Hoe moet Atjeli gepaeificeerd worden?
VOORDRACHT
GEHOUDEN IN HET
INDISCH GENOOTSCHAP
DOOR
G. A. SCHERER.
O. T. Hoofdambtenaar met verlof, gewezen Assist ent-Resident der Noord- en oostkost van AtJEH.
'S-GRAVENITAGE ,
MARTINUS NU H O F F. 1891.
Jf
^Tvv
Hoewel er al zeer veel, misschien, te veel, over de Afjehkwestie gesproken en geschreven is en ook ik van meeuing ben, dat niet met praten en schrijven doch met handelen alléén Atjeh te bedwingen is, waag ik het toch heden avond een beroep te doen op Uwe aandacht voor hetgeen ik over dit onderwerp te zeggen heb. Misschien had ik dit reeds eerder moeten doen, doch ik ben afkeerig van aan den weg timmeren en heb daarom tot nu toe getracht invloed uit te oefenen alleen daar waar zich ook de macht tot handelen bevond. Maar men deed mij inzien dat in onze eeuw van publiciteit dit niet immer de aangewezen weg is, eri dat vooral in eene zaak als de Atjeh-kwestie, die zoo dikwijls van alle zijden is besproken en bekeken, geen gedragslijn zal worden gevolgd, die niet door het publiek in hoofdzaak wordt voorgestaan.
Zoudè het dus tot uitvoering mijner plannen komen, dan was het noodzakelijk de personen, die op de publieke opinie invloed uitoefenen, met die plannen bekend te maken.
Men wees o.a. op het gebeurde met de scheepvaartregeling van 1883, die in 1884 bij de concentratie is ingetrokken.
Deze regeling, door mij reeds in 1881 voorgesteld en in 1883 dooiden Gouverneur Laging Tobias ingevoerd, bleek zoo onmisbaar, dat reeds in 1886 de Gouverneur Demmeni ze opnieuw voorstelde, dat de Gouverneur van Teyn hetzelfde deed, en, wat nog wel het sterkste is, dat ze tot op den huidigen dag, hoewel officieel vervallen verklaard, voor de oostkust van Atjeh gehandhaafd bleef, omdat de ambtenaren inzagen dat het onmogelijk was anders den minsten invloed in die streken uit te oefenen.
En toch zou men nog lang op de wederinvoering kunnen wachten, ware de aandacht van vele invloedrijke personen niet door mijn toedoen op het nut en voordeel, die deze regeling schenkt, gevestigd. Daarom laat het zich nu voorzien, dat de wederinvoering niet zoo lang meer zal uitblijven.
Dit geeft mij de vrijmoedigheid mijne plannen aan uw oordeel te onderwerpen. Zoo min mogelijk zal ik redeneeringen en hypothesen geven, doch mij bepalen tot het vermelden van feiten en het trekken van conclusiën.
Mijn eenig doel hierbij is geweest, door het doen ontstaan van betere inzichten in de Atjehkwestie mede te werken tot het beeindigen van
1
r^
2
eon toestand, die het leger uitput en ons steeds blootstelt aan verwikkelingen met andere vreemde natiën, vooral Engeland.
Do vrijheid om mijne opinie over de Atjehzaak uit te spreken ontleen ik niet enkel aan het feit dat ik bijna 6 jaar op Atjeh heb doorgebracht, namelijk 5 maanden als controleur te Olehleh en ruim 5 jaar als Assistent-Resident der Noord- en Oostkust van Atjeh; langdurig verblijl' alléén toch heeft in mijne oogen weinig waarde. Maar voornamelijk ontleen ik die vrijheid daaraan dat ik meen te weten hoe Atjeh gepacificeerd behoort te worden en kan bewijzen dat mijn systeem, gedurende circa H jaar toegepast, uitmuntende resultaten heeft gegeven.
Omquot; de handelwijze, die er m.i. op Atjeh gevolgd moot worden, zoo duidelijk mogelijk aan het licht te doen treden vind ik het verkieslijk, zooals ik zeide, zuinig te zijn met bespiegelingen en hypothesen, doch liever te verhalen hoe ik den toestand op Atjeh vond toen ik er kwam , en wat er gedurende mijn verblijf is voorgevallen.
quot;Van zelf kunnen dan in dat verhaal mijne voorstellen om een einde aan den Atjehoorlog te maken en het onthaal dat daaraan te beurt viel, eene plaats vinden.
In groote trekken zal hetgeen er op Atjeh gebeurd is elk mijner hoorders wel voor den geest staan. Ik kan mij dus onthouden van de beschrijving van den toestand onder Generaal Van Swieten en zijne opvolgers om mij meer speciaal te bepalen tot den tijd waarin ik op Atjeh werkzaam was.
Aldaar in Februari 1879 aankomende vond ik alles druk bezig met het voorbereiden van den tocht naar de 22 Moekims. Welk schitterend succes deze tocht had is uit vele geschriften zoo goed bekend, dat ik er het stilzwijgen maar over zal bewaren.
Iets anders is het echter in eenige korte trekken te schetsen, hoe het met den politiaken toestand en met de veiligheid in Atjeh vóór en na den tocht naar de 22 en den kort daarop volgenden in de 2G Moekims gesteld was.
Als hoofden van de oorlogspartij konden toen Panglima Polim, Imam Longbattah en iets later Tengkoe di Tirou aangemerkt worden. Hunne namen waren het tenminste die men altijd hoorde als er sprake was van gepleegde of voorgenomen vijandelijkheden.
quot;Wat de veiligheid in het door ons bezette gebied, namelijk de IV en VI Moekims, Maraksa en een strook om den kraton aangaat zij het volgende aangeteekend.
Hoewel de hoofden der door ons bezette streken ons over het algemeen niet ongenegen waren, en blijkbaar niets liever wenschten, dan dat de bevolking zich rustig zoude schikken in het onvermijdelijke, zoo waren zij toch niet zoo zeker van de stemming van de geheele bevolking, dat zij voor de rust en veiligheid in hun gebied volkomen konden instaan.
3
Er zwierf nog veel onvertrouwbaar volk door hnnne kampongs rond, en dit was ook niet te verwonderen, aangezien de 22 en 20 Moekims dien lieden eene veilige, in de onmiddelijke nabijheid gelegen, sclmil-plaats aanboden.
Zoolang dit het geval was konden de pogingen der hoofden om orde en rust in hun gebied te handhaven, hoe goed ook gemeend, toch niet veel effect sorteeren.
Wilde men zich toen in die streken bewegen dan was een militaire dekking, behalve in de onmiddelijke nabijheid van den kraton, volstrekt noodzakelijk. Zelfs de Atjesche hoofden reisden niet dan omgeven van een aanzienlijk gevolg goed gewapende lieden, daar ze anders, éven-goed als wij, hun leven niet zeker waren.
Na de zoo uitstekend geslaagde tochten van den Generaal van der Heijden in de 22 en 2G Moekims kwam hierin eene groote verandering-ten goede.
Do rondzwervende kwaadwilligen, die geen schuilplaats ir; de 22 en 26 Moekims meer konden vinden, waren wel genoodzaakt Groot Atjeh te verlaten en hun heil in een der kuststaatjes te zoeken. Het gevolg hiervan was dat het aanzien dei' ons goedgezinde lioofden sieeg, dat hunne bevelen redelijk wel werden nagekomen, en dat de ambtenaren hunne tochten al verder en verder zonder militaire dekking konden uitstrekken en slechts vergezeld van enkele hoofden en weinig Atjesche volgelingen het hun aangewezen gebied doortrekken en langzamerhand trachten aldaar een geregelden staat van zaken in het leven te roepen.
Men kan gerust zeggen dat een zoo gunstige toestand als toen op Groot Atjeh heerschte gedurende ons bestuur aldaar niet is weergezien.
Als bewijzen hiervan meld ik het volgende.
Het was toen o.a. mogelijk dat eenige ambtenaren van het binnen-landsch bestuur geheel onverzeld van uit den kraton den Generaal van der Heijden, die te Anagaloeng verblijf hield, over dienstzaken kwamen spreken, dat de controleurs der IV en VI Moekims herhaaldelijk geheel alleen de IV Moekims en Kroeng-raba bezochten, en dat men officieren en ambtenaren dikwijls in liet veld kon zien jagen, alleen vergezeld van een of twee vertrouwde Atjehers om den weg te wijzen.
Nog grooter blijk van het vertrouwen, dat de Atjehers in ons begonnen te stellen, was dat het den officier van gezondheid te Olehleh gelukte de vaccine onder de Atjehers ingang te doen vinden en dat hij en de controleur herhaaldelijk daartoe de kampongs der VI Moekims bezochten slechts door eenige Atjehers vergezeld.
Dit wat de veiligheid aangaat. Ook met de gehoorzaamheid was het vrij goed gesteld. De bevelen der hoofden op het stuk van het bij elkander wonen in kampongs en liet oprichten van nieuwe kampongs in plaats der verbrande, op punten door het bestuur en de hoofden in gezamenlijk overleg aangewezen, werden redelijk goed nagekomen.
é
4
Als een sterk bewijs van wat men toen van de bevolking gedaan kon krijgen vermeld ik nog dit.
De Moekim Lampagger (VI Moekims) was uiterst moeielijk te genaken. Alleen een voetganger kon bij laag water over Sinanggri derwaarts gaan, doch moest dan nog tot het middel door de lagunes waden, terwijl het pad verdeivwinig anders was dan eene aaneenschakeling van poelen en gaten.
Daar Lampagger, als zijnde het vorst afgelegen gedeelte der VI Moekims, het meest door kwaad volk werd bezocht en het wenschelijk was om als er iets gebeurde spoedig ter plaatse te kunnen zijn, te meer omdat ei eene steenbakkerij, die steenen aan de genie leverde, gevestigd was, zoo besloten de controleur der YI Moekims en de regent van Maraksa Toelcoe Nja Mohamad om door de bevolking een voor ruiters bruikbaren weg derwaarts te doen aanleggen. Deze weg was ook voor haar zelf van veel nut, want hij stelde haar in staat hare producten gemakkelijker ter markt te brengen dan tot nu toe. Naar mijne gissing zal die weg omstreeks uur gaans lang zijn geweest en waren er twee bruggen in, eene van circa 250 en eene van circa 100 meter.
quot;Welnu dit geheele werk werd in eenige maanden door de bevolking-kosteloos daargesteld. Het eenige dat van landswege werd verstrekt waren planken en spijkers voor de bruggen, al het werk deed de bevolking. Zoo kapten o.a. de bewoners van Poeloe Bras niboeng stammen voor stijlen en dwarsliggers der bruggen en brachten ze op hunne eigene vaartuigen ter plaatse waar ze gebruikt moesten worden.
Li korten tijd werd alzoo een voor ruiters ten allen tijde bruikbare weg naar een der vroeger moeielijkst bereikbare punten verkregen.
In Juli 1879 werd ik tot waarnd. Assistent-Eesident der Noordkust van Atjeh benoemd. De Generaal wees mij Samalanga als standplaats aan, omdat Segli toen uiterst ongezond was en mijn voorganger het er o.a. maar eenige maanden had kunnen uithouden.
Hoe ik den politieken en economischen toestand op dat gedeelte der kust vond wil ik in 't kort hier vermelden.
Ten opzichte van handel en scheepvaart waren door den Generaal van der Heijden eenige bepalingen uitgevaardigd, voornamelijk ten doel hebbende den invoer van rijst en visch te beperken en zoo den uitgewekenen der 22 en 26 Moekims een offensief optreden in hun pas onderworpen landstreek moeielijk te maken. Ook was tegengang van smokkelhandel in oorlogsmaterieel en opium een der zaken, die men door deze regeling zoo goed mogelijk trachtte te bereiken.
De regeling zelf kwam liierop neer dat al de schepen uit de Straits Settlements komende eerst Olehleh moesten aandoen, daar gevisiteerd werden, en dan met hunne lading de kust op mochten gaan, voorzien van een consent van den Generaal waarop vermeld stond welke plaatsen zij mochten aandoen en wat er gelost mocht worden.
Over deze regeling werd door de handelaren, de* schoepsgezagvoerders en de Eadja's zeer geklaagd.
Voor stoomschepen was zij nog eenigszins op te volgen; zeilschepen, die soms weken lang moesten opkruisen om Olehleh te bereiken, leden daardoor groot nadeel en verloren onnoemelijk veel tijd.
De visitatie te Olehleh vorderde eveneens veel tijd en kostte, ook door de wijze waarop zij geschiedde, zeer voel geld, want alles moest aan don wal gebracht, daar nagezien en dan weder ingescheept worden.
Hoeveel er bedorven werd en verloren ging kunnen allen, die eenigen tijd te Olehleh hebben vertoefd zich gemakkelijk voorstellen.
En dan werd er ook, en niet ten onrechte, geklaagd, dat te Olehleh met twee maten gemeten werd, en dat, terwijl het goed van den eenen importeur streng werd gevisiteerd, dat van den anderen maar vluchtig werd nagezien.
De beschouwingen hierover en de gevolgtrekkingen van de betrokken importeurs kan men zelf wel nagaan. Zij luidden meestal niet vleiend voor den met de visitatie belasten ambtenaar.
Door deze maatregelen werd de smokkelhandel in opium en oorlogs-materieel wel eenigszins, doch niet afdoende tegengegaan.
Behalve dat een schip, ook al is liet geheel ledig, in kolenruimen en andere hoekjes en gaatjes plaats te over heeft om een massa contrabande te bergen, kon het ook voorkomen, dat een van Olehleh de kust opgaand schip van een uit de Straits komend contrabande overnam, en deze dan op de kuststaatjes aan den man bracht.
Gedekt door het consent van den Generaal mochten de daarop vermelde plaatsjes op de kust vrijelijk worden aangedaan en omdat er daar weinig of geen controle op de lossing kon worden uitgeoefend, leverde het naar den wal brengen van contrabande geen bezwaar op.
De marine toch was door hot gering aantal harer schepen niet bij machte ten dezen een eenigszins klemmend toezicht uit te oefenen.
En de ergste smokkelaars ontsnapten thans, even als vroeger, aan onze handen. Het waren namelijk die Atjehers, die met een visschers-prauw van 1 a 3 koyangs laadruimte en goed voorzien van geld langs de kust voeren tot op de hoogte van Batoe Bahra tegenover Poeloe Pinang, daar den oversteek, die bij gunstigen wind niet veel meer dan 24 uur vereischte, waagden, eu op die zelfde wijze, na de prauw met opium, kruit en geweren geladen te hebben, terug kwamen.
Zij waren en zijn liet nog steeds, die de Atjehers, ten spijt van blokkade, ruim van ooiiogs-contrabande en opium voorzagen en voorzien , en zoolang er geen middel gevonden wordt om deze wijze van smokkelen tegen te gaan, kan op eene merkbare vermindering van de aangevoerde hoeveelheid niet gerekend worden.
Don politieken toestand op de Noordkust vond ik alles behalve bevredigend.
c
Kwam men bij de Radja's om de een of andere zaak dan waren zij gewoonlijk zeer gul met beloften; maar dat er tusschen beloven en doen een groot verschil bestaat daarvan werd men door de gedragingen dier Radja's dagelijks overtuigd. Gewoonlijk waren zij bezield met zulk een geest van draaierij en uitstellen dat de geduldigste persoon er wanhopend onder worden moest.
De positie der ambtenaren op de kust was dan ook verre van aangenaam. Verplicht te zorgen dat de artikelen in het door do Radja's met het Gouvernement gesloten contract werden nageleefd, moesten zij ze dagelijks zien overtreden en schenden. Vertoogen en vermaningen werden steeds met beloften van herstel en beterschap beantwoord; maar zoo ergens dan was hier «la parole donnée a, 1'homme pour cacher sa pensée».
De Radja's wisten zeer goed dat wij geen eenvoudig en praktisch middel hadden om hen in het rechte spoor te houden, en dat wij de groote middelen zooals blokkade of bombardement eerst aanwendden als, na jaren lang pogen, alle andere middelen waren uitgeput.
Om een voorbeeld te geven, er was bij contract bepaald, dat de Radja's het Sulthans aandeel in de hassil voortaan aan het Gouvernement zouden afdragen; dat zij het zouden brengen, zooals eigenlijk hun plicht was, daaraan viel niet te denken; de ambtenaren moesten het dus gaan halen. Maar hoeveel voeten dit in de aarde had weet alleen een ambtenaar, die er mee belast is geweest. Dan was het dit en dan was het dat, nu eens was de sjahbandar zoek dan weer zijne boeken en dan wêer het geld; maar altijd en onveranderlijk werd er uitstel gevraagd, zoodat men zich op het laatst schaamde het onderwerp van hassil betalen aan te roeren. Het ergste was het doorgaans te Gighen, waar men gewoonlijk brutaal weg met een leugen werd afgescheept. Ik herinner mij o. a. dat eenmaal de Radja mij zeide, dat hij in een jaar geen cent hassil had geind, en een andermaal dat de Gouverneur hem 21 jaren vrijstelling had gegeven, het eene was natuurlijk even onwaar als het andere.
