-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

. •r'' gt; ' -i ■ ■ - ' • ^ v! gt;M :

■ '7 •.■• ■• ^vv:'-KrrV-?^:^::]

• • t ' ^ v. p: v v ,

■ '•-. ■' :• . ■ •-/ •' . ;■gt; rv- ■■:

~ ■■ • -/--x /-.!. ■ : .

■ -■ •„ ■■■■%'■: — gt;? ;■ .•quot;'. / C.A'• .•;5. • s'■)

' ■' » -x ■ ^ .. ,-

. ■•-■ ■.'U' ! ■»' gt;

:• ' - vWo?- ■■ \V -i !■

■ . - ' ^ :4- . i * • .'i - v J

: ■ ' ■ * • • '■ ■' ; quot;- v ,:

' ■ . , v; : :r t'*•. V-:: ^ ^-O'• f-.

- ■ gt; . ,..h - : . I

^ • /tv' • ;-'• : I

■' vv ■. iti -it'' J

■ ■ ■ .•■i ■ •.• •«•»■ . . '-«s |

1

/ ' ■ ^

K - ■■. I

0(JV^

HPB . ' f :■.^ ■ •gt;*- ■.gt;lt;*,

I #

, .'.•■■ ' r'■* - _ _''' ■

gt;' y ■ ■ -

^ -.v .

.ngt;'; : , .y

•/i

/

JTZ.

- ■'v ■:■. v-

\ ,r^ -■ %' ;-„;N ;quot;:Y v : :|• - Z' ; ^5\/ ■■

• . ;■ •lt; c-f. : r ::v.;:L

L • lt;f.' AV»/* ■-■ •--; I ■:.■■ , , '■ ' : ; v- ■■i/-ïr-,^ li

- ■••■■quot;■ ■- .iV'X'■-v • - - ■ i '''• ' '■ }-'Ji S' r- rï h

É——^quot;ni.n _

-ocr page 4-
-ocr page 5-

GESCHIEDENIS

NEDERLANDSCHE LETTEREN;

EEN HANDBOEK

GYMNASIA EN HOOGERE BURGERSCHOLEN,

XDr. W.

■y

Oud-Directeur der Scholen voor Honger en voor Middelbaar Onderwijs te Rolduc.

MET EBNE VERKLARENDE WOORDENLIJST

quot;Vijfde lierzione lt; 1 ruk.

AMSTERDAM, C. L. VAN LANGENHÜYSEN, 1895.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORBERICHT.

Wat men zich, bij het sehrijveu van dit werkje, ten doel gesteld heeft, is: een zooveel mogelijk beknopt handboek te leveren, dat, in eenvoudigen, maar leesbaren stijl geschreven, een beredeneerd, volledig en methodisch verslag van onze geheele letterkunde zou bevatten.

De bloemlezing, welke voor het eerste gedeelte onontbeerlijk was, zal, met Hooft en Vondel te beginnen, geheel achterwege blijven.

IJdelheid en winstbejag rekenden niet mede onder de drijf-veeren, die den schrijver tot dit werk hebben aangezet. Daarom, mijn boekje, welk ook uw lot moge wezen: ga in vrede!

De Schrijver.

Roldüc, Januari 1868.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

'VOORBERICHT.

Wat men zich, bij het schrijven van dit werkje, ten doel gesteld heeft, is: een zooveel mogelijk beknopt handboek te leveren, dat, in eenvondigen, maar leesbaren stijl geschreven, een beredeneerd, volledig en methodisch verslag van onze geheele letterkunde zou bevatten.

De bloemlezing, welke voor het eerste gedeelte onontbeerlijk was, zal, met Hooft en Vondel te beginnen, geheel achterwege blijven.

IJdelheid en winstbejag rekenden niet mede onder de drijf-veeren, die den schrijver tot dit werk hebben aangezet. Daarom, mijn boekje, welk ook uw lot moge wezen; ga in vrede!

De Scheijver.

Rolduc, Januari 1868.

-ocr page 10-

VOOR BEI DERDEI DRUK

In sommige der over 't algeineen zeer welwillende beoordeelingen, welke, zoowel van den kant van geestverwanten als van mannen van geheel afwijkende levens- en geschiedbeschouwing, aan dit boek zijn ten deel gevallen, is de opmerking gemaakt, dat wij, vóór de geschiedenis onzer taal en letteren, hadden behooren te plaatsen eene korte stijlleer en poëtica.

Wij hebben dat, ook nu, niet gedaan, om de eenvoudige reden, dat, aan de scholen, voor welke ons handboek op de eerste plaats bestemd is, die dingen uit opzettelijk voor dat doel geschreven werkjes geleerd worden.

Dat achtten wij nuttig te zeggen.

De Schrijver.

Eolduc, 1 Mei 1885.

-ocr page 11-

VOOR DEN VIER DE IT DRUK.

Dank zij de levendige, steeds groeiende belangstelling in onze oude letteren, zijn de ontdekkingen en de nieuwe uitgaven, in Noord- en Zuid-Nederland, zóo menigvuldig, dat wij sommige der eerste lioofdstukken van dit handboek aan eene gedeeltelijke omwerking hebben moeten onderwerpen.

Ook ten opzichte der latere schrijvers en hunner werken moest hier en daar ons oordeel gewijzigd, bekrachtigd of meer gemotiveerd worden; terwijl we, eindelijk, ook aan de allerjongste voortbrengselen onzer letterkunde, voor zooverre mogeljjk, eene korte waardeering te wijden hadden.

Dat alles maakte deze nieuwe uitgave noodzakelijk.

De Schrijver.

Rolduo, 10 Juli 1890.

-ocr page 12-

YOOR DEN VIJFDEN DRUK.

Deze vijfde druk getuigt alwederom van veler ijverige en vruchtbare nasporingen op het gebied onzer letteren.

Uit vrees evenwel van, door te groote uitbreiding, aan de praktische bruikbaarheid van dit handboek, bij het gewoon gymnasiaal en het middelbaar onderwijs, te kort te doen, hebben wij gemeend, alwat voor dat doel minder bevordelijk kon worden geacht, met kleinere letter te moeten laten drukken. Zoo springt het meer zakelijke terstond in het oog, en blijft, voor den liefhebber, de vermelding van wat verder zijne belangstelling kan wekken, niet achterwege.

De Schrijver.

Roermond, 25 December 1894.

-ocr page 13-

131/.

INHOUD.

Inleiding. I. Onze Taal...........1

IJ. Letterkundig Overzicht der Oud-Gerniaau-sche dialekten.

le Hoofdstuk. Vau de vroegste tydei;

tot Karei den Groote......4

2° Hoofdstuk. Van Karei den Groote

tot 1170...........9

JII. Nederlandsche Letteren.......15

Eerste Tijdvak. Middeleeuwsche Leiteren.

Ie Hoofdstuk. Romantiek. Van 1170—1250 ... 16

§ 1. Oud-Gennaansche Heldensage........19

§ 2. Klassieke Romans. Heynrijck van Veldeken . . 25

§ 3. Frankisehe Romans...........28

§ 4. Britsohe Romans............37

§ 5. Oostersche Romans...........47

§ 6. Geestelijke Poëzie............49

§ 7. Didaktiek. De Dierfabel.........54

§ 8. Diereu-Epos..............57

11® Hoofdstuk. Didaktiek. Van 1250—1450. ... 65

§ 1. Jacob vau Maerlant...........68

§ 2. Maerlant's school............83

§ 3. Geestelijke Poëzie. — Legenden en Heiligenlevens . 94

§ 4. Dichterlijke terugwerking.........98

§ 5. Lyrische Dichtkunst...........110

§ 6. Dramatische Dichtkunst..........1L7

§ 7. Proza............... . 126

111° Hoofdstuk. Rederijkers-Poëzie. Van 1450—1550. 139

-ocr page 14-

8

Tweede Tijdvak. De Renaissance.

B\z.

Ie Hoofdstuk. — Voorbereiding.—Van 1550—1600 . 164

§ 1. Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde . . 166

§ 2. Taalstudie en Taalzuivering........172

§ 3. De Rederijkerskamer: „In Liefd' bloeyendequot; . . 174

IIe Hoofdstuk. — Bloei. — Van 1600—1700 . . . 184

§ 1. Coster's Akademie...... .... 187

§ 2. Pieter Cornelisz. Hooft. — De Muiderkring . 197

§ 3. Joost van den Vondel..........205

§ 4. Overige leden van den Muiderkring.....230

§ 5. De Zeeuwscho of Dordsche School. — Jacob Cats. 238

§ 6. Buiten beide kringen..........247

III0 Hoofdstuk. — Verval. — Van 1700— 1790. . . 265

Derde Tijdvak. Nieuwe Letteren.

Ie Hoofdstuk. Overgangstijdperk. Van 1795 —1830. 2^3

§ 1. Willem Bilderdijk...........305

g 2. De oiticiëelo spelling en hare eerste aanhangers.

Bilderdijk's tijdgenooten tot 1830 ..........331

§ 3. Moderne Letteren onder den invloed der buiten-

landsche Romantiek. 1830 tot heden .... 348

Namen der Schrijvers en Titels van naamlooze schriften.

I. Van de vroegste tijden tot aan de Renaissance . . . 377

II. Sedert de Renaissance............381

W oordverklaringen.............389

-ocr page 15-

INLEIDING.

i.

ONZE ÏAAL.

1. De voornaamste talen van Europa kunnen lot drie groote stammen teruggebracht worden; te weten; J0. tot de*. Romaanschen of Latijnschen stam. waartoe, geheel of gedeeltelijk, de meeste talen van Zuid-Europa behoo-ren, als: het Italiaansch, Spaansch, Portugeesch, Fransch, Wallachisch; 2°. tot den Germaanschen of Duitschen,d\e, behalve het Hoogduitsch en het Nederlandsch, het l.Ts-landsch, Zweedsch, Deensch-Noorweegsch en, in zijne Angelsaksische bestanddeelen, het Engelsch heeft gevormd; en eindelijk 3°. tot den Slavischen, waaraan het Boheemsch, Russisch, Poolsch, enz. hun ontstaan te danken hebben.

2. In de hoogste oudheid heette onze, toen nog onverdeelde taal de Thiudiskse, Theotische, Dietsche of Duit-sche, dat wil zeggen, de taal van het volk {diet vanwaar hedieden, duiden, duidelijk, diets maken, enz.) in tegenstelling met die der «klerken,quot; der geletterden, het Laiyw; en den naam van Dietsch bleef het Nederlaadsch tot na de «Renaissancequot; behouden.

Doch reeds in de vroegste tijden splitste zich deze taalboom in twee hoofdtakken: het Opperduitsch, dat in geheel Zuid-Duitschland, aan den boven- en middel-Rijn, gesproken werd, en waaruit, met vermenging van andere

i

-ocr page 16-

9

gedeeltelijk Nederduitsche tongvallen, het tegenwoordige Hoogduüsch, hetwelk, om het door eene geographische afbakening duidelijk te maken, in al die streken thuis behoort, die liggen ten Noorden van eene lijn, getrokken van Duinkerken, over Brussel, Keulen, en verder oostelijk op, langs Cassel, over Maagdenburg en Berlijn naar Koningsbergen.

Zoo zegt H. E. Marcard, van Minden, in zijne landtaal:

»Vam Weserstrand, de Marke van Westphalen,

Wiet füdder noch bet an de Oostsee wiet,

Sprekt ollet Volk in nederdütsker Talen.

Sy staat de Voorwacht in de Westermarken;

O holet fast in vaderlandschen Striet!quot;

3. Snellaert merkt te recht op, dat het Opper- en het Nederduüsch van elkander afwijken door vorm en toon, gelijk de landstreken, waar, en de volkstammen, door welke ze gesproken worden; en dat men gevoeglijk het eerste de berfispraak en het tweede de zeespraak zou kunnen heeten — een onderscheid, dat men ook tusschen de hoofddialekten der Grieksche taal, het Dorisch en het Jonisch, vindt. En inderdaad aan het Opperduitsch viel, volgens den Hoogduitscher Adelung, «schorheid van spraakwerktuigen, opgevuldheid des monds en een eeuwigdurend hol-ademen. sissen en blazen ten deel,quot; terwijl het Nederduüsch «overvloeit (?) van weekheid, glibberigheid en trage kortheid.quot;

Men heeft ook de dialekten dier twee taaltakken onderscheiden in das- en in ]) at spraken: waar men dat (det) hoort, is het Nederduüsch, waar men das (des dós) uitspreekt, het Opperduitsch taalgebied.

4. De algemeene Nederduitsche, door de Hoogduit-schers ook wel, ofschoon te onrechte, Platduitsch genoemde spraak heeft zich, als zoodanig, nooit tot eene beschaafde schrijftaal kunnen verhellen ; maar bare zuiverste bestanddeelen zijn in ons Dietsch of Nederlandsch

-ocr page 17-

3

bewaard. «Die Hollandische Sprache, zegt C. G. von Arndt, »konnte als der jetzige Hauptzweig der Nieder-deutschen Mundart betrachtet werden, der hei dem Ver-falle der übrigen Niederdeutschen Dialecte, sich ais Schrift- und Büchersprache in einem blühenden Zustande erhalt.quot;

5. De oude Saksische tongval, vermengd met den Frieschen, heeft, dank zij der macht van de oorlogzuchtige stammen, door welke hij gesproken werd, op het punt gestaan om den gewenschten trap van beschaving te bereiken; doch Karei de Groote, met zijne Franken, verhinderde tegelijk de uitbreiding en vestiging dier macht en dier taal. Het Franfc-Dittfsc/i, door de overwinnaars gesproken en een middendialekl vormend, dat ten Oosten meer naar het Opperduitsch, ten Westen en ten Noorden meer naar het Saksisch en Friesch zweemde, deed nu zijnen invloed op de taal der overwonnenen gelden. De Neder-Frankische tongval heeft in het eind dan ook de beide andere beheerscht, en is de hoofdgrondslag der beschaafde schrijf- en spreektaal van Nederland geworden. Voeg daarbij nog de onmiskenbare werking van de taal der Kerk en der wetenschap, het Latijn, en, in de vroegste middeleeuwen reeds zoowel als later, die van het l-ransch, en gij zult de hoofdelementen kennen, waaruit ons Nederlandsch zich ontwikkeld heeft, welks grammatica trouwens ook door onze geographische ligging gewettigd wordt; de Nederlanders bezigen zoowel der Engelschen en Franschen naamvallen, aangeduid door een, soms onontbeerlijk, voortzetsel, als der Hoogduitsche-ren lidwoordsverbuiging.

-ocr page 18-

II.

LETTERKUNDIG OVERZICHT DER OUD-GERMAANSCHE DIALEKTEN.

1ste HOOFDSTUK. Tan de vroegste tijden tot Karei den Groote.

4. Alhoewel ons uil de vóórchristelijke tijden geene letterkundige gewrochten onzer vaderen zijn overgebleven, moet men toch aannemen, dat zij hunne mythologische zangen, dichterlijke overleveringen en krijgsliederen gehad hebben; niet alleen omdat men die in de kindsheid van ieder volk aantreft, maar ook, en in 't bijzonder, omdat Tacitus, die ons een zoo warm gekleurd tafereel van de zeden en 't karakter der Germanen geschonken heeft, er uitdrukkelijk van gewag maakt. Het weinige, in onze literatuur, dat nog aan die heidensche tijden herinnert, is in zoo verchristelijkte vormen tot ons gekomen, dat het nauwelijks meer te herkennen is. Wij spreken daar later over.

2. Een zoo belangrijk feit, in de geschiedenis van bet menschdom, als de invoering en vestiging van den Christe lijken godsdienst, moest noodwendig een algeheelen omkeer in de denkbeelden te weeg brengen. En zoo was het ook. De uitingen van de wereldbeschouwing onzer heidensche voorouders werden ten vure gedoemd, en zelfs Karei de Groote mocht er niet in slagen, die volkszangen van den ondergang te redden.

3. Al wat er uit het tijdperk van vóór tot onder dezes

-ocr page 19-

5

Vorsten regeering in de verschillende tongvallen der gemeenschappelijke Germaansche taal is overgebleven, heeft bijna uitsluitend betrekking op den Christelijken godsdienst.

Zoo vervaardigde de Moeso-Gotische bisschop Ulfilas, (geb. 311, gest. 381, te Konstantinopel), eene bijbelvertaling, waarvan eenige stukken ons bewaard zijn. Het opmerkelijkste handschrift, bekend onder den naam van Codex argenteus, bevindt zich in de boekerij van üpsala, in Zweden. Het bestond oorspronkelijk uit 330 bladen, waarvan er 177 zijn overgebleven, en werd in de abdij van Werden, aan de Koer, gevonden, wer-waarts het waarschijnlijk door den H. Liudger, eersten bisschop van Munster, uit Italië is overgebracht. Het is het eerst door Franciscus Junius te Dordrecht, in 1665, uitgegeven. Wij schrijven er hier een paar regels af.

Athlhan ik qitha izvis ni svaran allis, ni bi himina, unte Maar ik zeg u ; niet te zweren geheel-en al; niet bij (den') hemel, omdat stols ist Guths; Nih bi airthai, ante fotubaurd ist f olive (de) stoel is Gods; niet bij (de) aarde, omdat voetbank is van voeten is; nih bi lairusaulymai unie baurr/s ist this mikilins thiudanis ; zijns; niet bij Jerusalem, omdat (de) burg is des grooten konings, nih bi haubida theinamnxa marais, unie ni magt ain tagl hveit Niet bij hoofd dijn zweer, omdat niet moogt één haar wit aiththau svart gataujan, Sijailh-than vaurd izvar: ja, ja; ne, of zwart maken. Zij dan woord uw; ja, ja; neen, ne; ith that a managizo thaim us thamnia ubilin ist. nAivaggeljo neen! want dat meerdere (dan) deze uit den Euvel is. Evangelie thairh Maththaiu.quot;

door Maltheus. (V. 34—37)

4. Uit de VIIIste eeuw kent men een vertaling, in Frankisch dialekt, van een Latijnsch werk over de geboorte des Zaligma-makers, opgesteld door Isidorus Hispalensis, en eene Ale-mannische overzetting van de regels der orde des H. Benedictus, toegeschreven aan den monnik Kero (omstreeks 750).

5. Tot het begin of raidden dier eeuw behoort mede het fragment van het beroemde Hïldebrandslied, dat ons eveneens in Frankisch dialekt bewaard is gebleven. Het verhaalt den tweestrijd tusschen den grijzen Hildebrand, den dienstman des Oostgotischen konings Theoderik, en Hadubrand, zijn zoon, die in den ouden krijgsman zijn vader niet wil erkennen, vooraleer hij diens grootere kracht, als een zinnebeeld van zijn hooger

f

-ocr page 20-

6

vaderlijk gezag, ondervonden heeft. In dit gedicht zijn nog, evenals in den Béowulf (Biewulf) en in den Heliand (Hêleand) — het jongste wellicht van dien aard — de verzen niet door het, uit zuidelijke streken, in navolging der kerkelijke hymnenpoëzie, tot ons gekomen, eindrijm, maar door alliteratie; staf- of aanrijm onderling verbonden. De alliteratie bestaat hierin, dat in een vers de sterker toonhebbende woorden of lettergre pen met denzelfden medeklinker of met een klinker beginnen.

6. Gelijk het Hildebrandslied het oudste volksdicht der Duitsche taal kan genoemd worden, zoo is het Wessobrunner Gebed de oudste dichterlijke uiting van Christelijke denkbeelden. Dit met hoogen ernst vervulde, krachtige en tevens frissche gedenktee-ken van den alouden dichtgeest onzer vaderen behoort mede tot de VIIIste eeuw; het is, voor een deel althans, nog allite-reerend, en werd in het klooster Weissen of Wessenbrunn, in Beieren, gevonden, vanwaar zijn naam. Wij schrijven het hier in zijn geheel af, volgens den tekst van Dr. Feuszner.

DE POETA.

Dat ga/regin ih rait /n-ahim ^iriwizzó meista,

dat ero ni was noh tifhimi! in anaginne;

noh paum noh pereg ni was, noh plomo noh gafildi,

ni sterro nohheinig noh sunna ni scein,

noh mano ni liuhta noh der mareosèo.

dó dar niunht ni ivas enteo ni iventeo,

enti dó was der eino almahtico cot.

mannö miltisto; enti dó warum auh manakè

mit inan cootlihhé /ceista, enti cot heilac,

cot almahtico. dü /limil enti erda gaworahtós,

enti dü wiannum só manac coot forg.ipi:

foryip mir in dinó jnada rehta ';laupa

enti cötan toilleon, wjistóm enti spahida,

cótero / ate o tóthi enti craft (iullun

za widarstantanne enti are za piioisanne

enti dinan t'jilleon za gawurchanne.

Dat verneem ik onder de raenschen als meeste (hoogste) menschenweten.

Dat de aarde niet was, noch (op) hemel in den beginne;

Noch boom noch berg was, noch bloem noch velden.

Niet een enkele ster, noch de zon scheen.

Noch de maan lichtte, noch de meerzee (was).

Toen daar niets was, einden noch grenzen.

En toen was de eene almachtige God.

Der menschen mildste (Vader); en toen waren ook menige

-ocr page 21-

7

Goede geesten met hem. En God heilig,

God almachtig, Gij, die hemel en aarde wrochttet

En die den menschen zoo menig goed gaaft.

Geef mij in uwe genade het rechte geloof

En goeden wil, wijsheid en verstand,

Tot goede daden deugd, en kracht om de duivelen

Te wederstaan, en kwaad af te wijzen.

En uwen wil te werken (volbrengen).

7. De reeds vermelde Beowulf [Biewulf) is een Angelsaksisch gedicht der VIIIste eeuw, dat misschien wel nooit uit dien tongval in het Dietsch werd overgebracht, maar toch in de volste mate onze belangstelling verdient, om het tooneel, waar bet speelt — op de Noordzeekusten, op de Maas en de Niers — en om de nauwe verwantschap, welke er bestond tusschen onze vaderen en den Angelsaksischen stam, die ons zijn zonen als geloofspredikers zond en wiens taal zoo veel overeenkomst met die der Friezen heeft. Wij bepalen ons hier bij de mee-deeling van den korten inhoud des gedichts.

„Ben reusachtig gedrocht, Grendel genaamd, dat, met zijne moeder, een sombere.i poel bewoont, sluipt herhaalde malen, des nachts, in de feesthal van den Vorst der Denen, op See-land, en vermoordt er de slapende helden. Beowulf, een dienstman van den koning der Jutten, biedt zich aan om het monster te bestrijden, brengt den nacht door in de feesthal, ontmoet en kwetst doodelijk het boosaardig gedrocht dat ontvlucht en in zijn poel sterft.

„Een feestmaal verkondigt de blijdschap van vorst en volk over deze zegepraal. Doch den volgenden nacht ontkruipt des verslagen monsters moeder, een niet minder afschuwlijk gedrocht, haren poel en sleept een der uitstekendste mannen des konings mede. Nu trekt de onversaagde Beowulf naar de haast ongenaakbare kolk, springt in den geheimzinnigen afgrond, verslaat, na een hardnekkig gevecht, het ondier, en stijgt, Grendel's afgeslagen hoofd als trofee dragend, uit de diepte weder op. In verdere avonturen verslaat de held nog eenen draak, die het land verwoestte, maar sterft aan de gevolgen van den giftigen beet des monsters. Het verhaal van 's helden plechtige lijkstatie eindigt het gedicht.quot;

8. Wij mogen dit hoofdstuk niet sluiten, zonder op de edelmoedige en verlichte zorg te wijzen, waarmede Karei de Groote

-ocr page 22-

8

onderwijs en volkstaal behartigde. Hij deed in het Duitsch sprekende gedeelte zijns rijks onderricht geven in die taal aan de klooster- en kathedraalscholen ; hij stelde de kundigste mannen, welke hij elders, vooral in Engeland, Schotland en Ierland, opspoorde, aan het hoofd dier inrichtingen, stichtte nieuwe, en wist allerwegen de liefde voor wetenschap en volkstaal op ta wekken. Naar de getuigenis van zijn levensbeschrijver Eginhard (Vita Karoli-magni, c. 29), schreef hij de zeer oude, in de volkstaal opgestelde liederen, waarin de daden en oorlogen der oude koningen bezongen werden, op, en prentte ze in zijn geheugen. Ook veranderde hij de Latijnsche namen der winden en der maanden in Duitsche, als Januari in Wintarmanoth, Februari in Hornung. Maart in Linzenmanoth, enz.; hij deed eene Duitsche spraakkunst opstellen, en het lijdt geen twijfel, of het Frankisch-Duitsch was de omgangstaal van zijn koninklijk hof.

9. De Kerk bleef mede niet in gebreke te dien opzichte. Reeds in de eerste helft der VIIlste eeuw had de H. Bonifacius aan zijne geestelijkheid verboden, iemand de geloofsbelijdenis in eene andere taal dan die van het volk af te nemen, welke verordening later door Karei den Groote bekrachtigd en gehandhaafd werd. Wij geven hier eene, hoogstwaarschijnlijk in de Kerkvergadering van Lestinen, zuidelijk van Binch, in 745, door den H Bonifacius zeiven voorgeschreven, afzwering en geloofsbelijdenis, naar een facsimile van den codex der Vati-caansche Bibliotheek, door Maszmann en Pertz uitgegeven.

Forsachistu diaboluequot;?

ec forsac/io didholae.

end allum dinbolrjelde ?

end ec forsacho allum diabolgelde. end allum diaholes wercum? end ec forsacho allum diaboles wercum and wordum, thunaer ende woden ende saxnote ende allum them unhuldum Ihehira genotas sint.

Verzaakt gij den duivel ?

Ik verzaak den duivel.

En al het duivelsgilde?

En ik verzaak al het duivelsgilde.

En alle duivelswerken?

En ik verzaak alle duivelswerken en woorden, Thunaer (Thor) en Wocie«(Wodan) enSaa;gt;iofe(mecle eene Saksische godheid) en al de vijandelijke wezens, die hunne medegenooten zijn.


Het overige bevat, in zeer verstaanbare taal, het bekende geloofsformulier aan de H. Drievuldigheid:

-ocr page 23-

9

Gelobistu in got alamehtigan fadaer'?

ec gelobo in got alamehtigan fadaer.

Gelobistu in crist godes sunu?

ec gelobo in crist godes sunu.

Gelobistic in halogan gas! ?

ec gelobo in halogan gast.

Zoo dit stuk door latere afschriften geene aanzienlijke wijzigingen in den vorm ondergaan heeft, wat sommigen, zonder veel grond, meenen, dan is het opmerkelijk, hoe groot de overeenkomst is tusschen die taal en ons Neder-landsch. De synode van Mentz gebood, ten jare 813, dat men het Symbolum der Apostelen en het Onze-Vader in de volkstaal moest kennen; nat men de kinderen ter schole moest zenden, en dat zij, die in deze scholen onderwezen werden, hunne gebeden niet slechts in het Latijn, maar ook in de volkstaal te leeren hadden {Dab omnibus discatur tam latine quam barbaricequot;); en verder, dat er op alle zon- en feestdagen in de volkstaal moest gepredikt worden. In hetzelfde jaar werd op de synode van Tours voorgeschreven, dat ieder bisschop eene goede verzameling van Homilieën zou maken en in het Ro-maansch of in het Duitsch vertalen (vin rusticam Roma-nam linguam aut Theotiscamquot;), opdat allen ze goed konden verstaan. En zoo scheen dan, onder den dubbelen invloed van het beschavend gezag der Kerk en van de verlichte bescherming der wereldlijke macht, onze schoone Dietsche taal eene gouden eeuw te gemoet te gaan: doch, helaas! die morgenschemering mocht niet zoo spoedig tot een vollen dag ophelderen.

Ilde HOOFDSTUK. — Tan Karei «len Groote tot 1170

1. Wel nam Lodewijk de Vrome, des grooten Kareis zoon en opvolger, de verdere beschaving van zijn volk en der Duitsche taal zeer ernstig ter harte, al is het

-ocr page 24-

10

waarschijnlijk, dat wij hem de vernietiging der dooi'zijn vader verzamelde volkszangen, van heidenschen oorsprong, te wijten hebben ; wel toonde zich, na hem, ook Lodewijk, te recht de üuitscher genoemd, wien, door het verdrag van \erdun, in 843, het grootste gedeelte der Nederlanden in handen kwam, een verlicht voorstander van taal en v/etenschap — de pas ontloken bloesem mocht toch niet tot vruchten rijpen.

De verdeeling des rijks, welke niet zonder bloedige oneenigheden tusschen de drie zunen van Lodewijk den Vrome plaats had, en de gedurige invallen der woeste Noormannen, die, aan alle beschaving vreemd, aan alles, wat Christen heette, vijandig .varen, — ziedaar de hoofdoorzaken van den geringen vooruitgang der letteren in dit tijdperk.

2. Wij vermelden hier slechts in het voorbijgaan de bekende Evanyelimharmonie, waarin de Opperduitsche Benediktijner monnik Otfried het leven Onzes Heeren, volgens de vier Evangeliën, verhaalt. Met welke moeilijkheid echter, ten opzichte der taal. de schrijver der Evangeliënharmonie nog te kampen had, om zich op waardige wijze van zijne taak te kwijten, moge blijken uit een paar woorden van de Latijnsche opdracht zijns werks aan den Aartsbisschop Liutbert. „De barbaarsche Duit-sche taal,quot; zegt hij daar, „is nog onbeschaafd en ongeregeld; zij is niet gewend, zich op den regelmatigen toom der grammaticale wetenschap te laten mennen.quot;

2. Van veel grooter belang voor ons zijn de Wachtendonck-sche Psalmen, eene interlineaire Psalmvertaling uit de Xde eeuw, zoo genoemde naar Arn. Wachtendonck, die er in de 17e eeuw een volledig handschrift van bezat, dat in zijn geheel niet meer bekend is en vooral de Hêljand, Hêleand of Heliand, een Christelijk epos — al is het ook van min hooge vlucht — in den Saksischen tongval, ten tijde en misschien op last van Lodewijk den Vrome vervaardigd.

De Heliand (Heiland) is, als Otfried's werk, een vrije bewerking van den Evangelietekst. In zeer populairen trant worden er de levensbijzonderheden onzes Zaligmakers in verhaald

-ocr page 25-

11

en als veraanschouwelijkt, door voorstellingen, gelijkenissen en namen, uit het Saksische volks- en familieleven geput. Het stafrijm is er nog niet door het eindrijm vervangen. Voor de taalstudie, in de eerste plaats, is de Heliand waarlijk een schat; maar ook voor de waardeering der ontwikkeling onzer vaderen, in die tjjden, is het dichtstuk van het hoogste belang. Men erkent er duidelijk het karakter van den Neder duit schen stara, die naar het episch-didaktische overhelt, gelijk in Otfried's Ëcangelienhar-monie dat van den Opperduilschen, die beter in het lyrische slaagt.

Als een voorbeeld van taal en behandeling in den Heiland, deelen wij hier een gedeelte van het verhaal mede, waarin het laatste avondmaal geschetst wordt. Xa duizend jaren, is voor ons die taal nog verstaanbaar in hare meeste woorden.

Waldand win endi brod

luihida bethiu,

ftelgoda /lebancuning,

mid is /landon brac.

(/af it under them is iunyron

endi r/ode thaneoda,

sagda ?hem alat

Miem lt;har all giscuop,

toei'old endi wunnia.

endi sprac word manag; Güobeat gi thes /iohto, quat hie,

that thit ist min /ichamo,

endi min Wuod so samo;

gihu ik. iu hieiquot; ftethiu sarnad,

etan endi drincan,

thit ik an erthu seal 3eban endi (/iotan,

endi in te f/odes rikie tosian mid minu üchamen

an /if ewig an that Ziirniles lioht.

Gi/iuggiat gi sinnon,

th at ;/i that fuU/angen,

thia ik an theson jfomon duon. Marient thit for thero menigi,

thit ist mahtig thing,

mid thins sculun gi iuvvon drohtine

diuritha frummean;

Ziebbeat thit min te gi/iuhdion.

De Heer wijn en brood

wijdde, beide;

heiligde 't, de Hemelkoning,

brak het met zijne handen, gaf het onder zijne jongeren

en dankte God,

zeide Hem dank

die daar alles schiep,

wereld en vreugde,

en sprak menig woord:

Gelooft (gij) dat licht (klaar), zeide

hij.

dat dit is mijn lichaam, en mijn bloed te zamen;

ik geef u hier beide te gelijk te eten en te drinken.

wat ik op aarde zal geven en vergieten

en u tot Gods rijk verlossen met mijn lichaam

in 't eeuwige leven, in 'I hemelsche licht.

't Geheuge u immer,

dat gij dit volbrenget,

wat ik bij dezen maaltijd doe. Verkondigt de mare hiervan voor de menigte, dit is een machtig ding,

met dit zult gij uwen Heere (Drost)

eer werken :

hebt dit te mijner geheugenisse.

De geleerde Mabillon vond, in de XVI[(Je eeuw, in de boekerij der abdij van St.-Amand, bij Doornik, een Zeyelied, ver-

-ocr page 26-

vaardigd ter gelegenheid van de overwinnning. door den West-Frankischeu Koning, Lodewijk den Derde, den zoon des in 879 overleden Stamelaars, in 881, bij Saueourt, op de Noormannen behaald. Het is in berijmde verzen door den, ook als toonkunstenaar beroemden, monnik H u c b a 1 d opgesteld. Het Lodewijkslied, zoo heet dit gewrocht, is in Frankisehen tongval geschreven. Het onderscheidt zich van de overige gedichten uit dit tijdperk door grootere opgewektheid van gevoel, krachtiger beeldspraak en meer aanschouwelijkheid van voorstelling. „Lodewijk — zoo zingt Hucbald — was zoo zeer Godes en der menschen lieveling, dat hij, nog jong zijnde, moest beproefd worden, of hij die zegeningen waardig was. Woeste heidenen kwamen over de zee, velen Franken ten ondergang, sommigen tot heil. Lodewijk was in verre landen ten oorlog getogen, maar Gods stem riep hem ter verdediging van zijn volk terug. Doch laten wij den dichter het woord.

»Tho nam er skild indi sper:

etlianlicho reit her:

Wold er war errahchón sinan widarsahchön.

Thó ni was iz buro lang,

fand her tlüa Northman. nGode lobquot; sageda:

her sihit thes her geréda. Ther kuning reit kuono.

Sang lioth frano.

Joh alle saman sungun

sKyrri' eleison!quot;

Sang was gisungan;

wig was bigunnan ;

Bluot skein in wangón,

Spilódun ther Vrankon. Thar vaht thegenó gelih:

nich ein so So Hludwih, Snel indi kuoni,

thaz was imo gekunni. Suman thuruh-sluog her:

Suman thuruh-stah her. Her skancta cehanton

Sinan fianton Bitteres üdes.

«Toen nam hij schild en speer:

Moedig reed hij heen Hij wilde de waarheid spreken Op zijne wederstanders (wederza-kers).

Toen was het niet zeer lang ('t duurde niet zeer lang) of hij vond de Noormannen. «God lof!quot; zeide hij;

hij ziet wat hij begeerde. De koning reed nu koen:

hij zong een heilig lied.

En allen samen zongen.

«Kyrie eleison!''

De zang was gezongen;

De strijd was begonnen. Het bloed kleurde de wangen: De Franken speelden daar.

Daar vocht ieder degen (strijder);

Niet eén zooals Lodewijk.

Snel en koen was hij.

Dat was hem aangeboren. Sommigen doorsloeg hij :

Sommigen doorstak hij. Hij schonk te hande (thans)

Zijnen vijanden Bitteren wijn


Lodewijk behaalde dan ook de overwinning; en de dichter

-ocr page 27-

13

sluit zijn Zegelied met den weusch, „dat God hem lang behoude in de hoogste eere.''

5. Stippen wij hier nog even aan: de Frankische Psalmvertaling van Notker, aht van St.-Gallen (f 1022), het Lofdicht op den Keulschen Aartsbisschop Anno (f 1075), door een onbekende in Nederrijnsch dialekt opgesteld, en eindelijk de Frankische Omschrijving van het Hooglied door Willi ram, abt van Eversberg, in Beieren (f 1085).

6. Alvorens over te gaan tot de voortbrengselen der eigenlijke Nederlandsche taal, vatten wij het tot nu toe verhandelde in dezer voege ordelijk samen.

De Oud-Germaansche taal is ons in zes voorname takken of dialekten bewaard gebleven, te weten;

I. De Gotische, de taal aller oostwaarts wonende Germanen, tot welke de Ulfilas behoort, alsmede acht bladen eener uitlegging van het Evangelie van den H. Johannes, door den uitgever, Maszmann, Skeireins genoemd; en een stuk van een Gotischen kalender.

II. De Oud-Hoogduitsche, namelijk de taal, die van de VIIIste tot de helft der XP6 eeuw in Zwaben, Beieren, Hessen, Thuringen en Zuid-Frankenland geschreven werd. Hiertoe behooren : 1°. het fragment van het Hildebrand en Hadubrandslied, in een handschrift der VIIIste eeuw, welks tongval echter sterk naar het Nederduitsch overhelt 2°. Het Wessohrunner Gebed, uit de VIIIste eeuw; de (ook Frankisch te noemen) vertaling van het Latijnsche werk van sidorus Hispalensis, over de geboorte des Zaligmakers; en eindelijk, uit diezelfde eeuw, de interlineaire vertaling der Benediktijner orderegels. 3°. Uit de IX'lc eeuw, een fragment van een allitereerend gedicht over 't einde der wereld en het jongste oordeel, door den uitgever Muspüli (Wereldbrand) genoemd. 4°. De Evangeliënharmonie van Otfried. 5°. Het Lodewijkslied. 6°. Uit de Xde en XIde eeuw, de werken

-ocr page 28-

14

(voornamelijk Psalmvertaling) van Notker en zijne school, en Williram's omschrijving van het Hooglied.

III. De Oud-Nederduitsche, waaronderbehooren:

A.. De O u d- Sak sisch e, de taal, na afzondering der Friezen en der Nederlandsche stammen, door de overgebleven bewoners tusschen Rijn en Weser, en Weser en Elbe, in de streken van Munster, Essen en Kleef, gesproken. Hiertoe bebooren; 1°. de Heljand, 2°. behalve verschillende bezweringsformulen, de geloofsbelijdenis van den H. Bonifacius; vForsachistuquot; enz.

B. De Angelsaksische, de taal der Saksers en Anglen, die om het midden der Vde eeuw, naar Groot-Britanje verhuisden. Hiertoe behoort de Béowulf.

C. De oud-Friesche, de taal der West- Oost- en Noord-Friezen, van welke slechts fragmenten over recht en rechtsgebruiken zijn overgebleven, en die, allengskens door het Nederlandsch verdreven, nog alleen in den mond van het volk in West-Friesland en op eenige eilanden der Sleeswijksche kust voortleeft.

D. De O u d-Nederfran ki sc he, het hoofdbestanddeel van ons nederlandsch, waarin de Wachtendoncksche Psalmen opgesteld zijn.

IV. De Oud-Noorsche, door de bewoners van 't Scandinavische schiereiland en van IJsland gesproken. De gemeenschappelijke Noorsche grondtaal heeft zich, in de Xde of XIde eeuw, gesplitst in Oost-Noorsch de moedertaal van het Deensch en Zweedsch en in West-Noor sch, de grondslag van het Noorweegsch en LIs-landsch. Tot dezen tak behoort alles wat over oud-Noor-sche mythologie en heldengeschiedenissen geschreven is, onder andere de Edda.

-ocr page 29-

15

III.

NEDERLANDSCHE LETTEREN.

1. Er kan eerst sprake zijn van eene Nederlandsche letterkunde omstreeks liet midden der twaalfde eeuw, toen zich bij de verschillende stammen, die de kern van het Nederlandsche volk vormen, een krachtig streven naar eene algemeene, van de spreektaal min of meer afwijkende schrijftaal openbaarde.

Vóór dien tijd schreef men ten onzent Latijn; slechts enkele werken o. a. de Wachtendoncksche psalmen zijn opgesteld in de volkstaal, die echter te veel een gewestelijk karakter draagt om Nederlandsch te kunnen heeten.

2. Volgens de verschillende staatkundige en maatschappelijke toestanden, die met den gang der beschaving in ons land meer samenhangen, laat zich de geschiedenis onzer letteren gevoeglijk in drie tijdperken verdeelen.

I. Middeleeuwsche Letteren 1170—1550.

Romantiek — Didaktiek. — Rederijkerspoëzie.

Invloed van Fransch en Latijn.

II. Renaissanee 1550—1795.

A. Voorbereiding 1550—1600.

B. Bloei. 1600—1700.

G. Verval. 1700—1795.

III. Nieuwe Letteren. Van 171gt;5 tot op onzen tijd.

A. Overgangstijdperk 1795—1830.

Invloed van Hoogduitsch en Engelsch.

B. Moderne Letteren onder invloed der buitenlandsche Romantiek. Van 1830 tot heden.

-ocr page 30-

16

EERSTE TIJDVAK.

MIDDELEEUWSCIIE LETTEREN.

1ste HOOFDSTUK. — Romantiek.

1. Tot op dit tijdstip waren, zooals uit het voorgaande genoegzaam blijkt, de letteren uitsluitend in handen der geestelijken. En geen wonder! De dorpers en lijfeigenen moesten in de beslommeringen van landbouw, veeteelt en nijverheid hun levensonderhoud zoeken, en hadden noch tijd, noch lust om zich aan de zooveel edeler bevruchting van den geest te wijden. De adel daarentegen leefde in trotsche afzondering op zijne burchten en vond zijn eenig vermaak in wapenoefening en jacht. Het uitgestrekte rijk van Karei den Groote was langzamerhand geheel verbrokkeld, en nu vormden zich tal van kleinere staten: hertogdommen, graafschappen, vrij-heerlijkheden, enz., welker heerschers in niets méér overeenstemden dan in onderlingen haat en naijver, de oorzaak van onophoudelijke twisten, van kleine en groote strooptochten, van verwikkelingen zonder einde. Natuurlijk waagde zich bij zulken toestand der maatschappij, de taal- en letteroefening niet buiten de rustige klooster-of kerkmuren.

2. »Daar weergalmde op eens, als van den Hemel (zoo verhaalt de XIIde eeuwsche annalist van Rolduc), het woord des H. Kruises door alle streken van Duitsch-land en van het Westen. Zij, die allerwegen ten heiligen strijde togen, vormden als het tiende deel der geheele aardequot;. Waarlijk eene grootsche, indrukwekkende verschijning in de wereldgeschiedenis zijn de kruistochten!

-ocr page 31-

17

Elke persoonlijke veete, elke scheiding tusschen volkeren en talen, elke afzondering van familiën en standen verdwijnt; een machtige adem gaat door heel het Westen en doet de edelste krachten samenwerken tot het verhevene, heilige doel; de verovering van het Heilige Land, de bevrijding van Jeruzalem en van het graf onzes Heeren.

3. Het was echter niet slechts die groote strijd, noch het hooger beginsel, waarvan hij uitging, die eene omwenteling in de denkbeelden teweegbrachten, — ook het toenemend volkenverkeer, ook de invloed des ooster-schen hemels, dier weelderige natuur, dier oudere, en allicht fijnere, beschaving droegen het hunne daartoe bij.

4. üe achtergebleven grijsaards, de vrouwen en kinderen der kruishelden zagen, natuurlijk, met gretigheid uit naar berichten over den wonderbaren tocht, en men begrijpt, hoe de scherpst gekleurde verhalen nauwelijks aan de hooggestemde bewondering konden beantwoo den. Wat geluk, zoo men er mocht hooren vertellen, die persoonlijk aan den reuzenstrijd hadden deel genomen! Dat geluk hadden de Franschen. De eerste kruistocht bestond bijna uitsluitend uit leenmannen der Fransche kroon; en zoo weergalmden dan ook reeds in 1130 de wapenfeiten der eerste kruisvaarders op de lier des Nor-mandischen ridders Guillaume Bechada, gelijk Guillaume IX, graaf van Poitiers, zijne eigene lotgevallen in het H. Land in luchtige liederen bezong.

Vlaanderen's graaf, Robert II en meer nog de edele Godfried van Hulioen hadden een te belangrijk aandeel aan dien heldhaftigen strijd, dan dat bovengemelde gedichten geen weerklank zouden gevonden hebben in het door macht en rijkdom bloeiende Vlaanderen. Zoo werden het eerst in Zuid-Nederland de kruistochten door Neder-landsche, uit het Fransch geheel of gedeeltelijk vertaalde, liederen verheerlijkt; zoo werden die streken als het ware

-ocr page 32-

18

de wieg onzer eigenlijk gezegde Nederlandsche letteren; zoo kwam, met de stijgende beschaving, de beoefening der dichtkunst meer in de handen der leeken en bepaaldelijk der edelen.

5. Niet geringer (merkt te recht Dr W. ,1. A. Jonck-bloet aan) is op de letterkunde de invloed geweest van het ridderwezen, gelijk het zich mede in de kruistochten ontwikkelde. Het ridderwezen had zijne kiem in het oud Germaansch gebruik om namelijk den man geworden jongeling openlijk en plechtig de wapenen in de hand te geven. In verband met het leenstelsel, en onder den invloed der door een heilig doel opgewc kte krijgsdrift ontstond weldra het gebruik, deze wapenbeleening, om het zoo eens te noemen, met een kerkelijke inwijding te doen gepaard gaan. Zoo werd de woeste krijgslust getemperd en ter eere Gods geheiligd; zoo werden er beginselen aan des ridders geestdrift ten grondslag gelegd; een kinderlijk geloof, naast de volste afhankelijkheid van God, onvoorwaardelijke moed, vlekkelooze eer en getrouwe liefde.

6. De hooge ingenomenheid, waarmede het Christendom de H. Maagd Maria, om de nauwe betrekking, waarin zij tot den Godmensch en het groote verlossingswerk staat, vereerde, was oorzaak, dal de westersche beschaving, thans eerst voorgoed aan de heidensche vooroordeelen ontworsteld, de vrouw met veel hooger achting begon te bejegenen. Deze vereering der vrouw, in't algemeen, verhoogde wederkeerig den glans, die de Moedermaagd omstraalde en die eiken anderen, aardschen en boven-aardschen, behalve dien baars goddelijken Zoons, deed verduisteren. De dichtkunst, deed haar voordeel daarmede, en ei1 is, volgens de getuigenis van den zeker niet par-tijdigen Dr .1. van Vloten, »in geheel de kristelijke legen-denwereld geen zachter, lieflijker, noch aantrekkelijker beeld dan het hare.quot;

-ocr page 33-

19

7. De oostersche weelde, die men door de kruistochten had leeren kennen, de verfijnde maatschappelijke vormen en zeden deden voor den adel, en weldra ook voor de vrijen, behoeften geboren worden, welke de kansten en handwerken, en daardoor de ontwikkeling van den derden stand, zeer bevorderden.

8. Door het groote volkerenverkeer verspreidden zich naar alle zijden de volksverhalen, de overleveringen en sagen, aan iederen stam eigen. Hierdoor ontstonden samenstellingen van geheel onderscheidene verhalen, overbrenging op en om een enkelen lievelingsheld van heldendaden, door vele anderen verricht; met andere woorden, er ontwikkelden zich sagenkringen of cyklen.

9. De sagen, die in het eerste gedeelte onzer middel-eeuwsche letterkunde hier bewerkt werden, zijn: 1° de Oud-Germaansche heldensagen, in verchristelijkten vorm; 2° de klassieke sagen-, de Frankische-, de Britsche; de Oostersche.

Wij zullen die achtereenvolgens behandelen.

§ 1. OTJD-GERMAANSCHE HELDENSAGE.

1. Wij hebben reeds met een woord gezegd, dat er van de vóórchristelijke dichtkunst geen eigenlijke overblijfselen in onze taal bewaard zijn gebleven. Slechts de nagalm er van leeft min of meer kennelijk voort in de heldensage, die wij de Oud-Ger-maansche noemen en die uit overleveringen van verschillende tijden, volkeren en landen is samengesteld. 1° De Lomjoharden gaven daartoe de koningen Bother en Orlnit; 2quot; De OosUjoten hunnen Theoderik, onder den naam van Diederil- van Bern (Verona); denzelfden onder wiens schepter het machtige Oostgotische rijk, in Opper-Italië, bloeide, en naast hem zijn trouwen dienstman Hildebrand. 3° Tot den Zuid-Frankisch-Bourgondischen kring behooren Gunther, van Worms, met zijne zuster Chriemhilde en zijne vrouw Brunehilde. Ook Attila, de beruchte „geesel Godsquot;, wiens strijdbare Hunnen het Bourgondische geslacht van Gundikar uitroeiden, speelt er zijne rol in. 4° De Neder-Franken leverden,

-ocr page 34-

20

inzonderheid voor den kring der Neveli ngeu, huunen Sieyfried 'skonings zoon van Santen. 5° Eindelijk in den Friesch-Saksi-schen kring ontmoeten wij zoowel de Beowulf- als de Goedroen-sayen.

Al deze verhalen leefden afzonderlijk reeds lang in den mond van het volk aan den Beneden-Rijn, de bakermat der Frankische monarchie, ee.' eenige er van in een machtigen geest, tot een betrekkelijk volmaakt geheel samengroeiden, onder den naam van Nevelingen of Nihelunyenlied.

2. De IJslandsche Edda bevat echter reeds de kiem dezer verhalen. Yolgens D1'. Fr. Pfeifer, uit Weenen, zou de Siegfrieds-sage, het eerste deel des Nevelinyenlieds, door Mr. K o e n r a a d, kapelaan van den Passauschen bisschop Pelgrim (975—984), met kerstening der heidenseh-Germaansche sage, in het Latijn zijn opgesteld: de Hoogduitsche dichter zou dit Latijnsche werk als model gevolgd hebben. Volgens dienzelfden geleerde, wien men eene groote scherpzinnigheid niet kan ontzeggen, kan het eerste gedeelte der sage, dat in Rijnland speelt, ook ,wel een Rijnlander tot dichter hebben; en inderdaad wordt Volker von Alzeije door sommigen daarvoor gehouden; maar het tweede zou van een Zuid-Duitscher zijn. Hij beweert zelfs, op grond

, van metrische en philologische bijzonderheden, dat dit laatste deel aan Magenes von Kiirnberg (1121 — 1138) mag toegekend worden.

3. Wat daarvan zij of aiet, zeker is het, dat deze Gennaan-sche Ilias, zooals men ze terecht genoemd heeft, uit twee geheel onderscheidene deelen bestaat, waarvan het eerste verhaalt, hoe Siegfried, des konings zoon van Santen in Nederland, naar Worms gaat, in het land der Bourgondiërs, en er de hand verwerft van Chriemhilde, de zuster van koning Gunther; hoe hij verder de sterke Brunehilde van xJsellaud, voor koning Gunther in verschillende wedstrijden overwint, waardoor hij haar Gunther's hand doet aanvaarden; hoe er eindelijk tusschen Brunehilde en Chriemhilde een hevige twist ontstaat over den voorrang barer echtgenooten, hetgeen den moord van Siegfried, door Hagen, Gunther's dienstman, gepleegd, ten gevolge heeft.

Het tweede deel, aan oudere verhalen ontleend, vertoont ons de wraak der vroeger weliswaar fiere, maar zachtmoedige,

-ocr page 35-

liefderijke- en getrouwe, doch thans door haat verbitterde, on-meedoogende Chriemhilde. In het vooruitzicht op die wraakneming, schenkt zij hare hand aan den machtigen Hunnenkoning Etzel (Attiia) en lokt zij hare bloed- en stamverwanten, de Bourgondiërs of Nevelingen, onder den schijn van een feestmaal, naar Hunenland, haar toenmalig verblijf. In de feestzaal zelve ontstaat een bloedige strijd, die met den dood aller Bourgondiërs en van Chriemhilde zelve eindigt.

4. De Nevelingensaye, al behoort ze, in menig opzicht, in Nederland thuis, werd reeds vroeg aan Overrijnsche zangers prijs gegeven, van wie ons dan ook verscheidene volledige uitgaven bewaard zijn gebleven. Eerst in de XIII'16 eeuw keerde ze, uit het Hoogduitsch vertaald, tot ons weder, en, helaas ook van deze vertaling bezitten wij slechts een paar fragmenten : Siegfrieds Berenjacht en zijne Uitvaart. Wij schrijven het laatste hier af.

dS) chuiede nietten gasten,

daer en hadde hern niemen doer wat die edel here Doc weende met Crimelden Si rfnde smede halen van zelvre ende van goude,

ende dademenne spalken Doe was daer wel menech Die «ocht was vergangen Doe Wet die edele vrouwe Zegevnle den doeden Ay, wat men al vrouwen Doe men brachte ter kerken song en alle die papen Doe r/uam die coninc Guntheer ende //agene quam met heme, Die coninc seide; «Suster, dut ic dus hehbe verloren tDu ne doerftene niet clagen, Haddi gewilt, broeder,

nu es mijn welvaren Drier bi sal men die waerheit Dat es een groet wonder, dnermen den barsculdegen soe bloedt hi harde sere. dat Hagene wardt besculdecht, die wonde bloedde doe, Doe mochtemen daer scouwen Doe sprac die coninc Guntheer, want hen was harde leit: die rechte mare geseit, verloren heft sijn lijf. menechs porters wijf.

ende werken enen sarc mekel ende slarc; met harden stale goet. die hadde droeven moet. ende het begonste dagen, in die kerke dragen den here van Nederland, doe daer droeve vand! Zegevriïe dien here,

uter maten sere.

daer ten like gevaren dat secgic u te waren, ic mach wel drueve sijn, den lieven swager mijn.quot; sprac dat edel wijf, hi hadde behouden dlijl! voertwert meer gedaen! harde wel verstaan!quot;

doch eest dicke gesciet, bi den doeden siet,

Op den selven dach doe hi den here an sach, alsi dede eer. een ongenoege seer,

ic wilt u doen verstaen;


-ocr page 36-

22

vHet versloegene scakeren; Doe antwerdde Crimelt, Gnd latene noch gewreken Gilt;iitheer ende Hagene, T)ie tnord seid si lien np; Sie doeghde in here herte Doe quamen dose twee heren. G-eernoet, hrier broader om Zerjevrite weenden, Si waren beide drueve; Doe begonsle men misse Geernoet en de Ghiseleer nu getrnest u selven, Wi willen u sijn gehelpech, Here en conste niemen Sijn sarc was gereet, men hieffene van der baren, in enen dieren pellen,

daer was menech droeve, Oec was harde droeve om Zegevrite, den here,

Alsi dat vernamen,

ende men ollVen soude, Ay, wat men al ollranden voer des heren /iele!

Crimelt, die vrouwe,

«Ic moet duer sine siele ende wille voer hem deilen oec wellic siere sielen Meer dan hondert messen Doe was in die kerke Doe misse was gesongen, te Zegevrijts vrienden:

maar helpen mi wachten In verblide nemmermeer!quot; «Drie dage ende drie nachte ende ic saelt bescouwen Hier binnen sal mi comen, Soe waric verledecht Doe ghingen alle wege Papen ende moenke,

dat si lasen ende songen dat hi die siele ontfmge

hine heves niet gedaen.quot; «Het is mi wel becant.

siere vriende hant! ghi hebbet beide gedaen!quot; dat doe ic u verstaen.

harde groete noet.

daer sine vonden doet,

ende G-hiseleer, dat hint; den here wel gemint.

dat doe ic u verstaen.

over die ziele saen.

seiden: «Suster mijn,

edel vrouwe fijn;

die wile dat wi leven.quot;

troest genoech gegeven! doe omtrent middach;

daer hi doe op lach;

dat men den doeden want; doe ic u becant.

Ute, die edele vrouwe;

hadsi groeten rouwe; dat men misse sanc,

wardt daer groet bedranc. doe ten outare droech Hi hadde eren genoech!

tote ere maget sprac;

dogen groet ongemac.

doen mijn roede goud;

altoes wesen hout.quot;

men daer dies daeghe sanc, harde groet bedranc.

sprac ver Crimelt saen «Ghine selt niet henen r/aen, den lieven here mijn.

sprac die vrouwe lijn.

selen wi wachten dlijc,

eikei' d a gel ij c.

ocht God wilt, die doet! van wel groeter noet! die portren van der stat. si bleven daer om dat,

ende baden onsen Here,

duer siere moeder ere,quot;


5. Van hot Hildehrandslied en den Béowulf, welke beide tot dezen sagencyelus behooren, is vroeger melding gemaakt, omdat de bewerking er van veel ouder is. Er blijft ons nog over te spreken over den Goedroen, wolks inhoud onmiskenbaar onze Nederlandsche zeekusten als bakermat des gedichts aanwijst.

Oorspronkelijk eene Deensche saye, groeide de Goedroen in

-ocr page 37-

Nederland tot dat uitgebreide epos op, dat men als de Ger-rnaansche Oclyssea gekenmerkt heeft. Alhoewel er nog maar zeer weinig licht verspreid is over de historische grondslagen van dit gedicht, erkent men toch bier alweder, dat er verschillende sagen om één persoon zijn geschaard, al is het moeilijk de verschillende verhalen aan te wijzen, waaruit dit treffend geheel is samengesteld.

6. De Goedroen is ons slechts in eene Hoogduitsche, waarschijnlijk uit liet Nederlandsch vertaalde, bewerking der Xinde eeuw bewaard gebleven; wij moeten ons dus van citaten onthouden en ontleden slechts het gedicht.

In het eerste deel, dat, met het tweede, als eene inleiding kan beschouwd worden tot het derde, het hoofdverhaal, wordt de wonderbare jeugd en daarna de troonsbestijging van Hagen, zoon van Siegebant, koning van Eyrland, verhaald. Het tweede gedeelte schetst de liefde van Hetel, den vorst der llegelingen, voor Hilde, Hagen's dochter, en hare schaking, welke, na harden strijd, op eene verzoening uitloopt.

Het derde gedeelte bevat eigenlijk eerst de Goedroenxage, terwijl do twee voorgaande de lotgevallen van Goedroen's moeder en grootvader verhalen.

Hedel en Hilde hadden twee kinderen: Ortwin, een zoon, en een dochter, Goedroen genaamd. Deze is, ter beslechting van een om harentwille begonnen oorlog, de verloofde geworden van Herwig, koning van Seeland; een jaar later zou het huwelijk gesloten worden. Intusschen wordt de bruid door Hartmoed, den zoon van koning Lodewijk van Normandië, ontvoerd en prijs gegeven aan de booze nukken zijner moeder, in 't gedicht ..de booze duivelinquot; genoemd, welke het rampzalige koningskind tot de veraehtelijkste bezigheden vernedert. Terwijl de arme onder zooveel rampen gebukt ging, kwam een Engel, in de gedaante eener zwaan, haar do naderende verlossing aankondigen. Inderdaad kwamen, omtrent Paschen, toen zij bezig was het lijnwaad in den stroom te wasschen, haar broeder Ortwin en haar verloofde Herwig op een scheepje aan. Doch Ortwin meende, dat het niet betaamde haar te rooven, die men hem in openlijken strijd ontvoerd had. Zij vertrekken dus onverrichter zake, maar keeren spoedig met een legermacht terug

-ocr page 38-

24

nemen den burcht dei1 Normandiers stormenderhand in, verlosten Goedroen en de met haar gevangen genomen vrouwen, en keeren zegevierend naar het land der Hegelingen weder.

7. De Goedroen is aantrekkelijk door de eenvoudigheid der opvatting, door het frissche en liefelijke der schilderingen, door de innigheid der karakters; terwijl in het Nevelingenlied alles grootsch is, alles krachtig tot aan het hovenmenschelijke, alles reusachtig en verschrikkelijk, tot zelfs de vrouw, die ginds een toonbeeld van onvei breekbare liefdetrouw en zachtmoedigheid is en hier met den woesten krijgsman wedijvert in haat en wraakzucht. Merkwaardig vooral is in den Goedroen dat hooge eergevoel, dat Ortwin niet veroorlooft zijne zuster terug te nemen, hoewel hij 't met recht kon doen, maar hem aanspoort om opnieuw om haar te strijden.

8. Onder den invloed der Duitsche heldensagen, bepaaldelijk van Kuninc Ruother, werd ten onzent, tegen het einde der Xlle eeuw de roman van den Bere Wisselauwe vervaardigd. Ten minste Maerlant kende dien reeds en brandmerkt hem met de woorden: „ooc eest al loghene ende gedwas van here Wisselauwe die Snodelhede.quot; Het is een verhaal van den tocht, dien Karei, vergezeld van den verschrikkelijken here Wisselauwe en diens geleider, Geernout, in het Reuzenland deed, waar Koning Espriaen regeerde. Slechts door een lossen band is deze roman, evenals de Ruother, de F lor is ende Blancefloer en de Valentijn en Nameloos met de Frankische sagen verbonden.

9. Voor het overige kenmerkt de geest, dien de kruistochten en het ridderwezen het westelijk Europa hadden ingestort, de gedichten van dezen cyclus nog weinig. De wereldbeschouwing, die er zich in uitspreekt, werd dan ook weldra vreemd aan die door en door Christelijke samenleving; en andere toestanden, andere denkbeelden deden andere stoffen aan de hand. Doch alvorens over te gaan tot den Frankischen sagenkring, moeten wij hier bespreken en tot zijn recht brengen den oudsten vertegenwoordiger der Middel-Hoogduitsche en — Nederlandsche dichtkunst, tevens den eersten bewerker van den klassieken roman.

-ocr page 39-

25

§ 2. IJe Klassieke Romans.

Heynrijck van Veldeken.

1. Men heeft vroeger te onrechte beweerd, dat de vertaler der Enêit, die in Duitschland altijd gegolden heeft als de baanbreker der hoofsohe dichtkunst, of, gelijk Gottfried von S rasburg zich in den Tristan uitdrukt, als de „eerste tak op den boom der hoofsche Duitsche dichtkunst goënt,quot; een andere is geweest dan de schrijver der Servatius' Legende. Immers het kleine verschil in den naam, door de Duitschers als fieynrich von Veldecken opgegeven, zal wel voor niemand een bezwaar opleveren. Vervolgens, dat taal en stijl in de Enëis en den Servaes oppervlakkig beschouwd, van elkaar afwijken, begrijpt men licht, wanneer men de wijze van ontstaan der beide gedichten en de wijzigingen in een en ander door de afschrijvers aangebracht, in het Oog houdt. Eindelijk berustte de bewering dat de dichter van den Servaes een geestelijk persoon zou geweest zijn, terwijl die der Enëis blijkbaar een leek en edelman was, op geen enkelen ernstigen grond.

De XVe eeuwsche Beiersche dichter Jacob van Pütterich vermeldt reeds, dat

Sandt Servatius legenndt.

Ein Bisschof zu Masstricht,

Hat wol unnd schon bekhent

Hainrich van Veldekh bracht zu heilichem ticht.

M one had ook reeds opgemerkt, dat de abt quot;Wilhelm van St. Truiden, in 1253, eenen „heer Hendrik van Veldekequot; met een aan die abdij behoorend stuk land, bij Spalbeke gelegen, beleende, en besloot daaruit, dat de wieg van dat geslaeht dus in die streken te zoeken was. Van den anderen kant wordt er door Maerlant op gewezen, dat voor hem, een Eneis „in dietsche wortquot; was geschreven. Dat alles te zamen maakt het onbetwistbaar zeker, dat wij hier met een en denzelfden man te doen hebben.

2. Veldeken, waar Heynrijck in de eerste helft der XIIde eeuw werd geboren, lag bij Spalbeke, in de nabijheid van Hasselt, in het Belgisch gedeelte van Limburg;

-ocr page 40-

26

een kleine molen draagt er nog dien anders vergeten naam. Omstreeks 1175 — G. A. Serrure meent in 1181 — moet Heynrijck, tiaar zijn eigen woorden in de narede van de Enêit, het grootste gedeelte van dat gedicht, dat hij grootendeels »ut der Walske kêrdequot;, vervaardigd en aan de Gravin van Gleve, »diu milde und diu gütequot;, gegeven hebben «ze lesene und ze schouwenquot;. De gravin had het aan een barer jonkvrouwen ter bewaring toevertrouwd. Maar toen zij kort daarna met den landgraaf Lodewijk van Thuringen in don echt trad, werd »dass Buch ze Gleve verstolenquot; door graaf Hein-rich Raspe III (niet Heinr. van Schvvarzburg, wat verkeerd in twee handschriften staat), die het «dannen sande, ze Doringen heim ze landequot;. Negen jaar daarna kwam Veldeken zelf naar Thuringen, waar de paltsgraaf van Saksen, de broeder van den landgraaf Lodewijk, hem zijn handschrift teruggaf, »unde es in volmachen hie,squot;. Hij voltooide het op zijn laatst in 1190.

Met is meer dan waarschijnlijk, dat Heynrijck het tweede gedeelte in dezelfde taal schreef als het eerste, en dat Maerlant op dat werk zinspeelt, als hij van de Eneïde »in Dietsce wort ghedichtquot; spreekt. Maar later hebben de Hoogduitsche afschrijvers het zooveel mogelijk verdwitscht, zonder evenwel bij machte te zijn geweest om de rijmwoorden hunnen Nederlandschen vorm te ontnemen. W. Braune, die veel licht over dit onderwerp verspreid heeft, komt dan ook ruiterlijk tot het besluit dat de Eneïde »in Mastrichter dialect verfasst und in Thüringen umgeschriebenquot; werd. Juister is het wellicht, nog, met een meer algemeenen naam, dien tongval te bestempelen als den Limburgschen.

3. Gelijk Veldeken de Eneïs ten believe der Gleef-sche Gravin vrij vertaalde naar het Franaebe gedicht van Benoit de S1,3 More, zoo vervaardigde hij de Ser• v a t iu s-Lege n de, welke ons slechts in een later af-

-ocr page 41-

igt;7

schrift bewaard is gebleven, op verzoek der gravin Agnes van Loon, die kort na 1171 overleed, en van Hessel, die in de S'. Servaaskerk te Maastricht »der costerijen plachquot;.

Wel moest het Heynrijk's geboorteland zijn, dat hij zoo nauwkeurig eu met zoo blijkbare ingenomenheid beschrijft.

»ln eynen dall scoen eude Uecht,

Ellen Pilde wael ghedaen,

Daar twee water tsamen gaen,

Eyn groot en eyn cleyr.e,

Claei', schoen ende reyne:

Dats die Jeker ende die Mase.

Beide te korne ende te grase Es die stadt wale gheleghen,

Ende te schepen in voele whegen;

In visschen ende in ghewilden,

Ende in goeden ghevylden,

Der bester coren eerden.

Die ye mochte ghewerden.

De Servatiuslegende kenmerkt zich minder door zuiverheid van stijl en vorm, inzonderheid van rythmus, dan de Enêit; maar wie zegt ons welk deel de vele afschrijvers, door wier handen het werk tot ons kwam, daaraan hebben? Het «traduttore traditorequot; is hier ook van toepassing. Veldeken was immers, naar 't woord van Rudolf von E m s.

))der wise man,

Der rehter rime alrérst began

4. Ook een dertigtal minnedichten heeft hij geschreven, een bewijs te meer dat hij een leek was, en dat Gervinus dus gelijk had, toen hij beweerde, dat zoo ons de Servatiuslegende bekend werd, »wir in ihin zuerst die Legende aus den Handen der geistlichen Dichter in die der ritterlichen Bearbeiter übergehen sehen würdenquot;.

5. Jonckbloet schrijft het merkwaardig verschijnsel, dat de Nederlandsche taal zich in zeer vroege tijden, meer dan in eenig ander gewest, in Limburg toe schrijftaal kon ontwikkelen, aan de voor ontwikkeling en beschaving zeer gunstige ligging toe, en wijst daarbij op

Des steyt die stat te maten Aen eynre ghemeynre slraten Van Inghelant in Ongheren;

Voer Colne ên voer Tongheren : Ende alsoe dies ghelijck. Van Sassen in Vrancrijck,

Ende mit scepe die des pleghen, Te Denemercken ën te Norvveghen. Die weghe versamenen sich ail dae. Des is die stadt daer nae Gheheiten Traieclum Daer sande God Servacium.'quot;

-ocr page 42-

28

de verschillende land- en waterwegen, waarvan Maastricht, blijkens het bovenstaande citaat van Veldeken, het middelpunt was. Ons schijnen de vroegere verspreiding van het christendom in deze streken, het vestigen van regelmatige bisdommen en daarbij behoorende scholen en de nabijheid van het koninklijk hof van Karei den Groote te Aken veel meer tot die beschaving te hebben bijgedragen dan het «handelsverkeerquot; en de vestiging van een «munthuisquot;, dingen, die meer het karakter van gevolg dan van oorzaak hebben.

Gelijk Maerlant de Eneis van Veldeken gekend heeft, zoo kende hij ook Segher Dieregotgaf of Diegotgaf of Dengotgaf. Deze, waarschijnlijk een priester, voegde bij al wat Maerlant in zijne bronnen vond, bij Benoit namelijk, Virgilius en Homerus, „den grooten clercquot;, als eene inleiding, het Proijeel of Prieel van Trotjen, dat door Maerlant werd gevolgd of overgenomen. Daar deze het om het midden der XIIIao eeuw als „langhen tijt gedichtquot; aanhaalt, zal het wel omstreeks 1200 vervaardigd zijn. Segher schreef ook Paerlement van Troyen, waarin Hector en Achilles elkaar tot een tweegevecht uitdagen en waarin verder één der strijden om de stad wordt verhaald.

De twee andere Klassieke Romans, die wij nog bezitten zijn Maerlant's Historie van Troy en en Alexander's Yesten, die wij in het hoofdstuk aan den grooten Vlaming gewijd, behandelen.

§ 3. De Frankische Romans.

I. In het reeds doorloopen tijdvak onzer letteren deed zich, in den geest zoowel als in den vorm, de gemeenschappelijke oorsprong van Opper-en Nederduitscher. het innig verband tusschen de voortbrengselen beider'talen in hare verschillende dialekten, duidelijk gelden. Thans wordt die overeenstemming verbroken, en sedert de kruistochten, wordt Frankrijks invloed op onze letterkunde overwegend. Geen der Nederlandsch sprekende landen

-ocr page 43-

20

hield het met de Duitsche Keizers in hunne droevige twisten met de pauselijke macht; adel en volk, in Zuid-Nederland vooral, ontvlamden in gelijke geestdrift, als de Fransclien, voor de kruistochten.

2. Karei de Groote was ook een Nederlandsche held; en al zijn de geschreven liederen, die hem in Dietsche tale verheerlijken, op een of ander na, verloren gegaan, 'tis toch zeker dat hij ook hiei bezongen werd, en dat de gedichten, waarin hij een rol speelt, uit den vreemde verjongd, hier later weer met graagte opgenomen wei den.

3. De Frankische romans beantwoordden aan de eerste gemoedsstemming, die de vrucht der kruistochten was, namelijk de gehechtheid aan den Ghristelijken godsdienst en de bewondering van hen, die, om dezen godsdienst tegen de ongeloovigen te verdedigen, het zwaard aangordden.

De maatschappelijke toestand, aldaar geschetst, is eenvoudiger, minder gekunsteld en verfijnd dan die, welke aan de Britsche romans ten grondslag ligt. Qm deze dubbele reden moet men de eerste beschouwen ;ds vroeger bewerkt dan de laatste, hoewel dezer held, koning Arthur, aan een ouder tijdperk der geschiedenis doet denken.

4. Men meene echter idet, dal deze twee sagenkringen elkander chronologisch hebben opgevolgd, zoodat de eene eerst zou opgekomen zijn nadat des anderen bloeitijd voorbij was: neen, beide die uitingen onzer middeleeuw-sche beschaving hadden gelijktijdig plaats, en geen van beide cyclussen, al vormen zij, elk op zich zelf, een zeker geheel, verscheen als zoodanig in de werkelijkheid. Wij moeten nochtans, om der methodieke orde geen afbreuk te doen, den eenen na den anderen behandelen.

5. Door Frankische Romans verstaan wij niet slechts diegene, welke uitsluitend of hoofdzakelijk Karei den Groote en zijn geslacht bezingen, maar ook zulke, welker inhoud aan het Merovingische tijdperk ontleend is. Van dien

-ocr page 44-

30

aard is de Floovant, die, hoewel mei sommige Karolingische overleveringen opgesmukt, toch naar een Merovin-gischen geschiedgrond wijst. Van de Nederlandsche bewerking, die te Kleef werd gevonden, bezitten wij slechts twee fragmenten, te zamen 639 verzen; maar de stof is anders, zoowel in 't Italiaansch en het Oud-Noorsch als in het Frausch, behandeld.

De voornaamste Frankische romans, die, blijkens de overgeblevene stukken en de aanhalingen van Maerlant en zijne tijdgenooten, in Nederland gelezen werden, zijn : het Roelantslied, Caerl ende Elegast, O gier van Ardennen, Gwidekijn van Sassen, Willem van Oringhen, de Roman der Lorreinen, de Vier Heemskinderen ot Renout van Montelbaen, Ma lag ijs, Aiol en Geraert van Viane. Wij kunnen, om het bestek van dit werk niet te overschrijden, slechts kort van de meeste dier dichtwerken gewagen.

0. Het Roelantslied of de Roncevaller slag verhaalt de bekende episode uit Karei des Grooten oorlogen tegen de Saracenen in Spanje, waar R.oelant en Olivier door verraad omkomen en door den keizer, op RoelanI's geweldig hoorngeblaas toegesneld, gewroken worden. Wij bezitten slechts eenige fragmenten van eene Nederlandsche vertaling, te zamen een groote duizend verzen, waarschijnlijk door een geestelijke, kort voor Maerlant's tijd, dus om de helft der XIIlde eeuw, vervaardigd, benevens een volksboek uit de lGe eeuw, half proza, half poëzie

7. Caerl en Elegast, de eenige Frankische roman, die ons in zijn geheel bewaard is, is geen oorspronkelijk Nederlandsch gedicht, daar men er sporen van vindt in de Romaansche letterkunde. De overlevering, die er de

O-

grondstof van uitmaakt, is van de oudste, die zich aan de herinnering van Karei den Groote verbinden.

De ruwe, eenvoudige zeden, hier geschilderd, de verouderde uitdrukkingen, het overblijfsel van alliteratie, en de bijzonderheid, dat het verhaalde verondersteld wordt

-ocr page 45-

31

bij velen nog in levendig aandenken te zijn, dat alles wijst op een hoogen ouderdom, hoogstwaarschijnlijk op de laatste helft der XII'10 eeuw. De oudste handschriften zijn echter eerst van de XlYde. Voor zooverre men naar XVd0-eeuwsche drukken kan oordeelen, is dit gedicht in Brabant ontstaan.

Ziehier de inhoud er van.

Karei de Groote bevond zich op zijn kasteel te Ingel-heirn, aan den Rijn. Mij zou daar hofdag houden. Des nachts te voren wekt hem een Engel, dien hij eerst voor een boozen ^eest aanziet, en die hem beveelt zich te wapenen en uit stelen te gaan. De verbaasde vorst gehoorzaamt en vaart op avontuur in't woud. Weldra ontmoet en bestrijdt hij eenen ridder,

«met wapenen swart als colen;

swart was helm ende scilt,

die hi aen den hals hilt;

sinen halsberch mocht men loven;

swart was den wapen roe daer boven;

swart was dors, daer hi op satquot;.

De ridder is Elegast, een vroeger door Karei, te onrechte, zooals hem weldra blijkt, vogelvrij verklaarde. Alhoewel Elegast, die den vorst niet herkende, spoedig bemerkte, dat zijn nieuwe tochtgenoot van stelen niet het minste begrip had, stelt hij hem toch voor, op het kasteel van Eggerik van Eggerwoude, 's konings zwager, af te gaan. Elegast, in geheime kunsten ervaren, sluipt het kasteel binnen en verneemt, uit een gesprek tusschen Eggerik en zijne echtgenoote, Karel's zuster, dat er eene samenzwering tegen het leven van den vorst gesmeed is. Toen Karei dit van den wedergekeerden Klegast vernam, begreep hij waarom hij, op Gods bevel, die ongewone rol had moeten spelen. Den volgenden dag woi'den de samen-gezworenen, naar gelang zij aan het hof verschijnen, gevangen genomen en door de onder hunne kleederen verborgen wapenen van hun kwaad opzet overtuigd-

-ocr page 46-

32

Eggerik loochent echter alles, totdat Elegasl, die den tweestrijd tegen hem opneemt, hem velt en van zijne misdaad overtuigt. De verraders werden aan de galg gehangen, en de koning gaf aan Elegast Eggerik's weduwe ten huwelijk.

Men begrijpt, dat de ontnuchterde school van Maerlaut, bij monde van den schrijver des Lekenspiegels, Jan Boendale, ten aanzien van dit gedicht kon zeggen:

»Men leest dat Caerle voer stelen;

ic seggu dat, sonder helen;

Dat Caerle noit en stal.quot;

9. liet Brabantsche Ardennnenland is de bakermat van verschillende helden der Karelromans. De voornaamste onder hen is zeker de Nederlaudsche Achilles, Of/ier van Ardennen, een historisch persoon, die van 749 tot 820 leefde, zich onder Karei den Groote met krijgsmansroem overdekte en, evenals de hierna besproken Oranjeheid, zijn leven in geur van heiligheid eindigde in 't klooster St.-Faron bij Meaux. Eeeds in 't midden der Xlde eeuw leefden er in Opper-Duitschland liederen te zijner eer in den mond des volks, en de uitgever van de Fran-sche bewerking der XUId® eeuw, de geleerde J. Barrois, vermoedt dat deze op Oud-Duitsche of liever Oud-Nederlandsche zangen berust. De acht kleine fragmenten, gezamenlijk slechts 187 verzen uitmakende, die ons van de Nederlandsche, naar de Fransche bewerking weder verjongde, vertaling overblijven, be-hooren waarschijnlijk tot de XIVde eeuw.

Dit waarlijk grootsche epos schildert, evenals de Ilias, de gevolgen van den toorn zijns helds. Ogier, wiens zoon Boude-wijn door Karel's zoon Charloot gedood werd, is hierover zoo verbitterd, dat hij alle verzoening weigert; en het kost den koning duizenden heldenlevens, eer de onbuigzame, en dan nog door een wonder bekeerde, krijgsman er in toestemt, weder het zwaard voor zijnen vorst aan te gorden.

19. Gwidekijn van Sassen is de naam, dien men gegeven heeft aan een fragment van 199 verzen, in welke, zoo 't schijnt, de vermeestering der stad Dortmund bezongen wordt. Het gedicht, waartoe die verzen behooren, is verloren geraakt, doch schijnt

-ocr page 47-

33

eene vertaling te zijn geweest van eenen verloren Fransohen roman, die waarschijnlijk ook de bron was van de „Chanson des Saisnes, door Jean Bodel van Arras, in 't begin der Xlirlt;le eeuw, te boek gesteld.

11. In den Willem van Orinyhen ontmoeten wij liet eerste door een Hollandsch edelman samengestelde werk, dat, volgens Maerlant,

«Uten Walsce vau Haerlem Clais veren Brechten sone dichte.quot;

Willem, hertog van Aquitanië, die in 793 de Saracenen versloeg, en in 812 als monnik te Gel lone in geur van heiligheid overleed, werd reeds vóór de Xl(l0 eeuw in Latijnsche gedichten bezongen. Een Xorrrandisch ridder Willem, bijgenaamd Fierebrace (met den ijzeren arm), verdreef in de Xlde Eeuw de Saracenen uit het graafschap Apulië. Hij verloor bij die gelegenheid, in een tweegevecht, een deel van zijn neus en werd daarnaar „conté Guillaume nu cort nésquot;1 genoemd, wat, door een soort van „calem-bourquot;, van een hoorn (au cornet) verstaan werd en den prinsen van Oranje aanleiding gaf, dien in hun wapen te voeren. De feiten, door deze beide Willemen volbracht, werden ten slotte op den naam van den Xirle-eeuwschen graaf Willem van Oranje overgebracht. Maerlant had dus, van zijn burgerlijk realistisch standpunt, wel gelijk, toen hij opkwam tegen

«Some walsce boeken,

die waert sijn groter vloeke,

die van Willem van Oringhen,

grote loghene vortbringhen

ende wilne beter dan Karle maken.quot;

De schrijver der, ons slechts door twee kleine fragmenten bekende, Xederlandsche bewerking: „Klaas van Haarlem, zoon van ver (vrouw) Brechte,quot; kan geleefd hebben ten tijde van den Hollandschen graaf Willem I, die reeds als jongeling, in 1190, naar 't Heilig Land trok (op welken tocht hem juist vele Haarlemmers vergezelden) en later in Spanje de Saracenen bestreed. Hij zou dan in de eerste jaren der XIirle eeuw geschreven hebben; maar wij weten dienaangaande niets zekers.

12. De roman der Lorreinen bevat nog overleveringen uit den tijd der hofmeiers, namelijk den strijd van het Nederlandsche stamhuis der Pepijnen tegen het Merovingische Frankengeslacht

3

-ocr page 48-

34

dat zij verdrongen. De ruwere zeden, die er in geschetst worden — het weinig edele karakter der ridders, het gebrek aan eerbied voor de vrouw, de koelbloedige wreedheid, enz. — leveren het klaarste bewijs, dat dit werk tot de oudste van zijne soort moet gerekend worden. Het Fransche gedicht, dat in de eerste helft der XH'6 eeuw thuis hoort, bevat drie afdee-lingen. Van ieder is ons iets, van het tweede deel het meest, in eene Nederlandsehe vertaling van 't begin der XIIIde bewaard gebleven.

In het tweede fragment heet het dan ook:

»Ic wille vort bescriven van desen boeke dander pertie derre boeke es altemale drie.quot;

Ziehier een staaltje van taal en bewerking:

Ritsart verdedigt, in een godsgericht, de eer van zijn geslacht, tegen Pijroet en Berengier.

»Doe dede bi (Karei) gebieden daer Dat die kimpen souden striden. Doe saten si op in beiden siden.

Rytsart heeft Fyauwe bescreden, Dat stare was van dappren leden. Dies hi was blide in sinen sin, Ends lieter mede lopen in. Teersten was geport Pyroet Met enen spare stare ende groet, Daer na porde Berengier Mede als een ridder fier.

Maer op Fiauwe quatn Ritsart Ende heeft ontmoet ter ierster vart Pyrote, diene sere stac Op den scilt. En ware dat brac Dat spere, hi ware gevallen neder. Maer Ritsart geraecten weder. Op den bokel van den scilde. Weder hi wilde ocht en wilde Hi voerden hem af altemale, Dat Gelloene niet bequam wale.

Maer also alse Ritsart leet Heeftone ontmoet, Godweet,

Op den scilt Berengier.

Sijn sperc brac. Die grave tier En ware leden daer mede, En ware dat daer ter stede Ritsart sijn spere op hem brachte, Ende mede Fyau quam met crachte, Ende stac man ende ors ter neder. Ritsart toech syn spere weder

Ende waenden neglen in die erde, Maer hi meste, dat hem derde. Doch stacki hem te dien tide Ene grote wonde in sine side, Die bloede utermaten sere.

Doch vercoeverde ors ende here.

Ende Pyroet quam toe;

Sijn spere vertoech Ritsart doe Ende hevet gerecht op Pyrote.

Ende quam op hem met selken stote, Dat ors ende man beide Neder vielen in die weide.

Dies herde droeve was Pyroet. Ende Ritsart, die stoute genoet, Es comen ane Berengiere, Si gingen hem onderhouwen sclera Rechte alse twea lyoene.

Si ware beide stout ende cosne; Want sere wel stect Berengier ; Hets recht, het was een starc gier, Ende sloeg menegen groten slach Op Ritsarde, die hom wel vermach Ende hem crachtelika werde,

Ende recht als een leu geberde. Hi sloech Berengiere, weet wale. Op den helm van brunen stale, Dat cirkel, bloeme ende stene Vielen in dat plein gemene.

Weet oec wel dat Berengier Hem werde als een ridder fier. Ende hier en binnen es Peyroet


-ocr page 49-

35

Weder op zijn ors groet Geseten met gewilt,

Ende heeft verhangen sinen scilt, Ende quam op Ritsarde mede, Die hem sere ter were dede.

Ende ontfincse beide wel,

Want en scheen hem geen spel. Hi sloech so over groote slage, Afachi, hi sal in dien dage Opdat hijt toe gebringen can,

Sinen vader goeden man Maken ende wreken Reinoude Dathi gerne doen soude Opdat hijt vulbrengen mochte. Ic segge u dat hise sochte Met starken slagen ende groet, Maer weet dattene Pyroet Weder sloech als ridder fier:

50 dede oec her Berengier,

51 sloegen hem te clenen spanen Den scilt, dathi in der banen Viel; en tie helm met stucken. Het moeste emmer Ritsarde gelucken Soude hi hem verweren mogen Jegen beide die hertogen.

Dies hi hem sere pijnde nochtan; Want hi dicken ors ende man Tenen slage sloech ter neder,

Ende alshi hem toe waende weder So was dander in die were;

Want si twee es eens mans here.

Doe streden si ene goede wile Dat een man wel ene mile Hadde met gemake gegaan.

Soudic ii dat onderslaen Vertrecken ende dat onderhonwen, Het ware mi, bi mire trouwen, Te vertelne al te lanc.

Hare halsberge worden cranc Ende hare helme ende scilde.

Weet oec wel dat harde milde Van sinen slagen was Ritsart. Wat hi binnen slage bevart Sloechi ave met gewout,

Waest slael, yser ofte hout.

Ende banderside Pyroet Sloech menegen slach swaer ende

groet:

So dede mede Berengier,

Maer weet wale dat tachter hier Hadde die stoute Ritsart:

En dade Fyau dat goede part.

Datse altenen dorbrac,

Ritsart hads gehad ongemac.

Groet was die strijt van desen heren. Pyroets varen ende keren Op Ritsarde dat was 'swaer.

Sijn swaert heefti verheven daei Ende sloecht hem op den helm

van stale. Ene side sloechijs altemale Af, dat si viel in tgra.5.

Die slach oec so groet was. Dat dors scampelde in sine side Ende maecte ene wonde wide In den halsberch, entie snede Maectem ene wonde mede.

Doe so seide die stoute Pyroet: «Twaren, Ritsart, mijns Vaders doet Seldi swaerlijc becopen Magie u noch eens dus nopen.quot;

Ritsart seide: «Dit wert geproeft. Ie hope u noch meer hulpen hoeft Dan ic hier in u hulpe weet Seldi mi doen enech leet.quot;

Berengier seide: «Hiers hulpen genoech.quot; Sijn swert hi doen verdroech,

Ende waende Ritsarde te dier stonde Nopen in die selve wonde, Die hem geslegen hadde Pyroet. Maer het werde den slach groet Die stoute hertoge Ritsart Ende ontsloech hem daer sijn swart Metten sinen, dat henen vloech, Ende mede sijn elleboge boech. Toe so scoot hem Ritsart weder Ende sloechen van den orsse neder. Tswaert vertoechi noch ter ure Ende stac hem den lichame dure.

Ter neder viel Berengier. Al washi te voren fier.

Hi es nu gemaet een deel.

Hets aventure, werd hem heel Sine wonde in .LX. dagen. Dit wanhagde sinen magen.

Want hi liggende bleef al stille Daer sere te sinen onwille.

Ende Ritsart, die niet en helt Stille, hi es met gewelt Vreseleec comen op Pyrote.

Daer streden die genote Vromelike, sijt seker des.

Gelijc een die ontsinnet es


-ocr page 50-

36

Geliet hem die stoute Ritsart, Dien hi vriendelike bat,

Ende dede verre achterwart Dathi den camp op name

Pyrote den ridder coene, Ende holpe dat te payse quame

Dat harde sere verwies Gelloene. Om sinen dienst ewelike.quot;

Ende quam ten keyser op die stat,

13. Een uitvloeisel van den strijd, der machtige leenmannen tegen de Karolingers is de Aiol. Wij bezitten er iu het Neder-landseh 219, door Dr. F. Deycks, uit Munster, en 55, door Prof. Borraans uitgegeven, verzen van, terwijl de onuitgegeven Fransche „chanson de gestequot;, het origineel, er niet minder dan 11000 telt. Voor eenigen tijd heeft Prof. J. Verdam, buiten vijf nieuwe fragmenten van de eerste, nog 1200 verzen van een geheel andere bewerking dan de reeds bekende in het licht gegeven. De Nederlandsche fragmenten der eerste bewerking zijn in het Liraburgsch dialekt opgesteld, tamelijk breedsprakig en meer eene .omschrijving dan eene vertaling. Die van Prof. Verdam is gewoon Middelnederlandsch.

14. Veel overeenkomst met Oi/ier hebben de vier Heemskinderen, die wakkere zonen van Haijmijn van Dardaniën, d. i. d'Ardane, van Ardennen. Geen verhaal wekte ooit meer sympathie in de Nederlanden dan dit, niet slechts toen het, zooals J. A. Alberdingk Thijm zegt, in den mond lag van dichters, wien de harp in handen blonk, al dekte de hertogshoed of gravenwrong hun kruin; neen, ook toen de Heemskinderen, als kermisgasten, in roorle en gele lompen gekleed, bij het orgel van een 'straatmuzikant, hun armen Beyart kunsten moesten afdwingen. Het gedicht, al stamt de sage reeds uit de Xde eeuw, werd eerst in de XIIIcle eeuw in het Fransch, door Hu on de Villeneuve, naar het volksverhaal bewerkt; maar „de individuenquot;, zoo merkt terecht Alberdingk Thijm aan, „die in de Middeleeuwen dichtwerken samenstelden, waren slechts de buizen, waardoor zich de stroom der traditie, algemeen volksgoed, van tijd tot tijd in meer geregelden loop ontlasttequot;, en dat beneemt dan ook voor ons niets van zijne nationale waarde. De Nederlandsche fragmenten, slechts 2007 verzen, die het Fransch volgen, behooren tot het tijdstip van 1240—1250, daar Maerlant herhaaldelijk van de „Heemskinderen''' gewaagt en Heelu er toespelingen op maakt.

15. De Malagijs of Madelcjhijs verhaalt de lotgevallen van

-ocr page 51-

37

den beroemden necromant of toovenaar van dien naam, die, als oudoom en beschermer van Reinout, den oudsten der vier broeders, reeds eene belangrijke rol in de Heemskinderen speelt. Een viertal fragmenten zijn ons van de Xederlandsche vertaling des Franschen, mede aan H u o n toegeschreven, romans bewaard gebleven. Ook deze vertaling wijst op de XIII'16 eeuw, zoowel om de vele bastaardwoorden, waarmede zij vervuld is, als om de bijzonderheid, dat er van een gezongen vstampye'' gesproken wordt; en nu leest men in de Brabantsche „Yeestenquot;, op het jaar 1312:

»in desen tijd sterf menscelijk die goede vedelare Lodewijc:

van Vaelbeke in Brabant, alsoe was hl gênant;

hi was deersten die vant van stampien die maniere die men noch hoert antieien.quot;


16. Van de Nederlandsche vertaling van Girars de Viane bezitten wij slechts twee fragmenten, uitgegeven door Bilderdijk die te onrechte meende dat ze behoorden tot eene vertaling van den Garijn van Montylane, ook al verkeerdelijk door Bilderdijk Garijn van Montglavië genoemd.

Garijn was de overgrootvader van Willem van Oringhen, op wien de Fransche „jongleursquot; weldra den roem zijns achterkleinzoons overbrachten.

De Fransche dichter, Bertrand de Bar-sur-Aube genoemd, behoort misschien tot de Xlld®, doch waarschijnlijker tot de Xmde eeuw.

17. Van minder belangrijke Frankische liederen als Lohier ende Malart, Auhry den Borgewjoen {Bourgondiër), Valentijn en Nameloos, later als volksboekje, onder den titel van Valentijn en Ourson, nog lang populair, Hugo van Bordeeus [Bordeaux), die de stol voor quot;VVieland's Oberon leverde, noemen wij slechts de namen, om thans over te gaan tot

§ 4. De Britsche Romass.

i. In de Vde eeuw liad de Keltische bevolking van het tegenwoordige Engeland een langdurigen en harden strijd te bestaan tegen de Angelen, de Saksen en de Friezen. De zeeschuimers zegevierden over de Britsche

-ocr page 52-

38

bevolking, welke, voor een gedeelte, in het landschap Wallis teruggedrongen werd, voor een gedeelte ook naar het Fransche Armorica overstak, en met de inboorlingen vermengd, aan dat land den naam van Klein-Bretanje gaf. Onder de Britten, die zich in dien vaderlandschen strijd onderscheidden, muntte zekere Artur uit, dien de geschiedenis pas in de IXde eeuw noemt, maar op wien de volksverbeelding later, met het koningschap, den roem van vele anderen overdroeg.

2. Hadden de barden o. a. ïaliesin reeds van de zesde tot de tiende eeuw de roemrijke wapenfeiten der Britsche helden in hunne romantischen liederen bezongen, een tijd van nieuwen letterkundigen bloei brak aan voor Wallis, toen. met Willem den Veroveraar, (slag van Hastings 1066) tal van Bretons het Kanaal overstaken, om hunne stamgenooten van het gehate juk der Angelsaksische onderdrukkers te bevrijden.

De Normandisehe koning en adel, die waarschijnlijk de aantrekkelijke, half historische, half mythologische liederen en volksverhalen hunner Fransche naburen kenden, toonden terstond levendige belangstelling in de geschiedenis en de rijke literatuur der oude Britsche bevolking.

Geleerden, als Willem van Malmesbury en Giraldus Cam-brensis, mochten aanvankelijk die overleveringen als kinderachtige fabelen verachten, des te gunstiger onthaal vonden zij bij de edelen, ivoor wie het geheimzinnige, wonderbaarlijke en stout fantastische dier oude Keltische sagen eene ongemeene aantrekkelijkheid bezat.

Op verzoek van Robert van Glocester, zoon van Hendrik I, stelde de aartsdiaken Godfried van Monmouth omstreeks 11-15 zijne Historia reyum Brittanniae op, welke zoogenaamde geschiedenis, volgens uitdrukkelijke verklaring des schrijvers, slechts eene vertaling zou zijn van een oud Armoricaansch werk, hem door Walter van Oxford uit Bretagne meegebracht.

In de statige Romeinsche toga gehuld deden deze sagen hare intrede in de wereld der geleerden en werden door velen o. a, Maerlant voor vertrouwbare geschiedverhalen gehouden.

Aldra was ook de ridderschap van het vasteland in de ge-

-ocr page 53-

39

legenheid de wonderlijke avonturen der Britsehe helden te bewonderen, daar nog in de XniJe eeuw, op zijn minst vier Fransche bewerkingen in verzen het licht zagen. Een dezer vertolkers, Robert Ware ( i i 75), een geestelijke, gewaagt voor het eerst vau de Tafelronde.

Gaston Paris en John Rhijs, hoewel den verbazenden opgang van Godfrieds werk erkennende, zijn nochtans van gevoelen, dat de meeste Britsehe romans tot grondslag hebben de kleine, romantische verhalen (lais) der Wallische zangers, wier optreden aan de hoven vun Engeland en Frankrijk wij omstreeks dezen tijd herhaaldelijk vermeld vinden.

De bekende Marie de France heeft in de XJIde eeuw een vijftiental dezer lais vertolkt.

Onder de Fransche tronvères, die de Britsehe stof in hunne romans verwerkten, is geen zoo beroemd als Chrétien de Troijes, die behalve verschillende andere romans, Perceval li contes del Graal omstreeks 1180 opstelde, naar een handschrift hem door den Vlaamschen graaf Philips van den Flzas, bij diens terugkeer uit Engeland, verstrekt. De onregelmatigheden en leemten in dit werk, alsmede de gebrekkige samenhang wettigen de veronderstelling, dat Chrétien verschillende lais van zijn origineel tot één geheel vereenigd heeft.

In dezen roman maakt hij gewag von een geheimzin-nigen schotel (graal), welken Perceval in een kasteel aantrof, doch die op eene onverklaarbare wijze verdween. In de lange vervolgen, die verschillende jongleurs aan den onvoltooiden roman van Chrétien vastknoopten, wordt verhaald, hoe Perceval alleravontuurlijkste tochten onderneemt om dien graal weder op te sporen.

De vraag blijve hier onbeslist of de graal uit heidensch-Keltische mythen, dan wel uit Christelijke legenden ontstaan is. Chrétien had den aard van den wonderbaren schotel niet nader aangeduid; zijne navolgers echter en andere bewerkers der sage o. a. de Borron en Wolfram

-ocr page 54-

40

van Eschenbach huldigen uitsluitend de Christelijke opvatting.

3. Toeu de Heiland, zoo luidt de legende, het laatste Avondmaal met zijne leerlingen gebruikte, bediende Hij zich van een schotel of beker, om daarin het brood te breken. Jozef van Arimathea gebruikte dienzelfden beker, om er, bij Jezus' kruisiging, het H. Bloed in op te vangen. ')

Toen de Apostel Philippus naar Gallië reisde, om er het Evangelie te verkondigen, vaardigde hij iusgelyks naar Engeland af zijn medewerker. Jozef van Arimathea, die den kostbaren schotel met zich voerde en weldra eene geestelijke orde instelde, waarbij de deelgenooten ten getale van twaalf, om eene ronde tafel gezeten waren. Op de tafel stond de heilige beker, maar wèl bedekt voor onwaardige oogen. Zij die bet voorrecht genoten aan die tafel te zitten, werden niet alleen dooi' de kracht van het heiligdom verzadigd, maar zagen ook al hunne wenschen vervuld en waren bestemd om eens eeuwig gelukkig te zijn in Gods aanschouwing. Eéne plaats echter bleef altijd ledig, de plaats van Judas namelijk, welke ook door niemand anders kon ingenomen worden, dan door een nakomeling uit Jozef s geslacht, met name Gralaiid, die den Graal won. De roekeloozen, die het waagden „dat vreeselijk sittenquot; in te nemen, werden door de opensplijtende aarde verzwolgen. Toen Bretanje den Christelijken godsdienst had aangenomen, wekte dit verhaal aldaar een zoo hoogen eerbied, dat koning Artur, op aanraden van den toove-naar Merlijn, besloot, de uitgelezendste helden zijns rijks in eene nieuwe, naar het model der door Jozef ingestelde orde, de ridderorde der Tafelronde, te vergaderen. Alles werd dan ook naar behooren geregeld; maar helaas! de graalbeker zelf ontbrak;

') Vandaar de naam, meende men vroeger, van sang-real, saintgraal, H. Graal. Beter echter leidt men dien af van het Romaansche woord gréal, r/rodnle, dat schotel beteekent. In I IOI, tijdens de inneming der stad Ctesarea, vond men aldaar eene kostbare schaal, uit een enkelen smaragd vervaardigd, die den Genueezen ten deel viel en door hen naaide San-Lorenzo, de hoofdkerk hunner stad, werd overgebracht, alwaar zij tot op den huidigen dag, onder den naam van il sacro catino. gehouden wordt voor den schotel van het laatste Avondmaal, waarin het bloed des stervenden Zaligmakers zou opgevangen zijn.

-ocr page 55-

41

het huiveringwekkende heiligdom was om de zonden van het Britsche volk zoek geraakt. Die beker uu moest opgespoord worden, en dit werd de taak van de ridders der Tafelronde, die als nieuwe Argonauten, eene reeks van avontuurlijke tochten met dat heilig doel ondernamen ').

4. De beroemdste Britsche romans werden reeds vroeg door Vlaamsche en lirabantsche dichters, op verzoek of ten believe van onze adellijke Heeren en Jonkvrouwen, uit het Fransch vertolkt.

Zoo dichtte Maeilant, tijdens zijn overblijf aan het hof van den Hollandschen edelman Alabracht van Voorne omstreeks 1260, de Historie van den Grale en Merlijns boeck naar het Fransche werk van Robert de Borron, waarin de geschiedenis van den Graal, de wonderbare geboorte en het leven van den profeet en toovenaar Merlijn en eindelijk de kroning van Artur verhaald worden.

Als vervolg op beide, voegde Lodewijk van Velthem in 1326 hieraan toe Kojiing Artur's boek, eveneens de vertaling van een Fransch prozawerk, waarvan de vervaardiger onbekend is. Breedvoerig werden de heldendaden van Artur verhaald en het leven van 's konings raadsman en helper in gevaren, Merlijn, die ten slotte moet zwichten voor de tooverkunsten der fee Viviane, die hij zelf daarin onderwezen had.

In een reusachtig handschrift van de Koninklijke Bibliotheek te 's Hage zijn ons verschillende romans bewaard, door Lodewijk van Velthem vertaald of bijeen-

') Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat de uitmuntende Hoogduitsc.he dichter Wolfram von Eschenbach, die de graal-legende in zijn Pai-zival bewerkte, bet ideaal eener Christelijke ridderorde, wellicht de Tempelheeren, die destijds ontstaan zijn, heeft willen schilderen. De H. Burcht, dien zij te beschermen hebben, en die beschreven wordt als geheel in Gotischen stijl, doch met een cirkelvormig grondplan te zijn opgetrokken, zal dan wel niets anders dan de Kerk beduiden, in welke de H. Graal zelf, die wonderbare steen, als een symbool der H. Eucharistie, bewaard wordt.

-ocr page 56-

42

gebracht, namelijk de Lancelot, de Graalqueste en Artur's dood met de ingelaschte stukken; De Roman van Per-chevael, Die Wrake van Ragisel, Walewein ende Keye, De Roman van den Ridder metter mouwen, De Roman van Moriaen en De Roman van Torec van Maerlant, maar verminkt, onsamenhangend en smakeloos. Verder bezitten wij de romans van Walewein en van Ferguut.

5. De Lancelot met de twee vervolgen, de yraalqueste en Artur's dood, geeft ons, naar het Normandische proza van Wouter Map(?), een ten koste der eenheid zeer uitgebreid verhaal van de lotgevallen des ridders van dien naam, in het bijzonder zijne betrekking tot koning Artur's gemalin Ginevra. Al munt Lancelot in alle ridderlijke deugden uit, al vergoedt hij later eenigszins zijne zondige zwakheid, hij mag er toch niet in slagen, het heiligste avontuur, de opsporing van den graal, te volbrengen.

Slechts drie der vier deelen van het Fransch werk zijn ons in deze vertaling bewaard gebleven; van het eerste boek bezitten wij slechts eene groote 400 verzen.

6. Walewein en Ketje verhaalt de zwerftochten en heldendaden door denzelfden Walewein ondernomen, nadat de ijverzuchtige Keye hem van ijdele grootspraak heeft beticht. De lasteraar komt er dan ook met schande at.

7. De Moriaen staat verre beneden den Walewein, in dieh-terlijke waarde, al is de taal zuiver, de stijl klaar en natuurlijk-Het schijnt geene vertaling te zijn. Het overgebleven gedeelte der Nederlandsche vertaling van Percheeael, naar het Fransch van Chrestien deïroyes dat, evenals de voorgaande roman en de Torec, de Ridder metter mouwen, ook een grootendeels oorspronkelijk Dietsch werk, en de Wrake van Bagisel, in den Lancelot geïnterpoleerd is, moet weinig vóór Maerlant's tijd vervaardigd zijn. Perchevael is aanvankelijk een ruw natuurkind, dat, na velerlei woeste daden, aan Artur's hof beschaafd en tot een waar Christelijk ridder hervormd wordt. Ja, hij brengt het tot zoo hooge volmaaktheid, dat hij den H. Graal in zijn bezit krijgt en houdt tot aan zijn dood.

8. Veel volmaakter dan het voorgaande, ja, door een.

-ocr page 57-

43

heid van verhaal, door steeds klimmende belangwekking, door levendigheid en schilderachtigheid van voorstelling^ een meesterstuk in zijn soort, is de Walewein. Toen koning Artur te Kaerlioen een luisterrijken hofdag hield, kwam er een kostbaar schaakbord, op wondere wijze, door 't venster zweven, en verdween weer terstond. De Koning, begrijpende dat dit schaakbord buitengewone eigenschappen moest hebben, drukt zijn verlangen uit, het te bezitten; maar niemand der ridders durft de nasporing op zich nemen, totdat Walewein, de zoon van 's konings zuster, zich daartoe bereid verklaart. De tochten des jeugdigen helds, die de ondernomen taak gelukkig volbrengt, maken het verdere gedicht uit.

Van een Fransch gedicht over Walewein zijn nauwelijks enkele citaten bekend. Het is dus mogelijk, dat Pennine's bewering, als schreef hij een oorspronkelijk werk, waarheid bevat, Misschien moet men dat zoo verslaan, dat hij wel kleinere, losse verhalen over Walewein volgde, maar geen geheelen roman. De Walewein, die ruim 11000 verzen be\at, is voor het eerste, tevens het grootste en beste, gedeelte, door P e n n i n c, voor het tweede, uit 3300 verzen bestaande, door Pi eter Vostaert vervaardigd. Het eenige handschrift van dezen roman is van omstreeks het jaar 1350; maar de bewerking zelve is meer dan een eeuw ouder.

Als een model van beschrijvende dichtkunst, deelen wij hier uit den Walewein de plaats mede, waar een be. roofde ridder op een armzalig paard gebeten, naar Artur's hof rijdt, dat hij vreest niet te zullen bereiken.

Doe clochte. hem dat hicomensach Enen cnape van sconen leden Up een arm paert gheredon: Het was magher ende manc.

Sijn haer toke ende lanc,

Neder hinghen hem die oren, Het houtte bachten ende voren, Sine oghen liepen hem uten hovede.

Hine levet niet, dies ghelovede Hoe dat paert was ghedaen.

liet hadde tere armer crebbe ghe-

staen,

Daer hem coren dicke ghebrac. Het hadde menich onghemac; Men namer toe wel cranke ware, Men liet lopen harentare,


-ocr page 58-

44

Nacht ende dach, waest heet of cout, Winter ende soiner in gont wout; Ende hadde ghedaenwelmenichjaer Dat mochtemen marken ansijnhaer, Dat hem also verwerret lach;

Dies was leden wel menighen dach Dat gheconreit was ot' ghewreven. Den parde ne was een twint niet bleven

Dan die huut, daar men dore sach; Want men sine been tellen mach Ende sine rebben an elke side. Diere up sat hi was onblide. Hem was onsochte te moede:

Ende slouch vaste met ere roeden Tpaert, maer hen halp hem niet: Te meer hi slaet, te min het diet. Hen mochte niet een voetstap gaen Hen moeste hem rusten ende stille

staen,

Of het ware ghevallen up daerde. Dit sach Walewein donvervaerde, Dien dat verdochte van den cnape,

Omme dat hi maercte diere sake Dat hi was van so sconen leden, Ende sulc een paert quam ghereden. Over di scoudere was hi breet, Want hem sijn leven wale steet: Die nuese haddi scone ende recht, Sijn vorhooft breet ende slecht, Die oghen haddi scone ende grawe, Brune ende slichte winbrawen,

Sijn haer kersp ende blont, Den hals snewit ende ront:

Sine lier bloeiden als ene rose,

Sijn adem ne rooc niet ghebose: Die tande wit ende clene.

Scoonre creature ne sach nieman ghene.

Mi was omtrent die middel smal: In sinen kin stont een dal.

Hi was vulmaect van allen leden. Ende wel gheraect van allen seden: Hi mochte met ere van dien lande Grave wesen.


Wij voegen er den heerlijken dialoog bij, die op deze be-schrijving volgt, benevens liet tweegeveehit tussohen Walewein en een roofridder.

Aldus quam hi (Walewein) ghe-gaen duer twout, Daer voghele songhen menichfout. Te voet, dies hi niet dicke ne plach. Doe dochtem dat hi voor hem sach Enen casteel ende ene riviere: Het was die casteel dien hie sach sciere, Die de toolne ende de quade seden Hilt met overmoedicheden,

Ende hadde ghedaen wel menighen

dach.

Teerst dattene die castelein versach Quam hi te Waleweine metter vaert. Hi hadde een overmoedich paert. Het was dapper ende snel, Dat gheleec Waleweyne wel. Dus quam hi te hem waert saen Ende seide: «Rudder, ghi sijt ghe-

vaen.

Want die seden in dit lant Sijn jou hier wel onbecant.

Betaelt ons dat ghi sculdich sijt, Ende maect ons ghenen langhen

strijtquot;.

Walewein antwordem saen Ende seide: »Waeromme hem ic ghevaen T'

— «Om dat uwe tolne wilt ont-

draghen.quot;

Doe began deer Walewein vraghen: »Wat tolnen bem ic sculdich dan ?quot;

— «Den halsberch dien ghi hebt an, Ende uwen scilt ende jou swaert; Ende waert dat ghi hier hrocbt een

paert.

Dal sondi mi mede gheven.quot;

Deer Walewein seide; «Ilets achter bleven.

Ic gaeft den cnape, dien ghi heden Met uwer toolne, met uwen seden, Naemt sijn halsberch ende paert: Hi vaerter mede te Cardole waert.quot;

— »Jane dedi wel, also helpe mi Of hi ane u enen sot (God, Yant, ende hi u daer over hilt! Haest u ende gheift mi uwen scilt Ende uwen halsberch ende u swaert;


-ocr page 59-

45

Doet of ende ghevet mi ter vaert.quot; Deer Walewein antworde saen; «Wie sal hier de tolne ontfaen?quot; Die gone seide. »Dats ic,quot; gereet. Deer Walewein antworde; «Godweet, Suldi van mi di toolne ontfaen. Glii suit over uwe voete staan, Eer icse jou gave, up u paert. Ghi voert mi liever hinder waert; Ghine suit eer staen bi rnire side.quot; Die gone heette in corter tide Ende seide: «Ghi maect te groot dangier;

Ic wane die duvel hrochte,jou hier.quot; Hi haestte hem ende ghinc mettien Ten swaerde ende Walewein hevet versien.

Mettien trac hi dat sine saen. Hi seide; «Ghi suit nu ontfaen Jou toolne, eer ghi suit henen gaen. Dat segghic jou, al sonder waen, Siilemeer dat ghijt begaert.quot;

Aldus trecten si hare swaert. Harlijc hadde groten ghere;

Ende Walewein sette hem te were ■Tegen den gonen dien hi daer sach. Om te proevene of hi mach Vellen die toolne ende die onsede, Daer men den menighen pine dede, Maer sgoons overmoet was so groot, Hem dochte wel dat sijn ghenoot Ne was levende in glieen lant.

Doch verdrouch hi metter hant Tswaert ende slouch metgroten nide Up Walewein, ende hi was onblide Dat hi so langhe vor hem stoet, Walewein decte hem ende wasvroet, Metten scilde, so bi best mach. Hi ontfinc vau hem menighen slach. Die niet onvergolden sijn bleven. Mettien heifti tswaert verheven Ende geraectene weder metterhand, Ende doofde hem helm ende nese-

bant,

Ende sloecht hem in al toten tanden. Doe trac bijt uut met beden banden, Ende bi seide: nNeimt ende ont-fanct jou ghelt.quot; Die gone viel neder up gont velt Doot eer hi ter aerden quam. Hi lietene varen ende bi nam Dat goede paert, Walewein die coene. Dat bi hem stont: hie bads te doene, Hi seide: «Lyaert, ghi rnoocht wel

staen.

Jou here heeft sinen oon ontfaen: Hi leghet hier en swighet al stille, Ende hevet dat hijs hebben wille. Hi seit hi sal mineu halsberch borghen

Ende mijn swaert al tote morghen Of tote echt dat ic wederkeere.quot; Doe sat up Walewein die here, Ende quam vorden casteel ghereden.


9. De Ferrjuut, door een Vlaarnschen dichter, naar het Fransche orgineel van G ui Ha u me li Glerc opgesteld, is van vóór het midden der XIirie eeuw, al is het oudste handschrift, dat wij er van bezitten, uit het bpgin der XlYde. Ferguut een jongeling van half adellijke, half boeren afkomst, verschijnt aan Artur's hof. waar hij aan de scherts van Keye, die in alle Artur-romans als uiterst spotlustig voorgesteld wordt, ten doel staat. Hij wordt evenwel ridder geslagen en volbrengt de grootste heldendaden. Het laatste en grootste gedeelte van den Ferguut, dat veel slordiger bewerkt is dan het eerste, verraadt duidelijk een andere hand.

10. Blijkbaar is de geest, die ons uit de Britsche

-ocr page 60-

46

romans toespreekt, meer opgewekt, meer ontwikkeld dan die der Frankische. In de laatste vinden de Christelijke vroomheid, gelijk wij reeds zeiden, en de haat tegen de ongeloovigen, door de kruistochten opgewekt, hunne bevrediging ; in gene heerscht een meer wereldsche ridderzin. De zucht naar het avontuurlijke en het mystieke, de vrouwendienst, in meer zinnelijke heteekenis, de zelfopoffering, tot het onbegrijpelijke gedreven, en dat alles met meer uiterlijke pracht en kleuren voorgesteld; ziedaar het karakter der Britsche romans.

11. Al waren de voortbrengselen van dezen cyclus een tijd lang de geliefkoosde lectuur ook der Neder-landsche edelen en der burgerij zelfs, zij raakten echter bij het verval van het ridderwezen en den toenemenden bloei der steden, eer in onwaarde dan de Frankische romans, die nationale helden verheerlijkten en veel meer binnen de grenzen van het mogelijke en natuurlijke bleven; in tegenstelling met de Britsche romans, werden deze later in proza bewerkt en behielden, als volksboeken, hunne populariteit tot lang na de middeleeuwen.

12. Om ten slotte, in het kort den ontwikkelingsgang onzer Bidderpoëzie, in de thans behandelde sagencyclussen nader te kenmerken, zeggen wij, dat er zich in de Oud-Germaansche sage bijna uitsluitend materieele kracht vertoont, welke in de Frankische romans, door zedelijken invloed, door beginselen gewijzigd wordt en zich ten laatste in de Britsche hoofdzakelijk door zielsaandoeningen laat leiden. Met andere woorden; eerst is het de moed van den krijgsman, die de zangers bezielt, dan wordt de eer van den ridder, het hoofdelement hunner verhalen, en eindelijk worden aan de schildering der liefde van den mensch alle hunne krachten, de schitterendste verven van hun palet gewijd.

-ocr page 61-

1-

47

§ 5. OoSTERSGHE ROMANS.

1. Dat de invloed van het verkeer der Westersche volkeren, met de üostersche, tijdens de kruistochten, groot is geweest, hebben wij vroeger reeds doen opmerken. Wat voor kunst en beschaving in het algemeen geldt, vindt inzonderheid in de letterkunde zijn toepassing. Zij die uit louter godsvrucht of als boetelingen het heilige land bezochten, de kruisvaarders en de geestelijken, de kloosterlingen vooral, die er langer verwijlden, hebben zonder twijfel de voortbrengselen van het Byzantijnsch en Arabisch dichtvernuft leeren kennen en de meest geliefkoosde verhalen en sagen naar het Westen overgebracht.

2. De Byzantijnsche romanliteratuur had reeds in de lllde en JV'le eeuw eene zekere hoogte bereikt, maar kwam juist in de XIrfe tot veel hoogeren bloei. Haar invloed, tijdens de kruistochten, ligt dus voor de hand.

De Barlaiim en Josaphat bij voorbeeld, dien wij in het Seder-landseh nog als fragment uit de 2cle „ paertiequot; van den Spieghel Historiael bezitten, werd te dien tijde in bijna alle talen van het Westen uit het Grieksch overgenomen. Het verhaalt op vrij kou den en schoolsoheu toon de bekeering van een Indisch koningshuis tot het Christendom.

3. Men kan deze soort van romans in twee verdeelen, namelijk in die, waarvan de stof aan Oostersche vei'halen ontleend is. en die, waarin de lotgevallen der christenen, der kruisvaarders wellicht, in het Oosten geplaatst worden.

Tot de eerste soort behoort, behalve de bovenvermelde, de Parlhonopeus en Melior of Parthonopeus van Blois, een veel liellijker gedicht dan de Barlaam, waarvan wij l slechts een vierde, in verschillende fragmenten, vermoedelijk uit het midden der XIII'16 eeuw, bezitten; tot de tweede: de Flandrijs, de Seghelijn van Jerusalem en de Roman der kinderen van Limborch.

-ocr page 62-

48

4. De Floris en Blancefloer geeft ons de lotgevallen te lezen van Blancefloer, de dochter eener door de Moeren gevangen genomen Frankische gravin, en Floris den zoon des Moorschen konings in Spanje. Na eene zeer avontuurlijke jeugd, wordt Floris christen en treedt met Blancefloer in den echt. Hunne dochter »Baerte metten hreden voetenquot; werd de moeder van «Coninc Carel,quot; want haar «nam te wive die coninc Puppien.quot;

Dit gedicht, waarschijnlijk van Arahischen oorsprong, is omstreeks 1250, uit het Fransch vertaald door den klerk der gravin Margareta van Vlaanderen, Diede-rik van Assenede, wiens dood ten jare 1293 vermeld wordt.

Ho ft man a von Fallerslehen getuigt, in zijne »Horae Belglcaequot;, van den Nederlandschen dichter, dat hij den Franschen tekst otot een echt Hollandsch en veel schooner gedicht heeft omgeschapen, terwijl het geen letterkundige gelukken zou, in onze geheele vroegere of latere poëzie, iets aan te wijzen, wat deze uit bloemengeur en lichtstralen geweven zangen overtreften mocht.quot;

Dien hooien dunk van Hotïman kan men echter niet onvoorwaardelijk deelen.

Aan dienzelfden Dirk van Assen ede schrijven sommigen, doch op onvoldoende gronden, ook toe de Middcl-nederlandsche vertolking van den keurigen Franschen roumans: „Berte aux grans piés,quot; van Adenez li Rois. Wij bezitten slechts een fragment, t59 verzen bevattende en gevonden in de oude abdij van Robermont, bij Luik.

5. In hoeverre de Valentijn en Nameloos sporen van oos-tersche herkomst vertoont, is niet uit te maken; daarom hebben wij hem tot de Frankische romans blijven rekenen, waarheen de helden uit dat stuk, als behoorende ten deete tot de Pepijuen, ons wijzen.

