde gronden, evenals de Heer van Liesveld , die zich een derde meer dan de geschatte waarde liet betalen.

De verschillende daarop betrekking hebbende stukken nemen wij hierna in het kort op:

1. Hertog Albrecht van Beijeren vergunt bij handvest „gegeven in den Haghe des Vritags nae onsen Vrouwen „dach assuptio (2) in 't Jaer ons Heeren MCGG vive ende „'t sestichquot; aan de Heeren Otto van Arkel, Dirk van Brederode, Jan van ITarlaer, Arent van Arkel, Jan van Langerak, Herbaren van Liesveld, allen Ridders en Daniel van Toloijsen en Willem van Slingeland, Knapen, een watergang door het graafschap Holland, baljuwschap Zuid-Holland, van de landen van Liesveld af door Streeflanderhroek, Sf reeft and en Nieu ui ekkerl and ter breedte van 10 tot 30

(1) Streifherli en Nieuw LcJüierlaml en de ten zuiden daarvan grenzende heerlijkheden, behoorden tot het Graafschap Holland; Liesreld, Herhirr, Tang er alt, Sl'inqelanfl, Arltel en Brederode waren, met uitzonderinjj van verplichte heervaarten, onafhankelijke staatjes, vrije erfelijke eigendommen, welke niet, evenals die van. het Graafschap, uit handen vau den Graaf in leen werden ontvangen.

(2) Maria Hemelvaart.

ocr page 12

10

roeden en vervolgens Int aan hel Elshout ter breedte van 12 tot 24 roeden, met het recht aan weerszijden eene kade te leggen, den Lekdijk te openen en open te houden, daarin sluizen te maken en die ingeval van nood met dammen te omgeven, een en ander onder toezicht en goedkeuring van de meerderheid (7) der hoogedijks heemraden (13 in getal) tusschen „ Lecke ende Merwedequot; {Alhlasserwaarcï), een beginsel in het waterstaatsrecht, dat noodzakelijk was voor eene onbelemmerde uitoefening van de rechten en plichten van het dijksbestuur.

De vergunning geschiedt ten behoeve der aan gemelde heeren toebehoorende landen, die gelegen zijn „ tuscen „Lecke ende Marwede, ende Meerkerker Zijtwinde ende „Giesendamme en verder van die welke nu ter tijt te Gie-, sendamme uitwateren, ende Heer Herberen van Liesvelt „met sinen Landen.quot; Deze vorstengunst strekte zich derhalve uit tot hot oostelijk gedeelte van do Alblasserwaard, zonder eenige uitzondering, van de Zomoe, Zeerik en Linye af tot de Ammers en Giessen, daaronder begrepen Giessen-Bovenkerk, Fenrsum en Ottoland, de geheelo Overwaard derhalve, zooals zij thans bestaat.

Voorts komen er de navolgende bepalingen in voor;

De kaden, het waterschap (dat is het afvoerkanaal), de heulen en bruggen zullen de voornoemde hoeren doen schouwen mot zeven gezworen Heemraden en een gewaarden rechter, door hen te benoemen en to beëodigen. Dit bestuur, samengesteld uit een opper- of eischende rechter en zeven heemraden, die recht doen op den godanen eisch, zijn tevens bekleed met de macht van keuren maken, boeten daarop te stellen en die in te vorderen.

Zij hebben zorg te dragen dat niemand binnen 's Graven gebied schade ondervindt van het overloopen of lekken der kaden, in welk geval do Dijkgraaf mot zijn gezworen bode hiervan aan den gewaarden rechter had kennis te geven, met bevel om binnen 2 dagen dezelve te maken; bij gebreke hiervan zal, met toestemming der meerderheid van de hoog-

ocr page 13

11

heemraden, worden overgegaan tot eene besteding ten koste van het waterschap. Bij een dijkbreuk en daarop gevolgde overstrooming mag het bestuur door verhooging der kade, den loop van het inundatiewater niet ophouden; eerst wanneer het is weggeloopen, mag ter herstelling grond worden gehaald „ter naester aerde, ter minster scadequot; op aanwijzing van het hoogedijksbestuur, alles voor zoover aard-haling van de nog aanwezige gekochte landen onmogelijk is. Nimmer zal worden toegestaan dat water van andere landen wordt geleid door het waterschap. Een vrijgeleide met bescherming van persoon en goed wordt door het grafelijk gebied beloofd aan alle in dienst zijnde ambtenaren van het waterschap, met uitzondering van de bannelingen. Eindelijk wordt het visschen in het waterschap en in de sluizen door daartoe onbevoegden, bewezen zijnde door twee of meer „witachtigequot; getuigen, gestraft met eene dei-zwaarste geldboeten van dezen tijd, zijnde 10 pond Ho1-landsch, waarvan de eene helft zal worden ontvangen door den Baljuw van Zuid-Holland voor den graaf en de andere door de Heeren voornoemd.

Door dit handvest, verleend nadat zijn geraadpleegd de hoogheemraden van „Lecce ende Merwedequot; (Alblasserwaard) wier belangen behoorlijk zijn in het oog gehouden, verkrijgt de Overwaard den titel van haar bestaan; de opperste staatsmacht erkent haar bestuur, bekleedt het met eene zekere rechts- en uitvoerende macht, neemt haar op onder de erkende lichamen en belooft bescherming door het opleggen van straffen aan lijf en goed aan allen, die met den inhoud dezer bepalingen strijdig handelen. In tegenstelling met het handvest van 1277, waarbij het oppertoezicht over de waterkeerende dijken van de Alblasserwaard voor het grootste deel werd uitgeoefend door den Dijkgraaf, als vertegenwoordiger van het grafelijk gezag, beperkt dit Handvest de staatsinmenging slechts tot oprichting van het heemraadschap, zonder verder te treden in de lagere belangen van waterlossing, de aanstelling der beambten en bestuur.

ocr page 14

12

welke uitsluitend worden overgelaten aan de regeling van de eigenaren onderling.

