KOMSTIÃE ARTIKELEN.
\:-£' ' ' \ S
IVvï: â
mmmmM
tJiTOBÃBVEN ONDB» TOEZICHT VAN
Mr. J. C. M E IJ E R.
Advocaat-Procureur te Leeuwarden.
SNEE K'. J. F. VAN BRUTEN. quot; 1896.'
ï ' 1
mi
f 0,90. Gebonden f 1,25. :i
INHOUD
VAN HET
BURGERLIJK WETBOEK.
EEESTE BOEK.
Van Personen.
Bladz.
I TITEL. Van het genot en verlies der burgerlijke regten......1
II â {Vervallen.)...................1
III â Van de akten van den burgerlijken stand........2
le afd Van de registers van den burgerlijken stand in het algemeen. 2
2e â Van de akten van geboorten.............4
3e â Van de huwelyks-aangiften en afkondigingen.......6
ie â Van de akten van huwelijk en van echtscheiding .... 7
5e â Van de akten van overigden.............8
6e â Van naams» en vóórnaams-veranderingen........11
7e â Van de verbetering der akten van den burgcrlyken stand, en
van derzelver aanvulling..............11
IV TITEL. Van woonplaats of domicilie.............13
V â Van het huwelyk..................13
Algemeene bepaling.................13
le afd. Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereischt worden
om een huwelyk te kunnen aangaan.........13
2e â Van de formaliteiten welke de voltrekking van het huwelijk
moeten voorafgaan................16
3e â Van het stuiten des huwelgks.............18
4e â Van de voltrekking des huwelijks...........19
5e â Van de huwelijken, welke buiten 's lands zyn voltrokken. . 22
6e â Van de nietigheid eens huwelijks...........22
7e â Van het bewijs van het bestaan des huwelijks.......25
VI TITEL. Van de regten en verpligtingen der echtgenooten.....25
VII â Van de wettelijke gemeenschap van goederen en derzelver beheer......................27
le â Van de wettelijke gemeenschap van goederen.......27
2e â Van het beheer der gemeenschap...........28
3e â Van de ontbinding der gemeenschap, en van het regt om daarvan afstand te doen................28
INHOUD VAN HET
VIII TITEL. Van huwelyksche voorwaarden............31
Ie a¥d. Van huwelgksche voorwaarden in het algemeen......31
2e â Van de gemeenschap van winst en verlies en van die der
vruchten en inkomsten..............33
3e â Van de giften tusschen de aanstaande echtgenooten bedongen. 35 4e â Van giften welke aan de aanstaande echtgenooten, of aan kinderen uit hun huwelijk, gedaan zijn.........36
IX TITEL. Van gemeenschap of huwelyksche voorwaarden hij tweede of
verder huwelijk..................36
X â Van de scheiding van goederen............37
XI â Van de ontbinding des huwelijks...........39
le afd. Van de ontbinding des huwelijks in het algemeen.....39
2e â Van de ontbinding des huwelijks, na de scheiding van tafel
en bed....................40
3e â Van echtscheiding.................41
XII TITEL. Van de scheiding van tafel en bed...........45
XIII â Van het vaderschap en de afstamming der kinderen. ... 47
le afd. Van wettige kinderen................47
2e â Van de wettiging van natuurlijke kinderen........50
3e â Van de erkenning van natuurlijke kinderen.......51
XIV TITEL. Van bloedverwantschap en zwagerschap.........53
XV â Van de vaderlijke magt...............54
le afd. Van de gevolgen der vaderlijke magt, ten opzigte van den persoon des kinds..................54
2e â Van de gevolgen der vaderlijke magt, ten opzigte va» de goe
deren van het kind................55
3e â Van de wederzijdsche verplichtingen tusschen de ouders of
voorouders en de kinderen en verdere afkomelingen. . . 57
XVI TITEL. Van minderjarigheid en voogdij............58
le afd. Van de minderjarigheid...............58
2e â Van de voogdij in het algemeen............58
3e â Van de voogdij van den vader en de raoeder......61
4e â Van de voogdij, door den vader of de moeder opgedragen. . 63
5e â Van de voogdij door den kantonregter opgedragen.....63
6e â Van de voogdy van kinderen, welke in eenig gesticht zijn opgenomen....................'65
7e â Van den toezienden voogd..............65
8e â Van de redenen die van de voogdij en de toeziende voogdij
verschooncn...................67
9e â Van de bevoegdheid tot, de uitsluiting en afzetting van en de
tijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij. . 68 10e â Van het toezigt van den voogd over den persoon des minderjarigen.....................69
lie â Van het bestuur van den voogd............70
12e â Van de rekening en verantwoording der voogdij......75
XVII TITEL. Van handligting.................76
XVIII â Van curatele...................79
Slotbepaling...................83
XIX â Van afwezigheid..................84
le afd. Van voorloopige voorzieningen............84
2e â Van de verklaring van vermoedelijk overlijden......85
IV
BURGERLIJK WETBOEK. V
3e apd. Van de regten en verpligtingen van vermoedel\jke erfgenamen en andere belanghebbenden, na de verklaring van vermoe-
delyk overladen.................87
4e â Van de regten, opgekomen aan eenen afwezige, wiens bestaan
onzeker is..................90
5e â Van de gevolgen der afwezigheid, met betrekking tot het hu-
welyk en de kinderen..............91
TWEEDE BOEK. Van Zaken.
1 TITEL. Van de zaken en derzelver onderscheiding........93
le afd. Van zaken in het algemeen.............93
2e â Van de onderscheiding der zaken...........93
3e â Van onroerende zaken...............94
4e â Van roerende zaken................95
5e â Van zaken, met betrekking tot derzelver bezitters. ... 97
II TITEL. Van bezit en de regten die daaruit voortvloeyen.....98
le afd. Van den aard van het bezit, en de voorwerpen die daarvoor
vatbaar zjjn..................98
2e â Van de wijze, waarop het bezit wordt verkregen, wordt behouden, en verloren gaat...............99
3e â Van de regten die uit het bezit voortvloeyen.......100
III TITEL. Van eigendom..................103
le afd. Algemeene bepalingen...............103
2e â Van de wijze waarop eigendom verkregen wordt.....105
IV TITEL. Van de regten en verpligtingen tusschen eigenaars van nabu
rige erven...................110
V â Van erfdienstbaarheden...............116
le afd. Van den aard en de onderscheidene soorten van erfdienstbaarheden...................116
2e â Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daargesteld . 119 3e â Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden te niet gaan. . . . 120
VI TITEL. Van het regt van opstal..............121
VII â Van het erfpachtsregt...............122
VIII â Van grondrenten en tienden.............124
IX â Van het vruchtgebruik...............127
le afd. Van den aard des vruchtgebruiks en de wijze om hetzelve te
verkrijgen....................127
2e â Van de regten van den vruchtgebruiker.........128
3e â Van de verpligtingen des vruchtgebruikers.......131
4e â Hoe het vruchtgebruik eindigt............135
X TITEL. Van het gebruik en de bewoning...........137
XI â Van erfopvolging bij versterf.............188
le afd. Algemeene bepalingen...............138
2e â Van de erfopvolging in de wettige nederdalende, opgaande en
zydlinie....................141
VI INHOUD VAN HET
3e afd. Van erfopvolging wanneer er natuurlijke kinderen aanwezig
zyo......................143
XII TITEL. Van uiterste icillen................145
le afd. Algemeene bepalingen...............145
2e â Van de bekwaamheid om bg uitersten wil te beschikken of
daarvan voordeel te genieten............147
3e â Van de legitime portie of het wettelijk erfdeel, en van de inkorting der giften, welke die portie zouden verminderen. . 149
4e â Van den vorm der uiterste willen...........162
5e â Van de erfstellingen................157
6e â Van legaten...................157
7e â Van de geoorloofde erfstellingen over de hand, ten behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van broeders en zusters ....................160
8e â Van de erfstellingen over de hand in hetgeen de erfgenaam
of legataris onvervreerod en onverteerd zal nalaten. . . 163 9e â Van het herroepen van uiterste wilsbeschikkingen en het vervallen van dezelve................163
XIII TITEL. Van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en van bewind
voerders....................165
XIV â Van het regt van beraad en het voorregt van boedelbeschrij
ving.....................168
XV â Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen.....171
le afd. Van het aanvaarden van erfenissen..........171
2e â Van het verwerpen van erfenissen...........173
XVI TITEL. Van boedelscheiding................174
le afd. Van boedelscheiding en hare gevolgen.........174
2e â Van inbreng..................179
3e â Van de betaling der schulden............181
4e â Van de vernietiging van aangegane boedelscheiding. . . . 183 5e â Van boedelverdeeling door den vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande linie, tusschen hunne afko-
melingen gemaakt................184
XVII TITEL. Van onbeheerde nalatenschappen...........184
XVIII â Van bevoorregte schulden..............185
le afd. Van bevoorregte schulden in het algemeen.......185
2e â Van de voorregten gevestigd op zekere bepaalde goederen. . 186 3e â Van de voorregten op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen...............188
XIX TITEL. Van pand. ...................189
XX â Van onderzetting of hypotheek............192
le afd. Algemeene bepalingen ..............192
2e â Van de inschryving der hypotheken en van den vorm der in-
schryving...................194
3e â Van de doorhaling der inschryvingen.........197
4e â Van de gevolgen der hypotheken tegen derde bezitters. . . 198
5e â Van het te niet gaan der hypotheken.........200
6e â Van de openbare bekendheid der registers, en van de verant-
woordelykheid van de bewaarders der hypotheken. . . . 202
BURGERLIJK WETBOEK VII
DERDE BOEK. Van Verbindtenissen.
I TITEL. Van verbindtenissen in het algemeen. . .......204
le afd. AJgemeene bepalingeu...............204
2e â Van verbindtenissen om iets te geven.........204
3e â Van verbindtenissen om iets te doen, of niet te doen. . . 205 4e â Van de vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet nakomen eener verbindtenis. . . 205
5e â Van voorwaardelijke verbindtenissen..........207
6e â Van verbindtenissen met tijdsbepaling........209
7e â Van alternatieve verbindtenissen, of van verbindtenissen die
ter keuze van eene der part^en staan........209
8e â Van solidaire of hoofdelijke verbindtenissen.......210
9e â Van deelbare en ondeelbare verbindtenissen.......213
10e â Van verbindtenissen onder beding van straf of poenaliteit. . 214 II TITEL. Van verbindtenissen die uit contract of overeenkomst geboren
worden...............⢠.... 216
le afd. Algemeene bepalingen...............216
2e â Van de voorwaarden welke vereischt worden tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten............217
3e â Van het gevolg der overeenkomsten, . . . .......219
4e â Van de uitlegging der overeenkomsten.........220
III TITEL. Van verbindtenissen die uit kracht der wet geboren worden. . 221
IV â Van het te niet gaan der verbindtenissen........225
le afd. Van betaling...................225
2e â Van aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie of
bewaargeving..................229
3e â Van schuldvernieuwing...............231
4e â Van compensatie of vergelijking van schuld.......233
5e â Van schuldvermenging...............234
6e â Van kwijtschelding van schuld............235
7e â Van het vergaan der verschuldigde zaak........235
8e â Van de nietigheil en van de vernietiging der verbindtenissen 236
V TITEL. Van koop en verkoop................238
le afd. Algemeene bepalingen...............238
2e â Van de verpligtingen der verkoopers..........240
3e â Van de verpligtingen van den kooper.........245
4e â Van het regt van wederinkoop............246
5e â Bijzondere bepalingen betrekkelijk den koop en verkoop van
inschulden en andere onligchamel\jke regten......248
VI TITEL. Van ruiling...................249
VII â Van huur en verhuur...............249
le afd. Algemeene bepalingen...............249
2e â Van de regelen, welke gemeen zijn aan verhuringen van huizen en van landen................250
3e â Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zgn tot huur
van huizen en van huisraad............254
4e ,, Van de regelen, welke bijzonder betrekkelijk zgn tot huur
van landerijen.................255
j
VIII INHOUD VAN HET
5e afd. Van huur van dienstboden en werklieden................267
6e â Van aanneming van werk............................358 ââ
VIII TITEL. Van het regt van beklemming............359
IX â Van maatschap of vennootschap...........360
le afd. Algemeene bepalingen...............360
3e â Van de verbindtenissen der vennooten onderling.....360
3e â Van de verbindtenissen der vennooten ten aanzien van derden.....................368
4e â Van de verschillende wyzen waarop de maatschap eindigt. . 364
X TITEL. Van zedelijke lichamen...... ................365 j
XI TITEL. Van schenkingen.................?67
le afd. Algemeene bepalingen...............367
3e â Van de bekwaamheid om by wege van schenking te beschik- j
ken, en voordeel te genieten............368
3e â Van den vorm der schenkingen............369
4e â Van het herroepen en te niet doen van schenkingen. . . 370
XII TITEL Van bewaargeving.................371
le afd. Van bewaargeving in het algemeen, en van derzelver verschillende soorten.................371
3e â Van eigenlyk gezegde bewaargeving...........373
3e â Van sequestratie en derzelver verschillende soorten. . . . 276
XIII TITEL. Van bruikleening.............! ... 377
le afd. Algemeene bepalingen...............377
2e â Van de verpligtingen van dengenen die iets ter bruikleening
ontvangt...................278
3e â Van de verpligtingen van den uitleener........278
XIV TITEL. Van verbruikleening................279
le afd. Algemeene bepalingen...............279
2e â Van de verpligtingen des uitleeners..........280
3e â Van de verpligtingen des leeners...........280
4e â Van het ter leen geven op interessen.........281
XV TITEL. Van gevestigde of altijddurende renten.........381
XVI TITEL. Van kans-overeenkomsten..............383
le afd. Algemeene bepalingen...............383
3e â Van de overeenkomst van lyfrenten en derzelver gevolgen. 383
3e â Van spel en weddingschap.............384
XVII TITEL. Van lastgeving..................384
le afd. Van den aard der lastgeving............284
2e â Van de verpligtingen van den lasthebber........285
3e â Van de verpligtingen van den lastgever........287
4e â Over de verschillende wyzen waarop lastgeving eindigt. . 2S7 c
XVIII TITEL. Van borgtogt..................388
le afd. Van den aard der borgtogt.............388
3e â Van de gevolgen van borgtogt tusschen den schuldeischer en
den borg...................390
3e â Van de gevolgen van borgtogt tusschen den schuldenaar en
den borg, en tusschen de borgen onderling......391
4e â Van het te niet gaan van borgtogt..........293
XIX TITEL. Van dading...................293
A
BURGERLIJK WETBOEK. IX
VIERDE BOEK.
Van Bewijs en Verjaring.
I TITEL. Van bewijs in het algemeen.............296
II â Van schriftelijk bewijs...............296
III â Van bewijs door getuigen..............301
IV â Van temwedens.................304
V â Van bekentenis..................305
VI â Van den geregtelijken eed..............306
VII â Van verjaring..................308
le afd. Van verjaring in het algemeen............308
2e â Van de verjaring, beschouwd als een middel om iets te
verkregen...................310
3e â Van de verjaring, beschouwd als een middel om van eene
verpligting bevrijd te worden............310
4e â Van de oorzaken die de verjaring stuiten........312
5e â Van de oorzaken die den loop der verjaring stuiten. . . . 313
Algemeene bepaling................314
X
LIJST DER VERKORTINGEN,
IN DE AANTBKKENINGEN GEBEZIGD.
A. beteekent: Wet, houdende algemeene bepalingen der Wetge
ving van het Koningrijk.
B.W. â Burgerlijk Wetboek.
K. â Wetboek van Koophandel.
R.V. â â â Burgerlijke Regtsvordering.
S.R. â â â Strafrecht.
S.V. ,, â â Strafvordering.
R.O. â Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der J nstitie.
O. â Wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe
Wetgeving.
lOv. â Art. 10 en volgende artikelen.
XI
VERANDERINGEN
in werking tredende 1 Sept. 1896,
volgens de wet van
20 Januari 1896, Staatsblad No. 9.
Art. 1377 te lezen als volgt;
Niettemin kan door ieder schuldeischer de nietigheid worden ingeroepen van alle door den schuldenaar onverpligt verrigte handelingen, hoe ook genaamd, waardoor de schuldeischers zijn benadeeld, mits bewezen worde, dat bij het verrigten der handeling zoowel de schuldenaar als degene met wien of te wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeeling van de schuldeischers het gevolg zoude zijn.
Regten, door derden te goeder trouw verkregen op de goederen, die het voorwerp waren van de nietige handeling, worden geëerbiedigd.
Om de nietigheid van door den schuldenaar gedane handelingen om niet in te roepen, kan de schuldeischer volstaan met aan te toonen, dat de schuldenaar op het oogenblik der handeling wist, dat hij daardoor zijne schuldeischers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde. (B.W. 865, 1024, 1107, 1212, 1230, 1490, 1989; S.R. 340 v.)
Art. 1490. In het eerste lid van dit artikel vervallen de woorden: â(daaronder begrepen die waarvan by artikel 1377 wordt gehandeld)quot;.
In het tweede lid van dit artikel wordt achter de woorden: âontbinding des huwelijks;quot; ingevoegd eene nieuwe alinea luidende:
âIngeval van nietigheid, waarvan in artikel 1377 wordt gehandeld, van den dag der ontdekking, dat de voor de nietigheid ver-eischte wetenschap bestond;quot;.
Art. 1515. Afgeschaft.
Art. 1820. Afgeschaft.
Art. 1880, 2°. Afgeschaft.
VERANDERINGEN.
Art. 1881, eerste lid, te lezen als volgt:
Indien verscheidene personen zich tot borgen hebben gesteld van denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld heeft voldaan, in het geval bij no. 1 van het vorige artikel voorzien, als ook wanneer de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement, zijn verhaal op de overige horgen, ieder voor zijn aandeel.
Voorts waar in de verwijzingen aangehaald worden: 1quot; K. artt. 198, 205, 285 en 764â923; 2» R.V. artt. 705,2quot;, 707, 709â720, 882â899; te lezen:
âFaillissementswetquot;.
XII
BURGERLIJK WETBOEK.
EERSTE BOEK.
VAN PERSONEN.
EERSTE TITEL.
Van het genot en verlies der burgerlijke regten.
Art. I. Het genot der burgerlijke regten is onafhankelijk van de staatkundige regten, welke alleen overeenkomstig de Grondwet worden verkregen. (G. 4.)
2. Allen die zich op liet grondgebied van den staat bevinden zijn vrij, en bevoegd tot het genot der burgerlijke regten.
Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van welken aard of onder welke benaming ook bekend, worden in het rijk niet geduld. (G. 2, 4.)
3. Het kind, van hetwelk eene vrouw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zoo dikwijls deszelfs belang zulks vordert. (B.W. 403, 545, 805, 883, 946, 1716.)
Dood ter wereld komende, wordt liet geacht nooit te hebben bestaan.
4. Geenerlei straf heeft den burgerlijken dood of het verlies van alle de burgerlijke regten ten gevolge.
TWEEDE TITEL.
Van Nederlanders en vreemdelingen.
Artt. 5â12. Vervallen volgens Slotbepaling der wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 268, in werking getreden 1 Juli 1893.
BUKG. WETB. 1
Van de akten van den burgerlijken stand.
DERDE TITEL.
Van de akten van den burgerlijken stand.
EBRSIE AFDEELING.
Van de registers van den burgerlijken stand in het algemeen.
Art 13. Er bestaan in iedere gemeente registers van geboorten, van huwelijksaangiften, van huwelijksafkondigingen, van huwelijken en echtscheidingen, en van overlijden.
Deze registers worden afzonderlijk gehouden door een of meer ambtenaren van den burgerlijken stand, die daartoe door de gemeentebesturen worden benoemd.
Met 's Konings vergunning kunnen twee of meer registers van elke soort worden gehouden in gemeenten, waarin daaraan behoefte blijkt te bestaan. ')
14. Van alle registers van den burgerlijken stand, die der huwe-lijksaangiften en der huwelijksafkondigingen alleen uitgezonderd, zal een dubbel worden gehouden. ') (B.W. 22.)
15. De eerste en laatste bladzijde van de registers van den burgerlijken stand moeten door den voorzitter van de arrondissements-regtbank, of door een' regter, welke denzelven zal vervangen, ge-kantteekend, en voorts alle de bladen door denzelven gewaarmerkt zijn.
16. De akten zullen achter elkander in de registers worden ingeschreven, zonder dat eenig wit vak tusschen beide zal mogen worden open gelaten. Al hetgeen mogt worden doorgehaald, tusschen beide of op den kant geschreven, zal moeten worden goedgekeurd, en, even als de akte zelve, geteekend worden; zullende niets bij verkorting of met cijfers mogen worden uitgedrukt.
17. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in de door hen op te maken akten niets mogen invoegen, het zij bij aanteekening, het zij door eenige inlasschingen hoe ook genaamd, buiten hetgeen door de verschijnende partijen, overeenkomstig de wet, moet worden verklaard. (B.W. 16, 27.)
18. Bij de akten van den burgerlijken stand zullen worden uitgedrukt het jaar en de dag barer inschrijving, mitsgaders de voornamen, de namen, de ouderdom, het beroep en de woonplaats, zoo wel der verschonende partijen, als der getuigen. (B.W. 31, 40, 45, 48, 51, 54, 57, 59, 61.)
2
19. In alle de gevallen, waarin de belanghebbende partijen niet
1) Artt. 13 eu 14 aldus gewijzigd bij artt. 1 en 2 der wet van 24 Juny 1879, Stsbl. no. 132.
B. W. Boek I, Titel UI, 1. Aril. 13â25. 3
verpligt zijn in persoon te verschenen, zullen zij zich door eenen gemagtigde, daartoe bij authentieke akte aangesteld, mogen laten vertegenwoordigen. (B.W. 30, 106, 133 v., 1905 v.)
20. De getuigen, van welke men hij de akten van den burgerlijken stand gebruikt maakt, zullen daartoe door de belanghebbende personen worden gekozen, en moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koningrijk hunne woonplaats hebbende.
Ook nabestaanden zullen als getuigen worden toegelaten. (B.W. 385, 1947.)
21. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen aan de verschijnende partijen, mitsgaders aan de getuigen, de akten voorlezen, en daarin vermelden dat aan die formaliteit is voldaan.
Iedere akte moet door den ambtenaar van den burgerlijken stand, de verschijnende partijen en de getuigen worden geteekend; wanneer de eene of andere der partyen of der getuigen niet mogt kunnen teekenen, moet van de oorzaak des beletsels in de akte melding worden gemaakt. (B.W. 16.)
22. De registers zullen door den ambtenaar van den burgerleken stand op het einde van ieder jaar worden afgesloten; en zal, in de maand Januarij daaraanvolgende, één der dubbele worden overge-bragt in de archieven der gemeente, eu het andere dubbel, mitsgaders de registers der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen, ter griffie van de arrondissements-regtbank. ') (B.W. 14, 25, 28.)
23. De volmagten en andere stukken, welke by de akten van den burgerlijken stand worden gevorderd, zullen aangehecht blijven aan de registers, welke ter griffie van de arrondissements-regtbank moeten worden overgebragt.
24. Een ieder is bevoegd om zich, door de bewaarders der registers van den burgerlijken stand, uittreksels uit die registers te doen afgeven. Die uittreksels, wanneer zij met de registers overeenstemmen, en door den voorzitter der arrondissements-regtbank, of door den regter die dezen vervangt, zijn gelegaliseerd, zullen geloof verdienen, tot op het oogenblik dat de valschheid daarvan, met inachtneming der regelen, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvor-dering voorgeschreven, zal zijn beweerd. (R.V. 176 v., 838.)
25. Wanneer op den kant van eene reeds ingeschrevene akte moet â worden melding gemaakt van eene andere akte, tot den burgerlijken stand betrekkelijk, wordt zulks gedaan door den ambtenaar van den burgerleken stand in de loopende onder hem berustende registers, of in die welke in de archieven der gemeente zijn overgebragt; en door den griffier der arrondissements-regtbank, in die welke ter griffie berusten.
De zorg voor de eenvormige inschrijving is aan het openbaar ministerie opgedragen, aan hetwelk de ambtenaar van den burger-
é
1) Art. 22 aldus gewyzigd bij art. 2 der wet van 24 Juny 1879, Stsbl. no. 132.
1*
4 Van de akten van den burgerlijken stand.
lijken stand, binnen tien dagen na de aanteekening, daarvan kennis geeft.
Geene uittreksels nit de registers van den burgerlijken stand zullen mogen worden afgegeven, tenzij daarbij worden gevoegd de aan-teekeningen, welke zich op den kant van de akte mogen bevinden. (B.W. 22, 66, 73.)
26. Men kan, zoowel door getuigen als door bescheiden, bewijzen dat registers van den burgerlijken stand nooit hebben bestaan, of verloren zijn geraakt, of wel, dat eene ingeschrevene akte daaraan ontbreekt.
In geval van vervalsching, verandering, verscheuring, vernietiging of verdonkering eener akte van den burgerlijken stand, zal het vonnis, waardoor van het misdrijf blijkt, de kracht hebben welke aan gewijsden in strafzaken ten aanzien van burgerlijke regtsgedin-gen bij dit Wetboek is toegekend. (B.W. 49, 62, 70 v., 156, 316 v., 323, 1955.)
27. De ambtenaren van den burgerlijken stand, of andere bewaarders zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, aansprakelijk voor het rigtig houden en bewaren der registers.
Elke verandering, elke vervalsching in de akten, elke inschrijving op een los blad, mitsgaders alle overtreding, tegen de voorschriften van dezen titel begaan, kunnen aan de partijen grond opleveren om tegen die ambtenaren of bewaarders schadevergoeding te eischen. (R.V. 854.)
Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 466, 467 en 468 lu. van het Wetboek van Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke regter kennis.
In geval van overtreding tegen die voorscuriften door andere bewaarders begaan, kunnen deze door den burgerlijken regter worden verwezen in eene geldboete van ten hoogste houderd gulden. ')
28. Het openbaar ministerie is verpligt de ter griffie van de ar-rondissements-regtbank overgebragte registers en de daaraan gehechte stnkken te onderzoeken, en van deszelfs bevinding proces-verbaal op te maken. Het is bevoegd om inzage te nemen van het dubbel der registers hetwelk bij de gemeentebesturen berust. (B.W. 14, 22, 23.)
TWEEDE AFDEELIKG.
Van de akten van geboorten.
Art. 29. De aangiften van geboorten zullen binnen drie dagen na de bevalling moeten worden gedaan aan den plaatselijken ambte-
1) Het 3de en 4de lid van art. 37 aldus gewyzigd bij art. 4 der wet van 31 Dec. 1887, Stsbl. no. 365.
71.W. Boei: 1, Titel 111, 1 en 2. Artt. 26â35.
naar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid van twee getuigen.
Die ambtenaar zal daarvan dadelijk eene akte opmaken.
Hij is bevoegd om te vorderen dat het kind aan hem worde vertoond. (B.W. 20 v., 35; A. 10.)
30. De aangifte der geboorte van een kind zal door den vader moeten worden gedaan, of, bij gebreke van dien, door de geneesheeren, heelmeesters, vroedmeesters, vroedvrouwen of andere personen, welke bij de bevalling zijn tegenwoordig geweest; en wanneer de moeder buiten hare woning bevallen is, zal de aangifte moeten geschieden door den persoon ten wiens huize zij bevallen is. (B.W. 19.)
31. De akte van geboorte zal vermelden:
1°. Het jaar, den dag, het uur en de plaats der geboorte;
2°. De kunne van het kind en de voornamen welke aan hetzelve zullen worden gegeven;
3°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der ouders;
4°. De voornamen en namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aangevers en der getuigen. (B.W. 18, 20 v.)
32. Wanner het kind buiten echt geboren is, mag de naam des vaders niet bij de akte worden vermeld, ten ware deze het kind, het zij in persoon, het zij door eenen gemagtigde, bijzonderlijk daartoe bij authentieke akte aangesteld, erkenne. (B.W. 45, 327, 336, 342, 344.)
33. Die een pasgeboren kind gevonden heeft, is gehouden daarvan aangifte te doen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar hetzelve is ontdekt; mitsgaders de kleederen en andere goederen aan te duiden en te vertoonen, welke nevens het kind mogten zijn gevonden, en eindelijk op te geven alle de omstandigheden opzigtelijk den tijd wanneer, en de plaats waar het kind ontdekt is.
Het daarvan op te maken proces-verbaal moet daarenboven vermelden den vermoedelijken ouderdom des kinds, zijne kunne, de bijzondere kenteekenen welke hetzelve mogt hebben, de namen welke men aan hetzelve zal geven, mitsgaders het gesticht waarin, of den persoon bij wien hetzelve is verbleven. Dit proces-verbaal moet in de registers van geboorten worden ingeschreven. (B.W. 18, 29, 31.)
34. Wanneer het kind dadelijk in een gesticht is opgenomen, zal de in het bovenstaande artikel vermelde verklaring moeten worden gedaan door het hoofd of een der bedienden van dat gesticht.
35. Wanneer een kind gedurende eene zeereis geboren wordt, moet de akte van geboorte binnen vier en twintig uren door den scheepskapitein of gezagvoerder op het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van den vader, wanneer deze aan boord is, en van twee getuigen zich op het schip bevindende. (B.W. 18, 29, 60, 994.)
5
Van de akten oan den burgerlijken stand.
36. In de eerste haven, welke het schip zal aandoen, wanneer die binnen het koningrijk gelegen is, zal de scheepskapitein of gezagvoerder verpligt zijn aan het departement voor de marine een uittreksel uit het dagregister van het schip, bevattende de aan-teekening van de geboorte van het kind, op te zenden.
Wanneer het vaartuig is ingeloopen, liet zij in eene der overzee-sche bezittingen van den staat, het zij in eene vreemde haven, zal het hier-boven vermelde uittreksel worden toegezonden, in het eerste geval, aan het hoofd der Nederlandsche regering in die bezitting, en, in het laatste geval, aan den Nederlandschen consul, in die haven of in de naastgelegene plaats gevestigd; en zijn deze verpligt dat uittreksel in hunne archieven te bewaren, en een door hen gelegaliseerd afschrift aan het departement voor de marine te doen toekomen. Dien onverminderd blijft de scheepskapitein of gezagvoerder gehouden, bij de terugkomst van het vaartuig binnen het koningrijk, te handelen zoo als bij het eerste lid van dit artikel is bepaald.
37. Het hoofd van het departement voor de marine zal dat uittreksel, door hem gelegaliseerd, opzenden aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van den vader des kinds, of van de moeder, indien de vader onbekend is.
De ambtenaar van den burgerlijken stand is verpligt hetzelve uittreksel dadelijk in de registers in te schrijven, en daaraan vast te hechten. (B.W. 23.)
38. De akte van erkenning van een kind, door den ambtenaar van den burgerleken stand opgemaakt, moet, volgens hare dagtee-kening, in de registers worden ingeschreven, en van die erkenning moet worden melding gemaakt op den kant van de akte van geboorte, zoo die aanwezig is.
Indien de erkenning van het kind by eene andere authentieke akte is gedaan, kan ieder belanghebbende vorderen dat daarvan worde melding gemaakt op den kant der akte van geboorte. (B.W. 1905.)
In geen geval, kan het verzuim der aanteekening van eene erkenning op den kant der geboorte-akte aan het erkende kind worden tegengeworpen, ten einde zijnen verkregen staat te betwisten. (B.W. 336 v.)
DERDE AFDEELING.
Van de huwelijks-aangiften en afkondigingen.
Art. 39. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in het daartoe bestemde register de huwelijks aangiften inschrijven, welke overeenkomstig artikel 105 en 106 gedaan worden. (B.W. 13.)
40. Die aangifte zal vermelden de voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echtgenooten,
6
B. IV. Boek I, Titel III, 2, 3 en 4. Artl. 36â45.
mitsgaders hun voornemen om met elkander in den echt te treden.
Wanneer die aangifte in geschrifte is gedaan, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand dezelve overschrijven, alleen op het register teekenen, en het stuk daaraan vasthechten. (B.W. 18, 21, 23.)
41. Wanneer aan den ambtenaar van den burgerlijken stand niet blijkt dat voor de aangevende personen eenig wettig beletsel bestaat om met elkander in den echt te treden, zal hij dadelijk de afkondigingen doen. welke bij artikel 107, 108 en 109 vermeld zijn. (B.W. 84 v., 137.)
42. De akten, waaruit zal moeten blijken dat de afkondigingen hebben plaats gehad, zullen in het register, volgens de orde barer dagteekening, ingeschreven en door den ambtenaar van den burgerlijken stand onderteekend worden. (B.W. 16 v., 107 v., 138.)
43. Van de akten van stuiting des huwelijks, welke aan den ambtenaar van den burgerlijken stand beteekend zijn, zal op den kant der akte van afkondiging eene aanteekening worden gesteld. Hetzelfde zal plaats hebben ten opzigte van vonnissen of akten, waarbij de stuiting wordt opgeheven. (B.W. 25, 125; R.V. 801 v., 126 6°, 137.)
VIEHDE AFDEELING.
Fan de akten van huwelijk en van echtscheiding.
Art. 44. Nadat bij den ambtenaar van den burgerlijken stand zal zijn afgelegd de verklaring der partijen, waarvan bij artikel 135 gesproken wordt, zal hij in naam der wet verklaren dat dezelve door den echt aan elkander verbonden zijn, en daarvan dadelijk in het daartoe bestemde register eene akte opmaken. (B.W. 13.)
45. De huwelijks-akte zal vermelden:
1°. De voornamen, namen, den ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats der echtgenooten, en, wanneer zij te voren gehuwd waren, de voornamen en namen van de vroegere echtgenooten;
2°. Hunnen staat van meerderjarigheid of minderjarigheid;
3°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats hunner ouders;
4». De toestemming van de ouders, grootouders of voogden, of wel het verlof van den regter, in de gevallen waarin hetzelve gevorderd wordt;
5°. De tusschenspraak van den regter, zoo die heeft plaats gehad;
6°. De gedane huwelijks-afkondigingen, ter plaatse alwaar die vereischt worden, en, in geval van stuiting, de opheffing daarvan;
7°. De verklaring der partgen om elkander tot echtgenooten te
7
Van de akten van den burgerlijken stand.
nemen, en de uitspraak van hunne echt vereen iging door den openbaren ambtenaar;
8°. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der getuigen, mitsgaders de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking, welke tusschen hen en de partijen mogten bestaan;
9°. De erkenning van natuurlijke kinderen, zoo die plaats heeft. (B.W. 18 v., 385, 474 v., 506.)
46. Wanneer een huwelijk bij gevolmagtigde, of wel in een bijzonder huis, voltrokken wordt, zal van die omstandigheid uitdrukkelijke melding in de akte worden gemaakt. (B.W. 19, 23, 132, 134.)
47. De overschrijving van de akten van huwelijk, in een vreemd land aangegaan, zal in de loopende registers van de woonplaats der echtgenooten geschieden. (A. 10; B.W. 139.)
48. De akte van inschrijving eener echtscheiding zal bevatten:
1°. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der
gescheiden echtgenooten;
2°. De vermelding van het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken, van hetwelk een afschrift aan het register zal bleven gehecht;
30. De vermelding van het getuigschrift van den griffier, strekkende tot bewijs dat tegen het vonnis door geen wettig middel kan worden opgekomen.
Die akte zal, volgens hare dagteekening, in de huwelijks-registers worden ingeschreven, en zal daarenboven de party, die de echtscheiding heeft verkregen, verpligt zyn te zorgen, en de andere bevoegd zijn te vorderen, dat daarvan aantee-kening worde gedaan op den kant der huwelijks-akte. (B.W. 18, 25, 260, 276; K.V. 81 v., 340, 382 v., 398, 816 v.)
49. Wanneer het bewezen is dat de registers zijn verloren geraakt, zal de inschrijving eener echtscheiding, zoowel door bescheiden als door getuigen, kunnen worden bewezen. (B.W. 26 v., 1940, no. 4.)
VIJFDE AFDEELING.
Van de akten van overlijden.
Art. 50. De akten van overlijden zullen worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar de persoon overleden is, en op de verklaring van twee getuigen.
Wanneer het blijkt dat de overledene elders zijne woonplaats heeft gehad, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand een uittreksel van de akte van overlijden doen toekomen aan dien van de laatstbekende woonplaats van den overledene, ten einde insgelijks
8
B.W. Boek I, Titel III, 4 en 5. Artt. 46â54.
in de registers aldaar te worden ingeschreven. (B.W. 16 v., 27 v.)
51. Zij zullen bevatten:
1quot;. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en de woonplaats van den overledene, mitsgaders den dag en het uur des overlijdens;
2°. De voornamen en den naam van den anderen echtgenoot, indien de overledene getrouwd of wel weduwnaar of weduwe was;
3°. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aangevers, en, wanneer zij bloedverwanten zijn, den graad van bloedverwantschap.
De akten van overlijden zullen daarenboven bevatten, voor zoo verre men zulks kan te weten komen, de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der ouders van den overledene, mitsgaders deszelfs geboorteplaats. (B.W. 18, 21.)
52. De ambtenaar van den burgerlijken stand zal geene akte van overlijden van een pas geboren kind mogen opmaken, dan voor zooverre aan hem zal zijn gebleken, dat de geboorte van het kind in het daartoe bestemde register is ingeschreven.
Bij ontstentenis van dien, zal die ambtenaar niet vermogen uit te drukken dat het kind overleden is, maar alleen, dat hetzelve als levenloos is aangegeven. Hij kan, in zoodanig geval, bij twijfeling omtrent de deugdelijkheid der aangifte, vorderen dat het kind aan hem worde vertoond.
Hij zal daarenboven de verklaring der getuigen ontvangen, op-zigteïijk de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van de ouders van het kind, met aanduiding van het jaar en de maand waarin, en den dag en het uur waarop het kind is ter wereld ge-bragt.
Die akte zal, overeenkomstig hare dagteekening, in de sterfregisters worden ingeschreven, zonder dat daardoor eenigermate zal zijn beslist of het kind levend, dan wel dood, is ter wereld gekomen. (B.W. 29, 33.)
53. Ingetrokken bij art. 50 der Wet van 10 April 1869, Stsbl. no. 65.
54. Wanneer een sterfgeval heeft plaats gehad in burgerlijke of militaire gasthuizen, in gevangenhuizen of andere openbare gestichten, zullen de hoofden, gezagvoerders, bestuurders, cipiers of op-zigters van die gestichten verpligt zijn daarvan binnen vier en twintig uren aangifte te doen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand, welke, na zich van het overlijden te hebben verzekerd, eene akte, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 51, zal opmaken.
Er zullen bovendien in die gestichten bijzondere registers worden gehouden, waarin van het overlijden en de daartoe betrekkelijke omstandigheden zal worden melding gemaakt.
9
Van de akten van den burgerlijken stand.
55. Ingetrokken bij art. 50 der Wet van 10 April 1869, Stsbl. no. 65.
56. De ambtenaar, welke het verbaal van schouwing zal hebben opgemaakt, is verpligt aan dien van den burgerlijken stand dadelijk opgave te doen van al hetgeen vereisoht zal worden om de akte van overigden op te maken.
De ambtenaar van den burgerlijken stand zal een afschrift van de akte van overlijden doen toekomen aan dien der bekende woonplaats van den overledene, ten einde door dezen in de registers te worden ingeschreven. (B.W. 50.)
57. De griffiers der criminele hoven en regtbanken zijn verpligt, binnen vier en twintig uren na het ten uitvoer leggen van doodvonnissen, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de plaats, alwaar het vonnis is ten uitvoer gelegd, te doen toekomen afschrift van het bij die gelegenheid opgemaakt proces-verbaal.
Zij zullen aan den voet van dat proces-verbaal alle aanduidingen opgeven, welke vereischt worden om de akten van overlijden, overeenkomstig artikel 51, te kunnen opmaken. (B.W. 50.)
58. De ambtenaar van den burgerlijken stand, ter plaatse alwaar de veroordeelde is ter dood gebragt, zal afschrift van de akte van overigden doen toekomen aan dien van de laatstbekende woonplaats van den veroordeelde, ten einde door dien ambtenaar insgelijks in de registers te worden ingeschreven. (B.W. 50.)
59. In geval van eenen geweldigen dood, van het ter dood brengen van eenen veroordeelde, of van het overlijden in gevangenhuizen, zal van die omstandigheden in de registers geene melding worden gemaakt, en de akte van overlijden eenvoudig worden in-gerigt naar den vorm, hg artikel 51 voorgeschreven.
60. Wanneer een sterfgeval gedurende eene zeereis heeft plaats gehad, moet de akte van overlijden binnen de vier en twintig uren, door den scheeps-kapitein of gezagvoerder, in het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van twee geluigen, zich aan boord van het schip bevindende.
Een uittreksel van die akte zal aan het departement voor de marine worden toegezonden, even en in dier voege als bg artikel 36 op-zigtelijk de akten van geboorten is bepaald.
Het hoofd van het departement voor de marine zal het uittreksel van de akte van overlijden, door hem gelegaliseerd, aan den ambtenaar van den burgerlgken stand der bekende woonplaats van den overledene doen toekomen. (B.W. 18, 35 v, 50.)
61. Bij bijzondere reglementen wordt bepaald, op hoedanige wijze het overlijden van krggslieden, welke te velde, in den slag. of in 's rijks dienst buiten het koningrijk zijn gestorven, in de gewone registers van den burgerlijken stand zal worden ingeschreven.
62. Wanneer het bewezen is dat de sterfregisters nooit hebben
10
B.W. Boek I, Titel III, 5, 6 en 7. Artt. 55â70. 11
bestaan, dat die zijn verloren geraakt, dat eene ingeschrevene akte daaraan ontbreekt, of dat bijzondere omstandigheden de inschrijving der akte van overlijden hebben verhinderd, zal dat overlijden zoo wel door getuigen als door bescheiden knnnen worden bewezen. (B.W. 26, 1940 no. 4.)
ZfiSDE Al'DEELING.
Van naams- en â vóórnaams-veranderingen.
Art. 63. Niemand mag zijn geslachtsnaam veranderen, of eenen anderen bij den zij nen voegen, zonder toestemming des Konings. (B.W. 31.)
64. Het verzoek daartoe kan niet worden toegestaan, dan na verloop van één jaar, te rekenen van den dag, waarop van hetzelve in de officiële nieuwspapieren zal zijn melding gemaakt.
65. In dien tusschentijd, knnnen de belanghebbende partijen, bij een verzoekschrift, aan den Koning in te leveren, de gronden doen gelden, waarop zij vermeenen zich tegen het verzoek te kunnen verzetten.
66. Indien het verzoek wordt toegestaan, zal het besluit worden overhandigd aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, welke ambtenaar hetzelve in de loopende registers zal inschrijven, en daarvan aanteekening doen op den kant der geboorte-akte. (B.W. 25.)
67. De naams-verandering of naams-by voeging, door den Koning, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeeling toegestaan, zal nimmer kunnen worden aangevoerd tot bewijs van vermaag-schapping. (B.W. 317.)
68. Niemand kan van voornaam veranderen, of voornamen bij de zijnen voegen, zonder toestemming van de arroudissements-regt-bank zijner woonplaats, op daartoe gedaan verzoek, na verhoor van het openbaar ministerie, te verkenen. (B.W. 31; R.V. 324 no. 2.)
69. Wanneer de regtbank de verandering of bijvoeging van voornamen toestaat, zal de uitspraak worden ter hand gesteld aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, ten einde door dien ambtenaar in de loopende registers te worden ingeschreven, en daarvan melding te worden gemaakt op den kant der geboorte-akte. (B.W. 25, 29.)
ZEVESDE AFDEELING.
Van de verbetering der akten van den burgerlijken stand, en van derzelver aanvulling.
Art. 70. Wanneer geene registers hebben bestaan, of dezelve zijn verloren geraakt, vervalscht veranderd, verscheurd, vernietigd, verdonkerd of verminkt; wanneer akten daaraan ontbreken, of wan-
Van de akten van den burgerlijken stand.
neer in de ingeschrevene akten dwalingen, uitlatingen of andere misslagen hebben plaats gehad, zal zulks grond opleveren tot aanvulling of tot verbetering der registers. (B.W. 26 v., 156.)
71. Het verzoek daartoe zal alleen kunnen worden ingeleverd bij de arrondissements-regtbank, binnen welker regtsgebied de registers zijn of hadden behooren te worden gehouden, dewelke, behoudens hooger beroep, na verhoor van het openbaar ministerie, en, wanneer daartoe gronden zijn, van de belanghebbende partijen, deswege zal uitspraak doen. (R.V. 324 no. 2, 829 v.)
72. Deze uitspraak zal alleen geldig zijn tusschen de partijen, welke dezelve hebben verzocht, of te dier gelegenheid zijn opgeroepen. (B.W. 1954.)
73. Alle uitspraken tot verbetering of tot aanvulling van akten, welke in kracht van gewijsde zijn gegaan, zullen door den ambtenaar van den burgerlijken stand, dadelijk na derzelver vertoon, in de loopende registers worden ingeschreven, en zal, in geval van verbetering, daarvan worden melding gemaakt op den kant der verbeterde akte, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 25.
VIERDE TITEL.
Van woonplaats of domicilie.
Art. 74. Een ieder wordt geacht zijne woonplaats te hebben alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.
Bij gebreke van zoodanige woonplaats, wordt de plaats des wer-kelijken verblijfs daarvoor gehouden. (Wet 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 268; R.V. 4 no. 7, 97c, 126^.)
75. De verandering van woonplaats zal stand grijpen door de werkelijke woning in eene andere plaats, gevoegd bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen.
76. Dat voornemen wordt bewezen door eene gedane verklaring, zoo wel bij het bestuur der gemeente welke men verlaat, als bij dat der gemeente waar de woonplaats wordt overgebragt.
Bij gebreke van verklaring, zal het bewijs van het voornemen uit de omstandigheden worden opgemaakt.
77. Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hunne woonplaats, indien zij het tegenovergestelde voornemen niet aan den dag hebben gelegd. (R.V. 97«?, 126/.)
78. Eene getrouwde vrouw, welke niet van tafel, bed, bijwoning en goederen is gescheiden, heeft geene andere woonplaats dan die van haren man; minderjarigen volgen de woonplaats van hunne ouders of voogden, meerderjarigen, die onder curatele zijn gesteld, die van hunne curators. (B.W. 161, 297, 353, 441, 506«.)
79. Meerderjarige dienstboden of werklieden hebben hunne woonplaats in het huis van diegenen, bij welke zij dienen of werken, indien zij bij dezelve inwonen. (B.W. 74£.)
12
B. W. Boek I, Titel UI, 7, IV en V, 1. Artt. 71â87. 13
80. Het sterfhuis van een overledene wordt geacht daar te znn, alwaar de overledene zijne woonplaats gehad heeft. (B. W. 1070, 1118; R.V. 4 no. 6, 126»«.)
81. Het staat aan partijen, of aan eene van haar, vrij hij eene akte, en tot eene bepaalde zaak, eene andere woonplaats dan hare werkelijke te kiezen.
Die keuze kan zijn algemeen, en strekt zich dan zelfs uit tot de executie; of worden beperkt in dier voege als de partijen, of eene van haar, zal goedvinden. In deze gevallen, kunnen de exploiten, dagvaardingen en vervolgingen, bij de akte uitgedrukt of bedoeld, geschieden aan de gekozene woonplaats, en voor den regter dier woonplaats. (B.W. 1231, 1238, 1429, 1441, 1448; K.V. 5 no. 1, 11, 122(5, 126?, 133i, 135, 406, 801, 847fl.)
82. Indien bet tegendeel niet bij beding is overeengekomen, kan men de voor zich gekozene woonplaats veranderen, mits de nieuwe woonplaats in dezelfde gemeente zij gelegen, en de verandering aan de wederparty worde beteekend.
VIJFDE TITEL.
VAN HEI HUWELIJK.
Art. 83. De wet beschouwt het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekkingen. (B.W. 136.)
EERSTE AFDEELING.
Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereischt worden om een huwelijk te kunnen aangaan.
Art. 84. De man kan te gelijker tijd slechts met ééne vrouw, de vrouw slechts met éénen man door het huwelijk verbonden zijn. (B.W. 115 v., 120, 126 no. 4,138, 141, 150 v., 549 v.)
85. Tot het wezen van het huwelijk wordt de vrije toestemming der aanstaande echtgenooten vereischt. (B.W. 116 v., 120, 138, 142, 150 v., 948.)
86. Een jong man, den vollen ouderdom van achttien, en eene jonge dochter den vollen ouderdom van zestien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan.
De Koning kan echter, om gewigtige redenen, dit verbod door het verleenen van dispensatie opheffen. (Gr. 69; B.W. 40, 45, 120, 138, 144.)
87. Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, het zij door wettige, het zij door onwettige geboorte, of door aanhuwelijking; en
Van het huwelijk.
in de zijdlinie tnsschen broeder en zuster, wettige of onwettige. (B. W. 116 no. 4, 120, 138, 145, 148, 150 v., 345 v., 350, 352.)
88. Ook is het huwelijk verboden:
1°. Tnsschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige;
2quot;. Tnsschen oom of oudoom en nicht of achternicht, mitsgaders tnsschen moei of oud-moei en neef of achterneef, wettige of onwettige.
De Koning kan, om gewigtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen. (B.W. 120, 138, 145, 148, 150 v., 345 v., 350, 352.)
89. Een persoon, die bij regterlijk vonnis van overspel is overtuigd, mag nimmer met den medepligtige aan dat overspel in het huwelijk treden. (B.W. 120, 138, 145, 148, 150, 151, 264.)
90. Tnsschen personen, wier huwelijk, om welke reden ook, door echtscheiding is ontbonden, mag nimmer een nieuw huwelijk plaats hebben. (B.W. 120, 138, 145, 148.)
91. Eene vrouw kan geen nieuw huwelijk aangaan, dan na verloop van drie honderd dagen na de ontbinding van het vorige huwelijk. (B.W. 119, 120, 138, 154, 307.)
92. Echte kinderen kunnen, gedurende hunne minderjarigheid, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te hebben verzocht en dezelve te hebben verkregen, het zij van beiden, het zij van den vader alleen, indien de moeder zich niet verklaart, of met den vader in gevoelen verschilt.
In het laatste geval, is de vader gehouden, het ij bij de akte van toestemming, het zij ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, te verklaren dat de toestemming van de moeder is gevraagd geweest.
Wanneer de vader overleden is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren, wordt de toestemming van de moeder vereischt. (B.W. 45 no. 4, 97 v., 116', 138, 139, 146, 354, 385, 4,786, 514, 552, 948.)
93. Indien de vader en moeder beiden overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, vervult de grootvader van vaders zijde hunne plaats.
Bij gebreke van den grootvader van vaders zijde, wordt de toestemming van den grootvader van moeders zijde vereischt. (B.W. 45 no. 4, 117, 126, no. 2, 5, 146, 478, 948.)
94. Wanneer zoo wel de grootvader van vaders zijde, als die van moeders zijde ontbreken, wordt de toestemming vereischt van de grootmoeder van vaders zijde, en, bij gebreke van deze, van de grootmoeder van moeders zijde. (B.W. 45 no. 4, 117, 138, 139, 146, 206, 478.)
95. Wanneer de vader en de moeder, mitsgaders de grootvaders en grootmoeders, ontbreken, of wanneer zij zich allen in de onmo-
u
B.W. Boek 1, Titel V, 1, Ar tl. 88â98.
elijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, kunnen echte inderen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen voogd en hunnen toezienden voogd.
In geval van weigering van beide, of van één hunner, is de kantonregter, op verzoek van den minderjarige, bevoegd het verlof tot het aangaan des huwelijks te verleenen, na verhoor of na behoorlijke oproeping van den voogd en den toezienden voogd, mitsgaders van vier uit de naaste, binnen het rijk woonachtige en meer-deijarige bloedverwanten, tot den graad van vollen neef ingesloten, zoo veel mogelijk in gelijk getal uit de twee linien te verkiezen.
Bij gebreke van het genoegzaam getal bloedverwanten binnen het rijk, zal dit getal worden aangevuld door meerderjarige en binnen de Nederlanden wonende personen, welke den verzoeker door aan-huwelijking in den bovengemelden graad bestaan.
Indien er geene nabestaanden binnen het koningrijk aanwezig zijn, of indien, na behoorlijk gedane oproeping, geen der bloedverwanten of der aangehuwden, noch in persoon, noch bij eenen bijzonderen gevolmagtigde, verschijnt, zal de kantonregter het verlof toestaan of weigeren, nadat hij den voogd en den toezienden voogd zal hebben geraadpleegd of behoorlijk opgeroepen. (B.W. 45, no. 5, 118, 126, 138, 206, 413 v., 421, 514.)
96. In het geval bij het tweede lid van het vorige artikel voorzien, zijn, zoo wel het kind als de voogd, de toeziende voogd en de opgekomen nabestaanden, bevoegd bij de arrondissements-regtbauk, door middel van een verzoekschrift, tegen de uitspraak van den kantonregter op te komen. De regtbank zal op dit verzoek, na verhoor van de wederpartij en van het openbaar ministerie, en zonder anderen vorm van geding, bet verzochte verlof, bij eindvonnis, toestaan of weigeren. (R.V. 324 no. 6.)
97. Natuurlijke kinderen, wettiglijk door den vader erkend, kunnen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen vader.
Bij gebreke van den vader, wordt de toestemming der moeder vereischt. (B.W. 45 no. 4, 92, 104, 116, 146, 327, 408, 948.)
98. Natuurlijke doch niet erkende kinderen, of degene die, na de erkenning, hunnen vader en hunne moeder hebben verloren, of wier ouders buiten de mogelijkheid zijn hunnen wil te verklaren, kunnen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder toestemming van hunnen voogd en hunnen toezienden voogd. In geval van weigering van beiden of van een hunner, zal de kantonregter het verlof daartoe kunnen verleenen, na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd en toezienden voogd, behoudens het beroep, het zij van de kinderen, het zij van hunnen voogd of toezienden voogd, op dezelfde wijze als bij art. 96 is voorgeschreven. (B. W^ 116, 118, 146, 206, 411, 420.)
15
Van het huwelijk.
99. Echte kinderen, die meerderjarig zijn, doch den vollen ouderdom van dertig jaren nog niet hebben bereikt, zijn insgelijks ver-pligt om tot het aangaan van een huwelijk de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te verzoeken. Wanneer zij die toestemming niet hebben bekomen, kunnen zij de tusschenkomst inroepen van den kantonregter, binnen wiens gebied de vader of de moeder met der woon gevestigd zijn, en zulks met inachtneming der bepalingen van de volgende artikelen. (B.W. 116 no. 2, 138, 154.)
100. Binnen den tijd van drie weken, te rekenen van den dag waarop het verzoek aan den kantonregter is gedaan, zal deze voor zich doen verschijnen den vader of, bij gebreke van den vader, de moeder, mitsgaders het kind, ten einde hun alle zoodanige vertoogen te doen als hij in hun wederzijdsch belang zal oorbaar achten. De kantonregter zal een proces-verbaal van de verschijning der partijen opmaken, zonder daarbij de redenen op te geven welke door haar over en weder zijn aangevoerd.
101. Indien de vader, of, bij gebreke van dien, de moeder niet verschijnt, zal tot het huwelijk worden overgegaan, op de vertooning der akte, waaruit van de niet-verschijning blijkt.
102. Indien het kind niet verschijnt, kan het huwelijk niet worden voltrokken, zonder een hernieuwd verzoek tot tusschenkomst.
103. Indien, partgen verschenen zijnde, de vader, of, bij gebreke vau dien, de moeder bij de weigering volhardt, mag het huwelijk niet worden voltrokken, dan na verloop van drie volle maanden, te rekenen van den dag der verschijning. (B.W. 154.)
104. De bepalingen der vijf laatste artikelen zijn insgelijks toe-passelijk op natuurlijke kinderen, ten aanzien van de personen, wier toestemming tot het huwelijk bij artikel 97 vereischt wordt.
TWEEDE APDEEL1NG.
Fati de formaliteiten welke de voltrekking van hel huwelijk moeten voorafgaan.
Art. 105. Alle personen die met elkander een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan aangifte doen bij den ambtenaar van den burgerleken stand der woonplaats van eene der partijen. (B.W. 39 v., 74.)
106. Deze aangifte zal, het zij in persoon, het zij bij zoodanige geschriften geschieden, waaruit van het voornemen der aanstaande eehtgenooten met genoegzame zekerheid kan blijken, waarvan eene akte door den ambtenaar van den burgerlijken stand zal worden opgemaakt. (B.W. 39 v., 133.)
107. Vóór het voltrekken van het huwelijk, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand twee afkondigingen doen voor de deur
16
B. W. Boek I, Titel V, 1 en 2. Artt. 99â113.
van het huis der gemeente, en wel op twee volgende zondagen.
Deze huwelijks-afkondigingen, en de akte die daarvan moet worden opgemaakt, zullen bevatten:
1°. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aanstaande echtgenooten, en, indien dezelve reeds vroeger getrouwd zijn geweest, de namen van hunne vorige echtgenooten;
2('. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van hunne ouders;
3°. Den dag, de plaats en het uur waarop de afkondigingen zijn geschied, met vermelding of zulks de eerste of de tweede zij. (B.W. 41, 42, 111, 110, 130, 138, 154.)
108. Wanneer de aanstaande echtgenooten hunne woonplaats niet in dezelfde gemeente hebben, zullen de beide afkondigingen moeten geschieden in de gemeenten alwaar ieder der partijen Mvestisd is. (B.W. 74, 138.)
109. Indien de aanstaande echtgenooten slechts zes maanden hunne woonplaats in eene gemeente hebben gehad, zullen de huwelijksafkondigingen daarenboven moeten gedaan worden in de gemeente, alwaar zij laatstelijk zijn gevestigd geweest. (B.W. 138.)
110. Een uittreksel van de akte van afkondiging moet, gedurende den tijd die tusschen de eerste en tweede afkondiging verloopt, aangeplakt worden en aangeplakt blijven aan de deur van het huis der gemeenten, alwaar die afkondigingen gedaan zijn.
111. De Koning of de ambtenaren welke hg daartoe zal aanwijzen, zijn bevoegd om, uit hoofde van gewigtige redenen, dispensatie te verleenen van de tweede afkondiging. (G. 69: B.W. 86, 88, 134.)
112. quot;Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de eerste huwelijks-afkondiging, niet is voltrokken, zal hetzelve niet voltrokken mogen worden, dan nadat alvorens wederom nieuwe afkondigingen zullen gedaan zijn. (B.W. 130.)
113. Trouwbeloften geven geene regtsvordering tot het aangaan des huwelijks, noch tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit hoofde der niet-vervulling van de beloften; alle bedingen tot schadeloosstelling te dezer zake zijn nietig.
Wanneer echter de aangifte des huwelijks bij den ambtenaar van den burgerlijken stand van eene afkondiging gevolgd is, kan zulks grond opleveren tot het vorderen van vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit hoofde der werkelijke verliezen, welke de eene partij, door de weigering der andere, in hare goederen mogt hebben geleden, zonder dat daarbij eenige winstderving zal kunnen in aanmerking komen.
Deze regtsvordering verjaart door verloop van achttien maanden, te rekenen van de eerste huwelijks-afkondiging. (A. 14: B.W. 209, 1279,1371, 1373.)
BURG. WETB. 2
17
Van het hmoelijk.
DERDE APDEELING.
Van het sluiten des huwelijks.
Art. 114. Het regt om de voltrekking van een huwelijk te stuiten, komt alleenlijk toe aan de personen en in de gevallen bij de volgende artikelen voorzien. (R.V. 801 v.)
115. Degene die met eene der partijen door het huwelijk alsnog verbonden is, mitsgaders de kinderen uit dat huwelijk voortgesproten, zijn bevoegd om het nieuw aan te gaan huwelijk te stuiten, doch alleenlijk op grond van het bestaande. (B.W. 84,119, 120 141.)
116. De vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, kan het huwelijk stuiten, in de volgende gevallen:
1°. Wanneer hun kind, nog minderjarig zijnde, de vereischte toestemming niet bekomen heeft; (B.W. 92, 97, 146.)
2°. Wanneer hun meerderjarig kind, den vollen ouderdom van dertig jaren niet hebbende bereikt, verzuimd heeft hunne toestemming, en, bij weigering daarvan, de tusschenkomst van den kantonregter te verzoeken, welke volgens artikel 99 vereischt wordt; (B.W. 102, 154.)
3°. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, onder curatele gesteld, of de curatele uit dien hoofde verzocht, en op dat verzoek nog niet is heslist; (B.W. 85, 142, 488.)
4°. Wanneer eene der partijen de vereischten niet bezit om, overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeeling van dezen titel, een huwelijk te kunnen aangaan; (B.W. 84 v.)
5°. Vervallen bij art. 1 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93;
6°. Wanneer de vereischte huwelijks.afkondigingen geen plaats hebben gehad; (B.W. 107 v., 154.)
7°. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van verkwisting, is onder curatele gesteld, en liet voorgenomen huwelijk blijkbaar 1 ' 1 1 ' 1'nd zoude teweegbrengen. (B.W. 488.)
ouders, zijn de grootvaders of groot-
moeders bevoegd om het huwelijk van hunne kleinkinderen te stuiten, om de redenen, bij het 1, 3, 4, 5, 6 en 7de lid van het vorige artikel uitgedrukt.
De stuiting kan, voor zoo veel de reden aangaat, welke hg het eerste lid is vermeld, alleen plaats hebben met inachtneming der volgorde, welke bij artikel 93 en 94 is vastgesteld. (B.W. 116 no. 1.)
118. Bij gebreke van grootouders, kunnen de broeders, zusters, ooms en moegen, mitsgaders de voogd, toeziende voogd, curator en toeziende curator, een voorgenomen huwelijk stuiten:
1°. Wanneer de voorschriften van artikel 95 en 98, omtrent het bekomen van verlof tot het aangaan van het huwelijk, niet zijn in acht genomen;
18
B.W. Boek /, Titel V, 3 en 4. Artt. 114â-126.
2°. Om de redenen bij het 3, 4, 5 en 6de lid van artikel 116 uitgedrukt. (B.W. 123.)
119. De echtgenoot, wiens huwelijk door echtscheiding is ontbonden, kan het huwelijk zijner voormalige eohtgenoote stuiten, wanneer zij een nieuw huwelijk wil aangaan, vóór het verloopen van drie honderd dagen na het ontbinden van het vroegere. (B.W. 91, 115, 154.)
120. Het openbaar ministerie is verpligt een voorgenomen huwelijk te stuiten, in de gevallen bij artikel 84 tot 91 ingesloten vermeld. (R.V. 324 no. 1.)
121. Van de stuiting des huwelijks wordt kennis genomen door de arrondissements-regtbank, binnen welker ressort de gemeente gelegen is, alwaar het huwelijk moet worden voltrokken. (R.V. 802 v.)
122. In de akte van stuiting moeten alle de middelen worden uitgedrukt, waarop de stuiting gegrond is, en mogen geene nieuwe middelen worden voorgedragen, voor zoo verre dezelve niet na de stuiting mogten zijn opgekomen. (B.W. 43; R.V. 801 no. 2.)
123. Bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, is de wijze bepaald, waarop de stuiting des huwelijks zal moeten gedaan en derzelver opheffing gevraagd worden. (B.W. 43; R.V. 801 v.)
124. Wanneer de stuiting is afgewezen, zullen de opposanten, met uitzondering nogtans van bloedverwanten in de opgaaude en nederdalende linie, en van het openbaar ministerie, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kunnen worden verwezen. (B.W. 1401; R.V. 56.)
125. Wanneer er stuiting van een huwelijk plaats heeft, zal het aan den ambtenaar van den burgerlijken stand niet geoorloofd zijn hetzelve te voltrekken, dan nadat aan hem zal zijn ter hand gesteld een vonnis in kracht van gewijsde gegaan, of eene authentieke akte, waarbij de stuiting is opgeheven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.
Wanneer het huwelijk mogt zijn voltrokken voor dat de stuiting is opgeheven, zal het geding ter zake dier stuiting kunnen worden voortgezet, en het huwelijk worden nietig verklaard, bijaldien de eisch aan den opposant is toegewezen. (B.W. 43, 126 no. 6, 137.)
VIERDE APDEELING.
Van de voltrekking des hmoelijks.
Art. 126. Alvorens tot de voltrekking des huwelijks over te gaan, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand zich doen ter hand stellen; (B.W. 23.)
1°. De geboorte-akte van ieder der aanstaande echtgenooten (BW. 86, 99 v., 127.)
19
2*
Van het huwelijk.
2°. Eene authentieke akte, houdende de toestemming van den vader, de moeder, den grootvader of de grootmoeder, den voogd en den toezienden voogd, of wel het bij den regter verkregen verlof, in de gevallen waar hetzelve vereischt wordt. (B.W. 506.)
De toestemming kan ook bij de huwelijks-akte zelve worden gegeven;
3°. De akte waaruit blijkt van de tusschenkomst van den kan-tonregter, in de gevallen waarin die vereischt wordt; (B.W. 95 v.)
4°. In geval van tweede of volgend huwelijk, de akte van overlijden van den vorigen echtgenoot, of de akte van echtscheiding, of wel afschrift van het verlof van den regter, bij afwezigheid van den anderen echtgenoot verleend; (B.W. 54-9 v.)
5°. De akte van overlijden van alle de zoodanigen die hunne toestemming tot het huwelijk zouden hebben moeten geven; (B.W. 126 no. 2, 128.)
6°. Het bewijs dat de huwelijks-afkondigingen zonder stuiting zijn afgeloopen, ter plaatse alwaar die afkondigingen, overeenkomstig art. 107 en volgende van dezen titel, vereischt worden, of wel dat eene gedane stuiting is opgeheven. (B.W. 43, 92 v., 125.)
127. Degene der aanstaande echtgenooten, die buiten de mogelijkheid mogt zijn om zijne geboorte-akte bij het eerste lid van liet vorige artikel vereischt, te vertoonen, zal zulks kunnen aanvullen door eene akte van bekendheid, afgegeven door den kantonregter van zijne geboorteplaats of woonplaats, op de verklaring van vier getuigen van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, bloedverwanten of geene bloedverwanten zijnde.
Deze verklaring zal inhouden de vermelding van de plaats en, zoo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, mitsgaders de oorzaken die beletten om eene akte daarvan over te leggen.
Het gebrek eener geboorte-akte zal ook kunnen worden verholpen, het zij door eene dergelijke, doch beëedigde verklaring, afgelegd door de getuigen, welke bij de voltrekking des huwelijks moeten tegenwoordig zgn, of wel door eene bij den ambtenaar van den burgerlijken stand afgelegde beëedigde verklaring van den aanstaanden echtgenoot, houdende dat hij zich geene geboorte-akte of akte van bekendheid kan verschaffen.
In de huwelijks-akte zal van de eene of andere dier verklaringen worden melding gemaakt. (B.W. 70, 131 v.)
128. Indien partijen buiten de mogelijkheid zijn om de akten van overlijden, bij artikel 126, no. 5 vermeld, in te leveren, zal dat gebrek, op dezelfde wijze als in het geval van het voorgaande artikel, kunnen worden verholpen. (B.W. 62, 70, 137.)
129. Indien de ambtenaar van den burgerlijken stand weigert om
20
B.W. Boek 1, Titel V, 4. Artt. 127â136.
een huwelijk te voltrekken, op grond van de ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen, by de vorige artikelen gevorderd, zullen partijen de bevoegdheid hebben zich bij verzoekschrift tot de ar-rondissements-regtbank te keeren; welke regtbank na verhoor van het openbaar ministerie, mitsgaders, wanneer daartoe gronden zijn, van den ambtenaar van den burgerlijken stand, summier en zonder hooger beroep, over de genoeszaamheid of ongenoegzaamheid der stukken zal uitspraak doen. (R.V. 324.)
130. Het huwelijk zal niet mogen worden voltrokken, vóór den derden dag na dien der laatste afkondiging, die dag zelve niet daaronder begrepen. (B.W. 107, 126,154.)
131. Het huwelijk zal in het openbaar, in het huis der gemeente, ten overstaan van den ambtenaar van den burgerleken stand der woonplaats van eene der beide partijen, worden voltrokken, en in tegenwoordigheid van vier getuigen, hetzij nabestaanden of vreemden, manspersonen, meerderjarig zijnde, en binnen het koningrijk gevestigd. (B.W. 20, 45 v., 74 v., 147 v.)
132. Indien eene der partijen, uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel, verhinderd wordt zich naar het huis der gemeente te begeven, zal het huwelijk kunnen worden voltrokken in een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente gelegen, mits geschiedende in tegenwoordigheid van zes getuigen.
Bij de huwelijks-akte zal, in dat geval, worden melding gemaakt van de oorzaak welke daartoe heeft aanleiding gegeven. (B.W. 154.)
133. De aanstaande echtgenooten zijn verpligt by de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen.
134. Het zal aan den Koning vrijstaan om, uit hoofde van gewigtige redenen aan partijen te vergunnen het huwelijk door eenen bijzonderen bij authentieke akte gevolmagtigde te mogen voltrekken.
Indien de lastgever, voor dat het huwelijk voltrokken is, wet-tiglijk met eenen anderen persoon mogt zijn in den echt getreden, zal het huwelijk, bij eenen gevolmagtigde voltrokken, als niet geschied beschouwd worden. (B.W. 19, 46, 84, 86, 88, 111, 113,1852, 1855.)
135. De aanstaande echtgenooten zullen, ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid der getuigen, moeten verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenooten, en dat zij getrouwelijk alle de pligten zullen vervullen, welke door de wet aan den huwelijken staat verbonden zijn. (B.W. 20.)
136. Geene godsdienstige plegtigheden zullen vermogen plaats te hebben, voor dat de partijen aan den bedienaar van hunne eeredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken. (B.W. 83.)
31
Van het hiwelijk.
137. Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 465 en 46(5 van het Wetboek van Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke regter kennis. ')
VIJFDE APDEELING.
Van de huwelijken, welke huilen 's lands zijn voltrokken.