6. Tot de tweede soort der Oostersche romans rekenen wij den Flandrijs, die stellig door een Nederlander, waarschijnlijk

-ocr page 63-

49

eon Vlaming van circa 1300, zelfstandig is opgesteld, maar waarvan ons slechts vijf fragmenten zijn overgebleven.

De Seijhelijn van Jerusalem, het ook al waarschijnlijk oorspronkelijk Nederlandsch gedicht van Loy (r=: Eligius) Late-waert, verhaalt de uiterst avontuurlijke, in bonte mengeling van heilig en onheilig samengebrachte levensbijzonderheden van Seijhelijn, den zoon des heidenschen konings van Jerusalem, die de vader werd van „den VII Vroeden van hinneti Rome.quot;

K. Stallaert heeft, op last der Koninklijke Vlaamsche Academie, het gedicht van dien naam voor 't eerst uitgegeven naar een uit Engeland herkomstig handschrift van de XVde eeuw. Er waren tot dusverre slechts prozabewerkingen van bekend, uit verschillende volksboeken, tegen 't laatst der XVde eeuw, gedrukt. De inhoud komt hierop neer, dat keizer Diocletiaan zijn eenigen zoon, een zevenjarigen knaap, wiens moeder gestorven was, ter verzorging en opvoeding gat aan die zeven vroede mannen, welke door hun wijsheid en deugd het kind tegen de booze nukken zijner stiefmoeder wisten te beschermen en tot een deugdzamen jongeling te vormen.

7. Den Roman der Kinderen van Limborch, die eenigszins tot de thans behandelde schijnt te behooren, bespreken wij nader als we den vermoedelijken schrijver er van, Hein van Aken, in tijdsorde ontmoeten.

8. Eindeljjk kan men tot dezen sagencyclus de verschillende romans terugbrengen, die, als de Zwaanridder, de stamsage van Godfried van Bulioen, zjjne jeugd en zijne strijden om de heilige stad bevatten. De Franschen hebben daarvan niet minder dan vijf gedichten gehad, terwijl er van de Nederlandsche bewerkingen nauwelijks eenige onsamenhangende fragmenten zijn overgebleven.

§ 6. Geestelijke Poëzie.

1. De epische dichtkunst was dan, gelijk wij boven reeds gezegd hebben, grootendeèls, uit de hand der priesters in die der leeken overgegaan, vooral toen de voortbrengselen dier kunst, tengevolge van den heerschenden smaak, zoo sterk erotisch gekleurd begonnen te worden; maar

4

-ocr page 64-

50

de Kerk abdiceerde toch niet op het terrein der dichtkunst. Neen! zij, die geheel Europa met meesterstukken van bouw-, schilder- en beeldhouwkunst overdekte, zij kende te wel de veredelende, verheffende macht van het schoone in al zijne uitingen, otn het niet ter bereiking van haar edel doel te doen strekken: bevordering van beschaving en zedelijkheid in en door het geloof. Gelijk in een vroeger tijdperk Otfried en de dichter des Heliands hun Christelijk epos tegenover de heidensche sage en het ruwe volkslied stelden, zoo wedijverde in dit tijdperk de geestelijke poëzie weldra met de fantastische verhalen van het hoofsche riddergeslacht.

2. Wat voor de wereldlijke kunst de groote figuren van Karei en Artur, met hunne paladijnen en rondetafelridders omstuwd, waren, dat was voor den gewijden zanger Christus, de eenige middelaar, de overwinnaar van dood en hel, de hemelveroveraar, om 't zoo eens te zeggen, omgeven van de machtige Hemelkoningin en van eene onafzienbare rij van heiligen en zalige geesten. En waarlijk, noch in bewonderenswaardige daden, noch in edelmoedige zelfverloochening, noch in treffende schilderingen van beurtelings roerende, verschrikkende en ver-heltende toestanden, staan de geestelijke liederen bij de ridderverhalen achter.

3. De eerste plaats verdient hier, met volle recht, het: Vanden Levene ons Heren, een uit het Latijn vertaald gedicht, dat om verschillende redenen tot de eerste helft der XlIIde eeuw mag teruggebracht worden. In plaats van een berijmd kroniekmatig geschiedverhaal, heeft de onbekende dichter van dit werk, door des Zaligmakers leven tot eene eenheid te brengen in de verlossing van den mensch, epischen gang en epischen gloed aan zijn gewrocht weten bij te zetten, vooral in het laatste gedeelte. Eene van de best geslaagde plaatsenis : Christus' Nederdaling ter helle.

-ocr page 65-

51

«Jesus was int graf geleil Alsoe alsic vore hebbe geseit;

Drie ridderen laghen vele wale Daer op gewapent, dat men niet en

stale;

Sine lichame lach int graf vele stille, Sijn gheest hi quam voer die hille. Als hi voer die hille quam Een cruce in sine hant hi nam, Hi stiet die porte dat si boech Ende dat si in stucken vloech; Die claerheit sloech tote in den gront, Daer Jhesus voer die porte stont, Daer nie licht en quam no meer en sal,

Nu quam daer claerheit over al. Die duvele alle in om'macht lagen Alse die grote claerheit sagen.

Adam hi was deerste man Die Jhesus komste hekinde dan. Als Adam die claerheit siet Hi spranc op, hi en lette niet, Ende riep wel lude: nVule hille, Du sals hebben dinen onwille, Ic sie tkint dat es geboren.

Om de ghene die waren verloren, Yan Marien om onsen wille. Nu saltu sijn berovet, vule hille!quot; Doe riep Adam tonsen here: »Here,quot; seit hi, «hebt lof ende ere, Willecome ons allen sijt,

Ghi sijt comen ter goeder tijt; Ik bin hier .Vc. jaer (Al seidic meer, ic seide waer) Vele cort gebonden, lieve here, Wel jammerlike, met groten sere, Om mine mesdaet, om u gebod, Dat ic brac, want gi waert God; Om de grote ghierichede mine Hebbic gedoegt grote pine,

Ic beet den appel stillekine. Dat hebic gearent, dats mi in scine; Niet ic allene, rnaer oec al u maghe Die hier doen meneghe claghe, Ende elc man die nie was geboren Es om minen wille verloren;

Here, gi wet al dat gesciet.

Ja en wetti wel wiet mi riet.quot;

Doe quam Noe die maecte de arke, Ende was blide ende riep starke; «Willecome, lieve here!

Nu benic quite van desen sere!quot;

Doe quam gelopen Abraham, Als hi ons heren comst vernam, Ende riep: uWillecome, vader mijn, Nu salie int paradijs sijn.quot; Doe quam Jocob ende sine XIJ

sonen,

Si waren blide ende coene,

Ende riepen alle : «Willecome, lieve

troest,

Willecome! wi sijn verloest!quot; Doe quam gelopen Moeyses,

Ende was so blide algader des, Ende en mochs hem onthouden niet Hi loech sere als hi Jhesuse siet. Doe quam die coninc David gegaen Ende viel op Jhesus voete saen Ende riep sere lude: «Ie nie en sacli Te minen behoef soe bliden dach!quot; Binnen dien dat dese bliscap was Doe riep vele lude Ysayas:

»Nu is volvult mine prophetie.

Dies hebbe danc die maghet Marie Ende Jhesus, haer lieve kint, Dat mine scrifture es waer bekint!quot; Doe quam Ysaac ende Loth,

Ende Daniel ende Jacob Ende riepen: «Here, nu eest wel

waer,

Dat gelof es worden waer.quot;

Daer na quam Malachiel, Jheremias ende Jezehiel,

Ende al ons heren vrient Die hem oeyt hadden gedient, Meneghe blide geselscap.

Die om sine comst hadden bliscap; Doe quamensi metmenegherscaren Jeghen Jhesus comst gevaren,

Ende dancten alle onsen here Dat hise verloest hadde van dien sere. Alse Jhesus dus heeft vertroest Sine vriende, ende verloest, Hi begroetese soete ende wale, Ende seide hem allen dese tale: «Lieve vrient, hebt minen verde, Ic ben u vader ende u herde. Lieve vrient, om uwen wille Hebic gedaen sere minen onwille Om u torment dat gi hadt groet, Hebic gesmaect die bitter doet, Ende im de gene die sijn ende selen; Ic en weet hoe sijt mi loven selen. Dat gi mi oeyt hebt gemint


-ocr page 66-

52

Dal seldi nu hebben bekint. Nu comet alle vele scone Met mi boven inden trone Daer sijt met mi ewelike In dat soete hemelrike!quot; ■Als .Ihesus dit hadde geseit,

Elke siele op sine voete leit.

Ende weenden alle vele sere Van bliscapen die seide onse here;

Elc nam anderen bider hant

Ende volgden .Ihesuse al te hant, Singhende hoghelike alus:

«Sanctus, sanctus.sanctusdominus!quot; Dies moeten vvi hier alle verdienen Dat wise moeten horen ende sien, Die met ,Ihesuse singhen dan.

Dies moete verdienen wijf ende man!


Ook Die Passie o)is liefs Heren werd herhaaldelijk en met veel liefde bezongen.

4. Een ware dolende geloofsridder is de held der Reis van Sinte Brandaen, oorspronkelijk een lersch verhaal, dat, door de Latijnsche bewerking (Navigatio Squot; Rrandani) uit het begin der lle eeuw, over heel Europa verspreid en, min of meer afwijkend van inhoud en vorm, in verschillende talen overgebracht werd. Het groote aantal germanismen in onzen tekst, de talrijke daarin voorkomende slotwoorden van verzenparen, die alleen bij overbrenging in het middelhoogduitsch rijmen, bewijzen, dat ons gedicht uit liet Duitsch vertolkt is, te meer daar het groote overeenkomst vertoont met een Hoogduitsch volksboek in proza, van het einde der XV11® eeuw, dat op een nu verloren Duitsch gedicht terugwijst.

De tijd der vervaardiging blijft onzeker.

Sinte Brandaen, een lersche abt (een historisch personage van het laatst der VIde eeuw), die met onver-zadigbaren lust naar wetenschap streefde, las op zekeren dag in een boek, welke zonderlinge wonderen God in de schepping gewrocht heeft; doch hij kon aan die wonderen geen geloof hechten en wierp, vertoornd, het boek in het vuur. Daar verschijnt hem een engel, die hem, ter kastijding voor zijn ongeloof, de taak oplegt, eene zeereis van negen jaren te ondernemen en de wonderwerken, die hij daar zal zien, te beschrijven.

Al is het mysticismus, dat in de Reis van Sinte Brandaen den boventoon heeft, vaak onverstaanbaar voor ons,

-ocr page 67-

klaarblijkelijk vertoont er zich nochtans dat streven naar doorgronding van Gods geheimen, die onmatige zucht naar weten en kennen in, die men in den Theophilus en in den Faust vindt, en die hier met de beschaming van quot;s menschen geest eindigt.

5. Naast den eenigen Christus, moest zijne, met geene dochter der menschen te vergelijken, schoone en heilige Moeder hare plaats vinden. ISeem ééns de Godheid van den Verlosser aan, en verbied u dan, in de Maagd, die Hem baarde, het zaligste en tevens het verhevenste aller schepselen te erkennen.

Wij hebben reeds gezien, hoe hare vereering, begonnen op den dag, toen zij, geestelijk morgenrood, de Zonne der gerechtigheid aan de duistere aarde verkondigde, niet uitgedoofd in den nacht der katakomben van Rome, waar haar liefelijk beeld ons na zestien eeuwen nog tegenlacht, voortgezet ook te midden der verwarring, door de invallen der bar baren en de vernietiging van liet westersche rijk veroorzaakt, toen Justinianus onder hare aanroeping God een prachtigen tempel stichtte en Bonifacius IV het Pantheon heiligde onder den naam van H. Maria ten Martelaren, hoe die vereering vooral in de XIIl136 eeuw, toen den westerschen volken het Christendom in merg en been was binnengedrongen, diepe wortels in de harten schoot. Trouwens zoo luidt het in Die Clausule vander Biblen,

«Wie mochte ilie lange ende die brede,

die hoecheit ende die diephede van hare genadicheit ghegronden?quot;

6. Een „kunstjuweeltje van zeldzame waarde,quot; waarin natuurlijkheid van voorstelling zich aan het fijnste gevoel en de frischte kleuren paart, schonk ons, in de XIVde eeuw, die dichterlijke Maria-vereering, in de berijmde sproke der kosteres Beatrijs. De arme was het sieraad haars kloosters, minder nog om hare uiterlijke

-ocr page 68-

54

begaafdheden, dan om de stipte volbrenging harer plichten. Helaas! aardsche liefde drong zoo gewelddadig het godgewijde hart binnen, dat zij, strijdens moe, het klooster in stilte verliet, na alvorens hare kleederen en de sleutels der sacristij voor het beeld van Maria te hebben neergelegd. Veertien jaren bracht zij daarbuiten in zondige vertnaken door, hoewel met een bloedend harte, en niet zonder zich dagelijks aan de genadenrijke Moeder aan te bevelen. Toen zond God haar een zoo diep berouw, dat zij liever wilde sterven dan haar misdadig leven voortzetten. Zij durft door iMaria's voorspraak op vergilïenis hopen: zij heeft immers dagelijks, ook in haar wellustig leven, het zoete „avequot; gesproken, en wie dat doet,

salwaer hi in sonden beslet,

si souden te ghenaden bringhen,

ende vor haren sone verdinghen.quot;

Nu komt zij al bedelende tot aan haar vroeger verblijf, en verneemt daar, tot hare groote verbazing, dat de kosteres Beatrijs nog altijd de heiligste zuster des kloosters is. Een visioen maakt haar dit geheim klaar: Maria had, in hare gedaante, hare plaats waargenomen. De boetvaardige kon dus, zonder schande en door niemand bemerkt, hare bediening weer aanvaarden, wat zij dan ook deed, onder duizend dankzeggingen aan de getrouwe Maagd, die haar gered had.

Voor de overige legenden en heiligenlevens, veelal van lateren tijd in onze letterkunde, verwijzen wij naar het IIe Hoofdstuk, § 1, waar de geschriften van Maerlant, en § 3, waar uitsluitend die geestelijke dichtwerken behandeld worden.

§ 7. Didaktiek. De Dierfabel.

1. Onze Dietsche volksaard deed ons altijd overhellen naar al wat praktisch is; en zoo vond de didaktiek dan

-ocr page 69-

55

ook reeds vroeg hare vertegenwoordigers in Nederland. Maerlant gewaagt reeds van Cato's

«boec van seden,

dien vint men in vele steden,

in Dietsce ghemaect.quot;

Waarschijnlijk werd, gelijk de „Disticha de Moribusquot; van Dionysius Cato op de kloosterscholen in gebruik waren, ook Die dietschc Catoen den scholieren ter oefening gegeven. Het werk heefl maar zeer middelmatige letterkundige verdiensten.

2. Maerlant leert ons verder, dat er reeds voor hem een bestiaris, d. i. eene natuurlijke historie der dieren, door

»her Willem Utenhove een priester van goeden love van Aerdenborch,quot;

uit het Fransch was vertaald. Wij bezitten niets meer van dat werk en weten slechts, dat er, omstreeks 1125, een Besliaire werd opgesteld door den Franschman Philippe de Thaun en een andere door Guillaume le Cl ere, een eeuw later.

Eindelijk getuigt nog dezelfde Maerlant dat de boeken,

»die men Esopus hiet bi namen,

die hevet Calfstaf ende Noydekijn

Ghedicht in rime scone ende fijn.quot;

Hoogstwaarschijnlijk hebben wij met een werk van deze laatsten te doen in onzen Xinde-eeu wschen, uit den Latijnschen Romulus vertaalden, Esopet, uit 67 fabelen bestaande, waarvan wij hier, als een staaltje, ter lezing aanbieden

DE WOLF EN HET LAM.

«Een wolf ende .i. lam goedertieren

Quamen drinken tere rivieren; Si ghinghen drinken in .ii. steden: Die wolf dranc boven, dlam beneden. Doe seide die wolf: «Du bevuulstmial

Dwater, dat ic drinken sal.quot; »Ay here! sprac dlam, wat segdi? Dwater comt van u te mi.quot; — ».Ia,quot; seide die wolf; «vloecstu-mi toe?

Dlam antworde: «Here! in doe.quot;


-ocr page 70-

50

— »Du doest,quot; sprac hi, ndusdede dijn vader

Wilen eer, ende dijn gheslachte al-gader.quot;

DIara sprac: »In was doe niet ghebo-

ren,

Twi soudicker af hebben toren?quot; — »Noch,'' seide die wolf »horic di spreken ?

Ic wane wel, ic saels mi wreken.quot; Die wolf sloech testickenendeseoert. Dlam nochtan hads niet verboert.

Dus vint .i. quaet man occusoen. Als hi den goeden quaet wille doen.


3. De dierfabel is een kort verhaal, waarin dieren als hardelende en sprekende personen optreden, en dat niet verder uitgebreid wordt dan noodig is om de zedeleer, die er bij bedoeld wordt, klaar te doen uitkomen. Al hangt zij nauw samen met het dierenepos, welks dier-namen onze Esopet reeds gedeeltelijk heeft overgenomen, zij mag daarmede niet verwisseld worden; maar haar oorsprong moet, evenals dezer laatste, in het Oosten, bepaaldelijk in Indië gezocht worden, van waar ons de Aesopische fabelen, door middel der Grieksche bewerking van Babrius en der Latijnsche van Avianuö en Phaedrus, zijn gekomen. Prof. Dr. Lauth, uit Munchen, vond ook reeds in een Egyptischen papyrus (Pap. Leydens. I. 384) de fabel van den Leeuw en de Muis.

4. Niets is natuurlijker dan dat de menseh, vooral bij minder verfijnde geslachten, welke de liefde voor de frissche natuur als in gemeenzamer! omgang met de dieren brengt, in deze sommige goede en kwade eigenschappen en gewoonten der rnenschheid terugvindt. Het dagelijksch verkeer met de dierenwereld, op de jacht of bij landbouw en veeteelt, geholpen door eene kinderlijke fantasie, schonk den dieren weldra, met menschelijke hartstochten, ook de menschelijke spraak, en zoo was hun de toegang op het gebied van menschelijke handelingen geopend.

5. Zoo vormen zich nu verhalen, in welke de dieren hunne rol spelen, volgens het karakter, hun door de ondervinding aangewezen, met of zonder onmiddel-

-ocr page 71-

57

lijke toepassing op een menschelijken toestand; zoo groeien de afzonderlijke vertellingen tot een geheel samen, waarin de ontwikkeling der epische handeling hoofddoel wordt, met een woord, zoo ontstaat het Dierenepos.

§ 8. Dierenepos.

1. Grimm vermoedde, dat de Franken reeds in de IVde, Vde en VId'3 eeuw een sage van den Vos en den Wolf kenden. Ten minste hij meende er sporen van te vinden door al de opvolgende eeuwen, en hij besloot daaruit, dat het Dierenepos van zuiver (iermaanschen oorsprong was.

Met hoeveel scherpzinnigheid en zeggingskracht de groote Duitsche geleerde deze meening verdedigd heeft, moge daaruit blijken, dat niet slechts al zijne landge-nooten, niet slechts J. F. Willems in Zuid-en Dr. Jonck-bloet in Noord-Nederland, maar zelfs onder de Franschen niemand minder dan Fauriel zijne stelling beaamden. Het scheen zelfs, eenigen tijd, dat Gh. l'otvin en Paulin Paris slechts onder den invloed hunner anti-Duitsch-gezindheid, dat gevoelen weigerden aan te kleven. En toch erkent men thans algemeen, ook in Duitschland, dat de diepere studie der oud-Indische letterkunde het boven allen twijfel stelt, dat het dierenepos uit het Oosten afkomstig is. Oude Bouddhistische geschriften maken er melding van; Sanskrit bewerkingen, de Pantsjatantra (d. i. de vijf stukken) en de Hitopadesa (d. i. de heilzame onderrichting) zijn door het Pehlevi. de oude Perzische taal, het Syrisch en het Arabisch, in het Grieksch, het He-breeuwsch en het Latijn, en zoo naar het Westen overgebracht, onder den titel van Kalilah en Dimnah.

2. Het oudste Latijnsche dierenepos is de Ecbasis Captivi, omstreeks 930, door een Luxemburger kloosterling opgesteld. Immers wat wij uit de VIlIste eeuw, van

-ocr page 72-

58

Paulus Diacpnus en van Alcuinus bezitten, is te klein van omvang om als epos gekenmerkt te worden.

Het uitgebreidste en tevens bet eerste waarin de dieren door persoonsnamen werden aangeduid, is de Ysengrimus, door Magister Nivardus een kloostergeestelijke uit de omstreken van Gent, omstreeks 1148 samengesteld.

3. De Hoogduitschers bezitten, in bunne middeleeuw-scbe taal, eene Isenyrines Nót, door Hein rich der Glicbesaere, omstreeks 1150, naar een verloren geraakt Franscb voorbeeld, in drogen vorm opgesteld. De Franscbe letterkunde beeft een schat van gedichten uit dezen cyclus. Méon heeft er 32, onder den naam van »branchesquot; bekend en niet minder dan 40,000 verzen bevattende, uitgegeven. Deze Roman de Renart is in den tijd, die verloopen is tusschen het einde der XIIüe tot in de XlVde eeuw, door meestal onbekende dichters vervaardigd ; als bewerkers van enkele branches worden genoemd Pierre de St. Cloud en twee andere geestelijken uit Normandië en la Croix-en-Brie.

4. De overeenkomst tusschen de menschelijke en de dierenmaatschappij was te groot, dan dat het dierenepos, ook ten onzent, niet een wapen zou worden voor den satirieken geest des volks, toen dit de overfijne zeden, de uitspattingen der zinnelijkheid en het misbruik der macht bij de edelen en, in zekere mate, ook bij de geestelijkheid begon te leeren kennen. En zoo ontstond, op den grondslag der oude dierverhalen in den schoot des volks, als eene vrucht zijner door de kruistochten bevorderde ontwikkeling, en als een protest tegen de gebreken der hoogere standen, het epico- comico-satiriek gedicht » Vanden Fos Reinaerde.quot;

5. De merkwaaidigste Franscbe branche (de 20® van Méon, de le van Ernst Martin), namelijk »le Jugement de Renardquot;, werd in onze taal op meesterlijke wijze vertolkt door een dichter, van wien wij slechts weten, dat

-ocr page 73-

59

hij Willem heette en, behalve Reinaert, ook vMadocquot; en wellicht nog «vele boukequot; maakte; dat hij hoogstwaarschijnlijk omstreeks de helft der XIlIde eeuw, misschien te Hulsterloo, eene in het gedicht dikwijls voorkomende plaats in Oost-quot;Vlaanderen, leefde en aldaar op verzoek eener vrouwe

»)Die in groter hoveschede Gherne keert hare saken,quot;

sdavonturen van Reinaert in Dietscequot; geboekt heeft

Dat »Willem Utenhove, een priester van goeden love, van Aerdenhorch,quot; dien Maerlant als den dichter van eenen bestiaris aangeeft, de vervaardiger van den Reinaert zoude zijn, is niet waarschijnlijk.

Zoo Willem ons in den Reinaert al geen geheel oorspronkelijk werk geleverd heeft, men moet nochtans erkennen, dat hij, door eigenaardige, geheel zelfstandige wijzigingen, die eene scheppende fantasie en een geoefenden smaak verraden, ons, in den vollen zin des woords, een kunstprodukt geschonken heeft, waaraan zelfs de stempel der nationaliteit niet ontbreekt, en dat zijn origineel en al wat het dierenepos door geheel Europa ooit heeft opgeleverd, in bijna ieder opzicht voorbijstreeft.

6. Er bestaat van Jen thans besproken Reinaert een tweede boek, dat eene omwerking en eene voortzetting van het eerste is, daar liet volkomen denzelfden gang heeft. Dit vervolg wordt weliswaar door het oudere eerste gedeelte verre overtroffen: zijne verhalen hebben onderling een minder nauwen samenhang en het mist die frischheid, die levendigheid van kleuren; het draagt evenwel een echt Nederlandsohen stempel, en heeft het karakter (niet altijd de namen) der dieren van 't eerste deel trouw bewaard. Men noemt het ook Reinaerls Historie.

Dit tweede kan niet ouder zijn dan 1351, aangezien er in gesproken wordt van „donrebussen ende bombaerdenquot;', welker gebruik niet voor dat tijdstip vermeld wordt. De schrijver, waarschijnlijk een West-Vlaming, heette misschien ook Willem, en

-ocr page 74-

60

leefde in eenen tijd dat de rondtrekkende dichters „sprekersquot; genoemd werden (v. 4256). Een enkel tooneel wordt op de boorden der Maas geplaatst. Taal, verhaaltrant en eenige eigenaardige uitdrukkingen herinneren aan den later te quot;vermelden Willem van Hildegaertsbergh, dien men daarom wel eens, doch geheel te onrechte, als bewerker van het tweede deel heeft aangezien.

Reinaerts Historie werd reeds vroeg in proza omgeschreven en herhaaldelijk als volksboek gedrukt, o. a. te Gouda, in 1479, en te Delft, in 1485. Voor dien tijd reeds werd het gedicht, met een paedagogisch doel, door Henrik van A Ik m er, den leermeester der jonge prinsen aan het hof der hertogen van Lotharingen, in boeken en kapittels verdeeld en met titels en moraliseerende glossen in proza voorzien. Het werd, even na 1480, gedrukt (waarschijnlijk te Antwerpen), en moet aangemerkt worden als het model van den Nederduitschen Reinke, waarvan de eerste druk, in 1498 te Lubeek verschenen, thans nog in éen enkel exemplaar te Wolfenbiittel aanwezig is.

8. Wij moeten er thans den inhoud en enkele plaatsen uitvoerig van rnededeelen.

Toen koning Nobel op een Pinksterdag hof hield en alle dieren daar verschenen, was er niemand, met uitzondering van Cirimbaert den das, die niet te klagen had over den afwezigen vos Reinaert,

»Den feilen metten roden baerde.quot;

Isengrijn, de wolf, begon de aanklacht, zeggende:

»A1 ware al tlaken paerkement.

Dat men maket nu te Ghent,

Inne ghescreeft niet daer an,quot;

wat Reinaert hem te leed gedaan had. Na den welf

«stont up een hnndekijn, hiet Cortois,

Ende claghede den coninc in fransois.quot;

Paneer, de bever, verhaalt hoe de booswicht den haas Guwaert, onder voorwendsel van hem het credo te leeren zingen, om hem kapelaan te maken, «bi der kelequot; geno-

-ocr page 75-

64

men en bijna gewurgd had. Grimbaert trachtte weliswaar den aangeklaagde, zijn oom, te verdedigen; maar ach! toen hij nog

»stont in tlese tale,

Saghen sie van berghe te dale

Cantecleer comen ghevaren

Ende brochte up ere bare

Ene ciode hinne, hiet Coppe,

Dier Reinaert hadde bi den croppe

Hooft ende hals afghebeten.quot;

Koning Nobel kon nu niet langer aan Reinaert's schuld twijfelen en zond Bruin, den beer, naar Maupertuus, des beschuldigden sterksten burcht, om hem te dagvaarden. Dit geschiedde; maar de logge bode liet zich deerlijk verschalken. »Here Bruun, wel soete vrieutquot;, zei de vos, »ik zou uit mijzelven wel ten hove gegaan zijn, ware 't niet dat ik mij zoo dik gegeten hadde, dat ik niet meer kan gaan. En toch had ik slechten kost, want wij arme lieden moeten 't al nemen zooals het komt: ik heb mij met versche honigraten moeten tevredenstellen.quot;

Laten wij thans den dichter het woord.

Dit hoorde Brune, ende sprac: «Helpe, lieve vos Reinaert,

Hebdi honieh dus onwaert?

Honich es een soete spise.

Die ic vore alle gherechten prise, Ende vore alle gherechten minne. Reinaert, helpt tui, dat ics ghewinne! Edele Reinaert, soete neve.

Also langhe als ic sal leven Willie u daer omme minnen: Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!quot;

— «Ghewinnen, Bruun? ghi hout u

spot!quot;

— »In doe, Reinaert, so waric sot, Hildic spot; neen ic niet quot; Reinaert sprac: «Bruun, mochtijsiet? Oft ghi honich moghet eten,

Bi uwer trauwen, laet mi weten; Mochtijs iet, ic souts u saden. Ic saels u so vele beraden,

Ghine atet niet met u tienen.

Waendic u hulde daermet verdienen.quot; — «Met mi tienen? hoe mach dat wesen ?

Reinaert hout uwen mont van desen; Ende sijts seker ende ghewes, lladdic al thonich, dat nn es ïusscen hier ende Portegale,

Ic aet al up, tenen male.quot;

Reinaert sprac: «Wat sechdi? Een dorper, heet Lamfroit, woont hier bi,

Hevet, honich so vele, te waren, Ghine atet niet in Vil jaren. Dat soudic u gheven in u ghewout. Here Brune, wildi mi wesen hout, Ende voor mi dinghen te hove.quot; Doe quam Brune, ende ghine ghe-

loven

Ende sekerde Reinaerde dat, Wildine honichs maken sat, (Des hi cu me ombiten sal)


-ocr page 76-

62

Hi wilde hem wesen over al Ghestade vrient ende goet gheselle. Hier omme loech Reinaert, die felle, Ende sprac: «Bruun, heelt mare, Vergave God, dat mi nu ware Also bereet een goed gheval.

Also u dit honich wesen sal; Al wildijs hebber VII amen!quot;

Dese woort sijn hem bequame, Bruun, ende daden hem so sochte! Hi loech, dat hi nemme ne mochte. Doe peinsde Reinaert, daer hi stoet: Bruun, es mi davonture goet, Ic wane u daer noch heden laten, Daer ghi lachen suit te maten. Na dit peinsen ghinc Reinaert uut, Ende sprac al overluut: «Oom Bruun, gheselle, willecome! Het staet so, suldi hebben vrome, Hier me mach sijn gheen langher

staen.

Volghet mi, ic sal vore gaen; Wi houden desen crommen pat. Ghi suit noch heden werden sat: Saelt na minen wille gaen, Ghi suit noch hebben, sonder waen, Also vele als ghi moghet ghedra-ghen.quot;

Reinaert meende van groten slaghen :

Dit was dat hi hem beriet. Die keitijf Bruun ne wiste niet Waer hem Reinaert die tale keerde. Die hem honich stelen leerde, Dat hi wel sere sal becopen. Al sprekende quam dus ghelopen Reinaert met sinen gheselle Rrune, Tote Lamfroits, bi den tune Wildi horen van Lamfreide? Dat was, eist so men mi seide. Een temmerman van goeden love, Ende haddi bi sinen hove Ene eke brocht uten woude.

Die hi ontwe dieven soude.

Ende hadde twe wegghen daer in ghesleghen Also temmermans noch pleghen. Die eke was ontdaan wel wide. Des was Reinaert harde blide. Te Brunen sprac hi, ende loech: «Siet hier u grote ghevoech,

Brune, ende nemet wel goom!

Hier in desen selven boom

Es honichs utermaten vele;

Proeft, oft ghijs in uwe kele Ende in uwen buuc moghet brin-

ghen.

Nochtan suldi u selven dwinghen, Al dinket u goet die honichrate; Etet te seden, ende te maten. Dat ghi u selven niet verdervet: Ic ware onteert ende ontervet. Wel soete oom, mesquame u iet.quot; Bruun sprac: «Reinaert ne sorghet

niet.

Waendi dat ic bem onvroet?

Mate es tallen spele goet.quot; — «Ghi secht waer. sprac Reinaert, Waer omme bem ic ooc vervaert? Gaet toe, en crupet daer in!quot; Bruun peinsde om sijn ghewin, Ende liet hem se verdoren.

Dat hi thooft over die oren Ende die twe vordere voeten in stac. Reinaert poghede dat hi brac Die wegghen bede uter eken.

Dien hi te voren ghinc so smeken, Bruun bleefghevanghen in den boom. Nu hevet de neve sinen oom Met looshede brocht in suiker achte, Dat hi met liste, no met crachte, In ghere wijs ne can ontgaen, Ende bi den hoofde staet ghevaen. Wat raeddi Brunen te doene? Dat hi was sterc ende coene Sal hem niet ghehelpen moghen. Hi sach wel, hi was bedroghen: Hi began brieschen ende hulen: Hi was begrepen bi sier muien So vaste, ende bi den voeten voren; Al dat hi pijnde was verloren; Hine waende nemmermeer ontgaen. Van verre was Reinaert ghestaen Ende sach comen Lamfreide Die up sinen hals brochte beide Een scaerpe aex ende ene baerde. Hier mooghdi horen van Reinaerde, Hoe hi sinen oom ghinc rampineren : «Oom Brune, vaste gaet mineren I Hier coomt Lamfroit, ende sal u scinken;

Haddi gheten, so souddi drinken.quot; Na der talen, so ghinc Reinaert Weder te sinen castele waert, Sonder orlof.quot;


-ocr page 77-

63

Intusschen had Reinaert op Lamfroit's erf een vel hoen gevangen en opgepeuzeld. Toen Bruin geheel mismaakt aan het hof kwam, werd de koning geweldig vertoornd en zond Tibert, den kater, oin den vos te ontbieden. Doch Tibert, hoe »vroetquot; hij ook was, ging het niet beter. Slechts Grimbaert, Reinaert's broederszoon, slaagde er in, den aangeklaagde over te halen, om voor den koning te verschijnen. Onderweg veinsde de huichelaar berouw over zijne wandaden, en beleed ze den goedhar-tigen Grimbert. Deze, een wijs man,

«brac een rijs van ere haghe,

Ende galfer hein mede XL slaghe

Over alle sine mesdade;quot;

en vermaande hem in 't vervolg deugdzaam te zijn, te vasten en te bidden.

Aan het hof verhieven zich opnieuw alle klachten tegen Reinaert, en de schuldig bevonden dief werd dan ook door odie hoghe baroenequot;' ter galg veroordeeld. Doch Reinaert was daarom niet ten einde raad. Hij verzon eene geschiedenis, waarin Isengrijn en Bruin de rol van sarnengezworenen tegen den Koning speelden, en waarmede hij de vrees en de hebzucht 'des lichtgeloovigen Nobels en der zwakke koningin in die mate wist op te wekken, dat niet alleen de loosaard lijfsbehoud en volle kwijtschelding erlangde, maar ook dat Bruin en Isengrijn gevangen genomen en den eerste een stuk uit den rug, den laatste, alsmede zijner vrouw Heersinde, de schoenen der voorpooten afgestroopt werden, om Reinaert, die als pelgrim naar Rome en Palestina zou trekken, reiszaken laarzen te bezorgen. Cuwaert, en 's konings kapelaan, Belijn, de ram, vergezelden den pelgrim tot Maupertuus, alwaar de haas aan des bedriegers list ten prooi viel. De arglooze Belijn keerde naar het hof weder met eene boodschap van Reinaert, die ten gevolge had, dat de ongelukkige Belijn verbannen werd en Bruin en Isen-

-ocr page 78-

64

grijn daarentegen zich met den misleiden vorst verzoenden.

Hier eindigde oorspronkelijk het gedicht. Het vervolg komt hierop neer. Nogmaals vierde de koning feest; nogmaals rezen er klachten tegen den «roden, scalken pelgrijn.quot; Hij had Lampreel, het konijn, naar 't leven gestaan, en Scerpenebbe, de vrouw van Corbout, de kraai, verslonden. Toen Lioen (zoo heet hier de koning) dit vernam, ontstak hij in hevigen toorn en riep zijnen heir-ban op, om Maupertuus te belegeren. «Allen, wien mijne eer lief isquot;, zei de vorst, «gebied ik

«Dat si ghereet sijn binnen ses daghen,

Ende wel voorsien om oorloghen,

Alle die scut hebben of boghen.

Donrebussen ende bombaerden,

Beide voetganghers ende te paerde.quot;

Maar de looze dief, in 't geheim door zijn neefGrim-baert verwittigd, kwam ten hove, en bepleitte zijne zaak met zulk talent, dat de koning hem andermaal genade schonk. Ziehier op welke wijze hij de aantijging van Lampreel wederlegt.

Lampreel dat conijii Dat te mi quam eerghisteren mor-

ghen,

Daer ic sat voer miner borghe Ende soude mijn ghetide lesen. Hi seide, hi woude te hove wesen; Hi groete mi scoon, ende ik hem. Doe seide hi : «Reinaert ic hem Moede gbelopen ende hongherich mede:

Hebdi iet teten door mijnre bede 1c seide: »ja ic, genoech: coomt haer.quot;

Doe dede ic hem gheven een paer Kerspette, daer botter op lach; Want het was op enen woensdach, Dat ic gheen vleisch en pleech te

eten :

Ende ooc vaste ic seldi weten Tegen pinxsteren, die ons nu naect. Want wie die boochste wijsheit smaect

Ende gheestelic leven wil leiden, Die sel hem teghen die hoochtijd bereiden Te vervullen des heren gheBot: Et vos estote parati, seit God In dat ewangheliurn, lieve oom. Ic dede sijns nemen goeden goom. Van boter ende van sconen brode; Dats goede have voor hongers node. Ende doe hi sat ghegheten was, Lampreel, Quam mijn joncste soon Rosseel Ende woude wech doen dat relief; Want jonghe kinder hebbent eten

lief.

Hi taste daer na, ende dat conijn Sloechen voor die tande sijn, Dat hem dat bloet uutran ten oghen, Ende viel in onmacht, in swaren doghen.

Doe Reinardijn mijn outste sone Dit sach, liep hi ende gheerde lonen.


-ocr page 79-

65

Enlt;ie greep bi den hoofde Lampreel, Hi hadden gescoort totten morseei, Tenwaar dat iet benam.

üaer halp ie hem, dat hi ontquam, Ende scheidese, ende sloech mijn kint seer,

Dat conijn liep tot minen heer Den coninc, ende seide, ic wilden moorden !


Isengrijn, begrijpende dat hij met woorden het geding niet zal winnen, daagt den beschuldigde tot een gerechtelijken kampstrijd uit. Daar was Reinaert wel niet bijzonder mee gediend; maar hij herinnerde zich ter goeder ure, dat Isengrijn's klauwen ontschoeid waren; en buitendien, wist zijne moei, vrouw Rukenauwe, de apin, hem zoo goede kunstgrepen te leeren, hem met zoo'n krachtige tooverspreuk te overlezen, dat Reinaert onvervaard het krijt binnentrad, waar hij dan ook het geluk had, zijnen vijand neder te vellen. Deze roemrijke overwinning gold den vos niet slechts volkomen kwijtschelding, maar ook de waardigheid van geheimen raadsman en «soverein ende baeljuquot; over al des konings landen.

Ilde HOOFDSTUK — Didaktiek. Van 1350—1450.

1. In de oudste overblijlseis onzer middeleeuwsche letteren vindt men toespelingen op, herinneringen aan en vei-gelijkingen uit de klassieke literatuur van Rome en Griekenland, welker studie nooit opgehouden heeft een zeer wezenlijk deel van de opleiding der klerken uit te maken. Op de scholen dus, onder de geestelijkheid en in de kloosters, behoorden, in zekeren zin, de klassieke letteren in alle eeuwen thuis; maar het duurde tot het midden der X]IIde eeuw, eer het volk, dat als tegenstelling met de fantastische ridderpoëzie, naar iets degelijkers, iets meer praktisch, meer wetenschappelijks verlangde, de heldendaden van den historischen Alexander en die van Priam en Hector kon vergelijken met

5

-ocr page 80-

66

de fabelachtige verhalen van Artur en van den haast even fabelachtig geworden Karei.

De klassieke heldensage zou dus als den gereedelijken overgang van het tijdperk der romantische literatuur tot dat der didaktische vormen, ware het niet dat enkele bewerkingen der klassieke sage reeds zeer vroeg, als wij gezien hebben, ontstaan, maar te zeer in leugenachtigen vorm waren gegoten; en van den anderen kant, ware de voornaamste Nederlandsche dichter der klassieke sage niet tevens de stichter en de krachtigste vertegenwoordiger van de didaktiek. Daarom kunnen wij die beide uitingen van den tijdgeest hier moeilijk geheel scheiden.

2. Terwijl het overbeschaafde riddergeslacht der XIIIde eeuw, in den zwijmel zijner grootheid, met trotsche minachting neerzag op dorper en poorter, wien zij het door eenen dezer zoo nadrukkelijk gewraakte

» Fi!

Ganc wech! God onnere di !

Du best der werelt scame.quot;

toevoegden, toen klom juist de welvaart dier poorters zoo hoog, dat zij weldra een derde factor in de toenmalige politieke wereld werden. En toch had de adel zelf, zonder het te vermoeden, de opkomst dier welgestelde burgerij bevorderd. Het groote volkeren verkeer, door de kruistochten ontstaan, de omgang met de Zuid-Enro-peeërs en de Oosterlingen, de steeds groeiende macht der vazallen hadden de zucht naar vermaken, naar praalvertoon eti verkwisting in hooge mate opgewekt. Velen dus, die door hand- of kunstwerken, door handel, akkerbouw en veeteelt, door om het even welke nering in hun levensonderhoud moastan voorzien, bereikten niet alleen dit doel, maar zagen zelfs weldra de rijkdommen der adellijken in hunne burgerhand overgaan. Zoo klommen de steden in welvaart, in zelfbewustzijn, in macht, in beschaving. De adel

-ocr page 81-

67

moest daar rekening mede houden, vooral, toen de burgerstand, door de vroegere knevelarijen dier kleine en groote dwingelanden verbitterd, zich aan de zijde der landsheeren schaarde, tegen den oppermachtigen adel, die beide had trachten te overheerschen.

Met de ontwikkeling en vestiging van den burgerstand, was er dus een nieuw levensbeginsel in de maatschappij te voorschijn getreden: het persoonlijk recht, de indivi-dueele vrijheid van den mensch.

3. Deze nieuwe richting in de menschelijke samenleving moest hare uitdrukking vinden in de letteren, en vond die ook. De avontuurlijke riddergeschiedenissen mogen al, eenigen tijd, bij een klein getal dier vreedzame poorters ingang gekregen hebben,—eene duurzame bevrediging van hun altijd meer gewekten leeslust konden zij er niet in vinden; zij waren te vreemd, te vijandig haast aan de daar geschilderde personen en toestanden. Er moest eene literatuur ontstaan, die, overeenkomstig hun praktischen zin, waarheid behelsde, kennis bevorderde — verklaring der natuur en harer geheimen, geschiedenis van den mensch, in alle tijdperken zijns be-staans — eene literatuur, die het volk ontwikkelde en tot godsdienst en zedelijkheid de eenige elementen van ware grootheid en adel, opwekte en leidde. Er moest gestreden worden tegen die, uit louter verfijning, zeer zinnelijk geworden leefwijze der bevoorrechte standen, gestreden ook tegen de literatuur, die er de uitdrukking van was.

4. Wel zal de eigenlijke poëzie, in haar edele betee-kenis, bij deze reactie dikwijls teloorgaan en menigmaal zal de vorm alleen ons nog doen gedenken, dat we ons op sesthetisch gebied bevinden; maar de weg is gebaand voor die verstandelijke richting, welke de latere kunst zal inslaan, wanneer zich de vrije Hemeldochter weer aan den streng didaktischen leiband zal weten te onttrekken.

-ocr page 82-

68

De schepper en grootste ver tegen wooi diger dezer richting is:

§ 1. Jacob van Maerlant.

1. De man, die bestemd was om onzer letterkunde dezen geheel nieuwen weg te banen, werd omstreeks het jaar 1235 in Vlaanderen, in „Brux-ambachtquot;, d. i. Rrugsch Ambacht (het Vrije van Brugge) — men meent te Damme—geboren. Van Maerlant werd hij genoemd, naar het sedert eeuwen in den Briel versmolten dorp van dien naam, de vroegere Oostvoornsche parochie, waar hij, met het kostersambt bekleed, een goed deel van zijn leven doorbracht. Zoo is ook gemakkelijk zijne betrekking te verklaren tot Heer Albr. van Vporne, die de opdracht van Maerlant's Merlijn ontving, verder tot Nic. van Gats en zelfs tot graaf Floris V, die nog jong zijnde in Zeeland verbleef en met Albr. van Voorne bevriend ,was. Meer bijzonderheden aangaande zijn persoon weten wij niet, dan dat hij niet ruim met aardsche goederen bedeeld was, alhoewel hij eene, voor zijn tijd, zeer geleerde opvoeding (wellicht bij de Gister-ciénsers in Zuid-Heveland) genoot, en met het Latijn en het Fransch vertrouwd was; verder, dat hij op verzoek eener edelvrouw zijn eersten roman dichtte, op lateren leeftijd de bediening van scepenclerc of stads-schrijver te Damme waarnam, en aldaar kort na 1291 overleden is.

2. De werken van Jacob van Maerlant, ook de vroeger reeds vermelde en op verderen leeftijd door hem zeiven afgekeurde ridderromans, kan men, volgens de vermoedelijke orde van hun ontstaan, op de volgende wijze rangschikken; Alexander's Yeesten, van den Gr ale, Merlijn, Torec, Sompniarijs, Lapidarijs, de Historie van Troyen, de Bestiaris, of Der Naturen Bloeme, de Heyme-lijcheit der Heymelycheden, de Rijmbijbel, het Leven van

-ocr page 83-

69

Sinte-Franciscus, Maria-Mirakelen, de Spieghel Historiael, de Wapene-Martijn, met de vervolgen; Dander Martijn en Vander Drievoudigheden; de Disputacie van den Cruce, Van ons Heren Wonden, Vanden V urouden. Die Clausule vander Bible, der Kerken Clayhe, Vanden Lande van Oversee.

Wij zullen deze afzonderlijk behandelen en, zoovee! mogelijk, in verband brengen met des dichters leven.

3. Tot de vroegste werken vanM a e r 1 a n t behooren, in de eerste plaats, wat wij noemen zullen de herinneringen zijner jeugd, de klassieke sage en de ridderroman. Hoe die geschriften elkaar volgden, moeten wij vaak van hem-zelven vernemen. Zoo zegt hij in de Historie van Troyen-

Hier toevoren dichten hij Mer lijn Er.de Alexander uytten Latijn,

Toerecke ende dien Sompniarijs Ende den corten Lapidarijs.

In den Merlijn noemt hij wederom den Alexander als reeds gemaakt. Dus is deze de oudste en wel uiterlijk van 1260.

4. De Alexander is naar de Latijnsche Alexandreis van „Meester Wouter Castelioenquot; (Gauthier de Chatillon) die zelf Quintus Gurtius volgt, bewerkt. Gauthier's gedicht had, ten opzichte van Alexander den Groote, evenals de destijds vervaardigde Caroleis, van Gilles de Gorbail, ten opzichte van Karei den Groote, de strekking, om de geschiedwaarheid te handhaven tegenover de meeren meer veldwinnende fabel verhalen, door romantische poëten van het vorige tijdperk, aangaande die helden verspreid.

Ondanks de levendigheid van voorstelling, de trelfende vergelijkingen en echt dichterlijke figuren, die men in dit werk ontmoet, kan het evenwel niet voor een epos doorgaan; bet is, ook in des dichters meening, eene levensbeschrijving, met moralisatiën vermengd, waarin „wijs-heit ende dachcortinghequot; te vinden zijn.

-ocr page 84-

70

5. Hierna volgen van den Grale, de Merlijn en de Torec, vermoedelijk van 1261 en 12(32, die wij hiervoren, BI. 41, reeds besproken hebben.

Van den Sompniarijs en den Lapidarijs, die niet meer bestaan, kunnen wij slechts vermoeden, dat de eerste over de kunst van droomen te verklaren handelde, naar een Latijnsch voorbeeld, en de tweede over de wonderkracht der steenen. Wellicht is deze in het Xirje boek van de later te bespreken Naturen Bloeme opgenomen.

6. De Historie van Troyen, van 1263 of 1264, getuigt Maerlant zelf vertaald te hebben, daar hij in den Spieghel Historiael zegt:

«dit hevet een in Walsch bescreven,

Hiet Benoit de Sainte More.quot;

Deze Benoit is een Fransch dichter van de helft der XIIde eeuw. Maerlant maakte echter voor zijne vertolkingjook gebruik van andere schrijvers, wat blijkt uit die plaatsen van het werk, waar de dichter, dien de al te onwaarschijnlijke verzinsels der romantische school reeds toen tegen de borst stieten, zegt, dat hij Benoit's werk met behulp van «andren bouckenquot; zal te recht wijzen. Een handschrift van dit gedicht werd voor ettelijke jaren op het kasteel Wissen, toebehoorende aan den graaf von Loë, in het land van Kleef, teruggevonden en is voor een gedeelte uitgegeven door Prof. J. Verdam.

De Koninklijke Vlaamsche Academie bezorgt eene volledige uitgave van dezen roman, die ongeveer 40,000 verzen telt.

De Historie van Troyen, bet laatste zijner romantische werken, heeft de dichter nog tijdens zijn verblijf te Maerlant geschreven. Der Naturen Bloeme, die nu volgt, zal tusschen 1264 en 69 zijn opgesteld, in welken tijd Maerlant naar Damme moet vertrokken zijn.

7. Willem Utenhove, een priester van Aarden-burch, had reeds, als boven gezegd is, een zoogenaam-

-ocr page 85-

71

den Bestiaris of Natuurlijke Historie vervaardigd. Het schijnt evenwel, dat dit werk vol onvolmaaktheden was en niet, beantwoordde aan wat onze dichter van een dergelijk gewrocht verwachtte; daarom schreef hij vooral ten gevalle van den jeugdigen Zeeuwschen ridder Nicolaas van Cats, naar het Latijnsche De naturis rerurn van Thomas van C a n t i m p r é, zij n Der Naturen Bloeme. Het. is eene bloemlezing uit de natuurlijke geschiedenis, in welke hij zijn doel: de wetenschap onder het volk te verspreiden, dienstbaar maakt aan de zede-leer. Want niet alleen gaat hij, bij de beschrijving der natuur, tot mystieke allegorieën over, hij komt ook rechtstreeks tegen de zonden en ondeugden op, en brandmerkt, in scherpe toepassingen, zoowel de gebreken der adellijken en der geestelijker, als die hunner onderhoorigen. Men leze hoe hij, bij de beschrij ving van den vogel „garrulusquot; de menestrelen hekelt.

Garrulus es eens voghels name, die in bosschen en de in bramen vor alle voghele die leven meest crijschen, meest luuts unt can gheven, dies es hi Garrulus gênant; een gay hetet int walsche lant. Van bome te bome vlieghet ende springhet,

ende crijscht ende gariet meer dan singhet,

noch gheduurt in ghene stede. Wat so bi hem lijt ooc mede, ist man of voghel, of eenich dier, bespot dit voghelkijn onghehier, ende conterfeit alrehande luut vanden voghelen daer nut. Somwile ist selve so sot.

dattet maect so vele sijn spot, dat hem selven niene hoet; So nemet die sperware inden voet.

Garrulus die dinke mi vele bedieden some menestrele,

die al toes sijn ongestade,

ende callende vroe ende spade vele boerden, vele gheloghen,

ende conterfeiten diesi moghen bede rudders ende cnapen,

porters, vrouwen ende papen,

daer si scone om sijn gheplurnet. Maer dicke ghevallet dat sulc cumet, alsi sijns selves niene nemt ware, metten helschen sperware,

diene metten clawen lauwet als hi pijpt, blaest ende mauwet; want selden heeftmer enich vernomen

die te goeden ende sijn comen; als menich heilich na mijn wanen also vele sijn swarter swanen.


8. 'tls hier de plaats, dunkt ons, voor eene opmerking, welke men niet uit het oog mag verliezen, zonder

-ocr page 86-

72

gevaar te loopen, zich een zeer onjuist denkbeeld van den geest der middeleeuwen, en bijgevolg van hare letterkunde, te vormen. Wanneer men, bij Maerlant niet slechts en in bijna alle dichters uit zijne school, maar ook in den ouderen Reinaert, die niet onder den invloed der didaktische richting geschreven werd, soms eene luide afkeuring, ja, scherpe hekeling van het gedrag der geestelijketi vindt, dan moet men die gisping niet van ons hedendaagsch standpunt beoordeelen. Er bestond toen eene kordate vrijmoedigheid, eene argelooze openhartigheid, waar wij, in onze gekunstelde samenleving geen denkbeeld van hebben. Geheel Europa was, in de onbetwiste eenheid van zijn onfeilbaar geloof, onder de zegenende hand van Christus' eenigen Stedehouder, aller Vader, als ééne groote familie, welker leden onderling niet altijd naar de regels der strengste broederliefde handelden, ja, elkander soms openlijk hunne gebreken en zwakheden verweten, maar zich daarom niet minder oprecht en vuiig aan dien familieband hielden. Zij kenden elkanders fouten, en berispten ze des te vrijer, wijl er geen vreemde, geen valsche broeder was, om zich in hun familieleed te verheugen ; en die verwijten mogen al dikwijls, te dikwijls hun grond gehad hebben, menigmaal ook werden ze, door diezelfde vrijmoedigheid en argeloosheid, die ze hun in den mond legden, overdreven. Men is immers zelden een bewonderaar van zijn tijd; en het „laudator temporis actiquot; van den Latijnscben dichter was toen, als nu, een grondtrek van het algemeen menschelijk karakter.

Er bestonden zeker, onder de ledematen en onder de bedienaren der Kerk, vele en groote misbruiken; maar men bewimpelde ook niets. En als Maerlant en de zijnen openlijk te velde trokken tegen die gebreken, dan deden zij niets anders, dan wat de kerk zelve deed, op zoo menige synode, waar zij met allen nadruk tegen die

-ocr page 87-

73

misbruiken waarschuwde, of ze met alle gestrengheid bestrafte. Maar Maerlant, zoomin als de mannen dier kerkvergaderingen, dacht, dat men hem daarom a!s den voorbode van. den geest van ongeloof, van twijfeling en van vrij onderzoek zou voorstellen. Hadden zij kunnen vermoeden, die ongeveinsde dichters der middeleeuwen, dat hunne zangen eens in het oor van kwalijk-gezinden zouden weergalmen, zij hadden gewis hun speeltuig verbrijzeld, en de edele taal, die een beroemd Franschman (Augustin Cochin) eens in den vreemde voerde, tot de hunne gemaakt; „La patrie est pour moi cornme l'intérieur de ma familie; quand j'y suis, je vois bien ce qui lui manque; mais quand j'en suis absent, je ne sais que lui envoyer de loin toutes les tendresses du coeur le plus fidéle.quot;

9. Floris V, dien onze dichter te Maerlant had leeren kennen, nam als twaalfjarige jongeling het bewind van het graafschap Holland in handen, ten jare 1266. 't Ts niet onwaarschijnlijk, dat te zijnen behoeve de Heymelvjcheit der Heymelijcheden werd opgesteld. Dit boek, naar een te onrechte aan Aristoteles toegeschreven werk gemaakt, bevat, naast eene onderwijzing in de regeerkunde, eene soort van gezondheidsleer voor den vorst.

10. Maerlant, die, gelijk wij zeiden, in weerwil van menige hekeling op de geestelijkheid, een geloovig en godsdienstig man bleef, kon niet met onverschilligheid aanzien, dat, door de verwarring der tijden, door het in vergetelheid geraken der Latijnsche taal, of om welke reden ook, de Bijbelsche geschiedenis zoo min door de leeken gelezen werd. Daarom maakte hij zijne Scolastica later Rijmbijbel geheeten, eene vertaling van Petrus G o m e s t o r's Biblia scholastica, die in 1271 werd voltooid.

De Rijmbijbel bestaat niet alleen uit verhalen, geput

-ocr page 88-

74

uit de kanonieke, en soms ook uit de apokriefe boeken van het Oude Testament; hij geeft ons ook eenesamenvatting der vier Evangeliën, en eindelijk, als vervolg, de Wrake van Jerusalem, naar Flavius Josephus, inhoudende de geschiedenis der Joden, van Christus' tijden tot aan de verwoesting van Jeruzalem.

M a e r 1 a n t's steeds groeiende afkeerigheid van romantische verdichtselen, zijn leedwezen over zijne vroegere ingenomenheid daarmede, en zijn vast besluit om voortaan door leeringen nuttig te zijn, treden klaar in het licht, in de Inleiding, die wij hier in haar geheel mede-deelen.

Vader, Sone, Heilich Gheest,

Enich God sonder beghin! (')

Gheeft mi hulpe ende volleest,

Ende gracie in minen sin,

Dat ic vinden moeghe woert

Scone, ende die rime goet,

Daer ic bi brenghen moeghe voert

Dat vaste leghet in minen moet.

Maria, Vrouwe vol ghenaden!

Hoeder der ontfarmicheit!

Ghi hebt den menigben beraden

Ende ghetroest bi sericheit:

Helpt mi, Vrouwe, met uwer bede,

Dat ich ghewinne den Heilighen Gheest, Die mi cracht ende moghenthede

Verlene, ende sinen volleest!

So ben ic dan al onvervaert

Fraye rime te brenghen voert Van eenre jeesten, die ic begaert

Hebbe te ontbinden in Dietsche woert. Scholastica wil ic ontbinden

In Dietschen worde uten Latine.

Vrouwe, nu moeti u onderwinden

Troest te sijn van mire pine!

(') Eene Fransche bijbelvertaling uit den tijd van Lode wijk IX begint eveneens met deze aanroeping der H. Drievuldigheid:

El nun del père, del fils, del esperist,

Des trois personnes ke sunt un Deu parfit.

-ocr page 89-

75

Nu merct, die hierin selt lesen, Wat nutscap hier an sal wesen, Hierin en vindi fabule, no boerde, No ghene trufe, no faloerde, Mer fraye rime ende ware woert: Hoe die tijt is comen voert,

Sint dat die werelt ierst begonde, Toter wilen, dat quam die stonde Dat Jhesus Christus van Hemele clam ;

Ende onse menscheit ane nam. Hier vindi reine dachcortinghe, Ende oec mede ware leringhe. Der noten ghelijct dese historie, (Dit merct wel in uwe memorie) Die buten heeft die bitter slume; Die scale so hart, dat rnense cume Metten tanden mach ghewinnen; Maer al die soetheid esdaer binnen. Die bitterheit van deser joeste, Dats dat die vroetste entie meeste Van diepheit connen ghegronden cume :

Dits die bitterheit van der slume. Die hartheit leghet an die scale: Dats, dat niemen altemale Verstaen mach, wat die woerde dieden.

Die soetheid daerafes, dat den lieden. Die recht verstaen ende minnen, Ende waerheit goed bekinnen, Datsise gherne horen lesen:

Daer mach gheen verlies an wesen.

Hoert, hoe God die werelt stichte. Enten troen mit sterren verlichte, Die locht mit voghelen visierde, Ende die eerde met dieren versierde, Ende die vische ende water maecte.

Ende alle goede dinc gheraecte, Ende hoe Hi lest maecte den mensche, [Doe] Hi [hem] alle [dinc te] wen-

sche

Hadde ghemaect, die [hem] bedorste.

Mer nu suldi sonder vorste Gode met mi bidden mede,

Dat Hi mi doer [dese] v/aerhede [Die ic dichte van sire wet] Vergheve, dat ic mi besmet Hebbe in loghentliken saken. Die mi die lichtheit dede maken Van der herten ende van sinne, Ende van der weerliker minne; Ende Hi die nidighe verduwe. Die altoes versch ende nuwe Ende talre stont sijn daertoe ghe-

rust,

Dat hem ummer begripens lust Mijn ghedichte ende mine woert.

Ghi nidighe, merct ende hoert ! Ghine suit mi niet ghederen connen, Ghi hebbes alte spade begonnen! Hets dompheit, dat ghi u verteert, U nijt dunct mi, dat niemen en deert.

Dan u selven in uwen sin ; Ghi hebter meer suerheit in ; Ghi sijts T,e magherre ende te bleker. Hoe sidi. voer die oghen, smeker, Ende achter lude valsche verrader ! Met Judas moetti allegader!

Hebt u den nijt, ic wil dichten, Ende mi daermede oec verlichten. Oec en suldijs u niet vertijen Dor mijn segghen, dor mijn castijen; Des wil ic gaen aen mijn beghin. Ay God, verclare minen sin l


De geestelijkheid schijnt hem die uitgave van den Bijbel in de moedertaal zeer euvel geduid te hebben, in die mate zelfs, zoo luidt de overlevering, dat de dichter zich voor den paus daarover moest verantwoorden, door wien hij evenwel in het gelijk zou gesteld zijn.

11. Na den Rijmbijbel, zouden wij het Leven van Sin te Clara te bespreken hebben, ware ons dit werk gespaard gebleven ; want in den Franciscus getuigt M a e r 1 a n t zelf, het geschreven te hebben :

-ocr page 90-

76

«Die hare vite gerne hoert,

Van mi vint hise in dietscher woert.quot;

Wij zijn gelukkiger ten opzichte van den Sinte-Franciscus, dien de dichter, naar het, in 1261 verschenen Latijnsche werk van den H. Bonave ntura, vervaardigde. Was het wonder, dat de ernstige, steeds op een streng zedelijk en godsdienstig leven aandringende M a e r 1 a n t zich getrokken voelde tot dien ,,sublinie insenséquot; (gelijk de Montalembert hem noemt), tot dien verheven minnaar der armoede, der boetvaardigheid en der matigheid, die, met woord en daad, zoo krachtig optrad tegen de gebreken zijner eeuw? Het was op verzoek der Franciskanen te Utrecht, bij monde van „broeder Alaerdquot;, die er hem „harde vriendelikequot; om bad, dat hij hunnen patriarch in dit gedicht verheerlijkte.

In de Inleiding schetst hij ons zijnen tijd met deze levendige kleuren :

Dese werelt tred ten ende.

Als mi dinct, met groter scende Na dat ons die apostel seghet, Daer dit dus in gescreven leghet; Inden laetsten tiden sullen Die lieden also verdullen,

Datsi sullen hem selven minnen Ende el niet souken danne winnen, Ende hem vander waerheit keren Ende boerden ende favelen leren. Nu meret alle ende verstaet Of dus in die wereld niet gaet; ïweedinghen minnen wi alremeest, Entat leert ons die quade gheest, Dats ons vleesch ende ons goet, Wel ghecleet ende wel ghescoet. Wel eten, drinken, sochte slapen. Dit minnen leke metten papen. Dus minnen wi ons selven dan. Wie es hi nu, wijf of man,

Hine aventuert nu metter speet Sine edele siele om taerdsche goet. Ja, ghierichede wast so sere. Dat winnen gaet vor alle ere; Want arem man heet emmer sod. Des ontfaermedi, here God!

Dat wi om desen vulen sac Ende om dit corte ghemac Onser edeler sieler vergheten,

Daer dine side omme wasghespleten. Cume es hi van mi bekint.

Die nu leeft ende waerheit mint; Maer Tristram ende Lanceloet, Perchevael ende Galehoet, Ghevensde namen ende ongheboren, Hier of willen de lieden horen ; Truffe van minnen ende van stride Leestmen dor de werelt wide; Die ewangelie es ons te swaer, Om dat soe recht seit ende waer. Merct een tekin harde cl art;; Wie so gherne horen tware. Hem mach lichte niet ghescien, Men salre noch duegt an si ',n. Des radic minen vrienden dan, Dat si de waerheit vanghen an Ende laten de boerden varen. Want de tijt es nu te waren,

Daer die apostel of vorsprac.

ïfolc mint favele ende ghemac Ende om ghelt eist datmen waect Dus es domesdach ghenaect.


-ocr page 91-

77

Ziehier hoe hij verhaalt van des Heiligen

» soetichede. .Ihesus goedertierhede.

Eude hoene beesten minden mede.quot; Vermaledijt si, Godweet!

üheherberghet was hi tamp;nen tiden Bie felle suege, die di beet.

Tenen cloostre, daar hi soade liden, Haers vleeschs ne ete niemen dan,

En.le hiet te sinte Vereconden, No weder heeste, nochte man.quot;

Daer een scaep in der nachtsstonden Siet hier wonderlike dinc ;

Een lammekijn daer hrochte voert, Stappans de suege quelen ghinc i

Dat ene suege hevet vermoert. Drie daghe gedoechde die keitive,

Als dat de goedertiere man Swaer torment van haren live,

Heeft vernomen, cam hem an Daer na de wrake vander doet.

Ontfaermenesse groot om ditte; Men warpse in een fosseit al bloet,

Hi dochte om tlain sonder smitte, Daer soe verdroechde ende verdween:

Ende weende om des lamkins doot Van haer ne at dier ne gheen

Ver alt volc, clene ende groot; Merc, menscelike mordadichede,

»0 wee mi, broeder lammekijn! Wat pinen di sal volghen mede,

Onnosele creaturekijn. Of die wreetheit van enen diere

IIi di ghedinct die mensce mede Wart ghewroken aldus sciere.

12. Van gelijken geest en strekking, als het voorgaande, zijn de Maria-Mirakelen, een bunrlel, inhoudende het verhaal van 36 wonderen, door tusschenkomst der Moedermaagd gewrocht, en inden Spierjhel Historiael ingelascht, doch waarschijnlijk eerst afzonderlijk door Maerlant uitgegeven.

Al heeft dit gedicht, oppervlakkig beschouwd, eenige overeenkomst met de Beatrijs, om het naïeve, kinderlijke geloof en de warmte van gevoel, die er zich in uitspreken, de sproke onderscheidt zich toch, in haar voordeel, van Maerlant's werk, door meerdere eenheid van handeling, door fijneren geest van opmerking en levendiger schildering.

13. Des dichters hoofdwerk is zeker de in 1282 of 1283 begonnen Spieghel Historiael, eene in vier «paertienquot;, naar het Latijn van Vincentius van Beauvais, geschreven algemeene geschiedenis, waarvan hij de eerste (van de schepping der wereld tot aan den dood van keizer Claudius) en de derde ,,paertiequot; (van 381 na Gh. tot 802) geheel afwerkte, terwijl hij de tweede oversloeg en de vierde (van 802 tot 1113) onvoltooid liet na er circa 18000 verzen van geschreven te hebben. Hij staakte

-ocr page 92-

78

zijn werk om 1290. Zekere „Philip a n e den Dam Uten Brok e'', d. i. Philip U t e n b r o k e, van Damme, heeft later de ontbrekende tweede „paertiequot; bijgewerkt, maar stierf kort daarna. L o d e w ij k van V e 1 c h e m eindelijk voltooide de 4lt;le „paertiequot;, op den 3llen Augustus 1315. Gelijk Maerlant der Naturen Bloeme op verzoek van Nicolaes van Cats, opstelde, zoo schreef hij dit op last en onder de bescherming van den verlichten, burgerlijkgezinden Hollandschen graaf Floris V. Toen hij dit werk voltooide, bekleedde hij, hoogstwaarschijnlijk, reeds te Damme het schrijversambt, waar wij boven van spraken. Misschien moet men de oorzaak van deze stand- en woonplaatsverwisseling zoeken in de ontevredenheid, welke hij, door zijne menigvuldige uitvallen tegen adel en geestelijkheid, tegen zich had opgewekt. Uit aesthetisch oogpunt is de Spieghel Histo-riael, al is hij niet zonder eene voor zijn tijd zeer te waardeeren historische critiek opgesteld, weinig méér dan eene berijmde kroniek.

14. Tot hiertoe hebben wij onzen dichter bijna uitsluitend als vertaler leeren kennen; en zoo al de voortbrengselen uit dat tijdperk zijns levens kennelijk zijne richting, het doel van zijn streven verraden, — zijne dichterlijke begaafdheid is daar menigmaal in teloorgegaan. Thans gaat hij ook als een met vindingrijk vernuft en levendige fantasie bedeeld lyrisch dichter voor ons optreden, en het zij reeds bij voorbaat gezegd, ook de versmaat, waarin deze werken geschreven zijn, getuigt van eene veel grootere technische vaardigheid, dan wij tot nog toe bij hem gevonden hebben.

De Wapene Marlijn, aldus genaamd naar de aanvangswoorden van het dichtstuk, is eene in 75 strofen gedialo-geerde, met menigen satirieken trek doorspekte, bespiegeling over tien verschillende onderwerpen. Het zijn louter vragen, die door den eene gesteld en door den

-ocr page 93-

79

andere beantwoord worden. Jacob, de eerste der woordvoerders, is natuurlijk de dichter zelf; met Martijn wordt een dier Utrechtsche vrienden bedoelt 1, met wie wij hem, bij het bespreken zijns Leven van Sinte Franciscus, reeds in betrekking vonden. Men weet, dat de Utrechtsche hoofdkerk Sint Maarten tot palroun had. Al de Martijns zijn in strofen van 13 verzen niet 2 rij men, een staand en een slepend, opgesteld, naar het rijmschema aabaa-baabaahh. De a's verbeelden daarbij het staande en de b's het slepende rijm, ook staaitrijm genoemd, rythmus caudatus, of als de Franschen zeggen, rime couéc. Hoort hoe het gedicht eindigt met. den lof der vrouwen en bovenal der Moedermaagd.

Vrouwen sijn bi naturen goet: Si slachten Men wine ende der gtoet, Die de werelt verbliden.

Die des wijns te vele indoet,

Ente na den viere set den voet, Mine cans niet ghelidon.

Waren die manne also behoet, Dat si oghen, sin ende moet, Wel con_-ten besniden,

So ware vrouwen minne spoet : Nn werden si aan minnen verwoet. Diere dompelike toe tiden ;

Dit doet vrouwen beniden.

Wat mochte ver Yeve, dat Adam Dor haren wille den appel nam, Dat wi noch alle besterven ? Ic waenre ons vordeel ave quam: Want hieromme themelsce lam Wart mensce tonser bederven. Hi versoende den vader gram, Hi wijsde ons den wech enten dam Toter hogher erven.

Selsienre dinc noyt man vernam, Dan die maghet God maecte so tam. Dat hi ene werven Dor ons wilde sterven.

Wat maken quaetsprekers ghescal ? Vrouwen dadent weina al.

Dat oyt wonder ghesciede.

Al dat es ende wesen sal,

Ende oyt was sonder ghetal, Inghele ende liede,

Benedide, groet ende smal Marien, die ghenas den val Van mensceliken diede.

Soe es die rovede ende stal Die sielen int helsce dal.

Dies Lucifer beghiede,

Dat waer sine maisniede.

Jacob, du best den vrouwen hout. Du gheves den mannen al die scout; Ic wane, iet best ghedoghe. Ic vergheve al onghedout Allen vrouwen, ionc ende out, Omme die vrouwe hoghe,

Daer ons af quam onse behout. Ghedanct si soes dusendfout. Dat soene uphilt met soghe, Die ons benam dat helsce cout ! In hare hem ic tendene bout Onse dyaloghe :

In vraghe nemmeer, no en toghe.


15. In den vrij aanmerkelijken tijd, die er tusschen dit werk en het vervolg. Dander Marlijn, verloopt, is

-ocr page 94-

80

onze dichter bepaaldelijk naar Damme verplaatst, wat blijkbaar volgt uit de tweede strofe van den tweeden Martijn :

«Jacob, du woens inden Dam, Weetstu wat mi oit mesquam ?

Ende ic tutrecht, dies bem ic gram, Dats dat ic bate nie vernam Dat wi dus sijn versceden. Ant dichten van ons beden.quot;

De liefde is het eenige in deze 26 strofen besproken vraagstuk. Als kunstwerk staat dit vervolg achter bij den eersten Martijn. die het wint door meerdere stoutheid van gedachten en vuriger verbeelding.

16. Het gedicht Vander Drievoudicheden kan die derde Martijn heeten, inzooverre dat het in gelijksoortige koepletten en in den vorm van een tweegesprek tusschen dezelfde personen, als de twee vorige, is opgesteld.

Wij kunnen onquot;, het genoegen niet ontzeggen, de verheven omschrijvingen van God en van de H. Drievuldigheid uit dit werk hier ter lezing te geven.

Marlijn ! du vraghes mi te hoghe; Al vloghic boven der ing le vloghe.

Boven Cherub ende Seraph,

Alle creaturen, hoe so men poghe.

En doghen niet een caf. Dat hare enich te vullen toghe. Maer verscaerp dijns sins oghe, Hore, wat schrifture mi gal'; Hout in dire herten graf.

Dese God. daar wi af leren.

Doet sonne, troen en de sterren keren,

Ende al dat roerende si.

Sijn rusten es nochtan so vul eren. Dat hem niet en can ghederen

Geen porren, verre no bi.

Hi es dat hi was, dit nes gheen sceren.

Hine wille minren no meren.

Hi es Sijns selves vri.

Hi doet haer alle dinc gheneren, Sine rijcheit en mach niemen verteren ,

Alle steden vervullet hi ; Dus leret tghelove mi.

Martijn! nu en clach no en crone Dit is één God in drie persone,

Daer ic af spreke te di.

Even gheweldich, even scont.

Even ghelijc in werelt, in trone

Sijn dese eneghe drie.

Redene en draghet hier niet die

crone,

Maer tghelove sonder hone. Dal en twivelde nie.


17. De Disputacie van onser Vrouwen ende vanden heilighen Cruce is wederom een in dramatischen vorm opgesteld gedicht, maar thans geheel van godsdienstigen inhoud, waarin plaatsen voorkomen, die met de beste

-ocr page 95-

81

voortbrengselen onzer middelnederlandsche letteren kunnen vergeleken worden. Van ons Heren wonden is van geringeren omvang, maar niet minder belangrijk.

18. Hoe diepen eerbied en teedere liefde M a e r 1 a n t gevoelde voor die „scoenre vrouwequot; die „blondequot; die „camer daer God in lachquot;, bewijst, behalve zoo menige met zichtbare voorliefde bewerkte plaats in zijne overige schriften, ook het korte gedicht van den V Vrouden, dat is: van Maria's vijf vreugden en vooral Die Clausule (d. i. strofisch gedicht) van der Bible, een verheven lofzang aan de H. Maagd.

19. Der kerken Glaghe, mede een strofisch gedicht, behoort tot M a e r 1 a n t's gelukkigste voortbrengselen. Hef bevat uitsluitend klachten over het zedebederf in kerk en staat, gelijk er meermalen, verspreid, in de andere werken des dichters voorkomen. Van den Fran-schen trouvère R u t e b e u f, wiens bloeitijd tusschen de jaren 1255 tot 1285 valt, en met wien Ma er la nt meer dan ééne overeenkomst heeft, bestaat een soortgelijk werk. De Sainte Efjlise geheeten, dat onzen dichter wellicht tot. model diende, al heeft hij het juisl niel vertaald.

20. Ook zijn zwauezang. Vanden lande van Oversee, doet aan Rutebeuf's Complainte d'Oulre-mer denken. Deze beschrijving van en weeklacht over den toestand des Heiligen Lands eindigt met eene vurige aanspoiing tot het aanvaarden van den kruistocht. Het geheelè werk is eene ontboezeming vol dichterlijken gloed en treffen il van vorm en kleur.

,,Kersten man! zoo roept hij uit;

Kersten man ; wats di ghesciet ? Slaepstu ? hoe, ne dienstu niet Jhesum Christum, dinen Here? Peins! doghede hi doer di verdriet,

Doe hi hem vanghen ende crucen

liet,

Int herte steken metten spere ? tLant, daer hi sijn bloet in sciet, Gaet al te quiste, alsmen siet; Lacy! daer en is gene were !

Daer houdt dat Sarracijnsee diet Die Kerke onder sinen spiet


6

-ocr page 96-

82

OiteiiU'der, ende djet haer groet onnere :

Ende di en dunkets min no mere!

Die Kerke is van haren lene Ontervet: dijn herte is van stene. Kerstijn, [en] gaet liet di na.

Si es dijn moeder, die ic mene, Die di suver inaect ende rene.

Als men di in die vonte dwa. Satanas kinder alghemene Hebben die momborie allene

Beset op dat di toebesta. Nu roept die Kerke, met groeten

wene:

«Jhesus Iverst van Nasarene! Men rovet dat erve, dat di toega: Pugna pro patria !quot;

In weelden sitstu hier versmoert. So dat met di is ongehoert Gods lachter ende sine scande; Dune peins niet om die moert, Die tot Akers in die poert Wrochten di Gods vianden.

Daer is Gods dienste ghescoert. Cloestre ende huse sijn testoert, tFole verbeten van wreden tanden. Kerstijn man! twi en trecstu voert? VVaerom sitstu hier verdoert ? Du sout llemelrike panden Op Gode, wiltu dien lachter anden.

Joncfrouwen van religioene,

Suver ende van heilighen doene,

Onsuverden die Sarracine.

VVie men hoerde, die wassoe coene Die Jhesus noemde, Mariên soene, Men dede hem torment ende pine; Men briet sulken ghelijc den hoene; Sulc wart onthalst hi den caproene;

Sulc gescout ghelijc den swine; Gbi heren ! ghi prineen! ghi baroene! Hoe comt, dat hem elc niet ver-

moene

Met live, met goede, ghereet te sine,

Te suveren tlant van dien venine, Coninghen, graven ende hertoghen. Die op anderen orloghen

Ende om een clene dine verraden. Peinst, wat -Ihesus wilde doghen,

Om u te brenghen ten Hoghen

Rike, daer attoes is ghenaden. Sijn huus, sijn lant staet doer-vloghen

Ende verwoest, als men mach toghen,

Ende u en dunctniet siere scaden? Ghi hebt Hem sijn bloet ontso-ghen — T vvi ontkeerdi Hem uw ogben ? Ghi hebt enen andren last gliela-den,

Ende laet uwen God versmaden.

Nu weert tijt, dat men soude Den scilt van sabel ende van goude

Toghen ende van lasuren. Die niet voerttreedt alse die boude, Ende wreect sire moeder, daar hi afhoude

Sine kerstijnheyt, hi salt verburen.

Twi wil elc leven met groter vroude, Sonder hitte ende sonder coude.

Recht na sijn gevoech ter curen ? Het moet al sterven ionc ende oude. Peinst wat .Ihcsus gedoghen wonde Dor uwen wille, ende besuren ; Waer overgaen u tijt ende uren ? Neemt den scilt vermelioene. Die jhesus droegh, omtrent noene.

Op den Goeden Vridach,

Doe hi den camp vacht, alse die

coene,

Daer hi verdinc maecte, ende soene Ons ieghen Hem, diet al vermach : Vondeinen prencen ende baroene. Als men hier voermaels plach te

doene.

Die Kerke en dade niet sulc ghe-clach

Want si was des onghewoene Bi Godesfroits tiden van Bulgoene, Ende bi Carle, die node sacn Dat si stoet ontflnc of slach.

Wat vaerdi, in desen daghen, Met valcken bersen ende iaghen, Ghi lantsheren, ghi civiteine ! Hoerdi niet die Kerke claghen ? Of ghi sijt van haren maghen,

Openbaer leyts int pleine!

Dordi uwes kerstijnheits ghewaghen.


-ocr page 97-

83

So moeti den scilt draghen, Ons te loessene uter plaghen.

Die God veruwede met ieder Die vloyet uter hellen fonteine,

greine. Ghemanc met torment ende met

Hine liet Hem niet versaghen. weine.

21. Ziedaar de werken die op Maerlant's naam staan. Ze zijn talrijk en merkwaardig genoeg om hem den eeretitel van

gt;■......vader

der dietscer dichter algaderquot;.

hem door Jan Roendale, den klerk van Antwerpen, gegeven, toe te kennen, al had hij ook niet met zoo onverdroten ijver, als tegenstelling der zeker meer dichterlijke, maar ook meer ijdele voortbrengselen der Ridderpoëzie, wetenschap, zedelijkheid en deugd onder het volk zoeken te verspreiden ; al had hij ook niet met zoo krachtige hand die burgerlijke, met onzen praktischen aard zoo wel strookende dichtschool gegrondvest, die voortaan, een geruimen tijd, den schepter zal voeren op het gebied onzer Nederlandsche letteren.

§ 2. Maerlant's school.

1. Alhoewel misschien niet alle kroniek- en zededichten van het einde der XIIlde en het begin der XIVde eeuw onder Maerlant's invloed ontstaan zijn, zeggen wij nochtans dat ze zonder onderscheid, tot zijne school behooren, omdat de richting, de geest er van en de beginselen, waaraan zij hunnen oorsprong te danken hebben, dezelfde zijn.

2. Wij zaj^en reeds, dat een stadgenoot van Maerlant, Philip Utenbroeke, de tweede paertie van den Spieyhel Historiael bewerkte.

Heer Lodewijk, Pastoor van VeUhem uit het adellijk geslacht van dien naam, voltooide op verzoek der Antwerpsche edelvrouw, Maria van Berlaer de ,,vierde paertiequot;, tot het jaar 1256, en voegde er op aansporing van een dienstman des heeren van Voorne, wiens hofkapelaan hij daardoor hoopte te worden, eene vijfde bij, welke tot 1316 loopt. De historische waarde vooral van het laatste gedeelte dezer kroniek en iets karakteristieks in den

-ocr page 98-

84

zegtrant zijn bijna de eenige verdiensten van eea werk, dat wemelt vau bastaardwoorden en onregelmatigheden. Hij wordt pas dichter, als hij, na eene, door hem aan een wonder toegeschreven, genezing zijner blindheid, aan Maria zijnen dank daarvoor betuigt, in eenige fraaie in kunstigen strofenvorm opgestelde He-deren.

Over zijne romantische geschriften hebben wij vroeger reeds gesproken.

3. Verder vermelden wij hier den Grimbergschen oorlog, een uitgebreid gedicht, door kracht van uitdrukking, warmte van schildering en levendigheid van voorstelling, merkwaardig genoeg om door Bilderdijk „dellias van het moedig geslacht der lierthoudsquot; en „een voortrellelijk stukquot; genoemd te worden. Het bezingt den oorlog, door den Hertog van Leuven en van jBrabant, Godevaert met den Baard, tegen den lieer van Grimbergen gevoerd, en is opmerkelijk daardoor, dat, tegen den gewonen loop der gedichten, de geliefkoosde held van het stuk wordt overwonnen.

Wij hebben hier niet met een trouw geschiedverhaal, maar met een episch dichtstuk te doen, al behoort de onbekende dichter, blijkens zijn grooten weerzin tegen de romantische literatuur, tot de school van M a e r 1 a n t.

„Te Grimbergenquot;, zoo verhaalt hij;

Te Grimbergen was daer een stout Here, hiet mijn heer Arnout. Machtich was hl ende rike Van goede, van lande, sekerlike. Van vrienden ernlc van maghen met.

Ende te Grimborgen, daer stond

mede

Een boroh store ende groot; Men wist. haorre genoot ]n monich mijlen verre no bij. Twca sonen hadde dese ridder vrij, Die vrome waren ende stout, D' eene hiet heer Wouter Berthout, D' ander Geraert Drakenbaert, Na sinen ouder vader waert. Die alsoo bieten bij namen.

Sij waren seone van liebamen, Ende wel gemaect, van sterke leden. Vrome, coene, bovesch van seden. Metten goeden sere gemint.

Mee so waren sy wel bekint Goedertiere, ootraoedich, milde, Goet ten spore ende ten scilde, Dit was op Alder-Apostel-dach (Also ie u sal doen gewaeh) Dat mijn Heer Arnout was geseten in sijn borch, ende sonde gaen eten Ende sijn lieden die bij bom waren. Diere vele was, te waren;

Want hij hielt seone maiseniede. Ridderen, knapen, andre lieden. Bi hem waren heren lofsam,

Doen di bode gereden quam,


-ocr page 99-

Die hem seinde die hertoge vrij; Voere die brogge beetle hij,

Ende ginc in de sale te hant,

Daer hi heer Arnout rant Ten etene ende beyde sijn sonen, Ende noch vijf ridders hoordic nomen,

Die vrome waren ende stout.

Doe ginc die bode staen daer naer A'ore die tafle, ende seide: «God, Die overal hevet gebod.

Hij moet houden in sijne eere Van Grimbergen Arnout, den here, Ende daertoe alle degene mede. Die met hem sijn teser stede,

Ende beide sijne kynderen vrome!quot; Heer Arnout sprac: »Sijt willecome, Gomt sitten eten ter deser tijt. Dan segt wat gij begeerende sijt.quot; — «Here, danc hebt, maer hoerel mij Waeromrne ic hier comen sij,'' Sprac die bode te hant;

«Mij heeft hier tot u gesant Die hertoghe Godevaert Metten Baerde, die heere waert Van Brabant ende van Lotrike, Ende ontbiet u sekerlike Dat ghi u goet cornt ontfaen Van hem, gelijc dat gedaen Heeft die ridder uytvercoerne, Die men heet here van Hoernc, Ende selve die here van Adingen, Ende beide die heren sonderlinghen Van Gaesbeke al gemeen.

Dese hebben haer goet, haer leen Al te saem van den hertoge coene, Gelijc sij sculdich sijn'te doene; Ende voort seldijt doen.

Als u voorsaten hebben geploen. Gomt ontfaen u lant, u goet Van hem ende u leen; het moet Sijn met bedvvange ofte met minnen ! Aen d' oorloghe mochti luttel winnen.

Ende doedi des nu niet, hi sal Comen met sinen lieden al,

Ende salre u toe met crachte,

Ondancs uws ende uwen geslachte. Dwingen, ende dat lant afberren Dat ghi van hem hout, sonder mer-

ren.

Besiet hoe ghi beraden sijt:

Welc hebdi liever teser tijd — Peys ofte onpeys? dat segt nu mij. Dat ic 't mag seggen den hertoge

vrij.

Alsoe heer Arnout verstont Altemalen des boden gront Dat die hertoge met gewonde Manschap hebben wilt ende houde, Op dat hi soude in sijn l-nt Met crachte comen ende brant Ende roof daer inne stichten, — En conste u niet wel berichten Die onweerde die hi hadde daerin; Want hem dochte in sinen sin. Dat hi metten hertoge coene Niet en hadde te doene,

Al was hij rijcke man van lande; Ende antwoorde den bode te bande Al onberaden; «Ic hebbe verstaen U boetscap; maer segt saen Den hertoge, uwen here, weder, Dat ic niet een spoerveder Ene gave om hem noch om sijn daet! Des segt hem, dat's mijn raet. Dat ic van hem groot noch cleen En sal ontfaen, lant noch leen. Ic en houde van niemant mere Dan van Gode, onsen here. En ware of ic die strate hilde Te lene van den keyser milde, Tusschen Bruessel ende Grimbergen.

Segt hem dit sonder verberghen. Des biddic u op rechte trouwe.quot; Die knape sprac, »bij onser vrouwe. Hi soude wel die boetscap doen.quot; Oorlof nam hi aen ten baroen Heer Arnont, ende bevalne saen Te Gode, ende alle (sonder waen) Die hij mit hem leit in de sale. Te sinen peerde ghinc hi ten dale, Daer bi al te hant op screet,

Ende voer te Bruessel waert gereed.


3. Veel overeenkomst met het vorige gedicht heeft de Slag van W oer one of Woeringen,

-ocr page 100-

86

«also alse Van Heelu broeder Jan ons heeft bescreven ende doen verstan ;

oec heet hi broeder Jan van Leeuwequot;

Meu heeft zelfs het vermoeden geopperd, dat beide gedichten van een en dezelfde hand zijn.

Broeder Jan van Heelu of van Leeuwe was ooggetuige van den beroemden slag bij Woeringen, waarin ten jare 1288, hertog .lan F van Brabant den aartsbisschop van Kfnlen en de graven van Luxemburg en Gelder overwon, en waardoor des overwinnaars recht op het hertogdom Limburg erkend werd. Meer dan de Griinbergsche oorlog is het werk Van Heelu een trouw geschiedverhaal, dat echter persouen en handelingen op aanschouwelijke wijze, ja, soms met gloed schildei t. Overal straalt des dichters geestdrift voor zijn held, den ridderlijksten vorst zijns tijds, door. Aan deze geestdrift dankt zijne teeken-stift verscheidene stoute trekken; maar zij is ook schuld, dat hij niet altijd vrij is van gezwollenheid. Hij droeg zijn gedicht op aan Margareta van Engeland, de bruid van des overwinnaars zoon, ten einde haar, met de bewondering van haars schoonvaders daden, liefde voor de taal des lands in te boezemen. Hoogstwaarschijnlijk werd het gedicht geschreven toeu Hertog Jan nog leefde, dus nog vóór 1294, zijn sterfjaar.

4. Wij zagen reeds uit Maerlant's betrekkingen tot Noord-Nederland, dat ook daar de liefde voorde letteren ontwaakt was. Melis S to k e, de „arme clerkquot; van dienzelfden graaf Floris, wien M a e r 1 a n t zijn Spieghel Histo-riael opdroeg, schreef in het begin der'XIVde eeuw, eene berijmde geschiedenis der graven van Holland, waarvan het eerste gedeelte hoofdzakelijk het Chronicum Egmun-danum vertaalt en tot het jaar 12Ü5 loopt, gelijk hij het

«bescreven vant in den doester tEcghemonde, in Latine, in vraier orcondo

sonder favele, sonder lieghen,

ende sonder iement te bedrieghen.quot;


,,Want,quot; zoo voegt hij er bij, zinspelend op de verhalen uit den vreemde:

-ocr page 101-

87

öWantet dinkel mi wesen scande dat de lieden van den lande ander giesten vele weten,

ende si des hebben vergheten wanen si selven sijn gheboren, ende wie si waren hier te voren die tiant wonnen entie erve daer si of nutten die bederve/'


Maerlant heeft in zijn Spieghel Historiael van datzelfde chronicum gebruik gemaakt voor de Brabantsche geschiedenis, misschien wel door middel van S t o k e' s vertaling.

[Iet tweede gedeelte gaat tot 1305 en is eenigen tijd later opgesteld.

Slechts zelden weet Stoke aan zijnen gewccnlijk konden, soms langdradigen kroniekschrijversstijl eenige warmte bij te zetten, wanneer hij enkele meer indrukwekkende gebeurtenissen verhaalt, als; het verlies van Jeruzalem, gravin Ada's huwelijk bij de lijkbaar baars vaders, of, meer nog, den moord van graaf Floris V.

5. De didaktiek vond een harer ijverigste en begaafdste voorstanders in Jan Hoen dale, den schepenklerk van Antwerpen, om zijne ambtsbetrekking ook Jan de Cl ere (verkeerdelijk Jan Deckers) genaamd, die omstreeks 1280 te Tervueren, bij Leuven geboren werd, en in 1351, volgens anderen en waarschijnlijker in 1365, te Antwerpen overleed.

6. Zijne werken zijn deels van historische, deels van zedekundige strekking. Tot de eerste soort behooren de op verzoek van Willem Rornecolve begonnen en in 1316 of 1317 voltooide Brabantsce Yeesten, eene geschiedenis der hertogen van Brabant.

7. De drie eerste boeken voliien Maerlant's Spieghel, ten opzichte van de Brabantsche geschiedenis, met gedeeltelijke omwerking, soms met overneming van geheele stukken. Het vierde en vijfde zijn zelfstandig opgesteld en leveren de meer eigenlijke geschiedenis van Brabant, tot het jaar 1310. Later heeft hij aan de Yeesten een vervolg toegevoegd, dat ons tot 1347 brengt. Als geschiedwerk is het tweede gedeelte der Feesten veel merkwaardiger dan het eerste. De stijl is eenvoudig, maar helder

-ocr page 102-

88

en vloeiend, en in dit opzicht overtreft hij zijn meester, wiens denkbeelden over de waarde der geschiedenis hij dan ook met nadruk handhaaft tegenover de verdichtselen der verbeelding.

8. In zijn Fa« den derden Edewaert schetst hij des Engelschen koniugs verblijf eti krijgsbedrijven in Vlaanderen en Brabant, gedureude de jaren 1308 — 1340. Dit werk werd in 1348 voltrokken. Een aan de C1 e r c toegeschreven fragment, waarin de slag van Crecy verhaald wordt, zou kunnen bewijzen dat hij een vervolg op den derden Edewaert gemaakt had; maar dat fragment ademc een geheel anderen geest dan Bo end ale's werk en is dus waarschijnlijk niet van zijne hand. Het zijn trouwens slechts 103 verzen.

9. Tot de zedekundige werken van Jan B o e n d a l e behoort in de eerste plaats, het aan zijn stadgenoot, den in 1333 reeds gestorven drossaart en kanselier van Brabant, Rogier van Leefdale, opgedragen Jan s Teesteye, d. i. testée, van teste, té te, wat iemand in het hoofd heeft, zijne meening, zijne overtuiging. Inderdaad bevat dit gedicht eene samenspraak iu den trant van Ma e r I a n t's Mar-tijus, maar niet in strofen, tusschen Jan (zeker de Clerc zelf) en Wouter (wellicht zijn medeklerk Wouter van Vorderslende), waarin de eerste zijne meening over tal van onderwerpen uitspreekt. Zoo leert hij daarin;

»van den state alrehande

des volx,der papen ende der heren.quot;

verder „van den doemsdage, . . van die zueticheit van hemelrike ende die bitterheyt van der hellen.quot;

De Teesteye werd voor 1333 geschreven, maar of zij vóór of na den Lekenspiegel vervaardigd is, kan men niet met zekerheid uitmaken.

10. Zoo het burgerlijk positivisme der didaktische school in de Teesteye reeds krachtig te voorschijn treedt, en de derde stand er blijkbaar zijne rechten doet gelden, de hoogste uitdrukking van die richting, ja, het glanspunt van Maerlant's school, vinden wij eerst in Boend ale's hoofdwerk, den Lekenspieghel.

-ocr page 103-

89

I3it belangrijk gedicht werd in 1325 of 1326 begonnen en «opteu sesten duch, die in ougstraaend gelach, dertien hondert ende xxx mede,quot; voltooid. Het is bestemd om den leeken, als in een spieyel, te doen aanschouwen wat op hun belang betrekking heeft. Het eerste boek handelt over God en de schepping; het tweede over 't ontstaan en de vestiging des Christendoms tot aan Karei den Groote; het derde bevat de zedeleer, en het vierde leert, «vander werelt endequot; en tevens van de straffen en belooninwen na dit leven.

o

Het geheel is een meesterstuk in zijne soort, niet slechts om de levendigheid, waarmede ei- verhaald wordt, om den gloed, die ondanks het praktische der strekking, de vertoogen doortintelt, maar ook omdat het «voldoet aan de eerste vereischte der schoonheid, eenheid in het verscheidene.quot; Deze uitspraak van Dr. M. de Vries aarzelen wij niet te beamen, al erkennen wij, dat het derde Boek eenigszins van het geheele plan schijnt af te wijken. Dit, overigens met kennelijke voorliefde door den dichter bewerkte, gedeelte is geheel in den geest der Teesteye, maar met meer bedaardheid, hoewel uitvoeriger en als met vastberadener overtuiging, geschreven. Hoort, hoe bondig hij er de plichten van een goed dichter opsomt:

Drie pointen horen toe Eiken dichtre, ende segghe u hoe: Hi mopt sijn een gramarijn, Warachtig moet hi ooc sijn, Eersaein van levene mede; So mach hi houden dichters stede.

Gramarie is deerste sake ; Want si leert ons scone sprake, Te rechte voeghen die woorde Elc na sinen scoenste accoorde, Te rechte scriven ende spellen Ende dat pointelijc voort vertellen.

Aldus moet die dichtre sijn Van rechte een gramarijn; Want die niet en versinnet des

Wat consten gramarie es,

Alse leecke liede, die en moghen Te goeden dichters niet doghen ; Want sine hebben gheen fundament Daer men recht dichten in kent. Wat helpter vele of ghelesen'? Hi moet een gramarijn wesen Ende te minste conne sine parten : Dat is tbeghin van allen arten: Die des niet en weet, sijts ghewes Dat hi gheen goet dichter en es. Noch dichter ooc en mach sijn, Is hi Walsch, Dietsch of Latijn.

Tander point dat ic seide.

Dat is warachticheide.

Met rechte sullen dichters plien Datsi loghene sullen vlien;


-ocr page 104-

Want een dichtere dats een poëte, Die wel wil datmen wete Sine lere ende sine schrifture, Ende dattie ooc ewelike dure. Vin tin en sine scrifture valsch dan,

So en sa! nemmermeer man Hem van rechte gheloven voort; Want la heeft dichten verboort Ende verloren dichters name,

Ende sal hebben des ewelike blame.


Elders, na eene tamelijk democratische voorstelling van den oorsprong des gezags, voert hij den machtigen

te gemoet;

Daer omme siet, ghi heren, wat ghi

doet:

Alse ghi neemt lijf ende goet

Uwen lieden, sonder hare scout,

Ghi misdoet vele menighervout

Dan oft u lieden daden,

Die ghi hanghen sout ende raden.

Ende also wel verbuerdi

Die selve doot alse si;

Want boven u so gaet dat recht,

Want ghi sijt des gherechten knecht,

Ende tgherechte, dats ware tale,

Mochte u u lijf ontwisen wale.

Weder ghi sijt keyser ofte coninc Hout dit voor ware dinc.

Daer bi besiet wiselike,

Dat beide arme ende rike Recht hebben in uwen hoven: Want hier is een here boven,

Diet al siet ende verstaet Uwe rechten, ist goet, ist quaet; Ende des en sal hi niet vergheten, Hi en sal u weder melen Metter maten daer ghi meet hier, In hemelrike ofte int ewighe vier.


Ook den geestelijken houdt hij hunne plichten voor oogen :

Die sekerste conste, die Salichste die was ye,

Dats den volke die waerheit leren Ende wisen die ghebode ons heren, Hoe si comen ten ewighen lande; Ende dese sijn tweerhande:

Sulc predict dat Gods woort Ende leert den volke voort Ende leefter ooc selve na,

Dese sal, alsic versta.

Voor Gode sijn ghecroont Ende met groten lone gheloont; Want hi slacht der sonnen dan. Die haer licht uut gheven can

Optie werelt, hier ende daer,

Ende blijft selve even claer.

Sulken konnen Gods woort uut gheven.

Diere selve en twint na leven. Dese slacht der kaersen, hoe soot

vaert.

Die enen andren licht ende haer sel-ven vertaert.

Dese sullen ewelike Sitten in den helschen slike Om datsi andren tgoede leren Ende selve nochtan archeit hanteren.


Maar al hekelt De Cl ere, die zelf een geestelijk persoon was, de gebreken der priesters, met al de vrijmoedigheid, zijner eeuw eigen, het was hem slechts om de misbruiken en wellicht om de personen te doen; maar het beginsel was hem heilig.

-ocr page 105-

91

GVii suit u altoos daer toe keren, Dat ghi papen ende clei'ken sulveren Ende algader also voort Datter kerken toe behoort:

Daer of so hebdi groten loon.

Al en dochlsu niet waert die peisoon, Hi is wel waert, sijts ghewes,

Daer hi na ghetekent es :

Dats Christus, dat ghijt wet, In wies steden die priester set.


En na eene geschiedenis, Ier si a vine te hebben verhaald, besluit hij:

Om Cristum, den Gods sone fijn, Daer si alle na ghetekent sijn.

Hier omrae ic u bevele Dat ghi ii herte daer roe keert.

Dat ghie tpaepscap altoos eert.

Even ernstig als B o e n d a 1 e over die gewichtige onderwerpen weel te spreken, even gemakkelijk gaat hem de liefelijke legende van de hand, of verklaart hij, in volgender voege, de symboliek van den kerkbouw;

van die leering,

Bider dore vander kerke Moeghdi recht gheloeve merken; Want alsoemen, dat verstaet, Ter dore indie kerke gaet,

Alsoe leidet tgheloeve ghewesse Den mensche in Gods kinnesse, Ende vanden Gods kinne Vordane in sine minne,

Want sonder gheloeve en moghen

wi

Niet werken dat goet si.

Gregorius seeght, alsmen daer siet;

Gheloeve sonder were en doech niet: Die duvle gheloeven, maer dat En mach hen helpen niet en blat, Want sonder were es haer gheloef: Soe es oec dit algaeder doef.

Die twee wande bedieden Twee manieren van lieden. Dat Joedsche ende dat Heidijn

Die steene die daer versaemt sijn Deen opten andren menech een, Die bedieden dat ghemeen Vole der heiligher kerstenheden. Dat in minnen ende in vreden Te samen sal sijn ghemeene,

Alsoe versaemt daer sijn die steene Die hoghe torre die daer staat. Die hoghe ende scarp op gaet. Wijst ons onse erve daer boven, Daer dingle Gode loven,

Daer wi na selen poghen, Met scarpen senne, dat wi moghen, Ende onse herte, spaede ende vroe, Innechlec gheven' daer toe.

Dcruce daer boven, wet dat wel, Bediedt die selve slotel Die den hemel ons ontsloet Mids Cristus heileghe doel.

Bider pilaren van der kerken Moghen wi die apostlen merken. Die tgheloeve staende bilden Ende daerommeoec sterven wilden. Si bedieden oec mede Prelate der kersten bede.

Die mids leere ende goet leven Dien volke souden gheven Goede exemple, daer si Te beter souden wesen bi,

Ende lijf ende goet, sonder letten. Vore der kerken recht setten. Hiertoe sijn tallen stonden Prelaten van rechte ghebonden ; Anders sijn si Pylats Bat gheheeten dan Prela'e.

Glasen venstren die daer sijn, Daer dore blict dat sonneschijn, Dat die kerke verlicht binnen.

Daer bi moghen wi versinnen Die scriUnre dl doet Verlichten den goeden moet.

Die doeke bediet die predecaren Die Gods woert openbaren ;


-ocr page 106-

Want alsoe die clocken Die goede liede te gaeder locken, Alsoe roepen die predekeren Ten gheloeve die sonderen.

Die vonte gheeft ons te verstane Die riviere van der .lordane;

Want alsoe Christus, alsic las. Indie Jordane ghedoept was,

Alsoe doeptmen, dat conl es u. Die menschen inder vonten an, Daer derfsonde met gaet af, Dat ons Christus passie gaf.

Doutaer vierhoeet diedt gheweS Dcruce dat oec vierhoeet es: Die priester oec, die den dienst doet, Bediedt Cristum die ant cruce stoet.


11. Isofj een ander didakcisch gedicht vau zedekundige strekking, „die dief see Doctrinaléquot;, voleindigd in 1345, wordt aan De Clerc door sommigen toegeschreven, al zijn er niet meer gronden voor die meening dan voor die, volgens welke ook de Meliheas (van 1342) en Dhoec der Wmtoi hem worden toegekend.

Die Doctrinalé is uit het Latijn vertaald, en bevat lessen van deugd en zedelijkheid voor alle standen. Voor het overige onderscheidt het zich door diezelfde fijnheid van taal en losheid van stijl, die wij in de vroegere werken leerden kennen en waarin Boen da le reeds merkbaar op Maerlant vooruit is.

12. Na den Melibeus, een zinnebeeldig verhaal, vol zedekuu-dige lessen, en Dhoec der Wraken, waarvan de hoofdinhoud is, dat God wraak neemt over den zondaar, slechts even vermeld te hebben, verlaten wij thans den vruchtbaren Antwerpschen schepenklerk, in wien de didaktiek zeker hare bloeiperiode bereikte, om nog een kort overzicht te geven van de minder begaafde volgelingen dier school.

13. Zekere Jan de Weert, zich noemende een cferc in surgyen, te Yperen, schreef en voleindde om 1351 een Spier]hel der sonden of Niwe Doctrinael, waarin hij niet slechts over de verschillende soorten van zonden onderricht, en over

drien saken dats biecht, rouwe ende voldoen die den raensche salich maken: der sonden die men heeft gheploen

maar ook menigen anderen wenk van praktisch nut en menige scherpe hekeling over zijne tijdgenooten ten beste geeft.

In de Paulinische bibliotheek te Munster berust een andere nog onuitgegeven „Spegel van Sondenquot;, dien H. Babucke als ean Middelnederduitsch gedicht kenmerkt, maar dat blijkbaar een

-ocr page 107-

93

echt Middelnederlandsch werk is, door den Nedei duitscheu afschrijver slechts wat Saksisch gekleurd. Het leerdicht is doorvlochten met exempelen, waarvan er sommige in Maerlant's werken te vinden zijn en behoort waarschijnlijker tot de XIVlle daa tot de XVlle eeuw, als J. te Winkel meent.

14. Daarbij bepaalde zich evenwel De Weei t's werkzaamheid niet. In navolging en versmaat van Maerlant's Wapene-Martijn, maakte hij een Wapene-Rogier. Zoo althans luiden de eerste woorden van Een Disputa-cie van Rogiere encle van Janne: al wederom een theologisch leerdicht met zedelijke bedoeling, over de zonde, de goddelijke genade en de bekoringen.

15. De liefde voor volkstaal en onderwijs was intus-schen aan het toenemen. Niet alleen de Rrabantsche hertogen, ook de graven van Holland toonden hunne belangstelling voor die gewichtige elementen van nationaliteit en beschaving. Onder de geestelijke orden, die zich, te dien opzichte, reeds zoo verdienstelijk gemaakt hadden, rees eene corporatie op, welke zich het onderwijs en de verbetering des volks bepaaldelijk ten doel stelde. De broeders van het gemeene leven, te Deventer door Geert Groete gesticht, verspreidden zich in korten tijd langs den Nederrijn en in Westfalen. Weldra werden er, door geheel de Nederlanden, scholen gesticht en, als een noodzakelijk gevolg daarvan, leerboeken ten dienste van die opvoedingsgestichten vervaardigd.

16. Zoo bezitten wij, behalve den Dietscen Catoen, dien wij reeds vermeld hebben, een fragment van een Boek van Svden, door behulp vau 't w elk de jongelieden in de praktische moraal onderwezen werden; verder. Die Dietsce Lucidarius eene soort van catechismus, door een geestelijke vóór 1353 uit het Latijn vertaald, en eene menigte kleinere werken vau dien aard.

17. In de Natuurkundige wetenschappen had men de Natuurkunde van hef heelal van den Gentenaar Geeraert van Li en-hout en de Cr acht der Mane van lleinric van Hollant; in de gesohiedkunde, behalve de werken der groote meesters.

-ocr page 108-

92

Want alsoe die clocken

Die goede liede te gaeder locken,

Alsoe roepen die predekeren Ten gheloeve die sonderen.

Die vonte gheeft ons te verstane

Die riviere van der .lordane;

Want alsoe Christus, alsic las,

Indie Jordane ghedoept was,

Alsoe doeptinen, dat cont es u. Die menschen inder vonten .111, Daer derfsonde met gaet af, Dat ons Christus passie gaf.

Doutaer vierhoect diedt gheweS Dcruce dat oec vierhoect es: [)ie priester oec, die den dienst doet, Bediedt Cristnm die ant cruce stoet.


11. iNog een ander didaktisch gedicht vau zedekundige strekking, „die dietsce Doctrinalequot;, voleindigd in 1345, wordt aan De Cl ere door sommigen toegeschreven, al zijn er niet meer gronden voor die meening dan voor die, volgens welke ook de Melibeus (van 1342) eu Dhoec der Wraken hem worden toegekend.

Die Doctrinale is nit het Latijn vertaald, eu bevat lessen van deugd en zedelijkheid voor alle standen. Voor het overige onderscheidt het zich door diezelfde fijnheid van taal en losheid van stijl, die wij in de vroegere werken leerden kennen en waarin Boen da le reeds merkbaar op Maerlant vooruit is.

12. Na den Melibeus, een zinnebeeldig verhaal, vol zedekundige lessen, en Dhoec der Wraken, waarvan de hoofdinhoud is, dat God wraak neemt over den zondaar, slechts even vermeld te hebben, verlaten wij thans den vruchtbaren Antwerpschen schepenklerk, in vvien de didaktiek zeker hare bloeiperiode bereikte, om nog een kort overzicht te geven van de minder begaafde volgelingen dier school.

13. Zekere Jan de Weert, zich noemende een cZsrc in slirgyen, te Yperen, schreef en voleindde om 1351 een Spiefihel der sonden of Niwe Doctrinael, waarin hij niet slechts over de verschillende soorten van zonden onderricht, en over

drien saken dats biecht, rouwe ende voldoen die den mensche salich maken: der sonden die men heeft gheploen;''

maar ook menigen anderen wenk van praktisch nut en menige scherpe hekeling over zijne tijdgenooten ten beste geeft.

In de Paulinische bibliotheek te Munster berust een andere nog onuitgegeven „Spegel van Sonden11, dien H. Babucke als ean Middelnederduitsch gedicht kenmerkt, maar dat blijkbaar een

-ocr page 109-

93

echt Midcblnederlandsch werk is, door den Nederduitschen afschrijver slechts wat Saksisch gekleurd. Het leerdicht is doorvlochten met exempelen, waarvan ersonitnige in Maeiinnfs werken te vinden zijn en behoort waarschijnlijker tot de XIVde dan tot de XVtle eeuw, als J. te Winkel meent.

14. Daarbij bepaalde zich evenwel De Weert's werkzaamheid niet. In navolging en versmaat vat! Ma er-la nt's Wapene-Marlijn, maakte hij een Wapene-Rogier. Zoo althans luiden de eerste woorden van Een Disputa-cie van Rogiere ende van Janne: al wederom een theologisch leerdicht met zedelijke bedoeling, over de zonde, de goddelijke genade en de bekoringen.

15. De liefde voor volkstaal en onderwijs was intus-schen aan het toenemen. Niet alleen de Brabantsche hertogen, ook de graven van Holland toonden hunne belangstelling voor die gewichtige elementen van nationaliteit en beschaving. Onder tie geestelijke orden, die zich, te dien opzichte, reeds zoo verdienstelijk gemaakt hadden, rees eene corporatie op, welke zich het onderwijs en de verbetering des volks bepaaldelijk ten doel stelde. De broeders van het gemeene leven, te Deventer door Geert Groete gesticht, verspreidden zich in korten tijd langs den Nederrijn en in Westfalen. Weldra werden er, door geheel de Nederlanden, scholen gesticht en, als een noodzakelijk gevolg daarvan, leerboeken ten dienste van die opvoedingsgestichten vervaardigd.

16. Zoo bezitten wij, behalve den Dietscen Catoen, dien wij reeds vermeld hebben, een fragment van een Hoek van Seden, door behulp vau 't welk de jongelieden in de praktische moraal onderwezen werden; verder, Die Dietsce Lucidarius eene soort van catechismus, door een geestelijke vóór 1353 uit het Latijn vertaald, en eene menigte kleinere werken van dien aard.

17. In de Natuurkundige wetenschappen had men de Natuurkunde van het heelal van den Gentenaar Geeraert van Lien-hout en de Gracht der Mane van 11 ei mie van Hol] an t; iu de geschiedkunde, behalve de werken der groote meesters.

-ocr page 110-

94

eene menigto kronijken ; ja, over Chiromancie zelfs schreef zekere pa pe van d on II a m ra e, geljjk Jan Y p e r m a n zijne denkbeelden over geneoskunde in proza te boek stelde.

3. Geestelijke PoëziE — Legenden en Heiligenlevens.

i. Door leering nut te stichten was nu eenmaal het hoofddoel geworden der wereldsche- kunst; is het wonder, dat ook de geestelijke letteren zich bij die werking aansloten en, duor de verheerlijking der Heiligen, door dogmatische bespiegelingen en verhalen, naar de beoogde verbetering en veredeling van het menschdom streefden ?

Veel aantrekkelijker om het naïef geloof, den gloed des verbaals en de soms lyrische vlucht, (en daarom misschien evengoed onder de Geestelijke Poëzie van het tijdperk der romantiek te rangschikken), is de beroemde XlVde-eeuwscho Legende van Theophilus, van dien man, »in doechden al volmaectquot;, die om zijne gekwetste eer te wreken, zijne ziel aan den Booze verpandde, maar door de zoete Moedermaagd tot inkeer en genade kwam. Hoe had ze, die ontfermhartige Jonkvrouw, den armen zondaar ook kunnen verstoeten, die in zijn kinderlijk geloof, als dreigende, van haar zeide:

«en hoort si niet mine claghe, ic sal hare te domesdaghe verwiten, daer sijt selen horen

die noit van wiven sijn gheboren, dat si mi ter noet ghebrac.quot;


2. Uit de XIVde eeuw bezitten wij nog eene berijming van heiligenlevens, welke

«Dichte wilen een clerc,

Ende bid den lesere, dat hijt noeme

In Dietsche; der Ystorien Bloeme.quot;

Al bericht ons de dichter, dat »derre boeke es vierequot;.

-ocr page 111-

95

er blijft ons slechts «dierstequot;, het leven der Apostelen, over.

3. Het Boec van den hou te, dat men geheel te onrechte aan M a e r 1 a n t heeft toegeschreven, bevat eene korte legende, die het ontslaan en de lotgevallen verhaalt van den boom, waaruit Christus' kruis vervaardigd werd. Zij is eene van die liefelijke spelingen der Mlddeleeuwsch-Chrislelijke verbeelding, waarin een geloovig, vroom gemoed en ernstig mystieke zin de verrassendste bijzonderheden tot een geheel heeft weten saam te vatten. Wij komen met nadruk op tegen de afkeurende oordeelvelling over deze en soortgelijke legenden door sommige moderne rationalisten uitgesproken.

i. Tegen het einde der XIVlle eeuw leefde, in het raiu-derbroedersklooster, te Sint Truyen, een broeder, mei; name-Geraert, wien geen onbevooroordeelde een uitmuntend dichttalent zal ontzeggen. Wij bezitten van hem de levensbeschrijvingen van Sinte Kerstinen de Wonderharp-, en van Sinte Lutgar-dis, beide vol van dat naïeve, warme, schilderachtige, soms verheven mysticismus, dat in zijn ougekunstelden eenvoud aantrekkelijk genoeg is, om volgens de onverdachte getuigenis van Dr. J. van Vloten, op onze wondervliedende eeuw zijne Werking nog niet te missen. De Sinte Lutf/ardis werd, reeds om hot midden der XIirle eeuw. uit het Latijn van Thomas Can tip rata-nus vertaald door Willem den prior van Afflighem. Waarschijnlijk heeft broeder Geraert deze vertaling nagevolgd, en wellicht is ze daarom wat minder volmaakt in den vorm dan de Kerstina, welke hij naar het Latijn van denzelfden Thomas Can tip rata nus bewerkte.

Wij bieden hier een stuk uit hot le Boek der Sinte Lutgardis ter lezing aan; men zal daarin ook Kerstma zien optreden, en voorwaar met „werdeghe talequot;.

In Sinte Katrinen doester, daer was Lutgart nonne wel XII iaer, tier lijt was daer Een heiiech man, di van Lyre hiet meester Jan;

uten besdom van Ludeken was hi: heileeh en salech so docht hi mi.... Hi kinde haer heiiech leven,en bat

haer sere, dat si liete de stat en dprioreit, dat si besat als prelaet, en maende har dies dat si in een doester van nonnen soud

varen,

die van der ordenen van Sistyaes waren ;


-ocr page 112-

96

en want si nyen conste walsche

sprake,

soen scheen sys nyet wel te gemake, en voer int walschelant wonen node ; rnaer sie had de eer te Herkenrode, int cloester, dar diedsche nonnen waren

van der selver ordenen, ghevaren... Doen sprac har God toe ernsteleke en seide: »Ic wil dat indeleke, dat ghi vaert te llawirs wert stoiteleke ende onververt; en doedys nyet, so wet dat wale, dat ic u sal begheven themalequot;.... Doen dit der heileger Kerstine wart cont, dattet met T.utgarden alsus stent (dier leven ic oec heb bescreven); omdat si haer hierop raet woud

geven,

quam si toet hare, en seid dees

waert;

» Waer om so en doet di nyet tervaert en vervult die dinghe, die u van Gode sijn gheheten nu1?quot;

Doen andwerdde Lutgart weder saen

en seide, »dat si nyen conste ver-

staen

van den lande daer de sprake: dat were, tprac si, dar toe groet sake. Doen antwerdde Kerstine haer tervaert

alst haer God gaf, en seid; «Lutgart ic waer mi liever in die helle eiï God daer ware mijn gheselle, dan in hemelrike te sine

sonder Godequot;.... Daer antwerdde Kerstine

sonder twivel alte wale : si andwerdde een werdeghe tale : in hemelrijc metten inghelen te sine sonder Gode, dat weer pine ;

maer in die helle met Gode te sine, dat waer groet welde en engeen pine, Haer tale was dan gewarech en wijs: waer Christus es, daerst paradys. Christus, die nyet lyeghen en mach, Sprac toten scekere,doen hine sach hangen aenden cruce daer bi heme, doen sprac hi; «Ghiseltmet

mi

int paradijs noch heden sijn.quot; Ets clerleker dan tsonneschijn oppenbaer, dat op dien dach, wat men daer toe segghen mach, Christus siele in geenre wijs voer int hemelsche paradijs,

noch oec int erdersche paradijs ; raanr in die helle, daer hi op prijs vechten voer schegen die viande, die hi deed beid scade en scande, endlen dat bi de sielen verloesle, di daer waren te haren ontroeste.... en met heme, als hi voersede and cruce, voer schekers siele oec

mede.

Hier met pruefde hi in deser wijs, waer Christus es daerst paradijs, wie seer onsuver dat waer een stat, Gods presencie maeckse, dat si costlec en lietlec es boven al; want inte scouwene Gode est al.


5. Reeds bijna een halve eeuw vroeg-er, in 136(5. had de Bruggenaar Grilles de We vel, ook een kloosterbroeder, liet leven van den „patroon der Nederlandenquot;, Sinte-Amand, berijmd in helderen, bevalligen stijl, hoewel niet minder geluk dan Ge ra er t; en een tijdgenoot van Maerlant, Martij n van '1'horhout. zou in de abdij van Eenhame, bij Audenaarde, niet alleen de Legende can Ste Maria van Eyyjoten maar ook de levens der heilige Eus achius, Werner, Ayatha en Catharina te boek gesteld hebben.

6. Zoo de geestelijke dichtschool van den eenen kant

-ocr page 113-

97

door voorbeelden van deugd en heiligheid tot navolging aanspoorde, van den anderen kant trachtte zij, even nadrukkelijk, van het kwaad af te houden, door veraanschouwelijking der geweldige smarten, die den onboetvaardiger! zondaar na dit leven te wachten staan. In dien geest werd de geschiedenis van den lerschen ridder Tondalus geschreven, waarvan wij slechts eene prozabewerking meer bezitten. Die strekking erkennen wij ook in een gedicht, dat met het vorige veel overeenkomst heeft en Patricius' Vagevuur betiteld is.