Do mogelijkheid voorziende dat van deze vergunning, zooals beschreven is, geen gebruik zoude worden gemaakt, veroorloofde Hertog Albkeciit, in een afzonderlijk handvest van denzelfden dag, aan genoemde Heeren, om, indien zij eenigen anderen watergang tusschen Lek en Merwede konden verkrijgen, die hun voor den aanvang der werkzaamheden beter en doelmatiger toescheen dan de hierboven vermelde, zij dien mochten aanvaarden zonder hem daarvoor eene meerdere geldelijke uitkeering te doen. De voorwaarden en bepalingen van de verleende concessie zouden ook op het nieuwe plan toepasselijk zijn, met dien verstande evenwel, dat zonder zijne toestemming geene andere landen daarop zouden mogen uitwateren dan die, welke in het eerste handvest zijn genoemd. Waarschijnlijk was men bevreesd, dat pogingen zouden worden in het werk gesteld om eene afwatering te verkrijgen door den reeds bestaanden Graafstroom en verder door de Alblas naar de Noord, waaraan de Graaf van Holland, zooals hij uitdrukkelijk verklaart, niet onvoorwaardelijk zijne goedkeuring kan hechten.

2. De tusschen Heer Herbaren van Liesveld ter eene en de Heeren van Arkel c.s. ter andere zijde gerezen geschillen over de waardebepaling of vergoeding der benoodigde gronden, maakten een in denzelfden jare (1365) „in die Nieuwpoortquot; door den Baljuw van Zuid-Holland met zijne „Seggersquot; (rechters) uitgesproken vonnis noodzakelijk. Uit een daarvan door Deken en Capittel van St. Maarten en St. Vincentius te Gorinchem vervaardigd gelijkluidend afschrift putten wij het volgende:

Het graven van het afvoerkanaal zal geschieden door Heer Herbaren's land in het we.steinde van Achterland opgaande in Graafland, zoover als noodig zal worden geoordeeld, waarvoor hem eene betaling zal worden gedaan van eene som, gelijkstaande met 11 maal de waarde, te

ocr page 15

13

bepalen door vier, door hem en de andere Heeren gezamenlijk le benoemen, deskundigen. Daarna zullen de „brieven ende seeckerheijtquot; (koopacte) worden afgegeven en moet hij gedoogen de kaden en wateringen worden gehouden in denzelfden toestand, als die van den Heer van Bueuekode. De kosten van de nederwaarts door Streefkerk en Nieuw Lekkerland te graven vliet, zijn buiten bezwaar van den Heer van Liesveld, zullende daarentegen, dit werk, eenmaal voltooid zijnde, zijne landen in het onderhoud daarvan evenals die der andere Heeren „Mergens Morgens gelijckquot; dragen. Mochten de Heeren van de Overwaard vóór Pinkster van dit jaar 1365 besluiten tot eenen watergang in andere richting, zoo zal men hem niets schuldig zijn, terwijl, indien zulks nü dien dag geschiedt, hem eene schadeloosstelling van 1800 mottoenen moet worden uitgekeerd.

3. üiEDEiiicK, Heer van Br ederoede verklaart in een handvest, gedateerd Maria Hemelvaart 13(55, eeuwigdurend te geven aan de boven hem gelegen landen van Arkel, Herlaer en Sling eland (1) een watergang door zijne vrije heerlijkheden tot Liesveld. Hij stemt er in toe deze te hunnen koste te maken vliet zal worden gegraven met behulp zijner onderhoorigen ter breedte van 13 roeden. De kaden zullen zijn beneden breed 1 roede en boven 8 voet, met eene hoogte van l-Jr voet. Deze heeren hebben het recht, om, indien behalve de door hen gekochte landen nog grond tekort kwam, deze te nemen op aanwijzing van de Heemraden van het op te richten waterschap. Met den Heer van Bkederode zijn zij verplicht te zamen de kaden te onderhouden, terwijl

(1) Dat alleen deze landen en niet die van Lang er ah en Liesveld genoemd worden, is daaruit te verklaren, dar, als hooger gelegen, hun overtollig water door Bredorode's gronden zijn loop nam en de beide andere kunnen geacht worden het water alleen lager uit af te voeren. Van daar ook hier de koopsom der henoodigde landen en de kosten van aanleg alleen door gene betaald werden en die in Liesveld, waardoor allen uitwaterden, gemeenschappelijk, behalve door zijn heer zelf, werden gedragen.

ocr page 16

14

det ot herstel der communicatie te maken bruggen en wegen aan de (Hessen en in Ottoland op gemeenschappelijke kosten „mergens mergens gelijckquot; zullen worden aangelegd en onderhouden, zoodanig dat zij béreidbaar zijn met paard en wagen. De watergang met zijne kaden en bruggen zullen worden geschouwd door een gewaarden rechter en 7 gezworen heemraden; ingeval eene herstelling of verbetering noodzakelijk ware, zal daarin moeten worden voorzien binnen twee dagen na kennisgeving, en heeft, wanneer de schouw daarover niet wordt gevoerd, een der gemelde heeren de bevoegdheid een rechter te benoemen, die als zoodanig tijdelijk optreedt. De bepalingen omtrent het leggen van korven of horden en het visschen in den watergang, benevens het vrijgeleide, voorkomende in het handvest van Liesveld, vinden wij ook hier bijna woordelijk terug. Eindelijk wordt uitdrukkelijk verklaard de watergang „deur den Giessendamquot; behouden blijft; deze werd in de eerste helft der 16quot; eeuw nog eens opgeval, om echter ook weder spoedig te worden verlaten, nadat do watermolens van den buitenboezem, staande aan de Merwede in het begin van den 80-jarigen oorlog waren vernield.

Dit handvest is bekrachtigd door de zegels van Dirk van Brederode, Reinout zijn oudsten zoon, en „onsen lieven geduchten Heere Hertoge Aelbreght.quot;

4. Hartbaren of Herbaren, Heer van Liesveld, geeft bij handvest, gedateerd op „Vrouwendach assumtioquot; van 136G dus een jaar later (1) aan gemelde landen een eeuwig-durenden vrijen watergang door zijne heerlijkheden Ammers, Graveland en Achterland, ter breedte van 11 roeden, met vrijdom van dijk en alle verdere ongelden en het recht van aardhaling ten behoeve der te maken kaden, die zullen

(1) Dat dit handvest een jaar na dat van Hertog albrecht en van Dirk van Brederode werd uitgegeven is wellicht toe te schrijven aan de moeielijkheden welke zich met Heer Herbaren voordeden. Het kwam nu tot stand te gelijk met het hierna sub 5 gemelde contract der hoeren onderling. Opmerkelijk is het evenwel, al deze stukken werden bezegeld op Vrouwendag (Hemelvaart) en onwillekeurig stelt men zich de vraag: was deze dag destijds voor het passeeren van acten bijzonder aangewezen?

