ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

——

'

iït

1

ocr page 6
ocr page 7

LAT1JNSCHE SPRAAKKUNST.

ocr page 8

GEDRUKT BIJ ED. IJDO, TE LEIDEN.

ocr page 9

LATIJNSCHE

SPRAAKKÜSSÏ

DOOR

L. H. BOEKING,

OUD-LEER'AAR AAN HET SEMINARIE HAGEYELD.

Vijfde verbeterde druk.

LEIDEN,

J. W. VAN LEEUWEN.

Uitgevor en Antiquar. Boekliandel. Iloogewoerd 80.

1893.

ocr page 10
ocr page 11

VOORREDE.

Bij het verschijnen van den vijlden druk dezer Lntijnsche spraakkunst vordf op hoogst rereerend verzoek nolt;/ eens aangegeven, waf volgens de meening van den schrijver op de vermhiUmde klassen vormelijk moet geleerd worden.

Op de eerste klas: de groote letters der etgmohgie en die vgeh dei' syntaxis, ivelke zijn o]gt;genomen in mijne Latijnsehe I n f i m a.

Op de tweede klas: de groote letters de)' si/ntaxis.

Op de derde klas: de kleine letters der etymologie en de kleine letters der sgnfaxis, ivaarvoor een sterretje geplaatst is.

Op de vierde klas: de kleine letters der sgnfa.ris.

Op de vijfde klas: de prosodie.

Moge ook deze nienire uitgave nuttig zijn voor de studeerende jongelingschap.

,s Oravenhage, 19 Augustus 1893.

/j/i S(7/U/JVA'A\

ocr page 12

r?-eu,jtz_. ■ ■^a^Ly^'

-wny(/4- O* lt;3 -^'yc/C^^/y/j^ 'r-e^odéJ'f :

N

gt;

ï

/^- ^ Z^O— cTo

'iquot; r*~ Cf, ,. CJLs- /'/^. ai. **£amp;.

' ü— iO — / amp;fgt; quot;■ L^'- ^■■ 'l/'^-, 'tt-, / V

ocr page 13

INHOUD.

Biz.

Inleiding..................1.

ETYMOLOGIA.

Hoofdstuk I. Over do uitspraak dor letters en den klemtoon

der lettergrepen...........2.

„ II. Over de verdeeling der woorden......5.

„ III. Over het substantivum in 'het algemeen ... 6. „ IV. Over de regelmatige declinaties.

De eerste declinatie . .........8.

De tweede declinatie...... .... 10.

De derde declinatie..........13.

De vierde declinatie . . :.......20.

De vijfde declinatie..........21.

„ V. Over de onregelmatige declinatie.

Samengestelde declinatie.............23.

SuJbstantiva indeel!nabilia........23,

Singularia tantum...........23-

Pluralia tantum...........24.

Defectiva casibus...........26.

Abundantia.............27.

„ VI. Over de geslacbtsregels.

Algemeene regels...........27.

Bijzondere regels...........31.

„ VIL Over het adjectivum.

Over de declinatie der adjectiva......35.

Over de vergehjkingstrappen.......41.

„ VIII. Over de numeralia..........45.

ocr page 14

ii Inhoud.

Biz.

Hoofdstuk IX. Over de pronomina.........52.

„ X. Over do verba in het algemeen.....59.

„ XI. Conjugatie van het verbum sum . . . . 01-

„ XII. Conjugatie der verba activa......64.

„ XIII. Conjugatie der verba passiva......73-

„ XIV. Over do verba doponentia. ..... 81.

„ XV. Over de conjugatie periphrastica .... 88.

„ XVI. Over de verba impersonalia......92.

„ XVII. Over de onregelmatige verba.....95.

„ XVIII. Over de verba defectiva.......105.

Lijst der voornaamste verba mot onregelmatig

gevormde perfecta en supina......108.

„ XIX. Over de afleiding en samenstelling der woorden.

Over de afleiding der substautiva . . - . 122.

Over de afleiding der adjectiva.....126.

Over de afleiding der verba......129.

Over de samenstelling der woorden . . . 130.

„ XX. Over de adverbia ......... 132.

„ XXI. Over de prsepositiones . ,......135.

„ XXII. Over de conjunctiones en interjectiones . . 145.

SYNTAXIS.

I. Over de bestanddcelen van den zin . . . 147.

II. Eegels van overeenkomst.

Overeenkomst tusschen het subject en het

praedicaat .... .......150.

Overeenkomst tusschen het substantivum en

het attributum ..........155.

Overeenkomst tusschen het substantivum on

het nomen appositum........159.

Overeenkomst tusschen liet pronomen relativum en het antecedens.......161.

III. Over het gebruik van den nominativus . . 166.

IV. Over het gebruik van den accusativus . . 170. V. Over het gebruik van den dativus. . . . 176.

ocr page 15

INHOUD. Ill

Biz.

Hoofdstuk VI. Over het gebruik van den genetivus . 183.

„ VII. Over het gebruik van den ablativus . . . 200.

„ VIII. Over het gebruik van den vocativus . . 211. „ IX. Over het gebruik der naamvallen bij bepalingen van plaats, tijd en ruimte.

Plaatsbepalingen..........212.

Tijdsbepalingen ... ......216.

Ruimtebepalingen..................220.

„ X. Over het gebruik der naamvallen bij de ver-

gelijkingstrappen..........221.

„ XI. Over de beteekenis en het gebruik der tempora 228.

„ XII. Over de consecutio temporum ..... 232. „ XIII. Over de beteekenis en het gebruik van den

indicativus en conjunctivus in hoofdzinnen . 236. „ XIV. Over de beteekenis en het gebruik van don indicativus en conjunctivus in bijzinnen, die

met een conjunctie beginnen......239.

Conjunctiones condicionales......241.

Conjunctiones conccssivae..............245.

Conjunctiones comparativao............247.

Conjunctiones causales................248.

/

Conjunctiones finales..................252.

Conjunctiones temporales.......261.

„ XV. Over liet gebruik van den indicativus en

conjunctivus in vragende zinnen .... 266. „ XVI. Over het gebruik van den indicativus en

conjunctivus in relatieve zinnen . . . . 271. „ XVII. Over de beteekenis en het gebruik van den

imperativus......................274.

r XVIII. Over den infinitivus................276.

„ XIX. Over den accusativus cum infinitive . . . 284.

„ XX. Over de oratio obliqua..............293.

„ XXI. Over de participia..................296.

„ XXII. Over den ablativus absolutus.....301.

„ XXIII. Over het gerundivum en gerundium . . . 306.

„ XXIV. Over de supina..........312,

ocr page 16

[ I

IV INHOUD.

Blz.

Hoofdstuk XXV. Over het gebruik van sommige substantiva 313. „ XXVI. Over het gebruik der pronomina.

Pronomina personalia en possessiva . . . 818. al

Pronomina reflexiva................320.

Pronomina demonstrativa............324.

Pronomina interrogativa..............329.

Pronomina indefinita........331.

Pronominalia......................333.

„ XXVII. Over het gebruik van sommige adverbia . 335.

B XXVIII. Over de plaatsing der praeposities . . . 339. „ XXIX. Over de coordineerende conjuncties.

/i

Conjunctiones copnlativae .

. . . 341.

}

Conjunctiones disjunctivae .

. . . 34G.

Conjunctiones adversativae .

. . . 347.

fel

Conjunctiones conclusivae . ...

. . . 349.

. *4'

PROSODIA.

'i n gt;

I. Over de quantiteit der lettergrepen. . . 351.

II. Over de verzen in het algemeen. . . . 357. p i

III. Over de voornaamste soorten van eenvou- v' dige verzen........... 363.

IV. Over de voornaamste soorten van samen-

gestelde verzen........ • • 3G9.

V. Over de verbinding van verzen tot gedichten 372.

ii -

, eici

■vil

Aanhangsel I. Over den Romeinschen kalender..... 375*

II. Over de Romeinsche maten, munten en gewichten 378. III. Over de gebruikelijkste afkortingen .... 380

rj

--LI

Algemeen register............... 382.

''i 1

•quot; •'l

ocr page 17

INLEIDING.

De Latijnache spraakkunst of grammatica leert de Latijnsche taal juist verstaan en zuiver schrijven en spreken.

Zij bestaat uit drie deelen:

I. de woordvorming of etymologia. Deze leert de eigen-•schappen, de veranderingen en de afleiding kennen der

woorden.

II. de woordvoeging of syntaxis. Deze bevat de regels, volgens welke de woorden tot zinnen en deze tot een rede worden verbonden.

III. de versbouwkunde of prosodia. Deze maakt ons bekend met de lengte der lettergrepen en hoe de woorden tot verzen worden samengevoegd.

5e druk.

ocr page 18

ETYMOLOGIA.

_.t —3,__

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE UITSPRAAK OER LETTERS EN OEN KLEMTOON OER LETTERGREPEN.

§ I. De Latijnsche taal heeft dezelfde klinkers (voeales) als de Nederlandsche met uitzondering van de ij. Daarentegen komt in verscheidene woorden de Grieksche y (ypsilon) voor, welke evenals de Kederlandsche i wordt uitgesproken. B.v. pyra (pira), brandstapel, cycnus (cicnus), zwaan.

§ 2. De gebruikelijkste tweeklanken (diphthongi) zijn ae, au en oe. Zij worden uitgesproken als de Nederlandsche ee, ou en e u. B.v. a e s t a s (eestas), zomer, a u r u m (ourum), goud, poena (p e u n a), straf.

Zoo ae en oe geen tweeklank vormen, zet men boven de e het scheidingsteeken ^diaeresis). B.v. poëta, dichter, aër, lucht.

De tweeklank eu, welke als ui wordt uitgesproken, komt behalve in Grieksche woorden, zooals Perseus (eigennaam), eurus, oostenwind, slechts voor in heus, he, hei, heu eu eheu, ach, ceu, evenals, sen, of, neu, en dat niet, neuter, geen van heiden en neutiquam, volstrekt niet. In alle overige woorden behooren de eu tot twee lettergrepen. B.v. malleus (malle-us), hamer.

De tweeklank u i komt slechts voor in hui, he, p h u i, foei en bij dichters in huic en cui (twee voornaamwoorden).

De tweeklank ei wordt slechts aangetroffen in hei, ach. In alle overige woorden spreekt men de ei gescheiden uit. B.v. mallei (malle-i), hamers.

Den Nederlandschen tweeklank ie vindt men niet in het Latijn. Men spreke derhalve het woord hodie, heden, in drie lettergrepen uit.

ocr page 19

Letters, Uitspraak.

3

3.

§3. De medeklinkers (comgt;mantes) zijn met uitzondering van de w in het Latijn dezelfde als in het Nederlandsch. De j wordt dikwijls geschreven als i. De h wordt niet als consonant beschouwd, maar als het teeken eener aanblazing der daaropvolgende vocaal en wordt dan ook dikwijls weggelaten. B.v. Hannibal en Annibal. De k komt slechts voor in Kalendae, de eerste dag der maand, en in de eigennamen Kaeso en Karthago.

De consonanten worden verdeeld in;

liquidae of vloeiende: 1, m, n, r; en

mutae of stomme, waartoe alle overige consonanten behooren behalve de s, welke als sisklank op zich zelve staat en de j env, die halfklinkers of semivocales worden genoemd.

De mutae worden verdeeld in:

labiales of lipletters: b, p, f.

Hnguales of tongletters: d, t.

gutturales of keelletters: c, g, k, q.

X en z worden duplices of dubbele consonanten genoemd. X staat voor es of g s en z voor d s of t s.

Wij spreken in het algemeen de medeklinkers in het Latijn juist uit gelijk in onze taal. Men lette echter op de volgende uitzonderingen.

C wordt als k uitgesproken vóór a, o, u, au, vóór een consonant en op het einde van een woord. B.v. castra, legerplaats, color, kleur, cura, zorg, causa, oorzaak, classis, vloot, lac, melk. In alle overige gevallen wordt zij uitgesproken als een scherpe s. B.v. cera, was, Cyrus (eigennaam), coeptum, onderneming , v a c c a e (vaksee), koeien.

De q komt alleen voor in verbinding met u en wordt met deze vocaal uitgesproken als kw. B.v. aqua (akwa), water.

Gu voorafgegaan door n en gevolgd door een vocaal wordt uitgesproken als gw, alzoo tweelettergrepig: lingua (lin-gwa), tong, sanguis (san-gwis), hloed. Zoo er geen n voorafgaat, volgt men de uitspraak van onze taal, alzoo drielettergrepig: arguo (ar-gu-o), ik beschuldig, vijflettergrepig: exiguitas (ex-i-gu-i-tas), geringheid.

S u vóór een vocaal staande wordt uitgesproken als s w in sua de o (swadeo), ik raad aan, s navis (swavis), aangenaam en s u e s c o (swesco), ik word gewoon, anders als s u. B.v. s u u s (su-us), zijn, sues (su-es), zwijnen.

Ti wordt gewoonlijk uitgesproken als ti. B.v. Tiberius (eigennaam), totidem, even zoovelen, horti, tuinen.

Ti wordt echter als tsi uitgesproken, wanneer er een vocaal op volgt [B.v. ratio (ra-tsio), reden, motio (mo-tsio), heweging\

ocr page 20

Quantileit, Klemtoon.

4

§ 4—5.

behalve in de vier volgende gevallen, waarin ti de Kederlandsche uitspraak behoudt:

1°. wanneer s, t of x voorafgaat. B.v. ostium, haven, Attius (eigennaam), mixtio, vermenging.

2°. in totïus.

3°. in Grrieksche woorden. B.v. Miltiades.

4°. in den verouderden infinitivus praesens passivi op er. B.v. qua tier.

§ 4. Een lettergreep is lang of kort. Ter aanduiding hiervan kan men het teeken - boven een lange en het teeken ^ boven een korte lettergreep plaatsen. B.v. mensa, tafel.

Ofschoon de leer van de lengte of quantiteit der lettergrepen eerst behandeld wordt in het derde deel der grammatica, zoo zij hier met het oog op de uitspraak het volgende opgemerkt.

Een lettergreep is lang:

1°. wanneer zij een diphthong bevat. B.v. poëna, straf, caüsa, oorzaak.

2°. wanneer zij eindigt op een consonant en de volgende lettergreep begint met een consonant. B.v. Ille, deze, ar ma, wapenen.

3°. wanneer zij eindigt op een vocaal en de volgende lettergreep begint met j, x, z. B.v. major, grooter, axis, as, gaza, schat.

4°. gewoonlijk ook wanneer zij eindigt op een vocaal en de volgende lettergreep begint met twee consonanten, waarvan de tweede niet is 1 of r. B.v. rëstis, strop, doch assëcla, hijloo-per, volücris, vogel.

Een lettergreep is kort, wanneer zij op een vocaal eindigt en de volgende lettergreep met een vocaal of h begint. B.v. dubïum, twijfel, nihil, niets.

§ 5. Om een woord van twee of meer lettergrepen behoorlijk uit te spreken moet men op een dezer lettergrepen den klemtoon leggen. Zoo zegt men ook in het Nederlandsch: vader, bewónderen, bewégen. In het Latijn volgt men hierbij deze regels.

1°. Bij een woord van twee lettergrepen valt de klemtoon altijd op de eerste. B.v rhétor, redenaar, hómo, mensch, Déus, God.

2°. Bij een woord van drie of meer lettergrepen valt de klemtoon op de voorlaatste of paenultima, zoo deze lang is en anders op de derde van achteren of antepaenultima. B.v. pal li m bes, houtduif, gratia, gunst. Vgl. § 15. 3 en 4. A.

ocr page 21

Afbreken, Rededeelen.

5

§ 6-7.

Aanmerking. De achtervoegsels De, que, ve, ce maken dat de klemtoon op de p a e n n 11 i m a valt, niettegenstaande deze kort is. Men zegge dus: omniaque, patréve. Alleen zoo door aanhechting van que een nieuw woord ontstaat, zooals dénique uit deinque, volgt men den gewonen regel. Men onderscheide dus i'taque, derhalve van itaque, en zoo, ütique, voorzeker '«n utique, en opdat. Om de gelijkvormigheid met utérque eu plen'que v ou sommigen altijd utraq u e en pleraque, ofschoon hier door aanhecnmig van que een nieuw woord ontstaan is.

Bij de composita van facio, waarin de a blijft, zooais calefacio, benefacio, heeft de lettergreep fa, zoo zij pa en ultima is, den klemtoon. B.v. calefacit, benefacit.

Wijl het van het hoogste Hbelang is om van jongs af de woorden juist uit te spreken, zullen wij voor de eerstbeginnenden bij de drie- en meerlettergrepige woorden op de paenultima het tee-ken - of ^ zetten, wanneer hare quantiteit niet uit de regels van § 4 kan afgeleid worden.

§ 6. Dg volgende regels leereu hoe men de woorden op het einde van een regel gewoon is af te breken.

1°. Twee vocalen, die geen diphthong vormen, behooren tot twee lettergrepen. B.v. D e-u s.

2°. Samengestelde woorden scheidt meu volgens de doelen, waaruit zij zijn samengesteld. B.v. ab-ütor, re-spondeo, di-sto, dis-traho, abs-condo, ab-scindo, trau-scrlbo, su-spicio, pot-est, long-aevus, magn-animus, anim-adverto.

De welluidendheidshalve aangehechte d van prod, red, sed behoort bij het voorvoegsel. B.v. prod-ire, red-ire, sed-itio.

3°. Een consonant, die tusschen twee vocalen staat, behoort bij de tweede lettergreep. B.v. A-le-xander, e-le-ge-ram.

4°. Wanneer meerdere consonanten, waarmede een Latijnsch woord kan beginnen, bij elkander staan, moeten zij bij de volgende lettergreep gevoegd worden. Men schrijve dus: nu-cleus (clarus), a-eris (crassus), fi-glinus, (gloria), va-fre (frater), i-gnis (gnarus), a-gri (gratia), po-ples (placeo), a-prllis (primus), ma-tris (trans), e-sca (scio), ve-spa (spatium), fu-stis (sterno), c a-s tra (stringo). Kunnen meerdere consonanten niet aan het begin van een Latijnsch woord staan, dan worden zjj gescheiden. B.v. doc-tus, tinc-tus, om-nis, scrip-si, scrip-tum, mon-strum, val-lis, an-nus.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERDEELING DER WOORDEN.

§ 7. Volgens hunne beteeken is worden de woorden verdeeld in drie hoofdsoorten:

nomina, naamwoorden.

ocr page 22

Nomina, Substantivum.

6

§ 8-9.

verba, werkwoorden.

particülae, kleine rededeelen.

§ 8. De nomina worden verdeeld in:

substantlva, zelfstandige naamwoorden.

adjectïva, bijvoegelijke naamwoorden.

numeralia, telwoorden.

pronomina, voornaamwoorden.

De nomina worden in het Latijn evenals in het Nederlandsch verbogen of gedeclineerd. Hierbij doet zich echter een belangrijk onderscheid voor. In het Nederlandsch geschiedt de verbuiging èn door het lidwoord èn door zekere veranderingen van het naamwoord, In het Latijn daarentegen bestaat geen lidwoord en geschiedt de verbuiging alleen door het naamwoord te veranderen.

Het gemis van het lidwoord heeft ten gevolge, dat men bij de vertaling uit het Latijn in het Nederlandsch enkel uit den samenhang moet opmaken of men bij een naamwoord het bepalend of het onbepalend of geen lidwoord moet plaatsen. Vir bijv. kan beteekenen de man, een man of enkel man.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER HET SUBSTANTIVUM i:i HET ALGEMEEN.

§ 9. Het substantivum is óf een algemeen zelfstandig naamwoord,

nomen appellatïvum óf een eigen zelfstandig naamwoord,

nomen proprium.

Een nomen appellativum is een naam , welke aan alle voorwerpen van dezelfde soort gemeen is. B.v. arbor, hoorn,

homo, mensch.

Een nomen proprium is een naam, welke slechts aan één voorwerp van dezelfde soort eigen is. B.v. Bucephalus (de naam van het bekende paard van Alexander den Grroote), A rhënae lt;-

(de naam eener stad). jg.

De substantiva worden ook verdeeld in nomina concrêta en abstracta.

Een nomen conoretum is de naam van een zinnelijk waarneembare zaak of persoon. B.v. arbor, boom, senex, grijsaard.

Een nomen abstractum is de naam van een zaak, welke niet zinnelijk waarneembaar is. B.v. senectns, ouderdom, corruptio, verleiding.

Vervolgens noemt men:

ocr page 23

Geslacht, Stam. Declinaties.

7

§ 10—11.

collectiva de substantiva, die een verzameling aanduiden van personen of zaken. B.v. exercïtus, leger, gr ex, kudde.

patronymïca de eigennamen, die een persoon aanduiden als iemands zoon, dochter ofafstammeling. B.v, Peilde s, een zoon van Peleus.

gentilia de eigennamen, die de bewoners van een stad of land aanduiden. B.v. Atheniensis, een Athener.

deminutlva de woorden, die een verkleining te kennen geven. B.v. a g e 11 u s , akkertje.

§ 10. De Latijnsche substantiva hebben drie geslachten of

genëra:

het mannelijk geslacht, genus masculinum, het vrouwelijk geslacht, genus feminInum.

het onzijdig geslacht, genus neutrum.

Het getal of numerus is enkelvoudig of singularis en meervoudig of pluralis.

De verbuiging geschiedt in zes naamvallen of casus. Zij zijn: nominatïvus, de naamval van het onderwerp.

genetlvus, de naamval, die aanduidt van wien iets is. datlvus, de naamval, dien wij aangeven door de voorzetsels aan of voor.

accusativus, de naamval van het voorwerp.

vocatïvus, de naamval, waarmede men iemand aanspreekt, ablatïvus, de naamval, dien wij aanduiden door de voorzetsels met of door.

Aanmerking. De nominativus en vocativus worden casus recti genoemd en de overige naamvallen casus obllqui.

§ II. Een substantivum bestaat uit een gedeelte, dat stam en

een gedeelte, dat uitgang genoemd wordt.

De stam is dat gedeelte, hetwelk overblijft, wanneer men den

uitgang van den genetivus singularis wegneemt. B.v. pater,

genetivus p a t r i s, stam p a t r.

Zonder in verdere bijzonderheden te treden wenschen wij echter op te merken, dat de uitgang, zooals deze zich thans vertoont, in vele gevallen met de laatste letter van den stam is verbonden of samengesmolten.

De naamvallen van een substantivum worden gevormd door achter den stam zekere uitgangen te voegen. Deze uitgangen zijn niet dezelfde voor alle woorden, maar worden tot vijf soorten teruggebracht. Hierdoor ontstaan vijf declinaties.

Om te weten volgens welke declinatie een substantivum verbogen wordt ziet men naar den uitgang van den genetivus singularis. Deze is in de

ocr page 24

Eerste declinatie.

1ste declinatie ae (es).

2de B i.

3de „ i8.

4de B u S-5de „ ei.

Alle declinaties hebben het volgende gemeen.

1°. De neutra hebben zoowel in het enkelvoud als in het meervoud den nominativus, accusativus en vocativus aan elkander gelijk en deze naamvallen gaan in het meervoud uit op a.

2°. Alle substantiva hebben in het meervoud den vocativus aan den nominativus en den ablativus aan den dativus gelijk.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE REGELMATIGE DECLINATIES.

De eerste declinatie.

§ 12. De Latijnsche woorden der eerste declinatie gaan in den nominativus singularis uit op a.

De uitgangen dezer declinatie zijn:

Singularis. Pluralis.

Nom. a No nu ae

Oen. ae Gen. arum

Dat. a e Dat. is

Acc. am Acc. as

^oc. a Voc. ae

Abl. a Abl. is

Voorbeeld van verbuiging.

Singularis. Pluralis.

Nom. mensa, de tafel. mensae, de tafels.

Gen. mensae, van de tafel. mensarum, van de tafels.

Dat. mens a e, aan of voor de tafel, mens i s, aan of voor de tafels. Acc. mens am, de tafel. mens as, de tafels.

Voc. mens a, o tafel. mens a e, o tafels.

Abl. mensa, met of door de tafel, mensis, met of door de tafels.

Voorbeelden ter oefening.

ala, f. vleugel. fortüna, f. geluk. porta, f. poort.

aqua, f. water. incöla, m. inwoner. silva, f. hosch.

ara, f. altaar. penna, f. veder. stella, f. ster.

barba, f. haard. poëta, m. dichter. testa, f. scherf.

8

ocr page 25

Eerste declinatie.

9

13.

Aanmerking I. De vrouwelijke woorden d e a, godin en f i li a, dochter hebben in den dat. en abl. piur. deabus en filiabus, om hen te onderscheiden van de maaneiijke woorden deus, god en filius, zoon, der tweede declinatie. Zoo de beteekenis van (jodinnen en dochters uit den samenhang duidelijk is, zegt men diis enfiliis.

Aanmerking II. Het woord familia, huisgezin, heeft zeer dikwijls in den gen. sing, den uitgang as, wanneer het voorafgegaan wordt door pater, vader, mater, moeder, filius of filia. B.v. filia familias, de dochter des huisgezins.. .

Aanmerking III. Bij dichters gaat de gen. sing, soms uit op ai. B.v. aula, het hof, aulai.

§ 13. De Grieksche woorden der eerste declinatie gaan in den nominativus singularis uit op e, as, es.

Voorbeelden van verbuiging.

1.

Singularis. Pluralis.

Nom. ode, het gezang. odae, de gezangen.

Gr en. odes, van het gezang. odarum, van de gezangen. Dat. od a e, aan of voor het gezang, odis, aan of voor de gezangen. A cc. od e n, het gezang. odas, de gezangen.

V o c. od e, o gezang. odae, o gezangen.

Abl. ode, met ot door het gezang, odis, met of door de gezangen.

2.

Nom. tiaras, de haarband. tiarae, de haarbanden.

Gen. tiarae, van den haarband, tiararuin, van de haarbanden. Dat. tiarae, aanoi voorden haar- tiaris, aan of voor de haarband. [banden. Acc. tiaran, den haarband. tiaras, de haarbanden.

V o c. tiar a, o haarband. tiar a e , o haarbanden.

Abl. tiara, met of door den haar- tiaris, met of door de haar-

(band. (banden.

3

N om. satrapes, de landvoogd. satrap a e, de landvoogden. Gen. satrapae, van den landvoogd, satraparum, v. de landvoogden. Dat. satrap a e, aan of voor den satrap i s, aan of voor de land-landvoogd. {voogden.

A cc. satrapen, den landvoogd, sa trap a s, de landvoogden.

V o c. satrap e, o landvoogd. satrap a e, o landvoogden. Abl. satrap e, met^^miloor den satrap is. met of door de land-

^^\landvoogd.. {voogden.

ocr page 26

Tweede declinatie.

§ 14—15.

10

Voorbeelden ter oefening.

aloë, f. aloë. Lethe, f. (eigennaam), comëtes, m. staartster.

crambe, f. kool. boreas, m. fioordenwind.l dynastes, m. opperheer.

/epitöme, f. uittreksel. Aeneas, m. (eigennaam)./pyrites, m. vuursteen.

(■isagoge, f. inleiding. anagnoat^S, m. voorlezer. Anchïses,m.(eigennaam).

Aanmerkingen. De namen van steden op e zooals Sinöpe hebben in den gen. sing, op de vraag waar den uitgang ae. B.v. SiTiöpae, te Sinope.

De woorden op as hebben dikwijls am in.den ace. sing.

Vele Grieksche woorden op e en es nemen zoowel in den nominativus als in de overige naamvallen de Latjjnsche uitgangen aan.

De tweede declinatie. §14. De Latijnsche woorden der tweede declinatie gaan in den nominativus singularis uit op er, ir, us, um/De letters er en ir behooren tot den stam van het woord. De woorden op um zijn onzijdig. De uitgangen dezer declinatie zyn: Singularis. Pluralis.

Masc. en Fem. Neutrum. Masc. en Fem. Neutrum.

Nom. er, ir, us, um Nom. i a

Gen. i Gen. orum

Dat. o Dat. is

Ace. um Ace. os a

Voc. er,ir, e,um Voe. i a

Alb. o Abl. is

§ 15. Voorbeelden van verbuiging.

1.

Singularis. Pluralis.

Nom. puer, de knaap.. puëri, de knapen.

Gen. puëri, van den knaap. puer5rum, van de knapen. Dat. puër o, aan of voor den knaap, puër i s, aan of voor de knapen. A cc. puër u ra, den knaap. puër os, de knapen.

Voc. puer, o knaap. puëri, o knapen.

Abl. puër o, met of door den knaap, puër i s, met of door de knapen.

Aanmerking. Evenals puer worden ook verbogen;

adulter, ra. echtbreker. ' presbyter, m. priester.

gener, m. schoonzoon. socer, m. schoonvader.

Lib er, ra. (bijnaam van Bacchus) vesper, ra. avond.

1 i b ë r i, m. kinderen (enkel meerv.)

Celtïber en Iber, twee volksnamen, hebben êri. Mulcïber, bijnaam van Vulcanus, heeft Mulcibëri en Mulcïbri.

Ssr

ocr page 27

Tweede dedinatie.

Alle overige substantiva op er der tweede declinatie stooten dc e uit. Zij gaan naar het volgende voorbeeld.

N o m. ager, de akker. • agr i, de akkers.

Gr en. agri, van den akker. agrorum, van de akkers.

Dat. agr o, aan of voor den akker, agr ia, aan of voor de akkers. A cc. agrum, den akker. agr os, de akkers.

V o c. ager, o akker. agr i, o akkers.

Abl. agro, niet of door den akker, agris, met of door de akkers.

2.

N o m. vir, de man. vir i, de mannen.

Gen. viri, van den man. vir or um, van de mannen.

Dat. vir o, aan of voor den man. vir is, aan of voor de mannen. A cc. virum, den man. vir os, de mannen.

V o c. vir, o man. vir i, o mannen.

Abl. viro, met of door den man. viris, met of door de mannen.

Aanmerking. Volgens vir worden verbogen de substantiva, die samengesteld zijn met vir, zooals: decemvir, tienman, alsmede levir, zwager, en Trevir (volksnaam).

3.

Nom. popülus, het volk. popüli, de volken.

Gen. popüli, van het volk. populo rum, van de volken.

Dat. populo, aan of voor het volk. popüli s, aan of voor de volken.

Acc. popülum, het volk. populos, de volken.

Yoc. popüle, o volk. popüli, o volken.

Abl. populo, met of door het volk. popülis, met of door de volken.

Aanmerking. De Latijnsche eigennamen op ius en jus, alsmede filius, zoon, en geiiius4 beschermgeest, gaan in den voc. sing, uit op i in plaats van.op ie en je. Deze vocati-vus op i heeft den klemtoon altijd op de voorlaatste. B.v. Yir-gilius, Virgili, Gajus, Gai, Pompëjus, Pompei, filius, fili. De Latijnsche eigennamen, die eigenlijk adjectiva zijn, zooals Pius, alsmede de Grieksche eigennamen op ïus, zooals Arïus, hebben den voc. regelmatig, derhalve Pie, Arïe.

Deus, God, wordt aldus verbogen.

Nom. Deus, Dii, ook Di, zeld^g ^ei.

Gen. Dei. Deórum.

Dat. Deo. Diis, ook Dis, zelden Deis.

A cc. Deum. Deos.

Voc. Deus. Dii, ook Di, zelden Dei.

Abl. Deo. Diis, ook Dis, zelden Deis.

11

ocr page 28

Tweede declinatie.

12

§ 16.

4.

N om. bellum, de oorlog. bell a, de oorlogen.

Gen. belli, van den oorlog. bell5rum, van de oorlogen.

Dat. bello, can of voorden oorlog, bellis, aan of voor de oorlogen.

A cc. beilum, den oorlog. bell a, de oorlogen.

Voc. bellum, o oorlog. bell a, o oorlogen.

Abl. bello, met of door den oorlog, bellis, met of door de oorlogen.

Aanmorking. De substantiva op ium en ius hebben in den gen. sing, soms i in plaats van ii. Ook hier.valt de klemtoon altijd op de voorlaatste. B.v. consilium, consili, Appius, Appi.

Voorbeelden ter oefening.

auster, m. zuidenwind. genius, m. beschermgeest.

culter, m. mes. Horatius, m. (eigennaam).

faber, m. werkman. ocülus , m. oog.

gener, m. schoonzoon. rustïcus, m. hoer.

liber, m. hoek. servus, m. slaaf.

magister, m. meester. ventus, m. wind.

triumvir, m. drieman. donum, geschenk.

centumvir, m. honderdman. exemplum, voorbeeld.

annus, m. jaar. furtum, diefstal.

campus, m. veld. officium, plicht.

cibus, m. spijs. pocülum, beker.

domïnus, m. heer. proelium, gevecht.

§ 16. De Grrieksche woorden der tweede declinatie gaan uit

op eus, os, on. De woorden op on zijn onzijdig.

Voorbeelden van verbuiging.

Singularis.

Nom.

Pers eu s (eigennaam), diphthong o s, tweeklank, lexic o n, woorden-

Gen.

Vers ei.

diphthong i.

lexici. {boek.

Dat.

Pers e o.

diphthong o.

lexïc o.

A cc.

Perseu m.

diphthong on.

lexïco n.

Voc.

Perseu.

diphthong e.

lexicon.

Abl.

Perseo.

diphthong o.

lexic o.

Pluralis.

Nom.

Persei.

diphthong i.

lexica.

Gen.

Perseo rum.

diphthong or um.

lexic 5 rum.

Dat.

Persei s.

diphthong! s.

lexici s.

A cc.

Pers e o s.

diphthong o s.

lexica.

Voc.

Persei.

diphthong i.

lexica.

Abl.

Perseis.

diphthong i s.

lexic is.

ocr page 29

Derde declinatie.

13

§ 17-19.

Voorbeelden ter oefening.

Athreus, m. (eigennaam). Naxos, f. (eigennaam).

Morpheus, m. „ Samos, f. „

Orpheus, -n. B colon, punt.

Arutoo, f. heergesternte. idölon, beeld.

Delos, f. (eigennaam). symposion , gastmaal.

§ 17. De Grieksche eigennamen op eus hebben in den ace. sing, ook ca. B.v. Per sea.

Sommige Grieksche eigennamen op os hebben in den gen. en acc. sing, somtijds o. B.v. Athos, Atho.

De Grieksche eigennaam Pan thus heeft in den voc. sing. Panthu.

In den gen. plur. van oorspronkelijk Grieksche woorden vindt men soms bij titels van boeken den uitgang on. B.v. Libri georgicon, hoeken over den landbouw.

§ 18. Sommige substantiva der eerste en tweede declinatie hebben in den gen. plur. um in plaats van ar u m of or um, en wel gewoonlijk:

1°. de^ïnCifreïf' van munten, maten en gewichten, zoo zij een telwoord bij zich hebben. B.v. duo milia sestertium (vau sestertius, een geldstuk yan 8 of 9 centen Nederlandsch); tria milia a m-p h ö r u m (van amphora, een Romeinsche inhoudsmaat van ongeveer een ton). Zoo deze substantiva geen telwoord bij zich hebben of zoo het telwoord niet dient om de hoeveelheid van het geld, de maat of het gewicht te bepalen, moet men den uitgang arum of orum behouden. B.v. Notae duo rum horum nummorum diversae sunt, de stempels dezer twee geldstukken zijn verschillend.

2°. eenige woorden en uitdrukkingen, zooals: praefectus socium, hoofd der bondgenooten, praefectus fabrum, hoofd der werklieden, duumvïrum, triumvïrum, dikwijls liberum, soms deum, zooals in de spreekwijze pro deum atque hominum ïi A em, hij der goden en menschen trouw.

3°. soms ook en wel vooral bij dichters de namen van v re e m de volken en de composita op cola en gëna. B.v. Lapïthum, Arglvum, coelicölum, terrigënum.

Derde declinatie.

§ 19. De woorden der derde declinatie gaan in den nominativus singularis uit op een vocaal of op c, 1, n, r, s, t, x.

De stam der meeste woorden van deze declinatie kan alleen gevonden worden door is van den gen. sing, weg te schrappen. B.v. Ie o, leeuw, genetivüs leünis, stam leon; carmen, gezang, genetivus carmïnis, stam carmin; vox, stem, genetivüs vocis, stam voc.

Om derhalve een substantivum van deze declinatie te kunnen verbuigen moet men den nom. en den gen. kennen. Zoo men niet zeker weet, hoe deze beide casus zijn, raadplege men altijd zijn woordenboek.

ocr page 30

Derde declinatie.

§

14

De uitgangen dezer declinatie zijn: Singularis.

Masc. en Fem. Neutrum.

um ibus

ibus

Nom. verschillend. Nom. es

Gen. is Gen.

Dat. i Dat.

A cc. em =Nom. Acc. es

Voc. = Nom. = Nom. Voc. es

Abl. e Abl.

Voorbeelden van verbuiging.

1. Masculina en Feminina.

Singularis.

Pluralis.

Masc. en Fem. Neutrum.

Nom.

dolor, de smart.

comes, de makher.

imago, het beeld.

Gen.

dolor i s.

comït i s.

imagïn i s.

Dat.

dolor i.

comït i.

imagïn i.

Acc.

dolor e m.

comït e m.

imagïn e m.

Voc.

dolor.

comes.

imago.

Abl.

dolor e.

comït e.

imagin e.

Pluralis.

Nom.

dolor e s.

comït e s.

imagin e s.

Gen.

dolor um.

comït u m.

imagin u m.

Dat.

dolor ïbus.

comit ïbus.

imagin ïbus.

Acc.

dolör e s.

comït e s.

imagïn es.

dolor e s. comït e s.

dolor ïbus. comitïbus.

Neutra.

Singularis, carmen, het gezang. genus, het

car ml nis.

carmïn i.

carmen.

carmen.

Voc. Abl. 2.

Nom.

Gen.

Dat.

Acc.

Voc.

Abl.

Nom.

Gen.

Dat.

Acc.

Voc.

Abl.

gener is.

genëri.

genus,

genus.

genëre.

Pluralis.

genër a. genëru m. generïbus. genër a. genër a. generïbus.

carmïn e.

carmïn a. carmïn u m. carmin ïbus. carmïn a. carmïn a. carminïbus.

imagin ïbus. geslacht.


ocr page 31

Derde declinatie.

15

§ 20—21.

Voorbeelden ter oefening.

aetas, atis, f. leeftijd. lex, legis, f. wet.

miles, ïtis, m. soldaat. muiier, ëris, f. vrouw. natie, onis, f. volksstam. nepos, ötis, m. kleinzoon. nux, nucis, f. noot.

obses, ïdis, m. gijzelaar. ordo, ïnis, m. rij.

pectus, öris, n. horst. pondus, ëris, n. gewicht. sermo, onis, m. gesprek. tempus, öris, n. tijd. rex, regis, m. koning. vigil, ïlis, m. wachter.

agger, ëris, tn. dam.

anser, ëris, m. gans.

artïfex, ïcis, m. kunstenaar. cadaver, ëris, n. lijk.

caput, ïtis, n. hoofd. corpus, öris, n. lichaam. cuspis, idis, f. punt.

custos, üdis, m. wachter. dux, ducis, m. aanvoerder. flumen, mis, n. rivier. heres, ëdis, m. erfgenaam. lapis, idis, m. steen.

latus, ëris, n. zijde.

lepus, öris, m. haas.

virgo, ïnis, f. maagd. § 20. In den ace. sing, hebben im in plaats van em: 10. de namen van steden en rivieren en de Grieksche substantiva op is, die den gen. gelijk hebben aan den nom. B.v. Neapölis, Neapölim, Tibëris, Tibërim, basis, (/rowcfeZa^t, ba sim, poësis, dichtkunst, poësim.

2°. de volgende vrouwelijke substantiva, die insgelijks den gen. gelijk hebben aan den nom.

altijd

amussis, richtsnoer. sitis, dorst.

b u r i s, ploegstaart. t u s s i s, hoest.

ra vis, heeschheid. vis, geweld,

Cucümis, m. komkommer, heeft met den gen. cucümis: cu-cümim, doch met den gen. cucumëris: cucumërem.

gewoonlijk

febris, koorts. pelvis, hekken. puppis, achtersteven.

somtijds

bipennis, hijl. clavis, sleutel. messis, oogst.

restis, strop. secüris, bijl. turris, toren.

navis, schip.

n e p t i s, kleindochter.

sementis, zaaiing.

§ 21. In den abl. sing, hebben i in plaats van e: 10. de substantiva, die in den acc. sing, im hebben. B.v.

ocr page 32

Derde declinatie.

NeapÖli, poësi, siti. Die met im en em hebben i en e en wel in dezelfde verhouding. Restis echter heeft alleen res te, en securis alleen securi.

2°. de neutra op e, al, ar. B.v. mare, zee, mari, vectïgal, belasting, vectigali, calcar, spoor, calcari. Hiervan zijn uitgezonderd :

sal, salis, zout, geestigheid b ace ar, £lris, wilde nardus.

(in sing. m. enn.inplur.m.). jubar, aris, glans.

far, farris, meel. he par, ^tis, lever.

nectar, aris, nectar.

alsmede de namen van steden op e, zooals Praeneste en r e t e, net.

3°. de namen der maanden op er en is. B.v. Aprïlis, April^ September, Septembri.

4°. de appellativa op is, die oorspronkelijk adjectiva zijn, zooals acqualis, tijdgenoot, aequali. Maar de eigennamen op is, alsmede ju ven is, jongeling, en gewoonlijk ook volücris, vogel en aedïlis, aediel, hebben e. B.v. Martialis, Martiale, Atheniensis, Athener, Atheniense.

5°. lm her, slagregen, heeft imbre en imbri. Ook viudt meu deu abl. op i in de volgende spreekwijzen: alicui aqua et igni inter-dicere, iemand het gebrtcik van water en vuur ontzeggen, in ballingschap zenden; ferro ignlque, te vuur en te zwaard; vut i, op het land; vespere en vesperi, des avonds; tamp;ra\) or\, bijtijds; luce en luei, 02J den dag; ten laatste somtijds bij sommige namen van steden op de vraag waar, zooals: Lacedaemöni, Carthagïni, en bij enkele parisyllaba op is, zooals: am.nis, avis, civis.

§ 22. In den gen. plur. hebben ium in plaats van um:

1°. de neutra op e, al, ar, die in den abl. sing, i hebben. Deze woorden gaan in den nom. ace. en voc. plur. uit op ia in plaats van opa. B.v. marium, maria. Evenzoo retium, retia.

2°. de parisyllaba (woorden, die in den gen. sing, evenveel lettergrepen hebben als in den nom.) op es en is. B.v. turns, turrium, aequalis, aequalium, nubes, wolk, nubiura.

Uitgezonderd zijn de volgende substantiva, die altijd um hebben: (ambages), {. omweg. Vgl. § 34. 3°. strues, f. stapel.

ca nis, m. hond. vates, m. waarzegger.

ju ven is, m. jongeling. volücris, f. vogel.

A p i s, f. bij, m e n s i s, m. maand, p a n i s, m. brood en s e d e s, f. zitplaats, hebben um en ium.

16

ocr page 33

Derde declinatie.

3°. de woorden:

car o, carnis, f. vleesch. ut er, tris, m. lederen zak.

itnber, bris, m. slagregen. venter, tris, m. huik.

lin ter, tris, f. boot.

4°. de' monosyllaba (woorden van één lettergreep) die op twee of drie consonanten uitgaan. B.v. mens, herg, mon-tium, stirps, stam, stirpium, alsmede de volgende monosyllaba, die op één consonant uitgaan: ^ -■ ■

as, assis, m. as (muntstuk). nix. nivis, f. sneeuw. '1 (fa ux) fauces, f. keel. Vgl. § 34. 3ft. n ox, noctis, f. nacht. g 1 i s, gliris, m. rat. o s, ossis, n. been.

lis, litis, f. twist. Par) paris, n. paar.

mas, maris, m. mannetje. strix, strigis, f. nachtraaf.

VK. i . 1 ''i ^ y jx '■cJL-c

en gewoonlijk ook fraus, fraudis, f. bedrog, mus, muris;, m. muis en lar, laris, in. huisgod.

Daarentegen hebben lynx, losch, liocum, sphinx, sphinx, sphingum, gryps, grijpvogel, gryphum. Vgl. over ops § 24.

5quot;. gewoonlijk de twee- en meerlettergrepige substantiva op ns en rs en de Latijnsche op nx. B.v. cliens, beschermeling, c 1 ientium, cohors (een legerafdeeling) cohortium, quincunx, (een gewicht van vijf Romeinscbe onsen), quincuncium. Doch parens, dat in het enkelvoud vader of moeder en in het meervoud ouders beteekent, heeft meermalen parentum. ^

6°. de volksnamen op as, atis en is, itis, zooals: Arpïnas, Arpinatium, Samnis, Samnitium en gewoonlijk ook de meervoudige substantiva penates, huisgoden en optimates, aanzienlijken.

De appellativa op tas hebben soms ium. B.v. civitas, civi-tatum, soms civitatium.

Voorbeelden van verbuiging.

Neutra op e, al, ar. § 21. 2°. § 22. 1°.

Singularis.

Nom. altare, het altaar, cervical, het hoofdkussen, cochlear, de lepel. Gen. altaris. cervicalis. cochlearis.

Dat. altari. cervicali. cochleari.

A cc. altare. cervical. cochlear.

V o c. altare. cervical. cochlear.

Abl. altari. cervicali. cochleari.

5e druk. 2

17

ocr page 34

Derde declinatie.

18

Pluralis.

Nom.

altaria.

ceryicalia.

c o c li 1 e a r i a.

Ge n.

altari u m.

cervicalium.

c o c h 1 e a r i ii m.

D a t.

altarïbus.

cervicallbus.

cochlearïbus.

Ace.

altaria

c e r v i c a 1 i a.

cochlear ia.

Voc.

altaria.

c e r v i c a 1 i a.

c o c h 1 e a r i a.

Abl.

altarïbus.

cervicalibus.

cochlearïbus.

Verschillende woorden

op is.

Singularis.

N om.

turris, de toren.

sodalis, de makker.

avis, de vogel.

Gen.

turris.

sodalis.

avis.

Dat.

turri.

sodali.

avi.

A cc.

turrim. § 20. 2°.

sodalem.

avem.

Voc.

turris.

sodalis.

avis.

Abl.

turri. § 21. 1°.

sodali. § 21. 4°.

ave.

Pluralis.

Nom.

turres.

sodales.

aves.

Gen.

turri urn. §22. 2°

.sodalium. § 22. 2quot;.

a v i u m. § 22.

Dat.

turrïbus.

sodalïbus.

avïbus.

A cc.

turres.

sodales.

aves.

Voc.

turres.

sodales.

aves.

Abl.

turrïbus.

sodalïbus.

avïbus.

Verdere uitzonderingen.

Singularis.

N om.

urbs, de stad.

caedes, de moord

serpens, de slang.

Gen.

urbis.

caedis.

serpentis.

Dat.

urbi.

caedi.

serpenti

A cc.

urbem.

caedem.

serpentem.

Voc.

urbs.

caedes.

serpens.

Abl.

urbe.

caede.

serpente.

Pluralis.

No ra.

urbes.

caedes.

serpentes.

Gen.

urbiura. §22J 4°,

. caedium. § 22. 2°.

s e r p e n r. i u ra. § 22

Dat.

urbïbus.

caedïbus.

serpentïbus. (5°.

A cc.

urbes.

caedes.

serpentes.

Voc.

urbes.

caedes.

serpentes.

Abl.

urbïbus.

caedïbus.

serpentïbus.

Voorbeelden ter oefening.

ars, artis, f. kunst. familiaris, m. (oorspr. adj.) kennis.

caro, carnis, f. vleesch. felis, f. kat

ocr page 35

Derde declinatie.

19

§ 23—25

Charybdis, f. (gr. eigennaam). fons, fontis, m. bron.

cinis, ëris, m. asch. fraus, fraudis, f. bedrog.

December, bris, m. December. juvënis, m. jongeling.

fames, f. honger. laquear, n. zoldering.

mare, n. zee. senex, penis, m. grijsaard.

monlle, u. halsband. sors , sortis, f. lot.

mos, moris, m. gebruik. tigris, is, m. (gr. subst.) tijger.

natalis, m. (oorspr. -A^^gehoortedag. tigris, ïdis, m. (gr. subst.) tijger.

os, oris, n. mond. Tigris, is, m. (eigennaam).

os, ossis, n. been. tribunal, n. rechterstoel.

quies, ëtis, f. rust. vas, vadis, m. borg.

Quiris, ïtis, m. (volksnaam). vectlgal, n. belasting.

secüris, f. bijl. voluntas, atis, f. wil.

§ 23. De Gr i ek s clic en vreemde eigonnamen op es, gen. is hebben, zoo zij parisyllaba zijn, dikwijls ook i in den geu. sing. B.v. ïhemistocles, T he mi s toe lis en T hemistocli, ^ IVI.}

De Grieksche woorden op ma, zooals poëma, hebben in den

dat. en abl. plu.r. gewoonlijk is in plaats van ibus. B.v. poëmStis.

Sommige snbstantiva, die in den gen. plur. uitgaan op ium, hebben soms in den a c c. plu r, den uitgang is, en geheel verouderd eis (uit te sproken is). B.v, artis, kunsten, eivis (civeis), burgers.

De onzjjdige namen van feesteu, die enkel in het meervoud voorkomen, hebben in plaats van ium ook iorum in den gen. plur. B.v. Saturnalia, Saturnalium ea Satnrualiorum,

§ 24. Jappïter beeft gen. Jovis, dat. Jovi, ace. Jovem, abl. Jove.

Bos, rund, gen. bovis, gaat in bet enkelvoud regelmatig, maar in het meervoud: no in. a cc. en voc. boves, gen. boum, dat. en abl. bubus, soms bobus.

Sus, zwijn, gen. suis, gaat regelmatig, doch heeft in den dat. eu abl. plur. liever s u bus dan suïb us.

Van vis, dat in liet enkelvoud geweld, en in het meervoud krachten beteekent, bestaat in bet enkelvoud behalve den n o m. slechts de acc. vim en de abl. vi. In het meervoud is de nom. acc. en voc. vires, de gen. virium, de dat. en abl. viribus.

Van ops, dat. in bet enkelvoud hidp, en in het meervoud schatten beteekent, bestaat in het enkelvoud slechts de gen. opis, de ace. opem, en de abl. ope. In het meervoud gaat het regelmatig behalve in den gen. opuin.

§ 25. Grieksche uitgangen.

Verschillonde Grieksche woorden worden vooral bij dichters in sommige naamvallen op Grieksche wijze gedec ineerd. Zoo komen voor:

ocr page 36

Vierde declinatie.

1°. de geu. sing, op os. B.v. Poleus, Peleos. In proza gebruikt men dezen uitgang gewoonlijk bij Pan (de herdersgod), Panos.

De feminina op o zooals: echo, echo, Calypso, hebben gewoonlijk in den gen. us. B.v. echus, Calypsns. Meestal blijven zij in de overige casus onverbogen.

2°. de a cc. sing, op a. B.v. heros, held, her sa, Agamemnon, A g a me m n ö n a. In proza gebruike men dezeu vorm slechts bij a ë r, lucht, aether, bovenlucht en Pan.

de aoc. sing, op in, yn, en. B.v. Tigrin, Halyn, Xerxen. De Latijnsche uitgang is echter verreweg de verkicslijkste.

3°. De voc. sing, der Grieksche eigennamen op is, ys, cus wordt gevormd door wegwerping der s. B.v. Daphnis, Daphni, Tiphys, Tiphy, Orpheus, Orpheu. Die op is, id is hebben den voc. dikwijls gelijk aan den nom. B.v. Thai en Thais.

Van do mannelijke eigennamen op as, antis gaat de voc. uit op a. B.v. Calchas, Calcha.

De eigennamen op es hebben es of e. B.v. Achilles en Achille.

4°. De neutra op os hebben in den nom. en aco. plur. den uitgang e. B.v. eet os (een groote zeevisch), cete.

5°. Bij opschriften van boekeu komt ook in deze declinatie soms de gen. plur. op on voor. B.v. metamorphoseon.—ax

6°. Soms komt bij dichters de dat. plur. op si of sin voor. B.v. Lemniades , Lemniasi, Troas, Troasin.

7°. Meermalen en somtijds zelfs bij goede prozaschrijvers hebben de ongelijklettergrepige Grieksche woorden den ace. plur. op as. B.v. phalanx, colonne, phalangas, Aethiops, Aethiopas.

De vierde declinatie.

§ 6. Da woorden dezer declinatie gaan uit op us en u; die op u zijn on zij d ig.

De uitgangen zijn:

Singularis Pluralis.

Masc. en Fein. Neutrum. M. en F. N.

N o in.

u s

u

Nom.

U 8

u a

Gen.

u s

Gen.

u u m

Dat.

u i

u

Dat.

ib u s

Ace.

u m

u

Ace.

U S

ua

Voc.

us

u

Voc.

U S

u a

Abl.

u

Abl.

ibus

Voorbeelden van verbuiging.

Singularis.

20

Nom.

fructus, de vrucht.

corn u, de hoorn.

Gen.

fruct u s.

corn u s.

Dat.

fructui.

corn u.

Ac c.

früct u m.

corn u.

Voc.

fruct u s.

corn u.

Abl.

fruct u.

corn u.

ocr page 37

§ 27—28. Vijfde declinatie. 21

Pluralis.

N o m. fruct u s. corn u a.

Gen. fructuum. cornuum.

Dat. fructïbus. cornïbus.

A c c. fruct u s. corn u a.

V o c. fruct u a. corn u a.

A b 1. fruct ï b u s. corn t b u s.

Voorbeelden ter oefening.

anus, f. oude vrouw. porticus, f. galerij.

cantus, m. gezang. socrus, f. schoonmoeder.

currus, m. wagen. transïtus, m. overtocht.

exercitus, m. leger. usus, m. gebruik.

genu, n. knie. versus, m. vers.

nurus, f. schoondochter. vultus, m. gelaat.

§ 27. De volgende woorden hebben in den dat. en abl. plur. u b u s in plaats van i b u s.

acus, f. naald. pecu, n. vee.

arc us, m. hoog. quercus, f. eik.

artus, m. Vgl.§34.3°. specus, m. hol.

lacus, m. meer. tribus, f. volksstam.

partus, m. geboorte. veru, n. braadspit.

P o r t u s, haven , heeft u b u s en i b u s.

Aanmerking I. Domus, huis, wordt aldus verbogen: Singularis. Pluralis.

Nom. domus. domus.

Gen. domus, (domi, te huis.) domuum of domörum.

Dat. domui, zelden domo. domïbus.

Acc. domum. domos, soms domus.

V o c. domus. domus.

Abl. domo, zelden domu. domïbus.

Aanmerking [I. Bij sommige woorden vindt men soms den gen. sing, op i in plaats van op us. B.v. senatus, senaat, sen ati, en don dat. sing, op u in plaats van op ui. B.v. equitatus, ruiterij, e q u i t a t n.

De neutra hebben somtijds in den gen. sing, u in plaats van us.

De vijfde declinatie.

§ 28. De woorden dezer declinatie gaan uit op es. De uitgangen zijn:

ocr page 38

Vijfde declinatie.

§ 29—00.

22

Pluralis.

es

erum eb u s

es

e s

ebus

Singularis.

Nora.

Gen.

Dat.

Ac c.

Voc.

Abl.

es

ei

e i

era

es

e

van verbuiging.

Pluralis.

Voorbeeld

Singularis.

die s. dië r u ra. diëb us. di e s. dies. dië b us.

dies, de dag.

N om.

Gen.

Dat.

A cc.

Voc.

Abl.

diëi. diëi. di era di es. di e.

§ 29. Slechts dies en res, zaak, hebben een volledig meervoud; van a cies, slagorde, effigies, beeltenis, ïncies, gelaat, series, reeks en spes, hoop, komen bij goede prozaschrijvers in het meervoud slechts de no ra. a cc. en voc. voor. Van de overige woorden dezer declinatie zooals nieridies, middag, gla-c i e s, ijs, bestaat geen meervoud. Deze woorden dienen tevens tot voorbeelden van verbuiging.

Aanmerking. In plaats van op ei gaat de gen. sing, soms uit op e of i. De dat. sing, gaat soms uit op e.

§ 30. Quantiteit van de paenultima der uitgangen van de vijf declinaties.

1°. De voorlaatste lettergreep der dativi en ablativi op ïbus en übus is kort. B.v. legibus, quercübus; op abus en ëbus lang. B.v. filiabus, dië bus.

2°. De voorlaatste lettergreep der genetivi op arura, orum, ërum is lang. B.v. raensaruin, puerorura, diërura.

3°. Van den uitgang ei der vijfde declinatie is de e lang, zoo er vóór e een vocaal staat. B.v. diëi; doch kort, zoo er vóór e een consonant staat. B.v. fidëi.

4Ö. De vocativi op ai en ëi van de eigennamen der tweede declinatie op ajus en ejus hebben de voorlaatste lettergreep lang. B.v. Gai, Porapëi.

ocr page 39

Onregelmatige declinatie.

23

8 31—33.

ö

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE ONREGELMATIGE DECLINATIE.

§ 31. Samengestelde declinatie.

Wanneer een substantivuni samengesteld is uit twee woorden, die beiden in den n o in. staan, worden beide woorden gedeclineerd. B.v. respublïca, gemeenebest, gen. reipublïcae, dat. rei-publïcae, enz.; j usj u ran duin, eed, gen. j u r i s j ur a n d i, dat. jurijurando, enz. Vgl. § 148.

Zoo een substantivmn samengesteld is uit twee woorden, waarvan het eene in den nom. en liet andere in den gen. staat, wordt alleen het woord in den nom. gedeclineerd. E.v. jurisconsult us, rechtsgeleerde, gen. juris eon su 1 ti, dat. jurisconsult o, enz. Evenzoo senatuscon suitum, raadsbesluit, ple-biscïtum, volksbesluit.

§ 32. Substantiva indeclinabilia.

Tot de substantiva, die niet verbogen kunnen worden, be-hooren:

1°. de namen der letters, sommige vreemde woorden, zooals: manna en vele Griekse he woorden op i en y. B.v. gummi, gom, asty, de stad (Athene). Van deze woorden bestaan echter meermalen verbuigbare bijvormen, zooals van gummi: gumen, mis, gumma, £itis, gummis, is.

2°. vele vreemde, vooral Heb reeuwsche eigennamen, zooals: Judith, Bethleëm. Die eigennamen , welke een Latij n-schen of Oriekscheu uitgang hebben, zooals Maria, Joannes, Judas worden naar de eerste of derde declinatie verbogen.

Soms nemen vreemde eigennamen met onverbuigbaren uitgang een Latijnse hen uitgang aan en kunnen dan verbogen worden. B.v. Abraham us, Judith a. David, Daniel en Gabriel blijven in den nom. gewoonlijk onveranderd en worden verder regelmatig naar de derde declinatie verbogen. B.v. gen. Davidis, Daniëlis, Gabriëlis. Jesus heeft in den acc. Jesum, in de overige naamvallen J e s u.

§ 33. Singularia tantum.

Tot de substantiva, die slechts iu het enkelvoud voorkomeu, bohooren:

10. do namen van afgetrokken denkbeelden, die slechts enkelvoudig gedacht worden, zooals de namen van deugden, ondeugden, wetenschappen. B.v. sapientia, wijsheid, pudor, schaamte.

ocr page 40

§

22

§ 29—30.

Vijfde declinatie.

Singularis,

Pluralis.

Nom.

Gen.

Dat.

Ace.

Voc.

Abl.

es

er um eb us es e s

ebus

es

ei

ei

era

es

e

van verbuiging.

Pluralis.

Voorbeeld

Singularis.

die s. dier um. die bus. di es. dies. dië b us.

N o m.

Gen.

Dat.

A c c.

Voc.

Abl.

dies, de dag.

di ei. diöi. diem dies. di e.

§ 29. Slechts dies en res, zaak, hebben een volledig meervoud; van acies, s^cK/orcZe, effigies, beeltenis, facies, series, reeks en spes, hoop, komen bij goede prozaschrijvers in het meervoud slechts de nom. acc. en voc. voor. Van de overige woorden dezer declinatie zooals meridies, middag, gla-c i e s, ijs, bestaat geen meervoud. Deze woorden dienen tevens tot voorbeelden van verbuiging.

Aanmerking. In plaats van op ei gaat de gen. siug. soms uit op e of i. De dat. sing, gaat soms uit op e.

§ 30. Quantiteit van de paenultima der uitgangen van de vijf declinaties.

1°. De voorlaatste lettergreep der dativi en ablativi op ïbus en übus is kort. B.v. leg ïbus, quereübus; op abus en ëbus lang. B.v. filiabus, diëbus.

2°. De voorlaatste lettergreep der genetivi op arum, örum, ërum is lang. B.v. mensarum, puerorum, diërum.

3°. Van den uitgang ei der vijfde declinatie is de e lang, zoo er vóór e een vocaal staat. B.v. diëi; doch kort, zoo er vóór e een consonant staat. B.v. fidëi.

4°. De vocativi op ai en ëi van de eigennamen der tweede declinatie op a jus en ejus hebben de voorlaatste lettergreep lang. B.v. Gai, Pompei.

ocr page 41

Onregelmatige declinatie.

23

§ 31—33.

ö

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE ONREGELMATIGE DECLINATIE.

§ 31. Samengestelde declinatie.

Wanneer een substantivum samengesteld is uit twee woorden, die beiden in den nom. staan, worden beide woorden gedeclineerd. B.v. respublïca, yemeenebest, gen. reipublïcae, dat. rei-publïcae, enz.; j usjurandum, eed, gen. jurisjurandi, dat. jurijnrando, enz. Vgl. § 148.

Zoo een substantivum samengesteld is uit twee woorden, waarvan het eene in den nom. en het andere in den gen. staat, wordt alleen het woord in don nom. gedeclineerd. B.v. jurisconsult ns, rechtsgeleerde, gen. juris consulti, dar. jurisconsult o, enz. Evenzoo senatus c o n s ul tu m , raadsbesluit, ple-biscïtum, volkshesluit.

§ 32. Substantiva indeclinabilia.

Tot de substantiva, die niet verbogen kunnen worden, be-iiooren:

10. de namen dor letters, sommige vreemde woorden, zooals: manna en vele Griekse he woorden op i en y. B.v. gummi, gom, asty, de stad (Athene). Van deze woorden bestaan echter meermalen verbuigbare bij vormen, zooals van gummi: gum en, ïnis, gumma, atis, gummis, is.

2°. vele vreemde, vooral Heb reeuwsch e eigennamen, zooals: Judith, B e t h 1 e ë m. Die eigennamen , welke een L a t ij n-s c h e n of Griekse hen uitgang hebben, zooals Maria, Joannes, Judas worden naar de eerste of derde declinatie verbogen.

Soms nemen vreemde eigennamen met onverbuigbaren uitgang een Latijnse hen uitgang aan en kunnen dan verbogen worden. B.v. A bra ham us, Judith a. David, Daniel en Gabriel blijven in den nom. gewoonlijk onveranderd en worden verder regelmatig naar de derde declinatie verbogen. B.v. gen. Davïdis, Daniëlis, Gabriëlis. Jesus heeft in den acc. Jesum, in de overige naamvallen J e s u.

§ 33. Singularia tantum.

Tot de sulistantiva, die slechts in het enkelvoud voorkomen, behooren:

10. de namen vau afgetrokken denkbeelden, die slechts enkelvoudig gedacht worden, zooals de namen van deugden, ondeugden, wetenschappen. B.v. sapientia, wijsheid, pudor, schaamte.

ocr page 42

Pluralia tantum.

Men gebruikt echter iu het Latijn de nomina abstracta in het meervoud:

«.wanneer et aangeduide denkbeeld op meerdere personen betrekking heeft. B.v. Cornelius Nepos vitas multorum illustrium imperatorum descripsit, Cornelius Nepos heeft het leven van vele aanzienlijke veld hee ren beschreven. Ineurres in o d i a h o m i ti u m , gij zult den haat der menschen heloopen. Inimicitiae acerbissimae erant inter Eomanos et Carthaginienses, er bestond een zeer hevige vijandschap tusschen de Romeinen en de Carthajers.

Dichters zetten soms voor de deftigheid een meervoud, al wordt er maar van één enkele zaak gesproken. Men noemt dit een pluralis majestaticus. B.v. liector Olympi non agat hos currus, {den zonnewagen).

h. wanneer men verschillende soorten of uitingen van een afgetrokken denkbeeld wil aanduiden. B.v. sommis et qnietes cetërae, de slaap en de overige soorten van rust-, ti mi dit at es, uitingen van vrees; irae, uitvallen van toorn; amoros, liefdesbetuigingen; mortes, sterfgevallen.

2°. de stofnamen, zooals: aurum, goud, nix, sneeuw. Men gebruikt echter hot meervoud om de stofsoorten uit te drukken of de voorwerpen, die uit zekere stof vervaardigd zijn. B.v. sales, verschillende zouten; lig na, houtsoorten; aera, koperen instrumenten; c e r a e , wassen beelden ; 1 a r d a, zijden gerookt spek.

Als stofnamen worden ook beschouwd do namen van tuin- en veldvruchten en der voortbrengselen van akkerbouw en veeteelt, wanneer men namelijk aan de geheele soort denkt. B.v. Hae villae abundant porco, haedo, agno, ga 111na, deze landgoederen zijn rijk aan varkens, bokken, lammeren en kippen. Catinus cicSris, een schotel erwten, i

3°. de nomina propria, tenzij men daardoor meerdere personen wil aanduiden, die denzei fdon naam dragen of die zekere gelijkenis met een bepaalden persoon hebben. B.v. Tres Scipiönes, de drie Scipio's. Cicerones, redenaars als Cicero.

4°. verschillende op zich zeiven staande woorden, zooals: album, register, apparatus, toebereidselen , f a m a, gerucht {afzonderlijke geruchten heeten rum or es), justitium, de vacantiedagen bij het gerecht, le tuin, dood, mundus, kaptafelgereedschap, s p e c ï m e n, proef, stalen, sup el lex, huisraad, ver, lente, vesper of vespöra, avond, vest is, kleeding (de afzonderlijke kleedingstukken heeten vestimenta).

5°. Meermalen staan ook algemeeue benamingen van militairen in het enkelvoud in plaats van iu het meervoud. B.v. miles, eques, pedes, hostis.

Aanmerkingen. De benamingen van het lichaam en de lichaamsdeel en, die in het Nederlandsch gewoonlijk in het enkelvoud gebruikt worden, zetten de Latijnen gaarne in het meervond, wanneer zij opmeer dan één persoon betrekking hebben. B.v. Milites terga dant, corpora cu rant. Men vindt echter bij de beste schrijvers ook liet enkelvoud. B.v. Animadvertit Sequanos capite demisso ter ram intu eri.

§ 34. Pluralia tantum.

Tot de. substantiva, die alleen of gewoonlijk in het meervoud voorkomen, behooren:

24

ocr page 43

Pluralia tantum.

25

§ 34.

1°. verschillende namen van personen, waarbij de Latijnen zoowel als de Nederlanders aan een veelvoud donken. B.v. caelïtes, de hemelingen, e x c u b i a e, wacht, g e ra ï u i, tweelingen, i n f ë r i, de be-woners der onderwereld, 1 i b ë r i, kinderen, iomüres, spoken, m a j ö r e s, voorouders, man es, de schimmen der afgestorvenen, optimates, de aanzienlijken, p e u iï t e s , huisgoden, p o s t ë r i. nakomelingen, primöres, de aanzienlijken, procëres, de aanzienlijken , s u p ë r 1, de bewoners der bovenwereld.

2°. do namen van bepaalde dagen, zooals: K a 1 e n d a e, de lstu dag der maand, Nonae, de ö11® of 7lle dag der maand, Idus, de 13Je of 15de dag der maand, nundtnae, marktdag, foriae, vacantie; de namen van feesten en feestelijke spelen, zooals: Bacchanalia, het feest van Bacchus, natalitia, verjaarfeest, spon sal ia, verlovings-tnaal; verschillende namen van volken, eilandengroepen, gebergten, steden, zooals : Aborigines, Baleares, A1 p e s, A t h ë n a e,

Squot;. verschillende namen van samengestelde zaken, wier samenstellende deelen de Latijnen zich of niet voorstelden of met andere woorden aanduidden. Het begrip van vele dezer woorden drukken ook wij in het meervoud uit. De voornaamste dezer woorden zijn: altar ia, altaar, ambages, omweg, a n g u s t i a e, bergpas, ar g u t i a e, spitsvondigheid, ar ma, wapenen, ar m a m en t a, scheepstuig, art us, gewrichten, balnea e, badhuis, b e 11 a r i a, dessert, b i g a e, tweespan, b i a n d i t i a e, liefkoozingen, cai' ce 11 i, traliewerk, canj , grijze haren, gt;■.ass_es , jagersnet , cervices, nek, c, 1 a t h r i, traliën, clitellae, pakzadel, c o-dicilli, briefje, compëdea, voetkluister, ere pun dia, speelgoed, cunabüla, wieg, cunae, ivieg, deliciae, vermaak, d i r a e, vloek, d i v i t i a e, rijkdom, e x t a, ingewanden, exseq uiae, begrafenis, e x u-v i a e . buitgemaakte welpenen, facetiae, aardigheden, fauces, keel, fasti, kalender, almanak, fides, lier, fores, dubbele deur, fori., rijen banken, f o r i a. uitwerpselen , grates , dankbetuiging, Hia, onderlijf, i II o c ë b r a e , verleiding, incunabula, wieg, i n d u t i a e , wapenstilstand, induviae, kleederen, ineptiae, zotteklap, inferiae, lijk-olfer, i n s i d i a e , hinderlaag, intestlna, ingewanden , j u s t a, lijk-pleehtigheden , 1 o c ü I i, kistje, lustra, het leger van wilde dieren, manubiae, huit, minae, bedreigingen, m oen ia, stadsmuur, nngae, beuzelingen, parietin ae. ruine, phalërae, paardentuig, praecor-d i a, middenrif, pr aestigi a e , goochelarij, p r eces, gebed, p r im i t i ao, eerstelingen, pjijj i I l.sr o s, schrij fta fel, q uadrlgae, vierspan, quis-quiliae, ontuig, reliquiae, overblijfselen, renes, nieren, salinae, zoutgroeven, s c a 1 a e, trap, scopae, bezem, s cru t a, rommel, s e n t e s, doornstruiken, sorta, krans, s or des, morsigheid, spolia, huit, tonëbrae, duisternis, thermae, warme baden, tormina, kramp in het lijf, t r icae, potsen, u t e n s i 1 i a, gereedschap, v a 1 v a e, vleugeldeur, v e p r e s, doornstruiken, v e r b ë r a, geeselslagen, vindiciae, rechtvaardiging, v i r g u 11 a . houtgewas.

4°. eenige woorden, die in het meervoud eene van het enkelvoud afwijkende beteekenis hebben;

Pluralis.

Singularis.

a e d e s, tempel. aqua, water. a u x i I i u ra, hulp.

a e d e s, tempels, huis.

aquae, wateren, gezondheidsbron.

a u x i 1 i a , hulpmiddelen , hulptroepen


ocr page 44

26 Dcfectiva casïbus. § 35 ^ g

c a r c e r , kerker. oarcëres, sluitboom der renbaan. v00

c a s t r u m , kasteel. c a s t r a , legerplaats. (i(,

c o m i t i u m , vergaderplaats van het c o ra i t i a, volksvergadering. (

Komeinsche volk op het forum. Bj0( copia, voorraad, overvloed. copiae, troepen. ■ ,1.^

cupedia, snoepachtigheid. cupediae, lekkernijen. p|;, e p ü 1 u ni, openhaar feestmaal. o p ü I a e , gerechten.

facu 11as, geschiktheid. facultates, (tijdelijk) vermogen. gt; §

finis, grens. fines, grenzen, grondgebied.

fortuna, geluk. fortünae, (tijdelijk) vermogen. 1) e gratia, dankbaarheid. gratiae, dankbetuiging.

hortus, tuin. liorti, tuinen, buitenplaats. vc

impedimentum, beletsel. impedimenta, beletselen, bagage. ei( li11 ër a, letter. lit t i;r ae, letters, brief, letterkunde.

Indus, spel. 1 u d i, spelen, openhaar schouwspel. ' fei

naris, neusga t. u a r e s, neus. j u

ii a t Si li s, geboortedag. n a t El 1 e s , afkomst. re opera, moeite. o p 6 r a o, werklieden.

(ops), hulp. Vgl. § 24. o pes, schatten. [speelt). va

pars, deel. partes, deelen, partij, rol {die men

to strum, snavel, scheepssneb. rostra, het spreekgestoelte op het

tabiila, plonk. tabulae, rekeningboeken. (forum. gi

tempus, tijd. tempora, slapen aan het hoofd. r i

§ 35. Defectiva casibus. ^ g(

ïot de substautiva, die een of meer casus missen, beboeren: h(

1°. sommige substantiva, waarvan de n o m. sing, ontbreekt. B.v. m

(daps), dapis, spijs, (dieio), die io nis, heerschappij, (frux), frugis, (V veldvrucht, (iuternecio), inter u eci o n i s, (pollis) , pollïnis,

fijn meel. Van vicis (gen.), beurt, afwisseling, ontbreekt behalve den di

nom. ook de dat. sing, en de gen. plur. ci

2°. verschillende woorden, die slechts in den nom. en a c c. voor- ei komen, namelijk: de Grieksche neutra op os en es in het enkel- ft voud en op e in het meervoud , zooals: cacoëthes, kwaadaardige ziekte, jc cetos, (een groote zeevisch), Tempe, (dal in Thessalië); vervolgeus h het meervoud van sommige monosyllaba, als: nee es, verschillende soorten van een geweldigen dood, tura, wierookkorrels • eindelijk de woor- o . den fas, goddelijk recht, nef'as, onrecht, nihil, niets, (voor de out- r brekende casus van nihil gebruikt men uu 11 a res), in st ar, evenbeeld., s vorm, voorkomen. B.v. Navis urbis instar habere videtur.

Bijzonder wordt dit woord gebruikt in de beteekenis van als, zooveel als, t

zoogoed als, doch slechts iu verbindingen, waariu het als n o m. of acc. t te verklaren is. B.v. Aclilvi equuni montis instar aedificave-

runt. Plato mihiunus est instar omnium philosophorum. z

Men zegge niet: ad instar. 8

3°. verschillende substantiva, die slechts in bepaalde verbindingen voor- c

komen, zooals: d i c i s causa,/» schijn, rdineïtasredigere, c

het uiterste brengen, infitias ire, loochenen, venum dare, verkoopen, i venum ire, verkocht worden, pessum dare, te gronde helpen, pes-sum ire, te gronde gaan, spon te, vrijwillig, dat gewoonlijk slechts n den abl. en wel in verbinding met een pronomen possessivum

ocr page 45

§ 3C. Abundantia. 27

voorkomt. B.v. Vidua se pejcrasse sua spon te professaest' de weduwe bekende vrijwillig dat zij ten valschen eed had gedaan.

Ook verdient nog genoemd te worden liet substantivum m a n e, ochtend, dat sleelits in den nom. aoo. en abl. sing, voorkomt, en nemo, niemand, dat slechts in den nom. dat. en ace. s i n s'. mag gebruikt worden. In plaats van nemïnis zegt men nullTus en in plaats van nomine nullo.

§ 36. Abundantia.

Tot de substantiva, die verschillende vormen van gelijke beteekeuis hebben, behooren:

1°. de heteroclïta of substantiva, die mot denzelfden of met een verschillenden ncminativus op verschillende wijze verbogen worden.B.v. elephantus, i. elephas, antis (slechts inden nom.

gebruikelijk), olifant.

femur, oris. fenien, ïnis (niet inden nom.), dij.

juventus, ütis. juvcnta, ae (dichterlijk) jeugd.

requies , et is. roquies , ei (slechts in den a cc. en

abl. requiem, requie), rust. vas, vasis (in het meervoud niet vasum, i (in liet enkelvoud niet ge-gebruikelijk). bruikelijk), vat.

Verder verschillende substantiva, die naar do lsk' en 5'le declinatie gaan, zooal s: barbaria en barbar ies, ruwheid, 1 u x u r i a en luxuries, weelderigheid, materia en materies, stof. Gewoonlijk worden van de vormen der Squot;16 declinatie slechts de nom. acc. en abl. sing, gebruikt.

2°. de heterogenea of substantiva, die een verschillend geslacht hebben. B.v. bacillum, n. en baculus, m. stok, commentarius, m. en commentarium, n. geschrift, cubitus, m. en cubïtum, n. (bijzonder als maat), elleboog.

De volgende woorden hebben in het meervoud een ander geslacht dan in het enkelvoud:

carbasus, i, f. lijnwaad. Plur. carbasa, n.

caelum, i, n. hemel. „ caeli, ni.

frenum, i, n. gebit. „ freni, m. en frena, n.

jocus, i, m. scherts. v joci, m. en joca, n.

locus, i, m. plaats. „ loci, in. plaatsen in boeken en

oorden; loca, n. alleen oorden. ostrea, ae, f. oestegt;k. „ ostreae, f. en ostrea, n.

rastrum, i, n. hark. „ rastri, m. en rastra, n.

sibilus, i, m. gesis. „ sibïli, m. endichterljj k ook

sibïla, n.

tartarus, i, m. onderwereld. , tartara, n.

tonïtrus, us, m. donder. „ tonitrua, n.

3°. sommige woorden, die heteroclita en heterogenea te gelijk zijn. B.v.

alimonia, ae, f. en alimonium, i, n. voeding.

cingüla, ae, f. en cingülum, i, n. gordel.

contagium, i, n. en contagio, onis, f. besmetting.

menda, ae, f. en mendum, i, n. schrijffout.

ocr page 46

28 Geslachtsregels. § 37—38.

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE GESLACHTSREGELS.

Algemeene regels.

§ 37. Mannelijk zijn de namen van mannen, volken, maanden, rivieren, bergen en wi n den. B.v. ^o'étdichter, Persa, een Pers, Januarius, Januari, Garumna, de Ga-ronne, Atlas, het A tlasgehergie, a q u 11 o, noordenwind.

Uitzon derlugeu. Vrouwelijk zijn o p 6 r a e, v i g i-

liae en oxcubiae, wacht, copiae, troepen, verdor Styx en Let he, twee rivieren der onderwereld, en eenige rivieren op a der eerste declinatie , zooals: A11 i a.

Zoo bij de namen der bergen geen mons staat, hebben zij gewoonlijk het geslacht van hunnen uitgang, zooals Ida of I d e, f. P e 1 i o n, u.

Onzijdig zijn acroïïma, grappenmaker, auxilia, hulptroepen, mancipium, slaaf.

§ 38. Vrouwelyk zij n de namen van vrouwen, boo men, gewassen, steden, landen en eilanden. B.v. mater, moeder, querous, eik, Babylon, Italia, Cyprus.

Uitzonderingen. Van de namen van vrouwen, zijn onzijdig scortum en prostibülum, welke woorden een slechte vrouw aanduiden.

Van de namen van boom en en gewassen zijn onzijdig die op um der tweede en die op er der derde declinatie, alsmede robur, eik.

Mannelijk zijn dumus, doornstruik, calitmus, riet en enkele anderen.

^an de namen van steden zijn

m a n n e 1 ij k:

1°. de pluralia op i, als: Argi, Delphi.

2°. vier op o: Hippo, Nar bo, ïrusïno, Sulmo.

3°. Tunes en Canüpus, eenige op us,.untis, als: Pesslnus en op us, i, als: Stympbalus en soms ook Marathon.

ouzij dig:

1°. die op um en de Grieksche op on, als: Tuscttlum, Ilion.

2°. de pluralia op a, als: Susa.

3°. die op e en ur van do derde declinatie, als: Praeneste, Tibur.

4°. de indeclinabilia op i en y, als: llliturgi, A.sty.

Van de namen van landen zijn

man n el ij k: Bosporus, Pontus, Hollespontus èn Isthmus.

onzijdig: de enkelvoudige op um en de meervoudige op a, als: Latium, Bactra.

Van de namen van eilanden zijn onzijdig eenige op um, alsmede Delta.

ocr page 47

§ 39—40. Geslachtsregels. 29

§ 39. Sommige namen van personen hebben een dubbel geslacht. Deze snbstantiva, welke c o m m u n i a worden genoemd , kunnen zoowel een man als een vrouw aanduiden. Zij zijn voornamelijk:

adolescens, jongelincf, meisje, hospes, gastheer, gastvrouw. affïnis, schoonbroeder, schoon- index, aanbrenger, aanbrengster.

{zuster, i n fa n s, kind (beneden 7 jaar), antistes, opperpriester, opper- interpres, tolk.

{priesteres. j u v ë n i s, jongeling, meisje.

a. r t i f e x, kunstenaar, kunstenares, parens, vader, moeder.

civis, burger, burgeres. patruëlis, neef, nicht.

comes, gezel, gezellin. p r a e s u 1, bestuurder, hestuur-

conjux, echtgenoot. (deres.

contubernalis, tentkameraad, sacerdos, priester, priesteres. c o n v ï v a, gast. s a t e 11 e s, begeleider, begeleidster.

dux, leidsman, leidsvrouw. v a t e s, waarzegger, waarzegster.

he res, erfgenaam. v index, wreker, wreekster.

Van antistes en hospes komen voor het vrouwelijk geslacht ook de vormen antistita en hospita voor.

§ 40. Verscheidene namen van personen iiebben voor het mannelijk en vrouwelijk geslacht een verschillenden uitgang. Zij worden mob ilia geheeten. Zoo het mannelijke substantivum op us of er uitgaat, heeft het vrouwelijke den uitgang a. B.v. eoquus, kok, co qua, keukenmeid, magister, leermeester, magistra, leermeesteres. Eindigt het mannelijke substantivum op tor, dan gaat het vrouwelijke uit op trix. B.v. victor, overwinnaar, victrix, overwinnares. Nutrïtor, opvoeder, heeft echter nu trix, voedster.

De volgende mobilia wijken van dezen regel af:

avus, grootvader a via, grootmoeder.

c a u p o, waard. c o p a, waardin.

cliens, beschermeling. clienta, beschermeling.

fidïeen, snarenspeler. fidicïna, snarenspeelster.

1 e n o, koppelaar. 1 e n a, koppelaarster.

nepos, kleinzoon. n e p t i s, kleindoch ter.

poëta, dichter. poëtria, dichteres.

p s a 11 e s, snarenspeler. p s a 11 r i a, snarenspeelster.

p u e r, knaap. p u e 11 a, meisje.

ocr page 48

*

Pf

•v-

§ 41—42.

Geslachtsregels.

30

rex, koning. reglna, koningin.

so eer, schoonvader. socrus, schoonmoeder.

t i b ï c e a, fluitspeler. t i b i c ï n a, fluitspeelster.

§ 41. Onder de namen van dieren vindt men:

10. c o m in u n i a. Hiertoe behooren; bos, os, koe, c a n i s. hond, teef, elephantus, olifant.

2°. in obilia. Hiertoe behuoren :

a g ii a, wijfjeslam.

a g n u s, lam.

a r i e s, ram. caper, bok.

cat us, kater.

c e r v u s, hert. columbus, doffer. e q u u s, hengst. gallus, haan. haedus, hokje. juvencus, var. 1 e o, leeuw. t au rus, stier.

o v i s, ooi.

c a p r a, geit. fel es, kat. eer va, hinde. c o 1 u m b a, duif. e q u a, merrie. g a 111 n a, kip. capella, geitje. j u v e n c a, vaars.

u r s u s , beer. vitülus, kalf.

1 e a e n a, leeuwin.

v a c c a, koe.

ursa, herin.

v i t ü 1 a, kalf.

3°. epicoena. Hieronder verstaat men de namen vau dieren, welke voor de twee natuurlijke geslachten slechts één taalkundig geslacht hebben. Zoo zjjn de woorden eorvus, raaf, passer, musch, tardus, lijster, masculina, ook al worden zij gebruikt voor een vrouwelijk dier en de woorden aquïla, arend, a.i\a,s, eend, vulpes, vos, feminina hetzij zij gebruikt worden vooreen tn a mietje of een wijfje. Zoo men bepaald wil uitdrukkeu, dat men een mannelijk of een vrouwelijk dier bedoelt, moet men bij den naam van het dier het woord mas of femïna voegen. B.v. anas mas, waard, anas fem in a, eend.

§ 42. Onzijdig zijn:

1°. de substantiva i n d e cl i n a b i 1 i a met uitzondering van de namen van personen. Vgl. § 32. De namen der letters worden soms vrouwelijk gebruikt door er littëra onder te verstaan. B.v. D u a e T.

2°. de woorden, die alleen als woorden worden beschouwd zonder op hunne beteekenis te letten. B.v. Pater est masculinum, het woord vader is mannelijk.

3°. de woorden, die geen nomina zijn en als substantiva gebruikt worden. B.v. Ultimum vale, het laatste vaarwel. Tuum scire, uw weien.

ocr page 49

Geslachtsreyels.

Bijzondere regeis.

De bijzondere regels gelden niet voor de woorden, wier geslacht reeds bepaald is door de algemeene regeis.

Eerste declinatie.

§ 43. Do woorden op a eu e zjjn vrouwelijk, die op as en es manneljjk. Behalve de uitzouderiiigen volgens de algemeene regels, zooals de namen vau mannen en volken, is nog mannelijk op

a H a d*! a, de Adriatische zee.

Tweede declinatie.

§ 44. De woorden op er, i r, us, os, e u s zij q m a n n e 1 ij k, die op um en on zijn onzijdig.

Behalve de uitzonderingen volgens de algemeene regels zijn van de woorden op us

vrouw elijk:

1°. vier zuiver Latijnsche woorden: alvus, buik, colus, spinrokken, humus, grond en v a n n u s, wan.

2°. verscheidene uit het Grieksch afkomstige woorden. B.v. antidötus, tegengif, at ö mus, ondeelbaar lichaam, dialeotus, tongval, erëraus, woestijn, exodus, uitgang, m e t h ö d u s, leerwijze, periödus, volzin, p h a s é 1 u s, scheepje, s y n ö d u s, vergadering.

o n z ij d i g:

pelagus, zee, virus, eu gewoonlijk vulgus, (/mem, welke

woorden tevens het meervoud missen.

Oerde declinatie.

§ 45. Mannelijk zijn de woorden op o,or, os, er, benevens de imparisyllaba op es. B.v. serino, gesprek, cal or, warmte, flos, bloem, passe r , musch, paries (etis), tvand.

Uitzonderingen op o:

De woorden op do, go, i o zijn vrouwelijk; daarbij earo en echo zijn het evenzoo;

doch m a n n e 1 ij k zij n h a r p a g o ,

ordo, car do, scipio,

stellio, septentrio,

m a r g o, 1 i g o , p u g i o ,

t i t i o, p a p i 1 i o,

u n i o, c u r c u 1 i o ,

scorpio, vespertilio,

alsmede do substantiva op io, die een getal aanduiden, zooals: t e r-nio, drietal.

Uarpitgo, haak, ordo, volgorde, cardo, hengsel, scipio, staf, stellio, sterhagedis, septentrio, noorden, margo, rand, ligo, spade, pugio, dolk, titio, brandend stuk hout, papilio. vlinder, unio, parel, curculio. koren-worm, scorpio , schorpioen , vespertilio, vleermuis.

§ 43 45

ocr page 50

Geslachtsregels.

Uitzouderiugeu op or:

Neutra zijn er vier op or:

m a r m o r, a e q u o r, a d o r, c o r.

Femiuini geueris is slechts arbor, arböris.

Marraor, manner, aeiyior, vlakte., ad')r, spelt, cor, hart, arbor, boom.

Uitzouderiugen op o s:

F e m i u i ii a zij n op os deze drie: cos, dos, eos,

doch os (oris) en os (ossis)

zijn neutrius generis.

Cos, wetsteen, dos. huwelijksgift, eog, dageraad.

Uitzonderingen op er:

Neutra zijn er veel op er:

ver, cadaver, iter, tuber,

cicer, piper, siser, uber,

zingiber, suber, papaver,

ver ber, acer, si Ier, spin ter.

Man- en vrouwelijk is linter.

Ver, lente, cadaver, lijk, iter, reis, tuber, gezwel, cicer, grauwe erwt, piper, jiefer, siser, suikerwortel, uber, nier, zingiber, gemier, papaver, maunkop, suber, kurkboom, verber, (gewoonlijk in het meervoud) slag, acer, ahornboom, siier, wilg, spinter, armband, linter, boot.

■Uitzonderingen op es;

Een is neutrum, naamlijk: aes^

doch feminina: reques,

quies, ra er ces, merges, teges,

c o m p e s, i n q u i e s en s e g e s.

Aes, koper, requies en quies, rust, merces, loon, mergas, schoof, teges, rietmat, compes, (gewoonlijk in het meervoud) voetkluisters, inquies, onrust, seges, zaadveld.

§ 46. Vrouwelijk zjjn de woorden op as, aus, is, x, ys, de pa-risyllaba op os, benevens do woorden op s mot voorafgaauden mode-klinker. B.v. aetas, leeftijd, laus, lof, auris, oor, radix, wortel, chely s, luit, nu bes, wolk, hiems, winter.

Uitzouderingen op as:

Drie zijn er ra a n u e 1 ij k op as:

as, a d Jl m a s en o 1 e p h a s.

Vas (vasis) echter, fas, no fas zijn neutra met dou uitgang as.

As, een-as (kopergeld), adamas, diamant, elcphas, olifant, vas, vat, fas, goddelijk recht, nefas , onrecht.

Uitzonderingen op is:

Vele woorden zjjn op is masculini geueris:

panis, penis, crinis, finis,

ignis, lapis, pulvis, ei nis,

or bis, am nis en natalis,

sanguis, unguis, glis, annalis,

fascis, axis, funis, ensis,

82

ocr page 51

Gedachtsreyels.

f u s t i s, v o c t i s, v o m i s , m e u a i s,

vermis, eucümis en torris,

postis, mugïlis en follis,

cassis, assis, callis, collis,

sentis, piscis en molïiris,

eau lis, cossis en canïilis.

Man- en vrouw lijk: auguis, torquis,

canis, tigris, pedis, pollis,

c o r b i s en ook nog a q u it 1 i s.

Panis, brood, penis. staart, eriuis, haar, finis, einde, ignis, vuur, lapis, steen, pulvis, stof, eiuis, asch, orbis, hrimj, am nis, stroom, natalis, (je.boortedag, sanguis, bloed, unguis, nayel, glis, rat, annalis (gewoonlijk in liet meervoud), jaarboek, fuscis, bundel, axis, as (vau een rad), funis foiiw, ensis, zwaard, fustis, stol:, yectis, hefboom, vomis, 'ploegschaar, mensis, maand, vermis, worm, cucïimis, komkommer, torris, brandend hout, postis, deurpost, muir'üis (zekere zeevisch), follis, blaasbalg, eassisi (gewoonlijk in het meervoud), jagersnet, assis. plank, callis, voetpad, collis, heucel, sentis, doornstruik, piscis, visch, molrtris, molensteen en kies, caulis, stronk, oossis, houtworm, canïilis, kanaal, an^uis, slang, toi-qnis*,quot;Italsketen, camf^Tond, tigris, tijger, pedis, luis, pollis, stuifmeel, eorliis, korf, a_qualis, watervat.

Uitzonderingen op x;

Jlet x zijn manlijk die op ex,

bij voorbeeld: codex, ver vex, gr ex,

doch vrouw lijk blijven lex en nex,

su pel lex, forf.Qji., faex eu prex.

Manlijk zijn op ix, yx: calix,

fornix, phoenix, bombyx, varix,

calyx, coccy3_, oryx, sorix.,

ook tradux, thorax en op unx:

fl e u ii x. quincunx en ook s e p t u n x.

Codex, • boek, vervex, hamel, grex, kudde, lex, wet, nex, geweldige dood, supellex, huisraiul, forfex, schaar, faex, droesem, prex (gewoonlijk in het meervond), gebed, calix, kelk, fornix, gewelf, phoenix (een fabel-achtige vogel), bombyx, zijdeworm, varix, aderspat, calyx, bloemkelk, coccyx, koekoek, oryx, gazel, sorix (soort van uil), tradux, wijngaardrank, thorax, borstharnas, deunx, (luincunx, septunx (onderdeelen der as).

Uitzonderingen op de parisyllaba op es;

Masculina zjjn op es:

vep r es en acinftces,

v e r r e s en ook g a u s ftp es.

Man- en vrouwTifk is palumbes.

Vepres (gewoonlijk in het meervoud), doornstruiken, acinaces, Perzische sabel, verres, everzwijn, gausSpes, doek, palumbes, houtduif.

Uitzonderingen op de woorden op s mot voorafgaanden medeklinker: Manlijk zjju op ons en eus:

fons, mons, pons, deus, confluens,

bidens, tridens, oeeïdens,

r ii d en s. tor reus, oriens,

verder ch al y p s, gr yp s, hydrops,

en ten laatste ook epop_s.

33

ocr page 52

Geslachlsregels.

§ 47—48.

34

Fous, bron, mous, herg, pous, brug, deus, tand, confluens, plaats, waar zich twee rivieren vereenigen, bideus, gaffel (in do beteekenis van tweejarig schaap is het vrouwelijk), trideus, drietand, occïdens, westen, rudens. kabeltouw, torreus, bergstroom, orieus, oosten, dial yds , staal, gryps, grijpvogel, hydrops, waterzucht, epops, hoppe (eeu vogel).

§ 47. Onzijdig ziju de woordeu op a, e, i, y, c, 1, n, t, ar, ur, us. B.v. arf)ma, specerij, mare, zee, sinapi, mosterd, truffel,

1 a c, melk, v e c t T g a 1, belasting , carmen, gezang, caput, hoofd, cal car, spoor, robur, kracht, pectus, borst.

Uitzonderingen;

Mannelijk zijn op letter 1:

de woorden sol, sal en mngil.

Ook ziju er elf op letter n:

ren, pacten, Hen, attitgeu,

paean, canon, agon, lichen,

li o r I z o u en ook gnomon, s p 1 e n.

Vijf op ur, als: fur en furfur,

astur, vultur en ook turtur.

Vervolgens ziju er vier op us:

mus, polypus, 1 e p u s, tripus.

Doch feminina zijn op us:

juventus, virtus, servïtus,

pecus, (pecüdis) en salus,

senectus, palus en incus,

tellus en meestal sus eu gr us;

eindelijk de woorden sindou,

alcyon eu ook aëdon.

Sol., zon, sal (Vgl. § 21. 2°.), mugil. (zekere zeevisch), ren (gewoonlijk in het meervoud), nieren, pecten, kam, lieu , milt, attagen, korhoen, paeau, lofzang, canon, richtsnoer, agon, wedstrijd, lichen, dauwworm, horizon, gezichteinder, gnomou. zonnewijzer, splen, milt, fur, dief, furfur, zemelen, astur (soort van havik), vultur, gier, turtur, tortel, mus, muis, polvjmg. polgp, lepus, haas, tripas, drievoet, juventus, jeugd, virtus, kracht, servïtus, slavernij, pecus, ttdis, een stuk vee, (pecus, oris, n. het vee als soort, de-schapen), salus, heil, senectus, ouderdom, palus, moeras, incus, aanbeeld, tellus, aarde, sus, zwijn, grus, kraanvogel, gindon, fijn lijnwaad, alcyxm , ijsvogel, aëdon , nachtegaal.

Vierde declinatie.

§ 48. De woorden op us ziju mannelijk, die op u onzijdig.

Uitzonderingen op us:

Slechts feminina zijn op us:

quinqnatrus, tribus, portïcus,

a c u s, domus, I d u s, m a n u s.

Man- en vrouwlijk: peuus, specus.

Quinquatrus (slechts iu het meervoud), zeker feest ter eere van Minerva, tribus, volksstam, portïcus, galerij, acus, naald, domus, huis, Idus (slechts iu het meervoud), de IS'1quot; of ISquot;1quot; dag der maand, manus, hand, peuus, levensvoorraad, specus , hol.

ocr page 53

Verbuiging der adjectiva.

35

§ 49—51.

Vijfde declinatie-

g 49. Alle woorden dezer declinatie zijn vrouwelijk behalve meri-dies, middag, dat man nel ijk is. Ook dies is mannelijk; wauneor het echter in het enkelvoud een bepaalden dag aanduidt of termijn beteekent, wordt het meermalen vrouwelijk gebruikt.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVER HET ADJECTIVUM.

1. Over de declinatie der adjectiva.

§50. Evenals in het Nederlandsch moeten de adjectiva ook in het Latijn met hunne substantiva overeenkomen in geslacht, getal en naamval.

Sommige adjectiva hebben voor ieder geslacht een verschillenden uitgang. B.v. rex pulclier, de schoone koning, re gin a pulchra, de schoone koningin, templum pulchrum, de schoone tempel.

Andere adjectiva hebben twee uitgangen, één voor het ra asculinu m en f e ra i n i n u ra en één voor het n e u t r u m. B.v. v i r mor talis, de sterfelijke man, muiier mor talis, de sterfelijke vrouw, genus mortale, het sterfelijk geslacht.

Er zijn ook adjectiva, die slechts één uitgang hebben voor de drie geslachten. B.v. puer praestans, de voortreffelijke knaap, puella prae stans, het voortreffelijke meisje, don urn praestans, het voortreffelijk geschenk.

Adjectiva van drie uitgangen.

§ 51. De adjectiva van drie uitgangen gaan uit op us, a, um.

er, a, ura.

er, i s, e.

Die op us, a, ura en er, a, ura gaan in het mannelijk en onzijdig geslacht naar de tweede en in het vrouwelijk naar de eerste declinatie.

Die op er, is, e gaan in alle geslachten naar de derde declinatie. Zij hebben echter in den abl. sing, i, in den gen. plur. iuni en in den nom. acc. en voc. plur. van het neu-t r u ni i a.

ocr page 54

Verbaiginy der adjectivn.

§ 52.

Sing Noin. bonus, Gen. boni, D a t. bono, Acc. bonum, Voc. bone, A b I. bono, bona, bonum. bouae, boni. bonae, bono, bonam, bonum. bona, bonum. bona, bono.

Voorbeelden van verbuiging.

1.

bonus, bona, bonum, goed. u 1 a r i s.

Pluralis.

boni.

bonae.

bona.

bonorum.

bonarum.

bonorum.

bonis.

bonis.

bonis.

bonos,

bonas,

bona.

boni,

bonae.

bona.

bonis.

bonis.

bonis.


2.

pu 1 cher, pu 1 chra, pulchrum, schoon.

N. pulcber, pulchra, pulchrum. pulchri, pulchrae, pulchra. (x. pulchri, pulchrae, pulchri. pulchrorum, pulchrarum, pulchrorum D. pnichro, pulchrae, pul«hro. pulchris, pulchris, pulchris. A. pulchrum, pulehram, pulchrum. pulchros, pulchras, pulchra. \r. pulcher, pulchra, pulchrum. pulchri, pulchrae, pulchra. A. pulchro, pulchra, pulchro. pulchris, pulchris, pulchris.

3.

acer, acris, acre, scherp.

Nom.

acer.

acris.

acre.

acres,

acres,

a c r i a.

Gen.

acris,

acris.

acris.

a cri u m.

acri u m.

a c r i u m.

Dat.

acri.

acri.

acri.

acribus.

acribus.

acribus.

A cc.

acrem.

acrem,

acre.

acres,

acres,

acri a.

Voc.

acer.

acris.

acre.

acres,

acres.

a c r i a.

A b 1.

acri,

acri.

a o r i.

acribus.

acribus.

acribus.

52.

Aanmerkingen.

1°. Yolgens bonus gaan alle adjectiva op us behalve vetus (ëris), oud en in te reus (ütis), wat onder de huid is, die slechts één uitgang hebben.

2°. Volgens pulcher gaan alle adjectiva op er behalve a. de volgende, die naar acer gaan:

alacer, alftcris, aid ere, levendig.

cam pes ter, cam pest ris, campestre, in het open veld. celëber, Celebris, celëbre, beroemd.

eeler, celëris, celëre, snel.

equester, equestris, equestre, de ruiterij betreffend. palus ter, pal us tr is, palustre, moerassig.

pedester, pedestris, pedestre, het voetvolk betreffend.

ocr page 55

der adjectiva.

p u t r e, s a 1 ü b r e, s i 1 v e s t r e, ter res tre, v o 1 U c r e,

Verbuiging

putris, salübris, silvestris, terrestris, v o 1 ü c r i s,

§ 52.

puter, s a 1 ü b e r, silvester, terrester, v o 1 Tic e r,

37

verrot.

heilzaam, boschachtig, aardsch. gevleugeld.

alsmede de namen der maanden op er, zooals September.

Ce Ier heeft in den gen. plur. celerum in de uitdrukking tri-bunus celerum, hoofdman der ridders.

Sommige dezer adjectiva gaan in liet m a s c u 1 i n u m ook wel op is uit.

h. de volgen!e vier, die van één uitgang zijn:

congëner, gelijkslachtig. pauper, arm.

degen er. ontaard. uber, vruchtbaar.

3°. Alle adjectiva, die naar pulcher gaan, verliezen in de

ik draag, zijn afgeleid, zooals: frugifer, frugifëra, frugi-fërum, vruchtdragend, armïger, armigëra, armigërum, wapendragend. Dexter, rechtmh, heeft dextra en somtijds dextëra. Het adjectivum satur (gen. satüri) verzadigd, heeft satüra, satürum.

4°. Negen adjectiva hebben in den gen. sing, van alle geslachten ïus en in den dat. sing. i. Zij zijn:

alius, een ander (van meerderen), tot us, geheel.

alter, de ander (van twee). uil us, eenig.

neuter, geen (van beiden). unus, een.

nullus, geen (yau meerderen). uter, wie (van beiden), solus, alleen.

B.v. Nom. neuter, neutra, neutrum. Gen. neutrlus. Dat. neutri. A.cc. neutrum, neutram, neutrum.

verbuiging de

e, behalve:

alter.

a 11 ë r a,

a 11 ë r u m,

de ander.

asper,

a s p ë r a,

a s p ë r u m,

ruw.

exter,

e x t ë r a,

extern m,

uitheemsch.

gibber.

g i b b ë r a,

g i b b ë r u in,

bultig.

lacer,

1 a c ë r a,

1 a c e r u ra,

gescheurd.

1 i b e r,

libë ra.

1 i b ë r u ra,

vrij.

miser.

misera,

m i s ë r ura,

ongelukkig.

p r o s p e r ,

prospëra.

prospërura

, voorspoedig.

tener,

t enër a.

t e n ë r u m,

teeder.

benevens de

adjectiva op fer

en g e r, die

van fero en gero

ocr page 56

Verbuiging der udjectiva

38

§ 53—54.

Alius, alia, alïud (het neutrum is niet: alium) heeft in den gen. alius en in den dat. alïi.

Men spreke den gen. en dat. van alter uit: al ter lus, altëri.

In de samenstellitigen van uter: u ter que, elk (van beiden), utereunque, uterlibet en uter vis, wie (van beiden) ooi, wordt alleen uter gedeclineerd. B. v. ut er que, ut ra que, utrum que.

Van al ter li ter, een van beiden, wordt gewoonlijk slechts uter gedeclineerd. B.v. al ter u tra, al t er u tri us. Soms worden beide woorden gedeclineerd. B.v. alteriusutrlus.

Voorbeelden ter oefening.

celer.

liber.

macer malus

Hortus (i) pulcher, m, de schoone het snelle paard. Scriba (ae) bonus,

gna nubes (is), f. de groote wolk. Aliud templum (i), n. een ander tempel. Alt* lacus (us). het diepe meer.

Adjectiva van twee uitgangen.

§ 53. De adjectiva van twee uitgangen gaan uit op is, e. Zij worden verbogen volgens de derde declinatie, doch hebben in den abl. sing, i, in den gen. plur. ium en in den nom. acc. en voc. plur. van het neutrum ia.

Voorbeeld van verbuiging.

mortalis, mortale, sterfelijk.

albus, wit. alter.

probus, braaf. celëber.

zwart, klein.

mger,

parvus,

terrester.

uterlibet.

tuin. Equus (i) celer, m. m. de goede schrijver. Ma-

mager, slecht.

Singularis. ' M. en F. Nom. mortalis.

Gr e n. mortalis, D a t. mortali, A c c. mortalem, V o c. mortalis, Abl. mortali,

§ 54.

N.

mortale.

mortalis.

mortali.

mortale.

mortale.

m o r t a 1 i.

Aanmerkingen.

1°. Naar mortalis gaan alle adjectiva op is, ook het eenigs. zins onregelmatige dis, d i t e (gen. ditis), rijk, dat eve.nwel in den vorm dis bijna nooit voorkomt. Dit ia wordt altijd gebruikt als neutrum plurale van dives, terwijl gewoonlijk divïtum gebruikt wordt in plaats van ditium.

Pluralis. M. en F.

mortales,

m o r t a 1i u m, mortalibus,

mortalcs,

mortaies,

mortalibus.

N.

mortali a. mor tali um. mortalibus. m o r t a 1 i a. m o r t a 1 i a. mortalibus.


ocr page 57

Verhuigintj der adjecliva.

159

55—56.

2°. De adjectiva op is, die van namen van steden zijn afgeleid, hebben soms e in den abl.

Voorbeelden ter oefening.

brevis, kort. fortis, sterk.

dulcis, zoet. simïlis, gelijk.

Campus (i) viridis, m. het groene veld. Vir tenuis, m. de dunne man. Corpus (oris) debile, n. het zwakke lichaam. Mollis facies (ei) f. het zachte gelaat.

Adjectiva van één uitgang.

§ 55. Van één uitgang zijn alle adjectiva, die niet op us, er of is uitgaan, benevens vet us, in tere us, congener, de-gëner, pauper en uber.

Zij worden verbogen naar de derde declinatie, doch hebben, behoudens de uitzonderingen, in den abl. sing, i of e, in den gen. plur. ium en in den nom. acc. en voc. plur. vai; het neutrum i a.

Om deze adjectiva te kunnen declineeren moet men behalve den nom. ook den gen. kennen.

Voorbeeld van verbuiging.

felix (ïcis), gelukkig.

Singularis. Pluralis.

M. en F.

N.

M. en P.

N.

N om.

felix.

felix.

fellces.

fe 1 i cia.

G e n.

fellcis.

felicis.

felic i u m ,

felicium.

Dat.

fellci.

fellci.

felicibus.

felicibus.

A cc.

felïcem.

felix.

felices.

felicia.

Voc.

felix,

felix.

felices.

f e 1 i c i a.

Abl.

fellci of e.

f e H c i of e.

felicibus.

felicibus.

§ 56.

A a n m e r k i n!

^ en.

1°. Altijd of gewoonlijk hebben i in den abl. sing, de adjectiva op ans en ens, die oorspronkelijk participia waren, als: vigilans, waakzaam, sapiens, wijs; vervolgens die op plex, als: simplex, eenvoudig , alsmede ;

teres, he bes, par en ingens,

memor, concors, discors, recens,

iners, anceps, praeceps, repens,

inops, pervicax en audax,

atrox en trux en pertinax.

Teres, ëtis, langwerpig rond, hebes, ëtis, stofnp, par, is, gelijk,

ocr page 58

Verbuiginy der adjectiva.

40

§ 56.

ingens, ntis, groot, memor, öris, (jedacldig, concors, rdis, eendrachtig, discors, rdis, oneenig, reeens, ntis, versch, iners, rtis, ongeschikt, angt;;eps, cipïtis, tweehoofdig, praeceps, cipitis, steil, repens, ntis, onverwacht, inops, öpis, hulpeloos, pervïcax, acis, hardnekkig, audax, acis, vermetel, atrox, öois, gruwzaam, trux, ucis, woest, pertlnax, acis, hardnekkig.

Altijd of gewoonlijk hebben e:

s e n e x, pauper, c a e 1 e b s, li o a p e s,

princeps, ales, dives, sospes,

pubes, parti oeps en deses,

compos, i m p o s en s u p e r s t e s.

Senex, senis, oud, pauper, ëris, arm, caelebs, ibis, ongehuwd, hospes, ïtis, gastvrij, princeps, ïpis, eerste, ales, itis, gevleugeld, dives, vitis, rijk, sospes, ïtis, behouden, pubes, ëris, volwassen, partTceps, cïpis, deelachtig, deses, Idis, werkeloos, compos, pötis, meester over (iets), impos, pötis, niet meester over (iets), super-stes, stïtis, overlevend.

2°. In den gen. plur. hebben um de adjectiva, die altijd of gewoonlijk e hebben in den abl., de composita van par, zooals impar, imparum, en

uber, cicur (cictirum),

memor, supplex (supplicum),

vetus, immëmor, praeceps,

vigil, inops, artïfex.

benevens de adjectiva, die samengesteld zijn met substantiva, welke in den gen. plur. um hebben, zooals: degëner, ëris (van genus), ontaard, quadrüpes, ëdis, viervoetig, versicolor, öris, bont, bicorpor, öris (van corpus), uit twee lichamen bestaande, anceps, cipïtis (van caput), tweehoofdig. Loóilples, ëtis, vermogend, heeft um en ium.

Uber, ëris, vruchtbaar, cicur, üris, tam, memor, öris, gedachtig, supplex, ïcis, smeekend, vetus, ëris, oud, immëmor, öris, ongedachtig, praeceps, cipïtis, steil, vigil, ïlis, waakzaam, inops, öpis, hulpeloos, artïfex, ïcis, bekwaam.

3quot;. Vetus heeft in den nom. acc. en voc. plur. van het neutrum a.

Men raerke wel op, dat het neutrum plur. op ia der adjectiva van één uitgang slechts voorkomt van die op as, ans, ens, rs en x, bonevens van par, he bes, teres, locüples, quadrüpes, versicolor, anceps en praeceps;

ocr page 59

Over de vergelijkingstrappen.

41

§ 57-59.

Voorbeelden ter oefening.

clemens, ntis, goedertieren, ingens. superstes.

compos. mendax, acis, leugenachtig. velox, ocis, snel.

dives. quadrupes. vetus.

Miles (ttis) audax, m. de stmitmoedige soldaat. Manus (us) atrox, f. de vree gelijke hand. Volans (ntis) falco (onis), m. de vliegende valk. Uber ager (gri) m. de vruchtbare akker. Pertlnax aurïga (ae) m. de hardnekkige wagenmenner. Hebes coruu (us) n. de stompe hoorn.

§ 57. De volgende adjectiva zijn indeclinabilia: frugi, rechtschapen, n e q u a m, ondeugend, tot, zoovele, q u o t, hoevele, zoovele als, quotquot en quote un que, hoevele ook, aliquot, eenige, totïdem, even zoovele. Men zegge dus: N o m. homo nequam. Gen. homïnis nequam, enz.

De adjectiva tot, quot, enz., alsmede pauci, ae, a, weinige, plerïque, p 1 e r a e q u e, pleraque, de meeste of zeer vele, c e-tëri, ae, a, de overige en nonnul li, ae, a, eenige kunnen slechts bij meervoudige substantiva geplaatst worden.

Van plenque komen bij latere schrijvers ook de enkelvoudige vormen pleraque (nom. fem.) en pier unique (acc. masc.) voor. Somtijds wordt plerumque als snbstantivum gebruikt en zeer dikwijls als adverbium in de beteekenis van meestal. De gen. plur. is niet in gebruik en wordt vervangen door plurimorum, plurimarurn.

Het enkelvoud van ceteri komt slechts voor bij collectiva. B.v. cetera classis. De nom. van het mannelijk enkelvoud bestaat niet. Somtijds komt ook in het enkelvoud nonnullus voor.

§ 58. Wjnneer de adjectiva van één uitgang als substantiva gebruikt worden, volgen zij de declinatie der substantiva. B.v. A sapieate virtus semper maximi pendïtur, door den wijze wordt de deugd altijd het hoogst geschat. Par, een paar, heeft gewoonlijk pari in den a b 1. sin g.

II. Over de vergelijkingstrappen.

§ 59. Evenals in het Nederlandseh zijn ook in het Latijn drie vergelijkingstrappen:

de stellende trap, gradus positlvus. B.v. geleerd, doet us.

de vergrootende trap, gradus comparatlvus. 13.v. geleerder, d o c t i o r.

de overtreffende trap, gradus super la tïvus. B.v. zeer geleerd of het geleerdst, d o c t i s s I m u s.

De comparativus wordt gevormd door ior en de super-la t i v u s door i s s i m u s te voegen achter den stam van het a d-jectivum. Evenals bij een snbstantivum wordt de stam van een adjectivum gevonden door den uitgang van den genetivus singularis

ocr page 60

Over de ver gelijking strap pen.

42

§ 60.

weg te nemen. B.v. pro bus, braaf, probior, prob is sim u s; p r u d e n s, voorzichtig , prudent i o r , prudent i s s I m u s.

De comparativus heeft voor het mannelijk en vrouwelijk geslacht denzelfden uitgang. Voor het onzijdig geslacht verandert men or in us. B.v. probior, probius, prudentior, prudent! us. De verbuiging geschiedt volgens do derde declinatie. In den abl. sing, vindt men somtijds i in plaats van e.

Voorbeeld van verbuiging.

-

M. en F. N o m. probior, Gen. probioris, Dat. probiöri, A c c. probiörem, V o c. probior,

K probius. probioris. probiöri. probius. probius.

Abl. probiore (i), probiore (i).

M. en F. probiöres, probiorum, probioribus, probiores, probiores, probioribus,

N. probiöra. probiorum. probioribus. probiöra. probiöra. probioribus.


De superlativus heeft voor het vrouwelijk geslacht den uitgang a en voor het onzijdig den uitgang urn. B.v. probissï-mus, probissïma, probissïmum. De verbuiging geschiedt volgens bonus, a, um.

Over de onregelmatige vergelijkingstrappen.

§ 60. Op de gewone vorming der vergelijkingstrappen zijn de volgende uitzonderingen.

1°. De adjectiva op er vormen den comparativus regelmatig, doch den superlativus door er te veranderen in errïmus. B.v. miser, ellendig, miserior, miserrïmus; acer, scherp, acrior, acerrïmus; liber, vrij, liberior, liberrïmus.

20.- De adjectiva facïlis, gemakkelijk, difficïlis, moeilijk, si mi lis, gelijk, dissimïlis, ongelijk, gracilis, slank en burn i 1 i s, laag, vormen den comparativus regelmatig, doch den superlativus door ilis te veranderen in illïmus. B.v. facïlis, facilior, facilltmus. De overige adjectiva op ilis gaan regelmatig. B.v. utïlis, nuttig, utilior, utilissimus.

3°. De adjectiva op dïcus, ficus en völus van dico, facio .en volo vormen den comparativus op entior en den superlativus op entissïmus. B.v. male die us, kwaadsprekend, maledicentior, maledicentissimus; magnificus, prachtig, magnificentior, magnificentissïmus; benevölus, welwillend, bene v ole ntior, bene vo 1 en tissïmus. De adjectiva op d I c u s (waarbij de voorlaatste lettergreep lang is) vormen

I

ocr page 61

Over de verijelijldngstrappen.

43

dexter, rechtach. egënus, behoeftig-frugi, rechtschapen. juvënis, jong.

magnus, groot.

malus, slecht.

matürus, rijp.

multus, veel.

neqnam, ondeugend. nupërus, kort geleden. parvus, klein. prospërus, voorspoedig. provldus, vooruitziend. sinister, linksch.

vetus, oud.

tenlandsch.

(infer of infërus) be-neden.

(postërus) volgend. (supërus) boven.

de vergelijkingstriippen regelmatig, namelijk; pudieus, eerbaar, pudicior, pudicissïraiis; mendicus, bedelachtig, mendi-cior, mendicissïmns.

4° De volgende adjectiva zijn geheel onregelmatig:

bonus, goed. mei i or. optlmu

dexterior.

'e g e n t i o r.

frugalior.

junior.

major.

pejor.

maturior.

plus.

n e q u i o r.

ontbreekt.

minor.

prosperior.

p r o v i d e n t i o r.

sinister ior.

____?________vetustior.

Aanmerking. Plus wordt in het enkelvoud slechts gebruikt als een onzij dig substantivum, dat enkel in den nom. en acc. voorkomt. Ook bestaat de gen. pluris, over welks gebruik later zal gesproken worden. In het meervoud isplures, plura 'een gewoon adjectivum, dat met uitzondering van den gen.» plurium regelmatig verbogen wordt. Het samengestelde complüres, verscheidene, heeft in den nom. en acc. van het neutrum: complura en soms, doch minder goed compluria-

Plures heeft altijil de beteekonis van een coraparativus, complüres daarentegen nooit en mag dus ook niet met een volgend quam verbonden worden.

5°. De volgende adjectiva hebben twee onregelmatige superlativi: (exter of extërus) bui- exterior, meer hui- extrëmusen soms ex-

tenwaarts gelegen. inferior, lager.

posterior, later.

■superior, vroeger vorig,. hooger.t

(d e x t ï in u s). egentisslmus. frugalissïmüs. ontbreekt.

maxi mus.

p e s s ï m u s. maturissïmuB. maturrimus. p 1 u r (m u s. nequissïmus.

n u p e r r t m u s.

m i n ï m u s. prosperrimus. p r o v i d e n t i s s l m u s. (sinistï mus).

v e t e r rï m u s.

t ï ni u s ■, uiterste. infïmus of im us, onderste , laagste. postrëmus, laatste; postümus, na den dood des vaders geboren. , suprêmus, laatste (van tijd), sum mus, hoogste (van plaats).


ocr page 62

Over de vergclijkingstrappen.

4-1

§ 61—62.

Aanmerkingen. Ext er of extcrus komt gewoonlijk slechts in het meervoud voor.

Infer of inferus vindt men iu goed Latijn slechts in mare infe-rum, de Toscaansche see, en verder in het meervoud.

Poster us komt in het eukelvoud niet voor in den nom. van het manneljjk on in zuiver proza slechts bij tijdsbepalingen, als: in postern m d i e m, tegen den volgenden dag; verder bestaat slechts het pluralo tantum post er i, de nakomelingen.

Sn per us komt in zuiver proza slechts voor in mare super um, de Adriatische zee, en in het mannelijk en vrouwelijk meervoud.

Over de gebrekkige vergelijkingstrappen.

§ 61. Verschillende adjectiva missen een der vergelijkingstrappen.

De positivus ontbreekt der volgende comparativi eu superlativi: citerior, aan deze zijde, dichter hij citimus, het meest aan deze zijde,

gelegen. het dichtst hij gelegen.

deterior, minder goed. d e t e r r i m u s, de minst goede.

interior, meer binnenwaarts gelegen, intimus, de binnenste,

o c i o r , sneller. ooissimus, snelst.

potior, verkieslijker. potissimus. verkieslijkst.

prior, eerder. primus, de eerste.

p r o p i o r, nader. p r o x i m u s, de naaste.

ulterior, aan gene zijde gelegen. ultimus, de verwijderdste, laatste.

De comparativus ontbreekt van nuperus, alsmede van bellus, lief, bellissimus.

diversns, verschillend, diversissimus.

f a 1 s u s, valsch, f a 1 s i s s i m u s.

inelïtus, beroemd, inclitissimus.

n o v u s, nieuiv, novissimus.

s a c e r, heilig, s a c e r r i m u s.

en van verscheidene als adjectiva gebruikte participia op ns, zooals: merïtus, verdienstelijk, meritissiraus.

De superlativus ontbreekt behalve van juvenis ook van de meeste adjectiva verbalia op ïlis en bïlis en van verschillende op zich zeiven staande woorden, als: agrestis, hoersch, al8.eer, levendig, ater, zwart, caecus, blind, declivis, af hellend, deses, traag, jejünus, nuchter, longinquus, verwijderd, propinquus, nabij, prooi Tvis, voorover hellend, protervus, moedwillig, sal ut it ris, heilzaam, satur, verzadigd, senex, oud, surdus, doof, teres, langwerpig rond, vulgaris, gemeen.

Aanmerking. De adjectiva verbalia amabïlis, beminnelijk, fer-tïlis, vruchtbaar, fragilis, breekbaar, ignobïlis, onbekend, mobïlis, bewegelijk, nob tl is, beroemd, utïlis, nuttig, hebben den superlativus.

§ 62. Vele adjectiva kunnen noch in den comparativus noch in den superlativus gezet worden. Hiertoe behooren:

lquot;. de adjectiva, wier beteekenis geen vergelijking toelaat, zooals: ligneus, houten, pa tern us, vaderlijk.

2°. de adjectiva op us met voorafgaande vocaal. B.v. idoneus, geschikt, arduus, steil, du bi us, twijfelachtig. De adjectiva op quus hebben echter de vergelijkingstrappenj zooals: antiquus.

ocr page 63

Over- de vergelijkinystrappen

45

§ 63—65.

oud, antiquior, antiquissïraus; ook enkele op uus en ius. Zoo vindt men den superlativus van assid uus en pius.

3°. de meeste adjectiva, die sameiigesteld zijii met substantiva en verba, zooals: partïceps, degëner, iuops. Uitgezonderd zijn die op dïcus, fïous eti volus, alsmede de sameugestelde met ars, cor en mens. B.v. iuers, concors, demens.

4°. de adjectiva, die samengesteld zijn met per, prae en sub. B.v. p e r o o m modus, see)' (/èjegen, praedlves, zeer rijk, subdifficïlis, vrij moeilijk. Uitgezonderd zijn praeelarus, voortreffelijk, en de adjectiva, die oorspronkelijk participia waren, zooals: praestans, voortreffelijk, praecellens, uitstekend.

5°. de meeste adjectiva derivata op ïcus, ïdus, tïmus, ü 1 u s, alls, aris, ills, Iuus, örus, en verscheidene adjectiva, die tot geen klas teruggebracht kunnen worden, zooals: al bus, wit, m e d i o c r i s, middelmatig , r u d i s, ruw. Zoo men niet zeker weet, dat een adjectivum de vergelijkingstrappeh heeft, raadplege men altijd zijn woordenboek.

§ 63. Wanneer men den comparativus of superlativus noodig heeft van een adjectivum, dat de vergelijkingstrappen mist, voegt men magis, meer, of maxime, het meest voor den positivus. B.v. magis id one us, maxime idoneus.

In plaats van maxime kan men ook gebruiken val de, admbdum, bene, oppïdo, multam, zeer, apprlme, imprimis, hijzonder, p e r q u a m, bij uitstek.

Men kan ook vele adjectiva in don superlativus zetten door voorvoeging van per en enkele door voorvoeging van prae. B.v. perdifficïlis, praedlves. In perfïdus, trouweloos, en p e r j ü r u s, meineedig, heeft per een ontkennende beteekenis. Somtijds wordt een met per samengesteld adjectivum gescheiden. B.v. Altera pars per mihi brevis fore videtur, het komt mij voor, dat het tweede deel zeer kort zal zijn.

§ 64 Sommige comparativi kan men in een verkleinenden vorm zetten , door c ti lus, a, um achter het n e ut r um te voegen. B.v. gr an di u s cuius, a, um, vrij groot, majuscülus, a, um, een weinig grooter.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

OVER UE NUMERALIA.

§ 65- De numeralia worden in verschillende soorten verdeeld, waarvan de voornaamste zijn:

1°. de cardinalia of hoofdgetallen; zij staan op de vraag hoeveel (quot) evenals de Nederlandsche tehyoorden: een, twee.

2°. de ordinalia of ranggetallen; zij staan op de vraag de hoeveelste (quotus) evenals bij ons: de eerste, de tweede.

3°. de distribntïva of v erd e el i ngsg e t alle n; zij staan op de vraag hoeveel telkens of hoeveel ieder (quotëni). B.v. telkens een, ieder een.

4°. de adverbia numeralia of tel bij woorden; zij staan op de vraag hoeveel maal (quoties). B.v. eenmaal, tweemaal.

De volgende tabel geeft een overzicht der verschillende numeralia.

ocr page 64

46 Numeralia. § 65.

Cardinalia.

Ordinalia.

1

unus, a, uni, een.

primus, a, um, de eerste. secundus, de tweede.

2

duo, ae, o, tivee.

3

tres, ia, drie.

tertius, de derde.

4

quattuor.

quartus.

5

quinque.

quintus.

6

sex.

sextus.

7

septera.

septïmus.

8

octo.

octavus.

9

novem.

nonus.

10

decern.

decïmus.

11

undëcim.

undecïmus.

12

duodëcim.

duodecïmus.

13

tredëcim.

tertius decïmus.

14

quattuordëcim.

quartus decïmus.

15

quindëcim.

quintus decïmus.

16

sedëcim.

sextus decïmus.

17

septendëcim.

septïmus decïmus.

18

duodeviginti.

duodevicesïmus.

19

undeviginti.

undevicesimus.

20

viginti.

vicesïmus.

21

unus et viginti.

unus (soms primus) et vicesïmus.

22

duo et viginti.

alter (soms secundus)et vicesïmus.

28

duodetiiginta.

duodetricesïmus.

29

undetriginta.

undetricesïmus.

30

triginta.

tricesïmus.

40

quadraginta.

quadragesïmus.

50

quinquaginta.

quinquagesïmus.

60

sexaginta.

sexagesïmus.

70

Septuaginta.

septuagesïmus.

80

octoginta.

octogesïmus.

90

nonaginta. .

noiuigesïmus.

100

centum.

centesïmus.

101

centum (et) unus.

centesïmus primus.

102

centum (et) duo.

centesïmus alter.

200

ducenti, ae, a.

ducentecïmus.

300

trecenti.

trecentecïmus.

400

quadringenti.

quadringentesïmus.

500

quingenti.

quingentesïmus.

600

sexcenti.

sexcentesïmus.

700

septingenti.

septingentesïmus.

800

octingenti.

octingentesïmus.

900

nongenti.

nongentesïmus.

1000

mille.

millesïmus.

1001

mille (et) unus.

millesïmus primus.

1900

mille (et) nongenti.

millesïmus nongentesïmus.

2000

duo milia.

bis millesïmus.

100,000

centum milia.

centies millesïmus.

1,000,000

decies centum milia.

decies centies millesïmus.

ocr page 65

§ 65.

Numeralia.

47

Qistributiva.

Adverbia numeralia.

singuli, ae, a, elk een.

seniel, eenmaal.

i

bini, elk twee.

bis, tweemaal.

a

terni, elk drie.

ter, driemaal.

in

quaterni.

quater.

IT

quini.

quinquies.

V

seni.

sexies.

VI

septëni.

septies.

VII

octoni.

octies.

VIII

noveni.

novies.

IX

deni.

decies. *

X

undeni.

undecies.

XI

duodëni.

duodecies.

XII

terni deni.

terdecies.

Xlli'

quaterui deni.

quaterdecies.

XIV

quini deni.

quindecies.

XV

seni deni.

sedecies.

XVI

septëni deni.

septiesdecies.

XVII

duüdevieëni.

duodevicies.

XVIII

undevicëni.

undevicies.

XIX

vicëni.

vicies.

XX

vicëni singuli.

vicies seniel of semel et vicies.

XXI

vicëni bini.

vicies bis of bis et vicies.

XXII

duodetricëni.

duodetricies.

XXVIII

undetricëni.

undetricies.

XXIX

tricëni.

tricies.

XXX

quadragëni.

quadrugies.

XL

quinquiigëni.

quinguagies.

li

sexagëni.

sexagies.

LX

septuagëni.

septuagies.

LXX

octogeni.

octogies.

LXXX

nonagëni.

nonagies.

xc

centëni.

centies.

c

centëni singuli.

centies seniel.

Cl

centëni bini.

centies bis.

CII

ducëni.

ducenties.

cc

trecëni.

trecenties.

ccc

quadringëni.

quadringenties.

cccc

quingëni.

quingenties.

10 of D

sexëni.

sexcenties.

IOC

septingëni.

septingenties.

I0CC

octingëni.

octingenties.

I0CCC

nongëni.

nongenries.

I0CCCC

singula milia.

millies.

CIO of M

singula milia singuli.

mil lies semel.

CIOI

singula milia nongëni.

millies nongenties.

CI0I0CCCC

bina milia.

bis millies.

CI0CI0

centëna milia.

centies millies.

CCCIOOO

decies centëna milia.

decies centies millies.

CCCCI0000

ocr page 66

Numernlia.

§ 66—67.

48

Aanmerkingen op de cardinalia.

§ 66. De drie eerste cardinalia worden aldus verbogen; Singularis. Pluralis.

N o m. unus, una, unum. uni, unae, una.

Gen. unïus. ) . ,, unorum, unarum, unorum.

Dat. uni. 1 in alle genera- unis. in alle genera. Ace. unum, unam, unum. unos, unas, una.

Ab 1. uno, una, uno. unis. in alle genera.

Aanmerking. Het meervoud van unus wordt gebruikt: 10. bij do pluralia tantum, die eou enkelvoudige beteekenis hebben. B.v. una oast r a, ééne legerplaats; unae n up t iae, ééne hniilojt.

2°. wanneer unus alleen of dezelfde beteekent. B.v. Uni Ubii le-gatos mi se rant, de Ühiërs alleen hadden gezanten gezonden. Lace-d a c m o n i i s e p t i n g e n t o s jam a n u o s unis m o r i b u s v i v u n t, de Lacedemoniërs leven reeds 700 jaar volgens dezelfde zeden.

3°. bij het optellen van deelon, die een meer v ou d vormen. B.v. Q nis

i g n O r a t, t r i a Graecorum genera esse, quorum u u i s u n 11 o-

ii es, Aeöles alter i, Do res tertii uominantur, wie weet niet, dat er drie soorten van Grieken zijn, van welke de eenen de Joniërs zijn, de anderen de Aeoliërs en de derden Doriër.i genoemd worden.

Pluralis. Pluralis.

N o m. duo, duae, duo. N o m. tres, tres, tria.

Gen. duorum, duarurn, duorum. Gen. trium. J .

Dat. duobus, duabus, duobus. Dat. tribus. ^ m alle genera. Acc. duo en duos, duas, duo. Acc. tres, tres, tria.

Ab 1. duobus, duabus, duobus. Ab 1. tribus, in alle genera. Volgeus duo gaat ook ambo, ambae, ambo, heiden.

In plaats van duorum vindt men soms duum bij milium. § 67. Van quattuor tot centum zijn de cardinalia onverbuigbaar. Ducenti, ae, a en de overige honderdtallen gaan regelmatig naar het meervoud der adjectiva op us, a, um. Bij de samengestelde telwoorden wordt het veranderlijke gedeelte gedeclineerd. B.v. Duorum et vigiuti hominum, van 22 menschen.

Mille is in het enkelvoud (wanneer er van één duizend spraak is) gewoonlijk een onverbuigbaar adjectivum. B.v. N«m. Mille milïtes, duizend soldaten. Gen. mille milïtum, van duizend soldaten. Het meervoud mil ia is een onzijdig substan-tivum met den gen. milium en den dat en abl. milïbus.

De getelde voorwerpen staan bij milia in den gen. B.v. duo milia militum, 2000 soldaten; duorum milium milïtum, van 2000 soldaten; duobus milibus milïtum, aan 2000 soldaten.

ocr page 67

Numeralia.

Zoo met milia kleinere getallen zijn verbonden, plaatst men de getelde voorwerpen in denzelfden naamval, wanneer zij achteraan staan. B.v. Ha buit tria milia treeentos milites, hij had 3300 soldaten. Staan de getelde voorwerpen vóór milia, dan worden zij gewoonlijk in den gen. gezet. B.v. Habnit militum tria milia tre-centos. Men kan de getelde voorwerpen ook onmiddellijk achter milia in den gen. plaatsen en de kleinere getallen met et laten volgen. B.v. Habuit tria milia militum et trecentos.

De duizendtallen worden gewoonlijk gevormd door vermenigvuldiging van milia met een cardinale ofdistributivum. B.v. duo milia of bi na milia, 2000.,

De honderdduizendtallen worden gevormd door centum milia of centëna milia te vermenigvuldigen met een adverbium numerale. Zoo is een millioen decies centum milia of decies centëna milia.

§ 68. Om de tusschengetallen te vormen plaatst men van 20 tot 100 gewoonlijk of het kleinste getal voorop met et of het grootste zonder et. B.v. quattuor et sexaginta of s e x a g i n t a quattuor.

De tusschengetallen met u n u s hebben het substantivum in het meervoud. B.v. homines unus et viginti, homines viginti unus, unns et viginti homines, viginti unus homines. Zoo echter unus met e t achteraan staat en gevolgd wordt door het substantivum, kan dit ook in het enkelvoud staan. B.v. viginti et unus homo.

Boven 100 staat het grootste getal altjjd voorop met of zonder et. B.v. mille unus of mille et unus. Men mag et slechts plaatsen onmiddellijk achter het grootste getal en nooit tweemaal et gebruiken. B.v. mille (et) trecenti sexaginta sex, niet: mille trecenti sexaginta et sex.

De met 8 en 9 samengestelde getallen worden gewoonlijk gevormd door aftrekking. Un (unus) en duo worden in dit geval niet verbogen. In plaats van undecentum zegt men liever novem et nonaginta of nonaginta novem. 98 heet altijd octo et nonaginta of nonaginta octo.

Waar wij om een groot getal te noemen honderd of duizend gebruiken, zeggen de Latijnen, zoo er een cardinale noodig is, sex-een ti, en zoo er een ordinale of adverbium numerale gevorderd wordt, millesimus of millies. B.v. Sexcentas scribïto mihi dicas, nihil do, voer duizend processen teyen mij, ik betaal toch niets. Millies tibi dixi verbum excellendi carëre p er fe e to, Aom-derdmaal heb ik u yezeyd, dat het werkwoord excello geen perfectum heeft.

5e druk. ^

49

ocr page 68

Numeralia.

§ 69—71.

50

Aanmerkingen op de ordinalia.

§ 69. De ordinalia zijn gewone adjectiva op us, a, um.

Bij de vorming der tusschengetallen zet men gewoonlijk van 13 tot 17 het kleinste getal vóór het grootste en wel zonder et; van 21 tot 98 geschiedt de samenvoeging juist gelijk bij de eardinalia. Boven 100 zet men gewoonlijk liet grootste getal voorop, terwijl men de kleinere getallen zonder verbinding laat volgen. B.v. Anno dueentesimo sexagesimo quarto.

Ook hier worden de met 8 en 9 samengestelde getallen het liefst gevormd door aftrekking.

De duizendtallen der ordinalia worden gevormd door vermenigvuldiging van millesimus met een adverbium numerale.

§ 70. De ordinalia worden gebruikt bij bet aangeven van jaartallen en uren. B.v. Anno millesimo octingentesimo duodenonagesimo, in het jaar 1888. Quota hora est, hoe laat is het? Hora fere nona, bijna negen uur.

Wanneer een ordinale gevolgd wordt door quisque zegt men in het Nederlandsch om. de. B.v. Quinto quoque anno ludi celobra-b a n t u r, om de jaar werden er spelen gehouden. Tertio quoque verbo peccat, om het andere tvoord maakt hij een jout.

Aanmerking. Bij het gebruiken der ordinalia rekenen de Romeinen gewoonlijk den terminus a quo en den terminus ad quem mede, evenals wij in onze uitdrukking: van daag over acht dagen. Vandaar beteekent quinto quoque anno, om de «tór jaar, tertio quoque verbo, om het andere woord, febris quartaua, derdendaagsche koorts, f e b r i s tertiana, anderendaagsche koorts.

Aanmerkingen op de distributiva en adverbia numeralia.

§ 71. De distributiva worden regelmatig gedeclineerd naar het meervoud der 1ste en 2de declinatie. Behalve van singuli gaat echter de gen. plur. gewoonlijk uit op um in plaats van op orum. B.v. binum, ternum.

Bij de tusschengetallen voegt men soms et. B.v. Qua-terni et viceni.

Telkens duizend heet niet millêni maar singula milia of alleen milia.

Bij de tusschengetallen der adverbia numeralia staat het; kleinste getal achter het grootste zonder et of vóór het grootste met et. Vóór het grootste zonder et duidt het een vermenigvuldiging aan.

Bij de distributiva en adverbia numeralia kunnen de met 8 en 9 samengestelde getallen evengoed gevormd worden door bijvoeging. B.v. octoni deni, novies decies.

ocr page 69

Numeralia.

51

§ 72—73.

§ 72. De distributiva worden gebruikt: f/

10. om aan te duiden, dat zeker getal op ieder der genoemde personen of zaken van toepassing is. B.v. Caesar et Ariovistus denos comités adduxerunt, Caesar en Ariovistus brachten ieder tien begeleiders mede. Decern comités zou beteekenen dat zij te zamen tien begeleiders medebrachten. Multicamëli singula, aliibinatubëra in dorso habent, vele kameelen hebben één, andere tuee bulten op den rug. Antouius denarios quingënos singulis militibus dat, Antonius geeft aan iederen soldaat 500 denariën. Staat, zooals in het laatste voorbeeld, bij den persoon of de zaak, waarvan gesproken wordt, s i n g u 1 i (zoo er sprake is van twee uterque, van meerderen unusquisque), dan mag men de getelde voorwerpen ook aangeven door een car din ale. B.v. Antonius denarios quingentos singulis militibus dat. Zoo mag men ook het eerste voorbeeld vertalen; Caesar et Ariovistus uterque deeem comités adduxerunt.

2°. bij het vermenigvuldigen; het vermeuigvuldigtal is een dis-tributivum, dè. yermenigvuldiger een adverbium numerale, het product eeu quot;aW3w*Nigt;quot;lo. B.v. Sexies octona sunt duodequin-quagêtÊa, 6 X 8 is 48. Non didïcit bis bina quot«ssent, hij weet niet hoeveel tweemaal twee is.

30. bij de pluralia tantum, die een enkelvoudige beteekenis hebben. B.v. Quinae litterae, vijf brieven. Bina castra, twee legerplaatsen. Qui n que litterae zou beteekenen vijf letters, duo castra twee kasteelen. In plaats van singuli en terni, die altjjd hun distributieve beteekenis behouden, gebruikt men uni en trini. Bij de pluralia tantum, die een meervoudige beteekenis hebben, gebruikt men de cardinalia. B.v. Unus ex majoribus, een zijner voorvaderen. Tres 1 i b e r i, drie kinderen.

Aanmerking. Bini wordt soms in plaats van duo gebruikt om twee zaken aan te duiden, die bij elkander beboeren. B.v. Binae aur es, de twee ooren. Bini scyphi, twee bij elkander behoorende bekers.

Over de breuken.

§ 73. De breuken worden in het Latijn op dezelfde wijze uitgedrukt als in het jSfederlaudsch, de teller door een cardinale en de noemer door een ordinale met of zonder pars. B.v. Quintae partes horae tres, l uur. Q u i n q u e o c t a v a e , |.

Wanneer de teller 1 is, wordt hij in het Latijn niet uitgedrukt. B.v. D e c i m a,

Wanneer de teller één minder is dan de noemer, laat men den noemer gewoonlijk weg, maar voegt dan altijd partes bij den teller. B.v. -J-, duae partes; J, septem partes.

J heet pars dimidia, dimidium; half, dimidius, a, um. B.v. Dimidium pa nis of dimidius panis, een /saZ/iroolt;Z. Grewoonlijk gebruikt men echter semis, gen. semis sis. B.v. Semis panis, een half brood; semisses panis, halve brooden. Zoo er een ander getal voorafgaat, laat men gewoonlijk semis zonder verbuiging en zonder verbinding volgen. B.v. 6J- voet, sex semis pedes. Het is half zes, quinta semis hora est. Een rijksdaalder, duo semis florëna. Men drukt half ook uit door substantiva en adjectiva samen te stellen met semi. B.v.

ocr page 70

Pronomina.

§ 74—76.

52

61 voet, sex pedes et semipes. Een half uur, semihöra. Een half geleerde, semidoctus. Men lette echter wel op de Terschillende spreek-w ij zen der Liatijiische tiuii. Zoo heet met huiven wind zeilen quot;v eiitum obllquum captitre, half wanhopig zijn prope dosperatum esse.

Anderhalf is s e s q u i en staat vooral in samenstellingen, zooals: s e s q u 1-pes, sesqui-modius. Met een or din al e verbonden voegt het daaraan i- toe. B.v. sesqui-tertius = 3J.

Bij de tegenwoordige geld berekening drukke men den jaarhjksehen interest uit door centesimae met een distributivu m. B.v. 1% j c e n-tesimae; 2%, binae centesimae; 5%, quinae centesimae.

Over de Romeinsche getalmerken.

§ 74. Betrekkelijk de Romeinsche getalmerken valt op te merken, dat het getal 500 oorspronkelijk werd uitgedrukt door het teeken io. De omgekeerde o wordt apoströphus genoemd. Bij iedere vermenigvuldiging met 10 voegt men er een apoströphus achter. B.v. ioo = 5000, iooo = 50,000. Zet men evenveel rechte c's vóór de i als er apoströphi achter staan, dan wordt het getal verdubbeld. B.v. cio = 1000, ccioo = 10,000.

De duizendtallen worden ook aangegeven door een streep te plaatsen boven het aantal der duizendtallen, zooals XX111 = 23,000; de honderdduizendtallen door ze in te sluiten in de figuur | . zooals: |ff| = 200,000, \ YT\ = 2,000,000.

NEGENDE HOOFDSTUK.

OVER DE PRONOMINA.

§ 75. De pronomina worden verdeeld in:

pronomina personalia, persoonlijke voornaamwoorden.

„ reflexi va, wederkeerige „

„ possessïva, bezittelijke „

„ demonstratï va, aanwijzende „

„ relativa, betrekkelijke „

„ interrogatïva, vragende „

„ indefinlta, onbepaalde „

Pronomina personalia.

§ 76. Er zijn in het Latijn twee pronomina personalia, het pronomen personale van den eersten persoon: ego, ik ^ en van den tweeden persoon: tu, (jij• In plaats van het^Nedeilandsche persoonlijke voornaamwoord van den derden persoon, hij, zij, het, gebruikt men in het.Latijn een pronomen demonstrativum.

ocr page 71

Pronomina.

53

§ 77—78.

De pronomina personalia worden op de volgende wijze verbogen. Singularis. Plural.'s.

Nom. ego, ik. nos, wij.

Gen. mei, van mij. nostri of nostrum, van ons.

D a t. mihi, aan of voor mij. nobis, aan of voor ons.

A c c. me, mij. nos, ons.

Abl. me, met of door mij. nobis, met of door om.

Nom. tu, gij. vos, gij.

Gen. tui, van u. vestri of vestrum, van u.

Dat. tibi, aan of voor u. vobis, aan of voor u.

Acc. te, u. vos, u.

V o c. tu, gij. vos, gij.

Abl. met of door u. vobis, 7net of door u.

Aanmerkingen. Zoo men tu eu den geu. plur. uitzondert, kunnen de pronomina personalia in alle casus versterkt worden door het achtervoegsel met in de beteekeuis van zelf. B.v. eg 8 met, ik zelf. Meermalen voegt men er nog ipse hij. B.v. vos met ipsos, u zeiven. In plaats van tu negt men soms ter versterking tute of tutëmet. In het oudere Latijn vindt inen soms meme en tete in plaats van me en te.

De dichters zeggen meermalen m i in plaats van mihi.

Pronomina reflexiva.

§ 77. De pronomina personalia worden ook gebruikt als

reflexiva van den eersten en tweeden persoon. Voor den

derden persoon bestaat er een bijzonder pronomen reflexivum. Het

mist natuurlijk den nom., heeft in het enkelvoud en meervoud

dezelfde vormen en wordt volgenderwijze verbogen.

Gen. sui, van zich.

Dat. sibi, aan of voor zich.

A c c. se, zich.

Abl. se, met of door zich.

Aanmerkingen. Evenals de pronomina personalia kan ook het reflexivum versterkt worden door met en door ipse.

Meermalen zegt men voor den nadruk se se in plaats van se.

Pronomina possessiva.

§ 78. Er zijn in het Latijn vijf pronomina possessiva:

voorden 1 sten persoon enkelvoud: meus, mea, meum, mijn. „ „ „ „ meervoud: noster, nostra, nostrum, ons. „ „ 2den v enkelvoud: tuus, tua, tuum, mv. „ „ „ „ meervoud: vester, vestra, vestrum,'mw.

ocr page 72

Pronomina.

voor den 3den persoon enkelvoud \ l zijn, haar.

en Ssuus, sua, suuin ^ _ _ _ _ meervoud; \ f hun, haar.

V T) V V J \

Het pronomen suus, sua, suum mag alleen in wed erk ee-rige zinnen gebruikt worden. Zoo er geen wederkeerigheid bestaat, vertaalt men het Nederlandsche bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon in het Latijn door een pronomen demonstrati vum. Welk pronomen zoudt gij nu gebruiken in de volgende zinnen ? Jan heeft zijn hond verkocht. Hebt gij zijn vader gesproken? Wij hebben hunne teekeningen gezien. Deze vrouw heeft haar eenige dochter verloren.

De pronomina possessiva worden regelmatig verbogen naar de eerste en tweede declinatie met uitzondering van me us, dat in den v o c. sing, van het masculinum m i heeft.

Aanmerkingen. De abl. sing, wordt somtijds versterkt door het achtervoegsel pte, dat de beteckenis heeft van eigen. B.v. me op te consilio, door mijn eigen overleg; suap te manu, met zijn eigen hand.

Achter den abl. sing, van suus voegt men soms in dezelfde betee-kenis met, waarop dan gewoonlijk nog een casus van ipse volgt. B.v. Hannibal suamet ipse fraude captns est, Hannibal werd door zijn eigen list gevangen.

Soms vindt men, maar hoogst zelden bij goede schrijvers, het pronomen possessivum (cujus), cuja, cujum, van wien; het wordt nu eens als relativum, dan eens als interrogativum gebruikt. B.v. Die mihi, cujum pecus, zeg mij, van wien de schapen zijn.

Van de possessiva worden de zoogenaamde pronomina gentilia afgeleid, die aanduiden tot welk volk, familie of partij iemand behoort. Zij zijn:

nostras, atis, onze landgenoot, een van de onzen.

v e s t r a s , atis , utv landgenoot, een van de uwen.

cujas, ïïtis, wat landman? van welke familie of partij ?

De pronomina gentilia worden regelmatig verbogen als adjeetiva van één uitgang.

Pronomina demonstrativa.

§ 79. Er zijn in het Latijn zes pronomina demonstrativa; zij hebben voor de verschillende geslachten een verschillenden uitgang. Zij heeten:

hie, haec, hoe, deze, deze, dit. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, die spreekt. B.v. hie liber, dit (mijn) ioek; hie locus, deze plaats (waar ik mij bevind). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den eersten persoon.

iste, ista, istud, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, tot wien gesproken wordt. B.v. iste

54

ocr page 73

§ 79. Pronomina. 55

liber, dat (uw) hoek; iste locus, die plaats (waar gij u bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den tweeden persoon.

ille, i 11 a, illud, rZie, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, over wien gesproken wordt. B.v. ille lib er, dat (zijn) boek; ille locus, die plaats (waar hij zich bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den derden persoon.

is, ea, id, hij, zij, het of die, die, dat. Men gebruikt dit pronomen als pronomen per son ale van den derden persoon en daar waar het pronomen p o s s e s s i v u m van den derden persoon niet mag vertaald worden door suus, sua, suum. Het zou te pas komen bij de vertaling der volgende zinnen. Zij heiben hem geslagen. Ik heb zijn stok (den stok van hem) gebroken. Wij zagen haar; hare oog en (de oogen van haar) stonden vol tranen.

idem, eadem, idem, dezelfde, dezelfde, hetzelfde.

ipse, ipsa, ipsum, zelf of hij zelf, zij zelve, het zelf.

Deze pronomina worden op de volgende wijze verbogen.

Hic, haec, hoe, deze, deze, dit.

Singularis. Pluralis.

Nom. hie, haec, hoc. hi, hae, haec.

Gen. huius. ] . horum, harum, horum.

J Sin alle genera. . '

Dat. huic. j his. in alle genera.

Acc. huno, hanc, hoe. hos, has, haec.

Abl. hoc, hac, hoc. his. in alle genera.

Aanmerking. Aan alle naamvallen van dit pronomen kan ce en cïne gehecht worden, ce tot versterking van de aanwijzende beteekenis, cine om een vraag uit te drukken. Waar twee c's op elkander zouden volgen, wordt gewoonlijk eeue c uitgeworpen, als: hice (hicce), h unci ne (hunccine). In proza worden deze achtervoegsels gewoonlijk slechts gehecht aan de vormen, die op s uitgaan, als: hu j usee, hi see.

Iste, ista, istud, die, die, dat,

Nom. iste, ista, istud. isti, istae, ista.

Gr e n. istlus. 1 istorum, istarum, istorum.

Dat. isti. ] in alle Senera- istis. in alle genera. Ace. istum, istam, istud. istos, istas, ista.

Abl. isto, ista, isto. istis. in alle genera.

Aanmerking. Men vindt in het oudere Latijn ook de volgende vor-

ocr page 74

Pronomina.

men; nom. istic, istaec, istoc of istuc. acc. istunc, istanc, istoc of istuc. abl. istoc, istac, istoc. nom. eu acc. plur. van het neutrum istaec.

Ook van dit pronomen komen enkele vormen met cïne voor, als: istocine, istoscine.

111 e, i 11 a, i 11 u d, die , die, dat.

Singularis. Pluralis.

Nom. ille, ilia, illud. illi, illae, illa.

Gen. illïus. 1 , illorum, illarum , illörum.

Dat. illi. ƒ in alle genera* illis. in alle genera.

Acc. illum, illam, illud. illos, illas, illa.

Abl. Ulo, illa, illo. illis. in alle genera.

Aanmerking. Men vindt in het oudere Latijn ook de volgende vormen: nom. illic, illaec, illoc of illuc. acc. illunc, illanc, illoc of illuc. abl. illoc, illac, illoc. nom. en acc. plur. van het neutrum illaec. Vervolgens vindt men den dat. sing, olli en den nom. en acc. plur. olli, ollos en olla.

Ook hier komen enkele vormen met cïne voor, als; illicine, illancine.

Uit de verbinding van en, ziedaar en illum, illam, illos, illas zijn de spreekwijzen der blijspeldichters ontstaan: e 11 urn, daar is hij, e 11 a m; daar is zij, ellos, el las, daar zijn zij.

I s, e a, i d, hij, zij , het óf die, die, dat. HSj^gularis. Pluralis.

N o m. is, ea, ld. ii (ei), eae, ea.

Gen. ejus. ] eörum , earum , eSrum.

Dat. ei. ƒ in alle genera. iis(eis). in alle genera.

Acc. eum, earn, id. eos, eas, ea.

Abl. eo, ea, eo. iis (eis), in alle genera..

Aanmerking. Uit de verbinding van e c c e, ziedaar en eum, e a m, eos, eas zijn de spreekwijzen der blijspeldichters ontstaan: eccum, daar is hij, eccam, daar is zij, occos en eccas, daar zijn zij. .

Idem, e a, d e in, idem, dezelfde, dezelfde, hetzelfde. Singularis. Pluralis.

Nom. idem, eadem, idem. ildem(eldem,idem),eaedem,eadem. Gen. ejusdem. ). eorundem, earundem, eorundem.

Dat. eldem. |'n a^e genera'iisdem (eisdem , isdem). Acc. eundem, eandem, idem. eosdem, easdem, efixlem. Abl. eödem, eadem, eodem. iisdem (eisdem, isdem).

56

ocr page 75

Pronomina.

57

§ 80—81.

Ipse, ipsa, ipsum, self óf hij zelf, zij zelve, het zelf.

Singularis. Pluralis.

Nom. ipse, ipsa, ipsum. ipsi, ipsae, ipsa.

Gen. ipslus. ) ipsörum, ipsarum, ipsorum.

_ , . . gt; in alle genera. ■ . • ,1

Dat. ipsi. ^ b ipsis. in alle genera.

Ace. ipsum, ipsam, ipsum. ipsos, ipsas, ipsa. Ab 1. ipso, ipsa, ipso. ipsis. in alle genera.

Aanmerking. Bij oude schrijvers vindt men soms ipsus in plaats van ipse en eapse, eopse, eumpse, earn p se in plaats van ipsa, ipso, ipsum, ipsam. In zuiver Latijn komt meermalen het samengestelde woord reapse = re ipsa, inderdaad, voor. liij do blijspeldichters treft men een superlativus ipsissimus aan.

Pronomina relativa.

§ 80. Het meest gewone Latijnsche pronomen relativum is qui,

quae, quod, die, die, dat; welke, ivelke, hetwelk. Het wordt

op de volgende wijze verbogen.

Singularis. Pluralis.

N 0 in. qui, quae, quod. qui, quae, quae.

Gen. cuius. 1 quorum, quarum, quorum.

., , . f in alle genera. ■ ,,

Dat. cm. j 0 quibus. 111 alle genera.

Acc. quem, quam, quod. quos, quas, quae.

Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.

Aanmerking. De gen. sing, heette oudtijds quojus en de dat. sing. quoi. In plaats van quibus bestaat er nog een oude vorm quis cn queis (spreek uit: quis).

Pronomina interrogativa.

§ 81. De vragende voornaamwoorden wie, wat, welke, welk, heeten in het Latijn: quis en qui voor liet masculinum, quae voor liet femininum, quid en quod voor het neutrum.

Het mannelijke quis is substantivum en adjectivum, qui gewoonlijk slechts adjectivum; het vrouwelijke quae is substantivum en adjectivum; hot onzijdige quid enkel substantivum en quod enkel adjectivum.

De pronomina interrogativa worden bijna geheel- als het relativum verbogen.

Singularis. Pluralis.

N o m. quis of qui, quae, quid of quod, qui, quae, quae.

Gen. eujus. ^ quorum, quarum, quorum.

p. . . J in alle genera. . ,,

Dat. cm. J 0 quibus. in alle genera.