Art. 138. De huwelijken, in een vreemd land aangegaan, het zij tussohen Nederlanders, het zij tusschen Nederlanders en vreemdelingen, zijn van waarde, indien dezelve voltrokken zijn naar den vorm, in dat land gebruikelijk, mits de huwelijks-af kondigingen, volgens de tweede afdeeling van dezen titel, binnen dit koningrijk, zonder stuiting des huwelijks, hebben plaats gehad, en de Nederland-sche eohtgenooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen, in de eerste afdeelingen van deuzelfden titel vervat. (B.W. 84 v., 107 v.; Wet 12 Dec. 1892, Stsbl. no. 268.)
139. Binnen het jaar na de terugkomst der eohtgenooten op het grondgebied van het koningrijk, zal de akte van huwelijks-voltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het openbaar huwelijks-register van hunne woonplaats moeten worden overgeschreven. (B.W. 47, 146, 207.)
ZESDE APDEELING.
Van de nietigheid eens huwelijks.
Art. 140. De nietigheid eens huwelijks kan alleen door den regter worden uitgesproken. (B.W. 125.)
141. De nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met artikel 84 aangegaan, kan worden gevorderd door dengenen, die met een der eohtgenooten door vroeger huwelijk is verbonden, door de eohtgenooten zelve, door de bloedverwanten in de opgaande linie, door alle degenen die bij de verklaring der nietigheid belang hebben, en door het openbaar ministerie.
Indien de nietigheid van het vroegere huwelijk wordt staande gehouden, zal de bestaanbaarheid of onbestaanbaarheid van dat huwelijk vooraf moeten beslist worden. (B.W. 115, 119, 148 v., 549 v.)
142 De wettigheid eens huwelijks, zonder de vrije toestemming der beide eohtgenooten, of ook van een van hen aangegaan, kan alleen worden tegengesproken door de eohtgenooten of door dengenen van hen, wiens toestemming niet is vrij geweest.
22
Wanneer er dwaling heeft plaats gehad in den persoon met wien
1) Art. 137 aldus vastgesteld by art. 5 der wet van 31 Dec. 1887, Stsbl. no. 265.
B. JV. Boek I, Titel V, 4, 5 en 6. Artt. 137â146. 23
men gehuwd is, kan de wettigheid alleen worden betwist door dengenen der echtgenooten, die in dwaling gebracht is.
In alle de gevallen bij dit artikel voorkomende, is men in den eisch tot nietigverklaring niet ontvankelijk, wanneer er eene aanhoudende zamenwouing gedurende den tijd van drie maanden heeft plaats gehad, sedert dat de echtgenoot zijne volkomene vrijheid bekomen heeft, of de dwaling door hem ontdekt is. (B.W. 85, 118, 138, 948.)
143. Wanneer een huwelijk is aangegaan door iemand die, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, is onder curatele gesteld, kan de wettigheid des huwelijks worden betwist door des-zelfs vader, moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, broeders, zusters, ooms en moeijen, mitsgaders door den curator, en eindelijk door het openbaar ministerie.
Na de opheffing der curatele, kan de nietigheid alleen worden ingeroepen door den echtgenoot die onder curatele was gesteld, en is ook deze daartoe niet ontvankelijk, na eene zamenwouing van zes maanden, te rekenen van de intrekking der curatele. (B.W. 116, 501 v., 516.)
!44. Indien een huwelijk is aangegaan door een persoon, welke den bij artikel 86 vereischten ouderdom niet bereikt had, zal de nietigverklaring kunnen worden gevraagd, het zij door dien echtgenoot, het zij door het openbaar ministerie.
De wettigheid des huwelijks zal nogtans niet kunnen worden betwist;
1°. Wanneer op den dag der regtsvordering tot nietigverklaring, de echtgenoot of echtgenooten den vereischten ouderdom hebben bereikt;
2°. Wanneer de vrouw, den vereischten ouderdom niet hebbende bereikt, vóór den dag der regtsvordering zwanger is. (B.W. 116 v., 138, 149.)
145. De nietigheid van alle huwelijken, aangegaan met overtreding der bepalingen in artikel 87, 88, 89 en 90 vervat, kan worden ingeroepen, het zij door de echtgenooten zeiven, het zy door hunne ouders of bloedverwanten in de opgaande linie, het zij door allen die daarbij belang hebben, het zij eindelijk door het openbaar ministerie. (B.W. 116 v., 148 v.)
146. Wanneer een huwelijk is aangegaan zonder toestemming van den vader, de moeder, de grootouders, den voogd, of den toezien-den voogd, zal deszelfs nietigverklaring, in de gevallen, waarin de toestemming, of wel het verhoor van den voogd, volgens artikel 92, 93, 94, 95, 97 en 98 vereischt wordt, alleen kunnen gevorderd worden door degenen wier toestemming of verhoor, volgens de wet, noodzakelijk is geweest.
De regtsvordering tot nietigverklaring kan door de bloedverwanten, wier toestemming vereischt werd, niet worden aangevangen, wanneer het huwelijk door hen uitdrukkelijk of stilzwijgend is goed-
Van het huwelijk.
gekeurd, of wanneer zes maanden zonder tegenspraak van hunne zijde verloopen zijn, sedert het tijdstip waarop zij van het huwelijk hebben kennis gedragen.
ïen aanzien van huwelijken, in een vreemd land aangegaan, wordt die kennis niet verondersteld, zoo lang de echtgenooten zullen zijn in gebreke gebleven om de akte van huwelijksvoltrekking, overeenkomstig de voorschriften van artikel 139, in de openbare registers te doen overschrijven. (B.W. 20, 92 v., 138, 139, Ã48.)
147. De nietigheid van een huwelijk, hetwelk niet ten overstaan van den bevoegden ambtenaar van den burgerleken stand, en in tegenwoordigheid van het vereisehte getal getuigen, is voltrokken, kan worden ingeroepen door de echtgenooten, door den vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, mitsgaders door den voogd, den toezienden voogd en door allen die daarbij belang hebben, en eindelijk door het openbaar ministerie.
In geval van overtreding van artikel 131, voor zoo veel de hoedanigheid der getuigen betreft, is het huwelijk niet noodwendig nietig, maar zal de regter naar de omstandigheden beslissen.
Wanneer er uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig is, en er eene akte van huwelijks-voltrekking, ten overstaan van eeaen ambtenaar van den burgerlijken stand verleden, vertoond wordt, zijn de echtgenooten niet ontvankelijk om, tengevolge van dit artikel, de nietigheid des huwelijks te vragen. (B.W. 20,131, 132,138,15é.)
148. In alle de gevallen waarin, overeenkomstig artikel 141, 145 en 147, eene regtsvordering tot nietigverklaring kan worden aangevangen, door degenen die daarbij belang hebben, kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijdlinie, door kinderen uit een ander huwelijk geboren, of door vreemden, zoolang de echtgenooten beide in leven zijn, doch alleenlijk wanneer zij daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben.
149. Na de ontbinding van het huwelgk, is het openbaar ministerie niet ontvankelijk de nietigheid daarvan te vragen.
150. Een huwelgk, hetwelk nietig verklaard is, heeft niettemin alle deszelfs burgerlijke gevolgen, zoowel ten opzigte der echtgenooten, als van de kinderen, wanneer hetzelve te goeder trouw door beide de echtgenooten is aangegaan. (B.W. 84 v., 141 v., 152.)
151. Wanneer de goede trouw alleenlijk bestaat aan de zgde van een der echtgenooten, heeft het huwelgk geene burgerlijke gevol-
fen, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot en van de kineren, uit het huwelijk gesproten.en, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot en van de kineren, uit het huwelijk gesproten.
De echtgenoot die in de kwade trouw heeft verkeerd, kan tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den anderen verwezen worden. (B.W. 152.)
152. In de gevallen van de twee voorgaande artikelen, houdt het huwelijk op burgerlijke gevolgen te hebben, te rekenen van den dag waarop hetzelve bij vonnis is nietig verklaard. (B.W. 150.)
24
B.W. Boek I, Titel V, 6 en 7, VI. Artt. ] 47â160. 25
153. De nietigheid eens huwelijks kan aan de regten van derden geen nadeel toebrengen, wanneer deze te goeder trouw met de echt-genooten hebben gehandeld.
154. Geen huwelijk is nietig in geval van overtreding der bepalingen van artikel 91, 99, 103, 107 en 130, of indien, buiten hetgeen bij artikel 132 is voorgeschreven, het huwelijk niet openlijk in liet huis der gemeente is voltrokken geworden. (B.W. 116.)
In die gevallen is de bepaling van artikel 137 op de ambtenaren van den burgerlijken stand toepasselijk. ')
ZEVENDE AFDEEL1NG.
Van het bewijs van het bestaan des huwelijks.
Art. 155. Het bestaan van een huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de akte van deszelfs voltrekking, in de registers van den burgerlijken stand ingeschreven, behoudens de gevallen bij de volgende artikelen voorzien. (B.W. 44 v., 147.)
156. Wanneer het blijkt dat er geene registers hebben bestaan, of dat dezelve zijn verloren geraakt, of ook dat de huwelijks-akte daaraan ontbreekt, wordt de genoegzaamheid der bewijzen van het bestaan des huwelijks ter beoordeeling van den regter overgelaten, mits er een uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig zij. (B.W. 26, 70, 1940 no. 4.)
157. De wettigheid van een kind kan, uit hoofde van het gebrek van het vertooneu der trouw-akte zijner overledene ouders, niet worden betwist, indien hetzelve het uiterlijk bezit heeft van zijnen staat, overeenkomstig met zijne geboorte-akte, en de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd. (B.W. 305, 316, 317.)
ZESDE TITEL.
Van de regten en verpligtingen der echtgenooten.
Art. 158. De echtgenooten zijn elkander wederkeerig getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. (B.W. 195, 280 v., 292.)
159. De echtgenooten verbinden zich over en weder, door de enkele daad des huwelijks, hunne kinderen te onderhouden en op te voeden. (B.W. 201, 248, 269, 285, 353, 373, 376 v., 961, 1143.)
160. De man is het hoofd der echtvereeniging. (B.W. 195.)
Als zoodanig verleent hij aan zijne vrouw bijstand in regten, of
verschijnt aldaar voor haar, behoudens de uitzonderingen hierua omschreven. (B.W. 165 v.)
Hij bestuurt de goederen aan de vrouw persoonlijk toebehooren-de, ten zij het tegendeel zij bedongen.
1) nl. zooals art. 137 is gewijzigd by art. 5 der wet van 31 Dec. 1887, Stsbl. no. 2G5.
26 Van de regten en verpligtingen Her echtgenooten.
Hij moet die goederen als een goed huisvader beheeren, en is voor alle verzuim in dat beheer verantwoordelijk. (B.W. 250.)
Hij vermag hare onroerende goederen, zonder hare medewerking, niette vervreemden of te bezwaren. (B.W. 179,241,249, 268,270,299.)
161. De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd.
Zij is verpligt met den man zamen te wonen, en hem overal te
volgen waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden. (B.W. 78, 158, 195, 266 v.)
162. De man is verpligt zijne vrouw bij zich te ontvangen in het huis hetwelk hij bewoont.
Hij is gehouden haar te beschermen, en haar al hetgeen noodig is, volgens zijnen staat en zijn vermogen, te verschaffen. (B.W. 78, 248, 267 v., 292.)
163. De vrouw, al is zij zelfs buiten gemeenschap van goederen getrouwd, of van goederen gescheiden, kan, zonder bijstand van haren man in de akte, of zonder zijne schriftelijke toestemming, niets geven, vervreemden, verpanden, verkrijgen, het zij voor niet, het zij onder eenen bezwarenden titel.
Indien de man zijne vrouw heeft gemagtigd om zekere akte of verbindtenis aan te gaan, is de vrouw daardoor niet geregtigd om, zonder uitdrukkelijke toestemming van den man, eenige betaling te ontvangen, of daarvoor kwijting te geven. (B.W. 164, 167 v., 173, 180, 943, 1053, 1092, 1366 v., 1490, 1713, 1715, 1721. 1739, 1759, 1835.)
164. Ten opzigte van handelingen of verbindtenissen, door de vrouw aangegaan, wegens alles wat de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding betreft, vooronderstelt de wet dat zij de bewilliging van haren man heeft bekomen. (B.W. 159, 170, 1855.)
165. De vrouw kan niet in regten verschijnen zonder bijstand van haren man, al is zij buiten gemeenschap van goederen getrouwd, of van goederen gescheiden, of eene openbare koopvrouw. (B.W. 160i, 167 v., 249,1217; R.V. 800.)
166. De bijstand van den man is niet noodig:
lu. Wanneer de vrouw in strafzaken vervolgd wordt;
2°. In eene regtsvordering tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed, of van goederen. (R.V. 804 v., 816 v., 826.)
167. Wanneer de man weigert zijne vrouw te magtigen om eene akte aan te gaan, of om in regten te verschijnen, kan zij van de ar-rondissements-regtbank van hunne gemeene woonplaats verzoeken daartoe gemagtigd te worden. (B.W. 169; R.V. 798 v.)
168. Eene vrouw, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van haren man, openbare koopvrouw zijnde, kan zich zonder zijnen bijstand verbinden, in en omtrent alles wat die koopmanschap betreft. (B.W. 163; R.V. 586.)
Wanneer zij met haren man in gemeenschap is getrouwd, is ook hij door die handelingen verbonden. (B.W. 176, 185, 187c.)
B.W. Boek I, Titel VI en Vil, 1. Artt. 161â175. 27
Zij wordt voor eene openbare koopvrouw gehouden, wanneer zij, afzonderlijk van haren man, koopmanschap drijft. (B.W. 1953.)
Indien de man zijne toestemming intrekt, is hij verpligt die intrekking openlijk bekend te maken. (B.W. 165, 187, 1366, 1367,1835.)
169. Wanneer de man uit hoofde van afwezigheid of andere redenen wordt verhinderd om zijne vrouw bij te staan of te magtigen, of een tegenstrijdig belang heeft, kan de kantonregter van de woonplaats der echtgenooten haar de bevoegdheid verleenen om in reg-ten te verschijnen, verbindtenissen aan te gaan, beheer te voeren, en alle andere akten te verrigten. ') (B.W. 167, 180, 552; R.V. 798 v.)
170. Eene algemeene magtiging, zelfs bij huwelijksche voorwaarden bedongen, is niet verder geldig dan met betrekking tot het beheer der goederen van de vrouw. (B.W. 163, 195, 249, 1833.)
171. De nietigheid der handeling, gegrond op het ontbreken der magtiging, kan alleen door de vrouw, den man of hunne erfgenamen worden ingeroepen. (B.W. 1367, 1423, 1482, 1487, 1490, 18584.)
172. Wanneer eene vrouw, na de ontbinding des huwelijks, eene overeenkomst of akte, in het geheel of ten deele, heeft ten uitvoer gelegd, welke zij zonder de vereischte magtiging had aangegaan, is zij onbevoegd om de vernietiging dier overeenkomst of akte te vragen. (B.W. 1492.)
173. De vrouw kan zonder bewilliging van haren man uiterste wilsbeschikkingen maken. (B.W. 942 v.)
ZEVENDE TITEL.
Van de wettelijke gemeenschap van goederen en derzeher beheer.
EERSTE AFDEELING.
Van de wettelijke gemeenschap van goederen.
Art. 174. Van het oogeubli!: der voltrekking des huwelijks bestaat, van regtswege, algelieele gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten, voor zoo verre daaromtrent bij liuwelijksche voorwaarden geen andere bepalingen gemaakt zijn.
Die gemeenschap kan, staande huwelijk, niet door onderlinge overeenkomst der echtgenooten worden opgeheven of gewijzigd. (B.W. 181, 194 v., 208, 235, 241.)
175. De gemeenschap omvat, wat hare baten betreft, alle de roerende en onroerende goederen der echtgenooten, zoo wel tegenwoordige als toekomende, ook die welke zij om niet verkrijgen, ten zij de erflater of de schenker uitdrukkelijk het tegendeel mogt hebben bepaald. (B.W. 213.)
1) Art. 169 aldus gewyzigd by art. 1 der wet van 18 April Stsbl. no. 68.
28 Van de wettelijke gemeenschap van goederen enz.
176. Zij omvat, wat hare lasten betreft, alle de schulden, door ieder der echtgenooten, het zij voor, hetzij staande huwelijk, gemaakt. (B.W\ 185 v., 318i.)
177. Alle vruchten en inkomsten, mitsgaders winst en verlies, staande huwelijk, komen mede ten bate en schade der gemeenschap. (B.W. 210 v.)
178. De doodschulden, na het overlijden vallende, worden door des overledenen erfgenamen alleen gedragen. (B.W. 181 no. 1, 183.)
TWEEDE AFDEEUNG.
Van het beheer der gemeenschap.
Art. 179. De man alleen beheert de goederen van de gemeenschap.
Hij kan dezelve verkoopen, vervreemden en bezwaren, zonder tus-schenkomst van de vrouw, behoudens het geval, bij het derde lid van artikel 195 voorzien.
Hij kan, bij wege van schenking onder de levenden, niet beschikken, noch over de onroerende goederen der gemeenschap, noch over het geheel, of over een bepaald gedeelte of hoeveelheid der roerende goederen, dan alleen om aan kinderen, uit hun huwelijk gesproten, eenen stand te bezorgen.
Hij mag zelfs niet, bij wege van schenking, over een bijzonder stuk roerend goed beschikken, indien hij zich het vruchtgebruik daarvan voorbehoudt. (B.W. 160, 174, 241, 488c, 950, 1143.)
180. Wanneer de man afwezig is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren, en er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, kan de vrouw de goederen van de gemeenschap verbinden of vervreemden, na daartoe door den kantonregter gemagtigd te zijn. i) (B.W. 163, 169 v., 549, 552; R.V. 798 v.)
DERDE AFDEELING.
Van de ontbinding der gemeenschap, en van het regt om daarvan afstand te doen.
Art. 181. De gemeenschap wordt van regtswege ontbonden:
lu. Door den dood;
2°. Door het aangaan van een huwelijk, op verlof van den reg-ter, na afwezigheid van den echtgenoot; (B.W. 549 v.)
3°. Door echtscheiding; (B.W. 262 v.)
4°. Door scheiding van tafel en bed; (B.W. 288 v.)
5°. Door scheiding van goederen. (B.W. 241 v.)
De bijzondere gevolgen van de ontbinding, in de gevallen bij no. 2, 3, 4 en 5 van dit artikel voorzien, zijn geregeld in de titels welke over die onderwerpen handelen. (B.W. 174, 277 v., 549 v.)
1) Art. 180 aldus gewijzigd bfl art. 1 der wet van 18 April 1874, Stsbl. no. 68.
B.W. Boek I, Titel Vil, 1, 2 e» 3. AM. 176â187. 29
182. Na het overlijden van een der echtgenooten, is de langstlevende verpligt, indien er minderjarige kinderen overblijven, binnen den tijd van drie maanden, eene boedelbeschrijving te doen opmaken van de goederen, welke de gemeenschap uitmaken. Die boe-delbeschrijving kan onderhands, doch moet in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, worden opgemaakt. Bij gebreke van zoodanige boedelbeschrijving, duurt de gemeenschap voort, ten voordeele van de minderjarigen, doch nimmer ten hunnen nadeele. (B.W. 36(5, 370, 427. 4B6.)
183. Na de ontbinding der gemeenschap, wordt de gemeene boedel bij helfte verdeeld tusschen den man en de vrouw, of hunne erfgenamen, zonder aanzien der zijde waarvan die goederen zijn voortgekomen.
De regelen, welke zijn vastgesteld in den zestienden titel van het tweede boek, handelende van boedelscheiding, zijn toepasselijk op de verdeeling der wettelijke gemeenschap. (B.W. 178, 211, 1112 v.)
184. De kleedingstukken, de kleinooden en gereedschappen, be-hoorende tot het beroep van een der echtgenooten, mitsgaders de boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst en wetenschap, en eindelijk de papieren of gedenkstukken, bijzonder tot het geslacht van een der echtgenooten betrekkelijk, kunnen aan de zijde waarvan zij oorspronkelijk afkomstig waren, worden terug gevorderd, tegen den prijs waarop dezelve, in der minne, of door deskundigen, geschat worden. (B.W. 187.)
185. Ue man kan, na de ontbinding der gemeenschap, voor de schulden dier gemeenschap voor het geheel worden aangesproken, behoudens zijn verhaal tegen de vrouw of hare erfgenamen voor de helft. (B.W. 176, 179, 183.)
186. De eene echtgenoot kan, na de scheiding en deeling der al-geheele gemeenschap, niet door schuldeischers worden vervolgd voor schulden, welke de andere echtgenoot, vóór het huwelijk, mogt hebben gemaakt, blijvende die schulden ten laste van dengenen der echtgenooten, die dezelve heeft aangegaan, of van zijne erfgenamen; behoudens het verhaal, voor de wederhelft, tegen den anderen echtgenoot of diens erfgenamen. (B.W. 176, 187.)
187. De vrouw heeft het regt van de gemeenschap afstand te doen: alle overeenkomsten, daartegen strijdende, zijn nietig; afstand gedaan hebbende, kan zij uit de gemeenschap niets terug vorderen dan alleen het linnengoed en de kleederen tot haar lijf behoorende.
Zij wordt door dezen afstand ontheven van de verpligting om bij te dragen tot de schulden der gemeenschap, ten ware zij zich als openbare koopvrouw mogt hebben verbonden.
Onverminderd het regt der schuldeischers op de gemeenschap, blijft de vrouw in de verpligting om te voldoen, zoo wel de schulden die zij als openbare koopvrouw heeft aangegaan, als degene
30 Van de wettelijke gemeenschap van goederen e.m.
die zij vóór haar huwelijk heeft gemaakt; behoudens, in het eene of andere geval, haar verhaal voor het geheel op haren man, of diens erfgenamen. (B.W. 168,176, 189,193,208, 539, 1070, 1091.)
188. De vrouw, die van het voorregt, hij het vorige artikel omschreven, wil gebruik maken, is verpligt, binnen den tijd van ééne maand na de ontbinding der gemeenschap, ter griffie van de arron-dissements-regtbank ter laatste gemeene woonplaats, eene akte van afstand uit te brengen, op verbeurte van dit voorregt.
Indien de gemeenschap door den dood van den man ontbonden wordt, begint de termijn van eene maand te loopen van den dag waarop de vrouw van dat overlijden heeft kennis gedragen. (B.W. 189, 193, 1071, 2026 no. 1.)
189. Indien de vrouw binnen den voorzeiden termijn is overleden, zonder eene akte van afstand te hebben uitgebragt, zijn hare erfgenamen bevoegd, binnen den tijd van eene maand na haar overlijden, of nadat zij van dat overlijden hebben kennis gedragen, en op de wijze bij het vorig artikel omschreven, van de gemeenschap afstand te doen.
De aanspraak der vrouw tot terugvordering van haar linnengoed en kleederen uit de gemeenschap kan door hare erfgenamen niet worden gemaakt. (B.W. 187, 193, 950.)
190. Indien de erfgenamen van de vrouw niet eenpariglijk hebben gehandeld, zoo dat de eene de gemeenschap aanvaard, en de andere daarvan afstand gedaan heeft, kan degene, die dezelve aanvaard heeft, niet meer genieten dan het erfdeel, hetwelk hem voor zijn hoofd toekomt in de goederen, die bij scheiding aan de vrouw zouden zijn te beurt gevallen.
Het overschot blijft aan den man, of deszelfs erfgenamen, die daarentegen jegens den erfgenaam, die afstand gedaan heeft, belast zijn met de voldoening van al hetgeen de vrouw, in geval van ge-danen afstand, zoude hebben kunnen vorderen, doch alleen ten be-loope van het erfdeel, hetwelk dengenen, die afstand gedaan heeft, voor zijn hoofd toekomt. (B.W. 189, 193, 950, 1094 1107.)
191. De vrouw, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken, kan van die gemeenschap geenen afstand meer doen.
Daden van eenvoudig beheer, of het behoud der goederen betreffende, brengen dat gevolg niet te weeg. (B.W. 1094 v.)
192. De vrouw, die eenige goederen van de gemeenschap heeft weggemaakt of verduisterd, blijft in gemeenschap, niettegenstaande haren gedanen afstand; hetzelfde geldt ten aanzien van hare erfgenamen. (B.W. 191, 1077, 1110.)
193. In geval de gemeenschap door den dood van de vrouw ontbonden wordt, kunnen hare erfgenamen van de gemeenschap afstand doen, binnen den tijd, en in den vorm, ten aanzien der vrouw zelve voorgeschreven. (B.W. 187 v., 190,1070.)
B.W. Boek I, Titel Vil, 3, VIII, 1. Artt. 188-199. 31
ACHTSTE TITEL.
Van hnoelijksche voorwaarden.
EERSTE AFDBELING.
Van huwelijksche voorwaarden in hei algemeen.
Art. 194. De aanstaande echtgenooten kunnen door hnwelijksclie voorwaarden afwijken van de regelen, opzigtelijk de wettelijke gemeenschap vastgesteld, mits dezelve niet met de goede zeden of met de openbare orde strijdig zijn, en bovendien onder de navolgende bepalingen. (A. 14; B.W. 165, 174 v., 308, 235, 1373.)
195. Zij vermogen niet af te wijken van de regten, welke uit de magt van den man, als zoodanig, en uit de vaderlijke magt voortspruiten, noch van de regten welke de wet aan de betrekking van langstlevenden echtgenoot heeft verbonden.
Zij kunnen insgelijks niet afwijken van de regten, welke aan den man, als het hoofd der echtverbindtenis, toekomen; behoudens echter het vermogen der vrouw om voor zich te bedingen het beheer harer roerende en onroerende goederen, mitsgaders het vrge genot harer inkomsten.
Het staat hun ook vrij te bedingen dat, niettegenstaande de wettelijke gemeenschap, de onroerende goederen, de inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en de andere effecten en inschulden, ten name der vrouw staande en door haar aangebracht, of die, staande huwelijk, van hare zijde in de gemeenschap mogten vallen, buiten hare medewerking, niet door haren echtgenoot zullen mjgen worden vervreemd of bezwaard. (B.W. 160 v., 179, 187, 353 v., 362 v., 400 v., 409, 473, 1214.)
196. De aanstaande echtgenooten kunnen bij huwelijksche voorwaarden geen afstand doen van hetgeen hun de wet in de nalatenschap hunner afkomelingen toekent, noch de nalatenschap dier af-komelingen regelen. (B.W. 879, 899 v., 1109, 1370.)
197. Zij mogen niet bedingen dat de een tot een grooter aandeel in de schulden zal gehouden zijn dan deszelfs aandeel in de baten der gemeenschap beloopt.
198. Zij kunnen niet, in algemeene bewoordingen, bedingen, dat hunne verhindtenis zal geregeld worden door buitenlandsche wetten, of door eenige gewoonten, wetten, wetboeken of plaatselijke keuren, welke te voren in de onderscheiden gedeelten des koningrijks zijn van kracht geweest.
â¢99. De uitsluiting der gemeenschap van goederen brengt geene uitsluiting van winst en verlies mede, ten ware ook deze uitdruk-kelijk uitgesloten mogt zijn.
De gemeenschap van winst en verlies wordt geregeld door de
Van huwdijksche voorwaarden.
bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel. (B.W. 210 v.,
219 ; K. 880 v.)
200. Ook kan, in geval van uitsluiting of beperking van gemeenschap, de som worden bepaald, welke de vrouw jaarlijks tot de huishouding en de opvoeding der kinderen uit hare goederen zal moeten bijdragen. (B.W. 248.)
201. Bij geb reke van bedingen daaromtrent, zijn alle de vruchten en inkomsten uit de goederen van de vrouw ter beschikking van den man. (B.W. 160, 248.)
202. De huwelijksche voorwaarden moeten, op straffe â¢'an nietigheid, vóór het aangaan des huwelijks, bij notariële akte worden verleden.
Zij beginnen te werken van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip mag daarvoor worden bepaaid. (B.W. 174, 204.)
203. De veranderingen die daarin, vóór het voltrekken des huwelijks, zouden mogen worden gemaakt, kunnen op geene andere wijze worden tot stand gebragt, dan door eene akte, in denzelfden vorm als de huwelijksche voorwaarden verleden.
Geene veranderingen zijn bovendien van waarde, zonder de tegenwoordigheid en de gelijktijdige toestemming van alle de personen, die in de huwelijksche voorwaarden partijen geweest zijn. (B.W. 1910.)
204. Na de voltrekking des huwelijks, kunnen de huwelijksche voorwaarden op geenerlei wijze worden veranderd. (B.W. 251 v., 292, 1715.)
205. Bij uitsluiting der gemeenschap van goederen, kan de aanbrengst der roerende goederen, met uitzondering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en andere op naam staande effecten en inschulden, op geen andere wijze worden bewezen, dan door derzelver vermelding bij de huwelijksche voorwaarden, of door eene beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet worden gemaakt. (B.W. 220 v., 569.)
206. Minderjarigen die de vereischten bezitten om een huwelijk aan te gaan, zijn ook bekwaam om toe te stemmen in alle overeenkomsten welke de huwelijksche voorwaarden bevatten mogen, mits de minderjarigen, bij het maken daarvan, den bijstand hebben gehad van diegenen, wier toestemming tot het aangaan van het huwe-lijk noodzakelijk was.
Indien het huwelijk plaats heeft uit kracht van het verlof waarvan bij artikel 95 en 98 gesproken wordt, moet het ontwerp' der huwelijksche voorwaarden bij het verzoek om verlof worden gevoegd, ten einde daaromtrent gelijktijdig worde beschikt. (B.W. 92, 97 v., 506, 514, 1483, 1714.)
32
B.W. Boek J, Titel VI[I, 1 en 2. Artt. 200â213.
207. Geene bepalingen, in hnwelijksche voorwaarden voorkomende, waarbij van de wettelijke gemeenschap geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken, zullen ten aanzien van derden vroeger kunnen werken, dan van den dag der overschrijving dier bepalingen in een openbaar register, hetwelk daarvan zal worden gebonden, ter griffie der regtbank van het arrondissement waarin het huwelijk is voltrokken, of de huwelijks-akte is overgeschreven, bijaldien het huwelijk buiten 's lands is aangegaan. (B.W. 139, 202, 300, 304.)
208. De regelen welke opzigtelijk de wettelijke gemeenschap zijn voorgeschreven, zijn steeds van toepassing, voor zooverre daarvan niet, het zij uitdrukkelijk, het zij uit den aard der bedingen, bij hu-welijksche voorwaarden gemaakt, is afgeweken.
Hoedanig en op welke wijze gemeenschap van goederen zij bedongen, heeft de vrouw, of hebben hare erfgenamen, de bevoegdheid om daarvan afstand te doen, op de wijze en in de gevallen bij den vorigen titel voorzien. (B.VV. 174 v., 187 v., 194.)
209. De huwelijksche voorwaarden, mitsgaders schenkingen ter zake van huwelijk, vervallen, wanneer dezelve niet door een huwelijk zgn opgevolgd. (B.W. 113, 231 v.)
TWEEDE APDEELING.
Van de gemeenschap van toinst en verlies en van die der vruchten en inkomsten.
Art. 210. Indien door de aanstaande echtgenooten slechts is bedongen, dat er zal bestaan gemeenschap van winst en verlies, sluit dit beding de wettelijke algeheele gemeenschap van goederen uit, en bepaalt zich daartoe dat, bij de ontbinding dezer gemeenschap, tus-schen de echtgenooten de winsten, hij hen, staande huwelijk, verkregen, worden gedeeld, en ie verliezen gedragen. (B.W. 199.)
211. Elk der echtgenooten deelt in de winsten, en draagt in de verliezen, voor de helft, indien daaromtrent geene andere bepaling bij de huwelijksche voorwaarden gemaakt is. (B.W. 175, 183, 197, 240.)
212. Voor winst wordt bij deze gemeenschap gehouden de vermeerdering van beider bezittingen, staande huwelijk, opgekomen uit de vruchten en opbrengsten van elks goederen, arbeid en vlijt, en uit den opleg van onverteerde inkomsten; voor verlies, de vermindering dier bezittingen, door uitgaven boven de inkomsten veroorzaakt. (B.W. 175.)
213. Onder winst is niet begrepen al hetgeen een der echtgenooten, staande huwelijk, bij erfenis, making of schenking verkrijgt, onverschillig of dit van nabestaanden, of van vreemden, afkomstig zij; behoudens de bepaling van art. 222. (B.W. 175, 221.)
BURG. WETB. 3
33
Van huwelijksehe voorwaarden.
214. Onroerende goederen en effecten, staande huwelijk aangekocht, op wiens naam dit ook geschied zij, worden voor winst gehouden, ten zij het tegendeel daarvan hlijke.
215. Rijzing of daling van de waarde der goederen aan een der eohtgenooten toekomende, wordt voor geen winst of verlies gerekend.
216. Verbetering van onroerende goederen, door aanwas, aanspoeling, vertimmering of op eenige andere wijze ontstt'iii, wordt mede niet als winst beschouwd, maar bevoordeelt alleen acn eigenaar dier onroerende goederen. (B.W. 651 v.)
217. Schade of vermindering, door brand, watersnood, afspoeling of anderzins veroorzaakt, behoort niet onder de gemeene verliezen, maar komt tot last van den eigenaar, wiens goederen beschadigd of verminderd zijn.
218. Alle schulden, de eohtgenooten te zamen betreffende, en staande huwelijk gemaakt, moeten als verlies tot deze gemeenschap gebragt worden.
Wat een der eohtgenooten door misdrijf verbeurt, is niet daaronder begrepen. (B.W. 176, 185 v.)
219. Het beding dat tusschen de eohtgenooten slechts eene gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan, houdt eene stil-zwijgende uitsluiting in, zoo van de wettelijke algeheele gemeenschap van goederen, als van die van winst en verlies. (B.W. 199.)
220. Zoowel bij de bedongene gemeenschap van winst en verlies, als bij die van vruchten en inkomsten alleen, in de artikelen 210 en 219 omschreven, moeten de roerende goederen, aan ieder der eohtgenooten bij het aangaan des huwelijks toebehoorende, uitdrukkelijk worden opgegeven in de huwelijksehe voorwaarden zelve, of wel in eene beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksehe voorwaarden, in welke daarvan melding moet zijn gemaakt; zonder dit bewijs, worden de roerende goederen voor winst gehouden. (B.W. 567, 569.)
221. Van de roerende goederen, staande huwelijk, bij erfenis, legaat of schenking, aan ieder der eohtgenooten opkomende, moet door beschrijving blijken.
By gebreke van beschrijving, bevattende de roerende goederen welke, staande huwelijk, aan den man zijn opgekomen, of bij gebreke van bescheiden, waaruit daarvan kan blijken, is de man onbevoegd om zoodanige goederen als de zijne terug te nemen.
Indien geene beschrijving aanwezig is van de roerende goederen welke, staande huwelijk, aan de vrouw zijn opgekomen, of bg gebreke van bescheiden, waaruit kan blgken waarin die goederen hebben bestaan, en welke derzelver waarde is, is deze, of zijn hare erfgenamen bevoegd om van het bestaan en de waarde dier goederen
34
B.W. Boek I, Titel VHl, 2 en 3. Artt. 214â230.
door getuigen, en des noods door de algemeene bekendheid te doen blijken. (B.W. 220, 567, 569.)
222. Onder vruchten en inkomsten worden mede gerekend jaar-lijksohe, maandelijksche, wekelijksche, en andere dergelijke raakin gen, schenkingen of uitkeeringen, gelijk ook lijfrenten; en zijn mitsdien in beide de bedingen van gemeenscliap begrepen, van welke in deze afdeeling wordt gehandeld. (B.W. 175, 213, 219.)
DERDE AFDEELING.
Fan de giften tusschen de aanstaande echtgenooten bedongen.
Art. 223. De aanstaande echtgenooten mogen bij huwelijksche voorwaarden aan elkander, wederkeerig, of een van beiden aan den anderen, zoodanige giften doen, als zij voegzaam zullen oor-deelen, behoudens de inkorting dier giften, voor zooverre daardoor de regten zouden zijn benadeeld van degenen aan wie een wettelijk aandeel toekomt. (B.W. 237, 277, 960 v., 966 v., 1703 v., 1715, 1730.)
224. Die giften kunnen betrekkelijk zyn, het zij tot tegenwoordige en bij de akte bepaaldelijk omschreven goederen, het zij tot de geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker. (B.W. 1370,1704.)
225. Giften van dien aard zijn van waarde, zonder de uitdrukkelijke aanneming van dengenen aan wien dezelve gemaakt zijn. (B.W. 1703, 1720 v.)
226. Die giften kunnen plaats hebben onder voorwaarden, welker uitvoering van den wil des schenkers afhangt. (B.W. 234, 1292i, 1705.)
227. Alle giften van tegenwoordige en bepaalde goederen zijn ouherroepelijk, behalve in het geval van niet-voldoening aan de voorwaarden onder welke zij gemaakt zijn. (B.W. 1289 v., 1725.)
228. De giften van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker zijn onherroepelijk; met dien verstande, dat hij niet meer over de goederen, in die gift begrepen, om niet mag beschikken, behalve over geringe sommen tot belooning, of om andere redenen, door den regter te beoordeelen.
Uit hoofde der niet-voldoening aan de voorwaarden, kunnen die giften worden herroepen. (B.W. 233 v., 1708, 1725.)
229. Geene giften van tegenwoordige en bepaaldelijk omschreven goederen, tusschen de echtgenooten bij huwelijksche voorwaarden gemaakt, worden geacht te zijn onderworpen aan de voorwaarde van overleving van den begiftigde, ten ware die voorwaarde uitdrukkelijk mogt zijn gemaakt. (jB.W. 1703, 1709.)
230. Geene gift van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap des schenkers bij buwelijksche voorwaarden, het zij door den eenen
3*
35
Van huwelijksche voorwaarden.
echtgenoot aan den anderen, het zij over en weder, gemaakt, zal aan de kinderen, uit het huwelijk gesproten, overgaan, wanneer de begiftigde echtgenoot vóór den schenker mogt komen te overlijden. (B.W. 233, 286, 946.)
VIERDE AFDEELING.
Van giften welke aan de aanslaande echtgenoolen, of aan kinderen uit hun huwelijk^ gedaan zijn.
Art. 231. Zoo wel bij huwelijksche voorwaarden, als bij afzonderlijke notariële akte, vóór het aangaan des huwelijks, en ter zake van hetzelve verleden, kunnen derden aan de aanstaande echtgenooten, of aan een hunner, zoodanige giften doen als zij voegzaam oordee-len, behoudens de inkorting dier giften, voor zooverre daardoor de regten zijn benadeeld van dengenen aan wie een wettelijk aandeel toekomt. (B.W. 283, 960 v., 966 v., 1136, 1714,1730.)
232. Indien die giften bij huwelijksche voorwaarden zijn gedaan, wordt tot derzelver geldigheid niet gevorderd de uitdrukkelijke aanneming door den begiftigde; wanneer daarentegen de gift bij afzonderlijke akte heeft plaats gehad, heeft dezelve geen gevolg dan na de uitdrukkelijke aanneming. (B.W. 1703, 1720.)
233. Eene gift van het geheel of van een gedeelte der nalatenschap van den schenker, hoezeer alleen ten behoeve der echtgenooten, of van een hunner, gedaan, wordt echter altijd geacht ten behoeve van de kinderen en afkomelingen, uit het huwelijk geboren, te hebben plaats gehad, in het geval dat de. schenker den begiftigde overleeft, en het tegendeel niet uitdrukkelijk bij de akte is bepaald.
Die giften vervallen, indien de schenker den begiftigde, en de kinderen en afkomelingen uit het huwelijk geboren, overleeft. (B.W. 228, 283, 286, 1023, 1716.)
234. De bepalingen van artikel 234, 226, 227 en 228 zijn ins-gelijks toepasselijk op de giften, waarvan in deze afdeeling gesproken wordt.
NEGENDE TITEL.
Van gemeenschap of huwelijksche voorwaarden bij tweede of verder huwelijk.
Art. 235. Ook in tweede en verder huwelijk bestaat van regts-wege algeheele gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwelijksche voorwaarden geene andere bepalingen zijn gemaakt. (B.W. 174, 194, 208.)
236. Bij tweede of verder huwelijk kan echter, indien er kin-
36
B.W. Boek Æ, Titel VlII, 3, 4, IX en X. Artt. 231â241. 37
deren of afkomelingen uit het vroeger huwelijk aanwezig zijn, aan den nieuwen echtgenoot, door de vermenging van goederen en schulden hg eeuige gemeenschap, geen meerder voordeel opkomen, dan ten heloope van het minste gedeelte hetwelk een dier kinderen, of bij vooroverlijden deszelfs afkomelingen, hij plaatsvervulling, genieten, en zonder dat dit voordeel immer het een vierde des boedels van den hertrouwden echtgenoot mag te boven gaan.
De voorkinderen of derzelver afkomelingen hebben, ten tijde van het openvallen der nalatenschap van den hertrouwden echtgenoot, eene regtsvordering tot inkorting of vermindering; en hetgeen het geoorloofd gedeelte te boven gaat, valt ten voordeele van die nalatenschap. (B.W. 237 v., 286, 371, 949, 960 v., 967,1106.)
237. De man of de vrouw, kinderen of afkomelingen hebbende uit het vroeger bed, een tweede of volgend huwelijk aangaande, mag aan den tweeden of verderen echtgenoot, ook bij huwelijksche voorwaarden, geene meerdere voordeelen bespreken, dan hetgeen bij het vorige artikel breeder is omschreven. (B.W. 223, 286, 949.)
238. De echtgenooten mogen elkander door zijdelingsche wegen niet meer geven, dan hun hij de hier boven gemaakte bepalingen is toegestaan. (
Alle giften onder eenen verdichten titel, of aan tusschen heide komende personen gedaan, zgn nietig. (B.W. 1103 v., 1953 no. 1.)
239. Voor giften aan tusschen beide komende personen gedaan, zullen gehouden worden de zoodanige, welke door een der echtgenooten aan de kinderen, of aan een der kinderen van den medeechtgenoot, uit een vroeger huwelijk gesproten, gedaan worden, alsmede de giften welke door den schenker zgn gedaan aan bloedverwanten, van wie de andere echtgenoot, ten tijde der gift, de vermoedelijke erfgenaam zal zijn; al ware het ook dat de laatst-gemelde den begiftigden bloedverwant niet hadde overleefd. (B.W. 958, 1958.)
240. Ook in het geval waarin kinderen zijn uit een vroeger huwelijk, worden winst en verlies gelijkelijk tusschen de echtgenooten
fedeeld, ten zij de gemeenschap daarvan bij huwelijksche voorwaar-en zij uitgesloten of gewijzigd. (B.W. 183, 211, 219.)edeeld, ten zij de gemeenschap daarvan bij huwelijksche voorwaar-en zij uitgesloten of gewijzigd. (B.W. 183, 211, 219.)
TIENDE TITEL.
Van de scheiding van goederen.
Art. 241. De vrouw kan, staande huwelijk, bij den regter scheiding van goederen vragen, doch alleen in de volgende gevallen:
1°. Wanneer de man, door een kennelijk wangedrag, de goederen der gemeenschap verspilt, en het huisgezin aan ondergang blootstelt;
2°. Wanneer, door de wanorde en het slecht beheer zijner zaken.
Van de scheiding van goederen.
de waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw, en voor het-een haar naar regten toekomt, zoude verloren gaan, of ook oor grof verzuim in het beheer van het huwelijksgoed, het zelve zoude worden in gevaar gebragt.
Scheiding van goederen bij onderlinge toestemming is nietig. (B.W. 174; R.V. 804 v., 810.)
242. De eisch tot scheiding van goederen raogt openlijk worden bekend gemaakt. (R.V. 807.)
243. De schuldeischers van den man kunnen in het geding tus-schen beide komen, om den eisch tot scheiding van goederen te betwisten. (B.W. 247; R.V. 285 v.)
244. De scheiding van goederen moet, voor het ten uitvoer leggen daarvan, openlijk worden bekend gemaakt, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.
Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegewezen, heeft, wat deszelfs gevolgen betreft, eene achteruitwerkende kracht, te rekenen van den dag der regtsvordering. (R.V. 811.)
245. De vrouw kan gedurende het geding, met bewilliging van den regter, behoedmiddelen in het werk stellen, ten einde te voorkomen dat de goederen worden weggemaakt en verspild. (R.V. 80S v.)
246. Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegestaan, vervalt van regtswege, indien hetzelve niet, blijkens eene daarvan op te maken authentieke akte, vrijwillig is ten uitvoer gelegd door de werkelijke verdeeling der goederen; of wanneer, binnen den tijd van ééne maand nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen, geene regterlijke vervolgingen daartoa door de vrouw zijn begonnen en regelmatig worden voortgezet. (R.V. 812.)
247. De schuldeischers van den man die niet in het geding zijn tusschen beide gekomen, kunnen zich tegen de scheiding verzetten, al ware dezelve reeds ten uitvoer gelegd, indien hunne regten daardoor opzettelijk mogten verkort zijn. (B.W. 243,1377; R.V. 376, v., 813.)
248. Niettegenstaande de scheiding van goederen, is de vrouw verpligt om, naar evenredigheid van haar vermogen en dat van haren man, bij te dragen tot de kosten der huishouding en der opvoeding der kinderen, door haren man bij haar verwekt.
Bij onvermogen van den man, komen die kosten ten laste van de vrouw alleen. (B.W. 159, 200 v., 353.)
249. De vrouw, welke van goederen gescheiden is, bekomt de vrije beheering daarvan terug, en kan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 163, van den regter eene algemeene bewilliging bekomen, om over hare roerende goederen te beschikken. (B.W. 160, 165, 170, 179,180.)
250. De man is niet verantwoordelijk aan de vrouw, indien zij van goederen gescheiden zijnde, nalatig is geweest om den koop-
38
B.W. Boek I, Titel X en XI, 1. Artt. 242â254. 39
prijs van een onroerend goed, hetwelk zij op bekomen bewilliging van den regter vervreemd heeft, te gebruiken of weder te beleggen, ten ware hij het contract mede hebbe helpen tot stand brengen, of bewezen zij dat de penningen door hem ontvangen zijn, of ten zijnen voordeele gestrekt hebben. (B.W. 160c.)
251. De gemeenschap, door scheiding van goederen ontbonden zijnde, kan, met toestemming der echtgenooteu, worden hersteld.
Znlks kan niet anders geschieden dan bij eene authentieke akte. (B.W. 204, 1905; R.V. 811, 815.)
252. Wanneer de gemeenschap hersteld is, worden de zaken in denzelfden staat terug gebragt als of er geene scheiding had plaats gehad, onverminderd de nakoming der handelingen, welke, gedurende het tusschenvak sedert de scheiding tot op het herstel der gemeenschap, door de vrouw verrigt zijn.
Alle overeenkomsten waardoor de echtgenooten de gemeenschap zouden herstellen, op andere voorwaarden dan waarop zij bevorens geregeld was, zijn nietig. (B.W. 1376.)
253. De echtgenooten zijn verpligt het herstel der gemeenschap openlik bekend te maken.
Zoo lang die openlijke bekendmaking geen plaats heeft gehad, kunnen de echtgenooten de gevolgen der herstelde gemeenschap niet aan derden tegenwerpen. (R.V. 813, 815.)
ELFDE TITEL.
Van de ontbinding des huwelijks.
EERSTE AFDEELItlG.
Van de ontbinding des huwelijks in het algemeen.
Art. 254. Het huwelijk wordt ontbonden:
1°. Door den dood;
2°. Door afwezigheid van een der echtgenooten gedurende tien jaren, en een daarop gevolgd nieuw huwelijk van den anderen echtgenoot, overeenkomstig de bepalingen van de vijfde afdeeling des negentienden titels; (B.W. 255,262, 549 v.)
3quot;. Door regterlijk vonnis, na scheiding van tafel en bed uitgesproken, in de gevallen, en overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel; (B.W. 225 v., 258.)
4°. Door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeeling vau dezen titel. (B.W. 262 v.)
Van de ontbinding des huwelijks.
TWEEDE APDEELING.
Van de ontbinding des huwelijks, na de scheiding van tafel en bed.
Art. 255. Wanneer eclitgenooten van tafel en bed zijn geseheiden, het zij uit hoofde van eene der redenen hij artikel 288 vermeld, het zij op beider verzoek, en de scheiding gedurende vijf volle jaren, zonder verzoening der partijen, heeft stand gehouden, zal het aan ieder hunner vrijstaan om den anderen in regten op te roepen, en te eischen dat het huwelijk worde ontbonden. (B.W. 288, 291, 297.)
256. Die eisch zal dadelijk worden ontzegd, indien de verwerende partij, na drie malen, van maand tot maand, in regten te zijn opgeroepen, niet verschijnt, of, opkomende, zich tegen den eisch verzet, of eindelijk, van hare zijde verklaart bereid te zijn zich met de wederpartij te verzoenen. (B.W. 303.)
257. Indien de gedaagde partij in den eisch toestemt, zal de regtbank de eclitgenooten bevelen om te zamen, en in persoon, voor een of meer barer leden te verschijnen, die hen tot eene verzoemn^ zullen trachten over te halen.
Indien de poging daartoe niet mogt gelukken, zal de regter eene nieuwe verschijning bevelen, ten minste drie, en ten hoogste zes maanden na de eerste, en zullen daarbij worden opgeroepen de naaste bloedverwanten in de opgaande linie der beide echtgenooten. (B.W. 263, 29é.)
258. Wanneer ook deze verschijning vruchteloos mogt afloopen, het zij de bloedverwanten, bij het vorige artikel vermeld, al of niet verschenen zijn, zal de regtbank, op het rapport van commissarissen, en na verhoor van het openbaar ministerie, uitspraak doen, en zal de eisch worden toegewezen, indien behoorlijk aan alle de formaliteiten, hierboven omschreven, is voldaan.
Het staat niettemin aan de regtbank vrij hare uitspraak, gedurende den tijd van zes maanden na het voldingen der zaak, aan te houden, indien het haar mogt zijn gebleken dat er nog waarschijnlijkheid van verzoening bestaat. (B.W. 245, 263, 295; R.V. 324 no. 7.)
259. Tegen de uitspraak der regtbank wordt, uiterlijk gedurende ééne maand, beroep bij den hoogeren regter toegelaten. (B.W.
260. Het vonnis waarbij de ontbinding is uitgesproken, moet in de registers van den burgerlijken stand worden ingeschreven, op dezelfde wijze en op dezelfde straffen als, ten aanzien der echtscheiding, bij artikel 276 is bepaald. (B.W. 48, 300.)
261. Door de ontbinding des huwelijks wordt geen inbreuk gemaakt op de wettelijke gevolgen der scheiding van tafel en bed, bij
40
B.W. Boek I, Titel XI, 2 en 3. Arii. 255â266.
artikel 301 opgegeven, noch op de voorwaarden welke, in geval van minnelijke scheiding, naar aanleiding van artikel 292, door partgen zijn geregeld; blijvende deze gevolgen en voorwaarden in hunne volle kracht. (B.W. 302.)
DERDE AFDEELING.
Fan echtscheiding.
Art. 262. De vordering tot echtscheiding kan alleen in regten worden aangevangen, bij de arrondissements-regtbank der woonplaats van den man, behoudens het geval bij art. 266 voorzien. (B.W. 78, 90, 180; R.V. 816 v.)
263. Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben. (B.W. 255 v., 291.)
264. De gronden, welke eene echtscheiding kunnen ten gevolge hebben, bestaan alleen in de navolgende:
1°. Overspel;
2°. Kwaadwillige verlating;
3°. Veroordeeling wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier
jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken; ')
4°. Zware verwondingen of zoodanige mishandelingen, door den 1 eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd, waardoor
diens leven wordt in gevaar gebragt, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen zijn toegebragt. (B.W. 116, 265 v., 288, 290.)
265. Wanneer een der echtgenooten tot eenige straf is verwezen, bij een vonnis, waaruit van een begaan overspel blijkt, zal men tot het bekomen van echtscheiding geene andere formaliteiten behoeven in acht te nemen, dan dat aan de arrondissements-regtbank een afschrift van dat vonnis worde aangeboden, met bijvoeging van het bewijsschrift dat hetzelve vonnis door geene wettige regtsmiddelen aan eenig beroep onderworpen is.
Deze bepaling is insgelijks toepasselijk, wanneer de echtscheiding gevraagd wordt uit hoofde van de veroordeeling van één der echtgenooten wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer. ') (B.W. 274, 1955.)
41
266. De eisch tot echtscheiding, uit hoofde van kwaadwillige verlating, zal worden gedaan bij den regter der laatste gemeene woonplaats, welke de echtgenooten ten tijde der verlating hebben gehad, en kan alleen worden toegestaan, wanneer degene der echtgenooten, die de gemeene woonplaats, zonder wettige oorzaak, heeft verlaten, in zijne weigering volhardt om tot zijnen echtgenoot terug te keeren.
1) Art. 264 no. 3, en de 2de alinea van art. 265 aldus gewijzigd by art. 2 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
Van de ontbinding des huwelijks.
De regtsvordering daartoe kan niet vroeger worden aangevangen, ' dan na verloop van vijf jaren, te rekenen van het tijdstip waarop de echtgenoot de gemeene woning verlaten heeft.
quot;Wanneer de verwijdering eene wettige oorzaak heeft tot grond gehad, zal de termijn van vijf jaren beginnen te loepen van het oogenblik waarop die oorzaak heeft opgehouden. (B.W. 78, 161 v., 254, 273, 288 v., 519 v.)
267. De vrouw, het zij eisoheresse tot echtscheiding, het zij ver-weerderesse, kan, met bewilliging van den regter, gedurende den loop van het geding, de woning van den man verlaten. (B.W. 78; R.V. 820.)
De regtbank zal het huis aanwijzen, alwaar de vrouw verpligt zal zijn haar verblijf te houden. (B.W. 161, 269.)
268. De vrouw is bevoegd eene uitkeering tot onderhoud te vorderen, welke door den regter bepaald zijnde, de man verpligt is aan haar, gedurende het regtsgeding, te voldoen.
Wanneer de vrouw, zonder verlof van den regter, het aan haar aangewezen verblijf verlaat, kan zij, naar omstandigheden, worden verstoken van alle aanspraak op die uitkeering, en zelfs, wanneer zij eisoheresse is, niet ontvankelijk worden verklaard om hare regtsvordering voort te zetten. (B.W. 162, 272, 281, 379 v.; R.V. 824.)
269. De regtbank, aan de vrouw een verblijf aanwijzende, kan tevens, op het daartoe gedaan verzoek, bepalen aan wien der eeht-genooten, hangende het geding, de kinderen zullen worden toevertrouwd. (B.W. 159, 276, 2S4, 355; R.V. 824.)
270. De regten van deu man, opzigtelijk het beheer der goederen van de vrouw, worden, gedurende het geding, niet geschorst; benoudens de bevoegdheid der vrouw om, ter bewaring van haar regt, gebruik te maken van de behoedmiddelen, welke bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat stak zijn aangewezen.
Alle akten van den man, waardoor de regten van de vrouw op-zettelijk verkort worden, zijn nietig. (B.W. 160, 1377; R.V. 825.)
271. Het regt om echtscheiding te vorderen vervalt door de verzoening der echtgenooten, om het even of die verzoening hehbe plaats gehad, nadat de eene echtgenoot had kennis gedragen van de daadzaken, welke grond tot de regtsvordering hadden kunnen opleveren, dan wel, nadat de eisch tot echtscheiding in regten gedaan is.
De wet vooronderstelt die verzoening, wanneer man en vrouw weder zamen wonen, nadat laatstgemelde de gemeenschappelijke wo-nine, op verlof van den regter, had verlaten. (B.W. 267 v., 272, 1958^; R.V. 816 v.)
272. De echtgenoot, welke eene nieuwe regtsvordering aanvangt, op grond van eene nieuwe oorzaak, na de verzoening opgekomen, matf ter stavins van zijnen eisch, van de oude redenen gebruik maken. (B.W. 268, 273.)
273. De regtsvordering tot echtscheiding, uit hoofde van kwaad-
42
S.W- Boek Æ, Titel II, 3. JrU. 267â279.
willige verlating, vervalt, indien de echtgenoot, vóór het uitspreken der echtscheiding, in de gemeene woonplaats terug lieert. Wanneer echter, na de terugkeering, de echtgenoot andermaal, zonder wettige oorzaak, de gemeene woonplaats verlaat, zal de andere echtgenoot eene nieuwe regtsvordering tot echtscheiding kunnen aanvangen, zes maanden na de verlating, en van de oude redenen tot staving van zijnen eisch gebruik maken.
In dat geval, zal de regtsvordering tot echtscheiding, door eene opgevolgde terugkeering van den echtgenoot, niet vervallen. (B.W-266, 271 v.)
274. Indien in de beide gevallen, bij artikel 265 voorzien, de echtgenoot zes maanden heeft laten verloopen, te rekenen van den dag waarop het vonnis kracht van gewijsde bekomen heeft, is hij niet meer ontvankelijk om eene regtsvordering tot echtscheiding aan te vangen.
Indien de eene echtgenoot zich buiten het koningrijk bevindt, op het tijdstip der veroordeeling van den anderen, zal de voorschreven termijn van zes maanden aanvang nemen, te rekenen van den dag der terugkeering.
275. De regtsvordering tot echtscheiding vervalt, indien een dei-beide echtgenooten vóór de uitspraak is overleden. (B.W. 254 no. 1.)
276. Het vonnis, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, moet, ten verzoeke van beide partijen, of van ééne derzelve, in de registers van den burgerlijken stand hunner woonplaats worden ingeschreven, uiterlijk binnen den tijd van zes maanden, te rekenen van den dag waarop dat vonnis voor geen wettelijk beroep vatbaar is.
Indien de inschrijving binnen dien termijn niet is geschied, vervalt daardoor de kracht van het vonnis, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, en kan die om dezelfde redenen niet op nieuw worden geëischt. (B.W. 48; 11.V. 828.)
277. De echtgenoot aan wien de eisch tot echtscheiding is toegewezen, behoudt alle de voordeden, hem door den anderen echtgenoot ter zake des huwelijks toegezegd, al ware het dat deze voordeelen wederkeerig bedongen mogten zijn. (B.W. 181, 223 v., 372.)
278. Daarentegen verliest de echtgenoot, tegen wien de echtscheiding uitgesproken is, alle de voordeelen, welke de andere echtgenoot ter zake des huwelijks aan hem had toegezegd. (B.W. 223, 3726.)
279. Door echtscheiding worden niet dadelijk opvorderbaar de bedongen voordeelen, welke eerst na den dood van een der echtgenooten gevolg moesten hebben; maar hij, aan wien de eisch tot echtscheiding is toegewezen, kan zijn regt tot die voordeelen eerst na het overlijden van de wederpartij doen gelden. (B.W. 224, 3726.)
43
44 Van de ontbinding des huwelijks.
280. Indien de echtgenoot, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken, geene genoegzame inkomsten heeft tot zijn levensonderhoud, zal de regtbank hem uit de goederen van den anderen echtgenoot eene uitkeering tot onderhond mogen toeleggen. (B.W. 158, 281 v.)
281. Die uitkeering zal worden bepaald volgens den staat en het fortuin van dengenen der echtgenooten welke dezelve verschuldigd is.
In geval van merkelijke vermindering van deszelfs fortuin, zal de uitkeering kunnen worden ingekort, en zij zal zelfs ten eenen-male ophouden, zoodra de andere party dezelve niet verder behoeft. (B.W. 379 v.)
282. De verpligting tot bet verschaffen van levensonderhoud houdt op door den dood van een der echtgenooten. (B.W. 158, 280 v.)
283. De uitkeeringen, welke door derden bij een huwelijks-contract zijn besproken, blijven bij voortduring verschuldigd aan dengenen der gescheiden echtgenooten, ten wiens behoeve dezelve beloofd waren. (B.W. 231 v.)
284. De kinderen zullen verblijven bij dengenen der echtgenooten, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken.
Niettemin zal de regtbank, bij het uitspreken der echtscheiding, het zij ten verzoeke van bloedverwanten, het zij op de vordering van het openbaar ministerie, het zij ambtshalve, in het belang der kinderen kunnen bevelen, dat alle of eenigen hunner aan den anderen echtgenoot, of aan een' derden persoon, zullen worden toevertrouwd.
In geval van overlijden van dengenen aan wien de kinderen -waren toevertrouwd, zal de regtbank daartoe, op de wijze hierboven omschreven, eenen anderen persoon kunnen benoemen; onverminderd f de bevoegdheid der regtbank om, bij veranderde omstandigheden, die beschikking, op verzoek van den belanghebbenden echtgenoot, in te trekken of te wgzigen. (B.W. 269, 353; R.V. 324, 820.)
285. Onverminderd de bepaling van het eerste lid van het vorig artikel, behouden de vader en de moeder de regten, welke uit de ouderlijke magt of de voogdij voortspruiten.
Wie ook de persoon zij aan wien de kinderen zijn toevertrouwd, behouden de beide ouders de bevoegdheid om voor hun onderhoud en hunne opvoeding te waken, en zullen daartoe, naar evenredigheid van hun vermogen, moeten bijdragen. (B.W. 159, 353, 357, 400.)
286. De ontbinding des huwelijks door echtscheiding zal de kinderen, uit dat huwelijk geboren, van geene der voordeden versteken, die hun door de wetten, of door de huwelijks-bedingen van hnnne ouders, verzekerd waren.
Echter zullen de kinderen daarop geen aanspraak hebben, dan
B.W. Boek I, Titel XI, 3 en XII. Artt. 280â294.
op dezelfde manier en in dezelfde omstandigheden, als of er geene echtscheiding had plaats gehad. (B.W. 230, 233, 236 v., 899 v.)
287. Indien de gescheiden echtgenooten in gemeenschap van goederen getrouwd waren, zal de verdeeling der goederen plaats hebben, op den voet en de wnze als bij den zevenden titel is bepaald. (B.W. 181 v., 1119 v.)
TWAALFDE TITEL.
Van de scheiding van tafel en bed-
Art. 288. In de gevallen, welke grond tot echtscheiding opleveren, zal het aan de echtgenooten vrijstaan om de scheiding van tafel en bed in regten te vragen.
Die regtsvordering zal ook knnnen worden aangevangen, ter zake van buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedigingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan. (B.W. 167, 181, 255, 264 v.; R.V. 826.)
289. Zij wordt op dezelfde wijze als die tot echtscheiding aangelegd, voortgezet en uitgewezen. (B.W. 262 v., 271 v.; R.V. 816 v.)
290. De echtgenoot, welke eene regtsvordering tot scheiding van tafel en bed heeft aangevangen, is niet ontvankelijk om uit hoofde van dezelfde oorzaak echtscheiding te vragen. (B.W. 264.)
291. Scheiding van tafel en bed kan ook door den regter worden uitgesproken, op het verzoek, door de beide echtgenooten te zamen gedaan, zonder dat deze gehouden zijn eene bepaalde oorzaak op te geven.
Zoodanige scheiding zal niet kunnen worden toegestaan, ten zij de echtgenooten gedurende den tijd van twee jaren zijn getrouwd geweest. (B.W. 255, 257, 263.)
292. Alvorens scheiding van tafel en bed te vragen, zijn de echtgenooten verpligt, bij eene authentieke akte, alle de voorwaarden dier scheiding te regelen, zoowel te hunnen opzigte, als met betrekking tot hunne kinderen.
De schikkingen tusschen hen beraamd, om plaats te hebben gedurende het regterlijk onderzoek, moeten aan de bekrachtiging van de regtbank worden onderworpen, om, des noods, door haar geregeld te worden. (B.W. 179 vâ 187, 204, 261, 267 v., 302, 353 v.)
293. De aanvrage der beide echtgenooten geschiedt bij verzoekschrift aan de arrondissements regtbank van hunne woonplaats; en moet daarbij worden overgelegd, zoowel afschrift der huwelijks-akte, als van de overeenkomst waarvan bij het eerste lid van het vorige artikel wordt gesproken. (R.V. 816 v.)
294. De regtbank zal daarop aan de beide echtgenooten bevelen om te zamen en in persoon te verschijnen voor een of meer harer leden, welke aan hen de noodige vertoogen zullen doen.
45
Van de scheiding van tafel en bed.
Indien de echtgenooten bij hun voornemen volharden, zal de reg-ter eene nieuwe verschijning, na verloop van zes maanden, bevelen. (B.W. 44, 291; R.V. 817, 819.)
295. De regthank zal zes maanden na de tweede verschijning uitspraak doen, na verhoor of behoorlijke oproeping der naaste bloedverwanten van de echtgenooten in de opgaande linie, en op de con-clusien van het openbaar ministerie. (B.W. 258; R.V. 324 no. 7.)
296. Bij weigering van de gedane aanvrage, kunnen de echtgenooten te zamen, uiterlijk binnen eene maand na de uitspraak, daartegen bij verzoekschrift aau den hoogeren regter opkomen. (B.W. 259, 302.)
297. Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet ontbonden, maar zijn de echtgenooten daardoor van de verpligting tot zamenwoning ontheven. (B.W. 78, 255.)
298. Scheiding van tafel en bed heeft altijd de scheiding van goederen ten gevolge, en zal grond opleveren tot de verdeeling der gemeenschap, even als of het huwelijk geheel ontbonden ware. (B.W. 183, 287, 1112 v.)
299. Door de scheiding van tafel en bed wordt het beheer van den man over de goederen zijner vrouw opgeschort.
De vrouw bekomt het vrije beheer harer goederen terug, en kan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 163, van den regter eene algemeene magtiging erlangen om over hare roerende goederen te beschikken. (B.W. 160, 179, 249.)
300. De vonnissen tot scheiding van tafel en bed zullen openlijk worden bekend gemaakt.
Zoolang deze openlijke bekendmaking niet heeft plaats gehad, zal het vonnis tot scheiding van tafel en bed niet tegen derden kuunen werken. (B.W. 207, 276, 304; R.V. 811, 828.)
301. De bepalingen van artikel 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 272, 273, 274, 275, 277, 278, 279, 280, 281, 282, 283, 284, 285 en 286 zijn insgelijks toepasselijk op de scheiding van tafel en bed, door den eenen jegens den anderen echtgenoot gevraagd.
Indien de scheiding heeft plaats gehad om eene der redenen welke grond tot echtscheiding zouden hebben kunnen opleveren, is ook artikel 372 te dezen toepasselijk. (B.W. 261.)
302. Wanneer de regter, na de overeenkomst te hebben overwogen, waarvan in het eerste lid van artikel 292 gesproken wordt, de scheiding van tafel on bed op verzoek der beide echtgenooten toeslaat, zal die scheiding alle de gevolgen hebben, welke bij de overeenkomst zijn bedongen. (B.W. 261.)
303. De scheiding van tafel en bed gaat, van regtswege, te niet door de verzoening der echtgenooten, en doet alle de gevolgen van het huwelijk herleven, behoudens nogtans jegens derden de voortdurende kracht van de handelingen, welke gedurende het tijdvak tus-schen de scheiding en de verzoening mogten hebben plaats gehad.
46
B.W. Boek 1, Titel XH en XI11, 1. Arit. 295â309.- 47
Alle hiermede strijdende bedingen tusschen de echtgenooten zijn nietig. (B.W. 255, 292; A. 14.)
304. Wanneer het vonnis, waarbij de echtgenooten van tafel en bed worden gescheiden, openlijk is bekend gemaakt, zullen de echtgenooten de gevolgen hunner verzoening niet tegen derden kunnen doen werken, wanneer zij niet insgelijks en op dezelfde manier openlijk hebben doen bekend maken dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. (B.W. 207, 300.)
DERTIENDE TITEL. '
Van het vaderschap en de afstamming der kinderen.
EERSTE AFDEELIN6.
Van wettige kinderen.
Art. 305. Het kind, hetwelk staande huwelijk is geboren of verwekt, heeft den man tot vader. (B.W. 150, 155 v., 1953.)
306. De wettigheid van een kind, hetwelk vóór den honderd tachtigsten dag des huwelijks geboren is, kan door den mau worden ontkend. Nogtans zal de ontkenning geen plaats kunnen hebben in de navolgende gevallen:
1°. Wanneer de man, vóór het huwelijk, van de zwangerschap heeft kennis gedragen;
2°. Wanneer hij bij het opmaken van de akte van geboorte is tegenwoordig geweest, en deze akte door hem is onderteekend, of eene door hem gegevene verklaring inhoudt dat hij niet kan teekenen;
3°. Wanneer het kind niet levend is ter wereld gekomen. (B.W. 3£, 29 v.)
307. De man kan de wettigheid des kinds ontkennen, indien hij bewast, dat hij sedert den drie honderdsten tot den honderd tachtigsten dag vóór de geboorte van het kind, het zij uit hoofde van verwijdering, het zij door de gevolgen van eenig toeval, in de natuurlijke onmogelijkheid geweest is met zijne vrouw gemeenschap te hebben.
De man kan, door zich op zijne natuurlijke onmagt te beroepen, niet ontkennen dat het kind het zijne is. (B W. 313«, 1902.)
308. De man kan de wettigheid des kinds niet ontkennen op grond van overspel, ten ware de geboorte voor hem zij verborgen gehouden; in welk geval, hij zal worden toegelaten om het bewijs dat hij de vader des kinds niet is tot volkomenheid te brengen. (B.W. 1902.)
309. Hij kan de wettigheid ontkennen van een kind, hetwelk geboren is drie honderd dagen na dien, waarop een vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft verkregen.
Van het vaderschap en de afstamming der kinderen.
onverminderd het vermogen van de vrouw om alle zoodanige daadzaken aan te voeren, welke geschikt mogten zijn tot bewijs dat haar man de vader des kinds is.
Wanneer de ontkenning is geldig verklaard, za) door de verzoening der echtgenooten het kind geenen wettigen staat kunnen verkrijgen. (B. W. 276, 297, 303.)
310. Het kind, hetwelk driehonderd dagen na de ontbinding des huwelijks wordt geboren, is ontwettig. (B.W. 161 v.)
311. In de gevallen bij artikel 306, 307, 308 en 309. voorzien, zal de man de wettigheid des kinds moeten ontkennen, binnen eene maand, indien hij zich bevindt op de geboorteplaats van het kind, of binnen den omtrek daarvan;
Binnen twee maanden na zijne terugkomst, indien hij afwezig is;
Binnen twee maanden na de ontdekking van het bedrog, indien men de geboorte van het kind voor hem had verborgen gehouden.