Ook met de veiligheid was het slecht gesteld en dat was niet te verwonderen daar wij misten, hetgeen alleen de Radja's in het rechte spoor konde houden, namelijk de gelegenheid een dagelijkschen druk op hen uit te oefenen waaraan ze niet konden ontkomen.
Zij onder de bevolking die ons genegen waren, moesten het dan ook meestal ontgelden en soms zelfs met den dood bekoopen. Zoo werden onder anderen onze zendelingen Said Abdullah te Gighen en Soetan Maharadja te Samalanga vermoord, en was het overvallen van Chineesche handelaren, zoowel aan den wal als op zee, volstrekt niet ongewoon.
Eene volledige beschrijving te geven van al hetgeen er van af Juli 1879 ter Noordkust voorviel zou mij te ver voeren en is ook niet
7
ter zake dienende. Uit alles bleek mij echter dat zoolang er geen eenvoudig praktisch middel gevonden werd om de Radja's te noodzaken zich naar onzen wil te schikken, en mede te werken tot herstel van orde en veiligheid in hun gebied er van werkelijken vooruitgang op de kust geen sprake kon zijn.
Men kon partieele voordeelen behalen, kon de onderwerping verkrijgen van verschillende nog niet onderworpen hoofden, kon ze naar Kota Radja brengen om beeedigd en geïnstalleerd te worden, kon hen alles laten beloven, teekenen en beëedigon wat men wilde, maar het resultaat was, dat als ze in hun land teruggekeerd waren, daar alles bij het oude bleef. Hun land was en bleef in een ordeloozen toestand, waarin ieder datgene deed, waartoe hij de macht meende te hebben, en waar, als er nog samenwerking bestond, die ten doel had het Gouvernement te bedriegen en te benadeelen.
Ondervond men al het nadeel van dezen staat van zaken bij het behandelen van geringere aangelegenheden, ook bij ernstige gevallen deed men dezelfde treurige ondervinding op. Zoo vermeld ik o. a. den verraderlijken aanval op de patrouille onder commando van den luitenant Berghuis van Woortman op Samalanga den 30 Juni 1880, en de daarop gevolgde expeditie van circa 2 bataljons naar Samalanga om Batoe Bik de kampong der aanvallers te tuchtigen , welke expeditie ook door de dubbelzinnige houding van den Radja van Samalanga en van zijn volk onverrichter zake weer moest aftrekken na circa 1G0 man aan dooden en gewonden te hebben verloren.
Dit alles bracht mij tot de overtuiging dat aan de thans gevolgde regeling van handel en scheepvaart en aan onze methode om invloed op de kust uit te oefenen veel ja bijna alles ontbrak en dat er een geheel andere wijze van handelen moest gevolgd worden, wilde men daar op den duur een ordelijken toestand in het leven roepen.
Hoe echter middelen te vinden, die onkostbaar en tevens doeltreffend de 18 artikelen door de Radja's bezworen en beëedigd tot eene levende werkelijkheid in plaats van zooals nu tot eene doode letter zouden maken?
Hetgeen er gebeurde na het vermoorden van Said Abdullah en Soetan Maharadja, onze beide zendelingen, was mij eene vingerwijzing.
Van de betrokken Radja's was uitlevering der moordenaars geëischt, en zoo zulks niet binnen een gestelden termijn plaats vond, betaling van den «bangoen» (bloedprijs). Voor Said Abdullah was die gesteld op 550 dollars en voor Soetan Maharadja op 1100 dollars.
Van uitleveren dor moordenaars was natuurlijk geen sprake, doch ook de «bangoen» uitbetaald te krijgen was geen gemakkelijke zaak. Telkens en telkens worden er beloften gedaan maar ook evenveel malen weer verbroken.
Toen verzocht ik den Generaal verlof een kruisboot op Gighen te
mogen leggen om de rechten op de in- en uitgevoerde goederen te innen totdat de «bangoen» aaugezuiverd zoude zijn, en op Sama-langa het zelfde te mogen doen met het onderscheid, dat de inning niet aan boord eener kruisboot behoefde te geschieden, doch bij het passeeren onzer versterking konde plaats vinden.
Dit hielp, te Grighen betaalde men nog vóór de kruisboot er lag en te Samalanga toen de door mij ingestelde maatregel slechts drie dagen gewerkt had.
Dit bracht mij van zelf tot de redeneering, dat wanneer men het zoo konde inrichten, dat alle in- en uitvoer langs onze versterkingen plaats had, men ten allen tijde het middel in de hand had de Radja's in het rechte spoor te houden.
Maar dan moesten onze posten ook een andere rol vervullen dan tot nu.
Even als in andere streken van Nederlandsch-Indië behoorden zij middelpunten te zijn van waar orde en rust het geheele land doordrongen , terwijl zij tot nu toe op Atjeh's Noordkust in hoofdzaak aanleiding hadden gegeven tot verwikkelingen, gevolgd door expedities, die natuurlijk den Atjehers groot verlies en schade toebrachten en niet er toe konden dienen hen met ons gezag te verzoenen.
quot;Want om billijk te zijn moet men zich ook eens op het standpunt van een Atjeher plaatsen en van dat standpunt bezien hadden de Atjehers van de kust werkelijk weinig reden om ons goedgezind te zijn en onze vestiging in hun land te wenschen.
Niets dan kwaad en schade was voor hen daaruit voortgevloeid, en men zal moeten toegeven dat zoolang men alleen op dergelijke resultaten te wijzen had, het voor de ambtenaren geen gemakkelijke taak was eenigen duurzamen invloed ten goede uit te oefenen.
Dit moest dus noodzakelijk veranderen. Men moest trachten het zoo in te richten, dat de Atjeher in plaats van onze posten te verwenschen als ongeluk en verderf aanbrengende ze moesten wenschen als voordeel en bescherming gevende aan wie zich ordelijk gedroeg.
Verder kwam mij het tot nu toe op de kust gevolgde systeem van onthouding en noninterventie, zooals dat volgens de bevelen der Regeering toen aldaar in praktijk werd gebracht, hoogst verkeerd en onpraktisch voor.
In eene streek waar men zoo weinig zekerheid van lijf en goederen vond als op de Noord- en Oostkust van Atjeh, en waarvan de Radja's en hunne onderdanen tallooze grieven tegen elkander hadden, soms van emstdgen aard en van jaren her dateerende, kon alleen invloed worden verkregen, door eene macht, die het zich ten doel stelde, al die geschillen uit den weg te ruimen, den verongelijkte aan zijn goed recht te helpen en den schuldige zijn verdiende straf te doen ondergaan.
9
Met vermaningen en raadgevingen alleen kwam men niet ver, dit moesten mijne voorgangers en ook ik dagelijks ondervinden. Alle regelingen en seliikkingen door ons in gemeen overleg gemaakt en alle arbitrale uitspraken in geschillen werden of in liet geheel niet nagekomen of alleen zoo lang het den Radja's goeddacht, en dat dit niet bijzonder lang was , zal elk die de Atjehers een weinig kent wel begrijpen.
Deze overwegingen leidden mij tot het samenstellen van een plan, 't welk. ik in Mei 1881 aan het oordeel van den nieuwen Gouverneur van Atjeh en onderhoorigheden onderwierp, en dat in hoofdzaak op het volgende neerkomt.
Op de Noord- en Oostkust zouden alleen enkele plaatsen voor den algemeenen handel worden opengesteld. Als zoodanig gaf ik aan Segli, Telok Semawé en Edi. Deze waren voor den handel het bestgelegen, en wat onmisbaar was, men vond er eene versterking en een civiel ambtenaar. Alle in en uitvoer moest over deze plaatsen geschieden. De Atjehers van de andere streken op de kust moesten hunne producten zelf derwaarts brengen, en de artikelen van invoer van daar afhalen. Voor dat transport mochten zij alleen hunne eigene vaartuigen gebruiken, die allen beneden de 20 ton groot waren. De grooteren toch waren door onze marine reeds bij het begin van den Atjehoorlog genomen of vernield.
Op de bovengenoemde plaatsen moest eenig recherche personeel worden aangesteld om hetgeen ingevoerd werd aan een strenge visitatie te onderwerpen en tevens de noodige controle uit te oefenen.
Het Gouvernement zoude de in- en uitvoerrechten heffen volgens het tarief bij de Eadja:s in gebruik. Na aftrek van de perceptiekosten zoude het bedrag onder de rechthebbende Radja's worden verdeeld. Wat elk moest krijgen zoude blijken uit de aan de vaartuigen door de Radja's afgegeven passen, welke door het recherche personeel zouden worden ingenomen, en uit door datzelfde personeel aangehouden boeken van het vervoer naar de niet voor den algemeenen handel opengestelde kustplaatsen.
Het spreekt van zelf, dat om volkomen effect te hebben deze regeling langs de geheele kust van Atjeh zou moeten worden toegepast, en dat dus ook op Groot-Atjeh en op de Westkust slechts eenige plaatsen voor den algemeenen handel moesten worden opengesteld. Dit zouden zijn Olehleh, Malaboeh en nog een paar andere plaatsjes op de Westkust, later aan te wijzen, die in alle opzichten het gunstigst voor den handel gelegen, daarvoor de voorkeur zouden verdienen.
Daar het mij vooral te doen is om te bewijzen dat de portee van het voorgestelde toen reeds door mij juist werd ingezien en de gevolgen er van met nauwkeurigheid voorspeld, zoo wil ik hier een kort begrip geven van de argumenten, die ik ter aanprijzing van dat systeem in
10
1881 bijbracht, ook omdat zij tot nu toe niets van hunne kracht verloren hebben.
Na vermeld te hebben dat bijna al de staatjes ter Noord- en Oostkust de acte van onderwerping, uit 18 artikelen bestaande, geteekend hadden, haalde ik uit die acte de volgende artikelen aan.
1°. De Radja's moeten de vijanden van het Nederlandsch-Indisch-Gouvernement als de hunne beschouwen.
2°. Zij zullen in vrede en vriendschap met hunne naburen leven, de gerechtigheid handhaven en handel en nijverheid beschermen.
3°. Zij zullen het Sulthans aandeel in de hassil van hun rijkje in den vervolge aan het Gouvernement uitkeeren.
Om de Radja's tot het nakomen van deze en de andere artikelen der acte van onderwerping te dwingen hoopte men op den drang dei-omstandigheden, op de goede raadgevingen der ambtenaren, op het eigenbelang der Radja's, en ook op het effect van bestraffingen zooals opleggen van boete, sluiten van haven, en, als laatste middel, bombardement en beletten van de vischvangst.
De resultaten van dit systeem waren echter niet schitterend. Zoodra de bestraifingsmaatregelen niet meer werden toegepast, hadden de pogingen der ambtenaren, hoe ze zich ook mochten uitsloven, weinig succes.
quot;Wel hadden de Radja's de 18 artikelen bezworen en geteekend, maar het bleek al spoedig dat zij zulks slechts beschouwden als een bloote formaliteit, hun afgedwongen door de noodzakelijkheid om hunne havens geopend te krijgen en door de dagelijksche vertoogen van de handelaren, wier winsten door de voortdurende sluiting ten zeerste werden bedreigd.
Telkens deden zij weer wat hun goeddacht, en lieten het er maar op aankomen, dat hunne havens weer geblokkeerd zouden worden, iets dat zij wel inzagen, dat ons door gebrek aan schepen niet zoo gemakkelijk viel.
Alleen verstokte optimisten konden bewere», dat er bij hen goede trouw in het nakomen der 18 artikelen werd opgemerkt. Noch de voorkomendheid, waarmede zij op de reis naar Kota Radja behandeld waren, noch de uitgereikte geschenken, noch iets van hetgeen zij te Atjeh door ons zagen daargesteld, wekte duurzame impressie op. Nauwelijks in hun land teruggekeerd vervielen zij weder in den ouden sleur van het Sulthans bestuur.
In plaats van Neerlands vijanden als de hunne te beschouwen, steunden zij den pretendent Sulthan steeds met geld, dat geregeld door zendelingen bij al de Radja's der Noord- en Oostkust werd opgehaald.
Met hunne naburen in vrede leven stond ook niet in hun boekje. Berooven en aanhouden van elkanders vaartuigen was aan de orde van den dag.
Vooral moesten het de arme Chineesche handelaren ontgelden. En
11
van de 100 gevallen van roof en moord bleven er zeker 99 ongestraft, want de Radja's hielpen in den regel do roovers tegen genot van een gedeelte van den buit.
Ook verhoogden de Radja's hier en daar willekeurig de belastingen, en maakten de bevolking wijs, dat zij dat doen moesten omdat wij zooveel hassil eischten.
Wat dat nu aangaat op de Noordkust werd in het geheel geen hassil betaald, ten minste niet vrijwillig. Alléén door bedreiging van sluiting of bombardement kon men iets loskrijgen. Aan verificatie of hetgeen werd aangeboden ook werkelijk niet minder was dan verschuldigd, viel niet te denken. Boeken bestonden niet of waren in het Klinga-leesch bijgehouden en niet te ontcijferen.
Om in dezen staat van zaken, die werkelijk niet dragelijk was, verbetering te krijgen beweerde ik dat wat men ook deed men een gedragslijn moest volgen die op logische grondslagen rustte, goed afgebakend moest zijn, in de praktijk gemakkelijk van toepassing en ons tevens leiden moest naar het einddoel, zijnde pacificatie van Atjeh.
Yolgens mij moest men tusschen drie wijzen kiezen.
De eerste was het consequent volgen der ook dikwijls door de Regeering voorgestane politiek van noninterventie. Doch dan behoorden ook de posten te Segli, Samalanga en Edi ingetrokken te worden, niet alleen als overbodig, maar ook als schadelijk en gevaarlijk, daar zij ons steeds tegen wil en dank tot bemoeienis dwongen. Volstrekte onthouding bleek met die posten eene onmogelijkheid.
Men behoorde zich dan eenvoudig er mee te vergenoegen dat de Radja's de opperheerschappij van Nederland in naam erkenden, geen aanraking met vreemde mogendheden hadden en de Nederlandsche vlag voerden.
Alle andere bepalingen van de 18 artikelen, toch niet nageleefd, konden vervallen. Men kon de Radja's naar hartelust onder elkander oorlog laten voeren en hun eikaars land laten afnemen, mits de overwinnaar zich slechts aan de bovengenoemde drie bepalingen onderwierp, waartegen hij wel geen bezwaar zoude hebben.
Dit systeem in praktijk te brengen scheen niet moeielijk en kostte zeer weinig.
Maar het bracht ook weinig op èn voor het tegenwoordige, èn voor de toekomst. En het was de vraag, of men het nog wel zoude kunnen toepassen, nu wij ons reeds zooveel en zoolang met de staatjes op de kust hadden bemoeid. Ook maakte het onze positie tegenover het buitenland niet beter, daar wij den Atjehoorlog begonnen om aan zeerooverij en anarchie een einde te maken en wij dus zouden moeten bekennen gefaald te hebben.
De tweede weg bestond in het consequent doorvoeren van het tot nu toe gevolgde stelsel, zijnde eene alleen straffende interventie.
12
Doch consequentie was hierbij even noodig als hij liet eerste systeem.
Elke verbreking der beloften in de 18 artikelen vervat moest aanstonds streng gestraft worden door sluiting en desnoods door een bombardement.
Alleen door zulks onverbiddelijk te doen zou men een houdbaren toestand in het leven kunnen roepen.
Goede raadgevingen, en ernstige vermaningen, die ongestraft dooide Radja's in den wind konden worden geslagen, misten natuurlijk alle uitwerking, en vertrouwen op hunne beloften baarde slechts teleurstelling.
Maar al was dat systeem eenvoudig en logisch, er waren veel nadeelen aan verbonden.
Wanneer alléén vrees voor straf gehoorzaamheid moest verzekeren zouden wij ons zeker niet gemakkelijk de genegenheid en trouw der Atjehsche bevolking verwerven.
Die maatregel vorderde ook een aanzienlijk grootore scheepsmacht dan wij toen te Atjeh hadden, en was dus tamelijk kostbaar en gevaarlijk tevens, omdat men de schepen uit andere deelen van Indië, waar ze even goed noodig waren, moest weghalen. En de staatjes zouden door dat gedurig sluiten en bombardeeren niet weinig verarmen en van hassil zou in de eerste jaren wel weinig sprake zijn.