Acc. quem, quam, quid of quod, quos, quas, quae.

Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.

ocr page 76

58 Pronomina. § 82—83.

Aanmerkingen. Tn het oudere Latijn gebruikte men quis ook als femininum.

Ter versterking van de vraag kan men het achtervoegsel nam aan de pronomina interrogativa hechten. B.v. Quis nam, wie toch? Quihus-n a m, aan wie toch ?

Zoo de vraag betrekking heeft op één van twee personeL of zaken, moet men ut er, utra, ut rum, wie, wat, welke, welk van heidenquot; gebruiken. B.v. Uter ociilus, welk oog? Utra man us, welke hand? /

Pronomina indefinita.

§ 82. Het eenvoudigste Latijnsche pronomen indefinitum is quis en qui voor het masculinum, quae en qua voor het femininum, quid en quod voor het neutrum. Het gebruik der verschillende vormen als substantivum en adjectivum is juist hetzelfde als bij de pronomina interrogativa. Als substantivum beteekent het iemand^ iets, als adjectivum eeniy, een. Ook de declinatie geschiedt op dezelfde wijze als die der interrogativa, behalve dat men in plaats van quae in het vrouwelijk enkelvoud en in het onzijdig meervoud ook qua zegt.

Singularis. Pluralis.

N o m. quis of qui, quae of q u a, quid of quod. qui, quae, quae of qua. Gr en. cujus. i . quorum, quarum, quorum.

Dat. cui. I in alle genera. quibus. in al le genera.

A c c. quem , quam , quid of quod, quos, quas, quae of q u a.

Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.

§ 83. Van quis, qui worden door aanhechting van onverbuigbare voor- en achtervoegsels of door samenstelling met verbuigbare woorden verschillende andere pronomina indefinita gevormd. Zij zijn;

alïquis, alïqua, alrquid en aliquod, iemand, eenig. Dit pronomen heeft in het vrouwelijk enkelvoud en in het onzijdig meervoud alleen alïqua (niet aliquae).

In plaats van aliquis komt soms aliqui voor, dat uitsluitend als adjectivum wordt gebruikt.

quispiam, quaepiam, quidpiam en quodpiam, iemand, eenig. Zelden in het meervoud.

quidam, quaedam, quoddam en quiddam, zeker iemand, een zeker. De acc. sing, is quendam, quandam, degen, plur. quorundam, quarundam.

ocr page 77

Pronomina.

59

§ 84.

quivis, quaevis, quodvis en quidvis, \

quilïbet, quaelibet, quodlibet en quidlibet,l ieder, elk. quisque, quaeque, quodque en quid que, ^ quisquam, quidquam (quiequam), iemand.

Quisquam heeft geen femininum en komt niet in het meervoud voor. Het wordt gewoonlijk als substantivum gebruikt; als adjectivum wordt hot vervangen door ullus, ulla, ullum, eenig.

unusquisque, una quaeque, unum quodque en unura-q ii id que, iedereen, elk. gen. u n I u s c u j u s q ue , enz.

Vervolgens heeft men twee pronomina indefinita, die als relativa gebruikt worden, namelijk:

quicunque, quaeeunque, quodeunque, 1 alwie, qnisquis, ' welke ook.

Behalve den nom. masc. quisquis komen van dit pronomen slechts de volgende vormen voor: quid quid (quicquid), quoquo (masc. eigt; neutr.) en de vreemdsoortige met modus samengestelde genetivus cüï-cüïmodi, van welken aard ook. Slechts zelden vindt men quemquem, q u ih usq uï b u s en eerst later quaqua.

Ook heeft men één vragend pronomen indefinitum , namelijk: e e q u i s; ecqui; ecquae, ecqua; eequid, ecquod, of iemand, of eenig; wel iemand, wel eenig ? Soms wordt het versterkt met nam, als: o c q u i s n a m.

Over het gebruik van deze pronomina wordt gesproken in de syntaxis.

§ 84. Tot de pronomina rekent men ook zekere adjectiva, die cor-relativa genoemd worden, omdat zij volgens hun beteekenis en vorm in onderlinge betrekking met elkander staan, /ij worden onderscheiden in interrogativa, demonstrativa, relativa en indefinita en zijn:

interrogativa. demonstrativa. relativa.

qualis, hoedanig? talis, zoodanig. qua lis, zoodanig als. quantus, hoe groot? tan t us, zoo groot, quant us, zoo groot als. quot, koevele? tot, zoovele. quot, zoovele als.

quotus, de hoeveelste? tot us, de zooveelste. quot us, de zooveelste als. De relativa worden tot indefinita gemaakt

1°. door voorvoeging van ali, namelijk: aliquantus, van een zekere, tamelijke grootte en aliquot, eenige, tamelijk vele.

2°. door verdubbeling, namelijk: q ua 1 isqua 1 is, hoedanig ook, quotquot, koevele ook, quantusquantus, hoe groot ook.

3°. door achtervoeging van cunque, lïbet en vis, namelijk: qualiscunque en qualislïbet, hoedanig ook, quantuscunque en q u a n t u s 1'ï b e t, hoe groot ook, quant umvis, hoeveel het ook zijn mag, quote un que, hoevele ook, quotuscunque, de hoeveelste ook slechts.

Meermalen vindt men ook het samengestelde quotusquisque, quo-taquaeque, quotumquodque, hoe weinigen.

__^ OÈl ƒ L/OC lt;■-, ^ -/lt;7')

ocr page 78

Over de verba in hel algemeen.

§ 85—86.

60

TIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA IN HET ALGEMEEN.

§ 85. De verba worden volgens hunne beteekenis verdeeld in verba transit!va of overgankelijke werkwoorden en verba intransitïva of onovergankelijke werkwoorden. De laatste worden ook neutra of onzijdige werkwoorden genoemd.

De verba transitiva duiden een werking aan, welke zich richt op een voorwerp, dat die werking ondergaat. Dit voorwerp of object staat in den accusativus. B.v. Ik bemin mijne moeder, amo matrem meam.

De verba in transitiva duiden of wel een werking aan, welke zich bepaalt bij den persoon of de zaak, die de werking verricht, evenals in het Nederlandsch hopen, slapen, öf wel een werking, welke uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Dit verwijderd voorwerp staat in den genetivus, dativus of ablativus, evenals in het Nederlandsch gedenk mijner (2de naamval; dit zal u naamval) niet baten.

Volgens hunnen vorm worden de verba verdeeld in activa of bedrijvende en passiva of lijdende. Zoo is amo, ik bemin, een verbum activum, am or, ik word bemind, een verbum passivum. Het vervoegen van een werkwoord noemt men conjugeeren.

§ 86. Er zijn in het Latijn zes tijden of tempora; de tegenwoordige tijd of het praesens, die aanduidt, dat iets geschiedt op het oogenblik, waarop men spreekt. B.v. amo, ik. bemin.

de onvolmaakt verleden tijd of het imperfectum, die aanduidt, dat iets nog bezig was te geschieden in een verleden tijd. B.v. a m a b a m, ik beminde.

de volmaakt verleden tijd of het perfectum, die aanduidt, dat iets geschied is. B.v. amavi, ik heb bemind.

de meer dan volmaakt verleden tijd of het plusquamperfectum, die aanduidt, dat iets reeds geschied was in een verleden tijd. B.v. amavëram, ik had bemind.

de eerste toekomende tijd of het futurum simplex, die aanduidt, dat iets zal geschieden. B.v. amabo, ik zal beminnen.

de tweede toekomende tijd of het futurum exactum, die aanduidt, dat iets in een toekomenden tijd reeds geschied zal zijn. B.v. amavëro, ik zal bewind hebben.

ocr page 79

Over de verba in het algemeen.

61

§ 87—89.

§ 87. Er zijn in het Latijn drie wijzen of modi: de aantoonende wijs of modus indicativus, die iets als werkelijk voorstelt. B.v. arao, ik bemin.

de aanvoegende wijs of modus conjunctlvus, die iets als mogelijk of wenschelijk voorstelt. B.v. amem, dat ik beminne.

de gebiedende wijs of modus imperatïvus, die iets als een gebod, verzoek, vermaning voorstelt. B.v. ama, bemin.

§ 88. Behalve de modi komen bij een verbum nog de volgende vormen voor:

de infinitlvus of onbepaalde wijs (in oneigenlijken zin modus of wijs genoemd); deze stelt het begrip van het werkwoord geheel onbepaald voor. B.v. amare, beminnen.

de participia of deelwoorden, die bet begrip van het werkwoord in den vorra van een adjectivum voorstellen. B.v. am an s, beminnende, ama t us, bemind, a mat ür us, zullende beminnen, a m a n d u s, moetende bemind worden. Het participium op dus, dat de bijbeteekenis van moeten heeft, draagt den naam van ge-run d I v u m. De participia op n s worden verbogen als adjectiva van één uitgang en hebben, behalve in enkele later te bespreken gevallen (Vgl. § 412. A. en 421), meestal i in den abl. sing. Do overige participia, worden verbogen als adjectiva van drie uitgangen.

het gerundium. Dezen vorra van het werkwoord, waarvoor men in het Nederlandsch geen bepaalden naam heeft, kan men het gemakkelijkst begrjjpen, door hem te beschouwen als een verbogen infinitivus. Het gerundium komt namelijk voor in vier naamvallen met de uitgangen der tweede declinatie. Zoo is het gerundium van het werkwoord amare, beminnen:

Gr en. amandi, van het beminnen.

Dat. amando, voor het beminnen.

A cc. amandum, (tot) het beminnen.

Abl. amando, door het beminnen.

de s u p T n a. Onder dezen naam verstaat men twee vormen van het werkwoord, die een soortgelijke beteekenis hebben als de infinitivus. B.v. amatum, om te beminnen, araatu, om bemind te worden. Het supinum op um noemt men het eerste supinum, dat op u het tweede supinum.

Een verbum, dat in don indicativus, conjunctivus ofirnpera-tivus staat, wordt verbum finltum geuoerad. In een der overige vormen staande heet het verbum infinitum.

§ 89. Evenals in het Nederlandsch heeft iedere tijd var. den indicativus en conjunctivus drie personen en twee getallen.

De persoon of zaak, die zekere handeling verricht of ondergaat, wordt onderwerp of subject genoemd en staat in den nominativus. Zoo echter de persoonlijke voornaamwoorden ik,

ocr page 80

Conjugatie van sum.

62

§ 90.

gij, hij {zij, hst), wij, gij, zij subject zijn, blijven zij in het Latijn gewoonlijk onvertaald.

ELFDE HOOFDSTUK.

CONJUGATIE VAN HET VERBUM SUM.

§ 90. Evenals bet Jvederlandsche werkwoord zijn wordtook het Latijnsche verbum sum in vele gevallen als hulpwerkwoord gebruikt. De conjugatie van dit verbum moet derhalve gekend worden voordat wij verder kunnen gaan met de behandeling der gewone verba. Zij is geheel onregelmatig.

Indicativus.

Conjunctivus.

Praesens.

Sing, sum, ik hen.

Sing, sim, dat ik zij.

ës, gij zijt.

sis, dat gij zijt.

est, hij is.

sit, dat hij zij.

Plur. sümus, wij zijn.

Plur. slmus, dat wij zijn.

estis, gij zijt.

sïtis, dat gij zijt.

sunt, zij zijn.

sint, dat zij zijn.

Imperfectum.

Sing, ëram, ik was.

Sing, essem, dat ik ware,

eras.

esses, ik zou zijn.

ërat.

esset.

Plur. eramus.

Plu r. essëmus.

eratis.

essëtis.

ërant.

essent.

Perfectum.

Sing, fui, ik ben geweest.

Sing, fuërira, dat ik geweest zij.

fuisti.

fuëris.

fuit.

fuënt.

Plur. fuïmus.

Plur. fuerïmus.

fuistis.

fuerïtis.

fuërunt.

fuërint.

Plusquam

perfectum.

Sing, fuëram, ik was geweest.

Sing, fuissem, dat ik geweest ware,

fuëras.

fuisses. ik zou geweest zijn.

fuërat.

fuisset.

Plur. fueramus.

Plur. fuissëmus.

fueratis.

fuissëtis.

fuërant.

fuissent.

ocr page 81

Conjugatie van sum.

§ 90—91.

63

Futurum simplex.

Sing, ëro, ik zal zijn.

ëris.

ërit.

Plur. erïraus.

erïtis.

ërunt.

ontbreekt.

Futurum e x a c t u m.

Sing, fuëro, ik zal geweest zijn.

fuëris.

fuërit.

Plur. fuernnus.

fuerïtis.

Sing, futiirus,j sim, dut ik zijn a, / sis. \zal.

um ) sit.

Plur. futüri, \ simus. ae, gt; sitis. a i sint.

f'uërint.

Imperati vus.

P r a e s e n a. Sing. 2. ës, zij, wees.

Plur. 2 este, zijt, weent.

Futurum.

Sing. 2. eato, gij moet zijn.

3. esto, hij moet zijn.

Plur. 2. estöte, gij moet zijn.

8. sunto, zij moeten zijn. Infinitivus.


Praesens. esse, zijn.

Perfectum, fuisse, geweest zijn.

Futurum. futurum, am, um esse, zullen zijn.

Participium futurum.

futiirus, a, um, zullende zijn.

Aanmerkingen. In plaats van essem, esses, esset, essent gebruiken sommige schrijvers, vooral in voorwaardelijke zinnen, meermalen forem, fores, foret, forent. In plaats van futurum, am, um esse zegt men zeer dikwijls fore.

Bij de oudere Latijnsche schrijvers komen de volgende thans ongebruikelijke vormen voor: siem, sies, siet, sieut en fuam, fuas, fuat, fuant in plaats van sim, sis, sit, sint; verder escit, escunt en esit, esunt in plaats van erit, erunt. Evenzoo hebben zjj een perfectum fuvi in plaats van fui.

§ 91. Evenals sum worden ook de composita van sum geconjugeerd, namelijk:

absum, ik hen afwezig. obaum, ik hen in den teeg.

adsum, ik hen tegenwoordig. praesum, ik hen aan het hoofd.

desum, ik ontbreek. prosum, ik 'hen voordeelig.

ocr page 82

Conjugatie der verba activa.

insum, ik hen er in. subsum,. ik ben er onder.

intersum, ik hen er hij. supersum, ik hen overig.

Betrekkelijk deze verba valt op te merken:

1°. dat bij het futurum conjunctivi en infinitivi de prae-positie vóór het participium moet gevoegd worden. B.v. prae-t'uturus sim; praefuturum esse.

2°. dat bij pro sum pro in prod veranderd wordt, wanneer op pro een e volgt. B.v. prosuin, prodes, prod est, prosumus, prodestis, prosunt.

3°. dat alleen absum en praesum een participium prae-sens hebben, namelijk; absens, afwezig en praesens, tegen-woordig. Men lette bij het laatste verbum op de veranderde be-teekenis van het participium praesens.

4°. dat bij absum meermalen de b wegvalt vóór f. B.v. af ui, a fu turns.

dat bij ad sum somtijds de d vóór s in s en meermalen vóór f in f veranderd wordt. B.v. assum, affui.

dat bij o b s u m gewoonlijk de b vóór t in f veranderd wordt. B.v. off ui.

De leerling lette goed op de quantiteit van het verbum sum, om bij de vervoeging der composita geen fouten te maken tegen de uitspraak. Hoe zult gij uitspreken: prodero, praesimus, desumus, oberat?

TWAALFDE HOOFDSTUK.

CONIUGATIE DER VERBA ACTIVA.

g 92. De regelmatige verba worden vervoegd volgens vier conjugaties. Om tequot; weten tot welke conjugatie een verbum behoort, ziet men naar den uitgang van den infinitivus praesens. Deze is in de

Ist'' conjugatie are met lange a. B.v. amare. 2dc ' „ ere „ lange e. „ monére. 3de ^ ere „ korte e. „ legere.

4tie n ïre „ lange i. „ audïre.

Om een verbum te kunnen conjugeeren moet men vier vormen kennen, die hoofdvormen genoemd worden.

Zij zijn:

het praesens indicativi, uitgaande op o. het perfectum indicativi, „ „ i. de infinitivus praesens, „ „ re.

het s u p i n u m p r i m u m, „ „ u m.

B.v.

am o, amavi, amatum, amare, beminnen.

inoneo, monui, monïtum, monëre, vermanen.

lego, legi, lectum, legere, lezen.

audio, audïvi, audïtum, audïre, hoor en.

64

ocr page 83

§ 93. Conjugatie der verba activa. 65

§ 93. Van de hoofdvormen worden de overige vormen afgeleid. Van het praesens indicativi komen

1. het praesens conjnnctivi door te veranderen

o der eerste conjugatie in e m. B.v. am o, a m e m. eo „ tweede „ „ eam. „ moneo, moneam.

o „ derde en vierde n B am. „lego, leg am.

audio, audi am.

2. het imperfectum indicativi door te veranderen

o der eerste conjugatie in abam. B.v. amo, amabam. e o „ tweede „ „ e b a m. „ mon e o, mon ë b a m.

o „ derde en vierde „ „ ëbam. „ lego, lege ba m.

audi o, audi ëbam.

3. het futurum simplex indicativi door te veranderen o der eerste conjugatie in abo. B.v. amo, amabo.

e o „ tweede „ „ e b o. „ mon e o, mon ë b o.

o „ derde en vierde „ „ am. „lego, leg am.

audio, audi am.

4. het participium praesens door te veranderen

o der eerste conjugatie in ans. B.v. amo, amans. e o „ tweede „ „ e n s. „ mon e o, mon ens.

o „ derde en vierde „ „ e n s. „ leg o, leg ens.

audi o, audi ens.

5. het gerundium door te veranderen

o der eerste conjugatie in andi. B.v. amo, amandi. e o „ tweede „ „ e n d i. „ mon e o, mon e n d i.

o „ derde en vierde „ „ endi. „ lego, legendi.

audi o, audi endi.

Van het perfectum indicativi komen

1. het perfectum conjunctivi door i te veranderen in ërim. B.v. amavi, amavërim, monui, monuërim, legi, legërim, audïvi, audivërim.

2. het plusquamperfectum indicativi door i te veranderen in ëram. B.v. amavëram, monuëram, lege ram, audivëram.

3. het plusquamperfectum conjunctivi door i te veranderen in issem. B.v. amavissem, monuissem, legissem, audivissem.

4. het futurum exactum door i te veranderen in ëro. B.v. amav ëro, monu ëro, leg ëro, audiv ëro.

5. de infinitivus perfecti door i te veranderen in is se. B.v. amavisse, monuisse, leg is se, audiv isse.

Van den infinitivus praesens komen

1. het imperfectum conjunctivi door achtervoeging van m. B.v. amare, amare m, monëre, monëre m, legëre, legëre m, audire, audïre m.

2. de imperativus door wegwerping van re. B.v. amare, ama, monë r e, mone, legë r e, lege, and ï r e, audi.

5e druk. 5

ocr page 84

Conjugatie der verba activa.

Van het supinum primum komt het participium futurum door verandering van um in ürus. B.v. amatum, amaturus, monïtum, monitürus, lectum, lectürus, audit um, auditür us.

Het participium futurum met sim dient om het futurum con-junctivi en met esse om den infinitivus futuri te vormen. B.v. amaturus sim, amatürum esse, monitürus sim, monitürum esse, lectürus sim, lectürum esse, auditürus sim, auditürum esse.

Aanmerking. Vorming van liet praesens, perfectum cn supinum van den stam.

I. De stammen der verba gaan uit op een vocaal of op een consonant. i • n

Zoo de stam op een vocaal uitgaat, blijft hij gewoonlijk iu alle vormen van het werkwoord onveranderd, üe meeste verba echter, wier stam op e uitgaat, werpen deze e bij de vorming van het perfectum en supinum weg. Eindigt de stam op a, dan behoort het verbum tot de jste conjugatie, op e tot de 2^e, op u tot de 3^°, op i tot de 41'1.

Zoo de stam op een consonant uitgaat, behoort het verbum tot de 3tie conjugatie.

II. Het praesens wordt van den stam gevormd door achtervoeging van o. De a van den stam der lste conjugatie smelt met deze o samen in o. In alle overige afgeleide vormen met uitzondering van het praesens conjunctivi blijft zij behouden. B.v. ama-o, amo, ama-s, ama-bam, ama-bo.

In het praesens is de stam dikwijls versterkt en wel voornamelijk:

1°. door achtervoeging van i of u. B.v. cap-i-o, sting-u-o.

2°. door achtervoeging van n of t of door verdubbeling van den medeklinker. B.v. ster-n-o, pec-t-o, fal-l-o.

3quot;. door achtervoeging van sc. B.v. di-sc-o (eigeulijk dic-sc-o van

stam die).

4°. door tusschenvoeging van n of m, van n, wanneer de stam op een keelletter uitgaat, zooals: vinc-o, stam vic, pang-o, stam pag, van m, wanneer de stam op een lipletter uitgaat, zooals cumb-o, stam cub, rump-o, stam rup.

Somtijds blijft de versterkende n ook in het perfectum en supinum. B.v. fin go (stam fig) finxi; jungo (stam jug) juuxi, junctum.

5°. door reduplicatie, zooals: gign-o (iu plaats van gi-gen-o,, stam gen.

III. Het perfectum wordt van den stam gevormd door acatervoeging van i. Deze i wordt op verschilleude wijzen met den stam verbonden en wel:

1°. door v of u, door v, wanneer de stam op een vocaal, door u, wanneer de stam op een consonant uitgaat B.v. iauda-v-i, dele-v-i, audi-v-i, doc-u-i, col-u-i. Wanneer hier eu ia het vervol'' van verba der 2^ conjugatie gezegd wordt, dat de stam op een consonant uitgaat, moet men daaronder verstaan: na wegwerping dor e.Vgl.I.

20. door s. B.v. man-s-i, rep-s-i.

8°. onmiddellijk, doch in dit geval wordt de stamvocaal verlengd. B.v. vid-i van vïd(e)o, lëg-i van lëg-o.

66

Aanmerking. Verschillende verba hebben in het perfectum de reduplicatie. B.v. totoudi van tondeo, cucurri van curro. Spondeo heeft sp gt;pondi, sto (uit stao) steti.

''f

ocr page 85

Conjugatie der verba activa.

67

§ »3.

IV. De supina der lste conjugatie worden allen, die der overige conjugaties meestal op tum gevormd, dat öf onmiddellijk aan den stam wordt geheclit, zooals; ama-tum, dele-tum, audi-tum, öf door middel eener verbindings-ï, zooals: frem-i-tum.

In de 2de en 3de conjugatie gaat het supinum bijna altijd uit op sum wanneer de stam van het verbum eindigt op d, t of rg. B.v. ar sum, van ard(e)-o, missum van mitt-o, ter sum van terg(e)-o.

V. In verschillende gevallen wordt de stam in het perfectum en supinum veranderd.

A. Bij de perfecta met v of u blijft do stam gewoonlijk onveranderd. B.v. ama-vi van amo (ama-o), al-ui van al-o.

B. Bij de perfecta op s i en bij de supiua op sum eu tum komen de volgemle veranderingen van consonanten voor.

1°. b verandert voor s en t in p. B.v. scrib-o, scrip-si, scrip-tum.

2°. c, g, h, q smelten met s in x samen en veranderen vóór t in e. B.v. dic-o, dixi (dic-si), dictum; teg-o, texi (tegsi), tectum teg-tum); trah-o, traxi (trah-si), tr actum (trah-tum), coq(u)-o, coxi (coq{u)-si), coc tum (coq(u)-tum). Hetzelfde heeft plaats met v in vivo, vixi, victum; struo (oorspronkelijk struvo), struxi, struc-tum; fluo (oorspronkelijk fluvo), fluxi, fluctum.

3°. d en t vallen gewoonlijk weg vóór s, doch in dit geval wordt de voorafgaande korte vocaal verlengd. B.v. claud-o, clausi, clau-sum; divido (uit dis en stam vid), divlsi, divisum. Somtjjdu heeft er assimilatie plaats. B.v. concutio (de i is hier versterkend. Vgl. II. I0.) concussi, concussum.

4°. Als de stam op twee consonanten uitgaat, valt de laatste gewoonlijk weg voor s en t. B.v. mulc(e)-o, mul si, mul sum; m u 1 g (e) -o , m u 1 s i, m u 1 s u m; t o r q (u)(e) - o, torsi, t o r t u m.

5°. v wordt, zoo er een consonant voorafgaat, vóór tum veranderd in a. B.v. solv-o, solutum. Zoo a, o of u voorafgaat, smelt zij daarmede samen tot au, 5, u. B.v. fav(e)-o, fautum; mov(e)-o, mS-tum; jüv-o, jütum (in het praesens is de stam ju va. Vgl. VI).

6quot;. m wordt somtijds vóór si en sum geassimileerd. B.v. prem-o, pressi, pressum. Gewoonlijk blijft zij echter onveranderd, doch wordt dan vóór si en eveneens vóór tum gevolgd door p. B.v. sum-o, s u m p s i, s u m p t u m.

7°. r in het praesens, tusschen twee vocalen staande, is dikwijls uit s ontstaan en gaat vóór s en t in het perfectum eu supinum weder in s over. B.v. ur-o, us-si, us-tum; ger-o, ges-si, ges-tum. Ook in q u a e r - o, q u a o s - i v i, quaes-itum is de r van het praesens uit s ontstaan.

C. Bjj verschillende verba wordt in het perfectum en supinum de stamvocaal veranderd. B.v. ago, egi; polio, pulsum.

VI. Bij meerdere verba komen de hoofdvormen van een verschillenden stam. B.v. so no (stam sona), sou-ui, son-ï tum (stam son); pet-o (stam pet), peti-vi, peti-tum (stam peti).

Aanmerking over de uitgangen der personen. Zie bladz. 72.

Kaar de volgeude voorbeelden worden de verba activa der ver-schillende conjugaties vervoegd.

ocr page 86

G8 ■ Conjugatie dei- verba activa. § 93.

I. Arno, amavi

, amatum, amare.

II.Moneo,monui

monïtum, raonere.

Indicati vus.

Conj uncti vus.

Indicativus.

Conjuncti v u s.

Praesens.

Praesens.

(ik bemin).

{dut ik beminne).

{ik vermaan.

{dat ik vermane).

am o.

am e m.

mon e o.

mon e ara.

am a s.

am es.

mon e s.

mon e a s.

am at.

ara e t.

mon e t.

mon eat.

am am us.

am ë m u s.

mon 5 m u s.

mon e a m u s.

am ati s.

am ë t i s.

mon ë t i s.

mon e a t i s.

am ant.

ara ent.

mon ent.

mon ea n t.

Imperfectum.

I m p e r

fectum.

{ik beminde).

{dat ik beminde,

{ik vermaande).

(dat ik vermaande,

am ab a m.

ik zou beminnen).

ik zou vermanen).

am a r e m.

monëbam.

mon ë r e ra.

am abas.

am ar es.

mon o b a s.

monëres.

am ab a t.

am a r e t.

mon ëb a t.

raonër et.

am a b a m u s.

am a r ë m u s.

mon e b a m u s.

mon e r ë ra u s.

am abatis.

amarëtis.

monebatis.

raonerëtis.

amabant.

am a r e n t.

mon ë b a n t.

mon ë r e n t.

Perfectum.

Perfectum.

{ik héb bemind).

{dat ik bemind

{ik heb ver

(dat ik vermaand

hebbe).

maand).

hebhe).

amav i.

amavë rim.

monu i.

monu ë rim.

amav i s t i.

amav ë r i s.

monu i s ti.

monu ë r i s.

amav i t.

amav ë r i t.

monui t.

monuërit.

amav ï m u s.

amav e r ïm u s.

monu i m u s.

monu e ri ra u s.

amav i s t i s.

amav e r ï t i s.

monu i s t i s.

monu e r 11 i s.

amavërunt.

amavërint.

monu ë r u n t.

monu ë r i n t.

P1 u s q u a m p e r f e c t u ra.

Plusquamperfectu ra.

{ik had bemind).

(dat ik bemind

{ik had ver

(dat ik vermaand

hadde,

maand).

hadde,

ik zou bemind

ik zou vermaand

hebben).

hebben).

amavëram.

amavi s sera.

monu ë ram.

monu is sein.

amavëras.

amav i s s e s.

monu ëras.

monui ss es.

amav ë r a t.

amavi ss et.

monu ë r a t.

monu i s s e t.

amav era m u s.

amav i s s ë m u s.

monu eramus.

monu is sera us.

amav e r a t i s.

amavissëtis.

monueratis.

monu i s s ë t i s.

amav ë r a n t.

amav i s s e n t.

monu ë r a n t.

raonuissent.

ocr page 87

93.

Conjugatie der verba activa.

69

a

III. Lego, legi, lectum, legere.

IV. Audio, audivi, audltum, audlre.

Indicativus.

Conjunctivus.

Indicativus.

Conjunctivus.

P r a e s e n s.

Praesens.

(ik lees).

(dat ik leze).

(ik hoor.)

(dat ik hoore).

leg o.

lega m.

aud i o.

audi a m.

leg is.

leg a s.

aud i s.

audi a s.

leg i t.

leg a t.

aud i t.

audi a t.

leg I m u s.

leg a m u s.

aud T m u s.

audi a m u s.

leg ï ti s.

iegatis.

aud 11 i s.

audia ti s.

leg u n t.

lega n t.

aud i u n t.

audi ant.

Imperfectu m.

Imperfectum.

(ik las).

(dat ik laze, ik zou lezen).

{ik hoorde).

(dat ik hoorde, ik zou hoor en).

legëbam.

legërem.

audi ëb am.

aud ï r e m.

lege bas.

leg ë r e s.

audi 5 b a s.

audïres.

lege bat.

leg ë r e t.

audi ë b a t.

aud ï r e t.

leg e b a m u s.

leg e r ë m u s.

audi e b a m u s.

audirëmus.

legebat is.

leg e r ë t i s.

audi e b a t i s.

aud i r ë t i s.

leg ë b a n t.

leg ë r e n t.

audi ë b a n t.

aud I r e n t.

Perfectum.

Perfectum.

(ik heb gelezen).

(dat ik gelezen

(ik heb gehoord).

(dat ik gehoord

hebbe).

hebbe).

legi.

leg ë r i m.

audlv i.

audiv ë r i m.

leg i s t i.

leg ë r i s.

audivi sti.

audivëris.

leg it.

leg ë r i t.

audïvi t.

audiv ë r i t.

legt mus.

leg e r ï m u s.

audivi mus.

audiv e r ï m u s.

legist is.

leg e r ï t i s.

audiv i stis.

audiverïtis.

leg ö r u n t.

leg ë r i n t.

audiv ë r u n t.

audiv ër int

Plusquam perfectum.

Plusquamperfectum.

(ik had gelezen).

(dat ik gelezen

(ik had ge

(dat ik gehoord

hadde, ik zou gelezen

hoord).

hadde,

ik zou gehoord

hebben).

hebben).

leg ë r a m.

legissem.

audiv ë r a m.

audiv i s s e m.

leg ë r a s.

leg i s s e s.

audiv ë r a s.

audiv i s s e s.

leg ë r a t.

leg i s s e t.

audiv ë r a t.

audiv i s s e t.

leg eramus.

leg 1 s s ë m u s.

audiv eramus.

audiv i s së mus.

leg e r a t i s.

leg i s s ë t i s.

audiv e r a t i s.

audiv issëtis.

leg ë r a n t.

legiss ent.

audiv ë r a n t.

audiv is se n t.

ocr page 88

70 Conjugatie der verba activa. § 93.

In

dicativus.

Conjunctivus.

Futurum simplex.

(ik

zal bemin

(dat ik bemin

nen).

nen zal).

am

a bo.

amaturus.

\sira.

am

abi s.

a,

[sis.

am

abit.

um

)sit.

am

abïmus.

amatïïri,

\simus.

am

a b ï t i s.

ae,

[sitis, )sint.

am

a b u n t.

a

Futurum exactum.

(ik zal bemind hebben).

amav e r o. amavëris. amav ë r i t. amav e r ï m u s. amaverïtis. amav ë r i n t.

Imperativus. Praesens.

am a, bemin.

amate, bemint.

Futurum.

S. 2. amato, gij moet beminnen.

3. am a to, hij moet beminnen. P. 2. amato te, gij moet beminnen. 3. am a n t o, zij moeten beminnen . Infinitivus.

P r a e s. amare, beminnen.

P e r f. amav i s s e, bemind hebben. Fut. amatürum, am, um esse, zullen beminnen. Participium.

P r a e s. am a n s, beminnende. Fut. amatürus, a, um, zullende

beminnen.

Gerundium.

G. am a n d i, van het beminnen. D. am a n d o, voor het beminnen. A. am a n d u m, (tot) het beminnen. A. amando, door het beminnen.

Supinum primum. amatum. om te beminnen.

ontbreekt.

S. P.

Indicativus. Conjunctivus.

Futurum simplex. (ik zal vermanen).

monëbo.

mon ë b i s.

mon ë b i t.

mon e b ï m u s.

mon e b ï t i s.

mon ë b u n t.

ontbreekt.

Futurum e x a c t u m. (ik zal vermaand hebben).

monu ë r o.

monu ë ris.

monuërit.

monu e r ï m u s.

monu e r ï t i s.

monu ë r i n t.

Imperativus. Praesens.

S. 2. mon e, vermaan.

P. 2. mon ë t e, vermaant.

Futurum.

S. 2. mon ë t o, gij moet vermanen.

3. mon ë t o, hij moet vermanen. P. 2. mon e 151 e, gij moet vermanen. 3. mon e nto, zij moeten vermanen. Infinitivus.

Praes. monëre, vermanen.

P e r f. mon u i s s e, vermaand hebben. Fut. monitürum, am, um esse, zullen vermanen. Participium.

Praes. mon ens, vermanende. Fut. monitürus, a, um, zullende vermanen. Ge r u n d i u in.

G. mon e n d i, van het vermanen. D. mon e u d o, voor het vermanen. A. mon e n d u m, (tot) het vermanen. A. mon e n d o, door het vermanen.

Supinum primum. monïtum, om te vermanen.

(dat ik vermanen zal). monitürus, j sim. a, gt; sis. um ) sit. monitüri, isimus. ae, /sitis. a /sint.


ocr page 89

Conjugatie der verba activa.

71

Indicati vus. Conj unctivus. Futurum simplex.

(ik zal lezen), {dat ik lezen zal).

leg a m.

leges.

Ie g e t.

leg cm us.

lege t is.

leg ent.

Futurum exactum. {ik pal gelezen hebben).

leg ë r o.

leg oris.

leg ë r i t.

leg e r ï m u s.

legerïtis.

leg ë r i n t.

Imperativus.

P r a e s en s.

S. 2. lege, lees.

P. 2. legïte, leest.

Futurum.

S. 2. legt t o, (jij moet lezen.

3. leg ï t o, hij moet lezen. P. 2. legitote, gij moet lezen. 3. leg unto, zij moeten lezen. I n fin i t i v u s.

P r a e s. legëre, lezen.

Perf. leg is se, gelezen hebben. F u t. lectürum, am, um esse, zullen lezen. Participium.

P r a e s. leg ens, lezende. F u t. lect ü r u s, a, um, zullende lezen. Grerundium. G. legendi, van het lezen.

D. leg e n d o, voor het lezen. A. leg e n d u m, {tot) het lezen. A. legende, door het lezen.

Supinum primum. lectum, om te lezen.

ontbreekt.

Indicatiyus. Conjunctivus. Futurum simplex.

{dat ik hooren

zal). auditürus, isim. a, Jsis. „um Jsit. audirüri, jsimus. ae, gt;sitis. a /sint.

ontbreekt.

Futurum e x a c t u ra. {ik zal gehoord hebben).

audiv ë r o. i audiv ë r is.

audivërit.

audiv erim us.

audiv e r ï t i s.

audiv ë r i n t.

Imperativus.

P r a e s e n s.

S. 2. audi, hoor.

P. 2. audi te, hoort.

Futurum.

S. 2. aufl ï t o, gij moet hooren.

3. audïto, hij moet hooren. P. 2. audi to te, gij moet hooren. 3. aud i u n to, sy moeten hooren. Infiniti vus.

Praes. audlre, hooren.

P e r f. audiv i s s e, gehoord hebben. F ü t. auditürum, am, um esse , zullen hooren. Participium.

Praes. audiens, hoorende. Fut. audit ü r u s, a, um, zullende

hooren.

Grerundium.

Gr. audi e n d i, van het hooren. D. audi e n d o , voor het hooren. A. audiendum, {tot) het hooren. A. audiendo, door het hooren.

Supinum primum. audïtum, om te hooren.

{ik zal hooren).

audi am.

audi e s.

audi et.

audi ëmus.

audi ë t i s.

audi ent.


ocr page 90

Conjugatie der veria activa.

Voorbeelden ter oefening.

guste,

gustavi,

gustatum,

gustare,

proeven.

laudo,

laudavi,

laudatum , superatura,

laudare,

prijzen.

supëro,

superavi,

superare,

overtreffen.

veto,

vetui,

vetïtura, delëtuni,

vetare,

verbieden.

deleo,

delevi,

delëre,

verdelgen.

moveo,

movi,

motum,

movëre,

bewegen.

teneo,

tenui,

tentum,

tenëre,

houden.

terreo,

terrui, '

terrïtum, argütum,

terrëre, arguëre,

verschrikken.

arguo,

argui,

beschuldigen.

claudo,

clausi,

clausum,

claudëre,

sluiten.

rego,

rexi,

rectum,

regëre,

regeeren.

volvo,

volvi,

volütura,

volvëre,

wen telen.

erüdio,

erudivi,

erudltum,

erudlre,

onderwijzen.

haurio,

hausi,

liaustum,

haurlre,

' jutten.

nutrio,

nutrïvi,

nutrïtum,

nutrlre,

voeden.

sen tic,

sensi,

sensum,

sentlre,

gevoelen.

Aanmerking behoorende op bladz. 67. De uitgangen der personen zijn I. in den indicativus en eonjunetivus activi

1ste persoon 2clc persoon

Sing. o, m, i (i)s, (i)sti

Plur. (ï)mus COtis, (i)stis

II. in den indicativus en eonjunetivus pa

l5tB persoon 2de persoon

Sing. r (ë)ri8

Plur. (ï)mur (ï)mïiri

III. in den imperativus

activi 2de persoon 3de persoon P r a e s. a, e, e, i —

Fut. (ï)to (ï)to

P r a e s. (ï)te —

Fut. ffitijte (u)nto

In de geconjugeerde vormen van een bestanddeelen onderscheiden worden:

1°. de stam van het werkwoord.

2°. de verbindingsvocaal. Hierdoor verstaat men de korte vocaal, waardoor in verschillende gevallen de uitgang met den stam verbonden wordt. Zij is meestal ï, soms ë en vóór ut u. In bovenstaande tabellen is zij tusschen haakjes aangegeven.

3°. de kenletter van den tijd. Zoo is in amabo de b de ken-letter van het futurum simplex.

72

^3do (i)t

(u)ut, (ë)runt sivi

3de persoon

(ï)tur

'u)ntur

persoon

p a s s i v i 2de persoon 3de persoon (ë)re —

(i)tor (ï)tor (ï)mïni — — (u)utor.

verbum moeten de volgende

Sing. Plur.

ocr page 91

Conjugatie der verba passiva.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

CONJUGATIE DER VERBA PASSIVA.

§ 94. De volgende regels leeren hoe men de verschillende vormen van het verbum passivum moet afleiden.

1. Het praesens indicativi en conjunctivi, het imperfectum indicativi en conjunctivi en het futurum simplex indicativi worden gemaakt ■ van dezelfde tijden in het activum door o te veranderen in or en m in r. D.v. amo, am or, amem, amer, amabam, amabar, amarem, amarer, amabo, amabor, moneo, mone o j;.

2. Het participium perfectum wordt gemaakt van het su-pinum door um te veranderen in us. 13.v. amatum, amatus, monlt u m , monit u s.

Van het participium perfectum en het verbum sum worden gemaakt: het perfectum indicativi, conjunctivi en infinitivi, het plusquampepfecrum indicativi en conjunctivi en het futurum exactum indicativi. B.v. amatus sum, amatus sim, amatum esse, amatus eram, amatus essem, amatus ero.

3. De infinitivus praesens komt van den infinitivus praesens activi door

are te veranderen in ari, zooals; am are, amari. ere„ „ „eri, „ monëre, moneri. ere „ „ „ i, „ legere, legi.

ire„ „ „Iri, „ audlre, audlri.

4. De infinitivus futuri wordt gemaakt van het s u p i n u m primum met iri. B.v. amatum iri, monitum iri.

5. De imperativus van het passivum is gelijk aan den infinitivus van het activum. B.v. amare, amare.

6. Het gerundivum wordt gemaakt van het gerundium door di te veranderen in dus. B.v. amandi, amandus.

7. Het supinum secundum wordt gemaakt van het supinum primum door um te veranderen in u. B.v. amatum, amatu.

Naar de volgende voorbeelden worden de verba passiva der vier verschillende conjugaties vervoegd.

73

ocr page 92

74

Conjugatie der verba passiva.

§ 94.

1.

2. 1

Indicativus.

Conjunctivus.

Indicativus. Conjunctivus.

Ine

Prae

sens.

Prae

sens.

{ik word bemind).

{dat ik bemind

{ik word ver

(dat ik vermaand

(ik w

worde).

maand).

worde).

\

am o r.

am e r.

mon e o r.

monear.

leg o

am ar is.

am ë ri s.

monëris.

mon e a r i s.

lege

amatur.

am e t u r.

mon ë t u r.

mon eat ur.

legï

am a m u r.

am e m u r.

mon ë m u r.

mon e a m u r.

legï

am a m ï n i.

amemïni.

mon e mïni.

mon eamïni.

legi

am a n t u r.

am e n t u r.

mon e n t u r.

mon e a n t u r.

legu

Imperfectum.

Imperfectum.

{ik werd bemind).

{dat ik bemind

(ik werd ver

{dat ik vermaand

(ik

tverde,

maand).

werde,

ik zou bemind

ik zou vermaand

worden).

worden).

am a b a r.

am a r e r.

mon ë b a r.

mon ë r e r.

legë

am a b a r i s.

am a r S r i s.

mon e ba ris.

mon e r ë r i s.

lege

am a b a t u r.

amarëtu r.

mon e b a t u r.

monerëtur.

leg g

am a b a m u r.

am a r ê m u r.

mon e b a m u r.

mon e r ë m u r.

i leg e

am abamïn i.

am a r e m ï ni.

mon e b a mï n i.

mon ere m ï n i.

lege

am a b a n t u r.

am a r e n t u r.

mon e b a n t u r.

mon e r e n t u r.

lege

Perfectum.

Perfectu m.

a, um monïti. ae,

a

es.

est.

sumus.

| estis.

; sunt.

Plusqua-mperfectu m.

sint.

P1 u s q u a m p e r f e c t u m.

{ik was vermaand geweest).

amatus, a,

um amati, ae,

a

amati, ae,

a

{ik hen bemind

geweest). amatus, , sum.

{ik was bemind geweest).

}eram.eram.

eras.

erat.

1 eramus. eramus.

eratis.

erant.

a, um amiiti, ae, a

{dat ik bemind geweest ware, ik zou bemind geweest zijn). amatus, lessem. a, [esses, um 'esset.

{dat ik bemind

geweest zij). amatus,} sim. a.

}essemus.essemus.

essetis.

essent.

{ik ben vermaand

geweest). monitus, j sum. a, gt; es. um ) est. momti, \ sumus. ae, gt; estis. a ; sunt.

monïtus,» eram. a, gt; eras, um J erat. monïti, i eramus, ae, gt; eratis. a ' erant.

{dat ik vermaand

geweest ware, ik zou vermaand

geweest zijn). monïtus,! essem. a, iesses. um I esset. monïti, jessemus. ae, J essetis. a ' essent.

{dat ik vermaand

geweest zij). monïtus, i sim.

sis.

sit. | sim us. r sitis.

ocr page 93

§ 94. Conjugatie der verba passiva. 75

3.

4.

and i o r.

and Iris.

and 11 u r.

audimur.

aud i m I n i.

aud i u n t u r.

Imperfectum.

leg leg leg leg-leg leg

or. ë r i s. ï t u r. ï m u r. i m ï n i. u n t u r.

Tndicativus. Conjunctivus. P r a e s e n s.

leg a t u r. leg iï ui u r. leg a m i n i. leg a n t, u r.

Imperfectu ni.

(dat ik gelezen

worde). leg ar.

leg a r i s.

{ik word gelezen).

Indicanvus. Conjunctivus. P r a e s e n s.

{ik word gehoord), {dat ik gehoord

worde).

audi a r.

audi a r i s.

audi a t u r.

audi a m u r.

audi a mini audi a n t u r.

{dat ik gelezen

werde , ik zou gelezen worden). leg ë r e r.

leg leg leg leg leg leg

leg e r ê r i s. leg e r ë t u r. lege rëmur. leg e r e in ï n i. leg e r e ii t u r.

ë b ar.

eb ar is.

e b a t ii r.

e b a in u r.

e b a m ï n i.

e b a n t u r.

Perfectu m.

[ik werd gelezen).

{ik werd gehoord).

audi ë bar. audiebaris. audi e b a t u r. audi e bam ur. audiebamïni. audi e b a n t u r.

{dat ik gehoord

werde ik zou gehoord worden). aud ï r e r.

and i r ë r i s.

aud i rë t ur. aud i r e m u r. aud i r e m ï n i. aud i r e n t u r.

Perfectum.


{ik hen gelezen

{dat ik gelezen

geiveest).

geweest zij).

lectus,

\ sum.

lectus,

1 sim.

a,

| es.

a,

gt; sis.

um

) est.

um

) sit.

lecti,

\ sumus.

lecti.

j simus

ae,

gt; estis.

ae,

, sitis.

a

) sunt.

a

) sint.

Plusquamperfectum.

{ik was gelezen geweest).

{dat ik gelezen geweest ware, ik zou gelezen geweest zijn). lectus, i essem.

lectus, i erain.

a.

J, eras.

a,

um

} erat.

um

lecti,

1 eramus.

lecti,

ae,

/•eratis.

ae.

a

' erant.

a

esses.

) esset. t

essemus.

( essetis. essent.

{dat ik gehoord

geweest

zij).

auditus, 1

sim.

a,

sis.

um

sit.

audïti, '

simus.

aegt;, i

sitis.

a

sint.

Plusquamperfectum.

(ik was gehoord 1 (dat ik gehoord

eram.

a,

/ eras.

um

' erat.

audïti.

] eramus.

ae,

gt; eratis.

a

) erant.

geweest).

geweest ware. ik zou gehoord geweest zijn). auditus, iessem. a, [esses, um )esset. audïti, jessemus. ae, gt;essetis. a i essent.


iw

ocr page 94

Conjugatie der verba passiva.

76

§ 94.

Futurum simplex (In die.). {ik zal bemind worden).

am a b o r.

am a b ö r i s.

am a b 11 u r.

am a b ï m u r.

am a b i m ï u i.

am a b u n t u r.

Futurum ex actum (In die.).

(ik zal bemind gewordtn zijn.)

amatus.

1 ero.

a.

gt; eris.

um

) erit.

amati,

\ erinius.

ae,

gt; erïtis.

a

/ erunt.

Imperativus.

Praesens.

S. 2. amare, word bemind. P. 2. am a mini, wordt bemind.

Futurum.

S. 2. am a t o r, gij moet bemind worden.

3. amator, hij moet bemind worden.

P. 2. amabimïni, gij moet bemind

worden.

3. am an tor, zij moeten bemind

worden.

Infinitivus.

Praes. amari, bemind worden. P e r f. amatum, am, um esse, bemind geweest zijn. Fut. amatum iri, zullen bemind

worden.

Participium perfectum, amat us, a, um, bemind.

Gerundivum.

am an dus, a, um, moetende bemind

worden. Supinum secundum amatu, om bemind te worden.

Futurum simplex (I n d i c.). {ik zal vermaand worden).

mon e b o r.

mon e b ë r i s.

mon e b ï t u r.

mon e b ï m u r.

mon e b i m I n i.

mon e b u n t u r.

Futurum ex actum (In die.). {ik zal vermaand geworden zijn). inonltus ] ero.

eris.

erit.

erlraus.

erïtis.

erunt.

Imperativus. Praesens.

S. 2. monëre, word vermaand. P. 2. mon e in i n i, wordt vermaand.

Futurum.

S. 2. monëtor, gij moet vermaand

worden.

3. monëtor, hij moet vermaand

worden.

P. 2. mon e bi mini, gij moet vermaand worden. 3. mon ë n t o r, zij moeten vermaand

worden.

Infinitivus.

Praes. monëri, vermaand worden. P e r f. monitum, am, um esse, vermaand geweest zijn. Fut. monïtum iri, zullen vermaand

worden.

Participium perfectum, monlt u s, a, um, vermaand.

Gerundivum.

mon e n d u s, a, um, moetende vermaand worden. Supinum secundum, monïtu, om vermaand te worden.

{ik

c,

um monïti, ae,

a


I

ocr page 95

Conjugatie der verba passiva.

77

§ 94.

Futurum simplex (Indie.). | (ik zal gelezen worden).

leg a r.

leg ë r i s.

lege t u r.

legëmur.

' leg e m ï n i.

•entur.

Futurum exactum (Indie.).

(ik zal gelezen geworden zijn). lectus, j ero.

um

leeti, ae, a .

ens.

erit.

erïmus.

erïtis.

erunt.

Imperativus.

P r a e s e n s.

S. 2. leg ere, word gelezen. P. 2. legimïni, wordt gelezen. «, Futurum.

S. 2. leg ï t o r, gij moet gelezen worden.

3. legïtor, hij moet ge lezen worden.

P 2. legemini, gij moet gelezen

worden.

3. leguntor, zij moeten gelezen

worden.

Infiniti vus.

Praes. legi, gelezen worden.

P e r f. lectum, am, um esse, gelezen geweest zijn. Fut. lectum iri, zullen gelezen

worden.

M Participium perfectum.

lect us, a, um, gelezen.

Gerundivum.

leg e n d u s, a, um, moetende gelezen

worden. Supinum secundum.

lect u, om gelezen te worden.

Futurum simplex (Indie.). (ik zal gehoord worden).

audi a r.

audiëris.

audi ë t u r.

audi ë m u r.

audi e m ï n i.

audi entur.

Futurum exact um fin die.). {ik zal gehoord geworden zijn). audltus, i ero.

[■ eris.

) erit.

i erïmus. erïmus.

erïtis.

erunt.

Imperatiyus.

P r a e s e n s.

S. 2. audi re, icord gehoord.

P. 2. aud i m I n i, wordt gehoord.

F uturum.

S. 2. auditor, gij moet gehoord

■worden.

3. auditor, hij moet gehoord

worden.

P. 2. audi e mini, gij moet gehoord

worden.

3. audiun tor, zij moeten gehoord

worden.

Infinitivus.

Praes. aud Iri, gehoord worden. P e r f. auditum, am, um esse, gehoord geweest zijn. F u t. auditum iri, zullen gehoord

worden.

Participium perfectum, audit us, a, um , gehoord.

Gr e r u ii d i v u m.

audi e n d u s , a, um , moetende gehoord worden. Supinum secundum.

audit u, om gehoord te worden.

a, um

audïti, ae,

a


ocr page 96

Verba op io der derde conjugatie.

§ 95. Tot de derde conjugatie behooren de volgende werk-.-woorden (benevens luinne composita) die op i o uitgaan:

capio, nemen. fugio, vluchten. pario, voortbrengen.

cupio, wenschen. jacio, werpen. rapio, rooven.

facio, doen. quatio, schudden. sapio, smaken.

fodio, graven.

verder de composita van de verouderde verba lacio en s peteio, zooals: alllcio, aanlokken en conspïcio, aanschouwen, eindelijk de drie deponentia (waarover in liet volgende hoofdstukje gradior, stappen, morior, sterven en patior, lijden.

Deze verba verliezen de i, wanneer zij gevolgd wordt door een andere i of korte ër en in den 2deii persoon enkelvoud van den imperativus praesens activi. De volgende tabel geeft een overzicht van de vormen, die tot moeilijkheid aanleiding kunnen geven.

78

A c t i v u m.

Passivum.

Indicativus.

Con juncti vus.

Indicativus. Conjunctivus.

Praesens.

P r a e

sens.

capio.

capiam.

capior.

capiar.

capis.

capias.

capëris.

capiïïris.

capit.

capiat.

capitur.

capiatur.

capimus.

capiamus.

capïmur.

capiamur

capitis.

capiatis.

capimïni.

capiamïni.

capiunt.

capiant.

capiuntur.

capiantur.

Imperfectum.

Imperfectu ra.

capiëbam.

capërem.

capiëbar.

capërer.

capiëbas.

capëres.

capiebaris.

caperëris.

capiëbat.

capëret.

capiebatur.

caperëtur.

capiebamus.

caperëmus.

capiebamur.

caperëmur.

capiebiltis.

caperëtis.

capiebamïni.

caperemïni.

capiëbant.

capërent.

capiebantur.

caperentur.

Futurum (indicativus).

Futurum (indicativus).

capiam.

capiar.

capies.

capiëris.

1 capiet.

capiëtur.

capiëmus.

capiëmur.

capiëtis.

capiemïni.

capient.

capientur.

Imperativus.

Imperativus.

P r a e s.

Fut.

P r a e s.

Fut.

cape.

capito.

capëre. capïtor.

capïte.

capïto.

capimïni. capitor.

capitöte.

capiemïni.

capiunto.

capiuntor.

ocr page 97

§ 96. Een zin, waarin een verbum activum voorkomt, wordt op de volgende wijze in het het object van het activum wordt subje^ iran:bet en het subject van liet activum wordt in de#^blatiTu«%ezet. B.v. Terra nutrit hominem, de aanL^0^T(lpn inensch; homo nutr11ur terra, de mensch urti0rycroed door de aarde. Gr an do delëvit messem, de hagel heeft de oogst vernield; messis delëta est grandïne, de oogst is vernield door den hagel.

Wanneer het subject van het activum een persoon is., plaatst men bij de omzetting in het passivum de praepositie a of ab (wanneer liet woord met een vocaal of h begint) vóór Jen ablativus. B.v. Columbus in ven it Americam, Columbus heeft Amerika on tdekt; America inventa est a Col umbo, Amerika is ontdekt {geworden) door Columhus.

§ 97. Een actieve zin, die in het Nederlandsch men tot subject heeft, wordt bij de vertaling iti het Latijn gewoonlijk in het passivum omgezet. B.v. men bemint mij, amor; men bemint u, a maris; men bemint hem, amatur; men bemint ons, amain u r; men bemint u, a m a m ï n i; men bemin t hen, a m a n t u r; men zal den vlijtigen leerling prijzen, discipulus dilïgens laudabïtur; men heeft mij berispt, vituperatus sum.

§ 98. Niet alle verba activa kunnen in alle personen in het passivum gezet worden, maar alleen de verba transitiva. De verba intransitiva kuunen slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden. Dit is juist als in het Nederlandsch. Immers welk verstandig mensch zal zeggen: ik word geloopen ? Men zegt: er wordt geloopen. In het Latijn zet men een verbum intransitivum onpersoonlijk in het passivum door er den vorm aan te geven van

ocr page 98

SO Omzetting in hei passivum. § 99.

den derden persoon enkelvoud. B.v. e?- uwdt geloopen, eur-r ï t u r; er werd gestreden , p u g n a b a t u r; er zal geslapen u-orden, dormiëtur.

Men gebi'iukt ook don onpersoonlijken passieven vorm, wanneer men subject is van een verbum intransitivum. B.v. saltatur, men danst; saltarëtur, men zou dansen.

In de samengestelde tijden gebruikt men het neutrum sin-gul are van het participium. B.v. ventum est, men is gekomen; ventum er at, men was gekomen.

Wanneer in het Nederlandsch onovergankelijke werkwoorden persoonlijk gebruikt worden, zij men bij de vertaling in het Latijn goed op zijn hoede. In onze taal toch worden de samengestelde tijden van onovergankelijke werkwoorden meermalen vervoegd met het hulpwerkwoord zijn. B.v. ik ben gekomen, hij was gekomen. De pas beginnende leerling nu zou licht den passieven vorm gebruiken en vertalen: ventus sum, vent us erat. Doch dit zou een zeer groote fout zijn. Want een verbum intransitivum mag alleen onpersoonlijk in liet passivum gezet worden. Zoo een verbum intransitivum persoonlijk gebruikt wordt, moet men den actieven vorm kiezen. Men vertale dus: veni, venërat,

§ 99. De verba intransitiva, van welke wij in de vorige paragraaf spraken, duiden een werking aan, welke zich bepaalt bij den persoon of de zaak, die de werking verricht; maar blijkens § 85 zijn er ook verba intransitiva, wier werking uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Sommige dezer verba intransitiva zijn ook in het Federlandsch onovergankelijke werkwoorden. B.v. prospieëre (patri), zorgen {voor zijn vader); placëre (matri), behagen (aan zijn moeder). Andere verba echter zijn in het Latijn intransitiva en in het Nederlandsch transitiva. B.v. pareëre (hosti), (zijn vijand) sparen; per-s u a d ë;r e (alicui), (iemand) overreden. Ook deze verba kunnen slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden en nemen dan den naamval bij zich, dien zij in het activum regeeren. B.v. ik word gehoorzaamd, obedïtur mi hi; gij wordt gehoorzaamd,, obedïtur tibi; de vader wordt gehoorzaamd, obedïtur patri-wij worden gehoorzaamd, obedïtur nobis; gij wordt gehoorzaamd , obedïtur vobis; de ouders worden gehoorzaamd, o b e. dïtur parentibus.

ocr page 99

§ 100—101. Conjugatie der verba deponentia.

Over de quaniiteit der paenultima in de regelmatige conjugaties.

§ 100. De kenletters der eerste, tweede-en vierde conjugatie a, e, i (de vocalen, waarop het werkwoord uitgaat, wanneer men re van den inf. praes. wegschrapt) zijn vóór medeklinkers altijd lang (behalve de a in da,re en zijn composita, zooals cir-cumdamp;re). B.v. amamus, amarem, monëte, monëbo, audltur, audire.

Van de vocalen der uitgangen is

a altijd lang. B.v. amabamus, monueramus, legatis, audiaria.

e gewoonlijk lang. B.v. amarëmus, monuissëtis, legëris (fut. pass.), audirëmus. De e is kort

«) vóór ram, ro, rim en verdere actieve vormen van het plusquamperf. en fut. exact. ind. en van het perf. conj. B.v. amavëram, amavëro, amavërim.

b) in den 2den persoon enkelvoud van het fut, ind. pass. der eerste en tweede conjugatie. B.v. amabëris, monebëris.

c) bij de derde conjugatie

1°. in den 2den persoon enkelvoud van het praes. ind. pass. B.v. legëris.

2°. in den infinitivus praes. act. en 2den persoon enkelvoud van den imperativus praes. pass. B.v. legëre.

3°. het imperf. conj. act. en pass. B.v. legërem, legërer. i altijd kort. B.v. amavïmus, monebïnius, legïmus, audiverïtis. o en u altijd lang. B.v. amatote, amatürus.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA DEPONENTIA.

§ 101. Verscheidene Latjjnsche verba hebben de beteekenis van een verbum activum, doch den vorm van een verbum passivum. B.v. hortor, ik vermaan, vereor, ik vrees, sequor, ik volg, blandior, ik vlei. Deze verba komen in alle conjugaties voor en worden deponentia genoemd (omdat zij hunne passieve beteekenis afleggen , d e p o n ë r e).

Slechts twee vormen dezer verba hebben een passieve beteekenis, namelijk: het gerundivum en het supinum II.

De deponentia worden juist geconjugeerd als de passiva behalve in den infinitiyus futuri, die gelijk is aan het activum.

Ook hebben zij behalve de vormen van het passivum nog de volgende vormen van het activum: het participium prae-sens en futurum, het futurum conjunctivi, het gerundium en het supinum I.

De volgende tabel geeft een overzicht van de conjugatie dezer verba.

5e druk 6

81

ocr page 100

Conjugatie der verba deponent ia.

82

§ 101.

I Hortor, hortatus sum, hortari.

Indicativus. Conjunctivus. Praesens.

II Vereor , verïtus sum , vereri.

Indicativus. Conjunctivus. Praesens.


{ik vermaan).

hortor.

hortaris.

hortatur.

hortamur.

hortamlni.

hortantur.

{dat ik vermané).

horter.

horteris.

hortëtur.

hortemur.

hortemïni.

liortentur.

{ik vrees).

vereor.

verëris.

verëtur.

verëmur.

veremïni.

verentur.

{dat ik vreeze).

verear.

verearis.

vereatur.

vereamur.

vereamïni.

vereantur.


Imperfectum.

Imperfectum.

{ik vermaande).

hortabar.

hortabaris.

hortabatur.

hortabamur.

hortabamïni.

hortabantur.

{dat ik vermaande,

ik zou vermanen).

hortarer.

hortarëris.

hortarëtur.

hortarömur.

hortaremïni.

hortarentur.

{ik vreesde).

verëbar.

verebaris.

verebatur.

verebamur.

verebamini.

verebantur.

{dat ik vreesde,

ik zou vreezen).

verërer.

vererëris.

vererëtur.

vererëmur.

vereremïni.

vererentur.


Perfectum.

Perfectum.

{ik heh gevreesd).

{ik heh vermaand)

{dat ik gevreesd hebbe).

hortatus sum.

Plusquamperfectum.

verïtus sum. verïtus sim. Plusquamperfectum.

{dat ik vermaand

hebbe). hortatus sim.

{dat ik vermaand

hadde, ik zou vermaand

hebben). hortatus essem.

{ik had gevreesd).

{dat ik gevreesd.

hadde, {ik zou gevreesd

hebben). verïtus essem.

{ikhad ver maand)

hortatus eram.

verïtus eram.

{ikzal vermanen)

hortabor. hortabëris. hortabïtur. hortabïmur. hortabimlni. hortabuntur.

Fu tu rum {ik zal vermaand

hebben). hortatus ero.

ik vermanen zal). hortatürus, j sim. a, gt;sis. um jsit. hortatüri, jsimus. ae, gt;sitis. a )sint. exac tum.

Futurum simplex.

{dat

ontbreekt.

{ik zal vreezen).

verëbor. vereböris. verebïtur. verebïmur. verebimïni. verebuntur.

{ik zal gevreesd

hebben). verïtus ero.

{dat ik vreezen

zal). veritürus, jsim. a, [sis. um )sit. veritüri, jsimus.

ae,

Futurum exactum.

ontbreekt.

/SltlS.

Isint.

Futurum simplex.


ocr page 101

§ 101. Conjugatie der verba deponentia. 83

III. Sequor, seoutus sum, sequi.

IV. Blandior, blandltus sum, blandïri.

(ik volg).

sequor.

sequéris.

sequitur.

sequïmur.

sequimini.

sequuntur.

sequatur. sequamur. seqiiaiuïni. sequantur.

Imperfectum.

Indicativus. Conjunctivus. Praesens.

{dat ik volge). sequar.

sequaris.

blandlris.

blandltur.

blandimur.

blandimïni.

blandiuntur.

{dat ik vleie).

biandiar.

blandiaris.

blandiatur.

blandiamur.

blandiamïni.

blandiantur.

Indicativus. Conjunctivus. Praesens.

{ik vlei).

blandior.

Imperfectum.


{ik volgde).

sequebar.

sequebaris.

sequebatur.

sequebamur.

sequebamini.

sequebantur.

{dat ik volgde,

ik zou volgen).

sequërer.

sequerëris.

sequerëtur.

sequerëmur.

sequeremïni.

sequerentur.

{ik vleide).

blandiëbar.

blandiebaris.

blandiebatur.

blandiebamur.

blandiebamïni.

blandiebantur.

{dat ik vleide,

ik zou vleien).

blandlrer.

blandirëris.

blandirëtur.

blandirëmur.

blandiremïni.

blandirentur.


Perfectu m.

Perfectum.

{ik had gevolgd).

secutus eram.

Futurum {ik zal volgen).

sequar.

sequëris.

sequëtur.

sequëmur.

sequemini.

sequentur.

{ik heb gevolgd).

{dat ik gevolgd

hebhe). secütus sim.

secutus sum.

PI usquam perfectum.

Futurum exact um. {ik zal gevolgd j hebben).

secutus ero. ontbreekt.

(dat ik gevolgd

hadde,

ik zou gevolgd

hebben). secütus essem.

simplex.

(dat ik volgen zal).

secutürus, jsim. a, gt;8is. um )sit. secutüri, jsimus. ae, [sitis a )siat.

{dat ik gevleid

hebhe). blandltus sim.

blandltus sum.

Plusquamperfectum.

{ik had gevleid). {dat ik gevleid hadde,

ik zou gevleid hebben).

blandltus eram. blandltus essem. Futurum simplex.

(dat ik vleien zal).

blanditarus,lsim. a, [sis. um jsit. blanditüri, Isimus.

gt;sitis. isint.

ae,

{ik zal vleien).

biandiar.

blandiëris.

blandiëtur.

blaudiëmur.

blandiemïni.

blandientur.

Futurum exactum. (ik zal gevleid hebben).

blandltus ero. ontbreekt.

(ik heb gevleid).


ocr page 102

Conjugatie der verba deponentia.

84

§ 101.

Imperativus.

Imperativus.

Praesens.

Praesens.

S. 2. hor tare, vermaan. P. 2, hortamïm, vermaant.

S. 2. verëre, vrees. P. 2. veremïni, vreest.

Futurum.

Futurum.

8. 2. hortator, gij moet vermanen.

3. hortator, hij moet vermanen. P. 2. hortabimïni, gij moet vermanen. 3. hortantor, zij moeten vermanen.

S. 2. verëtor, gij moet vreezen.

3. verëtor, hij moet vreezen. P. 2. verebimïni, gij moet vreezen. 3. verentor, zij moeten vreezen.

Infinitivus.

Infinitivus.

Praes. hortari, vermanen.

P e r f. hortatum, am, um esse, ver-, maand hebben. Fut. hortatürum, am, um esse, zullen vermanen.

Praes. verëri, vreezen.

Perf. verïtum, am, um esse, gevreesd

hebben.

Fut. veritürum, am, um esse, zullen vreezen.

Participium.

Participium.

Praes. hortans, vermanende.

Perf. hortatus, a, um, vermaand

hebbende.

Fut. hortatürus, a, um, zullende

Praes. verens, vreezende.

P e r f. verltus, a, um, gevreesd

hebbende.

Fut. veritürus, a, um, zullende

vermanen.

vreezen.

Gerundivum.

Grerundivum.

hortandus, a, um, moetende vermaand

worden.

verendus, a, um, moetende gevreesd

worden.

Gr e r u n d i u m.

Gl^ e r u n di u m.

Gr en. hortandi, van het vermanen. Dat. hortando, voor het vermanen. Acc. hortandum, {tot) het vermanen. A b 1. hortando, door het vermanen.

Gr e n. verendi, van het vreezen. Dat. verendo, voor het vreezen. A c c. verendum, {tot) het vreezen. Abl. verendo, door het vreezen.

Supinum.

Supinum.

1. hortatum, om te vermanen.

2. hortatu, om vermaand te worden.

1. verïtum, om te vreezen.

2. verïtu, om gevreesd te worden.

ocr page 103

§ 101. Conjugatie der verba deponentia.

85

Imperativus.

Imperativus.

Praesens.

Praesens.

S. 2. sequëre, volg. P. 2. sequiimni, volgt.

S. 2. blandïre, vlei. P. 2. blandimïni, vleit.

Puturu m.

Futurum.

S. 2. sequïtor, gij moet volgen^.

3. sequïtor, hij moet volgen. P. 2. sequemïni, gij moet volgen. 3. sequuntor, zij moeten volgen.

S. 2. blandïtor, gij moet vleien.

3. blandïtor, hij moet vleien. P. 2. blandiemïni, gij moet vleien. 3. blandiuntor, zij moeten vleien.

I n f i n i t i v u s.

Infinitivus.

P r a e s. sequi, volgen.

Perf. secütum, am, uiu esse gevolgd hebben. Put. secutürum, am, um esse,

zullen volgen.

Praes. blandiri, vleien.

Perf. blanditum , am, um esse, gevleid hebben.

Put. blanditürum , am, um esse,

zullen vleien.

Participium.

Participium.

P r a e s. sequens, volgende.

P e r f. secütus , a , um , getfolgd

hebbende.

F u t. secutürus, a, um, zullende

volgen.

Praes. blandiens, vleiende.

Perf. blandïtus, a, um, gevleid

hebbende.

Fut. blanditürus, a, um, zullende

vleien.

Gerundivum.

Gerundivum.

sequendus, a, um, moetende gevolgd

worden.

(blandiendum), moetende gevleid

worden.

Gerundium.

Gerundium.

Gen. sequendi, van het volgen. Dat. sequendo, voor het volgen. A c c. sequendum, {tot) het volgen. Abl. sequendo, door het volgen.

Gen. blandiendi, van het vleien. Dat. blandiendo, voor het vleien. A c c. blandiendum , {tot) het vleien. Abl. blandiendo, door het vleien.

S u p i n u m.

Supinum.

1. secütum, om te volgen.

2. secütu, om gevolgd te worden.

1. blanditum, om te vleien.

2. ontbreekt.

ocr page 104

Semideponentia.

80

§ 102.

Voorbeelden ter oefening.

aspernor,

aspernatus sum,

aspernari,

versmaden.

imïtor,

imitatus sum,

imitari,

navolgen.

opïnor,

opinatus sum,

opinari,

meen en.

confiteor,

confessus sum,

confitëri,

bekennen.

polliceor,

pollicïtus sum,

pollicëri,

beloven.

tueor,

tuïtus sum,

tuëri,

beschermen.

amplector.

amplexus sum,

amplecti,

omvatten.

nanciscor,

nactus sum,

nancisci,

verkrijgen.

patior,

passus sum,

pati (§ 95),

lijden.

metier,

mensus sum,

metïri,

meten.

ordior,

orsus sum.

ordïri,

beginnen.

partior,

partïtus sum,

partïri,

verdeelen.

§ 102. De verba deponentia zijn volgens hunne beteekenis öf transitiva óf intransitiva. Zoo zijn hortor, vereer en sequor transitiva; blandior, dat den dativus regeert, is in-transitivum. De verba deponentia, die intransitiva zijn, missen het supinum 11 en het gerundivum, in zoover dit persoonlijk gebruikt wordt.

De verba deponentia kunnen niet in het passivum gezet worden. Meermalen echter zal het gebeuren, dat wij een N ed er la n d-schen passieven zin in het Latijn door een verbum depone n s moeten vertalen. In zulk een geval moeten wij aan het Nederlandsch eerst een actieven vorm geven. Zoo men b.v. bij de vertaling van den zin: de kinderen worden beschermd door de ouders het verbum t u e o r moet gebruiken, zette men eerst den Nederlandschen zin aldus om: de ouders beschermen de kinderen en vertale dan: parentes tuentur libëros. Zoo ook; de soldaten werden aangemoedigd door den veldheer niet: m i 1 ï t e s hortabantur a duce, maar: dux hortabatur milites.

Uit het bovenstaande volgt, dat de regel van § 97 over de vertaling van men door. het passivum niet van toepassing is op de verba deponentia. Men vermaant ons heet in het Latijn niet: hortamur (dit beteekent: wij vermanen). Men zou kunnen zeggen: homines nos hortantur, de menschen vermanen ons.

Aanmerking. Het ontbrekende passivum der deponentia kan aangevuld worden

1°. door esse of habere met een passend substantivum. B.v. odio esse, gehaat worden: usui esse, gebruikt worden \ admirationem h a b err;, bewonderd worden.

ocr page 105

Neutralia passiva.

87

§ 103—104.

2quot;. door andere in beteekenis overeenkomende uitdrukkingen. B.v. in odium venire, in suspicionera voeari, oblivione obrui, ad-mi r a t i o n e a f fï c i.

§ 103. De verba a ude o, ausus sum, audere, durven.

gaudeo,gavIsus sum, gaudëre, z ich verheug en. soleo, solïtus sum, solëre, gewoon zijn. fid o, fisus sum, fid ere, vertrouwen. benevens de composita van fido: confldo, ik vertrouw, en dif-fldo, ik wantrouw, worden semide ponentia genoemd, omdat zij in het participium perfectum en de daarmede samengestelde tijdeii bij een passieven vorm een actieve beteekenis hebben.

Aan deze verba sluiten zich de volgende intransitiva aan, die een participium perfectum hebben met actieve beteekenis:

ceno cenïitus gegeten hehbende.

juro juratus gezworen hehbende, beëedigd.

conjüro co nj ii rat us samengezworen hebbende.

i n j u r a t u s niet gezworen hebbende, onheëedigd.

poto potus gedronken hebbende.

praudeo pransus o)itbeten hebbende.

lu de onpersoonlijke constructie met esse blijft echter de passieve beteekenis. B.v. cenïttum est, er is gegeten, men heeft gegeten; quod juratum est, wat gezworen is. Vervolgens:

adolesco adult us opgegroeid.

exolosco cxolctus verouderd.

obsolesco obsolëtus verouderd.

coalesce coalïtus aaneengegroeid.

cresco cretus gegroeid (dichterlijk).

inveterasco inveterrttus verouderd, ingeworteld.

nubo nupta gehuwd (van een vrouw).

suesco suetus gewoon.

assuesco assuëtus gewend.

§ 104. Vlak tegenover de deponentia staan de neutralia passiva of die verba, welke bij een a c t i e v e n vorm een passieve beteekenis hebben. Zij zijn:

vapülo, vapiilïlvi, vapulatum, vapulare, geslagen worden. veneo, venii, venïtum, venire, verkoeld worden. en gedeeltelijk ook

fio, faetus sum, fieri, worden, geschieden, gemaakt worden. Aanmerkingen. Veneo en fio behooren tot de onregelmatige verba. Als activum van deze verba gebruikt men v e n d o, ik verkoop en facio, ik maak, van welke beide verba geen andere passieve vormen voorkomen, dan de participia vendïtus, ven-dendus, en factus, facie n dus. Men zegge dus nooit: vendor, ik word verkocht, facior, ik word gemaakt.

ocr page 106

Conjugatio periphrastica.

88

§ 105 - 106.

Ook van per do, ik richt te gronde, gebruikt meu iu het passivum niet: perdor, maar het onregelmatige verbum pereo, ik ga te gronde. De eenige passieve vorm van perdo is het geheel adjectivum geworden participium perdïtus, verloren, diep gezonken.

In plaats van vapulo gebruikt men in de beschaafde taal liever ver-bëror, het passivum van verböro, ik sla.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE CONJUGATIO PERIPHRASTICA.

§ 105. Bij de conjugatie der verba zagen wij, dat verschillende tijden gevormd worden door een participium met het verbum sum. Zulk een wijze van vervoeging heet omschrijvende vervoeging of conjugatio periphrastica. Er zijn' in het Latijn drie soorten van conjugatio periphrastica, eene met het participium perfectum, eene met het participium futurum en eene met het gerundivum.

Conjugatio periphrastica met het participium perfectum.

§ 106. Deze conjugatie dient om de verleden tijden van het passivum te vormen, en wordt hier herhaald, omdat bij de gewone conjugatie niet alle vormen zijn opgegeven.

Indicativus.

Conjunctivus.

Perfectu m.

amatus sum, ik hen bemind geworden.

„ fui, ik ben bemind geweest.

ontbreekt.

amatus eram, ik was bemind ge

worden.

„ fueram, ik was bemind geweest.

Futurum ex actum, amatus ero, ik zal bemind oe- |

worden zijn.

„ fuero, ik zal bemind geweest zijn. gt; Infinitivus perfect! amatum esse, bemind geworden zijn. „ fuisse, bemind geweest zijn.

amatus sim, dat ik bemind geworden zij. „ fuerim, dat ik bemind geweest zij. Plusquamperfectum.

amatus essem, ik zou bemind geworden zijn, „ fuissem, ik zou bemind geweest zijn.

Ofschoon beide vormen soms met elkander verwisseld worden, zoo wordt meermalen echter verschil van beteekenis aangenomen. Door de verledene vormen van sum wordt namelijk het verledene meer bepaald

ocr page 107

§ 107. Conjuyatio periphrastica. 89

aangegeven. B.v. Epistola seripta est, de brief is geschreven (waarbij niet uitgedrukt wordt, dat de brief niet meer bestaat) ; epistola seripta fuit, de brief is yeschreven geweest (doch bestaat niet meer).

Conjugatio periphrastica met het participium futurum.

§ 107. De verbinding van het participium futurum met het verbum sum leerden wij reeds kennen in het futurum conjunctivi en infinitivi van liet verbum activum en deponens. Buiten deze vormen heeft deze conjugatie gewoonlijk de beteekenis van voornemens zijnde, willende, op het punt zijnde.

Indicativus. Couj uncti vus.

P raeae ns.

amatürus, dat ik voornemem a, um sim, zij te beminnen.

amaturus, ik hen voornemens a, um sum, te beminnen.

Imp erf e c t u m.

amaturus, ik was voornemens a, um eram, te heniinnen.

amaturus, dat ik voornemens a, um essem, ware te beminnen.


Perfectu m.

amatïirus, dat ik voornemens a, um fuerim, geweest zij te beminnen. P 1 u s q u a m p e r f e c t u m.

amaturus, ik was voornemens a, um fueram, geweest te beminnen.

Futurum sim p 1 e x amatürus, ik zal voornemens a, um ero, zijn te beminnen.

Futurum e x a c t u m.

amatürus, ik zal voornemens a, um fuero, geweest zijn te beminnen.

In fini ti v u s.

amaturus, ik ben voornemens a, um fui, geweest te beminnen.

amatürus, dat ik voornemens a, um fuissem, geweest ware te beminnen.

ontbreekt.

ontbreekt.

Praes. amatürum, am, um esse, voornemens zijn'te beminnen. Perf. amatürum, am, um fuisse, voornemens geweest zijn te beminnen. F u t. amatürum, am^ um fore, voornemens zullen zijn te beminnen.

Aanmerking. In verbinding met participia moet men fora gebruiken in plaats van futurum, am, u in esse.

ocr page 108

Conjuyatio periphrastica.

90

§ 108.

Conjugatio periphrastica met het gerundivum. § 108. In deze conjugatie, welke tot het passivum behoort, heeft het verbum de bijbeteekenis van moeten._

Co n j unc ti v us.

Praesens.

amandus, dat ik moete bemind a,uni sim, worden,

dat ik te beminnen zij.

Imperfectum.

Indicativus.

amandus, ik moet bemind wor-a, uni sum. den,

ik hen te beminnen.

amandus, ik moest bemind wor-a, um eram, den,

ik was te beminnen.

amandus, dat ik moest bemind a, um essem, worden,

dat ik te beminnen ware.

a)


a, um fui, ten worden,

ik ben te beminnen geweest.

Plusq nam perfectum.

amandus, ik had bemind moe-a, um fueram, ten worden ,

ik was te beminnen geweest.

Futurum simplex.

amandus, ik zal bemind moeten \

a, um ero, worden, I ontbreekt.

ik zal te beminnen zijn.

Futurum exact um.

ontbreekt.

amandus, ik zal bemind hebben a, um fuero moeten worden,

ik zul te beminnen geweest zijn.

Infinitivuf

Perfectum.

amandus, ik heb bemind moe- | amandus, dat ik hebbe bemind

a, um fuerim, moeten worden, dat ik te beminnen geweest zij.

amandus, dat ik hadde bemind a, um fuissem, moeten worden, dat ik te beminnen geweest ware.

Praes. amandum, am, um esse, bemind, moeten worden,

te beminnen zijn.

Perf. amandum, am, um fuisse, bemind hebben moeten worden,

te beminnen geweest zijn.

Fut. amandum, am, um fore, zullen bemind moeten worden,

te beminnen zullen zijn.

ocr page 109

Conjugatio periphrastica.

!)1

§ 109 — 111.

§ 109. Bij het gebruik van het gerundivum lette men op de volgende aanmerkingen.

1°. Een Nederlandsche actieve zin met moeten wordt bij de vertaling in het Latijn eerst omgezet in het passivum. B.v. De kinderen moeten hunne ouders beminnen: de ouders moeten bemind worden door hunne kinderen.

2°. De persoon, door wien iets moet gedaan worden, komt in den dativus. Bovenstaand voorbeeld beet derhalve: parentes amandi sunt liberis. Ik moest een brief lezen (een brief moest gelezen worden door mij), e pistol a legenda er at mi hi.

3°. Alleen de verba transitiva kunnen persoonlijk in het gerundivum gezet worden. Bij de verba intransitiva moet men den onpersoonlijken vorm kiezen. Uit is geheel in overeenstemming met hetgeen wij in § 98 geleerd hebben. B.v. er nwet geloopen ivorden of men moet loopen, currendum est; er moest gestreden worden of men moest strijden, pugnandum erat; er zal geslapen moeten worden of men zal moeten slapen, dormiendum erit.

§ 110. Zeer dikwijls zullen wij in het Nederlandsch eenactie-ven zin met moeten aantreffen, waarin een verbum transitivum voorkomt zonder voorwerp. B.v. wij moeten overwinnen, gij moet schrijven. Ook in dit geval moeten wij eerst den actieven zin in het passivum omzetten, namelijk: er moet overwonnen worden door ons, er moet geschreven worden door u. Aan het Nederlandsch nu kan men reeds zien, dat men bij de vertaling in het Latijn den onpersoonlijken vorm moet gebruiken, vin-* cendum est nobis, scribendum est vobis.

In andere gevallen zullen wij in het Nederlandsch een acti e ven zin met moeten aantreffen, waarin een verbum tr a n si t i v u m voorkomt met een voorwerp, doch van welken zin men subject is. B.v. men moet de vijanden overwinnen, men moet een brief schrijven. Men vertale nu niet: vincendum est hostes, scribendum est epistölam, maar men zette den zin eerst in het passivum: de vijanden moeten overwonnen worden, een brief moet geschreven worden en vertale dan letterlijk: hostes vinceudi sunt, epistöla scribenda est.

§ III. Een bijzondere oplettendheid vorderen de verba intransitiva, wier werking uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Hetzelfde, wat in § 99 geleerd werd, is ook hier van toepassing. Deze verba worden onpersoonlijk in het

ocr page 110

Verba impersonalia.

92

§ 112.

gerundivum gezet en nemen dan den naamval bij zich, dien zij in het activum regeeren. B.v. Ik moet gehoorzaamd worden (er moet gehoorzaamd worden aan mij — obedïre regeert den dativus —), obediendum est mi hi. Men had den vijand moeten sparen (er had gespaard moeten worden [aan] den vijand — parcëre regeert den dativus -—), par een du m fuerat hosti. Wtj moeten een vlugger paard gebruiken (utor regeert den ablativus), door ons moet er gebruikt worden een vlugger paard, nobis utendum est velociore equo. Gij zult uw gezag moeten missen (egeo regeert den ablativus), door u zal er gemist moeten worden uw gezag, tibi egendum erit auctoritate tua.

Den opmerkzamen leerling zal het niet ontgaan zyn, dat sommige voorbeelden dezer paragraaf een dubbele beteekenis hebben. Obediend um est mihi B.v kan ook beteekenen: ik moet gehoorzamen. Later zal hij leeren hoe hij dergelijke dubbelzinnigheden kan vermijden.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA IMPERSONALIA.

§ 112. Verba impersonalia of onpersoonlijke werkwoorden zijn verba, die geen bepaalden persoon of zaak tot subject hebben. Zij zijn of activa of passiva. De woordjes men, het,er, die wij als subject bij onpersoonlijke werkwoorden voegen, worden in het Latijn niet door een afzonderlijk woord uitgedrukt. B.v. fulgürat, het weerlicht, pugnatur, men strijdt, er wordt gestreden. De verba impersonalia van den passieven vorm zijn voornamelijk verba int ra n si t i va, die onpersoonlijk in het passivum gebruikt worden. B.v. currïtur, men loopt; dor-miëtur, men zal slapen; conandum est, men moet wagen.

Verscheidene verba worden gewoonlijk enkel als impersonalia gebruikt, zooals:

misëret, miserïtum est, miserere, het jammert.

piget, piguit (zelden pigitum est), pigêre, het verdriet.

paenïtet, paenituit, paenitëre, het berouwt.

pudet, puduit of pudltum est, pudëre, het schaamt.

taedet, pertaesum est, taedëre, het verveelt.

oportet, oportuit, oportëre, het moet.

en de meeste verba, die een weersgesteldheid aangeven, zooals:

grandïnat, het hagelt, vesperascit, het wordt avond.

ocr page 111

§ i i 3—114. Aanmerk ingen op de regelmatige conjugaties. 93

Andere verba worden in de eene beteeken is als impersonalia en in de andere als personalia gebruikt. B.v. accëdit, er komt bij, accëdo, ik ga ergens heen; condücit, het is nuttig, con-d ü c o, ik breng hijeen.

§ 113. De impersonalia komen behalve in den infimtivus gewoonlijk alleen voor in den derden persoon enkelvoud van den indicativus en conjunctivus. In plaats van den imperativus gebruikt men het praesens conjunctivi. B.v. Pud eat te, schaam u.

De volgende tabel geeft een overzicht van de conjugatie van het verbum impersonale activum ton at, tonuit, tonare, donderen.

Indicativus.

Conjunctivus.

Praesens.

tonat, het dondert.

tonet, dat het dondere.

Imperfectum.

tonabat, het donderde.

tonaret, dat het donderde, het zou donderen.

Perfectum.

tonuit, het heeft gedonderd.

tonuërit, dat het gedonderd hebbe.

Plusquam

perfectum.

tonuërat, het had gedonderd.

tonuisset, dat het gedonderd hadde, het zou gedonderd hebben.

Futurum

simplex.

tonabit, het zal donderen.

ontbreekt.

Futurum

exact um.

tonuërit, het zal gedonderd hebben.

ontbreekt.

I n f i n i t i v ii s.

Praes. tonare, donderen.

Perf. tonuisse, gedonderd hebben.

Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties.

§ 114. Bij de perfecta (en afgeleide vormen) op avi der eerste conjugatie kan vi wegvallen, wanneer er een s en ve, wanneer er een r volgt. B.v. amavisti, amasti, amavissem, am assem, ama-vërim, amarim, amavëram, a mar am.

In de tweede en derde conjugatie kan hetzelfde geschieden bij de perfecta op e v i, alsmede bij n o v i van nosco en soms

ocr page 112
ocr page 113

94 Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties. § 115—117.

bij movi van moveo. B.v. quievisti (van quieseo, ik rust), qui-es ti, quievcrunt, quiërunt, novistis, uo s tis , novërunt, norunt. In proza geschiedt dit meestal slechts in den derden pers. pi nr. van het perf. ind. en in het plusqnamperf. ind. en conj. B.v. consuërunt, eonsuëram, consuessem van consnesco, consnëvi, zich gewennen.

Bij de perfecta op ivi der derde en vierde conjugatie kan

1°. vi wegvallen, wanneer er een s volgt, B.v. audivisti, audisti, audivisse, audisse.

2°. v, wanneer er een e volgt. B.v. audivërunt, audiërunt, audivërim, audiërim.

Aanmerking. Minder gebruikelijk is do uitstooting der v, wanneer er een i volgt (zonder s). B.v. a u d i i in plaats van audivi. Men vindt echter dikwijls desii van desïno, ophouden, en niet zelden petii vaii peto, op iets losgaan.

De dichters laten soms vi weg zonder dat er een s volgt. B.v. petit (petlvit), donat (douavit). Ook vindt men adj üro in plaats van adjuvëro.

Woms laten zjj si weg, wanneer er een s volgt. B.v. scrips ti (scrip-sisti), ad mis se (admisisse).

§ 115. In den derden pers. plur. van het perf. ind. act. gebruiken vooral de geschiedschrijvers dikwijls ëre in plaats van ërnnt. B.v. fecëre (fecërunt). Vóór den uitgang ëre wordt de v niet uitgelaten. Men zegt dus niet audicre in plaats van audiërunt.

§ 116. De tweede pers. sing, van het praes. imperfect, en fut. pass. en dep. kan uitgaan op re in plaats van op ris. B.v. amëre, amabare, amarëre, amabëre. In het praes. i n d. echter wordt deze uitgang hoogst zelden gebruikt.

§ 117. Tot de verouderde vormen behooren:

a) een imperativus fut. der verba pass, en dep. op to in plaats van op tor in den derden persoon sing, en plur. B.v. arbitrate (arbitrator), censento (censentor) en op int no in plaats van op tor in den tweeden en derden persoon sing. B.v. hort amino Uiortïitor).

h) een fut. exact, en perf. conj. der eerste conj. op asso en as sim in plaats van op avero eu averim; der tweede conj. op es so en essim in plaats van op nero en uerim ; der derde conj. op so en sim in plaats van op ero en erim. B.v. comm on st rasse (commonstravero;, prohibesso (prohibnero), jusso (jusséro). Van die verouderde vormen vinden wij in den bloeitijd van het Latijn bij plechtige wenschen nog meermalen: faxo (dichterlijk), faxis, faxit, faxïmus, faxïtis, faxint in plaats van het fut. exact, fecero en van het perf. conj. fecerim, enz. B.v. di immortales faxint ut. Vervolgeus: ausim, ausis, ansit, ausint, ik sou durven, in plaats van auserim (een verouderd perfectum van audeo).

Ook bestond er een passivum van deze vormen. B.v. turbassitur (turbatum fuerit) en een infiuitivus fut. act. B.v. expugnassere (expugnaturum esse).

ocr page 114

Onregelmatige verba.

§ US.

95

c) eeu verlengde infinitiviis praes. pass. op er. B.v. laudarier laudari).

. cZ) een imperfectum ind. op ibam en oen fut. iud. op ibo bij verba van de vierde conj. B.v. n u t r i b a m (nutriebam), s e r v i b o (serviam).

e) een praesens conj. act. op im. B.v. edim (edam). Van deze vormen worden nog in gebeds- en eedsformulieren gebruikt: d u i m , dui s , duit, duint in plaats van dem, des, det, dent en perduintin plaats van perdant.

f) eeu gerundivum der derde en vierde conj. op undus in plaats van op endus. Deze vorm werd ook later meermalen gebruikt iu bepaalde spreekwijzen, zooals: in jure dicundo; decemviri leg i bus scri-bundis; aliquem repetundarum postulare; ook zegt men gewoonlijk potiundua van potior en altijd or i undus van orior.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE ONREGELMATIGE VERBA.

§ 118 Poss um, potui, posse, kunnen.

Dit verbum heet eigenlijk p o t - s u m (uit p o t i s, in staat en a u ra). Het wordt geconjugeerd als sum. Hierbij valt echter op te merken:

l0.dat pot vóór een s veranderd wordt iu p o s. B.v. p o ss um (potsum). 2°. dat potessem en potesse samengetrokken wordt in possem en posse.

.'i0. dat van fui en afgeleide vormen de f wegvalt. B.v. potui (potfui), potueram (potfueram).

Indicativus. Conjunctivus.

P r a e s e n s.

{ik kan). (dat ik kunne).

S. possum, potes, potest, possim, possis, possit,

P. possümus, potestis, possunt. possïmus, possïtis, possint.

Imperfectui m.

(ik kon). (dat ik koude, ik zou kunnen).

S. potëram, potëras, potërat, possem, posses, posset, 'P. poteramus, poteratis, potërant. possêmus, possëtis, possent.

Perfectum.

(ik heb kunnen). (dat ik hebhe kunnen).

S. potui, potuisti, potuit, potuèrim, potiiëris, potuërit,

P. potuïinus, potuistis, potuërunt. potuerïmus, potuerïtis, potuërint. Plusquamperfectum.

(ik had kunnen). {dat ik hadde kunnen,

ik zou hebben kunnen).

S. potueram, potuëras, potuërat, potuissem, potuissem, potuisset, P. potueramus,potueratis,pütuërant. potuissëmus, potuissëtis, potuissent.

ocr page 115

90 Onregelmatige verba. § 119—120.

Futurum simplex.

{ik zal kunnen).

S. potëro, potëris, poterit, ontbreekt.

P. poterimus, poteritis, potërunt.

Futurum exactum.

{ik zal hebben kunnen).

S. potuëro, potuëris, potuërit, ontbreekt.

P. potuerïmus, potueritis, potuërint.

Infinitivus.

-T

P r a e s. posse, kunnen.

Perf. potuisse, hebben kunnen.

Aanmerkingen. Het oorspronkelijke part. praes. po tens wordt slechts als adjectivum gebruikt in de beteekenis van machtig. De imperativus, het gerundium, enz, ontbreken.

Verouderde en dichterlijke vormen zijn potis es, potis est, potis sunt (potes, potest, possunt), po te (potest), potesse (posse), po ssi e m (possim).

§ 119. Edo, edi, ësum, ëdëre, eten. Vgl. § 136. V.

Dit verbum gaat met zijn composita comëdo, opeten, exëdo, uitknagen, enz. regelmatig naar de derde conjugatie, doch heeft eenige bijvormen, welke wat de spelling betreft (niet de quanti-teit) overeenkomen met de vormen van sum, die met es beginnen, namelijk:

Praes. Ind.

edo.

edis of es.

edit „ est.

edïmus.

edïtis „ estis.

edunt.

edére of esse.

lu het passivum vindt men estur voor editur en essetur voor ederetur.

Over hot praes. couj. edim Vgl. § 117. e).

§ 120. Fëro, tüli, 1 atum, ferre, dragen.

Dit werkwoord gaat naar de 3Je conjugatie met deze afwijking, dat de verbindingsvocaal ï vóór s en t, en de verbindingsvocaal ë tusschen twee r's wordt weggeworpen. Ook valt de e weg aau het einde van den

I m p er ati vu s.

ede of ës.

edïte „ este. edïto „ es;o. edito „ esto. editöte „ estote. edunto.

n s.

Imperf. Conj.

edërem of essem. edëres „ esses, edëret „ esset. ederemus „ essemus. ederëtis v essetis. edërent „ essent. Infinitivus praes

ocr page 116

Onregelmatige verba.

07

120.

2'lcquot; pers. sing, imperat. praes. act. De iuf. pass. is ferri (van den ouden vorm ferëri in plaats van feri).

De vormen, die van het perfectum en supinum worden afgeleid,

gaan regelmatig en worden hier niet opgenoemd.

Activum.

Indicativus. Conjunctivus.

Praesens.

S. fero ,fers,fert, S. feram , feras , ferat,

P. ferünus, fertis, ferunt. P. feramus,quot; feratis, ferant.

Imperfectum.

S. ferëbam, ferëbas. ferëbat, S. fe r r e m, fe r r e s, ferret, P. ferebamus, ferebatis, ferëbant. P. f e r r ë ra u s, f e r r ë t i s, f e r r e n t.

Futurum simplex.

S. feram, feres, feret, latürus, a, um sim.

P. ferëmus, ferëtis, ferent.

Imperativus Praes. fer, ferte.

„ Fut. ferto,fert5te, ferimto.

Infinitivus Praes. f e r r e.

Participium Praes. ferens.

Gerundium. G. ferendi. D. ferendo, enz.

Passivum.

Indicativus. Conjunctivus.

Praesens.

S. feror, ferris,fertur, S. ferar, feraris, feratur,

P. ferïmur, ferimïni, feruntur. P. feramur, feramlni, ferantur.

Imperfectum.

S. ferëbar, ferebaris, ferebatur, S. f e r r e r, f e r r ë r i s, f e r r ë t u r, P. ferebamur,ferebammi,ferebantur.P. ferrëmur, ferremïni, ferment u r.

Futurum simplex.

S. ferar, ferëris, ferëtur, ontbreekt.

P. ferëmur, feremïni, ferentur.

Imperativus Praes. ferre, ferimïni.

„ Fut. fertor, fertor, feremïni, feruntor.

Infinitivus Praes. ferri.

Gerundivum. ferendus.

Evenals fero worden ook de composita van fero geconjugeerd, affëro, attüli, allatum, afferre, aanbrengen.

anteféro, antetüli, antelatum, anteferre, voortrekken.

5e druk. 7

ocr page 117

Onregelmatige verba.

98

§ 121.

aufëro, abstüli, ablatum, auferre, wegnemen.

circumfëro, circuratüli, circumlatum , circumferre, ronddragen.

conféro, conttili, collatum, conferre, bijeenbrengen.

deféro, detuli, delatum, deferre, wegdragen.

differo, distüli, dilatum, differre, uitstellen.

effëro, extüli, elatum. efferre, uitdragen. - .

infero, intüli, illatum, inferre, indragen.

offëro, obtüli, oblatum, offerre, aanbieden.

perfëro, pertüli, perlatum, perferre, overbrengen.

praefëro, praetüli, praelatum, praeferre, de voorkeur geven.

profero, protiili, prolatum, proferre, te voorschijn brengen.

refëro, retüli en rettüli, relïltum, referre, terugbrengen.

transfëro, transtüli, translatum, transferre, overbrengen.

Van poatfëro, achterstellen en suffëro, verdragen, komt geen perfectum of supinura voor. Sustüli, sublatum wordt gebruikt als perfectum en supinum van t o 11 o, opheffen. Als perfectum en supinum van suffëro wordt gebruikt sustinui, sustentum.

D i f f ë r o heeft in de beteekenis verschillen geen perfectum of supinum.

§ 121. Vol o, volui, veile, willen.

Nolo, nolui, nolle, niet willen.

Mal o, mal ui, malle, liever willen.

Nolo is samengetrokken uit n e v o 1 o, m a 1 o uit m a g i s v o 1 o.

Indicativus.

P r a e s e n s.

volo. nolo. malo.

vis. non vis. mavis.

vult. nonvult. mavult.

yo 1 üm u s. nol um us. m a 1 ümu s.

v u 11 i s. nonvultis. m a v u 11 i s.

voluut. nolunt. malunt.

Imperfectum.

volëbam. nolëbam. malebam.

Perfectum.

volui. nolui. malui.

Plusqu am perfectum.

voluëram. noluëram. maluëram.

ocr page 118

Onregelmatige verba.

§ '21

99

Futurum simplex.

volam , voles, volet, (nolam), noles, uolet, (malam), males, malet, volëmus, volëtis, volent. nolêmus, nolëtis, nolent. malëmus, malëtis,inalent.

Futurum exactum.

voluëro. noluëro. maluëro.

Conjunctivus..

P r a e s e n s.

velim. nolim. malim.

velis. nolis. malis.

velit. nolit. malit.

vellmus. nolïmus. malïmus.

velïtis. nolïtis. malltis.

velint. nolint. malint.

Imperfectum.

vellem. nollem. maileiu.

velles. nolles. malles.

vellet. noliet. mallet.

vellëmus. nollëmus. mallëmus.

vellëtis. nollëtis. mallëtis.

vellent. nollent. mallent.

Perfectum.

voluerim. noluërim. maluërim.

Plusquamperfectum.

voluissem. noluissem. maluissem.

Imperativus.

P r a e s. noli.

nollte.

Fut. nollto.

ontbreekt. nollto. ontbreekt.

uolitote.

nolunto.

Infinitivus.

P r ae s en s.

veile. nolle. malle.

Perfectum.

voluisse. noluisse. maluisse.

Participium praesens.

ii nl

I ü

ill

; r 1

m

I

nolens. ontbreekt.

; /

volens.

■ • lt;3 liO

lt;./ lt; ^ /cquot;

ocr page 119

100 Onregelmatige verba. § 122.

Aanmerkingen. De eerste persoon sing, van het fut. nolam en mal am is ongebruikelijk.

Voor vult, vultis vindt men soms volt, voltis.

Als verouderde vormen komen voor ueyis (non vis), nevult (non vult), ne veile (nolle), mavolo (malo), mavelim (malim), mavel-1 e m (mallem).

§ 122. Eo, ivi, ïtum, ire, gaan.

Dit verbum wordt vervoegd naar de 4de conjugatie met de volgende afwijkingen:

1°. Vóór a, o, u komt e in plaats van i, zooals: eo, earn, eu n t (io, iam, iunt).

2°. liet imperfeetum is ibam in plaats van iebam en het futurum ibo iu plaats van iam.

3°. In de participia en in het gerundium wordt ent en end unt en und.

Indicativus. Conjunctivus.

Praesens.

S. eo, is, it, S. earn , eas, eat,

P. ïmus, Itis, e u n t. P. eamus, eatis, eant.

Imperfectum.

S. Ibam, ïbas, ibat, S. ïrem, ires, Iret,

P. ibamus, ihatis, Ibant. P. iremus, irëtis, Trent.

Perfectum, ïvi. ivörim.

Plusqu am perfectum.

ivëram. ivissem.

F u t ii r u m simple x.

S. ibo, ibis, ïbit, itürus, a, um sim.

P. ibïmus, ibltis, Ibuut.

Futurum exactum.

ivëro.

Imperativus.

Praes. i, ite.

F u t. Ito, ito, itöte, e u n t o.

Infiniti v us.

Praes. Ire.

Perf. ivisse of isse.

Fut. itürum, am , um esse.

Participium.

Praes. iens, gen. euntis, dat. eunti, enz.

Fut. itürus, a, um.

Gerundium.

Gen. eundi, dat. eundo, enz.

ocr page 120

§ ! 23. Onregelmatige verba. 101

De composita van eo zijn: abeo, weggaan, adeo, ergens heen naan, anteëo, voorgaan, circumeo, rondgaan, coëo, samenkomen, exco, uitgaan, ineo, Ingaan, intereo, omkomen, introëo, binnen-qaan, obeo, omgaan, pereo, omkomen, prodeo, te voorschijn komen, praeëo, voorgaan, praetereo. voorbijgaan, rèdeo, ter ug keer en, subeo, ondergaan, transeo, overgaan., veneo, verkocht worden.

Deze composita worden juist als eo vervoegd, behalve dat zij in bet perfectum en de daarvan afgeleide vormen gewoonlijk de v verliezen. B.v. redii, rediërim In den infinitivus perfecti en in den conjunctivus plusquamperfeeti hebben zij zeer dikwijls i in plaats van ii. B.v. redisse, redissem.

Veneo (uit venum en eo) mist supinum, imperativus, participia en gerundium. Vgl. § 104.

Over bet gebruik van pereo. Argl. § 104.

Ambio (uit amb en eo. Vgl. § 167) amblvi, ambitum, ambïre, rondgaan, gaat regelmatig naar de vierde conjugatie. B.v. ambi-unt, ambiens, ainbientis, ambiëbam.

Als ongebruikelijke bijvormen vindt men earn,ies,iet, enz. in plaats van ibo; ibis, ibit, enz.

Veneo heeft soms veniebam in plaats van venibam en ambio soms ambibam iu plaats van ambiebam.

§ 123. Eo en zijn meeste composita zijn intransitiva en kunnen derhalve slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden. B.v. itur, men gaat, ibatur, men ging, itum estj men is gegaan, eundum erit, men zal moetoi gaan.

De composita, die transitiva zijn, zooals adeo, ineo, praetereo, worden volgens het volgende voorbeeld in het passivum geconjugeerd.

Indicativus. Conjunctivus.

P r a e s e n s.

S. adeor, adïris, adïtur, 8. adear, adearis, adeatur,

P. adlmur, adimïni, adeuntur. P. adeamur, adeamïni, adeantur.

Imperfec t um.

S. adïbar, adibaris, adibatur, S. adlrer, adirëris, adirêtur, P. adibamur, adibamïni, adibantur.P. adirëmur, adiremïni, adirentur.

Perfectum.

adltus. a. um sum. aditus, a, um sim.

ocr page 121

102 Onregelmatige verba. § 124.

PI ii squam perfectum.

adltus, a, um eram. adïtus, a, um essem.

Futurum simplex.

S. adibor, adibëris, adibitur,

P. adibïmur, adibimïni, adibüntur.

Futurum exactum.

adïtus, a, um ero. ontbreekt.

Imperativus.

Praes. adlre, adimïni.

Fut. adïtor, adïtor, adibimïni, adeuntor.

Infinitivus.

Praes. adlri.

Perf. adttum, am, um esse.

Fut. adïtum iri.

Participium perfectum.

adltus, a, um.

Gerundivum.

adeundus, a, um.

§ 124. Queo, qulvi, quitum, quire, kunnen.

Nequeo, nequlvi, nequïtura, nequire, niet kunnen.

Indicatirus.

P r a e s e n s.

S. queo, quis, quit, S. nequeo, nequis, nequit,

P. quimus, quitis, queunt. P. uequlmus, nequltis, uequeuut.

Imperfecta m..

S. quibam, —, quibat. S. uequlbam, —, uequïbat.

P. —, —, nequïbaut.

P erfo et u m.

S. quivi, —, quivit, S. uequTvi, nequisti, nequlvit,

P. —, —, quivërunt. P. —, —, nequivëruut.

Plusquamperfectum.

S. —, —, quiërat. S. —, —, nequiërat,

P. —, —■, nequiërant.

Futurum simplex.

S. quibo.

P. —, —, quibunt. P. —•, —, nequrbunt.

Futurum exactum.

S. quivëro. ontbreekt.

ocr page 122

Onregelmatige veria.

108

§ 125-

Conjuuctivus. Pr ae sen s.

S. queara, queas, queat, P. quearaus, queïttis, queant.

S. nequeam , uequeas , nequeat, P. nequöïïtnus, uoqueatis, nequeaut.


Imperfectum.

S. quirem, —, quiret, P. —, —, quirent.

S. uequirem, —, nequiret, P. nequirumus. —, nequlreut.


Perfectum.

S. —, —, quiverit.

S. nequivërim

nequiërit. nequiëriut.

nequissefc, —, nequissent.

P. —, —, quisseut.

Praes. quire.

Perf. quiyisse, quisse.

nequTre.

uequivisse, uequisse.


Participium.

Praes. quieus, geu. queuntis. nequieus, gen. nequeuutis.

Aanmerkingen. Dezo verba worden veel zeldzamer gebruikt dan possum en nou possum. Queo komt gewoonlijk slechts voor in ontkennende zinnen eu alleen met eeu infinitivus.

Ook bestaan de volgende passieve vormen :(( u i t ur , nequTtur, quita est eu nequïtum est; zij worden alleen gebruikt met een inf. pass. B.v. Forma in ten eb ris nosci non quita est.

§ 125. Fïo, fact us sum, fieri, worden, geschieden, gemaakt worden.

Dit verbum gaat regelmatig naar de 4^ conjugatie behalve dat in den infinitivus praesens en in den conjunctivus im-perfecti de i verkort en daarachter eene e gevoegd wordt.

De ontbrekende conjunctivus en infinitivus futuri worden aangevuld door futurus, a, um sim en futurum, am, um esse of fore.

In plaats van den ongebruikelijken imperativus futuri fito, fitöte, fiunto zegt men fiat, fiatis. fiantofesto, estöte, sunto.

Het perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum zijn regelmatig fact us sum, sim, er am, essem, ero, factum esse.

Het overige wordt volgenderwijze geconjugeerd.

Indicativus.

S. fïo, fis, fit, P. (fïmus, fltis), fïunt.

Conjunctivus.

Praesens.

S. f lam, fïas, fiat, P. fïamus, fiatis, flant.


ocr page 123

Onregelmaliye verba.

§ 126.

104

Imperfectum.

S. flebam, fïëbas, fïebat, S. fïërem, fïëres, fïëret,

P. fïebamus , fïëbatis, fïëbant. P. fiërëmus , fïërëtis, fiërent.

Futurum simplex.

S. fiam, fïes, fïet, futürus, a, um sim.

P. fïëmus, fïëtis, fient;

Imperativus.

Praes. S. fi P. fïte.

Fut. ongebr uike 1 ij k.

Infiniti vus.

Praes. fïëri.

P e r f. factum , am, um esse.

Fut. futurum, am, um esse of fore, zullen worden.

Participium.

Praes. ontbreekt.

P e r f. factus, a, um, geworden.

Fut. futürus, a, um, zullende worden.

De gerundia en s u p i n a ontbreken.

Aanmerking. Fio wordt ook gebruikt als passivum van facio. Vgl. § 104. Het gerundivum is dan faciendus, moetende gemaakt worden en de infinitivus futuri factum iri, zullen gemaakt worden.

Ook de composita van facio, die de a behouden, hebben fio

in het passivum. B.v. arefacio, droog maken, arefïo, are-

factus sum, arefiëri, droog worden of gemaakt worden. De

composita echter, waarin de a in i overgaat, hebben een eigen

passivum. B.v. conficio, hijeen conficior, confectua

sum, confici; interficio, ctoorfew, interficior, interfectus

sum, interfïci.

Als bijvormen van aonficior vindt men van conflo: confiëri, confit, conflat, conflunt, confrant, confiëret, confiërent.

Als bijvormen van deficior vindt men van defio ; defiëri, defit, defiat, deflunt, defiet.

Eindelijk heeft men nog een bijna verouderden vorm in fit. hij hegini. § 126. Evenals fero verliezen ook de verba dico, zeggen, duco, voeren, en facio, maken, gewoonlijk de e in den tweeden persoon enkelvoud van den imperativus praesens activi, dus: die, due, fac. Hetzelfde geschiedt bij de composita dezer verba, behalve bij die van facio, welke in ficio veranderen. B.v. perficio, perfïce.

ocr page 124

I

§ 127—128.

105

Verba defectiva.

In plaats van den i m p e r a t i v u s p r a e s e n s sci, scite van s c i o, ik weet, gebruikt men den iniperativus futuri scito, scitote,

§ 127. De volgende verba hebben een onregelmatig participium f u t u r u m.

abnütum,

argütum,

jutum,

lutum,

mortuus sum,

natus sum,

ortus sum,

partum,

abnuiturus.

arguiturus.

juvaturus.

lui turns.

moriturus.

nasciturus.

oriturus.

pariturus.

ruiturus.

secaturus.

sonaturus.

abnuo, weigeren arguo, bewijzen. juvo, helpen. luo,quot; boeten. morior, sterven.

nascor, géboren worden.

orior, ontstaan.

pario, voortbrengen.

ruo, naar beneden storten, rutum,

seco, snijden. sectum,

sono, klinken. son i rum,

Aanmerkingen. Van fruor (frultus en fructus sum) vindt men alleen f ruiturus; van lavo (lautum, lavatum, lotum) alleen 1 a-vaturus; van haurio (haustum en zelden hausum) zoowel liau-surus als hausturus.

Betrekkelijk orior, ortus sum, orïri valt nog op te merken, dat het in het praes. ind. en in den i in per. geconjugeerd wordt naar de derde conjugatie, dus: orëris, oritur, orïmur, orï-mïni; or ere, or i mini, orïtor. Het imp erf. conj. heeft regelmatig or Ir er of ook ore re r. Hetzelfde heeft plaats bij de composita, behalve bij ad orior, dat regelmatig gaat, dus: ado-

ris, adontur, ad orïmur, enz.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA DEFECTIVA.

§ 128. In quam, ik zeg.

Praes. Ind. inquam, inquis, inquit, inquïmus, inquïtis, inquiunt.

„ Conj. inquiat.

Imp erf. Ind. inquiëbat of inqulbat.

Perf. Ind. inquisti, inquit.

Fut. Ind. inquies, inquiet.

^mp er at. inque, inquïto.

r i o r, a d o r i

ocr page 125

Verba defediva.

106

129 — 130

Aanmerkingen. Inquam heeft dikwijls de beteekenis van een perfectum.

Inquit heeft meermalen bij tegenwerpingen de beteekenis van zegt men, heet het. B.v. Non sole mus, inquit, ostendëre.

§ 129. Ajo, ik zeg.

Praes. Ind. ajo, ais, ait, ajunt.

„ Conj. ajas, ajat, ajant.

Imperf. Ind. ajëbam, ajëbas, ajebat, ajebamus, ajebatis, ajebant.

Perf. Ind. ait.

Aanmerkingen. Er bestaat nog een ongebruikelijke imp er at. aï en een als adjectivum gebruikt part. praes. ajens, bevestigend. in plaats van ajebam zeggen de bljjspeUlichters ook aibam.

§ 130. C o e p i, begonnen zijn.

M e m ï n i, zich herinneren.

Odi, haten.

Van deze verba is het praesens in onbruik geraakt. Me mini en odi hebben in het perfectum de beteekenis van het praesens, in het plusquamperfectum van het imperfectum en in het futurum exactum van het futurum simplex. Alleen me mini heeft een ini-perativus.

Indicativus.

Perfectum.

coepi, ik hen begonnen. memïni, ik herinner mij. odi, ik haat. coepisti, enz. meministi, enz. odisti, enz.

Plusquamperfectum.

coepëram, ik was begon- meminëram, ik herinnerde odëram, ik nen. mij. haatte.

Futurum exactum.

coepëro, ik zal begonnen meminëro, ik zal mij her- odëro, ik zal zijn. inner en. haten.

Conjunctivus.

Perfectum.

coepërim, dat ik begon- meminerim, dat ik mij her- odërim, dat nen zij. innere. ik hate.

Plusquamperfectum.

coepissem, dat ik begon- meminissem, dat ik mij odissetn, dat nen ware, herinnerde, ik haatte,

ik zou begonnen zijn. ik zou mij herinneren, ik zou haten.

ocr page 126

Verba defectiva.

107

§ 131.

Imperativus.

., , , memento, herinner u. ,, , ,

o n t b r e e kt. , _' , , ontbreekt,

mementote, herinnert u.

Infinitivus.

Perf. coepisse, begonnen zijn. meminisse, zich herinneren, odisse, haten.

Put. coepturum,am,umesse, ontbreekt. osüriim,am,umesse,

zullen beginnen. zullen haten. Participium.

Perf. coeptus, a, um, begonnen (osus, a, um), hatende,

zijnde, ontbreekt.

Fut. coeptürus,a,um,2w?Zew(fe osurus, a, um, zul-

beginnen- lende haten.

Aanmerkingen. Als praesens, imperfectum en futurum simplex gebruikt men bij coepi: incipio, incipiëbam, incipiara. Daarentegen is incëpi in plaats van coepi bij een infinitivus ongebruikelijk.

Coepi wordt gewoonlijk verbonden met een infinitivus, zelden met een accusativus. Wordt er een infinitivus passivi vereischt met zuiver passieve boteekenis, dan gebruike men altijd coeptus s a m. B.v. Urbs aedificari ccepta est, men is begonnen de stad te houwen. Heeft du infinitivus passivi daarentegen intransitieve of reflexieve betee-kenis, dan gebruike men liever coepi. B.v. Tarquinius cru del is fieri coepit, Tarquinius begon wreed te worden. Respublica augëri coepit, de staat begon zich uit te breiden. Deze zelfde eigenaardigheid heeft ook plaats bij d est no. B.v. O rationes meae legi desïtae sunt, men heeft opgehouden mijne redevoeringen te lezen.

In plaats van het zeldzame osus gebruikt men de composita exösus en perïïsus, die in zuiver Latijn altijd een actieve beteekenis hebben. Beide participia regeeren den accusativus. B.v. Plebs cousülum nomen perosa er at, het volk haatte den naam van consuls.

Evenals memini en odi worden ook de perfecta n o v i (van nosco, ik leer kennen) ik weet en consuevi (van consuesco, ik gewen mij) ik ben gewoon in de beteekenis van een praesens gebruikt.

§ 131. Pari, spreken.

Praes. Ind. fatur, (famur, famïni, fantur).

Imp erf. Ind. (fabar). Conj. (farer).

Perf. en Plusquamperf. fatus sum, sim, eram, essem.

Put. simpl. fabor, (fabéris), fabltur.

Imperat. fare. Inf. fari. Sup. fatu.

Part. Praes. fans. Perf. fatus. Gerundivum fandus.

Gerundium, gen. fandi. abl. fando.

Aanmerkingen. De vormen tusschen ( ) komen alleen voor in de composita a f f a r i, aanspreken, enz.

ocr page 127

Lijst van werkwoorden.

132—184.

108

In proza vindt men bijna alleen fatur en fan do audire, hooren zeggen, van hooren zeggen hebben of weten.

§ 132. Ave, wees gegroet, salve, wees gegroet, vale, vaarwel.

Salve (salvëte, salveto), goeden dag, was het woord waarmede men gewoonlijk bij het komen groette. Vale (valöte, valöto), vaarwel, was vooral in gebruik bij liet afscheid. Ave (avëte, avëto), dat weinig gebruikt werd, heeft beide beteekenissen. Van salve en vale vindt men een futurum salvêbis en valïïbis. De infinitivi avëre, salvëre, valëre worden slechts gebruikt in verbinding met jubeo. B.v. Valëre te j u b e o, ik zeg u vaarwel.

§ 133. A pit ge met of zonder te, pak u weg.

Óëdo (onderscheiden van cëdo, ik wijk) en in het meervoud oette (uit cedito, cedite ontstaan) wordt in de conversatietaal in de beteekenis van geef hier, zeg eens gebruikt met of zonder een accusativus. B.v. Cedo aquam manibus, geef wat water voor mijn handen. Ce do igitur, quid facia m, laat clan eens hooren wat ik doen zal. Cette d e x t r a s , geeft mij de hand.

Quaeso, quaesümus, ik bid, wij bidden, wordt gewoonlijk ter verzachting der uitdrukking tusschen andere woorden ingevoegd. B.v. Tu, quaeso, scribe, schrijf mij asjeblieft.

Age, agïte wordt gebruikt in den zin van kom, welaan. B.v. Age experiamur, welaan laten wij het beproeven.

LIJST

der voornaamste verba met onregelmatig gevormde perfecta en supina.

In deze lijst worden naast de simplicia slechts die composita opgenoemd, welke in de vorming hunner perfecta en supina van de simplicia afwijken.

§ 134. Verba der eerste conjugatie.

Het perfectum en supinum der verba van do eerste conjugatie gaat gewoonlijk uit op ïtvi, ïitum. B.v. amo, ïtmavi, a ma turn.

Hiervan wijken af

I. met reduplicatie in het perfectum.

Do, dëdi, dfttum, ditre, geven. Vgl. § 100.

Evenzoo de comp. met tweelettergrepig voorvoegsel circumdo, omgeven, satisdo, borgstellen, pessundo, verderven, venundo, verkoopen. De overige comp. met eenlettergrepig voorvoegsel hebben didi, dïtum en gaan naar de derde conjugatie. B.v. addo, addïdi, addïtum, addere, bijvoegen; credo, credïdi, credïtum, credëre, gelooven. Slechts abscondo, verbergen, heeft gewoonlijk abscondi, zelden abscondïdi. Sto, steti, statum , stare, staan. **• ^ oj^^- -ƒ -

De comp. met tweelettergrepige praeposities hebben in het perfectum stëti. B.v. circumsto, rondom staan, circumstëti. De comp. met éénlettergrepige praeposities hebben in het perf. sttti. B.v. adsto, er hij staan, adstïti. De comp. van sto missen het sup. behalve

ocr page 128

T

^ 135. Lijst van werkwoorden. 109

Ir^da ■amp; tki 'rrf vj/lt;' , it-, vw lt;**■ '

praesto, overtreffen, praestïtura. Het part. fut. act. is echter prae-staturus. Ook vau andere comp. komt eeu part. op urus voor, zooals; constaturus. Disto, verwijderd zijn ou exsto, uitsteken, voorhanden zijn-, missou het perfectum.

II. met perfectum op ui, supiuum op tum, soms met

verbindingsvocaal.

Crëpo, crepui, crepïtum, crepïtre, gedruisch maken.

Cilbo, cubui, cubïtum, cubare, liggen. iAamp;-

De comp. vau eubo, die een m vóór de b aannemen, gaan naar de derde conj. B.v. accu mbo, accubui, accubïtum , ac cum be re,

zich nederleggen. ,

Domo, domui, domïtum, domiire, temmen. (gt;■lt;.'

Frïco, fricui, frictnm of friciitum, fricare, wrijven.

liefrtco , weder opkrabhen, heeft eukol refricatum/ ^

Mïco, micui, (zonder sup.), micare, glinsteren. fn--. /

Emico, emicui, emicatum. snel te voorschijn komen.

Uimïco, dimiciivi, di mica tum, strijden. Uz

Nëco, doodm (regelmatig). ^

Eneco, enecui, enectum (zelden eneciivi, enecïitum), dooclen.

Plico (slechts in samenstellingen gebruikelijk).

Appltco, applicavi en applicui, applicatum en applicïtum, applicare toevoegen. Evenzoo expl'ico, ontvouwen enpimplïco, inwikkelen. De verba op plico, die afgeleid zijn van adjectiva op plex, zooalsV' quot; dupltco, verdubbelen, hebben alleen iivi, atum. C J^lt;f oXc?.»-»- - rri^o i'rito, potïïvi, potum (zelden potatum), potare, drinken. Vgl. § 103. quot;

ÖÖco, secui, sectuin, seeare. Vgl. § 127.

Üöno, sonui, sonïtum, sonïtre, klinken. Vgl. § 127. - r

liesöno, weergalmen, heeft resoniivi en mist het sup. W d. ru t- -***•

Töno, tonui, (zonder sup.), tonare, donderen.

Attóno, bedonderen, verbluffen, heeft oen part. perf. attonïtus. -I ntöno, zich donderend, luid doen hooren, beeft een part. perf. i n 10 n a t n s.

Veto, vetui, vetïtum, vetare, verbiedoi. .

,, Uv*- h «IV, . fS.' ' • ,

III. met perfectum op i, supinum op tum en verlen

ging van de stamvocaal. t

Jttvo, jüvi, jatnm, juvare, helpen. Vgl. g 127. -»'-*•»

Adjüvo, ondersteunen, hoeft in het part. fut. adju turns en adjuva- /■ turns. Men lette goed op de verschillende quantiteit van het praes. en perf. van adjüvo.

Litvo, liivi, lautum (lavatum , lötum), lavare, wqsschen. Vgl.S 127.. Aanm.

ri- -c;.W«. rf», — , I '.f«r •£gt;. %

§ 135. Verba der tweede conjugatie.

De verba dezer conjugatie, die regelmatig ëvi, etnm hebben, zijn:

Deleo, delevi, delütum , delöre, vernietigen, -i-' ' gt; -Pleo, flëvi, flëtum, flere, weenen. di. 'c

Neo, nëvi, nëtum, nëre, spinnen.

Pleo (slechts in samenstellingen gebruikelijk). 1 .

Compleo, complëvi, complëtum, complere, vullen. li.xrr*-™ a.o~*. . p-vk Hierbij komt nog met het sup. op ïtum tdrP' —4—1^*^^quot; '

Aböleo, abolëvi, abolïtum, abolëre, afschaffen, -fan het ougebrnikelijke

O O-^jlCamp;wIL ' '■ ^ quot;' quot; C S Cu. Kuvt,, .

ocr page 129

i 10 Lijst van werkwoorden. § 135.

oleo, welks overige composita op esco uitgaan eu naar de derde conjugatie vervoegd worden, namelijk:

Adolesco, adolêvi, adultum, adolescëre, opgroeien.

Exolesco, exolëvi, exolëtum, exolesccre, afslijten.

Obsolesco, obsolövi, obsolëtum, obsoioseëre. verouderen. r

L-. . ,

Onregelmatig zijn ' „ ■/*■'lt; .

I. met perfectum op ui, supinura op tum en verbindingsvocaal. , j

Cftreo, missen, ^ 4awLMÖneo, vermanen.

Döleo, bedroefd zijn. Nöceo, schaden.

Habeo, hebben. Pitreo, gehoorzamen.

Comp adhïbeo, aanwenden, debeo Placeo, behagen.

(voor dehibeo), schuldig zijn , prae- Comp. displïceo, mishagen. beo (voor praehibeo), aanbieden. Taceo, zwijgen.

Jaceo, liggen. Comp. retïceo, verzwijgen.

Lïceo, te koop zijn. Terreo, verschrikken.

Mëreo (ook deponens), verdienen. Yaleo, gezond zijn.

supinum op tum zonder verbindingsvocaal.

Doceo, docui, doctum, doeëre, onderwijzen.

Misceo, miscui, mixtum of mistum, miseëre, mengen.

Tëneo , tenui, tantum, tenëre, houden.

Comp. abstineo, abstiuui, abstentum, abstinëre, zich onthouden.

Torreo , torrui, tostum , torrëre, roosteren.

supinum op sum.

Censeo , censui, censum, censëre , schatten.

Comp. recenseo, recensui. recensum en receusTtum, monsteren.

zonder supinum.

Arceo, afhouden. Oleo, rieken (niet te verwarren met het

De comp. coërceo, beteugelen en ex- ongebruikel.stam woord v. aboleo). erceo, oefenen, hebben een sup. co- Comp. adöleo, aansteken, redoleo ereïtum en exereïtum. eu suböleo, naar iets rieken.

Areo, droog zijn. Palleo , bleek zijn.

Cilleo, warm zijn. Pitteo , open staan.

Calleo, eelt hehhen, bekwaam zijn. liïgeo, stijf staan.

Caudeo, gloeiend of wit zijn. Rübeo, rood zijn.

Egeo; gebrek hebben. Sïleo, zwijgen.

Comp. iudïgeo, gebrek hebben. Sorbeo, slurpen.

Emïneo , uitsteken. Sordeo, vuil zijn.

Flöreo , bloeien. Splendeo, schitteren.

Frondeo, bladeren hebben. Stüdeo, zich beijveren.

Horreo, huiveren. Stüpeo, verbaasd zijn.

Langueo, kwijnen. limeo, vreezen.

Lateo, verborgen zijn. Torpeo, verstijfd zijn.

Lïqueo , licui en liqui, vloeibaar zijn.Tümeo, gezwollen zijn.

Madeoquot;, nat zijn. Vïgeo, frisch zijn.

Nïteo, schitteren. Vireo, groen zijn.

ocr page 130

Lijst van werkwoorden.

§ 135.

Ill

II. met perfectum op si (xi), supiDum op turn.

Augeo, auxi, auetum , augêre , vermeerderen.

ludulgeo, indulsi, indultum, iudulgëre, toeyeven.

Lügeo, luxi, luctum, lugëre, treuren.

Torqueo, torsi, tortum, torquëre, draaien,

supiuum op sum.

Ardeo, arsi, arsum, ardëre, branden.

Haereo, haesi, haesum, haerëre, blijven steken.

Jüboo, jussi, jussum, jubëre, bevelen.

Mitueo, mansi, mansum, manëre, blijven.

Mulceo, mulsi, mulsum, mulcëre, streelen.

Mulgeo, mulsi, mulsum, mulgëre, melken.

Rldeo, rlsi, risum, ridëre, lachen.

Suiideo, suasi, suasum, suadëre, raden.

Tergeo, tersi, tersum, tergëre, af wisse hen.

zouder supinum.

Algeo, alsi, algëre, koud zijn.

FrTgeo, frixi, frigëre, koial zijn.

Fulgeo, fulsi, fulgëre, schitteren'.

Luceo, luxi, lueëre, lichten.

ïurgeo, tursi, turgëre, zwellen.

Urgeo, ursi, urgëre, dringen.

III. met perfectum op i, supinum op tum en verlenging van de stamvocaal.

Citveo, cavi, cautum, cavëre, op zijn hoede zijn.

Fitveo, favi, fautum, favëre, begunstigen.

Pöveo, favi, fötum, fovëre, koesteren.

Möveo, movi, mötum, movëre, bewegen.

Vöveo, vövi, vötum, vovëre, beloven.

IV. met perfectum op i, supinum op sum en verlenging van de stamvocaal of reduplicatie in het perfectum.

Prandeo, prandi, pransum, prandëre, ontbijten. Vgl. § 103.

Sëdeo, sëdi, sessum, sedëre, zitten.

Behalve bij circumsedeo, belegeren, en supersedeo, het ergens bij laten berusten, wordt bij de comp. de e van het praes. veranderd in i. B.v. assïdeo, assëdi, assessum, assidëre, zitten bij iets.

Video, vldi, visum, vidëre, zien.

Mordeo, momordi, morsum, mordëre, bijten.

Pendeo, pependi, peiisum, pendëre, hangen.

De comp. zonder perf. en sup.

Spondeo, spopondi, sponsum, spoudëre, beloven.

Comp. despondeo, despondi, desponsum, verloven. Evenzoo respon-deo, antwoorden.

Tondeo, totondi, tonsum, tondëre, scheren.

Comp. detondeo, detondi, detonsum, afscheren. Evenzoo attondeo, scheren.

ocr page 131

Lijst van werkwoorden.

§ 136.

112

zonder supinum.

Ferveo, fervi en ferbui, fervëro, heet zijn.

l'ilveo, pilvi, pavëre, hany zijn.

Strideo, stridi, stridëre, knarsen.

Conniveo, coiuiivi eu coiDÜxi, conuivëre, knipoog en.

Een bijzondere verinekluig verdienen: cieo, civi, citum, ciere en cio, cïvi, cltnra, cTre, opwekken, in beweging brengen. Als simplex gebruikt rnen gewoonlijk cieo. De conip. die do beteekenis hebben van halen, roepen, hebben de vormen der vierde conjugatie, namelijk accio, luten halen, in bet part. perf. slechts accitus; con cio, bijeen roepen, part. perf. concltus (concttus, opgewekt)', excio, oproepen, part. perf. exeïtus (exettus, opgewekt).

V. D e p o n e u t i a.

Fateor, fassus sum, fateri, bekennen.

Comp. confiteor, confessus sum, bekennen.

Liceor, lieïtus sum, licêri, bieden.

Comp. pol liceor, pollicïtus sum, belonen.

Medeor, (zonder perf. daarvoor medicatus sum), medori, genezen.

Mereor, merïtus sum, merëri, verdienen. Vgl. I dezer gt;Ieu gebruikt bij voorkeur het activum met en zonder stipendia in de beteekenis : als soldaat dienen.

Misereor, miseritus sum, miserëri, zich ontfermen.

Keor, ratus sum, rëri, meenen. Het participium praesens ontbreekt. Vgl. § 414. 2°.

Tueor, tuttus sum, tuëri, beschermen. In plaats van tuitus sum gebruikt

men gewoonlijk tutïitus sum van tutari,

Vereor, verïtus sum, verëri, vreezen.

§ 136. Verba der derde conjugatie.

Verba, wier perfectum op i uitgaat met supinum op tum. Acuo, acui, acutum, acuëre, scherpen. Acütus wordt slechts gebruikt

als adjectivum in de beteekenis van scherp.

Arguo, argui, argütum, arguëre, beschuldigen. Ar gut us wordt slechts gebruikt als adjectivum in de beteekenis van scherpzinnig. Vgl. § 127. Aanm.

Exuo, exui, exütum, exuëre, uittrekken.

Imbuo, imbui, imbutum, imbuëre, doortrekken.

Induo, indui, indütum, induëre, aantrekken.

Luo; lui, lutum, luëre; wasschen. Vgl. § 127.

Minuo, minui, minutum, minuëre, verminderen.

Nuo, nui, nütum, nuere, knikken,,slechts gebruikelijk in de comp. ab-

nuo, weigeren (Vgl. § 127), annuo, toestemmen, enz.

Ruo, rui, rütum, ruere, naar beneden storten. Vgl. § 127.

Spuo, spui, sputum, spuëre, spuwen.

Statuo, statui, statutum, statuëre, vaststellen.

Comp. constituo, constitui, constitutum, bepalen.

Suo, sui, sutum, suëre, naaien.

Tribuo, tribui, tributum, tribuere, toedeelen.

Solvo, solvi, solütum, solvere, losmaken.

Volvo, volvi, volutum, volvöre, wentelen.

ocr page 132

§ 136. Lijst van werkwoorden. 113

zondersupinum. , , r * / g ■ //

Batuo, batui, batuëre, slaan^.....-/ — -quot;/V' yquot; •(

Gruo, grui, gruëre, slechts gebruikelijk in de comp. congruo, overeenstemmen eu ingruo, op iets losbreken.

Metuo, raetui, metuëre, vreezen.

Pluo, plui eu pluvi, pluere, regenen. Meestal onpersooulijk.

Sternuo, sternui, sternuore, niezen.

De volgende verba wijkeu op Yerschilleude wijzen hiervan af.

I. Verba, wier perfecturn op ui uitgaat met supinum op tum zonder verbindiugsvocaal.

Aio, alui, altum (later ook alttum), alëre, voeden.

Colo, colui, culfcum, eolëre, kweeken.

Consiilo, consului, consultum, consulöre, raadplegen.

Depso, depsui, depstum , depscre, kneden.

Occülo , occului, occultum, occulöre , verbergen.

liapio, rapui, raptum , rapëre, rooven.

Comp. abrïpio, abripui, abreptum, wegslepen.

Sëro (serui, sertum) serere, samenvoegen. Het perf. en sup. komt alleen bij de comp. voor, als: consëro , conserui, consertum , samenvoegen. In plaats van het part. perf. van desëro, verlaten, gebruike men destitütus eu van dissëro, redeneeren, disputatus.

Texo, texui, textum, texëre, toeven.

supiuum op turn en verbindingsvocaal.

Prëmo, fremui, frenutum , fremöre, brullen.

S Gömo, gemui, gemïtum, geinöre, zuchten.

Gigno (in plaats van gi-geu-o), genui, geuïtum, gignëre, voortbrengen. Miilo, molui , molïtum , molëre , malen.

I'inso, pinsui (ook piusi), pinsïtum (ook pinsum, pistum) pinsöre,/ywstoofew. füno (sameugetrokkeu uit po-sï-no), posui, pösitum, yonèw, plaatsen. j Strëpo , strepui, strepïtum, strepëre , gedruisch maken.

Vömo, vomui, vomïtum, vomëre, braken.

zonder supinum.

' Compeseo, eompescui, compeseëre, bedwingen.

•t Sterto , stertui, stertere, snorken.

ïrëmo, tremui, tremëre, beven.

II. Verba, wier perfectum op Tvi uitgaat met supiuum op Itum.

' Arcesso , arcesslvi, arcessTtum , arcessëre , ontbieden.

: Capesso , capesslvi, capessTtum, capessëre, aanvatten.

| Focesso, facessi vi, facessitum , facessëre, maken.

| Lacosso, lacesslvi, lacessTtum, lacessëre, tergen.

I Cilpio, cupTvi, cupitum, cupëre, begeeren.

Pëto, petTvi, petitum, petëre, ergens op los gaan. Vgl. § 114. Aanm. Quaero, quaeslvi, quaesltum, quaerëre, zoeken.

Comp. acquire, acquislvi, acquisltum, verkrijgen.

Rüdo, rudlvi, rudïtum, rudëre, brullen.

ïëro, trivi, tritum (in plaats van terlvi, tentum), terëre, wrijven. 5e druk. 8

ocr page 133

Lijst van werkwoorden.

§ 136.

114

zonder supinum.

Incesso, incessivi; incesscre, op iemand losgaan.

Sitpio, sapii (zeldeu sapivi en sapui), sapëre, smaken, verstand hebhen. Comp. rosipio, naar iets smaken, loeder tot zich zeiven komen.

III. Verba, wier perfectum op vi uitgaat, terwijl tovens een consonant Yau het praeseus wordt uitgestooten

Lino, livi en lëvi7 lïtum, linëre, bestrijken.

De comp. zooals oblïuo, oblevi, oblitum, besmetten, hebben m het perf. enkel 1 e v i.

Sïno , slvi, sïtum , sinëre, toelaten.

Vgl. over desïno § 114. Aaum. en § 130. Aanm.

Sëro, sëvi, satum, seröre, zaaien.

Comp. consëro, consêvi, con sïtum, bezaaien.

Cerno, crëvi, crëtum, cernëre, afzonderen, zien. Het perf. en sup. komen nooit voor in de beteekenis van zieti en gewoonlijk slechts in dc comp. decerno, enz.

Sperno, sprëvi, sprëtum, spernëre, verachten.

Sterno, stravi, stratum , sternëre , op den grond spreiden.

Comp. cousterno, bedekken (con ster no, verschrikken. gaat regelmatig

naar de eerste conjugatie).

Vgl. over de inchoativa op sco § 146.

IV. Verba, wier perfectum op si (xi) uitgaat met supinum op turn.

Carpo, carpsi, carptum, carpëre, plukken.

Comp. concerpo, concerpsi, concerptum, verscheuren.

(Clëpo, clepsi, cleptum, clepëre, stelen) verouderd.

Rëpo, repsi, reptum , repëre , kruipen.

Serpo, serpsi, serptum, serpëve, kruipen.

Scalpo, scalpsi, scalptum , scalpëre, krabben.

Sculpoj sculpsi, sculptum, sculpëre, beitelen.

Glübo, glupsi, gluptum, gluböre, schillen.

Nübo, uupsi, nuptum, nuböre, trouwen (van een vrouw).

Scrlbo, scripsi, scriptam, scribëre, schrijven.

Csmo, compsi, comptum , comore, opsieren.

Demo, dempsi, demptum, demëre, wegnemen.

Prömo, prompsi, promptum, promëre, te voorschijn brengen.

Sumo, sumpsi, sumptum, sumöre, nemen.

Temuo, tempsi, temptum, temncro, verachten. Ia proza gebruikt men het comp. contemno.

Dico , dixi, dictum, dicöre, zeggen.

Duco, duxi, ductum , dueëre , voeren.

(Lacio, laxi, lactum, laccre) ongebruikelijk simplex van de comp. alhcio, tot zich trekken, illïcio, tot iets verlokken, pellicio, aanlokken. Doze comp. hebben lexi, lectum. Elïcio, uitlokken, heeft elicui, elicïtum. (Spëcio, spexi, spectum, speeëre, zien) verouderd simplex van adspicio,

aanzien, enz.

Coquo, coxi, coctum , coquëre, koken.

Cingo, cinxi, cinctum, cingëre, omgorden.

ocr page 134

Lijst van werkwoorden.

115

§ 136.

Flïgo, flixi, ilictum, fligSre, slaan., gewoonlijk sloehts gebruikt in de comp. atHTgo, doen neder stort en, euz. ProflTgo, te gronde helpen, gaat regelmatig naar de eerste eonj.

Frlgo, frixi, frictum on frixum, frigëre, roosteren.

Juago, junxi, junctum , jungöre, verbinden.

Liugo, liuxi, linctum, liugëre, likken.

Mnngo, munxi, munctum, muLgëre, snuiten. Men gebruikt gewoonlijk het uomp. emungo.

Plango, planxi, pliinctuiu, plangére, slaan (tegen de borst).

Eego , rexi, rectum, regëre , regelen.

Comp. arrïgo, in de hoogte richten. In plaats van perrigo, zich ergens heen hegeven, gebruikt men per go, perrexi, perrectum , pergëre en in plaats van surrigo, opstaan, sur go, surrexi, surrectum, surgöre. Van dit werkwoord komen weder de comp. assurgo, consurgo, enz. Stiuguo, stiuxi, stinctum, stiuguëre, verouderd simplex van distinguo, onderscheiden, en instinguo, ophitsen, dat slechts in het part. perf. instin ctus gebruikelijk is; voor de overige vormen gebruikt men iustigo, dat regelmatig naar de eerste conj. gaat. Van een ander eveneens verouderd stiuguo komen de comp. exstinguo en restinguo, uithlusschen.

Sugo, suxi, suctum, sugëre, zuigen.

Tëgo, texi, tectum, tegëre, bedekken.

Tingo, tinxi; tinctum, tingëre, doopen.

Ungo, unxi, unctum, ungöre, zalven.

Trilho, traxi, tractum, trahore, trekken.

Vöho, vexi, vêctum, vohëre, voeren. Voor de vertaling van de Neder-landsche onovergankelijke werkwoorden varen, rijden, moet men vehor gebruiken (met curru, equo, navi). Als zoodanig hoeft het ook een participium praesens en een g er u n d i u m. B.v. i n equo v e h e ii s , paard rijdende ; i u t r a n s v e h e n d o, onder het voorbijrijden.

Fingo, finxi, fictum, fingere, vormen. t ^ ^^ .

i'ingo, pinxi, pictum, pingëre, schilderen. 4

Htringo, striuxi, strictum , striugëre , strijken. Bij de laatste drie verba is de versterkende consonant van het praes. iu het sup. uitgeworpen.

Glëro, gessi, gestum, gerëre, dragen.

Uro , ussi, ustum , urëre, branden.

Tot de comp. behoorcn amburo, rondom verbranden, en comburo, verbranden.

j Struo, struxi, structum , struëre, opstapelen.

Vtvo, vixi, victum, vivöre^ leven.

supiuum op sum (xum).

Fluo, liuxi, fluxuin, tluöre, vloeien.

Claudo, clausi, clausuin, claudëre, sluiten.

Comp. circumcludo , circumclttsi, circumclusum , rondom insluiten. üivïdo, divTsi, divisum, dividëre, verdeelen.

Lacdo, laesi, laesum , laedöre , stooten.

Comp. allido, allisi, allisum, aanstooten.

Lndo, lusi, lusum, ludëre, spelen.

Plaudo, plausi, plausum, plaudëre , in de handen klappen.

ocr page 135

116 Lijst van werkwoorden. § 136.

Comp. applaudo, toejuichen, doch explüdo, explsai, explijsum, uitfluiten (een tooneelspeler). Eveuzoo supplödo (pedibus), met de voeten stampen (teu teeken van afkeuring).

Eado, rasi, rEsum, radëre , schaven.

Efïdo, rfJsi, rtïsum, rodere, knagen.

Trüdo, trüsi, trusum, trudëre, stoeten.

Vado, (vasi, vEsura), vadëre, gaan. Het perf. on sup. komt slechts voor in de comp. circumviido, bevangen, enz.

Cëdo, cessi, cessum, cedPre, wijken.

Mitto, mlsi, missum , mittëre, zenden.

Quiltio, quassi, quassum , quatërc , schudden.

De comp. gaan uit op c ü t i o , c u s s i, c u s s u m , c u t ë r e, zooals concütio, schokken.

Mergo, mersi, morsum, mergëre, onderdompelen.

Spargo, sparsi, sparsum, spargëre, strooien.

Comp. adspergo, adspersi, adspersum , besprengen.

Tergo, tersi, tersum , tergëre, afwisschen. Men vindt even dikwijls t e r g o o, tersi, tersum, tergëre. De comp. gaan naar de tweede conj.

Flgo, fixi, fixum, figëre, vasthechten.

Flecto, flexi, flcxura, flectëre, buigen.

Pecto, pexi, pexum, pectëre, kammen.

Necto, nexi en nexui, nexum, nectëre, knoopen.

De comp. zooals aunecto, samenknoopen, hebben alleen ui in het perf.

Mëto, (messui), messum, metëre, maaien. In plaats van het zeldzame messui, waarbij de u ingelascht is, zegt men liever messem feci.

Prëmo, pressi, pressum , premëre, drukken.

Comp. comprtmo , compressi, compressum , samendrukken.

Vello, velli en vulsi, vulsura, vellëre, uittrekken. Evenzoo de comp. avello, afrukken, en evello, uittrekken. De overige comp. hebben alleen of gewoonlijk velli.

zonder supinum.

Ango, anxi, angëre, beangstigen.

Ningo, ninxi, ningëre, sneeuwen. Gewoonlijk onpersoonlijk.

zonder perfectum.

Frendo, frësum en fressum, frendëre, knarsetanden. Men heeft ook een frendeo van de tweede conj.

Plecto, plexum, pleetere, vlechten. Dit verbum is als act i vu m verouderd en wordt slechts in samenstellingen als deponens gebruikt. Ook moet men hot niet verwarren met plecto, straffen, dat perf. en sup. mist en gewoonlijk slechts in het passivum gebruikt wordt. Vgl. VIII dezer §.

V. Verba, die in het perfectum de stamvocaal verlengen, mot supinum op tum.

Ago, ëgi, actum , agere , drijven.

Comp. abïgo, abëgi, abaotum, wegdrijven. Circumago, omwenden, perago, volvoeren en satitgo (zonder perf en sup.), genoeg doen, behouden de a in hot praesens. Cogo (uit coago) heeft coëgi, coac-

ocr page 136

Lijst van werkwoorden.

§ 136.

117

tura, cogëre, noodzaken. Dëgo (uit deago) heeft dëgl (zeldzaam), zonder sup. degöre, doorhrenijen.

Ca pi o , cepi, captum , capBre, nemen.

Comp. acctpio, acoêpi, acceptum, aannemen. In autecapio, cëpi, ceptum en captum, vooraf nemen, blijft de a behouden.

Erao , emi, emptum , emere , koopen.

Comp. adïmo, adëmi, ademptum, ontnemen. Bij coëmo, opkoopen, blijft de e in het praeseus.

Fitcio, fëci, fuctum, facöre, doen. Bij de comp. met een praepositie gaat a van het praes. in i en a van het sup. in e over. B.v. afficio, affëci, affectum, aandoen. Bij de overige comp. blijft de a behouden. B.t. assuefacio, assuefëci, assuefactum, yeivennen. Vgl. § 125. Aanm.

Fugio, ftigi, fugïtum, fugëre, vluchten.

Jitcio, jëci, jactum, jacëre, iverpen. Bij de comp. wordt de a van het praes. in i en van hot sup. in e vei'anderd. B.v. abjïcio, abjëei, abjec-tum, wegwerpen. Hiervan is uitgezonderd superjacio, jeci, jectum en jactum, over werpen. Bij de comp. vindt men meermalen i in plaats van ji. B.v. abicio. Amicio (van am en jacio. Vgl. § 167), amixi en amicui, amictum, amicTre, bekleeden, gaat naar de 4llc con jugatie.

Logo, lëgi, lectum, legere, lezen. De e blijft in de comp. allego, bij kiezen, intellego, hegrijpen, neglögo (uit nee en lego), verwaar-loozen, per logo, doorlezen, praelëgo, voorlezen, rel ë go, herlezen. Bij de overige comp. gaat zij in het praes. in i over, als: collïgo, collëgi, collectura , colligëre, verzamelen. Alle comp. hebben het perf. gelijk het simplex, doch dilïgo, beminnen, intellego en neglëgo hebben exi, namelijk: dilexi, intellexi, neglexi.

Bjj de volgende verba wordt in het perf. en sup. de versterkende consonant van het praes. uitgeworpen.

Frango, frëgi, fractum, frangëre , breken.

Comp. confringo, confrëgi, confractum , verbreken.

Linquo, llijui, lictum, linquëre, laten, komt meest in comp.-voor, als relinquo, verlaten.

Pango, panxi of pëgi, panctum of pactum, paugëre, vastmaken. In de beteekenis vaststellen hij verdrag is het perf. pepïgi en het sup. pactum; voor hot praes. gebruikt men dan liever paeiscor. De comp. compingo, samenvoegen, impiugo, tegen iets aanslaan, oppingo, aanhechten, hebben pëgi, pactum.

Viuco, vïci, victum , vineëre, overwinnen.

Rumpo , rüpi, ruptum, rumpëre, breken.

supinum op sum.

Fundo, fndi, fnsum, fundëre, gieten.

Edo, ëdi, ësum, ëdere, eten. Vgl. § 119.

liet comp. comëdo heeft het sup. comësum on co mes tura.

Födio, fodi, fossum , fodöre , graven.

zonder supinum.

Scïtbo, scabi, scabëre, krabben.

VI. Verba, wier perfectum de reduplicatie heeft, mot supinum op tum.

Cüno, cecïni, cautum , canëre, zingen. Als part. perf. gebruikt men niet

ocr page 137

Lijst van werkwoorden.

§ 136.

118

cautus, maar (carminibus) colcbratus, diet us, enz. Do comp. zooals coucmo, oveh'enstênnheii, hebben cinui, centum.

Pitrio, pepöri, partum, parëre, haren. Vgl. § 127,

De comp. gaan naar de vierde conjugatie. Men lette wel op liuu perfectum.

Compërio, compëri, compertum, compevlro, her inden. Dit verbmn wovdt

in het p r a e s. ook als d e p o n e n s gebruikt.

llepërio, reperi en reppëri, repertum, reperlre, vinden.

Apërio, aperui, apertum, aperlre , openen.

Operio, operui, opertum, operlre, bedekken.

Het part. fut. dezer verba wordt regelmatig gevormd. B.v. compel11 u r u s.

Tendo, tetendi, tentum en tensum , tendëre, sponnen.

De comp. die evenals het simplex turn en sum hebben, zijnextendo, uitbreiden, protendo, voor zich heen houden, en retendo, ontspannen. Enkel sum hebben detendo, afspannen, en ostendo , toonen; de overigen hebben enkel turn. Alle comp. missen de reduplicatie. B.v. .attendo, attendi, attentum , acht (/even.

Tango, tetïgi, tactum , taugëre, raken.

De comp. als attingo, attïgi, attactum , aanraken, missen de reduplicatie. Pungo , pupügi, punctum, pungëre, steken.

De comp. hebben punxi. B.v. compungo, compunxi, steken.

s u p i n u m op sum.

Cttdo , cecidi, casum , cadere , vallen.

De comp. missen de reduplicatie. B.v. occïdo, occïdi, occasum, ondergaan, sneuvelen. Verder komt bet sup. slechts voor van ineïdo, in iets vallen, en reeïdo, terugvallen.

Caedo, cecidi, caesum, caedëre, neder vellen.

De comp. missen de reduplicatie en hebben in het sup. cisum. B.v. occïdo, occïdi, occTsum, dooden. Men lette wel op de verschillende quantiteit der i bij cado en caedo met hunne composita.

Cello (slechts in samenstellingen gebruikelijk en wel zonder reduplicatie) Percello, percüli, perculsum, percellëre, onderwerpen.

De overige comp. missen het perf. en sup.

Curro, cucurri, cursum, currëre, loopen.

in de comp. wordt de reduplicatie somtijds behouden, als: accucurri, maar meestal valt zij weg, als: accurri.

Fallo, fefelli, falsum, fallere, bedriegen. Falsus is adjectivum; als participium gebruikt men deceptus. liet eenige comp. refello, wederleggen, heeft refelli en mist het sup.

Pello, popüli, pulsum, pellöre , verdrijven.

De comp. missen de reduplicatie, als: appello, appüli, appulsum, landen.

Pendo, pependi, ponsum , pendëre , wegen.

De comp. missen de reduplicatie, als : appendo, appendi, appensum,

toewegen.

Parco, peperci (zelden parsi), parsura , pareëre, sparen. In het perf. pass.

zegt men temperatum est in plaats van parsum est.

Tundo, tutudi, tüsum en tunsum, tundëre, stooten.

De comp. missen de reduplicatie en hebben, zoo men obtundo uitzondert, slechts tusum, als: contundo, contüdi, contnsum, slaan.

ocr page 138

§ 136. Lijst van werkwoorden. 119

Fendo (slechts in samenstellingen gebruikelijk en wel zonder reduplicatie). Defendo, defendi, defensum, defendöre^ verdedigen.

(

met reduplicatie der laatste syllabe.

Sisto, stïti (in plaats vau sistïti), statuin, sistamp;re, jrfaatfien.

De comp. hebben stïti, stitum, als: obsisto, obstïti, obstitum zich verzetten. Circumsisto, omringen, heeft het perf. circumstëti'

zonder supinu m.

Disco, didïci, discere, leeren.

Posco , poposei, poscëre, vorderen.

VIL Verba, waarvan de reduplicatie zeker ot' vermoedelijk weggevallen is, met

s u p i n u ra op tu m.

Bïbo, bïbi, (bibïtura), bibëre, drinken. In plaats van het eerst later voorkomende bibïtum met de daarvan afgeleide vormen gebruikt men po-t u m of hau s tum.

Ico, lei, ictum, Icëre, treffen. Van het praesens komen slechts voor do vormen icit, icimus , icitur, icimur. Algemeen gebruikelijk zijn ici, ictus, icöre. Voor de overige vormen gebruikt men ferio.

Lanibo , Iambi, lambïtum , lambëre, lek'ken.

supinum op sum.

Pinde, fïdi, flssura , finciëre, splijten.

Scindo, scïdi, scissuin , scindëre, scheuren.

Cando (slechts in samenstellingen gebruikelijk).

Aecendo, accendi, accensum, accendere, aansteken.

Cndo , cüdi, cüsum, oudere , slaan. •

Mando, maudi, raansura, mandöre, kauwen.

Pando, pandi, passura (soms pansum), pandëre, uit elkander spreiden. Prehendo, prohendi, prehensum, prehendëre, aanvatten. Men vindt ook

een samengetrokken vorm prendo, prendi, prensura, prondëre.

Scando, scandi, scansum , scandëre, beklimmen.

Comp. adscendo, adscendi, adscensum , beklimmen.

Verro, verri, versum , verrëre, vegen.

Verte, verti, versura, vertëre, wenden. Dit verbum wordt ook als de-ponens gebruikt in de comp. de vertor, zich afwenden, praevertor, vooruitkomen, en reverter, terugkeeren. De beste schrijvers gebruiken echter in het perf, en de daarvan afgeleide tijden slechts den a -t i e v e n vorm.

Sldo , sëdi (soms sldi), sessum, sidëre, zich nederzetten.

zonder supinum.

Stndo, strldi, stridëre, knarsen (meestal stridërc. Vgl. § 135. IV).

Vtso, vlsi, visëre, bezoeken (sup. visum van video).

Psallo, psalli, psallëre, op de citer spelen.

VIII. Deponentia.

Fruor, fruttus en fructus sum, frui, genieten. Vgl. § 127. Aanm. In het

perfectum gebruikt men liever usus sum.

Pungor, functus sum, fungi, verrichten.

ocr page 139

Lijst van luerkwoorden.

§ 137.

120

Grftdior, gressus sum, gradi, gaan.

Comp. aggredior, aggressus sum, aggrödi, naar iemand gaan.

Labor , lapsus sum, labi, vallen.

Löquor, locutus sum , loqui, spreken.

Mörior, mortuus sum, mori, sterven. Vgl. § 127.

Nltor, nisus en nixus sum, niti, steunen.

Pittior, passus sum, pati, lijden.

Comp. perpetior, perpessus sum, perpëti, verduren.