Alle buiten regten verleden akten, inhoudende de ontkenning van den man, zijn krachteloos, zoo zij niet binnen twee maanden van eene regtsvordering zijn achtervolgd.
Indien de man, na de ontkenning, bij eene buiten regten verleden akte, te hebben gedaan, komt te overlijden binnen den voorschreven termijn, zal aan zijne erfgenamen een nieuwe termijn van twee maanden geopend zijn, ten einde hunne regtsvordering aan te vangen. (B.W. 312 v., 1104, 2016.)
312. De regtsvordering, door den man aangevangen, vervalt, indien de erfgenamen dezelve niet voortzetten binnen twee maanden, te rekenen van het overlijden van den man. (B.W. 314, 880, 2016.)
313. Wanneer de man is overleden, voor dat hij zijn regt te dezen opzigte heeft doen gelden, maar terwijl de tijd daartoe nog loopende was, zullen de erfgenamen de wettigheid des kinds niet kunnen ontkennen, dan alleen in het geval van artikel 307.
De regtsvordering tot het betwisten van de wettigheid van het kind, zal moeten worden aangevangen binnen den tijd van twee maanden, te rekenen van het tijdstip waarop het kind zich zal hebben in het bezit gesteld van de goederen van den man, of van het tijdstip waarop de erfgenamen in dat bezit door het kind gestoord zijn. (B.W. 311, 314, 325, 880 v.)
314. In de gevallen waarin de erfgenamen, naar aanleiding van artikel 311, 312 en 313, bevoegd zijn om eene regtsvordering tot het betwisten der wettigheid van een kind aan te vangen of te vervolgen, zullen zij een' termijn hebben van zes maanden, indien een of meer hunner buiten het koningrijk woonachtig zijn.
Indien een of meer hunner buiten Europa woonachtig zgn, zullen zij een termijn van een jaar hebben.
In geval van oorlog ter zee, zullen de termijnen van zes maanden en van een jaar worden verdubbeld. (K, 116, 207.)
48
B.W. Boek I, Titel XIII, 1. Artt. 310â321. 49
315. Alle regtsvordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind zal gerigt moeten worden tegen eenen bijzonderen aan het kind toe te voegen voogd, en zal de moeder behoorlijk in het geding moeten worden opgeroepen. (B.W. 157, 413; K.V. 324 no. 2.)
316. De afstamming van wettige kinderen wordt bewezen door de akten van geboorten, in de registers van den burgerlijken stand ingeschreven.
Bij gebreke van zoodanige akten, is het ongestoord bezit van den staat van wettig kind voldoende. (B.W. 29, 70, 157, 341.)
317. Het bezit van dien staat wordt bewezen door daadzaken, welke, het zij te zamen, het zij afzonderlijk, de betrekking van afstamming en verwantschap tusschen eenen bepaalden persoon en het geslacht, tot hetwelk hij beweert te behooren, aantoonen. (B.W. 157.)
De voornaamste van deze daadzaken zijn, onder anderen;
Dat die persoon altijd den naam heeft gedragen van den vader, van wien hg beweert af te stammen;
Dat de vader hem als zijn kind heeft behandeld, en als zoodanig in zijne opvoeding, zijn onderhoud en zijne kostwinning heeft voorzien;
Dat hij aanhoudend als zoodanig in de maatschappij erkend is;
Dat de nabestaanden hem als zoodanig erkend hebben. (B.W. 157, 353 v.)
318. Niemand kan zich op eenen staat beroepen die strijdig is met dien, welken zijne akte van geboorte en het bezit, met die akte overeenstemmende, hem geven, en wederkeerig kan niemand den staat betwisten van dengenen die een bezit heeft, overeenkomstig zijne akte van geboorte. (B.W. 157.)
319. Bij gebreke van zoodanige akte en onafgebroken bezit van staat, of wanneer het kind ouder valsche namen, of als geboren uit eenen vader en eene moeder die onbekend zijn, iu de registers is ingeschreven, kan de afstamming door getuigen bewezen worden.
Dit bewijs kan nogtans niet worden toegelaten, dan wanneer er een begin is van bewijs door geschrifte; of wanneer de vermoedens of aanwijzingen, voortvloeiende uit daadzaken die reeds onbetwistbaar zijn, als genoegzaam zwaarwigtig kunnen worden beschouwd om zoodanig middel van bewijs toe te laten. (B.W. 26, 343, 1951, 1959.)
320. Het begin van bewijs bg geschrifte vloeit voort uit familie-bescheiden, uit registers en uit huiselijke papieren van den vader of de moeder, of ook wel uit openbare of onderhandsehe akten, voortkomende van iemand die in het geschil betrokken is, of, nog in leven zijnde, daarbij belang zoude hebben gehad. (B.W. 26, 323, 1918, 1939.)
321. Het tegenbewijs kan bestaan in alle zoodanige middelen
BURG. WETB. 4
Fan het vaderschap en de afstamming der hinderen.
als geschikt zijn om aan te toonen, dat degene die zich op zijne afstamming beroept het kind niet is van de moeder welke hij voorgeeft te hebben; of ook, het moederschap bewezen zijnde, dat hij het kind niet is van den man van die moeder. (B.W. 319 v., 341 v.)
322. De burgerlijke regtbanken alleen zijn bevoegd om kennis te nemen van regtsvorderingen, waarbij men zich op eenigen staat beroept. (B.W. 70, 323, 1957; R.V. 324 no. 2.) '
323. De lijfstraffelijke regtsvordering wegens het misdrijf van verduistering van staat kan niet worden aangevangen, voordat het eindvonnis over het geschil van dien staat is uitgesproken.
Het staat evenwel aan het openbaar ministerie vrij om, wanneer de belanghebbende partijen stilzitten, eene lijfstraffelijke regtsvordering uit hoofde van verduistering van staat aan te vangen, mits er een begin van bewijs bij geschrifte, overeenkomstig artikel 320, aanwezig zij, en over het aanwezen van dat begin van bewijs aanvankelijk zij beslist.
In het laatste geval, zal de voortzetting der openbare regtsvordering door geen burgerlijk geding kunnen worden geschorst. (B.W. 26, 27, 322, 1955; S.R. 236.)
324. De regtsvordering tot inroeping van den staat is, ten op-zigte van het kind, aan geene verjaring onderworpen. (B.W. 2004.)
325. Deze regtsvordering kan door de erfgenamen van het kind, hetwelk zijnen staat niet heeft ingeroepen, niet worden aangevangen, ten ware het kind minderjarig, of binnen drie jaren na zijne meerderjarigheid mogt overleden zijn. (B.W. 313, 880, 1104.)
326. De erfgenamen kunnen echter zoodanige regtsvordering voortzetten, wanneer zij door het kind is aangelegd, ten zij hetzelve het geding drie jaren na de laatste proces-akte hebbe onvervolgd gelaten. (B.W. 880; R.V. 279 v.)
TWEEDE APDBELING.
Van de wettiging van natuurlijke kindereu.
Art. 327. Kinderen buiten huwelijk verwekt, met uitzondering van degenen die in overspel of in bloedschande zijn geteeld, worden door het opvolgend huwelijk van hunnen vader en hunne moeder gewettigd, wanneer deze hen, vóór het aangaan des huwelijks, wettiglijk hebben erkend, of wanneer die erkenning plaats heeft bij de akte van voltrekking zelve. (B.W. 38, 45 no. 9, 92, 97, 330, 332, 335 v., 909, 914.)
328. Kinderen, uit ouders geboren, tusschen welke, zonder beko-mene dispensatie van den Koning, geen huwelijk mogt bestaan, kunnen op geene andere wijze worden gewettigd, dan door derzelver erkenning bij de huwelijks-akte. (B.W. 86, 88, 338.)
329. Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks, mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen.
50
B. W. Boek I, Titel XIII, 1,2 en 3. Artt. 322â336. 51
kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging, bij den Koning, na ingewonnen advijs van den hoogen raad, verleend. (B.W. 45 no 9, 331.)
330. Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald, kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erkende kinderen, uit ouders geboren die, uit hoofde van het overlijden van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen tot stand brengen. (B.W. 327, 331, 333.)
331. In de beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, zal de hooge raad, alvorens zijn advijs uit te brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hooren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek ter wettiging, door middel van aan te wijzen openbare nieuwspapieren, worde bekend gemaakt. (B.W. 345 v.)
332. Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat de kinderen dezelfde regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren. (B.W. 899.)
333. In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht, van den dag waarop de brieven door den Koning zijn verleend; zij kan alzoo, ten aanzien der erfopvolging, niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten, dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van wettiging hebben toegestemd. (B.W. 899 v.)
334. Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overleden kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die afkomelingen strekt. (B.W. 327, 329, 889, 899.)
DERDB AFDEELING.
Van de erkenning van natuurlijke kinderen.
Art. 335. Door het erkennen van een natuurlijk kind worden burgerlijke betrekkingen geboren tusschen dat kind en zijnen vader of zijne moeder. (B.W. 87 v., 97, 104, 361, 374, 383, 408, 909 v., 920, 955, 963.)
336. Het erkennen van een natuurlijk kind kan door alle authentieke akten geschieden, wanneer zulks niet reeds bg de akte van geboorte, of ter gelegenheid van het aangaan des huwelijks, gedaan is.
Zoodanige erkenning kan ook plaats hebben door eene akte, bij den ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, en in de
4*
52 Van het vaderschap en de afstamming der hinderen.
registers ingeschreven, op de wijze als bij artikel 38 is bepaald. (B.W. 32, 38, 45 no. 9, 97, 327, 909, 955, 1905.)
337. De erkenning van een natuurlijk kind, door eenen minderjarige gedaan, zal niet van waarde zyn, ten zij de minderjarige den vollen ouderdom van negentien jaren hebbe bereikt, en de erkenning niet het gevolg zij van dwang, dwaling, bedrog of verleiding.
Bene minderjarige dochter nogtans zal die erkenning kunnen doen, voordat zij den ouderdom van negentien jaren vervuld heeft. (B.W. 86, 163, 343, 385, 1357, 1364, 1402, 1485.)
338. Kinderen in overspel of in bloedschande geteeld kunnen niet worden erkend, behoudens, ten opzichte van laatstgemelde, de bepaling van artikel 328. (B.W. 87 v., 98, 3Ã7 v., 327, 344, 914 v.)
339. Geene erkenning van een natuurlijk kind zal, gedurende het leven van de moeder, worden aangenomen, wanneer zij niet in die erkenning heeft toegestemd.
Wanneer zoodanig kind, na het overlijden der moeder, erkend is, heeft de erkenning geen ander gevolg, dan alleen met opzigt tot den vader. (B.W. 335, 343.)
340. De erkenning, staande huwelijk, door een der echtgenooten gedaan, ten voordeele van een natuurlijk kind, hetwelk hij, vóór zijn huwelijk, bij eenen anderen persoon dan zijn echtgenoot verwekt heeft, kan noch aan dien echtgenoot, noch ook aan de kinderen uit dat huwelijk geboren, schade toebrengen.
Niettemin zal die erkenning hare gevolgen hebben, na de ontbinding van dat huwelijk, wanneer daaruit geene afkomelingen overblijven. (B.W. 254, 383.)
341. Alle erkenning door den vader of de moeder gedaan, gelijk mede alle inroeping van staat van de zijde van het kind, kan betwist worden door alle degenen die daarbij belang hebben. (B.W. 316 v., 337.)
342. Het onderzoek naar het vaderschap is verboden.
In geval echter van eenig misdrijf bij de artikelen 242â245, 249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien, wanneer het tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwangerschap overeenstemt, kan de schuldige op de daartoe gedane vordering der belang-lebbende partijen, verklaard worden vader vau het kind te zijn. ') (B.W. 307, 319.)
343. Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.
In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.
Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten
1) Het 2de lid van art. 342 aldus gewyzigd bjj art. 3 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
B.W. Boek I, Titel XIII, 3 en XIV. Artl. 337â351. 53
â¢ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan. (B.W. 819 v., 339,1939,1951.)
344. Geen kind zal worden toegelaten om te onderzoeken wie zijn vader of zyne moeder is, in de gevallen, in welke, volgens artikel 338, de erkenning niet kan plaats hebben.
VEERTIENDE T1ÃEL.
Van bloedverwantschap en zwagerschap.
Art. 345. Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tusschen personen, welke de een van den anderen afstammen, of eenen ge-meenen stamvader hebben.
De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd. (B.W. 87, 919 v., 924.)
346. De opvolging van graden maakt de linie.
Men noemt eene regte linie de opvolging van graden tusschen personen, die de een van den anderen afstammen; zijdlinie, de opvolging van graden tusschen personen, die niet van elkander afstammen, maar die eenen gemeenen stamvader hebben.
347. De regte linie wordt onderscheiden in regte nederdalende, en regte opgaande linie.
De eerste maakt het verband tusschen den stamvader en die van hem afstammen; de laatste verbindt eenen persoon met diegenen van welken hij afstamt. (B.W. 889, 897, 899 v., 904.)
348. In de regte linie rekent men, dat er tusschen de personen zoo vele graden zijn als er geboorten bestaan: zoo staat, in de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot den vader, in den eersten graad; de kleinzoon in den tweeden, en zoo voorts; en wederkeerig staan, in de opgaande linie, de vader en grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon, in den eersten of tweeden graad, en zoo vervolgens.
349. In de zijdlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tusschen den eenen bloedverwant en den naasten
femeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen en den anderen loedverwant: zoo bestaan twee broeders elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden, en zoo vervolgens. (B.W. 897.)emeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen en den anderen loedverwant: zoo bestaan twee broeders elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden, en zoo vervolgens. (B.W. 897.)
350. Zwagerschap bestaat in de betrekking welke door aanhu-â welijking geboren wordt tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen.
Er bestaat geene zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der echtgenooten. (B.W. 87 v., 377, 433.)
351. De graden van zwagerschap worden op dezelfde manier als die der bloedverwantschap berekend. (B.W. 348 v.)
54 Van bloedverwanlschap en zwagerschap.
352. Door de ontbinding des huwelijks wordt de zwagerschap tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen niet opgeheven. (B.W. 87 v., 254, 377 no. 2.)
VIJFTIENDEN TITEL.
Van de vaderlijke magt.
EERSTE AFDEELING.
Van de gevolgen der vaderlijke magt, ten opzigte van den persoon des kinds.
Art. 353. Een kind, van welken ouderdom ook, is eerbied en ontzag aan zijne ouders verschuldigd.
De ouders zijn verpligt hunne minderjarige kinderen te onderhouden en op te voeden; ten aanzien van de meerderjarige, gelden de bepalingen in de derde afdeeling van dezen titel voorkomende. (B.W. 159, 200 v., 248, 285, 375 v., 383; R.V. 587.)
354. Het kind blijft onder hunne magt tot aan zijne meerdeija-righeid. (B.W. 92c, 159, 473, 478, 480, 484, 1403i en c.)
355. De vader alleen oefent, gedurende het huwelijk, deze magt uit.
Indien de vader daartoe buiten de mogelijkheid is, wordt hij door de moeder vervangen. (B.W. 284 v., 301, 505, 552.)
356. Een minderjarig kind mag zonder toestemming van zijnen vader het ouderlijk huis niet verlaten. (B.W. 78, 284, 385.)
357. Wanneer de vader gewigtige redenen van misnoegen heeft over het gedrag van zijn kind, kan de ammdissements-regtbank,opzijn verzoek en te zijnen koste, dat kind in verzekerde bewaring doen stellen, op zoodanige plaats als de regtbank, op voordragt des vaders, zal oordeelen te behooren.
De regtbank, na verhoor van het openbaar ministerie, zal dat verzoek kunnen toestaan, doch niet langer dan voor den tyd van drie maanden, indien het kind den vollen ouderdom van vijftien jaren niet heeft bereikt, of voor den tijd van één jaar, nadat het kind zyn zestiende jaar is ingetreden, tot op deszelfs meerderjarigheid.
Er zal te dezen opzigte geene geregtelijke formaliteit worden in acht genomen, behalve het bevel tot vastzetting, waarin echter de redenen niet zullen worden uitgedrukt. (B.W. 284 v., 292, 355», 442.)
358. Wanneer de moeder de langstlevende en niet hertrouwd is, en de vastzetting van het kind verzoekt, zal de regtbank, na verhoor van twee uit de naaste vaderlijke bloedverwanten, het verlof daartoe kunnen verleenen. (B.W. 442.)
B.W. Boek I, Titel XIV en XV, 1, 2. Artt. 352â365. 55
359. De vader, en bij gebreke van dien de moeder, blyft altijd meester om den tijd der verzochte vastzetting te verkorten.
360. Het kind kan, na zijne vastzetting, daartegen opkomen, door middel van een verzoekschrift bij den hoogeren regter, welke, na verhoor van den vader of van de moeder, mitsgaders van het openbaar ministerie, onverwijld zoodanig zal beslissen als hij zal vermeenen te behooren.
361. Alle de bepalingen van deze afdeeling, met uitzondering alleen van de bij artikel 358 voorgeschreven verpligting tot verhoor van de vaderlijke bloedverwanten, zijn ook toepasselijk op natuurlijke en wettelijk erkende kinderen en hunne ouders. (B.W. 335 v., 355 v.)
TWEEDE APDEELISG.
Van, de gevolgen der vaderlijke magt, ten opzigte van de goederen van het kind.
Art. 362. De vader heeft, gedurende het huwelijk, het bewind over de goederen aan zijne minderjarige kinderen toebehoo-rende.
Deze bepaling is echter niet toepasselijk op zoodanige goederen, welke, het zij bij akte onder de levenden, het zij bij eene uiterste wilsbeschikking, aan de kinderen zijn geschonken of gemaakt, onder bepaling dat het bewind daarover aan een of meerdere daartoe aangestelde bewindvoerders, buiten den vader, zal worden opgedragen.
Wanneer zoodanig gesteld bewind, om welke redenen ook, mogt vervallen, gaan de bedoelde goederen over onder het beheer van den vader.
Niettegenstaande de aanstelling van b^zondere bewindvoerders, in voege voorschreven, heeft de vader het regt om, gedurende de minderjarigheid van zijn kind, van eerstgemelden rekening en verantwoording te vragen. (B.W. 195, 355, 443, 473, 480, 552, 1066 v.)
363. De vader als bewindvoerder over de goederen van zijne kinderen, is verantwoordelijk, zoo voor den eigendom, als voor de vruchten van zoodanige goederen waarvan hij het genot niet heeft.
Wat de goederen betreft, waarvan de wet hem het vruchtgebruik toekent, is hij alleen verantwoordelijk voor derzelver eigendom. (B.W. 366 v., 887.)
364. De vader kan over de goederen zijner minderjarige kinderen niet beschikken, dan met inachtneming der regelen, welke ten opzigte van het vervreemden van goederen, aan minderjarigen toebehoorende, bij den titel van de minderjarigheid, voogdij, enz., zijn voorgeschreven. (B.W. 451 v., 1722.)
365. In alle gevallen, waarin de vader een tegenstrijdig belang
Van de vaderlVjke magt.
met dat zijner minderjarige kinderen mogt hebben, zullen laatst-emelde worden vertegenwoordigd door eenen bijzonderen curator, aartoe door den kantonregter te benoemen. ') (B.W. 422, 427.)
366. Gedurende het huwelijk, heeft de vader, en, na deszelfs ontbinding, heeft de langstlevende vader of moeder, het vruchtgenot van de goederen, welke aan hunne kinderen toebehooren, tot dat deze den vollen ouderdom van twintig jaren hebben bereikt, of eerder mogten zijn gehuwd. (B.W. 182, 363, 368, 376, 448, 473, 480, 803 v., 856, 887.)
367. Met dat vruchtgenot zgn de volgende lasten verbonden:
1°. De zoodanige, waartoe de vruchtgebruikers verpligt zijn;
2°. Het onderhoud en de opvoeding der kinderen, overeenkomstig het vermogen van laatstgemelden;
3°. De betaling van renten en van interessen van hoofdsommen ;
4°. De begrafeniskosten van het kind. (B.W. 182, 564 no. 5, 567 no. 2, 829 v., 832, 847.)
368. Het vruchtgenot heeft geen plaats:
1°. Ten opzigte van zoodanige goederen, welke de kinderen door afzonderlijken arbeid en vlijt mogten hebben verkre-gen;
2°. Ten opzigte van de goederen, welke aan hen bij akte onder de levenden of bij uiterste wilsbeschikking zijn geschonken of gemaakt, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zouden bekomen. (B.W. 362, 373, 960.)
369. Het vruchtgenot houdt op door het overigden der kinderen. (B.W. 854 no. 1, 856.)
370. De langstlevende der echtgenooten, welke mogt verzuimd hebben om, overeenkomstig artikel 182, eenen inventaris te doen opmaken, zal door dat verzuim het vruchtgenot verliezen van alle de goederen, welke aan de minderjarige kinderen toebehooren. (B.W. 208, 373.)
1) Aldus gewijzigd bij art. 1 der wet van 18 April 1874, Stsbl. no. 68.
Art. 3 dier wet luidt:
Vóór het sluiten van het verhoor, waar dit is voorgeschreven, bepaalt de kantonregter den dag waarop hij zijne beschikking geven zal.
Binnen veertien dagen na den dag der beschikking kan hooger beroep worden ingesteld door den verzoeker en door ieder die op het verzoek gehoord is. Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is hier niet van toepassing.
Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen,
Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op dat beroep niet beslist, zonder dat hij is gehoord of opgeroepen, om gehoord te worden.
56
B.W. Boek I, Tilei. XV, % en 3. Artt. 366â380. 57
371. Insgelijks houdt het vruchtgenot op ten aanzien van de moeder, welke een tweede huwelijk mogt hebben aangegaan. (B.W. 236, 373.)
372. Wanneer een huwelijk door echtscheiding is ontbonden, zal degene der echtgenooten, tegen wien de echtscheiding is uitgesproken, het vruchtgenot verliezen.
' Indien de echtscheiding tegen den vader is uitgesproken, treedt de moeder niet vroeger in het vruchtgenot dan na het overlijden van , den vader. (B.W. 277, 301 i, 373.)
373. In alle de gevallen waarin het vruchtgenot ophoudt of verloren wordt, heeft de kantonregter de bevoegdheid om aan de ouders, uit de inkomsten der kinderen, eene jaarlijksche uitkeering toe te leggen, ten einde, gedurende hunne minderjarigheid, tot bevordering hunner opvoeding te worden besteed. ') (B.W. 159, 370 v., 376, 854, 862 v.)
374. De vader of de moeder van natuurlijke en wettelijk erkende kinderen hebben geen vruchtgenot van de goederen, aan die kinderen toebehoorende. (B.W. 361, 383, 408«.)
DERDE AFDEELING.
Van de wederzijdsche verpligtingen tusschen de ouders of voorouders en de kinderen en verdere afkomelingen.
Art. 375. Een kind heeft geene regtsvordering tegen zijne ouders tot het bekomen van eenen gevestigden stand door huwelijks uitzet, of op eene andere wijze. (B.W. 159, 353, 1142.)
376. De kinderen zijn verpligt hunne ouders en andere bloedverwanten in de opgaande linie, wanneer zij behoeftig zijn, te onderhouden. (B.W. 366, 378 v., 384, 1318, 1332, 1465 no. 3.)
377. Schoonzoons en schoondochters moeten insgelijks, en in dezelfde gevallen, aan hunne schoonouders onderhoud verschaffen, doch deze verplichting houdt op:
1°. Wanneer de schoonmoeder tot een tweede huwelijk is overgegaan;
2°. Wanneer diegene der echtgenooten, door wien de zwagerschap bestond, en de kinderen, uit deszelfs huwelijks-ver-eeniging met den anderen echtgenoot gesproten, overleden zijn. (B.W. 162, 35-2, 378.)
378. De verpligtingen, welke uit de bepalingen der twee voorgaande artikelen voortvloeien, zijn wederkeerig. (B.W. 384.)
379. Het onderhoud zal worden geregeld naar evenredigheid der behoeften van dengenen, die hetzelve vordert, en het vermogen van dengenen, die tot dat onderhoud verpligt is. (B.W. 915.)
380. Wanneer hij die onderhoud geeft of ontvangt tot zoodani-
1) Zie aanteekening op art. 365.
Van de vaderlijke magt.
gen staat geraakt, dat de een hetzelve niet meer kan geven, of de andere hetzelve niet meer noodig heeft, hetzij geheel of gedeeltelijk, zal de ontheffing of vermindering daarvan kunnen gevorderd worden.
381. Wanneer degene, die tot het geven van onderhond verpligt is, hewijst buiten staat te zijn het geld, daartoe vereischt, op te brengen, kan de regthank, na onderzoek van zaken, bevelen dat hg dengenen, aan wien hij onderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het noodige voorzien. (B.W. 382.)
382. Wauneer de vader of de moeder aanbiedt om het kind, aan hetwelk zij onderhoud verschuldigd zijn, bij zich in huis te voeden en te onderhouden, zijn zij daardoor vrijgesteld van de gehoudenis om aan die verpligting op eene andere wijze te voldoen. (B.W. 159 v., 381.)
383. Natuurlijke en wettelijk erkende kinderen zijn onderhoud aan hunne ouders verschuldigd.
Deze verpligting is wederkeerig. (B.W. 335, 378, 914.)
384. Alle overeenkomsten, waarbij zoude worden afgezien van het regt om onderhoud te genieten, zijn nietig en van onwaarde. (A. 14; B.W. 914.)
ZESTIENDE TITEL.
Fa/i minderjarigheid en voogdij.
EERSTE AFDEELING.
Va?i de minderjarigheid.
Art. 385. Minderjarigen zijn de zoodanigen die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben bereikt, en niet vroeger in den echt zijn getreden.
Wanneer het huwelijk vóór hunnen vollen ouderdom van drie en twintig jaren is ontbonden, keeren zij niet tot den staat van minderjarigheid terug.
Minderjarigen welker ouders beiden, of een van beiden, zgn overleden, of beiden ontzet zyn van de vaderlijke magt, staan onder voogdij, op den voet en de wijze als bij de derde, vierde en vijfde afdeelingen van dezen titel is voorgeschreven. ') (B.W. 20, 45, 78, 80, 92,116, 285,353 v., 356, 361, 436, 473,478, 481 v, 518, 944, 951 v., 1053, 1092, 1119, 1482, 1484, 1714, 1835, 1949, 2010, 2024.)
TWEEDE AFDEELIKG.
Van de voogdij in het algemeen.
58
Art. 386. In iedere voogdij is slechts één voogd, behoudens de bepalingen van artikel 401, 406 en 418. (B.W. 409i, 421.)
1) Het Sde lid van art. 385 aldus gewijzigd bij art. 4 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93,
B. W. Boek I, Titel XV, 3, AT/, 1 en 2. Artt. 381â390. 59
387. Een ieder die niet, naar aanleiding van de achtste en van de negende afdeeling van dezen titel, van de voogdij is uitgesloten of verschoond, is verpligt dezelve aan te nemen.
Wanneer de benoemde voogd weigerachtig of in gebreke is de voogdij uit te oefenen, zal daarin door den kantonregter worden voorzien door de benoeming van eenen bewindvoerder, in de plaats en ten koste van den voogd.
In dat geval, is de voogd verantwoordelijk voor de verrigtingen van den bewindvoerder, behoudens zijn verhaal jegens laatstgemel-den. ') (B.W. 407, 424 v., 433, 436 v., 469,1401.)
388. Wanneer, naar aanleiding der bepalingen vau dezen en den volgenden titel, de tusschenkomst van bloedverwanten of aangehuw-den van den minderjarige vereischt wordt, zullen deze steeds ten ge-talle van vier worden opgeroepen, en uit de naaste, en zooveel mogelijk in de heide linien, worden gekozen.
Indien eenig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet verschijnt, kan de regter de verschijning gelasten van een ander bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verderen graad.
Die bloedverwanten of aangehuwden moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koningrijk woonachtig.
Wanneer zich geen genoegzaam getal bloedverwanten of aangehuwden binnen het koningrgk bevindt, is de regter slechts gehouden zoodanige te hooren, die binnen hetzelve woonachtig zijn. ^1) (B.W. 389 v., 414 v., 451, 454, 458 v., 461, 466, 476, 481c, 492.)
389. Telken reize wanneer de tegenwoordigheid, het zij van den toezienden voogd, het zij van bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, gevorderd wordt, zullen zij zich door eenen bij-zonderen gevolmagtigde kunnen laten vertegenwoordigen.
De gevolmagtigde zal slechts in den naam van één persoon kunnen optreden.
De regter kan gelasten, ds.t hij, die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon verschijne. '2) (B.W. 388, 481 e, 1830,1835.)
390. Alle voogden zijn verpligt, tot zekerheid van hun beheer, hypotheek te geven tot beloop eener aan het beheer der voogdij geëvenredigde geldsom.
Tot dat einde zal de kantonregter onverwijld, na verhoor van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aange-hnwden van den minderjarige, de hoegrootheid dier som bepalen, en daarbij acht slaan op den aard der goederen, den minderjarige toebehoorende, op derzei ver opbrengst en op de verantwoordelijkheid.
1
Artt. 388 en 389 aldus vastgesteld bij de wet van 15 November 1876, Stsbl. no. 195. Het 4de lid van art. 389 is afgeschaft bg art. 3cZ der wet van 15 April 1886, Stsbl. no. 64-; zie thans art. 445 Wetb v. Strafrecht.
Van minderjarigheid en voogdij.
â welke ten laste van den voogd uit het beheer dier goederen zoude kunnen voortvloeijen.
De kantonregter zal, hg het daarvan op te maken proces-verbaal, summiere opgaven doen van de onderscheidene geuite meeningen, en de redenen zijner beslissing vermelden. (B.W. 415.)
De uitspraak van den kantonregter zal door de zorg van den toe-zienden voogd, en op deszelfs verantwoordelijkheid, bij voorraad â worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande het beroep, waarvan in artikel 393 wordt gesproken. (B.W. 388 v., 391, 398 v., 421/;, 428, 506, 1195 no. 7, 1214, 1259.)
391. De kantonregter zal, ten verzoeke van den voogd, en na verboor van de hier-ooven aangeduide personen, kunnen bevelen dat de effecten aan toonder, aan den minderjarige toebehoorende, in de consignatie-kas in bewaring worden gegeven; in welk geval, de waarde dier effecten, bij het bepalen der hoegrootheid van de hypotheek, niet zal in aanmerking worden genomen. (B.W. 388 v., 429 v., 450.)
392. Indien de voogd, op bet oogenblik waarop hij verpligt is hypotheek te geven, geene of geene genoegzame goederen bezit, welke voor zoodanig verband vatbaar zijn, is hij gehouden aan zijne verpligting, voor het geheel of voor het ontbrekende, te voldoen, zoo dra bij goederen van dien aard verkregen heeft. (B.W. 428.)
393. De voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of aan-gehuwden, die tot het uiten van hun gevoelen gehoord zijn, kunnen tegen de uitspraak van den kantonregter, bij verzoekschrift, in beroep komen bij de arrondissements-regtbank, welke, na verhoor van het openbaar ministerie, en, des noods, van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aangehuwden, zonder verderen vorm van proces, hg uiterlijk gewijsde, de som zal bepalen, tot welker beloop de hypotheek zal moeten worden gegeven. (B.W. 481.)
394. Wanneer gedurende de voogdy de gegoedheid van den minderjarige merkelijk toeneemt, zal de kantonregter, na verhoor van de personen, bij artikel 390 vermeld, bevelen dat de hypotheek worde vergroot met eene door hem te bepalen som; behoudens het beroep, waarvan in het vorige artikel gesproken wordt. (B.W. 1222.)
De voogd zal vermindering van de hypotheek mogen vragen, indien buiten zijne schuld, gedurende zijn beheer, de gegoedheid van den minderjarige een aanmerkelijke vermindering heeft ondergaan.
395. Alle geschillen over de waarde der tot hypotheek aangeboden goederen, zullen door den kantonregter worden beslist, na verhoor der bij artikel 390 vermelde personen, en behoudens het beroep aan de arrondissements-regtbank, welke zal handelen zoo als bij artikel 393 is voorgeschreven. (B.W. 388 v.)
396. De hypotheek zal worden gesteld, het zij bij de akte der
60
B.W. Boek 7, Titel XVI, 2 en 3. Arlt. 391â403. 61
benoeming van den voogd of bij zijne eedsaflegging, het zij bij elke andere authentieke akte. (B.W. 399, 1217, 1231.)
397. De voogd zal het vermogen hebben om de hypotheek, waartoe hij verpligt is, of welke hij reeds mogt hebben gesteld, te vervangen, het zij door het stellen van hypotheek op de goederen van eenen derden daarin toestemmenden persoon, het zij door middel van, ten behoeve van den minderjarige, verbonden inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, berekend naar den koers van den dag. (B.W. 390.)
398. De waarborg houdt op, en de hypothecaire inschrijvingen of verbanden op het grootboek zullen, ten koste van den minderjarige, worden doorgehaald of opgeheven, zoo dra het beheer van den voogd geëindigd en, door het afleggen der rekening, de overgif-te der bescheiden en de betaling der slotsom, de verantwoordelijkheid is opgehouden. (B.W. 467, 471, 1239, 1253.)
399. üe akten tot het vestigen der inschrijvingen en der doorhalingen van de hypotheek, welke uit krachte dezer afdeeling zullen plaats hebben, zijn aan geene regten van registratie en hypotheek onderworpen, behoudens liet salaris van den bewaarder, hetwelk ten laste van den minderjarige valt.
DBKDE AFDEELING.
Van de voogdij van den vader en de moeder.
Art. 400. Na de ontbinding van het huwelijk, door den dood van een der eohtgenooten veroorzaakt, behoort de voogdij der minderjarige kinderen, van regtswege, aan den langstlevende dor onders. (B.W. 195, 284, 404, 423, 436 no. 3, 446 v.)
401. De vader kan desniettemin aan de langstlevende moeder eenen bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toestemming zij geene daad, de voogdij betreffende, zal kunnen verrigten, behoudens haar beklag aan de arrondissements-regtbank, wanneer zij vermeent dat de weigering van den raadsman de belangen der minderjarigen benadeelt.
Indien de vader bijzonderlijk de handelingen heeft vermeld, waartoe de raadsman benoemd is, zal de voogdesse het vermogen hebben om de verdere handelingen zonder zijnen bijstand te verrigten. (B.W. 195, 386.)
402. De benoeming van den raadsman geschiedt, het zg bij uiterste wilsbeschikking, het zij bij alle andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerigte akten. (B.W. 1905.)
403. Indien, na het overlijden van den man, de vrouw verklaart of, daartoe wettig opgeroepen, erkent zwanger te zijn, zal door den kantonregter een curator over de ongeboren vrucht worden be-
Van minderjarigheid en voogdij.
noemd, op de wijze als ten opzigte der benoeming van voogden is voorgeschreven.
Deze curator is verpligt alle noodige en dringende maatregelen in het werk te stellen, welke tot het behoud en beheer der goederen vereischt worden, en zulks zoowel ten bate van het kind, indien hetzelve levend ter wereld komt, als van alle andere belanghebbende personen.
VV anneer het kind levend ter wereld komt, wordt die curator van regtsvvege deszelfs toeziende voogd, ten ware reeds voor de andere kinderen een zoodanige toeziende voogd mogt bestaan. (B.W. 3, 413, 883, 946, 1716.)
404. De moeder is niet verpligt de voogdij aan te nemen; echter moet zij, in geval van weigering, de pligten van voogdesse waarnemen, en eenen anderen voogd doen benoemen; zij blijft verantwoordelijk tot op het tijdstip dat laatstgemelde de voogdij zal hebben aanvaard. (B.W. 400, 417, 422.)
405. Indien de moeder, voogdesse zijnde, tot een volgend huwelijk wil overgaan, zal zij, vóór het aangaan van dat huwelijk, zich tot den kantonregter moeten wenden, welke, na de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige te hebben geboord of behoorlijk opgeroepen, en behoudens beroep aan den hoogeren regter, zal beslissen of de moeder de voogdij zal kunnen behouden.
Wanneer zij in gebreke blijft aan dit voorschrift te voldoen, verliest zij van regtswege de voogdij, en haar man is hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk wegens alle gevolgen der voogdij, welke zijne vrouw onbevoegdelijk behouden heeft.
Het verlies der voogdg, in voege voorschreven, belet niet dat de moeder, zoo daartoe gronden zijn, door den kantonregter als voogdesse kan worden aangesteld, met inachtnemiug van de voorschriften der vijfde afdeeling van dezen titel. (B.W. 386, 406, 411, 413, 1314 v.)
406. Wanneer de moeder in de voogdij bevestigd, of op nieuw als voogdesse benoemd is, wordt haar man van regtswege medevoogd, en benevens zijne vrouw hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk wegens alle handelingen, na het aangaan des huwelijks ver-rigt; alJes behoudens de bepalingen van artikel 401.
De mede-voogdij van den man vervalt, zoo dra de vrouw ophoudt voogdesse te zijn.
De voogdij van de vrouw vervalt, indien de mede-voogd tot de voogdij onbevoegd is, of daarvan ontzet wordt, ten ware de ontzetting geschied zij ter zake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij.
Bij ontbinding van liet tweede huwelijk treedt de moeder in de voogdij terug. (B.W. 405, 412, 436 v., 467, 470, 472, 1314 v.)
407. De vader of de moeder, alvorens een nieuw huwelijk aan te gaan, is verpligt aan den toezienden voogd der minderjarigen aan
62
B.IV. Boek /, Titel XVI, 3, 4 en 5. Artt. 404â413. 63
te bieden eenen behoorlijken staat der goederen, welke het vermogen van den minderjarige uitmaken.
Wanneer de vader of de moeder in gebreke blijft om, voor het aangaan van het huwelijk, aan dit voorsclirift te voldoen, verliest dezelve de voogdij, en zal er een andere voogd benoemd worden. (B.W. 411, 417, 438.)
408. De vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, heeft de voogdij zijner, of barer natuurlijke wettelijk erkende kinderen.
Bij minderjarigheid van den vader of de moeder, wordt inmiddels door den kantonregter in de voogdij voorzien. (B.W. 335, 420.)
VIERDE AFDEEL1NG.
Van de voogdij, door den vader of de moeder opgedragen.
Art. 409. De langstlevende der ouders alleen heeft het regt om eenen voogd over zijne minderjarige kinderen te benoemen.
Hij zal zelfs verscheidene personen kunnen benoemen, ten einde, bij ontstentenis, elkander in de voogdij op te volgen. (B.W. 195, 412, 423.)
410. De benoeming van den voogd geschiedt hg uiterste wilsbeschikking, of bij elke andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerigte akte. (B.W. 469, 978, 1905.)
411. Wanneer de moeder hertrouwd zijnde niet in de voogdij is gehandhaafd, of niet op nieuw als voogdesse is benoemd; of, wanneer de vader of de moeder, naar aanleiding van artikel 407, van de voogdij is uitgesloten, zijn zij onbevoegd om eenen voogd over hunne minderjarige kinderen te benoemen. (B.W. 405.)
412. Wanneer de moeder hertrouwd is, en, in de voogdij gebleven zijnde, eenen voogd over de kinderen van haar eerder huwelijk benoemd heeft, zal die benoeming niet van waarde zijn, voordat die door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, zal zija bekrachtigd. (B.W. 388 v., 405 v., 409.)
VIJFDE AÃDEELING.
Van de voogdij door den kantonregter opgedragen.
Art. 413. Indien een minderjarig kind overblijft, zonder vader, moeder, of voogd door den vader of de moeder benoemd, gelijk ook wanneer de voogd, eene der opgenoemde betrekkingen hebbende, zich in het geval van uitsluiting of vrijstelling bevindt, alsmede wanneer beide ouders ontzet zijn van de vaderlijke magt, zal in
fra7i minderjarigheid en voogdij.
de voogdij door den kantonregter worden voorzien. â¢) (B.W. 95, 315, 400, 403, 409, 415, 418, 433, 436 v., 507, 553 v.)
414. De kantonregter zal te dien einde doen oproepen de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, ten einde te za-men te worden geraadpleegd over den persoon, wiens benoeming het meest met de belangen van den minderjarige zoude strooken.
Hij zal daarvan een proces-verbaal opmaken, bevattende de verschillende gevoelens der verschijnende personen, en voorts dadelijk den voogd benoemen. (B.W. 388 v., 424.)
De, ingevolge art. 388, tweede lid, en art. 389, derde lid, opgeroepen bloedverwant of aangehuwde kan ook afzonderlijk worden gehoord. -)
415. Wanneer de kantonregter den persoon benoemt, welke door de meerderheid der leden van de familie is aangeduid, zal de benoeming dadelijk van kracht zijn.
Indien daarentegen de keus op eenen anderen persoon valt dan die door de meerderheid is opgegeven, zal de kantonregter, wanneer de eene of andere der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden zulks vordert, verpligt zijn het proces-verbaal onverwijld aan de arrondissements-regtbank in te zenden, welke, na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde nabestaanden, de benoeming zal moeten goedkeuren, of wel definitievelijk eenen voogd aanstellen. (B.W. 390c, 396, 413.)
416. Wanneer geene bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige binnen het koningrijk aanwezig zijn, of ook wel, wanneer geen der nabestaanden, behoorlijk opgeroepen, verschijnt, zal de kantonregter alleen tot de keus van den voogd overgaan.
Indien de opgeroepen nabestaanden slechts gedeeltelijk zijn opgekomen, zal de benoeming plaats hebben, na verhoor der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden. (B.W. 388 v.)
417. De benoeming van eenen voogd geschiedt op het verzoek van de bloedverwanten van den minderjarige, van zijne schuld-eischers, of andere belanghebbende partijen, of zelfs ambtshalve door den kantonregter der woonplaats van den minderjarige.
De ambtenaar van den burgerlijken stand zal verpligt zijn den kantonregter kennis te geven van het overigden van alle personen, welke minderjarigen mogten nalaten; en van alle tweede en volgende huwelijken van ouders, die minderjarige kinderen hebben. (B.W. 78, 404, 419, 431, 446.)
64
418. Indien de minderjarige, binnen het koningrijk gevestigd zijnde, goederen in eene of meerdere koloniën bezit, zal het beheer over die goederen aan eenen bewindvoerder in iedere kolonie, op verzoek van den voogd, kunnen worden toevertrouwd.
1) Art. 413 aldus gewijzigd by art. 5 der wei van 26 April 1884, Stsbl. no. 93. 3) Art. 414 aldus vastgesteld by de wet van 15 Nov. 1876, Stsbl. no. 195.
B. W. Boek I, Titel XVI, 5, 6 en 7. Artt. 414â424. 65
In dat geval, is de voogd wegens de verrigtingen van dien bewindvoerder niet verantwoordelijk.
De bewindvoerder wordt op dezelfde wijze als de voogd gekozen. (B.W. 386, 413, 419, 446/5.)
419. De voogd zal de voogdij moeten aanvaarden op den dag zijner benoeming, wanneer die in zijne tegenwoordigheid heeft plaats gehad, of anderzins op den dag waarop de benoeming aan hem zal zijn beteekend geworden.
Hij is verpligt, vóór het aanvaarden der voogdij, in handen van den kantonregter den eed af te leggen, dat hij de aan hem toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen. (B.W. 424, 426, 435.)
420. In de voogdij over natuurlijke kinderen wordt door den kantonregter, zonder eenig voorafgaand verhoor, voorzien. (B.W. 335, 408, 414, 554.)
ZESDE AFDEEL1NG.
Van de voogdij van kinderen, welke in eenig gesticht zijn
Art. 421. Minderjarigen, die in eenig gesticht van weldadigheid zijn opgenomen, verblijven, zoo lang zij zich daarin bevinden, of daartoe behooren, onder de voogdij van de regenten van dat gesticht.
Deze zijn van het stellen van zekerheid vrijgesteld. (B.W. 95, 98, 390, 422, 436 no. 3.)
ZEVENDE Al'DEBLING.
Art. 422. In elke voogdij, met uitzondering van degene waarover by het vorige artikel wordt gehandeld, zal een toeziende voogd door den kantonregter worden benoemd, op de wijze als bij de vijfde afdeeling van dezen titel is voorgeschreven. (B.W. 4U3c, 406, 413, 421 v., 436.)
423. De voogden, welke in de derde en vierde afdeeling van dezen titel zijn aangeduid, zijn verpligt, alvorens de voogdij te aanvaarden, eenen toezienden voogd te doen benoemen; by gebreke van dien, kunnen zij uit de voogdij worden ontzet, onverminderd de schadevergoedingen aan den minderjarige toekomende. (B.W. 400, 409 v., 422, 437 v.)
424. Wanneer de voogdij door den kantonregter is opgedragen, zal de benoeming van den toezienden voogd onmiddellijk na die van den voogd plaats hebben, en bij eene en dezelfde akte geschieden. (B.W. 387, 413 v., 419.)
BURG. WETB. 5
6f) Van minderjarigheid en voogdij.
425. Indien de toeziende voogd, niet van de voogdg zijnde uitgesloten, of wettig verschoond, mogt in gebreke blijven zijne betrekking te aanvaarden, zal hij, ten zijnen koste, en onverminderd zijne gehoudenis tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den minderjarige, door eenen anderen persoon, op de wijze bij artikel 387 voorgeschreven, worden vervangen; onverlet zijn verhaal op laatstgemelden. (B.W. 434- v., 1401 v.)
426. De toeziende voogd zal, alvorens zijne werkzaamheden aan te vangen, in handen van den kantonregter den eed moeten afleggen, dat hij zijnen pligt deugdelijk en getrouwelijk zal waarnemen. (B.W, 4194.)
427. De verpligtingen van den toezienden voogd bestaan in het waarnemen der belangen van den minderjarige, wanneer dezelve met die van den voogd in tweestrijd zijn. (B.W. 182, 393, 430, 438 v., 444, 450, 453, 466.)
428. Hij is, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verpligt toe te zien dat de voogd aan zijne verpligting voldoe door het stellen van hypotheek, of door dezelve, zoo daartoe termen zijn, aan te vullen, overeenkomstig artikel 390 en volgende van dezen titel, mitsgaders dat de hypotheek behoorlijk worde ingeschreven.
Hij is insgelijks, en op dezelfde straffe, gehouden den voogd te noodzaken tot het maken van inventaris of boedelbeschrijving, in alle de nalatenschappen, welke aan den minderjarige zijn opgekomen. (B.W. 439, 444, 459«, 1070 v., 1224 v., 1401 v.)
429. Hij zal van den voogd (behalve vader en moeder) om de twee jaren eene summiere rekening en verantwoording vorderen, en zich doen vertoonen de effecten en bescheiden, aan den minderjarige toebehoorende.
Deze summiere rekening zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en overgegeven zonder eenige kosten, noch geregtelijken vorm. (B.W. 391, 437 no. 3, 450, 467.)
430. Wanneer de voogd weigerachtig is om aan het voorschrift van het vorige artikel te voldoen, of wanneer de toeziende voogd in die summiere rekening sporen van ontrouw of grove nalatigheid ontdekt, zal hij de afzetting van den voogd moeten vorderen.
Hij zal die afzetting insgelijks moeten verzoeken in alle andere gevallen bij de wet bepaald. (B.W. 437 v.)
431. Wanneer de voogdij opengevallen of door de afwezigheid van den voogd verlaten is, zal de toeziende voogd, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, de benoeming van eenen nieuwen voogd moeten doen bewerkstelligen, en verpligt zijn inmiddels alle zoodanige daden van voogdij te verrigten, welke geen uitstel kunnen lijden. (B.W. 417, 519, 1401 v.)
432. De bediening van toezienden voogd eindigt op hetzelfde tijdstip als de voogdij. (B.W. 385, 468, 473.)
B.W. Boek Æ, Titel XVI, 7 en 8. Artt. 425â435.
ACHTSTE APDEELING.
Van de redenen die van de voogdij en de toeziende voogdij verschoonen.
Art. 433. Geen persoon, welke den minderjarige niet als bloedverwant of aangehuwde bestaat, kan genoodzaakt worden de voogdij of toeziende voogdij te aanvaarden, wanneer zich binnen het ressort van de arrondissements-regtbank alwaar dezelve is opgedragen, bloedverwanten of aangehuwden bevinden, welke in staat zijn de voogdij of toeziende voogdij uit te oefenen. (B.W. 345, 387, 425, 515.)
434. Van de voogdij en de toeziende voogdij kunnen zich verschoonen :
1°. Zij, die zich in dienst van den staat buiten 's lands bevinden ;
2°. Krijgslieden in werkelijken land- of zeedienst;
3°. Zij, die buiten hunne provincie met openbare ambten bekleed zijn, of ook wel dezulken, die ter oorzake van die ambten verpligt zijn zich op bepaalde tijdstippen buiten de provincie te begeven;
De personen, bij de drie vorige nommers vermeld, kunnen zich van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan, indien de daarbij vermelde redenen van verschooning na hunne benoeming zijn ontstaan;
4°. Zij, die den vollen ouderdom van zestig jaren hebben bereikt; wanneer zij vroeger benoemd zijn, kunnen zij zich op hun vijf en zestigste jaar van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan;
5°. Zij, die door eene zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld zijn;
Deze kunnen hun ontslag verzoeken, wanneer de ziekelijkheid of het ongemak, na hunne benoeming als voogd of toeziende voogd, is ontstaan;
6°. Zij, die, kinderloos zijnde, met twee voogdijen of toeziende voogdijen belast zijn;
7°. Zij, die, een of meer kinderen hebbende, met ééne voogdij of toeziende voogdij zijn belast;
8°. Zij, die op den dag hunner benoeming vijf wettige kinderen hebben, daaronder begrepen die, welke in den krijgsdienst van het koningrijk gestorven zijn.
De vader kan, om geene der redenen hier-boven vermeld, zich van de voogdij over zijne eigene kinderen doen ontslaan. (B.W. 404, 413, 435, 515.)
435. Hij die van eene voogdij of toeziende voogdij wenscht ontslagen te worden, is, op straffe van het verlies zijner bevoegdheid
67
5*
08 Van minderjarigheid en voogdij.
daartoe, verpligt zich bij verzoekschriften ten zijnen koste, tot de arrondissements-regtbank te wenden, en zulks binnen den tijd van acht dagen, te rekenen van den dag zijner benoeming, wanneer hij daarbij is tegenwoordig geweest, of wel van de gedane beteekening, en zal de regtbank zonder vorm van proces, en behoudens beroep aan den hoogeren regter, de voorgedragene redenen van verschooning aannemelijk verklaren of wel verwerpen.
Niettegenstaande het aanvoeren van redenen tot verschooning, is de voogd of de toeziende voogd verpligt bij voorraad de voogdij of toeziende voogdij waar te nemen, tot dat deswege definitievelijk zal zijn beslist. (B.W. 404, 419, 425.)
NEGENDE APDEELING.
Van de bevoegdheid tot, de uitsluiting en afzetting van en de tijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij. ')
Art, 436. Tot de voogdij of toeziende voogdij zijn onbevoegd:
1°. Minderjarigen;
2°. Zij, die onder curatele zijn gesteld;
3quot;. Vrouwen, behalve de moeder;
4°. Allen, die in persoon, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen, tegen den minderjarige een regtsgeding voeren, waarin de staat van den minderjarige, zijn fortuin of een aanmerkelijk gedeelte zijner goederen betrokken is. (B.W. 885, 404, 413, 487 v., 1366.)
437. Van de voogdg of toeziende voogdij zijn uitgesloten, en kunnen zelfs worden ontzet, wanneer zij reeds werkzaam zijn:
1°. Zij, die tot eene onteerende straf zijn veroordeeld;
2°. Zrj, die een bekend slecht levensgedrag houden;
3°. Zij, die in de waarneming der voogdij of toeziende voogdij onbekwaamheid of ontrouw aan den dag leggen;
4°. Zij, die van eene andere voogdij of toeziende voogdij zijn ontzet geworden;
5°. Zij, die in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren. (B.W. 413, 423, 430, 438, 440 v.)
438. De afzetting van eenen voogd geschiedt behoudens hooger beroep, door de arrondissements-regtbank, op verzoek van den toe-zienden voogd, of van een der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige tot den vierden graad ingesloten, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie.
De regtbank, alvorens uitspraak te doen, is in alle gevallen ver-
1) Het opschrift van deze negende afdeeling aldus vastgesteld by art. 6 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
B. W. Boek I, Titel XF1, 8, 9 en 10. Artt. é36â441. 69
pligt den voogd en den toezienden voogd te hooren, wanneer laatst-gemelde niet zelf de afzetting heeft verzocht.
In het vonnis, waarbij de voogd wordt afgezet, zal hij tevens worden veroordeeld om rekening en verantwoording van zijn beheer aan zijnen opvolger te doen. (B.W. 427, 430, 467.)
439. De afzetting van den toezienden voogd geschiedt door dezelfde regtbank, en behoudens hetzelfde beroep, op verzoek van den voogd, of van een der bloedverwanten of aangehuwden, bij het vorige artikel omschreven, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie; iu allen gevalle, na verhoor van den toezienden voogd. (B.W. 427 v., 438.)
440. Het staat aan de arrondissements-regtbank vrij om, wanneer daartoe dringende redenen mogten bestaan, hangende het geding, den voogd, of den toezienden voogd, in de uitoefening zijner werkzaamheden te schorsen, en in het beheer der voogdij of der toeziende voogdg voorloopig te voorzien. (B.W. 387, 425.)
440». Indien de voogd of toeziende voogd tot eene vrijheidsstraf van meer dan één jaar wordt veroordeeld, of zich ter zake van zoodanige veroordeeling tijdens het bekomen der voogdij of toeziende voogdy in verzekerde bewaring bevindt, kan de arrondissements-regtbank tijdelijk in de uitoefening zijner werkzaamheden voorzien door de benoeming van een plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd.
De bepalingen van de artikelen 438 en 439 betreffende de afzetting zijn op deze tijdelijke voorziening toepasselijk, behoudens dat de voorziening ook op eigen verzoek van den voogd of toezienden voogd kan geschieden.
De bepalingen van de achtste afdeeling van dezen titel zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd van toepassing.
Geraakt de benoemde plaatsvervangende voogd of toeziende voogd zelf in het geval bij het eerste lid voorzien, dan kan de arrondissements-regtbank hem op gelijke wij ze door een ander vervangen.
Het beheer van den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd eindigt van regtswege met de invrijheidsstelling van hem, wien hij vervangt.
De bepalingen der wet betreffende de regten en verpligtingen van voogden en toeziende voogden zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd toepasselijk. ')
TIENDE AFDEELING.
Van hel toezigl van den voogd over den persoon des minderjarigen.
Art. 441. De voogd zal voor den persoon van den minderjarige
1) Artikel 440a is ingevoegd bij art. 6 der wet van 36 April 1884, Stsbl. no. 93.
Van minderjarigheid en voogdij.
zorg dragen, en denzelven in alle burgerlijke handelingen vertegenwoordigen.
De minderjarige is aan zijnen voogd eerbied verschuldigd. (B.W. 353a, 418, 446, 457, 951, 1366, 1388, 1483 v., 1835.)
442. Wanneer de voogd zwaarwigtige redenen van misnoegen heeft over het gedrag van den minderjarige, zal hg diens opsluiting kunnen verzoeken, met inachtneming van hetgeen te dien opzigte bij den vorigen titel is vastgeld.
De regtbank kan in de opsluiting niet bewilligen dat na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige. (B.W. 357 v.)
ELFDE AFDEELISG.
Van het beslmir van den voogd.
Art. 443. De voogd moet de goederen van den minderjarige als een goed huisvader besturen, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen die uit zijn slecht beheer zouden kunnen voortvloeijen.
Indien aan den minderjarige, hetzij bij akte onder de levenden, het zij bij eene uiterste wilsbeschikking, goederen zijn geschonken of gemaakt, en het bewind daarover aan een of meerder daartoe aan-
festelde bewindvoerders is opgedragen, zijn de bepalingen omtrent en vader, in artikelestelde bewindvoerders is opgedragen, zijn de bepalingen omtrent en vader, in artikel 362 voorkomende, op den voogd toepasselijk. (B.W. 449, 458, 472, 1388.)
444. De voogd zal, binnen tien dagen nadat hij de voogdij heeft aanvaard, de ontzegeling vorderen, indien de verzegeling heeft plaats gehad; en dadelijk, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, overgaan of doen overgaan tot het inventariseren der goederen van den minderjarige.
De inventaris of boedelbeschrijving zal ook onderhands kunnen worden opgemaakt, en door den voogd en toezienden voogd moeten worden onderteekend; in alle gevallen, zal de deugdelijkheid daarvan door den voogd onder eede, ten overstaan van den kantonreg-ter, moeten bevestigd worden; wanneer de inventaris onderhands is opgemaakt, zal dezelve ter griffie van den kantonregter moeten worden overgebragt. (B.W. 427; R.V. 669 v., 678 v.)
445. Indien de minderjarige iets aan den voogd verschuldigd is, zal deze zulks bij den inventaris moeten opgeven; bij gebreke van die opgave, kan de voogd hetgeen aan hem mogt verschuldigd zijn niet vorderen, voordat de minderjarige meerderjarig geworden zal zijn; hij zal bovendien verliezen de achterstallige renten en interessen der hoofdsom, vervallen sedert het opmaken van den inventaris tot op het tijdstip dat de minderjarige zal zijn meerdeijarig geworden; behou-
70
B.W. Boek 1, Titel XVl, 10 en 11. Ar tl. 442â448. 71
dens echter dat gedurende dat tusschenvak de verjaring tegen den voogd niet zal loopen. (B.W. 2023 v.)
446. Bij het aanvaarden van elke voogdij, met uitzondering van die, welke door den vader of de moeder gevoerd wordt, zal de kan-tonregter, na verhoor van den toezienden voogd, en na oproeping der bloedverwanten of aangehnwden van den mindeijarige, bij raming, en naar gelang der goederen die bestuurd moeten worden, het beloop der som bepalen, welke de minderjarige jaarlijks zal kunnen verteren, gelijk mede de kosten welke op het beheer der goederen kunnen vallen; alles behoudens het beroep aan de arrondissements-regtbank, indien de kantonregter zich niet met de meening van het meerendeel der verschenen nabestaanden vereenigd heeft.
Bij dezelfde akte zal ook worden bepaald, of de voogd gemagtigd is om zich in zijn beheer te bedienen van eenen of meer bijzondere loontrekkende bewindvoerders, onder zijne verantwoordelijkheid de zaken waarnemende. (B.W. 388 v., 418, 441.)
447. De voogd is verpligt alle de meubelen of huisraad, die den minderjarige bij de opening der voogdij, of gedurende derzelver loop, te beurt vallen, mitsgaders de roerende goederen welke geene vruchten, inkomsten of voordeden opleveren, te doen verkoopen, met uitzondering van de zoodanige welke, met bewilliging van den kantonregter, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd, mitsgaders van de bloedverwanten of aangehnwden van den minderjarige, in natura mogen bewaard blijven.
Die verkoop moet geschieden in het openbaar en door eenen bevoegden ambtenaar, met inachtneming der plaatselijke gebruiken, ten ware de kantonregter, na verhoor of oproeping als voren, mogt bevelen dat deze of gene bepaaldelijk aan te wijzen voorwerpen, in het belang van den minderjarige, onder de hand worden verkocht, voor of boven den prijs, waarop dezelve door daartoe te benoemen deskundigen mogten geschat zijn.
De kantonregter kan ook, na hetzelfde verhoor, den openbaren of onderhandschen verkoop toestaan van roerende goederen, welke, naar aanleiding van het eerste lid van dit artikel, in natura bewaard zijn, indien het belang van den minderjarige zulks vordert.
Koopmanschappen kunnen door den voogd onder de hand, door middel van makelaars, tegen den koers, en vruchten van landgoederen, ter markte of anderzins, tegen den marktprijs worden verkocht. ') (B.W. 388 v., 448, 567â569, 571,1036,1059; R.V. 684 v.)
448. De vader en de moeder, voor zoo verre zij het wettelijk vruchtgenot hebben van de goederen aan den minderjarige toebe-hoorende, zijn vrijgesteld van de verpligting om de meubelen of andere roerende goederen te verkoopen, zoo zij verkiezen dezelve te bewaren, ten einde die naderhand in natura terug te geven.
1) Zie aanteekening op art. 365.
Van minderjarigheid en voogdij.
In dat geval, zullen zij, ten hunnen koste, die goederen naar der-zelver opregte waarde doen schatten door eenen deskundige, die dooiden toezienden voogd zal worden benoemd, en bij den kantonregter den eed zal afleggen. Zij zullen de begroote waarde van zoodanige goederen moeten opleggen, welke zij niet in nalura mogten kunnen opleveren. (B.W. 366, 447.)
449. De voogden zijn verpligt hetgeen van de inkomsten, na aftrek der verteering overschiet, te beleggen, zoodra het batig slot het vierde gedeelte der gewone inkomsten van den minderjarige te boven gaat.
Zij mogen de penningen van den mindeijarige op geene andere wijze beleggen, dan door den aankoop van inschrijvingen op het grootboek der werkelijke schuld van dit koningrijk, van onroerende goederen of in rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaarde waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt.
Wanneer de voogden gedurende den tijd van één jaar zijn in gebreke gebleven om eenige geldsommen, overeenkomstig het voorschrift van dit artikel, te beleggen, zijn zij daarvan de wettelijke interessen verschuldigd. (B.W. 443, 1286, 1804.)
450. Indien zich onder de goederen van den minderjarige bevinden certificaten van de nationale schuld, zijn de voogden verpligt de overschrijving daarvan op het grootboek, ten name van den minderjarige, te doen bewerkstelligen.
De toeziende voogd zal voor de uitvoering van dezen maatregel moeten zorg dragen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 391, 427, 429, 449.)
451. De voogd zal ten behoeve van den minderjarige geen geld mogen opnemen, noch diens onroerende goederen vervreemden of verpanden, noch deszelfs effecten, schuldvorderingen en actiën ver-koopen of overdragen, zonder daartoe door den kantonregter te zijn
femagtigd. De kantonregter zal deze magt niet verleenen, dan uit oofde eener volstrekte noodzakelijkheid of van een klaarblijkelijk voordeel, en na verhoor of na behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, (mitsgaders op de conclusiën van het openbaar ministerie). ') (B.W. 364, 388, 429, 455 v., 479, 1216, 1366 v., 1484; R.V. 324 no. 6, 690 v.)emagtigd. De kantonregter zal deze magt niet verleenen, dan uit oofde eener volstrekte noodzakelijkheid of van een klaarblijkelijk voordeel, en na verhoor of na behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, (mitsgaders op de conclusiën van het openbaar ministerie). ') (B.W. 364, 388, 429, 455 v., 479, 1216, 1366 v., 1484; R.V. 324 no. 6, 690 v.)
452. In geval van verkoop van onroerende goederen, zal de voogd bij zijn verzoekschrift moeten overleggen eenen staat van alle de goederen van den minderjarige, met opgave van de zoodanige welke hij zoude wenschen te vervreemden.
72
De kantonregter is bevoegd om den verkoop toe te staan, het zij van de aangewezen goederen, bet zij van zoodanige andere.
1) Zie aanteekening op art. 365.
B. W. Boek I, Titel XVI, 11. Artt. 449â458. 73
wier vervreemding aan hem min bezwarend in het belang des minderjarigen mogt toeschijnen. ') (B.W. 479.)
453. De verkoop moet geschieden in het openbaar, ten overstaan van den toezienden voogd, door middel van eenen bevoegden ambtenaar, en volgens de plaatselijke gebruiken. (A. 3; B.W. 388, 427: R.V. 690 v.)
454. De kantonregter is bevoegd om, in buitengewone gevallen, en wanneer het belang van eenen minderjarige zulks vordert, verlof te verleenen tot den onderhandsclien verkoop van een onroerend goed.
Dat verlof zal echter niet worden toegestaan, dan op een met redenen bekleed verzoek van den voogd, en met eenparig goedvinden van den toezienden voogd, en van de bloedverwanten of aangehuw-den van den minderjarige.
Indien de opgeroepen bloedverwanten of aangehuwden niet allen verschenen, zal het eenparig goedvinden van degenen die opkomen voldoende zijn.
Het onroerend goed zal voor geenen lageren prijs mogen worden verkocht, dan waarop hetzelve, vóór het verleend verlof, zal zgn geschat geworden door drie deskundigen, door den kantonregter te benoemen. ') (B.W. 388 v., 455 v.; R.V. 691.)
455. De formaliteiten, bij artikel 451 voorgeschreven, zijn niet toepasselijk, wanneer bij een vonnis, op verzoek van een der medeeigenaars van een onverdeeld stuk goed, de verkoop bevolen mogt
i zijn, behoudens echter dat die verkoop steeds in het openbaar zal moeten geschieden. (R.V. 690 v.)
456. Indien de kantonregter, naar aanleiding van artikel 451, verlof verleent tot den verkoop van effecten, aan den minderjarige
i toebehoorende, kan hg tevens bepalen dat die verkoop onder de hand, door middel van makelaars, geschiede, mits de effecten van dien aard zijn dat derzelver waarde, op den dag des verkoops, door gewone prijscouranten kan worden aangetoond. ') (B.W. 454; K. 62.)
457. De voogd vermag geen onroerend goed van den minderjarige op eene andere wijze dan in de openbare veiling te koopen.
i In dat geval, zal de koop echter niet van kracht zijn, dan ten gevolge der goedkeuring van den kantonregter, verleend overeenkomstig de voorschriften en onder de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van artikel 454. ') (B.W. 1506«, 15964.)
458. De voogd vermag de goederen van den minderjarige niet voor zich zeiven te huren of in pacht te nemen, tenzij de voorwaarden door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, mitsgaders van den toezienden voogd, zullen zijn goedgekeurd; in welk
1) Zie aauteekening op art. 365.
Van minderjarigheid en voogdij.
geval, laatstgemelde bevoegd is om de overeenkomst met den voogd te sluiten.
Hij vermag, zonder dezelfde goedkeuring, geene opdragt aan te nemen van regten of schuldvorderingen jegens den onder zijne voogdij staanden persoon. (B.W. 388, 443, 668, 1569 v., 1584.)
459. De voogd vermag eene erfenis, aan den minderjarige opgekomen, niet anders te aanvaarden dan onder het voorregt van boe-delbesohrij ving.
Hij vermag geene erfenis te verwerpen, zonder daBrtoe, op de wijze bij artikel 451 vermeld, verlof bekomen te hebben. ') (B.W. 428, 444, 484, 1070, 1103, 1484.)
460. Hetzelfde verlof wordt vereischt tot het aannemen eener gift aan eenen minderjarige gedaan; zij zal ten opzigte van den minderjarige dezelfde gevolgen hebben als ten opzigte van een meerderjarig persoon. ') (B.W. 1484, 1714, 1722.)
461. Alvorens eene regtsvordering voor den minderjarige in te stellen, of zich op eene regtsvordering, tegen denzelven ingesteld, te verdedigen, kan de voogd, te zijner verantwoording, zich daartoe doen magtigen door den kantonregter, die daarop het gevoelen der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, en van den toezienden voogd, inneemt.
De voogd die, niet voorzien van dit verlof, eene regtsvordering heeft ingesteld, of zich daartegen verdedigt, kan door den regter tot de betaling der proces-kosten uit eigene beurs worden verwezen, indien wordt bevonden dat hij zonder redelijken grond het regtsgeding aangevangen of volgehouden heeft; onverminderd zijne gehoudenheid tot verdere vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
Hetzelfde kan plaats hebben, indien mog'; blijken dat de voogd door valsche voorgevens, of verberging der waarheid, zoodanig verlof mogt hebben verkregen. (B.W. 388, 462 v., 1484.)
462. Het staat aan den voogd niet vrij in eene regtsvordering, tegen den minderjarige ingesteld, te berusten, zonder daartoe ge-magtigd te zijn door den kantonregter, op de wijze als in den aanvang van het vorige artikel is vermeld. (B.W. 461.)
463. Hetzelfde verlof wordt vereischt, wanneer de voogd eene scheiding of verdeeling wil vragen; doch kan hij, zonder dat verlof, antwoorden op eenen eiscli tot scheiding of verdeeling tegen den minderjarige gedaan. (B.W. 461, 1112.)
74
464. De regelen, welke ten opzigte der scheiding en verdeeling van goederen, waarbij minderjarigen belang hebben, zullen moeten worden in acht genomen, zijn bepaald bij den zestienden titel van het tweede boek, handelende van boedelscheiding. (B.W. 459, 1119 v., 1484.)
1) Volgens art. 1 der wet van 18 April 1874, Stsbl. no. 68, is het gewyzigde art. 451 van toepassing.
B.W. Boek I, Titel XVI, 11 en 12. Artt. 459â469. 75
465. De voogd kan, zonder het verlof waarvan bij artikel 451 wordt gesproken, in den naam van den minderjarige geene dading aangaan, noch de beslissing van eene zaak aan scheidsmannen opdragen. ') (B.W. 1484, 1888; R.V. 620 v.)
466. Indien de vader of de moeder met den vooroverleden echtgenoot in algeheele of in beperkte gemeenschap is getrouwd geweest, kan dezelve, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden, mitsgaders van den toezienden voogd, (en op de conclusiën van het openbaar ministerie), door den kan-tonregter worden gemagtigd om de goederen, de nering, het bedrijf, den handel, de fahrijk of dergelijke, gedurende eenen bepaalden tijd, en zelfs tot de meerderjarigheid, in gemeenschap met de minderjarigen, te mogen aanhouden.
Dit verlof kan niet worden toegestaan, tenzij aan den kanton-regter, na inzage van de boedelbeschrijving, zij gebleken van het aanmerkelijk belang der minderjarigen, en van den waarborg, dien de voogd of de voogdesse oplevert. Hetzelve zal, op verzoek van den voogd, of van den toezienden voogd, na verhoor als voren, kunnen worden ingetrokken. 1) (B.W. 182, 210, 388 v., 427.)
TWAALFDE AÃDEELING.
Van de rekening en verantwoording der voogdij.
Art. 467. Elke voogd is, bij het eindigen van zijn beheer, ver-pligt tot het doen van eene slotrekening en verantwoording. (B.W. 398, 429, 438.)
468. Die rekening en verantwoording zal gedaan worden ten koste van den minderjarige, zoodra deze zijne meerderjarigheid heeft bereikt, of aan zgne erfgenamen, zoodra de minderjarige is overleden, of aan den vader of de moeder, zoodra deze weder de vaderlijke magt kan uitoefenen. 2)
De voogd zal de kosten daartoe voorschieten.