Het derde systeem, het eenige dat mijne volle sympathie had, was het concentreeren van handel en scheepvaart op de door ons bezette plaatsen aan de kust, gepaard met het overnemen van de in- en uitvoerrechten, en den verkoop van opium in het groot.
Op welke wijze dat moest geschieden gaf ik te voren reeds aan, en zal dus hier niet in herhalingen vallen.
De voordeelen aan dit stelsel verbonden gaf ik destijds op als te zijn de volgende.
Het Gouvernement ontving waar het recht op had en konde geen schade lijden, want de uitkeering aan de Radja's regelde zich naar de handelsbeweging en ieder Radja bleef dus bij voortduring in den bloei van zijn landje geinteresseerd, want alleen eene groote handelsbeweging verzekerde hem behoorlijke inkomsten.
Wilden de Radja's kwaad dan kon men hen vrij wel machteloos maken door hun de uitkeering te onthouden. Ook kon van dat bedrag op gemakkelijke wijze afgehouden worden , hetgeen voor in hun land op vreemdelingen gepleegde rooverijen, enz. verschuldigd was.
Ook zoude het voor de ambtenaren vrij wat aangenamer zijn tot de Radja's te komen met een gevidden buidel dan om zooals nu met bedreigingen enz. te trachten hun het Gouvernements aandeel in de hassil afhandig te maken. Het spreekt van zelf dat, waar men altijd met bedreigingen moest eindigen of beginnen, er van gewenschte samenwerking weinig sprake kon zijn en de Radja's zulke gasten met leede oogen zagen komen.
13
Wij zouden verder, door aan de Radja's der niet aan de kust gelegen staatjes een deel van het Sultans aandeel in de hassil af te staan, met hen in aanraking kunnen komen en lien op onze hand trachten te krijgen.
De controle op de scheepvaart en op het invoeren van contrabande zon vrij wat gemakkelijker worden want men zoude maar drie plaatsen te controleeren hebben (op de Noord- en Oostkust namelijk) in plaats van minstens een veertigtal.
Handel en scheepvaart zouden dan ook daadwerkelijk beschermd kunnen worden. Nu was die bescherming vrij denkbeeldig, omdat er niet genoeg oorlogschepen waren om overal te gelijk politie uit te oefenen. Het was reeds herhaaldelijk gebeurd dat schepen onder Engelsche vlag nabij de kust ten anker liggende door Atjehers waren gemolesteerd.
Als voorbeeld haalde ik aan de attaque op den Engelschen schoener Captain te Gighen in Juni 1880, en die op de jonk Kim Jan Huatter roede Kloempang Doea, waarbij een der opvarenden werd gedood en een gewond, het schenden der Engelsche vlag te Kloempang Doea daarin bestaande dat Atjehers een anderen Atjeher, die zich aan boord van een onder Engelsche vlag varende jonk bevond, met geweld van boord haalden, en daarbij den gezagvoerder der Jonk verwondden enz.
Ik wees er op dat zulks al heel licht tot internationale moeielijk-heden aanleiding zou geven; en die zich de Msero en Hok Canton kwesties herinnert zal moeten bekennen dat dit juist gezien is.
Over mijne plannen had ik reeds herhaalde malen met dezen en genen gesproken en natuurlijk niet weinig tegenspraak ontmoet. De voornaamste argumenten der tegenstanders wil ik hier kort vermelden en eveneens aangeven wat ik ter verdediging aanbracht.
Men zeide dan dat de controle op handel en scheepvaart moeielij kei-zou worden, doch kon niet zeggen op welken grond. Ik meende, dat het vrij wat gemakkelijker zou zijn schepen te controleeren, die slechts op drie plaatsen mochten komen, waar men voldoende politiemacht, recherche personeel en alle hulpmiddelen, zoomede ruimte en tijd ter visitatie had, dan schepen, die, na te Olehleh tant bien que mal te zijn gevisiteerd, alle kustplaatsjes aandeden.
Zooals ik reeds zeide konden die schepen op hun terugreis onge-hinderd allerlei contrabande aan den wal zetten, hetzij ze die aan boord tijdens de visitatie verborgen hadden, hetzij ze die later over hadden genomen.
Met een behoorlijk spionnenstelsel te Singapore en Pinang zou men in eenige maanden volkomen op de hoogte kunnen zijn van hen die smokkelden, en zou het op de drie losplaatsen niet moeielijk zijn de contrabande aan te houden.
Daar kwam bij dat de ingevoerde goederen meestal nog dagen lang
14
onder controle op een der drie aangegeven plaatsen zonden blijven liggen en dat dus de kans van aanhalen zeer groot was.
Gaf men uit Penang af en toe eens een vertrouwd Chinees of Inlander aan boord der verdachte schepen mee dan kon men al dadelijk te weten komen of er onderweg op verboden plaatsen ook wat aan den wal werd gebracht. Op de handelsplaatsen zelf; kon men daartegen waken door 's nachts een wacht aan boord te geven en op zee in-landsche vaartuigen ter observatie te stationneeren, hoewel dit maar zelden zou behoeven te gebeuren, want bijna altijd kwamen de handelsschepen over dag aan, bleven slechts 3 a 4 uren om te lossen en te laden en vertrokken meest weer voor den avond.
Een ander bezwaar beweerde men was dat de handel door de voorgestelde regeling zou worden te gronde gericht, omdat do prijs der producten niet de onkosten zou goedmaken op den vervoer naar de handelsplaatsen vallende.
Oogenschijnlijk was deze bedenking beter gegrond, doch in werkelijkheid was zij het niet.
Ik gaf toe dat het voor de Atjehers voordeeliger zoude zijn als alle schepen uit de Straits direct alle plaatsen van de kust mochten aandoen. Zeer zeker zouden de Atjehers dan een hoogeren prijs voor hun product kunnen maken dan anders, doch dit was de vraag niet. Het gold hier het belang der Atjehers met het onze te doen samen gaan en niet het hunne uitsluitend op den voorgrond te stellen.
Maar vergeleken bij de vigeerende regeling van den Generaal van der Heijden verdiende de mijne ook uit een financieel oogpunt voor de Atjehers de voorkeur.
De lasten die thans toch op den in- en uitvoer drukten waren:
Het brengen der geheele lading invoerartikelen naar Olelüeh; de kosten aan het ontschepen en visiteeren verbonden, en die waren niet gering, en het oponthoud en tijdverlies, zoomede het meerdere verbruik van kolen enz., en de meerdere kosten aan schip en bemanning.
Door alle staatjes op de kust aan te doen en hier en daar een weinig te verkoopen duurde een reis weken, terwijl onder de voorgestelde regeling een stoomschip in een paar uren op eene stapelplaats, waar koelies en prauwen voldoende voorhanden zijn, zouden kunnen laden en lossen.
Al die kosten moesten natuurlijk op den prijs der in- en uitgevoerde artikelen worden verhaald.
Een derde bezwaar was, dat de Eadja's wanneer wij om de eene of andere reden, het hun toekomende inhielden, zelf nogmaals hassil bij in- en uitvoer in hunne staatjes konden eischen.
Ik moest toegeven dat dit op directe wijze niet te beletten was. Of de Eadja er gemakkelijk toe zou overgaan was een tweede vraag. Ik meende van niet. Deed hij het dan zou hij ten eerste de bevolking
15
zeer ontstemmen en deze zou niet aarzelen om hare producten clandestien naai- het land van den naastbijzijnden Radja te verkoopen om alzoo de dubbele rechtenlieffimg te ontgaan. Ook zou het de vraag zijn of handelaren en dergelijken zulk een staatje niet zouden verlaten, en dus een algemeene achteruitgang van de welvaart en ook van de inkomsten van den Radja er het gevolg van zou wezen.
Een en ander zou den Radja al spoedig noodzaken om aan onze billijke eischen gevolg te geven, ten einde weder in het genot zijner inkomsten te komen.
Alles wel overwegende vermeende ik dat de regeling der scheepvaart en overname der in- en uitvoerrechten op de boven omschreven manier, benevens den verkoop van amfioen in het groot, direct of door middel van licenties niet alleen uitvoerbaar maar zelfs van een politiek en financieel standpunt beschouwd zeer gewenscht zoude zijn, als zijnde het eenigste practische middel om onzen invloed te bewaren en uit te breiden en liet Gouvernement langzamerhand eenige inkomsten te verzekeren.
Hoewel de Gouverneur zich over het algemeen wel met mijne ideen konde vereenigen, was hij toch niet geneigd de voorgestelde regeling-al aanstonds onder nadere goedkeuring- van de Regeering in te voeren. Misschien wilde hij ook eerst de beslissing afwachten op de voorstellen door hem en den Generaal van der Heijden als Regeerings-Commis-sarissen gedaan.
Hoe dit ook zij op de kust bleef alles bij het oude. Hoewel de daar dienende ambtenaren zich alle moeite gaven, mochten zij niets van werkelijk belang tot stand brengen.
Altijd en overal werd men met beloften gepaaid, maar nagekomen werden deze zelden of nooit. De Radja's deden wat hun in het hoofd kwam en lachten om onze vermaningen en bedreigingen.
Zoo stoorden Pedir en Gighen zich niet aan de voorwaarden der plechtige verzoening in Januari 1881 door den Generaal van der Heijden tusschen hen tot stand gebracht. Zoo veroverde T. Tjihik Semaoen van Passangan, ondanks al onze vertoogen Kloempang Doea, en liet zich door de hoofden aldaar tot Radja kiezen, hoewel hij den Gouverneur schriftelijk beloofd had te zorgen, dat de keuze op den rechthebbende, zijnde zekeren T. Bin Proh, viel. Zoo dwong hij Nisam en Sawang zijne suprematie te erkennen, terwijl hij voor dien tijd reeds Blang-Pandjang had veroverd.
In een woord, de zaken op de kust gingen van kwaad tot erger, hoe de ambtenaren zich ook uitsloofden, en ik werd hoe langer hoe meer overtuigd dat als wij de begeerde scheepvaartregeling niet invoerden en tevens ons op de kust niet meer met de zaken bemoeiden, door voor de zwakken en verdrukten partij te kiezen, wij uit den treuren op verbetering van den toestand konden blijven wachten.
De Gouverneur van Atjeh, de heer Pruys van der Hoeven, zag dit
16
laatste evenzoo in en was dus niet zoo afkeerig van inmenging als de instructiën der Eegeering dit wel voorschreven.
Maar vooralsnog scheen de Eegeering niet van verandering te willen weten en zoo verliep het geheele Jaar 1881 en de helft van 1882 zonder dat de toestand ter Noord- en Oostkust feitelijk eenige verandering onderging.
In dien tusschentijd was Telok Semawe als plaats van vestiging idtgekozen, was er eene bezetting van eene compagnie gelegd en was die plek als standplaats van den Assistent-Eesident der Noord- en Oostkust aangewezen.
Zij was bij uitstek gunstig en bood den handel vele natuurlijke voordeelen aan. Gelegen ongeveer in het midden van de geheele af-deeling vond men er de beste ankerplaats van de geheele Noord- en Oostkust. Gedurende den geheelen quot;Westmoesson was het er bladstil, en in den Oostmoesson waren er alleen zeer enkele dagen, dat er veel branding stond, maar zelfs dan kon men 'smorgens vroeg nog altijd aan den wal komen.
Zij die weten welk een geweldige deining er in den Westmoeson, nabij de kust, en welk een hevige branding er op den wal staan kon, kunnen een juist begrip hebben van den gunstigen toestand van de baai van Telok Semawé bijna het geheele jaar door.
Yerder is Telok Semawé een eiland door eene lagune van den vasten wal gescheiden, en bewoond door den Eadja, genaamd T. Mangkoe Boemie en zijn volk te zamen misschien een duizend tal sterk. Het is vlak, bestaat bijna geheel uit eene door de zee opgeworpen bank van wit zand, heeft ten allen tijde overvloed van uitstekend drinkwater, is van redelijk goede wegen doorsneden, en tamelijk gezond, terwijl de bevolking van vroeger af zich een der meest vredelievende van de geheele kust betoonde.
Al spoedig begonnen wij echter op Telok Semawe last van onze naburen te krijgen.
Zekere T. Awie Getah uit de bovenlanden van Passangan vestigde zich op de heuvels van Paleuh op circa 1 uur afstand van Telok Semawé, en maakte aldaar eenige versterkingen, waarin zich een honderdtal kwaadwilligen verzamelden, die nu en dan trachtten ons op Telok Semawé afbreuk te doen. In een hoogen boom op een dier heuvels staande en zeer ver van uit zee zichtbaar hadden zij een vlaggestok bevestigd en daaraan wapperde den geheelen dag lustig de Atjesche oorlogsvlag.
Hoewel in den beginne meer gedacht werd aan eene uiting van haat of fanatisme, bleek na eenigen tijd dat achter dit oprichten van bentings aldaar meer stak en dal het T. Tjihik Samaoen van Passangan was, die dit zaakje in het geheim bestuurde. quot;Waarom hij zulks deed moge uit het volgende verhaal blijken.
17
Toen de Radja van Passangan in 1875 overleed werd hij opgevolgd door zijn oudsten zoon T. Tjilük Samaoen. Evenals zijn vader wilde deze niets van ons weten en het gevolg daarvan was dat, terwijl de andere staatjes, die onze souvereiniteit erkenden, voor den handel opengesteld werden, Passangan gesloten bleef. Daar dit op den duur te veel schade aan de geheele bevolking veroorzaakte, en T. Tjihik zelf toch geen aanraking met ons wensclite te hebben, werd er besloten dat hij in schijn afstand zou doen van de Eegeering ten behoeve van zijn jongeren halfbroeder T. Maharadja Djempah. Deze zoude zich dan onderwerpen, en zoo zou Passangan geopend worden, maar desniettemin zou het gezag feitelijk door T. Tjihik Semaoen en niet door T. Maharadja Djempah worden uitgeoefend. Dit program werd van a rot z uitgevoerd en slaagde volkomen, maar spoedig werd T. Tjihik die, van een oorlogzuchtige natuur was, en steeds naar vermeerdering van grondgebied haakte, ook do nadeelen daarvan gewaar. Vooral zijn schrijver, een tot den Islam bekeerde zeer schrandere Chinees, genaamd Nja Osman, wist hem te beduiden dat hij veel beter deed zich openlijk door ons als Radja van Passangan te doen erkennen, omdat dan bij de door ons gevolgde politiek van non-interventie niemand aan zijne veroveringszucht perken zou stellen. Om in de naburige staatjes conflicten tegen de Radja's te doen ontstaan was idet moeielijk en met zooveel manschappen, geld en munitie als waarover de Radja te beschikken had, zou het hem licht vallen zich er in te mengen, en hetgeen hij begeerde op die wijze aan zich te trokken.
De Radja luisterde naar dezen raad. Hij bood zijne onderwerping aan en de Maharadja van Djempah, die wel wist toch niet tegen hem bestand Ie zijn, legde vrijwillig ten zijnen behoeve de waardigheid van Radja van Passangan neder.
Aisnu door ons als Radja van Passangan erkend begon hij spoedig uitvoering aan zijne plannon te geven.
Had hij in 1877 reeds Blang Pandjang, dat op het punt stond zich aan ons te onderwerpen, veroverd, thans deed hij den Radja van Kloempang-Doea door oproerige hoofden, die door hem van alles werden voorzien, liet land uitjagen, en deed zich zelf in zijne plaats als Radja van Kloempang-Doea kiezen. Verder veroverde hij Sawang en dwong den Radja van Nisam hem als opperheer te erkennen en hem een aanmerkelijke som gelds te schenken. Wat hij niet met gewold wilde of kon bereiken, dat trachtte hij door het sluiten van allianties te bekomen. Zoo deed hij zijn broeder trouwen met de dochter van den Radja van Boeloe (in de Paseistreek) en huwde zelf met de kleindochter van den Radja van Gedong, zoodat zijne positie nagenoeg onaantastbaar was, en elkeen den machtigen Radja van Passangan vreesde. Zijn plan om ook Tjoenda en Bayoe, landjes die met ons op zeer goeden voet stonden, te veroveren werd door onze vestiging op het eiland
2
18
Telok Semawe voorloopig verliinclerd en daar moest dus door hem wat op gevonden worden.
Kende hij Tjoenda en Bayoe bij ons verdacht maken, dan was er kans dat hij zijn opzet zou kunnen volvoeren, zonder dat wij ons liet lot dier staatjes erg aantrokken.
Deze overwegingen deden hem besluiten T. Awie Getali naar de heuvels van Paleuh te dirigeoren.
