ocr page 1

rak 62

li-

[\ J1F.

NE -ER-LANDEN.

Jslaar het Fransch van ^elix ^Klein

DOOR

•t®- ••

Tquot;~gt;KRMOND. — HENRI VAN DER MARC-

107

ocr page 2
ocr page 3

Gaat en onderwijst alle volkeren.

p dit oogenblik is de verdeeling van Afrika door de Europeesche Mogendheden, een voldongen feit. Na de inbezitneming van de kusten der Middellandsche Zee, van den Atlantischen-en van den Indischen Oceaan, trekken de volkeren van het beschaafde Europa allengs-o kens dieper en dieper hot uitgestrekte werelddeel binnen, dat nog niet heel lang geleden, door eene kinderachtige onwetendheid werd afgemaald als eene akelige woestenij van zand en vuur, maar welks rijkdommen, vruchtbaarheid, uitgestrekte binnenzeeën, lange en breede stroomen, reuzenwouden en landen door ontelbare volksstammen bewoond, eensklaps als bij tooverslag, dóór koene ontdekkers voor 't oog der verbaasde wereld ontsloten zijn.

't Is nu, aan het einde der negentiende eeuw, eene herhaling van den toestand, die in de laatste jaren der vijftiende eeuw, door de ontdekking van Amerika werd verwekt.

't Is hetzelfde bejag naar nieuwigheden, dezelfde zucht naar lotgevallen, en eene gelijke geestdrift, waarmee de volken van Europa, nu evenals te dien tijde behept zijn.

Frankrijk, beheerscher van Algiers, Tunis, de landen aan den Senegal en de noordelijke oevers van den Beneden-

ocr page 4

GAAT EN ONDERWIJST ALLE VOLKEREN.

Congo, tracht en terecht, zijn invloed te verspreiden tot aan gene zijde van de Sahara, in 't gansche bekken van den Boven-Niger, tot aan Tomboctoe en het Tehad-Meer. De Engelsche vlag wappert over al de zuidelijke, oostelijke en noord-oostelijke gewesten, en vormt van af de Kaap de Groede Hoop tot aan 't kanaal van Suez een onmetelijk rijk, welks grenzen ternauwernood even onderbroken worden door de oude Portugeesche koloniën en de nieuwe Duitsche en Italiaansche bezittingen. België's wingewest „slingert zich om den Evenaarquot; van af den Atlantischen Oceaan tot aan de bronnen van den Congo, en heeft reeds een begin gemaakt met den aanleg van spoorwegen langs de oevers van den reu-zenstroom.

De Kerk tracht op haar beurt „het Zwarte Wereldeelquot; voor de leer van den Christus te winnen. Langs de geheele uitgestrekte kust hebben de katholieke zendelingen staties opgericht. Fransche missionarissen verkondigen in Algiers en Tunis de Blijde Boodschap.

Marocco en Benguela is 't arbeidsveld van Spaansche en Portugeesche priesters.

In de Kaapkoloniën werken Engelsche en lersche apostelen. Lang reeds hebben de heldhaftige en nederige zonen van Eranciscus vasten voet gezet in Tripoli, Egypte en 't land der Gallas. De Lazaristen prediken 't Evangelie in Abyssinië. Het Congogebied, Zanguebar en de landen aan den Senegal tuigen van den geloofsijver der Paters van den H. Geest, terwijl het Genootschap der Afrikaansche Missiën van Lyon, in Guinea en in het koninkrijk Dahomey, de Oblaten van Maria in Natal, en de nimmer moede Jesuïeten op Madagascar en aan de oevers van den Zambesi-stroom, de ongelukkige zonen van Cham uit de boeien des Heidendoms trachten te verlossen.

Al deze staties evenwel zijn reeds van betrekkelijk ouden datum; geen enkele missie, die van Oebanghi in 't Eransch Congogebied uitgezonderd, is nog diep in 't binnenland

6

ocr page 5

GAAT EN ONDERWIJST ALLE VOLKEREN.

doorgedrongen; niet eene strekt zich tot in het hart van Afrika uit.

Nauwelijks had echter in 1876 de Internationale Conferentie te Brussel haar voornemen bekend gemaakt, alle pogingen te ondersteunen, die zouden strekken om de nieuw ontdekte landen -voor de beschaving te winnen, of de Kerk rekende het zich tot plicht, hare geloofshelden derwaarts te zenden.

Voornoemde Conferentie had verklaard geen bepaalde geloofsbelijdenis te bevoorrechten. Hoe hadde zij 't ook kunnen doen, samengesteld als zij was uit leden van velerlei richtingen. Katholieken, Protestanten en zelfs Vrijdenkers.

Toch zou zij, verre van de prediking des Evangelies te bemoeilijken, volgaarne hen beschermen,die zich voor het Missiewerk wilden opofferen.

Kardinaal Franchi, Prefect der Propaganda te Rome, was de eerste, die de aandacht des Pausen vestigde op de werkzaamheden der Brusselsche Confereatie, en op de toekomst die zich voor de bewoners van Centraal-Afrika opende. Pius IX, wiens loopbaan ten einde spoedde, en wien de meeste Kristen natiën niets dan groot hartzeer berokkenden, richtte met een zekere verlichting zijne blikken naar de nieuw ontdekte wereld, waar zooveel zielen voor de Kerk te winnen vielen.

Maar . er moest gewerkt worden. Er was geen tijd te verliezen. De andersdenkenden, die in Brussel de meerderheid vormden, waren in hun bekeeringszucht reeds ten arbeid uitgetogen. Het plan ter verovering van Afrika's binnenlanden, was reeds door de organen der Evangelische Maatschappijen van Londen en New-York uitgewerkt, en een jaargeld van meer dan vijf millioen, dit wil zeggen, haast zooveel voor ééne missie, als de Propaganda voor het missiewerk over den geheelen aardbodem beschikbaar heeft, was het Protestantsche bekeeringsgenootschap toegewezen.

Op bevel van Pius IX, vroeg in 1877 de Propaganda de

7

ocr page 6

GAAT EN ONDERWIJST ALLE VOLKEKEN.

oyersten der Toornaamste missiën in Afrika om raad, hoe het geschiktst in de nieuw ontdekte streken Tan hetgroote werelddeel moest gehandeld worden. Eenparig luidde het antwoord: dat onverwijld eene katholieke missie, diende te worden opgericht, op dezelfde plaats, waar ook de Brus-selsche Maatschappij haar middelpunt van werkkring zou gaan vestigen.

Deze katholieke zending zou genoemd worden: de Missie van Aequatoriaal-Afrika, en even als de bezittingen der Internationale Maatschappij, zich uitstrekken over hetZam-besi-gehied, tot aan do door Egypte nieuw veroverde gewesten en het onafhankelijk gedeelte van Soedan, en grenzen ten oosten en ten westen aan de staties der Paters van den H. Geest in Zanguebar, langs de kusten der Indische zee en het Beneden-bekken van den Congo, op de kusten van den Atlantischen Oceaan.

Eene groote moeilijkheid echter deed zich voor.

quot;Welke Congregatie zou onmiddellijk zooveel krachten en zooveel middelen ter harer beschikking hebben, om een arbeidsveld te bedienen, reiliende van den eenen oceaan tot aan den anderen, en omvattende zooveel onveilige en onbekende gewesten, gelegen tusschen den lün graad noorderen den 15n graad zuiderbreedte?

Was nu niet reeds den verschillende Genootschappen tot Voortplanting des Geloofs in Afrika, een onmetelijk gebied tot werkkring aangewezen, en vorderde dit reeds nu niet al hunne inspanningen?

8

ocr page 7

II.

De Wiite Paters.

^ 7 ITT

gr. Lavigerie was in zijne hoedanigheid van ^ Congregatie-overste, door de Propaganda ook geraadpleegd. Hij stelde dadelijk het Genootschap der missionarissen van Algiers, of der quot;Witte Paters, door hem in 1868 opgericht, ter beschikking van den II. Vader. Het doel der stichting was aanvankelijk, de verzorging der ongelukkige Algerijnsche weezen, door Mgr. Lavigerie tijdens den verschrikkelijken hongersnood in 1867 bijeen verzameld.

'tquot;Was toen dat de katholieke priesters, altijd door de Pransche Regeering gedwarsboomd, voor het eerst onbelemmerd hun invloed bij de zwaar geteisterde mahomedaan-sche bevolking konden doen gelden. De nieuwe Congregatie blaakte van ijver voor het liefdewerk, en wijdde zich aldra uitsluitend aan de bekeering van geheel Afrika, 't quot;Was bij gelegenheid van het eerste algemeene kapittel in 1873, dat Mgr. Lavigerie, destijds Aartsbisschop van Algiers, zijne medeleden met nadruk wees op het eigenaardig karakter der Congregatie, namelijk de bekeering der ongeloovigen van Afrika, en zij zich bij gevolg dienden te wachten, van alles wat met den geest en 't karakter der stichting in strijd was.

ocr page 8

10 DE WITTE PATERS.

«

Vandaar ook dat do Witte Paters, wat gewoonten, taal, kost en zelfs kleeding aangaat, zich weinig van de inlandsche bevolking onderscheiden. Snel breidde zich de nieuwe ver-eeniging uit. Zij is in alle katholieke rijken met eere bekend, en een stroom van edelmoedige jongelingen uit Nederland, België en Frankrijk, van jongelieden met warm voor het geloof kloppende harten, versterkt al meer en meer de gelederen van hen, die zich te Maison-Carrée bij Algiers komen voorbereiden, om als soldaten van Christus te dienen onder de hoede van den grooten Kardinaal, don nieuwen Petrus den Kluizenaar der XlXe eeuw. Het is hun bekend dat er eene nieuwe missie is opgericht, die veel meer offers vergt, waar veel meer lijden te wachten staat dan in al de andere missies te zamen. Zij zien reeds in hunne verbeelding het Zwarte Werelddeel met zijn zengend klimaat, zijne woestenijen, zijne geheimzinnige doolhoven3 bloedgierige negerrassen en dweepzieke Muzelmannen, 't Schrikt hen niet af. Zij begeven zich naar hun post, al grijnst er de dood hun toe.

Het zoo jeugdige, vurige en talrijke Genootschap der missionarissen van Algiers, was als aangewezen voor de Evangelieverkondiging onder den Evenaar. Reeds had hetzelve, niet tevreden daar ginds met het bekampen van het Mahomedisme ia Algiers en Tunis, meermalen pogingen aangewend om in het hart van Afrika door te dringen, en den bijgeloovigen negers van Soedan, de weldaden van het Kristendom en der beschaving te doen deelachtig worden. Zij hadden Tomboctoe en 't gebied aan 't Tchad-meer, dat in den laatsten tijd meer onder Franschen invloed is gekomen, sedert lang willen bezoeken. Reeds hadden zij getracht om zuidwaarts, van uit Algiers en Tripoli de woestijn door te trekken; maar de Toearegs, die nog in 1875 en een weinig later verscheidene hunner vermoordden, hadden hun dit belet. Er bleef niets over dan te wachten tot de soldaten van Frankrijk, die zij als vrienden en aalmoezeniers in gindsche verre oasen vergezelden, de landstreken gelegen

ocr page 9

DE WITTE PATERS.

aan gene zijde der woestijn aan het Pransclie gezag zouden onderworpen hebben.

't Was daarom ook hun innigste wensch dat, toen zij de oprichting eener nieuwe missie vernamen, deze aan hunne zorgen zou toevertrouwd worden. Met bewonderenswaardigen moed vormden zij dan ook het plan, de provincie Soedan van don kant van Zanzibar en hot gebied der groote binnenzeeën te bereiken. Zij zouden daar hun dit van den noordkant mislukt was, nu langs de Roode Zee en den Indischen Oceaan tot hun doel trachten te komen. Van den oostkant Aequatoriaal-Afrika binnendringende, wilden zij onder weg do geheele streek voor het Kristendom winnen. Had Stanley om een veel minder nuttig doel, het bereiken van zuidelijk Egypte van uit Zanzibar, niet de Kaap de Goede Hoop omgezeild ?

Zulke grootsche gedachten bezielden deze edele pioniers der beschaving, die Pius IX voor de nieuwe missie werden aangeboden. — „Zij zijn op alles voorbereid,quot; sprak Mgr. Lavigerie, „zelfs, als God het wil, op het martelaarschap. Heilige Vader, zij zijn de eerstelingen der Afrikaansche missie; zij zullen tot in het binnenste van Afrika doordringen; schenk hen uw zegen, opdat zij den moed blijven behouden alles voor hun geloof te verdragen, en als het wezen moet, hun leven ervoor op te offeren.quot;

De hoogbejaarde Paus nam het offer der Missionarissen van Algiers aan, die nog hunne schoone gevoelens in een heerlijk adres aan Z. H. uitstortten. Dit adres ontving Pius IX slechts weinige dagen voor zijn dood, op het oogenblik dat Zijne Heiligheid het door de Propaganda voorbereide stichtingsdecreet der nieuwe Congregatie met zijne handteekening had willen bekrachtigen. Maar sterft ook Petrus, de Kerk zelve is onsterfelijk. Den 24sten Pebruari 1878, slechts vier dagen na zijne verkiezing tot Opperpriester, bevestigde Leo XIII het voorloopig decreet van zijn diep betreurden voorganger, en Mgr. Lavigerie werd met deszelfs uitvoering belast.

11

ocr page 10

DE WITTE PATERS.

Slechts één maand later reisden tien missionarisssen van Algiers naar Zanzibar, en den 19quot; Juni 1878 verlieten zij dit eiland en trokken zij op „ter verovering van alle neger-landen.quot;

Voor het gebied aan het Tatiganika-meer werden aangewezen de EE. PP. Pascal uit het bisdom Monde; Deniand uit 't bisdom Nantes; Dromeaux uit Kamorijk; Delaunay uit Angers on Auger uit Bclley.

De post in het üSyanza-gebied werd toevertrouwd aan de EE. PP. Livinhac uii Bodez; Gérault uit Augers; Lourdel uit Arras; Barbot uit Bayeux en den waardigen Broeder Amantius uit Kodez. De namen dezer tien helden mogen niet in vergetelheid geraken. Hoort hier uit hunne brieven, welke gevoelens van godsdienst en vaderlandsliefde bovengenoemde dapperen bezielden, bij de gedachte aan het groote werk dat zij gingen ondernemen.

„Eindelijk,quot; schreven zij, „zijn wij op weg naar onze missie, 't Begin van een nieuw leven. Eene herhaling van 't leven der eerste Apostelen. Al zijn wij dan ook nog zoo onbeholpen, nog zoo onwaardig, wij zijn toch de ecrsten,die sedert het ontstaan des Kristendoms, don Heere Jezus en zijne Kerk aan de barbaren van Afrika's schier onbekende binnenlanden gaan verkondigen. Mogelijk strekken daar honderd, ja wellicht twee honderd millioen zielen, hunne armen smeekond om redding uit.quot;

„Nog eene andere gedachte,quot; zoo schreven zij verder, toen zijn bij Bagamojo de uiterste grens der beschaving overschreden hadden, „nog eene andere gedachte houdt onzen geest bezig: de gedachte aan Frankrijk ons Vaderland, en aan al de wezens, die wij daar gekend en geliefd hebben.

Helaas! wie onzer zal Frankrijk nog wederzien? Kamp-zalig Frankrijk, dat ons al dierbaarder en dierbaarder wordt, naar mate wij er ons van verwijderen. Voor zijn roem arbeiden wij ook. Wij zijn do eerste Franschen, die, gezonden door onzen Bisschop, Franschman in hart en ziel even als wij, Frankrijk's invloed en schoone taal, daarginder tot diep

12

ocr page 11

DE WITTE PATERS.

in Afrika's donkere wouden zullen trachten te verspreiden. Anderen zullen eens onze schreden volgen, en de baan die wij in vrede gaan aanleggen, en aan welker zoom men misschien eens ons graf zal vinden, die baan zal betreden worden door de vredelievende veroveraars van ons dierbaar Frankrijk. Engeland, Amerika, Duitschland zijn reeds voorgegaan. Daar waar de volkeren uit naam der beschaving elkander de broederhand reiken, daar mocht Frankrijk niet langer ontbreken. Zijne eer honden wij op; alles wat ons dierbaar is, brengen wij volgaarne ten offer.

Mochten wij vallen op het veld van eer, dan wete het, dat tien zijner telgen, tien priesters, daar ginds in een onbekend land gevallen zijn, wier laatste gedachte gewijd was aan hun vaderland, hun vaderland dat zij tot aan den laatsten adem tocht hebben lief gehad.quot;

13

Ja, tot den dag van heden zijn er daar ginder reeds meer dan tien gevallen „in een onbekend land,quot; wier laatste gedachte der Kerke gewijd was en 't lieve vaderland, waarvan zij zoo verre, zoo gansch verre verwijderd waren.

rN /T]

ocr page 12

III.

Het donkere Werelddeel.

en 30n Mei 1878 stapten de missionarissen te Zanzibar aan wal.

„Eindelijk,quot; zoo lezen wij in hun dagboek, „eindelijk zien wij in 't verschiet Zanzibar, omgord door een groep eilanden als vooruitgeschoven posten, en door de Engelsche oorlogsbodems, die onder den schijn van den slavenhandel te verhinderen, den Sultan in al zijn handel en wandel bespieden en bewaken. Eenige daoes, een soort van gondels aan den achterkant met een dak overdekt, laveeren met hare door de bries een weinig gezwollen zeilen in't gezicht der haven. De groene slingerplanten, de dichte groepen cocos- en kruidnagelboomen, de tallooze banaanplantsoenen en suikerplantages, hebben terecht in de wandeling dit eiland tot eene parel van den Indischen Oceaan gestempeld. Eenige als in nevel gehulde heuvelen, vormen door hunne betrekkelijke dorheid, een scherp kontrast met den als door een groen tapeet oyerdektcn rijken en vruchtbaren bodem, welks vlakte zich land-iawaarts, allengskens schier onmerkbaar door een lichte helling verheft. Vooral in dit seizoen schijnt het eiland een aardsch paradijs.

Opgetogen ademden wij met volle teugen de kostelijke lucht in, met welriekende geuren als bevracht, terwijl de zon statig uit den schoot der baren zich verheffend, het zandige

ocr page 13

HET DONKERE WERELDDEEL.

strand en de witte muren der huizen bij de Laven, met duizende kleur- en lichtschakeeringen doorgloeide.

Wij, die sedert ons vertrek uit Frankrijk, niets anders te zien kregen dan de naakte rotsen van Suez en van de Roode Zee, begroetten met luide geestdrift dit overheerlijk, door de natuur zoo bevoorrecht oord.quot;

Het kostte den missionarissen niet weinig moeite de karavaan te Zanzibar en te Bagamojo uit te rusten. Pater Charmetant, die vóór de anderen afgereisd was, om de kwartieren te bereiden, moest alle inspanning aanwenden om hun een goed onderkomen op het eiland te bezorgen. Zijn groote dienstijver werd hem onverwachts beloond. Te veel om zijne makkers bekommerd, had hij vergeten voor zich zeiven laarzen te koopen. Toch moest hij heel wat moerassen doorwaden van af Chamba tot aan Kingani, dit is van af het punt waar hij onze karavaan weder verliet tot in Zanzibar.

Te Bagamojo viel hem de eer te beurt de slopkousen van Livingstone te kunnen koopen.

Zijne twee zwarte bedienden, Soezi en Choema, hadden tegelijk met het stoffelijk overschot van den beroemden reiziger, alles wat aan hem had toebehoord, in allen eerbied tot aan de kust medegevoerd. Daar had men alles geveild. De Paters hadden de slopkousen gekocht alsmede de matras waarop de groote man overleden was.

Den 17n Juni verlieten de missionarissen Bagamojo. Een eerste hinderpaal,dien zij ontmoetten, lag in de natuurijke gesteldheid van den bodem des lands.

Het geheele gebied der hooge bergvlakten, waar de groote meeren liggen en waar eigenlijk de werkkring der missie zich bevindt, is doorgaans gezond en vruchtbaar, 'tls mogelijk het schoonste land van geheel de aarde. Men kan gerust zeggen dat eene schitterende toekomst voor de inwoners is weggelegd, van af het oogenblik dat de kristenvolken met geweld een eind maken aan de invallen der Arabische

15

ocr page 14

HET DONKERE WERELDDEEL.

slavenjagers, en de zendelingen in staat stellen het verstand en 't hart der inboorlingen te ontwikkelen.

Dit alles echter kan men niet zeggen van de vlakten,die van af Jiagamojo tot aan Tabora een vervolg vormen van de kuststreken.

Gedurende de inasika, het regenseizoen, wanneer de stroo-mon buiten de oevers loopen, zijn onmetelijke landen en bosschon,die men moet doortrekken, in moerassen en poelen herschapen; uit deze ontwikkelen zich verpestende gassen, de oorzaken der kwaadaardige tropische koortsen,die den mensch als vergiftigen. De eerste kenteekenen dier ziekte zijn hevige pijnen in 't hoofd, gevolgd door eene ondraaglijke koude en eene algeheele afmatting der lichaamsdeelen. In weerwil van alle mogelijke koortswerende middelen, ijlt de lijder en wordt hij door de naarste droomgezichten afgemat. De negers,die als lastdragers te Zanzibar gebuurd zijn, (want in deze gewesten valt aan lastdieren niet te denken, men waagt dezelve elk oogenblik tengevolge van den steek van een insekt, de ïzetze genaamd, te verliezen) de negers alleen lijden van deze koorts niet veel of zijn er in 't geheel niet vatbaar voor. De Europeanen daarentegen worden er allen door aangetast, en velen bezwijken er aan.