Men zal daarin aan den voogd goeddoen alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk geregtvaardigde uitgaven. (B.W. 473; R.V. 771 v.)
469. De voogd vermag ten zijnen eigen bate geene Som als loon in rekening te brengen.
Hij mag nogtans het loon ontvangen, hetwelk hem bij uiterste wilsbeschikking, of bij de in artikel 410 vermelde authentieke akte, mogt zijn toegelegd. (B.W. 387, 4464.)
1
Zie aanteekening op art. 365; bij art. 1 der wet van 18 April 1874, Stsbl. no. 68, is voorts het 3de lid van art. 466 ingetrokken.
2
Het 1ste lid van art. 468 aldus gewyzigd by art. 7 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
Van minderjarigheid en voogdij.
470. Elke overeenkomst, rakende de voogdij of de voogdij-rekening, welke tusschen den voogd en den minderjarige, meerderjarig geworden zijnde, mogt plaats hebben, is nietig en van onwaarde, wanneer dezelve niet is voorafgegaan van eene behoorlijke rekening en verantwoording, met overlegging der noodige bewijsstukken; van welk alles zal moeten blijken door eene schriftelijke erkentenis van dengenen aan wien de rekening gedaan is, ten minste tien dagen vóór de overeenkomst afgegeven, (xx. 14; B.W. 951, 1889, 1953.)
471. Het slot van rekening, door den voogd verschuMigd, zal, zonder dat zulks geëischt worde, renten dragen van den dag af dat de rekening gesloten is.
De renten van hetgeen de minderjarige aan den voogd schuldig blijft zullen niet loopen, dan van den dag der aanmaning tot betaling, na het sluiten van de rekening en verantwoording gedaan. (B.W. 390 v., 1195 no. 7, 1286, 1804.)
472. Alle regtsvordering van den minderjarige tegen zijnen voogd, betrekkelijk de verrigtingen der voogdij, verjaart met tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid. (B.W. 1983 v.)
ZEVENTIENDE TITEL.
Van handligting.
Art. 473. Door handligting kan de mindeijarige meerderjarig worden verklaard, of kunnen aan hem bepaalde regten van meerderjarigheid worden toegekend. (B.W. 195, 354, 362, 366, 385.)
474. De handligting, door welke de minderjarige meerderjarig wordt, wordt verkregen door venia aetatis of brieven van meerderjarigverklaring, te verleenen by den hoogen raad, die echter niet van kracht zijn, dan nadat dezelve door den Koning zullen zijn goed-
fekeurd, en te dien einde aan hem door den hoogen raad opgezon-en.ekeurd, en te dien einde aan hem door den hoogen raad opgezon-en.
475. Het verzoek om brieven van meerderjarigverklaring, kan aan den hoogen raad worden gedaan door den minderjarige, wanneer deze den vollen ouderdom van twintig jaren heeft bereikt.
Bij het verzoekschrift moet eene akte van geboorte, of, wanneer die niet geleverd kan worden, een ander deugdelijk blijk van den vereischten ouderdom worden overgelegd. (B.W. 31, 127, 354, 441.)
476. De hooge raad, alvorens op het verzoek te beslissen, hoort den vader, en bij gebreke van dezen, de moeder van den minderjarige; wanneer de vader en de moeder des minderjarigen overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid mogten bevinden om hunnen wil te kennen te geven, moeten de voogd, de toeziende voogd, mitsgaders de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige,
76
B.W. Boek /, Titel XVI, 12 en XVH. Artt. 470â481.
worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. (B.W. 355, 361, 388 v., 427.)
477. De hooge raad zal aan de arrondissements-regtbank van de woonplaats des minderjarigen, of ook wel, bij te grooten afstand van deze, aan den kantonregter kunnen opdragen om de hier-boven vermelde personen te hooren.
Het verbaal van dit verhoor zal alsdan aan den hoogen raad worden ingezonden, met bijvoeging van alle de inlichtingen en aanmerkingen, welke de regtbank of de kantonregter zal noodig oordeelen. (R.V. 324 no. 2, 6.)
478. De meerderjarigverklaarde staat in alles met den meerderjarige gelijk.
Ten opzigte van het aangaan van een huwelijk, blijft hij echter in de verpligting om, achtervolgens de bepalingen van de artikelen 92, 93 en 94, de toestemming zijner ouders of grootouders te verkrijgen, tot dat hij den vollen ouderdom van drie en twintig jaren zal hebben bereikt. (B.W. 354, 385, 1053.)
479. Het staat aan den hoogen raad vrij om, in het belang des minderjarigen, in de brieven van meerderjarigverklaring de bepaling te voegen, dat hij, aan wien dezelve verleend worden, desniettegenstaande, tot dat hij den vollen ouderdom van drie en twintig jaren hebbe bereikt, zijne onroerende goederen niet anders zal mogen vervreemden of bezwaren, dan met toestemming van den kantonregter zijner woonplaats, na verhoor of behoorlijke oproeping van den vader, of, deze ontbrekende, van de bloedverwanten of aangehuw-den.
In geval van verkoop, mag de kantonregter ook toestaan dat dezelve onderhands geschiede. ') (B.W. 451, 454; R.V. 691.)
480. Handligting, waarbij aan eenen minderjarige bepaalde reg-ten van meerderjarigheid worden toegekend, kan, wanneer de min-deijarige den vollen ouderdom van achttien jaren heeft bereikt, op zijn verzoek, door den kantonregter worden verleend.
Tegen den wil van dengene der ouders, die de vaderlijke magt uitoefent, wordt zij niet verleend.1) (B.W. 195, 354, 362, 366, 484 v.)
481. Wanneer beide de ouders in leven zijn, beslist de kantonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van dengene der ouders, die de vaderlijke magt uitoefent, en van de bloedverwanten of aange-
⢠huwden.
Wanneer de minderjarige onder voogdij staat, beslist de kantonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd, den toezien-den voogd, de bloedverwanten of aangehuwden en van den vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen.
77
1
Art. 4S0 aldus vastgesteld by art. 1 der wet van 4 July 1874, Stsbl. no. 91.
Van handligting.
De artikelen 388 en 389 zijn ten deze van toepassing.
De kantonregter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke verschijning van den minderjarige gelasten.
Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de kantonregter den dag, waarop hg zijne beschikking geven zal.
Binnen veertien dagen na den dag der beschikking kan hooger beroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder, die op het verzoek gehoord is.
Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is hier niet van toepassing.
Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen.
Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op dat beroep niet beslist zonder dat hij is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden. ') (B.W. 385, 404 v., en art. 2 der wet van 18 April 1874, Stsbl. no. 68, zie noot blz. 57.)
482. Bij het verleenen der handligting bepaalt de kantonregter uitdrukkelijk, welke regten van meerderjarigheid aan den minderjarige worden toegekend. ')
483. De minderjarige, die dusdanige handligting heeft bekomen, wordt als meerderjarig beschouwd, alleen opzigtelijk de daden en verrigtingen, uitdrukkelijk, in voege voormeld, aan hem opgedragen, en kan daartegen, op grond van minderjarigheid, niet in zijn geheel worden hersteld. Voor het overige, blgf't hij in den volstrekten toestand van mindeijarigheid. (B.W. 482, 1482 v.)
484. De bevoegdheid en de regten, uit krachte der artikelen 480, 481 en 482, aan den minderjarige toe te kennen, mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de geheele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijne inkomsten, het sluiten van verhuringen, het bebouwen zijner 'anderijen, en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daartoe noodzakelijk zijn, het uitoefenen van eenig handwerk, het oprigten van, of deelnemen in eenige fabrijk, en eindelijk tot het drijven van nering en handel.
In de beide laatste gevallen, is de minderjarige bevoegd om, even als een meerderjarige, alle verbindtenissen te sluiten, tot die fabrijk, nering en handel betrekkelijk, met uitzondering van de vervreemding en de bezwaring zijner vaste goederen, en van de vervreemding of verpanding zijner rentegevende effecten, inschrijvingen in groothoeken van openbare schuld, hypothecaire schuldvorderingen en aandeelen in naamlooze of andere vennootschappen.
Hij kan ter zake der handelingen, waartoe hij krachtens de ver-kregene handligting bevoegd was, hetzij eischende of verwerende in regten optreden. Art. 78 geldt voor die handelingen niet. ') (B.W. 562 v., 668, 1482 v., 1584 v.)
1) Artt. 481 en 482, en het 2de en 3de lid van art. 484, aldus vastgesteld bij art. 1 der wet van 4 July 1874, Stsbl. no. 91.
78
B.JF. Boek I, Titel XVII en XVIU. Artt. 482â488. 79
485. Ue handligting, bij de vyf vorige artikelen omschreven, kan door de arrondissements-regtbank worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat dat bij dit zal doen.
De intrekking geschiedt, wanneer beide de ouders in leven zijn, op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke magt door demoeder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze; wanneer de mindeija-rige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of toezienden voogd.
Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien het verzoek door den toezienden voogd, of van dezen, indien het verzoek door den voogd is gedaan.
De regtbank kan gelasten, dat ook de bloedverwanten of aange-huwden en de vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden.
Zij beslist zonder hooger beroep. ') (B.W. 427, 481.)
486. Alle handligting in dezen titel vermeld, gelijk ook de intrekking volgens het voorgaande artikel, moet openbaar bekend worden gemaakt, bij behoorlijke afkondiging en plaatsing in het officiële dagblad en in dat van de woonplaats des minderjarigen, of, bij gebreke daarvan, in het dagblad eener naastgelegene plaats.
In de afkondiging der handligting moet naauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot welk einde, dezelve is verleend. Vóór deze afkondiging, werkt zoo min de handligting als de intrekking van dezelve tegen derden. (B.W. 484 v.)
ACHTTIENDE TITEL.
Van curatele.
Art. 487. De meerderjarige, die zich in eenen gedurigen staat van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevindt, moet onder curatele worden gesteld, al is het dat hij bij tusschenpozing het gebruik zijner verstandelijke vermogens bezit.
Een meerderjarig persoon kan ook uit hoofde van verkwisting onder curatele gesteld worden. (B.W. 511, 518, 942, 1053, 1366.)
488. Elk bloedverwant is bevoegd om, uit hoofde van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij van zijnen bloedverwant, diens curatele te verzoeken.
Ter oorzake van verkwisting, kan de curatele alleen worden ver-
ij Art. 486 aldus vastgesteld by art. 1 der wet van 4 Julij 1874, Stsbl. no. 91.
Van curatele.
zocht door de bloedverwanten in de regte linie, en door die in de zijdlinie tot den vierden graad ingesloten.
In het eene en andere geval, kan de eene echtgenoot verzoeken dat de andere onder curatele worde gesteld.
Hii die gevoelt door zwakheid van vermogens niet in staat te zyn om zijne eigene belangen behoorlijk waar te nemen, kan zelf vragen om onder curatele te worden gesteld. (B.W. 169, 245 v., 499.)
489. Indien, in geval van razernij, de curatele niet is verzocht door de personen, in het vorige artikel omschreven, is het openbaar ministerie daartoe verpligt.
In geval van onnoozelheid of krankzinnigheid, kan de curatele insgelijks door het openbaar ministerie worden gevorderd tegen iemand, die noch echtgenoot, noch bekende bloedverwanten binnen het koningrijk heeft.
490. Alle verzoeken tot curatele moeten worden ingediend bij de regtbank van het arrondissement der woonplaats van dengenen, tegen wien het verzoek gerigt is.
491. De daadzaken, waaruit van de onnoozelheid, krankzinnigheid, razernij of verkwisting kan blaken, moeten bij het verzoekschrift bepaaldelijk worden opgegeven, en daarbij worden gevoegd zoo wel de bewijsstukken, als eene opgave der getuigen. (B.W. 494-, 511, 1904, 1951; art. 34 Wet 27 April 1884, Stsbl. no. 96.)
492. Indien de regtbank van oordeel is dat die daadzaken genoegzaam gewigtig zijn om tot curatele te kunnen aanleiding geven, zal zij de bloedverwanten of aangehuwden moeten hooren. (B.W. 345, 388, 506.)
493. De regtbank zal, na verhoor of behoorlijke oproeping van de personen, bij het vorige artikel aangeduid, dengenen, wiens curatele verzocht is, moeten ondervragen; wanneer deze buiten staat mogt zijn om zich te kunnen verplaatsen, zal de ondervraging in zijne woning moeten geschieden, door een of meer daartoe benoemde regters, door den griffier vergezeld, en, in alle gevallen, in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.
De ondervraging zal niet vroeger plaats kunnen hebben, dan nadat zoo wel het verzoekschrift als het verslag, bevattende de door de bloedverwanten geuitte gevoelens, aan dengenen, wiens curatele verzocht is, zullen zijn beteekend geworden. (B.W. 495, 497, 509.)
494. Indien de regtbank, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden, en na verboor van dengenen wiens curatele verzocht is, oordeelt genoegzaam te zijn ingelicht, zal zij, zonder eenige verdere formaliteiten, op het verzoekschrift kunnen beschikken; in het tegenovergestelde geval, zal zij het hooren van getuigen bevelen, ten einde de aangevoerde daadzaken tot klaarheid te brengen. (B.W. 491.)
80
li. W. Boek Æ, Titel XVlil. Artt. 489â503.
495. Na de ondervraging in artikel 493 vermeld, zal de regt-bank, zoo daartoe gronden zijn, eenen provisionelen bewindvoerder benoemen, om voor den persoon en de goederen van dengenen, wiens curatele verzocht is, zorg te dragen. (B.VV'. 500, 508.)
496. Het vonnis op een verzoek om curatele zal niet anders dan in eene openbare teregtzitting kunnen worden uitgesproken, na verhoor of behoorlijke oproeping der partijen, en op de conclusiën van het openbaar ministerie. (R. V. 324 no. 2.)
497. In geval van beroep, kan de hoogere regter, zoo daartoe gronden zijn, dengenen wiens curatele is verzocht, op nieuw onder vragen of doen ondervragen, (B.W. 493.)
498. Alle vonnissen of arresten, waarbij curatele verleend wordt, zullen van wege de verzoekers, binnen de tien dagen, aan de wederpartij moeten beteekend en openbaar gemaakt worden, door derzel-ver plaatsing in de officiële dagbladen, mitsgaders in een nieuwspapier der provincie, indien hetzelve bestaat, alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (Ã.W. 500.)
499. Wanneer de curatele gevraagd wordt, naar aanleiding van het vierde lid van artikel 488, hoort de regtbank de bloedverwanten of aangehuwden, en den echtgenoot des verzoekers, en zullen gevolgd worden de bepalingen, in de artikelen 493, 494, 495 en 496 vervat. Het openbaar ministerie zorgt, in dat geval, voor de bekendmaking van de uitspraak, op de wijze in artikel 498 voorgeschreven.
500. De curatele zal aanvangen te werken, te rekenen van den dag dat het vonnis of het arrest zal zijn uitgesproken.
Alle handelingen, die daarna door den onder curatele gestelde zijn verrigt, zijn van regtswege nietig.
Nogtans behoudt degene, die uit hoofde van verkwisting is onder curatele gesteld, het vermogen om uiterste wilsbeschikkingen te maken. (B.W. 495, 498, 503, 506, 942, 1366, 1482 v., 1850.)
501. Alle handelingen, welke mogteu hebben plaats gehad vóór het verleenen der curatele, op grond van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij uitgesproken, zullen kunnen worden vernietigd, indien de oorzaak der curatele blijkbaar bestond, op het tijdstip waarop die handelingen verrigt zijn. (B.W. 116 no. 3, 143, 1366.)
502. Na iemands dood, kunnen de door hem verrigte handelingen, de uiterste wilsbeschikkingen alleen uitgezonderd, op grond van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, niet worden bestreden, dan in geval de curatele vóór zijn overlijden mogt zijn verleend of verzocht geworden, ten ware het bewijs der kwaal uit de bestredene handeling zelve voortvloeide. (B.W. 942, 1356, 1357.)
503. Zoodra de uitspraak tot curatele kracht van gewijsde bekomen heeft, zullen door den kantonregter een curator en een toeziende curator over den onder curatele gestelde worden benoemd, met inacht-
BURG. WETB, 6
81
Van curatele.
neming der bepalingen, bij de vijfde afdeeling van den zestienden titel van dit boek voorgeschreven.
In dat geval, houden de bemoeienissen van den provisionelen bewindvoerder op, en is deze verpligt aan den curator rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen; wanneer hij zelf tot curator benoemd wordt, zal de aflegging dier rekening aan den toezienden curator geschieden. (B.W. 413 v., 434, 436 v., 495, 500.)
504. De man wordt van regtswege curator over zijne onder curatele gestelde vrouw. (B.W. 16U, 503, 506lt;;.)
505. De vrouw kan tot curatrice over haren man worden benoemd. In dat geval, zal de kantonregter, na verhoor of oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den onder curatele gestelde, eenen toezienden curator aanstellen, mitsgaders den vorm en de voorwaarden der besturing regelen; behoudens het beroep van de vrouw aan de arrondissements-regtbank, zoo zij vermeent door de beschikkingen van den kantonregter bezwaard te zijn. (B.W. 158, 355, 413 v., 434, 436 v., 508.)
506. De onder curatele gestelde staat gelijk met eenen minderjarige.
Wanneer hij, die uit hoofde van verkwisting onder curatele gesteld is, zich ten huwelijk wil begeven, zijn daarop toepasselijk de bepalingen der artikelen 95 en 206.
De wetsbepalingen omtrent de voogdij over minderjarigen, bij artikel 386 tot en met 399, bij artikel 424 tot en met 443, bij artikel 444, 445, 446, 449 en volgende van de elfde en twaalfde afdeelingen van den zestienden titel voorkomende, gelden insgelijks bij de curatele. (B.W. 118, 385 v., 595, 1053, 1195 no. 7, 1366 v., 1482,1722, 1850.)
507. Indien de onder curatele gestelde persoon mindeijarige kinderen heeft, en de andere echtgenoot overleden is, of zich buiten de mogelykheid bevindt om de voogdij te kunnen waarnemen, zal de curator van den onder curatele gestelden insgelijks voogd van die minderjarigen zijn. (B.W. 355, 408i, 413, 514.)
508. De inkomsten van dengenen die, uit hoofde van onnoozel-heid, krankzinnigheid of razernij, onder curatele is gesteld, moeten bijzonder besteed worden om diens lot te verzachten en zijne genezing te bevorderen. (B.W. 446, 449, 505, 509.)
509 en 510. Ingetrokken bij art. 43 der wet van 27 April 1884, Stsbl. no. 96.
511. De arrondissements-regtbank heeft mede het vermogen om den persoon die, volgens de laatste zinsnede van artikel 487, uithoofde van verkwisting, onder curatele is gesteld, het zij te gelijk met deze voorziening, het zij daarna, uiterlijk voor één jaar, doch, zoo noodig, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen, ia een verbeterhuis te doen plaatsen, wanneer blijkt dat zijne eigene veiligheid of de openbare zedelijkheid dit vordert, en dat hij door een
82
f
B.W. Boek Æ, Titel XVIII. Artt. 504â518.
buitensporig en slecht gedrag voor de zamenleving gevaarlijk is. Indien er onverwijlde noodzafcelgkheid bestaat, en de vertraging tot den afloop van het regterlijk onderzoek zoude kunnen gevaarlijk zijn, is de regtbank bevoegd om, hangende dat onderzoek, zoodanige voorloopige behoedmiddelen, en, des noods, de vastzetting te bevelen, als de omstandigheden vorderen. (B.W. 490 v,, 509, 512 v.)
512. Het verzoek tot vastzetting kan aan de regtbank worden gedaan door den echtgenoot van den onder curatele te stellen of gestelden persoon, door zijne bloedverwanten in de regte linie, en door die in de zijdlinie, tot den derden graad ingesloten, door zijnen curator, en door het openbaar ministerie, dat altijd op zoodanig verzoek zal moeten worden gehoord.
Aan alle dezen staat de weg van hooger beroep open. (B.W. 345 v., 488A, c, 513.)
513. Het gedaan verzoek tot zoodanige vastzetting, of tot de verlenging van deze, moet beteekeud worden aan hem tegen wien het is gerigt.
Hij is bevoegd om daartegen zijne bezwaren bij de regtbank, en zelfs, door beroep, bij den hoogeren regter in te brengen, terwijl het echter aan den regter vrij staat om, daartoe billijke gronden zijnde, zijn bevel bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.
De opheffing der vastzetting kan mede door hem gevraagd worden, en de arrondissements-regtbank moet, alvorens deze te verleenen, daarop hooren allen die, volgens het vorige artikel, de bevoegdheid zouden hebben om de vastzetting te verzoeken.
De beslissing daarop is aan beroep onderworpen.
514. Een minderjarig kind van eenen onder curatele gestelden persoon kan geenhuwlijk aangaan, noch bedingen deswege maken,dan met inachtneming der voorschriften van de artikelen 95 en 20B. (B.W. 507.)
515. Niemand, uitgezonderd echtgenooten en bloedverwanten in de opgaande of nederdalende linie, is verpligt eene curatele of toeziende curatele langer dan acht jaren te behouden; na verloop van dien tijd, kan de curator of de toeziende curator zijn ontslag vorderen, en moet hem dit worden verleend. (B.W. 345 v., 433 v.)
516. De curatele eindigt, wanneer de oorzaken ophouden die daartoe hebben aanleiding gegeven; nogtans zal de opheffing van dezelve niet worden verleend dan met inachtneming der formaliteiten, bij de wet voorgeschreven om curatele te bekomen, en zal degene, die onder curatele gesteld is, de uitoefening zijner regten niet kunnen hervatten, voor dat het vonnis tot opheffing der curatele kracht van gewijsde zal hebben verkregen. (B.W. 143, 487 v.)
517. De opheffing van curatele moet worden bekend gemaakt, op de wijze bij artikel 498 voorgeschreven.
Slotbepaling.
Art. 518. De minderjarige die zich in staat van onnoozelheid,
83
|
en | |
|
)e- | |
|
.r- | |
|
en |
1 |
|
ra | |
|
id. | |
|
de | |
|
de, | |
|
or- | |
|
11 w |
j |
|
ik- | |
|
13 | |
|
er- | |
|
ge- | |
|
de | |
|
ar- | |
|
kel | |
|
3en | |
|
ra- | |
|
22, | |
|
in | |
|
de |
! |
|
de | |
|
die | |
|
zel- | |
|
Bten | |
|
ë6' | |
|
m, | |
|
om | |
|
uit- | |
|
sip | |
|
och, | |
|
ver- | |
|
ilig- | |
|
een |
6*
Van curatele.
krankzinnigheid of razernij bevindt, -wordt niet onder curatele gesteld, maar blijft onder bet toezigt van deszelfs vader, moeder of voogd. ') (B.W. 354, 385, 487.)
NEGENTIENDE TITEL.
Van afwezigheid.
EERSTE AFDEELING.
Van voorloopige voorzieningen.
A-i't. 519. Indien iemand zijne woonplaats verlaten heeft, zonder volmagt tot het waarnemen zijner zaken en belangen, of orde op bet beheer derzelve gesteld te hebben, of wel indien de door hem (re^even volmagt is vervallen, en indien er noodzakelijkheid is om in dat beheer, geheel of gedeeltelijk te voorzien, of hem te doen vertegenwoordigen, zal, op verzoek van belanghebbenden, of ook van het , 'openbaar ministerie, door de regtbank van de woonplaats des afwezigen, een bewindvoerder worden benoemd om zijne goederen en belangen. geheel of gedeeltelijk, te beheeren en waar te nemen, voor zijne regten op te komen, en hem daarbij te vertegenwoordigen.
Alles onverminderd de bijzondere wetsbepalingen, voor het geval van faillissement, of van kennelijk onvermogen. (B.W. 431, 526, 1135, 1829 v., 1850; R/V. 882 v.)
520. De bewindvoerder is verpligt om, des noods na verzegeling, te maken behoorlijke beschrijving van de goederen, waarover hem het beheer is toevertrouwd. Hij zal het gereede geld, daarbij gevonden, of hetwelk naderhand door hem mogt worden geïnd, storten in de kas der geregtelijke consignatiën, en verder zich regelen naar de voorschriften omtrent het beheer van goederen aan minderj arisen toebehoorende, voor zoo verre die op zijn bewind van toepas-sinf kunnen worden gemaakt, ten ware omtrent dit een of ander iloor de regtbank anders mogt zijn bepaald. (B.W. 443 v., 521 v.;
R.V. 678 v.) . .
521. De bewindvoerder is verpligt jaarlijks aan het openbaar ministerie bij de regtbank die hem benoemd heeft, te doen summiere rekening en verantwoording, en te vertoonen de effecten en beschei- | den tot zijn beheer behoorende. Deze rekening zal worden opgemaakt
op ontzegeld papier, en overgegeven zonder eenigen geregtelijken vorm.^Het openbaar ministerie kan daarop zoodanige voordragt aan de regtbank doen, als hetzelve in het belang van den afwezige zal noodig oordeelen.
1) Het Me lid van art. 518 is ingetrokken bg art. 43 der wet van 27 April 188-1, StsM. no. 96.
84
B. W. Boek Æ, Titel AT///, XIX, 1 en 2. Arlt. 519â523. 85
De goedkeuring dezer rekening brengt geen nadeel toe aan het regt, hetwelk de afwezige, of andere belanghebbenden, tegen dezelve mogten kunnen doen gelden. (B.W. 520, 528, 539, 838, 850; R.V. 771 v.)
522. l)e bewindvoerder is bevoegd als belooning te berekenen, by het doen van zijne jaarlijksehe rekening, twee en een half ten honderd der ontvangst, en een en een half ten honderd der uitgaven. (B.W. 529 v., 836, 1025, 1068, 1393.)
TWEEDE AFDEIiLING.
Van de verklaring van vermoedelijk overlijden,
r) Art. 523. Indien iemand zijne woonplaats heeft verlaten, zonder volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of orde op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer vijf jaren zijn verkopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding, waaruit kon blijken dat hij in leven was, zonder dat in die vijf jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn overlijden, era het even of er voorloopige voorzieningen zijn bevolen dan niet, zal zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, op daartoe bekomen verlof van de regtbank zijner verlatene woonplaats, voor diezelfde regtbank kunnen worden opgeroepen, bij eene openbare dagvaarding, loopende op eenen termijn van drie maanden, of zoo veel langer als door de regtbank mogt worden bevolen.
Wanneer op die dagvaarding noch de afwezige, noch iemand voor hem, opkomt, die van zijn aanwezen doet blijken, zal verlof tot eene tweede dergelijke dagvaarding, en op deze tweede, in het geval als voren, verlof tot eene derde dergelijke dagvaarding worden verleend.
Deze dagvaardingen moeten telkens worden geplaatst in zoodanige
1) Bij de wet van 9 Julij 1855, Stsbl. no. 67, is het volgende bepaald:
Art. 1. Het tijdsverloop van vijf of tien jaren, in de artikelen 523, 526 en 549 van het Burgerlijk Wetboek gevorderd, wordt beperkt tot drie jaren, wanneer de afwezige tot de bemanning of passagiers blijkt behoord te hebben van een schip, waarvan gedurende dien tijd geene berichten zijn ingekomen.
Ue termijn van drie jaren vangt aan met de laatste tijding van het schip, en, zoo er van geene tijding blijkt, met den dag van het laatst in zee steken van het schip.
Art. 2. Hetzelfde tijdsverloop van vijf of tien jaren wordt tot één jaar ingekort, wanneer de afwezige vermist is ter gelegenheid eener noodlottige gebeurtenis op 's lands kusten, binnenlandsche zeeën of wateren, aan eenig vaartuig, aan een deel zijner bemanning of passagiers overkomen.
De termijn van een jaar vangt aan met het tijdstip waarop de gebeurtenis geacht moet worden te hebben plaats gegrepen.
Van afwezigheid.
nieuwspapieren als de regtbank bij het verleenen van het eerste verlof, uitdrukkelijk zal aanwijzen, en ook telkens worden aangeplakt aan de voorname deur der vergaderplaats van de regtbank, en aan het huis der gemeente, binnen welke de afwezige zijne woonplaats had. (B.W. 519, 525 v., 549, 1829; li.V. 4 no. 7.)
524. Indien op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan door de regtbank, op daartoe gedanen eisch, na verhoor van het openbaar ministerie, worden verklaard, dat er regts-vermoeden van overlijden bestaat, sedert den dag nadat de afwezige kan worden gerekend zijne woonplaats te hebben verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven, en welke dag bepaaldelijk in het vonnis moet worden uitgedrukt. (B.W. 1953; R.V. 324 no. 6.)
525. De regtbank zal, alvorens op den eisch uitspraak te doen, des noods na een daartoe bevolen getuigenverhoor, te houden in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie, letten op de beweegreden der afwezigheid, op de oorzaken die het ontvangen van tijdingen van den afwezige hebben kunnen verhinderen, en op alle andere omstandigheden, tot het vermoeden van overlijden betrekkelijk.
Zij kan, naar aanleiding van dit alles, het doen van uitspraak uitstellen tot nog uiterlijk vijf jaren boven den tijd, in artikel 523 vermeld, en zoodanige nadere oproepingen en plaatsing daarvan in de nieuwspapieren bevelen, als zij in het belang des afwezigen mogt noodig oordeelen. (B.W. 55Ã; R.V. 199 v.)
526. Indien iemand bij het verlaten zijner woonplaats eene vol-magt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of order op het beheer derzelver heeft gesteld, en er tien jaren zijn verloopen na zgn vertrek, of na de laatste tijding van zijn leven, zonder dat in de tien jaren bewijs van zijn aanwezen of van zijn overigden zal zijn ingekomen, kan zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, worden opgeroepen, en kan worden verklaard, dat er regtsvermoeden van overlijden bestaat, op de wijze en volgens de voorschriften in de drie voorgaande artikelen vermeld. Dit verloop van tien jaren wordt gevorderd, al ware het ook dat de gegeven volmagt of gestelde orde van den afwezige vroeger mogten zijn geëindigd.
In het laatste geval echter, zal in het beheer worden voorzien op de wijze als in de eerste afdeeling van dezen titel is vermeld. ') (B.W. 519, 523, 1832, 1850.)
86
527. De verklaring van vermoedelijk overlijden moet algemeen worden bekend gemaakt door middel van dezelfde nieuwspapieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst geweest. (B.W. 524.)
1) Zie aanteekening op art. 523.
B.W. Boek I, Titel XIX, 2 en 3. Artt. 524â532. 87
DERDE AFDEELING.
Vau de regten en verpligtingen van vermoedelijke erfgenamen en andere belanghebbenden, na de verklaring van vermoedelijk overlijden.
Art. 528. De vermoedelijke erfgenamen van den afwezige, welke, het zij volgens versterfregt, het zij volgens uiterste wilsbeschikking, tot zijne nalatenschap geregtigd zouden zijn geweest op den dag, in het vonnis uitgedrukt, zijn bevoegd van den bewindvoerder, indien deze bestaat, rekening, verantwoording en afgifte te vorderen, en om de goederen van den afwezige in bezit te nemen; alles tegen het stellen van persoonlijke of zakelijke, geregtelijk goedgekeurde zekerheid dat die goederen zullen worden gebruikt, zonder dezelve te verslimmeren of te verwaarloozen, mitsgaders voor de teruggave der goederen of van derzelver waarde, indien de aard der goederen dit mogt medebrengen, en zulks ten behoeve van den afwezige, wanneer hij terug mogt komen, of van andere erfgenamen, van wier beter regt daarna mogt blijken.
De vermoedelijke erfgenamen, mitsgaders alle belanghebbenden zijn dienvolgens bevoegd om de opening der uiterste wilsbeschikkingen, zoo die bestaan, te vorderen. (B.W. 519, 521, 524, 529, 531 v., 539, 831, 879, 1002, 1097, 1208, 1857; R.V. 616 v., 771 v.)
529. Bij gebreke van het stellen der zekerheid in het voorgaande artikel vermeld, zullen de goederen onder het beheer van eenen derde worden gesteld, en kan ten opzigte van roerende goederen, verkoop worden bevolen, met inachtneming der voorschriften, in artikel 833 en 834 van dit Wetboek voorkomende. (B.W. 522, 831 v., 836, 839, 850; R.V. 53 no. 6.)
530. De vermoedelijke erfgenamen hebben, ten opzigte van het genot van de goederen van den afwezige, dezelfde regten, en zijn aan dezelfde verpligtingen onderworpen, welke ten aanzien van vruchtgebruikers zijn voorgeschreven, voor zoo verre de bepalingen, op dat onderwerp gemaakt, toepasselijk zijn, en daaromtrent hierua niet anders is voorzien. (B W. 538, 808, 829.)
531. Op denzelfden voet als dit in de drie voorgaande artikelen omtrent de vermoedelijke erfgenamen des afwezigen is bepaald, kunnen de legatarissen, en alle anderen die op de goederen van den afwezige, na zijn overlijden, eenig regt zouden gehad hebben, hetzelve bij voorraad uitoefenen. (B.W. 528, 1005 v.)
532. Zij die eenige goederen van den afwezige onder hun bezit of beheer hebben verkregen, zijn, ieder voor zoo veel hem aangaat, daarvan aan den afwezige, wanneer hij terug mogt komen, of aan andere erfgenamen, of regthebbenden, welke mogten opkomen, en van hun beter regt doen blijken, rekening, verantwoording en afgifte schuldig. (B.W. 528 v.; R.V. 771 v.)
Van afwezigheid.
533. De vermoedelijke erfgenamen zijn dadelijk bij het inbezit-nemen verpligt tot eene behoorlijke beschrijving van alle de goederen, door den afwezige achtergelaten. Aan hen wordt het voor-regt van boedelbeschrijving toegekend. Bij gebreke van zoodanige boedelbeschrijving, en in de gevallen bij artikel 1077 voorzien, verliezen zij het hier-boven toegekend voorregt, onverminderd de ver-pligtingen in het vorige artikel omschreven. (B.W. 880c, 1070.)
534. Behoudens de voorgaande bepalingen, en voor zoo verre dien ten gevolge niet anders is bevolen, kunnen de vermoedelijke erfgenamen de goederen van den afwezige, in welker bezit zij zijn getreden, bij voorraad onder elkander verdeelen, met inachtneming der voorschriften, omtrent boedelscheiding gemaakt.
De vaste goederen mogen nogtans, om tot de verdeeling te geraken, niet worden verkocht, maar zullen, in het geval dat zij niet kunnen worden verdeeld, of in eene of andere kaveling begrepen, onder sequestratie worden gesteld, en de inkomsten daarvan uitgekeerd, zooals bij de verdeeling zal worden overeengekomen.
Van alles moet eene akte worden opgemaakt en geteekend, waaruit tevens blijkt wat aan legatarissen of andere geregtigden is uitgekeerd. (B.W. 536, 540, 1113 v., 1767.)
535. De beschrijving en de akte, in het voorgaande artikel vermeld, mitsgaders de akte waarbij zekerheid is gesteld, moeten worden gebragt en bewaard ter griffie van de regtbank, die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft gewezen. (B.W. 536; B..V. 617 v.)
536. Zij die, tengevolge van de voorgaande bepalingen, vaste goederen in hun aandeel hebben gekregen, of met bet beheer daarvan zijn belast, kunnen tot hunne zekerheid vorderen, dat die goederen worden opgenomen door deskundigen, daartoe te benoemen door de regtbank van het arrondissement waarin zij gelegen zijn, en zal van derzelver gesteldheid besrhrijving worden gemaakt. Nadat de deskundigen verslag aan de regtbank gedaan, en deze hetzelve zal hebben goedgekeurd, het openbaar ministerie daarop gehoord zijnde, moet de beschrijving met het verslag op de griffie worden bewaard. (B.W. 534; K.V. 324 no. 6.)
537. De vaste goederen van den afwezige, die aan iemand der vermoedelijke erfgenamen zijn toebedeeld of onder deszelfs beheer zyn gesteld, mogen vervolgens niet worden vervreemd, noch bezwaard, voordat de tijd, hierna in artikel 540 bepaald, zal zijn ver-loopen, ten zij om gewigtige redenen, en met verlof van de arron-dissements-regtbank. (B.W. 1314, 1216.)
538. Indien de afwezige, na de verklaring van vermoedelijk overlijden, terugkeert, of er bewijs inkomt dat by nog in leven is, zijn zij, welke vruchten en inkomsten van zijn goederen hebben getrokken, verpligt dezelve terug te geven, te weten, de helft wanneer de terugkomst plaats heeft, of het bewijs van leven inkomt.
88
B.W. Boek I, Titel XIX, 3. Artt. 533â541.
binnen vijftien jaren na den dag van het vermoedelijk overlijden in het vonnis uitgedrukt, of wel een vierde, wanneer zulks later, doch vóór het verloop van dertig jaren na dat tijdstip, plaats heeft.
Alles echter met die bepaling, dat de regtbank die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft uitgesproken, uit aanmerking van de geringheid der achtergelatene goederen, de teruggave van vruchten en inkomsten anders mag regelen, of wel daarvan geheele ontheffing kan verleenen. (B.W. 524, 542, 548.)
539. Indien de afwezige in gemeenschap van goederen, of slechts van winst of verlies, of van vruchten en inkomsten, is getrouwd, en zijn echtgenoot verkiest de bestaande gemeenschap te laten voortduren, kan dezelve de provisionele inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen, en de uitoefening der regten, die eerst door den dood van den afwezige zouden worden geboren, tegenhouden, en, onder de verpligting der beschrijving in artikel 533 vermeld, het beheer dei-goederen, vóór alle anderen, op zich nemen of behouden.
Doch kan de opschorting dier inbezitneming en de verdere gevolgen daarvan niet langer plaats grijpen, dan gedurende tien volle jaren, te rekenen van den dag bij het vonnis uitgedrukt, waarby het vermoedelijk overlijden is verklaard.
Indien echter de echtgenoot zich niet tegen de inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen verzet, zal hij zijn aandeel in de gemeenschap, of eigene goederen, en al hetgeen waartoe hij overigens mogt geregtigd zijn, naar zich nemen, mits zekerheid stellende voor zoodanige goederen die voor teruggave vatbaar zijn.
De vrouw, de voortduring der gemeenschap verkiezende, behoudt het regt om, bij vervolg van tijd, van die gemeenschap afstand te doen. (B.W. 169, 174, 180, 187, 191, 521, 524, 528, 540, 549 v.)
540. Wanneer dertig jaren zijn verloopen na den dag van het vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of ook wanneer vroeger honderd volle Jaren zijn verstreken sedert de geboorte van den afwezige, zijn de borgen ontslagen, en blijft de verdeeling der achtergelaten goederen, voor zoo verre dezelve bereids heeft plaats gehad, stand houden, of kan anders door de vermoedelijke erfgenamen tot eene definitieve verdeeling worden overgegaan, en kunnen alle andere regten op die nalatenschap definuievelijk worden uitgeoefend. Het voorregt van boedelbeschrijving houdt alsdan op, en kunnen de vermoedelijke erfgenamen tot aanvaarding of tot verwerping worden verpligt, volgens de voorschriften op dat onderwerp bestaande. (B.W. 31, 524, 528, 534, 542 v., 1075, 1112 v.)
541. Indien vóór den tijd, in het voorgaande artikel uitgedrukt, tijding inkomt van het overlijden van den afwezige, kunnen zij, die op het tijdstip van dat overlijden, uit krachte der wet, of uit beschikkingen van den afwezige, regten op zijne nalatenschap
89
Van af wezigheid.
hebben verkregen, of in die regten zijn opgevolgd, rekening, verantwoording en afgifte vorderen, op den voet van artikel 532 en 538. (B.W. 181 no. 1, 931, 927 v.)
542. Indien de afwezige mogt terug komen, of van zijn leven doen blijken, nadat dertig jaren zijn verloopen, sedert den dag van zijn vermoedelijk overlijden, bij het vonnis uitgedrukt, heeft hij alleen regt om zijne goederen terug te vorderen, in den staat waarin zij zich alsdan bevinden, mitsgaders den prijs van die goederen welke vervreemd zijn, of wel de zoodanige welke uit de opbrengst zijner vervreemde goederen zijn aangekocht, alles echter zonder eenige vruchten of inkomsten. (B.W. 524, 538, 540 v.)
543. Eveneens zullen de kinderen en verdere afkomelingen van den afwezige zijne goederen terug ontvangen, voor zoo verre zij mogtcn opkomen binuen dertig jaren na het tijdsverloop bij artikel 540 vastgesteld.
544. Wanneer bij vonnis regtsvermoeden van overigden is verklaard, moeten alle regtsvorderingen ten laste van den afwezige worden ingesteld tegen de vermoedelijke erfgenamen, welke zijne
foederen hebben in bezit genomen; behoudens het vermogen van eze laatsten om het voorregt van boedelbeschrijving te doen gelden. (B.W. 519, 524, 539, 828, 1078.)oederen hebben in bezit genomen; behoudens het vermogen van eze laatsten om het voorregt van boedelbeschrijving te doen gelden. (B.W. 519, 524, 539, 828, 1078.)
VIBKDE APDEELING.
Van de regten, opgekomen aan eenen af wezige, iciens bestaan onzeker is.
Art. 545. Hij die aanspraak maakt op een regt, hetwelk van eenen afwezige op hem overgegaan zoude zijn, doch hetwelk eerst aan den afwezige is opgekomen nadat zijn bestaan onzeker is geworden, is verpligt te bewijzen dat de afwezige heeft geleefd op het tijdstip dat het regt aan dezen is opgekomen; zoolang hij zulks niet bewijst, zal hij verklaard worden in zijnen eisch niet-ontvankelijk te zijn. (B.W. 3, 524, 883, 894, 946, 1902.)
546. Indien aan eenen afwezige, wiens bestaan onzeker is, eene nalatenschap of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven ware, anderen zouden geregtigd zijn, of waarin anderen met hem zouden moeten deelen, kan zoodanige nalatenschap of legaat, of het gedeelte daarvan, door die anderen in bezit worden genomen, even alsof zoodanig iemand overleden ware, zonder dat zij verpligt zijn deszelfs overlijden te bewijzen; zij moeten echter daartoe vooraf vergunning verkrijgen van de regtbank waar het sterfhuis gevallen is, welke, des noods, openbare oproepingen kan bevelen, en, in dat geval, ten behoeve der belanghebbenden de noodige behoedmiddelen voorschrijven. (B.W. 523, 883, 894, 927 v., 946, 1125.)
547. De bepalingen van de twee voorgaande artikelen sluiten de
90
B. W. Boek I, Titel XIX, 3, 4 eri 5. AM. 542â533. 91
bevoegdheid niet uit tot het opvorderen van erfenissen en alle andere regten, die aan den afwezige of aan zijn regthebbenden nader mogten blijken toe te komen. Die bevoegdheid en die regten gaan alleen te niet door het tijdsverloop, tot verjaring vereischt. (B.W. 1101, 1983 v., 2004 v., 2024 v.)
548. Indien daarna de afwezige terugkomt, of zijn regt op zijnen naam wordt vervolgd, kan de teruggave van vruchten en inkomsten worden gevorderd, te rekenen van den dag dat aan den afwezige het regt is opgekomen, op den voet en onder de bepalingen van artikel 538. (B.W. 604 v.)
VIJFDE AFDEELING.
Van de gevolgen der afwezigheid, met betrekking tot het huwelijk en de kinderen.
Art. 549. Indien, buiten het geval van kwaadwillige verlating, een der echtgenooten gedurende tien volle jaren, van zijne woonplaats afwezig is, zonder dat eenige tijding van deszelfs leven of dood is ingekomen, is de achtergebleven echtgenoot bevoegd, op daartoe bekomen verlof van de arrondissements-regtbank der gemeene woonplaats, zoodanigen afwezige bij drie opeenvolgende openbare dagvaardingen op te roepen, op de wijze in artikel 523 en 524 omschreven. i) (B.W. 84, 90, 141, 169, 181, 204, 266.)
550. Indien, op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan de regtbank aan den achtergebleven echtgenoot vergunnen een ander huwelijk aau te gaan. De bepalingen van artikel 525 zijn te dezen toepasselijk.
551. Indien, na de verleende vergunning, doch vóór het aangaan van een ander huwelijk, de afwezige mogt opkomen, of iemand het behoorlijk bewijs van deszelfs leven inbragt, vervalt de verleende vergunning van regtswege.
Na het aangaan van een ander huwelijk, heeft de afwezige regt om ook van zijne zijde een ander huwelijk aan te gaan. (B.W. 254 no. 2.)
552. Indien de vader zijne woonplaats verlaat, met achterlating van minderjarige kinderen, zouder orde op zijne zaken gesteld te hebben, zal de moeder alle regten van den man uitoefenen, zoo wel met betrekking tot de opvoeding der kinderen, als tot het beheer van hunne goederen. De bloedverwanten of aangehuwden van den afwezigen vader kunnen zich daartegen bij den kantonregter verzetten, die alsdan, behoudens beroep aan de arrondissements-regtbank, uitspraak doet. (B.W. 92,180, 355 v., 362 v.; R.V. 324 no. 6.)
553. Indien een der echtgenooten, minderjarige kinderen uit een
1) Zie aanteekening op art. 523.
Fan afwezigheid.
vroeger huwelijk hebbende, of ook vader of moeder, weduwnaar of weduwe zijnde, hunne woonplaats verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, voorziet de kantonregter bij voorraad in de voogdij, met inachtneming der voorschriften, vervat in de vijfde afdeeling van den zestienden titel van dit boek. (B.W. 413 v., 431.)
554. Hetzelfde moet plaats hebben, indien vader en moeder afwezig zijn, of indien een der echtgenooten komt te overlijden, nadat de andere zijne woonplaats heeft verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, gelijk mede in het geval dat minderjarige natuurlijke kinderen onverzorgd zijn achtergebleven.
92
Hetzelfde heeft mede plaats, indien van beide ouders de een van de vaderlüke magt is ontzet en de ander zijne woonplaats verlaten heeft, zonder voor zijne minderjarige kinderen gezorgd te hebben. ') (B.W. 413 v., 420.)
1) Het tweede lid is aan art. 554 toegevoegd, by art. 8 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 98.
TWEEDE BOEK.
FAN ZAKEN.
EERSTE TITEL.
Van de zaken eu derzelver onderscheiding.
EERSTE AFDEELING.
Van zaken in het algemeen.
Art. 555. De wet verstaat door zaken alle goederen en regten welke het voorwerp van eigendom kunnen zijn. (B.W. 559, 880», 1002«, 1177.)
556. Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoowel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit. (B.W. 558, 643.)
557. De burgerlijke vruchten worden alleen geacht een gedeelte der zaak uit te maken, zoo lang dezelve niet opeischbaar zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen en overeenkomsten. (B.W. 808 v., 1287 v., 1374, 1433.)
558. Natuurlijke vruchten zijn:
1quot;. Degene welke de aarde uit haar zelve voortbrengt;
2°. Al hetgeen de beesten opleveren of uit de beesten geboren wordt.
Vruchten van nijverheid, die uit den grond getrokken worden, zijn al hetgeen door bebouwing verkregen wordt.
Burgerlijke vruchten zijn huur- en pachtpenningen, interessen van geldsommen en verschuldigde renten. (B.W. 584, 809 v.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de onderscheiding der zaken.
Art. 559. Zaken zijn ligchamelijk of onligchamelijk. (B.W. 603 v., 1569.)
Van de zaken en derzelver onderscheiding.
560. Zaken zijn roerend of onroerend, volgens de bepalingen der twee volgende afdeelingen. (B.W. 2014.)
561. Roerende zaken zijn verhruikbaar of onverbruikbaar; ver-bruikbaar zijn de zoodanige die door gebruik verloren gaan. (B.W. 804, 1420 li, 1779, 1791.)
DERDE APDEELING.
Van onroerende zaken.
Art. 562. Onroerende zaken zijn: (B.W. 1210 v.)
1°. Gronderven en hetgeen daarop gebouwd is;
2°. Molens, met uitzondering van zoodanige waarvan in artikel 566 wordt gehandeld;
3°. Boomen en veldgewassen, die met hunne wortels in den grond vast zijn, onafgeplukte boomvruchten, mitsgaders delfstoffen, als: steenkolen, veen en dergelijke, zoo lang deze voorwerpen nog niet van den grond gescheiden en uitgedolven zijn; (B.W. 1186; R.V. 507.)
4°. Schaarhout van kapbosschen en hout van hoogstammige boomen, zoo lang hetzelve niet gekapt is;
5°. Buizen of gooten, die tot waterleiding in een huis of op een erf dienen;
En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is. (B.W. 556.)
563. Door bestemming worden onder onroerende zaken begre-pen;
1°. Bij fabrijken, trafijken, molens, smederijen en dergelijke onroerende zaken, de persen, disteleerketels, ovens, kuipen, vaten, en verdere gereedschappen, bepaaldelijk tot derzelver wezen behoorende, al waren die voorwerpen niet aardof nagelvast;
2°. Bij woonhuizen, de spiegels, schilderijen en andere sieraden, wanneer het hout of muurwerk waarop dezelve zijn vastgemaakt, een gedeelte is van het beschot, den muur of het pleisterwerk van het vertrek, al waren die voorwerpen overigens niet nagelvast;
3°. Bij landelijke eigendommen, de mesthoop of mestvaalt tot bemesting der landen bestemd;
De duiven tot eene dnivenvlugt behoorende;
De konijnen in de konijnen-warande;
De visschen die zich in de vijvers bevinden;
4°. De bouwstoffen, welke van de afbraak van een gebouw voortkomen, indien zij bestemd zijn om het gebouw weder op te trekken;
En, in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen welke
94
R. IF. Boek II, Titel I, 2, 3 en 4. Ar li. 560â567. 95
de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden heeft.
De eigenaar wordt geacht zoodanige voorwerpen tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden te hebben, wanneer dezelve daaraan zijn vastgehecht door aard-, timmer- of metselwerk, of wanneer zij daarvan niet kunnen worden losgemaakt, zonder dezelve te breken of te beschadigen, of zonder het gedeelte van het onroerend voorwerp, waaraan zij zijn vastgehecht, te breken of te beschadigen. (B.W. 573, 6«, 1010, 1210, 1603, 1636 v.; R.V. 447, 491.)
564, Zijn almede onroerende zaken de navolgende regten:
1°. Het vruchtgebruik en gebruik van onroerende zaken; (B.W. 803 v., 865 v.)
2°. De erfdienstbaarheden; (B.W. 721 v.)
3°. Het regt van opstal; (B.W, 758 v.)
4o. Het erfpachtsregt; (BW. 703 v.)
5°. Grondrenten, hetzij in geld of m natura verschuldigd; (B.W. 784 v.)
6o. Het tiendregt; (B.W. 787 v.)
7U. Het regt van beklemming; (B.W. 1654.)
8°. De regtsvorderingen, dienende om onroerende zaken terug te eischen of te doen leveren. (B.W. 639, 721, 758, 767, 784, 1210 v., 1510 v.)
VIERDE AFDEELING.
Van roerende zaken.
Art. 565. Roerende zaken uit haren aard zijn de zoodanige die zich zelve kunnen verplaatsen, of die verplaatst kunnen worden. (B.W. 569 v.)
566. Schepen, schuiten, ponten, op vaartuigen geplaatste of andere losse molens en baden, en dergelijke voorwerpen, zijn roerende zaken. (B.W. 562, 569 v.; K. 309.)
567. Als roerende zaken door wetsbepaling worden beschouwd:
1quot;. Het vruchtgebruiken gebruik van roerende zaken;
2°. Gevestigde renten, het zij altijddurende of lijfrenten; (B.W. 1807, 1812 v.)
3°. Verbindtenissen en vorderingen, die opeischbare geldsommen of roerende goederen tot onderwerp hebben; (B.W. 1271 v., 1807.)
40. Actiën of aandeelen in maatschappijen van geldhandel, koophandel of nyverheid; zelfs wanneer onroerende goederen, tot die ondernemingen betrekkelijk, aan die maatschap-pijen toebehooren. Deze actiën of aandeelen worden geacht roerende zaken te zyn, doch ten opzichte van ieder der
Pan de zaken en derzelver onderscheiding.
deelgenooten alleenlijk zoolang de gemeenschap duurt; (K. 40.)
5quot;. Aandeelen in 's rijks schuld, het zij dezelve bestaan in inschrijvingen op het grootboek, het zij in certificaten, schuldbekentenissen, obligatien of andere effecten, met de daartoe behoorende coupons of rente-bewijzen;
6°. Actiën in of coupons van obligatien van alle andere geld-leeningen, daaronder begrepen die welke door vreemde mogendheden zijn aangegaan. ') (B.W. 563, 569 v.)
568. Indien bij de wet, of in eenige burgerlijke handeling, de uitdrukking wordt gebezigd van roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad, stoffering, of een huis met al hetgeen zich daarin be-vindt, zonder eenige bijvoeging, uitlegging, uitbreiding of beperking, worden de voorzeide uitdrukkingen geacht de voorwerpen te bevatten, welke bij de volgende artikelen zijn aaugeduid.
569. De uitdrukking roerende goederen bevat, zonder uitzondering, alles wat, volgens de hier-boven vastgestelde regelen, voor roerend wordt gehouden. (B.W. 565 v.)
570. De uitdrukking inboedel bevat alles wat in voege voorschreven voor roerend wordt gehouden, met uitzondering van het gereed geld, van actiën, schuldvorderingen en andere regten, bij artikel 567 vermeld, van koopmanschappen en grondstoffen, van werktuigen tot fabrijken, trafijken, of den landbouw behoorende, mitsgaders van bouwstoften tot het opbouwen bestemd, of vau afbraak afkomstig.
571. De uitdrukking meubelen of huisraad bevat al hetgeen, wat volgens het voorzeide artikel, tot den inboedel behoort, met uitzondering van paarden en levende have, van rijtuigen met hun toebe-hooren, van edelgesteenten, boeken en handschriften, teekeningen, prenten, schilderyen, beelden, gedenkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen, en andere kostbaarheden en zeldzaamheden, van lijflinnen, wapens, granen, wijnen en andere levensmiddelen. (B.W. 567.)
572. De uitdrukking een huis mei al hetgeen zich daarin bevindt bevat alles wat, volgens artikel 569, voor roerende goederen wordt gehouden. en in het huis gevonden, met uitzondering van het gereed geld en van de iuschulden en andere regten, waarvan de bescheiden zich in het huis mogten bevinden. (B.W. 565 v.)
573. De uitdrukking stoffering bevat alleen die meubelen, welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, als: behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porseleinen, en andere voorwerpen van dien aard.
1) Art. 9 der wet van 28 Juni 1881, Stsbl. no. 124, bepaalt: Het auteursrecht wordt beschouwd als cene roerende zaak.
Het is vatbaar voor geheeie of gedeeltelijke overdracht en gaat over bij erfopvolging.
Het is niet vatbaar voor beslaü.
96
B.W. Boek II, Titel I, 4 en 5. Artl. 568^-580.
Schildergen en beelden, welke een gedeelte van de meubelen eens vertreks uitmaken, zijn daaronder insgelijks begrepen, doch geenszins de verzamelingen van schilderijen, prenten en beelden, die op galerijen en bijzondere vertrekken geplaatst zijn.
Hetzelfde geldt omtrent porseleinen; alle de zoodanige die een gedeelte uitmaken van de sieraden eens vertreks, zijn onder de uitdrukking van stoffering begrepen. (B.W. 563.) 574. De uitdrukking een gemeubileerd huis of een huis nu bevat alleen de stoffering. (B.W. 573.)
VIJP.DE AFDBELING.
Van zalcen met betrekking tot derzelver bezitters.
Art. 575. Er zijn zaken die aan niemand toebehooren; de overige zgn het eigendom of van den staat, of van gemeenschappen, of van bijzondere personen. (B.W. 582 v., 625, 640.)
576. Gronderven en andere onroerende zaken die onbeheerd zijn en geenen eigenaar hebben, gelijk mede de zaken van dengenen die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is verlaten, bebooren aan den staat. (B.W. 640, 879, 920, 1172, 1175.)
577. Insgelijks bebooren aan den staat de wegen en straten, welke te zijnen laste zijn, de stranden der zee, de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers, de groote en kleine eilanden en de platen welke in die wateren opkomen, gelijk ook de havens en reeden; onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (B.W. 578, 593, 610, 641, 646, 676, 727, 1990 v.)
578. Door oevers worden, in het vorige artikel, verstaan de boorden van rivieren, meeren of stroomen, welke bij gewone tijden, als het water op het hoogst is, door dat water overdekt worden, en niet hetgeen door watervloeden overstroomd is.
579. Als eigendom van den staat worden insgelijks aangemerkt alle gronden en getimmerten welke tot 's lands vestingwerken bebooren, en gevolgelijk alle gronden waarop eenige werken van verdediging zijn aangelegd geworden, als: wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of vooruitspringende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn, linien, posten, verschansingen, redouten, dijken, sluizen, kanalen en hunne boorden, insgelijks onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (B.W. 580 v., 840 v., 1990 v.)
580. In alle vestingen van den staat, wordt als militaire lands-grond aangemerkt de geheele oppervlakte, begrepen:
1°. In vestingen van bedekte wegen en glacis voorzien, tusschen den voet van de glooijing van den hoofdwal en den teen van den bedekten weg, en zoo deze van eene voorgracht is voor-
BXJKG. WBTB. 7
97
96 Pan de zaken en derzelver onderscheiding.
deelgenootenalleenlijkzoolangdegemeenschapduurt; (K.â 10.)
5quot;. Aandeelen in 's rijks schuld, het zij dezelve bestaan in inschrijvingen op het groothoek, het zij in certificaten, schuldbekentenissen, obligatien of andere effecten, met de daartoe behoorende coupons of rente-bewijzen;
6°. Actiën in of coupons van obligatien van alle andere geld-leeningen, daaronder begrepen die welke door vreemde mogendheden zijn aangegaan. ') (B.W. 563, 569 v.)
568. Indien by de wet, of in eenige burgerlijke handeling, de uitdrukking wordt gebezigd van roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad, stoffering, of een huis met al hetgeen zich daarin bevindt, zonder eenige by voeging, uitlegging, uitbreiding of beperking, worden de voorzeide uitdrukkingen geacht de voorwerpen te bevatten, welke bij de volgende artikelen zijn aangeduid.
569. De uitdrukking roerende goederen bevat, zonder uitzondering, alles wat, volgens de hier-boven vastgestelde regelen, voor roerend wordt gehouden. (B.W. 565 v.)
570. De uitdrukking inboedel bevat alles wat in voege voorschreven voor roerend wordt gehouden, met uitzondering van het gereed geld, van actiën, schuldvorderingen en andere regten, bij artikel 567 vermeld, van koopmanschappen en grondstoffen, van werktuigen tot fabrijken, trafijken, of den landbouw behoorende, mitsgaders van bouwstoffen tot het opbouwen bestemd, of van afbraak afkomstig.
571. De uitdrukking meubelen of huisraad bevat al betgeen, wat volgens het voorzeide artikel, tot den inboedel behoort, met uitzondering van paarden en levende have, van rijtuigen met hun toebe-hooren, van edelgesteenten, boekeu en handschriften, teekeningen, prenten, schilderijen, beelden, gedenkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen, en andere kostbaarheden en zeldzaamheden, van lijflinnen, wapens, granen, wijnen en andere levensmiddelen. (B.W. 567.)
572. De uitdrukking een huis met al hetgeen zich daarin bevindt bevat alles wat, volgens artikel 569, voor roerende goederen wordt gehouden. en in het huis gevonden, met uitzondering van het gereed geld en van de inschulden en andere regten, waarvan de bescheiden zich in het huis mogten bevinden. (B.\V. 565 v.)
573. De uitdrukking stoffering bevat alleen die meubelen, welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, als: behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porseleinen, en andere voorwerpen van dien aard.
1) Art. 9 der wet van 28 Juni 1881, Stsbl. no. 124, bepaalt: Het auteursrecht wordt beschouwd als eeue roerende zaak.
Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over bij erfopvolging.
Het is niet vatbaar voor beslag.
B.W. Boek II, Titel I, 4 en 5. Artt. 568-7-580.
Schilderijen en beelden, welke een gedeelte van de meubelen eens vertreks uitmaken, zijn daaronder insgelijks begrepen, doch geenszins de verzamelingen van schilderijen, prenten en beelden, die op galerijen en bijzondere vertrekken geplaatst zijn.
Hetzelfde geldt omtrent porseleinen; alle de zoodanige die een gedeelte uitmaken van de sieraden eens vertreks, zijn onder de uitdrukking van stoffering begrepen. (B.W. 563.)
574. De uitdrukking een gemeubileerd huis of een huis met zijne meubelen, bevat alleen de stoffering. (B.W. 573.)
V1JP.DE ArDEELING.
Van zaken met betrekking tot derzelver bezitters.
Art. 575. Er zijn zaken die aan niemand toebehooren; de overige zijn het eigendom of van den staat, of van gemeenschappen, of van bijzondere personen. (B.W. 582 v., 625, 6é0.)
576. Gronderven en andere onroerende zaken die onbeheerd zijn en geenen eigenaar hebben, gelijk mede de zaken van dengenen die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is verlaten, behooren aan den staat. (B.W. 640, 879, 920, 1172, 1175.)
577. Insgelijks behooren aan den staat de wegen en straten, welke te zijnen laste zijn, de stranden der zee, de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers, de groote en kleine eilanden en de platen welke in die wateren opkomen, gelijk ook de havens en reeden; onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (B. W 578, 593, 610, 641, 646, 676, 727, 1990 v.)
578. Door oevers worden, in het vorige artikel, verstaan de boorden van rivieren, meeren of stroomen, welke bij gewone tijden, als het water op het hoogst is, door dat water overdekt worden, en niet hetgeen door watervloeden overstroomd is.
579. Als eigendom van den staat worden insgelijks aangemerkt alle gronden en getimmerten welke tot 's lands vestingwerken behooren, en gevolgelijk alle gronden waarop eenige werken van verdediging zijn aangelegd geworden, als: wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of vooruitspringende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn, linien, posten, verschansingen, redouten, dijken, sluizen, kanalen en hunne boorden, insgelijks onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (B.W. 580 v., 840 v., 1990 v.)
580. In alle vestingen van den staat, wordt als militaire lands-grond aangemerkt de geheele oppervlakte, begrepen:
1°. In vestingen van bedekte wegen en glacis voorzien, tusschen den voet van de glooijing van den hoofdwal en den teen van den bedekten weg, en zoo deze van eene voorgracht is voor-
BURG. WBTB. 7
97
98 Van de zaken en derzelver onderscheiding.
zien, tot en met den buitenboord van deze gracht. De walgang der bolwerken is hier-onder begrepen, volgens eene ge-trokkene lijn door de keelen van de eene gordijn tot de andere;
2°. In vestingen zonder bedekte wegen of glacis van den bin-nenteen des hoofdwals tot en met den overboord der grachten van de enveloppen of buitenwerken;
3°. In vestingen zonder eenige buitenwerken, van den binnen-voet des walgangs tot aan eu met den overboord der daarom gelegene grachten;
4°. Eindelijk, indien er zich achter den binnenvoet der walgangen, scheislooten, bermen, enz. mogten bevinden, zullen ook deze strooken gronds, met hunne boomgewassen en andere opstallen, gerekend worden tot de militaire lands-gronden te beboeren.
581. Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, vooruitspringende posten, verschansingen, linien en batterijen, zijn geheel militaire landsgronden, met alle de zoo achterwaarts als voorwaarts en ter zijde gelegene gronden, bij derzelver aanleg door het gouvernement aangekocht.
Op alle de bewoonde forten zyn de bepalingen toepasselijk, in het voorgaande artikel vermeld. (B.W. 579 v.)
582. Zaken aan eene gemeenschap toebehoorende zijn de zoodanige die het gezamenlijk eigendom zijn van een zedelijk lichaam. (B.W. 575, 1690 v.)
583. Zaken aan bijzondere personen toebehoorende zijn de zoodanige die het afzonderlijk eigendom zijn van een of meer enkele personen. (B.W. 625 v.)
584. Men kan op zaken hebben, het zij een regt van bezit, het zij een regt van eigendom, het zij een regt van erfgenaamschap, het zij een vruchtgenot, het zij een regt van erfdienstbaarheid, het zij een regt van pand of hypotheek. (B.W. 564, 585, 625, 721, 803, 877,1196, 1208, 1654.)
TWEEDE TITEL.
Van bezit en de regten die daaruit voortvloeijen.
EERSTE AFDEELING.
Van den aard van het bezit^ en de voorwerpen die daarvoor vatbaar zijn.
Art. 585. Door bezit wordt verstaan het houden of genieten eener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander, in zijne magt heeft, als of zij hem toebehoorde. (B.W. 555, 559, 594, 599, 1992.)
B.W. Boek II, Titel I, 5 en II, 1, 2. Artt. 581â596. 99
586. Bezit is of te goeder trouw, of te kwader trouw. (B.W. 604 v.)
587. Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de zaak bezit uit kracht eener wijze van eigendomsverkrijging, waarvan de gebreken aan hem onbekend zijn. (B.W. 589 v., 630 v., 636, 1396, 1399, 2000 v., 2003.)
588. Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter kennis draagt dat de zaak, welke hij bezit, aan hem niet in eigendom toebehoort.
De bezitter wordt geacht te kwader trouw te zijn, van het oogen-blik dat eene regtsvordering tegen hem te dier zake is ingesteld, indien het geding te zijnen nadeele beslist wordt. (B.W. 591, 634, 636, 639, 1398.)
589. De goede trouw van den bezitter wordt steeds voorondersteld; hij die kwade trouw beweert, moet dezelve bewijzen. (B.W. 587, 1902, 1953, 1958«, 2002 v.)
590. Men wordt steeds geacht voor zich zeiven te bezitten, zoo lang het niet bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten. (B.W. 1953, 1994.)
591. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt men altijd voorondersteld het bezit onder denzelfden titel voort te zetten, zoo niet het tegendeel bewezen is. (B.W. 596, 1994, 1995.)
592. Men kan noch uit eigen wille, noch door enkel tijdsverloop, voor zich zeiven de oorzaak en het beginsel van zijn bezit veranderen. (B.W. 596. 1996 v.)
593. Zaken welke niet in den handel zijn, kunnen geen voorwerp van bezit opleveren.
Hetzelfde geldt zoo wel ten opzigte van niet voortdurende als van niet zigtbare erfdienstbaarheden, behoudens de bepaling van artikel 609. (B.W. 724 v., 1368, 1990.)
TWEEDE APDEELING.
Van de wijze, waarop het bezit wordt verkregen, wordt behouden, en verloren gaat.
Art. 594. Bezit wordt verkregen door de daad van eene zaak onder zijne magt te brengen, met het oogmerk om dezelve voor zich te behouden. (B.W. 585, 599.)
595. Zinneloozen kunnen door zich zelve geen bezit verkrijeen. (B.W. 506.)
Minderjarigen en gehuwde vrouwen kunnen, door de daad, het bezit eener zaak verkrijgen. (B.W. 163, 441, 500 v.)
596. Men kan het bezit eener zaak verkrijgen, of door zich zei ven, of door een ander, die in onzen naam heeft aangevangen te bezitten.
7*
100 Van bezit en de regten die daaruit voortoloeijen.
In het laatste geval, verkrijgt men het bezit, zelfs alvorens men van het in bezit nemen der zaak kennis heeft bekomen. (B.W. 591 v., 612, 1390 v., 1692, 1829 v.)
597. Het bezit van alles wat een overledene heeft bezeten gaat, van het oogenblik van zijn overlijden, over tot zijne erfgenamen, met alle hoedanigheden en gebreken van hetzelve. (B.W. 880, 1002, 1995.)
598. Men behoudt het bezit, zoo lang hetzelve niet aan een ander is overgegaan, of kennelijk is verlaten geworden. (B.W. 599 v.)
599. Men verliest het bezit vrijwillig, zoo dra men hetzelve aan een ander overdraagt. (B.W. 585, 594.)
600. Men verliest het bezit, zelfs zonder den wil om de zaak aan een ander over te dragen, wanneer men die kennelijk verlaat. (B.W. 585, 598.)
601. Men verliest, tegen zgn wil, het bezit van een stuk lands, erf of gebouw:
1°. Wanneer een ander zich daarvan, tegen wil en dank van den bezitter, in het bezit stelt, en gerustelijk het genot, gedurende den tijd van één jaar, behoudt;
2°. Wanneer een erf door een buitengewoon toeval verdronken is.
Het bezit gaat door eene tijdelijke overstrooming niet verloren.
Men verliest het bezit van eene algemeenheid van roerende zaken, op de wijze bij het eerste lid van dit artikel omschreven. (B.W. 606, 618 v., 648.)
602. Het bezit eener roerende zaak wordt tegen den wil van den bezitter verloren:
1°. Wanneer de zaak is weggenomen of gestolen;
2°. Wanneer dezelve is verloren, en men niet weet op welke plaats zij zich bevindt. (B.W. 606, 611, 637.)
603. Men verliest het bezit van onligchamelijke zaken, wanneer, gedurende een jaar, een ander daarvan het rustig genot heeft gehad. (B.W. 611, 742, 744, 746, 754.)
DERDE AFDEELING.
Van de regten die uit het bezit voortvloeijen.
Art. 604. Het bezit te goeder trouw geeft, ten opzigte der zaak, aan den bezitter het regt: (B.W. 587.)
1quot;. Dat hij bij voorraad, en tot het tijdstip der geregtelijke terugvordering, als eigenaar wordt aangemerkt; (B.W. 1902.)
2°. Dat hij den eigendom der zaak, door middel van veijaring, verkrijgt; (B.W. 1992, 2000.)
3°. Dat hij tot op de geregtelijke terugvordering de vruchten geniet, welke de zaak oplevert; (B.W. 630 v.)
B.W. Boek II, Titel II, 2 en 3. ArtL 597â613.
4°. Dat hij in het bezit der zaak moet worden gehandhaafd, wanneer hij daarin gestoord wordt; of in het bezit moet worden hersteld, wanneer hij hetzelve verloren heeft. (B.W. 548, 606, 613, 618 v., 623, 635, 659,1399 v.)