Zooals hij zeker wol voorzien heeft voegden zich al spoedig veel priesters en moerids ook uit Bayoe en Tjoenda bij hem. De Radja's dier streken hadden er geen direkt belang bij dit streng tegen te gaan; integendeel, wilden zij niet in de schatting van het streng ge-loovige gedeelte des volks dalen, dan moesten ze zelfs dit verzet tegen de ongeloovigen billijken en goedkeuren.
Het gevolg hiervan was dat er om deze redenen spoedig eene zeer slechte verhouding tusschen het bestuur en de Radja's van Bayoe en Tjoenda ontstond en wantrouwen de plaats van het vroegere vertrouwen innam. Hierop had T. Tjihik gespeculeerd bij zijne poging om ook genoemde beide rijkjes aan zijn gezag te onderwerpen.
Hij had vooruit berekend dat liet den Radja's van Bayoe en Tjoenda onmogelijk zou zijn om die henvelbentings op te ruimen, zoolang hij de bezetting steunde, noch hun volk te beletten zich bij die bezetting te voegen als er een coup de main op Telok Semawé te wagen viel of wij een aanval op die bentings mochten doen.
quot;Wij, die natuurlijk nimmer geheel genist op Telok Semawe konden zijn zoolang die henvelbentings, door eene bende fanatieken, belust om ons nadeel te berokkenen, bezet waren, zouden ons dan wel tot den Radja van Passangan wenden, en hij zonde dan met een groote macht optrekkende, quasi om die bentings te slechten, wel middel vinden om meteen Bajoe en Tjoenda in te palmen.
Aldus liepen werkelijk de zaken. Door ons gesommeerd om zijne onderhoorigen uit die bentings terug te roepen, zeide hij, dat zij hen niet wilden gehoorzamen, doch dat hij ze met geweld zoude dwinger.. Yonden zij echter steun bij Bayoe en Tjoenda dan zoude hij die rijkjes meteen annexeeren.
Gelukkig geraakten wij omstreeks dien tijd in het bezit van zulke overtuigende bewijzen van T. Tjihiks dubbelzinnige rol, en bleek het uit alles zoo zeer dat T. Tjihik na de geheele Pasei streek te hebben veroverd of tot bondgenoot gemaakt ook voor ons een zeer lastige nabuur zou wezen, en ons rustig verblijf op Telok Semawe alléén van zijne nukken zoude afhangen, dat het mij uiterst noodzakelijk scheen bij tijds paal en perk aan zijne veroveringszucht te stellen.
De Gouverneur was het in dezen geheel met mij eens, en bij eene vergadering die ik met de Radja's van Bayoe en Tjoenda en met de door T. Tjihik verjaagde hoofden van Kloempang-Doea, Nisam en Sawang
19
hield, kwamen wij overeen, dat, wanneer T. Tjihik uitvoering aan zijne veroveringsplannen gaf deze vijf Radja's met de hnlp van het Gonver-nement zich krachtig tegen hem zonden weren en wij zouden trachten niet alleen zijne verdere plannen te verijdelen maar hem ook af te nemen wat hij sedert 1877 wederrechtelijk veroverd had.
Toch duurde het nog tot 20 October 1882 voordat het met Passangan tot eene uitbarsting kwam, hebbende wij ons al dien tijd door beloften en uitvluchten laten weerhouden om tot het uiterste over te gaan.
Toen was evenwel de maat vol en verzocht ik den Commandant van de te Telok Semawe aanwezige oorlogschepen om Passangan op verschillende plaatsen te beschieten. T. Tjihik, die zich met een aanzienlijke macht reecis te Kroeng Koekoes op 3.1 uur van Telok Semawé bevond, keerde overhaast naar zijn land terug, en schreef mij vandaar een brief, waarin hij zijne oprechtheid betuigde en mij voor de gevolgen aansprakelijk stelde. Spoedig daarop verzamelde hij een aanzienlijke macht van circa 3000 man en trok daarmee op om Bayoe en Tjoenda te nemen.
In de eerste dagen van November was geheel Tjoenda reeds door den vijand met beutings en afdeelingen zijner krijgsmacht omringd, en verloren de Tjoendaneezen al meer en meer terrein, totdat zij op het laatst nog alleen maar de kampong van den Eadja behielden, en al de andere kampongs van het landje in handen des vijands waren gevallen.
Gebrek aan geweren en munitie was gedeeltelijk hiervan de oorzaak en toen deze gelukkig in het laatst van November van Poeloe Pinang arriveerden, keerde do kans, waartoe de rigoureuse sluiting van Passangan en de dwangmaatregelen, die de Passangers voor hun eigen land bevreesd maakten, ook niet weinig bijdroegen.
Den 2Cen en 27en werden door de verbonden Radja's al de kampongs van Tjoenda heroverd, en de ben tings op de heuvels van Paleuh genomen.
Den 3n en 4n December trokken zij over de Kroeng Koekoes, heroverden Blang Pandjang en trokken over de rivier van Manai en Lapang in Kloempang-Doea.
Zeer veel hulp en steun verschafte bij deze gelegenheden de marine; wanneer er opgerukt werd stoomde een oorlogschip zoo dicht mogelijk langs het strand mêe, hetgeen den moed der onzen niet weinig verhoogde en .de tegenpartij voor een landing in den rug bevreesd maakte en zoo meestal spoedig tot den aftocht dwong. In het algemeen vond ik bij de commandanten der verschillende oorlogschepen de meeste instemming met mijne plannen, zoodra ze er eenigszins mede bekend waren geraakt, en de goede uitwerking der genomen maatregelen hadden gezien. Hunne ijverige medewerking zal ik immer dankbaar herdenken.
20
Dat er tamelijk hard gevochten was in deze dagen bleek daaruit dat aan de ons bevriende zijde circa 20 doodon en 60 gekwetsten waren gevallen.
Door al deze tegenspoeden was T. Tjihik zeer ontmoedigd en geen wonder.
Algemeen gold hij voor verreweg de machtigste der Radja's van de Noordkust. Het aantal weerbare mannen dat hij in het veld kon brengen werd o]) 12000 geschat en van zijn vader had hij naar algemeen beweerd werd 7000 vaatjes buskruit en het noodige lood gëerfd, terwijl hij ook redelijk wel van contanten voorzien was. Hij was ook om zijne vlagen van woestheid, waarin hij niemand ontzag, en zonder vorm van proces nêerschoot wie hem mishaagde, bij zijne onderhoorigen zeer gevreesd.
Dat aan zulk een machtig Radja door een verbond van 5 kleine Radja's waarvan er nog drie reeds door T. Tjihik uit hun land verdreven waren, al de door hem veroverde landstreken in korten tijd werden ontnomen , dat was een succes, dat de Atjehers zelf niet hadden durven verwachten. Ook zou dit resultaat zoo spoedig niet verkregen zijn geworden als de Radja's alléén op eigen krachten hadden moeten steunen, of alleen door de wapenen zich recht hadden moeten verschatten.
Hetgeen namelijk veel er toe bijdroeg om den voor ons gunstigen afloop dezer onderneming te bespoedigen was, dat, op mijn voorstel de Gouverneur mij veroorloofde de vroeger bedoelde scheepvaart-regeling op de Pasei streek en Passangan toe te passen, met dien verstande dat van Passangan tot Diamant punt alléén Telok Semawé, voor den algemeenen handel geopend was.
Daardoor had men het in de macht te zorgen dat er te Passangan nagenoeg niets werd uit- en ingevoerd, zoodat de Radja geene inkomsten hoegenaamd trok en ook de hoofden en voornamen, die allen handelen, gevoelig in de beurs werden getroffen. Schaarschte aan rijst was eveneens daarvan het gevolg en maakte dat T. Tjilük zijn krijgsvolk niet langer bij elkaar konde houden, waar het gold veroverde streken tegen den aanval der rechtmatige bezitters te verdedigen.
«Ventre affamé n'a pas d'oreilles» dit zag men ook hier, waar de macht van T. Tjihik als sneeuw voor de zon smolt, en al zijne bedreigingen niet konden beletten dat de een na den ander stil naar Passangan terugkeerde en hij op het laatst gedrongen was eveneens daarheen terug te trekken.
Haar zelfs in zijn eigen land was lüj niet meer veilig, want al spoedig kreeg ik van uit Passangan zeer ernstige aanbiedingen om er eene omwenteling te doen uitbreken en T. Tjihik te verjagen of te dooden. Deze aanbiedingen gingen uit van een der voornaamste hoofden van Passangan tevens met den Radja door familiebanden nauw verbonden. Naar dit doel werd echter niet gestreefd. Het was er slechts
21
om te doen T. Tjihik Miiueu zijne grenzen te houden en hem te beletten zich met de zaken zijner naburen in te laten en daar het hoogste woord te voeren. En daarom achtte ik toei; de tijd gekomen om met T. Tjihik over den vrede te onderhandelen of liever op zijne vredesvoorslagen in te gaan (Maart 1883).
Hoe dit in zijn werk ging wil ik kortelijk verhalen, omdat er uit blijkt welken indruk onze overwinningen hadden teweeg gebracht en ook dat de Atjehers niet zoo zwart zijn als ze wel eens afgeschilderd worden.
De macht van T. Tjihik en die van de verbonden Radja's waren op de grenzen van Kloempang Doea en Passangan tegenover elkaar gelegerd terwijl de Kr oen g Pandjoi een arm der Passangan-rivier hen scheidde. Van weerszijden waren aan de oevers vele bantings opgericht en beschoot men elkander wakker daaruit. Daar ik het van het meeste belang achtte T. Tjihik zelf te spreken, om spoedig tot een resultaat te komen, en hij zich natuurlijk niet bij ons zoude wagen, gaf ik hem kennis, dat het mijn plan was aan de overzijde met hem over de voorwaarden van den vrede te komen onderhandelen.
Na antwoord te hebben ontvangen dat hij mij afwachten zoude, stak ik op den 23 Maart 1883, alléén vergezeld van den tolk Mohamad Talip, de rivier over, en werd aan de overzijde in alle statie door T. Tjihik opgewacht. Ik was werkelijk verrast want T. Tjihik, die zelfs bij zijne voorstelling aan den Gouverneur en zijne becediging nimmer iets anders had willen aantrekken dan een pak van gewoon geglansd zwart katoen, zonder het minste sieraad, was nu geheel in gele zijde gedoscht en pronkte met een gouden kris in den gordel.
Eerst begaven wij ons in de nabijgelegen benting, en zetten ons later, om meer ongestoord te kunnen spreken, op het vrije veld onder oen boom neder. Ka een kort onderhoud kwam de vrede op de volgende voorwaarden tot stand.
Passangan werd beperkt tot het gebied, 't welk het voor 1877 bezat en moest alle veroveringen, zooals Kloempang Doea, Nisam, Sawang en Blang Pandjang opgeven. Verder moest T. Tjihik zich rustig houden, en van alle inmenging in de zaken der verbonden Eadja's afzien, terwijl ik beloofde Passangan voor den in- en uitvoer, wel te verstaan over Telok Semawe, open to stellen en de- pogingen van allen, zoowel in als buiten Passangan om T. Tjihik te schaden zooveel mogelijk tegen te gaan.
De vijandelijkheden werden toen voor geeincligd verklaard, men stak op staanden voet de versterkingen in brand, schoot de geweren in de lucht af en keerde van weerszijden naar huis.
En dat de vrede oprecht begeerd werd blijkt wel daaruit dat de bepalingen van dit opzettelijk niet beschreven verdrag noch door T. Tjihik noch door de verbonden Radja's zijn geschonden, zoolang ik te Telok Semawé bleef of liever zoolang niet de concentratie op Groot
22
Atjeh en het opheffen der posten op de kust, al onzen invloed aldaar deed te loor gaan.
Stond deze épisode geheel op zich zelf dan zon men zulks aan toevallige omstandigheden kunnen toeschrijven. Ik zal daarom ook nog de andere gevallen vermelden waarin dezelfde gedragslijn, namelijk het steunen der zwakken tegen hunne verdrukkers en der nationale hoofden tegen opgewonden priesters en hun aanhang ook onveranderlijk hetzelfde effect had.
Leerrijk is in dat opzicht hetgeen te Samalanga plaats had. Na afloop van den weinig gelukkigen tocht tegen Batoe Hik was het te verwachten dat de fanatieke geestelijke partij op hare beurt ons uit de versterking te Samalanga zou trachten te drijven. En zoo gebeurde het ook.
Den 10⢠September 1883 werd onze versterking door eene vrij aanzienlijke macht belegerd en met loopgraven omringd. Zooals men weet lag zij vlak aan de rivier op haren linkeroever. T. Tjihik Boegis, de Radja van Samalanga had dit beleg niet kunnen verhinderen, maar hij had absoluut geweigerd de belegeraars ook op den rechteroever der rivier waar hij woonde, toe te laten. Onze versterking had dus nog altijd communicatie met de marineschepen, daar de sloepen slechts van eene zijde beschoten werden en zich daar redelijk tegen konden dekken. quot;Waren beide oevers door den vijand bezet geweest dan had men onmogelijk de rivier kunnen opvaren, zonder dat de sloepen door een aanzienlijke macht te land werden gëescorteerd.
Dit gepaard bij de zware verliezen die de aanvallers leden, bij gebrek aan eensgezindheid en ook aan levensmiddelen en munitie, maakte, dat na een beleg van circa 14 dagen, het grootste gedeelte der belegeraars verloopen was, en de rest door een gecombineerden uitval van landmacht en marine zijn heil in de vlucht moest zoeken.
De geestelijke partij over dezen afloop woedend, en niet ten onrechte het weinige succes aan T. Tjihik Boegis'houding toeschrijvende besloot hem daarvoor voorbeeldig te straffen.
Met behulp van de Eadja's der aangrenzende streken Merdoe en Djangka Boeija, brachten zij eene macht op de been, die een inval deed in het op den rechteroever der Samalanga rivier gelogen gebied van T. Tjihik, (het linker hadden zij door overreding tot hunne partij overgehaald), en dit in korte dagen geheel veroverde en voor een gedeelte in de asch legde.
T. Tjihik hield niets anders over dan eene benting in de kampong Balei, en zoude ook die hebben verloren en het met den dood moeten bekoopen, wanneer niet zijn aangehuwde neef de Maharadja Moeda van Telok Semawé, die met circa 50 volgelingen tijdelijk in Samalanga verblijf hield trouw zijne zijde had gehouden. Van zijn eigen volk was hem nauwelijks een dertigtal getrouw gebleven.
Toen ik dit vernam achtte ik den tijd gekomen om de geestelijke
23
partij een geduchten slag toe te brengen en ons voor altijd een trouw bondgenoot te verzekeren. Ik begaf mij naar Samalanga, nam daar den staat van zaken op en besloot toen ï. Tjihik te helpen om zijn land
terug te bekomen.
Op mijn verzoek zond de Maharadja van Telok Semawé, een oud vriend en bondgenoot van T. Tjihik, hem 200 man onder eommando van zijn neef, bovengemelden Maharadja Moeda. Ik zorgde voor het noodige oorlogsmateHeel, vertelde overal dat het Gouvernement T. Tjihik nimmer zou laten verdrijven, ook al zoude hij tijdelijk in onze versterking moeten wonen, en al spoedig stond T. Tjihik weder aan het hoofd van circa 300 welgewapenden en lieten de kansen zich minder ongunstig voor hem aanzien. In de eerste dagen had hij het soms nog Avel hard te verantwoord en en trok zijn volk herhaaldelijk tot vlak onder onze versterking terug, door den vijand op de hielen gevolgd, terwijl vrouwen en kinderen den nacht binnen de versterking passeerden.
Maar toen het volk zag dat T. Tjihik krachtig door ons gesteund werd en vroeg of laat de overhand moest behouden kwam er inoedeloos-heid onder de aanhangers der oorlogspartij. En toen eenmaal enkele voorname hoofden zich weder bij T. Tjihik hadden aangesloten volgde het gros binnen weinige dagen en was nlle gevaar voor T. Tjihik geweken. In enkele maanden veroverde en bezette hij toen weder den linker oever der Samalanga rivier en zelfs de II Moekims Djangka Boeija, die zich sedert 1877 wederrechtelijk aan zijn gezag hadden onttrokken.
De dankbaarheid van T. Tjihik en van zijne zuster Potjoet Maligei was werkelijk touchant, en sedert die gebeurtenissen heerschtc er op Samalanga voor onze bezetting en voor allen, die op de hand van het Gouvernement waren, de meest mogelijke veiligheid.
Zelfs toen de benting te Samalanga werd opgeheven en gedeeltelijk afgebroken en ingescheept, gebeurde er door de goede zorgen van T. Tjihik niet do minste wanordelijkheid.