ocr page 17

15

worden aangelegd op haar grondvlak breed 1 roede, en op den kruin 8 voet, ter hoogte van 1^ voet. Ten einde de waterloop niet zoude worden belet, mogen door niemand korven of horden worden gelegd, evenzeer is verboden het visschen met netten, op eene boete van 10 pond Hollandsch, waarvan de eene helft zal komen aan den Heer van Liesveld en de andere aan het heemraadschap. Een ieder heeft het recht om,, eenig vischtuig in den watergang aantreffende, hetzelve op te halen en te vernietigen; hij zal, indien er geweld wordt gepleegd en eene vechtpartij te dier zake mocht ontstaan, niet strafbaar zijn voor den rechter van Liesveld, ten ware „'er jemand doot bleve, of oghe uitgesteken of verleemd (lamgeslagen) wordequot;, in welk geval de zaak als zoodanig zoude berecht worden.

Ten einde meerdere zekerheid en kracht aan eenig stuk te geven had men in vroeger tijden dikwerf de gewoonte, (vooral indien het werd verstrekt door eenen edelman \an minderen rang), om hetzelve, bij wijze van getuigenis, ie doen voorzien van de zegelen van een of meer hooger geplaatsten, ten einde er meerdere geloofwaardigheid aan toe te kennen. Zoo ook met dit handvest, hetwelk is voorzien van de zegels van den Heer van Liesveld, van Albrecht van Beijeren en van Otto van Arkel.

5. Vinden wij hierboven vermeld de speciale vergunning-van eeuwigdurenden waterloop door de landen van Brederode en Liesveld en door het Graafschap Holland, van de Giessen tot de Lek, bij eene ordonnantie of overdracht op Vrouwendag Assumptio 1366, bezegeld door de Heeren van Arkel, Brederode, Herlaer, Langerak en Liesveld, allen Ridders, en Toloysen en Slingeland, Knapen, wordt, met belofte van getrouwheid en hulp ingeval van nood, opgericht het Waterschap Overwaard, behelzende de navolgende bepalingen;

De schouw van het nieuwe waterschap zal worden gevoerd over de weteringen en kaden van de Giessen of nabij het Pinkeveer tot in het diep van de Lek aan het Elshout, en wel driemaal in het jaar, te weten: op den

ocr page 18

IG

eersten dag in „Meertenquot;, op „sixte Odolfs dachquot;, en op „sinte Bavendachquot;. Zij wordt gedreven met een door den Heer van Brederode aangestelden „Richterquot;, of rechtsvorde-raar, en 7 heemraden, die den eisch van den dezen al of niet toewijzen, waarvan de Heeren Otto van Arkel, Herlaer, Arent van Arkel, Langerak en Liesveld elk eenen en de Heer van Brederqde twee heemraden aanstellen; daar dit recht van benoeming alleen aan deze personen toekomt, hebben zij evenzeer het recht van ontzetting, mits een nieuwen daarvoor in de plaats stellende. Allen moeten gegoed zijn binnen het waterschap en aldaar woonachtig; bij den aanvang hunner bediening wordt de „Richterquot; beëedigd door de Heemraden en omgekeerd.

Indien de „Richterquot;, als hoofd van het waterschap, het nuttig acht, roept hij de heemraden bijeen; de niet verschijnende verbeurt 10 schellingen Hollandsch, terwijl, indien het de schouw geldt, dit bedrag per dag berekend wordt, alles voor zoover geen bericht van verhindering was gezonden naar „Nieuwerkerkquot; (Giessen Nieuwkerk) alwaar de hoofdzetel van het waterschap gevestigd was, vergaderingen werden gehouden en rekening gedaan, cie Voorzitter woonachtig was en de schouw een aanvang nam.

Alleen dan wanneer het meerendeel d.i. 4 of meer der heemraden tegenwoordig is, mag het bestuur handelend optreden; is een kleiner getal aanwezig, dan worden de verteringen gemaakt op kosten van de nalatigen, totdat de vereischte meerderheid bijeen is. Een uitstekend middel om de achterblijvers, door hen in de beurs te treffen, tot een trouwe opkomst aan te sporen.

De wateringen en kaden worden gehoefslaagd op alle uitwaterende landen, „margen margens gelijckquot;. Nu eent is het een geheel dorp „ongescheidenquot;, aan hetwelk een bepaald vak in onderhoud wordt aangewezen, en is het, op verbeurte van 10 schellingen, verplicht bij elke schouw zijn „Richterquot; (Schout) of gewaarde Bode te zenden om gedurende het geleide aanwijzing te doen, dan weer een enkel los eigendom dat zijn slag kent; in het eerste geval

ocr page 19

17

is eene boete verschuldigd van 10 schellingen, waarvoor het geheele ambacht aansprakelijk is, in het laatste heeft de eigenaar 3 penningen (1) te voldoen.

Het bestuur, eene bekeuring doende, doet de „Richterquot; zoo spoedig mogelijk daarna het werk aanbesteden, voldoet don aannemer uit eigen middelen en ontvangt van den gebrekige do duhhele som voor zich terug. Bij herschouw zal men, in geval het werk wordt afgekeurd, „eene herberge „binnen riden ende teren op der geenre Cost (voor dos „aannemers rekening) dien de kaen onde weteringhe geno-„men hebben te maeckenquot;, eeno bepaling, welke ook in het dijkrecht wordt aangetroffen, doch alsdan ton laste van den dijkplichtigo komt.

Van alle boeten zullen „die Richter ende die Hiemraet „horen Cost mee doen'quot; (zij zullen hieruit hunne verteringen bestrijden), terwijl het overschietende in de kas van het waterschap vloeit; kunnen de verbeurten de gemaakte kosten niet dekken, zoo wordt het te kort over alle landen omgeslagen. Zij moeten evenals de uitgeschoten gelden aan den Rechter te Glessen Nieuwkerk, die dus tevens penningmeester was, binnen 14 dagen worden toegezonden; eenmaal in hot jaar op „Sinte Martinis Missequot; wordt hiervan ten overstaan dor heemraden rekening gedaan.