Plector (slechts in samenstellingen gebruikelijk).

Amplector, amplexus sum , amplecti, omvatten.

Men verwarre bovenstaand plector niet met het passivum van plecto, straffen. Vgl. IV dezer §.

Queror, questus sum , queri, Magen.

Sëquor, secutus sum , sequi, volgen.

Utor , usus sum, üti, gebruiken.

Apiscor, aptus sum, apisci, verkrijgen (verouderd).

Comp. adipiscor, adeptus sum, verkrijgen.

Defetiscor, defessus sum, defetisci, moede worden.

Expergiscor, experrectus sum, expergisci, ontwaken.

Iraseor, irasci, zich vertoornen. Als perf. kan men su c ce ns u i gebruiken.

Iratus is adjectivum.

Miniscor (slechts in samenstellingen gebruikelijk).

Comminiscor, commentus sum, comminisci, bedenken. Als perf. van reminiscor, zich herinneren, gebruikt men recordatus sum. Nanciscor, nactus of nanctus sum, nancisci, hékomen.

Nascor, natus sum, nasoi, ontstaan. Vgl. § 127.

Obliviscor, oblrtus sum, oblivisci, vergeten. Men verwarre het part. obll-

tus niet met oblïtus van oblïno. Vgl. III dezer g.

Paciscor, pactus süm, pacisci, een verdrag sluiten.

Faseer, pastus sum, pasci, weiden.

Proficiscor, profectus sum, profieisci, vertrekken.

Ulciscor , ultus sum, ulcisci, zich wreken.

Vescor, vesci, eten. Als perf. gebruikt men pastus sum of edi. § 137. Verba der vierde conjugatie.

Het perfectum en supinum der verba van deze conjugatie gaat gewoonlijk uit op Tvi, itum. B.v. audio, audlvi, audltum, audlre. Hiervan wijken af

I. de verba, wier perfectum op si (xi) uitgaat, met

supinum op tum.

Farcio, farsi, fartum en farctum, farclre, vol stoppen.

Comp. confercio, confersi, confertum, vol stoppen. Soms blijft de a in de composita behouden.

Fulcio , fulsi, fultum, fulcTre , ondersteunen.

Haurio, hausi, haustum, haurlre, putten. Vgl. § 127. Aanm.

Saepio , saepsi, saeptum , saepTre, omheinen.

Sancio, sanxi, sanctum en sancltum, sanclre, verordenen.

Sarcio , sarsi, sartum, sarclre , verstellen.

Vincio . vinxi, vinctum , vinclre, hinden.

ocr page 140

Lijst van werkwoorden.

121

§ 138.

supinum op sum.

Sentio, sensi, sensum , sentTve, gevoelen.

Het comp. asseutio, toestemmen, wordt liever als ilepouens gebruikt met perf. assensus sum.

IT. Verbum met perfectum op ui.

Sitlio, salui (zelden salii), saltum, sallre, springen.

Comp. assïlio, assilui (zelden ii), assultum, naar iets toespringen.

III. Verbum met verlengde stamvocaal in liet per-f ectum,

Venio, vëni, ventum , venïre , komen.

IV. Verbum met onregelmatig supinum.

Sepelio , sepelTvi, sepultum , sepellre , hegraven.

V. D e p o n e a t i a.

Experior, expertus sum, experlri, beproeven.

Opperior, oppertus (ook oppentus) sum, opperTri, afwachten.

Metior, monsus sum, metiri, meten.

Ordior, orsus sum, ordiri, beginnen.

Orior, ortus sum, orlri, ontstaan. Vgl. § 127. Aanm. en § 117. f. Potior, potltus sum, potlri, bemachtigen. Bij dichters komen do vormen voor : potïtur, potïmur, potërer.

§ 138. Sommige verba hebben bij verschil van boteekenis onder een of ander opzicht overeenkomst van vorm.

1. De volgende verba zijn gelijk in het praesens, maar gaan naar een verschillende conjugatie.

Aggëro (ïtre) ophoopen; (ere) aandragen.

Appello (üre) noemen; (ëre) landen.

Colltgo (are) samenbinden; (ëre') verzamelen.

Compello (ïïre) aanspreken; (ëre) bijeend rijven.

Consterno (Ere) verschrikken; (ëre) bedekken.

Effëro (are) ivild maken ; (erre) uitdragen.

Fundo (are) gronden; (ëre) gieten.^

Maudo (are) opdragen; (ëre) kanteen.

Obsëro (are) sluiten; (ëre) zaaien.

l'ando (are) krommen; (ëre) uitbreiden.

Eesëro (are) openen; (ëre) weder zaaien.

Völo (arei vliegen; (veile) willen.

2. De volgende verba hebben een gelijken vorm in het praesens, maar een verschillende quantiteit en gaan naar een verschillende conjugatie. Colo (are) doorzijgen; eölo (ëre) kweeken.

Dïco (are) toewijden; dTco (ëre) zeggen.

Educo (are) opvoeden; edüco (ëre) uitvoeren.

Indïco (are) aanwijzen; imlïco (ëre) aankondigen.

Praedïco (are) bekend maken; praedico (ëre) voorzeggen.

Allego (are) ergens heen zenden; allëgo (ere) verkiezen.

Relëgo (are) verbannen; rolëgo (ëre) herlezen.

3. De volgende verba hebben gelijke perfecta en supina.

Cerno, afzonderen; cresco, groeien (crevi, cretum).

Mulceo, streelen; mulgeo, melken (mulsi, mulsum).

ocr page 141

A/leiding der substantiva.

§ 139-140.

122

Peudeo, hangen; pernio, wegen (pependi, pensum).

Sëdeo, zitten; sldo, zich nederzetten (sedi, sessum).

4, De volgende verba hebben gelijke perfecta.

Frigeo, koud zijn; frigo, roosteren (frixi).

Fulgeo, schitteren; fulcio, ondersteunen (fulsi).

Lueeo, lichten; lugeo, treuren (luxi).

Liqueo, vloeibaar zijn; linquo, laten (li(jui).

Paveo, hang zijn; pasoo, weiden (pavi).

5. De volgende verba hebben gelijke supina.

Frïco, wrijven; frTgo, roosteren (frictum).

Maneo, blijven; maudo, kauwen (mansum).

Pamlo, uit elkander spreiden; patior, lijden (passum).

Pango, vastmaken; paciseor, een verdrag sluiten (pactum).

Succenseo, toornig zijn; succendo, in brand steken (succensum).

Evenzoo aceenseo en accendo.quot;®

Teneo, houden; tendo, spannen (tentum).

Verro, vegen; verto, wenden (versum).

Vivo, leven; vinco, overwinnen (victum).

6 De volgende verba hebben een of meer vormen, waarvan alleen de quantitéit verschillend is.

itrïTre ploegen en arëre, droog zijn (aret en aret).

Cïinere, grijs of wit zijn en canëre, zingen (cïlnet en canet).

ëdere, eten en edere, voortbrengen.

Jacêre, liggen en jacöre, werpen.

Miinare, vloeien en milnëre, blijven (miinet eu manet).

Parare, piirëre, parere (pïlret en pïtret; men verklare hieruit ook het verschil van pareus eu pareus).

Rëferre, terugbrengen en rëferre van rëfert.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE AFLEIDING EN SAMENSTELLING DER WOGRDEN.

§ 139. Al genie ene bemerkingen. Hot hoofdbestanddeel van een woord of de wortel wordt zelden in denzelfden vorm als woord gebruikt. B.v. sol. Meestal ondergaat de wortel een zekere verandering, waardoor hij een woord wordt. Het woord, dat door de geringste verandering uit den wortel ontstaan is, heet wortelwoord. Zoo is rego het wortelwoord vau den wortel r e g.

Een woord, waarvan andere woorden afgeleid worden, heet stamwoord. Zoo is rego het stamwoord van regimen, facio vau f a cï lis en fa-cilis weder van facilïtas.

De afgeleide woorden worden denomiuatTva genoemd, wanneer zij van een nomen en verbalia, wanneer zij van een verbum zijn afgeleid. Zoo is floreo een verbum denominativnm van flos, amor een substantivum verbale van amo, d o cï 1 i s een adjectivum verbale van doceo.

Over de afleiding der substaniiva.

§ 140. De voornaamste substantiva verbalia hebben de volgende uitgangen :

1. or, gehecht aan den stam van het praesens, drukt de handeling of don toestand van het verbum uit. B.v. clamor, geschreeuw; favor, gunst; furor, razernij; amor, liefde; terror, schrik.

ocr page 142

Ajleidiny der subsiantiva.

123

§ 140.

I 'J I ■

Zoo um van het supïiium veranderd wordt in or, duidt het afgeleide substantivum don handelenden persoon aan. B.v. amïltor, minnaar; doctor, leeraar; victor, overwinnaar; audTtor, tuehoorder. De substautiva op tor vormen feminina op trix. Vgl. § 40. Die op sor hebben geen feminina, behalve tonsor, scheerder, tons trix, defensor, verdediger, defenstrix, expulsor, verdrijver, expultrix.

Aanmerking. Enkele persoonsnamen op tor zijn denominativa. B.v. janitor (janna), deurwachter; viator (via), reiziger.

2. io of us, gen. us, (soms üra en ö 1 a), achter deu stam ^an het snpinum gevoegd, stelt de handeling of deu toestand van het verbum als een afgetrokken denkbeeld voor. B.v. concursio en concursus, het samenloopen, de samenkomst; potio en potus, het drinken-, visio en visus, het zien, het'jezic.ht; tY\xc.ta.t\o enir-ActUivLS,, de helumdeling; pictüra, het schilderen, de schildering; sepultura, de begrafenis; corruptie en corruptëla, de verleiding. Soms geefr het spraakgebruik aan den oenen of anderen uitgang een bepaalde beteekenis. B.v. auditio, hethoo-ren, audltus, het gehoor (hot vermogen om te hooren); merestus, markt, mercatura, handel; statio, verblijf, status, toestand, statüra, lichaamsgestalte.

Aanmerking I. Soms beteekenen de substantiva verbalia op io het door de h a n d e 1 i n g v o o r t g e b r a c h t o. B.v. narratio, het verhaal als handeling en als zaak; oratio, het spreken en de redeneering.

het middel, waardoor de handeling geschiedt. B.v. ratio (van reor, rekenen, ergens voor houden), het verstand (het middel der berekening), de plaats der handeling. B.v. cenatio, eetkamer.

Aanmerking II. Bij sommige substantiva wordt io aan den stam van liet praesens gevoegd. B.v. oblivio (obliviscor); vergetelheid. Wanneer er zoowel van het praesens als van het supinum een substantivum op io gevormd is, drukt het eerste gewoonlijk den toestand en het tweede de handeling van het verbum uit. B.v. opinio, de meening (als iets duurzaams), opinatio, de vermoeding (als iets voorbijgaands); obsidio, de belegering (als blijvende toestand), obsessio, de belegering (als voorbijgaande handeling).

Aanmerking III. Men hoeft ook eenige d enominativa op i o, welke een persoon aanduiden met den naam van zijn beroep. B.v. libellio , boekhandelaar; ludio, tooneelspeler; restio, touwslager.

3. men duidt de zaak aan, welke iets doet. B.v. flumen, de stroom (de zaak, die stroomt); lumen (uit lucmen), het licht; agmen, het leger op marsch. Zoo ook in het passivum: volumen (van volvo), de rol; acumen, de spits; examen (uit exagmen), de zwerm b.v. van bijen (hetgeen uitgedreven wordt). Somtijds geeft deze uitgang het middel te kennen, waardoor iets geschiedt. B.v. solamen, troostmiddel; nomen (van no-sco), naam (het middel, waardoor men gekend wordt).

4. m e n t um duidt een middel of w e r k t u i g aan. B.v. instrumentum , werktuig; documentum (van doceo met de verbindingsvocaal u) bewijs; alimentum (van aio met de verbindingsvocaal i) voedsel; condimentum, kruiderij.

Meermalen bestaan de uitgangen men en mentum naast elkander. B.v. tegtlmen en tegumentum, deksel; medicamen en mcdicamentum, geneesmiddel.

Er zijn ook eenige denominativa op mentum. B.v. atrarnentuin,

f

■

M

1

ocr page 143

Afleiding der substantiva.

124

§ 141.

zwartsel, inkt (van ater, zwart); capillamcutum ,pnnk (van capillus , hoofdhaar); ferramentum, ijzeren gereedschap.

5. b ü 1 u m en c ü 1 u m duiden een werktuig, een gereedschap ol de plaats der handeling aan. B.v. venabülum, jachtspriet; vehieülum, voertuig; pocülum (van stam po, waarvan ook potus, potare komt), drinkbeker; st.abülum, stal; cubieülum, kamer.

Aanmerking 1. Als de stam van het verbum uitgaat op c of g, wordt er ülum aangehecht. B.v. vinculum, hand; cingülum, gordel.

Wanneer er een I in den stam is, gebruikt men crum in plaats van cülum en brum in plaats van bülum. B.v. fulcrum, sghraag, van fulcio, stutten; laviïcrum, bad van lavo, wasschen; veutilabrum, wan, van ventïlo, heen en weer bewegen.

Aanmerking II. Sommige woorden met dezen uitgang zijn deno-minativa. B.v. acetabulum, azijnvat; candelabrum, kandelaar; turibü-lum, wierookvat.

6. ium geeft de werking van het verbum of de plaats der handeling te kennen. B.v. gaudium, vreugde; odium, haat; colloquium, gesprek; conjugium (van con-jungo, stam jug) en connubium, huwelijk; aedificium, gebouw; perfugium , toevluchtsoord. Men hooft ook d en omina ti va op ium, die, zoo deze uitgang gehecht is aan den stam van persoonsnamen, een betrekking of vereeniging te kennen ge-veu. In sommige gevallen loopt de beteekenis van het verbale en deno-minativum ineen. B.v. convivium, gastmaal (vereeniging van convlvae); collegium, genootschap (vereeniging van arabtgenooten); sacerdotnim . 'priesterschap (het ambt van priester). Zoo ium gevoegd wordt achter persoonsnamen op tor, geeft het afgeleide substantivum de plaats der handeling te kennen. B.v. auditorium, gehoorzaal; dormitorium, slaapzaal.

7. Tgo drukt vooral een ziekelijken toestand uit. B.v. impetigo; huidziekte ; prurigo , jeukte; vertigo, duizeling.

8. ld/) geeft een hartstochtelijken toestand te kennen. B.v. cupido, begeerte; formido, vrees; libido, wellust.

§ 141. De voornaamste uitgangen der substantiva denominativa, welke van substantiva zijn afgeleid, zijn;

1. ülus, ölus, ellus, illus, leus. Deze uitgangen dienen om de verkleinwoorden te vormen. De deminutiva hebben gewoonlijk het geslacht der stamwoorden en gaan voor het mannelijk uit op us, voor het vrouwelijk op a, voor het onzijdig op um. B.v. hortülus, tuintje; matercüla, moedertje; oppidulum , stadje.

ülus wordt aan den stam gehecht van substantiva der lste of 2(le en soms ook der 3de declinatie en wel altijd als de stam op c of g eindigt. B.v. lunula, maantje; puerulus, jongsken; adolesceutülus, uankuniend jongeling ; regulus, koninkje; facüla, fakkeltje. Wanneer de stam op een vocaal eindigt, gebruikt men ölus in plaats van ülus. B.v. filiölus, zoontje; ingeniolum , een klein verstandje.

cuius wordt gevoegd bij substantiva der 3de, 4de en 5de declinatie. Hierbij valt op to merken:

a) cuius wordt onmiddellijk aan den nominativus gehecht van de substantiva der 3de declinatie, die uitgaan op 1, r en op s, wanneer deze in den genetivus in r overgaat. B.v. animalcülum, fratercülus, floscülus. Uitgezonderd zijn venter, ventricülus; linter, li n t ri cul u s; rumor , rumuscülus; arbor , a r b u s c ü 1 a.

ocr page 144

Afleiding der suhstantiva.

125

§ 141.

ti) De substcintiva der 3,ie declinatie op o (gen. onis of in is) veranderen o in unciilus. B.v. homo, homunculus; oratio, oratiuncüla. Ook heeft men nog op uucülus: avunculus (avus), domunctila (domus), furuncülus (fur), ranunculus (^raet veranderd geslacht van rana).

c) De suhstantiva op is en es (gen. is en ei) veranderen s iu cillus. B.v. ignicülus, nuheciila, diecüla.

d) Bij de overige suhstantiva wordt cuius met de verhindingsvocaal i aan deu stam gehecht. B.v. reticulum, particüla, ossiculum, articülus. Vas (vasis) heeft vaseülum; auguis, anguilla; codex, codicillus; lapis, 1 a p i 11 u s.

el lus komt voor bij suhstantiva der lste en 2'te declinatie, wier stam uitgaat op ul, r met voorafgaauden consonant, en n. B.v. tabella(ta-büla); fa bel la (falmia); ocellus (ociilus); popellus (populus); sa-cel lum (sacrum); cultellus (culttr); asellus (asinus); ague 11 us (agnus). Ook heeft men op el la van opera, puellus van puer, por-cellus van poreus en cist el la van cista.

i 11 u s vindt men slechts als uitgang van enkele deminutiva. B.v. b a-cillum van bacülum, sigillum van signum, vexillum van velum.

leus komt slechts voor in aculëus van acus, equuleus of ecu-lëus van equus, hiunulöus van hinnus en nucleus van nux.

Aanmerking. De deminutiva hebben meermalen een bijbeteekenis, waardoor teederheid, medelijden, verachting of spot wordt uitgedrukt. B.v. amiculus, de dierbare vriend; muliercula, de zwakke vrouw; lacrimula, de krokodillentraan; nummuli, het ellendige geld; pueru-1 u s , een fatterig kereltje.

2. a r i u ra geeft eeu bewaarplaats te kennen. B.v. granarium, graanzolder; armamentarium, tuighuis; columbarium, duiventil; tahulariura, kantoor; seminarium, kweekschool.

3. ëtuin, aau den stam gehecht van namen van gewassen, duidt do plaats aan, waar zij in menigte groeien. B.v. quereëtum, eiken-ivoud; viuctum, wijnberg; olivëtum, olijfbosch. Mut een kleine afwijking zijn gevormd salictum (voor salicetum), wilgenbosch; arbustuni voor arboretum), een met hoornen bezette plaats; virgultum (voor virguletum), ■plantage; carectum (voor caricetum), een met biezen begroeide plaats. Van saxuni, rotssteen, komt saxëtum, een rotsachtige plaats.

4. Tie bij den naam van dieren gevoegd, duidt den stal aan. B.v. equile, paardenstal; ovlle, schaapskooi; bublle (in plaats van bovïle), os-senstal. Enkele verbal ia op Tie geven de plaats der handeling aan. B.v. cubTle, legerstede; sedlle, zitplaats.

5. ïïtus, gen. us, bij den naam van personen gevoegd, geeft een ambt te kennen. B.v. consulatus, het ambt van consul; pontificatus, het ambt van pontifex.

6. Tna, bij den naam van personen gevoegd, geeft een bedrijf of een werkplaats te kennen. B.v. medicTna, geneeskunde; sutrma, schoenmakerswinkel; tonstrTna, barbierswinkel. In gallina van gallus en regina van rex duidt do uitgang ina hot vrouwelijk geslacht aan.

7. De gewone uitgang der mannelijke patronymica (Vgl. §9) is ïdes, gen. ae. B.v. Pr i amides van Prïamus, Cecropïdes van Cecrops. Mon gebruikt echter I d o s bij namen op e u s en o 1 e s. B.v. A t r I d e s van Atrous, HeraclTdes van Meracles. Do namen op as der lstc declinatie hebben ildes en die op ius der 2de declinatie ia des. B.v. Ae-

ocr page 145

126 Afleiding der adjecliva. § 142—144.

neados van Aenëas, ïhestittdes van Thestius. Ook namen met andere uitgangen hebben soms iftdes.

De vrouwelijke patronymica hebben de volgende uitgangen: is overeen- . komende mot ides. B.v. Tantitlis van Tantalus; cis overoeukomende met Tdes. B.v. Nerëis van Nereus; ïas overeenkomende met ia des. B.v. Thestias van Thestius. Van Aenëas komt Aonëis.

§ 142. De voornaamste uitgangen der substantiva denominativa, welke van adjectiva zijn afgeleid, zijn: tas, tüdo, ia, it ia, edo en monia. Deze denominativa drukken de eigenschap van het adjec-tivum uit in don vorm van een substautivum en worden in het Nedor-landsch meestal vertaald door zelfstandige naamwoorden op heid. B.v. libertas, vrijheid; fortitüdo, dapperheid; misoria, ellende; avaritia, gierigheid; gravëdo, loomheid; castimonia, kuischheid.

Over de afleiding der adjectiva.

§ 143. De voornaamste uitgangen der adjectiva ver ba li a zijn:

1. bund us. Do adjectiva met dezen uitgang hebben meestal de versterkte beteekenis van het participium praesens. B.v. haesitabun-dus, rol zwarigheid; deliberabundus, ernstig overwegend; mirabundus, in gestadige bewondering; lacrimabundus, hevig iceenend. In enkele gevallen vindt men deze adjectiva mot den casus van hun verbum. B.v. Vitabundus castra.

Van gelijke beteekonis zijn sommige adjectiva verbalia op cundus. B.v. facundus (van fari), bespraakt; iracundus, driftig.

2. ïdus heeft de beteekenis van het participium praesens als blijvende eigenschap. B.v. calïdus, warm; madïdus, nut; timïdus, vreesachtig.

Gelijke beteekenis hoeft de uitgang uus. B.v. assiduus, bestendig (dio steeds bij of aan iets zit); congruus, voegzaam. Zoo deze uitgang aan den stam van verba tr an siti v a gehecht is, heeft hij eeu passieve beteekenis. B.v. conspicuus, zichtbaar (wat gezien wordt); individuus, om-deelbaar; irriguus, bevochtigd.

3. ïlis en bïlis drukken gewoonlijk in passieven zin de mogelijkheid van iets uit. B.v. fragïlis, breekbaar; credibïlis, geloofbaar, geloofwaardig; flexibïlis, buigzaam; niobïlis (voor movibilis), bewegelijk. Sommige dezer adjectiva hebben een actie ven zin, zooals horribïlis, schrikkelijk (hetgeen doet schrikken), andere hebben nu eens een a e-tieve, dan weder eon passieve beteekenis, zooals tlebïlis, beweenens-waardig en iceenende.

Er zijn ook eenige denominativa op atï lis, die aanduiden, waartoe iets bestemd is. B.v. aquatïlis, voor het water bestemd (om daarin te leven).

4. a x geeft een sterke, meestal verkeerde neiging te kennen. B.v. pugnax, strijdlustig; loquax, praatziek; rapax, roofgierig.

Van gelijke beteekenis is de uitgang til us. B.v. credülus, lichtgeloovig; garrülus, babbelachtig.

§ 144. Do voornaamste uitgangen der adjectiva denominativa, welke van substantiva zijn afgeleid, zijn

A. van n omina a p p e 11 a t i v a;

1. ëus beteekent de stof, waarvan iets gemaakt is, soms ook een gelijkheid. B.v. ferreus, ijzeren; aureus, gouden; ligneus, houten; vir-

2

cha

Je

ziji

sub

3

ho

vloi

het

1

gel

(lui

B.v

gai

uit

m

(

me

nei

1110

me

to

B.i

Vd)

gil

me

B.i

eq

ca

Yi

s u

s t

gï]

nu

tÏL

-i

re

leg

rm

r o

bo

ge

.

za

ocr page 146

g 144. Afleiding der adjecliva. 127

gineus, maagdelijk. Sommige dezer adjectiva, vooral die een houtsoort aanduiden, gaan uit op neus eu uus. B.v. querneus en queruus (waarbij ci uitgevallen is) eiken; eburneus en eburnus, ivoren.

2. ace us en iceus wijzen de stof of den oorsprong aan. B.v. chartaceus, papieren; membranaeeus, perkamenten; patricius, adellijk (van de oude Eomeinsche sen:;toren afstammend). Sommige dezer adjectiva zijn van participia afgeleid. B.v. collaticeus, door bijdragen ontstaan; subditicius, ondergeschoven.

3. ïcus (soms mot tusseliengevoegde t) drukt uit, waartoe iets behoort of waarop iets betrekking heeft. B.v. classicus, hetgeen op de vloot betrekking heeft; domimcus, aan den heer behoorende; domesticus, het huis betreffende.

De adjectiva op ïcus, welke van verba en praeposities zijii afgeleid , hebben een lange i. B.v. amicus, pudlcus, antlcus, de voorste.

4. Tlis, gevoegd bij algemeene benamingen van personen duidt aan, dat iets de kenmerken draagt van den aard dier personen. B.v. anllis, oudwijfachtig; servliis, slaafsch; virllis, manneijk. Deze uitgang is, wat beteekenis en quantiteit betreft, niet te verwarren met den uitgang ïlis der adjectiva verb alia. Vgl. § 143. 3. Onder de de nomina ti va hebben een korte i: humïlis, nederig, en parilis, gelijkvormig.

5. a lis geeft te kennen, waarmede iets in betrekking staat, alsmede dat zich in zekeren persoon of zaak do eigenschappen vertoo-nen van het stamwoord. B.v. corporalis, He hamelij k; regalis, koninklijk; mortalis, sterfelijk. Wanneer er in het stamwoord een 1 is, gebruikt men meest altijd den uitgang ïiris. B.v. militaris, den krijg betreffende.

6. ius, gehecht aan persoonsnamen op or, duidt aan, wat hun toebehoort of wat in overeenstemming is met hunne geaardheid. B.v. amatorius, verliefd; nugatorius, beuzelachtig; accusatorius, zooals iets van een aanklager te zijn. Men zegt ook patrius, vaderlijk; re-gius, koninklijk.

1. Tnus, gevoegd bij den naam van levende wezens eu voornamelijk van dieren, duidt een toebehoor en of herkomst aan. B.v. divinus, goddelijk; masculïnus, mannelijk; asimnus, van een ezel; equTuus, van een paard. Vooral dieneu deze adjectiva om met of zonder car o het vleesch der dieren aan te duiden. B.v. vitullna, kalfsvleesch. Van bos, ovis , en sus krijgt men in deze beteekenis bubülus,ovillus, suillus.

ïnus wordt vooral gebruikt bij afleidingen van gewassen en delfstoffen om do stof aan te duiden. B.v. cedrïnus, van een ceder; fa-gïnus, beukenhouten; adamantïnus, diamanten.

tïnus komt vooral voor bij afgeleide tijdsbepalingen. B.v. crastt-nus, van morgen; diutïnus, langdurig; hornotïnus, van dit jaar \ anno-tïims, van het vorige jaar. In matutinus, in den morgen geschiedend, repentinus, plotseling, en vespertluus, tot den avond behoorend, is de i lang.

8. ar ius duidt aan waartoe iets behoort. B.v. legionarius, tot een legioen behoorend. Vooral gebruikt men do adjectiva van dezen uitgang met of zonder homo of faber om iemand bij den naam van zijn beroep aan te duiden. B.v. argentarius, bankier; coriarius, ZeeHoo/e/'; carbonari us , kolenbrander. Van de distri butiva worden adjectiva op a r i u s gevormd, die aangeven uit hoeveel eenheden of gelijke doelen eou zaak bestaat. B.v. versus senarius, een zesvoetig vers; cohors qningenaria.

ocr page 147

Afleiding der adjectiva.

128

§ 144.

een cohors van vijfhonderd soldaten; senex octogenarius, een grijsaard van tachtig jaren. In plaats van singularius zegt men singularis en in plaats van millenarius mil liar lus. Voor de tusschengetallen voegt men een enkelvoudig distri huti vu m vóór het adjeotivum op arius. B.v. lex qui na viceuaria, de wet op de meerderjarigheid.

9. anus, vooral bij namen van plaatsen gevoegd, geeft een zekere g é 1 ij k h e i d of een toebehooren te kennen. B.v. montanus, wat met de hergen in betrekking staat; urbanus, steedsch, beschaafd. Do adjectiva op anus, die van ordinal ia zijn afgeleid, geven de afdeeling of klas aan, waartoe iemand beboert. B.v. milites tertiadecimani, quartadecimani, soldaten van het 13do, 14lle legioen. Meermalen hebben deze adjectiva een meer algemeene beteekenis. B.v. febris quartaua, de derdendaagsche, tertiana, de anderendaagsche koorts.

10. ösns (uosus, zoo het stamwoord tot de 4Uc declinatie behoort) drukt een volheid uit. B.v. aerumnösus, vol rampspoed; vinösus, beschonken; vultuösus, iemand die te veel uitdrukking in zijn gelaatstrekken brengt.

11. lentus, gewoonlijk met voorafgaande u of o, geeft eveneens een volheid te kennen. B.v. turbulentus , woelziek \ïrjLVi(i\i\entvLS,, vol bedrog; violentus, geweldig.

12. atus duidt aan, waarvan iemand voorzien is, zooals barbatus, iemand, die een haard heeft; dentatus, getand; togüXws, een toga dragende.

Sommige adjectiva vau deze beteekenis gaan uit op 11 u s, zooals auritus, langoorig; andere op ütus, zooals cornutus , gehoornd.

13. ens is, bij namen van plaatsen gevoegd, duidt aan wat op die plaatsen betrekking heeft of zich daar bevindt. B.v. castreusis, de legerplaats betreffende, forensis, wat zich op de markt bevindt.

B. van nomina propria:

1. De namen van personen worden in adjectiva veranderd door den uitgang ianus, somtijds anus en Tnus. Deze adjectiva duiden aan wat op zekeren persoon betrekking heeft of naar hem genoemd is. B.v. Caesar, Caesarianus; Sulla, Sullanus; Verres, VerrTnus.

De llomeinsche familienamen op ius worden als adjectiva gebruikt om het geslacht aan te duiden of wetten en openbare werken van een lid dier familie. B.v. gens Tullia; lex Cornelia; viaAppia; circus Flaminius.

Bij de Q-rieksche namen van personen worden meestal ie uitgangen Bus en ïcus gebruikt. B.v. Epicurus, Epicureus; Socrates, Socratï c us.

Aanmerking. De Romeinen hadden minstens twee namen. De eerste naam, die steeds afgekort werd geschreven , heette praenomea; de tweede naam, die op ius uitging, was de familienaam of nomen gentilicium. B.v. C. (Gajus) Mar ius. Dikwijls hadden zij nog een derdeu naam, cognomen geheeten B.v. L. (Lucius) Cornelius Sulla. Wanneer iemand door adoptie in een andere geus was gekomen en dus zijn uaam veranderde, voegde hij achter zijn nieuwen uaam den naam van zijn vroegere gens, voorzien van den uitgang anus. Zoo was P. (Publius) C or nelius Scipio Aemilianus een Aemilius, die door adoptie in de gens Cornelia was gekomen.

3. De namen van steden, dorpen en vlekken nemen bij de vorming van adjectiva de uitgangen anus, Tnus, en sis, as aan. B.v.

ocr page 148

145—146. Afleiding der verba. 129

Koma, Romanus; Ameria, Amerinus; Narbo, Narbonensis; Ar-pTuum, Ar pin as. Deze adjectiva geven te kennen wat op zekere stad enz. betrekking- heeft, daaruit afstamt, daarnaar genoemd is; zij worden ook als substantiva gebruikt om de inwoners aan te duiden.

De Griekse he namen van steden krijgen gewoonlijk de uitgangen ïus en aeus. B.v. Corinthus, Corinthius; Larissa, Larisaaeus.

3. De namen van volken worden tot adjectiva gemaakt door den uitgang ïcus, zeidon tus. B.v. Gallus, Gallïcns: Syrus, Syrïcus. Bij namen van personen zot men in proza liever den naam van het volk dan het adjectivum, dat van den naam van het volk is gemaakt. B.v. miles Gallus; poëta Hispanus.

4. De namen van landen, die zeiven meestal van de namen van volken zijn afgeleid, nemen bij de vorming der adjectiva de uitgangen iensis en icanus aan. B.v. Hispania, ilispauiensie; Gallia, Gal-licanus. Deze adjectiva duiden aan, wat zich in zeker land toevallig bevindt, daar geschiedt, maar niet wat daar inheemsch is. B.v. legatus Hispaniensis, een Romein, die in Spanje tjezant is; (le gat us Hispanus, een Spanjaard, die yezant is); b e 11 u m II i s p a n i e n s e, de oorlog door Caesar teyen de partij van Fompejus in Spanje gevoerd; (bellum HispEnum, een oorlog, die mei de Spanjaarden gevoerd is); Gallus, een geboren Galliër (Brennus dux Gallorum); Gallïcus, uit Gallië afstammend, uit Galliërs bestaande (copiae Gallïcae); Gallicanus, wat op Gallië betrekking heeft, zich daar bevindt (copiae Galiicanae, Romeinsche troepen in Gallië).

§ 145. Tot de adjectiva denominativa, welke van adjectiva zijn afgeleid, bohooren voornamelijk de deminutiva op ülus, Ölus, cülus en ellus. B.v. parvülus, aureölus, tristiciilus, novellus. Paucus heeft paulus , paulülus, pauxillus en pauxillülus. Bo n us heeft bellus en bellülus. Vgl. over de deminutiva der comparativi § 64.

Over de afleiding der verba.

§ 146. Tot de verba verbalia behooren:

1. de verba frequentativa en intensitïva, die naar de lste conjugatie gaan. Zij duiden een gedurige herhaling of versterking aan dor handeling van het stamwoord en worden gevormd van het su-p i n u m door ït t u m te veranderen in 11 o of u ra in o. B.v. clamo, schreeuwen, clamïto, gedurig schreeuwen', volo, vliegen, volïto, heen en weder vliegen', domo, dom ito, temmen', adjüvo, adjüto, helpen', cano, canto, zingen.

Do frequentativa, afgeleid van verba der S06 conjugatie, vormen soms nieuwe frequentativa. B.v. curro, loopen, curso, hopen, cursïto, heen en weder loopen', dico, zeggen, die to, dicteeren, dictïto, dikwijls zeggen.

Van sommige verba bestaat alleen do dubbel-frequentatieve vorm. B.v. ago, drijven, actïto, dikwijls drijven-, scribo, schrijven, scriptïto, dikwijls schrijven.

Sommige frequentativa zij n gevormd van hot praeseus door verandering van o of e o in ï t o. B.v. nosco, n o s c ï t o , leeren kennen; lateo, I a t ï t o, verborgen zijn.

Eenige frequentativa zijn deponentia. B.v. minïtor van minor, dreigen ; tutor van tueor , beschermen.

2. de verba desideratlva, die naar de 4de conjugatie gaan, doch 5e druk. 9

ocr page 149

Afleidiny der verba.

§ 147. § 14fi

130

perfectum en supinum missen. Zij drukken een verlangen uit naar dc handeling van het stamwoord en worden gevormd van hot supinum door verandering van um in ürio. B.v. edo, esürio, eetlust, honger hebben; emo, emptürio, kooplust hebben. Morior heeft moritürio, willen sterven.

De verba op urio (met lange u) zooals: ligürio, slurpen, prurio, jeukte gevoelen, alsmede de verba denominativa der lst0 conjugatie: decurio en conturio zijn geen desiderativa.

3. de verba dominutTva, die naar de lstc conjugatie gaan. 7Aj drukken een verkleining dor handeling uit en worden gevormd door o of eo van hot praesens to veranderen in i 11 o. B.v. canto, cau t i 11 o, neuriën; conscribo, conscribillo, krabbelen. Deze verba komen hoogst zelden en nooit in zuiver proza voor.

4. de verba inchoatlva. Deze verba drukken het beginnen uit van de handeling of don toestand des stamwoords en worden gevormd van de verba der

1ste conjugatie door o te veranderen in as co.

2d0 „ „ eo „ „ esco.

3(ie en 4de „ „ o of i o „ „ i s c o.

B.v. lab as co (labo), dreigen te vallen-, pallesco (palleo), hleek worden ; revivisco (vivo), beginnen te herleven', obdormisco (dormio), insluimeren.

Verscheidene verba inchoativa zijn d en o m i n a t i v a. B.v. repuerasco (puer), weder kind worden; maturesco (matürus), rijp worden.

De inchoativa gaan naar de conjugatie. De verbalia hebben het perfectum en supinum gelijk aan hot stamwoord. B.v. inveterasco, i n-veteravi, inveteratum, inveterascere, oud worden; exardesco, e x a r-si, oxarsum, exardescëre, ontbranden. De denominativa missen allen het supinum en do meesten ook het perfectum; wanneer het perfectum bestaat, gaat het uit op u i. B.v. maturesco , m a t u r u i.

Tot de inchoativa, die van ongebruikelijke stamwoorden gevormd zijn, behooreu:

eresco, crëvi, erëtum, crescére, groeien.

no se o, nïïvi, nötum, noseëre, leeren kennen. Vgl. § 130. Aanm. Evenzoo ignosco, vergeven. Aguosco, cognosce en recognosco hebben agnïtum, cognïtum, recognïtum. De overige comp. missen het supinum.

p a s c o , pïïvi, pastum , paseëre, weiden.

qui esco, quiëvi, quiëtum, quieseëre, rusten.

suesco, suevi, suotum, suescëre, zich gewennen. Vgl. § 130. Aanm.

De verba compesco, disco, glisco en posco mogen niet tot de inchoativa gerekend worden, daar sc tot hun stam behoort.

§ 147. De verba denominativa worden gevormd door are, ere, Tre aan den stam der substantiva of adjectiva te hechten.

Die op are en Tre zijn meestal transitiva en beteekenon een bewerken of maken van datgene, wat het stamwoord aanduidt. B.v. fraudare (fraudem facëre), bedriegen; 1 a u d a r e (laudem trihnérn), prijzen; aptare (aptum reddëre),geschikt maken; finire (finem facëre), eindigen; mollire (mollem reddëre), week maken.

Die op ëre zijn bijna allen intransitiva en beteekeneu, zoo zij van substantiva zijn afgeleid, een hebben, en zoo zy van adjectiva zijn afgeleid, een zijn van datgene, wat het stamwoord aanduidt. B.v.

ocr page 150

147. ; g 148 — 150. Samenstelling de)' woorden.

131

flor ure (flos), bloeien (bloemen hebben), iucere (lux), lichten-, albëre (albus), wit zijn; cal vér e (calvus), kaal zijn.

Ook worden er op deze wijze vooral vau substantiva deponentia gevormd op ïïri, die beteekenoii dat men datgene is, wat liet stamwoord boteekent of dat meu zich daarmede bezig houdt. B.v. aemulrtri, wedijveren-, dominari; heerschen; graecari, als een Griek leven-, a q u a r i, ivater halen; p i s e a r i, visschen. De meeste dezer deponentia zijn intransitiva.

Over de samenstelling der woorden.

§ 148. Wanneer de woorden uit een enkel woord bestaan, heeten zij simplicia. B.v. disci pulus, doctus; zoo zij uit twee of m oer woorden bestaan, worden zij composita genoemd. B.v. condisci-pulus, in doctus.

Do substantiva, waarover in § 31 gesproken is, zijn sleclits schijnbaar samengestelde woorden, omdat do samenstellende deoien hun eigen vorm hebben behouden. Zij worden dan ook zeer dikwijls gescheiden geschreven en wel altijd in verbinding met conjunctiones, die op de tweede plaats moeten staan. B.v. res que public a; se nat us enim c o n s u 11 a.

§ 149. Het eerste gedeelte van een samengesteld woord is óf een nomen of eeu verbum of een adverbium óf een praepositio.

1. Wanneer het eerste gedeelte een nomen is wordt de stam daarvan met het tweede gedeelte verbonden gewoonlijk door een korte ï, soms door een korte o of ü. B.v. patr-ï-clda, art-ï-fex, arm-ï-ger, miser-ï-cors, bell-ï-gëro, cent-i-mftnus, quadr-u-pes, sacr-b-sanctus.

Somtijds heeft er afwijking plaats van dezen regel. B.v. manceps =: manu-ceps; a u s p e x = avi-spex; n a u f r a g u s = navi-fragus; 1 a p i-c I d a m lapidi-cida; t i b I c e n = tibii-cen (tubïcen en fidïcen hebben een korte i volgons den regel); mori dies := medii-dies; stipendium = stipi-pendium ; v en efï e u s = venëni-fieus. Do numeralia blijven somtijds onveranderd of nemen den uitgang um aan. B.v. quinque-rëmis, duum-vir.

Wanneer het tweede gedeelte van het compositum meteen klinker begint, vervalt de verbindingsvocaal. B.v. magn-animus.

Bij do Griekse he composita, wier eerste gedeelte eeu nomen is, vervangt de o de plaats der i van het Latijn. B.v. phil-o-söphus, phil-o-lögus , g r a e c-o-stiisis.

2. Verba maken het eerste gedeelte van een compositum slechts uit in enkele samenstellingen van facio en fio. B.v. arefacio, calefaeio, as-suefacio, arefio.

3. De adverbia blijven onveranderd, zooals: benofacio, maledico, behalve in nolo en malo. Vgl. § 121.

4. Over de sainenstelling met praeposities. Vgl. § 16G—167.

§ 150. Het tweede gedeelte van eeu samengesteld woord bepaalt tot welke soort van woorden het compositum moot gebracht worden.

Bij samenstelling mot praeposities blijft hot tweede gedeelte óf geheel onveranderd, of ondergaat een geringe verandering in zijn vocaal.

Onveranderd blijven i, o, u, a, ü. B.v. adscribo, oppöno, a d d ü o o , i 11 a b o r, s u b r 5 p o.

ocr page 151

§ 151—153.

132

Adverbia.

De korte a blijft iu enkele woordou behouden, zooals in de composita van cSveo, mïtueo, trftho; meestal echter gaat zij over in ï, soms in 6 , een enkele maal in ü. B.v. accï pi o (capio); instïtuo (stótuo); con seen do (scando); ad sp ergo (spargo); concütio (quittio).

De korte ë blijft onveranderd in de composita van fëro, peto, tögo, tero, gero en gedeeltetijk van lego; meestal wordt zij echter veranderd in ï. B.v. as side o (sëdeo); abstïneo (tëneo).

Ae blijft onveranderd in de composita van haereo en in pertaesum est; overigens wordt zij veranderd in I. B.v. in cl do (caedo); illTdo (lacdo); i n q u T r o (quaero).

Au wordt li of ü. B.v. concludo (claudo); explödo (plaudo); van audio komt obodio of zooals anderen schrijven oboedio.

Bij samenstelling met nomina en verba ondergaat het tweede gedeelte meestal de eene of andère verandering. B.v. opï f e x (facio); partï-ceps (capio); causidïcus (dlco); miserie or s (cor).

OVER DE PART1CULAE.

§ 151. Onder particülae verstaat men ' (?ie recledeelen, welke nocli gedeclineerd noch geconjugeerd worden. Zij zijn:

adverbia, bijwoorden.

praepositiones, voorzetsels.

conjunctiones, voegwoorden.

interjectiones, tusschenwerpsels.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER ÜE ADVERBIA.

§ 152. Gelijk de adjectiva dienen ter bepaling van substantiva, zoo dienen de adverbia ter bepaling van verba, adjectiva en andere adverbia. 13.v. Prudens homo prudenter agit, een voorzichtig mensch handelt voorzichtig. Vir eximie doctus, een buitengewoon geleerd man. Satis bene scripsit, hij heeft goed genoeg geschreven.

Er zijn drie soorten van adverbia: 1) adverbia modi, bijwoorden van wijs, op de vraag: hoe. Hiertoe behooren de adverbia der bovenstaande voorbeelden. 2) adverbia loei, bijwoorden van plaats, op de vraag: waar, vaiïwaar, waarheen, waarlangs. B.v. ibi, daar, inde, vandaar, eo, daarheen, hac, hierlangs. 3) adverbia temporis, bijwoorden van tijd, op de vraag: wanneer, hoe lang, hoe dikwijls. B.v. nun-quam, nooit, diu, lang, plerumque, meestal.

§ 153. V^in de adjectiva en participia der tweede declinatie maakt men adverbia op e. Deze uitgang komt in de plaats van de i des genetivus singularis. B.v. longus, Ion ge, doctus, doe te.

ocr page 152

§ 154—156.

Adverbia.

133

asper, aspëre, aeger, aegre. Bonus evenwel heeft bene (van een ouden vorm benus).

Aanmerking. Eenige adverbia op e hebben een eenigszins andere beteekenis dan de adjectiva, waarvan zij afgofeid zijn , namelijk : plan us , effen 1 plane, duidelijk, ten volle; san us, yezond, sane, zeker; valï-dus, sterk., valdo (de i is uitgevn^-iu), zeer.

§ 154. Van de adjectiva en participia der derde declinatie worden adverbia gevormd op ter. Deze uitgang wordt door een korte ï. met den stam verbonden. Het gemakkelijkst is den uitgang vkff den genetivus singularis te veranderen in ï ter. B.v. utllis, _ ifi rl ï t e r, acer, acrïter , ferox, ferociter. Eindigt de genetivus op ntis of rtis, dan gaat het adverbium uit op nter of rter. B.v. conveniens, convenienter, sellers, sol Ier ter.

In plaats van audaciter zegt men gewoonlijk audacter en van difficiliter, difficulter. Bij latere schrijvers vindt men ook difficile.

Aanmerking I. Ook zijn op ter gevormd alïter, anders, van alius, gnavïter of navïter, vlijtig, van gnavus of navus , ne q uï t er, slecht, van noquam, obiter, in het voorbijgaan, van obrre , v i o 1 o u t e r , geweldig, van violentus.

Aanmerking II. Eenige adjectiva op us hebben adverbia op e en ter. B.v. dure endurïter van durus , h u m a n e en h umanï t or van humanus, luculente en luculenter van luculoutus.

§ 155. Eeuige adverbia zijn gelijk aan den ablativus op o der adjectiva, namelijk: arcïtno, heimelijk, auspicato, ter goeder uur, cito, spoedig, continuo, aanstonds, c r e p r o, menigvuldig, d i r e c t o, rechtstreeks, falso, valschelijk, festinato, met haast, fort uTto, hij toeval, gratuite, om niet, i m m e r ï t o , onverdiend, improvise, onverhoeds, intestato, zonder testamen t gemaakt te hebben, i u o p i n ït to , onverwachts, iterate, herhaaldelijk, liquide, zonder bedenken, manifeste, klaar-hlijkelijk, merite, met recht, m u t u o , wederkeerig, n e c o s s a r i o, iwod-zakelijk, necopinato, onverwachts, o p t it t o, naar wènsch , perpetuo, bestendig, praeparïTto, met voorbereiding, precario, om godswil, se-crëto, heimelijk, sedülo, ijverig, serie, in ernst, sero, laat, sor-111o, door het lot, s u b 11 o , plotseling, tu to , veilig.

Ook gaan op o uit omuiiio, geheel en al, eu oppïde, zeer.

Aanmerking. De volgende adverbia gaan uit op e en o, doch met eeuig verschil van beteekenis.

certe, zeker, althans. certo, zeker, stellig.

composite , geregeld. composite, volgens afspraak.

censulte, met overleg. cousulto , met opzet.

contrarie, op tegenovergestelde wijs. contrarie, integendeel.

rare, wijd uit elkander. raro, zelden.

vere, naar waarheid. vero , inderdaad, voorzeker.

§ 156. Sommige adverbia zijn gelijk aan den accusativus singularis van het neutrum der adjectiva, namelijk:'ceterum, overigens, facile, gemakkelijk, i m p ü n e, ongestraft, m u 11 u m,

ocr page 153

134 Adverbia. § 157—158.

veel, n i m i u ra, te veel, p a u 1 u ra , weinig, plerumque, meestal, quantum, hoeceel, r e c e n s, nog kort geleden, solum, alleen,

sublime, in de hoogte, tan tuin, zooveel.

C o m m ö d u in betoekent juist, juist van pas, commode, op passende wijs.

De adverbia op um worden (met uitzondering van het hier niet genoemde pa rum, te weinig) door prozaschrijvers gewoonlijk slechts bij verba geplaatst.

§ 157. Van verschillende adjectiva worden geen adverbia afgeleid óf omdat hunne beteekenis de vorming van adverbia niet toelaat of uit andere meestal onbekende gronden. Zoo gebruikt men als adverbium van magnus v a 1 d e (niet magne), van uber ubertim (niet uberiter), van vetus vetuste (niet veteriter), van fidus fideliter (niet fide), van privïttus p r i v ïï t i m (n i et private).

§ 158. De meeste adverbia op e, o, ter, die van adjectiva zijn afgeleid, kunnen in den comparativus en superlativus geplaatst worden.

De comparativus van een adverbium is gelijk aan het neutrum van den comparativus van het adjectivum. 13.v. deetlus, elegantius, pejus. In plaats van majus gebruikt men m a g i s.

De superlativus van een adverbium wordt gevormd van den superlativus van het adjectivum door us te veranderen in e. B.v. doctisslme, elegautisslme, pessïme.

Ook van de adverbia op o eindigt de superlativus op e. B.v. cito, c i t i s s 1 m e. M e r ï t o en t u t o hebben echter liefst m e r i t i s-sïmo en tutisslmo.

Aanmerking I. Sommige adverbia gaan in den superlativus uit op um, namelijk: plu ri mum, zeer veel, het meest, minimum, zeer weinig, het minst, (minime, geenszins, in het geheel niet), sum m u m, hoogstens — vooral bij getallen — (s u m-m e, in den hoogsten graad), potissïmum, het verkieslijkst, ultïmum en ultimo, postrëmura en postrëmo, extremuin en extrërao, ten laatste, eindelijk.

Aanmerking II. Ook de volgende adverbia bezitten verge-lijkingstrappen:

diu, lang , diutius, diutisslme.

nuper, onlangs, nuperrïme.

saepe, dikwijls, saepius, meermalen, saepissime.

satis, genoeg, satius, beter.

tempëri, hij tijds, temperius, tijdig er.

valde, zeer, magis, meer, maxime, het meest.

ocr page 154

58. ' § 159—161.

Praeposiliones.

135

Ook vindt meu van secus, anders, den comparativua secius, anders, doch gewoonlijk slechts inde verbinding nihïlo of non secius quam, niet anders dan en nihïlo secius, desniettemin.

§ 159. Van do or din alia worden adverbia gemaakt op um en o. 13.v. tertium en tertio, voor de derde maal, ten derde, q aar tuin en quarto, voor de vierde maat, ten vierde. Het verschil van uitgang schijnt in het algemeen geen verschil van beteekenis te geven. De adverbia op um zijn evenwel het meest in gebruik.

P r i m u m en primo beteekenen beiden voor de eerste maal; p r i m u m daarenboven ten eerste en p r i m o in het heg in.

In plaats van secundum, voor de tweede maal, gebruikt men itë-r ii m en in plaats vau secuudo, ten tweede, zegt men liever deinde of tu m.

§ 160. Van sommige substantiva on adjeetiva worden adverbia op ïtus afgeleid om den oorsprong aan te duiden. B.v. caelïtus, van den hemel, funditus, van den grond af (tot den grond toe), anti-quïtus, van oudsher, diviiiïtus, van godswege.

Door um van het supinum te veranderen in im worden adverbia gevormd, die beteekener: op welke w ij z e iets geschiedt. B.v. c u r s i m, terloops, raptim, ijlings, sen sim, allengs. Men heeft ook eenige de-nominativa op atim van dezelfde beteckenis. B.v. gregiïtim,/ïoo/js-gewijze, gradïitim, trapsgewijze, vicE tim, van straat tot straat. Zonder a zijn tribütim, volgens tribus, virltim, man voor man, furtim, steelsgewijze.

Sommige adverbia zijn ontstaan uit bepaalde naamvallen van substantiva , zoools : p a r t i m (oude acc. van pars), deels; f o r a s, «««;• huiten, f o r i s , huiten (acc. en abl. vau het ongebruikelijke forae in plaats van fores); noctu (abl. van noctus, een ongebruikelijkeu bijvorm van nox), des nac.hts.

Andere adverbia zijn gevormd door samenstelling, zooals: denuo (do novo); ho die (hoc die); imprimis (in primis), magnopere (magno opere); profecto (pro facto); nudius ter tins (nunc dies tertius).

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE PRAEPOSITIONES.

§ 161. De praeposities regeeren deels den accusativus, deels den ablativus, deels den accusativus en den ablativus.

Sommige praeposities worden ook als adverbia gebruikt. Den accusativus regeeren:

ante, a pud, ad, ad ver sus,

circum, circa, citra, cis,

erga, contra, inter, extra,

infra, intra, j u x t a, o b,

ocr page 155

Praepositiones.

136

§ 162.

penes, pone, post en praeter,

prope, propter, per, secundum,

supra, versus, ultra, trans.

Ante, voor; apud, hij; ad, tot, naar, bij; adversus, tegen; circum, circa, om, rondom; citra, cis, aan deze zijde van; erga, jegens; contra, tegen; inter, onder, tusschen; extra, buiten; infra, onder, beneden; intra, binnen; juxta, naast; ob, wegens; penes, bij; pone, achter; post, achter, na; praeter, behalve; prope, nabij; propter, wegens; per, door; secundum, langs, volgens; supra, boven; versus, naar den kant van; ultra, over; trans, over.

Den ablativus regeeren:

absque, a, ab, abs en de,

coram, pro, cum, ex en e,

sine, tenus, clam en prae.

Absque, zonder; a, ab, abs, van, door; de, over; coram, in tegenwoordigheid van; pro, voor; cum, met; ex en e, uit; sine, zonder; tenus, tot aan; clam, buiten weten van; prae, wegens.

Den accusativus en ablativus regeeren:

in met den acc. naar, in, op de vraag waarheen.

„ „ abl. in, op, aan, „ „ „ waar.

sub „ „ ace. onder, n „ „ waarheen.

„ v abl. onder, „ „ n waar.

super met den a c c. boven, gedurende.

„ „ abl. aangaande, over.

sub ter, onder.

§ 162. Aanmerkingen op de praeposities met den accusativus.

1. Au te, vóór, van plaats en tijd tegenover post, achter, «a. B.v. Ante (post) oppidum, vóór {achter) de stad. Ante (post) paucos dies, vóór (na) weinige dagen.

Somtijds beteekent ante hoven. B.v. Laudari ante alios, hoven anderen, meer dan anderen geprezen worden.

Ante wordt gaarne als adverbium gebruikt in verbinding met participia. B.v. Vita aute acta, het vroeger doorgebrachte leven.

2. Apud, hij, vooral bij personen. B.v. Heri apud avuncülum meum eenavi, gisteren heb ik gegeten hij mijn oom. Apud Caesftrem, in het huis van Caesar. Zelden staat apud bij namen van plaatsen. B.v. Apud Mantinöam, hij Mantinea.

Men gebruikt ook apud, zoo men den naam eens schrijvers noemt in plaats van den naam zijner boeken. B.v. Apud Xenophontem logi-mus, wij lezen in Xenophon. Tn Xenopbonte zou verkeerd zijn.

Foor de rechters heet apud judïces, niet ante judices, want voor

ocr page 156

Praepositiones.

62. r § 162.

137

staat hier niet tegenover achter. Evenzoo spreken voor, tot het leger, coutionari apud milites.

3. Ad wordt gebruikt:

a) van t ij d. ^ ^

tot, op de vraag tot hoelang. B.v. Ad sum mam senectutem,

M den hoogsten ouderdom.

tegen, op de vraag wanneer. B.v. Ad vesporam, tegen den avond.

op, bij een bepaalden tijd op de vraag wanneer. B.v. Ad diem, op den bepaalden dag-, ad tempus, 0/) den juisten tijd (ook voor een korten tijd).

h) yan plaats.

tot, aan, op de vraag waarheen. B.v. Venio ad te, ik kom tot n. Scribo ad patrem, ik schrijf aan mijn vader.

hij, aan, op de vraag waar (niet bij personen, in welk geval apud gebruikt wordt). B.v. Ad urbem, bij de stad; ad Rhenum, aan den Rijn-, ad meusam^ aan tafel. Overdrachtelijk: ad lu eer nas opus faciunt, zij werken hij licht.

c) bij getallen.

ongeveer. B.v. Ad sexcentos evaserunt, ongeveer geshonderd zijn er ontkomen. In deze beteekeuis kan ad ook als adverbium gebruikt . worden. B.v. Ad sexcenti evaserunt.

d) van doel en betrekking.

tot, voor. B.v. Ad om ui a parat us, tot alles bereid.

overeenkomstig. B.v. Ad voluntatem, volgens den wil; ad n u t u m , , op zijn wenk. ^•gt; ; ^ ^

met betrekking tot, in vergelijking van. B.v. Terra ad universum caeli complexum puncti instar obtïnet, de aarde is in vergelijking van de ganse he hemelruimte slechts een stip.

e) spreekwijzen. Ad verbum, woordelijk, woord, voor woord. Ad unum 0 ra nes, allen zonder uitzondering.

4, Adversus (ook wel adversura geschreven) en contra, tegenover.

IB.v. Insula, quae adversus (contra) Brundislnum por turn est,B.v. Insula, quae adversus (contra) Brundislnum por turn est, het eiland, dat tegenover de haven van Brundisium ligt.

Zij beteekenen ook, evenals er ga, tegen, jegens, maar met dit verschil, dat contra gewoonlijk staat in vijandelijken, er ga gewoonlijk in vriend-I schappelijken en adversus zoowel in vijandelijken als in vriendschap-fj pelijken zin. B.v. Contra leges, tegen de wetten; m e u s e r g a te a m o r, ,mijne liefde jegens u; adversus aliquem helium geröre en reve-y rentiam habere, tegen iemand oorlog voeren en eerbied voor iemand I koesteren.

5. Circum en circa, om, rondom, van plaats; circurn, wanneer ■ er spraak is van een kringvorm, zooals: terra circum axem suum

movetur, de aarde draait om haar as-, circa, wanneer de beteekenis I meer algemeen is: in den omtrek, zooals: urbes, quaecirca Romam I sunt, de steden in den omtrek van Rome.

Circa wordt ook gebruikt bij opgaven van tijd eu getal in de be-I teekenis omtrent, omstreeks. B.v. Circa eau d era hor am, omtrent het-I zelfde uur; oppida circa Septuaginta, omstreeks zeventig steden. In H dezelfde beteekenis wordt somtijds circïter gebruikt. B.v. Circïter meridiem, omtrent den middag-, gewoonlijk echter is circiter adverbium.

ocr page 157

Praepositiones.

§ 162.

138

B.v. Soxaginta circiter domus ineendio deletae sunt, omstreeks zestiy huizen zijn door den brand verwoest.

6. Cis en eitra, aan deze zijde van; cis, wanneer de eene plaats onmiddellijk aan de andere grenst, zooals: Gallia sita est cis Py-renaeos montes, Frankrijk ligt aan deze zijde van de Pyreneen; citra, wanneer de eene plaats niet onmiddellijk aan de andere grenst, zooals: Lutotia Parisiorura citra Pyrenaeos montes sita est. Parijs ligt aan deze zijde van de Pyreneen.

Bij latere schrijvers beteckent citra ook zonder. B.v. Citra invidiam, zonder afgunst.

I. Trans en ultra, aan gene zijde van, trans (tegenover cis) bij onmiddellijke begrenzing, ultra (tegenover citra) bij niet onmiddellijke begrenzing. Voor de Dnitschers ligt Frankrijk thans ultra Jihenum, vroeger trans R h e n u m.

Ultra beteekent soms meer dan. B.v. Ultra feminam mollis, weeker dan een vrouw.

8. Inter, tusschen, van plaats. B.v. Mens est inter urbem et f 1 u v i u m , er is een berg tusschen de stad en de rivier.

onder, van tijd. B.v. Inter cenam, onder, gedurende den maaltijd.

onder, tusschen , in o v e r d r a c li t e 1 ij k e n zin. B.v. Inter nos di-core lie eat, onder (tusschen) ori^ge^gcLn ^^

9. Extra, buiten, meestal van pïaajFs. B.v. Extra airbem habi-^*, tat, hij woont huiten de stad. Somtijds behalve, zonder. B.v. Nemo extra^^i, ducem, niemand behfdve, den veldheer,, E x t r a, j o c u m,,zonder scherts.

10. I n f r a ^rnleTTamp;den^S rZStffc Kt t$r alunam -A nihil est nisi mor tale, onder de maan is alles sterfelijk. Homerus non infra Lycurgnm f u i t, Homerus leefde niet later dan Lycurgus. Van waardeering. B.v. Eum infra omnes puto, ik stel hem beneden allen. Van maat. B.v. Uri sunt magnitudïne panic infra elephantos, de buffels zijn een weinig kleiner dan de olifanten.

II. Intra, binnen, van plaats en tijd. B.v. Intra hostinm prae-sidia esse, binnen de vijandelijke liniën zijn. Inter decimnm diem urbem c e p i t, binnen {in minder dan) tien dagen nam hij de stad in.

12. Juxta, nevens, naast, van plaats. B.v. Attius sepultas est jnxta viam Appiam, Attius is begraven naast den Appischen weg.

Als adverbium beteekent juxta gewoonlijk evenzeer, op gelijke wijze. B.v. Margantae a feminis juxta virisque gestantur, de edelgesteenten worden evenzeer door vrouwen als door mannen gedragen.

13. Ob, wegens, om. B.v. Ob delictum, wegens een vergrijp. Plaatselijk komt het slechts voor in de uitdrukking ob oculos ver sari,

voor oogen zweven.

14. P e n es, 6y , van bezit of macht. B.v. Penes regom imperium est, het oppergezag is in handen van den koning. Penes me arbitrium est hujiis rei, aan mij is de beslissing in deze zaak.

15. Pone, achter, van plaats (zeldzaam). B.v. Pone castra, (/eAfe/-de legerplaats.

16. Praeter, voorbij, langs (bij beweging). B.v. Praeter pratum rivus fertur, langs de weide vloeit een beek.

buiten, tegen. B.v. Praeter opinion om, huiten verwachting. Wanneer buiten den zin heeft van zonder mag men praeter niet gebruiken. B.v. huiten allen twijfel, sine ulla dubitationo.

ocr page 158

Praepositionea.

139

§ 162-

behalve, zoowel bij uitzondering als bij toevoeging. B.v. Nemo praetor L u c u 11 u m, niemand behalve Lucullus. P r a c t e r iiuctoritatem vires quo que habet, hehalve het aanzien heeft hij ook de macht (hij heeft èu het aanzien èn de macht).

boven, voor. B.v. Exeellëre praeter ceteros, zich boven de overi-(jen onderscheiden.

17. Prope en propter, nabij, van plaats. B.v. Prope (propter) o p p i d u m, nabij de stad.

Propter beteekent ook weyens, om, evenals ob, doch niet dit verschil, dat propter meestal een werkelijk bestaanden en ob een gedachten grond aangeeft. B.v. Ego te propter modestiam t u a m d i 11 g' o, ik bemin u omdat (jij bescheiden zijt-, ob modestiam, omdat ik u voor bescheiden hond. In de iiitdrnkkingen liane ob eau s am, ob earn rem, enz., wordt ob dikwijls gebruikt om een werkelijk bestaanden grond aan te geven.

Prope wordt ook van t ij d gebruikt in de beteekenis van tegen. B.v. Prope Kalen das Sextiles, tejen den lstc Augustus.

Prope, als adverbium loei gebruikt, heeft gewoonlijk de praepositie a bij zich. B.v. Prope a Sicilia, nabij Sicilië.

De eomparativus en superlativus pro pi us en proxime worden 6t geconstrueerd met den accusativus of met de praepositie a (zelden met den dativus). B.v. Propius urbem, dichter hij de stad', proxime ab u r b e , zeer dicht bij de stad.

18. Per, door, over, van plaats. B.v. Per Italiam iter facëre, door Italië reizen. C or Sn am per forum ferre, een kroon over de markt drayen. Per mare navigare, ojj zee varen. Per man us tra-dïtae religion es, godsdienstige gebruiken, die van den eene op den andere zijn overgegaan.

in, op, bij een verbreiding over een ruimte. B.v. Equites per oram marittmam e r a n t d i s p o s ï t i, de ruiters waren op het strand geplaatst. Disponöre vigil ia s per urbem, per muros, wachten uitzetten overal in de stad, opi de muren.

bij, bij eedeu en gebeden. B.v. Per deos immortales te o r o, ik bid u bij de onsterfelijke goden. Jurare per aliquid, bij iets zweren.

In verbinding met licêre, posse, esse, enz. beteekent per -wat betreft. B.v. Per me licet, ivat mij betreft, is het geoorloofd.

19. Secundum, naast, onmiddellijk achter, na, van plaats, tijd en rangorde. B.v. M a r c e 11 u s v u 1 n u s a c c ë p i t secundum a u-rem. Marcellus ontving een wond onmiddellijk achter zijn oor. Secundum e o m i t i a , aanstonds na de comitiën. Secundum f r a t r e m t u mi hi omnium hominum car is si mus es, na mijn broeder zijt gij mij de dierbaarste van alle menschen.

langs. B.v. Secundum mare iter fa cere, langs de zee reizen.

volgens, overeenkomstig, ten voordeele van, in overdrachtelijken zin. B.v. Secundum naturam vivöre, volgens de natuur leven. Secundum aliquem decern ere, ten gunste van iemand beslissen.

20. Supra, boven, van plaats, maat en tijd. B.v. Supra Innam sunt aeterna omnia, boven de maan is alles eeuwig. Supra modum, bovenmate. Supra sexaginta annos, hoven de zestig jaar. Pau 1 o supra ha no meraoriam, een weinig vóór onzen leeftijd.

21. Versus, naar den kant van, staat bijna altijd achter het substan-

ocr page 159

140 Praepositiones. § 163.

tivum en heeft, behalve bij 7iamen van steden, gewoonlijk ad of in vóór den naam der plaats. B.v. Romam versus, ad Oceftnum versus, in Italiam versus proficisci, vertrekken in de richting van Rome, zeewaarts, naar den kant van Italië.*- ■*-£lt;gt; lt;gt;£ ^

163. Aanmerkingen op de praeposities met den ablativus. *

I

1. A wordt slechts vóór een consonant geplaatst; ab moet staan vóór een vocaal of h en kan staan vóór een consonant, behalve, b, m, v; abs is zeldzaam behalve in de verbinding abs te, waarvoor echter wel zoo goed a te, maar niet ab te gezegd wordt. Deze praepositie wordt gebruikt:

van tijd, in de beteekenis van-af, na, sedert. B.v. Ab infantia, van kindsheen af. Quart us a victoria men sis, de vierde maand na de overwinning.

van opvolging in rang, na. B.v. Secundus a rege, de eerste na den koning. Vgl. § 70. Aanm.

van plaats, van, aan, ter aanduiding van den kant, waar iets geschiedt of vanwaar iets komt. B.v. Alexander a fronte et a tergo hostem habebat, Alexander had den vijand van voren en in den rug. Zoo zegt men ook : stare, esse a I) a 1 i q u o, op iemands zijde zijn, iemands partij volgen, facere ab aliquo, in iemands helang handelen.

in overdrachtelijken zin, van den kant van, met betrekking tot. B.v. Augustus a matre Pompejum con tinge bat. Augustus was van moederszijde verwant met Pomp ejus. Zoo drukt men ook op eigenaardige wijze iemands betrekking uit. B.v. Alicujus of alicui esse ab epistölis, a bibliothëca, a potiouo, iemands secretaris, bibliothecaris , schenker zijn. J-S«, y- -v ,'~r ■

2. Absque, zonder, is^erouderflT^

3. Cum, met. B.v. Cum Pansa vixi, ik heb met Pansa geleefd. Bij verba, die een vijandige beteekenis hebben, tegen. B.v. Cum aliquo bellum gerëre, tegen iemand oorlog voeren. Meermalen vertalen wij cum door bij. B.v. Omnia me a mecum porto, al het mijne draag ik bij mij.

Cum wordt bij den ablativus der pronomina personalia en reflexiva (me, te, se, nobis, vobis) altijd achteraan gehecht. B.v. mecum, met mij. Bij quo, qua, qui bus kan men cum voorop zetten of achteraan hechten. B.v. cum quo of quocum.

4. De, van, uit, van plaats. B.v. De sella exsïlit, hij springt op van zijn stoel. Catallnae ferrum de manibus extorsimus, wij hebben Catilina het zwaard uit de handen gewrongen. De rostris pro-nuntiare, openlijk van het spreekgestoelte bekend maken.

Met dezelfde beteekenis dient d e ook om don oorsprong of het geheel aan te duiden. B.v. Multa de te audivi, ik heb veel van u {u!t uwen mond) gehoord. Homo de plebe, een man uit het volk.

over, aangaande. B.v. Mult a de te audivi, ik heb veel over u gehoord.

Bij tijdsbepalingen op de vraag wanneer, in den loop van, zoo ile tijd onbepaald wordt opgegeven, en onmiddellijk na, zoo do tijd bepaald wordt opgegeven. B.v. Navigare de mense Decernbri, uitvaren in den loop van December. De tertia vigilia, in de derde nachtwaak. Non bonus somnus est de prandio, het is niet goed onmiddellijk na het eten te slapen.

•V.

ocr page 160

§ 163. Praepositiones. 141

In sommige uitdrukkingen volgens, naar. B.v. De amicorum con-

s i 1 i o, volgens den raad der vrienden. De more, naar gewoonte.

5. Ex kan vóór consonanten en vocalen, e slechts vóór consonanten geplaatst worden, t- ^^ , ./—!. . 'amp; -*■ ^

uit, van, van plaats. B.v. Ex urbe, uit de stad. Zoo ook in de spreekwijze ex equo pugnare, te paard strijden. Ex adv er so; e -^-v regioue, recht tegenover. Vgl. § 280. A.

sedert, na, van tijd. B.v. Ex illo die, sedert dien dag.

Om de verandering van den eenen toestand in den anderen, de stof waaruit iets bestaat, eeu doel van een geheel aan te geven. B.v. E servo te libertum meuin feci, ik heb u van slaaf tot mijn vrijgeiatene yemaakt. Statua ex auro facta, een gouden standbeeld. U n u s e m u 11 i s, één uit velen.

Om de oorzaak van iets aan te geven. B.v. Ex lassitudïne ar tins dor mire, vaster slapen van vermoeidheid. Ex lege, krachtens de wet.

Om de wij ze aan to duiden, waarop iets geschiedt. B.v. Ex animo 1 a u d a r e , van harte prijzen. Ex improvise, onvoorziens.

Soms ten nutte van, in het belang van. B.v. Est e (hier geen ex) republic a.

6. Prao, voor, van plaats, maar slechts in verbinding met een pronomen en een verbum van beweging, vooral f er re. B.v. Gr e gem prae se agere, de kudde voor zich uitdrijven. Prae se,ferre, openlijk te kennen geven, /fc-r- --.^ ,

wegens, van, ter aanduiding van de oorzaak, waardoor iets verhinderd wordt, doch alleen in ontkennende zinnen. B.v. Prae dolijre loqui non possum, ik kan van droefheid niet spreken.

in vergelijking van. B.v. Prao se om nes contemnit, hij acht allen gering in vergelijking van zich zej^en, .

7. Pro, vóór, van plaats, 'tegenover intra. B.v. Pro castris,

vóór de legerplaats (niet binnen); was de zin niet achter, dan zou men zeggen ante c a s t r a.

ter verdediging van. B.v. Pro pat ria pugnare, strijden voor het vaderland.

in plaats van, zoo goed als. B.v. Pro consüle esse, de plaats van den consul bekleeden. Pro damnato esse, zoo goed ais veroordeeld zijn.

ter vergelding van. B.v. Nullam mercëdem pro tan to benefi-cio accëpi, ik ben volstrekt niet beloond geworden voor zulk een weldaad.

volgens, overeenkomstig. B.v. Pro viribus, naar vermogen.

8. Ten us, tot aan, wordt achter den casus geplaatst. B.v. Collo teii us, tot aan den hals. Deze praepositie staat voornamelijk in de verbinding verb o en nomine tenus, in schijn.

Soms regeert tenus den genetivus en hoogst zelden den accusativus.

9. Sine, zonder. B.v. Sine periculo, zonder gevaar.,

10. Coram, in tegenwoordigheid van. B.v. Coram p o p u 1 o , in tegen-woordigheid van het volk.

11. Clam, buiten weten van. B.v. Clam patre, buiten weten van den vader. 4* ^ lt;^eg, .

Soms regeert clam don accusativus.

ocr page 161

142 Praepositiones. §164. ^ ^

§ 164. Aanmerkingen op de praeposities met den accusativus en ablativus.

1. Iu met den ace. naar, in, tot, voor, tenen.

bij verba van bewegiug op de vraag waarheen. B.v. In Graeciara proficisci, naar Griekenland vertrekken.

bij uitbreiding in de ruimte. B.v. Decern pedes in latitudi-n e ra, tien vo'ien in de breedte.

bij verdee liftgen. B.v. Ea regio flu mine in du as partes dividïtur, deze landstreek wordt door de rivier in twee deelen verdeeld.

bij de verba van veranderen. B.v. Niobe in laptdem inutata est, Niobe werd in een steen veranderd.

ter uitdrukking van een doel. B.v. Pecunia data est in rem mi-li t a r e m , er werd lt;/eld c/eyeven voor het krijswezen. Mu 11a in a 1 i-quam sententiam dieëre, veel voor zeker gevoelen zeggen.

om aan te duiden, dat iets op de toekomst betrekking heeft. B.v. In crastïnum diem differo res sevëras, ernstige zaken stel ik uit tot morgen. In tres dies commeïitura se cum por taut, zij nemen voor drie dagen leeftocht mede. In postërum, mi het vervolg. In aeternum, voor eeuwig.

Ook in de spreekwijzen jurare in verba magistri,

woorden zijns meesters; aliquid facer e in spern, iets doen in de hoop op ; e s s e (h a b e r e) i n p o t e s t a t e ra = in potestatem venire iu eiïque esse.

In raet den abl. in, aan, op, hij, over, vooral van plaats op de vraag waar. B.v. In urbe esse, In de stüd zijiii n r i p ;i 1' i uni in i s, op den oever der rivier; pontem facëre. in flumine, een brug maken over de rivier.

onder, om aan te duiden, dat iemand tot zekere klas van menschen behoort. B.v. In mag nis viris numerari, o)ider de yroote mannen gerekend worden. Bijzonder wordt in met deze beteekenis gebruikt inde spreekwijzen i n his (iis), in quibus, waar wij na iets in het algemeen aangegeven te hebben zeggen: en onder dezen, onder wie zich bevonden, onder anderen. B.v. Pier osque fugientes, iu quibus Hannonera, occiderunt.

2. Sub met den acc. onder, van plaats op de vraag waarheen. B.v. Komanos subjugum mittëre, de Romeinen onder het juk laten doorgaan. Overdrachtelijk. B.v. Sub p o t e stilt om r e d ig ë r e, OHcfe/' zijn macht brengen.

van tijd, omstreeks. B.v. Sub medium •noctem, omstreeks middernacht. Tegen, kort, voor. B.v. Sub or tuin so lis, tegen het aanbreken van den dag. Soms onmiddellijk na. B.v. Sub eas lit ter as sta-tim recitatae sunt tuae, onmiddellijk na dezen brief werd aanstonds de uwe voorgelezen.

Sub met den abl. onder, van plaats op de vraag waar. B.v. Sub divo, onder den blooten hemel. Saepe est sub palliolo sordido sapientia.

Van tij d drukt het vooral een g e 1 ij k t ij d i g h e i d uit. B.v. Su b 1 u ce (bij dag) u r b e m i n g r e s s u s sum. P 9 m p e j u s portas obstruit, ne sub ipsa profectione milites oppidum irrumpërent, Pom-pejus verschanste de poorten, opdat de soldaten op het oogenblik van zijn vertrek niet zouden binnendringen.

Overdrachtelijk. B.v. Sub oculis omnium, onder aller oogen.

zweren hij de

ocr page 162

Praepositiones.

g 165—166.

143

Vooral in den zin van onderhoorigheid. B.v. Sub Komulo, onder de regeering van Romulus. Gentes, quae erant sub Eoniauoruni i m p e r i o, de volken, die onder het gebied, der Romeinen waren.

3. Super met den ace. hoven, op de -vraag waar en waarheen. B.v. Super aliquem sedöre, hoven iemand zitten (aan tafe]). Super aspïdem assidere, op een adder gaan zitten.

behalve, nog daarbij. B.v. Super morbum etiani fames afföcit exercïtum, behalve de ziekte deed ook de honger het leger in krachten afnemen.

meer dan, bij getallen. B.v. Super quadraginta,

de) veertig.

Super met don abl. evenals de over, aangaande. B.v. Super a li qua re ad aliquem s e r i b ë r e, over zekere zaak aan iemand schrijven.

4. Sub ter met deii a cc. onder, van plaats. B.v. Plato iram in pectore, cupiditatem sub ter praecordia locavit, Fluto plaatste den toorn in de horst, de begeerlijkheid onder het middenrif.

Subter met deu abl. is dichterlijk en hoogst zeldzaam.

§ 165. Dichters en latere prozaschrijvers gebruiken sommige adverbia als praeposities, namelijk palam, procul en si mui met deu abl. en usque met den acc. B.v. Palam populo, openlijk voor het volk; procul mari, ver van zee; simul bis, tegelijk met hen; usque pedes, tot aan de voeten. In zuiver proza zegt men procul a, simul cum, en behalve bij namen van steden, usque ad (in, sub).

Usque wordt ook ver jonden met a en ex. B.v. Usque ab heroï-cis temporibus, van de heldentijden af.

Aanmerking. De ablativi ergo, causn eu gratia, wegens, omwille van zijn, wat hun gebruik betreft, gelijk te stelleu met praeposities. Zij worden verbonden met den gen. en staan altijd daarachter. B.v. Vict oriae ergo, wegens de overwinning; bestiarum causa, h o m i n u m gratia, om wille van de dieren , van de menschen.

§ 166. De praeposities komen veelvuldig voor iu samenstelling met andere woorden. Zij behouden gewoonlijk hare hoofdbeteekenis, doch ondergaan dikwijls eene verandering in haren vorm. De volgende opmerkingen geven de voornaamste veranderingen aan, die zich hierbij voordoen.

Ad blijft onveranderd vóór vocalen en vóór h, b, d, j, v, m. B.v. adeo, adhibeo, adbïbo, addo, adjüvo, advëho, admlror. Vóór de overige consonanten wordt d geassimileerd (vóór q u in c). B.v. accëdo, affëro, aggredior, allöquor, annuo, appareo, acquire, arripio, assurgo, attribuo. Vóór gn valt d weg. B.v. agntïtus, agnosco; meermalen ook voor se, sp, st. B.v. ascendo, aspicio, ast o. In arcosso werd d tot r.

Ante blijft onveranderd behalve in anticïpo (ante en capio) en au t is to, waarvoor men echter ook'antesto schrijft.

Circuni blijft onveranderd behalve dat men meermalen circueo in plaats van circumeo en altijd circuitio eu circuïtus schrijft.

Cum verandert in samenstelling u altijd in o. De m blijft vóórb,m, p; wordt geassimileerd vóór 1, n, r; gaat over in n vóór de overige consouanten eu valt weg vóór vocalen (uitgezonderd comëdo, comes, c o m i t i u m en c o m ï t o r) g n en h, soms ook vóór n.

B.v. combïbo, committo, comprïmo.

ocr page 163

Praepositiones.

§ 167.

144

collïgo, conuecto, corrtrdo.

conjungo, confëro.

eoëo, coguosco, cohaereo, couiveo.

Inter blijft ouvorauderd behalve in intellëgo.

Ob blijft onveranderd behalve vóór c, f, g, p, in welke gevallen de b geassimileerd wordt. B.v. occurro, offero, oggannio, oppöno. In obsolesco en ostendo komt een oude vorm obs voor. De b is weggevallen van obs in ostendo en van ob in omitto en operio.

Per blijft onveranderd behalve in pel li oio, waar de r geassimileerd en in pejero, waar de r uitgevalleii is.

Post ondergaat slechts verandering in p o m e r i u m en p o m e r i-dianus.

Trans blijft gewoonlijk onveranderd. Men schrijft echter beter trado, traduco, trajieio en trano dan transdo, enz. Ook laat men meestal de s weg, wanneer het tweede gedeelte vau het compositum met s begint. B.v. transerlbo.

A, ab, abs en wel a vóór m en v, zooals am it to, avello, evenzoo aspernor; abs vóór c ent, zooals abscondo, abstineo; ab in alle andere gevallen, behalve bij auföro en aufugio. Ook vindt men meermalen aförem, afore in plaats van abförem, abföre. Vgl. over afui § 91. 4°. In asporto, aspello in as een overblijfsel van abs.

E, ex en wol ex vóór vocalen en vóór c, h, p, q, s, t, (behalve in epsto, epütus en escendo). B.v. excëdo, exhibeo, expöno, exqulro, exsëquor, extraho. Vóór f wordt ex geassimileerd, zooals in effero. In alle andere gevallen gebruikt men e (behalve in èxlex). B.v. ebïbo, edo.

Pro wordt prod in pro de o, prodïgo en prodesse.

In wordt im vóór b, m, p. B.v. imbïbo, immitto, impöno; het wordt geassimileerd vóór 1 en r. B.v. illldo, i r r u m p o. Vóór gn valt de n weg, zooals ignosco, ignominia. ignarus. In allo andere gevallen blijft in onveranderd. B.v. incurro, indïco, infundo.

Sub blijft onveranderd vóór vocalen en vóór de meeste consonanten; het wordt geassimileerd vóór e, f, g, m, p, r. B.v. succurro, sufficio, suggëro, summitto, suppöno, surripio. Zoo sub echter een verzwakkende beteokenis aan hot woord geeft, laat men hot beter onveranderd. B.v. subcrispus, subflavus, subgrandis, submo-lestus, subpallïdus, subrustïcus. Ook zonder verzwakkende be-leeke.iis blijft het meermalen, vooral vóór m en r, onveranderd. B.v. subministro; subruo. lu suspicio en suspïro is de b weggevallen. In suscipio, suseito, suspendo, sustineo en sustüli neemt men een ouden vorm subs (evenals obs en abs) aan.

§ 167. Er zijn eenige praeposities, die alleen in samenstelling voorkomen , namelijk:

amb, am of an, om, rondom, van weerszijden. B.v. am o lector, omhelzen, ambio, rondgaan, ambustus, rondom verbrand, ampüto, rondom afsnijden, anceps, van weerszijden een hoofd, aangezicht hebbend.

dis, d i (d i f vóór f en d i r in d i r i b e o uit dishabeo en d i r ï m o uit disemo), uiteen. B.v. distribuo, verdoelen, d i m i 11 o, uiteen laten gaan, diffundo, uit elkander gieten.

in, on. B.v. incautus, onvoorzichtig. Men lette wel op het verschil

ocr page 164

Conjunctiones en interjectiones.

§ 168—169.

145

van beteekeuis tusschen dit in en de yroeger behandelde praepositie met den ace. en abl. B.v. indietus van iudTco, aangezegd, en indict us, ongezegd; invocatus van invöco, aangeroepen, en invocatus, ongeroepen.

por (met assimilatie voor ! en s), naar toe, te gemoet, heen. B.v. porr igo, uitstrekken , polliceor, zich tot iets aanbieden , beloven, pos-s T d o, in bezit nemen.

re, terug, weder. B.v. recëdo, teruggaan, reficio, herstellen. Vóór vocalen en h en in reddo zegt men red. B.v. redeo, redhibeo.

se, afzonderlijk, zonder. B.v. sepöno, ter zijde leggen, secïirus, zonder zorg, gerust. In seditio is een d ingeschoven. Se wordt so in socors.

ve, huiten, zonder. B.v. vecors, waanzinnig. Soms zeer. B.v. vepal-l ï d u s, zeer bleek.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE CONJUNCTIONES EN INTERJECTIONES.

168. De conjuuctiones worden volgens hare beteekeuis ver

deeld in de volgende soorten:

copulatïvae,

disjunctïvae,

adversatïvae,

comparatlvae,

concluslvae,

coacessïvae,

condicionales,

causales,

finales,

temporales,

interrogatlvae,

Over het gebruik der conjuncties zal in de syntaxis gesproken worden.

§ 169. De interjectiones zijn deels klanknabootsende geluiden, deels nomina, verba of adverbia, die tot het uitdrukken van gemoedsbewegingen gebezigd worden.

Tot de eerste soort beiiooren ter uitdrukking van vreugde: io, hoezee, ha, h aha he, ha, ha.

van smart: vae, wee, heu, eheu, olie, pro, ach, helaas. van verwondering: o , hui, hem, eh em , o, he, ach , aha, welzoo, at at, papae, wel drommels, sakkerloot, en, ecce, ziedaar. van afkeuring: p h u i, foei.

van aansporing: eja, welaan, euge, bravo, goed zoo.

bij roepen: heus, eho, ehodum, hei, holla, hoor eens hier.

5e druk

verbindende, scheidende, tegenstellende, vergelijkende, ge volg trekkende, toegevende, voorwaardelijke, redengevende, doelaanw ijzende, tijdbepalende, vraat

B.v. et, en, quoque, ook.

„ a u t, vel, of.

„ sed, maar, tarnen, echter.

„ ut, zooals, quasi, alsof.

„ itaque, igitur, derhalve.

„ e t si, quam qu am, 0/sc/(00«.

„ si, indien, nisi, tenzij.

v nara, want, quod, omdat.

„ ut, opdat, ne, opdat niet.

„ cum, toen, postquam, nadat. n u m , a n.

'Jb

10

ocr page 165

Conjunctiones en interjediones.

146

§ 169.

Tot de tweede soort behooren:

pax, stil, geen woord meer, malum, wat drommel, voor den duivel, bona verba,, zacht wat, sis (si vis), su 11is (si vultis), sodes (si audies), als 't u blieft, bene, wel hekome 't, belle, heerlijk.

Bij verzekeringen en eeden gebruikt men

ne, waarachtig. Men plaatse dit woord slechts vóór pronomina. B.v. Ne iste baud mecum sentit, hij is het waarlijk niet met mij eens.

mehercüles, mebercüle, mebercle (ita me Herculesjuvet of ita me Hercule juves), hij Hercules.

mecastor, ecastor (me Castor juvet), bij Castor.

pol, edepol (me deus Pollux juvet), bij Pollux.

medius fidius (me deus Pidius juvet), waarachtig, God weet het.

ocr page 166

SYNTAXIS.

--~b*:K3~-

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE HOOFDBESTANDDEELEN VAN DEN ZIN.

§ 170. Een zin bestaat minstens uit een onderwerp of subject en een gezegde of praedicaat.

Aanmerking. * De eenvoudigste woordplaatsing van een Latijnschen zin is deze, dat de zin begint met bet subject en eindigt met het praedicaat, terwijl de bepalingen in het midden geplaatst worden en wel zoo, dat zij des te dichter bij het subject of praedicaat staan, naarmate zij zich daaraan inniger aansluiten. B.v. Cicero a civibus suis Romam revocatus est. Imago pulchra Miner-vae ex aere, opus Phidiae, Athenis collocata est. Pater hodie magno cum gaudio filio suo librum donavit. Caesar oppidanis partem exercitus auxilio rellquit.

* Van deze woordplaatsing wordt echter dikwijls afgeweken om de woorden, die in de gedachte van den spreker of schrijver het voornaamste zijn, te doen uitkomen. Het woord namelijk, dat den meesten nadruk heeft, wordt voorop, en het woord, dat de gedachte van den zin voltooit, achteraan gezet. B.v. Latius patet illTus scelëris contagio. Intus, intus, inquam, est equus Trojanus. Magna vis est conscientiae.

ïn—zinnen, die met een conjunctie of relativum beginnen en in een accusativus cum infinitive wordt het woord, waarop de meeste nadruk valt, meermalen achteraan gezet. B.v. Tantum abest, ut nostra miremur, ut usque eo difficiles ac morosi simus, ut nobis non satisfaciat ipse Demosthenes. Relatione contrari0rtfm^fl.Htlqui jam ante Isocratem

delectabantuj,-et.....maxime Gorgias, cujus in oratione plerumque effïcit

numerijHr ipsa concinnitas. In iis perniciosus est error, qui existi-nyurf^ libidïnum peccatorumque omnium patere in amicitia licentiam.

Bij het stellen van een zin moet men ook zorgen voor de welluidendheid. Daartegen strij dt

1°. wanneer meerdere één- of gelijklettergrepige woorden met denzelfden stemval op elkander volgen. B.v. Cur tu in hac re te non debere eed ere crederes? Ista pugna Caesar muitos Gallos vicit atque eepit. RomaniGermanoshucusqueinvictosvicerunt. Africanus Numantinos gloriose resistentes superavit.

2°. wanneer woorden naast elkander staan met scherp klinkende of moeilijk uit te spreken consonanten of vocalen. B.v. Rex Xerxes. Ingens est stridor. Baccae aeneae amoenissimae.

ocr page 167

Over de hoofdhestanddeelen van den zin. § 171—174.

3°. wanneer meerdere woorden, wier uitgang denzelfden klank heeft, op elkander volgen. B.v. Horum duorum fortissimorum viro-rum. Quid quid fit, id pater non con cede t. Het op elkander volgen van woorden, die met qu beginnen, was niet onaangenaam voor het oor der Romeinen. B.v. Qui quoniam, quid diceret, intelle-gere noluit.

§ 171. Het subject is óf een substantivum óf een woord, dat als subs tan tivum wordt gebruikt, óf een geheele zin. B.v. Aqua fluit, het water vloeit. Quis dormit, wie slaapt er? Mali punientur, de boozen zullen gestraft worden. Beati sunt possidentes, zalig zijn de bezitters. Mentïri turp.e est, liegen is schandelijk. Quod venisti mihi gratum est, dat gij gekomen zijt is mij aangenaam.

§ 172. Het subject van den eersten en tweeden persoon wordt weggelaten behalve bij tegenstellingen en wanneer er de nadruk op valt. B.v. Praeterïtamutare non possümus, wij kunnen het verledene niet veranderen. Ego re ges ejêci, vos tyrannos introducïtis, ik heb de koningen verdreven en gij voert de dwingelanden binnen. Tu mentis es compos? ïu non constringendus?

Het subject van den derden persoon wordt weggelaten, wanneer het genoegzaam uit den samenhang kan opgemaakt worden.

§ 173. Het praedicaat is óf een enkel verbum óf een verbum met een substantivum of adjectivum. B.v. Rosa floret, de roos bloeit. Rosa flos est, de roos is een bloem. Rosa pul-

chra est, de roos is schoon.

* Aanmerking. Somtijds bestaat het praedicaat uit het verbum sum en een adverbium. In zulk een geval heeft sum dikwijls de betee-nis van zich bevinden, gesteld zijn, enz. B.v. Sic vita hominum est. TJbtvis tutius sum quam in regno meo. Diu est, cum te vidi. Rectissime sunt apud te omnia. Patria est ubicunque est bene. Sapienti sat. Vgl. § 174. Aanm. 1°.

§ 174. Het praedicaatsverbum kan weggelaten worden, wanneer men het tweemaal in denzelfden vorm zou moeten gebruiken. B.v. Nauta de ventis, de tauris narrat arator, de schipper vertelt van den wind, de landman van de stieren. Dit kan ook geschieden, wanneer het verbum in een anderen persoon of in een ander getal zou voorkomen. B.v. Magis ego te am o, qua ra tu ine (amas), ik bemin u meer dan gij mij bemint. Beate vivëre alii in alio (ponunt), vos in voluptate po-nitis. In Hyrcania plebs publïcos alit canes, optimates (alunt) domestic os.

i48

ocr page 168

Over de hoofdbestanddeelen van den zin.

149

§ 174-

Aanmerking. Meermalen worden als praedicaatsverba uitgelaten:

1°. est, sunt (zelden erat, erant, fuit, fuerunt) in spreukenen algemeene waarheden. B.v. Quot homines, totsententiae, zooveel hoofden, zooveel zinnen. Jucundi aeti lahores, gedaan werk is aangenaam. Zeer dikwijls wordt esse uitgelaten in de samengestelde tijden van den accusativus cum infinitivo, vooral zoo het participium op urum uitgaat. B.v, Venturum se dixit. Nihil factum putavit. Hoc in medio re 1 inquen-dum duxi. Vgl. § 388. A. II. en § 389. A. II.

Est en suut worden ook uitgelaten bij k oi' t e, scherpe tegenstellingen eu iu rhetorisclie vragen. B.v. Sed haee leviora, ilia vero gravia atque magna. Num igitur horum senectus m i s er ab i 1 i s, qui se agri eultione obl e c t a ban t ?

* 2°. inquit, bij het mededeelen van een geregeld gesprek. In proza wordt het subject dan altijd uitgedrukt en meestal vóór de aangehaalde woorden geplaatst. B.v. at ille, tum ego, cui ego.

* 3°. dieo en facio, doch slechts wanneer het subject genoemd wordt en er een goedkeurend of afkeurend adverbium bij deze verba staat. B.v. Scite enim (dicit) Chrysippus, ut gladii causa vagiiiam, sic praeter mundum cetera omnia aliorum causa esse generata. Melius hi (fecerunt) q u a m n o s

Ook worden facio en fio meermalen weggelaten in korte negatieve zinnen, die een waarschuwing bevatten. B.v. De everten-dis urbibus val de considerandum est, ne quid tem ere, ne quid crudelïter. Livius laat facio ook weg in de uitdrukking: quid aliud quam? nihil aliud quam. B.v. Per biduum nihil aliud (fecerunt) quam steterunt parati ad pugnandum, twee dnyen laikj deden zij niets anders dan slagvaardig st::an.

4°. verschillende verba, die uit don samenhang der rede gemakkelijk verstaan worden. B.v. Ille ex me (quaesivit), nihilne novi au dis-se m. Sed ad ista alias (respondebo), nunc Lucilium au diamus. Sed non necesse est nunc omnia (commemorare). Hiertoe behoo-ren ook sommige spreekwoorden, zooals: fortuna fortes (adjuvat), die waagt, die wint. Minima de ma lis (eligenda sunt), van twee kwaden moet men het minste kiezen. Bis ad eundem (lapidem offendere), zich tweemaal aan denzelfden steen stoofen.

5°. Zeer gewoon is de weglating van hot verbum in de volgende spreekwijzen:

Quid tum? quid postea? (sequitur, factum est). B.v. B.v. Nemo post reges exactos de plebe consul fuit. Quid postea? Nullane ros nova institui debet?

Quid ita? (waarbij het voorafgaande verbum moet aangevuld worden). B.v. Quam molestum est uno digïto plus habere! Quid ita? Quia nee ad speciem nee adusumaliumquinquedesidërant.

Quid multa? Quid plura? Ne plura (dicam). Ne multis^' (verbis utar), om kort te gaan. Quid ad me? (hoe pertinet), wat gaat mij dit aan ? Nihil ad rem (pertinet), dit doet niets ter zake. Quid mihi cum hac re? (negotii est), wat heb ik daarmede te maken?

ocr page 169

150 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 175—176

6°. Ten laatste zij opgemerkt, dat de Latijnen in afwijking van de Nederlanders de werkwoorden dico, scito, scitote en dergelijken altijd weglaten na bijzinnen met ne en quod (ivat betreft). B.v. Ne quis a nobis hoc ita diei forte miretur: ne nos quidem huic uni studio penïtus unquam dedïti fuimus. Quod scribis te veile scire, qui sit rei publicae status:summadissensioest.

TWEEDE HOOFDSTUK.

REGELS VAN OVEREENKOMST. I. Overeenkomst tusschen het subject en het praedicaat.

§ 175. Het praedicaatsverb um komt met het subject overeen in persoon en getal. B.v. Tudoces, nos disc lm us,

gij onderwijst, wij leer en. Virtus manet, divitiae pereunt,

de deugd blijft, de rijkdom vergaat.

Aanmerking I. Zoo de nomina partitiva plerique, multi,plu-re s, pauci, en dergelijken subject zijn en den genetivus pluralis nostrum of v e s t r u m bij zich hebben, staat liet praedicaatsverbum iu den eersten of tweeden persoon van het meervoud. B.v. Plerique nostrum ignorabamus. Multi vestrum ignorabatis. Dit heeft ook plaats, wanneer de genetivus der pronomina personalia verzwegen is. B.v. Plerique, qui meminerimus, supersümus, de meesten oneer, die zich dit herinneren, zijn nog in leven. Potuistis nonnulli Romae alienas opes exspectare. Bij uterque staat het verbum echter in den derden persoon. B.v. Uterque nostrum audi vit (niet a u d i v i m u s).

Aanmerking II. Wanneer met een enkelvoudig subject van den derden persoon een substantivum verbonden is door de praepositie cum, staat het praedicaatsverbum, zoo het op bei den betrekking heeft, meermalen in het meervoud. B.v. Ipse rex cum aliquot principibus cap inrit nr. Bij een subject van den eersten of tweeden persoon gebruikt men echter bijna altijd het enkel voud. B.v. Ego cum fratre Capuam profectus sum. Tu ipse cum Sexto, scire velim, quid cogites.

§ 176. Het praedicaatsadjectivum (participium of pronomen) komt met het subject overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. P uer modestus est, de knaap is bescheiden. Prata secta sunt, de weiden zijn gemaaid. Hi libri sunt mei, deze hoeken zijn de mijnen. Haec muiier erat prudentissima, deze vrouw was het voorzichtigst. (Let hier op het verschillend spraakgebruik van het Nederlandsch en het Latijn). Mentiri turpe est. Quod venisti mihi gratura est. Vgl. § 42.

* Aanmerking I. Somtijds is het praedicaatsadjectivum een su-perlativus, die een geiietivus partitivus bij zich heeft van

ocr page 170

§ 177. Overeenkomst tusschen subject en praedicaat.

een ai],der geslacht dau het subject. Zoo nu het subject een nomen concretum is, komt het praedicaatsadjectivum gewoonlijk in het geslacht van het subject. B.v. Elephantus prudentissimus est omnium bestiarum. Meermalen echter staat het praedicaatsadjectivum ten gevolge van de woordplaatsing in het geslacht van den genetivus partitivus. B.v. Yelocissimum omnium aaimalium delphinus est. Zoo het subject een nomen abstractum is, neemt het praedicaatsadjectivum altijd het geslacht aan van den genetivus partitivus. B.v. Servïtus postremum omnium malorum est. v Aanmerking II. Nu en dan vindt men een onzijdig praedicaatsadjectivum bij een mannel ij k of vrouwelijk subject. B.v. Turpitude pejus est quam dolor. Aliud est oratio, aliud disputatie. Varium et mutabile semper fe min a. Deze afwijking wordt verklaard door het praedicaatsadjectivum als een substantivum te beschouwen. In het Nederlandsch voegt men bij de vertaling van zulk een adjectivum dikwijls iets, zaak, wezen. B.v. Een redecoerinij is iets anders dan een redetwist. Een vrouw is altijd een wispelturig en veranderlijk wezen.

Aanmerking III. Zoo het subject een infinitivus is, worden de praedicaatsadjectiva van één uitgang niet in den nominativus van het neutrum, maar in den genetivus van het masculinum geplaatst. B.v. Dementis est opinari, mundum casu esse ortum, het is onzinnig te gelooven, dat de wereld door toeval ontstaan ie. Tem-pori eed ere, id est necessitati parëre, semper sapientis est habitum.

Aanmerking IV. De eigennamen van schepen en tooneeistuk-ken (soms ook van steden en planton) hebben het praedicaatsadjectivum altijd in het vrouwelijk geslacht, wijl men er de appellativa navis en fabula onder verstaat. B.v. Centaurus ad scopülos al-llsa est, de Centaurus is tegen de klippen verbrijzeld. Nota vobis est Plauti Pseudolus, de Pseudolus van Plautus is u hekend.

§ 177. Het praedicaatssubstantivum komt met liet subject overeen in naamval. B.v. Somnus est imago mortis, de slaap is een beeld des doods.

Zoo het praedicaatssubstantivum tot de communia behoort en een adjectivum bij zich heeft, komt dit ook in het geslacht van het subject. B.v. Invidia assidua comes fortünae est, de nijd is de gestadige gezel van het geluk.

Zoo het praedicaatssubstantivum tot de mobilia behoort, komt het met het subject overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. Africa nutrix leonum est, Africa is de voedster der leeuwen. Athënae omnium artium inventrïces fuerunt, Athene is de grondlegster van alle ivetenschappen geweest. Wanneer het subject onzijdig is, wordt de mannelijke vorm der mobilia gebruikt. B.v. Tempus est vitae magister, de tijd is de leermeester des levens.

* Zoo het subject tot de epicoena behoort, wordt die vorm der

151

ocr page 171

152 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 178—179.

mobilia gebruikt, welke met het grammaticaal geslacht van hegt;t subject overeenkomt. B.v. Aquïla est volücrum regTua.

§ 178. Somwijlen richt zich het praedicaat niet naar het grammaticaal geslacht en getal van het subject, maar naar het geslacht en getal van de personen, dio door het subject worden aangeduid. Deze constructie, welke vooral bij de geschiedschrijvers voorkomt en slechts spaarzaam mag nagevolgd worden, heet constructie ad synësin en wordt aangetroffen :

1°. bij mil ia en bij uitdrukkingen, waardoor in figuurlijken zin personen worden aangeduid. B.v. Duo milia Tyriorum crucibus affixi sunt, twee duizend Tyriërs werden gekruisigd. Capita couju-rationis secüri pereussi sun-t, de hoofden der samenzwering werden onthoofd.

2°. bij enkelvoudige pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals: uterque, quisque, alius alium, alter alterum. B.v. Uterque eorum exercitum ex castris edücunt, heiden voerden zij het leger uit de legerplaats. Levissimus quisque novas res male-bant, de lirht zinnigs ten wilden liever een omwenteling.

3°. bij nomina collectiva, als zij van personen gebruikt worden. B.v. Magna multitude hominum in urbem conveuerant, een groote menigte menschen was in de stad hij eengel-omen. Het meervoudige praedicaat mag hier niet vóór het enkelvoudige subject geplaatst worden. In klassiek proza wordt de constructie ad synesin bij collectiva bijna alleen maar gebruikt, wanneer in een bijzin naar een vroeger genoemd collectivum verwezen wordt. B.v. Hoc idem generi humauo evënit, quod (met de gedachte aan liomines) in terra eollocati sunt. O r-getorix civitati persuasit ut (met de gedachte aan cives) de fi-nibus suis exirent.

Aanmerking. Bij partim-partim (welke uitdrnkking dezelfde be-teekenis heeft als alii-alii) stuat het praedicaat altijd in het meervoud en in het geslacht der van partim afhangende substantiva. B.v. Bo-norum partim neeessaria, partim non necessaria sunt, sommige goederen zijn noodzakelijk, andere zijn niet noodzakelijk. Partim e nobis timïdi sunt, partim a re publica aversi.

§ 179. Meermalen is een pronomen demonstrativum of interrogativum subject van een zin, welks praedicaat gevormd wordt door een verbum met een substantivum. B.v. Dit is de beroemde slag bij het meer Trasimenus. Wat is de oorzaak uwer droefheid? In zulk een geval komt het pronomen in het Latijn gewoonlijk in het geslacht en getal van het praedicaats-substantivum en niet zooals in het Nederlandsch in het neutrum singulare. B.v. Haec est nobtlis ad ïrasumënnm pugna. Quae est tristitiae tuae causa? Idem veile atque idem nolle ea demum vera amicitia est.

* Zoo echter de nadruk op het pronomen valt of het onbepaalde moet uitkomen, plaatst men het in het neutrum singulare. B.v. Id humanitas vocabatur, zoo iets heette beschaafdheid. Quid est, si hoe non est contumelia, wat is dan een heleediging, zoo dit er geen is?

J /ti --h*—

ocr page 172

§ 180—182. Overeenkomst tvsschen subject en praedicaat.

§ 180. Wanneer hpt praedicaatssubstantivum een ander getal heeft dan het subject, komt het yerbum gewoonlijk overeen met het subject. B.v. CaptTvi sunt militum praeda, de gevangenen zijn de huit der soldaten. Zoo het verbum echter het dichtst bij het praedicaatssubstantivum staat, kan het daarmede ook overeenkomen. B.v. A then af clarissima urbs Graeciaefuit, Athene is de beroemdste stad van Griekenland geweest. Is het subject evenwel een infinitivus, dan moet het verbum met het meervoudige praedicaatssubstantivum overeenkomen. B.v. Conténtum suis rebus esse maximae sunt divitiae, tevredenheid met zijn toestand is de grootste rijkdom.

§ 181. Wanneer het praedicaatssubstantivum een ander geslacht heeft dan het subject en het verbum uit sum en een participium bestaat, komt het participium gewoonlijk in het geslacht van het subject. B.v. Somnus uominandus est imago mortis, den slaap moet men een beeld des doods noemen. Zoo het participium echter het dichtst bij het praedicaatssubstantivum staat, kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. Non om nis error stultitia est dicenda, niet iedere dwaling is dwaasheid te noemen. Is het subject evenwel een nomen proprium, dan moet het participium daarmede overeenkomen. B.v. Semirilmis puer esse eredïta est, men geloofde dat Semiramis een jongen was.

§ 182. Zoo een zin twee of meer enkelvoudige subjecten heeft, komt het jiraedicaatsverbnm gewoonlijk in het meervoud, wanneer de subjecten personen of personen en zaken zijn. B.v. In nostra acie Castor et Pollux ex equis pugnare visi sunt, in ons leger zag men Castor en Pollux te paard strijden. Sypliax regnumque ejus in potestamp;te Romano-rum erant, Syphax en zijn rijk waren in de macht der Bo-melnen.' Zijn die subjecten echter verbonden door aut, aut-aut, vel-vel,. et-et, nec-nec, non-non, sive-sive, dan wordt het praedicaatsverbum gewoonlijk in het enkelvoud geplaatst. B.v. Si Socrates aut Antisthënes dicëret, indien Socrates of /Antisthenes het zeide. Men vindt echter ook het meervoud en wel vooral, wanneer een der subjecten een pronomen van den Isten of 2den persoon is. B.v. Neque hostium multitudo neque telorum vis arcêre impëtum ejus viri potue-runt. In decemvlris neque Caesar neque egehabiti s u m u s.

Bij senatus populusque Romanus en dergelijke uitdrukkingen, die één geheel aanduiden, staat bijna altijd het e'n-kél voud.

Zoo de subjecten zaken zijn, komt het praedicaatsverbum in het enkelvoud, wanneer die zaken als één geheel worden beschouwd, en in het meervoud, wanneer zij als verschillend

153

ocr page 173

154 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 183—184.

worden voorgesteld. B.v. Religio et fides anteponatur amicitiae, godsdienst en trouw (= nauwgezette plichtsbetrachting} stelle men hoven vriendschap. Jus et injuria natura diju-dicantur, recht en onrecht zijn van natuur onderscheiden.

Zoo enkel- en meervoudige subjecten verbonden zijn, staat het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud. B.v. Vita, mors, divitiae, paupertas omnes homines vehementis-sime permövent, leven en dood, rijkdom en armoede roeren alle menschen zeer geweldig. Is liet praedicaatsverbum echter het dichtst bij het enkelvoudige subject geplaatst, dan kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. Nunc mihi nihil libri, nihil doctrina prodest, thans haten mij noch mijn hoeken noch mijn geleerdheid.

§ 183. Wanneer de subjecten in persoon verschillen, staat het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud en wel zoo, dat de eerste persoon boven den tweeden en de tweede boven den derden gaat. B.v. Si tu et Tullia valetis, ego et Cicero val emus, zoo gij en Tullia welvarend zijt, ik en Cicero zijn welvarend. Somtijds evenwel komt het verbum met het naaste subject overeen en dit is bij tegenstellingen zelfs noodzakelijk. B.v. Non ego, sed tu hoc dixisti, niet ik, maar gij hebt dit gezegd.

Aanmerking. De Latijnen zetten den eersten persoon steeds voorop, zooals: ego et tu, ego et ille, terwijl wij gewoonlijk zeggen: gij en

ik, hij en ik.

§ 184. Zoo een zin meerdere subjecten heeft van gelijk geslacht, staat het praedicaatsadjectivum (of participium) in het geslacht dier subjecten. B.v, Mater et soror mihi carae sunt, mijn moeder en mijn zuster zijn mij dierbaar. Zijn die subjecten evenwel zaken van het vrouw el ij k geslacht, dan kan het praedicaatsadjectivum ook in het neutrum staan. B.v. Virtus fidesque ve stra spectata mihi sunt, uw deugd en trouw zijn mij bekend.

Zoo een zin meerdere subjecten heeft van verschillend geslacht, neemt het praedicaatsadjectivum, wanneer het in het enkelvoud staat, het geslacht aan van het naaste subject. B.v. Cingetorigi principatus et imperium est tradïtum, aan Cingetorix werd de voorrang en de heerschappij opgedragen. Staat het praedicaatsadjectivum daarentegen in het meervoud, dan komt het,

zoo de subjecten personen zijn, in het mannelijk. B.v. Jam

ocr page 174

§ 185. Overeenkomst tmschen substantivum en attributum. 155

pridem pater et mater mihi mort ui sunt, reeds lang ge* leden zijn mijn vader en moeder gestorven.

zoo de subjecten zaken zijn, in het onziidig. B.v. Libri et pictürae saepe carissima sunt, hoeken en schilderijen zijn dikwijls zeer duur.

zoo de subjecten personen en zaken zijn, in het geslacht der personen of in het on zij dig, naarmate de personen meer als zaken of de zaken meer ais personen worden opgevat. B.t. Rex regiaque classis (= classiarii regii) una profecti sunt, de koning en de koninklijke vloot zijn te zamen vertrokken. Inter se inimica sunt libera civitas et rex (=: regia potestas).

Aanmerking. Somtijds neemt het praedicaatsadjectivum het geslacht aan van het naaste meervoudige subject. B.v. Visae sunt nocturne tempore faces ardorque caeli, men zag hij nacht fakkels en een gloed aan den hemel.

il. Overeenkomst tusschen het substantivum en het attributum.

§ 185. Een adjectivum (participium of pronomen) kan onmiddellijk verbonden worden met een substantivum. Zulk een adjectivum heet attributum en komt met het substantivum overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. Vera amicitia, ivare vriendschap. Tempus praeterltum, de verleden tijd. PI a e c domus, dit h nis.

Aanmerking I. Met een substantivum kan onmiddellijk een ad ver-fa i u m worden verbonden :

1°. wanneer het begrip zelf van het substantivum nader bepaald wordt. B.v. Vere puer, een echte jongen. Door het adjectivum verus zou aan het substantivum puer een eigenschap worden toegekend, die niet tot het begrip van dat substantivum behoort. Magis muiier, een vrouw in den hoogeren zin van het woord^ major m u 1 i e r vrouw

van grootere lichaamsgestalte.) ' /.

2°. wanneer het substantivum den zin vaneen verbum of adjectivum heeft. B.v. Populus late rex = late regnans. Publice testis, iemand, die getuigenis aflegt in naam van dén staat.

3°. wanneer het substantivum eigenlijk een participium perfecti passivi is. B.v. Praeclare of praeclarum factum, een voortreffelijke daad. Facëte of facëtum responsum, een geestig antwoord.

4°. wanneer het substantivum een adjectivum of pronomen bij zich heeft; in dit geval staat het adverbium tusschen het adjectivum en het substantivum. B.v. Omnes circa gentes, alle volken in den omtrek. Duosimul mala, twee rampen te gelijk. Heeft het substantivum geen adjectivum of pronomen bij zich, dan worden de Neder-landsche adverbia bij de vertaling in het Latijn of wel veranderd in passende adjectiva of pronomina óf omschreven door een relatieven zin. B.v. De reis daarheen, id iter. De volken in den omtrek, gentes, quae circa habitant.

Aanmerking II. Somtijds worden substantiva als attributa bij

t

ocr page 175

Gebruik der attributa.

§ 186—187.

156

■andere sübstantiva gevoegd. B.v. Excercitus tiro, een ongeoefend leger. Soror mea virgo, mijn ongehuwde zuster. Als zoodanig worden gewoonlijk slechts gebruikt:

1quot; de mobilia op tor en trix. B.v. Victrix legio, een overwinnend legioen. ^

2°. de namen van volken. B.v. Miles Gallus. Vgl. § 144. B. 3.

3°. nemo en quisquam in plaats van nullus en ullus. B.v. Nemo homo. Nee quisquam orator. Deze woorden moeten gebruikt worden bij sübstantiva, die eigenlijk adjectiva zijn. B.v. Nemo doet us, geen geleerde. Nemo alius, geen ander. Nee quisquam honestus, en geen fatsoenlijk man.

1 Aanmerking III. Dichters plaatsen soms een adjectivum bij een substantivum, om daaraan een eigenschap toe te schrijven, welke eerst door de handeling van het werkwoord veroorzaakt wordt. Men noemt dit prolepsis. B.v. Submersas obrue puppes = obrue puppes, ut submergantur. Ter frustra comprensa manus effugit imago =: ter manus imago effugit, ut frustra comprensa esset. Pr e m i t placida aequora pontus — pontus aequora ita premit, ut placida fiant.

Eveneens plaatsen zij soms het adjectivum behoorende bij een substantivum in den genetiviis bij het substantivum, waarvan de geuetivus afhangt. Men noemt dit hypallage adjectivi. B.v. Quid antiques signorum suspicio ortus voor antiquorum signorum. Tyrrhenus tubae clangor voor Tyrrhenae tubae clangor, j

* § 186 Wanneer een adjectivum betrekking heeft op twee of meer sübstantiva, richt het zich gewoonljjk naar het naaste substantivum. B.v. Omnes fluvii et maria öf fluvii omnes et maria of fluvii et maria omnia. Zoo het adjectivum vóór het laatste substantivum wordt geplaatst (fluvii et omnia maria), heeft het alleen daarop betrekking.

Om duidelijkheid en nadruk te bevorderen kan men het adjectivum herhalen of het substantivum er mede verbinden door et-et. B.v. Den m incorrupta mente incorruptaq u e voce venere-mur of Deum incorrupta et mente et voce veneremur.

§ 187. In het Nederlandsch staan dikwijls twee adjectiva zon dei-voegwoord bij één substantivum. B.v. Een oude heilige eik; heerlijke roode wijn. In het Latijn mag dit slechts dan geschieden, wanneer het eene dier adjectivaeen enkel begrip vormt met het substantivum. B.v. Excellens vinum rub rum. Proelium equestre adversum. Nonnullae naves longae. Dienen de adjectiva daarentegen om verschillende hoedanigheden van een substantivum aan te geven, dan worden zij óf wel verbonden door een voegwoord, öf het eene dier adjectiva wordt omschreven. B.v. Quercus vetus et sacra. Bellum diuturnum ac perniciosum, een langdurige verderfelijke oorlog. Cratërae ex aere pulcherrimae, zeer prachtige metalen mengvat en. Haec paueïtas militum paene inermium, deze weinige bijna ongewapende soldaten. Gewoonlijk staat e t tusschen mu 11 us (plurimus) en een ander adjectivum, wanneer men de veelheid wil laten uitkomen. B.v. Multi et nobiles homines, vele aanzienlijke lieden. Ver-santur in animo meo multae et magnae cogitationes. Valt er echter geen nadruk op de veelheid, dan blijft et weg. B.v. Mult a majores vestri magna üt gravia bella gesserunt.

ocr page 176

■

Gebruik der attrihuta.

§ 188—190.

157

§ 188. Wanueer twee of meer adjectiva zoo met een substantivum zijn verbonden, dat daardoor twee of meer zaken van denzelfden naam worden aangeduid, staat het substantivum in het enkelvoud of in het meervoud, maar heeft, zoo het subject is, het praedicaat altijd in het meervoud. B.v. Ovis alba et nigra, een wit en een zwart schaap. Legiones secunda et tc-itia, het tweede en derde legioen. Poculum aureum et argenteum mihi donata sunt, een (/ouden en een zilveren beker zijn mij ten geschenke gegeven.

\ § 189. In het Latijn mogen slechts drie soorten van adjectiva bij eigennamen gevoegd worden:

1°. de adjectiva, die dienen om een persoon of zaak te onderscheiden vau andere personen of zaken, die denzelfden naam dragen. B.t. Scipio major. Alexander Magnus. Gallia Cisalpina.

2°. de adjectiva, die de geboorteplaats aanduiden. B.v. Miltiades Atheniensis

Squot;. de adjectiva van hoeveelheid. B.v. Gallia omnis. Athenae solae.

Zoo er in het Nederlaudsch andere adjectiva bij eigennamen staan, worden zij in het Latijn met een passend nomen appellativum verbonden en daarmede achter den eigennaam geplaatst of wel het pronomen iste of ille wordt tusschen het adjectivum en den eigennaam gevoegd. Bij beide wijzen van omschrijving gebruikt men gewoonlijk den superlativus. B.v. De wijze Socrates, Socrates, homo sapientis-simus of Socrates ille sapientissimus. In den briefstijl en de taal des gewonen levens komen echter meerdere uitzonderingen voor. B.v. Suavissimus Cicero. Dulcissime Attice. Cura tuo Servio j u c u n d i s s i m o.

Aanmerking. Adjectiva, die als kenmerk aan een geheele soort van levende wezens worden toegekend, w-orden in proza liefst niet onmiddellijk met hun substantivum verbonden. B.v. Lepus, animal timïdum,

de schuwe haas, doch lepus timid us, een schuwe haas.

§ 190. Dikwijls gebruikt men in het Latijn een adjeetivum; waar wij een adverbium of andere bepalingen bezigen. Dit geschiedt:

1°. om de gemoedsstemming of den toestand aan te duiden, waarin iemand zich tijdens zekere handeling bevindt. Hiertoe behooren de adjectiva laetus, sobrius, treptdus, invitus, alsmede de deel-woordelijke adjectiva absens, libens, praesens, sciens, prudens, occultus, mortuus. B.v. Socrates venenum laetus hausit, Socrates dronk blijde den giftbeker uit. Absens id prohibëre non pot uit, in zijne afwezigheid kon hij dit niet beletten. Mortuo Socrati magnus honor habitus est, aan Socrates werd na zijn dood groote eer bewezen. Men gebruikt echter een adverbium, zoo men wil aanduiden, op welke wijs de handeling van het werkwoord geschiedt. B.v. Scienter dicere de aliqua re, met kennis van zaken over iets spreken.

2°. in plaats van de adverbia van volgorde of rangschikking. Zoodanige adjectiva zijn princeps, medius, inferior, superior, prior, posterior, primus, ultimus, imus, infimus, extre-mus, postremus. B.v. Tyriorum gens litteras prima aut

1

ocr page 177

Gebruik der attributa.

§ 191.

158

docuit aut didïcit, de Tyriërs hebben het eerst de wetenschappen onderwezen of geleerd. Hannibal princeps in proelium ibat, Hannibal placht het eerst in het gevecht te gaan. Discubuit medius inter ïarquinium et Perpernam, hij legde zich midden tusschen Turquinius en Perperna neder.

Men lette goed op of het adjectivum moet overeenkomen met het subject of met het object. Wanneer men zegt: ik heb het eerst deze stad bezocht, dan luidt de vertaling: primus hanc urbem adii, wanneer de zin is: ik was de eerste die deze stad bezocht, doch: hanc urbem primam adii, wanneer de zin is: deze stad was de eerste die ik bezocht. Zou eerst echter staan tegenover daarna, dan moet men het adverbium gebruiken en vertalen: primum hanc urbem adii.

3°. dikwijls ook bij unus, solus, totus, frequens, creber, assiduus, rarus en somtijds bij sublimis, tardus, omnis, uni-versus, multus, enz. B.v. ScaevÖla solos novem menses Asiae p r a e f u i t, Scaevola had slechts negen maanden het bestuur over Azië. Homo non sibi se soli natum m e miner it, een mensch bedenke, dat hij niet enkel voor zich zeiven geboren is. Caesar frequens in senatu ade-rat, Caesar was dikwijls in den senaat aanwezig. Apparent rari nantes in gur^gïte vasto, hier en daar ziet men er een drijven in de wijde zee.

§ 191. Bij de verbinding van een substantivum en een attributum staat in het algemeen dat woord voorop, waarop de nadruk valt. Zoo noemt Plinius zijne natuurkunde libros naturalis historiae, omdat naturalis voor hem hoofdbegrip en historiae bijzaak is.

In sommige gevallen bepaalt het gebruik de plaats van het adjectivum. B.v. Civis Romanus, populus Romanus, fratres ge-mïni, genus humanum, aes alienum, jus civile, res familiaris.

Veellettergrepige adjectiva worden gewoonlijk achter éénlettergrepige substantiva geplaatst. B.v. D i immortal es, res innumera-bïles. Ook staan gewoonlijk achteraan de adjectiva, die van eigennamen zijn afgeleid en de adjectiva, die een casus bij zich hebben. B.v. L y-sander Lacedaemonius. Homo sum-mis virtutibus ornatus.

Tusschen het substantivum en zijn attributum worden gewoonlijk geplaatst :

1°. de regeeringen van het attributum, zooals in het laatste voorbeeld.

2°. de genetivi en praeposities met hare regeering, die ter bepaling van het substantivum dienen. B.v. A m i c i t i a usque ad extre-mum vitae diem mansit. Tuorumergamemeritorum memoria.

Andfere woorden van den zin worden slechts dan tusschen het substantivum en zijn attributum geplaatst, wanneer men zoowel op het substantivum als op het attributum een bijzojideren nadruk wil leggen. B.v. Magnum animo cepi dolorem. Aedui equites a-d Caesarem omnes revertuntur. Ista mihi tua fuit perj ucund-a a-,pjropo-sita oratione digressio.

Wanneer twee adjectiva bij één substantivum behooren, staa.n öf beiden voorop, zooals: egregia et praeclara indöles, öf beiden ach-

ocr page 178

Nomen appositum.

§ 192—194.

159

eraan, zooals; sonatum afflictum et abjectum excitayi, óf het eene vóór hef substantivum en het andere na het voegwoord, zooals: effrenata libido et indomïta.

III. Overeenkomst tusschen het substantivum en het nomen appositum.

§ 192. Een substantivum, bij een ander substantivum gevoegd om het nader te verklaren, wordt nomen appositum genoemd. B.v. Archias poëta, de dichter Archias.

Somtijds heeft een nomen appositum betrekking op een uitgelaten pronomen. B.v. Hoe tibi, juventus Romana, indieïmus bel-lum (voor nos, juventus Romana).

Het nomen appositum komt met het substantivum overeen in naamval. B.v. Cicero, clarissimus orator Romanorum, ab Antonio oeeïsus est, Cicero, de beroemdste redenaar der Romeinen, werd door Antonius gedood. Colïte justitiam, vir-tutem excellentissimam, beoefent de rechtvaardigheid, een zeer uitstekende deugd.

Zoo het nomen appositum tot de mobilia behoort, moet het ook in geslacht en getal overeenkomen. B.v. Romulus con-ditor urbis, Romulus, de stichter der stad. Omitto Athënas omnium artium inventrlces, ik spreek niet van Athene, de grondlegster aller wetenschappen.

*Aan merking. De geslachtsnaam staat achter de voornamen van twee of meer personen van dien naam in het meervoud. B.v. Gajus et Lucius Memmii, Gajus en Lucius Memmius.

*§ 193. Wanneer het nomen appositum van een subject een ander geslacht of' getal heeft dan hef subject, richt het praedicaat zich gewoonlijk naar het subject. B.v. Tullia, deliciae nosfrae, mu-nuscülum tuum flagïtat, Tullia, mijn lieveling, vraagt een geschenkje van u. Zoo echter de meervoudige namen van steden de woorden lirbs, oppïdum of civïtas als appositie bij zich hebben, komt het uraedicaat in den regel met deze woorden overeen. B.v. V o 1 s i n i i, pppidum opulentissimum, concrematum est fulmïne, Vol-óinii, een zeer welvarende stad, is door den bliksem verbrand.

§ 194. In het Nederlandsch zetten wij dikwijls een substantivum in appositie, dat de Latijnen in den geneti vus plaatsen. Dit geschiedt:

1°. altijd bij de woorden vox, nomën, verbum en dergelijkeu. B.v. Het woord missen is een treurig iets, triste est nomen carendi. De familie Scipio heeft vele dappere mannen voortgebracht, gens Scipio-num muitos fortissimos viros tulit. Het getal 300, numerus trecentorum.

2°. meermalen bij de namen vau algemeene begrippen, die nader bepaald worden door een substantivum. Wij plaatsen hier zeer dikwijls het woord namelijk bij. B.v. Er bood zich een geschikt geneesmiddel aan,

ocr page 179

Nomen appositum.

§ 195—198.

160

namelijk; water, opportünum remediura aquae oblatum est. Ik meende dat gij het consulaat door andere deugden verdiendet, namelijk door ingetogenheid en achtbaarheid, aliis virtutibus continentiae et gravitatis te consulatu diguum putavi.

3°. somtijds bij een nomen appellativum, dit gevolgd wordt door den eigennaam van een stad. B.v. Urbs Patavii, de stad Pataviuni. In o p p i d o A n t i o c h I a e. / '' • ■■ . ■ *

§ 195. In het Nederlandsch wordt een nomen appositum dikwijls voorafgegaan door liet woord namelijk. Wij zagen er in de vorige paragraaf reeds een voorbeeld van. Dit woord nu wordt in het Latijn of niet of door qui est of door dico vertaald. Hierbjj valt echter op te merken, dat bij dico het nomen appositum in den accusativus gezet wordt, wanneer het substautivum, dat nader verklaard wordt, in den nominativus staat, doch in denzelfden naamval als het voorafgaande substautivum, wanneer dit niet in den nominativus staat. B.v. De vader der geschiedenis, namelijk Herodotus, iverd te Halicarnassus geboren, parens historiae, Herodotus óf qui fuit Herodotus öf Herodotum dico, Halicarnassi natus est. Door twee zaken ben ik minder dan gij, namelijk door mijn geboorte en door mijn goeden naam, duabus rebus inferior vobis sum, genëre dico et fa ma. Volgens 2°. der vorige paragraaf zou men het laatste voorbeeld ook mogen vertalen: duabus rebus generis et famae inferior vobis sum. Evenzoo zou het laatste voorbeeld aldaar volgens den regel van deze paragraaf vertaald kunnen worden: aliis virtutibus, continentia dico et gravitate, te consulatu dignumputavi.

§ 196- De toonlooze telwoorden, die in het Nedtrlandsch dik-wjjls •vóór een nomen appositum staan, blijven in het Latijn onvertaald. B.v. Scipio verwoestte Carthago en Numantia, twee zeer bloeiende steden, Scipio Carthaginem etNumantiam, florentissimas urbes, exstinx.it. Zoo er echter in het Xederlandsch met nadruk stond: welke heiden zeer bloeiende steden waren, zou men moeteu vertalen : duas florentissimas urbes. Aristides, een der rechtschapenste mannen, moest voo)' de afgunst zijner medeburgers wijken,Aristides, vir probis-sim.us, civium invidiae ces sit. Zoo men in het Latjja zeide: unus ex probissimis viris, zou de zin wezen: Aristides was de eenige der rechtschapenste mannen, die voor de afgunst zijner medeburgers moest wijken.

quot;•— § 197. Wanneer in het Nederlandsch een nomen appositum nader verklaard wordt door een relatieven zin, wordt het in het Latijn in den relatieven zin opgenomen. B.v. Babylon, een stad, die men zegt dat door Nimrod gebouwd is, ligt aan den Euphraat, Babyion, quam urbem Nimrod condidisse fertur, ad Euphratem slta est. Oppius negotia procürat Rufi, quo equite Romano fami-liarissime utor. Fir mi et constantes amici deligendi sunt, cujus genëris (een soort, waaraan) est magna penuria.

§ 198. * Het woord als, dat in het Nederlandsch zeer dikwijls vóór een bijstelling staat, blijft in het Latijn onvertaald, wanneer het nomen appositum een werkelijk bestaande eigenschap, toestand of betrekking te kennen geeft. B.v. Cato begon als oud man (toen hij een oud man was) de geschiedenis te schrijven, Cato sen ex historiam

ocr page 180

§ 199—'200. Pronomen relativum en antecedens.

scribore instituit. Zoo dit woord echter een vergelijking of een vermeenden toestand aanduidt, wordt het vertaald door ut, v e 1 u t, tamquam, quasi. B.v. Cicero heeft als een waarzegger (alsof hij een waarzegger was) de toekomst voorspeld, Cicero futura ceeïnit ut v a t es.

Men kan als vóór een bijstelling nog op verschillende andere manieren vertalen en wel:

1°. wanneer het een redengevende beteekenis heeft, door cum, quippe qui, utpöte qui, een relatieven zin, een participium, ut met den indicativus en enkel ut. B.v. De Acheërs zonden als hondgenooten der Romeinen hulptroepen, A c h a e i, cum Eomanorum .sooii essent (ut... erant), auxilia miserunt. Archgtus at als Py-thagoreër geen boenen, Archytas a Pythagoreorum disciplina profectus (ut Pythagoreus) faba abstinuit. Ut duidt ook meermalen een beperkende toelichting aan, die wij uitdrukken door als, voor. B.v. Epicharmus acutus nee insulsus homo ut Siettlus. Muitae in Catone ut in homine Romano litterae erant.

2°. wanneer het beteekent: op de manier, naar de wijze van, door more, modo, in modum. B.v. Ue soldaten hehben in de Rijnstreken niet als overwinnaars maar als roovers huisgehouden, milites in regi-o nib us Rheno adjacenti bus non vietörum sed latrSnum modo e ge runt.

30. wanneer het beteekent: zoo goed als, door pro. B.v. De veldheer weirl als dood van het slagveld in een hut gebracht, dux pro mortuo ex acie in casam ablatus est.

§ 199. Het nomen appositum staat in het Latijn gewoonlijk achter het substantivum, dat er door verklaard wordt, vooral wanneer het de naam is van een waardigheid, titel of'beroep. B.v. Cicero consul. Ennius poëta. Ze no Stoïeus. Men zegt echter altijd urbs Roma. Eveuzoo worden de woorden tragoedia, fabula, ludi, rex, provincia en imperator in de beteekenis van keizer, wanneer zij geen adjectivum of genetivus als nadere bepaling bij zich hebben , gewoonlijk vóór den eigennaam gevoegd. B.v. Rex Dejotitrus. Fabula Oedtpus. Imperator Claudius (Claudius imperator, de veldheer Claudius).

IV. Overeenkomst tusschen het pronomen relativum en het antecedens.

§ 200. Het pronomen relativum komt niet het anteeëdons (het woord, waarop het betrekking heeft) overeen in geslacht en getal; de na a m v a 1 wordt bepaald door den zin , waarin het staat. B.v.

Ju ven is, cujus amicus es, mod est us est, „ cuidonumdedisti, n „ quemvidisti, „

„ de quo audivisti, „

de jongeling, wiens vriend gij zijt, aan trien gij een geschenk (legeren hebt, men gij gezien hebt, van trien gij gehoord hebt, is cescheiden.

he druk. 41

161

ocr page 181

Pronomen relativum en antecedens.

§ 200.

162

AYanneer het relativum sul'ject is, staat het p ra ed icaats-verbum in den persoon van het antecedens. B.v. Ego, qui scribo; tu, qui scribis; pater, qui scribit; nos, qui scribimus; vos, qui scribltis; fratres, qui scribunt. Men lette vooral op dezen regel, wanneer de pronomina personalia antecedens zijn, doch omdat zij geen nadruk hebben zijn weggelaten. B.v. Adestote om nes animis, qui adestis corporibus.

Wanneer het relativum betrekking heeft op een v o c a t i v li s j staat het praedicaatsverl,jin in den tweeden persoon. B.v. O nox ilia, quae paene ae' ^as huic urbi tenebras attulisti!

Het relativum staat lan het hoofd van den relatieven zin, en gewoonlijk onmiddellijk achter het antecedens.

* Aanmerking I. Zoo het relativum betrekking heeft op een i n fi u i-tivus of op eeu geheeleu zin, staat het in het onzijdig enkelvoud. Gewoonlijk zegt men echter in plaats van quod: id quoi en ook wel quae res. Tevens zet men zulk een relatieven zin op een passende plaats tusschen de woorden van den zin, die antecedens is. B.v. Si a vobis, id quod non sperq, desërar, tarnen animo uon deficiam, indien ik door u verlaten word, hete/een ik niet hoop, zal ik echter den moed niet verliezen. Frater tuus, quam rem ex animo doleo, iu acie cecïdit, uw broeder is, hetgeen mij hartelijk spijt, in den sla;/ gesneuveld.

* Aanmerking II. Zoo het relativum op meerdere suUspantiva betrekking heeft, staat het iu het meervoud; voor het geslacht gelden dezelfde regels van overeenkomst, die voor het praedicaatsadject;''um gegeven zijn. Vgl. § 184.

* Aanmerking III. Zoo het relativum betrekking heeft op twee sub-stantiva van verschillend geslacht, die in appositie staan, komt het met een van beiden overeen. B.v. lihenus flumen, qui of quod agrum Helvetiorum a Germanis divïdit, de rivier de Rijn, die het land der Helvetiërs van dat der Germanen scheidt.

Aanmerking IV. Ook op het relativum zijn de regels toepasselijk van de constructio ad synesiu. B.v. Caesar equitatum prae-mittit, qui videant, quam in partem hostes iter facia ut. Caesar zond de ruiterij vooruit, om te zien, naar ivelken kant de vijanden trokken.

Aanmerking V. Somtijds wordt het antecedens bij het relativum herhaald. B.v. Erant omnlno itinera duo, quibus itineribus domo exire possent. Zeer gewoon is deze herhaling bij dies. B.v. Dies enim nullus er at. An til cum ess em, quo die non melius scirem Romae quid ageretur, quam ii,qui erant Roraae. Noodzakelijk is deze herhaling, wanneer er twee woorden voorafgaan en het zonder herhaling onduidelijk zou zijn, op welk van beiden het relativum betrekking heeft. B.v. Litter as misit de villtco P. Septimii, b o min is ornati, qui villicus caedem fecerat.

Aanmerking VI. Wanneer het relativum betrekking heeft op een

ocr page 182

§ 201—204. Pronomen relativum en antecedens. 163

pronoineu p o s s e s s i v u m , richt hot zich naar liet pronomen person ale dat door het possessivum wordt aangeduid. B.v. Vestra culpa, (ju*

leges reipubiicae neglexistis, corruistis. 1

Niet navolgenswaardig zijn de voorbeelden, waarin het relativum betrekking heeft op de personen, die door het adjectivum van het antecedens worden aangeduid. B.v. Vejens bellum ex or turn, quibus Sabini arma eonjunxeraut (= Vejentum).

*§ 201. Zoo in een relatieven zin een praedicaatssubs: autivum staat, richt zich het relativum gewoonlijk in geslacht en getal niet naar het antecedens, maar naar het praedioaatssubstantivura. B.v. Thebae ipsae, quod Boeotiae caput est, in mag no tumultu erant,

Thehe zelf', dat de hoofdstad van Boeotië is, was in yroote opschudding. Animal plenum rationis, quem yosamus hominem. Het relativum komt echter met het antecedens overeen, indien de relatieve zin dient om het voorgaande substantivum te onderscheiden van andere voorwerpen derzelfde soort en soms ook, wanneer bet praedicaats-substantivum oen vreemd woord is. B.v. F1 u m e n; q u o d T a m ë s i s vocatur, de rivier, welke de Teems (/enoemd wordt. Mot us animi,

q u o s Graeci quot;■«Ss» n o m i u a n t, de hartstochten, welK'e de Grieken noemen.

§ 202. Volgens, overee)ikoinstig, zooals men kan verwachten van kan men in het Latijn vertalen door de praepositie pro. B.v. Zooals men van uwe wijsheid kan vernachten, zult gij gemakkelijk inzien wat het beste is om te doen, t u pro t u a prudentia, quid optimum f a c t u sit,

facile videbis. Bij zulke bepalingen echter gebruiken de Latijnen zeer dikwijls in plaats van do praepositie pro een relatieven zin, waarin hot relativum of iu den nominativus óf in deu ablativus qualitatis staat. B.v. Tu, quae tua est prudentia of qua es prudentia,?^' quid optimum factu sit, facile vide bis. Attend Pre te volo,

quae in manibus sunt. 0gt; immm prudentia es nihil te fu-^A-Wii giet, si meas litteras u , outer leg oris. S p e r o, quae tua

prudentia e t temperanti a est, t e jam valere. •«*»»•-

tj 203. In hot Xederlaudsch heeft het relativum meermalen een s u pér-la tiv us tot antecedens. B.v. HJ was de eerste, die dit deed. Themisto-cles zond den getrouwsten slaaf, dien hij had. Wijl dit in het Latijn niet geoorloofd is, zoo kan men voor de vertaling van deze en dergelijke zinnen een der volgende constructies gebruiken:

1°. Men geeft met weglating van het relativum een kortoren vorm aan de gedachte. B.v. Uic primus fecit. Hij was de laatste, die uit bed (lehaald werd, iste ultimus lecto excussus est.

2°. Men plaatst bij don superlativus den genetivus o m n i u m en maakt dit woord tot antecedens. B.v. Jugurtha, de slechtste mensch, die op aarde leeft, Jugurtha homo omnium, q u o s terra sustinet, s c e-leratissimus.

3n. Men past do constructie toe van § 208 of van § 296. lu.

§ 204. Wanneer in het Nederlandsch bij de verba sen tien di et de cl ar audi een voorwerp staat, dat nader bepaald wordt door een relatieven ziu, zet men in het Latijn dat voorwerp gewoonlijk achter het relativum, waarmede het dan in naamval overeenkomt, eu verandert vervolgens deu relatieven zin in een zij delingsche vraag. B.v. Me-

ocr page 183

Gebruik van het relativum.

205—207

164

mand kent den tijd, waarop hij sterven moet, nemo uovit, quo tom-poro moriendum sibi sit. Mijn leermeester heeft mij dikwijls gewezen op de gevaren, welke vopr de jeugd uit een lui en werkeloos leven ontstaan, saepenumero magister, quae pericula juventuti ex vita inerti atque otiosa uascer-entur, me monuit.

r§ 206. Sormt-gfibruiken de Latijnen ter bevordering der duidelijkheid een conjunctie, waar wij., een pronomen r ela ti v u m plaatsen. B.v. § 206. Sormt-gfibruiken de Latijnen ter bevordering der duidelijkheid een conjunctie, waar wij., een pronomen r ela ti v u m plaatsen. B.v. De vijanden van Alcibiades, die hegrepeji dat men hem niet kon schaden, besloten zich voor het oogenhlik rustig te houden, i n i m i c i A1 c i b i a d i s, quia noceri non posse intellegebant, quiescendum in prae-senti d ecr e v er'.i nt. Gastvrienden, die men eens in heschernung^ heeft genomen, moet men op alle wijze beschermen, hospïtes, si quos in fidem receperis, quacunque ratione tutandi sunt.

§ 206. Wanneer op een substantivum twee relatieve zinnen volgen, die door en verbonden zijn en het relativum niet in denzelfden naamval hebben, laten de Latijnen het tweede relativum, zoo dit subject of object is, somtijds onvertaald. B.v. Het voetvolk, dat Volux had medegebracht en dat bij het vorige gevecht niet tegenwoordig was geiveest, viel de achterhoede der Romeinen aan, pedites, (ju os Volux adduxerat atque in priore pugna non affuerant, postremam Romanorum aciem invadunt.

Meermalen vindt men in zulk een geval in plaats van het relativum, onverschillig in welkencasus, het pronomen demonstrativum i s, ea, id gezet. B.v. Wacht u voor hem, die zijne vrienden in hunne afwezigheid belastert en bij wien alle braven gehaat zijn, cavëto eum, qui absentes amicos rodit eique om nes boni homines odi-osi sunt. Dit geschiedt gewoonlijk, wanneer de tweede relatieve zin ontkennend is. B.v. Omues admiramur Fabriciüm, qui a n-rum a Pyrrho oblatum repudiavit nee eum blanditiae p r o-missaque a virtute deduxerunt.^

§ 207. Zeer dikwijls plaatsen de Latijnen het antecedens in den relatieven zin en zetten dezen dan voorop. Men noemt dit attractio. B.v. Quae cupiditates a natura profieisen ntur, facile explentur, de verlangens, die uit de natuur voortkomen, worden gemakkelijk vervuld. Quo anno Tarqui-nius Superbus Roma expulsus est, Athenienses Hip-piam pepnlerunt, in het jaar, waarin Tarquinius Superbus uit Bome verdreven werd, verjoegen de Atheners Hippias. Zoo het antecedens echter in een anderen naamval staat dan het relativum, wordt het gewoonlijk vervangen door liet pronomen demonstrativum is, ea, id. B.v. Quibus herbis bestiae non vescuntur, eas saepe homines edunt, de kruiden, welke de dieren niet eten, eten dikwijls de menschen.

A a n m e r k i n g e n. De dichters laten bij het gebruik der attractio niet alleen het demonstrativum meermalen weg, maar zetten ook den relatieven zin achteraan. B. I'oëta id sibi negüti credidit solum d ar i, populo ut plat-j vent, qua.s feci ss et fa hu las. Ook

ocr page 184

Gebruik van het relativum.

165

§ 208—210.

'ateu zij soms het antecedens in denzelfden naamval als het re-ativum voorafgaan. B.v. Urbera, quam statuo, vest ra est.

KeTi—auiier soort van attractio bestaat daarin, dat het relativum, hetwelk in detTTre-c-Ujsaj;ivus moest staan, geplaatst wordt in den casus van het antecedens, zoo deze een ablativus is. B.v. Not an te judice quo nosti. In his c ol o r i b u7t-qn i b u s modo dixisti. Bij de beste schrijvers geschiedt dit slechts-in voffcodce zinnen, waarin het verbum van den hoofdzin kan aangevuld worden. a t u s patre, quo

diximus, honü-gfcT — quo eum natura esse diximus. Quibus p o-terat sauciis ductis secum ad urbem pergit = quot;stfnciis, .quos secMTO ducere poterat, secum ductis.

ij 208. Soms wordt het attributum van het antecedens in den relatieven zin gezet. B.v. Alvus calöro, quem multum hal, et, omnia quae a c c ë p i t, c o n f ï c i t, de maag verteert door de groote warmte, die zij bezit, al het ontoangene. Dit beeft meermalen plaats, wanneer in het Nederlandsch de relatieve zin dient om oen superla-t i v u s nader te verklaren. B.v. Themistocles do servissuis, qnera habuit fidelissimum, inisit. M. Popilius in tumulo, quem proximum cap ere po tuit, valium du cere coepit. Vgl. § 203.

§ 209. Somtijds hangt van een relatieven zin een bijzin af, waarin een pronomen demo n strati vu ni voorkomt, dat op denzelfden persoon of zaak betrekking heeft als het relativum. B.v. Wij bewonderen Alexander, die, zoo hem een langer leven wax ten deel getallen, de geheele wereld zou onderworpen hebben. In zulk een geval mag men in het Latijn het demonstrativum weglaten en het relativum in den naamval van het demonstrativum zetten. B.v.

AdmiramurAlexandrum,

qui, si diutius vixisset, die, zoo hij langer geleefd had,

cujus si vita (qui, si ejus vita) Ion- die, zoo zijn leven (het leven van gior fuisset, hem) langer geweest was,

cui si vita (qui, si ei vita) long i or die, zoo hem een langer leven was contigi'sset, ten deel gevallen,

quem si vivum (qui, si eum vivum) die, zoo hem het lot langer in het fortuna diutius reservasset, leven had gelaten,

a quo nisi Deus (qui, nisi Deus ab eo) die, zoo God hem niet zoo spoedig vitam immature abstulisset, uit het leven had geroepen,

t o t u m o r b e m terrarum s u b e g i s s e t.

Trasybülo corona a populo data est, quam quod (quae, quod eam) amor civium et non vis expresserat, nullam habuit invidiam. Trois filing fuit Ganymëdes, quem cum (qui, cum eum) dii in caelum abstulissent, Jovi pocula ministrabat.

Voor den nadruk en de duidelijkheid plaatst men somtijds na den bijzin een demonstrativum in den naamval, waarin het relativum buiten de toepassing dezer constructie zou staan. B.v. Saepissime legi, nihil mali esse in morte, in qua si (quae, si in ila) resideat sensus, immortalitas ilia potius quam mors dicenda sit. Multa sunt probabilia, quae quamquam (quibus, quamquam ea) non per-cipiuntur, tarnen his sapientis vita regitur.

ij 210. De Latijnen plaatsen dikwijls in het begin van een zin een relativum in plaats vaneen demonstrativum met et, fj, ü tem, vero,

ocr page 185

Gebruik van den nominativus. § 211—213.

sed, tarnen, euim, igitur, itaque, nam. Op het demoustrativum mag dan evenwel geen sterke nadruk liggeu. B.v. liatio docet Deuin esse; quo (et eo of eo autera) concesso conflteudum est, ejus cousi 1 io mundum administrari. Multas ad res peruti 1 es Xe n op li cutis libri sunt: quos legite, quaeso, studiose.

Door deze eigenaardigheid van den Latijnschen zinbouw staan meermalen iu het begin van een zin twee relativa naast elkander. B.v. Nihil est pretiosius auimi tranquillitate; qua (ea enim) q u i caret, eum neregiae qui dom op es quidquamjuvant. A C n. Pompejo omnium rerum egregiarum sumantur exempla; qui quo die (nam eo die, quo is) a vobis maritime bello pr ae post t us est imperator, maxima ropente vilïtas anuönae eon-secuta est. Contra quem qui (qui autem contra eum) exercitus duxerunt, i i s s e n a t u s singulares h o n o r e s d e c r ë v i t.

Aanmerking. Bij liet relativum'mag men nooit autem, rero, nam, enim, igitur, itaque plaatsen (tame u wordt meermalen gevonden) behalve wanneer een relatieve zin gevolgd wordt door een demonstratieven zin. Vgl. § 463. 3°. B.v. Perdifficilis et perobscTira quaestio est de natur'a deorum: quae (nooit quae vero) ad agnitionem animi pulcherrima est. Evenzoo heet de zin: hij heloofde veel, wat hij echter niet gaf, niet multa pollicïtus est, quae vero non prae-stitit, maar èt' quae non praestitit óf sed ea (ea vero) non praestitit. Tua aetas incïdit in id helium.... Quo taraen in bello maguam laudem cousequebare equitando, jacu-lando, eet. Talium juvenum consuetudine utëre; qui vero petulantes sunt, eos proeul a te remove. Cujns autem aures veritati clausae sunt, hujus salus desperanda est.

j 211. Uit de neiging der Latijnen om Ie zinnen door hot relativum te verbinden, moet men het spraakgebruik verklaren, volgenshetwelk veleconjuiic-ties, maar vooral si, nisi en etsi, meermalen met hot pronomen quod verbonden worden. B.v. Quodsi euram fugimus, virtus fugienda est.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN NOMINATIVUS.

§ 212. Met onderwerp staat in den nominativus (behalve in de constructie van den accusativus cum infinitive en van den ablativus absolutus). B.v. Aegyptii condiunt mor-t u o a, de Egijptenaren balsemen de lijken.

§ 213. Men wordt in het Latijn vertaald:

1°. door het passivum. Vgl. § 97, 98, 102, 109—112.

2quot;. door den eersten persoon meervoud van verba activa en deponent ia, wanneer algemeen geldende uitdrukkingen ook op den spreker van toepassing zijn. B.v. Men gelooft gaarne, wat men wenscht, quae volümus libenter ere dl mus. Men leert veel wat men naderhand vergeet, multa diseïmus, quae posteaobliviscïmur.

166

ocr page 186

Dubbele nominativus.

167

§ 214.

3n. door den derden persoon meervoud van het activum, wanneer men een gerucht, een opvatting of een al gein een e gewoonte wil aanduiden. Deze wijze van uitdrukking is vooral gebruikelijk in het praesens indicativi en wel bijzonder bij de verba dicunt, ferunt, perhïbent, tradunt, ajunt, n a r r a n t, p u t a n t, c r e d u n t, ook wel bij andere activa en bij deponentia, vooral zoo er vulgo bijgevoegd wordt. B.v. In het westen vereert men het meest Saturnus, Saturnum maxi m e vulgo colunt ad occidentem. Algemeen wenschte men Pom-pejus geluk, vulgo gratulabantur Pompejo.

4°. door den tweeden persoon enkelvoud zoowel van den indicativus als van den conjunctivus, wanneer men zich voorstelt tot een bijzonderen persoon te spreken. B.v. Zoo men overeenkomstig de natuur leeft, zal men nooit, arm zijn, si ad naturam vives, nunquam er is pauper. Men moet alles met beleid doen, agëre de eet, quod a gas, prudent er.

*5°. door quis, quispiam, aliquis, wanneer men in iemand kan veranderd worden, vooral bij liet inleiden van een tegenwerping. B.v. Men wordt ter dood veroordeeld, zoo men het opperbevel te lang in handen hmtdt, m o r t e m u 11 a t u r, si q u i s d i u t i u s imperium r e tïn e t. Hier sou men kunnen vragen, hic qnaerat quispiam.

*0quot;. Men blijft onvertaald, zoo er eeu verbum imp er so n a 1 e of een iufinitivus subjecti wordt gebruikt. B.v. Men zal niet meer onzijdig mogen blijven, medios esse jam non licebit. Het is billijk dat men zijn vriend vergiffenis schenkt, iguoscëre a mi co aequum est.

Bij een iufinitivus objecti wordt men vertaald door het reflexi-vura, B.v. Equidem in senecta hoe deputo miserrimum sentire ea aetate esse se odiosum altori.

Aanmerking. Zoo bij een iufinitivus een bijzin staat, die in het Nederlandsch men tot subject heeft, mag ook de derde persoon enkelvoud van den conjunctivus gebruikt worden. B.v. Nihi) m i li i praestabilius v i d e t u r q u a m h o m i n u m m e n t o s a 11 i c ë r e (j_uo velit (waarheen men wil). Meer gewoon is hier echter de tweede persoon enkelvoud van den conjunctivus.

§ 214. Een dubbelen -nominativus, een vau het subject en een van het praedicaatsnomen hebben:

1°. de werkwoorden van zijn, esse, fore, worden, fieri, evadére, Yexistére ,J geboren worden, nasci, blijven, manëre, schijnen, vidëri, verschijnen, 'appaïëre. B.v. Brutus homo magnus evasit, Brutus is een groot man geworden. Nemo naseïtur doctus, niemand wordt geleerd geboren. Scythae invicti mansërunt, de Scgthen zijn onverwonnen gebleven.

*Aanmarking. Datgene, waaruit iets geworden of ontstaan is, staat in den ablativus met ex of de. B.v. Magister Antonii ex

ocr page 187

Dubbele nominativus.

§ 215.

168

or a to re arator factus est, de leermeester van Antonius is van redenaar landbouwer geworden.

2°. de verba passiva, die beteekenen gehouden, geacht, genoemd, gerekend, geoordeeld, verkozen, aangesteld worden. Vgl. § 221. De woorden als, tot, voor worden bij deze verba niet vertaald. B.v. Camillus dictator dictus est, Camillus is tot dictator benoemd. Vulpes callidissimum anïmal existi-matur, de vos wordt voor een zeer schrander dier gehouden.

*A a n m er k i n g I. Het participium perfectum dezer verba wordt gewoonlijk slechts met een praedicaatsnomen verboudeu in den uomi-nativus en accusativus. B.v. Marius hostis judicatu s.^ty-

Aaumerking II. De dichters gebruiken audio iti de beteekeuis van uomïnor, dicor mot een dubbelen nominativus. B.v. Rexque paterque audisti, koning en vader zijt gij genoemd. De spreekwijzen /male, commode, beue audire, in kwaden, tamelijk goeden, goeden , naam staan, worden ook in zuiver proza gebruikt. B.v. Erat surdaster M. Crassus; sed aliud molest ius, quod male au die bat.

§ 215. Het Nederlandsche werkwoord schijnen kan persoonlijk en onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Gij schijnt braaf te zijn en het schijnt dat gij braaf zijt. Het Latijnsche werkwoord videri daarentegen mag in de beteekenis van schijnen alleen persoonlijk gebruikt worden. B.v. Vidëris bonus esse.

Om bij de vertaling uit het Nederlandsch in het Latijn de onpersoonlijke constructie in de persoonlijke te veranderen handelt men aldus: men maakt het subject van den bijzin tot subject van het werkwoord schijnen en plaatst het werkwoord van den bijzin in den infinitivus. Het woordje dat valt weg. B.v. Het schijnt, dat gij geloopen heht, gij schijnt geloopen te hebben, vidëris cucurrisse. Het scheen, dat zij geslapen hadden, zij schenen geslapen te hebben, videbantur dormivisse. Het zal schijnen, dat tvij dwalen, wij zullen schijnen te dwalen, vide-bïniur er rare. Men noemt dit de constructie van den nominativus cum infin itivo.

Aanmerking I. Videor wordt ook persoonlijk geconstrueerd in tus-scheuzinnen met ut, waar wij zeggen naar het schijnt, zoonis het mij voorkomt. B.v. Ego tibi paucis verbis, ut mihi videbar, respon-deram. Consiliis, ut videmur, bonis utimur.

Aanmerking II. Yideor mihi beteekent het komt mij voor dat ik, ik qeloof. B.v. Amensmihi fuisse videor, het komt mij voor, dat ik verbijsterd geweest ben. Fortunatus sibi Damöcles videbatur esse, Damocles geloofde gelukkig te wezen.

Aanmerking III. Videri wordt in de beteekenis van goedvinden

ocr page 188

r

§ 216. Nominativus cum infinitivo. 169

an persoonlijk geconstrueerd: het heeft dan óf een infinitivus of een accusativus cum infinitivo öf ut bij zich. B.v. De senaat vond goed gezanten te zenden ,visum est se nat ui mitterelogatosöfmitti legatos öf ut mitterentur legati.