Dat T. Tjihik werkelijk met de geestelijke partij gebroken had bleek mij daaruit dat hij de huizén der voornaamste priesters te Batoe Hik deed verbranden en ook dadelijk bereid was mij een geleide Atjehers mee te geven om liet geheele land te doortrekken en een bezoek te gaan brengen aan de versterking te Batoe Hik, die onze troepen in 1880 niet hadden kunnen bemeesteren en waarvoor zoovele offers gevallen waren.
Den 30 Juni begaf ik mij derwaarts met don controleur, den agent der Atjeli leverancio Persijn, cn ik meen ook den officier van gezondheid van onze versterking.
Wij bezochten de door ons zoo vergeefs bestormde benting, die verlaten en vervallen was, en vonden haar Avel sterk, doch niet zooals wij gedacht hadden.
24
Aan de achterzijde werd zij op 150 meters afstand volkomen door hoogere heuvels gedomineerd en waren onze troepen allen van die zijde gekomen, dan zoude de bezetting het niet hebben kunnen houden.
Rondom de benting vonden wij slechts enkele onbeduidende veldwerken meest allen open aan eene zijde, zoodat we ons verwonderden dat de Atjehers zulk een krachtigen tegenweer hadden geboden.
Uit het verhaal dezer épisode blijkt m. i. duidelijk wat een verstandige politiek op Atjeh uitwerken kan, en dat men er resultaten door verkrijgt die, ten koste van veel geld en bloed, op andere wijze niet eens altijd bereikt worden.
Terwijl dit op Samalanga voorviel hadden Baijoe en Tjoenda eveneens invallen te verduren gehad. Baijoe was namelijk aangevallen door Blang-mangat, een staatje eenigszins boven Baijoe in het binnenland gelegen en Tjoenda door Boeloe den vroegeren bondgenoot van den Radja van Passangan.
Ook deze beide zaken liepen geheel in het voordeel onzer bondge-nooten af. Boeloe, dat vroeger tot Tjoenda had behoord, werd in weinige weken door de vereenigde macht der bondgenooteu veroverd en weder bij Tjoenda gevoegd en ook de Radja van Blang-mangat, die ons altijd zeer vijandig was geweest, zag in enkele maanden het grootste gedeelte van zijn land in handen onzer bondgenooten en zoude naar aller gedachten wel spoedig naar vrede verlangen.
Niet zoo voorspoedig ging het ten opzichte van Gedong, een ander staatje van de Pasei streek waarvan de Radja T. Imam Gedong ons uiterst vijandig was, en werwaarts in 1878 reeds een expeditie onder Generaal v. d. Heijden had plaats gehad; die ons wel krijgsroem bezorgde, maar den politieken toestand van de Paseistreek en de vijandigheid van T. Tjihik in hoofdzaak onveranderd liet.
Terwijl de Radja van Baijoe in Blang-Mangat getrokken was deed Gedong een onverhoedschen inval in Baijoe en verbrandde in eenen dag op drie na al de daar zich bevindende kampongs. Welk verloop de vijandelijkheden met Gedong hadden en hoe zij ondanks al onze tegenspoeden in den strijd toch eindigden met een vrede, die al onze wenschen vervulde, zal ik nader schetsen, daar deze épisode een overtuigend bewijs levert van het nut der scheepvaartregeling, waarover ik vroeger reeds gesproken heb en het thans de plaats is nog een weinig uit te weiden.
In Maart 1883 was de Gouverneur Pruijs van der Hoeven door den Gouverneur Laging Tobias vervangen. Al meer en meer van de volstrekte onmisbaarheid der door mij voorgestane scheepvaartregeling overtuigd aarzelde ik niet mij naar Kotta Radja te begeven, en te trachten den nieuwen Gouverneur, onder wien ik vroeger in Benkoelen reeds gediend had voor mijne inzichten te winnen. Dit gelukte ook volkomen. De Gouverneur beaamde niet alleen het groote nut dier regeling
25
maar besloot zo dadelijk onder nadere goedkeuring van het Gouvernement in te voeren, als zijnde de eenigste wijze om geen kostbaren tijd met onnut heen en weder schrijven te laten verloren gaan.
In liet laatst van Mei werd het besluit, dat deze aangelegenheid geheel volgens liet door mij opgemaakte Lier vrooger reeds medegedeelde schema regelde, door den Gouverneur geteekeud en met 1 Juni 1883 trad de nieuwe regeling al in werking.
Aan het beleid van de besturende ambtenaren werd overgelaten te bepalen of het voor de door hen bestuurde afdeeling de voorkeur verdiende de hassil te innen en te verdeelen op de door mij aangegeven wijze of een systeem te volgen, dat eenigszins in den vorm daarvan afweek, terwijl het au fond toch hetzelfde resultaat had. Dit bestond daarin, dat op de opengestelde handelsplaatsen alleen het ! of Sulthans aandeel in de hassil werd geind en dat het resteerende ! door de Eadja's zelf werd geheven bij in- en uitvoer over hunne havens. Daar de toepassing van deze laatste methode mij gemakkelijker was gebleken werd deze overal ingevoerd.
In gemoede kan ik verklaren dat deze regeling, die ik op last van den Gouverneur op de Noord- en Oostkust invoerde en aldaar 1^ jaar tot aan hare opheffing surveilleerde, in alle opzichten gaf wat ze beloofd had, dat het smokkelen met stoomschepen ongeveer tot niets werd gereduceerd en de invoer van contrabande met kleine Atjesche vaartuigen er aanmerkelijk door werd belemmerd, en alleen gebrek aan eenige fondsen belette dien smokkelhandel al dadelijk meer krachtig den kop in te drukken; dat het verbod aan de stoomschepen om andere plaatsen dan de opengestelde aan te doen geen enkele maal is overtreden, en dat de controle door de marine uitgeoefend er door word gemakkelijk gemaakt. Voorts, dat het een onovertroffen middel bleek om politieken invloed op de kust uit te oefenen en te zorgen dat wat wij wenschten door de Radja's werd nagekomen, zonder dat wij tot éclat makende handelingen als bombardement en blokkade behoefden over te gaan, en dat wij dus onze «linge sale en familie» konden wasschen, zonder dat blanclüsseuses uit de Straits Settlements daarmee behoefden gemoeid te worden. Maar voor velen zal deze eenvoudige verklaring niet genoeg zijn, want er zijn zooveel verkeerde meeningen over die scheepvaartregeling in omloop dat ik mij zeer goed kan voorstellen dat maar weinigen bevroeden hoe eenvoudig doeltreffend en goedkoop ze in werkelijkheid is.
Ik zal daarom hier nog eenige argumenten tegen de scheepvaartregeling, die inij steeds voor de voeten zijn geworpen, opnoemen, en ze tevens in korte woorden wêerleggen, om het verwijt te ontgaan, dat ik alleen op gezag verlang geloofd te worden.
Men beweerde, en beweert nog dat de controle voor de marine moeiclijker zou worden, dat do schepen toch de niet opengestelde plaatsen zouden aandoen, dat ze toch, zij het ook in open zee.
26
zouden stoppen om contrabande b.v. aan visschers tc verkoopen, dat ze 's avonds op een der geopende plaatsen ten anker liggende medegenomen contrabande zouden lossen, dat de handel der Straits zich zeer tegen die regeling zoude opponeeren, dat het smokkelen van contrabande met kleinere visschersvaartuigen direkt uit de Straits er niet door zou worden belet, en dat van politieken invloed of van verbetering van den toestand op de kust niets zou worden bespeurd, enz., dat het schatten van geld zou kosten omdat telegraphische verbinding met Ponang, en een massa snelvarende scheepjes der marine voor de controle noodig zouden zijn enz.
Mijn antwoord hierop is: In de IJL jaar dat die regeling werkte heeft nimmer, letwel, nimmer, een schip uit de Straits eene niet opengestelde plaats aangedaan of zulks maar getracht te doen. Dit was ook te gevaarlijk. Op de overtreding stond meen ik f 10.000 boete. Welk kapitein van een handelsvaartuig zou het in zijn hoofd krijgen, voor enkele guldens voordeel of winst zulk een gevaar te loopen en tevens zijne betrekking te verspelen, waar de kans van ontdekking zoo groot was.
Men stelle zich toch niet voor dat er even als op de geblokkeerde havens der zuidelijken in den Amerikaanschen secessie oorlog-, opi Atjeh blokkade-runners uit de Straits varen, volgeladen met contrabande; dat die schepen door onze marine heen breken en zich binnen havens of baaien in veiligheid stollen om daar hun lading te lossen en er dan weder op uitgaan; dat er daarom vooral snelvarende marine schepen noodig zijn om die smokkelaars te achterhalen.
Dat alles is eene dwaling. De vaart op Atjeh wordt alleen uitgeoefend door een G a 8 tal schepen te Penang of Singapore thuis behoorende. Al die schepen zijn natuurlijk dóór en dóór bij onze marine bekend, en ik geloof dat niemand mij zal tegenspreken als ik beweer dat nog nimmer een dezer schepen door onze marine te vergeefs op zoo'n blokkade-running tocht is nagejaagd.
Als de marine een los schot deed stopten ze en lieten zich gemoedelijk visiteeren, en ik meen mij ook wel te herinneren dat tijdens mijn verblijf te Atjeh nimmer iets van belang door de marine is aangehaald. Kleine aanhalingen van enkele revolvers enz., die door passagiers clandestien waren meegenomen, uitgesloten.
Tegen stoppen en lossen op zee kan gewaakt worden door het meegeven van spionnen van Penang en tegen het clandestien lossen op de opengestelde plaatsen door eene wacht van recherche personeel aan boord gedurende den nacht en door zeepolitie.
Zoude men nu niet willen toegeven, dat de controle niet verzwaard en vermeerdering van marine onnoodig was.
Dat de handelaren van de Straits er zich heftig tegen zouden opponeeren bleek niet. Waarom ook? Al wat het land produceerde kon door hen
27
vrijelijk op de opengestelde plaatsen worden ingehandeld. Wat konden ze meer verlangen. Dat zij gelegenlieid tot smokkelen moesten hebben, dat was toch een argument dat ze niet in het openbaar te berde konden brengen. Het eenigste was dat ze konden eischen, dat de opengestelde plaatsen zoodanig gelegen waren, dat de Atjehers er hunne producten zonder bezwaar heen konden voeren. En dit was op de Noord- en Oostkust het geval, en is ook over de regeling daar nimmer door de handelaren geklaagd.
Wel over die ter Westkust en dat kwam omdat daar het stelsel niet geheel was toegepast en in plaats van drie havens, alleen Malaboeh geopend was. 't Spreekt van zelf, dat het vervoer van peper enz. derwaarts voor de ver af liggende staatjes, op de toch zoo onstuimige Westkust, zeer bezwaarlijk en kostbaar was, en de klachten daarover gegrond waren. Ieder zal echter toegeven dat dit het systeem niet aantast.
Dat de politieke toestand door die regeling niet verbeterde zal elk ambtenaar en officier, die in 1883 en 1884 op de Noord- en Oostkust verblijf hield, met mij tegenspreken. Hoe veilig het toen daar was blijke uit de omstandigheid dat te Telok Semawe de Assistent Resident met familie op eenige honderden meters van onze versterking woonde in een etablissement alléén door een ijzerdraad versperring omringd en door een 20 tal oppassers waarvan | Atjehers bewaakt.
Te Edi woonden de Militaire Commandant, de Dokter, de Controleur en de Postcommies eveneens op 500 meter van de benting en was er voor allen te zamen meen ik maar een wacht van C man en dat alléén 's nachts.
De dames gingen op die plaatsen even ongedeerd en gerust alleen met hunne kinderen wandelen als te Batavia. Meer kon men toch al niet verlangen, en scherper contrast dan met den hnidigen toestand is wel niet te bedenken. En ik leg er hier nogmaals nadruk op dat dit aan geen toevallige omstandigheden, noch aan een beteren aard der Atjehers van die dagen toe te schrijven is. Het was rustig omdat de maatregelen van het bestuur het rustig gemaakt hadden.
Hetgeen met Gedong voorviel levert een nog treffender bewijs op van den invloed dien de scheepvaartregeling ons verschafte.
Toen Gedong den even vermelden onverhoedschen inval in Bayoe had gedaan, verbood ik natuurlijk direkt allen uitvoer derwaarts en gaf den Eadja ook kennis dat voorloopig geen prauwen met producten uit zijn landje te Telok Semawe zouden worden toegelaten.
Nu zal men oppervlakkig Avel meenen dat zulk een ver-bod gemakkelijk te overtreden is, en de Radja zijne producten slechts naar het naastbij gelegen opgesteld staatje had te vervoeren om dit verbod te ontduiken, maar in werkelijkheid ging dit zoo gemakkelijk niet.
Waren nu zooals bij Gedong, de aangrenzende staatjes den Radja
28
vijandig dan spreekt liet van zeil' dat hij bij hen niet ter markt kon komen. Waren zij liet niet, dan was er toeli nog wel een mouw aan te passen.
Daar de gemiddelde productie der naastbij gelegen staatjes vrij nauwkeurig bekend was werd den Eadja's dier staatjes meegedeeld dat zij tegen opkoop der producten van liet gesloten staatje door lumno onderhoorigen moesten waken, on dat in elk geval uit hunne staatjes geen meerdere producten dan de geschatte hoeveelheid naar de stapelplaats mocht worden uitgevoerd. Dit verhinderde zooals ik meermalen ondervond dien clandestienen uitvoer op afdoende wijze en trof alleen do schuldigen terwijl eene blokkade zooals nu allen over een kam scheert. Toch heb ik nog wel eens hooren beweren dat de Radja dan best zijne producten per prauw naar Penang kon laten brengen, doch een dergelijke bedenking kan alleen opkomen bij hen, die den toestand aldaar niet kennen. Mogelijk is het wel maar doenlijk niet. De op de Noordoostkust aanwezige Atjesche vaartuigen konden hoogstens 40 a 60 zakken pinang laden, ter waarde van misschien 100 dollars of dezelfde hoeveelheid peper, tor waarde van 500 a 600 dollars. Een dergelijke lading dekte de kosten van vervoer niet. Men kon toch rekenen dat met de heen en weer reis, die's nachts al kruipende onder de kust moest worden afgelegd, zeker 14 dagen gemoeid zijn. Daarbij kwam nog de kans van aanhaling door de Atjehers van de plaatsjes waar men overdag eene schuilplaats moest zoeken en voor wie het buit. verklaren van zulk eene lading en dat met toestemming van het Gouvernement een buitenkansje was dat ze niet zouden versmaden.
De feiten spreken ook hier weer beter dan alle redeneering. Do uitvoer op die wijze geschiedde niet en werd zelfs niet beproefd en daarmee is eigenlijk genoeg gezegd.
Om nu weer tot Gedong terug te koeren. Dit versterkte zich goed, wachtte dapper den aanval der verbonden Eadja's van Bayoe, Tjoenda Blangmeh en Samakoeroeh af.
Dit viel te gemakkelijker omdat Gedong slechts uit eenige kampongs bestaat, dicht bij elkaar gelegen en omringd door eene groote sawah-vlakte van honderden nieters breed, en ook omdat de lieden van Gedong bekend waren als de dapperste van do Pasei streek.
De bondgenooten moesten dit tot hun nadoel ondervinden. Allo aanvallen, met welke dapperheid soms ook uitgevoerd, worden afgeslagen, en aanzienlijk was het getal der gesneuvelden en gewonden aan hunne zijde.
Bij een uitval der Gedongors namen doze o. a. don Radja van Samakoeroeh gevangen en brachten hom den volgenden dag tor dood; en bij een aanval der onzen sneuvelde do door zijne roekolooze dapperheid bij de Atjehers vermaarde en zelfs bij onze officieren zeer geachte T. Bintara Mocda van Blangmeh.
29
Hoewel dus liet voordeel in den strijd aan de zijde der Gedongers bleef, zagen zij toch in dat zij den strijd niet kouden volhouden. Hunne munitie raakte op, en bij do Atjeliers wint hij den strijd die het meeste kruit kan verschieten. Ook was het hun onmogelijk het veld te bebouwen, zij konden niets in of uitgevoerd krijgen en armoede en gebrek stonden dus voor de deur.
Zij besloten daarom vredesvoorslagen te doen en hoewel de voorwaarden voor hen zeer hard waren, namelijk ontruimen van het door hen veroverde Blangmeh en uitlevering van geschut en 25 Beauraont-geweren, bleef hun niet anders over dan zich daaraan te onderwerpen, hetgeen ze dan ook deden.