Pater Joachim Pascal, de overste voor de missie aan het Tanganika-meer, was de eerste, die tengevolge der moeraskoorts der karavaan ontviel.

„Veilig,quot; zoo schreef Mgr. Lavigerie aan 'tslot van een brief aan de bedroefde moeder van den missionaris: „veilig durf ik uw zoon den eersten martelaar van Aequatoriaal-Afrika noemen.quot;

Niettegenstaande de vele hinderpalen,die zij ontmoetten., kwamen toch de negen overige missionarissen den In October te Tabora aan. Tabora is de belangrijkste stad van Oenya-moeëzi; isij ligt op gelijken afstand van het Tanganika-meer en het Victoria Nyanza, en zou bij uitstek geschikt zijn geweest voor de vaste standplaats der zendelingen, indien de

16

ocr page 15

HET DONKERE quot;WERELDDEEL.

Arabische MuzelmanEen hier niet in den volsten zin des woords den haas speelden.

Velerhande levensmiddelen worden er dagelijks ter markt gebracht. Voor weinig geld kan men oasevleeseh, bananen, tabak en een soort van aardappelen koopen. Men vindt er ook tarwe, maar in kleine hoeveelheid. De stad is afhankelijk van den Sultan van Zanzibar; toen de witte Paters de Cheiks dreigden hun beklag te zullen doen bij den Sultan, verkregen zij terstond wat zij goedschiks niet verkrijgen konden.

De reisgenooten bereikten den 29n Juni 1879, dit is een jaar, twee maanden en 25 dagen na hun vertrek uit Algiers, Roebaga, de hoofdstad van het koninkrijk Oeganda; zij, die aangewezen waren voor de missie aan het Tanganika-meer, kwamen ter plaatse hunner bestemming bij het einde van Januari 1879, na eene reis, die ruim een half jaar geduurd had. Men ziet duidelijk uit het voorafgaande, met welke hindernissen en moeilijkheden de missionarissen niet alleen te kampen hadden, maar ook, welke noodzakelijke uitgaven zulke groote reizen vorderen.

Immers, welk een aantal bedienden moet men niet bekostigen en onderhouden, om gedurende een jaar de karavaan te helpen beschutten tegen aanvallen van vijandige stammen; bedienden, die niet alleen alles moeten dragen, wat voor eene statie in een wild en onbekend land onontbeerlijk is; maar daarbij, wijl gemunt geld in die landen geen waarde heeft, ook moeten zorgen voor het vervoer van de noodige artikelen, geschikt voor den ruilhandel tot aankoop der dagelij ksche levensbehoeften, en tot betaling vandenhongo, eene belasting, welke de hoofden der tallooze staatjes, die men doortrekt, van de reizigers innen.

Wij lezen in hun dagboek dat, om te gemoet te komen aan de beboetten, welke noodzakelijk zijn voor eene reis, die een half jaar duurt, en al wat noodig is om in het onderhoud van een tiental missionarissen gedurende een jaar

2.

17

ocr page 16

HET DOXKERE WERELDDEEL.

tijds te voorzien, gereedschappen en mondbelioeften niet medegerekend, op zijn minst vereischt wordt: een last van honderd centenaars aan stoffen, klein glaswerk, zout, parelen en andere snuisterijen. Het nu volgende geeft den lezer een denkbeeld van de belastingen, die van de reizigers gevorderd werden. De eerste vorst, met wien moest afgerekend worden op het gebied van Oegogo, heette Mvoeni. Nadat het heerschap do reizigers eerst twee dagen had laten wachten, werden hem 20 stukken van een keurig en uitgezocht weefsel ten geschenke gestuurd. Dit stelde hem niet tevreden; hij eischte eene rol rood koper, een vaatje buskruit en witte parelen. Al het gevraagde, mot tien pond buskruit, werd hem toegestaan. Hij had echter liever twintig pond buskruit; 't werd hem gegeven, in de gedachte, dat hij nu zou tevreden zijn. Men bedroog zich evenwel; men had buiten den waard gerekend. Hij vorderde nog 60 stukken stof, op gevaar af van anders den volgenden morgen de karavaan niet te laten vertrekken. Hij kreeg alweer wat hij verlangd had. Maar die 80 stukken waren hem nu eensklaps niet fijn genoeg; hij eischte 80 stukken van betere kwaliteit.

Zulks geschiedde, en nu was aan Zijner Majesteits tol voldaan; alleen vroeg hij nog, niet als belasting, maar als aandenken, 3 stukken stof van kostbaar weefsel; dit toemaatje werd hem dan ook nog vereerd.

'tls waar, de ongemakken verminderen met den dag. De koortsen zijn minder te duchten, sedert de missionarissen meer ondervinding hebben opgedaan, en zich te Zanzibar alle geneesmiddelen en benoodigdheden tot de reis kunnen verschaffen. Beter weten zij zich te beschutten tegen de wisselvalligheden van het klimaat. De middelen van verkeer zijn veiliger, en wanneer men de Europeesche karavanen volgt, die een paar maal 's jaars naar de binnenlanden trekken, dan is er haast geen gevaar, 't Is bekend, dat dit jaar nog de EE. PP. Schynse en Girault, met het gevolg van Stanley uit het gebied der groote meeren naar Europa

18

ocr page 17

HET DONKERE quot;WERELDDEEL.

19

zijn gekomen, en onlangs heeft Mgr. Livinhac, bij zijne bo-noeming tot generale overste van do Missionarissen van Algiers, don gebeelen afstand tusschen het Victoria-Nyanza en de kust, met eene voorbeeldelooze snelheid van 46 dagen afgelegd.

ocr page 18

IV.

Op verkenning.

e Missionarissen van het Tanganika-gebied, vestigden zich eerst te Oejiji, de voornaamste stad, die aan de oevers van het meer gelegen is.

De beroemde Afrikareiziger Cameron zegt in zijn werk „Dwars door Afrika''' van voornoemde stad het volgende: „Bekoorlijk is de ligging van Oejiji; heerlijk het gezicht op 't meer; westwaarts ontdekt men de bergketen van het Oegoma-gebied; op den oostelijken oever ontrolt zich voor het oog een plantengroei van het schitterendste groen, met hier en daar openingen, waartusschen men het geelkleurige zand van den oever en kleine hel rood getinte duinen ontwaart. Palmboschjes en dorpen als met loover omhuld, schijnen zich te spiegelen in het meer; terwijl meeuwen, duikelaars, gierzwaluwen, tallooze prauwen en drijvende eilandjes, die in de verte op zeilbootjes gelijken, het too-neel verlevendigen.quot;

Jammer dat in deze stad, even gunstig gelegen als Tabora, de Arabieren, die van uit Zanzibar hier de stapelplaats voor hunnen handel hebben aangelegd, den boventoon hebben.

Erg uitgebreid echter kan men hun handel niet noemen. Stoffen, garen, koper en parelen ruilen zij met ivoor en

ocr page 19

OP VERKBXOTNG.

slaven. Alle stammen, die den oever bewonen, zijn als van zelf gedwongen hier ter markt te gaan.

De neger niet in staat zijnde iets te vervaardigen, en belust op allo handelsproducten der Arabieren, bezoekt gretig de magazijnen der Zanzibarieteu. Hierin ligt ook de oorzaak van den grooten invloed der Arabische kooplieden in deza gewesten.

De beschaving wint er niets bij; maar de toestand ia nu eenmaal zoo en niet anders; 't is onmogelijk in zulke streek een vaste standplaats voor eene missie te vestigen.

Dank echter de aanbevelingsbrieven van den toeamaligen Sultan van Zanzibar Said-Bargash, vonden de Witte Paters naar den schijn een goed onthaal bij de overheid inOejiji; de Goeverneur gat hun zelf tot verblijf het huis, dat Stanley bij zijne laatste reis bewoond had. Zij werden echter al dra gewaar, dat de Muzelmannen hun onderhands allerlei moeilijkheden bereidden, en zij zochten daarom voor hun doeleinden eene meer geschikte plaats op.

Zij vestigden zich dan voorloopig in het land van Oeroendi, gelegen ten noorden van Oejiji.

Het land is gezond, vruchtbaar en schilderachtig gelegen. Overal ziet men velden met manioc- en banaanstruiken; welig groeien er boonen en teelt men er een soort van aardappelen.

Do Paters, die zeer in hun schik waren hier geene Arabieren aan te treffen, timmerden zich een huis, of beter een schuur, die zij met stroo dekten; eene zijde van 't gebouw bleef open voor lucht en licht, 's Nachts werd deze zijde van 25 meter lengte, afgesloten door eene mat, die over dag opgerold werd. Van alle kanten kwamen de inboorlingen dit kunstgewrocht bewonderen. Weldra hadden de Paters zich geiten, schapen en eenige koeien aangeschaft. Ook begonnen zij, alhoewel geene vakmannen zijnde, toch dapper hun veld met rijst en graan te bezaaien.

Slechts twee Arabieren ia Oejiji trokken, graan op hunne

21

ocr page 20

OP VERKENNING.

akkers; van daar dat hetzelve zoo duur was, en man het slechts kon koopen tot zaad en tot de vervaardiging van hostiën.

Ook zaaiden de Arabieren eerst omstreeks het droge seizoen. Zij moesten daarom steeds hunne akkers besproeien, iets wat veel arbeid vereischte en weinig oogst opleverde.

De talrijke bevolking van Oeroendi was zoo schuw, dat zij bij de geringste beweging, die de nieuwe aankomelingen maakten, dadelijk de vlucht namen.

Maar aldra zagen zij dat zij in hen vrienden vonden, op welke zij al hun vertrouwen konden stellen. Maar achtte het volk van Waroendi de kristenpriesters hoog om hunne persoonlijke goede hoedanigheden, van hunne goddelijke zending hadden zij daarentegen niet het geringste begrip. Zonder gelijk wel eens valschelijk beweerd is, in 't geheel geen denkbeeld van 't bovennatuurlijke te hebben, verkeert toch verreweg het grootste gedeelte der negers van Aequatoriaal-Afrika, wat dit punt aangaat, in eeno groote onwetendheid, en bijgevolg ook eene grove onverschilligheid; 't is dan ook geene lichte taak die arme schepselen, welke nergens aan denken dan aan jachtvermaken, dansen en onnoozele spelen, tot hoogere gedachten te brengen, op een leven van hiernamaals te wijzen, en deugden te doen beoefenen.

Alle negers, die de missionarissen ontmoet hebben in 't gebied der groote meren, gelooven aan Hoogere Wezens, en zij vereeren die met gebeden en offers. Ziet hier tot bewijs een feit genomen uit velen. De E. P. Deniaud schrijft in een brief over een storm, dien hij doorstaan had op het Tan-ganika-meer:

„Eindelijk bereikten wij de kaap Cabogo, die, naar het zeggen der inboorlingen, niemand ongestraft voorbijvaart, ten zij hij den Geest, die deze rots bewoont, geschenken offere. Op het oogenblik dat het vaartuig de rots naderde waar de Geest zijn verblijf houdt, begaf een der roeiers zich naar den voorsteven en hield eenige snoeren met parelen en een

22

ocr page 21

OP VERKEXXIXG.

weinig geweven stof in de hand. Dan sprak hij den Geest aan, en smeekte hem zijn toorn te stillen en de vaart te ■willen begunstigen. Daarna wierp hij het voor den Greest bestemde geschenk in zee en begaf zich wederom naar zijne plaats. Alle roeiers grepen alsdan hunne riemen ter hand, hieven een lied aan, roeiden met kracht het schip van de noodlottige rots, en waren overtuigd dat de Geest, die nu bevredigd was, hun eene gelukkige vaart zou schenken, en zij zonder ongeval de Kaap Kongwee zouden bereiken, waarheen zij zuidwaarts koers namen.quot;

Ook de toovenaars spelen eene groote rol bij deze volksstammen. Mgr. Livinhac heeft er geziou, die om regen te verkrijgen, dagen lang in een pot een vuurtje onderhielden, gestookt met geitedrek.

Zij hebben toovermiddelen om zieken te genezen, om geheimen te ontdekken, om dieven of moordenaars te ontmaskeren en om vogelen van maïsvelden te verjagen. Tot ouderscheidingsteekenen dragen de toovenaars tanden van wilde dieren, horens, klauwen, bundeltjes met zekere wortels en kleine kalbassen met mest of asch, alles op het potsierlijkst getooid. Hierbij kleuren zij zich dikwerf het aangezicht en 't geheele lichaam rood. De Paters ontmoetten er op zekeren dag een, die twee antilopen-horens droeg. Hij geleek veel, zeiden zij, op die duivels, welke men wel eens in oude kerken op dergelijke wijze afgebeeld ziet.

Bij deze bijgeloovige domheid, voegt zich nog een hinderpaal tot hunne bekeering, namelijk de veelwijverij; een misbruik, zoo tegenstrijdig met de kristelijke zedenleer, en toch zoo uiterst moeilijk om af te schaffen en uit te roeien. Kostte het den missionarissen oneindig veel moeite de volwassenen te bekeeren, bij de kleinen slaagden zij daarentegen buiten verwachting. De kinderen, die zij als jonge slaven kochten en opvoedden, toonden een bewonderenswaar-digen aanleg en deden de schoonste verwachtingen koesteren, die de uitkomst niet beschaamd heeft.

23

ocr page 22

OP VERKENNING.

Den schoonsten troost smaakten de Paters wanneer zij stervenden kouden het H. Doopsel toedienen.

De twee eersten, voor welke op deze wijze de Hemel ontsloten werd, en die hierboven schutsengelen der nieuwe kerk geworden zijn, heetten Leo en Karei, naar den Paua en naar Mgr. Lavigerie.

24

ocr page 23

V.

De arbeid in den wijngaard.

n de grootste spanning, die zich licht laat verklaren, wachtte de Aartsbisschop van Algiers op de nieuwste gebeurtenissen der missie. Hij aarzelde geen oogenblik, toen hij den eersten goeden uitslag vernam, eene tweede karavaan bestaande uit elf apostelen, naar de binnenlanden te zenden. Zes Broeders-medehelpers scheepten zich met genen in. De leiding der neger-lastdragers en de bescherming dezer bedienden tegen de Roegas-Roegas, woeste roovers, die het land onder aanvoering van Arabische hoofdmannen onveilig maken, was voor de missionarissen een bron van aanhoudende kwelling.

Deze krijgsdiensten achtten de zendelingen minder ver-eenigbaar met hun geestelijk ambt; zij hadden het denkbeeld geopperd dat hier die oud-pauselijke zouaven, welke zich edelmoedig genoeg toonden om hun leven ter wille der zaak Gods ten tweeden male op te offeren, uitstekende diensten konden bewijzen. Kauwelijks had een dor Paters deze overwegingen in een brief bekend gemaakt, of van alle kanten ontving Mgr. Lavigerie van de dappere soldaten van Pius IX, brieven met aanvragen tot medewerking. Slechts zes vrijwilligers: twee Belgen en vier Schotten werden uitgekozen. Deze nieuwe ridders behoorden met dezelfde gods-

ocr page 24

DE ARBEID IX DEK AVIJXGAARD.

dienstige plechtigheden als in de vervlogen eeuwen van godsdienst en geloof, tot hun verheven roeping gewijd te worden.

Den morgen van hun vertrek knielden zij gezamenlijk in de kathedraal van Algiers, voor het beeld van O. L. Vrouwe van Afrika; zij droegen behalve de ronde loque dezelfde algemeen bekende zouavenuniforra.

Na het smeekgebed Veni Creator cn eene korte toespraak, nam de Aartsbisschop de blanke wapenen, en dezelve zegenende, gaf hij ze den ridders met deze woorden: „gebruikt dit wapen voor de verdediging van Gods rijk, en bedient er u nimmer van tot ongerechte doeleinden.quot; Nadat nu elk hunner het zwaard in de scheede had gestoken, gaf hij hun den vrede-kus, trok daarna zelf het zwaard weder uit de scheede en gaf tot drie malen toe eiken ridder een slag op den schouder zeggende: „wees een vredelievend, dapper en godvruchtig soldaat.quot; Na den afloop dezer plechtigheid naderden de ridders beurtelings het autaar, en onderteekenden het volgende eedsformulier;

„Ik N.... ben met de gratie Gods vast besloten, mij voor den tijd van één jaar toe te wijden aan de bediening der Missie in Aequatoriaal-Afrika, bestuurd door de Missionarissen van Algiers, onder de hoede en het gezag van Mgr. den Aartsbisschop, hiertoe door den II. Stoel aangewezen. Op mijn woord van kristen, beloof ik gedurenden dien tijd, het reglement, dat voor de medehelpers der missie onder het gezag van haren algemeenen overste opgesteld is, na te leven en ia alles gehoorzaam te zijn; zoowel den oversten der afzonderlijke missies, aan welke ik zal worden toegevoegd, als aan den overste, die mij door den raad der Missionarissen zal worden aangewezen. Tengevolge hiervan heb ik, mij stellende onder de bizondere bescherming van O. L. Vrouwe van Afrika, deze acte in duplo onderteekend, waarvan een exemplaar zal blijven berusten aan den voet van het wonderbeeld, dat op dit autaar staat, en het andere in 't bezit zal blijven van den overste der missie van Afrika.quot;

26

ocr page 25

DE ARBEID IX DE\ quot;WIJNGAARD.

In minder dan één jaar na het vertrek der tweede karavaan, waren reeds 7 liarer leden ten offer gevallen der Afrikaansche koorts, en was een ander lid door de roovers gedood.

De ijver der Paters van Algiers werd bij hot hooren dezer droevige gebeurtenissen nog meer aangewakkerd. Mgr. Lavigerie kon onmogelijk aller aanzoek inwilligen; maar hij rustte den 6en November 1880 een derde afdeeling van 15 missionarissen uit.

Een jaar later bezweken nog drie hunner, namelijk de E.E. P.P. Deniaud, Augier en de zouaaf d'Hoop; zij werden in Oeroendi door Arabische slavenjagers vermoord.

Bij het ontvangen der tijding van hun dood, en hoewol nog onbekend mot al de bizonderhoden, wilde de Aartsbisschop-zelf de nabestaanden der martelaren de treurige tijding van hun afsterven mededeelen.

„Vader en moeder, gij moogt u gelukkig achten zulk een zoon te hebben gehad,quot; schreef hij aan de ouders van Pater Deniaud. „Wat een geluk voor u, hem zulke verheven gevoelens te hebben ingeprent; hom te hebben opgeleid tot het beoefenen van zulke deugden, die hem tot zulk een dood hebben voorbereid! Want wat botcekenen eenige dagen minder of meer op deze aarde? Voortaan zal hij eeuwig leven ia een Kijk, waar het leed van hier beneden onbekend is.

„Hij zal ook in ons aandenken blijven voortloven, en vooral in de herinnering zijner medebroeders, de missionarissen van Algiers. Hunne eerste daad was God te danken voor een zoo heldhaftig offer; de tweede, een eed te zweren hem te zullen wreken; en hunne wraak zal hierin bestaan, nog in grooter getale te vertrekken, om dezen woestelingen, die hun medebroeders gedood hebben, het Woord des Levens te verkondigen en hun van harte vergiffenis te scheuken.quot;

De missionarissen vertrokken uit Oeroendi en vervolgden hunnen tocht naar het noord-westen van het ïanganika-

27

ocr page 26

DE ARBEID IN DEN WIJNGAARD.

gebied. Dit moesten zij doen, om hunne weosliuizen en hunne geheele statie te beveiligen tegen de aanvallen der slavenjagers en Arabieren van Oejiji.

Plunne booljes landden aan do golf van Burton, in de nabijheid van Moeloeëva, in het gebied van Mazzanzee. Deze nederige kristengemeente tot uitgangspunt kiezende, breidden zij van lieverlede hunne werkzaamheden uit over de naburige landstreken, en verkondigden Gods woord langs de zandige oevers van 't meer, gelijk vroeger de Heer zulks aan de vissehers van 't meer van Tiberias gepredikt had.

De inboorlingen naderden den oever bij 't hooren der stem van don blanken Godsgezant. Zij verlieten hunne prauwen, en gezeten op hot zand, in de schaduw derhooge waterplanten, luisterden zij met aandacht naar deze voor hen zoo nieuwe leer: het bestaan van een eenigen God; de onsterfelijkheid der ziel; de bestraffing der zonde in 't toekomstige leven en de eeuwigdurende belooning der deugd.

De heidensche inboorlingen van Moeloeëva hadden allo akkers in bezit; er bleef den nieuwbekeerden geen plekje gronds meer over. Daarom werd besloten meer zuidwaarts eene kolonie to vestigen, zonder van den westelijken oever van 't meer af te wijken. Toen de paters Dromeaux en Moinet op 't punt waren af te reizen, ontmoetten zij een voortvluchtigen koning, die zich aan de vervolgingen der Arabieren wilde onttrekken. Rem en zijn gezin namen zij op in hun broos vaartuig, bereikten na een gevaarvollen overtocht den zuidelijken oever van het schiereiland Oeboeari, en stichtten aan den voet van een heuvel, de missiestatie Kibanga of Lavigerieville.

Een andere kristenkolonie ging zich terzelfder tijde te Eoessavia vestigen; wederom hebben de invallen der Arabieren deze laatsten gedwongen dit land te verlaten, evenals zij hen uit Moeloeëva, vanwaar zij kwamen, hadden verdreven.

De statie Kibanga, gesticht in 1885, mocht zich in een

28

ocr page 27

DE AEBEID IN DEN WIJNGAARD.

blij venden bloei verheugen. Uit een brief geschreven in 1889, blijkt dat zij op stoffelijk en geestelijk gebied steeds vooruitgaat. Het gedrag der 300 weeskinderen en der jeugdige gezinnen doet de schoonste hoop koesteren voor de toekomst. In den aanvang was het wel is waar niet makkelijk, hun lust tot den arbeid in te prenten; maar thans, nu zij zien hoe hunne akkers overvloedig rijst, manioc en sorgho opleveren, vervullen zij gaarne hunnen plicht.