605. Het bezit ter kwader trouw geeft aan den bezitter, ten op-zigte der zaak, het regt: (B.W. 588.)
1°. Om bij voorraad, en tot op het tijdstip der geregtelijke terugvordering, als eigenaar te worden aangemerkt; (B.W. 1902.)
2°. Om de vruchten der zaak te genieten, doch onder gehoudenis om die aan den regthebbende terug te geven; (B.W. 634.)
3°. Om in het bezit te worden gehandhaafd of hersteld, zoo als in het vierde lid van het vorige artikel gezegd is. (B.W. 606, 613, 618 v., 623, 658, 1398, 1400.)
606. De regtsvordering tot handhaving in het bezit heeft plaats, indien iemand is gestoord in het bezit van een stuk lands of erf, van een huis of gebouw, van een zakelijk regt of van eene algemeenheid van roerende zaken. (B.W. 604 v., 611, 613, 617, 623; R.O. 54 no. 4; R.V. 130 v.)
607. Deze regtsvordering wordt ook toegelaten, al ware het bezit bekomen van iemand die onbekwaam was om te kunnen vervreemden. (B.W. 163, 595, 1366.)
608. Zij heeft geen plaats tegen dengenen die het regt tot eene erfdienstbaarheid betwist, ten zij het geschil eene voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid mogt gelden. (B.W. 593, 724 v.)
609. Indien er geschil ontstaat over de geldigheid van den regts-titel tot eene niet voortdurende, of tot eene niet zigtbare erfdienstbaarheid, kan de regter bevelen dat de party, die bij het ontstaan van het geschil het genot daarvan heeft, dat genot gedurende het geding behoude. (B.W. 593, 724 v., 746.)
610. Er kan geene regtsvordering tot handhaving in het bezit plaats hebben opzigtelijk voorwerpen welke de bezitter niet wettig-lijk kan bezitten. (B.W. 593, 577 v.)
611. Roerende ligchamelijke zaken kunnen geen onderwerp uitmaken van eene regtsvordering tot handhaving in derzelver bezit, behoudens de slotbepaling van artikel 606. (B.W. 602, 2014.)
612. Huurders, pachters en anderen die houders van eene zaak voor een ander zijn, kunnen geene regtsvordering tot handhaving in het bezit aanvangen. (B.W. 596, 828, 1593, 1996.)
613. De regtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd kan worden aangevangen, tegen elk en een iegelijk die den bezitter in zijn bezit stoort, zelfs tegen den eigenaar, behoudens de regtsvordering van dezen ten petitoire.
Indien niettemin dat bezit ter bede, heimelijk of door geweld verkregen is, kan de bezitter de regtsvordering om in het bezit te
101
102 Van bezit en de regten die daaruit voorMoeijen.
worden gehandhaafd niet aanvangen tegen dengenen van wien het bezit in dier voege is verkregen, of aan wien hetzelve is ontnomen. (B.W. 594, 604 v., 612, 635, 1993; R.V. 132.)
614. De regtsvordering tot handhaving in het hezit moet worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van den dag waarop de bezitter in zijn bezit gestoord is geworden. (B.W. 601, 624, 2016, 2019.)
615. Deze regtsvordering strekt om de stoornis te doen opbonden en den bezitter in zijn bezit te handhaven, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 1401.)
616. Het bezit wordt gerekend steeds bij hem geweest te zijn die, het regt van bezit niet verloren hebbende, daarin door den regter is gehandhaafd geworden, behoudens hetgeen nader omtrent de vruchten is bepaald. (B.W. 622, 1992, 1994.)
617. Indien ter gelegenheid eener regtsvordering tot handhaving in een bezit, hetgeen van wederzijde gevorderd wordt, de regter vermeent dat hetzelve niet behoorlijk bewezen is, zal hij, zonder over het bezitregt uitspraak te doen, kunnen bevelen, of dat het voorwerp onder geregtelijke bewaring worde gesteld, of dat de partijen ten pe-titoire zullen procederen, of hij zal aan eene der partijen het bezit bij voorraad toestaan.
Dat bezit geeft alleen het regt om het genot der betwiste zaak te hebben gedurende het geding over den eigendom, en onder gehoudenis om van de genotene vruchten rekening te doen. (B.W. 585, 605, 614, 634, 1773 v.; R.V. 51.)
618. Indien de bezitter van een erf of van een gebouw daarvan het bezit zonder geweld verloren heeft, kan hij tegen den houder eene regtsvordering aanvangen, strekkende om in het bezit hersteld en gehandhaafd te worden. (B.W. 604 v., 620 v., 624; R.V. 130 v.)
619. In geval van gewelddadige ontzetting, heeft de regtsvordering tot herstelling in het bezit plaats, zoo wel tegen degenen, die de gewelddadigheid hebben gepleegd, als die dezelve hebben bevolen.
Zij zijn allen hoofdelijk voor het geheel verantwoordelijk.
Om in die regtsvordering ontvankelijk te zijn, behoeft de aanlegger slechts de daad der gewelddadige ontzetting te bewijzen. (B.W. 620, 1401, 1403; R.Vquot;. 130 v.)
620. Diezelfde regtsvordering kan worden aangevangen tegen alle degenen die zich te kwader trouw van het bezit hebben ontdaan. (B.W. 599, 881«.)
621. De regtsvordering tot herstelling en liandhaving, waarvan in artikel 618 gesproken wordt, moet worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van den dag waarop het bezit is gestoord geworden; en in geval van gewelddadige ontzetting, moet de regtsvordering tot herstelling in het bezit worden aangevangen binnen
B.W. Boek II, Titel II, 3 en UI, 1. Artt. 614â626. 103
denzelfden termijn, te rekenen van den dag waarop het geweld heeft opgehouden.
Men is in die regtsvordering niet meer ontvankelijk, zoo dra men een geding ten petitoire heeft aangevangen. (B.W. 619, 624; R.V. 131.)
622. De regtsvordering tot teruggave en herstelling in het bezit strekt altijd om den vorigen bezitter in zijn bezit te handhaven of te herstellen, en hem te doen beschouwen even als of hij het bezit nimmer verloren had. (B.W. 616 v., 1992, 1994.)
623. Bij deze regtsvorderingen zullen ten aanzien der bezitters, zoo te goeder als te kwader trouw, omtrent hunne regten aangaande het genot der vruchten en de gemaakte kosten gedurende het bezit, de regelen gelden, welke hierna in den derden titel op dat stuk voor de opvordering van eigendom zijn voorgeschreven. (B.W. 604 v., 630, 634, 1400.)
624. Ook na verloop van het jaar, hetwelk de wet toekent om de regtsvordering tot herstelling in het bezit aan te vangen, heeft degene, die op eene gewelddadige wijze van zijn bezit is beroofd, het regt om, bij wege eener gewone regtsvordering, dengenen die het geweld heeft gepleegd, te doen veroordeelen tot de teruggave van alles wat hem ontnomen is, en tot de vergoeding der kosten, schaden en interessen, door de feitelijkheden veroorzaakt. (B.W. 614, 618, 621, 1401; R.V. 129*.)
DERDE TITEL.
Van eigendom.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 625. Eigendom is het regt om van eene zaak het vrij genot te hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft, en mits men aan de regten van anderen geen hinder toebrenge; alles behoudens de onteigening ten algemeenen nutte tegen behoorlijke schadeloosstelling, ingevolge de Grondwet. (B.W. 583, 639, 649, 672 v., 678 v., 711 v.; G. 151, 152.)
626. De eigendom van den grond bevat in zich den eigendom van hetgeen op en in den grond is.
De eigenaar kan op den grond alle beplantingen doen en gebouwen stellen, welke hij goedvindt; behoudens de uitzonderingen in den vierden en vijfden titel van dit boek gemaakt.
Van eigendom.
Onder den grond mag hij naar goedvinden bouwen en graven, en uit dat graven alle vruchten trekken, welke hetzelve kan opleveren; behoudens de wijzigingen, uit de wetten en verordeningen van politie op het stuk der mijnen, nitveening en andere dergelijke voorwerpen voortvloeijende. (B.W. 642 v., 650 672 v., 721 v., 1211, 1517 v.)
627. Ieder eigendom wordt vermoed vrij te zijn.
Hij die beweert eenig regtop eens anders zaak te hebben, moet dat regt bewijzen. (B.W. 1902, 1953.)
628. De verdeeling van eene zaak, welke aan meer dan een persoon toebehoort, geschiedt overeenkomstig de regelen, ten opzichte van de scheiding en verdeeling der nalatenschappen voorgeschreven. (B.W. 1112 v., 1689.)
629. De eigenaar heeft het regt om de aan hem toebchoorende zaak van iederen houder terug te vorderen, in den staat waarin zij zich bevindt. (B.W. 637, 881, 1400, 2014; K.V. 721 v.)
630. De bezitter te goeder trouw heeft het regt om alle de vruchten, welke hij van de teruggevorderde zaak tot op den dag der regts-vordering genoten heeft, voor zich te behouden. Hij is verpligt tot teruggave van alle de vruchten sedert den aanvang dier regtsvor-dering genoten, onder aftrek van de kosten, tot de verkrijging dier vruchten, voor het bebouwen, bezaagen en bearbeiden van den grond, besteed.
Hij heeft wijders regt tot terugvordering der noodzakelijke uitgaven, tot het behoud en ten nutte der zaak aangewend, gelijk ook om de opgeëischte zaak onder zich te houden, zoo lang de kosten en uitgaven, in dit artikel opgenoemd, niet aan hem zgn vergoed. (B.W. 587, 604, 623, 631 v., 659, 1185 no. 4, 1398 v.)
631. Met hetzelfde regt, en op dezelfde wijze, kan de bezitter te
foeder trouw, bij de teruggave van de opgeëischte zaak, terug vor-eren de door hem in voege als voren bestede kosten tot het verkrijgen dier vruchten, welke, op het oogenblik der teruggave, nog niet van den grond zijn gescheiden. (B.W. 556, 1185.)oeder trouw, bij de teruggave van de opgeëischte zaak, terug vor-eren de door hem in voege als voren bestede kosten tot het verkrijgen dier vruchten, welke, op het oogenblik der teruggave, nog niet van den grond zijn gescheiden. (B.W. 556, 1185.)
632. Hij heeft daarentegen geene aanspraak op de teruggave van zoodanige kosten, als door hem gemaakt zijn ter verkrijging van de vruchten die hij ten gevolge van zijn bezit behoudt. (B.W. 604, 630.)
633. Hij heeft evenmin regt om, bij de teruggave der zaak, de kosten en uitgaven in rekening te brengen, door hem gemaakt tot onderhoud der zaak, als welke onder de uitgaven tot behoud en ten nutte der zaak, hier-boveu in artikel 630 vermeld, niet worden verstaan.
Wanneer er geschil ontstaat over hetgeen als kosten tot onderhoud moet worden beschouwd, zullen de voorschriften omtrent liet vruchtgebruik te dien aanzien gevolgd worden. (B.W. 840 v.)
634. De bezitter te kwader trouw is verpligt:
104
B. W. Boek II, Titel III, 1 en 2. Artt. 627â639. 105
1°. Om alle de vruchten der opgeëischte zaak met dezelve terug te geven, zelfs de zoodanige die niet genoten zijn, indien de eigenaar die had kunnen genieten; hij kan echter, zooals dit in artikel 630 is bepaald, de kosten aftrekken of terugvorderen, welke door hem gedurende zijn bezit tot behoud der zaak zijn gemaakt, en ook de zoodanige die, tot de verkrijging der vruchten, voor het bebouwen, bezaaijen en bearbeiden van den grond, zijn besteed;
20. Om alle kosten, schaden en interessen te vergoeden;
3°. Om, ingeval hij het goed niet mogt kunnen teruggeven, daarvan de waarde te voldoen, zelfs wanneer dat goed buiten zijne schuld, of bij toeval is verloren gegaan, ten zij hij mogt kunnen bewijzen dat de zaak evenzeer zoude vergaan zijn, indien de eigenaar die had bezeten. (B.W. 588, 605, 617, 623, 658, 1185 no. i, 1280 v., 1400.)
635. Hij, die zich op eene gewelddadige wijze heeft in het bezit gesteld, kan de door hem gedane uitgaven niet terug vorderen, al waren dezelve ook tot behoud van het goed noodzakelijk geweest. (B.W. 604, 613, 1400.)
636. De uitgaven tot nut en verfraaijing blijven ten laste van dengenen, die te goeder of te kwader trouw bezeten heeft, doch hij heeft het regt om de door hem aangebragte voorwerpen van nut en verfraaijing tot zich te nemen, indien zulks kan geschieden zonder het goed te beschadigen. (B.W. 826 v.)
637. Hij, die de teruggave van eene ontvreemde of verlorene zaak vordert, is niet verpligt aan den houder den door dezen besteden koopprns terug te geven, ten ware de houder de zaak op eene jaar-of eene andere markt, op eene openbare veiling, of van eenen koopman gekocht heeft, die bekend staat in dergelijke voorwerpen gewoonlijk handel te drijven. ') (B.W. 602, 1507, 1757, 2014.)
638. In zee geworpene en door de zee opgeworpene goederen kunnen door den eigenaar worden teruggevorderd met inachtneming der wettelijke voorschriften op dat stuk bestaande. (K. 545 v.)
TWEEDE AFDEE1ING.
Fan de wijze waarop eigendom verkregen wordt.
Art. 639. Eigendom van zaken kan op geene andere wijze worden verkregen, dan door toeëigening, door natrekking, door verjaring, door wettelijke of testamentaire erfopvolging, en door opdragt of levering ten gevolge van eenen regtstitel van eigendoms-over-gang, afkomstig van dengenen die geregtigd was over den eigendom
1) Art. 637 aldus gewijzigd Mj art. 9 der wet van 36 April 1884, Stsbl. no. 93.
Van eigendom.
te beschikken. (B.W. 175, 640 v-, 6é3, 665 v., 877 v., 921 v., 1983, 2000; R.V. 505.)
640. Roerende zaken, welke aan niemand toebehooren, worden het eigendom van dengenen die zich dezelve het eerst toeeigent. (B.W. 565, 567 v., 575 v.)
641. Het regt om zich het wild of de visschen toe te eigenen behoort, bij uitsluiting, aan den eigenaar van den grond waarop zich het wild, of van het water waarin zich de vistxhen bevinden; behoudens de regten door derden verkregen, waarvan zij tegenwoordig het genot hebben, en onverminderd de wetten en verordeningen op dat stuk aanwezig. (B.W. 563, 577, 821.)
642. De eigendom van eenen schat behoort aan dengenen, die denzelven op zijn eigen grond gevonden heeft. Indien de schat op den grond van een ander gevonden wordt, behoort de eene helft aan den vinder, en de wederhelft aan den grondeigenaar.
Men verstaat door eenen schat al zoodanige verborgene of begra-vene zaak, waarop niemand zijn regt van eigendom kan bewijzen, en die door een louter toeval ontdekt is. (B.W. 824.)
643. Al hetgeen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve één ligchaam uitmaakt, behoort aan den eigenaar, volgens de regelen bij de volgende artikelen vastgesteld. (B.W. 626, 1518.)
644. Groote en kleine eilanden, en door aanslijking droog ge-wordene platen, die zich in onbevaarbare en onvlotbare rivieren nederzetten, behooren aan de eigenaars der oevers aan de zijde waar zij zich gevormd hebben. Indien het eiland zich niet aan éénen kant heeft opgeworpen, behoort hetzelve aan de eigenaars der beide oevers, te rekenen van de lijn die men veronderstelt in het midden van de rivier getrokken te zijn. (B.W. 577, 64'3.)
645. Indien een stroom of eene rivier, door eenen nieuwen arm te maken, het aan den oever liggend land van eenen eigenaar doorsnijdt en tot een eiland maakt, behoudt de eigenaar den eigendom van zijn land, zelfs wanneer dat eiland zich in eenen stroom of in eene bevaarbare en vlotbare rivier gevormd had.
646. De eigendom van stroomen en rivieren brengt mede den eigendom van den grond, waarover het water loopt. (B.W. 577, 644, 676.)
647. Indien een stroom of eene rivier eenen nieuwen loop aanneemt en zijne oude beddingen verlaat, nemen de eigenaars van de gronden, welke zij hierdoor verloren hebben, bezit van de verlatene beddingen om zich schadeloos te stellen, een iegelijk naar evenredigheid van den grond dien hij verloren heeft.
648. De tijdelijke overstrooming van eenen stroom of eene rivier doet den eigendom noch verkrijgen noch verloren gaan. (B.W. 601, 653.)
649. Verdronken landen blijven aan den eigenaar toebehooren.
106
B.W. Boek II, Titel III, 2. Artt. 640â654. 107
Niettemin, indien derzelver bepoldering of droogmaking, door den Koning, voor het algemeen belang, of tot beveiliging van nabij gelegen eigendommen, noodzakelijk wordt geacht, en door deskundigen bewezen wordt dat die verdronken landen voor bepoldering of droogmaking vatbaar zijn, zullen derzelver eigenaars aangemaand worden om dezelve te bewerkstelligen of daaraan deel te nemen, en, bij weigering of ontstentenis daarvan, van hunnen eigendom ten behoeve van den staat kunnen worden onteigend, tegen gelijktijdige voldoening van de waarde, waarop die gronden, als verdronken land, zullen worden geschat. (B.W. 60], 801, 858.)
650. De eigenaar van een zeeduin is van regtswege eigenaar van den grond, waarop het zeeduin rust.
Indien een aan het zeeduin aangrenzend stuk lands door den wind met zand zoodanig wordt overstoven, dat het land met het zeeduin vereenigd wordt, en daarvan niet kan worden onderscheiden, wordt het land de eigendom van dengenen aan wien het zeeduin toebehoort, ten ware hetzelve, binnen vijf jaren na de over-stuiving, door eene afheining of grenspalen zij afgescheiden. (B.W. 626.)
651. De aanslijkingen en aanwassen, welke natuurlijk, langzamerhand en ongemerkt, aan de landen, bij een loopend water gelegen, aangroeijen, worden aanspoelingen genaamd.
De aanspoeling komt ten voordeele van de eigenaars van den oever, zonder onderscheid of in den titel van eigendom al of niet melding worde gemaakt van de hoegrootheid der landen; behoudens de wetten en verordeningen opzigtelijk voet- en jaagpaden. (B.W. 652 v., 821.)
652. De bij het tweede lid van het vorige artikel gemaakte bepaling is ook toepasseliik op aanspoelingen, welke aan de oevers van bevaarbare meeren plaats hebben.
Dezelfde bepaling is eindelijk ook toepasselijk op aanwassen, gor-singen en schorren, door de zee aan de stranden en aan de oevers der rivieren, alwaar ebbe en vloed gaat, aangespoeld, het zij de oever aan den staat, of wel aan bijzondere personen of gemeenschappen, toebehoort. (B.W. 575.)
653. Aanspoeling heeft geen plaats ten aanzien van vijvers.
De eigenaars derzelve behouden steeds den grond die door het
water bedekt wordt, wanneer het tot die hoogte gekomen is dat de vijver zich daarvan ontlast, ofschoon ook de hoeveelheid van het water naderhand weder afneme.
Zoo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van den vijver geen regt op de landen aan den oever gelegen, die door zijn water, bij buitengewone hoogte van hetzelve, overdekt worden. (B.W. 648 v.)
654. Het wordt als geene aanspoeling aangemerkt, indien een
Van eigendom.
stuk lands door het geweld van den stroom in eens van het eene land afgescheurd en aan het andere aangeworpen wordt, mits de eigenaar zijn regt binnen drie jaren na die gebeurtenis doe gelden. Na dit tijdsverloop, wordt ook dat afgescheurde en niet gevorderde stuk gronds de eigendom van dengenen, aan wiens land hetzelve aangeworpen is. (B.W. 651.)
655. Al hetgeen op een erf geplant of gezaaid is, behoort aan den eigenaar des gronds. (B.W. 660, 758, 1953, 1958.)
656. Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de grondeigenaars, mits het gebouwde met den grond vereenigd zij, behoudens de wijzigingen in artikel 658 en 659 voorkomende. (B.W. 626, 758, 1953, 1958.)
657. De eigenaar vau den grond, die met bouwstoffen, welke aan hem niet toebehooren, gebouwd heeft, moet daarvan de waarde voldoen ; hij kan tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden veroordeeld, indien daartoe gronden zijn, doch heeft de eigenaar der bouwstoffen geen regt om dezelve weg te nemen. (B.W . ()60, 1401 v.)
658. Indien iemand met zijne eigene bouwstoffen op den grond van een ander werken heeft aangelegd, kan de grondeigenaar het gebouwde voor zich behouden, of den anderen noodzaken om hetzelve weg te nemen.
Indien de grondeigenaar vordert dat het gebouwde worde weggenomen, zal het afbreken moeten geschieden ten koste van dengenen die de werken gemaakt heeft, en deze laatste kan zelfs tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden veroordeeld.
Indien daarentegen de grondeigenaar het gebouwde wil aan zich behouden, moet hij de waarde van de bouwstoffen, mitsgaders het werkloon, betalen, zonder dat echter de meerdere waarde van het erf daarbij in aanschouw zal kunnen worden genomen. (B.W. 588, 605, 634-, 659 v., 762, 772 v., 826, 1603, 1654.)
659. Indien het bouwen door eenen bezitter te goeder trouw is verrigt, kan de eigenaar niet vorderen dat het gebouwde worde weggenomen ; maar hij heeft de keus om, of de waarde der bouwstoften en het werkloon te voldoen, of eene geldsom te betalen, evenredig aan de meerdere waarde van het erf. (B.W. 604, 630, 660.)
660. De drie bovenstaande artikelen zijn ook toepasselijk op de beplantingen en bezaaiingen. (B.W. 655.)
661. Hij, die van eene niet aan hem toebehoorende stof een voorwerp van eene nieuwe soort maakt, wordt eigenaar van dat voorwerp, mits hij den prgs der stof betale, en, zoo daartoe gronden zijn, de kosten, schaden en interessen vergoede. (B.W. 662 v.)
662. Wanneer het nieuwe voorwerp zonder toedoen van den mensch en door de toevallige vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, is voortgebragt, alsdan
108
B.W. Boek II, Titel IH, 2. Arlt. 655â669. 109
wordt het nieuwe voorwerp eene tusschen alle de eigenaars gemeene zaak, naar evenredigheid van de waarde der stoffen, welke oorspronkelijk aan ieder hunner hebben toebehoord.
663. Indien het nieuwe voorwerp is voortgebragt door de ver-eeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toe-behoorende, en door de daad van een dier eigenaars, zoo bekomt laatstgemelde daarvan den eigendom, onder gehoudenis om aan de anderen de waarde der stoffen te voldoen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.
664. Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen gevoegelijk kunnen worden gescheiden, zal een ieder kunnen terug vorderen hetgeen hem toebehoort.
665. Eigendom wordt verkregen door verjaring, nadat men eene zaak heeft bezeten gedurende den tijd welken de wet bepaalt, en overeenkomstig de voorwaarden en onderscheidingen, welke bij den zevenden titel van het vierde boek van dit wetboek zijn vastgesteld. (B.W. 19S3 v., 2000.)
666. De wijze waarop eigendom door middel van wettelijke erfopvolging of testamentaire erfstelling verkregen wordt, is bij den elfden en twaalfden titel van dit boek behandeld. (B.W. 877, 921.)
667. De levering van roerende zaken, onligchamelijke uitgezonderd, geschiedt door de enkele overgave, welke door den eigenaar of in zijnen naam is verrigt, of door de sleutels van het gebouw, waarin zich die zaken bevinden, over te geven.
De levering wordt niet vereischt, indien de verkrijger de zaak reeds, uit krachte van eenen anderen titel, in zijne magt heeft. (B.W. 559, 565 v., 569, 8074, 1271 v., 1495, 1723 v., 1791, 2014: K. 309.)
668. De levering van schuldvorderingen die niet aan toonder luiden, en andere onligchamelijke zaken, geschiedt door middel van eene authentieke of onderhandsche akte, waarbij de regten op die voorwerpen aan een ander worden overgedragen.
Die overdragt heeft ten aanzien van den schuldenaar geen gevolg dan van het oogenblik dat dezelve aan hem is beteekend geworden, of dat hij de overdragt schriftelijk heeft aangenomen of erkend.
Ten opzigte van effecten en schuldvorderingen aan toonder wordt de overgave voor levering gehouden. (B.W. 1198, 1495, 1576, 1723, 1911, 2014.)
669. De levering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld geschiedt ingevolge de voorschriften en verordeningen op dat stuk bestaande. (B.W. 567.)
De levering van op naam staande aaudeelen in maatschappijen geschiedt overeenkomstig derzelver statuten, en, bij gebreke van bepalingen daaromtrent, op de wijze als bij het Wetboek van Koophandel op dat stuk is voorgeschreven. (K. 40 v.)
Van eigendom.
670. De bepalingen der twee voorgaande artikelen maken geen inbreuk op de wetten en gebruiken in zaken van koophandel. (K. 40 v., 133, 209 v., 309, 508, 573.)
671. De levering of opdragt van onroerende zaken geschiedt door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers.
Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke niet tot de geleverde zaak betrekkelijk zijn, is bet voldoende om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al hetgeen die zaak betreft, mits in dat geval de partijen, het zij bij het opmaken van het uittreksel voor den notaris en getuigen, het zij bij eene onderhandsche verklaring, op het uittreksel te stellen, hare toestemming geven dat de overschrijving der akte overeenkomstig dat uittreksel geschiede. (B.W. 562 v., 743, 760, 767, 807, 1495, 1511, 1727; K. 309.)
VIERDE TITEL,
Fan dé regten en verpligtingen tusschen eigenaars van tiaburige enen.
Art. 672. Er bestaan tusschen de eigenaars van naburige erven regten en verpligtingen, welke voorvloeijen, hetzij uit de natuur-lijke ligging der erven, het zij uit de bepalingen der wet. (B.W. S 626, 721.)
673. Erven die lager liggen zijn, ten behoeve van degene die hooger gelegen zijn, verpligt het water te ontvangen, hetwelk daarvan natuurlijk afloopt, zonder dat zulks door menschen toedoen bevorderd worde.
De eigenaar van het erf dat lager ligt mag geenen dijk of dam opwerpen, waardoor deze uitwatering belet wordt; daarentegen mag de eigenaar van het hooger gelegen erf niets in het werk stellen, waardoor de toestand van hetgene dat lager ligt verzwaard wordt. (B.W. 676 v., 700, 724, 735, 744 v.)
674. Die eene waterbron op zijn erf heeft mag daarvan, naar goeddunken, gebruik maken, behoudens het regt hetwelk de eigenaars van lager gelegene erven, het zij door eenigen titel, het zij door verjaring overeenkomstig artikel 745, mogten verkregen hebben. (B.W. 625, 675, 724, 735.)
675. De eigenaar van de waterbron mag den loop der bron niet veranderen, indien dezelve aan de inwoners van een stad, een dorp of gehucht, het voor hen noodzakelijke water verschaft.
In dat geval, heeft de eigenaar aauspraak op eene door deskundigen te regelen schadeloosstelling, ten ware het gebruik des waters wettig verkregen of verjaard mogt zyn. (B.W. 735, 744 v.)
676. Hij wiens eigendom gelegen is aan den oever van een
110
B.W. Boek Tl, Titel lil, 2 en IV. Artt. 670â682. 111
stroomend water, hetwelk niet tot het openhaar domein behoort, mag van dat voorbijloopend water tot bespoeling van zijn erf gebruik maken.
Degene wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag daarvan zelfs in de tussohenruimte, welke het water doorloopt, gebruik maken, mits hij, ter plaatse waar zijn erf eindigt, aan het water des-zelfs natuurlijken loop wedergeve. (B.W. 577, 646, 737.)
677. Wanneer er tusschen eigenaars, aan welke die wateren eenig nut kunnen verschaffen, geschil ontstaat, moeten de regtbanken, bij de beslissing daarvan, het belang van den landbouw met de onschendbaarheid van het regt van eigendom trachten overeen te brengen, en zich, in allen gevalle, gedragen naar de bijzondere en plaatselijke verordeningen opzigtelijk den loop, de hoogte en het eebrnik der wateren. (Gr. 152.)
678. Ieder eigenaar kan zijnen nabuur noodzaken hunne aan elkander grenzende eigendommen af te scheiden.
De afscheiding moet ten gemeenen koste gedaan worden. (B.W. 625, 683, 690, 711 v.; R.V. 129.)
679. Ieder eigenaar mag zgn erf afsluiten, behoudens de uitzondering bij artikel 715 gemaakt. (B.W. 625 v., 683, 690, 712.)
680. De eigenaar, die zijn erf heeft afgesloten, verliest het regt van klanwengang en stoppelweide, naar evenredigheid van den grond, welken hij door de afsluiting aan de gemeene weiding onttrekt.
681. Alle muren dienende tot afscheiding tusschen gebouwen, landerijen, hoven en tuinen, worden gerekend gemeene muren te zijn, ten ware er een titel of teeken, het tegendeel aanduidende, mogt bestaan.
Indien de gebouwen niet even hoog zijn, wordt de scheidsmuur slechts voorondersteld gemeen te zijn, tot de hoogte van het minst verhevene gebouw. (B.W. 683, 685, 688, 691, 706, 710, 1953.)
682. Het teeken dat een scheidsmuur niet gemeen is bestaat onder anderen daarin:
1°. Dat het bovenste van den muur aan den eenen kant opstaande en loodregt met deszelfs voetstuk is, en aan den anderen kant schuins afloopt;
2°. Dat de muur een gebouw of eene terras steunt of schraagt, zonder dat er van den anderen kant een gebouw of ander werk aanwezig zij;
3°. Dat bij het bouwen van den muur slechts aan de eene zijde, het zij een kap, het zij steenen lijsten en vooruitstekende steenen zijn geplaatst geworden.
In die gevallen, wordt de muur gerekend bij uitsluiting toe te behooren aan den eigenaar, aan wiens kant het gebouw, de terras, de lijsten en vooruitstekende steenen, of de goot van zoodanige kappen, gevonden worden. (B.W. 693, 1953.)
112 Van de regten en verpligtingen tusschen eigenaars em.
683. De reparatiën en wederopbouwing van den gemeenen scheidsmuur komen ten laste van alle degenen die op den muur regt hebben, en zulks naar evenredigheid van ieders regt.
Niettemin kan elke mede-eigenaar zich bevrijden om tot de kosten van reparatie en wederopbouwing bij te dragen, door zijn regt van mede-eigendom op den weder op te bouwen of te herstellen muur te laten varen, mits de scheidsmuur geen aan hem toebehoorend gebouw schrage of steune, of in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen niet tot afscheiding verstrekke van aan elkander grenzende huizen, opene plaatsen en tuinen. (B.W. 678, 685, 691 v. 702, 726, 736.)
684. Elke mede-eigenaar mag tegen den gemeenen muur aanbouwen, en in denzelven, tot op de helft der dikte, balken, ribben, ankers of andere ijzer- of houtwerken doen plaatsen, mits de muur zelf daardoor geen schade lij de. (B.W. 689, 698, 703, 731.)
685. Ieder mede-eigenaar mag den gemeenen scheidsmuur hoo-ger doen optrekken, maar hij moet alleen de kosten van verhooging dragen, mitsgaders de reparatiën tot onderhond van hetgeen zich boven de hoogte der gemeene scheiding bevindt, en bovendien de vergoeding der schade, die door de zwaarte veroorzaakt wordt, naar evenredigheid van den last, en volgens de waarde.
Indien de gemeene scheidsmuur niet in staat is om de verhooging te dragen, moet degene die den muur wil optrekken denzelven voor zijne kosten geheel op nieuw doen opbouwen, en de meerdere dikte moet van den grond aan zgnen kant afgenomen worden. (B.W. 681, 683, 687, 689, 728.)
686. Ieder mede eigenaar van eenen gemeenen scheidsmuur mag op het gedeelte hetwelk hem toebehoort eene goot leggen, en het water doen uitloopen, het zij op zijn erf, het zij op den openbaren weg, indien zulks niet bij de wetten of verordeningen verboden is. (B.W. 700, 729.)
687. De mede-eigenaar des muurs, welke niet tot de verhooging heeft bijgedragen, kan den mede-eigendom dier verhooging verkrijgen, mits betalende de helft van de gemaakte onkosten, mitsgaders de helft der waarde van den grond, indien daarvan tot verbreeding is gebruik gemaakt. (B.W. 683, 685, 698.)
688. Geen muur kan zonder den wil van deszelfs eigenaar worden gemeen gemaakt. (B.W. 681 v., 698.)
689. Green der mede-eigenaars mag, zonder toestemming van den anderen, in den gemeenen muur eenige diepte of holte maken, noch tegen denzelven eenig werk aanbrengen of doen steunen.
In de gevallen, bij artikel 684 en 685 voorzien, kan de medeeigenaar vorderen, dat vooraf door deskundigen de noodige middelen worden beraamd, ten einde het nieuwe werk aan zijne regten geen nadeel toebrenge.
Indien het nieuwe werk aan den eigendom van den nabuur na-
B.W. Boek II, Titel IP. Artt. 683â697.
deel veroorzaakt heeft, moet hij daarvoor schadeloos worden gesteld; zullende echter de schade, toegebragt aan hetgeen tot verfraai] ing van den scheidsmuur heeft verstrekt, bij het opmaken der schadeloosstelling, niet in aanmerking komen. (B.W. 692, 698.)
690. Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of het stellen van afsluiting, dienende tot afscheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen.
De wijze en de hoogte van afsluiting zullen geregeld worden volgens de bijzondere verordeningen en plaatselüke gebruiken. (B.W. 678, 711; R.V. 129.)
691. Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van eene
femeene heining eenen gemeenen muur zetten, maar geenszins eeneemeene heining eenen gemeenen muur zetten, maar geenszins eene
eining in plaats van eenen muur. (B.W. 683 698.)
692. Geen der naburen mag, zonder toestemming van den anderen, in den gemeenen scheidsmuur eenig venster of andere opening maken, op welke wijze het ook zijn moge. Hij mag dit echter doen in dat gedeelte van den muur, hetwelk hij te zijnen koste optrekt, mits zulks dadelijk bij de optrekking geschiede, op de wijze bij de twee volgende artikelen omschreven. (B.W. 685, 687, 689.)
693. De eigenaar van eenen muur die niet gemeen is, en waartegen het erf van eenen anderen onmiddellijk aanligt, mag in dien muur lichten of vensters maken van digte ijzeren traliën voorzien, en met vaststaande ramen.
De traliën zullen, ten hoogste, één palm tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben. (B.W. 682, 695 v., 727.)
694. Deze vensters of openingen mogen niet lager gemaakt worden dan vijf en twintig palmen boven den vloer of grond der kamer, welke men verlichten wil, indien dezelve met de straat gelijkvloers is, en niet lager dan twintig palmen boven den vloer, voor hoogere verdiepingen. (B.W. 693, 698, 727.)
695. Men mag over het afgesloten of onafgesloten erf van zijne naburen geene regtstreeksche uitzigten hebben, noch vensters waardoor men op eens anders erf ziet, noch balkons of andere dergelijke vooruitspringende werken, ten zij er een afstand van twintig palmen worde gelaten, tusschen den muur waarin men zoodanige werken maakt, en het erf. (B.W. 625, 693, 697 v., 727.)
696. Ter zijde of in de schuinte mag men op het erf van zijnen nabuur geene uitzigten hebben, ten zij op eenen afstand van vijf palmen. (B.W. 625, 693, 695, 697, 727.)
697. De afstand, waarvan in de twee voorgaande artikelen gesproken is, wordt gerekend van den buitenkant van den muur in welken de opening gemaakt wordt, en indien er balkons of soort-gelijke uitstekende werken zijn, van derzelver buitensten rand tot aan de scheidslinie der beide erven. (B.W. 695 v.)
BURG. WEIB. 8
113
114 Van de regten en verpligtingen tusschen eigenaars enz.
698. De bepalingen in artikel 681 tot en met artikel 697 vervat, zijn toepasselijk op iedere afsluiting van hout, dienende tot scheiding tussohen gebouwen, opene plaatsen en tuinen. (B.W. 678 v.)
699. Wanneer het tot reparatie van eenig gebouw noodzakelijk is om op den grond van den nabuur eenig steigerwerk te plaatséfa, of daarover te gaan, om bouwstoffen aan te brengen, is de eigenaar van dien grond verpligt zulks te dulden, behoudens schadeloosstelling, indien daartoe gronden zijn. (B.W. 1282 v.)
700. Elk eigenaar is verpligt zijne daken zoodanig in te rigten, dat het regenwater op zijn erf of op den openbaren weg afloope, indien dit laatste niet bij de wetten of bij verordeningen is verboden; hij mag het water niet op den grond van zijnen nabuur doen uitloo-pen. (B.W. 673, 686, 724, 729.)
701. Niemand vermag water of vuilnis door de goten van eens anders erf te laten loopen, ten ware hij daartoe het regt mogt hebben verkregen. (B.W. 724, 730, 744.)
702. Alle gebouwen, schoorsteenen, ') muren, heiningen of andere scheidingen, welke, het zij door ouderdom, het zij uit anderen hoofde, dreigen in te storten, en die het naburige erf in gevaar brengen, of over hetzelve heen hangen, moeten afgebroken, opgebouwd of hersteld worden, op de eerste aanmaning van den eigenaar des naburigen erfs. (B.W. 683, 699, 1277, 1405.)
703. Hij, die, in de nabijheid van eenen gemeenen of niet ge-meenen muur, eenen put, een riool, of een sekreet laat graven; die aldaar eenen schoorsteen of een stookplaats, een oven of fornuis wil metselen; er eenen stal of mestbak tegen aan wil bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis van zout, of eene verzamelplaats van bijtende stoffen, wil aanleggen, of daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken wil maken, is verpligt de tusschenruimte te laten of te maken, welke bij de bijzondere verordeningen of gebruiken te dien opzigte is voorgeschreven, of al zoodanige werken aan te leggen als die reglementen en gebruiken voorschreven, ten einde alle schaden voor de naburige erven te voorkomen. (B.W. 625, 684, 689.)
704. Eegenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en dergelijke, tusschen naburige erven gemeen, moeten ten koste der eigenaars onderhouden, geruimd of gereinigd worden. (B.W. 705, 767, 1620, 1654.)
705. De ruiming van gemeene sekreten moet beurtelings, dan over het eene, en dan over het andere erf geschieden.
706. Alle grachten of slooten tusschen twee erven worden voorondersteld gemeen te zijn, indien er geen titel of teeken van het tegendeel aanwezig is. (B.W. 681, 1953.)
1) Alhoewel het woord âschoorsteenenquot; ontbreekt in de officieele uitgaaf, behoort het hier genoemd volgens art. 9 der wet van 39 Maart 1833, Stsbl. no. 11.
B.W. Boek II, Titel IV. Artt. 698â715.
707. Het wordt, onder anderen, als een teeken dat de gracht of sloot niet gemeen is, beschouwd, wanneer de kade of opgeworpene aarde alleenlijk aan de eene zijde van de gracht of sloot gevonden wordt.
In dat geval, wordt de gracht of sloot gerekend voor het geheel aan dengenen toe te hehooren, aan wiens kant de opgeworpene aarde zich bevindt. (B.W. 682, 712, 1953.)
708. De gemeene grachten of slooten moeten op gezamenlijke kosten worden onderhouden. (B.W. 683.)
709. Ieder der aangrenzende eigenaars mag in de gemeene gracht of sloot visschen, varen, zijne beesten drenken, en daaruit tot zijn gebruik water scheppen. (B.W. 732.)
710. Iedere hegge, welke twee erven van elkander scheidt, wordt voorondersteld gemeen te zijn, ten ware er titel, bezit of teeken van het tegendeel mogt bestaan.
De hoornen die zich in de gemeene hegge bevinden zijn gemeen, gelijk de hegge zelve, en ieder der eigenaars heeft het regt om te vorderen dat die hoornen omgehakt worden. (B.W. 681, 706, 1953.)
711. De eene nabuur kan den anderen noodzaken tot het planten van nieuwe heggen, ten gemeenen koste, indien de vorige, gemeen zijnde geweest, tot aanwijzing der scheidslinie tusschen de beide erven hebben verstrekt. (B.W. 625, 678.)
712. Het wordt, onder anderen, als een teeken dat de hegge niet gemeen is, aangemerkt, wanneer slechts een der erven afgesloten is. (B.W. 679, 1953.)
713. Het is niet geoorloofd hoog opschietende boomen of heggen te planten, dan op den afstand welke bij de tegenwoordig bestaande bijzondere reglementen, of ten gevolge van vaste en erkende gebruiken, bepaald is, en bij ontstentenis van reglementen of gebruiken, op den afstand van twintig palmen van de scheidslinie der beide erven, voor zoo verre de hoogopschietende boomen betreft, en op den afstand van vijf palmen, ten aanzien der heggen. (B.W. 625, 701.)
714. De nabuur heeft het regt om te vorderen dat de boomen en heggen, op eenen korteren afstand geplant, worden uitgeroeid.
Hij op wiens erf de takken der boomen van zijnen nabuur overhangen, kan den laatstgenoemden noodzaken die takken af te snijden.
Indien de wortels der boomen op zijn erf doorschieten, heeft hij het regt om die aldaar zelf weg te hakken; ook de takken mag hij zelf afsnijden, indien de nabuur op zijne eerste aanmaning geweigerd heeft zulks te doen, en mits hij niet op den eigendom van den nabuur trede. (B.W. 1276.)
715. De eigenaar van een stuk lands of erf, hetwelk tusschen andere landen zoodanig ligt ingesloten dat hetzelve geenen toegang heeft tot den gemeenen weg of de gemeene vaart, is bevoegd om
115
8*
116 Van de regten en verpligtingen tusschen eigenaars enz.
van de eigenaars der naastgelegene landen te vorderen, dat zij hem eenen uitweg, ten dienste van zijn land of erf, aanwijzen, onder verpligting eener vergoeding, geëvenredigd aan de schade daardoor te veroorzaken. (B.W. 679, 717 v., 733, 737.)
716. Deze uitweg moet gemeenlijk genomen worden aan de zijde waar de toegang van dit stuk lands of erf tot den gemeenen weg of de gemeene vaart de kortste is, zoo echter dat altijd bij voorkeur die rigting genomen worde, welke de minste schade veroorzaakt aan het land, waarover die uitweg is verleend, (B.W. 733, 738.)
717. Indien het regt tot schadevergoeding, aan het slot van artikel 715 vermeld, door verjaring is te niet gegaan, hlij ft niettemin de uitweg voortduren. (B.W. 2004 v.)
718. De verleende uitweg houdt op, van het oogenblik dat dezelve door het ophouden der omstandigheden, bij artikel 715 vermeld, niet meer noodzakelijk is, en men kan zich op geene verjaring beroepen, hoe lang de uitweg ook moge hebben bestaan. (B.W. 733, 739.)
719. Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest. (B.W. 733.)
720. De regten en verpligtingen ten openbaren of gemeentelijken nutte daargesteld, ten onderwerp hebbende de voet- en jaagpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het raaken of het herstellen van wegen, dijken en andere openbare of gemeentelijke werken, zijn bij bijzondere wetten en verordeningen geregeld. (B.W. 577.)
VIJFDE TITEL.
Fan erfdienstbaarheden.
EERSTE AEDEELING.
Van den aard en de onderscheidene soorten van erfdienstbaarheden.
Art. 721. Erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van een erf, hetwelk aan eenen anderen eigenaar toebehoort.
Dezelve mag, noch ten laste, noch ten behoeve van eenen persoon, daargesteld worden. (B.W. 564, 625, 1250.)
722. Alle erfdienstbaarheden bestaan in de verpligting om iets te dulden, of iets niet te doen. (B.W. 736.)
B. W. Boek II, Titel IV en F, 1. Ar tl. 716â731. 117
723. Erfdienstbaarheid geeft geenen voorrang aan het eene erf boven het andere.
724. De erfdienstbaarheden zijn voortdurende of niet voortdurende.
Voortdurende erfdienstbaarheden zijn de zoodanige welker gebruik voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe des men-schen toedoen noodig zij; van dien aard zijn de waterloopen, het gootregt, het uitziet en andere dergelijke.
Niet voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezulke welke tot der-zelver uitoefening 's menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke. (B.W. 593, C08, 673 v., 700 v., 727, 733, 734, 744, 746.)
725. De erfdienstbaarheden zijn zigtbaar of onzigtbaar.
Zigtbare erfdienstbaarheden zijn de zoodanige waarvan door uitwendige werken blijkt, gelijk eene deur, een venster, eene waterleiding en soortgelijke.
Onzigtbare zijn dezulke welke geen uitwendig teeken van hun bestaan hebben, gelijk het verbod om op een erf te bouwen, of om niet dan tot op eene bepaalde hoogte te mogen bouwen, het regt om beesten te weiden, en andere waartoe 's menschen toedoen noodig is. (B.W. 594, 608, 727 v., 734, 744, 746.)
726. Wanneer men eeneu muur of een gebouw op nieuw optrekt, blijven de heerschende en lijdende dienstbaarheden ten op-zigte van den nieuwen muur of van liet nieuwe gebouw voortduren, zonder dat dezelve evenwel kunnen verzwaard worden, en mits de wederopbouwing geschiede voordat de verjaring der dienstbaarheden plaats hebbe gehad. (B.W. 728, 731, 738 v., 750, 752, 754.)
727. Hij die het regt van erfdienstbaarheid van uitzigt of van iicht heeft, mag zoovele vensters of lichten maken als hij goedvindt; maar hij mag, na te hebben gebouwd of van zijn regt gebruik gemaakt, derzelver getal in het vervolg niet vermeerdereu.
Door licht wordt alleen het noodige licht, zonder uitzigt, verstaan. (B.W. 693, 695 v., 738.)
728. Een ieder is bevoegd om zoo hoog te bouwen als hem goeddunkt, mits de verhooging van een gebouw niet ten behoeve van een ander erf verboden zij. In dat geval, heeft de eigenaar van het heerschende erf het regt om alle timmering of verhooging, bij den titel verboden, te beletten of te doen wegnemen. (B.W. G85, 725, 726.)
729. Onder de erfdienstbaarheid van waterloop en drop verstaat men slechts het regt om schoon water, maar niet om vuilnis te doen uitloopen. (B.W. 700, 724.)
730. De dienstbaarheid van gootregt is het regt om water en vuilnis te kunnen doen uitloopen. (B.W. 701.)
731. De eigenaar van een erf die het regt heeft van inbalking
Van erfdienstbaarheden.
of inankerirg in eens anders muur, is bevoegd om nieuwe balken en ankers in de plaats der vergane te leggen, maar hij mag der-zelver getal niet vermeerderen, noch de plaatsing veranderen. (B.W. 684, 726.)
732. Hij die het regt heeft om op het water van een naburig erf te varen, moet bedragen tot de onkosten welke noodzakelijk zijn om het water steeds vaarbaar te houden, ten ware hij mogt verkiezen van zijn regt af te zien. (B-W. 709.)
733. De erfdienstbaarheid van voetpad is het regt om te voet over eens anders land te mogen gaan;
Die van rijpad of dreef is het regt om daarover te paard te rijden, of beesten te dry ven;
Die van weg is het regt om er met een wagen, een rijtuig, enz., over te rijden.
Indien de breedte van het voetpad, van de dreef of van den weg, niet bij den titel is bepaald, wordt die breedte geregeld overeenkomstig de bijzondere verordeningen of plaatselijke gebruiken.
Onder de erfdienstbaarheid van rijpad of dreef is die van voetpad; onder de erfdienstbaarheid van weg, die van rijpad, dreef en voetpad stilzwijgend begrepen. (B.W. 719, 724.)
734. De erfdienstbaarheid van waterleiding is het regt om water uit of over eenig naburig erf naar het zijne heen te leiden. (B.W. 673 v., 725.)
735. Hij aan wien eene erfdienstbaarheid verschuldigd is, heeft het regt om al zoodanige werken te maken, welke tot het gebruik en behoud dier erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.
Die werken komen te zijnen koste, en niet ten koste van den eigenaar van het dienstbaar erf. (B.W. 673, 732, 736, 740.)
736. In geval de eigenaar van het dienstbaar erf bij den titel belast is om te zijnen koste de tot gebruik en behoud der erfdienstbaarheid noodzakelijke werken te maken, kan hij zich ten allen tijde van dien last bevrijden, door aan den eigenaar van het goed, aan hetwelk de erfdienstbaarheid verschuldigd is, zoodanig gedeelte van het dienstbaar erf af te staan, als tot het genot der erfdienstbaarheid noodzakelijk is. (B.W. 683, 722, 753.)
737. Indien het heerschende erf mogt worden verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid voor ieder gedeelte verschuldigd, zonder dat evenwel de toestand van het dienstbaar erf moge verzwaard worden.
Indien het alzoo een regt van overgang geldt, zijn alle de medeeigenaars van het verdeelde erf verpligt dat regt langs denzelfden weg als voor de verdeeling uit te oefenen. (B.W. 715 v., 741, 748.)
738. Hij die een regt van erfdienstbaarheid heeft, mag daarvan slechts gebruik maken volgens zijnen titel, en, bij gebreke van titel, volgens de verordeningen of plaatselijke gebruiken, en in allen gevalle op de minst bezwarende wijze.
118
B.W. Boek II, Titel F, 1 en 2. Arll. 732â747. 119
Hg mag, nooli op het dienstbare, nocli op het heerschende erf, eenige verandering maken, waardoor de toestand van het eerstge-melde zoude verzwaard worden. (B.W. 716, 740 v.)
739. De eigenaar van het dienstbare erf mag niets verrigten hetgeen strekken mogt om het gebruik der erfdienstbaarheid te verminderen, of hetzelve ongemakkelijker te maken.
Hij mag noch de gesteldheid der plaats veranderen, noch de uitoefening der erfdienstbaarheid verleggen naar eene plaats, verschillende van die waarop de erfdienstbaarheid oorspronkelijk gevestigd is, ten ware de verandering mogt kunnen geschieden zonder den eigenaar van de heerschende erfdienstbaarheid te benadeelen. (B.W. 608.)
740. Die een regt van erfdienstbaarheid heeft wordt geacht al datgene te hebben hetgeen noodzakelijk is om daarvan, op de minst bezwarende wijze voor den eigenaar van het dienstbare erf, gebruik te maken. Alzoo omvat het regt om uit eens anders bron water te halen noodzakelijk het regt van toegang tot de bron over het dienstbare erf. (B.W. 735.)
741. Indien het dienstbare erf verdeeld wordt, blijft ieder gedeelte met de erfdienstbaarheid bezwaard, voor zoo veel tot derzel-ver uitoefening noodzakelijk is. (B.W. 737 v., 748.)
TWEEDE AÃDEELING.
Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daargesteld.
Art. 742. Erfdienstbaarheden worden daargesteld of door een titel, of door verjaring. (B.W. 603, 759, 771, 1983, 1992 v., 2000.)
743. De titel van aankomst van eene erfdienstbaarheid moet in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B.W. 671, 865, 1224.)
744. De voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheden kunnen, zoo wel door verjaring, als door titel, verkregen worden. (B.W. 603, 608, 724 v., 747, 754, 1992 v., 2000.)
745. Voor den eigenaar van een lager gelegen erf, die van de bron van een hooger liggend erf gebruik maakt, begint de verjaring niet te loopen dan van het oogenblik waarop hij zoodanige uiterlijke werken heeft gemaakt en voleind, welke tot bevordering van den val, of van den loop des waters op zijn eigendom, bestemd zijn. (B.W. 674.)
746. De voortdurende en te gelijkertijd onzigtbare erfdienstbaarheden, zoo als ook de niet voortdurende, het zij dezelve zigtbaar of onzigtbaar zijn, kunnen slechts bij eenen titel worden daargesteld. Het genot, zelfs sedert onheugelijke jaren, is niet voldoende om dezelve te verkrijgen. (B.W. 609, 724 v., 1992 v.)
747. Wanneer het bewezen is dat tegenwoordig van elkander
Pan erfdienstbaarheden.
gescheiden erven voorheen aan denzelfden eigenaar hebben toebehoord, en dat deze dezelve in zoodanig eenen toestand gesteld heeft, waaruit eene voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid zoude zijn ontstaan, geldt deze bestemming in plaats van eenen titel van erfdienstbaarheid. (B.W. 724 v., 744, 753.)
748. Indien de eigenaar van twee erven tussohen welke, vóór de verkrijging daarvan, een zigtbaar teeken van erfdienstbaarheid bestond, over één dezer erven beschikt, zonder dat de overeenkomst eenige bepaling omtrent deze erfdienstbaarheid behelze, zal dezelve, het zij heerschende, het zij lijdende, ten behoeve of ten laste van het vervreemde erf blijven bestaan. (B.W. 737, 741, 753, 1250.)
749. Een der mede-eigenaars van een erf kan, door zijn toedoen alleen, buiten weten der andere, het regt van erfdienstbaarheid voor hunne gezamenlijke bezittingen verkrijgen. (B.W. 757.)
DERDE AFDEELING.
Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden te niet gaan.
Art. 750. Erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer de zaken zich in zoodanigen staat bevinden dat men van dezelve geen gebruik meer kan maken. (B.W. 726, 750 v., 801, 854.)
751. Indien het dienstbare of het heerschende erf niet geheel en al te niet gegaan of vernield is, blijft de erfdienstbaarheid voortduren, naar mate de gesteldheid der erven zulks toelaat. (B.W. 752.)
752. Erfdienstbaarheden, welke te niet zijn gegaan uit hoofde der oorzaak in artikel 750 vermeld, herleven, indien de zaken in zoodanigen staat hersteld zijn, dat men daarvan gebruik kan maken, ten ware er een voldoende tijd verloopeu zij, waardoor, volgens artikel 754, de verjaring zoude plaats hebben. (B.W. 726, 755.)
753. Alle erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer het heerschende en het dienstbare erf in dezelfde hand vereenigd zijn, behoudens de bepalingen van artikel 748. (B.W. 747, 1250, 1472 v.)
754. Erfdienstbaarheid gaat ook te niet, wanneer daarvan in dertig achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt.
Deze dertig jaren beginnen niet te loopen dan van den dag waarop men eene blijkbare en met de erfdienstbaarheid strijdige daad heeft verrigt. (B.W. 603, 747, 752, 757, 1983.)
755. Indien niettemin het heerschende erf in zoodanig eenen toestand is gesteld geweest, waardoor de uitoefening der erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden, heeft de verjaring plaats door het enkele verloop van dertig jaren, te rekenen van het oogenblik waarop het erf in dier voege heeft kunnen hersteld zijn, dat de uitoefe-
120
B.W. Boek n, Titel V, 2 en 3, VI. Artt. 748â763. 121
ning der erfdienstbaarheid daardoor wederom zoude zijn mogelijk geworden. (B.W. 747, 2023.)
756. De wijze waarop men van eene erfdienstbaarheid kan gebruik maken, verjaart even als de erfdienstbaarheid zelve, en op gelijke manier.
757. Indien het heerscbende erf aan verscheiden eigenaars onverdeeld toebehoort, belet het genot van één dier eigenaars de verjaring ten opzigte van alle de overige. (B.W. 2022.)
ZESDE TITEL.
Van hei regl van opstal.
Art. 758. Het regt van opstal is een zakelijk regt om gebouwen, werken of beplantingen op eens anders grond te hebben. (B.W. 564, 584, 639, 655 v., 671.)
759. Hij, die het regt van opstal heeft, kan hetzelve vervreemden en met hypotheek belasten.
Hij kan de goederen, aan het regt van opstal onderworpen, met erfdienstbaarheden bezwaren, doch alleen voor het tijdvak gedurende hetwelk hij het genot van dat regt bezit. (B.W. 742, 1210; R.V. 491.)
760. De titel van aankomst van het regt van opstal moet in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B.W. 671, 1992 v., 2000.)
761. Zoo lang het regt van opstal duurt, kan de grondeigenaar dengenen die dat regt heeft niet beletten de gebouwen en andere werken te sloopen, of de beplantingen te rooijen, en een en ander weg te nemen, mits laatstgemelde den prijs daarvan, tijdens het verkrijgen van het regt van opstal, hebbe voldaan, of wel de gebouwen, werken en beplantingen door hem zeiven gesteld of gemaakt zijn, en voorbehoudens dat de grond zal moeten worden hersteld in den staat waarin dezelve zich vóór het opbouwen of beplanten bevond. (B.W. 655 v., 1598,1603.)
762. Bij het eindigen van het regt van opstal treedt de grondeigenaar in den eigendom van de gebouwen, werken en beplantingen, onder gehoudenis om de waarde daarvan op dien tijd te betalen aan dengenen die het regt van opstal had, welke laatste regt van terughouding zal hebben, tot dat die betaling zal voldaan zijn. (B.W. 655 v., 658, 763.)
763. Indien het regt van opstal gevestigd is op eenen grond waarop zich reeds gebouwen, werken en beplantingen bevonden, welker waarde door den verkrijger van dat regt niet voldaan is, zal de grondeigenaar, bij het eindigen van het regt van opstal, alle die voorwerpen terug nemen, zonder daarvoor tot eenige schadeloosstelling gehouden te zijn. (B.W. 655 v., 762.)
Van het regt van opstal.
764. De verordeningen van dezen titel zullen alleen van kracht zijn, voor zooverre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken. (B.W. 1374.)
765. Het regt van opstal gaat, onder anderen, verloren:
1°. Door vermenging;
2°. Door het te niet gaan van den grond;
3°. Door de verjaring van dertig jaren;
4°. Na verloop van den tijd, welke bij de vestiging van het regt bedongen of bepaald is. (B.W. 766, 783, 865, 1472, 1480, 1983, 2004 v.; R.V. 491.)
766. Indien geene bijzondere bedingen of bepalingen omtrent het eindigen van het regt van opstal gemaakt zijn, zal de eigenaar van den grond hetzelve kunnen doen ophouden, doch niet vroeger dan na verloop van dertig jaren; mits ten minste een jaar te voren aan dengenen die het regt van opstal heeft, bij behoorlijk exploit aanzegging doende. (B.W. 765, 783.)
ZEVENDE TITEL.
Van het erf pacht sregt.
Art. 767. Erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot te hebben van een aan een ander toebeboorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelden, als eene erkentenis van des-zelfs eigendom, eene jaarlijksche pacht te voldoen, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten.
De titel van aankomst van het erfpachtsrecht moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven. (B.W. 564, 639, 671,1992 v., 2000.)
768. De erfpachter oefent alle de regten uit, welke aan den eigendom van het erf verknocht zijn, doch hij vermag niets te verrigten, waardoor de waarde van den grond zoude worden verminderd.
Hij mag alzoo, onder anderen, geene af- of uitgravingen doen van steen, steenkolen, turf, klei of andere soortgelijke tot het erf behoorende grondspecien, ten ware de ontginning reeds mogt zijn aangevangen, toen zijn regt is geboren. (B.W. 642 v., 649, 651, 774, 823 v.)
769. De boomen welke gedurende het erfpachtsregt sterven, of door een toeval worden omgeworpen, komen ten voordeele van den erfpachter, mits hij andere in derzelver plaats stelle.
Hij heeft insgelijks de vrije beschikking over alle beplantingen, door hem zeiven aangelegd. (B.W. 655 v., 813 v.)
770. De grondeigenaar is tot geenerlei reparatie gehouden.
Daarentegen is de erfpachter verpligt het in erfpacht uitgegeven
goed te onderhouden, en daaraan de gewone reparatie te doen.
122
B.jr. Boek II, Titel VI en VU. Artt. 764â779. 123
Hij mag door het stellen van gebouwen, of door het ontginnen of beplanten van gronden, het erf verbeteren. (B.W. 778, 780 v., 1619.)
771. Hij is bevoegd om zijn regt te vervreemden, met hypotheek te belasten, en den grond, in erfpacht uitgegeven, met erfdienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zün genot. (B.W. 742, 777,1210; R.V.491.)
772. Bij het eindigen van zijn regt, kan hij wegnemen alle zoodanige door hem gestelde gebouwen of gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht der overeenkomst, niet gehouden was, doch hij is verpligt de schade te vergoeden welke door dat wegnemen aan den grond mogt veroorzaakt zijn.
Niettemin heeft de grondeigenaar regt van terughouding op die voorwerpen, tot dat de erfpachter hem het verschuldigde volledig voldaan heeft. (B.W. 658, 1603.)
773. De erfpachter is onbevoegd om van den grondeigenaar te vorderen dat hij de waarde betale van de gebouwen, werken, betimmeringen en beplantingen, hoegenaamd, welke eerstgemelde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen der erfpacht op den grond bevinden. (B.W. 658, 761, 769i.)
774. Hij draagt alle belastingen, welke op het erf zgn gelegd, het zij gewone, het zij buitengewone, het zij jaarlijksche, het zij dezulke die slechts eenmaal moeten worden betaald. (B.W. 768, 883 v.)
775. De verpligting om de erfpacht te voldoen is onsplitsbaar, blijvende ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond voor de geheele pacht aansprakelijk. (B.W. 1332 v.)
776. De erfpachter kan geenerlei vrijstelling van betaling der pacht vorderen, noch uit hoofde van vermindering, noch van het geheel ophouden des genots.
Zoo niettemin de erfpachter gedurende vijf achtereenvolgende jaren van het geheel genot is beroofd geweest, zal hem kwyt-schelding verschuldigd zijn voor den tijd van zijn gemis. (B.W. 780, 1628.)
777. Ter zake van eiken overgang van het erfpachtsregt of van verdeeling eener gemeenschap, is geene buitengewone uitkeering daarvoor verschuldigd. (B.W. 771, 782.)
778. Bij het eindigen van het erfpachtsregt, heeft de eigenaar te-
fen den erfpachter eene personele regtsvordering tot vergoeding deren den erfpachter eene personele regtsvordering tot vergoeding der
osten, schaden en interessen, veroorzaakt door nalatigheid en gebrek van onderhoud van het erf, en voor de regten die de erfpachter door zijne schuld mogt hebben laten verjaren. (B.W. 776; R.V. 129a.)
779. Wanneer het erfpachtsregt door het verloop des tijds is geëindigd, wordt hetzelve niet stilzwijgend vernieuwd, doch kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot wederopzegging toe. (BW. 765 no. 4, 783.)
Van het er/pachtsregt.
780. De erfpachter kan van zijn regt worden vervallen verklaard, ter zake van merkelijke aan het goed toegebragte schade, of van het grovelijk misbruiken daarvan; onverminderd de regtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.
De vervallenverklaring kan ook worden uitgesproken ter zake van wanbetaling der erfpacht, gedurende vijf op elkander volgende jaren, en nadat de erfpachter vruchteloos tot de betaling bij behoorlijk exploit zal zgn aangemaand, ten minste zes weken vóór het aanvangen der regtsvordering. (B.W. 770, 776, 781.)
781. De erfpachter zal de vervallenverklaring uit hoofde van aan het goed toegebrachte schade of misbruik van genot, kunnen verhinderen, wanneer hij de zaken in haren vorigen staat herstelt, en voor het vervolg voldoende zekerheid geeft. (B.W. 780.)
782. Alle de bij dezen titel vastgestelde verordeningen zullen alleen plaats grijpen, voor zoo verre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken. (B.W. 764.)
783. Erfpachtsregt gaat op dezelfde wijze te niet, als hij artikel 765 en 766 opzigtelijk het regt van opstal is bepaald. (R.V. 491.)
ACHTSTE TITEL.
Fan grondrenten en tienden.
Art. 784. Door grondrenten wordt verstaan eene schuldpligtig-. heid, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten, welke de eigenaar van een stuk onroerend goed daarop vestigt, of bij de vervreemding of vermaking van hetzelve, te zijnen voordeele, of ten voordeele van eenen derde, voorbehoudt.
De titel van aankomst zal in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B.W. 564, 671, 786, 797 v-, 1992, 2000.)
785. Indien eene grondrente op een stuk goed is gevestigd, heeft de vorige eigenaar, aan wien de rente verschuldigd is, geen requot;t om dat goed, uit hoofde van wanbetaling der rente, terug te vorderen. (B.W. 797,1302.)
786. De schuldpligtigheid der grondrente rust bij uitsluiting op het goed zelf, en blijft, in geval van deeling, ieder deel voor de geheele rente verbonden, zonder dat, in eenig geval, de persoon van den bezitter in zijne overige goederen daarvoor aansprakelijk zij.
De bovenstaande bepaling is niet toepasselijk op de schuldpligtigheid van een zeker evenredig aandeel der vruchten, waarvan in de volgende artikelen gehandeld wordt. (B.W. 1807.)
787. De schuldpligtigheid van tienden, of van eenige andere evenredige hoeveelheid van vruchten, moet, over elke inzameling van
124
B.W. Boek U, Titel PU en VIII. Artt. 780â796. 125
vruchten, aan de schuldpHgtigheid onderworpen, voldaan worden. (B.W. 789, 791, 798, 1220 no. 5; KV. 491.)
788. Indien bij de vestiging, of bij het voorbehoud van tienden, geen uitdrukkelijk beding wordt gemaakt, hetzij ten aanzien der soorten van vruchten daaraan onderworpen, het zij ten aanzien van derzelver evenredige hoeveelheid, wordt daardoor verstaan een tiende gedeelte van zoodanige vruchten, welke, volgens het gebruik der plaats, aan tiendpligtigheid onderworpen zijn; of zoodanige uit-keering in geld als, volgens dat gebruik, wegens sommige vruchten, in plaats van tienden in natura, voldaan wordt. (B.W. 796, 1902.)
789. Er is niets verschuldigd, indien het land braak of onbebouwd is blijven liggen, of gebezigd is tot het kweeken van vruchten welke niet aan de scliuldpligtigheid onderworpen zijn.
790. Insgelijks is niets verschuldigd van de graanvruchten die onrijp zijn afgesneden.
791. De schuldpligtigen van welke in artikel 787 en volgende gesproken wordt, zijn gehouden om, ten tijde van het inzamelen der vruchten, dezelve aan hoopen of schoven van dezelfde grootte, in rijen te stellen.
De hoopen of schoven moeten onuitgezocht worden geplaatst, naar mate de vruchten worden ingezameld. (B.W. 794 v.)
792. Zij zijn verpligt de hoopen of schoven gedurende vier en twintig uren op hunne akkers te laten staan, na vooraf den tiend-heifer, volgens plaatselijk gebruik, te hebben doen verwittigen.
793. Gedurende dien tijd, kan degene, aan wien de uitkeering verschuldigd is, de hoopen of schoven aanwijzen welke hem toekomen; hij zal de telling mogen beginnen waar hg verkiest, maar wijders moeten volgen de orde waarin de hoopen of schoven gesteld zijn. (B.W. 794, 796,)
794. Indien degene, aan wien de uitkeering verschuldigd is, in gebreke blijft die aanwijziging te doen, zal de schuldpligtige het vermogen hebben om van denzelven zijn aandeel aan te wijzen, en de hoopen of schoven ter beschikking van den daartoe geregtigde moeten laten.
795. De schuldpligtige die de vruchten heeft weggevoerd zonder aan zijne verpligting te hebben voldaan, zal de dubbele waarde moeten betalen van de uitkeering waartoe hn verpligt was. (B.W. 788 v.)
796. Indien de schuldpHgtigheid op jongen van beesten of op bijen-zwermen gevestigd is, zal de schuldpligtige aan den geregtigde zijn aandeel kunnen uitleveren, of hem de waarde daarvan in geld voldoen, berekend naar den hoogsten prijs, gedurende den tijd van zes weken nadat de uitkeering kan worden gevorderd.
De schuldpligtigheid waarover dit artikel handelt, wordt nimmer
Van grondrenten en tienden.
onder de algemeene benaming van tienden begrepen, maar moet uitdrukkelijk zijn gevestigd of voorbehouden.
Die tienden worden gekweten, zooals die uit de hand vallen, zonder dat de tiendheffer de beste kiezen, of de tiendpligtige de slechtste geven mag. (B.W. 788, 793,1016, 1428.)
797. De verschenen en niet voldane schuldpligtigheden, waarover by artikel 787 en volgende gesproken wordt, veijaren door het tijdsverloop van één jaar, te rekenen van den dag waarop de uit-keering kon gevorderd worden.
Die van de overige grondrenten verjaren door een tijdsverloop van vijf jaren. (B.W. 2012.)
798. De grondrenten mitsgaders de tienden en andere schuldpligtigheden, in eene zekere evenredige hoeveelheid van vruchten bestaande, kunnen altijd worden afgekocht, al ware het tegendeel uit-drukkelijk bedongen.
Het is echter geoorloofd de voorwaarden van den afkoop te bepalen, en zelfs te bedingen dat de rente niet kan worden afgekocht dan na een bepaald tijdsverloop, mits den tijd van dertig jaren niet te boven gaande. (B.W. 799, 801.)
799. Indien de afkoopprijs van grondrenten, tienden of andere evenredige schuldpligtigheden niet bepaald is bij de vestiging, noch daaromtrent bij den afkoop tusschen partgen wordt overeengekomen, zal dezelve geregeld worden op de navolgende wijze;
Bg eene grondrente in geld, kan de schuldpligtige volstaan met de oplegging van het twintigvoudig bedrag derzelve.
Indien de schuldpligtigheid niet in geld, maar in andere voorwerpen verschuldigd is, bestaat de afkoopprijs evenzeer uit het twin-tigvoud van de jaarlijksche opbrengst, en wordt de waarde daarvan geregeld volgens de landelijke marktprijzen der laatstverloopene tien jaren, door elkander gerekend, en bij gebreke van dezelve, bepaald by deskundigen, door partyen of door den regter te benoemen.
Bij tienden en andere evenredige en jaariyksche uitkeeringen, strekt de zuivere opbrengst der vy ftien laatste jaren, door elkander, tot maatstaf der hoeveelheid van de jaarlijksche opbrengst, na voor-afgaanden aftrek der twee voordeeligste en der twee nadeeligste jaren. De verpachtingen der vijftien laatste jaren, onder aftrek als hier-boven, leveren het bewys op van die opbrengst, en alleen by gebreke van zoodanige verpachtingen worden de gewone en hier-boven gemelde regelen bij de waardeering gevolgd. (B.W. 801 no. 2.) gt;
800. Indien het goed, gedurende de laatste vyftien jaren, geene zoodanige vruchten heeft op'gebragt die aan tienden en andere evenredige en jaariyksche uitkeeringen onderworpen zgn, zal het beloop van den afkoop, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden geregeld. (B.W. 789 v.)