Reeds na een betrekkelijk kort tijdsverloop maakten „alrehande geschillen, twist ende twedracht, opcomende en de geresenquot; tusschen de Hoeren van de Overwaard mot hunne onderzaten ter eene- en den Heer „van do Lecke ende Bredaquot; tor andere zijde eene nieuwe regeling en uitbreiding van sommige bepalingen noodzakelijk. De schade, welke do laatste aan zijne heerlijkheden Nieuw Lékkerland, Streefkerk, Brandwijk en Bleskensgraaf door het nieuw gegraven waterschap ondervond of beweerde te ondervinden, werd door zijn leenheer, den Graaf van Holland, erkend en was voor dezen aanleiding om zich als bemiddelaar op te werpen

(1) Gelukkige tijd, toen een boete van ceni^e penningen indruk genoeg maakte, om den nalatige voor het vervolg tot zijn plicht te brengen !

2

ocr page 20

18

tusschen do beide partijen „om ons lants verderffenisse te verhoeden.quot;

Met wederzijdsche toestemming werden door den Ruwaard Albregiit van Beijeken twee voorname edelen, zijnde Dirk van Po lanen, Heer van Asperen en Godschalk van Brakel, rentmeester van Zuid-Holland, aangewezen om met hem in het hoogste ressort, doch alleen voor zoover de ondsrwer-pelijke zaak betrof, als rechters vonnis te wijzen, opdat „men althoos te bet weten mach en sel, hoe men recht „van deser Heeren Waterscap voorsz. tot Ewigen daghe „voort meer berechten en behouden sel.quot;

Ten einde aan deze uitspraak meerdere geloofwaardigheid of rechtskracht toe te kennen, werd zij op eene plechtige bijeenkomst bezegeld binnen Dordrecht, door haren „Stede R.aedquot; en door het hoog gerechtshof van Zuid-Holland, bestaande uit den Baljuw en zijne zeven „getrouwe Mannen.quot;

Men vindt hierin de toepassing van een der bepalingen van het oud-Hollandsch recht, dat de rechter wel over zijne gelijken en minderen in rang en stand kon vonnissen, doch nimmer eene beslissing mocht nemen in geschillen waarin edelen betrokken waren, wanneer hij zelf niet daartoe behoorde; en aangezien de rechterlijke en andere lagere ambtenaren in dien tijd in den regel werden aangevuld uit de zoogenaamde klasse der „Welgeborenenquot;, die van ouder tot ouder staatsbetrekkingen hadden bekleed, zonder evenwel van adel te zijn, zoo kon ook hier de Hooge Vierschaar slechts rustig en lijdelijk toezien en was eene speciale adelijke rechtbank noodzakelijk, waar het een geschil gold tusschen de eersten van den lande.

Het vonnis, dat meer als een aanvulling op de vroegere handvesten mag beschouwd worden en door de bekrachtiging van den Ruwaard dan ook wel als zoodanig kan worden aangemerkt, dateert van 18 Juli 1384 en behelst de navolgende bepalingen:

De Heeren van het Waterschap zullen vóór Sint Jacobmis van het jaar 138G doen maken en altijddurend onderhouden de waterkeeringen;

ocr page 21

19

1. Van den Giessenachterdijk, thans meer bekend als Damscheweg' of ook wel om hare onbegaanbaarheid Vnilen-dam, aanvang nemende in de onmiddellijke nabijheid dei-kerk te Giessen Oudekerk, noordwaarts op tot den polder LaaghloMand, van daar oostwaarts tot de ZW. punt van Ottoland en eindelijk noordwaarts tot den Brandwijkerweg; hiertoe zal worden genomen een weer land, of wel, indien dit noodig is, de grond overdwars, tor breedte van Si-roede , waarop zal worden aangelegd eene kade hoog 2 voet, welks grondvlak moet zijn ter breedte van U- roede, en boven op 1 roede breed.

2. Van den Brandwijkerweg tot de Ammersche brug breed 2 roeden, met eene kade als voor.

3. Van deze brug aan de Noord- en Zuidzijde van den watergang tot „Schoonenburger Sijtwijnquot; of „Sijdewijndequot; (thans nog bekend als Zijdebrug of kade) breed 3 roeden met een kade als voor.

4. Van daar tot den „opganckquot; (1) als voor; alleen de kade moet 8 voet hoog zijn.

5. Van den „opganckquot; tot den Lekdijk als voor, met eene kade van 2 roeden breed op het grondvlak, boven op 1 roede en ter hoogte van 3 voet.

Zooals uit het hiervoor aangehaalde handvest van Hertog Albrecht blijkt, was eene dergelijke bepaling tot voorkoming van het overloopen en lekken der kaden slechts zeer vaag omschreven en dan nog alleen wat betreft het gedeelte tusschen Amruers en de Lek. Toen in 1365 de Lekdijk bij het Elshout was geopend en de Giessen afgedamd, scheen men nog zeer weinig bekend met de bezwaren aan deze nieuwe kunstmatige wijze van waterafvoer verbonden, welke te voren onbekend waren bij den ruimen open boezem van do Giessen, om hare diepte door de natuur, als het ware, aangewezen tot een uitnemend afvoermiddel. Men had

(1) Het punt waar de waterschappen van do Overwaard en Nederwaard met elkander evenwijdig gaan loopen.

9*

ocr page 22

20

zich geene voorstelling kunnen maken van het nadeel dat de massa's kwel- en regenwater zouden kunnen toebrengen aan de westelijk gelegen landen van de Nedeiwaard. Het laat zich dan ook geredelijk verklaren, dat de Graaf van Holland, in het belang van zijn gebied, dadelijk bereid werd bevonden door deze uitspraak eene regeling in het leven te roepen, waardoor een overvloeien van het overtollige water van de Over- in de Nederwaard, buiten geval van overstrooming, tot de onmogelijkheden zou behooren.