Een tweeduizendtal heidenen, tuk op huune veiligheid, is zich in de omstreken van ons weeshuis en van onze kristendorpen komen vestigen. Hun aantal kan best op eene uitgestrektheid gronds van 11.000 of 12.000 hectaren tot 100.000 bewoners aangroeien. Velen hunner worden reeds in den godsdienst onderwezen.

Eene onverschilligheid, die vaak hunne bekeering belet, wijkt bij 't naderen van 't uur van sterven, ea bijna allen vragen op het beslissend oogenblik het II. Sacrament des Doopsels. Ook houden de Paters zich niet uitsluitend bezig met het verkondigen der waarheid aan hunne kleine kudde; zij bezoeken herhaaldelijk de naburige stammen, terwijl zij deze door hunne voorkomendheid en niet het minst door hunne gesprekken, voorbereiden tot het ontvangen der Blijde Boodschap.

Wij lezen in een brief, twee jaren geleden door een missionaris uit Kibanga geschreven: „Aan de missiereizen, die wij dikwijls in de omstreken en zelfs in verwijderde omstreken ondernemen, is het te wijten, dat wij allengskens de inboorlingen hebben kunnen in den godsdienst onderrichten; zoodat wij gerust mogen zoggen, dat onze wilden genoeg weten, wat ter zaligheid noodig ia; en al stellen wij ook voorzichtigheidshalve het Doopsel bij de volwassenen uit, dan mogen wij toch bijna allen ia 't uur dos gevaars dat Heilig Sacrament toedienen. Daar wij onmogelijk op alle plaatsen tegelijkertijd kunnen zijn, hebben wij gewoonlijk in elk dorp den meest onderrichte aangewezen, om het

29

ocr page 28

DB ARBEID IX DEIf WIJNGAARD.

morgen- en avondgebed voor te bidden. Daarenboven is het zijne zaak de missionarissen te verwittigen, wanneer iemand gevaarlijk ziek is; zoo gebeurt bet maar zelden, dat wij de inboorlingen in het uur van hun dood niet kunnen bijstaan.

Deze eenvoudige negerstammen zouden al dra voor de Kerk van Christus gewonnen zijn, indien zij niet herhaaldelijk door de invallen der slavenjagers geheel verstrooid en haast vernietigd werden. De wreedheid dezer kleurlingen, meerendeels afstammelingen van negers en Arabieren, is dan ook spreekwoordelijk geworden over geheel Afrika: „God heeft de blanken geschapen,quot; zeggen de inboorlingen, „Grod heeft de negers geschapen, maar de duivel belast zich met het voortbrengen der kleurlingen.quot;

Eens zagen de Paters hoe eene menigte nieuwbekeerden, en een groot aantal negers uit den omtrek, belast met al hun have en goed, hulp en redding binnen de gebouwen der missie kwamen zoeken. Eenige oogenblikken later ontwaarden zij eene bende slavenjagers, die van af een berg, zich op de verlaten dorpen wierpen, alles wat zij maar krijgen konden plunderden, den oogst verwoestten, de hutten in brand staken en alle bewoners, die zich niet gehaast hadden de vlucht te nemen, in boeien mcdesleurden. De kristenen uit Kibanga, gewaar wordende dat zij het ook op hen gemunt hadden, verdeelden onder elkander een honderd stuks geweren, en de munitie, die zij in voorraad hadden; terwijl een tweehonderd- of driehonderdtal wilden, die zich bij hen aansloten, naar hunne lansen grepen. Do vrouwen der heidenen, als versteend van schrik, hadden zich ergens in een hoek op de binnenplaats verborgen; de echtgenooten der kristenen en de weeskinderen daarentegen, baden vurig het rozenkransgebed in ons klsin bedehuis. Een dorp, dat zoo verdedigd scheen, en welks plundering mogelijk voor hen ernstige gevolgen van den kant der Europeanen of van den Sultan van Zanzibar kon hebben, dorsten de onverlaten niet aantasten.

30

ocr page 29

DE ARBEID IN DEN WIJNGAARD.

't Is ook begrijpelijk dat de nacht in duizend angsten werd doorgebracht; want men had den aanval der roovers niet kunnen weren, die in elk opzicht meer gehard waren in 't vechten, en ook van betere wapenen voorzien, 's Anderendaags evenwel trokken de woestelingen na eenige ruggespraak af; zij lieten zelfs op verzoek der missionarissen, de gevangenen, die in de statie thuis behoorden, weder los. Op alle andere plaatsen hadden zij do mannelijke bewoners neergesabeld, en de vrouwen en kinderen als slaven medegevoerd. 't Gelukte nauwelijks den Paters en nog ten koste van groote offers, enkele los te koopen. Bedroevend schouwspel! als men de overtuiging heeft, dat volgens de bekentenis van een missionaris, een vijftigtal goed gewapende en aan 't klimaat gewende Europeesche soldaten zouden voldoende zijn, om binnen den tijd van eenige weken, paaien perk te stellen aan eene bende, die dood en verwoesting verspreidt in het gehoele land, van af Tabora tot aan Oejiji, en in het gebied van Manyema; van af de boorden van het Tanganika-meer, tot aan de oevers van het Albert-Syanza!

Eene poging op kleine schaal, die aanvankelijk met gun-stigen uitslag bekroond werd, is reeds aangewend om de Afrikaansche negerstammen tegen de slavenjagers te beveiligen.

De missionarissen, gedwongen door do aanhoudende bedreigingen der Arabieren van Oejiji, zagen zich genoodzaakt hunne staties van Moeloeëva en Roesavia te verlaten, en op den zuidkant van het meer aan te trekken. Zij vestigden zich te Mpala en te Karema, twee belangrijke Belgische staties, die tegenover elkander liggen; gene op don westelijken, deze op den oostelijken oever van het ïanganika-meer. Deze twee plaatsen waren de eerste, die Z. M. Leopold II in het bekken van den Boven-Congo heeft doen stichten. Daar het na de conferentie van Berlijn, in 1885, voornamelijk 's Konings plan was, het lager- en midden-stroomgebied voor de Belgische volkplanting te winnen, had

31

ocr page 30

DE ARBEID IN DEN quot;WIJNGAARD.

hij het beheer der voornoemde twee staties aan Kardinaal Lavigerio, ten behoeve der Algiersche Missionarissen toevertrouwd, die hetzelve ook volgaarne aanvaardden.

't Schijnt dat het op 't oogenblik in Karema betrekkelijk rustig is; maar Mpala heeft herhaaldelijk, evenals onder 't Belgisch bestuur, de aanvallen der Roegas-Roegas te verduren gehad. Verschillende dorpen, die aan de vredelievende hoede dor Paters waren toevertrouwd, werden al dra het mikpunt der woestelingen, en terzolfdertijd werden bevriende stammen gebrandschat of gevankelijk medegevoerd. Toen deden de inboorlingen, die aan de roovers ontsnapt waren, den Paters oen voorstel tot tegenweer. Deze raadpleegden Kardinaal Lavigerie, die oordeelde dat hun plan niets strijdigs met hunne roeping behelsde, wijl zij persoonlijk toch geen deelnamen aan het gewapend verzet. Zelfs stelde hij den kapitein Joubert, oud-pauselijk zouaaf, die hem zijne diensten had aangeboden, ter hunner beschikking; deze zou nu in Mpala het bevel voeren.

Kapitein Joubert heeft de kolonie in staat van tegenweer gesteld, zoo krachtig als de middelen, waarover hij beschikken kon, het gedoogden. Eene afdeeling van 300 negers, gekozen uit de door de missionarissen pas bekeerde kristenen, heeft hij van geweren kunnen voorzien. Met deze keurbende, goed uitgerust en aan krijgstucht gewend, verdedigt hij het geheele gewest. De inboorlingen nemen tot hem hun toevlucht, zoowel om hun geschillen te doen beslechten, als om beveiliging tegen den aanval van buiten te zoeken.

Hij heerscht daar werkelijk als vorst en vader over dat kleine rijk.

Terwijl nu Joubert voor de verdediging van Mpala zorgt, wijden zich de Witte Paters met alle krachten toe aan de opvoeding der weezen, en aan de Evangelieprediking onder de naburige volksstammen.

Ziet hier hoe Pater Moncet, een der missiereizen in de

32

ocr page 31

DE ARBEID IN DEN WIJNGAARD.

omstreken van Mpala verhaalt: De kleine karavaan bestond uit drie kristen negergezinnen, om de levensmiddelen, het reisgoed en de benoodigdheden te dragen, welke dienen moesten om de H. Mis te lezen. De weg tot onze eerste rustplaats leverde veel moeielijkbeden op, want wij moesten over steile heuvelen heen, waarmede aan gene zijde van het Tanganika-meer de landstreek overdekt is; maar de volgende dagen was de reis over de vlakten gemakkelijker, en de missionaris kon in eene dagreize drie of vier dorpen aandoen.

De onderrichting, die de zendeling houdt, moet in dergelijke gevallen kort en zeer bevattelijk zijn. 't Kan misschien zijn nut hebben, hier een kort begrip der leer te lezen, zooals hetzelve door den E. P. Coulbois, Apostolisch Provicaris van den Boven-Congo is opgesteld. De lezer, die in de kristelijke godsdienstleer onderwezen is, zal er zeker niets nieuws uit leeren. Bij een weinig nadenken echter, zal hij zien dat deze verkorte leer, toch een psychologisch document van werkelijke waarde is. Ziet hij hoe een missionaris van veel ondervinding het moet aanleggen, om op 't begrip en 't hart te werken der negers, dan kan hij zich ook over hun zieletoestand een denkbeeld vormen, dat de waarschijnlijkheid zeer nabij komt. De volgende onderrichting of ongeveer dezelfde, moet de missionaris in elk dorp herhalen:

1'. Beschouwt eens eene vrouw, die potten gebakken heeft: bemerkt zij bij 't uithalen een die mislukt is, gebarsten, of gebroken, dan werpt zij dezen op den vuilnishoop; de goed gebakken potten evenwel behoudt zij voor haar huisraad. Eu wij nu, aan wien danken wij het aanzijn? quot;Wie heeft ons geschapen? God. Iemand, die slecht leeft, verwerpt Hij; de goeden neemt Hij op in zijne woning, gelijk de vrouw van zoo even met de potten deed; in de woning van God is alles schoon en goed.

2°. quot;Wat moet men doen, om aan God te behagen? Aan Hem denken; ziet eens, wat doet het opperhoofd van het dorp? quot;Wanneer hij des morgens uit zijne woning treedt,

3.

33

ocr page 32

DE ARBEID IN DEN quot;WIJNGAARD.

groet elkeen hem; ontmoet hem iemand op de akkers, dan bewijst hij hem alle eer. Ons aller opperhoofd is God, Hoe zullen wij Hem groeten? Met aan Hem te denken. quot;Wanneer gij 'smorgens opstaat, zegt dan: „God, ik erken U als mijn Meester, ik wil U beminnen, verwijder van mij alle kwaad.quot; Gaat gij naar uw werk, keert gij terug, of brengt men u spijzen, zegt dan : „Deze spijze komt van God, zoo ook alles wat ik bezit, en ik nu, heb ik God niet beleedigd? God, zijt Gij mijn bewaker.quot; — „En zorg, dat deze spijs niet te gauw verteert in mijn maag,quot; voegt dan gewoonlijk de man, die als tolk dienst doet, van zelf er bij.

3°. God verlangt dat wij te zamen in vrede leven. Twisten en beleedigingen mishagen Hem; iemand slaan of om de geringste oorzaak dooden, vertoornt Hem. Verbeeldt u iemand, die vier of vijf kinderen bezit; leven zij in goede verstandhouding, dan is hij tevreden; twisten zij echter, dan wordt hij boos en dreigt ze met zijn stok. Ons aller Vader is God; allen zijn wij zijne kinderen. Zijn verlangen is,dat wij elkander beminnen. Bestaat er bij u verschil van meening, roept dan den raad in van uw opperhoofd; kan hij geen overeenkomst treffen, begeeft u dan tot den blanken man en laat af met twisten, God is daar niet mede gediend.

4°. God verbiedt overspel. Hier bij u, betaalt de plich-tige een zeker bedrag aan den bezitter der vrouw, en de zaak is geregeld; ten minste zoo denkt men, wijl de bezitter der vrouw niets meer verlangt. Maar wat doet God ? Geeft stoffen, matten, gereedschappen, spaden, bijlen, slaven, buskruit, ivoor, zooveel gij verkiest: God neemt dit niet in betaling aan; Hij zegt: man en vrouw hebben beiden kwaad bedreven, het kwaad zal hen over het hoofd groeien.

5°. God verbiedt den diefstal. Elkeen eerbiedige den eigendom van anderen. Verlangt gij iets, koopt het dan. Hebt gij niets om te betalen, werkt dan en het noodige zal u niet ontbreken. Daar loopt een jonge man in de volle

34

ocr page 33

DE ARBEID IN DEK quot;WIJNGAARD.

kracht zijns levens; hij heeft geen lust tot het werk: hij ■wil liever niets doen; hij wandelt, rookt graag en zoekt zijn verzet in 'tspel. Wat hij noodig heeft voor zijn onderhoud steelt hij. Draagt hij kleederen? Och! zegt hij, zoo dom ben ik niet; over dag weet ik mij te verbergen en des nachts steel ik, niemand krijgt mij te ziec. Ja wel. God ziet hem; voor het oog van God blijft niets verborgen, voor Hem is dng en nacht hetzelfde. Dat hij, die eene kip gestolen heeft, dezelve betale; dat hij, die eene geit onrechtvaardig bezit dezelve betale. Geeft hij het goed, dat hij onrechtvaardig bezit terug, dan is God voldaan en Hij zal zijne zonde vergeven; doet hij het echter niet, dan zal God zeggen: „Gij hebt kwaad bedreven; uw lust is kwaad te bedrijven: het kwaad zal eens uw deel zijn.quot;

6°. God verbiedt de leugentaal. Welke leugentaal? In uw verhalen. Gij let zoo weinig op uw woorden, dat men zelden er geheel geloof aan kan hechten. Andere leugens: Al uwe mzinu en uwe nguru. Mzinu: Gij hebt een rieten hutje gebouwd, gij verzamelt daar oude kalbassen, steentjes, geitehorens, verschillende soorten olie, verwen en parelen ; dan zegt gij: „Ziet daar is onze kracht, en daarin is onze bescherming.quot;

Leugens! Heeft God ons niet dit alles gegeven? Wie zal het verhinderen, wanneer Hij ons wil slaan? Wie zal ons schaden als Hij ons beschermt ? Deden kinderen zoo om zich te vermaken, dan zoude men er mede lachen, en gij , toch handelt zoo en denkt niet aan God; God kan dit niet verdragen.

Nguru: Wanneer gij eene rots of eenen hoogen boom ziet, dan zegt gij; „Daarin ligt onze krachtquot; en gij plengt daar offers. Leugens! Heeft God die rots niet daar neergelegd en laat Hij dien boom niet groeien ? Gij kunt dien boom afkappen, het hout kunt gij verbranden; hij brandt even goed als elk andere; gij kunt deze rots met een steen of hamer, die sterker is, verbreken als den eersten den besten keisteen.

35

ocr page 34

DE ARBEID IN DEN quot;WIJNGAAED.

Leugens ! Wanneer gij middelen aanwendt voor of tegen den regen en tegen de wilde dieren. Gij laat een toovenaar komen, gij betaalt hem; hij besteelt u, want hij gebiedt niet aan den regen en de wilden dieren, God doet dit. Weet hij wel waar de regen, of de zon, of de wilde dieren zijn ? Wanneer God den regen weigert, zal hij het dan van God winnen? en wanneer God wil laten regenen, zal de toovenaar het dan verhinderen. God wees den dieren het woud aan, om hun onderhoud te zoeken; de mensch vindt hetzelve op zijn akker, in de nabijheid van zijn dorp. De mensch kan door een woud gaan; wil God niet dat hij daar dien dag den dood vindt, dan zullen de wilde dieren verre van hem zijn, óf zij zien hem niet, óf zij loopen verschrikt weg: zij vallen den mensch niet aan, tenzij met Gods wil. Overigens heeft Hij den mensch de rede gegeven om wapenen te vervaardigen, zich te verdedigen, of om de wilde dieren te dooden; alle toovermiddelen hebben geene kracht. De toovenaar-zelf, wanneer hij geene andere middelen heeft ter zijner verdediging, dan die welke hij u verkoopt, om ze aan hals of arm te dragen, zal bij het eerste gebrul van den leeuw, zich zoo snel mogelijk in zijne hut gaan verbergen.

Alweer leugens uw hipumi of wel uw mtoani. (Een vergift waarmede een soort van godsgericht wordt gehouden.) De toovenaar haalt in het bosch een weinig boomschors, en werpt die in een pot met kokend water. „Laat het volk bijeen komen,quot; zegt hij dan, „ik zal den giftmenger, die in het dorp is, aanwijzen.quot; Hij geeft dan in zwakke hoeveelheid aan dengene iets te drinken, dien hij geen kwaad wil doen, of bij wien niets te halen valt; hem echter, dien hij niet lijden kan, dient hij eene sterkere hoeveelheid toe en laat hem sterven. Is het nu dit stukje baat, dat zien en begrijpen kan; dat den schuldige kan aanwijzen? Krijgt dat stukje hout kennis, omdat het gekookt is? Voorzeker, neen! De toovenaar, die doodt wien hij wil dooden, den onschul-

36

ocr page 35

DE ARBEID IN DEKT WIJNGAAKD.

dige of den schuldige, hij is de ware misdadiger; hij is een moordenaar, en al zijne helpers zijn medeplichtig aan moord. De toovenaar wordt betaald; hij steelt zijn loon; hij zegt de schuldigen te kennen door middel van zijn kipumi. Leugentaal ! de toovenaar is de giftmenger; zonder oorzaak heeft hij een mensch gedood, en God verbiedt dit alks streng. Daarom hebben wij dit ook in geheel Mpala verboden.

Wanneer iemand ziek is, of sterft, dan zegt gij altijd: „Hij is vergiftigd; wie mag hem de ziekte, of den dood veroorzaakt hebben? Gij neemt dan toevlucht tot de kipumi; leugen, nogmaals leugen! Heeft God niet de macht over ziekte en dood ? Iemand kan gemakkelijk zijn broeder met een pijl doorboren, of hem verwurgen ; hij is schuldig; vaak laat God toe dat de misdadiger bekend wordt; maar wie zal hem straffen als hij niet bekend wordt? God kent hem en zal zijn Straffer zijn, en zelfs zal Hij u toonen, hoe Hij hem gestraft heeft.

7°. Hij die nu aan God wil behagen, wat moet hij doen? Hij moet zeggen tot God: Vroeger hebben wij kwaad bedreven; maar niemand had ons onderricht; nu echter weten wij wat kwaad wij gedaan hebben, en wij hebben er leedwezen over; wij zullen ons leven beteren; God zal dan antwoorden: „Hun hart was bedorven ; zij zijn echter van levenswijze veranderd: ik heb ze tot mijne kinderen aangenomen, ik zal ze opnemen in mijne woning.quot;

8°. Gij begrijpt waarom God ons op aarde geplaatst heeft: niet om altijd hier te blijven; de aarde is maar een doortocht. Allen, zij die een goed hart hebben, en zij die een bedorven hart hebben, allen sterven zonder onderscheid; maar er bestaat toch een groot verschil. Tot de kwaden zal God zeggen: „Gij hebt het kwaad bemind, gij hebt uw hart niet willen beteren: gaat naar het oord des kwaads, gij zult daar blijven en daar zonder rust altijd pijn lijden.quot; Tot de goeden zal God echter zeggen: „Eens was uw hart bedorven; gij

37

ocr page 36

DE ARBEID IN DEJT WIJNGAARD.

hebt uw hart gebeterd, gij zijt mijne kinderen : treedt binnen in mijne woning.quot; Wat vinden wij bij God ? Niets dan geluk, en volkomen tevredenheid; geen kwaad; het geluk, en altijd het geluk, zonder vrees hetzelve te verliezen, ofte zien verdwijnen.

9°. Eenigen uwer hebben deze weinige woorden verstaan, anderen niet; nog anderen zijn nu op het veld, of op reis; zegt mijne woorden te zamen na, herhaalt ze, dan zullen degenen, die ze niet begrepen, of niet gehoord hebben, dezelve begrijpen. God zal tevreden zijn ; Hij zal zeggen: „Mijne kinderen hebben mijne woorden lief, omdat zij trachten zich dezelve in te prenten.

Over eenigen tijd, bij eene volgende reis, dan kom ik ze nog eens herhalen, en er dan nog eenige bijvoegen, opdat gij goed den weg moget leeren kennen om tot God te genaken.

Deze onderrichtingen, die overal met de grootste aandacht gevolgd worden, kunnen natuurlijk voor de eerste maal geen vruchten dragen. Maar door ze dikwijls te herhalen, dringen zij eindelijk door in het hart der ongelukkige negers, en maken hen allengskens vatbaar, om de verheven gedachten der kristelijke zedenleer te begrijpen, en tot de kennis te komen van het eeuwige loon, of van de eeuwige straf, die hiernamaals de deugd, of de misdaad te wachten staat.

Kon het land van een duurzamen vrede blijven genieten, en kwamen de slavenjagers niet aanhoudend deszelfs bewoners te gronde richten, hen dooden, of gevangen medevoeren, dan lijdt het geen twijfel, of Mpala zou in eenige jaren, een uitgestrekt kristelijk gewest zijn.