God, zoo wordt hier verhaald, had aan den H. Patricius eene sombere spelonk, op het eiland Ulton, aangewezen, in welke aan degenen, die er in nederdaalden, de «sa-lighe stedequot; benevens »der quaden pinequot; vertoond werden. Een met zonden besmeurde ridder waagde zich in het geheimzinnige hol, en zag daar over de hel en het vagevuur, de vreeselijkste dingen, die hij daarna, op aarde wedergekeerd, tot afschrik der anderen verhaalde. Hooge poëtische waarde heeft dit gewrocht zeker niet, en niemand denke daarbij aan eene vergelijking met Dante's meesterstuk. Marie de France bewerkte dit onderwerp in hare taal.

7. Keeds in de 2ie helft der XIlIlle eeuw, verscheen er eene vertaling der Visio Falberti, ouder den titel: Vander siele ende vanden lichame, een strofisch gedicht, waarin de ziel en het lichaam elkaar hun eeuwigen loven ondergang verwijten, en dat bijgevolg in denzelfden geest als de bovengenoemde werken was samengesteld. Ook Griel is van Mol he ra's vertolking van het Miserere, een Fransch gedicht van L e Rinclu s de Moll iens, waarvan de eerste strofe met dat woord begint en dat eene aaneenschakeling van vrome, maar vaak scherp hekelende bespiegelingen en zedelessen bevat, kan tot deze dichtsoort gebracht worden. G i e 1 i s volbracht zijn werk slechts gedeeltelijk ; het werd voortgezet door zekeren Hein ree, dien wij niet nader kennen, maar die althans minder onbeholpen in den versbouw is dan zijn voorganger.

-ocr page 114-

8. Een ander opmerkelijk, waarschijnlijk tot de helft er XIVde eeuw behoorend en oorspronkelijk Nederlandsch gedicht is: yjDie leeringhe der Zalichedequot;, van den Vlaming-Jan Praet, dat op heldere en kunstvaardige wijze, in afwisselende versmaat, de Christelijke zedeleer ontvouwt.

§ 4. Dichterlijke terugwerking.

1. De didaktiek was wel de hoofdrichting der letteren, sedert de opkomst van den derden stand, en bleef zulks ook, in zekere mate, tot aan de «Renaissancequot;; maar niet met uitsluiting van elke andere. De maatschappij moge een nog zoo grooten omkeer ondergaan, men vindt er altijd die aan het hestaanhebbende gehecht blijven, vooral wanneer dat niet onvoorwaardelijk af te keuren valt. Daarenboven is het aan bovendrijvende denkbeelden eigen, tot het uiterste te gaan en op die wijze als de kiem eener tegenwerking in hun eigen schoot te dragen. Eindelijk, de verhoogde welvaart deed zucht naar genot, en deze, kunstzin als tegenstelling van wetenschap, ontstaan; ziedaar de drievoudige oorzaak, waaraan de dichterlijke terugwerking tegen Van Maerlant's school te danken is.

2. Eerst begon men de gedichten der vorige tijdperken om te werken. De Reynaert, vooral het tweede gedeelte, de reis van Sinte Brandaen, de Ogier, de Ferguut en vele andere romans werden in het begin der XIVde eeuw, voor de toenmalige lezers ontvankelijk gemaakt.

3. Weldra stonden er ook nieuwe dichters op, die tegen de uitsluitend leerende school van Maerlant, kort na 's mans verscheiden, in verzet kwamen. Boendale gewaagt reeds van

»van Brusele Hein van Aken,

die wel dichte conste maken.quot;

Deze Hein van Aken, van Brussel, was sprochiaen te Cortbeke'quot;, en was in 1330 reeds overleden.

-ocr page 115-

99

Wij bezitten van hem een uit het Fransche L'Ordene de Chevalerie vertaald, in strofen geschreven gedicht; Hiujo van Tabarië, waarin verhaald wordt, dat de ridder van dien naam, door den sultan Saladijn gevangen genomen, zijnen overwinnaar ridder sloeg, na hem al de daartoe behoorende plechtigheden in hare symbolische beteekenis verklaard te hebben. Verhaal en leering gaan hier dus hand in hand ; en dit zullen wij in deze school gedurig erkennen; het verhaal alleen scheen te ijdel, de moraliseering alleen te droog, en zoo werd er een middenweg gekozen.

4. Een veel uitgebreider gedicht schonk ons Plein nog, den Roman van de Roos namelijk, dien hij, met eenige bekortingen, naar den beroemden Roman de la Rose van Guillaume de Lorris en Jean de M e u n g bewerkte. Deze middeleeuwsche Ars amandi (waarschijnlijk door den schrijver op jeugdiger leeftijd, tegen het einde der XIIIde eeuw, misschien in de tusschen-poozing, die na het IXde boek van den Limborch volgt, opgesteld), die in ergerlijke moraal bij haar berucht heidensch model nauwelijks behoeft achter te staan, en waartegen de geestelijke overheid dan ook, op den kansel en in opzettelijk daartegen gerichte schriften te velde trok, bevat in den vorm eener allegorie, eene theorie der liefde. Zinnebeeldige wezens: Quade-Tonge, Schande, Dangier, Dorperheit, Rijchede, enz. bewaken eenen lusthof, terwijl Scone-Ontfaen, Hovescheit, Soet-aensien, Coen-heit, en andere, den held behulpzaam zijn in het veroveren der in den lusttuin groeiende roos. Voegen wij hier evenwel ten slotte bij, dat, zoo de keuze der stof en des models den Nederlandschen dichter niet tot eere strekt, de aanmerkelijke inkortingen, door hem op de meest aanstootelijke plaatsen van het origineel gemaakt, een vleiend bewijs zijn van de minder gedaalde zedelijkheid onzes landaards.

-ocr page 116-

100

5. Oorspronkelijk en reeds daarom opmerkelijk, dat hij de eenige bekende Nederlandsche ridderroman is, die een Nederlandschen held bezingt, is de Roman der kinderen van Limborch, aan welks bewerking Hein van Aken een goed deel van zijn leven, van omstreeks 1291 tot 1318, schijnt besteed te hebben. De held van het gedicht is Hendrik, de zoon van dien Limburgschen hertog Waleram 111 ') (in den roman Otto genoemd), wiens graf men nog ziet in de kerk van het «Saint-Denisquot; der Litnburgsche vorsten, gelijk de geleerde Ernst zich uitdrukt, te Rolduc. Hendrik toog wel in 1227 met keizer Frederik 11 (in den roman Hilderic) naar het Heilige Land, en stond zelfs een geruimen tijd aan het hoofd van het leger der kruisvaarders, wijl de keizer, onder voorwendsel van ziekte, onder weg achterbleef; maar ziedaar ook bijna de geheele historische grondslag van den Limborch. De roman daarentegen verhaalt, hoe Hendrik zijne verloren geraakte zuster Margriete door de gansche wereld gaat opsporen, en haar eindelijk vindt te Konstantinopel, alwaar hij zelf, met de hand dei-erfdochter des Griekschen rijks, de keizerlijke waardigheid verwerft. Het doel, dat de held dezer Nederlandsche Odyssea vervólgt, geeft eene zekere eenheid aan anders onsamenhangende ridderverhalen ; maar men voelt dat onze dichter meer onder den invloed van herinneringen schrijft, dan algemeen gangbaren denkbeeldenten orgaan verstrekt; de ware riddergeest was aan het wijken.

Een laatste nagalm van de ridderpoëzie zal niet onwelkom wezen. In het achtste boek van den Limborch

1) Het Limburgscbe huis schonk ons eene niet minder dichterlijke spruit .in de kleindochter van den/.elfden Waleram 111, Lore of Laurntte, de Borchgravinue van Vergi. Deze immers was een kind van Matthijs II, hertog van Lotharingen, en van Gatharina, Waleram's dochter, en was ten tweeden male gehuwd met den Bourgondischen landvoogd Guillaume de Vergi. En quot; die Waleram is tevens, in dubbele linie, een voorvader van ons regeerend vorstenhuis.

-ocr page 117-

101

/

wordt de intocht der Heidenen en des reusachtigen Po-lifemus in Armenië aldus beschreven :

Nu laat ie van hem (Demophon) bliven,

Ende willu vort bescriven,

Hoe die coninc van Mombrant, Ende van Barberien die seriant, Ende van den Hunen mede Die coninghe met mogenthede Sijn in Ermenien comen Ende hebbens vele te bem gheno-

men.

Si wonnen daer si ane quamen, Sine vonden niemen diet benamen, Si berrenden cloestren ende husen, Sine lieten kerken no clusen Sine worpen ter erden al.

Echites behoeft groet gheval Sal hijs hem oec verweren connen, Want oyt man en was onder der son-Die iet meer was ontsien (nen Dan die heyden Barberien.

Na dat iet vant in die geeste Soe was hi verre die meeste Die nie man met oegen sach; Ic weet wel dat hem niet verwach Een ors te draghene in sine hant Sonder enegherande bant Dan hijt metten armen dwanc; Hi was XXX voete lanc ;

Ende over die scoudren X. breet Sijn hoeft was, godeweet.

Groet alse een maetelijc oven.

Sijn haer op sijn hoet boven Was harder dant stalen ware,

Sine oeren waren oppenbare Breder dan eene grote platele, Pli hadde ene oege tsinen dele, Ende die stoet hem vore int hoeft Ghelijc enen scilde groet,

Sijn hande waren lanc ende dieke. Wel ere groter plancken ghemieke, Sine harme groet ende ongescapen, Soe hol sijn rugghe, daer mochten .XX. ossen tenen male, (wt lapen Sine been waren, wetic wale,

Dicke oft molenstandarts waren. Sine voete waren twaren Breder vele dan enich wan. Nie en sach mensce selken man. Sere was hi onbequame Ende Polifemus was sijn name; Die duvel brachten selve daer. Hi was den Kerstinen al te swaer; Mamet sijn god, sijn here.

Dien hi minde al te sere.

Dien droch hie op sinen hals. God gheve hem vele ongevals! In elke kerke daer bi quam Ende Gods heelde daer in vernam. Dat warp hi neder ontwee;

Daerna dedi noch mee:

Sinen Mamet setti in de stad Daer onse here te voren stat.


Met dit gedicht kan men zeggen, dat de ridderpoezie bepaald haar afscheid neemt. Die navonkeling is trouwens niet schitterend, en wij zouden dat wegkwijnen van een dichterlijk verleden dubbel betreuren, zoo wij niet, op datzelfde tijdstip, eene nieuwe soort van dichters en gedichten te begroeten hadden ; wij bedoelen de sprekers of sprokeclichters.

6. Zoo wij de sprekers nieuw noemen, dan hebben wij daarbij minder hun ontstaan, dat vroeger gezocht moet worden, dan eenige hunner beroemde namen en voortbrengselen op het oog. Inderdaad, heeft Yan Maer-

-ocr page 118-

102

lant niet reeds zoo menigmaal en zoo luid gewaarschuwd tegen die leugenachtige hoerdeerres (toerdendichters), die goliaerden, die menestrelen, welke hij door de bijzonderheid

»dat si wel rieken vanden crude;

en dragen

»nuwe scoen met behaghelen hude,

thaar gelu enten crooc,

met vingherlinen verciert ooc,quot;

kenmerkt, als zijnde

«niet clerke, rnaer menestrelequot;?

7. Deze menestrelen zijn in twee soorten onderscheiden : de meer beschaafde, soms van burcht tot burcht rondtrekkende, gewoonlijk aan het hof gevestigde hoof-sche dichters, die door Maerlant's kritiek wel zullen bedoeld zijn, en wier gedichten men sproken noeme — en de ruwere volkszangers, de ^jongleursquot; zooals de Fran-schen hen heeten, die waarschijnlijk, als eene nabootsing der eersten, opkwamen, toen de liefde voor dichtkunst onder het volk algemeener werd. Zij maakten boerden.

8. Wat bij de Grieken de in het Oud-Duitsch de scafj'o en scuof, d. i. de scheppende, makende; wat in het Provengaalsch de trobador, en in het Romaansch van het noordelijke Frankrijk de trovère waren, dat was hier de Dichter (dictator). Den naam menestreel (bij samentrekking : meistreel, minstreel) leidt men af van het Latijnsche ministerialis, d. i. bediende; van rninistellus, een diminutief van minister, zegt Du Gauge. Ministeriurn beteekent, in middeleeuwsch iatijn, handwerk, kunst.

(J. Op het tijdstip, dat wij thans behandelen, de XlVe eeuw, was de menestreel een rondreizend zanger geworden, die, in gezelschap, van vedelaars, pijpers, trompenaars, gokelaars, tumelaars, dansers enz. den zwervenden dichter, nu spreker, sprookdichter of sprookspreker gehee-ten, vergezelde. De sprekers zelf, al waren zij aan het hof der Hollandsche graven, waar de kunstlievende Al-

-ocr page 119-

103

brecht van Beieren hen rijkelijk beloonde, gaarne gezien, daalden, in de tweede helft dier eeuw, op weinige uitzonderingen na, al zeer laag.

De sproke was, als de /aWeZ der Franschen, een gedicht van minder uitgebreidheid dan de roman, maar langer dan het lied, en behelsde nu eens een wonderbaar voorval uit de heiligenlevens, dan een ridderlijke minnege-schiedems, dan weder een allegorisch verhaal; zij was beurtelings satiriek en bespiegelend, lyrisch, episch en dramatisch.

10. Aan Jan van H o 11 a n t worden verscheidene boerden toegeschreven, als: De mantel van eren, het zedelooze Vonden man die yherne dranc, het levendige, maar platte Van drien gesellen, die den httke stalen, en de sproke Vanden verweenden Keyser, waarin des dichters naam vermeld staat

De sproke der Borchgravinne van Vergi., een aandoenlijk verhaal, dat uit het Fransch vertaald werd, hebben wij reeds aangehaald. Er bestaat nog eene welgeslaagde sproke, ten titel dragende : Van tween kinderen die droeghen ene starcke minne en eene boerde van Pieter van lersele: Wisen raet van vrouwen. Jan Dingelsche dichtte eene satirieke boerde: Van der Taveerne: Jan C n i b b e, twee allegorische daghen; C o 1 p a e r t. Jan Dille, Willem vau Delft, Pieter Vreughdegaer van Breda, en anderen, vervaardigden sproken van versehillen-den inhoud.

Zelfs bij de dichterlijke Vlamingen, Boude wijn van der L o r e n, vau wien wij niet slechts De maghet van Ghent bezitten, eene sproke van historischen inhoud, die den heldhaftigen strijd der Vlamingen tegen Lodewijk van .Male bezingt: maar ook het hekelende : Dits tijts verlies en Achte persone wenschen, en den sproke- en liederdichter Jan van Hulst, een niet buitengewoon begaafd, maar zeer vruchtbaar edelman en priester, — ook bij hen kunnen wij niet langer stilstaan, daar twee sprekers in Noord-Nederland op eene nadere kennismaking wachten : Augustijnken v a n ; D o r d t en W i 11 e rn v a n Hil degaersberch.

11. De eerste, een Dortenaar van geboorte of van

-ocr page 120-

104

woonplaats, kortaf ook Austijnken genaamd, dichtte of sprak niet slechts aan het grafelijke hof van Holland, maar ook in Brabant, te Aken en zelfs in Henegouwen, »bi heren, bi hoghen vrouwenquot;, tusschen de jaren 1350 en 1370; men vindt hem althans na 1308, niet meer vermeld. Klein is het getal der werken, die ons van Austijnken zijn overgebleven; en wat wij bezitten verraadt zelden een meer dan middelmatig talent. Ook in den vorm is hij weinig gelukkiger.

De invloed der Hollandsche graven uit het Beiersche huis was in dit opzicht verderfelijk. Het Hoogduitsch drong, met het gezag eener hoftaal, ons Nederlandsch binnen, gelijk uit de voortbrengselen van dien tijd blijkt; Au gust ij n ken, Willem van H i 1 d e g a e r s-b e r c h en Dire Potter, onder de bekende, en al de overblijfsels van onbekende dichters dragen er de duidelijkste sporen van ; de anders ook min verblijdende invloed van het later regeerende Bourgondische huis had dit goede ten minste, dat hij de algeheele verhoogduit-sching onzer moedertaal belette.

12. Van August ijn ken's werken kennen wij : Vanden Scepe, een getliclit, dat op den verwarden toestand des lands, ten gevolge der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, zinspeelt; de ziellooze allegorische bespiegeling van den vieve vingheren ende den dime; verder de schepping, waarin de mystieke beteekenis van het, in de H. Schrift zoo dikwijls voorkomend, zevental verklaard wordt; eene bespiegeling over de H. Drievuldigheid, van Sint-Jam Evangelie geheeten'; eene hekeling der zeden zyns tijds, in: van velen abusen der werelt, en vander rgcheit ende vander doot, dat over het onzekere der aardsche goederen klaagt. Zijn Hordi van Vroudenrijc bevat eene zinnebeeldige beschrijving van het hoofd eener jonkvrouw, en is wat dichterlijker dan de vorige; doch het levendigste van alle is het stuk van zes vaerwen, dat de beteekenis der blazoenkleuren uitlegt en moraliseerend toepast op de verschillende levenstijdperken van den mensch. Van de witte kleur, b. v. heet het:

-ocr page 121-

105

Die ierste staet, daer wi in sijn, Luter claer ende selverijn

Die mach heten wit selverijn; Onnoesel na Jei' inghele aert. Want dat selver es rein ende wit Reyne wit ende welverclart.

Het en verroest noch besmit; Dat selver heeft soeten ctanc;

Dus selen die kindersie'en sijn, Der kinder luyt heelt soeten sane.

Het is evenwel niet zeker dat al die gedichten van A u g u s-t ij n k e n' s hand zijn.

13. Willem van Hildegaersberch, aldus genoemd naar zijne geboorteplaats, het dorp Hildegaersberch, in de nabijheid van Rotterdam, komt in de Hollandsche grafelijkheidsrekeningen voor, van 1383 tot 1407; maar daaruit volgt nog niet, dat hij niet vroeger reeds als dichter kan opgetreden zijn. Zijn karakter en eenige bijzonderheden van zijn weinig bekenden levensloop deelt hij ons mede in zijn gedicht: van drierehande lijden, waar hij zegt;

Ic had gheset in hoghen doen Wat sy mi rieden al gheraien,

al mijn lijft', als een baroen, daerop en achtic groet noch clien:

die overmoedich is ghestelt. dat dede ten was mi niet

My docht ic was van herten coen, ghename.

stouter veel dan een lyoen, Daernae soe ghine ic die allien:

die van nyemant niet en helt. Mijn maghen lieten mi betyen,

des hadde ic seder crancke Nochtan was ic maet van goede: vrame.

daerom soe rieden mi die vroede,

dat ic my anderssins soude Wye dat is in goeden schine

saten. ende nieten wi! lijden mitten sinen. Mijn maghen spraken in arren die is seer ontweecht, sijt

moede, sekor des;

daer en wasser gheen die mit my want als hi comt in groten pinen, stoede, ende van rouwen gaet verdwinen. Want mijn dine was boven so weet Ui eerst wat lijden es.

maten.

Evenmin als August ij n ken, dien hij zich ten voorbeeld gesteld had, munt Willem door een hooge dicht-vlucht uit. In de 117 sproken, die wij van hem bezitten, erkent men nochtans een praktischen, met liefde voor de natuur bezielden geest. Nu en dan schittert hij van wat hoogeren gloed, als namelijk de verontwaardiging over de gebreken van zijnen tijd hem de geeselroede

-ocr page 122-

106

in de hand geeft; soms ook weet hij een luchtiger toon aan te slaan en zich wat vrijer te bewegen. Ook zijne taal, zoo min gekuischt als zij is, overtreft die van A u-gustijnke n. Hij kende M a e r 1 a n t en volgde menigmaal Boendale na.

14. Tot Wi 11 e m' s beste werken behooren ; Van mer, een hekeldicht, waarin hij de deugden der verschillende standen afzonderlijk opsomt, doch telkens met een mer (maar...) besluit; Vander wankelre brugge, eeue allegorie, die met de volgende natuurschildering begint:

Op een rivier quam ic ghegaen, die visschen mede bij den gronde.,

daer bloemen stonden scoen out- Hi waer wijs, diet al verstonde,

daen, hoe menighe doecht Mey heeft in;

int beghinsel van der Meye; want si verstroyt wel droeven sin,

ende ander vruchten menicherleye daer hi wandelt int ghedocht.

waren versieret over al. Hier om soe quam ic ende socht

Die voghelkijns dreven groet ghescal desen rivier schoen ende claer.

met soeten sanghe menigher tieren. Van sorghen was ic wat in vaer;

Die vissche swam inder rivieren maer ic docht ten selven tiden

ende was sonderling verhoecht, dattie voghelkijns hem verbliden

overmits der Meyen doecht als die Meye comt an hant,

dat si verstroyt wel menich vrucht; ende legghen off der sorghen bant,

die voghelen boven inder lucht, die des winters sin bedwinghen.

Een ondeugende grap legt hem de boerde; vanden paep die sijn baeck ghestolen wert in rlen mond ; zijne afkeuring van de zeden zijns tijds spreekt uit het levendige: vanden meerblade en van der heili'ihen kerken; zijne politieke denkbeelden ontwikkelt hij in: vander wrake Gods. Hoe innig Willem, ook te midden der verwarring, die het gevolg van het groote westersche schisma was, aan de Moederkerk on aan haar zichtbaar opperhoofd gehecht bleef, blijkt uit een zijner beste stukken; van ses ar Heulen der werelt, waar hij uitroept;

)gt;Men wil den paeus van Romen we-............

ren, Wye den paeus van Romen weert Ende nedersetten tAvinioen: Die wil onse ghelove storen 1quot;

Willem gebruikt ook de dierfabel, als hekel- of leer-

-ocr page 123-

107

dicht, in : van Reynaert ende van Aven (de ekster), Van-den Serpente, enz.

Meer bekend zijn de gedichten; van Sin te Gheert raden min, vanden Sacrarnente van Aemsteldam en Hoe dierste par tien in Holland quamen. Dit laatste is vooral van geschiedkundig belang, terwijl hij in: vander drier ehande staet der werlt, weer met juiste trekken zijnen tijd schildert, als hij den priester, den ridder en den huisman hunne plichten voor oogen houdt, naar aanleiding van een La-tijnsch vers, dat te Rome, onder drie beelden, deze standen voorstellende, te lezen stond :

))Tu supplex ora, tu protege, tuque labora.quot;

15. Een man, die tot de aanzienlijken in den lande behoorde, die niet alleen rechter en baljuw van 's-Hage en des Graven geheimschrijver was, maar ook met verscheidene gezantschappen belast werd, de omstreeks 1370 geboren, tot den lageren adel behoorende Dirc Potter, heer van Waddingsveen, metterwoon op het Kleine Loo bij 's-Hage gevestigd, alwaar hij den 30 April 1428 overleed, heeft ons een werk nagelaten, dat hij der Minnen Loep getiteld heeft. Wellicht werd het in de jaren 1411 en 1412, toen Potter te Rome verbleef, opgesteld, hij wijze van tijdverdrijf, want hij vond het Romeinsche volk onverdraaglijk. Wat wij ter gelegenheid van den Hugo van Tabarië over de richting dezer dichtschool deden opmerken, vindt in dit gedicht zijne volste toepassing. In den grond is der Minnen Loep een leerdicht, waarin de verhalen de zede-leer in toepassing brengen en als aanschouwelijk maken; maar die verhalen zijn wederom zoo menigvuldig en zoo uitgebreid, dat de moraal menigmaal slechts als eene gevolgtrekking van het verhaalde schijnt aangemerkt te moeten worden.

16. De geheele «sprokequot; (zoo noemt Dirc zelf zijn werk) is in vier boeken verdeeld, waarvan het eerste

-ocr page 124-

108

»van ghecke minnequot;, het tweede «van der goeder reynre minnequot;, het derde «vander ongheoirlofderquot;, het vierde »vander gheoirlofder minnequot;, handelt. Ovidius Heldinnenbrieven en Gedaanteverwisselingen zullen wel niet tot model gestrekt, maar kunnen hem toch het denkbeeld van der Minnen Loep gegeven hebben. Hij putte er stellig vele verhalen uit. Ook de veel wulpschere Roman der Rose was den dichter niet onbekend.

Schoon de taal alles behalve zuiver is, weet Potter zich duidelijk, ja sierlijk uit te drukken. Zijn stijl is natuurlijk en los; hij praat, hij keuvelt boeiend en onbedwongen voort, en weet, zonder ooit plat te worden, zijne rijke beeldspraak aan de meest verschillende voorwerpen te ontleenen.

Zijne moraal is niet van de strengste, al bestuurt een zedelijk doel zijne pen, en men moet er geen aanstoot in vinden, hem te hooren zeggen:

«Sonrle te doen is menschelic, Moetet emmer rrhesondiclit sijn,

die le beteren is godlic. soe laet ons doen cleyn sondekijn.quot;

Met Der Minnen Loep is de reeks der wereldsche middeleeuwsche gedichten gesloten: de burgerlijke geest verraadt hier klaarblijkelijk zijne zegepraal, ondanks de aristokratische denkbeelden, waarmede de dichter het persoonlijk nog al hoog op had. Hier volge het, in de middeleeuwen, door heel Europa beroemde verhaal van de onschuldige, zwaar beproefde, doch latei' in eere herstelde vrouw, Griseldis, hier Lympiose genaamd.

In Achayen was wijlneer Die [hem waer guetlic endeghetrou].

Een ridder machtich, een edel heer, Nu plach die Vorste tallen daghen,

Die sinnich was ende wel ghedaen Als hi inden velden reet jaghen,

Ende was gheheten Orphaen. Te riden voer eens mannes duer.

Sijn lant was wijt, groot ende [vry], Daer sach hi altoes sitten vu or

[Mer noch gheen wijll'en hadde hi]. Een schone maghet van goeder sede,

Die him syn dinghen halp besorghen. Die alle hoirs vaders dinghen dede.

Sijn Rade quamen alle morghen Hy was van sine wive verloost

Ende rieden hem tallen tijden, Ende die dochter was alle sijn troost,

Dat hi uut soude doen rijden Arlamoen was svaders name.

Al omme soecken om een vrou Die dochter was hem zeer bequame;

-ocr page 125-

109

Si was simpel ende saftraoedich,

50 rechte dueghentenJeoetmoedich, Dat alle die stat van horen saken Goede woerden plach te maken. Sy was gheheten Lympiose.

Sy bloeyde in doechden als een rose Had sy niet guet gheweest van seden,

51 en haddet nymmermeer gheleden, Dat sy leet, als ghi suit horen. Desa Vorste hoech gheboren Dochte dick in sinen moet.

Dat sulken wijII hem waer goet, Die wijs waer ende goederhande. Want dat ghinghe voer sinen lande. Hy prijsde duecht voer die ghebaerte Ende soeticheit voer hoghe woerde. Hi leyde horen vader an,

Die was een schamel eerbair man, Van cleynen guede ende wail ghe-

mint;

Hi sprac: »Vrient, du hebste «en

kint,

Lympiose, die guede macht, Di minen sinnen soe behaecht, Dat icse-wil, by minen live, Hebben tot enen echten wive.quot; Arlamoen sprac; «Lieve heer, Nu misdoedi alte seer,

Dat ghi schimpens dus bestaet Met uwen armen ondersaet.quot; Orphaen sprac; «Swijch, Arlamoen! Dat ic segghe dat wil ic doen, Het es mij eernst ende gheen schimp.quot; Die vader sprak in goeder ghelimp : «Heer, wat ghi wilt dat sy, tGhenuecht mijn dochter ende my. Wy sijn onder u gheseten : Ghi moecht ghebieden ende heten. ' Die heer deedse by hem comen Ende heeftse tenen wive ghenomen.

Schone cleder ende dier ghelijck Dede hy hoer maken costelijck. Hi creech daer schone kinder by; Mar rechte voert soe dede hi Die kinder van der moederbringhen, Om dat si niet [en] sonde singhen Noch vreuchde mitten kinder driven. Si mosten oick al van hoir bliven So verre, dat si niet en konde Hoer kinder sien in enighen stonde, Dit was die erste vremdicheit.

Daer na heeft hy tot haer gheseit: «Lympiose, lieve wijff.

Ghi weet wel dal u selves lij 11' En is niet weerdich dese eer:

Laet die costelicheit voert meer: Ghi moet u simpeliken cleden Ende helpen alle dinck bereden,

50 wes hier inden hove valt.quot; Die goede vrou was soe ghestalt Ende so oetmoedich end soe vol

doechde, Dattet hoir wail ghenuechde,

AVes hair hoir heer ghebieden wonde.

51 quam altoes als wesen soude. Wast int brouwen oft int backen ; Si maectet deech, si nayde sacken, Inder koken sorchde sy mede, Datmen alle dinck wael dede.

Dair na sprack hoir die heer toe Ende seyde hoer selve, hoe

Dat sy niet langher enmochtesijn Vrouwe in alsulken schijn.

Sijn Rade haddent also bewaert, Dat hy een wijd' van hogher aert Tot sinen hove halen woude, Die [hem in echtschap versellen] soude;

Des sijn lant mocht hebben eer. Lympiose seyde; «Wel lieve heer. Ik hope, dat ic so hebbe ghedaen, Dat ic danck hebbe begaen Aen allen uwen ondersaten,

Sijn si groot oil' cleyn ghehaeten; Mer dat weet ic wail daer by. Dat ics waerdich niet en sy Te wesen u gheëchte [vrouwe] ; Want uw vorstelike [trouwe] Is waerdich veel hogher saken, Ende hoe dat ghijt wilt mit mi ma ken,

Dat ghenuecht my lude ende stille.-' Die heer sprac; «'t Is mijn wille. Dat ghi die cam eren op reydet Ende alle dinghen wael beleydet Teghen dat mijn wijlï sal comen; Ende sy heeft u aenghenomen. Dat ghi by hoir suit moghen zijn Een dienster in joncfrouwen schijn Diendi wael ende sydi tru,

50 sal si wael lonen u.':

51 sprac; «Heer,quot; in soeter tael, «Trouwen, dat ghenoecht my wael. Wyen ghi wilt dat. ic dien,

tls recht dat ic my daertoe lien.


-ocr page 126-

HO

Jc wil dat sonder twifel, Heer, Gaerne doen mit goeder gheer, Op dat ic by u bliven mach, Willie hoer doen, nacht ende dach, Allo dat mijn Vrou begaert;

Want si is seker des wel waert!quot; Limpiose ghinc van dan Ende dede groeve clede an. Si ghinc sonder groot gheschal Ende bereyde die cameren al, Teghen die coomste vander bruyt. Van vroechden was daer groot ghe-

lnyt,

Men reyde disch, laken ende dwalen. Si reden om die brunt te halen. Die chierlic binnen wart ghebracht. Die Heer sloecher op groten acht Ende ruynde een luttel mit haer. Uoe Lympiose qnam aldair Ende woude der Vrouwen eeren.

Sprack die Vrouwe over alden Heren;

^Moeder ! ghi suit sitten hier — Ende ic sal u dienen schier!'quot; Doe wort die guede Lympiose Root van schaernten als een rose.... Ende die Heer sprac hoer toe: «Lympiose, nu weet ic hoe Ghi sijt ghesint, ende bin des vroet Dat ghi sijt schamel, wijs ende goet; Ik hebbo gheproeft u wijllic schijn. Dit is u dochter ende die mijn! Doe weder u cleder ane:

Alle dit lant sal u sijn onderdane, Ghi syt doeghendich ende rocht-veerd ich; Ghi sijt aire eren waerdich! En gheer nymmermeer geen ander Wijlf, waar dat ic henen wander.quot;


§ 5. Lyrische Dichtkunst.

1. Alhoewel het episch-didaktische element, gelijk wij vroeger deden opmerken, altijd den boventoon gehouden heeft in de letteren van den Nederduitschen stam, verloor toch het epos reeds vroeg zijn absoluut objectief karakter, en begonnen de persoonlijke indrukken van den verhaler meer lyrischen gang aan de voorstellingen bij te zeiten. Ook uitsluitend lyrische gedichten kunnen er, in een tijdperk van zoo hooge ontwikkeling en zoo innige overtuiging als de XIIde en XIII'16 eeuw, niet ontbroken hebben: hier, gelijk elders, merkt te recht J. A. Alberdingk Tliijm aan, heeft men gezongen, geweend, gebeden. Maar het individueele kunstlied is er uit zijnen aard aan blootgesteld, verloren te gaan, gelijk het eigenlijke volkslied aan veranderingen verbastering onderhevig is; en zoo komt het, dat wij haast niets uit de XIIde en weinig uit de XIIP6 eeuw met zekerheid tot onze lyrische voortbrengselen kunnen rekenen, en dat, hetgeen ons bewaard bleef, juist om zijn halfepisch karakter aan de vergetelheid ontsnapt is.

-ocr page 127-

I'll

2. Wij mogen, met Willems, aannemen, dat het bekende uitwijkelingslied : Naer Oosfland willen wi varen, zijnen oorsprong vindt in de XIIJe eeuw, toen daizondon Vlamingen naar Oost-land, d. i., naar het Noorden van Duitschland, weken, om er landbouwkoloniën te stichten; maar wij moeten ook bekennen, dat het door den tijd menige verandering ondergaan, menig bijvoegsel in zich opgenomen heeft.

Wij geven er hier de drie eerste strofen van, die uitsluitend op de landverhuizing betrekking hebben en dus, naar onze meening, meer kans hebben om oorspronkelijk te zijn, althans wat de gedachten betreft, dan de overige.

Naer Oostlant willen wi varen, Naer Oostlant willen wi me, Al over die groene heiden,

Frisc over die heiden,

Daer is er een betere ste.

Alse wi binnen Oostlant komen Al onder dat hoge huis [fijn], Daer worden wi binnen ghelaten.

Frisc over die heiden:

Si heten ons willecom sijn.

Ja, willecom moeten wi wezen,

Seer willecom moeten wi sijn, Daer sullen wi avent en morghen,

Frisc over die heiden,

Noch drincken den coelen wijn.


3. Minder beoefend dan in Frankrijk en in Duitschland, maar toch niet onbekend was bjj ons het ridderlijk minnelied. Getuige dat aantal „trouveresquot;, die in F ranse h-Vlaanderen hunne Fran-sche liederen zongen: getuige Boude wijn van Konstanti-nopel, die in het Provencaalsch, Hendrik III vnn Brabant, die in het Romaansch dichtte, getuige vooral de vroeger reeds vermelde HeinFic van Veldeken, wions minneliederen wij evenmin aan de Hoogduitschers kunnen prijsgeven als zjjne epische gedichten. Geheel op den voet en naar den trant der hoofsche Fransche liederendichters bezong hjj de liefde en haar geluk, de liefde en hare smarten, en schilderde hij de natuur in overeenstemming met zijne gevoelens.

In deuzelfden geest zong ook de ridderlijke hertog .Tan I van Brabant, (1251—1294), van wiens hand wij negen minneliederen bezitten. Zij zijn ons, weliswaar, slechts in een uit de „Vulgarsprachequot;, als Gervinus zegt, „nothdürftig verhoch-deutschtenquot; tekst bewaard gebleven; maar door Willems en door Hoffmann von Fallersieben hernederduitscht, geven zij ons toch een klaar denkbeeld van des vorstelijken dichters kinderlijk ge-

-ocr page 128-

112

moed en van zijn teeder, altijd op hoogst betamelijke wijze uitgedrukt gevoel. Onbegrijpelijker wijze werden die frissche liederen, ten jare 1825, in den Belgischen Messager des sciences et des arts, nog „des essais barbavesquot; genoemd.

Geen wonder dat Mae riant in zijn eersten Martij n reeds getuigde:

«Het seget al, eist here, eist knecht,

Vrouwen ende joncvrouwen,

In sangen ende in rime slecht,

Datsi mit minne sijn verplecht.quot;

4. Tot deze dichtsoort zal wel behoord hebben het ^erloren werk van den door Boen dale geprezen „goede vedelare Lodeivijc van Vaelbekequot;, in Brabant, „die vant van stampien die manieren '. Door stampiën verstaat men dansliederen, met begeleiding van speeltuigen, inzonderheid van de vedel, gelijk ze in het Zuiden, waar de Provencalen hunne estampida en de Italianen hunne stampita hadden, sedert lang in gebruik waren. Dat de benaming evenwel dier liedersoort aan het Nederlandsche stampen, evenals de espringales of rondedansen der Franschen aan springen ontleend zijn, dunkt ons waarschijnlijk. Geheel uitgestorven is bjj ons de stampie nog heden niet, wat blijkt uit de al dansende gezongen, vaak onverstaanbaar geworden volksdeuntjes op het Pinksterfeest, op Driekoningen, Sint-Maarten eu Sinter-Klaas.

5. Wanneer men aanneemt, w^at Guicciardini in 1550 en om dienzelfden tijd een andere Italiaan, de Venetiaansche gezant Cavallo, getuigden, dat de Nederlanders destijds de grootste meesters in de muziek waren („1 veri maestri della musica',), dat mannen en vrouwen er als van zelf op de maat zongen, met de grootste bevalligheid en melodie, dan zal het niemand verwonderen, dat het volkslied ten onzent, in de middeleeuwen een hoogen bloei bereikte. Ook de Hoogduitscher Kieze-wetter verklaart, in zijne „Geschichte der Musikquot;, dat de jSTederlandsche muziekschool, van 1380 tot 1660, den toon gaf in Europa. Du Fay, Okeghem, Josquin du Prez en Willaert hadden de muziek reeds tot een hoogen trap van volmaaktheid opgevoerd, eer Palestrina verscheen; ja, de laatstgenoemde onder hen behoort tot diegenen, welke de Nederlandsche kunst naar

-ocr page 129-

113

Italië overbrachten. Hoffmann heeft in zijne Hora Belgian aen aantal liederen uit het beroemde, in 1544, te Antwerpen, bij Jan Roulants gedrukte „Liedekensboekquot; uitgegeven, waarvan sommige tot de XIVde eeuw behooren. Hoe vruchtbaar het Nederlandsche volk, in alle eeuwen, aan liederen geweest is, blijkt uit de bijzonderheid, dat Snellaert, buiten een aantal handschriften, niet minder dan 41^ gedrukte liederenverzame-lingen opsomt, die van de XVIde tot het einde der XVI tl116 eeuw zijn uitgegeven.

6. Onder de liederen, welke de menestreelen, onder begeleiding van een of ander muziekinstrument, aan de hoven der vorsten of in de burchten der edelen voordroegen, zijn vooral bekend: het Liedekijn van den Hoede, een beurtzang tusschen twee gelieven, de klaagliederen over den dood van hertog Wen-selijn van Brabant ( 1383) en van Lodewijk van Male ( 1384;, beide door Jan Cnilbe; verder het beroemde wapendicht Van den Ever, door den Hollandschen heraut Gelre, ter eere van hertog Jan III van Brabant; eindelijk de geschiedzang van Cor-trozijn ('d i. Segher van Kortrijk), eene Clayhe over Eymont, dat in 1327 door de Friezen in de asch was gelegd en een, waarschijnlijk onhistorisch, lied over Gerard van Velzen.

7. Het geestelijke minnelied deed ook hier weder niet onder voor het wereldlijke. Ter koninklijke boekerij van Brussel berust een XIII116 eeuwsch handschrift (uitgeg. 1875), dat zeven en zeventig van mystieken liefdegloed blakende liederen bevat, welke hoogstwaarschijnlijk door zuster Hadewijch, priores van het Cir-stercienserklooster Hawieres bij Luik, vervaardigd zijn en eene ware dichteres verraden.

8. Reeds in 't begin der XIVde placht de gelukzalige Geertrui de v a n V o o r b n r g, naar den aanvang van het lied, Geertriiida van Oosten genoemd, het beroemde Het da-ghet in den Oosten, in toepassing op haren goddelijken Zielebrui-degom, te zingen. Wij loopen gevaar, bij het afschrijven van dit heerlijke kunstgewrocht, niets nieuws ter lezing aau te bieden ; maar 't is wellicht nuttig, dat stukken, die verdienen populair te worden en te blijven, in geene verzameling, hoe beperkt ook, ontbreken; en daarom nogmaals de Ridder uitvaart.

8

-ocr page 130-

114

De jonofrou nam haer mantel, Endi si ghinc enen ganc, Al toten lindeboome groene,

Daer si den dooden vant.

«Och, licht ghi hier verslaghen,

Versmoort al in u bloet! Dat hevet u ghedaen u roemen Daerbi mv hooghe moet

Och, licht ghi hier verslaghen Die mi te troesten plach ! Wat hebbet ghi mi naghelaten

50 menich droeven dach!quot;

De joncfrou nam haer mantel Ende si ghinc enen ganc Al voor haars heren vader poorte, Die si ontsloten vant.

»En es hier niemen inne

Noch heer noch edelman. Die hier met mi nu desen dooden Ter aerden helpen can?quot;

Die heren sweghen stille:

51 en gaven gheen gheluut.

Doe keerde haer die joncfrou omme; Si ghinc al weenend uut.

Si nam hem in hare armen. Si custen hem den mont.

Si custe hem gheen corter wilen, Maer also menigher stont.

Met haren blonden haren

Dat si wreef af dat bloet;

Met hare cleene schoone handen Dat si sijn ooghen sloet.

Met sinen blanken sweerde Dat si sijn graf ken groef;

Met haren sneewitten armen Dat sine ter aerden droech.

Met haren blanken handen

Dat si dat belleken clanc;

Met hare suete heldere stemme Dat si vigiliën sanc.

«Nu willic mi begheven

In een clein cloosterkijn,

Ende draghen die swarte wilen, Teeren des liefsten mijn.quot;


Ook het lied Van twee Conincskitideren, dat, bij alle Ger-

maansche starnmen bekend, van veel hooger oudheid is dan onze

XVdquot;-eeu\vsclie tekst, vinde hier eene plaats.

Het waren twee conincskinderen,

Sy hadden malcander soo lief;

Sy conden byeen niet comen.

Het water was veel te diep.

Wat stac sy op? Drie keersen,

Als savonds het dagelicht sonc;

«Och, liefste, comt, swemter over!quot;

Dat deed sconincs sone, was jonc.

Dit sach daer een oude quene.

Een al so vilijnich vel; Sy ghinker dat licht uytblasen.

Doen smoorde die jonghe helt. «Och moeder, seidese, moeder.

Mijn hooftjen doet mijnder so wee ! Mocht icker een wijle gaen wandelen; Gaen wandelen langhes de see !quot;

— «Och dochter, mijn liefste dochter,

Alleen en moogt ghij daer niet gaen :

Weet op uwe joncste suster, En laeter die met u gaen.quot;

— »Och moeder, mijn joncste suster Is noch eon so deinen kilt;

Sy plucter wel alle die bloemekens. Die sy onder weghen vint.

»Sy, plucter wel alle die bloemekens, Die bladerkens laet sy staen;

Dan claghen die lieden en segghen Dat hebben conincskinderen ghedaen.quot;

— «Och dochter, mijn liefste dochter. Alleen en moögt ghy daer niet

gaen ;

Maer weet uwen joncsten broeder. En laeter die met u gaen quot;

-ocr page 131-

115

— »Och moeder, mijn joncste broeder

Is noch een so deinen kint: Hy loopter naer alle de voghels,

Die hy onder weghen vint.quot; De moeder ghinc na de kerke,

De dochter ghinc haren ganc. Tot sy er bij twater een visscher,

Haer vaders visscher, vant. »Och visscher,quot; seidese «visscher,

Mijn vaders visscherkijn, Ghy soudt er voor my eens visschen:

Het sal u ghelonet sijn !quot; Hy smeet sijne netten int water;

De loodekens ginghen te gront, Int corte was daer gevisschet

f|

i

9. De geestelijke liederen onderscheidt men 1° in Kerstliederen, dikwijls in den vorm van Letjsen of Leisen, d. i. beurtzangen, wellicht ouder dan alle andere, zeer zeker vol van die „oneindige naïeviteit ' waarmede het vurig geloof onzer vaderen zich in die lofzangen op het Jezuskindje uitstortte; 2° in Marialiederen, waarin niet slechts de schoonheid, goedheid en liefde der hemelsche Jonkvrouw, maar ook hare levensbijzonderheden verheerlijkt werden. Enkele dichters van Kerst- en Marialiederen, uit de XIVrio eeuw zijn ons bij name bekend, als Jan van Hulst, Broeder Hans en Otto vanOrleien. 3° in minneliederen der ziel tot God, waar soms de mystieke liefde met een gloed geschilderd wordt, dat men er eene aard-sche drift waant te erkennen; als bij de teedere, levendig voelende en schilderende kloosterzuster Bertken van Utrecht. Ziehier ten voorbeeld, haar edelmoedig Haddieu aan de werelt.

Die werelt hielt my in haer ghewout Met haren stricken menichvout;

Mijn macht had sy bonomen;

Si heeft mi menich leed ghedaan Eer ik haer bin ontcomen.

Ic bin die werelt afghegaen,

Haer vroechde is also schier ghedaen,

In also corten daghen:

Ic en wil die edel siele mijn Niet langer daerin waghen.

Ic sie den enghen wech bereyt,

Die recht totter ewicher vroechden leyt;

Natner, wilt niet versaghen!

Ic wil daer vromelic doergaen, Om Jesus te behaghen.

li P

L

-i

!

■v'

l-i

11

Sconincs sone, van jaren wasjtnc.

Wat troc sy van haren bande?

Een vingherlinc rode van gout »Hou daer,quot; seide sy, »goede visscher.

Dees vingherlinc rode van gout!quot; Sy nam doen haer lief in haer armen ;

Sy custen hem aen sijnen mont, «Och, mondeken, cost ghy noch

spreken!

Och, herteken, waert ghy ge-sont!quot;

'Ml

'ff

-ocr page 132-

HO

Ic wil dat sonder twifel, Heer, Gaerne doen mit goeder gheer, Op dat ic by u bliven mach, Willie hoer doen, nacht ende dach, Alle dat mijn Vrou begaert;

Want si is sekor des wel waert!quot; Limpiose ghinc van dan Ende dede groeve clede an. Si ghinc sonder groot gheschal Ende bereytle die cameren al, Teghen die coomste vander bruyt. Van vroechden was daer groot ghe-

luyt,

Men reyde discli, laken ende dwalen. Si reden om die brunt te halen, Die clüerlic binnen wart ghebracht. Die Heer sloecher op groten acht Ende ruynde een luttel mit haer. Doe Lympiose quam aldair Ende woude der Vrouwen eeren.

Sprack die Vrouwe over alden Heren;

'Moeder ! ghi suit sitten hier — Ende ic sal u dienen schier!quot;' Doe wort die guede Lympiose Root van schaemten als een rose.... Ende die Heer sprac hoer toe: «Lympiose, nu weet ic hoe Ghi sijt ghesint, ende bin des vroet Dat ghi sijt schamel, wijs ende goet; Ik hebbe gheproeft u wijllic schijn. Dit is u dochter ende die mijn! Doe weder u cleder ane;

Alle dit lant sal u sijn onderdane, Ghi syt doeghendich ende recht-veerdich; Ghi sijt aire eren waerdich! En gheer nymmermeer geen ander Wijlf, waer dat ic henen wander.quot;


§ 5. Lyrische Dichtkunst.

i. Alhoewel het episch-didaktische element, gelijk wij vroeger deden opmerken, altijd den boventoon gehouden heeft in de letteren van den Nederduitschen stam, verloor toch het epos reeds vroeg zijn absoluut objectief karakter, en begonnen de persoonlijke indrukken van den verhaler meer lyrischen gang aan de voorstellingen bij te zetten. Ook uitsluitend lyrische gedichten kunnen er, in een tijdperk van zoo hooge ontwikkeling en zoo innige overtuiging als de XIIde en XIH'16 eeuw, niet ontbroken hebben : hier, gelijk elders, merkt te recht J. A. Alberdingk Thijm aan, heeft men gezongen, geweend, gebeden. Maar het individueele kunstlied is er uit zijnen aard aan blootgesteld, verloren te gaan, gelijk het eigenlijke volkslied aan verandering en verbastering onderhevig is; en zoo komt het, dat wij haast niets uit de XIIde en weinig uit de XIIIde eeuw met zekerheid tot onze lyrische voortbrengselen kunnen rekenen, en dat, hetgeen ons bewaard bleef, juist om zijn halfepisch karakter aan de vergetelheid ontsnapt is.

-ocr page 133-

I'll

2. Wij mogen, met Willems. aannemen, dat het bekende uitwijkelingslied : Naer Oostland willen wi varen, zijnen oorsprong vindt in de XIIde eeuw, toen duizoudon Vlamingen naar Oost-land, d. i., naar het Noorden van Daitschland, weken, om er landbouwkoloniën te stichten; maar wij moeien ook bekennen, dat het door den tijd menige verandering ondergaan, rr'enig bijvoegsel in zich opgenomen heeft.

Wij geven er hier de drie eerste strofen van, die uitsluitend op de landverhuizing betrekking hebben en dus, naar onze meening, meer kans hebben om oorspronkelijk te zijn, althans wat de gedachten betreft, dan de overige.

Naer Oostlant willen wi varen, Naer Oostlant willen wi me. Al over die groene heiden,

Frisc over die heiden,

Daer is er een betere ste.

Alse wi binnen Oostlant komen Al onder dat hoge huis [fijn], Daer worden wi binnen ghelaten,

Fi-isc over die heiden: Si heten ons willecom sijn.

Ja, willecom moeten wi wezen,

Seer willecom moeten wi sijn, Daer sullen wi avent en morghen,

Frisc over die heiden,

Noch drincken den coelen wijn.


3. Minder beoefend dan in Frankrijk en in Duitsehland, maar toch niet onbekend was bij ons het ridderlijk minnelied. Getuige dat aantal „trouvèresquot;, die in Fransch-Viaanderon hunne Fran-sche liederen zongen: getuige Boude wijn van Konstanti-nopel, die in het Provenoaalsch, Hendrik III vnn Era-bant, die in het Romaansch dichtte, getuige vooral de vroeger reeds vermelde Heinrlc van Veldeken, wiens minneliederen wij evenmin aan de Hoogduitschers kunnen prijsgeven als zijne epische gedichten. Geheel op den voet en naar den trant der hoofsche Fransche liederendichters bezong hij de liefde en haar geluk, de liefde en hare smarten, en schilderde hij de natuur in overeenstemming met zijne gevoelens.

In denzelfden geest zong ook de ridderlijke hertog Jan I van Brabant, (1251—1294), van wiens hand wij negen minneliederen bezitten. Zij zijn ons, weliswaar, slechts in een uit de „Vulgarsprachequot;, als Gervinus zegt, „nothdürftig verhoch-deutschtenquot; tekst bewaard gebleven; maar door Willems en door Hoffmann von Fallers'.eben hernederduitscht, geven zij ons toch een klaar denkbeeld van des vorstelijken dichters kinderlijk ge-

-ocr page 134-

112

moed en van zijn teeder, altijd op hoogst betamelijke wijze uitgedrukt gevoel. Onbegrijpelijker wijze werden die frissche liederen, ten jare 1825, in den Belgischen Messager des sciences et des arts, nog „des essais barbaresquot; genoemd.

Geen wonder dat Mae riant in zijn eersten Martij n reeds getuigde:

«Het seget al, eist here, eist knecht,

Vrouwen ende joncvrouwen,

In sangen ende in rime slecht,

Datsi mit minne sijn verplecht.quot;

4. Tot deze dichtsoort zal wel behoord hebben het yerloren werk van den door Boen dale geprezen „goede vedelare L o d e w ij c van V a e 1 b e k equot;, in Brabant, „die vant van stampien die manierenquot;'. Door stampien verstaat men dansliederen, met begeleiding van speeltuigen, inzonderheid van de vedel, gelijk ze in het Zuiden, waar de Provencalen hunne estampida en de Italianen hunne stampita hadden, sedert lang in gebruik waren. Dat de benaming evenwel dier liedersoort aan het Nederlandsche stampen, evenals de espringales of rondedansen der Franschen aan springen ontleend zijn, dunkt ons waarschijnlijk. Geheel uitgestorven is bij ons de stampie nog heden niet, wat blijkt uit de al dansende gezongen, vaak onverstaanbaar geworden volksdeuntjes op het Pinksterfeest, op Driekoningen, Sint-Maarten en Sinter-Klaas.

5. Wanneer men aanneemt, wat Guicciardini in 1550 en om dienzelfden tijd een andere Italiaan, de Venetiaansche gezant Cavallo, getuigden, dat de Nederlanders destijds de grootste meesters in de muziek waren („i veri maestri della musieaquot;,), dat mannen en vrouwen er als van zelf op de maat zongen, met de grootste bevalligheid en melodie, dan zal het niemand verwonderen, dat het volkslied ten onzent, in de middeleeuwen een hoogen bloei bereikte. Ook de Hoogduitscher Kieze-wetter verklaart, in zijne „Gesohichte der Musikquot;, dat de Nederlandsche muziekschool, van 1380 tot 1660, den toon gaf in Europa. Du Fay, Okcghem, Josquin du Prez en Wïllaert hadden de muziek reeds tot een hoogen trap van volmaaktheid o pgevoerd, eer Palestrina verscheen; ja, de laatstgenoemde onder hen behoort tot diegenen, welke de Nederlandsche kunst naar

-ocr page 135-

113

Italië overbrachten. Hoffmann heeft in zijne Horie Belgian oen aantal liederen uit het beroemde, in 1544, te Antwerpen, bij Jan Roulants gedrukte „Liedekensboekquot; uitgegeven, waarvan sommige tot de XIVde eeuw behooren. Hoe vruchtbaar het Nederlandsche volk, in alle eeuwen, aan liederen geweest is, blijkt uit de bijzonderheid, dat Snellaert, buiten een aantal handschriften, niet minder dan 415 gedrukte liederen verzamelingen opsomt, die van de XVI'16 tot het einde der XVHlJe eeuw zijn uitgegeven.

6. Onder de liederen, welke de menestreelen, onder begeleiding van een of ander muziekinstrument, aan de hoven dei-vorsten of in de burchten der edelen voordroegen, zijn vooral bekend: het Liedekijn van den Hoede, een beurtzang tusschen twee gelieven, de klaagliederen over deu dood van hertog Wen-selijn van Brabant ( 1383) en van Lodewijk van Male ( 1384j, beide door Jau Cnihhe; verder het beroemde wapendicht Van den Ever, door den Hollandschen heraut Gelre, ter eere van hertog Jan III van Brabant; eindelijk de geschiedzang vanCor-trozijn (d i. Segher van Kortrijk),- eene Clarjhe over Egmont, dat in 1327 door de Friezen in de asch was gelegd en een, waarschijnlijk onhistorisch, lied over Gerard van Velzen.

7. Het geestelijke minnelied deed ook hier weder niet onder voor het wereldlijke. ïer koninklijke boekerij van Brussel berust een XIIIde eeuwsch handschrift (uitgeg. 1875), dat zeven en zeventig van mystieken liefdegloed blakende liederen bevat, welke hoogstwaarschijnlijk door zuster Hadewijch, priores van het Cir-stercienserklooster Hawieres bij Luik, vervaardigd zijn en eene ware dichteres verraden.

8. Reeds in 't begin der XIVlle placht de gelukzalige Geertrui de v a n Voorburg, naar den aanvang van het lied, Geertruida van Oosten genoemd, het beroemde Het da-ghet in den Oosten, in toepassing op haren goddelijken Zielebrui-degom, te zingen. Wij loopen gevaar, bij het afschrijven van dit heerlijke kunstgewrocht, niets nieuws ter lezing aan te bieden; maar 't is wellicht nuttig, dat stukken, die verdienen populair te worden en te blijven, in geene verzameling, hoe beperkt ook, ontbreken: en daarom nogmaals de Bidder uitvaart.

8

-ocr page 136-

114

De joncfrou nam haer mantel, Endi si ghinc enen ganc, Al toten lindeboome groene,

Daer si den dooden vant.

«Och, licht ghi hier verslaghen,

A'ersmoort al in u bloet! Dat hevet u ghedaen u roemen Daerbi uw hooghe moet

Och, licht ghi hier verslaghen Die mi te troesten plach ! Wat hebbet ghi mi naghelaten

50 menich droeven dach!quot;

De joncfrou nam haer mantel Ende si ghinc enen ganc Al voor haars heren vader poorte, Die si ontsloten vant.

»En es hier niemen inne

Noch heer noch edelman. Die hier met mi nu desen dooden Ter aerden helpen can?quot;

Die heren sweghen stille:

51 en gaven gheen gheluut.

Doe keerde haer die joncfrou omme; Si ghinc al weenend uut.

Si nam hem in hare armen. Si custen hem den mont,

Si custe hem gheen corter wilen, Maer also menigher stont.

Met haren blonden haren

Dat si wreef af dat bloet;

Met hare cleene schoone handen Dat si sijn ooghen sloet.

Met sinen blanken sweerde

Dat si sijn grafken groef;

Met haren sneewitten armen

Dat sine ter aerden droech.

Met haren blanken handen

Dat si dat belleken clanc;

Met hare suete heldere stemme Dat si vigiliën sanc.

»Nu willic mi begheven

In een clein cloosterkijn,

Ende draghen die swarle wilen, Teeren des liefsten mijn.quot;


Ook het lied Van twee Conincskinderen, dat, bij alle Ger-raaansehe stammen bekend, van veel liooger oudheid is dan onze XVdG-eeu\vsolie tekst, vinde hier eene plaats.

Het waren twee conincskinderen, Sy hadden malcander soo lief; Sy conden byeen niet comen. Het water was veel te diep. Wat stac sy op1? Drie keersen,

Als savonds het dagelicht sonc: «Och, liefste, comt, swemter over!quot; Dat deed sconincs sone, was jonc.

Dit sach daer een oude quene,

Een al so vilijnich vel: Sy ghinker dat licht uytblasen.

Doen smoorde die jonghe helt. «Och moeder, seidese, moeder.

Mijn hooftjen doet mijnder so wee ! Mocht ickereen wijlegaen wandelen ; Gaen wandelen langhes de see !quot;

— «Och dochter, mijn liefste dochter,

Alleen en moogt ghij daer niet gaen :

Weet op uwe joncste sustei, En laeter die met u gaen.quot;

— »Och moeder, mijn joncste suster Is noch een so deinen kint;

Sy plucter wel alle die bloemekens. Die sy onder weghen vint.

»Sy, plucter wel alle die bloemekens, Die bladerkens laet sy staen;

Dan claghen die lieden en segghen Dat hebben conincskinderen ghedaen.quot;

— «Ochdochter, mijn liefste dochter. Alleen en moögt ghy daer niet

gaen ;

Maer weet uwen joncsten broeder. En laeter die met u gaen.quot;


-ocr page 137-

115

— »Och moeder, mijn joncste broeder

Is noch een so deinen kint: Hy loopter naer alle de voghels,

Die hy onder weghen vint.quot; De moeder ghinc na de kerke.

De dochter ghinc haren ganc. Tot sy er bij twater een visscher,

Haer vaders visscher, vant. «Och visscher,quot; seidese «visscher,

Mijn vaders visscherkijn, Ghy soudt er voor my eens visschen:

Het sal u ghelonet sijn !quot; Hy smeet sijne netten int water;

De loodekens ginghen te gront, Int corte was daer gevisschet

Sconincs sone, van jaren wasjonc.

Wat troc sy van haren bandequot;?

Een vingherlinc rode van gout «Hou daer,quot; seide sy, «goede visscher,

Dees vingherlinc rode van gout!quot; Sy nam doen haer lief .'n haer armen ;

Sy custen hem aen sijnen mont, »Och, mondeken, cost ghy noch

screken 1

Och, herteken, waert ghy ge-sont!quot;


9. De geestelijke liederen onderscheidt men 1° in Kerstliederen, dikwijls in den vorm van Leysen of Leisen, d. i. beurtzangen, wellicht ouder dan alle andere, zeer zeker vol van die , oneindige naïeviteitquot; waarmede het vurig geloof onzer vaderen zich in die lofzangen op het Jezuskindje uitstortte; 2° in Marialiederen, waarin niet slechts de schoonheid, goedheid en liefde der hemelsche Jonkvrouw, maa.r ook hare levensbijzonderheden verheerlijkt werden. Enkele dichters van Kerst- en Marialiederen, uit de XIVde eeuw zijn ons bij name bekend, als Jan van Hulst, Broeder Hans en Otto van Orleien. 3° in minneliederen der ziel tot God, waar soms de mystieke liefde met een gloed geschilderd wordt, dat men er eene aard-sche drift waant te erkennen; als bij de teedere, levendig voelende en schilderende kloosterzuster Bertken van Utrecht. Ziehier ten voorbeeld, haar edelmoedig Haddieu aan de werelt.

Die werelt hielt my in haer ghewout Met haren stricken menichvout;

Mijn macht had sy benomen;

Si heeft mi menich leed ghedaan Eer ik haer bin ontcomen.

Ic bin die werelt afghegaen,

Haer vroechde is also schier ghedaen,

In also corten daghen;

Ic en wil die edel siele mijn Niet langer daerin waghen.

Ic sie den enghen wech bereyt.

Die recht totter ewicher vroechden leyt;

Natuer, wilt niet versaghen!

Ic wil daer vroraelic doergaen. Om Jesus te behaghen.

-ocr page 138-

116

Ic voele in my een vonkelkijn,

Het roert so die dat lierte mijn,

Daer wil iek wel op waken:

Die mi vermach des altemael Een vuyer daeraf te maken!

Haddien, haddieu, natuere mijn!

Mijn hert dat moet ontcommert syn ;

tEn mach geen claghen baten:

Dve mijn siel alleen begeert, Hem wil ic nu inlaten.

4°. Eindelijk iu uitingen van een individueel gecoel, nu eens van geloof, dan van berouw, dan weder van betrouwen, als het Och ewich is so lane van den beroemden redenaar en prozaschrijver Jan Brugman.

9. Soms paarde zich de innigste, vroomste bespiegeling aan de uitstorting der meest onbedwongen wereldsohe vreugde, wat slechts in eene samenleving kan plaats grijpen, die tot in het merg barer beenderen van Christelijke denkbeelden doortrokken is. Van dien aard is het drink- en bruiloftslied, door Moll in zijn Kerkhist. Arch. (I. bl. 439) medegedeeld.

Heer Jesns in der bruyloft quam, Van water maeckte hy wijn. Omdat wy zouden vrolyck zijn. Geloofd zoo moet den bruygom zijn! Wijnken, en nu gaet in !

Omdat wy souwen vrolijck sijn: Dat eest, dat hy begeert;

Heer Jesus is so milden weert; Hy betaelt, dat ghy begeert. Wijnken, enz.

Den wijn, die wilt ghedroncken sijn Met enen blijden moet;

Teghen die doot en is gheen boet, Daer en mach helpen geldt noch goet. Wijnken, enz.

Ter bruyloft van den Gonincx-zoon Daer sijn wy al genoit;

Salich sijn sy die sijn bereet, En hebben aen dat bruyloftscleed.

Wijnken, enz.

Als wy daer boven komen,

Al in des Hemels troon,

Daer sullen wy allegaèr vrolyck syn, Heer Jesus sal den schincker syn. Wijnken, enz.

Dit wyncken willen wy drincken Te deser selver stont;

Ic settet gelas aen mynen mont, En drincket nut tot in den gront. Wijnken, en nu gaet in!


10. Ook de Kerkhymnen — het verheven Stahat Mater vooral, de Psalmen van David, de Lofzangen der H. Maagd en van Simeon — werden vertaald; maar slechts weinig is ons van die kunstjuweelen der Christelijke lyriek overgebleven, en nog minder kennen wij die zedige zangers zeiven, die, bij de uitstorting van hun vroom, dichterlijk gemoed, aan alles dachten, behalve aan het vereeuwigen van hunnen naam.

-ocr page 139-

117

§ 6. Dramatische Dichtkunst.

1. Zoo verre als in onzen tijd de Kerk en het Tooneel uiteenloopen, zoo nauw waren zij in de middeleeuwen verbonden ; ja, het drama is in zijnen oorsprong geheel kerkelijk, en wel van historischen aard.

Op de hooge feestdagen werden, in de kerk zelve, en door geestelijke, of althans aan den kerkelijken dienst verbonden personen, geschiedenissen uit het Oude en Nieuwe Testament, en meer bijzonder uit het leven des Zaligmakers of dat der Heiligen voorgesteld, in overeenkomst met de gevierde plechtigheid, en als om de vrome herinneringen van den dag den volke aanschouwelijk te maken en diep in geheugen en hart te prenten. Afgezien van de kunst, was dat zeker eene recht praktische wijze van leeraren. Men noemde die vertooningen Mi/ste-rie-'), Heiligen- of Mirakelspelen. In den beginne in de taal der Kerk voorgedragen, gingen zij weldra in de volkstaal over, naarmate de band, die ze aan de kerkelijke plechtigheden hechtte, losser werd, en de voorstelling meer door wereldsche personen en buiten het kerkgebouw plaats had, wat op het laatst der XH'10 eeuw begon en in de XIIIde algemeen werd. Frankrijk kende dusdanige Mysteriën reeds in de Xlde eeuw; in Engeland en Duitschland vindt men er sporen van in de Xllde; en het lijdt geen twijfel, of hier te lande zocht men op gelijke wijze reeds vroeg de hooge feesten voor den onge-letterden leek begrijpelijk en aantrekkelijk te maken.

Wat Dr. J. H, Gallóe uit het XIIde eeuwsche Antiphonarium door de kanunniken van St. Marie te Utrecht gebruikt, aanhaalt als een begin van dramatische voorstelling, dunkt ons niet veel

') Niet ministeriespelen, als sommige niet-katinlieken gemeend hebben. Men stelde namelijk het godsdienstig geheim, dat de Kerk vierde, in beeld en handeling voor; de boodschap aan Maria, de Geboorte, de Aanbidding der II.H. Driekoningen, enz. Men noemt dat in kerkelijke taal: het Geheim van den dalt;i, van het feest, le mystére du jour.

-ocr page 140-

148

meer dan het liturgisch officium, gelijk het veel vroeger reeds en ook nog, met eenige wijziging, op de bedoelde feestdagen gezongen of gelezen wordt.

2. Het oudste in onze taal bewaard gebleven Mysteriespel is het zoogenaamde Maast richt *ch Paasch- of Verrijzenisspel, dag-teekenend van het begin der XIV'le eeuw, al is het handschrift van het einde dier eeuw. Hoewel dit stuk, naar een Limburgsch handschrift uitgegeven, niet in zijn geheel is, en min gekuischt van taal, geeft het ons evenwel een klaar denkbeeld van zijn waarlijk grootscheu samenhang. Niet eene bijzonderheid uit het leven des Zaligmakers, niet slechts het geheole verlossingswerk, maar als de geschiedenis van het godsbestuur op aarde wordt er veraanschouwelijkt: de schepping der wereld, de val dei-Engelen, de mensch in het paradijs, de profeten. Daarna volgt Christus' mensch wording, de aanbidding der Herders en der 1£. Driekoningen, de vlucht naar Egypte, de roeping der Apostelen en eene menigte bijzonderheden uit Jezus' leven, tot op het oogenblik, dat Hij van Judas verraden wordt. Het einde, dat wellicht niets anders was dan het laatste oordeel, is verloren geraakt.

3. Eene eeuw jonger is het minder omvattende, hoewel nog ruime, en in zijne bijzonderheden keuriger bewerkte spel: Die eerste Bliscap van Maria, in 1429 reeds door de Minderbroeders en de gezellen van Audenaarde, te Mechelen, en in 1444, ter gelegenheid der verloving van Karei den Stoute met eene Fransche prinses, door de Brusselsche Rederijkerskamer „De Korenbloemquot; ten tooneele gevoerd. Het behelst de geboorte en het huwelijk der H. Maagd, benevens de boodschap des Engels, voorafgegaan van den val van Adam. Bij de voorstelling was het tooneel in drie verdiepingen, de hel, de aarde en den hemel verbeeldende, ingedeeld. Soms was de hel onder de gedaante van een draak voorgesteld, wiens muil zich opeudo als de duivels in- of uittrokken. Merkwaardig is ook de plaats, door Jubinal uit het My stère de la Résurrection aangehaald; „Notez que le limbe doit estre en une habitation en la fasson d'une grosse tour carróe, environnée de retz et filetz ou d'autre chose clère, afin que parmi les assistans on puisse voir les ames qui y seront; et derrière la dicte tour, en ung entretien, doit avoir

-ocr page 141-

119

plusieurs geus crians et gullans horriblement, toas k uue voix ensemble, et rung d'eux qui aura bonne voix et grosse, pariera pour lui et les autres ames danipnees de sa compaignie.quot;

üe wijze van behandeling der Boodschap moge een denkbeeld van het geheel geven.

„Gabriel knielt '-or Marien, eude si leit en leest in haer caraere,quot; enz.

Hjil

r,v

Vvï' 0-r' tfï

4

Dingel;

Suver maecht, sijts onbevreest! Gods gracie heeft u daer loe be-reit:

Ghescien salt biden Heilegen Geest, Mids uwer groter ootmoedicheit. Ten tekene van dien, vor waer geseit.

Heeft Elizabeth, u niebte, onge-

waent

Enen sone ontfaen in haer out-heit,

En es nu in haer seste maent; Nochtan dat si onvruchtbaer sy tEn dae Gods gracie.

Maria;

Her ingel, soe ghi Mi seit, soe moet met mi verkeren!

In Gods genaden soe keeric my. Siet hier de deerne Gods ons Heren.

Gabriël:

Reyn maecht vol eren, suete Marie,

Die gracie Gods heeft u omvaen;

Een godlike hemelsce tresorie Seldi voort bliven, sonder vergaen. Orlof, ie keere ten hemel saen. (Selete!)

Verschillende Heiligen- en Mirakelspelen, zelfs uit de eerste helft der 15i; eeuw, zijn ons met name bekend, maar sleehts enkele zijn tot ons gekomen.

Het spel van Mariken van Nimmeyen, van omstreeks 1475, behelst de geschiedenis van een meisje, dat zich in hare vertwijfeling aan den duivel had overgegeven en zeven jaren lang

Gabriël

Van Gods wegen suver vercorne! Los van alle smetten, reynel

Soe comic tu. In tsviants toorne, Ghi selt verlossen die yerloorne. Hi wilt hem rusten in uwen pleyne, Ende wilt vertroesten vor die ve-

leyne,

Die liggen inder duvelen tra; Ave gratia plena!

(Hier verscricse haer.)

Maria, vrouwe sijt onversaecht!

Natuerlic seldi baren een kint Ende werden moeder ende bliven maecht.

Die gracie des Heren heeft u vermint.

Jhesus saelt heten; mi wel versint —

De hoechste van deser werelt wijt.

Ghi sijt, soemen gescreven vint, Vor alle vrouwen gebenedijt.

Maria:

Her ingel, die hier dns comen sijt!

Seer verwondert mi van dien; En kinde noyt man ter werelt wijt; In wat manieren saelt dan gescien ?

f:

H

Ü V

l| I

-ocr page 142-

120

een losbandig leven leidde. Door de vertooning van een wagenspel „Mascheroen,quot; kwam zij tot inkeer en eindigde haar leven in een klooster te .Maastricht.

Merkwaardig is ook het even vóór 1500 door Smeken te Breda vervaardigende Spel van den heiligen Sacramente vander Nyeuwervaert (de geschiedenis van eene H. Hostie, die door eenige landlieden in liet Veen gevonden werd), waarin het wereldlijk element eene veel grootere plaats inneemt, dan in de mysteriespelen.

Het spel van Sint Trudo in de eerste helft der 16e eeuw door Christiaan Fastraets, waarschijnlijk een Dominicaner monnik van Leuven, gedicht, vertoont ons in eene reeks van treffende tafe-reelen het heele leven van dien heilige.

Wie meenen mocht, dat in deze en dergelijke spelen alleen godsdienstige vroomheid en strenge ernst aan het woord is, zou geen rekening houden met den opgewekten levenslust, die dat kerngezonde, geloovige volk bezielde, den eigenaardigen humor, die de middeleeuwsche kunst in het algemeen kenmerkt; zou het dramatisch talent van de ontwerpers dier stukken miskennen, die hun publiek veel lie ter wisten te vermaken en te stichten tevens, dan wij ons plegen voor te stellen. Ten einde de aandacht dei-toeschouwers te verlevendigen en door gepaste tegenstelling het verhevene beter te doen uitkomen en zoo het dramatische elfekt te verhoogen, worden de ernstigste en verhevenste tooneelen door komische vertooningen afgewisseld. En wie vervult de komische rol in onze Heiligen- en Mirakelspelen ? Niemand anders dan de duivel, die in de middeleeuwen minder om zijne boosaardigheid gevreesd, dan om zijne domlieid en laatdunkendheid Despot en uitgelachen werd.

In het spel van Sint Trudo bij voorbeeld springen, bijna na elk tooneel, de „neckersquot; te voorschijn, razen en tieren en schelden tegen elkaar en vermaken de toeschouwers met hun dolle grappen en potsierlijke kibbelpartijen.

Uit die boertige tusschentooneeltjes hebben zich vermoedelijk de later te bespreken sotteruiën ontwikkeld.

5. Of het wereldsche drama zich van lieverlede uit de mysteriespelen ontwikkeld heeft, door het invoeren van allegorische figuren, gelijk er reeds in de zooeven

-ocr page 143-

4 21

vermelde stukken voorkomen, en waaruit later de zinne-spelen ontstonden, of langs den weg der Legende- en Mirakelspelen; of wel, dat het wereldlijke tooneel een afzonderlijk bestaan heeft, dat eerder aan de klassieke oudheid aansluit, kunnen wij niet uitmaken; maar wij zijn geneigd, met Wybrands, Jonckbloet en anderen, de eerste veronderstelling als de ware aan te nemen. Er bestaat een derde veronderstelling, die namelijk, dat het wereldsch tooneel als de laatste ontwikkeling, de dramatische vorm is der ridderromans en der sproken, en dat de mysteriespelen, die, hoewel in Frankrijk reeds eeuwen ouder, bij ons niet vroeger dan in de XIV116 eeuw gevonden worden, als liet voorspel der nieuwe richting, der rederijkerspoëzie, moeten aangemerkt worden.

Men vindt anders in de Mirakel- en Heiligenspelen ook reeds, als gezegd is, een beginnend komiscli element, dat zich later afzonderlijk tot klucht kan ontwikkeld hebben, en wel in de rol aan de duivelen toegekend, In Frankrijk had Jean Bodel, van Arras, vóór 1250 reeds een voorsmaak van het wereldlijk drama gegeven, in zijn Jm (— Jm) Saint-Nicholai, waarin de Heilige zelf slechts een geheel ondergeschikte rol speelt. In 1262 luisterde Adam de la Hale het Meifeest te Arras op met zijn lus cV Adam of lus de la Fuellie, d. i. de la Feuillée, een zede-schilderend spel, niet naar den Paradijs-Adam maar naar den dichter aldus genaamd, waarin vrouwen, gierigaards, monniken, ja de paus zelf gehekeld worden en waarin zelfs de zoo moderne Féeries niet ontbreken. Wij bezaten ook reeds wereldsche voorstellingen na de eerste helft der XIV'le eeuw: althans in 1364 wordt er melding gemaakt van een spel „op eenen zolrequot;, d. i. eene verhooging, eene stellage.

6. De vrije steden hadden zich middelerwijl ontwikkeld ; de burgerij was in welvaart toegenomen ; de gilden en broederschappen stonden in hoogen bloei. Uit hun midden zijn waarschijnlijk vereenigingen ontstaan, die met en naast het godsdienstig doel, ook de opluistering der geestelijke en wereldsche feesten en de uitspanning

-ocr page 144-

120

een losbandig leven leidde. Door de vertooning van een wagenspel „Mascheroen,quot; kwam zij tot inkeer en eindigde haar leven in een klooster te Maastricht.

Merkwaardig is ook het eveu vóór 1500 door Smeken te Breda vervaardigende Spel van den heiligen Sacramente vander Nyeuivervaerf (de geschiedenis van eene H. Hostie, die door eenige landlieden in het Veen gevonden werd), waarin het wereldlijk element eene veel grootere plaats inneemt, dan in de mysteriespelen.

Het spel van Sint Trudo in de eerste helft der 16e eeuw door Christiaan Fastraets, waarschijnlijk een Dominicaner monnik van Leuven, gedicht, vertoont ons in eene reeks van treffende tafe-reelen het heele leven van dien heilige.

quot;Wie meenen mocht, dat in deze en dergelijke spelen alleen godsdienstige vroomheid en strenge ernst aan het woord is, zou geen rekening houden met den opgewekten levenslust, die dat kerngezonde, geloovige volk bezielde, den eigenaardigen humor, die de middeleeuwsche kunst in het algemeen kenmerkt; zou het dramatisch talent van de ontwerpers dier stukken miskennen, die hun publiek veel beter wisten te vermaken en te stichten tevens, dan wij ons plegen voor te stellen. Ten einde de aandacht der toeschouwers te verlevendigen en door gepaste tegenstelling het verhevene beter te doen uitkomeu en zoo het dramatische effekt te verhoogen, worden de ernstigste en verhevenste tooneelen door komische vertooningen afgewisseld. En wie vervult de komische rol in onze Heiligen- en Mirakelspelen ? Niemand anders dan de duivel, die in do middeleeuwen minder om zijne boosaardigheid gevreesd, dan om zijne domheid en laatdunkendheid bespot en uitgelachen werd.

In het spel van Sint Trudo bij voorbeeld springen, bijna na elk tooneel, de „neckersquot; te voorschijn, razen en tieren en schelden tegen elkaar en vermaken de toeschouwers me: hun dolle grappen en potsierlijke kibbelpartijen.

Uit die boertige tusschentooneeltjes hebben zich vermoedelijk de later te bespreken sotterniën ontwikkeld.

5. Of liet wereldsche drama zich van lieverlede uit de mysteriespelen ontwikkeld heeft, door het invoeren van allegorische figuren, gelijk er reeds in de zooeven

-ocr page 145-

vermelde stukken voorkomen, en waaruit later de zinne-spelen ontstonden, of langs den weg der Legende- en Mirakelspelen; of wel, dat het wereldlijke tooneel een afzonderlijk bestaan heeft, dat eerder aan de klassieke oudheid aansluit, kunnen wij niet uitmaken; maar wij zijn geneigd, met Wybrands, Jonckbloet en anderen, de eerste veronderstelling als de ware aan te nemen. Er bestaat een derde veronderstelling, die namelijk, dat het wereldsch tooneel als de laatste ontwikkeling, de dramatische vorm is der ridderromans en der sproken, en dat de mysteriespelen, die, hoewel in Frankrijk reeds eeuwen ouder, bij ons niet vroeger dan in de XIVde eeuw gevonden worden, als het voorspel der nieuwe richting, der rederijkerspoëzie, moeten aangemerkt worden.

Men vindt anders in de Mirakel- en Heiligenspelen ook reeds, als gezegd is, een beginnend komiscli element, dat zich later afzonderlijk tot klucht kan ontwikkeld hebben, en wel in de rol aan de duivelen toegekend, In Frankrijk had Jean Bodel, van Arras, vóór 1250 reeds een voorsmaak van het wereldlijk drama gegeven, in zijn Jus {— Jeu) Saint-Nicholai. waarin de Heilige zelf slechts een geheel ondergeschikte rol speelt. In 1262 luisterde Adam de la Hale het Meifeest te Arras op met zijn lus cT Adam of lus de la Fuéllie, d. i de la Feuillée, een zedeschilderend spel, uiet naar den Paradijs-Adam maar naar den dichter aldus genaamd, waarin vrouwen, gierigaards, monniken, ja de paus zelf gehekeld worden en waarin zelfs de zoo moderne Féeries niet ontbreken. Wij bezaten ook reeds wereldsche voorstellingen na de eerste helft der XIVlle eeuw: althans in 1364 wordt er melding gemaakt van een spel „op eenen zolrequot;, d. i. eene verhooging. eene stellage.

6. De vrije steden hadden zich middelerwijl ontwikkeld ; de burgerij was in welvaart toegenomen ; de gilden en broederschappen stonden in hoogen bloei. Uit hun midden zijn waarschijnlijk vereenigingen ontstaan, die met en naast het godsdienstig doel, ook de opluistering der geestelijke en wereldsche feesten en de uitspanning

-ocr page 146-

122

en opvroolijking der leden wilden bevorderen. De fatsoenlijkste onder de rondtrekkende sprekers begonnen allengs hun zwervend leven vaarwel te zeggen en zich bij die rustige, nijvere en onbekommerde poorters aan te sluiten. Onder hen vormden zich waarschijnlijk de «ghesellen vanden spelequot;, ook »ghesellen van der constequot; geheeten, vaste gezelschappen, die hun bestaan zochten in het geven van tooneelspelen, en van welke, in de graaf-lijkheidsrekeningen van Holland, herhaaldelijk sprake is.

7. Deze tooneelstukken waren óf van ernstigen aard, abele spelen, óf kluchten, sotterniën genaamd. De laatste volgden gewoonlijk, in de voorstellingen, onmiddellijk op de eerste.

Er zijn ons drie abele spelen — Esrnoreü, Gloriant en Lanceloot — en zes sotterniën, waarschijnlijk alle van éénen dichter en uit het laatste kwart der XlVde eeuw, en een spel vanden winter ende vanden somer, in den trant der latere Rederijkers-zinnespelen, bewaard gebleven.

8. Om een denkbeeld te geven van de inrichting dier „ahele spelenquot;, ontleden wij hier het beste der drie: Een abel spel van Esmoreit, sconincs sone van Ceciliën.

Er treden zeven personen in dit drama op : de koning van Sicilië, zijne echtgenoote, de koningin, Esmoreit, beider kind, de held des stuks, en Robrecht,'s konings neef. Verder de koning van Damas, zijne eenige dochter Damiet en de wichelaar van den Koning van Damas, Flatus.

De proloog bevat den korten inhoud van het stuk.

Eerste Bedrijf. Robrecht, betreurende, dat aan het koninklijk echtpaar een kind geboren is, waardoor hij van alle hoop op den troon beroofd wordt, besluit dit kind om te brengen en de koningin door den koning te doen verstooten. Intusschen verneemt de koning van Damas (naar welke stad het tooneel afwisselend verplaatst wordt), uit den mond van zijn wichelaar, dat er in Sicilië een kind geboren is, hetwelk eensdaags zijn dochter tot het Christendom brengen en huwen zal. Hij zendt Flatus om dat kind machtig te worden, wat door tusschenkomst van Ro-

-ocr page 147-

breeht gelukt. De dochter des konings, Damiët, zal Esmoreit (zoo heet de knaap) nu opvoeden als „een goed payijn.quot; Ook Robreoht's lastertaal tegen de koningin vindt ingang bij den koiiii:g van Sicilië, die zijne onschuldige gemalin in den kerker doet werpen.

Tweede Bedrijf, (achttien jaren later). Damiët, des Mahoir.edaan-schen konings dochter, bemint Esmoreit, die zich haar broeder waant, maar thans, vernemende dat hij een vondeling is, hare hand niet wil aanvaarden, vooraleer hij zijne ouders opgespoord hebbe.

Hij vertrekt, het hoofd omwonden met een band, waarin hij als kind gewikkeld was, en waarop rijke wapens geborduurd zijn. „Joncfrou Damiëtquot; had hem dien gegeven zeggende:

O Esmoreit, nemet desen bant: Ende voerlen also openbaer

Hier in so waerdi ghewonden, Op aventure, of iemen waer

Esmoreit, doen ghi waert vonden ; Die u kennen rnochte daer an.

Edel jongelinc, dies ghelooft, Ende peinst om mi, wel scone man,

Ghi selten winden om uw hooft Want ic blive in groter sorghen.—

De jongeling van zijn kant, schijnt meer bedacht op het hoofddoel van zijn tocht. „Mijn Godquot; , zoo roept hij in alleenspraak uit:

Mijn God, die niet en es verborghen, Want ie daer in ghewonden lach.

Die moet nu mijn trooster sijn! Ic nimmermeer vroude ghewinnen

0 Mamet en de Apolijn, en mach

Mahoen ende Tervogan ! Ic en hebbe vonden mijn gheslachte;

Dese scone wapen die hier staen an, Ende die mi ooc te vondelinghc

Mochten sie toebehoren mi, brachte,

So waer ic int herte wel vri, Ic souts hem danken, bi Apolijn!

Dat ic ware van edelen bloede. Ay! mochtic nog vader ende moe-

Mi es emmer also te moede, der mijn

Om dat ic lach daer in ghewonden, Scouwen, so waer mi therte ver-

Doen ic te vondelinghe was vonden. claert,

Ic bender seker af gheboren: Ende waren si dan van hogher aert,

Mijn herte seghet mi te voren. So waer ic te male van sorghen vri.

Daar komt hij nu te Sicilië, voor het venster der gevangenis, waarin zijne arme moeder zucht, en waar zich tusschen hem en de gevangene het volgende gesprek ontspint.

Sine [Moeder: Sine Moeder:

O edel iongheline, nu comt tot mi, n i i ■ ,. . • , .

t, , J ^ , 'O edel lonehelmc van herten coen,

Ende sprect leghen mi een woort; i F- r i u

■nr ^ , 1 , u i Aldus moetic ligehen ghevaen.

Want ic hebbe u van verre shehoort '

, . i j • , Nochtan en hebbic met mesdaen,

Jammerhic clashen uw verdriet. wt t ■ i ■ i t

J quot; Want mi verradene al doet.

O scone kint, nu rnaect mi vroet De Jonghehnc: Hoe sidi comen in dit

O scone vrouwe, wats u gheschiet Ende wie gaf u dien bant?

Dat ghi aldus licht in dit prisoen ? Berecht mi dat, wel scone jonchere !

-ocr page 148-

124

De Jonghelinc:

Bi Mamet, minen here!

Vrouwe, dan sal ik u weigheren niet, Wi mogen mallic anderen ons verdriet

Claghen, want ghi sijt ghevaen Ende groot verdriet es mi ghedaen. Want ic te vondelinghe was geleit Ende desen bant in gherechter

waerheit Daer so lach ic in ghewonden, Lieve vrouwe, doen ic was vonden; Ende voeren aldus openbaer Op aventure oft iemen waer Die mi kennen mochte daeran.

Sine Moeder:

Nu secht mi, wel scone man, Wetti iet, waer ghi vonden waert?

De Jonghelinc:

0 lieve vrouwe: in enen bogaert Te Damast, in ware dinc,

Daer so vant mi die coninc Die mi op ghehouden heeft.

Sine Moeder:

Ay God, die alle doochden gheeft Die moet sijn ghebenedijt! Van herten ben ic nu verblijt. Dat ic gheleeft hebbe den dach Dat ic mijn kint anescouwen mach! Mijn herte mochte wel van vrouden breken;

Ic sie mijn kint; ende ic hoort spreken.

Daar ic om lide dit swaer tormint. Sijt wellecorae, wel lieve k.nt, Esmoreit, ic ben uw moeder . . . Ende ghi mijn kint! dies sijt vroeder; Want ic maecte metter hant, Esmoreit, selve dien bant:

Daer in so haddic u ghewonden, Esmoreit, doen ghi waert vonden Ende ghi mi ghenomen waert.

De Jonghelinc:

0 lieve moeder, secht mi ter vaert Hoe heet die vader, di mi wan?

Sine Moeder:

Dats van Cecilien die hoghe man, Es uw vader, scone jonghelinc; Ende van Hongherien die coninc Es die lieve vader mijn;

Ghi en mocht niet hoogher geboren

sijn

Int Kerstenrijc verre noch bi. De Jonghelinc:

0 lieve moeder, nu secht mi,

Waer omme lichtili aldus ghevaen?

Sine Moeder:

O lieve kint, dat heeft ghedaen Een verrader valse ende quaet Die uwen vader gaf den raet Dat ic u selven hadde versmoort.

De Jonghelinc:

O wi der jammerliker moort! Die dat mijn vader den coninc riet. Bracht mi ooc in dit verdriet Dat ic te vondelinghe was gheleit. Ay! ende of ic die waerheit Wiste, wie dat hadde ghedaen, Die doot soude hi daer omme ontfaen, Bi minen god Apolijn!

Ay lieve moedor mijn!

Nu en willic langher beiden niet, Ic wil u corten dit verdriet; Aan minen vader den hoghen baroen. Dat hi u bringhe uut desen prisoen. Dat sal mine ierste bede sijn.

Dane hebbe Mamet ende Apolijn! Ende die Scheppere die rui ghe-wrachte,

Dat ic hebbe vonden min gheslachte. En ooc die moeder die mi iroegh. Mijn herte met rechte en vrouden

loech,

Doen ic anesach die moeder mijn.

Sine Moeder:

Ootmoedich God, nu rnoeti sijn Ghelooft, ghedanct in alle stonden! Mijn lieve kint hebbic nu vonden. Die mi nu verlossen sal.

Want die vroude es sonder ghetal Die nu mijn herte van binnen drijft.. —


-ocr page 149-

Esmoreit doet inderdaad zijne moeder verlossen, verhaalt zijne eigene lotgevallen aan zijne ouders, en bekeert z.'oh tot het Christendom. Damiët, intussohen, die de afwezigheid des geliefden niet langer kan verdragen, haalt den wichelaar Platus over om met haar in pelgrimsgewaad naar Sicilië te trekken.

Toen zij daar aankwamen, werden zij herkend door Esmoreit, die Damiët aan zijn vader voorstelt. Deze geeft verlof tot het huwelijk, en legt de kroon neder, welke de jonge koning, na Damiët's doop, aanvaardt. Robrecht, door Platus bekend gemaakt, wordt opgehangen.

Op het einde van het stuk wordt er gezegd:

dEIc blive sitten in sinen vrede, Whie hongher heeft, hl mach gaen niemen en wille thunsweert gaen; eten,

ene sotheid salmen u spelen gaen, ende gaet allen den graet neder, die cort sal sijn, doe ic u weten. Ghenoeghet u, so comt alle wede r.quot;

9. „Een abel spel ende een edel dine van den hertoghe van Brunswijk (Gloriant). hoe hi minnende wert des roden Lioens dochter van Abelanien „Een abel spel van Lauceloot van Denemerken, hoe hi wert minnende eene joncfrou, die met siere moeder diende,quot; gaan wij met de opmerking voorbij, dat het eerste, zoowel wat opvatting als wat karakterschildering betreft, verre beneden den Lauceloot staat eu deze, op zijne beurt, voor den Esmoreit moet onderdoen.

10. Het „spel vanden winter ende vanden somerquot;, dat men gewoonlijk tot de ahde spelen rekent, bevat een twist tusschen beide jaargetijden, die elk, met uitsluiting van alle andere, de aarde willen beheerschen. Zinnebeeldig benaamde personen, als Moiaert, Loiaert, Clappaert, Bollaert en Cockijn, voeren er het woord. De strijd wordt, door vrouw Venus, in dien zin beslecht, dat de jaargetijden zullen blijven afwisselen. In deze beslissing berusten allen behalve Cockijn, een slecht gekleede boef, die het 's winters wel wat koud vindt en daarom dan ook het praktisch besluit neemt, aan het einde van het stuk :

Nu willic gaen lopen als een swijn,

Te Maesti'icht bi den steencolen; ')

Daer willic gaen ligghen ter scolen Totdat die somer comt int lant.

') De steencolen zullen hier wel de steenculen, namelijk den St. Pietersberg, bedoelen, want steenkolenmijnen waren er toen te Maastricht evenmin als nu; en dan moet men voor ligghen Ier scolen, naar de vernuftige conjectuur van den heer G. D. Franquinet, \ezen: ter sculen.

-ocr page 150-

126

14. De Sotterniën zijn niets anders dan uit het leven gegrepen schetsen, die uiterst eenvoudig van handeling en ontknooping, maar levendig van voorstelling, vol echten, al is het ook dikwerf platten volksluim, waar en frisch van kleur zijn. Zij zijn ten getale van zes, te weten: Die sotternie van Lippijn, Die Buskenblaser Rubben, DieHexe, Drie dag he here en Die Truwante; de drie laatste zijn slechts ten deele over.

12. Ziehier de korte inhoud van Die Hcxe. Eene boerin, Machtelt, klaagt tegen haar „ghevaderquot; Luutgaert over den kreeftengang harer zaken. Deze drukt het vermoeden uit, dat „die helsche caterquot; in het spel is. Ook heeft zij bemerkt, dat hare koe de melk ontgaat. Maar ze heeft op een vierweg eene oude zien zitten,

»ende hadde boter voor haer staende ;

ic wane dat si den duvel maende.

die daer die botere comen dede.quot;'

Die hoter is de mijne, roept Machtelt; en daarop begeven zij zich naar de oude tooverkol, schijnbaar om haar te raadplegen, maar eigenlijk om haar te betrappen. Eene behendige vraag lokt een minder behendig antwoord uit; daarmede vallen beide wijven de heks op het lijf, en het fragment eindigt met de woorden: „Hier vechten si.quot;

Hiermede is het tweede gedeelte onzer middeleeuwsche dichtkunst, dat wij met den naam van Didaktiek of Volkspoëzie kenmerken, afgesloten. Er blijft ons nog een woord te zeggen over het ontstaan en de ontwikkeling van het Proza, gedurende dit tijdperk, alvorens tot de derde karakteristieke uiting van den middeleeuwschen geest, de Rederijkerspoëzie over te gaan.

§ 7. Proza..

1. De oudste ons overgebleven proeven van Neder-landsch proza vinden wij in die stukken, waarbij aan steden of gewesten door de betrekkelijke heeren zekere

-ocr page 151-

vrijheden, zekere voorrechten verleend werden, en die men keuren noemt.

2. De Brasselsche keure, die men vroeger voor de oudste ons bekende hield, namelijk van 1229, is gebleken eene latere vertaling te zijn uit het Latijn. Die van Bochout daarentegen is echt en dagteekent van 1249, die van Brugge, van 1251. C. P. Serrure gaf eene overeenkomst uit, die in 1252 door de St. Bavo-abdij werd opgesteld. In Noord-Nederland is die van Middelburg de oudste; zij werd in 1254 door den Roomschen koning Willem van Holland aan die stad gegeven.

3. Dat er evenwel ook geheele in het Dietsch, en waarschijnlijk ook in proza, geschreven boeken vóór do Xnide eeuw bestonden, blijkt, op afdoende wijze, uit een diploma van 1202, bij Miraous aangehaald, waarin de pauselijke legaat Guido, bij de regeling van het bisdom Luik, de boekenkeur aan den bisschop opdragende zegt; „Omnes lihri romane vel thmtonice scripti de divinis scripturis in manus tradantur Episcopi, et ipse quos red-dendos viderit, reddat.'' (Dat alle zoo in het romaansch als in het dietsch over de H. Schrift geschreven boeken in de handen vau den bisschop gesteld worden, en dat hij die teruggeve, welke hij goed zal vinden).

4. Onder de prozawerken, die wij nog bezitten, komt in de orde van den ouderdom, de eerste plaats toe aan eene vertaling van de historische boeken des Ouden Testaments, waarvan het oudste handschrift jvan 1358 is, alhoewel deze in helderen stijl geschreven bewerking van omstreeks 1300 dagteekent. Niet jonger dan deze Bijhal, is een Leven van Jezus, dat gewoonlijk het Limburgsche genoemd wordt, en evenals het vroeger behandelde rijmwerk van dien naam, eene overeenkomst der vier Evangeliën bevat, waarbij de Vulgaat als grondslag dient.

Als een voorbeeld van de eenvoudige, frissche, heldere en tevens krachtige taal van dit werk, bieden wij hier Zacharias' Loflied ter lezing.

«Ghebenedijt si, die Here ende Got es des voles van Israhel, want hijt nu ghevisiteert heft ende sine verloessenesse toe heft bracht. Ende op heft gherecht den horen van onser hehoudenessen, die behorende sijn ten rike Davids sijns kinds; also ghelike alse hi wilen sprac overmids sinen propheten ende sinen heileghen, die wilen waren. Ghehenedijt si die ons ghesendt heft enen verloessere van onsen vienden, ende van

-ocr page 152-

428

al derghorre handen, die ons haelden; ende die sine ontfarmeeheit sal kiren an onse vorderen. Ende die sal ghedenken sijns heilegs testaments ende sijns eets, din hi svor willen Abrahame onsen vader; daer hi hem ghelofde, dat hi hem selven ons gheven sonde om ons te verloessene van onsen vienden, ende om hem te dinne sender vrese in heilecheiden ende in gherechtegheiden alle de daghen die wi leven souden. Darna so bekirt die heileghe man die prophetien te sinen kinde wert ende sprekt aldus: ende quot;du kint, du sout heeten prophete des almegteges; want du sout gaen vor sijn anschin ende hem gheriden sinen wighe; ende du sout vor hem gaen om te ghevene sinen volke ene leeringhe van hare salegheit; ende om tontfane absolutie van haren sunden. Dit sal sijn overmids dontfarmegheit ons Heren Gods, die ons ghevisiteert heft van hoven uten orienten, om te verlichtene deghene die sitten in demster-nessen ende in den schade van der doet; ende om te bekerne onse voete in den weghen des ewelecs vreden. — Dit was Zacharias profetie, die hi profeteerde van onsen Here ende van sinen kinde Sente Yanne. Darna so segt dewangeliste, dat dat kint opwis, beide na den lichame ende in den gheeste. Ende alst opquam, so ghingt inder wostine, ende bleeft daer totin tide, dat hi hem vertogde den volke van Israhel.quot;

Van het begin der XV(le eeuw bestaan er ook nog een paar prozawerken over het leven Onzes Heeren; het eerste is eene vrije bewerking naar Bonaventura en Ludolf van Saxen, het andere geeft ons in opgewekte toespraken de bijzonderheden van Jezus' geschiedenis naar de Evangeliën.

5. Van liet katechetiseh werk : Die Dietsce Lucidarius en van Jan Yperman's geschrift over geneeskunde, beide in proza vervaardigd, hebben wij reeds melding gemaakt, alsmede van de prozabewerking van den Tondalus.

6. Niet alleen door zijne persoonlijke deugd, die zoo groot was, dat zijne tijdgenooten hem plaatsten sboven alle ghelike, als enen seraf in hemelrike, den hoechsten inghelen ghelike,quot; en die de Kerk aanspoorde om hem onder het getal der gelukzaligen te rangschikken; maar ook door zijn uitmuntend prozaschrijverstalent onderscheidde zich Heer Jan van Ruysbroeck, naar zijne geboorteplaats, in Zuid-Brabant, aldus genoemd. Hij werd omstreeks 1294 geboren, en trad, nog jong, als kapelaan der Sinte-Goedele te Brussel, tegen de leerstellingen der zinnelijke mystieke en daarom kettersche non Bloemar-dine met kracht op. In het jaar 1344 stichtte hij, geholpen door zijn rijkeren medekapelaan te Sinte-Goedele,

-ocr page 153-

Heer Fr a nk va n Clt;ou d e n b er gh, het klooster Groenen-daal, op twee uren afstand van Brussel, in liet bosch van Soignies. Daar leefde hij, alhoewel niet. de waardigheid van prior bekleed, in sgrondvernietende ootinoe-dicheitquot; tot het jaar 1381; daar schreef hij, met die eenvoudige innigheid, met die waarheid van voorstelling, in die krachtige en tevens zuivere taal, zijne geschriften, welke hem den eerenaam van Vader van het Neder-landsch proza verworven hebben.

7. De maatschappij der Vlaarnsche Bibliofileu heeft, te Gent, Ruysbroeck's volledige werken uitgegeven, namelijk: Dat boec vanden (jheestehjcken Tabernakel, het uitgebreidste en 't Cieraet der gheesteliker bruloft, het belangrijkste werk van den schrijver. Verder vanden grade der mynnen mijt VII trappen; vanden seven sloten; die hoechste waerheit of Samuël; dat rijc der ghelieven; vande twaalf deugden, de twaalf bagijnen, die spleghel der ewigher salicheit, dat boec van den vier becoringhen, van den Kerstenen ghelove. en dat hantvingherlijn oft van den blickenden steene.

Even natuurlijk en kernachtig als Piuysbroeck's schrijftrant is, even boeiend, even zinvol is de inhoud zijner beurtelings beschouwende, leerende en gispende geschriften.

In het boek: dat rijc der ghelieven, kenmerkt hij, in berijmd proza, zooals men het destijds niet zelden schreef, de deugd van goedertierenheid.

«Opdat die mensche dese gave der goedertierenheit besitte in der hoechster volcomenheit mit allen dien duechden, die daer wtspruten; soe moet hi hebben een ghesaet ghemoede, onachsam vreemder spoede, altoes bliven in eenvoudicheit. Goedertieren te sine, dat en ghevet ghene pine hem die leeft in saftmoedicheit; ende een ghemeen onti'ermen op alle dieghene die derven hoerre gherechter noetdurfticheit, dat sal men nauwe merken mit doghentliken werken, mit gherechter bescheidenheit. Milde in caritaten, dat en sal nieinan laten, ende werken in der ont-fermicheit; niet na gonste noch den maghen, mer ghemeene minne draghen tot eiken na bescheidenheit. In doghen ende in liden, altoes wesen blide ende God loven mit dancberheit; ende dat gemoede vrijen,

9

-ocr page 154-

130

ende die natuer vertien, in gherechter verduldicheit. Saftmoedich te siin, dat is sender piin ende is hogher weerdicheit. Vier dinghen hinderen den menschen, dat hi die duecht der goedertierenheid niet be-sitten en mach in der hoechster volcomenheit; licht gherenen, woeste van sinnen, verstormet buten ende binnen, dat hindert die sachtrnoe-dicheit. Compassie draghen toe vrienden ende toe maghen meer dan toter ghemeenheit. Die ist die in duechden zwevet, die caritate mit gonsten pleghet, niet nae bekenliker noetdurfticheit. Die doghen mit verdriete liden, die en moghen niet verbliden in hogher dancberheit Dit is ontbliven ende niet vercrighen die duecht der goedertierenheit. Noch wil ic u toenen vier dinghen die hoenen der menschen salicheit: een wreet ghemoede levet in woede ende sender goedertierenheid, lot nyemant compassie draghen, dat mach wel mishaghen, dat is leven in tyrannicheit; altoes vrac, ghierich ende ghieren, dat moet qualicken tieren, want dat is leven sender mildicheit. Onverduldich te siin, dat maect groote piin, dat is wreet in liden; want het beroevet sachtmoe-dicheit ende brenghet in eewich leyt.quot;

Hoort nu, met wat scherpe slagen hij de wereldsche Ydelheid geeselt.

»A1 dat op der aerden crunpt ende van lime der aerden wast, dat is den ioden onreyn ter spisen. Siet hier mede verstaet men alle vleyschelike sonden. Want als die mensche al siin ghenoechten set in siin lichaem, so is lü als een worm die op der aerden cruupt ende leeft van die lime der aerden; ende hieruut comen iii hoeftsonden, dat is traecheit, gulsicheit ende oncuusheit. In traecheden cruupt die worm, in gulsicheden wert hi ghevoedt, in onsuverhedeu is siin leven ende siin woeninghe. Ende wt dese sonden comen ander quade costumen ende nuwe sonden, di bi wilen scadeliker siin dan die principale sonden. Ghi siet wel, sal een man een cleet maken, hi doet fronsen mit langhen becken, mit langhen toten, ende soe enghe ende soe oort, dat hi cume siin scamelheit bedecken can. Hierop sien die vrouwen, ende maken oec so enghe cleederen, dattet hem scande is, ende si voederent buten ende binnen, ende versieren menigherhande visevasen om behaechelheit. Si maken aen haer hoefden bulten van hare, dat siin des duvels nesten, daer si in scnlen. Mer dunct hem dat si edel siin so moeten se hebben an haer aenschiin cromme hoernen als gheiten, daer si den duvel mede gheliken, ende dan gaen si hem spieghelen of si scoen ghenoech sijn, den duvel ende die werell te behaghen. Nochtan makense grote, wide hoeftslope, opdat men den vvlen sac wel besien moge, mei saghen se selve dat anschiin haer concienciën, hoe eyselic dat is, hem soude gruwelen van hemselven meer dan van enighe duvel. Want si siin des duvels netten, daer hi mede vaet die sine. Ende also sijn oec die mannen, die hem wtsetten in sonderlinghe behaeghelheit; want daer mede ontfunkt men dat vier der oncuusheit ende oefent ende stoect in lane so meer. Ende al siin dese liede traghe (Jode te dienen ende onbereet, si siin haastich ende snel den duvel ende haren vleysch gbevolchsam te sijn; want in der nacht, als ander goede lieden slapen ende rusten, dan gaen si dansen, reven, eten ende drinken ende haer onvoere driven; ende als goede menschen opstaen Gode te dienen, dan gaen si slapen, die den duvel ghedient hebben; want si verkeren die

-ocr page 155-

131

dach in den nacht. Ende sulke gaen ter kerken ende hoeren een misse, opdat si haer behaghelheit vertoenen moghen den volke. Siet, dit is die werlt daer x ps niet voer bidden en woude sinen hemelschen vader, ende si en begherens oec niet. Want si leven sonder gheestelic ghevoelen ende sonder lust tot enige duecht. Ende aldus siin si die ionghe sonen, die haer substancie van Gode ghedeilt hebben, endg siin ghevaren in een vreeint lant, ende daer leven si in onsuverheden.quot;

Men ziet het, de «enghe cleederen,quot; de «bulten van harequot; en alle andere vmsevasen om behaechelheidquot; zijn al oud in de wereld.

8. Om de zuiverheid zijnor taal en zijn nog al vloeienden verhaaltrant, meer dan om de geschiedkundige waarde zijner kroniek van Holland, verdient opgemerkt te worden „een on-genoemt elerck, geboren vuyten laegen landen byder zee, die vuyt vryen sinnen begeerde waerachtige historie te bescry-ven.'' Deze onze oudste geschiedschrijver, in Xederlandseh onrijm, heeft Melis Stoke en vooral Beka nagevolgd, en voltooide zijn werk kort na 13Ó0. Het vermoeden, dat men in dezen „clerkquot; den schrijver van liet boec; De Cura Reipublicce, den archivaris van Utrecht Philippus de Ley dis (f 1380), moet erkennen, wordt met meer grond tegengesproken dan aangenomen.

Zeer aanschouwelijk verhaalt de ,ongenoemde clerkquot; het schrikwekkende Oirdel ende verdommenisse van aertuhisco}^ Udo van Meydenborch (Magdeburg) in Sassen.

«In desen zeiven jaer zoe geviele eenen alten wonderliken oirdel ende verdommenisse over een aertsbisscop van Meydenborch in Sassen, gheheeten Udo, daer af ick een luttel mit corten woorden overlopen wil, wanttet te lanok waer al te scryven. Dese bisscop Udo was een arm clercsken van doramen sinnen, die hem seer scaemde dat hy nyet zoe wel en leerde als een ander, ende plach onser lieven vrouwen stadelic ende mit groter innicheyt te bidden om sinlicheyt ende ver-standenisse te crygen. Op een tyt als by in syn gebeth lag, tot Meydenborch in den doem, die gesticht is in die eer Sinte Mauricius mit zyn gesellen, zoe wart hy slapende, ende in synen visoen zoe openbaerde hem die moder gods ende seyde: Udo ick heb dyn gebet gehoort ende die weemoet dyns herten aengesien, du en selste nyet alleen konst hebben ende abelheyt, mer naer dode des biscops die nu is, selstu oick besitten deser heiliger kercken myns martelaers Sinte Mauricius. 1st dattu dan di wel ende rechtveerdelick regeerste, zoe selstu verdienen die eeuwige blyscap, doetstu anders du zelste sterven den eewygen doot. Hiermede zoe bedaerde hy hem, ende met goede gelove dier woorden ghinck hy ter scolen ende wort alsoe subtyl ende constenryck, dat hy alle syn gesellen boven ginck ende wort die vroomste doctoer van den lande, zoe dat alle meesters ende clercken hem verwonderden ende al

-ocr page 156-

132

te seer vervreemden. Tendon twe jaeren zoe sterff den bisscop aldaer, ende üdo wort gecoren tot eenen biscop, in vvelcke staet hy hem wel regeerde een corten tyt. Maer, want die staet verwandelt die zeeden ende manieren, zoo begon hy alleynken onser lieven vrouwen raet te vergeeten, ende wert hoeveerdich. ende verminderde der kercken goeden ende bedreef veel onkuysheyt, altoos merende syn sonden.

))Daernae soe was een canoniek aldaer, geheeten Vrederick, eerbaer duegende ende God ontsiende, die mit groter innicheit, mit claghender herten screyer.de Godt badt om salicheyt ende eer der heiliger kercken van Meydenborch, dat God den bisscop cort halen wonde, ot dat hy hem syn sinnen in deuchden verwandelen wonde. Dit was by nachte, dat die kercke gesloten was; te hant soe sach die heilige Vrederick dat alle die lampen van der kercken mit eenen stueren wynde vuyt ge-blasen worden, daer hy hem zoe seer of verveerde dat zyn leeden crompen ende zyn mont toe sloot, ende hielt hem by een hoecxken by den hogen ontaer, ende zweete van groten anxte: daer sach hij waec-kende init. zynen vleischelyken ogen datter jongelingen quamen met tortysen ende spreyden tapiten voir den ontaer, ende sette daer twee gulden setelen; doe quam een man alleen gewapent in ridderlycker wyze mit eenen getogen zweerde ende ginck staen midden in die kercke roepende; staet op alle gy heiligen, die hoer gebeente hier hebben ende comt totter vierschaer Goods. Te hant quamen daer die heilige ridders Sinte Mauritius mit synen gesellen vjm vjc Ixvj, oetmoedelick verwachtende den overste rechter. Daer quam onsen Heer in keyserlycken ge-waede, gecroent mit overdragender cyerheyt, lichtende als die sonne mitten xij apostelen als scepenen, ende ginck sitten in den enen setel; doe quam daer an die waerde moder Goods, gecroent ende gecyert mit groter claerheyden, lichtende als dat licht der sterren mit eenre schaer van schoenen, welgecierden joncfrouwen, die ginck sitten in die ander setel. Doe sprack sinte Mauricius: O, aire rechtveerdichste rechter geeft recht vonnisse! ende knyelden mit alle synen gesellen, verbeydende die antwoerde des oversten rechters. Onse Heer God sprack; brenct ons den bisscop Uden hier ten oirdel. Te hant ginck er een deel vuyt ende namen den onsaligen prister, ende brachten hem liflick ende levende in der vierschaer op die tapite. Doe sach hem sinte Mauricius, vreesselick an ende sprack: Here, doet recht over desen man, hy en is ^een bisscop, maer een wolf, hy en is geen herder, maer een rover, hy is een eeter ende verderver dynre scapen, een nederwerper der heiliger kercken, ende een bedryver ende sterker aire quaetheden ende aire vuyle sonden, die hy om vermaninge ende waerschouwinge dynre liever moeder nyet gelaten en heeft, mer altoes vermeert, ende getreeden van der eenre vulnisse in die ander, daer hy die eevvyge doot aen verdient heeft, nae vorwaerden, die u weerde moder mit hem maecte, doe sy hem myn kerck toeseyden. Doe sach die overste rechter op die apostelen ende vraechde: wat dunct u allen goet? doe sprack die gewapende ridder: Heus est moitis, dats te seggen: hy is den doot sculdich. Doe droech diequot; reehter met hem allen overeen, wat doot men hem doen soude. Daer wysde hem die rechter den hals of. Ende als die gewapende kemp tsweert ophietT, zoe wasser een die riep: hout, laet eerst die reliquien van hem trecken. Doe quammer een mit eenen kelc voir hem staen, ende die kemp slocli hem mitter vuyst in den hals, ende tot elcken slage quam een hostie besmet vuit zynre keele, die ontfangen worden

-ocr page 157-

133

in den kelck. Daer nam Maria den kelck ende sette die op den autaer ende neech mit hoeren maechden ende schiet van daer. Doe nam die kemp den onsalich ende sloch hgm den hals of vleysschelyck ende men-schelick, ende mittien zoe voeret: alle die heiligen wech, zoe dat mense nyet meer en sach. — Dese heilige canoniek Vrederick. die alle clese geveerde mit wakende ogen aensach ende nyet in slape, ginck van synre steede mil groten anxte onder den choer in der crofte, daer een lampe bernde, ende hy nam een lichte, daer hy alle die lampen van der kereken mede outstack; ende omdat hy immer anxt ende groten twyfel in synre herten hadde van deser gesehiedenisse, zoe ginck hy op die steede des gerechts; daer sach hy thooft des hiscops leggen veer van den lichaem, ende dat paviment seer gemaculeerd van den blode, dat men noch hu-dens daechs claerlycken bekennen mach. Des morgens te sonnen op-ganck, soe ontsloet hy die kerek, ende galf alle der cleresie ende den Inden te kennen dat oirdel dat got mit synen heiligen aldaer gedaen hadde, daer hem allen menschen seer of vervaerden, ende alten groten geruchten of was, alle die werlt doer, als twel mogelycken was. Ende als sy openlik besagen dat kenlick oirdel goods, soe deden sy dat onge-huyr lichaem werpen buten der stadt in eene vule slycke, daer die boese geesten zoe veel feeste mede dreven, dat die luden daer omtrent wonende groet lyden ende anxte daerof hadden, zoe dat by eendracht dat vuyle lichaem vuyten slycke getogen wort ende verbrant te pulvere; welke pulver geworpen wort in die riviere die daer loopt, zoe dat kenlick rechtevoert alle die visschen vuyt die riviere ter zeewaert toegen, ende nye visch in lange tyt weder en quam, voir die tyt dat men soeveel letanien, gebeden ende processien daer voir dede, dat zy tenden thien jaeren wederquamen, alse voir geweest hadden.quot;

9. De Latijnsche kroniek der Utreohtsche bisschoppen, door den Utrechtschen kanunnik Jan van der Bekje, meer oekend onder den naam van Joannes de Be ka, opgesteld, fwerd, nog vóór 't einde der XIV',e eeuw, in het Nederlandseh vertaald; terwijl ook in Vlaanderen de Ypersche schepen, Olivier van Dixmude, het ondernam, de gebeurtenissen, waarvan hij in zijn leven getuige was, op te teekenen. Zekere Beieren stelde eene meer algemeene kroniek op, die echter niet verder strekt dan de geschiedenis der Romeinen, en eene uiterst argelooze voorstelling bevat van personen en zaken.

10. Voorts werden de reisverhalen van den Engelschman John Mandaville, uit het Komaansch, en die van Johan Witte de Meze. eenen „priester uten ghesticht van Utrecht'', omstreeks 1398 uit het Latijn vertaald door Joh. Voet, een kloosterling uit Utrecht: M1 Dire van Delf, hertog Albrecht's gunsteling eu hofprediker, schreef, in 1 -104, zijn Tafel vander kersten t/heloce ; eene zedekundige bespiegeling over het schaakspel bracht Franco nis uit het Latijn van den dominicaan

-ocr page 158-

134

Jac. de Cessolis, in 't Nedei'lanclsch over; en eindelijk de Somme le Boy, door Laurent, den biechtvader van koning Filips van Frankrijk, reeds in de XIIIde eeuw opgesteld, werd door „brueder Tan van Rode,quot; „convaers der Cartuser oerdequot; te Seelera, bij Diest, in 1408, voor de Nederlandsche lezers bewerkt, onder den titel van '.s conincs somme,

11. Hoogere verdiensten echter, dan dezen, verwierf ten opzichte van ons proza de beroemde Deventer burgemeesterszoon Geert Groete (Gerardus Maimus), die in 1340 geboren werd en in 1384 overleed. Wij bezitten van Groete's werken, die meest in het Latijn zijn geschreven, in het Dietsch verschillende vertalingen van »ghetidenquot; uit het Brevier; verder een Epistel aen eenre clusenersse, eene Zedelijke Toespraak, Huwelijkslessen en De vijf poente, die meester Geert de Groete inden volke t'Uutrecht predicte. Niet zeer veel; maar hij schitterde in zijn leven, door een zeldzaam redenaarstalent, en werkte daardoor zeer gunstig op de ontwikkeling van het proza. Ook stichtte hij de reeds vermelde Broederschap des gemeenen levens, die ter bevordering van godsdienst, zedelijkheid en volksonderwijs zóó veel hij-droeg. dat Geert Groete te recht geroemd wordt «als een apostel ons Heren,quot; die niet alleen «al dat crisdoem van Utrechtquot;, maar geheel Nederland »he vet verlichtet, ende van menigher dwalinge tot Gode ghetoghen eade bekeert.quot;

12. Een der uitstekendste mannen uit die school is Jan Brinckerinck. Hij was geboortig van Zutphen, stichtte een zusterhuis te Diepenveen, en overleed in 1419. Wij bezitten acht door hem voor de zusters van Diepenveen gehouden vermaningen of preeken, die zich door een levendigen, recht gemoedelijken schrijftrant onderscheiden. De kortheid zijner ontwikkelingen verraadt, dat zijne redevoeringen ons niet zooals zij gesproken, maar zooals zij opgeteekend werden, bewaard

-ocr page 159-

zijn gebleven. Zuster Lijsbeth van Delfl nam die taak op zich.

Hoort, hoe gemeenzaam, hoe praktisch hij de zusters weet toe te spreken.

«Susteren, ic en hebbe gheen begheerte tot tijtliken dingen, noch daer en bin ic niet ghierich om, mer daer staet mijn herte ende alle mine begeerte nae, dattet wat vorderen mochte dat ic iu segge. Onse lieve Here ist beghin, in hem sellen wijt beghinnen, onse beghinsel sel wesen ghehoersamheit, ende daer sellen wi onse a. b. mede beghinnen. Wanneer wi dit a. b. wel gheleert bobben, soe moegben wi dan wel seggen; pater noster. Als wi ons cranc voelen in eenighen dingen te doen, die teghen ons sijn, soe moeghen wi dencken dattet onse scout is, ende dat wi ons die crancheit selve ghemaect hebben, omdat wi ons niet weder en hebben ghestaen in andoren ghebreken. Dit is onsen Here groet te maken, dat wi ontbreken iu sijnre groetheit, ende wi sellen ons selven cleyn leren werden, opdat onse lieve Here in onsen herten groet mochte werden. En daerom is onse lieve Here (in) onsen herten niet groet, want wi ons selven soe groet sijn; ende hierom sellen wi dicke seggen; lieve Here, hoe sellen wi u groet maken moghen? want alle die werelt en mochte dat niet toebrenghen u groet ie maken. Wi sellen onsen wille dicwijl ondersoeken ende proeven, want dat is een goede wille, daer dat were naevolghet. Conden wi onsen lieven Heer gheheelic verkiesen, hi soude ons gheven, dat ons onmo-ghelic duncket ende oec is. Susteren, sellen wi in reinicheiden staende bliven, soe moeten wi staen in onsen lieven Heer; in hem staen wi, buten hem vallen wi, werwert wi ons keren; ende wi sellen oec dicwille seggen: God, wilt dencken in mijn hulpe!