I A an m er kin g IV. Videri wordt door Cicero dikwijls gebruikt in een ^bijzin om den zin welluidend te doen eindigen. B.v. 11 est at ut de im-p er a tore ad id helium deligendo actantis rebus praefi-ciendo dicendum esse videatur. Hiervan is wel ou rscheiden wanneer men videri gebruikt, om zijn meeniug in een wellevonden vorm uitte drukken. B.v. Ex omnibus saoculis vix tria dut quattuor nominantur paria amicorum: quo in genere sperare videor Scipionis et Laelii amicitiam uotam posteritati fore.^j

§ 216. Evenals bij videor wordt de nominativus cuin infinitivo gebruikt: ^

1°. bij de verba passiva dicor, mm zegt, dat ik, perhibeor,

nien beweert, dat ik, existïmor, putor, men meent, dat ik. B.v. Men zegt, dut ik zal komen, ik word gezegd te zullen komen,

dicor venturus esse. Men beweerde, dat gij gezegd hadt, gij werdt beweerd gezegd te hebben, per hi bebar is dixisse. Men zal meenen, dat zij gestorven zijn, zij zullen gemeend worden gestorven te zijn, exist imabuntur mor tui esse.

Aanmerking. In do samengestelde tijden kunnen deze verba ook onpersoonlijk gebruikt worden met een accusativus cuminfi-nitivo, en moeten zij onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer de infinitivus bestaat uit eeu par ti c ipi u m met es se. B.v. T u h o c fecisse putatus es ofte hoe fecisse putatum est, men heeft gemeend, dat |. gij dit gedaan hebt. P1 e r I q u e inviti hoe fecisse put audi sunt of

plerosque invltos hoc fecisse putandum est. Atlienas con-1 dltas esse putatum est, niet: Athenae conditae esse putatae sunt.

t' ' In de niet samengestelde tijden kunnen deze verba onpersoonlijk

gebruikt worden, wanneer zij geen los gerucht, maar oen stellige

(verklaring te kennen geven. Zij m o e t e n onpersoonlijk gebruikt worden,verklaring te kennen geven. Zij m o e t e n onpersoonlijk gebruikt worden,

wanneer zij een dalivus bij zich hebben of eeu demonstrativum, dat op den i x afhankelijken zin heenwijst. B.v. Nuntiatur hos tes in agr o Gabïno Iconsedisse, men bericht (als zeker), dat de vijand zich op Gabijnsch grondgebied, gelegerd heeft. De hoc Verri dicitur habere eumper-böna toreumitta, men zegt van hem aan V erres, dat hij zeer goed vaatwerk heeft. Vgl. § 399 en § 459. 2°. A. 1.

10- o- ^0- o- ^ JlXh^y f i~' éOUuV'Co^ } ^ 'j -»-V

2°. bij de verba passiva van verhalen, feror, narror, trador, ^ maar alleen in den derden persoon zoowel enkelvoud als-^j-i^i-meervoud; somtijds ook met dezelfde beperkende bepaling bij , nuutior, indicor, negor, enz. B.v. Romulus regem Am.u- ■ ' ^

liuin inter emisse fertur, men verhaalt, dat Romulus koning Ainiilius gedood heeft. Mol verhaalt, dat ik heet tradunt me, n \men verhaalt, dat gij ferunt te. .

ocr page 189

r

Gebruik van den accusativus. § 217—218.

M,

jubëov, vetorY sinor, pTohibeor, ^

170

B0. bij de verba passivaju f^iTsM fo r f/'c tgtr1 en argucif; die evenals vide or ook in de samengestelde tijden persoonlijk geconstrueerd moeten worden. Vgl. § 391.

Aanmerking I. In do constructie van den nominativus cum infinitive wordt de infinitivns futuri passivi liefst niet gebruikt. Mon zegge dus niet imperator videtur laudatnm iri, maar gebruike een andere zins-wending of een omschrijving met futurum esse of fore ut. j Aanmerking II. Men mag geen doorloopend verhaal schrijven in den nominativus cum infinitivo. Zoo een verhaal met deze constructie begint, moet men bij den tweeden zin reeds overgaan in den accusativus cum infinitivo. B.v. Ad Themistoclem quidam doctus homo accos-sisse dicitur eique artem memoriae poliieïtus esse se tradi-turüm. Cum ille quaesisset, quidnam illa ars efficero posset, dixisse ilium doctorem, ut omnia meminisset; et ei Themistoclem respondisse gratius si bi ill urn esse^factur urn, si se oblivisci, quae vellet, quam

u

meminisse docuisset.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN ACCUSATIVUS.

§ 217. De verba transitiva, zoowel de deponentia als de activa, hebben bet object in den a c c u s a t i v u s. B.v. R o m u l u s condïdit R oma ra, Romulus heeft Rome gesticht. Petrus men-d a c i u ra c o in ra e n t u s est. Petrus heeft een leugen verzonnen.

Aanmerking 1. Men lette op liet verschillend spraakgebruik van het Latijn en het Nederlaudsch. B.v. petëre urbem, naar de stad gaan; rautare veste ra, van Meeding veranderen; incipere aliquid, iets of met iets beginnen; parare be Hum. zich ten oorlog toerusten. Men raadplege steeds zijn woordenboek.

*A a n m e rk i n g 11. Bij sommige verba transitiva wordt hel object meermalen uitgelaten. B.v. solvére (pecuniam) heialén, a ppe 11 ëre (navem) landen, m o v ë r e (castra) opbreken, s u s t i n ë r e (impetum) stand houden,

flectöre (iter) den koers wenden. _ _

Hiervau is wel onderscheiden, wanneer een transitivum zoogenaamd absoluut staat. Zoo zegt men in onze taal: hij drinkl voor hij ts aan den drank, hij vertelt voor hij doet een verhaal. In het Latijn moet men in zulk een geval dikwijls een omschrijving gebruiken. B.v. V i no dedi-tum esse of indulgëre.

218. Verscheidene verba zijn in de eene beteekeuis transitiva en in ile andere intransïtiva. B.v.

a,.,!i,i*idverto aliquid, iets opmerken. \ in aiiquem, iemand bestraffen.

^ c a v e o aliqu e m en ab ali(iuo, zich voor iemand wachten.

ocr page 190

Accusativus bij intransitiva.

§ 219.

17i

^c a v g o a l i q u i d, iets voorkomen.

t-, „ al ie ui, voor iemand zorgen.

fcousülo aliquem, iemand raadplegen.

I „ a lie ui, voor iemand zorgen.

„ in aliquem (graviter), iemand behandelamp;n (op gestrenge wijze), credo a liquid, iets voor waar honden, gelooven.

alicui, geloof slaan, gelooven aan iemand of iets.

a liquid alicui, iets aan iemand toevertrouwen.

cupio aliquid, iets hegeeren.

„ alicui, iemand genegen zijn. . •

maneo aliquem, op iemand wachten, ^

v inaliquare, in iets volharden. , /

, alicui, hij iemand blijven-, «- ^

metuo ) aliquem, iemand vreezen. l-i^ü timeo S alicui en de aliquo, voor iemand heducht, bekommerd zijn. moderor aliquid, iets inrichten, besturen.

„ alicui, iemand matigen.

rprospicio ) aliquid, iets vooruitzien. J

\ provideo ) alicui, voor iemand zorgen. ____7 '

recipio aliquid, iets op zich nemen. j-^Pi .i»-..,/quot;-«-??-

„ alicui, iemand voor iets instaany^'i--'— - C-tr v me, ik trek mij terug.

t e m p ë r o aliquid, matigen, regeer en.

„ alicui, aan iets paal en perk stellen, iemand sparen. „ abaliquare, zich van iets onthouden.

volo aliquem, iemand wenschen te spreken.

„ alicui, iemand genegen zijn. lt;; s*

§ 219. Bij sommige verba intransitiva staat in enkele gevallen een accnsativus. Dit geschiedt:

In0 . bij de verba van rieken (oleo, redóleo) en s m aken (sapio, resïpio) om de zaak aan te duiden, waarnaar iets riekt of smaakt. B.v. O let unguent a, hij riekt naar parfumerie. Haec cere-visia piceni resïpit, dit hier smaakt naar het vat (pek). Evenzoo bij si tire (sanguinem), naar bloed dorsten; e sur ire (aurum), naar goud hongeren; anhëlare (scelus), naar boosheid ademen, op niets denken dan op boosheid; so nare (pingue quiddam), naar iets doms klinken, een onbeschaafde spraak hebben.

/quot;2°. wanneer het subscantivum denzelfden stam of gelijke beteeken is heeft als het verbum en een adjectivum, pro-nomen of genetivus bij zich heeft. Ook wij zeggen: een strijd strijden, een weg gaan. B.v. Mi rum somniavi somnium, ik heb een zonderlingen droom gehad. Hoe bellum bel]are, dezen oorlog voeren. Vitam exsülis vivëre, in ballingschap leven.

S0. wanneer het een onzijdi*g pronomen of adjectivum van hoeveelheid is. B.v. Hoc tibi assentiri non possVumf-hierin kan ik u niet bijvallen. Quid différunt homines a

ocr page 191

Dubbele accusativus.

§ 220—221.

172

ceteris animantibus, waarin verschUien de menschen van de overige bezielde wezens? Stomme hor omnia, ik erger mij over alles.

§ 220. Vele verba intransitiva, die een beweging uitdrukken, zooals ire, gaan, currëre, hopen, worden door samenstelling met praeposities transitiva en regeeren dan den accusativus. Men moet hier twee gevallen onderscheiden.

1quot;. De accusativus staat bij alle composita met circum, per, praeter en trans. B.v. Circumire tentoria, de tenten rondgaan. Fama urbem pervadit, het gerucht verbreidt zich door de stad. Praeter ire aliquid silentio, iets stilzwijgend voor-bijgaan. Transcendëre murum, over een muur klimmen.

Ook de meeste intransitiva, die geen beweging uitdrukken, worden door samenstelling met circum transitiva. B.v. Circum-s ede re urbem, een stad belegeren. Multa me pericula cir-cuinstant, vele gevaren omringen mij.

2quot;. De accusativus staat bij \^le composita met ad. cum, in, wanneer zij in een gewijzigde beteekenis gebruikt worden. B.v. A dire aliquem,. iemand gaan spreken; ad ire ad aliquem, naar iemand gaan. A dire urbem, een stad bezoeken; a dire ad urbem, een stad naderen. C o n v e n i r e aliquem, bij iemand komen om met hem te spreken; con ven ire cum aliquo, met iemand overeenstemmen. Ingrëdi iter, een rein aanvaarden; in-grëdi in orationem, een redevoering aanvangen. Op dezen regel komen vele uitzonderingen voor. Ook worden verschillende intransitiva door samenstelling met andere praeposities transitiva. Het woordenboek zij voortdurend onze raadsman.

§ 221. Een dubbelen accusativus, een van het object en een van het praedicaats.no men hebben de verba, die beteekenen:

a) tot iets maken (facio, efficio, reddo), benoemen, kiezen, aanstellen (creo, deligo, eligo, declare, designo). B.v. Universus pop ft lus Cicerone m cons ü le m declaravit, het gansche volk heeft Cicero tot consul benoemd.

b) noemen (nomïno, appello, dico, voco), betitelen (inscrïbo), voor iets houden, aanzien, verklaren (duco, existimo, judïco, puto, numero, habeo) B.v. Se nat us Antonium ho-stem judicavit, de senaat verklaarde Antonius voor een vijand van den staat.

c) als of tot iets hebben, geven, nemen, aannemen ^habeo, do, addo, capio, sumo, assümo, adscisco). B.v. Lacedae-

ocr page 192

Dubbele accusations.

§ 222.

173

monii regibus suis augürem assesaorem dederunt, de Lace. demoniërs gaven aan hun koningen een wichelaar tot raadsman.

d) leeren keiiuen als (cognosco). B.v. Cognosces me tuae dignitatis fautorem, gij zult mij leeren kennen als een beg Hitst iy er uwer waardigheid.

Deze verba worden in het passivum met een dubbelen nomi-nativus gebruikt. Vgl. § 214. 2°.

Aanmerking I. Beddo. maken (iets iu een anderen toestand brengen) heeft gewoonlijk slechts een adjeetivum tot praedicaatsnomen. In het passivum gebruikt men fio of efficior. B.v. Themistocles Atlienienses rei inilitaris peritos reddidit en in het passivum: Athenieuses a ïhemistoele rei mil it ar is perlti faeti sunt. Men gebruikt altijd fa cere in de uitdrukking fa cere aliquem cer-tiorem alien jus rei of de aliqua re, iemand van iets verwittigen, kennis geven.

\ Aanmerking II. Wanneer habeo met een dubbelen accusativus geconstrueerd wordt, heeft het meestal den zin iets aan iemand hebben. B.\. Habeo te carum, ik heb u lief (ik heb aan u iemand, die mij dierbaar is). In de beteekenis voor iets houden, als iets beschouwen, gebruikt men in plaats van den praedicaatsaccusativus liever pro met deu ablati-vus of (in) loco, (in) numero met den genetivus. B.v. Aliquem pro hoste, in h ostium numero habere. In het passivum heeft ha her i in de beteekenis voor iets gehouden worden een dubbelen no-minativus of wat meer gewoon is de bovengenoemde omschrijving. B.v. Aristides habitus est justissimus. Prodigii loco ea clades haberi coepta est.

Ook bij duco en puto wordt meermalen pro geplaatst, B.v. Pro nihilo, pro eer to putare, ducere a liquid, iets als niets, als zeker beschouwen. .—fie -4»«.«./' ■gt; .-q

Gewoonbjk staat echter bij duco, puto, judico, existimo en altijd bij credo een accusativus cum infinitive. B.v. Puto te felle e m esse, ik houd u voor gelukkig.

Aanmerking III. Bij de verba van nemen, kiezen wordt de zaak, waartoe men iets neemt, ook uitgedrukt door den dativus ot door de praepositie ad. B.v. Locum domicilie capere, een plaats tot verblijf nemen. Loca pacata ad hibernaeula legere, een rustige streek voor winterkwartier kiezen.

Aanmerking IV. Wanneer het object dezer verba een pronomen demoustrati v um is, komt dit gewoonlijk in het geslacht en getal van het praedicaatssubstantivum. B.v. Ras divitias, eam bonam famam putabant, dit beschouwden zij als rijkdom en als goeden naam. Vgl. § 179.

§ 222. De verba zich betoenen, zich gedragen, zooals se praebére, se praestare, se ostendëre, hebben behalve- den accusativus van het pronomen refiexivum nog een accusativus van het praedicaatsnomen. B.v. Crudelem se praebuit, Jtij heeft zich wreed gedragen.

ocr page 193

fquot;

Dubbele accusativus.

§ 223—224.

lt;d. ». w j

174

'ccKL ^ ■. -7 ^quot;/

Aanmerking. Bij praestare mogen alleen praechcaatsnomma staan, die iets goeds uitdrukken. B.v. Honestos et urbanos yos prae-stitistis, gij hebt u fatsoenlijk en beleefd gedragen. So gerëre wordt ^ in zuiver Latijn alleen niet adverbia 01 met pro verbonden. B.v. Ho-ueste et urbane vos gessistis. Se gerere pro cive.

§ 223. De verba docere, edocere, leer en, onderrichten, de-docëre, afleer en, maken dat iemand iets afleert, en celare, leamp;jverhergen, hebben behalve don accusativus van den persoon ook een accusativus van de zaak. B.v. Catilïna juyeututein mala facinöra edocebat, Catilina leerde de jongelingen euveldaden. Antigönus iter omnes celabat, Antlgoniis hield zijn tocht voor allen verborgen. Vgl. § 390.

/( Bij het passivum van deze verba wordt de accusativus van den persoon subject en blijft de accusativus van de zaak. B.v. Juventus a Catilina mala facinora edocebatur, door Catilina iverden aan de jongelingen euveldaden geleerd.

Aanmerkingen. In de beteekenis iemand van iets kennis geven zegt men docere eu edocere aliquem de aliqua re.

Me^, uitzondering van het participium perfectum gebruikt men in plaats van doceri en edoceri gewoonlijk disc ere aliquid ab a 1 i q u 0 of institui,(imbui\ i 11 s t r u i aliqua re, ■e/u' :

Bij doctus en edoetus wordt de zaak, waarin men onderwezen is, gewoonlijk uitgedrukt of door een ablativus of dooreen infinitivus. B.v. Doctus et Graecis litteris et Latinis. Graece loqui doctus. Het neutrum der adjectiva van hoeveelheid eu der prouomina staat echter in den accusativus. B.v. Edoctus cuucta.

Ofschoon men zegt docere (discere) ar tem, zoo staat echter het werktuig, waarmede een kunst wordt uitgeoefend, in den ablativus. B.v. Docere aliquem tibia, fidibus, armis, equo, pilïï.

Wanneer bij celare de zaak niet wordt uitgedrukt door het neutrum van een adjectivum van hoeveelheid of van een pronomen, staat zij in het activum meermalen en in het passivum gewoonlijk in den ablativus met de. B.v. Bassus noster me de hoe libro celavit, onze Bassus heeft mij in onwetendheid gelaten over dit hoeic. D c h e s existimare te maxi mis derebusafratreessecelatum, gij moet in de tneeninq verkeer en, dat de voornaamste zaken door uw broeder voor u verbornen zijn aehouden. , ,

Aa,v.,r. y '■ _{i^gt;

§ 224. De verba fl.agitare/poseëre, vorderen, reposcere,

terugvorderen, 0Farelj^ro'gare^quot;^vragen, verzoeken, en interrog/gare, vragen, Jyyyjeii evenals docere twee accusativi regeeren. B.v. Pacem te poseïmus omnes, wij vorderen allen den vrede ■van u. Caesar frumentum Aeduos f 1 agi tabat, Caesar eischte koren van de Aeduërs. ** •rbMcn,

Betrekkelijk deze verba valt op te merken, dat zij gewoonlijk slechts dan twee accusativi bij zich hebben, wanneer de accusativus

pig, ts-rftt . -//be- ófar

• • ' fo cr ' r' -

ocr page 194

§ 225—226. Dubbele accusativus. 175

der zaak door het neutrum van een pronomen of adjecti-vum wordt uitgedrukt. B.v. Hoe te veliementerrogo,ut famae tuae servias, dit verzoek ik u dringend, dat gij zorgt voor uw goeden naam. Hoc, quod te interrögo, responde, antwoord op hetgeen ik u vraag.

^ Aann, rking I. Wordt de zaak uiet uitgedrukt dooi' een onzijdig adjectiYum of pronomen , dan zegt men gewoonlijk flag it ar e, poscëre aliquid ab aliquo, iets van iemand vorderen; rogare, interro-gare aliquem de aliqua re, iemand naar iets vragen.

Bij o rare, rogare, verzoeken, bidden, laat meu in dit geval cf den accusativus van den persoon weg of men gebruikt een zin met ut of n e. B.v. Legates ad Caosarem mittunt rogatum auxilium of ut ipsis opem ferret. Men vindt echter altijd twee accusativi in de spreekwijze o r a r e (r o g a r e) a li q u e m sententiam (testimoniu m), iemand vragen om zijn gevoelen te zeggen (om getuigenis te geven).

In het passivum komt bij deze verba de accusativus der zaak weinig voor behalve in de spreekwijze rogatus (inter rog a tus) sententiam (testimonium). B.v. Scito me non esse rogatum sententiam.

v Aanmerking II. Men lette op de gewone constructie der volgende verba: petere, postulare aliquid ab aliquo, iets van iemand ver-zoeken, eischen ; p r e c a r i aliquem, iemand bidden, aliquid a b a 1 i-

k. Po-V

quo, iemand .(jniie^s. bidden, aliquid alicui, iemand iets toewenschen; quaeröre a'Tiq'liVa ab, de, ex aliquo, iets aan iemand vragen; p e r-

contari aliquem de aliqua re of aliquid ex ali^upTi,iejinand

1''t i.—■ - 't , ' ■—j'i-.

over iets uithooren, vf nM}-quot; — »

Aanmerking lil. Opmerking verdienen de volgende spreekwijzen a d i g ë r e aliquem j u s j u r a n d u m , iemand een eed laten doen, en veile aliquem aliquid, iets van iemand willen.

, ' i ■

§ 225. De verba monere, a dm one re, eermanen, hortari,^' aanmoedigen, cog ere, dwingen, arguëre, insimulare, he-schuldigen kunnen naast den accusativus van den persoon nog een onzijdig pronomen ofadjectivum van hoeveelheid in den accusativus bij zich hebben. B.v. Discipulos id unum moneo, ut praeeep tores non minus quam ipsa studia ament, hiertoe alleen vermaan ik de leerlingen, dat zij evenzeer hunne leermeesters als hunne studiën liefhebben, file cives id cogit omnes. De accusativus der zaak blijft bij het passivum. B.v. Non audïmus ea, quae ab natura monë-mur, wij luisteren niet naar de vermaningen, die wij van de natuur ontvangen. Omnes v o 1 u i m u s, q u o d a r g u i m u r. Vgl. § 390.

§ 226. De verba trajicio, tradüco, transport omhebben naast den accusativus van het object ook den accusativus van de plaats bij zich. B.v. Agesilaus Hellespontum co-

ocr page 195

Gebruik van den dativus.

§ 227—228.

176

pias trajecit, Agesilaus voerde zijne troepen over den Hellespont. De accusativus van de plaats blijft in het passivum. B.v. Exer-citus a Caesars Rhenum transportatus est, het lege werd door Caesar over den Rijn gevoerd. Meermalen echter wordt de praq)ositie herhaald. B.v. A ri o v i s t u s h o m i n u m m u 11 i t u d i-nem trans Rhenum in Q-alliam traduxit.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN DATIVUS.

§ 227. De dativus staat op de vraag aan wien bij de verba transitiva, die beteekenen geven, ontnemen, schnj ven, berichten, beloven, gebieden en dergelijken. B.v. Mittam tibi lib rum, ih zal u een hoek zenden. Date panem paupe-ribus, geeft brood aan de armen.

Aanmerking I. Van de verba van gebieden zijn uitgezonderd jubeo en veto. Vgl. § 390.

* Aanmerking II. Soms gebruikt men in plaats van den dativus de praepositie ad. B.v.Scribere aliquid alicui of ad a 1 i q u e ni, iemand iets schrijven. -êc/X** f •W' u—6, . _ . ,

■s-L.l t-»—1*., .'te»- Of-u.-/ -'*V

§ 228. De dativus staat bij verba transitiva'en in transitiva op de vraag waarvoor, voor wien (ten wiens voordeel of nadeel). Dativus coininödi et incommödi. B. v. Non sc hola e, sed vitae diseïmus, irij leer en niet voor de school, maar voor het leven. Pisistratus sibi non patriae Mega-renses vicit, Pisistratus ovenvon de Megarensers voor zich zeiven en niet voor zijn vaderland.

Deze dativus heeft ook de beteekenis van voor in den zin van ter eere van. B.v. Consüli assurgëre, caput aperire,de semïta decedëre sofebant.

* A a n m e r k i n g I. Wanneer voor den zin heeft van ter verdediging van, ter vergelding van, vertaalt men het door pro. Vg-l.§163. 7.

Aanmerking II. De dativus staat meermalen in plaats va,u de praepositie a p u d en wel:

1°. wanneer er spraak is van een gewoonte bij zeker volk of zekere klas van menschen. B.v. Barbitris ex for tun a pende t fides, bij de barbaren is de trouw afhankelijk van het geluk.

2°. bij exeusare en purgare, zich vèrontschuldigen (excusare, wanneer men te kort geschoten is zonder schuld, purgare met schuld). f Excusarealicuitarditatem litterarum, zich bij iemand verontschuldigen over zijn nalatigheid in het schrijven. Amico meo me per lit-teras ea de re purgavi, ik heb mij bij mijn vriend over die zank in een brief verontschuldigd.

? O r r • .

ocr page 196

' f li

177

§ 229—230.

Dativus ethicus.

§ 229. Meermalen staat de dativus der pronomina personalia ter uitdrukking van verwondering, deelneming en wrevel. Dativus ethicus. B.v. At tibi repente paucis post diebus venit ad me Caninius, maar, verheeld u, daar komt weinige dagen later Caninius onverwachts hij mij. Quid mihi Celsus agit, hoe maakt het toch mijn Celsus ? Quid hoc sibi vult, u-at moet dit beteekenen ?

' § 230. Vele verba intransitiva regeeren den dativus krachtens hunne beteekenis. Hiertoe behooren de verba van nuttig en schadelijk zijn, genegenheid en afkeer hebben, heer-schen on dienen, behagen en mishagen, vertrouwen en wantrouwen, naderen, dreigen en vertoornd zijn. B.v. Omnibus prodesse volümus, wij willen voor allen nuttig zijn.

Nemo omnibus placëre potest, niemand kan aan allen behagen.

Hiertoe behooren ook auxiliari en opitülari, helpen, bene-dïcëre, zegenen, blandiri, vleien, medëri, genezen, male-dicëre, vervloeken, nubëre, trouwen, parcëre, sparen, pa-trocïnari, heschermen, persuadëre, overreden, overtuig en,-studëre, naar iets streven, v a c a r e, zich op iets toeleggen!(v a-care (ab) aliqua re, vrij zijn van iets),

vervolgens de uitdrukkingen morem gerëre, iemands zirfjloep^jcgt;JUc* —• j obviam (obvium) ire, te gemoet gaan, praès to essèquot;, bij '

hand zijn, dicto audientem esse, gehoorzamen , fidem ha-*^

b ë r e, geloof slaan. 7^'

eindelijk de impersonalia licet, het staat vrij, li bet, het lust, accïdit. contingit, evënit, het overkomt, enz. B.v. Quod licet Jovi, non licet bovi. Quantum huic malum accïdit.

Sommige dezer verba hebben een dubbele regeering. Zoo heeft het partici pium» perfectum van nubo (Vgl. § 103) nupta alicui of cum aliquo. Pido en confïdo, vertrouwen, hebben den persoon in den dativus, doch de zaak' meest in den ablati vus.

Men herinnere zich nog eens (Vgl. § 99), dat deze verba alleen onpersoonlijk in het passivum kunnen gezet worden. B.v. Ne templis quidem ab hoste temperatum est, zelfs de tempels werden niet gespaard door de vijanden. Non semper f e 1 ï-ces sunt, quibus ab hominibus invidetur, zij, die door de menschen benijd worden, zijn niet altijd gelukkig. Persuasum tibi sit of persuade tibi, sermones fatui illlus hominis mihi incommodare, wees overtuigd, dat de gesprekken met dien dwaas lastig -voor mij zijn.

5e druk. quot;12

■

ïi

ocr page 197

§

§ 2-61.

178

Dativus bij verba composita.

Aanmerking. Dichters zetten soms een intransitivum persoonlijk in het passivum. B.v. Vix equïdem credar. Ego cur, acquirëro paucasipossura,invicleor?

§ 231. De verba, die samengesteld zijn met ad, ante, cum, in en inter, ob, post, prae, sub en super, hebben , zoo de praeposities hare eigenlijke be teekenis behouden, den dativus bij zich van het nomen, waarop de praeposities betrekking hebben. B.v. Anitum ova galllnis saepe supponïmus, dikwijls leggen wij eendeneieren onder kippen. Manlius filii caritatem publlcae utilitati posthabuit, Manlius stelde de liefde voor zijn zoon achter het belang van den staat. Nasus ita loc at us est, ut quasi murus oculis interjectus esse videatur, de neus is zoo geplaatst, dat hij als een muur tusschen de oog en schijnt gesteld te zijn.

Men lette wel op, dat de praeposities hare eigenlijke betee-kenis moeten behouden; dit is echter, vooral bij de composita met ad en cum, dikwijls niet het geval. B.v. Confugëre ad ali-quem, zijn toevlucht tot iemand nemen; approbare senten-tiam, zijn gevoelen bewijzen.

* Aanmerking I. Bij vele vau deze Terba wordt in plaats van den dativus de praepositie gevoegd, waarmede zij samengesteld zjjn of eeue van gelijke beteekenis. Dit is vooral het geval bij de composita met ad, cum en in. Zoo zegt men altijd appellëre classem. navem ad terram, landen met de vloot, met het schip; communi-care aliquid cum aliquo, iemand iets mededeelen; meest altijd in esse in aliqua re. B.v. In hac vita nihil inest nisi mise-ria, in dit leven is niets dan ellende. (In liet perfectum zegt men altijd fuit in plaats van infuit).

Interesse alicui rei beteekent bij iets tegenwoordig zijn, maar altijd zegt men interest inter, er is onderscheid tusschen.

Bij vele verba wordt de praepositie herhaald, wanneer zij eeu plaatselijke betrekking uitdrukt. B.v. A c c5 d o ad ur b e m , ik ga naar de stad, maar mihi animus accëdit, ik krijg moed. Incidëre in insidias, in hinderlaag geraken, maar terror exereitui incïdit, de schrik overviel het legér.

Aanmerking II. Incumbëre heeft in (ad) met den accusativus, zooals in gladium, in (ad) litter as, zich in zijn zit aard storten, zich op de letteren toeleggen. Bij dichters en lateren staat ook de dativus, zooals t o r o , op een peluw gaan liggen.

Assuescëre, insuescöre, consuescöre, zich of iemand aan iets gewennen, regeeren den dativus of ablativus, soms ad met den accusativus.

Acquiescere, ergens in berusten, regeert soms den dativus, doch gewoonlijk den ablativus en wel j^6'octni met in.

Supersedere, iets laten rusten, ophouden iets te doen, heeft meer den ablativus dan den dativus.

s u

pe de

VU

de in

Sa

in

i %

C U

L/ pe

\ kef

^ - I\ ( f Tu J.j, lui' quot;Zou r; cu

I

x h 1

qui

J

exi

gon bij

(ves S

B.v. jong gehx dier jee

getr §

die ges en bel

ocr page 198

[Dativus hij adjectiva.

179

§ 232—233.

Adjacëre, assidcre, adstare hebben gewoonlijk den dativus. Illudëre bespotten, regeert den accusativus of dativus; insult are, hoonen, den dativus of in met den accusativus. ^ ^

Antecedëre, praecedëre en antelref^A^'-ïz-e/fwf hebben den— persoon, dien men overtreft, in den dativus of accusativus vn de zaak, waarin men hem overtreft, in den ablativus. Antecel-''-^ ^ '^lëre^excellere en p'taicigtaiffL hebben den persoon, dien men 'TC^ ^quot;overtreft, in den dativus. cbt~fj-bj G* ■ ■, *£T^7j'^

quot;? Interdicëre, iemand iets ontzeggen, verbieden, heeft bij den dati-'r^'^^ vus van den persoon of den accusativus of den -ablativu-S van de zaak. De laatste constructie komt vooral voor in de uitdrukking' ; interdicëre alicui aqua et igni, iemand in hallingschap eenden. .

Sacrificiis interdicëre beteekent verbieden de offeranden hij te wonen,

in den kerkelijken ban doen.

§ 232. De verba adspergere, inspergëre, hesproeien, c i r-

cumda,re,/circumf'undére, omringen, donare, schenken, im- „

per tire, mededeelen, exuëre, uittrekken, induëre, aantrek- quot;Jquot;' ^

ken, en i n ter elu d ër e, afsnijden, hebben óf a 1 i q u e ra (quid)^^ „/

a li qua re óf alicui aliquid. B.v. Servius ïullius urbem^^-1^

Romam fossis (urbi Romae fossas) circuradëdit, Servius ^ ^

h-'1 Tullius omringde de stad Home met grachten. In het passivum

V7 luidt deze zin óf urbs Roma a Servio Tuilio fossis cir-^

_ . . . quot;7, cuindftta est óf urbi Romae a Servio Tullio fossae oir- ■-■ ^,:v

j/curadatae sunt. iJU^-r ■gt;-*—: »;; V

■ f*A anmerkin g I. Impertire heoft gewoonlijk alicui aliquid.

Bij exuere en induere blijft de dativus der pronomina refle-xiva gewoonlijk weg. B.v. Exuo, induo vesten).

Exuere heeft in de beteekenis iemand veen iets berooven altijd ali-quem aliqua re.

Aanmerking II. Bij het passivum met reflexieve beteekenis van exuo en induo, alsmede van cingo, omgorden, en accingo, aangorden, staat de zaak, die men uit- of «antrekt, in den ablativus en bij dichters ook in den accusativus. B.v. Induor veste purpurea (vestem purpuream), ik trek een purperen kleed aan.

Somtijds voegen dichters ook bij andere verba passiva een accusativus. B.v. Pueri laevo suspensi loculos tabulamque lacerto, schooljongens , die zich hun schooltasch en schrijfplankje om den linkerschouder gehangen hebben. Indue taque cornibus au rum victima, het offerdier, dat men goud om de horens had gebracht. Per que pedes tra-je e t u s 1 o r a. tumentes, wien )nen riemen door de gezwollen voeten had getrokken.

(A

§ 233 De dativus staat bij de adjectiva (en sommige adverbia),, die beteekenen nuttig en schadelijk, geschikt en on geschikt, aangenaam en onaangenaam, gemakkelijk en m o e i 1 ij k, g e 1 ij k en o n g e 1 ij k, bevriend en v ij a n d i g bekend en onbekend, n a b ij, verwant, eigen en gemeen ,

/

'•/it*

•. -Ct

ocr page 199

Dativus bij adjecliva.

§ 233.

180

alsmede bij necessarius, noodzakelijk, obnoxius, onderhevig, honestus, eervol, foedus, afschuwelijk, turpis, schandelijk, en bij de adjectiva op bïlis. B.v. Romulus multitudïni gra-tus fuit, Romulus ivas icelc/evallig aan de menigte. VerTta.s plérisque molesta atque odiösa est, de waarheid is voor de meesten onaangenaam en lastig. H o m i n u m g e n é r i u n i t e r s o cultiira agrorum est salutaris, de landbouw is heilzaam voor het gansche menschelijk geslacht. Mors est térribïlis iis, quorum cum vita omnia exstinguuntur, de dood is verschrikkelijk voor hen, met wier leven alles vergaat. Sapientis est naturae convenient er vivëre, het is wijs om overeenkomstig de natuur te leven.

Men lette wel op het verschillend spraakgebruik van het Latijn en het Nederlandsch. B.v. amicus mi hi, bevriend met mij; com-mödus tibi, geschikt voor u; infensus ei, verbitterd op hem; aequus nobis, gunstig gezind jegens ons; alien us alicui rei, afkeerig van iets.

\ Aanmerking I, Bij de adjectiva van nuttig eu schadelijk, geschikt en ongeschikt staat de persoon altijd iu den dativus, doch de zaak gewoonlijk in den accusativus met ad. B.v. Calcei ha biles et apti ad pedem, schoenen geschikt en passend voor den voet. Homo ad nullam rem utilis, iemand, die voor niets nuttig is.

Aanmerking II. De adjectiva van gelijkheid en ongelijkheid simi 1 is (assimilis, consimilis) en dissimilis nebben bij zaken den gene-tivus of dativus, bij personen meestal den genetivus, doch den dativus, zoo de gelijkheid slechts gedeeltelijk is. B.v. Somnus mortis of morti similis est, de slaap is gelijk aan den dood. Hie adolescens est patris similis, deze jongeling gelijkt sprekend op zijn vader. L. Scipionis nepos patri similis fuit ore, de kleinzoon van Lucius Scipio had juist denzelfden mond als zijn vader. Men zegt echter altijd mei, tui, sui, nostri, vestri similis (dissimilis), mijns gelijke, eu veri similis, waarschijnlijk.

^__I'ar en dispar wordeu in de beteekenis van gelijk en ongelijk gewoonlijk met den genetivus der pronomina geconstrueerd. B.v. Me-. tellum, cujus paucos pares haec civitas tulit, cum Pisüne nou confc ram. Zoo zij echter beteekenen tegen iemand (niet) opgewassen, regeeren zij altijd den dativus. B.v. Pares adversariis esse non possum us.

Aequalis heeft den genetivus en dativus.

Aanmerking III. Bij de adjectiva van bevriend eu vijandig kunnen ook de praeposities in, er ga, ad ver sus geplaatst worden. B.v. Benevölus erga aliquem, welwillend jegens iemand.

Amicus, iuimicus en familiaris kunnen in den positivus en superlativus als substantiva gebruikt worden en als zoodanig met een pronomen possessivum of met een genetivus verbonden wordeu. B.v. Homo mihi familiarissimus of familiarissimus

ocr page 200

Dativus hij esse.

181

§ 234.

meus, mijn oertrouwdste vriend. Inimicissinius MaecenHtis, de grootste vijand van Maecenas.

AanrtiGrkiug IV. De adjectiva, die nabij j verwant beteekeneu, worden ook als substantiva gebruikt. B.v. Propinquus meus.

mijn bloedverwant. Affinis Caesaris, een aanverwant van Caesar.

Pr o pi or en proximus regeeren, vooral in plaatselijke beteekenis, ook den accusativus. B.v. Propior monti of montere, dichter^ hij den hery. Ubii proximi Rhenum incoluerunt, de Ubiërs icoonden zeer dicht bij den Rijn. Vgl. § 162. 17.

Affinis heeft in de beteekenis van deelhebbend den genetivus of , dativus. B.v. rei capitalis, facinörij ^

Aanmerking V. Bij p r o p r i u s , eigen , en communis, gemeen, staat meestal de genetivus, wanneer het begrip van eigendom op den voorgrond treedt. B.v. Caelum omnium hominum co mm .ine est, de hemel (het luchtgewelf) is het gemeenschappelijk eigendom van alle menschen. Daarentegen omni aetati mors communis est, de dood is aan lederen leeftijd gemeen. De pronomina personalia moeten echter altijd in den dativus staan. B.v. Mi hi pro.prium est. Commune mi hi al iqu id est cum al iquo.

Ook staat de genetivus of dativus bij cog nomïnis, gelijknamig, peeuliaris, hijzonder, superstos, overlevend, s a c e r , aan een godheid gewijd (cum genetivo), ten vloek, ten verderve gewijd (cum d^jvo).

§ 234. Het verbum sum heeft dikwijls de beteekenis van hebben , bezitten,. In dit geval staat de zaak, welke bezeten wordt, in den nominativus en de bezitter in den dativus. B.v. Non idem semper floribus color est, de bloemen hebben niet altijd dezelfde Meur. Sunt m i h i m u 11 i l i b r i, ik heb vele boeken. •• •

Aanmerking I. De bezitter kan ook in den genetivus staan. Hierbij doet zich echter dit verschil van beteekenis voor. Zoo de bezitter in den dativus staat, valt de nadruk op de z a a k, die bezeten wordt. B.v. Patri moo est domus, mijn vader bezit een huis. Zoo de bezitter in den genetivus staat, valt de nadruk op den persoon, die bezit. B.v. P a t r i s mei est domus, het huis behoort aan m ij n v a d e r.

Aanmerking II. Esse met den dativus mag niet gebruikt worden' om het bezit van geestelijke en lichamelijke eigenschappen of hoedanigheden aan te duiden. B.v. Themistocles bezat een groote scherpzinnigheid wordt niet vertaald: Themistocli magnum consilium fuit, maar: Themistocles (vir) magni consilii fuit öf Themistocles magno consilio fuit öf in Themistocle magnum consilium fuit öf magnum consilium fuit Themistoelis.

Aanmerking III. Esse alicui cum aliquo duidt bijna altijd een wederzijdsch of onderling bezit aan. B.v. Est mihi cum fratre tuo amicitia, consuetudo, con tr o versia, ik en uw broeder hebben vriendschap, omgang, twist met elkander. Ho mini cum Deo similitudo est. Erant ei veteres inimicitiae cum duo bus Rosciis.

Aanmerking IV. Hebben, bezitten wordt ook vertaald door:

ocr page 201

Dubbele dativus.

§ 235—236.

182

habere, zoowel van stoffelijke als geestelijke goedereu.

possidëre, wanneer het stoffelijke goederen zijn en bet eigendomsrecht moet uitkomen. B.v. Sequttni partem agri Aeduo-rum, quam vi atque armis ceperant, possidebant.

uti, wanneer men de hoedanigheid van het bezeten voorwerp wil laten uitkomen en dit een adjectivum, pronomen of nomen appositum bij zich heeft. B.v. Uti bona valetudine, idoneis equis, patre divite. Hannibal Sosilo litterarum Graeearum usus est doctore.

§ 235. In de spreekwijs est mi hi nomen, cognomen, ïk heet, ik word bijgenaamd, staat de naam in den nominativus of dativus, zelden in den genetivus. B.v. Est mi hi nomen Mevcurius, Mercurio, zelden Mercurii, ik heet Mercurius.

Bij nomen, cognomen dare, addëre, enz. staat de naam gewoonlijk in den dativus, ook wel in den accusativus. B.v. Ei cognomen dederunt tardo (tardum), zij hebben hem den bijnaam yegeven van den trage. Bij het passivum staat de naam gewoonlijk in den dativus, ook wel in den n om in ativ us, zelden in den genetivus. B.v. Cognomen ei datum est tardo (tardus, t a r d i).

Bij nomen en cognomen habeo staat de eigennaam liefst in den accusativus, doch een nomen appellativum in den genetivus. B.v. Cato cognomen habebat sapientis.

Bij nomine, met den naam, genaamd, staat de naam in denzelfden naamval als het woord, dat hij moet bepalen. B.v. Circa urbem nomine Al bam.

§ 236. Bij het verbum sum staan in de beteekenis van strekken, verstrekken twee dativi, de eene van den persoon op de vraag voor wien of aan wien, de andere van de zaak op de vraag waartoe. B.v. Virtutes homini decöri sunt, de deiKjtlen strekken den mensch tot sieraad. In id studium, in quo estis, incumbïte, ut et vobis honori et amicis utilitati et rei publicae emolumento esse poasïtis.

Deze twee dativi staan ook by fore, fieri, dare, geven, mittëre, zenden, ire, gaan, venire, komen, proficisci, vertrekken, relinquëre, achterlaten, alsmede bij de verba van toerekenen, zooals: apponëre, tribuëre, habere, vertëre, ducëre. B.v. Ampla domus dedecori domino saepe fit, een prachtig huis wordt den eigenaar dikwijls tot schande. Pau-sanias venit Attlcis auxilio, Pausanias kwam den Athe- *

ocr page 202

Gebruik van den genetivus.

§ 237—238.

183

ners te hulp. Quod aliunde habes, tibi laudi ne duxëris,

reken u niet tot eer, icat gij niet van u zeiven hebt.

*Aan merking 1. Betrekkelijk den dativus. van de zaak valt op te merken, dat hij niet in het meerv'oud mag staan en geen pronomen possessivum of genetivus bjj zich mag hebben. Men zegt dus niet: quasdam res alicui donis dare, maar; dono dare. Deze zaak strekt tot mv voordeel is niet: haec res tuo commödo est, maar: haec res tibi commödo est. De wetten strekken tot welzijn van alle buryers is niet: leges utilitati omnium civium sunt, maar: leges omnibus eivibus utilitati sunt.

♦Aanmerking II. Bij esse, fore, fieri wordt de dativus der zaak soms tot praedicaatsnominativus, bij dare, accipëre, enz. tot praedicaatsaccusativus gemaakt. B.v. Statuas congessit, nepraeda hosti essen t. Latini corSnam a urea m Jovi donum mittunt.

Een enkele maal vindt men in of ad in plaats van den dativas. B.v. Eellquit ibi exercitum ad praesidium. Gloriam mihi in crimen vertis.

♦Aanmerking III. In verschillende uitdrukkingen wordt de dativus van den persoon meermalen of gewoonlijk weggelaten. B.v. Esse (alicui) argumento, testimonio, tot bewijs, tot getuigenis dienen ; a 1 i q u i d (alicui) pignöri ponëre, iets te pand geven; aliquid dono accipëre, iets ten geschenke krijgen; diem dicëre colloquio, een dag bepalen voor een mondeling onderhoud; aliquem ludibrio of derisui, eontemptui habere, iemand voor den gek houden, verachten; aliquid quaestui, religiöni habere, winst uit iets trekken, zich van iets een gewetenszaak maken; receptui canëre, den aftocht blazen.

§ 237. Somtijds hangt een dativus onmiddellijk af van substantiva, die afgeleid zjju van verba, welke den dativus regeeren. B.v. Ob tempera tio legibus, gehoorzaamheid aan de wetten; insidiae consuli; traditie alteri; ejus honüri fautor-, ê

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN GENETIVUS.

§ 238. De genetivus heeft in het Latijn twee hoofdbeteeke-nissen. Het volgende voorbeeld doet dit duidelijk zien. Amor p a t r i s kan namelijk beteekenen :

1°. de liefde van den vader, de liefde, welke de vader heeft voor zijne kinderen; in dit geval is de vader het subject, dat bemint. Deze genetivus heet genetivus subjectïvus.

2°. de liefde voor den vader, de liefde, waarmede de kinderen den vader beminnen; in dit geval is de vader het object, dat de kinderen beminnen. Deze genetivus heet genetivus objectivus. Metus hostium recte dicitur et cum timent hostës et cum timentur. In onze taal vindt men een voorbeeld van den genetivus objectivus in de uitdrukking vreeze des Heeren.

ocr page 203

Genetivus possessivus.

§ 239—240

184

De genetivus subjectivus heeft weder verschillende betee-kenissen en wordt als zoodanig verdeeld in:

genetivus possessivus. genetivus epexegetïcus. „ qualitatis. „ crimïnis.

„ partitïvus. „ pretii.

§ 239. G-enetivus possessivus. Deze genetivus geeft te kennen, van wien iets is of voorkomt. B.v. Vita hominum, het leven der menschen (het leven, dat de menschen bezitten). Beneficia Dei, de iveldaden Gods (de weldaden, welke voortkomen van God).

In het Nederlandsch kunnen wij hier verschillende voorzetsels gebruiken. B.v. ^BeHum Gallorum, de oorloy met de Galliërs}] urbs Italiae, een stad' in Italië; aqua putei, het water uit den put.

*Aanmerkiug. Meermalen kan meu uaar verkiezing een gon c t i v u s possessivus of een dativus gebruiken. B.v. Id omnium ofomni-quot; bus in ore est, allen spreken hierover. Alieui of alieujus ad pedes accidëre, procumbëre, se projicëre, iemand te voet vallen. C a n i s yof cani eaudam praecidëre, desecare, een hond zijn staart afhakken. Tandem finem fac injuriarum of injuriis, maak toch een einde aan uwe heleedigingen.

§ 240. De pronomina personalia mogen niet in den genetivus possessivus staan, behalve nostrum en vest rum in verbinding met omnium en utri usque. In plaats van de personalia gebruikt men de possessiva, die in geslacht, getal en naamval met het substantivum overeenkomen. B.v. Domus m e a, hei huis van mij of mijn huis. Nostrum omnium n a-tura, de natuur van ons allen of ons aller natuur. Yoluntati omnium vestrum parui, ik heb aan den wil van u allen gehoorzaamd. Domus utriusque nostrum aedificat'ur strenue.

Aaumerkiug. quot;Wanneer de pronomina possessiva, die in plaats Van den genetivus subjectivus der pronomina personalia gebruikt worden, een nomen als nadere bepaling bij zich hebben, wordt dit in deu genetivus gezet. B.v. Sollus meum peccatum corrïgi nou potest, de misslag van mij alleen kan niet goedgemaakt worden. Urbs nostra amborum opëra salva fuit, door ons beider toedoen is de stad gered. Tuum hominis simplïcis pectus vidimus. Vgl. § 468. 3°.

Dichters zetten op deze wijze ook participia in den genetivus. B.v. Cum mea nemo scripta legat vulgo recitare timentis. In proza gebruikt men in zulk een geval een relatieven zin. B.v. Omnia sunt mea culpa commissa, qui ab his me amari putabam, qui invidebant.

ocr page 204

Genetivus possessivus.

185

§ 241.

§ 241. Somtijds wordt het substantivum. waarvan een genetivus possessivus afhangt, weggelaten. Tot deze substantiva behooren:

1°. filius, zoov, filia, dochter, uxor, vrouw, servus, slaaf, li bert us, vrijgelatene. B.v. Cicerönis Terentia, Cicero's vrouw Terentia. Caecilia Metelli, Caecilia, de dochter van Metellus. De weglating van filius heeft vooral plaats bij vreemde namen. B.v. Ptolemaeus Lagi. Hannibal Gisgonis.

2°. aedes, templum, fanum, tempel. Deze substantiva vallen vooral weg, als zij afhangen van de praepositie ad (ook wel a) en gevolgd worden door den naam eener godheid. B.v. Habita-bat rex ad Jovis Statoris,f/e koning woonde hij den tempel can Jupiter Stator.

3quot;'. res, negotium, zaak, eigendom, proprium, eigenschap, munus, amht, taak, opus, werk, o f f i c i u m, plicht, indicium, teeken, bij esse, face re, fieri en bij de verba, die beteekenen ergens voor houden of gehouden worden en schijnen. Deze substantiva worden gewoonlijk weggelaten behalve wanneer de nadruk of de duidelijkheid anders vordert. De genetivus met esse kan dikwijls vertaald worden door moeten, kannen, passen, vereischen, enz. B.v. Domus est patris, het huis is het eigendom can den vader. Cuius vis hominis est er ra re, ieder mensch kan dwalen. Populi grati est praemiis afficëre bene merïtos de republïca cives, een dankbaar volk moet de burgers, die zich verdienstelijk hebben gemaakt jegens den staat, beloonen of het past een dankbaar volk.... te beloonen. Populus I^omanus omnia suae potestatis fecit, het Romeinsche colk bracht alles onder zijne macht. ïempöri eed ére semper sapientis habitum est, coor de omstandigheden te wijken heeft men altijd als het werk van een trijs man beschouwd. Boni pa-storis est oves tondiTre, non deglubëre, het is de plicht van een goeden herder zijn schapen te scheren, niet te villen.

Hiertoe behoort ook de uitdrukking moris est (est in more, est iu more posïtum), hetgeen beteekent, dat iets een algemeen e gewoonte is, terwijl mos est aanduidt, dat iets een gewoonte is, waarnaar men zich niet algemeen richt.

Aanmerking. *In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men hier het neutrum der possessiva. B.v. Tuum est videre, quid agatur, het is de zaak van u (uw zaak) te zien wat er gebeurt. Quae an tea patris fuerunt, nunc mea sunt, hetgeen vroeger aan mijn vader toebehoorde is thans het eigendom van mij.

Ook hier staat een nader bepalend nomen in den genetivus. B.v.

ocr page 205

Genetivus qualitatis. § 242—243.

Meum con su lis est vigil a re, als consul is het mijn plicht te waken. Vgl. § 240. Aanm.

§ 242. Genetivus qualitatis. Deze genetivus dient om de hoedanigheden of eigenschappen van een persoon of zaak aan te geven. quot;Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van of met. B.v. Pavo avis est eximiae pulchritudïnis, de pauw is een vogel van buitengewone schoonheid. Puer bonae indölis bonïque ingenii maximum patris est gaudiuin, een kind met een goed karakter en een goed verstand is de grootste vreugde van een vader. Plurimarum palm arum vetus gladiator, een oud zwaardvechter, die vele overwinningen behaald heeft. Non multi cibi accipies hospïtem, sed multi joci, gij zult een c/ast ontvangen die iveinig eet en veel schertst.

De genetivus qualitatis moet altijd een adjactivum (pronomen, numerale, participium) bij zich hebben. Een man van verstand is dus niet homo ingenii, maar homo ingeni5sus of homo m a g n i ingenii; een man van jaren niet v i r a n n o r u m, maar vir provectiöris aetatis.

^Aanmerkingquot;I. Tot den genetivus Cjualitatis l)ehooren ook de verbindingen vaii modi met een pronomen. B.v. Hujusmodi libri, zoodanige hoeken. Apage istiusmödi sal n tem, wee/ met zulk een behoud. De genetivus cuicuimödi (Vgl. § 83) mag slechts gebruikt

worden met esse.

Aanmerking II. De volgende woorden staan in den accusativus in

plaats van in den genetivus qualitatis:

secus virile of rauliëbre. B.v. Liberorum capitum virile secus ad decern milia capta aunt, er zijn omtrent tien duizend vrije lieden van het mannelijk geslacht gevangen genomen.

libram of libras in verbinding met pondo. B.v. Corona aurea libram poudo, tres libras pondo, een gouden kroon van één (drie) pond gewicht. Men gebruikt echter meestal pondo zonder libram of libras. Iii dit geval staat het onverbogen met een telwoord in den accusativus of genetivus. B.v. Torques aureus duo pondo, een (jouden keten van twee pond. Corona aurea poudo ducentum ^— ducentorum), een gouden kroon van twee honderd pond.

somtijds geniis met id, illud, hoc, quod, omne. B.v. Pavones pascuntur omne genus frumento, pauwen eten alle graansoorten (graan van alle soort). Seis me orationes aut aliquid id genus solttum scribêre, fjij weet dat ik gewoonlijk redevoeringen of iets dergelijks schrijf. Ook vindt men id of illud aetatis voor ejus of ill'ius aetatis. B.v. Homo id aetatis, een man van dien leeftijd.

§ 243. De genetivus qualitatis staat ook bij, e s s e, fieri, haberj en Vergelijken met uitlating van homo of res. Wij gebruiken hier dikwijls het werkwoord hebben of bezitten. B.v. Non est sanae

186

ocr page 206

244—245. Gmetivus partitivus.

mentis, qui Deum esse negat, hij [heeft geen gezond verstand, die het bestaan van God ontkent. Critognatus magnae auctoritatis habitus est, Critognatus werd voor een man van grooten invloed gehouden.

-f- *Bij de verba seutiendi et declarandi kan ook esse wegbiijven. B.v. Esse Deum ita perspicuum est, ut, id qui neget, vix eum sanae mentis existïmem.

Aanmerking. Men wachte zich wel om het bezit van stoffelijke goederen uit te drukken door esse meteen geuetivus qualitatis en het bezit van eigenschappen en hoedanigheden door esse met een dativus. Vgl. § 234. Aanm. II.

§ 244. Genetivus partitivus. Deze geuetivus staat in het algemeen bij woorden, die een deel van een geheel aangeven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van, uit, onder. B.v. Pauci hominum sorte sua contenti sunt, weinigen onder de nienschen zijn met hun lot tevreden. Animalium alia sunt mansuëta, alia fera, van de dieren zijn sommige tam, andere wild of sommige dieren zijn tam, andere wild.

Van de pronomina personalia gebruikt men de vormen nostrum* en vestrum en in plaats van den genetivus pluralis sui ex se.^rf mmmmmt. B.v. Nemo vestrum hoe ignörat, niemand weer weet dit niet. Paucos ex se 'uf j uu« miii) mise-runt, zij zonden eenigen uit hun midden.

§ 245. De woorden, die een genetivus partitivus bij zich hebben, zijn;

1°. de substantiva, die een maat, gewicht of hoeveelheid aanduiden. B.v. Modi us tritïci, een maat tarwe. Libra far ris, een pond meel. Magna vis auri, een groote menigte goud.

2°. de numeralia en de pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals: pauci, multi, uter, alter, neuter, quis, quot. B.v. Equïtum centum quinquaginta inter-fecti sunt, van de ruiters zijn er honderd en vijftig gedood. Quis hominum sine laböre clarusevasit, wieder nienschen is zonder werken beroemd geworden? Nihil tam absurde dici potest, quod non dicatur ab aliquo philosopho-rum, men kan niets zoo dwaas zeggen, dat niet gezegd wordt door den een of ander der wijsgeer en.

♦Aanmerking I. Het substantivum, dat het geheel aanduidt, kan ook in plaats van in den genetivus partitivus te staan, met het numerale, pronomen ofadjectivum van hoeveelheid in naam-v a 1 overeenkomen. De beteekenis is dan echter niet geheel dezelfde.

187

ocr page 207

Genetivus partitivus.

§ 245.

188

Zoo men namelijk zegt multi militum ceciderunt, dan beschouwt men de soldaten in betrekking' tot andere soldaten. Zegt men echter multi milites ceciderunt, dan stelt men de soldaten tegenover andere menschen. Het Latijn komt hier juist met het Nederlandsch overeen.

üterque maakt evenwel eeu uitzondering. Dit woord wordt altijd verbonden met een genetivns partitivus van een pronomen, behalve wanneer het eeu pronomen relativum van het onzijdig geslacht is en wanneer uterque iu het meervoud staat. B.v. Uterque non-u m, wij heiden: uterque horum, zij heiden; quorum uterque, i,'••• heide»; doch quod ut rum que, hi utrlque. Is uterque verbonden met een substautivum, dan moet het hiermede in geslacht, getal en naamval overeenkomen, ook at staat er een pronomen bij. B.v. Uterque frater, heide hroeders. Uterque ille dux.

P lerlque wordt liefst niet met een genetivus partitivus verbonden. B.v. Quod plerique om nes faciunt adolesce ntuli, wat meest alle of de allermeeste ipngelingen doen. Vgl. § 175. Aanm. I.. ^ ^ ^

Aanmerking II. De geuetivus partitivus wordt niet gebruikt: ^

/,j

h) wanneer in het Nederlandsch achter de eigenlijke of oneigenlijke telwoorden, zooals: een, twee, yeen, velen, weinigen, meerderen een geuetivus met een pronomen possessivum staat. B.v. Ik heh geen uwer brieven ontvangen, nullam epistolam tuam accëpi. Vergeet geen mijner woorden, noli ullum dictum meum oblivisci. Weinigen uwer vrienden, p a u c i a m i c i tui. Ik heh dit uit vele uwer schriften vernomen, i 11 ud ex m u 11is tuis 1 i bris cognö v i. Een^mijner vrienden , amicus meus. Nostrae naves duae in ancöris constite-r u n t.

li) wanneer het woord van hoeveelheid het aantal van het geheel aangeeft. B.v. De afdeelingen van het Romeinsche volk, waarvan er vijf en dertig waren, werden verdeeld in stedelijke en landelijke, tribus Romanae, quae triginta quinque fuerunt, dividebautur in urban as et rustïcas. Corona audientium, quos video muitos wil zeggen, dat ik een talrijke schare van toehoorders zie; quorum video muitos, dat ik velen van mijn toehoorders, maar niet allen zie. Let ook op de volgende zinnen. Met hoevelen zijt gij, quot est is? Wij zijn met niet meer dan honderd, non plu res sum us quam centum.

c) wanneer de deelen van het geheel worden aangegeven door quis-que, uterque, pars... pars, alius... alius, alter... alter, alius alium, alter alterum, enz. en het geheel vooral moet uitkomen. B.v. Capti ab Jugurtha pars in crucem acti, pars bestiis objecti sunt. Nostri repentino metu perculsi, sibi q nis que pro moribus consul nut. Decemviri perturöati alius in aliam partem castrorum discurrunt. Enkele malen richt zich het praedicaat niet naar het subject, maar naar de als appositie bijgevoegde deelen en staat alsdan altijd daarachter. B.v. Pietïïres et poëtae suum quisque opus a vulgo considerari vult. Duo consules ejus anni alter ferro, alter raorbo periit.

d) wanneer het woord van hoeveelheid wordt uitgelaten. B.v. Geef hem van de boonen is. niet da ei fabarum, maar da ei de f a b i s.

ocr page 208

Genetivus partitivus.

189

§ 245.

3°. de adjectiva en adverbia in den superlativus of in den comparati vus, wanneer deze in plaats van den superlativus gebruikt wordt, benevens eenige adjectiva in den positivus, die de beteekenis hebben van een superlativus, zooals: princeps, de eerste, medius, de middelste, relïquus, overig. B.v. Varro doctissiraus fuit Romanorum, Varro is de geleerdste der Romeinen geweest. Major fratrum melius pugnsiTit, de oudste der (twee) broeders heeft het beste gestreden. Xon sine causa dii hominesque hunc condendae Romae locum elegerunt, regionum Italiae medium, niet zonder reden hebben de goden en de menschen voor het stichten van Home deze ■plaats gekozen in het midden der landstreken van .Italië. Cicero omnium oratorum Latine loquitur elegantissime. Cicero spreekt van alle redenaars het sierlijkst Latijn.

Aanmerking I. *De dichters en geschiedschrijvers gebruiken de super-lativi primus, postrcraus, ultimus, no vissimus, summus, infimus, imus, intimus, extremus, enz. alsmede de positivi ni e-dius, relïquus, enz. meermalen als' enkelvoudige ouzijdige substantiva en laten er dau een genetivus partitivus van afhangen. B.v. Extremum «etatis, het laatste {gedeelte) van het leven; reltquum uoctis, het overige (gedeelte) van den nacht; medium anni, het midden van het jaar. De beste prozaschrijvers echter gebruiken deze superlativi en positivi, wanneer zij een deel van een geheel aanduiden, als adjectiva en zeggen extrema aetas, re'ïqua nox, medius annus. Zij plaatsen deze adjectiva in dit geval altijd vóór liet substantivum. B.v. Sol in medio mundo situs est, f7e zon is in het midden der wereld geplaatst. Quis est hic senex, quem video in ultima platea, wie is die grijsaard, dien ik daar zie op het einde van de straat? Prima luce sum mus raons a Labiëno tenebatur,

hij ht t begin van den dag werd de top des bergs door Labienus bezet. Zoo deze adjectiva achter het substantivum staan, hebben zij dezelfde beteekenis als in het Nederlandsch. Zoo is media urbs het midden der stad, doch urbs media de middelste stad. ^

Somtijds gebruiken ook Cicero en Caesar sommige superlativi en positivi in het neutrum plurale als substantiva met een genetivus partitivus. B.v. Summa pectoris, de bovenste gedeelten can de horst; enjusque artis difficillima, de moeielijkste punten vim iedere kunst; ' in occnltis ac reconditis templi, in de geheime en verborgen plaatsen van den tempel. r ««. ^-/ ■ _ J.

Aanmerking II. *Somtijds wordt bij telwoorden en adjectiva van hoeveelheid en meermalen bij comparativien su perlati vi7-'quot;—^ de genetivus partitivus vervangen door de praeposities inter, ex, ook wel de, in, nooit a. B.v. Ex nostris militibus cir citer Septuaginta ceciderunt, van onze soldaten zijn er omstreeks zeventig gesneuveld. Inter maxima vitia nullum est frequentius quam ingrati animi, van de grootste misdaden is er geen meer gewoon dan die der ondankbaarheid. Acerrimus ex omnibus nostris sensibus

li li

ip

J

3 1 ]

1

ocr page 209

Genetivus partitivus.

§ 245.

190

est sensus videndi, /»«lt; scherpste van al onze zintuigen is het gezicht.

De praepositie ex, de (soms in) is noodzakelijk, wanneer het geheel wordt voorgesteld door een substantivum met een numerale door een numerale alleen. B.v. Optimus ex Yiginti fun dis,A-/ het beste der twintig landgoederen. De tribus hoc extremum est, dit is het laatste van de drie. Cicero en Caesar verbinden unus altijd met ex of de, wanneer het niet gevolgd wordt door alter of alius. B.v. Unus de multis. Wordt het echter door een dezer beide woorden gevolgd, dan gebruiken zij een genetivus partitivus. B.v. Ga 11 ia est omnis divlsa in partes tres, quarum unam incölunt Belgae, aliam Aquitani, tertiam Celtae.

*4°. de adverbia van hoeveelheid, wanneer zij als substanti va gebruikt worden, zooals: abunde, affittim, overvloedig, parum, te weinig, nimis, te veel, satis, genoeg, partim, deels. B.v. Nonnulli oratores nimis insidiarum ad capiendas aures adhïbent. Crassus in summa comitate habebat etiam severitatis satis. Bij nomina concreta gebruikt men satis liever met een adjecti-vum dan met een genetivus partitivus. Zoo zegt men beter satis multi milites dan satis militum, beter satis magna pecunia dan satis pecuniae.

Aanmerkingen. De adverbia van plaats ubi, ubicunque, uus-quam, usquam, unde, hie, hue, eo, aliquo nemen soms ter versterking van hunne beteekenis de genetivi gentium, terrarum, loei, locorum bij zich. B.v. Ubi gentium es, waar ter wereld zijt gij? Nusquam terrarum invenltur homo omnibus partibus fe-1 i x, nergens ter wereld vindt men iemand, die onder alle opzichten gelukkig is.

Algemeen gebruikelijk is de spreekwijze quoad ejus fieri potest, f a c e r e possum, in zoover zulks kan geschieden, zoo goed mogelijk. B.v. Causas hujus rei iuvestigavi, quoad ejus tieri potuit. Velijn, ne intermittas, quoad ejus facere poteris, scribere ad me, etiamsi rem, de qua scribas, non habebis.

De adverbia eo, quo, hue en adeo worden door sommige schrijvers in de oneigenlijke beteekenis van graad, trap met een genetivus verbonden. B.v. Ipsi neseire videmini quo amentiae progress! sitis, zelf schijnt gij niet te weten tot welk een graad van waanzinnigheid gij.gekomen zijt. Eo audaciae processerat, tot zulk een trap van vermetelheid was hij gekomen. Cicero en Caesar zullen hier zeggen ad eam (tantam) audaciam of tantum audaciit processerat.

Niet navolgenswaardig zijn de tijdsbepalingen postea loei, naderhand, in'terea loei, intusschen, adhuc locorum, tot nu toe, t u m temporis, toen.

5°. *de volgende onzijdige pronomina en adject! va van hoeveelheid; hoc, id, i 11 u d, i s t u d , idem, quid en c. u o d met hunne composita, aliud, amplius, multum, plus, plurirnum, minus, m i n i in u m, » p a u 1 u m, paulülum, n i m i u m, dimidium, tantum, zooveel, quantum, hoeveel, tantülum, zoo weinig, quan-ttilum, hoe weinig, tantundem, even zooveel, a li quant urn, vrij wat, alsmede nihil, niets. (Magnum en parvum wordeu nooit, exi-guum hoogst zelden aldus geconstrueerd). B.v. Homo sum, humani nihil a me alienum puto.

*Deze woorden mogen echter slechts dan een genetivus partitivus l)ij

r

ocr page 210

Genetivus partitivus.

zich hebben, waaneer zij iu deu nominativus of accusativus staan en niet afhangen van een praepositie. B.v. Quid injuriae tibi factum est, welk onrecht is u geschied? Sol nobis omnibus idem lucis et calöris largitur, de zon geeft ons allen evenveel licht en warmte. Flaminius id tantum hostium, quod ex adverto erat, conspexit, Flaminius zag slechts dat gedeelte der vijanden, dat tegenover hem stond. Dimidium facti, qui bene coepit, habet, een goed begin is het halce werk. Men mag echter niet zeggen per multam temporis in plaats van per mu 11um tempus; niet in hoe opere minimo consilii usus es in plaats van in hoe opere mi-nimo consilio usus es. Soms echter vindt men ad, zooals admul-t u m d i e i (ad multum diem); ad id loci, aetatis, audaciae (ad eum locum, ad eam aetatem, audaciam).

Niet enkel substantiva mogen bij deze woorden in den genetivus partitivus staan , maar ook enkelvoudige onzijdige adjectiva van gt;le tweede declinatie. B.v. A liquid n ov i, iets nieuws. Nihil sincëri, niets oprechts. Wanneer van deze adjectiva een ander woord afhangt, zooals: nihil fide sua indignum fccit, hij heeft niets gedaan, dat zijne trouw onwaardig was, of wanneer de bovengenoemde woorden als adverbia gebruikt worden, zooals: nihil te dignum invenio, ik bevind u volstrekt niet waardig, mag de genetivus partitivus niet gebruikt worden.

De adjectiva der derde declinatie, alsmede alius mogen niet in den genetivus partitivus gezet worden, maar moeten met het onzijdige pronomen of adjectivum van hoeveelheid overeenkomen in geslacht, getal en naamval. B.v. Niets anders, nihil aliud. Iets hemelsch, all quid caeleste. Slechts één geval is uitgezonderd, wanneer namelijk een adjectivum dor derde declinatie verbonden is met een adjectivum dei-tweede declinatie, dat in den genetivus partitivus voorop staat. B.v. Aliquid divini et caelestis. Ook met herhaling van hetregeerende woord: nihil solïdi, nihil expressi, nihil eminentis. Men kan echter evengoed zeggen aliquid divinum et caeleste en moet dit doen, wanneer het adjectivum der derde declinatie voorop staat. B.v. Aliquid caeleste et divinum.

Aanmerking. Do adjectiva der tweede declinatie behoeven bij deze woorden niet in den genetivus te staan. Men kan evengoed zeggen aliquid novum als aliquid novi; do eerste uitdrukking doet echter meer de qualiteit, de laatste meer de quant iteit uitkomen.

Behalve plus, tantundem en quid met zijn composita kunnen deze pronomina en adjectiva van hoeveelheid ook als adjectiva gebruikt worden. Hoe negotium is evengoed als hoe negotii, multum tempus evengoed als multum temporis. Men moet echter altijd zeggen plus hostium, zoo men geen plures hostes wil gebruiken, quid rei, zoo men niet liever zegt quae res.

Tantum, quantum is in de beteekenis zoo. groot, hoe groot, altijd adjectivum. B.v. Tantum negotium, een zoo groots taak; tanti homines, zoo groote menschen; in de beteekenis zooveel, hoeveel, altijd subst an t i v um. B.v. Habes tantum librorum, quantum ego vix hominum vidi, gij bezit zooveel boeken, als ik nauwelijks nien-schen heb gezien.

§ 245.

ocr page 211

Genetivus criminis.

246—248.

192

§ 246. Genetivus epexegeticus. Met dezen naam duidt men den genetivus aan, die in sommige gevallen de plaats vervangt eener Nederlandsche appositie. Vgl. § 194.

§ 247. Grenetivus criminis. rIn dezen genetivus staat (gewoonlijk met uitlating van crithïne of ndmïne) de naam van de misdaad bij de verba van beschuldigen, aanklagen, overtuigen, veroordeelen en vr ij spreken, alsmede bij de adjeetiva en participia reus, noxius, schuldig, innoxius, insons, onschuldig , compertus, manifestus, overtuigd. B.v. Aliquem ambitus, falsi, parricidii accusare, de-ferre, postul are, iemand aanklagen of beschuldigen van kuiperij, vervalsching, oudermoord. Aliquem damnare of con-demnare perduellionis, sacrilegii, iemand veroordeelen om landverraad, tempelroof. Aliquem absolve re capitis. iemand, vrijspreken van de doodstraf (van een misdaad, waarop de doodstraf staat).

Wanneer de misdaad niet bepaald wordt aangegeven, moeten de ablativi crimine of nomine gebruikt worden. B.v. Si inïquus ea in me judex, condemn a bo eüdem ego te crimine, zoo gij voor mij een onrechtvaardig rechter ziji. zal ik u om dezelfde misdaad veroordeelen.

Meermalen staat jn plaats van den genetivus criminis de praepo-sitie de. B.v. Del/fffSj estate accusare aliquem, iemand beschuldigen van een vergrijp tegen de- waardigheid van den staat.

Deze praepositie is noodzakelijk, wanneer de genetivus van een woord niet bestaat. B.v. De -vi coarguere aliquem, /ewawc?

aanklagen van verzet tegen den staat.

*Aaumerking. Wanneer accusare, incusare berispen, zich beklagen beteekenen, hebben zij gewoonlijk den naam van de misdaad in den accusativus en van den persoon in den genetivus. B.v. Iner tiam accusas adolescentium, gij berispt de jongelingen over hunne vadsigheid.

§ 248. Den naam der straf, waartoe iemand veroordeeld wordt, drukt men bij damnare en condemnare uit door capitis (ook capite,'een enkele maal morte, nooit mortis), ter dood■, quanti, tot hoeveel, dupli, quadrupli, octüpli, tot een dubbele, vierdubbele, achtdubbele boete. B.v. Majores nostri in legibus posuerunt, furem dupli condemnari, foenera-

torem quadrupli.

_ *Aanmerkiiigen. Bepaalde geldsommen staan altijd in den ablativus. B.v. Aliquem damnare decem rnilibus aeris, du-

ocr page 212

Genelivus objedivus.

193

§ 249—250.

centis flor enis, iemand veroordeelen tot tien duizend as, twee honderd gulden.

Andere genetivi en ablativi komen bij goede prozaschrijvers niet voor. Zoo de straf op deze wijze uiet kan worden uitgedrukt, gebruikt men een omschrijving en wel meestal met mul tare, straffen, waarbij de straf in den ablativus staat. B.v. Hij werd tot gevangenis veroordeeld, damnatus et in carcërem (vincüla) eoujectus est. Hij icerd veroordeeld tot een geldboete, tot ballingschap, om gegeeseld te worden, damnatus et pecunia, exsilio, verberibus multatus est.

In het zilveren tijdvak zeide men ook damnare aliquem in ex-pensas, ad b t i a s , in metalla, ieinand veroordeelen tot de kosten, tot een dierengevecht, tot mijnarbeid.

Voti (votorum) damnatus beteekent iemand, die zijn rcensch verkregen heeft, l T. ZZrr;^yYósf*lt;rS: -i.

§ 249. Geneti tus pretii. Bij de verba van schatten en achten (aestïmo, facio, puto, habeo, duco, pende) staan de volgende a d j e c t i v a in den genetivus, om aan te duiden hoe hoog iets geschat of geacht wordt: magni (niet multi), hoog7 pluris (niet majoris), hoog er, plurimi, maximi, zeer hoog, of het hoogst, per magni, zeer hoog, parvi, gering, mi nor is, geringer, minimi, zeer gering of het geringst, t a n t i, zoo hoog, quanti, hoe hoog, tantidem, even hoog, quantïvis, alles waard, quanticunque, hoe hoog ook. B.v. Voluptatem virtus minimi facit, de deugd acht het zinnelijk genot zeer gering. Quanti quisque se ipse facit, tanti fit ab amicis, een ieder wordt zoo hoog door zijn vrienden geacht als hij zich zeiven acht.

Aanmerking. Om in de taal van het gezellig verkeer aan te duiden, dat men aan iets volstrekt geen waarde toekent, voegt men bij de verba non facere, non habere, non putare, non ducere de genetivi assis, een as, teruncii, het vierde eener as, f 1 o cc i, een vlok, nauci, een schil, pi li, een haar, hujus, dit. B.v. Servum non nauci facio, ik acht den slaaf geen zier, geen duit waard.

Ook vindt men soms n i h 11 i in plaats van pro n i h ï I o habere, putare, ducere. Vgl. § 221. Aanm. 11. Vervolgens aliquid aequi of aequi bonlque facere, aliquid boni consulëre, iets voor lief nemen, enjens mede tevreden zijn.

§ 250. Geneti vus objectivus bij substantiva. Deze genetivus staat bij alle substantiva, die een handeling of gewaarwording te kennen geven, welke op een of ander object overgaat. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels tot, naar, jegens, ojo, in, tegen, enz. B.v. Cupidïtas pecuniae, begeerte naar geld. ïaedium lab oris, verdriet in den arbeid. F i d u c i a virium suarum, vertrouwen op zijn krachten. Incitamentum honoris, een prikkel tot eer. Appeteatia cibi, verlangen naar spijs. Potestas vitae necisque, macht over leven en dood.

5e druk. 13

ocr page 213

Genetivus objectivus.

§ 251—252.

194

Aanmerking. Een Nederlandsch samengesteld zelfstandig naamwoord wordt in het Latijn dikwijls vertaald door twee sub-stantiva, waarvan het eene in den genetivus possessivus of objectivus staat. B.v. De handelsstand, or do mercator um. Krijgstooneel, belli sedes. Eerzucht, cupidïtas gloriae. Waarheidsliefde, veritatis a mor, ^ i

(J Qs*quot;*quot;

§ 251. Bij den genetivus objectivus gebruikt men gewoonlijk de pronomina personalia mei, tui, sui, nostri, vestri (nooit nostrum, vestrum). B.v. Desiderium mei, het verlangen naar mij. Mem or ia nostri, de herinnering aan ons. A mor sui) eigen liefde.

Aanmerking I. De uitdrukking pars mei, tui, nostri, vestri, zooals: nostri pars melior animus est, ons beste deel is de ziel, moet als genetivus objectivus verklaard worden.

Aanmerking II. Meermalen worden de pronomina possessiva gebruikt in plaats van de personalia in den genetivus objectivus. B.v. Invidia tua, nijd tegen u. Ipse suus fuit accusator, hij is de beschuldiger geweest van zich zeiven. Vos oramus ut memoriani no-stram perpetuo servetis, wij bidden u de herinnering aan ons altijd te bewaren. Habenda ratio non sua solum, sed etiam a 1 iorum, men moet niet alleen op zich zeiven, maar ook op anderen acht slaan.

Aanmerking III. Meermalen komende pronomina demonstra-tiva, interrogativa en relativa, in plaats van in den genetivus possessivus of objectivus te staan, als attributum met het regeerende substantivum overeen. B.v. Hie dolor animum meum fregit, de smart hierover heeft mijn hart gebroken. Qua admiratione tenëris, waarover verwondert gij u? Quae pulchritudo major est quam v i r t u t i s , de schoonheid van deze zaak is grooter dan die der dapperheid. Scaevöla in eo numero fuit, qui Porsenam interimere para ti erant, Scaevöla behoorde tot het getal van diegenen, welke Porsena wilden dooden. Amicitia est ex eo genere, quae vitam beatam reddunt, de vriendschap behoort tot die soort van zaken, welke het leven gelukkig maken.

*§ 262. Zooals uit § 238 bleek kan men soms bij de verbinding van sommige substantiva met een genetivus niet zien of het een genetivus subjectivus of objectivus is. Gewoonlijk zullen de overige woorden van den zin deze dubbelzinnigheid opheffen. Zoo kan sine metu hostium esse alleen beteekenen: zonder vrees voor de vijanden zijn. Injuria inimisorum me infelieem reddidit kan eveneens slechts den zin hebben: het onrecht, dat mijne vijanden mij aandeden, heeft mij ongelukkig gemaakt. Wordt de dubbelzinnigheid echter niet opgeheven door het zinverband, dan gebruikt men een praepositie of een omschrjj-viug. B.v. Piëtas erga parentes of pietas, qua liberi parentes venerantur, praeclïïra est virtus.

Ook buiten het geval van dubbelzinnigheid gebruikt men meermalen in plaats van den genetivus objectivus van personen (niet van zaken) een

ocr page 214

Genetivus objectivus.

§ 253—254.

195

avïdus studiosus

fastidiösus, afkeeruj van. perïtus \

insuetus

insuetus )

insölens j ongewoon aan.

memor, gedachtig aan. immémor, ongedachtig aan. partTceps \

gnarus

ervaren in.

deelhebbend aan.

censors

compos

potens

impos

irapötens

) iets machtig, i meester over. v iets niet machtig,

iivis Jiivi iruaivis Jiivi irua

geen meester

ignarus

imprüdens

-

praepositie bij de substantiva van genegenheid en afkeer, van vriendschap en vijandschap. Vooral geschiedt dit, wanneer het regeerende substantivum een pronomen possessivum bij zich heeft of zelf in den genetivus staat. B.v. Meus erga te amor. Si quid amoris erga me in te resïdet.

Zoo men geen praepositie gebruikt in geval de eene genetivus van den anderen afhangt, zorge men voor een duidelijke woordplaatsing. B.v. Non alia ulla fuit causa intermissionis epistolarum, nisi quod ubi esses, plane nesciebam.

§ 253. De genetivus staat gewoonlijk achter het regeerende nomen behalve wanneer de aadruk op den genetivus valt. B.v. Mors fratris tui acerbissima mihi fuit. Atheniensium urbs omnium artium fuit inventrix. Animi motus, hartstochten. Terrae mo-tus, aardbeving. Belli fortuna, hrijgsgeluk. Corporis voluptates, zingenot.

Behoort één genetivus bij twee nomina, dan staat hij of vóór het eerste nomen óf achter het tweede öf achter het eerste. B.V;'Cae-saris fortitude et prudentia of fortitude et pr udentia Cae-saris of fortitude Caesaris et prudentia.

Behooren twee door een copula verbonden genetivi bij één nomen, dan staan zij beiden voorop of beiden achteraan öf het nomen wordt gevoegd tusschen den eersten genetivus en de copula. B.v. Caesaris et Ciceronis oration es of orationes Caesaris et Ciceronis öf Caesaris orationes et Ci® ér on is.

Zoo een genetivus subjectivus en een genetivus objectivus bij één substantivum staan, komt gewoonlijk de g ene ti v us sub j ec t i v u s voorop, en dan- of het substantivum öf de genefivus objectivus, naarmate het zinverband vordert. B.v. Helvetiorüm injuriae populi Romani, heleedigingen van de Helvetiërs jegens de Romeinen. S^a'evolae dicendi elegantiam satis cognitam habemus.

§ 254. Genetivus objectivus bij adjectiva. Dezen genetivus regeeren:

1°. de adjectiva, die beteekenen begeerig, er varen.gedach-tig, deelachtig, machtig, en het tegendeel. Hiertoe behooren: cupïdus inscius, onbewust van.

ocr page 215

Genetivus objectivus.

§ 254.

196

B.v. Solus homo rationis est partïceps, alleen de mensch is der rede deelachtig. Pythagöras sapientiae studiösos appellavit philosöphos, Pythagoras noemde hen, die begeer ig waren naar wijsheid, wijsgeer en. Omnes immemörem beneficii oderunt, allen haten dengene, die een weldaad niet gedachtig is.

*A.anmerking I. Bij conscius, zich bewust van, staat meestal nog een dativus Tan den persoon. B.v. Nnllius cuipae sibi con-scium esse. In de beteekenis van medewetend regeert het ook den dativus (illi facinöri conscius) en de praepositie de (his de rebus conscius).

Kudis en prudeus wordeu ook met in geconstrueerd. B.v. Rudis injure civïli. Prudens injudicando.

Insuëtus staat ook met ad. B.v. Insuetus ad onëra portanda.

Aanmerking II. Geheel eigenaardig staat dikwijls bij dichters en geschiedschrijvers de genetivus animi bij de adjectiva, die een gemoedsstemming uitdrukken en bij de verba, die angstig, twijfelmoedig zijn beteekenen. B.v. Aeger emimi, bekommerd van geest. Discrucior animi, ik word gefolterd in mijn gemoed. Behalve bij pen-dere animi, twijfelmoedig zijn, gebruikt Cicero bij zulke verba den ablativus partis animo. In het meervoud heet het altijd pen der e ani-mis (nooit animorum). In plaats van den genetivus animi zet men in klassiek proza dit woord met het regeerende adjectivum in den genetivus of ablativus qualitatis. B.v. Homo audacis animi of audaci animo in plaats van audax animi.

2°. vele participia praesentia van verba transitiva, wanneer zij niet een voorbijgaande handeling, maar een duurzame eigenschap beteekenen. B.v. Hannibal frigöris et cal oris patiens fuit, Hannibal was gehard tegen koude en hitte. Men aegt daarentegen: milïtes Hannibalis, dum Alpes supërant, frigus patientes fuerunt, de soldaten van Hannibal doorstonden hij hunnen overtocht over de Alpen de koude. Artium intellëgens, een kunstkenner. Religiónum neglegens, ongodsdienstig. Fluvius navium patiens, een bevaarbare rivier. Ook wanneer zij in den comparativus en superlativus staamv B.v. Quis famulus amantior do mini est quam canisquot;?4 Suraus natura appetentissimi honestatis.

Totxdeze participia behooren voornamelijk amans, appëtens, colens, dilïgens, efficiens, fugiens, metuens, neglegens, patiens, sitiens.

Staat bij deze participia een adverbium, dan regeeren zij gewoonlijk den accusativus. B.v. Sol est constantissime efficiens vicissitudïnes anniversarias. Men vindt echter ook den genetivus. B.v. Eques locüples, sui negotii bene gerens.

ocr page 216

§ 255—256. Genetivus bij pudet 197

XJ

3°. in het latere Latijn de adjectiva op ax, die van verba trans-itiva zijn afgeleid. B.v. Tenax propositi, vast op zijn stuk staande.

§ 255. Genetivus objectivus bij verba. De verba admo-neo, commoneo, coramonefaeio, ik herinner (een ander), me mini, reminiseor, recordor, venit mihi in mentem, ik herinner mij, en obliviscor, ik vergeet, hebben den persoon of de zaak, welke men zich zeiven of een ander in de gedachte brengt of welke men vergeet, in den genetivus. B.v. Semper h iij us diëi et loei meminero, altijd zal ik mij dezen dag en deze plaats herinneren. Proprium est stultitiae alio rum vitia cernëre, oblivisci suorum, het is eigen aan een dwaas de gebreken van anderen te zien en de zijnen te vergeten. Venit mihi Platonis in mentem, ik herinner mij (toevallig) Plato. Foederis eum admonuit, hij herinnerde hem aan het verbond,

*Aanraerkingen. De onzijdige pronomina en adjectiva van hoeveelheid staan bij deze verba in den accusativus. B.v Illud me praeclare admones. Admoneo, commoneo en com-mouefacio hebben dikwijls de praepositie de. B.v. De proelio vos paulo ante invTtus admonui.

Memini heeft de zaak in den genetivus of accusativus (me-minisse beneficia; memini constantiae tuae), deu persoon in de betec-kenis ik herinner mij nog (en met een ontkenning niet meer) in den acc usativus (Antipater ille Sidonius, quem tu probe meministi) en in de beteekenis ik denk aan iemand in den genetivus (memineris mei). Soms heeft memini de.

Reminiseor heeft deu genetivus of accusativus.

Recordor eu obliviscor hebben de zaak in den genetivus of accusativus, recordor den persoon met de en obliviscor den persoon in den genetivus.

Venit mihi in mentem kan de zaak, zoo deze voorgesteld wordt door een onzijdig pronomen of adjectivum van hoeveelheid, of door een substantivum van algemeene beteekeuis, zooals res, genus, ook als subject in den nominativus hebben. B.v. Quae mihi venie-bant in mentem existimavi me ad te oportere scribere.

§ 256. De verba impersonalia

pudet, pig et, paenitet,

t a e d e t atque m i s ë r e t hebben den persoon, die zich schaamt, die verdriet of berouw heeft, wien iets verveelt of die medelijden gevoelt, in den accusativus (behalve bij het gerundivum, waar de dativus gebruikt wordt) en den persoon of de zaak, waarover hij zich schaamt, enz. in den genetivus. B.v. Tui me misëret, ik heb medelijden met u. Taedet eum vitae, hij heeft verdriet in zijn leven. Sunt homines, quos libidïnis infamiaeque suae

ocr page 217

Genetivus bij interest.

§ 257.

198

neque pudeat neque taedeat. Consilii nostri nobis paenitendum puto.

De zaak kan ook uitgedrukt worden door een infinitivus (niet door den genetivus van het gerundium) en door een zin met quod of met een vraagwoord. B.v. Non me pudet fateri nescire, quod (terugziende op een uitgelaten id) nesciam, ik schaam mij niet te bekennen dat ik niet weet, wat ik niet weet. Q u i n t u m paenïtet quod animum tuum offendit, Quintus heeft berouw dat hij u beleedigd heeft. Fon paenïtet me quantum profe-c e r i m, ik heb geen berouw over de vorderingen, die ik gemaakt heb.

Aanmerkingen. Bij deze impersonalia moeten de werkwoorden posse, deb ere, solëre, desinëre en dergelijken onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Non potest paenitëre me hujus facti, ik kan hierover geen berouw gevoelen.; Debuerat illos pudere hujus facti, zij hadden zich moeten schamen over deze daad. Respondeam Himilconi, non desisse paeni-tere me belli.

De neutra der pronomina staan bij deze verba in den accusativus. B.v. Sapiens nihil facit, quod paeniterepossit. In dit voorbeeld is de accusativus van den persoon weggelaten.

Ook de persoon, voor wien men zich schaamt, staat bij pudet in den genetivus. B.v. Me tui, mi pater, pudet, vader, ik schaam mij voor u.

Evenals het impersonale mis er et worden ook de personalia misereor en miseresco met den genetivus verbonden. B.v. Miserére mei, heb medelijden met mij. Misëror en commi-sëror, bejammeren, beklagen, regeeren den accusativus. B.v. Miseramini socios.

§ 257. Intërest en refert, het is van belang, er is of ligt aan gelegen, worden op de volgende wijze geconstrueerd.

1°. De persoon, voor wien iets van belang is, staat in den genetivus. B.v. Patris interest, het is voor den vader van belang, er ligt den vader aangelegen.

In plaats van den genetivus dar pronomina personalia gebruikt men den ablativus der pronomina possessiva inea, tua, sua, nostra, v es tra. Waarschijnlijk vinden deze woorden hunne verklaring in een uitgelaten causa. B.v. Mea interest, het is voor mij van belang. Caesar dicëre solebat, non tam sua quam reipublïcae interesse uti salvus esset, Caesar placht te

ocr page 218

Genetivus bij interest.

199

§ 257.

zeggen, dat het niet zoo zeer voor hem ais wel voor den staat van belang was, dat hij behouden was. y

Bij deze ablativi plaatst men geen nomen appositnm, maar een relatieven zin. B.v. Interest mea, qui pater sum, filiorum meorum auimos doctrina et litteris imbui, voor mij als vader is het van belang dat mijn zoons een degelijke wetenschappelijke opvoeding ontvangen. Men moet echter altijd zeggen: omnium nostrum, ve-strum interest. Ipslus en ipsorum worden abffiTter versterking bij deze ablativi gevoegd. ^

2°. De zaak, waarin iemand belang stelt of waaraan iemand gelegen is, wordt uitgedrukt door een infinitivus (zoo de subjecten dezelfde zijn), door een accusativus cum infinitive (zoo de subjecten verschillend zijn), door een zijdelingsche vraag en door een bijzin met ut, ut non of ne. B.v. Interest omnium ree te facëre, het is voor allen van belang om oprecht te handelen. Magistri interest, discipülum esse diligen-tem óf utrum discipülus diligens sit necne of ut disci-pülus sit diligens, er ligt den leermeester aan gelegen, dat zijn leerling vlijtig is.

De zaak, waarin men belang stelt, mag niet uitgedrukt worden door een substantivum. B.v. Mij ligt veel aan uwe goedkeuring gelegen is niet: multum mea interest approbationis tuae maar: abs te approbari ófapproberne abs te öf ut abs te appröber.

De algeraeene uitdrukkingen daaraan, hieraan, waaraan worden vertaald door den accusativus der pronomina id, illud, quod, quid. B.v. Illud mea magni interest, te ut videam, hieraan ligt mij veel gelegen dat ik u zie. Vgl. § 219. 3°.

3°. Hoeveel iemand aan iets gelegen is, wordt uitgedrukt bt door den genetivus pretii magni, permagni, pluris,'quot;4parvi, eJfM nihlli, tanti, quanti (niet multi, majoris, minoris, maximi, plu-quot;*-rimi, minimi) óf door de adverbia magnopëre, vehementer, magis,

parum, enz. of door de neutra singularia van pronomina «•«—-en adjectiva multum, plus, minus, plurimum, minimum, ali^-quid, enz. alsmede door nihil. B.v. Magni (magnopëre, multum) mea interest, er ligt mij veel aan gelegen. Pluris (magis,

plus) vest ra interest, er ligt u veel aan gelegen.

4°. De zaak, waaröér iets van belang is, staat in den accusativus met ad. B.v. Magni ad'honor em nostrum interest quam primum ad urbem me venire, het is van groot belang voor onze eer, dat ik zoo spoedig mogelijk naar de stad kom.

ocr page 219

Ablativus causae.

§ 258—259.

200

Aaumerking. Refert wordt weinig verbonden raet deu gene ti vus van den persoon, meermalen met deablativi mea, tua, enz., meestal staat het op zich zei ven. H.v. Quid refert quam diu vixeris, nisi bene vixeris, wal is t-r aan gelegen hoe lang men geleefd heeft, indien men niet goed geleefd heeft? Non refert quam muitos libros, sed quam bonos habeas, het komt er niet op aan of men vele, maar of men goede hoeken heeft.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN ABLATIVUS.

§ 258. De ablativus dient in het algemeen om verschillende bepalingen aan te duiden en wordt onderscheiden in:

ablativus causae. ablativus partis.

„ instrumenti. „ p r e t ii.

„ modi. n qualitatis.

§ 259. Ablativus causae. Deze ablativus geeft de oorzaak aan, waardoor iets geschiedt. Hij staat:

1°. bij de verba passiva. Vgl. § 96. A of ab staat ook bij namen van dieren en zaken, die als personen zijn voorgesteld; bij dieren ook wel, zonder dat zij als personen zjjn voorgesteld. B.v. Cervus laceratur a leone. Non est consentaneum, qui invictum se a labore praestiterit, eum vinei a voluptate.

*Aanmerkiiig I. Somtijds staat de dativus in plaats van deu abla- , tivus causae.B.v. Mihi consilium captum jam diu est, reeds lang0^-is door mij een besluit genomen. De dativus moet gebruikt worden bij het gerundivum. Vgl. § 109. 2°. Zoo door den dativus echter onduidelijkheid ontstaat, gebruikt men den ablativus causae. B.v. Hisce civibus est a vobis consulendum, voor deze burgers moet door u gezorgd worden. Zoo hier do dativus stond, zou de zin ook kunnen be-teekenen: door deze burgers moet voor u gezorgd wordèn. Men kan de onduidelijkheid ook opheffen door een verbum te nemen, dat geen dativus regeert, of door debeo, oportet of dergelijk werkwoord te gsbruiken. Zoo kan men zeggen in plaats van tibi succurrendum est mihi of tu mihi ju vandus es óf debeo tibi succurrere öf oportet me tibisuccurrere.

Aanmerking II. *Bij gigni, uasci, oriri staat do naam van den vader, de ouders en den stand in den ablativus zonder praepositie. B.v. Mercurius Jove et Maja natus erat, Mercurius stamde af van Jupiter en Maja. Nobïli genöre ortus, uit een aanzienlijk geslacht gesproten. Bquestri loco g e n ï t u s , uit den ridderstand geboren.

Bij den naam der moeder en bij pronomina staat gewoonlijk e x (de), bij afstamming van voorouders en in overdrachtelijken zin a. B.v. Cato Uticensis ortus (oriundus) a Ccnsorio. Nulla tam detestabïlis pestis est, quae non homini ab homine n a s c a t u r.

yvvf '

ocr page 220

Ablativus causae.

201

§ 260.

2°. bij adjectiva en verba intransitiva, die een passie ve beteekenis hebben, zooals: fessus, vermoeid, saucius, gewond, interire (= interfici), omkomen, crescëre (=augëri), groeien. B.v. Fessus vulnëre, afgemat door zijn wond. Marcellus periit ab Hannibale, Marcellus werd gedood door Hannibal. Concordia res parvae crescunt, discordia maxiniae dilabuntur, door eendracht worden kleine zaken groot, door tweedracht gaan de grootste zaken te gronde. ^ .

Hiertoe bebooren vooral de verba, die een gemoedsaandoening te kennen geven, zooals die van vreugde en droefheid en de adjectiva anxius, angstig, maestus, treurig, superbus, trotsch, laetus, blijde, contentus, tevreden, fretus, ver-tromcend. B.v. Delicto dolêre, correctione gaudëre oportet, over een misslag moet men zich bedroeven, over terechtwijzing zich verheugen. Natura parvo cultu contenta est, de natuur is met een geringe verzorging tevreden. t»

*Aanmerkingen. Gloriari(de) virtute beteekeut aecA beroemeii**1/ op zijn dapperheid, in virtute, zijn roem zoeken in de dapperheid.

]Sr i t i (in) a li q u a re, steunen op iets, a d (soms in) a 1 i q u i d , streven naar iets. B.v. Sal us hominum non veritate solum, sod e t i a m fa ma uitïtur. Nitïmur in vetitum semper cupimusque n e g ïï t a.

Laborare, aan iets lijden, regeert den ablativus. B.v. morbo,

ziek zijn; odi o, gehaat zijn. Zoo echter het lichaamsdeel, waaraan men pijn heeft, genoemd wordt, gebruikt men gewoonlijk ex. B.v. Laborare ex pedibus, ex intestlnis, pijn aan de voeten, in de ingewanden heihen. •• /gt; •' sa :

Stare, bij iets volharden, hoeft gewoonlijk den ablativus, zelden in. B.v. Stare foedere, jurejurando, een verbond, een eed houden.

Constare en consistëre, bestaan uit of in iets, regeeren den ablativus, meestal met ex of in. B.v. Homo ex animo et cor-pore constat, de mensch bestaat uit ziel en lichaam. Vita om nis Germanorum in venationibus at que in studiis rei militaris consistit. Zoo de gelijksoortige deelen van een geheel worden aangegeven, gebruikt men esse met den genetivus. B.v. Annus tre-centorum sexaginta quinque dierum est, het jaar bestaat uit 365 daaen. a.,

§ 260. De innerlijke beweegreden en de uitwendige grond, waarom iets geschiedt, kunnen uitgedrukt worden dooiden ablativus. B.v. Oderunt peccare boni virtutis am ore, de goeden haten het kwaad uit liefde tot de deugd. Quidam morbo aliquo et sensus st*poresuavitatem cibi non sentiunt, ten gevolge van een of andere ziekte en stompheid van zintuig hebben sommigen geen smaak van hun eten.

I/W

j:-.. ■

ocr page 221

Ablativus instrumenti.

202

§ 261.

^Aanmerking I. De innerlijke beweegreden wordt gewoonlijk uitgedrukt door omschrijving met het participium perfectum passivum van een verbum, dat bewegen, overhalen, aanzetten beteekent. B.v. Uit medelijden, motus, commötus, impulsus, adquot; ductus misericordia. Uit haat, incensus, inflammatus odio-Uit vrees, perterrïtus metu. Uit wanhoop, ti Ad tus desperation e.

'Aanmerking II. De uitwendige grond wordt gewoonlijk aangegeven door de ablaitivi ju_ssu, injussu, rogatu, oratu^ admo-nïtu, permissu, concessu, enz. met bijvoeging van een ge net ivus of pronomen possessivum. B.v. Ad mortem te ducijussu consulis jam pridem oportebat, reeds eer had men u op hevel van den consul ter dood moeten brengen, ürbs meo jussu munitaest, de stad is op mijn bevel versterkt. Behalve bij deze woorden gebruikt men meestal de praeposities propter, o b, of de ablati vi causa, gratia, ergo, nomine met een genetivus of pronomen possessivum.

Het is echter niet onverschillig welk dezer woorden men gebruikt.

Propter geeft een werkelijk bestaanden, ob een gedachten grond aan. Vgl. § 162. 17.

Causa geeft een doel te kennen. B.v. Vcnatores caues vena-tionis causa condocefaciunt, de jagers dresseeren de honden om de jacht.

Gratia boteekent ter wille, ten gunste van. B.v. Bestiae hominum gratia generatae sunt, de dieren zijn ter wille van de menschen geschapen.

Ergo wordt slechts gebruikt in eenige geijkte spreekwijzen, zooals: virtütis ergo donari; victoriae ergo donum dedit.

Nomine wordt meestal slechts gebruikt, waar wij in naam van kunnen zetten, zooals meo nomine; quod ad me Lentüli nomine scripsisti, locutus sum cum Cincio.

In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men, behalve bij een sterke tegenstelling, de pronomina possessiva. B.v. ïua causa hoc facio, ik doe dit om uwentwil. Quam multa, quae nostri^causa nun quam faceremus, facimus causa amicorum. (Bij de plaatsing van causa is de chiasmus toegepast. Vgl. § 484. A.)

Zonder genetivus of pronomen possessivum zegt men ea de causa, ob earn causam. In proza voegt men nooit een possessivum bij gratia.

De genetivus en het pronomen possessivum worden vóór deze ablativi geplaatst. #.w*-

*Aanmerking III. Zoo men de oorzaak wil aangeven, waardoor iets verhinderd wordt, gebruikt men gewoonlijk prae. Vgl. §163. 6.

Aanmerking IV. Zoo om, wegens den zin heeft van wat betreft, gebruikt men per. B.v. Per me aut manëre aut abire ti bi licet, om mij moogt gij blijven of weggaan. Cum per valetudtnem navi-gare poteris, ad nos veni, zoo gij wegens mee gezondheid de zeereis kunt maken, kom dan naar ons.

§ 261 Ablativus instr umenti. Deze ablativus geeft het middelste kennen, waardoor of het werktuig, waarmede iets geschiedt. B.v. Cornibus tauri, apri dentibustutantur,

de stieren verdedigen zich met hunne horens, de zwijnen met

ocr page 222

Ablativus modi.

203

§ 262—263.

hunne tandm. Canëre tibiis, fluitspelen. Ludëre pila, tes-sëris, kaatsen, dobbelen. Vehi equo, n ave, 'paardrijden, varen.

In het Latijn gebruikt men dikwijls een ablativus instrumen ti, waar wij ook een plaatsbepaling aanwenden. B.v. Portitor parva cumba nos trans flu men trajëcit, de veerman zette ons in een bootje over de rivier. Pisces rete capëre, visch vangen in een net. Aquam hama haurire, water scheppen in een emmer. Sanguïnem patëra excipëre, bloed opvangen in een schaal. Includëre aliquem carcëre

quem domo, iemand bij zich in huis nemen.lt;

schatten staat de maatstaf in den ablativus, soms met ex. B.v. Magnos homines virtute metlmur, non fortuna,

groote mannen beoordeelen wij naar hunne deugd, niet naar hun geluk. Galli spatia om nis temporis non numero die rum, sed noctium finiunt. Vulgus ex veritate pauca, ex opinio ne multa aestïmat.

§ 262. De .persoon, door wiens bemiddeling of tusschenkomst men iets verricht, staat gewoenlijk in den accusativus met per. B.v. Per servos de tuo adventu certior factus sum,

door slaven ben ik van uwe komst verwittigd. Per tabellarios mi si Romam litter as, met brievftnboden heb ik een brief naar Rome gezonden.

De soldaten, van welke een veldheer zich bedient, staan meermalen in den ablativus. B.v. Paucis militibus turrim proximaiD yL—Jé-

cepit, met weinig soldaten bemachtigde hij den naasten toren. Ho stem ___

sagittariis et fuuditoribus emïnus t e r r e b a t, hij verschrikte den „j. quot;

vijand uit de verte door de hoor/schutters en slingeraars.

lu plaats van per wordt ook opera gebruikt, vooral zoo er een ' pronomen possessivum by staat. B.v. Ciceronis unïus opera respnblica couservata est, door toedoen van Cicero alleen is de staat hehouden. M e a opera (per me) Tarentum r ec e p i s t i, door mij hebt gij Tarente weder veroverd, ty,*. .

Ook gebruikt men soms, maar alleen in gunstigen zin, den ablativus beneficie. B.v. Beneficie tuo (per te) salvus sum, door u

§ 2b3. Ablativus modi. Deze ablativus drukt de wijze uit, waarop iets geschiedt. Gewoonlijk bestaat hij uit een substan-tivum en een adjectivum met of zonder cum. B.v. Legiones nostrae incredibïli (cum) celeritate profectae . sunt, onze legioenen zijn met ongeloofelijken spoed vertrokken.

ocr page 223

Ablativus modi.

204

§ 264.

Cum doet den ablativus modi sterker uitkomen. B.v. H u n e 1 i b r u m summa diligentia legi = diligentissime; doch cum summa diligent ia, ik heb dit boek niet enkel gelezen, maar ik heb bij het lezen de grootste aandacht gehad.

Aanmerking I. Cum wordt niet gevoegd:

1°. bij de substantiva, die wijze beteekeuen , zooals : m odo, ratione, ritu, more. B.v. Hoe modo scripsi. Bij modo mogen alleen pronomina en adjectiva van hoeveelheid gevoegd worden, zooals: simt li, pari, omni, hoe, aliquo, quodam modo. Indien er andere adjectiva noodig zijn, gebruikt men een andere uitdrukking. Zoo zegt men niet fortissimo modo maar summa cum virtute pugn are; niet hostTli modo maar hostilïter of hostllem in m od u m a g r o s popular i.

2°. bij auimo, meute, consilio. B.v Aequo animo, hac mente, hoe consilio id fero.

3°. bij condicione, lege. B.v. Ea condicione, ea lege fieri potest.

4°. bij lichaamsdeeleu. B.v; Nudo capïte, promisso capillo incedëre.

v Aanmerking II. Cum wordt altijd gevoegd:

10. bij een uitwendige bijkomende omstandigheid, waar wij onder kunnen zeggen. B.v. Divitiacus multis cum lacrïmis Cae-sarem complexus obsecrare coepit.

2°. om het gelijktijdig gevolg der handeling aan t^ duiden, waar wjj to£ kunnen zeggen. B.v. Miltiades Athenas magna cüm of-fensione civium suorum rediit.

Aanmerking III, In plaats van een adjectrvum staat dikwijls een genetivus bij modo, ratione, ritu, more, p e r i c u 1 o , «ei gevaar, pace, venia, met verlof, auspicio, auspiciis, onder het bestuur, i ni p e r i o, onder het hevel, d u c t u , onder de leiding, loco, in plaats, simulatione, onder voorwendsel, specie, onder den schijn. B.v. Pau-sanias more Persarum luxuriosius epulabatür. In loco be-teekent op zijn tijd. B.v. Dulce est desipëre in loco, het is aangenaam op zijn tijd de wijsheid aan kant te zetten.

§ 264. Zoo de wijze, waarop iets geschiedt, .enkel door een substantivum wordt uitgedrukt, moet men cum gebruiken. B.v. Littera^e cum cura diligentiaque scriptae, m? èWe/', die met zorg en nauwkeurigheid geschreven is.

Aanmerking I. In plaats van cum gebruikt men meermalen per, vooral wanneer de uitwendige wijze wordt aangegeven, zooals per ludum et jocum, per litteras, of wanneer men een substantivum gebruikt, dat een zedelijke verdorvenheid te kennen geeft, zooaU per vim, per injuriam, per calumniam.

A a n m e r k i n g II. De volgende substantiva worden zonder cum gebruikt: s i 1 e n t i o , stilzwijgend, d o 1 o , met list, fraude, met bedrog, vi, met geweld, lege, op wettelijke wijze, jure, met recht, injuria, ten onrechte, via, ratione, ordine, ordelijk, voluntate, vrijwillig, alsmede vitio om aan te duiden , dat er bij iemands verkiezing tot eene of andere waardigheid zekere informaliteiten zijn geschied. B.v. Mors e o r u m, quorum vita laudabitur, silentio praeteriri non debebit.

ocr page 224

Ablativus partis.

§ 265—268.

205

§ 265. Wanneer men begeleid of vergezeld wordt van personen of aanduidt, dat iemand iets bij zich heeft, gebruikt men cum. B.v. Cum aliquo esse, proficisci, met iemand zijn, vertrekken. Servi cum telis compre^iensi^sunt, de slaven zijn met de wapenen in de hand gevangen genomen. Ro-mam cum febri ven i, ik hen te Rome gekomen met de koorts.

Majorem partem diëi cum t un i c a p u 11a seder e s oleba t, het grootste gedeelte van den dag placht hij in een donkerkleurig onderkleed te zitten. Bij het aangeven van iemands kleeding kan cum ook weggelaten worden.

Aanmerking. Bij het substautivum com it at us en bij een militair gevolg wordt, zoo er een adjectivum bij staat, cum dikwijis weggelaten. B.v. Magno comitatu, met een groot geleide.'Y oio exer-cïtu consul profectusest,rfe consul is met het gansche leger vertrokken. Bij mittëre en zijn composita mag cum niet weggelaten worden. B.v.

Neronem cum rob ore equitum emisit.

§ 266. Ablativus partis. Deze ablativus duidt het deel of de zaak aan, ten opzichte waarvan iets gezegd wordt. B.v. Agesilaus claudus erat altëro pede, Agesilaus was kreupel aan den eenen voet. Nemo Romano rum Ciceroni par fuit eloquentia, niemand der Romeinen heeft Cicero geëvenaard in welsprekendheid. Natione Gallus, een Galliër van geboorte. Acer judicio, scherpzinnig van oordeel. Numero q u i n q u e, vijf in getal.

Hiertoe behooren ook:

de ablativi sententia, opinione, judicio, testimonio meteen pronomen possessivum of genetivus, waarbij dan dikwijls nog qui de m gevoegd wordt. B.v. Isocrfttis gloria m nemo meoquidem judicio est postea consecntus, den roem van Isocrates heeft volgens mijn oordeel niemand naderhand verkregen. Socrates omnium eruditorum testimonio totiusque judicio Graeciae philosophorum omnium fuit princeps. Wanueer volgens beteekent ten gevolge van, gebruikt men ex of de. B.v. Ex mea sententia arbor illacaesa est.

vervolgeus natu met grandis (niet magnus), major, maximus,

minor, minimus. B.v. Adolescentis est major es natu ver ëri.

eindelijk de uitdrukkingen quid facies hoe homine (ook de hoe homine en hui» homini), wat zult gij met dien mensch beginnen ? Q u i d me (mihi, de me) fiet, wat zal er met mij gebeuren?ai ^,.v;- 1

Aanmerking. De dichters en sommige prozaschrij vers gebruiken soms in plaats van den ablativus partis den zoogenaamden accusativus graecus. B.v. Vite caput tegitur Bacchus, Bacchus bedekt zich het hoofd met wijnranken. Os humerosque deo similis, van gelaat en schouders aan een god gelijk. Adversum femur tragüla gravïter ;ctus, van voren in de dij door een werpspies zwaar gewond. Ook de beste prozaïsten gebruiken dezen accusativus in de uitdrukkingen magnam (ma-

, (X-ju -vv^vt, £., (gt; ^ --^ J ■

I

ocr page 225

§ 267.

206

§

Abiativus pretii.

jorem, maximam) partem, grooiendeels, waarvoor men echter ook vindt magna (majore, maxima) ex parte, en ■vies va, in de plaats van, met betrekking tot voor in vicem, ad vicem. B.v. Suebi maxi-mara partem lacte atque pecöre vivunt. Conaul sollicïtus est eorum vicem (ptn hunnentwille), ■ lt;•- ■

§ 267- Abiativus pretii. Bij de verba van koop en (emo) en verkoopen (vendo, veneo), hu rem (condiico) en verhuren (loco, collöco), tekoopzijn (liceo, prosto), te staan komen, kosten (sto, consto) en schatten, alsmede bij dignus, waardig , indignus, onwaardig , venalis, te koop, v i 1 is, goedkoop , en earns, duur, staat de prijs of waarde, zoo deze wordt uitgedrukt door een substantivum, in den abiativus. B.v. Viginti talentis unam oration»m IsocrS-tes vendïdit, Isocrates verkocht ééne redevoering voor twintig talenten. Victoria ad Mantinëam parta Epaminondae vita constïtit, de overwinning hij Man tinea behaald kostte aan Epaminondas het leven. Veritas auro digna est, de waarheid is goud waard. Quod non opus est, nummo carum est, wat gij niet noodig hebt, is voor een penning te duur. Lis quinquaginta talentis aestimata est, het proces is op vijftig talenten geschat.

Zoo men de verba van schatten uitzondert (Vgl. § 249) staan bij deze verba en adjectiva de volgende adjectiva in den abiativus: magno (niet multo), permagno, plurimo, parvo, minimo, nihilo, nimio en de volgende in den genetivus: pluris, duurder, m i n o r i s, goedkooper, t a n t i, zoo duur, q u a n t i, hoe duur, tantïdem, even duur. Ook vindt men bij deze verba adverbia, zooals: care, duur, vilius, goedkooper, bene, voor een goeden prijs, gratis, voor niet. B.v. Venditöri expëdit rem venire quam plurimo, voor den verkooper is hef voor-deeiig, dat de zaak zoo duur mogelijk verkocht wordt. Mercatores non tantïdem vendunt, quanti emerunt, de koop-

waarvoor

pnjs,

zij gekocht

lieden verkoopen niet voor denzelfden hebben. Gratis constat navis, het schip kost niets.

Aanmerking I. Bij aestimo komen ook de ablativi magno en permagno voor.

Aanmerking II. Esse met den genetivus pretii beteekent sooreei waard zijn, met den abiativus pretii zooveel kosten. De genetivi tanti, quanti, pluris en minoris staan in beide beteekenissen. B.v. Mea mihi conscientia pluris est quam omnium sermo. Modi us frumenti in Sicilia binis sestertiis, summum ternis erat. Tanti est beteekent evenals o p e r a e p r e t i u m est het is de moeite waard.

^Aanmerking III. De genetivus en abiativus pretii staan ook bij cenare, habitare, docëre, enz. om den prijs aan te duiden

ocr page 226

Ablativus qualitatis.

§ 268.

207

waarvoor men dineert, woont, les geeft. B.v. Quanti doces? Talent o.

*A an merking IV. De verba mutare, commutare, perm ut are, verwisselen, verruilen, hebben de zaak, die men verruilt, inden accusativus en de zaak, die men ontvangt, in den ablativus. B.v. Fidem et religionem pecunia mutare, om geld van godsdienst veranderen. Dichters en minder goede prozaschrijvers zetten ook de zaak, die men ontvangt, in den accusativus, en de zaak, die men verruilt, in den ablativus. B.v. Exsilium patria muteravat, hij had voor zijn vaderland de ballingschap gekozen. Men vindt deze constructie ook bij de beste prozaschrijvers, doch met cum voor den ablativus. B.v. Paueis sine dolore licïtum est mortem cum vita commutare, slechts weinigen hebben zonder smart mogen sterren.

§ 268. Abiatiyus qualitatis. De ablativus qualitatis komt in constructie en beteekenis met den genetivus qualitatis overeen. B.v. Erat inter Labiënum et hostem flumen ripis praerup-tis, tusschen Labienus en den vijand was een rivier met steile oevers. Ageailaus statura fuit humïli et corpöre exiguo, Acjesil :us was een man van een kleine gestalte en een tenger lichaam of Agesilaus had een kleine gestalte en een tenger lichaam.

*Men mag echter niet in alle gevallen naar verkiezing den genetivus of ablativus qualitatis gebruiken.

Men gebruikt den genetivus qualitatis:

^ lö. wanneer de eigenschappen werden opgegeven naar getal, tijd, ji, ruimte, gewicht.'1 B.v. Fossa quindëcim pedum, een gracht van vijftien voet. Vir gravioris aetatis, een man van bejaarden leeftijd. Saxa magni pondëris, steenen van een groot gewicht.

2°. nra aangeboren, blijvende eigenschappen aan te geven. B.v. Homo durae severitatis, een man van een streng karakter.

Men gebruikt den ablativus qualitatis:

1°. om de feitelijke gemoedsstemming aan te geven. B.v. Bono animo sum, ik hen goed gestemd. Maximo dolore eram, ik was zeer bedroefd.

2°. ter aanduiding van hoedanigheden, die niet op het geheele lichaam betrekking hebben. B.v. Britanni sunt capillo promisso, de Bri-tanniërs dragen lang haar. Homo magno capite, een man met een groot hoofd. Bij onnatuurlijke lichaamsdeelen moet men cum gebruiken. B.v. Agnus cum suillo capite. Poreus cum ore human o.

3°. wanneer aan verscheidene personen de hoedanigheden in het meervoud worden toegekend. B.v. Homines ingeniis praestantissi-mis, menschen met een zeer voortreffelijk karakter. Grens hirtis cor-po r ibus.

4°. wanneer het adjectivum, dat gewoonlijk bij den genetivus en ablativus qualitatis staat, vervangen wordt door een substantivum, dat een bepaalde gedaante, maat, gewicht, enz. te kennen geeft. B.v. Bos cervi figura, een os met de gedaante van een hert. Vicus oppidi magnitudine, een dorp zoo groot als een stad. Clavus digiti crassitudine, een nagel van een vinger dikte.

Aanmerking. De genetivus en ablativus qualitatis worden slechts

i

iveel iti, tie a ius rat. ',ard. taan iden

/Livv 'l^4

J

(r,

S' —

A-C'

ocr page 227

Ablativus qualüatis bij verba en adjectiva. § 269.

zeer zelden onmiddellijk met een nomen proprium verbonden. B.v. Agesilsus annornm octoginta in Aegyptum profectus est, Arjesilaus trok als tachtigjarig grijsaard naar Egypte. Gewoonlijk zet men er een nomen apposiJ;um bij. B.v. Agesilaus, vir anuorum octoginta.

§ 269. De verba en adjectiva, die overvloed en gebrek, vullen, verzadigen, voorzien, berooven en bevrijden beteekenen, hebben den ablativus ter aanduiding van datgene, waarvan men overvloed heeft, enz. B.v. Misërum est carëre consuetudïne a mie or urn, het is ongelukkig den omgang met vrienden te missen. Aegritüdo per totam noctem superiorem somno me privavit, het verdriet heeft mij dezen geheelen nacht van den slaap beroofd. Homo praeditus est rati one et oratio ne, de mensch it begaafd met rede en spraak. Omnia eastella facile expugnari possunt, in quae potest asellus auro onustus ascendëre.

Tot deze verba behooren:

abundare -V satiare 1

redundare | overvloed hebben. gaturare J vegt; za affluëre » gt;X . ac cumulare, ophoopen.

afficöre, aandoen. ornare, voorzien.

carëre, missen. orbare =

egëre | - . privare

indigëre j ^ek hebben. spoliare =

complëre - vj. . li be rare

explëre r vullen. exsolvërö ^ ^ bevrijden.

implëre \ expedire - ! rfJ*

*A a um e r k i n g e n. Afficëre aliquem aliqua re heeft verschillende beteekenissen. B.v. beueficio, honore, iemand een weldaad, een eer bewijzen; laetitia, doloie, iemand verblijden, bedroeven; poena, m o r t e, iemand straffen, doodeu. Evenzoo in het passivum: gravi morbo, gravi. vulnëre affïci, zwaar ziek, zwaar gewond worden; admira-tione, metu affïci, bewondert, bevreesd worden.

Egëre hoeft somtijds, indigëre meermalen in de beteekenis van noodig hebben den genetivus. B.v. Consilii tui indigeo.

^ Complëre en implëre hebben vooral bij personen meermalen den genetivus. B.v. Complëtus jam mercatsrum ca roer erat.

Liberare heeft bij z aken gewoonlijk den enkelen ablativus (aliq u e m metu), bij personen altijd a (patriam a tyrannis).

Tot deze adjectiva behooren:

aMënus, ongepast. onustus, beladen.

dives, rijk. opïmus, rijk.

inops, arm. M orbus, beroofd.

C^-CtA-c

208

ocr page 228

Ablativus bij verba en adjectiva.

209

§ 270.

liber, vrij. praeditus, heyaafd.

locüples, rijk. refertus, vol.

nudus, beroofd. vacuus, ledig.

Aanmerking I. De volgende adjectiva regeer en den genetivus:

egenus, gebrek hebbende. immiinis, vrij.

expers, verstoken. plenus, vol. -t- s.,.

fertllis, vruchtbaar. prodïgus, verkwistend.

* A a u ra e r k i u g II. A1 i ë u u s herft in de beteekenis ongepast, niet overeenkomstig ileu ablativus met of zonder a, den genetivus en den dativus. B.v. Alien um est (a) dignitat»., dignitatis, d i g n i t a t i.

afkeerig den ablativus met a.-B.v. Alio no a te anirao fuit.

onbekend met den ablativus met a of in. B.v. homo non alien us a litteris. In physïcis Epicurus totus est alien us.

*Aanmerking' III. Dives, inops, uudus, refertus (bij perso-n e n) hebben ook den genetivus.

Inops, liber (bij personen altijd) nudus, vacuus hebben ook den ablativus met a.

§ 270. De verba, die beteekenen:

verwijderen, verdrijven, zooals: pello, depello, expello, moveo, amoveo, demoveo, removeo,

zich verwij deren, zooals: cedo, abscëdo, decëdo, excêdo, afhouden, zooals: arceo, prohibeo, exclüdo, defendo,

zich afhouden, zooals: abstineo, desisto,

0gt;gt;v* -- t-»—- »«ƒ-

hebben de zaak, waarvan men iemand of iets verwijdert of afhoudt, in den ablativus met of zonder de praepositie a, de, ex, doch den persoon altijd met a (soms ex). B.v. Pellëre aiiquem (ex) regno, (a b) urbe, (de) moenibus. Man us abstinere a.b a 1 iq uo. Exc edere ex ephëbis, e puëris.

^-Aanmerking I. Over het algemeen hebben deze verba oen praepositie bij zich, wanneer zij een plaatselijke betrekking uitdrukken , eu den enkelen ablativus, zoo zij in een overdrachtelijken zin genomen worden. B.v. abstinere ignem ab.aede, mauus ab aliënis, doch abstinere (se) cibo, injuria. Bij enkele verba wordt nooit een praepositie gebruikt. B.v. Abdicare se magistratu, tutöla, zijn ambt, zijn voogdij nederleggen. .

Aaumerking II. Prohibêre met de vijandelijke zaak of persoon in den accusativus beteekent afhouden van (hostem itiuëre, a pugna), met de bevriende zaak of persoon in den accusativus beschermen tegen (araicum calamitate, a periculo). .i

Evenzoo beteekent defender e aiiquem ab'injuriis, a~b hosti-bus, iemand verdedigen tegen onrecht, tegen de vijanden, en defender e aliquid ab aliquo, iets van iemand afwenden. ^

5e diuk. . 14

UA

; j-.i r la^lt; J

i

ocr page 229

Ablativus bij deponentia. § 271—272.

Aanmerking III. De composita met se en dis, zooals: secer-nöre, sejungëre, afzonderen, afscheiden, discernëre, onderscheiden, disjungëre, vaneenscheiden, alsmede alienare, abalienare, vervreemden van, absterrere, afschrikken van, deterrcre, afbrengen van, abhorrëre, een afgrijzen hebben van, staan in het beste proza altijd met de praepositie a. ' «. sUoJsspquot;* -

Discrepare, dissentire, di'ssidëre, discordare, niet overeen-^c. stemmen, oneenig zijn, hebben meermalen cum in plaats van a. Met het reflexivum verbonden hebben zijinterse. *

Aanmerking IV. De dichters plaatsen bij de verba van verwijdering soms een genetivus. B.v. Desine querela rum.

Aanmerking V. Bij de verba pluere, sudare en dergelijken en bij de verba van offeren, zooals: sacrificare, sacrum facere, staat de ablativus of accusativus. B.v. PI uit sanguine of sanguinem. Senatus quadraginta majoribus hostiis consules sacrificare jussit. Nullum agnum sacrificav^t.

§ 271. De verba deponentia ut or, gebruiken, fruor, f/enieten, fungor, verrichten, potior, bemachtigen, vescor, eten, (alsmede hunne composita abütor, perfruor, defungor, perfun-gor) regeereu den ablativus. B.v. Homines olim glande vescebantur, de memchen aten vroeger eikels. Helötes apud Laeedaemonios servorum munëre fungebantur, de Heloten verrichtten bij de Lacedemoniërs den dienst van slaven. ■

lib a£lt;iUAsC - .

t*Aanmerking I. Utor, frudr, fungor en potidr mogen in de casus o b 1 i q ui van bet gerundivum als t r a n s i t i v a gebruikt worden. B.v. S pes potiundorum castrorum. Expetuntur divitiae a multis ad fruendas voluptates. In fungendo munere. In den nominativus gebruikt men de onpersoonlijke constructie, dus niet: utendae sunt vires, maar: utendum est viribus.*Aanmerking I. Utor, frudr, fungor en potidr mogen in de casus o b 1 i q ui van bet gerundivum als t r a n s i t i v a gebruikt worden. B.v. S pes potiundorum castrorum. Expetuntur divitiae a multis ad fruendas voluptates. In fungendo munere. In den nominativus gebruikt men de onpersoonlijke constructie, dus niet: utendae sunt vires, maar: utendum est viribus.

Buiten het gerundivum worden deze verba hoogst zelden ah transitiva gebruikt.

____ Aanmerking II. Fruor mag niet gebruikt worden in den zin van

hebben, ontvangen. Zoo beteekent eer genieten in hou ore esse, een goede gezondheid genieten bona v a, let u dine uti, onderwijs genieten e r u d i r i. I Potior regeert soms een genetivus en wel altijd in de uitdrukking ''.rerum potiri, zich meester maken van de opperheerschappij.

210

1 272. Bij opus esse, noodig hebben, staat de persoon of zaak, die noodig heeft, in den dativus, en de persoon of zaak, die noodig is, in den ablativus of nominativus. Opus blijft onverbogen. B.v. Dux of duce raihi opus est, ik heb een leidsman noodig. Multa exempla mihi opus sunt of multis exemplis mihi opus est, ik heb vele voorbeelden

^Aanmerking I. De neuti\a dor adjectiva en pronomina staan in den nominativus. B.v. Multa opus sunt, quod opus est.

ocr page 230

§ 273—274

Vocativus.

211

In negatieve zinnen staan de substantiva geregeld in den a b 1 a-tivus. B.v. Quid opus est exeraplo? Nihil opus est duce.

Aanmerking II. *Zoo de zaak, welke noodig is, door een verbum wordt uitgedrukt, gebruikt men gewoonlijk een infinitivus of een accusativus cum infinitivo. B.v. Quid opus est tam multa dicëre, waartoe is het noodig zooveel te zeggen? Si quid erit, quod te scire opus sit, scribam, zoo er iets is, dat gij noodig hebt te weten, zal ik het u schrijven.

^ staat in bevestigende zinnen een participium perfecti

passivi. B.v. Nihil erat, cur properato (properare) opus es set. Opus fuit Hirtio convento (convenire Hirtium).

Ook komt nu en dan het supinum op u voor en hoogst zelden ut.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

QVER HET GEBRUIK VAN DEN VOCATIVUS.

§ 273. De naam van den aangesproken persoon staat in den vocativus. B.v. Quintili Vare, legiones redde,

tllms Varus, cjeef mij mijne legioenen terug. Vgl. § 200.

quot;V De vocativus staat in het begin van den zin, wanneer men iemand met zekeren nadruk toespreekt, maar anders gewoonlijk in het midden en dan liefst achter het woord, waarin de tweede persoon is uitgedrukt. B.v. Tiber Ine pater, te precor. Vine ere seis, Hannibal, victoria uti nescis. Quousque tandem abutëre, Catilina, pa-tientia nostra.

•v. Aanmerkingen. Soms staat de nominativus in plaats van den vocativus. B.v. Audi t u , populus Albanus, hoor het, gij volk van Alha.

Soms staat een adjectivum of participium in den vocativus in plaats van in den nominativus. B.v. Quo moriture ruis, waar gaat gij heen om te sterven? Deze eigenaardigheid is gewoon in de uitdrukking macte virtute (esto, este), goed zoo, braaf. Macte virtute diligentiïtque esto, heil u, wijl gij zoo braaf en zoo vlijtig zijt. Ook in het meervoud zegt men liever macte dan macti. B.v. Macte virtute, milites Romani, este, geluk met uwen heldenmoed, soldaten van Rome.

*'§ 274. Zoo men iemand hartstochtelijk aanroept of toespreekt, zet men de interjectio o voor den vocativus. B.v. o Dii boni, quid est in hominis vita diu.

Bij uitroepingen van bewondering, smart, toorn gebruikt men den accusativus met of zonder interjectio. B.v. Me caecum, qui hoc nou videam, hoe kan ik toch zoo blind zijn, dat ik dit niet zie. H unci ne hominem, haneïne impudent iam; ju dices, wat voor een mensvh, rechters, welk een onbeschaamdheid! 0 fallacem hominum spem, o bedriegelijke hoop der menschen! Jleu me miserum, ach mij ongelukkige !

Bij en en ecce, zie, ziedaar, staat gewoonlijk de nominativus, soms de accusativus. B.v. En causa, zie, dut is de oorzaak. Ecce litterae tuae, zie, daar kwam een brief van u.

ocr page 231

Plaatsbepalingen.

212

§ 275—276.

Bij vae en hei.staat de dativus. B.v. Vae victis, wee den overwonnenen. Hei m i h i, wee mij.

Bij pro staat, behalve in de uitdrukking pro deum atque homi-uum fidem, de vocativus. B.v. Pro sancte Juppiter, ach heilige Jupiter

Bij bene, als men drinkt op iemands gezondheid, staat de accusativus of dativus. B.v. Bene te. Bene tibi.

NEGENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK DER NAAMVALLEN BIJ BEPALINGEN VAN PLAATS, TIJD EN RUIMTE.

I. Plaatsbepalingen.

§ 275. De namen der steden en gewoonlijk ook der kleine eilanden staan op de vraag;

waarheen in den accusativus. B.v. Profectus est Ro-mam, A the nas, Corinthum, Cart hag Inem, Cyprum.

vanwaar in den ablativus. B.v. Profectus est Roma, Athenis, Corintho, Carthagine, Cypro.

waar in den genetivus, zoo zij singulari a zijn der eerste of tweede declinatie en in den ablativus, zoo zij pluralia zijn of naar de derde declinatie verbogen worden. E.v. Vixit Eomae, Sinopae, Corinthi, Athenis, Carthagine, Cypri.

\ Aanmerking. Ook bij subs t anti va verb alia staan de namen van steden in den accusativus of ablativus zonder praepositie. B.v. Redttus Romam. Narböne reditus. Mansio Formiis.

§ 276. Zoo bij de namen van steden een adjeetivum of pronomen staat, zet men hen gewoonlijk op de vraag waarheen in den accusativus en op de vraag vanwaar in den ablativus zonder praepositie. Op de vraag w a a r staan zij allen in den ablativus, de singularia der eerste en tweede declinatie gewoonlijk met in (behalve zoo er tot us bij staat), de overigen gewoonlijk zonder in. B.v. Proficiscor Carthaginem Nov am, ik vertrek naar Nieuw-Carthago. Venerunt ipsa Sa mo, zij zijn van Hamos zelf gekomen. In ipsa Alexandria, te Alexandrië zelf. Malo cum timore Romae esse quam sine timore Athenis tuis.

Aanmerking. Men herinnere zich, dat ook voor de eigen name a van steden de regels gelden, welke in § 189 voor de adjectiva bij eigennamen zijn gegeven. Een ervaren prozaschrijver zal dus 'aiet zetten doctas Athenas proficisci.

ocr page 232

§ 277—279. Plaatsbepalingen.

§ 277. Wanneer op den naam eener stad een nomen apposi-t u m volgt, heeft dit bij de vragen waarheen en vanwaar {ge-woonlijkj een praepositie voor zich. B.v. Demaratus se con-tillit Tarquinios. in urbem Etruriae fl or eü ti s sim a m, Demaratus hecjaf zich naar Tarquinii, een bloeiende stad van Etrurië. Fonteji genus T use ulo, ex claris si me munici-pio, profectum er at, de familie Fontejus was afkomstig van de beroemde vrijstad Tusculum. Op de vraag waar staat het nomen appositum altijd, ook bij de singularia der eerste en tweede declinatie, in den ablativus met (of zondei) i n. B.v. Archias Antiochlae n a tus est, f.i n| ce 1 è br i quondam urb e, Archias werd geboren te Antiochië, weleer een volkrijke stad.

Wanneer daarentegen een nomen appositum vóór deu naam eener stad staat, hetgeen gewoonlijk geschiedt wanneer het geen attributum bij zich heeft, wordt er altijd een praepositie voorgeaet. B.v. Ad urbem Ancyram. Ex oppïdo Gergovia. De singularia der eerste en tweede declinatie worden in dit geval op de vraag waar gewoonlijk in den ablativus geplaatst. 15.v. Simon in oppido Citio mortuus. est. Vgl. § 194, 3°.

*Aanmerking. Zoo op den naam eeuer stad een relativum volgt, heeft dit altijd een praepositie bij zich. B.v. Athenae, in qui bus. Men zegt echter wel zoo gaarne u b i of i u qua u r b e.

§ 278. Men gebruikt de praepositie per om aan te duiden door of over welke stad men gaat. B.v. Per Thebas. profeet us est Romam, hij is door of over Thebe naar liome vertrokken. v. Aanmerking. Bij de substantiva, die geeu eigennamen van steden zijn, gebruikt men op de vraag door of over welke plaats, in welke richting, langs welken weg gewoonlijk deu ablativus. B.v. Via Appiït proficisci, langs den Appischen weg vertrekken. F r u-meutuin flu mine Ar are sub vex it, hij voerde het graan de rivier de Arar op. Lupus Esquillna portïl iugressus est, een wolf kwam door de Esquilijnsche poort de stad linnen. Behalve bij de substantiva , die 'richting, weg beteekenen, kan men bij bovengenoemde vragen ook per gebruiken. Men moet dus zeggen line a recta, in een rechte richting , via AppiK; men kan zeggen per Esquillnam portam.

**§ 279. Vertrekt men uit de omstreken eener stad, dan gebruikt men de praepositie a. B.v. Caesar a Gergovia discessit. Caesar brak op van Gergovia (welke stad hij belegerde). Classis ab Ostia profeet a est, de vloot is van Ostia vertrokken.

Om aan te duiden, dat men zich in de richting van zekere stad begeeft of dat iets in de nabijheid van een stad geschiedt, gebruikt men in het eerste geval ad, en in het tweede geval ad, prope, soms apud. B.v. Iter dirigëre ad Mutïnam, den weg inslaan naar Mutina. Pug n a ad C an n a s, de slag bij Cannae.

213

ocr page 233

Plaatsbepalingen. § 280—281.

Men voegt ook a en ad voor de namen der steden, wanneer men wil aangeven, dat zekere streek zich uitstrekt van de eene stad tot de andere. B.v. Omnis ora a Saliïuis ad Orïcum, de gansche kust van Salonae tot Oricus.

§280. De namen der landen en groote eilanden, alsmede de appellativa staan gewoonlijk op de vraag waarheen in den accusativus met in of ad, op de vraag vanwaar in den abla-tivus met ex, ab of de, op de vraag waar in den ab 1 ativus met in. B.v. Ex Europa in Asiam rediit, hij is uit Europa naar Azië teruggekeerd. Jacet in litöre, hij ligt op het strand,

\ Aanmerkingen. Meermalen worden de volksnamen in plaats van de namen der landen gebruikt en als zoodanig geconstrueerd. B.v. Fn Per sas proficisci, naar Perzië vertrekken.

Wanneer op de vraag waarheen de praepositie in of ad gebruikt wordt, geeft i n over het algemeen te kennen, dat men ergens binnon-konit, ad, dat men in de onmiddellijke nabijheid komt, zonder er binnen te gaan. B.v. Eo in urbem en eo ad urbem.

Op de vraag vanwaar beteekent over het algemeen ex uit, a b van den kant van, de afwaarts. B.v. Proficiscor ex Italia. Venio a patre. Descendo de Capitolio.

§ 281. Domus en rus volgen dezelfde regels als de namen dei-steden, namelijk do mum, naar huis, rus, naar het land, domo (niet domu) van huis, rure, van het land, domi (niet domus, soms domui) te huis, ruri, op het land.

Zijn er meerdere personen, die de eene hier, de andere daar wonen, dan heet gewoonlijk naar huis domos (niet domus). B.v. Inde domos diffugerunt.

Domus wordt gewoonlijk ook zonder praepositie gebruikt, wanneer het vergezeld is van een pronomen possessivum of van het adjectivum a 1 i 5 n a. B.v. Domi m e a e, in mijn huis; d o-mum tuam, naar uw huis', domo al ie na, uit eens anders huis. Nonne mavis sine periculo tuae domi esse quam cum periculo alienae? Zoo bij domus andere pronomina of adjectiva staan, moet men een praepositie gebruiken. B.v. In domum veterem remigrare e nova, uit een nieuw huis weder zijn intrek nemen in een oud huis.

Zoo bij domus de genetivus staat van den bezitter, kan men de praeposities gebruiken of weglaten. B.v. Domi of in domo Caesar is. (In) domum Maelii tela inferuntur. (E) domo Caesaris multa ad te delata sunt.

*Aanmerking I. quot;Wanneer domus een gebouw en rus. een landgoed aanduidt, moet men een praepositie gebruiken. B.v. In domo

214

ocr page 234

§ 282—283. Plaatsbepalingen.

furtum factum est ab eo, qui domi fuit. Carïcas iu Albense rus e Syria intülit L. Vitellius.

-~_Zoo bij rus een adjectivum of pronomen staat, gebruikt men op de vraag waar den ablativus op e. B.v. Rure pater no. In illo rure. Dichters gebruiken dezen vorm ook zonder adjectivum.

*Aanmerking II. Bellum en militia worden iu verbinding met domi ook in den genctivus geplaatst. B.v. Belli domlque,

domi railitiaeque, te huis en in het veld, in oorlog en vrede.

*Aaumerking III. Humus staat op de vraag waar in den ge-t(, , ^ netivus, behalve wanneer er een adjectivum bij staat. B.Humi, in humo nuda jacere, op den grond, op den hlooten grond, liggen. ,,y~-

Van den grond heet humo of ab humo, naar den grond in of ad hu mum. CoJm. ' ; . pju^ v lt;£'. gt; -i-

*§ 282. De ablativus zonder praepositie staat op de vraag waar bij :

terra marlque, te land en ter zee.

dextra, aan de rechterhand, sinistra of laeva, aan de linkerhand.

gewoonljjk bij loco en locis in verbinding met een adjectivum of pronomen. B.v. Secundo loco pugnare, op een gunstige plaats strijden. Meliore loco res sunt nostrae, onze zaken bevinden zich in een gunstiger toestand. Hoc 1 o c o, op deze plaats. Multis locis,

op vele plaatsen.

soms bij parte en partibus. B.v. Utraque parte Tibëris. Re-lïquis oppidi partibus.

bij alle plaatsbepalingen met tot us, soms metomnis, universus, medius. B.v. Tota Roma, domo, Italia, urbe. Totis castris,

c a m p 1 s.

zoo men den ganschen inhoud aangeeft van eeu geschrift of gedeelte van een geschrift. B.v. Herodotus secundo libro de vete-ribus Aegyptiis narrat. Hoe capïte, hac parte libridispu-tatur de justitia. Causam meae voluntatis exposui tibi superioribus litteris.

Aanmerking. Zoo bij plaatsbepalingen met totus en bij het opgeven van den inhoud eens geschrifts niet de gansche plaats of inhoud wordt bedoeld, gebruikt men in. B.v. Diplom a ta in tota provincia passim data sunt. In hoc libro (scripto, capite) nomen carendi invenltur. Unam ad hue ate epistolam acceperam, in qua significatur, aliam te ante dedisse, quam non aoceperam.

§283. Bij vele verba, die een beweging naar iets aanduiden,

staat gewoonlijk in en sub met den ablativus. Hiertoe beliooren;

1) de verba van plaatsen, zooals: pouo, loco, collöco, statuo, constituo, consisto. consïdo. B.v. Librum in mensa ponëre, een hoek op de tafel leggen. Calceos sub scamno pone, zet uw schoenen onder de bank. Praesidia in oppidis eonstituére. Platoni in cunis dormienti apes. in labellis consederunt. De enkelvoudige namen der steden van de eerste en tweede declinatie komen bij deze verba in den genetivus, de overige namen der steden in den

/QA.C ~ te-jfb ét*-' fi t' «4- ^rV, lJyquot;

215

ocr page 235

Tijdsbepalingen.

216

§ 284—285

ablativus zonder praepositie. Onder de composita van pono wordt i ra po no gewoonlijk met in en den accusativus geconstrueerd. B.v. Mill tem in naves, corpus in pl au strum imponere.

Aanmerking. Dichters zetten bij verba van bew eging wel eens den dativus. B.v. It clamor caelo, het geschreeuw stijgt ten hemel. S p o 1 i a c o n j i c i u n t i g n i, zij werpen den hult in het vuur.

2) de verba van hechten, gr aveeren, drukken, zooals: figo, deflgo, insculpo, inscrïbo, incldo, imprïmo. B.v. Hannönis corpus in cruce.fixum est, Hanno's lichaam werd aan een kruis gehecht. Vultus in aliquo figere, zijn blikken op iemand vestigen. Si cam in corpöre alicujus de-figërei iemand een dolk in het lichaam steken. Im prim ere sigi 11 um in cera, een zegel op het tras drukken.

§ 284. Bij de verba van aankomen, te zamen komen, vergaderen, boodschappen, zooals: advenire, c o n v e n i r e, congregare, nuntiare staat in en sub met den accusativus, niettegenstaande wij in het Nederlandseh de vraag waar stellen. De namen der steden staan in den accusativus zonder praepositie. B.v. Advenire in urbem, in de stad aankomen. Cucurrit ad matrem Neap o 1 i m hij liep naar zijn moeder te Napels. Romam nuntiatum est fugisse Antonium, men boodschapte te Bome, dat Art ton kis geducht was. Gives unum se in locum ad curiam congregabant, de burgers

verzamelden zich op een en dezelfde plaats vóór het raadhuis.

, J- . -k-fu. i ' '

Aanmerking. Bij uavem conscendëre zetten de Latijnen de nameu der steden op de vraag waar in deu ablativus. B.v. Tarente, Epheso, scheep gaan te Tarente, te Ephese. Voor andere woerden staat de praepositie a. B.v. Ab Hercülis portu.

II. Tijdsbepalingen.

§ 285. Een tijdsbepaling staat op de vraag hoelang in den accusativus met of zonder per. B.v. Troja per decem annos oppugnata est, Troje is tien jaren lang belegerd. Appius caecus muitos annos fuit, Appius is gedurende vele jaren blind geweest. ï r e s a n n o s continues m e c u m h a-bitavit, drie jaren achtereen heeft hij bij mij geicoond.

-V *Aanmerkingen. Somtijds staat op de vraag hoelang de ablativus. B.v. l'ugnatum est conti n en ter horis quinque, men streed onafgebroken vijf uren lang.

Zoo een tijdsbepaling op de vraag hoelang onmiddellijk met een substantivum verbonden is, gebruikt men den genetivus quali-

ocr page 236

Tijdsbepalingen.

§ 286—287.

217

tatis. B.v. Exsilium quattuordöcim a i! no rum tol e r a v i t, (/-ee/--tien jaren law/ bracht hij in ballingschap door.

Op de vraag sinds hoelang zet men den accusativus van een ordinale met jam, waarbij men het loopende jaar mederekent. tó.v. Mithridates annum jam tertium et vicesimum regnat, sinds twee en twintig jaren regeert Mithridates.

Op de vraag tegen wanneer, tot wanneer, voor hoelang gebruikt men den accusativus met in. B.v. Ad een am in vi tat us sum in posterum diem. In crastinum diem differo res sevü-ras. Phaëthon currum paternum in diem rogavit.

Op de vraag tot hoelang gebruikt men ad. g.v. Sophocles ad sutnmam senectafcem tragoedias fecit. «. (' amp; ■

§ 286. Een tijdsbepaling op de vraag wanneer staat in den •v ablativus. B.v. Tertio anno urbs capta est, in het derde jaar werd de stad ingenomen. Ti mol eon maxima proelia na tali die suo fecit omnia, Timoleon heeft zijn grootste veldslagen allen op zijn verjaardag geleverd. quot;

-j~' * Aan nier king I. Ten tijde van iemand heet (niet tempore) te m p o-ribtis of aetate alicujus, te» tijde dat eo tempore cum, eo tempore quo, quo tempore, iedf-.-i J*/ atë tW*

Tempore (minder goed in tempore) beteekeut te rechter tijd, in eo (li o c , t a 1 i) tempore in dit hachelijk ooyenblik, in zidke tijdsomstandigheden.

Men gebruikt ook in bij de uitdrukkingen in praesenti, in prae-s ent ia, voor het tegenwoordige, op dit oogenblik, en meermalen zoo o m n i s bij een tijdsbepaling staat. B.v. I n omui aeternitate, in omni aetate, in omnibus saecü 1 is.

'Aanmerking II. Bij de substantiva, die den ouder dom aangeven, zooals pu er it ia, juventus, alsmede bij de substantiva, die geen eigenlijke tijdsbepaling uitdrukken, zooals helium, pax, zet men, zoo zij geen attributum bij zich hebben, op de vraag wanneer in voor den ablativus. B.v. In senectute, in hello, in den oorlog, in vita. Men zet echter den ablativus zonder in bij initio, princi-pio, comitiis, ludis en bij de substantiva dor vierde declinatie, zooals adventu, discessu, exitu.

Zoo deze substautiva echter een attributum bij zich hebben, staan zij op de vraag' wanneer in den ablativus zonder in. B.v. Prima pueritia, extrema senectute, hello Funico secundo,tumultu j servlli. Bij belliim blijft de praepositie ook weg, wanneer het met een genetivus verbonden is, zooals bel lo La ti n o r u m en zoo het beteekeut in oorlogstijd.

§ 287. Om aan te duiden dat iets geschiedt binnen, in verloop van zekeren tijd gebruikt men den ablativus met of zonder in of de praeposities intra, inter. B.v. Agamemnon/^' vix decern annis (intra, inter decern annos) unam urbem cepit, Agamemnon nam nauwelijks in tien jaren ééne stad in. In be 11 o P u ii i c o, in den loop van den Punischen oorloq.

e-o

VA,- 'A-5

-t-i/

sbl/- _

c*.

ocr page 237

Tijdsbepalingen.

§ 288—290.

218

quot;Aaiiinorking. Intra met een ordinale heteekent voor den afloop van, in minder dan. Vgl. § 162. 11.

Bij de adverbia n u ra e r alia en bij de di st ri butiv a gebruikt men op de vraag hoe dikwijls binnen zekeren tijd meestal in. B.v. Bis in die. Sol binas in singulis annis reversiones facit.

§ 288. Op de vraag hoelang te voren, hoelang daarna staat de accusativus of de ablativus met ante en post (nooit antea of postea); zoo ante en post voorop staan, de accusativus, zoo zij achteraan staan, de ablativus, zoo zij in het midden staan, de accusativus of de ablativus. Men kan hier naar verkiezing de c a r d i n a 1 i a of de o r d i n a 1 i a gebruiken. B.v. Hij stierf driejaren later, mortuus est post tres annos. tres post annos.

post tertium annum. tertium post annum,

tribusannispost. tri b u s post annis.

tertio anno post. tertio post anno.

♦Aanmerking. Op dezelfde wijze zegt men ookmulto ante (post), lang te voren, veel vroeger; non multo ante (post), niet lang tevoren, niet veel vroeger; non ita multo ante (post), juist niet lang tevoren, niet zeer veel vroeger; pa ulo of brevi ante (post), kort te voren, een weinig vroeger; aliquanto ante (post), geruimen tijd te voren. Men kan bij deze ablativi ante en post ook voorop zetten. B.v. Ante pa ulo.

§ 289. Zoo het tijdstip, vóór of na hetwelk iets geschied is, wordt aangegeven door een substantivum, laat men dit afhangen van ante of post en plaatst de tijdsbepaling op de vraag hoelang te voren, hoelang daarna in den ablativus. B.v. Paucis diebus post mortem Africani, weinige dagen na den dood van Africanus. L. Sextius consul factus est annis post Romam condïtam trecentis duodenonaginta. Tertio post ejus mortem anno.

§ 290. Zoo het tijdstip, vóór of na hetwelk iets geschied is, wordt aangegeven door een verbum, gebruikt men de conjunctio q u a m, welke met ante en post tot één woord verbonden wordt of van ante en post gescheiden blijft. B.v. Hij stierf' drie jaren nadat hij gekomen was, mortuus est

tribus annis (tertio anno) postquam venerat.

post tres annos (tertium annum) quam venerat.

tres post annos (tertium post annum) quam venerat. tribus post annis (tertio post anno) quam venerat. In plaats van die ante, die post zegt men steeds priciie, pos tri-

1

ocr page 238

Tijdsbepalingen.

§ 291.

219

die. B.v. Andrieus postridie ad mevenit quam in-spectarem. •

gt; Aanmerking I. Wanneer bij zulk een tijdsbepaling metpost(niet mot ante) de ablativus staat, kan men post weglaten eu vervolgens in plaats van quam liet pronomen relativum of cum gebruiken. B.v. Mortuus est tribus an nis quam, quibusofcum venera t.

Aanmerking II. Zoo men bij de vraag hoelang te voren wil ' aangeven, dat men bedoelt van den tijd af waarop men spreekt, gebruikt men a b h i n c met den accusativus of ablativus of men zet de tijdsbepaling in den ablativus met het pronomen bic. Abhine staat vóór de tijdsbepaling, welke door car din alia, niet door ordi-nalia wordt opgegeven. B.v. Mater mea abhine decern ami os mortua est. thans tien jaren geleden is mijne moeder gestorven. Ho-scius litem decidit abhine an nis quattuor. Nemo hisviginti annis Eomanae reipublicae fuit hostis, niemand is in de laatste twintig jaren den Romeinschen staat vijandig geweest. Zoo men over iets spreekt, dat op een vroegeren tijd betrekking heeft, gebruikt mer; den ablativus met ille. B.v. Diodörus respondit se pan cis ülis diebus argentum misisse Lilybaeum, Diodorus antwoordde, dat hij toen weinige dagen te toren geld naar Lilybaeum had gezonden. - '

§ 291. Den ouderdom van iemand drukt men uit:

1°. door nat us met den accusativus. B.v. Cato annos quinque et octoginta natus e vita discessit.

2°. door ag0n-s met een ordinale, waarbij het loopende jaar wordt medegerekend. B.v. Vicesimum aetatis annum agens, negentien jaar oud.

3°. door den genetivus qualitatia. B.v. Puer decern anno r u m.

4°. door de adjectiva op arius. B.v. Senex octogenarius.

5°. door den ablativus met een ordinale, waarbij het loopende/-' 7 jaar wordt medegerekend en wel met of zonder aetatis. B.v. Alexander decessit quarto et tricesimo (aetatis) anno, Alexander stierf op drie en dertigjarigen leeftijd, of in zijn vier en dertigste jaar.

^ Aanmerking. Ouder, jonger dan heet major, minor quam met het nomen van den leeftijd in den accusativus of genetivus. Mên kan quam ook weglaten en het nomen van den leeftijd in den aceu-I sativus of genetivus laten staan of het in den ablativus zetten. I Zoo het nomen van den leeftijd in den accusativus staat, voegt I men er altjjd natus bij en zoo het in den genetivus staat, meer-I malen natu. Ouder dan tien jaar heet derhalve:

—.major quam decem annos natus.

major quam decem annorum (natu).

—- major decem annos natus.

major decem annorum (natu).

__major decem annis.

ocr page 239

§

220

§ 292—293.

Ruimtebepalingen.

I. Ruimtebepalingen.

§ 292. Bij de verba, adjectiva en adverbia van uitgebreid]] ei d staat de accusativus op de vragen hoever, hoelang, hoe breed, hoe hoog, hoe diep, hoe dik. B.v. Nemo est qui possit b i d u o s e p t i n g e n t a in i 1 i a p a s s u u m a m b u 1 a r e, er is niemand, die in twee dagen zeven honderd mijlen ver kan wandelen. A recta conscientia non transversum unguem (digitum) oportet discedére, van de goede inspraak des gewetens moet men geen nagel {vinger) breed afwijken. P o s s a duos pedes lata, een gracht van twee voet breedte. ï e r r a m duos pedes alte infodere, den grond twee voet diep opgraven.

*Aanmerkiug- 1. Magnus, crassus, prof uu dus worden niet ge-i coustrueerd met den accusativus van uitgebreidheid. Voor magnus en crassus kan men de constructie gebruiken van § 268. 4° en voor profundus het adjectivum alt us. B.v. Fossa duos pedes alt a, een gracht ter diepte van twee voet.

*Aan merking II. Men kan de hoogte, diepte, enz. ook uitdrukken door den genetivus qualitatis. B.v. Colossus centum viginti pedum, een kolos van 120 voet hoogte. Deze genetivus kan nader bepaald worden door in met den accusativus van een substantivum, dat hoogte, diepte, enz. beteekent. B.v. Murus sedëcim pedum in alti-tudïnem, in latitudïnem, in longitudïnem, een muur van 16 voet hoogte, breedte, lengte.

§ 293. Bij de verba, van verwij dering, zooals: abesse, di-stare staat de afstand in den accusativus of ablativus. B.v. dec,.-VTemp 1 um quinque milia of quinque milibus passu u ra ab urbe distat, de tempel is vijf mijlen van de stad verwijderd. ■ (luMyi ■ Beide naamvallen geven ook aan op welken afstand iets geschiedt. B.v. Ariovistus milibus passuum sex a Caesar is castris consëdit, Ariovistus zette zich neder op zes mijlen afstand van Caesar's legerplaats.

*Aanmerking. Wordt de afstand aangeduid doorquot; spatium of inter valium met een genetivus, dan moeten deze woorden in den ablativus staan. B.v. Hannibal quindëcim ferme milium spatie castra ab Tareuto posuit. Soms wordt spatio uitgelaten. B.v. Gastra aberant bidui.

Wordt de plaats, vanwaar de afstand gerekend wordt, niet aangegeven, dan zet men de praepositie a vóór het nomen van den afstand. B.v. A milibus passuum duobus castra posuerunt, C{tu ^

T

ocr page 240

Comparativus.

§ 294—295,

221

TIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK DER NAAMVALLEN BIJ DE VER-GELIiKINGSTRAPPEN.

§ 294. Wanneer twee substantiva of pronomina met elkander vergeleken worilen door den comparativus van een adjectivum of adverbium, .uoet men het Netlerlandsche dan vertalen door qnam en beide su.i tantiva. in den zelfden naamval zetten. B.v. Sol major est Cjuam terra, de zon is grooter dan de aarde. Ho-nesta mors est melior qnam turpis vita, een eervolle dood is beter dan een schandelijk leven. Ne mini plura beneficia tribuis ti quam mi hi, gij hebt aan niemand meer weldaden heivezen dan aan mij. Cni potins eredam quam tibi, trien zal ik eerder gelooven dan u?

Quam volgt ook op malo, ik uil liever^ praestat, het is heter, en ultra, verder. B.v. Saepe tacëre praestat quam loqui, het is dikwijls heter te zwijgen dan te spreken.