126
B.W. Boek II, Titel VIII en IX, 1, Aril. 797â805. 127
801. Het regt van grondrenten en van alle andere schnldpligtig-heden, waarvan in dezen titel wordt gehandeld, gaat verloren:
1°. Door vermenging, wanneer de renten of schnldpligtigheid en de eigendom van den grond in dezelfde hand komen;
2°. Door onderlinge overeenkomst;
3°. Door afkoop, op de wijze hier-boven omschreven;
4°. Door verjaring, wanneer hij, aan wien de grondrente of schnldpligtigheid verschuldigd was, dertig jaren heeft laten verloopen, zonder van zijn regt gebruik te maken;
5quot;. Door het te niet gaan van den grond.
Echter gaat door overstrooming, vergraving of uitveening het regt niet verloren, wanneer de grond daarna door de natuur of door den arbeid weder droog wordt. (B.W. 649, 798, 1472, 1480, 1983, 2004 v.; R.V, 491.)
802. De bepalingen, in dezen titel voorkomende, zijn alleen toe-passelijk op grondrenten, tienden en andere schuldpligtigheden, welke na de invoering van dit Wetboek zullen worden gevestigd of voorbehouden. Zij strekken dus geenszins om zoodanige tienden, of andere schuldpligtigheden, als bij vorige wetten zijn afgeschaft, te doen herleven, noch ook om de bestaande te regelen, te wijzigen, of te vernietigen. (A. 4; Wet van 12 April 1872, Stsbl. no. 25.)
NEGENDE TITEL,
Van het vruchtgebruik.
EERSTE AfDEELING.
Van den aard des vrachtgebruiks en de wijze om hetzelve te verkrijgen.
Art. 803. Vruchtgebruik is een zakelijk regt om van eens anders goed de vruchten te trekken, als of men zelf eigenaar daarvan was, mits zorgende dat de zaak zelve in stand blijve. (B.W. 564, 584, 804, 807, 812, 826, 831; R.V. 491.)
804. Indien echter onder het vruchtgebruik verbrnikbare zaken zijn begrepên, kan de vruchtgebruiker volstaan met, bij het eindigen van het vruchtgebruik, eene gelijke hoeveelheid, hoedanigheid en waarde terug te geven, of den prijs te betalen op welken de zaken bij den aanvang, des vruchtgebruiks mogten geschat zijn, of volgens de waarde van dat tijdstip mogten geschat worden. (B.W. 803, 808, 829, 833, 851 v., 869,1309, 1792,)
805. Vruchtgebruik kan gevestigd worden ten behoeve van een of meerdere bepaalde personen, ten einde daarvan het genot te hebben, het zij gezamenlijk, het zij bg opvolging.
Van het vruchtgebruik.
In geval van genot bij opvolging, zal het vruchtgebruik alleen
fenoten worden door de personen welke in leven zijn op het oogen-lik dat het regt van den eersten vruchtgebruiker zijnen aanvang neemt. (B.W. 3, 946, 1716.)enoten worden door de personen welke in leven zijn op het oogen-lik dat het regt van den eersten vruchtgebruiker zijnen aanvang neemt. (B.W. 3, 946, 1716.)
806. Vruchtgebruik wordt verkregen door de wet, of door den wil des eigenaars. (B.W. 366 v., 530, 930, 965, 1017, 1992 v., 2000.)
807. De titel van vruchtgebruik van een onroerend goed moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven.
Wanneer het een roerend goed geldt, wordt door de levering het zakelijk regt geboren. (B.W. 667, 671, 1224.)
TWEEDE AFDEELING-.
Van de regten van den vruchtgebruiker.
Art. 808. De vruchtgebruiker heeft het regt om alle soorten van vruchten te genieten, die van het goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, kunnen voortkomen, om het even of de voortbrengselen bestaan in natuurlijke vruchten, in vruchten van nijverheid, of in burgerlijke vruchten. (B.W. 556, 558, 813 v., 824, 833.)
809. De natuurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, die bij den aanvang van het vruchtgebruik nog aan boomen of wortels vast zijn, behooren aan den vruchtgebruiker.
Degene die zich in denzelfden staat bevinden op het oogenblik dat het vruchtgebruik eindigt, behooren f.an den eigenaar, zonder vergoeding, van de eene of andere zijde, der kosten van bearbeiding en bezaaijing, maar onverminderd dat gedeelte der vruchten, hetwelk aan eenen deelhebbenden pachter, het zij bij het begin, het zij bij het eindigen des vrnchtgebruiks, mogt toekomen. (B.W. 558, 562 80, 626, 1630.)
810. De burgerlijke vruchten worden gerekend van dag tot dag verkregen te worden, en behooren aan den vruchtgebruiker, naarmate zijn vruchtgebruik duurt, welke ook het tijdstip moge wezen waarop dezelve betaalbaar zijn gesteld. (B.W. 557 v., 811.)
811. Het vruchtgebruik van eene lijfrente geeft ook aan den vruchtgebruiker, gedurende het vruchtgebruik, het regt om de loopende renten te ontvangen.
Indien de voldoening der lijfrente bij vooruitbetaling moet plaats hebben, is de vruchtgebruiker geregtigd tot den geheelen termijn, welke gedurende het vruchtgebruik heeft moeten voldaan worden.
Die het vruchtgebruik eener lijfrente heeft zal nimmer tot eenige teruggave verpligt zijn. (B.W. 556, 558, 808, 1812 v., 1822.)
812. Indien het vruchtgebruik zaken bevat die zonder dadelijk te niet te gaan, echter langzamerhand door het gebruik verminderen, zoo als kleederen, linnen, huisraad en andere soortgelijke, heeft de
128
B.W. Boek II, Titel IX, 1 en 2. Arii. 806â818.
vruchtgebruiker het regt zich daarvan te bedienen tot het gebruik, waartoe die zaken bestemd zijn, zonder evenwel verpligt te zijn om, bij het eindigen des vruchtsgebruiks, die zaken in eenen anderen staat terug te geven, dan in dien waarin zij zich alsdan bevinden, voor zoo verre zij niet door de kwade trouw of schuld van den vruchtgebruiker mogten zijn slechter geworden. (B.W. 804, 808, 829, 834, 853.)
813. Indien het vruchtgebruik kaphout bevat, zal de vruchtgebruiker daarvan het genot hebben, mits in acht nemende de orde en de hoeveelheid van het kappen, overeenkomstig het doorgaand gebruik der eigenaars, zonder dat de vruchtgebruiker of zijne erfgenamen eenige schadeloosstelling kunnen vorderen, ter zake dat de gewoonlijke kapping, het zij van kaphout, rijshout, of hoogstammige boomen, gedurende het vruchtgebruik, door hem mogt nagelaten zijn.
814. De vruchtgebruiker, mits in acht nemende de vaste tijdstip-
5en en de gewoonten der vorige eigenaars, heeft ook het genot van ie partijen hout van opgaande boomen, welke regelmatig gehakt worden, het zij dit hakken geschiede op gezette tijden over eene zekere uitgestrektheid lands, het zij hetzelve besta in eene zekere hoeveelheid boomen, zonder onderscheid over de geheele uitgestrektheid van het land genomen. (A. 3; B.W. 816.)en en de gewoonten der vorige eigenaars, heeft ook het genot van ie partijen hout van opgaande boomen, welke regelmatig gehakt worden, het zij dit hakken geschiede op gezette tijden over eene zekere uitgestrektheid lands, het zij hetzelve besta in eene zekere hoeveelheid boomen, zonder onderscheid over de geheele uitgestrektheid van het land genomen. (A. 3; B.W. 816.)
815. In alle andere gevallen, vermag de vruchtgebruiker zich geene opgaande boomen toe te eigenen.
Niettemin kan hij de door toeval uit den grond gerukte of afgebro-kene boomen gebruiken tot het doen der reparatiën, tot welke hij gehouden is.
Hij kan zelfs, te dien einde, indien het noodig is, boomen doen omhakken, mits hij van de noodzakelijkheid der reparatiën, ten overstaan van den eigenaar, doe blijken. (B.W. 840.)
816. De vruchtgebruiker kan uit de bosschen staken nemen voor de wijngaarden, en hetgeen noodig is om de vruchtboomen te stutten en de tuinen te onderhouden en te beteelen.
Hij heeft geen regt om boomen tot brandhout te kappen, maar hij heeft het genot van hetgeen jaarlijks, of op andere gezette tijden, van de boomen afkomt; alles echter met inachtneming van het gebruik der plaats, of van de gewoonte des eigenaars. (A. 3; B.W. 814 v.)
8(7. De boomen, welke uit eene kweekerij, zonder die te beschadigen, kunnen getrokken worden, behooren insgelijks tot het vruchtgebruik, mits de vruchtgebruiker zich omtrent de weder-aanvulling gedrage naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars. (A. 3; B.W. 808.)
818. Doode vruchtboomen, gelijk ook die bij toeval zijn uit den grond gerukt of afgebroken, behooren aan den vruchtgebruiker, mits hij andere in derzelver plaats stelle. (B.W. 769.)
BURG. WETB. 9
129
Van het vruchtgebruik.
819. De vruchtgebruiker kan in persoon het regt van zijn vruchtgebruik uitoefenen, of het goed verhuren, of verpachten, of zelfs het vruchtgenot verkoopen, bezwaren of om niet afstaan. Hij moet zich echter, het zij bij eigen genot, het zij in geval van verhuring, verpachting of afstand, ten aanzien van dat genot, gedragen naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars, zonder de bestemming van het goed ten nadeele des eigenaars te veranderen.
Ten aanzien van den tijd der verhuring of verpachting, moet hij zich, volgens den verschillenden aard en de bestemming der zaken, mede gedragen naar de plaatselijke gebruiken en de gewoonte der eigenaars.
Bg gebreke van zoodanige gebruiken of gewoonte, mogen huizen voor geen langeren tijd dan voor vier, en landerijen dan voor zeven jaren worden verhuurd. (A. 3; B.W. 864, 1210, 1493 v., 1583 v.)
820. Alle verhuringen of verpachtingen van in vruchtgebruik bezeten onroerende goederen, aangegaan meer dan twee jaren vóór het ingaan van de huur of de pacht, zullen ten verzoeke van den eigenaar kunnen worden vernietigd, indien het regt van den vruchtgebruiker binnen dien tijd ophoudt. (B.W. 864.)
821. De vruchtgebruiker heeft het genot van de vermeerdering, welke aan het goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, door aanspoeling is aangekomen.
Hg heeft, even als of hij zelf eigenaar was, het genot van de erfdienstbaarheden, en, in het algemeen, van alle andere regten, waarvan de eigenaar het genot kan hebben. Hij heeft alzoo het genot der jagt en visscherij. (B.W. 641, 651, 721 v., 768.)
822. Hij heeft, op dezelfde wijze als de eigenaars, ook het genot van de mijnen, steen- of kolengroeven en veenderijen, die bij den aanvang van het vruchtgebruik reeds ontgonnen waren. (B.W. 626, 808.)
823. De vruchtgebruiker heeft geen regt, hoe ook genaamd, op mijnen, steen- of kolengroeven en veenderijen, die nog niet ontgonnen zijn; en vermag derhalve geen steenkolen, turf of andere delfstoffen nit te graven, wanneer de ontginning of verveening nog niet begonnen is, ten zij het tegendeel uit zijnen titel blijke. (B.W. 808, 822.)
824. De vruchtgebruiker heeft geen regt op den schat, die, gedurende het vruchtgebruik, op het erf waarvan hij het genot heeft, door een ander mogt gevonden worden.
Indien hij zelf den schat vindt, vermag hij zijn deel daarvan te vorderen overeenkomstig artikel 642. (B.W. 556,558,808.)
825. De eigenaar is gehouden den vruchtgebruiker het vruchtgebruik te laten genieten, zonder hem daarin eenige belemmering toe te brengen. (B.W. 829 v.)
826. De vruchtgebruiker kan bij het eindigen van het vruchtgebruik geene schadeloosstelling vorderen, wegens verbeteringen die
130
B.W. Boek II, Titel IX, 2 en 3. Artt. 819â832. 131
hij mogt beweren gemaakt te hebben, al ware het dat de waarde van het goed daardoor mogt zijn vermeerderd.
Desniettegenstaande kunnen die verbeteringen in aanmerking worden genomen, bij de waardering der schaden welke aan het goed mogten zijn aangebragt. (B.W. 630 v., 658 v., 803, 829, 854.)
827. De spiegels, schildergen en andere sieraden, welke de vruchtgebruiker heeft aangebragt, kunnen door hem of zijne erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haren vorigen staat worden hersteld. (B.W. 563, 664, 829.)
828. De vruchtgebruiker mag alle zakelijke regtsvorderingen uitoefenen, welke de wet aan den eigenaar toekent. (B.W. 612, 821; R.V. 129 ^.)
DERDE AFDEELING.
Van de verpligtingen des vruchtgebruikers.
Art. 829. De vruchtgebruiker neemt de zaken over in den staat waarin zij zich bij den aanvang des vruchtgebruiks bevinden.
Hij moet dezelve bij het einde des vruehtgebrniks terug geven in den staat waarin zij zich op dat tijdstip bevinden, behoudens de bepalingen van artikel 826 en 827, en de schadeloosstellingen, welke aan den eigenaar, wegens aangebragte schade, verschuldigd zijn. (B.W. 367, 804, 812, 866.)
830. De vruchtgebruiker moet te zijnen koste, en in tegenwoordigheid van den eigenaar, of deze ten minste behoorlijk opgeroepen zijnde, eene beschrijving der roerende en eenen staat der onroerende goederen, welke aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, laten opmaken.
Niemand kan van deze verpligting, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld, worden ontheven.
De beschrijving en staat kunnen onderhands worden opgemaakt, indien de eigenaar tegenwoordig is. (B.W. 367, 370, 803 v., 866, 1599; R.V. 681.)
831. De vruchtgebruiker moet persoonlijke of zakelijke, geregte-lijk goedgekeurde, zekerheid stellen, dat hij van de zaak, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, als een goed huisvader zal gebruik maken, zonder dezelve te verslimmeren, of te verwaarloozen, mitsgaders dat de goederen zullen worden terug gegeven, of derzei ver waarde, indien het goederen geldt waarvan hij artikel 804 wordt gehandeld. (B.W. 528 v., 832, 834 v., 866, 1208 v., 1857, 1864; R.V. 616 v.)
832. De vruchtgebruiker kan, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld, van de verpligting om zekerheid te stellen worden ontheven.
Ouders die het wettelijk vruchtgenot hebben van de goederen
9*
Van het vruchtgebrziik.
hunner kinderen, zoo als ook diegenen, welke hun goed onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten geschenke gegeven, zijn daartoe niet gehouden.
Hetzelfde geldt ook omtrent den vruchtgebruiker van zaken, die onder het beheer van andere personen gesteld zijn, behoudens, voor zoo veel deze aangaat, de bepaling van artikel 836. (B.W. 367, 529 v., 866, 1706, 1767 v.)
833. Zoo lang de vruchtgebruiker geene zekerheid stelt, heeft de eigenaar het regt om het aan vruchtgebruik onderworpen goed zelf te besturen, mits van zijne zijde zekerheid stellende. Bij gebreke van dit laatste, zullen de onroerende goederen verhuurd, verpacht, of onder het beheer van eenen derde gesteld worden; de geldsommen, onder het vruchtgebruik begrepen, zullen worden belegd, en de eetwaren en andere zaken, waarvan men geen gebruik kan maken, zonder die te verteren, worden verkocht, ten einde de prijs, welken zij opbrengen, insgelijks belegd worde.
De renten dezer geldsommen, mitsgaders de hunr- en pachtpen-ningen, behooren aan den vruchtgebruiker. (B.W. 529, 804, 808, 834, 837, 1767 v.)
834. Indien het vruchtgebruik, voor het geheel of gedeeltelijk, in roerende goederen bestaat, welke door het gebruik verminderen, verliest de vruchtgebruiker, bij gebreke van het stellen van zekerheid, het genot dier goederen niet, mits hij onder eede verklare dat hij geene zekerheid heeft kunnen vinden, en belove dat hij de goederen, bij het eindigen des vruchtgebruiks, zal terug leveren.
Niettemin mag de eigenaar vorderen dat aan den vruchtgebruiker slechts dat gedeelte der roerende goederen worde overgelaten, hetwelk voor deszelfs gebruik noodzakelijk is, en dat het overschot worde verkocht en de prijs daarvan belegd, gelijk in iiet voorgaande artikel gezegd is. (B. W. 529, 812, 831.)
835. Door de vertraging in het stellen van zekerheid wordt de vruchtgebruiker niet verstoken van de vruchten waarop hij aanspraak kan maken, als welke hem verschuldigd zijn van het oogen-blik waarop het vruchtgebruik zijnen aanvang heeft genomen. (B.W. 831v., 1006.)
836. Zij, die benoemd zijn om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te besturen, zijn gehouden, alvorens hun bewind te aanvaarden, persoonlijke of zakelijke, geregtelijk goedgekeurde zekerheid te stellen. (B.W. 522, 529, 832, 839, 850, 863, 1066.)
837. De bewindvoerders zijn verpligt ieder jaar aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording te doen, mitsgaders het slot van rekening uit te keeren.
Bij het eindigen van hun beheer moeten zij zoo wel aan den eigenaar, als aan den vruchtgebruiker, rekening en verantwoording afleggen.
De eigenaar die, naar aanleiding van het eerste lid van artikel
132
B.W. Boek II, Titel IX, 3. Artt. 833â845. 133
833, het bestuur der goedereu heeft, is gehouden, op dezelfde wijze, aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording af te leggen. (B.W. 521, 838; R.V. 771 v.)
838. De bewindvoerders kunnen worden afgezet om dezelfde redenen als de voogden; mitsgaders, uithoofde van nalatigheid in de voldoening der verpligtinp, aan hen bij het eerste lid van het vorige artikel opgelegd. (B.W. 430, 436 v., 837, 1069.)
839. Indien, om welke redenen ook, het bewind ophoudt, treedt °de vruchtgebruiker in al zijne regten terug. (B.W. 362(;, 838, 863, 1067.)
840. De vruchtgebruiker is alleen verpligt de reparatien tot onderhond te doen.
De grove reparatien blijven ten laste van den eigenaar, ten ware dezelve veroorzaakt mogten zijn door verzuim van gewoon onderhoud, sedert den aanvang van het vruchtgebruik, in welk geval de vruchtgebruiker ook daartoe gehouden is. (B.W. 633, 815, 875, 1031.)
841. Als grove reparatien worden aangemerkt:
Die van zware muren en gewelven;
De herstelling van balken en geheele daken;
De geheele herstelling van dijken, van winterkaden, gemetselde waterwerken, mitsgaders die van steun- en scheidsmuren.
Alle andere reparatien worden als gewoon onderhoud gerekend. (B.W. 690, 1619.)
842. Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, is gehouden te doen opbouwen hetgeen door ouderdom ingestort, of door toeval vernield is.
843. De vruchtgebruiker is gehouden, gedurende zijn genot, voor zijne rekening te nemen alle jaarlijksche en gewone lasten van het erf, gelijk grondrenten, belastingen en andere, die gewoonlijk als lasten der vruchten worden beschouwd. (B.W. 875.)
844. Wat de buitengewone lasten betreft, waarmede het goed, gedurende het vruchtgebruik, mogt worden bezwaard, is de eigenaar verpligt dezelve te betalen, doch de vruchtgebruiker is gehouden hem de interessen daarvan, gedurende het vruchtgebruik, te vergoeden.
Indien de vruchtgebruiker die lasten voorgeschoten heeft, vermag hij dezelve, bij het eindigen van het vruchtgebruik, terug te eischen, doch zonder eenige interessen. (B.W. 774.)
845. Die een algemeen vruchtgebruik of een vruchtgebruik onder algemeeneu titel heeft, moet met eu benevens den eigenaar de schulden betalen, op de wijze als volgt:
Men begroot de waarde van het goed, hetwelk aan het vruchtgebruik is onderworpen; men bepaalt vervolgens, naar evenredigheid van die waarde, hetgeen tot de betaling der schulden door het goed moet worden opgebragt.
Van het vruchtgebruik.
Indien de vruchtgebruiker de som welke van het goed moet worden opgebragt wil voorschieten, moet de hoofdsom, by het eindigen des vruchtgebrniks, zonder eenige renten, aan hem worden terug gegeven.
Zoo de vruchtgebruiker dit voorschot niet wil doen, heeft de eigenaar de keus, of om deze som te betalen, in welk geval de vruchtgebruiker de interessen daarvan, gedurende het vruchtgebruik, gt; aan hem schuldig wordt; of om een gedeelte der goederen, aan het vruchtgebruik onderworpen, tot het beloop der som die opgebragt moet worden, te doen bezwaren of verkoopen. (B.W. 847,1001,1151, 1242 v.)
846. Hij die onder eenen bijzonderen titel een vruchtgebruik heeft, is niet gehouden de schulden te voldoen waarvoor het aan vruchtgenot onderworpen erf verhypothekeerd is.
Indien hij dezelve betaalt om de gedwongene onteigening van het erf te voorkomen, heeft hij zijn verhaal op den eigenaar. (B.W. 1004, 1012, 1151, 1242 v.)
847. Eene lijfrente, of jaarwedde tot onderhoud, welke door eenen erflater is gemaakt, moet door dengenen aan wien het geheele vruchtgebruik is gemaakt, voor het geheel worden voldaan, en door hem, aan wien slechts een gedeelte van het vruchtgebruik is nagelaten, naar evenredigheid van zijn genot, zonder dat door een van beiden eenige terugvordering mag worden gedaan. (B.W. 1007, 1812 v.)
848. De vruchtgebruiker is alleen gehouden tot de kosten van regtsgedingen welke zijn vruchtgebruik betreffen, eu tot alle overige veroordeelingen, waartoe die gedingen kunnen aanleiding geven.
Indien het geschil tegelijkertijd den eigenaar en den vruchtgebruiker aangaat, en zij beiden in het geding betrokken zijn, zullen zij tot de kosten bijdragen, in evenredigheid hunner wederzijdsche belangen, door den regter te bepalen. (B.W. 850; R.V. 56.)
849. Indien, gedurende het vruchtgebruik, een derde persoon zich eenige onwettige aanmaiiging op het erf veroorlooft, of anderzins de regten van den eigenaar tracht te verkorten, is de vruchtgebruiker gehouden daarvan aan den eigenaar kennis te geven; bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schaden, welke daardoor voor den laatstgenoemden zouden mogen ontstaan, op dezelfde wijze als hij zoude moeten vergoeden het nadeel, door hem of door degenen, voor wie hij moet instaan, toegebragt. (B.W. 862 v., 1402,1594, 1627.)
850. Indien de goederen onder beheer van derden gebragt zijn,
zijn de bewindvoerders, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, gehouden voor de regten des eigenaars en voor die van den vruchtgebruiker te waken.
Zij kunnen, voor den eigenaar of voor den vruchtgebruiker, noch eischende, noch verwerende, in regten optreden, zonder daartoe door
134
B.W. Boek II, Titel II, 3 en 4. Artt. 846â856.
dengenen dien de zaak aangaat gemagtigd te zijn. (B.W. 522, 529, 836, 848 v., 863.)
851. Indien eene kudde beesten waarvan het vruchtgebruik is gegeven, door toeval of door ziekte, en buiten de schuld des vruchtgebruikers, geheel verloren gaat, is deze alleenlijk verpligt aan den eigenaar verantwoording te doen van de huiden, of van derzelver waarde.
Indien de kudde niet geheel is verloren gegaan, is de vruchtgebruiker gehouden het getal der gestorven beesten uit de jongen aan te vullen. (B.W. 804, 808, 858.)
852. Indien het vrnchtgebruik niet op eene geheele kudde, maar op een of meer beesten is gelegd, en een of meer derzelve, buiten de schuld des vruchtgebruikers, zijn komen te sterven, is deze niet verpligt dezelve aan te vullen, of de waarde daarvan uit te keeren, maar hij moet alleen de huiden, of de waarde daarvan teruggeven. (B.W. 804, 854, 871.)
853. De vruchtgebruiker van een schip is verpligt om hetzelve, in geval eener buitenlandsche reis, te laten verzekeren. Bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schade, welke daardoor voor den eigenaar zoude mogen ontstaan. (B.W. 860; K. 592 v., 748 v.)
VIEKDE APDEELING.
Hoe het vruchtgebruik eindigt.
Art. 854. Vruchtgebruik eindigt;
1°. Door den dood van den vruchtgebruiker; (B.W. 819,1354.)
2quot;. Wanneer de tijd tot welken, of de voorwaarden waaronder hetzelve is toegestaan, verloopen of vervuld zijn; (B.W. 856 v.)
3quot;. Door vermenging, wanneer de bloote eigendom en het vruchtgebruik zijn gekomen in dezelfde hand; (B.W. 1472 v.)
4quot;. Door afsland van den vruchtgebruiker, ten behoeve van den eigenaar; (B.W. 819.)
50' Door verjaring, wanneer de vruchtgebruiker gedurende dertig jaren van zijn regt geen gebruik heeft gemaakt; (B.W. 1983 v.)
6quot;. Door den geheelen ondergang der zaak, waarop het vruchtgebruik is gevestigd. (B.W. 369, 1215 v.; R.V. 491.)
855. Vruchtgebruik ten voordeele van verscheiden personen gezamenlijk gegeven, houdt eerst op door den dood van den laatsten.
Vruchtgebruik ten voordeele van een zedelijk ligchaatn houdt op door ontbinding van hetzelve. (B.W. 857, 1690, 1699.)
856. Het vruchtgebruik, hetwelk gegeven is tot dat een derde persoon eenen zekeren ouderdom zal bereikt hebben, blijft tot dat tijdstip voortduren, al ware het dat deze persoon vóór den vast-
135
Van het vruchtgebruik.
gestelden ouderdom mogt overleden zijn; behoudens hetgeen, bij den vijftienden titel van het eerste boek van dit Wetboek, aangaande het wettelijk genot van de ouders bepaald is. (B.W. 366, 369, 854.)
857. Geen vruchtgebruik kan aan een zedelijk ligchaam langer dan voor dertig jaren worden toegestaan. (B.W. 855, 1690.)
858. Indien slechts een gedeelte der aan vruchtgebruik onderworpene zaak is te niet gegaan, blijft het vruchtgebruik voor hetgeen overig is bestaan.
Overstrooming van den grond doet het vruchtgebruik geenszins te niet gaan, voor zoo verre de vruchtgebruiker, naar den aard der zaak, in staat is zijn regt uit te oefenen.
Het vruchtgebruik herleeft in zijn geheel, nadat de grond door de natuur of door den arbeid weder zal zyn droog geworden; behoudens de bepaling van artikel 649. (B.W. 851, 859.) , 859. Indien het vruchtgebruik alleen op een gebouw gevestigd is, en dit gebouw door brand of een ander toeval vernield, of door ouderdom is ingestort, heeft de vruchtgebruiker geen regt van genot, noch op den grond, noch op de bouwstoffen.
Indien het vruchtgebruik gevestigd is op een stuk goed, waarvan het gebouw een gedeelte uitmaakt, blijft de vruchtgebruiker in het genot van den grond, en mag zich van de bouwstoffen bedienen, het zij om hetgeen vernield is weder op te bouwen, het zij om andere gebouwen te herstellen, welke een gedeelte van het goed uitmaken. (B.W. 854.)
860. Het vruchtgebruik van een vaartuig gaat te niet, wanneer dit zich buiten staat bevindt om hersteld te worden.
De vruchtgebruiker heeft geen regt op het wrak of de overblijfselen. (B.W. 868, 853.)
861. Het vruchtgebruik van eene rente, inschuld of verbindte-nis, houdt niet op door de aflossing der hoofdsom.
De vruchtgebruiker heeft het regt om de wederbelegging daarvan te zijnen voordeele te vorderen. (B.W. 1812.)
862. Het vruchtgebruik kan ook eindigen door het misbruik hetwelk de vruchtgebruiker van zijn genot maakt, het zij door het goed te beschadigen, het zij door hetzelve, bij gebreke van genoegzame herstelling en onderhoud, te laten vervallen. (B.W. 780, 849.)
863. De regter kan, in die gevallen, en naar gelang der omstandigheden, het zij de geheele vernietiging van het vruchtgebruik uitspreken, het zij de goederen onder het beheer van eenen derde stellen, of wel dezelve aan den eigenaar doen overgeven, met last om jaarlijks aan den vruchtgebruiker eene bepaalde som te betalen, tot op het oogenblik toe, waarop het vruchtgebruik zoude hebben moeten ophouden.
Indien evenwel de vruchtgebruiker of deszelfs schuldeischers aan-
136
B.W. Boek IT, Titel TX, 4 en X. Artt. S57â873. 137
bieden om het gepleegde misbruik dadelijk te herstellen, en voor het vervolg voldoende zekerheid te geven, zal de regter den vrucht-
febrniker in het genot van zijne regten kunnen handhaven. (B.W.ebrniker in het genot van zijne regten kunnen handhaven. (B.W.
49, 1177.)
864. Het te niet gaan van het vruchtgebruik doet de huurcontracten, volgens artikel 819 aangegaan, niet ophouden. (B.W. 820.)
TIENDE TITEL.
Van het gehruik en de bewoning.
Art. 865. Het regt van gebruik eu dat van bewoning zijn zakelijke regten, welke verkregen worden en te niet gaan op dezelfde wijze als het vruchtgebruik. (B.W. 564, 80ö, 854.)
866. De verpligting aan den vruchtgebruiker opgelegd om zekerheid te stellen, staat en beschrijving te maken, als een goed huisvader te genieten en de zaak terug te geven, is ook op hem die het regt van gebruik of bewoning heeft, toepasselijk. (B.W. 829, 830 v.)
867. Het regt van gebruik en dat van bewoning worden geregeld naar den titel, waarbij dezelve zijn daar gesteld; indien bij den titel geene bepalingen omtrent de uitgestrektheid dier regten gemaakt zijn, worden dezelve overeenkomstig de volgende artikelen geregeld. (B.W. 764, 873.)
868. Hij, die het regt van gebruik op een erf heeft, vermag daarvan slechts zoo vele vruchten te trekken, als hij voor zich en zijn huisgezin noodig heeft. (B.W. 872.)
869. Zaken welke door het gebruik verloren gaan, kunnen geen onderwerp uitmaken van het regt van gebruik, doch indien dat regt op soortgelijke zaken is toegestaan, wordt hetzelve als vruchtgebruik beschouwd. (B.W. 561, 804.)
870. De gebruiker mag zijn regt aan geen ander afstaan of verhuren. (B.W. 868, 874.)
871. Ten overstaan van beesten, heeft de gebruiker het regt om daarmede zijn werk te doen, en de melk, voor zoo verre de behoefte van hem en zijn huisgezin vordert, alsmede de mest, te gebruiken, doch hij heeft geenszins het geuot van de wol of de jongen der beesten. (B.W. 8511.)
872. Het regt van gebruik, op een erf gevestigd, bevat noch de jagt, noch de visscherij, maar de gebruiker heeft het genot der erfdienstbaarheden. (B.W. 641, 868.)
873. Ten opzigte van een huis, bestaat er geen onderscheid tus-schen het regt van gebruik en dat van bewoning.
Hg die het regt van bewoning in een huis heeft, mag daarin met zijn huisgezin wonen, zelfs indien hij op het tijdstip, waar-
Van het gebruik en de bewoning.
op hem dat regt werd toegestaan, mogt zijn ongehuwd geweest.
Dat regt bepaalt zich tot hetgeen noodzakelijk is ter bewoning van den gebruiker en van deszelfs huisgezin.
874. Het regt van bewoning mag niet worden afgestaan, noch verhuurd. (B.W. 870.)
875. Indien de gebruiker alle de vruchten van het erf geniet, of het, geheele huis bewoont, is hij even als een vruchtgebruiker verpligt de kosten van bebouwing en de herstellingen tot onderhoud, mitsgaders de belastingen en andere lasten, te dragen,
Indien hij slechts een gedeelte der vruchten geniet, of een deel van het huis bewoont, moet hij tot die kosten en lasten bijdragen, naar evenredigheid van zyn genot. (B.W. 840, 843 v.)
876. Het gebruik van bosschen en beplantingen, aan eenen bijzonderen persoon toegestaan, geeft aan den gebruiker alleen bet regt om zich van het doode hout te bedienen, en om van het hakhout te nemen hetgeen voor hem en zijn huisgezin noodig is. (B.W. 813 v.)
ELFDE TITEL.
Van erfopvolging bij versterf.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 877. Erfopvolging heeft alleen door den dood plaats. (B.W. 258.)
878. Indien verscheiden personen, van welke de een tot des an-derens erfenis geroepen is, door een en hetzelfde ongeval, of op denzelfden dag, omkomen, zonder dat men weten kunne wie het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van erfenis van den eenen ten behoeve van den anderen plaats. (B W. 883, 941, 1953.)
879. Tot de erfenis worden door de wet geroepen:
1°. De wettige en de natuurlijke bloedverwanten, volgens de hierna vastgestelde regelen; (B.W. 899 v., 909 v.)
2°. Bij gebreke van deze, de langstlevende echtgenoot. (B.W. 920.)
Bij gebreke van bloedverwanten en van eenen overblijvenden echtgenoot, vervallen de goederen aan den staat, onder den last om de schulden te voldoen, voor zoo ver de waarde dier goederen toereikende is. (B.W. 196, 57f), 924, 1105, 1172.)
880. De erfgenamen treden van regtswege in het bezit der goederen, regten en regtsvorderingen van den overledene.
Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo tot dat bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder geregte-lijke bewaring zullen worden gesteld.
138
B.W. Boek II, Titel X en XI, 1. Artt. 874â885. 139
De staat moet zich door den regter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van vergoeding van kosten, schade en interessen, ge-honden de nalatenschap te laten verzegelen, en eene boedelbeschrijving te doen opmaken, in den vorm, voor de aanvaarding van nalatenschappen onder het voorregt van boedelbeschrijving vastgesteld. (B.W. 312 v., 325 v., 597, 699 v., 913, 921 v., 1002, 1070 v., 1090 v., 1097, 1172 v., 1354, 1564, 1754, 1767 v., 1760, 1856; R.V.4,no.6, 254.)
881. De erfgenaam heeft eene regtsvordering tol verkrijging der erfenis tegen alle degenen die, het zij onder dien titel of zonder titel in het bezit zijn van de geheele nalatenschap, of van een gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen, die met arglist hebben opgehouden te bezitten.
Hij kan deze regtsvordering instellen voor het geheel, indien hij alleen erfgenaam is, en voor zijn aandeel, zoo er meerdere erfgenamen zijn.
Die regtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welken titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling, volgens de regelen welke in den derden titel van dit boek ten aanzien van de opvordering van eigendom zijn voorgeschreven. (B.W. 629 v., 1002, 1164, 1370, 1573; R.V. 129.)
882. Die regtsvordering verjaart door een tijdsverloop van dertig jaren, te rekenen van den dag waarop de erfenis is opengevallen. (B.W. 324, 1002, 2004.)
883. Ten einde als erfgenamen te kunnen optreden, moet men bestaan op het oogenblik dat de erfenis is opengevallen, met inachtneming van den regel, bij artikel 3 van dit Wetboek vastgesteld. (B.W. 545 v., 946.)
884. Afgeschaft bij art. 1 der wet van 7 April 1869, Stsbl. no. 56, waarbij in de 2 volgende zinsneden is bepaald:
Indien eene nalatenschap, waartoe zoowel goederen in Nederland als buiten 's lands behooren, gedeeld wordt tusschen vreemdelingen en Nederlanders, nemen de laatstgenoemden eene waarde vooruit, evenredig naar de mate van hun erfdeel met de waarde der goederen, van welker eigendomsverkrijging zij door buitenlandsche wetten of gewoonten zyn uitgesloten.
De waarde wordt vooruitgenomen op de goederen der nalatenschap ten aanzien waarvan de uitsluiting niet bestaat.
885. Als onwaardig om erfgenamen te zijn, worden beschouwd en als zoodanig van de erfenis uitgesloten:
1°. Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overledene heeft omgebragt of getracht heeft om te brengen; (S.R. 45.)
2°. Hij, die by regterlijke uitspraak overtuigd is tegen den erflater lasterlijk te hebben ingebragt eene beschuldiging van een misdrijf waartegen eene vrijheidsstraf met een
Van erfopvolging bij versterf.
maximum van ten minste vier jaren is bedreigd; ') (B.W. 1408; S.R. 268.)
3°. Hij, die den overledene door geweld of feitelijkheid belet heeft zijnen uitersten wil te maken of te herroepen; (B.W. 1039 v.)
4,,. Hij, die den uitersten wil van den overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalsoht. (B.W. 959.)
886. De erfgenaam, die uit hoofde van onwaardigheid van de erfenis is uitgesloten, is gehouden tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten, waarvan hij sedert het openvallen der erfenis genot heeft gehad. (B.W. 634.)
887. Kinderen van eenen onwaardig verklaarden persoon, uit eigen hoofde tot de erfenis komende, zijn niet uitgesloten door de schuld van hunne ouders; doch deze zijn in geen geval bevoegd om van de goederen dier nalatenschap het vruchtgenot te vorderen, hetwelk de wet aan ouders op de goederen van huiine kinderen toekent. (B.W. 363, 366, 894, 1106.)
888. Plaatsvervulling geeft aan den vertegenwoordigden persoon het regt om te treden in de plaats, in den graad en in de regten van dengenen die vertegenwoordigd wordt. (B.W. 913, 1106, 1135.)
889. Plaatsvervulling heeft in de regte nedergaande wettige linie in het oneindige plaats.
Dezelve wordtin alle gevallen toegelaten, hetzij de kinderen van den overledene te zamen tot de erfenis komen met de nakomelingen van een vooroverleden kind, het zij, alle de kinderen van den overledene vóór hem gestorven zijnde, de nakomelingen dier vooroverledene kinderen zich onderling in gelijke of ongelijke graden bestaan. (B.W. 913, 919, 1022.)
890. Er bestaat geene plaatsvervulling ten opzigte van naastbe-staanden in de opgaande linie. De naaste in ieder der beide liniën sluit ten allen tijde dengenen uit, die in eenen verderen graad is. (B.W. 900.)
891. In de zijdlinie wordt de plaatsvervulling toegelaten ten voordeele van kinderen en nakomelingen van des overledenens broeders en zusters, het zij die gezamenlijk met hunne ooms of moegen tot de nalatenschap komen, het zij dat, na het vooroverlijden der broeders en zusters van den overledene, de erfenis overga tot der-zelver nakomelingen, aan elkander in gelijke of in ongelijke graden bestaande. (B.W. 892, 902 v., 907.)
140
892. Plaatsvervulling wordt ook toegelaten in iedere erfopvolging van zijdmagen, wanneer, nevens dengenen die den erflater het naast in den bloede bestaat, er nog kinderen of af komelingen aanwezig zijn van vooroverleden broeders of zusters van eerstgemelden; in welk
1) Het 20 van art. 885 is aldus gewijzigd bij art. 10 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
B.W. Boek II, Titel X/, 1 en 2. Artt. 886â900. 141
geval, deze bij plaatsvervulling met hunne ooms of moeijen, oudooms of oudmoeijen, tot de erfenis geregtigd zjin. (B.W. 891, 905.)
893. In alle de gevallen, waarin plaatsvervulling wordt toegelaten heeft de verdeeling bij staken plaats; indien dezelfde staak verscheidene takken heeft voortgebragt, geschiedt de onderverdeeling in iederen tak wederom bij staken, en onder de personen in denzelfden tak geschiedt de verdeeling bij hoofden. (B.W. 899, 905.)
894. Niemand kan voor eenen levenden persoon bij plaatsvervulling optreden. (B.W. 545 v., 887, 1106.)
895. Een kind ontleent niet van zyne ouders het regt om hen te vertegenwoordigen, en men kan zelfs dengenen vertegenwoordigen wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden. (B.W. 1106.)
896. De wet slaat geen acht, noch op den aard, noch op den oorsprong der goederen, om de erfopvolging in dezelve te regelen. (B.W. 899, 918.)
897. Alle erfenissen welke, het zij geheellijk, het zij voor een gedeelte, aan bloedverwanten in de opgaande of zijdlinie te beurt vallen, worden in twee gelijke deelen gekloofd, waarvan het eene aan de nabestaanden in de vaderlijke, en het andere aan die in de moederlijke linie, te beurt valt, behoudens de bepalingen in artikel 901, 902 en 906, voorkomende.
De erfenis kan nimmer uit de eene linie tot de andere overgaan, dan wanneer er in ééne der beide liniën, noch bloedverwant in de opgaande linie, noch zijdmaag gevonden wordt. (B.W. 900, 904, 908.)
898. Deze eerste verdeeling tusschen de vaderlijke en de moederlijke liniën daargesteld zijnde, heeft er geene verdere kloving tusschen de onderscheidene takken plaats; maar de helft, aan iedere linie te beurt gevallen, behoort aan den erfgenaam, of de erfgenamen, welke den overledene het naast in graad bestaan, behoudens het geval van plaatsvervulling. (B.W. 888, 893.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de erfopvolging in de wettige nederdalende, opgaande en zijdlinie.
Art. 899. De kinderen of hunne afstammelingen erven van hunne ouders, grootouders, of verdere bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderscheid van kunne of eerstgeboorte, en zelfs wanneer zij uit verschillende huwelijken verwekt zijn.
Zij erven voor gelijke deelen bij hoofden, wanneer zij allen in den eersten graad zijn en uit eigen hoofde geroepen worden; zij erven bij staken, wanneer zij allen, of een gedeelte hunner, bij plaatsvervulling opkomen. (B.W. 196, 332 v., 887, 888 v, 911, 1106.)
900. Indien de overledene noch nakomelingen, noch broeders of
Van erfopvolging bij versterf.
zusters achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee gelijke deeien tusschen de bloedverwanten in de vaderlijke, en die in de moederlijke opgaande linie verdeeld, behoudens de bepaling van artikel 906.
De naaste in graad in de opgaande linie bekomt de helft aan zijne linie behoorende, met uitsluiting van alle anderen.
Bloedverwanten in de opgaande linie, van denzelfdea graad, erven bij hoofde. (B.W. 196, 890, 897 v., 91/.)
901. Wanneer de vader en de moeder van eenen persoon, welke zonder nakomelingen overleden is, hem overleven, bekomt ieder hunner een derde gedeelte der nalatenschap, indien de verstorvene slechts éénen broeder, of ééne zuster heeft achtergelaten, welke het overige derde gedeelte bekomt.
De vader en de moeder erven ieder voor een vierde gedeelte, indien de overleden meerdere broeders of zusters heeft achtergelaten, eu in dat geval, vallen aan deze laatstgemelde de twee overige vierde gedeelten te beurt. (B W. 897.)
902. Wanneer de vader of de moeder van iemand, zonder nakomelingen overleden, vóór hem gestorven is, zal de langstlevende de helft der ualatenschap bekomen, indien de overledene slechts éénen broeder of ééne zuster achterlaat; één derde, indien hij er twee achtergelaten heeft; en één vierde gedeelte, indien er meerdere broeders of zusters achtergebleven zijn. De overige deelen vallen aan de broeders en zusters te beurt. (B.W. 897.)
903. Indien vader en moeder van eenen persoon, welke zonder nakomelingschap gestorven is, vooroverleden zijn, worden de broeders en zusters tot de geheele erfenis geroepen, met uitsluiting der bloedverwanten in de opgaande linie, en der overige zijdmagen. (B.W. 918.)
904. De verdeeling van al hetgeen, volgens de bepalingen der hier bovenstaande artikelen, aan de broeders en de zusters toekomt, geschiedt onder hen in gelijke deelen, indien zij allen van hetzelfde bed zijn; doch indien zij uit verschillende huwelijken zijn voortgesproten, wordt hetgeen zij erven in twee gelijke deelen tusschen de vaderlijke en de moederlijke linien des overledenen verdeeld; de volle broeders en zusters bekomen hun deel in beide de linien, en die van halven bedde sleclits in de linie tot welke zij behooren. Indien er niet dan halve broeders of zusters, van éénen kant slechts, zijn achtergebleven, bekomen zij de geheele nalatenschap, met uitsluiting van alle andere bloedverwanten in de andere linie. (B.W. 897.)
905. Bij gebreke van broeders en zusters, en tevens van nabestaanden in eene der beide opgaande linien, komt de nalatenschap voor de eene helft aan de in leven zijnde bloedverwanten in de opgaande linie, en voor de wederhelft aan de zijdmagen in de andere linie, met uitzondering van het geval by het volgende artikel vermeld.
Bij gebreke van broeders en zusters en van nabestaanden in de
142
B.W. Boek U, Titel XI, 2 en 3. Artt. 901â912. 143
beide opgaande linien, worden in iedere zijdlinie de naaste bloedverwanten, ieder voor de helft, tot de erfenis geroepen.
Indien er in dezelfde zijdlinie bloedverwanten van denzelfden graad gevonden worden, deelen zij onder elkander bij hoofden, behoudens de bepaling van artikel 892. (B.W. 897.)
906. De langstlevende vader of moeder erft alleen de geheele nalatenschap van zyn kind, hetwelk, zonder afkomelingen en zonder broeders of zusters na te laten, overleden is. (B.W. 897, 900, 917.)
907. Onder de benaming van broeders en zusters, in deze afdee-ling voorkomende, worden steeds de wettige afstammelingen van ieder hunner begrepen. (B.W. 891, 961.)
908. Bloedverwanten, welke den overledene verder dan in den twaalfden graad bestaan, erven niet.
Indien in de eene linie geene bloedverwanten van den graad, waarin men erven kan, gevonden worden, bekomen de bloedverwanten in de andere linie de geheele erfenis. (B.W. 345 v., 879, 897.)
DERDE ArDEELING.
Fan erfopvolging wanneer er natuurlijke kinderen aanwezig zijn.
Art. 909. Indien de overledene wettelijk erkende natuurlijke kinderen heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap gebeurd op de wijze als bij de drie volgende artikelen bepaald is. (B.W. 327, 335 v., 879, 897.)
910. Indien de overledene wettige afstammelingen heeft achtergelaten, erven de natuurlijke kinderen een derde vau het aandeel, hetwelk zij zouden gehad hebben, indien zij wettig waren geweest; zij erven de helft der nalatenschap, indien de overledene geen afstammelingen, maar wel bloedverwanten in de opgaande linie, of broeders en zusters of derzelver afstammelingen heeft achtergelaten; en drie vierden, indien er slechts nabestaanden in eenen verderen graad zijn overgebleven.
Indien de wettige erfgenamen den overledene in ongelijke graden bestaan, bepaalt de naaste in de eene linie, zelfs ten aanzien dergenen welke zich in de andere linie bevinden, de hoegrootheid van het aandeel, hetwelk aan het natuurlijk kind verschuldigd is. (B.W. 955, 963.)
911. In alle de gevallen, bij het vorige artikel voorzien, wordt het overschot der nalatenschap, op de wijze als bij de tweede afdee-ling van dezen titel bepaald is, onder de wettelijke erfgenamen verdeeld. (B.W. 899 v.)
912. Indien de overledene geenen bloedverwant in den graad, waarin men erven mag, achtergelaten heeft, bekomen de natuurlijke kinderen de geheele nalatenschap. (B.W. 879, 908, 1103 v.)
Van erfopvolging bij versterf.
913. In geval een natuurlijk kind vooroverleden is, zijn deszelfs wettige kinderen en afstammelingen bevoegd de bij artikel 910 en 912 aan hen toegekende voordeelen te vorderen. (B.W. 880, 889.)
914. De hier-bovenstaande bepalingen zijn niet op in overspel of in bloedschande verwekte kinderen toepasselijk.
De wet verleent hun alleenlijk het noodige levensonderhoud. (B.W. 327 v., 338, 384.)
915. Dat onderhoud wordt geregeld overeenkomstig de gegoedheid des vaders of der moeder, en naar het getal en de hoedanigheid der wettelijke erfgenamen. (B.W. 379.)
916. Indien de vader of de moeder, bij hun leven, aan een in overspel of bloedschande verwekt kind het noodige levensonderhoud heeft verzekerd, kan dat kind geene verdere aanspraak hoegenaamd op de nalatenschap van deszelfs vader of moeder maken. (B.W. 380.)
917. De nalatenschap van een natuurlijk kind, zonder nakomelingschap overleden, vervalt aan den vader of aan de moeder, die hetzelve erkend heeft, of aan ieder hunner voor de helft, indien het door beide is erkend geweest. (B.W. 335, 899 v., 910 v.)
918. In geval van vooroverleden der ouders van een natuurlijk kind, hetwelk geene nakomelingschap heeft nagelaten, keeren de goederen, welke hetzelve uit de nalatenschap der ouders verkregen heeft, indien die goederen nog in nahira in den boedel aanwezig-zijn, tot de wettige afstammelingen van zijnen vader of zijne moeder terug; hetzelfde geldt ten aanzien van actiën tot terugvordering, indien er zoodanige bestaan, en van de koopprijs der goederen, zoo dezelve vervreemd zijn, en die koopprijs nog verschuldigd is.
Alle de overige goederen gaan over tot de natuurlijke broeders of zusters, of tot hunne wettige nakomelingen. (B.W. 903.)
919. De wet kent aan een natuurlijk kind geen regt hoegenaamd toe op de goederen der bloedverwanten van zijne ouders, behalve in het geval bij het volgende artikel vermeld. (B.W. 335, 345 v.)
920. Indien een der bloedverwanten kwam te overlijden, zonder nabestaanden in den erfelijken graad, noch langstlevenden echtgenoot achter te laten, is het natuurlijk erkend kind geregtigd om de nalatenschap te vorderen, met uitsluiting van den staat.
En indien het natuurlijk kind sterft, zonder afstammelingen, noch ouders, noch natuurlijke broeders of zusters of nakomelingen van deze, noch langstlevenden echtgenoot achter te laten, behoort deszelfs nalatenschap insgelijks, en met uitsluiting van den staat, aan de naaste bloedverwanten van zijnen vader of van zijne moeder, welke hem erkend heeft; en indien hij door beide erkend is, behoort de eene helft zijner nalatenschap aan de naaste bloedverwanten van vaders kant, en de wederhelft aan die van moeders zijde.
De verdeeling in beide linien geschiedt volgens de regelen, omtrent gewone erfopvolging voorgeschreven. (B.W. 335, 345 v., 879, 905, 908 v., 917 v.)
144
B.W. Boek II, Titel XI, 3 en XII, 1. Arlt. 913â928. 145
TWAALPDE TITEL.
Van uiterste willen.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 921. De goederen, welke iemand bij ziju overlijden nalaat, behooren aan zijne wettelijke erfgenamen, voor zoo verre hij daarover niet bij uitersten wil wettiglijk mogt hebben beschikt. (O. 4; B.W. 233 v., 584, 879 v., 1002 v.)
922. Een testament of uiterste wil is eene akte, houdende eene verklaring van hetgeen iemand wil dat na zijnen dood zal geschieden, en welke akte door hem kan worden herroepen. (B.W. 1039 v.)
923. Uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van goederen zijn, of algemeen, of onder eenen algemeenen titel, of onder eenen bijzonderen titel.
Elke dezer beschikkingen, het zij dezelve gedaan zij onder de benaming van erfstelling, het zij onder de benaming van legaat, of onder elke andere benaming, zal kracht hebben, volgens de regelen bij dezen titel voorgeschreven. (B.W. 1001 v., 1004.)
924. Een uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de naaste bloedverwanten, of het naaste bloed van den erflater, zonder verdere aanduiding, wordt geacht te zijn gemaakt ten voordeele van zijne door de wet geroepen erfgenamen. (B.W. 345 v., 879, 899 v.)
925. De uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de armen, zonder andere aanduiding, wordt geacht gemaakt le zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke, in de plaats alwaar de erfenis is opengevallen, door armen-inrigtingen bedeeld worden.
926. De erfstellingen over de hand of fidei-commissaire substi-tutien zijn verboden.
Dienvolgens is, zelfs ten aanzien van den benoemden erfgenaam of legataris, nietig en van onwaarde elke beschikking, waarbij dezelve belast wordt de erfenis of het legaat te bewaren, en aan eenen derde, voor het geheel, of voor een gedeelte, uit te keeren. (B.W. 927 v., 1712.)
927. Van de bij het vorige artikel verboden erfstellingen over de hand zijn uitgezonderd die welke by de zevende en achtste af-deelingen van dezen titel zijn toegelaten. (B.W. 1020 v., 1036 v., 1712.)
928. De bepaling waarhij een derde, of, bij diens vooroverleden, alle deszelfs wettige kinderen, reeds geboren of die nog zullen worden geboren, zijn geroepen tot het geheel of tot een gedeelte van hetgeen de erfgenaam of legataris, bij zijn overlijden, van de erfenis of
BURG. WETB. 10
Va?i uiterste willen.
van het legaat onvervreemd of onverteerd zal overlaten, is geene ver-todene erfstelling over de hand.
Door zoodanige erfstelling of legaat mag de erflater zyne erfgenamen, aan welke een wettelijk erfdeel toekomt, niet benadeelen, (B.W. 960 v., 1036 v., 1712.)
929. De beschikking, waardoor een derde tot eene erfenis of een legaat geroepen wordt, in het geval dat de geroepen erfgenaam of legataris dezelve niet geniet, is van waarde. (B.W. 1712.)
930. Hetzelfde heeft plaats omtrent eene uitersts wilsbeschikking, waarbij het vruchtgebruik aan den eenen, en de bloote eigendom aan den anderen gegeven wordt. (B.W. 946, 1017, 1706.)
931. De bepaling waarbij de nalatenschap of het legaat, of wel een gedeelte van dezelve, onvervreemdbaar is verklaard, wordt voor niet geschreven gehouden. (B.W. 926, 1712.)
932. Indien de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken. (B.W. 1017, 1378.)
933. Indien daarentegen de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan welke de bedoeling des erflaters geweest zij, dan zich, tecen die bedoeling, aan den letterlijken zin der woorden houden. (B.W. 1379.)
934. In zoodanig geval, moeten ook de bewoordingen worden opgevat in den zin, die met den aard der beschikking en derzelver onderwerp het meest overeenkomt, en bij voorkeur in dier voege dat de beschikking eenige uitwerking of gevolg bebbe. (B.W. 1018,1380 v.)
935. In alle uiterste wilsbeschikkingen worden de voorwaarden, die onverstaanbaar of onmogelijk zijn, of die met de wetten en goede zeden strijden, voor niet geschreven gehouden. (A. 14; B.W. 1044, 1290.)
936. De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, wanneer hij, die bij de niet-vervulling daarvan belang mogt hebben, de vervulling heeft belet. (B.W. 1296.)
937. De vermelding van eene valsche beweegreden wordt voor niet geschreven gehouden, ten zij uit den uitersten wil blijken mogt dat de erflater de beschikking niet zoude hebben gemaakt, indien bij van de valschheid der beweegreden kennis had gedragen. (B.W. 938, 1371.)
938. De vermelding van eene, het zij ware, het zij valsche, beweegreden, die echter met de wetten of de goede zeden strijdt, maakt de erfstelling of het legaat nietig. (A. 14, 935; B.W. 1371 v.)
939. Indien een ondeelbare last aan verscheidene erfgenamen of legatarissen is opgelegd geworden, en een of meerder hunner van de erfenis of het legaat afzien, of wel onbekwaam zijn om het gemaakte te beuren, zal hij die zich voor het geheel van den last wil kwijten, bet hem nagelaten gedeelte kunnen vorderen, en zijn
146
â
B.W. Boek 11, Titel Xll, 1 en 2. JriL 929â948. 147
r- verhaal hebben op de nalatenschap, voor hetgeen hij voor de andere
mogt hebben betaald. (B.W. 1051, 1332 v.) e- 940. Uiterste willen, gemaakt ten gevolge van dwang, bedrog of
n. arglist, zijn nietig. (B.W. 1357 v.)
941. Indien door een en hetzelfde ongeval of op denzelfden dag, en mogten omkomen de erflater en de erfgenaam of de legataris, of
e- degene, die by eene geoorloofde ondererfstelling in plaats van dezen
laatsten zoude zijn opgetreden, zonder dat men weten kunne, wie k- van de alzoo omgekomenen het eerste overleden zij, worden zij ver-
n- moed op hetzelfde oogenblik gestorven te zijn, en er heeft geen
overgang van regten ten gevolge van den uitersten wil plaats, en (B.W. 878, 1712, 1953.)
iet
TWEEDE APDEELING.
11-
V. Fan de bekwaamheid om bij uitersten wil te beschikken of
daarvan voordeel te genieten.
)e-
en Art. 942. Tot het maken of herroepen van eenen uitersten wil
;h, moet men zijne verstandelijke vermogens bezitten. (B.W. 487 v.,
in. 500, 945, 1039 v.)
943. Alle personen kunnen bij uitersten wil beschikken, en daar-gt;p- uit voordeel genieten, uitgezonderd de zoodanige die daartoe, vol-
m- gens de bepalingen van deze afdeeling, zijn onbekwaam verklaard,
de (B.W. 3, 163, 228, 487 v., 500, 502, 883, 1713.) v-) 944. Minderjarigen, die den vollen ouderdom van achttien ja-
en, ren niet hebben bereikt, mogen geen uitersten wil maken. (B.W.
en 206, 224, 385, 951 v., 1714.)
W. 945. De bekwaamheid van den erflater wordt beoordeeld naar
den staat waarin hij zich bevond op het oogenblik dat de uiterste wji wil gemaakt is. (B.W 942, 951 v.)
ng 946. Om uit krachte van eenen uitersten wil iets te kunnen ge
nieten, moet men bestaan op het oogenblik van den dood des erf-oor laters, met inachtneming van den regel bij artikel 3 van dit Wet-ogt boek vastgesteld.
ien Deze bepaling is niet toepasselijk op personen, die geroepen zijn om
W. uit stichtingen genot te trekken. (B.W. 545 v., 883, 1048 v., 1716.)
' 947. Makingen bij uiterste wilsbeschikking ten behoeve van open-eg- bare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken of armeninrig-de tingen, hebben geen gevolg, dan voor zoo ver de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend om die i of aan te nemen. (B.W. 925, 946, 1092, 1691, 1717.) gt;au 948. Een echtgenoot kan geen voordeel genieten door de uiterste
ge- wilsbeschikkingen van zijnen mede-echtgenoot, indien het huwelijk ast zonder behoorlijke toestemming mogt zijn aangegaan, en de erflater iijn gestorven is op een tijdstip, waarop de wettigheid van dit huwelijk
10»
Van uiterste willen.
te dier oorzake nog in regten kon worden betwist. (B.W. 85, 92 v., 142, 146, 958.)
949. De man of de vrouw, die, kinderen uit een vroeger bed hebbende, een tweede of volgend huwelijk aangaat, zal bij uitersten wil aan zijnen lateren echtgenoot niet meer mogen geven dan het minste gedeelte hetwelk één der wettige kinderen geniet, en zonder dat, in eenig geval, de beschikking het vierde deel van zijne goederen mag te boven gaan. (B.W. 236 v., 958.)
950. Echtgenooten kunnen, ten opzigte van de goederen welke in gemeenschap zijn, niet verder beschikken dan over het aandeel dat ieder hunner in de gemeenschap heeft. Indieu echter eenig goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de legataris hetzelve niet in natura vorderen, indien dat goed niet aan de erfgenamen van den erflater is aanbedeeld. In dat geval, wordt de legataris schadeloos «resteld uit het aandeel ia de gemeenschap, aan de erfgenamen van den erflater aangekomen, en, bij ongenoegzaamheid, uit de goederen aan die erfgenamen persoonlijk toebehoorende. (B.W. 183 v., 189 v., 193,1013, 1113,1146 v.)
951. Een minderjarige, ofschoon den ouderdom van achttien jaren bereikt hebbende, kan bij uitersten wil ten voordeele van zijnen voogd geene beschikking maken.
Meerderjarig geworden zijnde, kan hij zijnen gewezen voogd niet bij uitersten wil bevoordeelen, dan na het afleggen en sluiten der voogdij-rekening.
Van de twee hier-boven gemelde gevallen zijn uitgezonderd bloedverwanten van den minderjarige in de opgaande linie, die zijne voogden zijn, of geweest zijn. (B.W. 385, 468, 470, 944, 952, 958, 1718.)
952. Minderjarigen kunnen niet bij uitersten wil beschikken ten voordeele van hunne leermeesters, gouverneurs of gouvernanten, welke met hen te zamen wonen, noch ten voordeele van hunne onderwijzers of onderwijzeressen, bij welke de minderjarigen in de kost besteed zijn.
Hiervan zijn uitgezonderd de beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming echter zoo wel van de gegoedheid van den maker, als van de diensten, die aan denzelven zijn bewezen. (B W. 944 v., 951, 958.)
953. De geneesheeren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunde uitoefenende, welke iemand gedurende de ziekte, waaraan hij overleden is, bediend hebben, alsmede de bedienaars van den godsdienst, welke hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zoodanig persoon, gedurende den loop dier ziekte, te hunnen behoeve mogt hebben gemaakt.
Hiervan zijn uitgezonderd:
1 o. De beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij
148
B. W. Boek II, Titel XII, 2 en 3. Ar(t. 949â960. 149
wijze van legaat gemaakt, even als bij het vorige artikel is vastgesteld;
2°. De beschikkingen ten voordeele van den echtgenoot van den erflater;
3°. De beschikkingen, zelfs algemeene, gemaakt ten voordeele van bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten, indien de overledene geene erfgenamen in de regte linie mogt hebben nagelaten; ten ware degene, te wiens voordeele de beschikking gemaakt is, zelf onder het getal dier erfgenamen mogt behooren. (B.W. 958, 1718.)
954. De notaris, die eenen uitersten wil bij openbare akte heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niets genieten van hetgeen aan hen bij dien uitersten wil mogt zijn gemaakt. (B.W. 958, 985, 991, 1718.)
955. Indien ouders wettige en ook natuurlijke, doch wettiglijk erkende, kinderen nalaten, zullen deze laatste uit de uiterste wils-beschikkingeu hunner ouders niet meer mogen genieten, dan hetgeen aan ben bij den elfden titel van dit Boek is toegekend. (B.W. 335 v., 909 v., 958, 963, 1718.)
956. Overspelers of overspeelsters en hunne medepligtigen kunnen uit elkanders uitersten wil geen voordeel genieten, mits van het overspel, vóór het overlijden van den erflater, door een regterlijk gewijsde gebleken zij. (B.W. 958, 1718; R.V. 81, 339, 398.)
957. Afgeschaft bij art. 1 der wet van 7 April 1869, Stsbl. no. 56.
958. Eene uiterste wilsbeschikking, gemaakt ten voordeele van iemand die onbekwaam is om te erven, is nietig, zelfs wanneer de beschikking mogt zijn gemaakt op den naam van eenen tusschenbei-den komenden persoon.
Voor tusschenbeiden komende personen worden gehouden, de vader en de moeder, de kinderen en afstammelingen, en de echtgenoot van dengenen die onbekwaam is om te erven. (B.W. 238 v., 1718, 1953.)
959. Hij, die veroordeeld is omdat hij den erflater heeft omge-bragt; hij, die den uitersten wil des erflaters heeft verdonkerd, vernietigd of vervalscht; of die den erflater door geweld of dadelijkheden heeft belet zijnen uitersten wil te herroepen of te veranderen, zal, evenmin als zijn mede-echtgenoot en zijne kinderen, uit den uitersten wil eenig voordeel kunnen genieten. (B.W. 885 v., 958, 1725.)
DERDE AFDEEUKG.
Fan de legitime portie of het wettelijk erfdeel, en van de inkorting der giften, welke die portie zouden verminderen.
Art. 960. De legitime portie of het wettelijk erfdeel is een ge-
Van uiterste willen.
deelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepene erfgenamen in de regte linie wordt toegekend, en waarover de overledene, noch bij gifte onder de levenden, noch bij nitersten wil, heeft mogen beschikken. (B.W. 223, 231, 362, 949, 1054, 1066, 1703 v.)
961. In de nederdalende linie, indien de erflater slechts één wettig kind nalaat, bestaat dat wettelijk erfdeel in de helft van de goederen, welke het kind bij versterf zoude hebben geërfd.
Indien er twee kinderen overblijven, is het wettelijk erfdeel voor ieder kind twee derde gedeelten van hetgeen hetzelve bij versterf zoude erven.
In geval de overledene drie of meer kinderen nalaat, zal het wettelijk erfdeel drie vierde gedeelte bedragen van hetgeen elk kind bij versterf zoude gehad hebben.
Onder den naam van kinderen worden begrepen de afstammelingen, in welken graad zij ook zyn; echter worden deze alleen gerekend in plaats van het kind, hetwelk zij in de nalatenschap van den erflater vertegenwoordigen. (B.W. 159, 899 v., 949 v., 967 v., 1132 v.)
962. In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel altijd de helft van hetgeen, volgens de wet, aan elkeu bloedverwant in die linie bij versterf toekomt. (B.W. 900 v.)
963. Het wettelijk erfdeel van een natuurlijk, doch wettiglijk erkend kind, bestaat uit de helft van dat gedeelte, hetwelk de wet aan hetzelve in de nalatenschap bij versterf toekent. (B.W. 335, 340, 909 v., 955.)
964. Bij gebreke van bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende linie, en van natuurlijke, wettiglijk erkende kinderen, mogen de giften, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil gedaan, het geheele beloop der goederen van de nalatenschap bevatten. (B.W. 908.)
965. Wanneer de beschikking, bij aktejjnder de levenden of bij nitersten wil gedaan, bestaat in een vruchtgebruik of in eene lijfrente, waarvan het beloop het wettelijk erfdeel benadeelt, hebben de erfgenamen, aan welke dat erfdeel is toegekend, de keus of om deze beschikking uit te voeren, of wel om aan de begiftigden of legatarissen den eigendom van het beschikbaar gedeelte af te staan. (B.W. 1006, 1812.)
966. Het aandeel waarover men beschikken mag, kan, het zij in het geheel of gedeeltelik, bij akte onder de levenden of by uitersten wil, aan vreemden, ot' wel aan kinderen of andere personen die tot eene erfenis geregtigd zijn, worden weggeschonken, behoudens de gevallen waarin deze laatste, naar aanleiding van den zestienden titel van dit boek, tot inbreng gehouden zijn. (B.W. 223, 231, 1132, 1703 v.)
967. De giften of schenkingen, het zij onder de levenden, het zij bij uitersten wil gemaakt, welke aan het wettelijk erfdeel mog-ten te kort doen, zullen bij het openvallen der nalatenschap kun-
150
Bjr. Boek II, Titel XII, 3. AriL 961â973.
nen worden verminderd, doch alleen op de vordering van de legiti-3, marissen en van derzelver erfgenamen of regthebbenden.
i- Desniettegenstaande zullen de legitimarissen van die verminde
ring niets kunnen genieten ten nadeele van de schnldeisohers van t- den overledene. (B.W. 223, 236, 922, 960 v., 1703 v.)
968. Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te bepalen, maakt men eene opsomming van alle de goederen, die op het tijd-ir stip van het overlijden van den gever of erflater aanwezig waren;
rf men voegt daarbij het beloop der goederen, waarover bg giften on
der de levenden beschikt is, berekend naar den staat, waarin zij t- zich op het tijdstip der gift bevonden hebben, en Imnne waarde op
ij bet oogenblik van het overlijden van den gever; men berekent over
alle die goederen, na de schulden daarvan te hebben afgetrokken, b, hoeveel, naar mate van de betrekking der legitimarissen, het erf-
in deel is hetwelk zij kunnen vorderen, en men trekt daarvan af het
er geen deze, zelfs met vrijstelling van inbreng, van den overledene
hebben ontvangen. (B.W. 1132 v., 1146, 1703 v.) ie 969. Alle vervreemding van eenig goed, het zij onder den last
ie eener lijfrente, het zij met voorbehoud van vruchtgebruik, aan een
der erfgenamen in de regte linie gedaan, wordt beschouwd als eene jk gift. (B.W. 967 v., 1132, 1958.)
et 970. Indien de gegevene zaak vóór het overigden van den schen-
5, ker, buiten schuld van den begiftigde, is verloren gegaan, zal zij
niet worden begrepen onder de massa der goederen over welke het e- wettelijk erfdeel moet worden berekend.
n, De gegevene zaak zal onder de massa worden begrepen, indien
ril zij ter oorzaak van het onvermogen van den begiftigde niet kan
ie- worden terug verkregen. (B.W. 968, 1115.)
97(. De giften onder de levenden zullen nimmer mogen worden bij verminderd, dan nadat alle de goederen, welke bij uitersten wil zijn
jf. weggemaakt, zullen bevonden worden niet genoegzaam te zijn om
en het wettelijk aandeel te verzekeren. Wanneer alsdan eene vermin-
)m dering van de giften onder de levenden moet plaats hebben, zal men
of dezelve aanvangen met de gift welke het laatst gedaan is, en alzoo
m. verder van deze tot de vroegere opklimmen. (B.W. 960, 967.)
972. De teruggave van de onroerende goederen, welke naar aan-zij leiding van het voorgaande artikel moet plaats hebben, geschiedt in er- \ natura, niettegenstaande alle tegenstrijdige bepalingen.
iie Indien echter de vermindering moet worden toegepast op een
sus erf, hetwelk niet gevoegelijk kan worden verdeeld, zal de begiftigde, en zelfs wanneer het een vreemde is, de bevoegdheid hebben om in gereed 51, geld op te leggen hetgeen den legitimaris toekomt. (B.W. 1139.)
973. De vermindering der bij uitersten wil gedane makingen iet zal geschieden zonder onderscheid te maken tusschen de erfstellin-)g. gen en legaten, ten zij de erflater uitdrukkelijk mogt hebben be-m- volen dat deze of gene erfstelling of legaat bij voorkeur moest wor-
_L_
151
Van uiterste willen.
den voldaan; in welk geval, zoodanige erfstelling of legaat niet zal worden verminderd, dan in geval de waarde van de andere makingen niet mogt toereikend zijn om het wettelijk erfdeel op te leveren. (B.W. 923, 960 v., 1001, 1004.)