13. Tot diezelfde school behooren nog de innig mystieke Gertach Petersz, die, deels in 't Latijn, deels in 't Neder-landsch, /eer opmerkelijke beschouwingen over den inwendigen mensch geschreven heeft, en in 1411 te Windesheim overleed, en de vurige Dordtenaar Hendrik Mande, de Huysbroeck van het Noorden. Geboren uit een gegoed geslacht, omstreeks 1360, was hij in 1383 reeds hofschrijver van graaf Willem VI van Holland, toen hij diep getroffen werd door het machtige woord van Geert Groete. Het was evenwel pas na een langen strijd, dat hjj besloot zich geheel aan God te wijden, eerst te midden van dfl Broeders des Gemeenen Levens in Deventer, daarna in het klooster te Windesheim. Hij ontving wel nooit de heilige orden, maar leidde als kloosterbroeder een voorbeeldig leven, verdroeg met engelachtig geduld het lichamelijk lijden, dat hem jarenlang folterde, en werd bewonderd wegens de vizioenen en de gave der voorzegging, waarmede men hem als bevoorrecht

-ocr page 160-

130

roemde. Bovendien muntte hij uit in het opluisteren van handschriften en in het opstellen, in onze taal, van zoo verheven mystieke geschriften, dat onze realistische eeuw ze nauwelijks meer genieten, haast niet meer hegrijpen kan. Hij overleed te Beverwijk, waar hij met zijn vriend Joh. Bnsch den schrijver van het Chronicon Windesemeiise, ter regeling en bevestiging van het kort te voren gestichte klooster Sion, verblijf hield, in 1431. Men bezit van hem een Boekskijn van drieën staten eens hekierden menschen; een gansuh zinnebeeldig vertoog Vander bcreidinr/he ende vercieringhe onser inwendigher woeninyhen; verder, Een corte mynlike clayhe der mi/nnender zielen tof hoeren hrudeyom Samensprake der mynnender zielen met den mynliken Here, en eindelijk drie kleinere werkjes : Van den lichte der Waerheit, Spieyhel der Waerheit en Vanden zeven gaven des heilighen Geest, ende eerst vander gave der smakender Wijsheit.

Het zinnebeeldige in de voorstelling, waarvan wij zooeven spraken, heerscht niet alleen in Maude's geschriften, maar straalt in bijna al de prozavoortbrengselen van dien tijd door, en gaf soms aanleiding tot minder gepaste vergelijkingen. J an Brugman bij voorbeeld, al werd hij als prediker zóó vermaard, dat kallen als Brugman spreekwoordelijk is gebleven, wist zich niet altjjd tegen dat onkiesche in den smaak te vrijwaren. Deze hervormer der Minderbroeders-klooster in Nederland werd te Kempen geboren, waar ook de beroemde Thomas Hamerken het licht zag, en overleed te Nijmegen. Hij werd het hoofd der Observanten en predikte, te Amsterdam en elders, kort na 1450, (f 1473), met een vuur, met eene vrijmoedigheid, die hem, in weerwil van den roep zijner heiligheid, menigmaal gevaar deden loopen, uit de stad verdreven te worden. Van zijne predikatiën is weinig in druk gegeven; maar wat wij kennen van zijn sermoen over den tekst: Du heves een taefel bereit, is genoeg om zijne origineele opvatting, zijne krachtige, beeldrijke voorstelling en zjjn kernachtigen stijl te doen waardeeren. Als dichter leerden wij hem boven reeds kennen.

14. Naast Brugman plaatsen wij zijn stadgenoot, den uitmuntenden Thomas a Kempis, geboren omstreeks 1380) en overleden in 1471, te St.-Agnetenberg, bij Zwolle. Hoe jammer is het, dat deze leerling van Groete, de onovertroffen schrijver

-ocr page 161-

137

fier Navolyint/ can Christus, die ook, in zijn leven, beroemd was als redenaar, zich zoo zeldzaam van hot Xoderlandsch bediend heeft, om in schrift zijne gedachten mede te doelen.

Buiten een paar spreuken, bezitten wij van hem slechts: ran goeden woerden to horen ende die to spreken, eon kort vertoog waarin, inet den sententien-.en vorm der „ [nütatio,quot; ook die praktische geest, dat losse, natuurlijke in de opvolging en uitdrukking der gedachten, dat diep zielkundige van het beroemdste aller door menschen opgestelde boeken doorstralen. Onthouden wij ons het genot niet, dit stuk in zijn geheel mede te deelen.

Onse lieve Here Jhesus Christus secht; zalich sijn sy, die dat woert Godes horen, en dat bewaren. Nu merct dat hier na volghet. Een goet woert is loves weert; een ydel woert is beter gesweghen. Een oet-moedich woert, dat stychtet meest. Een sacht woert brect den toern. Een bart woert verstueil die herten. Een bescheiden woert ghevet verstandenisse. Een zuet, godlic woert maket vroude. Een troestlic woert is goldes weert. Een wijslic woert is seer nut in sijnre tijt. Een haestieb woert veriaghet die vrende. Een loes woert is schande weert. Een waerachtig woert is eren weerdich. Een dienstig woert is dankes weert. Een voersienich woert is seer kostel, ende allen menschen neet, die onbegrepen ') wil wesen in sinen leven. Dat moet een seer goet stichtich woert wesen. dat een swighen sal verbeteren. Beter is gesweghen clan ghekeven. Allen woerden en sal men nyet gheloven, noch oec voert segghen. Swighen ende lyden maket vrede ende doet verbliden. Also langhe als ghi levet, so seldi leren lyden. luttel spreken, vake beden, die cranken draghen, den quaden wijken. Luttel onderwyndens maket vele vredes. Gliene hoecheit sueken, noeh eer begheren is die rechte wech ten ewighen leven.

Set uwen troest ende hopen in God alleen; west oetmodich ende barmbertich totten armen in tghemeen. Doet naer Godes raet, ende schouwet die qnade paede, so seldi Gode wel behaghen, ende des viants strirke ontgaen, mitter luil^e Godes in doechden wassen, ende vast van bynnen staen. So edel is die doghet ende een goet heilich leven, dattet gaet boven alle schoenheit ende rijebeit ende Starcheit, ende verdient sekerlike dat ewighe leven. Die doeghet verwint alle boesheit ende ydelheit der werelt; si wederstaet des viants becoeringhe, ende dwinghet dat crancke lichaem te volgen der reden ende den heilighen gheist.

lidd moet ons alle gader in doechden stereken, ende voer alle simden behoeden, dat wi na desen sterlliken leven weerdich werden te comen in dat ewighe leven. Amen.

In allen noden ende stonden, in allen begbinrie ende eynde, so come ons te hulpe die heilighe moder Gods, Jlaria, mit Jhesus horen lyeven kynde. Amen.

') Onherispt.

-ocr page 162-

15. Te Groenendael bloeide nog Jan vau Leeuwen, geboren te AtHighem, de kok der abdij, die zijns meesters leven in berijmd proza verhaald heeft en in 1377 overleden is.

Wij sluiten deze korte geschiedenis van het proza in het tweede gedeelte onzer middeleeuwsche letterkunde met een stuk uit De Wonderen Onzer Lieve Vrouwe, in welke de Moedermaagd •wederom die liefelijke rol speelt, die haar tot het beminnelijkste ideaal der chi'istelijke dichtkunst maakte: Maria noodigt een joncjhe monickijn te (fast.

Het was een onnosel ionc kint, ende wert ghebroecht in S. Ber-naerts oerde, omdattet hem niet rnit wtwendighen dinghen der werelt en soude becommeren. Ende in dat doester stont een scoen beelt van onser liever vrouwen op dat hoghe outaer, ende daer hadde dat ionghe monnickijn grote ghenoechte in; ende hi vraechde sinen meester waerom dat die scone vrouwe opten outaer stont. Die oude monnic seide dat si die dwalen ende die boeken hewaerde ende tot allen dinghen plach te sien watter noet is. Doe vraechde die ionghe, wie die scoene vrouwe te eten plach' te gheven of te brenghen. Die o;:de seide, wie dat woude, hi mochte haer teten gheven. Ende dat ionghe kint plach daghelics te versparen van sijnre spisen ende brochtet in der kerken 'voer dat beelt, ende settet op dat outaer ende ghinc heen; ende als hi dan weder quam soe was die spise gbegheten ende die scotelen waren ghesuvert; ende als dat monnickijn den heelde waermoes brochte, soe vant bi die scotel soe scoen ghemaect of si ghewassehen hadde gbeweest; dat verwonderde hem, ende seide; lieve vrouwe, dese scotelen sijn seer scoen, en ghi en sijt niet besmit an u handen noch an u cleder, ghi sijt te maele een reynlicke, cuusche vrouwe; mer, lieve vrouwe, ic duchte dat ghi dicke groten hongher ende dorst lidet, want u scotelen sijn altoes scoen ghemaect; mer lieve vrouwe, ic en macht niet beteren. Ende aldus brochte hi Maria dicke teten ende dit duurde een wijl tijts. Ende het gheviel op een hoechtijt, dat die monniken onversiens gasten overquamen, soe dat dat monnickijn den beelde niet en brochte dan droech broet. Doe seide dat kint: lieve vrouwe, weest wel te vreden, ic en hrengbe u anders niet dan droech broet, omdat ons nu vremde gaste overgecomen sijn, mer morghen so ist hoechtijt, so sullen wi dubbelde proven hebben, so sal iet al verbeteren. Doe sprack Maria, onse lieve vrouwe, doer den beelde, ende seide: morghen so node ic u te gast, dan sal ic hof houden ; doe seide dat kint: waer suit ghi u bof houden, wi hebben u langbe tijd teten ghegheven, ende ghi sijt aerrn. want ghi hebt een naect kindekijn endt ghi en moghet hem niet enen quot;nu wen rock copen; waer is u goet, dat ghi hof houden suitquot;? Doe seide Maria doer dat beelde: zoen, bidt oerlof van uwen prior, wi sullen ghenoech hebben; doe ghinc dat monnickijn tot sinen prior ende seide; vader, wilt ghi mi oerlof gheven'' die, vrouwe, die in onsen choer staet, die hevet mi morghen te gast ghenoet. Die prior seide haestelic: zoen, is daer enich wijf in der kerken? want daer en quam nye gheen wijf in den doester. Doe seide dat monnickijn: vader, het is onse costerinne, die opten outaer staet, die mi ghenoet

-ocr page 163-

139

hevet. Doe die prior die sympelheit van den kinde hoerde, doe seide hi; zoen, ic en wil u gheen oerlof gheven, ten sy dat si mi mede te gast node. Doe ghinc dat monnickijn al bedroeft weder in den choer, ende seide; lieve vrouwe, mijn vader, die prior, en wil mi gheen oerlof gheven, ten sy dat ghi hem mede nodet; mer, lieve vrouwe, en noedet hem niet, want ghi sijt een arme vrouwe ende onse prior is groet, ende hi mach veel eten; waer sout ghi dat halen ? Doe seide Maria doer den heelde: zoen, segt uwen vader den prior, dat ic hem mede node, ende dat hi hem bereyde; morghen te tercietijt, so suit ghi beyde tot mi comen, ende wi sullen ghenoech hebben. Doe ghinc dat moni-ckyn totten prior ende seide hem dat; ende die prior was seer verblijt ende hi seide totten kinde; bereyde di, want morghen salstu sterven. Doe seide dat kint; trouwen, vader, zonde ic sterven? mi en is also niet gheseit, mer wi sijn ter werscap ghenoet. Ënde des morghens doe die prijm wt was, doe dede die prior sijn broeders een sermoen, ende seide hem mede, hoe dat hi mil dat iotighe monnickijn totter hogher feesten varen sonde. Doe die monniken dat hoerden, doe waren si bedroeft, omdat hoer vader sterven souden, mer si waren verblijt omdat hi totter ewigher vreuchden varen sonde. Ende si bereyden hem, ende doe men tercietijt began, ende men den ymnen sanc, doe gaven si den gheest, ende voeren mit bliscappen totter ewigher feesten, daer hem onse lieve vrouwe Maria een eerlike werscap bereyt hadde.

III'ie HOOFDSTUK — Rederijkerspoëzie, van 1450—1550.

1. Het tijdperk der Rederijkers is een tusschentijd-perk, eu kan met even veel recht het slot der middel-eeuwsche letteren, als de inleiding der «Renaissancequot; genoemd worden, 't Is niet gansch meer die argelooze ontboezeming van een kinderlijk gevoel, van die alge-meene volksgeestdrift, waaraan wij de middeleeuwsche kunstgewrochten op het gebied der epiek en der lyriek te danken hebben : evenmin als de geheel individueele, de verstandelijk klassieke, in een uitheemschen vorm gegoten, met eene uitheemsche dorre godenleer vervulde literatuur der «Renaissancequot;, 't is iets van beide; de wegkwijning van den rniddeleeuwschen, de aankondiging van den modernen geest.

Maar men zong toch nog liefelijk, zoowel in het wereld-sche als in het geestelijke lied; men wist nog de helden-

-ocr page 164-

140

daden der vaderen niet warmte te verhalen ; men drong, én door leering èn door bloedige hekeling, nog op zedelijkheid en deugd aan.

2. Niet alleen in den geest, in de denkbeelden, ook in den vorm en in de taal was ontbinding Het Bourgondische vorstenhuis, al bracht het eenheid van bestuur en bijgevolg krachtiger samenwerking mede; al waren zijne leden, over het algemeen, voorstanders van de kunst en inzonderheid van de dichtkunst, was voor de Nederlandsche taal noodlottig. Al onze graven uit dit geslacht werden door Fransche zeden en gewoonten beheerscht, spraken en lazen Fransch; en het kon wel niet anders, of de buigzame hofstoet en de, wellicht nog meer behaagzieke, hoogere burgerstand moesten hunne moedertaal óf verloochenen, óf, door vermenging met vreemde bestanddeelen, der verbastering prijs geven. Zoo gebeurde bet ook. In de schoone Middelnederlandsche taal, die, in weerwil van den invloed der vroegste Fransche letteren en der Duitscbe vorsten uit hetBeier-scbe huis, nog een opmerkelijke zuiverheid en smijdigheid bewaard bad, ontstond verwarring, zoowel ten opzichte van de spelregels en de woorden, als van de dichtsoorten en den versbouw; ja, de goede smaak ging teloor. De namen alleen van sommige zoutelooze rijmelarijen van dien tijd geven een denkbeeld van de diepte, waarin men gedaald was; er waren; SirnpleUen en Dobbletten, Dobhels teer ten, Scaecberden, Ricqueracken, Baguenauden, Cocquerullen, enz,

Van de hoogere standen drong de besmetting weldra met onweerstaanbare kracht in alle klassen der maatschappij door, zoodat, tegen 't einde van dit tusschen-tijdperk, de taal geheel verbasterd was, en de ware kunst, door de gisting, welke zich allerwegen op godsdienstig en politiek gebied openbaarde, door de splitsing der krachten, bij de scheiding van Zuid- en Noord-Nederland, en door

-ocr page 165-

141

de stijgende zucht naar stoffelijk bezit en zinnelijk genot, dreigde weg te kwijnen.

3. Wat zijn nu eigenlijk de Rederijkers en hoe zijn zij ontstaan ? De dichtlievende genootschappen, aan de Gilden en Broederschappen verbonden, en de thans niet meer rondtrekkende, maar in de steden gevestigde sprekers vormden, gelijk wij boven gezegd hebben, de «ghesellenquot;, die, in den beginne, met «den frerenquot; (geestelijken, kloosterlingen) de Mysteriën speelden, en later, in het begin der XVde eeuw, zonder dezen, niet slechts hunne kerkelijke voorstellingen, ofschoon meestal buiten de kerk, voortzetten, maar ook wereldsche vertooningen »Morali-teitenquot;, »Zinnespelenquot;, enz., in 1424 reeds ^Esbattementenquot; genaamd, voor den volke hielden.

Omtrent dieuzelfden tijd noemde men hen „de goede lieden van den esbattementenquot;, ook „de gliesellen van der constenquot;; en weldra begonnen zij, naar de Zuid-Fransehe Colléges of Chambres de Rhétorique, den naam van „gliesellen van liheto-rikeuquot; te voeren. Spoedig vermenigvuldigden zich, onder den klimmenden invloed van den Franschen geest des Bourgondischen hofs, deze Bhetorijkers, Rhetrosijnen of Rederijkers-, docli zij bepaalden zich niet meer bij het geven van tooneelspelen, maar legden zich op de dichtkunst, in het algemeen, toe - zoo hun knutselwerk, hunne haarkloverijen al iets met de kunst gemeen hebben. Er waren ook geestelijken onder hen, en menigmaal bekleedden dezen den post van facteur der Kamer.

Ook rondtrekkende sprooksprekers, een minder soort van volksdichters geworden, bleven er bestaan. Niet zelden met den eenvoudigeu naam van „gezellenquot; aangeduid, paarden zij het beroep van zangers, van straat- ot huismuzikanten en van kunstenmakers aan de beoefening der zooveel edeler, maar, helaas! laag gedaalde dichtkunst. In Vlaanderen en Brabant het eerst ontstaan, bloeiden de Kamers van Rhetorijkers in Audenaarde, Brugge, Gent, Kortrijk, Aalst, Brussel, Lier, Antwerpen en elders, reeds vóór en gedurende dit geheele tijdperk, en kwamen van daar naar Zeeland en Holland over, omstreeks 1430, in welk jaar te Middelburg vhet Bloemken van Jesse''' ont-

-ocr page 166-

142

look. Te Vlaardingeu vinden wij Rederijkers in 1433, te Gouda in 1437. Sommige Vlaamsehe Kamers beweerden van veel hoogeren ouderdom te zijn; de Ste Catharim van Aalst ontzag zich niet. te bevestigen, dat bare zinspreuk: „Amor vincitquot;, een jaarschrift harer stichting bevatte en zij dus van 1107 dagteekende.

4. De Kameristen hadden een zelfstandig bestuur. Hunne Hoofden waren: de Prins of Keizer, de Deken of Hoofdman, een Fiskaal, een Fakteur, een Vaandeldrager en een Zot of Nar. De Prins of Keizer was de beschermheer der Kamer, wien men, bij het besluit van ieder spel en ieder lied, een vleiend woord toevoegde. De Deken of Hoofdman volgde, in waardigheid, op den Prins; hij was de gewone bestuurder der Kamer. Onder hem stond de Fiskaal of penningmeester. De Fakteur, de eigenlijke dichter der Kamer, was dikwijls meer onder zijne zinspreuk dan onder zijn naam bekend. Zijne taak was het, tooneelstukken te vervaardigen, prijsvragen op te lossen en op zijne beurt uit te schrijven, üe Jongeren te onderwijzen, de rollen te verdeelen, enz. De Nar of Zot speelde zijne boertige rol in de tooneelstukken en moest het volk vermaken. De Vaandeldrager droeg, bij optochten, het blazoen des CTenootschaps. Dit wapenbord bestond meestal in een heiligenbeeld, eene bloem, eene plant, een dier af iets anders, als symbool, en eene zin-of kenspreuk. Zoo voerde de Antwerpsche Kamer: ))de Violierenquot;, eenen Sint-Lucas in haar wapen, met de spreuk: »Wt ionsten versaemtquot;: de Leidsche «Witte Acoleykensquot;, de slang van Mozes, tusschen akoleien, met de spreuk: »Liefde is tfondamentquot;. Verder waren er eene Ste Barbara, de Fonteyne, de Groeiende Boom de Heidebloem, de Leliekens uit den dale, enz.

5. Men onderscheidde de Kamers in vrije en onvrije. Een Kamer moest, om vrij te zijn, een dubbel octrooi bezitten; één van het bestuur der stad, waar zij ge-

-ocr page 167-

143

vesti£f(l was en één van de Hoofdkamer des lands. Deze

o

tweede vrijbrief gaf recht tot het deelnemen aan prijskampen. Tn Vlaanderen waren, behalve de «overste ende soevereyne Camer,quot; door Filips den Schoone, in 1493, te Mechelen gesticht, als Hoofdkamers bekend : de Fonleine van Gent, de Alpha en Omega van Yperen, de H. Geest van Brugge en de Goudsbloem van St.-ISikoiaas.

6. In de Rederijkerskamers vervaardigde en las men allerhande dichtstukken, van het Kniedicht, dat er in hooge eer stond, tot de omvangrijkste Moralisatie en het ernstige Spel van Sinne. Men maakte ook Balladen, Sneden en Refereinen ; deze laatste van drieërlei aard „in 't vroede, in 't sottequot; en ,,in 't amoereuse.quot; Ook Esbattementen of Kluchtspelen, Cluyten genaamd, wanneer zij van eenigen omvang, en Factiën, wanneer zij kort waren, werden ten tooneele gevoerd.

7. De vrije Kamers van een zelfde landschap hielden prijskampen. Landjuweel heette (naar de kostbaarheden, die als prijzen werden uitgeloofd) de prijskamp tusschen steden, of liever de feestelijke intocht harer genootschappen bij die gelegenheid; de samenkomst in dorpen, soms ook een kleineren optocht in steden, noemde men haech-spelen. De prijsstoffe werd opgegeven door middel van eene „chaertequot;.

Weldra werd de deelneming des volks aan deze feesten zoo groot, dat men van stad op stad, van dorp op dorp, ja, van de eene wijk op de andere, beroepen zag doen tot kleinere prijskampen in dichtkunst, Refereinfeesten genaamd.

8. Al deze samenkomsten gingen met uiterst veel praalvertoon gepaard. Met slechts prachtige triomfwagetis en rijk uitgedoste ruiters namen aan de optochten deel, ook de adel en zelfs de vorsten trachten ze op alle wijzen op te luisteren. Toen, bij voorbeeld, ten jare 1561, do Antwerpsclie Kamer „De Violierenquot; een dergelijk feest vierde, werden de uitgenoodigde Kamers, onder klaroengeschal en klokkengelui, ingehaald.

-ocr page 168-

144

Vau de grenzen der stad, waar „De Violierenquot; hunne gasten te gemoet trokken, tot op de plaats waar de prijskamp gehouden werd, doorliep de stoet eene onafzienbare volksmenigte, die, onder luide vreugdekreten, de binnentredenden verwelkomde. Alle straten, alle huizen waren met bloemfestoenen gesierd. De „Violierenquot;' hadden meer dan zestig, met violetkleurige tabbaards gekleede ruiters, wier witte kousen, laarzen en wambuizen recht schilderachtig op den violetten hoed met di iekleui ige pluim afstaken. Onder de veertien ingehaalde Kamers was de opschik niet minder groot. Het „Mariën-kranskenquot; van Brussel, onder andere, had zeven antieke, meer dan tienmaal zooveel andere praalwagens en driehonderd veertig, in roode, met zilver geboorde kleederen opgesmukte, ruiters. Ook dezer wambuizen waren wit maar hunne hoeden, alsmede de wagenversierselen, rood. Over het geheel, namen er 23 zegewagens, honderd zeven en negentig andere wagens en achttienhonderd drie en negentig ruiters aan den optocht deel.

Daags na den intocht, woonden alle kamerbroeders gezamenlijk den H. Dienst bij, in de hoofdkerk. Op een volgenden dag zaten hunne Prinsen, Hoofdmannen, Dekens en Fakteurs, benevens de edellieden, aan de verschillende Kamers verbonden bij de „hoeren vander stadt' aan „een rijckelijk banquet met retorijck ende musijck.quot;

Toen eindelijk do prijskamp plaats had, muntte „de Koos'' van Leuven, uit door het beste Spel van Zinne, de Bosscher „Vierige Doornquot; door een Battement, en de Leuvensche „Lelie-kens uit den dalequot; door een Proloog. Ook het ,;triumphante-lijcst incomenquot;, het geestigste blazoen en het Poëtehjk Punt — de oplossing van eene wijsgeorige of geschiedkundige vraag — kregen eene belooning. Het gezamenlijk bedrag der uitgedeelde prijzen beliep meer dan honderd onsen zilver en de kosten der geheele feestviering wel honderd duizend gulden.

9. Wat een Spel van Zinne was? Meestal eene koude geheel allegorisclie voorstelling van deugden of ondeugden, met het doel om de eerste aan te prijzen en door godsdienstige of zedelijke beweegredenen te bevorderen, en de laatste aan de kaak te stellen, door scherts en vlijmende

-ocr page 169-

145

hekeling. Soms lag er ook eene waarheid van den godsdienst of van de zedenleer ten grond aan een spel.

Toen, bij voorbeeld, in 1496, te Antwerpen, het eerste al^e-ineene Landjuweel gehouden werd, en de 28 opgekomen Kamers de vraag beantwoordden: „welc het meeste mysterie ende wonder-lijcste were was, dat God oyt dede tot des menschen salicheyt,quot; wonnen „De Ongelaerdenquot;, uit Lier, den prijs, met hun antwoord, in vorm van Zinnespel vervat: „Do ontvangenis der raenschelijke nature of den dood onzes Heeren.quot; Op het boven beschreven Antwerpsche Landjuweel van 15öl, was de te beantwoorden vraag: „Wat den mensch allermeest tot eonste verwektquot; ; en de optredende personen, in het Spel dat den oppersten prijs won: 't Veiianyend Herte, da Geest der Wijsheid, de natuurlijke Inclinatie, de Mensch, de Arbeid, de Hoop tot Grootheid, Beyeerte van Weten, de Zorg voor schande en de Eer.

Ook de gewijde en de ongewijde geschiedenis en de fabelleer werden vaak een bron van zinnespelen, en niet van de slechtste soort. Zoo bracht zekere Frans M a c h e t, een priester, den Ondergang van Sodoma ten tooneele: ook de verdienstelijke Anthuenis de Roovere, een rederijker uit Brugge (f 1482) en anderen hebben in dien geest gewerkt.

Enkele malen sloot het Spel zich nauwer aan liet Middel-eeuwsche Drama aan; als in den Sint Trudo van Fas traets, en in den Hamulus — oen soort van Don Juan — van een Dichter der XVIde eeuw uit Diest, een stuk. dat, om zijne stoute opvatting, nog verdient gelezen te worden.

10. Om een denkbeeld te geven van de dramatische poëzie der Rederijkers, bieden wij hier het begin van 't Esbattement van den Visscher ter lezing. Dit kluchtspel, van omstreeks 1530, heeft tot dichter Cornel is Everaert, een volder en verver, tevens fakteur van de Kamer: «De drie Sanctinnenquot; en »clerk van den Archievenquot; te Brugge, alwaar hij in 1556 overleed.

Da man: Suer broot, salicli broot.

Wijf: tEn mach andeis wesen niet.

Dn man: Diet pacientich beaerb°yt tsijnder noot.

'I Wijf: Suer broot, salicb broot.

•10

-ocr page 170-

146

De man: Sij moetent beslaeven cleen ende groot,

Die visschen willen in dezen vliet.

'£ Wijf: Sner broot, salich broot.

De man: tEn mach anders wesen niet

Met Godt zijnse gheresen, siet, ic wilt betooghen. 't Wijf: Wie, de visschers ?

De man: Ja, et blijct voor ooghen;

Want Sinte Pieter, thooft der Kercken,

Wast niet een visscher, om claer bemercken, Met Sint Andries, zijnen broeder.

Sint Jacop de meerder, ende Marien behoeder Den heleghen Sint Jan Ewangeliste

t Wijf: Dat wy badtkins vinghen twaere proffijt.

De man: Ic bems te vreden, als nu ter tijt;

Maer cleen winnynghe zal ons dies ghenaecken. 't Wijf: D:it wy budtkins vinghen twaere proffijt;

Meughelic winnynghe zal op ons daken.

Cont ghy morghen in tijts ter maerct gheraeken, Veruytsme, en ge van elc budt een grootken hebt. De man: Nu, met coelen woorden, int bootken stept!

Uwes raedts te doene wordic een ghenietere Godt hebs deel, ende mijn heere Sinte Pietere! Dits van lande ghesteken in Gods bevelen!

7 Wijf: Benedictie! ziet me tvisch ligghen spelen!

Wy sullen nu budtkens vanghen by hoopen.

Siet waer ghunder een gheernaert comt gheloopen Achter een cabeljaeu, diese voor heur jaecht. De man: Wat komt ghunder?

1 W\)f: tEs een crabbe, die draeght

Een rogge up den hals (wat vreemder gheveerte!) Siet hoe vast houdtse ze by den steerte;

De rogghe en kan heur keeren noch wenden. De man: Ghunder ligghen mussels by groote benden;

tWare best dat icse om vanghen voere.

'I Wijf: De zee dynct me over al in stranghen roere;

tVisch houdt bruloft ofte kermesse, certeyn. De man: Tesser al met vreuchden. groot ende cleyn;

Tscijnt datse ter baeren loopen om prijs.

7 Wijf: Siet, siet ghunder een budt ende een pladijs.

Die ghejaegd zijn van eenen hond.

De man: Siet dan ghunder een woester, goed rondt.

Wil eenen scelvisch dooghen uut steken.

'£ Wijf: tScijnt dat de tonghe ten beste wil spreken Om tscermen met accoorde te verlijckene.

Ic en can my niet versaden van kijckene.

Ic sate hier al de nacht, zonder te verlanghene. De man: Wy moesten peynsen om budtkins te vanghene.

Souden wy moghen gheraken ter vente.

'£ Wijf: Ic consenteert met blijden attente.

Veel budtkins te vooren ic ghunder sach.

De man: Wat hooric daer?

-ocr page 171-

147

7 Wijf: Een donderslach.

Alzoo my dochte, met feilen oreeste.

De man: God wil ons be?cermen van tempeeste

Den Heilighen Gheeste wil draeghen ons vaene !

De zee die beghunt zo rude te ghaene;

O Gndt, van omme te slaene ons sceipkin behoet!

11. Behalve de reeds genoemden, kent men, van de ontelbare menigte rijmelaars dier dagen, nog den vertaler van Boëthius, den Brugschen goudsmid Jacob Vilt, en den schrijver van den Spieyel der Jongens, Lambert Goedtman; verder Jan vau Dale, van Brussel, Andries van der Meulen. van Audenaarde, Gilles de Ram melee re. van Gent, enz. Ook de Brusselaar J. Knobber en de Kijsselsche Col ij n, de schrijver van vDen Spiegel der Minnen, begrijpende in ses Bate-mentspelen, die zeer amoureuse historie van Dierick den Hol-landere en Katherina Scheermeertensquot;, en Eduard de Dene, Peter de Herpen er en Willem van 11 a e c h t verdienen hier melding.

12. Naarmate de Rederijkers in getal en in aanzien klommen, in diezelfde mate namen zij ook eene meer onafhankelijke.houding aan. De maatschappelijke instellingen, die tot nog toe weinig, en de godsdienst, die nog minder het voorwerp der critiek waren geweest, werden voortaan, bij de ontwakende zucht naar onafhankelijkheid op staatkundig en godsdienstig gebied, niet meer gespaard. Of liever, toen men er zich eens overheen-gezet had, dat het tot dusverre als onschendbaar beschouwde gezag der Kerk mocht geloochend worden, was er geene reden meer om de wereldsche overheid voor onschendbaar te houden. «Twijfel en afwijking op kerkelijk terrein was in die dagen (zegt Jonckbloet, maar hij had de tijdsbepaling, onzes inziens, wel kunnen weglaten) het begin van verzet tegen de overheid op staatkundig gebied.quot; De Kameristen spraken luide het vonnis over vorsten en prelaten uit, en vleiden tevens, door hoogst onzedelijke voorstellingen, de dierlijke lusten van het volk. De betamelijkheid, eene der schoonste vruchten

-ocr page 172-

148

van het godsdienstig element, een der zekerste waarborgen van den goeden smaak in de kunst, verdween ; en zoo was, door het verminderen van het geestelijk en van het wereldlijk gezag, en de voortkankerende zedeloosheid de deur wijd geopend voor de nieuwe denkbeelden. Geen wonder dus, dat die geest spreekt uit zoo menig Spel, zoo menige Cluyt en Referein, in Vlaanderen, reeds vóór de helft der XVI116 eeuw, vervaardigd; geen Avonder, dat op het Landjuweel te Gent in 1539 gevierd, de meeste Spelen van Zinne, antwoordende op de vraag; »welc den mensche stervende den meesten troost isquot;, de fouten van geestelijke personen en meer nog de misbruiken, die er in de uitoefening van hun ambt, in het beheer van tijdelijke goederen, in het aanbevelen van godvruchtige werken, bedevaarten, aflaten, enz. waren ingeslopen, berispten, alhoewel niet op bitsen toon, noch, dunkt ons, om de zaak zelve, maar om het misbruik.

13. Geheel in dien geest werkte Jeronimus van der Voort, meer dan de Gentsche schilder en rederijker, Karei van Man der, wiens bloeitijd echter in de tweede helft der XVIde eeuw valt en die oprecht katholiek bleef. Behalve zijn verdienstelijk prozawerk: Leven der Nederduijtache en Iloofjduytsche schilders, vervaardigde hij verschillende tooneelstukken, geestelijke liederen en ook berijmde vertalingen van Homerus en Virgilius; en in zooverre behoort hij tot het volgende tijdperk. Ook Jhr. Jacob Duym, van Leuven geboortig, een warm partijganger en zelfs eenigen tijd hopman in 't leger van den Prins, voerde de gebeurtenissen van zijnen tijd — met meer overtuiging echter dan talent — tentooneele; terwijl des Prinsen rekenmeester, Jan Fruitiers, met veel meer gloed, tegen »de tyrannen ende beur aanhangersquot; te velde trok, en, in zijn referein ygt;Van de Missequot;, niet minder bitse hekelingen tegen den godsdienst en zijne bedienaren opdischte.

-ocr page 173-

149

14. Anderen omhelsden weliswaar de staatkundige detikbeelden dezer mannen, maar bleven de Moederkerk getrouw, als de Brabantsche raad en rekenmeester Jan Baptist Houwaert (7 1580). Deze uiterst vruchtbare rederijker, van wien zijn kunstbroeder Jhr. Jan van der Noot getuigt, dat

» -16 bnecken vol constiger inventiën

Bij den autheur in éenen winter sijn gemaeckt.quot;

wekte door zijn hoofdwerk; Peyasydes' Pleyn, of Lusthof der Maeghden, een oogenblik zulk eene bewondering, zegt Snellaert, dat men Homerus in Brabant meende herboren te zien. Maar die roem was van geen langen duur ; en al heeft Houwaert enkele liefelijke verzen nagelaten, hij stijgt alweder, gelijk de meeste zijner tijdge-nooten, niet boven het middelmatige. Het volgende stukje uit het viifde boek van zijn Ghelucksalich Pallet/s der deuchden zal een denkbeeld geven van 's mans taal.

Nu ghepresupponeert, dat jemant is eloquent En dat hij inder Rhetorijcke is exellent,

Dat hy Philosophelijck can argumenteeren,

Dat hy de harmonye der Musijcken kent,

Mitsgaders den loop weet van 't firmament,

En dat hy alle hantwercken can useren,

Dat hy de republijcke weet te regeren.

Dat hy kennis heeft van Nigrornancye,

Dat men hem in de rechten heeft zien doceren.

Dat hy gheleert is in alle const en clergye.

So en weet hij nochtans niet ten selven tye.

Ten sy dat hy weet te doen de wille van Godt.

Die buyten Godts woort wilt wijs zijn, is sot.

15. Wederom anderen, schoon verreweg het kleinste getal, lieten zich met de aanhangige geschillen niet in. Tot dezen behoort de Audenaardsche geestelijke en fakteur der kamer »Pax vobisquot;, Mat tb ijs de Casteleyn (1488—1550), de wetgever van den zangberg der rederijkers. Zijne ygt;Const van Rhetoriken, in alle soort van sneden, van dichten en al dat de Const van Poézyen (Casteleyn houdt dichtkunst en welsprekendheid voor

-ocr page 174-

150

éen eu hetzelfde) competeert ende aankleeftquot;, is, voor den tijd van haar verschijnen, met eene bezadigdheid geschreven, die den smaak en het karakter van de Casteleyn eer aandoet. Hij had ook de snaar van het volksdicht op zijn lier, gelijk blijkt uit zijn Sente Reinuut, een schertsnaam, waarmee het volk den patroon der verkwisters en brassers aanduidde.

Een enkel maal verried men zelfs zijn afkeer van die langdurige twisten, als in het Spel dat, ten jare 1628, te Noordwijk werd opgevoerd, en waarin »twee Sinnekens, genaemd Papou, gecleet als een Spaens soldaet, d'ander genaemt Geus, gecleet als vrijbuiterquot;, zich over den gesloten vrede beklaagden en daarbij aanmerkten, dat hun rijk uit was.

16. Minder kalm van gemoed wellicht dan Gastel e y n, maar met een veel verhevener geest, met eene waarlijk bewonderenswaardige zeggingskracht bedeeld, was An na Byns, door een leerling van Justus Lipsius, op zoo vleiende wijze, met de Grieksche Sapho vergeleken, in het volgende Latijnsche distichon:

«Arte pares Lesbis Sapho et mea Bynsia, distant Hoc solo: vitia haec dedocet, illa docet.quot;

Deze begaafde dichteres zou, blijkens uittreksels uit de archieven van Antwerpen, aldaar geboren zijn in 1494, en er hoogstwaarschijnlijk niet langer dan tot Maart 1566 geleefd hebben, shaer generende met de Joncklieydt binnen Antwerpen, t' onderwysen tot vrij consten te stieren, goede recreatien te oefenen.quot; Zij was dus eene schoolhouderes, en leefde in ongehuwden staat, van de wereld gescheiden, zonder evenwel aan eenige geestelijke vereeniging verbonden te zijn. In een stuk van 1573 nu wordt ook van eene «Julïrouwe Anna Bijns, ainoch ongehoulyckt, out omtrent tachentig jarenquot;, gesproken. Is dat de dichteres? Toch zegt Broeder Hen riek Pippinck, die haren derden bundel in 1567 uitgaf, dat zij «veel

-ocr page 175-

151

schoone schriften heeft achtergelaten.quot; Bovendien, onder geen der uitgegeven gedichten staat een latere datum dan 1532. Er heerscht dus nog veel onzekerheid omtrent het geboorte- en het sterfjaar van Anna B ij n s, en men behoeft zich niet te verwonderen, zoo eene gelukkige vondst eens aan het licht brengt, dat zij 25 jaren vroeger geleefd heeft dan men tot dusverre meende.

17. In gansch andere richting dan de hierboven vermelde, ging Anna Byns. Zij nam de taak, door Ruys-broeck en zijne school, door Geert Groete en zijne geestverwanten ondernomen; de verdediging van godsdienst, gezag en zedelijkheid, weder op. En, voorwaar, met, schitterend talent en onbezweken moed! Slechts een Witsen Geysbeek kan hare dichterlijke voortbrengselen een »misselijk gerijmelquot; noemen, bijna alle overige letterkundigen erkennen in haar eene dichteres van den echten stempel, die, in hare Refereinen, eene groote ver. scheidenheid van onderwerpen met een zeldzamen rijkdom van gedachten, eene opmerkelijke zaakrijkheid met eene levendige verbeelding heeft weten te verbinden. Zij is kernvol, klaar, natuurlijk, meer dan wie't ook zij onder de Rederijkers, en verdient, ook om hare taal- en dichtvormen, zeker de eerste plaats onder al de schrijvers van dit tijdperk.

Behalve drie boeken, ten titel voerende: 1°. Dit is een schoon encle swvetiyc boexken, inhoudende veel schoone constige refereynen, vol schrifturen ende doctrinen, van diverschen materien; 2°. Het tweede boek vol schoone ende constige refereynen; en 3°. Gheestelyck Refereynboeck verclarende die moghentheydt Gods, ende Christus ghenade, over die sondige mcnschen, bestaan er van hare hand nog twee grootendeels onuitgegeven bundels, waarvan de eerste zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, en de andere in het bezit is van den heer Eng. van Da mme, te Brugge.

-ocr page 176-

152

Het valt niet te ontkennen, dat er onder de gedichten, die haar worden toegeschreven, ook minneliederen zijn, uit haar eerste dichttijdperk. Steunende op eenige uittreksels daaruit, en op de rouwmoedige bekentenis, die zij later over die lichtzinnigheid barer jeugd uitspreekt, heeft Jo nek bloet haar voorgesteld als hebbende een losbandig leven geleid, flet mocht niet baten dat zij, schrijvende in den min kieschen geest der XVlae eeuw, uitdrukkingen bezigde, die toen niet beteekenden wat zij nu beteeke-nen Het mocht haar vonnis niet verzachten, dat zij rondhartig en nederig hare gebreken opbiechtende, er toch het correctief aan toevoegde, dat. zij zich schuldig kende »ten minsten metten gedachtenquot;, en een andermaal, dat ze had «gesondicht door consent misschien.quot; Het mocht niet helpen, dat drie eeuwen Anna als eene eerbare, evenzeer als hoogbegaafde vrouw hebben vereerd; dat al de uitgevers harer werken, die haar persoonlijk gekend hebben, met diepen eerbied van haar karakter en haren levenswandel spreken; dat zelfs de voorstanders der wermaledijde lutherse secte', door haar zoo onbarmhartig gehekeld, nooit éen woord gesproken hebben om die valsche vroomheid te ontsluieren: er moest venijn gedistilleerd worden uit de argelooze bekentenissen der »fijne zusquot;. De zeker onbevooroordeelde van Vloten heeft dat reeds begrepen en te kennen gegeven, en Dr. G. Kalf vat zijn oordeel daaromtrent zeer terecht samen in deze woorden: ygt;dat (hij onderstreept) ongebonden leven leiden wij allen.quot; Zeker, «niemand heeft recht haar van schandelijke winzucht en losbandigheid te beschuldigen op grond van aanklachten, door haar zelve als bekeerlinge geuit en die hoofdzakelijk moeten worden opgevat als eene paraphrase van het bekende bijbelwoord: »de geest is gewillig, maar het vleesch is zwak.quot;

Niet in naïeve vertellingen, niet in mystieke liederen

-ocr page 177-

153

stortte zich Anna's dichtvuur uit: zij hanteerde, bij voorkeur en met wonderbare kracht, den geesel der satire. Vol van dien moed, dien het geloof en eene onwrikbare overtuiging geven, trok zij tegen de meer en meer veld winnen denkbeelden van Luther en van zijne volgelingen te velde. «Spinstersquot;, roept zij uit:

Spinsters, naysters, malolten en danten

Die zijn, Gcdwoud's! nu al dnctorinnen;

Overspeelders, bedriegers, droncken calanten

Zijn nu doctoren en predicanten;

Sy verstaen Schrifture na heur eygen sinnen:

Sy suygen quaet uyt goed, en slachten fle spinnen,

Sy rasen van binnen, 't is goet om kinnen,

Sy soecken hen selven, avont ende noene;

Haer sinnelijckheit en willen sy niet verwinnen.

Wellust sy minnen; wat sy beghinnen,

Selden oft nimmermeer gaen sy te sermoene;

Maer preeckt erghens een ketter in 't groene,

Daer loopen sy om elck de eerste te syne.

Dat volck in quaet doen nu is dus coene.

Dat comtlmeest t'saraen uyt Luthers doctryne.

Zij wist wel, de scherpzinnige, onbevangen oordee-lende maagd, dat er in de levenswijze van vele hoog-geplaatsten, geestelijken en wereldlijken, iets te berispen viel, en deed dat ook vrijmoedig; maar zij kende te wel én de overdrijving dier misbruiken door de kwa-lijkgezinden, die gewoonlijk zeiven aan veel grootere euvels mank gingen, èn de valsche redeneering, welke van het wangedrag der leeraars tot de onwaarheid der leer deed besluiten, om niet met gloeiende verontwaardiging uit te varen tegen »de Achterklappers.quot;

Wat vint men heensdaeghs al 's duyve'.s kinderen,

dappers ende clappeyen, die elcken hinderen ?

Sien sy iemant eens onnooselijck vallen,

Seere selden sullen sijt quaet verminderen.

Maer wat by hangen, als leughen-vinderen.

Wiens valsche tonghen zijn voire gallen;

Deze en sullen in Godts rijcke niet stallen.

Maar rollen als ballen In de helsche wallen By den boosen vijand, hunnen vadere.

Onder 't volk en is gheen liefde met allen,

-ocr page 178-

154

Sy clappen, sy callen,

Sy ghecken, sy mallen,

Sulck acht sijnen broeder een groot misdadere,

En selver is hy duysentmael quadere.

Wy dolen altegadere, ook niemant so reen.

Hierom segghe ick uit minlijcke adere:

Die sonder sonde is, die werp den eersten steen.

't Volck clapt nu, dat hen de tanden dateren,

Sy betichten Paus, Bisschop, Abten, Pateren:

Sy en willen voor niemant buyghen den neck.

Valt lemant van dese, sy lachen, sy schateren.

Papen, Monicken, susteren en materen Zijn tsamen, so sy segghen, luy, gierigh en vreck,

Ende steken selve totten doren in den dreck:

Hunnen sondighen treek Hangt de siele op quot;t reek.

Ay achterclappers! wilt Godts ooi-deel vreesen!

Stopt uws selfs schuyte, want voorwaer sy is leek;

En hout uwen beek;

Merckt uws selfs ghebreck.

Ghy vanght d'onnoosele in den slach als meesen;

Plueken en teesen: uwen ja is neen.

Waerom wildy nu ander lien ghebreken keesen?

Die sonder sonde is, die werp den eersten steen.

Krachtiger en Anna's dichtgeest wellicht nog beter kenschetsend is het beroemde parallel tusschen Merten Luther en Merten van Rossom.

Onlancx bezwaert zijnde met melancolyen,

Üe sinnen becommert, thooft vol phantasyen,

Van als overlegyiiende in mijn ghedachte,

Kwam my weynich te voren dat mocht verblyen,

Aensiende de werelt, nu ten tyen Zijnde vol verdriets; des werdt my onsachte.

Dus dinckende my Phantazye voortbrachte;

Twee manspersoonen my haest in vielen,

Ghelijc van name, diversch van gheslachte:

Deen was Merten Luther, die dolinghe doet krielen;

Dander Merten van Rossum, diet al wil vernielen,

Die veel menschen bracht heelt in zwaer ghetreur.

Rossum quelt het lichaem, Luther heeft de zielen Deerlijc vermoort; dus esser cleynen keur Tusschen hen beyen, elck es een malefaiteur.

Ie en gave om den keur niet mijnen minsten teen;

Maer, want Luther de zielen moordt duer zijn erreur, Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Merten van Rossom heeft doen vanghen en spannen Den landtman, roovende potten en pannen,

-ocr page 179-

Makende hem therte alderbangste;

Merten Lulher, weerdt tzijne van God ghebannen,

Heelt duer zijn erreur vrouwen en mannen

In tsviants prisoen bracht; dat es noch tstrangste Dat elck dus wilt roeven en trecken om dlangste; Tcompt meest uyt Luthers leere, twerdt noch bewezen ;

Niemant en sal schier derven slapen van angste; Want tgoet es gemeene; wat volght uyt desen?

Dat elck sonder vreese wilt een besiken lesen

Op zijns naesten erve, dblijct alle daghe.

Waerom werdt Rossom ghelaect, Luther ghepresen, Want zy zijn docli beye van eenen slaghe?

Luther est boost, ic en steeks onder gbeen scraghe. Want hy, onder de Christen, tgoet maeckt gemeen.

Al wenscht men Merten van Rossom menich plaghe, Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Merten van Rossom, met veel qnaets ghespuys verselt, 'Heeft menich schoon buys in brande gbestelt;

Maer Luthers boosheyt gaet verre boven screven: Duer hem zijn kercken, cluysen, cloosters ghevelt, Menich goedtmans kint (niet meughelijc ghetelt)

Uyten cloosters ghejaecht, die nu deerlijc sneven. Stelen en rooven dacr zy by leven;

Van dien sijnder licht ooc onder Rossoms bende,

Waerom werdt Rossom dan alleene bekeven? Leeleker dan zijne luydt Luthers legende.

Doet open u ooghen, ghy onbekende.

Die Lutherum looft ende Rossom laect;

Aensiet Luthers bedrijf, tbegin en dende:

Noch heeft hijt qualiker dan Rossom ghemaect' Dit moet ghy lijden; hoe ghy de waerheyt messaect, Ghy en kunt hier teghen niet ghesegghen neen ;

Maer, al zijn zy alle beyde van deughden naect.

Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Heeft Merten van Rossom zijn eere verloren,

Afgaende den Iveyser hooghe geboren,

Luther es den Oppersten Heere af ghegaen.

Die hy had ghelooft en trouwe ghezworen.

En heeft, voer zijn cappe, een nonne vercoren,

Die God ooc ghelofte hadde ghedaen;

Versmaet Rossom den Keyser, merct Lutherum saen Hy spreect van Paus, Keyser, beyde veel blamen. En leerdt dondersaten teghen dOverste opstaen; Van Princen en Vorsten schrijft hy veel dilfamen; Prelaten, Riscoppen hoort men hem misnamen.

Al heelt Rossom veel quaets bedreven in Brabant, Men sach hem niet veel kercken oft cloosters pramen Met eenighen brande, aen gheenen cant; Aon gheestelijcke maeghden en stack hy gbeen hant Alsoot tot sommighen plaetsen wel scheen.

-ocr page 180-

156

Al heet Marten von Rossom een qnaet tyrant,

ïvocli schijnt Marten van Rossom de beste van tween.

Es Merten van Rossom een verradere,

Luther es ooc een, en veel quadere;

Hy berooft, met verraet, van der hemelscher erven Menich kersten /iele. Dus Gods versmadere.

Lucifer, heeft dees twee gheSonden te gadere,

Om dat zy heel Kerstenrijc souden bederven. Es Rossom moordadich, Luther heeft doen sterven Twee hondert duysent boeren, duer zijn bedrijf;

Veel esser onthooft, verbrandt, ghesact menich werven. Om zijn valsche leere, beide man en wijf;

Dus es hy een moordenaer van ziel en lijf.

Merten van Rossom mach maer dlichaem hinderen; Al mach hy donnoosele quellen even stijf,

Ziju zy patient, hy ir.aectse Gods kinderen,

Dit en sal zijn sonde niet verminderen;

Ie en wilts niet excuseren, oft maken reen;

Al zijnt beyde twee venijnighe Blinderen,

Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Luther en Rossom, als twee boose wichten.

Heeft men, in schijn van deugden, boosheit sien stichten.

Rossom qnam in Rrabant ghesleghen met bedroch; tScheen hy woude gaen op de Turcken vichten.

Merten Luther en wilt Vry noch niet zwichten:

Hy wilt den prijs hier af behouden noch;

Ghelijc een devoot munick (aeylaschen och!)

Quaru dees wolf int cleedt van een lamme

Stroyen in Kerstenrijck tvenyn soch,

Dat hy hadt ghesoghen uyter ketters mamme,

Al liet Rossom den haen metten rooden camme

In Brabant vlieghen, zoot heeft ghebleken,

Luther heeft laten vlieghen veel quader vlamme;

Want deur zijn veriijnich scrijven en spreken Es Kerstenrijck met ketteryen ontsteken,

Haer beyder voorstel mach elcken wel verleen;

Hoe wel sommighe veel lofs van Luther spreken,

Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Merten van Rossom en Merten Luthere,

De beste van hem beyen es een mutere;

Maer ten es niet vreernpt, al es Rossom onghevreest; Want tes een crijchsman, een waerlijc rutere ;

Maer Merten Luthere vermeet hem (dees stutere!)

Dat hy Scriftuer verstael na den rechten keest,

Dat hy es vervult van den Heylighen Gheest.

Die den wech dus wel weet, tes wonder dat hy dwaalt!

Maer het schijnt wel den geest regeert hem meest Die men onder Sint Dignen voeten maalt.

Al heeft Merten van Rossom veel roofs ghahaelt

-ocr page 181-

157

In Brabant, chvelk noch veel menschen bequelen,

Merten Luther in dit stuck ooc niet en laelt:

Hy lieett (dapostate!/ uyt cloosters doen stelen Kelcken, ciboriën; ic wilt God bevelen Oft hy niet mede en paert? elck knaghe dit been!

Al heelt Je duvel dees twee Mertens by der kelen,

Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Merten van Rossom, Prince van den Snaphanen,

Die, om stelen, om rooven zijt cloeck ter banen!

Luther, Prince van alle valsche propheten!

Soudic u legende gheheel vermanen?

tSou den leser verdrieten, soudic wanen;

Den tijt en tpampier werder mede versleten.

Dus voor eens hebic my ghenouch ghequeten.

Tot op een ander tijt! borcht my de reste!

Luther — Rossom — Lucifer, daer by gheseten, My twijfelt wie van drien es de beste!

Rossom sleypt veel quaets aes tzijnen neste;

Luther es nacht en dach in de weere In Kersten rij ck te stroyen een dootlijcke peste;

Dus haer beyder boosheyt blijct niet cleere;

Maer voor Luthers venijn ic my meest verveere;

Want de menschen brenght hy in deeuwich gheween.

Al en is der keuze niet weert een platte peere.

Noch schijnt Merten van Rossom de beste van tween.

Niet al lij ii nochtans staat zij daar met bijtende strijdverzen gewapend; soms ook richt zij, als het aardsche gewoel moede, hare blikken omhoog, en stort hare dichterlijke ziel uit in een Meilied.

Bisschoppen, Prelaten, groote Cadetten,

Heeren en Vorsten, al die sitten in wetten

Als Dienaers des Heereii'

Laet loven den Heere met trompetten;

Laet clincken schalmeyen en claretten

Al tot zijnder eereu;

Wilt met chitnbalen zijnen lof vermeeren;

Wilt gheen tamboeren oft herpen sparen,

Om den Heere te loven, naer Davids leeren;

Laet clincken de snaren.

O Orphee, wilt alle beesten vergaren.

Die ligghen gedoken, in bosschen, in duynen;

Alle vogelkens, wilt u hier by oock paren.

Op boomen, op tuynen;

Heft op, stemmen, wilt niet vesen oft ruynen.

Loeft den Heere elck in sijnder talen ;

Laet u voysen clincken als basuynen,

Datment mach hooren op bergen, in dalen.

Dat Gods lof mach vermeeren in alle palen.

-ocr page 182-

158

En zijn eere, die schier te niete zijn beye . . . Loeft den Heere, met desen soeten Meye!

Loeft God, tis recht, ghy redelijcke gheesten, Daer Davidt seyt: Loeft den Heere, alle beesten,

tSy van wat manieren,

Voghelen des hemels, minste mette meeste, Beesten der aerden, wint, hagel en tempeesten,

Wilt Gods lof verchierën,

Locht, woleken, zee, wateren, alle rivieren,

Oock alle visschen, die daer in blijeken. Met alle dinstruinenten diemen mach hantieren

Van soeter musijeken !

Loeft den Heere met woorden van rethorijeken: Loeft den Heere, maechden en jonghelinghen: Loeft den Heere, berghen, hovelen en dijeken,

Fonteynkens, die springhen;

Loeft Hem, sienlijcke en onsienlijcke dinghen;

Wateren, die boven die hemelen duyeken, Met al den lof, die men mach verstringhen ; Loeft Hem, al dat is in sweerelts beluyeken: Loeft Hem, alle cruydekens, groene struyken, Vruchtbaer landouwe en dorre heye.

Loeft den Heere met desen soeten Meye!

Loeft den Heere, ghy hemelen en tfirmament, Sonne en mane, alle planeten ient,

Reghen en dau,

Met alle den sterren den Memel omtrent:

Werdt in Gods lof, die Hem te loven zijt gewent

Niet traghe oft llau.

Loeft Hem, alle aertrijck drooghe en grau,

Oock alle beemden lustich en groene.

En oock alle bloemkens ghelu, peersch, blau, N'u in saysoene !

Loeft Hem dach en nacht, avont en noene:

Al dat inden Hemel is oft daer ondere,

Loeft den Heere, van alle zijn crachten coene

Die wereken wondere.

Loeft den Heere, altsamen, en elck bysondere,

Dat léven ontfaen heeft in steden, ghehuchten. Loeft den Heere, blixem en dondere;

Boomen, ghebladert, bloemen en vruchten, Met volhertelijcker blijschap sonder duchten. Met yochen, met singhen, met soeten ghescreye; Loeft den Heere met desen soeten Meye.

Metten soeten Meye wilt den Heere loven,

Nu al de veldekens, prielen en hoven

Gheven soeten goor;

Maer en blijft opte creaturen niet verschoven.

Door hen leerdt minnen den Schepper hier boven.

-ocr page 183-

159

Die zijn tresoor Der genaden ontsluyt: tdoedt al zijn devoor;

Tot solaes der menschen groyen bloemen en cruyt, De vogelkens soetelijck houden haren choor Singhende overluydt;

O Christen ziele, weest dancbaer: met soo ruydt,

Wildt u inwendige ooghen ontsluyten,

Gaedt uwen Bruydegom metter minnender bruyt Soeken daer buyten:

Scheppers schoonheydt merct inde bloemkens die spruyten.

Aurora schinkt ons even ghedichte Den soeten dau, nut shemels conduyten,

Die tgarseken doet groyen metter sonnen lichte; Die soeticheyt des tijdts verblijdt elck ghesichte;

Ghy, die int veldt doet u vespereye Loeft den Heere met desen soeten Meye.

18. Ook de kanselwelsprekeudlieul van die dagen verraadt de gisting, de hevige botsing, welke door het binnendringen der nieuwe leer, in de gemoederen en in de samenleving ontstond. De Minderbroeder Herenthals, die, in 1519, te Ype-ren zijne prediking begon, is reeds verre van de mystieke school der Ruysbroecks eu der Brug m a n s. De stoo-tende mengeling van heilig en onheilig, zoo zichtbaar in de Italiaansche en Fransche redenaars van die dagen, was ook, hoewel in veel mindere mate, in de Nederlandsche kanselwelsprekendheid doorgedrongen. De Dord rechtenaar Cornells Andriaenssens wist zich, in zijne huif boertige hekelingen tegen Eras mus, door eene ontelbare menigte te doen aan-hooren. Ijverige nasporingen hebben bewezen, dat hij een waar volksredenaar was eu dat de aantijgingen zijner vijanden tegen hem slechts op schandeljjk door hen zeiven vervalschte stukken berusten. Niet minder dan hij toonden zich Coster us eu Jacob van der Borg hunner verheven roeping op den kansel waardig.

19. Geeue soort van letteroefening bleef beter van den wansmaak der eeuw vrij dan bet volkslied, zoowel bet wereldlijke als bet geestelijke. Daar handhaafde zicb de ware kunst, daar vond bet volgende tijdperk een punt van aansluiting om eenvoud, natuur en waarheid iu de letteren terug te voeren.

Onder de Geuzenliedjes, waarvan bijna geen derdich-

-ocr page 184-

160

ters met name bekend is, zijn vele stukken vol kracht en gevoel, vol geestige scherts, zoowel als in de liederen der tegenpartij. Jhr. Willem van Z u y 1 e n van N ijevelt gaf, in 1539, eene bundel Souterliedekens uit, die hetzelfde jaar zesmaal herdrukt werd. Deze psalmvertalingen werden door den dichter op zangwijzen van volksliederen gezet, wat er niet weinig toe bijbracht om ze onder het volk te verspreiden. Dat was evenwel niet de eenige verdienste dier gedichten; zij waren ook eenvoudig, natuurlijk en genoegzaam vrij van de smetten der taalverbastering, maar daarom nog geene ware volksliederen. Het leerend of stichtend doel trad te zeer op den voorgrond. Terwijl in de vroegste en ook in de XVquot;e-eeuwsche liederen, door het uitstorten zijner gevoelens aan eene zielsbehoefte voldaan werd, het levendige, naïeve geloof, het vaste, onwankelbare vertrouwen of de gloeiende liefde der zangers vertolkend, straalde in de XVI^-eeuwsche te dikwijls door, dat men slechte liederen wilde verbannen, tot vroomheid of deugd, tot vroolijkheid of feestviering opwekken, soms dat men zijn kunst wilde toonen of zelfs het bedongen loon verdienen.

'20. Van Zuylen's Souterliedekens waren gedeeltelijk door hunne zangwijzen populair geworden; maar die zangwijzen waren ook schuld, dat men, in de Prote-stantsche godsdienstoefeningen, het betere werk van dezen schrijver voor het meer volledige, schoon minder goede, van den Gentschen Jan Wtenhove ter zijde tiet. Doch ook deze, in 1557 en 1561 uitgegeven vertaling moest al spoedig onderdoen voor de overzetting der Psalmen naar Clément Marot, dooi' den fanatieken Dat hen us of Datheen vervaardigd, wiens berijming tot op 't einde der achttiende eeuw, bij het Protestantsche kerkgezang in gebruik bleef. Ook Lucas d'Heere en Willem van Haecht maakten Psalmvertalingen.

-ocr page 185-

161

li

21. Wij sluiten deze schets van het tijdperk onzer Middeleeuwsche Letteren met een paar liederen. Het eerste is een volkslied van 't begin der XVIde eeuw; het andere, eene Middeleeuwsche, kort na 1550 in dezen vorm opgestelde, legende.

De woelzieke Karei van Egmont. door den Bisschop van Utrecht (sBourgonjequot;) aangevallen, zocht hulp bij zijnen bloedverwant, den Koning van Frankrijk, wiens gevangene hij, in zijne jeugd, gedurende vier jaren geweest was ; maar de Koning weigerde die hulp, uit vrees voor den Keizer, 's Bisschops verwant. Toen zong het volk ;

»0 Hartogh van Gelder bent ghy 'er in huys,

So sleeckter u hooft te venster uyt

In also koele Meye;

Ghy hebter de Hollantse koejen gehaelt,

Sy komen om geit, schickt dat ghyse betaelt Of bren^tse weer ter weye,

Weer ter weye.quot;

Den Hartogh al op sijn bedde lagh,

En hy tot den schilt-knecht sprack [al sacht|

«Wat hoor ick daer voor knechten?quot;

Hy seyde: «Wel Edel Heere goet.

Dat is er Bourgonje, dat edel bloet,

Bourgonje al gemeyne Groot en kleyne.quot;

— ))Nu zadelt my mijn beste paert!

Mijn harnas ende mijn blancke swaert!

Na Vranckrijck wil ick rijden:

Den Koningh dat isser mijn vrient so groot;

lek hebber so langhe ghegeten sijn broot:

Hy laet my in het lijden Tgenen tijden.quot;

Alsser den Hartogh in Vrankrijck quam Den Koninck dat oock seer haest vernam,

»Weest wellekom, Hoogh gheboren!

Ick sien der aen uwe bruyn oogen so wel,

Dat lantje van Gelder dat leyt er rebel:

Het gaet met u verloren,

Ja verloren.quot;

— »0 Koninck van Vrankrijck. mijn lieve neef,

Ick souder u bidden om eene beed,

Om twintigh duyzent knechten;

ili i

if

11

-ocr page 186-

162

Daer soud ick meê trecken na Gelderlant, En winnen mijn sloten met elcker handt, Wij snuden lustigh vechten Met de knechten.quot;

— «O Hartogh van Gelder, dat doe ick niet;

Ick mochter my brenghen in swaer verdriet,

In alsoo groote ellenden;

Den Xeyser, dat isser so machtigen man.

Mocht tegen my nemen den oorlogh an,

Bnurgonje algemeyne,

Groot en kleyne.quot;

De volgende legende werd door Ton is Harmanz.,

van Wervershoef, in Noord-Holland, weliswaar eerst in

de tweede helft der XVItle eeuw, bewerkt; maar zij

draagt zoo duidelijk het kenmerk der Middeleeuwsche

poëzie, dat wij ze uiterst geschikt achten om, op dit

keerpunt onzer geschiedenis en onzer letteren, als laatste

nagalm van die dichterlijke tijden te dienen.

Sy sach eenen schoonen jongelinck Wel blinckend voor haar staen.

Sy sach den jongelingk minnelijck

aen,

Sy neigde neder ter eerden; Sy boot hem vriendelijck goeden

dach.

Met alsoo grooter eerweerden.

wiMijn alderliefste jonglinck schoon, Van waer komt ghy gheganghen ? Een uws gelijck en sach ik noyt In al mijn vaders landen.quot;

— «Schoon maghetick hebbe u lanck bemint,

Ick wil mijn bruid n noemen: Ick kome al uyt mijn Vaders Ilijck : Ik ben de maker der bloemen.quot;

— »Sijt ghy dat, mijn alderliefste lief, Naer u stont mijn verlanghen,

Ick volgh u waer ghy henen wilt, Soet lief, ick volgh u ganghen.quot;

— »Schoon maghet, soo ghy met my wilt gaen

Dit lant so moet ghy laten,

Die Soudaen hadde een dochterkijn.

Sy was vroech op-ghestanden. Al om te plucken bloemekens In hares vaders waranden.

Sy sach de schoone bloemen aen,

Sy dachte in haren sinnen: »\Vie mach de maker der bloemen

sijn?

Die soudick geerne kinnen.

«Het moet een abel kunstenaer syn, Een Heer van grooter weerden. Die soo veel schoone bloemkens fijn Doet spruyten uytter eerden.

»Ick hebbe hem in miin herte soo

lief,

Mocht ik hem eens aanschouwen 1 Ick sonde laten mijn vaders Ryck, En geven hem mijn trouwe!quot;

Des nachts, omtrent der middernacht

Haer quam een stem te voren ; Heer Jesus sijne soete stem Haer in de nacht liet hooren.

Die maghet stont op son haestelijck, Sy heeft haer vensterken open ghedaen;

-ocr page 187-

163

lek kome al uyt mijn Vaders Rijck, En 't is tot uwer baten.quot;

— «Mijn alderliefstejonglinck schoon ü eigene wil ick leven;

lek volgh u uyt mijn vaders Rijck , Mijn trouwe sal ick u gheven.quot;

Hy nam het maegdelijn byder handt,

Hy leidese al soe verre, Wel seven duysent mijlen lanck, » Al over dal en berghen.

Sy spraken soo menich vriendelyck woort,

Al reisende voort te samen. «Nu secht my, edeljongelinck schoon Hoe is doch uwen name ?

— «Mijn naem die is zoo wonderlyck En wonderlijck ghegevon;

Al in mijn Vaders Koninckiijck Staet hy seer hoog gheschreven.

Schoon maghet, dient my met herten reyn

Gheeft my u trouwe alleene — Soo sy mijn naem u dan bekent; Jesus van Nasarene.quot;

Sy spraken soo menich vriendelijck

woort

Al reisende voort te samen »Nu, secht my, edel jongelinck schoon,

Hoe is u vaders name?quot;

— «Mijn vader is soo rijeken man, Syn macht gaet al soo verre;

Hemel en aerde heeft hy gemaeckt, De son, de maan, en sterren.

Hemel en aarde en alle goet

Van hem is 't.al ghekomen;

Tien hondert duysent Engelen schoon Staen altijt tot sijnen loven.quot;'

— «Sijt i;hv een Koninckskint, mijn

lief,

Ende al soo rijck van goeder, Ey secht my, edel jongelinck schoon, Wie isser uwe moeder?quot;

— Mijn Moeder is soo reine maeght: Van haer soo staet gheschreven,

Dat sy my op de werelt bracht. En toch is maeght ghebleven.quot;

— »0 alderliefstejonglinck schoon Ic heb soo groot verlanghen

Na uwes Vaders Koninckrijck!

Laat ons daer binnen gangen!quot;

— ■ «Schoon maghet, dient mij met

herten reyn. Dat rijck sal ick u gheven, Ghy suit daer eeuwich by my zijn, In groote vreugde leven.quot;

Sy ginghen eenen soo langhen wegh

Al over die groene heyden, Sy quarnen voor een kloosterken, En Jesus woude toen scheyden.

Hy nam de maghet byder handt, En sprack met soeten sinnen: «Oorloff, schoon maghet, verbeyt my

hier,

Ick moet nu gaen hier binnen.quot;

Heer Jesus is van haer ghegaen;

Die maghet hem verbeyde; Sy weende soo menighen natten traen Dat Jesus was ghescheyden.

En toen dien dagh ten avont quam,

Sy hadde so groot verlanghen. Om weer haer lief te moghen sien : Hy bleef enwech soo langhe.

Sy clopte doen aen de cloosterpoort, Sy clopte, met droeven sinnen:

— «Doet op, doet op, doet op de poort, Mijn lief, die is hier binnen.quot;

Die poorte werd haer open ghedaen ;

De poortier quam daer voren ■ Hy sach die maghet voor hem staen, Soo schoon en hooggheboren.

«Secht my, schoon maghet, wat ghy begheert; Hoe komt ghy hier alleene ? Secht my, schoon maghet, wat ghy begheert.

Waarom soomeuohtahv weenen?quot;


-ocr page 188-

164

— «Och Vader, mijn lief, die ick

bemin.

Die is my hier ontganghijn ; Gaat, secht hem dat hy wederkomt!.. Ick beyde hem al soo langhe!quot;

— «Schoon maghet, u lief en is hier

niet

'k En hehbe hem niet vernomen ; Voorwaar, hy is hier niet bekent, Hy en is hier niet ghekornen ?quot;

— «Och Vader, hoe meugt ghy seg-

gen dat ? Mijn lief, dien ick beminne, Dat laetste woort dati hy my sprack... Hy seide, hy ghinck hier binnen.quot;

-- «Seght my, schoon maghet, hoe hiet u lief, Daer ghy my komt van spreken T'

— «Eilaeschen, dat en weet ick niet: Sijn naem is my vergheten.

Hy is soo wonderlijcken schoon,

Sijn Rijck staet alsoo verre, Hy is gekleet met blauw lazuer, Beset met gulden sterren;

Sijn aensicht blinckt van 't reinste

wit,

Ghelijck de lelie schoone;

Sijn mont, sijn wangen sijn soo

roodt

Ghelijck de roos ydoone.

Sijn ooghen staen soo vriendelijck,

Hy is soo soet van sprake ! Hy quam al uyt sijn vaders Rijck, Om my sijn bruidt te maken.

Sijn hayr dat blinckt van ver we schoon,

Als waer het roode gouden: Hy is mijn alderliefste lief;

Hy heeft mijn hert en trouwe!quot;

— «Schoon maghet, is u lief soo

schoon, En al soo hoogh ghepresen, Al waer hy uyt des Hemels throon Hy mocht niet beter wesen.

De Heere Jesus sy met u !

Soo is gheen man hier binnen.quot;

— quot;Ja, Jesus hiet mijn soete lief, Hy is 't dien ick beminne.quot;

— »Is dat sijn naem, ghelijck ghy

segt.

Dan kan ick hem u wijsen. Hy is hier binnen wel bekent, Ghy moet niet voorder reizen.

De Jonckvrouw werd in quot;t huys ont-

faen,

Sy ghinck er christelijck leven ; Sy is ghedoopt en is een maeght Om Jesus wille ghebleven.

Een heeft dit liedeken ghedicht, Dien God moet gracie gheven. Dat hy des Soudaens dochterken Ontmoet int eeuwig leven!


TWEEDE TIJDVAK.

DE RENAISSANCE.

isie HOOFDSTUK. — Voorbereiding. Vau 1550—1600.

1. De beoefening der heidensche schrijvers, met name der Grieksche en der Romeinsche, had, gelijk wij bij Maerlant reeds opmerkten, gedurende geheel de Middeleeuwen niet stilgestaan ; maar het heidensche kunstbeginsel

-ocr page 189-

165

mocht daarom geen triomf vieren op het Christelijke, en de oude letteren, de uiting van dat beginsel, die wel vol goden maar zonder God waren, hadden sedert lang uitgebloeid, waren als dood. Thans dringt van uit Italië, de liefde voor die doode kunst zoo onweerstaanbaar Frankrijk, Duitschland, Engeland en de Nederlanden binnen, dat zij als ten nieuwen leven ontwaakt, dat er eene hergeboorte plaats heeft. Ten onzent werd Deventer het middelpunt, van waar zich deze liefde voor de studie der klassieken over gebeel ons vaderland voorplantte.

2. De boekdrukkunst was uitgevonden, eene nieuwe wereld was ontdekt, scheepvaart en handel namen toe en vermeerderden rijkdom en welvaart. Egt; ontstond bij de volken ik weet niet welk zelfbewustzijn, dat, gevoegd bij den geest van vrij onderzoek en kritiek (de vrucht der nieuwe denkbeelden op godsdienstig en politiek gebied), het gemoedelijke, het geloovige, het kinderlijk eenvoudige der middeleeuwsche kunst, voor zooverre die de ontbindende werking der Rederijkerspoëzie overleefd bad, deed wegvallen.

3. ))Geene beelden meer in de kerk!quot; riep het Protes-tantismus. Hoe zal men het beeld dan handhaven in de dichtkunst, bij de middeleeuwschen zoo aanschouwelijk, zoo vól beelden, en in de godsdienstige en zedelijke bespiegelingen der «Renaissancequot; zoo afgetrokken, zoo ijskoud? »üe Roomsch-Katbolieke feesten verdwenen, het godsdienstig lied ontbeerde schoonheid en blijmoedigheid, de eeredienst was zonder praal, de kerk had de kunst uitgeworpenquot;, zoo 'zegt een van vooroordeel niet verdacht schrijver in de Gids (Augs. 1877).

»Weg met de Heiligen en Kngelen, weg vooral met de Moedermaagd!quot; zoo schreeuwde men; en de kunst verloor hare edelste, liefelijkste, hart- en geestverheffendste idealen, om zich te vergasten aan de ruw zinnelijke, ja, vuile voorstellingen der mythologie en zich te verlusti-

-ocr page 190-

166

gen in het ijdele poppenspel der goden en godinnen. Meende dej zich zeiven een shalfheidenquot; noemende Bar-1 a e u s niet, »dat de dichter dan minder dichter is, wanneer hij van de goden en godinnen moet zwijgen en bepaald Christelijke denkbeelden moet uitdrukken?quot;

Zoo begunstigde het Protestantismus de «Renaissancequot;; zoo spanden beide samen, om de laatste sporen der middeleeuwsche dichtkunst te doen verdwijnen; zoo sneed men de gouden keten der volksoverleveringen af; zoo verloor onze letterkunde grootendeels haar nationaal karakter; zoo verdween zij zelfs bijna geheel uit den schoot des volks, waar zij in de Middeleeuwen geleefd en gebloeid had, om het uitsluitend eigendom te worden der meer ontwikkelde kringen, wien, door de studie der Grieksch- Romeinsche beschaving, het heiligdom der dichtkunst nog toegankelijk bleef.

4. Tegenover deze grootelijks nadeelige zijde der »Re-naissancequot; mag men bet een voordeel noemen, dat de eigenlijke taalstudie, door de beoefening der oude, in hooge mate beschaafde talen, aanmerkelijke vorderingen maakte, en dat de goede smaak, in het broddelwerk der Rederijkers zoo deerlijk miskend, eene loutering onderging, die het tweede bloeitijdperk onzer letteren, de XYIllle eeuw, voorbereidde. De man, in wien de nieuwe kunstrichting, welke men, in tegenstelling met de middeleeuwsche, niet onjuist de onkatholieke noemen kan, haar eersten, schoon niet eenzijdigen, vertegenwoordiger vond, is;

§ 1. Filips van Marnix, heer van St.-Aldegonde.

1. Deze man, die bestemd was om eene niet onbelangrijke rol, zoowel in de letter- als in de staatkunde onzes lands, te spelen, werd geboren te Brussel in 1538.

Calvijn en Beza wijdden, te Geneve zelf, des jonge-lings ontvankelijk gemoed in de nieuwe godsdienstleer

-ocr page 191-

167

in, met zulk gevolg, dat hij, in't vaderland teruggekeerd, niét slechts de kerkbegrippen zijner meesters vurig bleef verdedigen, maar ook met raad en daad het Verbond der Edelen hielp tot stand brengen. Het compromis werd echter niet door hem, maar door zijn broeder Jan opgesteld.

Marnix was een man van vele kundigheden. Hij verstond, behalve het Latijn, het Grieksch en het Hebreeuwsch, ook Fransch, Hoogduitsch, Engelsch en Spaansch en was in de geschiedenis, het wereldsch en het kanoniek lecht en de godgeleerdheid bedreven.

2. In 1568 week hij, ten gevolge der beroerten, naar Oost-Vriesland uit, en dichtte aldaar, na den mislukten tocht des Zwijgers, wiens raadsman en boezemvriend hij was, het beroemde Wilhelmuslied. Dit lied is, van het standpunt des dichters, vol gevoel en waarheid, al legt het zijnen geliefden held wat al te tastbare zelfverheerlijking in den mond, waartegen het katholieke lied dan ook, geestig schertsend, opkwam:

))Gheeii ootmoedigher in dees zijde van de monlaingnen.quot;

Ook om de aanmerkelijke taalzuivering, waarvan het, in weerwil van enkele fouten, de blijken draagt, verdiende het een volkslied te worden. Wij geven het hier ter lezing. De aanvangletters van 't eerste vers in ieder koepiet maken des Prinsen naam uit.

Wilhelmus van Nassouwe

Ben ick vun Duytschen bloedt, Het vaderlandt ghetrouwe

Blijf ick tot in der Doedt; Een Prince van Oraengien Ben ik vry, onverveert, Den Coninck van üispaengien Heb ick altijdt ghe-eert.

In Godes vrees te leven Heb ick altijt betracht,

Daerom ben ick verdreven,

Om Landt en Luydt ghebracbt: Maer Godt sal my regeeren

Als een goet instrument, Dan ick sal wederkeeren In mijnen Regiment.

Lijdt u, mijn Ondersaten,

Die oprecht zijt van aert; Godt sal u niet verlaten

Al zijt ghy nu beswaert; Die vroom begheert te leven Bidt God nacht ende dach, Dat Hy my cracht wil gheven Dat ick u helpen mach.

Lijf end' goet al te samen


-ocr page 192-

168

Heb ick u niet verschoont;

Mijn Broeders hooch van namen

Hebbent u oock vertoont;

Graef Adolf is ghebleven

In Vrieslandt in den slach; Syn ziel int Eeuwich Leven Verwacht den jongsten dach.

Edel en hoochgheboren

Van Keyserlicken stam, Een Vorst des Rijcks vercoren

Als een vroom Christen man, Voor Godes Woort ghepresen.

Heb ick, vrij, onvertsaegt. Als een heldt sonder vreesen.

Mijn Edel bloedt ghewaecht.

Mijn schilt en mijn betrouwen Sijt ghy, o Godt mijn Heer! Op u soo wil ick bouwen,

Verlaet my nemmermeer! Dat ick doch vroom mach blijven

U dienaer talder stondt. Die Tyranny verdrijven Die mijn herte doorwondt.

Van al die my beswaren.

End' mijn vervolghers zijn, 0 Godt wilt doch bewaren

Den trouwen dienaer dijn, Dal sy my niet verrasschen

In haren boosen moedt,

Haer handen niet en wasschen In mijn onschuldich bloedt.

Als David moeste vluchten

Voor Saul den Tyran,

Soo heb ick moeten suchten

Met menich Edelman :

Maer Godt heeft hem verheven.

Verlost uyt aller noodt. Een Coninckrijck ghegheven In Israël seer groot

Nae 't suer sal ick ontfanghen. Van Godt mijn Heer dat soet; Daer na soo doet verlanghen

Mijn vorstelick ghemoet,

'tWelk is, dat ik mach sterven

Met eeren in dat velt, Een eeuwich Rijck verwerven. Als een getrouwe Helt.

Wiets doet mij meer erbarmen

In mijnen wederspoet,

Dan dat men ziet verarmen

Des Conincx Landen goet; Dat u de Spaengiaerts crcncken,

O edel Neerlandt soet.

Als ick daeraen ghedencke.

Mijn edel hert dat bloedt.

Als een Prins opgheseten

Met mijnes Heyres cracht. Van den Tyran vermeten

Heb ick den slach verwacht. Die, by Maestricht begraven,

Bevreesde mijn ghewelt.

Mijn Ruyters sach men draven Seer moedich door het velt.

Soo het den wil des Heeren

Op dien tijdt had gheweest. Had ick geern willen keeren Van u dit swaer tempeest; Maer den Heer van hier boven.

Die alle dinck regheert. Die men altijt moet loven, En heeft sulcx niet begheert.

Seer Christlick was ghedreveu

Mijn Princelick ghemoedt, Standvastigh is ghebleven

Mijn hert in teghenspoet; Den Heer heb ick ghebeden Uyt mijnes herten grond. Dat Hy mijn saeck wil reden. Mijn onschuldt doen oorcont.

Oorloft, mijn arme schapen. Die zijt in grooten noodt. U herder sal niet slapen,

Al zijt ghy nu verstroyt: Tot Godt wil u begheven.

Sijn heylsaem Woort neemt aen Als vrome Christnen leven :

tSal hier haest zijn ghedaen.


-ocr page 193-

169

Prince ')

Uoor Godt wil ick belyden,

End' zijner grooter macht, Dat ick tot gheenen tijden

Den Coninck heb veracht;

Dan dat ick Godt den Heere, Der hoechster Majesteyt,

Heb moeten obedieren, In der gherechticheyt.


3. In 't begin des volgenden jaars, te welen in 1569, verscheen zijn Bijencorf der H. Roomscher Kercke, een werk, dat Marnix zelf, onder den titel van Alvearium Romanum, en den pseudoniem van Jesuwald Pickhart, in het Hoogduitsch vertaalde, en dat later ook in het Fransch en in het Engelsch werd overgezet.

De Bijenkorf is niets meer en niets minder dan een lasterschrift, bestemd om den alouden godsdienst, dien men zeker nog te diep ingeworteld achtte, door eene menigte, in vorm, ja, vernuftige, maar inderdaad al heel min wetenschappelijk gegronde aantijgingen, in minachting te brengen, en tevens, »par ricochet'', den haat te voeden tegen die Spanjaarden, »die — zoo luidt het in het eerste hoofdstuk — doch zijn de eerste geborene ende lieve kinderen der heyliger Roomscher Kercken.quot; »De scherts van Marnix, zegt Busken Huet, is de scherts van een haai. Zij laat twee rijen scherpgepunte tanden zien, en doet u geen oogenblik vergeten dat haar binnenste een kelder is, waar de haat op fust ligt.quot; Diens oordeel over het «veelszins smakelooze en onhebbelijkequot; boek deelt eenigermate Dr. G. Kalff, die Marnix' grappen ook soms »van twijfelachtig allooiquot; en zijn spot «grof en ruwquot; noemt. Niet alleen de geschied-feiten worden in den Bijencorf, blijkbaar moedwillig en met boos opzet, verminkt en vervalscht, ook de aangehaalde en als bewijzen gebruikte getuigenissen der Heilige Vaders, der Conciliën en der godgeleerden zijn, met ongehoorde lichtzinnigheid en vaak tegen de bedoeling der schrijvers in, verwrongen en uitgelegd.

') Naar de gewoonte der Rederijkers, die hunne gedichten altijd aan den Prins der Kamer opdroegen.

-ocr page 194-

170

Onder dit voorbehoud, erkennen wij, dat de Neder-landsche Pascal den lezer weet te boeien door het vernuftige der vinding, het scherpe, snedige van voorstelling en zegtrant en door een prozastijl, zóó zuiver en zóó vloeiend, dat geen zijner tfjdgenooten daarin met hem kan vergeleken worden.

4. Na in zes voorname punten den «Zentbrief an de verdwaelde Christengheloove, bij Gentiaen IJervetquot;, zeker niet «verklaard en met bequame bewys-reden versterktquot;, maar evenmin wederlegd te hebben, besluit Marnix, die voelde dat zijn geschrift tot dusverre eigenlijk niet aan den titel beantwoordde — wat hem trouwens reeds korten tijd na de uitgave er van verweten werd — zijn werk met eene »Wtlegginge ende verklaringhe des Byen-corfs, ende beschrijvinge der Byenquot;, enz.

Een voor jongelieden leesbaar uittreksel uit een dergelijk boek is niet gemakkelijk te vinden; wij wagen het evenwel het »Ve Capittelquot; van evengemelde «Wtleggingequot; hier mee te deelen.

In haer Regiment (zegt de schrijver daar, en schijnt niet te vermoeden dat hij, in deze geheele schildering, eene merkwaardige getuigenis ten gunste van de eenheid dier Kerk allegt, die hij met zoo bloedige hekeling vervolgt) zijn zy den ghetneynen Honichbyen seer gelijck, want zy hebben alle eenen Coninck, jae en konnen sonder Coninck niet ghe-herden; welcken zy noemen Papam, gelijck als of men segghen wilde pater apum: dat is ie segghen Vader der Byen: Waervan wy oock hebben, dat wy alle dese Byen te ghelijck noemen papen: Want men in Latijn eene Bye apem noemt.

Dese Coninck heeft wel eenen Angel, maer hy en stelt hem niet veel te wercke, omdat alle andere Byen altijdt gereet zijn om hem te dienen in het ghene dat hem ghelieft.... Zy vlieghei! alle ghelijck om desen Conine her, ende zijn hem wonderlijck ghehoorsaem ende dienstich. Hy gaet selden wt, maer als hy wt wil, dat machmen lange te vooren ge-waer worden aen het gheswarm oft aen het ghedommel der voorloopers. Want soo wanneer hy wtgaet, daer vlieget den helen Zwerm rontsom hei', ende dickmael dragen zy hem op de schouderen, gelijk als de Honichbyen haren Coninck dragen .... Daer hy blijft sitten, daer is de Legher van den gantschen Zwerm, ende de stapel van den Ilonich ende Honichraet: Ende die veel hondert mijlen van daer woonen, hebben nochtans aldaer haren toevlucht: Die hem te zijnen besten heeft, die heeft het gheheele Zwerm ten besten. Als zy hem verliesen, dan ist kranck werek: want dan gaen zy al treurende in hare cellekens sluypen.

-ocr page 195-

171

ende dommelen of zwermen daer soo langhe ende soo veel tot dat zy eenen anderen Coninck hebber; gekregen; Ende soo hel by ongheval gheschiet datter twee of drie Coninghen zijn, dan isser eene groote scheuringhe ende schisma voorhanden, ende zy voeren eenen zwaren strijdt d'een teghen den anderen; Ja houden niet op tot dat sy den eenen oft den anderen hebben ommegebracht, ghelijck als Virgilius seer aerdich beschreven heeft.

5. 's Mans zinspreuk: öRepos ailleursquot;, was waarlijk goed gekozen, want zijn geheel leven — men moge dan aan zijne politieke bekwaamheid twijfelen of niet — was aan de belangen der partij, dis hij volgde, op staat-, krijgs-en letterkundig gebied, gewijd. Toen hij, na Antwerpen, waar hij sedert November 1583 het Burgemeestersambt bekleedde, aan Parma overgegeven te hebben, zich op zijn slotte West-Souburg terugtrok, besteedde hij de overige dagen zijns levens uitsluitend aan de beoefening der letteren en voornamelijk aan zijne berijming van Het Boeck der Psalmen. Dit werk van Marnix, die, gelijk wij boven zeiden, in het Hebreeuwsch zeer ervaren was, wint het, in getrouwheid van vertaling, niet minder dan in dichterlijken gloed, van Van Zuylen's Souter liedekens, en in natuurlijkheid en verheffing, van Datheen's stijve berijming.

De «Voorredequot; er van is opmerkelijk, omdat Marnix er zijne gezonde begrippen over de moedertaal in ontwikkelt. Hij komt daar op tegen »de geschuymde ende vreemde woirden uyt andere talen ontleentquot;, tegen wde stop woirden in den dichtequot;, en doet eene, helaas! mislukte poging, om het sedert «dertich ende veertich jarenquot; ook in de spreektaal verloren geraakte du en dy van 't enkelvoud voor 'twelk gij en a, „doir een seer quade gewointe van smeeckende pluymstrijckinge, ingebroken isquot;, in zijn recht te herstellen.

6. Eene menigte andere geschriften, meest alle van staatkundigen of godsdienstigen aard en daarom van minder belang voor ons, zijn opgesteld door dezen »rnan van schrander brein en geleerdheidquot; (gelijk Hugo de

-ocr page 196-

172

Groot hem noemt), die intusschen, in 1598, te Leiden, waar hij sedert twee jaren, op verzoek der Staten, aan de nieuwe bijbelvertaling werkte, den weg van alle vleesch ging.

§ 2. Taalstudie en Taalzuivering.

1. üc Heer van St.-Al degonde was echter noch de eenige. noch de eerste, die de studie en zuivering onzer moedertaal ter harte nam. Reeds tegen het einde der XVe eeuw hadden de hoogst verdienstelijke „Broeders des gemeenen levensquot; eene soort van Latijnsch-Nederlandsch woordenboek gemaakt, door hunne Latijnsche spraakkunsten met Nederlandsche taalregels te voorzien. Het oudste dier werken is van 1477.

In 1479 verscheen te Zwolle, waarschijnlijk ook van de hand dier ijverige schoolbroeders, een Vocabularius Latino- Teuionicus; en verscheidene dergelijke werken zagen achtervolgens het licht te Leuven, Antwerpen, Helft en vooral te Deventer, waar Geert Groete zijne instelling gevestigd had.

2. Het eerste woordenboek, waarin de taal zelve verklaard wordt, is ten gunste van een Nederlandsch dialekt, het Neder-rijnsch of Kleefsch, door den kanselier van den Hertog van Kleef, Gerhard van der Schueren, bewerkt, en onder den titel van Teutonista of Duytschlender, in 1477, te Keulen gedrukt.

3. Jhr. Jan van de Werve legde er zich, 'm zijn Schat der Duytscher Tale, vooral op toe, de menigvuldige ingedrongen bastaardwoorden te vertalen en door zuiver Xederlandsehe te vervangen: iets, wat, na de Bourgondische taalverbastering, uiterst nuttig, ja, noodzakelijk was geworden. De Westvlaming Jan van Mussem gaf, in 't zelfde jaar 1553. zijn Edele Const van Wélsegghen uit, waarin de „recht-duytschequot; woorden in plaats van de uitheemsche termen gebruikt werden.

4. In 1573, gaf de geletterde Antwerpsche boekdrukker Christoffel Plantijn zijn Schat der Nederduytscher spraken. waarin de • schrijver zich wTel voornamelijk aan de Brabantsche gewestspraak houdt, maar toch een ruimeren gezichteinder kiest dan de vorigen, in het licht.

5. Matthias Sasbout's Vlaa rnsch-Fransch Woordenboek uitgegeven in 1576, staat in waarde beneden Plan tij n ' s werk,

-ocr page 197-

173

terwijl integendeel het Etymologicon Teutonicae linyuae van Kilianus (Cornells van Kiel), die gedurende eene halve eeuw de betrekking van corrector in P1 a n t ij a' s drukkerij waarnam, het verre overtreft. Kilian's woordenboek, dat in 1599 verscheen, is nog altijd de hoofdbron voor historische taalstudie, de veiligste grondslag, waarop men, bij latere en ruimere taalvorsching, heeft voortgebouwd.

6. Ook meer eigenlijk gezegde spraakkunsten zien wii reeds bij de opening van dit tijdperk verschijnen. In 1550 gaf Joos Lambrecht, te (xent, zijne Nederlantsche Spellinyhe inhetMaht, en eene Orthoyraphia Ungues helyiae vau A. Sexagius verscheen in 1576, te Leuven. „Opmerkelijk is hetquot;, zegt Snellaert, „dat deze twee Zuid-Nederlanders de eersten waren, die de verlenging der a door haar zelve, in plaats van door e, voorstelden.quot;

7. De zoon des Delftschen schouts, Pontus de Heuyter of Heuterus (dezelfde, die, toen hij met de vermaarde Martelaars van Gorcum ter dood zou gebracht worden, de zwakheid had, om levensbehoud te smeeken, „niet sonder vermoeden van het catholijck gheloove af-ghegaen te zijnquot;, zegt Estius, maar die, door berouw gedreven, zich weder met de Kerk verzoende en als kanunnik en plebaan te St.-ïruyen overleden is) vervaardigde, buiten verscheidene geschiedkundige werken, in 't Latijn, en eene berijmde geschiedenis der Gorcumsche Martelaren, in 't Nederlandsch, eene Nederduitsche Orthoyraphie, d.i. Maniere houmen oprekt Nederduits spellen ende schriven zal, niet alleen nut ende noodelic die oprekt hegeren te schriven, maer al die sulx de ionckeit zonken te leren. Het boek verscheen te Antwerpen, bij Plan tij n, in 1581. De spelling van den titel doet niet vermoeden, dat Heuterus een zoo gezond begrip van den aard onzer taal had, als hij uit het werk zelf blijkt bezeten te hebben.

Soms sloeg de algerneene zucht om de moedertaal te verheerlijken ook in het belachelijke, als in de Origines Antwerpiance van den Hilvarenbeekschen, te Antwerpen gevestigden en te Maastricht begraven geneesheer Jan van Grorp, meer bekend onder zijn Latijnschen naam Joh. Goropius Becanus, die doodeenvoudig beweerde, dat A.dam en Eva, in het Paradijs, Nederlandsch gesproken hadden. Men verhaalt dat de dienstmeid van Becanus — zeker een blauwkous — deze stelling haars

-ocr page 198-

174

meesters zoo belachelijk vond, dat zij, zinspelende op het lange, gekromde reukorgaan van den man, hem noemde Bek-aan-Neus (Becanus), in navolging der oud-testamentische namen, door hem zoo zonderling uit het Nederlandseh afgeleid.

8. De behoefte aan loutering der taal en vaststelling der spelregels deed zich intusschen zoo algemeen en met zulken aandrang gevoelen, dat niet slechts enkele mannen, maar ge-heele genootschappen naar dat doel begonnen te streven. Wij denken hier voornamelijk aan de Amsterdamsche Kamer ; in liefde hloeymde. Maar zij dient breeder omschreven te worden.

§ 3. De Rederijkerskamer ))In liefd' bloeyendequot;.

1. Deze Kamer, die een kruisbeeld met een egelantier tusschen de doornen in haar blazoen voerde, en daarom, behalve onder de bovenvermelde zinspreuk, ook als de Egelantieren bekend stond, «versmeet van tijd tot tijdquot;, volgens Huizinga Bakker, «al de barbaarsche vuilnis der brabandsche jen vlaamsche bastaardwoorden ; zij schuimde en schaafde naarstig, zij sierde en bouwde de vader-landsche spraak ; zij herstelde 'tgene oud, maar ook ons eigen was, en voerde een rijkdom van nieuwe woorden in.quot;

Inderdaad onderscheidde zich dit genootschap boven alle andere, niet alleen door zijn krachtig streven naar zuivering en veredeling der taal, maar ook door het voorrecht. dat het de aanzienlijkste mannen — Dirck Volkertsz. Coornhert, Hendrik Laurensz. Spieghel, Roemer Visscher, Laurens Jacobsz. Reael, Adriaan Pauw, Willem Bardes, Gedeon Faliet, Corn van Campen, Jan Jacob Huyde-coper, Har man Rodenburg, den Burgemeester van Amsterdam, Corn. Pietersz. Hooft, ja zelfs keizer Ka-rel V — onder zijne leden telde. Ma mix behoorde er niet toe; hij ging zijn eigen weg. De Eglentier is waarschijnlijk eene voortzetting of eene hernieuwing der Kamer, die in 1496 aan het Antwerpsche Landjuweel deelnam, maar welker naam en blazoen men niet kent. On-

-ocr page 199-

175

der het blazoen en den naam van den Eglentier verrees ze in 1517.

2. De geest en strekking der Kamer ten opzichte der taaizuivering openbaart zich in de volgende, door eenige hamleden geschreven, maar door haar uitgegeven werken over taal- en letterkunde. In 1584 verscheen het Kort Begrip, leerende recht Duidts spreken, enz., waarvan het eerste gedeelte bevatte de Tioespraeck van de Nederduijtsche letterkunst, ofte van 't spellen ende eygenschap des Nederdiiijtschen taeh, door S p i e g h e 1 geschreven, waarschijnlijk onder mede werking van Roemer V i s-s c h e r en van'G ede o n Pallet, die er het woord in voeren, en met eene Voorrede van C oom hert verrijkt. In deze voorrede haalt de schrijver „eender van d'onsequot; (waarschijnlijk F a liet) aan, dien hij op de volgende wijze tegen het gebruik, of liever, het misbruik van bastaardwoorden laat protesteeren.

Een oud ingheworteld misbruyk doet my nu vrezen D'anstaende verwoesting, die tot noch toe belet is;

Misschien verwondert, u, wat datiet mach wezen 1 'tls, dat de Nederduytsche spraeck aldus besmet is Met menigh uytheems, onduyts woord, datter in gezet is.

Die men alle daegh noch veelvuldigh siet vermeren,

Zoodat onse Moederstad bynaest verplet is.

Dat's een b?klaeghlyck dinck, dat elck wel mach deren,

Dat wy Neêrlanders alle ander spraken konnen leren,

Ons eyghen aengheboren tael zoo onhebbelyck spreken,

Van den uchtend totten avond waer ick koom, waer ik ga,

lek hoor nieuwers Duyts spreken zonder vleck of rempelen,

Maer men spreeckt my veeltyts toe, dat ick niet en versta;

Ga ick ter kereken, die heeten som tempelen,

Daer allegeert een minister wel goede ejcemijelen,

Vol parahftlen, misterim, glosen en secreten.

Dat heet dan een devoo'. sermoon bij den sempelen!

Ende so men my iewers noodt ten eten,

Daar krijgh ick een secvyet als ick ben geseten.

En 'tis; ucousin of frère, hebt Joi/etise couraaieV'

Dan leest men de henedjst, so elck van u mag weten.

Als men God wil dancken; oock schaft mquot; er potayië

Voor potspijs, voorts vennison en zulex na d'usagië,

Marmclaad en sucaden by boter en kaas,

Excellente dranck en delicate spijs verdrijft daer quellagié'.

En dan is 't: utibi, amoy, avous, profaas V'

In 't lest leest men de gracy. Is dit Duyts? neen 't, eylaas!

'tSijn distelen, die het goede zaad versmoren.

Dus doende ''aat het Neèrduvtsch ceheel verloren.

-ocr page 200-

176

Onder hoghe ende laghe, in ambachten, handel en neringhe,

Het is gants noodeloos datter enigh breder bewijs zij,

Men spreeckt er al quaat Duyts, byzonder in 's lands regeringe.

Later verscheen het tweede gedeelte van bovenvermeld werk, het Ruyyh Bewerp van de Redenkaveling ofte Nederdmjtsche Dia-lectieke; daarna het derde, het Kort begrip des Redekavelings, in slechten rijm, en eindelijk de Rederijckkunst, in Rijm op 't kortst vervat.

Doch laten wij de drie hoofdmannen dezer Kamer eenigszins van naderbij beschouwen.

3. Dirck Volkertszoon Co ornhert, een laken-kooperszooti, werd in 1522 te Amsterdam geboren. Het plaatsnijden, dat hij in zijne jeugd als liefhebberij geleerd en beoefend had, strekte hem. in een later tijdperk van zijn wisselvallig leven, tot een middel van bestaan. Beurtelings hofmeester van graaf Reinoud van Brederode, notaris en daarna secretaris der stad Haarlem, week hij, ten gevolge der staatsberoerten, waaraan hij, schoon niet onverdraagzaam ten opzichte van andersdenkenden, aan de zijde van den Prins van Oranje, een levendig deel nam, uit het land, en werd vervolgens gevangen genomen en gekerkerd. Op vrije voeten gesteld, was hij, korten tijd, griffier der Staten van Holland, doch bezweek, als vrijdenker, voor de orthodoxe aanhangers vanLutneyen verliet andermaal het vaderland. Bij zijne wederkomst, gunden hem de liefdelooze bemoeiingen zijner oude vijanden, die hem van stad tot stad verdrongen, geene andere rust dan die van het graf. Hij vond die, in 1590, te Gouda.

Zijn vriend Spieghel vereerde zijne nagedachtenis door het volgende vernuftige grafschrift:

Hier rust Diens lust

Noch sticht Syn dicht-geschryf; Maer 't lyf. Hier bleef 't. God heeft De siel.

En vreught Was deught En 't waer, Hoe swaer 't Oock viel.

-ocr page 201-

177

4. De geschriften uit Coornhert's eerste levenstijdperk dragen nog zeer duidelijk de sporen van den invloed der Rederijkers. Abrahams Wtyanck. de comedie van dn Blinde voor Jericho, die van de Uijcke man en van Lief en Leedt, en zelfs de later berijmde Comedie van Israël zijn niets anders dan zhiLe-spelen, welke aan de geschiedwaarheid wel een eenigszins meer objectief karakter ontleenen, maar anders nog al te levendig aan de koude moralizatiën en de smakelooze voorstellingen van het vorige tijdperk herinneren.

5. Weldra deed echter de studie der oude letteren haren invloed gelden: Coornhert's taal en smaak hadden oneindig gewonnen, toen zijne vertalingen van Cicero's geschrift Over de Plichten, van Homerus' Odyssa, Boccaccio's Lustighe Historiën en vooral van Boëthius' boek Over de vertroosiinge der Wijsbegeerte het licht zagen. Hij was bovendien een der eerste Nederlanders, die zijnen landgenooten die meesterstukken van het genie der ouden te genieten gaf, en zulks in eene doorgaans getrouwe vertolking en een zuiveren, gespierden stijl.

Met welk gemak hij de taal hanteerde, met welke zorg hij de bastaardwoorden vermeed, die «vreemde bedel-lap-penquot;, als hij zegt, welke hij niet wilde «hrodden opten rijcken mantele der Neerlantsclie talenquot;, blijkt nog meer uit zijn hoofdwerk, de Wel-levensconste, waarin de schrijver zijne persoonlijke denkbeelden over de zedeleer ontvouwt. Coornhert schreef ook, in den loop van zijn ongestadig leven, eene menigte vlugschriften — verhandelingen, vertoogen en gesprekken — over politieke, wijsgeerige en godsdienstige vraagstukken; en overal kenmerkt hij zich door diezelfde oprechtheid van gemoed, diezelfde zinrijkheid en zuiverheid van taal, die wij reeds geprezen hebben.

6. Behalve zijne zedelijke gedichten, verdienen zijn schertsend Lof der gevanghenis en vooral zijn Liedl-boeck vermeld te worden. Wij geven hieruit eenige koepletten van zijn Protest teghen den slaap.

12

-ocr page 202-

178

Zes uren slapen is de schuld der naturen ;

Slaapt ghy dan in u levens fleur twalef uren,

Zydy dan van 't vierendeel uws levens niet zelf een dief? Nocïi schaamt hem niemant de natuur te beklaghen Van de vlieghende kortheyd der Menschen daghen,

Welx lanckheyd elck verkort om des slapens gherief.

Dus protesteer ick teghens u van desen daghe,

O tijt-roovende slaap, luy, swaer en traghe.

Plompe heeste, die met spa-berouw bedroeft.

Dat ghy in my (dien 't leven gheensins en verdriet)

Van nu af niet meer rechts eyscht noch ghebiedt.

Dan de vermoeyde natuur van zelfs en behoeft.

Doctse slapen, gapen, sluymen, snorcken en quijlen,

Diens verdrietighe leven maeckt langhe wijlen.

Zendt desen u bode Mankop laat en vro na,

Begraeft die in u pluymighe fluwijnen.

Kerckertse binnen u duystere gordijnen,

Dutsluytsters van de ghoudblinkende Aurora.

Bant uvt heur wooninghen de blaffende honden,

De ghekroonde voghels die den dagh verkonden,

En de vluchtighe vloyen, der slapers verdriet:

Ziet dat ghy smids ende kuypers, die vroegh wercken. De klinckende kloeken, de zinghende klercken,

Oock ruysschende winden, het zwijghen ghebiedt.

Zoo mooghdy u dienaers en willighe slaven.

Die levendigh als doode legghen begraven,

In u stomme, stille, blinde dromerijen,

Zoo veel van heur tijd en leven ontstelen.

Als sy gaerne ontberen, en u willigh delen,

Om te ontgaen heur wroeghende fantazijen.

Maer neemt in my niet boven u recht met liste.

Want ick langh ghenoegh, buyten oft in de kiste,

Vergheten sal legghen uit 's volkx memorien.

Tot dat my in de verrijsenis der dooden.

Het Leven met zijr, levende gheest sal nooden,

In 't ghenadighe ghebruyck van zijnder gloriën.

7. De Kamer »In liefd' bloeyendequot; was genoegzaam een onzijdige bodem, waar de Katholieken zich naast de Oude Geuzen — zoo noemde men de mannen, die na het aftreden der katholiek-gezinde regeering van Amsterdam, in 1578, aldaar het roer in handen kregen— aan de letteroefeningen wijdden. Coornhert was Protestant; de twee andere leden van het driemanschap,

-ocr page 203-

179

dat aan het hoofd der beweging op taalkundig gebied stond, bleven der Moederkerk getrouw.

Hendrik Laurenszoon Spieghel, de man, van wien Vollenhove zong, dat

D'onduitsheidt en de taaismet van het lant Week voor het helder licht van zijn verstand,

werd, in 1549, uit een aanzienlijk, hoewel burgerlijk, Amsterdamsch geslacht geboren, bleef getrouw aan de oude kerkleer, (zeer snedig zegt hij, te dien opzichte, tot de Reformisten :

»'t Vervormen van de Kerk schynt my een goede zaak;

Maar ik vervorm gheen ding, als ik het ding ontmaak.quot;)

en hield zich buiten alle regeeringsambten. Trouwens zijn kalm en rustlievend karakter maakte hem, in die dagen, wellicht ook minder geschikt daartoe. Hij was de eerste dier reeks van verdienstelijke mannen, die sedert — wat men zeker bij geen ander volk in die mate zal aantreflen — de beslommeringen van den handel aan de vurigste liefde voor de dichtkunst wisten te paren. Den tijd, dien zijn kantoor hem overliet, sleet hij in zijn buitenverblijf Meerhuizen, aan den Amstel, hetzij op «'t iMuze-toren-hof,quot; een lindeboom, welks zeldzaam breede kruin in den vorm van een prieél gesnoeid was, hetzij in »'t Tempelken der Muizen,quot; gelijk hij het welingerichte tuinhuisje noemde, waar hij zijne kunstvrienden ontving.

Spieghel overleed te Alkmaar, aan de kinderpokken, in Januari 1612.

8. Bij dezen dichter straalt, nog duidelijker dan bij de reeds vermelden, de invloed der klassieke vorming door. Niet slechts verbande hij de bastaardwoorden uit onze taal, niet slechts zuiverde hij haar van menige andere smet, hij trachtte ook de gespierdheid en kracht der oude talen aan de onze mede te deelen, door het zoo kort mogelijk samenvatten der gedachten, en het nabootsen

-ocr page 204-

180

dier talen in de woordvoeging en woordkoppeling. Dit streven moge al het groote nut gehad hebben, Spiegh e I's geschriften in zinrijkheid te doen winnen, het blijkt, vooral in zijne overdreven toepassing, ook twee hoofdeigenschappen van den goeden stijl grotelijks te hebben benadeeld, de vloeiendheid namelijk en de duidelijkheid.

9. De Nieuwjaars-liederen, door Spieghel voor de Kamer geschreven, zijne Hieroglifica en de overige gedichten van kleineren omvang gaan 't minst aan dat euvel mank, en laten zich zonder ernstige inspanning lezen — een voorrecht, dat het hoofdwerk des dichters, de Hertspieyhel, niet heeft. Hoe duidelijk en aanschouwe-lijk zingt hij, b. v. in het Maylied.

Van als te hebben overvloed,

Kisten ghevult met geld en ghoed,

Noch oock gheen starcke hoghe woning,

Een purper of een gulden rock,

Veel dieners met een scepter stock,

Of ghoude kroon, en inaeckt gheen koning.

Een Koning isl die vreze derft,

En die zijn boze lusten sterft,

Die in zijn doen hier is ghoeddadich.

Die op gheen valsche eerzucht stuent,

An quot;s vollix ghunst zich niet en kruent,

Die doch altijd is onghestadigh.

't Gemoed heeft in zich Konings schat:

Een vorst is: dien gheen vrees ankleeft.

Dit rijck ellick zicli zeiven gheeft.

Hy klim, door 't avontuur verheven,

In wankel hoghe staat, die 't lust;

lek kies in onhekentheyd rust,

Een onbekommert zoet zacht leven.

De Hertspieghel, door den schrijver niet geheel afgewerkt, verscheen eerst in 1614, en vertoont, naast aide dichterlijke gaven van Spieghel: waarheid, oorspronkelijkheid, warmte — ook in hooge mate de reeds aangeduide fouten. Dit leerdicht behoefde eene omwerking door Bilderdijk's hand, om voor den gewonen lezer verstaan-

-ocr page 205-

181

baar te worden. Luistert, hoe in den aanvang van het tweede boek des Hertspieghels, de Taleye genaamd, (ieder der 7 Boeken van dit gedicht prijkt met den naam eener Muze) de ontluikende lente beschreven wordt.

Taal-leye leid ons uyt, langs d'Amstei-tanclse stromen, t'Anschoirwen 't niewe kleed van 't natte veld en bomen;

Diens vrolik-b'eke-lof drong plotselijken uyt (Met swanger knoppen-bol) der takken dorre huyd:

En 't gras, dat onder 't ijs in d'berrefst was gheweken,

Begon zijn spichtigh hoofd door quot;t water optesteken.

Het veld, dat korts noch scheen een waterrijke meer,

De ruighe kanten toond' en kreegh zijn verwe weer,

Daar langh de spertel-vis na lust had ghaan vermayen,

Daar zou men alle daagh melkrijke beesten wayen,

Dien walght het dolle hoy, en tochten zeer na rt veld,

Dat beter voedt; tot vett en grazich zuivel smelt.

10. Spiegel heeft ook een tooneelstuk of liever zinuespel geschreven: Numa ofte Amptsweyyherinye, waarvan een handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te Berlijn aanwezig is.

Van zijne prozaschriften hebben wij boven reeds gewag gemaakt. Er blijft onsj slechts te vermelden, dat hij de taal zóó ijverig in hare bronnen navorsehte, dat hij. onder medewerking van Jan van der Does (Janus Douza), in 1591, Melis Stoke's Rijmkromjk, voor de eerste maal. uitgaf.

Zien wij thans het derde lid van het dichterlijk klaverblad uit dien ,vruchtbaren enthof van schrandere geestenquot;, zooals Geeraard Brandt de Eglentieren noemt.

11. Roemer Visscher, alweer een Amsterdammer, was twee jaren ouder dan zijn vriend Spieghel. Gelijk deze, was hij een rijk koopman en Katholiek. Zijne opgeruimdheid van aard, zijne ronde inborst, zijn geestige scherts en zijn gastvrije haard ijkten hem tot een waren Maecenas en maakten van zijn huis een geliefkoosde verzamelplaats aller kunstenaars van zijn tijd. Zijne echtgenoote was Aefgen Jans, niet de om hare gaven ook door hem geroemde Magdalena Jans. Zij was waarschijnlijk Protestant en de kinderen om en om Katholiek, namelijk: Anna en Maria—en Protestant:

h'

I ïi... * !

il

I

lil fl

-ocr page 206-

182

Geertrui en Pieter. Roemer Visscher is de eenige dezer doorluchtige vriendentrits, die zijn leven genoeg rekte, om met den grooten Vondel in aanraking te komen. Te Alkmaar — van Lennep ontkent dat met grond, toch niet op afdoende wijze, dunkt ons — waar Spieghel rustte, ontsliep ook hij. ten jare 1620.

12. Visscher, al was bij hem, meer nog dan bij zijne beide vrienden, het (lichten een tijdverdrijf, eene liefhebberij, neemt evenwel eene eervolle plaats onder zijne Kamerbroeders en zijne tijdgenooten in. Zijne Brabbeling h is wel eene bonte mengeling van Tepelwercken, d. i. knutselwerken van wat meer omvang, als; Lof van Rhetorica, Lof van de Mutse en van een blaeuwe scheen; van Quicken, d. i. grappige puntdichten, Rommelsoo, Jammer Ij ens (Elegiën), Tuyters (Klinkdichten) en Raetsels, maar zij vloeit over van die levenslustige scherts, van dat boertige, dat losse (schoon soms wat onkiesche), waaraan de dichtkunst ten onzent geheel ontwend was, en dat aan Martialis doet denken.

Ziehier, ten voorbeeld, Nn. 22 uit het derde Schock (zestigtal) der Quiken.

Een Noorder boer was in de May getrocken uyt Na Parys, om de Fransche spraeck te leeren;

Daer gaf men hem te eten sla en groen kruyt, 's Middaeghs en quot;s avonds, meer dan sijn begeeren :

Soo dacht hy, ick wil weder t'huyswaerts keeren.

Want daer men in de somer eet gras, parmafoy,

Daer moet men in de winter oock eten hoy.

In No. 21 van 't vierde Schock zegt hij, zinspelend op het wapen zijner geboortestad;

De Geusen kruycen ons met gewelt:

't Hof van Bourgongne kruyst ons om geit;

De Raedt kruyst de burgers en boeren:

Mogen wy niet wel drie kruycen in 't wapen voeren1?

Niet minder levendig en aanschouwelijk heet het in zijn Lof van Rhetorica.

-ocr page 207-

183

Swaer zijn der vraten gulsige buycken,

Swaer zijn der gierigen gulden fuyken,

Swaer is de sondt, dalende ter hellen:

Licht is de konst die niemandt verlast,

Licht is de deught, des waerheyts gast:

Rhetorica vlieght ten Hemel met haer lichte gesellen.

13. Eene destijds zeer in zwang ajekoraen wijze om bijschriften te verspreiden, waren de Emblemata of zinnebeeldige, vaak met kunst gegraveerde, prentjes, die met puntige ophelderingen, in rijm of onrijm, voorzien waren. Ook een dergelijk werk van Roemer Vissoher zag het licht, namelijk zijne Sinne-en Minne-poppen, door hem met hijschriften in proza, en door Anna, zijn oudste dochter — die de uitgave bezorgde — met passende versjes opgeluisterd.

14. Wat den glans van »'t saligh Roemers huysquot;, gelijk Vondel zei, niet weinig verhoogde zijn des gast-heers rijkbegaafde dochters: Anna, in 1584, Geertrui, in 1590, en Maria T e s s e 1 s c h a d e, in 1594 geboren. De eerste en de laatste vooral waren als het middelpunt van de kunstwarande dier dagen. Maar zij behooren, èn door haren leeftijd, èn door hare richting in de letteren, tot het bloeitijdperk, en wij zullen haar dus ook niet scheiden van dien aanzienlijken kring van kunstvrienden en bewonderaars, in wier midden zij geleefd hebben.

15. Tusschen de opruimende tevens en bevruchtende werking der thans besproken mannen door, bleef de Rederijkers-poëzie haar veeg bestaan nog wel rekken; maar zij bracht niets anders en vooral niets beters tot stand, dan wat wij in het vorige tijdperk geschetst hebben.

16. Ook het geestelijk lied en het volkslied behielden hun aanzien; maar daar wij eveneens, aan het slot van het voorgaande tijdperk, den aard en de verdiensten van deze dichtsoorten omschreven hebben en aldaar de voornaamste mannen, die er zich in onderscheidden, zelfs diegenen, die tot het tijdvak 1550—1600 behooren, hebben opgegeven, komen wij er thans niet meer op terug.

-ocr page 208-

184

Ilde HOOFDSTUK. - Bloei. — Van 1600—1700.

1. In spijt van de trouw, die Marnix, ten jare 1568, in het Wilhelmus-lied, door Willem van Oranje aan den koning van Spanje, den wettigen graaf van Holland, nog doet betuigen, was in 1579 reeds de Unie van Utrecht gesloten en door den Prins onderteekend, werd, in 1581, door eene plechtige afzwering, diezelfde koning van alle aanspraak op het bestuur der zeven vereenigde gewesten vervallen verklaard, en ten jare 1648, bij den Munster-schen vrede, de onafhankelijkheid der jonge Republiek, na eene tachtigjarige worsteling, bekrachtigd. Nu moge men dezen strijd al of niet een meineed, een roof, tegen de rechten van den wettigen vorst gepleegd, noemen; men moge juichen of weenen, bij de vernedering van den al-ouden godsdienst en de zegepraal der nieuwe kerkbegrippen — de krachtsontwikkeling, het nieuwe leven, de verhoogde bloei van handel, wetenschap en kunst, die zich allerwegen vertoonden, moeten elk rechtgeaard Nederlander met vreugde vervullen. Menige heldendaad ware niet volbracht, weinig groot karakter hadde zich niet geopenbaard, menige edele gave van geest en hart zou geene gelegenheid ter ontwikkeling of ter uitschit-tering gevonden hebben, zonder dien ontzaglijken strijd van een klein volk tegen den machtigsten staat van Europa, zonder die hevige botsing der heiligste belangen en der dierbaarste overtuigingen.