In afwachting dat weldra België aan den oost- en Duitseh-land aan den westkant, voor de bevrediging des lands zullen zorg dragen, mag het toch nu reeds een sehoone, een wonderbare uitslag genoemd worden, dat aan de oevers van het Tanganyka-meer, waar vóór elf jaren nergens een katholiek missionaris den voet gezet had, heden ten dage duizende

38

ocr page 37

DE AEBEID IN DEN ■WIJNGAARD.

39

kristenen de glorie van den waren God zingen, het Onze Vader] bidden, in plaats van de formulieren van een vreesaanjagend bijgeloof, en den Hemel verheugen, door hunnen ijver en zuiveren levenswandel.

ocr page 38

VL

Blijde Hope.

e eerste Bisschop van de missie aan het Tan-ganika-meer, welke even als die aan het Nyanza, van af den beginne tot een Apostolisch Vicariaat verheven werd, was Mgr. Joannes Baptista Charbonnier; hij werd gezalfd in 1887.

Hij was een van hen, die het langst op de bres hadden gestaan; ook was hij lid van de Congregatie der Witte Paters, sedert het ontstaan der orde.

Bij zijne komst in Afrika had hij reeds de H. Priesterwijding ontvangen, en had hij aan Mgr. Lavigerie zijne geloofsbrieven moeten vertoonen, ten einde goedkeuring en verlof te verkrijgen, om in Algiers de H. Mis te mogen lezen. De Aartsbisschop schreef er voor hij dezelve terug gaf, de volgende woorden onder: visum pro martyrio: „Gezien voor het martelaarschap.quot; „Lees dit,quot; sprak hij, „stemt gij er in toe?quot;

„Ik ben daarom gekomenquot; was het eenvoudig antwoord van den priester.

Te Tabora in Oenyanjembee, werd hij tot Bisschop gezalfd door Mgr. Livinhac, de toenmalige Apostolische Vicaris van het Nyanza-gebied. De twee Kerkvoogden hadden om elkander te ontmoeten, eene reis moeten afleggen, die verschillende maanden geduurd heeft.

Men begrijpt de groote vreugde, die de hen vergezellende:

ocr page 39

BLIJDE HOPE.

negers, bij het samentreffen der twee Apostelen aan den dag legden. Bij die gelegenheid, vernamen ook de geloo-vigen van het Tanganika-gebied, de vervolgingen in Oeganda, en 't was een roerend schouwspel, hen vol van heilig verlangen te hooren uitroepen: „Ook wij, wij zullen naar Oeganda trekken, om gemarteld te worden!quot; Na sisi tiitafilca Buganda kupata martyrio.

Mgr. Charbonnier bereidde zich door eene stille afzondering gedurende dertig dagen, tot de verheven plechtigheid voor. De geloovigen eerbiedigden en bewonderden zijne lange en strenge stilzwijgendheid: Assema mar no na Nungow, zeiden zij, „Hij spreekt alleen met God.quot;

De H. Zalving had plaats den 24n Augustus, den dag waarop de Kerk met het feest van den Apostel St. Bartho-lomeus, tegelijk herdenkt dat der 300 martelaars vantltiea, ook wel het feest der Witte Massa genaamd, ter oorzake van de ongebluschte kalk, waarin zij verbrand werden. Dubbele en treffende gelijkenis ! De nieuwe Bisschop kreeg tot titel den naam der Kerk van Utica, en men is voornemens, met zinspeling op het feit, dat boven verhaald is, de martelaars uit Oeganda de Zwarte Massa, te noemen.

Men ziet, dat in de geschiedenis der jeugdige Kerk van Afrika, de glorievolle herinneringen van het verleden, zich mengelen met de groote verwachtingen, die de tegenwoordige tijden doen koesteren, en de kristenen uit den grijzen voortijd, schijnen aan hunne nieuwe broeders de hand te reiken, tot weder aaneenknooping der overlevering, om alzoo de onsterfelijkheid der Katholieke Kerk, des te heller in het licht te doen treden.

Nog geen jaar hierna, den 16n Maart 1888, stierf Mgr. Charbonnier, die op zijne terugreis te Karema door eene hevige koorts overvallen werd, in de armen zijner medebroeders ; zijne helderheid van geest was hem tot aan zijn uiteinde bijgebleven. God had hij zijn leven voor het heil der negers opgedragen. „Daarom was hij gekomen.quot;

41

ocr page 40

VI.

Blijde Hope.

e eerste Bisschop van de missie aan het Tan-ganika-meer, welke even als die aan het ]Sryanzar van af den beginne tot een Apostolisch Vicariaat verheven werd, was Mgr. Joannes Baptista Charbonnier; hij werd gezalfd in 1887.

Hij was een van hen, die het langst op de bres hadden gestaan; ook was hij lid van de Congregatie der Witte Paters, sedert het ontstaan der orde.

Bij zijne komst in Afrika had hij reeds de H. Priesterwijding ontvangen, en had hij aan Mgr. Lavigerie zijne geloofsbrieven moeten vertoonen, ten einde goedkeuring en verlof te verkrijgen, om in Algiers de H. Mis te mogen lezen. De Aartsbisschop schreef er voor hij dezelve terug gaf, de volgende woorden onder: visum pro martyrio: „Gezien voor het martelaarschap.quot; „Lees dit,quot; sprak hij, „stemt gij er in toe?quot;

„Ik ben daarom gekomenquot; was het eenvoudig antwoord van den priester.

Te Tabora in Oenyanjembee, werd hij tot Bisschop geEalfd door Mgr. Livinhac, de toenmalige Apostolische Vicaris van het Nyanza-gebied. De twee Kerkvoogden hadden om elkander te ontmoeten, eene reis moeten afleggen, die verschillende maanden geduurd heeft.

Men begrijpt de groote vreugde, die de hen vergezellende:

ocr page 41

BLIJDE HOPE.

negers, bij het samentreffen der twee Apostelen aan den dag legden. Bij die gelegenheid, vernamen ook de geloo-vigen van het Tacganika-gebied, de vervolgingen in Oeganda, en 't was een roerend schouwspel, hen vol van heilig verlangen te hooren uitroepen: „Ook wij, wij zullen naar Oeganda trekken, om gemarteld te worden!quot; Na sisi tutafika Buganda kupata martyrio.

Mgr. Charbonnier bereidde zich door eene stille afzondering gedurende dertig dagen, tot de verheven plechtigheid voor. De geloovigen eerbiedigden en bewonderden zijne lange en strenge stilzwijgendheid: Assema mar no na Nungow, zeiden zij, „Hij spreekt alleen met God.quot;

De H. Zalving had plaats den 24° Augustus, den dag waarop de Kerk met het feest van den Apostel St. Bartho-lomeus, tegelijk herdenkt dat der 300 martelaars van Utica, ook wel het feest der Witte Massa genaamd, ter oorzake van de ongebluschte kalk, waarin zij verbrand werden. Dubbele en treffende gelijkenis ! De nieuwe Bisschop kreeg tot titel den naam der Kerk van Utica, en men is voornemens, met zinspeling op het feit, dat boven verhaald is, de martelaars uit Oeganda de Zwarte Massa te noemen.

Men ziet, dat in de geschiedenis der jeugdige Kerk van Afrika, de glorievolle herinneringen van het verleden, zich mengelen met de groote verwachtingen, die de tegenwoordige tijden doen koesteren, en de kristenen uit den grijzen voortijd, schijnen aan hunne nieuwe broeders de hand te reiken, tot weder aaneenknooping der overlevering, om alzoo de onsterfelijkheid der Katholieke Kerk, des te heller in het licht te doen treden.

Nog geen jaar hierna, den 16n Maart 1888, stierf Mgr. Charbonnier, die op zijne terugreis te Karema door eene hevige koorts overvallen werd, in de armen zijner medebroeders ; zijne helderheid van geest was hem tot aan zijn uiteinde bijgebleven. God had hij zijn leveu voor het heil der negers opgedragen. „Daarom was hij gekomen.quot;

41

ocr page 42

BLIJDE HOPE.

Spoedig gaf Mgr. Lavigerie hem een opvolger. In overleg met den raad van de Congregatie der Missionarissen, koos hij den E. P. Bridoux, die gedurende drie jaren generale overste geweest was; hij-zelf zalfde hem den 15a Juni 1888 te Parijs in de kapel der „Dames de Sionquot; tot Bisschop. „Grij gaat,quot; zoo sprak hij, „naar eene verafgelegen en onbekende landstreek; daar wordt gij opvolger van een Bisschop, wiens vroegtijdige dood u wijst op velerlei beproevingen en gevaren... Gij gaat dus. Monseigneur, niets dan lijden te gemoet, en door u met deze gulden waardigheidsteekenen te be-kleeden, doen wij, dunkt me, niet anders dan het offer tooien voor de offerande; daarentegen brengt gij ook in Afrika, in het Apostolische Vicariaat van het Tanganika-gebied, dat door de afschuwelijkste slavernij zoo geteisterd wordt, den vrede en de gaven des Allerhoogsten: evangelizantium pacem, evangelizantiuvi bona /quot;

De nieuwe Bisschop vertrok eene maand later uit Marseille naar Aequatoriaal-Afrika, vergezeld door drie missionarissen en drie negers, die vroeger waren losgekocht uit de slavernij, en die in Europa de geneeskunst hadden gestudeerd.

Sedert anderhalf jaar zijn zij aan het Tanganika-meer aangekomen.

Weinig bizonderheden aangaande de laatste gebeurtenissen in de missie zijn nog bekend; toch moet men niet uit het oog verliezen, aan den eenen kant de groote verwachtingen, die de goede aanleg der negers doet koesteren, en aan den anderen kant de vrees, die nog altijd bestaat voor de gevaarlijke nabijheid der benden slavenjagers en voor alle Muzelmannen. Maar voornamelijk in de missie aan het Ifyanza, in het groote koninkrijk Oeganda, welks vorst verleden jaar gedoopt is, daar zien wij het best hoe de gezworen vijanden van de beschaving en van den Christus huishouden. Daar zien wij ook het heldhaftig geloof der bekeerde negers, in den schoonsten glans schitteren.

42

ocr page 43

VII.

Oeganda.

ene stelling is het, die meer verdediging dan tegenspraak ontmoet, dat liet Negerras een voor immer ontaard geslacht is, met een afgestompt denkvermogen, onmachtig om zich zei ven te regeeren, en niet geschikt om op den duur van de weldaden der kristelijke beschaving te blijven genieten, 't Is nochtans een feit, dat Stanley in 't jaar 1875, (na Speke, Burton en Baker,) tusschen de Victoria-Albert- en Eduard-meren, in het geheimzinnige land, waar de bronnen van den Nijl gelegen zijn, een neger-rijk vond en onderzocht, dat door een geregeld bestuur geregeerd werd, en eene nijvere, goed ontwikkelde bevolking telde van drie of vier millioen zielen. Door katholieke missionarissen, die eenige protestantsche zendelingen op den voet gevolgd waren, werd daar in den zomer van 1879 voor het eerst het ware geloof verkondigd. Groot was al dadelijk het aantal bekeeringen in dat land verwekt; 't waren bekeeringen van dien aard, dat, toen eenige jaren later in die streken eene kristenvervolging woedde, een honderdtal martelaren hun bloed stortten met eene overtuiging en een heldenmoed, die aan de martelaars der eerste tijden deed gedenken. Eindelijk vermeldden de laatste berichten van Mei dezes jaars, dat na eenige bloedige omwentelingen, dit

ocr page 44

OEGANDA.

rijk in de macht gekomen is van een vorst, een bekeerling, die den kristenen alle bescherming verleent.

Het land, waarvan hier sprake is, heet Oeganda, of zooals het in Afrika genoemd wordt, het rijk van Boeganda. Hetzelve ligt vlak onder den Evenaar, tusschen 1020' zuideren ll,22' noorderbreedte, en strekt zich uit van 31° westertot 33031' oosterlengte. Het gebied der schatplichtige gewesten medegerekend, heeft het eene oppervlakte van 70,000 vierkante kilometer, met eene bevolking, zooals boven gezegd is, van drie of vier millioen zielen.

Dit belangrijk gewest maakte zulken indruk op Stanley, dat hij, alvorens nog een voet in Oeganda gezet te hebben, reeds in zijn dagboek schreef: „het weinige, dat ik betreffende de zeden en gebruiken van de bewoners van Oeganda op de eilanden Sohoeëh, Kihoea en op die van de Murchison-baai heb kunnen nagaan, gaf mij reeds de overtuiging, dat ik met een buitengewoon vorst en volk ging kennis maken; een volk, dat zooveel verschilt van de roofzuchtige bewoners van Oevoema en van de barbaarsche inboorlingen van Oost-Oessoekoema, als de Engelschen in Indië afwijken van de Afridis, of de stedelingen uit Arkansas van de nog halfwilde Choctaws.quot;

Jaren nadat hij 't voorgaande te boek stelde, gedurende zijne laatste reis, trok Stanley nog eens langs de grenzen van Oeganda en toen teekende hij aan: „deze maand is het vijftien jaar geleden, dat ik voor de eerste maal de oevers zag van het Yictoria-meer; mijn broos vaartuig doorkliefde deszelfs wateren; hier onderzocht ik nauwkeurig de inhammen en kreeken, en bracht de kusten op mijne kaart. Zes maanden later wisten de lezers van de Daily Telegraph en de New-York Herald, dat de plaatselijke gesteldheid van een der grootste meren van Afrika onderzocht was, en dat ten noorden van dit meer, een koning regeert over drie millioen zindelijke en goed gevormde negers; en wel een koning, die in zijne zucht naar verlichting, de beschaafde

44

ocr page 45

OEGANDA.

wereld om bijstand smeekt. Eenige mannen van goeden wil, aan zijne roepstem gehoor gevende, zonden hem missionarissen, die jaren lang den vorst en zijn volk onderwezen, aanvankelijk wel niet met al te goeden uitslag; maar het zaad was toch op een vruchtbaren bodem gevallen: het teedere gewas ontkiemde langzamerhand, schoot op en leverde een overvloedigen oogst op, in weerwil van de distelen en het onkruid, die hetzelve in zijne ontwikkeling trachtten te stuiten.quot;

Maar was het verlangen van dien vorst naar beschaving wel zoo vurig en zoo groot ? De uitkomst heeft dit niet bewezen; men kan zeggen met alle reden, dat de koning, door den schijn aan te nemen van zich met de zijnen te laten bekeeren, Stanley op een dwaalspoor gebracht heeft. Toch lijdt het geen twijfel, dat al wat door de missionarissen ter wille van de uitstekende hoedanigheden van Oeganda's bevolking gedaan is, geen vergeefsche moeite geweest is; 't staat ook vast, dat geen ander volk van Afrika, beter aan de verwachtingen, die men van hetzelve koestert, heeft beantwoord.

45

ocr page 46

VIII.

Het Land en zijne Bewoners.

et koninkrijk Oeganda, dat gemiddeld 1200 meter boven den spiegel der zee gelegen is, bestaat uit een reeks van 300 tot 400 meter hooge heuvelen, en van vlakten, die vaak in moerassen herschapen worden. De betrekkelijk hooge ligging van het land is de oorzaak van het gematigde klimaat, waaraan de Europeanen zich gemakkelijk kunnen gewennen. Door de menigvuldige regens, gedurende het geheele jaar, is de bodem uitermate vruchtbaar en de plantengroei allerheerlijkst. Schoone en vette weilanden zijn er ia overvloed, waar ontelbare kudden grazen, die echter door vreemdelingen bewaakt worden. Jonge slaven dienen er tot schaapherders en geitenhoeders. De Mganda (zoo heet de bewoner van het land, in 't meervoud zegt men de Bagandas,) acht het beneden zich landbouwer of veehoe-(ier to zijn. Do landbouw wordt er verwaarloosd, slechts oude vrouwen houden zich daar mede bezig. Deze bouwen een soort van zoete aardappelen, eenige kruiden voor medicijnen, snijboonen, maïs, vlas, een weinig koffie- en ricinus-planten, tabak, suikerriet en sorghum, een soort van roode Indiaansche gierst.

Maar hot belangrijkste voortbrengsel van Oeganda, misschien de eenige oorzaak van 's lands maatschappelijken

ocr page 47

HET LAND EN ZIJNE BEWONERS.

toestand, is de banaanboom. „Het bezit van dezen boom,quot; zegt Stanley, „is werkelijk een geluk, een rijkdom, een bron van welvaart voor den bewoner van Oeganda; zonder dezen ware hij een beklagenswaardig wezen, dat elk oogenblik ten hongerdood gedoemd zou zijn.quot; Hij verhaalt verder uitvoerig, hoe daar de inboorling onder de schaduw van den banaanboom rust en verkwikking zoekt; op welke wijze hij van de vrucht brood, wijn, bier, groenten of geneesmiddelen bereidt; hoe hij het hout, de vezels of het sap benuttigt tot het vervaardigen van gebinten, palissaden, bedsteden, linnengoed, papier, gareu, koorden, zeep, sponsen, badkuipen, schilden, hoeden, tot zelfs prauwen; in een woord, alles wat hij tot zijn levensonderhoud noodig heeft, vleesch en ijzer uitgezonderd. Al wat de bewoners uit de behandeling van een product weten te trekken, bewijst reeds genoeg, dat do Ba-gandas, staat dan ook de landbouw bij hen niet in hoogo achting, daarentegen veel aanleg hebben tot het leeren van handwerken en het uitvoeren van allerlei bedrijf; zij hebben het reeds tot ecne hooge trap van volmaaktheid gebracht in de bereiding van pelterijen, in 't vervaardigen van lansen, messen, schilden, trommen, schoenen, armbanden, pijpen, matten en houten halmpjes, die gebruikt worden bij 't opslorpen van banaanwijn. 't Zijn uitstekende kooplui: de Arabier, die hen bezoekt om katoen, parelen, geweren, buskruit, slaghoedjes en dergelijke handelsartikelen, tegen ivoor om te ruilen, moet al heel geslepen zijn, wil hij meer slaven, ivoor of andere waren verkrijgeu dan de gebruiken van den ruilhandel zulks gedoogen.

't Is het eenige volk van Afrika, dat een soort van geld bezit, namelijk de simbi of cauri; 't zijn kleine schelpen, die eene waarde hebben van een halven cent.

Tot het vervoeren van lasten gebruiken zij mannen, even als hunne buren; maar die van Oeganda torsen de lasten op het hoofd, terwijl die van Oenyamoeëzi dezelve op de schouders dragen.

47

ocr page 48

HET LAND EN ZIJNE BEWONERS.

Een missionaris, Pater Couland, verhaalt in zijn dagboek, hoe, bij gelegenheid dat hij een bevriend stamhoofd een bezoek bracht, eenige ezels zijner karavaan de algemeens bewondering wekten.

De vorst-zelf en zijne trouwe onderdanen, zagen naar de blanke bezoekers, en zelfs naar hun draaiorgel, accordeon en kaleidoskoop in 't geheel niet meer om, en wijdden al hun aandacht, al hunne bewondering aan de grijze langoortjes.

De Bagandas, die zonder veel moeite den kost verdienen, en van zenuwziekten niets afweten, zouden wellicht het gelukkigste volk van de aarde zijn, indien zij goed geregeerd werden. Maar daarginder weet men ook te spreken van wat in Europa centralisatie heet, of de zucht om alle macht in weinige handen te vereenigen.

Het grondgebied is verdeeld in districten, die ongeveer gelijk zijn aan de Europeesche indeeling van gemeenten, kantons, arrondissementen en departementen. Aan 't hoofd van elk bestuur staat een beambte der eerste, tweede of derde klas, die alle gezag heeft over zijne ondergeschikten; maar die, op zijn beurt, verantwoording schuldig is aan zijne meerderen. Boven al deze staatsdienaren staan twee ministers, die met hunne beambten handelen naar believen; de vorst doet natuurlijk allen te zamen naar zijne pijpen dansen.

De koning heet Kabaka; de rijksgrooten der eerste klas worden Bahoengoe betiteld, en de overigen zijn maar eenvoudige Batangoles. De boeren heeten Mkopi; deze moeten niet alleen belasting betalen, maar ook alle heerendiensten verrichten. Bij den dood van den vorst verliezen alle ambtenaren hunne betrekking, omdat hij alleen hun ook deze verleende; 't gebeurt wel eens dat de nieuwe troonopvolger er nog wel eenige in zijn dienst houdt; maar in den regel worden zij door nieuwe staatsbeambten vervangen.

De koning onderhoudt in vredestijd een klein leger; het

48

ocr page 49

HET LAND EN ZIJNE BEWONERS.

dient tot zijne lijfwacht en tot opluistering der officieele plechtigheden. In tijd van oorlog ia alleman soldaat; in een paar dagen tijd is een ieder strijdvaardig.

Deze negerstam is om zijne dapperheid geducht bij zijne naburen, en geen volk is tegen de Bagandas opgewassen. Zou een soldaat gedurende het treffen de lust bekruipen om bet hazenpad te kiezen,dan wordt hij dadelijk gedood. De inboorlingen doen jaarlijks een uitstapje naar't aangrenzend grondgebied, alleen met het doel kudden, vrouwen en kinderen te rooven.

Zij hebben van nature veel aanleg voor de muziek. De harp (ranga) is gelijk bij de oude Egyptenaren, hunlieve-lings-instrument, waarmede zij hunne liederen en dansen begeleiden. Zij zingen lofliederen ter eere hunner opperhoofden, krijgs- en treurliederen. Mtesa, hun koning, bezat zelfs eene militaire muziek, bestaande uit hoornblazers en trommelslagers, en geleid door een kapelmeester, die zorg droeg voor het juiste samenspel der blaas-, slag- en snaarinstrumenten.