974. De begiftigde zal de vruchten van hetgeen de gift meer bedraagt, dan het gedeelte, waarover beschikt kan worden, terug geven, te rekenen van den dag dat de gever overleden is, indien de eisch tot vermindering is gedaan binnen het jaar, en anderzins van den dag dat die eisch gedaan zal zijn. (B.W. 604, 960, 1139, 1144.)
975. De onroerende goederen, die nit krachte van vermindering in den boedel moeten terug keeren, worden daardoor vrij van de schulden of hypotheken, door den begiftigde daarop gelegd. (B.W. 1051, 1139, 1215.)
976. De regtsvordering tot vermindering of teruggave kan door de erfgenamen vervolgd worden tegen derde bezitters van de onroerende goederen, welke een gedeelte van het gegevene uitmaken en door de begiftigden vervreemd zijn, op dezelfde wijze en in dezelfde rangschikking als tegen de gevers zelve.
Deze regtsvordering moet aangelegd worden volgens de orde van de dagteekeningen dier vervreemdingen, te beginnen met die gift welke het laatst gedaan is.
Desniettemin zal de regtsvordering tot vermindering of teruggave tegen derde verkrijgers geen plaats hebben, dan voor zoo verre de begiftigde geene andere goederen mogt hebben overgehouden, welk in de gift begrepen waren, en deze niet genoegzaam zijn om het wettelijk erfdeel in zijn geheel te voldoen, of indien de waarde der vervreemde goederen niet op zijne persoonlijke goederen mogt kunnen worden verhaald.
Die regtsvordering zal, in allen gevalle, verloren gaan door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waarop de legitimaris de erfenis heeft aanvaard. (B.W. 967, 971 v.)
VIERDE AFDEELING.
Van den vorm der uiterste willen.
Art. 977. Geen uiterste wil kan bij dezelfde akte door twee of meer personen gemaakt worden, het zij ten voordeele van eenen derde, het zij onder den titel van eene wederkeerige of onderlinge beschikking. (B.W. 1000.)
978. Een uiterste wil kan alleen worden gemaakt, of bij eene olographiesche of eigenhandig geschreven akte, of hij eene openbare akte, of bij eene geheime of geslotene beschikking. (B.W. 985 v., 992 v., 998.)
979. Een olographiesche uiterste wil moet met de hand des erflaters geheel geschreven en geteekend zijn.
152
B.W. Boek II, Titel XII, 3 en 4. Aril. 974â983. 153
Dezelve moet door den erflater bij eenen notaris in bewaring worden gesteld.
De notaris, bijgestaan door twee getuigen, zal daarvan onmiddel-lijk eene door hem met den erflater en de getuigen geteekende akte van bewaargeving opmaken, het zij aan den voet van den uitersten wil, indien dezelve open aan hem is ter hand gesteld, het zij afzonderlijk, indien het stuk verzegeld aan hem mogt zijn aangeboden; in welk laatste geval de erflater, in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen, op den omslag moet aanteekenen en door zijne onderteekening bekrachtigen, dat hetzelve zijnen uitersten wil bevat.
In geval de erflater door eenige verhindering, die na de onderteekening van den uitersten wil of van den omslag is opgekomen, den omslag of de akte van bewaargeving, of wel beiden, niet kan teekenen, moet de notaris daarvan, even als van de oorzaak des beletsels, melding maken. (B.W. 984, 990 v., 998 v.; R.V. 662 v.)
980. Zoodanige olographiesche uiterste wil, overeenkomstig het voorgaande artikel, door den notaris zijnde in bewaring genomen, heeft dezelfde kracht als een bij openbare akte gemaakte uiterste wil, en wordt gerekend gemaakt te zijn op den dag der akte van bewaargeving, zonder aanzien der dagteekening welke zich in den uitersten wil zeiven mogt bevinden. (B.W. 336, 985, 990.)
De als olographische uiterste wil door den notaris in bewaring genomen akte wordt, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed met de hand van den erflater geheel geschreven en geteekend te zijn. i)
981. De erflater kan ten allen tijde zijn olographiesch testament terug vorderen, mits hij, ter verantwoording van den notaris, van de teruggave bij eene authentieke akte doe blijken.
Door de teruggave wordt het olographiesch testament als herroepen beschouwd. (B.W. 987, 1039.)
982. Bij een enkel onderhandseh, door den erflater geheel geschreven, gedagteekend en onderteekend stuk, kunnen, zonder verdere formaliteiten, beschikkingen na doode worden gemaakt, doch alleen en bij uitsluiting, ter aanstelling van executeuren, ter bestelling van begrafenis, tot het maken van legaten van kleederen, van lijfstoebehooren, van bepaalde lijfsieraden en van bijzondere meubelen.
De herroeping van zoodanig stuk kan op dezelfde wijze onder de hand geschieden. (B.W. 979, 983, 992, 998 v., 1039; K.V. 662.)
983. Indien zoodanig stuk, als waarvan in het vorige artikel is gesproken, na het overlijden van den erflater gevonden wordt, moet hetzelve worden aangeboden aan den regter van het kanton alwaar
1) Het Sde lid is aan art. 980 toegevoegd, volgens art. 1 der wet van 18 Juni 1893, Stsbl. no. 146, uitgegeven 4 Juli d.a.v. Zie noot bij art. 988.
Van uiterste willen.
de erfenis is opengevallen; deze zal, indien het stuk verzegeld is, hetzelve openen, en, in allen gevalle, een proces verbaal van de aanbieding, alsmede van den staat waarin hetzelve zich bevindt, opmaken; hij zal eindelijk dat stuk aan eenen notaris ter hand stellen, ten einde hetzelve onder zijne minuten te bewaren. (B.W. 984; R.V. 662.)
984. Een olographiesche uiterste wil, welke gesloten aan den notaris is ter hand gesteld, zal, na den dood des erflaters, aan den kantonregter worden aangeboden, welke zal handelen zoo als bij artikel 989, ten aanzien van beslotene uiterste willen is voorgeschreven. (B.W. 990; R.V. 663.)
985. Een uiterste wil bij openbare akte moet ten overstaan van eenen notaris, en in tegenwoordigheid van twee getuigen, worden verleden. (B.W. 990 v., 1000.)
986. De notaris moet den wil des erflaters, zoo als die zakelijk aan hem door den erflater is opgegeven, in duidelijke bewoordingen schrijven of doen schrijven.
Indien de opgave buiten de tegenwoordigheid der getuigen is gedaan, en het opstel door den notaris is gereed gemaakt, moet de erflater, alvorens de voorlezing daarvan geschiede, zijnen wil nader zakelijk, in tegenwoordigheid der getuigen, opgeven.
Daarna zal, in tegenwoordigheid der getuigen, de uiterste wil door den notaris worden voorgelezen, en na die voorlezing door hem aan den erflater worden afgevraagd of het voorgelezene zijnen uitersten wil bevat.
Indien de uiterste wil in tegenwoordigheid der getuigen is opgegeven, en terstond is in geschrift gebragt, zal gelijke voorlezing en afvraging in tegenwoordigheid der getuigen geschieden.
De akte moet vervolgens door den erflater, den notaris en de getuigen worden onderteekend.
Indien de erflater verklaart dat hij niet kan onderteekenen, of indien hij daarin verhinderd wordt, moet ook die verklaring en de oorzaak der verhindering in de akte worden vermeld.
Van de nakoming van alle deze formaliteiten moet uitdrukkelijk worden melding gemaakt in de akte van uitersten wil. (B.W. 990 v., 1000.)
987. Wanneer de erflater een besloten of geheim testament wil maken, zal hij verpligt zijn zijne beschikkingen te onderteekenen, het zij hij die zelf geschreven hebbe, het zij hij die door eenen anderen hebbe laten schrijven; het papier hetwelk zijne beschikkingen bevat, of het papier hetwelk tot een omslag dient, indien er een omslag gebruikt wordt, zal gesloten en verzegeld worden.
De erflater zal hetzelve alzoo gesloten en verzegeld aan den notaris, in tegenwoordigheid van vier getuigen aanbieden, of hij zal het in hunne tegenwoordigheid moeten doen sluiten en verzegelen, en moeten verklaren dat in het gemelde papier zijn uiterste wil
154
B.W. Boek IT, Titel XII, 4. Artt. 984â989. 155
begrepen is, en dat die uiterst e wil, het zij door hem zei ven geschreven en door hem geteekend is of door een ander geschreven en door hem geteekend is. De notaris zal daarvan eene akte van superscriptie opmaken; die op dat papier, of op het papier tot omslag dienende, zal geschreven worden; deze akte zal zoo wel door den erflater, als door den notaris, benevens de getuigen, onderteekend worden, en in geval de erflater door eenige verhindering, die na de onderteekening van den uitersten wil is opgekomen, de akte van superscriptie niet kan onderteekenen, zal van de oorzaak van het beletsel melding gemaakt worden.
Alle de in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen in acht te nemen formaliteiten moeten worden vervuld, zonder intus-schen tot eenige andere akte over te gaan.
De besloten of geheime uiterste wil moet onder de minuten van den notaris blijven berusten, die dat stuk ontvangen heeft. (B.W. 989 v., 1000; K.V. 664..)
988. In geval de erflater niet kan spreken, maar wel schrijven, zal hij een besloten uitersten wil kunnen maken, mits dezelve met zflne hand geheel geschreven, gedagteekend en onderteekend worde; hij denzelven aan den notaris en de getuigen aanbiede, en boven de akte van superscriptie in hunne tegenwoordigheid schrijve en on-derteekene, dat het papier hetwelk hij hun aanbiedt, zijn uiterste wil is; waarna de notaris de akte van superscriptie zal schrijven en daarin melding maken dat de erflater die verklaring, in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen, geschreven heeft, en zal bovendien worden in acht genomen al hetgeen bij het voorgaande artikel is bepaald. (B.W. 987, 1000.)
De uiterste willen, in het voorgaande en in dit artikel bedoeld, worden, tot het bewijs van het tegendeel, vermoed door den erflater onderteekend, laatstgemelde uiterste willen daarenboven met zijne hand geheel geschreven en gedagteekend te zijn. ')
989. Na den dood van den erflater, moet de besloten of geheime uiterste wil worden aangeboden aan den regter van het kanton alwaar de erfenis is opengevallen; deze regter zal dien uitersten wil openen en proces-verbaal opmaken van de aanbieding en de opening van den uitersten wil, alsmede van den staat waarin zich dezelve bevindt, ea dit stuk daarna aan den notaris, die de aanbieding heeft gedaan, terug geven. (B.W. 987, 990; K.V. 664.)
1) Het 2de lid is aan art. 988 toegevoegd, volgens art. 2 der wet van 18 Juni 1892, Stsbl. no. 146, uitgegeven 4 Juli d.a.v.
Art. 3 dier wet luidt:
Het bij deze wet aan artikel 980 en aan artikel 988 van gemeld Wetboek toegevoegd tweede lid is ook van toepassing op de in de beide voorgaande artikelen bedoelde testamenten, die vóór het in werking treden dezer wet bij eenen notaris ziju in bewaring gegeven.
Van uiterste willen.
990. De notaris, die onder zijne minuten eenen uitersten wil, van welken aard ook, heeft, moet daarvan, na den dood van den erflater, aan de belanghebbende personen kennis geven. (B.W. 1039.)
991. De getuigen, die bij het maken van uiterste willen tegenwoordig zijn, moeten zijn van het mannelijk geslacht, meerderjarig, en ingezetenen van het koningrijk. Zij moeten de taal verstaan waarin de uiterste wil is opgesteld, of die waarin de akte van superscriptie of van bewaargeving is geschreven.
Tot getuigen van eenen uitersten wil, bij openbare akte op te maken, kunnen niet genomen worden de erfgenamen of de legatarissen, noch derzelver bloedverwanten of aangehuwden, tot in den vierden graad ingesloten, noch de zoons of kleinzoons, of bloedverwanten in denzelfden graad, noch de huisbedienden der notarissen voor welke de uiterste wil verleden wordt. (B.W. 20, 345 v., 385, 954, 985, 1000, 1946, 1950 no. 3 en 4.) ')
992. Een Nederlander, die zich in een vreemd land bevindt, zal geenen anderen uitersten wil kunnen maken, dan bij authentieke akte en met inachtneming van de formaliteiten welke in het land, alwaar de akte verleden wordt, gebruikelijk zijn.
Hij is echter bevoegd om bij een onderhandsch stuk te beschikken, op dén voet en de wijze als hier-boven bij artikel 982 is omschreven. (A. 6, 10; B.W. 983, 1000.)
993. In tijd van oorlog, kunnen de krijgslieden en andere personen tot de legers behoorende, en zich in het veld of wel in eene belegerde plaats bevindende, hunnen uitersten wil maken ten overstaan van eenen officier, welke ten minste den graad van luitenant heeft, en in tegenwoordigheid van twee getuigen. (B.W. 991, 996 v., 1000.)
994. De uiterste wil van personen die zich, gedurende den loop eener reis, op zee bevinden, kan verleden worden ten overstaan van den kapitein of den stuurman van bet vaartuig, of, bij gebreke van dezelve, voor dengenen die hunne plaats vervult, in te-
fenwoordigheid van twee getuigen. (B.W. 35, 60, 991, 996 v., 1000;enwoordigheid van twee getuigen. (B.W. 35, 60, 991, 996 v., 1000;
341 v.)
995. In plaatsen met welke alle gemeenschap, uit hoofde van de pest of andere besmettelijke ziekte, verboden is, kunnen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen. (B.W. 985, 991, 996 v., 1000.)
996. De uiterste willen, in de drie voorgaande artikelen vermeld, zullen door de erflaters, alsmede door degenen voor wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen, onderteekend moeten worden.
156
Indien de erflater of een der getuigen verklaart dat hij niet schrij-
1) Het 2de lid van art. 991 aldus gewijzigd bg art. 11 der wet van 36 April 1884, Stsbl. no. 93.
B.W. Boek 11, Titel XII, 4, 5 en 6. Ar tl. 990â1004.
ven kan of belet wordt te teekenen, zal van die verklaring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in de akte uitdrukkelijk worden melding gemaakt. (B.W. 991, 1000.)
997. Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de erflater komt te sterven zes maanden nadat de oorzaak, waarom dezelve in dien vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden.
998. In de gevallen bij artikel 993, 994 en 995 voorzien, kunnen de daarbij vermelde personen beschikken bij een onderhandsch stuk, mits hetzelve geheel door de hand des erflaters zij geschreven, ge-dagteekend en onderteekend. (B.W. 979, 983, 999.)
999. Zoodanige uiterste wil zal krachteloos zijn, indien de erflater is overleden drie maanden nadat de oorzaak, in voorzeide drie artikelen vermeld, heeft opgehouden, ten ware dat stuk bij eenen notaris mogt zijn in bewaring gegeven, op de wijze als bij artikel 979 is voorgeschreven. (B.W. 993 v.)
1000. De formaliteiten, waaraan de onderscheidene uiterste willen, volgens de bepalingen van deze afdeeling, onderworpen zijn, moeten worden in acht genomen, op straffe van nietigheid. (B.W. 1040.)
VIJFDE AFDEELING.
Van de erfstellingen.
Art. 1001. Erfstelling is eene uiterste wilsbeschikking, waarhg de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welke hij bij zijn overlijden zal nalaten, het zij in het geheel, het zij voor een gedeelte, zoo als de helft, een derde. (B.W. 928, 1004.)
1002. Bij het overigden van den erflater, treden van regtswege in het bezit van de nagelatene goederen, zoo wel de bij uitersten wil benoemde erfgenamen, als degenen aan wie de wet een gedeelte in de nalatenschap toekent.
De artikelen 881 en 882 zijn op hen toepasselijk. (B.W. 960 v., 1006, 1054, 1070, 1564, 1754, 1780, 1863; R.V. 4 no. 6, 254.)
1003. Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo tot het bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder gereg-telijke bewaring zullen worden gesteld. (B.W. 617, 1767 v.)
ZESDE AFDEELING.
Van legaten.
Art. 1004. Een legaat is eene bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft, of wel alle zijne goederen van eene zekere soort; als, bij voorbeeld, alle zijne roerende of onroerende goederen, of het vrucht-
157
Van uiterste willen.
gebruik van alle of van een gedeelte zijner goederen. (B.W. 1049, 1151.)
1005. Alle znivere en onvoorwaardelijke legaten geven, van den dag van het overigden van den erflater af, aan den legataris het regt om de gelegateerde zaak te vorderen, welk regt op zijne erfgenamen of regtverkrijgenden overgaat. (B.W. 1010, 1043, 1046, 1289 v., 1304 v.)
1006. De legataris zal de afgifte van de gelegateerde zaak aan de erfgenamen of legatarissen, die daarmede belast zijn, moeten vragen.
Hij heeft regt op de vruchten of interessen, van den dag af van het overlijden van den erflater, indien de eisoh tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaats gehad. Indien die eisoh later geschiedt, heeft hij slechts regt op de vruchten en de interessen, te rekenen van den dag dat de eisch gedaan is. (B.W. 556, 1002, 1007, 1010, 1019; R.V. 126.)
1007. De interessen of vruchten van de gelegateerde zaak loo-pen ten voordeele van den legataris, van den dag van het overlijden, welke ook het tijdstip zij waarop hij de afgifte heeft ge-eischt:
1°. Wanneer de erflater zijne begeerte daaromtrent in den uitersten wil verklaard heeft;
2°. Wanneer eene lijfrente of een jaar- maand- of weekgeld, onder den titel van levensonderhoud, is gelegateerd. (B.W. 376, 847, 1812 v., 2012; R.V. 756.)
1008. De belastingen welke, onder welke benaming ook, op legaten ten behoeve van den staat gelegd zijn, komen ten laste van den legataris, ten zij de erflater het tegendeel hebbe bevolen.
1009. Indien de erflater aan onderscheidene legatarissen de voldoening van eeuen last heeft opgelegd, zijn zij daartoe gehouden, elk in evenredigheid van de hoegrootheid van zijn legaat, ten zij de erflater daaromtrent anders mogt hebben beschikt. (B.W. 939.)
1010. De gelegateerde zaak zal worden uitgekeerd met al hetgeen daartoe behoort, en in deti staat waarin zij zich op den dag van het overlijden van den erflater bevindt. (B.W. 643 v., 1005 v., 1273, 1427.)
1011. Hetgeen echter de erflater, na het legateren van eenig onroerend goed, tot vergrooting van hetzelve aangekocht of verkregen heeft, is, al ware het ook daaraan grenzende, niet in het legaat begrepen, tenzij de erflater anders hadde bevolen.
De verbeteringen, verfraaijingen of nieuwe opbouwingen, op den gelegateerden grond door den erflater gemaakt, of de vergrooting van den omtrek van eenen ingesloten grond, zullen zonder nieuwe beschikking gerekend worden een gedeelte van het legaat uit te maken. (B.W. 643 v., 656 v., 679 v.)
158
B.W. Boek II, Titel XII, 6. Artt. 1005â1019. 159
1012. Indien vóór of na het maken van den uitersten wil, de gelegateerde zaak voor eene schuld van de nalatenschap, of ook voor de schuld van eenen derde, bij hypotheek verbonden of met een vruchtgebruik heiast is, is degene die het legaat moet uitkee-ren niet gehouden om het goed van dat verband te ontheffen, ten ware hij hij eene uitdrukkelyke beschikking van den erflater belast zij zulks te doen.
Indien echter de legataris de gehypothekeerde schuld mogt hebben voldaan, zal hij deswege een verhaal hebben op de erfgenamen, overeenkomstig artikel 1152. 1) (B.W. 803, 847, 1010, 1152, 1208 v.)
1013. Wanneer de erflater eenig bepaald goed van een ander
Gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, hetzij de erflater al au niet geweten hebbe dat dit goed hem niet toebehoorde. (B.W. 950, 1014, 1507.)elegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, hetzij de erflater al au niet geweten hebbe dat dit goed hem niet toebehoorde. (B.W. 950, 1014, 1507.)
1014. De bepaling van het vorige artikel belet echter niet dat aan den erfgenaam of legataris, als voorwaarde, de verpligting kan worden opgelegd om aan derden zekere uitkeeringen uit zijne eigene goederen te doen, of schulden kwijt te schelden. (B.W. 939.)
1015. Legaten van onbepaalde zaken, doch van een zeker geslacht, zijn bestaanbaar, het zij de erflater zoodanige zaken hebbe nagelaten of niet. (B.W. 1369.)
1016. Wanneer het legaat in eene onbepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verpligt de beste soort te geven, maar hij kan ook met het afgeven der slechtste niet volstaan. (B.W. 1309, 1428.)
1017. Indien blootelijk de vruchten of inkomsten zijn gelegateerd, zonder dat de erflater het woord vruchtgebruik of gebruik heeft gebezigd, blijft het goed onder het beheer van den erfgenaam, die verpligt is de vruchten en inkomsten aan den legataris uit te keeren. (B.W. 556 v., 803 v., 865 v.)
1018. Een legaat, aan eenen schuldeischer gemaakt, wordt niet gerekend tot afdoening der schuld te zijn nagelaten, zoo min als een legaat, aan dienstboden gemaakt, kan geacht worden tot betaling van verdiend loon gegeven te zijn. (B.W. 1418, 1461 v., 1639 v.)
1019. Wanneer de nalatenschap niet voor het geheel of een gedeelte is aanvaard, of wanneer dezelve is aanvaard onder het voor-regt van boedelbeschrijving, en de nagelatene goederen niet voldoende zijn om de legaten in hun geheel te voldoen, zullen alle de legaten, in evenredigheid van hunne hoegrootheid, worden verminderd, ten ware de erflater daaromtrent anders mogt hebben beschikt. (B.W. 1070 v., 1096, 1103 v.)
1
In de ofiicieele uitgaaf wordt hier abusievelijk genoemd art. 1151.
Van uiterste willen.
ZEVENDE AFDEELING.
Van de geoorloofde erfstellingen over de hand, ten behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van broeders en zusters.
Art. 1020. De goederen waarover ouders het regt van beschikking hebben, kunnen door hen, bij uitersten wil, geheel of gedeeltelijk, worden gegeven aan een of meer hunner kinderen, met last om die goederen uit te keeren, zoo wel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.
In geval van vooroverlijden van een kind, zal dezelfde beschikking kunnen worden gemaakt ten voordeele van een of meer kleinkinderen, met last om de goederen aan hunne kinderen, welke reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, uit te keeren. (B.W. 927, 946, 961, 3023 v., 1712.)
1021. Insgelijks zal de uiterste wilsbeschikking bestaanbaar zijn ten voordeele van een of meer broeders of zusters van den erflater, voor het geheel of eeu gedeelte der goederen die bij de wet uiet buiten beschikking gehouden zijn, onder den last om de goederen uit te keeren, zoo wel aan de kinderen van zijne voorzeide broeders en zusters, welke reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.
Dezelfde beschikking kan worden gemaakt ten voordeele van een of meer kinderen van vooroverleden broeders of zusters, onder den last om de goederen uit te keeren zoowel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden. (B.W. 946, 960 v., 1023,1712.)
1022. Indien de bezwaarde erfgenaam sterft, met achterlating van kinderen in den eersten graad en afkomelingen van een vooroverleden kind, zullen deze laatste, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind genieten.
Hetzelfde zal plaats hebben, indien, alle de kinderen in den eersten graad vooroverleden zijnde, degene die met de overgave belast is niet dan kleinkinderen nalaat. (B.W. 8S8 v., 895.)
1023. De beschikkingen, bij artikel 1020 en 1021 toegelaten, zullen niet anders gelden dan voor zoo verre de erfstelling over de hand slechts zal zijn gemaakt voor éénen graad, en ten voordeele van alle de kinderen van den bezwaarden persoon die reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, zonder uitzondering, of voorrang van ouderdom of kunne.
1024. De regten van de bij erfstelling over de hand geroepene erfgenamen nemen aanvang op het tijdstip dat het genot van den bezwaarde ophoudt.
De vrijwillige afstand van het genot, ten voordeele van de ver-
160
B.W. Boek II, Titel XII, 7. Artt. 1020â1029. 161
wachters gedaan, zal geen nadeel kunnen toebrengen aan de schuld-eischers van den bezwaarden persoon, wier ') schuldvorderingen onder dan deze afstand zijn, noch aan de kinderen die na dien afstand mog-ten geboren worden. (B.W. 1107, 1177, 1377.)
1025. Hij die de, volgens de voorgaande artikelen, geoorloofde beschikkingen maakt, mag bij uitersten wil, of bij eene latere notariële akte, het goed zelf, gedurende den tijd van het bezwaar, onder het beheer stellen van een of meer bewindvoerders.
In dat geval, zijn de bepalingen van artikel 836, van het eerste en tweede lid van artikel 837 en van artikel 838 op de bewindvoerders toepasselijk. Zij mogen loon voor hunne moeite in rekening brengen, in de gevallen en op de wijze als ten aanzien der uitvoerders van uiterste willen bij den volgenden titel is bepaald. (B.W. 522, 1026, 1029, 1035, 1064, 1068.)
1026. Bij overlijden, of bij gebreke van den gestelden bewindvoerder, benoemt de regtbank, op verzoek van de bezwaarden of van andere belanghebbenden, of ook op vordering van het openbaar ministerie, eenen anderen in de plaats van den ontbrekenden. (B.W. 1029; R.V. 324 no. 6.)
1027. Binnen eene maand na het overlijden van dengenen die, onder den last van uitkeering, over de goederen beschikt heeft, zal, op verzoek van den gestelden bewindvoerder, van den belanghebbende, of van het openbaar ministerie, eene boedelbeschrijving worden gemaakt van alle de goederen die de nalatenschap uitmaken.
Indien het gemaakte slechts in een legaat bestaat, zal er eene bijzondere lijst worden gemaakt van alle de daaronder begrepene voorwerpen.
Deze boedelbeschrijving of lijst zal de begrooting der roerende goederen bevatten. (B.W. Iü28; 1037; R.V. 678 v.)
1028. De boedelbeschrijving of lijst zal gemaakt worden in tegenwoordigheid van den benoemden bewindvoerder en andere belanghebbenden, of deze behoorlijk zijnde opgeroepen.
Indien deze bij de boedelbeschrijving tegenwoordig zijn, kan dezelve onder de hand geschieden; in welk geval, dat stuk, binnen den tijd van veertien dagen na het voleindigen van de boedelbeschrijving, ter griffie van de arrondissements-regtbank moet worden overgebragt.
De kosten, daarop vallende, komen ten laste der goederen, in de beschikking over de hand begrepen. (B.W. 830, 1037; E.V. 778 v.)
1029. Indien de erflater geenen bewindvoerder heeft benoemd, worden de goederen door den bezwaarden erfgenaam beheerd, en is deze verpligt zekerheid te stellen voor de bewaring, het behoorlijk gebruik en de wederoplevering der goederen, ten ware de erflater
1) In de oflicieele uitgaaf staat hier âwiensquot;; moet zjjn âwierquot; volgens art. 91 der wet van 28 Febr. 1825, Stsbl. no. 13.
BURG. WETB. li
Van uiterste willen.
hem uitdrukkelyk van alle verpligting tot het stellen van zekerheid hadde vrijgesteld. (B.W. 390, 1025, 1031, 1035.)
1030. De bezwaarde erfgenaam die, in het geval van het vorige artikel, geene zekerheid kan stellen, moet gedoogen dat de goederen, op verzoek van belanghebbenden, of op de vordering van het openbaar ministerie, worden gesteld onder het beheer van eenen bewindvoerder, door de regtbank te benoemen, te wiens aanzien zullen gelden alle de regten en verpligtingen, ten opzigte van voogden over minderjarigen vastgesteld. De slotbepaling van artikel 1025 hierboven is ook op deze bewindvoerders toepasselijk. (B.W. 443 v., 833.)
1031. De bezwaarde erfgenaam, die zelf het beheer heeft, moet het bezwaarde goed als een goed huisvader gebruiken, en staat daaromtrent, alsmede ten aanzien van het dragen van kosten en lasten, en het doen van reparatien, gelijk met eenen vruchtgebruiker. (B.W. 808 v., 840 v., 1029.)
1032. De onroerende goederen, alsmede de renten en schuldvorderingen, mogen niet worden vervreemd of bezwaard dan op verlof van de arrondissements regtbank, na verhoor van den verwachter en van het openbaar ministerie.
Dat verlof kan alleen verleend worden, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, of van blikbaar voordeel, zoo wel van den verwachter als van de bezwaarde erfgenamen, en, in geval van vervreemding, tegen zekerheid van wederbelegging onder het fidei-com-missair verband, indien de bezwaarde het goed zelf beheert.
Indien de goederen onder bewind zijn gesteld, zijn de bewindvoerders verpligt de opbrengst te beleggen op den voet als ten aanzien van voogden is voorgeschreven. (B.W. 449, 1214 v.)
1033. De erfstellingen over de hand, welke hg deze afdeeling zijn geoorloofd, kunnen zelfs door geene minderjarigen aau derden worden tegengeworpen, indien zij niet zijn openbaar gemaakt, te weten: wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving in de daartoe bestemde registers, en voor zoo veel gehypothekeerde schuldvorderingen aangaat, door eene inschrijving op de goederen welke voor die schuldvorderingen verbonden zijn, of door eene te doene vermelding ter zijde der reeds bestaande inschrijvingen. (B.W. 1035.)
1034. De wettelijke of bij uitersten wil geroepen erfgenamen van dengenen die de erfstelling over de hand heeft gemaakt, zullen, in geen geval, aan de verwachters het gebrek van overschrijving, in-schrijving of vermelding, bij het vorige artikel bevolen, kunnen tegenwerpen.
1035. De bewindvoerders zijn verpligt voor de overschrijving, inschrijving of vermelding by artikel 1033 bevolen, te waken, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.
Alle belanghebbenden hebben het regt te vorderen dat aan de gezegde voorschriften worde voldaan. (B.W. 1401 v.)
162
B.W. Boek II, Titel XII, 7, 8 en 9. AriL 1030â1040. 163
ACHTSTE AFDEELING.
Vagt;i de erfstellingen over de hand in hetgeen de erfgenaam of legataris onvervreemd en onverteerd zal nalaten.
Art. 1036. In geval van erfstelling, of vau legaat, op den voet als bij artikel 928 is vermeld, is de bezwaarde erfgenaam of legataris bevoegd om het aan hem gemaakte te vervreemden en te verteeren, en zelfs bij schenking onder de levenden daarover te beschikken, ten zij dit laatste door den erflater, voor het geheel of ten deele, mogt zijn verboden. (B.W. 4é7, 927, 1712.)
1037. De verpligting tot het maken eener boedelbeschrijving of lijst, na het overlijden van den erflater, en tot het overbrengen van die stukken ter griffie van de arrondissements-regtbank, bij artikel 1027 en 1028 voorgeschreven, is ook toepasselijk op den bezwaarden erfgenaam of legataris, van welken bij deze afdeeling wordt gehandeld, doch hij is niet gehouden om eenige zekerheid te stellen. (B.W. 1029; K.V. 678 v.)
1038. Na het overlijden van den bezwaarden erfgenaam of legataris, heeft de verwachter het regt om de dadelijke afgifte te vorderen van hetgeen van de erfenis of van het legaat in natnra mogt zijn overgebleven.
Ten aanzien van de gereede penningen of van de opbrengst der vervreemde voorwerpen, kan uit aanteekeningen van den bezwaarden erfgenaam of legataris, uit huiselijke papieren, of door alle andere bewijsmiddelen, worden opgemaakt, of, en in hoeverre, er iets van de erfenis of van het legaat is overgebleven. (B.W. 1918.)
NEGENDE AFDEELING.
Van het herroepen van uiterste wilsbeschikkingen en het vervallen van dezelve.
Art. 1039. £en uiterste wil kan, noch in zijn geheel, noch ten deele, herroepen worden dan bij eene latere uiterste wilsbeschikking, of bij eene bijzondere notariële akte, waarbij de erflater de geheele of gedeeltelijke intrekking van zijnen vroegeren uitersten wil te kennen geeft, onverminderd de bepaling van artikel 981. (B.W. 922, 977 v., 982, 1042.)
1040. Indien een latere uiterste wil, welke de uitdrukkelijke herroeping van den vorigen bevat, niet is voorzien van de formaliteiten welke tot de deugdelijkheid van eenen uitersten wil worden ver-eischt, maar wel van die welke gevorderd worden tot de deugdelijkheid van eene notariële akte, zullen de vroegere beschikkingen, welke in de latere akte mogten zijn herhaald, niet als herroepen worden beschouwd. (B.W. 1000, 1041.)
11*
164 Van uiterste willen.
1041. Eene latere uiterste wil, waarbij de voorgaande niet op eene uitdrukkelijke wijze herroepen wordt, vernietigt alleen de beschikkingen, in dien vroegeren uitersten wil vervat, welke met de nienwe beschikkingen niet zijn overeen te brengen, of daarmede streden.
De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de latere uiterste wil nietig is, uit hoofde van gebrek in den vorm, al ware dezelve ook geldig als notariële akte. (B.W. ] 000, 1039 v.)
1042. De herroeping, het zij uitdrukkelijk, het zij stilzwijgende, bij eenen lateren uitersten wil gedaan, zal volkomen van kracht zijn, ofschoon die nieuwe akte buiten gevolg blijve, door de onbevoegdheid van den gestelden erfgenaam of legataris, of door hunne weigering om de erfenis te aanvaarden. (B.W. 940 v., 1103 v.)
1043. Alle vervreemding, zelfs bij verkoop, met vermogen van weder-inkoop, of bij verruiling, welke de erflater van het gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de herroeping van het legaat, ten aanzien van al wat vervreemd of verruild is, met zich brengen; ten ware het vervreemde goed in des erflaters boedel mogt zijn terug gekeerd. (B.W. 1005, 1010, 1555 v., 1577 v.)
1044. Alle beschikking bij uitersten wil gedaan, onder eene voorwaarde, van eene onzekere gebeurtenis afhangende, en van zooda-nigen aard dat de erflater gerekend moet worden aan het al of niet voorvallen dier gebeurtenis de uitvoering zijner beschikking verbonden te hebben, zal vervallen, indien de gestelde erfgenaam of legataris vóór de vervulling der voorwaarde komt te overlijden. (B.W. 935 v., 1297, 1301.)
1045. Wanneer de voorwaarde, volgens de bedoeling van den erflater, alleen de uitvoering der beschikking opschort, belet zulks niet dat de gestelde erfgenaam of legataris een verkregen regt heb-be, hetwelk hij aan zijne erfgenamen overdraagt. (B.W. 929, 1299, 1304.)
1046. Een legaat vervalt, wanneer het gelegateerde goed, bij het leven van den erflater, geheel is te niet gegaan.
Hetzelfde heeft ook plaats, indien het goed, na zijnen dood, zonder toedoen of schuld van den erfgenaam of van andere personen, door welke het legaat verschuldigd is, te niet is gegaan, ofschoon deze mogten hebben verzuimd dat goed op zijn tijd uit te keeren, wanneer het in handen van den legataris geweest zijnde, eveneens zonde zijn te niet gegaan. (B.W. 1005, 1273, 1480 v.)
(047. Een legaat van eene rente, inschuld of andere schuldvordering op eenen derde, vervalt ten aanzien van hetgeen gedurende het leven van den erflater daarop mogt zijn betaald. (B.W. 1010.)
1048. Eene beschikking, bij uitersten wil gedaan, vervalt, wanneer de gestelde erfgenaam of legataris de erfenis of het legaat verwerpt, of onbekwaam bevonden wordt om dezelve te genieten.
Indien bij de beschikking voordeelen aan derden waren gemaakt.
B.W. Boek II, Titel XII, 9 en XIU. AM. 1041â1052. 165
zullen dezelve, in dat geval, niet vervallen, maar zal degene aan â wien de erfenis of het legaat opkomt daarmede belast blijven, behoudens echter de bevoegdheid van dezen, om van de erfenis of van het legaat gaaf en onvoorwaardelijk afstand te doen, ten behoeve van dengenen aan wien de voordeelen waren besproken. (B.W. 943 v., 1014, 1103 v.)
1049. Er zal aanwas plaats hebben ten voordeele van de gestelde erfgenamen of legatarissen, in geval de erfstelling of het legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is, en de beschikking ten opzigte van eenigen der mede-erfgenamen of mede-legatarissen geen gevolg kan hebben.
De erfstelling of het legaat zal geacht worden gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij eene en dezelfde beschikking, en de erflater niet aan elk der mede-erfgenamen of mede-legatarissen zijn bepaald aandeel in het goed heeft aangewezen, zoo als de helft, een derde deel, enz.
De uitdrukking voor gelijke aandeelen of gedeelten wordt niet geacht eeue aanwijzing te zijn van een zoodanig bepaald aandeel, als waarvan in dit artikel gesproken wordt. (B.W. 190, 1098, 1105.)
1050. Voorts zal de erflater mede geacht worden gezamenlijk gelegateerd te hebben, wanneer eene zaak, die zonder schade te lijden niet voor verdeeling vatbaar is, bij dezelfde akte aan onderscheidene personen, al ware het ook afzonderlijk, is gemaakt geworden. (B.W. 1332.)
1051. De vervallen-verklaring van uiterste wilsbeschikkingen kan, na den dood des erflaters, worden gevraagd, ter zake van het niet ten uitvoer brengen der voorwaarden.
In dit geval, zullen zij, te wier behoeve de vervallen verklaring zal zijn gedaan, de goederen terug nemen, vrij van alle lasten en hypotheken, welke de vervallen verklaarde erfgenaam of legataris daarop mogt hebben gelegd.
Zij zullen zelfs tegen derde houders der onroerende goederen de-zeilde regten als tegen deu benoemden erfgenaam of legataris kunnen uitoefenen. (B.W. 939, 975 v., 1293, 1725.)
DERTIENDE TITEL.
Van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en van bewindvoerders.
Art. 1052. Een erflater mag, het zij bij uitersten wil, het zij bij zoodanige onderhandsche akte als bij artikel 982 vermeld is, het zij bjj eene bijzondere notariële akte, een of meer uitvoerders van zijne uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.
Hij kan ook verscheiden personen benoemen, ten einde bij ont-
'
166 Van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen enz.
stentenis elkander als uitvoerders op te volgen. (B.W. 977 v., 1063, 1068, 1173; R.V. 126,672.)
1053. Getrouwde vrouwen, minderjarigen, zelfs wanneer deze handligting hebben bekomen, onder curatele gestelde personen, en alle degenen die onbevoegd zyn om verbindtenissen aan te gaan, mogen geene uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn. (B.W. 163, 385, 487, 1365 v.)
1054. Aan de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen kan door den erflater de bezitneming van alle de goederen der nalatenschap, or van een bepaald gedeelte daarvan, worden gegeven.
In het eerste geval strekt zich die bezitneming uit zoo wel tot de onroerende als tot de roerende zaken. ^
Het bezit zal van regtswege niet langer duren dan een jaar, te rekenen van den dag waarop de uitvoerders zich in het bezit hebben kunnen stellen. (B.W. 1002, 1060.)
1055. Indien alle de erfgenamen het daaromtrent eens zijn, kunnen zij het bezit doen ophouden, mits zij de uitvoerders der uiterste wilsbeschikking in staat stellen tot de betaling of afgifte der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of doen blijken dat die legaten reeds zijn voldaan. (B.W. 1005, 1059.)
1056. De uitvoerders eener uiterste wilsbeschikking moeten de nalatenschap doen verzegelen, indien er minderjarigen of onder curatele gestelde erfgenamen zijn, welke op het overlijden van den erflater van geene voogden of curators zyn voorzien, of zoodanige ert-genainen welke noch in persoon, noch bij gemagtigden, tegenwoordig zijn. (B.W. 519, 1119 v.; R.V. 658 v.)
1057. Zij moeten eene boedelbeschrijving doen opmaken van de goederen der nalatenschap, in tegenwoordigheid, of na bij behoorlijk exploit gedane oproeping der erfgenamen welke zich binnen het koningrijk bevinden. (B.W. 1065; R.V. 678 v.)
1058. Zij dragen zorg dat des overledenens uiterste wil worde ten uitvoer gelegd, en zij kunnen, in geval van geschil, iu reg-ten optreden, om de geldigheid van den uitersten wil staande te
houden. (B.W. 1060.) , ,
1059. Indien de vereischte penningen met voorhanden zijn tot het uitkeeren der legaten, hebben de uitvoerders de bevoegdheid om de roerende goederen des boedels en, des noods, ook een of meer der vaste goederen, doch de laatstgemelde niet anders dan met toestemming der erfgenamen, of, bij gebreke daarvan, met verlof van de arrondissements-regtbank, in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, te doen verkoopen; alles ten ware de erfgenamen mogten goedvinden om het noodige voorschot van penningen te doen.
Die verkoop zal ook onder de hand kunnen geschieden, indien alle de erfgenamen het daaromtrent zijn eens geworden, behoudens de bepalingen ten opzigte van minderjarigen en onder curatele gestelde personen. (B.W. 447, 451 v., 506, 1055, 1061, 1080.)
B.W. Boek II, Titel XIII. Artt. 1053â1068. 167
1060. De uitvoerders die het bezit van de nalatenschap hebben zijn bevoegd om, zelfs in regten, de schulden in te vorderen welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeischbaar zijn. CB.W. 1054.)
1061. Zij hebben geene bevoegdheid om de goederen der nalatenschap te verkoopen, ten einde dezelve in staat van scheiding en deeling te brengen, maar zijn verpligt om, bij het eindigen van hun beheer, aan de belanghebbenden rekening en verantwoording te doen, met uitkeering van alle de goederen en effecten des boedels, benevens het slot der rekening, ten einde tusschen de erfgenamen gescheiden en gedeeld te worden. In het maken der scheiding moeten zij de erfgenamen behulpzaam zijn, indien deze zulks vorderen. (B.W. 1059, 1065.)
1062. De magt van den uitvoerder eens uitersten wils gaat niet tot zijne erfgenamen over. (B.W. 1052, 1856.)
1063. Indien er verscheidene uitvoerders van eene uiterste wilsbeschikking zijn, die dezen last aangenomen hebben, kan één hunner, bij gebreke van de andere, alleen werkzaam zijn, en zij zyn ieder voor het geheel ter zake van hun beheer aansprakelijk, ten ware de erflater hunne werkzaamheden mogt verdeeld hebben, en dat ieder hunner zich binnen den kring der hem opgedragene be-moeijenissen hebbe gehouden. (B.W. 1052, 1066, 1841.)
1064. De onkosten, door den uitvoerder eener uiterste wilsbeschikking gemaakt, voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, en de overige tot zijne werkzaamheden betrekke-lijke zaken, komen ten laste der nalatenschap. (B.W. 468, 1087.)
1065. Elke bepaling, waarbij de erflater bevolen heeft dat de uitvoerder zijns uitersten wils van het opmaken eener boedelbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verantwoording, zal zgn ontheven, is van regtswege nietig. (B.W. 1057, 1061.)
1066. Onverminderd het reeds bepaalde voor het geval van vruchtgebruik, van erfstellingen over de hand, en van minderjarigen en onder curatele gestelden, mag de erflater by uitersten wil, of bij eene bijzondere notariële akte, een of meer bewindvoerders aanstellen, ten einde de goederen, aan zijne erfgenamen of legatarissen nagelaten, gedurende derzelver leven, of gedurende eenen bepaalden tgd, te beheeren, mits hierdoor geene inbreuk worde gemaakt op de vrije uitkeering van het wettelijk aandeel der erfgenamen.
De bepalingen van artikel 1063 zijn op dit geval toepasselijk. (B.W. 443 v., 495 v., 520 v., 832 v., 1025 v., 1067; RV. 330.)
1067. Indien de erflater geene personen beeft aangewezen welke in de plaats van de ontbrekende bewindvoerders zullen optreden, wordt daarin door de arrondissements-regtbank, op verhoor van het openbaar ministerie, voorzien. (B.W. 362.)
1068. Niemand is gehouden den last van uitvoerder eener uiterste wilsbeschikking, of van bewindvoerder eener erfenis of eens
168 Van uitvoerders can uiterste wilsbeschikkingen enz.
legaats, aan te nemen, doch hij die zoodanigen last heeft aanvaard is verpligt denzelven te voleindigen.
Indien de erflater aan den uitvoerder voor de waarneming zijner werkzaamheden geene hepaalde belooning heeft toegekend, of geen bijzonder legaat daarvoor aan denzelven gemaakt heeft, is laatstge-melde voor zich, of, meer dan één uitvoerder benoemd zynde, zijn zij bevoegd voor hen te zatnen het loon in rekening te brengen, hetwelk bij artikel 522 aan bewindvoerders van goederen van afwezigen is toegekend. (B.W. 1390, 1837.)
1069. De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mitsgaders de bewindvoerders, bij artikel 1066 vermeld, kunnen om dezelfde redenen als de voogden worden afgezet. (B.W. 437 v., 838.)
VEERTIENDE TITEL.
Van het regt van beraad en het voorregt van boedelbeschrijving.
Art. 1070. Alle personen, aan welke eene erfenis is opgekomen en die verkiezen mogten om de gesteldheid der nalatenschap te onderzoeken, ten einde te kunnen beoordeelen of het van hun belang is dezelve, het zij zuiver liet zij onder het voorregt van boedelbeschrijving te aanvaarden, of wel te verwerpen, zullen het regt hebben om zich te beraden, en daarvan eene verklaring moeten afleggen ter griffie van de regtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de erfenis is opengevallen; zullende die verklaring in het daartoe bestemde register worden ingeschreven. (B.W. 80, 187, 193, 459, 533, 880, 1094, 1097; R.V. 700 v.)
1071. Aan den erfgenaam wordt, te rekenen van den dag der afgelegde verklaring, een tijdvak van vier maanden vergund ten einde den boedel te doen beschrijven en zich te beraden.
Niettemin is de arrondissements-regtbank bevoegd om, wanneer de erfgenaam in regten vervolgd wordt, uit hoofde van dringende redenen, den hier-boven bepaalden termijn te verlengen. (B.W. 189, 1075 v., 1094; R.V. 678 v., 700 v.)
1072. Gedurende den voorschreven termijn, kan de erfgenaam, die zich beraadt, niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen. Geene regterlijke veroordeeling kan tegen hem worden verkregen, en de uitvoering van de vonnissen, die ten laste van den overledene zijn uitgesproken, blgft opgeschort.
Hij is verpligt, even als een goed huisvader, voor het behoud der goederen van de nalatenschap zorg te dragen. (B.W. 880, 1271.)
1073. De erfgenaam die zich beraadt is bevoegd om aan den regter verlof te vragen, ten einde alzoodanige voorwerpen te ver-koopen welke niet behoeven of niet kunnen worden bewaard, mitsgaders om al zulke daden te verrigten die geen uitstel dulden.
B.W. Boek II, Titel XIII en XIV. Artt. 1069â1080. 169
De wijze van verkoop zal bij het regterlijk verlof worden bepaald. (B.W. 1080, 1095; R.V. 700 v.)
1074. De regter kan, op verzoek der belanghebbende partijen, alzoodanige maatregelen voorschrijven welke hij mogt noodig achten, zoo wel tot behoud van de goederen der nalatenschap, als van de belangen van derden. (B.W. 1070.)
1075. Na verloop van den termijn bij artikel 1071 bepaald, kan de erfgenaam worden genoodzaakt de nalatenschap te verwerpen of dezelve te aanvaarden, het zij zuiver, het zij onder het voorregt van boedelbeschrijving. In het laatste geval, moet daarvan eene verklaring worden afgelegd, op dezelfde wijze als bij artikel 1070 is vastgesteld. (B.W. 540, 1076, 1088, 1090; R.V. 678 v.)
1076. Zelfs na verloop van den termijn, behoudt de erfgenaam het vermogen om den boedel te doen beschrijven, en denzelven onder het voorregt van boedelbeschrijving te aanvaarden, ten zij hij zich als zuiver erfgenaam hebbe gedragen. (B.W. 1077, 1094 v., 1101.)
1077. De erfgenaam verliest het voorregt van boedelbeschrijving, en wordt als zuiver erfgenaam beschouwd:
1°. Indien hij willens en wetens, en ter kwader trouw, eenige oederen, tot de nalatenschap behoorende, niet op de boe-elbeschrijving heeft gebragt;
2°. Indien hij zich aan verduistering van goederen, tot de erfenis behoorende, heeft schuldig gemaakt. (B.W. 192, 533, 1110.)
1078. Het voorregt van boedelbeschrijving heeft ten gevolge:
1°. Dat de erfgenaam niet verder tot de betaling der schulden en lasten der nalatenschap gehouden is, dan ten be-loope der waarde van de goederen welke dezelve bevat, en zelfs dat hij zich van die betaling kan ontslaan, door alle de goederen, tot de nalatenschap behoorende, aan de beschikking der schuldeischers en legatarissen over te laten;
2°. Dat de eigen goederen van den erfgenaam niet met die der nalatenschap worden vermengd, en dat hij het regt behoudt om zijne eigene inschulden tegen de nalatenschap te doen gelden. (B.W. 1146 v., 1438, 1472, 2028.)
1079. De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, is verpligt de daartoe behoorende goederen als een goed huisvader te besturen, en de nalatenschap, zoo dra mogelijk, tot effenheid te brengen; hij is aan de schuldeischers en legatarissen verantwoording verschuldigd. (B.W. 1082,
1080. Hij vermag de roerende en onroerende goederen der nalatenschap op geene andere wijze te verkoopen dan in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, of door makelaars, indien er koopmansgoederen in den boedel aanwezig zijn.
Van het regt van beraad enz.
Hij is gehouden om, in geval van verkoop van onroerende goederen welke met hypotheek belast zijn, de opgekomen hypothekaire schuldeischers te voldoen, door midclel van eene overwijzing op den kooper van het onroerend goed, ten bedrage van hetgeen die schuldeischers te vorderen hebben. (B.W. 447, 451, 1073; K. 62 v.; R.V. 701.)
1081. Hij is verpligt, indien de schuldeischers of andere belanghebbenden zulks vorderen, voldoende zekerheid te stellen voor de waarde der roerende goederen in de boedelbeschrijving begrepen, en voor dat gedeelte van de waarde der onroerende goederen, hetwelk niet aan de hypothekaire schuldeischers is overgewezen.
Indien hij in gebreke blijft deze zekerheid te stellen, zullen de roerende goederen worden te gelde gemaakt, en zoo wel de opbrengst daarvan, als het niet overgewezen gedeelte der onroerende goederen, in handen van eenen daartoe door den regter te benoemen persoon worden gesteld, om daaruit de schulden en lasten der nalatenschap te voldoen, voor zoo verre het bedrag derzelve nalatenschap toereikende zal zijn. (B.W. 565 v., 1773 v., 1864; R.V. 702.)
1082. Binnen den tgd van drie maanden, te rekenen van het verloop des termijns bij artikel 1071 bepaald, zal de erfgenaam verpligt zijn om, door middel van eene aankondiging in een der officiële dagbladen, mitsgaders in een nieuwspapier van de provincie, indien hetzelve bestaat, de onbekende schuldeischers op te roepen, ten einde zoo wel aan deze als aan degene die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadelijk rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en hunne schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zoo verre het bedrag der nalatenschap toereikende zal zün. (B.W. 1079 v., 1085; R.V. 784 v.)
1083. Na het aanzuiveren der rekening en verantwoording, zal de erfgenaam aan de schuldeischers, welke op dat tijdstip mogten bekend zijn, hunne vorderingen, het zij in het geheel het zij in evenredigheid van het beloop der nalatenschap, moeten voldoen.
De schuldeischers, die na de uitdeeling opkomen, zullen, naar mate dat zij zich aanmelden, alleen uit de onverkochte goederen en het overschot worden betaald. (B.W. 1085 v.)
1084. Indien er eenig verzet plaats heeft, kunnen de schuldeischers niet worden voldaan, dan ten gevolge eener rangschikking, door den regter te regelen. (R.V. 481 v., 551 v.)
1085. De legatarissen kunnen de voldoening van hunne legaten niet eischen, dan na verloop van den bij artikel 1082 bepaalden termijn, en na de uitbetaling, waarvan bij artikel 1083 gesproken wordt.
De schuldeischers, die na de voldoening der legaten opkomen, hebben alleen hun verhaal tegen de legatarissen.
Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren, na den dag op welken de uitbetaling aan den legataris heeft plaats gehad. (B.W. 1006, 1151.)
170
B. W. Boek II, Titel XIV en XV, 1. Ar tl. 1081â1094. 171
1086. De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan niet vroeger in zijne eigen goederen worden aangesproken, dan nadat hij, tot het afleggen zijner rekening zijnde aangemaand, mogt zijn in gebreke gebleven aan die verpligting te voldoen.
Na het aanzuiveren der rekening, zijn zijue eigen goederen alleen aansprakelijk voor de voldoening der geldsommen, welke, van de nalatenschap afkomstig, in zijne handen zijn gekomen. (B.W. 1077, 1083, 1146 v.)
1087. De kosten van verzegeling, van boedelbeschrijving, van het opmaken der rekening, mitsgaders alle andere, die op eene wettige -wijze gemaakt znn, komen ten laste der nalatenschap. (B.W. 1064; R.V. 678 v.)
1088. De bepalingen van artikel 1071, 1077 en volgende zijn insgelijks toepasselijk op erfgenamen, die, zonder zich van het regt van beraad bediend te hebben, eene erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de verklaring af te leggen, bij het slot van artikel 1075 vermeld. (B.W. 1082.)
1089. Eene bepaling, waarbij de erflater zoude hebben verboden om van het regt van beraad en van het voorregt van boedelbeschrijving gebruik te maken, is nietig en van onwaarde. (A. 14.)
VIJFTIENDE TITEL.
Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen.
EERSTE AFDEELING.
Van het aanvaarden van erfenissen.
Art. 1090. Eene erfenis kan of zuiver, of onder het voorregt van boedelbeschrijving, worden aanvaard. (B.W. 1075.)
1091. Niemand is gehouden eene hem opgekomene erfenis te aanvaarden. (B.W. 1370.)
1092. Erfenissen, aan getrouwde vrouwen, minderjarige en onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wettiglek worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepalingen welke die personen betreffen.
Erfstellingen, by artikel 947 vermeld, en door den Koning goedgekeurd, kunnen alleen worden aangenomen onder het voorregt van boedelbeschrijving. (B.W. 163, 165, 170 v., 249, 385, 459, 506; R.V. 700 v.)
1093. Het aanvaarden eener erfenis heeft eene terugwerkende kracht tot op den dag waarop dezelve is opengevallen. (B.W. 880, 921, 1104.)
1094. De aanvaarding eener erfenis geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; dezelve geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een
172 Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen.
authentiek of onderhandsch geschrift den titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; de aanvaarding geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam eene daad verrigt, welke zijne meening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan den dag legt, en waartoe hij slechts in zijne hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest. (B.W. 190 v., 1076, 1418, 1573.)
1095. Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden dienende alleen tot bewaring, als ook die welke strekken om op de nalatenschap toezigt te hebben, of dezelve bij voorraad te beheeren, worden niet gerekend daden te zijn, welke de stilzwijgende aanvaarding eener erfenis kenschetsen. (B.W. 1073, 2016 v.)
1096. Indien erfgenamen verschillen omtrent het al of niet aanvaarden eener erfenis, kan de een dezelve aanvaarden, en de andere die verwerpen.
Indien erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aanvaarding eener erfenis, wordt dezelve onder voorregt van boedelbeschrijving aanvaard. (B.W. 190, 1075, 1091.)
1097. Wanneer iemand aan wien eene erfenis is opgekomen overleden is, zonder die verworpen of aanvaard te hebben, zijn deszelfs erfgenamen bevoegd de erfenis in zijne plaats te aanvaarden of te verwerpen, en de bepaling van het voorgaande artikel is op hen toepasselijk. (B.W. 880, 1002.)
1098. Hij, die voor zijn erfdeel eene erfenis heeft aanvaard, vermag het aandeel niet te verwerpen, hetwelk hem door regt van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel 1100 voorzien. (B.W. 1105.)
1099. Een meerderjarige kan tegen eere door hem gedane aanvaarding eener erfenis niet in zijn geheel worden hersteld, dan alleen in het geval dat die aanvaarding mogt geschied zijn ten gevolge van dwang of van een te zijnen opzigte gepleegd bedrog.
Hij kan niet tegen zijne aanvaarding opkomen, onder voorgeven van daardoor benadeeld te zijn, dan alleen in geval de erfenis meer dan de helft is verminderd, ten gevolge der ontdekking van eene op het oogenblik der aanvaarding onbekende uiterste wilsbeschikking. (B.W. 1111, 1158 v., 1485 v.)
1100. Het aandeel eens erfgenaams, die tegen zijne aanvaarding is in zijn geheel hersteld, behoort niet door aanwas aan zijne mede-erfgenamen, dan voor zooverre zij hetzelve aanvaarden. (B.W. 1098, 1105.)
1101. l)e bevoegdheid om eene erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van den dag waarop dezelve is opengevallen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zg door een van degenen die door de wet, of door eenen uitersten wil, daartoe geroepen zijn; onverminderd echter de regten van derden op de nalatenschap, door eeni-gen wettigen titel verkregen. (B.W. 879, 921, 1102, 2004.)
1102. De erfgenaam die de erfenis verworpen heeft, kan de-
B.W. Boek II, Titel XV, 1 en 2. Artt. 1095â1110. 17S
zelve nog aanvaarden, zoo lang zij nog niet door degenen, welke door de wet of door eenen uitersten wil geroepen worden, aanvaard is, behoudens de regten van derden, zoo als bij het voorgaande artikel gezegd is. (B.W. 1101.)
TWEEDE AFDEEUNG.
Van het verwerpen van erfenissen.
Art. 1103. Het verwerpen eener erfenis moet uitdrukkelijk ge-scliieden, en moet plaats hebben door middel eener verklaring, afgelegd ter griffie van de arrondissements-regtbank, onder welks ressort de erfenis opengevallen is. (B.W. 80, 188, 196, 459, 1108.)
1104. De erfgenaam die de nalatenschap verwerpt wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn. (B.W. 880, J093, 1102.)
1105. H et erfdeel van dengenen die de erfenis verworpen heeft, wordt door regt van aanwas door zijne mede-erfgenamen verkregen. Indien hij alleen erfgenaam is, vervalt hetzelve aan de nabestaanden in den volgenden graad, of, indien er geene bloedverwanten in den graad, waarin men erven kan, aanwezig zijn, aan den overgebleven echtgenoot.
Indien deze allen de nalatenschap verwerpen, kan de staat dezelve vorderen. (B.W. 879, 1098, 1106 v., 1172.)
1106. Hij die eene erfenis verworpen heeft kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hij de eenige erfgenaam in zijnen graad is, of indien alle de erfgenamen de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde en erven bij gelijke deelen. (B.W. 887, 894.)
1107. De schuldeischers van dengenen die ten nadeele hunner regten eene erfenis heeft verworpen, kunnen zich door den regter doen niagtigen om de nalatenschap in naam van hunnen schuldenaar, in zijne plaats en voor hem, te aanvaarden.
In dit geval, wordt de verwerping der erfenis niet verder dan ten voordeele der schuldeischers, en ten beloope van hunne schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig ten voordeele van den erfgenaam die de erfenis heeft verworpen. (B.W. 190, 1377; K. 777.)
1108. De bevoegdheid om eene erfenis te verwerpen kan door geene verjaring verloren gaan. (B.W. 1101 v.)
1109. Men kan, zelfs bij huwelijksche voorwaarden, geenen afstand doen van de erfenis van iemand, die nog in leven is, noch de regten vervreemden, welke men, bij vervolg van tijd, op zoo-I573°e erfenis mogt kunnen verkrijgen. (B.W. 196, 1290, 1370,
1110. Erfgenamen welke goederen, tot eene nalatenschap behoo-rende, hebben te zoek gemaakt, of verborgen gehouden, verliezen de
174 Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen.
bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande hunne verwerping, zonder dat zij eenig deel in het te zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen. (B.W. 192, 1077, 1094.)
Illl. Niemand kan tegen de verwerping eener nalatenschap worden in zijn geheel hersteld, dan in geval die verwerping heeft plaats gehad ten gevolge van bedrog of dwang. (B.W. 1099, 1358 v., 1485.)
ZESTIENDE TITEL.
Van boedelscheiding.
EEESTE APDEELING. ')
Van boedelscheiding en hare gevolgen.
Art. 1112. Niemand is genoodzaakt in eenen onverdeelden boedel te blijven.
De boedelscheiding kan, niettegenstaande eenig daarmede strijdig verbod, ten allen tijde worden gevorderd.
Er mag echter overeengekomen worden, om de boedelscheiding gedurende eenen bepaalden tyd niet te doen plaats grijpen.
Zoodanige overeenkomst is slechts voor vijf jaren verbindend, maar kan telkens na afloop van den termijn vernieuwd worden. (A. 14; B.W. 463, 628, 1658, 1689; R.V. 695.)
1113. De schuldeischers van den erflater, mitsgaders de legatarissen, zijn bevoegd om zich tegen de boedelscheiding te verzetten.
De akte van boedelscheiding, verleden na zoodanig verzet, en voor dat voldaan is hetgeen tijdens liet verzet ten behoeve van den schuldeischer of legataris verschenen en opvorderbaar was, is nietig ten opzigte van zoodanigen schuldeischer of legataris. (B.W. 1377.)
1114. Tegen de regtsvordering tot de boedelscheiding kan de verjaring alleen worden ingeroepen door den erfgenaam of den medeerfgenaam, die afzonderlek, gedurende den tijd tot de verjaring gevorderd, het bezit heeft gehad van goederen, tot den boedel be-boorende, edoch niet verder dan ten aanzien van die goederen. (B.W. 882, 2000, 2004.)
1115. Indien al de erfgenamen het vrije beheer over hunne goederen hebben, en tegenwoordig zijn, kan de boedelscheiding plaats hebben op de wyze en door middel van zoodanige akte als zij goedvinden. (B.W. 546, 1829 v.)
1116. Namens hen, die het vrije beheer over hunne goederen niet
1) De vroegere eerste afdeeling vau dezen titel is bij art. 1 der wet van 31 Mei 1843, Stsbi. no 22, ingetrokken, en door de hier opgenomene vervangen.
B. W. Boek II, Titel XV, 2 en XVI, 1. Artt. 1111â1119. 175
bezitten, kan de boedelscheiding niet gevorderd worden, dan met inachtneming der omtrent zoodanige personen bij de wet vastgestelde voorschriften.
De man kan, zonder medewerking zijner vrouw, de boedelscheiding vorderen, of mede tot stand brengen, van al de goederen, welke in de gemeenschap vallen.
Ten aanzien van goederen, welke aan de vrouw zijn opgekomen en niet tot de gemeenschap behooren, gelgk mede, indien er tus-schen de echtgenooten scheiding van goederen plaats heeft, is de vrouw bevoegd de boedelscheiding te vorderen of mede tot stand te brengen, mits zg daartoe door den man bijgestaan of gemagtigd, of door den regter gemagtigd zij. (B.W. 160, 105, 174, 179 v., 195, 210, 241, 459, 464, 506, 1060.)
Ilf7. Indien een of meer der belanghebbenden weigeren of nalatig blgven tot de boedelscheiding mede te werken, nadat die bij regterlijk vonnis bevolen is geworden, benoemt de arrondissements-regtbank, indien deze benoeming niet reeds bij het vonnis heeft plaats gehad, op het verzoekschrift der meest gereede belanghebbenden, voor de weigerachtigen of nalatigen, of, voor zoo verre zij tegenstrijdige belangen hebben, voor ieder hunner, een onzijdigen persoon, ten einde als bewindvoerder, op den voet van art. 519 tot 522, zoodanige erfgenamen bij de boedelscheiding te vertegenwoordigen, en hetgeen zij ontvangen te beheeren.
In dat geval, gelijk mede indien zich onder de erfgenamen personen bevinden, welke het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding niet plaats hebben, dan met inachtneming der bepalingen, vervat in de volgende artikelen, en zulks op straffe van nietigheid, in geval van overtreding van eenige der voorschriften, vervat in de artikelen 1118, 1ste lid en 1120. (B.W. 519, 546, 1116; R.V. 126.)
1118. Bij de boedelscheiding moeten de toeziende voogden en toeziende curators tegenwoordig zijn.
Indien de kantonregter van oordeel is, dat de voogd en de toeziende voogd beiden, of de curator en de toeziende curator beiden, of de bewindvoerder, een met de door ben vertegenwoordigde erf-enamen tegenstrijdig belang hebben, worden door hem ambts-alve een of meer deelvoogden benoemd, om bij de scheiding te waken voor het belang van die erfgenamen. (B.W. 365, 389, 427. 506.)
1119. Indien er nog geene boedelbeschryving bestaat, zal die, het zij vooraf bij eene afzonderlijke, het zij te gelijk met de boedelscheiding, en bij eene en dezelfde akte, worden opgemaakt, overeenkomstig de voorschriften van de wet.
Indien echter al de erfgenamen, tijdens het overladen van den erflater tegenwoordig zijnde, en het vrije beheer over hunne goederen hebbende, geene boedelbeschrijving hebben opgemaakt, en later
Pan boedelscheiding.
voorgevallen veranderingen in den staat des boedels de naleving der wetsbepalingen omtrent de boedelbeschrijving onmogelijk maken, vangt de boedelscheiding aan met eene zoo nauwkeurig mogelijke opgave van den boedel, zoodanig als die door den erflater is nagelaten, van de daarin sedert voorgevallen veranderingen en van des-zelfs tegenwoordigen staat. De deugdelijkheid van die opgave wordt daarbij beëedigd door dengenen of door diegenen, die in het bezit der onverdeelde nalatenschap is of zijn gebleven- (R.V. 659 v., 678 v., 681.)
1120. De boedelscheiding wordt verleden bij akte, ten overstaan van eenen door partijen verkozen, of, in geval van verschil, door de arrondissements-regtbank, op het verzoekschrift van de meest gereede belanghebbenden, benoemden notaris, in tegenwoordigheid en onder goedkeuring van den kantonregter, die, tot bewijs daarvan, de akte mede onderteekent, zonder daarvan echter een proces-verbaal op te maken. (B.W. 1124.)
1121. Indien de kantonregter zijne goedkeuring aan de ontworpen boedelscheiding weigert, en de gezamenlijke erfgenamen en hunne vertegenwoordigers mogten vermeenen, dat die weigering niet gegrond is, geeft de kantonregter de redenen zijner weigering op, en worden dezelve opgenomen in een door den notaris op te maken proces-verbaal.
De ontworpen boedelscheiding, door den kantonregter en den notaris gewaarmerkt, wordt, met een afschrift van dit proces-verbaal, door den notaris ter griffie gebracht.
Het proces-verbaal van den notaris en de ontworpen boedelscheiding zgn vrij van zegel en registratie.
De erfgenamen, of de meest gereede hunner, kunnen hunne bezwaren, bij een met redenen bekleed verzoekschrift, inbrengen bij de arrondissements-regtbank. Deze doet daarop, des noods na verhoor van den kantonregter en van partgen, en in allen gevalle van het openbaar ministerie, uitspraak in het hoogste ressort.
In geval van goedkeuring, wordt daarna de boedelscheiding, ten overstaan van den notaris, in tegenwoordigheid van den kantonregter verleden, overeenkomstig het ontwerp, hetwelk, na door den president en griffier gewaarmerkt te zijn, wordt terug gegeven aan den notaris en door dezen aan de minute vastgehecht. (R.V. 697.)
1122. Indien de erfgenamen, of een of meer hunner, van oordeel zgn, dat de onroerende goederen des boedels, of sommige daarvan, het zij in het belang van den boedel, tot betaling van schulden als anderszins, het zij om eene behoorlijke verdeeling te kunnen daar-stellen, verkocht behooren te worden, kan de regtbank, na verhoor der andere belanghebbenden of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, den verkoop bevelen, overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 690 tot 694 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvorde-ring, des echter, dat, indien de verkoop in het openbaar geschiedt,
176
B.W. Boek II, Titel XVI, 1. Arii. 1120â1125. 177
de tegenwoordigheid, immers de behoorlijke oproeping, van toeziende voogden en toeziende curators wordt gevorderd.
Indien een der mede-erfgenamen een stuk onroerend goed koopt, heeft zulks ten zgnen opzigte hetzelfde gevolg, als of hij het bij scheiding verkregen had. (B.W. 451 v., 1129.)
1123. De waardering der op het tijdstip der boedelscheiding in den boedel aanwezige goederen, geschiedt als volgt:
Schuldvorderingen en aandeelen in maatschappijen, welke in prijscouranten, op openbaar gezag daargesteld en uitgegeven, vermeld zyn, worden volgens die prijscouranten gewaardeerd.
Andere roerende goederen, tegen de waarden op welke zij bij de boedelbeschrijving geschat zijn, ten ware een of meer erfgenamen eene nadere schatting door eenen deskundigen mogten verlangen.
Onroerende goederen, tegen den prijs, door drie deskundigen te bepalen. (R.V. 681.)
1124. De deskundigen worden benoemd door de belanghebbenden, of, in geval van verschil door den kantonregter, binnen wiens kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoover het de waardering van onroerende goederen betreft, door den kantonregter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn.
Makelaars doen de waardering op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd.
Andere deskundigen worden vóór de waardering beëedigd door den kantonregter, binnen wiens kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoo verre het de waardering van onroerende goederen betreft, door den kantonregter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn.
Indien partijen, ten aanzien van onroerende goederen, buiten het Koningrijk gelegen, omtrent de deskundigen niet kunnen overeenkomen, bepaalt de kantonregter van het kanton, waar de erfenis is opengevallen, hoe die deskundigen benoemd en beëedigd worden en is ook zelf tot die benoeming en beëediging bevoegd. (R.V. 223, 224.)
1125. Na de regeling van den inbreng en van hetgeen door den boedel aan een of meer der erfgenamen, uit welken hoofde ook, verschuldigd is, wordt het overschot van den boedel en het aandeel van iederen erfgenaam of staak bepaald.
Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belanghebbenden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders aandeel vallen, en, zoo daartoe gronden zijn, welke geldsom wegens een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet uitbetaald worden. Zoo de belanghebbenden zich wegens zoodanige toescheiding niet kunnen verstaan, worden er zoo vele kavelingen gemaakt, als er erfgenamen of staken zijn, en bepaalt het lot de toedeeling der kavelingen.