- A a n m o r k i n g. lu bovenstaande voorbeelden kau men het werkwoord in het tweede lid der vergelijking herhalen, namelijk: de zou isgroofcer dan de aarde is; gij hebt aan niemand meer weldaden bewezen dan gij aan mij bewezen hebt. Zoo deze herhaling niet mogelijk is, plaatst meu het tweede lid iu den nominativus met quam... est (suut), quam... er at (erant), enz. B.v. Dit z ij u woorden van Varro, een (jrooter geleerde dan Claudius (geweest is), haeo verba sunt Var-r 5 n is, hominis, quam fuit Claudius, do ctior i s. Staat het eerste lid echter in den accusativus, dan kau men ook het tweede lid met quam in den accusativus plaatsen. B.v. E g o h o m i n e m c a 11 i d i o-rem neminem vidi quam Phor miönein gt; luam Phormio est, ik heh nooit een schranderder man gezien dan J'r innio.

§ 295. Wanneer het eerste lid der vergelijking in den nominativus of accusativus subject! (in de constructie van den ac-cum infinitivo) staat, kan men quam weglaten en het

cusativus tweede turpi vita niets droogt p a 11i o est.

id

in den ablativus plaatsen. B.v. Hone sta mors melior est. Lacrima nihil citiusarescit, spoediger op dan een traan. Tunica propior het hemd is nader dan de rok. Neminem Hom a-norum Cicerone eloquentiorem fuisse vetëres judi-carunt, de ouden hehhen verklaard, dat niemand der Romeinen welsprekender is gewëest dan Cicero.

♦Aanmerking I. Wanneer het eerste lid der vergelijking in den accusativus objecti staat, mag men quam in zuiver proza alleen dan weglaten, wanneer er geen dubbelzinnigheid kan ontstaan; in

J

ocr page 241

Comparativus.

§ 296—297.

222

den regel doen de Latijnen het slechts innegatieve zinnen. B.v. Quem auctsrem 1 o c up 1 e tier e m Platone laudare possumus, welken schrijver kunnen wij als rijker prijzen dan Plato? Hoe mihi gratius nihil f'acëre potes, gij kunt mij niets aangenamers doen dan dit. In den volgenden zin zou de weglating van quam dubbelzinnigheid veroorzaken: Germani graviores hostes sustinuerunt quam Romanos.

Aanmerking II. quot;Wanneer de ablativi hoe of quo (:=et hoe) bij een comparativus staan om op het tweede lid der vergelijking te wijzen, moet men toch voor het tweede lid quam zetten. B.v. Quid hoc mise-rius, quam eum, qui tot annosdesignatus consul fuerit, fieri consulem non posse? Quo quid absurdius quam homines jam morte deletos reponëre in deos?

§ 296. Quam moet weggelaten worden:

1°. wanneer het tweede lid der vergelijking een pronomen relativum is. B.v. Aristotëles, quo nemo unquam doctior fuit, Stagiris natus est. Letterlijk vertaald luidt deze zin: Aristoteles, geleerder dan wie niemand ooit geweest is, werd te Stagira geboren. Men moet echter vertalen: Aristoteles de grootste geleerde, die er ooit geweest is, werd te Stagira geboren. De Latijnen gebruiken namelijk meermalen een ontkennenden zin met den comparativus, waar wij een bevestigenden zin 7net den superlativus in den hoogsten trap aanwenden. Zoo kan men ook vertalen: Ik heb uit Homerus de honderd beste verzen uitgeschreven, die ik kon vinden, ex Homero centum ex-scripsi versus, qui bus meliores in venire nou potui. Scipio Afri-canus bracht den tweeden Punischen oorlog ten einde, den grootsten en gevaarlijksten, dien de Bomeinen ooit gevoerd hebben, Scipio African us con fecit secundum bellum Pnnicum, quo majus peri-culosiusque Romani gesserunt nullum. Vgl. § 203.

2°. wanneer een eigenschap van zekeren persoon of zaak vergeleken wordt met iets, waarin die eigenschap op de hoogste wijze aanwezig is. B.v. Nive candidior, pisce sanior, luce clarior, car-bfïne nigrior, pluma levior. ■

3°. bij inferior en posterior, B.v. Sapiens humana omnia inferior a virtu te ducit. Est boni eousulis suam salutem poster iorem salute communi ducere.

§ 297. Bij minus, plus en a m p 1 i u s staat het tweede lid der vergelijking, wanneer dit een getal is of een substantivum, dat een maat beteekent, zooals annus, pars, digitus tr an sve rsus, met of zonder quam in denzelfden naamval als het eerste lid. B.v. Plus (quam) quingentos col a p hos infrëgit mihi, hij heeft mij meer dan vijf honderd oorvegen gegeven. Quinctius tecum plus annum vixit, Qmnctius heeft langer dan een jaar met u omgegaan.

— Wanneer minus, plus en amplius. in den nominativus of accusativus staan, kan men, quam weglatende, het tweede lid ook in den a b 1 a t i v u s plaatsen. B.v. Plus uno verum esse non potest. R o s c i u s n u n q u a m plus triduo R o m a e fuit.

_ Betrekkelijk deze woorden valt verder op te merken:

1°. dat zij meestal onveranderd blijven. B.v. Pictores antTqui non sunt usi plus quam quattuor coloribus.

2°. dat quam kan weggelaten worden, ook al staat het eerste üif

ocr page 242

Cornparativus.

298.

223

der Tergelijkiug uiet in den nominativus of accusativus. B.v. Spatiura est non amplius pedum sexcentorum.

3°. dat het verbum altijd in het meervoud staat, wanneer deze woorden subject zijn en het tweede lid der vergelijking in het meervoud staat. B.v. Non plus quattuor milia effugerunt, niet meer dan vier duizend zijn er ontkomen.

Aanmerking I. Deze woorden worden soms tusschen de woorden van het tweede lid der vergelijking ingeschoven. B.v. Decern haud amplius dierum frumentnm in horreis fuit, er was voor niet meer dan tien dagen koren in de schuren. Soms ook staan deze woorden met een ontkenning achter het tweede lid der vergelijking. B.v. Quinque milium armatorum, non amplius, relictum erat praesidium, er was een bezetting achtergelaten tan niet meer dan vijf duizend ge-wapenden.

Aanmerking II. Over het verschil van beteekenis tusschen plus, magis en amplius valt op te merken:

Plus staat als cornparativus van multum op de vraag hoeveel. B.v. Plus edisti quam ego.

Magis staat als comparativus van valde op de vraag hoezeer. B.v. Ne quid magis timueris quam adulatores.

Amplius wordt vooral gebruikt bij opgaven van ruimte, tijd en getal en iu de uitdrukkingen quid amplius, nihil amplius, nee quidquam amplius. B.v. Amplius septingenti cives pestilentia mor tui sunt.

Dikwijls kan men van deze comparativi naar verkiezing den eenen of den anderen gebruiken. B.v. Plus of amplius sex menses sunt. Codrus patriam magis of plus quam semetipsum amavit. In plaats van plus mag men echter geen magis gebruiken, dus niet: magis edisti quam ego.

Aanmerking III. Somtijds wordt ook longius everzoo geconstrueerd. B.v. Graecorum copiae non longius milia passu um octo aberant.

§ 298. De comparativus wordt gebruikt:

1°. met de ablativi opinion e, spe, ex sp e c t a t,i on e (bij de geschiedschrijvers ook aequo, justo, solïto, di cto'-ën enkele andere) om te kennen te geven, dat iets de meening, hoop of verwachting overtreft of er niet aan beantwoordt. Gewoonlijk staan deze ablativi vóór den comparativus. B.v. Caesar opiniaue celerius venturus esse dicitur, men zegt dat Caesar spoediger zal komen dan(men)meent. Lae-vluus consul serius spe omnium Romam venit, de constd Luevinns kwam later dan men algemeen hoopte te Some.

2°. met quam pro om uit te drukken dat iots in geen verhouding staat tot iets anders. B.v. Sumptus multorum hominum major est quam pro facultatibus, de uitgaven van vele menschen staan niet in verhouding tot hun vermogen. Proelium at roei us quam pro numero, pugnantium edïtur, er werd een gevecht geleverd, welks moorddadigheid in geen verhouding stond tot hét getal der strijders of dat moorddadiger tvas dan men van het getal der strijders zou verwachten.

3°. met quam ut ofquam qui en den conjunctivus om aan te duiden. dat iets te groot is om of te groot dan dat. B.v. Hoe vinum acidius est (juam ut bibatur, deze wijn is te zuur om te drinken.

ocr page 243

Comparativus.

§ 299—301.

224

Major sum quam cui possit fortuna nocëre, ik ben te groot dan dat het lot mij zou kunnen schaden. Quam qui komt vooral bij dichters en latere prozaschrijvers voor. bi plaats van quam ut gebruikt men meermalen en wel vooral na pot i us, liever, enkel quam met den con-junctivus. B.v. Fausanias epulabatur luxuriosius, quam qui ader ant perpëti possent. Vir bonus statuit omnera cruci-atum porferre potius quam aut officium prodat autfidem. ygl. § 403.

sXi § 299- Om te kennen te geven, dat van twee eigenschappen de eene meer dan de andere op één persoon of zaak van toepassing is, zet men beiden in den comparativus met quam of in den positivus met magis — quam. B.v. Themistöcles callidior quam justior fuit,

Themistocles was meer slim dan rechtvaardig of Themistöcles was wel rechtvaardig maar toch nog slimmer. Rixantes mult a mag is cuptde quam urbane loquuntur, twistenden zeggen vele woorden meer op hartstochtelijken dan op hoffelijken toon of twistenden zeggen vele woorden wel op hartstochtelijken maar niet genoeg op hoffelijken toon.

§ 300. De comparativus dient ook om een vrij hoogen en een te h o o; i n trap uit te drukken. Men kan hiervoor echter ook den positivus gebruiken, in het eerste geval met satis, in het tweede met nimis. B.v. Senectus est natura loquacior of' satis loquax, de ouderdoni is nog al snapachtig van aard. Themistöcles liberius of nimis lihëre vivebat, Themistocles leefde al te los. De comparatixus heeft ook de beteekenis van wat met den positivus; in deze beteekenis wordt er meermalen paulo bijgevoegd. B.v. quot;Senectus est paulo morosior, de ouderdom is wat knorrig.

Aanmerking. Verscheidene adjectiva, wier beteekenis iets afkeurenswaardigs te kennen geeft, plegen de Latijnen in den positivus te zetten, waar wij om het voorgevoegde te of al te den comparativus zouden verwachten. B.v. A n gustos fines habere, een te beperkt grondgebied hebben; lente age re, te langzaam handelen ; 1 o n g u m est, het zou te lang zijn.

Daarentegen plaatsen de Latijnen meermalen een comparativus, waar wii a-.in geen vergelijking denken en den positivus gebruiken. B.v. Null a r c . major {geen zaak van eenig gewicht) sine e o gerebatur. Medici gravioribus morbis (zware ziekten) periculosas eurationes adhibere coguntur.

§ 301. Wanneeè- twee personen of zeken met elkander vergeleken worden of wanneer een geheel in twee deelen verdeeld wordt en deze deelen tegenover elkander gesteld wórden, gebruiken de F 1 '1ers den positivus of den superlati vus, doch de I den comparativus. B.v. Ik heb twee brieven van u

ohli'iivjen, ik beantwoord daarom eerst den eersten, du as e pis tolas abs te aceCpi, respondeo igitur prius ad priorem.

ocr page 244

Comparativus.

§ 802.

225

De kleine visschen voeden zich mei waterinsekten, de (jroote met vis-schen, minores pisces insectis aquatilibus vescuntui^ majores piscibus. Ue yrootste helft, major pars (maxima pars beteekent een zeer (/root deel). Wie van heide broeders is de oudste, u t e r f r a t ru m major n a t u est? Klein-Azië, Asia minor. Gallië aan deze zijde, Gallia citerior.

§ 302. Hoeveel de oene zaak de andere overtreft wordt uitgedrukt door den ablativus mensurae. B.v. Hibernia dimidio minor est quam Britannia, Hibernië is de helft kleiner dan Britannië.

Zeer dikwijls gebruikt men hier de volgende ablativi: quo, hoe,

eo, des te, quanto, hoeveel, hoe, tan to, zooveel, des te, multo, veel, a 1 i q u a iLt o, iets of vrij wat, p a u 1 o, weinig, n i h ï 1 o, niets, alt 0^*0 tan to, eens of tweemaal zooveel, qu in qui es tan to, vijfmaal zooveel. B.v. P a t r i a m i h i vita m e a multo est c a r i o r, mijn vaderland is mij veel dierbaarder dan mijn leven. Homines, quo p 1 u r a h a b e n t, e o c u p i u n t ampliora, hoe meer de menschen bezitten , des te meer verlangen zij.

♦Aanmerking I. Do ablativus mensurae wordt ook gevoegd bij de praopositios, adverbia en verba, die de beteekeuis van een comparativus hebben, zooals: ante, post, infra, supra, citra, ultra, malle, en de verba van overtreffen, zopals: praestare, superare, antecellere, antecedere, excellere. B.v. Uri sunt magnitudine p a u 1 o infra elephantos, de huff els zijn een weinig kleiner dan de olifanten. Multo p raast at virtus divitiis, deugd is ceel voortreffelijker dan rijkdom.

Bij do verba van overtreffen mag men in plaats van de ablativi multo, tanto, quanto en aliquanto ook de adverbia multum, tantum, quantum en a li quantum voegen. B.v. Miramur, hune hominem multum antecellere ceteris.

^Aanmerking II. Nog vóór een comparativus blijft meestal onvertaald. Men mag het echter vertalen door etiam (soms vol, bij laterou ad hue). B.v. Lingua La tin a locupletior etiam est quam Grraeca, de Latijnsehe taal is nog rijker dan de Grieksche. Hoeveel het eene liet andere overtreft mag niet staan tusschen etiam en den comparativus. B.v. Multo etiam gravius queritur, hij klaagt nog veel ernstiger (niet etiam multo gravius).

Aanmerking III. Om bij een vergelijking/ie tegenstelling sterk te laten uitkomen zet men het tweede lid der vergelijking vóór den comparativus. B.v. Natura virum, quam muliërem, fecit auda-ciorem. Veniunt, qui me audiant, quasi doctum hominem, quia paulo sum, quam ipsi, doctior. Pacere quam sanare vulnöra facilius est.

Aanmerking IV. In plaats van quo quis (quisque).;;eo met twee comparativi kan men ook zeggen ut quisque... ita met twee

öe druk. 15

ocr page 245

226

§ 303—304.

§

Superlativus.

superlativi. B.v. Hoe rechtschapener iemand is des te moeilijker houdt hij anderen voor niet rechtschapen, quo quisque est vir probior, eo dif'ficili us esse alios impröbos suspicatur of ut quisque est vir pr obis s im us, i ta difficillime esse alios impröbos suspicatur. Hoe zeldzamer iets is, des te hooger wordt het geschat, quo quid rarius est, eo pluris aestimaturofutquidque rarissimum est, it a maxi mi aestimatur.

§ 303. Wanneer de superlativus den hoogs ten graad te kennen geeft, kan hij versterkt worden:

1°. door unns of unns omnium. B.v. Scaevölam unum n o s t r a e civitatis p r a e s t a n t i s s i m u m a u d e o d i c ë r e, ik durf zeggen, dat Scaevola de alleruitstekendste man is van onzen staat. Eloquentia res una est omnium difficillima.

2°. door multo of longe, verreweg. B.v. Athenieuses omnium Graecorüm multo (l(^nge) ingeniosissimi sunt.

30. door vel of e t i a m^féelfs (nooit ipse). B.v. Vel (e t i a m) sapientissimus potest er ra re.

4°. door quam met of zonder possum, zoo... mogelijk. B.v. Quid sentiam, quam brevissime (po«■■■■) tibi dicam.

5°. door quautus possum (doch enkel bij m axim u s) eu ut possum, zoo ... mogelijk. B.v. Caesar q u a n t i s m ax i m i s itineribus p o t u i t ad hostem coritendit. Ut potui accuratissime, te tuamque rem tutatus sum. Quautus maxi mus possum wordt bij Cicero altijd voorafgegaau door taut us. B.v. Ta ut a est inter eos, quanta maxima esse potest, morum studiorum que dissen si o.

Aanmerking. Om aan te duiden, dat iets zoo groot mogeljjk is, gebruiken de Latijnen ook do volgende uitdrukkingen: ut nihil supra possit, ut nihil possit accede re, ut supra nihil pos-sit addi. B.v. Improbïtas Catilinae tam magna f'uit, ut nihil posset accedere. Vervolgens tam... quam qui met ecu superlativus en ita of sic... ut qui met een superlativus. B.v. Tam gratum id mi hi erit, quam quod gratissimum (sc. mihi erit). Te semper sic colam et tuebor, ut quem diligen-tissime (sc. colam et tuebor).

' § 304. Een superlativus gevolgd door quisque wordt vertaald door allen met den positivus of door het bepalend lidwoord met den 'superlativus, waarbij men dau naar omstandigheden nog juist, telkens, altijd kan voegen. B.v. F o r ti s s i m u s quisque miles in hac pugna cecïdit, de dapperste of juist de dapperste soldaten zijn in dezen slag gesneuveld. Ex philosöphis optimus et gravissimus quisquo confitetur, multa se ignorare, alle voortreffelijke en gezaghebbende wijsgeeren bekennen, dat zij vele zaken niet weten.

Zeer dikwjjls is zulk oen superlativus met quisque door een verbum verbonden met een anderen superlativus.. B.v. Optimum quid que rarissimum est, het beste is altijd het zeldzaamste. Maximao cuique

ocr page 246

Vergelijkende woorden.

227

§ 305—306.

fortunae m i n i m o eredendum est, op het hoogste, geluk is juist het minst te houwen.

In klassiek Latijn gebruikt men hier bijna altijd den singularis behalve bij de pluralia tantum en wanneer het neucrum plurale q uae-que in plaats van quidque staat. B.v. Tuae mihi littery,e longis-simae quaeque gratissiraao erunt. Reeentissima quaeque sunt cor recta maxime.

§ 305. Als wordt na idem vertaald door qui, na talis door qualis, na tanvus door quantus, na tot en totïdein door q u o t, na t a m door q u a m , na to t i e s door q u o t i e s. B.v. Eodem modo me deeëpit quo te, hij heeft mij op dezelfde wijze bedrogen als u. Nemo unquam tanta crudelitate usus est, quanta Cambyses, niemand is ooit, zoo wreed geweest als Camhijses. Plerlque amicura talem volant, qua les ipsi esse non possunt. V ^

Aanmerking. *Men kan als na idom ook vertalen door ac, a t-quo, ut, wanneer beide 1 ode n der vergeljjking iietzel fde verbum hebben, li.v. Plato idem son sit at que Pythagoras, Plato is van dezelfde meening geweest als Pijthagoras. Is dit niet het geval, dan moet men qui gebruiken. B.v. Plato idem sensit, quod Pythagoras docuerat.

Dichters eu latere prozaschrijvers vertalen als na idem ook door cum en door den dativus. B.v. llle eadem nobis jurat us in ar ma,

hij die hij hetzelfde vaandel trouw gezworen hee]t als tvij. a

306. Als en dan worden door ac of atque vertaald na de adjectiva en adverbia, die eea g e 1 ij k h e i d of overeenkomst en het tegendeel betcekenen, zooals : s i m ï li s, dissimïlis, par, d i s p a r, con-trarius, alius, similiter, parïter, aeque, perinde, proinde, alïter, contra^ secus. B.v. Cave ne si mi li for tuna ut ar is atque ego usus sum, pas op dat gij niet een gelijk lot heht, als ik gehad heb. Vides omnia fere contra ac dixisti evenisse, gij ziet dat bijna alles anders is uitgekomen dan gij gezegd hebt. L o n g e alia nobis, ac tu scr ipse ras, narrantur, men verhaalt ons geheel iets anders, dan gij geschreven hebt. Na contrarius, het tegendeel, het tegenovergestelde, moet van hetgeen ook door ac of atque vertaald worden. B.v. Coutrarium decern eb at ac paulo ante decreverat. Aanmerking I. In plaats van ac na alius en aliter te plaatsen.

■;|

kan men alius (MitaMaÏMtia

nliwró en aliter ook herhalen om het verschil des te sterker te doen uitkomen. B.v. M u 11 i homines a 1 i u d loquuntur, a 1 i u d s e n t i u ut,

vele menschen spreken anders dan zij meenen. Aliter cum tyranno,

iiliter cum amico vivitur, men aaat anders met een dwingeland om

^ / - / / ■quot;c'/ i /

dan met een vriend. « »lt;;■.. / ^

Mi

ll

Aanmerking II. Wanneer alius of aliter een ontkenning bij zich hebben of zooals in vragen een ontkennende beteekenis verkrijgen, worden zij gevolgd door ac, wanneer de zin ia juist dezelfde als, door quam, wanneer de zin is niet geringers dun, door nisi, wanneer de

iy/' *yy

■Is'

ld .

ocr page 247

Beteekenis der tempora.

228

§ 307—310.

zin is slechts. B.v. Nunc non alius sum atque antea fui, ik hen thans juist dezelfde als vroeger. L y s a n d e r nihil a 1 i u d m o 111 u s est, quam ut om nes civitates iu sua teneret potestate, Lijsander trachtte naar niets geringers, dun om alle staten in zijne macht te Aeöfte». Be 11 um ita suscipiatur, ut nihil aliud uisi pax quae-slta vidoatur, men beginne een oorlog zoo, dat men slechts naar den vrede schijnt te streven.

§ 307. Na de ontkennende woorden nemo, n i li i 1, nullus, u 11 u s, n u n q u a m, u n q u a m, n u s q u a m , u s q u a m en na een vraag met ontkennende beteekenis wordt dan vertaald door nisi. B.v. Athenienses auxi 1 ium nusquam petiverunt nisi a Lacedaemoniis, de Atheners vroegen nergens hulp dan hij de Lacedemoniërs.

ELFDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK DER TEMPORA.

§ 308. De grondbeteekenis der tijden komt het duidelijkst uit in den indicativus. De wijzigingen, welke deze beteekenis in den conjunctivus, imperativus, infinitivus en liet participium ondergaat, worden in de bijzondere gevallen in het bijzonder besproken.

§ 309. Het p r a e s e n s wordt gebruikt ter aanduiding:

1n. van hetgeen werke 1 ijk tegenwoordig is. B.v. Loquèris ad hue cum om nes tacent, gij spreekt nog terwijl allen zwijgen.

2°. van hetgeen men zich als tegenwoordig voorstelt; dit 'geschiedt vooral bij het aangeven van gewoonten en algemeen geldende waarheden en bij het aanhalen van gezegden uit vroegere schrijvers. B.v. Quotidie corpus friglda aqua lavo, dagelijks wasch ik mij met koud water. Virtus sola homines beatos red dit, de deugd alleen maakt de menschen gelukkig. Homerus Jovem deorum hominumque patrem appellat. Homerus noemt Jupiter den vader der goden en der menschen.

Aanmerking. Wanneer iemand zich zelven afvraagt, wat hij op het oogeublik waarop hij spreekt zal doen, gebruiken de Latijnen hetprae-sens, waar wij den toekomenden tijd gebruiken. B.v. Quid ago, wat zal ik doen? Imusne sessum, sullen wij gaan zitten?

§ 310. Het perfectum heeft in het Latijn een dubbele beteekenis. Vooreerst beteekent het juist hetzelfde als de Nederlandsche v o 1-maakt verleden tijd (perfectum absolütüm). B.v. Vixi, ik heb geleefd. Corpora nobis natura in firma d e d i t, cfe natuur heeft ons een zwak lichaam gegeven. Vervolgens wordt het perfectum

ocr page 248

Bet eekenis der tempora.

^ 311.

229

evenals de Noderkndsche onvolmaakt verleden tijd gebruikt om iets te verhalen (perfectum historïcum). B.v. Caesar exereï-tum finibus Italiae admövit, Rubicönem transiit, Roma m oceupavit, Po mpejum per s e cutus est e iim qu e in campis Pharsalïcis de vleit, Caesar rukte met zijn leger tiaar .de grenzen van Italië, ging over den Rubicon, nam Bome in, achtervolgde Pompejus en overwon hem hij Pharsalus.

Aanmerking. *In oen levendig verhaal gebruikt men in plaats van het perfectum historicum het zoogenaamde p r a e s e n s historiën m, om de verledene gebeurtenissen als tegenwoordig voor te stellen eu den spoed te doen uitkomen, waarmede de gebeurtenissen elkander zijn opgevolgd. B.v. ï ot u Italia delectus habentur, ar ma impe-rantur, pecuniae a municipiis exiguntur, o fa nis tol-luntur, omnia divina humanaque jura permisccntur. — Repen te post tergum equitatus ceruitur, co hort es aliae appropinquant, hostes terg a ver tunt, fugieut;-bus equites occur runt, fit magna cl a des.

liet praeseus historicum volgt gewoonlijk achter dum, terwijl, om de gelijktijdigheid van twee handelingen aan te geven. B.v. Dum ego in Sicilia sum, nulla statu a dejecta est, terwijl ik in Sicilië was, werd er geen enkel beeld omvergehaald. Multi dum diserte loquun-tur rusticis, assecuti sunt, ut eorum doctrina nee a diser-tissimis possit intellegi. Zoo men echter wil aanduiden, dat twee handelingen even lang geduurd hebben, volgt achter dum, zoolang a la, ook het imperfectum en soms hot perfectum. B.v. Dum S u 11 a in aliis rebus er at occupatus, erant interca, qui suis vulue-ribus mederentur. Hoc feci, dum licuit, intermlsi, quoad non licuit. Vgl. § 364.

§ 311. Het imperfectum wordt gebruikt:

1quot;. om aan te duiden, dat oen verleden handeling gelijk tij dig geschiedde mot een andere handeling of nog voortduurde, toen een andere gebeurtenis plaats had. B.v. Tarquinius m ur o lapideo circumdare ur bem parabat, cum bo 11 um Sabin um 1 n-tervënit, Tarquinius teas voornemens de stad met een steenen muur te omringen, toen de oorlog met de Sabijnen uitbrak.

'' II

*Aanmerking 1. In een verhaal zal het perfectum voortdurend ai-wisselen met het imperfectum, daar het perfectum de hoofdhandelingen beschrijft en het imperfectum do bijkomende omstandig-liedeu aangeeft, beschrijvingen invlecht, toestanden schildert, liet perfectum zet het verhaal voort, het imperfectum doet het verhaal stilstaan. B.v. Caesar Alesiam circumvallare instituit; erat autem oppidum in collo summo, cujus radices duabus ex partibus flumina subluebant. Cares, qui turn Lemnum iucolebant, resistere ausi non sunt atque ex iusula demi-grarunt. Aequi se in oppida receperunt murisque se teue-bant. Couticuëre om nes intentlque ora tenebant. jr i£quot;/

/•

lt; ,-yt cji J amp; o-iz- '

ocr page 249

Beteekcnis der tempora.

230

§ 312-313.

Aanmerking II. In plaats van het imperfectum gebruikt raeu in een verhaal bij gevoelvolle schilderingen, om snel afwisselende, elkander verdringende handelingen en toestanden uit te drukken, den zooge-naamden infinitivus historicus. In den regel volgen meerdere infinitivi op elkander; zij kunnen actief en passief zijn en hebben het subject in den nominativus. B.v. Quae cum Athenas nun-tiata essent, om nes relic tis domibus per urbom discurrëre pavïdi, alius alium sciscitari, auctor em nuntii require re.

2°. om in het vcrledene dikwijls herhaalde liandelingen, zedou en gewoonten aan te geven. B.v. Ut Romae consules, sic Carthagine quo tannis bini reges creabantur. Post ci-b u m meridianum Augustus paulisper c o n q u i e s c e b a t.

3°. somtijds om aan te duiden, dat een handeling wel begonnen, maar niet ten einde gebracht of zonder gevolg gebleven is (imperfectum conatus). B.v. Gato pro lege, quae abrogabatur, ita disseruit, aldus sprak Ca to voor de wet, die afgeschaft moest icorden (maar niet afgeschaft werd). Consul a n i m o s ra i 1 i t u m leniebat,(fe consul trachtte de gemoederen der soldaten te bedaren (maar slaagde niet).

§ 312. Het plusquamperfectum duidt aan, dat een handeling reeds geschied was, toen een andere handeling begon. B.v. Pausanias eödem loco sepultus est, ubi vitam posue-rat, Pausanias werd op dezelfde plaats hegraven, waar hij gestorven was.

Het Latijn is veel keuriger op bet gebruik van het plusquamper-fectum dan het Nederlandsch. Wij zeggen: Iphicrates doorstak den wachter, dien hij zag slapen, met zijn lans, doch de Latijnen: Iphicrates vigïlem, quem dormientem viderat, cnsplde transfixit, omdat de handeling van zien reeds geschied was, toen de handeling van doorsteken begon. Persae, cum Athenas pervenissent, sacerdotes, quos in aree invenerant, interfecernnt, toen de Perzen te Athene kwamen, doodden zij de priesters, welke zij in den burg vonden.

Aanmerking I. Do verba van vragen staan meermalen in het i m p e rfc c t u in , waar men om de nauwkeurigheid het plusquamperfectum zou verwachten. B.v. Socrates, cum rogaretur cujiïtem se esse d i c e r e t, mjindanum i n q u i t, toen men Socrates vroeg voor welk een. landsman hij zich uitgaf antwoordde hij: voor een wereldburger.

Aanmerking II. De geschiedschrijvers zetten soms het plusquamperfectum in plaats van het perfectum, om den spoed aan te duiden, waarmede zekere handeling geschiedde. B.v. Postquam se r e c e p e-ruut,verterat periculum in Romanos.

§ 313. Het futurum simplex duidt een toekomstige handeling aan. B.v. Om nes homines morientur, alle menschen zullen sterven.

ocr page 250

Beteekenis der tempora.

231

§ 314.

Aanmerking 1. In hot Nodorlandsch gebruiken wij meermalen liij adverbia en andere bepalingen, dio op de toekomst zien, het praesens, waar de Latijnen hot futurum plaatsen. B.v. Morgen gaan wij naar buiten, eras rus proficiscemur. Over acht dagen komen wij terug, octo die bus interjectis revertemur.

Aanmerking II. Men wachte zich wel het futurum te gebruiken, waar de conjugatio periphrastica met het participium op urus te pas komt. In den volgenden zin b.v. gij moet mijn persoon beminnen en niet mijn goed, zoo wij ware vrienden zullen zijn, wordt niet gewezen op een toekomenden tijd, maar op een stemming des gemoeds, op oon voornemen, dat nu reeds moet aanwezig zijn. Vandaar in liet Latijn: me ipsum a mes oportet, non mea, si veri amiei futuri sumus. Respersas m an u s sanguïne pat er no j u dice s v 1 de ant oportet, si tantum f a c ï n u s credituri sunt.

*0m in het passivum uit te drukken, dat iets op het punt is van te geschieden, gebruikt men de onpersoonlijke spreekwijze in eo est? ut. B.v. Hij was op het punt om overwonnen te worden, in eo erat, ut vinceretur. Men kan deze spreekwijze ook gebruiken bij de verba activa en deponentia. B.v. In eo est, ut profieiscamur, wij zijn op het punt om te vertrekken. Jam in eo erat, ut muros evadëret miles, de soldaten waren reeds op het punt om uit de stad te ontkomen.

§ 314. Het futurum exactum duidt een toekomstige handeling aan, die reeds geschied zal zijn, wanneer een andere toekomstige handeling begint. B.v. Cuin Romam venero, statim ad te

s c r i b a m , wanneer ik te Bonie zal yekonten zijn, zal ik aanstonds aan u schrijven. Ut seméntem feceris ita nietes.

Aanmerking I. Meermalen staat het futurum exactum en wel ^ bijzonder vidoro in verbinding met mox, post, alias, in plaats vanquot; quot; het futurum simplex. B.v. Quae fuerit causa mox videro, wat de reden geweest is, zal ik aanstonds overwegen. Quod quis non cito didicorit, n u n q u a m d i d i c e r i t.

Aanmerking II. Wanneer de hoofdzin in het futur-um of in den imperativus staat of een uitdrukking bevat, die een toekomstige beteekenis heeft, zooals: est met het gerundivum, licet, opus est, oportet, convënit, volo, possum, moeten de bijzinnen in het futurum staan, zoo zij gelijktijdig plaats hebben met de handeling van den hoofdzin (wij gebruiken dikwijls het praesens) en in het futurum exactum, zoo zij reeds geschied zijn voordat de handeling van den hoofdzin begint (wij gebruiken dikwijls het praesens of het perfectum). B.v. Naturam si sequemur ducem, nunquam aberrabimus, zoo wij de natuur als leidsvrouw volgen, zullen wij nooit afdwalen. Non facia ra finem rogandi donecpre-cibus me is obsecutus er is, ik zul niet ophouden met bidden totdat gij mijn verzoek verhoord hebt. Lu do et joco uti licet tum, cum gravibus seriisque rebus satis feceris, schertsen en spelen mag men dan eerst, wanneer men zijn ernstige bezigheden heeft afgedaan.

Zoo de hoofdzin echter in den imperativus praesens staat en de bijzin begint met si, cum, ubi en dergelijke partikels, mogen possum en volo ook in het praesens gezet worden. B.v. üefende, si pot es. e inrh „xLj ö(.t t[sL

ocr page 251

Beteekenis der tempora.

232

§ 315—317.

§ 315. Bij hot schrijven hunner brieven verplaatsen de Latijnen zich gewoonlijk in den tijd, waarop de brieven zullen gelezen worden. Zij gebruiken derhalve het imperfectum of perfectum in plaats van ons praesens, en het plusquam perfectum in plaats van ons perfectum. B.v. Nihil habebam quod scriberem; ueque enim novi quid-quam au dier am et ad tuas om nes epistolas rescripseram p rid ie, ik heh niets te. schrijven; ivant ik heh niets nieuws gehoord en al uw brieven gisteren heantwoord. P rid ie Idus Februarias haec scripsi; eo die- apud Pomponium er am c e n a t u r u s, ik schrijf dit den 12de Februari; hedoi zal ik hij Fomponius dineeren.

Het is natuurlijk dat datgene in het praesens moet staan, wat de geadresseerde zich als praesens denken moet. B.v. Si vales, bene est, ego va Ie o. Ego te maxime et feci semper et facio.

Zelfs Cicero houdt zich niet altijd aan bovengenoemde regels. Do nieuwere latinisten richten zich in hunne brieven gewoonlijk naar het gebruik der levende talen.

Aanmerking I. De adverbia temporis moeten overeenkomen met de tij don van het verbum. Heden heet derhalve oo die, gisteren p r i d i e, morgen, postridie. A d h u c en nunc, die anders slechts bij een praesens en perfectum mogen staan, worden in brieven ook met het imperfectum en plusquamperfectum verbonden. B.v. B i b ü 1 u s n e eogitabat quidemetiamnuncin provin ciam suam accedë re, Bihulus denkt er ook thans nog niet aan naar zijn wingewest te vertrekken.

Aanmerking 11. Bij het opschrift van een brief zet de schrijver eerst zijn eigen naam, vervolgens of de formule S. P. D. (salutem plu-rimam dicit) of den naam van den geadresseerde in den dativus. B.v. Lentulus S. P, D. Ciceroni suo of Lentulus Ciceroni suo S. P. D. Wordt de formule afgekort tot een enkele S. dan staat zij altijd na den dativus. B.v. Cicero Att.ieo S. Wordt zij afgekort tot S. P. of S. D. dan meestal in het midden, doch ook wel na den dativus.

Aanmerking III. Plaats en datum worden door de Latijnen aan het einde van den brief gezet en wel eerst do datum en dan de plaats (op de vraag vanwaar). B.v. V a 1 e t e. P r i d i e Kalendas M a j a s, B r un d is i o. Voegt men er D. of Data bij, dan moot dit vóór den datum staan. B.v. Vale. Data Nonis Martiis, ex castris Taricheis

TWAALFDE HOOFDSTUK OVER DE CONSECUTIO TEMPORUM.

§ 316. De tijd der b ij z i n n e n, die in den conjunctivus staan, is afhankelijk van den tijd des hoofdzins. De regels, welke hierop betrekking hebben, noemt men de leer der consecutio t e m-p o r u m. Zij worden verdeeld in algemeene en bijzondere regels.

§ 317. De algemeene regels zijn:

A. Wanneer het verbum van den hoofdzin een praesens, perfectum absolutum, futurum of futurum ex actum is {tempora der eerste klas), gebruikt men in de bijziunen het praesens om een tegenwoordige, het perfectum om een verledene, het participium op

ocr page 252

Co)i secutio temporum.

§ 317.

233

urus met sim om eon toekomonde handeling aan te duiden. B.v-Audio (audivi, audiam, audivero)' quid agas, egeris, acturus sis, ik hoor wat gij doet, yedaan hebt, zult doen.

B, Wannoer het verbum van den hoofdzin een imperfectum, perfectum historicum of plusquam perfectum is (tempora der tweede klas) gebruikt men in de bijzinnen het imperfectum om een gelijktijdige, liet p I u sq u am p e r fe ctu m om een verledene, bot participium op urns met essem om oen toekomende handeling aan te duiden. B.v. Audiebam (audivi, audiveram) quid agëres, egisscs, acturus esses, ik hoorde wat gij deedt, gedaan hebt, zoudt doen.

Aanmerking I. Op een perfectum absolutam volgt in do el-aanduiden de zinnen en zijdelingsche vragen gewoonlijk niet een praesens, maar een imperfectum, omdat do inhoud van zulke bijzinnen gewoonlijk roods bij hot begin der handeling van den hoofdzin aanwezig was. B.v. liaec, ut vos excitarom, loentus tum, ik heb dit gezegd om u op te wekken. Hoc propterea de me dixi, ut mi hi ign o see ros, ik heb dit daarom over mij zeiven gezegd, opdat gij mij vergeven moogt. Hod ie expertus sum, (ju am ca du ca felicitas e s s o t, heden heb ik ondervonden, hoe vergankelijk het geluk is. Satis multas eau sas atttili, cur bellum gorondum osset, ik heb genoeg redenen aangehaald, waarom de oorlog moet gevoerd worden.

Zoo echter het perfectum absolutum do beteekenis heeft van oen praesens, volgt in den bjjzin ook eon praesens. B.v. Membris utimur prius, quam didicimus (= scimus), cujus ea utilitatis causa h abeam us. Exploratum est (— notum est) omnibus, quo loco causa tua sit. Etiamno ad subsellia cum ferro atque tolis vonistis (= adestis), ut hie mo aut juguletis, aut eondem-netis? Audivi quid agas beteekent ik heb gehoord (= ik weet van hooren zoggen) wat gij doet.

Aanmerking 11. Zoo de toekomstige beteekenis van don bijzin roods blijkt uit den hoofdzin on de conjunetio van don bijzin, gebruikt men iu plaats van het participium op urus mot sim hot p raesons, en in plaats van het participium op urus mot essem hot i m p e r fe ctu m. B.v. R o g o ut v o n i a s. P y t h i a p r a e c ö p i t, u t M i 11 i a d o m i 711 p o r a-torom si bi su merest. Timeo no veniat. Timobam, ut venire t.

Blijkt echter de toekomstige beteekenis van den bijzin niet uit don hoofdzin en de conjunctie van don bijzin, dan moot men het participium op urus met sim of essem gebruiken. B.v. Agamemnon non d libit at, quin Troja brevi sit p oritur a. Nesciebat Cicero, an sentontiam s.uam non omnibus probaturus osset.

Aanmerking III. Wanneer een verbum geen participium op urus hoéft, zooals de verba passiva en de verba zonder supinum, gebruikt men oen omschrijving met futurum sit (osset) ut en het k praesens (imperfectum) conjunctivi. B.v. Non du bi to, quin fu-j turum sit ut hujus rei te paoniteat. Non dubitabam, quin j futurum osset ut Pompejus a Caosare vinceretur.

Aanmerking IV. Voor den conjunctivus van het futurum I exactum gebruikt men gewoonlijk het perfectum of plusqnam-• perfectum co nj u nc t i vi,^soms ook oen omschrijving met futurum I sit (esset) ut en hot perfectum (plusquamperfectum) conjunctivi. I B.v. Nescio num (futurumsit, ut)crasjamrodierit, ik weet

ocr page 253

Consecutio temporum.

234

§ 318.

niet of hij morgen reeds teriKjijekoinen zal zijn. Nosciebam n u m (futurum os sot, ut) postridic jam rediisset, ik wist, niet of hij den volycnden day reeds teruggekomen zou zijn.

§ 318. De bijzondere regols zijn :

I. In gevolgaauduideude zinueu (mot ut, ut non, qui, iiuin) is do tijd onaflxankelij k vau don hoofdzin. Men gebruikt dien tijd, welken de bijzin zou vereischen, zoo hij onafhankelijk was. li.v. Verres Sicilian! ita vexavit ac perd'idit, ut ea restitui in antiquum statum nullo mode possit. Zoo beide ziunen onafhankelijk van elkander waren, zouden zij luiden: Verres Sicilian! vexavit ac perdidit; ea restitui in antiquum statum nullo modo potest. Muiier tam vehementer lapidem de tecto dejecit, ut regis caput et galeam perfri ngëret. Ego in eau sis pu-blïcis ita sum versatus, ut defeuderim muitos, laeserim n e min e m. T an ta o p i 1) u s E tr u r i a e rat, ut t o tam terra m fa m a n o m i n i s s u i i ra p 1 e s s o t.

Na het perfectum dor verba van geschieden, zooals: factum est, aeeïdit, contigit volgt echter altijd het imperfectum. B.v. Accïdit ut una nocte omnes Hermae dejicerentur.

II. Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het prae-sens of perfectum con junctivi staan, richten zich, zoo zij afhankelijk worden van een tempus der tweede klas, naar de regels dor consecutio teraporum. B. v. G a j u s L a t i n e 1 o q u a t u r, si pater j u b e a t wordt in een af hankel ijken vorra: Nou du bit a ba ra, qu in Gajus Latine loqueretur, si pater j uberet. Hier vervalt dus het onderscheid van heteekenis, dat de verschillende tijden van den conjunetivus in de voorwaardelijke zinnen hebben. Vgi. § 331—332.

Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het imperfectum conjunctivi staan, blijven in hot imperfectum, ook al worden zij afhankelijk vau een praesens. B.v. Non du bi to, quin me ad-ju v a r e s, si posses.

Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het plus-q uam p er fe ct u m conjunctivi staan, veranderen gewoonlijk, wanneer zij afhankelijk zijn geworden, het plusquamperfectum conjunctivi van den hoofdzin in het participium op urns met fuerim. B.v. Die, q u i d n a ra f a c t u r u s f u e r i s, si e o tempore censor fuisses. Tan-ta in opia est coactus Hannibal, ut, nisi tum fugae specie m a b e u n d o t i m u i s s e t, Gr a 11 i a ra r e p e t i t u r u s f u e r i t.

Niet zelden^echter behouden zij ook in den hoofdzin het plusquam-perfectum conjunctivi. B.v. Verïtus es, nisi istam artem oratione exaggorasses, ne operam perdidisses. Dit geschiedt vooral bjj de verba passiva en bij de verba, die geen supinum hebben. B.v. Hoe ille si repudiasset, du bit at is quin ei vis esset allata? Nou dub ito, quin, si hoe fecisses, facti te paeni-tuisset. Zoo deze verba het plusquamperfectum conjunctivi niet behouden, moet men een omschrijving gebruiken. In den eersten zin zou deze wezen: quin futurum fucrit, ut ei vis afforretur, in den tweeden: quin futurum fuerit, ut faeti te paeniterec.

Voorwaardelijke zinnen, wier hoofdzin in het i ra perfectum of perfectum indicativi staat van possum (of van de conjugatie

ocr page 254

Coiisecutio temporum.

BI 8.

235

periphrastica mot hot gerundivum^ veraudoreu deze tijden, zoo zij afhankelijk worden, iu het perfectum conjunctivi. B.v. Ilaud d u-hium fuit, quin, nisi ea mora interve nisset, cast ra co die ca pi potueriut. Adeo acquis virihus gesta res est, ut si affuissent Etrusci et Umhri, accipienda clades fuerit.

11[. Ofschoon iu voorwaardelijke zinnen het imperfectum conjunctivi eigenlijk het praesens en het plusquamperfectum conjunctivi hot perfectum der voorwaardelijke wijs is, zoo worden deze tijden echter met betrekkiug tot do bijzinnon gewoonlijk beschouwd als een wezenlijk imperfectum en plusquamperfectum. Jj.v. Si, bis bi na quot essen t, didicisset Epicurus, hoc c o r t o non d i c e r e t, zoo Epicurus (je-leerd had, hoeveel tweemaal twee is, zou hij dit zeker niet zeggen. Somtijds staan do bijzinnen hier echter in een tompus van de eerste klas. B.v. Memorare p o ss em , q u i b u s in 1 oci s m ax im as h o s t i u m co pias populus Roman us par va manu fuderit, nisi ea ros longius nos ab incepto traher et. c' gt;~

IV. Wanneer een bijzin afhankelijk is van oen infinitivus praesens of futuri, rieht zich het verbum van den bijzin naar het verbum van den hoofdzin. B.v. Ca to mirari so ajebat, quod non ridö-rot haruspox, haruspïcem cum vidisset. NogatAristldes q u i d q uam utile esse (q u idq u am se fa c t u r u m), (j u od cum honostate p ugnot.

Zoo do bijzin echter afhankelijk is van een infinitivus perfocti, staat het verbum van den bijzin altijd in een tempus der tweede klas. B.v. Satis mihi mult a verba feci s se vide or, quare es sot hoe I)o 11 u ni necossarium, het komt mij voor, dat ik genoegzaam heb aangetoond, waarom deze oorlog noodzakelijk is. De gevolgaanduidende zinnen zijn ook hier onafhankelijk. B.v. Docot ita se possedisse, ut nee vi nee c 1 am possederit.

V. Wanneer een bijzin afhankelijk is van een s u p i n u in , gerundium, participium, adjectivuin ofsubstantivum, richt zich het verbum van den bijzin naar hot verbum van den hoofdzin. B.v. Miso-runt Delphos consul tuin, quidnam facer ent de rebus suis. Ad deliberandum quid facto opus sit, a n t o q u a m o g e r i s a g g r ë d i o p o r t o t. A r i s 11 d e s animadvertit quondam s c r i-bentem, ut patria pellcretur. Perdiccas din quid agörot ineortus ad postremum tamen rocessit. Explicavi son-ton t i a m m e a m , et e o q u i d e m c o n s i 1 i o t u u m judicium ut cognoscërem.

VI. Wanneer een bijzin afhankelijk is van oen anderen bijzin, die in don conjunctivus staat, bepaalt niet do hoofdzin, maar de regee-r en de bijzin den tijd van den afhankelijken bijzin. B.v. Noscio, quidnam causae sit, cur nullas ad me littorasdes(doderis). Ne-scio, quidnam causae fuerit, cur nullas ad mo litteras daros (de diss es).

Vil. liet praesens historicum kan men met betrekking tot den tijd der bijzinnen beschouwen of als praesens of als perfectum historicum. B.v. Helvetii logatos mittunt, qui dicant of qui dicer ent. Meermalen staan bij denzelfden hoofdzin in hot praesens historicum sommige bijzinnen in hot praesens en andere in het i m-porfectum conjunctivi. '

1

gt;1

A •* |

11

c--c-^ / lt;jC lt;0- .

■ CL J-iL-

C-fquot;jc*

ocr page 255

§ 319—320

Indicativus.

236

Bijzijyion mot cum nar rati vu m hlijvon hij het p r.io sen ^.historie um het imperfectum of p 1 usq ua m por fee t um'con j u ne-tivi staan. ïky. Caesar, cum ld nuntiatum osset, matürat ah u r h e p r o f i c i s^ci. ,

quot;Wanneer de meeningon van oude sch-Tijvers worden aangehaald, volgt soms op een hoofdzin in het praesens een hijzin in het imperfectum. B.v. Chrysippus disfïütat, aether a esse cum, quern homines Jovem appellarent.

Bjj een infinitivus historicus staan de hijzinnen in de tempora der tweede klas. B.v. Kous q uat c r e vi n c ala, vocare deos, ut sihi redderent exsilium.

VIII. Soms staat hij een hoofdzin in het praesens een hijzin in hot imperfectum. B.v. Video eau sas* esse perm uitvis, quae is turn impolJLërent. Grewoonlijk kan men zulk een hijzin verklaren als oen v o o,r quot;vv a a r d e 1 jj ken zin. Men volge echter deze afwijking^lrmt—na.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTIVUS IN HOOFDZINNEN.

I. Indicativus.

§ 319. De indicativus beteekent in liet algemeen, dat iets in werkelijkheid bestaat of' voorondersteld wordt te,bestaan. In de meeste gevallen wordt de indicativus in liet Latijn op dezelfde wijze gebruikt als in het Nederlandsch. Slechts enkele afwijkingen komen voor. Zij worden • besproken in' de volgende paragrafen.

/ § 320. Meermalen zijii de werkwoorden kunnen, moeten, hetumen verbonden met hot hulpwerkwoord zouden, zonder dat er eeu hijzin met indien bijstaat of hijgedacht moet worden. Vgl. § 333. B.v. Ik sou vele voorbeelden kunnen opnoemen van rijke lieden, die niet gelukku/ geweest zijn. Het zou te wenschen zijn, dat gij eindelijk eens een anderen weg insloegt. Wanneer deze werkwoorden vertaald worden door possum, deheo, oportot, necesse est, licet, convönit, decetof het gerundivum met sum, gebruikt men deu indicativus en wel het praesens, zoo men spreekt van een tegenwoordige, eu het imperfectum, perfectum of plusquam perfee turn, zoo mon spreekt van eeu verleden handeling. B.v. Multa exempla divïtum viro-r u m e n u ra e r a r e possum, qui b e a t i non f u e r u n t. O p t a n d u m est, ut aliquando aliam viara ingrediare. Soms gebruikt men ook in hot Nederlandsch het hulpwerkwoord zouden niot. Zoo kau men de vertaling van het laatste voorbeeld beginnen; het ware te wenschen. Evenzoo: gij moest vlijtiger zijn, diligentior esse debes.

üm te weten welken verleden tijd men moet gebruiken, lette men op de omschrijving van liet volgende voorbeeld. Hoe facere debehas, gij hadt dit moeten doen en moet het ook thans nog doen. Hoe facere debuisti, gij hadt dit moeten doen, maar thans is het te

L

1

G C d (i

s

Zi

te ti

a

S

ti zii fu

wa

4 i

vei fo i

BÜ

f. lieo

err r f

§

niet staa pot

A

sclm | zulle V u m e a m Ni]

ay t

meene

§ 3

1°.

van u Het p van d '1 u a m

ocr page 256

T

Conjunctivus.

§ 321 — 324.

237

laat on niot meer mogelijk. Hoc facere debueras, (jij luidt dit moeten doen, maar toen was hot te laat en niet meer mogelijk.

^ Dezelfde eigenaardigheid in het gebruik vau don indicativus geldt ook voor de onpersoonlijke uitdrukkingen, die bestaan uit een adjectivum met esse en dezelfde beteekenis hebben als bovengenoemde verba, zooals: par, aequum, Justum, fas, c o n s e n t a n o u m, satis of satius est = deeet, licet; melius, utilius, optabilius est oportet, convënit; Ion gum, magnum, im men sum, infinitum grave, difficile est = non possum. Vgl. over het gebruik van den positivus der laatstgeuoomde adjeetiva § 300. Aanm. B.v. Aequum satie fuit Socratem capitis non condomnari, het zou zeker hillijk geweest zijn, dat Socrates niet ter dood, veroordeeld irerd. Longum est (het zou te omslachtig zijn) omnes memorare artifices, quos Athonae t u 1 e r u n t.

' g 321. Bij paene en pro po, bijna, staat het perfectum indica-tivi, terwijl wij gewoonlijk den meer dan volmaakt verleden tijd of een zin mot zouden gebruiken. B.v. Paene oblltus sum, quod maxime fuit memorandum, bijna had ik vergeten oï bijna zou ik vergeten hebben, wat het meest vermeldingswaardig was.

ij g 322. Bij fortasse, misschien (wanneer men goede gronden voor een vermoeden heeft) staat do indicativus. B.v. Raras tuas quidera, fortasse enim non perferuntur, sed suaves aecipio li11oras. Bij forst tan (wanneer men geen goodo gronden voor oen vermoeden hooft) staat de conjunctivus. B.v. Forsïtan quae rat is, qui is te error sit et quae tanta form ld o.

II Conjunctivus.

§ 323. De conjunctivus beteekent in het algemeen, dat iets niet in werkelijkheid, maar slechts in de gedachte bestaat. Hij staat in hoofdzinnen als modus optatïvus, concessïvus, potentialis en dubita11vus.

Aanmerking. In onze taal wordt de conjunctivus dikwijls omschreven door de hulpwerkwoorden laten, mogen, moeten, kunnen, I zullen, zonden. B.v. Eamus, laten wij gaan. Moriar, ni ve-rum est, ik mag sterven, als het niet waar is. Quid faciam? I earn? non eam? wat moet ik doen? zal ik gaan ? zal ik niet gaan ? | Nil fecit, quod succenseas, hij heeft niets gedaan, waarover | gij toornig kunt worden. In facïnus ju rasse putes, gij zoudt | ineenen, dat zij tot gruweldaden samengezworen hadden.

§ 324. De conjunctivus wordt gebruikt als modus optativus;

1°. ter aanduiding van een wensch, dikwijls met bijvoeging | van utïnam. De ontkenning wordt gewoonlijk uitgedrukt door ne, v | liet praesens en perfectum beteekenen, dat men de vervulling | van den wensch voor mogelijk, liet imperfectum en plus-1 q uamperfectu m, dat men de vervulling voor niet mogelijk

men

! I) O- S ^

Hoe

liet to

l

ocr page 257

Conjunctivus.

§ 325.

23S

houdt. B.v. Hoc di bene vertant. de goden moyen hunnen zegen daartoe geven. U t i n a m amicus convalescat (c o n v a 1 u e r i t), moge mijn vriend genezen {genezen zijn)! U tin am amicus c onvale seër et, mocht mijn vriend genezen (maar hij zal niet genezen)! Utinam amicus convaluisset, mocht mijn vriend genezen zijn (maar hij is niet genezen)! Utinam ne nimis vitae cupïdi fuissemus!

Eon wcnsch kan omschreven worden door volim, nolim, malim, wanneer do vervulling mogelijk is, door veil era, nol I era, mail era, wanneer de vervulling niet mogelijk is. De bijzin volgt in den con-jUuctivus zonder ut. B.v. Veliin mihi ignoscas. Vellemadesse posset Panaetius.

liet woord dan, hetgeen wij meermalen op een wensch laten volgen, wordt of' vertaald door profeet o qf onvertaald gelaten. B.v. Qu ara vellem ad illas pulcherrimas epülas me iuvitasses, (pro-fee t o) reliquiarum nihil haberemus.

Dichters zotten soms o s i in plaats van utiuam en stellen niet vervulbare wensebeu als vervulbaar voor. B.v. O mihi praeteritos refe-r a t si Juppiter a n 11 o s.

2°. om een aanmoediging uit te drukken, maar gewoonlijk slechts in den lstcn persoon meervoud van het praeseus. 13.v. Imitemur majores nostros, laten wij onze voorvaderen navolgen. Ne difficilia optemus. Meminerimus etiam ad-versus infimos justitiam esse servandam,

\ 3°. om bij eeden, dat men de waarheid zegt, aan te geven wat er geschieden mag, zoo men liegt. Men gebruikt hier of den enkelen conjunctivus, wanneer de bijzin in den indicativus staat met si, si nou of n i (nisi wordt niet gebruikt) of den conjunctivus met i t a, wanneer de bijzin in den indicativus staat met ut of ut non. B.v. Dii me pun ia ut, si galllnas tuas venëno interfêci. Moriar, ui omnia tecum communicavi. 11 a me dii a m e n t, ut g a 11 i n a s tuas v o n e n o nou inter feci. It a vivam, ut tecum omnia communicavi.

§ 325. De conjunctivus wordt gebruikt als m od u s con ces si-vus, wanneer men iets toegeeft of vooronderstelt. Als ontkenning staat ne of, zoo zij zich aan een enkel woord aansluit, ut non. Men gebruikt liet praeseus en perfectum, zoo men de vooronderstelling als waar beschouwt. In dit geval kan men er een conjunctio concessiva voor plaatsen. B.v. Fixer is doet us, p i u s non f u i s t i, toegegeven dat gij geleerd geweest zijt, braaf zijt gij niet geweest Naturam expellas fur ca, tam en usque recur ret. Exercitus si pacis nomen audierit, ut non refërat pedem, insistet eer te. Ne sit sane summum malum dolor, malum eer te est.

ocr page 258

§ 326—328. Modus bij de suhordineerende conjuncties.

quot;s q (

j 0 J .

♦Wordt de vooronderstelling als onwaar beschouwd.

dan gebruikt

men het imp erfect u m of plusq uamperfectum en wel altijd met ut. B.v. Ut rationem Plato nullam af'ferret, ipsa auotoritato me fr anger et, voorondersteld dut Plato geen enkele reden aanvoerde, dan sou hij mij toch door zijn tjezay voor zich winnen.

§ 326. De conjunctivus wordt gebruikt als modus potentialis om ie's in een zachter en vorm, slechts als mogelijk uit te spreken. Als ontkenning staat non. Men.gebruikt het praesens en perfectum zonder verschil van beteekenis, om aan te geven, dat iets thans n o g m o g e 1 ij k i s, het i m p e r f e c t u m (het plus-quamperfectum wordt niet gebruikt) om aan te geven, dat iets vroeger mogelijk was, maar thans niet meer. B.v. Hic quaerat qui sp ia in, hier zou iemand kunnen vragen. Hoc sine uil a dubitatione confirmaverim, eloquentiam rem unam esse omnium difficillimam, zonder eenigen twijfel zou ik durven heiveren, dat de welsprekendheid een allennoeielijkste zaak is. Hoe tantum bellum quis unquam arbitraretur ab uno imperatore confïci posse, wie kad ooit kunnen geloooen, dat deze zoo jroote oorlog door één veldheer zou ten einde kunnen gebracht worden ?

liet imperfectum wordt vooral gebruikt in den 2den persoon enkelvoud tor uitdrukking van ons )nen bij dieëre, credere, putare en dergelijken. B.v. Maesti milites, crederes victos, redierunt in cast ra, treurig keerden de soldaten, men zou hen voor overwonnenen gehouden hebben, in de legerplaats terug. Isti mirandum in modum, canes venatïcos dice res, odorabautur omnia et pervestigabaut.

§ 327. De conjunctivus wordt gebruikt als modus d u b i ta ti v u s bij twijfelachtige vragen. De ontkenning is non. B.v. Quid faciam? eam? non eam? wat moet ik doen? zal ik gaan? zal ik niet gaan? (ik weet het niet).

In plaats van den Nederlandschen meer dan volmaakt verleden tijd gebruikt men iu het Latijn het imperfectum. B.v. Valerius quoti-die cantabat, er at onim scaenïcus; quid facër et aliud? Valerius zong dagelijks, want hij was tooneelspeler; wat zou hij anders hebben moeten doen?

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN OEN INDICATIVUS EN CONJUNCTIVUS IN BIJZINNEN, DIE MET EEN CONJUNCTIE BEGINNEN.

§ 328. De conjuncties zjjn óf coord in eer end of siibordi-m e e re n d.

239

ocr page 259

Modus bij de subordineerende conjuncties.

§ 328.

240

De c o o r cl i n e e r e n d e conjuncties verbinden zinnen, die o n-afhankelijk zijn van elkander; zij zjjn de co n j u n c t i o ne s copulativae, disjunctivae, adversativae, conclusivae.

De sub o r d i n e e r e n d o conjuncties maken den zin, waartoe zij behooren, afhankelijk van een anderen zin; zij zijn de con-junctiones condicionales, conce8sivae, comparativae. causales, finales, temporales. Alleen deze conjuncties oefenen invloed op den m o d u s uit.

Een zin, die met een s u bordi nee r en de conjunctie begint, heet bijzin, terwijl men den zin, waarvan de bijzin afhankelijk is, li o o f d z i n noemt.

Aanmerking I. Do conjuncties staan gewoonlijk in het begin van don bijzin. Zoo echter de bijzin vóór den hoofdzin staat, worden de subordineerende conjuncties meermalen na oen of meer woorden gezet, waarop do nadruk valt. Bij prozaschrijvers wordt hot verbum nooit en het relativum altijd vóór de conjunctie geplaatst. 15.v. Romam ut nuntiatum est, Vejos captos, immensum gaudium fuit. Quae cum ita sint, Catilina, per ge quo coepisti. Ook indien de hoofdzin voorop staat, worden ut, opdat, zoodat, eu n e, opdat niet, somtijds na een woord gezet, waarop de nadruk valt. liet verbum is hier weder uitgezonderd. B.v. Caesar me invltat, si bi ut sim legatus. Catilina postulabat, patres conscripti ne quid de se temere crederent. Het meest geschiedt dit met üt conse-cutivum na een woord met ontkennende beteokenis, zooals: vix ut, nemo ut, nullus ut, nihil ut, propc ut, paene ut. B.v. Brevi spatio interjecto, vix ut rebus, quas constituissent, collo-candis atque administrandis tempus daretur, hostos ex omnibus partibus signo dato decurrere. Atque eo facto sic do 1 uit, nihil ut tulerit gravius in vita.

Aanmerking II. De Latijneu voegen gaarne een bijzin tusschen de woorden vau den hoofdzin. Zij doen dit in de volgende gevallen en op de volgende wijze:

1°. wanneer het subject van den hoofdzin tegelijk subject van den bijzin is. In dit geval wordt het subject slechts eens uitgedrukt en wel vóór de conjunctie van don bijzin. B.v. Cicero, ubi spem libertatis a m i s s a m v i d i t, 11 a 1 i a m relinquëre constituit, zoodra Cicero zag, dat zijn hoop op vrijheid verloren was, besloot hij Italië te verlaten.

2°. wanneer hot object van den hoofdzin tegelijk object van den bjjzin is. In dit geval wordt het object slechts eens uitgedrukt en wel vóór do conjunctie van den bijzin. B.v. Domosthciiom, quamquam om nes sunt admir ati, tamen nemo assccutus est, ofschoon allen Demosthenes hebben bewonderd, heeft toch niemand hem geëvenaard.

3°. wanneer het subject van den hoofdzin tegelijk in een ca^jis obliquus vau den bijzin staat. In dit geval staat het subject van don hoofdzin vóór de conjunctie van den bijzin; in den bjjzin wordt de casus obliquus aangeduid door een pronomen. B.v. Socrates, cum

ocr page 260

Modus bij de conjunctiones condicionales. 241

amici ex vine ü lis eum deduce re vellent, mori maluit, Socrates wilde liever sterven, toen zijne vrienden hein uit de gevangenis wilden wegvoeren. Men kan ook vertalen: toen de vrienden van Socrates hem uit de gevangenis wilden wegvoeren, tvilde hij liever sterven.

4°. wanneer hot subject van den bijzin tegelijk in een casus obliquus van den hoofdzin staat. In dat geval staat de casus obliquus van den hoofdzin vóór do conjunctie van dei. bijzin; in den bijzin wordt het subject niet aangeduid door een pronomen. B.v. P o m p e j u s C r e t e ii s i b u s, cum ad eum usque in Pamphyliam legatos misissent, spem d edition is nou adëmit, Pompejus ontnam den Cretensers de hoop op overgave niet, toen zij hem in Pam-phylië gezanten hadden gezonden. Men kan ook vertalen: toen de Cretensers gezanten hadden gezonden tot Pompejus in Pamphylië^ ontnam hij hun de hoop op overgave niet.

5°. Ook zonder dat de hoofdzin en de bijzin een gemeenschappelijk woord bevatten. wordt de bijzin meermalen tusschen de woorden van den hoofdzin gevoegd. B.v. Insidiatores, postquam in eum locum agmen p erven it, docepti ordiue at que vestltu, in eum fa-ciunt impetum, qui su pp os it us erat. Quamobrem, si ornate locutus est physicus ille De moe ritus, ornatus verborun oratoris putandus est.

6°. Meermalen wordt een bijzin, die van een andoren bijzin afhangt, tusschen de woorden van dien bijzin geplaatst. B.t. Credo ego vos, j u d i c e s, m i r a r i, quid sit quod, cum tot s u m m i o r a t o r o s hominesque nobilissimi sedeant, ego potissimum surrexe-r i m, qui c e t.

Bij het in elkander plaatsen van verschillende zinnon moet men steeds letten op duidelijkheid en welluidendheid. Daarom geve men aan de tussehengevoegde zinnen altjjd die plaats, welke het zinverband vordert. Ook zorge men, dat de verba der verschillende zinnen, vooral wanneer zij gelijkvormige uitgangen hebben, niet allen op elkander volgen. Als voorbeeld van een verkeerd gestelden zin diene de volgende: Pari ferme intervallo ab jugo constiterunt, nuntios in castra remissos, qui quid sibi, cum praetor spem hostis occur-risset, faciendum esset, consulerent, quieti opperientes.

7°. Wanneer twee bijzinnen, die met een verschillende subordi-neerende conjunctie beginnen en niet door et verbonden zijn, bij éénen hoofdzin behooren, kan men den zin op vijf manieren stellen. B.v.

ü b i r e d i e r i s, 1 i b r u m t i b i d a b o, si postulabis.

U b i r e d i e r i s, 1 i b r u m, si postulabis, t i b i d a b o.

Dab o tibi, ubi re dier is, lib rum, si postulabis.

Tibi, ubi redieris, 1 ibrnm; si postulabis, dabo.

Ubi redieris, si postulabis lib rum, tibi dabo.

I. Conjunctiones condicionales.

§ 329. Men kan een voorwaarde of vooronderstellinu-op drie verschillende wijzen opvatten, namelijk: als werkelijk bestaande, als mogelijk bestaande en als niet bestaande.

Aanmerking. Het woordje dan, hetwelk wij dikwijls vóór 5e druk. '16

§ 329

ocr page 261

Modus bij de conjunctiones condicionales. § 330—331.

rlen hoofdzin plaatsen, blijft in het Latijn gewoonlijk onvertaald. B.v. Si facies, remunerabor, zoo gij het doet, dan zal ik u heloonen.

§ 330. Eerste geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als werkelijk bestaande. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den indicativns. B.v. Indien gij dit gelooft (ik vooronderstel, dat gij dit werkelijk doet) dwaalt gij, si id ere dis, er ras. Si dies est, lucet, zoo het dag is, is het licht. In litteris non raultnm proficies, nisi omnibus viribus in eas incub ueris, gij zult het in de wetenschap niet ver brengen, zoo gij er u niet met alle kracht op toelegt.

Aanmerking I. De hoofdzin kan ook in den conjunctivus of i m p e r a t i v u s staan. B.v. Domus tnea ar debat in Palatio; consules epulabantur. Quod si meis incommödis laeta-bantur, urbis tarnen periculo commoverentur. Si de me ipso plura videbor dice re, ignoscitote.

Aanmerking II. De bijzin staat in den conjunctivus:

1°. waaneer men vertaald wordt door den 2Jon persoon enkelvoud, alsmede na si quis. B.v. Memoria minui tur, nisi eani exerceas. Tnrpis est exensatio, si quis contra rempubli-cam se amici causa fecisse fateatur.

2°. wanneer de hoofdzin zelf een bijzin is, die in den conjunctivus staat. B.v. Res ita com parata est, ut, si idcredas, erres.

§ 331. Tweede geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als mogelijk bestaande, zoodat zij misschien met de werkelijkheid overeenkomt. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den conjunctivus van het praesens of perfectum. B.v. Indien gij dit geloofdet (en dit doet gij misschien) zoudt gij dwalen, si id credas, erres. Indien iemand dit zou gedaan hebben (en dit is misschien zoo) zoudt gij hem onvoorzichtig genoemd hebben, si quis id fecerit, imp r|i den te ni eum

Aanmerking I. Het perfectum conjunctivi wordt vooral gebruikt, zoo men ter verklaring of staving eener opgezette stell'ng mogelijke gevallen als voorbeelden aanhaalt. Voor de duidehjkheid zet men hier meermalen ut, bij voorbeeld, vóór si. B.v. (Ut) si gladium quis apud te sana meute deposuerit, repetat insaniens, reddëre pec-catum sit, officium non reddere, zoo iemand hij voorbeeld, terwijl hij hij zijn verstand was, een zwaard bij u had neergelegd en dit in staat van waanzinnigheid terugvroeg, zou het een misslag zijn het hem te geven, en een plicht het hem te weigeren.

Aanmerking II. De hoofdzin staat in den indicativns, wanneer men den inhoud daarvan als zeker wil voorstellen of wanneer men

242

ocr page 262

=

§ 332. Modus hij de conjunctiones condicionales. 243

de mogelijkheid door p o s s u m ^uitdrukt. B.v, Intrare, si possim,

castra hostium volo. Nou^jucuude^'ivitui^ nisi cum virtu te vivatur. Innöcens, si accusatus sit, absolvi potest.

§ 332. Derde geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als niet bestaande. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den conjunctivus van het imperfectum of plusquamperfectum. B.v. Indien gij dit geloofdet (hetgeen gij nu niet doet) zoudt gij dwalen, si id credëres, err ar es.

Indien gij dit geloofd hadt (hetgeen gij niet gedaan hebt) zoudt gij gedwacdd hebben, si id credidisses, erravisses. Nisi Alexander ess em, ego verovellemesse Diogenes. Quae vita fuisset Priamo, si ab adolescentia scisset, quos eventus senectutis esset habiturus?

Aanmerking 1. Bij niet bestaande vooronderstellingen zetten de Latijnen meermalen in den bijzin het imperfectum, waar wijhetplus-quamperfectum zouden verwachten. B.v. Non jam Troïcis tempo-ribus tantum laudis in dicendo Ulixi tribuisset Homerus,

nisi jam tum esset honos eloquentiae.

Aanmerking II. Bjj niet bestaande vooronderstellingen staat het '

verbum van den hoofdzin niet zelden in den indicativus en wel:

1ü. wanneer het behoort tot de verba van kunnen, moeten, betamen, waarover in § 320 gesproken is. B.v. Deleri totus exer-tquot; •'u,~-.citus potuit/si fugientes persecuti victores essent, het ^ ' i/ansche leger zou vernietigd hebben kunnen zijn, indien de overwinnaars ^ rquot; de vluchtelingen achtervolgd hadden. Contumeliis eum o n e r a s t i,

quem pat ris loco, si ulla in tepiëtas esset, colëre d e b e b a s. ^va Si u n um d i e m m o r a t i e s s e t i s, moriendum omnibus f u i t.

Zoo de vooronderstelling echter op de toekomst betrekking heeft, quot;

moet het verbum van den hoofdzin in den conjunctivus staau. B.v. Cluentio ignoscëre debebitis, quod haec dici patiatur;

raihi ignoscëre uou deberetis, si tacêrem {zoo ik zwijgen zou,

maar ik zal niet zwijgen).

2°. wanneer het bestaat uit een participium op urus met eram of fui en men een vast besluit wil te kennen geven. B.v. A rat or es qui remanserant, rolicturi omnes agros erant'nisi ad eos Metellus Roma litteras misisset, de achtergebleven landlieden zouden allen ongetwijfeld hunne landerijen verlaten hebben, zoo Metellus hun n iet uit Rome geschreven had. F u r i u m et A e m i 1 i u m, si t r i b u n i me triumph are prohiberent, testes citaturus fui rerum a me gestar um.

3°. om uit te drukken dat iets op hot punt was van te geschieden. 15.v. Perrum deferebat in pectus, nisi proximi dextram at-tinuisseut, hij zou zich het zivaard in de borst hebben gestooten, zoo ite omstanders zijn hand niet hadden vastgehouden. Perieram, uisi F a u n u s i c t u m s u b 1 e v a s s e t.Qjit geschiedt vooral bij het perfectum met paene en prope. Vgl. § 321. B.v. Pons sublicius iter paene hostibus dedit, nisi/u/uus yir fuisset, Horatius Codes, qui cet.J Jpyt- -ti-. ^/K x

ocr page 263

244 Modus bij de conjunctiones condicionales. § 333—335

§ 333.quot; Bij^ tegenstelling en en in een levendig gesprek word si somtijds uitgelaten. B.v. Ne gat quis, nego, a it, a jo, zon ieman-neen zegt, zeg ik ook neen, en zoo iemand ja zegt, zeg. ik ook ja.

Soms wordt do bijzin weggelaten of op een andere wijze aangeduid. B.v. Omnia quae die am, sic er ant illu stria, ut ad ea probanda totam Siciliam testem adhibere possem (vul aan: si testibus uti vellem). Animi maguitudo,- remota communitate (== si communitas remota sit), feritas sit quaked am et immanitas. Qui videret (— si quis videret), urbem cap tam dice ret.

Somtijds staat in plaats van den bijzin een imperativiTs^Het voegvi woord en, dat wij hier gewoonlijk gebruiken, mag in het Latijn nie-vertaakl worden. B.v. Lege lib rum: intellëges. Sequere praet cepta medici: brevi convalesces.

§ 334. Sin (= si autem, si vero) en versterkt sin au tem, indien echter, wordt gebruikt zoo er reeds een vooronderstelling is voorafgegaan. B.v. Mercatura, si tenuis est, sordida putauda est; sin magna et copiosa, non est admÖdum vituperanda. Wanneer er geen vooronderstelling is voorafgegaan, moet men indien echter vertalen door sed si.

, § 335. Tusschen nisi en si non bestaat in het algemeen hetzelfde onderscheid als tusschen het Nederlandsche indien niet en indien niet. Bij nisi valt de klemtoon op indien, bij si non op niet. Nisi gebruikt men, als niet voorondersteld wordt dat, si non, als voorondersteld wordt dat niet.

Nisi wordt gebruikt, wanneer de g e h e e 1 e zin ontkend wordt. Men kan dan indien niet veranderen in tenzij dat, behalve wanneer. B.v. P a r v i sunt f or i s ar m a, nijsi est consilium do m i. Soms zegt men nisi si. B.v. Noli putare, me longiores epistolas scribere, nisi siquisadmeplurascripsit.

Si non wordt gebruikt:

10. wanneer slechts een enkel woord ontkend wordt. B.v. A e q u i-tas tollitur omnis, si habere suum cuique non licet.

2° wanneer een vooronderstelling, na eerst affir m a ti v e uitgesproken te zijn, nog eens negative herhaald wordt. B.v. Si id feceris, ma-gnam habebo gratiara; si non feceris, ignoscam. Wordt bij de negative herhaling het verbum niet genoemd, da» moet men zoo niet door si (sin) mitius, sin alïter vertalen. B.v. Hoe si assecu-tus sum, gaudeo; si minus, me consölor.

3°. wanneer in den hoofzin op een andere wijze iets wordt teruggenomen van hetgeen in den bijzin ontkend is. quot;Wij voegen in den hoofdzin gewoonlijk dan toch, de Latijnen ait, tamen, eer te, at tarnen, at c e r t e. B.v. Si magnum v i r u m non e o n s e q u i p o s s u m u s' attitmen aemulari possum us. Zoo in den bijzin geen verbum staat-zeggen de Latijnen in plaats van si non ook si minus. B.v. Quanta tempestas invidiae nobis, si minus in praesens tempus, at in posteritatem impendet!

Ni, dat in beteekenis overeenkomt met si non, doch altijd den geheelen zin ontkent, wordt vooral gebruikt bij e e d e n , bedreigingen, weddingschappen en verzekeringen van allerlei aard. Vgl. § 324. 3».

ocr page 264

§ 336—339. Modus bij de conjunctiones concessivae.

g 336. Nisi forte, nisi vero, behalve misschien wanneer, of het moest zijn dat, geven een uitzondering op, die eigenlijk geen uitzondering-is, om daardoor aan te toonen, dat men niet kan afwijken van een aangenomen meoning, zonder oen ongerijmdheid aan te nemen. Zij staan altijd met den indicativus. Nisi forte heeft dikwijls, uisi vero altijd een ironischen zin. B.v. Nemo fere saltat sobrius, nisi forte insanit. Hostes facile vincemus, nisi vero credimus, e o s quos terra m arIq ue priore b e 11 o vicim us, a q v. ib u s stipendia per viginti an nes exegimüs, plus spei nactos esse.

g 337. Nisi wordt ook gebruikt in niet voorwaardelijke zinnen, en wel:

1quot;. in de beteekenis van dan na nemo, nihil, enz. Vgl. § 307.

2°. met non in de beteekenis van slechts. In dit geval wordt uisi eu n o n gewoonlijk zoo geplaatst, dat n o n voor het verbum ou uisi op de plaats van ons slechts staat. B.v. Nisi inter bonos viros ami-eitia esse nou potest of esse amieitia non potest nisi inter bonos viros.

Wanneer slechts uitsluitend op een verbum betrekking heeft, zooals:

vele menschen slapen en eten slechts, moet men om uisi te gebruiken een omschrijving aanwenden met nihil aliud facer e of agere. B.v. Muiti homines nihil aliud f a c i u n t nisi dormiunt et e d u n t.

Soms staat nisi iu de beteekenis vau slechts in een onafhankelijken zin, die volgt op een negatieven zin. B.v. De re nihil possum j u d i c a r e; nisi i 11 u d m i h i p e r s u a d e o, te t a 1 e m v i r u in nihil tem ere fecisse {slechts daarvan ben il'.overtuigd).

3°. met quod ter vertaling van behalve'dtit. B.y, Tusculanum et Pompejanum me val de delectant nisi quod me aere a li en o obrueruut. In plaats van nisi quod gebruikt men ook prae-terquam quod.

§ 338. Do conjunctiones condicionales modo, dum, dummödo, indien slechts, mits, modo ue, dum ne, dum mod o ne, indien slechts niet, mits niet, regeereu altijd den conjunctivus en volgen de alge-nieeue regels der consecutio temporum. B.v, Man ent ingenia se ui-bus, modo per man eat studium et industria. Rex pollicïtus est omnia se facturum, modo ne cogeretur corpus suum dedëre.

II. Conjunctiones concessivae.

/1 •• ...... . r, • ■

§ 339. De conjunctiones concessivae licet, cum, quamvis (zelden quantumvis, quamlïbet) schoon, ofschoon , u t, gesteld, toc-(jeyeven dat, al, ne, ut non, gesteld, toegegeven dat niet, regee-ren den conjunctivus. B.v. Illa quamvis ridicüla essent, mihi tarnen risum non moverunt, ofschoon deze dingen belachelijk waren, hebben zij mij echter niet aan het lachen gebracht Licet fremant omnes, ego non tacebo, ofschoon allen mompelen, ik zal toch niet zwijgen. Homines, cum multis rebus infirmiores sint, liac re maxime bestjis praestantj quod loqui possunt, ofschoon de menschen onder verschillende opzichten zwakker zijn, overtreffen zij vooral daardoor de dieren,

245

ocr page 265

Modus bij de conjunctiones concessivae. § 340—341.

dat zij hunnen spreken. Ut desint vires, tarnen est lau-danda voluntas, al ontbreekt de kracht, toch is de wil te prijzen.

Aanmerking I. Licet komt slechts voor met het praesens en perfectum conjuuctivi en wordt meermalen verbonden met q nam vis. B.v. Quamvis licet insectemur Stoïcos, metuo ne soli phi-losöphi sint.

Aanmerking II. Quamvis staat meermalen als a d v e r b i n m in de beteekenis van hoe — ook bij een adjectivum of adverbium. B.v. Si hoe onëre carërem, quamvis parvis Italiae latëbris con-tentus essem, zoo ilc van dezen last bevrijd was, zou ik met een hoekje van Italië hoe klein ook tevreden zijn. Non mihi difficile est quamvis muitos nominatim proferre, het zon niet moeilijk voor wij zijn er zoovelen gij maar ivilt hij name te noemen.

Over ut, ne, ut non Vgl. § 325.

§ 340. Quamquam, ofschoon, regeert gewoonlijk den indica-tivus en wordt gebruikt, wanneer datgene, wat men toegeeft, w e r k e 1 ij k zoo is. B.v. Quamquam om nis virtus nos ad se allïcit, tarnen justitia id maxime e f f I c i t, ofschoon iedere dewjd ons aantrekt, zoo doet dit echter wel het meest de rechtvaardigheid. r / , j

Aanmerking I. Quamquam (soms etsi) wordt ook geplaatst bij het begin van een onafhankelijken zin in de beteekenis van maar, toch, intusschen, niettemin om hetgeen voorafgaat te beperken of te verbeteren. B.v. Nunquam officii te monëre desii; quamquam omues monitiones et preces quid profecerunt, nooit heb ik opgehouden u aan uw plicht te herinneren; intusschen ivat hebben al mijn vermaningen en gebeden gebaat? Quamquam quid loquor, maar waartoe spreek ik nog?

Aanmerking II. Quamvis en quamquam beteekenen ook in weerwil van, ondanks, niettegenstaande. B.v. Quamvis prudens sis, in weerwil van uwe voorzichtigheid. Quamquam doctissimus es, ondanks uwe groote geleerdheid.

§ 341. Etsi, etiamsi, tametsi, ofschoon, hoewel, al, volgen voor den modus dezelfde regels als si. Zij hebben den indica-tivus, wanneer de inhoud van den zin als werkelijk bestaande, den conjunctivus van het praesens of perfectum, wanneer de inhoud van den zin als mogelijk bestaande, den conjunc-ti^us van het imperfectum of plusquamperfectum, wanneer de inhoud van den zin als niet bestaande beschouwd wordt. De Latijnen plegen echter etsi en tametsi slechts dan te gebruiken , wanneer de inhoud van den zin als w e r k e 1 ij k bestaande beschouwd wordt. B.v. Optimi homines faciunt, quod honestum est, etsi nullum emolumentum consecutu-

246

ocr page 266

§ 342—343. Modus hij de conjundiones comparativae. 24 7

rum v id ent, de beste menschen doen datgene wat betamelijk is, ofschoon zij zien dat er geen voordeel uit voortkomen zal. Quod turpe est, id etiamsi occultetur, tarnen honestum fieri nullo modo potest. Etsi nihil alind Snllae nisi consulatuni abstulissetis, tarnen eo vos content os esse oportebat,

III. Conjunctiones comparativae.

§ 342. De conjunctiones comparativae tamquam, tamquam si, quasi, ac si, velut (velüti) si, aeque (proinde, perinde» ncTn s'ecus) ac si, en somtijds velut, sicut (sicfiti), alsof, even alsof, regeeren den conjunctivus en worden gebruikt, wanneer een voorondersteld geval met een werkelijk geval vergeleken wordt. B.v. Sequani absentis Ariovisti crudelitatem, velüti si coram adesset, liorrebant, de Sequanen huiverden voor de wreedheid van Ariovistus, wanneer hij afwezig was, even alsof hij persoonlijk aanwezig was. Lamentari-s, quasi a mi ei obllti tui sint, gij klaagt alsof uwe vrienden u vergeten hebben. Sed quid ego his testibus utor, quasi res dubia aut obseüra sit.

Aanmerking!. Wanneer bij deze conjuncties een imperfectum of plusqu am perfectum conjunctivi staat na een hoofdzin in het praesens, moet men deu bijzin verklaren als een verkorten voorwaar d e 1 ij k e n zin. B.v. Negotia fcibi non secus commendoac si mea essent = ac commendarem, si moa essent.

Aanmerking II. Somtijds staat bij quasi, tamquam, velut een participium conjunctum. B.v. Graecas litteras sic avide arripuit Cato, quasi diuturnam sitim explëre cupiens. Het is echter beter om het verbum in don conjunctivus te plaatsen.

Aaum er king III. Quasi, quasi vero, proinde quasi hebben meermalen een ironische beteekenis, wanneer men spottend wil aangeven, wat niet hot geval is. B.v; Laudant eos, qui aequo animo mori-autur; qui alterlus mortem aequo animo ferant, eos pu-tant vituperandos: quasi fieri ullo modo possit, ut quis quam plus alterum diltgat quam se.

Aanmerking IV. Op de Nederlandsche werkwoorden schijnen, veinzen, voorgeven, vermoeden, verdenken en dergelijken volgt meermalen een bijzin met alsof in plaats van met dat. B.v. Lysander nam den schijn aan alsof hij het orakel ondervraagd, had. Het schijnt alsof de natuur in Alcihiades heeft willen beproeven, wat zij kon voortbrengen. In het Latijn staat bij deze verba altijd de accusativus cum infinitive en bij videri de nominativus cum infinitive. B.v. Lysander oraculum se consuluisse simulavit. In Alcibiade natura videtur ex-perta esse, quid effieëre posset.

§ 343. De conjunctiones ut (uti), sicut (sicüti), quemadmo-dum (soms tamquam én quomödo), evenals, gelijk, staan met den

ocr page 267

Modus bij de conjunctiones causales.

248

§ 344.

indicativus en worden gebruikt, wanneer werkelijke gevallen met elkander vergeleken worden. Het Nederlamlsche zoo in liet tweede lid der vergelijking wordt vertaald door ita of s'fc. B.vt Ut hi run do instante hiëme a vól at, sic infldus amicus c o m m u t a t a f o r t u n a d e s e r i t a m i c u ra, gelijk de zwaluw hij het naderen van den winter wegvliegt, zoo verlaat ook een ontrouwe vriend zijn vriend, wanneer de fortuin zich gekeerd heeft.

Aanmerking I. Ut — ita (sic) beteekeueu meermalen tvel — maar, ofschoon — toch. B.v. Frater tuns ut aetata inferior me est, ita magnitudine corporis superior, uw hroeder is wel jonger dun ik, maar hij overtreft mij in lichaamsgrootte. Hannibal ut Romanos m u 11 i s et a t r o c i b u s p r o e 1 i i s d e v I c i t, ita rempublicam E o-ra a n a m e v e r t ë r o non p o t u i t.

Aanmerking II. Het Nederlandsche hoe vóór een werkwoord wordt vertaald door ut, wanneer het op welke wijze, en door quam, wanneer het hoezeer beteekent. B.v. Audisti ut me circumstete-r i n t. Quam c u p i u n t 1 a u d a r i!

IV. Conjunctiones causales.

§ 344. Do conjunctiones causales quod, quia, omdat, dewijl, regeeren den indicativus, wanneer men de reden van iets aangeeft volgens zijn eigen meening, en den conjunctivus, wanneer men de reden van iets aangeeft volgens de m e e n i n g van een ander. Socrates werd veroordeeld, omdat hij de jongelingen bedierf heet derhalve Socrates accusatus est, quod corrumpebat juventutem, wanneer men wil aangeven, dat dit zijne meening is, en quod corrumpëret juventutem, wanneer men wil aangeven, dat dit de raeening der rechters was.

Aanmerking I. Quod geeft een reden aan, die in de gedachte bestaat (omdat ik of een ander dit of dat zoo meen). B.v. Aristïdes expulsus est patria, quod praeter modum Justus erat of esset.

Quia geeft een reden aan, die in de werkelijkheid bestaat. B.v. Edo, quia esurio. Volsci, quia non dum ab Aequis venissent exercitus, dimicare non ausi sunt.

^ Aanmerking II. Non quod of non quo (bij lateren ook non quia) regeert den conjuncti vus. Gewoonlijk volgt hierop sod quod, sed quia met den indicativus of sed ut met den conjunctivus. B.v. Socrates in judicio ad humïles preces descendëre noluit, non quod judices eludëre vellet, sed quia nullias culpae sibi conscius erat. Ad te litter as dedi, non quo haberem magnopëre, quod scriberem, sed ut loquërer tecum absens.

Wanneer non quod en non quo versterkt worden door e o, i d e o , idcirco, propterea, plaatst men de ontkenning gewoonlijk vóór de versterkende woorden in den hoofdzin. B.v. Xon idcirco librorum usum dimiseram, quod iis succensërem, sed quod eorum me suppudebat, met daaroni had ik het gebruik der hoeken laten

ocr page 268

Modus bij de conjunctiones causales.

44. J, 345.

I ö

249

varen, omdat ik er verstoord op was, maar omdat ik er mij een weiniy voor schaamde.

Na non quod, non quo volgt meermalen non, dat, zoo het op den gansehen zin betrekking heeft, met quod of quo kan samengetrokken worden tot quin. B.v. lisdem de rebus volui ad te saepius scribere, non quin (nou quod non) confidërem diligentiae tuae, secl rei magnitude mo movebat.

Aanmerking III. Wanneer op quod een verbum van zeggen ot in een en volgt, staat dit gewoonlijk in den eonjunctivus, ofschoon niet de omstandigheid, dat iemand iets zegt of meent, maar wel de inhoud daarvan als reden wordt opgegeven. B.v. Graeci obölum in os mortuorum injiciebant, quod illis eo nummo apud inferos opus esse pu tar ent.

§ 345. Met voegwoord dat wordt door quod vertaald:

1°. bij de verba van blijdschap, dro.efjie id, .ver wond e-ring (verba anefctuumj.f B.v. Uaucfeo, quod mini faves, tk

ben h lij de, dat (jij mij begunstigt.

*Het onderscheid tusschen quod en den accusativus cum in-fiuitivo, die eveneens op deze verba volgt, bestaat hierin, dat een bijzin met quod beschouwd wordt als de oorzaak, en een bijzin in den accusativus cum infinitive als het voorwerp der blijdschap, droefheid, verwondering.

2°. in bijzinnen, die subject zijn van onpersoonlijke verba en uitdrukkingen. B.v. Quod victor victis pare it, magnum est, dat de overwinnaar de overwonnenen spaart, is grootmoedig.

*Het onderscheid tusschen quod en den accusativus cum infinitive, die eveneens als subject van deze verba en uitdrukkingen staat, is bW''u gelegen, dat quod den inhoud van den bijzin voorstelt als iets werrKelijks en de accusativus cum infinitive als een bewering, meening of vooronderstelling. B.v. Quod victor victis par-cit magnum est, de overwinnaar spaart de overwonnenen, en dat is (jrootmoedig van hem. Victorem victis pa roe re magnum est, het is grootmoedig van den overwinnaar, zoo hij de overwonnenen spaart.

van

(yue-Ji, /0 c(e ■-(_,,J .. ^ wvi ,

Ofschoon de toepassing van de eene of andere constructie afhangt v

de opvatting des schrijvers, vindt men echter gewoonlijk quod, wanneer het verbum van den bijzin in een verleden tijd, en den accusativus cum infinitivo, wanneer het in den tegenwoordigen tijd staat. B.v. Gratissimum mihi est, quod ad me tua manu scripsisti. Gratissimum mihi est te bene valere. ^Aanmerking. Op (hue, eo, eödem) aeeëdit volgt quod, wanneer een werkelijk bestaand feit aan het voorgaande wordt toegevoegd. B.v. Accedit quod patrem plus etiam amo, quamipse sciit. Zoo het bijgevoegde feit echter niet werkelijk bestaat of accedit de beteekenis van geschieden heeft, gebruikt men ut. B.v. Hue si accede ret, ut talis homo dives esset, summa omnium invi-dia exoriretur. Ad App. Claudii senectutem accedebat etiam, ut caecus esset.

3°. wanneer het dient ter verklaring van een pronomen of

yueJg, U.

1 u C.J /.y * 0 J. /. r

ocr page 269

Modus bij de conjunctiones causales.

250

§ 346.

adverbium demonstrativum. B.v. Hoe uno praestamus vel maxime feris, quod exprimëre dicendo sensa pos-sümu8, daardoor alleen overtreffen wij ivel het meest de dieren, dat ivij onze gevoelens door te spreken kunnen uitdrukken. Yelo-citas lucis inde potest cognosci, quod multo breviore tempore ad oculos nostros pervënit, quam sonus ad

n v y

ITT' ., !,? v .f

Aanmerking I. Wanneer een demonstrativum o v e r v 1 o e d i g e r w ij z e bij een verbum staat, dat den accusativus cum infinitivo of ut regeert, moeten deze constructies behouden blijven. B.v. Illud negare non potes, hoc vere dici. Hoe te hortor, ut praeceptorem non minus fere, quam ipsa studia ames.

Aanmerking IJ. Quod staat ook bij vergelijkingen na quam ter verklaring van een uitgelaten demonstrativum. B.v. Nullum majus Cicero patriae attülit munus, quam quod conjurationem Catilinariam detexit. Men verwarre quam quod niet met quam ut of quam qui. Vgl. § 298. 3°.

Aanmerking III. Wanneer quam ter verklaring staat van een zin, die geen demonstrativum bevat, beteekent het de omstandigheid dat. B.v. Eumeni multum detraxit inter 51 acedones viventi, quod alienae er at civitatis.

~~ 4°. ua facere, fieri, accldit, evenit en dergehjken, wanneer deze verba een adverbium of adverbiale bepaling van goedkeuring of afkeuring bij zich hebben. Quod beteekent hier niet enkel dat, maar ook omdat, daaraan dat, wanneer. B.v. Bene feeisti, quod eum convenisti, gij hebt goed gehandeld, dat gij naar hem toegegaan zijt. Hippocrates v i d e t u r li o n e-stissime fecisse, quod quosdam errores suos, ne po-stëri er ra rent, eon fessus est, Hippocrates heeft daaraan zeer wel gedaan, dat hij eenige zijner dwalingen heieden heeft, opdat de nakomelingschap niet zou dwalen. Non pigritia facio, quod non mea manu scribo, wanneer ik niet eigenhandig schrijf, zoo doe ik dit niei uit traagheid.

Nederlandsche zinnen met daaraan dat worden dikwijls zeer verkort iu het Latiju uitgedrukt. B.v. Alcibiades deed zeer wijs daaraan, dat hij van Syracuse naar Sparta vluchtte, Alcibiades sapientissime a Syra-cusis Spartam perfügit.

5°. Wanneer bij het beantwoorden van een of andere zaak een uitdrukking herhaald wordt, om daarop een aanmerking te maken, wordt wat betreft dat, wanneer vertaald door quod. Zulk een zin met quod staat altijd voorop. B.v. Quod me Agamemnonem aemulari putas, fallëris, wanneer gij meent (wat uwe meening betreft), dat ik Agumemno)! nastreef, zoo bedriegt gij u. quot;Vgl. § 174. 6°.

§ 346. Cum, daar, dewijl, regeert den conjunctivus. B.v.

ocr page 270

§ 347—ö48. Modus bij de conjunctiones causales. 251

Dionysius, cum in communibus suggestis consistere non auderet, contionari ex turri alta solebat, daar Dionysius niet durfde staan op de gewone redenaarsgestoelten, was hij gewoon van een hoog en toren te spreken.

Cum regeert den iudicativus, wanneer het staat in plaats van quod bij de verba van gelukwensehen en bedanken. B.v. Gra-tnlor tibi, cum tantum vales apud Dolabellam. Tibi gra-tias ago, cum tantum litterae meae potuerunt.

Cum geeft iets aan als grond eener redeneeriug. B.v. Cum sint iu nobis consilium, ratio, prudentia, neeesse est Deum liaec ipsa habere majora. Wij menschen hebben verstand; God echter heeft alles volmaakter dan de menschen; derhalve heeft God ook een volmaakter verstand dan de menschen.

§ 347. Quoniam, quandqquidem (zelden quando) daar, dewijl, en siquidem, daar immers, regeeren den indicativus. B.v. Quoniam de gen ere belli dixi, nunc de magnitu-cline pauca die am. Hoc confiteor j ure mi bi obtigisse, quandoquldem tam ine re sum. Antiquissimum e doctis est genus poëtarum, siquidem Homerus fuit ante Ro-mam condïtam. ld omitto, quando vobis it a placet.

Deze conjuncties geven een bekend feit als reden op.

Siquidem beteekent soms zoo ten minste. B.v. Nos vero, siquidem in voluptate sunt omnia, longe multumque superamur a b e s t i i s.

§ 348. Verschillende conjunctiones causales zijn coordineerend, namelijk nam, n amque (met versterkte beteekenis en bijna alleen vóór vocalen), enirn, etënim (met versterkte beteekenis), want. Nam is vooral bewijzend, enim vooral verklarend. Deze conjuncties staan altijd in het begin van den zin, behalve enim, dat gewoonlijk op de tweede plaats staat. Vgl. § 527. A. I en II.

Nam, enim, et enim beteekenen ook namelijk. In deze beteekenis worden zjj alleen gebruikt, wanneer iets verklaard wordt in een nieuwen zin. B.v. Rerum bonarum et malarum tria sunt genera: nam aut in animis, aut in corporibus, aut extra esse possunt. Over de vertaling van namelijk vóór een nomen appositum Vgl. § 195.

Tot de coordineerende conjunctiones causales behooren ook nempe, nimirum, scilicet, videlicet. Meermalen hebben zij een ironi-schen zin; scilicet heeft dit bijna altijd.

Nempe, toc^ wd. B.v. Quid volunt leges? nempe ut iis ob-temperem uX' ■

Nimirum, ongetwijfeld. B.v. Si diligenter, quid Miltiades potuerit, consideraveris, omnibus regibus Lunc regem nimirum antepones.

Scilicet, videlicet, natuurlijk. B.v. Homo videlicet permo-destus et ti mi du s (Catilina) v oce m con s u 1 i s ferr e n on po tui t. Vim scilicet ego desideravi, qui, dum vis fuit, nihil egi.

ocr page 271

Modus bij de conjunction es finales. § 349—351

§ 349. Quippe wordt vooral gebruikt met het pronomen relu-tivum en met cum, wanneer deze woorden een redengevende be-teekouis hebben. B.v. Centauri, quippe quorum insïta imma-nitas vi Baechi mollita esset, ante currum dei ingredieban-tur, dc Centauren liepen vow den wagen van den god, daar hunne natuurlijke woestheid door de kracht van Bacchus getemperd was. Cimöni turpe non tuit sororem germanam habere in matrimonio, quippe cum ejus cives esdom uterentur institute.

Quippe staat ook vóór een nomen appositum in de beteekenis van voorzeitér. B.v. Sol Democrïto mag n us videtur, quippe horn i u i e r u d T t o.

Soms staat het in diezelfde beteekenis op zich zelven, doch moet dan gevolgd worden door een zin met nam, enira, cum. B.v. Ista ipsa a te ap te et rotunde sunt dicta; quippe: habes enira a rhetoribus.

V. Conjiinctiones finales.

niet, regeeren den conjunctivus. ISfaast ut finale bespreken wij hier ut consecutivum, hetwelk zoodat, dat beteekent en insgelijks den conjunctivus regeert.

§ 351. Ut finale staat:

1°. zonder van een bepaald verbum af te hangen in de beteekenis opdat, om te. B.v. E dl mus ut viva mus, non vivïmus ut edamus, ivij eten om te leven, wij leven niet om te eten. Por-tus móenibus circumdfttus est, ut ipsam urbem digni-tate aequipararet, de haven iverd met muren omringd, opdat zij de stad zelve in waardigheid zou evenaren.

Om geen fouten te maken tegen den persoon en het getal van het verbum verandert men om te in opdat.

2°. afhangende van de verba, die de beteekenis hebben van bewerken of trachten te bewerken dat iets geschiedt, zooals die van zorgen, bidden, verzoeken, eischen, vermanen, uitnoodigen, raden, aansporen, bevelen, opdragen, wenschen, veroorloven, verkrijgen, waarachter wij een zin met dat of een onbepaalde wijs laten volgen. B.v. Sol efflcit, ut omnia floreant, de zon maakt, dat alles bloeit. Caesar milttes bortatus est, ut acrïter dimicarent. Caesar vermaande zijne soldaten om dapper te strijden. Ante senectutem curavi, ut bene viverem, in senectute, ut

252

ocr page 272

Modus bij de conjunctiones finales.

§ 351.

253

Tot deze verba behooren: adducëre, overhalen.

adipisei, verkrijgen. iidmonere. aanmanen. assëqui, het zoover brengen. auctorem esse, aanraden. concedOre, toestaan.

censóre, aanraden.

consëqui, verkrijgen.

invitare, uitnoodigen. mandare, opdragen. monëre, ver Manen. movëre, aansporen. operam dare, moeite doen. op tare, irensclK-n.

orare,

petëre, verzoeken. contendëre. trachten te bewerken, perüeëre, bewerken.

vragen.


curare, zorgen.

edicëre, hevelen.

efficere, bewerken.

facëre, maken.

flagitare, vorderen.

hortari, vermanen.

id égëre, traélden te bewerken.

impellëre, aansporen.

impetrare, verwerven.

permittëre, veroorloven. persuadüro, overreden, / postulare, eischen. praecipere, hevelen.

precari, hidden.

prospicëre, zorgen. providêre, zorgen.

rogare, verzoeken.

suadere, aanraden.


aansporen.

Aanmerking I. Auctorem esse, berichten, censëre, van gevoelen zijn, concedëre, toegeven, contendëre, beu-eren, edicëre, hekend maken, efficëre, bewijzen, monëre, admo-nëre, herinneren, persuadëre, overtidoen , prospicëre, vooruitzien, (postulare, eischen, doch alleen zoo het verbum van den afhankelijken zin een passivum of deponens is) regeeren den accusativus cum infinitivo. B.v. Male pugnatum esse in Algido multi auctores sunt. Diarchus vult efficëre, animos esse mor tales. Militibus persuasit, se contra bar baros proficisci. Concëdo deos esse beatos. Monuit Caesar ejus diei victoriam in equitmm virtute constare.

Aanmerking II. Bijzondere opmerkzaamheid vorderen de verschillende constructies van facio.

Facio ut wordt dikwijls ter omschrijving gebruikt, vooral wanneer het vergezeld is van lihenter of in vit us. B.v. Invltus quidem feci, ut L. Flaminium e senatu ejicërem, tegen mijn zin hehik L. Flaminius uit den senaat gezet. Facio lihenter, utperlitteras tecum colloquar.

Facio met den accusativus cum infinitivo (hijzouder in de vormen fac en faciamus) beteekent vooronderstellen. B.v. Fac qui ego attm esse te, vooronderstel eens dat gij zijt, die ik hen.

iacitare,

ocr page 273

Modus bij de conjunctiones finales.

§ 352.

254

Facio met het participium praesens of met den infinitivus praesens passivi beteekent iemand in een geschrift of tooneelstuk iets laten doen, iets met iemand laten (jeheuren. B.v. Polyphëmum Homerus cum ariëte colloquentem facit, Homerus laat Pohjpheem met een ram spreken. Isocrfttem Plato admirabiliter iu Phaedro laudari facit, Plato laat in zijn Fhaedrus Isocrates zeer hooij prijzen. Men mag hier geen infinitivus activi bij facio zetten. Evenals facio worden ook fin go en indüco geconstrueerd. B.v. Horatius Ulixem cum Tiresia apud inferos colloquentem et ex eo, quibus artibus amissas opes recuperare possit, quaerentem inducit.

Wanneer facio en ago nihil of nihil aliud tot object hebbeu en nader bepaald worden door den comparativus van een adverbium, moet het verbum achter nisi of quam in denzelfden vorm staan als facio en ago. B.v. Nihil libentius facio quam scribo ad te, il: doe niets liever dan aan u schrijven. Nihil aliud fecerunt, nisi rem detulerunt. Si Torquatus Sullam solum accusasset, ogo quoque hoc tempore nihil aliud agërem, nisi eum defendërem.

—- Aanmerking III. Bij de verba van vragen, verzoeken, bidden, vermanen staat somtijds de conjunctivus zonder ut. B.v. Rogo vos auxilio mihi veniatis.

§ 352. Ne wordt gebruikt in doelaanduidende zinnen, die ontkennend zijn, en wel:

1°. zonder van een bepaald verbum af te hangen. B.v. Ne van a urbis magnitudo esset, allioiendae multitudïnis causa asylum apërit, opdat de uitbreiding der stad niet vergeefsch zou zijn, opende hij eene vrijplaats om volk te lokhen. Sermone eo debemus uti, qui natus est nobis ne Graeca verba i n c u 1 c a n t e s r i d e a m u r.

2°. bij de verba van § 351. 2°. B.v. Cura, ne in morbum in cl das, zorg dat gij niet ziek wordt. Miltiades hortatus est pontis custodes, ne a for tuna datam occasion em liberandae Graeciae dimittërent.

3®. bij de verba van verhoeden, verhinderen, tegen, streven en weigeren, om uit te drukken wat men wil verhoeden , enz. Wij gebruiken gewoonlijk in onze taal geen ontkenning. B.v. Pythagorëis interdictum erat, ne faba vesce-rentur, aan de leerlingen van Pythagoras was het verboden boo-nen te eten. Regülus in senatu ne sententiam dieëret recusavit, Regulus weigerde in den senaat zijn gevoelen te zeggen. Cavebis, ne me attingas, si sapis.

Tot deze verba behooren:

cavere, zich wachten. obstare, in den weg staan.

deterrëre, afschrikken. prohibëre, verhinderen.

ocr page 274

Modus hij de conjunctiones finales.

§ S53.

255

impedire, verhinderen, beletten. recusare, weigeren.

interdicëre, verbieden. repugnare, zich verzetten.

obsistëre, verhinderen. resistëre, tegenstreven.

Aanmerking. Gavere ut beteekent zorqen, verordenen dat.

T J * ■ i • i ^

impedire en pronibere regeeren ook een accusativus van den persoon en een infinitivus van de zaak. Vgl. § 390 en 391.

feomtijds staat ook ggu iufinitivus bij rocusare en bij het passivum van deterrëre. B.v. Neque adhuc re partus est quis-quam, qui mori recusaret. Ne f arias ejus libidines oom memorare pudore deterreor.

Bij verschillende dezer verba staat ook quomïuus. Vgl. § 361.

§ 353. Wanneer in de doelaanduidende zinnen, waarover in 1°. en 2°. der vorige paragraaf gesproken is, de ontkenning slechts op een enkel woord van den zin betrekking heeft, moet men in

plaat mi hi

Id ago, ut non solum

ik tracht niet enhel

kuimen zeggen Crudülis

ut non gebruiken. B.v.

van ne

sed omnibus civibus prosim,

roor mij, maar voor al mijn medeburgers voordeelig te zijn. Confer te ad Manlium, Catilïna, ut a me non ejectus ad alie-nos, sed invitatus ad tuos is se vi dear is.

Bij facio, efficio, perficio mag men altijd ut non gebruiken.

Aanmerking I. Ut non dicam, om niet te spreken van, duidt aan, dat men van het grootere niet gewaagt. omdat het kleinere reeds genoeg bewijst. B.v. Alexander cognomine Magni dignissimus fuit; nam ut de rebus praeclarissimis ab eo gestis nou dicam, quis rex bonarum artium amantior, quis clementior, quis liberalior fuit?

Ne dicam, om niet te zeggen, toont aau, dat men iets sterkers zou doch dit niet doet uit vrees van te veel te zeggen. B.v. ne dicam sceleratus fuisti.

Aanmerking II. In doelaanduidende zinnen gebruikt men

in plaats van ut nemo. _ - .... „ llt nihil.

ullus „ „ „ut nullus.

ue quSiudo „ , n ut nunquam.

n e c ü b i „ v u ut nusquam.

Waar echter u t n o n zou moeten staan, behoude men ook ut u e m o, enz.

Aanmerking III. In plaats van ne zegt men meermalen na verba met positieve beteekenis (§ 352 1°. en 2°.) voor den nadruk ut ne. Deze woorden worden of niet gescheiden zooals gewoonlijk geschiedt bij ut ne quis, ut ne quid of zoo gescheiden, dat ne onmiddellijk vóór het verbum gezet wordt. B.v. Justitiao primum munus est, ut ne quis cui noceat. Sed ut hie, qui iutervënit, ne ignöret, quae res agatur: de natura agebamus deorum.

/.^Aanmerking IV. Wanneer twee doelaanduidende zinnen door een conjunctio copulativa verbonden zijn en de tweede zin negatief is, gebruikt men gewoonlijk neve (neu) en niet neque. B.v. Caesar mili-

* .u

Q^f-c

iïlvé.c Jé--

gt; u: o

uisf? uidll

y r-t-o -

n e ne

ocr page 275

Modus by de conjunctiones finales. § 354—355.

tes co li or tat us est, uti suae pristïnae virtutis memoriam retinérent neve perturbarentur animis. Hoc te ro go, ne demittas animum neve te obrui magnitudine uegotii sinas.

Zoo de eerste doelaanduidende zin positief is, mag de tweede ook met neque verbonden worden. B.v. His, ut diutius morarentur neque suis auxilium ferrent, persuaderi non poter at.

§ 354. Bij de verba en uitdrukkingen van vrees en bezorgdheid, zooals: metuo, timeo, vereer, metus est, pericü-lum est, metus ineïdit alio ui, wordt daf vertaald door n e en dat niet door ut of ne non (ne nullus, enz.) De Latijnen denken bij deze verba niet zoozeer aan hetgeen men vreest, als wel aan hetgeen men wenscht. B.v. A varus semper verêtur, ut satis ha beat, een gierigaard vreest altijd, dat hij niet genoeg heeft. ï i m e b a m, n e evenirent e a, quae acciderunt, ik vreesde, dat die dingen zouden geschieden, welke gebeurd zijn. Periculum est, ne ille te verbis obruat. Vereor ne consolatio nulla vera possit reperiri.

*Aanmerking I. In twee gevallen moet dat niet door ne non vertaald worden en wel:

1°. wanneer het verbum van vreezen een ontkenning bij zich heeft. B.v. Non vereor, ne tua virtus opinioni hominum non respondeat.

2°. wanneer de ontkenning slechts op een enkel woord van den bijzin betrekking heeft. B.v. Metuo, ne nou libenter, sed coactus p a r e a t.

♦Aanmerking II. Wanneer metuo, timeo en vereor de betee-kenis hebben van aarzelen, schromen, Itvvnüeh zij een infinitivus bij zich hebben. B.v. \ ere or laud a re praesentem. Vos Allobrö-gum testimoniis non credere timetis!

*Aan nier king III. Bij de substantiva van vrees kan men in plaats van ne met den c o n j u n c t i v u s ook den gene tiv us van het gerundium zetten. B.v. Metus amittendi.

§ 355. Ut conseeutivum staat:

1quot;. bij alle uitdrukkingen, waarin de beteekenis van zoo ligt, zooals: ita, sic, tam, tantopëre, eo, adeo, ejusmödi, tot, tantus, talis, is (= talis). B.v. Deus tam potens est ut omnia, quae velit, effieëre possit. God is zoo machtig, dat hij alles, wat hij wil, tot stand kan brengen. Dion eo rem perduxit, ut paeem tyrannus facere vellet, Dion bracht de zaak zoover, dat de tg ran vrede wilde maken.

Meermalen blijven deze uitdrukkingen weg; alsdan moet ut conseeutivum door zoodat vertaald worden. B.v. Arboribus con-sïta Italia est, ut tota pomarium videatur, Italië is met hoornen beplant, zoodat het overal een boomgaard schijnt. In naturis

256

ocr page 276

Modus hij de conjunctiones finales.

§ 356.

257

liominum dissimilitudines sunt, ut alios dulcia, alios subamara delectent.

2°. bij de onpersoonlijke verba en uitdrukkingen, die tot grondbeteekenis hebben het geschiedt, er blijft nog over, er volgt, mits zij geen adverbium van goedkeuring of afkeuring bij zich hebben. Vgl. § 345. 4°. B.v. Persaepe accïdit. ut utilïtas cum honestate certet, het gebeurt zeer dikwijls, dat het nuttige in strijd is met het betamelijke. Restat ut doceam, omnia, quae sint in hoe mundo, hominum causa facta esse. Neg a vit mo ris esse Graecoruin, ut in convivio virorum accumbërent muliéres.

Tot deze verba behooren:

est, het geval is.

in eo est, het is op het punt. prope est, het scheelt weinig. fit

accïdit

contingit

evenit

het geschiedt, het gebeurt.

lex est, er is een wet.

futurum est, het zal geschieden. fieri potest, het is mogelijk.

fieri non potest, het is onmogelijk. sequitur, er volgt.

proxïmum est, er volgt nu.

restat

relïquum est

I het is de ^ gewoonte.

usu. venit ■consuetudo (consue- i

tudinis) est mos (moris) est

squot; y1

h Aanmerking I. Daaruit volgt beteekent eenvoudig sequitur of.v- /^quot;

inde. hi nc. ex eO efficïtur. R.v. Si \ri r111 t A s nn.r Ps sn Tl t i 11 tn rf' '

inde, hinc, ex eo efficïtur. B.v, Si virtutes pares sunt interquot; se, sequitur ut etiam vitia sint paria. Evenals achter efficitur volgt soms na sequitur eeu accusativus cum infiuitivo. B.v. Eorum, quae posuisti, alterum alteri consequens est, nt sequatur, vitam lieatam virtute couf'ïci.

Aanmerking II. Bij contingit staat vooral bij dichters en latere prozaschrijvers ook de infinitivus. B.v. Xon cuivis homini contingit adire Corinthum.

Bjj mos est, consuetudo est staat ook de infinitivus, accusativus cum infinitive of de genetivus van het gerundium. B.v. Mihi mos est plura audi re quam loqui. Mos est hominum potentiorem infirmiori praepnni. Mos adversandi turpis est. Vgl. § 433. A.

3°. bij eeu comparativus met quam (te groot om, te groot dan dat). Vgl. § 298. 4°.

§ 356. Na tantum abest, het is er zoover af, volgen gewoonlijk twee zinnen met ut. Men bemerke wel, dat deze spreekwijze in het Latijn onpersoonlijk gebruikt wordt en dat het tweede ut niet gevolgd wordt door potiüs, wel door contra

5e druk. 17

/

ocr page 277

Modus hij de conjunctiones finales. § 357—359.

integendeel, of etiam, zelfs. B.v. Tantum abest, ut te re-pre li e n d a in, ut te 1 aud em, ik hen er zoover af u te laken, dat ik u integendeel prijs.

Iu plaats van den tweeden zin met ut staat soms voor deu nadruk een hoofdzin. B.v. Tantum abfuit, ut inflammares nostros a ui ra os: somnum isto loco vix tenebaraus.

Tantum abest ut — ut dient ook ter vertaling van laat staan dan dat, wel verre van —- integendeel. B.v. Tantum abest, ut hoe negotio d i v i t e s s i m u s f a c t i, ut pecuniam meruerimus nullam, ivij hehben hij deze zaak niets verdiend, laat staan dan dat wij er rijk duor geworden zonden zijn of wel verre van rijk geworden te zijn door deze zaak, hehben wij integendeel er niets hij verdiend.

In plaats van tantum abest ut — ut gebruikt men ook ita non, adeo non (nihil) — ut, zoo weinig — dat. B.v. Haec verba adeo nihil moverunt quemquam, ut legati propo violati sint, deze woorden maakten zoo weinig indruk op iemand, dat da gezanten bijna mishandeld zijn of het teas er zoover af, dat deze woorden eenigen indruk op iemand maakten, dat de gezanten bijna mishandeld zijn.

Laat staan dan dat wordt ook vertaald door nedura/of ne dicam) met den conj unctivus. B.v. Hoe negotio pecuniam meruimus nullam, nedum divites facti simus.

Wanneer tantum abesse eene werkelijke verwijdering aanduidt, wordt het persoonlijk gebruikt. B.v. Tantum a bes a per feet ione maximorum o p e r u m , ut fundamenta n o u d u m J e c e r i s.

§ 357. Wanneer een gevolgaanduidende zin ontkend wordt, gebruikt men niet ne, maar ut non, ut nullus, ut nihil, enz. B.v. Turn forte aeg rota bam, ut ad nuptias tuas venire non possem, ik was toen toevallig ongesteld, zoodat ik niet op uw bruiloft kon komen.

V Een tweede gevolgaanduidende zin, die ontkennend is, wordt met den eersten verbonden door n e q u e (niet neve). B.v. M u 11 i homines tam avari sunt, ut vix fa mem ex p leant neque pan per es araicos juvent.

§ 358. Quo (= ut eo) wordt gewoonlijk gebruikt vóór een comparativus in de beteekenis opdat des te. B.v. Legem brevem esse oportet, quo facilius ab imperïtis tene-a t u r, een wet moet hort zijn, opdat zij des te gemakkelijker door onkundigen onthouden worde.

Meermalen echter beteekent het ook opdat daardoor. B.v. In funeribus Athenieusium sublata erat celebrïtas viro-rum ac muliërum, quo lamentatio minueretur. X

§ 359. Quin wordt gebruikt na ontkennende en beperkende zinnen, alsmede na vragen met quis en quid, die een ontkennende beteekenis hebben. Het staat:

lrt. in plaats van qui non en quod non. B.v. Nemo fere

258

ocr page 278

Modus bij de conjunctiones finales.

§ 359.

259

est, quin acutius vitia in altëro quam recta \Tideat? er is bijna niemand, die niet scherper de gebreken dan de goede eigenschappen in een ander ziet. Nihil est, quin male nal•-r a n d o possit depravari, er is niets of het kan door slecht vertellen bedorven worden. Q u i s est (== nemo est) quin c e r-nat, quanta vis sit in sensibus, wie is er, die niet ziet, welk een kracht er in de zintuigen is?

♦Aanmerking I. Men gebruikt quin gewoonlijk slechts in plaats van den nominatiyus qui non en quod non (zelden quae non). Men zegge derhalve: Nulla gens tam fera est, cujus nientem non irabuc-r i t d e o r u m opinio. Cum n u 11 o u n q u a m c o n g r e s s u s ^u m , uuem non vie er im. tnifi '

bonis echter vmdt men quin m plaats van den acc'usartivus quod non en meermalen in plaats van den ablativus quo non na dies. B.v. Nihil oontumeliarum defuit, quin (— quod non) subiret. Hor-te n s i u s nullum patiebatur esse diem, quin ([no non) au t in foro diceret aut meditaretur extra forum.

*Aanmerk,ing II. Quin mag niet gebruikt worden, wanneer qui non of quod non slechts een enkel woord van den hoofdzin bepaalt en niet van den gansehen hoofdzin afhankelijk is. B.v. Judex esse bonus nemo potest, qui s u s p i c i o n e c e r t a non m o v e t u r. Nihil potest plaeëre, quod non decet. Zoo men zeide quin m o v e a t u r, quin deceat, zou do beteekenis geheel veranderen.

2U. in plaats van ut non, dat niet, zonder te, om niet te, of. B.v. Nunquara aecëdo, quin abs te abeam doctior, ik kom nooit bij u of ik ga geleerder van u iceg. Nun quam eum adspexit, quin eum fratricïdam appellaret, zij zag hem nooit zonder hem een broedermoordenaar te noemen. Nulla causa est, quin hoc faciara, ik heb geen reden om dit niet te doen.

Om bij het gebruik van quin in de beteekenis van zonder te geen fouten te maken tegen den persoon en het getal van het verbum, verandere men zonder te in zonder dat.

*Aanmerking I. Wanneer de hoofdzin niet ontkennend is of de ontkenning slechts op een enkel woord betrekking heeft, mag men quin niet gebruiken. B.v. Nou adeo imperltus sum, ut hoe n e s c i a m , ik hen niet zoo onervaren, dat ik dit niet iveet.

^Aanmerking II. Het gebruik van quin in plaats van qui non en ut non is niet noodzakelijk. B.v. Quis erat, qui id non sciret, wie was er, die dit niet wist. Oetaviiinus nunquam filios suos populo eommendavit ut non dieëret: si merebuntur, Octavi-aiius beval zijne zonen nooit aan het volk aan, zonder er hij te zeggen: indien zij het zidlen verdienen.

3°. in de beteekenis van dat, om te, of bij de verba en uitdrukkingen van twijfelen, verwijderd zijn, nalaten, zich weerhouden. B.v. Non debet dubitari, quin fuerint

ocr page 279

Modus bij de conjunctiones finales.

260

§ 360.

ante Homerum poëtae, men moet niet twijfelen, dat er vóór Homerus dichters geweest zijn. Paulum afuit, quin Isme-nias interficeretur, het scheelde weinig of Ismenias werd gedood. Aegre tenëre me potui, quin contumaci adole-scentülo alapam ducerem, ik kon mij moeielijk weerhouden om den onbeschaamden jongen een oorveeg te geven.

Tot deze verba behooren;

non (vix) dubïto, ik twijfel niet {nauwelijks).

non est dubium, er is geen twijfel aan.

quis (= nemo) dubitat, wie twijfelt er aan.

non multum (longe, procul) abest, het scheelt niet veel.

paulum, nihil abest, het scheelt weinig, niets.

non praetermitto, ïk laat niet na.

non recüso, ik heb er niet tegen.

non (vix, aegre) abstineo , „ me retineo

„ me contineo

tenëre me non possum temperare mihi non possum

Met uitzondering van de verba van twijfelen hebben de meeste dezer verba soms n e in plaats van quin. Somtijds vindt men bij non dubito den accusativus cum infinitivo.

*A.annierking I. Non dubito heeft in de beteekenis ik aarzel niet meestal den iufinitivus bij zich. B.v. Homo mitissimus non dubitat Lentülum aeternis tenëbris vineulisque mandare. Gewoonlijk voegt men echter quin achter dubitandum non est en noli (nolite) dubitar.e. B.v. Nolite dubitare quin Pompejo credatis omnia. ' -M. .

*Aanmerking II. Men lette wel op het verschil tusschen facere non possum quin, het is noodzakelijk dat ik, en facere non possum ut, het is onmogelijk dat ik, alsmede tusschen fieri non potest quin, het is noodzakelijk dat, en fieri non potest ut, het is onmogelijk dat. B.v. Fieri non potest quin te reprehendam, het is onmogelijk dat ik u niet zou berispen, of ik moet u berispen. Fieri non potest ut te reprehendam, het is onmogelijk u te berispen of ik kan u niet berispen.

Dezelfde beteekenis als facere non possum quin heeft ook non possum non met volgenden infinitivüs. B.v. Qui mortem in malis ponit, non potest eam non timer e.

§ 360. Niet zelden staat quin in onafhankelijke zinnen zonder invloed op den modus uit te oefenen en wel:

10. bij vragen in de beteekenis waarom niet om een aanmoediging of aanmaning te geven. B.v. Quin conscendimus equos.

ik kan mij niet {nauwelijks, moeielijk) weerhouden.

ocr page 280

II

§ 361—363. Modus bij de conjundiones temporales.

waarom stijgen wij niet te paard? (laten wij te paard stijgeu). Quin exper-giscimini, waarom wordt gij niet wakker? (wordt toch wakker).

2°. bij den eersten persoon meervoud van den conjunetivus en bij den imperativus ia de beteekeuis van toch. B.v. Quin eamus, laat ons toch gaan. Quin omitte me, laat mij toch met vrede.

3°. alleen of met potius, immo, etiam in de beteekenis _ƒ« B.v. Multum sc rib o die, quin etiam noctibus, ik schrijf veel bij dag, ja zelfs hij nacht.

§ 361. Quo minus staat:

1°. in de beteekenis van dat, om te bij de verba van verhinderen, zooals: deterrëre, impedire, obsistëre, obstare, prohibëre, waarbij volgens § 352. 3°. ook ne kan staan. B.v. Quid obstat, quominus deus sit beatus, ivat belet een cjod om gelukkig te zijn ? Vis imbrium impedïvit, quominus agricölae fruges colligërent, de sterke regenbuien hebben verhinderd, dat de landbouwers den oogst binnenhaalden. Aetamp;s non impédit, quominus litterarum studia teneamus usque ad ultimum tempus sen^pc tuti s.

Zoo deterrere en impedire 'een ontltenning bij zich hebben, kunnen zij ook quin regeeren.

*2°. in de beteekenis van dat, om te bij de ontkennende werkwoorden non abstineo, non me contineo, temperare mihi non possum, non praetermitto, non recüso, waarop volgens § 359. 3°. ook quin (soms n o) kan volgen. B.v. Non recusabo, quominus omnes mea scripta legant, ik zal er niet tegen hebben, dat allen mijne schriften lezm. quot; . *?'. s

*3°. in de beteekenié vau'dCit niet bij'per me stat oi iïi^ het Uyi aan mij, het is mijn schuld. B.v. Per Afrauium stetit, quominus (quot;pr oe 1 iol dimi car e t ur , het lag aan Afranius, dat er niet gestreden werd.

Zoo deze uitdrukkingen een ontkenning bij zich hebben, kan ook quin volgen. B.v. Per Valerium non stetit, quin fides prae-staretur.

VI. Conjunctiones temporales.

§ 362. De conjunctiones temporales zijn cum, cum primum, ut, ut primum, ubi, simulatque, simülac (zelden simul), postquam, antëquam, priusquam, dum, donee, quod, zelden quando.

§ 363. Gum regeert in het algemeen den indicativus, wanneer het zuiver tijdbepalend is, den conjunct!vus, wanneer het óp eene of andere wijze redengevend is. Voor de bijzondere gevallen gelden de volgende regels.

A. Cum regeert den conjunctivus, wanneer het is:

1°. cum causale, daar, dewijl. Vgl. § 346.

261

1:;;

j 1

^ i

/-*' ' ' r- f|{

ocr page 281

Modus bij de conjundiones temporales.

262

§ 363.

2°. eum concessïvmn, ofschoon. Vgl. § 339.

3°. cum narratïvum, toen. Het staat altijd met het imperfectum of plusquamperfectum conjunctivi, wanneer er in een verhaal tusschen de gebeurtenis van den hoofdzin en van den bijzin eenig innerlijk verband bestaat. B.v. Zenonem. cum A. the nis essem, audiebam frequenter, toen ik te . Athene was, woonde ik dikwijls de lessen hij van Zeno. Caesar, cum Pompejum apud Pharsalum vicisset, in Asiam trajëcit, toen Caesar Pomp ejus hij Pharsalus overwonnen had, stak hij over naar Azië.

1- 4°. eum iidversatïvum, terwijl, met de bijbeteekenis van duaren-teyen. B.v. Ludis, cum disc ere debeas, (jij speelt, terwijl gij {daarentegen) leeren moest. Nostrorum equttum er at qtiinque milium numerus, eum hostes non amp li us octingentos equïtes habere ut. Hier mag men nooit dum gebruiken.

B. Cum regeert den indicativus, wanneer het is:

1°. cum temporale, ten tijde dat, terwijl, wanneer. 13.v. Facile om nes, cum valemus, recta consiliaaegrotis damus, wanneer wij gezond zijn, geven wij allen gemakkelijk goeden raad- aan zieken. Omnia sunt incerta, cum a jure discessum est. Meermalen zal in den hoofdzin turn, eo tempore, eo die staan. B.v. Credo turn, cum Si cilia flor e bat opibus, magna artificia fuisse in ea insula.

2°. *cum iteratlvum, zoo dikwijls als, telkens wanneer. B.v. Cum epistolam tuam legi, a lac rï mis vix contineo, zoo dikwijls als ik uw hrief lees, kan ik slechts met moeite mijne tranen weerhouden. A g e r cum m u 11o s an no s qu ievit, uberiores effe rro fr u ct u s s o 1 et. -iL i J^ Wanneer de handeling van den bijzin geschiedt vóór de handeling van ^ den hoofdzin, heeft cum iterativum den bijzin in het perfectum, zoo de hoofdzin in het praesens staat, en in het plusquamperfectum, zoo de hoofdzin in een verleden tijd staat.

Bij Livius en anderen heeft cum iterativum ook den conjunctivus van het imperfectum en plusquamperfectum.

3°. *cum additivum, toen, wanneer aan de handeling van den hoofdzin iets nieuws, iets onverwachts wordt aangeknoopt. B.v. Unam epistolam jam obsignaveram, cum subïto tabella-rius tuas litteras mi hi reddidit, ïk hadden een en hrief reeds verzegeld, toen op eens de brievenbode mij uw hrief overhandigde. Jam lux appetebat, cum rex alacres milites ar ma cap ere et exire in aciem j u bet. ' ' J

Betrekkelijk de tijden valt op te merken, dat de noofdzin altijd in het imperfectum en plusquamperfectum staat en gewoonlijk een der adverbia vix, aegre, jam, non dum bij zich heeft. De bijzin staat in het perfectum of praesens historicum en bevat dikwijls een der adverbia r e p e n t e, subïto.

ocr page 282

§ 364.

TT

Modus bij de conjunctiones temporales.

Wanneer de gebeurtenissen van den hoofdzin en van den bijzin gelijktijdig plaats hebben, staat cum interim (interea, etiamtum) met het imperfectum of perfectum indicativi, naar gelang de hoofdzin in het imperfectum of perfectum staat. B.v. Caedebatur vir-gis in medio foro Messïlnae civisRomanus, eum interea nulla vox alia illlus misëri audiebatur, ui si baee: civis Koma-n us sum. Pis o ultimas Hadrian i maris oras petlvit, cum interim D y r r h a c hj i m i 1 i t e s d o m u m o b s i d ë r e c o e p e r u n t. yi-ttiUls 4°. cum explicatTvum, daardoor dat, regeert den indicativus van het praosens eu perfectum,(doch den conjunctivus van het m perfectum en plusquam perfectum.) B.v. Dete, Catilina. „c u m t a cent, clamant, daardoor, Catilina, dat zij over u zwijgen, Vrijspreken zij met luide stem. Cum tibi lab or anti affui, ine amicum tuum esse indicavi, doordat ik u in ween nood heh hijyestaan, heh ik bewezen, dat ik uw vriend uu a t i u s PI an ons quotidie meam

potentiam invidiose c r i m i na'b'a t u r , cum dieëret, senatum non quod sentiret, sed quod ego vellem, decern ëre.^

Aanmerking I. Cum regeert ook den conjunctivus iu de uitdrukkingen est, fuit, erit tempus (dies) cum, wanneer niet zoozeer do tijd als zoodanig, als wel een of andere eigenaardigheid van dien rijd wordt aangegeven. B.v. Fuit tempus, cum rura colërent homines noque urbem habër en t. —'j

Aanmerking II. De indicativus staat na uitdrukkingen als de volgende : diu est c um , het is lang geleden dat, nonnulli anni sunt cum, er zijn reeds verscheidene jaren verhopen sedert. B.v. Amplius viginti anni sunt, cum banc villam exstruxit, er zijn reeds meer dan twintig jaren verhopen, sedert hij dit landhuis liet houwen.

§ 364. Dum, do nee en quoad hebben den indicativus in de beteekenis zoolang als. B.v. Lacedaemoniorum gens for-tis fuit, dum Lycurgi leges vigebant, de Lacedemoniërs waren dapper, zoolang de wetten van Lijcurgus bloeiden. Donee eris felix, multos numerabis amicos. Cato, quoad v i xi t, virtutum 1 aude cr e v i t.

In de beteekenis totdat, zoolang totdat, regeeren zij den indi-j cativus, wanneer er tusschen den bijzin en den hoofdzin slechts ^ ^ een tijdelijk verband bestaat, doch den conjunctivus^wan-^^neer de bijzin het doel of de beweegreden van de hande-■-quot;/^fling des hoofdzins te kennen geeft. B.v. Epaminondas ferrum ■ ^Jquot;'in corpore retinuit, quoad renuntiatum est, vicisse ^(.a^^UBoeotios, Epaminondas liet den pijl in zijn lichaam zitten, tot-'(lmen ^em 9e^00dschapt had, dat de Boeotiërs overwonnen hadden, kji/ Hoc carmen disce, dum expedite possis declamare, leer dit gedicht, totdat gij het vlug kunt voordragen. Vgl. § 310. A. ^ a 11 m e r k i n g I. * AV anneer dum en quoad gelijk zijn aan ut interea

263

. _ I) I x I \/-gt;11 rv 11 r\ r\ I' l gt; i 11 I \ /-1 / s~t Tyi S-J Si / r» ^1 ^-\ y-. /-v «A ■ 1-1 T «r -1-* 13 -T-

'Iloratius Cocles impëtum hostium sustinuit, quoad ceteri

/

JUAi. 11^

hebben zij ook in de beteekenis zoolang als den conjunctivus. B.v.

M d O 1

ocr page 283

Modus bij de conjunctiones temporales.

264

§ 365.

pon te ni inter rurapërent, Horatius Codes hield zoolang den aanvul der vijanden uit als de overigen de hrug afbraken.

Livius gebruikt ook donee in deze beteekenis met den conjunctivas van het imperfectum en plusquamperfec-tum.

Aanmerking II. Dum staat slechts met het praesens en imperfectum, niet met de andere tijden van den conjunctivus.

Xa maneo, exspecto en opperior dum, ik wacht totdat, staat het praesens, perfectum of futurum exactum van den indica-tivus. B.v. Mansit in ea condicione, dum judïces rejecti suut. Ego in Ircano opperior, dum ista cognosce. Opperiar, dum redieris. Wanneer dum echter gelijk is aan ut interea, volgt op deze verba het praesens of imperfectum van den conjunctivus. B.v. Caesar constituit exspectare, dum sui in unum colli-gerentuiv-'

Aanmerking III. Bjj dum komt vooral uit de gelijktijdigheid, bij don ec de evenlange duur, bij quoad het einde.

§ 365. Antequam of anteaquam en priusquam (of ge-Bcheideii ante, antea, prius — quam) voordat, hebben

1°. wanneer de hoofdzin in het perfectum historicum staat, het imperfectum en plusquamperfectum in den conjunctivus, doch het perfectum in den indicativus. B.v. Numi-dae, priusquam ex castris subveniretur, in proximos colles discesserunt, de Numidiërs gingen, voordat men uit de legerplaats te hulp kwam, naar de naasthij zijnde heuvelen. Achaei non ante au si sunt capessëre bellum, quam ab Roma revertissent legati. Carthago prius condlta est, quam Cyrus Babylonem expugnavit.

Hierbij valt op te merken, dat het perfectum oen zuiver t ij d e 1 ij k e betrekking aangeeft, terwijl het imperfectum en plusquamperfectum do handeling als door het subject van den hoofdzin bedoeld voorstellen. In het Nederlandsch vertalen wij ook het perfectum door den onvolmaakt of meer dan volmaakt verleden tijd.

2n. wanneer de hoofdzin in het praesens of futurum simplex staat, het praesens in den indicativus of conjunctivus zonder merkbaar verschil van beteekenis. B.v. Fulgur videmus, priusquam tonïtrum audi mus of audiamus, ivij zien den bliksem, voordat wij den donder hoeren. Antequam de L. Murena dieëre instituo, pro me ipso pauca dicam.

De conjunctivus wordt altijd gebruikt, wanneer het verbum in den tweeden persoon enkelvoud staat ter vertaling van ons men. B.v. Priusquam incipias consulto, ubi consulueris mature facto opus est.

*3°. wauneer de hoofdzin in het futurum simplex staat en de handeling van den bijzin reeds geschied is, als de handeling van den hoofdzin begint, het futurum exactum in den indicativus. B.v. Non

ocr page 284

§ 366—367. Modus bij de conjunctiones temporales.

defatigabor, antequam hoe percepero, ik zal niet moede worden,

voordat ik dit verneem of vernomen heh of zal vernomen hebben. Vel. § 314. A. II.

§ 366. Postqu am of posteaquam, nadat, regeert den in-dieativus en wel gewoorilijk:

1°. van het perfectum, wanneer er niet bepaald wordt aangegeven , dat er eenige tijd is verloopen tusschen de handeling van den hoofdzin en den bijzin. B.v. Lacedaemonii, poamp;tquam audierunt muros instrui, legatos Athenas miserunt,

nadat de Lacedernoniërs gehoord hadden, dat er muren gebouwd werden, zonden zij gezanten naar Athene.

Bij levendige beschrijvingen kan in plaats van het perfectum ook het praesens historicum volgen. B.v. Postquam perfügae murum arietibus feriri videut, aurum atque argentum in forum comportant.

20. van het plnsquamperfectum, wanneer er bepaald (naar dagen, maanden, jaren, enz.) wordt aangegeven, dat er eenige tijd is verloopen tusschen de handeling van den hoofdzin en den bijzin. B.v. Hannibal, tertio anno postquam domo profugerat, in Africam rediit, drie jaar nadat Hannibal het huis ontvlucht had, kwam hij in Africa terug. A

Squot;. van het imperfectum, wanneer de handeling van den bijzin nog voortduurt, als de handeling van den hoofdzin begint. B.v. Postquam nihil usquam hostile cernebatur, Galli viam ingressi sünt, nadat nog altijd nergens eenig spoor van de vijanden zichtbaar was,

vingen de Galliërs den tocht aan.

4°. van het praesens, wanneer postquam of posteïiquam sedert dat beteekent. B.v. Relegatus mihi videor, posteEquam in For-miano sum, het komt mij voor dat ik verbannen ben, sedert ik mij op mijn landgoed bij Formiae bevind.

Aanmerking. Bij postquam staat somtijds het imperfectum of pius-quamperfectum conjunctivi, wanneer er namelijk, evenals bij cum narra-tivum, eenig innerljjk verband bestaat tusschen de gebeurtenis van den hoofdzin en den bijzin. B.v. Mithridates posteaquam maxim as aedificasset classes exercitusque permagnos com parasset,

usque in Hispaniam legatos ac litter as misit.

§ 367. De conjuncties, die zoodra beteekenen, zooals: cum^^A primum, ut (nooit uti geschreven), ut primum, ubi, ubi/A^3^ primum, simülac, simulatque, regeeren den indicativus,

en wel van het perfectum bij handelingen, die slechts een en-kele maal gebeurd zijn, en van het plusquamperfectumbij het beschrijven van telkens terugkeerende handelingen^ B.v.\ .'tT1''; Ubi illud audivit, nuntium ad regem misit, zoodra hij

- ^ /*» X.- ' |

ij? c , • , - - — ^ . i

265

ocr page 285

Modus in vragende zinnen.

§ 368.

266

dit gehoord had, zond hij een bode naar den koning. Alcibiades simulac se remiserat neque causa subërat, quare ani-mi labor em per ferret, luxuriosus reperiebatur, zoodra Alcibiades zich ontspannen had en er geen reden iras, waarom hij zijn geest zou inspannen, toonde hij zich telkens weelderig.

Ia plaats Yau het perfectum staat bij deze coujuncties ook het prae-sens historicum. B.v, Quae ubi nuntiantur Kom am, senatus extemplo dictatorem dici jussit.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNC-TIVUS IN VRAGENDE ZINNEN.

§ 368. De vragen zijn reclitstreeksch, wanneer zij op zicli zeiven staan, en zijdelingscb, wanneer zij van een ander woord afhangen,

De rechtstreeksche vragen staan in den indicativus (wanneer de twijfelachtige vragen in den modus dubitativus buiten rekening gelaten worden). B.v. Quid d i c i s, waf zegt gij ?

De zjjdelingsche vragen staan in den con junc ti v us. B.v. Non intellëgo quid dicas, ik begrijp niet wat gij zegt.

Wanneer een vraag niet begint niet een pronomen of adverbium interrogativum, gebruikt men in het Latijn gewoonlijk een conjunctio interrogativa. Hierbij moet men wel onderscheid maken of een vraag r e^ch ts tr ee ksch of zij delingsch. eenledig ot tweeledig is. $ «t

Het onderscheid tusschen een relatieven ^in en^'een zytfelingsche vraag bestaat daarin, dat de eerste afhangt van een nomen en de tweede van een verbum. B.v. Novi illos amicos quibus uteris, doch novi quibus amicis utaris. Hierbij moet men echter goed toezien of het antecedens misschien niet uitgelaten is, zooals: dicam quod sentio = id quod sentio, of in den rela- , tieven zin is opgenomen, zooals: quo utuntur argumento ad probandum op era e pretium est considerare == conside-rare argumentum, quo utuntur. Zoo de bijzin een zjjdelingsche vraag was, zou hij luiden: quid sentiam, quo utantur argumento. Vgl. § 204, 207 en 46B. 3°.

Aanmerking I. Na de imperativi die en vide staat meermalen een rechtstreeksche vraag, waar evengoed een zijdelingscbe vraag zou kunnen staan. B.v. Die quaeso: num te illa ter reu1:, eilieve zey

ocr page 286

Eenledige rechtslreeksche vragen.

§ 369.

267

eens, zijt gij daarvoor bevreesd ? Vide! q u a m c o 11 v e r s a res est! zie I eens! wat zijn de zaken veranderd!

Aanmerking II. Meermalen staat nescio met een pronomen of adverbium interrogativum zonder eenigeu invloed op den modus uit te oefenen. Nescio quis beteekent dan aliquis, nescio quid aliquid, uescio quomodo of nescio quo pacto iucerto quodam modo. B.v. Nescio qua permötus est diviuatione, hij is door een zeker voorgevoel aangezet. Nescio quid turbatus esse mihi vidëris, het komt mij voor dat gij eenigszins ontsteld zijt. Nescio q u o m od o i nhaer e t in meutibus quasi saecul o r um lt;^u o ddam i augurium futurorum. Op dezelfde wijze worden mirïïm'^qu'arti7,0'' • m ir u m q u a n t u m, n i m i u m q u a n t u m eu dergelijke uitdrukkingen i m gebruikt. B.v. Sales in dicendo nimium quantum valent. Id m i r u m quantum p r o f u i t ad c o n c o r d i a m civitatis.

§ 369. Bij eenledige rechtstreek ache vragen worden de volgende conjuncties gebruikt:

1°. n e, gewoonlijk wanneer men onzeker is of men een bevestigend of een ontkennend antwoord zal krijgen. Het wordt achter het woord gevoegd, waarop de nadruk valt, en daarmede aan het begin van den zin gezet. B.v. Totane urbs ar sit, is de (/ansche stad afgebrand, ? Meministine me li o e in s e n a t u dicëre, herinnert gij u, dat ik dit in de» senaat gezegd heb?

Soms drukt het verwondering, wrevel of twijfel uit. B.v. Putasne me istud face re potuisse, meent (jij dat ik dit heb kunnen doen? Gewoonlijk echter wordt bij dergelijke vragen geen vraagwoord gebruikt. B.v. Rog as, vraagt gij dit nog? Tu hoe

non vides, q ij ziet dit niet?

i J J k*-- 7Z. j*. .

Aanmerking. In de taal van het gewone leven wordt de e van ne dikwijls weggelaten en zoo er een s voor ne gaat, valt deze ook weg. B.v. Credou' tibi hoe? Vin' = visne? Videu' rrzvidesne? Vgl. § 129. A.

Hot met verwondering vragende, alleenstaande ik? heet egone? zoo? werkelijk ? i t a n e ? i t a n e est? i t a n e v e r o ? i t a u e tandem? Niet waar? nonne? Is het ernst? meent gij het? ei, ei? zoo, zoo? ain (= aisne) tu? ain' tandem?

2°. nonne, wanneer men een bevestigend antwoord verwacht. Wij zetten gewoonlijk niet bij het werkwoord. B.v. Nonne poetae post mortem nobilitari volunt, willen de dichters na hun dood niet vereerd worden?

Aanmerking I. Wanneer meer^safl» vragen, waarop men een bevestigend antwoord verwacht, op elkander volgen, staat bij de eerste vraag nonne en bij de volgende vragen gewoonlijk non. B.v. Nonne hunc in vin cu la duci, non ad mortem rapi, non sumrao s u pp li-ei o mactari imperabis?

Aanmerking 11. Zoo men iets door een voorbeeld wil bewijzen,

ocr page 287

268 Eenledige zijdelingsche vragen. § 370.

zegt meu gewoöulvjk videsne, videmusne, videtisne, waar wij no line vides zouden verwachten. B.v. Videtisne ut apud Home-rum saepissime Nestor de virtutibus suis praedïcet.

3°. num, wanneer men een ontkennend antwoord verwacht. Wij zetten dikwijls soms of ivel bij het werkwoord. B.v. Num negare audes, durft gij het soms ontkennen? Num putas me tam dementem fuisse, gij gelooft toch zeker niet, dat ik zoo dwaas gemest ben?

Aanmerking. In plaats van num gebruikt men soms het sterkere u u m u e, n u m n a m, n u m q u i d of e c q u i d. B. v. D e u m i p s u m n u m n c vidisti, heht yij God zeiven ooit gezien? Num quid duas habetis p a t r i a s, heht gij dan twee vaderlanden ? E c q u i d a 11 e n d i s, let gij wel op?

4°. an, wanneer onmiddellijk na zekere bewering naar iets onwaarschijnlijks gevraagd wordt; wij gebruiken gewoonlijk of, of soms.'R.^. Xon ego te dictis offendëre volui; an putas me parvi facere benevolentiam tuam, ik heb u door mijne woorden niet willen hèlee-digen; of denkt gij soms dat ik uwe genegenheid gering acht?

Vervolgens, wanneer opeen algemeene vraag een meer bijzondere vraag volgt; wij zeggen dikwijls toch wel. B.v. Quando istavis evanuit? an postquam homines minus credüli esse coepe-runt? wanneer is deze kracht (te Delphi) verdwenen? toch wel nadat de menschen minder lichtgeloovig begonnen te zijn?

AarBJiterking. quot;Wanneer met an naar iets onwaarschijnlijks gevraagd wordt, moèteH^jie pronomina en adverbia gebruikt worden, die voor negatieve zinneïTTlieaejj^ B.v. An quisquam putat? An putas, quemquam esse, qui? Air-imjjjiam audltum est?

Somtijds staat an zonder-refbum in deH-^zin van sive. B.v. Themi-stoc 1 eSj^c-u-Hi quot;quot;tri Sim onïdes an quis anTrs-a-c-tgm memoriae poJ fceretur, oblivion is, inquit, malle m.

§ 370. Bij eenledige zij delingsche vragen wordt of, of soms vertaald door num of ne (soms numquid of ecciuid) en of niet door nonne. B.v. Quaero, SéSTpecuniam ei de de-ris of dederisne eipecuniam,iA; vraag of gij hem het geld gegeven heht. Croesus ex Solone quaeslvit, nonne se beatissimum putaret, Croesus vroeg aan Solon of hij hem niet voor den gelukkigsten mensch hield. ' ■$**-**•?■■■■■*■ quot;y*? '-y

Aanmerking. In zuiver proza vindt men soms na exspecto, ex-perior, eon or, tento en quaero in plaats van num s i gebruikt. B.v. Quaesivit, si incolumes equites evasissent.

Wanneer in den afhankelijken zin volo of possum staat, wordt soms het werkwoord beproeven uitgelaten. B.v. Hostes circumfun-duntur ex omnibus partibus, si quem adïtum reperiri possent, de vijanden verspreidden zich langs alle kanten om te beproeven of zij een toegang konden vinden.

ocr page 288

Tweeledige vragen.

§ 371—372.

269

§ 371. Na de verba en uitdrukkingen, die onzekerheid te kennen geven, zooals: dubito, dubiurn est, incertum est, delibëro, haesïto, nescio, haud scio wordt of niet vertaald door an, en of wel door an non of an met een andere ontkenning, zooals: nemo, nullus, nusquam. B.v. Dubito, an hunc primum omnium ponam, ik twijfel of ik dezen niet hoven allen zal stellen (ik ben genèigd dit te doen). C. Gracchus si diutius vixisset, nescio an eloquentia parem habu-isset nemïnem, ik weet niet of C. Gracchus, zoo hij langer geleefd had, wel iemand zou gehad hebben, die hem in welsprekendheid evenaarde (ik geloof het niet).

Dubito an, haud scio au, enz. staan meernialen zonder verbum in de beteekenis van misschim. B.v. Contigit tibi quod haud scio «auemini, u is te heurt gevallen wat misschien nog niemand te beurt gevallen is. Moriendum certe est et id incertum an hoc ipso die, wij moeten zeker sterven en misschien nog dezen dag.

Vgl. over non dubito § 359. 3'. en A. I.

§ 372. Bij tweeledige vragen, zoowel rechtstreeksche als zijde-lingsche, gebruikt men in het eerste lid utrum of ne en in het tweede lid an (soms anne). B.v. Utrum ea vest ra an nostra culpa est, is dat uwe of onze schuld? Casune mundus est effectus an vi divlna, is de wereld door toeval gemaakt of door goddelijke kracht? Inter praetores magna fuit con-tentio, utrum moenibus se defendërent, an acie decer-nërent. Quaerïtur virtus sua nine propter dignitatem an propter aliquos fructus expetatur.

*Bij korte scherp tegenover elkander staande tweeledige vragen laat men soms het vraagwoord voor het eerste lid weg. B.v. Hides au ploras, lacht gij of iveent gij? Bij z ij d e 1 i n g s c h e vragen wordt in dit geval voor an soms ne gebruikt. B.v. Nihil interesse putant valeamus aegrine si mus.

quot;K *Bij tweeledige vragen wordt of niet gewoonlijk vertaald door auuou, zoo zij rechtstreeksch zijn, en door necne, zoo zij zijdeliugsch zijn. B.v. Estne ea anuon, is zij het of niet? Noudum de Eumëne statuerat Antigönus, couservaret eum necne.

Aanmerking I. Wanneer een vraag meer dan twee loden beeft, wordt an herhaald. B.v. Perturbantur Galli, copiasne adversus hostem ducëre, an castra defendëre, an fuga salutem pe-tëre praestaret. In plaats van ne — an — an vindt men somtijds ne — ne — ne. B.v. Deorumne immortalium, popullne Ro-mani, vestramne, qui summam potestatem habetis hoc tempore, fidem implörem?

Aanmerking II. Twee vragen, die hetzelfde praedicaat hebben , doch waarvan de eene bevestigend en de andere ontkennend

ocr page 289

Tweeledige vragen.

270

§ 373—374.

is, kunnen met herhaling van hot praedicaat zonder vraagwoord worden uitgedrukt. Het Nederlandsehe voegwoord en tusschen de twee vragen wordt in het Latijn niet vertaald. B.v. Ergo haec veteranus miles facere poterit, doetus vir sapiensque non poterit? Ergo histrio hoe videbit in scaena, nou vide bit vir sapiens in vityi? De eerste vraag wordt ook wel ingeleid met an of an vero. B.v. An (vero) Scythes Anacharsis potuit pro nihilo pecuniam ducere, nostrates philosophi non poterunt? Wij kunnen zulke zinnen ook met terwijl aan elkander koppelen. Vgl. § 524.

Aanmerking III. Men wachte zich wel an te verwarren met de conjunctiones disjunctivae aut of vol, die wol verschillende begrippen onderscheiden, maar ze niet tegenover elkander plaatsen. B.v. Nonnulli dubitant de mundo, casüne ipse sit effectus aut necessitate aliqua an ratione ac mente divina.

Aanmerking IV. Op het pronomen utrum volgt soms een tweeledige vraag als appositie. B.v. Utrum igitur mavis, statimnenos vela facere au paulülum remig rar e?

§ 373. Zoo het antwoord op een vraag slechts een aanwijzing is van den persoon of zaak, waarnaar gevraagd wordt, staat in het antwoord dezelfde naamval als in de vraag. B.v. Quis legem tulit? Rullus, wie heeft de wet gemaakt? Hallus. Cujns est ista domus? Patri s mei, van wien is dit huis? Van mijn vader.

Somtijds zal de constructie van sommige woorden een anderen naamval vorderen. B.v. Cujus est liber? Meus, van wien is het hoek? Van mij. Quanti hoe emisti? Parvo, voor hoeveel hebt gij dit gekocht? Voor een geringen prijs.

§ 374. Ons ja wordt uitgedrukt:

1°. door dat woord der vraag te herhalen, waarop de nadruk valt, dikwijls met bijvoeging van vero. B.v. Tune hoc Antonio dixisti? Ego vero. Hocïne tu Antonio dixisti? Hoe vero. Antoniöne tu hoe dixisti? Antonio vero. Dixi-stlne hocs;Antonio? Dixi vero.

2°. door ita, ita est, ita vero est, etiam, sane, sane quidem, omnino, certe, •

Ons neen wordt uitgedrukt:

1°. door non met dat woord der vraag, waarop de nadruk valt. B.v. Solusne venisti? Non solus.

2°. door non ita, non vero, minlme, minïme vero.

Aanmerking I. Zoo het autwoord de vraag verbetert, gebruikt men immo en sterker immo vero ofimmo vero etiam. Dit woord heeft een dubbele beteekenis, namelijk: integendeel en ja zelfs. B.v. Xum ille tibi familiaris est? Immo alienissimus, is hij uw vriend? Integendeel mijn grootste vijand. Causa tibi nonne videtur bona? Immo vero optima, komt de reden u niet goed voor? Ja zelfs zeer

ocr page 290

Modus in relatieve zinnen.

271

§ 375.

yoed. Catilina tamen vivit. Vivit? Immo vero etiamiusena-t u m v e n i t.

Aanmerking TI. Wanneer ous ja of neen door want gevolgd wordt, blijft het meermalen onvertaald. B.v. Suntne igitur insidiae tender e plfigas, etiamsi excitaturusnon sis feras nee airitii-vquot;-turus? Ipsae enim ferae nullo insequente saepe ineïWint.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN ÏNDiCATiVUS Eil CONJUNC-TIVUS IN RELATIEVE ZINNEN.

§ 375. Relatieve zinnen, ook die met een adverbium relativum beginnen, staan in den conjunctivus:

1°. wanneer liet relativum opgelost kan worden in cum (causale

of concessivum) daar, ofschoon, en een pronomen domonstr i-

tivum, personale of possessivum. Qui is dan gelijk aan

cum ego, cum tu, cum is; cujus aan cum mens, cum tuus, cum

ejus; cui aan cum mihi, cum tibi, cum ei, enz. B.v. Cur tibi

invideam, qui omnibus rebus abundem, waarom zou ik

n benijden, daar ik van alles overvloed heb? Caninius fuit

mirifïca vigi 1 antia, qui suo toto consulatu somnum

non viderit, Caninius bezat een verwonderlijke waakzaamheid,

daar hij in zijn (jeheele consulaat den slaap niet gezien heeft.