2. Het zuidelijke Nederland was intusschen, schoon de beweging van daar was uitgegaan, onder het gezag des Spaanschen schepters gebleven ; maar, door den oorlog verwoest, verzwakt en gekneusd, in nijverheid en handel geknakt, lag het daar verarmd en uitgeput neder. Rij die rampen voegde zich eene vreeselijke ontvolking, het gevolg der landverhuizing van zoovele duizenden, die, of om politieke beweegredenen, of om den wille hunner

-ocr page 209-

185

godsJienstige overtuiging, ruimer ademhaling gingen zoeken bij hunne geestverwanten in het noorden. Ongelukkigerwijze voor het Zuiden, waren er onder deze landverhuizers velen, die door geboorte, door wetenschap of kunst uitmuntten, en zoo daalde de bevolking van Zuid-Nederland niet slechts in getal, maar ook in gehalte; zij verloor, met vele barer groote mannen, den bezielenden invloed van het genie. Geen wonder, dus, dat, ondanks den bloei eener schilderschool, die door Albert en Isabella tot vruchtbare werkzaamheid, inzonderheid voor de kerken, geprikkeld werd, (men denke aan Rubens, van Dijk, Jordaens, Teniers, enz., allen van het einde der XVl116 en de eerste helft der X\'IIde eeuw), de vaderlandsche taal en letteren, die er, lot dusverre, voor het minst gelijken tred met die van Noord-Nederland gehouden hadden, van toen af in een toestand van kwijning geraakten, waaruit ze, tot aan onzen tijd, zich slechts bij uitzondering wisten te verheffen. Wij zeggen de «vaderlandsche taal en letterenquot;; want de Zuidelijke Nederlanden bleven, ondanks zoovele verliezen, vruchtbaar niet slechts aan voortrellelijke kunstenaars, maar ook aan dichters en geleerden, die de Latijnsche taal tot voertuig hunner denkbeelden gebruikten. J u s-tus-Lipsius, Scaliger, Casaubonus, Bochius, Wallius, Hoschius, Becanus en anderen behaalden er onverwelkbare lauweren van wetenschap en dichtkunst.

3. De vereenigde gewesten integendeel, het toevluchtsoord en als het nieuwe vaderland der uitwijkelingen, ontvingen daardoor een aanzienlijken aanwas van staat- en krijgskundigen, van mannen, die zich in rechts- en godgeleerdheid, in genees- en wiskunde, in geschiedenis en taalwetenschap onderscheidden, en die, meewerkende met de uitmuntendsten onder de landzaten en in een betrekkelijk engen kring samengeschaard, de bewoners van dit strookje gronds tot een der beschaafdste volkeren van

-ocr page 210-

186

dien tijd opkweekten. Aan de Leidsche hoogeschool, die aldus eene Europeesche vermaardheid verwierf, bekleedden achtereenvolgens zeventien Belgen een leergestoelte.

4. De vestiging van zoovele verdienstelijke letterkundigen in de voornaamste steden van Holland deed aldaar Rederijkerskamers ontstaan, uitsluitend uit Vlamingen en Brabanders samengesteld. Naast de Kamer »In liefd' bloeyendequot;, nu meestal «de Oude Kamerquot; geheeten, vormden zich, te Amsterdam, in 1585, De Witte Laven-delbloem, onder de zinspreuk: »Wt levender ionstquot;, en Het Vijcjeboomken, als zinspreuk voerende: » Het zoet vergaerenquot;. De eerste dezer Kamers mag zich beroemen, des grooten V o n d e 1' s eerste pogingen in de dichtkunst aangemoedigd en bestuurd te hebben. Ook in Leiden, in Gouda en in Haarlem vestigden de Zuid-Nederlanders nieuwe Kamers, die evenwel alle, overeenkomstig het karakter barer stichters, meer van feestelijke optochten, van prijskampen en tooneelvoorstellingen hielden dan van die kalme, ernstige taalstudie, waardoor zich de Oude Kamer onderscheidde.

5. Van al de dichtsoorten, in dit tijdvak beoefend, is er wellicht geene, die in zoo hooge mate den imloed der herlevende klassieke letteren onderging, als de dramatiek. De allegorische zinrekens, de koude, afgetrokken wezens, die in de Rederijkers-spelen als handelende personen optraden, ruimden aldra het tooneel voor histo riscbe, althans voor concrete personages; men begon de eenheid van tijd en van handeling — niet die van plaats — in acht te nemen, en de Rei der ouden herleefde, wel niet als handelende, maar toch als morali-zeerende persoon, vooral in «de leerlykheit,quot; d. i. de zedeles, zooals Vondel het eindkoor noemt.

Laten wij de mannen, die deze nieuwe richting der dramatiek het eerst voorstonden, en daarom van zoo be-slissenden invloed op de letteren van bunnen tijd waren, in hunnen werkkring even gadeslaan.

-ocr page 211-

187

§ 1. Coster's Akademie.

1. De denkbeelden van gelijkheid, krachtens welke de minst aanzienlijke handwerksman naast den rijken koopman en den «erentfestenquot; magistraat zitting had in de Kamer «In liefd' bloeyendequot;, waren zeker in de toenmalige republiek, zoowel als ze 't in onze moderne monarchieën zijn, zeer welkom en, op zich zelfgenomen, aller-lotMijkst: wien kunst en wetenschap geadeld hebben, die behoeft, althans op het gebied der letteren, geene andere brieven. Maar Rederijker te zijn was mode, was eene hebbelijkheid, begaafdheid daarentegen eene bijzaak geworden en gansche drommen van rijmelaars, uit alle maatschappelijke standen opgedaagd, vulden de Kamers en voerden er weldra den boventoom. Ook de Oude Kamer onderging dat lot, en Bredero durfde, ten jare 1615, tot de leden dier Kamer zeggen:

»Overleest de Namen Van over twintigh jaer, ghy suit schrickend u schamen,

Dat ghy nu met dit schuym soudt comen hier ten pronck.quot;

Toch moet men dergelijke uitvallen van Bredero en Coster niet te letterlijk opvatten. Waar mannen als Theod. Rodenburg'n en Jan Hermansz Krul aan 't hoofd eener Kamer bleven, daar was niet alle talent verdwenen. Hetis niet onwaarschijnlijk, dat verschil van kunstsmaak, van opvatting der zedelijkheid op 't tooneel en onderlinge naijver de Oude Kamer en de Akademie't meest van elkaar vervreemd hebben. Gene wilde zedelijk blijven en streefde naar een praktisch idealisme; deze joeg een realistisch, vaak plat en onzedelijk classicisme na.

In 1613 had Hooft een nieuw reglement voor de Oude Kamer ontworpen en de leden verdeeld in «stemmaetighe ende stemmeloozequot;, waarvan de eersten alle macht bezaten en de anderen geheel onder toezicht stonden. Zelfs werden invloedrijke magistraten belast met het beheer

i

if

Si

p'v

ml

i

-ocr page 212-

188

der Kamer. Daarmede was echter niet ieder tevreden, en de weerstand klom zoo hoog, dat er volslagen tweedracht ontstond.

Sommigen meenen det Klaas Pels aan het hoofd der ontevredenen stond; waarschijnlijker evenwel was het de ridder Theo door Rodenburg h, een zusterzoon van Spieghel, die, hoewel van burgerlijke afkomst, door den Prins met verschillende zendingen werd belasl, onder andere te Madrid, waar hij geridderd werd. Tusschen 1616 en 1619 schreef hij tooneelstukken voor de Oude Kamer, aan welke hij sedert 1614 werkzaam was. Uit de groote menigte zijner stukken blijkt, dat hij ongemeen vlug opstelde; uit de gunst, waarin hij lang bij het volk verkeerde, dat er beweging, handeling in zijne tooneelspelen is, naast een toen zeer gewaardeerd pathos. Coster en Bredero kenmerkten zich als de hevigste, venijnigste tegenstanders van Roden-burgh, die het hun op zijn beurt, betaald zette, maar met meer kalmte en waardigheid.

Al dat geharrewar eindigde met het uittreden van vele der aanzienlijkste en begaafdste leden uit de Kamer en het stichten der Nederduytsche Academie, in 1617. Deze was bestemd om in de eerste plaats een xoeffen-schoolquot; te zijn, nog meer dan een gelegenheid om door dicht- of tooneelwerk te ontspannen en op te vroolijken Ze had dan ook voor blazoen een bijenkorf, met de leuze; IJver, en tot bijschrift het Virgiliaansche vers: Fervet opus, redolentque thymo fragrantia mella.

De strijd tusschen de beide Kamers duurde voort, totdat Rodenburgh zich in 1621 terugtrok, en Coster, nu door een nieuwen vijand, de Predikanten, bestookt, eveneens het tooneel verliet, daar hij in 1622 het gebouw der Akademie verkocht aan het Weeshuis. -Vquot;

2. De hoofdman der Akademie was Samuel Coster, eigenlijk Sam. Adriaensz, maar naar het ambt, dat

-ocr page 213-

189

zijn vader eenigen tijd bekleedde, altijd Go ster genaamd, (geboren te Amsterdam, den 16den September 1579), een geneeskundige, wien zijne ernstige beroepsbezigheden niet beletten een geestig dichter en hartstochtelijk minnaar van het tooneel te zijn.

De nieuwe Kamer werd den 31sten Juli ingewijd met een door Six tin us gemaakt voorspel: Apollo, en een treurspel van G. van Hogendorp: De Moord, beghaen aan Willem Prince van Oranje. Den volgenden dag werd Hooft's geestig drama. Ware nar, vertoond.

De Akadetnie was, onder begunstiging der regeering, voor Coster's rekening gesticht. Hetzelfde jaar evenwel sloot het Burgerweeshuis eene overeenkomst met den eigenaar, in dier voege, dat het Weeshuis, gedurende zes jaren, een derde van de opbrengst genieten, maar dan ook al de kosten der opvoering dragen zou. Na verloop van vijf jaren, in 1(322 namelijk, werd de geheele Akademie, met al haar toebehooren, het eigendom van het Weeshuis. Twintig jaren na de oprichting, groeide uit de Akademie, die zich ten slotte in de Eglentier als opgelost had, de Amsterdamsche Schouwburg op.

3. Het is zeker geen gering voorrecht voor Coster's inrichting, mannen als Hooft, Vondel en Bred er o tot oefenschool gestrekt en de betere, gezondere begrippen over tooneelvoorstellingen ingang te hebben doen vinden bij de dichters en bij het publiek; maai' dat is niet Coster's eenige verdienste; hij zelf was ook een vernuftig kunstenaar, die, volgens het mogelijk wel wat te gunstig oordeel van Geeraard Brandt, zoo hij zijne geestige invallen met meer zorgvuldigheid had willen bearbeiden, de grootste dichters naar de kroon zou gestoken hebben.

Tot Coster's beste kluchten (al wenschen wij deze deugdelijkheid niet in te rekbaren zin, vooral niet in het opzicht der zeden, te nemen), behooren het Spel van

-ocr page 214-

190

Tiisken van der Schilden, zijn eerste, en de Boere-klucht van Teeuwis de Boer en Mejuffer van Grevelinckhuysen, zijn laatste werk. Zijne treurspelen, van welke wij slechts de Isabella, de Polyxena en de Iphigenia aanhalen, bevatten, vooral de twee laatste, bitse hekelingen tegen de Calvinistische predikanten, die zich, naar des dichters overtuiging, te veel om de politiek bekommerden, en die met dezelfde onverdraagzaamheid, waarvan zij vroeger de Katholieken zoo luid beschuldigden, maar minder consequent thans alle andersdenkenden veroordeelden. Coster's tooneelwerken onderscheiden zich niet door veel kieschheid van smaak; maar zijn talent is niet te miskennen, evenmin als zijn invloed, al had hij niet anders bewerkt, dan het tooneel van het koude allegorische tooisel der Rederijkers te ontdoen.

4. De krachtigste steun der Akademie, naast Coster, was G e r b r a n d A d r i a a n s z., meer bekend onder den naam van Bredero, naar zijn ouderlijk huis, waar de Geuzengraaf Hendrik van Bredero, uithing. Hij werd te Amsterdam, in Maart 1585, geboren. Zijne letterkundige opvoeding was geene andere dan de studie der natuur, eigen oefening, naar het voorbeeld der dichters, zijne tijdgenooten, de leiding en aanmoediging der Kamers en, wat de taal betreft, het afluisteren van de uitingen des volks, op marktplein en straten, in kermisgewoel en kroeg-gesnater. »Het boek des gebruicksquot; en de «spraeckmakende gemeentquot; hield hij alleen voor maatgevend, terwijl het gebruik der bastaardwoorden hem, blijkens zijn brief aan de Amsterdamsche Kamer, tegen de borst stiet. Den invloed van het classicisme onderging hij niet, tenzij wellicht in de schilderkunst, die hij, als leerling van den Italiaan Francesco Radens, oek beoefende, ))tot soet gewinquot;, naar hij meende. Bredero's leven was te kort, om hem in den vollen zin des woords te doen zijn, wat hij beloofde te worden: de schepper van het vaderlandsche

-ocr page 215-

191

blijspel. Hij ontviel der kunst reeds op drie-en-dertigjarigen leeftijd, namelijk in 1618, als gevolg gedeeltelijk van een ongeval op het ijs, waar hij met de arreslede doorzakte, gedeeltelijk misschien ook van zijne losbandige levenswijze en de smart hem veroorzaakt door de ontrouw der door hem vurig beminde Magdalena Stock-mans, uit Dordrecht. Vondel zelf wijdde hem een grafschrift, in de volgende verzen;

»Hier rust Brero, heengereist Van den Geest, die met zijn kluchten

Daer de boot geen veergelt eischt Holp aen 't lachen al die zuchten.quot;

5. En waarlijk, de gave om de lachspieren in beweging te zetten, bezat Bred er o in de hoogste mate, en bij de vertooning zijner kluchten weergalmde de schouwburg onophoudelijk van vroolijk gejuich en schaterenden lach. Zelfs zijne zoogenaamde treurspelen (eer ridderspelen te noemen), die aan de, toen hooggevierde, romantische werken van Spaanschen en Portugeésphen oorsprong ontleend zijn, bevatten, op de wijze van Shakspeare, een zoo aanzienlijk inmengsel van potsierlijke tafereelen, dat men soms twijfelt welk van beide, het ernstige of het boertige, den boventoon voert. Hij deed zulks ten gerieve van ,,de Gemeente en 't slechte Volckquot;, gelijk hij zegt, „die meestendeel meer met boefaclitige potterijen, als met geestige Poëterijen zijn vermaeckt.quot;

Tot deze treurspelen behoiren: Roddrick ende Alphonsus, op deu regel: „De vrunden moghen kijven, Maar moeten vrunden blijveu', opgedragen aan Hugo de Groot, een naar een Palmerijn-roman bewerkt stuk, gelijk ook de Griane, op zijn spreuk; „Het kan verkeerenquot;, en Stommen ridder. De Griane is, dank zjj den toan reeds bij Bredero bemerkbaren invloed van Shakspeare, van groot belang voor de studie van zijn gaven en van zijn ontwikkelingsgang.

Een tusschensoort, en door hem zei ven dan ook een „blij- en treurspelletjequot; genoemd, vormt de Ooerghesette Lucelle, op zijn woord; „Schijn bedrieght.quot; Deze vrije vertaling van Le Jars'

-ocr page 216-

192

Lucelle is aan Tesselschade opgedragen, en zinspeelt wellicht op des dichters verhouding tegenover de gevierde Roe-mersdochter, wier hand hij zich had zien weigeren.

7. Bredero's kluchten zijn veel talrijker en vooral veel verdienstelijker. Daar vindt men die onuitputtelijke scherts, die levendige, dikwijls al te aanschouwelijke en realistische schildering der zeden en der karakters zijns tijds, die op de daad betrapte natuur, met één woord, dat echt hlijspeidichterstalent, dat Bredero's werken, in weerwil van hunne platheden, van hunne onkiesche, ja, onzedelijke schilderingen, belet, verduisterd te worden, zelfs in de stralen der kunstvoortbrengselen van het bloeitijdperk onzer letteren. Zijne beste blijspelen zijn: Moorse, „waarin hij Terentii Eunuchum heeft naeghevolghtquot;; de Klucht van den Molenaer, gherijmt in 't Jaer 1613quot;; en de naar den Lazarillo de Thormes, of naar eene vertaling van dezen roman, vrij bewerkte Spaanschen Brabander Jero-limo, zijn meesterstuk, in hetwelk een «kale Pronker'' — sommigen meenen Theod. Roden burgh — voorgesteld wordt. Luistert, hoe aardig Breêro de Brabant-sche bastaardtaal aan de kaak stelt, als hij den held zijns stuks Jerolirno tot Robbeknol, een door hem tot lijfknecht aangenomen bedelaar, laat zeggen:

Nu, Robbbeknol, al properkens, sacht manneken, geeft ou te vreen,

En danckt ons Heere God voor sayne goeyen gracy,

Ghy zijt hier ter keure wel gheroackt te deser spacy,

Want ick kick sal ou triumphantelayck versien met al wat ou ghebrect.

Een dingen jammert may, dal is dagge so bot Ilollants spreekt.

O de Brabantsche taal die is heerlijck, modest en vol perfeccy,

So vriendelayck, so galjart, so minjoot, en so vol correccy

Dament niet geseggen en kan. Ick wouw om duysent pont

Daggesse so wel alsekick of als men Peterken verslont.

Want die ons verstoat, die verstoat alle spraken.

Onse taal is een robsodie, nonpareylle zonder weerga,

Sen heeft geen komparacy by de suyverheyt van Holland op veer' na.

-ocr page 217-

193

Robbeknol:

Ja 't is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken,

Ghy luy hebt de Fransche, de Spanjers en d'Italianen vrij watofekeken! De Brabanders slachten d'Engelsche oi' de spreeuwen, sy kennen van

(elcks vat

Hét volgende tooneel uit hetzelfde stuk, doet aan Mol ié re's Burger-edel man denken.

Jerolimo:

Ba, woar sayde gay, dagghe me niet en kuyst Mayn mantel en wambays? sach, say zayn so bepluyst.

Kom hier en sieget eens, gay moetme voorts wat keeren:

En hedy geen borstel!

Rubheknol:

En hebdy gien swijnsveeren

Daer isser gien is buys.

Jerolimo:

Moar wat est daghhe al secht'! Robbeknol:

lek segh niemendal. Heer.

Jerolimo:

Schickt my de lobbe recht En krijcht my mijn bonnet met den royen plumagie,

En mayn stekade : gaat voort haalt water, pagie,

Met een suyv're dwaal en het verguit lampet.

Robbeknol;

Wat rijdt me de vent ? hy weet wel dat hy niet en het Dan een gebroken pot.

Jerolimo;

Moar wat roert gy de snater 1

Robbeknol;

biet, Joncker, ick heb hier de hand-doeck en het water,

Ghelieft u cock yet meerquot;?

13

-ocr page 218-

194

Jerolimo:

Ten komt mayn niet te pas Te antwoorden asse kick ensicht of handen was.

Gay suit na mayn mont sien, en hooren na mijn hemmen.

Haalt mayn yvoren kam, ik moet mayn hoot wa kemmen.

liohheknol:

Hey dat isser ientje, so mijn oogen wis» sien,

So isset uyt de start van ien schelle-vis» bien.

Jerolimo :

Wat savdy een drol een: hoe staen nu mayn locken'?

Robbeknol:

Sy krullen as een wijngert, seecker sonder jocken.

Jerolimo:

Wat dunckt u van mayn hayr, en ist niet schoon en blont ?

Robbeknol:

Ghelijck een Engels knijn, het wert al moytjens bont.

Jerolimo;

Hoe staet myn de bonnet, en deze jente vaertjens ?

Robbeknol;

Joncker, jou hoetje staet wel neljens op drie haertjens.

'Tis dubbelt ondieft.

Jerolimo:

Hoe past my dese kraach?

En staetse my al wel ?

Robbeknol;

.loncker is dat een vraach ? En sou jou goed niet fray, niet wel en aerdich passen,

Natuer better jou lijf van jonx na laten wassen.

Jerolimo'. {terwijl Robbeknol hem afschuiert.)

Siedaer hoe daget gruys daer af stuyft dick en vol,

'K wed' ick hou overmits daer mee een sack met wol.

-ocr page 219-

195

Bobbeknol:

En ick een Roggen-broot met cieese beene tanden,

Al was van twaelf pont, ick brochtet heel ter schanden.

7. De Jp roeit o van den door Sismondi „uu hom me infame'' gebrandmerkten Aretino, is niet door Bred er o, maar door Hooft vertaald, onder den titel van: Schijnheiligh. De vroegere dwaling hieromtrent is ontstaan door de eerste uitgave van dit stuk, welke op naam van Bredero, maar na zijn dood, — door Hooft's toedoen of niet, dat is onzeker — geschiedde. Hooft schijnt namelijk, uit vrees voor de machtige predikanten-partij, in dezen onzen Tartuffe gehekeld, zijn gewrocht niet op eigen naam te hebben durven uitgeven. Er bestaat nog van Bredero een Spel op 7 oud Liedt: Het dayet myt den Oosten, na zijnen dood, door eenen broddelaar, en een herderspel, Angeniet, eveneens na des dichters verscheiden, door zijn begaafden vriend Starter in het licht gegeven.

8. Ook als liederendichter heeft Breêro zijne hooge verdiensten. Zijn Boertigh, Amoreusjsn Aendachtigh Groot Lied-boeck, «vercierd met vele Klinckers, oock Bruyds-lof en Klaeg-dichten, doormengeld met sinrijeke Beeltenissen. Alles tot vermaeck en nut der Jeughet,sampt allen Lievers der Rijm-komstquot;, verraadt eene vruchtbare lyrische dichtader, die zich beurtelings in fijn schertsende, ongebonden uitschaterende, dartele en diepgevoelde zangen uitgestort. Wat een lieflijke schildering, bij voorbeeld, wat losheid in den aanhef van zijn Geeft Gode lof!

't Sonnetje steeckt zijn hooftjen op, En beslaet der Bergen top, Met zijn lichjes; Wat gesichjes, Wat verschietjes verd' en flauw Dotnmelter tusschen 't grau en blau.

't Vochtige FJoomtje blinckt verciert, 't Vrolijck Vinckje tiereliert Op de tackjes Wilt en mackj es,

En weer strackjes op een aer Hippeltet met zijn wederpaer.


9. Den hierboven reeds vermelden.! an Jansz. Starter, een geboren Engelschman (Londen, 1594), die in 1607, met vele andere Dissenters, naar Amsterdam uitgeweken was, en zich daar zoo spoedig de taal van zijn nieuw

-ocr page 220-

196

vaderland eigen maakte, dat hij op achttienjarigen leeftijd reeds lid der Oude Kamer werd, meenen wij onder Coster's Akademie, naast zijnen boezemvriend, Brede ro, te kunnen rangschikken. Zijn werkkring en zijn dichttalent beide wijzen hem deze plaats aan. Want, al vertrok hij ook in 1614 naar Friesland, om zich eerst te Leeuwarden als boekhandelaar, dan te Franeker, in dezelfde hoedanigheid en tevens als student in de rechten, te vestigen, hij keerde toch, in 1620 of 1621, weer naar Amsterdam terug, en liet daar zijne tooneelstukken opvoeren en zijn Friesche Lust-hof, «beplant met verschey-den stichtelijcke Minneliedekens, Gedichten ende Boertighe Kluchtenquot;, drukken. Minder geschikt voor het verheven, of zelfs voor het ernstige lierdicht dan Bredero, overtrof hij zijnen vriend in het losse, zwierige drink- en feestlied. »De tijdquot;, zoo zong hij de vroolijke kornuiten, die met hem aanzaten, toe,

De tijd sal u vallen soo veel te lanck;

Luet ons wat lacclien, wat mallen, wat deunen,

Singhen en springhen, ja maecken een klanck Datter de kamer begint van te dreunen!

Hey, wie weet wanneer het gliebeurd,

Dat men 't geselschap dus t'samen bespeurd,

Waer toe dan nu ghetreurd 1

D' ouderdom komt ons op de hand,

En ons ontslippen de jeughdige jaren,

't Welliok de vreughden dan stelt aen een kant,

Voorts soo beginnen wy dan te bedaren.

Ilus wilt do'jh in u luchtige jeughd Niet laten te bruycken in eeren en deughd.

De blye bequame geneughd.

In het blijspel is hij wederom de mindere, terwijl hij zijnen mededinger in het gemengde treurspel en in de klucht nagenoeg evenaart.

Doch laten wij thans een ander, een ruimer middelpunt van dichterlijke samenleving beschouwen, den Muiderkring. Wij hebben Coster's Akademie 't eerst behandeld, omdat hare vestiging, in de tijdsorde, inder-

-ocr page 221-

197

daad den Muiderkring voorafgaat, en omdat haar invloed zoo groot is geweest op de tooneelkunst, aan welke Houft en Vondel, de twee voornaamste leden van den Muiderkring, tevens medearbeiders van de Akademie,-hunne dichterlijke gave ten deele zouden wijden.

§ 2. PlETER CORNELISZ. HOOFT. — DE MUIDERKRING.

1. »l)e Hollandsche Homeer, de Tacitus zijner eeuw, het hoofd der Puëten er. historieschrijvers in onze taal, de Vader der Nederduitsche Zanggodinnen, de Fenix van zijne tijdgenooten,quot; gelijk men hem in overdreven bewondering geroemd heeft. Pi eter Cornel isz. H ooft, de oudste zoon van den reeds vermelden Arnster-damschen Bmrgerneester, Cornelis Pieterz. Hooft, werd te Amsterdam geboren, den 16e11 Maart 1581. Terwijl de jongeling zich, aan de scholen zijner geboortestad, in de talen en in alle die wetenschappen, welke destijds voor iemand van zijn stand onmisbaar gerekend werden, oefende, begon hij reeds, naar het voorbeeld, wellicht onder de leiding, van zijns vaders vriend en Kamergenoot ter Eglentieren, Spieghel, de Nederlandsche lier te bespelen. Althans Spiegel's stroefheid vindt men in Hooft's eerstelingen terug. Het treurspel Achy lies en Polyxena, met fraaie reien, door hem op zijn zeventiende jaar vervaardigd, en zelfs Theseus en Ariadne, dat eerst in 1601 voltooid werd, sluiten zich, wat plan en stijl betreft, nog kennelijk aan de Rederijkers-spelen aan: eenheid van tijd, plaats en handeling was den jeugdigen dichter nog onbekend.

tl Men heeft langen tijd gemeend, dat Hooft reeds in 1598 zijne studiën ter Leidsche hoogeschool volbracht had, en daarna zijne reis naar Italië en Frankrijk ondernam ; het studentenalbum, in de bibliotheek te Leiden berustende, heeft evenwel uitgemaakt, dat hij aldaar, op den 30en November 1606, dus eerst op 25-jarigen

-ocr page 222-

198

leeftijd, als student in de rechten werd ingeschreven. Hoogstwaarschijnlijk verliet hij hetzelfde jaar weer de school, daar hij op den 21en Maart 1607 nogmaals werd ingeschreven.

Tot voltooiing zijner opvoeding en in het belang van zijns vaders handel deed hij van 1598—1601 eene reis over Frankrijk naar Italië met terugreis over Duitschland.

De studie der klassieke letteren, gepaard aan het nastreven van S p i eg h e I, zou H o o f t 's meestgeroemde dichterlijke gave, die der zoetvleiendheid namelijk, wellicht belet hebben ooit te voorschijn te treden, indien hij zijn driejarig verblijf in den vreemde niet aan zijne letterkundige ontwikkeling had dienstbaar gemaakt.

^Florence, 't schoonste dat mijn oogh ooit heeft ontmoet,

Wiens vruchtbare Landow van d'Arno werdt gevoet.

Doet om haer cierlijkheit van tael my in haer blijven,''

zoo schreef hij in 1600 aan zijne «Broeders in Liefd' bloeyende.quot; En geen wonder. De Medicissen hadden van Florence den zetel der kunsten en wetenschappen gemaakt. Tasso en Ariosto waren weliswaar ten grave gedaald, en met hen de gouden eeuw der Italiaansche letteren, en reeds begonnen de nog levende Guarini en Marino dat valsch vernuft, die kleingeestige woordspelingen te vertoonen, die 't verval van den goeden smaak aankondigden, en waarvan ook Hooft niet geheel vrij bleef, gelijk hier en daar zijne Minnedichten en meer nog, zijne Brieven getuigen. Maar Dante's en Petrarca's geest leefde er toch nog, en de taal, waarin zij geschreven hadden, bar! eene zoetheid verkreger , eene smijdigheid, eene zangerige cadans, die het oor van den Nederlander bekoorden en in hem de gedachte deden opkomen, die zoetluidenheid, dien bevalligen maatslag, die muziek in onze taal over te brengen. De eerste vrucht van die poging was zijn, in 1605 uitgegeven, herderspel Granida, naar Guarini's Pastor fido be-

-ocr page 223-

199

werkt Het plan van dit gedicht is zeker gebrekkig, ondanks zijne eenheid ; de karakterteekening is ei geheel mislukt, en het onnatuurlijk conventionalisme der Italiaansche modellen speelt den dichter ongelootlijke parten; maar de nagestreefde welluidendheid bleek, ook in onze taal, geene onbereikbare volmaaktheid te zijn. Lees den aanhef slechts van Dorilea's alleenspraak :

Het vinnigh straalen van de zon

Ontschuil ik in t bosschaadje, enz.

om u te overtuigen van den verbazenden stap, door Hooft te dien opzichte gemaakt. Men overdrijve evenwel dien invloed der Italiaansche kunst niet. De cadans, inzonderheid, was 'teerst uit Frankrijk tot ons gekomen; Ron sard had er het voorbeeld van gegeven; en zoowel de Brabantsche Jhr. van der Noot, als de Leid-sche secretaris Jan van Hout en Daniël H e i n s hadden, vóór H ooft, hunne gedichten met meer muzikale afwisseling en regelmatiger sylbentelling opgesteld, dan men placht te doen. De tweede vrucht, en zeker de zoetste en geurigste, door de zuiderzon op dien boom gerijpt, zijn de Minnedichten, waarin Hooft zijn meester in onze letterkunde, nog niet gevonden heeft, zoo men ten minste over het hoofd kan zien, dat er meer zinnelijk heidendom dan Christelijke teergevoeligheid in die minneliederen doorstraalt.

3. Er is een tijdstip in Hooft's leven, dat van te groot belang is, zoowel voor den dichter zei ven als voor geheel onze letterkundige wereld van dien tijd, dan dat wij er niet even bij zouden stilstaan. Den 28quot; Mei 1609, stelde prins Maurits hem aan tot Drost van Muiden, Baljuw van Naarden en van Gooiland en Hoofdofficier van Weesp, Weesper-Karspel en Hoogbijlemer. Volgens Brandt, bereikte hij «dien hoogen trap van eerequot;, wegens «zijns vaders verdiensten aan den staat en deszelfs bij-

-ocr page 224-

200

zondere zucht tot den huize van Nassau; want dit ambt was een der voortrefTelijkste van Holland, 't welk van ouds nooit dan bij luiden van grooten adel plagt bediend te worden, ja zelfs, zoo men houdt, bij jongere zonen der graven van Hollandquot;. Aan die waardigheid was verbonden het verblijf — wij hadden haast gezegd de hofhouding — op het »hooghe huisquot; te Muiden.

Het Muiderslot is een versteekt kasteel, naar men meent door graaf Floris V. ten jare 1290, aan den mond der Vecht, op den oever der Zuiderzee, gebouwd, met het doel, om het land tegen de invallen der West-Friezen te beschermen, 't Is binnen zijne muren, dat de samengezworen edelen, tegen wier trotsche aanmatiging Floris het volk beschermde, den edelmoedigen vorst opsloten, alvorens hem laaghartig om te brengen. In 1462 hield, blijkens eene van Muiden gedagteekende keure. Karei de Stoute er verblijf.. Leycester beschouwde het later als een middel om „het groots paard,quot; Amsterdam, in toom te houden — eene reden te meer voor deze stad om te zorgen, dat, na het verdrijven van Leycester's slotvoogd aldaar. Jan Bax, het kasteel werd toevertrouwd aan een Drost, die Amsterdam's belangen was toegedaan. Een dusdanige was Hooft. Maar hij liet het niet bij die behartiging der stoffelijke en politieke belaugen zijner moederstad; de kunst moest te Muiden een heiligdom vinden.

Wat vóór ettelijke jaren »'t saligh Roemers huysquot; geweest was, dat en meer nog werd Muiden. Niet slechts bijna al de leden van dien, thans verbroken, kring; Vondel, Neêrland's grootste dichter; de stichter der Akademie, Coster, de zeer belezen en met een keurigen smaak bedeelde Daniël Mostert, later secretaris van Amsterdam, M''. Joan Vechters of Victorijn, een letterlievend rechtsgeleerde, die Katholiek was, evenals de begaafde dochters van Roemer Visscher, Anna, »de wijzequot;, en Maria Tesselschade, »'t wonder barer eeuwquot; schaarden zich om den Drost van Muiden; maar al wat er in en om Amsterdam, in alle vakken van kunst of geleerdheid, uitmuntends was, vond zich bij hem weder.

-ocr page 225-

201

ter onderlinge opwekking, oefening, leering en uitspanning.

Daar kwamen Hooft's vader en broeders; daar verschenen leden uit de aanzienlijkste Amsterdamsche magis-traats-familiën; daar zag men, naast Laurens Reael den zwager en leerling van Arminiusen oud-Gouverneur-Generaal van Oost-Indië, Hooft's zwager, Justus Baeck, in wien ))de koopman den dichter bedorvenquot; had; daar zat de Katholieke Cornells Gijsbertsz. Plemp, een Haagsch rechtsgeleerde en Latijnsch dichter, om denzelfden disch met den Remonstrantschen predikant en hoogleeraar, Kas per van Ba er le of B arise us; daar schertste de geestige C onstan tij n H u y-gens, 's Prinsen geheimschrijver, tusschen de ernstige vertoogen van den geleerden V o s s i u s, de ietwat ruwe zangen van den Roomschen glazenmaker Jan Vos en de eerste dichtproeven van den te vroeg ontslapen Willem van den Vondel, van wien de oudere broeder, onze groote dichter, wel met wat overdreven broederlijke bewondering getuigde; «hij ging mij ver te bovenquot; ; daar werden de muziekstukken van den als zanger en kom-ponist vermaarden rechtsgeleerde en kanunnik, Joan Albrecht Ban, uitgevoerd, door Tesselschade en Francisca Duarte, als zangeressen, en door den beroemden stichter der Duitsche organistenscbool, Joan Pietersz. Swelingh, opgevolgd, na zijn overlijden in 1621, door zijn zoon, Dirc Swelingh, als orgel- en klavierspelers, intusschen was Hooft's echtgenoote, Christina van Erp, hem, in 1623, door den dood ontrukt. Vier jaren later, huwde hij met de weduw van Jan Bapt. Bartolotti van den Heuvel, de begaafde Eleonore Hellemans; vooral sedert baar optreden te Muiden, in 1627, bereikte de Muiderkring zijn boogsten bloei.

4. De geschiedkundige herinneringen, welke zich aan het Muiderslot hechten, konden een man als Hooft uoch ontgaan,

-ocr page 226-

202

noch onverschillig laten. Hij had daar dan ook nauwelijks eenige jaren zijn zomerverblijf gehouden, of er verscheen, in 1613, van zijne hand een treurspel, Geeraerd van Velzen getiteld, waarin hij den moord, door de overmoedige edelen op den uitmuntenden Floris V gepleegd, ten tooneele voert. Dit stuk is, evenals de daarop gevolgde Baeto, oft Oorspromj der Hollanderen, en in weinig mindere mate dan dit, wel een dramatisch gedicht, maar geen drama. Krachtige denkbeelden, levendige schilderingen, verhalen en redevoeringen, schoone verzen, heerlijke reien — in weerwil van menige gezwollenheid —ja: maar zwak van samenstelling, zonder handeling, alles opgeschroefd en vol bombast, gelijk zijn model Seneca ; geene veraanschouwelijking der daad, niets, wat u in den waan brenge, dat ge het voorgestelde ziet gebeuren en rnedeleelt. En dat was het gebrek van den tijd. waaraan ook Vondel, schoon in mindere mate, leed. De Baetu is naar Seneca's Medea bewerkt en bovendien op te lossen historischen grondslag aangelegd, om belangstelling te wekken, terwijl het tragische in den Geeraerd van Velzen gedeeltelijk steunt op eene historische dwaling, dezelfde, waaraan ook Vondel zich heeft schuldig gemaakt in zijn Gyshrecht van Aemsfel', en eindelijk de held van het stuk is allesbehalve een held.

5. Beter slaagde Hooft in het blijspel. Hij vertaalde, zooals wij hierboven gezegd hebben, Aretino'sSc/ii/n/ieiZ^/i, doch in proza. (Zie eene uitgave van dit werk in De Dietsche Warande, Dl. II, bl. 213.) Dit stuk, dat Hooft zelf waarschijnlijk, uit vrees voor de predikanten, die er in gehekeld worden, voorzichtigheidshalve op naam van den reeds ettelijke jaren overleden Bredero liet verschijnen, zou door Jacob Baeck berijmd zijn; Bredero kan er slechts weinig deel aan gehad hebben.

Plautus' Aulularia wist Hooft, onder den titel van Wa-renar met de Pot, met zooveel natuurlijkheid van taal, voorstelling en zedeschildering, met zooveel losheid en geest te bewerken, dat men een oorspronkelijk Hollandsch stuk meent te lezen. Ondanks het gebrekkige slot is dit zeker zijn best dramatisch gedicht en dagteekent van 1G17.

-ocr page 227-

203

6. De schrandere Drost had altijd met bijzondere ingenomenheid de klassieke geschiedschrijvers bestudeerd, en op dat veld zou hij ook zijne onverwelkbare lauweren plukken. Zijn proefwerk; Leven van Hendrik den Groote van Frankrijk, in 1618 begonnen en in 1626 uitgegeven, was welgeslaagd genoeg in de schatting der tijdgenooten, om Hugo de Groot te doen zeggen, dat hij „deassche des grooten Konings gelukquot; wenscht, «zulk een groot schrijver gevonrlenquot; te hebben, en om Bariaeus te doen uitroepen, toen Lodewijk XIII den schrijver met brieven van adeldom, een gouden keten en de ridderorde van Sint-Mich iel begiftigde: »Vrankrijk heeft u niet eedel gemaakt, maar bekent gemaakt dat gij 't waart.quot;

In 1628 begon hij zijn meesterstuk, de Nederlandsche Historiën (loopende van 1555 tot 1587) te schrijven: een werk, waaraan hij bijna tot aan zijn dood gearbeid heeft, en waarvan het tweede gedeelte ook eerst na zijn verscheiden door zijn zoon Aarnoud, werd uitgegeven. Als verpoozing, en wanneer hij was »sullende door het star-oogen op de zwaarlijk schiftbare verwarrenissen onzer Nederlandsche zakenquot;, verhaalde hij de Rampsaligheden der verheffinge van den huize Medicis — een geschrift van minder gehalte dan zijn eerste prozawerk — en vertaaide hij Tacitus, zijn gelief koosden schrijver, dien men zegt dat hij twee en vijftig maal gelezen had, inkorten, kernachtigen, maar tevens harden en duisteren stijl.

7. De Nederlandsche Historiën, waarvan de twintig eerste hoeken in 1641 verschenen, vestigden voor goed Hooft's roem als geschied- en prozaschrijver. Het kro-nijkmatige, het argloos subjectieve der middeleeuwschen, dat Van Me teren en B or reeds verzaakt hadden, ruimt hier geheel de plaats voor eene nauwgezettere schifting en strengere waardeering der feiten, voor eene diepere karakterschetsing van personen en meer wijsgeerige nasporing van oorzaken en gevolgen. De groote historiestijl.

-ocr page 228-

204

naar de wijze der ouden, scheen voor Nederland gevonden. Men meent Tacitus te lezen: zoo puntig, zoo ineengedrongen en zinrijk is dat geschrift; maar juist dit nastreven van Tacitus geeft ook aan den stijl iets stijfs, iets gezochts, iets, wat het genie van ons Nederlandsch verloochent, quot;oodat Hooft's geschriften nimmer, wat zijne tijdgenooten ook geroepen hebben, voor het volmaakte model van ons proza kunnen gelden, al is er tot dusverre niemand opgestaan, die, over het geheel genomen, als geschiedschrijver met hem kan vergeleken worden.

8. Hooft's Brieven, die voor de kennis van personen en toestanden, voor de waardeering van des schrijvers gemoedsleven en van zijn verkeer met de letterkundigen zijns tijds, uiterst belangrijk zijn, verraden, gelijk wij reeds hebbe7i doen opmerken, duidelijk de neiging tot dat gekunstelde, dat gezochte, in gedachten en vorm, dat soort van valsch vernuft met éen woord, waartoe het dagelijksche verkeer van mannen van geest onderling zoo licht verleidt.

Den 27en Mei van het jaar 1647, werd het stofïelijk overschot van Pi et er Corn el is z. Hooft, die den 21 en van die maand overleden was, in de Nieuwe-Kerk te Amsterdam, ter laatste rustplaats gedragen.

Maar al was het algemeen erkende hoofd van den Muiderkring — zoo zinspeelde men vaak op zijn naam — der letterkundige wereld van die dagen ontvallen, er stond een man in hun midden, die schoon Hooft hem niet altijd (vooral sedert diens overgang tot de Katholieke Kerk) met die hartelijkheid bejegende, welke hij verdiende, schoon hij hem in menig opzicht te min waardeerde, ja hem zelfs, ter kwader ure, «om een onnoozel Ave Maria,quot; den Muider disch ontzegd had, met meer recht dan de hooggeroemde Drost, de dichterlijke koningskroon zou dragen; die man was: Joost van den V ondel.

-ocr page 229-

205

§ 3. Joost van den Vondel.

1. Uit den echt, gesloten tusschen den Antwerpschen hoedenstoffeerder, Joost van den Vondel, en Sara Kranen, de dochter van een eveneens uit Antwerpen oorspronkelijker! Rederijker Peter Kranen, te Keulen, — waarheen beide familien, te ijverig Doopsgezind om zich in hare geboortestad op haar gemak te voelen, de wijk genomen hadden — werd onze dichter, Joost van den Vondel, op den 17dei1 November 1587, geboren. Ter plaatse waar thans het zevende huis ter rechterhand ligt wanneer men van de St. Matthiasstraat de «grosze Witscbgassequot; ())de Weissgasse of Wittestraat,quot; bij Geer. Brandt) inslaat, daar stond, in V oude I's geboortejaar, een huis »zur Fiolen benentquot;; en daar zag de groote man het eerste levenslicht. Hoe aardig ook het toeval zou wezen, indien deze sFiolequot; het bekende speellui') beteekende, wij zijn het der waarheid schuldig te zeggen, dat hier de bloem bedoeld is. Vondel's zinspeling op die bijzonderheid, in zijn: Gehoorteklock van Willem van Nassau, waar hij der Nymphe toezingt;

))breyd een' stool Van bloemen hem, die 't licht eerst sagh in een vioolquot;.

laat geen plaats meer over voor een redelijken twijfel. Reeds in 1596 trok het Vondelsgezin, waartoe, buiten den kleinen Joost, ook zijne één jaar oudere zuster Glemensken en de zeven jaren jongere Sara behoorden, over Frankfort en Bremen naar Utrecht, en het jaar daarop naar Arasterdam, waar, blijkens het Amster-damsch Poortersboek, »Joosten van den Vondel van Antwerpen, op huyden den 25 Martii (1597) sijn poorter eedtquot; gedaan heeft. Zij woonden daar in de Warmoesstraat en hadden er een kousennering. In 1599 werd hun tweede zoon, Willem, dien wij bij het beschrijven

-ocr page 230-

206

van den Muiderkring vermeld hebben, en eindelijk in 1602 hunne derde dochter, Calbarina, geboren.

2. De opvoeding van Vondel was die van een gewoon burgerkind; en niets liet dan ook tot dusverre den letterkundigen reus van latere dagen vermoeden. De bekende dichtregelen uit Hooft's brief »aan de Gamer Liefd' bloeyende,quot; in 1600, «wt Florenzaquot; geschreven, waarin vermeld worden de Kamerleden

a Koster, Vondelen, Breeroó en Victorijn,

Die nu al toonen wat z' hiernamaals zullen zijn.quot;

en volgens welke Vondel dus reeds op dertienjarigen leeftijd blijken van dichterlijke begaafdheid zou gegeven hebben, zijn eerst bij de omwerking van dat stuk, in het jaar 1608, daar bijgevoegd. Zijne eerste ons bekende dichtproeve, een bruiloftslied, is van geen vroegere dag-teekening dan 1605, en overtreft in geenen deele de refereinen zijner medebroederen ter Brabantsche Kamer »Wt levender ionst.quot; Intusschen was hij blijkens de bovenaangehaalde regelen, in 1608 ook reeds lid der Ecj len tieren; en daarnaast Roemer Visscher, Hooft. Coster en Bredero, begon zijn dichttalent die hoogere vlucht te nemen, welke hem weldra boven al zijne land-, wij hadden haast gezegd zijne tijdgenooten zou ver-heflen.

3. Op 21-jarigen leeftijd, nam hij, wegens het overlijden zijns vaders, den kousenhandel voor zijne rekening, en dreef dien met zulk gevolg, dat hij onder de welgestelde burgers mocht geteld worden, vooral na zijn huwelijk, in 1610, met de, ook uit Keulen geboortige, Maaiken (Maria) de Wolff, wier broeder, Hans, reeds sedert drie jaren met Clemensken van den Vondel gehuwd was.

Aan de oudste spruit uit dezen echt, zijne vrome en begaafde, in 1611 geboren dochter Anna, beleefde Vondel

-ocr page 231-

207

groote vreugde. Twee jaren na zijn huwelijksdag werd hem daarentegen een ongelukskind geboren, dat wel met zijns vaders naam, Joost, maar noch mei zijn talent, noch met zijn karakter bedeeld, later door zijn wangedrag, een geweldigen schok aan het fortuin en de levensvreugde zijns vaders moest toebrengen. Twee andere kinderen, een zoon en eene dochter, stierven zeer jong. Volgens een brief van Anton ides aan Geer. Brandt, bracht Anna eenigen tijd te Keulen, bij hare derwaarts, zoo 't schijnt, wedergekeerde grootmoeder, door. Zij werd echter niet daar — gelijk Antonides beweert — in het Katholieke geloof onderwezen en gedoopt, maar te Amsterdam, waar zij, na het overlijden harer moeder, in 1035, wederkeerde. Vondel had toen haren bijstand noodig in huishouding en winkelnering. »Up meer dan 30-ja-rigen leeftijd,quot; eerst op het laatst van 1641, ging zij^ kort vóór haren vader, tot het Katholicisme over. Anna was, blijkens de onuitgegeven Acta Missionis der PP. Jezuïeten, »met een uitnemend verstand begaafd, en ook in de Latijnsche letteren door en door ervaren.quot;

4 De bewustheid eener hoogere roeping was reeds vroegtijdig in onzen dichter ontwaakt. In zijn dichtstukje op het Twalefjarigh Bestant, in zijn Wtvaert en Treur-dicht van Henricus de Groote, en voorai in het Pascha ofte de Verlossing he der Kind'ren Israels, zijn eerste treurspel, dagteekenend van het jaar 1612, is een merkbare vooruitgang, zoowel in de gedachten als in den stijl, te bespeuren. Hij opende daarmede de lange reeks der gedichten, welke hem, in den loop van zijn veelbewogen leven, te midden der woelingen in Staat en Kerk, alle hoogere belangen der menschelijke, en bepaald der Nederlandsche samenleving zouden ontlokken. Het Pascha was bestemd om »de Vrijwordinghe der Vereenichde Nederlandsche Provinciënquot; van de Spanjaarden te verheerlijken. De leden der Lavendelbloem speelden het stuk openlijk.

-ocr page 232-

208

en daarmee was Vondel's dichtergave, vooral toen kort daarna zijn lof-Ghesangh over de wijdberoemde scheep-vaert der Vereenighde Nederlanden het licht zag, bij het volk bekend. Die gave behoefde evenwel nog ontwikkeld en geregeld te worden; want, in weerwil van den vooruitgang, herinnerde 't Pascha nog te levendig aan de Rederijkers-spelen, ja, in zekere mate, aan de middeleeuw-sche mysteriespelen, om een waardig voorlooper der moderne dramatiek te zijn. Ook de vinding en schikking van dat stuk komt Vondel slechts ten deele toe, daar hij het door den later te vermelden Franschman d u Bartas naar den Bijbel breeder omschreven verhaal haast op den voet volgt. Het mag zonderling schijnen, maar toch is het eene waarheid, datdeXVJIde eeuw, die wij zoo gaarne de eeuw van Vondel zouden noemen, buiten de twee groote invloeden van de Renaissance en van het Protestantisme, ook nog dien van de Italiaansche de Spaansche, de Engelsche en de Fransche letteren onderging. Over de Italiaansche hebben wij reeds een woord gezegd. Grooter evenwel dan deze was de invloed der Spaansche, als ons reeds bij R oden bur gh, Bredero en Coster bleek. Het zij hier nogmaals bevestigd, dat, sedert het laatste gedeelte der XVl'le eeuw, juist de Spaansche literatuur, hoe onklassiek en onprotes-tantsch ook, hier te lande vele beoefenaars en navolgers vond, al was het vaak slechts door tusschenkomst van vertalingen. . Spaansche werken werden anders te Brussel en Antwerpen ook nagedrukt. Men kende en las niet slechts Lepe de Vega, en Galderoa, maar ook Cervantes' Don Quixote, den Lazarillo de Thor-mes den Palmerin de Oliva, waar Bredero zijn Stommen Ridder aan ontleende, gelijk den Spaanschen Brabander aan den Lazarillo; en zelfs de eindelooze Amadisromans. Wij behoeven ons daar trouwens niet over te schamen, als wij zien, dat Racine, eenigermate

-ocr page 233-

209

en Molière, maar vooral Corneilïe ook bij de Spaanschen ter leen gingen, in den beroemden Cid bijvoorbeeld. Geen wonder dat Geer. Brandt den geringen opgang van menig drama van Vondel toeschreef aan de geestdrift, waarmede het groote publiek de romantische stukken van Spaansche herkomst ging genieten in de Oude Kamer eerst, onder 1\ o d e n b u r g h 's leiding, en ook eenigen tijd in Coster's Academie.

De ingenomenheid met die romantische tooneelstukken begon pas te minderen, toen Hooft's en Yondel's klassicisme volhardend een anderen weg wees, en vooral toen later Pels en de zijnen den Franschen smaak in de mode brachten.

5. Een jaar daarna, in 1613, maakte de dichter, toegevende aan den smaak des tijds, waarschijnlijk in navolging van een soortgelijk Fransch werk van Simon Goulard, bijschriften op eene verzameling van zinnebeeldige platen, onder den titel van Den Gulden Winckel der konstlievende Nederlanders, en weldra ook op een plaatwerk, voorstellende de «Fabelen der Dieren,quot; zijne Vorstelijcke Warande der Dieren, eene navolging van Fransche Sonetten: Ebattement moral des an i-maux. In eene vertaling van twee afdeelingen uit De Tweede Week der schepping, een gedicht van den, toen hooggeroemden Franschen Kalvinist, Gu ill au me de Salluste, Seigneur du Bartas, deed zich Vondel als een ernstig kunstenaar kennen; «nergens heeft hij bel Fransch verwaterd, al zag hij zich »door benaeutheit van voeten en rijmquot; meer dan eens gedwongen zijn toevlucht te nemen tot een stopwoord. Gewoonlijk heeft hij den zin van het Fransch juist gevat en goed weergegeven in verzen, die vaak nog stroef, vaak echter ook welluidend en fraai zijn.quot; Zach. He ins vertaalde later liet geheele werk, waarin hij dat van Vondel opnam. Deze toonde weldra (in 1620) in zijn treurspel Hierusalem

•14

-ocr page 234-

210

verwoest, waarin de verwoesting dier stad, door Titus, wordt voorgesteld, welke verbazende vorderingen hij in dien tus-schentijd gemaakt had. Inderdaad, zoo dit, alweer naar het Fransch, ditmaal naar Garnier's Sédécie ou les Juifves bewerkte gewrocht al de groote fout heeft, geen eigenlijken drarnatischen knoop en bijgevolg geene handeling te bezitten, en daarom eer een gedramatiseerd lierdicht is dan een treurspel; de stijl er van is oneindig veel zuiverder en vloeiender, de techniek volmaakter, de vlucht der gedachten veel liooger en trelfender dan die van Vondel's vroegere werken. Zeker zou het te bejammeren geweest zijn, zoo wij het schouwspel van 's mans vorming en ontwikkeling, door het verloren raken zijner oudere stukken, hadden moeten missen; maar men begrijpt toch, bij 't lezen van dit werk, hoe hij zelf al het voorgaande heeft willen vernietigen, om dit gedicht als 't eerste zijner waardig te behouden.

Waarschijnlijk was het eene boekverkoopers-speculatie, welke Ds Helden Godes des Ouwden Verhonds, evenals vroeger Den Gulden Winckel en de Warande te voorschijn riep, en moet men gedeeltelijk daaraan de mindere waarde van dit, ook in 1620 verschenen, werk toeschrijven.

6. Om dienzelfden tijd bedankte Vondel voor zijne, sedert vier jaren waargenomen, bediening van Diaken bij de Doopsgezinden der Waterlandsche Gemeente, daar hij klaagde ))van groote ongelegenheyd sijner melanco-leusheytshalven.quot; Wij wagen de veronderstelling, dat hij zich toen reeds afkeerig gevoelde van de eindelooze geloofstwisten onder de verschillende Protestantsche sekten, en naar »de waarheid als een rotsquot;, in de Katholieke Kerk, begon te haken. Zijn Lof van de kuische en Godvruchtige Martelaresse St. Agnes, destijds geplaatst in het, ter eere dier Heilige, door den later te vermelden R.K. Priester, Stalpaart van der Wiele, geschreven boek, staaft deze meening. Ook zullen wij hem, van nu af.

-ocr page 235-

211

den geesel der satire zien zwaaien tegen de machtige, vervolgingszuchtige partij der Contra-Remonstranten ; ja, er zal weldra in zijn geheel wezen, in zijn gezondheidstoestand niet minder dan in zijnen geest, eene herleving, eene hervorming plaats grijpen.

7. Hel Latijn had Vondel eerst tusschen zijn 26e en27e levensjaar, eerst van een Engelschman, daarna van Ah-bema beginnen te leeren, maar met vrucht genoeg, om spoedig uit die taal, gedichten van Horatius, Virgilius en Ovidius te kunnen vertolken : en ook deze oefening

O

had bij hem een gelukkigen invloed op taal en smaak. Menig bevallig gelegenheidsdicht, uit dien tijd, verraadt ons dien invloed, ai is de daar aangeslagen toon minder verheven, minder ernstig dan die van het gelijktijdige, treflijk mystieke lierdicht: De Kruysberg, waar de dichter blijkbaar het liefdegeheirn des H. Kruises toont begrepen te hebben. De studie van het Grieksch en der Logica ondernam hij op zijn 40e jaar eerst.

In 1625 vertaalde hij, met hulp van H o o ft en L. Pi e a e 1, Seneca's Troas, onder den titel van De Amsterdamsche Hecuba, een stuk, dat, in dezelfde mate als het Latijn-sche origineel, het verwijt van gezwollenheid en van gemis aan eenheid verdient. Vondel alleen zette de gemeenschappelijk vervaardigde prozavertaling in verzen over. Drie jaren later, ging Vondel andermaal bij Seneca ter school, en met meer geluk dan in zijne vertaling der Troas; want de Hippolytus of Rampsalige Kuyschheyd munt door veel meer gloed, veel rijkere schilderingen en heftiger hartstochten uit, dan de Hecuba. Een beter stuk gaf hem, op raad van Dr. Aelb. Coen-raetsz. Burgb, deze studie der oudheid, gepaard aan zijn onverzoenbaren wrok tegen de Contra-Remonstranten, in de pen, toen hij, in November 1625, Üldenbarneveldt's dood, onder den zeer doorschijnenden sluier van een allegorisch treurspel, ten tooneele voerde. «Maak er een

-ocr page 236-

212

treurspel vanquot;, had Burgh gezegd, entoen V o n d e I antwoordde: ))'t is nog geen tijdquot;, had hij er bijgevoegd: »maak het op een anderen naamquot;. De Palamedes oft vermoorde onnooselheyd. stelt eenen held voor, Palamedes namelijk, die door wijsheid en deugd uitmunt, maar juist daardoor ook den haat der nijdige, voor Troja gelegerde Grieksche Hoofden opwekt. Agamemnon, de dwingeland, die geen tegenspraak duldt; de listige veinzaard en verrader Ulysses; de beginsellooze, Ulysses blindelings volgende Diomedes; de heerschzuchtige Calchas en de lichamelijk en zedelijk, wanstaltige Thersites beramen en volvoeren een helsch plan, ten gevolge van hetwelk Palamedes, door den gemeenschappelijken vijand, Priam, schijnt omgekocht te zijn en ter dood gebracht wordt. Vondel zeil heeft, in een bewaard gebleven lijst, de namen der personen aangeduid, die hij bedoelde. De partijzucht heeft Vondel, in dit treurspel wel tot overdreven karakterschilderingen verleid; maar zij heeft hem ook een goeden dienst bewezen, door aan zijne beelden eene kracht, aan zijne schilderingen eene levendigheid, aan zijne samenspraken een warmte en eene natuurlijkheid bij te zetten, welke hij, tot nog toe, niet in die mate vertoond had. Ook in zijn plan, in zijne knooping en ontknooping, is de Palamedes veel gelukkiger dan alle tot dusverre, in onze taal, opgestelde tooneelstukken, al betreurt men er nog altijd het te streng nakomen der Aristoteliaausche regels in, de langdradige alleenspraak van het eerste Bedrijf, bij voorbeeld — den Prologus der ouden — die zoo gemakkelijk door een tweegesprek ware te vervangen geweest. Onder de Pieien munt vooral die der Eubëers, in het derde Bedrijf, uit.

Maar zoo de kunst juichte bij het verschijnen van den Palamedes, de machtige regeeringspartij, die er in gehekeld, tot den bloede gehekeld werd, had het er minder hoog mee op. De dichter moest zich eenigen tijd schuil

-ocr page 237-

213

houden, om niet naar den Haag gevoerd te worden, waar de Fiskaal hein eischte, en kon zich gelukkig achten, door de hem niet ongunstige Schepenen van Amsterdam, slechts tot eene geldboete van 300 gulden veroordeeld te worden. Maar van nu af was hij beroemd; de Palamedes werd, in weinige jaren, dertig maal herdrukt.

8. Na de Geboortldock van Willem van Nassau (1026), het eerste van die treilende, met vindingrijk vernuft opgestelde lierdichten van langeren adem, — als: De verovering van Grol (1627), Amsteldams Wellekomst aan Zijn Hooyheyt (1028), de Zegegang ter eere van Frederick Hendrik Boschdwinyer, enz. (1629), Henriëtte Marie t' Amsterdam (1640), De Inwijdingh van 't Amsterdamsche Stadhuys (1655), enz. — waarmede Vondel elke merkwaardige gebeurtenis in Stad of Staat begroette, ontmoeten wij een zijner geestigste hekeldichten, den Rommelpot van 't Hanekot, ten gunste van den afgezetten Kemonstrantschen Predikant, Hanekop, en tegen den Contra-Remonstrantschen Trigland, bijgenaamd het »Kal-koensche Haentjenquot;, en andere van dezelfde kleur, in 1627 geschreven.- Nog menigmaal zal onze dichter zijn prikkelbaaV gemoed uitstorten, in dat half-kerkelijk, half-politiek geharrewar;

»wat me op 's harten grond leyd,

Dat welt me na de keelquot;,

getuigt hij: en als hij soms wat al te persoonlijk, al te scherp, ja al te plat is in zijne gisping, dan bedenke men, dat. het menigmaal slechts eene wedervergelding was van hem of den zijnen toegevoegden smaad. Tot deze dichtsoort behooren: het Sprookje van Reyntje de Vos (1628), de Roskam, de Harpoen, de Medaellie voor den Gommaristen Kettermeester, Papieren Geld, Een Otter in 't Bolwerck, alle van 1630, Decretum Horribile, van 1631, de Geuze-Vesper en andere.

9. Zijn opwaartsstrevende geest kon zich evenwel noch

-ocr page 238-

214

met die vertalingen, noch met die gedichten van kleineren omvang tevreden stellen: Vondel wilde een eposscheppen. Mij had, reeds in 1632, de goedkeuring der gekozene stoffe: De Tocht van Keizer Konstantijn den Groote naar Rome, en van den aanvang des werks, uit den mond van den wijdberoemden Hugo de Groot, mogen hooren, en hij hield er zich met zoo veel ijver mede bezig, dat hij, gansch ingenomen met zijnen held, zijn destijds geboren en spoedig daarna gestorven tweeden zoon, naar hem, Konstantijn liet noemen. Vijf zangen waren bereids afgewerkt, toen de dood hem, in 1635, zijne diep-betreurde echtgenuote ontrukte. De smart over dit verlies, gepaard aan de beslommering der winkelnering, hem thans uitsluitend ten laste gekomen, verwijderde Vondel eenigen tijd van de dichtkunst, voor eeuwig van het Nederlandsch heldendicht. Hij verscheurde den Konstantijn met eigen hand. Wel keerde hij, op zijn 75ste jaar, tot de verhalende dichtkunst weer, in Joannes de Boetgezant, een vindingrijk en levendig gedicht; maar een eigenlijk heldendicht bezitten wij van hem niet.

10. Al de warme vriendschap en diepe vereering, welke onze dichter jegens Hugo de Groot gevoelde, was er noodig, om hem, tegen 't einde van datzelfde jaar (zijne vrouw was in Februari gestorven), te bewegen het Latijnsche treurspel Sop/iompaneas van dien uitstekenden man in '1 Nederlandsch over te brengen. Al had dit werk, waarin nJozcf in 'lt; Hofquot; van den Egyptischen koning wordt voorgesteld, geene andere verdiensten, dan Vondel aanleiding gegeven te hebben tot het vervaardigden van Jozef in Dothan, een zijner meesterstukken en Jozef in Egypten, beide van 1640, met welke stukken hij, naar 't voorbeeld der Grieken, zijne Trilogie voleindigde, dan ware het nog merkwaardig genoeg om het gemis der oorspronkelijkheid te vergoeden. Jozef in Dothan, waarin eene voor het treurspel schijnbaar

-ocr page 239-

215

ongeschikte stof — het verkoopen van den jongeling aan de Ismaélitische slavenhandelaars — verwerkt is, onderscheidt zich door eene verrukkende mengeling van natuurlijkheid en van bijna idyllischen eenvoud in het dramatisch gedeelte, met eene hovenaardsche majesteit in de reien der Wachtengelen. Men leze den bevalligen rei, die het derde Bedrijf sluit, en Ruben's alleenspraak, die het vijfde opent, om een denkbeeld te hebben van den rijkdom dier poëzie. De twee volgende, in Jacob's mond gelegde, verzen, die het geheele stuk sluiten, zijn als de smartkreet, door de ondankbare zonen aller eeuwen aan het verscheurde vaderhart afgeperst:

))Och d'ouders teelen 't kint, en maecken 't groot met smart:

Het kleine treedt op 'tkleet;, de groote treên op quot;thart!quot;

De Jozeph in Dothan krijgt nog eene hoogere en uiterst aandoenlijke beteekenis, wanneer men met A. M. Verstrae-ten kan aannemen, dat den dichter, in dit stuk, overal Christus' lijden en dood voor den geest stonden, niet slechts omdat gene, naar de kerkelijke opvatting, de voorafbeelding van dezen was, maar ook omdat Vondel aan 's Heeren lijdensgeschiedenis zoovele bijzonderheden ontleende, toepasselijk op den toestand van zijnen held. Vondel's voor ernstig symbolisme zoo ontvankelijk gemoed maakt die gissing zeer aannemelijk.

Veel minder van gehalte in alle opzichten, is de Jozeph in Egypten, waarin de bekende lotgevallen van den kuischen jongeling, in Potiphar's paleis, veraanschouwelijkt worden.

11. Coster's Akademie-gebouw, eene houten loods, was in 1637 tot een «Schouwburgquot; vertimmerd, en moest, tegen 't einde van dat jaar, ingewijd worden. Vondel schreef te dien einde zijn Gysbreght van Aemstel, eene gedramatizeerde navolging van het tweede Boek van Virgilius' Aeneis, waarin hij Amsterdam 's «onderganghquot;, door de wrekers van den vermoorden Graaf Floris V

-ocr page 240-

veroorzaakt, heeft voorgesteld. De dichter had de handeling van zijn stuk, dat op 't laatst van het jaar zou gespeeld worden, op kerstnacht geplaatst, om er meer actualiteit aan bij te zetten, misschien ook uit ingenomenheid met den Katholieken godsdienst, dien hij kort daarna omhelsde, in ieder geval, deze bijzonderheid gaf aanstoot, in die dagen der hooggeroemde gewetensvrijheid, en het treurspel kon eerst den 3en Januari daaropvolgende vertoond worden; maar genoot dan ook het ongehoorde voorrecht, sedert dien tijd, elk jaar, tot op heden toe, zoo mogelijk, omtrent Kerstmis opgevoerd te worden.

Hugo d e Gr r o o t, vvien V o n de 1 zijn treurspel opdroeg, kon met waarheid zeggen; »de Coloneesche Oedipus van Sophocles en de Biddende Vrouwen van Euripides, hebben Athenen nooit grooter eer aangedaan dan Amsterdam hier mede geniet.quot; En deze lofspraak verdient de Gijshrecht, niet slechts om de aantrekkelijkheid der voorstelling van historische plaatsen en personen (al is alles niet even polltisch en archaeologisch juist), maar ook om zijn dramatischen samenhang, zijne treffende karakterschilderingen, heerlijke reien en roerende toestanden. Wij bevelen ter lezing aan Badeloch 's droom, in het begin, en het beroemde Kerstlied, op het einde van het derde Bedrijf; en in het vijfde, het meesterlijk tooneel, waarin de sluwe Heer van Vooren het kasteel komt opeischen.

12. Twee jaren later (in 1639) verscheen de vertaling van Sophocles' Electra, door Vendel ondernomen op aanraden van Joan Vechters (of Victorijn), en gelijk hij in de toewijding aan Tes-selschade zegt, «met hulpe van dien hooggeleerden jongeling, Isaak Vossius; een loos vos en wacker vernuft, om het Grieksche wild, hoe diep en duister het ook verborgen zij, op te snuffelen.quot;

-ocr page 241-

'217

Tusschen 1660 en 1668 vertaalde hij, rechtstreeks uit het Grieksch, gelijk G- Kallï o.i. voldoende bewezen heeft, Koning Oedipus en Hercules in Trachin van Sophocles, alsmede Ifigenie in Tauren en Feniciaensche van Euripides.

Dat Vondel's vertolkingen, hoe verdienstelijk ook over het algemeen, vaak niet beantwoorden aan de eischen, die wij aan onze hedendaagsche vertalers stellen, zal ons minder verwonderen, wanneer wij bedenken, dat vertalingen voor onzen dichter slechts middel waren, geen doel. Hij wilde in den geest der oude meesters doordringen, zijn smaak vormen op de bewonderenswaardige modellen der antieke kunst en door volhardende oefening meesterschap over den vorm verkrijgen, overtuigd dat, ))het overzetten uit vermaarde Poëten den aankomenden Poëet [helpt], gelijk hel kopieeren van kunstige meesterstukken den Schildersleerling,quot;

Bovendien, waar het geldt de wetenschappelijke waarde dezer vertalingen te bepalen, verlieze men niet uit het oog, dat onze critische uitgaven der klassieken Vondel niet ten dienste stonden, en dat vele misvattingen niet aan gebrekkige kennis van het Grieksch te wijten zijn, maar dikwijls op afwijkende lezingen der 17de eeuwsche edities berusten.

13. Hoe veel gelukkiger hij was in zijne oorspronkelijke werken, bleek nog datzelfde jaar (1639), toen de liefde voor zijne geboortestad, welke hem reeds den heerlijken lierzang: De Rijnstroom ontlokt had, hem het treurspel De Maeghden, een soort van Mirakelspel, waarin de marteldood van Sinte Ursul en hare gezellinnen wordt voorgesteld, in de pen gaf. Opmerkelijker evenwel, dan om zijne stoute vinding en rijke poëzie, ook door Hugo de Groot geprezen, is dit gewrocht, wegens de neiging, die Vondel er verraadt voor het Katholicisme. En geen wonder! wij naderen het groote keerpunt in 's mans levensgeschiedenis.

-ocr page 242-

218

i4. Niet plotseling, gelijk uit het vroeger gezegde reeds kon aangemerkt worden, ging de oud-diaken der Doopsgezinden tot de Roomsch-Katholieke kerkleer over: neen! jaren duurde de voorbereiding. Want Vondel was een ernstig man, die in eene zoo gewichtige zaak als het geloof, zich met geene halve overtuiging kon tevreden stellen, gelijk Hooft en van Baerle deden. Hij had de onhoudbaarheid van het beginsel der individuëele vrijheid van onderzoek, niet slechts uit de onderlinge twisten en tegenstrijdige leerstukken der Protestanten, maar vooral uit de inconsequente besluiten der Dordsche synode, ingezien, en daaruit besloten tot de noodzakelijkheid van een onfeilbaar leergezag. Daarbij komen, als menschelijke beweegredenen, de aesthetische aanleg, de echte kunstenaarsziel des dichters, die hem, naar de uitdrukking van prof. G. F. Drabbe, »vóór alle redeneering, als door louteren natuurdrangquot;, tot de Katholieke Kerk trok; verder zijn omgang, niet alleen met zijne reeds vóór hem Katholiek geworden dochter, Anna, wier deugdzaam leven en edelmoedig hart hem stichtten aan den huislijken aard, maar ook met Vechters, Plemp, Tesselschade en den schranderen pastoor en overste van het Begijnhof, Leonardus Marius, van wien men meer dan twee eeuwen lang geloofd heeft, dat hém het geluk ten deel viel, Vondel in de Moederkerk op te nemen. Wat Pr. H. J. Allard uit de bovenvermelde Acta Missionis der PP. Jezuïeten daaromtrent heeft bekend -gemaakt, schijnt evenwel te bewijzen, dat de invloed der Jezuïeten zich ten dezen ook krachtig heeft doen gelden en dat hun mede een ruim, zoo niet het ruimste aandeel aan V o n d e 1' s terugkeer moet toegeschreven worden.

Vriend en vijand echter zijn het ééns in de erkenning, dat Vondel dezen stap zelfstandig en met volle overtuiging gedaan heeft; ja, zijn remonstrantsche levensbeschrijver, Brandt, getuigt, »dat hij, eenmaal overgegaan

-ocr page 243-

219

zijnde, niet geveinsdelijk, maar in vollen ernst het Pausdom heeft aangehangen, en buiten opspraak, naar de leer der Roomsche Kerk geleetd heeft.quot;

15. Thans verschijnt hij ook in zijn hoogsten letterkundigen bloei. Het treurspel De Gebroeders, voorstellende den dood van koning Saul's geslacht, mag al een niet gelukkig onderwerp behandelen, de dramatische gang er van is zoo levendig, menige schildering zoo keurig, dat men begrijpt, hoe de geleerde Geer. Vossius (de afstammeling van een Roermondsch geslacht, dat, gedurende eene eeuw, tal van letterkundigen en geleerden aan Nederland schonk) bij 't verschijnen van dit gewrocht. Vondel de lofspraak kon toevoegen: vscribis aeternitati.quot;

Jean de la Taille's drama Les Gabéonites behandelt hetzelfde onderwerp, zegt l'abbé C. Looten, een Franschman, die eene zeer verdienstelijke studie over onzen dichter geschreven heeft, en die van gevoelen is, dat Vondel in verschillende 'andere stukken Fransche dichters nagevolgd heeft. Zoo zou Maria Stuart of gemartelde Majesteit naar l'Ecossaise van Antoine de Montchrestien (1550—1010) bewerkt zijn; David in Ballingschap en David Herstelt naar Louis de Mazures' David combattant, fugitif, triomphant; Jephta naar de Jephte van Ruchanan, in het Fransch vertaald door Flo rent Chrestien.

flooger nog verheft Vondel zich in den Peter en Pauwels (1641), ook alweer tot de Heiligenspelen te rekenen, maar in veredelden vorm, dat de dagteekening draagt van zijne bekeering tot de Katholieke Kerk, en te beschouwen is als het ex-voto van dien overgang, op het roemrijke graf der Apostelen neergelegd. Dit treurspel is, door zijne volmaakte eenheid, door eenige gelukkig geteekende, vaak heerlijk contrasteerende karakters(al zijn het juist niet die der hoofdpersonen) en door de spanning, die u afwisselend doet hopen en vreezen, een der

-ocr page 244-

220

bestgeslaagde. Hoe eigenaardig schoon is niet de inleiding, waar de schimmen der toovenaars Simon en Elymas hunne wraakzucht tegen de beide geloofshelden lucht geven! Ook Nero's wroegingen zijn, bij de opening van het vijfde Bedrijf, meesterlijk geschilderd. Desalniettemin werd het »0111 den Paapschen inhoudtquot;, als Brand zegt, van liet tooneel geweerd, erger nog dan de Gijsbrei/ht, die om dezelfde reden slechts eenige dagen later werd voorgesteld.

16. De Heldinnenbrieven, eene proza-vertaling van Ovi-dius' Heroïdes, die een jaar later vervaardigd werd, hoe verdienstelijk ook, was voor Vondel slechts eene stijloefening voor het schrijven zijner Brieven der Heilige Maeghden Martelaressen. In dit laatste werk heeft hij de Katholieke Heiligenlegende met veel geluk te baat genomen: niet alleen de Opdraght aen de Heilige Maeght, ook menige brief, die der H. Theodora bij voorbeeld, zijn heerlijke gedichten. Vele andere stichtelijke verzen be-hooren tot dit tijdstip; alhoewel de wereldsche dichtstof hem ook niet ontbrak, gelijk zijne lof- en dankliederen op de begaafde koningin Christina van Zweden (die er den zanger met een gouden halsketen voor beloonde) getuigen. Menigmaal ook stond hij om zijne «papistischequot; uitingen aan de vlijmendste hekelingen ten doe! ; maar dan gordde hij, op zijne beurt, een niet minder scherp strijdzwaard aan, zoodat het ons niet verwonderen moet, indien de min of meer sybarietische Drost van Muiden destijds van hem schijven kon ; »My deert des mans die geenes dings eerder moede schijnt te worden, dan dei-rustequot; ; en daar kon bijvoegen, op de boete, voor den Palamedes betaald, tamelijk liefdeloos en onedel zinspelende: »'t Schijnt dat hy noch drie hondert gulden in kasse moet hebben die hem dreigen de keel af te bijten.quot;

17. Het jaar 1645 was het derde Eeuwfeest van het beroemde «Mirakel der Heilige Stedequot; te Amsterdam.

-ocr page 245-

221

Vondel herdacht dit wonder, niet slechts in een opzettelijk met dat doel vervaardigden lierzang, maar hij vond er zelfs aanleiding in, om het Katholiek leerstuk der H. Eucharistie door een uitgebreid leerdicht te verheerlijken, onder den titel van: Altaergeheimenissen. Dit werk — het eerste, maar niet het laatste van die soort, bij onzen dichter — bezingt, in drie Roeken, het H. Sakrament als Ollerspijze, OlTereere en Offer bande, en onderscheidt zich door al de hoedaniffheden van een goed leerdicht; klaarheid en degelijkheid van verdeeling en bewijsvoering; gelukkige afwisseling door gepaste voorbeelden; zuiverheid en vloeiendheid van stijl. Als bloemlezing kieze men, in het eerste Boek, de vergelijking tusschen het Manna der woestijn en bet Manna dei' H. Eucharistie (vs. 723—79(i); in het tweede, de instelling en viering van oen H. Sakramentsdag te Rome (vs. 1272 — 1361); in het derde, Abraham's offer (vs. 780— 817) en de 24 laatste verzen, waarin het bijwonen van het H. Oiïer den Christenen wordt aanbevolen.

Meer wijsgeerig dan theologisch, maar gespierd en vol poëzie is zijn later leerdicht: Bespiegelingen vanGodten Godtsdienst (1662), in vijf Roeken handelende «van Godtquot;, «van Godts Eigenschappenquot;, »van Godts Werckenquot;, »van Godtsdienstquot; en »van Godtsdienst in 't bijzonderquot;. De Heerhjckheit der Kercke, »baer ingang (d. i. opkomst), opgang, en voortgang, begrepen in dry Roeckenquot; (1663) heeft wat meer epischen gang dan de voorgaande didak-tische werken, en is zeker het volmaaktste wat den vorm betreft. Wat kracht en eenvoud tevens in de schilder inquot; van den moed der Apostelen (R. II, vs. 479—547), welke verheffing en teederheid in de kruishymne der Engelen (B. Ill, vs. 637—661)!

18. Ten jare 1646 werd de proza-vertaling van Vir-gilius voltooid en uitgegeven: een in alle opzichten verdienstelijker werk dan de Lierzangen en Dichtkunst van

-ocr page 246-

222

Horatius, »in het rijmeloos vertaeltquot; (1654), welke dan ook zonder des dichters toestemming, door toedoen vati een meer gedienstig dan verlicht vriend, in druk verschenen. Tot hoogen ouderdom bleef de klassieke literatuur eene oefenschool voor Vondel; en wij zien hem nog op 73-jarigen leeftijd (in 1660) zijn proza-ver-taling van Virgilius in verzen omzetten; ja, in zijn 84ste jaar zag hij er niet tegen op, de Metamorphoses van Ovidius in Nederlandsch rijm terug te geven — zijn laatste werk van grooteren omvang. Hij meende door die uitgave zoo min onstichtelijk te zijn, dat hij in de Voorrede zegt: »lTier valt geen gevaervoorverstandigen, en allerminst in onzen tijt; want sedert het waerachtigh geloof der oude moederkercke de gansche werrelt door verkondight wert, verloren alle ongerijmde kindersprookjes allengs hunne geloofwaenligheit... Niemant zy dan in het lezen schroomachtigh zonder noot, en te min dewijl de heilige outvader Augustijn, dat groote licht der katholijcke kercke, ons verrnaent de schriften der Heidenen tot cieraet en opbouwinge des geloofs te gebrnicken.quot; In onze minder eenvoudige eeuw, is dat evenwel geene lectuur voor jongelieden.

19. Het treurspel: Maria Stuart of Gemartelde Majesteit (1646), beter een dramatisch bewerkt treurdicht, dan een eigenlijk drama te noemen, was een uitvloeisel van V o n-del's Katholieke en monarchale beginselen, en kostte hem dan ook een vloed van schimpschriften, niet meegerekend eene boete van honderd en tachtig gulden, waartoe hem de hoogwijze raad van Schout en Schepenen voor die paapsche stoutigheid veroordeelde.

20. En inderdaad, met zijn overgang tot de behoudende Moederkerk, had Vondel ook in zaken van den staat andere denkbeelden omhelsd: de vroeger door hem verheerlijkte opstand tegen Spanje werd thans in zijn oog-een ongeoorloofde afval van den wettigen vorst. Daarom

-ocr page 247-

223

juichte hij, toen, door den Munsterschen Vrede, ten jare 1648, de Vereenigde Gewesten zich met den Koning verzoenden, en als hun rechtmatig bestaan kregen, met de zegeningen van den vrede. Deze vreugde sprak hij uit in zijn meesterlijk »Lantspelquot;: De Leeuwendalers, ais drama — hoewel, natuurlijk, van minder hooge vlucht, minder belangrijkheid van stof en minder tragische toestonden — volmaakt beantwoordende aan deeischender kunst. Jammer maar, dat het otïer aan den heidenschen Pan, dat bestemd is om de hoogste spanning in het stuk te weeg te brengen, voor den hedendaagschen lezer zoo geheel van waarschijnlijkheid en belang ontbloot is. De boerentwist en de zangerige rei van het tweede Bedrijf zijn typen.

21. Een eigenaardig treurspel, waarin de zedelijke moord door de afschuwelijke kunstgrepen eener vreemde vorstin aan den wijsten aller koningen gepleegd, in keurige taal, met diep menschkundige trekken wordt voorgesteld, schonk Vondel ons, datzelfde jaar, in zij n Salomon. Een denkbeeld van het geheele stuk geeft de afwisselende rei der vreemde afgodsdienaressen en der Jerusalemmers, op het einde van het vierde Bedrijf. In de betrekkelijk groote tijdruimte van zes jaren, welke dit gedicht van het eerstvolgende uitgebreide werk scheidt, heeft Vondel als het ware al zijne kracht ingespannen, geheel zijn genie te baat genomen, om den Lucifer voort te brengen. Tien jaren vroeger dan Milton in zijn Paradise Lost, stelde hij in dit meesterlijk gewrocht den Val der Engelen voor: niet zonder bijoogmerk nochtans, beweert Jonckbloet, want wie erkent daar niet in den afval der Nederlanden van Spanje? Inderdaad, gelijk de gunsten, door Filips aan de Spanjaarden boven de Nederlanders geschonken, de eerste aanleiding waren tot den opstand der Edelen, zoo is de begunstiging van de menschen door God de eerste oorzaak van 't oproer der

-ocr page 248-

224

Geesten. Bij dezen, als bij genen, is de Stedehouder 't hoofd der opstandelingen. Wien verzinnebeeldt Adam, de mindere van oorsprong, maar hoogere in voorrechten, wien anders dan Granveile? En Belzebub, die tot de oproerigen zegt:

Met smeecken moght ghy best en eerst uw wensch verwerven,quot;

stelt die niet kennelijk Brederode voor? Zoowel de eenen als de anderen beweren, in den beginne, voor 's Konings eer te ijveren. De dichter zelf, al had hij meer dan ééne goede reden om zijne allegorie niet doorschijnend te maken — wat hem trouwens gelukte — kon zich desniettegenstaande niet onthouden, zijn «Re-reclitquot; met deze woorden te sluiten: ».... ten klaeren spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen, die zich stou-telijck tegens de geheilighde Maghten, en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.quot; Soms heeft zijn streven om de allegorie in alle hare bijzonderheden toepasselijk te maken, hem verleid tot fouten tegen de eischen der kunst; b. v. in het schetsen van Lucifer's karakter, dat, om beter op den daarmee bedoelden persoon te gelijken, als te weifelend en te onoprecht wordt voorgesteld. Vele evenwel niet minder zaakkundige mannen, als Reets, .Tan ten Brink, Doorenbos en Jan te Winkel zijn hierin eene andere meening toegedaan, al nemen zij den Lucifer als een politiek stuk aan, waarin misschien eerder op de Engelsche geschiedeais dan op de onze wordt gezinspeeld.

Wat daarvan zij of niet, zeker heeft Vondel de niet geringe moeilijkheid van het veraanschouwlijken eener maatschappij van Geesten beter weten te boven te komen dan de geniale Engelschman. Het tragische, naar onze later te verklaren opvatting, triomfeert in den Lucifer; als drama is deze «christelijke gigantomachiequot; onberis-

-ocr page 249-

225

pelijk: de karakters zijn krachtig geteekend en volgehouden ; de dialoog is levendig; de ontknooping treilend ; de geheele indruk diep godsdienstig en verheifend. Onder de menigvuldige plaatsen, die dienen gelezen te worden, lette men vooral op de schildering der ziels-en lichaamsgaven onzer eerste ouders, in het eerste Bedrijf — hoewel die voorstelling wel wat te levendig tot de jeugdige verbeelding spreekt — en op den nooit volprezen rei, aldaar; «Wie is het, die zoo hoogh gezetenquot;. Vervolgens leze men liet laatste tooneel van het derde Bedrijf, waar het oproer zich als organizeert; de onovertrollen tweespraak tusschen den liefderijken Rafaël en den, thans reeds wanhopiger!, Lucifer, in het vierde, en eindelijk de schildering van den geweldigen slag in het vijfde Bedrijf.

Na twee voorstellingen werd het stuk van liet tooneel geweerd, niet omdat men er eene politieke strekking in erkende, maar omdat de Predikanten het afgodisch, valsch, heiligschennend, en wat al niet, vonden; des te gretiger las het publiek den Lucifer, bij duizenden exemplaren.

22. Een soortelijk onderwerp als de Lucifer, maar op heidenscli terrein, een opstand namelijk tegen en zich verheffen tot Jupiter, behandelt de Salmoneus, die in 1657 verscheen. Ook dit niet onveijtlienstelijk stuk schijnt een allegorie te bevatten; den opstand der ketterij tegen de aloude Kerk. Later bewoog Vondel zich nog menigmaal, in zijne treurspelen, op het gebied der ongewijde geschiedenis. In de Baiavische Broeders (1662) schetst hij ons de meest verschillende hartstochten met de warmste kleuren; de Faëton of reuckelooze stoutheid (1663), waarbij de dichter, «naar 't oordeel van sommige scherpziende kunstrechtersquot;, zegt Brandt, «het ooggehadt heb-be op het hoogh bestaan des Konings van Vrankrijk tegens den Pausquot;, al voldoet het geheel niet, bevat aandoenlijke schilderingen en reien — den rei der Uren in't eerste Bedrijf, bij voorbeeld : — gelijk ook de Zunghin of

•15

-ocr page 250-

220

ondergang der Sineesche Eeerschappije (1(366) naast groote gebreken, schoonheden van den eersten rang vertoont.

23. Doch een rijkere oogst van lauweren wachtte onzen dichter nog in de Rijbelsche tooneelkunst. De Jeptha of Offerbelofte, van 1659, beantwoordt wel in zijn keurige bewerking, maar niet in zijne opvatting, aan de hooge ingenomenheid, waarmee Vondel zelf,in het «Berechtquot;, van dit werk spreekt. De Samson of Heilige Wraeck, die met de twee volgende stukken, een jaar later verscheen, is, in menig opzicht, een van die, welke met het meeste genoegen gelezen worden. Hij hekelt er vinnig de predikanten, die den Lucifer van 't tooneel geweerd hadden.

Koning David in Ballingschaj) volgt de bijbelgeschiedenis op den voet en heeft dan ook minder dramatische waarde, te meer daar het drama onvoltooid is en als de inleiding vormt van Koning David herstelt. Of Brandt, die beweert, dat dit laatste zinspeelt op »de wonderbaare herstellinge des Konings van Groot Britanje, Karei den tweedenquot;, gelijk heeft of niet, is moeilijk te bepalen. Zeker echter is het, dat geen der beide laatste stukken zijne personen in die tragische, gespannen' toestanden verplaatst, die 't wezen van het treurspel zijn. Veel schoons en aandoen lij l^s ligt er ook in den één jaar jongeren Adonias of Rampzalige Kroonzucht, al laat de handeling wat te wenschen over. Het volmaakste evenwel onder deze gewrochten — na of met den Lucifer? wij wagen haast geene uitspraak — is Adam in Ballingschap, zoo dichterlijk en zoo diep weemoedig door Vondel »aller treurspelen treurspel'' genoemd. Er is eenheid in de handeling; natuurlijke ontwikkeling en ontkooping; waarheid en kracht in de karakters, om niet van taal en schilderingen, van levendigheid in verhaal en tweespraak, van het treffend zielkundige te spreken, welke men bewondert b. v. in den Beurtzang van het eerste menschen-paar, in 't begin van het eerste Bedrijf; in de beraad-

-ocr page 251-

227

slaging der helsche Geesten, van het derde; en vooral in het tooneel van het vierde Bedrijf, dat ons Eva's misleiding door den si uwen Belial voorstelt, een onover-trolïen meesterstuk, terecht door van Lennep gekenmerkt als «een diamant in goud gevat.quot; En de pen, die dat schreef, was van een 77-jarige! Wat zeg ik? Nog drie jaren daarboven zullen 's mans onuitputtelijke dichtader niet doen verdorren; de Noach of Ondergang der eerste Weerelt schitteit nog met al den gloed der jeugd, met al de frischheid eener door niemand behandelde, hoogst eigenaardige stof.

24. Vraagt men nu of wij Jonckbloet's oordeel over het ontoereikende van Vondel's dramatische en tragische gave beamen, dan zeggen wij, 1°. dat hij geen volmaakt treurspeldichter is in de moderne beteekenis van dat woord, gelijk het, vooral sedert Shakespeare, (in wiens stukken toch ook de Hoogere machten zegevieren) wordt opgevat en door de romantische school, waar handeling en karakterteekening geheel en haast uitsluitend op den voorgrond staan, verwezenlijkt wordt; 2°. dat hij in den volsten zin tragisch is naar het begrip der ouden, voor wie de tragedie de gedramatizeerde handeling der Hoogere Machten en hun beslissenden invloed op de lotgevallen der menschen beduidde, gelijk ook, onder de lateren, Galderon ze in zijne autos opvatte; 3°. dat Vondel er wel degelijk en met goed gevolg naar streeft, om, overeenkomstig de leer van Aristoteles, deernis en huivering op te wekken, al doet hij dat menigmaal méér door harmonisch samengestelde beeldengroepen, die als eene beweeglijke schilderij werken, dan door de actie, hoewel deze, evenmin als de karakterschetsing, in zulke mate ontbreekt als Jonckbloet beweert. Deze gaat, bij zijne veroordeeling, steeds uit van zijne onomstootelijk gewaande theorie der dramatische kunst; 4°. dat men, om Vondel als dramatisch dichter tot zijn volle recht te

-ocr page 252-

228

laten komen, zijne godsdienstige treurspelen moet beschouwen als de voortzetting, de volmaking, ja, de kroon der middeleeuwsche mysteriespelen, gewijzigd en geordend door den invloed van het klassieke drama.

25. Te oordeelen naar de »Berechtenquot;, »Inleidingenquot; en «Opdrachten'quot; zijner grootere werken, naar de vertalingen en de Aenleiding ter Nederduilsche Dichtkunste (1650), zou Vondel evengoed de eerste in 't proza geworden zijn, indien hij zich daarop had toegelegd, als hij 't in de dichtkunst was; nu reeds is zijn prozastijl losser, natuurlijker, meer Nederlandsch, met één woord, dan die van den veel hooger geprezen Hooft.

26. Vatten wij thans die lange letterkundige loopbaan kort te zatnen, dan vinden wij twee hoofdtijdperken: het eerste, beginnende met 1605, vertoont eene geleidelijke, alzijdige ontwikkeling en loopt tot 1640; het tweede, de glansperiode, schenkt ons tal van gedichten, en gaat, niet haast onmerkbare daling, tot ongeveer 1675. Of wil men den grooten man liever naar de dichtsoorten heoordeelen'? Dan rangschikke men zijne werken 1°. in Lierdichten, meestal bij de eene of andere gelegenheid opgesteld,quot; en daaronder eenige van meer uitgebreidheid; 2°. in Hekeldichten, die hun ontstaan, hetzij aan godsdiensttwisten, hetzij aan eigen verdediging te danken hebben ; 3°. in Vertalingen uit Latijnsche en Grieksche schrijvers en uit de H. Schrift; 'iquot;, in 33 Touneelstukken, meest alle Treurspelen: hetzij vertaalde, en dan gewoonlijk aan heidensche schrijvers, slechts een enkel maal aon een Christelijke, ontleend; hetzij oorspronkelijke, en deze of in de geschiedenis van het O. Verbond, of in die der eerste Christelijke eeuwen geput, of wel van minder gods-dienstigen aard, en hetzij in de heidensche, hetzij in de latere tijden wortelende; 5°. in één Episch werk — in zekeren zin een heldendicht; 6°. in drie uitgebreide Leer-dichten.

-ocr page 253-

229

27. De man, die aldus èn zijne taal, èn zijn land, èn zijne eeuw door zijne voortbrengselen verheerlijkte, moest, zou men denken, een gelukkig en gezegend leven gesmaakt hebben: helaas! hoeveel ontbrak daaraan! Wel mag hij eenigen tijd gewaardeerd zijn geworden in den Muiderkring en bleef hij in aanzien bij dezen of genen beschermer en vriend; wel kroonde hem het schildersgilde van Amsterdam, op het Sint-Lucasfeest, den 21er; October 1653 gevierd, met de lauwerkroon van Apollo: menigmaal ook was miskenning en ondank zijn deel. Tot op zeventigjarigen leeftijd mocht hij evenwel buiten bezorgdheid voor zijn levensonderhoud blijven ; maar ook deze troost zou hem ontnomen worden: eene huiselijke ramp van de ergste soort moest hem treffen. Zijn reeds vermeide zoon Joost was hem in de kousennering opgevolgd; maar raakte door zijn ongeregeld gedrag en de slordigheid zijner echtgenoote zoo diep in schulden, dat de vader ei' zijne gehecle bezitting, meer dan veertig duizend gulden, bij inschoot. Dit gebeurde in het jaar 1657. Tn Januari van het volgende, werd de thans steunbehoevende grijsaard, te fier om zelf zijnen nood aan iemand te klagen, door tusschenkomst van bloedverwanten en vrienden, aangesteld als suppoost (pandschrijver of boekhouder) bij de Bank van Leening, met eene jaarwedde van 650 gulden ! Ruitti tien jaren stond Neêrland's grootste dichter in die nederige betrekking, totdat, in Augustus 1668, »op de requeste van Joost van den Vondel,... versoeckende, vermits sijn hooge jaren van in de tachtigh, dat, behoudens sijn tractement, jEmmÏMs sonde worden verclaert, waerop sijnde gedelibereert, is goetgevonden aen Vondel sijn verzoeck toe te staen, en hem voor Emeritus te verclaren.quot; Zoo luidde het offi-cieële stuk. Eigenlijk had de arme dichter zijn ontslag niet gevraagd, maar gekregen, omdat er herhaalde klachten over zijne nalatigheid waren ingekomen. Zijne vrienden

-ocr page 254-

230

en begunstigers deden aan het ontslag dien weiwillenden vorm geven: de wedde echter bleef hij genieten. Op Woensdag, den S611 Februari 1679, werd Joost van den Vondel, »oud 92 jaren, woonachtig op den Cingel, over de Warrnoesgraft, om half drien precijsquot; door veertien dichters en liefhebbers van dichtkunst, naar de Nieuwe Kerk, waar, sedert 1675, ook zijn geliefde dochter reeds was ter ruste gegaan, ten grave gedragen; hij was den 5en, 's morgens tusschen vier en vijf ure, »naar kerkelijke wijze berechtquot;, het eeuwige leven ingetreden.

Den lHen October 1867 heeft Nederland zich «van een lang verzuimden plichtquot; gekweten, toen het, door samenwerking zijner erlelste krachten, in tegenwoordigheid van afgevaardigden uit alle landen, waar het Dietsche woord weergalmt, in het nieuwe Park te Amsterdam, aan Joost van den Yonde 1 een standbeeld deed verrijzen, raet dit, uit de keurige pen van J. A. Alberdingk Thijm gevloeid, opschrift ;

Om den adel van zijn karakter:

Om den rijkdom van zijn üenie:

om den gloed en lieflijkheid zijner dichtgave:

bij scherp vernuft en degelijke wetenschap:

om zijn tooveren met de Nederlandsche taal,

dienstbaar gemaakt aan zijne liefde voor land en stad en godsdienst:

wordt hier aan Joost van hen Vondel,

ter kwijting eener diepgevoelde schuld,

dit gedenkteeken gewijd.

mdccclxv1i.

§ 4. Overige leden van den muiderkring.

1. Zoo Hooft de meest gevierde, Vondel de geniaalste en Vossius de geleerdste was van dien letterkun-

-ocr page 255-

231

digen kring, de ziel en als de Gratiën er van waren Roemer Visscher's begaafde dochters, Anna en meer nog Maria Tesselschade.

Anna (geb. 1583) was, èn als vrouw èn als dichteres minder bevallig dan hare zuster; maar een grootere ernst en wellicht ook eene vlijtiger beoefening van het technische gedeelte der dichtkunst, geven aan hare verzen eene vloeiendheid en een zuiverheid van vorm, die Tesselschade wel eenigszins ontbreken. Haar aanleg trok haar tot het zededicht, en deed haar met meer bewondering misschien den later te bespreken Cats, wiens omgang zij, in Zeeland, eenige maanden genoot, en wien zij altijd eene warme vriendschap bleef toedragen — aanhangen, dan Vondel, dien ik haast den tegenvoeter van den beroemden Zeeuw zou noemen. Van de bijschriften in rijm op baars vaders Sijinepoppen, is boven reeds besproken. Buitendien bezitten wij van hare hand nog: Honderd christelijke zinnebeelden, naar de Emhlcrnes der Fransche Kalviniste George tt e de Mo n t enay, en eenige losse rijmen van verschillenden inhoud. Eerstin haar veertigste jaar huwde zij met den Dordschen rechtsgeleerde, Dominicus Booth van Wesel. Zij was in 1046 met haar gezin naar Leiden getrokken en vervolgens naar Alkmaar, waar ze in 1651 overleed. Nic. Reets heeft, in 1881, de volledige uitgave barer werken bezorgd en die met historische aanteekeningen voorzien.

2. Maria Tesselschade werd in 1594 geboren en ontving haren tamelijk zonderlingen, maar uiterst populair geworden naam van Tesselschade (door de Muider vrienden nu eens in den Latijnschen vorm van Tessela veranderd, dan samengetrokken tot Tes-se Isc ha of, ingekort, eenvoudig T ess el en, met de gesuikerde verkleiningspartikel. Te ss eitje) van de schade, die. »op de Kars-avondt van 'tjaar 1593, aan omtrent 140 schepen, leggende in het Texel zeylree, door

-ocr page 256-

232

een afgrijsselieke storm, is geschiedt.quot; Deze schrandere, hoog sesthetisch gestemde vrouw muntte niet slechts uit in de dichtkunst; zij wist ook zeer vernuftig op glas te graveeren en hanteerde naald, penseel en luit met veel gelukj zoodat Barlaeus (in Bilderdijk's vertaling) wel mocht zingen :

)),k Mocht aan Tessel's schilderyen 'k Zag het broze glas der bekeren Mijn betooverde oogen wijen; Haar der Eeuwigheid verzekeren,

............. Door het oogverbijstrend schrift

» k Zag tapijten, die zy weefde, Van haar diamanten stift.

Waar het schoonst gebloernt in 'k Zag haar hand de cyther grijpen.

(leefde. 't Trillend koper kunstig nijpen: 'k Zag haar Dichten, Godenval En der Zanggodinnen ry

Die geen tijd verknagen zal, Hupplen op haar melody.quot;

Over hare zangkunst liet Hooft zich met niet minder ingenomenheid uit in het volgende vers:

«O loflijk keeltjen, na dat ghy AU' 's wereldts stemmen waert verby Gestreel't, en zat der aerdsche dingen:

Ontbrack 'er meer niet dan parthy Met 's hemels Engelen te zingen.quot;

In weerwil van die menigvuldige gaven, is ons niet veel van hare geschriften bewaard gebleven. Van de vertaling van T a s s o 's Gerusalemme liberata bestaat slechts ééne stance meer, die, zoo zij maatgevend is, voor het overige aan niets volmaakts doet denken. De vorm stond haar te min ten dienste, gelijk reeds gezegd is, en Hooft, Vondel of H u y g e n s moesten haar werk, eer het in de openbaarheid trad, gewoonlijk wat ))verstelt,quot; «betutteltquot; en «bekraptquot; hebben. Enkele stukken, als haar liefelijk Onderscheid tusschen een wilde en een tamme zangster, waarin zij de Wilde Zangster, d. i. de nachtegaal, met de Tamme Zangster, Jonkvrouw Maria Pilt, vergelijkt, en haar Antwoord aen d'Amster-damsche Akademie, zijn ons in niet «betutteldenquot; vorm overgebleven en verraden een echt dichterlijk gemoed. Ook in hare brieven stralen haar fijn gevoel en haar geoefende geest door, niet minder dan hare onwrikbare

-ocr page 257-

233

gehechtheid aau de Katholieke Kerk, waarvan de onkiesche Barlaeus, de vrijdenker Hooft en de tamelijk onverdraagzaam Protestantsche Huygens, die zich beroemde «in openhaere partijschap tegens de Roomsche gesint-heiciquot; te zijn «geboren, gevoedt ende getucht,quot; haar zoo gaarne zouden verwijderd hebben. In 1649, dus niet hoog bejaard, maar toch na den dood van haren echtgenoot, den zeeofficier Allard Grombalch, en van hare beide dochters, overleed Tesselschade, te Alkmaar. Zij had, tijdens haar huwelijk, haar Bel-Vedere aldaar bewoond; maar was, in haar weduwstaat in i64t2, naar hare geboorteplaats teruggekeerd.

3. De Antwerpenaar Casper van Baerle of Bar-laeus, werd geboren in 1584, en te Leiden gevormd. Hij was eerst Predikant bij de Remonstranten, en ging daarna, de kerktwisten moede, zich te Caen, in Frankrijk, den titel van doctor in de geneeskunde verwerven, om eindelijk als Hoogleeraar aan het Amsterdamsch Athenaeum Illustre op te treden. Hij moge al, door Boxhorn, de eerste dichter zijner eeuw (svatum nostri sceculi princepsquot;) genoemd worden, wij kunnen hem de voorkeur, die hij aan zijn (soms duister, dikwijls gezwollen) Latijn boven de moedertaal schonk, niet wel vergeven. De weinige Nederlandsche stukken, die wij van hem bezitten (althans die onder zijn naam doorgaan ; want men heeft wel eens het vermoeden geuit, dat sommige, en bepaald de beste dier stukken van eene andere, van G. B r a n d t 's, L. B a e 1 's, wellicht van Vondel's hand konden zijn) verraden een gelukkigen aanleg; hij is er natuurlijk en waarlijk zangerig; en men raag met grond aannemen, dat bestendiger oefening hem tot een onzer beste dichters van dit tijdvak zou gemaakt hebben.

4. Over Laurens Reael (1583—1G37), den oud-Gouverneur-Generaal van Neerlandsch Indié en zee-

-ocr page 258-

234

admiraal, kan men nagenoeg hetzelfde oordeel vellen; behalve dat deze minder tijd aan de dichtkunst, en aan de letteren in het algemeen, besteedde, en dat zijne bevallige Nederlandsche werken, naast een zeer verdienst-lijk hekeldicht op de aanhangers van G o m ra a r u s, bijna uitsluitend minnedichten zijn.

5. Beider vriend, Ridder Constanstijn Huygens, Heer van Zuylichem, hoewel zich niet zelden aan vreemde letteroefening, niet slechts in het Latijn, maar ook in levende talen, wagende, bleef beter den voorrang der moedertaal in zijne schriften bandhaven. Hij werd te 's Hage in 1596 geboren, genoot eene uitmuntende opvoeding, eerst in zijne geboortestad en daarna aan de hoogeschool te Leiden, en voltooide zijne vorming door reizen naar Engeland en Italië. Op zijn 26ste jaar vertrok hij weder, maar thans als secretaris van het gezantschap, naar Engeland, alwaar hij door koning Jacobus tot ridder geslagen werd. Sedert KiSO volgde bij in de hoedanigheid van raad en rekenmeester, en sedert 1632 in die van geheimschrijver den stadhouder Frederik Hendrik, eene waardigheid, welke hij ook bij Willem 11 en Willem III bekleedde. Later werd hem nog het gezantschap bij verschillende hoven opgedragen, wat den oefengragen man gelegenheid bood, zich op de levende talen met genoeg gevolg toe te leggen om in het Fransch, het Italiaansch en het Spaansch te kunnen dichten. In 1687 eindigde hij —een verzadigde gast aan den disch des levens, gelijk Peerlkamp zich, naar Lucretius, uitdrukt — zijne aardsche loopbaan, op zijne, in dicht verheerlijkte, hofstede Hofwijck, nabij 's Gravenhage. Uit zijn huwelijk (1627) met Susanna van Baerle (wier aanzienlijk geslacht niet aan dat van Gaspar Barlaeus schijnt verwant te zijn geweest) sproten vijf kinderen, waarvan het oudste, Constantijn, die zijnen vader in het geheimschrijvers-ambt opvolgde, ook als dichter bekend werd, en het tweede, Ghristiaan, zich zulk

-ocr page 259-

235

een roem verwierf in de wis-, natuur- en werktuigkunde, dat Newton hem den grooten Huygens (»summus Hugeniusquot;) noemt.

6. Huygens was 29 jaren oud, toen de zes Boeken zijner Otia of Ledige t/ren, waarin hij, naar Vondel's woord, «Apolloos Kerck in vierderhande talenquot; bouwde, verschenen. Vele der gedichten, in dezen bundel opgenomen, als; de Latijnsche (le Boek), de Efforts Frangois et Italiens (2de B), de Bibelstojfe, benevens de niet onaardige Uijtlandige Herder, (3de B.); het tegen de modezucht gerichte, scherp hekelende Costelick Mal en het geestige, levendige, om zijne losse, soms wat uitvoerige schilderingen aan Cats herinnerende Voorhout van 's Gravenhage — waren reeds vroeger, hetzij vóór, hetzij gedurende des dichters verblijf in Engeland, gemaakt. Het 5'!e Boek bevat de Stemmen eeniger Steden en Dorpen van Holland, mitsgaders sijne Charateres oft Printen; hij toont zich daar zinrijk, bondig en oorspronkelijk, maar niet altijd vrij van eene der hoofdfouten zijns tijds ; valsch vernuft. In het 6de Boek bezingt hij Van als, onder welk «allesquot;, Hooft echter en de Boemers-dochteren het aanzienlijkste deel hebben. Eene verzameling, door Huygens in 1658, en met aanteekeningen van Bilderdijk in 1824 uitgegeven, draagt den titel van Korenbloemen, en behelst behalve de reeds opgenoemde werken, het krachtige Oogen. troost, met een schat van raenscbenkennis en levenswijsheid; de beschrijving van zijn Hofwijk en de Zee-straet, beide vol geest en liefelijken kout over allerlei dingen; eindelijk de vrij platte Klucht van Trijntje Cornells, door hem zeiven eene «vodderyequot; genoemd, en eene menigte beurtelings puntige en hartelijke, doorgaans geestige «mengelingenquot;, inzonderheid sneldichten en spreuken, deels uit vreemde talen, het Engelsch. het Hoogduitsch, en vooral ook het Spaansch overgenomen. Hij beschreef ook zijn eigen leven in Latijnsche verzen {Vita propria),

-ocr page 260-

236

in 1817 door Peerlkamp uitgegeven, terwijl Jonckbloet eerst in 1841 hel bevallige, schoon eenigszins knutselach-tige Cluijswerk in druk gaf.

7. Huygens was zeker een vernuftig man en een rechtschapen gemoed, die de fijnste vormen, om welke hij verdiende door Hooft »de ooghelijn van 't Hofquot; genoemd te worden, aan eene groote zelfstandigheid wist te paren; die geestige scherts, niet minder dan hoogen ernst, in eene beeldrijke en natuurlijke taal vertolkte; maar dien men volstrekt niet met Vondel, zelfs niet met zijn vriend, den Drost, aangezien vooral de veelzijdigheid van des laatsten werkkring, op dezelfde lijn kan plaatsen.

8. Gerard us Vos si us en Corn. Gisb. Plemp beoefenden de Nederlandsche letteren niet. De laatste beweerde zelfs, in zijne voorliefde tot de Latijnsche taal, half schertsend, half ernstig, dat de naam zijns geslachts van lembus, eene visschersschuit, afgeleid was:

wLembus in assiduo bene piscaloribus usu Tunc erat, a quo gens Plempia nomen habet.quot;

De minder belangrijke dichters. Brosterhuyzen en van der Burgh, gaan wij eveneens onder bloote naamsvermelding voorbij, om den Muiderkring met een op-merkelijken, schoon veel jongeren dichter te sluiten.

9. J a n V o s,

» een ambachtsman, een ongelettert gast,

Die nu de gansche rey van Helicon verrast;

Die noyt geseten heeft aen Grieks' of Roomsche disch,

Wijst nu de werelt aen wat dat een treurspel is.quot;

Zoo sprak de ultra-klassieke Barlaeus over den Am-sterdamschen glazenmaker, die in 1641, toen hij pas even in de twintig jaren oud was, zijn Aran m riitts schreef, een treurspel, dat denzelfden hooggeleerden kunstrechter slechts éene fout scheen te hebben, van namelijk «al te treurigquot; te zullen schijnen. Niet alleen de geletterde wereld dier dagen: Hooft, van Baerle, van der

-ocr page 261-

237

Burgh, Vondel en de nog jeugdige Geer. Brandt, maar geheel Amsterdam, geheel Nederland stoud in verbazing en riep, in dolle opgewondenheid :

«Rijst Srphocles weer opquot;? stamt Aeschylus wéér hier?

Of maeckt Euripides dat ongewoon getier

En inderdaad, er was veel goeds in dat romantisch gekleurde, waarschijnlijk naar eenzelfde bron als Shaks-peare's 'Titus Andronlcus bewerkte stuk: treffende toestanden, stoute grepen, groote gedachten, in grootsehe beelden belichaamd: maar dat alles was dermate overdreven, dermate door snorkende hoogdravendheid ontsierd, met. zoo onmogelijke hartstochten in beweging gebracht, met zoo vele gruwelen van allerlei aard doorslingerd, dat geen man van beproefden smaak (zou men thans denken) die monsterachtigheden kon bewonderen, zoowel als geene zenuwen tegen ie voorstelling er van bestand zijn. Niet minder wanstaltig was de daaropvolgende Medea, waarin de beruchte kindermoordster den toeschouwers des te afgrijslijker had moeten schijnen, als de wetgever van den Latijnschen Parnassus nadrukkelijker tegen hare, op het tooneel te plegen, moorden gewaarschuwd had, in het bekende:

»Ne pueros coram populo Medea trucidet.'1

Maar Jan Vos was geen man om zich aan Horatius, aan »een lierpoëetquot;, die toch minder hoog*«aan den troon van Apollo (zat) dan de tooneeldichtersquot;, te storen! De Klucht van Oene valt even diep in het gemeene, in de taal en zeden van het laagste grauw, als zijne treurspelen in het opgeblazene en overdrevene, alhoewel ook daar weer een onmiskenbaar talent doorstraalt, wat in de losse gedichten van verschillenden inhoud, door hem opgesteld, misschien nog meer zichtbaar is. Hoe Barlaeus met zijn klassieke kieskeurigheid, dien voorlooper van het ongebondenste romantisme zoo vergoden kon, is een geheim. .1 a n Vos stierf in 10G7.

-ocr page 262-

238

10. Men ziet het, de Muiderkring — waar Jan Vos slechts het laatste tijdperk van meegeleefd kan hebben — al was hij een middelpunt van dichterlijk werken, had evenwel, bij zoo veel verscheidenheid van gaven, bij zoo opmerkelijke zelfstandigheid van karakters, bij zoo weinig ondergeschiktheid van den eenen aan den anderen, niets van eene school. Dezen overwegenden invloed van eenen op velen, dat bijna uitsluitend volgen éener, door den meester gekozen, richting, door eene geheele klasse van dichters, vinden wij in

§5. De Zeeuwsche of Dordsche Schooi,. — Jacob Cats.

4. Wij staan hier voor den meest populairen dichter, dien Nederland heeft opgeleverd, voor Jacob Cats. Te Brouwershaven den 10deQ November 1577 geboren, moest hij al vroeg de zoetheid van dat familieleven ontberen, voor 't welk zijn geschriften zulk eene onuitputbare bron van stichtelijke tijdkorting, zulk eene gemakkelijke school van levenswijsheid, zulk een beurtelings troostende en vermakelijke vriend zouden worden. Hij werd namelijk, toen zijn vader hertrouwde, want «die (hem) had gebaert die leyde 't leven afquot; — door een oom van moederszijde opgevoed en kort daarna te Zierik-zee ter schole besteld. Vier jaren later ging hij naar Leiden, waar hij zijne rechtsgeleerde studiën begon, en eindelijk naar Orleans, waar hij die voltooide en den doctorstitel verwierf. Van daar bezocht hij Parijs en later Engeland, keerde vervolgens naar het vaderland terug, verbleef daar eerst te 's Hage, toen te Brouwershaven en eindelijk voorgoed te Middelburg alsadvokaat.

2. Door zijn huwelijk met de uit Antwerpen geboortige, maar te Amsterdam gevestigde Elisabeth van Valkenburg, kwam Cats in het bezit niet slechts eener hem waardige levensgezellin, maar ook van een aanzienlijk fortuin: wat hem veroorloofde het landgoed Grijps-

-ocr page 263-

239,

kerke, in de nabijheid van Middelburg, te koopen en te bewonen. Daar ging zijn dichterlijk gesternte op. De Emblemata of Sinnebeelden, benevens de Maeghdenpligt en Galathee of Herders-minneklachle, verschenen er in 1618; de Selfstrijt twee jaren daarna, en nogmaals twee jaren later, zijn Tooneel der Mannelijke Achibaerheijd, terwijl het Hov.welijck in 1625 uitgegeven werd. Al deze werken zijn zedekundige leerdichten, meestal afwisselend verhalend en leerend, maar, hoewel men er eenig vernuft, vooral een zeer gelukkig geheugen niet in kan miskennen, altijd buitenmate gerekt, uitgeplozen, uitgesponnen en ais aangelengd, eentonig van vorm, van «dreunquot; en, in zekeren zin, ook van gedachten. Het Houwelijck, een van de beste uit 's mans werken, behandelt in het le Deel de Maegt, in het 2e, Man en Vrou. Hier wordt, in vier nieuwe deelen, het Christelijck Huys-wijf vertoond »m de gestalte van

Bruyt 1 1 Lente

Vrouwe f vergeleecken met de vier getijden fSotner Moeder l des Jaers ( Herfst

Weduwe ' 'Winter

/ /

met bij-voeginge van de Mannelijcke tegen-plichten op alle de voorgemelde gelegentheden.quot; Soms heeft de ontwikkeling van dit plan in tweespraak plaats; soms ook worden er vele duizenden gelijkmatig en — waarom zouden wij het zwijgen? — voor onzen bedrijvigen en voortvarenden tijd haast onleesbare alexandrijnen afge-lierd.

3. Intusschen was de dichter, in 1623, te Middelburg met het Pensionarisschap bekleed geworden; en slechts toen ttien hem het aanbieden dierzelfde betrekking te Dordrecht »als eene Goddelijke roepingquot; voorhield, — zoo suft Witsen Geysbeek — besloot hij, in 1625, zich in deze stad te vestigen. Hier, zoowel als daar, was hij, met

-ocr page 264-

240

zijn ambtgenoot, Simon van Beaumont, en Anna Roemers, door den laatste

»Die Nymph, die op den Ainstel woont,

Die met laurieren is ghekroontquot;

geheeten, het middelpunt der Zeeuwsche en Dordsche school.

Twee jaren later van een gezantschap naar Engeland wedergekeerd, verloor Cats zijne echtgenoote; een slag, die hem zoo zwaar niet trof, of hij kon nog blijven voort-werken aan zijn Trou-ringh met den proefsteen: eene reeks van verhalen, op hel huwelijk betrekkelijk, waarin de »liflafferijenquot; zoo min als elders ontbreken. «Mijn ooghmerck in desen alleen — zoo besluit hij de Voorreden van dit werk — is geweest mijn sinnen besigh te houden, de Nederlantsche tale le vercieren, de Hollant-sche gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stopwoorden (!) te maken; ten eynde deselve eenpaerlijck en sonder stuyten gelesen moghten werden. En boven dien onse Lantsgenooten met vermakelijckheyt wat goets te doen lesen, en daer door bequamer te maken tot het huyselijck en borgerlijck leven, en een gelucksaligh stervenquot;. Voorwaar een edel doel, om 'twelk te bereiken wat meer bondigheid, wat meer gespierdheid, wat meer verheffing, bij die veelzijdige, schoon ietwat burgerlijke, levenswijsheid en die onuitputtelijke dichtader, geen kwaad zouden gedaan hebben.

De Spiegel van den ouden en nieuwen Tyt, in 1035 te 's Hage gedrukt, is eene «versamelinge van oude spreeck-woorden en bijspreucken; uyt veelderhande talen en tijden met opmerckinge gekozen en op den loop van 's menschen leven bescheydenlijck toegepast.quot;

De man, dien Bilderdijk »een treuzelaar, een hals, niet opgewassen voor een staats-ministerquot; noemt, moest in waardigheden nog hooger stijgen. In 1030 werd hij als Raadpensionaris van Holland, en negen jaren later, daar-

-ocr page 265-

241

enboven als Groot-Zegelbewaarder der Staten en Stadhouder der leenen aangesteld. Nadat hij, in 1651, deze hooge waardigheden had nedergelegd, ondernam bij nog een gezantschap bij den protector Cromwell, dat echter zonder resultaat bleef, en betrok toen hei dooi1 hem zelf aangelegde Zonjvliet, even buiten den Haag, aan den weg naar Scheveningen, waar hij den tijd, die verliep van zijn 75e tot zijn 83e en laatste levensjaar, «onder het genot van al de gelukzaligheden die een braaf mensch in den avondstond van een welbesteed leven op deze aarde kan smakenquot; (zoo wederom Witsen Geysbeek) doorbracht, en den 12n September 1660 ontsliep.

4. Op het rustige Zorgvliet begon het tweede tijdperk van Cats' dichterlijke loopbaan. Daar schreef hij zijn Ouderdom en Buitenleven (eigenlijk een tweevoudig onderwerp), waarvan het ie Deel eene »Inleydingh tot Beydequot; behelst, het 2e »'t Buytenlevenquot; beschrijft, en het 3e het »Releyt van eeti goeden Ouderdomquot; bevat; daar teekende hij zijne Hofgedachten, d. i. zedelijke overdenkingen »op 't gesichte van hoornen, planten, bloemenquot;, enz. op; daar had hij, wop voorkomendegele-genthedenquot;, zijne Invallende Gedachten; daar timmerde hij eene Dootkiste voor de Levendige, door het ontwikkelen van «sinnebeelden uyt Godes woortquot;; daar boekte hij zijne Tachtigh-jarifje Bedenckingen, zijne Gedachten op slaepeloose Nachten-, daar schetste hij zijn Tachtigh-jarigh leven en Huishoudingh op «Sorghvlietquot;; daar berijmde hij eindelijk, »tot naricht van desselfs veertien kints-kinderenquot;, een verhaal van zijn Twee-en-tachtighjarig leven, »van sijn geboorte tot sijn doot toequot;, een werk, dat eerst in 1700 gedrukt werd. Ja, tot in het aangezicht des doods, vond deze onze Ovidius nog kracht om een geloovig en niet onverdienstelijk Geheel op te stellen, dat hem nog «op sijn dootbedde door ordre gelesenquot; werd. ZijnstolTe-lijk overblijfsel rust in de Kloosterkerk te 's Hage, terwijl

•1G

-ocr page 266-

242

Brouwershaven hem, in 1829, een standbeeld oprichtte.