Aan het hof des konings vindt men buiten de lijfwacht, ook nog rijksgrooten en edelknapen. De vrouwen van den vorst mag men ook niet vergeten: de tegenwoordige koning was vóór zijne bekeering, met eene goede vijftienhonderd echtgenooten gezegend. Voorwaar een vorstelijke harem! De Bagandas, die nog niet bekeerd zijn, regelen het getal hunner vrouwen naar hun fortuin, 't Hoofd eens gezins kan naar willekeur zijne vrouw, of zijne kinderen dooden, of verkoopen.

Van achting voor de ouden van dagen is in Oeganda niets te bespeuren. De oorzaak hiervan is wellicht te zoeken in de veelvuldige oorlogen, het eenige middel om zich verdienstelijk te maken, en grijsaards zijn tot vechten wel het minst geschikt.

De Bagandas gelooven, gelijk alle negerstammen uit het gebied der Groote Meren, aan een eenig Opperwezen, een goeden Schepper van alle dingen. Zij noemen hem Katonda, van 't werkwoord koetonda, dat scheppen beteekent. Hij is het opperhoofd van een aantal goden van minderen rang,

4.

49

ocr page 50

HET LAND EK ZIJNE BEWONERS.

loebares of loebalis geheeten, die geacht worden, veel kwaad te stichten. Al deze goden hebben priesters, belast met de zorg Toor hun eeredienst en de offeranden. Gewoonlijk draagt men den godheden dieren- maar ook soms menschen-offers op. In 'c jaar 1880 liet de toenmalige koning van dat land, Mtesa, op het graf zijns vaders dooden: negen en negentig mannen, negen en negentig vrouwen en even zooveel ossen, geiten, kippen en schapen.

Zonder zich een bepaald begrip te kunnen vormen van de onsterfelijkheid der ziel, gelooft men toch, dat een gedeelte van het lichaam na den dood blijft voortbestaan; het is een niet belichaamd wezen, hetwelk zij Mpeo (adem, wind) noemen; een wezen, altijd geneigd tot kwaad doen, dat met offers dient bevredigd te worden. Hun godsdienst bestaat uit zeer', weinige, vage leerstellingen, en op het gebied van zedenleer is het er nog treuriger gesteld: het afschuwelijkste zedenbederf heeft de Bagandas even zoo erg aangetast, als de overige volkeren van Afrika. Zij gelijken echter, wat hun uitwendig waardigheidsgevoel betreft, meer op de Arabieren. Het loopen met onbedekt lichaam, zien zij voor eene groote schande aan ; zij weten hunne slanke leden niet zonder sierlijkheid te tooien, met een mantel van geweven vijgeboomenschors, die met een knoop op hun linker schouder vastgehecht is, en in zwierige plooien tot op de voeten nedervalt.

Het ontbreekt ook den Bagandas niet aan historische overleveringen. Hunne legenden hebben ontegenzeggelijk eenige waarheid ten grondslag; zij hebben gewoonlijk betrekking op tempels, of begraafplaatsen, waar in den voortijd minder, of meer gewichtige gebeurtenissen hebben plaats gegrepen, die met mindere of meerdere juistheid van geslacht tot geslacht zijn overgeleverd. De grootste zorg dragen zij voor de graven hunner vorsten ; 't is bekend dat de tegenwoordige koning hun zes en dertigste soeverein is. Het graf van den stichter huns koninkrijks, Kintoe, dien

50

ocr page 51

HET LAND EN ZIJNE BEWONERS.

zij zeer vereeren, bevindt zich niet in hun land. Deze Kintoe zou in het begin der dertiende eeuw onzer tijdrekening, van uit het noorden (mogelijk uit Abyssinië of uit het land der Gallas,) naar hun land getrokken zijn, als aanvoerder van een herdersvolk, waaruit de bewoners van Oeganda zouden voortgesproten zijn. De Arabieren, op hunne manier zeer bedreven in het oplossen van historische vraagstukken, zeggen dat Kintoe dezelfde persoon is als Cham, de zoon van Ifoach en de stamvader der negerrassen. Misschien was deze Kintoe kristen, want allo bepalingen aangaande hunne zedenleer komen, zeggen zij, van hem voort, en naar hunne overlevering vermeldt, bezat hij slechts ééne vrouw. Onder zijn bestuur bereikte Oeganda een hoogen bloei; maar tengevolge van den voorspoed, ontaardden de zeden en Kintoe verliet zijn ondankbaar land. Langen tijd echter daarna, verscheen hij nog eens aan een zijner opvolgers in een woud. Op die plaats heeft men hem ter eer een beroemden tempel gebouwd, waar men hem telkens bij nieuwe maan offers opdraagt. Men hoopt nog altijd hem te zien terug-keeren; want toen Pater Lourdel, zonder iemand van zijne komst verwittigd te hebben, en zonder zak of pak, met een bootje aan de kusten van Oeganda landde, liep een oogen-blik het gerucht, dat de groote Kintoe-zelf, te midden van zijn volk wedergekeerd was.

De lezer beeft nu iu het voorafgaande eene schets in groote omtrekken, van den stoffelijken, politiekeu en zedelijken toestand van Oeganda. Zoo was dezelve tenminste tot aan den jongsten tijd.

't Staat echter vast, dat de bekeering des konings, binnen niet langen tijd, groote verandering zal brengen in de wijze van bestuur, de begrippen, zeden en bijgevolg ook in den arbeid en de gewoonten van het private leven dezes volks.

'tls duidelijk dat bij een stam, die dusdanig aan een oppergezag onderworpen is, haast alles van den wil en de zienswijzen van den vorst moet afhankelijk zijn.

51

ocr page 52

IX.

Bange Vooruitzichten.

S adat de missionarissen voor het Nianza-gebied, ^ te Tabora hadden afscheid genomen van hunne ambtsbroeders, die het Evangelie aan de oevers van het Tanganika-meer gingen verkondigen, richtten zij hunne schreden naar het noorden des lands, staken het Groots Meer over en landden te Roebaga, de hoofdstad van Oeganda, den 19n Juni 1879, dertien maanden na hun vertrek uit Algiers. De Kabaka of vorst, die toenmaals regeerde was Mtesa, die zijn vader Soena II in 1860 was opgevolgd.

Te oordeelen naar het verhaal van Stanley, zouden zij een vorst hébben moeten aantreffen, die reeds vier of vijf jaren geleden bekeerd zou zijn. Wij lezen inderdaad in het verhaal van den beroemden reiziger, dat hij-zelf don koning gedurende verschillende maanden in de leer van het Evangelie onderwees; dat zijn vorstelijke leerling zeer oplettend was, en hij hem, na eene plechtige en openbare gedachten-wisseling, aan de leer van Mahomed deed verzaken om het geloof van Christus te omhelzen. Op dien stond verklaarde de koning, den nieuwen godsdienst met hart en ziel aan te hangen, eene nieuwe kerk te laten bouwen, al zijne krachten te willen aanwenden om de kristelijke begrippen onderzijn volk te verspreiden, en alles in het werk te stellen, om zijn levenswandel naar de heilige wetten van den Bijbel in te

ocr page 53

BANGE VOORUITZICHTEN.

richten. Hoort, in welke treffende bewoordingen, de koning van zijn gast afscheid nam: „Stammli,quot; sprak hij, toen de reiziger twee maanden later, bij hem voor 't laatst zijne opwachting maakte. „Stammli, vergeet toch niet aan de blanken te schrijven, dat ik mij vergelijk bij een blindgeborene, of bij iemand die in de duisternis leeft: ik vraag slechts licht; ik zal zoolang ik leef kristen blijven.quot; Hierbij komt nog, dat de prolestansche zendelingen Oeganda bezocht hadden vóór de katholieke, en genen al den tijd gehad hadden, om den koning ia zijn schoon voornemen nog meer te bevestigen, en.... de quot;Witte Paters vonden bij hun bezoek, den vorst juist zoo goed gezind jegens de Muzelmannen als jegens de Kristenen.

Hij had reeds de anglikaansche zendelingen verzocht, hem niet langer lastig te vallen, daar, zooals hij zeide, deze godsdienstige redekavelingen hem uiterst onverschillig waren. Mtesa speelde de rol van een behendig staatsman. De blanken en hunne godsdienstige begrippen, bewonderde hij slechts uit eigen belang. Geslepen, niet eng van geweten, en de gave bezittende zich naar alle omstandigheden te kunnen plooien, zag hij in de Europeanen menschen, die hij aan zich moest zien te verbinden, menschen, die hem met rijke geschenken begiftigden, en in welke hij bondgenooten van groote verdiensten meende aan te treffen. Overigens was hij niet ongenegen, het voordeel in de hand te werken, dat uit eene oppervlakkige beschaving kon ontstaan; hij voerde ook volgaarne eenige nieuwe gebruiken in. Maar toen door bemiddeling der Engelschen, bouwmeesters, smeden, werktuigkundigen en zeeofficieren zich in zijn rijk kwamen vestigen, verbood hij dezen uitdrukkelijk, zijn volk in de handwerken te onderwijzen.

Gelijk al de blanken, werden ook de missionarissen in Koebaga uitstekend ontvangen. Een meer dan gewoon onthaal viel hun zelfs ten deel, ter oorzake van de schoone geschenken, die zij medebrachten.

53

ocr page 54

BANGE TOORÜITZICHTEN.

Zij gaven den vorst niet alleen buskruit en wapenen,

de gewone geschenken der reizigers; maar zij begiftigden daarenboven hem en zijn geheel hof met prachtige statiekleederen, die zij in Parijs voor weinig geld gekocht hadden; met eene niet alledaagsche vrijgevigheid deelden zij rokken uit, met gouden tressen versierd en naar de Fransche mode gemaakt. Deze kleedingstukken, waarmee eens wellicht Fransche ministers of gevallen staatslieden gepronkt hadden, konden nog lange jaren uitstekende diensten bewijzen bij feestelijkheden aan het hof van Oeganda. Waartoe de heden-daagsche staatsomwentelingen al niet kunnen dienen!

Mtesa wilde van zijn kant in vrijgevigheid niet ten achter staan. Hij gaf den missionarissen een akker ter grootte van een bunder, met banaanboornen beplant, en daarbij nog dertig ossen; hij zorgde voor hot aanschaffen van werklieden, en de bouwmaterialen, die noodig waren om hun allen een goed onderkomen te verschaffen. Hunne woning werd, even als de hutten van die landstreek, opgebouwd met timmerhout, riet en graszoden; toch verwekte haar ietwat Europeesche bouwstijl, bijster veel bewondering en zelfs afgunst.

De missionarissen wisten al dra uit de hun geschonken vrijheid voordeel te trokken. Zij stichtten gelijk in het Tanganikagebied, een weeshuis voor kinderen, die zij konden vrij koopen, en smaakten ook de voldoening een groot aantal volwassenen op hunne roepstem te zien toesnellen, om in den katechismus onderwezen te worden en het H. Doopsel te ontvangen. Eene gedachtenwisseling in het openbaar, tusschen Pater Lourdel en den anglikaanschen zendeling, den heer Mackay gevoerd, droeg op haar beurt veel bij tot de verspreiding van het katholieke geloof. De heer Mackay is in Februari dezes jaars overleden. Stanley schrijft, dat voornoemde heer de eenige zendeling was in Afrika, voor wien hij bewondering had gekoesterd: „hij is de beste geweest,quot; zegt hij, „dien wij sedert Livingstone gehad hebben.quot; De Witte Paters wisten niets dan goed van hem, en zij hebben

54

ocr page 55

BANGE YOORUITZICHTEtf.

hem ook meermalen goede diensten bewezen; maar zij komen er toch voor uit, dat hij de eenige andersdenkende zendeling is geweest, die hun in den weg heeft gestaan.

Majoor quot;Wissmaan is in zijne jongste brochure minder terughoudend, en verdedigt daarin de katholieke missionarissen, wier ijver volgens hem, verre boven dien der andersdenkende zendelingen verheven is.

Wat hier van zij, 't is zeker, dat de heer Mackay alles heeft aangewend, om Mtesa te doen besluiten, de quot;Witte Paters den toegang tot zijn land te verbieden.

Toen hij evenwel gewaar werd, dat in weerwil van zijne bemoeiingen, deze toch vasten voet kregen, en hunne pogingen met een goeden uitslag bekroond zagen, heeft hij zich niet geschaamd, zij het ook te goeder trouw, hunne leer te bestrijden, door hunne woorden verkeerd uit te leggen, en dat nog wel met eene onwetendheid, die hem weinig eer aandeed. Hij verkondigde overal, dat de katholieke missionarissen eene vrouw aanbaden, Maria genaamd, en dat het Opperhoofd hunner Kerk, geacht werd onmogelijk te kunnen zondigen. De koning, die zich al heel weinig om de Leer bekreunde, wilde toch wel eens de twee kampioenen hooren, en gaarne een theologisch dispuut bijwonen. Het kostte dan ook Pater Lourdel weinig moeite, om het onderscheid in een helder daglicht te stellen, tusschen de onfeilbaarheid, die bestaat in niets te leeren dat onwaar is, en de onzondigheid, die alle mogelijkheid van kwaad doen uitsluit. Hij bewees verder met evenveel klaarheid dat, zonder de Moeder des Zaligmakers goddelijke eer te bewijzen, er nog niets onbetamelijks in gelegen is, wanneer Zij boven alle andere schepselen vereerd wordt, evenals in Oeganda, na den koning, wel zijne moeder de meeste achting verdient.

Tegen dit betoog viel niets in te brengen. De eerbied, die Mtesa jegens zijne moeder. Nana Massoerie koesterde, was eenieder in den lande bekend; ofschoon zooals Stanley

55

ocr page 56

BANGE VOORUITZICHTEN.

verhaalt, deze dame al hoogbejaard, wraakzuchtig en driftig Tan inborst was, en een meer mannelijk dan vrouwelijk gemoed bezat.

Mtesa maakte een einde aan de gedachtenwisseling met deze woorden: „De Pater zal ons voortaan onderrichten.quot; De heer Maekay, de waardige zendeling, kon heengaan.

Niettegenstaande alle voorkomendheid des konings, merkten de missionarissen weldra, dat de vorst een staatsman was, wien de godsdienstige vraagstukken niet nauw ter harte gingen. Meer bekommerde zich deze negervorst over het naderend gevaar, dat zijn land bedreigde van den kant der Arabieren uit het Boven-Nijl-gebied.

'tZijn inderdaad deze, die weinig tijds daarna, onder den naam van Derwischen of mahomedaansche bedelmonniken, en Mahdisten of volgelingen van den Profeet, het den En-gelschen en den onderkoning van Egypte zoo lastig hebben gemaakt. Ook wist hij zich van te voren te verklaren, hoe noodzakelijker wijze eene geheime verstandhouding moest ontstaan, uit het verkeer der Muzelmannen van het Noorden^ met de Arabieren, die uit Zanzibar en het geheele gebied der Groote Meren, in Oeganda ivoor en slaven verhandelden.

Alle welwillendheid den Franschen missionarissen betoond, was slechts een middel, om zich later den steun van hunne stamgenooten te verzekeren. quot;Want toen hij meende genoegzaam derzelver vertrouwen gewonnen te hebben, deelde hij eens geheel openhartig. Pater Livinhac zijne geheime vermoedens mede, aangaande de plannen der Muzelmannen, en verzocht hem om zijne medewerking, ten einde ofScieel onder het protectoraat van Frankrijk gesteld te worden. Wie weet, of hij den Engelschen zendelingen, ook niet hetzelfde verzoek gedaan heeft.

De Apostolische Vicaris, gedachtig aan zijne instructie: zich met geene Afrikaansche staatkunde te bemoeien, antwoordde den koning, dat hij het verzoek zou ter kennis brengen van zijn geestelijken overste, en schreef onmiddellijk

56

ocr page 57

BANGE VOORUITZICHTEN.

aan Mgr. Lavigerie. De Aartsbisschop van Algiers, die zich al dadelijk geene gouden bergen van dit voorstel beloofde, en vermoedde dat Frankrijk niet met gretigheid eene nieuwe verantwoordelijkheid op zich zou laden in een land, dat zoover van zijne bezittingen verwijderd lag, en nog zoo weinig bekend was, de Aartsbisschop, zeg ik, meende toch uit achting voor zijn vaderland, het voorstel aan de Hooge Regeering te moeten bekend maken.

„De weigering,quot; zoo verhaalt Mgr. Lavigerie, „was in beleefde termen vervat; toch had de Regeering, als blijk van hare welwillendheid, ten gebruike van Mtesa, driehonderd geweren naar het Fransche consulaat van Zanzibar gezonden, die den vorst in staat stelden, zich tegen den vijand, dien hij duchtte, te kunnen verdedigen.quot;

Was nu het geheim der briefwisseling uitgelekt, of zag Mtesa met spijt zijne plannen, van welke hij zooveel goeds verwachtte, in duigen vallen, zeker is 't, dat van het oogen-blik der weigering, de welwillendheid des konings ten hunnen opzichte zeer verminderde, en de haat en tegenwerking der Muzelmannen mettendag toenamen. Deze stelden alles in 'twerk, om Mtesa te overtuigen, dat de bekeering van zijn land, binnen korten tijd, noodzakelijkerwijze door een veroveringstocht van Europeanen zou opgevolgd worden; ook gelukte het hun den koning schrik aan te jagen, door hem het laatste nieuws uit Egypte, betreffende de Conferentie van Berlijn, in de afzichtelijkste kleuren af te malen.

Zijn land, zeiden zij, zou eerstdaags door Europeesche legerbenden, die de missionarissen als bespieders hadden vooruitgezonden, letterlijk worden ingeslokt. De snelle voortplanting der Nieuwe Leer in zijn land, was voor hem eene bron van aanhoudende kwellingen. Nog nergens hadden de missionarissen zulke goede, natuurlijke geschiktheid aangetroffen, dan bij die van Oeganda. Het getal der nieuwbe-keerden werd steeds grooter ; de goede hoedanigheden der kinderen in de weeshuizen, lieten niets te wenschen over-;.

57

ocr page 58

BANGE TOORTJITZICHTEJT.

en de bekeerlingen van rijperen leeftijd, kwamen stiptelijk hunne beloften na. Mtesa verbood den Paters, in 't vervolg hunne woning te verlaten, om bekeerlingen aan te winnen. Maar de niouwbekeerden-zelven onderwezen hunne landge-nooten, en brachten ze ongemerkt in het missie-huis, waar gemakkelijk het begonnen bekeeringswerk werd gadegeslagen, en het ontbrekende kon worden aangevuld.

Daar de gezinnen der Bagandas, afzonderlijk hunne uitgestrekte bezittingen bewonen, hadden de missionarissen in den beginne slechts aan hofbedienden en aan slaven der rijken, het geloof kunnen verkondigen. De hofbedienden werden echter benoemd tot hoofden der districten, diep in het land, en de slaven volgden hunne heeren in de verschillende gewesten, waarheen zij telken jare, gedurende eenige maanden afleiding en verpooziug gingen zoeken, 't quot;Was tengevolge van de bekeeringszucht der jonge geloofsleer-lingen, in verband met de leergierigheid hunner landgenoo-ten, dat diep in het binnenland dikwijls talrijke bekeeringen plaats grepen, buiten weten der missionarissen. Deze vernamen het soms geheel toevallig, wanneer lieden uit verre gewesten ten hove kwamen, oui daar ion voordeele des konings en der rijksgrooten, heerendiensten te verrichten.

Zoo kwam het hun eens ter oore, dat enkele nieuwbe-keerden, in dienst van 's konings olifanteujagers, bicnen weinige dagen, een honderdtal bekeerlingen aangeworven hadden.

Ofschoon deze goede uitslag, alsmede de gewaande geheime bedoelingen der Europeanen, Mtesa zeer beangstigden, weigerde hij toch den raad der Arabieren te volgen, die hem tot het plegen van geweld aanzetten. Hij duchtte de weerwraak der beschaafde wereld. Maar ten laatste, gekweld door eene zware ziekte, geheel in de macht van, en schier tot waanzin gebracht door de slavenjagers, geprest tot het bouwen eener moskee, terwijl de Koran en de volgelingen van Mahomed het hunne er bij deden, verbande

58

ocr page 59

BANGE VOORUITZICHTEIf.

hij na hevige bedreigingen de katholieke missionarissen. Zij moesten naar 't zuiden van het Nyanza-gelned, in het land van Boekoemhi schuil gaan, waar zij de missie van O. L. Vrouwe van Kaboga stichtten. Zij bouwden daar eene kerk en een ■weeshuis, dat al ras zestig kinderen huisvestte. Dewijl zij bier minder bezigheden hadden dan in Oeganda, vertaalden zij er den katechismus ia het Kis-soekoema- en Kiswakili dialect. Toevallig vormt hun toevluchtsoord Boekoembi, het centrum van het Apostolische Vicariaat in het Nyanza-gebied. 't Kan in 't voorbijgaan niet anders dan den lezer genoegen doen te vernemen, hoe het missiewerk in Aequatoriaal- A_trika is ingedeeld.