Quis Ciceronem non legat, cujus libri tam pulcliri sint,

wie,, zou Cicero niet lezen, daar zijne qeschriften zop schoon zijn? ~lL *«gt;. quot;W oWi, Vquot; ' j T 2 ' ■ ■

Gewoonlijk zal cum causale' beval zijn in het relativum, dat op een uitroeping volgt. B.v. O fortunate adolescens, qui (cum tu) t u a e v i r t u t i s H o m e r u m p r a e c o n e m inveneris!

2°. wanneer het relativum opgelost kan worden in ut (finale of consecutivum) opdat, zoodat, dat, en een pronomen demon-strativum, personale of possessivum. B.v. Vejentes legatos miserunt, qui (ut ii) pacem peter ent, de Vejen-ters zonden gezanten om den vrede te vragen. 5Iulti eripiunt aliis, quod (ut id) aliislargiantur, velen ontnemen aan de tenen om het aan de anderen te geven. Nemo h o m i n u m t a n-tus est, qui (ut is) nullïus ope indigeat, niemand der men-schen is zoo groot, dat hij niemands hulp behoeft.

*Een bijzondere opmerkzaamheid vordert hét pronomen is, dat meermalen een eigenschap aanduidt, die door het relativum nader verklaard wordt. Is qui kan dan opgelost worden in talis ut met een pronomen. B.v. Non is sum, qui (talis ut ego) mortis timöre ter-

ocr page 291

Modus in relatieve zinnen.

272

§ 375.

rear, ik ben de man niet om mij door vrees voor den dood te laten verschrikken. Nou aumus ii, quibus (tales, ut nobis) nihil vcrum videatur. ^ K. /L. ^

♦Wauneer is qui niet opgelost kan worden in talis ut met een pro-a nomen, moet de indicativus volgen. B.v. Docïlis est is, qui at-,/^ tante vult audi re. Tu es enim is, qui consilio me saepe ad-j u v i s t i. In deze zinnen wordt niet gewezen op een eigenschap, maar-£«~ op een feit. quot; ^

Aanmerking. Evenals vóór ut eonsecutivum blijven ook vóór het relativum, dat opgelost kan worden in ut eonsecutivum met een pronomen, de uitdrukkingen, die zoo betoekenen, meermalen weg. B.v. Nullus est dolor, quern longinquïtas temporis non mitïget. Nunc dicis aliquid, quod ad rem pertin eat. Nonne satius est mutum esse, quam quod nemo intellëgat dieëre?

3°. na de adjectiva dignus, indignus, aptus en i done us, waar wij dikwijls om te gebruiken met een pronomen demon-strativum, personale of possessivum. B.v. Quisquis turpibus voluptatibus inservit, indignus est qui homo n o m i n e t u r , alwie zich overgeeft aan zijne onbetamelijke lusten , is omvaar dig om mensch genoemd te worden. Indignus sum. cujus (ut meis) peccatis ignoscas, ik verdien niet, dat gij mijn misslagen vergeeft. Dignus es, c u j u s (ut tuos) 1 i b r o s 1 egam, gij verdient, dat ik uwe hoeken lees. Voluptas non est dig na, ad quam (ut ad earn) sapiens respiciat. Digna est virtus, cui (ut ei) studeamus. Dignus es, quem (ut te) om nes amen t. Nulla mihi videbatur ap tior persona, quae de senectute loqueretur, quam Catönis. So 1 am m e n t e in c e n s e b a n t i d o n e a m , cui crederetur.

Aanmerking. Na dignus en indignus mag men dan alleen ut in plaats van qui gebruiken, wanneer er onmiddellijk een ander qui voorafgaat. Zoo zegge men niet: muitos homines vidi, qui, qui vituperarentur, digni erant, maar: qui ut vituperarentur.

Na aptus en idoneus kan ook ad met het gerundium volgen of de dativus van het gerundium.

Dichters eu latere prozaschrijvers laten op deze adjectiva ock den in-finitivus volgen.

4°. na algemeene uitdrukkingen, zooals: sunt, er zijn er, non de sunt, het ontbreekt niet aan personen, inveniuntur, repe-riuntur, men vindt er, nemo est, nullus est, er is niemand, nihil est, er is niets, non h a b e o, ik heb niets, q u i s est, (== er is, niemand), quotusquisque est (= er is bijna niemand). B.v, Sunt qui censeant una animum cum corpóre occidëre, er zijn er die meenen, dat de ziel en het lichaam te gelijk vernietigd worden. Nihil est, quod tam misères faciat

ocr page 292

Modus in relatieve zinnen.

§ 375.

278

quam impiëtas et scelus, er is niets dat zulke ongelukkig en maakt dan de gewetenloosheid en de misdaad. Quis est, cui exploratum sit, se ad vespërum esse vieturum, wie is er die zeker iceet, dat hij tot den avond zal leven ? Nihil h a b e-bam, quod scribërem, ik had niets te schrijven.

Bij deze algemeene uitdrukkingen kan ook een onbepaald subject staan. B.v. In omnibus saecülis-pauciores viri reperti sunt, qui suas cupiditates, quam qui hostium copias vincërent.

Aaumerkiug I. ^De conjuuctivus volgt ook op ost quod. er is

reden, dat of om te; n 011 ost quod, er is geen reden; nihil est quod, er is volstrekt geen reden; quid est quod, welke reden is er. B.v. Quid est, quod fleas, welke reden is er dat gij weent of waarom weent gij ?

lu plaats van quod, welk woord geen pronomen relativum, maar een oonjunctio is, kau men ook zeggen quare, cur, quamobrem» ptmin »4. Bij quid en nihil kan men nog causae voegen. B.v. Quid er at causae, cur metuöret, welke reden had hij om te vreezen? Nihil est causae, quod iis in vide a mus, quos vulgus magnos et fellces nominat, wij hebben volstrekt geen reden om hen te benijden, die het volk groot en geluklcig ^noe^iU^j^'

Zoo ook na est ubi, esft undepe'st qu aten us. B.v. Est ubi ld v a 1 e a t, er zijn gevallen waarin dit geldt. Est unde jus civile di-scatur, er zijn bronnen voor de studie van het burgerlijk recht. Est quatenus amicitiae dari venia possit, er zijn grenzen tot welke de vriendschap mag gaan. ,

Aanmerking 11. Wanneer bij s u nt ie^n nomen van TTo e v eel he 1 d als subject staat, volgt op qui gewoonlijk do indicativus. B.v. Duae sunt artes, quae possunt locare homines in amplissimo gradu dignitatis, una imperatoris, altera oratoris boni.

5°. wanneer zij een wezenlijk gedeelte uitmaken van een • afhankelijke gedachte, die in den infinitivus, accusati-'4VU8 cum infiuitivo of c0njunetivus staat. B.v. Facïle est 'continëre eos, quibus praesis, si te ipse contineas, v het is gemakkelijk diegenen te bedwingen, over wie men gesteld ^■is, zoo men zich zeiven bedwingt. Mos est Athenis quotan. nis laudari in contione eos, qui sint in proelio inter-fecti. Sunt, qui qui^lvis uerpetiantur, dum, quod velint) c o n se q uan t u r. « py/Aa. ■£- •

Aanmerking. Men gebruikt echter den indicativus:

d) wanneer de relatieve zin een aanmerking bevat van den schrijver. B.v. Cl assem Athenienses Mi^ilTdi dederunt, ut ins lilas, quae barbitrirs adjuverant, bello p ersequeretur.

b) wanneer de relatieve zin dient ter omschrijving van een begrip, waarvoor iu het Latijn volstrekt geen of ten quot;mmste ^een geschikt sub-Se druk. iy

ocr page 293

Imperativus.

274

§ 376—377

stantivum bestaat. B.y. Asia tam opima et fertilis est, ut multi-tudine earum rerura, quae export^Kfur, facile omuibus ter ris antecellat. Res, quae exportantur is een noodzakelijke om-sehrijviug1 vau het begrip uitvoer, waarvoor in het Latijn geen substan-tivum bestaat. Elo.quendi vis effïcit, ut ea, quae ignoramus (beter dan ignorata) discëre et ea, quae scimus (beter dan scita) a 1 i o s-drtfc e r e pos sim us.

6°. wanneer zij iets mededeelen als de gedachte of meening van een ander. B.v. Zeno appellat beatam vitam eam solam, quae cum virtute degatur. Lysander eos, qui Atheniensium rebus studuissent, ex urbe ejëcit. Paetus omneslibros, quos frater suus reliquisset (volgens de meening van Paetus), id i li i d o n a v i t.

7°. wanneer zij een woord of een zin beperken. B.v. Non edepol ego te, quod sciam {voor zoover ik weet) unquam ante hune diem vidi. Gewoonlijk plaatst men bij het relativum in deze beteekenis quidem. B.v. Cicero nis orationes, quas quidem legerim, et verbis et rebus illustres sunt, de redevoeringen van Cicero zijn, voor zoover ik ze gelezen heh, naar vorm en inhoud voortreffelijk.

Aanmerking. Foor zoover kan men ook vertalen door quatënus, quoad of quantum met den indieativus. B.v. Quatenus negle-gentia tabellariorum fieri dicis; quoad fieri potest; quantum ego scio.

§ 376. Alle door verdubbeling of door samenstelling met cunque gevormde relativa, pronomina zoowel als adverbia, hebben den indieativus bij zich. Het werkwoord mogen blijft bij deze woorden onvertaald. B.v. Quidquid a duce jussum erit, miHtibus faciendum est, ivat door den veldheer ook bevolen may zijn, het moet door de soldaten gedaan worden. U t-cuuque sese res habet, tua est culpa, hoe het ook zijn moge, het is uwe schuld.

Men gebruikt echter den conjunctivus, zoo het verbum in den tweeden persoon enkelvoud staat ter aanduiding van het Neder-landsche men. B.v. Quotquot enumëres oratores, hoeveel redenaars men ook moge optellen.

Livius en latere schrijvers gebruiken bij het beschrijven van herhaalde handelingen hier gaarne den conjunctivus. B.v. Quocunque se ntulisset, victoriam secum tmhobat.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN IMPERATIVUS.

§ 377. De imperativus dient in het algemeen om een bevel wensch, verzoek of vermaning uit te drukken.

ocr page 294

Imperativus.

§ 378—380.

275

§ 378. Men gebruikt het praesens van den imperativus, wanneer men aan een bepaalden persoon sets beveelt, dat óf aanstonds moet geschieden, óf zoo liet reeds bestaat moet voortduren. B.v. Janua patet, proficiscëre, de deur staat open, vertrek. Vive felix, leef gelukkig. Si quid in te peccavi, i g n o s c e, zoo ik u iets misdaan heb, vergeef het mij.

*AaumcrkiDg I. Ter verzachting vau een gebod gebruikt men velim met den conjunctivus (Vgl. § 32-1;. I0.) of men voegt quaeso, oro, sis, sodes, dnm bij den imperativus. B.v. Dicas velim. Tu quaeso crebro ad me scribe. Kefer animum tuum, sis, ad veritatem, bezin u toch. Jube, sodes, eet. Die dnm, eet. Ons maar bij een imperativus wordt vertaald door modo. B.v. Die modo zeg het maar.

*Aanmerking II. Ter versterking van een gebod gebruikt men fac (gewoonlijk zonder ut) of cnra ut met den conjunctivus. B.v. Fac venias. Cu ra ut valeas.

— Aanmerking III. Een gebod in den derden persoon wordt uitgedrukt door het praesens conjunctivi. B.v. Qui adipisci verarn gloriam volet, justitiae fungatur officiis.

Aanmerking IV. Zoo men niet tot een bepaalden persoon spreekt, gebruikt men den tweeden persoon enkelvoud van het praesens conjunctivi. B.v. Injurias fortunae, quas ferre nequeas, de-fugiendo rel in quas; «W*.

§ 379. Men gebruikt het futurum van den imperativus, wanneer iets in de toekomst, na verloop van zekere handeling, of bij inter voorkomende gelegenheden moet geschieden. Het komt vooral voor in wetten, verdragen, testamenten, algemeene regels en wanneer de vervulling van het gebod afhangt van de vervulling eener voorwaarde. B.v. Gras pettto, dabitur; nunc a b i, vraag het morgen, dan zal het u gegeven worden, maar ga vu weg. Regio imperio duo .sunto iique consules ap-pellantor; illis salus ■i-wt suprema lex esto. Ser-

vus mens Stichus liber esto. Ignoseïto saepe altëri, nunquam tibi. Gum valetudïni tuae consulueris, tum consulïto navigation i. tfU JLMK ^ Co-V-

§ 380. Een verbod wordt door goede prozaschrijvers uitgedrukt:

1°. door^vji'e/'met het per fee tum conjunctivi, zoo het een verbod in den tweeden persoon is, en met het praesens conjunctivi , zoo het een verbod in den derden persoon is. U.v. N e dubitaveris, twijfel er niet aan. Ne quis fastidiat gram-in at ï ces elementa, niemand hebbe een afkeer van de grondbeginselen der spraakkunst.

ocr page 295

§ 381—382.

Infinitivus.

276

2°. verzachtend door omschrijving met noli, nollte. B.v. No-lïte mentiri, gij moet niet liegen.

3°. versterkend door omschrijving met cave (dikwijls zonder ne) of fac ne en den conjunctivus van het praesens of perfectum. B.v. Cave credas of credideris, geloof het toch niet. Fac ne quid omittas, sla toch niets over.

Aanmerking I. Zoo men niet tot een bepaalden persoon spreekt, gebruikt men ne met den tweeden persoon enkelvoud van het praesens conjunctivi. B.v. Isto bono utare, dum adsit; cum absit, ne requlras.

Aanmerking II. In wetten en algemeene regels wordt een verbod uitgedrukt door ne met het futurum van den imperativus. B.v. Nocturna sacrificia ne sunto. Borea flante ne arsto, semen ne jacïto.

Aanmerking III. Een dubbel verbod wordt niet verbonden door neque maar door neve. B.v. Hominem mortuum in urbene sepellto neve urïto.

§ 381. Wanneer men zeker is, dat iemand aan een gebod of verbod gehoor zal geven, kan men in plaats van den imperativus ook den tweeden persoon van het futurum indicativi gebruiken. B.v. Tu nou cessabis et ea, quae habes institüta, perficies. Men gebruikt dezen vorm van uitdrukking vooral aan het einde van een brief. B.v. Valebis igitur et amieis salutem dices.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DEN INFINITIVUS.

§ 382. De infinitivus, die het begrip van het werkwoord geheel onbepaald voorstelt, kan beschouwd worden als een substanti-vum verbale neutrïus generis met twee naamvallen, den nominativus en den accusativus. De infinitivus regeert den casus van het verbum en wordt door adverbia, niet door ad-jectiva bepaald. B.v. Het lezen van een boek, librum legere; het oplettend lezen van een hoek, librum attente legëre.

De leerling lette wel op, dat het Latijn niet toelaat om, zooals in onze taal, een genetivus van een als substantivum gebruikten infinitivus te laten afhangen. De infinitivus regeert altijd den casus van het verbum. B.v. het bebouwen van het land, colëre a g r u m; het begunstigen zijner vrienden, f a v ë r e a m i c i s; het gebruiken van list, uti fraude.

Aanmerking I. In den accusativus mag de infinitivus enkel als object beschouwd worden. Slechts bij interest inter kan men in

ocr page 296

Infinitivus.

277

§ 383.

proza don infinitivus van een praepositie laten afhangen. B.v. Ar is to et Pyrrho inter optime valere et gravissirae aegrotare nihil prorsus dicebant interesse. Men lette hierop wel, wanneer in het Nederlandsch na met den infinitivus gebruikt is. B.v. Na dit gehoord te hebben zond hij een bode tot den koning. In het Latijn zegge men: ubi illud audivit, nuntium ad regem misit.

Aanmerking 11. Slechts enkele pronomina demonstrativa, namelijk: hoe, illud, ipsum, totum hoe worden als adjectiva met den infinitivus verbonden. B.v. Me hoe ipsum nihil agere delectat.

Hoogst zelden wordt een possessivum met den infinitivus verbonden. B.v. Meum intellegëre nulla pecunia vendo.

§ 383. De infinitivus staat als subject:

1°. bij est (erat, fuit, eet.) met een praedicaatsnoraen B.v. Dulce et decorum est pro patria mori, het is aan-genaam en eervol voor het vaderland te sterven. Apud Per sas summa laus erat for titer venari, luxuriöse vivëre? dapper jagen en weelderig leven gold hij de Perzen voor den hoogste» roem. Piugëre artiftei jucundius est quam pinxisse.

Aanmerking I In het Nederlandsch gebruiken wij niet zelden eei; vo o r w aar d e 1 ij k e n zin in plaats van een infinitivus. B.v. Het is aangenaam en eervol, zoo men voor het vaderland sterft.

Aanmerking II. Zoo bij est een infinitivus subjecti staat, kan men in plaats van een praedicaatsnoraen ook een infinitivus zetten. B.v. Docto homini vivere est cogitare.

2°. bij verba impersonalia, zooals: pudet, piget, pae-nïtet, taedet, misëret (§ 256), interest, refert (§ 257. 2°.) opus est (§ 272. A. II.), de eet, het betaamt, het past, het staat wel, dedécet, het betaamt niet, ju vat, delect at, het vermaakt, het verheugt, fugit, het ontsnapt, necesse est, het is noodzakelijk, oportet, het moet, het behoort, licet, het is geoorloofd, li bet, het lust, nihil attïnet, het komt er niet op aan. B.v. Ex malis eligëre minima oportet, van twee hvaden moet men het minste kiezen. Quid attïnet cum iis, quibuscum re convenias, verbis disceptare, wat komt het er op aan over de ivoorden te twisten, zoo men het in de zaak eens is.

Aanmerking I. quot;Wanneer de infinitivus subjecti een accusativus objecti bij zich heeft, verandert men gewoonlijk den infinitivus activi in den infinitivus passivi; hierdoor ontstaat dan een accusativus cum infinitive. B.v. Hunc librum omnibus commendari decet, men moet dit boek aan allen aanbevelen. Ejusmödi exempla sexcenta licet proferri, men kan honderd dergelijke voorbeelden aanhalen.

ocr page 297

§ 384—385.

Infinitivus.

278

Aanmerking II. Wanneer de infinitivus subjecti een prae-dicaatsnomen bij zich heeft, of bestaat uit een participium met esse, staat dit praedicaatsnomen of participium in den accusativus. B.v. Bonum esse praestat quam bonum vidêri, het is beter 'goed te zijn dan goed te schijnen. Senem ante tempus fieri misërum est, oud te worden vóór zijn tijd is ellendig. Praestat honeste vivëre, quam honeste natum esse, het is heter zich goed te gedragen clan van goeden huize te zijn.

Aanmerking III. Na verschillende onpersoonlijke uitdrukkingen, zooals: satis mihi est, melius erit, paeuitebit, pu de bit, alsmede na satis habeo en contentus sum lateu de schrijvers der zilveren eeuw gaarne een infinitivus perfecti in plaats vau een infinitivus praesens volgen. B,v. Conténti sumus id unum dixisse, wij zijn tevreden dit alleen te zeggen. Melius erit vocem nou misisse, het zal heter zijn geen geluid te geven.

§ 384. Decet, dedëcet, juvat, delectat, fallit, fugit en praeterit hebben den persoon, wien iets betaamt, niet betaamt i vermaakt, ontsnapt, in den accusativus. B.v. Decet vere-cundum esse adolescenten!, het betaamt een jongeling bescheiden te zijn. Oratorem irasci mini me decet, simulare non dedëcet, voor een redenaar is het volstrekt niet betamelijk toornig te worden, het te veinzen is niet onbetamelijk. Fugit me illud ad te antea scribëre, het is mij ontgaan dit eerder aan u te schrijven.

Deze verba kunnen ook als personalia gebruikt worden, doch van decet en dedëcet mag in zuiver proza gewoonlijk slechts het neutrum van een pronomen of adj activum subject wezen. B.v. Ludus eos delectat. Aliëna nos non decent. Id quemque decet. Wanneer fallo persoonlijk gebruikt wordt, is de zaak steeds subject. B.v. Ik heb mij in mijn meening bedrogen, opinio me fefellit.

Behalve bij decet en dedecet kan bij deze verba ook een accusativus cu ra infinitivo als subject staan. B.v. Me val de juvat te hilftri esse animo, het verheugt mij zeer, dat gij opgeruimd zijt. Me fallit fratrem tuum venisse, het is mij onbekend, dat uw broeder gekomen is.

§ 385. Wanneer bij necesse est en oportet de persoon of zaak is uitgedrukt, die iets moet doen of zijn, gebruikt men den accusativus cum infinitivo. B.v. Wecesse est nos obe-dire parentibus, wij moeten onze ouders gehoorzamen. Legem brevem esse oportet, een wet moet kort zijn.

ocr page 298

§ 386—387. Infinitivus. 279

quot;Wanneer necesse est en oportet zeiven in den infinitivus staan, hebben zij regelmatig den infinitivus of den accusativus cum infinitive bij zich. B.v. Dico necesse esse liane legem valere, ik zeg dat het noodzakelijk is, dat deze wet van kracht is. Zoo dit het geval niet is, mogen zij ook den conjunctivus zonder ut bij zich hebben, doch staan dan altijd daarachter. B.v. Qui bene impërat, bene paruerit ali-quando necesse est, een goed bevelhebber moet eens een goed onderdaan geweest zijn. Me ipsum ames oportet, non mea, gij moet mijn persoon beminnen en niet mijne goederen.

Aanmerking. Zoo bij necesse est de persoon, voor wien iers noodzakelijk is, sterk moet uitkomen, gebruikt men niet den accusativus cum infinitive, maar den infinitivus met den dativus. B.v. Nou quidquid tibi audire utile est, id mihi dieëre necesse est, niet alles, wat voor u nuttig is om te hooren, ben ik verplicht te zeggen.

§ 386. Bij licet staat de persoon, aan wien iets geoorloofd isi gewoonlijk in den dativus, en wanneer de infinitivus subjecti een praedicaatsnomen bij zich heeft, komt dit gewoonlijk ook in den dativus, soms in den accusativus. B.v. Mihi negle-genti esse non licet, ik mag niet nalatig zijn. Is er at annus, quo per leges ei constllem fieri lieëret.

Zoo bij \ i c e t geen dativus van den persoon staat, moet het praedicaatsnomen bij den infinitivus in den accusativus staan. B.v. Medios esse jam non licebit, men zal niet meer onzijdig mogen blijven.

*Aan merking I. Somtijds staat bij licet in plaats van den dativus cum iufinitivo de accusativus cum infinitivo. B.v. Non licet me isto tante bono uti.

Licet staat ook meermalen met den conjunctivus zonder ut. B.v. Per me licet stertas, voor mijn part moogt gij snorken.

Aanmerking II. Wanneer bij licet met den dativus ook necesse est met den dativus staat, mag dit laatste verbum ook een praedicaatsnomen in den dativus hebben. B.v. Illis timïdis et ignavis licet esse, vobis necesse est fortibus viris esse.

Dichters en latere prozaschrijvers zetten ook bij mihi datur, prod-est, satins est, contingit esse het praedicaatsnomen in den dativus. B.v. Jovis esse nepöti contigit hand uni. Non profuit equis velocibus esse.

§ 387. De infinitivus staat als object bij de verba, die zel-\ en geen volkomen begrip uitdrukken, zooals die van kunnen, moeten, mogen, beginnen, gewoon zijn. B.v. Grallïnas saginare De 1 iacl coeperunt, de Deliërs begonnen de kippen te mesten.

ocr page 299

Infinitivus.

280

§ 388.

Tot deze verba behooren: i -assuescëre consueseëre andere, durven.

cunctari, talmen.

concupiscëre, hegeeren.

cessare j

zich gewennen.

/ ophouden.

beginnen.

debére, moeten.

discëre, leer en.

Vgl. over desinere en coepisse § 130. A.

Aanmerking I. Wanneer de infinitivus objecti een praedi-caatsnomen bij zich heeft, staat dit altijd in den nominativus. B.v. Beat us esse sine virtüte nemo potest, niemand kan zonder deugd gelukkig zijn. Non omnes didicerunt libëri esse, niet allen hebben geleerd zelfstandig te zijn.

Aanmerking II. Na cogitare, discëre, ignorare, meminisse, recordari, scire, nescire, oblivisci volgt ook een accusativus cum infinitivo.

- Aanmerking III. Het adjoctivum paratus, bereid, wordt door de beste prozaschrijvers behalve met ad en het gerundium ook met don infinitivus geconstrueerd. B.v. Gives Eomani omnia perpëti parati erant. De dichters voegen den infinitivus ook bij andere adjectiva.

388. Bij de verba:

desinëre desistëre coepisse iacipëre i nstituëre \ cogi tare, denken. conari j niti \

trachten.

ignorarc, niet weten.

maturare festinare properare meminisse recordari neglegëre,

posse quire

nequire, niet kunnen.

scire, weten, kunnen.

nescire, niet weten, niet kunnen. oblivisoi, vergeten.

omittëre, nalaten.

pergëre, voortgaan.

perseverare, volharden.

solöre, gewoon zijn.

4c

zich haasten.

gedenken.

verzuimen.

kunnen.


in animo habere, voornemens zijn.

animum inducëre) . , . , 7,

, , . 'gt; in den zin hebben,

besluiten, meditan V

tentare, beproeven.

parare, gereed maken.

staat gewoonlijk de infinitivus, wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als deze verba. Men kan echter ook ut laten volgen. B.v. Constitui domi manêreofut domi manerem, ik

statuëre constituëre decernére consilium capëre consilium inire

ocr page 300

§ 389—390.

Infinitivus.

281

heh besloten te huis te blijven. Zoo de bijzin een ander subject heeft, moet ut volgen. B.v. Constitui, ut tu don;i manëres, ik heb besloten, dat gij te huis zult blijven.

Aanmerking I. Bij statuo, ik hen van meenincj, en de-cerno, ik oordeel, staat de accusativus cuin i n fi n; ti v o. B.v. Senatus deerëvit, Ciceronis opera conjurationem esse patefacta m.

- Aanmerking II. Bij statuo, coustituo en deceruo kau in de beteekenis van hesluiten ook een accusativus cum infinitive van liet gerundivum staan, waarbij esse zeer dikwijls weggelaten wordt. B.v. Iniraici Aleibiitdis quiescendum in praesenti decreve-runt. Caesar non exspectaudum sibi statuit.

§ 389. Bij volo, nolo, malo, cupio, ik wensch, en s tudeo, ik tracht, staat de infinitivus, wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als de hoofdzin, en de accusativus cum infinitive, wanneer de bijzin een ander subject heeft dan de hoofdzin. B.v. Hoe facëre volo, ik wil dit doen. Om nes homines student beati fieri, alle menschen trachten gelukkig te worden. Volo is esse, quem tu me esse voluisti, ik wil zoodanig zijn, als gij gewild hebt dat ik ben.

Aanmerking I. Wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als de hoofdzin en tot praedicaat esse of videri met een praedicaatsno-men of een infinitivus passivi, mag men in plaats van een infinitivus ook een accusativus cum infinitive gebruiken. B.v. Sapientem civem me esse et numerari volo, ik wensch een ivijs burger te zijn en er voor gehouden te worden. Gratum me videri studeo omnibus.

Zoo men wil uitdrukken, dat iemands wil of wensch niet vervuld kau worden, moet men een accusativus cum infiuitivo gebruiken. B.v. Q u a m cupio, me falsum esse vatem, hoe gaarne wenschte ik een valsche profeet te zijn.

Aanmerking- II. Wanneer op volo, nolo, cupio een accusativus cum infinitive passivi volgt, kan men in plaats van den infinitivus praesens den infinitivus perfecti zetten, meestal met weglating van esse. B.v. Volo hoc fieri of hoc factum volo. Patriam ex-stinetam cupit. Hanc laudem aliis praereptam nolo, ^

Bij volo, malo, studeo staat wel eens ut. B.v. Volo ut mi bi r e s p o n d e a s.

Bij volo, nolo, malo staat meermalen in korte zinnen in plaats van den accusativus cum infinitive de conjunctivus zonder ut. B.v. Nolo mi bi irascaris. Malo te sapiens hostis metuat, quani stulti cives laud ent. Vgl. § 324. 1°

§ 390. Bij de verba:

doeëre, leer en. (Vgl. § 223.) cogëre, dwingen. (Vgl. § 225.)

ocr page 301

Infinitivus.

282

§ 390.

vetare, verbieden. insimulare

sinëre, toelaten. impedire

assuefacere, gewoon maken. prohibere

staat naast den accusativus van den persoon de infinitivus der zaak. B.v. Doceo te La tine loqui, ik leer u Latijn spreken. Lex peregrïnum vetat in murum adscendere, de wet verbiedt de-x vreemdeling op den muur te klimmen. Lycurgus virgïnes sine dote nubëre jussit, Lycurgus beval dat de meisjes zonder huwelijksgift zouden trouwen. Impiëtas cujus in animo versatur, nunquam sinit eum respirare, nun-quam aequiescëre. Insimülant hominem fraudandi causa discessisse. Caesar eas nationes imperio populi Romani par ere assuefëcit.

Wij gebruiken bier dikwijls een bijzin met dat en het hulpwerkwoord zouden. Men wachte zich wel achter deze verba een infinitivus futuri te plaatsen.

Aanmerking I. Bij jubeo en veto wordt de accusativus van den persoon meermalen weggelaten, wanneer het duidelijk is, tot welke klas van lieden het bevel of verbod gericht wordt. B.v. Dux receptui canëre jussit (sc. tubicines), de veldheer beval den aftocht te blazen. Desperatis Hippocrates vetat adhibëre medieïnam (sc. medicum), Hippocrates verbiedt geneesmiddelen toe te dienen aan hopeloozen.

Zoo bij deze verba de accusativus van den persoon is weggelaten , het bevel of verbod niet tot een bepaalde klas van lieden gericht is en de infinitivus een accusativus objecti bij zich heeft, verandert men den zin gewoonlijk in een accusativus cum infinitive. B.v. Virginius arrïpi jubet hominem et in vincüla duci, Virginius beveelt den man te grijpen en in de gevangenis te werpen. Jubet portas c 1 a u d i, hij beveelt de poorten te sluiten. Vetuit quemquam ad eum admitti, hij verbood iemand bij hem toe te laten.

Bij het geven van volksbesluiten heeft jubeo den conjuncti-vus met ut of ne, doch in dit geval moet de accusativus vau den persoon worden weggelaten. B.v. PopulusRomanusjusserat, ut Sullae voluntas populo Romano essot pro lege. Quod ne fieret consules jusserunt.

Aanmerking II. Bij impedire en prohibere kan men in plaats van den accusativus des persoons en den infinitivus der zaak een bijzin met ne of quominus zetten. Men zegge dus óf nihil

iubere, hevelen. arsuëre ) 1 ,

J ' - - 0 - gt; beschuldigen.

beletten, verhinderen.

ocr page 302

§ 391—392.

Infiniiivus.

283

me impëdit fugitivum hunc servuni cruci affigëre of nihil impëdit, quo minus (n e) fugiiïvum hunc servum cruci afflgam. Vgl. § 361. 1°.

Aanmerking III. Zoo bij sine geen accusativus van den persoon staat en de infinitivus een accusativus objecti bij zich heeft, moet men den accusativus cum infinitivo passivi gebruiken. B.v. Suëbi ad se vinum importari om-nïno non sinunt.

Na deu imperativus van dit verbum volgt soms de coujuncti-vus zonder ut. B.v. Sine me expurgem.

§ 391. Wanneer bij de verba j ub eo, veto, sino, assuefacio, cogo, arguo, insimülo, prohibeo de persoon, die beveelt, verbiedt, enz. niet wordt uitgedrukt, worden zij in het passivum gezet en evenals vide or met den nominativus cum infinitivo geconstrueerd. Vgl. § 216. 3°. B.v. Jugurtha respondëre jussus est, men beval Jugurtha te antwoorden. Jussus esre-nuntiari consul, men beval u als consul uit te roepen. Mili-tes Pindari doiuum laedëre vetïti erant, men had aan de soldaten verboden het huis van Pindarus te beschadigen. P r o-hibemur hoe facëre, men verbiedt ons dit te doen. Non si-nor hoe facëre, men laat mij dit niet doen. Occidisse pa-trem Roscius arguïtur, lioscim wordt beschuldigd, dat hij zijn vader gedood heeft.

Aanmerking. Wanneer jubeo, veto en prohibeo in het passivum gezet worden, lette men wel op, of de afhankelijke infinitivus in het activum of passivum moet staan. Dit is vooral noodzakelijk, omdat wij in het !Nederlandsch een actieven infinitivus plegen te gebruiken. B.v. Men beval hem te antwoorden, respondëre jussus est. Men beval Decius Magius in de legerplaats te brengen, Decius Magius incastra duci jussus est. Om zich voor het maken van fouten te wachten, zette men eerst den Nederlandschen infinitivus om in een zin met dat. B.v. Men beval, dat hij zou antwoorden. Men beval, dat Decius Magius in de legerplaats gebracht werd.

§ 392. Niet zelden vindt men bij habere den infinitivus van dieëre en dergelijkeu in plaats van een relatieven zin. B.v. Nihil habeo ad te dieëre, seriböre in plaats van nihil habeo, quod ad te dicam, seribara.

Ook zegt men bibëre dare te drinken geven, bibëre ministrare, schenker zijn.

ocr page 303

Accusativus cum infinitivo.

284

§ 393—394.

§ 393. Bij de werkwoorden van liooren en zien staan in het Latijn drie constructies:

1°. een participium praesens overeenkomende met het object. B.v. Lusciniam canentem audïvi, ik heh den nachtegaal hooren zingen. Sor5rem tuam ambulantem vidi, ih heh uw zuster zien wandelen.

2°. een accusativus cum infinitivo. B.v. Lusciniam canëre audïvi. Sorörem tuam ambulare vidi.

3°. cum met den conj unctivus. B.v. Lusciniam audïvi, cum canëret. Sororem tuam vidi, cum ambularet.

Hierbij valt op te merken, dat bij de eerste constructie de persoon, dien men iets hoort of ziet doen, hoofdbegrip is, en bij de tweede constructie de handeling, welke men iemand hoort of ziet doen. Bij de derde constructie wordt de waarneming als beperkt voorgesteld.

Zoo men iets niet zelf, maar van een ander hoort, moet men den accusativus cum infinitivo gebruiken.

Aanmerking I. In plaats van audio dicentem aliquem, ik hoor iemand zeyyen, zegt men liever audio aliquem of ex aliquo cum dicat. Audio aliquem dicentem is echter noodzakelijk inde beteekenis ik hoor iemand een redevoering houden.

Aanmerking II. Videre ut beteekent zorgen, trachten, toezien dat, videre ne, toezien dat niet. B.v. Yilt;Jendutn est ut ea liberali-tate utamur, quae prosit amicis, noceat uemini. Videant consules ne quid respublica detrimenti capiat.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DEN ACCUSATIVUS CUM INFINITIVO.

§ 394. Dikwijls hangt in het Nederlandsch een zin van eeu anderen zin af door de conjunctie dat. B.v. Wij voelen, dat het vuur warm is. Ik verheug mij, dat mijn vertrek wordt goedgekeurd. In vele gevallen wordt zulk een zin op de volgende wijze in het Latijn vertaald: men laat dat onvertaald, zet het subject ia den accusativus en het werkwoord in den infinitivus. B.v. Sent!mus, ignein calëre. Gaudeo, profectionem me am laudari.

Zoo de infinitivus een praedicaatsnomen bij zich heeft of bestaat uit esse met een participium, wordt het praedicaatsnomen of participium ook in den accusativus geplaatst. B.v. Ik weet dat ik sterfelijk ben, scio, me esse mortalem. Hij zeide. dat de Grieken overwonnen waren,dixit, Graecos victos esse.

Deze constructie noemt men den accusativus cum infinitivo. De volgende zin kan dienen als voorbeeld van een accusativus cum infinitivo in onze taal. Elk meent zijn uil een valk te zijn.

ocr page 304

Accusativus cum injinitivo.

285

395—396.

Aanmerking. Wanneer liet verbum van den afhankelijken zin een impersonale is, ontbreekt de accusativus. B.v. Credo plu ere, ik yeloof dat het regent.

§ 395. Evenals de infinitivus bekleedt ook de accusativus cum infiuitivo of de plaats van subject of de plaats van object. In den zin: het is waarschijn lijk dat mijn vader zal terug keer en, verisimïle est, pat rem meum reversürum esse, bekleedt de accusativus cum infinitivo de plaats van subject, juist alsof men zeide: de terugkeer can mijn vader is waarschijnlijk. Zegt men daarentegen: hij bericht, dat de veldheer overwonnen heeft, nun-i.lat, ducem vicisse, dan bekleedt de accusativus cum infinitivo de plaats van object, juist alsof men zeide: hij bericht de overwinning van den veldheer.

Aanmerking. Scliijubaar onafhankelijk staat de accusativus cum iafinitivo bij uitroepingen van ver w on der in g en smart, en (m?t het vraagwoord ne) bij spijtige vragen. B.v. Te doctum hominem esse, gij een geleerde zijn! Adeöne esse hominem infelïcem quemquam ut ego sum, is wel iemand zoo ongelukkig als ik? Men kan dezen accusativus cum infinitivo verklaren door een uitgelaten verbum sentiendi of declarandi.

§ 396. De accusativus cum infinitivo staat als subject:

10. bij est (erat, fuit, enz.) met het neutrum van een a d j e c-tivum of met een substanti vum. B.v. Victor em pare ere victis aequum est, het is billijk, dat een overwinnaar de overwonnenen spaart. F a c I n u s est v i n c i r i c i v e m ü o m a n u m, het is een euveldaad, dat een Romeinsch burger geboeid wordt.

Hiertoe behooren de volgende uitdrukkingen:

aequum, par, justum est, het is billijk, rechtvaardig; apertum, manifestum, perspicuum est, het is blijkbaar, klaarblijkelijk, duidelijk; credibïle, verum, verisimïle, consentaneum est, het is geloofwaardig, waar, waarschijnlijk, natuurlijk; pulchrum, indignum, molestum est, het is schoon, onverdiend, lastig; facïnus, scelus est, het is een euveldaad, een misdaad.

2°. bij vele verba impersonalia. B.v. Omnibus bonis expëdit salvam esse rempublïcam, voor alle weidenkenden is het nuttig, dat de staat in welstand verkeert.

Tot deze verba behooren:

apparet, het blijkt. convënit, het behoort.

constat, het is hekend. placet, het behaagt.

condücit } ;. voordeeli displicet, het behaagt niet.

expedit ^

ocr page 305

Accusativus cum infinitivo.

§ 397.

286

30. bij de passiva der verba sentiendi et declarandi (Vgl. § 397. I0.) behalve bij die, welke een nominativus cum infinitivo regeeren. Ygl. § 216. B.v. Ex multis rebus intel-lëgi potest, mundumdivïna providentia administrari,

uit vele zaken kan men opmaken, dat de wereld door de goddelijke

roorzienigheid bestuurd wordt.

Aanmerking. Na verschillende cupersoonlrjke uitdrukkingen met est en een adjectivum ofsubstantivura, zooals: verum, verisimïle, rarum est, cultus, res, vitium est, volgt somtijds ut, meermalen ook na expëdit, convenit, placet, displïcet. B.v. Vernm est, ut po- ■ pulus Romauus omnes gentes virtutesuperaverit, waarN°/J dat het Romeinsche volk alle volken in dapperheid overtroffen heeft. C u Ï-I T tus deorum est optimus ut eos semper pu r a, intëg ra, incor-rupta mente veneremur, de beste godsdienst is deze, dat wij de goden altijd met een zuiver, ongeschonden en vlekkeloos gemoed vereeren. Men verklaart hier ut door onder deze uitdrukkingen een verbum van geschieden te verstaan.

Ook volgt na deze uitdrukkingen quod. Vgl. § 345. 2°.

§ 397. De accusativus cum infinitivo staat als object:

1°. bij de verba, die een gewaarwording, gedachte of verklaring te kennen geven, om aan te duiden, dat iemand iets doet of dat iets geschiedt (verba sentiendi et declarandi). B.v. Aristotëles docet, Orpheum poëtam nunquam fuisse, Aristoteles leert, dat de dichter Orpheus nooit bestaan heeft. Ostendit, se cum rege collöqui veile, hij gaf te kennen, dat hij met den koning een mondgesprek wilde hebben.

Tot deze verba beboeren:

accipëre, vernemen. credëre, gelooven. § 221. A. II.

affirmare, bevestigen. declarare, verklaren.

animadvertëre, bemerken. defendëre, verdedigen.

arbitrari, meenen. demonstrare, aantoonen.

certiorem facëre, kennis geven. desperare, wanhopen.

clamare, roepen. dieëre, zeggen. § 216. 1°. A.

cognoscëre, vernemen. disserëre, betveren.

colligëre, opmaken. dissimulare, ontveinzen.

commemorare, vermelden. divinare, voorspellen.

comperire, bevinden. dueëre, meenen. § 221. A. II.

concludëre, besluiten. existimare,jweewe«. § 216.1°.A.221.

confidëre, vertrouwen. exspectare, venvachten. (A. II.

confirmare, verzekeren. fatëri, bekennen.

confitëri, bekennen. ferre, verhalen. § 216. 1°. A.

conjicëre, gissen. fidëre, vertrouwen.

ocr page 306

Accusativus cum infinüivo.

287

397.

fingere, zich voorstellen. portendëre, voorspellen.

improbare, afkeuren. praedicare, verkondigen.

indicare, aankondigen. § 216.10. A. praedicëre, voorzeggen.

infitiari, loochenen. probare, goedkeuren.

intellegëre, begrijpen. prodëre, verhalen.

invenire, vinden. profitëri, bekennen.

judicare, oordeelen. § 221. A. II. promittëre, beloven.

jurare, zweren. putare, tneenen. § 216. 1'quot;. A. 221.

laudare, prijzen. referre, vermelden. (A. II.

legere, lezen. renuntiare, boodschappen.'

reperire, bevinden.

reri, meenen.

respondëre, antwoorden. monstrare, aantoonen. scribëve , schrijven.

narrare, verhalen. § 216. 1°. A. sentire, gevoelen.

negnve, ontkennen. § 216. 1°. A. significare, te kennen geven, nuntiare,/jow/sc/««^,iew.§216.10.A. simulare, veinzen.

memorare, vermelden. mentiri, liegen. minari, dreigen.

objicëre, verwijten.

obtestari, plechtig verzekeren. ominari, voorspellen.

opinari, meenen.

ostendëre, aantoonen. percipëre, bemerken.

sperare, hopen.

spondëre, beloven.

suspicari, vermoeden. sustinere, uithouden.

testari, getuigen.

tradëre, verhalen. § 216. 10.

A.


perhibere, beweren. §216. ]0.A. vovere, een gelofte doen.

pollicëri, beloven.

Evenals by de verba sentiendi et declarandi staat jiok de accusativus cum infinitivo bij de substantiva fa'maT^opinio, spes,l nuntius en andereu, waarin de beteekenis van een verbum sentiendi of declarandi gelegen is. Zoo ook bij sommige adjectiva van diezelfde beteekenis, zooals, certus, ignarus, perïtus, enz. B.v. Plurimorum philosophorum sententiae spem affërunt, posse animos, cum e corporibUs excesserint, in caelum quasi in domicilium suum pervenire. Perïtus fortius adversus Romanos au rum essequam ferrum.

*Aanmerking I. Wanneer de verba sentiendi et declarandi niet aanduiden, dat iemand iets doet of dat iets geschiedt, maar een bevel, raad of wenseh te kennen geven, moet men ut of ne laten volgen. De verba sentiendi et declarandi komen dan krachtens hunne beteekenis overeen met de verba, waarover in § 351. 2°. gesproken is. B.v. Pythia respondit, ut moenibus ligneis se munirent, de Pythia ant-

ocr page 307

Accusativus cum infinitivo.

§ 397

288

moordde, dat zij zich achter houten muren moesten verschansen. Mon zegt: pater scripsit milii, filio proficisci licöre, wauneer de vader door zijn schrijven verklaart, dat zijn zoon mag vertrekken, doch: pater scripsit mihi, ut filio proficisci licëret, wanneer de vader door zijn schrijven verzoekt, dat zijn zoon mag vertrekken.

quot;Aanmerking II. Bij de verba van liopen, beloven, gelooven, zweren, dreigen (sperare, jurare, poliiceri, promittëre, spondëre, vovere, minari, enz.) staat in het Nederlandsch dikwijls een infinitivus. B.v. Caesar dreiyde de stad tot den grond toe te zullen verwoesten. In het Latijn moot op deze verba altijd een accusativus cum infinitivo volgen en wel in het futurum, zoo de handeliugnog toekomstig is. B.v. Caesar urbem fundïtus deleturum se esse minatus est. Milites se potius morituros juraverunt quam arma tradituros. Spero rem conventuram esse. Pro-mitto tibi rem prospere cessuram.

Aanmerking III. In het Nederlandsch worden de verba sentiendi et declarandi, alsmede de onpersoonlijke uitdrukkiügon en verba, die den accusativus cum infinitivo regeeren (Vgl. § 396. 1°. en 2°.) eu de betee-kenis hebben van verba sentiendi et declarandi, dikwijls als tusscheri-zinueu gezet of door adverbiale uitdrukkingen vervangen. B.v. Mijn vader zal, naar men zegt, (zooals ik hoop, vermoedelijk) spoedig terugheeren. In het Latijn mag men nu eveneens zeggen: pater, ut a j u n t, (spero, oplnor, maar deze woorden liefst zonder ut) mox red-ibit. Gewoonlijk echter maakt men zulk een tusschenzin tot hoofdzin en laat er dan een accusativus cum infinitivo op volgen. B.v. Patrera ajunt (spero, oplnor) mox rediturum esse. Pericles was, zooals hekend is, de zoon van voorname ouders, Perïc 1 e m filium fuisse constat nobilissimorum parentum. Facile adducïmur ut asseutiamur iis, quos bonis moribus praedïtos esse opina-mur, wij worden er gemakkelijk toe gebracht om met hen in te stemmen, die naar onze meening een goed karakter hebben. Evenzoo vertaalt men waarschijnlijk door verisimïle est (of videor mot den nominativus cnm infinitivo); blijkbaar door apertum est, enz.

De verba putare, existimare, arbitrari, enz. alsmede v i d e r i en non dubitare worden omschnjvenderwijze gebruikt ter vertaling van de Xederlandscbe bijwoorden ivel en zeker in verbinding met zullen, moeten of kunnen om de onzekerheid of de waarschijnlijkheid van een vermoeden uit te drukken. B.v. Hoe zullen die tien duizend Grieken wel verrukt zijn geweest van vreugde, toen zij van een moeitevollen tocht van den top eens bergs de zee in het gezicht kregen, decern, mili a ilia Graeeorum, cum laboribus itineris superatis ex summo quo dam monte mare conspexissent, quanto gaudio eos per-fusos esse putus (putatis, putamus)?

A-an merking IV. In navolging van de Grieken zetten de dichters somtijds achter de verba sentiendi et declarandi een nominativus cum infinitivo, wanneer het subject van het regeerende verbum en van den infinitivus hetzelfde is. B.v. Vir bonus ait esse paratus. Rettulit Ajax esse Jovis pronepos.

2°. bij de verba, die willen, toelaten en het tegendeel be-teekenen (verba voluntatis). B.v. Alcibiftdes At lie nas

ocr page 308

§ 398- 399. Accusativus cum infmitivo.

Lacedaemoniis servire non poterat pati, Alcibiades kon niet dulden, dat Athene aan de Lacedemoniërs. onderworpen was.

Tot deze verba behooren volo, nolo, malo, cupio, studeo (§ 389), jubeo, veto (§ 390. A. I.), sino (§ 390. A. III), p a t i o r, ik duld, i m p ë r o, ik beveel.

Bij imp er o mag slechts dan een accusativus cum infinitive staan, wanneer het verbum een passivum of d e p o n e n s is. B.v. Tmperavit serpentes in vasa fictilia conjïci, hij beval, dat men de slangen in aarden kruiken zou werpen. Caesar quinque cohortes de media nocte proficisci imperat. Zoo op impero een actieve zin volgt, zegt men alicui ut met den conjunctivus. B.v. Dux militibus imperavit, ut pontem face rent, de veldheer beval de soldaten een brug te maken.

Bij de overige verba, die volgens hunne beteekenis tot de verba voluntatis behooren, zooals: opto, post ulo, mando, oro, praecipio, zet men altijd of gewoonlijk ut. Vgl. § 351. 2°.

3°. Bij de verba, die blijdschap, droefheid, verwondering te kennen geven (verba affectuum). B.v. Gaudeo te mihi fa ver e, ik ben blijde, dat gij mij begunstigt.

Tot deze verba behooren:

admirari, zich verwonderen. indignari, zich verontwaardigen.

delectari, zich verheugen. irasci, zich vertoornen.

dolëre, bedroefd zijn. laetari, zich verheugen.

aegre ferre, misnoegd zijn. mirari, zich verwonderen.

gaudëre, zich verheugen. queri, zich beklagen.

gloriari, zich beroemen. sollicitari, bekommerd zijn.

Op deze verba volgt ook quod. Vgl. § 345. 1°.

De verba affectuum gratulari, gelukwenschen, en gratias agëre, bedanken, hebben gewoonlijk quod. Vgl. § 346.

Op mirari en admirari volgt ook si. B.v. Miror si amiouni habere potuit.

*§ 398. Het sub ject van don accusativus cum infinitive wordt sleclits zelden uitgelaten. Nu en dan geschiedt dit echter met de pronomina personalia eu wel:

1°. in korte zinnen. B.v. Id (se) nescire dixit, hij zeide, dat hij dit niet wist.

2°. wanneer hetzelfde pronomen met eeu infinitivus onmiddellijk voorafgaat. B.v. Puderet me dicöre(me) non intellexisse, ik zou mij schamen te zeggen , dat ik het niet begrepen had.

3°. meermalen in eeu oratio obliqua, waarin verscheidene accusa-tivi cum infiuitivo met het subject se op elkander volgen.

*§ 399. Ln het Nelerlandsch wordt meermalen het subject van een 5o flruk. 10

289

ocr page 309

Accusativus cum infinitivo. § 400—402.

bijzin met dat in den hoofdzin reeds aangeduid met van of over. B.v. Men verhaalt van Pythagoras, dat hij eens te Phlius kwam. In het Latijn nu mag men niet zeggen: de Pythagora narrant, eum olim Phliuntem venisse, maar men moet het woord dat met van of over in den hoofdzin staat, tot subject maken van den accusativus cum infinitivo. B.v. Pythagoram narrant olim Phliuntem venisse. lis fidem habemus, quos plus intellegëre quam nos arbi-t r a m u r, wij schenken aan hen vertrouwen , van wie mij meenen, dat zij meer verstand hebben dan wij. Deze opmerking geldt ook, wanneer er een nominativus cum infinitivo gebruikt moet worden. B.v. Dice bare profectus esse, men zeide van u dat gij vertrokken waart. Evenzoo zou het bovenstaande voorbeeld kunnen heeten : P y t ha g o ras narratur olim Phliuntem venisse. Vgl. § 216. 1°. A.

Op gelijke wijze handelt men ook, wanneer in het Nederlandsch een pronomen possessivum van den bijzin betrekking heeft op een substantivum met van of over in den hoofdzin. B.v. Van Dionysins verhaalt men, dat zijne matigheid in spijs en drank groot geweest is. In het Latijn nu zegt men niet: de Dionysio tradunt, summam fuisse ejus temperantiam in victu, maar: Dionysii summam fuisse in victu temperantiam tradunt.

Slechts dan mag men de in den hoofdzin zetten, wanneer het beteekent wat betreft en het daarmede verbonden substantivum een sterken nadruk heeft. B.v. De Antonio jam ante tibi scripsi, non esse eum a me conventum, wat Antonius betreft, zoo heb ik u reeds vroeger geschreven, dat ik hem niet bezocht heb.

§ 400. Wanneer het verbum van een accusativus cum infinitivo een accusativus objecti bij zich heeft, ontstaat er soms dubbelzinnigheid. Men kan deze meermalen opheffen door een bepaalde^ plaatsing der woorden en altijd door den zin in het passivum te zetten. Met opzet legde de dichter Ennius Apollo in zijn godspraak aan Pyrrhus de volgende woorden in den mond; Ajo te, Aeacida, Romanos vineë're posse. Had Apollo ondubbelzinnig willen spreken, dan had hij gezegd óf te a Ro-manis óf Romanos ate vinei posse.

§ 401. Wanneer met een accusativus cum infinitivo een relatieve zin verbonden is, die terugziet op een voorafgaand id o m en hetzelfde verbum heeft als de accusativus cum infinitivo, wordt het verbum van den relatieven ziu gewoonlijk uitgelaten en het subject in den accusativus gezet. B.v. P1 atsnem ferunt idem sensisse de im-mortalitate animorum, quod Pythagoram, men zegt dat Plato hetzelfde gevoelen had over de onsterfelijkheid der ziel als Pythagoras {dat Pythagoras had). Te suspïcor iisdem rebus, quibus me ipsum, com m over i, ik vermoed, dat gij door dezelfde zaken getroffen wordt ah ik (waardoor ik getroffen word). Zoo de relatieve zin volledig werd uitgedrukt, zoo hij luiden: quod Pythagoras seuserit; quibus ego ipsecommovear.

§ 402. Wanneer het verbum van een relatieven zin (waarin qui terugziet op idem, qualis op talis, quantus op tantus,quot op

290

ocr page 310

Accusativus cum infinitivo.

291

§ 403—404.

tot) eeu accusativus cum infinitivo regeert en een ander subject heeft clan de hoofdzin, moeten er in het Latijn sommige woorden aangevuld worden, die in het Nederlandsch gewoonlijk worden uitgelaten. B.v. Be schade is niet zoo yroot als ik gedacht had (dat zij was), damnum non tantum est, quantum id esse putabam. Gij zijt niet zoodanig als ik gehoopt had (dat gij zijn zoudt) non talis es, qualem te fore speraveram.

§ 403. Wanneer twee zinnen, die hetzelfde verbum hebben, met elkander vergeleken worden door den comparativus enquam,eudo eerste zin in den accusativus cum infinitivo staat, blijft hetver-bum van den tweeden zin gewoonlijk weg en wordt het subject in den accusativus geplaatst. B.v. Terentium censeo elegantiorem fuisse poëtam quam Plantam, ik geloof dat Terentius een keuriger dichter geweest is dan Plautus (geweest is). Men kan quam ook weglaten en het subject van den tweeden zin in den ablativus plaatsen. Vgl. § 295.

Zoo iedere zin zijn eigen verbum heeft, zet men den zi.u met q u a m of in den accusativus cum infinitivo of in den c o n-junctivns met of zonder ut. B.v. Nonne tibi affirm a vi, quid vis me potius perpessurum quam ex Italia exiturum, heb ik u niet verzekerd, dat ik liever alles zou verduren, dan dat ik Italië zou verlaten? Certum ha beo, majores qnoque quamlïbet di-micationem sutituros fuisse potius, quam eas leges si bi impüni pater en tur. Testatus est, Magnêtes in corpora sua citius saeviturosj quam ut Romanam amicitiam violarent^

S; 404. Voor het gebruik der tijden bij den accusativus cum infinitivo volge men de volgende regels.

I. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, in den tegen woordigen of toekomenden tijd staat, vertaalt men in den bijzin:

den tegenwoordigen tijd door het praesens. B.v. Ik geloof (zal ge-looven) dat hij schrijft, credo (eredam) eum scribëre.

den onvolmaakt, volmaakt en meer dan volmaakt verloden tijd door het perfectum. B.v. Ik geloof (zal gelooven) dut hij schreef, geschreven heeft, geschreven had, credo (eredam) eum scrip sisse.

den toekomenden tijd door het futurum. B.v. Ik geloof [zal gelooven) dat hij zal schrijven, credo (eredam) eum scripturum esse.

II. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, in eeu der verleden tijden of in de voorwaardelijke wijs staat, vertaalt men in den bijzin:

den tegenwoordigen en onvolmaakt verleden tijd door het praesens. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, had geloofd, zou gelooven, zou geloofd hebben) dat hij schrijft, schreef, credebam ^credidi, eredideram, cre-dërem, credidissem) eum scribëre.

den volmaakt en meer dan volmaakt verleden tijd door het perfectum. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, enz.) dat hij geschreven heeft, geschreven had, credebam (credïdi, enz.) eum seripsisse.

den toekomenden tijd door het futurum. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, enz.) dat hij zou schrijven, credebam (credïdi, enz.) eum scripturum esse.

Aanmerking I. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie

ocr page 311

Accusativus cum infinitivo.

292

§ 405.

dat afhangt, in den volmaakt verleden tijd staat en het werkwoord van den bijzin in den onvolmaakt verleden tijd, doch de handeling van den bijzin reeds geschied was, voordat de handeling van den hoofdzin begon, gebruikt meü niet het praesens, maar het perfectum infinitivi. B.v. Vele schrijvers hebben bericht, dat de koning bij het gevecht tegenwoordig was, multi scriptores tradiderunt, regem in proe-lio affuisse.

Aanmerking II. De iufinitivus futuri wordt meermalen in het activum en zeer dikwijls in het passivum omschreven door fore (zeldzamer futurum esse) ut met het praesens conjunctivi, zoo de hoofdzin in een tempus vau do eerste klas, en met het imperfectum conjunctivi, zoo de hoofdzin in een tempus van de tweede klas staat. B.v.

Credo fore (futurum esse) ut epistolam scribas. „ „ „ „ „epistolascribatur.

Credebam fore (futurum esse) ut epistolam scriberes. „ „ „ „ „epistolascriberetur.

Deze omschrijving wordt zeer dikwijls gebruikt na spero en spes en is noodzakelijk bij de verba, die geen iufinitivus futuri kunnen vormen. B.v.

Me consolatur spes fore ut progressum faciatis.

Dico fore (futurum esse) ut te hujus rei paeniteat.

Dicebam „ „ „ „ „ „ „ paeniteret.

De iufinitivi posse, veile, uolle, malle worden ook als infinitivi futuri gebruikt. B.v. Spero veile mecum Sulpicium collöqui. Totius Galliae sese potiri posse speraut; ■

In plaats van esse staat somtijds foro bij hot participium op urus. B.v. Putate matron as urbis ac liberos nostros ad genua vestra obversaturos fore.

Aanmerking III. Bij memïni en memoria teneo worden verleden gebeurtenissen, waarvan men zelf getuige was, door den iufinitivus praesens uitgedrukt. B.v. Memini Catonem auno antequam mortuus est mecum disserëre, ik herinner mij dat Cato een jaar voor zijn dood een gesprek met mij had. Memoria teneo Scaevölam, cum esset summa seuectute, quotidie fa cere omnibus con-veniendisuipotestatem.

Zoo men echter iets mededeelt, waarvan men zelf geen getuige was, of zoo men een feit, waarvan men getuige was, als verleden voorstelt, gebruikt men den iufinitivus perfecti. B.v. Memineram C. Marium, cum vim armorum profugisset, senile corpus paludibus occultasse. Meministi me ita distribuisse causam.

§ 405. De iufinitivus van het futurum exactuin wordt gevormd: 1°. in hot aotivum door fore ut met het perfectum conjunctivi^

zoo het verbum van den hoofdzin in eeu tempus van de eerste klas, en met het plusquamperfectum conjunctivi^quot;200 het verbum van den hoofdzin in een tempus van de tweede klas staat. B.v. ^

©redo fore ut epistolam foripsgric. «. S Credebam n ..-^/scripsisses. ' quot;7

2°. in het passivum en bij de deponentia door het participium perfectum met fore of door fore ut met het perfectum of plusquamperfectum conjunctivi. B.v. Credo (credebam) epistolam scriptam fore. Credo me tuin jam profectum fore. Spera-bam fore, ut ea, quae superioribus litteris a te petissemus, impetrata essent.

ocr page 312

Oratio obliqua.

293

§ 406—408

§ 406. De hoofdzin eener voorouderstelliug van het derde geval wordt in den accusativus cum infinitive uitgedrukt:

1°. zoo hij in de oratio recta in het imperfectum conjuuctivi staat, door den infinitivus futuri. B.v. Hoe si dic?res, errares heet: existtmo te, si hoe dieëres, erraturum esse.

Zoo het verbum geen infinitivus futuri kan vormen, gebruikt men een omschrijving met futurum esse (niet fore) u t en het imperfectum conjunctivi en deze omschrijving is in het passivum de gewone constructie. B.v. Exist imo, si hoe faceres, futurum esse ut multa-reris (zelden te multatum iri.)

2°. zoo hij in de oratio recta in het plusquamperfectum conjunctivi van het activum staat, door het participium op urus met fuisse, en zoo het verbum geen participium op urus heeft, door omschrijving met futurum fuisse u t en het imperfectum conjunctivi. B.v. Existimo te erraturum fuisse, si hoe dixisses. Exi-stimo, si hoe fecisses, futurum fuisse ut facti te paeniteret.

Deze omschrijving wordt altijd gebruikt in het passivum. E.v. Si hoe fecisses, existimo futurum fuisse ut multareris.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE ORATIO OBLIQUA.-

§ 407. In de oratio recta worden iemands woorden of gedachten weergegeven, zooals zij gesproken of gedacht zijn. B.y. Socrates zeide: allen zijn welsprekend genoeg in hetgeen zij weten.

In ue oratio obliqua daarentegen worden iemands woorden of gedachten verhalenderwijze medegedeeld en afhankelijk gemaakt van een verbum sentiendi of deel a rand i. B.v. Socrates zeide, dat allen welsprekend genoeg zijn in hetgeen zij weten.

§ 408. Voor de verandering der hoofdzinnen van de oratio recta in de oratio obliqua gelden de volgende regels.

I. De hoofdzinnen der oratio recta, die een verhaal of uitspraak bevatten en in den indicativus staan, worden in de oratio obliqua uitgedrukt door den accusativus cum infinitive. B.v.

Solon dixit: nemo ante Solon dixit, neminem mortem beatus est praedi- ante mortem beatumesse candus. praedicandum.

II. De hoofdzinuen der oratio recta, die eeu bevel, verzoek, wenscli of vermaning uitdrukken en in den imperativus ofcon-junctivus staan, worden iu de oratio obliqua in den conjunctivas gezet, gewoonlijk zonder ut, zoo zij bevestigend zijn, met ne, zoo zij ontkennend zijn. B.v.

Kespondit: nondum tempus Respondit, nondum tempus puguae est; castris vos te- pugnae esse; castris se tenë-

ocr page 313

Oratio ohliqua.

§ 409.

294

nëte vosque ex laböre refi-cïte.

Caesar milites hcrtatus est:

ne ea, quae aeciderunt, gra-viter feratis neve his rebus terr e am i ni.

Aanmerking. Men lette wel op,

n en, die in de or.itio recta in den conjuuctivus staan (Vgl Hoofdst. 13. II.) en afhangen -van een verbum sentiendi of declarandi en vervolgens dat de verba, waarover § 397. 1°. A. I. gesproken wordt, beschouwd moeten worden als verba van be w e r k en of trachten te bewerken. Overigens bobben ook sommige dezer verba somtijds den conjunctivus zonder ut. Vgl. § 352 2°, A. III.

III. De hoofdzinnen der oratio recta, die een vraag bevatten en in den indicativus staan, worden in de oratio obliqua uitgedrukt dooiden conjunctivus, zoo het een vraag van deii 2'lelgt; persoon is, en gewoonlijk door den accusativus cum infinitivo, zoo het een vraag van den 1quot;™ of 3del1 persoon is. B.v.

Caesar milites allocutus

est, quid tandem vererentur aut cur de sua salute despe-r a r e n t ?

Plebs fremit, quid se vi-vëre, quid iu parte civium censêri?

Tribuui militum dixerunt, quid esse levius aut turpius quam, auctore hoste, de sum-mis rebus capöre consilium?

Caesar milites allocutus est: quid tandem veremïni aut cur de vestra salute de-speratis?

Plebs f remit: quid vivï-mus, quid in parte civium censëmur? • '-v

Tribuni militum dixerunt: quid est levius aut turpius quara, auctore hoste, de sum-mis rebus capere consilium?

De vragen der oratio recta, die in den modus potentialis of d libit ativus staan, behouden dezen modus in de oratio obliqua. B.v.

Quis mihi hoc persuadeat? Quis sibi hoc persuade ret?

Cur fortunam periclite- Cur fortunam periclita-mur? rentur?

§ 409. De b ij z i n n e n der oratio recta staan, behoudens de uitzonderingen, in de oratio obliqua in den conjunctivus. B.v.

Dixit miles, se omnia fe-cisse, quae sibi imperata e s s e n t.

Respondit dux, militem poe nam dedisse, quoniam imperio non paruisset.

Dixit miles: omnia feci,

quae mihi imperata erant.

Respondit dux: milespoe-nam dedit, quoniam impe-rio non paruerat.

Aanmerking I. De bijzinnen, welke een aanmerking bevatten van den schrijver, en welke dienen ter omschrijving van een begrip, waarvoor in het Latijn volstrekt geen of ten minste geen geschikt sub-stantivum bestaat, staan in den indicativus. Vgl. § 375. 5°. A.

Aanmerking II. De relatieve zinnen, die opgelost kunnen worden in et of nam met een demonstrativum, kunnen in de oratio obliqua in den accusativus cum infinitivo staan. B.v. Ad ea

rent seque ex labore reficö-r e n t.

Caesar milites hortatusest, ne ea, quae accidissent, gra-viter ferrent neve his rehus terrerentur.

dat hier spraak is van hoofdzin-

ocr page 314

Oratio obliqua.

§ 410—411.

295

Herennius respondit, muitos annos jam inter Romanum Nolanumque populum amicitiam esse, cujus (et ejus) neutros ad eum diem paeuitere. Themistocles dixit, Atheniensium ürbem ut propugnaoulum opposïtum esse barbiiris, apud quam (uam apud eam) jam bis classes regias fecisse uaufragium.

Aaumerking III. Wijl de oratio obliqua gewoonlijk van een verbum afhangt, dat in een verleden tijd staat, zoo zullen gewoonlijk ook alle zinnen, die in den conjunctivus moeten komen, volgens de leer der eon-secutio temporum in de tempora der tweede klas staan. Meermalen echter vindt men, vooral in een langere oratio obliqua, het praesens of perfectum conjunctivi gebruikt, niettegenstaande het verbum van den hoofdzin in een verleden tijd staat. Den schrijver zweeft dan een praesens historicum voor den geest.

§ 410. De pron omina personalia en possessiva van den lstcquot; persoon (ego, nos, meus, noster) worden in de oratio obliqua veranderd in het pronomen reflexivum (sui, sibi, se, suus), en zoo zij in den nominativus moeten staan in ipse. B.v. Ari-ovistas respondit, si ipse Caesari non praescriberet, quemadmödum suo jure uteretur, non oportëre se3e a Caesare in suo jure impediri.

De pronomiua personalia en possessiva van den 2aen persoon (tu, vos, tuus, vester) worden in de oratio obliqua veranderd in ille. soms ook, vooral als zij toonloos zijn, in is. B.v. Cave, ne te cunctante Numïdae sibi consülant wordt in de oratio obliqua: caveat, ne illo cunctante Numïdae sibi consülant. Alexandre a Dodonaeo Jove data dictio est, cavëret Acherusiam aquam; ibi fatis ejus terminum dari.

Wanneer deze pronomina in de oratio recta als refle xi v u m gebruikt zijn, moeten zij in de oratio obliqua, die altijd in den derden persoon wordt voorgesteld, natuurlijk ook in het reflexi vu m van den derden persoon veranderd worden. Men zie de voorbeelden in § 408. II en III.

Voor het persoonlijk voornaamwoord van den 3den persoon gebruikt men ook in de oratio obliqua gewoonlijk i s.

Aanmerking. Zoo in de oratio recta het pronomen hic en het adverbium nunc voorkomen, worden deze woorden in de oratio obliqua na een tempus van de tweede klas gewoonlijk veranderd in ille en tum. B.v. Hic dies omnes labores et victorias confirmabit zal worden illum diem.... confirmaturum.

*§ 411. Meermalen wordt het verbum, waarvan de oratio obliqua afhangt, verzwegen, zoodat men er bij de vertaling een verbum sentiendi of declarandi moet bijvoegen. B.v. Hominem secunda oratione extollit, illum regem, ingentem virura esse, hij stak den man door een vleiende toespraak in de hoogte, zeggende' dat hij een koning en een groot man was.

Niet zelden gaat er een ontkennend verbum vooraf, zoodat men een bevestigend verbum moet aanvullen. B.v. Regülus reddi captivos nega.vit esse utile; illos enim adolescent'es esse et bonos duces, se jam confectum senectute.

Aanmerking. Inquam mag alleen gebruikt worden bij de oratio

ocr page 315

§ 412—413.

296

Participia.

recta eu staat altijd tusschen de gesproken woorden. B.y. Euuius, animus aeger, inquit, semper errat. Zoo het bij inquam be-hoorende subject ook tusschen de woorden der oratio recta staat, wordt het gewoonlijk achter inquam gezet. B.v. Optime, inquit Tullius, philosophiam laudasti. Wanneer het subject een participium bij zich heeft, staat het hiermede voorop, terwijl inquam tusschen de gesproken woorden volgt. B.v. Turn Crass us subrldens, quid censes, inquit, Cotta? Voor de ontbrekende vormen van inquam gebruikt men dico. B.v. Timotheum ferunt, cum cenavis-set apud Platonem, dixisse: vestrae quidcm cenae non solum in praesentia, sed etiam postero die jucundae.

Aj o wordt gewoonlijk bij de oratio obliqua geplaatst, en wel vóór, tusschen of na de woorden, maar heeft altijd zijn subject bij zich. B.v. Non male, ait Callimitchus, lacrimasse Priiimum. Indo vormen ut ait, a juut mag het ook bij de oratio recta gebruikt worden. B.v. O praeclarum custödem, ut ajunt, lupum!

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE PARTICIPIA.

§ 412. De participia zijn volgens hun vorm adjectiva en komen met het substantivum, waarbij zij behooren, overeen in geslacht, getal en naamval.

Volgens hunne be te eken is zijn zij verba en regeeren hun eigen casus. B.v. Tuam petens amicitiam, uwe vriendschap inroepende. Tota regione potitus, de geheele landstreek he-machtigd hebbende.

De tijden der participia richten zich naar de betrekking, waarin zij staan tot het verbum van den zin. B.v. Ridens hoc dicit (dixit, dieet), hij zegt (zeide, zal zeggen) dit lachende. Alexander Persis bellum illaturus magnas eopias eontraxit, Alexander voornemens zijnde de Perzen te beoorlogen bracht een groot leger op de been.

*A au merking. Wanneer de participia op n s een object of nadere bepaling bij zich hebben, gaan zij in den ablativus singularis gewoonlijk uit op e. B.v. E patre Stoicos ridente. Cum exercitu pugnare cupiente. Cum consule redeunte ex Boeotia. Ook zegt men altijd ab inounte aetata, adolescentia,

§ 413. Verschillende participia praesentia en perfecta zijn geheel in adjectiva overgegaan en kunnen zelfs in den com-parativus en superlativus gezet worden. B.v. Patiens, praestans, dilïgens, doctus, ornatus, .

Aanmerking I. In het Nederlandsch worden de t e ge n w oo r dig e deelwoorden van overgankelijke werkwoorden dikwijls als adjectiva gebruikt. B.v. Een drukkende oorlog, een roerende melodie, troostende woorden, rnet biddende stem. In het Latijn daarentegen mogen Ie parti-

ocr page 316

§ 414—415.

Participia.

297

cipia praeseiitia van verba transitiva, zoo zij niet geheel iu ad-jootiva zijn overgegaan, niet als adjectiva (zonder object of regeering) gebruikt worden. Bovenstaande voorbeelden vertale men dus niet: bel-Uim premens, numeri commoventes, verba solantia, voce oranti, maar: belluin grave, flebilesnumëri, ver ba plena 8,0 latii,su p-p l ï c i voce. Got—•.-lt; *=

Met het gebruik der participia praesentia van verba in transitiva en der participia perfecta kan men veel vrijer zijn.

Aanmerking II. Het participium op urus wordt met uitzondering van fu turns en venturus, toekomend, in proza bijna niet als adjecti-vum gebruikt.

- Ook als participium gebruikt mist het in proza, zoo men weder i'utu-rus en venturus uitzondert, den gen et iv us pluralis.

§ 414. Betrekkelijk de beteekenis der participia perfecta van sommige verba deponent ia valt op te merken:

v 1°. dat. zij ook een passieve heteekenis hebben. De voornaamste zijn: comitatus, begeleid, com plexus, omvat, con fessus, hekend, contestatus, beproefd, dimeusus, afyetneten, ementitus, voor-f/ewend, expertus, beproefd, interpret at us, verklaard, meditatus, overlegd', pact us, hedonyen, partltus, gedeeld, populatus, verwoest. Men bemerke echter wel. dat Cicero deze participia slechts dar. als passiva ploegt te gebruiken, wanneer zij met werkelijke participia passiva verbonden zijn. B.v. Populatus atque vexatus; dimensus atque descriptus. Ook worden deze participia hoogst zelden als passiva gebruikt in den ablativus a bso 1 ut us en om de eigenlijke passieve tijden te vormen. B.v. Gallia populata est beteekent niet: Gallië is verwoest geworden, maar Gallië is (ligt) verwoest.

2°. dat zij meermalen de beteekenis hebben van participia praesentia. Zoo altijd ratus (Ygl. § 135. V.), meenende, dikwijls verïtus, us us, arbit ratus, enz. B.v. Caesar, insidias verïtus, exer-citum castris continu it, Caesar, een hinderlaag vreeeende, hield zijn leger binnen de legerplaats.

Hetzelfde geldt van de participia perfecta der semideponentia fisus, confisus, diffisus, solïtus, soms ook ausus en gavisus.

*§ 415. Het participium perfectum van sommige verba passiva, vooral van die, welke kennen en besluiten beteekenen (explora-tum, cognïtum, percept um, perspectum, statütum, const i-tütum, deliberatum) wordt meermalen met habeo, mihi est. soms ook mot teneo en possideo gebruikt in plaats van het perfectum activum om de uitdrukking te versterken en het voortduren van den toestand aan te duiden. B.v. Statütum habeo, omnibus viri-bus in diseen dam linguam Latinam incumbëre, ik heb vast besloten mij met alle kracht op het Latijn toe te leggen. A Tullio mihi exploratum est, nihil eum fecisse scientem, quod esset contra exi s t im a t i on em tuam. Eum locum, quem nobilitas praesidiis firmatum tenebat, rescidistis. Eoscii patrimonium domestici praedönes vi ereptum possideut.

Soms zegt men ook in plaats van mihi persuasum est: persuasum habeo (slechts een enkele maal: mihi persuasum habeo).

Aanmerking I. Ook in den accusativus cum infinitive wordt de infinitivus perfecti omschreven met tenëri, zoo men wil aan-

ocr page 317

§ 416—418.

Participia.

298

duiden, dat een vroeger begonnen handeling nog voortduurt. B.v. Accëpi urbem obsessam teneri, ik heb vernomen, dat de stad ingesloten is. Vgl. over de beteekenis van obsessam esse en fuisse § 106.

Aanmerking II. In het Nederlandsch gebruiken wij dikwijls bjj het beschrijven van tegenwoordige handelingen en toestanden een ver-leden deelwoord met het hulpwerkwoord zijn. B.v. De sprinkhanen zijn bedekt met een licht breekbare huid. Dit stuk is getiteld: de geboeide Prometheus. In zulke gevallen moet men in het Latijn het praesens passivi gebruiken. B.v. Locustae fragili crusta muniuntur. Haec fabüla Prometheus vinctus inscribïtur.

§ 416. Wijl in het Latijn de verba activa (behalve die § 103 zijn opgegeven) geen participium perfectum, en de verba passiva geen participium praesens hebben, zoo moet men meermalen een Nederlandsch participium in het Latijn vertalen door een bijzin met qui of met een conjunctie of door een ablativus absolutus. B.v. Caesar in Gallië gekomen zijnde voerde zijne troepen uit de winterkwartieren, Caesar, c u m i u Gal li am venisset, co pias exhiberniseduxit. Het hout gewreven wordende ontbrandt, lignum, quod t e r ï t u r, i n-flammatur. Een stem gehoord hebbende ging hij weg, voce audita abiit.

Aanmerking. Wauneer wij een verleden deelwoord gebruiken in plaats van het ontbrekende participium praesens passivi, zet men in het Latijn een relatieven zin. B.v. De belegerde stad, urbs quae obside-tur. Een goed bestuurde staat, res publica quae bene admi-nistratur.

§ 417. In het Latijn worden zeer dikwijls participia geplaatst, waar wij bijzinnen gebruiken. Hier zijn twee gevallen mogelijk: öf wel het subject van den bijzin komt op een of andere wijze ins den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van participium conjunctum, of wel liet subject van den bijzin komt niet in den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van ablativus absolutus. Over de laafste constructie wordt in het volgende hoofdstuk gehandeld.

§ 418. Het participium conjunctum staat vooreerst in plaats van een relatieven bijzin. B.v. Peloponnesus est paeninsula, angustis Isthmi faucibus continentiadhaerens(=quae... adhaeret), de Peloponnesus is een schiereiland, dat door de smalle landengte van Isthmus met het vasteland verbonden is. P i s i s t r ii-tus primus Homeri lib ros, conftisos ante a (= qui antea confusi erant), sic disposuisse dieïtur, ut nunc ha be mus.

Aanmerking I. Hét participium op urus wordt door de beste schrijvers hoogst zelden aldus gebruikt.

ocr page 318

Participia.

299

§ 419.

Aanmerking II. Wanneer het relativum betrekking beeft op eeu substantivum met een pronomen demonstrativum of op een demonstrativum alleen, valt bij de verandering in bet participium conjunctutn bet demonstrativum weg. B.v. OdiiJsum genus eorum hominum, qui officia exprobrant wordt: odiosum genus bo-minum officia ex p r o b r a n t i u m. E a, quae male parta sunt, male dilabuntur wordt: male parta male dilabuntur.

Aanmerking III. Eeu relatieve bijzin wordt boogst zelden iu een participium conjunctum veranderd;

1°. wanneer dit participium als subject in den nominativus zou moeten staan. B.v. Is qui potestatem babet (niet potestatem babens). li qui audiuut (niet audientes) in plaats van auditores. E gen s (prae-dicaatsadjectivum) aeque est is, qui non satis babet et is, cui nihil satis potest esse.

Ook in andere naamvallen behoudt men wel zoo lief het relativum. B.v. M'. Curius non au rum habere praeclarum sibi'^ideri dixit, sed iis, qui haberent au rum, i m p e r a r e. Men mag echter een participium gebruiken. B.v. Medici leviter aegrotantes leviter curant. Mettius in paltidem sese strepitu sequentium {van degenen, die hem volgden) trepidante equo conjecit. De dativus van zulk eeu participium wordt gebruikt bij bet aangeven van afstanden en van de ligging van plaatsen. B.v. Hie enim vent us adversum tenet Athenis proficiscentibus, deze wind is een tegenwind, als men uit Athene komt. Caesar Gom pbos pervenit, quod est op-pidum primum Thessaliae venientibus ab Epiro.

2°. na woorden van hoeveelheid, zooals: unus, alter, aliquot, omues, nemo. B.v. Omnia, quae ad victum cultumque pertinent, niet: omnia... pertinentia.

3°. wanneer hij dient om oen bepaalden persoon of zaak van anderen te onderscheiden. B.v. Pittilcus ille, qui septem sapientium numero est habitus. Flu men est Ar ar, quod per fines Ae-duorum et Sequanorum in Rhodanum influit.

4°. bij de vertaling van zoogenaamd., hoven genoemd, enz. welke uitdrukkingen geregeld vertaald worden door een relatieven zin met de verba voco, dico, nomïno, memöro, eommemoro, inscrTbo. B.v. Vostra, quae dicitur, vita mors est, um zoogenaamde leven is de dood (nooit ita dicta). Duabus bis persSnis, quas supra dixi,tertiaadjungïtur.

Zoo de adverbia ita, sic, supra, enz. verzwegen worden, vindt men soms een participium gebruikt.

§ 419. Het participium conjunctum staat vervolgens in plaats vau een bijzin met een subordineerende conjunctio condi-cionalis, concessiva, causalis of te mporalis. B.v. Quis potest, mortem metuens (= si mortem metuit), esse non miser? Ris us interdum ita repente erumpit, ut eum cupientes (= quamvis cupiamus) tenere nequeamus. Dio-nysius tyrannus, cult ros metuens tonsorios (= quia...

ocr page 319

Participia.

300

§ 420.

nysius tyrannus, Syracusis expulsus (= postquam . . ■ expulsus est), Corinthi puëros docebat. Hostes, hanc adepti victoriam (= cum . . . adepti essent), in perpetuum se fore victores confidebant.

*Aau merking I. Wanneer een participium conjunctuni in de plaats komt van een bijzin met een conjunctie, mag er een pronomen demonstrativum mede verbonden blijven. B.v. Quid posset iis esse laetum, exïtus suos cogitantibus (= si exitus suos i cogitarent).

Aanmerking II. Wanneer een participium conjunctuin gebruikt wordt in plaats vau een bijzin met nisi, blijft nisi staan, zoo er een ontkenning in den hoofdzin staat. B.v. Non mehercüle mihi nisi admonïto (= nisi admonitus essem), venisset in mentem.

Latere schrijvers laten soms de conjuncties (ju am (ju am, qüamvis, etiamsi, et si bij het participium conjunctum staan. B.v. Caesarem milites, q u a m vis r e c u san t e m, ultro in African! secuti sunt.

Aanmerking III. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt in plaats van een bijzin met een conjunctio concessiva, voegt men er meermalen tam en bij. B.v. Scripta tuajam diu exspec-tans non audeo tam en flag it are.

Aanmerking IY. Latere schrijvers gebruiken ook bet participium oj) urus in plaats van een bijzin met ut finale. B-v. Hannibal in Etruriam ducit, eam quoque gentem adjuncturus (= ut eam quoque gentem adjungat). Soms ook vervangt dit participium bjj hen de plaats van een bijzin met andere conjuncties.

§ 420. Het participium conjunctum staat ook in plaats van een zin, die door et of sed met een anderen zin verbonden is. B.v. Gr rues, cum loca calidiora petentes mare transmit-tunt, triangüli efficiunt for mam (= petunt et transmittunt). Vetëres Peripatetici Academici que, re consentientes, vocabülis differebant (=. re eonsentiebant sed vocabulis dif-ferebant).

Van twee werkwoorden, die in het Nederlandsch door eyi of doch verbonden zijn, mag het eene slechts dan door een participium praesens vertaald worden, wanneer beider handeling gelijktij-, dig plaats heeft. Zoo de handeling van het eene verbum geschiedt na de handeling van het andere verbum, moet men een participium perfectum gebruiken. Bij deze constructie vestige men altijd al zijn AANDACHT op de be te e ken is van het participium. B.v. Caesar tastte de vijanden aan en versloeg hen, Caesar hostes aggressus fugavit óf Caesar hostes petïtos fu-gavit óf Caesar, cum in hostes incurrisset, fugavit. Waarom komt aggressus overeen met Caesar? Waarom komt petïtos overeen met hostes en is de zin eerst in het passivum

'■om ( qttuo »u... ■ ! 'fat/ia^

6ic£^ Xy/h pj L.. ^ - r -------e .

ocr page 320

Ablativus absolutus.

omgezet? Waarom is bij de vertaling met liet verbum incurro geen participium conjunctura gebruikt?

Aanmerking I. De Latijnen herhalen meermalen het participium perfectum van het voorgaande verbum met of zouder conjuuctio copula-tiva, waar wij en, en daarna, en vervolgens zoggen. B.v. ürbem cepit (et) captam incendit, hij nam de stad in en stak haar daarna in brand. Latrünes viatörem occiderunt occisumque ex arböre suspenderunt.

Aanmerking II. Hoogst zelden worden twee participia metéén nomen verbonden. Men zegge dus niet: Ciceronem, legentem inventum, salutavi, maar: Ciceronem, quem inveneramlegentem.salutavi.

Aanmerking III. Wanneer een participium conjuuctum gebruikt wordt, blijven do casus van is en van de pronomina personalia, welke op het subject van den zin betrekking hebben, onvertaald, indien hierdoor ten minste geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Socrates Xenophonti (niet eum) consulenti exposuit, quae v i d e b a n-tur. Cnstrrdes portas (niet ab iis) clan sas lapidibus obstruxe-runt.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DEN ABLATIVUS ABSOLUTUS.

§ 421. Een ablativus absolütusis een bijzin, welks subject in den ablativus en welks praedicaatsverbum in liet participium staat. B.v. Re gib us exterminatis, lib er tas constitüta est, toen de koningen verdreven waren, werd de vrijheid gevestigd. De volgende zinnen kunnen dienen als voorbeelden van een soortgelijke constructie in onzé taal: onverrichter zake; niemand uitgezonderd; niets meer aan de orde zijnde.

De bijzinnen, die in den ablativus absolutus gezet kunnen worden, beginnen in liet Nederlandsch gewoonlijk met een der conjuncties toen, als, nadat, wanneer, terwijl, zoodra, dewijl, daar, ofschoon, hoewel, indien.

Wanneer men zulke bijzinnen in den ablativus absolutus wil zetten, laat men de conjunctie, waarmede zij beginnen, onvertaald en zet men het subject in den ablativus en hetprae-dieautsverbum in het participium. Dit participium moet dan met het subject overeenkomen in geslacht, getal en naamval. Hierbij valt op te merken, dat de ablativus singularis van het participium praesens in den ablativus absolutus altijd uitgaat op e. B.v. Terwijl Tarquinius regeerde, kwam Pythagoras in Italië, Tarquinio reguante, Pythagoras in Italiam venit. Toen Trajanus gestorven was, is Hadrianus keizer geworden, Trajano mortuo, Hadrianus imperator

§ 421.

ocr page 321

Ablativus ahsolatus.

302

422.

factus est. Wanneer de oorzaak der ziekte gevonden is, meenen de geneesheer en, dat de genezing gevonden is, causa mor bi in-venta, medici curationem esse inventam putant. Indien de natuur zich verzet is de arbeid vruchteloos, reluctante na-tura, irritus labor est. Ofschoon alle zaken verloren zijn, kan toch de deugd zich zelve staande houden, perdïtis omnibus rebus, tamen ipsa virtus se sustentare potest.

Aanmerking I. Dikwijls vertaalt men een ablativus absolutus niet door een bijzin, maar door een bepaling bestaande uit een praepositie en een substantivum. Zoo kan men bovenstaande voorbeelden vertalen: sedert de verdrijving der koningen; onder de regeéring van Tarquinius; na den dood van Trajanus. Caesar Gallis devictis Romam rediit, na de overwinning op de Galliërs, keerde Caesar naar F ome terug. Graeci adveni-entibus Persis Thermopjrlas ceperunt. bij de aankomst der Perzen veroverden de Grieken Thermopylae.

Aanmerking II. De Latijnen zetten dikwijls, waar wij twee zinnen door en of maar aan elkander koppelen, een dezer zinnen in den ablativus absolutus. Dit mag echter alleen dan geschieden , wanneer de zin, die in den ablativus absolutus gezet zal worden, door nadat en toen in een bijzin veranderd kan worden, welks subject niet in den hoofdzin voorkomt. B.v. Dareus besloot een leger uit Azië naar Europa te voeren en de Scythen te beoorlogen, Da-reus, ex Asia in Europam exercïtu trajecto, Scythis bellum inferre decrëvit. Antonius verstiet de zuster van Octavianus en huwde met Cleopatra, Antonius, repudiata sorore Octaviani, Cleopatram duxit uxorem. Demetrius zette Philippus aan om de Aetoliërs te laten varen, maar den Romeinen den oorlog aan te doen, Demetrius impülit Philip-pum, ut o missis Aetoiis helium Romanis infer ret.

Aau merking III. Quisque blijft als bepaling van het subject van een ablativus absolutus in den nominativus staan. B.v. Multis si bi quisque imperium peten tibus. His re gibus in suorum quisque majorum vestigia uiten tibus.

Aanmerking IV. Latere schrijvers zetten soms een conjunctie bij den ablativus absolutus, zooals: quasi, quamquam,-quamvis. B.v. Augustus Neapolim trajëcit, quamquam morbo variante. In klassiek Latijn voegt men er nu en dan ut, tamquam, vel ut, sicut bij met de beteekenis van alsof en wanneer de ablativus absolutus een voorwaardelijke beteekenis beeft nisi in plaats van non. B.v. Gralli laeti ut explorata victoria (alsof de overwin-

ocr page 322

Ablativus absolutus.

§ 422.

303

ning zeker was) ad castra Komanorura pergunt. Nihil potest evenire nisi causa autecedente.

§ 422. Om een ablativus absolutus te mogen gebruiken is noodig.

1°. dat het subject van den ablativus absolutus op geene wijze voorkomt of aangeduid wordt in den hoofdzin. Wanneer men bij voorbeeld zegt: als de ooievaars terugkeeren. begint het lente te zijn, vertaalt men zeer goed: ciconiisredeuntibus ver esse incïpit; doch zegt men: als de ooievaars terugkeeren, zoeken zij hunne vroegere nesten weder op, dan zou het verkeerd zijn te vertalen: ciconiis redeuntibus nidos priores repé-tunt, want hier zou het subject van den ablativus absolutus hetzelfde wezen als het subject van den hoofdzin. Men moet hier vertalen: ciconiae redeuntes nidos priores repëtunt of ciconiae, cum redeunt, nidos priores repëtunt. Evenzoo vertaalt men: Hannibal verbrandde de stad, toen zij was ingenomen, niet; Hannibal urbem incendit, ea capta, wai;t hier zou het subject van den ablativus absolutus hetzelfde wezen als het object van den hoofdzin. Men vertaalt hier: Hannibal urbem captain incendit of urbem, quam ceperat, Hannibal incendit óf Hannibal, postquam cepit, urbem incendit. Als de zon opkomt worden de nevels door hare stralen verdreven, niet; sole oriente, nebula ejus radiis dispellïtur, maar: nebula s o 1 i s o r i e n t i s radiis dispellïtur. Toen het houten paard door de Trojanen in de stad getrokken was, kropen de Grieken des nachts uit deszeifs huik, niet; equo ligneoa Trojanis in urbem tracto, Graeci noctu ex ejus ventre prosiluerunt, maar: ex ventre equi lignei a Trojanis in urbem tracti noctu prosiluerunt, Graeci.

Aanmerking. Nu en dan wijken ook de beste schrijvers van dezen regel af. B.v. M. Porcius Cato, vivo quoque Scipiöne, allatrare ej us maguitudinem solitus erat. Caesar, p ri n ei pi b u s Trevirorum ad se con-vocatis, hos siugilliitim Cingetortgi conciliavit. Het is echter niet raadzaam deze afwijkingen na te volgen, behalve wanneer de ablativus absolutus dient tot bepaling van een accusativus cum infinitivo of van een participium. Zie de voorbeelden § 454. A.

2°. dat het verbum een geschikt participium heeft. Men lette derhalve op de volgende opmerkingen.

d) Het participium praesens hoeft altijd, behalve bij de neutralia passiva, een actieve be te ek enis. Wanneer er derhalve staat; Toen de stad door de Romeinen aangevallen werd, was de winter nog niet geeindigd, moet men, om een ablativus absolutus

ocr page 323

Ablativus ahsolulus.

304

§ 422.

te kunnen gebruiken, eerst een actieve n vorm aan den bijzin geven, namelijk: Toen de Romeinen de stad aanvielen, en vervolgens vertalen: Romanis urbem aggredientibus, hienis nondum finïta erat.

h) De verba activa hebben geen participium perfectum. Zoo er derhalve staat: Nadat Caesar de Galliërs overwonnen had, keerde hij naar Rome terug, moet men, om een ablativus absolutus te kunnen gebruiken, eerst een passieveu vorm aan den bijzin geven, namelijk: Caesar keerde, nadat de Galliërs overwonnen waren, naar Rome terug, en dan vertalen: Caesar, Gallis devictis, Romam rediit.

c) Het participium perfectum der intransitieve verba passiva mag enkel onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Tem-peratum est, men heeft gespaard] ventum est, men is gekomen. Zoo er derhalve staat: Daar de dieven gespaard zijn, begin ik weder te vreezen, raag men niet zeggen: furibus temperatis, rursus timëre incipio. De ablativus absolutus is hier onmogelijk te gebruiken en men moet met een conjunctie zeggen, cum furl bus temper at um sit, rursus timëre incipio. Toen de vijanden gekomen waren, verlieten wij de stad. niet: hostibus v e n t i s, maar: cum hostes ve nissent, urbem reliquimus.

d) Het participium perfectum der verba deponentia heeft een actieve beteekenis. Nadat de vijanden vervolgd ■waren, keerden de soldaten terug, wordt derhalve niet vertaald: hostibus persecütis, milïtes redierunt. maar: mi 1 ites hostes persecüti redierunt, alsof er in het Nederlandsch stond: de soldaten, de vijanden vervolgd hhhende, keerden terug.

*Aanmerking. De ablativus absolutus icomt zelden voor met hut participium op urus (eerst bij Livius en lateren) en hoogst zelden mot het gerundivum.

*3°. dat de bijzin op een of andere wijze ia tijdelijk, voorwaardelijk, toegevend of oorzakelijk verband staat met den hoofdzin. Volgens het verhaal van Livius is Sayunte in de achtste maand der belegering ingenomen heet derhalve niet: Livio auctSre Saguntum octavo mense, quam oppugnari coeptum erat, captum est (dit zou beteekenen: op raad, op aandrijven van Livius) maar: Sagun-tum.... captum esse Livius auctor est. Naar het eenparig oordeel van alle geleerden hebben de Grieken alle overige volkeren in kunsffn en wetenschappen ver overtroffen, niet: omnibus doctis consentien-tibus Graeci ceteras omnes nationesartibuslitterisque multo superaverunt, maar: omues docti consentiunt, Grae-cos... superasse.

ocr page 324

Ablativus absolutus.

305

§ 423—425.

§ 423. De ablativus absolutus is meer of minder ongebruikelijk:

1°. in bijzinnen, wier verbum met een praedicaatsnomen verbonden is. B.v. Cicerone consule creafco, toen Cicero tot consul benoemd was, in plaats van cum Cicero consul creatus esset.

2°. in bijzinnen, wier subject verbonden is met eeu nomen ap-positum of met een adjectivum, dat de plaats vai; een bijzin bekleedt, of met een participium. B.v. Cum Gajus puer mortuus esset, niet: Grajo puero mortuo. Cum milites i n vlti ex castris educti essent, niet: militibus invTtis ex castris eductis. Cum milites fortiter puguantes caesi essent, niet: militibus fortiter pugnantibus caesis.

3°. wanneer het participium perfectum van verba ueponentia of semideponentia verbonden is met een accusativus objecti, een infinitivus of een ablativus. B.v. Sulla omnia pollicito. Co-natis equitibus Roman is impetu turbare h ostium aciom. Defuncta civitate plurimorum morbis, perpaucis funeribus.

*§ 424. In den ablativus absolutus kan het participium vei vangen worden door een adjectivum, dat een handeling of toestand te ken-uen geeft, of door eeu substantivum, dat den persoon aanduidt met betrekking tot zijn bijzondere werkzaamheid, zooals: adjntor, auctor, dux, judex, praeceptor, testis, tot zijn ambtelijke waardigheid, zooals: consul, praetor, rex, imperator, en tot zijn leeftijd, zooals: puer, puerulus, seuex. B.v. Deo propitio, wanneer God genadig is. Patre vivo, hij het leven van mijn vader. Na-tura duce, onder de leiding der natuur. Cicerone cousule, onder het consulaat van Cicero. Nobis pueris, toen wij kinderen waren. Deze constructie vindt hare verklaring daarin, dat er in het Latijn geen participium praesens of perfectum van het verbum sum bestaat.

§ 425. Vooral bij Livius en latoren vindt men soms een ablativus absolutus gebruikt, die schijnbaar het subject mist en enkel uit eon participium bestaat en wel:

1°. wanneer er een pronomen demonstrativum of indefiui-tum is uitgelaten, dat door eeu relativum nader verklaard wordt. B.v. Hannibal Ibërum copias trajëcit praemissis, qui Alpium transïtus specularentur, Hannibal trok met zijn troepen over degt;t Ebro, nadat hij er eenigen vooruitgezonden had om den overtocht over de Alpen te verkennen.

2°. wanneer bij de participia audlto, cognïto, comperto, explo-rato, desperato, nuutiato, edicto en eenige anderen, een ge-heele zin de plaats van het subject vervangt. B.v. Hannibal, cognïto sibi iusidias parari. fuga salutem quaesivit, Hannibal bemerkt hebbende, dat hem hinderlagen gelegd werden, zocht zijn heil in de vlucht. Somtijds wordt op deze wijze in plaats van eeu participium een adjectivum gebruikt. B.v. Multi a n nan te s navibus, in-certo (— cum incertum esset) prae tenëbris quid pete reut aut vitarent, foe de interierunt.

Aanmerking. Somtijds hebben sommige substantiva en adjectiva, die dienen ter aanduiding van het weder, en cenige participia in den ablativus de kracht van een ablativus absolutus. B.v. Humor al lapsus e x t r i n s e c.u s , ut in tectoriis videmus austro (= cum auster est), sudorem videtur iraitari. Sereno (caelo), hij helderen hemel.

5p druk. 20

ocr page 325

Gerundivum en gerundium.

806

§ 426—427.

Tranquillo (mari), hij een kalme zee. In cujus am nis trans-gressu, muit urn certato {= cum multum certatum esset), per vleit Bardanes.

§426. Inden ablativus absolutus blijven de pronomina, welke op het subject van den hoofdzin terugzien, onvertaald, behalve wanneer de duidelijkheid of nadruk anders eischt. B.v. Caesar, Pompejo victo, in Gralliam profeet us est, Caesar vertrok naar Gallië, nadat Pomp ejus door hem overwonnen was. Occasione oblata Romam profectus sum, nadat mij de gelegenheid was aangeboden, hen ik naar Rome vertrokken. Q u i s potest a ut desert a per se pa tri a aut oppressa beat us esse?

Hetzelfde geschiedt wanneer de pronomina op een ander woord van den hoofdzin terugzien en door de weglating geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Carthaginienses Regulum, rese-ctis (ei) palpébris, vigilando necaverunt.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GERUNDIVUM EN GERUNDIUM.

§ 427. Het gerundiv urn (Vgl. § 108—111) kan verschillende beteekenissen hebben.

1°. In den nominativus en in den accusativus cum infinitive beteekent het, dat iets moet gedaan worden. B.v. Epistola scribenda est, de brief moet geschreven worden. Scimus, epistölam esse scribeudam, wij weten, dat de brief geschreven moet worden.

*2°. In de casus obliqui kan het dezelfde beteekenis hebben, maar ook dat iets gedaan wordt; als zoodanig vervangt hei: de plaats van het ontbrekende participium praesens passivum. B.v. Su-perstitione tollenda non tollïtur religio, doordat hetbijgeloof vernietigd wordt, wordt de godsdienst niet vernietigd.

quot;30. Met een ontkenning of vix, in vragen cn vooronderstellende zinnen gaat de beteekenis van moeten dikwijls over in die van mogen. B.v. Auctor minïme spernendus, een schrijver, dien men volstrekt niet gering mag achten. Homo vix ferendus, een mensch, dien men niet gaarne mag lijden. Si Circe et Calypso muliö-res appellandae sunt, zoo Circe en Calypso vrouwen genoemd mogen worden.

v- *4°. Met vix heeft het ook de beteekenis van kunnen. B.v. Dolor vi.x ferendus, een bijna ondragelijke pijn, een pijn, die men nauwelijks verdragen kan.

ocr page 326

Gerundivum en gerundium.

307

§ 428.

Aanmerking I. In het Nedorlandsch kan liet begrip van moeten ook uitgedrukt worden door te met de onbepaalde wijs. B.v. Vir maximopëre co lend us, een man, die hoog vereerd moet worden of' een hoog te vereeren man. De onbepaalde wijs met te duidt echter ook het begrip van kunnen aan. B.v. Deze ziekte is niet te (jenezen — deze ziekte kan niet genezen worden. Men vertale nu niet: liic morbus sanandus non est (dit be-teekent; deze ziekte moet niet genezen worden) maar h i c morbus san ar i non potest. De brand was niet te hlusschen, niet: incendium restinguendum non erat, maar; incendium restingui non poter at.

Aanmerking II. Hoogst zelden vindt men het gerundivum van een verbum transitivum onpersoonlijk met een object gebruikt. B.v. Longam aliquam vlam confeeisti, quam nobis quoque ingredien-dum est in plaats van quae nobis quoque ingredienda est. .Men volge deze constructie niet na.

§ 428. Bij het object der verba van geven, overgeven, op zich nemen en dergelijken (do, trado, mando, mitto, permitto, impöno, propóno, concëdo, relinquo, accl-pio, siisC ipio, loco, verhuren, condüco, huren), wordt het gerundivum gevoegd om aan te duiden, wat met bet object moet geschieden. In het Nederlandsch gebruiken wij meestal een substantivum verbale of een infinitivus. B.v. Dux u r b e m m i 1 i-tibus diripiendam tradïdit, de veldheer gaf de stad aan de soldaten ter plundering over. Commöda mihi 1 ibr u m 1 egen- _ duin, leen mij een hoek om te lezen.

In het passivum wordt het gerundivum in den nominativus bij het subject gevoegd. B.v, Liber mi hi legend us datur. Summa re rum data est tuenda. »^- j

Zoo het object dezer verba niet iets moet ondergaan, maar dienl om iets te doen, gebruikt men ad met het gerundium. B.v. Coni-rn ö d a m i li i c a 1 S m u m ad s c r i b e n d u m, leen mij een pen om te schrijven.

Deze constructie staat ook bij curare in de beteekenis van B.v. Co non muros dirütos a Lysandro reficiendos cu-

!■ a v i t, Conon liet de muren , die door Lijsander verwoest waren, weder ophouwen.

quot;Aanmerking. Laten wordt in het Latijn vertaald:

1°. = zorgen door curare.

2°. ~ hevelen door jubere, imperare, edicëre. B.v. Caesar tertiam legionem opus perficëre jussit.

ocr page 327

Gerundivum en gerundium.

§ 429—430.

308

3°. = toestaan door sinëre, permittëre B.v. Siue (pormitte ut) paulisper foras exeara, confestim revoniam.

4°. = dulden door pati. B.v. Cur iujuriis te lacessi patëris.

5°. = maken dat iets geschiedt door facere, efficere. B.v. Mei ter inferveat f'acïto.

6°. = voorstellen (in een geschrift of tooneelstuk). Vgl. § 351. 2°. A. II.

7°. door het passivum. B.v. Tonderi, zivh laten scheren. Deter-rëri, zich laten afschrikken. Hoc facile intellegïtur, dit laat zich gemakkelijk begrijpen. Multi avaritia ad turpissima scelëra rapiuntur, velen laten zich door de gierigheid tot de schandelijkste misdaden vervoeren.

8°. niet laten — zich wachten door cavöre. B.v. Cave ira abri-pi a r e.

9°. niet laten — verhi)ideren door i m p e d i r e , prohibere. B.v, Alens mali sibi couscia uocentes tranquille dormire prohibet.

Dikwijls blijft laten onvertaald, wanneer het namelijk duidelijk is, dat iemand iets doet door tusschenkomst van een ander. B.v. Caesar pon-tem in Rheno fecit, Caesar liet een brug over den Rijn maken.

§ 429. Het gerundium dient om de casus obliqui te vormen van den infinitivus praesens aetivi, beschouwd als een substantivum verbale. Evenals de infinitivus stelt het gerundium het begrip van het verbum geheel onbepaald voor, regeert den casus van liet verbum en wordt door adverbia en niet door adjectiva bepaald. B.v. Docendo disclmus, wij leeren door te onderwijzen. Consilium c o n d e n d i u r b e m, het plan om een stad te bouwen. Virtus satis potest ad beate viven-dum, de deugd vermag genoeg om gelukkig te leven.

Aanmerking. Ofschoon het gerundium een actieve beteekenis heeft, wordt het toch soms iu een passieven zin gebruikt. B.v. Athena s erudiendi gratia missus (= ut erudiretur). Aqua nitrösa utïlis est bibendo (r= quae bibatur). ^ ^ .

§ 430. Zoo bij het gerundium van een verbum transitivum een object staat, verandert men gewoonlijk het gerundium in het gerundivum. Dit geschiedt op de volgende wijze: men zet het object in den naamval van het gerundium en laat er het gerundivum in geslacht, getal en naamval mede overeenkomen. B.v. Consuetüdo immolandi homines, de getvoonte om menschen te offeren, homin um immolandorum. Tempus accommodatum est demetendo fructüs, het is een geschikte tijd om de vruchten te oogsten, fructibus demetendis. Puer propensus est ad legendum libros, de knaap is geneigd om hoeken te lezen, ad libros legendos. Multi neglegentes sunt in eligendo amicos, velen zijn onachtzaam in het kiezen hunner vrienden, in amicis eligendis.

ocr page 328

Gerundivum en gerundium.

309

§ 431—433.

Aaumerkiug I. Zoo het gerundium iu dou g en eti v us staat en de prouomina personalia me, te, se, nos, vos tot object heeft, gebruikt inen bij de verandering in het gerundivum altijd den vorm op i, zonder naar geslacht of getal te zien. B.v. Muiier sui se rv audi causa aufügit. Non vereor, ne quis hoc me vestri adhor-tandi causa m agnifïceJ./xjui existimet.

__Aanmerking II. Samtijds 'vindt men ook bij goede prozaschrijvers

een gen eti vu s pluralis verbonden met den genetivus van het gerundium van een verbum transitivum. B.v. Exemplorum eligeudi potestas.

§ 431. De verandering van het gerundium in het gerundivum moet geschieden, zoo het gerundium in den genetivus staat afhangende van causa of gratia, in den accusativus of ablativus afhangende van een praepositie of in den dativus. v *§ 432. De verandering van het gerundium in het gerundivum pleegt niet te geschieden:

ln. wanneer het object van het gerundium een pronomen of adject ivum neutrlus generis is en door vorm en samenhang niet van het mannelijk geslacht te onderscheiden is. B.v. Studium illud videndi (niet illius videndi). Parva non contemneado majores nostri maximam hanc urbem fecerunt (niet parvis non contemnendis).

Wel heeft die verandering plaats, wanneer op het pronomen ofadjec-tivum neutrius generis het neutrum quae volgt en wanneer het onzijdige adjectivum een s u bs t a n t i v u m abstractum is. B.v. In parandis iis quae ad vitam degen dam necessaria sunt. Veri videndi cupiditas.

20. wanneer men eenige vormen op orum of arum bij elkander zou krijgen. B.v.Effëror studio liberos vestros videndi (nietlibe-rorum vestrorum videndorum).

3°. wanneer bij tegenstellingen de nadruk op het verbum valt. B.v. Injurias ferendo majorem laudem mereberis quam ul-c i s c e n d o.

4°. in de uitdrukking siium cuique tribuendo. B.v. Antïqui faciles erant iu suum cuique tribuendo.

§ 433. De genetivus van het gerundium staat: 1°, bij substantiva op de vraag wat voor een. In het Ne-derlandsch gebruiken wij gewoonlijk of een infinitivus met om te of een praepositie óf een samengesteld zelfstandig naamw^oord of een bijstelling. B.v.

als genetivus subjectivus; difficultas navigandi, de moeilijkheid om te varen of der scheepvaart; temeritas judicandi, onbezonnenheid in het oordeelen.

als genetivus objectivus: spe s v in ce n d i, de hoop om te overwinnen, op overwinning; cupidïtas pugnandi, de begeerte om te strijden, strijdlust.

ocr page 329

Gerundivum en gerundium.

310

§ 434.

als genetivus epexegeticus: nomen carontli, hef woord missen.

2°. bij de adjectiva, welke den geueti vus regeeren. B.v. Ut equus equitandi im per ito i nu tl lis est, ita libri sunt inutïles ignaro legendi, gelijk een paard zonder nut is voor iemand, die onervaren is in het paardrijden, zoo zijn boeken nutteloos voor iemand, die niet kan lezen.

3°. bij de ablativi causa en gratia. B.v. Can es venandi et custodiendi causa facti sunt, de honden zijn geschapen om te jagen en' te waken.'

4°. met osse om uit te drukken, waartoe iets dienstig is. In deze beteekenis moet liet gerundium altijd een object hebben en in het ge-ruudivum veranderd worden. B.v. Kegium imperium initio con-servaudao libertatis fuerat, het koningschap hud in het begin gediend om de vrijheid te bewaren,

*Aanmerking. Wauneer de substantiva tempus, consilium, mos, consuetude, jus, occasio, enz. verhouden zijn met est, moet men goed toezien of do genetivus van het gerundium (op do vraag wat voor een) of de infinitivus subjecti (op de vraag wat) gebruikt moot worden. Zoo zegt men: mos adversandi turpis est, doch: ejus mos est adversari; nou est mihi tempus ad haec respondendi, doch: tempus jam est de hac re dicëre. Dikwijls bepaalt de opvattiug des schrijvers de eene of andere constructie. B.v. Tempus est abire of abeundi.

Bij facultatem, copiam, locum (gelegenheid), signum dare, causa of ratio est, princeps of auctor sum (exsisto) alicuikau in plaats van den genetivus ook ad met den accusativus van het gerundium staan. B.v. Oppidum magnam ad ducendum helium dabat facultatem. Archias Ciceroni princeps exstïtit ad ingrediendam optimarum artium ratiouem.

§ 434. De dativus van het gerundium staat:

10. bij sommige adjectiva, die den dativus regeeren, vooral: utïlis, inutïlis, aptus, idoneus, accommodatus, par, i m p a r. B.v. Arböres hiëme inter du m tanta nivis copia obtectae sunt, ut ejus onëri sustinendo vix pares sint, de hoornen zijn des winters soms met zooveel sneeuw beladen, dat zij nauwelijks in staat zijn den last daarvan te dragen. De beste schrijvers voegen echter gewoonlijk bij deze adjectiva ad met den accusativus van het gerundium of een zin met ut of qui.

2°. bij sommige verba en uitdrukkingen, die den dativus regeeren, om het doel aan te geven, vooral: intentum esse, opëram dare, cur am im per tire, praeesse, diem dicëre, locum capëre, satis esse en esse in de beteekenis van kmi-nen, in staat zijn. B.v. Consul placandis diis dat ope ram,

ocr page 330

§ 435—436. Gerundivum en gerundium. 31 j

de consul tracht de (joden te verzoenen. Onëri ferendo sum us, ivij hunnen den lust dragen.

3°. bij de composita van vir, die eeu ambt of waardigheid aauduiden, alsmede bij oomitia om het doel aau te geven. li.v. Triumviri rei-publicae constitueudae, de driemannen ter regeling van den staat. Comitia cousuli ere an do, de volksvergadering voor het kiezen van een consul.

Aanmerking. Behalve in eenige geijkte uitdrukkingen, zooals non solvendo esse, niet in staat zijn om te hetaJen, scribe n do adesse, als getuige tegenwoordig zijn hij het opmaken van een document, komt de enkele dativus van het gerundium bijna niet voor. Men zegge derhalve: idoueus ad imperandum (niet imporando), fir.em scri-bendi facere i'niet scribendo). w- i-W s /lt;*

Vquot;——V

§ 435. De accusativus van het gerundium staat alleen afhangende van een praepositie. Het meest komt ad voor ter aanduiding van een doel, soms ob, en bij confer re, trans-i'erre, convertëre ook in. B.v. Breve tempus aetatis satis Ion gum est ad bene beateque vivendum, de korte tijd des levens is lang genoeg om goed en gelukkig te leven. Flagitiösum est obremjudicandampecuniam accipëre. Cicero quid-quid ha buit virium, id in civium libertatem de fend en-dam con till it. 4quot; •quot; --'

Aanmerking I. Van de overige praeposities wordt het meest nog inter gebruikt, waarbij echter gewoonlijk het gerundium gevoegd wordt, niet het gerundivum. B.v. Mores puerorum se inter luden-(1 um simplicius det ëg unt.

Aanmerking II. De dichters zetten meermalen den infinitivus in plaats van het gerundium in den gonetivus of in den accusativus met ad. B.v. Ajax cedëre nescius in plaats van cedendi. Proteus pecus egit altos visëre montes in plaats van ad visendos montes.

§ 436. De ablativus van het gerundium staat gewoonlijk;

1°. als ablativus causae of instrumenti. B.v. Hominis mens discendo alïtur et cogitando, de menschelijke geest wordt gevoed door leeren en denken. Caesar dando, suble-vaado, ignoscendo, Cato nihil largiendo gloriam adep-tus est.

2°. afhangende van in, ab, ex, de, soms pro. B.v. In vo-luptate spernenda virtus vel maxime cernïtur, in het verachten der genoegens komt de deugd wel het meeste uit. A b amando ductum est amicitiae nomen. Summa voluptas ex discendo capïtur. Multa de bene beateque vivendo a Platone disputata sunt.

ocr page 331

Supina.

312

§ 437.

Soms staat de ablativus van het gerundium in plaats van het participium praesens. B.v. Quis tali a fando tempëret a lacrimis!

♦Aanmerking. De Ncderlaudsche praepositie zonder raag nooit vertaald worden door sine met den ablativus van het gerundium of gerundivum. Men gebruikt daarvoor een der volgende uitdrukkingen :

1°. een ontkenning met een participium conjunctum of ablativus absolutus. B.v. Romani non rogati Graecis auxi-lium offërunt. Nullo resistente aut repugnante aliquid fa c i o.

2°. een ontkennend adjectivum, zooals: ignarus, inscius, iuscieus, inspërans, imprüdens. B.v. Agesilsius om nes iu Asia satriipas regios im paratos imprudentesque offendit.

3°. ut non, en zoo er een ontkenning voorafgaat, qui non ot quin. B.v. Multi malunt existimari boni viri, ut non sint, quam esse, ut non putentur. Alexander Magnus cum nullo unquam hoste congressus est, quem non vicerit. Nullum adhuc intermlsi diem, quin aliquid ad te litter arum d ar em.

4°. nisi. B.v. Nullum imperium est tutum, nisi benevolen-tia munitur. Nihil praecepta atque artes valent nisi ad-ju vante natura.

5°. cum met een ontkenning en den conjunct!vus. B.v. Abi-isti, cum nihil mi hi dixisses.

G0. neque of et — non. B.v. Multi probant oratores et poë-tas neque in telle gunt, qua re commöti proben t.

7°. sine met den ablativus van een sub s t a nt i v um. B.v. Sensini sine sensu aetas senescit {zonder dat men het voelt.)

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. OVER DE SUPINA.

§ 437. Het s u p i n u m op u m staat bij verba, die een b e w e-ging van. de eene plaats naar de andere aanduiden (vooral mit-

tëre, ve'nire, ire), om het doel der beweging aan te geven. Het regeert den casus van zijn verbum. B.v. DivitiAcus Romam ad senatum venit auxilium postul a turn, Divitiacus kwam te Rome hij den senaat om hulp te vragen. A g e s i 1 a u s E p h ë-snm hiematum exercïtum reduxit.

Men zegt ook filiam alicui nuptum uare, zijn aocnier aan iemand uithuwelijken-, aliquem sessum recipere, iemand een zetel aanbieden.

*Aan m er kin g. In het algemeen wordt het supinura op um, wanneer het een object of adverbium bij zich heeft, door goede schrijvers niet veel gebruikt; ook komen de omschrijvende uitdrukkingen met ire, zooals: perdïtum, raptum, ultum ire, vooral bij lateren en bij dichters voor; Geijkt is cubïtum ire, naar bed gaan.

ocr page 332

§ 438—439. Gebruik van sommige substantiva.

In plaats vau het supinum op um gebruikt men liever qui (vooral bij mittere) of ut met den c on j u n cti v u s, causa met den geneti v us en ad met den accusativus van het ger u ndiu m of g er u n di v u m. Men kan derhalve zeggen: Legati Delphos missi sunt, consul-t u m Apollinem, ut of qui c o n s u 1 e r e n t Apollinem, ad c o u-sulendum Apollinem, Apollinis consulendi causa. Bij venire staat ook het narticipium praesens. B.v. Legati veneruut pacem petentes. Vgl. § 419. A. IV.

§ 438. Het supinum op u, dat altijd een passieve beteekenis heeft, wordt gevoegd bij sommige adjectiva en onverbuigbare substantiva, waar wij om te met de onbepaalde wijs gebruiken. B.v. Turpe dictu est, het is schandelijk om te zeggen. Ple-raque dictu quam re sunt faciliora, de meeste zaken zijn gemakkelijker om te zeggen dan om te doen.

Het supinum op u wordt slechts bij weinige woorden gebruikt, het meest nog bij:

difficïlis, moeilijk. mirabïlis, merkwaardig.

faei'lis, gemakkelijk. optïmus , hest.

honestus, voegzaam. procllvis, gemakkelijk.

incredibïlis, ongeloofelijk. turpis, schandelijk.

jucUndus, aangenaam. utllis, nuttig.

Verder bij fas, hetgeen geoorloofd is, en nefas, hetgeen ongeoorloofd is.

De rneest gebruikelijke supina op u zijn : die tu, factu, audïtu, cognltu, visu, adïtu, zeldzamer: memoratu, inventu, in-tellectu, transitu, perpessu.

*Aanmerking. Bij fact lis, difficïlis on jucundus gebruikt men in plaats van het supinum op u wel zoo dikwijls ad met het gerundium, of zoo deze adjectiva in het neutrum staan deninfiniti-vus. Men kan zeggen: haec res facilis est dictu ofhaec res facilis est ad dicendum of hanc rem facile est dicere. Men zegt echter geregeld difficile dictu en factu est.

In het algemeen is het gebruik van het supinum op u zeer beperkt.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN SOMMIGE SUBSTANTIVA.

§ 439. Verschillende adjectiva zijn volkomen in substantiva overgegaan en kunnen geheel als zoodanig beschouwd worden. B.v. Bonum, het goede, amicus, vriend, servus, slaaf, simile, gelijkenis, commune, gemeente. Men zegt dus zeer goed: summum bonum, fidelis amicus.

Andere adjectiva komen als substantiva voor in sommige spreekwijzen, waarin veelal een bepaald substantivum wordt uitgelaten. B.v. Cani

313

ocr page 333

Gebruik van sommige substantiva.

S 440

314

(capilli); cal ï dam, frigï d am (aquam) p o t ar e ; primas, secundas (partes) agöre; dextra, sinistra (manus); aestlva, hiberna, statTva (castra); Tusculauum (praedium).

De overige adjectiva worden gewoonlijk slechts als substantiva gebruikt;

1°. wanneer zij van het mannelijk enkelvoud zijn, in den gen e-tivus bij est en in den accusativus. B.v. Stulti est in err ore perseverare, het in eigen aan een divaas om in zijn dwaling te volharden. Plurimum interest inter doctum et rudem, er is een zeer groot verschil tusschen een geleerde en een omvetende.

2°. wanneer zij van het onzijdig enkelvoud zijn en tot de tweede declinatie behooren, in den nominativus subjecti, den accusativus subjecti en objecti, den genetivus partitivus (Vgl. § 245. 5°.) en in verbinding met praeposities. B.v. Nihil novi, niets nieuws. A li que ni de medio to Here, iemand uit den weg ruimen. Naves in aridum su b d u ce r e, de schepen op het drooge trekken. Vgl. § 245. 3quot;. A. I.

3°. wanneer zjj van het mannelijk of onzijdig meervoud zijn. in alle naamvallen, mits er geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Et pauperes et divites mor ie ut ur, zoowel de rijken als de armen zullen sterven. Omnia hu man a sunt fragilia, al het menschelijke is vergankelijk. Zoo de volgende zin: ambiguorum plura genera sunt, niet door den samenhang verklaard wordt, zal hij onduidelijk zijn, omdat er zoowel dubbelzinnige personen als dubbelzinnige zaken bedoeld kunuen zijn.

Aanmerking I. Zoo do adjectiva niet als substantiva gebruikt mogen worden, omschrijft men hen, de mannelijke met vir of ho m o, de vrouwelijke met femiua, de onzijdige met res, allen met relatieve zinnen. B.v. De brave doet niemand leed, homo probus of is tj u i p r o b u s h a b e r i vult, n e m i n e m 1 a e d i t. M e m o r i a r e r u m p r a e-teritarura. A rebus turpibus abhorröre. Ea, quae utilia sunt. Vgl. § 185. A. II. 3°.

Aanmerking II. Het onzijdig enkelvoud wordt gewoonlijk gebruikt, wanneer men het begrip van het adjectivum als een substan-tivum abstractum wil aanduiden. B.v. Bonum, het goede, malum, het kwade. Somtijds geeft het iets concreets te kennen. B.v. Gratum facere alicui, iemand een aangenamen dienst bewijzen. V er um (nooit veritatem) dicere, de waarheid zeggen.

Hef onzijdig meervoud wordt gewoonlijk gebruikt om de bijzondere zaken, die de eigenschap van het adjectivum bezitten, als een substan-tivum concretum aan te duiden. B.v. Humana despieëre, vera et falsa dignoseëre, turpia et inhonesta fugëre.

Aanmerking III. De als substantiva gebruikte adjectiva hebben gewoonlijk slechts adjectiva van hoeveelheid en pronomina bij zich. B.v. Multi docti, omnes boni, aliquot pauperes. De andere adjectiva moeten omschreven worden. B.v. De grootste geleerden, doctis-simi (met of zonder homines). Een grooter geleerde, homo docti or. Uitstekende geleerden, homines doctrina excellentes of homines eximie docti. A tuis invïdis.

§ 440. De Latijnen gebruiken gaarne nomina con ere ta, waar wij abstracta aanwenden:

ocr page 334

v5 441—442. Gebruik van sommige substantiva.

1°. om den ouderdom aan te geven, waarin of sinds welken iemand iets gedaan heeft, zooals: puer, adolescens, adolescentü-I u s, j u v e ni s, s e nex, gr andis na t u in plaats van in p u er it ia, enz. en ab infante, a parvülo, a puëro, ab ad o le seen tul o (bij meerdere personen in het meervoud) in piaats van a puer it ia, ab adoleseentia, enz. B.v. Cato admodum senex Graecas litte-ras didïcit. Cicero ejusque frater ingenuis artibus a pueris dedïti fuerunt.

2°. wanneer de namen van ambten als tijdsbepalingen worden gebruikt. B.v. Cicerone consule in plaats van in consulatu Cieeronis; ante (post) Ciceronem consulem in plaats van ante (post) consula-tum Ciceronis. Scipio anno ante me ccnsorem mortuus est. Men kan echter hot nomen abstractum behouden, wanneer het nomen concretum als oppositie van het subject zou staan. B.v. Clodius tribunus p 1 e b i s of' in tribuuatu p 1 e b i s leges c i v i t a t i p e r-niciosissimas tul it.

§ 441. Somtijds gebruiken de Latijnen abstracta in plaats van con-creta. Als zoodanig komen het meest voor: nobilïtas (uobiles), juventus (juvenes), vicinïtas (vicini), servitium (servi), lev is arm at ura (leviter armati), posteritas (posteri), legatio (legati). B.v. Legend us est Gracchus orator, si quisquam alius, j u-vontuti. Nusquam benigne legatio audita est.

Meermalen zet men in het Latijn een substantivum abstractum in plaats van een Nederlandsch adjectivum, waaropeen bijzondere nadruk valt. B.v. Nonue seis Milonem brachiorum roböre nimis fretum periisse, weet (jij niet, dat Milo stierf omdat hij zich te veel op zijn krachtige armen verliet? Nulla re magis odiosus mi hi es quam jactantia oratio nis, door niets zijt gij onuitstaanbaarder voor mij dan door uwe hoogdravende taal. Het gezond verstand zij altijd onze gids bij het toepassen der Latijnsche eigenaardigheden. Wie toch zal coximus bonitatem p ani s als vertaling durven leveren van den zin: wij hebben goed brood gebakken, of wie zal durven zeggen, zoo hij een geleerd man gesproken heeft: locutus sum cum doctrina viri.

§ 442. Meermalen wordt een Nederlandsch adjectivum vertaald door den genetivus van een Lafcijnsch substantivum, vooral zoo er in het Latijn geen passend adjectivum bestaat. B.v. Zinnelijke genoegens, corporis voluptates, lichamelijke smart, dolor corporis, philosophische leerstellingen, praecepta philosophiae, mathematische berekeningen, mathematicorum rationes, priesterlijke rechten, j ura sacerdotum , revolutionaire plannen , audacium c i v i u m e o n s i 1 i a, vijandelijke legerplaats, hostinm castra.

Niet zelden wordt een Nederlandsch adjectivum vertaald door een substantivum met een conjunctio copulativa of door een om-schrijving met plenus. Zoo heet eenlaf hartig verraad proditio atque//C; ignavia of proditio plena ignaviae, wijze gematigdheid mode-c, ratio et sapientia, een verkwikkende rust requies plena oblec-tationis. ^ «U*- ~ u Socis.

Soms is het begrip van een Nederlandsch adjectivum reeds begrepen in een Latijnsch substantivum. B.v. Zinnelijke lust, libido, uitwendige glans, splendor, innerlijke kracht, virtus, grondige keunis, p e r s p i-

315

ocr page 335

Gebruik van sommige substantiva. § 443—445.

c i e u t i a, een onberispelijk gedrag, i n n o c e n t i a, cZe denkende geest, mens.

Soms wordt een Nederlaudsch samengesteld zelfstandig naamwoord vertaald door een substantivum met een adjeetivum. B.v. Wijnkelder, cella vinaria, vrachtschip, navis oneraria. Ook wel door twee substantiva verbonden door een conjunctio copulativa. B.v. zwaartekracid, gra vitas et pondus, ooggetuige, testis et spectator. Vgl. § 250. A.

§ 443. Ncderlaiulsche substantiva vallen in het Latijn dikwijls geheel weg of worden enkel aangeduid door het neutrum vaneen pronomen demonstrativum. Dit geschiedt:

1°. met zulke substantiva, die op een volgenden accusativus cum infinitivo of zijdelingsche vraag wijzen, zooals: icaarheid, woord, uitspraak, hemerking, waarneming, meening, overtuiging, oordeel, stelling. B.v. II: houd dé meening vast, dat slechts de wijze gelukkig is, hoe teneo. beatum esse neminem nisi sa pi en tem. Bij allen staat deze waarheid vast, dat niemand vóór den dood gelukkig te noemen is, inter om nes hoc constat, neminem ante mortem beatum essepraedi-candum. Geef mij een stof, waarover ik schrijven kan, mihi da, de quo s crib am. Wij hehhen geen middel om van te leven, non habe-m u s u n d e v i v a m u s.

2°. met zulke substantiva, die op een volgenden zin met ut wijzen, zooals: doel, voordeel, eigenschap, hron, vrucht. B.v. Hannibal beoogde (/edurende zijn gansche leven slechts dit ééne doel, de vernietiging der Bo-meinsche macht, Hannibal per omnem vitam hoe uuum secutus est, ut Romanorum potestatem exstingueret.

§ 444. Nederlandsche substantiva worden dikwijls omschreven door participia en wel:

1°. door het participium praesens, wanneer iets gelijktijdig plaats heeft B.v. Omne malum nascens facile opprimitur, «ZZe kwaad wordt in de geboorte gemakkelijk onderdrukt. Nemo laboranten! me adjuvit, niemand heeft mij in mijn nood ondersteund. Spe-ciem timentium praebetis, gij doet vrees vermoeden.

2°. door het participium perfectum, wanneer de handeling als geschied en door het gerundivum, wanneer de handeling als nog niet geschied gedacht wordt. In den nominativus en in den accusativus cum infinitivo kan het gerundivum niet op deze wijze gebruikt worden (Vgl. § 427. I0.). Men kan hier ook de praeposities ad, ante, ob, post, propter, ab, de, ex, in gebruiken. B.v. Caesare interfi-ciendo Brutus et Cassius patriae libertatem restituëre co-nat i sunt, Brutus en Cassius trachtten door de vermoording van Caesar hun vaderland weder vrij te maken. Caesare interfecto Brutus et Cassius patriae libertatem non restituerunt. Ab oppu-gnanda Neapöli Hannibalem absterruere conspecta moenia, het gezicht der muren deed Hannibal afzien van de belegering van Napels. Barbarus quidam Hasdrubitlem ob iram interfecti ab eo domini obtruncavit. Primus liber est de contemnenda morte. Ante urbem condïtam.

§ 445. Meermalen worden Nederlandsche substantiva omschreven:

1°. door infiniiivi. B.v. Affer argumenta, quibus Deum esse demon stretur, geef de bewijzen voor het bestaan van God.

316

ocr page 336

§ 446—447. Gebruik van sommige substantiva.

Saepenumero acoïdit, ut careamus voluptate, qua frui jucundissimum nobis er at, dikwijls geheurt het, dat wij een genoegen missen, welks genot ons hoogst aangenaam zou zijn. '

2°. door zijdelingse lie vragen. B.v. Diligenter considerau-dum est, quid ex orani re eveniro sol eat, men moet de gevolgen van iedere handeling met zorg overdenken. Die quid sentias, zeg uw gevoelen. Yidendum est, quo sua quemque natura maxime ferre videatur, men moei op ieders natuurlijke neiging letten.

3°. door bijzinnen met conjuncties. B.v. Mali, dum mortem i nstare sentiunt, timore et sollicitudine afficiuntur,%' het gevoel van de nadering des doods worden de boozen met vrees en onrust vervuld. Hector nee precibus pat ris nee matris lacrimis de-terrïtus ost, quomiuus certamen cum Achille 'm'w e t, Hector liet zich noch door de gebeden zijns vaders noch door de tranen zijner moeder van den strijd met Achilles terughouden.

Aanmerking. Op bovengenoemde wijze worden ook Nederlandsche adverbia pronominalia omschreven. B.v. Ik hen daarvan overtuigd', persnasi animo, rem ita se habere. Hij geeft daarvoor de reden aan, ratio nem affert, cur ita fiat. Veel heeft mij daarin belemmerd, mult a im p edi v er u n t, quo minus id face rem.

§ 446. Nederlandsche substantiva worden vertaald door relatieve zinnen:

1°. wanneer er .n het Latijn enkel substantiva op tor, trix aanwezig zijn en een persoon moet aangeduid worden, die slechts voor een enkele maal een zekere handeling verricht. Zoo heet hij, die een enkele maal een redevoering houdt, niet orator, maar is, qui dicit (dixit, dieet). Zoo ook: praemia iis, qui optime cecinisseut, proposïta erant, er waren belooningen uitgeloofd voor de beste zangers.

Aanmerking. Ofschoon de verbalia op tor , trix in den regel slechts zulke personen aanduiden, welke de gewoonte of het beroep hebben van zekere handeling te verrichten , zoo mogen zij echter ook gebruikt worden van iemand, die slechts eenmaal zekere handeling verricht heeft, maar daardoor een historische persoonlijkheid geworden is. B.v. Romulus condïtor urbis fuit. ïhemistocles patriae liberator. Cicero Yerris accusator.

2°. zoo zjj de beteekeuis hebben van gezel, partijgenoot, leerling, enz. B.v. De partijgenooten van Caesar, qui sta bant cum Caesare. De volgelingen van Pythagoras, qui a P y t h a g o r a profecti sunt. Dr leerlingen van Plato, qui sunt a PI a tone.

3°. ter omschrijving of versterking van den zin. R.w. Met Gods hulp heb ik al mijn ivenschen verkregen, Deo juvante omnia, cjuae concupTvi, con se cut us sum. Voor God bestaat er geen onmogelijkheid , nihil est quod Deus effieëre non possit.

§ 447, Sommige substantiva worden dikwijls ter omschrijving aangewend. Hiertoe behooren vooral: res, genus, modus, ratio, animus lt; n co r p u s.

Res wordt vooral gebruikt in plaats van onzijdige adjectiva en pronomina (Vgl. § 439. A. I). Somtijds heeft een pronomen neutrum betrekking op een voorafgaand r e s. B.v. E a r u m r e r u m utrumque. Hu man arum rerum pleraque for tuna regit.

317

ocr page 337

Pronomina personalia en possessiva.

§ 448.

318

Meermalen wordt het Nederlandsclie subject het door ros vertaald. B.v. Het kwam tot een gevecht, res ad arm a ven it. Het gaat heter dan ik gedacht had, res melius it quam putaram.

Genus wordt evenals liet Nederlandsche wijze, opzicht, betrekking tev omschrijving gebruikt. B.v. In hoe genëre, hierin. Quo in gen ere, waarin. In omni genere te quotidie desidero, onder ieder opzie h t verlang ik dagelijks naar u. Omni genere virtutis florëre, alle deugden bezitten.

Modus wordt vooral gebruikt ter omschrijving van adverbia. B.v. Hoc modo of in hunc modum Jocutus est, hij heeft aldus gesproken. Mirum in modum gaudeo, ik ben zeer verheugd. Vg!. s 263. A. 1.

Katio, dat eigenlijk rekening, aanmerking beteekent, blijft zeer dikwijls in het Nederlandsch onvertaald. B.v. Propter rat ion em belli Gallici = propter bellum Gallicum. Oratio mea, aliena ab judi-ciorum ratione ab judiciis. Tota igitur ratio talium largi-tiouum vitiosa est, sed interdum necessaria = tales largiti-ones omnes.

Animus, corpus, voluntas, enz. worden dikwijls gebruikt in plaats van de pronomina personalia om meer bepaald dat deel van den mensch aan te geven, waarop de handeling van het verbum betrekking heeft. B.v. Ik heb hij mij zeiven besloten mijn amht neer te leggen, cum animo (meo) constitui muuöre me abdicare. Laten wij op die weide gaan liggen, corpora in illo prato proster na mus. Wij zullen u gaarn e gehooi ■ zanten ,libentes voluntati t u a e m o r e m gerem us. Gij spreekt zoo zacht, dat ik u niet versta, tam sum misse loquëris, ut orationem tuam non intellegam. Beangstig u niet langer om mij, noli diutius sollicitari meis rebus.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK OVER HET GEBRUIK DER PRONOMINA. I. Pronomina personalia en possessiva.

ij 448. Meermalen wordt nos gebruikt voor ego en nost er voor meus. B.v. Vides, Deiuosthënem multa perfieëre, nos multa conari. Totum negotium non est dignum viribus uostris, qui majora onëra in republica sustinêre possim et soleam.

Dikwijls zet men met weglating van het pronomeu het verbum in dequot; eersten persoon van het meervoud in plaats van het enkelvoud. B.v. S e x libros de republica tunc scripsimus, cum gubernacüla reipu blicae tenebamus. Virtutem satis posse ab beate vivendum supra diximus. Men moet dit meervoud niet beschouwen als een pluralis majestatis, maar als eenpluralis modestiae. wijl men hierdoor zijn eigen persoonlijkheid achter die zijner lezers of hoorder; tracht te verbergen.

Vos, vester in plaats van tu, tuus mag niet gebruikt worden.

ocr page 338

§ 449—451. Pronomina personalia en possessiva.

§ 449. Do pronomina personalia staan dikwijls overtollig bij quidem— sed. B.t. Amicum tuum non nos quidem odtmus, sed certe non probamus, wij haten uw vriend wel niet, maar prijzen hem toch ook niet. Hierbij valt op te merken:

1°. dat in plaats vau ego quidem equïdem gebruikt wordt. B.v. Divitias non equidem oontemno, sed pluris tarnen existïmo virtutem, ik veracht den rijkdom ivel niet, maar schat de deuyd toch hooyer.

2°. dat men ille gebruikt als pronomen personale van den derden persoon. B.v. P. Seipio non saepe iilo quidem dicebat, sed sale facetiisque om nes sup erabat.

3quot;. dat quidem altijd achter het pr on om on staat, ofschoon de klemtoon op een ander woord valt. B.v. Ti bi persuade esse te quidem mihi carissimnm, sed multo fore cariorem, si talibus monu-mentis praeceptisque laetabore (in plaats van carissimum quidem).

§ 450. De pronomina possessiva worden gewoonlijk weggelaten, wanneer zij uit den samenhang verslaan worden; dit zal meestal geschieden, wanneer zij terugzien op het subject van den zin. B.v. Deum oeul is conspicëre non possum us. Viatores sitim aqua sod ant.

Deze pronomina moeten echter geplaatst worden, zoo zij den nadr uk-hebben en bij tegenstellingen. B.v. Patrem meum, cum pro-scriptus non esset, jugulastis; me domo mea per vim expu-listis; patrimonium meum possidetis. Tam mihi mea vita, quatn tua tibi cara est.

Aanmerking. Wanneer de pronomina possessiva geen bezit aanduiden, '.iujiicWi zij dikwijli; vervangenTSrofeen demonstrativum of relatieven zin. B.v. Socrates sapientissimus vir illius aetatis, Socrates, de wijste man van zijn tijd. Cicero in eo libro, quem scripsit de amicitia. Cicero in zijn hoek over de vriendschap.

§ 451. Betrekkelijk de beteekenis der prouomina possessiva valt op te merken:

1°. dat zij en wel vooral suus soms de beteekenis hebben van juist, recht, passend, wettelijk. B.v. Tempore tuo pugnasti, gij hebt juist op den rechten tijd gestreden. Cicero suo anno consul est factus, Cicero werd consul, zoodra hij den hij de wet bepaalden ouderdom bereikt had. Dikwijls vindt men meo, tuo, suo, nostro, v estro j ure,

volle recht, soms optimo jure, nooit pleno of omni jure.

2°. dat zij dikwijls gebruikt worden in plaats van de pronomina personalia om aan te duiden, dat iets van zekeren persoon af'kom-tig is. B.v. Multas uno tempore accëpi epistolas tuas, ik ' eh verscheidene brieven te gelijk van u ontvangen.

.0. dat zij dienen ter vertaling vau eigen, wanneer dit de tegenover-•estelde beteekenis heeft van alien us,' ivat aan een ander toebehoort. •j.v. Istud scelus meis oculis vidi, ik heb deze misdaad met eigen oogen gezien. Alienis oculis rem agëre, niet door eigen oog en zien. Vgl. § 468. 3°.

^taat eigen tegenover gemeenschappelijk, communis, dan wordt het vertaald door proprius. B.v. Propriis viribus bellum gerëre, met eigen middelen oorlog voeren. Ista calamitas communis est

319

ocr page 339

Pronomina reflexiva.

§ 452 —453.

B20

utriusque nostrum, sed culpa moa propria est. Sua cuique virtuti laus propria debetur.

S 452. De pronomina possessiva staan gewoonlijk achter het sub stantivum; zoo er de nadruk op valt, staan zij voorop. B.v. Meum-consilium accommodabo ad tuum. Haee mea manu scnpsi.

Zoo in denzelfden zin een pronomen possessivura en een pronomen per son ale voorkomt, staat het possessivum gaarne onmiddellijk vóór hot personale. B.v. Mea mihi conscientia pluris est quam omnium sermo. Sequëre quo tua te natura ducit. feuum se negotium agëre d i c u n t.

II Pronomina reflexiva.

^ 453. De pronomina reflexiva sui, si bi, se en suus, sua^ suurn worden vooreerst gebruikt, wanneer een pronomen van den derden persoon betrekking heeft op het subject van den zin, waarin het staat. B.v. Caesar se ad suos recëpit) Caesar begaf zich weder naar de zijnen. Deus agnoscïtur ex operibus suis, men leert God uit zijne werken kennen. Ver res solus cum sua cohorte relinquïtur, alleen Verres met zijn cohort wordt achtergelaten. ïs de honore regni cum Agesilao, suo patruo, eontendit.

Deze regel geldt niet alleen, wanneer het pronomen van den derden persoon onmiddellijk afhangt van het praedicaatsyerbum, zooals Caesar se recepit, maar ook wanneer liet door een ander woord van den zin geregeerd wordt, zooals Caesar se ad suos recepit. Men lette hierop vooral bij het gebruik van sui, si bi, se, omdat wij in het Nederlandsch in dit geval meermalen hem,' haar, hun en niet zich zeggen. B.v. Homo placabilis injuriis sibi illatis facile ignoscit, een vreedzaam rnemch vergeet gemakkelijk de hem aangedane beleedigingen. Alexander praefectum equitatus incautius in se ruentem hasta transfixit. Senatui populus ipse moderandi et regendi sui potestatem tradidit. Omnes sues caros habet, me quidem se ipso cariorem.

Zeer dikwijls gebruiken de Latijnen het pronomen is, waar wij volgens bovenstaanden regel het reflexivum zouden verwachten. B.v. l ompejus , cum decretum de me Capuae fecit, ipse cunctae Itahae cupienti et ejus (niet suam) fidom imploranti signum dedit (_ cunctae Italiae quae (reditum meum) cupiebat et ejus (Pompeji) tidem implorabat). Themistocles, cum propter multas ejus (niet suas) virtutes magna cum dignitate viveret, Xacedaomonii legatos Athenas miserunt, qui eum absen-tem accusarent (= cum magna cum dignitate viveret — multae ennn ei orant virtutes). In zulke gevallen wordt het gedoe;te van den zin,

ocr page 340

Pronomina reflexiva.

321

§ 453.

waarin het pronomeu is voorkomt, beschouwd niet als de gedachte of uitdrukking van het subject, maar van den schrijver. Somtijds ook ziet is terug op het logische subject van den zin. B.v. Fabius a me diligitur propter summam ejus humauitatem = ego diligo Fabium propter sum-mam ejus humanitatem.

Aanmerking I. Het Nederlandsche pronomen reflexivum wordt in het Latijn dikwijls uitgedrukt door den passieven vorm van het werkwoord. B.v. Delectari, zich vermaken, falli, zich bedriegen , move y; i, zich bewegen, 1 a v a r i, zich baden, c o n g r e-gari, zich verzamelen, offerri, zich aanbieden, exereëri, zich oefenen. Wanneer de passieve vorm van het werkwoord dient ter vertaling van het Nederlandsche pronomen reflexivum, worden de omschrijvende werkwoorden zien, bevinden, gevoelen, enz. in liet Latijn meestal onvertaald gelaten. B.v. Cogor, ik zie mij gedwongen. Non exeïtor ut hoe faciaru, ik gevoel mij niet opgewekt om dit te doen.

Dezelfde reflexieve beteekenis hebben sommige deponeutia, zooals: 1 a e t a r i, zich verheugen, y e s c i, zich voeden, v e r s a c i, zich ergens ophouden, en sommige activa, zooals: abstinëre, zich onthouden, deflectëre, zich afkeeren.

Aanmerking II. Men mag nooit suus gebruiken, wanneer een zin twee onderwerpen beeft, die door een conjunctie met elkander verbonden zijn, en bij het tweede onderwerp liet bezittelijk voornaamwoord zijn, haar, hun terugziet op het eerste onderwerp. B.v. Alleen Ver res en zijn cohort worden achtergelaten. Ver res solus et ejus co hors relinquuntur. De veldheeren en hunne soldaten g i tig en op de vluch t, duces eorumque milites fuge-runt. Athenienses urbem suain aede Minervae or nave runt eorumque magnificentiam mi rata est posterltas. Romani Corinthios vice runt eorumque or namen ta in suam urbem transportarunt.

Aanmerking III. Suus wordt ook gebruikt, wanneer het terugziet op een woord, dat hoewel geen subject van den zin, toch subject der handeling is. B.v. Muitos peccafcorum suorum paenitet, velen hebben berouw over hunne zonden. Cui non educatores sui in mente versantur? = quis nou educatores suos in meute habet ? Justo desunt sua verba d ol or i=:justus dolor sua verba non habet.

Meermalen ook gebruikt men suus, vooral in de beteekenis zijn eigen, haar eigen, hun eigen, ofschoon het geen betrekking heeft noch op liet subject van den zin, noch op het subject van de handeling, maar op e o n ander woord van den zin, waarin het staat. In dit geval mag het niet terug kunnen zien op het subject, hetgeen de persoon, het getal eu

5e druk. lil

ocr page 341

Pronomina reflexiva. § 454- 455.

de beteekenis van het praedicaat moeten beslissen. B.v. Aristldem sui cives ejecerunt, zijn eigen burgers hebben A ris tides verbannen. Scipio Syr acusïtnis suas res restituit, Scipio gaf aan de Syra-cusers hunne bezittingen terug (hier heft de beteekenis van het praedicaat alle dubbelzinnigheid op). Cepimus columbam in nido suo, wij hebben de duif in haar nest gevangen. Volaterranos in sua pos-sessione retinebam. Caesar Fabium cum legione sua (doch et legionem ejus) remittit in hiberna.

Zoo door het gebruik van suus echter dubbelzinnigheid ontstaat, of wanneer het pronomen volstrekt geen nadruk heeft, gebruikt men den genetivus van is, ea, id. B.y. Accipïter columbam oepit iir/ttido ejus. Wat zou iu nido s u o beteekenen ? D e u m aguoscimus ex operibus ejus. Verri litterae complures a multis ejus amicis afferuntur.

— In verbinding met quisque moot men altijd suus gebruiken. Eveneens moet men de zijnen, de haren, de hunnen, altijd door sui vertalen. B.v. Aequïtas tollïtur om nis, si habere suum cuique non licet. Id maxime quemque decet, quod est cujusque maxime suum. Conserva tuis suos.

§ 454. De pronomina reflexiva worden vervolgens gebruikt, wanneer in den accusativus cum infiuitivo een pronomen van den derden persoon terugziet op het subject van den hoofdzin. B.v. Cincinnatus nuntium accëpit, se dictate rem esse factum, Cincinnatus vernam, dat hij dictator ivas geworden. Men zegge echter: Cincinnato nuntiatum est) eum dictatorem esse factum, want hier ziet het pronomen van den derden persoon, dat in den accusativus cum infinitivo voorkomt, niet terug op het subject van den hoofdzin. Petrus mi hi narravit, patrem suum defunctum esse, Petrus heeft mij verhaald, dat zijn vader gestorven is. Ait se paenitere, illuin autem non paenitere. Socrates inulta vitia sibi insïta, sed ratione a se dejecta esse dicebat.

*Aanmerking. Het reflexivum wordt ook gebruikt als subject van een ablativus absolutus, wanneer dit hetzelfde is als het subject van don hoofdzin en de ablativus absolutus dient tot bepaling van een accusativus cum infinitivo. B.v. Cato affirmat, se vivo,illum triumphaturum. Caesar Gallia m temptari, se absente, n ol ebat.

—1 Soms vindt men ook het reflexivum als subject van een ablativus absolutus, wanneer deze dient tot bepaling van een participium. B.v. Laudator temporis acti se puero.

§ 455. De pronomina reflexiva worden ten laatste gebruikt in alle bijzinnen, waarin een pronomen van den derden persoon terugziet op het subject van den hoofdzin, zoo zij namelijk iets mededeelen volgens de gedachte of voorstelling van

322

ocr page 342

Pronomina reflexiva.

§ 456.

323

het subject van den hoofdzin. B.v. Nesciebat dux, quid milites de se dice rent, de veldheer wist niet, wat de soldaten van hem zeiden. Vicïnus a me petivit, ut hodie apud se cenarem, mijn huurman heeft mij verzocht om heden het middagmaal bij hem te gebruiken. Gajus divitias contemnebat, quod se felïcem reddere non possent. Gajus verachtte den rijkdom, wijl deze hem (volgens zijne meening) niet gelukkig kon maken. Hannibal imperavit puëro, ut propere sibi nun-tiaret, nnm undique obsideretur, Hannibal beval den knaap hem te boodschappen of hij van alle kanten werd ingesloten.

Uit het juiste begrip van dezen regel volgt, dat een pionomen van den derden persoon, ofschoon het terugziet op het subject van den hoofdzin, niet door het reflexivum mag vertaald worden, wanneer het voorkomt in bijzinnen, die in den indicativus staan of die afhangen van ut consecutivum of van een tijdsbepalend cum. B.v. Gajus contemnebat divitias quod eum felïcem reddëre non poterant. (Hier wordt de reden aangegeven volgens de meening van een ander). Epaminondas era.t diser-tus, ut nemo Thebanus ei par esset eloquentia. Men zou echter moeten zeggen: Epaminondas summo studio eloquentiae op er am de dit, ne quis (= ut nemo) Theba-

' nus sibi par esset eloquentia. Alcibiades, cum ei nun

tius in Sicilian! missus esset, ut do mum rediret, non 1 par ere nol uit et intriremem, quaeadeumdeportan-

^ dumeratmissa,adscendit.

1 § 456. Wanneer in een bijzin een reflexivum staat, kan het

i somtijds onduidelijk wezen of het terugziet op het subject van den hoofdzin of op het subject van den bijzin. In het boven aange-

ii haalde voorbeeld: nesciebat dux, quid milites de se dice-

rent, kan se namelijk volgens § 453 terugzien op milites en volgens § 455 op dux. Zoo nu de samenhang niet uitmaakt, op welk van beide subjecten het reflexivum betrekking heeft, gebruikt men ipse, indien het pronomen terugziet op het subject van den hoofdzin. B.v. Jugurtha legatos ad consulem mittit, qui ipsi libe risque vit am peter ent. Caesar gravïter suos

[e incusavit, quod suadevirtuteautdeipsïusdiligen-

n t i a d e s p e r a r e n t.

k De Latijnen zijn overigens niet zeer angstvallig op dit punt. Ten

n bewijze hiervan strekt, dat zij meermalen in denzelfden bijzin twee

ocr page 343

Pronomina demonstrativa. § 457—459.

reflexiva plaatsen, waarvan het eene op het subject van den hoofdzin en het andere op het subject van den bijzin terugziet. B.v. Ariovistus ait, neminem secum (cum Ariovisto) sine sua (op neminem betrekking hebbende) pernicie contendisse. Ro-mani legatos miserunt, qui a Prusia rege petërent, ne inimicissimum suum (Romanorum) secum (cum Prusia, subject van den bijzin) habëret sibique (Romanis) dedëret.

§ 457. Somtijds wordt het reflexivum gebruikt in bijzinnen , die niet de gedachte uitdrukken van het subject, maar van een ander woord van den hoofdzin. Zulk een woord moet echter het subject der handeling wezen. B.v. A Caesare invltor (r= Caesar me invitat)sibi ut sim legatus, ik word door Caesar mtgenoodigd om zijn gezant te zijn. Faustülo spes fuerat (== Faustulus sporaverat) r e g i a m stir-pemapudseeducatumiri.

Aanmerking. Nu en dan vindt men een of andere afwijking van bovengenoemde regels. B.v. Helvetii persuadent Raurïtcis et Tulingis, ut una cum iis proficiscantur. Patres nil rectum, nisi quod placuit sibi, ducunt.

§ 458. Het woord elkander wordt gewoonlijk vertaald door i ute r nos, inter vos, inter se, of door alius alium, alii alios, alter ai-terum, uterque utrumque. B.v. Amamus inter nos, wij beminnen elkander. Amatis inter vos, gij bemint elkander. Respublica nos inter nos concijiatura est, de republiek zal ons met elkander verzoenen. Homines inter se amare de bent, de menschen moeten elkander beminnen. Alter a 11 e r u m a d s p e x i m u s , rvij zagen elkander aan. Piratae vel ignsti inter se alii alios adjuvabant, zelfs zonder elkander te kennen hielpen de zeer oevers elkander.

Aanmerking. Vicissim en invicem, welke woorden in later tijd ook elkander beteekenden, gaven oorspronkelijk een afwisseling te kennen, zooals wij uitdrukken door beurtelings, hij afwisseling. B.v. Ho-mines vicissim dormiunt et vigilant. Defatigatis invïcem intëgri sueeëdunt.

III. Pronomina demonstrativa.

§ 459. Hic, het pronomen demonstrativum van den eersten persoon, wordt gebruikt:

1°. om aan te duiden, dat iets den spreker zeiven betreft of hem naar plaats of t ij d nabij is. Als zoodanig beteekent het meermalen mijn., ons, tegenwoordig, laatst. B.v. Hi mores, onze zeden. In hac magnificentia urbis, hij de tegenwoordige pracht der stad. Hoe biennio, in de laatste twee jaren.

2°. om te wijzen op iets, dat onmiddellijk volgt. Als zoodanig beteekent het meermalen de volgende, hetgeen nooit vertaald mag worden door sequens. B.v. Locutus est in hunc modum, hij sprak aldus. Hoe Hesiödi, het volgende gezegde van Hesiodus. Vetus hoc est, de nihïlo nihil fit, het is een oude spreuk: uit niets komt niets.

Aanmerking I. Meermalen wordt op deze wijze een volgende accusativus cum infinitive of een zin met ut aangeduid. Vgl. § 443. In dit geval moet het woord slechts onvertaald blijven. B.v. Hoe dico, molli-

324

ocr page 344

§ 460—462. Pronomina demonstrativa.

tiem hujus aetatis multo majorem esse, quam quae majo-rum iiostrorum memoria fuit, slechts dit zeg ik, dat de weekheid ran den tegenwoordigen tijd veel groot er is, dan zij ten tijde onzer voorvaderen wns. Zoo op een accusativus cum iufinitivo gewezen wordt, kan men in plaats van hoe ook sic of ita gebruiken. B.v. Sic a majori-bus nostris accepimus, praetürem quaestüri suo patris loco esse opor tere, dit hebben wij van onze voorouders overgenomen, dat een praetor hij zijn quaestor de plaats van een vader behoort te vervullen.

Aanmerking II. Zoo iets, dat volgt, wordt gezegd tegenover iets, dat voorafgaat, moet hic gebruikt worden om op het voorafgaande en ille om op het volgende te wijzen. B.v. Sed hoe (het zoo even genoemde) commune vitium, illud (hetgeen volgt) Epiouri proprium. Sed haec (hetgeen gezegd is) leviora, illa (hetgeen volgt) vero graviora.