Een dergelijk succes pleit toch meer dan allo redeneeringen voor het deugdelijke van liet aangeprezen stelsel. Toch kan ik nog sterker voorbeeld aanhalen. Deze scheepvaartregeling , ofiicieel in October 1884 afgeschaft, is toch voor de Oostkust van Atjeh gehandhaafd a 1'insu van de Eegeering, alleen omdat het niet anders kon wilde men niet allen invloed verliezen.
Het voordeel, dat met dit systeem van handelen op de Noord- en Oostkust was behaald, was zoo treffend, en do gevolgen er van waren voor orde en rust zoo heilrijk, dat ik mij al spoedig de vraag stelde of hetgeen hier zoo goed werkte, ook niet ten opzichte van Groot-Atjeh zou kunnen worden beproefd.
Ik was overtuigd dat dit het geval was, en hoop u, M. Heeren, tot mijn gevoelen over te halen, door u te schetsen hoe de toestand op Groot Atjeh van redelijk gunstig, onder Generaal van der Heyden, langzamerhand zeer ongunstig was geworden en hoe daarin m. i. verbetering te brengen was.
Na de welgeslaagde tochten van Generaal van der Heijden naar de 22 en 2C moekims waren de bewoners dier streken met den jongen Sulthan Toeankoe Daocd en de hoofden der oorlogspartij naar de kust-staatjes gevlucht. Velen stierven van ellende en ziekte op dien tocht; de rest vestigde zich in Pedir, Gighen, Bndjong en verder op de oostkust. De Sulthan zelf ging te Kamala wonen, een plaats aan den voet van den bergketen, die Sumatra's noordelijk gedeelte in de lengte doorsnijdt, en circa C uren gaans van het strand gelegen. Slechts enkele getrouwen verzamelden zich om hem en in den beginne moet hij het daar vrij armoedig en bekrompen hebben gehad.
Toen de schrik, die onze tochten hadden veroorzaakt, wat bedaard was, keerden een aantal uitgewekenen naar hunne woonplaatsen in de 22 en 2G moekims terug.
Niet zoo de Kamala-partij, die ziende dat wij haar daar met rust lieten, dit denkelijk aan onmacht toeschreef en het hoofd weer begon op te steken.
Door brieven en zendelingen werd de heilige eorlog gepredikt; de
30
tegenstand werd georganiseerd, priesters en moerids to Ka mala verzameld en ook aan geld ontbrak het niet, want behalve dat genoemde zendelingen bij al de Eadja's der kust vrij wat ophaalden moesten ook de van de Oostkust terugkeerende Atjehers, die met de peperkultnur geld verdiend hadden, de noodige dollars offeren.
Dat de oorlogspartij hare positie juist inzag bleek uit een toen ter tijd mij in handen gekomen brief van Tongkoe di Tirou, waarin hij zeide dat het gebleken was dat de Atjehers in liet open veld niet tegen ons bestand waren. Hij raadde dus af ergens stand te houden, doch beval zijne volgelingen aan ons door rust zorgeloos te doen worden, en ons dan te bespringen als een tijger dit grazende runderen doet. Naar deze bevelen werd door hen consequent gehandeld.
Waren het eerst kleine benden van enkele tientallen personen, die zich naar Groot-Atjeh begaven om daar onrust te verwekken, de bevolking tot verzet aan te sporen en nu en dan een overval te wagen, spoedig deed het succes hun aantal toenemen. Gaandeweg nam do onveiligheid toe en al minder en minder kon men op de hoofden, die zelf onmachtig waren het kwaad te keeren, rekenen.
De pogingen van den Gouverneur Pruijs van der Hoeven, die door middel van de Hoofden en door inlandsche politiekorpsen dezen toestand trachtte te beheerschen, hadden evenmin afdoend succes alsdie van zijn opvolger den Gouverneur Laging Tobias, die het met meer militair krachtsvertoon beproefde.
En dit was natuurlijk; traden wij met overmacht op dan ontweken de Atjehers den strijd om onverwachts op een geheel ander punt een overval of rooftocht te doen.
Maakten wij het hun overal te warm dan weken zij voor een poosje naar de onderhoorigheden uit, waar zij veilig waren, maar keerden terug om ons te bespringen als de schijnbare rust onze waakzaamheid had verminderd.
Voor ieder, die eenigszins over de zaak wilde doordenken, moest het duidelijk zijn dat het verzet niet van Groot-Atjeh maar van de onderhoorigheden uitging, dat daar het geld werd verdiend, waarmee de kosten van den oorlog werden bestreden, dat daar het jonge en fanatieke volk om invallen in Groot-Atjeh te doen werd bijeen verzameld en dat men zich derwaarts in volkomen veiligheid terugtrok als wij den guerilla's het vuur te na aan de schenen legden.
Groot-Atjeh, een ontvolkte en verwoeste streek ter nauwernood 40,000 bewoners meer tellende was het tournooiveld waar de strijdlustige bevolking der onderhoorigheden hare sporen ging verdienen.
Als men weet dat de bevolking dier onderhoorigheden op circa een half millioen wordt geschat dan kan men nagaan dat, al vonden eens enkele aanvallers op Groot-Atjeh den dood, dit weinig of geen impressie op den grooten hoop maakte.
31
Maar clan was ook de romedie aangewezen namelijk zorgen dat Groot-Atjeh van de knst werd afgescheiden door eene landstreek, waarvan de Atjehsche bestuurders geheel op onze hand, den doortocht aan alle kwaadwilligen streng verbood.
Velen beschouwden dit als een onbereikbaar en onmogelijk iets, doch ik, die bij de bovenvermelde oorlogen van de Atjehers onderling gezien had, wat Radja's al dan niet kunnen doen, was er van overtuigd dat dit plan moest gelukken, wanneer men slechts op de grenzen van Groot-Atjeh de geschikte personen wist op te sporen en ;'an ons doel dienstbaar te maken.
Wat de Noordkust betreft was deze persoon reeds als van zelf in den Radja van Pedir aangewezen. Voor ik verder ga is het tot goed begrip van de zaak noodig eenig denkbeeld omtrent de ligging en politieke verhouding van Pedir, en van liet aangrenzende Gighen te geven.
De groote vlakte, die zich ten Zuidoosten van Groot-Atjeh uitstrekt en er door een bergachtige en woeste streek, waaruit zich de Goud en Weesbergen verheffen van gescheiden wordt, is ingenomen door de federatie der XII Hoeloebalangs (Pedir) en der VI Hoeloebalangs (Gighen.) De nominale hoofden dier f'ederatie's zijn T. Pakeh van Pedir en T. Bintara Kamangan van Gighen.
Pedir bestaat uit:
le Eigenlijk Pedir.
2e het land van Endjoeng.
3e » » » Titeuh.
4e » » » Troesib.
5e » » » Tjoemboek.
6e » » » Kampong Arei.
7e » » » Bintara Blang Ranawangsa.
8e » » » Aier Leboe.
9e » » » Panglima Mogoi.
10e » » » Bintara Reboh.
lle » » » Bintara Singa Radja.
12e » » » Mantri Langgauw.
Gighen uit:
le Eigenlijk Gighen.
2e Soewit Sama Indra.
3e Kamala.
4e Kampong Bahroe.
5e Paleuh.
6e Kloempang Payong.
De invloed, dien de Radja's van Pedir en Gighen op de leden dei-federatie hebben, hangt geheel af van de persoonlijkheid dier Radja's. Een beschreven verbond bestaat tusschen de leden der federatie niet.
Denkelijk heeft zorg voor eigen rust en veiligheid de kleinere Radja's genoodzaakt zicli indertijd bij den uiachtigstc der naburen aan te sluiten maar men begrijpt dat eigenbelang, 't welk tot deze aaneensluiting dreef, ook bij veranderde omstandigheden wel tijdelijk een losser worden en zelfs geheel verbreken van den band kan bewerken.
Lieten de hoofden van Gighen en Pedir zich krachtig gelden dan was hun wil in de federatie wet, was dit niet het geval dan deed ieder wat hem voorkwam het meest met zijn belang te strooken, en dit ging zoover dat het zells geene zeldzaamheid was dat leden der federatie van de XII hoeloebalangs zich bij Gighen aansloten en omgekeerd, en het eigenlijke hoold hunner federatie zelfs met de wapens tegenstonden.
Om nu van Kamala, waar de zetel der oorlogspartij gevestigd was, naar Groot-Atjeh te gaan, moet men den rechteroever der Pedir-rivier een tijdlang volgende, de landstreken Lala, Andeuh en Mehtarum, onafhankelijke zeer kleine moekiras (zoogenaamde «tanah waqf» aan geestelijke doeleinden gewijde gronden) passeeren.
Dan wendt men zich meer Noord westwaarts en trekt door het land van T. Bintara Eebeh en de VU moekims van Imam Merbou (22 moekims. Groot Atjeh) naar den bovenloop der Atjeh rivier, die men volgt, haar meen ik op dezen tocht 33 maal overtrekkende.
Volgens alle berichten was dit de eenige begaanbare weg' en was deze bovendien dooi het bergachtig terrein, waardoor hij gedeeltelijk liep op vele plaatsen door het oprichten van een enkele benting met een paar Atjehers als bezetting voor alle passage af te sluiten.
Wel zou men nog over den Barissan naar de Westkust kunnen trekken, en dan zoo door de Gleh Loedah pas de IV moekims Kroeng Raba in Groot Atjeh kunnen bereiken, maar die weg was lang en nagenoeg onbegaanbaar, â en door op de Westkust dezelfde politiek te volgen als op de Noordkust zoude men ook daar wel iemand kunnen vinden genegen en in staat den Gleh Loedah pas voor allen toegang te sluiten.
Overtuigd van de vrij gemakkelijke uitvoerbaarheid van dit plan om door Atjehers de toegangen van de kuststaatjes naar Groot Atjoh te doen afsluiten, niet door een rij posten of bentings maar door eene zoo breed mogelijke voor de kwaadwilligen ontoegankelijke landstreek; waar zij zich niet zouden kunnen bewegen zonder door elk bewoner er van als vijand te worden beschouwd eu afgemaakt, begaf ik mij naar den Radja van 1'edir en besprak met hem en de voornaamste hooiden de zaak in alle détails. Zij waren volkomen genegen om te doen wat ik hun vroeg en vertrouwden met den krachtigeiï steun van het Gouvernement in circa G maanden tijds de volkomen afsluiting van den weg van Kamala naar Groot Atjeh te kunnen bewerken.
Dat zij dit niet zouden doen «pour 1'amour de nos beaux yeux» begrijpt ieder. Vermeerdering van land, van macht en aanzien, geldelijk
?gt;3
voordeel, en de hoop zich boven Gighen te verheffen, waren de aan-lokselen die hen gretig naar mijne woorden deden luisteren.
Menigeen zal het misschien afkeuren dat ik van minder nobele drijfveeren in een Atjeesch gemoed wil gebruik maken om mijn doel te bereiken. Dezulken wil ik in 'tkort zeggen, wat ik daarvan denk. Men is het er vrij wel over eens dat men in de politiek het spoedigst zijn doel bereikt wanneer men een verstandig gebruik maakt van de fouten en gebreken zijner wederpartij. Geldt dat in Westersehe landen hoeveel dan te meer in Oostersche als Atjeh, waar op 't oogenblik nog een toestand heerscht, gelijk aan dien van Italië in de middeneeuwen. Hij die gelooft alléén met goeden raad, met leering en vermaning daar iets duurzaams uit te richten, en verzuimt aan die twee krachtige drijfveeren vooral bij onbeschaafde volken eigenbelang en vrees voor straf eene groote plaats bij zijne ontwerpen in te ruimen, kan wel een goed mensch maar bezwaarlijk een goed bestuurder van Atjeh genoemd worden. Hier moet het zijn «qui veut la fin veut les moyens». Ook omdat men met «la fin», herstel van rust en orde, van vrede en voorspoed, gerust voor den dag mag komen en «les moyens» voorzeker niet erger zijn dan die waarmee in den regel koloniaal bezit verkregen wordt.
Hetgeen ik met den Radja van Pedir besprak was het volgende;
Hij zoude eischen dat T. Bintara Rebeh en de hoofden van Lala Andeuh en Mehtarum den doortocht aan de kwaadwilligen verboden. T. Bintara Rebeh zou dit wel goedschiks doen, als de Radja van Pedir hem geldelijk steunde en beloofde hem te helpen als hij om die reden geattaqueerd werd door de oorlogspartij. De andere drie landjes zou Pedir wel moeten veroveren en bezetten en zoo de hoofde7i er van dwingen zijn wil te doen.
De door Pedir veroverde en bezette streken zouden voortaan deel van Pedir uitmaken en op de beste wijze door Pedir worden geregeerd.
Pedir zon dus absoluut meester worden en blijven van al het land gelegen aan den linkeroever der Pedirrivier van de zee tot aan het gebergte toe.
Mocht de oorlogspartij, die te Kamala zetelde, Pedir aanvallen dan zouden eenige andere leden der federatie vau de XII hoeloebalangs, zijnde Tjoemboek en Aier Leboe, misschien ook Endjoeng, in Kamala vallen en zoo voor afleiding zorgen.
Door tevens oordeelkundig gebruik te maken van de bepalingen der scheepvaartregeling, moest der tegenpartij het verkrijgen van vivres en munitie zoo moeielijk mogelijk gemaakt worden; wel zou Pedir in het begin het denkelijk zwaar te verantwoorden hebben, maar naar mate gebrek aan vivres en munitie zich meer deden gevoelen zou de kracht der tegenpartij verflauwen en eindelijk geheel te niet gaan, evenals dit met Passangan was geschied
3
34
Hoe het dus ook liep de Kamalapartij zou machteloos worden of haar heil in de vlucht moeten zoeken, en kwamen er geen onruststokers meer in Groot-Atjeh dan kon men daar de goede elementen steunen en de kwaden voor goed het land uit jagen , waardoor orde en rust als tijdens Generaal van der Heydens bestuur in 1879 reeds vrij wel het geval was in weinig tijds er zouden zijn teruggekeerd.
Van onze zijde zoude den Radja van Pedir worden gegeven, behalve de te veroveren landstreken:
genoegzame wapenen en munitie, de wapenen te bestaan uit tromp-laadgeweren;
geldelijke toelagen aan eenige der voornaamste panglima's ten bedrage van circa f 500 's maands ;
vergoeding der oorlogskosten, door Pedir te maken;
eene belooning voor den Radja en de voornaamste hoofden ter keuze van het Gouvernement na bevredigenden afloop van de geheele zaak.
Na het over alles volkomen eens te zijn geworden, en te hebben bedongen dat twee mijner vertrouwde zendelingen (Maleijers) alle gevechten en voornamelijk alle onderhandelingen zouden bijwonen en zich persoonlijk ten allen tijde van de goede trouw van Pedir zouden mogen overtuigen, en dat Pedir eene waarborgsom van 10.000 dollars zoude deponeeren voor de geleende geweren, nam ik afscheid om te trachten de toestemming van den Gouverneur op de uitvoering van dit plan te verkrijgen.
Den Gouverneur lachtte dit plan wel eenigszins toe, maar hij en ook anderen, die ik er over sprak, hadden er toch ook wel eenige bedenkingen tegen. Ook hoopte de Gouverneur op veel succes van een krachtiger optreden met militaire macht op Groot-Atjeh en vertrouwde, dat als de invallende benden maar onophoudelijk werden vervolgd en nagejaagd, hun de lust tot invallen wel vergaan zou. Misschien ook hoopte hij dat de pretendent Sulthan, die omstreeks dien tijd weder aanraking met ons gezocht had door middel van zendelingen, het ernstig meende, en zich aan ons zoude onderwerpen, als de voorwaarden, die hij bedong, de goedkeuring der Regeering mochten wegdragen. De bedenkingen waren de volgende;
Zou Pedir als het de beloofde wapens en munitie had geen gemeene zaak maken met onze vijanden?
Mijn antwoord was. Is dit waarschijnlijk, wanneer Pedir door zulks te doen alles, zelfs zijn bestaan als onafhankelijk staatje in de waagschaal stelt, zijne aanzienlijke waarborgsom verliest, zijn havens gesloten en door middel der scheepvaartregeling zijn land van allen in-en uitvoer verstoken zal zien, en het gevaar loopt dat wij met behulp der federatie van Gighen, erfvijanden van Pedir en waartegen Pedir alleen niet opgewassen is, gelijk het wel weet, Pedir voor deze trouweloosheid straffen. Aan den eenen kant, voordeel, aanwinst van land.
35
uitbreiding van macht en verheffing boven een mededinger, aan den anderen kant aanzienlijk geldelijk verlies, onberekenbare schade en misschien totalen ondergang. Mij dunkt de keuze was voor een Atjeschen Radja van de kust niet twijfelachtig.