De missiën bestaan uit twee apostolische vicariaten: dat van het Nyajiza- en dat van het Tanganika-gebied; het eene zoowel als het andere, staat onder het gezag eens Bis-schops. Uit het Vicariaat van het Nyanza-gebied, is het provicariaat Oenyanyembee ontstaan, dat toevertrouwd is aan de hoede van een provicaris, die niet met de bisschoppelijke waardigheid bekleed is; uit het vicariaat van het Tanganika-gebied, is het provicariaat van den Boven-Congo voortgesproten. Het eerstgenoemde provicariaat kan zich oostwaarts uitbreiden, tusschen het Victoria-meer en de kust, tot aan de missie der Paters van den H. Geest; het andere kan zijn besebavenden en godsdienstigen invloed verspreiden meer westwaarts, langs de boorden van Afrika's reuzenstroom. Men kan dus met grond aannemen, dat de missiën van Aequatoriaal-Afrika gevestigd zijn in vier gewesten : het Kyanza-gebied en Oenyanyembee; het Tanganika-gebied en den Boven-Congo. Strikt genomen, behoort er nog eene vijfde missie bij: die aan het Nyassa-meer, welke pas ten vorigen jare is opgericht.

De eerste Bisschop van deze gezamenlijke missiën is Mgr. Livinhac, de tegenwoordige generale overste der Witte Paters. Hij werd als Apostolisch Vicaris, met den titel van Bisschop van Pacando, gezalfd den 14a September 1884.

59

ocr page 60

BANGE VOORUITZICHTEN.

De verheven plechtigheid had plaats in Carthago, welke stad opnieuw tot bisdom verheven is, en die in de laatste duizend jaren, niet meer van eene bisschopszalving was getuige geweest.

De H. Wijding werd verricht door den opvolger van den H. Cyprianus, Mgr. Lavigerie, bijgestaan door Mgr. Combes, Bisschop van Constantino en Hippone, den opvolger van den H. Augustinus, en door Mgr. Buhagiar, Bisschop van Ruspe, den opvolger van den H. Fulgentius. Heerlijke namen, grootsche herinneringen! Maar ook welke hoopvolle wederopstanding!

60

ocr page 61

X.

De naderende Storm.

aren de missionarissen ook al naar Boe-koembi verbannen, de vooruitgang van het katholieke geloof bij de Bagandas, was daarom toch niet gestremd, üe nieuwbe-keerden gingen steeds voort met hunne fa-^ miliebetrekkingen, hunne landgenooten en

soms geheele dorpen te onderwijzen. De Muzelmannen, die geheel andere berekeningen gemaakt hadden, zagen dit met leede oogen aan; ook zou de koning op hun aandringen wellicht geene bloedige vervolgingen ontzien hebben, hadde de dood niet een einde aan zijn bestuur gemaakt.

In Oeganda is de oudste zoon des konings bij de wet uitgesloten van de regeering; de rijksgrooten hebben de macht, een der jongere zonen van den overleden vorst tot het koningschap te verheffen. In weerwil van de kuiperijen en het verzet der Arabieren, en juist uit haat tegen hunne schandelijke heerschzucht, die in 't geheele land verafschuwd werd, viel de keuze der Bagandas op Moeanga, een der jongste zonen van Mtesa; dezelfde, die in het geheim, de lessen der missionarissen had gevolgd, en die hen zelfs bij hun vertrek, met tranen in de oogen had uitgelei gedaan. Zijn eerste werk was, de missionarissen te verzoeken naar Oeganda terug te keeren. Pater Lourdel sloot eene over-

ocr page 62

BANGE TOOEUITZICHTEN.

De verheven plechtigheid had plaats in Carthago, welke stad opnieuw tot bisdom verheven is, en die in de laatste duizend jaren, niet meer van eene bisschopszalving was getuige geweest.

De H. quot;Wijding werd verricht door den opvolger van den H. Cyprianus, Mgr. Lavigerie, bijgestaan door Mgr. Combes, Bisschop van Constantine en Hippone, den opvolger van den H. Augustinus, en door Mgr. Buhagiar, Bisschop van Ruspe, den opvolger van den H. Fulgentius. Heerlijke namen, grootsche herinneringen! Maar ook welke hoopvolle wederopstanding!

60

ocr page 63

X.

De naderende Storm.

aren de missionarissen ook al naar Boe-koembi verbannen, de vooruitgang van het katholieke geloof bij de Bagandas, was daarom toch niet gestremd, üe nieuwbe-keerden gingen steeds voort met hunne familiebetrekkingen, hunne landgenooten en soms geheele dorpen te onderwijzen. De Muzelmannen, die geheel andere berekeningen gemaakt hadden, zagen dit met leede oogen aan; ook zou de koning op hun aandringen wellicht geene bloedige vervolgingen ontzien hebben, hadde de dood niet een einde aan zijn bestuur gemaakt.

In Oeganda is de oudste zoon des konings bij de wet uitgesloten van de regeering; de rijksgrooten hebben de macht, een der jongere zonen van den overleden vorst tot het koningschap te verheffen. In weerwil van de kuiperijen en het verzet der Arabieren, en juist uit haat tegen hunne schandelijke heerschzucht, die in 't geheele land verafschuwd werd, viel de keuze der Bagandas op Moeanga, een der jongste zonen van Mtesa; dezelfde, die in het geheim, de lessen der missionarissen had gevolgd, en die hen zelfs bij hun vertrek, met tranen in de oogen had uitgelei gedaan. Zijn eerste werk was, de missionarissen te verzoeken naar Oeganda terug te keeren. Pater Lourdel sloot eene over-

ocr page 64

DE KADERENDE STOKM.

eenkomst met een Arabier, Saïd-ben-Syf genaamd, die toevallig van plan was, met een tamelijk groot vaartuig het Meer over te steken. De ballingen brandden van ongeduld,, en toch werd het uur van vertrek van dag tot dag verschoven, toen zij eensklaps bericht ontvingen van de landing eener kleine vloot, bestaande uit twintig scheepjes, door den koning uitgerust, om hen en alle weezen af te halen.

De nieuwe vorst schreef zijne verheffing op den troon aan hunne gebeden toe; om hun zijne erkentelijkheid te betuigen, liet hij de bijgeloovige heidensehe gebruiken varen, bad luide het Onze Vader, en benoemde de besten onder de nieuwbekeerden tot voorname staatsbetrekkingen.

't Is onmogelijk zich een denkbeeld te vormen van de vreugde der Kristenen, bij het wederzien der missionarissen. „Reeds zijn,quot; sprak een der hunnen, „reeds zijn duizend en een en vijftig dagen voorbij sedert uw vertrek. quot;Wij dachten u nimmer weder te zien; maar wij gingen toch voort met onze broeders te onderrichten: ziet, zoo spraken wij, om elkander te troosten, wanneer de Paters na onzen dood mochten terugkeeren, dan zullen zij ten minste de Goddelijke Leer, in menig hart nog ongegeschonden bewaard vinden.quot;

Het werk der Evangelieverkondiging, van alle knellende banden ontslagen, nam toen zulke hooge vlucht, dat de Arabieren, een verbod vreezende op de veelwijverij, onder aanvoering van 's lands eersten minister Katikiro eene samenzwering smeedden, met het doel Moeanga om het leven te brengen, en een zijner broeders, een jeugdigen knaap tot koning uit te roepen. Drie Kristenen, onder welke Andreas Kagoea en Josef Mkasa, een vertrouwd raadsman des konings, ontdekten het komplot, verwittigden hun heer en gaven hem de stellige verzekering dat, wat ook mocht gebeuren, zij en hunne vrienden hem hou en trouw zouden bijstaan.

62

ocr page 65

DE NADERENDE STORM.

Moeanga liet Katikiro ontbieden en verweet hem zijne booze plannen. De minister wist door zijne scboone woorden, onder een vloed van tranen uitgesproken, voor zich en zijne handlangers gratie te verkrijgen. Maar hij-zelf vergaf hun niet, die door hunne getrouwheid aan den koning, bijna de oorzaak van zijnen ondergang waren geweest.

Hij haatte hen des te meer, wijl de koning vaak te kennen gaf, Josef Mkasa tot minister, en Andreas Kagoea tot opperbevelhebber des legers te willen aanstellen. De onverlaat liet geene gelegenheid voorbijgaan om de Kristenen verdacht te maken. „Nu zij nog klein in aantal zijn,quot; sprak hij sluw, „zijn zij nog wel getrouw, maar als zij zich eens machtig gevoelen, zullen zij zich van den koning ontdoen, om een der hunnen op den troon te plaatsen.

Katikiro en zijne vrienden wisten het door hunne lastertaal zoover te brengen, dat Moeanga werkelijk achterdocht kreeg. De menschelijke zwakheid zegevierde en hij begon met het onderzoek te laten varen naar een godsdienst, die de ongerechtigheid en de veelwijverij, traditioneele rechten van zijn koningschap, verbood.

Toch bleef hij de missionarissen als zijne vrienden behandelen en liet hen vrij met zijne onderdanen omgaan. In weerwil der bedreigingen, ontvingen nog tweehonderd bekeerlingen het Doopsel, terwijl achthonderd zich tot dit H. Sacrament voorbereidden. Omstreeks dezen tijd, vernam men in Oeganda het bericht van de inbezitneming van Aequatoriaal-Afri ka door de Duitschers, en van de komst van Fischer, aan het hoofd van eenige honderden goed gewapende manschappen. De koning werd bij het hooren van dit alles al meer en meer prikkelbaar, en begon de lieden te gelooven, welke de missionarissen hadden afgemaald als spionnen, die voor den veroveraar den weg moesten banen.

De anglikaansche Bisschop Hannington, die van Oessoga kwam, viel als eerste slachtoffer van dezen jammerlijken toestand.

63

ocr page 66

DE NADERENDE STORM.

Naar eene voorzegging, die alom in den lande geloofd wordt, moest juist van den kant van Oessoga de overweldiger komen. Moeanga zond daarom, zonder dat de missionarissen zulks konden verhelpen, een bevel aan het leger, dat indien tijd in voornoemd gewest oorlog voerde, om den blanke en zijn gevolg te dooden. Op dringend verzoek van Pater Lourdel en Josef Mkasa, ten gunste van Hannington, zond hij echter een renbode met een tegenbevel. Men kon toch even goed den reiziger, zonder hem te dooden, het verblijf in Oeganda verbieden. De bode kwam te laat; misschien werd er zelfs geen nagezonden; in elk geval had de stap van den missionaris, nog meer de achterdocht tegen de Kristenen verwekt.

Katikiro wist met dit alles zijn voordeel te doen, en eischte dat men Josef Mkasa zou laten ter dood brengen, dien hij beschuldigde een bondgenoot der vreemdelingen te zijn, van wien alles te vreezen was. De koniug weigerde lang, doch gaf eindelijk toe. Om nu den koning te beletten nog het vonnis te herroepen, beval de minister den beul, Mkasa onmiddellijk naar de gerechtsplaats te leiden en daar te onthoofden. De scherprechter volvoerde dadelijk dit bevel. Op het punt van te sterven sprak Josef met een gerust gemoed hem toe: „Zeg aan Moeanga, ik laat hem weten, dat hij mij onschuldig veroordeeld heeft; maar dat ik hem van harte vergeef. Boodschap hem ook nog, dat ik hem aanraad, berouw te hebben over zijne misdaad ; is deze hem niet leed, dan verwacht ik hem hierboven voor den troon van God.quot; Deze woorden werden den koning overgebracht.

Eerst scheen hij er om te lachen; maar weldra maakten zij op hem zulken indruk, dat hij op niets anders moer bedacht was, dan op het verzinnen van middelen, om de uitvoering van Josefs bedreiging te beletten. Daarom liet hij een zijner onderdanen dooden, en beval deszelfs overblijfsels zorgvuldig met die van Josef te vermengen; „Hoe zal hij nu nog te herkennen zijn?quot; riep hij zegevierend

64

ocr page 67

DE NADERENDE STORM.

uit. „En hoe zal hij mij voor den troon van God kunnen afwachten ?quot;

Tegelijk met Mkasa werden nog twee of drie Kristenen onthoofd. Moeanga verzekerde, dat hij ze allen zou laten dooden, en dat hij de missionarissen insgelijks zou doen omkomen of verbannen. „Vroeger was ik hun vriend,quot; sprak bij, „nu spannen zij samen om mij van den troon te stooten. Het koste wat bot wil, die ellendelingen moeten van kant.quot; Deze bedreigingen werden toch niet dadelijk ten uitvoer gebracht, en het Kristendora won sedert den dood van Mkasa weder nieuwe aanhangers; zoo zeer had het zien van zijne marteling den ijver der bekeerlingen opgewekt. Een onvoorzien geval echter deed den storm in zijne volle hevigheid losbarsten.

Een jonge Kristinne, Clara Namalsi, eene dochter van Mtesa, was tot bewaakster van de grafplaatsen der oude koningen van Oeganda aangesteld. Verontwaardigd over de vele bijgeloovige bezweringen, die bij deze graven verricht werden, had zij de amuletten verbrijzeld, die hier in groote menigte bewaard werden, en de tooveaaara weggejaagd, die voorgaven van godheden of van sieien der afgestorvenen bezeten te zijn. Deze iieiligsehennis was weldra bij het volk bekend, en deed de vijanden vaa liet Kristondom luide kreten van verontwaardiging slaken. Do beschermgoden, zeiden zij, zouden in hun toorn, zich op het koninkrijk wreken, wanneer men dien niet stilde door de schuldigen te straffen, met al de aanhangers van den godsdienst, die alle rampen over het land bracht. Eenigo dagen later, opende Moeanga-zelf de lange reeks van bloedige vervolgingen. Op een avond door zijne hoofdstad wandelende, zag hij bij toeval een zijner bekeerde edelknapen, Diocysius Seboeg-goeao genaamd, die bezig was met een ander te onderrichten.

„Wat voert gij hier uit?quot; vroeg bij. — „Ik ben bezig met hem den katechismus te loeren,quot; was hst antwoord van Dionysius. Toon sprak do koning, dia door het gedrag zijner

65

ocr page 68

66 DE NADERENDE STORM.

zuster Clara ten zeerste gebelgd was: „Wacht even, ik weet een middel tegen uwe onbeschaamdheid.quot; Op hetzelfde oogenblik doorstak hij met zijn zwaard den edelknaap. Deze viel, badende in zijn bloed, dood ter aarde neder.

Dit was het sein voor de slachting.

ocr page 69

XL

Zalig zij, die Vervolging lijden.

e koning liet Katikiro in het holle van den nacht ontbieden, en beval hem al degenen die baden van kant te helpen. Onmiddellijk werden de poorten der vorstelijke verblijfplaats y gesloten, en werd der wacht bevolen niemand door te laten. Een der Kristenen wist desniettemin de missionarissen, die in de statie van O. L. Vrouwe van Roebaga woonden, hiervan in kennis te stellen. Pater Lourdel, de overste der missie, begaf zich hierop in aller ijl naar Moeroegnoe, waar de koning zich op dat oogenblik bevond.

Onderweg ontmoette de Pater verschillende gewapende benden, die met versnelden pas uittogen, om de meest bekende plaatsen, waar zich Kristenen ophielden, te plunderen, en de voornaamsten onder hen gevangen te nemen. Aan het hof gekomen, ging hij niettegenstaande zijne hevige gemoedsaandoeningen, met vasten tred op de hut aan, waar de koning audientie verleende, en trof daar den eersten minister aan, die hem zoo als gewoonlijk beleefd groette.

Ook was hij zeer verwonderd, op de binnenplaats Kristenen te ontmoeten, die zich vrij heen en weer bewogen, alsof niets gebeurd ware. quot;Weldra echter zag hij, hoe de opperbedienden hunne onderhoorigen, die kristen waren, in

ocr page 70

ZALIG ZIJ, DIE VERVOLGING LIJDEN.

de nabijheid der koninklijke hut trachtten te verzamelen. „Gij hadt moeten vluchten,quot; riepen de bevriende heidenen hun toe. — „„Wij! waarom?quot;quot; antwoordden zij fier.

Karei Loeanga, de hofmeester, die belast was met het toezicht over de edelk napen, waarvan de meesten kristen waren, werd met zijne onderhoorigen het eerst opgeroepen. Zij werden al dadelijk bespot en uitgejouwd. De koning, wiens forsche stem de anderen overschreeuwde, overlaadde lien met verwijtingen over hunnen godsdienst, en beval dat allen die honden hidden, zich aan eenen kant zouden scharen.

Op hetzelfde oogenblik traden Karei Loeanga en Kizito, een jong, van ijver blakend bekeerling, dio op zijne dringende bede verkregen had, binnen een maand het Doopsel te ontvangen, gezamenlijk naar de aangewezen plek toe. Zij waren overeengekomen, elkander bij de hand te houden, teneinde in het gewichtig oogenblik zich niet door een gevoel van zwakheid te laten overmeesteren.

Al de overigen, die kristen waren, volgden hun voorbeeld.

Op een wenk des konings, wierpen zich de beulen op die moedige belijders, bonden ze met dikke koorden aan elkander cn sleurden hen met geweld op de binnenplaats. Zij waren in twee afdeelingen verdeeld: jongelingen tusschen de achttien en de vijf en twintig jaren vormden da eerste, en kinderen vormden de tweede groep. Zij waren zoo dichtbij elkander gebonden, dat zij slechts hortend en stootend met korte passen zich konden voortbewegen. De jeugdige Kizito moest bij het zien van deze gedwongen houding, het uii scha-teren van lachen, net of hij met zijne kameraden zich bij een spel vermaakte. Toen zij, die onder toezicht stonden van Karei Loeanga, waren weggevoerd, werden de overige wel minder talrijke, maar toch even dappere edelknapon bijgebracht; zij grootten in het voorbijgaan Pater Lourdel, met een kalmen en vriendelijken blik. Wa deze ontbood do koning een jeugdigen soldaat, Jacob Boezabnlio, die, niettegenstaande alle bedreigingen, onvermoeid de kindsren ia de

68

ocr page 71

ZALIG ZIJ, DIE VERVOLGING LIJDEN.

hoofdstad onderwezen had; hij had zelfs eens beproefd Moeanga te bekoeren. Ofschoon hij wist welk lot hem te wachten stond, liep hij haastig op de hut des konings toe. „Ja,quot; zei de koning, „hij is het, die me eens wilde overhalen kristen te worden. Welaan, beulen, gaat met hem henen en maakt spoed; hij zal de rij openen.quot;

— „„Oeërba!quot;quot; (vaarwel) sprak de jonge bloedgetuige, zonder de minste ontroering. „„Ik zal hierboven in den heme! bij God voor u bidden.quot; quot; De beul, die hem moest onthoofden, leidde hem met den strop om den hals weg. Toen zij voorbij Pater Lourdel gingen, kon deze zijne tranen niet bedwingen; hij gaf het slachtoffer de laatste H. Absolutie. Voor alle antwoord zag de martelheld den pater glimlachen 1 aan, en hief zijne gebonden handen ten hemel.

De missionaris stond lange uren te wachten, om verlof te krijgen den koning te spreken. Hij moest ten langen leste vertrekken, zonder iets aangaande de plannen der vervolgers vernomen te hebben. Onderweg trad hij, door een feilen dorst gekweld, de hut binnen van een bekeerling; hij vond diens woning ledig. Eenige schreden buiten de woning zag hij eene bron en bukte zich om zijn dorst te stillen. Toen vertelde hem een voorbijganger, dat men daar het lijk van een vermoorde uit den vorigen nacht door het water had gesleurd.

Met afgrijzen richtte hij zich op en vervolgde zijnen weg; aan alle kanten ontmoette hij benden plunderaars met buit beladen, die overal in den omtrek de dorpen doornieuwbe-keerden bewoond, te vuur en te zwaard verwoest hadden. Middelerwijl werden de kristen edelknapen in de hoofdstad levend verbrand.

Karei Loeanga werd van de overigen afgezonderd. Men dacht misschien hem nu gemakkelijker tot afval te kunnen brengen.

Een beul, die zijne medehelpers in wreedheid overtrof, en die van zijn ijver wilde doen blijken, verzocht van den

69

ocr page 72

ZALIG ZIJ, DIE VERVOLGIJfG LIJDEX.

koning de gunst, om geheel alleen den martelaar naar zijne verdiensten te mogen pijnigen. Hij begon dan met langzaam deszelfs voeten te verbranden, en het vuur meer aanblazende, zeide hij tot hom, gelijk eertijds de Joden tegen den gokruis-ten Zaligmaker: „quot;Welaan, dat God u nu ter hulpe kome, en u uit den vuurgloed verlosse.quot; Green klacht ontsteeg, gedurende hot eindelooze lijden, uit de borst des martelaars.

De drie jongste edelknapen wekten het medelijden op van den beul, den bejaarden Mkadjanga, die nog nooit zulke jeugdige kinderen had moeten folteren. Hij sprak hun daarom toe: „zegt onkel dat gij niet meer zult bidden, en de koning zal u gratie schenken.quot; Eenparig luidde hun antwoord; „Wij zullen blijven bidden, zoolang nog leven in ont is.quot;

Mkadjanga drong niet langer aan, in de hoop, dat het zien der folteringen, die hunne makkers te verduren hadden, hen wel tot andere inzichten zou brengen. Toch bleven zij standvastig; een hunner zelfs, die bemerkte dat men voor hem geen fakkel bereid had, eischte met alle geweld, even als de anderen gebonden te worden. God evenwel verlangde hun offer niet, zonder twijfel om hen getuigen te latea zijn van den marteldood der overige een en dertig Kristenen. Onder deze bevond zich de zoon van Mkadjanga-zelf; deze wendde alle middelen aan, om slechts een woord uit den mond zijns kinds te hooren, dat naar eene herroeping zweemde. 'tKind echter zwichtte noch voor de taal zijns vaders, noch voor de toebereidselen der foltering. Tot op het laatste oogenblik deed de diepbedroefde vader alles wat in zijne macht was. en zeide tot zijn zoon; „Ach, mijn zoon, las,t mij u toch verbergen, niemand ziet u, of zal u vinden.quot;

— „„Vader,quot;quot; sprak de jonge Kristen, „„vader, ik wil niet dat men mij verberge. De koning heeft u bevolen mij te dooden; doet gij het niet, dan zal hij u straffen. Ik weet waarom men mij ter dood brengt; 'tis ter wille van den godsdienst. Toe, vader, breng mij maar oin het leven.quot; quot;

70

ocr page 73

ZALIG ZIJ, DIE VERVOLGING LIJDEN.