Ten einde het den Heeren van de Overwaard gemakkelijk te maken, werd voorts bepaald, dat de gehecle landstreek, tusschen het waterschap van de Alhlas en het nieuw ge-gravene, aardplichtig zal zijn tot daarstelling en onderhoud der voorgeschreven werken, tegen vergoeding van den gewonen koopprijs van den grond. Daar het echter in deze tijden meermalen gebeurde, de landerijen door regen en kwel diep onder water stonden, voorzag men de mogelijkheid, dat de benoodigde aarde niet zou kunnen worden uitgegraven, en werd voor dit geval, ook voor onderhoud, geene nalatigheid van de zijde der Overwaard verondersteld. Ook zal de Overwaard verplicht zijn alle bestaande bruggen en heulen te onderhouden, zoodanig dat zij met paarden en wagens kunnen worden bereden, terwijl de gemeenschap tusschen AlUasserdam en Nieuw Lekkerland, welke door het graven van het waterschap was verbroken, hersteld zal worden door het maken van een voetbrug, die men ook te paard kan berijden, en een stoep ol' oprid, waarmede de Tiendweg te bereiken is. Ten einde eenige grens of afscheiding te verkrijgen, is de Overwaard verplicht te maken aan de noordzijde van het waterschap, van de Ammersche brug tot Elshout, en aan de zuidzijde van daar tot het waterschap van de Albla*, hein- of kadesloten, wijd 6 voet, terwijl aan de eigenaren der daaraangrenzende erven de zeer bezwarende verplichting werd opgelegd om die sloot te verbreeden dour haar nog te doen uitgraven 'ói voet.

ocr page 23

21

De schouw of beschouwing der waterkeeringen en watergangen zal, te beginnen aan de Giessen, worden gevoerd door de Heeren van de Overwaard, of, zooals bijna altijd plaats had, door hunne gezworens (ambtenaren), elk jaar op St. Jacobsdag in den zomer. De Heer van de Lek of zijn vertegenwoordiger, de kade enz. niet naar genoegen bevindende, heeft het recht zich op eigen kosten in de schouw te begeven en het bestuur op de gebreken te wijzen. Werd door hem alles in orde bevonden, of verzuimde hij de schouw bij te wonen, zoo is door hem een vol jaar achtereen de bevoegdheid verbeurd, om eenige bekeuring te doen op de hoogte of breedte der kade, op het lekken en overloopen er van, enz.; in dit geval zal hij hiervan kennis geven aan den „Richter ter Nijerkercke aen de Ghijssenquot;, dat is het hoofd van het Waterschap, wonende te Giessen-Nieuwkerk, aangesteld door den Heer van Gies-sENBuac. Deze zal binnen drie dagen daarna het werk aanvangen, met drie man op elke roede, bij gebreke waarvan de bode of afgevaardigde van den Heer van de Lek op kosten van het Waterschap daarin mag voorzien met een zelfde aantal werklieden, welke voor hun loon daags niet meer zullen genieten dan 6 grooten. Hetzelfde zal geschieden bij nalatigheid in het onderhoud van de bruggen en heulen in het Waterschap, die in dat geval door genoemden bode met behulp van twee of meer gezworenen van het betrokken ambacht zullen worden besteed. Ten einde de voorschotten, welke te eeniger tijd door den Heer van de Lek te dezer zake mochten worden gedaan, om somtijds het dubbele of het tweedubbele van den „beschouwerquot; d.i. de Watergraaf terug te ontvangen, te verzekeren, werd voor dezen laatste bij zijne aanstelling gevorderd eene zekere gegoedheid „binnen der Heerschappien van der Leckequot;, hetzij aan goederen, hetzij door het stellen van eenen borgtocht, waarop het verschuldigde ten allen tijde zoude kunnen worden verhaald.

Voorts wist men in het belang van de ambachten, gren-

ocr page 24

m

zende aan de Noord- en Zuidzijde van het nieuw gegraven waterschap, te bedingen het recht om daaruit len allen tijde water te kunnen aftappen, en dit te doen door middel van duikers of zijlen, op eigen kosten aan te leggen; omgekeerd echter, n. 1. eenige nitloozing van het ambacht in de Vliet, zou nimmer worden toegestaan. Om dit doel te bereiken zal aan ieder der betrokken ambachten, voor zoover het van dit recht wenscht gebruik te maken, een gedeelte kade ter lengte van 1 roede worden aangewezen, met de verplichting om het op de vereischte hoogte en breedte te houden. Voor zoover ons bekend is, werd slechts door de aangrenzende landen van Streefkerk, Bleskensgraaf {[) en Albla$ van de hier toegekende bevoegdheid gebruik gemaakt, daar het doel, om in den zomer bij watergebrek de gronden te drenken, beter bereikt werd door een onmiddelijken aanvoer uit de Lek of Graafstroom.

Eindelijk werd de Heer van de Lek bevestigd in zijn ambachtsheerlijk recht over het binnen zijn gebied gelegen waterschap, en werd hem 1/3 aandeel in de boeten op het visschen en een zeker gedeelte in de vischvangst toegekend.

De niet onvoordeelige voorwaarden, ten behoeve van den Heer van de Lek bedongen, en zijne inmenging zelfs in het bestuur en de huishouding van de Overwaard, welke zich tot Giessen-Nieuwkerk, dus verre buiten zijn gebied, uitstrekte, waren eenwen achtereen erkend. Terloops zij hier opgemerkt, dat in den jare 1614 de Schouten en Gerechten van Streefkerk, Nieuw Lekker land en Alblasserdam echter aanleiding vonden om tegen de Overwaard een belangrijk proces, tot zelfs bij den Hove van Holland, op touw te zetten,. nopens de toepassing van eenige bepalingen van het handvest van 1384.

(I) Vreemd klinkt het, dit bij handvest verleend onveranderlijk en blijvend recht bij resolutie van den 30 Augustus IGST door het lïestuur //tot wederopzeggens toe is geconsenteerdquot;.

ocr page 25

Of men de einduitspraak quot;van dit, rechts-collegie niet hcefl. willen afwachten, dan wel eene vingerwijzing kreeg om de zaak liever door arbiters of scheidsmannen te doen uitmaken, zeker is het de partijen goed vonden, het geschil in het hoogste ressort te onderwerpen aan het oordeel van een viertal rechtsgeleerden, waarvan 3 schepenen en oudschepen van Dordrecht, met de verbindende bepaling, dat, ingeval van niet nakoming, ten behoeve der Armen zal zijn verbeurd eene boete van twee ponden Vlaamsch. Bij eene acte van compromis, door hen uitgebracht op den 28 Augustus 1G14, werd in hoofdzaak het navolgende bepaald:

De prijs van elke schaft aarde, die de Overwaard, krachtens het haar verleende recht van aardhaling ait de landen van Streefkerk, Nieuw-Lekkerland en Alhlasserdavi, gedurende de eerstvolgende 25 jaren zal noodig hebben lot het onderhoud der kade, zal zijn 6 stuivers 12 penningen. Na dien tijd zullen beide partijen wederom geheel vrij zijn om dezen prijs te verhoogen of verlagen, naar gelang van de tijdsomstandigheden en de koopwaarde der landerijen.