Dezelfde argumenten golden voor het geval Pedir misschien in schijn voor ons vocht, doch in werkelijkheid ons met de geleende geweren in Groot-Atjeh bestookte en ook voor het geval het de geweren en munitie wel aannam doch verder werkeloos bleef, want ik had het den Radja duidelijk gemaakt dat als de Gouverneur zijne toestemming-gaf er gehandeld moest worden en ik uitstel en uitvluchten dadelijk als trouweloosheid zoude opvatten en straffen, waarmee hij het volkomen eens was.
Het resultaat van mijne besprekingen was, dat de Gouverneur voor-loopig nog de zaken eens wilde aanzien, tot dat hij door langer verblijf op Atjeh, met meer juistheid er over zoude kunnen oordeelen.
Dit speet mij wel, doch ontmoedigde mij niet, omdat ik bleef hopen don Gouverneur vroeg of laat voor mijn plan te winnen.
Op de kust ging alles gedurende het jaar 1883 verder naar wensch, de rust werd niet verstoord en vertrouwen en vrede keerden overal terug.
Den Radja's was streng verboden eikaars vaartuigen aan te houden voor vroeger geleden vermeend of werkelijk onrecht, zooals tot nu toe gebruikelijk was geweest.
Allo geschillen zoowel tusschen Radja's als tusschen de bevolking van de verschillende staatjes onderling moesten als men ze niet in der minne kon afdoen, aan de beslissing der besturende ambtenaren en der betrokken hoofden, die tot dat doel op ongeregelde tijden vergaderden, worden onderworpen.
Die zich met geweld zelf recht verschafte, werd, al had hij ook gelijk, als vijand der openbare orde beschouwd en behandeld.
Landbouw werd aangemoedigd, pepertuinen werden op de Noordkust aangelegd o.a. in Paleuh en Passangan, hetgeen men tot nu toe wegens den weinig stabilen toestand niet had durven doen; door het verstrekken van vaste maten een einde gemaakt aan bedriegerijen bij het verkoopen van producten; de door de Radja's te heffen hassil in overeenstemming gebracht met de hadat; in een woord, na al het kwaad, dat wij den Atjehers hadden berokkend werd nu eens getoond dat werkelijk het Nederlandsch gezag hun ten zegen konde zijn.
Omtrent de scheepvaartregeling en den invloed dien de ambtenaren er door ten goede konden uitoefenen, vind ik o.a. het volgende in mijn dagboek aangeteekend;
28â31 Juli 1883. De scheepvaartregeling geeft zeer goede resultaten. quot;Wel is waar is het aantal prauwen tot het vervoer naar en van de stapelplaatsen niet zoo groot als het wel zijn moest, doch daarin wordt door aanmaak
30
langzamerhand voorzien, en hot is niet. -waarschijnlijk dat er producten van dit jaar nit gebrek aan prauwgelegenheid zullen blijven liggen.
De hoofden voelen nu hunne afhankelijkheid van ons al meer en meer, en dit geeft een groot gemak waar het aankomt op het beslechten van schuldzaken en van roofperkara's van de onderdanen der verschillende Radja's op elkander.
24â20 Sept. 'JS83. Komst der hoofden van Kerti met uitgebreide volmacht van den Radja. Al de aanhangige zaken worden uitgemaakt tot genoegen der partijen, en aan de uitspraak van den ondergeteekende wordt terstond voldaan.
Dit laatste is klemmend. Er werd niet meer met beloften gepaaid, zooals vroeger; neen terstond voldeed de in het ongelijk gestelde partij aan de uitspraak zonder dat daar meer toe noodig was dan eenvoudig het woord van den Europeeschen ambtenaar, wiens beslissing was ingeroepen.
Dit gebeurde toen niet met ééne zaak maar met 99 van de 100: terwijl voor dien tijd de verhouding omgekeerd was en men al blijde was één van de 100 zaken tot eene oplossing te kunnen brengen.
Ook een sterk voorbeeld is dat toen ik vernam dat nabij Edi eene lading van 150 vaten kruit, 150 geweren, zoomede eene partij revolvers, slaghoedjes en patronen was aangebracht en door een der mindere hoofden opgekocht, een bezoek van mij aan den Radja van Edi genoeg was om die munitie uitgeleverd te krijgen en den kooper beboet te zien, omdat men zich liever groote opoffering getroostte dan den uitvoer belemmerd te zien.
En dat was ook eene voorname goede zijde der scheepvaartregcling. Men kon daardoor smokkelwaar in handen krijgen, die reeds ver het binnenland was ingevoerd en anders eenvoudig onbei'eikbaar zou zijn geweest. Geen enkel ander systeem kan op dergelijke resultaten bogen.
Voor de volledigheid moet ik hier nog melding maken van hetgeen op de Oostkust tusschen de staatjes Langsar en Modjopahit voorviel. Tusschen deze beiden bestoud sinds lang animositeit, daar Langsar op de suprematie over Modjopahit aanspraak maakte, en de Radja van dit laatste landschap, door ons erkend zijnde, liier niet van weten wilde. Bij een onverhoedschen inval der Langsareezen in Modjopahit werd de gedei (marktplaats) waar de Radja woonde door hen veroverd en de Radja zelf gevangen genomen en het geheele land door hen bezet.
Door Atjesche hulptroepen, voornamelijk van Edi, werd de geheele streek na niet zeer langen tijd, weder voor den Radja, die intusschen ontsnapt was, terug veroverd.
Bij deze gelegenheid onderscheidde de controleur van Edi, Storm van 's Gravesande, zich zeer, doordat hij met groote kloekmoedigheid, geholpen door de gewapende politiedienaren en mata mata's van den Radja van Edi, eene over de rivier gespannen ijzeren keten, die den onzen het opvaren belette, wist te verbreken.
37
Over liet algemeen vond ik in de controleurs standvastige aanhangers van mijn systeem, dat ook door hen met niet genoeg te roemen ijver en doorzicht werd in praktijk gebracht.
Behalve den controleur Storm, zooeven genoemd, moet ik te dien opzichte met lof de controleurs v. d. Steenstraten, Gebhard en Driessen, beide laatste sedert overleden, opnoemen.
Het zij mij vergund hier aan te teekenen dat mijne plannen om Atjeh te pacificeeren, hoewel door sommigen wel eens met een bedenkelijk hoofdschudden aangehoord, niet alleen bii mijne ondergeschikten doch ook bij mijne chefs en zelfs bij vele der hoogstgeplaatste autoriteiten in Indië een waardeerend onthaal hebben gevonden.
Alleen toevallige omstandigheden, die ik hier niet kan omschrijven, verhinderden de voorgenomen uitvoering er van.
De verandering van politiek, waartoe in beginsel in de eerste helft van 1884 reeds besloten was, is denkelijk daaraan niet vreemd geweest.
Deze verandering, die ik altijd als een ramp voor ons heb beschouwd en nog beschouw bestond in concentratie op Groot-Atjeh, dat nog zoo erg niet was, maar ook in opheffen der posten op de kust, intrekken der scheepvaartregeling en invoeren eener rigoureuse blokkade zich moetende uitstrekken van Tamiang op de oostkust tot Troemon op de Westkust.
Dat ik terneergeslagen was toen ik van deze voorgenomen maatregelen kennis kreeg laat zich gemakkelijk begrijpen. Toch hoopte ik nog altijd dat men het verderfelijke zoude inzien van een weder invoeren op de kust van de politiek van non-interventie, die reeds gebleken was niet aan het oogmerk te voldoen.
Maar toen de Kolonel Demmeni tot Civiel en Militair Bevelhebber op Atjeh benoemd was, en ik na eenige gesprekken met hem tot de overtuiging was gekomen, dat hij eenvoudig het hem voorgeschreven stelsel in practijk zou brengen, hoe ook zijn denkbeelden omtrent de Atjeh-zaak waren, achtte ik mij vcjplicht intrekking mijner plaatsing te Atjeh te verzoeken. daar ik mij bezwaard gevoelde mêe te werken aan eene politiek, waarvan ik de treurige gevolgen voor Indie en het moederland zoo duidelijk voor oogen zag.
Voor mijn vertrek diende ik nog een paar nota's aan den Kolonel Demmeni in, waarin ik nogmaals ton ernstigste waarschuwde tegen het opheffen der scheepvaartregeling en dor posten op de kust.
Ik voorspelde daarin al de teleurstellingen, die de blokkade en het verlaten der tot nu toe gevolgde gedragslijn om bondgenooten te zoeken en de eene met de andere partij in bedwang te houden, ons zouden berokkenen on men zal moeten toegeven dat nitgekomen is wat ik voorspeld had. Ik betoogde dat ongeveer in de volgende bewoordingen.
Wanneer onze posten op de Noordkust worden opgeheven en de
38
gedragslijn, aldaar sinds 3 jaren, op de Oostkust sinds 10 jaren met toenemend succes gevolgd, wordt verlaten zal er liet volgende gebeuren.
Onze tegenstanders zooals Bagoh Langsar Gedong Passangan Merdoe enz. zullen het hoofd opsteken en wijl zij de sterkste zijn zal het hun niet veel moeite kosten, de zwakkere staatjes, hunne vroegere tegenstanders en onze protége's, tot afval te noodzaken, of ze te tuchtigen en zelfs te annexeeren als straf voor hunne vriendschap met ons.
Invloed uitoefenen en pacificeeren zal voor lange jaren tot de onmogelijkheden behooren.
Zoolang men een strenge blokkade handhaaft zal het op de kust van Atjeh zoo niet rustig dan toch stil wezen; maar zulk eene blokkade is maar een tijdelijke maatregel en kan niet immer bestendigd blijven.
Daarna zal men de kust weer voor den handel moeten openstellen, en de invoer van contrabande, die nu al aardig begint af te nemen, zal weder ongehinderd zijn gang gaan.
Verwikkelingen met Engelsche handelaren, thans ook voorkomende, doch door de ambtenaren steeds in der minne geschikt, zullen dan allicht aanleiding geven tot roof, moord en doodslag of tot gevallen van den aard als thans de Nisero-zaak (wie denkt hier niet aan de zoo juist voorspelde Hok-Canton geschiedenis?)
Onze vroegere bondgenooten, die wij aan hun lot hebben overgelaten , en die door hunne vijanden zullen zijn benadeeld en beoorloogd, zoo niet erger, zullen niets meer van ons willen weten en dit terecht en onze vroegere tegenstanders, die aan eigen kracht do overwinning zullen te danken hebben zullen dan even overmoedig en halstarrig als thans gedwee zijn.
Men zal toch moeten toegeven dat woordelijk is uitgekomen wat ik voorzegd had.
In het begin van October vertrok ik uit Atjeh en heb dat land sedert niet weergezien.
Toch bleef ik er met mijn gedachten bij en schreef nog in 1880 en 1887 een paar nota's over den toestand aldaar en over hetgeen er m. i. gedaan moest worden, die ik Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal aanbood.
Succes hadden deze nota's niet. Men bleef zich maar altijd vleien, met de ijdele hoop dat de Sulthan, dien wij op m. i. hoogst onverstandige wijze tot onderwerping trachtten te verlokken hiertoe wel eindelijk zou besluiten en dat dan de Atjeh-oorlog uit zoude wezen.
Ik herinner mij nog goed, dat ik in Januari 1888, te Batavia zijnde, hoorende dat de Gouverneur van Atjeh gemeld had, dat de Sulthan zich hoogst waarschijnlijk binnen weinige dagen zou onderwerpen, dit ten stelligste voor onmogelijk verklaarde, omdat ik voelde dat dit niet juist kon zijn, en overtuigd was dat de Sulthan zich dan alleen
39
op aannemelijke voorwaarden zon onderwerpen wanneer wij hem macliteloos hadden gemaakt om ons te schaden.
Wij zijn nu bijna drie jaar verder en hoewel het hunkeren naar de onderwerping van den Sulthan heeft aangehouden en men zelfs niet heeft verboden dat door ons bezoldigde hoofden den Sulthan opzochten en door hem tegen betaling van 500 dollars elk (de zoogenaamde djilamé of djinamoe [huidegift]) van acten van aanstelling zijn voorzien, zijn wij nog verder van het doel dan ooit.
En, waarvan komt dit? Eenvoudig omdat de onderwerping van den Sulthan logisch het gevolg moet zijn van onze maatregelen om hem de macht tot kwaaddoen te ontnemen, en om de kust en Groot-Atjeh te pacificeeren; die pacificatie moet en mag niet gevolg zijn van de onderwerping van den Sultan; door dat te willen verwisselt men oorzaak en gevolg en haalt zich niets dan teleurstellingen op den hals.
Als de Sulthan en de oorlogspartij voelen dat ze machteloos zijn, alleen dan zal de onderwerping goed gemeend en duurzaam wezen, in alle andere gevallen blijft ze precair ook al komt ze tot stand.
Het bovenstaande resumeerende wil ik thans overgaan tot het behandelen der maatregelen, die volgens mij de pacificatie van Atjeh en onderhoorigheden binnen den minst mogelijken tijd, dien ik op ongeveer 3 jaar stel, tengevolge moet hebben. Hetgeen vooraf ging was nocdig om het hoe en waarom dezer maatregelen te begrijpen.
Het doel dat ik wensch te bereiken is vierledig, namelijk:
1°. Het controleeren van handel en scheepvaart en het bijna geheel beletten van den smokkelhandel door cene scheepvaartregeling, in den geest van die afgekondigd door den Gouverneur Laging Tobias in Mei 1883.
2°. Het meester worden op de kust, niet in naam,, maar in dei-daad door het volgen eener gedragslijn als boven geschetst, en die men met korte woorden kan bestempelen als »ons aansluiten bij de zwakken en verdrukten en met hen de sterkeren in toom houden».
3°. Het isoleeren van Groot-Atjeh door het te doen insluiten en afsluiten van de kust door landstreken, wier bestuurders volkomen met ons meegaande den doortocht aan vijandige benden beletten.
Het pacificeeren van Groot-Atjeh met of zonder Sulthan, naar mate de omstandigheden dat voor ons het verkieslijkst maken.
Eene korte toelichting zij hier nog geoorloofd.
Ton einde het volle nut van de scheepvaartregeling te trekken en tevens ze zoo in te richten, dat ze den eerlijken handelaren geene gegronde reden tot klachten aanbiedt, moeten op de Noord-en Oostkust vier, en op de Westkust drie of vier havens voor den algemeenen handel worden opengesteld. Op de Noordkust zijn dit;
1. Edi.
2. Telok Semawe.
40
3. Samalanga.
4. Segli.
Op de Westkust:
1. Malaboeh.
2. Tenom.
3. Rigas.
4. KLoewang.
Op Groot-Atjeh:
1. Olehleh en
2. Poeloeway
als we ons daar vestigen.
Dit vereisclit wel eenige meerdere troepen, docli ik geloof, dat men a la rigueur op Groot-Atjeh wel zooveel verminderen kan, dat men de manschappen voor de bezetting der nieuwe posten daaruit kan vinden. Gaat dit niet welnu dan moet de bezetting van Atjeh voor die paar jaren maar met dat aantal manschappen vermeerderd worden.
Ik stip hier nog even bij aan, dat mijn plan om Atjeh te bedwingen ook uitvoerbaar zoude zijn, zelfs wanneer de staat van ons leger ons onverhoopt zoude dwingen de bezettingstroepen tot b. v. 2000 man te reduceeren.
Men zou dan wel is waar de geheele geconcentreerde stelling moeten opgeven en zich tot een fort op Olehleh en aan de Atjehrivier bepalen, doch een merkelijk slechten invloed op den gang van zaken zou zulks niet uitoefenen.
De vermeerdering van posten op de kust tevens havens is echter absoluut noodig om zooals ik zeide o. a. gegronde klachten der handelaren te voorkomen. De havens moeten zoo gelegen zijn, dat het den bewoners der omliggende staatjes doenlijk en gemakkelijk is hunne producten met kleine prauwen derwaarts te brengen en handelswaren van daar af te halen. Liggen die havens te ver van de productieplaatsen dan worden de transportkosten te hoog en zou verval van den handel daarvan het gevolg kunnen zijn.
De ondervinding leerde dat die regeling niet de minste bezwaren in de toepassing na zich sleepte, en dat ook de Engelsche handelaren lit de Straits er zich volkomen mee vereenigden. De voordeelen voor den eerlijken handel zijn dan ook zoo vele en zoo in het oog springend dat het mij een raadsel is hoe men nog immer in die regeling bezwaar voor den handel wil zien.