Toen beval Mkadjanga aan een zijner handlangers, om zijn zoon het verschrikkelijke van den doodstrijd bij de straffe des vuurs te sparen, hem door een slag in den nek dood te slaan. Men bond den jongen bloedgetuige daarna aan een stroobos, en legde hem neder bij zijne gezellen. Nadat alle edelknapen met takkenbossen omwonden waren, legde men hen, den eenen naast den anderen plat ter aarde, zorgdragende dat, om het folterwerk te vergemakkelijken, allen naar de zelfde zijde gekeerd lagen. Vervolgens werd bij het voeteinde der slachtoffers het vuur aangelegd, ten einde hun lijden nog zoo lang mogelijk te rekken; daar men dacht, dat verschillenden, bij de eerste pijnen door het vuur veroorzaakt, wel aan hunnen godsdienst zouden verzaken. Die hoop bleek ij del. Slechts gebeden en dankliederen vloeiden bij al het lijden van de lippen der martelaars. Een half uur later zag men niets meer dan een rij half verkoolde lijken. Ongeveer honderd Kristenen stierven zoo den marteldood. Andreas Kagoea, eens de boezemvriend des konings en een zijner voornaamste ministers, verdient hier nog bizonder vermeld te worden. Katikiro nijdig wegens deszeifs invloed, en vertoornd omdat hij twee zijner zonen bekeerd had, was het gelukt, den koning in een onbewaakt oogenblik te bewegen, dezen trouwen Kristen ter dood te veroordeelen.

Hij gebood den beulen hem onmiddellijk te onthoofden, en verklaarde niet te willen eten, vooraleer men hem, als teeken der terechtstelling, deszelfs hand had laten zien. In weerwil van dit alles, aarzelde de beul hot vonnis te voltrekken, en had medelijden met hem gekregen. De wakkere Kagoea wist hem echter te bemoedigen, en smeekte hem de straf ten uitvoer te brengen, teneinde geene berispingen van den koning te beloopon. Zijn hoofd viel onder het zwaard, en zijne hand werd den wraakzuchtigen Katikiro vertoond.

De afgrijselijkste straf echter wachtte Mathias Moeroemba, een vrederechter uit een der districten van het rijk, die van

71

ocr page 74

72 ZALIG ZIJ, DIE VERVOLGING LIJDEN.

af het uur dat hij gedoopt was, zijn geheel gezin in de beoefening van den godsdienst v,ras voorgegaan. Zijne warme gods-Trucht stelde hem tot mikpunt zijner bloedgierige vervolgers.

Men bracht hem in tegenwoordigheid des ministers, die hem op een verachtenden toon vroeg:

— „Is dat nu Moeroemba? Is hij het, die op zijn leeftijd tot den godsdienst bekeerd is?quot;

— „„Ja, ik ben het,quot; quot; antwoordde Mathias.

— „Waarom bidt gij ?quot; vroeg de minister.

— „„Omdat ik zulks verkies te doen.quot;quot;

— „Beulen,quot; sprak alsdan de minister, „voert hem weg en brengt hem ter dood.quot;

— „„'tls al wat ik verlang,quot; quot; sprak Moeroemba.

Katikiro, door zooveel moed vernederd, riep toen uit:

„Beulen, kapt hem handen en voeten af, snijdt zijn vleeseh tot riemen en verbrandt die voor mijn oogen..., God zal hem wel bijstaan.quot;

Mathias, die zich door deze godslastering gekwetst gevoelde, gaf hierop dit fiere antwoord: „„Ja, God zal mij bijstaan; maar gij zult niet zien op welke wijze; mijne ziel zal Hij tot zich nemen, en u niets hier laten dan haar stoffelijk omhulsel.quot; quot;

De beulen beijverden zich het barbaarsche bevel van Katikiro uit te voeren. Om geen last te hebben van de toeschouwers, voerden zij hun slachtoffer naar een afgelegen heuvel van Savaridja. Moeroemba volgde hen met kloeke schreden en opgeruimd gelaat. Op de gerechtsplaats kapten de beulen hem de handen en voeten af, die zij voor zijn oogen in het vuur wierpen. Zij plaatsten hem vervolgens met het aangezicht voorover en sneden zijn vleeseh tot riemen, die zij insgelijks verbrandden. De heldhaftige bloedgetuige slaakte bij al deze afgrijslijke folteringen geen enkelen zucht. Toch duurde zijn doodstrijd lang, want de beulen deden wat zij konden om het bloedverlies te stuiten, ten einde hun slachtoffer zoo lang mogelijk te pijnigen. Dit ge-

ocr page 75

ZALIG ZIJ, DIE VERVOLGING LIJDEN.

lukte dan ook maar al te goed. Drie dagen later hoorden slaven, die daar in deB omtrek gingen riet snijden, sene stem, die hen riep. Zij kwamen nader bij. De stervende had dorst; hij vroeg te drinken. De slaven evenwel, ontzet bij het zien dier schrikkelijke verminkingen en wonden, liepen weg, en lieten den martelheld 'langzaam het offer zijns levens volbrengen.

Moge het aan 't Opperhoofd der Kerk behagen, het cano-nische onderzoek te bespoedigen, waarmede betreffende de martelaars van Oeganda reeds een begin is gemaakt; en mogen weldra deze roemrijke telgen van het Negerras, op alle altaren der katholieke wereld vereerd, getuigen van de gelijkheid van alle menschen voor God; mogen zij hen bezielen, die den moed verliezen bij, 't aanschouwen van de zwakheden der kristen volkeren, en de twijfelaars beschamen, die bij al hun klein en zwak verstand, zoo verwaand hun hoofd verheffen.

73

ocr page 76

XIÏ.

Het Martelbloed verwekt nieuwe Kristenen.

oolang de vervolging duurde, hadden de missionarissen geen enkelen afval van 't geloof te be-^ treuren. Manmoedig verdroegen de Kristenen ^ kwellingen van allerlei aard, waaronder zij «- gebukt gingen. Verbannen, van alles beroofd, aanhoudend den dood voor oogen, toch onderhielden zij hunne betrekkingen met de paters. Zij, wier leven het grootste gevaar liep, kwamen hen 's avonds bezoeken, en bleven bij hen tot het uur van middernacht, om nog vóór hun vertrek de heilige Teerspijze te kunnen ontvangen, 't Gebeurde wel eens dat, om een einde te maken aan het al te druk bezoek, de doodmoede missionarissen beproefden om weg te gaan. Maar, hoe zouden zij aan het vurig verlangen hunner ongelukkige kinderen weerstand bieden ? „Ach, Pater,quot; sprak een hunner, „blijf toch nog; morgen brengt men mij bij den koning; dan word ik waarschijnlijk ter dood gebracht. Hier op aarde zal ik u niet meer wederzien.quot; — «Ten koste van groote moeite,quot; zei weer een ander, „en door mijn bewaker om te koopen, heeft hij de boeien ontsloten, die mijne voeten omknelden, en mij toegestaan afscheid te gaan nemen van mijne vrienden; 't is alzoo heden dat ik u voor de laatste maal mag spreken.quot;

Men kan hieruit afleiden, met hoe groot een ijver de

ocr page 77

HET MARTELBLOED VERWEKT NIEUWS KRISTENENquot;. 75

Bagandas zich lieten ouclerricliten, na het uitwoeden der Torvolging. Pater Denoit schreef dsn S11 Mei 1888 uit Roebaga: „Eiken morgen komen nieuwe bokcerlingen tot ons; ik heb in één jaar tijds, wel achthonderd ingeschreven, die dagelijks des morgens de katechismuslessen bijwoonden, en dit getal is niets, vergeleken bij de bekeerlingen, die onze nieuw-gedoopten in de ver afgelegen districten onderrichten.

Moeanga kwam langzamerhand weder tot betere inzichten. Voor een negerkoning was hij van nature niet al te wreed; zij, die zijn gedrag met dat zijner voorgangers vergeleken, vonden, naar hot schijnt, dat hij nog betrekkelijk edelmoedig was. Om zijn gedrag juist te beoordeelen, diene men eene vergelijking te trekken tusschen het zijne, en dat zijner voorgangers, bij den aanvang hunner regeering. Zonder vorder op te klimmen dan tot zijn vader Mtesa, most men zich herinneren, dat deze door do rijksgrooten Kabaka gekozen was, ter oorzako van zijne zachte inborst, en voornamelijk, omdat men de geweldenarijen zijns broeders Kad-joemba duchtte, die toch door Soena II was aangewezen om hem op te volgen. En desniettemin was de eerste re-geeringsdaad van' Mtesa, „de man met zangerige stem en groote oogen,quot; al zijne broeders en de rijksgrooten, die hem op den troon hadden geholpen, te laten ombrengen. Hij duldde geen lieden in zijne omgeving, die hem konden zeggen: „Het koningschap hebt gij aan ons te danken.quot; Stanley verhaalt, dat hij dikwijls, als hij vertoornd was, zijne lans greep, naar den harem liep, en zijne vrouwen zoolang sloeg, tot dat zich zijne woede genoog in bloed gekoeld had.

Moeanga begon even als zijn volk het juk der Muzelmannen moede te worden. Een zijner tot het Kristendom bekeerde onderdanen, Honoratus, die met het toezicht over de edelknapon belast was, schonk' hij op nieuw zijn vertrouwen, en benoemde hem tot goeverneur eener groote

ocr page 78

76 HET MARTELBLOED VERWEKT XIEUWE KRISTENEST.

provincie van Oeganda. Uit een brief, geschreven in het begin van 1888, blijkt' dat de koning de nieuwbekeerden voor zijne trouwste onderdanen hield. Eens toen zijn eerste minister zwaar ziek lag, en hij aan de beroeringen dacht, die bij het sterven van zulk een invloedrijk beambte konden ontstaan, zeide hij tegen zijne vrienden; „Bij den dood van Katikiro bestaat veel kans, dat het land tegen mij zal opstaan; maar ik ken een onfeilbaar middel om de opstandelingen in bedwang te houden; ik zal dan zeggen: „Mapeera,quot; (zoo noemde hij Pater Lourdel, door het Prausche mon Père te verbasteren,) „onderwijs gij mijn volk. Ik ben vast overtuigd, dat, wanneer de Bagandas met Mapeera bidden, zij zich niet tegen mij verzetten.quot;

Hij was zoo welwillend, dat hij zelfs een bezoek aflegde bij de missionarissen: dit wordt in Oeganda als het grootste blijk van achting en vertrouwen beschouwd, 'tls waar, in tegenstelling met wat in beschaafde landen gebruikelijk is, waar uit het bezoek eens vorsten velerlei gunsten voortvloeien, moeten daarginder de inwoners de eer, die hun te beurt valt, duur betalen. De wellevendheid eischt, dat de vorstelijke bezoeker geen geschenken uitdeelt; de gastheeren integendeel, mogen hem niet dan met rijke geschenken beladen laten vertrekken. Daarom moesten ook wij hem veel ruilhandel-artikelen afstaan, die eene belangrijke som gelds vertegenwoordigden; maar 'skonings bezoek en eenige welwillende woorden met ons gewisseld, deden ook een goeden indruk op de Bagandas. De heidenen zagen toen, dat zij zich zonder gevaar tot de missionarissen konden begeven^ en de nieuwbekeerden kregen verlof meer herhaaldelijk de lessen bij te wonen, en de H. Sacramenten te ontvangen. Gedurende dit tijdstip van betrekkelijke kalmte, heeft men een plan opgevat om eene inrichting in 't loven te roepen, van welke, indien zij zich ontwikkelt, veel heil voor Afrika tc verwachten is.

Men mag het niet ontveinzen, alle zendingsgenootschap-

ocr page 79

HET MARTELBLOED VERWEKT NIEUWE KRISTENEN, 77

pen, die der Katholieken inbegrepen, hebben tot op den dag van heden een hinderpaal ontmoet, dien zij niet vermochten uit don weg te ruimen: het gebrek aan inlandscho priesters. In de tijden dat door Apostelen, die uit reeds bekeerde landen kwamen, het Geloof bij de verschillende volken van Europa verspreid werd, dankte het zijn bloei en zijne uitbreiding aan de medewerking van uitstekende bekeerlingen, die door de eerste priesters tot hunne opvolgers aangesteld werden. Zoo hebben de door Rome uitgezonden geloofsverkondigers hun work in Gallië laten voltooien door Gallische priesters; zoo ook in Engeland door cone Britsche priesterschap. De heidenen van den tegen-woordigen tijd, dienen op dezelfde wijze bekeerd te worden. De hcdendaagsche kristenvolken, bij welke overigens met de verslapping van het Geloof, ook het aantal roepingen tot den geestelijken staat vermindert, kunnen onmogelijk in de toekomst, voor een onbepaalden tijd, zooveel priesters beschikbaar stellen, als de bekeering der heidenen dit metten-dag al meer en meer vordert. Zullen eenige honderden Eransche, Duitsche en Italiaansche priesters, wel voor immer voldoende zijn, om aan vierhonderd millioen Chineezen het Geloof te verkondigen ? Zal Afrika, een zoo uitgestrekt werelddeel, wel lang kunnen volstaan met het kleine getal moedige ordesgeestelijken, die op het oogenblik mm leven voor de verkondiging des Evangelies opofferen? Hoe groot de hinderpalen ook zijn mogen, men dient er aanhoudend op bedacht te zijn, om het volk, dat men bekeeren wil, inlandsche priesters te schenken; dan alleen bestaat er kans, de wereld toi het gok)of in Christus te doen overgaan.

Priesters uit het land-zelf, bezitten de Bagandas nog niet; maar onder dit merkwaardig ras openbaren zich wel roepingen tot Geestelijke Broeders of Zusters. Mgr. Livinhac schrijft hierover in een brief van den 10n Juni 1888 het volgende: „Daar eenige ernstige personen van rijperen leeftijd, Pater Lourdel hadden te kennen gegeven, zich geheel aan God te

ocr page 80

78 HET MARTELBLOED VERWEKT SIEUWE KRISTENEN.

willen toewijden, door liet beoefenen van goede werken, heeft hij voor haar eeue hut laten bouwen in do nabijheid van de banaan-plantages, welke eigendommen zijn der missie, en haar een meisjesweeshuis toevertrouwd. Met godsvrucht en ijver vervullen zij hare plichten als pleegmoeders.... Zou Oeganda, dat zijne eerste martelaren den Heer geofferd heeft, aan Hem misschien ook zijne eerste kloosterlinsen toewijden ? 'tls nog een geheim der Voorzienigheid. Toch zullen onze Zust rs, niettegenstaande haar goeden wil, eerst na jaren langen proeftijd tot beslissende verbintenissen worden toegelaten. Maar, moesten zij gelijk in de eerste eeuwen der Kerk, ook tot haar veertigste levensjaar wachten, dan bestaat toch geen reden, om haar voor altijd van den kloosterstand uit te sluiten; vooral niet als men, wanneer het land genoegzaam tot rust is gekomen. Missiezusters daar heen kan sturen, om haar voor te gaan en te vormen.quot; Ook vernemen wij uit een brief, dien Pater Lourdel in 1889 schreef, vele bizonderheden aangaande een jeugdigen neger, Celestinus genaamd, die in 1885 uit de slavernij losgekocht en in het weeshuis opgevoed is. Hij slijt zijne dagen met den kleinen den katechismus te leeren, met bidden en 't verzorgen van zieken. „Ik hoop,quot; schrijft de Pater, „dat hij onze eerste neger-ordebroeder zal zijn.quot; Deze eerste proeven, die misschien door roepingen tot het Priesterschap zullen gevolgd worden, geven nu reeds veel hope voor de toekomst. Hebben deze neger-kloosterlingen dan voor den beginne ook minder gezag, zeker zullen zij veel beter dan hunne Europeesche broeders geschikt zijn, om hunnen landgenooten het geloof te verkondigen, en de missionarissen bij te staan. Beter aan het klimaat gewend, zal hunne vaardigheid in het spreken der inlandsche talen, hunne volmaakte bekendheid met de zeden, met de wezenlijke moeilijkheden en de hulpbronnen van velerlei aard, voor hen van veel gewicht zijn. De voortreffelijkheid der Bagandas boven alle andere negers, heeft hen als van zelf tot het volvoeren dezer goddelijke voorbe-

ocr page 81

HET MARTELBLOED VERWEKT NIEUWE KRISTENEN. 79

schikking aangewezen, en daardoor zullen zij het oordeel, dat Stanley over de toekomst \ an hun land velde, volkomen rechtvaardigen. „Oeganda,quot; zeide hij den 30n October 1889 tot Pater Schynse, die zich met Pater Girault bij zijne karavaan had aangesloten, „Oeganda heeft in den laatsten tijd meer beteekenis gekregen, dan de' overige landen van Afrika te zamen. Nergens heb ik bij een geheel volk zulk een zucht naar ontwikkeling gezien. Men zal weldoen, alle krachten en alle hulpmiddelen aan te wenden, ten behoeve van dit land; van daar uit zal het Kristendom, als eene starre schitteren over al de overige gewesten.quot;

ocr page 82

XIII. Wederwaardigheden.

^ _cdurende eenigen tijd heeft men gevreesd, dat ot' Oeganda, in plaats van het Kristendom in de hand te werken, door de bemoeiingen der , Arabieren en die hunner aanhangers, een groote hinderpaal tot zijne verspreiding zou worden.

^ De Kerk genoot sedert oen jaar, in Oeganda

eene betrekkelijke rust, toen eensklaps twee brieven, de eene geschreven door den Sultan van Zanzibar, en de andere uit de pen van den Engolschen Co isul, de vrijheid der Kristenen weder in gevaar brachten. Die brieven vorderden voor den heer Mackay, dien wij boven reeds hebben loeren kennen, de vrijheid om bekeerlingen aan te werven, of om ongehinderd te kunnen vertrekken. De bedreigingen, die de brieven behelsden, hadden tot gevolg, dat de anglioaansche zendelingen dadelijk werden uitgedreven, en de beweringen der Arabische slavenjagers, die den koning beklaagden aldus door de Europeesche mogendheden bedreigd en beleedigd te worden, een schijn van waarheid kregen. De Fransche missionarissen, die ook eon dergelijken brief van Saïd-Bargash bezaten, hadden zich wel gewacht ervan gebruik te maken.

Toen de heer Mackay vertrok, had hij den sleutel zijner woning aan Pater Lourdel ter bewaring gegeven, om dien

ocr page 83

WEDERWAARDIÖHEDEK.

ter hand te stellen aan den heer Gordon, die hem dra zou komen vervangen.

Werkelijk kwam omstreeks het einde van 1887, de heer Parker, de opvolger van den jammerlijk vermoorden angli-kaanschen Bisschop Hannington, met vijf zendelingen zich vestigen in het zuidelijke deel van het Nyanza-gebied; hij vaardigde de heeren Gordon en quot;Walker af met een brief en geschenken voor Moeanga.

Het genoegen van de geschenken werd den vorst weldra vergald, toen deze het volgende uit den brief hoorde lezen: „Ik, Bisschop, aan wien deze landstreken in het Oosten zijn gegeven ter onderrichting, ik groet u. Na u mijn groet aangeboden te hebben, laat ik u weten dat, al verlangen wij ook bij u te komen, het niet is om den moord van Hannington en zijne begeleiders te wreken, 't Is om uwe onderdanen in de wet Gods te onderwijzen....

Heb berouw over uwe groote misdaad. Wilt gij ons ontvangen, dan zullen wij u laten weten, onder welke voorwaarden wij er in toestemmen, bij u weder terug te heeren.... Wij hadden den dood van Hannington kunnen wreken; maar wij hebben het niet willen doen.....quot;

Moeanga, die zich bij het hooren dezer taal zeer ontzet had, wist zich echter zoo te bedwingen, dat hij zich geen kwetsend woord in tegenwoordigheid van den heer Gordon liet ontvallen.

Maar bij het verlaten van de hut, waar hij audientie verleende, zei hij tegen zijn gevolg: „Was ik niet bevriend met Mapeera, (den missionaris) dan zoude ik mijn leger, dat ten zuiden van hot Meer verblijf houdt, bevelen de Blanken in Boekoembi en Makoro neer te sabelen.quot;

Na een beraad van vijf dagen, ontbood de koning den heer Gordon in eene plechtige vergadering, en deelde hem mede, dat de anglicaansche zendelingen zich in Oeganda mochten vestigen.

De zendeling, die den brief had laten vertalen, was op

6.

81

ocr page 84

WEDERWAARDIGHEDEN.

den ongelukkigen inval gekomen, denzelven nogmaals den koning aan te bieden. Moeanga zweeg, en verzocht Pater Lourdel Parker te schrijven, om hem buskruit en geweren te vragen.

Misschien zou het vooruitzicht op geschenken nog alle gevaar afgeweerd hebben, hadde Gordon niet eene nieuwe onvoorzichtigheid begaan: hij kwam ten hove, op het oogenblik, dat de Muzelmannen bezig waren met het vertalen en op hunne manier uitleggen van een langen Arabischen brief, geschreven door iemand uit Egypte of Zanzibar, die goed op de hoogte was, en waardoor aan den Kabaka werd bekend gemaakt, dat de Engelschen en de Duitschers voornemens waren Oenyanyembee en Oeganda in te slokken.