Ingeval van het recht van aardhaling wordt gebruik gemaakt, zal het onderhoudsplichtige ambacht minstens 2 dagen te voren aan den landeigenaar of gebruiker van zijn voornemen kennis geven.

Telken jare op den 22 Mei zal op de brug, over de Peursumsche Vliet, nabij Glessen Nieuwkerk, van wege Streefkerk, Nieuw-Lekkerland en Alhlasserdam de keur-cedulle overgegeven en aanwijzing gedaan worden van de gebreken aan de kaden en bruggen, door hunnen gezworen bode aan het Bestuur van de Overwaard. Wordt hieraan niet voldaan, dan worden de bezwaren andermaal, maar nu op Sint Jacobsdag en wel op den meer nabij gelegen Sint Jacobsbrug, onder Ottoland, overgeleverd, om, ook daarna nog niet aan den eisch voldaan zijnde, te handelen als in de uitspraak van 1384 is bepaald.

Eindelijk wordt de verplichting, dat het hoofd van het

ocr page 26

24

waterschap gegoed zal /ijn binnen de heerlijkheid van de Lek, of aldaar eene borgtocht moet stellen, gewijzigd dooide bepaling- dat, ingeval vnn niet voldoening van door den gezworen bode voorgeschoten gelden ter zake van onderhoud van bruggen, kaden of heulen, de goederen van de Overwaard, bestaande in de boezendanden en het Gemecne-landshuis aan het Ehhovt, volgens dijkrecht zullen worden verkocht.

Was tot aan het jaar 1365 de inrichting en het bestuur van de oorspronkelijk in de Giessen uitwaterende landen op de meest eenvoudige wijze ingericht en kon tot op dien tijd elke op zich zelf staande heerlijkheid tot de bestaande vereeniging toetreden, na daartoe vergunning te hebben bekomen en voor eigen rekening een afvoerkanaal te hebben doen graven naar den boezem of een barer vertakkingen, door de oprichting van het waterschap in dat jaar zien wij een geheel anderen weg ingeslagen.

Een gemeenschappelijk gebruik, van een zelfden watergang, loopende van de Giessen tot het Elshout, treedt op den voorgrond, terwijl zijn onderhoud wordt gebracht ten lasie van die landen, welke door den afvoer van het overtollige water kunnen geacht worden, geheel of gedeeltelijk daarbij belang te hebben.

Daarom bleven ook b.v. sommige lager gelegen heerlijkheden, als: Liesveld, Goudriaan, Noordeloos, Ottolandenz., geheel vrij van eenige bijdrage in het onderhoud van den hooger gelegen Dwarsgang en Smoutjesvliet en strekte hun onderhoudsplicht niet verder dan tot dat gedeelte van het waterschap, waardoor zij gerekend werden nederwaarts af te wateren. De meer verwijderde en hooger gelegen landen als Arkel, Ameide, Grootewaard, Giessen-Nieuwkerk, Hardinxveld, enz. waren daarentegen met toepassing van dat beginsel bezwaard met het onderhoud van hun evenredig aandeel in al de vlieten en kaden te zamen.

ocr page 27

De destijds reeds heerschende regel: „zonder lusten ook geen lastenquot;', maakte het bestuur van de Overwaard zeer moeielijk en omslachtig tevens, niet alleen voor de ambtenaren, maar ook voor de onderhoudsplichtige landen, die evenals in het dijkrecht gehoefslaagd werden „ margen margens gelijckquot; en dus naarmate van hunne grootte een zoogenaamd „slagquot; werd aangewezen in de vlieten met daaraangrenzende kaden. De bruggen, sluizen en andere werken waren voor rekening van hot waterschap, zoodat alle landen gelijkelijk betaalden in hun onderhoud; eene instelling, die den grondslag vormde van het tegenwoordig vrij algemeen gehuldigde beginsel, dat de onderhoudswerken van een waterschap niet moeten worden uitgevoerd door verschillonde personen of lichamen, maar uit eéne hand, die van hot waterschap zelf. waardoor de belangen van het algemeen worden in het oog gehouden, met terzijdestelling van voorrechten aan de een boven den ander toegekend.

Hoewel de schouw werd gevoerd te beginnen aan do twee vlieten aan de Giessen (1), tegenover Oiessen-Niemvkerk, werd in bet zoogenaamde slagboekje, waarin waren aange-tcekend de lengten der verschillende slagen in onderhoud bij de betrokken landen, aangevangen aan het Elshovf.

Het geheele waterschap met bijbehoorende kaden was verdeeld in negen vakken, waarin aan alle Ambachten of alleen aan die, welke als belanghebbenden konden worden aangemerkt, hun gedeelte was aangewezen, hetwelk in roeden, voeten en duimen was uitgedrukt en door palen afgebakend, te weten:

1. Van het Elshout tot de Vijf Vlieten.

O) Re Giessen, die sinds de afdamming bij GUessendam minder als af-voerkanaal dan wel als mime boezem dienst deed, werd nief geschouwd , evenmin hare vertakkingen en watergangen, die, uitsluitend ten behoeve dei-oostelijk gelegen landen van Ar hel, Ameide enz., ook alleen door deze en niet door bet waterschap werden onderhouden.

ocr page 28

26

2. Van daar tot do Zijdebnig.

3. Van daar tot de Ammersche brug.

4. Van daar tot de Ammersche sluis aan de Lek.

In elk dezer vier vakken ontvingen alle uitwaterende ambachten een slag, terwijl daarenboven de Overwaard inhet le en 4e eveneens een gedeelte bij het Elshout en aan de Ammersche sluis werd aangewezen (1).

5. Van de Ammersche brug tot den Dwarsgang of de Drie Vlieten.

Hierin contribueerde alleen Liesveld niet.

6. Van daar tot de Giessen, zijnde de westelijkste Vliet.

7. De zuidzijde van den Dwarsgang (2) benevens 120 roeden in Smoutjesvlict tot nabij den Staartmolcn.

In 6 en 7 waren alleen niet belast Oud-Goudriaan, Noordeloos, Liesveld, Ottoland, Nieuw Goudriaan en Lang er ak.