§ 460. Iste, hot pronomen demonstrativum van den tweeden persoon, wordt gebruikt:

1°. om aan te duiden, dat iets betrekking heeft op den persoon, tot wien men spreekt. B.v. Istud scelus meis oculis vidi, ik heb uw misdaad met eigen oogen gezien. De istis rebus exspecto tuas litter as, over hetgeen er bij u geschiedt, verwacht ik een brief van u

2°. om een zekere verachting te kennen te geven, vooral wanneer men spreekt over zijn tegenpartij. B.v. ExpSnam vobis ex quibus gene rib us hominum istae copiae (Catilinariae) comparentur. Quis hoe non perspïcit, praeclare nobiscum actum iri, si popu 1 us Romanus istTus unTus (Verris) supplicio conten-tuserit? a

§ 461. Ille, het pronomen demonstrativum van den derden persoon, wordt gebruikt:

10. om aan te duiden , dat iets betrekking heeft op den persoon, over wien men spreekt of dat iets naar plaats of tijd verwijderd is. B.v. Servi injurias nimis aegre ferunt; quid illos bono genere natos, magna virtute praeditos, opinamini auimi habu-isse? T u m ille, non sum, in quit, nescius ista inter Graecos dici sole re. Tum primum philosophia, non illa de natura, quae fuerat antiquior, sed haec, in qua de bonis rebus et malis disputatur, inventa dicitur.

2°. om aan te duiden, dat iets bekend, beroemd is. B,v. Illud 1' 1 atnuis, dit bekende gezegde van Plato. Ex suo regno sic Mithri-dates profügit, ut ex eödem Pon to Medea illa quondam profugisse dicitur. Uit deze beteekeuis van ille verklaart men des-zelfs verbinding met andere pronomina. B.v. Hic ille egregius annus nunc i n s t a t.

Aanmerking. Ille wordt soms overtollig achter s i c gevoegd, wanneer een substantivum uit het tweede lid eener vergelijking vóór het eerste lid der vergelijking staat. B.v. Inge niosi, ut aes Corinthium in aerugïnem, sic illi in morbum inctdunt tardius.

§ 462. Hic en ille worden dikwijls tegenover elkander gesteld om twee te voren genoemde nomina aan te duiden. Gewoonlijk ziet hic op het laatst genoemde en ille op het eerst genoemde. B.v. Scipio et Hannibal summi imperatores fuerunt; hic Car-thaginieusis, ille Romanus fuit. Zoo echter het eerst genoemde

325

ocr page 345

Pronomina demonstrativa.

§ 463.

326

nomen in de gedachte des sprekers het voornaamste is, ziet hic op het eerst genoemde en ille op het laatst genoemde. B.v. Cave Catüni antepönas Socratem; hujus enim facta, illius dicta laudahantur.

Ter bevordering van de duidelijkheid of wanneer hic en ille reeds gebruikt zijn, kan men prior — posterior, s up erio r — inferi or , superior — posterior gebruiken. B.v. Cum duo sint genera decertandi, unum per disceptationem, alterum per vim, cumque il'.ud proprium sit hominura, hoe beluarum: confu-giendum est ad posterius, si uti non licet superior e.

Wanneer er drie nomina voorafgaan, ziet hic op het laatste, iste op het middelste, ille op het eerste. B.v. Tullium, Attïcum et Trebatium dilïgo; hune quidem ob mores festlvos, istum ob ingenii liberal itatem, ilium propter incredibile dicendi genus, ik bemin Tullius, Atticus en Trebatius, dezen om zijn geestiy karakter, den tiveede om zijn edele denkwijze, den eerste om zijn buitengewone gave van spreken.

Aanmerking I. Deze en gene, de een en dv ander {— sommigeu)heet hic et hic, hic et ille, ille et ille; deze of gene, hic aut ille. B.v. Nou dicam illinc hoe signum ablatümesseetillud; hoc dico, nullum te Aspendi signum, Verres, reliquisse.

Aanmerking II. Hic, iste, ille worden dikwijls ter versterking van de beteekenis of welluidendheidshalve verbonden met talis, tantus en tam met een adjectivum. B.v. Da operam ut hunc talem virum videas quam primum. Hae tam variae artes.

§ 463. Is wordt gewoonlijk gebruikt:

1°. wanueer men een enkel voudigen persoon, na hem eerst iu het algemeen aangeduid te hebben, tot subject maakt van een ziu, waarin0 iets naders van hem verhaald zal worden. B.v. P. Anuius Asellus mortuus est C. Sacerdote praetöre. Is, cum haberet unïcam filiam, earn bonis suis heredem instituit, onder het nraetorschap van C. Sacerdos stierf P. Annius Asellus. Daar deze slechts een eenige dochter had, benoemde hij haar tot erfgenaam van zijne bezittingen.

2°. als persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon, doch alleen in de quot;casus obliqui. B.v. Legates miserunt, qui eum absentem accusaren t, zij zonden gezanten om hem in zijne afwezigheid te beschuldigen. Als zooda'nig wordt i s in den genetivus gebruikt, wanneer het Nederlandsche bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon niet vertaald mag worden door suus. Vgl. de voorbeelden van § 453—455. Evenals de pronomina possessiva wordt ook de genetivus van is gewoonlijk weggelaten, zoo hij ait den samenhang verstaan wordt. B.v. Novi Marcum non minus quam fratrem Quintum.

3°. als antecedens van het relativum. B.v. Is, qui JJeum amat, vitia fugit. Fieri potest, ut recte quis sentiat et id quod sentit, polite eloqui non possit. Retüli me ad ea stu-dia, quae longo intervallo inter missa revocavi.

Wanneer i s geen substantivum bij zich heeft, zonder nadruk staat, en in denzelfden naamval geplaatst is als het relativum, wordt het meermalen weggelaten. B.v. Maximum ornamentum amicitiae tollit, qui exDea tollit verecundiam. Somtijds geschiedt dit ook, wanneer de

ocr page 346

§ 464—466. Pronomina demonstrativa.

naamvallen Yerschillen. B.v. Inter omues philosophos constat, (eum) qui unam habet, omnes habere virtutes. Miseranda vita (eorüm) qui se metui quam amari maluut.

Wanneer is geen substantivum bij zich heeft, wordt de demonstratieve zin voor den nadruk gaarne achter den relatieven zin gezet. B.v. M al e se res habet, cum, quod virtute effici debet; id tentatur pecunia. A quo plurimum sper ant homines, ei potissirnum i u s e r v i u n t. De relatieve zin mag echter nooit voorop staan, wanneer hij ter omschrijving dient van een substantivum. B.v. Marius Plotii iugenio putabat ea quae gesserat posse celebrari.

Aanmerking I. quot;Wanneer een substantivum, dat nader verklaard wordt door een relatieven zin, in het Nederlandsch voorafgegaan wordt door het niet bepalend lidwoord in de beteekenis van zoodanig een, zoo (jroot een, moet men dit in het Latijn vertalen door is of tantus. B.v. Hij bedreigde mij met een hevigheid, die zelfs de zachtmoedig sten zou ver-hitteren, ea (tanta) ira mihi miuatus|est, quae (quantagt; etiam placidissimos exacerbaret.

Aanmerking II. Evenals bij is qui, wordt ook bij talis qualis, tam quam, t a u t u s q u a n t u s, enz. de demonstratieve zin voor den nadruk gaarne achteraan geplaatst. B.v. Socrates banc via mad gloriam proximam dice bat esse, si quis id ageret, ut, qualis haberi vellet, talis esset. Quodsi, quam audax est ad conan-dum, tam essst obscurus in agendo, fortasse a I i q u a in re nos aliquando fefellisset. Quo quisque est sollertior at ingeniosior, hoc docet iracundius et laboriosius.

§ 464. Wanneer een nomen proprium in een nieuwen zin nader beschreven wordt, mogen de Xederlaudsche appellativa man, vrouw, enz. in het Latijn niet vertaald worden. B.v. Er at tum in castris quidam M a r c i u s. Is (niet is vir) impetum hostium erumpentium re-tüdit. Horatius Venusiae natus erat. Hujus (niethujus poëtae) car min a tam praeclara sunt ut nihil supra possit.

§ 465. Het pronomen i s valt weg:

1°. wanneer het in het tweede lid eener vergelijking of tegenstelling verbonden is met een genetivus. B.v. Classis Britannorum major est quam Gallorum (niet quam ea Gallorum). Dei praecep-tis ma gis obediendum est quam hominum (niet quam iis ho-minum). Corpus d o r m i en t i s j ac e t u t m or t ui (n iet ut id mortui). Ante doraum pistiïris tilia, ante vestitïJris fagus est (niet ante earn vestitoris). Quis est qui possit conferre vitam Tre-bonii cum Do la bell ae. Voor de duidelijkheid herbaalt men bij verschil van casus soms het substantivum, waarop het Jfederlandsche demonstrativum terugziet. B.v. Nulla est celeritas, quae possit cum animi celeritate contendere. Soms zet men het woord, dat in den genetivus moet staan, in den casus van het uitgelaten demonstrativum. B.v. Oratio captivorum cum perfügis convênit (== cum oratione perfugarum).

2°. wanneer het bij een tweede verbum of substantivum in denzelfden casus zou moeten staan als het nomen, waarop het betrekking heeft. B.v. Caesar overwon Pompejus hij Pharsalus en vervolgde hein tot in Egypte, Caesar Fompejum ad Pharsalum devlcit atque usque in Aegyptum persecutus est. De vederen der vogelen en hunne heen-

327

ocr page 347

Pronomina demonstrativa. § 466—468.

deren zijn met lucht gevuld, avium et pennae et ossa aëre repleta sunt. De oude Grieken noemden Ceres de wetgeefster en vereerden haar als zoodanig, prisci Graeci Cererem legiferam et vocabant et venerabantur.

§ 466. Een nadere bepaling, welke men sterk wil laten uitkomen, wordt met het voorgaande verbonden door et is, isque, atque is, en wel, en nog wel, nee is, en wel niet, en nog wel niet, s e d is, maar dan. B.y. Geef mij asjeblieft een mes en wel een scherp, da m ihi quaeso cult rum et eum acutum. Er waren eenige jongelingen en wel van geen geringe afkomst, erant aliquot adolescentes nee ii tenui loco orti. Severitatem in senectute probo, sed earn modi cam. Zoo zulk eene bepaling op een geheelen zin betrekking heeft, gebruikt men et id, idque. B.v. Linguam momordi idque tam vehementer, ut sanguis emicaret, ik heb op mijne tong geheten en wel zoo hevig, dat het bloed er uit sprong.

§ 467. 1 d em wordt gebruikt, wanneer aan den zelfden persoou of zaak een tweede praedicaat wordt toegevoegd. liet beteekent insgelijks, ook, tevens, zoo de praedicaten gelijksoortig, nochtans, maar daarentegen, zoo zij tegenovergesteld zijn. B.v. Matnra ceritsa suavis-sima eademque saluberrima sunt, rijpe kersen zijn zeer smakelijk en tevens zeer gezond. Inventi multi sunt, qui vitam profundëre pro patria pa rati essent, ildem gloriae jacturam ne minimam quidem facere vellen t, er zijn er velen gevonden, die bereid, waren hun leven voor hun vaderland op te offeren, maar die zich daarentegen niet het geringste verlies van roem wilden getroosten.

§ 468. Ipse wordt gebruikt in de volgende beteekenissen:

1°. hij zelf, zij zelve, het zelf om een persoon of zaak sterk te doen uitkomen en tegenover andere personen of zaken te stollen. B.v. Q u a e-r a m ex ipsa, ik zal het haar zelve (en geen ander) vragen. Vooral dient het om sterk aan te duiden, dat een pronomen van den bijzin terugziet op het subject van den hoofdzin. Wij laten zelf dan gewoonlijk onvertaald, doch leggen den nadruk op het pronomen. B.v. Caesar respondit sicut ipsius dignitas postulabat, sicut ipsi pla-cuit, sicut ipsum decebat. Caesar antwoordde zooa's het zijn waardigheid vereischte, zooals het hem behaagde, zooals het hem voegde.

2°. zelf. B.v. Ipse vidi, ik heb het zelf gezien. Vooral wordt ipse met deze beteekenis gebruikt in reflexiev e zinnen, üet komt alsdan overeen met het subject, wanneer men wil aanduiden, dat het subject en niet een ander de handeling verricht. B.v. Cato mortem si bi ipse conscTvit, Cato benam zich zeiven het leven. Si nos ipsi lauda-mus, necesse non est alios nos laudare, zoo wij ons zeiven prijzen, moeten anderen ons niet prijzen. Porta ipsa se a p e r u i t, de poort ging van zelf open. Zoo men echter wil aanduiden, dat de handeling op het subject en niet op een ander gericht is, laat men ipse overeenkomen met het pronomen reflexivum. B.v. Non amatis nisi vos ipsos, gij bemint u zeiven slechts. Discipuli non magistris sed sibi ipsis discunt, de leerlingen leeren niet voor hun leermeesters maar voor zich zeiven. Meermalen echter vindt men den nominativus, waar men een anderen casus zou verwachten. B.v. Quid est negotii continëre eos, quibus praesis, si te ipse con tineas. Dit geschiedt vooral, zoo ipse vóór het pronomen reflexivum staat en ook zoo het volgt op

328

ocr page 348

Pronomina interrogativa.

§ 469—470.

329

per me, per se. B.v. Medici ipsi se curare non possunt. Virtus per se ipsa placet. Achter memet, nobismet, uo8met,euz. staat ipse bijna altijd in denzelfden casus. B.t. Nolite vosmet ipsos consolari.

3°. eicjen bij de pronomina possessiva. Zoo ipse hier betrekking heeft op het subject, komt het gewoonlijk in den nominati vus. B.v. Ncglögis tuum ipse commödum (minder goed tuum ipsius com-modum), gij verwaarloost uw eigen belang. Crass us et Antonius ex scriptis cog n osei ipsi suis non potuerunt. Zoo ipsi niet op het subject terugziet, staat hot altijd in den genetivus volgens den regel van § 240, A. B.v. Vestra ipsorum causa hoc feci, ik heh dit out uw eigen hela tig gedaan.

4°. juist (niet te verwarren met forte, hij toeval),-persoonlek, onmiddellijk, eigenlijk, als zoodanig, reeds (wanneer reeds veranderd kan worden in zelfs, mag het niet vertaald worden door jam). B.v. Quattuor heb-domildes ipsae sunt, cum avia mea mortua est, het is juist vier weken geleden dat mijn grootmoeder stierf. C rassus erat triennio ipso minor quam Antonius, Crassus was juist drie jaren jonger dan Antonius. Is ipse, juist hij. Nunc ipsum apud te ess8 ve-1 i m , juist mi zou ik gaarne bij u zijn. Ê e g i n a ipsa e x e r c i t u i ad er at, de koningin was persoonlijk bij het leger tegenwoordig. Post ipsum proelium ingens tompestas exorta est, onmiddellijk na het gevecht brak er een hevige storm los. Robur ipsum exercituum Graecorum in militibus gravis armaturae fuit, de eigenlijke kern der Griekse he legers bestond, in de zwaar gewapenden. D i v i t i a e ipsae nemincm mortalem beatum redde re possunt, rijkdom als zoodanig kan den mensch niet gelukkig maken. Ipsa vita quoti-diana demonstrat ex parvis rebus magnasoriri, reeds het dagelijksche leven toont, dat kleine omstandigheden groote gevolgen kunnen hebben.

5°. ingelijks, ook. In plaats van ipse zegt men ook ipse quo que, ipse etiam, et ipse of het adverbium item. In deze beteekenis wordt ipse gebruikt, zoo aan een tweede subject een zelfde praedi-caat wordt toegevoegd als aan een vroeger subject. B.v. Deinde Crassus tres ipse excitavit recitatores, daarop liet ook Crassus (evenals zijn tegenpartij gedaan bad) drie lezers optreden. Rex ipse quoque pugnavit, ook de koning streed mede. Aderat Romulus augur cum Remo fratre item augüre.

§ 469. De pronomina demonstrativa staan meestal vóór het substan-tivum. B.v. Hie mons, illo tempore. Wanneer ille de beteekenis heeft van die bekende, staat het gewoonlijk achter het substantivum. B.v. Mede a ilia. Staat er bij een demonstrativum en een substantivum nog een adjectivum, dan komt het pronomen gewoonlijk in het midden. B.v. Magnus ille Alexander. Bij de verbinding met possessiva worden de demonstrativa gewoonlijk voorop gezet. B.v. Haec mea domus. Ipse staat in verbinding met andere pronomina gewoonlijk daarachter. B.v. Hoe ipsum. Sua ipsi frumenta corrumpunt.

IV. Pronomina interrogativa.

§ 470. Door quis vraagt men naar den naam, door qui(=qualis) naar de hoedanigheid van een persoon of zaak. B.v. Quis senator.

ocr page 349

Pronomina interrogativa.

§ 471.

330

hoe heet de senator? Qui senator, wat voor een man is de senator?

Ten gevolge van dit verschil in beteekenis wordt qui, doch enkel in zijdelingsche vragen, ook als substantivum gebruikt. B.v. Qui sis et quid facere possis, considëra, bedenk ivat voor een man gij zijt en wat gij doen kunt. Somtijds wordt qui in zijdelingsche vragen ook gebruikt iu plaats van quis, wanneer het volgende woord met een s begint. B.v. Themistocles domino navis, qui sit, apërit.

Aanmerking I. In algemeene vragen met ontkennende beteekenis moet men waar, hoe vertalen door quis; want met ubi vraagt men naar de plaats, waar en met quomodo naar de wij ze, waar op iets geschiedt. B.v. Waar is iemand die alle goede eigenschappen mist, quis est, qui omnibus virtutibus careat? Hoe kan iemand twijfelen, dat Cicero zijn vaderland gered heeft, quis dubitet, quin Cicero patriam servaverit?

Aanmerking II. Er bestaat nog een oude ablativus singularis q ui, welke in rechtstreeksehe en zijdelingsche vragen gebruikt wordt als adverbium interrogativum. Dit woord staat:

1°. iu de beteekenis van hoe, waarvan. B.v. Qui fit, hoe komt het? Aristrdes vix rellquit, qui (= unde) efferretur, Aristides liet nauwelijks genoeg na om daarvan hegraven te worden. Vooral wordt het in deze beteekenis gebruikt met ut or. B.v. Habeo qui ut ar, ik heh iets om daarvan te leven.

2°. met aangehecht cum in plaats van quo cum (soms quacuni) om op een on bepaal den persoon te wijzen. B.v. Mihi da, qui cum omnia communïcem, geef mij iemand, aan ivien ik alles kan mede-deelen. Men zegge echter niet: pater qui cum, omdat men hier een bepaalden persoon heeft.

§ 471. Quid wordt slechts gebruikt in den nominativus en accusativus. In de overige naamvallen gebruikt men quae res. B.v. C u-jus rei cupïdus es, waarnaar zijt gij hegeerig? Quid beteekent ook waarom, waartoe? B.v. Quid met nam mortem, waarom zal ik den dood vreezen? Sed quid opus est plu ra (sc. commemorare), maar waartoe is het noodig nog meer te vermelden?

Aanmerking I. De uitdrukkingen quid, quid en i m, quid i g i t u r dienen ter iuleiding van een vraag, hebben onmiddellijk achter zich het hoofdbegrip der vraag en vervolgens het vraagwoord met het overige gedeelte der vraag. B.v. Quid? Cadmi filia, nonue \£V'/.o(lsoc nomina t a est a Graecis? Quid? Ille M. Cato non ie eloquentia summa fuit? Quid igitur? Contra Brutumne me dicturum putas?

Vooral vindt men quid? quod, quid? si in de beteekenis van ^V/ zelfs bij den overgang tot een bewijs, dat de voorafgaande bewijzen in kracht overtreft. B.v. Quid? quod homines infima fortuna, nulla spe rerum gerendarum, opifïces denique delectantur hi-storia? Dit argument diende als het sterkste bewijs van de stelling: historiam delectare. Quid? si etiani jucunda est memoria prae-teritorummalorum?

Aanmerking II. Het met quid samengestelde adverbium quidni, waarom niet, zeker, waarop altijd de conjunctivus volgt, geeft in den vorm eener vraag een sterke bevestiging te kennen. B.v. Cum Sali-nator eum rogaret, ut meminisset, opera sua se Tarentum

ocr page 350

Pronomina indefinita.

331

§ 472—475.

rocepisse, quidni, inquit, meminerim? Nunquam euim re-cepissem, nisi tu perdidisses. Quidni verwarre men niet met quin. Vgl. § 360. 1».

§ 472. De Latijneu kunnen in denzelfden zin twee of meer vragen met elkander verbinden. In het Nederlandsch moet men bij de vertaling yan zulk een dubbele vraag een omsclmjving gebruiken. B.v. Considera 1'iso, quis quem fraudasse dicatur, let op, Piso, wie men zegt dat bedrogen heeft en dat bedrogen is. Multum interest quid a quo fiat, er is veel aan gelegen wat er gedaan wordt en door wien het gedaan wordt. Mile si Clodinm in ter fi cere voluisset, quantae quoties occè, siones quam praeclarae fuerunt?

V. Pronomina indefinita.

§ 473. Quis, qui wordt vooral gebruikt ua si, nisi, ne, nurn, quo, quanto, nbi, cum. B.v. Me tellus edixit, ne quis in castris coctum cibum vendëret. Quo quis doctior est, eo inode-stior esse solet.

Zoo echter op het pronomen indeflnitum de nadruk ligt, gebruikt men aliquis. B.v. Si aliquis fuit doet us, is fuit Aristoteles. T i m e b a t Pompejus omnia, n e a I i q u i d vos t i m e r e t i s. quot;Wij drukken soms den nadruk, die op aliquis ligt, uit door werkelijk. B.v. Si aliquid dandum est voluptati, senectus modïcis convi-viis potest delectari.

Quis staat ook op zich zei ven. B.v. Dixerit quis. Morbus aut egestas aut quid ejusmodi.

Aanmerking I. In hoofdzinnen en na quo, quanto, ubi, cum mag men alleen quis als substantivum gebruiken. Na si, nisi, ne, n um mag men quis en qui zonder onderscheid als substantivum en als adjectivum gebruiken. B.v. Ne quis en ne qui. Si quis dux en si qui dux.

Aanmerking II. Si en ne worden soms met quis tot ééu woord verbonden. B.v. Siquis, nequis. Altijd verbonden schrijft men n u m-quis en ecquis.

§ 474. Aliquis, iemand, eenig, de een of ander, deze of gene, wordt gebruikt, wanneer men over een on bepaald en, maar werkelijk be-staanden persoon of zaak spreekt. Het staat bijna altijd in bevestigende zinnen. Vgl. § 477. 1°.

Aliquid heeft evenals het Nederlandsche iets soms de bijbeteekenis van beduidend. B.v. Nunc dicis aliquid, nu zegt gij iets, dat wat te beduiden heeft.'Ei it aliquid, ducem exercitui praeesse, het is geen geringe zaak aan het hoofd van een leger te staan.

Wanneer iets in het Nederlandsch een adjectivum bij zich heeft, moet het in het Latijn onvertaald blijven. B.v. in ballingschap te leven is een treurig iets, in exsilio esse miser um est. Vgl. § 176 A. 11.

Aanmerking. Het zeldzaam voorkomende quispiam is gewoonlijk te vertalen door deze of gene. B.v. Fortasse dixerit quispiam.

§ 475. Quidam wordt gebruikt:

l6. om een bepaalden persoon of zaak in het algemeen aan te duiden. B.v. Occur rit quidam, zeker iemand (dien ik niet nader zal aanduiden) kwam mij tegen. Ummidiusquidam, een zekere Ummidius.

ocr page 351

Pronomina indefinita.

§ 476—477.

332

Om de bepalende beteekenis van quidam te versterken, voegt men er meermalen certus bij. B.v. Ut saltatori motus non quivis, sed certus quidam est datus, sic vitaagenda est eerto genere quo-d a m , non q u o 1 ï b e t.

In bet meervoud heeft quidam somtijds de betoekenis van eenigen, sommigen. B.v. Quidam hoe dicunt.

2°. om de beteekenis van een substantivum ofadjectivum te verzachten. Niet zelden is het in dit geval verbonden met quasi, tamquam. In het Nederlandsch geeft men deze verzachtende beteekenis te kennen door het niet bepalend lidwoord of door om zoo te zeggen, een soort van. B.v. Saepe audivi, poëtam bonum neminem sine inflamma-tione animorum exsistere posse et sine quodam afflatu quasi furoris. Gentes subjectas ferrea quadam servitute oppressit. Translatum verbum maxime tamquam stellis quibusdam notat et illuminat oratio nem.

Soms versterkt quidam de beteekenis van een adjectivum en moet dan vertaald worden door zeer, buitengewoon. B.v. M i thridates mira quadam m e m o r i a f u i t.

Aanmerking. Quidam staat in den regel achter het substantivum. B.v. Homo quidam. Zoo bij het substantivum een adjectivum staat, wordt quidam gewoonlijk daar tusschen geplaatst. B.v. In ere di bi lis quae-(l a m c e 1 e r i t a s.

§ 476. Quisque wordt vooral in vier gevallen gebruikt:

1°. bij or din al ia. Vgl § 70. 2°. bij superlativi. Vgl. § 304.

3°. bij pronomina en adverbia relativa. B.v. Scipio pollicetur sibi maguae curae fore ut omnia civitatibus, quae cu-jusque fuissent, restituereutur. Zoo quisque subj eet is van den hoofdzin en de constructie der attractie gebruikt wordt, moet het in den r ela t ie v e n zin geplaatst worden. B.v. Qu am quisque norit ar-tem, in hac se exerceat. Vgl. over quo quisque met den com pa-rativus en ut quisque met den superlativus § 302. A. IV.

4°. bij r e f 1 e xi v a. B.v. F a bi u s ait fabrum esse suae quemque fort u na e. M i 1 i t e s pro sua quisque virtute donati sunt.

Aanmerking I. Quisque staat geregeld achter de ordinalia, superlativi, relativa en reflexiva. In drie gevallen echter staat quisque vóór de reflexiva: 1°. wanneer bij de constructie dor attractie een reflexi-vum in den relatieven zin voorkomt. B.v. Quanti quisque se facit, tanti fit ab amicis. 2°. wanneer het roflexivum om den nadruk aan het einde van don zin geplaatst wordt. B.v. Id maxime quemque decet, quod est cujusque maxime suum. 3°. wanneer quisque meteeuge-netivus partitivus verbonden is. B.v. Bestiarum quaeque suum tenens munus manet in lege naturae. Vgl. § 245. 2°. Aanm. II. c.

Aanmerking II. Unusquisque, quilïbet en quivis staan gewoonlijk op zich zelven. B.v. Quivis homo potest quemvis turpem de quolibet rumorem proferre.

§ 477. Q u i s q uam en ullus worden gebruikt:

1°. in ontkennende zinnen en na sine en vix. B.v. Non credo quidquam me omisisse ad rem quod yertineat, ik geloof 7iiet, dut ik iets heb overgeslagen, wat op de zaak betrekking hee^'t. Caesar mili-tes quemquam iuterficere vetuit. Caesar verbood zijne soldaten iemand

ocr page 352

Pronominalia.

333

§ 478—481,

te dooden. Sine ullo periculo, zonder eenig gevaar. Dieet quispiam yix quemquam inveniri, qui pecuniam eoatemnat.

Wauueer de ontkenning echter op een enkel woord betrekking heeft of wanneer twee ontkenningen elkander vernietigen, gel-ruikt men ali-quis. B.v. Cum aliquid uon habeas, wanneer men iets niet heeft. Hoe non sine aliqua dübitatione confiteor: Verres nihil unquam fecit sine aliquo quaestu.

2°. in vragen en andere zinnen, die een on tke nne n de beteekenis hebben. B.v. Quisquamne istud negat, is er wel iemand, die dit ontleent? Quasi quisquam hoe dicat, alsof er iemand is die dit zegt.

Na ne, neve en num staat gewoonlijk quis. B.v. Numquis Epa-minondae par fuit eloquentia?

3°. na quam in het tweede lid eener vergelijking. B.v. Delii Apol-linem majore religione colunt quam quemquam deorum. In rege Mithridate devincendo Pompejus felicior fuit quam quisquam superiorum ducum. Diutius in hao urbe quam in alia ulla commoratus est.

4°. in bevestigende zinnen, vooral na si, wanneer een gr co te nadruk ligt op iemand, eenig. B.v. Eultar si ullo modo poter o. Quamdiu quisquam erit, qui te defendëre audeat, vives. Dum praesidia ulla fuerunt, Roscius in Sullae praesidiis fuit. Huic, si cuiquam est fidendum, te committe. Daarentegen : si cui est fidendum, antea explorandum est, utrurn secreta custodir e possit necne.

§ 478. Quicunque en quis quis worden in zuiver Latijn slechts als relativa gebruikt en vorderen een verbum iinitum. B.v. Quemcunque li brum legeris, ejus sum mam paucis verbis in com ment ar ia referto. Quidquid ortum est, aliquando intereat neeesse est. Quoscunque de te queri audivi, quacunque potui ra-tione placavi.

Quacunque ratione, quocunque modo, quo quo modo, op welke wijze ook, in ieder geval, komen ook zonder verbum finitum voor. B.v. Quae sanari poterunt, quacunque ratione sanabo.

Somtijds wordt cunque door een toonloos woord van qui gescheiden. B.v. Ratioiiem, quo ea me cunque ducit, sequar.

§ 479. Het vragende pronomen iudefinitum ecquis doet gewoonlijk een ontkennend antwoord verwachten. B.v. Ecquis venit, is er iemand gekomen? Ecquis me hodie vivit fortunatior, leeft er thans wel iemand gelukkiger dan ik? Rogato ecquid in tuam sta-tuam contulerit.

§ 480. Quotusquisque komt gewoonlijk slechts voor bij uitroepingen en wel in den nominativus singula vis. B.v. Quotus-quisque formosus est! Quotusquisque est, cui sapientia omnibus omnium divitiis praeponenda vi d ea t ur! Vgl. § 375. 4.

VI. Pronominalia.

§ 481. Van de adjectiva pronominalia (aldus genoemd om hunne overeenkomst met de pronomina) mogen alter, uter en neuter met hunne composita slechts gebruikt worden, wanneer er spraak is van twee personen of zaken. B.v. Hannibal altero oculo caecus {uit, Hannibal

ocr page 353

Pronominalia.

§ 482—484.

334

was aan het eene oog blind. Neutrum laüdo nee audacem nee t i m i d u m , ik prijs geen van heiden, noch den vermetele, noch den vreesachtige. Vulcan us utröque pede claudicasse fertur, men zegt dat Vulcanus aan heide voeten kreupel was. Demosthenes et Cicero clarissimi oratores fuerunt; uter eorum prae-stantior fuerit in medio relinquo.

Aanmerking. Alter, dat gewoonlijk door de tmrfere vertaald wordt, beteekent ook eeti ander, wanneer men in plaats daarvan een tweede kau zetten. B.v. Detraliere alteri sui commödi causa contra naturam est.

§ 482. liter que, heiden, wordt in het enkelvoud gebruikt, wanneer het betrekking heeft op enkelvoudige personen of zaken. B.v. M i 1-tiades et Themistocles quamquam de patria optime raeruerant,tarnen uter que civium injuriis affectus est.

Het wordt in het meervoud gebruikt bij pluralia tantum, zooals utraeque litter ae, utraque cast ra en wanneer het betrekking heeft op substantiva, die in het meervoud staan. B.v. Caesar cum German is et Britaunis bellum intulisset, utrosque vicit.

Aanmerking. Duo beteekent twee, eenvoudig als een veelheid beschouwd. Ambo duidt aan, dat twee reeds genoemde personen of zaken als één geheel worden voorgesteld. Uterque geeft te kennen, dat twee reeds genoemde personen of zaken als twee zelfstandige eenheden worden voorgesteld. B.v. Duo senatores mihi obviam sunt facti; ambo salutavi, uterque resalutavit. Men moet zeggen: Haunibal (ad Cannas) exercitus amhorum consulum vicit, wanneer men wil aanduiden, dat do legers der twee consuls één geheel uitmaakten, doch: utriusque consulis, wanneer de legers der beide consuls ieder op zich zeiven stonden en afzonderlijk verslagen werden.

§ 483. Men mag geen slechts dan door nullus vertalen, wanneer hot den zin heefr van lt;/een enkel, volstrektyeeM. B.v. Nullus homo,geen {enkel) mensch. Nulla magna virtus, geen enkele groote deugd. N u i 1 u m mihi auxilittm praebet. Zoo geen slechts dient om aan den zin een ontkennende beteekenis te geven, moet het vertaald worden door non. B.v. Ik heh geen tijd om mij op te honden, nou habeo tempus moraudi. Geen nuttelooze moeite, non i n u t i 1 i s opera. Geen groote deugd, n o n magna virtus.

Bij e s s e en in de taal van het gezellig leven ook bij andere verba staat soms nullus in plaats van n o n. Het versterkt de ontkenning en moet altijd met liet subject overeenkomen. B.v. Nollte arbitrari me, cum a vobis discessero, nusquam aut nullum fore.

§ 484. A 1 ius wordt in het Latijn op eigenaardige wijze met een anderen casus van alius of met oen van alius afgeleid adverbium verbonden, waar wij een breedere wijze van uitdrukking bezigen. B.v. Aliis aliud videtur optimum, den eene schijnt dit, den andere dut het hes te toe. Alius alio modo iuterpretatur, de eene verklaart het op deze, de andere op gene wijze. Aliis aliunde periculum est, den eene dreigt het gevaar van deze, den andere weer van een andere zijde.

Dezelfde eigenaardige wijze van uitdrukking vindt men ook, wanneer twee verschillende naamvallen van hetzelfde substantivum in denzelfden zin worden gezet. B.v. Aetas aetati sueeëdit, het eene geslacht volgt

ocr page 354

Gebruik van sommige adverbia.

§ 485—486.

335

op het andere. Dies diem trudit, de eene day verdringt de7i anderen. Virtus Tirtuti tam similis est quam vitium vitio.

Woorden van den zelf den vorm staan in hetzelfde lid van een zin nooit naast elkander, wel in twee bij elkander beboerende leden van een zin. B.v. Alius videtur alius (niet alius alius videtur). Artemisia quamdiu vixit, vixit in luctu.

Aanmerking. Woorden, die v er w an te of tegenovergestelde begrippen aanduiden, staan gaarne naast elkander, zoo zij tot hetzelfde lid van een zin beboeren. B.v.Mortali i m m or talitatem u on arbi-tror eontemnendam. Quaedam falsa veri speciem habent. Zoo zulke woorden tot verschillende leden van een zin beboeren, staat het eene in het begin van het eerste lid en het andere op het einde van het tweede lid. B.v. E rrare mehercule male cum Platone, quam cum istis vera sen tire.

Wanneer twee woorden tegenover twee andere woorden staan gebruikt men gaarne een chiasmus, d. i. men zet do tegenover elkander staande woorden in omgekeerde orde. B.v. N o n video quomodo sedare possint mala praesentia praeteritae vol uptates. Fateor vulgijudicium a j u d i c i o m e o dissensisse.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN SOMMIGE ADVERBIA.

§ 485. Zeer dikwijls staat in het Latijn een verbum, waar wij een adverbium plegen te gebruiken. B.y. Door overreding richt men gewoon-lijk meer uit dan door geweld, persuadendo plus efftci solet quam vi. Cato ried den Romeinen onophoudelijk aan om Carthago te verwoesten, Cato Romanis, ut Carthaginem delërent, suadëre non destttit. Op het bericht dat de Helvetiërs Gallic trachtten binnen te dringen, vertrok Caesar in allerijl uit Rome, Quesur: Helvetios in Gallia m irrum-përe conari certior factus ab urbe profieisci maturavit. Evenzoo kan men niet meer, niet verder vertalen door d e s i n o, gaarne door v oio, langzamerhand door c o e p i, spoedig door p r o p ë r o.

Op dezelfde wijze vertaald men dikwijls een Nederlandsch ad ver bium met een verbum in het Latijn door twee synonieme verba. B.v. Het leger van Mardonius werd bij Plataeae geheel en al geslagen, exercitus Mardonii apud Plataeas fusus fugatusque est. De Aeduërs smeekten Caesar dringend om hulp , Aedui Caesarem impl oraverunt atque oraverunt, ut sibi amailium iorret. Het is onze plicht alle hartstochten krachtig te onderdrukken, nostrum est omnescupiditates co e r-cëre atque reprimëre. De Carthagers wezen de smadelijke vredesvoorwaarden, die de Romeinen hun stelden, onvoorwaardelijk af, Carthagi-nienses contume üosas pacis condicioues, quas Romani tulerant, repudiaverunt atque respuerunt.

De Latijnen voegen dikwijls een adverbium bij het verbum, waar wij omslachtiger zeggen: het is... . en een bijzin met wanneer of dat of een infinitivus met B.v. Melius peribimus. Fugeris honestius quam pugnaveris contra p a t r i a m. Vgl. § 345. 4°.

§ 486. jioo wordt vertaald door sic, ita, tam, tantopëre en adeo.

ocr page 355

Gebruik van sommige adverbia.

336

487—488.

Sic (op deze wijzej heeft vooral een aantoonende beteekenis. B.v. 8ic vita homiuum est. Sic res se habet.

Ita heeft of dezelfde beteekeais als sic óf het geeft een beperking te kennen (slechts onder voorwaarde, slechts in zoover). B.v. Nostri imperatores ita de Mithridatetrinmpharunt, ut ille pulsus supo-ratusque regnaret. Ita te defendito, ut neminem laedas.

Tam (zoo zeer) geeft een hoogeren graad te kennen en wordt slechts gevoegd bij a d j e c t i v a en adverbia.

Tantopëre heeft dezelfde beteekenis als tam en wordt met verba verbonden.

Adeo (tot dien graad) staat bij adjectiva, adverbia en verba en wordt altijd gevolgd door ut. B.v. Adeöne hospes es in hac urbo, ut haec nescias?

§ 487. Het gewone adverbium van ontkenning is non. B.v. Hoe non credo. Quis hoe non credat?

Haud wordt in den regel slechts gebruikt bij adjectiva en adverbia om dezen een tegenovergestelde beteekenis te geven. B.v. Hand dubie = certissime. Hand mediöcris = egregius. Vooral komt het voor in de verbinding haud sane en haud ita, gevolgd door eeu adjectivum. B.v. Hand ita magna manu Graeciae fugatus est. Haud sane difficile dictu est. Zeer gebruikelijk is ook haud scio an en annon. B.v. Sed hand scio au recte ea virtus frugalitas appellari possit. Wauueer op eeu ontkenning eeu tegenstelling volgt, mag men nooit haud gebruiken. Men zegge dus altijd: non mod o — sed, non quod — sed, non tam — quam.

Sterke ontkenningen worden onder anderen uitgedrukt doorminime, nequaquam, neuttquam, haudquïlquam, nihil (het laatste bijna enkol bij verba). B.v. Homo minime ambitiosus. Preces meae nihil te moveruut.

Ne —quid em, zelfs niet, niet eens, ook niet, heeft het woord, waarop de nadruk valt, tusschen ne en quidem. B.v. Talis vir ne cogi-tare quidem quidquam audebat, quod non audeat praedicare. Superbia ne regem quidem decet.

Bij uitroepingen van verwondering wordt niet in het Latjjn onvertaald gelaten. B.v. Qnam muitos scriptores rerum suarum magnusille Alexander seeum habuisse dicitur!

§ 488. De ontkenning staat gewoonlijk onmiddellijk vóór het woord, dat ontkend moet worden. B.v. Canis me non momordit, sed lam-bit. Canis non me momordit, sed fratrem meum. Non canis me momordit, sedanguis.

Zoo de gansche zin ontkend wordt, lette men op de volgende eigenaardigheden.

1°. He Latijnen plaatsen de ontkenning niet achter maar vóór het verbum van den hoofdzin. B.v. Non rideo, ik lach niet.

2°. Zoo van het verbum finitum een infinitivus afhangt, komt de ontkenning vóór het verbum finitum. B.v. Venire non possum, ik kan niet komen. Nihil est quod Deus effieëre non possit, er is niets, dat God niet doen kan.epistolam cur non scindi velis, nulla causa est. (Hier wordt alleen de infinitivus ontkend).

ocr page 356

§ 489—490. Gebruik van sommige adverbia.

3°. Zoo het verbum bestaat uit een participium met esse, komt de ontkenniug vóór het hulpwerkwoord. B.v. Divitiae sapienti expe-tendae non sunt. Slechts bij tegenstellingen staat de ontkenning vóór het participium. B.v. Callicrates hac religione non modo ab incepto non deterrïtus, sed ad maturandum concitatus est.

4°. Bij sterken nadruk zetten de Latijnen een ontkenning, die op den ganschen zin betrekking heeft, gaarne aan het hoofd van den zin. B.v. Non ego secundis rebus nostris gloriabor. Non ergo erunt isti homines audiendi.

5°. In relatieve zinnen staat non gaarne onmiddellijk achter het relativum. B.v. Quae tam firma civitas, quae non odiis et di-scidiis funditus possit everti?

§ 489. Twee ontkenningen vernietigen elkander. Het is echter voor de beteekenis niet onverschillig, hoe de ontkenningen geplaatst zijn. Zoo non voorop staat, drukken de twee ontkenningen een zwakke, zoo non achteraan staat, een sterke bevestiging uit. B.v.

nonnëmo, iemand. nemo — non, ieder.

non nu 11 us, een of ander. nullus — non, ieder.

nonnthil, iets. nihil — non, alles.

nonnunqnam, somtijds. nunquam — non, altijd.

Nemo sapiens mortem non contemnit. Nonnemo miser mortem exoptat. Nemo non benignus est sui judex.

Aanmerking. Twee ontkenningen vernietigen elkander niet, wanneer op een voorafgaande ontkenning ne — quidem of nee — nee volgt. B.v. Non praetereundum est ne id quidem. Sic habeas, nihil mehercüle te mihi nee carius esse nee suavius. Nemo unquam neque poëta neque orator fuit, qui qaemquam meliorem quam se putaret.

337

(Interrogativa). u b i, icaar ?

unde, vanwaar? quo, waarheen? qua, waarlangs?

§ 490. De adverbia looi worden onderscheiden in interrogativa, demonstrativa, relativa en indefinita. Zij zijn op de vr

waar: vanwaar; waarheen: waarlangs:

(D e m o n s t r a t i v i i b i, daar.

inde, vandaar, e o, daarheen. ea, daarlangs.

D

-J'--' '

~r


(Indefinita).

alicübi, ergens.

alicunde, ergens vandaan.

a 1 ï q u o, ergens heen.

a 11 q u a, ergens langs.

Verder behooren tot de indefinita: alibi, elders, ubicunque, ubiübi, waar ook, ubtvis, ublque, overal, quocunque, waarheen ook, quo-vis, quolïbet, onverschillig waarheen, undecunque, vanwaar ook, quacunque, langs welken weg ook.

Aanmerking. De adverbia loei staan dikwijls met betrekking op voorafgaande zaken in plaats van een pronomen met een praepositie. B.v. Quae urbs fuit, unde (= e qua) Lucullus cerasum in Italiam at-tulit? Aquïlae nidos in iis fere locis ponunt, quo (= ad 5e druk. C2W2

(Relativa), u b i, waar. unde, vanwaar. quo, waarheen. qua, waarlangs.

ocr page 357

Gebruik van sommige adverbia.

§ 491—493-

338

quae) nisi vitae periculo perveniri non potest. Praetor classi occurrit septemque inde (;=: ex ea) naves cepit.

In zuiver proza mogen deze adverbia geen betrekking hebben op personen, behalve wanneer deze worden aangeduid door een pronomen of algemeene benaming. B.v. Praeter te nemo fuit, ubi nostrum jus obtineremus. Orator de quavis re multo dicit ornatius, quam ille ipse, unde cognörit.

§ 491. Van de pronomina demonstrativa hic, iste, ille worden adverbia loei afgeleid, die een meer bepaalde beteeken is hebben dan de adverbia, waarover in de vorige paragraaf gesproken is. Zij zijn op de vraag:

waar: hic, hier, istic, illie, daar.

vanwaar; hinc, vanhier, istinc, illinc, vandaar. waarheen: hue, hierheen, istuc, illue, daarheen. waarlangs: hac, hierlangs, istac, illae, daarlangs.

Voor het gebruik van deze adverbia gelden dezelfde regels, die voor het gebruik der pronomina, waarvan zij afgeleid werden, gegeven zijn. Zoo schrijft bijv. Cicero aan Atticus: Licet tibi significarim, ut ad me venires, id omitto tarnen: intellego, te re istic prod-esse, hic ne verbo quidem levare me posse.

Aanmerking. Bij de verba van plaatsen (Vgl. § 283.) gebruikt men de adverbia loei ibi, ubi, hic, istic, illic in plaats van eo, quo, hue, istüc, illue, en bij de verba vau aankomen (Vgl. g 284.) de adverbia loci eo, quo, hue, istuc, illue in plaats van ibi, ubi, hie, istic, illic.

§ 492. Men lette wel op de verschillende beteekenis der adverbia temporis turn, tune, nunc, jam.

Tnm beteekeut toen (het staat in hoofdzinnen tegenover cum in bijzinnen), daarop, nog (zoo dit woord op het verledene betrekking heeft). B.v. Cum omnes adessent, turn ille exorsus est dicere. Pri-mum Graecorum, turn Romanorum res gestas narrabo. Pi-si s t r it t u s, vivo e t i a m t u m S o 1 o n e (nog bij het leven van Solon), imperium Atheniensium occupavit. Zoo nog betrekking heeft op iets, dat tegenwoordig is, wordt het vertaald door ad hue. B.v. lïihil adhuc de pace composita audivi.

Tune beteekent toen en staat meestal tegenover nunc. B.v. Nunc ajunt, quod tune negabant.

Nunc wordt alleen gebruikt van hetgeen tegenwoordig is. Zoo nu, thans betrekking heeft op een verleden tijd heet hét tum of tune. B.v. Tum demum (nu eerst) Croesus, cum in eoerat, utin rogo combureretur, quam vere Solon dixisset, intellexit.

Jam dient tot voortzetting van een verhaal. B.v. Postquam supra, quibus de eausis helium Peloponnesiitcum ortum sit, bre-viter exposuimus, jam ad helium ipsum describendum nos convertamus. Met een ontkenning verbonden beteekent jam meer. B.v. Hodie nulli jam leones in Grraecia sunt. Soms komt het overeen met ons al. B.v. Jam satis est.

§ 493. Wanneer bij een optelling de getallen niet noodzakelijk moeten aangegeven worden, gebruikt men in plaats vau de adverbia numeralia primum, secundo, tertium, quartum liever de adverbia pr i m u m

ocr page 358

Plaatsing der praeposities.

§ 494—497.

339

deinde, t u m, d e n ï q u e. B.v, Quattuor genera aominum sunt, primiim substantiva, deinde adjeetiva, tuin pronomina, denique numeralia.

Bestaat de optelling uit meer dan vier leden . dan kan men öf turn herhalen öf er accëdit, hue adde tusschen voegen. Soms zet men achter denique nog post r e m o.

Denique dient ook om na een optelling van verschillende zaken het .Nederlandsche kortom, in één woord uit te drukken. B.v. Deus caelum, terram, maria, omnes denique res effecit.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE PLAATSING DER PRAEPOSITIES.

§ 494. Do praeposities staan gewoonlijk onmiddellijk vóór het word, waarop zij betrekking hebben.

Vgl. over de plaats van versus § 162. 21, van cum § 163. 3, van ten us § 163. 8.

Wanneer inter betrekking heeft op twee substantiva, staat het somt'jds tusschen beiden in. B.v. Saxa inter et alia loca periculosa, tusschen rotsen en andere gevaarlijke plaatsen.

Bij eeden en gebeden wordt per gewoonlijk van zijn casus ge-scheiden door den accusativus vaa het pronomen personale des persoons, wien men bidt of bezweert, en ook wel door den nominativus van het pronomen personale des persoons, die bidt of zweert. B.v. Per ego te de o s o r o, ik smeek u bij de goden. Somtijds wordt oro uitgelaten. B.v. Patres conscripti per vos liberos atque parentes sübvenite miser o mi hi.

§ 495. Wanneer op een adjectivum eeu sterke nadruk valt, wordt het gaarne van zijn substantivum gescheiden en vóór de praepo-sitie geplaatst, vooral wanneer deze van ééne lettergreep is. B.v. Mag no cum periculo. Tanto in honor e.

§ 496. Wanneer een pronomen relativum (soms ook een demon-strativum) afhangt van een praepositie (bijzonder ante, contra, inter, propter, de) staat het niet zelden vóór de praepositie. B.v. Res, qua de agitur. Quem contra dicit. Dies, quam ante. Dichters plaatsen soms een substantivum vóór zijn praepositie. B.v. Ossa super recübans.

Wanneer een pronomen relativum of demonstrativum als attributum bij een substantivum staat, worden de éénlettergrepige praeposities gaarne tusscheu beiden in geplaatst. B.v. Qua in urbe. Ista in re. Qui bus de eau sis. Hauc ob rem. Quem ad modum. Zoo kan men ook zeggen: Quorum ad scientiam. Cujus cum moribus. Het pronomen is staat echter geregeld achter de praepositie. B.v. Ob eam rem. C u in ea cura. Ab eo homine. Slechts de staat meermalen na is. B.v. Ea de causa. lis de rebus.

§ 497. De praepositie kan van haar casus gescheiden worden:

1°. door eeu genetivus, waarvan dan weder een bijzin kan afhangen. B.v. Ante urbis portas. Propter Hispanorura, apud quos consul fuerat, injurias. Men voege echter geen anderen naamval

ocr page 359

Plaatsing der praeposities.

§ 498—500.

340

tusschen de praepositie ea haar casus. Dus niet: ad praesidiis fir-manda moenia, maar: ad moenia praesidiis firmanda. Niet: in mihi invisum locum, maar: in locum mihi invlsum. Het meermalen voorkomende in suum cuique tribuendo moet als uitzondering beschouwd worden.

2°. door een adverbium. B.v. Ad beate vivendum. De prae-clare gestis rebus.

3°. door que, ne, ve. B.v. Profectus ad castra hostium ex-que propinquo copias speculandas. In den regel echter worden deze conjuncties niet aan éénlettergrepige praeposities gehecht, behalve wanneer dezelfde praepositie reeds voorafgaat, maar aan de woorden, die van de praeposities afhangen. B.v. Hannibal patriam rellquit ad Antiochumque confügit. In n ostra ne potestate est? De tempo ribus deque uni versa republic a. Sine classe sinéque exercitu.

4°. door autem, enim, vero, tamen, quidam, zoo de praeposities namelijk een accusativus regeereu. B.v. Praeter enim tres disciplinas. Post autem Alexandri magni mortem. Gewoonlijk zegt men echter: praeter tres enim disciplinas, post Alexandri magni autem mortem.

5°. door et-et, aut-aut, vel-vel. B.v. Atticus honorem non petiit propter vel gratiam vel dignitatem.

Aanmerking. Dichters veroorloven zich de grootste vrijheid. B.v. Injiciunt ipsis ex vincula sertis. Subter captos ar ma sedere duces.

§ 498. In het Latijn mogen geen twee praeposities n a a s t elkander staan. Men vertale derhalve: met uit Griekenland ontboden soldaten, niet cum ex Graecia arcessitis militibus, maar: cum militibus ex Graecia arcessitis of cum arcessitis ex Graecia militibus.

§ 499. Wanneer in het Nederlandsch twee praeposities betrekking hebben op één substantivum moet men in het Latijn öf het substantivum herhalen of het pronomen i s in deszelfs plaats stellen. B.v. Vóór en in de legerplaats, ante castra et in castris (of in iis). De herhaling van het substantivum is echter niet noodig 1°. wanneer de praeposities denzelfden naamval regeereu. B.v. Intra extraque munitiones. 2°. wanneer de tweede praepositie als adverbium kan gebruikt worden en achteraan staat. B.v. Boven en onder de aarde, supra terram et infra. Sommigen spraken voor, anderen tegen het wetsvoorstel, alii pro lege, alii contra dixerunt.

§ 500. Een praepositie, die op meerdere substanti va betrekking heeft, wordt herhaald , wanneer de substantiva ieder in het bijzonder moeten uitkomen. Dit zal voornamelijk het geval zijn, wanneer zij verbonden worden door et-et^ tam-quam, aut, sed, nisi, enz. B.v. Persae et apud Salamina et apud Plataeas male pugnaverunt. Non ex mea opinione sed ex hominum rumor e. Zoo echter de substantiva als een eenheid opgevat worden, heeft er geen herhaling plaats. B.v. Milites pro uxoribus et liberis pugnant. Vooral geschiedt dit:

1°. bij een appositie. B.v. Cum duo bus ducibus in Italia de-c'ertatum est, Pyrrho et Hannibal e.

ocr page 360

§ 5ü 1—502. Conjunctiones copulativae.

2°. bij korte, levendige optellingen en bij v er deelingen. B.v Hoc apparet in bestiis, volucribus, nantibus, agrestibns) cicuribus, feris. In formis aliis dignitas inest, aliis veuustas.

3°. bij vragen, die zich innig aansluiten aan hetgeen voorafgaat. B.v. A Jove incipiendum. Quo Jove?

4°. gewoonlijk ook bij het relativum wanneer de zin afgekort is en het verbum, dat bij het antecedens staat, herhaald kan worden. B.v. Cimon ineïdit in eandem invidiam, quam pater suus. Me tuae litterae nunquam in tantam spem adduxerunt, quan-tam alio rum.

§ 501. Ouze gewoonte om eeu substantivum door een praepositie van een ander substantivum te laten afhangen ligt niet in den geest der Latijnsche taal. De Latijnen gebruiken hier gewoonlijk;

1°. den genetivus (subjeetivus of objectivus) of een anderen casus o b 1 i q u u s.

2°. een omschrijving met een participium of relatieven zin. B.v. Een stad met muren, urbs moenibus cincta. Een huis in de stad, domus in urbe sita. In Cato's boek over den landbouw, in Catonis libro, qui de agricultura est edit us. In mijn boek over den staat, in lib ris, quos de republic a scrips i.

3°. een adjec^ivum. B.v. Steden aan de zee, urbes maritimae. Een vat van zilver, vas ar genten m. De roem van zijn voorouders, fulgor avltus. Een misdaad tegen goden en mensa hen, divinum hu-manumque scelus. Vooral gebruiken zij gaarne adjectiva afgeleid van nomina propria. B.v. De eenvoudigheid van Cicero, s i m p 1 i c i t a s Ciceronian a. De reis naar Brundisium, iter Brundislnum. Hercules bij Xenophon (zooals hij in de werken van Xenophon voorkomt), Hercules Xenophontëus. Gewoonlijk geschiedt dit om iemands geboorteplaats aan te duiden en zeer dikwijls bij b el 1 u m om den k o nin g of het volk aan te geven, waarmede de oorlog gevoerd wordt. B.v. Trasybülus Atheniensis. Bellum Mithridaticum, Punïcum.

Meermalen echter worden ook twee substantiva door een praepositie met elkander verbonden. B.v. Epistola ad Caesarem. Proelium apud Leuctra. Vooral geschiedt dit met cum, sine, de en bij substantiva verbalia, die een beweging te kennen geven. B.v. Otium cum dignitate. Lectio sine ulla delect a tione. Triumphus de Gallis. Transmissus ex Gallia in Britanniam. Rivorum a fonte deductio. Excessus e vita.

Geheel onberispelijk is de verbinding door een praepositie, wanneer deze met haar casus tusschen een substantivum en een attributum of genetivus staat. B.v. M u 11 a e in Graecia urbes. Tertius de phi-losophia liber. Mens erga te amor. Clarorum virorum post mortem honores. Caesaris in Hispania res secundae. Vgl. § 252.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE COORDINEERENDE CONJUNCTIES. I. Conjunctiones copulativae.

§ 502. E t is het meest algemeene koppelwoord en dient tot verbinding van allerlei woorden en zinnen. B.v. L eo et asïnus venatum iverunt.

3-11

ocr page 361

342 Conjunctiones copulativae- § 503—505. §

At que (voor vocalen en consonanten) en ac (nooit voor een vocaal

of h) worden vooral gebruikt: U

1°. ter aanknooping van iets gewichtigers en sterkers iu den zin van

en zelfs (rem difficilem at que omnium difficillimam), en oc

ook (socii atque exterae nationes), en wel vooral (magna diis li

im mor tali bus habenda est atque hu ie ipsi Jovi Statöri C

gratia). g

2°. ter verbinding van synonieme en tegenovergestelde begrippen. B.v. d Orare atque obsecrare. Honesta atque inhonesta.

3°. ter afwisseling van et, wanneer het eene verbonden lid wederom W

tweeledig is. B.v. Magnifica vox et magno viro ac sapienti es

d i g n a. s (

Que duidt aan, dat de verbonden begrippen een geheel vormen. B.v. m Cives se suaque tradiderunt. Senatus populusque lioma-

n u s. Men hechte que niet aan het laatste woord van een zin. ee

Aanmerking. In plaats van e t zegge men nooit nee (n e q u e) — 2(3

non. Deze uitdrukking, die en zeker ook, en inderdaad beteekent, wordt f''

slechts gebruikt, zoo er een ander verbum volgt en wel gewoonlijk p'

gescheiden; B.v. Rem tibi diligenter exposui neque tu haee st non intellexisti.

§ 503. Tot de conjunctiones copulativae kunnen ook gebracht worden w

e t i a ra , ook, zelfs, nog, en q u o q u e, ook, op gelijke wijze. E t i a m pi

(vóór of na het woord, waarop het betrekking heeft) heeft een ver ster- he

kende, quoque (altijd na het woord, waarop het betrekking heeft) vó

heeft een gelijkstellende beteekenis. B.v. Mi hi res familiaris wc

etiara ad necessaria deest. Me quoque de morte filii certi- al

orem fecit. qt

Aanmerking I. Atque etiam, en zelfs, verbindt twee begrippen

met versterkende beteekenis, atque adeo, of liever, geeft tegelijk qi;

een verbetering aan van het vorige begrip. B.v. In omnibus cir- qi

cülis atque etiam in conviviis sunt, qui exercitum in Mace- ste

doniam ducant. Verres cum maximo detrimente atque adeo mi

exitio vectigalium totam Ilieronïcam legem sustülit. ut

Aanmerking II. Ook de beste schrijvers gebruiken nu en dan et du in plaats van etiam, vooral in bepaalde verbindingen, zooals: et ille,

et iste, et ipse, et nunc, non solum (modo) — sed et, niet u s

alleen — maar zelfs. N i

Ni

§ 604. Meermalen worden twee begrippen die één geheel uitdrukken, zonder conjunctio copulativa naast elkander gezet. Men noemt dit ; asyndöton. Het geschiedt: wo 1°. bij tegenstellingen. B.v. Summi infimi; docti indoeti; qu prima postrema; publica privata; maxima minima; velis nie r e ra i s. an 2°. bij ambt gen co ten. B.v. Cn. PompejoM. Crassocousu- se 1 i b u s. gt; 3°. bij handelingen, die onmiddellijk met elkander verbonden zijn. B.v. enl Adsunt, queruntur Siculi universi. wo

foi

§ 605. Bij de optelling van drie of meer begrippen, worden deze öf v e

onverbonden naast elkander geplaatst (asyndeton) öf allen door et pa

i

ocr page 362

§ 506—507. Conjunctiones copulativae.

verbonden (polysyndeton). B.v. Qualis apud Graecos Pherecydes, Hellanlens, Acusïlas fuit, talis noster Cato et Pictor et Piso.

Waaneer de overige woorden onverbonden zijn, wordt het laatste woord ook door que met de vorige verbonden, en zoo de begrippen dor twee laatste woorden nauw aan elkander verwant zijn, ook door atque. B.v. Constantia, gravitas, fortitude reliquaeque virtutes. Honor, gloria, divitiae, cultus atque vestltus corporis muitos delectaut.

Wanneer de opgetelde woorden paarsgewijze tegenover elkander staan, blijven zij gewoonlijk allen onverbonden. B.v. Omnibus moriendum est, divitibus pauperibus, summis infimis. Quid judicant sen sus? Dulce am arum, lene asperum, prope longe, stare movere, quadratum rotundum.

Aanmerking. Men kan bij de optelling van twee of meer begrippen een rethorischen klank aan den zin geven door de herhaling 7an een zelfde woord voor ieder lid. Men noemt dit anaphora. B.v. Quam fragilia, quam cadüca sunt omnia humana. Nullus unquam philosöphus tam humanus, tam modestus, tam ab omui fa-stidioalienus fuit quam Socrates.

§ 506. Door et non, atque non wordt gewoonlijk slechts een enk el woord ontkend. B.v. Ab hostibus constanter et non timide pugnatum est. .Zoo de ontkenning op een ganschen zin betrekking heeft, zegt men gewoonlijk nee of neque (beiden zonder eenig verschil voor klinkers en medeklinkers). Neque kan naar omstandigheden vertaald worden door en niet, noch, ook niet, maar niet. B.v. Druïdes a bello a b esse consuërunt neque tributa pen dunt. Res coeptae neque perfectae.

Op dezelfde wijze zegt men in plaats van et nemo gewoonlijk neque quisquam, van et nullus neque ullus, van et nihil neque quid-quam, van et nunquam neque unquam. Zoo echter de ontkenning sterk moet uitkomen, mag deze verandering niet geschieden. B.v. D o-mus temörc et nullo consilio administratur. Eo simus animo ut moriendi diem nobis faustum putemus nihilque in malis du ca mus, quod sit a diis constitütum.

Evenzoo heet nooit iemand nemo unquam, nergens iemand nemo usquam, nooit iets nihil unquam, nergens «etenihil usquam. B.v. Nulla unquam tam exigua man us tantas opes prostravit. Nihil unquam fecit sine aliquo quaestu atque praeda.

g 507. Een ontkennende zin met vero, tamen, enim,igitur wordt gewoonlijk ingeleid met neque. Men vertale dus: want niet neque enim, maar niet neque vero, echter niet neque tamen, alzoo niet neque igitur. B.v. Rutilius huic humilitati vel mortem anteponendam esse dicebat. Neque vero hoc solum dixit, sed ipse et sensit et fecit.

Zoo echter de ontkenning een sterken nadruk heeft of slechts bij een enkel woord van den zin behoort of in verschillende zinnen herhaald wordt (anaphora), gebruikt men non. B.v. Haec novi judicii nova forma terret oculos, judices. Non enim corona consessus vester cinctus est, ut solebat; non usitata frequentia sti-pati sumus, eet.

343

ocr page 363

Conjunctiones copulativae. § 508—510.

§ 508. Wanneer een ontkenning betrekking heeft op twee woorden, die in het Nederlandsch door en verbonden zijn, wordt in het Latijn of de ontkenning herhaald öf het tweede met het eerste woord yer-bonden door a u t of ve. B.v. Niet de hesten en ernstigsten, maar de onbeschaamdsten en praatzuchtigsten worden gekozen, non optimus quis-que nee gravissimus, sed impudentissimus loquacissimus-que deligïtur. Hune nee hosticus auferet ensis, nee latërum dolor aut tarda podiigra. Nee reeïto euiquam nisi amieis, non ubïvis coramve quibuslïbet.

§ 509. Bij de verbinding van twee woorden of zinnen gebruiken de Latijnen gaarne een dubbele eonjunetio eopulativa, om daardoor de onderlinge betrekking der verbonden woorden of zinnen juister uit te drukken.

Vooreerst staat als zoodanig et — et, zoowel — als, waardoor aan de beide leden een gelijk gewicht wordt toegekend. B.v. Romanorum et in bellicis et in civilibus officiis vigebat industria. Sum-mus et orator et poëta. Rex et potentissimus et nobilissi-mus. Wij laten de eerste conjunctie zeer dikwijls onvertaald.

Zoo de beide leden ontkennend zijn, zegt men n e q u e — n e q u e, niet —• noch, noch — noch, evenmin — als. Bij het tweede lid wordt meermalen voor den nadruk vero gevoegd. B.v. Mentiri nee possum, nee, si possem, eupërem. Hoe genus cupiditatum nee ad potiendum difficile esse censet, nee vero ad carendum. Zoo er een andere ontkenning voorafgaat, kan tnon in plaats van n e q u e — neque ook aut — aut zetten. B.v. Nemo hoc factum aut admi-rabitur aut imitabitur. Vgl. § 489. A.

Zoo het eene lid bevestigend en het andere ontkennend is, zegt men et — neque, niet alleen —maar ook niet, of neque--et, niet alleen niet — maar ook. B.v. Via et eerta nee longa. Homo nee meo judicio stultus et suo valde prudens. Wij laten het eene voegwoord gewoonlijk onvertaald. B.v. Een veilige en niet lange weg.

§ 510. C um — tum, niet alleen — maar ook, zoowel — als vooral, is van et — et onderscheiden doordat het den nadruk op het tweede lid legt. B.v. Ex victoria cum multa mala, tum tyrannis ex-sistet. Dicendi vis cum in omnibus rebus humanis, tum in civitatibus regendis plurimum valet. Wij vertalen cum — tum dikwijls door hijzonder echter voor het tweede lid te zetten.

Tum wordt dikwijls versterkt door praecipue, maxime, imprimis, vero, certe, etiam. B.v. Volvendi sunt libri cum alio-rum turn imprimis Ciceronis.

Zoo er meer dan twee leden zijn, herhaalt men tum. B.v. Eum pater moriens cum tutoribus et propinquis, tum legibus, tum aequitati magistratuum, tum judiciis vestris commend a-tum putavit.

Wanneer cum in deze verbinding een causale of concessieve beteekenis heeft, regeert het den conjunctivus. B.v. Cum multae res in philosophia nequaquam satis adhue explicatae sint, tum per diffieilis est quaestio de natura deorum.

Aanmerking. Van eum — tum is onderscheiden tum —tum, dat evenals modo—modo nu eens — dan eens beteekent. B.v. Inflectit

344

ocr page 364

T

f § 511—512. Conjunctiones copulativae. 345

, sol cursum turn ad septentriones turn ad meridiem. Modo

F ait,modonegat.

§ 611. T am — quam, evenzeer — afe, is van et — et onderscheiden doordat het een even hoogen graad aan beide leden toekent. B.v. ïam omnibus ignoscere crudelitas quam null:.

Non tam — quam beteekent niet zoozeer — als. B.v. De eo non tam quia longum est, quam quia perspicuum,dici nihil estnecesse.

Wanneer evenzeer — als de bijbeteekenis heeft van minstens evenzeer—als, vertaald men het door non minus — quam. B.v. Liberi hominibus non minus cari esse de bent quam pat r ia, aan de menschen moeten hunne hinderen (minstens) even dierbaar zijn als hun vaderland.

Zoo men de twee leden omkeert, kan men in plaats van non minus — quam non ma gis — quam gebruiken. B.v. P a t ri a h o m i n i b us non 1 magis cara esse debet quam liberi. Alexander verrichtte ebenzeer

de werkzaamheden tan gemeen soldaat als die mwceW/ieer öf Alexander non dncis magis quam militis munera exsequebatur of Alexander nou minus militis quam ducis munera exsequebatur. ' Non ma gis — quam beteekent ook evenmin — als, niet zoozeer — als

wel. B.v. T u not. magis aegrötus es quam ego, gij zijt evenmin ' ziek als ik. Jus a p u d v e t e r e s Romanos non 1 e g i b u s magis

quam nat ur a valebat, het recht werd bij de oude Romeinen niet zoozeer in stand (jehouden door de geschreven wetten als wel door het natuurlijk gevoel.

§ 512. Non modo (solum, taatum) — sed (verum) etiam, niet alleen (niet slechts, niet enkel) — maar daarenboven, is daardoor van et — et n onderscheiden, dat het tweede lid nog iets bjj het eerste lid voegt. B.v.

n Nou pa ra ii da nobis solum sapientia, sed fruenda etiam.

0 Scipio Africanus urbibus eversis inimicissimisimperio

gt;- Romano non modo praesentia, verum etiam futura bella

dele vit.

Non modo — sed wordt in twee beteekenisseu gebruikt: l, 1°. niet slechts —• neen of niet slechts — maar veeleer, wanneer het

le tweede lid den inhoud van het eerste lid in zich bevat; men gaat dan

c- van het kleinere over tot het grootere. B.v. Sum consecutus non

n modo, ut domus tua tota, sed ut cunctacivitasmetibi

tn amicissimum esse cognosceret. Tu banc legem datam esse

non modo scivisti, sed ipse dedisti.

I- 2°. ik wil niet zeggen — maar slechts, wanneer men wil aanduiden, dat

3- het eerste lid te veel bevat en dat men zich aan het tweede, hetwelk

minder is, houdt; hier gaat men van het grootere over tot het kleinere, a- B.v. Jecissem me ipse potius in profundum, ut ceteros con-

m servarem, quam illos mei tam cupïdos non modo ad certam

a- mortem, sed in magnum vitae discrTmen adducerem. In plaats

van non modo — sed kan men ook zeggen: non dicam of non 'e dico — sed. B.v. Quid est enim minus non dico oratoris,

ie sed hominis. Zoo men den zin omkeert, kan men nedum of ne

t, dicam, laat staan dan, gebruiken. B.v. Quae civitas est in Asia,

quae non modo imperatoris aut legati, sed unlus tribuni at militum animosac spiritus caperepossitPöf quae civitas

it est in Asia, quae unlus tribuni militum animos ac spiritus

L

ocr page 365

Conjunctiones disjunctivae. § 513—514.

capere possit, ue dicam (nedum) imperator is aut legati? Vgl. § 356.

Niet alleen niet — maar integendeel heet uonmodo non —s e d p o t i u s. B.v. Non modo non pro me est, sed contra me est potius.

Niet alleen niet —maar ook niet heet non modo non — sed ne... qui dom. B.v. Ego non modo tibi non irascor, sed ne repre-hendo quidem factum tuum. Zoo beide loden een gemeenschappelijk praedicaat hebben en dit in het tweede lid staat, zegt men in plaats van non modo non enkel non modo. B.v. Assentatio nou modo amico, sed ne libero quidem dig na est, vleierij is niet alleen een vriend, maar ook een vrij man onwaardig. Zoo echter ieder lid zijn eigen verbum heeft of zoo het gemeenschappelijke verbum in het eerste lid staat, moet men non modo non behouden.

Aanmerking. Modo non en tantum non beteekenen bijna. B.v. Senem per epistolas pellexit, modo non montes auri pol-1 ï c e n s.

II. Conjunctiones disjunctivae.

§ 613. Aut geeft te kennen, dat van de aangegeven zaken slechts één waar is of kan geschieden en tevens dat er geen plaats is voor een derde. B.v. Hie vincendum aut moriendum est. Zeer dikwijls wordt bet om den nadruk verdubbeld. B.v. O m n e enuntiatum aut verum aut falsum est.

Meermalen beteekent aut of zelfs, of ten minste. B.v. Nemini expe-diebat ullum in Sicilia tumultum aut belluni commoveri. Cuncti aut magna pars Siccensium fidem mutarunt.

En noch — noch wordt vertaald door neque aut — aut. B.v. Con-stantis est nullo casu perturbari neque aut spe aut metu do suscepta sententia deterreri.

Opdat noch — noch heet ne aut —aut. B.v. Hoc ego facile pa-tior sileri, ne in hac civitate tanta facinöris immanitas aut exstitisse aut non vindicata esse videatur.

En wordt behalve in het geval, dat § 508 besproken is, ook door aut of ve vertaald in negatieve vragen en na com p ar a t i v i. B.v. N u m leges nostras moresve novit? Accessit istuc doctrina non moderata nee mitis, sed paulo asperior et durior, quam Veritas aut natura patiatur.

§ 514. V e 1 dient meestal om een betere uitdrukking it plaats van een minder goede te zetten. B.v. Ardor caelestis, qui aether vel caelum nominatur. Vandaar staat het dikwijls in verbinding met potius, dicam ofetiam. B.v. Epicürus homo minime malus vel potius optimus. StupCrem hominis vel dicam pecüdis attendïte. Laudanda est vel etiam amanda.

Vel — vel scheidt twee begrippen, welke een derde niet noodzakelijk uitsluiten. B.v. Vel imperatore vel milite me utimini, gebruikt mij als bevelhebber of als soldaat (of als wat anders). Zoo hier aut — aut gebruikt was, zou de zin zijn: óf als bevelhebber óf als soldaat, maar niet als wat anders.

Aanmerking. Vel als adverbium gebruikt heeft de beteekenis van .se/fs. B.v. Pueri ludorum causa vel famem et sitim perfërunt.

346

ocr page 366

Conjunctiones adversativae.

§ 515—517.

347

In deze beteekeuis staat het dikwijls bij superlativi. Vgl. § 303. 3°. Bij pronomina heeft het ook de beteekeuis van reeds. B.v. Rem ita esse vel ex hoc intellëgi potest.

§ 516. V e verbindt slechts enkele woorden met elkander en duidt aau, dat het onderscheid tusschen beiden wat de zaak betreft van geen be-teekenis is. B.v. Auditoresin hilaritatem risumve convertere. Het wordt dikwijls gebruikt bij getallen. B.v. Ter qu at erve euni vidi, ik heb hem misschien drie of viermaal (/ezivn. In sommige verbindingen wordt ve dikwijls weggelaten. B.v. Plus minus; serius ocius.

§ 516. Sive beteekent dat het den spreker onverschillig is, welke dei-genoemde personen of zaken genomen wordt. B.v. Hoc Plato sive (juis alius dixit. Gewoonlijk echter dient het evenals vel om de eerste uitdrukking te verbeteren en wordt gaarne met potius of etiam verbonden. B.v. Discessus sive potius turpissima fuga.

Sive — sive duidt aan, dat men het niet voor uitgemaakt houdt, welke van beide zaken de ware is. B.v. Leges, quas sive Ju pp iter sive Minos s a n x i t.

Seu komt bij Cicero gewoonlijk slechts voor in verbinding met potius. B.v. Regie sen potius tyrannice.

Aanmerking Bij sive-sive wordt het verbum in den indicati-vus gezet. Het Nederlandsche werkwoord mogen blijft altijd onvertaald. B.v. Sive verum est sive falsum, mihi quidem ita renun-tiatum est. Zoo het tweede lid ontkennend is, zeggen wij gewoonlijk of niet; in het Latijn moet het verbum echter altijd aangevuld worden. B.v. Si fatum tibi est ex hoc morbo c o n val e scer e , sive tu medicinam adhibueris, sive non adhibuecis, convalesces.

Hetzij dat, hetzij wijl heet sive quod, sive quia. B.v. Romulus centum creavit senatores, sive quia is numerus satis erat, sive quia soli centum erant, qui creari patres possent.

III. Conjunctiones adversativae.

§ 517. Sed geeft een tegenstelling te kennen, die het voorgaande beperkt, zoo de zin positief, en opheft, zoo de zin negatief is. B.v. Alcibiades ingeuiosus homo, sed in omni vita inconstans fuit. Otii fructus est non contentio animi, sed relaxatio.

Sed wordt ook gebruikt in een redevoering om den overgang te maken tot een nieuw deel of om na een digressie weder ter zake te komen. B.v. Sed jam satis multa de causa; restat ut orem obtesterque vos, ju dices, eet. Sed. redeat unde aberravit oratio.

Aanmerking. Wel — maar wordt vertaald:

1°. door sed. B.v. Marius manu fortissimus, sed ingenio aspero fuit.

2°, door een pronomen personale gevolgd door quidem — sed. B.v. Marius manu ille quidem fortissimus, sed ingenio a-spero fuit. Vgl. § 449.

3°. door ut — ita. B.v. Marius ut manu fortissimus, ita ingenio aspero fuit. Vgl. § 343. A. 1.

4°. zoo beide leden ieder een afzonderlijken zin vormen, ook door het

ocr page 367

348 Conjunctiones adversativae. § 518—521

■ «

beperkende ita gevolgd doorut consecutivum. Vgl. § 486. Welniet — maar heet dan ita non — ut. B.v. Aristoteles et Xenocrates ita non sola virtute finem bonorum contineri putant,ut rebus tarnen omnibus virtutem antepönant.

5°. door etsi of quamquam — tarnen, wanneer het subject der beide zinnen Terschillend is. B.v. Quamquam intellego, quid optimum facta sit, tamen ne faciam multa impediunt.

§ 518. V e r u in heeft een sterkere beteekenis dan s e d, doch wordt gewoonlijk slechts gebruikt evenals se d bij het maken van een overgang of na een digressi e en in de uitdrukking non solum — verum etiam. B.v. Verum quidem haec hactenus.

In plaats van sed en verum gebruiken Livius en anderen ook c e t e r u m.

§ 519. Vero (gewoonlijk op de tweede plaats te stellen) wordt gebruikt, wanneer men het voorgaande toegeeft, doch er als tegenstelling nog iets grooters en gewichtigers tegenover plaatst. B.v. Musïca Roma nis moribus abest a principis persona, saltare vero etiam in vitiisponitur.

Enimvëro, Ja waarlijk, heeft geen adversatieve maar bevestigende kracht. B.v. Enimvëro mirari satis non queo.

Verum enimvëro drukt de sterkst mogelijke tegenstelling uit. B.v. Multi mortales indocti incultique vitam transierunt. Eo-rum ego vitam mortemque juxta aestimo. Verum enimvero is demum mihi vivere videtur, qui aliquo negotie intentus praeclari facinöris aut artis bonae famam quaerit.

§ 520. Au tem (gewoonlijk op de tweede plaats te stellen) is de zwakste conjunctie adversativa. Zij dient om iets aan te voeren, wat van het voorgaande onderscheiden is of om een verhaal voort te zetten of om een aanmerking te maken. B.v. Gyges a nullo videbatur, ipse autem omnia videbat. Oppidum oppugn a re coepit; erat autem oppidum et looi natura et arte munltura.

Autem staat ook bij de propositio minor van een syllogismus. B.v. Jus civile est aequitas constituta lis, qui ejusdem ci-vitatis sunt, ad res suas obtinendas; ejus autem aequita-^is utilis est cognitio: utilis est ergo juris civilis scientia.

§ 521. At (ast verouderd en dichterlijk) wordt gebruikt:

1°. om twee gedachten, die beiden waar zijn, met nadruk tegenover elkander te stellen. B.v. Magnae divitiae, vis corporis, alia omnia hujusmodi brevi dilabuntur, at ingenii egregia fa-cinora immortalia sunt.

2°. om een tegenwerping of op te geven (maar kan men tegenwerpen, maar hoor ik zeggen) of op afdoende wijze te weerleggen (maar hiertegen zeg ik). In het laatste geval zegt men dikwijls at enim, at vero. B.v. Canes aluntur in capitolio, ut significent, si fures vene-rint. At (maar zult gij zeggen) fures internoscere non possunt. Dicuut isti, juvenum mores a me pessumdatos esse; at enim quem tandem juvenem pessumdödi?

3°. bij uitroepingen van verwondering of ontevredenheid. B.v. V e s t r a m aequitatem una mater oppugnat. At quae mater! (maar ivat voor een moeder ook!) Vgl. § 335. 3°.

ocr page 368

§ 522—526. Conjundiones conclusivae.

§ 522. At qui (slechts aan het begin van een zin te zetten) wordt gebruikt in een dubbele beteekenis:

1°. en toch, wanneer men het voorafgaande toegeeft, maar tevens er iets tegen inbrengt, waardoor het vernietigd of verzwakt wordt. B.v. V i-detis nihil esse morti tam simile quam somnum. Atqui dor-mientium animi declarant divinitatem suam. O rem dif-ficilem, inquis, et inexplicabilem. Atqui expiicauda est.

2°. nu ec/jier, bij een propositio minor evenals autem. B.v. Si virtutes pares suut inter se, paria etiam esse vitia necesse est. Atqui pares esse virtutes, facillime potest perspïci. Sequitur igitur, uó etiam vitia sint paria.

§ 523. T amen (voorop te plaatsen, zoo het den nadruk heeft, anders na het woord, da.t den nadruk heeft) wordt gebruikt na zinnen met een conjunctio concessiva of waarin men zulk een conjunctio kan aanvullen. B.v. Pausa nias aceusatus capitis absolvitur; ra uit a-tur tarnen pecunia.

Et tarnen beteekent en evenwel, a 11 a m e n maar evenwel, s e d tarnen intusschen, v e r u ra t a, m e n intusschen echter toch.

§ 524. Wanneer raen een ontkennenden en een bevestigenden zin tegenover elkander stelt, wordt maar, doch {niet) gewoonlijk öf vertaald door «t, atque, que (neque) óf onvertaald gelaten. Men zal hierbij meermalen het verbum moeten herhalen. B.v. Suasit ei, nesemo-vöret et exspeetaret. Hostes in fugam dederunt neque per-sëqui potuerunt. Lycurgus Spartam fortitudine civium, non moeuibus muniri voluit. Ex propinquitate benevolen-tia tolli potest, ex amicitia non potest. Vincere seis, Hannibal, victoria uti nescis. In plaats van het verbum te herhalen kan men ook item bij de ontkenning voegen. B.v. Hoe Herculi potuit fortasse contingere, nobis non item.

Terwijl in den zin van daar toch blijft, zoo een bevestigende en een ontkennende vraag tegenover elkander gesteld worden, onvertaald. B.v. Wat, dit hebben mannen niet kunnen doen, terwijl knapen het hebben kunnen doen, Quid, hoc pueri potuerunt, viri non potuerunt? Quid causae est, cur Cassandra furens futura prospiciat, Priitmus sapiens idem facere non possit? Vgl. § 372. A. II.

Een tegenstelling kan dikwijls versterkt worden door een chiasmus te gebruiken. Da conjunctio adversativa blijft dan gewoonlijk onvertaald. B.v. Si gladium quis apud te sana mente deposuerit, repëtat insaniens, reddere peccatum sit, officium non redder e. Ratio nostra consentit, repugnat oratio.

IV. Conjunctiones conclusivae.

§ 525. Ergo (voorop te zetten of na het woord, dat den klemtoon heeft) wordt slechts gebruikt bij een lo gis ch e gevolgtrekking. B.v. Om-nes homines mortales sunt; atqui Gajus homo est; ergo Gajus mortalisest.

§ 526. 11 it q u e (aan het begin van den zin te plaatsen) geeft gewoonlijk een uit feiten voorvloeiend gevolg te kennen en is bijna niet verschillend van het relatieve quare, quamobrem, quapropter. B.v.

349

ocr page 369

Conjunctiones conclusivae.

§ 527—529.

350

In Phociüne tantum fuit odium multitudinis, ut nemo ausus sit eum liber sepelire. Itaque (en zoo kwam het, dat) a servis sepultus est.

§ 527. Igïtur (gewoonlijk op de tweede plaats te zetten, soms ook na meerdere nauw verbonden woorden) geeft een gevolg te kennen, dat als van zelf spreekt en dan ook als bijzaak beschouwd wordt. B.v. Bestiolae quaedam unum diem vivunt; ex his igitur hora octava quae mortua est, provecta aetate mortua est.

Aanmerking I. Igitur, enim, autem, quidem, vero, quo-q u e staan in den regel tusschen den voornaam en den geslachtsnaam van een persoon. B.v. Gn. igitur Pompejus. M. enim Marcellus.

Aanmerking II. Igitur, enim, autem staan gewoonlijk op de derde plaats, wanneer de zin begint:

lquot;. met een praedicaatsnomen en een vorm van sum. B.v. Ve-rius est igitur illud. Moriendum est enim omnibus.

2°. met non est, neque est, nihil est, nemo est, quis est, hic est, eet. B.v. Haec est enim Socratïca ratio.

3°. met een conjunctie, een negatie, een relativum ofinter-rogativum en het daarop volgende woord een sterken klemtoon vordert. B.v. Cum dicis igitur. Non videt autem. Num vis igitur a u d i r e ?

4°. En daarom, en ahoo vertale men niet door et igitur of igitur-q u e, maar of door ob eamque rem, et ob eam causam, ettque de causa öf door quare, quamobrem, quo circa, quapropter, unde of door ut consecutivum of een andere passende subordinee-rende conjunctie. B.v. Het weder is slecht en daarom kunnen wij niet uitgaan, tempestas quia mala est, in publicum prodire non p oss u mus of tempestas tam mala est, ut in publicum prod-ire non posstmus. Themistocles had door zijn overwinning op de Perzen hij Salamis Griekenland gered en werd daarom zelfs door de Spartanen geëerd, Themistocles, quippe qui Persis ad Salamina victis Grraeciam servasset, ipsis Spartanis in honore fuit.

§ 628. Proinde staat gewoonlijk slechts met den imperativus of conjunctivus om een opwekking of aanmaning in te leiden, die uit hetgeen voorafgaat voortvloeit. B.v. Quae resecanda sunt, non pa-tiar ad perniciem civitatis manere; proinde aut exeant aut quiescant.

§ 529. Evenals de bovengenoemde conjuncties zich noodzakelijk aansluiten aan het voorafgaande, zoo hebben eo, ideo, idcirco, prop-terea meestal betrekking op een volgenden zin met q u o d, ut, ne, enz. B.v.Omnium fortissimi sunt Belgae propterea, quod a cultu atque humanitate provinciae longissime absunt. Ideo ad to veni, ut te consolarer. Idcirco mutuae amicitiae com-parantur, ut commune commödum mutuis officiis guberne-tur. Homines suorum mortem eo lugent, quod eos orbatos vitae commodis arbitrantur.

ocr page 370

P R O S O D T A.

EERSTE HOOFDSTUK OVER DE QUANTITEIT DER LETTERGREPEN.

Algemeene regels.

§ 530. Een lettergreep is of lang óf kort öf nu eens lang en dan eens kort (syllaba anceps).

De lengte eener lettergreep hangt af of van de natuur der vocaal (syllaba natura longa of brevis) óf van de plaatsing der vocaal voor andere letters (syllaba positione longa of brevis).

§ 531. Van natuur lang is iedere diphthong en iedere enkele vocaal, die door samentrekking van twee vocalen ontstaan is. B.v. poena, cogo (cöago), tibicen (tibïïcen), junior (jüvënior).

§ 532. Kort is iedere vocaal, die vóór een andere vocaal in hetzelfde woord staat, ook wanneer er een h tusschen beiden is (vocalis ante vocalem corripitur). B.v. Deus, pïus, traho, vëho. Ook van natuur lange vocalen en diphthongen worden in dit geval kort. B.v. dëorsum, sëorsum, praëacutus.

Van dezen regel zijn uitgezonderd:

1quot;. de a van den genetivus ai der eerste declinatie. Vgl. § 12. A. II.

2°. de e van den uitgang ei der vijfde declinatie, zoo er vóór e een vocaal staat. Vgl. § 30. 3°.

3°. de a en e van den uitgang ai en ëi in den vocativus der eigennamen op ajus en ejus. Vgl. § 30. 4°.

4°. de i van fio, behalve in het imperfectum conjunctivi en in den infinitivus praesens. Vgl. § 125.

5°. de i van den genetivus op ïus der pronomina en der adjectiva van § 52. 4I). Behalve in alius wordt deze i door dichters dikwijls kort gebruikt. B.v. ill ïus. alterïus.

ocr page 371

Algemeene regels over de quantiteit. § 533—5a4.

6°. ëheu, ohe (soms Öhe), dius, Diana (ook Diana).

Aanmerking. De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit. B.v. aër, ëos, Amphïon, Agesilaus, Maëonia. Betrekkelijk de uitgangen ea en eus of ia en ius valt op te merken, dat de e en i lang zijn, wanneer zij uit six, en staz, doch kort, wanneer zij uit ex en tx ontstaan zijn. Lang zijn derhalve: Galatea, Medëa, Darëus, Iphigenia, Alexandria, Antiochïa, Nico media, Samaria, Seleucla, Thalla, Ar lus, Basi-lius, nosocomlum, Epicurëus, Pythagorëus, spondeus; maar kort: idëa, philosophia, theologia, astrologia. Hetzelfde geldt van den uitgang i d e s der patronymica, naarmate deze in het Grieksch (Priamides, Aeacldes) of sihv,:

(A tri des, P elides) is. Als uitzonderingen worden genoemd platëa, straat, soms chorea en Academïa in plaats van chorëa en Academïa.

§ 533. Een lettergreep is positione lang:

1°. wanneer zij eindigt op twee consonanten of op x. B.v. amabünt, radix.

2°. wanneer zij eindigt op een consonant en de volgende lettergreep van hetzelfde of van het volgende woord met een consonant begint. B.v. Ille, ar ma, In nova.

3°. wanneer zij eindigt op een korte vocaal en de volgende lettergreep van hetzelfde woord begint met j, x, z of twee consonanten, waarvan de tweede niet is 1 of r. B.v. major, axis, gaza, rëstis, nëscio.

In de composita van jügum maakt de j geen positie. B.v. bï-jügus, quadrljügus. Qu maakt geen positie. B.v. liquïdus; evenmin doet dit de h met een consonant. B.v. abhinc.

§ 534. Een lettergreep is positione lang of kort, wanneer zij eindigt op een korte v o c a a 1 en de volgende lettergreep van hetzelfde woord begint met twee consonanten, waarvan de tweede 1 of r is. B.v. rëpleo, rlfluo, rëcreo, tenëbrae, lugübris, volücris. Men noemt dit positio debilis. In proza wordt een lettergreep met positio debilis altjjd kort uitgesproken.

Aanmerking. Wanneer de vocaal van natuur lang is, wordt de lettergreep altijd lang gemeten. B.v. salübris, delübrum, dëtraho. Eveneens is een lettergreep altijd lang, wanneer in samengestelde woorden het eerste gedeelte op een consonant eindigt en het tweede met 1 of r begint. B.v. abluo, übrëpo.

De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit.

352

ocr page 372

§ 535—536. Quantiteit der voorste lettergrepen.

Bijzondere regels.

I. Over de quantiteit der voorste lettergrepen.

§ 535. De quantiteit der voorste lettergrepen kan men slechts door het gebruik en het vlijtig raadplegen van een goed woordenboek leeren kennen. Behalve op de aanmerkingen, die wij in het negentiende hoofdstuk der etymologia betrekkelijk de quantiteit maakten, lette men nog op de volgende regels:

1°. De u in het begin van een woord is altijd lang behalve in üt, üter, wie van beiden, übi, uterus, iilülo, üpüpa en enkele eigennamen. B.v. über, ütor, Onus, üva.

2°. De perfecta met reduplicatie hebben de eerste lettergreep kort en ook de tweede, tenzij deze positione lang ie. B.v. tëtïgi, dïdïci, doch fëfêlli, eücürri. Uitgezonderd is cêcïdi van caedo (niet cëcïdi van ca do).

3°. De verba met meer dan tweelettergrepige perfecta op vi hebben zoowel in het perfectum als in het supinum de voorlaatste lang. B.v. amavi, amatum, delëvi, delëtum, petivi, petïtum, audïvi, audïtum. Zoo het perfectum niet op ivi (ii) uitgaat, is de voorlaatste van het supinum op itum kort. B.v. habitum, creditum. Uitgezonderd is recensltum.

4°. De verba, wier perfectum op ui eindigt, hebben een korte stamvocaal. B.v. vëto, placeo, cölo, apërio. Uitgezonderd zjjn pöno (doch pösui, pösïtum), floreo en pïïreo.

5°. De verba op io der derde conjugatie hebben een korte stamvocaal. B.v. cftpio, facio.

6°. Dare heeft altijd een korte stamvocaal behalve in da en das.

Aanmerking. Over de quantiteit der paenultima van de uitgangen der declinaties en conjugaties vergelijke men § 30 en § 100. In het futurum exactum en het perfectum conjunctivi kunnen de dichters de i der uitgangen imus en it is naar verkiezing lang of kort nemen.

Sommige woorden van dezelfde spelling hebben een verschillende quantiteit. B.v. labor (verbum) en lö,bor (subst.), latere (verbum) en 1 atëre (abl. van latus en later), mines, mane (van manëre) en manes {schimmen), mane {ochtend), rëpens (part. van rëpo) en rëpens (adj.).

§ 536. De afgeleide en samengestelde woorden behouden gewoonlijk de quantiteit der stamwoorden en der simplicia, ook S111 druk. '23

353

ocr page 373

Quantiteit der voorste lettergrepen.

wanneer de stamvocaal veranderd wordt. B.v. a,mor, amorid, ö,mo, redamo; clamo, clamavi, reclamo; monïtum, monïtio; caëdo, occïdo; cado, occïdo.

Op dezen regel zijn de volgende uitzonderingen:

I. in de geconjugeerde en gedeclineerde vormen.

1°. De perfecta en supina van twee lettergrepen hebben, behalve als het vocalis ante vocalem is, de eerste lettergreep lang, ook al is die in het praesens kort. B.v. lëgi van lego; feci van facio; mövi en motum van moveo; vïdi en visum van video.

De eerste lettergreep is echter kort in de perfecta: bïbi, dëdi, fidi,

stëti, stïti, tüli, scïdi.

de supina: datum, satum, ratum, statu m van sis to,

ï t u m, 1 ï t u m, q u 11 u m, s 11 u m, r ü t u m, c ï t u m van cieo.

In statum van sto en citum van cio is de eerste lettergreep lang.

Aanmerking. Men wachte zich wel de perfecta der samengestelde verba als tweelettergrepig te beschouwen, wanneer de reduplicatie van het simplex is weggevallen. B.v. comperio, compëri van pario, pepëri. Vgl. § 136. VI.

2°. In de declinatie worden de lange stamvocalen verkort van b 5 s, lar, mas, par, pës, sal en vas, vadis (niet vas, vasis). B.v. bövis, laris.

II. in de afleidingen.

Lang wordt de korte stamvocaal in de volgende woorden: humanus (hömo), lex, lëgis (legere), lïtera, lïtus (lïtum), ina-cëro (macer), pax, pacis (pacio), persona (persöno), rex, regis, rëgü 1 a (regere), sëdes, sëdülus (sëdeo), s ëmen (sëro), stipendium (stips, stipis), suspïcio (suspïcor), tëgüla (tëgere).

Kort wordt de lange stamvocaal in de volgende woorden ambitus, a m b ï t i o (ambltum), d ï c a x (dlcere), dux, d ü c i s, redux, redücis, edücare (dücere), fides, perfidus (fldo, fldus, infldus), 1 a b a r e (labi), 1 ü c e r n a (lüceo), m Ö1 e s t u s (möles), natar e (natum), nöta, notare (nötus), Odium (odi), söpor (söpire), statio, stabilis, stabulum (statum, stare), vöcare (vox, vöcis).

III. in de samenstellingen.

Lang wordt de korte stamvocaal in imbëcillus (baculus).

354

ocr page 374

Quantiteit der eindlettergrepen.

§ 537—538.

355

Kort wordt de lange stamvocaal in dejëro, pejëro (jüro), agnitus, cognïtus (notus), pronübus, innübus (nübo), sï-q u i d e m (sï), dïrimo, dïsertus (dï), in de composita op d I c u s van dïcere, zooals fatidïcus en verder in verschillende composita met pro, zooals profanus, prófari, pröcella, prönëpos, prötervus.

Aanmerking. Meermalen zal men door de bekende uitspraak van zeker woord de quantiteit eener bepaalde lettergreep kunnen leeren kennen. Daartoe moet men die lettergreep door samenstelling of verbuiging tot paenultima maken. Wenscht men b.v. de quantiteit te kennen van mi in hominibus, da.n laat men bus weg; nu weet men uit de bekende uitspraak van den dativus singularis homini, dat de i kort is. Evenzoo zal de eerste lettergreep van oroen miror lang zijn, omdat men gewoon is te zeggen adöro, admïror, doch kort van moror en super, omda t men zegt commöror, des ü per.

II. Over de quantiteit der eindlettergrepen.

§ 537. Monosyllaba.

I. Alle monosyllaba, die uitgaan op een vocaal, zijn lang, uitgenomen de achtervoegsels në, quë, vë, cë, të, psë, ptë en de onscheidbare praepositie ré (rë in het impersonale refert is van anderen oorsprong). Vgl. over si, dï en pro in composita § 536. III.

II. Van de monosyllaba, die uitgaan op een consonant, zijn lang:

a) alle substantiva, behalve cÖr, vir, fel. mël, lac en ös (oasis).

h) alle overige monosyllaba, behalve die uitgaan op b, d, 1, t, (zooals itb, ad, pol, dfit), alsmede an, In, fftc, nëc, për, fër, tër, quis (nom.), bïs, ïs (pron.), cïs (praep.), ës (van sum). IIïc (nom.) is anceps.

§ 538. Polysyilaba, die op een vocaal eindigen.

I. De uitgang a is kort, behalve

a) in den ablativus singularis der eerste declinatie. B.v. mensa.

h) in den vocativus singularis der Grieksche woorden op a s. B.v. Aenea, Atla.

c) in den imperativus activi der eerste conjugatie. B.v. ama. Uitgezonderd is puta in de beteekenis hij voorbeeld.

d) in de onveranderlijke woorden. B.v. antea, contra, erga, f rus tra. Uitgezonderd zijn eja, ita, quia.

ocr page 375

356 Quantiteit der eindlettergrepen. § 539.

II. De uitgang e is kort, behalve

a) in den ablativus singularis der vijfde declinatie, zooals die, benevens in de adverbia hodië, pridie, postridiê, quotidië en in den ablativus fame.

h) in den imperativus activi der tweede conjugatie. B.v. docë. Doch cave, babe, vale, vide, tace, jube, raane worden soms kort gevonden.

c) in de adverbia op e, afgeleid van adjectiva der tweede declinatie. B.v. doctë, miserë. Eveneens in ferë, fermë, ohë; doch kort in bene, male, anceps in supernë, infernë, internë.

d) in de woorden, die in het Grrieksch op ^ uitgaan. B.v. Ni ö bë, Tempë.

III. De uitgang i is lang, behalve

a) in nisï, quasi en cuï.

V) in den dativus en vocativus van Grieksche woorden. B.v. Daphnidï, Alexï.

De i is anceps in mihï, tibï, sibï, ibï, ubl. In de composita zegt men altijd ibidem, ubïque, doch ubïnam en ubïvis. Van ut (utï) heeten de composita utïnam en utïque.

IV. De uitgang o is lang behalve in modó, citö, illïcö, 1 immö, cedö (§ 133), egö, duo, octö.

De o is anceps in den nominativus der derde declinatie, in het praesens van alle conjugaties, in het gerundium op do en in de adverbia ergo, derhalve (doch ergö, wegens), porrö, postre-mö, serö, quandö (doch altijd quandöquïdem).

V. De uitgang u is altijd lang en y altijd kort.

§ 539. Polysyllaba, die op een consonant eindigen.

Alle twee- en meerlettergrepige woorden, die op een anderen consonant dan s eindigen, hebben de laatste lettergreep kort. B.v. donëc, illüd, consul, amem, deüm, carmen, laudér, caput.

Lang zijn echter liën, alëc, illoc, illac, illïc, istöc, istac, istlc, en de composita van par, zooals dis par. De 1 Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit, zooals: cratër, aër (gen. aëris), aethër (gen. aethëris), Aenëan. Patër en matër hebben de laatste lettergreep echter kort, zoo ook de nomina op or. B.v. rhetör, Hectór.

Voor de woorden, die op s uitgaan, gelden de volgende regels.

I. De uitgang as is lang, behalve

a) in anas (anitis). ■

ocr page 376

Over de verzen in het algemeen.

6) in de Grieksche woorden op ö, s (ö,dis), zooals: Ilias (Iliftdis).

c) in den Griekschen accusativus pluraiis der derde declinatie, zooals: herofts, plialangfts.

II. De uitgang es is lang, behalve

«) in den uoninativus singularis der derde declinatie, wanneer de genetivus uitgaat op ïtis, ëtis, idis met korte paenultima, zooals: milës, segës, obsës. Doch abiës, ariës, pariës.

b) in penës.

c) in den nominativus en vocativus pluralis van Grieksche woorden der derde declinatie, zooals; chlamydës en in de Grieksche neutra op es, zooals: Cynosargës.

III. De uitgang is is kort, behalve

«) in den dativus en ablativus pluralis. B.v. men sis, nobis.

b) in den accusativus pluralis op is. B.v. omnïs.

c) in den nominativus singularis, zoo de genetivus uitgaat op ïti s, I n i s, e n t i s. B.v. Sam nis, Salamis, Simöis.

d) in den tweeden persoon enkelvoud van het praesens indica-tivi activi der verba van de vierde conjugatie, zooals: au dis, als-

! mede in velïs, nolls, mal is, pos sis.

e) somtijds in den tweeden persoon enkelvoud van het futurum exactum. B.v. reddiderïs.

IV. De uitgang os is lang, behalve

«) in compös, impös.

b) in de woorden, die in het Grieksch op os uitgaan, zooals: Delös, Arcados.

V. De uitgang us is kort, behalve

«) in den nominativus singularis der derde declinatie, wanneer de genetivus een lange u heeft, zooals: virtüs, palus, tellus.

b) in den genetivus singularis en in den pluralis der vierde declinatie. B.v. fructüs.

c) in de woorden, die in het Grieksch op ouc uitgaan, zooals: j Sapphüs, Panthüs, doch kort in Oedipüs en polypüs.

VI. de uitgang ys is altijd kort. B.v. chlamys.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERZEN IN HET ALGEMEEN.

I§ 540. Door een vers verstaat men in het Latijn een reeks van lange en korte lettergrepen, die volgens een vasten regel in afwisselende orde op elkander volgen.

357

ocr page 377

§ 541.

358

Voeten.

De leden, waaruit zulk een reeks van ordelijk op elkander volgende lange en korte lettergrepen bestaat, noemt men voeten (pedes). De bepaalde opvolging van lange en korte lettergrepen in een voet heet metrum.

De voeten worden naar liet getal en de quantiteit der lettergrepen onder verschillende namen aangeduid-

I. Voeten van twee lettergrepen.

pyrrhichius: bëne.

w — iambus: rëgïint.

— w trochaeus of chorëus: matrë.

--spondeus: vübls.

II. Voeten van drie lettergrepen.

www tribrachys: tëgërë.

ww— anapaest us: dömïno.

— ww dactylus: omnia.

w —w amphibrachys: dédissë.

w--bacchïus: dölörës.

--w palimbacchius: lëgïssë.

— w— cretïcus: aëquitas.

---molossus; aüdïrl.

III. Voeten van vier lettergrepen.

proceleusmat^cus: mëmörïa.

paeon primus: hïstörïa.

paeon secundus: modëstïa.

paeon tertius: glóriösa.

paeon quartus: cëlërltas.

ionïcus a minore: rëdëüntës.

--ww iontcus a majore: aüdacïa.

w—w- diiambus: pótëntïaë.

— w — w ditrochaeus of dichorëus: ërüdïtüs.

— ww— choriambus: prospïcmnt.

w--w antispastus: rëdüxêrë.

w---epitrïtus primus: salütantës.

— w--epitrïtus secundus: ïmpëratrïx.

--w— epitrïtus tertius: aüctörïtas.

---w epitrïtus quartus: örnamënta.

----dispondëus: praëcëptorës.

§ 541. De tijd, dien de uitspraak eener korte lettergreep vordert , heet mora. De uitspraak eener lange lettergreep vereischt twee morae. De dichters mogen in vele gevallen voeten van een

W ^ W W

KJ -—

ocr page 378

Arsis en thesis.

359

§ 542—543.

gelijk aantal morae met elkander verwisselen. Zoo mogen zjj soms een spondeus (--) gebruiken in plaats van een dactylus (_^of een tribrachys (^^^)in plaats van een iambus —).

De voeten, die uit lange en korte lettergrepen bestaan, zooals de dactylus en de iambus, heeten eigenlijke voeten. De voeten, die enkel uit lange of enkel uit korte lettergrepen bestaan, zooals de spondeus en de tribrachys, heeten oneigenlijke voeten en dienen om in sommige gevallen in plaats van de eigenlijke voeten gebruikt te worden.

§ 542. De regelmatige beweging der stem bij de ordelijke afwisseling der lange en korte lettergrepen van een vers noemt men rhythmus. De rhythmus, die in onze taal vooral op den klemtoon bij de uitspraak berust, hangt in de Latijnsche verzen voornamelijk af van de verheffing der stem bij een lange en van de daling der stem bij een korte lettergreep. De plaats, die een lange lettergreep in een eigenlijken voet inneemt, noemt men arsis, en de plaats, die de korte lettergrepen innemen, thesis. Zoo staat in een iambus —) de eerste lettergreep i n the si, de tweede in ar si. In een dactylus (—daarentegen heeft de eerste lettergreep de arsis en hebben de beide laatste lettergrepen de thesis. De arsis kan men aanduiden door het teeken'.

In de oneigenlijke voeten vallen de arsis en de thesis op dezelfde plaats als in de eigenlijke voeten, die door de oneigenlijke voeten vervangen worden. Zoo zal een spondeus de eerste lettergreep in ar si hebben (-!—), wanneer hij in plaats van een dactylus (—staat, doch de laatste (—-), wanneer hij in plaats van een anapaestus ) gebruikt wordt. Wanneer, zooals bij

de tribrachys, twee korte lettergrepen in plaats van één lange staan, dan heeft de eerste korte de arsis, zoo

de tribrachys in plaats van een trochaeus (—w) staat, doch de tweede korte zoo de tribrachys in plaats van een

iambus staat.

De eigenlijke voeten heeten eenvoudige, wanneer zij slechts één arsis hebben, zooals de iambus, de trochaeus, de dactylus en de anapaestus, doch samengestelde, wanneer zij twee arses hebben, zooals de cretïcus en de bac-chlus. De eerste arsis wordt hoofdarsis genoemd en aangeduid door het teeken

§ 543. De verzen worden verdeeld in eenvoudige en sa-

ocr page 379

Verdeeling der verzen.

360

§ 544.

mengestelde verzen. Een vers is eenvoudig, wanneer er slechts voeten van hetzelfde metrum in voorkomen, bij voorbeeld enkel dactyli of voeten, die in plaats van dactyli mogen gebruikt worden. Een vers is samengesteld, wanneer voeten van verschillend metrum met elkander verbonden worden.

De e envoudige verzen worden genoemd deels naar de voeten, die hun hoofdmetrum vormen, zooals dactylische, jambische verzen, deels naar het getal der voeten, die er in voorkomen. Zoo worden de dactylische verzen onderscheiden in versus dimëtri, trimëtri, tetramëtri, pentamëtri en hexa-m ë t r i, naarmate zij uit 2, 3, 4, 5 of 6 voeten bestaan. De meeste soorten van eenvoudige verzen echter hebben niet één voet als maat bij de telling, maar een vereenigingvan twee voeten, welke d i p Ö d i e genoemd wordt. Zoo zal een a n a p a e-stisch vers, wanneer het uit twee anapaesti bestaat, een monomëter, en wanneer het uit vier anapaesti bestaat, een dimëter genoemd worden. Evenzoo heet een jambisch vers van zes iambi een trimëter en een trochaeïsch vers van acht trochaei een tetramëter. Men noemt zulk een eenvoudig vers echter ook naar het getal der enkele voeten versus quaternarius, senarius, octonarius.

De s amengestelde verzen worden evenals de dactylische naar het getal der enkele voeten genoemd.

Aanmerking. Somtijds wordt het eigenlijke metrum van een vers voorafgegaan door één of twee lettergrepen, die men in het eerste geval anacrusis, in het tweede basis noemt. De basis is gewoonlijk een spondeus of trochaeus.

§ 544. In verschillende verssoorten ontbreken aan den laats ten voet één of twee lettergrepen. Zulk een verssoort noemt men versus catalectïcus en wel catalecticus in syllabam, wanneer er slechts één lettergreep van den laatsten voet overig is, catalecticus in bisyllabum, wanneer er twee lettergrepen van den laatsten voet overig zijn.

Een vers, welks laatste voet volledig is, wordt versus acaquot; talectus genoemd.

Een vers, dat aan het einde van den laatsten voet een lettergreep te veel heeft, noemt men versus hypercatalectus.

Wanneer een vers naar dipodiën wordt gemeten en er een halve dipodie aan den laatsten voet ontbreekt, noemt men het versus brachycatalectus.

ocr page 380

Caesura. Elisio. Hiatus.

§ 545—546.

361

De laatste lettergreep van ieder eenvoudig vers mag naar verkiezing lang of kort genomen worden.

Een vers volgens zijn voeten afmeten noemt men scandeer en.

§ 545. Wanneer in een vers het einde van ieder woord samenvalt met het einde van een voet, zal het onwelluidend zijn. B.v,

Aürëa | carmlna | Jülï | scribïs | maxime | vé.tüm. Daarom zorgen de dichters, dat de woorden op een of meer plaatsen in het vers door de voeten doorgesneden worden. B.v.

Tune tüft | res agi|tür, parijés cüm | próxïmus | ardët.

Bij langere verzen is het ook noodig, dat er op een of andere plaats in het vers een rustpunt is. Men verkrijgt dit door de zoogenaamde caesura en diaeresis, die het vers op bepaalde plaatsen achter een woord doorsnijden en daar voor het begrip van den zin bij het lezen een kortere of langere pauze vorderen.

Deze doorsnijding wordt caesura genoemd, wanneer zij valt binnen een voet en wel caesura masculina, zoo zij achter de arsis, en caesura feminina, zoo zij in de thesis valt.

Men noemt de doorsnijding diaeresis, zoo zij valt op het einde van een voet. De caesura en de diaeresis worden gewoonlijk aangegeven door het teeken || . B.v.

Caesura masculina.

Incidit | in Scylllam H qui | vult vitare Chalrybdim.

Caesura feminina.

Obstupulit simul | ipse || sïlmul pe^cussus Alchates.

Diaeresis

Die mihi, | Damoe'ta, culjüm pëcüs? H An Melilboei?

§ 546. Wanneer in een vers een woord op een vocaal of m eindigt en het volgende woord met een vocaal of h begint, laten de dichters die twee lettergrepen gewoonlijk tot één lettergreep samensmelten met de quantiteit der tweede lettergreep. Men noemt dit elisio of uitstooting. B.v.

Oran ■ dum^est, ut | sit mens | sana^In f corpore | sano.

Wanneer de elisio verwaarloosd wordt, ontstaat er een zoogenaamde hiatus of gapiny. Deze is slechts in sommige gevallen geoorloofd en wel:

1°. bij éénlettergrepige woorden. B.v. 5 übi | campï.

2°. bij lange vocalen die in arsi staan. B.v. fémïnëjó ülü|latü.

3°. bij lange vocalen en tweeklanken, die als korte gebruikt zijn en in the si staan. B.v.

ocr page 381

Diastole. Syncope. Synizesis. § 547—549.

dlcjfcoque vSjlé vS-le | inqiiït ét | écho.

4°. wanneer er een lang leesteeken tnsschen beide vocalen staat. B.v

Et v eira^i nces|s u patulit d ëa. H 111 e^ubi ] matrem.

Aanmerking. Slechts zelden wordt de slotlettergreep van een. vers geëlideerd, wanneer het volgende vers met een vocaal of h begint. B.v.

Omnia | Mércürïlö sïmlilis || vöcémquë cöllórëmlque

Et crilnes flaivos || et | membra de|cora jujventae.

Zulk een vers noemt men een versus hypermëter, niet te verwarren met een versus hypercatalectus. Vgl. § 544.

§ 547. Een korte lettergreep wordt somtijds lang genomen, wanneer zij in ar si staat. Men noemt dit diastole of uitzetting. B.v.

Pectoribüs ïnhllans || spirantia | consulit | exta.

Sideralqué vënitique nolcent || avijdaeque volucres.

Omgekeerd wordt een lange lettergreep somtijds kort genomen. Men noemt dit systole of inkrimping. B.v.

Opstipui stëtéjruntque cojmae^et v ox ] faucibus |haesit.

De diastole en systole komen vooral te pas bij woorden, die zonder deze uitzetting of inkrimping niet in een verssoort gebruikt zouden kunnen worden. Zoo vindt men in een hexameter altijd Prïamïdes in plaats van Pr lam i des en altërïus in plaats van altërïus.

§ 548. Somtijds laten de dichters een vocaal weg uit liet m i d-den van een woord. B.v. puertia in plaats van pueritia. Men noemt dit syncope.

Somtijds valt er een letter aan het einde van een woord weg. B.v. viden in plaats van videsne, ain in plaats van aisne. Dit heet apocöpe.

§ 549. Somtijds worden in een woord twee lettergrepen, waarvan de eerste op een vocaal eindigt en de tweede met een vocaal begint, tot één lettergreep samengetrokken. Men noemt dit syn-izësis. B.v. dein, prout, deerunt, postea.

Meermalen worden door de synizesis de vocalen i en u in de consonanten j en v veranderd, die dan met de voorgaande consonanten positie maken. B.v. abïëtë wordt abjëtë; gënüa wordt gen va.

Omgekeerd worden de j en v ook in i en u veranderd. B.v.

362

ocr page 382

§ 550—554. Dactylische verzen. 363

Gaïüs in plaat8 van Gajus; sïliiaë in plaats van sllvaë. Men noemt dit dialysis.

§ 550. De scheiding der lettergrepen, die in zuiver proza soms gevonden wordt in de met per samengestelde adjectiva (§ 63) en in quicunque (§ 478), heeft meermalen plaats in verzen. B.v. Hac fortuna tenus; super unus eram. Deze scheiding wordt tmesis geheeten.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER DE VOORNAAMSTE SOORTEN VAN EENVOUDIGE VERZEN.

A Dactylische verzen.

§ 551. V ersus A.donius of dactylicus dimeter eatalecticus in bisyllabum. Twee dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt.

W w | -Q-

Térrüït | ürbëm.

Hor. carm. I. 2. 4.

§ 552. Ver sus Arehilochius minor of dactylicus trimeter catalecticus in syllabam. Drie dactyli, aan den laatsten van welke twee lettergrepen ontbreken.

' W ^ | / W W j

Pulvis ët | ümbrft sülmus.

Hor. carm. IV. 7. 16.

§ 553. Versus Al cmanius of dactylicus tetrameter catalecticus in bisyllabum. Vier dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaat» van de twee eerste dactyli staat meermalen een spondeus, zelden in plaats van den derden dactylus. Na de tweede of derde arsis pleegt een caesuur te staan.

f W | W W j _f_ W \U | XJquot;

i I e-) I

Ossïbüs 1 ét capilti ïnhüjmato.

Hor. carm. I. 28. 24.

§ 554. Ve rsus lieroïcus of dactylicus hexameter catalecticus in bisyllabum. Zes dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaats van de vier eerste dactyli, kunnen ook spondei gebruikt worden.

ocr page 383

364 Dactylische verzen. § 554.

_ï__j_£__|_2__|_£__|_i_ww| -LXJ

Arma vijrümquë ca|nÓ, Trö|jaé quï | primus ab | örls.

Virg. Aen I. i.

Zoo in den vijfden yoet van een hexameter een spondeus staat, noemt men het een versus s p o n d a ï c u s. In dit geval zal de vierde voet meestal een dactylus zijn en het laatste woord vier lettergrepen hebben.

j _ | -L. ~

-L- — | I — —

CarS, dë|um sübö'lés, majgndm Jövïs | incrëlméntüm.

Virg. eel. IV. 49.

De voornaamste caesuren van een hexameter zijn:

а) de p e n t h e m i in ë r e s na de arsis van den derden voet.

Régïa | créde mïlhi, || rës | ést suelcürrërë | lapsïs.

Ovid. Pont. II. 9. 11.

б) de kxtx rpirov rpo^xTov in de thesis van den derden voet.

Odëlrünt peclcarë || bölni vïrltütïs ftlmorë.

Hor. ep. I. 16. 52.

c) de hephthemimëres na de arsis van den vierden voet, meestal met een bijcaesuur na de arsis van den tweeden voet (trithemimëres) en soms met een bijcaesuur in de thesis van den tweeden voet (xxrx Ssvrepou rpox^Tov).

Quid re'fért, 1| mör|bo^an f u r|t I s , II p ë r ë|amnë rS,|plnis.

Hor. sat. II. 3. 157.

Obstüpülérë; || sëd | ante^Alilfts II Arë|thüsamp; sölrórês.

Virg. georg. IV. 351.

De diaerësis valt gewoonlijk na den derden voet.

Ut prllmum jüxlta stëtlt || agnovftquë për | ümbram.

Somwijlen en wel vooral in het carmen bucolicum valt de diaeresis na den vierden voet. Deze diaeresis wordt caesura bucolica genoemd en is gewoonlijk met een andere caesuur verbonden.

Heü, heü, | quid völüü II mïsëlrö mïhi? II Flör'büs | Aüstrüm.

Virg. eel. II. 58.

Aanmerking. De dichters laten soms een hexameter eindigen op een monosyllabum om daardoor iets indrukwekkends te schilderen, een geluid na te bootsen of iets komisch voort te brengen.

Illic, ut perhibent, aut intempesta silet nox.

Virg. georg. I. 247.

ocr page 384

Trochaèische verzen.

§ 555—556.

365

Turn prora avertit et undis

Dat latus: insequitur cumulo praeruptus aquae mons.

Virg. Aen. I. 105.

Parturiunt montes, nascetur ridiculus mus.

Hor. A. P. 139.

Minder vreemd is een monosyllabum op het einde, wanneer het door een ander monosyllabum wordt voorafgegaan.

Principibus placuisse viris non ultima laus est.

Somtijds, hoewel hoogst zelden, rijmt de penthemimeres met de laatste lettergreep.

Si Trojae fatis||aliquid restare putatis.

Ovid. met. XIIL 379.

Men noemt deze verzen versus Leonini naar Leo, een Pa-rijzer monnik uit de 10de eeuw. In de middeleeuwer! waren deze verzen zeer in zwang.

Dum canis os rodit, socium, quem diligit, odit.

Hac sunt in fossa Bedae venerabilis ossa.

§ 555. Versus pent am eter. Een pentameter komt alleen voor in verbinding met een hexameter, waarmede het een zoogenaamd distichon vormt, dat vooral in epigrammata en in elegische verzen gebruikt wordt.

Een pentameter bestaat uit twee door de diaeresis gescheiden deelen, die beiden gevormd worden door twee dactyli en een lange lettergreep, derhalve uit 2 X 2J- voet. In plaats van de twee dactyli der eerste helft kunnen ook spondei staan. De laatste lettergreep kan volgens § 544 ook kort zijn. Soms vindt men op het einde der eerste helft een korte lettergreep, die dan door de arsis de waarde van een lange krijgt. Vgl. § 547.

_Z_ W -!— KJ

J- KJ \J \J

Principiis obsta! Sero medicina paratur, Cüm niftia | pér lon:gas||cönvÖ,lüJére mö|ras.

Ovid. rem. am. 21. B. Trochaeïsche verzen.

§ 556. In de trochaeïsche verzen is de trochaeus (—w ) de hoofdvoet. Zij worden in dipodiën afgedeeld. De hoofdarsis valt op de eerste lettergreep van iedere dipodie.

De trochaeus kan altijd vervangen worden door een tribritchys (www)- laatste voet van elke dipodie kan ook een spondeus

ocr page 385

366 Jambische verzen. § 557—560.

(--) zijn of een anapaestus (ww_) Het Schema van een mo-

nomëter is derhalve:

JL^! JL

w w vi» w w /

w —

§ 557. Het meest gebruikelijke troehaeïsche vers heet tetrameter trochaicus catalecticus in syllabam of versus septenarius. Het heeft de diaeresis na de tweede dipodie. Het gewone schema is derhalve :

JLW-i-W | gt;/ gt; / Ó

Nulla vóx hüimanö, constat H absque séptêm H littëris,

Rite vocalles vöcavït||quas ina,gistrfl| Graecia.

Terent. Maur.

De blijspeldichters zetten zeer dikwijls, behalve in de laatste catalectische dipodie, in plaats van de oorspronkelijke korte lettergreep van den trochaeus een lange lettergreep.

§ 558. Bij Horatius vindt men een trochaeïsche verssoort, welke dimeter trochaicus catalecticus in syllabam heet en altijd dezen vorm heeft:

. /

JL \-j -1- | JL

Trudïtür dï|ës dié.

Hor. carm. II. 18. 15. C. Jambische verzen.

§ 559. De jambische verzen worden naar dipodiën gemeten. Elke iambus, met uitzondering van den laatsten, kan verwisseld worden met een tribrichys. Daarentegen kan men den eersten iambus van elke dipodie veranderen in een s p o n d ë u s, een dactylus of een anapaestus. De blijspeldichters wenden deze verandering ook aan in den tweeden voet van iedere dipodie, met uitzondering van den laatsten. De hoofdarsis valt op de tweede lettergreep van iedere dipodie, behalve zoo er een anapaestus gebruikt wordt; deze heeft haar op de derde lettergreep. Het schema van een mono-mëter is derhalve:

KJ -!L ^ w

_ w

w w JL

§ 560. Het gebruikelijkste jambische vers in de trimeter acatalec-

ocr page 386

§ 561—564. Jambische verzen. 367

tus, ook versus senarius geheeten. Dit vers heeft meestal een caesuur na de eerste, soms ook na de twee de t h e s i s der tweede dipodie. Met uitzondering van bovengenoemde verwisselingen is het schema:

\J -1L ^ — j w 1| -IL — j JL —

Quid öbsëra|tis|lauribüs | fundis prëcés? Non saxfi, nü|dïs||sürdïöira, navltis Neptunüs al|tö||tundlt hibërnüs salö.

Hor. epod. 3 7. 53. § 561. Versus iambicus dimeter acatalectus of versus quaternarius.

Met uitzondering van bovengenoemde verwisselingen is het schema: ■ /

JL \J | w _» w ü

Beatus ille qui procul negotiis,

Ut priscö, géns | mortaliüm,

Paterna rura bubus exercet suis,

SölÖtüs ömni foénërê.

Hor. epod. 2. 1.

§ 562. Versus iambicus trimeter catalecticus in syllabam. Dit vers heeft dezelfde caesuur als de trimeter acatalectus van § 5G0.

w JL — j w l| JL w — | w JL lt;7

Non ebur neque aureum

Mëa rëni|dët||in dömö | liicunilr.

Hor. carm. II. 18. 1. § 563. Versus alcaïcus en neasyllabus of iambicus dimeter hypercatalectus. Het laat slechts in den eersten en derden voet een spondeus in plaats van een iambus toe. Bij Horatius is de derde voet altijd een spondeus.

KJ JL KJ J- | KJ JL KJ J~ j ~

__ij_ |__i!_

Sï fractus ïlllabatür or'bis.

Hor. carm. III. 3. 7.

§ 564. Verder heeft men nog een tetrameter iambicus acatalectus. Terent. Andr. I. 3. 1.

tetrameter iambicus catalecticus. Terent. Andr. IV. 2. 11.

dimeter iambicus catalecticus. Sen. Med. 862.

choliambus (hinkende iambus) of versus Hipponactëus, een jambische senarius, welks laatste voet een trochaeus of spondeus is.

KJ JL KJ -L | KJ JL KJ j- | KJ JL J-~

Miser Cdtuljle desInas | ïnêptirë Et quöd vïdés | pérfssë pérjdïtum dücas.

Catull. 8.

ocr page 387

Anapaestische, Cretische, Ionische verzen. § 565—568.

D. Anapaestische verzen.

§ 565. De anapaestische verzen worden gemeten naar dipodiën. Het meest gewone anapaestische vers is de dimeter acatalectus. Het heeft een diaeresis na de eerste dipodie. In plaats van de anapaesti kunuen ook spondei en behalve in den laatsten voet ook dactyli gebruikt worden.

w v- JL. II —

__tt___£_ ||__ir___/_

--tL w _ vX* w II _ ^

Na een reeks van dimetri volgt ook wel een monometer, die dan weder gevolgd wordt door een acatalectischen dimeter,

Trïstïs vïrtüs |1 perversa tülit

Praëmïft rëc ti; j] cas tos sequitur

MMS. paupertas, H vïtïoquë pötëns.

Rëgn a t adulter.

ö vanë püdör||falsumquë dëcüs!

Senec. Hippol. 984.

E. Cretische verzen.

§ 566. Tetrameter creticus acatalectus. In plaats van één lange kunnen overal twee korte lettergrepen staan, behalve in de laatste lettergreep.

JL -i- | | JL -L- | ■ W

Tanta vé|cÖrdia^Inlnata cui|quam^ut sïêt. Ut maiis | gaüdëant | atque^ëx injcommodis Altërijus süa^üt | comparént | commöda.

Ter. Andr IV. 1. 2

F. Ionische verzen.

§ 567. Tetrameter catalecticus in bisyllabum gevormd door ionici

a majore (--^ w). Dikwijls staat een ditrochaeus ( - w - ^) in plaats

van een ionicus.

— --|-£-_WW [ -i._ WW

Has cum gëmï|na compëdë | dédïcat ca|ténas.

Mart. epigr. IH. 29.

§ 568. Tetrameter ionicus a minore.

WW-i- - | WW-i-_ | WW -i-_ | W W -i-_

Mïsërarum^ëst | nëque^amorï | darë lüdüm | nëquë diilcl.

Hor. carm. III. 12. 1.

368

ocr page 388

§ 569—570. Bacchische, samengestelde verzen. 369

G. Bacchische verzen.

§ 569. Tetrameter bacctiius acatalectus. Met uitzondering van de laatste lettergreep kan iedere lange in twee korte veranderd worden.

w-i-_ | w-i-__| w — — | ^ — wquot;

Quid hoc hïc | clamörïs? | Quid höc hïc | tümülti^êst?

Enn. fragm. Heet. luatr.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE VOORNAAMSTE SOORTEN VAN SAMENGESTELDE

VERZEN.

§ 570. De eenvoudigste samengestelde verzen zijn de logaoedische. Zij bestaan uit dactyli en trochaei. Tot deze verzen behooren:

I. Versus Aristop hanïcus of logaoedicus simplioiter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus.

-i- VJ w | -i- w 1 ~

Témper at | Órd, | frénls.

Hor. carm. I. 8. 7.

II. Versus Alcaïcus de ca syllabus of logaoedicus dupliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus.

— WVJ | l-i-'O'

Pürpilrëi mëtüdnt tylrannï.

Hor. carm. I. 35. 12.

III. Versus Archilochïus major of logaoedicus tetrameter dactylicus acatalectus tripliciter trochaicus acatalectus met een cae-suur na de arsis van den derden voet en een diaeresis na den vierden voet. In plaats van de drie eerste dactyli mogen ook spondei staan.

SÓlvïtür 1 acrïs hï|ém s || graita v ïc ë||vé rïs | é t Ea'vóuï.

Hor. carm. I. 4. 1. IV. Versus Pherecratëus of logaoedicus simpliciter dactylicus simpliciter trochaicus acatalectus cum basi.

—_ | — wo» 1 — quot;Oquot;

Vis formosfi vidéri.

Hor. carm. IV. 13. 3.

5de druk. '24

ocr page 389

370 Samengestelde verzen. § 570

V. Versus Glyconëus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi.

Nil mortalibüs | a r d ü|u na^ë s t.

Hor. earm. I. 3. 37. W. Versus Priapëus, samengesteld uit een Glyconëus (§ 570. V) en een Pherecratëus (§ 570. IV) met een diaeresis daartusschen.

-L__| j-^- | _£__|_i-Cr

Hü n c 1 üjcum tlbï | dédiicö H e onsëicr oquë Pr I|a,pë.

Catull.18.

VII. Versus Phalaecius of logaoedicus simpliciter dactylicus tripliciter trochaicus cum basi.

Diser ti ssïmë | Rómüli nëipotiim.

Catull. 49.

VIII. Versus Asclepiadëus minor of logaoedicus/simpliciter choriambicus l simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na deii choriambus.

JL w w /

Créscenjtém sequitur || cüra pëicünïam.

Hor. carm. III. 16. 17.

IX. Versus Asclepiadëus major of logaoedicus dupliciter choriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na iederen choriambus. Samengestelde woorden mogen door de diaeresis gescheiden gedacht worden.

Quis post | vinagravém || mi'lïtïam^aüt | paupërï|ëm crë pat?

Hor. carm. I. 18. 5. Arca|nïquë fides || pro diga pér||lücidi Ór vïtrö.

Id. ib. 16.

X. Versus Sapphïcus minor of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (§ 556) als basis (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrltus

secundus (— w--). Dit vers heeft een caesuur na de arsis va n den

dactylus, soms ook na de eerste korte van de thesis.

ocr page 390

Samengestelde verzen.

§ 571.

371

// W _gt;__|_L|| | —

Intëgér vï|taé || scëlëjrisquë | pürüs.

Hor. carm. I. 22. 1.

Dauniaé dë|féndë||dëcü8 Caiménaë.

Hor. carm. IV. 6. 27.

XI. Versus Sapphleus major of logaoedicus simpliciter chori-ambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (§ 556) als basis (bij Horatius altijd in

den vorm van een epitrïtus secundus(— ---)■ Dit vers heeft een

caesuur na de hoofdarsis van den choriambus en een diaeresis na de tweede arsis van den choriambus.

JL -!■--| JL || I — ^ | — ^

Té dëös o!rö||Sybarin||cür pröpëlras almando.

Hor. carm. I. 8. 2.

XII. Versus Alcaïcus li en deca syllabus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum anacrusi (—■) et monometro trochaico (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrïtus seeundus(—w--). Gewoonlijk staat vóór den dactylus een diaeresis.

Dulce^êt dëcórum^est 1| prö pfttrila mö'rï.

Hor. carm. III. 2. 13.

§ 571. Meer ingewikkeld zijn de versus asynartëti of die verzen, welke uit twee deelen van een verschillende verssoort bestaan. Tusschen deze beide deelen is de hiatus en de syllaba anceps altijd geoorloofd. Tot de versus asynartëti behooren :

I. Versus Priapëus, reeds behandeld in § 570. VI.

II. Versus elegiambus, bestaande uit een Archilochlus minor (§ 552) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561). Tusschen

- beide deelen is altijd een diaeresis.

| — | — 1| | -!L ^ ïLi

Desïnët | imparïibüs || cërtarë sübmotus püdÓr.

Hor. epod. 11. 18.

III. Versus iambelégus, bestaande uit een iambicus dimeter acatalectus (§ 561) en een Archilochlus minor (§ 552). Tusschen beide deelen is altijd een diaeresis.

KJ -!L. \ JJL )LL Ij |_i_ww | w

L ê v a r ë d i r I s p ê c t Ó r a || s Ó11 ï c ïlt u d I n ï b u s.

Hor. epod. 13. 12.

ocr page 391

Horatiaansche monosticha.

372

§ 572—574.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBINDING VAN VERZEN TOT GEDICHTEN.

§ 572. Een gedicht is een geheel van meerdere verzen, die tot dezelfde of tot een verschillende soort behooren.

Wanneer verzen van verschillende soort tot een geheel verbonden zijn, moeten zij elkander voortdurend in dezelfde orde opvolgen. Men noemt dit metrum. Men spreekt echter ook van metrum, wanneer verzen van dezelfde soort met elkander verbonden zijn.

Zoo het metrum uit één vers bestaat, heet het monostichon, zoo het uit twee verzen bestaat, wordt het distichon, zoo het uit meer dan twee verzen bestaat, wordt het stropha genoemd.

§ 573. Tot de Horatiaansche monosticha behooren:

I. Metrum Asclepiadëum primum, uit een Asclepiadëus minor (§ 570. VIII) bestaande.

Maécëlnas amp;tavis||édltë | rëgï'büs.

Hor. carm. I. 1.

II. Metrum Asclepiadëum majus, uit een Asclepiadëus major (§ 570. IX) bestaande.

Tu në | quaesïërls || scirë nëfas||quém mihï | quém tljbï.

Hor. carm. I. 11.

III. Metrum iambïcum primum, uit een iambïcus senarius (§ 560) bestaande.

Jam jam^ëffïca|cï[1 do manüs [ sclëntïaë.

Hor. epod. 17.

IV. Metrum ionicum a minore, uit een tetrameter ionicus a minore (§ 568) bestaande.

Mïsërarum^ëst | nêque^ftmorl | darëlddiim | nëquëdülcï.

Hor. carm. III. 12.

§ 574. Tot de Horatiaansche disticha behooren;

I. Metrum Asclepiadëum secundum, bestaande uit een Glyconëus (§ 570. V) en een Asclepiadëus minor (§ 570. VIII).

Sic të j DivS. poiténs C^lpri

Sic frajtrés Hëlënaé || lücïda, j sidë|ra.

Hor. carm. I. 3.

II. Metrum Sapphïcum majus, bestaande uit een Aristophanïcus (§ 570. I) en een Sapphicus major (§ 570. XI).

Ly d ï a | die per j Ó m n ë s

Te dëós o|r o || S y ba rin || c ür pröpë|ras ajmandö.

Hor. cam. I. 8.

ocr page 392

§ 574. Horatiaansche disticha. 373

III. Metrum Archilochlum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Archilochïus minor (§ 552).

Diffü|gérë ni|vés || rëdelün t jam | gramïna j cdmpïs A r b ö r ï|b ü s q u ë c ö|m a é.

Hor. carm. IV. 7.

IV. Metrum Archilochlum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambelëgus (§ 571. III).

HÓrrïda j témpëjstas || caëjlum conjtraxit ët | imbrës

Nlvësquë déldücvint Jö\ém||nünc mare ] nünc sïlülaé.

Hor. epod. 13.

V. Metrum Archilochlum tertium, bestaande uit een iambicus senarius (§ 560) en een elegiambus (§ 571. H).

Pëttï nihil j niëllsicüt anjtëa jüvat

Scrlbërë ] vérsïctljlós || amorë pérjcüssiïm grJlvi.

Hor. epod. 11.

VI. Metrum Archilochlum quartum, bestaande uit een Archilochïus major (§ 570. Ill) en een iambicus trimeter catalecticus (§ 562).

SÓlvItür 1 acrïs^hïléms || graffla vïcë | véris | étFalvönï Trahuntquë 8ic|cas||machïnaé | carinas.

Hor. carm. I. 4.

VIL Metrum iambicum secundum, bestaande uit een iambicus senarius (§ 560) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561).

Ibis Lïbür|nï s || in të r al|ta navïüm Amice prólpügnacüla.

Hor. epod. I.

VHI. Metrum Pythiambïcum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561).

Mollis Iniértïa [ cur || tanjtam dïfjfiidërït | ïmïs Oblivïolnëm sénsïbüs.

Hor. epod. 14.

IX. Metrum Pythiambïcum secundum, bestaande uit een Heroicus {§ 554) en een iambicus senarius (§ 560).

Altërajjam tërl|tür||bël|lis cï|vilibüs j aétas Suis ët ipilsa Röma Tilribiïs rüit.

Hor. epod. 16.

X. Metrum Alcmanium, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Alcraanius (§ 553).

Laüdajbünt a lijf || cla|r am Rhödön | aut Mïtyjlénën Aüt Ephëson bimajrisvë Cölrinthi.

Hor. carm. I. 7.

ocr page 393

370 Samengestelde verzen. § 570

V. Yersus Glyconeus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus cataleeticus cum basi.

Nil mor^ali bus [ ar du|um^est.

Hor. carm. I. 3. 37. VI. Versus Priapëus, samengesteld uit een Glyconeus (§ 570. V) en een Pherecratëus (§ 570, IV) met een diaeresis daartusschen.

Hü nc 1 u|cüm tl bi | d édijcö |1 c ónsë'cr óq u ë Pr i|apë.

Catull.18.

VII. Versus Phalaecius of logaoedicus simpliciter dactylicus tripliciter trochaicus cum basi.

Disertissïmë | Rómüli nëlpótüm.

Catull. 49.

VIII. Versus Asclepiadëus minor of logaoedicus/simpliciter clioriambicus) simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na derf' choriambus.

_J___I W Vw1 ' 11— | _i_ W 1^

Créscenltëm sequitur || cürft pë|cunïftm.

Hor. carm. III. 16. 17.

IX. Versus Asclepiadëus major of logaoedicus dupliciter clioriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na lederen choriambus. Samengestelde woorden mogen door de diaeresis gescheiden gedacht worden.

Quis post | vinftgrftvém || mïlïtïam^aüt | paupërï|ém crë pat?

Hor. carm. I. 18. 5. Arca|niquë fidës H prö digft pér||lücïdi or vltro.

Id. ib. 16.

X. Versus Sapphicus minor of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een mononieter trochaicus (§ 556) als basis (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrïtus

secundus (—w--). Dit vers heeft een caesuur na de arsis van den

dactylus, soms ook na de eerste korte van de thesis.

ocr page 394

Samengestelde verzen.

§ 571.

371

jr_ ^ _L__|_L||

Intëgér vïltaé || scëlë|risquë | purüs.

Hor. carm. I. 22. 1.

Daunïaé dë|féndë|ldëcü8 Caiménaë.

Hor. carm. IV. 6. 27.

XI. Versus Sapphïeus major of logaoedicus simpliciter chori-ambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (§ 556) als basis (bij Horatius altijd in

den vorm van een epitrïtus secundu8(—w--). Dit vers beeft eeu

caesuur na de hoofdarsis van den choriambus en een diaeresis na de tweede arsis van den choriambus.

JL ---[ JL jj — [j-i-ww j— v-'j — quot;C

Te dëös oiro || Sybftrin |1 cür pröpëlras almandö.

Hor. carm. I. 8. 2.

XII. Versus Alcaïcus hen dec a syllabus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum anacrusi (—) et monometro trochaico (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrïtus secundus(—w--). Gewoonlijk staat vóór den dactylus een diaeresis.

Dtllce^ët decórum^ëst || prö patrïla mörï.

Hor. carm. III. 2. 13.

§ 571. Meer ingewikkeld zijn de versus asynarteti of die verzen, welke uit twee deelen van een verschillende verssoort bestaan. Tusschen deze beide deelen is de hiatus en de syllaba anceps altijd geoorloofd. Tot de versus asynarteti behooren:

I. Versus Priapëus, reeds behandeld in § 570. VI.

II. Versus elegiambus, bestaande uit een Archilochïus minor (§ 552) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561). Tusschen

-beide deelen is altijd een diaeresis.

— | — WO 1~ II | ^ JL 'U

Désinët | imparlibüs || cërtarë sübmotös püdór.

Hor. epod. 11. 18.

III. Versus iambelëgus, bestaande uit een iambicus dimeter acatalectus (§ 561) en een Archilochïus minor (§ 552). Tusschen beide deelen is altijd een diaeresis.

^ JL KJ -t- \ JL ^ II l-i-W»-' | VJ

Lëvarë dirïs pê c 10ra || s ÓU ïcïltüd in i bü s.

Hor. epod. 13. 12.

ocr page 395

Horatiaansche monosticha.

372

§ 572—574.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBINDING VAN VERZEN TOT GEDICHTEN.

§ 572. Een gedicht is een geheel van meerdere yerzen, die tot dezelfde of tot een verschillende soort behooren.

Wanneer verzen van verschillende soort tot een geheel verbonden zijn, moeten zij elkander voortdurend in dezelfde orde opvolgen. Men noemt dit metrum. Men spreekt echter ook van metrum, wanneer verzen van dezelfde soort met elkander verbonden zijn.

Zoo het metrum uit één vers bestaat, heet het monostïchon, zoo het uit twee verzen bestaat, wordt het distichon, zoo het uit meer dan twee verzen bestaat, wordt het stropha genoemd.

§ 573. Tot de Horatiaansche monosticha behooren:

I. Metrum Asclepiadëum primum, uit een Asclepiadëus minor (§ 570. VUT) bestaande.

Maecëlnas S,ta,vis || édïtë | régï|büs.

Hor. carm. I. 1.

II. Metrum Asclepiadëum majus, uit een Asclepiadëus major (§ 570. IX) bestaande.

Tü në | quaesïëris || scire nëfas||quém mihï | quém tijbi.

Hor. carm. I. 11.

III. Metrum iambïcum primum, uit een iambïcus senarius (§ 560) bestaande.

Jam jam^ëffïcaicïUdo manüs [ sclëntïae.

Hor. epod. 17.

IV. Metrum ionicum a minore, uit een tetrameter ionicus a minore (§ 568) bestaande.

Mïsërarum^ëst j neque^amóri | darëludüm | nëquëdülcï.

Hor. carm. Hl. 12.

§ 574. Tot de Horatiaansche disticha behooren:

I. Metrum Asclepiadëum secundum, bestaande uit een Glyconëus (§ 570. V) en een Asclepiadëus minor (§ 570. VHI).

Sic të | DivS. pöjténs Cyiprï

Sic frajtres Hëlënaé || lücïdS- | sidë|ra.

Hor. carm. I. 3.

II. Metrum Sapphicum majus, bestaande uit een Aristophamcus (§ 570. I) en een Sapphicus major (§ 570. XI).

Lydïa j die për j Ómnës

Te dëós o|rÖ||Sybarïn||cür prÖpë|ras a,]mando.

Hor. carm. I. 8.

ocr page 396

§ 574. Horatiaanscho disticha. 373

III. Metrum Archilochlum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Archilochius minor (§ 552).

Diffü|gérë nï|vés || rëdëjun t jam j gramïna | campïs Arbörilbusquë cöjmaé.

Hor. carm. IV. 7.

IV. Metrum Archilochïum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambelëgus (§ 571. III).

Horrïda | témpëjstas || caëjlüm cónltraxït ët | imbrës

Nïvësquë déldücnnt Jö\ém||niinc mare ] nüac sïltilaé.

Hor. epod. 13.

V. Metrum Archilochlum tertium, bestaande uit een iambicus senarius (§ 560) en een elegiambus (§ 571. II).

Pëttf nihil | nië||sicüt an|teg ju vat

Scribërë j vér sictillós H amore pérlcüssiïm gravi.

Hor. epod. 11.

VI. Metrum Archilochïum quartum, bestaande uit een Archilochius major (§ 570. III) en een iambicus trimeter catalecticus (§ 562).

Sólvltür 1 a crisrth liém s || gra|ta vicë j véris | étFajvöni Trahuntquë sic|cas||machinaé j carinas.

Hor. carm. I. 4.

VII. Metrum iamblcum secundum, bestaande uit een iambicus senarius (§ 560) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561).

Ibis Libür|nïs||intër a lit a navïüm Amicë pröjpügnaciila.

Hor. epod. I.

VIH. Metrum Pythiambïcum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561).

Mollis Inlértïa | cür || tan|tam dlljfQdërït | ïm is Oblïvïólnëm sênsïbüs.

Hor. epod. 14.

IX. Metrum Pythiambïcum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambicus senarius (§ 560).

Altëra |jam t ë r ïjt ü r jj b ë lil i s cï|vilïbüs | aëtas Süi's ët ipilsa Röma vïlrlbus rüit.

Hor. epod. 16.

X. Metrum Alcmanium, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Alcmanius (§ 553).

Laüdalbün t a 1 I|i || cla|r am Rhödön | aüt Mit^|lénën Aüt Ephësón blma|risvë Cöjrinthï.

Hor. carm. I. 7.

ocr page 397

Horatiaansche strophen.

374

§ 575

XI, Metrum Hipponactëum, bestaande uit een dimeter trochaicus cataleeticus (§ 558) en een iambicus trimeter catalecticus (§ 562). Nön ëbür nëlque^aörëüm

Mea rëni|dët||in dömó | lacönftr.

Hor. carm. II. 18.

§ 575. Tot de Horatiaansche strophen behooren:

I. Metrum Asclepiadëum tertium, bestaande uit drie Asclepiadei minores (§ 570. VIII) en een Glyconeus (§ 570. V.)

Divls | örtë bonis, II Óptïmë | Römullae Custos | gen tï s,abés 1| jftm nïmï|üm dï|ü:

Matü|rum rëdltüm |1 póllici tüs Pft|tritm SanctS||concIlii0, rëdjl.

Hor. carm. IV. 5

II. Metrum Asclepiadëum quartum, bestaande uit twee Asclepiadei minores (§ 570. VIII). een Pherecratëus (§ 570. IV) en een Glyco-nëus (§ 570. V).

Dianam t ë n ë r aé II cl tc 11 ë j virgijnës:

Intön|süm, püëri,||dicitë | Cynthtlüm;

Latö|namquë süjprémo Dilëcjtam pënl|tüs Jö|vï.

Hor. carm. I. 21.

III. Stropha Sapphïca, bestaande uit drie Sapphïci minores (§ 570. X) en een Adonius (§ 551).

Intëgér vï|taé||scëlé|risquë Ipurüs Non ëget Maürts II jacü|lis, në|que^arcu, Nëc vënénaltis || gravi da sa|gittïs,

Füscë, phairétra.

Hor. carm. I. 22.

IV. Stropha Alcaïca, bestaande uit twee Alcalci hendecasyllabi (§ 570. XII), een Alcaicus enneasyllabus (§ 563) en een Alcaicus decasyllabus (§ 570. II).

Anlgustam^amicëjlpaupërïjém paltI Ro|bustus acr 11| militï|a pü[ër Cöndïscat; étllParthos fërölcës Véxët ëiqués mëtü!éndüs | hasta.

Hor. carm. III. 2.

ocr page 398

EERSTE AANHANGSEL.

OVER DEN ROMEINSCHEN KALENDER.

De maanden hadden bij de Romeinen dezelfde namen als bij ons, namelijk: Janaarius, Februarius, Martins, Aprïlis, Ma-jus, Junius, Julius, Augustus, September, October, November, December. Vóór Keizer Augustus heette Julius Quintilis en Augustus Sextïlis. De namen der maanden worden gewoonlijk als adjectiva gebruikt.

De maanden hadden ook hetzelfde aantal dagen, namelijk. F e-bruari 28 en in het schrikkeljaar 29, April, Juni, September, November, (Apjunseno zegt men om het geheugen te hulp te komen) 30, de overige 31.

Bij het aangeven van den datum telden de Romeinen de dagen der maand niet van den eersten tot den laatsten. Zij gaven aan drie dagen van iedere maand een bijzonderen naam. De lst0 heette Kalendae, de 5de Nonae, de 13dc Idus (gen. uum). Zoo men derhalve wilde uitdrukken, dat iets geschied was op den lsten, 5den of 13den Januari, zeide men: hoc factum est Kalendis, Nonis, Idibus Januariis. In Maart, Mei, Juli en October (Milmo, waarbij il Juli beteekent) vielen de Nonae echter op den 7deu en de Idus op den 15dcn.

Den dag vóór de Kalendae, Nonae en Idus drukte men uit door pridie met den accusativus; bij de Nonae en Idus werd de naam derzelfde, bij de Kalendae de naam der volgende maand gevoegd. B.v. Hij is gestorven of op den 31sten Januari of op den 4den Februari of op den 14den Maart, mortuus est aut pridie Kalendas Februarias (pridie Kal. Febr.) aut pridie Nonas Februarias (pridie Non. Febr.) aut pridie Idus Martias (pridie ld. Mart.)

Een andere dag werd aangeduid door te bepalen de hoeveelste dag het was vóór de eerstvolgende Kalendae, Nonae of Idus; hierbij werden de dag, van welken en de dag, tot welken men telde, medegerekend. B.v. Op den 30sten December, die tertio ante

ocr page 399

I

376 Romeinsche kalender.

Kalendas Januarias; op den 2den April, die quarto ante Nonas jApriles; op den 10de11 Mei, die sexto ante Idus Ma jas. Gewoonlijk echter gebruikten de Romeinen een kortere of gewijzigde uitdrukking. Zij zeiden namelijk of wel met weglating van die en ante: tertio Kalendas Januarias (III. Kal. Jan.); quarto Nonas Apriles (IV. Non. Ap.); sexto Idus Majas (VI. Id. „Maj.); of wat meer gewoon was, zij plaatsten dies met het ordinale in den accusativus tusschen ante en den daarvan afhangenden accusativus, namelijk: ante diem tertium Kalendas Januarias (a. d. III. Kal. Jan.); ante diem quartum Nonas Apriles (a. d. IV. Non. Apr.); ante diem sextum

dus Majas (a. d VI, ld. Maj.). Deze geheele uitdrukking werd als één woord beschouwd en zeer dikwijls afwijkend van het gewone gebruik (Vgl. § 498) met de praepositie in of ex verbonden. B.v. Caedem optimatium contulisti in a. d. V. Kal. {Nov. {tot den 28sten October). Supplicatio indicta est ex a. d. V. Id. Oct. {sedert den llden October). Evenzoo voegde men ook usque ad voor p rid ie. B.v. Nos in Formiano esse volumus usque ad pridie Nonas Majas {tot den 6den Mei).

In een schrikkeljaar had de maand Februari evenals bij ons 29 dagen. De Romeinen voegden echter den schrikkeldag niet achter den 28steu, maar achter den 24sten. Den 24steu noemden zij als gewoonlijk a. d. VI. Kal. Mart. en den schrikkeldag a. d. bi-sextum Kal. Mart. De voorgaande en volgende dagen behielden hun eigen namen. B.v. Op den 23sten Februari, a. d. VII. Kal. Mart; op den 288ten Februari, pridie Kal. Mart.

Aanmerking I. Evenals pridie gebruikte men soms ook po-s tri die met den accusativus voor het aangeven van den datum. B.v. Postridie Idus Quintiles, op den 16den Juli.

Aanmerking II. Soms gaf men ook den datum aan naar de namen der feesten en wel op dezelfde wijze als bij de namen der maanden. B.v. Terminalibus, op den 23sten Februari. Ante diem quintum Terminalia, op den 19den Februari.^?ostx\He ludos Apollinares, op den 6de'1 Juli.

De volgende tabel geeft een overzicht van den Romeinschen kalender.

L

ocr page 400

Romeinsche kalender.

377

Kalendis Martiis. VI.}

lY_ /Nonas TVAMartias.

mJ

pridie Non. Mart. Nonis Mart.

Kalendis Januariis.

, klV. iNonas a.d.^ gt; (III. 'jan.

pridie Non. Jan.

a.d

Ivn.

Maart, Mei, Juli en October. (31 dagen).

Januari, Augustus Aprü, Juni, Septem-en December. ber en November. (31 dagen). (30 dagen).

Februari.

(28 dagen.) Kalendis Februariis |IV. ^Nonas llll. /Febr. pridie Non. Febr. Nonis Febr.

ocr page 401

TWEEDE AANHANGSEL.

OVER DE ROMEINSCHE GEWICHTEN, MUNTEN EN MATEN.

I. Komeinsche gewichten. Het Eomeinsche pond (libra, pondo) werd ais geheel en eenheid as genoemd; het werd verdeeld in twaalf unciae; elk aantal dezer unciae droeg een bij zonderen naam, namelijk:

1 uncia = -Jj, uncia. 7 unciae = T75, septunx.

2 unciae = }, sextans. 8 unciae = j, bes.

3 unciae quadrans. 9 unciae — dodrans.

4 unciae == triens. 10 unciae — dextans.

5 unciae =r yV, quincunx. 11 unciae =: deunx.

6 unciae = ^, semis. 12 unciae = I, as.

Deze namen dienden tevens om bij erfenissen, vlakte- en lengtematen en renteberekeningen de onderdeelen der erfenis (als geheel dan as genoemd), der vlakte- (jugerum) en lengtemaat (pes) en der renteëenheid aan te duiden. B.v. Heres ex asse, een universeel erfgenaam. Heres ex dodrante, ex triente, een erfgenaam van het |, ^ deel der nalatenschap. Triumviri viritim divise runt tern a jugera et septunces (3T% bunder). Obeli-scus centum viginti quinque pedum et dodrantis (125| voet). Fenus ex trieute factum erat bessibus, de interest was van J tot | pet. maandelijks gestegen, d. i. van 4% tot S°/r jaarlijks; want de Romeinen berekenden den interest bij de maand, niet bij het jaar.

II. Romeinse he munten. In den vroegsten tijd hadden de Romeinen slechts kopergeld (aes) en berekenden dit naar ponden (asses). Men zeide: asses duo, tres, enz. Bij geldsommen van twee en meer duizend pond liet men asses weg, doch. voegde er den genetivus aeris bij. B.v. Centum milia aeris.

Sedert de invoering van het zilvergeld (omstreeks 268 v. Chr.) werd de sestertius (Vgl. § 18. 10.) bij opgaven van geldswaarde als eenheid aangenomen. B.v. Trecenti sestertii, 300 sestertiën'} Mille sestertii of mille sestertium, 1000 sestertiën. Zoo de som twee of meer duizenden bedroeg, gebruikte men het substantivum plurale sestertia, dat de beteekenis had van 1000 sestertiën en waarbij gewoonlijk distributivaen geen cardinalia gevoegd werden. B.v. Bina sestertia, 2000 sestertiën. Centena sestertia, 100000 sestertiën. Zoo ging men voort tot 999000 sestertiën, non-ge na nouagena novena sestertia. Kleinere getallen werden

ocr page 402

Bomeinsche munten en maten.

er door et mede verbonden. B.v. Septena sestertia et sestertii dueenti quadraginta tres. 7243 sestertiën.

V olledig uitgedrukt heet een millioen sestertiën ide.oies centena milia sestertium (gen. plur.). Men vindt ook wel decies centena met weglating van milia sestertium. Gewoonlijk echter gebruikte men het substantivum singulare sestertium met achtervoeging van het adverbium numerale decies. Sestertium heeft dan de waarde van 100000. Evenzoo beteekent 2000000 s esterti urn vici es, 3000000 sestertium tricies. Sestertium wordt regelmatig naar de 2de declinatie verbogen. B.v. Syngrapha sestertii centies, een wissel van 10000000 s«ster^é«. In sestertio vicies egere, 2000000 sestertiën arm zijn. Wanneer de samenhang geen dubbelzinnigheid veroorzaakt, wordt soms ook sestertium uitgelaten en alleen het adverbium numerale gezet. B.v. 111 a dissipatio pecuniae publi-cae ferenda nullo modo est, per qüam Antonius septies millies aver tit (sc. sestertium, i. e. 700000000 sestertiën.)