De heer Gordon, die heel bijderhand wilde zijn, haalde den brief van den anglicaanschen Bisschop te voorschijn, waaraan hij zooveel waarde hechtte; hij las denzelven voor, en maakte er bemerkingen bij, die den inhoud niet verzachtten. Moeanga kon zich niet meer inhouden. „Nu gij zoo spreekt,quot; zeide hij op een bitsen en uitdagenden toon tegen Gordon, „zeg ik u, dat gij mijn gevangene zijt.

Mochten de Engelschen mij aanvallen, of beslag leggen op mijne handelswaren aan de kust, dan dood ik u op staan-den voet.quot;

Hierna een weinig asch nemende, bestrooide hij er mede den brief aan Parker en sprak toen: „Ziehier mijne oorlogsverklaring.quot; Het gebruik daar te lande wil dat, wanneer men asch aan een vijand stuurt, men de oorlogsverklaring aanneemt. „Breng hun,quot; sprak hij verder, „die mij den brief geschreven hebben, dit antwoord. Wat u betreft, ik herhaal het nogmaals, gij blijft mijn gijzelaar, totdat een ander uwe plaats kome innemen. Daarenboven zal ik de lieden, die gij onderwijst, en die gij ten uwent verborgen houdt, laten ombrengen....quot;

Ten laatste zich tot de rijksgrooten keerende, gilde hij met eene van woede trillende stem : „Daar ziet gij een blanke,

82

ocr page 85

WEDERWAARDIGHEDEN.

die zich niet ontziet, mij in mijD aanschijn te beleedigen, jouwt hem uit, zooveel gij kunt.quot; Het geheele hof liet zich dit geen tweemaal zeggen, en viel den armen Gordon bitter te lijf!

Eenige dagen later werd plechtig de eed gezworen, aan de Europeanen den oorlog te verklaren: „Dat de Blanken uit het Oosten komen of uit het Westen; zij mogen hier aanlanden uit het Noorden of Zuiden; al dalen zij uit den hemel, of komen zij uit de aarde te voorschijn, wij zullen hen weten tegen te houden.quot; Aanhoudend herhaalde Moe-anga: „De Blanken hebben zich al onze bezittingen verdeeld; de Duitschers slokken de kusten in, de Engelschen Oeganda!quot;

Had de vorst wel zoo groot ongelijk, en wat mag hij na wel zeggen, als hij kennis krijgt van het Engelsch-Duitsche verdrag ?

De koning vierde evenwel zijne woede niet bot op de katholieke missionarissen: „Wat u betreft,quot; zei hij tegen Pater Lourdel, dien hij alle vertrouwen schonk, en wiens dood, dien men ons onlangs meldde, als een groot verlies voor Oeganda kan beschouwd worden, „gij wilt mijn koninkrijk geen leed berokkenen: ik zal u van mijn kant ook geen leed doen.quot;

De Witte Paters namen zijne goede gezindheid te baat, om de Protestanten te beschermen, en de invrijheidstelling van Gordon te verkrijgen. De Engelsche Regeering heeft officieel deze diensten erkend in een schrijven aan den Pran-schen Minister van Buitenlandsche Zaken, die den dank der Britsche Regeering, schriftelijk ter kennis van belanghebbenden heeft gebracht.

De plannen der Europeanen en de brief van Parker, hadden Moeanga hoogst prikkelbaar gemaakt. In zijne woede beraamde hij soms zonderlinge dingen. Men weet niet om welkf misdrijf, of uit welke gril, hij het op zekeren dag in het hoofd kreeg, zijne lijfwacht met zijne edelknapen naar

83

ocr page 86

WEDERWAARDIGHEDEN.

84

een verlaten eiland van het Nyanza te sturen, terwijl hij aan hunne begeleiders beval, ze daar achter te laten en van honger te doen omkomen. Hij beweerde dat zij daarheen moesten, om eene groote kudde geiten terug te halen, die hij werkelijk derwaarts had laten brengen. Het geheim lekte uit, en in plaats van zich in te schepen, besloot de lijfwacht den dwingeland van den troon te stooten. De Muzelmannen belastten zich met de leiding der samenzweerders en trachtten de Kristenen over te halen, er insgelijks aan deel te nemen. De bevelhebber der lijfwacht, Honoratus, een goed katholiek, vroeg hiertoe den Paters om verlof. Het werd hem natuurlijk niet toegestaan. Hij gehoorzaamde en weigerde zijne hulp; maar de goede uitslag der samenzwering was aan zijne houding te danken. Moeanga werd verdreven, en moest in allerijl vluchten naar Oessoekoema, in de provincie Magoe, gelegen aan den zuid-oostkant van 't Groote Meer. Daar verzocht hij den Arabischen koopman Saïd-ben-Syf om gastvrijheid.

ocr page 87

XIV.

De Dageraad van een nieuw Leven.

ezelfder tijde werd Kiweewa, een der vele broeders van Mocanga tot koning uitgeroepen. Ofschoon deze zijne verheffing aan de Arabieren te danken had, was hij de Katholieken, op wie hij groot vertrouwen stelde, zeer genegen. Zijne onverwachte houding deed de Muzelmannen eene nieuwe samenzwering smeden. Den 12n December 1888, vóór dat nog de geheele dienstregeling in werking was, namen zij het oogenblik te baat, waarop de bekeerlingen en nieuw-gedoopten in grooten getale de lessen der Paters bijwoonden; zij trokken gewapend op naar de hoofdstad, begaven zich naar den koning, en verzekerden hem, dat de Kristenen voornemens waren hem van den troon te stooten, om hem door eene prinses te vervangen; volgens de gewoonten der Blanken, die door eene Queen (koningin) geregeerd worden.

Honoratus haastte zich den koning te laten weten, dat dit plan nooit ofte nimmer bestaan had. De Arabieren, vree-zende dat hun voornemen zoude schipbreuk lijden, wierpen zich onverwachts op de Kristenen, joegen hen na een hevig gevecht, dat verschillende uren duurde op de vlucht, en verwoestten al hunne bezittingen. Kiweewa zwichtte voor den aandrang der overwinnaars, en stemde toe in alles wat zij van hem verlangden.

ocr page 88

DE DAGERAAD VAN EEIf NIEUW LEVEN.

Weldra lagen de katholieke, zoowel als de protestantsche zendelingen in dezelfde gevangenis; zij zagen elk oogenblik den dood voor oogen, en gaven elkander de roerendste blijken van naastenliefde. Zij werden alleenlijk uit het land gejaagd, en konden zich ten zuiden van het Meer vestigen: de En-gelschen te Makoio, en de Franschen in O. L. Vrouwe van Kamoga in Boekoembi. In de nabijheid van dit oord, had eenige maanden geleden een voorval plaats, dat niet mag verzwegen worden. Pater Giraud begaf zich in gezelschap van een heidensch kind en zes goede roeiers, naar een in de nabijheid gelegen eiland. De boot kantelde om; in een oogenblik lagen allen in het water. De roeiers bereikten zonder moeite den oever. Pater Giraud alleen, die toch zeer goed zwemmen kon, gelukte dit niet: het heidensch kind had zich aan hem vastgeklampt. De Pater, in plaats van den last, die hem onvermijdelijk deed verdrinken af te schudden, en overtuigd dat hij weldra zou zinken, hief het kind even boven den vloed, en met water deszelfs hoofd besproeiende, sprak hij; „Ik doop u, in den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes.quot; Hij verdween daarna met het kind in de diepte; twee zielen stegen in dat uur opwaarts ten hemel: quot;de eene terwille van haar onschuld, de andere terwille van haar heldenmoed.

Kieweewa was er nog altijd op bedacht zich van het juk der Arabieren te bevrijden. Eens toen hij vernomen had, dat zij hem volgens mahomedaansch gebruik wilden besnijden, had hij in zijn huis op verschillende plaatsen gewapende mannen geplaatst, die een groot aantal hunner, naargelang zij binnendrongen ter neer velden. De overblijvende samenzweerders, in tijds met het gebeurde in kennis gesteld, verwekten een nieuwen opstand, vermoordden den vorst, en verhieven in zijne plaats een zijner broeders, Karema, op den troon. Deze werd besneden en gaf hun alle gezag in handen.

Het onmensch liet al zijne broeders en zusters ombrengen,

86

ocr page 89

DE DAGERAAD TAN EEN NIEUW LEVEN.

alleen om den Arabieren aangenaam te zijn; hij leverde hun ook alle jeugdige inlandsche meisjes over en liet de Bagandas, die hem aanhingen, met geweld besnijden. Het geheele land was toen aan de geweldenarijen van de aanhangers der leer van Mahomed prijs gegeven. De Arabieren maakten zich na twee gevechten, die in hun voordeel waren uitgevallen, evenwel zoo gehaat, dat uit de overmaat van al het leed, weldra eene reactie ontstond. De voornaamsten uit den lande vluchtten namelijk tot den kristen minister ïïonoratus, die in Boesagasa verbleef, in het westelijk deel van Oeganda gelegen; daar beraamde hij een plan tot verzet, en achtte zich weldra in slaat, gewapender hand zijn vaderland uit de macht der vijanden te verlossen.

Moeanga, die bij Saïd-ben-Syf zeer slecht ontvangen was, had met dertig zijner edelknapen uit Magoe zien te ontvluchten, en was bij de missionarissen, die zich in Boekoembi schuil hielden, eene wijkplaats komen zoeken. Getroffen door do hartelijke ontvangst, die hem in weerwil zijner misdaden ten deel viel, liet hij zich en zijne lotgenooten onderwijzen; zijne verandering ten goede blonk toen zoodanig uit, dat de Paters er geene bezwaren in zagen om hem het H. Doopsel toe te dienen.

Nauwelijks was de tijding zijner bekeering te Boesagasa bekend, of het leger, dat uit bekeerde Kristenen bestond, zond dadelijk eenige mannen tot hem, om hem zijne hulp aan te bieden, ten einde hem zijn kroon te helpen heroveren en de Muzelmannen te verdrijven. Moeanga en de zijnen scheepten zich den 29,1 April 1889 onverwijld in. Honoratus echter zouden zij niet meer wederzien; hij was, na tweemaal de Arabieren overwonnen te hebben, in eene hinderlaag gesneuveld. De vorst stelde zich-zelf aan het hoofd van het leger en werd door zijn volk met geestdrift verwelkomd. Maar dewijl hij, bij gebrek aan verdedigingsmiddelen, groot gevaar liep door de goedgewapende Arabieren geslagen te worden, vestigde hij zich voorloopig op een klein eiland,

87

ocr page 90

DE DAGERAAD VAN EEN NIEUW LETEN.

gelegen in de nabijheid der Murchisonbaai,. van waar hij' niet onbehendig de beweging tegen de Arabieren in de hand werkte.

Het eerste wat hij deed was de missionarissen, die te Boekoembi gebleven waren, bij zich te ontbieden.

't Was tezelfder tijde, dat de Katholieken en Protestanten gezamenlijk Stanley, die met Emin-Pacha kustwaarts toog, om hulp lieten vragen.

Alleen het gerucht van zijne komst, was reeds verschillende malen voldoende geweest om de kwellingen te doen verminderen, die de Europeanen en hunne vrienden van de Arabieren te lijden hadden; het leed dan ook geen twijfel, of de aantocht van eene zoo sterke karavaan als die van Stanley, wiens macht overigens door de faam aanzienlijk vergroot werd, zou voldoende zijn geweest, om de Muzelmannen en hun koning Karema tot reden te brengen, 't Valt zelfs te betreuren, dat de koene ontdekker toen niet heeft kannen besluiten, zijn weg door Oeganda te kiezen, om uit de streek der Albert- en Eduardmeren de kust te bereiken, 't Is bewezen dat dit de kortste weg is, en uit een brief van Mgr. Livinhac, geschreven den 1011 Juni 1888 blijkt, dat Moeanga hem den doortocht niet zou geweigerd hebben. Stanley's besluit om zuidwaarts langs het koninkrijk te trekken, laat zich toch gemakkelijk verklaren, uit de onwetendheid waarin hij verkeerde omtrent de gebeurtenissen in Oeganda, 't Zelfde kan men echter niet zeggen van de wijze, waarop hij in 1889, achtereenvolgens twee kristen gezantschappen uit dit land afwees. De eerste maal weigerde hij zijne hulp, toen hij zich in Ankori bevond, welks koning een bondgenootschap met hem had gesloten en hem als vriend behandelde. Daar was 't dat de Kristenen, die in dit gebied gevlucht waren, tot hem afgezanten stuurden, voorzien met aanbevelingsbrieven van zijn bondgenoot.

Stanley verhaalt dat hij toen afgeschrikt werd door de gedachte aan de wreedheden van Moeanga, en aan deszelfs

88

ocr page 91

DE DAGERAAD VAN EEN NIEUW LETEN.

Terantwoordelijkheid in den moord op den Bisschop Han-nington. Hij voegt er bij, dat in weerwil van den schijn van waarheid, welke het verhaal der Kristenen ia zich sloot, hij toch te goed de onoprechtheid der Bagandas kende, om zich met de zaak in te laten.

„Ware ik ook voornemens geweest,quot; zegt hij, „het verzoek der Kristenen in te willigen, dan hadde mijne verplichting tegenover Emin, zijn vriend Casati en de Egyptenaren, die ik beloofd had tot aan de kust te begeleiden, mij zulks belet.quot;

En toch weten wij maar al te goed, dat Emin zooveel haast had om de kust te bereiken, dat, toen hij zich goed en wel van zijn bevrijder verlost zag, hij dadelijk weer naar Centraal-Afrika is teruggekeerd, en zich opnieuw aan de overzijde van het Meer bevindt.

Stanley deed, om alle verwikkelingen te vermijden, den afgezanten verstaan, dat hij hun een beslissend antwoord zou geven, wanneer hij aan den Nyl-Alexandra zou gekomen zijn, waar hij zijne gezellen, die voor hun tocht naar Oeganda moesten achterblijven, van levensmiddelen moest voorzien.

Eenige dagen later, kwam de koning van Ankori zelf, vergezeld van verschillende Kristenen, hem nogmaals om bijstand verzoeken. Deze maal was hunne oprechtheid buiten twijfel. Overigens liep de karavaan van Stanley, die zich op bevriend grondgebied bevond, niet het minste gevaar, met voor eene wijl of zelfs voor langen tijd, eene kleine divisie af te zenden, die zich zou aansluiten bij de Kristenen, welke meester waren van dat gedeelte van Oeganda, hetwelk vlak aan 't gebied van Ankori gelegen is.

„Ik gaf aan de afgezanten den raad,quot; zegt Stanley, „zich tot Stokes en Mackay te wenden, en verzekerde hun, dat zoodra de gelegenheid zich voordeed, ik aan de Engelsche vrienden voldoende ophelderingen aangaande de zaak zou geven.quot; Daarna trok hij verder door. In zijn dagboek had hij toen aangeteekend:

„Het verdrijven der zendelingen en het verstrooien van.

89'

ocr page 92

DE DAGERAAD TAN EEN NIEUW LEVEN.

hunne aanhangers, zal voor de Arabieren het begin van de zegepraal zijn. Zal het Anglicaansch Zendelingsgenootschap zich door de triomfkreten der Muzelmannen nu laten ontmoedigen? Integendeel, 't is te wenschen dat men er edeler voornemens en meer krachten uit zal putten! Eene groote zaak, eene groote onderneming, eene groote daad is nooit geslaagd, als zij, die dezelve op touw zetten, niet vast overtuigd waren, dat geene poging te verheven, geen strijd te hevig is om haar te ondersteunen!quot;

Toen Stanley in December van verleden jaar, ten zuiden van het Nyanza, bij den heer Mackay vertoefde, heeft hij zonder twijfel, wijd en breed met hem gesproken over de godsdienstige aangelegenheden der Bagandas. Den 5n Januari 1890, schreef de zendeling aan den beroemden reiziger:

„Ik ben blij, dat de heer Mackinnon ridder benoemd is. Deze onderscheiding komt hem toe. Aan zijne agenten te Zanzibar heb ik geschreven, om hun de dwaasheid aan te toonen, die zij hebben begaan met aan Duitschland verlof te geven, de grenslijn westwaarts van het Meer, langs den eersten graad zuiderbreedte te trekken, waardoor het koninkrijk Boeganda juist in twee helften gesplitst wordt; wijl het gebied van Karaoeëge, Oessoeni en Oessindja tot aan Serombo, dat ten zuiden ligt, aan hetzelve toebehoort of schatting betaalt. De grenzen, welke te Londen of te Berlijn op de kaart getrokken zijn, zullen voornoemde staten niet beletten, den vorst van Boeganda als hunnen leenheer te erkennen. Naijver komt hier niet in 't spel. De eenige mogelijke grenslijn moet beginnen van uit de Smith-baai, zuidwaarts dwars doorloopen tot aan het snijpunt van de vierde parallel met den 34n lengte-graad, en van daar zich uitstrekken recht op het Westen aan, tot bij Bikani aan het Tanganika-meer.quot;

De Kristenen uit Oeganda, die Stanley te vergeefs om hulp gevraagd hadden, zochten zich-zelven te helpen. Op een gunstig oogenblik trokken zij naar de hoofdstad, waar

90

ocr page 93

de dageraad van een nieuw leven.

het volk zijne redders met open armen ontving; zij hielden na verschillende verwoede gevechten, den 5n October 1889, hun zegevierenden intocht in Koebaga.

De Arabieren leden nederlaag op nederlaag, en Karema moest met zijne handlangers de vlucht nemen. Moeanga, weder op zijn troon hersteld, heeft aan zijne kristen onderdanen zoowel den Katholieken als den Protestanten, alle staatsbetrekkingen toevertrouwd.

Geheel Oeganda, dit wil zeggen, het belangrijkste koninkrijk van Aequatoriaal-Afrika, schijnt nu voor het Kristen-dom gewonnen te zijn. De Missionarissen van Algiers zien eindelijk na een arbeid van bijna vijftien jaren, hunne pogingen met een heerlijken uitslag bekroond.

Alleen een geduchte inval van Arabische volgelingen van den Mahdi, voor wie door den min of meer gedwongen aftocht van Emin-Pacha, de weg naar Aequatoriaal-Afrika open ligt, zou in den tegenwoordigen stand der zaak eenige verandering kunnen brengen. Mogelijk zal ook het gedwongen protectoraat van Engeland, aan het vermoeden der Muzelmannen aangaande de veroveringsplannen der Kristenen, eenigen schijn van waarheid kunnen geven. Zou het ook niet kunnen gebeuren, dat Moeanga zich zal gaan afvragen, om welke reden men zich zoo beijvert hem te verdedigen, nu hij toch zijn rijk heroverd en den vrede alom hersteld heeft. Evenwel schijnt hij toch vast besloten, zijn nieuwen godsdienst te willen getrouw blijven. Het beste bewijs hiervan ligt in den volgenden brief, dien hij aan Kardinaal Lavigerie geschreven heeft:

Mengo, (BOeganda) 4 November 1889.

Eminentie en Vader hoog verheven!

Ik, Moeanga, Koning van Boeganda, stuur uit om U te zien, {voor: ik heb de eer U mijn eerbiedige groeten aan te bieden.) Ik schrijf U, om U met mijne terugkomst in mijn rijk bekend te maken.

91

ocr page 94

92 de dageraad van een nieuw leven.

Gij zult wellicht vernomen hebben, dat toen de Arabieren mij verjaagd hebben, ik naar Boekoembi gevlucht ben. Mgr. Livinhac en zijne missionarissen hebben mij met alle liefde ontvangen. Na vier maanden tijds hebben de Kristenen (lieden) gezonden om mij te halen. Gedurende vijf maanden hebben wij gevochten; God heeft ons gezegend, en wij hebben over de Arabieren gezegevierd.

Nu verzoek ik U, mij priesters te willen zenden, om den godsdienst van Jezus Christus in geheel het koninkrijk te verkondigen.

Ik vraag U ook kinderen, die geneesmiddelen kennen, (die de geneeskunst bestudeerd hebben) even als die, welke naar

Oejiji gegaan zijn.

Wanneer zij bij ons aangekomen zijn, zal ik hun goede

betrekkingen geven.

Ik heb vernomen dat onze Vader de Paus, het groote Opperhoofd van den Godsdienst, U uitgezonden heeft, om met de Grooten van Europa te onderhandelen over de afschaffing van den menschenhandel in het landschap Afrika. En ik, als de Blanken mijne krachten willen steunen, kan hen hierin helpen, en den handel in tnenschen (slaven) verhinderen in geheel het land, dat grenst aan het Nyanza, (het meer.)

Gewaardig U voor mij (den Hemel) om krachten tot weldoen af te smeehen; van mijn kant bid ik God, U zijn zegen te willen schenken, en TI zijn bijstand te willen verbenen in alle werken, die gij U voor zijnen roem wilt ondernemen.

Ik, uw kind Moeanga,

Koning van Oeganda.

Deze brief kwam bij den Kardinaal aan in de laatste dagen van Mei 1890, slechts even na de groote feesten, die te Carthago gevierd waren, op het oogenblik dat hij zich gereed maakte om naar Rome te vertrekken, ten einde e

ocr page 95

Bladz.

I. Gaat en onderwijst alle volkeren......5

II. De Witte Paters............9

HL Het donkera werelddeel.........14

IV. Op verkenning............20

V. De arbeid in den wijngaard........25

VI. Blijde hope.............40

VIL Oeganda...............43

VUL Het land en zijne bewoners.......46

IX. Bange vooruitzichten..........52

X. De naderende storm..........61

XI. Zalig zij, die vervolging lijden.......67

XIL Het martelbloed verwekt nieuwe Kristenen . . 74

XTII. Wederwaardigheden..........80

XIV. De dageraad van nieuw leven.......85

ocr page 96
ocr page 97
ocr page 98