5. Jacob Gats is, gedurende bijna twee eeuwen, de lievelingsdichter, ja de dichter van Nederland, in Noord en Zuid, geweest. Niet alleen stond het »boek van Catsquot;, of, gelijk men hem met eerbiedige gemeenzaamheid noemde, van «Vader Catsquot;, bij zijne geloofs-genooten naast den statigen huisbijbel, ook in de Katholieke huisgezinnen, vooral in België, bleef het de geliefkoosde lectuur. Wij Nederlanders zijn kalm, praktisch, huislijk, godsdienstig van aard en wel wat laag bij den weg; en wanneer, na de beslommeringen van den dag, in winkel of kantoor, op het veld of aan het handwerk de huisbaas met de zijnen om den vlammenden haard was neergezeten, dan was het geene geringe vreugde, zich den tijd te korten met die gemakkelijke, zangerig dreunende, voor ieder verstaanbare, voor alle standen passende beschouwingen, zinnebeelden en verhalen, die, in hoe ruime mate ook genoten, nog altijd stof beloofden vooi' de overige avonden van den langen winter. Men moet het echter met de zedelijkheid niet al te nauw genomen hebben; want onder al die vaderlijke lessen, wijze raadgevingen, menschkundige wenken en vermaningen, sluipen er zoo menige, zoo uitvoerig en als met behagen geschilderde nuditeiten in, dat men niet begrijpt hoe een eerbare huismoeder haren oudsten zoon dergelijke voorstellingen kon hooren voorlezen, zonder zei ve schaamrood te worden en zonder die lezing voor hare zestienen achttienjarige dochters te verbieden. «Geen fatsoenlijk meisje van onzen tijdquot;, verklaart de niet van overdrijving verdachte schrijver van Lidewyde, »kan een gei licht van Cats ten einde toe lezen; geen onzer opgeschoten knapen straffeloos bladeren in de dichterlijke nalatenschap van den vromen Raadpensionaris. Het is er mede als met de vertellinrfen van La Fontaine en met de romans

O

van Voltaire.quot;

-ocr page 267-

243

Ofschoon, blijkens de getuigenis van Feith, de werken van Cats reeds destijds «tot den laagsten rang van rnenschen verwezenquot; waren, en Bilderdijk zegt, dat ze «nauwelijks meer dan van het plompe gemeen geiezenquot; werden, heeft echter de geest onzes tijds den «vaderquot; het meest in zijne populariteit benadeeld, vooral sedert Potgieter geweigerd heeft, zijnen wierook voor dien afgod te branden. Naar ons bescheiden oordeel, zal noch de kunst, noch de zedelijkheid, noch ons nationaal karakter onder dien omkeer lijden. ))A1 wat er onhebbelijks wezen mag in onzen landaard is weleer vleesch geworden in den persoon van Jacob Gats.... Zijne populariteit iseen nationale ramp geweest. Hij heeft ons omgekneed tot een wawelend en geniepig volk, heeft onzen smaak bedorven, onzen kunstzin uitgedoofd, heeft geene hoogere eerzucht bij ons opgewekt dan om, met Gods naam op de lippen en met eene aalmoes in de uitgestrekte hand, te sterven als millionair.quot; De dichter, die zich de platheid kon getroosten van te zeggen;

Het is een deftig werck en waert te sijn gepresen,

Godtzalig en met een oock rijck te mogen wezen,

verdient eene kastijding, als die hem, in deze woorden, door boveiiaangeduiden criticus wordt toegediend.

6. Tot de Dordsche school behooren, volgens een nauwkeurige opsomming van Dr. Schotel, niet minder dan acht en twintig dichters, meest allen de Latijnsche, enkelen de Nederlandsche lier bespelende, wier gedichten, onder den titel van; Zeeuwsche Nachtegael »ende deszelfs dryderley gesang (Minnesang, Sedensang ende Hemel-sang), door verscheyden treffelijcke poëten bijeengebracht,quot; werden uitgegeven.

De eerste plaats komt hier, én om de tijdsorde én om zijne grootere dichterlijke verdiensten, toe aan den reeds genoemden Simon van Beaumont, uit een oud Dordsch geslacht in

-ocr page 268-

244

1577 geboren. Hij werd, in 1606, als Pensionaris te Middelburg, en in 1634 in diezelfde betrekking te Rotterdam aangesteld, en overleed te 's Gravenhage, in 1654. Hij dichtte niet slechts in het Nederlandsch, maar ook in het Latijn en zelfs in het Fransch. Het meest munt hij uit in zijne aan het Latijn ontleende Grillen (d. i. puntdichten), in zijne, weliswaar min talrijke, maar eenvoudige on natuurlijke Fabelen, en eindelijk in de Rijmspreuken. Zijn zoon heeft eene verzameling van zijns vaders gedichten uitgegeveu, onder den titel van: Horae Successivae, Tijfsnip-peringen van de Jonckheit, tot in den Ouderdom, en in 1843 deed J. Tideinan nog eene nieuwe uitgave van de Gedichten van S. van Beaumont verschijnen.

7. Ook de Vlissingsche Petrus Hondius (d e H o n d), die, van 1606 tot 1621, zijn sterfjaar, de bediening van predikant bij de protestantsehe gemeente te Ter Neuzen waarnam, dient hier vermeld te worden. Zijn Dapes inemptae of de Moufeschans (naar de sterkte, door Hohenlohe bij iNeuzen voor zijn Duitsche soldaten opgeworpen, die later door het volk Moffenschans genoemd werd, zelfs toen de plaats in een buitentuin herschapen was), „dat is de soetieheydt des Buytenlevens, vergeselschapt met de Boucken, afgedeeld in X Gangen,quot; getuigt, in weerwil van 't ietwat beuzelachtige,^ waarvan haast geene van de landhuisbeschrijvingen dier dagen vrij was, niet slechts van 's mans gemoedelijke inoorst, maar ook van 'zijne ervarenheid in de kruidkunde, over welke hij een afzonderlijk werk schreef. Geestiger misschien dan de vorige, en zuiverder van taal en smaak was de Middelburgsche advokaat en raad, Johan de Brune, later secretaris der staten en eindelijk raadpensionaris van Zeeland, die in 1589 geboren werd en in 1685 overleed.

Adriaan Hoffer of Hoffer us, beurtelings schepen, raad en burgemeester van Zierikzee, alwaar hij, in hetzelfde jaar als de Brune, het levenslicht aanschouwde, was meer een godgeleerde dan een dichter, en zijne Nederduijtsche Poëmata zijn van veel geringer gehalte dan genes Emblemata of Zinne-werck. Een andere Johan de Brune, de Jonge genaamd, een neef van den schrijver der Emblemata rekende zich ook tot de school van Cats, wien hij, als aan „den opperleermeester der polijtheid,'' enz. zijn Wetsteen der vernuften, eene uitgebreide

-ocr page 269-

245

verzameling van soms geestige, dikwijls sn:akelooze vertellingen en kwinkslagen, opdroeg.

8. Noemen wij nog Johan van Soraeren, Apollonius Schotte, Govert vanSlingeland. wien men eene zekere losheid niet ontzeggen kan ; verder den prozaschrijver J o h. v a n B e v e r w ij c k en, naast de uitstekende Roemersdochter, haren zoon. Roemer van \V e s e 1, die De lijdende Christus, een treurspel, vervaardigde; de rijk begaafde Dordsche Jonkvrouw, Margaretha Godewijck (1627—1677), de voortreffelijke echtgenoote van den dichter Cornelis Boy, Anna van Blokland, en eindelijk het wonder van geleerdheid hare.v dagen, de wat pedante Anna Maria Sehuerman.

9. Maar nergens vond de Catsiaansche dichttrant meer aanhangers dan in het Katholieke Zuiden.-J u s t u s Harduyn, Harde wijn of Harduinis, (1582— circa 1635) pastoor te Audeghem, al heeft hij grootendeels slechts vertalingen gemaakt, is misschien te gespierd om tot die school gerekend te worden. Twee andere priesters, Willem van der Eist, pastoor te Bouchaut, in de polders, en Pieter Gheschier, pastoor van 't begijnhof te Brugge, streefden meer den (in hun oog) grooten meester na. Twee Brugsche advokaten, Olivier de Wree en Lambrecht de Vos of Vos si us, wijdden zich mede, de eerste als geschiedschrijver, de tweede als hekeldichter, aan de didaktiek. Ook Geraerd van Wolsc haten, de vier Paters: Willem van der Borcht (a Gastro) Petrus Croon, Pieter Mallants en Willem van Wissekercke, en de geleerde Venlonaar, Eeryck of Hen rick van der Putte (Erycius Puteanus), ook schrijvende onder den naam van Honorius van den Bom (geb. 1574 f 16-16), die eerst leeraar der welsprekendheid te Milaan en historiograaf van den Koning van Spanje was, en daarna, aan de Leuvensche Hoogeschool, den vermaarden Justus L i p s i u s in het leeraarsambt opvolgde — verdienen genoemd te worden.

10. Veel hooger evenwel staat, als dichter, te boek de Jezuïet Adrian us Poirters, die, te Oosterwijk, in Noord-Brabantv in 1605 geboren, de letteren te Meche-len, te Maastricht en te Roermond onderwees, en den

-ocr page 270-

246

6quot; Juli 1675 te Mechelen overleed.J Zoo die ijverige man niet een ruim gedeelte van zijnen tijd aan de bediening van zijn predikambt hadde moeten besteden, dan zouden zijne geloofsgenooten in hem, ook in het opzicht der uitgebreidheid zijner werken, een Katholieken Cats gevonden hebben. Immers hij bezat datzelfde gemak van versificatie, met meer gedrongenheid, diezelfde on-uitputlijke dichtader, dienzeifden helderen blik om de gebruiken, vooral de verkeerdheden der wereld in te zien, hetzelfde penseel om ze aanschouwelijk, en met meer overtuiging dan de Meester, voor te stellen. Gezond oordeel, geestige kenschetsing, luimige, nooit zedenkwetsende vroo-lijkheid, en daarbij een levendigen, vloeienden volksschrijvers-stijl : ziedaar de hoedanigheden van P o i r t e r s' voornaamste werk: Het Masker van de wereld afgetrokken, dat, sedert zijn verschijnen, in 1644, een zestigtal uitgaven mocht beleven, en in de Katholieke familiën ten minste even populair was als de geschriften van vader Cats zelf. Het Masker bestaat uit zinnebeeldige prenten, welke eerst in dicht uitgelegd, daarna door »aen-spraken tot de Godminnende Ziel,quot; toegepast, en eindelijk met verhalen en moralizatiën, soms op ernstigen, dikwijls op koddigen toon, onder den naam van toewerp-jens, toemaetjens of bijworp kens, opgeluisterd worden. De dichter trekt er te velde tegen de ijdelheid, d:.e toen zoo algemeen was, zelfs in de lagere volksklassen; in het bijzonder tegen de gebreken der vrouwen en tegen de losheid der zeden in 't algemeen, welke, naar het zeggen van den niet partijdigen Snellaert, er door verminderd werd. De overige geschriften van pater P oir ter s vertoonen nagenoeg dezelfde hoedanigheden; en men moet al heel weinig begrip van ascetisme bezitten of P o irters niet gelezen hebben, om, met Hofdijk, Snellaert na te beuzelen, dat het den man soms aan «gezond verstandquot; ontbreekt, of dat men «overal de poging ziet doorstra-

-ocr page 271-

247

len ora te bewijzen, dat het geluk bestaat... in de verwelking der zielquot;! Poirters' lied van Den zoeten naem Jezus en van Het heiylig herte zijn geurige en kleurige dichtbloemen.Meer mystiek is Het duyfken in de steenrots en Het daeghelijcks nieuwe-jaer-Spiegheiken van Philagië, waarin zoo «grondelick het verschil, datter is tusschen de Parijsche en de Paradijsche rnodenquot;, wordt aangetoond. Het heylig hof van Keyser Theodosius is daarentegen half geschiedkundig, half zinnebeeldig; maar overal rnoralizeerend. Men kan zeggen, dat de ^eheele reeks der Vlaamsche dichters uit dit tijdperk — en die reeks is breed — dezelfde richting was toegedaan; en men zou de lijst der Geestelijken, lt;lie, op het spoor van Poirters en der bovengenoemden, zich aan de stichtelijke dichtkunst wijdden, nog wel met een tiental kunnen vermeerderen ; maar, behalve dat de meesten hunner de grenzen der middelmatigheid niet overschreden, laat ons kort bestek deze uitweiding niet toe. Met name zij slechts genoemd devNorbertijn Adrianus de Buck, die als de evenknie van Poirters kan gelden.

§ 6. Buiten beine kringen.

1. Al behooren de reeds behandelde schrijvers inderdaad tot de kringen, waarin wij hen gerangschikt hebben, zij waren evenwel zelden zóó uitsluitend de volgelingen der groote mannen, die zij zich ten voorbeeld gekozen hadden, dat men hen de leerlingen dier meesters zou kunnen noemen. Ja, eene geheele reeks van dichters staan buiten alle samenwerking, of liever, sluiten zich evenzeer bij de eenen als bij de anderen aan. Eene strenge afbakening is derhalve slechts om den wille der metho-dieke orde verdraaglijk. Ook de tijdsorde lijdt daar eenigs-zins onder ; maar het mindere moet voor het meerdere wijken-

2. Onder de mannen, wier onafhankelijke werking zich

-ocr page 272-

248

het krachtdadigst, zelfs buiten de grenzen van het enge vaderland, deed gevoelen, noemen wij, na den geschied-vorscher en dichter, Pieter Schrijver, meer bekend onder den Latijnschen naam van Scriverius (geb. Haarlem 1576, j Leiden 1660), het eerst, den beroemden Daniel Heins of Heinsius. Uit een aanzienlijk geslacht, in 1580, te Gent geboren, kwam hij, met zijne ouders reeds op driejarigen leeftijd naar Zeeland, stak van daar naar Engeland over, keerde naar Nederland weder en werd, reeds in zijn twee en twintigste jaar, gemachtigd aan de Leidsche hoogeschool, »uyt de vermaerde poëten te expliceren, en daerop in dese universiteit openbare lessen te doen.quot; Hij werd een der geleerdste mannen van zijn tijd, en was niet alleen in de Westersche, maar ook in de üostersche lalen buitengemeen ervaren. «Wanneer ik uwe Grieksche verzen lees —zoo öetuiïde

O O

Casau bonus van hem — dan meen ik Homerus, niet Heinsius te lezen ; lees ik uwe Latijnsche, dan is het mij, als waart gij Ovidius of Propertius.quot; Hoe verdienstelijk echter de man in dat opzicht ook moge wezen, wij hebben hem thans als Nederlandsch dichter te waar-deeren; en ook hier erkennen wij in hem een zeer ernstig talent. Zijne Nederduytsche Poëmata, onder den pseudoniem van Theocritus a Ganda?uitgegeven, verschenen in 1616, en werden, dank zij de ingenomenheid, waarmede men het boek ontving, verscheidene malen herdrukt. Ook de Lof-sanck van Jesus Christus, ))den eénigen ende eeuwigen Sune Gods,quot; zag herhaaldelijk het licht, naast «zijne overige Nederduytsche poëmata,quot; waaronder ook een Lofsanck van Bacchus. De taal en stijl van Heins zijn zuiver en vloeiend; hij weet ook nauwkeurig te schilderen, en heeft groote verdiensten als verbeteraar onzer versificatie, 's Mans roem en invloed bleven dan ook niet, gelijk reeds gezegd is, binnen de Nederlanden besloten. Maarten

-ocr page 273-

249

Opitz, het hoofd der Silezische school in Duilschland, kwam zijne lessen ibijwonen, vertaalde Heins' Nieder-landische Poëmata, en deed zijns meesters geest op zijn eigene nationale dichtkunst gelden en voortwerken tot aan Klopstocks tijden. »Heinzius,quot; zoo ïong hij den Nederlander toe,

«Heinzius, ihr Phenix unsrer Zeiten,^

Ihr Sohn der Ewigkeit, beguntet ausszubreiten Die Flügel der Vernunjïl Das kleine Vaterland Trotzt jetzt die grosse Welt durch eueren Verstand.

Die Teutsche Poësie war gantz und gar verlohren.

Wir wusten selber kaum, von wannen wir gebohren;

Die Sprache ....

Vergassen wir mit Fleiss und schlugen sie in Wind . . .

Ihr habt...

.. . unsre Muttersprache in ihren Werth gebracht . . .

Was ich für Ehr und Ruhm durch Hochteutsch werd erlangen ;

Will meinem Vaterland erolfnen rund und Irey.

Dass eure Poesie der meinen Mutter sey.''

Ook de groote Leibnitz, die — het zij hier in 't voorbijgaan gezegd — den Hoogdnitscheren de studie onzer taal, als die eener zeer beschaafde, ten hoogste aanried, getuigt, dat Opitz »sich den II einss, Catz und Groot und andere vortreffliche Hollander wol zu Nutz gemachtquot; heeft.

Daniel Heins overleed te Leiden, in 1655.

3. Hij was niet de eenige van zijnen naam, die om dezen tijd de dichtkunst beoefende. Een schoolmeester en rederijker uit Antwerpen, Peter Heins ofHeyns (geb. 1537^, en vooral zijn zoon Zach arias Heins een vriend en wellicht de eerste gids van Vondel, legden er zich met eenig gevolg op toe. Van den laatste bezitten wij een Sinnespd van de dry Hoofddeuchden, eenige Emblemata, eene Deuchden-schole, een Wegwijzer en eene tamelijk vloeiende vertaling der werken van den reeds genoemden Guillaume de Saluste, Seigneur du Bartas.

-ocr page 274-

250

4. Wij zijn nog niet aan het einde der rij van dichters, die het Zuiden, in deze dagen, aan het Noorden schonk. Schooner dan den vorigen, zou de lauwer der kunst bloeien om liet hoofd van den vurigen, maar wispelturigen Gentenaar Jakob van Zevecote (1596 — 1642). De monnikspij, welke deze bloedverwant van Harduyn eenigen tijd droeg, was te eng voor zijn opbruisend gemoed; en toen een tocht over de Alpen naar Home den achttienjarigen dichter de gezochte rust — d. i de zegepraal over eene ongelukkige en niet zijn stand onvereenigbare drift — niet schonk, toen trok hij naar Leiden, stelde zich daar onder de leiding van zijn neef, Daniel Hein si us, en omhelsde het Protestantismus. Of de arme dichter toen zijn zielsrust wedervond, weten wij niet; maar hij vond ten minste behalve een gewenscht huwelijk, ook het hoogleeraar-schap te Harderwijk, alwaar hij, na er 16 jaren werkzaam te zijn geweest, overleed.

De levensloop dezes mans verraadt alreeds, dat hij beter in de lyrische dan in elke andere dichtsoort moest slagen. Zijne Minnedichten zijn dan ook uiterst frisch van kleur en als uit het hart gestroomd; maar niet vrij van platheden en overdreven realisme. Zelfs in de twee tooneel-stukken, welke de verdediging van Leiden hem in de pen gaf, Het belech, een treurspel, en Het Ontzet, een blijeindig spel, heeft Zevecote veel minder verdiensten als dramaturg dan als lierdichter: de Reien, vooral de treurzang der Vlaamsche uitwijkelingen en der Leidsche vrouwen, zijn er de beste stukken van. In de zinnebeelden en in het leerdicht was hij ook bevallig en helder.

5. Doch het waren niet slechts Zuid-Nederlanders — al is het opmerkelijk, welk dichterlijk vuur het Brabantsch bloed van Vondel, Huygens, Heinsius, Bar-laeus. Brandt en Zevecote in de aderen der Ne-derlandsche dichtkunst ontstak — die in het Noorden,

-ocr page 275-

251

buiten de boven geschetste kringen, werkten. De Gor-cmntner Dirck Raphaelsz. Gatnphuyzen (1578— 1627), een verdraagzaam predikant, die, juist om deze hoedanigheid, geen vrede kon hebben met de Dordschen, heeft zich niet alleen door zijne eenvoudige en bevallige Stichtelijcke Ryrnen, maar ook als een gezond prozaschrijver doen kennen. Een tegenhanger, wat het karakter des persoons en der geschriften betreft, vormt met hem een ander slachtoffer der heerschende kerkpartij, de Jaarsvelder leeraar Pa schier de Fijne, die zich in zijne vroolijke Tractaaijes beter wist te troosten over den geleden smaad, dan zijn ernstige ambtgenoot Camp-h uyze n.

Een Roomsche smid (Wagenaar althans schrijft hem dat ambacht toe, al blijkt uit niets anders, dat het door hem werd uitgeoefend,) uit Amsterdam, Jan Herm-nz. Krul, (geb. 1002) gaf in zijne Eerlijcke Tijtkortinge eenige herderspelen, welke hij grootendeels uit d' Urfé's Astree overgenomen had. Vreemd genoeg, merkt van Vloten op, »dat die herderlijke zangdrift hier juist een zwarten smid vooral blaaktequot;. In het minnedicht slaagde hij zoo uitmuntend, dat hij zelfs voor Hooft niet behoeft onder te doen. In zijne overige werken toont hij zich een trouw volgeling van Cats. Met bet zeer prijzenswaardig doel, om door «sedige gesangen en dichtenquot; de jeugd zijns tijds «van veel dartele liedekens af te leydenquot;, daar het inderdaad jammer was, »dat vele schoone nieuwe voyskens met sulcke ontuchtige dichten werden uitgegevenquot;, vervaardigde de uitgever van Vo n d e 1' s eerste gedichten, Dirck Pietersz. Pers, onder den naam Dorotheos a Bembda, zijn Bellerop/ion oft lust tot Wijsheid, een boek in drie deelen, waar, in lieflijke, vloeiende verzen, beurtelings stichtend en vermakelijk gezongen wordt.

0. Een der zangerigste dichters dier tijden was Joan-

-ocr page 276-

nesStalpaert van der Wiele. Uit adellijken bloede in 1579, te 'sGravenhage geboren, legde hij zich eerst op de studie van het recht toe, waarin hij dan ook tot doctor bevorderd werd, maar verliet weldra de rechtsgeleerde loopbaan voor die der godgeleerdheid. Na, in 1006, te Mechelen tot priester gewijd te zijn, reisde hij naar Rome, verwierf er den doctorstitel, en werd naderhand (1612), in het vaderland wedergekeerd, tot pastoor en weldra tot deken van Delft en Delftsland, en eindelijk tot rector van 't Begijnhof en Sint Aechtenklooster te Uelft aangesteld. Hij was een huisvriend der familie Roemer Vi ssc h e r, en leerde waarschijnlijk daar den grooten Vondel kennen, die, nog voor zijn overgang tot de Katholieke Kerk, hem hoog genoeg schatte, om een gedicht als voorrede voor Stalpaert's SinteAgnes te schrijven. De «wijzequot; Anna Roemers wijdde, na 's mans overlijden, 'twelk in 1630 plaats had,hemeenen grafsteen met het volgende opschrift;

Siet hier de plaats van rust,

Van die sijn levens lust Was, deucht met vreucht te soecken :

Het lichaem leydt hier doot.

De ziel in Abrhams schoot,

Sijn geest leeft in sijn boecken.quot;

Posuit A. Rom(eria).

Een Protestantsch geschiedschrijver, Mr. Simon van Leeuwen, zegt van hem: »Hy was een man van groote deugden en geleertiieyt spreekende meenigerley talen,. .. en was in sijn tijd de soet-vloeyenste Poëet, die Holland doen maal hadde.quot; En inderdaad, naast en met Hooft, Starter en misschien Revius, komt die lof hem toe, vooral als liederdichter.

7. Stalpaert js langen tijd als vergeten geweest, totdat Dr. Hermans weder de aandacht der Nederlanders op hem vestigde, en ,T. A. Alberdingk Thijm hem, door

-ocr page 277-

253

eene keurige levensschets, in zijne gansche waarde, als mensch en dichter, herstelde.

Het eerste gedicht van Stalpaert, dat in druk uitgegeven werd, is: 't Hemelryck, d. i. «Lofzank van 't Rijcke der Hemelen,quot; enz., welk gedicht ons den sHechter van Nicomediën,quot; Adrianus, voorstelt, door de Martelaren over de schoonheid der »Eeuwighe Salicheytquot; en «'t Rijcke Godsquot; onderricht, het Christendom omhelzende en als martelaar zijner overtuiging stervende. Kort na 't verschijnen van dit werk, zag de Evangelische schat, »van Christus Jezus ontdekt, van Laurentius gepredickt, van Hippolytus verkregen, ende nu van nieuws ider Christen-mensch ten toone gesteltquot;, het licht. Hij veraanschouw-lijkt daar den marteldood van den H. diaken Laurentius en van den H. Hippolytus. In 1626 wijdde de onvermoeide en vrome zanger een loflied aan de kuische en heldhaftige S' Agnes, in zijn: Vrouwelick Cieraet van Sint Ag nes versmaedt. De keuze alleen dezer onderwerpen verraadt in den schrijver eene echt dichterlijke ziel. Wie kan, zonder diepe ontroering, de geschiedenis lezen dier edelmoedige strijders, die, in de eerste eeuwen onzer tijdrekening, de leer van Christus ten koste van hun bloed verdedigden? Waar zag men ooit meer zelfopoffering en fierder moed in reinere zielen ? Wie betrapte nooit, in de diepte van zijn gemoed, als eene vrome afgunst jegens die eerstgeborenen van het Christendom, die als de geurigste bloemen te midden der puinhoopen van het instortend Heidendom opgroeiden; die uit de sombere katakomben, ais uit onzichtbare loopgraven, rondom tegen de citadel der afgoden geopend, te voorschijn traden, vol van een onbeschrijflijk verlangen naar den marteldood? Edoch Stalpaert had ook andere snaren op zijne lier. Zijn Roomschen Regs, «'tzamenspraecks-gewijs tusschen Pieter de Pieyser ende Abacuk, zijnen broeder,quot; welke in 1624 gedrukt werd, is een polemisch

-ocr page 278-

254

prozaschrift, waarin hij de Katholieke leer verdedigt. Ieder der negen «handelingenquot; van dit werk sluit met een «bescheidquot; in dicht. De schat der Geestelijke Lofzangen, gemaeckt op de feestdagen van 't geheele jaer,quot; die eerst in 1034, dus na des schrijvers dood, verscheen, bevat, voor geheel den kerkelijken feestenkring, gezangen vol warmte en leven, en is ook in 't opzicht van den versbouw volkomener dan Stalpaert's overige gedichten. Het Extractum Catholicum tegen alle gebreken van verwarde hersenen, ook na zijnen dood eerst uitge-gegeven, is, naar de uitdrukking van J. A. Alberdingk Thijm, een «theologische likkepot,quot; die, in 170 doses, alle in vorm van lied, het antwoord bevat op bijna alle opwerpingen, door de Protestanten tegen de Katholieke leer gemaakt, en onderscheidt zich door veel geest en door scherpe, soms in hare uitdrukkingen wat platte, hekeling; — maar hij weet er den pijnlijken indruk van te verzachten door »een peperhuysken bequaem om de voorgaende recepten oorbaerlyck te versuyckeren,quot; die hij daarom «bygevougde confijtenquot; noemt.

8. Even ernstig als de vorige, en diens begrippen over godsdienst zeker niet vijandig; veel geleerder, maar minder goed dichter was de wijdvermaarde gevangene van het slot Loeve-stein, Hugo de Groot (geb. Delft 1583, f 1645). De weinige door hem in de moedertaal opgestelde, en voor ettelijke jaren onder den titel van Nederduitsche Gedichten, uitgegevene werken, waaronder het leerdicht: Bewijs van den waren godsdienst 't voornaamste is, doen den groeten geleerde niet als een uitstekend dichter kennen. In dit opzicht streefde zijn zoon, Pieter de Groot, hem voorbij.

9. -f-J a c o b W e s t e r b a e n (1599—1669) wist, naar het voorbeeld van Huygens en Cats,schoon noch met des eersten kracht, noch met des laatsten gerektheid, zich door 7A}n \ Ockenhurg, een naam te maken in de beschrijvende dichtkunst. Hij slaagde echter nog beter

-ocr page 279-

25o

in het minnedicht, waarin ook ^Daniël Jonctijs (1(306—1654), een Dordsch geneesheer, zich niet gerin-gen i'oem verwierf. Het schijnt dat de laatste, in v/eer-wii van zijn orthodoxe geboorteplaats, het gedurig met de »rechtzinnigenquot; aan den stok had, wat hem menig polemisch werk deed schrijven; maar hij moest dan ook dulden, dat men hem uitschold voor «een bitter satyrist en een pasquil-schrijver, wiens schendigh boeck niet alleen, maer sijn persoon zelf, zoo by den politieken als kerkelijken rechter behoorde gestraft te worden.quot;

10. Veel overeenkomst met beide vorigen heeft de Amsterdammer Joh an van Heemskerk (1597—1656) die èn door zijne verVdWng \a.n Ovulius *Kunst der Minne, benevens door andere Minne- en Mengeldichten, én dooi1 zijn vermaard geworden-Bxtavische Arcadia, (1637) eene vereerende hoogte op den Nederlandschen zangberg mocht bereiken, üe Arcadia, eene navolging van Zuid-iMiropeesche werken dier dagen, verhaalt, in een met versjes afwisselend proza, op lossen toon en met schilderachtige verscheidenheid of liever in zonderlinge mengeling, een rondreisje in het Westland, door Haagsche heeren en julfers, in Arcadische herders en herderinnen herschapen, volbracht. Al is de minne, op wel wat te zuidelijken toon, de hoofdinhoud der Arcadia, zij is toch zoo uitsluitend niet, of laat ook toe dat er «onder 't Loof-werck van Liefkooserytjesquot;, gehandeld worde over gt;)den oorspronk van 't oud Bataviên, Vrijheidt der Bataviërs, Vrije Zee, Vinders van verburgen schatten, Verbeurt-maecken van Goederen, Vyt-perssen der waerheydt door pijnigen, onheyl van der lanckwijligheydt der Piechts-plegingen, en anders diergelycke ernstige zaken meer.quot;

Heemskerk's werk, dat Barlaeus met geteerde Latjjnsehe aanteekeningen voorzag, werd tot in den laatsten tijd herhaaldelijk herdrukt en vond tal van bewonderaars niet alleen, maar ook vele, ofschoon over het algemeen weinig verdienstelijke, navolgers.

-ocr page 280-

256

Soeteboom schreef zijne onbeduidende Arcadia

(1658), Lambert Bos, Conrector te Dordt en vijand van Jan en Corneüs de Witt, zijne onderhoudende Dortrechtsche Arcadia en Zuijt-Hollantsche Thessalia (1663); de Doopsgezinde predikant Claes Bruin meende eveneens niet niet minder dan twee te kunnen volstaan en vervaardigde eene Kleefsche en eene -Zuiden Noord-Hollandsche, terwijl zijn Vlissinger ambtgenoot, M a t-thaeus G argon, zich aan eene Walcherse Arcadia te buiten ging,

Willem van den E 1 g e r, uit 's Hage, stelde eene Rotter-damsche, Co melis Elzevier eene Arcadia of vermakelijke Uitspanningen, zonder plaatselijken titel te boek; terwijl Amster-damsche Tempe en Amstellandsche Arcadia door Daniël Willink, eene Noordwijckse Arcadia door Jacobus van der Valk en eene Schoonhovensche (1783) door T. Moor werden geschreven.

Zelfs in onze eeuw stelde A. Loosjes de Hollundsche en een onbekende de Geldersche Arcadia op. Onze moderne Baedekers hebben ons ruimschoots schadeloos gesteld voor deze, veelal beuzelachtige, mode-literatuur.

f 11. ^De Predikant Jacob Reves of Reefsen (gezegd R e-vius), uit Deventer geboortig (1586—1658), van wien men zong:

■iDen Rijn heeft zijnen Heyns, den Amstel heeft zijn Hooft, De Mass heeft zijnen Cats, elck een der waterstromen Heeft jemant die hen viert; u beurt is mee gecomen.

0 claren Ysselgotlt, want Reves die verdooft,

Als hy zijn snaren roert, het quelen der Sirenen, enz,'

was mede een geestig, vloeiend en krachtig dichter.fZijne Over-ijselsche Zangen zijn alleszins pittig en vol gloed.

Cornells Maertz., uit Wervershoef, die, evenals Reves en Stalpaert, bijna in vergetelheid geraakt was, verdiende dat lot zoo min als deze twee: hij paart, in z\\n^Stichtelijcke Gesanghen en in \-Het singende Nagtegaeltjen, oorspronkelijkheid en kracht met gevoel on met een keurigen vorm.

V Uit een Antwerpschen vader gesproten en te Dordrecht, in (1609 of 1610,') geboren, wistikJ eremias de Decker zich, „sonder de hulp van eenigen meesterquot;, in de talen en letteren te bekwamen, en door zijne ongekunstelde, gemoedelijke ^Rijm-

-ocr page 281-

257

oeffeningen, onder de beste dichters van den tweeden rB.ng eene plaats te veroveren.

Den Amsterdamsehen boekverkooper Hieronimus Sweert8 5^ (1627—1696), Cornells R h ij n e n b ur g h, een geneesheer van Medemblik, Willem Meerman, den geestigen schrijver vau het hekelende Bootsmanspraetje; den Deventersohen Jan van der Veen (f 1642;, den proost van Affligem, Benedietus van Ha eft en, en dezes landgenooten, de Vlaamsche drama-tisten Jan S i e \v e r t s z. C o 1 m en Jhr. FredericoCornelio de C onincq; zelfs den hevigen onroomschen Joachim O u d a e n (1628—1692), die, in weerwil zijner stroef heid en gezwollenheid, ook veel voortreflijks in zijne treurspelen vertoont — kunnen wij slechts in het voorbijgaan noemen. Wij zullen wat langer bij eenige vrienden en volgelingen van den eenigen Vondel stilstaan.

12. Pieyer, in de wandeling Rein inert, in de meer deftige boekentaal zijns tijd Rei nier, een enkele maal Rijn brand Anslo,.wei;d te Amsterdam, a in 1(322 of 1623, uit een Noorsch-geslacht geboren.v Om zijne verdiensten als dichter werd de veelbelovende jonkman, door zijne moederstad, van welke hij zong;

»0 parel aan de lantkroon nooit volprezen, -n O Hollants wonderding;

Was Nederlant een ring,

Gij zoudt, o stadt, de diamantsteen wezenquot;;

met een lauwerkrans on een zilveren schotel, door Koningin Christina van Zweden met een gouden keten begiftigd. In September 1649 vertrok bij naar Rome, zwoer daar de leer der Doopsgezinden af, evenals Vondel, en omhelsde het Katholicisme op 7 Dec. 1051. Hij genoot de vriendschap van den kardinaal Capponi, wiens geheimschrijver hij werd, en is er in 1666 tot subdiaken gewijd. Priester werd hij niet. Six van Chandelier, die hem te Piome bezocht, zegt:

»Hij had Meuno uitgetrokken,

Gingh in lange knunnikrokken.quot;

In 1655 ontmoette hij te Rome zijne begunstigster, de

•17

-ocr page 282-

258

toen ook Katholiek geworden Christina van Zweden, aan wie hij, bij die gelegenheid, ziine^Evangeliscke Parel opdroeg. Hij overleed te Perugia, in '1G()9.

Anslo mag tot de goede dichters van zijn tijd gerekend worden. Hij heeft iets oorspronkelijks, iets krachtigs, iets wat hem ten stelligste als een navolger van Vondel kenmerkt. Tijdens zijn verblijf in het vaderland, schreef hij zijn f Gekroond Amsterdam,]-De Zweedse!te Pallas en rPapier voor goud. Onder de later door Anslo vervaardigde dichtstukken onderscheiden zich de krachtige v- Martelkroon van St. Steven, het vrij gebrekkige treurspelVDe Parijsehe Bruiloft, en eindelijk - De pest te Napels, dat gewoonlijk als zijn meesterstuk wordt geprezen, en inderdaad groote schoonheden, maar naast grove onkieschheden, vertoont.

13. Anslo's evenouder, stadgenoot en vriend, Geeraert Brandt, de zoon_ van eenen uit Antwerpen stammend; ii klokkenmaker, was nauwelijks \1 jaren oud, toen hij met een treurspel,-De veinzende Torquatus, een soort van klassieken Hamlet, optrad. De jeugdige dichter schijnt nog bedwelmd te zijn geweest van den nitzinnigen lof, kort te voren aan het woeste drama van Jan Vos ten deele gevallen: zijn werk is, schoon in mindere mate dan dat van den beroemden glazenmaker, buitensporig en woest. De vriendschap van Ba rise us was hem echter van nu af verzekerd; en die zal niet zonder invloed op zijn verderen levensloop wezen. In eene andere richting was Brandt gelukkiger. Vier jaren na de eerste voorstelling van zijn tooneel-stuk, schreef hij eene lijkrede op H o oft, die toen (1647) gestorven was, en liet ze, in den schouwburg, d^or een beroemd tooneelspeler uitspreken. Deze «lijkreeden was eene bijna letterlijke vertaling van de Oraison funèbre des dichters Ronsard, zestig jaar vroeger door den ahbé du Perron, later Kardinaal-aartsbisschop van Sens, uit-

-ocr page 283-

259

gesproken. Vondel, Huyghens, Barlaeusen Anslo, die er bij tegenwoordig waren, stonden verbaasd over de kracht en zuiverheid van taai, waarmede die redevoering geschreven was. En nu was de taak van Brandt aangewezen: hij moest prozaschrijver worden, zonder daarom de dichtkunst geheel vaarwel te zeggen ; ja, de vader van een geheel geslacht prozaschrijvers. Ten einde de hand te verwerven van Barlte us'dochter Suzanna, die er, in hare hoedanigheid van dochter eens geleerden, tegen opzag eenen horlogiemaker te huwen, a! was hij dichter, ging Brandt zich op de godgeleerdheid toeleggen, met dat gevolg, dat hij spoedig Bemon-strantsch predikant en Suzanna's echtgenoot werd. Jan Vos kon. bij die gelegenheid, zijne schertsluim niet bedwingen, en zekle:

»De Liefde maakte van Quintijn de smit een schilder;

Maer hier aan d'Amstel toont de Min zijn kracht nog milder;

Van een tooneelpoëet maakt hij een Predikant,

Zo raakt Siizan', hoe kuisch en koud van hart, aan Brandt.quot;

14. Als dichter heeft BranJt niets beters in den bundel zijner Poëzij, dan de puntdichten - Bijschriften en Grafdichten — welke hij met dierlijke eenvoudigheid, met geestkracht, duidelijkheid en, wat meer zegt. zonder valsch vernuft, zóó naar de onderwerpen wist af te wisselen, dat zijn rijkdom levendig aan Vondel herinnert. Over quot;t algemeen mocht hij, om te slagen, niet te veel omvatten; en daaiom vervalt hij, als geschiedschrijver, in de ruimere-v/iistone der Reformatie, dikwijls in wijdloopige verhandelingen en droge twistredenen, terwijl de levensbeschrijvingen van Hooft, van Vondel en vooral die van de Buyter, zijn meesterstuk, alsmede dev Historie der Regtspleging van Uldenbarneveldt en de \ Historie der vermaerde Zee- en Koopstadt Enkhuizen, met veel meer geluk behandeld zijn./Hij is, in zijn proza, minder stijf in klassieken vorm geschroefd dan Hooft, en daarom ook duidelijker en natuurlijker.

-ocr page 284-

260

al mist hij niet zelden de diepte en den gloed van den vermaarden Drost.

0 Willem Swinuas is te vroeg aan zijnen werkkring ontrukt, om den trap van volmaaktheid te bereiken, waartoe zijne, in Ho oft's trant geschreven, Engélsche, Neder landsche en Munstersche Krakeelen hem schenen te bestemmen. -f- 15. Brandt was in 1685 ter ruste gegaan; maar noch zijn naam, noch zijn streven waren met hem van het veld der letteren verdwenen; zijne drie zonen,*Ka s p e r,vGr ee r a e r t en/J o ha n n e s, beoefenden, naar 't voorbeeld huns vaders, de geschiedenis: de eerste in \iet-f Leven van Huyg de Groot (later vervolgd door Gatten burg), de tweede in As ^Tweejarige Geschiedenissen, voorgevallen in de jaren 1674 en 1675, en de derde in zijn f Leven en dood van Maria Stuart. Ook als kerkredenaars verdienen zij genoemd te worden, üe laatste, Johannes Brandt, werd, door het huwelijk zijner dochter Suzauna Wilhelmina met Jacob van Merken, de grootvader der later te vermelden dichteres Lucretia Wilhelmina van Merken. q 16. Onder de goede prozaschrijvers van dit tijdperk behooren nog de wiskundige Simon Stevin en de reeds vermelde Dordsche geneesheer Jan van Beverwijk. Zelfs de Middeleeuwen bleven, in hoe ruwen, prozaïschen vorm ook, hare overleveringen eenigszins handhaven; en Reinaert, de Ridder met de Zwaen en de Heemskinderen waren, naast Thijl Ulenspiec/el, Faust en Genoveva van Brabant, eene geliefkoosde volkslectuur, in de achterbuurten onzer groote steden en onder de landlieden. Weldra kregen ook de Spaansche Amadis-romans hunne beurt, en zoowel C a 1 p r e n è d e als Mlle d e S c u d é r y werden nmet de uiterste naarstigheidquot;, zegt van Effen, verslonden. Zelfs aan oorspronkelijke, in dien geest opgestelde romans ontbrak het niet. In 1668 verscheen bij den Amsterdamschen boekverkooper Boekholt, en waarschijnlijk van zijne hand, eene reeks van Wonderlijke Vryagien en rampzaalige, doch bly-eindige trouw-^^gevallenquot;, die zoo dwaaslijk sentimenteel niet waren of zij werden de geliefkoosde lectuur van de nufjes dier dagen. Waarschijnlijk in 1695 zag de eerste uitgave van Den vermakelijken Avonturier het licht, een schelmenroman, in den trant der destijds veelgelezen en nagevolgde Spaansche en Fransche picareske.

-ocr page 285-

261

die ondanks de toen haast onvermijdelijke onkieschheden, heel wat meei' geest en natuurlijkheid verraadt in den thans ah? schrijver erkenden Nicolaas Heinsius, kleinzoon van den Leidschen professor Daniël Heinsius. Hot mystieke vei'haal van Duyf-kens en Willemijnkens Pélgrimaedje reeds in de X Yr1'1 eeuw, door B o ë t i u s a B o 1 s w a r t geschreven, behield niet minder zijne populariteit onder de katholieke lezers; terwijl de beroemde Jezuïet He ribert Rosweyde de Generale L?,yende der Heiligen verzamelde en uitgaf. Meer andere leden der veelbestreden Orde hebben destijds in goed Nederlandsch geschreven: wij noemen slechts den uiterst vruchtbaren Cornelius H a z a ri, van wiens scherpe controversschrifteu P. Poirters zeide:

«Geen beter geesselroede als een getergde schacht.quot;

en den schrijvcr eeher verhandeling over de oorzaken van den opstand der Nederlanden, Augustijn van Teylinghen.

Edel van stijl, zoowel als van inhoud, is het Gulden Wie-roockvat van den bekenden Apostolischen Vicaris Philippus Rovenius, niet minder dan de deken van 't Gentsche kapittel, Michiel Zachmoorter, in zijne ascetische tractaatjes warm en boeiend is.

Over het algemeen was de Katholieke kanselwelsprekendheid, in de XVIIlle eeuw, minder in verval dan de Protestantsche, naar de getuigenis van den later te vermelden protestantschen hoogleeraar Petrus Francius. ,,Wat is er bij hen niet eene welsprekendheid!'' roept hij uit; „wat waardigheid en majesteit! wat een verheven en wonderschoone stijl!quot; En van de wederpartij heet het: „Door onze schuld, door onze traagheid, ja, zoo wij de waarheid willen hooren, zijn we helaas! maar al te nalatig in die studie, en wij hebben er slechts zeer weinigen, die wij ten voorbeeld kunnen aanvoeren.quot;

17. Gelijk Brandt en zijne drie zonen, was Johannes Vollen hove (1631—1708) een predikant; doeh niet als genen, van de Remonstranten, maar van de statige Dordschen. Het koud leerstellige, de droge deftigheid zijner zanggodin verloochenen zich dan ook zelden, schoon Vondel, wien 't „jammerquot; seheeu, dat zulk „een groot licht, predikantquot; was, hem, benevens Antonides, aangewezen heeft als „zijne zonen in de kunst.quot;

-ocr page 286-

262

^ De Kruistriomf, bij welks verschijnen Vondel zich in dien zin uitliet, is zeker liet beste gedicht van Vollenhove, en niet van gloed, noch van verheffing ontbloot; maar 't is altijd ineer de vorm dan de geest vau den grooten meester, die er in zegeviert.

Ook de overige gedichten, waaruit zijn bundel Poëzij bestaat, verrader een dichterlijk talent, dat zich slechts zelden boven de burgerlijke alledaagse!)heid zijner zangstoffen weet te verheffen, wat het geval is in den ■Lijkzamj over Hooft, deu jongeu Hooft toegezongen, en in het - Hanegekraai of Zielwekker.

18. Veel hooger van vlucht is zijn tweelingsbroeder in de erfenis van Vondel's kunstgave, Johannes, zoon van Antoni .lansen, en daarom Auto nis zo on (Ant ho nissen, T li u nis sen, Then nissen), met den uitgang der Grieksche patronymica An toni des ge-heeten. In 1647 te Goes geboren, en naar zijne geboorteplaats ook van der Goes bijgenaamd, kwam bij, op nog jeugdigen leeftijd, naar Amsterdam, leerde daar Latijn, en beproefde er zijne dichtgave door vertalingen van Horatius, Ovidius en anderen. Het treurspel Trasil of overrompelt Sina. zijn eerste groot gedicht, verried, in weerwil zijner groote gebreken, genoeg talent om den dichter de aanmoediging van Vondel te verdienen, met wien hij gelijktijdig dezelfde stolïe (Vondel's Zungchin) behandeld had. Nu verschenen er, van uit den apothekerswinkel, waar hij werkzaam was, allerlei dichterlijke ontboezemingen, ter gelegenheid van eene of andere merkwaardige gebeurtenis, als; De nederlaag der Turken. Het verbond der Deensche Majesteit en der Vereenigde Nederlanden, De Teems in brant, enz., waarin de krachtige jongeling een onmiskenbaren aanleg vertoonde.

In 1667 reeds, toen in Breda de vrede tusschen Engeland en Nederland gesloten werd, volgde op die eerste proeven bet uitmuntend gedicht; Bcllone aan Bant, een veldzang van verhevene soort, waarin de zegeningen van den vrede naast de rampen van den oorlog, met zoo

-ocr page 287-

» 263

schitterende verbeelding, op zulk een meesterlijken toon bezongen worden, dat de grijze Vondel zich niet. ontzag te verklaren; »flet is zoo schoon, dat ik er mijnen naem wel onder zou willen zetten.quot; En toch staat hij, ondanks dien verdienden lof, in eenvoud vooral, verre achter dien grooten man. Hij zelf erkende dat op rijperen leeftijd, en spoorde zijne volgelingen aan, om niet hem. maar Vondel te lezen: »Tk weet ze'f waer 't mij schortquot;, waarschuwde hij. Ook Bilderdiik, al noemt hij Antonides

»Den dichter op wiens stoute en forsche reuzenschreden (Zijn) starend ooi? zich hechtte, in d'opgang van Parnasquot;'

moet bekennen, dat hij hem toch

» . . . minder windgebrom bij 't rollen van zijn donder,

En meer verplettrends wenscht wanneer zijn bliksem treft.quot;

19. Nauwelijks vier en twintig jaren oud zijnde, gaf Antonides zijn hoofdwerk uit, Dn Ystroom, die, met tal van lofspraken begroet, geheel de Nederlandscbe dich-terwereld in geestdrift ontstak. En niemand ontkent liet, daar is oorspronklijkheid van vernuft, van vinding, in die zangen; de verbeelding is er rijk en stout, te stout wellicht, de beschrijvingen vooral meesterlijk uitgevoerd en in onberispelijke versificatie. Jammer dat de mythologie er zulke overdreven belangrijke rol in speelt, en dat, op sommige plaatsen, de stijl wat gezwollen, de rijkdom wat overdadig en het streven naar verheffing wat te voelbaar is.

De Ystroom, gelijk de naam reeds te kennen geeft, bezingt, in vier Boeken, den lof der stad aan het en was het eerste dier vele s/room-gedichten, die wij in den loop van het volgende tijdperk zullen zien opdagen.

Te vergeefs was echter Antonides' jeugd zoo schitterend geweest; te vergeefs had zijn edele beschermer, Dieder ik Buisero, heer van Ileeiaartheiningen, hem den titel van doctor in de medicijnen te Utrecht, en daarna de plaats van klerk ter «Admiraliteit op de

-ocr page 288-

264

Mazequot; doen verwerven — eene hevige ziekte sleepte den armen dichter reeds in 1684, na eene echtverbintenis van slechts zes jaren met de begaafde Suzanna Borremans, ten grave, eer hij nog de hand had kunnen slaan aan den Paulus, dien men hoopte dat een heldendicht zou geworden zijn, en tot vervaardiging van wei ken Vondel* zeil' den dichter ten sterkste had aangespoord. ^

j 20. Gijshert Jacobsz. (1603—1C66), de „beroepen meester der Nederduitsche schole en voorzanger der hervormde gemeentequot; te Botswart, die meestal in de Friesolie volkstaal, schoon ook in het Xederlandsch, dichtte, paarde, volgens zijnen lofredenaar Halbertsma, „aan scheppend vernuft en kiescheu smaak eene groote mate van gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking ten teugel diende, om nimmer in gezwollenheid te ontaardenquot;. Deze laatste hoedanigheid, van natuurlijkheid en eenvoud nameljjk, ontbrak geheel aan Gijsbert's vriend, Simon Gab be ma, die meende, dat llooft's vorm, zonder Hooft's rijken geest kon bestaan, en daarom niets dan een winderige bluffer is.

/ 21. Enkele malen wist men zich van die, maar al te veel in zwang komende, gezwollenheid geheel en al te ontdoen; gelijk de populair geworden schrijver van eenen bundel Psalmen en geestelijke Liedekens en van de Eiberysche Zanglust, de predikant Willem Sluyter (1G27—1673), bewijst. Dezes vriend en ambtgenoot te Utrecht, Jodocus van Lodestein, is, in zijne Uitspanningen, meer mystiek.

gt; De twee vrienden, Petrus Francius (1645—1704) en Jan van Broekhuyzen (1649—1707), beoefenden meer de Latijnsche dan de vaderlandsche letteren, al pronkt de eerste met den weidsehen naam van Hollandsche Proper tins. Dit belet evenwel niet, dat hij, door zijn ijveren voor de zuivering onzer taal, wezenlijke verdiensten bezit, en dat de laatste frissche en bevallige minnedichten geschreven heeft. Ifa en met hen dient Pluim er genoemd te worden, wiens minneliederen met die van Broekhuyzen uitgegeven zijn, en een eenvoudigen, echt zangerigen dichter verraden.

Van de stichtelijke, maar eentonige Machtelt Bossier en

-ocr page 289-

265

it

1 li

Anna M o r i a n s, en van de stijve, nog minder bevallige C a t h a-rina Questiers en Cat har in a Lescailje zwijgen wij liefst. Zij verraden te sterk de nabijheid van het tijdperk van verval, dat onze letteren, tegen 't einde der XVIIde eeuw, zijn ingetreden, en dat wij thans te doorloopen hebben.

Ill^e Hoofdstuk. — Verval. — Van i 700—3 790.

0 1. Daar zijn in het leven van een volk, gelijk in dat van elk individueel mensch, oogenblikken van vermoeidheid, van ontspanning, van afmatting: dat oogenblik was voor het Nederlandsche volk gekomen. De strijd op leven en dood, door de nieuwe begrippen op godsdienstig en staatkundig gebied tegen de oude gevoerd, had eene krachtsinspanning gevorderd, welke, na de — in wezenlijkheid of in schijn, 't is om het even — behaalde zege van één der beginselen, in beide legerkampen tot rust moest leiden: de werkeloosheid der niet meer te bestrijden overmacht, de uitputting der geknakte minderheid. 2. De stoffelijke welvaart was intusschen aanmerkelijk gestegen; handel en scheepvaart hadden eene ongekende hoogte van voorspoed bereikt; maar ook weelde, praalzucht en losbandigheid ontsierden de zeden, ontadelden den geest, deden het peil der beschaving, inzonderheid het gevoel der ware schoonheid, dalen. Men kan zeggen dat er zich, na het wegkwijnen van Vondel's »zonenquot; en bepaald van An ton id es, gedurende eene geheele eeuw, maar weinigen vertoonden, die het in de dichtkunst (zoo min als op eenig ander sesthetisch gebied) boven het middelmatige wisten te brengen. Toen gebeurde, wat wij reeds in het tijdperk der Rederijkers gezien hebben ; er vormden zich eene menigte van letterkundige genootschappen, in welke het getal de leemte van het gehalte moest aanvullen; en daar nu eenmaal de opgewektheid voor het publieke leven een einde genomen had, trachtte men in het huislijk leven, in den

IB

-ocr page 290-

266

engeren familiekring, de dichtstoffen en de geestdrift te vinden, die elders ontbraken. Zoo ontstonden die tal-looze gelegenhei(is-dich\en op de onbednirtendste bijzonderheden van het menschelijk verkeer, waarin men wel eene zeer prijsbare gehechtheid aan het intieme familieleven, soms ook eenig gemak van versificatie, maar zelden do dichtkunst in hare edelere opvatting, haast nooit de aanblazing van een hoogeren geest terugvindt.

3. Lodewijk XIV, die meende dat men hem niet bedriegen kon, evenmin ais hem weerstand bieden, bad op de bevestiging van Louvois, «dat deze daad geen druppel bloeds zou kosten,quot; de herroeping van het edikt van Nantes in 1685 onderteekend. Uit had ten gevolge, dat de Protestanten in menigte — men zegt teil getalle van vijfhonderd duizend — Frankrijk verlieten, om zich in Engeland, in Duitschland en in de Nederlanden te vestigen. Hier vooral werden de uitwijkelingen, niet minder uit politieke dan uit godsdienstige beweegredenen, met open armen ontvangen. De mannen van wetenschap, onder hen, vonden er hun bestaan in het geven van onderwijs; de predikanten kregen ambten of pensioenen; de Staten besloten tot een subsidie van honderdduizend gulden ten behoeve der uitgeweken officieren, die's lands weerbaarheid kwamen versterken, gelijk de kooplieden en fabrikanten de nijverheid bevorderden. DeFransche taal en literatuur, zeden en kunstsmaak drongen, met de vluchtelingen, ons land met des te onweerstaanbaarder kracht binnen, uit hoofde die vreemdelingen, in 't oog hunner Noordelijke geestverwanten, met de aureool van geloofshelden schitterden. En het dient gezegd te worden: Frankrijk's letteren van die dagen, hoewel hardnekkiger dan die van eenig ander volk (met uitzondering der Italianen wellicht) in het zog der beidensche Renaissance voortvarende, hadden een hoogen bloei bereikt. Corneille, Racine, Molière, LaFontaine,

-ocr page 291-

207

Bossuet, Fénelon zijn mannen, wier uitstekende begaafdheden eens minder prikkelbare ijdelheid, dan die der Franschen, konden streelen. De gastvrije Nederlanders meenden dan ook niet beter te kunnen doen, dan zich met alle vlijt op die fijn beschaafde taal en letteren toe te leggen; dan de kiescbe vormen dier deerniswaardige ballingen aan te nemen; dan zich in alles, met kinderlijke, ja, kinderachtige volgzaamheid, op de leest dier bevallige vreemdelingen te schoeien. Helaas! er was geen Vondel meer, om die overmacht te keer te gaan, zelfs geen Anslo, wien 't ook bevreemdde, dat de Nederlander zijn

xzuivre spraak Besmet, en vindt in eene onzuivre smaakquot;;

geen Anton id es, om te waarschuwen, dat

«De vlam ons dreigt, en wij verspreiden self de vonken; Soo wordt uit gouden kop vergif met smaek gedronkenquot; ;

of gelijk elders :

«Wat bastaerdy o Valt in ons eigendom en smet, als een Harpy

Tot ons schandael geteelt, met haer vergifte pennen.

De gansche lucht, zelf eer \vy t gruwzaem wonder kennen. Dat reukeloos het hooft verheffende, als vorstin,

De tael van Neêrlant schopt, en dringt er Vrank rijk in Met zijne bastertspraek.quot;

Een geheel legioen trotsche middelmatigheden voerden 't hooge woord op den vaderlandschen zangberg. De studie onzer eigen meesters werd verwaarloosd: alles moest op het veld der Fransche letteren gezocht worden. Maar het genie ontbrak om, in weerwil der navolging, iets groots, iets oorspronkelijks voort te brengen. Daarom gaf men zich aan het vertalen, aan het nabootsen der wijze van behandeling eens onderwerps, ja, aan het navolgen der zinswendingen en der versmaat van de Franschen. Een

o

conventioneele smaak verdreef uil de kunst de natuur en de waarheid en bijgevolg al het waarlijk verhevene, in welks plaats eene koude, stijve deftigheid trad.

-ocr page 292-

268

4. De eerste vertegenwoordigers dier heerschende kunstrichting zijn de twee hoofden en leiders van het A mster-dainsch genootschap »Nil volentibus arduumquot;, Dr. Lode-w ij k M e y e r en Mr. A n d r i e s Pels, die reeds in het laatste der XVIIde eeuw, en dus eigenlijk als voorloopers van het tegenwoordige tijdperk, dit genootschap hadden opgericht, in navolging der Fransche Académie, ten einde de Nederlandsche dichtkunst en bepaald het tooneel te hervormen en door nieuwe wetten te regelen. Meyer, van wien, huiten zijne Mengelpoëzij, drie treurspelen: De verloofde Koninksbruydt namelijk, De Looghenaer en Het Ghulde Vlies, bestaan, is iemand die, zonder eenige poëtische begaafdheid, uit oude en nieuwe dichters de gedachten, personen en toestanden «met, konst-en vliegh-werkenquot;, om zijne eigene uitdrukking, schoon in een anderen zin, te gebruiken, samenflanste, en dus onmogelijk iets goeds kon voortbrengen.

Meer invloed nog, dan hij, oefende A n dries Pels uit, die het niet hij zijn treurspel Didoos /Joorf,zijn Uisschen-spel Jul jus en zijne Minneliederen en Mengelzangen liet, maar zich stoutweg als den Nederlandschen Parnas-wet-gever opwierp, door eene berijmde vertaling van Horatius' De Arte Poëtica en door een ander leerdicht: Gebruyck en misbruyck de» Tooneels.

5n Gelijk de twee vorigen, alhoewel om hunnen leeftijd geheel tot de XVIIde eeuw behoorende, nochtans door hunne strekking volbloed XVinje-eeuwe:rs zijn, zoo eindigde de vermaarde etser en plaatsnijder .1 a n L u y k en wel zijn leven in de XVinde eeuw (1649-1712), maar zijn dichterlijke loopbaan sluit zich evenwel geheel aan de School van Vondel aan. De Duytse Lier, waarmede hij, in 1671, die loophaan opende, verraadt eene levendigheid van verbeelding, eene warmte van gevoel en van schildering, destijils maar zelden overtroffen. Hier en daar vertoont zich wel de veldwinnende wansmaak;

-ocr page 293-

soms is, gelijk in Hooft, en meer dan daar, de liefde dier minnezangen veel te zinnelijk : maar men kon hopen, dat de twee en twintigjarige dichter die gebreken zou te hoven gekomen y.iin, ware hij niet, ettelijke jaren na het verschijnen van dien veeibelovenden eersteling, in eene overdrevene, droomerige en dwepende godsdienstigheid vervallen. Zijn dichttalent onderging natuurlijk den invloed van die iremoedssteminiim; en tuen verschenen eene

~ C quot;

reeks van stichtelijke gedichten, als: Beschouwing der werelt. Bijkorf des (jemoeds, Vonken der liefde Jezus, Werken der Barmhartiriheid, Menschelijk Bedrijf, Kinderboekje of des Menschen heyin, midden en einde, in welke nog altijd liet oorspronkelijk vernuft zichtbaar blijft, maar onder de schraalheid der bespiegelingen en eene veeltijds matte eentonigheid half bedolven. Tntus-schen steken de zededichters, die na J a n L n y k e n gekomen zijn, nog weer ongunstig bij hem af. Al zijne werken zijn bovendien dooi' geestige prenten van des dichters hand opgeluisterd, wat er de waarde niet weinig van verhoogt.

6. Ettelijke dichters uit dit tijdperk behaalden eeni-gen lof op het tooneel: T h o m a s A s s e 1 ij n, 11 e r -nagie,Johan van P fa f f en r o d e, Lucas R o t-gans, Lucas Schermer, A b ra h a in A1 e w ij n en Pi eter Lang end ijk.

Ue geestige Amsterdammer, Thomas Asselijn (1630—1695) geeft ons in een reeks van kluchten treffende schetsen van de zeden zijns tijds. Zijn Jan Claes-zen. De Stiefmoér, De Stiefvaêr, De Spilpenning, en De Kwakzalver getuigen van verrassende opmerkingsgave en echt comischen zin, die levendig aan Bredero herinneren, en handhaven op het tooneel het nationale element tegenover het pseudo-classicisme van zijn tegenstanders, Andries Pels en de zijnen.

De suaaksohe Dokter Bernagie (f 1696) wist zijne medische

-ocr page 294-

270

ervaringen aan de kunst dienstbaar te maken o. a. in zijne Got vrome en Studenten Leven; terwijl de Antwerpenaar Willem O gier, van wien wij zeven kluchtspelen: „de seven hooftsonden, vermakelijck ende leersaem voorgesteltquot;, bezitten; en zelfs de, ook als proza- eu treurspelschrijver, niet onverdienstelijke hoofd-otticier, Johan van Paffenrode, in 1673 te Maastricht, bij de verdediging der stad, gesneuveld, zich eveneens als begaafde en ongekunstelde blijspeldichters deden kennen.

o Lucas Rotgans te Amsterdam in 1654 geboren, en op Kromwijk, zijne hofstede aan de Vecht, 1710 overleden, heeft zijne treurspelen: Sci/lla en Aeneas en Turnus, naar de wijze der Pran-schen ingericht, en volgde dus getrouw de voorschriften van den vervelenden Pels; maar men vindt toch, bij al het alge-meene, oppervlakkige en stijve der behandeling, wel wat meer kracht, en treffender schilderingen in die stukken, dan in de voortbrengselen van de meeste andere volgelingen des genootschaps. Zijn Willem de Derde moest een heldendicht zijn, doch is, dank zij de inmenging der gansche olympische godenwereld in de daden en het leven van een christelijken held, niets dan een koud en smakeloos poppenspel. Hoogere dichterlijke waarde, dan al het overige, heeft de Boerenkermis, waarin hem zijn talent voor beschrijvingen en de stoffe zelve, welke natuurlijkheid en waarheid vergde, goede diensten bewezen hebben. Jammer, dat het devi-Boerenkermis, met hare afwisselende too-ueelen en boertige groepen, zoo menigmaal aan goeden smaak, zoo geheel aan eenheid ontbreekt O 7. Al had Schermer, een Haarlemmer, een langere loopbaan gehad, dan die de enge tusschenruimte van 1688 tot 1711 hem vergunde, hij zou toch geen „voortreffelijk dichterquot; zijn geworden, gelijk men soms gemeend heeft. Hij is zeker niet vrij van de gebreken zijns tijds; al streefde hij den grooten Vondel en diens beste volgelingen na, en vertoont hij, in weerwil van den mythologischen winkel, dien hij uitstalt in zjjne Heldenzangen, in weerwil van het gekunstelde veler plaatsen der Herders- en Visscherszangm, ook in zijn treurspel Meleager en Atulante, soms wat dichterlijken gloed, naast de opgeblazenheid, den klinkklank, zijnen tijd eigen.

8. Abraham Ale wijn, een Amsterdamsch rechtsgeleerde,

-ocr page 295-

271

die eenigen tijd in Oost-Indië vertoefde, heeft, als blijspeldichter, het groote voorrecht van los en natuurlijk te zijn, al zijn de uitdrukkingen en de voorstellingen van zijn blijspelen vaak allesbehalve kiesch te noemen, vooral in Beslikte Swaantje en drooge Foherf of Boere-rechtbank en in een ander werk, waar dezelfde heldin ten tooneele gevoerd wordt. De Puiterveensche Helleveeg, of beslikte Swaantje aan den tap. De oudere voortbrengselen van A le wij n's luimige diohtgavo,^ mai'illis^De hr-droo/e woekeraar, Latona, of de verandering der Boeren in Kikvorschen en *Philippi/jn, M'. Koppelaar, werden reeds op 't einde der vorige en in de eerste jaren dezer eeuw uitgegeven, en zijn wellicht minder plat en onkiosoh dan de latere, tot welke ook nog Jap Los, of den bedroegen Oost indie vaar der en het muziekspel Orpheus' Hellevaert om Euridice te rekenen zijn. Hij staat evenwel als blijspeldichter lager dan Asselijn en Ber-nagie. Men kon niet vermoeden, dat eene zoo luimige, luchtige pen voor het zededicht geschikt ware ; en toch heeft men, onder Alewijn's nagelaten schriften, een bundel onuitgegeven y^Sinnebeelden, deels in rijm, deels in niet onverdienstelijk proza geschreven, opgespoord. .

9. Onze beste kluchtspel-dicnter, sedert Bredero, is de Haarlemmer Pieler Langend ij k, die, in 1683geboren, na een, door het hatelijk karakter zijner moeder en door de slordigheid zijner echtgenoote veroorzaakt, kommerlijk leven, aldaar in 1756 gestorven is. Zijn vader had den familienaam K ort met dien van het dorp Langendijk, waar hij geboren was, verwisseld. Hij had nauwelijks den ouderdom van 16 jaren bereikt, toen hij reeds zijn Don Quichot op de bruiloft van Camacho uitgaf, een stuk, dat hij op lateren leeltijd op nieuw bewerkte naar den roman van den beroemden Cervantes. In 1712 verscheen 'De Zwetser en liet wederzijds Huwelijksbedrog, „tot leering en ter verfoeijinge van een gebrek, dat al te veel by onzen landaart was ingeslopen, namelyk kaal en grootsch te zyn, en het laatste door bedrog staande te houden.quot; Drie jaren later gaf hij Krelis Louwen, of Alexander den Grooten

-ocr page 296-

272

*

op het Poëtenmaal en Dn Wiskunstenaars of het gevhujte juffertje, door sommigen voor zijn bestgeslaagde kluchtspel gehouden, uit.'De Quincampoix of Windhandelaars schijnt ons evenwel van beter gehalte, en werd dan ook vijftien maal achter elkander in den Amsterdamschen schouwburg vertoont. Het karakter van ware blijspelen zal men, onder zeker voorbehoud, beter terugvinden in zijne latere stukken: Xantippe of het booze wijf filozoofs Sokrates beteugeld-, Papirius of het oproer der Vrouwen binnen Romen, en vooral in den Spiegel der vaderland-sche kooplieden. Langend ijk bleef niet vrij van den invloed der Gallomanie. Niet alleen vertaalde hij uit het Fransch zijn Bedriegerij van Cartouche en waagde hij zich zelfs aan het treurspel in Julius Cezar en Caio, gevolgd naar het Fransch van Descamps — alsof hij de heuscbheid van den Amsterdamschen dichter E. J. Roul-laud, die La ngendij k's Krelis Louwen onder den titel van Alexandre le Grand ou le Paysan-roi in het Fransch had overgezet, wilde beantwoorden — maar hij vervaardigde ook Herders- Wachters- en Veldzangen : eene dichtsoort, waarin zijn boertig talent volstrekt niet thuis was, evenmin als in de epische, die bij hem niets anders is dan eene koude kronijk. Men leze slechts zijn Leeven van Willem I en Leven der Hollandsche Graaven, in droge, dorre jaarzangen vervat, om overtuigd te zijn, dat de Nederlandsche Plautus,quot; gelijk Dirk Smits, „onze Molière,quot; gelijk Wit sen Geysbeek hem roemen, beter gedaan bad, geheel zijne opmerkelijke dichtgave aan het kluchtspel te wijden ; al kunnen wij ook hier den, evenwel nooit onzedelijken, dichter het onbetamelijke en soms wanstaltige niet wel vergeven. De Hollandsche zedelijkheid was anders, sedert de laatste helft der XVIde eeuw, schromelijk achteruitgegaan. Speelzucht, dionkenschap, verregaande zedeloosheid, zelfs in de hoogere kringen hadden, naast de ijdelheid, de onwetendheicl, naast deze

-ocr page 297-

213

de opgeblazenheid, naast de verdierlijking de ontzenuwing der karakters in hooge mate bevorderd,

10. Het herdersdicht was een der meest geliefkoosde uitingen van den getnaakten, conventioneelen kunstsmaak dier eeuw; ofschoon de verstandige 13 oil eau te recht reeds beweerd had, dat niet ieder zich kon getroosten met

» . . Dans son cabinet, assis au pied des hetres,

Faire dire aux échos des sottises champêtres.quot;

Jan Baptist Well ekens, te Aalst, in Vlaanderen, in 1658 geboren, maar te Amsterdam opgegroeid en opgevoed, vertegenwoordigt bijna uitsluitend deze dichtsoort. Van zijn achttiende tot zijn negen en twintigste jaar verbleef hij in Italië, met het doel om zich aan de schilderkunst te wijden. I\laar eene oogziekte en een beroerte, die eene verlamming ten gevolge had, deden hem voor altijd het palet met de lier, of heter, met de «herders- en visscherstluitquot; verwisselen. Hij schijnt zelfs de eerste te zijn, die den Visscherszang, welken hij in Italië had leeren kennen en waarvoor een Hollandsch dichter wel hart moest hebben, naar Nederland overbracht.

Met ziju 28 jaren jongeren vriend, den Amsterdammer Pie te r Vlaming, gaf hij, in 1711, in delt;Dichtlievende Uitspanningen, tal van herders- en visscherszangen uit, welke onder onze rijke, landrust-minnende Hollandsche burgers recht welkom waren en met graagte gelezen werden. Vier jaren later verscheen zijne vertaling van Tasso's f. Amintas, met eene 'Verhandeling over het Herdersdicht, en na zijnen dood, zijn 'Nagelaten Gedichten, waarin Lof-, Zede-, Lijk- en vooral Bruiloftsdichten voorkomen. In enkele stukkeu verraadt Wel lek ens dichterlijken aanleg, wanneer hij namelijk, door voorvallen in het werkelijke leven, tot waarheid en natuur teruggedreven wordt; den meesten tijd is hij koud en langdradig. Hij overleed in 1726, zeven jaren vroeger dan zijn geestverwant, de reeds vermelde Pie ter Vlaming, die in-tusschen niet slechts Sannazar's Arcadia uit het Italiaansch vertaalde, maar ook eene uitgave van Spieghel en van A'an

IS

-ocr page 298-

Hoogstraten's Rederijkkonst bezorgde, en in 1733, alvorens de hand gelegd te hebben aan zijne voorgenomene Historie en Beschrijving van Amsterdam, zijnen vriend Wel lek ens in het graf volgde.

O Twee vrouwen verdienen hier nog opgemerkt te worden: Catharina Johanna de With (f 1727), die De Getrouwe Herderin, van Contarini, en de Fillis, van Bonare 11 i, uit het Italiaausch vertolkte, en vooral de hoewel niet hoogbegaafde, toch in zuivere taal en vloeiende verzen dichtende Elizabeth Hoofman (1664—1736), de veel beproefde echtgenoote van Pieter Koolaart.

11. In 1689 werd te Abswoud een boerenknaap geboren, Hubert Cornelisz. Poot, die, zonder andere voorbereidende vorming, dan welke de dorpsschool van Schipluiden hem geven kon, alleen door zijne betere natuur aangespoord, van achter den ploeg, waar hij «sloofdequot;', met een bundel Mengeldichten te voorschijn trad, die seheel de toenmalige dicht wereld deed verbaasd staan.

O 1

sZuiverheit van taele, klaerheit en kortheit van zin-uitinge, kunst en kracht van redeneringe, rykdom van overaerdige vonden, de ziel der Poézyequot; — zoo roemde men met de aan die dagen eigene overdrijving — gingen hier samen. Trouwens de man had zich, wellicht juist omdat hij den druk der heerschende mode nog niet onderging. Hooft en Vondel ten voorbeeld gekozen: en daarom zijn er in die eerstelingen, onder menig stuk van minder gehalte, sommige frissche, levendige voorstellingen; daarom speelt er hier en daar een vernuftige geest door; daarom is hij dikwijls zuiver van toon en van opvatting. Zijne bekende navolging van Horatius': «Beatus ille qui procul negotiisquot;, Hoe genoeglijk rolt het leven, enz, en de lijk-zang op zijn dochtertje;

o.Iacoba tradt met tegenzin De snoode werelt in,quot;

zijn populair geworden en gebleven. Gelukkig Holland, roept Snellaert uit, zoo het meer aanmoediging had ge-

-ocr page 299-

275

vonden voor vernuften als Poot! Gelukkig, zoo hij zelf niet van de krachtige natuur voor eene bleeke en valsche geleerdheid ware afgeweken ! In 't midden zijner schitterende loopbaan liet Poot zijne zangster bezoedelen door mythologisch klatergoud, een armzalig arlekijnspak om de hreede schouders van een Germaanschen zoon.

Zonder juist een dichter van hooge vlucht te zijn, scheen Poot inderdaad bestemd om het nationale stilleven, inzonderheid het landleven, naar waarheid te schetsen en in zijne dichterlijkste opvatting voor testellen. Helaas!

»hoe schichtig draait de weerhaan onzer zinnen!quot;' —

zoo zingt hij zelf. Nauwelijks had hij, uitgelokt door ))'t bloeyend Delftquot;, zijnen akker verlaten, of hij viel in 't gezelschap van loshoofden, die den meegaanden, argloo-zen boerenzoon al spoedig mt Apollo's heiligdom naar de woeste oorden van Bacchus' heerschappij — zoo zou hij het zelf in mythologischen woordenpraal genoemd hebben — overvoerden; ja, hem geheel aan de kunst zouden ontrukt hebben, zoo hij niet, na één jaar, door leedwezen getroffen, de rust van 't land had gaan we-derzoeken.

Die rust vond hij dan ook; maar het ongekunstelde, levendige van zijne dichtgave was ten deele verdwenen. In zijne Minnezangen, die nog tot het eerste tijdperk zijns levens behooren, is hij menigmaal eenvoudig en teeder; maar in de Veld- en Zeezangen heeft hij zich niet genoeg tegen den invloed der eeuw kunnen beveiligen. Meer nog dan hier evenwel, blijkt die invloed in de Bijbelstoffen, waar gezochte gedachten in gedwongen stijl de enkele betere plaatsen verduisteren. In 1733 overleed Poot, te Delft, op den laatsten dag des jaars.

P2. Het toppunt der verkeerde, door Pels en zijn

-ocr page 300-

Genootschap ingeslagen richting werd bereikt door S y -brand Feit a m a (geb. te Amsterdam 1694, -j- 1758). »11 et was uit zijne school — getuigt Witsen Geysbeek — dat de vloeijende versificatie, de nauwkeurige inachtne ming der taalregelen, de angstvallige nauwgezetheid op beuzelachtige kleinigheden en de overdrevene beschavings-zucht voortkwamen, die gedurende het grootste gedeelte der XVIll'ie eeuw, de stoutste genieën, de Van Ha-ren's uitgezonderd, gekromd hielden onder het juk eener dorre taal- en rijmvitterij, en waaraan het verval der dichtkunst te wijten is, die men integendeel waande daardoor tot den hoogsten trap van bloei en luister te verhellen.quot; Dat is eene zeker niet te strenge afkeuring van den verzenlikker, dien het niet verdroot, dertig lange jaren aan het berijmen van Fenelon's Télémaque, en bijna even zoo vele aan die der Henriade van Voltaire ten beste te geven. Ook vóór dien tijd had deze »Aristarcli van quot;t Yquot; en «ijveraar voor de eer der poëzyquot;, in het zinnespel De Triomferende Poëzij en Schilderkunst en den Fabritius, reeds getoond.

«Dat ware deugd en. kunst elkander spelend sterkenquot; —

gelijk zijn vriend Frans van Stee n w ij k hem dwaaslijk bewierookte.

gt; 13. Met terzij delating van een geheel legioen minder of meer verdienstelijke proza- en verzenmakers, als Frans de Ha es, Lucas Pater, Michel de Swaen, den krachtigen, scherpen Lucas Trip, Jan de Mar r e, va n de r B o r ch t, Jan de Kr ui ff, Sara Maria van der Wilp; den drogen Gove r t I) i d 1 o o; den historiepenning-beschrij ver, Gerard van Loon; den eersten schrijver eener algemeene geschiedenis van ons land. Jan Wagenaar (voor zijn tijd een keurig stilist); den preekachtigen Hendrik Schim, den Rotterdammer Dirk Smits, wiens Rot test room zachte, lietiijke verzen en goede schilderingen bevat; den „zin- en zaakrijkenquot; Pi eter Hui-zinga Bakker, den vuilen Willem van Focquenbroch

-ocr page 301-

:/ /

den katholieken vertaler van Prudentius, N aiming, en zoovele anderen. — hebben wij hier eerst de beweging gade te slaan die zich op het gebied der taalvorsohing vertoonde, om daarna dit tijdperk te sluiten n.'et eenige meer bekende en geroemde namen.

14. De Deventersehe predikant Arnold M o o n en (1644 — 1711), die ook als dichter en kanselredenaar, om de zuiverheid zijner taal en de juistheid en helderheid zijner gedachten en uitdrukkingen bekend staat, gaf de eerste volledige Neder duit sche Spraakkunst uin (1706), een boek. dat, gedurende het grootste gedeelte der XYIIIde eeuw, het algemeen aangenomen handboek voor taalstudie bleef. Elen jaar later stelde Adriaan Ver-wer, onder den titel van Anonymi Batari Idea linguae Bélgicae een, later door Everard van Driel vertaald en merkelijk vermeerderd, geschrift op, dat mede niet zonder invloed is geweest om tot de kennis en juiste waardeering onzer moedertaal te geraken.

Behalve de boven reeds aangehaalde, tegen de Fransche taaismetten ijverenden: Vollen hove, Anslo, de drie Pgt; r a n d t s en F r a n e i u s, ontmoeten wij hier nog D a v i d van Hoogstraten, die het deerlijk verwarde gebruik van de geslachten der zelfstandige naamwoorden op het voetspoor van Vondel en Hooft, hielp regelen en vestigen, en de taalkundigen: Sew el, .Winschoten en Nyloé. Boven al de vorigen echter verhief zich de Amsterdammer Lambert Ten Kate (1674—1732), een eenvoudig huisonderwijzer, maar van zeer fatsoenlijke afkomst, en daarbij een man van grondige kennis en alzijdige ontwikkeling. Zijne Gemeenschap tusschen de Gothische Spraeke en de Nederduytsche, verschenen in 1710, en vooral de Aenleidinge tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduytsche sprake; waerin hare zekerste grondslag, edelste kragt, nuttelijkste onderscheiding en geregeldste Afleiding overwogen en naegespoort, en tegen het allervoornaemste der verouderde en nog levende Taelverwanten, als 't Oude Moeso-Gothisch, Frank-Duitsch,

,

11 'M 'li II

1

1 p

:|

• I®

ï

:

I

p ■

-ocr page 302-

278

en Angel-Saxisch, beneffens het hedendaeysche Hoog-duitsch en Yslandsch, vergeleken wordt, zijn werken van diepe studie, en hebben Ten Kate den roem verworven van den hoofdgrondlegger der Nederlandsche taalkunde. Men wil hebben, dat de grootste Hoogduitsche taal-vorscher, Jacob Grimm, zijn stelsel van taalstudie van Ten Kate heeft afgezien. Wat daarvan zij of niet, hij is zeker de eerste, die eene regelmatige klassenver-deeling voor de vroeger als onregelmatig beschouwde sterke werkwoorden gevonden heeft; die de nauwe verwantschap van vele Germaansche talen, als het Frank-Duitsch, het Angelsaksisch, het Yslandsch. het Hoogduitsch, enz. heeft aangewezen ; die het ontstaan, de breking en wijziging der klanken heeft opgespoord, en eindelijk de baan gebroken heeft voor de studie der woordafleiding in onze taal. Men mocht hem dus het volgende grafschrift wel toewijden, al is de hyperbole van het laatste vers wat sterk gekleurd;

Ten Kate, een ilonkerster, die Nederland verlichtte, Die scheidsman in de kunst, die iedereen verplichtte;

Die groote Bouwheer, tot sieraad en nut van 't land,

Wiens letterkennis blinkt gelijk een diamant;

Die elk den weg tot kunst, tot deugd en heil kon baanen:

Die zon is hier gedaald in eene zee van traanen.quot;

Lambert Ten Kate was ook een grondig beoefenaar van de prosodie onzer taal, van het zedelijk schoon in de dichtkunst en van de aesthetiek in het algemeen, gelijk .1. A. Alberdingk Thijm in de inleiding tot Ten Kate's onuitgègeven Verhandeling over het denkbeeldige schoon der Schilders, Beeldhouwers en Dichters (Dietsche Warande, Dl. vm, bl. 101) bewezen leeft, ■f- 15. De Amsterdamsche schepen, Balthasar Huy-decoper, die later baljuw van Texel en dijkheemraad werd (1695—1778), verdient hier naast den ouderen Ten Kate vermeld te worden, al zou hij, in zijn leven, met bitse scherts voor die plaats bedankt hebben, 's Mans

-ocr page 303-

279

verdiensten als Latijnsch dichter, als vertolker van Ho-ratius en als vervaardiger van Nederlandsche treurspelen, onder welke de Achilles wel het meest bekende is, daargelaten — »er zijn termen om zijn gebrekkig dichtwerk te bedekken met den mantel der liefdequot;, zegt Busken Huet — moet men erkennen, dat hij een geleerd en oordeelkundig beoefenaar onzer taal en een alleszins scherpzinnige criticus geweest is. Zijne uitmuntende Proeve van taal- en dichtkunde, in vrijmoedige aanmerkingen op Vondel's vertaalde Herscheppingen vo.n Ovidius, in 1730 verschenen en later, met aanteekeningen van' L e 1 y v e 1 d en H i n) o p e n verrijkt, op nieuw uitgegeven, ja, door Bilderdijk nog, ten jare 1828, iu zijne Korte aanmerkingen op de Proeve, enz. zoo gunstig beoordeeld, bevat een schat van taalkennis en geleerdheid, en is onmisbaar voor al wie de grondige beoefening onzer taal op prijs stelt.

In 1772 gaf hij (die in het recht verstand onzer mid-deleeuwsche taal, in het tijdperk der Renaissance, geen voorganger gehad heeft) Melis Stoke's Rijmkronijk uit, een werk, waarin sommige geschied- en oudheidkundige aanteekeningen weliswaar aan de latere wetenschap te recht wraakbaar hebben geschenen, maar welks schrandere verklaringen der oude woorden en woordverbin-dingen door een ieder gewaardeerd worden. # Het voetspoor van Ten Kate en Huydeco per werd, niet alleen door de reeds vermelde Hinlopen en L e 1 y v e 1 d, maar ook door Fortman, Kluit en Clignett op waardige wijze gevolgd.

u In België daarentegen was de taalstudie veel minder aan de orde; men lieeft slechts een paar namen te noemen: van G e e s-dalle, die eene vergelijking tussehen het Nederlandsch en het Fransch, in de laatste taal. schreef; Andries Stevens, die een Nederlandsch Voorschrifthoek uitgaf, en J. des Roches, van wien men eene, in vele opzichten gebrekkige. Nieuwe Neder-dwjtsche Spraeckkonst bezit.

-ocr page 304-

280

Keeren wij thans tot de dichters terug.

17. In 1687 werd geboren en in 17G3 stierf te Vlaai-dingen Arnold Hoogvliet, de type van den vromen, braven burgerman en van den burgerlijken, kunstgenootschappelijken dichter dier dagen. Xa, op zijn 20p jaar. wat Latijn geleerd te hebben, waagde hij zich, eenige jaren later, aan eene vertaling der Feestdagen van Ovidius, een werk dat boven zijne krachten bleek te zijn en mislukte. Door zijn stervenden vader aangespoord, om .in stede van hot Heidensch bijgeloof op te sieren, de eere van den eeuen waren God te bevorderen ', ondernam hij eenen held des Bijbels te bezingen en koos daarvoor den aartsvader Abraham. Het gedicht verscheen in 1727, onder den titel van Ahraham de Aartsrader, en viel zoozeer in den smaak des tijds, dat het twaalf of dertien maal mocht herdrukt worden, eene populariteit, welke sedert Cats — dien anderen aartsvader — en Poirters, niemand meer was te beurt gevallen. Wel zijn er dichterlijke verdiensten in Hoogvliet's werk: traaie schilderingen, vooral van de natuur, (al schetst hij eer eene Xoordsche dan eene Oostersche). enkele pathetische plaatsen en, om ze nog eens te noemen, zoetvloeiendheid; maar daarentegen vertoont deze levensberijming (meer is het immers niet !) ook eene zeer gebrekkige schikking, voor een gedicht, menige flauwe, gerekte, of gezwollen plaats, zoodat Lulofs, die het anders zoo kwaad niet meende met Hoogvliet, wel gelijk had. zijne Muze voor te stellen als „een hoogbejaard, kwezelachtig, door dik en dun voortsnappend besje, dat echter tusschenbeide nog al vrij schilderachtig praat, hare taal ook redelijk wel verstaat eu de maat onzer Alexandrijnsche verzen tamelijk goed geleerd heeft.quot;

Hoogvliet's later uitgegeven Memjeldichfeii stfcan niets hooger dan soortgelijke werken zijner tijdgenooten. Minder middelmatig is zijn „fraai en deftig'' (die lofspraak is van \Vir-sen Geysbeek) gedicht op David van Mollem's hofstede Zijdehalen en de Eerekroon voor de stede Vlaerdinge, alhoewel geen van twee den roem, door den Ahraham verworven, kon vermeerderen.

Gelijk met de Arcadia's, gelijk met de landgoed-beschrijvingen en de Sïroom-gedichten, zoo ging bet ook met de (zoogenaamde) Heldendichten op de voornaamste personages van den Bijbel:

-ocr page 305-

281

zij werden legio. Vóór Hoogvliet had reeds Jan van Hoogstraten, de broeder des boven vermelden taalvorschers David van Hoogstraten, zijnen Kruysheld Fanlus in het licht gegeven en de wreker van Vondel's nagedachtenis, Jan de Ha es, zijnen Judas de Verrader en Jonas de Boetgezant; na hem zag men nog den Gideon van Steen wijk, den Joseph van Snakenburg, den Petrus van Klinkhamer, den Mo zes van Versteeg en den Jacob van Duim verschijnen. Zoo min oorspronkelijk was men: nauwelijks werd er eene dichtsoort met eenig gevolg beoefend, of een geheele drom verzenfabrikanten drong den gelukkigen vinder op het ingeslagen spoor na. ,,La gent versifiante est moutonnière,quot; heeft Sainte-Beuve gezegd. Er begon zich echter ook tegenwerking te openbaren.

18. Ofschoon nog genoeg een kind zijns tijds om Rotgans, stuk tegen stuk, boven Vondel en Antonides te plaatsen en F ei tarn a's beruchten Telemachus te bewonderen, is evenwel Justus van Effen, de zoon van den luitenant der kavallerie, Melehior van Ellen, in 1684 te Utrecht geboren, de eerste geweest, die den Franschen geest, het valsch vernuft, het valsch verhevene, de stijve, gelikte deftigheid en gezwollenheid in onze letterkundige republiek, althans door zijn voorbeeld, bestreden heeft, en die, als men 't zoo noemen kan, eenige oriëntatie in de verwarde begrippen over letterkunde en goeden smaak bewerkstelligde.

lil zijne betrekking van leermeester en opvoeder van verschillende jongelingen uit aanzienlijke familiën, zoowel als in zijne bediening van gezantschapssecretaris en in zijn lateren post van commies van quot;s lands magazijnen te 's Bosch, deed hij een schat van menschenkennis op, die hem. in zijne geschriften, uitmuntend te stade kwam. Immers zijn eerste werk, Le Misanthrope, een Fransch weekblad, bevat, naar de wijze van La Bruyère's Car acté r es, eene reeks van karakterschetsen en zedekundige bespiegelingen, die, op menige treffende bladzijde, de vruchten van die studie dragen. Een paar jaren later, in 1713, gaf hij, met eenige vrienden, het Journal littéraire de la Hai/e uit, waarin meer bepaald de Xederlandsche Letteren — niet altijd even oordeelkun-

-ocr page 306-

282

dig, als reeds gezegd is — besproken worden. De invloed der Engelsche letteren begon zich toen reeds, na des schrijvers eerste reis naar Engeland, op van Effen te doen gelden. Het geestige La Bagatélle staat, met zijn fijnen opmerkingsgeest en treffende scherts, ver boven de vorige werken. Gedurende zijn verbljjf aan de Leidsche hoogeschool, waar hij in 1727 den doctorstitel verwierf, beschreef hij, in een nieuw weekblad, Le Nourean Spectateur Francais geheeten, het proces der zedelijke ontwikkeling van een begaafden jongeling, hoogstwaarschijnlijk zijne eigene geschiedenis.

Tot dusverre had van Effen de Fransche taal tot voertuig zijner denkbeelden gebruikt; van 1731 tot 1735 echter, gaf hij, in navolging van Addison en Steele's Engelschen Spectator, een Hollandsche Spectator uit, waarin hij de vaderlandsche letteren tegen den invloed van den Franschen geest handhaaft. Zoo natuurlijk, zoo los, zoo echt Nederlandsch had men sedert bijna eene halve eeuw niet meer gedacht en geschreven. De meeste onderwerpen, in deze twaalf deelen verhandeld, hebben eene zedekundige, enkele eene letterkundige strekking; maar overal schitteren, in deze deels boertige, deels ernstige vertoogen, eene waarheid en diepte van opvatting, eene schranderheid van oordeel, eene fijnheid van beschaving en uitgebreidheid van geschied- en letterkennis, in zoo natuurlijken, onbedwongen en ongekunstelden stijl, dat van Effen zich daardoor eene eereplaats onder onze beste prozaschrijvers en onze edelste denkers verworven heeft.

19. Drie jaren nadat van Effen, in 1732, ten grave gedaald was, ontwierp de acht en twintigjarige afstammeling van een aanzienlijk, oorspronklijk in 't land van Valkenburg1), bij Maastricht, en te Aken gevestigd ge-

1

De welbekende Adam van Haren of Hopman Daam, tochtgenoot en vriend van den beruchten bevelhebber der Watergeuzen, Willem van Lumey, bewoonde die streek, totdat hij, het smeekschrift der Edelen mee onderteekend hebbende, zich genoodzaakt vond, met de andere Geuzen, te water fortuin te gaan zoeken. Hij was een van de eersten bij de inneming van den Briel, in 1572.

-ocr page 307-

283

slacht, de Friesche edelman Willem .van Haren, het plan van een Nederlandsch heldendicht: de Gevallen van Friso, hetwelk in 1741 verscheen. Oude Friesche kronijken hadden de stof voor dit gewrocht geleverd. De dichter bezingt er den vorst der Gangariden en Pra-siaten, Friso,

«Die. voor Agrammes woede, uit Gangaris gewekei»,

Veel volkeren doorkruiste, en i«rote mannen zag.

Tot dat hij, verr' gedoold van 't vaderlijke strand, Den Vlie-stroom ingezeild, in dit gebied geland,

Een onverwagt geluk ontmoette, en deze kusten Met zijnen naam vercierde, en daar besloot te rusten.quot;

Van Haren, had eerst eenige der voornaamste dealen van zijn werk en later liet geheele gedicht letterlijk in het Fransch vertaald, ten einde daarover het oordeel van sommige geleerden in Frankrijk, en bepaald van Voltaire, te kunnen hooren. Maar al roemt deze onzen dichter als;

«Démosthène au conseil et Pindare au Parnasse;quot;

al voegt hij er vleiende bij :

))Tyrtée a dans ton sein répandu son audace,

Et tu tiens sa trompette, organe des combats;quot;

al verkondigt Witsen Geysheek «zonder aarzelingquot;, dat, als hij «de drie voortreiïelijkste Heldendichten moestop-noemen,quot; hij zeggen zoude: »de Ilias, de Aeneis en de Frisoquot;: wij veroorloven ons dit gedicht, in weerwil van menige schoonheid, een met historische en geographische bijzonderheden aangelengd, met wijze, maar koude lessen doorvlochten, in harde verzen en ruwe taal berijmd verhaal, een Télémaque te noemen, maar zonder F é nelo n 's edele warmte en verheffende teederheid.

Hooger dan in den Friso, schittert van Har en's dichterlijk talent in zijne lierzangen, de vinding van het episch gewrocht niet meegerekend. Hoe krachtig en frisch is niet zijn Leonidas; hoe diep wijsgeerig ziju Lof

-ocr page 308-

des Vredes; hoe natuurlijk en waar Het Menschelijk Leven en vele zijner bewerkingen van Horatius' lierzangen en der Psalmen!

Van Har en's hooge afkomst en bekwaamheid bestemden hem voor staatsambten. Op achttienjarigen leeftijd had hij niet slechts zijne voorvaderlijk slot betrokken, maar beschikte hij ook reeds over de rijke grietenij van 't Bildt. Toen zijn Friso verscheen, was hij sedert vier jaren in den echt getreden met de dochter eens Hanoverschen officiers, eene hofjuffer van prinses Anna, gemalin van Willem IV. Dit vorstelijk echtpaar bleef den dichter altijd eene groote vriendschap toedragen. In 1747 en in 1748 was hij afgevaardigde te velde, in welke betrekking hij den staat vele en groote diensten bewees. Hetzelfde jaar kocht hij het kasteel van S' Oeden-rode, in de Meierij van 's Bosch, en werd tevens als kwartierschout en dijkgraaf van Peelland aangesteld. Na den vrede van Aken, werd hij afgezant bij den gouverneur-generaal der üostenrijksche Nederlanden te Brussel; hij fungeerde in 1752 als commissaris der Prinses, bij de onderhandelingen aldaar gehouden, en overleed er plotseling, door 't nemen van vergift, in 1768. Zijn stoflelijk overblijfsel rust te S' üedenrode.

20. Onno Zwier van Haren, des vorigen eenige, één (niet drie) jaar jongere broeder, bekleedde eveneens verschillende aanzienlijke ambten. In 1734 was hij historieschrijver van Friesland; acht jaren later, grietman van West-Stellingwerf, commissaris-generaal van de Zwitser-sche troepen in dienst van den staat, raad van state, van de Admiraliteit te Amsterdam en van de Staten-Gene-raal, afgezant bij de Protestantsche Zwitsersche kantons en bij de vredesonderhandelingen te Aken; enz. De hooge staatsambtenaar bezweek, in zijne loopbaan, onder de beschuldiging eener onzedelijkheid van de afschuwelijkste soort, hem door zijne eigene dochters en schoonzonen,

-ocr page 309-

door zijn schoonbroeder en schoonzuster en zijn besten vriend ten laste gelegd ; een aantijging, welke, ofschoon, in den strengen zin des woords, niet bewezen, dar; toch op genoegzame gronden steunde, om het H o f van Friesland niet te veroorloven, van Har en's onschuld te erkennen. Van dien tijd af verdween hij van het staats-tooneel en leefde op zijn slot te Wolvega, alwaar hij in 1779 overleed.

On no Zwier had gedurende de eerste vijftig jaren zijns levens geen blijk gege\en van beoefening der dichtkunst, De stille afzondering en de behoefte aan verstrooiing wellicht gaven hem eensklaps de lier in de hand; en hij bespeelde die krachtig. Zijn eerste werk, het treurspel Agon, Sultan van Bantam, waarmede hij in 1769 te voorschijn trad, werd slechts door weinigen eenigszins gunstig beoordeeld. En toch is hel zoo geheel op Fran-sche leest geschoeid, zoo geheel een voortbrengsel zijner eeuw, dat men zich over die afkeuring verwonderen zou, indien het technische der dichtkunst, de verzen, er niet zoo onglad, zoo ongelikt uitzagen, dat ze onmogelijk genade konden vinden bij des schrijvers tijdgenooten. Bil-derdijk, wiens allergunstigst oordeel over van Haren echter wel eenigszins in politieke partijschap zijne verklaring kan vinden, zegt, dat de Agon «in vinding, beloop schikking en houding een der beste treurstukken is, die ons vaderland immer opleverde.quot; Datzelfde jaar gaf hij een eerste ruwe schets van zijne Geuzen uit, onder den titel: Aan het Vaderland. In 1771, 177t2 en 177(3 verscheen dit werk, telkens vermeerderd, onder den naam van De Geuzen. Dit gedicht, naar Rilderdijk's oordeel, een «samenstel van vaderlandsche lierzangenquot;, schildert, in het begin, den toestand van Nederland onder Spanje's heerschappij, (natuurlijk, volgens de persoonlijke opvatting des dichters) en bezingt daarna de aanbieding van het Smeekschrift der edelen en Alva's komst en bestuur.

-ocr page 310-

Vervolgens gaat het over tot het hoofdonderwerp, de bestorming en verovering van den Rriel door de Watergeuzen. Het overige gedeelte zijns gedichts, dat van hier af de geschiedenis verlaat, weet ünno Z wier met eene menigte episoden op te smukken, als; Nederland's toekomstige grootheid aan den Prins geopenbaard, het aandoenlijk verhaal van Sebastiaan de Lange en Rozernond, de Rijles gezantschap naar Engeland, de heldendaad van Rochus Meeuwszoon, enz. De vier en twintigste en laatste zang voert Oranje tot voor Enkhuizen. Zeker, geestdrift en kracht, stoutheid en rijkdom van beeldspraak, levendigheid van schildering en diepe kennis van het menschelijk hart zijn hoedanigheden, welke niemand den dichter dei-Geuzen ontzeggen zal; tnaar versbouw en taal waren ruw en stroef; alles verried, gelijk boven reeds gezegd is, eene ongeoefendheid, eene onvaardigheid in het technische gedeelte, die het noodig maakten, dat Bilderdijk en Feith er eene omwerking van bezorgden, welke, in vele opzichten, het dichtstuk zeer veredelde. Niettemin, hoe gunstig ook beoordeeld, zijn De Geuzen te onregelmatig van plan om een heldendicht genoemd te worden.

o In 1776 was er, met de tweede uitgave van den Ayon, eentweede treurspel, Willem /, van de hand des dichters verschenen, een werk, dat beneden het eerste staat; en een paar jaren daarna vervaardigde hij zijn allegorisch tooneelspel: Pietje en Aynietje of de Doos van Pandora, — een luchtige, losse, niet onaardige dramatische scherts. Ook Lierzangen van verscheiden inhoud en omvang heeft On no Zwier van Haren gedicht. Zijne voortbrengselen in proza, namelijk de Lijkreeden over wijlen zijne Hoogheid Willem de IV'1'', de Levensbeschrijving der Nederland-sche Doorluchtige Mannen, de Proeve van eene nationale zedelijke Leer reeden van een oud man aan de jeugd van Nederkind, paren aan des schrijvers goede hoedanigheden ook al zijne fouten. Intusschen, het valt niet te ontkennen, de beide van Haren s, inzonderheid On no Zwier, onderscheiden zich in hun voordeel van de meeste ,gladdequot; poëten huns tijds.

-ocr page 311-

'287

21. Ofschoon elf jaren jonger dan de vorige, won de Amsterdamsche dichteres, L nor et ia Wilhelraina van Merken, (1721—1789) voel vroeger dan hij hare lauweren op den Parnassus, waarvan men haar als »tiende Muzequot; roemde. Natuurlijk, iemand, die ter gelegenheid van F ei tarn a's vertalingen van den Telémaque en van de Henriade kon uitroepen ;

»Juich, Nederlands Parnas! roer nu de blyde snaaren;

Verban 't vermoeden, dat de Heldenpoëzy Met air haar' heldenstoet ten hemel dreigt te vaaren;

Zie, zie hoe gloriryk zy stand houd aan het Y

die denzelfden, bij zijne „intrede in de zalige rustquot;, als

Den roem van Neêrlands Lettergrootenquot;

begroette; iemand die den treurenden ,,Vlietnajaden der Rottequot;, bij den dood van, den toch niet on verdienstelijken, Dirk Smits kon toezingen:

»De groote Smits, uw Orfeus, is verseheijen,

Wiens gouden lier gantsch Neerland had bekoordquot;;

zoo iemand moest niet vrij zijn van de gebreken dier eeuw. Maar zij gaat toch minder aan dal euvel mank dan vele anderen en bepaald dan haar hooggevierde F ei-tama. Niet zelden weet zij natuurlijk te zijn en hartelijk, en verdient zij den haar toegekenden lof, dat men in hare schriften „de eerste stralen van den dageraad eens beteren dagsquot; meent te ontwaren. Wij bezitten van haar niet alleen een tamelijk welgeslaagd leerdicht Het Nut der Tegenspoeden; een, over het geheel, beneden H o o g v 1 i e t's Abraham staand heldendicht op bijbelschen grondslag, de Davideen meer dan het vorige, schoon niet hoog dichterlijk episch gewrocht, de Germanicus, en eenige Brieven en gelegenheidsverzen; maar ook vijf treurspelen, welke zij met haren echtgenoot, Nico laas Simon van Winter, uitgaf, en waarvan er drie: Mana van Bourgondiën, Beleg en ontzet van Leiden, en Jacob Simonsz. de Rijk, bepaald van haar zijn, terwijl van

-ocr page 312-

288

Winter den Monzongo en den Menzikof van dezen bundel geschreven heeft. Van Winter was vier jaren ouder dan zijne waardige wederhelft en eveneens een Amsterdammer. Hij had reeds, toen zijn eerste echtge-noote, de „hartsvriendinquot; van Lucretia, nog leefde, zijne vaderstad bezongen in zijn Amstelstroom, en volgde later Thomson nog in zijne Jaargetijden na, maar wist geene grootere, noch andere verdiensten te verwerven, dan die, welke Van Merken onderscheiden. Hij overleefde haar zes jaren, namelijk tot 1795, toen de Pleïade der groote mannen van iiet nieuwe tijdperk reeds aan den dichterlijken hemel begon te schitteren.

L22. Toen de „tiende Muzequot;, toen

»..........Lucretia verdween,

.......en 't Koor der Zanggodinnen,

Door Febus aangevoerd, weêr negen als voorheenquot;'

was — gelijk de met even veel smaak als wetenschap bedeelde prozaschrijver en leermeester van Van der Palm. Joannes Lublink d e J o n g e (1736—1814) zong — toen had eene andere dichteres, de Bredasche Jonkvrouw Juliana Cornelia de L a n n o y, reeds getoond dat haar die eere-tilel met meer recht dan der overledene zou toegekomen zijn. Op negen en twintigjarigen leeftijd, in 17(37, gaf zij haar eerste treurspel, Leo de Groote, uit, 't welk in 1770 van 'i Beleg van Haarlem en in 1770 van Cleopatra gevolgd werd — drie,.i naar den inhoud, niet naar den vorm, oorspronkelijke stukken, die, naast wezenlijke verdiensten, nog vrij veel Rhetorische deftigheid en opgeblazenheid vertoonen. .Levendiger en natuurlijker is zij in hare lierzangen, voor welke zij, tot driemaal toe, in dichterlijke prijskampen, eens met goud en tweemaal met zilver bekroond werd. Het allermeest verwierf zij echter eene. eervolle plaats onder de dichters van dien tijd, door hare Brieven en Hekeldichten. Daar straalt een fijn, levendig en krachtig vernuft uit haar Aan mijn Geest,

-ocr page 313-

289

waarin zij de betamelijkheid der beoefening van wetenschap en kunst, door de vrouwen, beweert; uit Het Gastmaal, dat een maaltijd beschrijft, door Mevrouw van Langenstijl gegeven, en waarop, onder anderen, ook nichtje Woordenrijk, neef Graaglust en jonker Elegant genoodigd waren; uit Aan Avitus, eene geestige hekeling der dwaze titulatuur in briefstijl. Bilderdijk schatte de baronnesse de Lannoy hoog, en vereerde haar genoeg om, nadat ze, in 1782, te Geertruidenberg overleden was, hare Nagelaten Dichtwerken nog uit te geven.

o 23. Minder nog als dichter — alhoew el hem ook daar geestdrift en kracht, in weerwil der breedsprakigheid en der sma-kelooze gezwollenheid, niet ontbreken — dan als gespierd prozaschrijver verdient Joannes le Prancq van Berkhey (1729—-1812) hie- genoemd te worden. Zijn hoofdwerk is de onderhoudende Natuurlijke Historie van Holland, in zes deelen. Ook de van Deurne, in Noord-Brabant, geboortige predikant Martinet, werkte met ijver en talent op geschied- en zede-kundig gebied, terwijl zijn ambtgenoot, xVssuorus van den Bergh, zich door zijne Geestelyke Liederen verdienstelijk trachtte te maken en Joannes Nomsz eene onafzienbare reeks vervelende tooneelstukken in het licht gaf.

Als voorloopers van het naderende betere tijdperk dienen hier Pieter Huizinga Bakker (1763—1801), Wagenaar's zwager; zijn evenouder, de dichter van Tijdwinst in ledige uren, Lucas ïrip, en de smaakvolle, tot eenvoud wederkeereude Pieter van den Bosch genoemd te worden.

24. Het proza vooral begon een grooter getal, en daaronder zeer begaafde, beoefenaars te vinden. Een geneesheer uit Har-liugen, Simon Stijl (1741—1804), die ook aan de dichtkunst niet geheel vreemd was gebleven, en zicli niet alleen met het voorstellen, maar ook met het opstellen van tooneelstukken had bezig gehouden, toonde in zijn Leven van Jan Punt, en veel meer nog in zijn Opkomst en bloei der vereenvjde Nederlanden, dat hij de eischen van den Nederlandsehen prozastijl begrepen had. Hij is zuiver van taal, wijsgeerig en toch boeiend in de wijze van voorstelling der geschiedfeiten, al dragen zijne bespie-

19

-ocr page 314-

290

gelingen altijd nog het kenmerk der toen onvermijdelijke deftigheid.

25. Wij sluiten dit tijdperk met twee namen, welke met geestdrift zullen genoemd worden, zoolang er een Nederlandsoh volk zal bestaan, dat de taal zijner vaderen spreekt: Elisabeth Wolff, geboren Rekker, en Agatha Deken.

Elisabeth Bekker, te Vlissingen, in 1738, geboren, en in haar eenentwingste jaar reeds in den echt getreden met den veel ouderen Adriaan Wolff, predikant in de Beemster, begon hare letterkundige loopbaan, in 1762, met bespiegelende leerdichten, welke reeds dien diepen blik in het menschelijk hart verraden, waardoor hare latere werken zoo belangrijk werden.

Kort daarna bewees zij, door het bezingen van haar geboorteland, Walcheren, dat ook de beschrijvende poëzie en in de latere Mengelzangen, dat elke dichtsoort eene passende snaar op hare Her vond. Geestig, luimig, onafhankelijk van karakter en vroolijk van aard, was zij steeds wars van wat zij voor femelarij of dweepzucht meende te moeten houden, en had zij altijd daartegen den geesel der fijnste en scherpste satyre ter hand. Ook joegen zoowel de Onveranderlijke Santhorstsche Geloofsbelijdenis, enz., waarachter de Menuet en de Domineespruik, als de Zedezangen aan de Menschenliefde hg het verbranden van den Amsferdamschen Schouwburg, tal van rechtzinnige Dordscheu tegen haar in het harnas, en moest zij zich getroosten voor eene «vuile schandvlek der gereformeerde kerkquot; door te gaan, zij, die, volgens diezelfden, »een licht in Neêrlands Sionquot; kon zijn. Dit belette haar evenwel niet in 1774 een nieuw hekeldicht, Aan mgn Geest, uit te geven, in hetwelk zij haren dichterlijken werkkring tot op dat tijdstip, niet zonder bijtende hekeling harer wederpartij, met treffende juistheid schildert.

-ocr page 315-

In 1777 ontrukte de dood haar plotseling dien trouwen WollT, wien zij zelve eene zoo beminnelijke levensgezellin geweest was. Doch de vriendschap zou haar verstoord huiselijk geluk weder (»pbouwen. A ga t li a D ek e n, een meisje van boerenafkomst uit Amstelveen, waar zij in 1741 het eerste levenslicht aanschouwde, snelde tot haar en bleef, geheel haar overig leven, lief en leed met hare vriendin deelen, tot aan beider bijna gelijktijdig verscheiden. Waarschijnlijk was deze innige vriendschap ontstaan ten huize der dichteres Maria Bosch, bij wie Agatha of Aagje als gezelschapsjuffer in dienst was, en in welke zij ook niet. minder eene vriendin dan eene leermeesteres gevonden had. Twee jaren voor dat zij haren intrek nam bij de weduwe Wolff, bad zijeenen bundel Stichtelijke Gedichten, van de hand der toen overledene Maria Bosch en van de hare, in het licht gegeven. Weldra verlieten de twee, voortaan onscheidbare, dichteressen de Beemster, om eerst in de Piijp waar zij den eersten barer in brievenvorm samengestelde romans, Sara Barderhnrlj v(gt;Itooiden en vervolgens te Beverwijk haar verblijf te vestigen. Hier vooral, op het liellijk Lommerlust, schreven zij gemeenschappelijk, van 1781 tot 178S: Willem Leevend en Brieven van Abraham Blankaart, bij welke zich later Cornelia Wildschut aansloot. Het zijn levendige, treffende, oorspronkelijke schilderingen van karakters en zeden der XVllIde eeuw in Nederland, eigenlijk in onze taal de eerste romans, in de moderne beteekenis van dat woord. De vorm en strekking er van zijn blijkbaar dezelfde als die van Richardson's toen hooggeroemde Clarisse Har-lowe. Maar zij schilderden toch «Nederlandsche karakters; menschen die men in ons vaderland werkelijk vindtquot;, getuigen zij. Er zijn onvergankelijke, onovertroffen types in die werken geschetst, niemand ontkent het, al is het ook even waar dat de gang, de handeling, de span-

-ocr page 316-

292

ning van het verhaal veel zwakker is dan de karakter-teekening, met uitzondering wellicht van Cornelia Wildschut. Het onderscheiden talent der twee vriendinnen verraadt, zonder dat de eenheid der stukken daaronder lijdt, het aandeel dat ieder harer aan de samenstelling genomen heeft; wat met bijtend vernuft, met puntige scherts en losse vroolijkheid geschreven is, vloeide uit de pen van Elisabeth Bekker; wat ernstig streng zedelijk soms wat langdradig is, uit die harer getrouwe Agatha.

Het veld der eigenlijke dichtkunst betraden zij ook gezamenlijk, en hare bevallige, natuurlijke Oeconomische Liedjes — om slechts hiervan te spreken — verzekeren haar eene eervolle plaats onder de dichters van ons vaderland.

In de verwikkelingen van den Engelschen oorlog en der hieruit voortgevloeide inlandsche onlusten, bleven deze twee begaafde vrouwen geene lijdelijke toeschouweressen van wal er gebeurde: zij hingen onverholen, ook in hare geschriften, de partij der Patriotten aan, en vonden het daarom raadzaam, in 1787, bij de nederlaag dier partij, naar Frankrijk uit te wijken. Daar bewoonden zij het stille Trevo.ux, in Bourgondië; niet in volmaakte rust echter, want in de dagen van het schrikbewind liep Elisabeth, die reeds voor den bloedraad gedaagd was, het grootste gevaar van haar hoofd onder de moordbijl der guillotine te verliezen. Ook haastten zij zich in 1798, toen het den uitgewekenen vergund werd hunne haardsteden weder te zien, naar hst vaderland terug te keereu. Zij vestigden zich te 's Hage, baar bekrompen onderhoud zoekende in het schrijven en vertalen van boeken, en overleden er, Elisabeth den 5den, Aagje den 14den November 1804.

-ocr page 317-

293

BERDE TIJDVAK.

NIEUWE LETTEREN.

lste HOOFDSTUK. — Overgangstijdperk. Tan 1795—1830.

I. Terwijl de rust-, land-en rijmlievende Nederlanders van het einde des vorige tijdperks zoo dommelig daarheen dichtten, was er in de nieuwe wereld van Colombus een kreet opgegaan, die weldra tot over den wijden Oceaan, door geheel Europa, vreeslijk zou weergalmen. De dertien landscJiapjien van Noord-America hadden den strijd om hunne onafhankelijkheid tegen Engeland begonnen ; en Nederland haatte zijn ouden mededinger in de heerschappij der zee genoeg, om, naast Frankrijk en Spanje, partij te kiezen voor den jongen Statenbond, die weldra, onder het voorzitterschap van den grooten Washington, zijn onafhankelijk bestaan erlangde.

2- Door geheel het oude Europa was intusschen, met den geest van ongeloof, het zaad van oproer en omwenteling uitgestrooid. H o 1 b ach in Duitschland, J. J. Rousseau met Voltaire en de Encyclopaedisten, in Frankrijk, hunne volgelingen in Portugal, Spanje, Napels, ja, zelfs Ere der ik II op den troon van Pruisen, hadden de staatkundige steunsels dei staten aan het wankelen gebracht, door het ondermijnen der zedelijke, en grondstellingen heerschend gemaakt, welke met de bestaande orde van dingen lijnrecht in strijd waren. Te vergeefs schatte de weliswaar zwakke, maar niet geheel onbekwame Lodewijk X\T de heerendienstenen de lijfeigenschap af; te vergeefs deed hij de pijnbank verdwijnen en stelde hij banken van leening in, ten einde in de behoeften der armen te voorzien en de altijd hooger stijgende eischen des volks te voldoen; niets kon baten: do ontembare

-ocr page 318-

294

stroom moest zijn loop hebben. In 1789 had zich de derde stand, met uitsluiting der twee andere standen, in Frankrijk, tot Nationale Fer^aderm//opgeworpen, en datzelfde jaar erkende deze de beruchte «rechten van den menschquot;, waardoor', in principe, met al de verloopene eeuwen gebroken werd. Wat daarop volgde, weet men: troon, godsdienst, zeden en gebruiken, verdwenen in eene zee van bloed. De geschiedenis was een nieuw tijdperk ingetreden; eene geheel nieuwe wereldbeschouwing, de logische consequentie van de denkbeelden der XVF6 eeuw, nam de plaats der oude in.

3. De weerslag van die schokken, de invloed van die denkbeelden deden zich ook hier gevoelen. Voeg daarbij de botsing der partijen op staalkundig gebied, ten onzent, de vernietiging van onzen handel, de overheer-sching des vreemdelings en de eindelijke hergeboorte van een onafhankelijk koninkrijk, in 1814, en men zal begrijpen, hoe, in een zoo betrekkelijk kort tijdsbestek, onze letteren, gelijk ons volksbestaan, een algeheelen omkeer hebben kunnen ondergaan. Het stijve, conventionneele, gekunstelde, aristocratische der kunst bezweek grooten-deels, en met vrijen, tuchtigen gang trad de moderne muze te voorschijn. De klassieke oudheid werd nog altijd bestudeerd, maar niet meer met zoo uitsluitende bewondering, noch zoo slaafsche navolging.

4. Niet meer de Franschen, al speelde die natie de hoofdrol in het verbazende drama, dat van 1787 tot 1815 op het tooneel van Europa werd voorgesteld; niet meer slechts de Engelschen, wier Edw. Young, Richardson, Pope, Addison, De Foë, Thomson, Fielding, Stern e en anderen nochtans een gevoeli-gen invloed op onze letteren uitoefenden; ook de Hoog-duitschers,bij wie Lessing, tClopsto ck, Göthe, Schiller, Wie land, Gessner, Herder, Schlegel, enz. als sterren van allerlei grootte aan den letterkundigen

-ocr page 319-

295

hemel schitterden, werden thans gretig gelezen, schoon niet altijd even oordeelkundig nagevolgd.