Sestertius, sestertia en sestertium worden dikwijls aangeduid door net teeken H. S. (eigenlijk II semis, 2 J- as, omdat de sestertius oorspronkelijk gelijk was aan 2^ as). Wanneer bij dit teeken een onverbuigbaar telwoord of een Romeinsch cijfer staat, b.v. H. S. X., kan er dubbelzinnigheid ontstaan of er 10, 10000 of 1000000 sestertiën worden bedoeld. Gewoonlijk echter zal de samenhang deze dubbelzinnigheid opheffen.

III. Romeinsche maten. Voor de lengtemaat had men de pes, voet, die verdeeld werd in 16 digiti, duimen. Verder: semi-pes = | voet; pal mus, palm — 4 digiti of \ voet en in later tijd = 12 digiti of | voet; pal mi pes = 1 | voet; cubitus, eZ = li voet; passus =5 voet; decempëda=: 10 voet; a c t u s = 120 voet; milliarium = 1000 passus of 5000 voet; stadium, een Grieksche lengtemaat, was gelijk aan 125 passus of 625 voet. 5 milliaria of 40 stadia zijn gelijk aan een geographische of Duitsche mijl (van 15 op één breedtegraad).

Voor de vlaktemaat diende de ju ge rum, bunder, die 240 voet lang en 120 voet breed was en dus 22,800 □ voeten bevatte.

Voor de inhoudsmaat van natte waren had men de amphöra. Deze bevatte 2 urnae of 3 modii, 8 congii, 48 sextarii, 96 heminae, 192 quartarii, 576 cyathi. De grootste maat was de culeus — 20 amphorae.

Voor het meten van droge waren bediende men zich meestal van dezelfde maten; het meest gewoon was de modi us. 6 modii maakten een m e d i m n u s.

379

ocr page 403

DERDE AANHANGSEL, OVER DE GEBRUIKELIJKSTE AFKORTINGEN.

I Voornamen.

A. = Aulus.

Mam.

= Mamercus.

App. „ Appius.

N. of Num. . jSfumerius.

C. „ Gajus.

P.

„ Publius.

Cn. , Guaeus.

Q. of Qu.

„ Quintus.

D. „ Denius.

S. of Sex.

„ Sextus.

K. v Kaeso.

Ser.

„ Servius.

L. v Lucius.

Sp.

„ Spurius.

M. „ Marcus.

T.

„ Titus.

M', , Manius.

Ti of Tib.

„ Tiberius.

II Woorden uit het open

bare leven.

a. d. — ante diem.

P. C.

= Patres conscripti.

Aed. „ Aedilis.

P. R.

„ Populus Romanus.

C. Cal. of Kal. „ Kalendae.

Pr.

„ Praetor.

Cos. „ Consul.

Praef.

„ Praefectus.

Coss. „ Consules.

Proc.

„ Proconsul.

Des. „ designatus.

Pont. Max.

„ Pontifex Maximus.

D. „ Divus.

Quir.

„ Quirites.

Eq. Rom. „ Eques Romanus.

Resp.

„ Respublica.

F. „ filius.

S.

„ Senatus.

H. „ hora.

S. C.

„ Senatus consultum.

ld. „ Idus.

Tr. PI.

„ Tribuni plebis.

Imp. „ Imperator.

S.P. Q. R.

„ Senatus Populusque

Leg. v Legatus.

Romanus.

N. n nepos.

Q.B.P.r.S.

„ Quod bcnumj fau-

Non. „ Nonae.

stum felixque sit.

0. M. , Optimus Maximus.

III. In brieven.

S. = Salutem.

S.V.B.E.E.V. — Si vales, bene est.

S. P. v Salutem plurimam.

ego valeo.

S. D. „ Salutem dico.

S.V.V.B.E.E.V.. Si vos valetis, bene

S. P. D. , Salutem plurimam

est; ego valeo.

„ dico.

D.

„ Data.

ocr page 404

Afkortingen.

381

IV. Verschillende meestal eerst later voorkomende afkortingen.

A.

=

anno.

Jctus

Jurisconsultus.

a. c.

»

anni currentis.

L. M.

D

libens merito.

a. pr.

n

anni praeteriti.

L. S.

n

loco sigilli.

A. M.

n

anno mundi.

M. S.

T)

manusoriptus.

A. u. c.

rgt;

anno urbis conditae. c.

v

caput.

A. Chr.

ygt;

anno Christi.

cf.

•n

conferatur of confer.

a. Chr.

n

ante Christum.

i. e.

Ti

id est.

B. M.

n

bene merenti.

h. 1.

Y)

hoc loco.

eet.

»

cetera.

1. c.

V

loco citato.

Dn.

»

Dominus.

1. 1.

V

loco laudato.

D. D.

n

dono dedit.

pag.

V

pagina.

D. D. D,

»

dat dicat dedicat. sc.

W

scilicet.

D. M.

Dis Manibus.

sq. of seq.

V

sequens.

D. S.

»

de suo.

sqq.

T)

sequel) tes (ia).

D. S. P. P.

»

de sua pecunia po

-V.

V

versus.

suit.

vid.

V

videatur of vide.

F. C.

»

faciendum curavit.

ocr page 405

ALGEMEEN REGISTER. OP DE ETYMOLOGIA EN SYNTAXIS

A.

a, ab, abs, iu pass. zinnen 96; bet. en gebr. 163. 1; bij gerund, in plaats van dat. 259. 1°. A. 1; bij verb, intr, 259. 2°; bij abl. van scheiding 270 ; bij namen van steden 279; onderscheiden van de, ex 280. A; bij het aangeven van den afstand 293. A; qui sunt a Platone 446. 2°.

abalienare, constr. 270. A. III. abdicare, constr. 270. A. I. abesse, afïïi, 91. 4°; met acc. of abl. van afstand 293; tantum abest ut.. . ut 356 ; non multum abest quin 359. 3°.

a b h i n c met acc. of abl. 290. A. 11. abhorrere, constr. 270. A. 111. ablativus der lquot;' deel. op abus 13; sing, op e en i 21 en 56; plur. van Gr. subst. op ma 23 ; der 4(Ie deel. op ibus en ubus 27 ; van comparat. 59 ; van part.op ans en ens 88, 412. A.en421; soorten van abl. 258; abl. causae 259; bij gigni, nasci, oriri 259. A. II; abl. instrum. ook in plaats van Ned. plaats-bep. 261; bij de verb, van afmeten 261. A; abl. modi 263—265; bij militair gevolg met of zonder cum 265. A; abl. partis 266 ; abl. pretii 267 ; abl. qualit. 268; abl. van scheiding met of zonder a, de, ex 270; abl. loei bij namen van steden 275; bij plaatsen in boeken 282; in plaats van per c. acc. 285. A; abl.; temporis 286; met of zonder in 286.! A. I en II; op de vraag hoelang te!

voren of daarna 288—290; abl. van afstand 293; abl. na een comp. in plaats van quam 295; abl. mensurae 302; abl. van het gerund. 435.

ablativus absolutus 421. abnuiturus 127.

abscedere, constr. 270. absens, bet. 91. 3°; in plaats van een adv. 190. 1°.

absolvere met gen. 247. absque, bet. en gebr. 164. 2. absterrere, constr. 270. A. III. abstinere, constr. 270 en A. I; non abstineo quin 359. 3°; quominus 361. 2°; zich onthouden 453. A. I.

abstracta, bepaling 9; in plur. 33. lquot;; concreta in plaats van abstracta 440; abstracta in plaats van concreta en adject. 441.

a b u n d a n t i a 36 abundare. constr. 269.

a bun de c. gen. part. 245. 4°. abuti, constr. 271.

ac, at que, als, na idem en adj. van gelijkheid 305—30ö; ac si c. conj. 342; atque is 466; bet. en gebr. 502; atque etiam, adeo 503. A. I; bij het laatste woord 505; ac non en neque 506; voor sed 524.

accedere met dat. of ad 231. A. I; ut nihil possit accedere 303. A; ac-cedit ut en quod 345. 2n. A; bij optellingen 493.

accent der woorden 5.

accidit met dat. 230; quod 345. 4°; ut 355. 2°.


ocr page 406

Algemeen register.

383

accingere, const. 232.

a c c i p e r e met dat. van doel of acc 236. A. II; met acc. c. inf. 397.1°; met gerund. 428.

accommodare met dat. gerund.of ad 434. 1°.

accusare met gen. en de 247 en A. accusativus op em en im 20; op is in plaats van es 23; van Gr. woorden der S116 deel. 25. 2°; op as in plaats van es 25. 7°; van het object 217; bij intrans. 219; bij samengest. verba van beweging 220; dubb. acc. 221—226; bij passiva 232. A. II; bij part. op aus en ens 254. 2°; bij verb, van herinneren 255. A ; acc. graecus 266. A; acc. bij uitroep. 274; bij namen van steden 275—277; van landen 280; bij tijdsbep. 285—288; bij abhinc 290. A. II; van uitgebreidheid 292; bij eeninf.subj.383. 2°. A. II; bij een vergelijking met een acc. c. inf. 403; van het gerund. 435.

accusativus cum infinitive bij videtur 215. A. III; bij dicitur, traditur 216; verschillend van quod 345. 1°. en 2°; in plaats van een inf. met een object 383. 2°. A. I; beschrijving 394; bij uitroep, en vragen 395 A; verschillend van ut 397. 10.A. I;bij verba van zweren, beloven 397.10.A.II; in plaats van Ned. adverb. 397. 1quot;. A. Ill; met weglating van acc. subj. 398; tweezinnenmetelkandervergeleken403; gebruik der tijden -^04; in orat. obi. 408. I. III. en 409. A. II; in rel. zinnen 409 A. II; inhetperf. omschreven met teneri 415. A.I; ter omschr jj ving van subst.445. 10; aangeduid door hoc, sic, ita 459.A.I. acquiescere, constr. 231. A. II a croama, gesl. 37.

activum, afleiding der tijden 93; in pass. veranderd 96—99; zoo het een depon. is 102; met reflex, bet. 453. A. I.

acus, ubus 27.

acutus, gebr. 136. I.

ad, bet. en gebr. 162. 3; onderscheiden van apüd 162. 3. b.); als adverb. 162. 3. c) ; ad — versus 162. 21; bij verba van nemen, kiezen 221. A. Ill; in plaats van dat. 227. A. II; bij verba comp. 231; in plaats van

dat. van doel 236. A. II; bij interest 257. 4°; bij namen vau steden 279; onderscheiden van in 280. A; bij tijdsbep. 285. A ; met gerund. 433. A ; 434. 1°; 435.

addere met dubb. acc. 221. c); ut nihil supra possit addi 303. A. adducere ut 351. 2°.

adeo met gen. 245. 4°. A; adeo non — ut 356; bet. 486: atque adeo 503. A. I.

a des se, assum, aifui 91. 4°. a d h u e locorum 245. 4 0. A; bij een comp. 302. A II; in brieven 315. A. II; nog 492.

a d i g e r e jusjurandum 224. A. III. adipisci ut 351. 2°.

a dire, constr. 220. 2°; aditu 438. adjacere met dat. 231. A. II. adjectiva, declinatie 50; defect. 56. 3°; indeclin. 57; verbogen als subst. gebruikt 58; vergelijking 59: met per samengest. soms gescheiden 63; y.f-leiding 148; op bundus met den casus van het verb. 143. I; op ilis en bilis met act. en pass. bet. 143. 3; in het neutr. als adv. 156; van één uitgang in gen. in plaats van nom. 176. A. Ill; als attributa 185; Ned. adj. in plaats van Lat. adv. 185. A. I; Ned. adj. in plaats van Lat. subst. 185. A. II; één adj. bij meer subst. 186; meer adj. bij één subst. 187—188; bij eigennamen 189; in plaats van Ned. adv. 190; plaatsing 191; op bilis met dat. 233; met gen. obj. 254; in posit, in plaats vau comp. 300. A; in den abl. a.bs. 424: met gen. van het gerund. 433. 2°; met dat. van het gerund. 434. 1°; met sup. op u 438; als subst. gebruikt 439; op arius in plaats van een nomen abstr. 440. 1°; Ned. adj. door Lat. subst. vertaald 441; Ned. adj. door een gen. of door een conjunctie ofniet vertaald442; na de praep. gezet 495; Lat. adj. in plaats van Ned. praep. 501. 3°.

adjuvare soms adjure in fut. exact. 114. A; quantiteit 134. III. admirari met acc. c. inf. 397. 3°. admodum vormt een superl. 63. a d m o n e r e, constr. 255; met ut of acc. e. inf. 351. 2°.

ocr page 407

Algemeen register.

384

admonitu 260. A. II. adolescens, comm. 39; ab ado-lescentia 440. 1°.

adolesco met part. perf. 103. adoriri, gecoujug. 127. A. adsciscere met dubb. ace. 221. c). adspergere, constr. 232. ad stare met dat. 281. A. II. adulter, eri, 15. I. A.

a d v e n i r e met ace. 284. adveutu £86. A. II.

adverbia, verdeeliug 152; vorming 153; op o 155; door het neutr. van een adj. uitgedrukt staan slechts bij verba 156; in comp. en superl. 158; op itus en im 160; praep. als adv. 162 en 499; als praep. gebruikt 165; bij esse 173. A; bij subst. of om schreven door adj. of rel. 185. A. 1; met gen. 245. 3°. en 4°; omschreven 445. A. en 447; door verba vertaald 485; adv. loei 490; in plaats van een pron. met eeu praep. 490. A; van pron. afgeleid 491; bij verba van plaatsen en aankomen 491. A ; staan achter de praep. 497. 2°.

adversus, adversum,contra, erga, 162. 4.

aedes, bet. 34. 4°; uitgel. 241. 2° aedilis, abl. sing, e 21. 4°. aeger animi 254. 1°. A. II. aegre bij cum additivum 363. B. 3°. aequ alis met gen. of dat. 233.A.II. aeque ac 306; aeque ac si 342. aequi bonique facere 249. A. aequo met comp. 298. 1°. aequum est in ind. 320; met acc. e. inf. 396. 1°.

aer, aera, 25. 2°.

aestimare met gen. pretii249; met abl. pretii 267. A. I.

a e t a s, id aetatis 242. A. II; bij heti aangeven van den ouderdom 291. 5°. aether, aethera, 25. 2°. afbreking der lettergrepen 6. affatira met gen. 245. 4°. afficere, constr. 269 en A. affinis, comm. 38; met gen. en dat. 233. A. IV.

affirmare met acc. c. inf. 397. 1°. affuere, constr. 269.

affui 91. 4°.

afleiding der tijden act. 92—93; pass. 94; der subst. 140; der adj. 143; der verba 146; der adverb. 153. afui 91. 4°.

age, agite 133.

agens ter aanduiding van den ouderdom 291. 2°.

agere, id agere ut 351. 2°; nihil aliud 351. 2°. A. II.

agnus, agna 41. 2°.

ain(voor aisne) tu, tandem 369.1°.A. ajo, geconj. 129; ajunt 213. 3°; gebr. en plaatsing 411. A.

al, jam 492; te bij adj. 300. alacer, is, e 52. 2°.

album, sing. tant. 33. 4°.

ales, abl. e, gen. um 56. 1°. en 2°. alias met fut. exact. 314. A. I. alienare, constr. 270. A. III. alien us, constr. 269. A. II. alimonia en alimouium 36. 3°. aliquanto bij comp. 302. aliquantum met gen. part. 245. 5° ; voor aliquanto 302. A. I.

al iquis en aliqui in plur. aliqua 83; aliquis, men 213. 5°; aliquo met gen. 245. 4°. A; bet. en gebr. 473 — 474; met non sine 477. 1°.

a 1 i t e r, vormingl 54. A.I;aliter ae306; alius aliter 306. A. I; sin aliter 335. 2°.

alius, gen. lus 52. 4°; nihil aliud (facere) quam 174. A. 3°; niet met gen. part. 245. 2°. A. II. c.); aliud met gen. 245. 5°; alius.ac 306; aliud aliud 306. A. I; non alius ac, quam, nisi 306. A. II; nihil aliud agere 351. 2°. A. II; alius alium, elkander, 458; de een dit de ander dat 484.

als, instar 35. 2°; bij een nomen appos. 198 en 1°; niet vertaald 214. 2°; vertaald door qui, ac, quantus, enz. 305; als zoodanig, ipse, 468. 4°.

alsof achter de verba van schijnen 342. A. IV; bij abl. abs. 421. A. IV.

alter, era, erum 52. 3°; gen. lus 52. 4°. niet met gen. part. 245. 2°. A. II. c); altero tanto bij een comp. 302; alter alterum, elkander 458; gebr. 481. alteruter, gedeclin. 52. 4°. alt us 292.

am, amb, an, praep. 167.

amans met gen. 254. 2°.


ocr page 408

Algemeen register.

385

ambages, um 22. 2°.

ambire, geconj. 122.

ambo, gedecl. 66; bei;. 482. A. a mbten uitgedr. door conoreta 440. 2°. amicus, constr. 233. A. III. a mover e, constr. 270.

amplius met gen. 245. 5°; bet. gebr. met en zonder quam 297. amphora, gen. plur. um 18. 1°, amussis, im 20. 2°; i 21. 1°.

an in rechtstr. vragen 369. 4°; non dubito 371; an (anne) in zijdel. vragen, an vero, annon 372. anaphora, bepaling 505.

anceps, abl. i 5(5. 1°; gen. um 56. 2°. ander (een), alter, 481. A. anderhalf, vertaald 73.

anhelare met acc. 219. 1°.

animad vertere, constr. 218; met acc. c. inf. 397. 1°.

animus in gen. bij adj. en verb. 254. 1°. A. II; in abl. modi 263. A. I; animum inducere met inf. of ut 388; ter omschrijving 447.

ante praep. en als adv. bij part. 162. 1; onderscheiden van pro 163. 7; bij tijdsbep. 288—290; met abl. measurae 302. A. I.

antecedens, bepal. 200; in den rel. zin gezet 207— 208.

antecedere, antecellere, anteire, constr. 231. A. II; mot abl. mensurae 302. A. I.

antequam bij tijdsbep. 288—-290; met ind. en conj. 365.

antistes, comm. en antistita 39. antwoord op vragen 373.

anxius met abl. 259. 2°.

apage 133.

apertum est met acc. c. inf. 396. 1°. apis, ura, ium 22. 2°.

apparatus, sing. tant. 33. 4°. apparet met acc. c. inf. 396. 2°. appellare met dubb, acc. 221. b). appellativa, bepal. 9; worden niet vertaald 464.

appellere ad 231. A. I.

appetens met gen. 254. 2°. apponere met dubb. dat, 236. appositie bet. en gebr. 192; bij meerv. namen van steden 193; Ned app. in het Lat. door gen. vertaald 194; namelijk vertaald 195; wanneer de tel-5de druk.

woord, niet vertaald worden 196; in den rel. zin gezet 197; met of zonder ut, tamquam, enz. 198; plaatsing 199; bij pron. poss. 240. A en 241. A; niet bij de ablat. mea, enz. 257. 1°; bij namen van steden 277; de praep. valt weg 500. 1°. app rime 63.

aptus met dat. of ad 233. A. I; aptus qui met conj. 375. 3°; met dat. gerund, of ad 434. 2°.

apud, bet. en gebr. 162. 2°; vervangen door den dat. 228. A. II; bij namen van steden 279.

aqua en aquae 34. 4°; uitgel. 439. arbitral*i met acc. c. inf. 397. 1quot;; arbitratus met tegenw. bet. 414. 2°. ar cere, constr. 270.

arcus, ubus 27.

arguere, part. fut. 127. A; geen part. perf. 136. I; constr. 390—391. argumento esse 236. A. III. aries, ovis 41. 2amp;.

artifex, comm. 39; gen. um 56. 2r'. art us, ubus 27.

a s, assium 22. 4°; assis non habere 249. A.

asp er, era, erum 52. 3°.

assentire liever depon. 137. I. assequi ut 351. 2°.

assidere met dat. 231. A. II. assiduus heeft een superl. 61. 2°; in plaats van adv. 190, 3°. assimilatie der praep. 166. assuefacere, constr. 390—391. assuescere, part. perf. 130; constr. 231. A. II: met inf. 387.

assumere met dubb. acc. 221. c). asyndeton 504—505.

at (ast) met of zonder certe in voorw. zinnen 335. 2°; bet. en gebr. met of zonder enim, vero 521.

at que, zie ac.

atqui 522.

attamen in voorw. zinnen 335. 3°; bet. 523.

a 11 i n e t met inf. 383. 2°.

attractie van het rel. 207. attributum overeenkomst 185; in den rel. zin gezet 208 ; de pron. als attrib. in plaats van in den gen. 251. A. III. atrox, abl. i 56. 1°.

auctorem esse met ut of acc. c.

25

ocr page 409

Algemeen register.

?86

inf. 351. 2°; met gen. gerund, of ad 433. A.

audax, abl. i 56. 1°; audaciter en audacter 154.

andere, semidep. 103; perf. conj. ausim 117. b; met inf. 387; ausus met tegemv. bet. 414. 2°.

audi re met dubb. nom. en male, bene audire 214. 2°. A. II; dieto au-dientem esse 230; met part. praes. ace. c. inf. of cum 393; audito als abl. abs. 425. 2°; auditu 438.

ausim 117. b.

auspicio, abl. modi 263. A. III. au stro, 425. A.

aut, subst. door aut verbonden met enk. praed. 182; in quot;vragen 372. A. III; aut-aut na een praep. 497. 5°; in de bet. van en 508 ; aut-aut in plaats van neque-neque 509; bet. en gebr. 513; van aut-aut 514.

au tem niet bij een relat. 210 A; achter een praep. 497. 4°; bet. en plaatsing 520 en 527.

auxiliari met dat. 230.

a u x il i u m en auxilia 34. 4°; gesl. 37. ave, avete, avere 132.

avidus met gen. 254. 1°.

avus, avia 40.

B.

baccar 21. 2°. en 22. 1°.

baculus en baculum 36. 2°. barbaria en barbaries 36. 1°. beduidend, aliquid, 474.

behalve misschien wanneer 336 behalve dat 337.

beiden valt weg 196; uterque of ambo 482.

bekend, ille, 461. 2°.

be Hum bellare 219. 2°; belli domi-que 281. A. II; bello, abl. temp. 286. A. II.

bene vormt eon superl. 63; adv. van bonus 153; audire 214. 2°. A. II; met acc. of dat. 274.

benedicere met dat. 230. beneficio, door, 262.

beproeven, uitgel. 370. A. beroemd, ille;, 461. 2quot;.

bestaan uit 259. 2°. A.

bestias (ad) damnare 248. A.

bevinden niet vertaald 453. A. I. bezitten, vertaald 234.

bib ere zonder sup. 136. VII; dare en administrare 392.

bic or por, gen. um 56. 2°. bi deus, gesl. 46.

bini in plaats van duo 72. A. bipennis 20. 2°; 21. 1°.

bis in die 287. A.

blandiri met dat. 230.

bonus, melior, optimus 60. 4°; adv. bene 153; boni consulere 249. A, bos, gedecl. 24; subst. comm. 41.1°. bovengenoemd, vertaald 418. A. III. 4quot;.

breuken 73.

brevi ante 288. A.

briefstijl 315.

buitengewoon, quidam 475. 2°. buris, im, i, ium 20. 2°; 21. 1°. b ij, vert. door dat. 228. A. II. bijna, vertaald 512.

bij voorbeeld door ut 331. A. bijzonder echter 510.

C.

caelebs, e, um 56. 1°. en 2°. caelum en caeli 36. 2°.

calida (aqua) 439.

campester, is, e 52.2°.

can ere zonder part. perf. 136. VI; receptui 236. A. Ill; met abl. instr. 261. cani (capilli) 439.

canis, canum, 22. 2°; gesl. 41. 1°. caper, capra, 41. 2°.

capere met dubb. acc. 221. e). capilli, uitgel. 4S9.

capitis en capite damnare 248. carbasus, gesl. 36. 2°.

career, bet. 34. 4f.

car ere met abl. 269.

caro, carnium 22. 3°; uitgel. 144.7. earns met abl. pretii 267.

cast rum, bet. 34. 4°; castra uitgel. 439.

casus recti en obliqui 10. A. cat us, feles 41. 2°.

eau po, copa 40.

causa met gen. plaatsing 165. A; onderscheiden van propter, ob, gratia 260. A. II; nihil est causae quod met


k

ocr page 410

Algemeen register.

387

conj. 375. 3°. A. I; causa est met geu. gerund, of ad 433. A.

cavere constr. 218; met ne, ut 352. 3°; ter omschrijv. vau den iniper. 380. 3°; cavere ne, niet laten 428. A. cedo, imper. 133.

cel are, constr. 223.

c e 1 e b e r, is, e 52. 2°.

cel er; is, e 52. 2°.

Celtiber, ëri 15. I. A.

cenare met part. perf. 103; met gen. en abl. pretii 267. A. II.

een sere met ut of acc. c. inf. 351. 2°. centesimae, procent, 73.

c e r n er e, bet. in perf. en sup. 136. III. eer tat o, 425. A.

eer te en certo, bet. 155. A; in voorw. zinnen 335. 3quot;; bjj antwoorden 374; cum—turn certe 510.

certiorem facere 221. A. I; met acc. c. inf. 397. 1°.

eervus, cerva 41. 2°.

ces sar e met inf. 387.

ceteri, adj. defect. 57.

ceterum, OYerigens 156; := sed 518. cette, imper. 133.

chiasmus 484. A. en 524.

cicur, gen. um 56. 2°.

cingere, constr. 232. A. II. cingula en cingulum 36. 3°.

cio en cieo, gebr. 135. IV.

circa, cireum, circiter 162. 5. cir cum dare, constr. 232. circumeo en circueo 166; met ace. 220. 1quot;.

circumfundere, constr. 232. circumsedere met acc. 220. 1°^ cis, citra, bet. 162. 6; citra met abl. mensurae 302. A. I.

civis, comm. 39.

c i v i t a s bij meerv. namen van steden 193.

clam met abl. en acc. 163. 11. cl am are met ace. c. inf. 397. 1°. clavis 20. 2°; 21. 1°.

c 1 i e n s, clienta 40.

eoalescere met part. perf. 103. coepi gecoujug. 130; in het praes. incipio en wanneer in het pass. 130. A; met inf. 386; ter omschrijving 485. cogere, constr. 390—391.

co git are met inf. en acc. c. inf. 387.

cognomen mihi est, datur, habeo 235. eognominis met gen.ofdat.233.A.V. cognoscere met dubb. acc. 221. c); met acc. c. inf. 397. 1°; cognitum habeo 415; cognito als abl. abs. 425. 2°; cogniti; 438.

colens met gen. 254. 2°. collectiva, bep. 9; met het prted. in plur. 178. 3°.

co 11 igere met acc. c. inf. 397. 1°. col loc are met gen. en abl. pretii 266; met in en abl. 283. 1). columbus, columba 41. 2°.

comes, comm. 29.

comitatus (subst.) zonder cum 265. A; (part.) met pass. bet. 414. 1°.

co mi tiu m, comitia, bet. 34. 4°; comitiis, abl. temp. 286. A. II; comitia met dat. ger. 434. 3°. ,

com mem orare metace.c.inf.397.l0. com men tar i us en commei'tarium 36. 1°.

commiserari met acc. 256. commode en commodum 156. common ere, commonefacere, constr. 255.

communia, bepaling 39 ; diernamen 41. 1°; als praedicaat 177.

communicare, constr. 231. A. I. communis, constr. 233. A. V. commutare, constr. 267. A. IV. comparativus, vorming 59; ontbreekt 61—62; van adverb. 158; bet. en gebr. 294—302; van partic. 413; zonder is in het tweede lid 465. 1°.

comperire met acc. c. inf. 397. lo; comperto als abl. abs. 425. 2°.. comport us met gen. 247. com pier e, constr. 269 en A. complexus met pass. bet. 414. 1°. c om p 1 u r e s, gedecl. eu bet. 60. 4°. A. compos, abl. e, gen. um 56. 1°, en 2°; met gen. 254. 1°.

composita, vorming 148—150. composite en composito, bet. 155. A. conari met si 370. A; met inf. 387. concedere met ut of acc. c. inf. 351. 2°; met gerund. 428.

concessu 260. A. II.

concludere met acc. c. inf. 397. 1°. concors, abl, i 56. 1°.

c o n c r e t a, bepaling 9; in plaats van ab-


ocr page 411

Algemeen register.

consilio, abl. modi 263. A. I; consilium capio of est met inf. of ut 388; met gen. gerund. 433. A.

c o n s i m i 1 i s met gen. en dat. 233. A.II. consistere in, ex 259. A; in met abl. 283.

consonanten, uitspraak, verdeeling 3; assimilatie bij samenst. met praep. 166—167.

confidere, semidep. 103; constr. consors met gen. 254. 1°.

230; met acc. c. inf. 397. 1°; confisns constare, bestaan uit 259. 2°. A; in plaats van part. praes. 414. 2°. met gen. en abl. pretii 266; constat con firma re met acc. c. inf. 397. l'Vmet acc. c. inf. 396. 2°.

co n fit er i met acc. c. inf. 397. 1°; constituere in met abl. 283; met confessus met pass. bet. 414. 1°. inf. acc. c. inf. eu ut 388; constitutum

congener 52. 2°. habere, enz. 415.

congregare in met acc. 284; in constructio ad synesiu 178; bij pass. zich verzamelen 453. A. I. het rel. 200. A. IV.

conjicere met acc. c. iuf. 397. 1°. consuescere iu perf. men tegenw. conjugatie der verba 93—; aan-bet. 130. A; constr. 231. A. II; met merkingen op de conjug. 114—117;'iDf. 387.

conjug. periphr. in plaats van Ned. fut. consuetudo est ut 355. 2°; met 313. A. II. inf. of gen. gerund. 433. A.

conjunction es, verdeeling 168 en consulere, constr. 218; boni 249. A. 328; in plaats van Ned. appositie 198; consulte eu consulto 155. A. in plaats van rel. zinnen 205; subordi-neerende 328 —•; door part. coujunc-

contagium eu contagio 36. 3°.

tum uitgedr. 419; bij part. conjunctuin geplaatst 419. A. II en 442. A. II; door abl. abs. uitgedr. 421; bij abl. abs. geplaatst 421. A. IV; iu plaats van Ned. subst. 445. 3°; coordineerende 502—.

conjunctivus van het fut. en fut. exact, omschreven 317. A. Ill en IV; Ned. conj. wordt in het Lat. indic. 320; opdat ook zonder ut na velim,

contemptul habere 236. A. III. contendere met ut of aoc. c. iuf. 351. 2°.

contentus met abl. 359. 2°; sum met inf. perf. 283. 2°. A. III.

contestatus met pass. bet. 414. 1°. contineo (non me) quiu 359. 3°; quominus 361. 2°.

con tingit met dat. 230; ut 355.2°; met inf. 355. 2°. A. II; met dat. van het

vellem, enz. 324; concess. 325; potential, praedicaat 386. A. II.

326; dubit. 327; bij conjuncties 328—; contra, adversus, erga 162. 4°; van een verbum van zeggen of meenen contra ac 306; na tantum abest 356.

na quod 344, A. Ill; zonder ut 351. A III; in zijdelingsche vragen 368; in relat. zinnen 375; in orat. obliq. 407—408. conjurare met part. perf. 103. co nj u x , comm. 39.

contrarie en contrario 155. A. contrarius ac 306. contubernalis, coram. 39. convenire, constr. 220. 2°; mi in en acc. 284; convenit in indic. 32( conscendere navem met abl. 284. A. met acc. c. inf. of ut 396.

conscius, constr. 254. 1°. en A. I. con ver tere in 435.

consecutio temporum 316; in conviva, comm. 39.

de orat. obliqua 409. A. III. coordineerende conjuncties, be

consentaneum est in indic. 320; paling 328; bet. en gebr. 502—•. met acc. c. inf. 396. 1°. : copia en copiae 34. 4°; gesl. 37

consequi ut 351. 2°. copiam dare met gen. ger. of ad 433. ^

considere in met abl. 283. coram, praep. 163. 10.

388

stracta 440; abstr.in plaats van concr. 441. concupiscere met inf. 387. condemnare, constr. 247—248. condicione, abl. modi 263. A. I. condueere met gen. en abl. pretii 267; conducit met acc.'c. inf. 396. 2°; met gerund. 428.

conferre in 435.

confessus met pass. bet. 414. 1°.

ocr page 412

1 Algemeen register.

dare, quantiteit 100; in praes. conj. duim 117. e) ; met dubb. acc. 221. c); met dubb. dat. 236; mihi datur esse 386. A. II; dare bibere 392; met gerund. 428; darefa-cultutem met gen. gerund, of ad 433. A. creber in plaats van Ned. adv. 190.3°. dat niet vertaald door ne non 354. credere, credunt 213. 3°; constr. en A. I.

218; crederes 326 .; credon voor credone dativus bij verba van nemen, kie-369. 1°. A; met acc. c. inf. 397. 1°. |zen 221. A. Ill; op de vraag aan wien credibile est met. acc. e. ini. 396. 10.:227; vervangen door ad 227. A. II; crescere met part. perf. 103; metdat. commodi onderscheiden van pro abl. causae 259. 2 '. 228. A. I; in plaats van apud 228. A.

crimine uitgel. 247. II; dat. ethicus 229; bij samengest. verba

cubitus en eubitum 36. 2°; ire 437. 231; bij esse 234—236; bij subst. 237; cucumis 20. 2°. en 21. 1quot;. in plaats van gen. poss. 239. A; in plaats

cuicuimodi, bet. 83; r met esse'van abl. causae en bij gerund. 259. 1°. 242. A. I. A. I ; bij verba van beweging 283.1°. A.

eujas en cujus, cuja, eujum 78. A.na idem 305. A; bij licet en neeesse est cultus est ut 396. A. 386; dat. gerund. 434.

cum, praep. 163. 3; numerus van de, bet. 163. 4; waaruit iets geworden het praedicaat zoo sum twee subj. ver-is 214. 1°. A; onderscheiden van ab, ex bindt 175. A. II ; bij abl. modi 263—265; 280. A; in plaats van gen. partit. 245. valt weg bij militair gevolg 265.A; na idem 3°. A. II; van gen. crim. 247; volgens 305. A; qui stabant cum Caesare 446. 2°. 266 ; wat betreft bij een acc. c. iaf. 399;

e u m , conj. bij appos. 198. 1quot; ; in plaats met gerund. 436. 2quot;.

van quam bij tijdsbep. 290. A. I; bet. en dea, deabus 12. A. 1.

gebr. 363; cum primum 367;cumquis473; debere in den ind. 320; met inf. 387 cum—turn 510. decedere, constr. 270.

cumul are met abl. 269. decern ere met inf. acc. c. inf. o

cunctari met inf. 387. ut 388.

cupedia en cupediae 34. 4°. decet en dedecet in den ind. 320

eupere, constr. 218; met inf. of constr. 383—384.

acc. e. inf. 389. declarare met dubb. acc. 221. a)

cupidus met gen. 254. 1quot;. met acc. e. inf. 397. 1°.

cur, est cur en nihil est causae cur declinatie der subst. 11— en 58 met conj. 375. 4°. A. I. adject. 50—; numer. 66—; pron 70—;

curam impertire met dat. ger. 434. 2°. part. 88, 412. A. en 421. A. I. curare ut 351. 2°; ter omschrijving dedocere, constr. 223.

van den imper. 378. A. II; laten met deesse, non desunt qui met conj.

1).

daar toch, niet vertaald 524. daaraan dat, quod 345. 4°. daaruit volgt 355. 2°. A I. damnare, constr. 247—248. dan vertaald door quam of niet vertaald 294—302; door ae, atque 306 ; door nisi 307; bij wenschen 324. l0;dan onvertaald 329. A; dan toch, at, tarnen enz. 335. 2°.

375. 4quot;.

defectiv'a, vis, ops 24; der 5de deel. 29 en 36. 1°; subst. 35; adject. 56. 3°; in de vergelijking 61—62 ; verba 128—.

defendere, constr. 270 en A. II; met acc. c. inf. 397. 1°.

defensor, defenstrix, 140. 1.

defer re met gen. 247.

defigere in met abl. 283. deflectere, zich afwenden 453. A. II. defungi, constr. 271.

389

corpus ter omschrijving 447. correlativa prou. 84; atlverb. 490. crassus niet met ace, van uitgebreidheid 292. A. I.

ere are met dubb. ace. 221. a).

degen er, 55; gen. um 56. 2°. deinde, bet. 159; bij optelling 493.

gerund. 428.

ocr page 413

Algemeen register.

delect at, constr. 383—384; delectari met ace. c. inf. 397. 3°; zich 453. A. I.

deliberare au 371; deliberatura habere 415.

deligere met dubb. acc. 221. a). demiuutiva, bep. 9; van eompar. G4; vau subst. 141. 1; van adj. 145; van verba 146. 3.

demoustare met acc. c. iuf. 397. 1°. demonstrativa, verbogen 79; richten zich naar liet praedicaatsn. 179 en 221. A. IV; in plaats van het rel. 206;

staan overvloedig' bij de attractie 209;

niet in gen. 251. A. Ill; verklaard door quod, ut en acc. c. inf. 345.3quot;. A. I; A. I; bij den inf. 382. A. II; uitgelaten bij (supra)

het part, conjunctum 418. A. II. en 420. 438; ne dicam in plaats van non modo-A. Ill; geplaatst hij bet part, conjunctum sed 512. 2°; vel dicam 513.

419. A. I; uitgelaten in abl. abs. 425. 'dicis causa 35. 3°.

1°. en 426; in plaats van Ned. subst. die to audieutem esse met dat. 230; 443; overtollig bij quidem 449; bet. en met compar. 298. 1°.

gebruik 459—; versterkt door tam 463. dies, geslacht 49; bij het rel. her-A; plaatsing 469; voor de praep. gezet haald 200. A. V; diem dicere colloquio

496. Zie verder hic, iste, enz. demovere, constr. 270. denique 493. denominativa, bepaling

ming 139—.

depellere, constr. 270.

236. A. Ill; eo die cum 363. B. 1°; met dat. gerund. 434. 2°.

d i ffe r r e, verschillen, zonder perf. vor-en sup. 119.

difficilis, comp. en superl. 60. 2°; adv. difficile, dit'ficiliter, difficulter 154; dep o n ent ia, vervoeging en in het difficile est in indic. 320; difficilis met pass. gebruikt 101 en 102. A; in part, perf, sup. II, ad of inf. 438.

met pass. bet. 414. 1quot;; niet tegenw. bet. diffidere, semidep. 103; diffisus 414. 2quot;; met reflex, bet. 453. A. I. met tegenw. bet. 414. 2°.

derisui habere 236. A. III. dignus met abl. pretii 267; qui (ut)

derivata, bepaling en vorming 139. met conj. 375. 3quot;.

deserere zonder part. perf. 136. I. diligens met gen. 254. 2°.

deses, abl. e. gen. urn 56. I0.en20. dimensus met pass. bet. 414. 1quot;. desiderativa, bet.envormingl46.2.| dimidium, bet. 73; met geu. part. designare met dubb. acc. 221. a). 245. 5°.

diphthougi 2.

dis, dite 54. 1°.

dis cere in plaats van doceri 22c A; met inf. en acc. c. inf. 387. discernere constr. 270. A. III. disc es su 286. A. II.

discordare, constr. 270. A. III. discors, abl. i 56. 1°. discrepare, constr. 270. A. III. disjungere, constr. 270. A. III. dis par, constr. 233. A. II; ac. 306 d is p licet met acc. c. inf. of ut 396 dissentire, constr. 270. A. III.

desinere, desii, 114. A; wanneer in pass. gebruikt 130. A; met inf. 387; ter omschrijving 485.

desistere, constr. 270; met inf. 387; ter omschrijving 485.

desperare met acc. c. inf. 397. 1°; desperate als abl. abs. 425. 2°.

deterrere, constr. 270. A. Ill; met ne 352. 3°; in pass, met inf. 352. 3°. A; quominus 361. 7°; non deterreo quin 361. 1quot;.

deus, verbogen 15. 3. A; in gen. plur. denm 18. 2°.

390

dexter, verbogen 52. 3°; in comp. en superl. 60. 4°; dextra in abl. 282; dextra (manus) 439.

deze en gene 462. A. I; deze of gene, hie aut ille 492. A. I. en aliquis 474. di, dis, praep. 167.

diaeresis 2.

dice re, imper. die. 126; valt weg 174. A. 3°. en 6°; bet. namelijk 195; diount 213. 3°; dicor met nom. c. inf. 216. 1°; met dubb. acc. 221. b); diem colloquio 236. A. Ill; diceres 326; ne dicam in plaats van tantum abest ut— ut 356; audio aliquem cum dicat 393. met acc. c. inf. 397. 1°; sic dictus 418. A. III. 4°; dictu

ocr page 414

Algemeen register.

van afmeten 261. A.; ex mea sententia 266; onderscheiden van ab, de 280. A. e castor, bet. 169.

e c c e , en, met pron. demonstr. verbonden 79; met dtn nominativus 274. echter valt weg bij het rel. 210. A. ecqui, ecquis, bet. 83; gobr. 479. ecquid, 369. 3°. A. en 370. edepol, bet. 169.

edere, geconj. 119.

e die ere met ut of acc. c. inf. 351. 2r';

edocere, eonstr. 22ij eed en hoe uitgedrukt 324. 3°. een en dezelfde 66. A. 2°; een van valt weg 196; de een en de ander 462. A. I; door is, tantus 463. A. I; de een of ander, aliquis 474; door quidam 475. 2°.

efficere met dubb. acc. 221. a); efficiens met gen. 254. 2°; met ut en acc. c. inf. 351. 20; met ne of ut non 353; ex eo efficitur 355. 2°. A. I; laten 428. A.

eg en us in comp. en superl. 60. 4°; met gen. 269. A. I.

dives, ditia 54. 1°; abl. e, gen. um 56 edicto als abl. abs. 425. 2quot;; laten 428. A.

1°. en 2°; met abl. 269; met gen. 269. A. III.

divinare met acc. c. inf. 397. 1°.

do cere, coustr. 223; met gen. en abl. pretii 267. A. III.

doch (niet), et, atque (neque) 524.

dol ere met aec. c. inf. 397. 3quot;.

dol o, abl. modi 264. A. II.

domus, verbogen 27. A. I; gelijk namen van steden 281.

do nare, constr. 232.

donec, bet. et gebr. 364.

do no accipere 236. A. III.

dubito an 371; nou dublto met quin i of acc. c. inf. 359; met inf. 359. 3°. A. 1. eg ere, constr. 369 en A.

dubium non est quin 359. 3°. egomet 76. A; egone 369. 1°. A;, ego

due ere, imper. due 126; met dubb. wordt nos 448. Zie verder personalia, acc. 321. b); met pro 221. A. II; met' eigen door pte en met 78. A; door dubb. dat. 236; met gen. pretii 241); pron. poss. of proprius 451. 3°; door met acc. c. inf. 397. 1°. ipse 468. 3°.

ductu, abl. modi 263. A. III. eigenlijk door ipse 468. 4°.

duim, praes. conj. van do 117. e) eigennamen vreemde 32. 2°; in duizend, vertaald 68. plur. 33. 3°; met welke adject, verbon-

dum met praes. imperf. of perf. 310. den 189.

A; dum (ne) indien slechts (niet) 338; eilanden (namen van) constr. 275. bet. en gebr. 364; bij een imperat. 378.|en 280.

dummodo (ne) 338. I elephantes en elephas 36. 1°; ge-

duo, gedeclin. 66; valt weg 196; on-slacht 41. 1°.

derscbeiden van ambo en uterque 482. A. eligere met dubb. acc. 211. a). d u p 1 i, 248. elkander 458.

391

disserere met acc. c. inf. 397. 1°. dissidere, coustr. 270. A. III. dissimilis, corap. en superl. 60. 2°; met gen. en dat. 238. A. II; ac, atque 306.

dissimulare met acc. c. inf. 397. 1 dis tare met ace. of abl. van afstand 293.

distributiva. gebr.72;metin287.A diu, comp. en supei-!. 158. A. II; est cura 363. B. A. II.

dure, duriter 154. A. II. ementitus met pass. bet. 414. 1°.

duumviri, dux, comm.

gen. 39.

E.

e, ex, praep. 163. 5; duidt aan, waaruit iets geworden is 214. 1°. A; in plaats van gen. partit. 245. 3°. A. II; bij verba

emere met gen. en abl. pretii 267. en in het Nederl. weggelaten bij twee adj. 187; niet vertaald in voorw. zinnen 334; en daarna door part. perf. 420. A. I; idoor abl. abs. 421. A. II; en wel door et is 466; door et, ac, atque, que 502; door neque, aut, ve; en noch — noch door neque aut — aut 508 en 513; at 521. 3°; en daarom (alzoo) 527. A. II. 4°.

um 18.

ocr page 415

Algemeen register.

392

enim niet na een relat. 210. A; bet. en gebr. S-iS; quid enim 471. A; achter een praep. 497. 4°; neque enim 507; enimvero 519; plaatsing 527.

eo met gen. partit. 245. 4°. A; quo—eo met comparat. 302; ter versterking van nou quod 344. A. II; wijzende op een zin met quod, ut, ne 529.

epicoena 41. 3°; als praedicaatsn. 177.

e p u 1 u m en epulae 34. 4°. equester, is, e 52. 2°,

equidem 449. 1°.

equus, equa 41. 2°.

er, vertaald 112.

er ga, adversus, contra 162. 4. ergo, wegens, met gen. en plaatsing 165. A; gebr. 2G0. A. II.

ergo, derhalve 525.

esse, geconj. 90; verschil van bet. in de conj. periphr. 106; vormen van edo 119; ab aliquo en alicui ab epi-stolis 163. 1; met adverb. 173. A; uitgel. 174. A. 1°; met dubb. nom. 214. 1°; met gen. en dat. van bezit 234. A. I; est mihi aliquid cum aliquo 234. A. III; met dubb. dat. 236; met gen. poss. 241. 3°; met gen. qual. 243; bestaan uit 259. 2°. A.; met gen. en abl. pretii 267. A. II; est ut 355. 2°; sunt qui, est quod met conj. 375. 4°; mihi est met part. perf. 415; met gen. gerund. 433. 4°: met dat. gerund. 434. 2°. esurire met acc. 219. 1°.

et — et met enk. praed. 182; verbindt twee adject. 187; et ipse 468 5°; et — et na een praep. 497. 5°; et, atque, que 502; et voor etiam 503. A. II; weglating van of verbinding door et — et 504—505; et non en neque, et nemo en nee quisquam, enz. 506; et — et, zoowel — als; et — neque; neque — et 509; et tamen 523; maar 524. et enim 348.

ethicus dativus 229.

etiam bij compar. 302. A. I; bij superl. 303. 3°; bij tantum abest 356; quin etiam 360. 3°; ja 374; ipse etiam 468. 5°; bet. en plaatsing 503; tum etiam 510; vel etiam 513; sive etiam 516.

etiam si, bet. en gebr. 341; bij een partic. 419. A. III.

etiamtum bij cum additivum 363 B. 3°.

etsi, quod etsi 211; maar 340. A I; bet. en gebr. 341; bij eeu partie 419. A. III; etsi — tamen, wel — maa 517. A. 5°.

e vader e, constr. 214.

evenal s, juxta, 162. 12.

even it met dat. 230; quod 845. 4° ut 355. 2°.

evenmin — als 509 en 511. evenzeer — als 511.

excedere, constr. 270.

excellere praeter 162. 16; met dai 231. A. II; met abl. mensurae 302. A. J excludere, constr. 270. excubiae, gesl. 37.

excusare, constr. 228. A. II. 2°. exerceri, zich oefenen, 453. A. ] existimare in pass. met nom. ( inf. 216. 1°; met dubb. acc. 221. b) met acc. c. inf. 397. 1°.

exitu, abl. temp. 286. A. II.

ex os us met acc. 130. A. expedire met abl. 269; expedi met acc. c. inf. of ut 396.

ex peil ere, constr. 270.

expensas (in) damnare 248. A. experiri si 370. A; expertus me pass. bet. 414. 1°.

expers met gen. 269. A. I. explere met abl. 269. explodere, bet. 136. IV. exploratum habere 415; explorat' als abl. abs. 425. 2quot;.

expulsor, expultrix 140. 1. exsistere met dubb. nom. 214. 1° exsistunt qui met conj. 375. 4°. exsolescere met part. perf. 103. exsolvere met abl. 269. exspectare dum 364. A. II; si 37G A.; met acc. c. inf. 397. 1°.

exspectatione met comp. 298. 2C exter, era, erum 52. 3°; exterus adj. defect. 60. 5°.

extra, praep. 162. 9.

extremum, extremo 158. A. I. extremus in plaats van Ned. adv 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 3° A. I; extremum est ut 355. 2°. exuere, constr. 232.


ocr page 416

Algemeen register.

393

F.

fabula, plaatsing 199.

facere iu pass, fieri 104; in wen-scheu faxo 117. b.); compos, die in Dass. fieri hebben 125. A; in imperat. ac 126; ab aliquo 163. 1; weggelaten 174. A 3°; met dubb. ace. 221. a); aliquem ;ertiorem 221. A. 1; met gen. poss. 241. 5°; met gen. pretii 249; aequi boni 249. A; juid facies hoe homine 266 ; quod 345. 1quot;; bet. en constr. 351. 2°. A. II; ne rf ut non 353; f'c.cere nou possum quin 2n ut 359. 3°. A. 11; fac ter omschrijving fan den imper. 378. A, II; fac ue 380. 3°; laten 428. A; factu 438.

fa ei lis, comp. en superl. 60. 2° ; adverb. facile 156 ; met sup., ad en gerund, of' inf. 438.

fa ci ii us est met acc. c. inf. 396.1°. factum met een adverb. 185. A. I. 3°. fac ul tas en fasultates 34. 4o; dare facultatem met ad of gen. gerund. 433. A. falli, zich bedriegen 453. A. I. fallo, fallit, constr. 384.

fama, sing. taut. 33. 4°; met acc. 3. inf. 397. 1°.

familia, geu. sing, as 12. A. II. familiaris, constr. 233. A. 111. fanum, uitgel. 241. 2quot;.

far, abl. e 21. 2°.

fari, geconj. en fando audire 131. fas, subst. defect. 35. 2°; est in in-lic. 320; met sup. II 438. fastidiosus met gen. 254. 1quot;. fateri met acc. c. inf. 397. 1°. faux, faucium 22. 4°.

faxo in wenschen 117. b).

febris 20. 2°. en 21. 1°.

feesten (namen van) iu gen. plur. um en iorum 23.

femina bij epicoena 41. 3quot;; omschrij-,-ing 439. A. I.

femur en femen 36. 1°.

ferre, geconj. 120; ferunt 213. 3°; n pass, met nom. c. inf. 216. 2°; met icc. c inf. 397. 1°. en 3°.

fessus met abl. 259. 2°.

fertilis met gen. 269. A. I. festino met inf. 387.

fidem habere met dat. 230.

fid ere, semid. 103; constr. 230; met acc. c. inf. 397. 1°; fisus met te-genvv. bet. 414. 2quot;.

fidicen, fidicina 40.

fidus, adv. fideliter 157.

fieri, pass, van faccre 104; geconj. 125; wordt weggel. 174. 3°; met dubb. nom. 214. 1°; met dubb. dat. 236; met gen. poss 241. 3quot;; met gen. qualit. 243; quid me fiet 266; quod 345. 4°; fit ut, fieri (non) potest ut 355. 2°; fieri non potest quin 359. 3°. A. II; per me fit quominus, uon per me fit quin 361. 3°.

fig ere in met abl. 283.

filia (familias) dat. en abl. abus 12. A. I. en II; uitgel. 241. 1°.

filius familias 12. A. II; voc. i 15. 3. A; uitgel. 241. 1quot;.

fin gore mot part, praes. 351. 2°. A. 11; met acc. c. inf. 397. 1°.

finis, bet. 34. 4°; finem facere met gen. of dat. 239. A; met gen. gerund. 434. A. flag it are, constr. 224; ut 351. 2°. flocci non habere 249. A.

foe dus met dat. 233.

fore, gebr. 90. A; moet gebruikt worden 107. A; met dubb. nom. 214. 1°; met dubb. dat. 236; fore ut ter omschrijving van den inf. fut. 404. A. 11. en 405.

fortasse en forsitau 322.

forte, bet. 468. 4quot;.

fortuna, bet. 34. 4quot;.

fraus, fraudium 22. 4°; fraude, abl. modi 264. A. II.

frenum, freni, frena 36. 2°. frequens in plaats van adv. 190. 3°. frequentativa, bet. en vorming 146. f r e t u s met abl. 259. 2°.

frugi, adj. indeel. 57; in comp. en superl. 60. 4°.

frui, part. fut. 127. A; usus sum 136. VIII; constr. 271.

fueram, fuero, fui bij de verleden tijden van het pass. 106.

fugiens met gen. 254. 2°.

fugit, constr. 383—384.

fungi, constr. 271.

futurum simplex, bet. en gebr. 313; in den conj. omschreven 317. A. III; hij een bevel 381.


ocr page 417

Algemeen register.

futurum exactum, bet. en gebr. gibber, era, erum 52. 3°. 314: in deu couj. omschreven 317. A. IV. gigni, eonstr. 259. 1°. A. II.

futurum sit ut ter omschrijving van güs, glirium 22. 4°.

den conj. fut. 317. A. Ill en IV; est gloriari constr. 259. 2°. A; met ut 355. 2°; esse ut 404. A. II. eu 406 acc. c. inf. 397. 3°.

1°; fuisse ut 406. 2°. j gnarus met gen. 254. 1°.

1 graad, vertaald 245. 4°. A. (*. gracilis, conip. en superl. 60. 2°.

gratia en gratiae 34. 4°; met gen. gallus, gallina 41. 2°. en plaatsing 165. A; bet. 260. A. II;

gaud ere, semidep. 103; met acc. gratias ago cum 346; quod 397. 3°. c. inf. of quod 397. 3°; gavisus met gratulari cum 346; quod 397. 3°. tegenw. bet. 414. 2°. grave est in ind. 320.

geen, nullus of non 483. Grieksche uitgangen der 2'Ie 17;

gener, eri 15. I. A. eigennamen op es, gen is en i; woor-

genetivus op on bij titels van boe-den op ma in dat. en abl. plur. is 23; ken 17 eu 25. 5°; op um in plaats van uitgangen der 3de 25.

arum, orum 18; gen. subject, eu object, gryps, gryphum 22. 4°.

238; gen. poss. 239 ; in plaats van dat.

239. A; gen. als appositie 240. A. en 241. A; gen. qualit. 242 en 263; gen.

partit. 244—245 ; gen. epexeg. 246 ; gen.

criminis 247; gen. pretii 249; gen. obj.

250—; gen. veranderd in attribütum 251. pro, loco, numero 221. A. I; bezitten A. III; plaatsing 253; bij namen van 234. A. IV; met dubb. dat. 236; ha-steden 275 — en 283; gen. qualit. bij beri met gen. qual. 243; met gen. pretii tijdsbepaling 285. A; bij ouderdom 291. 249; non habeo quod 375. 4°; habeo 3°; bij ruimtebepaling 292. A. II; gen. met inf. 392; met part. perf. 415. gerund. 433; gen. van een subst. in habilis met dat. of ad 233. A. I. plaats van een Ned. adj. 442. ha bi tare met gen. en abl. pretii

genius, voc. i 15. 3. A. 267. A. III.

genoemd (boven) 418. A. III. 4°. haedus, capella 41. 2°.

gentilia^ bepaling 9; pronomina 78.A.

gentium bij ubi, uude, enz. 245. 4°. A.

894

H.

habere met dubb. acc. 221. c); niet

haesitare an 371. half, vertaald 73.

genus, alia id genus 242. A. II; ex baud seio au 371; haud (sane, ita) eo genere quae 251. A. Ill; ter omschrij- liaudquaquam, bet. eu gebr. 487.

haurire in part. fut. 127. A.

ving 447.

gerere se met adverb, of pro 222. A. heb es 56- 1°.

gerundium 429—.

gerundivum, bet. en gebr. 109— 111 en 427—; op undus 117. f; met sum in iudicat. 320; ter omschrijving van Ned. subst. en onderscheiden van het part. perf. 444. 2quot;.

geschrift, inhoud aangegeven 282. geslachtsnaam in plur. 192. A. geslachtsregels 37—. getalmerken (liom.) 74. gevoelen, niet vertaald 453. A. I. gewichten (namen van) gen. plur. um 18. 1°.

gezel, omschreven 446. 2°.

hebben, vertaald 234 en 243. He breeuw sche eigennam. 82. 2°. hei met dat. 274.

he par 21. 2°.

her es, comm. 39.

het, vertaald 112; door res 447. heteroclita 36.

heterogenea 36.

hetzij dat (wijl) 516. A.

beu bij uitroepingen 274.

bic, hice 79; in his 164. 1; (adverb.) met gen. part. 245. 4°. A; hoc met gen. part. 245. 5°; hie dolor, de smart hierover 251. A. Ill; bij tijdsbepaling


ocr page 418

Algemeen register.

395

290. A. II; ter aanwijzing van een compar. 295. A. II; hoc bij een inf. 382. A. II; in de orat. obi. 410; bet. en gebr. 459; ter aanwijzing van een ace. e. inf. 459. A. I; hie — ille 459. A. II. en 462; hie et ille 462. A. I; hie met tam, tantus verbonden 462. A. II.

hoe — des te 302. A. IV; hoe — ook, quamvis 339. A. II; hoe, ut en quam 343. A. II; quis en quomodo 470. A. 1.

homo, uitgel. 243; ter omsehr. 439 A. I.

honderd, vert. 68.

ho nest us met dat. 233; met sup. II. 438.

hoofdtjjden 134—.

hoofdzinnen in indie. 319—; in conj. 323 —; bet. 328; in orat, obi. 408.

hortari met dubb. ace. 225; ut 351. 2°.

hortus en horti 34. 4°.

hospes, hospita 39.

hue met gen. partit. 245. 4°. A; hue adde bij optelling 493.

hu jus non habere 249. A.

humane en humaniter 154. A. II. humi en humo, eonstr. 281. A. III. humilis, comp. en sup. 60. 2°.

I.

Iber, ëri 15. I. A.

ieere, verb, defect. 136. VII.

i d e i r c o ter versterking van nou quod 344. A. .II; wijst op een zin met quod, ut, ne 529.

idem met gen. 245. 5°; ac, qui, cum en dat. 305; bet. en gebr. 467.

ideo ter versterking van non quod 344. A. II; wijst op een zin met quod, at, ne 529.

idoneus qui met conj. 375. 3°; met dat. gerund, of ad 434. 1°.

iets niet vertaald bij het praedie. 176. A. II. en 464.

igitur niet na een relat. 210. A; quid igitur 471. A.; non igitur en neque igitur 507; bet. en plaatsing 507; et igitur 527. A. II. 4°.

ignarus met gen. 254. 1°.

igne en igni 21. 5°.

ignorare met inf. en ace. c. inf. 387. ik? egone? 369. 1°. A.; ik wil niet zeggen — maar slechts 512. 2°.

ille bij eigennamen 189; illud aeta-tis 342. A. II; illad met gen. 245. 5°; bij tijdsbepaling 290. A. II; illud bij een inf. 382. A. 11; in de orat. obliq. 410; ille quidem 449. 2°; ille.— hic 459. A. II. en 462; bet. en gebr. 461; overtollig bij sic 461. A.; ille et ille 462. A. I; ille met tam, tantus 462. A. II; plaatsing 469. Zie vorder de-monstrativa.

illud ere, constr. 231. A. II.

imbor 21. 5°. eu 22. 3°.

imbui in plaats van doceri 223. A. immemor, gen. um 56. 2quot;; met gen. 254. lu.

immensum est in ind. 320.

immo (quin) 360. 3°; vero 374. immunis met gen. 269. A. I. lm par met dat. gerund, of ad 434. 1°. imp e di ra en t u m, bet. 34. 4°. impedire ne 352. 3quot;; quomiuus 361. 1°; non impedio quin 361. 1°; met ace. en inf. 390; niet laten 428. A.

i m p e 11 e r e ut 351. 2°.

imperare, constr. 397. 2°; laven 428. A.

imperativus van impersonalia 113; in plaats van eeu voorw. zin 334; bet. en gebr. 337 —; in de orat. obl. 408. II.

imperator, plaatsing 199. imperfectum, bet. eu gebr. 311; in plaats van plusquamperf. 312. A. I; bij kunnen, moeten, betamen 320; bij utinam 324; in den modus coneess. 325; potent. 326; dubit. 327; in voorw. zinnen 332. A. I.

imperio, abl. modi 263. A. III. imp er it us met gen. 254. 1°. im pert ire, constr. 232. impetrare ut 351. 2°.

implere, constr. 269 en A. imponere in met acc. 283; met gerund. 428.

imp os, abl. e, gen. um 56. 1°. en 2°; met gen. 254. 1°.

imp o tens met gen. 254. 1°. imprimere in met abl. 283.


ocr page 419

Algemeen register.

imprimis ter versterkingvantumölO. indu ceremetpart.praes.351.20.A.IL improbare met ace. c. inf. 397. 10.! induere, constr. 232.

imprudens met gen. 254. 1°. imp une 156.

imus in plaats van Ked. adv. 190. 2°; niet met gen. part. 245. 3°. A. I.

in, bet. en gebr. 164. I; in plaats van dat. van dool 236. A. II; van gen. partit.-245. 3°. A. II; door abl. instrum. vertaald 261; valt weg bij plaatsbep. van steden 276—277; bij namen van landen 280; onderscheiden van ad 280. A.;

met abl. in plaats van acc. 288; bij tijds-i infimus niet met gen. partit. 245. bep. 285—287; in eo tempore 286. A. I.; 8quot;. A. I.

bis in die 287. A; in altitudinem, enz. infinitivus fut. pass. niet gebruikt 292. A. II; met abl. gerund. 436. 2l,.;216. 3°. A; historicus 811. 1°. A. II; in, on 167. bet. en gebr. 882; als praedic. 383. 1°.

incertum est an 371. A. II; met praedicaatsnomen in acc.

inchoativa, bep. en vorm. 146. 4°. 383. 2°. A. II; inf. pert', in plaats van incidere in met abl. 283. inf. praes. 883. 2°. A. Ill; met prae-

inctdere met dat. of in 231. A. I. dicaatsnomen in nom. 387. A. II; inf. incipere als praes. van coepi 130.fut. na verba van bopen 397. 1°. A.II; A.; met inf. 387. inf. fut. omschreven 404. II. A.II; inf.

incitare ut 351. 2°. praes. bij memini 404. II. A. Ill; inf.

incitas (ad) redigere 35. 8°. fut. exact. 405; in plaats van ad met

includere aliquem aliqua re of in ger. 435. A. II; ter omschrijving van aliquid 261. Ned. subst. 445. 1°.

incredibilis met sup. II 438. infinitum est in indie. 320.

in cumb ere, constr, 231. A. II. in fit 127. A.

incusare met gen. crim. 247. A. infitiari met acc. c. inf. 397. 1°. inde niet bij sequitur 355. A. 1;=! infitias ire 35. 3°.

ex ea 490. A. infra, praep. 162.10.' met abl. mens,

indeclinabilia subst. 32; adj. 57.302. A. I.

in defini ta pronom.82—88;uitgel.in ingens 56. 1°.

ingredi, constr. 220. 2°. inimicitae 33. 1°.

inimicus, constr. 283. A. III. initio, abl. temp. 286. A. II. in jurat us, bet. 108.

abl. abs. 425. 1°; bet. en gebr. 473—480. index, comm. 39.

indicare in pass, met nom. c. inf. 216. 2°; met acc. c. inf. 397. 1°.

indicativus, bet. en gebr. 819; in plaats van Ned. conj. 820; in voorw. injuria, abl. modi 264. A. II. zinnen 331. A. II en 332. A. II; biji injussu 260. A. II.

nisi forte, nisi vero 336; bij cum can- innoxius met gen. 247.

sale 346; in de orat. obi. 408. A. I. inops, abl. i 56. 1°: gen. um 56. indicium uitgel. 241. 3°. 2°; met abl. gen. en ab 269 en A. III.

indien echter, sin of sed si 334; in quam, geconj. en bet. 128; valt weg indien niet door nisi, si non 885; in-174. A. 2°; gebr. en plaatsing 411. A. dien slechts (niet), modo (ne) enz. 338. inscius met gen. 254. 1°. indigere, constr. 269 enA. inscribere met dubb. ace. 221. b);

indignari met acc. c. inf. 397. 8°. in met abl. 283.

in di gnus met abl. 267; qui (ut) insculpere in met abl. 283. met conj. 375. 3°. indignum est met; insgelijks, idem 467; et ipse 468. 5°. acc. c. inf. 396. 1°. insimulare, constr. 390—391.

396

in één woord, denique 493.

in eo est, bet. en gebr. 813. A. II; ut 355. 2°.

iners, abl. i 56. 1°.

i nesse, constr. 231. A. I.

in fans, comm. 39.

infer, inferus, gebr. 60. 5°. inferior in plaats van Ned. adv. 190. 2quot;; zonder quam 296. 8°; inferior — superior in plaats van bic—ille 462.

ocr page 420

Algemeen register.

397

insolens met gen. 251. 1quot;.

ins ons met gen. 247.

inspergere, constr. 232.

ins t ar, subst. defect. 35. 2°. instinguere, gebr. 130. IV. instituere in pass. voor doceri 223. A; met inf. 387.

ins trui voor doceri 223. A. insuescere, constr. 231. A. II. insuetus, constr. 254. 1quot;. en A. I. insultare, constr. 23. A. II. integendeel 374. A. I. intellegere met acc. c. iuf. 397. 1°; iu pass. zica laten begrjjpen 428. A; intellectu 438.

intensitiva, bep. en vorming 146. I. in ten turn esse met dat. gerund. 434. 2U. inter, praep. 162. 8; in plaats van gen. partit. 245. 3°. A. II; bij tijdsbep. 287; bij intaresse 382. A. I; met acc. gerund. 435. A. I; inter se, inter nos 458; plaatsing 49i.

intercludere. constr. 232. intercus, utis 52. 1°. interdieere, constr. 231. A. II; ne 352. 3°.

i n t e r e a loci 245. 4°. A; bij cum additivum 363. B. 3°.

interesse alicui 231. A. I. interest, hoe vertaald 73. interest, constr. 257; inter met inf. 383. A. I.

interim bij cum additivum 363. B, 3°. interire met abl. causae 259. 2°. interj ectiones 169.

interpres, comm. 39. interpretatus met pass. bet. 414. 1°. interrogare, constr. 224. interrogativum, gedecl. 81; richt zich naar het praedicaatsn. 179; als attributum in plaats van gen. 251. A. III; gebr. 470—-472. Zie verder quis, qui.

i n t e r v a 11 u m in abl. van afstand 293. A.

intimus niet ingen. partit. 245. 3°. A.I. intra, praep. 162. 11; bij tijdsbep. 287. intransitiva in pass. gezet 98— 99 eu 230. A; met aoc. 219; samengest. met praep. hebben zij het obj. in acc. 220; met dat. 231; met gen. 255; met abl. 271.

intusschen, quamquam 340. A. I.

inutilis met dat. gerund, of ad 434. A. invenire, inveniuntur qui met conj. 375. 4°; met acc. c. inf. 397. 1°; in-ventu 438.

inveterascere met part. perf. 103. invicem, bet. en gebr. 458. A. invidere, constr. 230.

in vit are ut 35 J. 2°.

in vit us in plaats van Ned. adv. 190. 1°.

in weerwil van 340. A. II.

ipse niet bij mea: 257. 1°; ipsum bij een inf. 382. A. II; in orat. obi. 410; ipse of suus in bijzinnen 456; bet. en gebr. 468; me ipsum en me ipse 468. 2°; et ipse 468. 5°; plaatsing 469.

irasci zonder perf. 136. VII; met acc. c. inf. 397. 3°.

ire, geconj. 122; met dubb. dat. 236; met sup. 437.

is, in iis 164. 1; id quod 200. A. I; in plaats van het rel. 206; bij de attractio 207; aliquid id genus, id aeta-tis 242. A. II; id met gen. partit. en ad id looi, aetatis, audaciac 245. 5°; ex eo genere quae 251. A. Ill; is sum qui met conj. 375. 2°; in orat. obi. 410; ejus en suus 453. A. II en III; bet. en gebr. 463—; weggel. voor het relat. 463. 3°; voor het Ned. een 463. A. I; uitgel. bij een Ned. gen. 465. 1°; bij een tweede verbum of subst, 465. 2°; et is, isque 466; bij een praep. 496; in plaats van een subst. bij een tweede praep. 499. Zie verder demon-strativa.

iste bij eigennamen 189; istud met gen. 245. 5°; bet. en gebr. 460; ille, hic 462; met talis, tantus 462. A. II.

ita, ut quisque met superl. — ita met. superl. 302. A. IV; ita — ut qui met superl. 303. A; ita — ut bijeeden 324. 3°; ut—ita, wel—maar 343. A. I; ita non—ut in plaats van tantum abest 356; itane (est, vero) 369. 1°. A; ita (est, vero est) als antwoord 374. 2°; ter aanduiding van een acc. c inf. 459. A. I; ita en sic, bet. 486; ita (nou) — ut, wel (niet) — maar 517. A. 4°.

itaque en itaque 5. A; niet bij rel. 210. A; bet. 526.


ocr page 421

Algemeen register.

item gelijk aan et ipse 468. 5°; non tem 524.

iterum, bet. 159.

door esse met dat. gerund. 434. 2°.

L.

ja, ja zelfs, quin (potius, immo.

tiam) 360. 3°; als antwoord 374; quid den conj. 323. A ; door gerund. 427. 4°; [uod, quid si 471. A.

jacere werpt in de compos, j weg 36. V.

jam bij ordinalia op de vraag sinds loelang 285. A; bij cum additivuni! laat staan dan door tantum abest ?63. B. 3°; niet voor ipse 468. 4°; bet. ut—ut, nedum en ue dicam 356.

192; niet bij pronom. 514. A.

Je sus, gedecl. 32. 2°.

jocus, joci, joca 36. 2;

jonger dan 291. A.

j ubar 21. 2°.

jubere, constr. 390—391; 428. A.

jucundus met sup.

rund. of inf. 438.

j u d i c a r e met dubb.

met acc. c. inf. 397. 1°.

j udicio (meo) 266.

juist dezelfde als, non alius ac 306. A. II; door pron. poss. 451. 1°; door ipse 468. 4°.

laatst door hic 459. 1°.

laborare met abl. of ex 259, 2°. A. lacer, era, erum 52. 3°.

lacus, ubus 27.

laetari met acc. c, inf. 397. 3°; laten zich verheugen 453. A. I.

laetus in plaats van Ned. adv. 190. II, ad en ge-lu; met abl. 259. 2°.

laeva, abl. loei 282.

acc. 221. b);] landen (namen van) geslacht 38;

constructie 280; bewoners in plaats van 280. A.

lar, larium 22. 4°.

laten vertaald 323. A. en 428. 1 au dare met acc. c. inf. 397. 1°. Juppiter, gedecl. 24. la vare, part. fut. 127. A; in pass.

jurare met part. perf. act. 103; met zich baden 453. A. I.

acc. c. inf. 397. 1°. en A. II. leerling omschreven 446. 2°.

jure, abl. modi 264. A. II; meo, legatio voor legati 441.

tuo jure 451. 1°. leg6) aW- 263. A. I. en 264.

jus est met inf. of gen. gerund. 433, A. A. II.

legere met acc. c. inf. 397. 1°. leno, lena 40.

leo, leaena 41. 2.

letum, sing. tant. 33. 4°.

levis armatura voor leviter ar-mati 441.

lex est ut 355. 2°.

1 i b e us in plaats van Ned. adv. 190. 1°. Liber, eri 15. I. A.

liber, era erum, 52. 3°; constr. 269 en A. III.

liber are met abl. 269 en A. liberi, gen. soms um 18. 2°.

lib et met dat. 230; constr. 383. 2°. libertus, uitgel. 241. 1°.

li bram pondo 242. A. II.

jusjurandum, gedecl. 31.

j ussu 260. A. II.

justitium, sing. tant. 33. 4°. justo met compar. 298. 1°.

justum est in indicat. 320; met acc. c. inf. 396. 1°.

ju vare in part. fut. 127 ; juvat, constr. 383—384; met acc. c. inf. 397. 1°. juvencus, juvenca 41. 2°. juvenis, abl. sing, e 21. 4°; gen. plur. um 22. 2°; comm. 39; in comp. en superl. 60. 4°; in plaats van een abs. tractum 440. 1°.

juventus en juventa 36. 1°; voor juvenes 441.

juxta 162. 12.

98

K.

kleeding met of zonder cum 265. klemtoon der woorden 5.

kortom, denique 493.

kunnen door esse cum gen. 241. 3°; door possum in indic. 320; door

ocr page 422

Algemeen register.

399

r

i li cere met gen. en abl. pretii 266. Heet met dat. 230; in hulie. 320; constr. 383 en 386.

licet, ofschoon 339. licliaamsdeelen in het meervoud 33. 5°. A.

1 i n t e r , ium 22. 3°.

lis, litium 22. 4°.

littera, bet. 34. 4°.

1 o c a r e met gon. en abl. pretii 266 ; met in en abl. 281. 1); met gerund. 428.

locus, loci, ïoca 36. 2°; (in) loco habere 221. A. II; loci, locorum bij ubi, unde 245. 4°. A.; loco, abl. modi, in loco, 263. A. III; loco, locis op de vraag waar 282; locum dare met gen. gerund, of ad 433. A.; locum capere met dat. gerund. 434. 2°.

locuples, um, ium 56. 2°; metabl. 269. longe bij superl. 303. 1°.

longius, constr. 297. A. III. longum est in iudic. 320. luculente en luculenter 154. A. II. ludere met abl. instrum. 261. ludibrio habere 236. A. III. ludus, bet. 34. 4°; plaatsing 199; Indus, abl. temp. 286. A. II.

luere, part. fut. 127.

lux in abl. luce en luci 21. 5°. luxuria en luxuries 36. 1°.

lynx, lyncum 22. 4°.

M.

maar valt weg bij het relat. 210; quamquam 340. A. I; modo 378. A. I; door abl. abs. 421. A. II; maar dan, sed is 466; maar daarentegen, idem 467; sed, vero, autem, at 517—521; maar (niet), et, atque (neque) of valt weg bij tegenstelling 524.

maatstaf in den abl. 261. A. maete, bet. en gebr. 273. A. maestus met abl. 259. 2°.

magis vormt een comparat. 63; ma-gis muiier en major muiier 185. A. 1.1°; onderscheiden van plus en amplius 297. A. H; magis-quam bij vergelijking van twee eigenschappen 299; non magis-quam 511.

magnus in comp. en superl. 60. 4°; adv. valde 157; magni, gen. pretii 249 en 257. 3°; magnam partem 266. A.; magno, abl. pretii 267; niet met acc. van ruimte 292. A. I; magnum est in indic. 320.

major is, geen gen. pretii 249 en 257. 3°.

majuseulus 64.

maledicere met dat. 230.

malus in comp. en superl. 60. 4°; male audire 214. 2°. A. II.

malle, geeonj. 121; quam 294; met abl. mensurae 302. A. I; malim, mallem bij wenschen 324. 1°; met inf. acc. c. inf. en ut 389; als inf. fut. 404. II. A. II. man niet vertaald 464. mancipium, gesl. 37.

mandare ut 351. 2°; soms acc. c. inf. 397. 2°; met gerund. 428.

mane, subst. defect. 35. 3°. manere met dubb. nom. 214. 1°; constr. 218; dum 364. A. II.

manifestus met gen. 247; mani-festum est met acc. e. inf. 396. 1°. man us, uitgel. 439.

mare, terra marique 282. mas, marium 22. 4°; bij epicoena 41. 3°.

maten (namen van) in gen. plur. um 18. 1°.

mater familias 12. A. 11. materia en materies 86. 1°. maturare met inf. 387; ter omschrijving 485.

maturüs in comp. en superl. 60.4°. maxime vormt eeu superl. 63; ter versterking van tum 510.

maximi, gen. pretii 249; niet bij interest 257. 3°.

mecastor, bet. 163.

m e d e r i met dat. 230.

meditari met inf. of ut 388; medi-tatus met pass. bet. 414. 1°.

medius in plaats van Ned. adv. 190. 2°; met gen. partit. 245. 3°; wanneer niet in gen. partit. 245. 3°. A. I. mediusfidius, bet. 169. me hercules, bet. 169.

melius est in indic. 320; erit met inf. perf. 383. 2°. A. II.

me mini, geconj. 130; constr. 255; met inf. en acc. c. inf. 387; met inf. praes. 404. II. A. III.


ocr page 423

Algemeen register.

400

me mor, i, um 56. 1° en 2°; met gen. 254. 1°.

memorare met ace. c. inf. 397. 1°; memoratu 438.

memoria tenere met inf. praes. 404. II. A. III.

men yertaald 112 en 213.

men da en mendum 36. 3°. mendicus, comp. en superl. 60. 3°. ra e n s i s , urn , ium 22. 2°.

men te, abl. modi 263. A. I. raentiri met ace. c. inf. 397. 1°. merere,geb. 135. V.

merito, meritissimo 158.

me ss is, i 20. 2°; ium 21. 1°. met vertaald door cmn 163. 3; door gen. qualit. 242; door abl. modi 263—; door abl. qualit. 268.

ra et all a (in) damnare 248. A. metuere, eoastr. 218; metuens met gen. 254. 2°; met ne, ne non, ut ea

est met ne, ne non, ut of

gerund. 354.

inf. 354.

met u s gen

raeus, vocat. rai 78.

mi voor mihi 76. A.

militairen in het enkelvoud 33.5°; militair geleide met en zonder cum 265. A.

militia in gen. op de vraag waar 281. A. II.

mille, adj. en snbst. 67.

millies, duizendmaal 68.

ra i n a r i met aoc. c. inf. 397.1°. en A. II. minimum en minime 158. A. I; minimum met gen. partit. 245. 5°; minimi, gen. pretii 249, doch niet bij interest 257. 3°; minimo, abl. pretii 267; minime (vero) neen 374; rainime als een versterkt non 487.

ministrare bibere 392.

minor is, gen. pretii 249 en 267; niet bij interest 257. 3°.

minus met gen. partit. 245. 5°; bet. en gebr. met en zonder quara 297; si minus 335. 2°; non minus—qnam 511. mirabilis met sup. II 438. mirari, constr. 397. 3°,

mirum quam, quantum 368. A. III. miser, era, erum 52. 3°.

miserari met acc. 256.

misereri met gen. 256.

raiserescere met gen. 256,

raise ret, constr. 256.

misschien, dubito an 371.

mits (niet), modo (ne) enz. 338. mitt ere met dubb. dat. 236; cu 265. A; met gerund. 428; met sup. 43

mob ilia, vorming 40 en 140. I; diernamen 41. 2°; als praedicaatsn. 177: als adj. gebruikt 185. A. II. 1°; als appositie 192; omschreven 446. 1°. raoderari, constr. 218.

raodo (ne), indien slechts (niet) met conj. 338; maar 378. A. I; rcodo—raodo 510; non modo—sed (ne-quidera), modo non 512.

modus, modo, in raodum bij een appositie 198. 2»; als abl. modi 263 A. I en III; omschrijvend subst. 447.

modus in' hoofdzinnen 319—; in bijzinnen 328—•.

moeten door esse cura gen. 241.3° door iraperf. de cou. 311. 3°; in det in die. in plaats van conj. 320; niet vertaald 323. A; vertaald door gerund. 427 mogen vertaald door modus optativu; met of zonder utinam 324. l0;bij eede» 324. 3°; niet vertaald bij quidquid, utcunque 376; vertaald door licet 383 ; vertaald door gerund. 427. 3°; niet vertaald bij sive-sive 516. A.

m o 1 e s t u m est met ace. c. inf. 396. 1°. ra o n e r e, constr. 225 ; met ut en acc. c. inf. 251. 2°.

raonstrare met acc. c. inf. 397.1°. raori, part. fut:. 127.

raorte damnare 248.

mos, raore bij een appositie 198. 2° morera gerere met dat. 230; mos es. en moris est 241. 3°;lnore, abl. modi 263. A. I. 1°. en A. III; mos est ut 355. 2°; mos est met inf. of gen. van het gerund. 433. A.

ra o v e r e kan in het perf. vi verliezen 114; constr. 270; ut 351. 2°; moveri, zich bewegen 453. A. I.

mox met fut. exact. 314. A. I. Mulei her, eri en ri 15. I. A.

ra uit are, constr. 248. A.

ra u 11 u s in comp. en superl. 60. 4°; multura vormt een superl. 63; heeft als adv. multura 156 et 187; in plaats van Ned. adv. 190. 3°; raultum niet gen

partit, 249 ( 302; rnA- 1; .T mu ra u | 18. 1' mu ra ii ra ii

n a li a gebr.

n a nam, | na n a

t

[ na ii a met ..inf. i * na nom. nat us na n a na na ! seeuc n e nc met : 174. jraodi i; i | schoi

dicat quis , A. 1 vree abes conj, 1°; sent , ne 477. mod . ni van


ocr page 424

Algemeen register.

401

partit. 245. 5o; multi geon gen. pretii 24'J en 257. 3°; multo bij een comp. 302; multum in plaats van mnlto 302 cu I; multo eeu superl. 303. 1quot;. 43 y mundus, sing. tant. 33 4°. 3. j:- munten (namen van) gen. plur. um 177 ;• 18. 1quot;.

j als raunus, uitgel. 241. 3,:gt;. mus, murium 22.

in ut are, constr. 267. A. IV.

met

Tiodo ^ •

nodo

na met inf. 382. A. I.

een nam, niet bij relat. 210. A; bet. en 263 gebr. 348.

447. namelijk bij appositie 195; door ; in nam, enim, etenim 348.

j namen der Romeinen 144. B. I. A. .30 : nam q ue, 348.

dei. t naris, bet. 34. 4°. ver- narrare, narrant 213. 3°; in pass. 427 met nom. c. inf. 216. 2°; met ace. c. ivu; inf. 397. 1°.

ïden . ' nas.ci, part. fut. 127; met dubb. [■uid, nom. 214. 1°; constr. 259. 1°. A. II; !83 ; natus met acc. van leeftijd 291. 1°. ver- u-atalis, bet. 34. 4quot;.

natu bij major, minor 266 en 291. A. .lo, nauci non habere 249. A.

acc. I navis 20. 2°. en 21. lquot;; navem con-

1 scendere met abl. 284. A. . 1quot;. ne, waarachtig, plaatsing 169.

ne, opdat niet, ne plura, ne multis met uitlating van het praedicaatsverbum 2quot; ;174.-A. 5quot;; bij modus optat. 324; bij es. imodus concess. 325; plaatsing 328. A. lodi 'I; modo (dummodo) ne 338; ne, of-; ut I schoon 839; bet. on gebr. 352—; ne van ' dicam en ut non dicam 353. A. I ; ne quis en ut nemo 353. A. 11; ut ne 353. zen (1 A. 111; ne, ne non et ut bij verba van eri, vrees 354; 11e dicam in plaats van tantum abest ut— ut 356 ; ne met praes. en perf. conj. ter uitdrukking van een verbod 380. 1quot;; bij den imper. 380. A. II; bij verba sentiendi et declarandi 397. 1°. A. I; 4°; ne quis en aliquis 473; ne quisquam als 477. 2°; ne dicam in plaats van non ran modo—sed 512. 2quot;; ne aut—aut 513. en, . ne, vraagwoord 369. 1°; in plaats van nonne 369. 2quot;. A. 11; in zijdeling.| Txle druk.

vragen 370; in tweeledige vragen 372; bij vragen in den acc. c. inf. 305. A; niet aan éénletterg. praep. gehecht 497. 3°.

nee, neque, nee—nee met eukelv. praed. 182; nee of neve 353. A. IV; neque is 466; nee—nee voorafgegaan door een ontkenning 489. A; nee non 502. A. I ; nee, neque, et non, non quisquam, nee unquam, enz. 506; nee vero (tarnen, enim, igitur) 507 en 508; neque—neque (aut—aut) neque—et 509; neque aut—aut 513; echter niet 524. necessarius met dat. 233. neeesse est in indic. 320; constr. 383. 2°, 385, 386. A. II.

necne 372.

nectar, abl. sing, e 21. 2quot;.

n ecu bi en ut nusquam 353. A. II. nedum, bet. 356; in plaats van non modo—sed 512. 2°.

neen, vertaald 374.

nefas, subst defect. 35. 2quot;; met sup. II 438.

negare in pass, met nom. c. inf. 216. 2°; met acc. c. inf. 397. 1°.

negatie 487—; plaatsing 488; twee negaties vormen een affirmatie 489; bij twee woorden behoorende 508. neglegens met gen. 254. 2°. neglegére met inf. 387. negotium, uitgel. 241. 3°.

nemo, subst. defect. 35. 3°; als adj. gebr. 185. A. II. 3°; nisi 307; ut 328. A. I; ne quis en ut nemo 353. A. II; nemo est qui met conj. 375. 4°; nemo non en nonnemo 489; et nemo en neque quisquam, nemo unquam (usquam) 506. n e m p e 348.

nepos, neptis 40.

neptis 20. 2°. en 21. 1°.

nequam, adj. indeel. 57; in comp. en superl. 60. 4°; adv. nequiter 154. A. I. nequaquam 487.

neque. Zie nec.

nequeo, geconj. 124.

ne—quidem, gebr. 487; voorafgegaan door een ontkenning 489. A; non modo—sed ne quidem 512.

nergens iemand 506.

nescio quis, enz. met indic. 368. A. II; nescio an 371; met inf. en acc. c. inf. 387.


26

ocr page 425

Algemeen register.

neuter, gen. ius 52. 4°; gebr. 481.

neutiquam 487.

neutralia passiva 104.

neutrum van adj. als adv. gebr.

15G; van het praedicaat bij een subst.

van een ander geslacht 17G. A. IJ. en III; van adj. en pron. met gen. partit.

245. 5o; van adject, als subst. gebr.

439.

neve, neu 353. A. IV; bij een dubbel verbod 380. A. III.

ni bij eeden 324. 3°; in plaats van nisi 335. 3°.

niet valt weg bij uitroep. 487: niet alleen ■— maar ook (niet), niet — noch 509 en 510; niet zoozeer — als wel 511: niet alleen — maar daarenboven,

niet slechts — neen, niet slechts — maar veeleer, niet alleen niet — maar integendeel (maar ook niet) 512.

niets geringers dan, nou alius quam 20G. A. II.

niettegenstaande, quamvis, quam-|l0. A. IV.

quam 340. A. II. nou secius quam 158. A. II; non

non met enkelv. praedic. 182: bij modus potent. 326; bij modus dubit. 327; non nisi 337; nou quo (quod, quia) 344. A. II; non possum nou 359. 3°. A. II; non voor uonne 369. 2°. A. I; uon (ita), neen 374: non est qiiod, nos habeo quod met conj. 375. 4°; noi sine met aliquis 477. 1°; non voor he:

ó0; nimio, abl. pretii 267 ; nimium quantum 368. A. III.

nisi, quod nisi 211; na non alius 306. A. II; na ontkenningen 307; nisi, si non en nisi si 335; nisi forte, uisi vero 336: non — nisi 337. 2°; nisi quod 337. 3°; bij een partic. 419. A. II; nisi

quis 473.

■ . . .

niettemin, quamquam 340. A. I. nihil vervangen door nulla ros 35. 2°; nihilo secius 158. A. II; nihil ali-ud (facere) quam 174. A. 3°; nihil ad rem 174. A. 5°; pro nihilo putare 221. A. II; met gen. partit. 245. 5quot;; nibili gen. pretii 249. A. en 257. 3°; nihilo bij compar. 302; nihil nisi 307; ut 328.

A. I; nihil (aliud) agere of facere nisiiNed. geen 483; non en hand; non val! of quam 351. A. II; ne quid en ut ni-weg bij uitroep. 487; jion nemo en nomo hil 353. A. II; nihil est quod met conj. non enz. 489; nee non 502. A. I: nou 375. 4°; versterkt nou 487; nihil uonimodo — sed et 503. A. II; et nou en en nonnihil 489; nihil unquam (usquam)]nec 506; non tamen, non vero, enz. et nihil of nee quidquam 506. Iminder goed 507 ; non magis -— quam

nimirum 348. en non minus—quam 511; non modo-r

nimis met gen. partit. 245. 4quot;;met!sed (etiam), non modo (non —-sed ne posit. 300. quidem, nou dicam (dico) — sed, non

nimium 156; met gen. partit. 245. modo uon—sed potius 512. B. 3\

nondum bij cum additivum 363.

nonne, is het ernst 369. 1°. A; m rechtstr. vragen 369. 2°; in zijdel. vragen 370.

nonnulli soms in sing. 57.

n o n n u n q u a m eu nunquam non 489. nooit iemand 506.

402

nobilitas voor nobiles 441.

noch — noch 509.

nog tans, idem 467.

nog voor een comp. 302. A. II: door tum en adhuc 492; door etiam 503.

nolle, geconj. 121; nolim, nollem bij een weusch 324. 1°; ter omschrijving van den imper. 380. 2°; met inf. ace. c. inf. of conj. 389; als inf. fut. 404. II. A. II.

nomen met gon. epexeg. 194. 1quot;; nomen mihi est, habeo; nomine, genaamd 235 ; uitgel. 247 ; in naam van 260. A. II. nomina, soorten 8.

nomina propria, bep. 9; in plur.

;Ren. ] 251; I; nos dem 4 nos posses nos zen 1 130. . n o i no • 245 no: no: nu n u nu 230;

nu A. II nu gen. 185. ne ul est c altijd nou neqiK nu zij del quisq nu toonl parti ling

II u

III (in) in er u A. I

ii i 3°. 1 ii i obl. ii i ut i en nee

I n , 216.

1 inf.

n

33. 3°; gevolg door mau, vrouw 464. nominal-e met dubb. acc. 221. b). nominativus dubb. 214; in plaats van voc. 273. A.

nominativus cum infinitive 215; niet iu een doorloopend verhaal 216. 3o. A; achter verba sentiendi 397.

nosmet 76. A; nostrum bij partit. niti, constr. 259. 2°. A; met inf. 387.;met praedic. in den lst'n persoon 175.

nix, nivium 22. 4°.

|A. I; nostrum omnium 240; nostrum.

ocr page 426

Algemeen register.

403

gen. partit. 244; nostri, gon. object.1 251; uostri bij gerund, op di 430. A. I; nos voor ego 448; overtollig bij qui-dem 449. Zie verder personalia.

nos ter voor meus 448. Zie verder possessiva.

ii o s c e r e kan in het perf'. vi verliezen 114; in het perf. met tegenw. bet. 130. A.

nostras 78. A.

uovissimus niet niet gon. partit. 245. 3o. A. I.

nox, noctium 22. 4quot;.

noxius met gen. 247.

nu, thans, nunc, turn, tunc 492. nu eens - dan eens 510.

nubere met part. perf. 103; constr. 230; nuptum dare 437.

n u d u s met abl. gen. en ab 2G9 en A. III.

nullus, nulla res voor nihil 35. 2 gen. ius 52. 3°; verkeerd voor ncmo 185. A. II. 3°; nisi 3C7; ut 328 A. F ne ullus en ut nullus 353. A. 11; nullus est qui mot conj. 375. 4°; staat niet altijd voor het Ned. geen 483; nullus nou en non nullus 489; et nullus en neque ullus 50G.

num ia rechtstr. vragen 369. 3°; in zijdol. vragen 370; num quis 473; num quisquam 477. 2°.

numeralia, declin. en gebr. fi5—; toouloozo vallen weg 19G; niet met gen. partit. 245. 2°. A. II. a); bij tijdsbepaling 285—.

num er are met dubb. acc. 221. b). numerus van het praedicaat 182; (in) numero habere 221. A. II ; is numerus qui met praedic. in plur. 251. A. III.

n u m n a m, n u m n e, n u m q u i d 369. 3°. A. en 370.

nunc in brieven 215. A. I; in orat. obi. 410; nunc ipsum 468. 4quot;; bet. 492.

numquam nisi 307; ne quando en ut nunquam 353. A. II; nunquam non en uonnunquam 489; et nunquam en nec unquam 506.

nuntiare in pass, met nom. c. inf. 216. 2°; in met acc. 284; met acc. c. inf. 397. 1°; nuntiato als abl. abs. 425. 3°. nuntius met acc. c. inf. 397. 1

nuper, nuperrime 158. A. II. n ii perns, nuperrimus 60. 4quot;. nusquam terrarum, enz. 245. 4°. A; nisi 307; necubi en ut nusquam 353. A. II.

n u t r i t o r, nutrix 40.

of gen. ge-

Xed. adv.

O.

o bij vocativus 274; si 324. 1°. ob, praep. 162. 13; onderscheiden van propter 162. 17; bij een uitwendi-gen grond 260. A. II; met geruild. 435. obesse, oifui 91. 4quot;.

obiter, bet. 154. A. I.

object uitgel. 217. A.; bij verba sentiendi geplaatst in een zijdel. vraag 204; bij het gerund. 427. A. II. objicere met acc. c. inf. 397. 1°. oblivisci, constr. 255; met i;if. en acc. c. inf. 387.

o b noxius met dat. 233.

obsistere ne 352. 3°; quominus 361. 1°.

obsolescere met part. perf. 103. obstar e ne 352. 3°; quominus 361. 1°. obtestari met acc. c. inf. 397. 1°. obviam ire mot dat. 230.

occasio est met inf.

rund. 433. A.

occult us in plaats vi 190. 1quot;.

o c t u p I i 248.

odi, geconj. 130.

of het moest zjjn dat 336; (soms), an 369. 4°; (som) ne, num 370; si 370. A; ne 372; aut, vel, ve 513—; of niet, noiiue 370; an 371; annon en necne 372; of wel 371; sive 516. A; of liever 503. A. I; of zelfs (ten minste) 513. offerri, zich aanbieden 453. A. I. officium, uitgel. 241. 3°. ofschoon—toch 343. A. I.

olere met acc. 219. 1°.

om de 70.

om zoo te zeggen, quidam 475. 2quot;. o mi n ar i met acc. c. inf. 397. 1°. o mitt ere met inf. 387.

o mui n o 374.

omnis, ad unum omnes 162. 3°; in plaats van Ned. adv. 190. 3°; omnium nostrum, vestrum 240; omne genus


ocr page 427

404

Algemeen register.

op het punt zijn van 107 en 313.11; wordt uitgedrukt 291; door subst. A. 11; bij voorwaardelijke zinuen 382. concreta 440.

3quot;- _ overeenkomstig, vertaald 202.

opdat noch —noch 513. overtreffen (verba van) 231. A.

opera, bet. 34. 4°; gesl. 37; opera, II; met abl. mensurae 302. A. I.

door 262; operam dare ut 351. 2°; met dat. gerund. 434. 2°.

opimus met abl. 269. p,

opinari met acc. c. inf. 397. 1°.

opinione als abl. partis 266; met comp. 298. 1°; opinio met acc. c. inf.

397. 1°.

palam met abl. 165.

paluster, is, e 52. 2°. Pan, gedecl. 25. 1quot;. en 2°. m pangere, bet. 136. V.

pan is, um, ium 22. 2°.

par, gen. plur. ium 22. 4°: adj. 56. 1°; abl. sing, i en e 58: mot gen. c. of dat. 233. A. II; ac 306; par est iu indic. 320; met acc. c. inf. 396. 1quot;; herhaling met dat. gerund, of ad 434. 1quot;.

parare met inf. of ut 388.

parat us met inf. of ad 387. A. III. p a r c e r e in perf. pass. temperatum est 136. VI: met dat. 230.

pareus, gen. plur. ium eu um 22. 5°: comm. 39.

pare re met onregelm. part. fut. 127; in de compos, regelm. 136. VI. pariter ac 306.

pars, bet. 34. 4°; met meerv. praed. 178. 3°; pars mei 251. A. I; maguam partem 266. A; in den abl. zonder praep. 282; partes uitgel. 439.

242. A. II; zonder ia bij plaatsbep. 282. urn en o 159; op de vraag sinds lioe-om se iir ij ving met facio ut 351. lang met jam 285. A; bij het aangeven A. 11; met tenero, possidere, habere van iemands ouderdom 291 00 en 5° 415; met planus 442; van Ned. subst.1 444—4IC; door Lat. subst. 447.

omstandigheid (de) dat. quod part. fut. 127; gaat in praes. indic. uaar

(de) da

345. 3°. A. IIÏ.

ondanks 340. A. II.

ouder anderen 1G4. I. onmiddellijk, ipse 468. 4°. ontken ningswoorde n.Zie negatie, onustus niet abl. 269.

ook vertaald door idem 467; door et ipse 468. 5':gt;; niet, ne—quidem 487; door etiam, quoque, et 503.

opitulari met dat. 230.

or dine, abl. modi 264. A. II. oriri, oriundus 117. f; met onregelm.

de 3'lc conj. 127. A.; met abl. of a, de, ex 259. 1'\ A. II.

om are met abl. 269.

os, ossium 22. 4quot;.

ostendere met dubb. aec. 222: met acc. c. inf. 397. 1°.

ostrea 39. 2quot;.

ouder dan 291. A.

ouderdom niet in en abl. 286. A.

pace, abl. modi 263. A. III. pactus met'pass. bet 414. rgt;. paene met perf. indic. 321; ut 328. A.I.

paenitet, constr. 256; met inf. perf. oportet in indic. 320; constr. 383 383. 2°. A. III.

eu 385.

opperiri dum 364. A, II.

op pi do vormt een superl. 63. op pi dum bij ineerv. namen steden 193.

ops, subst. defect. 24; bet. 34. 4 optabilius est in indic. 320.

op tare ut inf. 397. 2°.

optelling 493;

van praep. 500. 2°.

optimatium 22.

optimus met sup. II. 438.

opus, uitgel. 241. 3quot;.

opus est, constr. 272.

o rare, constr. 224; ut 351. 2° den imperat. 378; uitgelaten 494. oratio obliqua 407—.

oratu 260. A. II.

or bare met abl. 269.

or bus met abl. 269.

ordinal ia bij jaartal en uur, alsmede met quisque 70; vormen adv. op

351. 2quot;

soms acc.

zonder

6o.

bij

ocr page 428

Algemeen register.

particeps, abl. e, gen. ium 56. patrocinari met dat. 230. 1quot;. en 2°; met gen. 254. Iquot;. patr ouy mica , bep. 9: vorming 141. 7.

participia, deel. 88, 412. A. en 421; patruelis, comm. 39.

op bundus 117. f; in plaats van Xed. pauper 52. 2°; abl. e, gen. um 56. appositie 198. 1'; part. pertquot;, van verb. 1°. en 2°.

met dubb. nom. alleen in nom. en ace. pauci, plur. tant. 57.

214. 2°. A. I; op ans en ens met gen. paulo ante288.A:bijcompar.300en302. obj. 254. 2°; part. perf. pass. ter om- paululum met gen. partit. 245. 5°. schr. van een abl. causae 260. A. I; paulum, adv. 156- met gen. partit. met een conj. verbonden 342. A. 11.245. 5n.

en 419. A. II; part, praes. bij audio pecu, ubus 27.

en video 393: als adj. gebr. en in den pcculiaris met gen, eu dat.233. A. V.

comp. en super!. 413: part, praes. van pec us, gesl. 47.

verba transit, niet als adj. gebruikt pedes ter, is, e 52. 2°.

413. A. I; part. fut. act. gebruikt 413. pelagus, gesl. 44. 2°.

A. 11. en 418. A. I; part. perf. van peller e, constr. 270.

verba dep. met pass. bet. 414. 1°; met pelvis 20. 2°. eu 21. 1°.

tegenw. bet. 414. 2°; part. perf. met penates, ium 22. 6quot;.

habeo, teneo, possideo 415: part, cou- pen dare met gen. pretii 249; animl

junctum en ab!. abs. 417: part. fut. 254. 1°. A. II.

act. duidt een doel aan 419. A. IV: penes 162. 14.

part, praes. wanneer gebruikt 420; part, per vormt een superl. eu wordt soms perf. herhaald 420. A. 1; part. perf. van het adj. gescheiden 63; praep. 1.62. pass, als abl. abs. gebruikt 425: part. 18; om, wegens 260. A. IV; door mid-praes. vervangen door het gerund. 427. del van 262: in plaats van cum 264. 2°; part, praes. bij venire 437. A: tor A. I: bij namen van steden 278; op omschrijving van subst. 444: ter om-de vraag hoelang 285; bij eeden 494. schrijving van praep. 501. 2quot;. percipere met acc. c. inf. 397. 1°,

particulae bij oneigenlijk samen-perceptum habere 415.

gest. woorden 148; verdeeling 151. percontari, constr. 224. A. II.

partim — partim 178. A: met gen. per der e in pass. perire 104. A; in partit. 245. 4quot;. praes. conj. perduiut 117. e).

partitus met pass. bet. 414. 1°. perfectum met tegenw. bet. 130 partus, ubus 27. eu A; absolutum en historicum, bet.

partijgenoot, omschr. 446. 2°. en gebr. 310; onderscheiden van im-parum, adv. 156; met gen. partit. perf. 311. A. I; Ned. perf. in plaats 245. 4°. van Lat. plusqp. 312. A. II; van Lat.

parvus in comp. en superl. 60. 4°; fut. exact. 314. A. II; perf. inf. in plaats parvi, gen. pretii 249 en 257.3°; parvo, van praes. inf. 383. 2quot;. A. Ill; om-abl. pretii 267. schreven door habeo, teneo 415; Ned.

passen door esse e. gen. 241. 3°. perf. in plaats van Lat. praes. 415. A. II. passend vertaald door pron. poss. perficere ut 351. 2°; ne of ut 451. 1°. non 353.

passivum, vorming en conjug. 94: per fid us, bet. 63.

transit, in pass. gezet 96; intransit. in perfrui, constr. 271.

pass. gezet 98—99: dep. niet in pass. perfungi, coustr. 271.

gezet 102; ter vertaling van men 213. p ergere met inf. 387.

1°; met een acc. 232. A. II; ter vertaling perhibere, perhibent 213. 3°; in van laten 428. A: met reflex, bet. 453. A.I. pass, met nom. c. inf. 216. l0;metace. pater familias 12. A. II. c. inf. 397. 1°.

pati metacc.c.inf.397.2quot;;lateii428.A.! periculo, abl. modi 268. A. III; patiens met gen. 254. 2quot;. periculum ne, ut of gen. gerund. 354.

405

ocr page 429

Algemeen register.

per in de ac 30G; ac si 342. j plu ere, constr. 270. A. V.

perire pass. van perdere 104. A. pluralia tantum 34; mot distri-per it us met gen. 254. 1quot;. but. 72. 3°.

perjurus, bet. 03. pluralis van nom. abstr. 33. 1°;

permagni, gen. pret. 249 en 257. van eigennamen 33. 3°; majestaticus 33.

A ; van het praedic. bij een enkelv. subj. 178; modestiae 448.

plurimum in geu. plur. iu plaats van plerorumque 57; adv. 158. A. I; met gen. partit. 2i5. 5quot;; plurimi, gen. pretii 24!). doch niet bij interest 257. 3°; plurimo, abl. pretii 2G7.

Ell

plus, gebr. 00. 4quot;. A; mot gen. partit. 245. 5°; pluris, gen. pretii 240, 257. personalia, gedeel. 70; vallen weg3quot;. en 207; bet. en gebr. met en zonder s subject 89; niot in gen. poss. 240 quam 297; plus minus 515.

en 241. A ; in gen. obj. 251; vallen weg plus q u a m pe r f e c t u m , bet. en in ace. c. inf. 398; in de orat. obl. 410 ; gebr. 312.

vallen weg bij een part. conjunctum 420. pocta, poëtria 40.

A. Ill; in deu abl. abs. 420; bij hot pol, bet. 109.

crund. 430. A. I; omschreven 447; poliiceri mot acc. c. inf. 397. 1quot;. ebr. 448—; met ipse 408. 2°. Ziever-:en A. II.

Ier ego, nos, vestrum. polysyndeton 505.

per spec tum habere 415. p o n d o', constr. 242. A. II.

perspicuum est met acc. c. inf. pone, praep. 102. 15.

590. 1«.

per su ad ere met dat. 430; met ut 283. I).

n acc. c. inf. 351. 2quot;; persuasum ha- po pul at us met 415.

)ere

pertinax, abl. i 50. 1°.

pertin ere, uitgel. 174. A. 0 pervadcre met acc. 220. 1°. pervicax, abl. i 50. 1°.

possum dare, ire 35. 3°.

pet ere, perf. petii 114. A; 24. A. 11; ut 351. 2°.

pi get, perf. 112; constr. 250 pili non habere 249. A. plaatsbepaling, namen van ste

ponere pignori 230. A. III; constr.

pass. bet. 414. 1°. p o)-tend ere met acc. c. inf. 397. 1quot;. portus, ubus, ibus 27.

p o s c c r o, constr. 224.

; positivus ontbreekt 01; met ma-gis— quam 299; met satis en nimis 300. posse, geconj. 118; quam (quantus, constr. ut) possum 303. 4° en 5°; in praes. in plaats van fut. 314. A. 11; in indic. iu plaats van conj. 320 cn 331. A. I; facere (non) possum quin en ut en non

bet. en gebr. 450—; met ipse 408. 3quot;. Zie vorder mens, enz.

pos si d ere, bet. en IV; met part. perf. 415.

post, bet. en gebr. 102. I; bijtijds-bep. 288—290; met abl. mensurae 302 A. I; met fut. exact. 314. A. I.

gebr. 234. A.

possum non met inf. 359. 3quot;. A. IT; en op e gen. ae op de vraag waar 13; met inf. 387; als inf. fut. 404. II. A. II. oor abl. instr. 201; van hamen van possessiva, gedecl. 78; in plaats eden, enz. 275—; bij brieven 315. A. II. van gen. poss. 240 en 241. A; vau placet met acc. c. inf. of ut 390. |geu. obj. 251. A. II; in plaats van perplan e, bet. 153. A. son. bij causa, enz. 260. A. II; bij oen planten (namen van) met vrouw. inf. 382. A. II; iu de orat. obl. 410;

raedic. 170. IV.

pleetere, gebr. 130. IV.

plenus, mot gen. 209. A. 1; ter om-ihrijving 442.

plerique, gedecl. 57; niot meteen, artit. 245. 2quot;. A. I.

p 1 e r u m q u e, adv. 150.

406

3°; permagno, abl. pret. 207 permissu 200. A. 11.

permittere ut 251. 2quot;; met gerund. 428; laten 428. A.

per mu tare, constr. 207. A. IV. per os us met ace. 130. A. perpessu 438.

per se vera re met inf. 387. persoonlijk, ipse 408. 4quot;.

ocr page 430

Algemeen register.

postea loei 245. 4quot;. A. pr aeposities, bet. en gebr. 161 ;

posleaquam, constr. 366. in samenstelling 166—167; in plaats vau

posterior in plaats van Ned. adv. gen. part. 245. 3°. A. II; in plaats van 190. 2°; zonder quam 296. 3°; poste-gen. obj. 252 ; bij namen van steden rior — prior in plaats van hic — illo 462 posteritas voor posteri 441.

posterns wanneer gebruikt 60. 5quot;.

postquam bij tijdsbep. 288—290;

constr. 3(gt;6. _ _ _ _

postremum, postremo 158. A. I; taald door gen. obj. partic. rel. of adj. 501 bij optelling 493. praesens, bot. 91. 3°; in plaats

pos trom us in plaats van Ned. adv. van Ned. adv. 190. 1quot;; in praeseuti en 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 3°.in praesentia 286. A. 1. A. I. praesens, bet. en gebr. 309; Lat.

postridie in briefstijl 315. A. I. praes. voor Ned. fut. 309. A; praesens postulare, constr. 224. A. 11; metjiistoricum 310.

gen. crim. 247; met ut en ace. c. inf. Lat. fut. 313. A. 351. 2°. Lat. fut. exact.

pot are met part. perf. act. 103. perf. 363. B. 2';

poten s, adj. 118. A.: met gen. 254. lo.perf. 415. A. II.

potir i, potiundus 117. f); potïtur i:$r.| praes tans heeft comp.ensuperl. 62.4°. V: constr. 27!. praes tare met sup. en part. fut. 134.

potissimum 158. A. I. I; met dubb. acc. 222; aliquera aliqua

po t i u s quam (ut) 298. 3o; niet na tan- re 231. A. II; met quam 294; met abl. turn abest 356; quin potius 360. 3quot;; vel meusurae 302. A. I.

potius 513; sive potius 516. praesto esse met dat. 230.

prae vormt den superl. 63; bet. en praesul, comm. 39.

gebr. 163. 6. praeter, bet. 162. 16.

praebere met dubb. acc. 222. praeterire met acc. 220. 1°; prae-

praecedero, constr. 231. A. II. terit, constr. 384.

praecollens heeft comp. en superl. praetermittere (non) quin 62. 4quot;. 3°; quominus 361. 1°.

praeceps, abl. i 56. 1quot;; gen. um praeterquam quod 337. 3°,

-56. 2°.

prae cip ore ut 351. 2°; soms ace.

c. inf. 397. 2quot;.

praeeipue versterkt tum 510.

praeclarus heeft comp. en superl.

■62. 4quot;.

407

en lauden 275—; mot hel gerund. 435—436; plaatsing 494—; geen twee naast elkaar 498; twee bij één subst. 499; bij meer subst. behoorend 500; Ned. uitdrukking met een praep. ver-

A; Ned. praes. door [. en 314. A. 11; door 314. A. II; door Lat. Lat. praes. voor Ned.

359.

p r andere met part. perf. 103. precari, constr. 224. A. II; ut 351.2°. presbyter, eri 15. 1. A.

pridie in brieven 315. A. I.

p r i m a s (partes) agere 439.

primus, adv. primo enprimum 159; prae die a at, overeenkomst met hot in plaats van Ned. adv. 190. 2°; wan-sul j. 175—. neer niet met gen. partit. 245. 3°. A. I;

praedicaatsad j eeti vum in gen. primum bij optelling 493.

in plaats van nom. 176. A. III. princeps, abl. e, gen. um 56. 1°

praedicaatsnomen bij een inf. enen 2°; in plaats van Ned. adv. 190. acc. 383. 2°. A. II; in nom. 387. A. II. 2quot;; met gen. partit. 245. 3°.

p r ae dl c a a t s v e r b u m uitgel. 174. principio 286. A. II.

praedicare met acc. c. inf. 397. 1°.: prior in plaats van Ned. adv. 190. praedicere met acc. c. inf. 397. 10.20; in plaats van primus 301; prior praeditus met abl. 269. posterior in plaats van illo — hic 462.

praedium uitgel. 439. prins quam, constr. 365.

praeesse met dat. gerund. 434. 2°. privare met abl. 269.

praefectus socium, fabrum 18, 2°. privatns, adv. privatim 157.

ocr page 431

Algemeen register.

40S

pro deum atque hominum ficlem 18. ; sancte Juppiter 274.

pro, praep. 163. 7,; zoo goed als 198. 3°; volgens 202. bij habere, du-ere, putare 221. A. II; quam pro na en compar. 298. 2°.

pro ba re met ace. c. inf. 397. 1°. procent, vertaald 73.

proclivis met sup. II 438.

procul (a) met abl. Uiö.

pro der e met ace. e. inf. 397. 1°. prodesse, geconj. 91. 2°; mihi prod-prostare met gen. en abl. pretii 266. prostibulum, gesl. 38. providere, constr. 218; ut 351. 2°. providus in comp. en süperl. 60. 4quot;. pro vine ia, plaatsing 199. proxiraus, constr. 233. A. IV; proxiimim est ut 355. 2°.

prudeus in plaats van Ned. adv. 190. 1°; constr. 254. 1° en A.

psaltes, psaltria 40.

pu bes, abl. e gen. um 56. 1°. en 2°. p u d e t, perf. 112; constr. 256 ; met

st met dat. van het praedic. 386. A. II. inf. perf. 383. 2°. A. III.

prodigus met gen. 269. A. I. pudicus, comp. en superl. 60. 3°.

profecto, gebr. 324. 1quot;. puer, puella 40; in pueritia, a puero

proficisci met dubb. dat. 236. 440. 1°.


profiteri met ace. c. inf. 397. 1quot;. profundus niet met acc. van ruimte 72. A. I.

prohibere, constr. 270 en A. II; e 352. 3°: quominus 361. 1°; met acc.

inf. 390; mot nom. c. inf. 391 iten 428. A.

si 342; quasi 397. 1quot;

p u t e r, is, e

inf. 397.:

lt;!•

3.

gen.

in de verder:

q u, uitspraak quadrupes, quad r u p li quaerere,

um 56. 2 '.

248.

constr. 224.

A. II

)

proinde ac 306; ac 42. A. III; gebr. 528.

prolepsis 185. A. III.

promittere niet ace. c.

en A. II.

pronomina, gedecl. 75-at. obl. 410; gebr. 448—. Zie rsonalia, enz.

pronominalia, gebr. 481 —

prope (a), propius, proxiine 162. 17;370. A.

namen van steden 279: met perf. quaeso, gebr. 133.

d. 321; ut 328. A. I; est ut 355. 2quot;. quaestui habere 236. A. III. pro per are met inf. '387; ter om- qualis, als, na talis 305; plaatsing-brij ving 485. 463. A. II.

propinquus met gen. en dat. 233. quam niet na compluies 60. 4°. A;

IV. • in plaats van postquam 290. A. 1; valt

propior, eonstr. 233. A. IV. weg na major, minor natu 291. A;

proponere met gerund. 428. uitgel. na een compar. 295—; valt

proprium, uitgel. 241. 3quot;. weg na plus, minus, amplius 297;

p r o p r i u s, constr. 233. A. V; eigen quam pro 298. 2quot;; quam ut, quam qui 1- 3°. ua compar. 298. 3°; quam (possum)

propter en ob 162. 17; bij een met superl. 303. 4°; tam-quam qui met weegreden 260. A. II. superl. 304. A; non alius quam 306.

prop ter ea ter versterking van non A. II; onderscheiden van ut 343. A. od 344. A. II; gebr. 529. II; quam quod 345. 3°. A. II; vóói-

prosper, era, erum 52. 3°. tam geplaatst 463. A. II; quam quis-

p r o sper us in comp. en superl. 60. 4quot;; quam 477. 3quot;.

prospicere, constr. 218; met ut quamlibet 339.

acc. c. inf. 351. 2°. j qua mo brem 526 en 527. A. II. 4°

p u 1 ch r u m est met acc. c. inf. 396. 1°. puppis, im 20. 2quot;; i 21. 1quot;. purgare met dat. 228. A. II. 2n. putare, putant 213. 4quot;: in pass. met nom. c. inf. 216. 3°; met dubb. acc. niet 221. b); met pro 221. A. II; met gen. pretii 249; putares 326; mot acc. c. inf.

ocr page 432

Algemeen register.

quamquatn, gebr. 340: bij een part.1207 — : in plaats vau demonstr. met 419. A. Ill; bij een abl. abs. 421. A. voegwoord 210: qui vero 210. A; als IV; - tarnen 517. 5quot;. attributum in plaats van in den gen.

quamvis, gebr. 33!J; in weerwil 251. A. II I; na namen van steden 277. van 340. A. I I; bij een part. 419. A. A ; quo ter aanwijzing van een compar. III; bij een abl. abs. 421. A. IV. 295. A. II; in abl. vóór een compar. quando 347; ne quando 353. A. 11.296. 1quot;; qnam qui na een compar. 298. qnandoquidem 347. 3°; na idem 305; plaatsing bij conj.

quanticunque, gen. pretii 249. 328. A. I; met conjunct. 375; qui qui-quantiteit, algem. regel 4; der dem 375. 7°; staat voor de praep. 496; paenultiraa in de deel. 30; in de conj. zonder praep. 500. 4quot;. Zie verder rela-100; van dare 100; fieri 125. A; oriri tieve zinnen.

127. A; adjuvare 134. Ill; cire en ciere qui, hoe, quicum 470. A. II. 135. IV. van potior 137. V; van gelijke quia, bet. en gebr. 344.

vormen 138. 2 en 6. Zie verder de pros- quicunque, bet. en gebr. 478.

quidam, bet. en plaatsing 475. qui dem bij sententia 266; si qui-Icm 347; bij het relat. 375. 7°; qui-dem -sed met overtollig pronom. 449; achter een praep. 497. 4°; plaatsing

odia.

qu anti vis, gen. pretii 249.

q u a ii t u 1 u m met gen. partit. 245. 5°.

quantumvis, constr. 339.

quantus, adv. quantum 156;quan-tum in plaats van quauto 202. A. 1; 527. A. I. Zie verder ne- quk'em. quantum met gen. partit. 245. 5°; quanti, quidni, bet. en gebr. 471. A. gen. van straf 248; gen. pretii 249. quilibet, gebr. 476. A. II. 257. 3°. en 267; quanto tanto bij quin, non quin in plaats van non comp. 302; quantus maximus possum quod non 344. A. II; bet. en gebr. 303. 5quot;; als na tantus 305; quantum, 359—360.

voor zoover 375. 7«. A; vóór tantus quippe in plaats van appositie 198. geplaatst 463. A. II; quanto quis 473. 1quot;; bet. en gebr. 349.

quapropter 526 en 527. A. 11.4°. quis, qui, pron. interrog, gedecl. quare 526 en 527. A. II. 4quot;. 81; quid aliud (facere) quam 174. A. 3°;

quasi bij appositie 198; bet. en quid tam? quid postea? enz. 174. A. gebr. 342; bij een part. 342. A. II; 5quot;; richt zich naar het praedicaatsu. bij abl. abs. 421. A. IV: b[j quidam 179; quid met gen. partit. 245.5°; quis 475. 2quot;. est qui met conj. 375. 4quot;; onderschei-

quatonus (est) met conj. 375. 4quot;. den 470; quid» in de cas. obi. quae res A. I ; voor zoover 375. 7quot;. A. 471; quid, quid enim, quid quod, quid

quo aan praep. gehecht 497. 3°; bet.isi 471. A. Zie vorder interrogativum. 502: bij hot laatste woord 505; voor quis, qui, pron. indef. gedecl. 82;

men 213. 5°; quid, quod met gen. partit. 245. 5quot;; ne quis (quid) en ut nemo (nihil) 353. A. II; bet. en gebr. 473. Zie verder indefinita.

quis voor quibus 80.

quis pi am, bet. en gebr. 83 en 474; men 213. 5quot;.

sed 524.

queis voor quibus 80. quemadmodum 343.

queo, gecouj. 124; slechts in ontk. zinnen gebruikt 124. A; met inf. 387. quercus, ubus 27.

409

queri met acc. c. inf. 397. 3°.

quibus 164. 1; qui est, namelijk 195; regels van overeenkomst en plaatsing 200; id quod 200 A. I; herhaald 200. A. V; richt zich naar het praedicaats-nom. 201; overeenkomstig 202 ; attractie

qui, quae, quod, pron. rel. gedecl. quisquam bij een adj. 185. A. II. 80; in verbinding met cum 163. 3: in 3quot;; gebr. 477 ; nee quisquam 506.

quisque met praed. in plur. 178. 2°; niet met gen. partit. 245. 2°. A. II. c); quo quisque met compar. 302; ut quisque met superl. 303. A. IV; met superl. 304; in den nom. bij een abl.

ocr page 433

Algemeen register.

abs. 421. A. Ill; met suus 453. A. Ill; gebr. en plaatsing 476.

quisquis, nom. defect. 83; met

cing 447.

ravis, im, i 20. 2° en 21. 1°. re, praep. 167.

reapse 79.

recens, abl. i 56. 1°; adv. 156. receptui canero 236. A. 111. recht, vertaald door pron. poss.

indie. 376; gebr. 478. roddere met dubb. ace. 221. a)

qui vis, gebr. 476. A. I. en A. I.

quo ter aanwjjzing van een eomp., redolerc met acc. 219. 1°. 295. A. II; met gen. partit. 245. 4°. redundare, constr. 269. A; quo—eo met compar. 302; non; reduplicatie van verba dor l'quot; quo—sed quod (ut) en non quo non 134. I; der 2,lc 135. IV; der 3,l0 136. of non quin 344. A. 11; = ut eo met VI. VII.

eonj. 358; quo quis 473; = ad quae reeds, vertaald door ipso 468. 4quot;; 490. A. door vel 514. A,

quoad ejus fieri potest 245. 4°. A ;| refer re met acc. c. inf. 397. 1quot;. totdat 364; voor zoover 375. 7°. A. re fort, constr. 257.

quocirca 527. A. 11. 4°. refertus, constr. 269 en A. III.

quod, (lisi quod 337. 3°; dat, om- refloxivum, gedocl. 77—78; niot dat, wat betreft, bet. en gebr. 344—345 uitgedrukt bij exuo en iuduo 232; in en 397. 3°. orat. obi. 410; bij het gerund, op di

quodsi (nisi, etsi) 211. 430. A. 1; bet. en plaatsing van suus

quojus quoi 80. A. 451—452: bet. en gebr. 453 — ; met ipso

quominus, bet. en gebr. 361. 468. 2quot;; met quisque 476. 4° en A. 1. qu omodo, evenals 343; bet. 470. A. 1. relatieve zinnen ter omschrij-quoniam 347. ving van adv. 185. A. I. 4quot;: in plaats

quoque, ipse quoque 468. 5quot;; bet. van een nomen appositum 198. 1°; niet en plaatsing 303 en 527. A. I. vertaald in hot Lat. 203: in zijdel. vraag

q u o t na tot en totidem 305. veranderd 204: in een zin met een

quo ties na toties 305. . {conjunctie 205; het tweede relat. door

quo t usq uisque , gcdecl. 84; gebr. een demonstr. vertaald 206; attractio 480. 207—; na een pron. poss. 240. A; bij

namen van steden 277. A; bij tijdsbep. R. j290. A. I; plaatsing van het rel. bij

!conj. 328. A. I; in den conjunct. 375; rapi, zich laten vervoeren 428. A. in den acc. c. inf. 401 402: in orat. rarus, adv. rare en raro 155. A; in obi. 409; voor verleden deelwoord 416. A; plaats van Ned. adv. 190. 3°; rarum est door con part, vertaald 418 ; tor omschrij-ut 396. A. ving van Ned. adj. 439. A. 1: van subst.

rast rum 36. 2°. 446 en 463. 3°; met quisque 476. 3°; ter

ratio, ratione, abl. modi 263. A. omschrijving van praep. 501. 2°./io ver-. III. eu 264. A. 11; est met gen. dor qui, quae, quod.

erund. of ad 433. A; tcr omschrij- religioni habere 236. A. 111.

relinquere met dubb. dat. 236; relinquitur ut 355. 2Ü ; met gerund. 428.

reliqnus met en zonder gon. par-tit. 245. 3quot;. en A. I; reliquum est ut 355. 2°.

reminisci zonder perf. 136. VIII; constr. 255.

|51. 1°. removore, constr. 270.

recipere, constr. 218: met abl. iustr.: renuntiare met acc. c. inf. 397.1quot;. !61. repen s, abl. i 56. 1°.

recordari, constr. 255; met inf. en reperire, reperiuntur qui metconj. icc. c. inf. 387. 375. 4°; met acc. c. inf. 397. 1°.

410

recusare no en met inf. 352. 3quot;; non recuso quia 359. 3quot;; quominus 361. 2°.

ocr page 434

Alcjemecn register.

411

ace. c. iiif. 397. 1°; ratus met tegenw. bet. 414. 1°.

res, uitgel. 241. 3°. en 243; res est ut 896. A; omschrijveml subst. 447 quae res in plaats van quid 471. resipere mot ace. 219. 1°.

re sist ere no 352. 3°.

respondoro met aco. c. inf. 397. 1°. responsum met adj. of adv. 185 A. 1. 4°.

rospublica godecl. 31.

res tat ut 355. 2quot;.

rest is, im 20. 2°; e 21. 1quot;.

rote 21. 2quot;.

roti nero (nou so) quin 359. 3quot;. reus met gon. 247.

re ver tor iu perf. revorti 136. V1L rex, rogina 40; plaatsing 199.

ritu, abl. modi 263. A. 1. III. • rogaro, constr. 224; in imperf. in plaats van plusquamp. 312. A. I; ut

r o g a t u 260. A. 11.

rostrum, bet. 34. 4quot;.

rudis, constr. 254. 1°. on A. mere mot onregel. part, fut. 127. rui mtebe palingen 292 -rus, constr. 281.

S.

sac or mot gen. on dal. 233. A. V. sacordos, comm. 39. sacrificaro, constr. 270. A. V. saepo in comp. on superl. 158. A. 11. sal, gedecl. 21. 2quot;.

sa 1 uber, is, e 52. 2°.

salve, salvete, salvere 132. samengestelde declinatie 31 ; woorden gescheiden door conjuncties 148; samenstelling dor woorden 148—150.

sane, bet. 153. A; sane quidem 374 ; baud sano 487.

sap ore met acc. 219. 1quot;.

sa telles, comm. 39.

satiare met abl. 269.

satis in compar. 158. A. II: mot gen. part. 245. 4quot;; mot posit. 300; satius

satur, gedecl. 52. 3U.

saturare met abl. 269.

saucius met ab!. 259. 2quot;.

seel us est met acc. c. inf. 269. 1°. sc lie pou (nameu van) met vrouw, praedic. 176. A. I V.

sciens in plaats van Ned. adv. 190. 1quot;.

scilicet 348.

scio, scito, scitoto 126; valt weg 174. A. 6quot;; hand scio an 371; mot inf. en acc. c. inf. 387.

s c o r t u m , gesl. 38.

scribere met acc. c. inf. 397. 1quot;; scribendo adosse 434. A.

se, praep. 167.

secare met onrogelm. part. fut. 127. socernore, constr. 270. A. 111. socundas (partes) agere 439.

s o c u n d u m , praep. 163. 1. secundus, adv. secundum, secuudo

351. 2quot;; met onkelen conj. 351. A. HI. 159; secundus ab 163. I.

secus, secius, gebr. 158. A. II; non secus ac si 342.

secus virile 242. A. II.

so cur is, im 20. 2°; i 21.1°. sod, nou quod—sed quod (quia, ut) 344. A. II; sod ot 503. A. II; non modo—sod 512; bot. 517: sod tamon 523; uitgel. 524.

so dos, urn, ium 22. 2quot;. so j ungere, constr. 270. A. III. so mentis 20. 2° on 21. 1°. somideponentia 103.

semis 73.

s e n a t u s p o p u 1 u s q u e R o m anus met enk. praed. 182.

sonex, abl. e, gen. um 56. 1quot; en 2°; in plaats van eon abstractum 440. 1quot;. s o n s i m 160.

senten tiam rogaro 224. A. I; ex moa sentontia 266.

son tire mot acc. c. inf. 397. 1quot;. sequens niot do volgende 459. 2n. sequitur met ut of acc. c. inf. 355. 2n.

serono (caolo) 425. A.

serins ocius 515.

reposcere, constr. 224. jest in indie. ;{20I satis est mot inf-

repugnare no 352. 3quot;. perf. 383. 2°. A. Ill: met dat. van het

roquios 36. 1quot;. praoJic. 386. A. II; met ilat. gerund,

reri mist part, praes. 135. V ; met 434. 2','.


ocr page 435

'«ƒ

Algemeen register.

servire servitutem 210. 2quot;. | sitis, im 20. 2quot;; i 21. 1quot;.

servitium in plaats van servi 441. sive (son) - sive met enkolv. praed. servus, uitgel. 241. 1quot;. 182; sive quod (quia); sire potius

se se in plaats van se 77. A. |(etiarn); sive- sive met verbum in den

s es qui 73. indio. 51(5.

sessum reeipere 437. slechts, nou alius nisi 30(5. A. II;

sestertius, gen. plur. urn 18. 1quot;. non nisi 337; wordt niet vertaald 459. A. I. seu, zie sive. sobrius in plaatsvanNed.adv. 190.1°.

sexcenti 68. socer, gen. eri 15. I. A; socrus 40.

si, quod si 211; o si 324. 1°; bij sodesr=si audes 169; bij imper. 378. eeden 324. 3°; gebr. in voorw. zinnen so Ier e, semidep. 103; met inf. 387; 330—; uitgel. 333; si non en nisi 335; solitus met tegenw. bet. 414. 2quot;; ter si minus (alitor) 335. 2quot;; = mini in omscbrijving 485.

zijdel. vragen 370. A ; bij mirari 397. 3°; soli to bij compar. 298. 1quot;.

si quis, qui 473; si quisquam 477. 4°. ; sollicitari met acc. e. inf. 397.3quot;. sibil us 36. 2quot;. ■ solus, gen. ins 52. 4quot;; adv. solum

sic — ut qui met superl. 303, A; 156; in plaats van Ned. adv. 190. 3quot;. ut—sic 343; ter aanduiding van een solvendo non esse 434. A.

acc. c. inf. 459. A. I; met overtollig so milium soniniare 219. 2°.

ille 461. A; bet. 486. soms, niet vort. 369. 3quot;.

sicut, alsof 342; evenals 343; bij abl. sonaro met onregelm. part. fut. abs. 421. A. IV. 127; met acc. 219. 1°.

significare met acc. c. iuf. 397. 1quot;. soort, een soort van quidam 475. 2quot;. signum dare met gen. gerund, of sospes, abl. e, gen. um 56. 1quot; en 2quot;.

ad 433. A.

silentio, abl. modi 264. A. II. si 1 v e s t e r , is, e 52. 2quot;.

si rail is, corap en superl. 60. 2quot;; onstr. 233. A. II; ac 306.

similiter ac 306.

simplicia, bep. 148.

si mul (cum) met abl. 165. simulac, constr. 367.

simulare mot acc. c. inf. 397. 1°.

spatie met gen. of uitgelaten 293. A. specie, abl. modi 263. A. III. specimen, sing. tant. 33. 4quot;.

spec us, ubus 27.

sperare met acc. c. iuf. 397.1° on A. II; mot fore ut 404. A. II.

spes, spe met compar. 298. 1quot;; met acc. c. inf. 397. 1°; met fore ut 404. A. 11. sphinx, sphingum 22. 4°. spoliare met abl. 269.

simulatione, abl. modi 263. A. III. spondere met acc. c. inf. 397. 1quot; sin (auteni) 334; sin alitor (minus) en A. II.

335. 2° en 3°. s p o n t c met pron. poss. verbonden

sine, praep. 163. 9; sine ullo en 35. 3°.

iine aliquo 477. 1°. stare ab aliquo 163. 1; met abl. of

sinero, constr. 390 -391; laten in 259. 2°. A; met gen. en abl. pretii 128. A. 266 ; stat por me quominus en non stat

singularia tantum 33. por me quin 361. 3quot;.

singularis (Ned.) moet Lat. plur. statuere in met abl. 283 ; met acc. c. vorden 33 ; van het praed. 182; van inf. ut of inf. 388 ; statutum habere 415. idj. als subst. gebr. 439. A. II. steden (namen van) op e gen. ae

singuli, uni 72. 3°. 13. A; mot vrouw, praedic. 176. A. IV;

412

sinister in comp. en superl. 60. 4°; in gen. epox. 194. 3°; plaatsbep. 275—. inistra zonder in 282; (manus) 439. stofnamen in sing, en plur. 33. siquidem 347. strix, strigiura 22. 4'.

strues, um 22. 2°;

s t u d e r e met dat. 280; met iuf. acc. c. iuf. en ut 389.

sis=si vis 169; bij imperat. 378. si tire met acc. 219. 1°; sitions mot 'en. 254. 2quot;.

ocr page 436

Algemeen register.

studiosus met gen. 254. 1°. 'en 2°; met gen. of dat. 233. A. V.

sua de re ut 351. 2°. sup er us, geor. 60. 5°.

sub, praop. 104. 2; met abl. in, supina 437—438.

plaats van ace. 283. supplex, gen. um 56. 2°.

sublira is, adv. sublime 156; 'in supplodere, bet. 136. IV.

plaats ran Ned. adv. 190. 3°. supra, praep. 162. 20; met abL

subject en praedicaat 170; wegge-mens. 302. A. I; ut nihil supra possit laten 172; overeenstemming 175—: 303. A; quos supra dixi 418. A. III. 4°. weggel. in acc. c. int'. 398. sus, gedecl. 24.

substantiva, declin. 12—; indeel, suscipere mot gerund. 428. 32; defect. 35; heterocl. 3G; geslachtsr. suspicari met acc. c. inf. 307. 1°. 37—; comm. 39; mobil. 40; epicoen. 41: sustinere met acc. c. inf. 397. 1quot;. afleiding 140—; met adv. verbonden suus, zie retiexiynm 185. A. I; als adj. gebr. 185. A. II; syllaben (afbreking der) 6.

bij het relat. herhaald 200. A, I; in synesin (constructio ad) 178 en. den rel. zin geplaatst 207; met dat. 200. A. IV.

.237; met acc. en abl. 275. A II; in den abl. abs. 424: coucreta 440; abstracta ï.

441 ; in plaats van Ned. adj. 442; Ned.

subst. vallen weg in het Lat. 443: tabula, bet. 34. 4°.

omschreven 444—446: herhaald bij praep. taedet, perf. 112: coustr. 250. 499; Ned. subst. in verbinding met talis — qualis 305; versterkt een praep. 501. demonstr. 462. A. II; na qualis 463. A. II.

sub ter, praep. 164. 4. tam—quam qui met superl. 303. A ;

sudare, constr. 270. A. V. tam—quam, zoo—als 305 ; versterkt een

sueseere niet part. perf. 103. demonstr. 462. A. II; na quam gtpL sui, sibi, se, zie reflexivnm. 463. A. II; bet. 486; tam—quam,

sultis=si vultis 169. evenzeer—als 511.

su mere met dubb. acc. 221. c). tam en na een relat. 210. A; in voorw.

sum mus, adv. summe en summum zinnen 335. 3°; bij een part. conjunctum 158. A. I: niet met gen. partit. 245.419. A. III; staat achter de praep. 497. 3°. A. I. 4°; neque tarnen 507 ; etsi (quamquam)—

supellex, sing. tant. 33. 4°. tamen 517. A. 5°; bet. en plaatsing 523.

super, praep. 164. 3. tam etsi, bet. en gebr. 341.

superare met abl. mens. 302. A. I. tamquam bij appositie 198; (si) superbus met abl. 259. 2°. alsof 342; bij een part. 342. A. II;

superest ut 355. 2°. evenals 343; bij een abl. abs. 422. A..

superior in plaats van Ned. adv. IV: bij quidem 475. 2quot;. 190. 2quot;; superior—inferior in plaats tantidem, gen. pretii 249 en 267gt; van ille—hic 462. tantopere, bet. 486.

superlativus, vorming 59—; ont- tantulum met gen. partit. 245. 5°-breekt 61—62; door per en prae 63;! tantundem met gen. partit. 245. 5°-richt zich in geslacht niet naar den gen. tant us, adv. tantum 156: tantum partit. 176. A. I; bij eigennamen 189; met gen. partit. 245. 5°; tanti, gen. in den rel. zin opgenomen 208; Ned. pretii 249, 257. 3°. en 267; tanti est superl. vertaald door Lat. comp. met 267. A. II; tanto—quanto, altero tanto relat. 296. ln; ut quisque — ita met met eompar. 302; tantum in plaats van twee superl. 302. A. IV; versterkt door tanto 302. A. I; tantus—quantus 305; unus, enz. 303 ; superl. met quisque 304. tantum abest ut—ut 356 ; bij een de-supersedere met abl. en dat. 231. raonstr. 462. A. II; een 4è3. A. Ir A. II. vóór quantum geplaatst 463. A. II; tan-

superstes, abl. e, gen. um 56. l0tum nou 512.

413

ocr page 437

Algemeen register.

tardus in plaats van Ned. adv. 190. 3°. tar tar us 36. 2°.

tan rus, vacca 41. 2°.

t e bij adject. 300: door inf. of gerund. 427. A. 1.

tegenwoordig door hie 451). 1°. telwoorden. Zie numeralia.

T e m p e, subst. defect. 35. 2quot;. temperare, temperatum est voor parsnm est 13G. VI; constr. 218 ; mihi non possum quin 351). 3U; quominus 361. 2°. tem peri, tcraperius 158. A. II. tem plum, uitgel. 241. 2°. tempora, afleiding 92—94; bet. en gebr. 308—: in brieven 315; consecutio temporum 316—; van den acc. c. inf. 404.

tempus, abl. i en e 21. 5°; bet. 34. 4°; ad tempus 162. 3; (in) tempore, eo tempore cum 286. A. 1 en 363. B. lo; tempus est met inf. of gen. gerund. 433. A.

tener, era, erum 52. 3quot;.

t e ii e r e me uon possum 359. 3°; teneri met part. perf. 415.

ten tare si 370. A; met inf. of ut 388. ten us, praep. 163. 8.

teres 56. 1quot;.

terni, trini 72. 3°.

t err arum bij ubi, enz. 245. 4°. terra marique 282.

t err ester, is, e 52. 2°.

teruncii non habere 249. A. terwijl, dum 310. A; cum adver-sativura 363. A. 4°; cum temporale

363. B. 1°; wordt niet vertaald 524. poris 245.' 4quot;. A; bij cum temporale testari met acc. c. inf. 397. 1°. 363. B. 1quot;; in orat. obi. 410. A: bet. testimonium rogare 224. A. I; 492; bij optellingen 493; turn—tum, testimonio esse 236. A. Ill; testimonio, cum—tum (vero) 510.

.abl. part. 266. tunc, bet. 492.

thans vertaald 492. turpis met dat. 233; met sup.II 438.

tibicen, tibicina 40; quantiteit 149. turris, im 20. 2°; i 21. 1°.

i 21. 1°.

t us sis, im 20. 2°; tuto, tutissimo 158. tijdsbepalingen 285

; uitgedrukt ^

U.

gen. um 56. 2°;

timere, constr. 218;

uon, ut of inf. 354.

tiro als adj. gebr. 185. A. II. „

toch, quamquam 340. A. I; quin door subst. concreta 440.

360. 2°; toch wel, an 369. 4°.

toen, tum, tunc 492.

tonderi, zich laten scheren 428. A.

tonitrus 36. 2°. uber, is 52. 2'J;

tensor, tonstrix 140. 1°. adv. ubertim 157.

414

t o t— quot 305.

tot idem— quot 305.

toties— quoties 305.

totus, gen. ius 52. 4°; in plaats van Ned. adv. 190. 3°; zonder in bij plaatsbepaling 282; totuni hoc bij inf. 382. A. II.

trachten door imperf. de con. 311. 3°. trad ere, tradunt 213. 3°; in pass, met nom. c. inf. 216. 3°; met acc. c. inf. 397. 1°; met gerund. 428. traduce re met dubb. acc. 226. tragoedia, plaatsing 199.

t raj ice re met dubb. ace. 226. tranquillo 425. A.

trans en ultra 162. 7.

transcend ere met acc. 220. 1°. transferre in 445.

transitu 438.

transportare met dubb. acc. 226-trap, vertaald 245. 4quot;. A. trepidus in plaats van Ned. adv. 190. 1°.

tribuere met dubb. dat. 236. tribus, ubus 27.

trini voor terni 72. 3°.

triumvir, gen. plur. um 18. 2°; met dat. gerund. 434. 3°.

A; trux, abl. i 56. 1°.

tu, tute, tuteinet 76. A. Zie verder personalia.

tueri in perf. weinig gebr. 135. V. tuin- en veldvruchten in sing. 33. 2°. turn in plaats van secundo 159;tem-

too neelst ukken (namen van) met ubi met gen. partit. 245. 4°. A; = •vrouw, praedic. 176. A. IV. in qua 277. A; ubi (primum) constr

met ne, ne

ocr page 438

Algemeen register.

415

3G7; est ubi met conj. 375. 4°. A. I; steeds plaatselijk 470. A. 1: ubi quis 473.

ubicunque met geu. partit. 245. 4°. A.

uitroepingen in ace. 274; in acc. c. inf. 395. A; zonder non 487.

u 11 u s , geu. lus 52. 4°; ne ullus en ut nullus 353. A. II; bet. en gebr. 477 : nee ullus 500.

ultimus, adv. ultimum en ultimo 158. A. I: in plaats van Xed. adv. 190. 2°; niet mot geu. parlit. 245. 3°. A. I.

ultra en trans 1G2. 7; quam 294: met abl. mens. 302. A. I.

unde met geu. partit. 245. 4quot;. A; est unde met couj. 375. 3quot;. A. I; e qua 490. A; en daarom 527. A. 11. 4°.

universus in plaats van Ned. adv. 190. 3°.

unquam nisi 307; nemo unquam on neque unquam 506.

uuus, gedecl. G6; in plur. gebr. 66. A; ad unum omues 162. 3. e); in plaats van Ned. adv. 190. 3°; valt weg 196; met geu. partit. of ex, de 245. 3quot;. A-II; ter versterking van den superl. 303.10-unusquisque met een cardinale 72. 1quot;; gebr. 476. A. II.

urbs als appos. bij meerv. namen van steden 193; plaatsing 199.

ursus, ursa 41. 2°.

us quam met gen. partit. 245. 4°. A; uisi 307; nemo usquam en nee usquam 506. usque (ad. in sub, a, ex) 165. usu venit ut 355. 2°. ut concessivum 325 eu 339. ut comparati v um bij eeu appos. met of zonder eeu verbum in den indie. 198 eu 1°; ut quisque met superl. - ita met superl. 302. A. IV; ut possum met superl. 303. 5°; ita (sic)— ut qui mot superl. 303. A; na idem 305. A; ut— ita bij eeden 324. 3quot;; bij voorbeeld 331. A. I; ut si met eonj. 342; evenals 343; hoe, onderscheiden van quam 343. A. II; bij abl. abs. 421. A. IV; ut—ita, wel - maar 517. A. 3quot;.

ut finale, plaatsing 328. A. I; bet. 351: uitgel. bij verba van vragen 351. A. Ill: ut nou in plaats van ue 353: ut non dicam eu ne dicam 353. A. I;

ut no en ne 353. A. Ill; bij verba van vrees 354; na verum est, enz. 396. A; na verba sentienui 397. 1°. A. I.

ut eonsecutivum, plaatsing 328. A. I: bet. eu gebr. 355—357; en daarom 527. A. II. 4°.

ut temporale (primum) 367. utcunque met indie. 376.

uter, utrium 22. 3°.

uter, geu. ius 52. 4°; van twee gebr. 481.

uterlibet, geu. ius 52. 4quot;.

uter que, uitspraak 5. A: gen. ius 52. 4quot;: met eeu cardinale 72. 1°; met praedie. in plur. 178. 2°; met gen. partit. 245. 2quot;. A. 1; uterque utrumque 458; bet. eu gebr. 482.

uter vis, gen. ius 52. 4°. uti, hebben, bezitten 234. A. IV; constr. 271 : usus met tegenw. bet. 414. 2quot;.

uti in plaats van ut finale 350: niet in plaats van ut temporale 367.

util is met dat. of ad 233. A. I: utilius est in indie. 320; met dat. ger. of ad 434. 1°; met. sup. II 438. utiuam (ne) 324. 1°.

litiquo eu utique 5. A.

utpote qui bij een appos. 198. 1°. utrum— an 372.

uxor, uitgel. 241. 1°.

V.

vac are, constr. 230.

vacuus, constr. 269 en A. III. vae niet dat. 274.

val de vormt een superl. 63; bet. 153. A; compar. eu superl. 158. A. II. vale, valote, valere 132.

vapulo, pass. bet. 104; beter ver-boror 104. A.

vas en vasum 36. 1quot;.

vat es, um 22. 2quot;; comm. 39.

ve, zonder, 167.

ve aan praep. gehecht 497. 3° en 508; bet. en gebr. 515.

vehi, bet. 136. IV; met abl. instr. 261. v el-vel mot enk. praed. 182; bij compar. 302. A. II; bij superl. 303. 3°; staat achter praep. 497. 5°: vel potius (dicam, etiam), vel— vel 514.

veile, geconj. 121; constr. 218;


ocr page 439

Algemeen register.

met dubb. acc. 224. A. Ill; in praes. in plaats yan fut. 314. A. II: velim. vellem bij wenschen 324. 1quot;; velim bij den imper. 378; met inf. acc. c. inf. ut en conj. zonder nt 380: als inf. fut. 404. 11. A. II; ter omschrijving 485.

vel ut bij een appos. 198; volut si met conj. 342: bij een partic. 342. A. II; bij abl. abs. 421. A. IV.

venalis met abl. 2G7.

vend ere, activum van veneo 104. A; met gen. en abl. pretii 267.

vicis, subst. defect. 35.1quot;; vicem266.A. vicissim, bet. 458. A.

videlicet, 348.

viden voor videsne 869. 1°. A. videre in pass. met dubb. nom. 214.

veneo met pass. bot. 101; verb, verum est met acc. c. inf. en ut 396. defect. 122. vesci zonder perf. 136. VIII: con-

venia, abl. modi 263. A. lil. str. 271; zich voeden 453. A. I. venire met dubb. dat. 236: vonit vesper, gen. eri 15. I. A: abl. e mihi in mentem 255; met sup. 1 enen i 21. 5quot;; sing. taut. 33. 4°.

partic. praes. 437. vestis, sing. tant. 33. 4quot;.

venter, ium 22. 3°. v es tras 78. A.

venum dare, ire 35. Squot;. vestrum met partitiva heeft prae-

ver, sing. tant. 33. 4quot;. die. in den 2llcquot; pers. 175. A. I: ve-

verba in het algemeen 85: act. 92:;strum omnium 240: gen. part. 214; pass. 94; der 3'le op io 95; dep. 101; vestri, gen. obj. 251; vestri verbonden impers, 112;'onregelm. 118—; defect, met gerund, op di 430. A. I. 128—; met onregelm. hoofdtijden 134- : vetare, constr. 390—391.

afleiding 146—; vallen weg als praed. vetus, eris 52. 1quot;: um. a 56. 2° en 3'1; 174. A; voor Ned. adv. 485. comp. en superl. 60. 4°; adv. vetuste 157.

verba sentiendi et declarandi via, abl. modi 264. A. 11.

gevolgd door zijdel. vraag 204: niet ut vicinitas voor vicini 441,

of ne 397. 1quot;. A. I: ter omschrijving van adverb. 397. 1°. A. Ill; uitgel. in de orat. obl. 411.

verb alia, bep. 139; op tor en trix als praedicaatsnom. 177; als adj. gebr.

verbum (ad) bet. 163. 3. e)

gen. epex. 194. 1°.

vereischeu door esse c. gen. 241. 3°.

ver eri, constr. 354; veritus met tegenw. bet. 414. 2°.

verisimilis 233. A. I; verisimilo est met ace. c. inf. en ut 396.

vermenigvuldigen hoe dit geschiedt 72. 2°.

vero en vere 155. A; niet na een relat. 210. A; quasi vero 342. A. Ill;

immo vero 374: achter een praep. 497.

4°; neque vero 507; neque— neque vero 508; turn vero 510; bet. en plaat-est ut 396. A.

met

185. A. II. 1quot;; wanneer niet gebr. 446. 1quot;.'10; met nom. c. inf. 215: videro in verberor beter dan vapulo 104. A. plaats van videbo 314. A. I; videsne verbod hoe uit te drukken 380. 369. 2°. A. II; constr. 393; in pass. ter verbum finitum en infinitum 87. omschrijving 397. 1°. A. III; visa 438.

vigil, gen. um 56. 2',.

vigiliae, gesl. 37.

v i 1 i s met abl. 267.

v i n voor visne 369. 1°. A.

v index, comm. 39.

violen ter, vorming 154. A. I. v i r (composita van) met dat. ger. 434. 3°; omschrijvend subst. 439. A. I. virgo als adj. gebr. 185. A. II. virus, gesl. 44. 2°.

vis, nomen defect. 24; vi en por vim 264. A. I. II.

vitio, abl. modi 264. A. II; vitium

416

sing 519; bij eigenn. 527. A. I. ver sari, zich ophouden 453. A. I. versicolor, gen. um 5G. 2°. versus (ad, in) 162. 21.

ver tere in de compos, soms depon. 136. VII; met dubb. dat. 236.

v e r u , nbus 27.

verum, bet. en gebr. 518.

v e r u m e n i m v e r o 519. Terumtamen 523.

ver us, adv. vere en vero 155. A; ere puer en verus puer 185. A. I. 1quot;

lt; gt;

ocr page 440

Algemeen register.

417

v i t u 1 u s, vitula 41. 2°.

v i x ut 328. A. I; l)ij cum additi-vum 3ö3. B. 3°; met gerund. 427. 3° €u 4quot;; met ullus en quisquam 477. 1quot;.

Tocaleu, uitspraak 1—2; verandering- bij samenstelling 149—150. vocare met dubb. ace.'221. b). vocativus, gebr. 273.

volgeling, oinsehreveu 446. 2°. volgende, hic 45!). 2°.

volgens, ad 102. 3; secundum 162. 19; pro of relat. 202; door abl. met en zonder ex, de 2G6.

volken (namen van) in gen. plur. um 18. 3°; als adj. gebr. 185. A. II. 2°. in plaats vau landen 280.

volucer, is, e 52. 2°.

volucris, e 21. 4°; um 22. 2°. voluntas, voluntate, abl. modi 264. A. II; ter omschrijving 447.

voor, ut 198. 1°; onvertaald 214. 2°; door dat. 228; door pro 228. A. I. voorzeker, quippe 349.

voor zoover, vertaald 875. 7°. voorwaardelijke zinnen, conse-cutio temporum 318. II; modus 329—; omschreven 333; door iufin. uitgedr. 383. 1°. A. I.

vos, zie personalia.

voti damnatus, bet. 248. A.

vovere met acc. c. iuf. 397. 1° en A. II.

vox met gen. epex. 194. 1quot;.

vragen (zijdel.) bij verba sentiendi in plaats van een subst. en een rel. zin 204; twijfelende 327; constr. 368 — spjjtige door acc. c. int'. 395. A; in orat. obl, 408. III; tor omschrijving van subst. 445. 2; ingeleid door quid, quid enim 471, A; twee in oen zin 472. vrouw, niet vertaald 464.

v ulgo bij de vertaling van men 213. 3quot;. vulgus, gesl. 44.

W.

waar vertaald door qui, ubi 470. waarom, waartoe, quid 471. waarom niet, quin 360. 1°; quidni 471. A.

waarvan, qui 470. A. II. 1°. wanneer, quod 345. 4Ü en 5°.

wat met den positivus 300. wat betreft dat, quod 345. 5°; bij een acc. c. inf. de 399.

wegens 260. A. IV.

wel, niet vert. 369. 3; en wel, isque 466; (niet) — maar 517. A.

wel verre van — integendeel 356. werkeljjk? 369. 1°. A; aliquis 473. w e 11 e 1 ij k vertaald door pron. poss. 451. 1°.

woordplaatsing van ergo, causa, gratia 165. A; ne 169; (eenvoudigste) van een zin 170. A; van het subject bij uitlating van inquit 174. A. 2°; van het praedicaat bij de constr. ad synesiu 178. 3°; van den eersten persoon 183. A; van een adverb, als adj. gebruikt 185. A. I. 4°; van iste en ille bij eigennamen 189. 3°; adjectiva 191; nomen appositüm 199; relativum 200 en A. I en 328. A.. I; primus, postre-mus, enz. zonder gen. partit. 245. 3U. A. I ; gonetivus 253; vocativus 273; minus, plus, amplius 297. A. I; der abl. opinione, euz. 298. 1°; tweede lid der vergelijking 302. A. III; opschrift, plaats, datum in brieven 315. A. II eu 111; bijzinnen met subordineerende conjunctie 328. A. I en II; non—nisi 337. 2°; eo, ideo, idcirco, propterea bij non quod 344. A. II; quod, wat betreft 345. 5°; nam, namque, etenim 348; ut ne 353. A. Ill; ne 369. 1°; inquam, ajo 411. A; pron. poss. 452; van relat. vóór demonstr. 463. 3° en A. II; demonstr. 469; quidam 475. A; quisque 476. A. I; van verwante en tegenovergestelde begrippon 484. A; ontkenning 488; praeposities 494—-; que 502; nee— nou 502. A; etiam, quoquo 503 en 527; autem 520 eu 527; tarnen 523; ergo itaque, igitur, enim, quidem, vero 525—527.

Z,

zeer, quidam 475. 2°.

zeker, quidni 471. A.

zelf door met bij pron. pers. en reflex. 76. A; door ipse 468. 2°.

zelfs voor een superl. vel of etiam 303. 3°; zelfs—niet, ne—quidem 487; vel 514. A.


ocr page 441

Algemeen register.

418

zich betoon en als 222.

zien niet vertaald 453. A. I.

ziet gij niet 369. 2°. A. II. zonder, allen zonder uitzondering 102. 3. e); citra 162. 6; extra 162. 9; sine, quin, ut non, enz. 436. A; zonder eenig gevaar, niet zonder eenige aarzeling 477. 1°.

zoo? itane? enz. 369. 1°. A.

zoo door sic, ita 486.

zoo goed (veel) als, instar 35.2quot;.

zoo niet door uisi, si non, si mi-r nus (aliter) 335.

zoo ten minste, siquidem 347. zoo—toch 335. ,3°.

zooals men kau verwachten van 202.

zoogenaamd 418. A. III. 4°. zoolang—als, dum met imperf. ot perf. 310. A.

zoowel—als (vooral) 509—510. zouden, niet vertaald 323. A. zullen, niet vertaald 323. A.


ocr page 442
ocr page 443

■ ■ 1 ■ 1 ^

V

?4

ocr page 444
ocr page 445