8. Het overigegedeelte van Smoutjesvliet tot aan de Kerper-brug nabij Pinkereer.

Behalve de bij 6 en 7 genoemde landen waren ook Giessen Bovenkerk en Peursvm hierin niet gehoefslaagd.

9. Do Noordzijde van den Dwarsgang en voorts tot de Goudriaansche brug werd slechts onderhouden door Oud-Goudriaan, Noordeloos. Nieuw-Goudriaan en Langerak, hetzij elk afzonderlijk, hetzij in gemeenschap met anderen, terwijl daarenboven het onderhoud van een zeer klein slaagje, genaamd „de Kennisquot;, een particulier karakter droeg.

Klonk het ons vreemd in do ooren, toon wij vernamen dat in dijkzaken, b. v. Giessen-Oudekerk te Alblasserdam en Molenaarsgraaf te Ameide hun gedeelte dijk hadden te onderhouden, niet minder onbegrijpelijk schijnt een toestand.

(1) Waarom deze vier vakken niet als een hadden kannen worden beschouwd en daarin aan elk der onderhoudsplichtigen slechts een evenredig aangewezen werd, is ons onbegrijpelijk. Of men nog niet reeds genoeg aan de versnipperingsmanie mank ging.

(2) Deze Dwarsgang bestaat uit een noordelijk en een zuidelijk gedeelte gescheiden door het zoogenaamde Middenland.

ocr page 29

27

waar de achterliggende landen als Ameide, Ar kei, Hardinxveld enz., verplicht waren tot een onderhoud in natura op acht verschillende plaatsen, die vele uren uiteen liggen, terwijl andere veel minder heiast waren en slechts vier of meer gedeelten voor hunne rekening namen. De uitgestrektheid dezer vakken als h. v. van het le was dikwijls zoo gering, dat aan vele ambachten niet meer dan eenige tientallen meters kon worden aangewezen; wanneer men nagaat dat de geringste krenking van beweerd recht den naijver bij den middeneeuwschen ridder opwekte en hem tot het uiterste vervoerde tegenover zijnen nabuur, clan is het onder deze omstandigheden ook niet te verwonderen, dat tusschen de aangrenzende onderhoudsplichtigen te dikwijls de grootste oneenigheid ontstond over de geringste oorzaak.

Bovenstaande regeling van lasten doet een juisten blik slaan in de wijze waarop de verschillende ambachten het overtollige water afvoerden en men ziet er uit deze tl.ans bijna onveranderd plaats heeft.

Tot het Jaar 1365 was van een gemeenschappelijk onderhoud van watergangen geen sprake.

Na de nieuwe regeling kwam men in een anderen toestand; de nieuw gegraven waterloop ter diepte van li a 2 Meters aangelegd, vereischte, op gevaar af van spoedig geheel te zullen dichtgroeien, elk jaar een behoorlijken schoonmaak van de weelderig groeiende waterplanten als: „Zworlen, Ruigt, Lies, Biezen en andere Vuyligheyt, „benevens de vaststaende Groenten op de Ribben,quot; welke allen tot den grond zullen worden afgesneden en op de kaden gebracht. Het openhouden der reeks van „Vlietenquot;, tot het Elshoiit toe, was dus een levenskwestie voor het waterschap ; scherp toezicht en strenge strafbepalingen waren noodzakelijk om het geheel aan zijn doel te doen beantwoorden.

Hoewel van veel minder omvangrijken werkkring dan het Bestuur van het hoogheemraadschap de Alblasserwaard, had de wijze van beheer van het waterschap van de Overwaard al zeer veel overeenkomst met die van den

ocr page 30

28

lioogon ringdijk. Even als op dezen laatston de dijkgraaf als rechtsvorderaar optreedt en van de hoogheemraden een vonnis vraagt op eenen door hem ingestelden eisch, zoo verlangt ook hier de „Richterquot; (echter niet als vertegenwoordiger van den Graaf van Holland) eene rechtspraak van de in oneffen getale (7) aanwezige heemrarler, waarvan de oudste als voorzitter optreedt. Beiden zijn hei hoofd van hun heemraadschap en tevens van het bestuur; zij heëedigen de heemraden, schieten de penningen voor uit eigen middelen, waar eenig herstel of onderhoud werd verzuimd, om die, behalve nog de boeten, met eenige honderden percenten vermeerderd, op den nalatige te verhalen.

De aard en het wezen van beide lichamen zijn echter zeer verschillend; terwijl het hoogheemraadschap steeds het oog naar buiten gericht houdt en bij een naderend gevaar op de dijken post vat om met alle krachtinspanning-het onder zijn toezicht geplaatste gebied aan het woedende element te betwisten, een strijd somtijds op leven of dood, die in enkele uren de vreeselijkste ellende kan veroorzaken, stelt het waterschap zich een nederiger doel met minder wisselvallige uitkomsten, n.1. om het aanwezige overtollige water, hetzij ter oorzake van regen of kwel, dan wel van overstrooming, op de meest geschikte wijze zoo spoedig mogelijk onschadelijk te maken, door het met natuur- of kunstmiddelen geleidelijk af te voeren naar een der hoofdrivieren, en daarbij partij te trekken van do gegeven omstandigheden, die dit het meest kunnen bevorderen. Staat bij het eerste „waterkeer ingquot; voorop en beijvert men zich de dijken hoog en krachtig te maken om hen als oen onwrikbaar bolwerk aan don drang van buiten weerstand te doen biodon, - het andere hooft hot ideaal „waterlossingquot;, hetwelk in de laaggelogen Alblasserwaard kan gezegd worden, te zijn bereikt, bij een minimum van hemel- en kwelwater, lage water-of ebbestanden, goede stoommachines en veel wind.

Zagen wij tot hiertoe hoe de Overwaard tot stand kwam.

ocr page 31

29

door wie zij werd opgericht, hoe de verdeeling van onderhoud geschiedde, enz., thans gaan wij over tot eene korte beschouwing over de bij haar in dienst zijnde ambtenaren en hunnen werkkring. Hoewel opgericht door den adel, kon men in deze woelige tijden van de eersten van den lande niet verwachten, dat zij het zwaard zouden wegwerpen om bezigheid te zoeken in het nagaan hunner uitgestrekte goederen. Wel hadden zij zich in het jaar 1365 beijverd om in hoofdzaak eene betere afwatering hunner landen te verkrijgen, maar daaibij bleef het. Het was nu eenmaal geen gebruik, en in strijd met de ridderlijke waardigheid, om dezen nederigen werkkring tot hoofddoel te maken. Begeerig naar roem, verkozen zij het oorlogsveld of het tournooi met de daaraan verbonden feesten, terwijl hunne godsvrucht veelal oorzaak was van een jaren lange afwezigheid, voornamelijk in het Heilige Land ter bestrijding der ongeloovigen. De waarneming hunner belangen werd opgedragen aan Drost of Schout, die als vertegenwoordiger zoowel in administrative als rechts- en polderzaken een bijna onbeperkt gezag uitoefende, en, ingeval het eene zoogenaamde vrije heerlijkheid gold, zelfs over leven en dood op de meest eenvoudige wijze beschikte.