5. Vier mannen, die duidelijk het kenmerk van dien invloed der Duitsche letteren dragen, vormen als den overgang tot het nieuwe tijdvak, en komen hier dus hel allereerst in aanmerking; het zijn: Van A lp hen, Bellamy, Nieuw land en Feith. Eenige andere namen zullen zich, als van zelf, um die der meesters scharen. Hiëronymus van Alphen werd te Gouda in 1746 geboren, studeerde de rechten te Utrecht en te Leiden, en werd in deze laatste stad, op 22-jarigen leeftijd, tot meester in dat vak bevorderd. Terwijl hij te Utrecht de rechtsgeleerde praktijk uitoefende, gaf hij, met zijnen vriend, den vertaler van Ossian en der ÜcZen van K1 o p-stock en var. Wiel and, den Haagschen advokaat en lateien Pensionaris van Haarlem, Pieter Leonard van de Kasteel e, de Proeve van Stigtelijke Mengelpoëzij uit, waarin, voor 't eerst sedert lang, de godsdienstige gevoelens met eenige warmte en natuurlijkheid geüit worden. Na een paar polemische geschriften van guds-dieiistigen inhoud, deed Van A I p h e n achtereenvolgens zijne Gedichten en Overdenkimjen, zijne Nederlandsche Gezangen en oene bewerking van Pi i ede I's Theorie der schoone Kansten en Wetenschappen verschijnen. In dit laatste werk en in de Dichtkundige Verhandelingen deelt hij, steunende op de meening van al degenen, die onder de Engelschen, Franschen en Hoogduitschers in wetenschap en smaak hebben uitgemunt, zijne gezonde begrippen over kunst mede. Hoewel Van A lp hen ook door dit werk tot de zegepraal der nieuwe richting in onze letteren heeft bijgedragen, heeft men de opmerking gemaakt, en niet te onrechte, dunkt ons, dat de wijze, waarop hij in de Kleine Gedichten voor Kinderen deze denkbeelden in praktijk bracht, van nog meer gewicht voor den terugkeer tot natuur en waarheid in de dicht-

-ocr page 320-

206

kunst geweest is. Ook was het Boekje van Van Alp hen — zooals de kinderwereld het noemde — ge-ruimen tijd eene geliefde lectuur der schooljeugd; maar ten aanzien van het ietwat pedante, ouderwetsche, iiiëronymusachtige van sommige dier gedichtjes, zou men het oordeel van J. Glarisse niet gaarne meer onderschrijven: „(Van Alp hen) is in die soort van poëzy, zonder iemands wederzeggen, ja boven alle bedenking zoo zeer de grootste, ilat hij verdient de Eeniqe genoemd te worden.quot; Een ernstigen «wederzeggerquot; heeft hij intusschen ontmoet in P. A. de Génestet, die 't volstrekt niet vinden kon met Van Alp hen's «onnatuurlijke Jantjes en Pietjes.quot; Nadat onze dichter in 1780 tot procureur-generaal bij het hof te Utrecht aangesteld was, in welk ambt hij, als getrouw aanhanger van het huis van Oranje, een niet gering aandeel nam aan de staatkundige beweging dier dagen, zond hij, in 1783, de Mengelingen in proza en poëzij in het licht, met minnedichten en godsdienstige liederen en met de drie bekende cantaten: Doygersbank, de Hoop der Zaligheid en ■\-de Starrenhemel. Dit laatste geldt, onder de ernstige gedichten, voor Van Alp hen's meesterstuk. De gewichtige beroepsplichten, welke hem, in zijne latere betrekkingen van raad en Pensionaris van Leiden, en daarna van Raad en Thesaurier-Generaal der Unie, te 's Hage, tot gezetten arbeid noopten, droegen gedeeltelijk de schuld, dat 's mans dichterlijke loopbaan tot den tijd zijner rust, in 1795, gestuit werd. Van toen tot aan zijn verscheiden, in 1803, gaf hij nog verschillende dichtwerken uit, meest alle van godsdienstige en zedekundige strekking, de soort waar hij, over het geheel, het meest in uitmuntte.

6. Minder diep, minder rijp dan de vorige, maar met meer dichterlijken gloed en teeder gevoel bedeeld was Jacobus Bellamy, die in 1757, uit een Zwitserschen vader te Vlissingen geboren werd. De vroege dood zijns

-ocr page 321-

297

vaders en de schamele toestand zijner familie dwongen den begaafden jongeling het zeer prozaïsche beroep van broodbakker te aanvaarden. Maar toen, ook voor hem, gelijk voor Rembrand,

v......de glorie zijner gaven

Niet onder 't stuivend meel begraven.quot;

bleef, zorgden eenige bemiddelde stadgenooten er voor, dat de iongeling te Utrecht akademisch onderwijs in de godgeleerdheid mocht genieten. Men was in't jaar 1782. De gisting, welke de politieke vraagstukken van den dag in de gemoederen hadden doen ontstaan, kon iemand met zoo levendige verbeelding en zoo beweeglijk gemoed als Bellamy niet sparen, vooral toen het toeval hem den bekende patriot Quint ündaatje tot huisgenoot en vriend gaf. Spoedig verschenen dan ook de Vader-landsche gezangen van Zelandus (een aan zijn geboorteland ontleende pseudoniem), die van oorspronkelijkheid en stoutheid getuigen, en even gespierde verzen aanbieden, als zijne bijna gelijktijdig uitgegeven minneliederen; Gezangen mijner jeugd, er vertoon en vol zachte, haast weeke teederheid. Drie jaren daarna verscheen het eerst een bundel gedichten onder zijnen naam; de Gezangen van J. Bellamy, gelijk later al zijne dichterlijke werken in zakboek-formaat, onder den Utel van Gedichten van Bellamy, door Adriaan Loosjes zijn uitgegeven. Bellamy is, met Van Alphen, de eerste geweest, die, naar 't voorbeeld der Engelschen, de rijmlooze verzen in zwang zocht te brengen. Zij kwamen uit een tijdperk waar 't rijm als vergood was geworden, geen wonder, dat de reactie, als gewoonlijk, te ver ging, en de goede zaak, om haar misbruik, wilde afschaffen, t Onder medewerking van begaafde vrienden en mede-studenten ter ütreclitscbe akademie — als de ongekunstelde en toch gevoelige dichter en prozaschrijver, Willem Anton Ockerse» en diens zwager Jan Pie ter Kleyn; als Rau, 11 in lopen,

-ocr page 322-

298

Car j), C h e v a 11 i e r, de boven besproken Van A1 p h e n en de later te vermelden Joannes Kinker —gaf' hij nog menig dioht- en prozastuk uit in de drie deeltjes van Proeven rooi' het verstand, den smaak en het hart, in liet Taal-, Dicht- en Letterkundig Kabinet, van (i, B ren der a Br an dis, en in de j twee stukjes van den Poëtischen Spectator, r Onder die voortbrengselen verdient zijne beroemde ballade Roosje eene bijzondere vermelding, als vereenigende enn grooten eenvoud met eene roerende teederheid.

* In weerwil der vele, reeds aangestipte, goede hoedanigheden van een talent, dat niet tot volkomen rijpheid mocht komen, is ' Bellamy niet overal vrij te spreken van eentonigheid, gemaaktheid en overdrijving. Hij relde nog geen 29 jaren, toen de dood hem aan de vaderlandsehe letteren ontrukte.

7. Een ander kind des volks, Pi et e r Nieuwland, de zoon van een timmerman uit Dieraenneer, waar hij in 1764 geboren werd, verdient hier eene eereplaats naast de beide vorigen, al is de bundel zijner dichterlijke werken van geringen omvang. Door de verlichte en belang-looze zorg van den Latijnschen dichter Jeronimo de Bosch, ontwies Nieuwland zijn nederigen geboortekring: hij ontving niet alleen de gewone akademische vorming, maar ontwikkelde zich ook tot een waarlijk geniaal wis- en natuurkundige, in welk vak hij dan ook als leeraar te Amsterdam werd aangesteld. Men is geneigd te gelooven, dat deze geliefkoosde wetenschap des dichters eene zijner schoonste eigenschappen, in de dichtkunst, heeft helpen bewaren en bevorderen: den eenvoud. Inderdaad, Nieuwland moge al geen dichter van buitengemeen hooge vlucht of verbazende stoutheid zijn, er ligt toch (om slechts drie voorbeelden aan te halen) in zijn half lyrischen, half didaktischen, maar altijd voortreflijken, Orion, in zijn zielroerenden Lyfczcmgf op zijne echtgenoote en zijne dochter, en in zijn vroolijk schertsend Tafelliedje, zooveel waarheid, zooveel natuur en smaak, zooveel ongekunstelde bevalligheid, dat hij

-ocr page 323-

299

reeds geheel de droevige kunstschool, die hem had opgekweekt, ontwassen, en met volle bewustzijn het nieuwe tijdvak blijkt ingetreden te zijn.

Ue dichtkunst was evenwel zijne levenstaak niet; zij was hem veeleer eene uitspanning en verademing. Ook had lijj slechts twee deelen: Gedichten en Redevoeringen en Nagelaten Gedichten, geschreven, toen hij, in 171)4, na pas één jaar het hoogleeraars-ambt der natuurkunde aan de hoo^eschool van Leiden te hebben bekleed, zijne echtgenoote, Anna Pruyssenaar, welke hij „vroeg verloor en nooit heeft vergetenquot;, in liet graf volgde. N i e u w-land hanteerde ook, en met veel gemak, de Fransche lier, gelijk zijne Bagatelles Francaises getuigen, en de Latijnsche. In de laatste taal wedijverde hij met zijn tien jaar jongeren kunstbroeder, David Jacob van L en nep, (den vader van den later te vermelden Jacob van Lennep,) die zijn leven tot het jaar 1853 mocht rekken. Buiten eene vertaling der Werken en Lagen van Hesiodus, bezitten wij van Van Lennep's hand een paar bundels met Latijnsche, en éénen met Nederlandsche gedichten. Hij was een man van omvattende kennis en keurigen smaak, en in meer dan één opzicht met N i e u w 1 ;i u d te vergelijken. Zijn /. Hollandsche Duinzang geldt nog als een uitmuntend gedicht.

8. Zoo wij, in het vorige tijdperk en elders, over valsch vernuft klaagden, bij den dichter, die het bovenvermelde viertal zal vol maken, hebben wij over valsch gevoel te klagen. Het droornerige, half nevelige der gedichten van Young en van Ossi a n, het nare, ziekelijke van Miller's Siegwart en Got he's Wert hei\ het bespiegelend godsdienstige van Klopstock hadden met 's mans zenuwachtige politieke opgewondenheid meegewerkt, om in zijne weeke ziel ik weet niet welke w.in-boop van alle ondermaansch geluk, welke vooringenomenheid met het sombere, welke liefde voor nacht en puin-hoopen, voor graf en dood, welke misselijke sentimentaliteit op te wekken. Rh ij n vis Feith, in 1753, te Zwolle, uit een aanzienlijk G-eldersch geslacht geboren.

-ocr page 324-

300

ruim zeventien jaren daarna te Leiden tot doctor in de rechten bevorderd, later burgemeester van Zwolle en eindelijk ontvanger der Convooien en Licenten, was anders zoo stiefmoederlijk niet van de fortuin behandeld, dat hij zich, op zijn rustig Boschwijk, in een Platonische liefde voor akeligheden behoefde te verlustigen.

» . . Je hais les pleururds, les rêveurs a nacelles,

Les amants de la nuit, des iacs, des cascatelles,quot;

roepen wij Alfred de Musset na. En buitendien,hoe zonderling rijmt die overdreven teergevoeligheid met zijne hevige pratriotsche denkbeelden!

Wij hebben F ei th onder een viervoudig oogpunt te beschouwen, namelijk: als lier-, als treurspel- en als leerdichter, eu als pima-schrijver. Behalve enkele zijner eerste lyrische voortbrengselen, die afzonderlijk het licht zagen, bevatten de Oden en Gedichten, in 5 deelen, de voornaamste gewrochten dezer soort. Men heeft den Lierzang op de linyter, de Ode aan God, Aan mijn Vaderland, Aan c\e Vrijheid, Europa, Aan Napoleon, De Onsterfelijkheid, als krachtige, stoute, verhevene stukken geprezen. Dat moge waarheid zijn; maar op 's mans lyrisch talent, in het algemeen, toegepast, is het overdreven lof. -Feith heeft te min dieote en is te lang, om krachtig; te zijn ; zjjne stoutheid bestaat vaak meer in holle woorden dan in gedachten, en als hij zich denkt te verheffen, is hij te dikwijls slechts hoogdravend. ^ Er zijn echter bij hem oogenblikken van verheffing; daar is soms eene trilling, die van hoogere aanblazing getuigt, vooral in de liederen van godsdienstigen of vaderlandschen inhoud, liet best slaagt hij in de wijsgeerige of bespiegelende ode, welke, naar zjjne eigene bepaling, „nuttige waarheden zinrijk voordraagt, en zich, in het bevallig en aantrekkelijk gewaad der dichtkunst, toegang tot het hart weet te bezorgen.quot; Ongelukkigerwijze brengt hem deze dichtsoort veelal tot die weemoedige en sombere stemming, waarvan wij reeds gesproken hebben, en die over geheel de lyrische — zoowel als over de didaktische — werken van Feith eene vermoeiende eentonigheid verspreidt o Voor het treurspel had hij gansch geen kracht. Reeds in 1784 beproefde hij die nieuwe loopbaan, door de uitgave van Thirsa

-ocr page 325-

301

of de Zeye van den godsdienst, in welk stuk hij „liet bekende geval van de Joodsche moeder met hare zeven zonen, uit de tijden der Makkabeën en van Antiochus Epiphanesquot; veraanschonw-lijkt. De Ladij Johanna Gray vertoont eveneens de verzaking van alles, liever dan van eene ovurtuiging. Beide gewrochten, alhoewel niet van eenige dichterlijke, soms ook oratorische, verdiensten ontbloot, zijn echter te zwak van handeling en van karakterschetsing, te stijf en niet zelden te gezwollen van toon. oin diepen indruk te maken. Tnes de Caxtro, welke de bekende episode uit Camoëns' Lusiade dramatiseert, is van meer aandoen-lijken aard, ofschoon zeer onvolmaakt, en de Mucins Cor dus is het uitvloeisel va,n des dichters patriotsche opgewondenheid. Minder dan de Oden, waar Feith zich meer subjectief openbaarde, gaan de treurspelen aan overgevoeligheid mank, al zjjn ze er niet geheel vrij van; maar des te onmeedoogender rooft die ziekelijke teerheid u weer al liet genot van vele heerlijke verzen en van menige treffende schildering in de leerdichten, en bepaald in het beste en omvangrijkste,'iïei Graf. Rn nochtans maalt hij, in de vier zangen van dit leerdicht, niet slechts „de zwarte' somberheid van het grafquot;, maar ook „het morgenrood der eeuwigheidquot;, 't welk daarop „steeds eene liefelijke schemering, een rozenkleurig lichtquot; verspreidt De Ouderdom, in zes zangen, en zijne laatste werken. De Eenzaamheid en De Wereld, staan beneden het vorige, in allo opzichten.

Als prozaschrijver heeft men Feith, in wien men zoo lang de type van den dichter heeft gezien, misschien te min lof toegekend, althans aan dat gedeelte zijner prozaschriften, die over kunst handelen, als de Brieven over verscheidene onderwerpen en de met Kantelaar uitgegevene Bjdrayen ter bevordering der schoone Kunsten en Wetenschappen. r~ De Brieven aan Sophie, over den geest van de Kantiaansche Wijshegeerte. daarentegen, vloeien weer over van sentimentaliteit. Eene scherpe hekeling viel dit boek ten deel van de zijde des geestigen, veel dieperen K i nk er 's, in de Brieven van Sophie aan Feith. (Jok zijne twee romans, Julia en Ferdinand en Constantia, verloochenen, in dat opzicht, hunnen schrijver niet. Kn toch wras er reeds een vierde onzer XlXrle eeuw verstreken, eer Feith — thans niet „par méta-phorequot;, maar in ernst — ten grave ging, in 1824.

1 ■I

i

I

ïf

|

li' |

lil

1

*

!

-ocr page 326-

302

9. Het sentimeiiteele was, als eene ziektestof, in velen overgegaan; en de tijd is nog zoo ver niet achter ons —men denke slechts aan de eerste periode van Beets' kunstenaarsleven — dat men met die onnatuurlijke, opgeschroefde teergevoeligheid, waarbij alle gezonde poëzie, alle frischheid van gevoel, alle schoon der natuur teloorgaan, dweepte. Daar waren er ook die er van huiverden. Wolff en Deken hadden reeds die „nieuwbakken zedelijke ziektequot;, die eene „nationale ziektequot; worden kou, door hare onopgesmukte, uit liet leven gegrepen verhalen en schetsen aangetast. Bellamy had in een geestigen dialoog, destjjds in de boven aangehaalde Proeven voor verstand, smaak en hart uitgegeven, het onnatuurlijke dier gevoelzucht aangetoond. De practische Willem Emery Baron van Ferponoher stelde ze met onmeedoogende juistheid aan de kaak, in zijne Gedachten over het Sentimenteele van dezen tijd; Bilderdijk zelf, die, zoolang zijne vriendschap met Feith duurde, nog al ingenomen was met diens sentimentalistische Oden, trok er later tegen te velde, onder andere in eene parodie der bekende Ballade Edward, door hem in Kinker's Post van den Helicon geplaatst. Onder den pseudoniem van Bruno Daalberg, schreef F. de Wakker van Zon eenige romans van satyrieken en boertigen inhoud, die eene volmaakte tegenstelling met Feith's werken van dien aard vormen. Den laatsten slag gaf evenwel Arend Focke (Sim ons zoon bijgenaamd, tot onderscheiding met zijnen grootvader, een acteur aan den Amsterdamschen schouwburg) aan deze kunsttheorie. Deze, in 1755 geboren Amsterdammer, die beurtelings graveerder, boekhandelaar en klerk ter secretarie zijner geboortestad was, heeft eene menigte prozaschriften over allerlei vakken van wetenschap uitgegeven. Het is moeilijk, die geschriften onder eeue bepaalde soort te rangschikken, daar zij noch geschiedenis, noch romans, noch eigenlijk wetenschappelijke verhandelingen bevatten, maar veeltijds luimige, dikwijls al te realistische of zelfs platte karikaturen en boertige vertooningen, die van veel belezenheid en kunde getuigen. Zijn ^Moderne Helicon, een droom, deed het belachlijke van het zoetsappige sentimentalismus voorgoed en op tastbare wijze uitkomen en gaf er den doodsteek aan, maar is desniettemin op zich zelf laf en plat.

-ocr page 327-

303

10. Overiquot;eiis had die kwaal niet alien besmet. Zoo

O

had b. v. Adriaan Loosjes (ITO 1—18-18), een uit Texel geboortige, later te Haarlem gevestigde boekhandelaar, reeds eene geheel andere richting gehouden, en was hij niet alleen, op het voetspoor van 10 lis. Wolj'1 en Agatha Deken, een goed zedeschilder geworden, in zijn veelgelezen Maurits Lijnslager, eene soort van his-torischen roman, waarin hij de lotgevallen van een Am-sterdamschen burgerman in de XVII:e eeuw verhaalt, maar ook een -os, natuurlijk en begaafd dichter, in de epische Eustatius, M.Az. de Ru y ter en andere, in de lyrische Minnezangen en Jeugdige Gedichten en in het treurspel Cecilia. Het ontbreekt Loosjes echter een weinig aan degelijkheid, aan ernstige doorwerking zijner stollen. Hoo-ger dan hij staat de geestige humorist en professor in de geneeskunst .Tac. Vosmaer (1780—1834), met zijn Leven en Wandelingen van Meester Maarten Vroeg.

Hij wordt ook ver overtroffen door den drie jaar jongeren Johannes Kinker (1764—1845), van wien boven reeds met een woord melding werd gemaakt. Oeze was pas zeventien jaren oud, toet. zijne Akaclemie-Zangen het licht zagen. Weldra verschenen; Mijne minderjarige Zangster, van welk werk hij zelf bekent, dat hij »wat te veel toegevendheid gehad heeft voor de dartelheid der jeugdquot;; daarna eene parodie: De Eigenbaat, en het hekelende, door hem bestuurde weekblad dc Post van den Helicon. Van 1788 tot 1793 woonde Kinker in den Haag, en van dit laatste jaar tot 1817 te Amsterdam, onder schaarsche uitoefening van zijn beroep als rechtsgeleerde, en zich geheel wijdend aan de studie der letteren en der wijsbegeerte. Want hij was misschien nog meer wijsgeer dan dichter en een ijverig volgeling van Kant en diens stellingen, welke in hem, voor zoo verre die dorre bespiegelingen zulks gedoogen, haren zanger gevonden hebben. De dichtkunst, zoo getuigt hij

-ocr page 328-

304

zelf in de voorrede van het eerste der drie deelen zijner Gedichten, was voor hem »te ernstig en te verheven, om ze als eene uitspanning te beschouwen.quot; Zij was hem altijd »de taal der huogere denkbeelden en gewaarwordingenquot; en scheen hem, «meer dan de welsprekendheid, geschikt tot het behandelen en inkleeden van wijs-geerige gedachten en onderwerpen.quot; Hoe jammer, dat die man zijne oorspronkelijke gave, zijn meesterschap over den vorm en zijne omvattende kennis verspild heeft aan het bezingen van pantheïstische dwaasheden, als in Het Al leven of de Wereldziel, Gedachten bij het Graf van Kant, De Wereldstaat en elders.

De rechtsgeleerde praktijk had nooit veel aantrekkelijkheid voor Kinker gehad; het moest dus eene welkome tijding voor hem zijn, dat Koning Willem I hem tot hoogleeraar in de Nederiandsche taal en letteren aan de hoogeschool van Luik benoemd had. En toch was het eene ondankbare taak, den Walen

11 . . alle gorgelslagen Van de Nederduitscbe spraakquot;

te leeren; maar Kinker wist, door zijn gullen, ronden aard en zijn leerrijken omgang, zoozeer de genegenheid zijner leerlingen te winnen, dat zij hem, toen de Belgische opstand van 1830 uitbrak, onder hunne bescherming namen, en hem gelegenheid gaven om ongedeerd naar het Noorden terug te keeren.

Daar vestigde hij zich weder te Amsterdam, alwaar hij in 1845, op 81-jaiigen leeftijd, overleed. Gelijk Fe ith, was hij in den aanvang met B i 1 d e r d ij k bevriend; maar hij werd weldra een der vinnigste tegenstanders van den grooten Amsterdammer, van wiens Nederiandsche Spraakleer hij evenmin een bewonderaar was als van zijn karakter. Dit mag ons evenwel niet beletten

-ocr page 329-

305

dien veelbestreden man een afzonderlijk hoofdstuk te wijden.

§ 1. Willem Bilderdijk.

1. Niet zonder huivering schrijven wij hier den naam van onzen grootsten dichter der latere tijden neer, met het doel om den mensch en den schrijver te schetsen. De hevige voor- en tegeningenomenheid, waarvan niet alleen zijn karakter, maar ook zijn taal-en kunsttheorién, zijne politieke en zijne godsdienstige denkbeelden, tijdens zijn leven, het voorwerp waren,, zijn nog niet geheel tot bedaren gebracht.

Hij werd den 7'len September 1756 te Amsterdam geboren, en was pas eenige uren oud. toen, door eene opgeruide volksmenigte, al de vensterglazen der ouderlijke woning, op de Westermarkt gelegen, werden ingeslagen : als ware het een voorteeken van den smaad, die hem, zedel ijker wij ze, zijn geheel leven lang, schoon niet zonder zijne schuld, noch vooral ongewroken, werd aangedaan. Zijn vader, Isaac Bilderdijk, een geneesheer en kunstgenootschappelijk. dichter, maakte zich, door zijne nauwgezetheid en zijn driftigen aard, niet minder dan door zijne verkleefdheid aan de partij der Oranjemannen, zooveel vijanden, dal zijne praktijk te niet ging, en hij zich verplicht zag het ambt van Inspecteur der middelen van Gooi- en Amstelland, hem door de Prinses, weduwe van den Stadhouder Willem IV, opgedragen, te aanvaarden. Zijne moeder, Sybilla Duyzenddaalders, was, zoo beweerde hij, aan de aanzienlijkste oudadellijke en patricische geslachten des lands verwanten vermaagschapt; en 't is langs die zijde dat onze dichter zijne afkomst zoo gaarne opvoerde tot de beroemde huizen van Heusden, Kleef en Teisterbant. tt

Geen wonder dus, dat de fiere knaap, »in kinderlijk ridderlijke droomenquot;, zich voor den krijgsmansstand bestemd achtte, als hij,

'20

-ocr page 330-

306

«Meer mijmerziek clan speelsgezind,

Soms staarde op mossig puin,

En dacht aan Teisterbant.quot;

Een schijnbaar onbeduidend toeval, een trap op den linker voet, hem, op zijn zesde jaar, door een speelmakker toegebracht, veroorzaakte eene ontsteking van het been, welke zijn heel gestel ondermijnde en hem gedurende twaalf jaren, van buitenlucht beroofd, aan de kamelen gedeeltelijk zelfs aan het bed kluisterde. Ook na zijn herstel, behield hij een eenigszins slependen voet. Er viel aan geen soldatenleven meer te denken.

2. Van toen af ving, voor den jeugdigen lijder, een leven van studie, van overdenking, van eigen onderzoek en eigen vorming aan. „Wat zou hij anders doenquot; — zoo getuigde hij later —

«Wat zou hij anders doen die daar gebonden leit,

In kwalen zonder tal tot over 't hoofd gedompeld ;

Geen' voet verzetten kan, of op den hiel wat hompelt,

En over 't vloerkleed kruipt, van 's levens lust beroofd;

En steeds aan hartzeer kwijnt zoo zeer als pijn in 't hoofd. Zoo liepen jaren om. Wat zeg ik, neen zij kropen ;

En ik, ik las, ik dacht, van tranen soms bedropen.

Maar dikwerv' met het lot, mij opgelegd, te vreèn.

Omdat het me overliet ann mijn genegenheên.quot;

De Bijbel niet slechts en de toen nog onvermijdelijke Cats, maar geheel de boekerij zijns vaders en die van een vaderlijken vriend, doctor Verschuur, werden door den leergierigen jongeling gelezen, herlezen en bestudeerd. Zoo leerde hjj, niet zelden uit gebrekkige handboeken, behalve Letterkunde en Geschiedenis, ook Logica en Metaphysica, Wis- en Natuurkunde, Anatomie, Pathologie, Physiologie en Natuurrecht; zoo beoefende hij, met liefde en taaie vlijt, het Sch.oonschrijven, Teekenen en Boekhouden, de Krijgstaktiek en Vestingbouw en vooral de Bouwkunst, welke altijd een bijzondere aantrekkelijkheid voor hem had, om het vereenigd mathematisch en aesthetisch genot, dat zij aanbiedt. Ook oude en nieuwere talen werden door het wonderkind aangeleerd, en hij begon toen reeds de studie dei-taal, in hare wezenlijke bestanddeelen en in haar verband met de menschelijke rede, welke tot onvolledige, weliswaar.

-ocr page 331-

307

maar toch belangrijke uitkomsten geleid heeft. Men houde echter in het oog, dat hij vele der hier opgenoemde en der later te vermelden wetenschappen wel wat fragmentarisch en eenzijdig bezat, gelijk het bij een sterk subjectief gestemden autodidakt te verwachten is. De eigenlijke dichtkunst had nog slechts een gering deel aan den ingespannen arbeid van Bilderdijk's vroegste jaren, en niemand zal in de Beschouwingen can vijf taferwlen uit Josephs leven, door hem op twaalfjarigen leeftijd vervaardigd en later buiten zijn weten uitgegeven, iets meer erkennen aan eene flauwe schemering vóór het oprijzen der prachtigste Juli-zon. Een jaar later vervaardigde hij echter ook al, onder den schertsnaam van Willem Gracilis (de Tengere) kleine -ff. tooueelstukjes voor den huislijken haard, en gordde hij, met zijne broers en zuster, papieren, door hem zeiven vervaardigde wapenrustingen aan, om den Gijsbrecht van Amstel voor te stellen. De vlijtige lezing van Horatius, welke een zeer gelukkigen invloed op zijne langdurige beoefening van het werktuiglijke der taal gehad heeft, en meer nog de invoering der nieuwe psalmberijming (in 1773) wekten het eerst in den jongeling de bewustheid eener dichterlijke roeping. Hij was toen in zijn zeventiende jaar. Hoe stond de oude Dr. Bilderdijk verbaasd,

toen, ruim één jaar daarna, in 1774, zijn Willem zich meldde,

als den dichter van een stuk, dat het Leidsche Genootschap Kunst wordt door arbeid verkregen f-der bekroning waardig achtte, en bij inzending van hetwelk de jonge dichter niet eens zijnen naam in het gebruikelijk besloten briefje vermeld had. Een jaar later won hij, in een nieuwen prijskamp, door twee gedichten, den gouden en den tweeden zilveren eerepenning. Den eersten zilveren had de reeds vermelde Baronnesse de Lan-n o y, die hij, sedert dien tijd, met even oprechte hoogschatting als warme vriendschap bejegende, verworven.

3. Hoe trouw en hoe nauwkeurig de jeugdige bekroonde zijn boekhouderswerk op het vaderlijk kantoor ook' waarnam, er lag in dat hart een ingeboren afkeer van ambten; en toen zijn broeder Johannes zijn IS'1®,

hij zelf zijn 23ste jaar bereikt had, toen riep hij — volgens een later vers — zijn vader toe;

-ocr page 332-

308

»0 mijn Vader

Hoe aaklig was voor my het denkbeeld van een ampt!

My ampten, waardigheên —! my, eer- en geldversmader!

Neen! zij voor 't eerlijk brood met stoomend zweet gekampt!

Neen, sprak ik, kan mijn arm het krijgszwaard niet hanteeren,

Is t harnas my door quot;t lot, door 's Hemels wil, ontzegd:

De tabbaard zal voor 't minst mijne afkomst niet onteeren:

Zoo strijde ik even fier voor onschuld, deugd en recht!quot;

Zes maanden later, den 19clen Mei 1780, trok hij, «volwassen naar lichaam en geest, en in al de rijpheid eener krachtvolle jeugdquot;, naar de Leidsche Hoogeschool,

om er de rechten te studeeren. Het voorgaande jaar had bepaald zijn dichterlijken roem gevestigd, door de uitgave van den Koning Edipus, inaar Sophocles, de eerste dier navolgingen der oude Grieken, waarin zich zijne grondige kennis hunner taal, kunst en oudheid op zoo treffende wijze vertoont; niet de beste, daar dit stuk,

in alle opzichten, moet onderdoen voor den tien jaren later uitgegeven Dood van Epidus.

«Bilderdijk vereenigdequot;, merkt J. A. Alberdingk Thijm te recht aan, »in zijn ruim gemoed wat elkaar scheen nit te sluiten; liefde voor het edel spel der grieksche kunstvormen en voor het fantastische en teder geheimzinnige der middeleeuwsche toestanden. Mij beoefende ter zelfder tijd met ernstige geestdrift de meesterstukken van Sofokles en de ridder tradities van het middeleeuwsche Europa; zijn minnedicht toont de gloeyende sporen dier tweërlei studie.quot;

Hoe schitterend hij, reeds het eerste jaar van zijn verblijf aan de hoogeschool, den verworven roem handhaafde, blijkt uit zijne Verhandeling over het verhand tusschen Dichtkunst en Welsprekendheid met Wijsheyeertr, door de Leidsche Maatschappij van Neder-rgt;^'',J ^; landsche Letterkunde bekroond, terwijl een dichtstuk: Owze vaders hij de oprechtimj van het Gemeenebest, het volgende jaar den prijs waardig gekeurd werd.

Wie den ernstigen jongeling, met zijn a Vantupie geboetseerd voorhoofd en gelaat, met zijn genialen, schoon ietwat kwijnenden

-ocr page 333-

309

bük, in die dagen gezien had; wie zijnen haast buitensporigen studielast kende, en wist, dat hij van de drie nachten er vaak twee aan de studie, slechts eónen aan eene korte rust schonk, zoodat hij herhaalde malen, in de collegiën, van vermoeidheid bewustloos nederzeeg; maar niet tevens zijne vurige, voorliefde en schoonheid uiterst gevoelige ziel kende, dien zou het verwonderd hebben, dat diezelfde jongeling, op dat tijdstip, Horatius, Anacreon, Tibullus en Catullus minneliederen nazong of oorspronkelijke opstelde van zoo weelderigen, zoo bandeloos hartstochtelijken aard, dat men ze der jeugd niet in handen mag geven. [miners Mijne Verlustiging, in 1781, en Bloemtjens, in 1785 uitgegeven, behooren tot dat tijdperk. Merkwaardig is in den eersten dezer bundels, de Offerzang dien hij naar Theocritus bewerkt heeft, en in welken hij, met wonderbare meesterschap over de taal, de weekheid en buigzaamheid van het Griekseb tracht weer te geven. ICen tiaagsch advokaat, de weinig bekende dichter Riemsnijder, met wien hij destijds bevriend was, schijnt hem tot het minnedicht aangespoord te hebben. Tot den tijd van zijn studentenleven en der eerstvolgende jaren, behooren ook een aantal minnezangen, door hem op losse bladen verspreid en uitsluitend voor den vriendenkring bestemd. Deze stukken werden evenwel, zonder des dichters toestemming, tijdens zijne uitlandigheid, onder den titel van Oden en Gedichten, op zoo slordige wijze uitgegeven, dat hij zich genoodzaakt voelde om er later (in 1808) een nieuwen druk van te bezorgen, onder den titel van Odilde — de vertaling van den naam diergene, aan wie deze, met onverschoonbare overdrevenheid van toon en kleur geschreven, liederen werden toegezongen, en die weldra zijne echtgenoote werd, Catharina Rebecca Woesthoven. En toch, zoo Bilderdijk zinnelijk van aanleg was, wat niet te ontkennen valt, hij voerde (geheel anders dan de meeste akademieburgers zijns tijds, lielaas! en ook des onzen), als reeds gezegd is, een arbeidzaam en schijnbaar ingetogen leven. Een bewijs daarvan is, dat hij, in minder dan twee en een half jaar, het doctoraat in de rechten verwierf, en een maand later, den I9,lei] November 1782, als advokaat bij de Hoven van Justitie in den Haag werd toegelaten.

4. Alhoewel de reeds veelzijdig ontwikkelde man zich

-ocr page 334-

310

te Leiden in alle vakken van wetenschap verder had trachten te bekwamen, waren echter de rechten zijne lievelingsstudie gebleven, en hield hij niet op, die, als practizeerend advokaat, met alle krachtsinspanning te beoefenen. Hoor met wat nadruk hij zelf die inspanning schetst!

j,. «Ik zwoer met hart en ziel aan dees mijn roeping trouw, Om haar verduurde ik leed en arbeid, zweet en kou';

Om haar doorwaakte ik nacht aan nachten en verzaakte Wat andren d'arbeid zoet, het leven dierbaar maakte,

Kleefde aan mijn schrijfdisch vast en at mijn tweebak droog.quot;

Het duurde dan ook niet lang of Mr. Willem B i 1-d er dijk stond bekend als een niet minder uitstekend rechtsgeleerde dan begaafd dichter, alhoewel de dichtkunst, in de beslommering der ernstige, vaak stormachtige rechtsgedingen dier dagen, eenigszins op den achtergrond raakte, vooral toen, na zijn huwelijk, in 1784, ook het minnelied op de lippen van den echtgenoot wegstierf.

Er zijn nochtans eene menigte, in latere bundels opgenomen stukken uit den tijd afkomstig, die verliep tusschen -82 en -95, als: de' Geboortejjroel aan den Erfprins (den lateren koning Willem I), de vertalingen van Ossian en van Boëtius en het naar 't Fransch van St. Foix bewerkte, waarlijk geestige too-neelstuk, Deukalion en Pyrrha. Verder werden toen Onno Zwier van Haren's Geuzen, in taal, stijl, poëzie en ophelderende aanteekeningen aanmerkelijk verbeterd, uitgegeven, en de Krijgszangen van Tyrteus, door hem, niet zonder een ironi-schen glimlach een 'ater uitgegeven titelstuk: Aan he! hoofd van mijnen Tyrteus doet het gelooven — den strijdlustigen vrijheidsmannen ten beste gegeven. Boven al die dichtwerken, welke, hoe verdienstelijk ook, voor quot;t grootste deel, slechts als studiën, als oefeningen moesten beschouwd worden, verheft zich Bilderdijk in de balladen, onder welke Elius, een Miniatuur-epos in zeven Zangen, dat hij zelf „van [zijn] beste werkquot; achtte, doch door anderen, niet zonder schromelijke verdrijving, als „geheel misluktquot; beschouwd wordt. De inhoud van dit romantisch ver-

-ocr page 335-

311

hp.al is de raiddeleeuwsche sage van den Zwaanridder. Elius van Grail, een Grieksche held der achtste eeuw, die het instortend keizerrijk verlaten had, werd door een wonderbare zwaan, op even wonderbare wijze, naar den „ Koningstorenquot; van Teisterbant (den Zwanentoren te Kleef,) gevoerd, alwaar hij Heile, de laatste afstammelinge van dat doorluchtig huis tegen de haar bestormende vijanden verdedigt, en tot belooning hare hand verwerft. Om zich een denkbeeld te maken van den rijkdom en den edelen eenvoud dier poëzie, leze men, bij voorbeeld, den 11™ Zang, waar de Zwaan, met den wonderring in de bloedende snebbe, bij Elius neerdaalt; of in den lil6quot;, den tocht van den ridder over Jen Rijn, terwijl de Zwaan vooruitzwemt.

Behalve Elius, zijn ook de Urzijn en Valentijn en het heerlijke Wiel van Hemden voortbrengselen uit die jaren van des dichters episch talent en zijner ingenomenheid met de romantische (ware of gewaande) familieoverleveringen van moederszijde. Daarnaast groepeereu zich in allerlei toon en kleur; Burger's Roosje, de Assenede, Ada, enz., alle tot zijn geliefkoosde genre, de Romance, behoorende, alle vol stoute toetsen, vol waarheid in de opvatting, vol juistheid en kracht in de uitdrukking.

5. Het omwentelingsjaar 1795 bracht den Nederlanden, van uit het ziedende Frankrijk, met de zoogenaamde vrijheid, eene Rataafsche Republiek. Voor niemand in den lande was die omkeer minder gewenscht, en meer noodlottig dan voor onzen dichter.

Hij was, als zijn vader, een trouw vriend en vurig aanhanger van het huis van Oranje, in welks «Stadhouderschap — het zijn de woorden van Bil der dijk zeiven — (hij) het bolwerk der burgerlijke vrijheid tegen de Aristocratie zag.quot;

Waarschijnlijk echter zou hij zich niet rechtstreeks tegen den nieuwen regeeringsvorm door eene openlijke daad verzet hebben, indien hem de aanleiding daartoe niet, als op gebiedende wijze, ware gegeven. De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden vaardigden een

-ocr page 336-

stuk uit, waardoor alle tot dus verre erkende overheden vervallen en de onderhoorigeii van hunnen eed ontslagen verklaard werden. Dientengevolge werd aan alle ambtenaren een nieuwe eed, van den volgenden inhoud, opgelegd; »Ik verklare te erkennen en te eerbiedigen de onvervreemdbare Rechten van den Mensch en van den Burger, zoodanig als dezelve door de Provisioneele Reprsesentanten van het Volk van Holland, plegtig verklaard zijn bij derzelver Publicatie van den 31 Januarij 1795; en zweere dezelve in mijn Ampt of Bedieninge, voorzoo veel in mij is, te zullen handhaven; — Ook zweer ik, dat ik mede den Volke van Holland, in welks boezem ik erkenne de eigenlijke Oppermagt te berusten, alsook deszelfs vertegenwoordigers, gebouw en getrouw zal zijn, en voorts dat ik alles zal doen, wat een goed en getrouw (Commissaris, Agent, enz.) schuldig is en behoort te doen. Dat zweere ik!quot;

Bi 1 der dij k, de Christelijke wijsgeer, het onverschrokken en opbruisend karakter, was geen man om beginselen als in dat stuk zijn vervat, te onderschrijven. In plaats van, als velen, zijne overtuiging en zijn geweten naar zijn stoffelijk belang te verwringen, of ten minste zich stilzwijgend aan die eedsaflegging te onttrekken en de openbare uitoefening van zijn ambt te laten varen, om in stilte te blijven adviseeren en leven, wendde hij zich, bij adres, aan de Provisioneele Begeering, met de verklarig, dat hij dezen eed niet kon afleggen, ten eerste, omdat zijne vrije praktijk niet als eene bediening, als een ambt mocht beschouwd worden; vervolgens, omdat het aankleven eener overtuiging, eene geheel inwendige daad, niet onder de regeling van het burgerlijk bestuur viel; ten derde, omdat die «onvervreemdbare Rechten van den Mensch en van den Burgerquot; met zijn godsdienstige en juridische begrippen in strijd waren; en eindelijk,

-ocr page 337-

313

omdat hij den eens ten behoeve der Staten van Holland en West-Friesland en van het Huis van Oranje gezworen eed van getrouwheid in gemoede verbindend achtte, en dus geenen daarmee strijdigen kon afleggen.

Al was er niet de minste schijn van oproerigheid in die mannelijke taal, »de praelecture van het Request van Meester Willem Bilderdijkquot; werd door ))de geheele Vergadering met de meeste verontwaardiging gehoord,quot; en den «Advocaat Fiscaalquot; werd gelast, om dat «gevaarlijk en schadelijk sujetquot; aan te zeggen, »dat hij binnen den tijd van vier en twintig uren den Hage, en binnen acht dagen de Provintie zal hebben te verlaten.quot; Hoe diep hem dit. door zijne vijanden (niet zonder grond), wel eens als «gezochtquot; voorgesteld, martelaarschap griefde, blijkt uit een lateren brief van den beklagenswaardigen balling: «Ik had liever gevangenis en schavot afgewacht, dan met mijn gestel en in mijne omstandigheden in ballingschap te gaan.quot; Odilde, de eens zoo vurig door Bilderdijk bezongene, en wederkeerig hem als

»D' onovertrefbre — den volmaaktste van 't Heelalquot;

bezingende Odilde, in wier hart — gedeeltelijk zeker door het driftig en absolutistisch karakter van den dichtei — de liefde reeds lang gestorven was, scheen met de mannelijke houding haars echtgenoots niet ingenomen; althans zij weigerde hem te volgen, zoo beweert hij zelf, ofschoon dat uit geen bewaard gebleven stuk op afdoende wijze blijke, en bleef, met hunne vier kinderen, in den Haag. Op Vrijdag, den 17'-k'n Maart, vertrok de rampzalige dichter uit Amsterdam over de Zuiderzee naar Groningen, om van daar over Hamburg naar Portsmouth en Londen te reizen. Een paar koepletten uit de merkwaardige, op zijnen doortocht te Hamburg geschrevene Uitboezeminq, lichten zijn zielstoestand in die oogenblikken op treffende wijze toe:

-ocr page 338-

314

n't Is weinig, van't heelal vergeten, De holle kaken aan te blikken

Op 't vuile bedstro uitgestrekt, Van 't alverslindende gebrek; — Het dorre brood te moeten eeten,

Met stille tranen overdekt: — Dit al valt hard, mijn God,voorzeker,

't Is weinig zich in vreemdelanden (vleesch;

Den arbeid moedig aan te bièn. Maar echter, 'k nam dien wrangen

En 't werkzaam brein en vlugge (beker

(handen Blijmoedig op, en zonder vrees: Bewonderd, maar versmaad te

(zien: — Doch, God van heil en zaligheden, Gij ziet het waar mijn hart om

't Is weinig zelfs, met kille schrik- (beeft!

(ken De panden van u afgebeden.

Voor 't eerlang naadrend tijdsbe- En waar geheel mijn hart in

(stek, (leeft...!'quot;

6. Te Londen moest hij, door het geven van onderwijs in talen, in de teekenkunst en in verschillende wetenschappen, zijn levensonderhoud zoeken. In eenen uit het Brandenburgsche gehoortigen, in Holland gewoond hebbenden, en thans in Londen gevestigden schilder, Hendrik Willem Schweickhardt, vond de dichter een trouwen, gedienstigen vriend en nog meer. Want, toen de klove tusschen hem en de achtergeblevene üdilde altijd wijder en dieper werd, achtte de verontwaardigde, althans verontwaardiging veinzende, Bilderdijk (naar zijne rechtsleer, dat het huwelijk ipso jure ontbonden is, indien de vrouw blijft weigeren haren man te volgen, en naar de begrippen der Dordtsche kerk) zich ook niet langer gebonden, en sloot hij, den i8equot; Mei 1797 een tweede huwelijk met de alleszins begaafde dochter van den bovenvermelden kunstschilder, Katharina Wil-helmina Schweickhardt. Men versta ons echter wél. Wij zijn in geenen deele geneigd om Bi 1 der-dij k's gedrag in deze zaak te verdedigen. Er zijn in de laatste jaren hieromtrent bijzonderheden aan 'r, licht gekomen, die 's mans karakter en zedelijkheid geene eer aandoen. Het eerste huwelijk werd in 1802 pas wettelijk ontbonden. Drie maanden na zijn tweede echtver-eeniging schreef hij nog aan Odilde, dat zij »met ha-

-ocr page 339-

315

ren zoon naar Bronswijk zou komen en dat zij er »met open armen en open hartquot; zou ontvangen worden. Ook het weigeren hem te volgen is allesbehalve bewezen. Wat zeker is, hij vond in deze vrouw eene zijner ten volle waardige levensgezellin, welke hem, in zijne verdere wisselvallige loopbaan, beurtelings ten steun, ten troost en ter opbeuring verstrekte. Van dat oogenblik begon zijne dichtader met nieuwe vruchtbaarheid te vloeien. Niet alleen minneliederen, en van geheel anderen stijl en inhoud als de vroegere, stroomden met vernieuwden levensgloed van de lier, 't was alsof zijn machtig genie de laatste kluisters van verouderde, aan den tijd van Lo-dewijk XIV herinnerende, kunstvormen afgeschud had, om als lier-, leer-en heldendichter, op den drempel der XIXde eeuw, in al den glans van zijne oorspronkelijke kracht te verschijnen.

Hij was intusschen, in Junij 1797, naar Bruns .vijk ge-getrokken, in de hoop, dat zijn oude kennis, de Hertog, en de thans ook aldaar gevestigde Prins Willem V, wiens dochter erfprinses van Brunswijk was, hem eene plaats zouden kunnen bezorgen, die hem tegen broodsgebrek beveiligde. Dat mocht slechts ten deele gebeuren: hij ontving een jaargeld van 260 rijksdaalders van den Hertog en bijna zooveel van den Prins. Degeleerde dichter, die niets begreep van de waarde van 't geld, noch van de vaderlandsche zuinigheid, moest wederom door les geven in het verder onderhoud van vrouw en kroost voorzien.

Brunswijk was destijds eene verzamelplaats van uitgewekenen aller landen; en zoo breidde zich de kring der vakken, welke hij moest onderwijzen, in 't ongelooflijke uit. „Men beproeve slechts eens (zegt hij zelf) wat het in hebbe, 't eiken dag der weke twaalf of dertien Collegiën; over Rekenkunst, Bovennatuurkunde, gewone eu verhevener beschouwende en beoefenende Wiskunst, Sterre- en Aardrijkskunde; — over Teeken-, Schilder-, Bouw-

-ocr page 340-

310

en Doorzichtkunde, Ontleedkunst; — Natuur-, Staats- en Burgerrecht, Geschiedenis, Grieksche en Romcinsche Oudheid, en velerlei Oude ea Hedendaagsche Talen en vakken van Letterkunde, te geven, en dit meestal in uitheemsche Spraken, zeer dikwijls zonder leiding van eenig Handboekquot;; enz. Geen wonder dat men te Ilildesheim, waar hij woonde, niet wist wat te denken van al die Bilderdijken, voor wie nu eens brieven onder 't adres van; Herrn Bilderdijk, den Male)-, dan van Herrn B. den Mathematiker, of van Herrn B. den Advocat, den Dichter, den Physioloy, den Sprachlehrer, enz. aankwamen. Laat daar nu ook wat ijdelheid, wat zelfverheffing onder schuilen; laat die algemoene wetenschap soms wat min grondig, die veelzijdigheid wat overdreven zijn, toch zouden wij hem daarom niet gaarne van „grootheidswaanquot; beschuldigen; immers de duizenden grootere en kleinere stukken papier, die zijne eigenhandige aanteekeningen en opmerkingen over allerlei vakken van wetenschap voor het nageslaoht bewaard hebben, bewijzen, dat Busken Huet het niet ver mis had, toen hij van Bilderdijk getuigde, dat „hij geheel alleen op de vijf faculteiten eener hoogeschool gelijkt.quot; Bij dat alles vond de wondermensch tijd om bundel op bundel vol gedichten uit te geven.-De Menyelpoëzij, in twee deelcn, waarvan het tweede VerfeUimjen en Romances bevat, verscheen in 1799 ; de Poëzy, in vier deelen, waarin ook stukken van zijne echtgenoote, van 1803 tot 1807 : de Menyelinyen, ook in vier deelen, tusschen 1804 en 1808, en de twee deelen der Nieuwe Mengelingen, in 1800. Fabel. Ode, Romance, Veld-, Treur- en Minnezang, Vertelling en Overzetting schakeeren met lieflijke afwisseling dien rijken gaard, al moet men erkennen, dat hij nog niet zijn hoogsten bloei bereikt iieeft. Maar gewrochten, als de meesterlijke, zelden over-troflen romance F lor is de Vierde, als de treffende Lierzang op deu moord van den Hertog van Enghien, die afzonderlijk verscheen, als het argloos schertsende Pensioen, als het geestige De Waarheid en Ezopns, het dichterlijk zielkundige De Apostelen in den nacht des verraads, de schitterende oden: Dichtkunst, het Geweten en '.s Levens Beker, als de Minerva, met zoo kunstige rijmkoppeling en zoo bevallige gedachten: de keurige navolging van Theocritus' Visschers, en andere, kenmerken duidelijk genoeg den grooten meester.

-ocr page 341-

317

Zijn eerst taalkundig geschrift, de Verhandeling van de geslachten der Naamwoorden, waarin hij zijne eigenaardige theone der woordgronding blootlegt, behoort eveneens tot dit tijdperk zijns levens, alsook drie vertalingen van langer adem : Het Buitenleven, naar l'Homme des Champs van den insgelijks uitgeweken ahhé Delille bewerkt, maar, als al de vertalingen van Bilderdijk, door hel uitheemsche met Hollandsehe kleur en toon tot nationaal eigendom te ijken: De Mensch, naar Popes Essay en Man, en Ossian's Fingal. Het „in eigenaardig juridischquot; Latijn - geschreven, in Duitschland hoog geprezen Guliehni a Teisterhant (diet. Bilderdijk) ICti. Ohservationum et Emendationum Liher Unus, gaan wij onder bloote vermelding voorbij.

* 7. Het tweede deel der Nieuwe Mengelingen prijkt met eene opdracht »Au Roiquot;, en is uit Leiden, 10 October 1800, gedagteekend. Wat was er gebeurd? Sedert Juni van datzelfde jaar, was er uit de puinhoopen der Bataafsche Republiek een koninkrijk Holland verrezen, en op den troon van dat nieuwe rijk zetelde des ge vreesden Keizers broeder, Lodewijk. Bil d er dij k was even te voren, door de smarten der ballingschap (hij bad vaak 's winters zonder vuur, menigmaal met droog brood gezeten), en het ongunstig klimaat van Brunswijk, tot een ziekelijken toestand vervallen, waartegen de mannen van de kunst maar één geneesmiddel kenden : den va-derlandschen grond en de vaderlandsche lucht. Te gelijker tijd hadden zich ook hier eenige weinigen, onder wie Jeronimo de Vries en de eerbiedwaardigeMei-nard Tydeman dienen vermeld te worden, in de weer gezet om den beroemden balling den terugkeer mogelijk te maken ; en zoo had hij dan, in het voorjaar van 1806,

» . . . met (zijn) strammen voet.

Uit den ongestuimen vloed,

Holland's vasten wal betreden !quot;

Hoe zoet den deerniswaardige, na ruim tien lange jaren, dat wederzien was, zegt ons zijn Aan clenHolland-schen Wal, waaruit wij die verzen trokken, en waar hij verder, half jubelend, half schreiend, uitroept:

-ocr page 342-

318

Yquot;k Heb mijn kromgesloofde leden 'k Heb zijn hemel weêrgezien,

1 Op zijn bodem uitgestrekt; God geprezen op mijn knièn,

'k Heb hem met mijn lijf bedekt; Al de doorgestane smarte

:k Heb hem met mijn arm omva- Weggebannen uit mijn harte,

demd; En het graf van mijn geslacht _

'k Heb zijn lucht weêr ingeademd; Dit mijn rif teruggebracht!''

Een door hem gewenscht hoogleeraarschap in de rechten, te Franeker, mocht hij niet erlangen ^'daarom vestigde hij zich te Leiden. Vóór het einde van dat jaar, als uit de bovengemelde Opdracht blijkt, had de jeugdige, edelmoedige, niet ondichterlijke vorst den genialen man weten te onderscheiden, en hem benoemd tot zijn leeraar in de taal zijns volks. De Oranjevorst, aan wien de dichter met onveranderlijke liefde gehecht bleef, had den huiswaarts keerenden balling van zijnen eed van getrouwheid ontslagen; en nu zag deze er geen bezwaar meer in, den Koning van Holland met eerbiedige genegenheid aan te hangen. »Sirequot;, zoo zingt hij hem ter bovengemelde plaats toe :

«Sire, vous paraissez, le bonheur va renaltre,

Tout un peuple a genoux vous demande la lol;

Le Batave est surpris et d'adorer un maitre Et d'etre libre enfin sous le pouvoir d'un Roi.quot;

De weinige regeeringsjaren (1806—1810) van Lode-wijk zijn dan ook de gelukkigste van Bilderdijk's leven en tevens de schitterendste van zijne dichterlijke loopbaan Vele der in deze jaren uitgegeven verzamelingen waren reeds voor de terugkomst in het vaderland geschreven; wij hebben die hierboven vermeld, en komen er thans niet meer op terug. In 1808 zagen de Najaarsbladen het licht. Hoe zedig de titel ook is, er schuilden sappige vruchten onder die Bladen., die het Najaar van den rijpenden boom zijner dichtgave deed vallen. De enge ruimte van ons bestek veroorlooft evenwel niet, ons aan die vruchten te vergasten; vier meesterstukken van verschillende dichtsoorten, uit dit tijdperk zijns levens, vergen geheel onze aandacht; eene Ode {Napo-

-ocr page 343-

319

leori), een Leerdichtv(De ziekte der Geleerden), de Treurspelen, een Heldendicht.(jDö Ondergang der Eerste Ware ld).

8. Wanneer men 's dichters diepe overtuiging, dat men de overheid, welke ook, gehoorzaamheid schuldig is, kent; wanneer men weet, dat hij in den verbazender! levensloop van Napoleon de voltrekking van Gods oordeelen meende te zien; als men zicli herinnert, welke ingenomenheid hem, van zijne vroegste jeugd reeds, naar krijgsroem en militaire genieën trok, en daarenhoven rekening houdt van zijne dankbaarheid jegens den koning, wiens broeder hij te bezingen had, dan moet het niemand verwonderen — veel minder verontwaardigen — dat hij die Ode heeft aangestemd, 's Konings geheimschrijver, Dupré, had overigens, door hem tot het vervaardigen van dit stuk aan te sporen, «als eene soort van uitdaging der Hollandsche poezyquot; gedaan, gelijk Bilderdijk zelf verklaart. In geene taal, getuigt C. Yosmaer, is ooit geweldiger hymne geschreven, zoozeer in kracht en vervoering gelijk aan Pindaros.quot; En ja, met echt Pin-darische vlucht verheft zich de zanger als boven 't aardrijk, om van die hoogte, met protetischen blik, eerst den overwinnaar, dan den heerscher te beschouwen. De toekomst ontsluit hem hare poorten; hij meent het vrederijk der verwachting te zien;

V «Een aard, met zooveel bloed bedropen,

Schiet palmen en olijven uit!

Het zwaard, gekromd op menschen?chonken,

De spies, van 't bloed der Helden dronken,

Doorklieven 't land als ploeg en spa;

En 't klateren der schrik trompetten Verkondigt blijde vredewetten.

En 't eind van 's Hemels ongena!quot;

Wat evenwel nog beter verklaart, hoe Bilderdijk, die, vroeger en later, den ontzaglijken veroveraar met zoo scherpe roede gegeeseld heeft, hem hier bijna als een halfgod voorstelt, is het slotkoeplet, hetwelk, op aanraden van Van der Palm, uit des dichters handschrift

-ocr page 344-

werd weggelaten en daarom in zijne werken niet gevonden wordt. Da Co sta. heeft het ons medegedeeld; het schijnt ter karakterizeering van den grooten man merkwaardig genoeg om het hier over te schrijven. Daaruit blijkt hoe voorwaardelijk zijne lofspraak was.

«Napoleon 1 zie dui/.end tongen

Uw naam verbreiden over de aard!

Van Oost tot West uw lof gezongen!

Maar zijt gij ook de mijne waard?

Is 't heil der aard uw hoofdbedoelen,

En kunt gij U gelukkig voelen

In 't dienstbaar zijn van zulk een plan?

Uw hart besliss' dit door uw daden;

Zoo die geen andere zucht verraden,

Welaan, ontfang mijn hulde dan!quot;

Dit is, voorwaar, niet de taal eens lagen vleiers, evenmin als het fiere antwoord, 't welk hij eenige jaren later den keizer gaf, toen deze, bij zijn bezoek te Amsterdam, hem vroeg; »Etes-vous connu dans la République des lettres?quot; — »Du moins,quot; zei de dichter met edele zelfbewustheid, »j'ai fait ce que j'ai du pour l'ètre.quot; En hij schrok niet, toen de machtige heerscher, wiens uitspraak en toon (het staccato afrabbelen der periode en aanhouden van de laatste mannelijke sylbe, gelijk Talma op 't tooneel deed) hij werktuiglijk had nagebootst, hem «vreemd aanzag, niet wetende hoe hij 't op moest nemen.quot;

9. Bilderdijk had, in 1806, zijn jongste kind verloren, »het tiende waarvan (hij) den ontijdigen dood bejammerde;quot; hij zelf was ziek en bedlegerig; juist die dubbele smart deed zijn «gefolterden geest in arbeid gaan van een Dichtstuk.quot; Hij schreef De ziekte der Geleerden, welke hij aan de Leidsche Hoogeschool toewijdde, doch waarvan de opbrengst bestemd was om Leiden's ramp te helpen lenigen. Dit voortreflijk leerdicht

y » .... zal de kwaal der Letterzwoegren zingen;

^ Den scherpen geesel, die het oefengraag verstand In zijnen throon bestookt; en brein en ingewand,

En bloed, en zenuw stoort: den lust verwoest van 't leven.

-ocr page 345-

321

Van 't daglicht walgen doet, voor eigen schaduw beven;

Wat de aard verruklijkst heeft, tot ijsbren folter maakt;

En 't hemelrein gemoed met helsche toortsen blaakt.''

C In den eersten zang, na de voorstelling des onderwerps, de aanroeping en de toewijding, schetst de dichter de menigte van kwalen, die, als een gevolg der erfzonde, den mensch bedreigen. Hij onderzoekt waarom de mensch vatbaar is voor lijden, en bezingt den lof der Pijn, door God ter waarschuwing van het aandoende kwaad geschapen. Vervolgens toont hij de gevolgen aan, die uit verwaarloozing der eerste ongesteldheid ontstaan, en vermaant, door de natuur te volgen, niet te dwingen. ongeneeslijke kwalen te voorkomen. De tweede zang spoort den oorsprong, den aard en de gevolgen op van de ziekte der geleerden. In den derden geeft hij een algemeen overzicht der ziekten, welke zich onder zinnebeeldige gedaanten aan den dichter vertoonen. Hij daalt in den Afgrond, en vindt daar allerlei zedelijke en lichaamlijke kwalen, die hij beschrijft, en Razernijen, als aanstooksters tot, en wreeksters van zedelijk kwaad en van ziekten. Doch ons hart is de oorsprong van 't zedelijk — 't lichaam, van 't lichaamlijk leed. De vierde zang leert ons hoe groot de schat der gezondheid is; hoe de geleerden haar verliezen, en wat zjj behoorden te doen om ze te behouden. De genezing, door het aantasten der ziekte in haar wezen, en vooral door onthouding van al wat schadelijk en het bezigen van al wat nuttig is, verkregen, wordt ons in den vijfden zang voorgesteld; terwijl de zesde de bijzondere toevallen, welke de arts noch te veel noch te weinig moet achten, in hunne oorzaken en met aangeving der geneesmiddelen, beschrijft. Er bestaat in geene letterkunde der wereld een gedicht, waarin eene zoo afgetrokken, dorre stof met zoo verbazende wetenschap niet alleen en zoo kunstige schikking, maar ook met zoo dichterlijke opvatting en schildering en zoo diep gevoel behandeld wordt, als in dit meesterstuk van Bilderdijk. Ziet, hoe tastbaar hij de Pijn onder de gedaante van een trouwen wachter voorstelt (le Boek, v. 133); met welke kracht van verontwaardiging hij de verspilling der levensvochten schetst in den wellusteling en in den tabaksrooker (2e B. v. 231 en 281); door welke zelfstandige kneding en verwerking hij zich de schoon-

21

-ocr page 346-

320

werd weggelaten en daarom in zijne werken niet gevonden wordt. Da Co sta. heeft het ons medegedeeld; het schijnt ter karakterizeering van den grooten man merkwaardig genoeg om het hier over te schrijven. Daaruit blijkt hoe voorwaardelijk zijne lofspraak was.

«Napoleon! zie duizend tongen

Uw naam verbreiden over de aard!

Van Oost tot West uw lof gezongen!

Maar zijt gij ook de mijne waard?

Is 't heil der aard uw hoofdbedoelen,

En kunt gij U gelukkig voelen

In 't dienstbaar zijn van zulk een plan?

Uw hart besliss' dit door uw daden;

Zoo die geen andere zucht verraden,

Welaan, ontfang mijn hulde dan!quot;

Dit is, voorwaar, niet de taal eens lagen vleiers, evenmin als het fiere antwoord, 't welk hij eenige jaren later den keizer gaf, toen deze, bij zijn bezoek te Amsterdam, hem vroeg; «Ètes-vous connn dans ia République des lettres?quot; — »Du moins,quot; zei de dichter met edele zeif-bewustheid, »j'ai fait ce que j'ai du pour l'être.quot; En hij schrok niet, toen de machtige heerscher, wiens uitspraak en toon (het staccato afrabbelen der periode en aanhouden van de laatste mannelijke syibe, gelijk Talma op 'ttooneel deed) hij werktuiglijk had nagebootst, hem «vreemd aanzag, niet wetende hoe hij 'top moest nemen.quot;

9. Bilderdijk had, in 1806, zijn jongste kind verloren, »het tiende waarvan (hij) den ontijdigen dood bejammerde;quot; hij zelf was ziek en bedlegerig; juist die dubbele smart deed zijn «gefolterden geest in arbeid gaan van een Dichtstuk.quot; Hij schreef De ziekte der Geleerden, welke hij aan de Leidsche Hoogeschool toewijdde, doch waarvan de opbrengst bestemd was om Leiden's ramp te helpen lenigen. Dit voortrellijk leerdicht

w d .... zal de kwaal der Letterzwoegren zingen;

^ Den scherpen geesel, die het oefengraag verstand In zijnen throon bestookt; en brein en ingewand,

En bloed, en zenuw stoort: den lust verwoest van 't leven,

-ocr page 347-

Van 't daglicht walgen doet, voor eigen schaduw beven;

Wat de aard verruklijkst heeft, tot ijsbren folter maak* ;

En 't hemelrein gemoed met helsche toortsen blaakt.''

In den eersten zang, na de voorstelling des ondenverps, de aanroeping en de toewijding, schetst de dichter de menigte van kwalen, die, als een gevolg der erfzonde, den mensch bedreigen. Hij onderzoekt waarom de mensch vatbaar is voor lijden, en bezingt den lof der Pijn, door God ter waarschuwing van het aandoende kwaad geschapen. Vervolgens toont hij de gevolgen aan, die uit verwaarloozing der eerste ongesteldheid ontstaan, en vermaant, door de natuur te volgen, niet te dwingen ongeneeslijke kwalen te voorkomen. De tweede zang spoort den oorsprong, den aard en de gevolgen op van de ziekte der geleerden. In den derden geeft hij een algemeen overzicht der ziekten, welke zich onder zinnebeeldige gedaanten aan den dichter vertoonen. Hij daalt in den Afgrond, en vindt daar allerlei zedelijke en lichaamlijke kwalen, die hij beschrijft, en Kazernijen, als aanstooksters tot, en wreeksters van zedelijk kwaad en van ziekten. Doch ons hart is de oorsprong van 't zedelijk — 't lichaam, van 't lichaamlijk leed. De vierde zang leert ons hoe groot de schat der gezondheid is; hoe de geleerden haar verliezen, en wat zij behoorden te doen om ze te behouden. De genezing, door het aantasten der ziekte in haar wezen, en vooral door onthouding van al wat schadelijk en het bezigen van al wat nuttig is, verkregen, wordt ons in den vijfden zang voorgesteld; terwijl de zesde de bijzondere toevallen, welke de arts noch te veel noch te weinig moet achten, in hunne oorzaken en met aangeving der geneesmiddelen, beschrijft. Er bestaat in geene letterkunde der wereld een gedicht, waarin eene zoo afgetrokken, dorre stof met zoo verbazende wetenschap niet alleen en zoo kunstige schikking, maar ook met zoo dichterlijke opvatting en schildering en zoo diep gevoel behandeld wordt, als in dit meesterstuk van Bilderdijk. Ziet, hoe tastbaar hij de Pijn onder de gedaante van een trouwen wachter voorstelt (le Boek, v. 133); met welke kracht van verontwaardiging hij de verspilling der levensvochten schetst in den wellusteling en in den tabaksrooker {2e B. v. 231 en 281); door welke zelfstandige kneding en verwerking hij zich de schoon-

•21

-ocr page 348-

heden van Dante's Inferno weet eigen te maken, in de Afdaling in den Afgrond (3e B. v. 83); met hoe wonderbare afwisseling hij, na den geleerde, die zijne gezondheid verwoest, den raad gegeven te hebben om in ontspanning van lijf en geest een behoedmiddel te zoeken, op eens de lieflijkste beschrijving van 't huiselijk geluk en 't landleven geeft (5e B. v. 157); en eindelijk, met wat treffend tafereel hij zijn gedicht sluit, in de episode der Dochters van Pelias (Ge B. v. J;97), welke tevens ten bewijs strekt aan zijne daar uitgesproken stelling:

«Geneeskunst steunt Natuur, maar zij lierbaart haar niet.quot;

10. Het nauwe perk, waarbinnen de eischen der tooneel-knnst den dramatischen dichter opsluiten, schijnt altijd eene belemmering voor Bilderdijk's machtig genie en vurige verbeelding te zijn geweest. Langen tijd bleef hij dan ook vreemd aan dat gedeelte der dichtkunst (zijne vroegere vertalingen kan men immers nauwelijks daartoe rekenen), totdat hij, in 1808, met een in driemaal vier en twintig uren ontworpen en geschreven treurspel, Floris de V'', voor den dag kwam. Er mogen in dat werk noch kunstig samenweefsel, noch hoog tragische toestanden te vinden zijn: het geheele verloop moge ons vrij koud laten; toch is de dialoog er zoo levendig en de kennis van de daar geschetste oudheid zoo juist en zoo diep, dat het nog altijd eene merkwaardige proeve van des dichters alzijdige begaafdheid mag heeten. Thans volgen nog drie bundels treurspelen van hem eu van zijne echtgenoote, in wie zich de grootere teeder-heid van het vrouwelijk talent niet verloochent, al erkent men duidelijk welke forsehe mannenhand hare ontwikkeling bestuurd heeft. Willem can Holland waarin, evenals in den Floris, de persoonlijkheid des dichters overal door de sprekende en handelende personages doorstraalt, Kormak en Corneille's Cinna. ziedaar zijn aandeel in die stukken; Elfriede, eerst in 't Engelsch, daarna in 't Nederlandsch, en Racine's Ifhjenia in Aulis. ziedaar het hare. Later gaf zij nog twee treurspelen, Daryo en Ramiro, uit, waarvan het eerste uit de Oud-Schotsche, het tweede en beste uit de Spaansch Moorsche geschiedenis genomen is. Voor het blijspel zon men Bilderdijk's ernstige geest allicht geheel ongeschikt rekenen, waren er onder een groot getal schetsen en

-ocr page 349-

323

fragmenten van tooneelwerken, die nooit uitgewerkt noch uitgegeven zijn, niet enkele stalen van boertigen stijl, die ons weerhouden den auteur van Koekeloer en andere komische stukken alle gave daarvoor te ontzeggen.

li. Grelijk Vondel, zoo wilde ook Bil derdij k een heldendicht schrijven. Beiden hadden behoefte aan godsdienst, geloof aan openbaring, en zochten daar de bron der poëzie en de belangstelling voor hun grootsch onderwerp tevens. Gelijk gene, zoo liet ook deze zijn plan onafgewerkt; de eerste bracht den vijfden zang zijns Constantinus ten einde, en vernietigde daarna zijn werk; de laatste heeft den vijfden zang van zijn Ondergang der eerste Wareld slechts ten halve voltooid, maar't nageslacht is gelukkig genoeg dat heerlijk fragment te bezitten.

„Ik zingquot;, zoo heft de dichter zijn epos aan, en vat er in korte woorden den inhoud van samen,

zing den ondergang van d' eersten Wareldgrond, En 't menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond,

!n gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen En 'taardsche Pararlijs beklautren langs zijn rotsen,

Tot de Almacht, worstlens moè met Adams zondig bloed, Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed,

Wat adem haalde op 't droog, van d'afgrond in deed zwelgen Eén huisgezin behield in 't algemeen verdelgen;

En, op 't verbrijzeld puin in lager lucht verspreid,

Het sterflijk kroost vernieuwde, en 't zaad der eeuwigheid.quot;

Wie zegt ons of des zangers bede, welke op dien aanhef volgt, niet verhoord werd ?

«Verlosser! zie, zie neêr op dit vermetel pogen !

Begunstig 't, is 't iets meer dan Dichterlijke logen;

Maar, stijgt het stouter dan eens Christens Godvrucht past,

Verstoor het uit genade, en leg mijn' waanzin vast!quot;

c Welk een ruim, vruchtbaar, belangrijk en aantrekkelijk onderwerp bezingt dit heldendicht; en welke ontzaglijke vaart neemt dat stout en oorspronklijk genie! Wat eeue hoogst tragische figuur is Segol, de held des gedichts, in het verheven sombere van zijn lot en zijn karakter! Hij is waarlijk het

-ocr page 350-

324

ideaal van een vaderlijken koning en heldhaftigen krijgsman. En daarnaast zijne teedere, schoon slechts halfvolteekende eeht-genoote, en meer nog die aandoenlijke, gevallene, maar berouwhebbende Elpine, in wier hart de liefde tot den Paradijsmensch en de vreeze Gods elkander een zoo hevigen strijd leveren! Treffend is ook de navolging van Klopstock's Abbadona, in Bilderdjjk's Fual, den op vergeving hopenden Paradijsmensch; treffender nog het Eeuzenopperhoofd, de mensch dei-zonde, de leeuwenwelp met slangengeaardheid, die zich, als een brullende hyeen, in schrik- en bloedtooneelen verlustigt, 't Is waar, ook in zijn Epos is Bilde rdijk nog te subjectief; er is iets conventioneels in zijne vormen, iets wat naar deftigheid zweemt, al is het steeds van goed allooi; maar zijne beeldspraak is rijk en schitterend, zijne taal met ongekende plooibaarheid begaafd, zijne verzen in tooverachtige cadans door-elkaar geslingerd. Wie heeft de schildering van het feest, dooide Kaïnieten ter eere der valsche luchtgoden gevierd, gelezen (le Zang, v. 335.), en heeft niet dien verbazenden rijkdom van taal en oudheidkennis bewonderd ? Men vergelijke daarmede den lofzang aan den waren God, door Eiios' kinderen aangeheven (4e Zang. v. 425.), en leze (2e Z. v. 212.) met welke kleuren Adam's vervallen heerschappij en Eva's ouderdom worden voorgesteld; hoe somber en akelig Satan's gebied en zijn helsche Raad er uitzien (3e Z., v. 153.). Is het overdreven lof, dien 's G r a v e n w e e r t, de vertaler van Homerus, en Da Costal den schepper van den Ondergane/ der eerste Wareld toekennen, wanneer zij beweren dat dit gewrocht, bijaldien het ware voltooid, al wat, sedert de Ilias, de epische kunst heeft voortgebracht, in de schaduw zou gesteld hebben? Om die uitspraak te kunnen beamen, zou het noodig zijn dat men het plan in zijn geheel, althans in zijne hoofdtrekken kon nagaan; maar ook dat ontbreekt. Een dubbele ramp, waarvan de eene het vaderland, de andere des dichters huiselijk geluk trof. brak den gouden, nooit meer op te vatten draad van het epos af.

12. Wij zijn in het jaar 1810. Koning Lode wijk, altijd meer in ongunst geraakt bij zijn keizerlijken broeder, legde de Hollandsche Kroon neder, en Nederland werd bij het Fransche Rijk ingelijfd. Het pensioen,

-ocr page 351-

den dichter door Lodewijk toegekend, werd niet meer uitbetaald. Bilderdijk had broodsgebrek! Laat er ook overdrijving zijn in des (lichters uitingen omtrent zijnen nood ; laat er eigen schuld, groote schuld zijn in de oorzaak dier rampen; er zijn ons van die jaren 1810 en 1811 bijzonderheden bekend, die doen huiveren. «Amicis-sirne!quot; — zoo luidt een brief aan dien trouwen de Vries, dien het nageslacht zal zegenen — «Hierbij de quitantiën geteekend te rug. Ik bid U, maak er toch werk van, want wij hebben niets meer, en geen drie stuivers in huis, noch in uitzicht van te kunnen bekomen. Reeds sedert Maandag heb ik opium moeten gebruiken omdat ik geen brood had. Vrijdag.

tt.

Bilderdijk.quot;

In een vertrouwlijken brief, van den 13den Februari 1810, schrijft hij aan Tydeman, dat bij van droog brood en gerstewater moet leven, zijne vrouw en kind van aardappelen met azijn. Twee maanden daarna, den 15de'1 April, werd zijn inboedel met beslag belegd. Dien-zelfden dag schreef hij : »In 14 dagen hebben wij één maaltijd gehad, en die bestond voor ons driën in 9 hoendereieren. Voor 't overige eten wij ons droog brood, als de honger ons meester wordt... Wij hebben volstrekt geene kleederen meer; zelfs geen draagbaar hemd.quot; En zijne gemoedsstemming? Wie beseft ze niet? Wien deert de rampzalige niet, die te midden dier zee van jammeren voelde, dat «vlagen van wanhoop, steeds langduriger, steeds heviger en dichter op elkander volgende, (zijne) ziel bedwelmden,quot; zoo dat hij «vruchteloos tot God (scheen) te roepenquot;. Vooral in de lente van 1810 was die verzoeking tot zelfmoord allerschriklijkst. Vóór het einde van dat jaar kwam er echter reeds eenige kalmte in het gefolterd hart «Uw gunst,quot; zoo riep hij in zijne Levenspijn,

-ocr page 352-

326

» . . . Uw gunst was 't. die mij spaarde!

Gij hebt me, ó groote God en Heiland, steeds behoed Voor Filozolendeugd en Filozofenmoed.quot;

13. ïe midden van die rampspoeden bleef Bilderdijk onverpoosd voortwerken, soms om een bete broods, als met zijne (mislukte) vertaling van den Code Napoleon, meestal onder de aandrift van zijn dichterlek gemoed. De Winterhloemen zagen in 1811 het licht. Drie stukken, in die verzameling, verdienen vooral onze aandacht: De kunst der poëzy, waarin, ouder anderen. Homerus met zoo vurige lofspraak begroet wordt; De schilderkunst, met dien merkwaardigen aanhef; en Afscheid, een terugblik op zijn dichterlijke loopbaan, welke hij „met billijke zelfbewustheidquot; waardeert.

Wij kunnen hier niet nalaten met Da Costa te doen opmerken, dat de titels dor dichtbundels, door Bilderdijk uitgegeven, op hunne wijze getuigenis afleggen van des dichters rijke en vlugge verbeeldingskracht. Op de Najaarsbladen volgden immers de Winterbloemen, in 1811, toen liet waarlijk aan zijn kouden haard winter geworden was. In 1814 schreef hij, als „Voorberichtquot; zijner toen uitgegeven A ffodillm: „In het afnemen van mijn leven en krachten heb ik Xajaars- en Winterbladen en -bloemen gegeven, zoo veel mij de stormen en onweders toelieten; en ik ben op deze wijs tot den oever van het dooden-rijk genaderd. Wat kan ik thans nog opleveren, bloote schaduw van mijzelven geworden en den schimmen der ui tgeleefden gelijk ? — Homerus heeft den donkeren en benevelden toegang des doods met Affodille beplant. Welaan, plukken wij ook hiervan een handvol, eer wij uit het oog onzer tijdgenooten verdwijnen.quot; Wederom drie jaren later gaf hij Nieuwe Uitspruitsels; daarna ^ Sprokkelinye.n, ^-Krekelzaryjen en ^Rotsgalmen; straks Oprakeling, en in zijne vier laatste levensjaren, Nasprokkeling, Nieuwe Oprakeling, de Voet in het Graf, Naklank, Avondschemering, Schemerschijn; en eindelijk Vermaking (d. i. legaat) en Nieuwe Vermaking. In al deze verzamelingen schittert i;i bonte verscheidenheid, maar met onverdoofden glans, in fabel, lierdicht, vertelling, rouwzang, romance, hekeldicht en vertaling, Bilderdijk's onovertroffen dichtgave. Daartusschen verscheen nog menig ander dicht- en prozaschrift, van den meest verschillenden inhoud, als: Hollands Verlossing (1813), Vaderlandsche

-ocr page 353-

327

Uitboezeminfjen (1815), godgeleerde coutroversschriften tegen den Katholieken J. G. Le Sage ten Broek (en toch roept hij daar ergens uit: „Voor de Moederkerk heeft mijn hart ven allen tijde warm geslagenquot;); als het epico-didaktische gedicht; De ^Dieren (1817), welke hij beschouwt „als behoorende tot een rijk van gevallene Engelen, veroordeeld tot dienstbaarheid aai; den mensch, en niet dan ten gevolge van den val en de wederspan-nigheid wederom van dezen, voor een gedeelte tegen hem vijandig en voor hem gevaarlijk gewordenquot;; als de vrij bewerkte en actuëel gemaakte Hekeldichten van Persius, en de geestige, met diepe taalkennis uit het Grieksch overgebrachtei-ikT'/is- en Kik-vomchkrijg (1821), enz.

14. De reeks dier boeken is lang, en nog zijn wij niet ten einde: eene menigte opmerkelijke prozaschriften over Taal-, Dicht-, Geschied- en Zedekunde vloeiden ook nog uit die vruchtbare pen. ^ De Verhanddim/ orer de Geslachten is reeds vermeld; tusschen 1820 en 1825 zagen acht deelen der^TaaZ- en Dicht-kundige Verscheidenheden en; Nieuwe Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden het licht. jsDe Nederdnitsche Spraakleer, van 1826, was bestemd om zijne in Voorredenen, Aanteekeningen en elders verspreide wenken hieromtrent stelselmatig bij elkaar te brengen, maar miste ten deele haar doel De uitgaven van Hooft's Gedichten, Huygens' Korenbloemen en Antonides' Gedichten, met aanteekeningen, Spieghel's Hartspiegel in nieuwer faal en dicht-maat overgebracht, Ovidius' Gedaanteverwisselingen en Euripides' Cycloop, een Saterspel, alsmede de ^.Verklarende Geslachtlijst der Nederdnitsche Naamwoorden, behooren ook tot dat tijdstip. Gedeeltelijk in zijne allerlaatste jaren, gedeeltelijk eerst ua zijnen dood kwamen de Nalezingen, v-de Korte Aanmerkingen op Hui/de-copers Proeve van Taal- en Dichtkunde, de Beginsels der Woord-■vorselling, en, om van al het overige te zwijgen, de Geschiedenis des Vaderlands in druk uit.

Sedert 1817 had de Ihans uit Amsterdam verhuisde eu ten derde male te Leiden gevestigde dichter, aan eenige jongelingen, die aldaar ter hoogeschool studeerden, ü. a. Groen van Prinsterer en Jacob van Lennep, lessen gegeven over verschillende vraagstukken der vader-

-ocr page 354-

328

landsche geschiedenis. Deze, voor innndelinge voordracht bestemde, opstellen werden, na zijnen dood, door Prof. H. W. Tydeman (Meinard's zoon) onder bovengemelden titel uitgegeven. Al heeft het boek geen genoegzaam recht op dien titel, zeker is het, dat de geleerde schi ijver er, met gelukkigen greep, menige verouderde dwaling, menig vooroordeel heeft aangetast, en op die wijze den weg heeft helpen banen voor een grondiger en onpartijdiger onderzoek der geschiedfeiten. Geen werk gaf hem meer vijanden dan dit: de onwil, die men tegen hem gevoed had, werd bittere haat. Men mompelde zelfs van een verlies van 't pensioen, hem door den koning verleend. Die onwil was overigens al oud: een zoo sterk subjektieve geest, een man van zoo onverbiddellijke gehechtheid aan beginselen, van zoo krasse vormen, voortvloeiende uit de onvergelijkbare meerderheid van den genialen autodidakt en zijne door allerlei wederwaardigheden overprikkelde heftigheid van gemoed — zoo iemand moest de halve wereld tegen zich hebben. Het verwondere dus niet, dat, toen koning Willem I des dichters trouw aan den Oranjestam met een welverdiend professoraat wilde beloonen, al de overige professoren hun ontslag dreigden te geven ; en dat, toen hij voor 't eerst weer in de Leidsche Maatschappij van letterkunde verscheen, niemand naast hem plaats wilde nemen, behalve J. M. Kemper, wiens nagedachtenis hij dan ook later trouw in bescherming nam. Ook door zijne studiën over onze taal, die hij zoo lief had, welker diepste verborgenheden hij bespied, welker fijnste bestanddeelen hij ontleed, welker krachtigste harmonie hij afgeluisterd had — ook daardoor vermeerderde hij het getal zijner vijanden, vooral toen de (later te bespreken) regeling der spelling van regeeringswege den verontwaardigden taalkundige in vuur en vlam zette.

Nog eens: wij erkennen, met D1'. Wap, dat ))het

-ocr page 355-

329

jammeren hem tot gewoonte, het klagen tot een behoefte en het morren tot eene hebbelijkheid gewordenquot; was; wij geven toe, dat zijne, misschien eenigszins erfelijke, zenuwachtigheid door zijn ziekelijke jeugd, zijn overdreven studielust en zijne ontbering van buitenlucht lot hooge prikkelbaarheid zal aangegroeid zijn; wij nemen aan dat hij, in het bewustzijn zijner geheel buitengewone gaven, zijne waarde soms nog overschatte, gelijk hij zijn lijden en miskenning met te zwarte kleuren en te harde woorden schetste; wij weten dat hij op onwaardige wijze trouw en standvastigheid veinsde en zijn zinnelijkheid verbloemde, in zake zijn tweeden echt — maar daaruit te besluiten tot eene zenuwzwakte, die hem volslagen ontoerekenbaar zou gemaakt hebben, tot eene op ééne-lijnstelling van Bilderdijk met Multatuli, gelijk Dr. J. te Winkel poogt te doen, dat gaat, dunkt ons, niet aan. Waar vindt men bij Bilderdijk de afdwalingen van Multatuli op wijsgeerig, godsdienstig en politiek gebied'? Waar, bij dezen, genes diepe opvatting van al de grondslagen der wereldorde? Welke zijn de mannen van karakter, kennis en beschaving, die met Multatuli in briefwisseling hieven, hem in zijne woning opzochten en op allerlei wijze hunne belangstelling ten einde toe betoonden, gelijk zulks met Bilderdijk, naar Te Winkel's eigen getuigenis, het geval was? Zeker: Jeronimo de Vries, Kemper, de Tydemans, Wap. Wiselius, Da Costa, De Clercq stonden, met de beste hunner tijd-genooten, «onder de betoovering van Bilderdijk's genialiteit.quot; Was dat en vooral bleef dat hel geval met Multatuli, «wiens vrienden en vereerders immers grootendeels onder liet bierhuisschuimquot; moeten gezocht worden? »De mindere hoogte der zenuwkwaalquot;, ook door Te Winkel erkend, zal dus den grooten dichter wel laten blijven wat wij hiervoren gezegd hebben, maar niet iemand, die geheel door neurasthenie overheerscht was.

-ocr page 356-

328

landsche geschiedenis. Deze, voor mundelinge voordracht bestemde, opstellen werden, na zijnen dood, door Prof. H. W. Tydeman (Meinard's zoon) onder boven^emelden titel uitgegeven. Al heeft het boek geen genoegzaam recht op dien titel, zeker is het, dat de geleerde schi ijver er, met gelukkigen greep, menige verouderde dwaling, menig vooroordeel heeft aangetast, en op die wijze den weg heeft helpen banen voor een grondiger en onpartijdiger onderzoek der geschied feiten. Geen werk gaf hem meer vijanden dan dit: de onwil, die men tegen hem gevoed had, werd bittere haat. Men mompelde zelfs van een verlies van 't pensioen, hem door den koning verleend. Die onwil was overigens al oud: een zoo sterk suhjektieve geest, een man van zoo onverbiddellijke gehechtheid aan beginselen, van zoo krasse vormen, voortvloeiende uit de onvergelijkbare meerderheid van den geuialen autodidakt en zijne door allerlei wederwaardigheden overprikkelde heftigheid van gemoed — zoo iemand moest de halve wereld tegen zich hebben. Het verwondere dus niet, dat, toen koning Willem I des dichters trouw aan den Oranjestam met. een welverdiend professoraat wilde beloonen, al de overige professoren hun ontslag dreigden te geven ; en dat, toen hij voor 't eerst weer in de Leidsche Maatschappij van letterkunde verscheen, niemand naast hem plaats wilde nemen, behalve J. M. K e m per, wiens nagedachtenis hij dan ook later trouw in bescherming nam. Ook door zijne stadiën over onze taal, die hij zoo lief had, welker diepste verborgenheden hij bespied, welker fijnste bestanddeelen hij ontleed, welker krachtigste harmonie hij afgeluisterd had — ook daardoor vermeerderde hij het getal zijner vijanden, vooral toen de (later te bespreken) regeling der spelling van regeeringswege den verontwaardigden taalkundige in vuur en vlam zette.

Nog eens; wij erkennen, met Dr. VVap, dat »het

-ocr page 357-

329

jammeren hem tot gewoonte, het klagen tot een behoefte en het morren tot eene hebbelijkheid gewordenquot; was; wij geven toe, dat zijne, misschien eenigszins erfelijke, zenuwachtigheid door zijn ziekelijke jeugd, zijn overdreven studielust en zijne ontbering van buitenlucht tot hooge prikkelbaarheid zal aangegroeid zijn; wij nemen aan dat hij, in het bewustzijn zijner geheel buitengewone gaven, zijne waarde soms nog overschatte, gelijk hij zijn lijden en miskenning met te zwarte kleuren en te harde woorden schetste; wij weten dat hij op onwaardige wijze trouw en standvastigheid veinsde en zijn zinnelijkheid verbloemde, in zake zijn tweeden echt — maar daaruit te besluiten tot eene zenuwzwakte, die hem volslagen ontoerekenbaar zou gemaakt hebben, tot eene op ééne-lijnstelling van Bilderdijk met Multatuli, gelijk Dr. J. te Winkel poogt te doen, dat gaat, dunkt ons, niet aan. Waar vindt men bij Bilderdijk de afdwalingen van Multatuli op wijsgeerig, godsdienstig en politiek gebied'? Waar, bij dezen, genes diepe opvatting van al de grondslagen der wereldorde? Welke zijn de mannen van karakter, kennis en beschaving, die met Multatuli in briefwisseling bleven, hem in zijne woning opzochten en op allerlei wijze hunne belangstelling ten einde toe betoonden, gelijk zulks met Bilderdijk, naar Te Winkel's eigen getuigenis, het geval was? Zeker; Jeronimo de Vries, Kemper, de Tydemans, Wap. Wiselius, Da Gosta, De Clercq stonden, met de beste hunner tijd-genooten, «onder de betoovering van Bilderdijk's genialiteit.quot; Was dat en vooral bleef dat het geval met Multatuli, «wiens vrienden en vereerders immers grootendeels onder het bierhuisschuimquot; moeten gezocht worden? »De mindere hoogte der zenuwkwaalquot;, ook door Te Winkel erkend, zal dus den grooten dichter wel laten blijven wat wij hiervoren gezegd hebben, maar niet iemand, die geheel door neurasthenie overheerscht was.

-ocr page 358-

330

15. Ziedaar onder welke omstandigheden de 150 boek-deelen, door dit verbazend genie uitgegeven, deels uit oorspronkelijke stukken, deels uit bewerkingen naar een aantal vreemde talen, werden samengesteld. Wie zich daar eenigszins in wil oriënteeren, zal goed doen óf die gewrochten volgens hunne soorten in te deelen — gelijk zulks, wat de gedichten betreft, door Da Co sta in Kruseman's uitgave gedaan is — óf den levensloop des dichters als uitgangspunt te nemen, en op die wijze zijne geleidelijke ontwikkeling te volgen: a in zijne jongelingsjaren (— 1782); b tijdens zijne rechtsgeleerde praktijk (— 1795); c gedurende zijn verblijf in den vreemde (— 1806); d onder de regeering van koning Lodewijk (— 1810); e en eindelijk in zijne laatste levensjaren tot aan den dood zijner gade (— 1830).

16. Sedert 1827 had Bi ld er dijk zich, met zijn gezin, te Haarlem gevestigd. Daar bleef hij, als uit bovengemelde dichtbundels blijkt, zijne veelsnarige lier bespelen, totdat hem in 1830, den 16den April, zijne geliefde echtgenoote, en met haar alle dicht- en levenslust, ontviel. Zijn leven, sedert dien tijd, was slechts eene kwijning meer, en den 18dequot; December 1831 werd ook voor hem de band tusschen den machtigen geest en het afgetobde lichaam geslaakt. Een marmersteen met die negen letters; Bilderdtjic, wijst in de Groote Kerk te Haarlem de plek aan, waar, naast zijne gade, Neder-land's tweede hoofddichter ter ruste ging.

Wanneer verschijnt de dag, die, naast Vondel's ge-denkteeken, een standbeeld van Bilderdijk zal zien verrijzen, op welks voetstuk, door dezelfde hand gegrift sta:

-ocr page 359-

331

Aan de Nagedachtenis van

Willem Bilderijuk :

Aan den voortref!ijksten dichter van Nederland die ter linker zijde door de hand der Antieke Muze gesteund en ter rechter door den Schutsengel zijns Ridderlijken Geslachts begeleid met het hoopvol oog op den gekruisten Christus zijne lange en moeilijke baan ten einde ging:

die der Kunst in Nederland haren Christelijken en eenig vasten grondslag heeft te-rug-gegeven:

die Je Taal als het verhevenst godsgeschenk

en de edelste kunstform waardeerende meer dan iemand zijner landgenooten in haren geest was doorgedrongen en dien ter raeedere bevruchting voor anderen in zich had opgenomen ;

aan den onafhanklijken Man:

den man van moed en geweten :

wiens leven een onafgebroken kamp is geweest voor de zaak waaraan hij zich gewijd had:

wordt dit gedenkteeken met de diepste aandoening toegehuldigd door

het Nederlandsche Volk!

§ 2. De off1ciëele spelling- en hark eerste aanhangers.

Bilderdijk's tijdgexooten tot 1830.

•lt; 1. Er heersohto zeker eene groote rverwarriug en ongelijkvormigheid in de spelling onzer moederspraakquot; — getuige sleclits het woord, dat. door Maerlant werelt geschreven, in tweehonderd jaren een achttal nieuwe spellingen onderging, daar Spieghel het werld. Ten Kate weerld, Hoogstraten weer el t en w er relt. Hoogvliet waeréld, Wagenaar weereld, Poot wederom, als Maerlant, werelt, Bilderdijk wareld schreef, totdat Siegenbeek het tot wereld maakte —; maar al volgde daaruit de wenschelijkheid eener regeling der taal, eener vaststelling der beginselen, het is ons niet geheel duidelijk, dat eene absolute eenparigheid, een aan-boeien-leggen onzer taal, door om 't even welk zich als onfeilbaar opwerpend gezag, der goede zaak bevorderlijk kon geacht worden. Het allerminst scheen een dergelijk absolutisme een „Staats-Bewindquot;, en nog wel het „Staats-Bewind der Bataaf-sche Republiekquot; te betamen. En toch, nadat het bestuur der

-ocr page 360-

332

Bataafsche Maatschappij van Taal- en Diohtkunde/op voordracht van den Agent van Nationale Opvoeding, Van der Palm, de Heeren P. Weiland en M. S i e g e n b e e k belast had, den eerste met het vervaardigen eener Nederduitsche Spraakkunst, den tweede met het opstellen eener Verhandeling over de Spelling der Nederduitsche Taal; nadat „gezegde Verhandeling was ingediend en onderzocht, werd daarop gedelibereerd en beslotenquot;, niet alleen dat dit werk rin naam en op last der Bataafsche Republiekquot; zou uitgegeven worden, niet alleen dat „de spelling, daarbij aangeprezenquot;, bij de Kanselarij van het Staats-Bewind en al hare ondergeschikte Bureaux, bij de Nationale Rekenkamer, het Gerechtshof en de Departementale Besturen zou ingevoerd worden, maar ook, dat ze in alle onderwijsboeken moest in acht genomen worden, den schoolopzieners ter verspreiding en vestiging aanbevolen, enz. Ziet, dat vond Bilderdijk een van de verfoeilijkste dingen, die „de Booze tot verwoesting van verstand en hart heeft kunnen uitvinden.'' Den IS'1011 December 1804 werd dat Besluit uitgevaardigd.

2. In 1799 had Siege nbeek's medewerker, de predikant Pieter Weiland (geb. Amsterdam, 1754, f Rotterdam, 1832), het eerste deel van zijn Nederlandsch Woordenboek reeds in druk gegeven; weldra verscheen ook het tweede, daarna het Woordenboek der synoniemen eu het (zoogenaamde) Kunstuoordenboek, waarin, gelijk men te recht heeft aangemerkt, geen enkel kunstwoord te vinden is. In zijne jeugd moet hij zich ook wel eens aan een versje gewaagd hebben; maar het veld der aesthetica was evenmin het zijne als dat van Matthijs Siegenbeek (geb. Amsterdam, 1774, f Leiden. 1855). Deze Leidsche hoogleeraar heeft evenwel, buiten zijne taal- en letterkundige studiën en zijne historische schetsen, ook nog ettelijke Leerredenen, door hem in zijne vroegere hoedanigheid van predikant uitgesproken, het licht doen zien, maar mocht voor zijn stijf en deftig proza weinig roem inoogsten.

3. De derde der bovengenoemde spellingregelaars, Jan Hendrik van der Palm, was een veel merkwaardiger man. ïe Rotterdam, in 17G3 geboren, heeft hij in den beginne de dichtkunst genoeg beoefend om

-ocr page 361-

333

in een prijskamp de gouden medaille te winnen, met eene Ode, welke van «onmiskenbaar poëtischen aanleg getuigt.quot; Zoo een bevoegd beoordeelaar, B. ter Haar,

O O ^

die zelfs uit liet voorbeeld van \ an der Palm aantoont, «door welk een' nauwen en innigen band dichtkunst en welsprekendheid vereenigd zijn, en hoe het talent des dichters doorgaans in dat des redenaars ondergaat.quot; Intusschen, de dichtkunst was zijne roeping niet, en hij had gelijk te denken, dat het beter was de eerste te worden in het dorp van hel proza, dan de tweede of derde in hel Rome der poëzie.

Van der Palm was de zoon eens kostschoolhouders, en werd opgeleid, eerst in de school zijns vaders,, daarna aan 't Erasmiaanscho Gymnasium, en te Leiden voor het predikambt, hetwelk hij dan ook te Maartensdijk waarnam, tot hem de oprukkende Pruisen, in 1787, verdreven. Hij was een vurig Patriot. Tot in 1796 was hij huisprediker bij een rijken Zeeuw, bekleedde toen drie jaren den leerstoel der Ooslersche talen te Leiden, en aanvaardde daarna het Agentschap van Nationale Opvoeding. Ook dezen post verwisselde hij weldra voor dien van Raad voor Binnenlandsche Zaken, welken hij in 1805, ook verliet, om ten tweeden male zijn leeraarsambt te Leiden te beginnen. Hij overleed aldaar den IQ.ien Api'jj 1841. Een nog duurzamer gedenkteeken dan zijn fraai borstbeeld in de Sint-Pieterskerk te Leiden, stichtte hem ziju aangehuwde kleinzoon, Nico laas Beets, in het Leven van J. H. van der Palm.

4. Aan een helderen geest, eene levendige, schoon volmaakt in toom gehouden, verbeelding en eene gevoelige ziel paarde Van der Palm een geoefenden smaak en een gezonden, sierlijk golvenden stijl. Hij bezat bovendien die gelukkige evenredigheid tusschen de gaven van verstand en hart. welke, bij een bevallig innemend uiterlijk en eene «melodischequot; stem, een

-ocr page 362-

334

gevierd redenaar maken. Zijne Leerredenen, zoowel als de Verhandelingen, Redevoeringen en Losse Schetsen en zelfs zijn lievelingsarbeid, de Salomo, verschenen, hetzij in afzonderlijke bundels, hetzij in losse bladen, maar werden later herhaalde malen in gezamenlijke uitgaven gedrukt. Bij uitgebreide kennis en rijke verscheidenheid der onderwerpen, vertoonen die werken, vooral het laatste, eenen schat van levenswijsheid en van fijne opmerking; alles in klaren, edelen stijl, en met een eenvoud opgesteld, welke den arbeid, er aan besteed, volkomen weet te verbergen. Trouwens, reeds in zijne vroege jeugd, gold bij hem de regel, dat »alle vertooning van kunst, al wat gezocht is en dus van de natuur afwijkt, in werken van smaak geen goed effect doetquot;; ja, hij was daaromtrent zoo nauwgezet — het moge der jeugd ter waarschuwing strekken! — dat «al zou (hij) een uur of twee zoekenquot;, hij niet eer uitscheidde, »voor dat alle woorden, gansch natuurlijk (schenen) toegevloeid.quot; Dat is dan ook het geheim van die wonderbare zuiverheid van taal, van dien kunstigen, maar ongekunstelden, zeer levendig aan Cicero herinnerenden periodenbouw, die Van der Palm tot onzen schitterendsten prozaschrijver en redenaar gemaakt hebben. Wij moeten er bijvoegen: van zijne dagen; omdat de lichte, maar toch zeer waarneembare geur van deftigheid, die er u uit tegenwaait, de afgepaste, ja bedeesde ontwikkeling zijner stellingen, de ongerimpelde gelijkmatigheid van een vaak kleurloozen, bijna nooit waarlijk verheven, nooit in gloed of hartstocht overgaanden toon, den hedendaagsclien lezer minder welgevallig zijn, en Van der Palm nog al verwijderd blijft van het ideaal der kanselwelsprekendheid, dat b, v. de met meer spontaneïteit begaafde hedendaagsclien, Lacordaire, Dupan-loup, Ravignan, Monsabré, met beter geluk nastreven. Van improviseeren is bij hem geen sprake.

-ocr page 363-

335

Een degelijk, schoon uiterst eenvoudig en voor volkslectuur bestemd werk is zijn Bijbel voor de Jeugd. Niets echter toont hem meer in zijne gansche waarde van prozaschrijver, niets is zoo populair geworden als het Geschied- en Redekunstig Gedenkschrift van Nederlands Herstelling. Op de bekroning, aan dit gewrocht ten deel gevallen, heeft, zegt Beets, »al wat smaak en gevoel voor 'tschnone had, het zegel gedrukt.quot; In 1816,

toen het verscheen, en nog lang daarna, bewonderde men, zonder voorbehoud, die meesterlijke samenvatting en dien sierlijken, zuiver klassieken stijl; las men met opgetogenheid karakterschetsen als die van Napoleon, van Kemper en van Hogendorp, tafereelen als die van den terugtocht uit Rusland, enz. Thans is de gloed dier bewondering aanmerkelijk bekoeld, omdat men niet meer in de gemoedsstemming, wij hadden haast gezegd de opgewondenheid verkeert, waarvan de schrijver, bij het opstellen blijkbaar den invloed ondergaan heeft, en omdat onze eischen omtrent de ware, groote welsprekendheid andere en betere geworden zijn.

5. Al was Van der Palm onder de gelijktijdige kanselredenaars de eerste, hij was niet de eenige begaafde. Zijn één -jaar oudere akademievriend, Ewald Kist scheen hem zeiven „orde, duidelijkheid, juistheid, kracht en sierlijkheidquot; van stijl\quot; quot; ^ en „uitmuntendheid van uiterlijke voordragtquot; in genoegzame ^

mate te bezitten, om door hem ten voorbeeld gekozen te worden.

Kist's Leerredenen en Redevoeringen rechtvaardigen die keuze.

Niet minder hoog schatte Van der Palm den jongeren Elias Ann es Borger (geb. De Joure, 1784, j Leiden, 1820), uit wiens hoogere dichtgave zich de stoutere vlucht en rijkere, soms te overvloedige beeldspraak zijner Leerredenen gemakkelijk laten verklaren. B o r g e r 's geheelo Dichterlijke Nalatenschap, hoe verdienstelijk ook, heeft haren erflater echter minder roem verworven dan zijne gevoelvolle weeklacht over 't verlies zijner echtgenoote en kind, Aan den Rijn, een gedicht, dat zijne tegenwoordige voltooiing aan de geoefende hand van zijnen uitgever

-ocr page 364-

336

in den Muzenalmanak, Immerzee 1 Jr., te danken heeft. De vroege ontwikkeling (op zijn derde jaar las hij reeds verstaanbaar) en de gelukkige aanleg van Borger werden dus door zijn later leven niet gelogenstraft. Geen wonder; want al was hij, als jongeling, de sterkste in het worstelen, de behendigste in het knikkeren, de eerste op het dambord, de bevalligste schaatsenrijder, de moedigste zwemmer en de knapste roeier, die dingen beletteden hem niet zich in allen ernst op de studie toe te leggen. Ook was hij, in weerwil van de geringe hulpmiddelen waarover hij beschikte, op zijn 17de jaar ter hoogeschool gegaan, en werd hij er, op zijn 23ste, als Lector in de gewijde uitleg- ; kunde aangesteld. In 1815 werd hij gewoon hoogleeraar in de godgeleerdheid, een leerstoel, dien hij, twee jaren later, met^ dien der geschiedenis en oude letteren verwisselde. Slechts ' drie jaren bekleedde hij dezeu, toen hij, acht maanden na de diepbetreurde gade, zelf als „een kostbaar offer aan den doodquot;

Ook Wilhelm Broes en zijn twee jaren oudere vriend en stadgenoot, de Amsterdammer Corn. Fransen van Eek (1764. f 1830), ouderscheidden zich op den kansel, deze door afgerond en naar de wijze der ouden kunstig samengesteld — gene door hoekig, gedrongen, soms wat duister proza.

Voegen wij hier ten slotte den reeds vermelden Ockerse, Dermout en den Rotterdammer Martinus Stuart (1766 — 1826) bij, welke laatste, in den beginne, meer roem als geschiedschrijver dan als redenaar verwierf, vooral buitenslands; groeten wij nog, in het voorbijgaan, den in 1775 te Halle, in Duitsch-land, geboren en in 1809 te Amsterdam overleden J a c. H a a f n e r, wiens reisbeschrijvingen in levendigen en wegsleependen stijl zijn opgesteld, den uitstekenden staatsman en verdienstelijken prozaschrijver, Gij s bert Karei, graaf van Hogendo^p (1762 — 1833); de letter-, geschied- en oudheidkundigen, Jacobus Scheltema (1767—1835) en Nicolaas Godfried van Kampen (1776— 1839); den, zoowel in zijne weinig talrijke gedichten als in zijne redevoeringen, met kracht en gloed bedeelden J ohan Melchior Kemper (1776—1824), en zijn zwager, evenouder en stadgenoot, den Amsterdamschen geschieden letterkenner, Jeronimo de Vries, denzelfden, die Bil-

-ocr page 365-

337

der dijk een zoo trouw en toegeeflijk hart toedroeg; eindelijk de begaafde schrijfster van een drietal redekundige romans, Adriana de Neufville (1775 — 1856) — om thans tot de

dichters over te gaan.

(3. Ook hier zullen wij ons bij het wezenlijkste moeten bepalen. Twee onderwerpen genoten in dit tijdperk, boven alle andere, het voorrecht van de dichters te bezielen: net vaderland en het huislijk leven. Beide hadden in die woelige jaren zoo veel te lijden gehad, zoo vele stormen doorworsteld, dat het Nederlandsche hart, 't welk er te allen tijde warm voor geslagen heeft, niet kon nalaten zich beurtelings in liederen van bemoediging, van hoop of vrees, van smart of triomf lucht te geven.

Cornells Loots opent die rij. Te Amsterdam in 1765 geboren, genoot hij niets meer dan de gewone opvoeding eens burgerkinds; en zelfs, toen de lust voor de letteren, ter goeder ure dooi' het lezen van Vondel in hem opgewekt, hem naar het ambt van predikant deed overhellen, lieten de omstandigheden hem niet toe die neiging te volgen, evenmin als de tranen zijner moeder hem het aanvaarden van den zeemansstand veroorloofden. Zoo gebeurde het, dat de teleurgestelde jongeling zich het weinig aantrekkelijke kantoorleven moest getroosten, totdat hem, in 1854, de dood den ziele- en lichaains-kerker tevens ontsloot.

Het is vooral sedert 1795 dat Loots, door zijne vader-landsche ontboezemingen, naam kreeg: De Overwinning op Chattam verscheen in 1799, een andere lierzang, De Dwinglandij, een jaar daarna; straks De Volkswoede, in 1802, en drie jaren lafpr dat moedige: De Batavieren, ter tijde van Caj. Jul. Cezar, een dramatisch gedicht, waarin de schande van het onevenredige Bondrjenoot-schap der Bavieren met Rome gemaald wordt, met kleuren ontleend aan de jongste geschiedenis onzes lands tegen-

09

-ocr page 366-

338

over Frankrijk en diens beheerscher. Ook de lierzang De Hollandsche Taal, welke in 1814 't licht zag, was een krachtige spoorslng ter opwekking van den geest van onafhankelijkheid, die zich 't allereerst in de liefde en beoefening der eigene taal uitspreekt. Tal van stukken werden afzonderlijk uitgegeven, als De mensch — waarvan de le zang den Mensch als bloot zinnelijk, nagenoeg dierlijk wezen, de 2e, ais zinnelijk verstandig, en de 3e, als zedelijk, vrij wezen beschouwt —, Nederlands Verlossing in 1813, enz. maai1 verschenen later meest alle in de vier deelen zijner Gedichten en in de Nieuwe Gedichten. In 1856 gaven Tollens en M. G. van Hall nog Loots' Nagelaten Gedichten uii. «llijkdotn van vindingquot; — zóó de Muzen-Almanak van 1839 — «stoutheid van beeldspraak, zonderlingheid van wending, kracht en nadruk van voorstelling, bij gepastheid van leenspreuk en gelijkenis, verrukken den kenner beurtelings in zijn dichtwerk. Rij velen, liet is waar, stond hij achter in netheid en zoetvloeiendheid van versbouw, in zuiverheid van taal; maar geen hunner week hij in gespierdheid van verzen, in oorspronkelijkheid en voeging van gedachten.quot;

7. „Een ruwe diamant,quot; ja, dat was Loots, naar Tollens' uitdrukking, maar een diamant van helderder water dan zijn twee jaren jongere zwager, de vurige Amsterdammer Jan Fred ei-ik He liners. Reeds vroegtijdig (hij was in 17(57 geboren) in de kennis der voornaamste moderne talen en barer letteren ingewijd, was voor hem het gebrek aan klassieke ontwikkeling des te meer te bejammeren, daar zijn gloeiend, door de tijdsomstandigheden overprikkeld gemoed en levendige verbeelding hem zoo licht tot overdrijving en gezwollenheid deden overslaan; iets waartegen de gezegde studie der Ouden het allerzekerst vrijwaart.

Zijne vroegste gedichten weiden door den gevoel- en

-ocr page 367-

339

sraaakvollen, maar der dichtgenootschappelijke kunst niet geheel ontwassen P. J. Uylenbroek, iti dezes Kleine Dichterlijke Handschriften opgenomen (1786-1789); en daar ontsnapt Helrners dan ook niet aan den invloed der gebreken van zijn gids. In 1790 echte;- bleek reeds, uit zijne Ode aan den Nacht en Socrates, in drie zangen, dat hij die kluisters verbroken had; al mocht hij voor die gewrochten evenmin roem inoogsten als voor zijne dramatische proefwerken. Zoodra evenwel zijne Gedichten, in 1809 en 1810, het licht zagen, ontvlamde geheel de letterkundige wereld des tijds in bewonderende geestdrift. Die geestdrift steeg ten top, werd bedwelming en zwijmel, toen in 1812, terwijl Holland van de lijst dei-onafhankelijke staten was uitgewischt. De Hollandsche Natie 's lands alouden roem kwam bezingen, in den Voorzang van dit gedicht verheerlijkt een Koor van Barden het eiland der Batavieren. Voorts verkondigt de eerste zang de zedelijkheid onzer vaderen ; de tweede, hun heldenmoed te land; de derde, hun heldenmoed ter zee; de vierde, de vijfdè en zesde, hun roem in de zeevaart, de wetenschappen en de kunsten. De Hollandsche Natie is een half episch, half lyrisch gedicht, en vereenigt al de goede en al de kwade hoedanigheden haars Zangers; een vurig, vaderlandslievend hart, eene opgewekte verbeelding, soms kracht en gevoel naast levendige schildering — te dikwijls klatergoud voor edeler metaal, holle, snorkende frazen iti plaats van diepe, treffende gedachten, vorm voor gehalte. Zijn verblijf te Parijs, in 1803, had hem ter prooi gegeven aan die dorre Voltairiaansche wijsbegeerte, welke hem zeer slechten dienst bewijst, zoo dikwijls als hij deugd of godsdienst wil verheerlijken. Ook zijn de verhalende gedeelten uit dit werk, over quot;t algemeen, het best geslaagd, als: Albrecht Beyling, in den eersten zang, de slag op de Zuiderzee, tegen Bossu, en de dood van Claessens, in den derden, de aandoenlijke episode van

-ocr page 368-

340

van Egeron en Adeka, in den vierden enz. Helmers was inderdaad ,,grooler als burger dan als dichter,quot; meent Potgieter.

gt;lt; In 1815 bezorgden van Hall en B. K 1 ij n nog eene uitgave van H e 1 m e r s' Nagelaten Gedichten, en Witsen Geysbeek eene Nalezing. Hij zelf was intusschen reeds twee jaren ter ziele gegaan, en had dus de verrijzenis dier Natie, welke hij met zooveel geestdrift bezongen had, niet mogen aanschouwen.

8. Maar zijn streven was niet met hein weggestorven. Zijn stadgenoot A d a in Si in ons (t'^O, t te Utrecht 1834). eerst predikant, daarna hoogleeraar in de Nederlandsche lettoren te Utrecht, maakte afwisselend minne-, lof- en leerdichten, vertellingen, fabelen en bijschriften; weliswaar niet met die stoutheid en verhevenheid, niet met dat vuur. dat wegsleepende, dat u bij anderen zoo verrukt; maar toch in kieschen, bevalligen vorm. Alleen, wanneer hij zijne verontwaardiging over de Fran-sche onderdrukking lucht geeft, worden zijne liederen scherp en krachtig. ( V tv*/* r - quot;)

De Haarlemmer Jan van Wal ré (1759 — 1837) beoefende wel meestal het bevallig naïeve, als in Natuur en opvoeding of het Gansje; het irissche, geurige, als in de twee bundels dei' Heidehloewen: soms zelfs het boertige genre, als in de Heksluiting en in enkele losse stukjes; maar het Vaderland had toch ook zijn aandeel in de voortbrengselen zijner dichtgave. Behalve de lyrische stukken, als Nederland Herhoren, gaf hij twee treurspelen uit: Willem de Eerste, Prins van Oranje en Diederik en Willem van Holland, welke van zijne liefde voor den geboortegrond getuigenis aHeggen.

Ook de gebroeders li e n d r i k H arme n en Barend K 1 ij n lieten, de tweede te midden zijner wijsgeeri^e, wat te zeer aan. Feith herinnerende verzen, de eerste tusschen zijne gedichten van zedekundige strekking, de vaderlandsche snaar, op Helmers' spoor, niet onbespeeld, evenmin als Mauri ts Cornells van Hall (1758—1858), die kloekmoedig, met woord en daad, deel nam aan de beweging ten gunste van de herleving des lands.

Alhoewel onder den invloed der Klassieken gevormd, als

-ocr page 369-

341

Van Hall, was Samuel I p e i- us z. \V i seI i u s (geb. Amsterdam 1709— f 1845) echter minder eenvoudig en natuurlijk dan gene, maar een nog warmer patriot. In zijne vijf deelen Mengel- en Tooneelpoëzie tracht hij voor het tooneel eenen middelweg te vinden ,tusscheii het Grieksche en het Fransche treurspelquot; in, maar blijft middelmatig als dramatist. Zijn schoonzoon, P. L i m b u r tr B r o u w e r. heeft hem, in Het L';ren van Wiselius, wel v. at in ai te gunstig daglicht gesteld. Zelfs eene dichteres, 1' e t r o n e 11 a M o e n s (17fi2—1843), ofschoon reeds in hare kindsheid, ten gevolge der kinderpokken en der scharlakenkoorts, van het gezicht beroofd, vond zich aangespoord om, onder de talrijke gedichten, waarmede zij onze letteren verrijkte en waarvan er twaalf in prijskampen bekroond werden, ook de liefde voor den geboortegrond in het opkomend geslacht op te wekken, door hare Tafereelen uit de Nederlandsche Geschiedenis, dichterlijk geschetst voor de jeugd.

Minder door zijne gedichten dan door zijne daden en zijne ernstige studie der taal, toonde zich Paul us Huib. Adr. Jan Strick van Linschoten een warm Nederlander, al werd hij later, geheel uit eigen keuze, „onthollanderdquot;, door zich in Mannheim te vestigen. Hij stierf,, op reis, te Bologna, in 1819.

Den navolger van zijne vrienden en beroepsgenooten Loots en Helm er s, Hendrik Meijer J z.; den zachten, beminlijken li o b e r t Hendrik A r n t z en i u s (1778— 1823); den als dichter puntigen, met veel aanleg bedeelden, maar als letterkundig criticus zeer eenzijdigen i'ieter Gerard Wit sen Geys-b eek (1774—1833); den meer schitterenden dan verheven, meer woord- dan zaakrijken en toch hoOggevierden zanger der Vrouwen, Hajo Albert S pand aw (1777—1855); den sm aakvollen boekverkooper, vertaler van Del i 11e en dichter van Hugo van 't Woud, .1 o hannes 1 m m e r z e e 1 Jr. (t77()— 1844); den jongeren Rotterdamschen boekhandelaar, Willem Messchert (1790—1844), die ons in zijne bevallige en aandoenlijke Gouden Bruiloft, een gedicht geschonken heeft, dat aan Voss' Luise, en Göthe's Hermann und. Dorothea doet denken, zonder ze echter te evenaren: den dramatist — schrijver en acteur - Maarten Westerman (1775—1853); den jongeren, maar tot deze dichterenreeks behoorenden, populair geworden,

-ocr page 370-

342

luimigen dichter Jacob van Oosterwijk Bruyn (geb. 1794, te Amsterdam); den veelszins begaafden en achtenswaardigen improvisator Wi 11 e m de C1 er cq (1795—1844), den schranderen en geestrijken C ome lis van Mar le (1783 —1859); Arend van Ha lm a el, den soms wel wat vluchtigen en stroeven Treur- en blijspeldichter (1788—1850); den geestigen A b r a h a m Boxman (179()—i 856); zelfs den oorspronkelijken A n t o n i C' hr i s t i a a n \V i u a n d Staring (1767 — 1840), naar zijn kasteel, van den W ildenborch bijgenaamd, een Gelderschman, die met volmaakte teekeningsgave en schitterend koloriet bedeeld, beurtelings kernachtige, naïeve en luimige stukken wist te diciiten, (al kan men, volgens N. Beets, dezen „zin- en zaak-rijksten onzer dichters niet overal van eenige stroefheid en gedwongenheid vrijpleitenquot;), „onzen eersten, onzen eenigen humor-istischen dichterquot;, zegt Potgieter — hun alleu en nog menigen anderen, kunnen w jj ,y;eene ruimere plaats gunnen dan deze, daar wij wat nader kennis hebben te maken met twee beroemde mannen, die dit tijdperk sluiten : H e n d r i k T o 11 e n s C a r o 1 u s-zoon en Isaac da Oosta.

9. Tollens is, sedert Cats, de populairste aller Nederlandsche dichters. In 1780 te Rotterdam uit Gentsche ouders geboren, woonde hij van —83 tot —90 bij een rijken oom te Amsterdam, en trok toen naar eene eenvoudige kostschool te Ellen. Weldra keerde hij in het ouderlijke huis terug en begon daar, in den verfhandel zijns vaders, waaraan hij zich met alle zorg bleef wijden, tusschenbeide al eens een liedje aan te stemmen, meestal van patriotische strekking, welke partij de meeste Katholieke Hollandsche familiën van die dagen aankleefden. Het Fransche tooneel, waar Du cis, met zijne — naar de eiscben van den goeden smaak, als het heette — besnoeide en getemperde stukken van Shakespeare, zich toen, dank zij der gave van eenen Talma en eene MIIe Mars, onderscheidde, trok den jeugdigen Tollens aan, en bewoog hem niet alleen tot het vertalen, maar ook tot hel opstellen van oorspronkelijke

-ocr page 371-

343

stukken, welke zijn betergevorrnde smaak hem later deed verwerpen. Zijn geest had meer vatbaarheid dan omvang. Hij mist zoowel die diepte als dien scherpen blik, welke vernuften van den eersten rang kenmerken.f-Hij «ziet *■' slechts een bepaald getal van zaken — Beets heeft volkomen gelijk in die bewering — en deze uit een bepaald oogpunt; van enkele zijden en oppervlakkig; de yevels der huizen; en als hij de huizen binnentreedt, nog weder gevels; maar het binnenste heiligdom niet.quot; En juist daarom was die liellijke volksdichter geheel ongeschikt voor het treurspel, waar de innigste, fijnste roerselen van liet mensclielijk hart bespied moeten worden.