Dewijl op de bovengenoemde stapelplaatsen de producten worden aangebracht, en men er prauwen en volk genoeg heeft is laden en lossen, dat anders dagen duurt, nu in evenveel uren afgeloopen. De vreemde handelaren en het scheepsvolk zijn onder onze hoede veilig, terwijl wij tevens een wakend oog houden op het nakomen der aangegane verbintenissen door de Radja's, die meestal de grootste handelaren in hun gebied zijn, en er voor zorgen dat de handelaren niet te
41
groote credieten verleenen aan de Hoofden, omdat daarvan knevelarij der bevolking het onafscheidelijk gevolg is.
Dit zijn alle voordeelen, die de handelaren niet versmaden. Lk kan hier nog bijvoegen, dat toen ik in 1887 te Poeloe Penang was en over deze regeling sprak met handelaren en scheepskapiteins, die op Atjeh voeren, zij mij allen verklaarden niet het minste bezwaar er tegen te hebben mits de opengestelde plaatsen niet te ver van elkander aflagen.
quot;Welk een onschatbaar middel wij er in vinden om onzen invloed zonder geweld uit te breiden, onze vrienden te gerieven en onze tegenstanders tot toegeven te noodzaken, en dit zonder dat men het buitenland in onze huishoudelijke aangelegenheden behoeft te mengen, heb ik reeds beschreven, eveneens hoe smokkelhandel met stoomschepen belet en met prauwen tot een minimum werd gereduceerd; terwijl zelfs reeds dagen lang in het binnenland in veiligheid gebracht goed, alleen daardoor in onze handen viel.
Noch van blokkade, noch van het gebruik van snelvarende recherche stoombootjes verwacht ik voor den tegengang van den smokkelhandel veel nut.
De smokkelaars met Atjesche prauwen schuilen overdag in de ondoordringbare rhizophoren-wouden aan de kust en varen 's nachts vlak langs den wal in een paar voet water, waar een stoomsloep in het geheel niet en een gewone sloep eveneens zeer bezwaarlijk komen kaï'.
Volgens mij is het niet de taak der marine om smokkelaars te vangen; haar taak moet het zijn:
le Meester te blijven van de zee en door hare tegenwoordigheid alléén te beletten allo pogingen der Atjehers om stroop-of krijgstochten over zee te ondernemen of elkanders havens te blokkeeren zooals vroeger nog wel eens gebeurde.
2e Het krachtig steunen van de politiek van het civiel bestuur, door bij oorlogen onder de Atjehers onderling, onze vrienden op allo wijzen, die in hare macht zijn, te helpen, hiermede bedoel ik o. a. beschieten van de versterkingen der tegenpartij, helpen bij landingen, bij krijgstochten op de rivieren en dergelijken. Hier hoor ik in gedachten stemmen opgaan, is spreker dan T. Oemar en diens verraad vergeten ? Neen, het bewijst juist wat ik ook omtrent de overkomst van den Sulthan beweer, namelijk dat eene onderwerping, alléén om geld of voordeel, niet de noodige waarborgen levert. Staat daar bij verraad niet spoedige en totale ondergang tegenover, dan is en blijft die onderwerping précair en houdt slechts zoo lang stand, als de onderworpene zelf wil-Meer marine dan er een jaar geleden was, d. i. 5 a 6 schepen, acht ik niet noodig. Behoudens het zoo even gemelde omtrent eenige meerdere manschappen voor tijdelijke bezetting der kustposten vind ik onze macht zoowel te land als te water volkomen voldoende om Atjeh te
42
pacificeeren mits men or maar gebruik van wete te maken. Ook eeno telegrafische verbinding acht ik volkomen overbodig.
Na al wat ik in het voorafgaande omtrent de politiek van bond-genooten te zoeken en de zwakken tegen de sterken te beschermen, heb meegedeeld, zal verdere toelichting wel overbodig zijn.
Ik heb toch, meen ik, voldoende aangetoond, dat overal waar die politiek door ons werd toegepast, steeds het succes onze pogingen kroonde, ook al stonden de kansen nog zoo slecht, als b.v. in den strijd tegen Passangan.
Voor hen die blijven beweren dat deze politiek gevaarlijk is en wij altijd door hen , die wij geholpen hebben, knnnen bedrogen worden heb ik geene argumenten meer. Wie zich niet gewonnen geeft waar de feiten zoo gesproken hebben zal mooielijk door redeneering te overtuigen zijn.
Ik geef toe dat er maar niet «a tort et a travers» geholpen moet worden; maar dat dit alleen moet geschieden na het voor en tegen wel overwogen te hebben.
Grondige kennis van de Sumatranen en de wijze van met hen om te gaan, en veel ondervinding opgedaan bij het verkeer met In land sche vorsten in streken, liefst daar waar aan dezen het zelfbestuur gelaten is, acht ik dan ook absoluut noodig voor allen die met zelfstandig gezag over den Atjeher worden belast, zij mogen hoog of laag geplaatst zijn.
Uit hetgeen sedert 1884 op Atjeh gebeurd is zou men wel moeten opmaken dat dit principe niet zoo algemeen wordt gehuldigd.
En toch is dit noodzakelijk. Hot spreekt immers niet van zelf, dat elk bekwaam militair aanvoerder ook een bekwaam bestuurder over inlandsche volken zal wezen, evenmin dat elk goed subaltern officier ook een goed civiel gezaghebber zal zijn. Door de stolling om te koeren, en b.v. te beweren dat elk goed controleur ook wel een peloton of eene compagnie zou kunnen commandoeren springt hare onhoudbaarheid des te duidelijker in het oog.
Men kan toch niet aannemen dat het bestuur van een geheel volk gemakkelijker is dan dat van eene afdeeling krijgslieden, noch dat hot eene maar iedereen zou aanwaaien en het andere grondige studio vereischen.
Neen, niets wordt zonder arbeid en ondervinding verkregen ook niet do kunst Atjehers overeenkomstig hun aard on don politieken toestand van het land te besturen.
Ieder onzer die voor hot eerst mot gezag over den Inlander wordt belast maakt fouten, voornamelijk voortvloeiende uit overschatting van eigen bekwaamheid en inzichten.
De inlander, die meesterlijke vleier, trekt daarvan partij. Hij keurt alles goed wat men voorslaat, ja is meestal uitbundig in zijn lof over
43
de goede inzichten, de werkkracht en liet goede hart van den bestuurder. Nimmer heeft hij een dergelijk meester gehad, en dergelijke praatjes meer. Na verloop van tijd komt de ontgoocheling. Men merkt dat alles maar vleierij is geweest, en dat de warmste aanhangers dikwijls in het geheim de ergste tegenstanders waren.
Doorloopt men deze leerschool als aspirant controleur of controleur dan zijn de gevolgen niet zoo erg. Bedenkelijker is het als men dien cursus als hoofd van een gewest moet doorloopen.
Deze overwegingen voeren mij van zelf tot het bespreken van het heilig huisje van zeer velen, waaraan men niet mag raken zonder dat een algemeene kreet zich verheft, dat is namelijk het adage, dat civiel en militair bestuur in Atjeh in eene hand moeten vereenigd zijn.
Ik geef natuurlijk toe dat dit de beste toestand zoude zijn als de met het gezag bekleede persoon bewezen had een even goed bestuurder van inlandsche volken als goed militair aanvoerder te wezen; maar heeft men dergelijke personen niet bij de hand, dan vordert het gezond verstand dat men naga welk van de beide zijden van het probleem de militaire of de civiele op den voorgrond treedt en dat men daarmede rekening houdt bij de benoeming van een Gouverneur.
En nu geloof ik dat er weinigen zullen zijn, die niet moeten rekennen dat in de phase, die wij sedert 18S4 op Atjeh zijn ingetreden , de militaire zijde van het Atjeh-vraagstuk tamelijk op den achtergrond treedt, en dat wel verre van eene kwestie te zijn, die men met het zwaard kan uitmaken, politiek beleid de hoofdfactor der pacificatie is.
Toch kan ik me voorstellen dat men van scheiding van gezag niet weten wil, hoewel oneenigheid daarvan niet het onafscheidelijk gevolg behoeft te wezen. Wie heeft b.v. iets vernomen van minder goede samenwerking op Atjeh tusschen den Gouverneur Tobias en de militaire commandanten Schafer en Demmeni.
Daargelaten nu hoe men daarover denkt, men zal toch wel moeten erkennen dat het gewaagd is, bij liet zoeken van een geschikt Gouverneur van Atjeh alles aan het toeval over te laten. Mij dunkt de keuze moet noodzakelijk verband houden met de opinie, die men omtrent de Atjeh-zaak koestert.
Is men met den tegenwoordigen toestand ingenomen, vindt men dat onze invloed zich gaandeweg uitbreidt, dat ons gezag meer en meer geëerbiedigd wordt, dat van alle kanten toenadering wordt bespeurd, kortom, dat we »op den goeden weg zijn» zoo als nog niet lang geleden in een officieel telegram te lezen stond, welnu dan is de keuze van een Gouverneur voor Atjeh zoo moeijelijk niet. Elk verstandig en bezadigd man, zal dan een stelsel dat sints G jaar zulke goede resultaten geeft wol verder kunnen toepassen.
Vindt men echter dat alles niet «pour le mieux» is, ja dat er op
44
Atjeli veel verkeerd gaat, en deze toestand niet kan bestendigd blijven, dan wordt de keus moeijelijker.
Maar een sprong in het duister behoeft men daarom nog niet te doen. Men kan ten minste van hem dien men op het oog heeft vergen dat hij een eigen oordeel over de Atjeh-zaak hebbe, en dat hij een volledig program overlegge omtrent de middelen en kosten eener pacificatie.
Vereenigt men zich dan in hoofdzaak met zijne denkbeelden dan kan de uitvoering der détails ook gerust aan hein overgelaten worden. Door niet aldus te handelen zijn in der tijd de conflicten ontstaan tusschen de Eegeering en de Gouverneurs Pruys van der Hoeven en Laging Tobias, die beide hun ontslag hebben gewaagd, dewijl zij over de wijze van pacificatie van Atjeh niet eenstemmig mot de Regeering dachten.
Ook voor den vervolge is dan het bekomen van een geschikt Grou-verneur 't zij militair of civiel min of meer een tref en evenmin als elk leeraar in de wiskunde plotseling een onovertroffen cavalerie-generaal blijkt te zijn, zooals StonewallJackson in den Amerikaan schcu secessie-oorlog, evenmin zal elk goed gesignaleerd hoofdofficier een geschikt Gouverneur van Atjeh blijken te wezen.
Over de beide laatste artikelen van mijn program zal ik verder maar weinig zeggen omdat ik ze reeds in de détails heb behandeld in hetgeen voorafgaat.
Voor elk die zelfstandig oordeelt is het moeielijk te verbloemen dat onze invloed op Groot-Atjeh sedert 1884 steeds dalende is, en dat ondanks alle hoopvolle tijdingen, telegrammen en rapporten, wij verder van de pacificatie zijn dan ooit.
Een stelsel, dat na zes jaren consequent toepassen geen betere resultaten geeft, kan m. i. gerust veroordeeld worden.
Ik wil hier nog even mijne meening zeggen over twee punten, die nu weer vogue hebben op Atjeh, namelijk blokkade eu inaréchaussée. Welnu ik beweer dat de blokkade omdat zij vriend en vijand gelijkelijk treft en een bestrafflngs- en geen bestuursmiddel is, nimmer eenig duurzaam effect zal sorteeren, en dat zij evenmin de toenadering en onderwerping der oorlogspartij en van den Sulthan zal tengevolge hebben als dit in 1884 het geval is geweest.
Wat men er mee verkrijgen zal zijn beloften van beterschap er. dergelijke fraaie praatjes meer van ï. Oemar en consorten, en dat zijn zaken, waarop ik eiken kapitalist ten sterkste afraad penningen voor te schieten.
Ook het geld voor de maréchaussee had beter kunnen besteed worden. Men bestrijdt daarmee de kwaal in hare gevolgen en niet in hare oorzaak.
Evenals een bekwaam geneesheer bij het behandelen eener verzwering eerst onderzoekt of de oorzaak niet in het gestel van den patient kan liggen, even zoo dient een bestuurder van Atjeh te werk te gaan.
En dan zal hij zien dat de onveiligheid in Groot-Atjeh een gevolg is van de toestanden op de knst en dat zoo lang men die toestanden niet beheerscht men machteloos zal zijn tegen de gevolgen. Alle pleistertjes en zalfjes in de gedaante van maréchaussee en dergelijke maken de wond niet beter.
Vraagt men mi welke meerdere kosten dan de tegenwoordige de uitvoering van mijn plan na zich zal slepen, en hoe lang het duren zal voor dat alles in orde is dan antwoord ik hierop het volgende.
De meerdere kosten zullen niet groot zijn want ik reken. dat de bezetting der nieuwe kustforten door vermindering van die van Groot-Atjeh kan gevonden worden, zij het dan niet onmiddellijk dan toch binnen korten tijd.
Meer marine dan 5 a 6 ooilogstoomers met 3 a 4 civiele stoomers acht ik niet noodig, ook stoomrecherche vaartuigen kan men best missen.
De eenigste meerdere kosten zijn dus die voor wat recherche personeel, wat Atjesche vaartuigen voor de zeepolitie langs de kust, en oorlogskosten of tijdelijke tegemoetkomingen aan die Radja's, die ons behulpzaam zijn bij het ten uitvoerleggen onzer plannen.
Ruw gerekend acht ik eene meerdere uitgaaf van f 200.000 'sjaars voor een en ander gedurende 3 jaren volkomen voldoende.
Is de pacificatie ingetreden, dan wordt deze in een jaar meer dan bespaard, vergeleken bij de uitgaven , die nu de occupatie vereischt.
Den tijd voor het pacificeeren noodig stel ik op drie jaar. Dan moet men het zoover gebracht hebben, dat men in gezelschap der hoofden overal op geheel Atjeh zonder gevaar komen kan en dat de aanvallen op onze versterkingen of onze militairen tot het verledene behooren.
In groote trekken is dit het systeem dat ik op Atjeh gevolgd wilde zien. Om het te doen slagen moet men van de juistheid er van volkomen doordrongen zijn, den vasten wil hebben het consequent uit te voeren en bovenal den tact bezitten met Atjehers om te gaan en hun vertrouwen te winnen, zonder ze zelf verder te vertrouwen dan men met het oog op hun karakter verantwoorden kan, en daarbij niet vergeten dat eigenbelang , zoo ergens, dan onder de Atjehers den scepter zwaait.
Aan het einde van mijne lezing gekomen zal menigeen misschien vragen: En het leger? wordt dat geheel vergeten? en speelt dat in het geheel geene rol bij deze wijze van pacificatie?
Mijne heeren, juist omdat het leger hierbij de hoofdrol speelt en zulks van zelf spreekt heb ik er tot nu toe over gezwegen.
Zoo iemand dan ben ik er van overtuigd, dat al wat hier is aanbevolen onuitvoerbaar zou zijn, als er geene troepenmacht daar was om de ambtenaren te schragen in hunne pogingen tot pacificatie, en om de sterke hand te leenen waar zulks noodzakelijk zou blijken.
Te dikwijls heb ik van den onmisbaren steun van de militaire com-
40
mandaaten der verschillende kustposten geprofiteerd en herdenk dat nu nog met erkentelijkheid dan dat het in mij op zou komen het leger te miskennen en het de plaats strijdig te maken, die het op Atjeh toekomt, namelijk de eerste plaats.
Ieder begrijpt dat geene actie van welken aard ook op Atjeh mogelijk is, wanneer niet de noodige innerlijke kracht aanwezig is. Dat deze immer en altijd in hoogste instantie bij het leger moet worden gezocht is duidelijk.
En thans wil ik eindigen met eenige stellingen die ik in October 1889 ter neer schreef en die ook nu nog niets van hare actualiteit verloren hebben.
1°. De toestand in Atjeh is slecht en verergert met den dag.
2°. Alle pogingen tot onderwerping van den Sulthan en de oorlogspartij door de autoriteiten in Atjeh aangewend loopen, overeenkomstig mijne voorspellingen, op niets uit.
3°. Onderwerpt de Sulthan zich toch dan zal dit eene schijnonderwerping
wezen, die met een bloedigen opstand zal eindigen. 4°. De tegenwoordige politiek kan als zijnde onlogisch nimmer tot eene
wezenlijke pacifioatie leiden.
5°. Invallen op Deli kunnen en zullen zich al meer en meer gaan voordoen.
0°. Zoo wij niet ten spoedigste op Atjeh de scheepvaartregeling invoeren, en eene rationeele politiek toepassen zullen wij hoe langer hoe meer achteruitgaan en is eene catastrophe te duchten, die ons op het verlies van Atjeh kan te staan komen en het begin kan zijn van onzen ondergang als koloniale mogendheid.
-
â
|
â | |
â