Waren zij vóór 1365 heer en meester binnen hun poldergebied en konden zij op waterstaatkundig terrein naar welgevallen te werk gaan, door het handvest van dal jaar werden hunne handelingen eenigszins beperkt door wettelijke bepalingen en kwamen zij of hunne onderhoorigen, in sommige gevallen te staan, onder het gezag van den „gesworen rechterquot;, aangesteld door den tijdelijken Heer

VAN GlESSENBURG. (1)

De gezworen Heemraden waren zeven in getal, waarvan 2 werden benoemd door genoemden Heer van Giesseneurg,

(1) Uitsluitend aan deze heerlijkheid bleef dit voorrecht verbonden, zoodat toen zij in 1412 overging op het geslacht van gent het recht van aanstelling voor Brederodk verloren ging, en ook daarna aan eiken opvolgenden bezitter toekwam.

ocr page 32

30

terwijl de overigen door do voornaamste Heeren als die van Arkel, Ameide, Liesveld en Langerak werden afgevaardigd.

De grootere invloed, welke hierbij aan de Heeren van Brederode werd toegekend, meenen wij te moeten toeschrijven aan hunne uitgebreide grondeigendommen en als gevolg daarvan hun meerder belang. Behalve de later door aan-huwelijking verkregen heerlijkheden Herlaer met Vianen, bezat dit huis te dezer tijd alleen (1) in de Overwaard de landen van Goudriaan, Giessen- Nieuwkerk, Peur sum, Slinge-land. Giessen Bovenkerk en Hardinxveld, samen ter grootte van 2452 morgen of meer dan 1/5 van de geheele oppervlakte van het waterschap.

Berustte de macht van samenstelling van het hoogedijks-bestuur voor een groot gedeelte bij den Graaf, vooral door de benoeming- van den dijkgraaf, in het beheer van de Overwaard werd aan de Staatsmacht niet de geringste invloed toegekend, eerstens omdat de Regeering als regel had aangenomen zich niet te moeten mengen in de handelingen van de lagere waterschapsbesturen, aangezien liet behoud der betrokken landen reeds genoeg verzekerd was door zijne inmenging in het dijksbestuur en ten andere omdat de binnen haar gebied gelegen landen als vrije en onafhankelijke heerschappijen, los waren van de Grafelijkheid; alleen en dit was noodzakelijk om haar liet vereischte rechtsbe-staan te verzekeren, had hertog Alhrecht het waterschap als zoodanig erkend, welke erkenning ook daarom waarde had, aangezien de gegraven watergang door diens gebied loop nam.

(1) In de Nederaard had het in eigendom Pajjendrecht, Wijngaarden en Hofwegen^ samen ruim 1420 morgen. Naar dit grondbezit te oordeelen, waarvan de Brederodes reeds eeuwen het genot hadden, klinkt de overlevering, als zou hun door de eerste graven van Holland alhier het land met //breede roedenquot; zijn toegemeten, niet vreemd, en mag het dus niet onwaarschijnlijk worden geacht, dat deze in onze geschiedenis zoo bekende familiestam, in deze streken en niet, zooals sommigen beweren, nabij Haorlem, zijne eerste en meest uitgebreide bezittingen heeft gehad.

ocr page 33

31

Hiermede heb ik getracht een overzicht te geven van het ontstaan en de maatregelen en handelingen van liet souverein en plaatselijk gezag, waardoor het waterschap de Overwaard werd gevestigd en de grondslagen zijn gelegd voor zijne tegenwoordige inrichting.

Gaarne had ik eene volledige geschiedenis van de Over-wuard gegeven doch ik moet mij voor het oogenblik tot dit tijdvak bepalen. Mocht het evenwel blijken, dat door dit geschrift eenige belangstelling, vooral onder de inwonenden van de Overwaard, is opgewekt geworden voor de merkwaardige geschiedenis van dit waterschap, dan zou reeds daardoor mijn moeite beloond zijn en tevens een aansporing zijn gegeven dezen arbeid voort te zetten.

L.

October 1887.

ocr page 34
ocr page 35

,;..' ' ' .■■ quot; ■■- • . ' . ' ■ • « ' ■•.;■; •

.■. -■, . .. ■ v quot; ■ ■ 'quot;'•;• \ . -■''£? . - ■ lt; \

■■■ ■ • ■ ■■

. - ■ ■ , ; ; . , . :gt; .. ' .■' - ■' :v

■ : : ( ,.. ■ - • -v-■, ' quot; % /,

- /. ' , ' ' ' , • ■ ' ' ■■■- -

■ . '■ ■ -V • , ;■ 'ij V'-■ . ; ■' - ■••-.■.r

:-y. /■'VC , ■'-V

' : ' '■■■■ ,; ■ ■: ; 'V;'; ^ ï ' ' f' : , '■■■:■ :: v■:'V

, . '■ ■ • , : ^ : . •■ s v1

•: V,:: : , ; , ■ : ■■ ■ ; -

??,'a': ■ : : X . ' ; ■; : \

y..r }' ■ V.'f.V'': - - ■ ■

■ ■lt;.•:■''.•. v' v .l-'-v :■ ■-■■ ■■ w ■„(

,vf;V

V:,'. ■ ■ : / .. ■ - . ■ ■ - 'V.',.- ■ ■ ' : ■ ■■,■■■ ..,■

■ .. V ■■■ . .. . ..■..

; v.,; ••. •■ - • •; ■ • i. • ■ .•; ; v ; .-• . v-quot;'. • - ■ ,

^ ' X v^:v^v ■ - ^ ■•• . : VV:^

p-m - -- ■•vs.,..,

_ : _■

ocr page 36

.

■

■

.

' \