(Jok de Proeve van Sentimenteele^geschriften (schrikbarende titel!) de Proeven van Minnezangen en Idyllen, van 1799 en 1800; de Dichtlievende Mengelingen en het Tuiltje van geurige Dichtbloemen, op Franschcn bodem geplukt, van I80'2 en 1803; zelfs de bekroonde stukken Huig de Groot en De Dood van de Graven van Egmond en Hoorne, van 1804 en 180ö, maakten Tollens niet beroemd. Want al is het waar. wat hij in dit laatste stuk, als zijner onmacht bewust, uitroept:

«Wie zich geun glorie poogt te winnen,

Maakt zich de glorie nimmer waard;quot;

het is ook waar, dat, om verheven te zijn, het niet genoeg is »de se battre les llanos,quot; noch, om kracht te toonen, een gedicht met snorkende woorden te doorspekken. Het verhevene is zijn genre niet; hij »is geen dichter van den eersten rang.quot; Hij heeft, »als een andere Mozes, het beloofde land der ware verhevenheid van 'verre aanschouwdquot;, maar is het niet mogen binnengaan. Zijne gansche dichterlijke waarde, en die is groot, kan men in twee woorden samenvatten : To 11 e n s is de beminnelijkste zanger van het gemoedsleven, de meest nationale

-ocr page 372-

344

f

en boeiende onzer balladendichters. In de eerste soort vestigde liet aandoenlijke, hoewel niet overal even zielkundig volgehouden gedicht: Aan een gevallen Meisje (1807) zijnen roem; en het werd gevolgd van eene groote hoeveelheid stukken en stukjes, in welke hij de vreugd en de smarte, de hoop en de vrees, de zegeningen en ontberingen van den huislijken kring, met altijd nieuwe frischheid, waarheid en eenvoud, (ofschoon met een onloochenbaar bijsmaakje van sentimentaliteit) aan-schouwlijk maakt. De tweede deed hem, in de Gedichten van 1808—1815 uitgegeven, in Aë^Romancen,4'Balladen en ^Legenden, van 1818, in de '^Nieuwe Gedichten, van 1821, de Verstrooide —, van 1840, en de Laatste —, van 1848, tal van verhalen opstellen, die meestal in het »helden-tijdperkquot;, den strijd tegen Spanje, geput, het Holland-sche gevoel, het Holhmdsche karakter en de Hollandsche natuur, met geestdrift en schitterende verbeelding, in zuiveren, helderen en gelukkig afwisselenden stijl schilderen.

Tot de bestgeslaagde voortbrengselen van Tollens' huislijke poëzie behooren; het allegorieke 'Goede Reis aan mijn jongste dochtertje, hij hare geboorte- het vaderlijk bezorgde 'Aan mijn oudste zoontje, op zijn verjaardag; verder dat eenvoudige, bevallige liedje: quot; Op de Geboorte van mijn jongste kindje, waar hij, schertsende, zijner echtgenoote toejuicht:

«Pronk nu, lieve ! juicli met mij,

Griekenland had zeven wijzen,

Zeven kinderen hebben wij !quot;

en die verrukkende triomfzang :0/j den eersten tand. van datzelfde kind, waar geheel de ziel des vaders trilt in de vermaning :

«Hou, u ten nut en Hern (God) ten dank,

De tandjes wit en 't zieltje blank;

Zoo knagen geen van beiden.quot;

In de vaderlandsche romance, die bij hem wel wat al te gelijksoortig, in zekeren zin zelfs eentonig is, dragen de eerste

-ocr page 373-

345

proeven, Albrecht Beiling, Jan van Schajfelaar, e'iz., nog te min het kenmerk der rijpheid, te zeer dat der onvolledige vorming. Van gansch ander gehalte, althans als letterkundige kunstpro-dukten, zijn de latere De Jomjéling van Wesizanen en Dirk Willemsz. van Asperen.

Tollens is ook de dichter van ons volkslied „Wien Neer-landsch bloed ', dat het semeensehappelijke Dietsche vaderland. Noord en Zuid, geljjk het vóór 1830 was, ten tolk zijner nationale gevoelens verstrekte, maar, als terecht is opgemerkt, geen waar volkslied is; en eindelijk het als beschrijvende poëzie vooral verdienstelijke Tafereel van de Overwintering der Hollanders op Nova-Zembla, is ook uit zijne vruchtbare pen gevloeid Buskeu Huet meent, dat het dagboek van Gerrit de Veer, waaruit Tollens dit verhaal, of wil men tafereel, put, „meer waarde bezit dan het in vele opzigten fraaie vors.quot;

Zijne tien laatste levensjaren bracht hij re Rijswijk door, alwaar hij den 21en October 1850 plotselijk door den dood werd overvallen. Tollens had het Katholieke kamp, waartoe hij door zijne geboorte behoorde, maar waaraan hij. met zijn „godsdienst boven geloofsverdeeldheid,quot; èn op het gebied der geschiedenis, èn in de praktijk, sedert lang reeds ontrouw was, in zijue laatste jaren geheel verlaten, om het Frotestantismus te omhelzen.

10. Met heel wat meer adel van geest en bloed, met veel meer wetenschappelijke vorming en veel hoogereu — haast Oostersehen — gloed bedeeld was Isaac da Co sta. Te Amsterdam, in 1798, uit een aanzienlijk Portugeesch geslacht geboren, bleef zijn vurige, oud-Hebreeuwsche gemoedsaard hem als een kind van het Zuiden kenmerken. Ofschoon veel jonger dan zijn geliefde meester Bil der dijk, kwam hij reeds vroeg met dezen in eene betrekking, welke later, te Leiden, warme vriendschap, ja, van Bilderdijk's kant, eene soort van geestelijk vaderschap werd, daar de jeugdige Israëliet, en zijn boezemvriend, D'. Abraham Capadose, onder zijne leiding, tot de Protestantsch-christelijke geloofsbelijdenis overgingen. Dat gebeurde in 1822. Da

-ocr page 374-

346

Costa was toen reeds sedert vijfjaren tot doctor inde rechten, sedert twee tot doctor in de letteren bevorderd, en had zich als dichter eenen naam gemaakt. Alen kan drie tijdperken in zijn dichterlijk leven onderscheiden. Tot het eerste behoort zijn jongelingstijd, toen hij, naar eigen getuigenis, «ingenomen me! de oude Klassieken, en wat in de nieuwere talen dat voetspoor betrad,quot; bijna «uitsluitend de Latijnsche Muzequot; vierde, of. naar het voorbeeld van zijn grooten meester, «gevoel voor Nederlandsche [joëzy in zich ze!ven ontwaardquot; hebbende »eenige Grieksche modellenquot; vertaalde. De Perzen en de Prometheus van Aeschylus (1816 en 1818) zijn de vruchten van dien arbeid.

De tweede periode is die, in welke hij — het zijn wederom zijne eigene woorden — «eerst wezenlijk als dichter ontwaaktequot;, toen in hem «de Israëlitische zelfbewustheid ontwaaktequot;, en hem «het voorleden (zijner) natie tot historie van Gods Openbaring en Wereldregering geworden was; toen (hem) de bestemming van dat volk, de toekomst der wereld, en de eenige weg te gelijk van eigen zielsbehoud begon helder te worden in Mozes en de Propheten, — straks in de openbaring des Nieuwen Testaments, in het Evangelie des naams van Jezus Christus.quot; De twee deelen zijner Poëzy, in 1821 — 22 uitgegeven, zijn de tolken dier gevoelens. Zij toonen ons ' in da Cost a eenen dichter, die, én door kracht en verhevenheid van gedachten, èn dooi' rijkdom en kleur van beeldspraak, èn door gloeiende geestdrift al zijne tijdge-nooten — Bil der dijk uitgenomen — voorbijstreeft. Ondanks de warmte, de bewondering, waarmede die bundels ontvangen werden, vond de dichter geene aanleiding om verder zijne rijke gave te doen gelden. Integendeel, toen in het jaar 1830, de geest van oproer weer in Europa begon te spoken, en riep;

-ocr page 375-

347

«Geen Vorsten! liet zijn dwingelanden!

Geen God! ook Mij is een tyran!

Geen plichten met haar slaafsche banden! De Wijsbegeerte gruwt er van!

Neen! weg met troonen en altaren !

Worde in het bloed der martelaren (Vermeetle dienaars van hun plicht!)

Hun allerlaatste puin verslonden,

En op den bodem waar zij stonden,

De kerk van Lucifer gesticht!quot; —

toen kort daarna zijn onovertrolfen meester ten grave ging, zweeg da Costa's dichtliarp, een geruitnen tijd, bijna geheel. In den tijd, die er verliep tot 1840, legde hij zich, met onverpoosden ijver, op de studie der H. Schrift en der geschiedenis des Joodschen volks toe. Het resultaat dier studie stelde iiij in verschillende, na 1840 verschenen, prozaschriften te hoek, en gaf hij verder ten beste in zijne zelfs door andersdenkenden hooggewaardeerde wekelijksche voordrachten.

In 1840 begint zijn derde tijdperk, met dat merkwaardige en in weerwil der didaktische, soms in bijna dialektischen vorm vervatte, uimengsels, door geheel het land met verrukking aangehoorde lied; Vijf en twintig Jaren. Men leze, in dat stuk, de toespraak lot den gevallen Napoleon, verder de plaats, waar da Co sta zijn meegaan met de ontwikkeling der moderne nijverheids-begrippen betuigt, en, onder andere, die heerlijke beschrijving der stoomtuigen geeft. Van toen af vond iedere gewichtige gebeurtenis, op politiek of godsdienstig gebied, weerklank op zijne lier, en toonde hij zich, in weerwil van de miskenning, die hem soms, als weleer zijn vaderlijken vriend, Rilderdijk, te beurt viel, zoowel in de stukken van minderen omvang als in de meer uitgebreide Hag ar (1847) en in zijn zwanenzang ])e slag bij Nieuw poort (1859), een edel, vurig bezield dichter. Wel zijn er, en onder de scherpzinnigsten, die beweren, dat hij «eene lier met slechts ééne snaarquot; be-

-ocr page 376-

348

speelde; maar zij erkennen toch, «dat hij liederen gezongen heeft ais vóór hem geen Hollander aanhief; dat nooit iemand onder ons in zoodanige mate de kunst verstond om den metalen historiestijl van Hooft te smelten en vloeibaar te maken in den kroes van Vondel's lyriek.quot; Hij is sedert 28 April 1800, als de laatste vertegenwoordiger onzer letteren van het eerste derde dezer eeuw, overleden. Zijn vriend Hasebroek stichtte hem een gedenkteeken, door de prachtuitgave zijner Gedichten bij Kruseman te Haarlem, gelijk hij zelf er Rilderdijk een oprichtte, door de merkwaardige uitgave van des meesters onvoltooid Epos en later van al zijne Dichterlijke Werken.

§ 3. Modernr: Letteren onder den invloed der Buitenlandsghe Romantiek. 1830 tot heden.

1. De Romantiek, waarvan wij, voor onze letterkunde, het begin in het jaar 1830 stellen, al is dit cijfer weer niet in volstrekten zin te nemen, kenmerkt zich door de reactie tegen het Fransche classicisme en den terugkeer tot de studie en waardeering der middeleeuwsche dichters, bij eene meer kritische beoefening van die der XVlIe eeuw, en tot het idealiseeren in de kunst. Rilderdijk was in beide een waardig voorlooper geweest.

[Je noodlottige verbrokkeling van Nederland in Noord en Zuid belette den wakkeren Jan F ran 50 is Wil-lems niet zijne opgenomen taak; het herstellen der moedertaal in Relgië en het opsporen, met dat doel, onzer en vooral hunner middeleeuwsche dichtvoortbreng-selen — met kracht voort te zetten. In 1793, te Rouchout, bij Antwerpen, geboren, trad hij, in 1818, met zijn dichtstuk Aen de Belgen te voorschijn, waarin hij met warmte de volkstaal tegen het meer en meer veld winnende Fransch handhaaft, en in welks aanteekeningen,

-ocr page 377-

349

in deze taal geschreven, hij de aanvallen der Fransquil-lons wederlegt. Kort daarop gaf hij de Verhandeling over de nederduylsche tael- en letterkunde, opzigtelijk de zuydelijke provintiën der Nederlanden in hel licht, een werk dat hem, door het verheffen der onkatholieke Noamp;rd-nederlandsche dichters ten nadeele der zuidelijke, nog al vijanden maakte. De Vlaarasche geestelijkheid was zeker, meer dau iemand, tegen de Fransche propaganda gestemd, maar zij vreesde, door het onvoorwaardelijk huid leen van Noordnederlandsche taal- en dichtvormen, in

O

het katholieke Vlaanderen toegang te verleenen aan het Protestantismus; en ziedaar waarom èn Wille m s die tegenkanting ontmoette, èn de eenheid van spelling in beide deelen van het gemeenschappelijke vaderland slechts later verwezenlijkt is geworden, toen de hoofdmannen der Vlaamsche beweging niet meer onder de geestelijkheid gevonden werden. Te vergeefs beproefde Wi 11 e ras dan ook, in 1824, door het schrijven van zijn werkje Oyer de hollandsche en vlaemsche schrijfwijze van het nederduitsch, waarin hij de eenheid van beide dialekten aantoont, een stelsel van gemengde spelling in zwang te brengen; de Hollanders bleven bij den officiëelen, onfeilbaren spelling-paus, Siegenbeek, de Vlamingen verkozen, zich met den nog meer gebrekkigen Des Roches te blijven behelpen. Van Willem's ijverige nasporingen op het gebied der middeleeuwsche taal- en dichtkunst, getuigen zijn in 1834 verschenen Reinaertde Vos, zijne Oud-Vlaemsche Liederen en het merkwaardige, te weinig gewaardeerde periodiek uitgegeven Belgisch Museum. De pogingen van den hoogst verdienstelijken man bleven ook niet zonder vrucht. De liefde voor de taal der vaderen deed het Vlaamsche hart kloppen: eene keurbende Vlaamsche schrijvers volgde zijne stappen; weldra herleefden allerwegen nieuwe rederijkerskamers, en vijf jaren voor Willem's dood

-ocr page 378-

350

den '23™ October 1841, werd er een taal- en letterkundig congres te Brugge gehouden, als de eerste openlijke, plechtige daad der Vlaamsche beweging. Willems overleed te Gent in 1846.

2. En thans, dank zij den geweldigen schok door hein go^e-ven, is die beweging verre van geëindigd te zijn. /Vis taal-, geschied- en letterkundigen, meer dan als dichters, volgden do Gcntsche doctorxF. A. Snollaert (geb. Ivortrjjk IÖÜ9 f Gont, 1872) dezes stadgenoot, de één jaar oudere Jhr. Ph. Blom-maert (1807 —1871) de twee Serrure's, (C. P. Serrure 1805 —1872, C. A. Serrure, 1835), de Baron de St,

Genois (1813—1867) oen groot voorstander van het Vlaamsch, al schreef hij niet in die taal, S t a 11 a e r t, (geb. 1820), de hooglee raren B or mans enX II e r e m a n s, de ook reeds overleden Delecourt (van den Hove) (180(!—1853) en David (1801—1866) en in Fransch-Vlaanderen, De i'.aecker en De Cousse maker, zijne schreden. De Vlaamsche dichters houden gelijken gang met de taal- en gesohiedvorsehors. Niemand zal den uiterst vruchtbaren Pr u dens van Duyse (geb. Dendermonde 1804, f lt;ient 1859), die reeds vroeg zijne Tyrteus Zangen in het licht gaf, welke hij later door eene reeks gedichten van allerlei aard deed volfj-en, een groot gemak en een opmerkelijken aanleg ontzeggen, al wenschte men soms voor het multa wel wat multum, eu in plaats van de vluchtige improvisaties, wat meer doorwrochte geschriften. De begaafde Eeclonaar Karei Lcdeganck (1805, f 1847) is veel zuiverder van smaak en taal, toont een veel dieper gevoel dan de vorige in zijne Bloemen mijne)' Lente en vooral in liet dichterlijke De drie Zustersteden. De Antwerpenaar The-odoor van Kijswijck, (1811, f 1849) een kind des volks, wist met minder kunst, maar vuriger geestdrift, het gemoed zijnor landgenooten te treffen, in zijne Balladen en Politieke Refereinen. Ook de Iseghemsche notaris, F. J. Blieck (geb. Wer-wick 1805) geeft, in zijne twee bundels Mengelpnëzy. ;n gloeiende zangen, lucht aan zijne vaderlandsliefde; terwijl zijn evenouder F. Hens (f 1874) zich meer bijzonder als uitgever van het Lei-terkundig Jaarhoekje eu onvermoeid redacteur van het tijdschrift de Eendracht en Mevr. Courtmans—Berchmans (1811—90) als

-ocr page 379-

35 J

verdienstelijke, in Vlaanderen zeer populaire, novellensehrijfster en dioliteres onderscheidden. Ofschoon een Noord-Nederlander van geboorte, daar hij te Heerlen, in Limburg, in 1808 het li'3ht zag, behoort J. M. Dautzenberg nochtans, met zijne bevallige liederen, geheel aan Vlaanderen. Men meent evenwel in den bundel zijner Gedichten en in menig zijner verspreid uitgegeven stukken, eene te groote neiging tot herinvoering van middeleeuw tche en nog andere spraakvormen, tot een soort van pan-germani-seeren, te zien, eenigszins uit dos dichters eerste opvoeding, in zijne half-Duitschsprekende, nabij 1'ruisen's grenzen gelegen geboorteplaats te verklaren. Hij is, in 1869, te Elsene-Brussel ontslapen.

3. Ook J. Nolet de B rauwere is een Noord-Nederlander, en werd te Rotterdam in 1815 geboren. Hij studeerde te Leuven en bleef sedert in België woonachtig. Zijn eerste gedicht, Amhiorix, verheerlijkt dan ook een Zuid-Nederlandschen held, met vurige, ofschoon soms wat levendig aan Helniers herinnerende geestdrift. Het luimige genre voegt hem misschien het allerbest, al sluipt ook daar wel eens een deuntje van minder zuiveren toon in. De Dichtluimen, Ernst en Boert en zelfs het in proza geschreven Reisje in het Noorden staven zoowel het gunstige als het ongunstige gedeelte dezer oordeelvelling, op menige blad-zjjde. Hij overleed in 1888.

De Antwerpenaar P. F. van Kerkhoven (geb. 1818, f 1857) erkent zelf „geen vorst op 't kunstgebiedquot; te zijn, maar mag toch een gevoelig dicht- en prozaschrijver heeten, al staat zijn stadgenoot, de zeer populaire Jan van Beers, (1821—1888) veel hooger. Eerst leeraar aan de Normaalschool te Lier, daarna aan quot;t Antwerpsch Athenaeum, heeft deze, ook in Noord-Nederland met ingenomenheid gelezen, dichter zijne zeldzaam rijke gave ook al eens aan het opstellen van overdreven gevoelige, ja, ziekelijk droefgeestige stukken besteed. Menig gloedvol en natuurlijk lied, zoowel in zijne Jonaelinasdroome.n en zijne Levensheelden als in de latere Gedichten (wij stippen uit dit laatste slechts den heerlijken Stoomsleper aaiO, bewijzen hoe betreurenswaardig het is, dat Van Beers zich, ter kwader ure, door dien „geest van droeve mijmeringquot;, gelijk hij zelf hem noemt, aan de betere richting heeft laten ontvoeren. Bijna al zijne

-ocr page 380-

352

eerste gedichten, van 1843—-14, zijn als een weerklank van L a m a r t i n e' s weekelijke mijmeringen: Maneschijn, Rosa Mys-tica, Lelie en Roos, Weenen, enz. In De Zieke Jongeling, een verhalend gedicht van 1846, begint hij zich aan die richting eenigszins te ontwringen; maar 't duurt nog jaren, eer hij den beteren weg zonder afwijkingen bewandelt. Altijd tegenstellingen van scherp licht en zwarte duisternis, van grievend, onverdiend leed en tergend geluk, üe Bestedeling, van 1858, en Begya, van 1868, twee uitgebreide verhalen, zijn veel gezonder van opvatting en bewerking. Zijne Rijzende Blaren, van 1884, staan beneden vele der vroegere gedichten.

4. De liederendichters. Da ut zen berg's schoonzoon en leerling, Frans de Cort en Julius Vuylsteke (de eerste is een betere technicus, de tweede bezit meer oorspronkelijkheid) Versnaeyen, De Geiter, een vruchtbaar dichter, die echter voor zijn romantisch epos. Keizer Karei, den vijf-jaarlijkschen staatsprijs niet mocht ontvangen, waarmee de gedichten van H i 1 d e Ram (Mathilde Rambaux) bekroond werden; verder de kath. priesters: de geleerde taalvorscher en echt dichterlijke Westvlaming Guido Gezelle, J. B o 1 s, de bezielde dichter en redenaar H. Olaeys, S. I). Daems, de verdienstelijke opsteller van het Vlaamsch Idioticon L. L. deBo en II. N'. Verriest, noemen wij slechts, om nog even de niet minder gelukkige ontwikkeling van het romantisch proza in Zuid-Nederland te vermelden. De Antwerpenaar Hendrik Conscience (geb. 1812 j 1883) heeft het „Fliimische Stillebenquot; — gelijk de Hoogduitsche vertaler van eenige zijner romans, de overleden aartsbisschop van Breslau, M e 1 c h i o r v o n Diepenbrock, het noemt — met treilende waarheid, roerende innigheid en onnavolgbare naïviteit geschilderd. Waf eene Moeder lijden kan, Hoe men schilder wordt. De arme Edelman, Houten Clara, De Lofeling, Blinde Rosa, enz., w aar het Vlaam-sche volksleven in zoo meesterlijke tafreelen is voorgesteld, zijn in ieders handen. De Leeuw van Vlaanderen, zijn eerste werk, alhoewel met geestdrift begroef en nog gelezen, alsook Hlodiviy en Clotildis, Batavia, Het Wonderjaer, enz. beantwoorden minder gelukkig aan de eischen van den histurischen roman; zij hebben nochtans krachtig meegewerkt om den nationalen geest in België te wekken en levendig te houden. De reeds overleden Jozef

-ocr page 381-

353

Uiercx (onder naam van Eug. Zetternam) eu P. F. van Kerckhoven, van wien reeds gesproken is, verder de Hoord-Brabantsche, in België gevestigde broeders Jan Renier eu Aug. 8 n ieder Sj- de Limburger Eorevisse, Hippoliet ■ van Peene (1811—1864). .Fan van Droogenbroeck (pseud. Jan Ferguut), wien wij Madame» en danken; de stichter

(met Sleeckx) van het eerste Vlaamsche dagblad, J a n de Laet (geb. Antvv. 1818); de geestige eu onderhoudende schrijver van Ernest S/aas, Pony Bergmann (1835—187-1), de zeer objectieve, zelfs gematigd realistische en vruchtbare novellen- eu tooneel-spelenschrijver, J. L. D. Sleeckx (geb. 1818), de gevoelige dichteressen van eenigszins in schetsachtigen vorm opgestelde novellen en verzen, de gezusters Rosalie (1834—1875) en V i r-g i n i e (geb. 1836) L o v e 1 i u g, welke laatste nog ijverig eu met goed gevolg voortwerkt, de kath. priesters A. Due los en G. D. de M e e r s se rn a n, en andereu, hebben zich eveneens als beoefenaars der volksroniautiek doen kennen. De Vlaamsche beweging gaat nog steeds haren gang, doch miste sedert de noodlottige, moeilijk te herstellen scheuring van het gemeeu-schaplijke vaderland iu twee politieke partijen, die krachtige eenheid, welke er alleen de rechten der Dietsche taal met goed gevolg kan doen gelden. Dat het oude dichtvuur anders iu het Zuiden nog niet uitgedoofd is, bewijst, haast al de boven-genoemden, Lode w ij k d e- K o n i n c k, geb. te Hoogstraten, in 1838, die behalve zijne Heiclehloemen en andere liedereu, een heldendicht,Menschdom eerlost, heeft uitgegeven, waarin dat moeilijk onderwerp met een opmerkelijke gave van schildering en voorstelling behandeld wordt. -:'

De stichting der Koninklijke Vlaamsche Akademie voor Taaien Letterkunde heeft thaus de Vlaamsche beweging weder tot meer eenheid gebracht en eeu krachtigen stoot gegeven aan het streven van zoovele verdienstelijke en begaafde mannen, als daar zijn. Prof. P. Will ems, E. Gailliard, Jhr. N. de Pauw, de zoowel in oorspronkelijke als in vertaalde stukken vruchtbare Emmanuel Hiel (geb. 1834), Fr. de Potter (geb. 1834), de opsteller van verscheidene verdienstelijke inonographieën, van gedichten en romans; de scherpziende en vinnig teekenende D1'. Arm. de Vos (Wazeuaan, en anderen. Daarom is het

23

-ocr page 382-

354

te betreuren dat de reeds vermelde Jan van Beers, en met hem Max Eooses, anders eene kraolitige persoonlijkheid, wien de letterkundige kritiek menig welgestüeerd stuk te danken heeft, eno Po 1 de Mont, de lieflijke idyllendichter, zich ter kwader ure van dat voor Zuid-Nederland zoo veel belovend geestesleven, om den wille van gekwetste politieke eigenliefde, hebben afgescheiden.

5. Noord-Nederland had iutusschen niet stilgestaan. Reeds vóór de scheiding van het land in Zuid en Noord, in 1827, had de Amsterdammer Jacob van L en nep (de derde dichter van dien stam, in rechte en onmiddellijke opvolging) zijne geestvolle, wel wat studentikooze Academische Idyllen uitgegeven, en daarop, van 1832 tot 1847, eene reeks van Nederlandsche Legenden laten volgen, welke hij rythmisch bewerkt heeft in den smaak der door hem hooggeschatte Engelschen, Byron, Scott, Moore, enkele malen met inlassching van heelefragmenten uit hunne en anderer geschriften. «Sedert bijna veertig jaren heb ik voornamelijk geleefd van roof en diefstalquot;, zegt hij zelf, vóór de laatste uitgave van dat werk, met die gulle scherts, welke men hij die «bewegelijke trekken en dat guitig oogquot;, bij dien «spotzieken plooi om den mondquot;, altijd kon verwachten. Maar het moet gezegd worden, Van Lennep bezat zulk eene verbazende assimileerkracht, dat al het vreemde inheemsch, al het ontleende, eigendom werd. Eduard van Gelre, het laatste dier — vreemd genoeg Legenden gedoopte — dichterlijke verhalen, is een der bestgeslaagde. Dienzelfden en anderen Engelschen, daarenboven ook Franschen en Hoogduitschen dichteren speelde zijne onvermoeibare lier tal van liederen na, welke eerst verspreid, daarna in bundels afzonderlijk zijn uitgegeven en overal, met oorspronkelijke stukken vermengd, van 's mans vlugheid en voorbeeldelooze vruchtbaarheid getuigenis afleggen. Ook Tooneelpoëzie, ten deele van eigen vinding, en dan niet zelden dol kluchtig, tea

-ocr page 383-

355

deele vertaald, als Shakespeare's Romeo en Julia en Othello, zag van hem het licht. Zijne volle waarde echter en zijn grootsten roem vond Van Lennep in zijne prozaschriften, welke hem tot verreweg den meest populairen schrijver onzer dagen (hij is in 1868, op 66jarigen leeftijd, overleden) gemaakt hebben. Eén jaar nadat hij te Amsterdam de betrekking van rijksadvocaat, welke hij tot zijnen dood toe bekleedde, aanvaard had, in 1829, verscheen De Pleegzoon, de eerste zijner historische romans, niet de beste, daar Ferdinand Huyck het door strengere eenheid, gelukkiger schikking en meer locale kleur wint. In de Roos van Dekema, Elizabeth Musch en Onze Voorouders, daarentegen, voelt men zich veel minder in en onder de daar geschetste tijden en personen leven. Vertellen, objectiveeren, kleuren, al blijven de fijne tinten menigmaal door hem onopgemerkt, kan hij uitmuntend. Te dikwijls echter is hij meer schilderachtig dan diep, een grooter meester in de drapeer- dan in de ontleedkunst. Zijne Geschiedenis van Noord-Nederland aan mijne kinderen verteld vertoont diezelfde onnavolgbare losheid, dienzelfden boeienden verhaaltrant, diezelfde vaardigheid in het behandelen en verwerken zijner stoffe, maar ook dezelfde fouten. Twee jaren vóór zijn verscheiden trad de nog altijd levenslustige dichter op eens weer met een roman te voorschijn, de Lotgevallen van Klaasje Zevenster, waaraan hij getuigt «gedurende twintig jaren... met herhaalde tusschenpoozen (zijn) tijd besteed te hebben.quot; De oordeelvellingen over dit met ongehoorde gretigheid verslonden boek zijn zeer uiteenloopend. Zeker is het, dat er de Hollandsche zeden van het begin dezer eeuw met een «sans gênequot; worden afgespiegeld, die het boek voor jongelieden — tegen de bedoeling des schrijvers — onbetamelijk en bedenkelijk maakt. De uitgave der Werken van Vondel, in verhand gebracht met zijn leven, enz., een reuzenarbeid van hooge

-ocr page 384-

356

waarde, waarin men Vondel en zijne tijdgenuoten, maar ook weer den eigenaardigen uitgever zeiven, volkomen leert kennen, is Van Lennep's laatste werk geweest.

6. Reeds vóór hem had zijn stadgenoot, C. G.gt;Wit-huys (geb. 1794, -|- 1865), eerst door kleinere, door hem zeiven vaak miskende, gedichten, later door stukken van meer omvang, als de Val van Siijeth, zich als een begaafd, schoon niet geniaal dichter doen opmerken. De RotterdammervAdr. van der Hoop .Ir. (geb. 1802, -j-1841) toonde minder zuiverheid van vorm, minder gelijkmatigheid van dichtgave dan de vorige; welke fout ten deele wellicht aan zijne gebrekkige vorming te wijten is. Behalve de gelegenheidsdichten, hem veelal door de omwenteling van 1830 in de pen gegeven, bezitten wij van hem verhalen, naar den trant der Engelschen, en bepaald van Byron. De Hagenaar AvRogaers (1795— 1870) is, zoowel in zijne lierzangen als in fle balladen, een man van talent en smaak, al verraden zij, niet minder dan zijn hoofdwerk. De Togt van Heemskerk, te trouwe navolging van Tollens. Withuys was ook eenigszins in die school gevormd, hoewel minder dan Bern. f-Ter Haar (Amst. 1807, -f- 1880) wiens Huibert en Klaarlje en Aan een apostel des onge-loofs hunnen dichter beter en gunstiger kenmerken dan de langere St. Paulusrots.A e r n o u t Drost moest reeds in 1834 zijn 24-jarig leven eindigen, maar had anders, èn door zijn gedicht: Gelderland, èn door zijne Schetsen en Verhalen en zijne romans Hermingard van de Eikenterpen en de Augustusdagen wat goeds doen verwachten, zoowel als de begaafde schrijver der historische romans Het slot Loevenstein en De Schaapherder, 4. J. F. Oltmans, die onder dennaamJ. van den Hage schuilde.

Abraham des A mor ie van der Hoeven, te Rotterdam, in 1798, geboren, slaagde er in, zich op den

-ocr page 385-

357

kansel eenen roem te verwerven, die hem door velen de voorkeur deed geven boven Van der Palm: zoo wist hij het mindere gehalte zijner opstellen door eene schitterende, haast tooneelmatige voordracht te vergoelijken. Hij overleed in 1855, aan boord van het stoomschip, dat hem van een reisje naar Zwitserland huiswaarts voerde. Een geheel anderen weg sloeg B. Th. Lublink Wed-d i k (geb. Amst. 1801, -f-1862) in, met zijne humoristische, van gevoel en uitdrukking keurige Gedachten en Beelden, Gedachten-Mozaïek, Do Binnenkamer van een Kruidenier. enz. Gelijk de 10 jaren oudere Rotterdammer J. A. Weiland, de zoon van den bekenden taalkundige, had hij echter den Hoogduitscheren dat genre te veel afgeluisterd. Ook P. v a n L i m b u r g B r o u vv e r (1795— 1847) beoefende die schrijfsoort met veel geest, in het veelgelezen Leesciezelschap le Diepenbeek en elders; ofschoon zijne werkzaamheid zich daar niet bij bepaalde, en hij ook verdienstelijke oudheidkundige geschriften uitgaf. Zijn leerling.-C. E. van Koetsveld (geb. Rott. 1807 j 1894) heeft eene reeks van vertellingen en een aantal keurig getoetste, diep zielkundige novellen — onder andere de gevierde Schetsen uit de Pastorie te Mastland — vervaardigd. Niemand heeft evenwel met meer geluk het proza van zijne stijve deftigheid verlost, niemand heeft zuiverder smaak en fijner geest aan natuurlijkheid en eenvoud weten te paren, dan de Leidsche hoogleeraar - J a c. Geel (1789—1802) niet 1 alleen in zijn Proza, zijn Gesprek op den Drachenfels, maar ook in Onderzoek en Fantazie, en in zijne vertaling van Sterne's vernuftige Sentimental journey.

7. Het streven van Geel ter verjonging van ons proza vond weldra, naast gelijke strekking ten opzichte der poëzie, een legioen van vertegenwoordigers: het werd eene school, en die school schiep zich een orgaan. In Januari 1837 verscheen een maandschrift: De Gids,

-ocr page 386-

358

if)

l )

nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen, dat. met «onbescheiden betweterijquot; en «brutale aanmatigingquot; — zoo vloekte de verbolgen schare der statige oude pruiken — het reeds kwijnende conventionalisme, der saaie deftigheid den nekslag gaf. Men voelde dat er jeugdige krachten aan 't werk waren, al verheelden de schrijvers aanvankelijk bunnen naam, die weldra toch geen geheim meer was. Reinier Corn. Bakhuizen van den Brink, Evert Job. Potgieter, Jan Pieter Heye, Pol (die den jeugdigen kring al spoedig ontviel), Nico laas Beets, Aam. Drost en de eenige jaren oudere W. J. C. van Hasselt, zijn de mannen, die de hoofdrollen speelden op dat nieuwe, van ongekende frischheid schitterende tooneel. De letterkundige kritiek, de boekbeoor-deeling, het terugvoeren tot gezondere denkbeelden in de waardeering der schrijvers en hunner voortbrengselen — dat was de kracht, het glanspunt van den Gids. De pas ontslapen dichter Staling, verder Bredero, Starter, Constantijn Huygens, en geheel die belangrijke XVIIde eeuw, werden in hunne waarde hersteld; «Vondel met Roskam en Bommelpotquot; vooral werd, in een met opmerkelijk talent geschreven stuk, naar een geheel nieuwen maatstaf gemeten en der bewondering en navolging waardig gekeurd. De voortvarendste onder die schrijvers was R. C. Bakhuizen van den Brink, die zelfs eenige maanden geheel alleen de pen voerde ;.n dat tijdschrift, en later dan ook «met zelfvoldoening de zonde biecht, een der schuldigste medewerkers aan de Gids te zijn geweest.quot; Deze met zeldzame geestesgaven — helaas! maar te min zelf bebeersching — bedeelde man werd in 1810 te Amsterdam geboren, zag van het predikersambt, waarvoor bij bestemd was, af, werkte van 1837 tot 1843 in bovengemeld maandschrift, begaf zich toen op reis naar Duitschland, waar hij de voornaamste boekverzamelingen en archieven met onvermoeide vlijt door-

-ocr page 387-

359

('-'v quot; ' £ 4-Cquot; CK' ' ^

vorschte, en vestigde zich eenige jaren in België. Sedert 1849, in welk jaar hij naar het vaderland terugkeerde, mocht hij, eerst als adjunct-, daarna als hoofd-archivaris des Rijks, te 's Hage. zich onverpoosd aan zijne lievelingsstudie wijden, tot hij, in Juli 1865, aan eene korte ziekte bezweek. Bakhuizen van den Erin k heeft zijne rijke gaven een oogenblik aan het schrijven van een paar novellen gewijd; maar de waarlijk geniale zijde van zijn talent vertoont zich in de letterkundige kritiek, waarbij zijne verbazend oinvaüenrle ge-schiedkennis hem groote diensten bewees. Öok in deze heeft hij eene nieuwe richting ingeslagen; heeft hij, op grond van langdurige nasporingen, met menige vroegere zienswijze gebroken, ten opzichte van Graaf Egmont, bij voorbeeld, en der Edelen van het Compromis, welke hij zeer onzacht bejegent. Het eenige wat wij, buiten zijne verspreide opstellen in De Gids, van zijne hand bezitten, zijn de bijeenverzamelde Studiën en Schetsen over Vader-landsche Geschiedenis en Letteren, ftlk ben mij zeiven de verklaring schuldigquot;, heeft hij ergens gezegd, »dat of nooit, of slechts zeer kort, het genoegen van mijzelven gedrukt te zien eenige prikkeling voor mij heeft gehad. Ik ben mij veeleer der schuwheid als der zucht om te schrijven bewust.quot; —

Van niet minder invloed op de stichting en handhaving van De Gids was de in Zwolle (1808) geboren, maar te Amsterdam gevestigde en aldaar overleden (1875) Eve-raru Joh. Potgieter. ^

Zonder de minste akademische vorming te midden der eentonige en ondichterlijke bezigheden van het kantoorleven, slechts te Amsterdam eenigszins, door R. K1 ij n, later te Antwerpen krachtiger, door Willetns, aangemoedigd en gesteund, wist hij zijn gelukkigen aanleg in die mate te doen gelden, dat er van zijne tijd- en land-genooten slechts weinigen hem in bezielde en kernachtige

-ocr page 388-

360

poëzie, en wellicht een nog geringer aantal in schilderachtig en pittig proza, wij zeggen niet overtrelTen, maar evenaren. Behalve eenige verspreide stukjes ea de vruchten zijner ijverige medewerking eerst aan De Muzen, daarna aan De Gids, gaf hij, gedurende een paar jaren slechts, het dichterlijk jaarboekje Tesselschade, en eindelijk nog de Liedekens van Bontekoe, zijn Proza en eene verzameling zijner gedichten uit, waaronder het in den Dante-vorm geschreven Florence zich bijzonder onderscheidt. Zijn ))Leven van Bakhuizen van den Brinkquot; is niet alleen eene kostbare bijdrage voor de kennis van twee uitstekende vernuften, het werpt tevens een verrassend licht op de letterkundige en maatschappelijke wordingsgeschiedenis van Jong Holland ; deze studie, die een overzicht beloofde van onze geheele letterkunde sedert het jaar 30, bleef helaas Onvoltooid. De «haters aller stijlen op één na, den gladdenquot;, zegt een der scherpzinnigste critici onzer dagen, «koelen aan dit tweetalquot; — Potgieter namelijk en J. A, Alberdingk Thijm — «hunne regtmatige woedequot;, met hun ongemeenen vers- en zinbouw van duisterheid te beschuldigen.

De Amsterdainsche Doctor in de Medicijnen, J. P. Heije (quot;1809— 1876), bezit mogelijk, als publiek persoon, eene minder krachtige natuur dan de beide vorigen, maar is een des te lieflijker liedjesdichter en zanger van het kinderleven. Zijne Liederen en Gezangen, de Kinderliederen en over 't algemeen zijne gezamenlijk uitgegevene Kinderdichten kenmerken hem als den meest zangerigen, meest bevalligen volksdichter otizer dagen, in den edel-sten zin van het woord.

8. Micolaas Beets werd in 1814 te Haarlem geboren. Reeds vóór en onmiddellijk na zijne bevordering tot doctor in de godgeleerdheid, van 1831 tot 34, zagen zijne eerste dichtproeven, in De Muzen en elders, het licht. In den loop van dit laatste jaar verscheen zijn

-ocr page 389-

361

Jose, een Spaansch verhaal, geheel doortrokken van die ziekelijke somberheid, van die, als dichterlijk geprezene, nevelen van het Byronianisme, waardoor de stralen van zoo menig talent dier dagen verduisterd werden. Daarop volgden Willem Kuser, die nog altijd, in weerwil van des dichters vooruitgang een «half en half Ryroniaanschen heldquot;, «een zoon des ratnps, een broeder van de smartquot; bezingt; Guy de Vlaming, in welken de held, »een dweeperquot;, toch met wat meer kracht te voorschijn treedt; en Ada van Holland, waar natuur en waarheid in toestanden, hartstochten en schildering, het naderend einde van wat Beets zelf zijn «zwarten tijdquot; genoemd heeft, aankondigen. Er waren er die reeds bij het verschijnen van Jose voorspeld hadden, dat hij die verkeerde lichting, waardoor, naar zijn eigen getuigenis, »de verbeelding haar licht verliest, het hart zijne gezondheid, het kunstgevoel zijne frischheid, de natuur haar schoonquot;, zou te boven komen en een waar dichter worden. Sedert de uitgave van Ada week dan ook dat sombere en droefgeestige geheel en al uit zijne poëzie, terwijl zijne gave van waarnemen en zijne meesterschap over den vorm aanmerkelijk toenamen. Hij werd natuurlijk, krachtig, nationaal, klassiek. De bewering, door een onzer pun-tigste pennen ter neer geschreven, dat »zijn zomer niet alles geleverd heeft wat in de windselen van zijne lente besloten lag,quot; moge verdedigbaar zijn — de Korenldoemen met dat bevallige, gevoelvolle Madelief]en; de Nieuwe en de Verstrooide f/edichten, met zoo menig frisch en geestig lied, hebben huns zangers hoofd met onver-ganklijke lauweren omkranst, en hem een eervolle plaats onder onze beste dichters van vroeger en latei' tijd veroverd. Onder den pseudoniem van Ui ld ebrand heeft Beets in zijn populair prozaschrift, de Camera Obscura, met scherp vernuft en keurigen stijl, eene reeks van typen geschetst (de familie Stastok, Gerrit Witse, de

-ocr page 390-

362

familie Kegge, enz.), welke van zijn veelzijdig talent de vereerendste getuigenis alleggen. Ook de Verpoozingen, de Verscheidenheden, het Gesprek met Vondel en zijne geschriften van stichtelijken inhoud waarborgen zijnen roem als prozaschrijver. ^

* 9. De Gids blijft nog altijd werkzaam en, ondanks menig onherstelbaar verlies, een van de hoofdorganen onzer nieuwere beschaving. Velen in den lande is hij, op politiek en godsdienstig gebied, eene ergenis; maar niemand weigert in vele der vroegere en der latere medewerkers, mannen van groote begaafdheid te erkennen. Onder hen noemen wij in de eerste plaats, Cd. B u s ke n H u e t (geb. 's Hage, 1826, 1886) wiens vernuftige en keurig gestileerde letterkundige «Kronijk en Kritiekquot; eenigen tijd de lezers van deti Gids zoo geboeid heeft, maar wiens roman Lidewyde het door hem zoo scherp gegispte Klaasje Zevenster in onbetamelijke zedeschetsen zoo al niet overtreft, dan ten minste evenaart. De letterkundige kritiek, in den geest van S a i n-te-Beuve en van Taine, vond in hem een waardig evenknie dier beroemde Franschen. Zijne Litterarische Fantasiën zijn tot vijf- en- twintig deelen uitgedijd, en omvatten niet alleen bijna geheel onze letterkunde, maar ook grootendeels die der Engelschen en der Franschen, en buitendien nog menig schrijver van beteekenis uit de Duitsche en zelfs uit de Grieksche en Romeinsche letteren. Huet's laatste, wellicht volmaaktste werk, is zijn Land van Rembrand, waarin hij eigenlijk ne Noord-Nederlandsche beschaving in de X Vilde eeuw, in haar Geloof, haren Handel, de Wetenschap en de Letteren, de Kunsten, benevens de Zeden en Personen schildert, maar niet zonder eerst, bij wijze van inleiding, eene studie gegeven te hebben der vorige eeuwen, vertegenwoordigd door enkele karakteristieke persoonlijkheden. «Desniettegenstaande, zegt H. J. Polak, is de kritiek der vakmannen

-ocr page 391-

363

blijven klagen over onvolledigheid hier, over oppervlakkigheid ginds, over paradoxen en enormiteiten overal.quot; Busken Huet is geen onvermoeide, dorre navorscher, geen diepzinnige Germaansche uitpluizer; hij is de fijne, geestvolle Franschman, aan wiens scherpen blik niets ontsnapt, wiens geoefende smaak zich niet licht bedriegt, wiens vernuftige en bezielde pen, in door geenen zijner tijdgenooten overtroffen stijl, schatten van ruime, ofschoon niet altijd even grondige, kunstkritiek en van breed opgevatte letterkennis heeft samengebracht.

Wij mogen hier niet vergelen noch H end riek Jan Schimmel, ('s Graveland, 1824), den door zijne diepe karakterteekeningen en belangwekkende knoopingen en ontknoopingen zeer verdienstelijken romanschrijver en tooneeldichter (Sinjeur Semeyns—Napoleon Bonaparte, Struensee) ; noch den geschied- en staatkundigen P. A. S. v ajn Limburg Brouwer (1829—1873), al staat hij aan wat lager peil dan de beide vorigen; noch den geleerden Orientalist Pv. P A. Dozy (geb. Leiden, 1820), noch eindelijk den scherpzinniger), thans (1871) overleden, S. Gorter, den keurigen schrijver der Letterkundige studiën. Ook Generaal W. J. Knoop (geb. 1811), de schrijver van vele in boeienden en keruachti-gen stijl opgestelde verhandelingen over geschied- en krijgskunde; de begaafde oeconomist, professor S. Vissering (Amsterd. 1817, 1888), de geschiedvorscher Bob. Fr u in (geb. Botterd., 1823), die zijne scherpzinnige vertoogen in helderen, sierlijken stijl weet in te kleeden, de geestige Joan G. Zimmerman (pseudon. Bern. Koster) en, misschien meer nog dan éen dezer, de fijn en edel bewerktuigde historisch-politische en literarische teekenaar H. P. G. Quack, verdienen vermeld te worden.

10. Buiten dien kring werd en wordt er met niet minder vlijt en talent voortgewerkt. W. J. A. Jonekbloet ('s Hage, 1817,

-ocr page 392-

364

t 1885), de verdienstelijke schrijver der Geschiedenis der Middel-nederlandsche Dichtkunst, der Etude sur le Roman du Renart, van den Guillaume d'Orauye, eu de uitgever van menig Middeleeuwsch lettergewrocht, liet zich door de beslommeringen der politiek niet van zijne literarische studiën afhouden, evenmin als de onvermoeide, op elk gebied uiterst radicale Joh. van Vloten (Kampen, 1818 — f 1883), zich, door het verbeureu van zijn Deventerschen leerstoel, in zijne uitgebreide geschied-, taal- en letterkundige navorschingen belemmerd voelde. Zelfs de veel oudere, in gansch uiteeuloopende richtingen gaande staatslieden, Jan Rud. ïhorbecke (Zwolle, 1796 t 1872) en Willem Groen van Prins ter er ('s Hage, 1802 f 1876), bleven, de eerste als lid der Tweede Kamer, de tweede als leider der „Christelijk-Historischequot; partij, niet geheel verwijderd van het veld der letteren, in de uitgebreidste beteekenis van het woord. De Utrechtsche hoogleeraar in Nederlandsche geschiedenis, taal en letteren, Willem Ger. Brill (geb. Leiden. 1811), werkte niet minder onverdroten voort dan de Amsterdamsche rentenier H. J. Koenen (1809—1874), de Rotterdamsche taalkundige A. de Jager, de talentvolle geschiedschrijver Prof. Willem Moll (geb. Dordrecht, 1812), de schrijver der Studententypen, Joh. Kneppelhout (Leiden, 1814 f lS85j, de uitstekende Leidsche hoogleeraar Matthias de Vrie,s (geb. Haarlem, 1820 gest. 1891), wien te gelijk met den Leuvenschen hoogleeraar J. DavidenDr. L. A. te Winkel, beiden reeds overleden, door het Letterkundig Congres van Noord- en Zuid-Nederlanders, te Gent in 1849 gehouden, eene gewichtige taak, het) opstellen van een volledig Nederlandsch Woordenboek, werd opgedragen, en die, bijgestaan, sedert goner overlijden, door de jongere Eel co V e r w ij s (overl 1883) en P. J. Cosijn, aan dat werk zijne beste krachten bleef wijden, na de Siegenbeeksche spelling, ten behoeve van het Woordenboek, grootendeels volgens de leer van Bilderdijk, gewijzigd te hebben; de geleerde navorscher der eerste gronden onzer taal, prof. J. H. C. Kern (geb. 1833) en zjjne verdienstelijke ambtgenooten J. te Winkel (Geschiedenis der Nederl. Letteren) en J. ten Brink {Geschiedenis der Noord-Nederl. Letteren in de XIXquot; eeuw); de meer schitterende dan diepe hoogleeraar der wijsbegeerte te Utrecht, Corn. Will. Opzoomer (geb. Rotterd.

-ocr page 393-

365

1821), en de stichter van den Nederlandschen Spectator, -Af ark P rag er Lindo. een geboren Engelsehman (Londen, 1819 f 1877), die in Duitschland zijne studiën volbracht en op 23-jarigen leeftijd pas naar Nederland kwam, waar hij, onder den geleenden naam van den Ouden lieer Smits, door zijne Brieven en Uit-hoezemingen, zijne vertalingen uit het Engelsch, zijne Clementine en Losse Schetsen in en om Parijs, een onzer meest gevierde prozaschrijvers is geworden.

11. Te jong ontviel, in 1860, den voorsten rijen onzer hedendaagsche schrijvers de Warmondsche hoogleeraar Corn. Broere (geb. 1803), die niet alleen op het gebied der leerstellige theologie, der apologetiek, der wijsbegeerte, der geschiedenis en der politiek, maar ook op dat der dichtkunst en der fraaie letteren, schoon meestal anoniem, in het inaandschrii't De Katholiek, eene reeks van studiën, verhandelingen en vertoogen heeft geleverd, die in hoogstoorspronkelijke trekken den stempel van het genie dragen. Ook andere, vroegere en latere, medewerkers aan bovengenoemd tijdschrift of aan de Studiën op godscl., vjetenschappel. en letterk. gebied: de begaafde kanselredenaar Th. Borret; de niet minder als dichter dan als prozaschrijver gunstig bekende P. Van der Ploeg; de veel te bescheiden geschied kenner J. W. L. Sin it, de verdienstelijke bewerker der Bijbelsche Geschiedenis, J. C. H. Muré, de novellenschrijver J. J. van der Horst, de heldere en grondige staatsphilosoof A. van Gestel, de ijverige H. J. Allard — om slechts eenigen te noemen, uit de breede rij der katholieke priesters, die het vrije nederlandsche woord tot den dienst der waarheid verplichten — verder de mannen van den wakkeren, frisschen Wachter: de degelijke en onvermoeide geschiedvorscher Dr. W. J. F. Nuijens (Westwoud 1823, aldaar 8 Dec. 1894), de later te vernielden bezielde dichter H. ,1. A. M. Schaepman (Tubbergen, 1844), H. A. des Amorie van der Hoeven, (Amster-

-ocr page 394-

366

dam, 1829) die met zijne doorwrochte polemische geschriften, ofschoon in gansch andere richting dan zijn vader en zijne ontslapene broeders Abraham en M a r t i n u s, aan de eer van zijn begaafd geslacht niet te kort doet; de veelzijdig begaafde Mr. Joan Bo hl, de verdienstelijke vertolker van Dante en de scherpzinnige en onvermoeide verdediger van ons goed recht, op het beroemde werk der Navolging van Christus, O. A. Spitzen (f 1889), bleven de opgenomen taak met ijver en talent getrouw.

12. En daar wij ons thans op 't veld van het proza bevinden, kunnen wij deze korte schets niet eindigen, zonder te wijzen op den schrijver van den veelgelezen historischen roman Jan Faessen, den Hagenaar Lodewijk Mulder (geb. 1822); op Multatuli (Ed. Dou-wes Dekker, (geb. Amsterd. 1820, 1887), wiens Max Havelaar, door het ontsluieren der toestanden «van het prachtig rijk van Jnsulinde, dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd,quot; Oost-l ndië, »eene rillingquot; door geheel het land deed gaan, ook schrijver der Vorstenschool:, maar wiens schitterende gave zich, schijnt ons, verloochent in de latere Ideën, de zonderlinge Minnebrieven, enz.; op den veelal overschatten kanselredenaar J. J. van Oosterzee (geb. Ilotterd. 1817), den geestigen, boeienden novellendichter en reisbeschrijver, Ger. Keiler (geb. Gouda, 1829), den scherpzinniger! rechtsgeleerde en verdienstvollen bijbelvertaler Mr. S. P. Lipman (Londen, 1802, Hilversum 1871), den kei'khistorieschrijver en Lenvenschen hoogleeraar Dr. P. P. M. Alberdingk Thijm (Amsterdam, 1827), en den gevierden verteller der Betuwsche Novellen, van het Reisgezelschap, Wouter Linge, Banna de freule en Daniël Sils, Jac. JanC.remer (geb. Arnhem, 1827 — -f-1880), die ook der dramatiek niet vreemd is gebleven, evenmin als E. Masdor p (pseudon. P. Rosmade — f1871) en de talentvolle Zwollenaar Pieter Theod. Helvetius van

-ocr page 395-

367

den Berg (geb, 1795 — -f 1874). Al staan dezes Mc/i-ten, in proza, verre beneden De Neven, in dicht, en heeft hij ons sedert slechts losse stukken in proza en verzen, meest hekeldichten, raeer geschonken — wanneer hij, »met dat pakje onder den arm, aanklopt bij de nakomelingschap, zal deze, die eene vrouw van smaak is, hem binnenlaten.quot; De echtgenoote van den schrijver dezer oordeelvelling, Anne Busken. Hue t, geboren van der Thol, heeft zich, door eenige Novellen en losse schetsen, haar aangenomen naam waardig gemaakt, terwijl de zuster van den dichter en schrijver van Waarheid en Droomen, Jan Pieter llasebroek, hare gave aan het opstellen van bevallige zedenromans besleed heeft.

13. Eene met zeldzaam talent verrijkte schrijfster is de Alk maar sche Anna Louise Geertr. Toussaint, (1812—1886), sedert haar huwelijk met den als kunstenaar niet minder te waardeeren kerkschilder Bosboom, bekend als Mevr. B osb o o m-T ou ssai n t. Reeds in 1838 trad zij met haren eersteling, De Graaf van Devonshire, op in den Gids, die, ondanks de uitstekende hoedanigheden der jonkvrouw, hare stokstijf onverdraagzame, tegen alles wat niet met hare kerkelijke overtuiging strookt onmeedoogend ijverende historische romans, op den duur, niet onder zijne vlag kon laten varen. Het Huis Lauer-nesse, dat in 1840, met geestdrift begroet, verscheen, deed het verschil van zienswijze tusschen haar en hem duidelijk uitkomen en maakte de samenwerking altijd trager. Trouwens zij behoefde geen vreemden steun. Zij beweegt zich met zulk gemak in het lang vervlogen voorheen, waar zij hare figuren groepeert ; zij dringt met zoo wijsgeerigen blik in de toestanden en de gemoederen; zij doet met zulke ongemeene kracht den roman «tot voertuig aan een bepaa Iden vorm van evangelieverkondiging verstrekken,quot; dat zij bij den begaafdsten en voortvarendsten onder de mannen niet be-

-ocr page 396-

368

hoeft achter te staan. Maar dat geeft haar in geenen deele recht orn de overtuiging van anderen te krenken, gelijk zij voortdurend doet, èn in'hare trilogie Leycester in Nederland, met de twee vervolgen, èn in hare Historische Novellen, haar Leydsch Student en De verrassing van Hoei.

Haar stijl is weliswaar minder populair en natuurlijk dan die van Van Lea nep, zelfs niet altijd vrij van gezochtheid en gerektheid, maar daarentegen met nooge-ren gloed en rijkere beeldspraak bedeeld. Beter dan hij om-vademt zij hare grootsche ontwerpen, boetseert zij hare figuren, ontleedt zij bare karakters en zet zij de geheimste drijf-veeren van het menschelijk hart in beweging. Kene rangschikking barer werken — welke men, volgens de scherpe uitdrukking van Hu et, onder den algemeenen titel van Le Génie du Protestantisme zou kunnen brengen -naar hunne betrekkelijke waarde, is niet doenlijk, daar sommigen aan de reeds genoemde Lpj/cester-lrilogie, eeni-gen aan het Huis Lauernesse, wederom anderen aan de Kroon voor Karei den Stoute of aan Diana en, onder hare jongste voortbrengselen, aan Graaf Pepoli de voorkeur geven. Zeker niet minder verdienstelijk dan de vorige zijn haar fijn zielkundige Majoor Frans, de Delft-sche Wonderdokter en Langs een omweg.

14. Een passenden overgang op onze jongste literatuur in gebonden stijl vormt Jos. Alb. Alberdingk Thijm (geh. Amsterdam, 1820 f 1889), in wien, blijkens de pas verschenen Verspreide Gedichten (1841—89), de prozaschrijver den dichter niet bedorven heeft. Het grootsch, ongemeen harmonisch samenhangend literarisch kunstpaleis, door dien man gesticht, rust op breede grondslagen. Taalstudie, in ruimer beteekenis dan de opschriften doen vermoeden {De Spelling van de Bastaartwoorden — De Ne-derduitsche Spelling): Geschiedenis onzer letteren, inzonderheid der middeleeuwsche (Gedichten uit verschillende Tijdperken — Karolingische Verhalen - Oude en Nieuwere

-ocr page 397-

3(39

Kerstliederen — De la Uttéralure Néerlandaise); Kunstkritiek, in den edelsten en ruimsten zin {De Spectator — De Dietsche Warande); Vaderlandsche geschiedenis en polemiek (in zoo menig vlugschrift); gedichten, van kracht en verheffing, van buitengewone kunstvaardigheid, van volmaakte heerschappij over taal en maat getuigende (Viooltjens en grover yebloemte, in onderlijken gaard gekweekt - De Klok van Delft — Legenden en Fantaziën — Palet en Harp — Het Voorgeborchte enz.)-, biographieén van halfvergetene, doch verdienstelijke of zelfs roemwaardige geloofsgenooten en geestverwanten, in romau-tischen vorm gevat, maar met getrouwe schildering van tijden en personen en opmerkelijke «plasticiteit van taal ' {Op het Hof — Stalpaert van der Wiele— Tesselschade — Hel Begijnenklooster te Grave en zijne dichter esse — Joan Nanni.ig — Andries van der Kruysen — Pieter Pijpers — Jac. van Campen — Christina van Zweden — Dirk Dircxen Bornmer — Jac. de Wit — Jan Sinkel, alle in de jaargangen van den Volksalmanak voor Ned. Katholieken, meestal onder den schertsnaam van Pauwels F oreestier); novellen, beurtelings aandoenlijk en ver-heffend, vol fijne scherts en vol tranen {Geertruide van Oosten — M(jufvrouw Leclerc — Magdalena van Vaerne-wijck) — ziedaar de brieven, krachtens welke hij D a Costa, zijn «vriend en vijand tevensquot;, met volle recht mocht toeroepen;

»Anch' io son pittor' en heb mijn plaats verdiend,

Waar 't heerlijk vaandel golft met teisterbantsche kleuren.''

Wij geven toe, dat, waar Alberdingk Thijm geacht moet worden een meer ontwikkeld publiek tot lezer te vinden, zijne geschriften door anderen niet zonder eenige inspanning te genieten zijn, dat «zijne kunst niet altijd zijne eruditie kan verduwen''; daarentegen betrapt gij hem ook nooit op gezwollenheid, even-

24

-ocr page 398-

370

min als op alledaagsche halfheid, of gebrek aan smaak en takt.

Van eene geheel andere soort, dan de voortbrengselen des vorigen, zijn de meestal in eigenaardig berijmd en gecadenceerd proza, zoogenaamde knittelverzen opgestelde vermakelijke en zeer oorspronkelijke gedichten van den Schoolmeester Ge r rit van deLindeJansz. (geb. Piotterdam — -j- Highgate bij Londen, 1858) en de geestige schetsen en de gemakkelijk vloeiende kindergedichten van .fan de Rijmer (J. J. A. Goeverneur, geb. te Hoevelaken in Gelderland, 1809, -J- 1889); de vader-landsche, Tollens en H e 1 mers met verflauwde kracht nagezongen, balladen van S. J. van den Bergh (1814— 1868), die ook Duitsche, en vooral Engelsche schrijvers menig stukje afluisterde — eene troostlooze taak, waarin hein zijn dichtvriend en stadgenoot W. J. van Zeggelen (1811—1879), met nog geringer geluk, ter zijde stond. Had deze het bij Pieter Spa gelaten, men zou die eenigszins groteske incarnatie der Hollandsche kleinburgerschap voor lief genomen hebben; maar hij hoeft dat zonderlinge type te dikwijls herwerkt, dan dat men er nog smaak in hebbe, al deed Van Len nep zulke dingen niet heel veel beter. Liever nog de gevoelige Zangen der liefde van A. L. Lesturgeon (geb. Venlo, 1815), de ongekunstelde, maar warme en zuiver gestileerde Gedichtjes van .1 o h. Poel h ek k e (geb. Deventer, 1819), de scherpe, misschien wel wat overdrevene, hekeldichten van W. H ec k er (geb. Groningen, 1817), en veel liever de teedere, diepe en toch bevallige Eerste Gedichten en Laatste der eerste, zoo vol «levenslust en siervens-moedquot; — als hij zelf het noemt — van P. A.deGénestet, die, in 1829 te Amsterdam geboren, reeds in 1861 ten grave gedragen werd. Zijne Leekedichtjens geven, met fijn vernuft en in klassieke taal, de indrukken terug van een ontvankelijk en oprecht gemoed, te midden van den

-ocr page 399-

371

strijd tusschen geloof en ongeloof. Zijn scherts is meestal tegen het eerste gericht, en toch ontsnapt hem soms «peinzensmoedequot; de bekentenis van een supernaturalis-tisch heimwee. Men heeft (niet zonder overdrijving echter) van hem gezegd, dat hij Beets «evenaart in al hetgeen waarin deze uitmunt, en hem overtreft in vele opzigten.quot; Hij weet aandoenlijke binnenhuisjes te schilderen, niet minder dan levenslustige, beurtelings, en half-mystiake liederen te zingen. Zie, voor de eerste soort; Het Haantje van den Toren, ArmeVisschers en Jonrj-Hollandsch Binnenhuisje; voor de laatste: De Lendenen omgord, 't Was toch de Hovenier eu De Engel hij het graf. Fijnere toetsen lagen er op geen palet van het midden dezer eeuw, in Nederland.

15. Onder de overigen, die gedeeltelijk reeds zijn heengegaan, komt, op de eerste plaats in aanmerking de Hagenaar J. J. L. Ten Kate (geb. 1819 1889), in wien velen eene hooge mate van oorspronkelijkheid weigeren te erkennen, maar die door geen onzer lieden-daagschen in levendigheid van verbeelding overtroffen, noch in meesterschap over vorm en maat geëvenaard wordt. Zijne heerlijke vertaling van Tasso's Verlost Jerusalem, zijne Legenden en andere kleine stukken, en zijn schitterend beschrijvend leerdicht De Schepping, staven alleszins dit oordeel. Rijk aan adel van hart en geest is de dichter, die zich, in zijne eerste jeugd, door het gevoelige De ledige Stoel naam maakte, en later door zijn Beeld der Toekomst, zijn met Van Lennep bewerkt treurspel, De Val van Jerusalem, zijne schetsen Naar de Natuur en Binnenhuisjes, den eersten roem vestigde en aanmerkelijk vergrootte, de Amsterdamsche dagbladschrijver A. .1. de Buil. En wie kent den zanger der Kennemerlandsche Balladen niet, W. J. H o fd ij k (geb. Alkmaar, 1819, j 1888)? Wie voelt niet dat hij, als schilder, de fijnste tinten en de geheimzinnigste harmonieën der natuur moet afgezien en opgevangen hebben,

-ocr page 400-

372

om ze daarna, als dichter, zoo aanschouwelijk voor te stellen? Wij houden hem het «gebruik van verouderde en gezochte woordenquot; gaarne ten goede, of liever, wij vinden dat zij de locale kleur zijner tniddeleeuwsche balladen op pikante wijze verhoogen. Die epische dichtvorm is dan ook zijn fort, en naar onze bescheiden meening, is hem daar geen zijner landgenooteu in boven 't hoofd gewassen. Zijne dramatische gewrochten leggen eene ongunstige getuigenis af omtrent zijn besef van wat op het tooneel belang wekt; zijne geschied-en oudheidkundige studiën getuigen meer van zekeren artistischen smaak, dan van diepte en onpartijdigheid, en 'tis wel jammer dat hij, om harentwille, zijne «epische baan minder getrouwquot; werd.

16. Zonder hier in een breede ontwikkeling te treden van de verscheidenheid der gaven bjj dichters als D'. J. J.F.Wap, H enri Binger, A. Winkler Prins, de vroeg overledene Al ber tine Kehrer, Elliot Boswel, D. Dor beek, den vernuftigen en zangerigen B van Meurs, den krachtigen vertolker van Isaïas, G. Jonckbloet, moeten wij toch nog vermelden den redacteur van den Standaard, Isaac Esser, die, onder het pseudoniem van Soera R a n a, verdienstelijke verzen geschreven heeft, en F. Haversmidt, wiens Snikken en Grimlachjes van Piet Paaltjens echt studentikooze karikaturen schilderen. Onder de allerjongsten, heeft de te vroeg overleden Jacques Perk op uitstekende wijze de sonnetten der Italianen en Engelschen nagezongen; C. Honigh, eerst met opgewektheid de liederen van zijn Lente aangeheven, daarna met meer kalmte de huislijke poëzie beoefend; terwijl Ma reel lus Emants, in zijn Lilith, Godenschemering en Juffrouw Una, met veel talent de realistische richting vertegenwoordigt, geheel anders dan de wel te melancholieke en daardoor wat eentonige, maar met diep gevoel en hooge kunstopvatting begaafde schrijfster van Blauwe Bloemen, Sneeuwvlokkea en Rouwviolen, Mej. Hél éne Swarth en de bezielde Jonkvrouwe Louise St raten us. Ook in M1'. M. G. J. van Log hem's (pseudoniem: Fiore della Neve) Eene liefde in het Zuiden, Liana

-ocr page 401-

373

Blond en Blauw en Walter, straalt een geboren dichter door; ( van zijn geheel mislukten roman Victor kunnen wij z-vijgen); niet minder dan in do GedirMen, Rijzende Starren en Idyllen van den bezielden Belg Pol. de M on t. Hoogen lof verdient de voortreffelijke vertolking in Nederlandsche verzen van Shakespeare, door D1. J. A. J. Burgersdijk. Louis Couperus is niet geheel vrij van efi'eetatie (in zijne alliteratie b. v.). en rijker aan kleur-schakeering dan aan vinding ( Orchideën enz.i, al is in zijn roman Eline Vere vooruitgang waar te nemen.

^ Hooger evenwel verheft zich H. J. A. M. Sch aep m an, van wien Van Lennep, in zijne laatste levensmaanden gezegd heeft; «Vondel is onder ons verrezenquot;, en in wien de begaafde penvoerder der Amsterdamsche Courant, A. J. de Bull, da Costa's gloed, met groot er meesterschap over den vormquot;, meende te herkennen. De heerlijke bloesem, ons in zijne eerstelingen: De Paus, Vondel, De Eeuw en haar Koning, De Pers, Ste Maria van Egypte, Napoleon en in zoo menige van het edelste dichtvuur gloeiende Ode geschonken, dreigde, een oogenblik, geen verdere vruchten te zullen geven, zoo vreesde men, sedert de weelderige lyrische natuur van den dichter zich afkoelde in de polemische opstellen van Onze Wachter en bovenal in de kille atmosfeer der Tweede-kamerdebatten. De prachtige en krachtige Aya Sojia heeft ons echter van die vrees verlost, en de Nieuwe Gedichten, veelal eene geloofsbelijdenis in strijdbare kleedij, als hij zelf getuigt, geven ons weer zijn machtigen harpslag te genieten. Maar toch ook van zijn proza (Menschen en Boeken) kan men zeggen:

„Méme quand l'oiseau marche, on sent qu'il a des ailes.quot;

17. Ook dat proza telt begaafde vertegenwoordigers. De Amsterdamsche geschied- en oudheidvorscher, J. ter Gouw, de keurige vertaler van Dante en Shakespeare, A. S. Kok, de schrijver van den geestigen verkiezings-roman, Henry van M e e r b e k e (pseudon. van M. W. van der A a) en de bescheiden, doch verdiensteljjke Bosschenaar J. C. A. Hezen mans, mogen niet voorbijgezien worden. Mede onder de ouderen

-ocr page 402-

374

hebben Mr. C. Vosmaer (1826—1888 Amazone en Inwijding) en Dr. A. Pier son (geb. 1831), bewezen, dat zij even goed de kunstleer weten te verkondigen, als die in hunne geschriften in toepassing te brengen. Naast hen verdienen W. P. W o 11 e r s (f 1891 Transalpina, Lucretia d'Estë) de met edele gaven bedeelde kunstkenner, de voortvarende Jh r. Vic t. de S t uer s, de gevreesde schrijver van Holland op zijn Smalst, eene plaats. Ook Dr. Jan ten Brink is een kunstkriticus, niet minder dan een verdienstelijk karakterteekenaar, in zijne, overigens op lmnder beIang\vekkende wijze geknoopte en ontwarde, romanintriges.

De roman en de novelle zijn anders thans de meest gezochte lectuur. Heel-, half- en in 't geheel niet geslaagde vertalingen der Frausche, Duitsche en Engelsche voortbrengselen dier soort overstroomen ons land. Gelukkig zijn er, buiten de vroeger vermelden, ook nog die zelfstandig werken. Zoo de rijkbegaafde verteller zijner reisherinneringen, in Van 't Noorden naar hd Zuiden, Ch. Boissevaiu (geb. 1842); zoo ook H. de Veer (geb. 1829 -|- 1890), in zijn Trou-Ringh voor het Jonge Holland, gevoelige schetsen, die eenigszins aan Gust. Droz herinneren, meent Buskon Hnet, doch zonder veel grond.

Justus van Maurik is, in zijne realistische schetsen en tooneelstukken, (Burgerluidjes, Met zen achten, Papieren Kinderen), die vooral onder de lagere klassen spelen, wel teekenachtig, maar niet plat, wel zeer grappig, maar nooit onbetamelijk. Dr. A. J. Vitringa, (Jan Holland), geeft ons daarentegen buiten 7)«/--winia, satirieke, van geest en waarheid tintelende voorstellingen, in romantischen vorm, van ons hedendaagsch schoolwezen, in zijn ontstaan, zijne werking en zijne uitkomsten: Nette Menschen, De familie Will ems, Doris en Doortje, Moderne Heksen. De Woort en zijn Kring, Het smeult, enz. Ook de kleine romans van C. Terburch, Hildegonde van Duivenvoorde en vooral Ontrouw? bevatten treffende schoonheden, niet minder dan de met zorg bewerkte, doch zielkundig minder diepe Gouden Dubloen en Maag-depalmen van J. K. van der Lans. Onder onze vrouv.eu wordt onze romanliteratuur thans veel en niet zonder geluk beoefend. Tot deze behooren Mevr. Elise van Calcar, met hare wel zaak- maar niet altijd kunstrijke tendenz-romans; Mejuffr. C a t h. van Kees, met hare treffende, van studie getuigende

-ocr page 403-

375

novellen; de eenvoudige, maar boeiende Mevr. van West-rheeue; verder Mej. Cath. Alb. Tiaijm en Mej. Maria Sloot (pseudoniemen: Mat hi 1de en Melati van Java) die met zeer vruchtbaar en vindingrijk vernuft bedeeld is, maar niet overal de fijnste tinten, noch do zuiverste taal te.quot; beschikking heeft; en eindelijk Mej. A. S. C. Opzoomer ^pseudon. Wallis), van wie wij, behalve een tweetal drama's in het Hoogduitsch, ook historische romans: In dajvn van strijd en Vorstengunst, bezitten, die van ernstige opvatting en studie getuigen, maar vrij somber van levensbeschouwing en soms niet zuiver van taal zijn; twee eigenschappen, die vellicht in hare voorliefde voor het Hoogduitsch haren oorsprong vinden.

Met meer of minder talent wijdden zich aan de dorpsnovellen en kleinere zedeschetsen: Maaldrink, Heering, Nag tg las, Seipgens, Beunke en [sing; terwijl de zeeofficier A. We-rumeus Buning voor zijne Marineschetsen e. a. welverdienden roem inoogstte. Het staatkundig en maatschappelijk leven in Indië wordt ons ontsluierd in de vaak scherp hekelende romans van Perelaer, R. van Rees, G ro ne ma n en Annie F o o r e.

Sedert 1886 is er, met trommelslag en bazuingeschetter een vertegenwoordiger der naturalistische (Zolaïstische) richting in de kunst opgestaan, De Nieuwe Gids, onder redactie van: Fred, van Eed en, F. van der Goes, W. K 1 o o s en A lb. Ver w e y. Al wat naam heeft op het veld onzer letteren zal wel met ons erkennen, dat zoo er al talent schuilt in sommige voortbrengselen dier nieuwe dichters, novellisten en kunstrechters, de realistische, platte, vaak ploertige voorstelling, het tot vervelens toe uitpluizen, het catalogiseeren der nietigste bijzonderheden, de gezochte, onleesbare woordopstapeiingen, de onuitstaanbaar pedante be- en veroordeelingen, evengoed als de weinig verheftende zedeleer elk tegen de borst stoeten,die op waarheid, gezonde taal, goeden smaak en fatsoen gesteld is.

Zeker is Fr. van Eeden's Kleine Johannes eene liellijke allegoristische novelle; wellicht is Fr, Ne tscher ook van die school, al werd hij eens, met onbroe-

-ocr page 404-

376

derlijke felheid, door een bentgenoot buiten het rare heiligdom geworpen — bij al het gebrekkige in zijne vertellingen en novellen, een artist »die eene toekomst heeftquot;, meent Jan ten Brink; zeker vertoont Alb. Verwey in zijne gedichten, naast stukken, onmogelijk en onhebbelijk van inhoud en vorm, hier en daar dieper gevoel, zuiverder verbeelding en toon ; maar zeker ook verstikt het onkruid de goede tarwe, over geheel dien akker. Hopen we dus, dat de letterkundige oogst der toekomst daar niet te velde staat.

Van den aanvang af was de Nieuwe Gids, volgens de bekentenis van een der latere medewerkers, „niet een kring, niet een organisch levend wezen, maar een samenkomen van heterogene individueele machten rondom één macht, die uit nooddwang elkander steunden, zoolang het wezen van het tijdschrift was polemisch tegen al het oude, maar die niet samen konden blijven, omdat allen alleen zochten en zoekende zich meer en meer verwijderden van elkander in woord en daad.quot;

Niet te verwonderen dus, dat, toen de Sturm- und Drangperiode voorbij was en de jongere letterkundigen „begonnen (te) bouwen, insteê van (te) brekenquot;, tusschen die „bedaardequot; arbeiders aan de toekomst hunner kunst een heftige twist ontstond, die in het begin van '94 den val van den Nieuwe Gids tengevolge had. Wel zette W. K1 o o s, de talentvolle aanvoerder der jongste generatie, het werk voort in de „tweede reeks der Nieuwe-Gids-jaargangenquot;, doch weldra hielden ook deze op te verschijnen. Intusschen hebben de dissidenten een Tweemaandelijicsch Tijdschrift voor Letteren, Kunst, Wetenschap en Politiek opgericht, onder hoofdredactie van L. van Deyssel (pseud, van K, Alb. Thijm) en A. Verwey. Of dit tijdschrift, dat zich de medewerking van vele schrijvers en schrijfsters van naam (buiten de elders in dit werk genoemden o. a. Aletrino, G. Busken Huët, Cyriel Buyssen, H. Gorter, C. F. van der Horst, J. de Koo, J. van Looy, J. Veth, Ary Prins) heeft weten te verzekeren, zal zijn wat het beloofde, nl. eene verdediging van het goed recht aller gezindten, zal de toekomst leeren.

-ocr page 405-

NAMEN DER SCHRIJVEKS

EN

TITELS VAN NAAMLOOZE SCHRIFTEN.

I. Van de vroegste tijden tot aan de Renaissance.

Blz.

Bh.

Adviaenssen. (Corn.)

159

Borg. (Jac. van der)

159

Attlighem. (Willem van)

95

Brinekerinck. (Jan)

134

A iol.

36

Broeder Hans.

115

Anno. (Lofdicht op)

13

Broeders van het ge-

Ar fur's Boek. (Koning)

41

meene leven. 93 en

172

Assenede. (D;.edei'ik van)

48

Brugman. (Jan) llö en

136

Auhry den Bourjengoen

37

Bruiloftslied.

116

Augustijnken van Dordt

103

Bussenblaser (Die)

126

Baerte metten hreden

Caerl ende Elegast.

30

voeten.

43

Calfstaf.

55

Barlaüm en Josaphat.

47

Casteleyn, (Matth. de)

149

Beatrijs.

53

Clerck vuyten laegen lan

Beieren.

133

den. (De)

131

Beke. (Jan van der)

133

Cnibbe. (Jan'i

103

Beowulf.

7

Colijn.

145

Bertken van Utrecht.

115

Colpaert.

103

Bestiaria.

55

Conrozijn.

113

Bjhel.

127

Costerus.

159

Byns. (Anna)

150

Da!e. (Jan van)

145

Bliscap van Maria.(Die eerste) 118

Datlienus.

160

Boec van den houte,

95

Jjhoek der Wraken.

92

Boek van Seden 55 en 93

Delf. (Dire van)

133

Boendale. (Jan)

87

Delft. (Willem van)

183

Bonifacius. (Heilige)

8

Dene (Eduard de)

145

Borchgravinne van Vergi

Diet see Cat oen. 55 en 98

[De) 100 en

103

Dietsche Doctrinale.

92

-ocr page 406-

378

Dietsce Lucidarius.

Dille. (Jan)

Dingelsche. (Jan) Dixinunde. (Oliv. van) Drie dayhe- here.

Duym. (Jhr. Jac.) Echasis Captivi.

Es mo reit.

Esopet.

Evanjeliënharmonie.

Everaert.

Fasfcraets.

Ferguut.

Flandrjs.

F loo o ant

Floris ende Blanchufloer.

Forsachistu.

Franconis.

Fruitiers. (Jan)

Garijn van Montglane.

Gelre.

Geraert. (Broeder)

Gilles de Wevel.

Gloriant.

Goedroen.

Goedtman. (Lambert) Graelqueste {De) Grimbergsche Oorlog. Groete. (Geert) Gwidekijn van Sassen. Hadewijch.

Haeclit. (W. van) Hamnie. (Pape van den) Harmansz. (Tonis)

Heelu. (Jan van) Heemskinderen. {De vier) d'Heere. (Lucas)

Biz.

Biz.

93

Hein van Aken.

98

103

Heliand.

10

103

Hemerken (Thomas) a Kem

-

133

pis.

136

126

Heinrec.

97

148

Herenthals.

159

57

Herpener. (Peter de)

145

122

Het daghet in het Oosten.

113

55

Hexe. (Die)

126

10

Heze (Joh. de)

133

145

Hildebr andslied.

5

120

Hildegaersbergh. (Willem

45

van) 60 en

105

48

Hinrek van Alkmer.

60

30

Holiant. (Heinric vaui

93

48

Houvvaert. (Jan JBapt.)

149

8

Hucbald.

12

133

Hugo can Bordeeus.

37

148

Hulst. (Jan van) 103 en

115

37

lersele. (Pieter van)

103

113

Isidorus Hispalensis.

5

95

Jan I, van Brabant.

111

96

Jan, kok der abdij Groe-

125

nendale.

138

22

Jan van Holiant.

103

145

Kalilah en Dimnah.

57

42

Karel de Groote.

7

84

Kero.

5

134

Klaas van Haarlem.

33

32

Knobber. (J.)

145

13

Keuren. {Oude)

127

145

Lancelot.

42

94

Lanceloot.

125

162

Levene ons Heren. (Van den)

50

86

Leven van Jezus.

127

36

Leydis (Phil, de)

131

160

Lienhout (Geeraert van)

93


-ocr page 407-

379

Blz.

Blz.

Limborch 49 en

100

Passie ons liefs Heren. (Die)

52

Lippijn. {Sotternie van)

126

Patricias'' Vagevuur.

97

Lodewijkslied.

12

Pennine.

43

Lohier ende Malart.

37

Percheval.

42

Loy Latewaert.

49

Peterz. (Gerlach)

135

Loren. (Bcmdewijn van der)

103

Potter. (Dirc)

107

Lorreinm. 'Roman der)

33

Praet (Jan)

98

Machet. (Frans)

1.45

Rammelleere. (Gilles de.,

145

Madoc.

59

Rederijkers.

141

Maerlant. (Jacob van) 41 en 68

Reinaerts Historie.

59

Maastrichtsch Verrijzenisspel 118

Reis van Sin te Brandaen.

52

Magenes von Kürnberg.

20

Ridder met de zivaan.

49

Malagijs.

36

Ridder metter mouwen. {Die)

42

Mandaville. (John)

133

Rode. (Jan van)

134

Mande. (Henrik)

134

Roelantslied.

30

Mander. (Karei van)

148

Roman van de Roos.

99

Mariken van Nimwegen.

119

Roman van Torec.

42

Melibeus.

92

Roman der Lorreinen.

33

Melis Stoke.

86

Roovere. (Anthuenis de)

145

Menestrelen.

102

Rubben.

126

Merlyjn.

41

Ruysbroeck. (Jan van)

128

Meulen. (Andries van der)

145

Seghélijn.

49

Molhem. (Gielis van)

97

Hegher Dieregodgaf.

28

Mor iaën.

42

Sinte Brandaen.

52

Muspüli.

13

Skeireins.

13

Naer Oostlant.

111

Smeken.

120

Nameloos en Valentin. 37 en 48

Spegel van Sonden.

92

Necelinyenlied.

- 20

Spel van den Winter ende van

iSToydekijn.

55

den Somer.

125

Noot. (Jhr. Jan van der)

149

Spel van den h. Sac.rarnente van

Notker.

13

der Nyeuwervaert.

120

Oyier van Ardennen.

32

Sprekers.

101

Oringhen. (Willem van)

33

Theophilus. {Legende van)

94

Otfried

10

Thorhout. (Martijn van)

96

Otte van Orleien.

115

Tondalus' Visioen.

97

Oud-Germaansche dialekten

13

ïorec.

42

Parthenopeus en Melior

47

Truwante. {Die)

126

-ocr page 408-

380

Biz.

Utenbroke. (Philip) 78

Utenhove. (Jan) 160 Ufcenhove (Willem) 59 en 70

Ulfilas. 5

Vaelbeke. (Lodewijk van) 112

Valentijn en Nameloos. 37

Van den Grale. 41

Van den Bere Wisselauwe. 24

Van den Seven Vroeden. 49

Van den Vos Reinaerde. 58 Vander siele ende van den

lichame. 97

Van twee Conincskinderen 114 Veldeken. (Heinrijck van)

25 en 111 Velthem, (Lodewijk van) 41,

78 en 83.

Vilt. (Jacob) 147

Volker van Alzeye. 20

Biz.

Voet. (Joh.) 133

Voort. (Jeronimns van der; 148 Vostaert. (Pieter) 43

Vreughdegaer. (Pieter) 103 Wachtendoncksche Psalmen. 10 Walewein. 43

Walewein en Kei/e. 42

Weert (Jan de) 92

Wessohrunner Gehed. 6

Williram. (Abt) 13

Wonderen onzer Lieve Vrouw.

(De) 138

Wrake van Ragisel. (De) 42 Ypertnan. (Jan) 94 en 128 Ysengrimus 58

Ystoriën hloeme {Der) 94

Zuylen van Nyevelt. (Jhr.

W. Van) 160


-ocr page 409-

II. Sedert de Renaissance.

Bh.

Blz

Aa. (M. W. van der)

373

Bardes. (W.)

174

Akademie (de Koninklijke

Beaumont. (Simon van)

243

Vlaarasche)

353

Beoanus. (Joh. Groropius)

173

Alberdingk Thijm (Cath.)

374

Bellamy. (Jacobus)

296

Alberdingk Thijm. (J. A.) 368

Beers. (Jan van) 351 en

353

Alberdingk Thijm (K. J. L.

Beets. (Nic.)

360

pseud. A. J. en L. van

Bergh. (Assuerus van den)

280

Deijssel)

376

Bergh. (S. J. van den)

370

Alberdingk Thijm. (P. P. M.) 366

Berg. (P. Th. Helvetius v. d.) 366

Aletrino. (Dr. A.)

376

Bergmann. (Tony)

353

Alewijn. (Abrah.)

270

Bernagie. (Pieter)

269

Allard. (H. J.)

365

Beunke. (H. E.)

375

Alphen. (Hieron. van)

295

Beverwijck. (Joh. van)

Annie Foore (ps. van Mevr.

245 en

260

IJzerman Junius)

375

Bidloo. (Govert)

276

Anslo. (Reyer)

257

Bilderdijk. (Vrouwe Kath.

Antonides. (Joh. Ant. van

Wilh.)

322

der Goes)

262

Bilderdijk. (Willem)

305

Arntzenius. (Rob. Hendr.)

341

Binger. (H.)

372

Asselijn. (Thom.)

269

Blieck. (F. J.)

350

Avonturier ; { De Vermake

Blokland. (Anna van)

245

lijke)

260

Blominaert. (Jhr. Ph.)

350

Baeek. (Jao.)

202

Bo. (L. L. de)

352

Baeck. (Justus)

201

Boekholt.

260

Baecker. (L. De)

350

Bohl. (Mr. Joan)

365

Baerle. (Casper van)

233

Bogaers. (A.)

356

Bakhuizen van den ^Brink.

Boissevain. (Ch.)

374

(R. C.)

358

Bols, (J.)

352

Bakker. (Pieter Huizinga)

Bolswert. (Boëtius a)

261

276 en

289

Bos. (P. C.)

203

Ban. (Joan. Alb.)

201

Boreht. (W. M. van der)

245

-ocr page 410-

382

Biz.

Biz.

Borcht. (van der)

276

Cats. (Jacob)

238

Borger. (Elias Annes)

335

Cattenburg.

250

Bormans. (J. H.)

350

Chandelier. (Six van)

259

Borret. (Th. J. H.)

365

Chevallier.

298

Bos. (L.)

256

Claeys. (H.)

352

Bosboom-Toussaint (Mevr.) 367

Cleroq. (W. de)

342

Bosch. (Jevon. de)

298

Clignett. (J. A.)

279

Bosch. (Maria)

291

Colm. (Jan Siewertsz.)

257

Bosch. (Pieter van den)

289

Conincq. Jhi. Fre11 Corno de) 257

Bossier. (Machtelt)

264

Conscience. (Hendr.)

352

Boswel. (Eliot)

372

Coornhert. (Dirk Volkerts) 175

Boxman. (Abrah.)

342

Cort. (Fr. de)

352

Boy. (Corn.)

245

Costa. (Isaac da)

845

Brandt. (Geer.)

258

Coster. (Samuel)

187

Brandt. (Kasp, Geer en Joh.) 260

Cosijn. (P. J.)

364

Bredero. (Gerbr. Adriaens.) 190

Couperus (Louis)

373

Brender a Brandis. (G.)

293

Courtmans-Berchmans.

350

Brill. (W. G.)

354

Coussemaker. (Edin. De)

350

Broere. (Corn.)

864

Cremer. (Jac. Jan)

366

Broekhuyzen. (Jan van)

264

Croon. (Petrus)

245

Broes. (W.)

336

Daalberg. (Bruno)

302

Brosterhuysen. (Jan van)

236

Daems. (S. D.)

352

Bruin. (Claes)

256

Dautzenberg. (J. M.)

351

Brune. (Joh. de)

244

David. (J. B.) 350 en

364

Brune. (Joh. de), de Jonge. 244

Decker. (Jerem. de)

256

Buck. (A. de)

247

Deken. (Agatha)

290

Bull. (A. J. de)

328

Delecourt. (V. H. v. d. Hove) 350

Buning (A. Werunieus)

375

Dermout.

336

Burgersdijk. (Dr. J. A. J.)

373

De Wakker. (P.)

302

Burgh. (Jac. van der)

236

Diercx. (Joz.)

352

Buijsse (Cyriel)

376

Does. (Jan van der)

181

Calcar. (Elise van)

374

Dorbeck. (D.)

372

Canipen. (Corn, van)

174

Douwes Dekker. (Ed. —

Cainphuyzen. (Dirck Ra-

Multatuli)

366

faëlsz.)

251

Dozy. (R. P. A.)

368

Capadose. (Abrah.)

345

Driel. (Ever, van)

277

Carp.

298

Droogenbroeck. (J. van)

353

-ocr page 411-

383

Hlz.

Blz

Drost. (Aernout) 356 en

358

Goes. (F. van der)

375

Duarte. (Francisca)

201

Gouverneur. (J. J. A. =:

Duelos. (A.)

354

Jan de Rijmer)

370

Duim. (F.)

281

Gorter. (S.)

363

Duyse. (Prud. van)

350

Gorter (H.)

376

Eorevisse.

352

Groen v. Prinsterer. (G'iill.) 364

Eeden. (Fred, van)

375

Groneman (I.)

375

Effen. (J ustus van)

271

Groot. (Hugo de)

254

Elger. (Will, van den)

256

Groot. (Pieter de)

254

Elsevier. (Corn.)

256

Haaffner. (Jao.)

336

Eist (W. M. van der)

245

Haeften. (Benedictus van)

257

Emants. (ilarc.)

372

liaes. (Frans de)

276

Esser. (J. jr. r^Soera Rana) 372

Haes. (Jan de)

281

Fallet. (Gedeon)

174

Hall. (M. C. van)

840

Feitama. (Sijbrand)

276

Halmael. (Arend van)

342

Feith. (Rhijnvis)

299

Harde wijn. (Justus)

245

Fijne. (Paschhier de)

251

Haren. (Onuo Zwier van)

284

Foeke. (Arend Simonsz.)

302

Haren. (Willem van)

283

Fockenbroch. 'Willem van) 276

liasebroek. (J. P.)

366

Fortman. (J.)

279

Hasebroek. (Mej.)

366

Francius. (Petrus)

264

Hasselt. (W. J. C. van)

358

Franeq van Berkhey. (Joan.

Hazart. (Corn.)

261

Ie)

289

Haversmidt. (F. = Piet

Franssen van Eek. (Corn.) 336

Paaltjens)

330

Fruin. (Rob.)

363

Plecker. (W.)

370

Gabbema. (Sim.)

264

Heemskerk. (Joh. van)

255

Gailliard, (E.)

353

Heering (P.)

375

Gargon. (Matthaeus)

256

Heins. (Daniël) 119 en

248

Geel. (J.)

357

Heins. (Nicolaas)

261

Geesdalle. (van)

279

Helmers. (Jan Fred.)

338

Geiter (J. üe)

352

Heremans. (J. F. J.)

350

Génestet. (P. A. de)

370 .

Heije. (J. P.)

Genois. (Bon de S1)

350

Heyns. (Peter)

249

Gheschier. (Pieter)

245

Heyns. (Zachar.) 209 en

249

Gestel. (A. van)

365

Hezenmans. (J. C. A.)

373

Gezelle. (Guido).

352

Hiel. (Emmanuel)

353

Godewijck. (Margar.)

245

Hinlopen. (J. F.) 279 en

297

-ocr page 412-

384

Biz. Biz.

Hoeven. (Alu-ah. des Arno- Kantelaar. (J.) 301

rie van der) 356 Kasteele(Pietei'Leon.vande) 295

Hoeven. (H. A. des Arno- Kehrer. (Albertine) 372

rie van der) 365 Keiler. (Ger.) 366

Hofdijk. (W. J.) 371 Kemper. (Joh. Meloh.) 336

Hotter. (Adr.) 294 Kerkhove. (P. P. van) 351

Hogeudorp. (G. van) 189 Kern. (J. H. C.) 364

Hogendorp. (Gr. K, Grave v.) 336 Kilianus. (Corn.) 173

Hondius. (Petr.) 244 Kinker. (Joh.) 303

Honifh. (0.) 372 Kist. (Ewald). 335

Hoefman. (Blis.) 274 Kleyn. (Jan Pieter) 297

Hooft. (Corn. Pietersz.) 174 Klinkhamer. (G.) 231

Hooft. (Pieter Cornelisz.) 197 Kloos. (W.) 375

Hoogstraten. (David van) 277 Kliju. (Hendrik Harmen

lloogstrateff^ian van) 281 en Barend) 340

Hoogvliet. (Arn.) 280 Kluit. (Adr.) 279

Hoop. Jr. (Adr. van der) 356 Kneppelhout. (Joh.) 364

Horst, (J. J. van der) 365 Knoop. (W. J.) 363

Horst (J. F. van der) 376 Koenen. (H. J.) 364

Hout. (Jan van) 199 Koetsveld. (C. E. van) 357

Huet. (Cd Busken) 362 Kok. (A. S.) 373

Huet, (Vrouwe Busken) 366 Koninck. (L. de) 353

Huet (G. Busken) 376 Koo (J. de) 376

Huydecoper. (Balthazar) 278 Kruitf. (Jan de) 276

Huydecoper. (Jan. Jac.) 174 Krul. (Jan Hermansz.) 187 eu251

Huygens. (Christ.) 234 Laat. (Jan de) 353

Huygens. (Constantijn) 234 Lambrecht, (Joos) 173

Huygens. (Const., zoon) 234 Langendijk. (Pieter) 271

Huyter. (Pontus de) 173 Lannoy. (JulianaCorn.de) 288

Immerzeel, Jr. (Joh.) 341 Lans. (J. 11. van der) 374

Ising (A, L. H.) 375 Ledeganck. (Kar.) 350

Jacobsz. (Gijsbert) 264 Leeuwen. (Sim. van) 252

Jager. (A. de) 364 Lelyveld. (F. van) 279

Jonckbloet. (G.) 372 Lennep. (Dav. Jac. van) 299

Jonckbloet. (W. J. A.) 363 Lennep. (Jacob van) 354

Jonctijs. (Daniel) 255 Lescailje. (Cath.) 265

Kampen. (Nic. Godf. van) 336 Lesturgeon. (A.. L.) 370

-ocr page 413-

385

Blz.

Blz.

Limburg Brouwer. (P. van

357

Monc. (Pol. de) 353 en

373

LimburgBrouwer/P.A.S. v.) 363

Moor. (T)

256

Linde Jansz, (Gerrit van de

Moonen. (Arn.)

277

=r de Schoolmeester)

370

Morians. (Annal

265

Lindo. (M. Pr. — Oude

Mostert. (Daniel)

200

lieer Smits)

364

Mulder. (Lod.)

365

Lipman (Mr. S. P.)

366

Muré. (J. C. H.)

365

Loghem. (Mr. G. J. van =

Mussem. (Jan van)

172

Fiora dolla neve)

372

ISagtglas (F.)

375

Loots. (Coi'n.)

337

Nanning. (J.)

277

Lodesteyn. (Jodoc. van)

264

Netscher. (Fr.)

332

Loon. (Ger. van)

276

Neufville. (Adriana de)

337

Loosjes. (Adr.)

303

JS'ieu wland. (Pieter)

298

Looy (J. van)

376

Nyloë. (Jac.)

277

Leveling. (Rosalie)

353

.Nolet de Brauwere. (J.)

351

Leveling. (Virginie).

353

Nomsz. (Jean)

289

Lublink de jonge. (Joan.)

288

Noot. (Jhr. van der)

199

Lublink Weddik. (B. Th.)

357

Nuyens, (W. J. F.)

365

Luyken (Jaa)

268

Ockerse. (Will. Ant.) 297 en

: 336

Maaldrink (D. H.)

375

Ogier, (Will.)

207

Maertsz. (Corn.)

256

Oltmans. (J. F. — J. van

Mallants. (Pieter)

245

den Hage)

356

Marie. (Corn, van)

342

Oosterwijk Bruyn (Jac.

Marnixv. St.Aldegonde.(F.) 166

van)

342

Marre. (Jan de)

276

Oosterzee. (J. J. van)

366

Martinet.

289

Opzoomer. (Corn. Wilh.)

364

Maurik. (Justus van)

374

Opzoomer. (Mej. A. S. C. —

Meerman. (Willem)

257

Wallis)

375

Meersseman. (G. D. de)

353

Oudaen. (Joachim)

257

Merken. (Lucret. Wilh. van)

287

Ondaatje. (Quint)

297

Messchert. (W.)

341

Paffenrode. (Joh. van)

270

Meteren. (Em. van)

203

Palm. (Hendrik van der)

332

Meurs. (B. van)

372

Pater. (Lucas)

276

Meijer. (Lodewijk)

268

Pauw. (Adr.)

174

Meijer. (Hendr. Iz.)

341

Pauw. (Jhr. N. de)

353

Moens. (Petronella)

341

Peene. (Hippol. van)

353

Moll. (W.)

364

Pels. (Andries)

268

25

-ocr page 414-

38ö

Biz. BU.

Pels (Klaasquot;) 188 Eosmade. (P. =:E.Masdorp) 366

Perelaer (M.) 375 Eosweyde. (Heribert) 261

Perk. (Jacq.) 372 Eotgans. (Lucas) 270

Perponcher. (Will. Emery Eoveuius. (Philippus) 261

B011 van) 302 Sasbout. (Matth.) 172

Pers. (Dirck Pietersz.) 251 Schaepmau. (H. J. A. M.)

Pierson. (A.) 374 365 en 373

Plantijn. (Christ.) 172 Scheltema. (Jac.) 336

Plemp. (Corn, Gisb.) 201 en 236 Schermer. (Lucas) 270

Ploeg. (P. van der) 365 Schim. (Hendr.) 276

Pluimer. 264 Schimmel. (II. J.) 363

Poelhekke. (Joh.) 370 Schotte. (Apollon.) 245

Poirters. (Adr.) 245 Schrijver. (Pieter) 248

Pol. 358 Schuerman. (Anna Mar.) 245

Poot. (Hub. Cornelisz.) 274 Schueren. (Ger van der) 172

Potgieter. (Ever. Joh.) 358 Seipgens (E. A. H.) 375

Potter. (Fr. de) 353 Serrure's, (De twee) 350

Prins (Ary.) 376 Sewel. (W.) 277

Putte. (Erycius van der) 245 Sexagius (A.) 173

Quack. (II. P. G.) 363 Siegenbeek. (Matthijs) 332

Ouestiers. (Cathar.) 265 Simons. (A.) 340

Rambaux. (Mathilde) ps. Sixtinus. (S.) 189

Hilda Ram. 352 Sleeckx. (J. L. D.) 353

Rau. (S. E. J.) 297 Slingeland. (Govert van) 245

Reael. (Laurens) 201 en 233 Sloot. (Maria — Mathilde-

Rees. (Cath. van) 374 Melati van Java) 374

Rees (R. P. A. van) 375 Sluyter. (Will.) 264

Rens. (E.) 350 Smit. (J. W. L.) 365

Revius. (Jac.) 256 Smits. (Dirk) 276

Rhijnenburg. (Corn.) 257 Snakenburg. (T. van) 281

Riemsnijder. 309 Snellaert. (P. A.) 350

Rijswijck. (Theod. van) 350 Snieders. (Aug. en J. R.) , 352

Rouland. (E. J.) 272 Soeteboom 256

Roches. (J. des) 279 Somereu. (Joh. van) 245

Rodenburg. (Harm.) 174 Spandaw. (Hajo Alb.) 341

Rodenburgh. (Theod.) 188 Spieghel.(Hendr. Laurensz.) 179

Rooses. (Max) 353 Spitzeu. (O. A.) 365

-ocr page 415-

387

biz.

blz.

Stallaert.

350

V ersnaeyen

352

Staring. (Ant. Christ. Win.)

342

Versteeg.

281

Starter. (Jan Janz.)

195

Verwer. (Adr.)

277

Steenwijk. (Fransvan) 276 en 281

Verwey. (Alb.)

375

Stevens. (Andr.)

279

Verwijs. (Eelcoi

364

Stevin (Simon)

260

Veth (J.y

376

Stijl. (Simon)

289

Visscher. (Anna Roemers)

231

Stratenus. (Louise)

372

Visscber. (Maria Tessel-

Strick van Linschoten.

schado Roemers)

231

(P. H. A. J.)

341

Visscher. (Hoemer)

181

Stuart. (M.)

336

Vissering. (S.)

363

Stuers. (Jhr. Vict, de)

374

Vitringa. (D1' A. J. =

Swaen. (Mich, de)

276

Jan Holland)

374

Swart. (Hélène)

330

Vlaming. (Pieter)

273

Sweerts. (Hieron.)

257

Vloten. (Job. van)

S63

Swellingh. (Dirk)

201

Vocahidarius Latino-Teuto-

Swelingh. (Joan Pietersz.)

201

nicus.

172

Swinnas. (Will.)

260

Vollenhove. (Joh.)

261

Ten Brink. (J.) 364 en

374

Vondel. (Joost van den)

205

Ten Kate. (J. J. L.)

371

Vondel. (Willem van den)

201

Ten Kate. (Lamb.)

277

Vos. (Jan)

236

Ter Gouw (J.)

373

Vos. (Lambrecht de)

245

Terburch. (C.)

374

Vos. (Arm. de — Wazenaer) 353

Ter Haar. (Bern.)

356

Vosmaer. (C.)

374

Te Winkel. (L. A.)

364

Vosmaer. (Jac.)

303

Te Winkel. (J.)

364

Vossius. (Ger.) 219 en

236

Teylinghen. (Augustijn van) 261

Vries. (Jerom, de) 317 en

336

Thorbecke. (Jan Rud).

363

Vries. (Matth. de)

364

Tollens. (Hendrik Carolusz.)

342

Vuylsteke. ^Julius)

352

Trip, (L.) 276 en

289

Wagenaar. (Jan)

276

Tydeman (W.)

328

Walré. (Jan van)

340

Uylenbroek. (P. J.)

339

Wap. (D'' J.)

372

Valk. (Jae. van der)

256

Weiland. (J. A.)

357

Vechters. (Johan)

200

Weiland. (Pieter)

332

Veen. (Jan van der)

257

Wellekens. (Jan Bapt.)

273

Veer. (H. de)

374

Werve. (Jh1' Jan van de)

172

Verriest. (H. N.)

352

Wesel. (Roemer van)

245

-ocr page 416-

388

Westerbaen. (Jac.) Westerman. (Maart.) Westrheene. (Mw van) Wiele. (Joau Stalpaert van der)

Willeras. (Jan Franc.)

Willems. (P.)

Willink. (Dan.)

Wilp. (Sara Mar. van der)

Winkler Prins. (A.)

Winschoten.

Winter. (Nic. Sim. van) Wiselius. (Sara, Iperusz ) Wissekercke- (Will, van)

Blz.

With (Cath. Joh. de) 274 Withuys. (C. G.) 355

Witsen Geysbeek. (P. G.) 341 Wolft', geb. Bekker. (Elisab.) 290 Wolschaten. (Ger. van) 245 Wolters (W. P.) 374

Wree. (Olivier de) 245

Zaclnnoorter. (Mieh.) 261

Zeeuwsche Nachteyael. {De) 243 Zeggelen. W. J. van) 370 Zevecote. (Jac. van) 250

Zimmerman. Joan C. =

Bern. Koster) 363


-ocr page 417-

WOORDVERKLARINGEN^

De woorden worden hier vertaald alléén in den zin en de beteekenis, die zij in de meegedeelde stukken liebben. Die, welke voorkomen met de oude en met de hedendaagsche beteekenis, worden hier alleen om de eerste opgegeven. Het verklarende nieuwe woord is alleen te verstaan in den zin van het redever-band, waar het ondo in voorkomt. Woorden, uit den zin volkomen verstaanbaar, hoewel thans in eene afwijkende beteekenis gebruikt, worden niet verklaard. Opmerkelijke geslaehtstoepas-sing wordt ook opgegeven. Van de samengestelde vormen worden er jfslechts enkele meegedeeld; analogisch zal men tot de beteekenis der andere besluiten. De dialekten komen hier voor, naar gelang zij, in de meegedeelde proeven, te vinden zijn.

Abelheyt — bekwaamheid. Achte — gevangenschap. Achter Inde — achter onzen rug.

Aex, V. — bijl.

Afberren — afbranden. Altemale — in 't geheel.

Anden — wreken.

Andtwoerde. V.

Archeit — boosheid.

Bachten — van achteren. Baerde — bijl (baards), Banderside — aan de andere

zijde.

Bat — beter.

Beden — bidden.

Bederve — behoefte.

Bedorste — behoefte (met den

3quot; en 2n nv.)

Bedwanc,-ange {3nnv.)—geweld. Beette — steeg af.

Beghiede — bekende.

Begripen — berispen, Behaechelheit—behaaglijkheid;

behaagzucht.

Behoet — behoedzaam.

Belet — gevangen.

Benam — belette.

Beniden — haten.

Bequelen — beklagen.

Beraden — opschaffen.

Beriet — (waar hij hem aan)

hielp.

Bersen — jagen.


-ocr page 418-

390

Besiken — kleine bezie. Beslaeven — door zwoegen verkrijgen.

Bevart (bevaart) — bereikt,

aanroert.

Blat (Niet en) — geen duit. Boeft — behoefte.

Boek. M.

Boeiden boerten, jokken;

ook het subst, grappen.

Bokel. Fr. boude. Het middelste van een schild. Kil. umbo.

Borch. V.

Boude — kloekmoedige.

Bout — gerust.

Brocht — gebracht.

Budtkins - botjes. By — nabij.

Carteel. M. —

Clach — klaag.

Clappeyen — kakelaarsters. Clesie — kerk, geestelijkheid. Coren — voor haver.

Cort — binnen kort.

Cort — naauw.

Cout. O. kwelling.

Crofte V. — onderkerk.

Crone kreun, kerm.

Cume - nauwelijks.

Cumen — klagen.

Cure (Ter) — naar keuze. Civiteinen legerhoofden, slotvoogden.

Cyerheyt — kleederpracht.

Dade — deed; daden — deden. Daken — komen.

Dal — kuiltje.

Dan — dat en, dat niet.

Dardi — durft gij.

Dedi — deedt gij.

Deer — de heer.

Deerne — dienstmaagd. Dentsternesse duisternis. Derde (deerde) — speet.

De-re — dezer.

Dicke — dikwijls.

Diere — dezer.

Diet — deed.

Diet, diede (3= nv.) — volk. Dietsch — Hollandsch en

Vlaamsch.

Dinc — eisch.

Dinghen - pleiten.

Dinke — dunkt.

Dire - dijner, van u. Doe — toen.

Dogen — lijden.

Doraesdach — oordeelsdag. Dore — deur.

Dort (Ort) — punt (van het

zwaard).

Duegent — deugdzaam.

Dulen — huilen (als de beren). Duer — soms; om. Dwa — wassehe.

Dwalen — altaardoeken, -dy - ... 't gij.

Echt — andermaal.

Eerlike — honorable.

Eest — is het.

Eigene — lijfeigene.

Eke. V. — eikenboom. En — niet. Zie -ne.

En dade [X] —indien (X. het) niet gedaan hadde.


-ocr page 419-

391

En ware — ware 't niet. Ere — eener.

Faloerde — bedrog.

Fluwijnen — kussensloopen. Fosseit — kuil.

Fronsen — plooien.

Fyau — 't paard van RUsaert. Garlen — gorgelen.

Gearent — geoogst.

Geberde — aanstelde.

Gebieden —■ aanzeggen. Gedoegt — geleden.

Geerde — begeerde.

Geeste — daad, verhaal. Zie Jeeste.

Gehelpech — behulpzaam. Gelueken — gelukkig zijn. Gemanc; — samen; adv, ver-

rvant met mengen.

Gemene — allen te zamen. Genoet (genoot) — pair; gast,

klant.

Geploen — gepleegd.

Geveerde. V.

Gewach doen — gewagen. Gewareeh — waarachtig. Gewilt (geweld) — kracht. Ghebose — slecht.

Gheconreit — geroskamd, het

fransche conréer.

Ghederen — hinderen.

Gheer — begeerte.

Gheernaert — zekere zeevisch. Gheliden — uithouden. Ghemicke — maat.

Gheneren — van 't noodige

voorzien.

Ghenoech. O. — zin.

Gheproeft — beproefd. Ghereiden — bereiden. Gherenen — geraakt.

Gherust — uitgerust, aangegord. Ghescref — schreef, zou schrijven.

Ghescoet — geschoeid.

Gheten — gegeten.

Ghevaen — gevangen. Ghevylden — velden.

Ghevoech — gemak, behoefte. Ghevvinnen — overmogén. Ghewrachte — maakte. Ghierich — begeerig.

Ghijs - gij des, gij 't (in den

2e nv.)

Gloet. V.

Godweet, stopwoord.

Godwoud's vloek.

Gone (Die) — de gene, de aangeduide.

Gont — gindsch (geen, dat). Goom nemen — acht slaan. Goor — geur.

Graet — trap.

Gramarijn — spraakkunstenaar.

Grein — bloed.

Groet — grof, dik.

Haer —■ hier.

Hal — verborg.

Halsberch — borstharnas. Pr.

haubert.

Harentare — hier en daar. Harde — zeer.

Harlijc — elk hunner.

Helet — held.

Helt — houdt (te leen), afhangt.


-ocr page 420-

392

Helt stille — stilhield.

Hem — hen, huu.

Hen — het en, het niet.

Herde — herder.

Hevet — heeft het.

Hinder — achter.

Hire — hij er.

Hoene — hoe hem.

Hoer — haar, heur.

Hoet — hoofd. Zie Hov,ede.

Hoet, hem selven hoeden — zich

ontzien, pendre (/arde.

Hout — dierbaar; genegen. Hout — houd het.

Houtte — hinkte.

Hovede — hoofd. (3e nv.) Hovesch— gentlemanlike,hooiseh. Hulde — genegenheid.

Ics - ik des, ik dat (i. d. 2n nv.) In (ic en) — ik (. ..) niet. Jaue - immers.

Jent — fraai.

Jeeste, geeste, gieste — daad,

geschiedenis.

Keeren — schuyeren.

Keesen — uitschieten.

Keest — kern.

Keitieve — ellendige.

Kersp — krullend.

Kerspetten — wafels, een gebak. Kerstijnheit — het Doopsel. Kimpen — strijders.

Kin. M.

Kinne (3n nv.) — het kennen. Kostel — kostelijk.

Laohter — schande.

Lapen — drinken met de tong. Fr. laper.

Lauwet — slaat.

Leden — leed doen.

Leet — voorbijging.

Lichtheid — lichtzinnigheid.

Lier — wang, wangen.

Lïen — belijden.

Lijf — leven.

Lijt — voorbijgaat.

Loep — loop.

Lofsam — loffelijk.

Loghentlic — leugenachtig.

Loke — sluik.

Loon. M.

Lyaert — paardsnaam.

Lyets — beljjdt des, dat. Maende — opriep.

Maet — matig.

Maisniede — huisgezin.

Mamet — Mohammed.

Mamme — tepel.

Maromerie — voogdij. Man (Goeden) maken — in leenmanschap brengen of herstellen.

Mare — vermaard; boodschap. Mee — meer.

Meeste — grootste, sterkste.

Mekel — groot.

Menigen (Den) — menigeen.

Meste — miste.

Merren — (marren) uitstel.

Meye. V.

Middel. \V.

Mineren — onder de aarde delven.

Minsten — kleinsten. Misnamen — uitschelden. Moert V. — moord.


-ocr page 421-

393

Moetti — moet gij.

Mule. V. mui].quot;wquot;quot;,gt;

Nemmee — nimmermeer, niet, -ne, en —niet, of versterking van niet; hem.

Nes — en is.

Neglen — vaststeken.

Me — nooit.

Niene — niet en = niet.

Niet — Niets.

Nijt. M.

Nigromancye — zwarte kunst. {verwarring van niger en^sxpo?).

No — noch.

Nochtan — daarenboven; hoewel ; niet-te-min.

Noeue—middag; middaggetijde.

Noet — noodig.

Nopen — steken.

Ombiten — nuttigen {ontbijten).

Onbequame — gi'of.

Onblide — bedroefd.

Onderhouwen (Hen) — elkander met slagen bestrijden, — onderslaan — — id.

Ongehuyr, onguur — afzichtelijk.

Ongewaent — zonder bedrog (stopwoord).

Onghedout — kwelling.

Onsede — misbruik.

Onsochte — ongerust; onaangenaam.

Ontbiet u — zegt u aan.

Ontdaen, ontaen — geopend, gespleten, ontploken.

Ontfaen — (in leen) ontvangen, verhefien.

Ontroeste, ontroost — droefenis. Ontwee, ontwie — in tweeën. Ontweecht — het spoor bijster. Ontwisen — verbeurd verklaren.

Onvoere driven (Haer) — hun

slechte wegen gaen.

Onwaert hebben (Iets) — verachten.

On wille — wat men niet gaarne doet.

Oostland — zuidelijke boorden

der Oostzee.

Op dat — mits.

Orlof — afscheid.

Ors — ros, paard.

Oreeste — onweer.

Ouder vader — grootvader. Overdragend — uitstekend. Overeendragen—overeenkomen. Oringhe — Oranje.

Paepscap —- priesterschap. Parten — rededeelen.

Pelle — lijkkleed.

Pertie — deel.

Pijnde — met inspanning beproefde.

Platele — schotel (Fr. plateau).

Plien — plegen.

Porren — aansporen, gaan, zich

voortmaken.

Porren — te paard rijden. Porter — burger.

Pramen — knellen.

Prijm — het lc der kerkgetijden. Proven — uitdeeleu.

Quelen — kwijnen.

Quene — best, oud wijf.


-ocr page 422-

394

Kaden — radbraken.

Rampineren — bespotten.

Ran — vloeide.

Relief — overblijfsel.

Reyde — bereidde.

Rouwe — verdriet.

Rusten — ivederkeerig gehr.

Ruydt — getjilp.

Ruynde — fluisterde.

Sabel — zwarte stof, in de wapenkunde.

NB. Den scilt van sabel ende van goude. .. ende van lazuren — duidt waarschijnlijk den Hartog van Brabant, den Graaf van Holland, en den Koning van Frankrijk aan: van goud, met den leeuw van keel (roede stof); van sabel niet den leeuw van goud; van laznur (blauwe stof), met de leliën van goud.

Saden — verzaden.

Saels — zal des.

Saen — spoedig.

Salre — zal er.

Sande — zond.

Satan — inrichten (het leven).

Scampelde — afschampte.

Scekere — schaker, moordenaar aan 't kruis.

Schade — schaduw.

Schegen — jegens.

Schiet — scheidde.

Sciere — schielijk.

Scilt. M.

Seine (In) — blijkbaar.

Scoert — verscheurde.

Scout — schuld.

Scut — gesehut.

Seden — handelwijzen.

Seden (Te^ •— gepast.

Senne — zin.

Sere —• pijn.

Seriant — krijgsman; bevelhebber.

Sidemeer — daar.

Siere — zijner.

Sine (zij en) — zij niet, of zij (...) Sinnich — verstandig.

Slicht — vlak, dun.

Slume — bolster.

Sluymen — sluimeren.

Smal — klein.

Smeken — vleyen.

Soe — zij.

Soghe (Met) — niet zog.

Soudi — zoudt gij.

Spere. O.

Spiet — spies.

Spoerveder — spoorpunt.

Spot. Zijn „spot houdenquot; of

„makenquot;; den spot drijven. Stappaus — terstond.

Stoet — stond.

Stout. V.

Stuer — sterk [van wind of water sprekende).

Stutere (scheldwoord) ^snoever. Sulc — Fr. tel.

Tnchter — 't achterspit.

Tale — rede (b. v. toespraak). Teesen — kwellen.

Te maten — matig.

Tercietijt — 2e der kerkgetijden. Tere — ter eener, aan eene.


-ocr page 423-

395

Teser — te dezer.

Te sticken - aan stukken. Testoert (verstoord) — in verwarring gebracht; verstrooid. Te waren, twaren — voorwaar. Tiden — trekken, overgaan. Tijt, ook V.

Toe scoot hem — reed op hem toe. Toghe — toone; bewijze. Tolne, toolne. V. — tol.

Toren — verdriet.

Torre — toren.

Tortysen — toortsen.

Toten — tuiten.

Tra — spoor.

Trecten — trokken.

Troen - hemel.

Trufe — fabel.

Tuun — omheining. Twi — waarom.

Twint (Een) — een snars, een nietigheid; ook in 't geheel niet.

Vart — vaart.

Verboort — verbeurd, verloren. Verbuerdi — verbeurt gij, ge-

bruikt als verdient gij. Verchieren —- exalter. Verooeveren — herstellen, terugkrijgen (zijne kracht) Fr. recouvrer {ses forces).

Verde — vrede.

Verdingh — bedongen voorwaarde.

Verdinghen — vrijpleiten. Verdochte — deerde.

Verdoren, verd uilen, — verdwazen, krankzinnig worden.

Veren — van vrouw. Vermelioene — • rood.

Vermint •— door liefde uitgelezen.

Versceden — gescheiden, verwijderd.

Vertoech — vertrok, verlegde. Vertogde — vertoonde. Veruyten — te kennen geven. Verveeren (Hem) — bevreesd worden.

Vervreemden (Hem) — zich verwonderen.

Verwach (Hem niet) — hem niets kostte; hij zich niet ontzag.

Verwies — tegenviel.

Vesen — fluisteren.

Vespereye — avonddienst. Vierhoecfc — vierhoekig. Vilijnich — leelijk, hatelijk,

Fr. vilain.

Vingherlinc — ring.

Visierde — dacht.

Vloghe — vlucht.

Voerwert — voortaan.

Volleest — vervulling. Vorderen — voorouders.

Vorste — uitstel.

Vroe, vro — vroeg.

Vrome — moedig, sterk. Vrome — voordeel.

Vroude — vreugde.

Waert — woord, woorden. Walsc — Fransch.

Weder — het zij.

Weerlic — wereldlijk.

Weine — geween, 3U nv.


-ocr page 424-

396

W erde — weerde.

Were (Hem ter — doen) — zich

schrap zetten.

Werscap (Ter) — te gast. Wet — godsdienst.

Wijsde — impf. van oordeel

wijzen.

Wile V. — sluier.

Wilen — voorheen.

Wilen eer —- weleer.

Ydoone — bij uitnemendheid. Yochen — juichen. Ye {rijmend op die = dië) — ooit.

Zericheit — pijn, verdriet. Zydy — zijt gij.

Ziere — zie Siere.


-ocr page 425-
-ocr page 426-
-ocr page 427-