De onderverdeeling van de aan eenen staak toebedeelde goederen geschiedt op gelijke wijze. (R.V. 897.)
BURG. WETB. 12
Van boedelscheiding.
1126. Na de loting zijn de erfgenamen bevoegd tot de ruiling van de hun bij het lot toebedeelde kavelingen, mits zulks geschiede vóór het sluiten der akte van scheiding, en daarin worde opgenomen.
Deze ruiling heeft hetzelfde gevolg, als of de over en weder geruilde goederen waren toegescheiden.
Eene dergelijke ruiling kan, op dezelfde wijze en met hetzelfde gevolg, ook omtrent een gedeelte der toegescheiden goederen plaats hebben tusschen erfgenamen welke het vrije beheer over hunne goederen bezitten. (B.W. 1129.)
1127. De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toebedeelde goederen behoorende, worden overgegeven aan hem aan wien de goederen zijn toebedeeld.
Indien die stukken betrekking hebben op een aan meer dan één erfgenaam toebedeeld goed, verblijven zij bij dengenen, aan wien het voornaamste gedeelte van zoodanig goed is toegescheiden, onder verpligting om daarvan aan de mede-erfgenamen inzage, en, zoo iemand hunner zulks begeert, afschriften of uittreksels ten diens koste te geven.
1128. De algemeene boedelpapieren blijven in bewaring van hem, dien de meerderheid der erfgenamen, of, in geval van verschil, de kantonregter daartoe benoemd heeft, onder gelijke verpligting, om inzage en uittreksels of afschriften te geven, als bij het vorige artikel is bepaald. (B.W. 1922; K. 35.)
1129. Ieder erfgenaam wordt geacht onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde, of in de door hem bij aankoop, krachtens art. 1122, verkregene goederen
Geen der erfgenamen wordt alzoo gerekend immer den eigendom van de andere goederen der nalatenschap gehad te hebben. (B.W. 639, 1002, 1212; R.V. 492.)
1130. De mede-erfgenamen zijn verpligt, ieder in evenredigheid van zijn aandeel, elkander over en weder te vrijwaren tegen alle stoornis en uitwinning, welke uit eene oorzaak, vóór de verdeeling ontstaan, voortkomen, mitsgaders voor de gegoedheid van schuldenaren van renten of andere schuldvorderingen.
De vrijwaring heeft geen plaats, wanneer die bepaaldelijk bij een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte van boedelscheiding is uitgesloten. Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam door zijne schuld de uitwinning ondergaat.
De vrijwaring voor gegoedheid van schuldenaren van eene rente of andere schuldvordering des boedels is alleen dan verschuldigd, wanneer de schuldvordering aan een der erfgenamen voor het volle bedrag is toebedeeld, en indien door zoodanigen erfgenaam wordt bewezen, dat de schuldenaar reeds tijdens het verlijden der akte van boedelscheiding onvermogend was. (B.W. 1228, 1528; R.V. 68 v.) De vordering tot vrijwaring in het voorgaande lid bedoeld, kan
178
B.W. Boek 11, Titel XVI, 1 en 9. Artt. 1126â1135. 179
niet worden ingesteld na verloop van drie jaren sedert de hoedel-scheiding. (B.W. 1528, 1573.)
1131. indien een of meer der erfgenamen zich bniten staat bevinden om hun aandeel in de ter zake van eenige vrijwaring aan hunnen mede-erfgenaam verschuldigde schadeloosstelling te voldoen, wordt het door hem of hen verschuldigde aandeel, naar evenredigheid van ieders erfdeel, omgeslagen over den gewaarhorgden en de mede-erfgenamen, die in staat zijn te hetalen. (B.W. 1147, 1329.)
TWEEDE AFDEELING.
Van inbreng.
Art. 1132. Onverminderd de verpligting van alle erfgenamen tot voldoening aan, of verrekening met hunne mede-erfgenamen, van alles wat zij aan de nalatenschap schuldig zijn, moeten alle schenkingen onder de levenden, welke zij van den erflater hebben genoten, worde» ingebragt:
1°. Door de erfgenamen in de nederdalende linie, wettige of natuurlijke, het zij dezelve de nalatenschap zuiver, of onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard; en het zij dezelve slechts tot het wettelijk erfdeel of tot meerder zijn geroepen; ten ware de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden by eene authentieke akte, of bij uitersten wil, van de verpligting tot inbreng zyn ontheven;
2quot;. Door alle andere erfgenamen, het zij bij versterf, het zij bij uitersten wil, docli alleen in het geval dat de erflater of schenker den inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of bedongen. (B.W. 9(51, 9(59, 1133, 1142 v., 1703 v.)
1133. De erfgenaam die de erfenis verwerpt is niet gehouden in te brengen hetgeen aan hem geschonken is, dan ter aanvulling van zoodanig gedeelte als waardoor het wettelijk erfdeel zijner medeerfgenamen mogt verkort zijn. (B.W. 961 v., 1103 v., 1134.)
1134. Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel, behoeft dat meerdere niet te worden ingebragt, onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel.
1135. De ouders behoeven de giften niet in te brengen die aan hun kind door deszelfs grootouders gedaan zijn.
Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de erfenis zijner grootouders beurt, niet in te brengen de door deze aan. zijne ouders gedane gift.
Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling die erfenis beurt, de giften inbrengen, welke aan zijne ouders gedaan zijn, zelfs indien het kind de nalatenschap zijner ouders mogt hebben verworpen.
12*
Van boedelscheiding.
Het kind is echter, in geval van zoodanige verwerping, niet jegens zijne mede-erfgenamen in de grootouderlijke nalaten schapmaan-sprakelijk voor de schulden zijner ouders. (B.W. 888, 959, 1104, 1718.)
1136. Giften, welke aan den eenen echtgenoot door een der ouders van den anderen echtgenoot gedaan zijn, zijn zelfs voor de helft niet aan inbreng onderworpen, alware het ook dat de geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.
Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenooten door den vader of de moeder van een hunner gedaan zijn, moet de inbreng voor de helft plaats hebben.
Wanneer de giften aan den echtgenoot door zijnen eigen vader of zgne eigene moeder gedaan zijn, moet hij dezelve voor het geheel inbrengen. (B.W. 175, 231 v.)
1137. De inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap des schenkers; dezelve is slechts door den eenen erfgenaam ten behoeve van den anderen verschuldigd.
Ten behoeve van legatarissen, of van schuldeischers van den boedel, heeft geen inbreng plaats. (B.W. 967.)
1138. Inbreng geschiedt, het zij door het genotene in natura in den boedel terug te brengen, het zij door zoo veel minder dan de andere deelgenooten te ontvangen.
1139. De inbreng van onroerende goederen kan geschieden ter keuze des inbrengers, het zij door dezelve in natura terug te geven, zoo als zij zich op het oogenblik van den inbreng bevonden, het zij door het inbrengen der waarde, welke zij ten tijde der gifte hadden.
In het eerste geval, is de inbrenger verantwoordelijk voor de vermindering, welke de goederen door zij'ie schuld hebben ondergaan, en verpligt om dezelve te zuiveren van de lasten en de hypothe-ken, daarop door hem gelegd.
Alle noodzakelijke uitgaven, tot behoud van het goed gedaan, en de kosten van onderhoud, moeten, in hetzelfde geval, aan den inbrenger worden vergoed, met inachtneming der regelen bij den titel van vruchtgebruik voorgeschreven. (B.W. 630, 840 v., 972, 975, 1225)
1140. De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze des inbrengers door de betaling van deszelfs bedrag, of door zich dat bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedeelen.
1141. De inbreng van roerende goederen geschiedt ter keuze des inbrengers door de teruggave der waarde zoo als die ten tijde der schenking geweest is, of door de goederen in natura terug te geven.
1142. Behalve de schenkingen in artikel 1132 aan inbreng onderworpen, moet ook worden ingebragt al hetgeen is verstrekt om aan den erfgenaam eenen stand, een beroep of bedrijf te verschaffen, of
180
B.W. Boek II, Titel XVI, 2 en 3. Artt. 1136â1148. 181
ter betaling van deszelfs schulden, en al hetgeen ten huwelijk is gegeven. (B.W. 179, 375, 1487.)
1143. Aan inbreng zijn niet onderworpen:
De kosten van onderhond en opvoeding;
De uitkeeringen tot noodzakelijk levens-onderhoud;
De uitgaven tot het aanleeren van eenigen tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;
De kosten van studie;
De kosten tot plaatsvervanging of nummerverwisseling in 's lands gewapenden dienst;
De brailoftskosten, kleederen en kleinoodien, tot huwelijks-uitzet gegeven. (B.W. 159, 367, 375 v.)
1144. De interessen en vruchten van hetgeen aan inbreng is ouderworpen, worden eerst verschuldigd van den dag dat eene erfenis is opengevallen. (B.W. 1286.)
1145. Al hetgeen door toeval en zonder schuld van den begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet te worden ingebragt. (B.W. 970, 1311, 1480.)
DERDE APDEELING.
Van de betaling der schulden.
Art. 1146. De erfgenamen die eene erfenis hebben aanvaard, moeten in de betaling der schulden, legaten en andere lasten, zoo veel dragen als in evenredigheid staat met hetgeen ieder uit de nalatenschap ontvangt. (B.W. 1078, 1086,1335 v., 1346 v.; R.V. 126.)
1147. Zij zijn tot die betaling persoonlijk, en ieder naar mate van de hoegrootheid van zijn erfdeel gehouden, onverminderd de regten der schuldeischers op de geheele nalatenschap, zoo lang die nog is onverdeeld, mitsgaders die der hypothekaire schuldeischers. (B.W. 1113, 1130, 1153, 1209.)
1148. Indien onroerende en tot de nalatenschap behoorende goederen met hypotheken bezwaard zijn, heeft ieder der mede-erfgenamen het regt om te vorderen dat die lasten uit den boedel worden gekweten, en de goederen van het verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der kavelingen worde overgegaan.
Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdeelen in den staat waarin zij zich bevindt, moet het bezwaarde onroerende goed worden geschat op denzelfden voet als de overige onroerende goederen; alsdan wordt de hoofdsom der lasten van den geheelen prijs des goeds afgetrokken, en de erfgenaam, aan wien het onroerend goed te beurt is gevallen, blijft alsdan alleen ten aanzien zijner mede-erfgenamen met de voldoening der sclinld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.
Indien de lasten alleen op het onroerende goed gevestigd zgn,
Van boedelscheiding.
zonder dat daarbij een personeel verband bestaat, kan geen der mede-erfgenamen vorderen dat de last worde afbetaald, en alsdan wordt het onroerende goed onder de verdeeling begrepen, onder aftrek van de hoofdsom dier lasten. (B.W. 758 v., 767 v., 784 v., 1333, 1336, 1338.)
1149. Een erfgenaam die, ten gevolge van eene hypotheek, meer dan zijn aandeel in de gemeene schuld betaald heeft, kan van zijne mede-erfgenamen terug vorderen hetgeen ieder hunner persoonlijk in de schuld had moeten bijdragen. (B.W. 1078, 1129 v., 1146, 1320.)
1150. Indien een der mede-erfgenamen in verval van zakeu geraakt, wordt zijn aandeel in de hypothekaire schuld over de overige omslagen, naar evenredigheid van eens ieders erfdeel. (B.W. 1131. 1329.)
1151. Een legataris is niet voor de schulden en lasten der nalatenschap verbonden, onverminderd het verhaal van den hypothe-kairen schuldeischer op het gelegateerde onroerend goed. (B.W. 1012. 1242.)
1152. Indien de legataris de schuld heeft gekweten, waarmede het gelegateerde onroerend goed bezwaard was, treedt hij daardoor van regtswege in de regten van den schuldeischers, ten laste der erfgenamen. (B.W. 1012, 1252, 1438.)
1153. De schuldeischers en de legatarissen van den overledene mogen van de schuldeischers van den erfgenaam vorderen, dat de boedel van den overledene worde afgescheiden van dien des erfge-naams. (B.W. 1146 v.; K. 767; R.V. 659.)
1154. Indien de schuldeischers of legatarissen hunne regtsvorde-ring tot afscheiding hebben aangevangen binnen den tijd van zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen, hebben zij de bevoegdheid om hunnen eisch in de daartoe bestemde openbare registers, ter zijde van ieder stuk onroerend goed, tot de nalatenschap behoorende, te doen aanteekenen, met dat gevolg, dat de erfgenaam, na die aanteekening, het goed niet mag vervreemden of bezwaren, ten nadeele van de regten dier eischers ten laste der nalatenschap. (B.W. 1233.)
1155. Uat regt kan echter niet meer worden uitgeoefend, zoodra er schuldvernieuwing in de schuldvordering tegen den overledene plaats heeft, door den erfgenaam als schuldenaar aan te nemen. (B.W. 1449 v.)
1156. Hetzelve regt verjaart door het tijdsverloop van drie jaren.
1157. De schuldeischers van den erfgenaam hebben geene bevoegdheid om die afscheiding des boedels tegen de schuldeischers der nalatenschap te vorderen. (B.W. 1377.)
182
B.W. Boek //, Titel XF1, 3 en 4. Jrtt. 1149â1165. 183
VIEKDE AÃDEELING.
Van de vernietiging van aangegane boedelscheiding.
Art. 1158. Boedelscheidingen kunnen worden te niet gedaan:
1°. Ter zake van dwang;
2U. Ter zake van bedrog, door een of meer deelgenoo-ten gepleegd;
3°. Ter zake van benadeeling, meer dan een vierde gedeelte bedragende.
Het enkel overslaan van een of meer voorwerpen, tot den boedel behoorende, geeft alleen regt om deswege eene nadere scheiding te vorderen. (B.W. 1122, 1161, 1166, 1168, 1357 v., 1485, 1488.)
1159. Om te beoordeelen of er benadeeling plaats heeft, moeten de goederen naar derzelver waarde op het tijdstip der scheiding worden geschat.
1160. Degene tegen wien, ter zake van benadeeling, eisch tot vernietiging gedaan is, kan de herscheiding beletten, door aan den eischer, het zij in gereed geld, het zij in natura, op te leggen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt. (B.W. 1158.)
1161. De mede-erfgenaam, die het aan hem toebedeelde geheel of gedeeltelijk heeft vervreemd, kan geene vernietiging der boedelscheiding, ter zake van dwang of bedrog, vragen, indien de vervreemding heeft plaats gehad na het ophouden van den dwang of het ontdekken des bedrogs. (B.W. 1363.)
1162. De regtsvordering tot vernietiging verjaart door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag der boedelscheiding. (B.W. 1130, 1170.)
1163. De regtsvordering tot vernietiging heeft plaats opzigtelijk elke akte welke ten oogmerk heeft om den onverdeelden staat tus-schen mede-erfgenamen te doen ophouden, om het even of de akte onder den naam van koop en verkoop, ruiling, dading of anderzins, mogt verleden zijn.
Doch wanneer de boedelscheiding, of eene daarmede gelijkstaande akte, is voltrokken, kan er geene vernietiging worden gevraagd van eene dading, welke mogt gemaakt zijn om de wezenlijke zwarigheden, in de eerste akte voorkomende, uit den weg te ruimen. (B.W. 1357 v., 1493 v., 1888 v., 1895.)
1164. De regtsvordering tot vernietiging der boedelscheiding wordt niet toegelaten tegen den verkoop van erfregt, zonder bedrog aan een of meerder mede-erfgenamen te hunnen bate of schade door de mede-erfgenamen of door eener hunner gedaan. (B.W. 1364 v., 1485 ,1573.)
1165. Geene herscheiding, na de vernietiging der boedelscheiding gedaan, kan nadeel toebrengen aan de regten bevorens wettiglijk door derden verkregen.
184 Van boedelscheiding.
1166. Alle afstand van het regt om vernietiging eener scheiding te vragen is van onwaarde.
VIJFDE APDEELING.
Van boedelverdeeling door den vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande linie, tusschen hunne afkomelingen gemaakt.
Art. 1167. De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tusschen hunne kinderen en afkomelingen de verdeeling en scheiding hunner goederen maken. (B.W. 899, 922, 1040.)
1168. Indien alle de goederen, welke de bloedverwant in de opgaande linie op den dag van zijn overlijden nalaat, niet in de verdeeling begrepen zijn geweest, zullen die niet verdeelde goederen volgens de wet worden verdeeld. (B.W. 1112 v., 1158.)
(169. Indien de verdeelins niet gemaakt is tusschen alle de kinderen, die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afkomelingen der vooroverledene, zal de verdeeling geheel en al nietig zijn. Br kan eene nieuwe verdeeling in den wettelijken vorm worden gevorderd, het zij door de kinderen of afkomelingen die daar-bij geen aandeel gekregen hebben, het zij zelfs door degenen tusschen welke de verdeeling gemaakt is. (B.W. 1112, 1115.)
1170. De verdeeling, door eenen bloedverwant in de opgaande linie gedaan, kan worden betwist uit hoofde van benadeeling, meer dan een vierde bedragende. Zij kan almede worden betwist, indien de verdeeling, en hetgeen met vrijstelling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van den een of ander der afkomelingen mogt hebben verkort.
De regtsvordering, bij dit artikel toegelaten, verjaart door een tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waarop de erflater is overleden. (B.W. 960 v., 1132 v., 1158, 1160 v.)
1171. De afkomelingen welke, om eene der redenen in het voorgaande artikel uitgedrukt, de verdeeling betwisten, zullen de kosten, tot de schatting der goederen vereischt, moeten vooruitschieten, en die kosten zullen te hunnen laste blijven, indien hunne vordering ongegrond bevonden wordt. (R.V. 56.)
ZEVENTIENDE TITEL.
Van onbeheerde nalatenschappen.
Art. 1172. Wanneer, bij het openvallen eener nalatenschap, zich niemand opdoet die daarop aanspraak maakt, of wanneer de bekende
B.W. Boek II, Titel XVI, ken 5, XF1I. Artt. 1166â1178. 185
erfgenamen dezelve verwerpen, wordt de nalatenschap als onbeheerd beschouwd. (B.W. 576, 1105, 1174, 2028.)
1173. De arrondissements-regtbank, onder welker ressort de nalatenschap opengevallen is, moet op verzoek der belanghebbende personen, of op de voordragt van het openbaar ministerie, eenen curator benoemen.
Indien de curatele verleend wordt ter zake dat zich niemand opdoet, die als erfgenaam aanspraak op de nalatenschap maakt, benoemt de regtbank bij voorkeur tot curator den gestelden uitvoerder van den uitersten wil, ten ware deze mogt verlangen door een ander vervangen te worden. (B.W. 80, 1052 v., 1176; R.V. 324.)
1174. De curator is gehouden de nalatenschap te doen verzegelen, en door eenen notaris eene boedelbeschrijving te doen opmaken, mitsgaders de nalatenschap te beheeren en tot effenheid te brengen.
Hij is verpligt, door oproepingen in de openbare nieuwspapieren of andere doelmatige middelen, de erfgenamen op te sporen.
Hij moet in regten optreden ten aanzien der regtsvorderingen, die tegen de nalatenschap zijn aangevangen, en alle regten, die den overledene toebehoorden, nitoefenen en voortzetten. Hij is verpligt het gereed geld, hetwelk zich in de nalatenschap bevindt, mitsgaders de opbrengst der verkochte roerende en onroerende goederen, in de kas der geregterlijke consignatien te storten, ten einde te strekken tot behoud der regten van de belanghebbende partijen, en daarvan, aan wien zulks zal behooren, rekening te doen. (B.W. 1442; R.V. 658 v., 678, 681, 684 v., 690, 704.)
1175. Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van het openvallen der nalatenschap, geen erfgenaam opdoet, zal de slotre-kening moeten worden gedaan aan den staat, welke bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten goederen te doen stellen. (B.W. 576, 879, 882; R.V. 784.)
1176. De bepalingen voorkomende in artikel 522, mitsgaders in artikel 1082, 1083, 1084, 1085 en 1087, zijn ook op de curators van onbeheerde nalatenschappen toepasselijk. (B.W. 1174.)
ACHTTIENDE TITEL.
Fan bevoorregie schulden.
EERSTE APDEELING.
Van bevoorregie schulden in het algemeen.
Art. 1177. Alle de roerende en onroerende goederen van den schuldenaar, zoo wel tegenwoordige als toekomstige, zijn voor deszelfs persoonlijke verbindtenisseu aansprakelijk. (R.V. 439, 491 v., 563 v.)
1178. Die goederen strekken tot gemeenschappelijken waarborg voor zijne schuldeischers; derzelver opbrengst wordt onder hen,
Vati bevoorreyle schulden.
ponds ponds gelijke, naar evenredigheid van eens ieders inschuld, verdeeld, ten ware er tusschen de schuldeischers wettige redenen van voorrang mogten bestaan. (R.V. 480 v., 551 v.; K. 871.)
1179. De voorrang tusschen schuldeischers spruit voort uit privilegie, uit pand, en uit onderzetting of hypotheek.
Van pand en onderzetting wordt bij den negentienden en twintigsten titel van dit boek gehandeld. (B.W. 1196 v., 1208 v.; K. 313. 750 no. 2.)
1180. Privilegie is een regt door de wet toegekend aan den eenen schuldeischer boven den anderen, alleen uit hoofde van den aard der schuld.
Pand en hypotheek gaan boven privilegie, behalve in de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt. (B.W. 1185,1195.)
1181. Tusschen bevoorregte schuldeischers wordt de rang geregeld naar den verschillenden aard der voorregten. (B.W. 1184 v., 1193. 1195.)
1182. Bevoorregte schuldeischers, die in denzelfden rang zijn, worden ponds ponds gelijke betaald. (B.W. 1195 no. 2 en 3.)
1183. De voorrang van 's rijks schatkist, de orde waarin dezelve wordt uitgeoefend, en de tgd van deszelfs duur, worden geregeld door de bijzondere wetten daartoe betrekkelijk.
Die van de besturen der gewesten, gemeenten, dijken, polders, wateringen en andere dergelijke gemeenschappen, wegens de door hen te heffen lasten, worden geregeld door de wetten en de wettige op dat stuk daargestelde verordeningen.
1184. De privilegiën hebben tot onderwerp, of zekere bepaalde goederen, of alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen. De eerste hebben den voorrang boven laatstgemelde.
i
TWEEDE AFDEIiLING.
Van de voorregten gevestigd op zekere bepaalde goederen.
Art. 1185. De bevoorregte schulden op zekere bepaalde goederen zijn; (B.W. 1180, 1184; K. 313, 319 v., 750.)
lu. De geregtskosten uitsluitend veroorzaakt door de uitwinning van eene roerende of onroerende zaak. Deze worden uit de opbrengst van het uitgewonnene goed boven alle andere bevoorregte schulden, en zelfs boven pand en hypotheek, gekweten; (B.W. 1064, 1195 no. 1.) 8quot;. De huur-penningen van onroerende goederen, de kosten van reparatie waartoe de huurder verpligt is, mitsgaders alles wat tot de nakoming van de huur-overeenkomst betrekking heeft; (B.W. 1186 v., 1569, 1619 v., 1625.) 3°. De nog onbetaalde koopprijs van roerende goederen; (B. W. 1187, 1190, 1192, 1510.)
186
B.W. Boek II, Titel XVIII, 1 ⢠3. Arlt. 1179â1188. 187
4°. De kosten tot behoud eener zaak gemaakt; (B.W. 635, 1193 v., 1196, 1400, 1765, 1789.)
5°. De kosten tot bearbeiding eener zaak aan den werkman verschuldigd; (B.W. 630 v., 1193, 1652, 2005.)
6Ã. Hetgeen door eenen herbergier, als zoodanig, aan eenen reiziger is geleverd; (B.W. 1193, 1746, 2005.)
7quot;. De vrachtloonen en bijkomende onkosten; (B.W. 1193; K. 80, 91 v., 490 v.)
8°. Hetgeen aan metselaars, timmerlieden en andere werkbazen is verschuldigd wegens den opbouw, aanbouw en de reparatien van onroerende goederen, mits de schuldvordering niet ouder zij dan drie jaren, en de eigendom van het perceel aan den schuldenaar zij verbleven; (B.W. 1193,1644, 1650, 2008.)
9°. De vergoedingen en betalingen waartoe openbare ambtenaren, uit hoofde van verzuim, misslagen en misdreven, in de uitoefening hunner bediening gepleegd, gehouden zgn. (B.W. 1193, 1266.)
1186. De verhuurder kan zijn voorregt doen gelden op de vruchten welke door takken aan de boomen, of door wortels aan den grond, nog zijn vastgehecht, voorts op de ingeoogste en nog niet iugeoogste vruchten die zich op den bodem bevinden, eu op al hetgeen op den bodem is, zoo tot stoffering van het gehuurde huis of der landhoeve, als tot bebouwing of gebruik van het land, zoo als het vee, de bouwgereedschappen en dergelijken; onverschillig of de hier-boven gemelde voorwerpen al dan niet aan den huurder toebehooren.
Indien de huurder een gedeelte van het verhuurde goed aan een ander wettig in huur heeft afgestaan, kan de verhuurder zijn voorregt op de voorwerpen, die zich in of op dat gedeelte bevinden, niet verder doen gelden, dan alleen in evenredigheid van het door den tweeden huurder overgenomen gedeelte, en voor zoo verre de laatstgemelde niet mogt kunnen aantoonen zijne huurpenningen volgens de overeenkomst te hebben voldaan. (B.W. 562^0. 3, 1595, 1618: R.V. 758 v.)
1187. Niettemin worden de nog verschuldigde koopprijs van gekochte zaden en de nog verschuldigde kosten van den oogst van het loopende jaar, bij voorrang boven den verhuurder, betaald uit de opbrengst van den oogst, en de nog niet betaalde koopprijs van gereedschappen uit de opbrengst van die gereedschappen. (B.W. 1190,1192.)
1188. De verhuurder kan de roerende goederen, waarop hem bij artikel 1186 voorregt is toegestaan, in beslag nemen, indien dezelve buiten zyne toestemming vervoerd zijn; en hij behoudt daarop zijn voorregt, al waren dezelve ook aan eenen derde, door inpandgeving, of op eene andere wijze, verbonden, mits hij die voorwerpen gereg-
Van bevoorregte schulden.
telijk hebbe opgeëischt binnen den tijd van veertig dagen na het vervoeren der roerende goederen tot eene landhoeve behoorende, en binnen den tgd van veertien dagen, indien het zaken betreft welke tot stoffering van een huis hebben verstrekt. (B.W. 1180.)
1189. Het voorregt van den verhuurder strekt zich uit tot de vervallen hunr- en pachtpenningen, gedurende de laatste drie jaren i en het loopende jaar.
1190. De verkooper van roerende en nog onbetaalde goederen kan zijn voorregt doen gelden op den koopprijs van die goederen, indien zij zich nog in handen van den schuldenaar bevinden, zonder onderscheid of hij die goederen op tijd of zonder tijdsbepaling verkocht heeft. (B.W. 569, 1187.)
1191. Indien de eerkoop zonder tijdsbepaling gedaan is, heeft de verkooper zelfs de bevoegdheid om de goederen terug te eischen, zoo lang deze zich in handen van den kooper bevinden, en hst weder-verkoopen daarvan te beletten, mits de terugeisching geschiede binnen dertig dagen na de aflevering, en de goederen zich nog bevinden in denzelfden staat waarin zij zijn geleverd geworden. (B.W. 529, 1553; K. 232 v., 244.)
1192. De verkooper kan evenwel zijn regt niet uitoefenen dan na den verhuurder van het huis of van de landhoeve, ten ware bewezen zij dat de verhuurder kennis droeg dat de meubelen en verdere goederen, voor het huis of de landhoeve dienende, door den huurder niet waren betaald. (B.W. 1187.)
1193. De voorregten vermeld bij artikel 1185, no. 4, 5, 6, 7, 8 en 9, worden uitgeoefend als volgt:
Die van no. 4, op de zaak tot welker behoud de kosten zijn gemaakt;
Die van no. 5, op de zaak die bearbeid is;
Die van no. 6, op de goederen die door den reiziger in de herberg zijn gebragt;
Die van no. 7, op het vervoerde goed;
Die van no. 8, op de opbrengst van het opgebouwde, aangebouwde of herstelde perceel;
Die van no. 9, op het bedrag van de door de ambtenaren gestelde zekerheid, en de daarop verschuldigde renten. (B.W. 1194.)
1194. Indien onderscheiden bevoorregte schuldeischers, van welke in deze afdeeling wordt melding gemaakt, mogten te zamen loopen, hebben de onkosten, die gemaakt zijn tot behoud van het goed, den voorrang, indien dezelve gemaakt zijn na het tijdstip waarop de overige bevoorregte schulden zijn geboren. (B.W. 1185 no. 4, 1765.)
DEEDE AFDEELING.
Van de voorregten op alle de roerende en onroerende goederen
in het algemeen. t
Art. 1195. De bevoorregte inschulden op alle de roerende en on-
188
B. W. Boek II, Titel XV111, 2 eu 3, XIX. Arlt. 1189â1198. 189
roerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde, en worden in de volgende orde verhaald; (B.W. 1184 v.)
1°. De ^eregtskosten, uitsluitend veroorzaakt door uitwinning en boedelredding: deze hebben voorrang boven pand en hypotheek; (B.W. 1064, 1185 no. 1; R.V. 527.)
2°. De begrafeniskosten, behoudens de bevoegdheid des regters om dezelve te verminderen, indien zij bovenmatigzijn; (B.W. 178.)
3°. Alle kosten van de laatste ziekte; (B.W. 2006.)
4quot;. Het loon van dienst- en werkboden over het verschenen jaar, en hetgeen over het loopende jaar verschuldigd is; (B.W. 2005 v.)
5°. De schuldvorderingen ^wegens levering van levensmiddelen, gedaan aan den scliuldenaar en deszelfs huisgezin, gedurende de laatste zes maanden; (B.W. 2008.)
6°. De schuldvorderingen van kostschoolhouders voor het laatste jaar; (B.W. 2006.)
7°. De schuldvorderingen ') van minderjarigen of onder curatele gestelden ten laste van hunne voogden en curators, ter zake van derzei ver beheer: voor zoo verre dezelve niet kunnen worden verhaald uit de hypotheken of andere zekerheid, welke, naar aanleiding van deu zestienden titel van het eerste boek van dit Wetboek, mogt gesteld zijn. (B.W. 390 v., 397, 471, 506.)
NEGENTIENDE TITEL.
Van pand.
Art. 1196. Pand is een regt hetwelk de schuldeischer verkrijgt op eene roerende zaak, die hem door den schuldenaar, of door een' ander in deszelfs naam, tot zekerheid der schuld, is ter hand gesteld, en aan den schuldeischer de bevoegdheid geeft om zich bij voorkeur boven de andere schuldeischers uit die zaak te doen betalen; met uitzondering van de kosten van uitwinning en van de onkosten die, na de inpandgeving, tot behoud van de zaak gemaakt zijn, en welke den voorrang zullen hebben. (B.W. 584, 1179 v., 1185 no. 1 en 4, 1193 v., 1203, 1867; K. 315, 854; R.V. 891.)
1197. Pandovereenkomst wordt bewezen door alle middelen, die voor het bewijs der hoofdverbindtenis zijn toegelaten. 1)
1198. Pandregt op ligchamelijke roerende zaken en op inschul-den aan toonder wordt gevestigd door het brengen van het pand
1
De vroegere artt. 1197â1202 zyn, by art. 1 der wet van 8 July 1874, Stsbl. no. 95, door de hier opgenomene vervangen met inlassching van een nieuw artikel 1198to.
Van pand.
onder de magt van den schuldeischer of van een derde, omtrent wien partijen zijn overeengekomen.
Het is niet bestaanbaar op zaken, die in de magt van den sohuld-denaar of den pandgever worden gelaten of met den wil van den schuldeiseher terugkeeren.
Het gaat te niet, wanneer het pand uit de magt van den pandhouder geraakt.
Is het echter door dezen verloren of aan hem ontvreemd, dan heeft hij het regt van terugvordering by art. 2014, tweede lid, bedoeld, en wordt bij terugbekoming van het pand het pandregt geacht nooit verloren te zyn geweest. ')
De onbevoegdheid van den pandgever om over de zaak te beschikken, kan aan den schuldeischer, die haar in pand heeft genomen, niet worden tegengeworpen, onverminderd het regt tot terugvordering van hem, die de zaak verloren heeft, of aan wien zij is ontvreemd. ') (B.W. 1477, 1511.)
11984?,s'. Tot vestiging van pandregt op papier aan order wordt behalve het endossement de overgaaf van het papier gevorderd. (K. 133, 209, 508, 573.)
1199. Pandregt op onlichamelijke roerende zaken, met uitzondering van papier aan order of aan toonder, wordt gevestigd door kennisgeving der verpanding aan hem, tegen wien het in pand gegeven regt moet worden uitgeoefend. Door dezen kan van die kennisgeving en van de toestemming des pandgevers een schriftelijk bewgs worden gevorderd. (B.W. 1198tó.)
1200. De schuldeischer mag, ingeval de schuldenaar of de pandgever niet aan zijne verpligtingen voldoet, zich het pand niet toeeigenen. Alle hiermede strijdende bedingen zijn nietig. (A. 14; B.W. 785, 1223a.)
1201. Wanneer door partgen niet anders is overeengekomen, is de schuldeischer, ingeval de schuldenaar of de pandgever niet aan zijne verpligtingen voldoet, geregtigd om na het verstreken van den bepaalden termijn, of, indien geen vaste termijn is bepaald, na eene sommatie tot voldoening, het pand in het openbaar, naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden, te doen ver-koopen, ten einde uit de opbrengst het beloop der schuld met de renten en kosten te verhalen.
Bestaat het pand uit ter markt of ter beurze verhandelbare koopmansgoederen of effecten, dan kan de verkoop ook aldaar geschieden, mits door tusschenkomst van twee makelaars in het vak. (B.W. 1286, 1851; K. 59 v.)
190
1202. In allen geval kan, wanneer de schuldenaar of de pandgever in gebreke is aan zijne verpligtingen te voldoen, de schuld-
1) Deze alinea's aldus gewijzigd by art. 9 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no.
B.W. Boek II, Titel XIX. Artt. 1198^.9â1206. ]91
eischer in regten vorderen, dat het pand tot verhaal der schuld met de renten en kosten zal worden verkocht op de wijze door den regter te bepalen, of wel de regter op des schuldeischers vordering toestaan, dat het pand aan dezen, voor een bedrag bij het vonnis te bepalen, tot het beloop der schuld met de renten en kosten in betaling zal verblijven.
Van de vervreemding van het pand in de gevallen, bij dit en het vorige artikel bedoeld, is de schuldeischer verpligt den pandgever uiterlijk den volgenden dag kennis te geven. Berigt per telegraaf of bij aangeteekenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving. (B.W. 1:486, ISO-L)
1203. De schuldeischer is verantwoordelijk voor het verlies of de vermindering van het pand, voor zoo verre zulks door zijne nalatigheid mogt hebben plaats gehad.
De schuldenaar is van zijne zijde verpligt aan den schuldeischer te vergoeden de nuttige en noodzakelijke onkosten die de laatstge-melde tot het behoud van het pand gemaakt heeft. (B.W. 1196, 1271 v., 1279 v., 1427, 14-77, 148U v.)
1204. Indien eene inschuld in pand gegeven is. en deze inschuld interessen opbrengt, verrekent de schuldeischer die interessen niet degene welke hem mogfen verschuldigd zijn.
indien de schuld, tot welker zekerheid eene inschuld in pand gegeven is, geene interessen opbrengt, worden de interessen, die de pandhouder ontvangt, op de hoofdsom gekort. (B.W. 1198, 1755.)
1205. Zoo lang de houder het in pand gegeven goed niet misbruikt, is de schuldenaar onbevoegd om daarvan de teruggave te vorderen, voordat hij ten volle betaald hebbe, zoo wel de hoofdsom als de interessen en onkosten der schuld, voor welker zekerheid liet pand gegeven is, alsmede de onkosten die tot behoud van het pand gedaan zijn.
Indien er tusschen denzelfden schuldenaar en denzelfden schuldeischer eene tweede schuld mogt bestaan, tusschen hen zelve aangegaan na het tijdstip der pandgeving, en opeischbaar vóór de betaling, of op den dag zeiven van de betaling, der eerste schuld, is de schuldeischer niet gehouden zich van het pand te ontdoen, voordat hem beide schulden ten volle zijn voldaan, al mogt er zelfs geen beding gemaakt zijn om het pand voor de betaling der tweede schuld te verbinden. (B.W. 78U, 1432, 2ÃÃ4; K. 854; R.V. 897.)
1206. Het pand is ondeelbaar, niettegenstaande de schuld onder de erfgenamen van den schuldenaar of onder die van den schuldeischer mogt deelbaar zijn.
De erfgenaam van den schuldenaar, die zijn gedeelte in de schuld betaald heeft, kan de teruggave van zijn aandeel in het pand niet vorderen, zoo lang de schuld niet ten volle is gekweten.
Wederkeerig mag de erfgenaam van den schuldeischer, die zijn aandeel in de schuld ontvangen heeft, het pand niet terug geven
192 Van
ten nadeele van diegenen zijner mede-erfgenamen die niet betaald zijn. (B.W. 1146, 1332 v.)
1207. De hier-boven gemaakte bepalingen zijn niet toepasseiyk op zaken van koophandel, of op banken van leening welke bij openbaar gezag zijn gevestigd, voor zoo verre bij het Wetboek van Koophandel, of bij de verordeningen omtrent die instellingen, bijzondere bepalingen zyn gemaakt. (K. 313.)
TWINTIGSTE TITEL.
Van onderzetting of hypotheek.
EERSTE AFDEELING.
Art. 1208. Onderzetting of hypotheek is een zakelijk regt op onroerende goederen, strekkende om daaraan de voldoening eener verbindtenis te verhalen. (B.W. 584; R.V. 70.)
1209. Dat regt is uit deszelfs aard ondeelbaar en gevestigd op alle de verbondene onroerende goederen in hun geheel, op elk van die goederen en op ieder gedeelte van dezelve.
De goederen blijven daarmede belast, in welke handen dezelve ook overgaan. (B.W. 1242 v., 1253 v., 1332 v.; K. 297 v., 920.)
1210. V oor hypotheek zijn alleen vatbaar:
1°. Onroerende goederen welke in den handel zijn, met derzel-ver toebehooren, voor zoo verre dat laatste als onroerend goed beschouwd wordt; (B.W. 562 v., 1010 v.)
2°. Het vruchtgebruik derzelver goederen en hun toebehooren; (B.W. 803 v.)
3°. De regten van opstal en erfpacht; (B.W. 758 v., 767 v.)
4°. De grondrenten, het zij in geld, het zij in natura verschuldigd; (B.W. 784 v., 1219.)
5U. Het tiendregt; (B.W. 784 v.)
6°. Het regt van beklemming. (B.W. 1654 v.)
1211. De hypotheken strekken zich uit tot alle de latere verbeteringen van het bezwaarde goed, ook tot hetgeen, door aanwas ot opbouw, met hetzelve vereenigd is. (B.W. 216, 626 v., 643 v.)
1212. Het onverdeeld aandeel in een gemeen onroerend goed kan met hypotheek worden bezwaard. Na de verdeeling van hetzelve, blijft de hypotheek alleen gevestigd op het deel dat aan den schuldenaar, die de onderzetting heeft verleend, is toebedeeld, behoudens de bepaling van artikel 1377. (B.W. 1128; R.V. 492.)
1213. Roerende goederen zijn voor geene hypotheek vatbaar. (B.W. 565 v., 1210.)
B. W. Boek II, Titel XIX eu XX, 1. Artt. 1207â1220. 193
1214. Hypotheek kan niet worden gevestigd dan door hem die de bevoegdheid heeft het bezwaarde goed te vervreemden. (B.W. 195, 451, 537, 1032; K. 774; R.V. 505, 711, 891.)
1215. Zij die op een onroerend goed slechts een zoodanig regt hebben, hetwelk door eene voorwaarde is opgeschort, of in zekere gevallen kan worden ontbonden of te niet gedaan, kunnen geene hypotheek toestaan, dan die aan dezelfde voorwaarden, ontbinding of te niet doening onderworpen is. (B.W. 975, 1032, 1139, 1299 v., 1301 v., 1555.)
1216. Goederen van minderjarigen, van degenen die onder curatele staan, en van afwezigen, zoo lang derzelver bezit slechts bij voorraad verleend is, kunnen niet anders met hypotheek worden bezwaard, dan om de redenen, en overeenkomstig de formaliteiten, welke bij de wet zijn vastgesteld. (B.W. 451 v., 537 v., 1214.)
1217. Hypotheek kan alleen bij notariële akte worden verleend, uitgezonderd in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk aangewezen.
De volmagfc tot het verleenen van hypotheek moet bij authentieke akte worden verleden.
De voogd, de curator, de getrouwde man, of elk ander die, uit kracht der wet of eener overeenkomst, verpligt is hypotheek te geven, kan daartoe bij vonnis worden genoodzaakt, hetwelk dezelfde kracht zal hebben als of hij in de hypotheek hadde toegestemd, en bepaaldelijk zal aanduiden de goederen op welke de inschrijving zal geschieden.
De getrouwde vrouw welke bij huwelijksche voorwaarden hypotheek heeft bedongen, kan zonder den bijstand van haren man, of de magtiging van den regter, de hypothekaire inschrijvingen bewerkstelligen, en de vereischte regtsvorderingen daartoe aanleggen. (B.W. 390, 428, 1231, 1830, 1833.)
1218. Uit kracht van eene overeenkomst in een vreemd land verleden, kan geen hypotheek worden ingeschreven op goederen binnen het Koningrijk gelegen, ten ware het tegendeel bij traktaten mofjt zijn bepaald. (A. 10; R.V. 431.)
1219. De akte waarbij hypotheek wordt gevestigd moet bevatten eene bijzondere opgave van het bezwaarde goed, en van deszelfs aard en ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling.
Ten aanzien van tienden en grondrenten, waaromtrent niet bepaaldelijk kan worden opgegeven welke bijzondere perceelen daarmede belast zijn, zal men met de juiste omschrijving en aanwijzing der schuldpligtige streek, gemeente of polder in de akte kunnen volstaan. (B.W. 1231.)
1220. Hypotheek kan alleen op tegenwoordige goederen worden gevestigd. Eene hypotheek op toekomstige goederen is nietig.
Indien echter de vrouw bij huwelijksche voorwaarden het vestigen van hypotheek heeft bedongen, of, in het algemeen, een schuldenaar zich heeft verpligt aan den schukleischer hypotheek te geven, kan
BUKG. WETB. 13
194 Van onderzetting of
de man of de schuldenaar worden genoodzaakt aan zijne verplig-ting te voldoen, door aanwijzing ook van goederen welke hij, na het ontstaan der verbindtenis, mogt hebben verkregen. (B.W. 392, 1231, 1704.)
1221. Eene hypotheek is slechts van waarde, in zoo verre de som, waarvoor dezelve is toegestaan, zeker en by de akte bepaald is.
Indien de schnJd voorwaardelijk of derzelver hoegrootheid onbepaald is, zal de vestiging der hypotheek slechts kracht hebben tot het beloop der geschatte waarde, welke partijsn gehouden zijn in de akte op te geven. (B.W. 1231; K. 785.)
1222. De schuldeischer kan, in geen geval, eene vermeerdering , van hypotheek vorderen, ten ware het tegendeel bedongen of bij de wet bepaald zij. (B.W. 394.)
1223. Alle bedingen, bij welke de schuldeischer gemagtigd zoude worden om zich het gehypothekeerde goed toe te eigenen, zijn nietig.
Het staat echter den 'eersten hypothekairen schuldeischer vrij om, by het vestigen der hypotheek, uitdrukkelijk te bedingen dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom, of van de betaling der verschuldigde renten, hij onherroepelijk zal zijn gemagtigd het verbonden perceel in het openbaar te doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst te verhalen zoo wel de hoofdsom als de renten en de kosten. Dat beding zal op de openbare registers moeten worden aangeteekend, en zal de veiling moeten plaats hebben op de wijze als bij artikel 1255 is voorgeschreven, met uitzondering alleen dat de tegenwoordigheid van den kantonregter niet vereischt wordt. (B.W. 785, 1185, 1200; R.V. 508 v.)
TWEEDE AITEELING.
Van de inschrijving der hypotheken en van den vorm der inschrijving.
Art. 1224. De inschrijving der hypothekaire verbanden moet geschieden in de daartoe bestemde openbare registers.
Bij gebreke van die inschrijving, heeft de hypotheek geene kracht hoegenaamd, zelfs niet ten opzigte van schuldeischers, die geen hy-pothekair verband hebben. (B.W. 428, 1236, 1247, 1268.)
1225. De inschrijving van eene hypotheek is van onwaarde, indien dezelve gedaan is op eenen tijd, waarop de eigendom van het goed aan eenen derde zijnde overgegaan, de schuldenaar daarop zijn eigendomsregt reeds verloren had. (B.W. 671, 1227 v.)
1226. De rang der hypothekaire schuldeischer wordt bepaald naar de dagteekening hunner inschry ving, behoudens de uitzonderingen hg de twee volgende artikels vermeld.
Zy, die op denzelfden dag zyn ingeschreven, hebben gezamenlijk
B.W. Boek II, Titel XX, 1 en 2. Artt. 1221â1231. 195
eene hypotheek van dezelfde dagteekening, zonder onderscheid op welk uur de inschrijving gedaan is, al ware het ook dat het uur door den bewaarder mogt zijn aangeteekend. (B.W. 1179, 12fi6.)
1227. Indien hij de koop akte, tot waarborg van onbetaalde kooppenningen, hypotheek op het verkochte goed is bedongen, en de inschrgving is geschied binnen acht vrije dagen na de overschrijving dier koop-akte op de daartoe bestemde openbare registers, zal deze hypotheek den voorrang hebben boven de hypotheken welke de kooper, binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toegestaan. (B.W. 1225.)
1228. Dezelfde bepaling is toepasselijk, indien bij akte van scheiding hypotheek is bedongen tot waarborg van hetgeen de eene deelgenoot aan den anderen, ten gevolge eener scheiding, schuldig blijft, of tot vrijwaring van het aanbedeelde goed. Ook in dat geval geven de inschrijvingen, binnen acht vrije dagen na de overschrijving der akte van scheiding, voor zoo veel dit beding betreft, door den deelgenoot bewerkstelligd, den voorrang boven de hypotheken welke de verkrijger, binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toegestaan.
1229. De schuldeischer die ingeschreven is voor eene hoofdsom welke interessen of renten voortbrengt, is geregtigd om, uiterlijk voor twee jaren en voor het loopende jaar, wegens interessen of renten in denzelfden rang van hypotheek geplaats te worden als voor zijne hoofdsom; onverminderd zijn regt om, ten aanzien van andere renten dan bij de eerste inschrijving verzekerd waren, bijzondere inschrijvingen te nemen, welke sedert derzelver dagteekening hypotheek zullen te weeg brengen. (B.W. 1205.)
1230. Indien de akte, waarbij de hypotheek is gevestigd, een uitdrukkelijk beding bevat, waarbij de schuldenaar in zijne bevoegdheid is beperkt, het zij om het bezwaarde goed buiten toestemming des schuldeischers te mogen verhuren, het zij ten aanzien van de wijze waarop, of van den tijd gedurende welken hetzelve zal kunnen worden verhuurd, het zij ten aanzien van de vooruitbetaling der huurpenningen, zal zoodanig beding niet alleen verbindende zijn tusschen de partijen, maar ook tegen den huurder kunnen worden ingeroepen door den schuldeischer die zoodanig beding op de openbare registers zal hebben doen aanteekenen.
Alles onverminderd de bepalingen van artikel 1377, welke, zoo daartoe gronden zijn, door alle de schuldeischers zullen kunnen worden ingeroepen, om het even of er al dan niet eenig beperkend beding op het stuk der verhuring of vooruitbetaling gemaakt zn. (BW. 1266, 1584; R.V. 505.)
1231. Om de inschrijving te bewerkstelligen, stelt de schuldeischer, het zij in persoon, het zij door eenen derde, aan den bewaarder der hypotheken van den kring waarin de goederen gelegen zijn, ter hand twee, door den schuldeischer of den derde onderteekende, bor-
A
13*
196 Van onderzetting of hypotheek.
derellen, waarvan het eene op het uitgegeven afschrift van den titel kan gesteld worden.
Die borderellen bevatten:
1°. Eene bepaalde aanduiding van den sohuldeischer en van den schuldenaar, en de opgave der woonplaats door eerst-gemelden gekozen binnen den kring van het kantoor des bewaarders. (B.W. 81.)
De inschrijving1 op de goederen van eenen overledene kan gedaan worden ten name van den overledene;
2°. De dagteekening en den aard van den regtstitel, met opgave van den ambtenaar door of ten overstaan van welken de akte is verleden, of van den regter die de te bezwaren goederen, naar aanleiding van het voorlaatste lid van art. 1217, heeft aangeduid; (B.W. 396.)
3°. Het beloop der inschuld, of de begrooting der voorwaardelijke en onbepaalde regten welke verzekerd moeten worden, mitsgaders den tijd waarop de schuld opeischbaar is; (B.W. 1808.)
4°. De aanduiding van den aard en de ligging der goederen waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding der kadastrale indeeling, onverminderd het bepaalde bij het tweede lid van art. 1219, ten aanzien van tienden en grondrenten;
5°. De bedingen welke, naar aanleiding van het vorige artikel, mitsgaders van het tweede lid van art. 1223 en van het tweede lid van art. 12ö4', tusschen den schuldeischer en den schuldenaar mogten gemaakt zijn. (B.W. 1235, 1238, 1247, 1266,1268.)
1232. De bewaarder beiioudt een der borderellen, ten einde hetzelve in zijn register in te schrijven onder de dagteekening van de overgave. Hij geeft onmiddellijk aan dengenen die de inschrijving verzocht beeft het andere borderel terug, aan den voet van hetwelk hij den dag der overgave vermeldt. Hij is eindelijk ver-pligt, indien zulks gevorderd wordt, uiterlijk binnen vier en twintig uren, op dat borderel naderhand bij te voegen het nommer waaronder de inschrijving in zijne registers heeft plaats gehad. Beide deze verklaringen zullen door hem worden onderteekend. (B.W. 1266.)
1233. Bij het vorderen der aanteekening, waarvan in artikel 1154 gesproken wordt, zijn de schuldeiscbers of de legatarissen verpligt aan den bewaarder der hypotheken ter hand te stellen;
1°. Een authentiek afschrift van den eisch tot afscheiding der goederen ;
2°. De dood-akte van den overledene, of een ander deugdelijk bewijs dat de regtsvordering is aangevangen binnen de zes maanden na het openvallen der nalatenschap; .
B.W. Boek 11, Titel XX, 2 en 3. Artt. 1232â1240. 107
3°. Twee borderellen houdende, naar het voorschrift van artikel 1231, no. 4, de aanduiding van den aard en de ligging der goederen, ter zijde van welke de aanteekening wordt gevorderd; en zijn de bepalingen van art. 1232 op deze borderellen toepasselijk. (B.W. 1153, 1266.)
1234. Het is aan dengenen die eene inschrijving heeft laten doen, alsmede aan zijne vertegenwoordigers, of die uit krachte eener authentieke akte deszelfs regt verkregen hebben, geoorloofd om in het register der hypotheken de door hem gekozen woonplaats te veranderen, mits hij eene andere in denzelfden kring kieze en aan-wijze. (B.W. 82, 668,1238.)
1235. De inschrijving kan, ter zake van verzuim der hier-boven voorgeschrevene formaliteiten, niet worden vernietigd, dan alleenlijk in geval zij den schuldeischer, den schuldenaar, de schuld, of het bezwaarde goed, niet op eene voldoende wijze kenbaar maken. (B.W. 1219, 1231.)
1236. De inschrijving doet de hypotheek stand houden zonder vernieuwing. (B.W. 1224; Wet 5 Jung 1878, Stsbl. no- 90.)
1237. De kosten der inschrijving zijn voor rekening van den schuldenaar, indien het tegendeel niet bedongen is. (B.W. 399, 1233.)
1238. De regtsvorderingen tegen de schuldeischers, waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, moeten aangelegd worden voor de bevoegde regtbank, door middel van dagvaardingen, gedaan aan hunnen persoon, of aan de laatste woonplaats, die blijkens het register gekozen is; en zulks niettegenstaande het overigden, het zij van de schuldeischers, het zij van degenen bij wie zij domicilie hebben gekozen. (B.W. 81, 1231, 1234, 1241; R.Y. 126.)
DERDE AFDEELING.
Van de doorhaling der inschrijvingen.
Art. 1239. De inschrijvingen worden ten koste van den schuldenaar doorgehaald, of met toestemming der daartoe bevoegde belanghebbende partijen, of ten gevolge van een vonnis, het zij in het hoogste ressort gewezen, hetzij in kracht van gewijsde gegaan. (B.W. 1241, 1247, 1262 v., 1268,1366 v.; R.V. 398, 561.)
1240. In beide gevallen, leggen degenen die de doorhaling verzoeken ten kantore van den bewaarder over eene authentieke akte, waarbij tot de doorhaling wordt gemagtigd, of een authentiek afschrift van zoodanige akte of van het vonnis, daartoe strekkende. (B.W. 1266 no. 3; K.V. 561.)
Bij de in het vorig lid bedoelde authentieke akte mag niemand
Van onderzetting of hypotheek.
als lasthebber optreden dan voorzien van eene schriftelijke vol-magt. i) (B.W. 1217, 1231, 12fi6.)
1241. Indien in eene doorhaling niet wordt toegestemd, moet dezelve gevraagd worden voor de regtbank, onder welker regtsgebied de inschrijving gedaan is, ten ware die vordering ondergeschikt zij aan een geschil, hangende voor eene andere regtbank; in welk geval, de eisch tot doorhaling zal verwezen worden naar de regtbank, voor welke het hoofdgeschil aanhangig is.
Echter zal de overeenkomst, tusschen den schuldeischer en den schuldenaar aangegaan, om, in geval van geschii, de vordering voor eene door hen bepaalde regtbank te brengen, tusschen henlieden moeten nagekomen worden. (B.W. 1238, 1374 v.; E.V. 158.)
VIERDE APDEELING.
Van de gevolgen der hypotheken tegen derde bezitters.
Art. 1242. De schuldeischer die eene ingeschrevene hypotheek heeft, vervolgt zijn regt op het verbonden onroerende goed, in welke handen zich dat ook bevinde, om gerangschikt en betaald te worden volgens de orde van inschrijving. (B.W. 1209; R.V. 493, 551 v.)
1243. De schuldeischer heeft het regt om, na gedaan bevel aan den schuldenaar, het verbonden onroerende goed onder den derden bezitter in beslag te nemen en te doen verkoopen. Hierbij, en by de rangschikking op de opbrengst daarvan, tusschen de onderscheidene schuldeischers, moeten de formaliteiten worden in acht genomen ten opzigte van geregtelijke uitwinningen en rangschikking, in het Wetboek van Burgerlijke Eegtsvordering voorgeschreven. (B.W. 1209, 1223; R.V. 493 v., 502 v., 544 v., 551 v.)
1244. De derde bezitter kan zich tegen den verkoop verzetten, indien hij kan aanwijzen dat zich alsnog in het bezit van den oor-spronkelijken schuldenaar bevinden een of meer onroerende goederen, mede hypothekair voor dezelfde schuld verbonden, en klaarblijkelijk voldoende om daaraan die schuld te verhalen. In zoodanig geval kan hij, met schorsing der uitwinning van zijn eigendom, de voorafgaande uitwinning van het mede-verbonden goed onder den oorspronkelijken schuldenaar vorderen. (B.W. 1870.)
]98
1245. In geval eene hypotheek is gevestigd op één onroerend goed, en een of meerder gedeelten daarvan tot derde bezitters mog-ten zijn overgegaan, behoudt de schuldeischer de bevoegdheid om zijn regt op het verbonden goed, of op zoodanig gedeelte daarvan, als hij raadzaam of voldoende acht, voor het geheel te doen gelden,
1) Het tweede lid van art. 1340 is bijgevoegd door de wet van 5 Jung 1878, Stsbl. no. 89.
B.W. Boek II, Titel XX, 3 en i. AM. 1241â1252. 199
even als of het verbondene zich nog onverdeeld in het bezit van den schuldenaar bevond. (B.W. 1209.)
1246. De derde bezitter die, het zij by uitwinning, het zij vrijwillig, de schuld heeft gekweten, is bevoegd, als daardoor, uit kracht der wet, in de regten des schuldeisehers zijnde getreden, om, na aftrek van zyo aandeel in evenredigheid tot de gezamenlijke waarde van de verbondene goederen, de verdere hypothekaire regten voor deze inschuld op de mede verbondene goederen, of gedeelten van dezelve, te doen gelden. (B.W. 1012, 1229, 1252, 1438 no. 3.)
1247. In de gevallen bij de twee vorige artikelen vermeld, zal de inschrijving van de hypotheek alleen op dat goed of gedeelte van hetzelve worden doorgehaald, waarop de schuldvordering is verhaald, of waarvan de derde bezitter de schuld heeft gekweten, en op het verder verbondene niet eer dan nadat de betaald hebbende of uilgewonnen derde bezitter zijn regt, volgens het laatstvoor-gaande artikel, zal hebben doen gelden, of in de doorhaling zal hebben toegestemd. Tot verzekering van zijn regt, is de gesubrogeerde scliuldeischer verpligt daarvan aanteekening te laten doen op de openbare registers. (B.W. 1224, 1231, 1239 v., 1266.)
1248. De derde bezitter heeft altijd het, regt, tot op het tijdstip der toewijzing toe, om de uitwinning vau het bij hem bezeten verbonden goed te doen ophouden, door de kwijting van de ingeschrevene schuld met de renten overeenkomstig artikel 1229, mitsgaders de kosten. (B.W. 1246, 1438.)
1249. Hetgeen het verbonden goed bij uitwinning meer opbrengt dan de hypothekaire lasten en kosten bedragen, wordt uitgekeerd aan den derden bezitter. (K. 877.)
1250. De erfdienstbaarheden en andere zakelijke regten, zoo wel ten laste als ten bate van het uitgewonnen goed, die door den overgang aan den derden bezitter waren te niet gegaan, herleven, nadat hetzelve aan een ander is toegewezen. (B.W. 721, 783, 801.)
1251. De verminderingen welke, door schuld of onachtzaamheid van den derden bezitter, ten nadeele der hypothekaire schuldeischers, aan het goed zijn veroorzaakt, leveren tegen denzelven eene regts-vordering tot schadeloosstelling op; hij kan de door hem gemaakte onkosten en verbeteringen niet terug vorderen, dan ten beloope van hetgeen het goed, door de verbeteringen, in waarde vermeerderd is. (B.W. 1211, 1300, 1402, 1533 v.)
1252. De derde bezitter die de hypothekaire schuld betaald, of de geregtelijke uitwinning daarvoor heeft ondergaan, heeft zijn verhaal tot vrijwaring tegen den schuldenaar. (B.W. 1152, 1246, 1527 v.)
ü
Va?i onderzetting of hypotheek.
VIJFDE AFDEELING.
Van het te niet gaan der hypotheken.
Art. 1253. De hypotheken gaan te niet:
1°. Door het te niet gaan der hoofd-verbindtenis; (B.W. 1417 v., 1710,1726.)
2°. Door des schuldeischers afstand van de hypotheek; (B.W. 1239 v.)
3°. Door geregtelijke rangschikking. (B.W. 1257; R.V. 551v.; K. 297.)
1254. Degene die het bezwaarde goed heeft gekocht, het zij bij geregtelijke uitwinning, liet zij ten gevolge eener willige verkoo-ping voor eenen in geld bepaalden prijs, kan vorderen dat het gekochte perceel worde ontlast van alle hypothekaire lasten, die den koopprijs te boven gaan, met inachtneming der voorschriften bij de volgende artikelen gegeven.
De zuivering zal echter by willige verkooping geene plaats hebben, indien de partijen bij het vestigen der hypotheek zulks uit-drukkelijk zijn overeengekomen, en dat beding op de openbare registers is aangeteekend.
Zoodanig beding kan slechts door den eersten hypothekairen schuldeiscber gemaakt worden. (B.W. 1255 v., 1259, 1264; R.V. 491 v.)
1255. In geval van willige verkooping, zal de vordering tot ontlasting niet kunnen worden gedaan, ten zij de verkooping hebbe plaats gehad in het openbaar, volgens plaatselijke gebruiken, ten overstaan van eenen openbaren ambtenaar, en in tegenwoordigheid van den regter van het kanton, alwaar alle of het meerendeel dei-goederen gelegen zijn; en voorts de ingeschrevene schuldeischers daarvan zijn verwittigd geworden, ten minste dertig dagen voor de toewijzing, bij een exploit, hetwelk zal moeten worden beteekend aan de woonsteden die de schuldeischers bij de inschrijving hebben gekozen. (K. 857; R.V. 508 v.)
1256. De kooper die het genot wil hebben van het voorregt, by artikel 1254 vermeld, is gehouden om, binnen eene maand na de toewijzing, eene geregtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs te doen openen, overeenkomstig de regelen bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven. (R.V, 551â 562.')
1257. Bij de rangschikking zal de doorhaling worden bevolen van de inschrijvingen die niet batig zijn gerangschikt.
Zoodanige inschrijvingen die slechts voor een gedeelte batig in aanmerking komen, zullen slechts voor dat gedeelte in stand blijven, tot op de betaling toe, welke de schuldeiscber dadelijk zal kunnen
200
B. W. Boek IT, Titel XX, 5. Jrtt. 1253â1261. 201
vorderen, zonder aanzien of de inschulden opeischbaar of niet op-eischbaar zijn,
Ten opzigte van inschulden welker geheel bedrag batig is gerangschikt, zullen de inschrijvingen gehandhaafd blijven, en de kooper tot dezelfde verpligtingen zijn verbonden, en dezelfde tijdsbepalingen en uitstellen genieten, als de oorspronkelijke schuldenaar. (B.W. 1304 v.)
1258. Bij het opmaken der hoegrootheid van hypothekaire inschrijvingen, zal de altijddurende rente worden berekend tegen de hoofdsom, in de akte vermeld, en, bij gebreke daarvan, tegen het twintigvoud der rente; en zullen lijfrenten of levenslange pensioenen worden berekend, en tot hoofdsom gebragt, naar gelang van den ouderdom des genieters, of van dengenen op wiens lijf de lijfrente is gevestigd, of naar den tijd gedurende welken het genot moet duren; alles overeenkomstig de gewone waarde der lijfrenten, naar begrooting van deskundigen. (B.W. 1221, 1807, 1812.)
1259. Inschrijvingen op goederen van voogden, curators en mans, ten behoeve van minderjarigen, onder curatele gestelden, of getrouwde vrouwen, en, in het algemeen, alle inschrijvingen voor schulden, voortspruitende uit verbindtenissen die voorwaardelijk zijn, of welker hoegrootheid onbepaald is, blijven, in zoo verre zij voor het geheel, of voor een gedeelte, batig zijn gerangschikt, ten laste van het verkochte perceel gehandhaafd, tot op het tijdstip waarop, na het vervallen der voogdij of der curatele, de ontbinding des huwelijks, of de uitkomst van de voorwaardelijke of onbepaalde verbindtenis, zal blijken of, en tot welk beloop, de hypothekaire schuldeischers, op de kooppenningen geregtigd zijn. (B.W. 390, 506, 1217, 1261 v.; K. 785.)
1260. De kooper houdt de kooppenningen onder zich tot het beloop der som waarmede liet perceel, naar aanleiding van het vorige artikel, belast blijft; indien daaromtrent bij de veilconditien niets anders is bepaald, is hij verpligt aan den verkooper of andere ge-regtigden de wettelijke rente dier som uit te keercn tot op het tijdstip der eindelijke uitbetaling van den koopschat. (B.W. 1261, 1804.)
1261. Indien echter de kooper, of zijne opvolgers, het perceel zoodanig verslimmeren of verwaarloozen, dat daardoor de zekerheid der geregtigden zoude kunnen verminderen of verloren gaan, hebben deze de bevoegheid om in regten te eischen dat de onbetaalde kooppenningen dadelijk zullen worden afgelost, en belegd, het zij in hypothekaire inschrijvingen op andere onroerende goederen, het zij in inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld; in beide gevallen, onder hetzelfde verband, en onder dezelfde bepalingen, als of de kooppenningen onder den kooper, of diens opvolgers, waren verbleven; alles onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
In geval de eisch tot dadelijke aflossing, bij het vorige lid bedoeld, wordt toegewezen, zal de regter tevens eenen bekwamen per-
Vati onderzetting of hypotheek.
soon benoemen, die met de ontvangst der kooppenningen en de belegging zal belast zijn. (B.W. 1307.)
1262. Indien, in het geval van artikel 1259, bij uitkomst blijkt dat degene te wiens behoeve de inschrijving is geschied niets te vorderen heeft, of minder dan de oorspronkelijke ingeschrevene som, wordt het verband opgeheven, en worden de ouvoldane kooppeu-ningen uitgekeerd, het zij ten behoeve van de hypothekaire sohuld-eiscners, wier inschrijvingen geheel of gedeeltelijk niet batig waren gerangschikt, en zulks met inachtneming van den rang waarin zij waren geplaatst, het zij ten behoeve van den oorspronkelijken eigenaar des perceels, of andere regthebbenden. (B.W. 467 v.)
1263. Indien ter zake van inschrijvingen, bij hetzelfde artikel 1259 vermeld, latere geheel of gedeeltelijk niet batig zijn gerangschikt, en alzoo moeten worden doorgehaald, zal de regter by het vonnis van rangschikking bevelen dat door den hypotheek-bewaarder, ambtshalve, nevens de doorhaling, op de registers worde aan-geteekend dat de schuldeischers hun regt behouden op hetgeen bij uitkomst van de onbetaalde kooppenningen mogt overschieten. (B.W. 1231 v., 1266.)
1264. In geval, bij regterlijke uitwinning, één perceel, bevattende onderscheidene onroerende goederen, waarvan een of meer onbelast, en andere met hypotheek bezwaard zijn, in zijn geheel voor éénen prijs is verkocht, zal de prijs van elk onroerend goed, naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, ten behoeve van de op elk stuk goed ingeschreven schuldeischers, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden bepaald. (R. V. 497.)
ZESDE AFDEELING.
Fan de openbare bekendheid der registers, en van de verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken.
Art. 1265. De bewaarders der hypotheken zyn gehouden om aan alle degenen die zulks verlangen inzage te geven van hunne registers, en een afschrift uit te leveren van de akten welke op hunne registers zijn overgeschreven, en van de bestaande inschrijvingen en aanteekeningen, of wel een getuigschrift dat er geene bestaan.
In allen gevalle, zyn zij verpligt, bijaldien bevorens inschry vingen op het goed hebben bestaan die naderhand zijn doorgehaald, van die daadzaak, zonder verdere bijzondere aanduiding, melding te maken op het door hen te geven afschrift of getuigschrift. (B.W. 1254 v., 1263.)
1266. Zij zijn verantwoordelijk voor de nadeelen, spruitende: lquot;. Uit hunne nalatigheid in het doen van tijdige en nauwkeurige overschrijvingen, inschrijvingen, melding van beperkende bedingen en van aanteekeningen, welke te hunnen kantore gevorderd zijn;
â¢202
B. jr. Boek II, Titel XX, 5 en 6. Artt. 1262â1268. 203
2°. TJit het verzuim om in hunne getuigschriften melding te maken van eene of meer bestaande insclirij vingen, ten ware, in het laatste geval, de misslag voortkwame uit onvoldoende opgave, die hun niet zoude kunnen worden ten laste gelegd;
3°. Uit doorhalingen, gedaan zonder dat de stukken, hy artikel 1240 vermeld, aan hen zijn overgelegd;
4°. Uit het verzuim der opgave, bij het tweede lid van het vorige artikel vermeld. (B.W. 1154, 1226, 1233, 1247.)
1267. Het onroerende goed, te welks aanzien de bewaarder, in zijn getuigschrift, één of meerdere ingeschrevene lasten mogt verzuimd hebben op te geven, is van die lasten niet ontheven, behoudens de verantwoordelijkheid van den bewaarder jegens dengenen die het getuigschrift, waarin de misslag heeft plaats gehad, verlangd heeft, en onverminderd het verhaal van den bewaarder op de schuldeischers die onverschuldigde betaling hebben genoten. (R.Vquot;. 711.)
1268. In geen geval mogen de bewaarders der hypotheken weigeren of vertragen om akten, waarbij de eigendom wordt overgedragen, over te schrijven, hypothekaire regten in te schrijven, inzage van hunne registers te geven, of verzochte getuigschriften af te geven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de partijen; te welken einde, op verzoek van hen die zulks begeeren, door eenen notaris of deurwaarder, met twee getuigen, een vurslag van des bewaarders weigering of vertraging zal worden opgemaakt. (B.W. 671, 1224.)
DERDE BOEK.
VAN FERBINDTENISSEN.
EERSTE TITEL.
Fmi verbindtenissen iit het algemeen.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 1269. Alle verbindtenissen ontstaan of uit overeenkomst, of uit de wet. (B.W. 1349, 1388; R.V. 129.)
1270. Zij strekken om iets te geven, te doen, of niet te doen. (B.W. 1271 v., 1275 v., 1350.)
TWEEDE APDEELING.
Van verbindtenissen om ists ie geven.
Art. 1271. In de verbindtenis om iets te geven is begrepen de verpligting om de zaak te leveren, en voor derzelver behoud, tot op het tijdstip der levering, als een goed huisvader te zorgen.
Deze laatste verpligting is meer of minder uitgestrekt ten aanzien van zekere overeenkomsten, waarvan de gevolgen te dezen opzigte in de titels daartoe betrekkelijk aangewezen worden. (B.W. 667 v., 1203, 1392, 1480 v., 1518, 1752, 1781, 1838.)
1272. De schuldenaar is jegens den schuldeischer tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden, indien hij zich in de onmogelijkheid heeft gesteld om de zaak te leveren, of voor derzelver behoud niet behoorlijk heeft gewaakt. (B.W. 1279 v., 1300, 1311, 1427, 1429, 1480, 1516.)
1273. Bij eene verbindtenis om eene bepaalde zaak te geven, is deze voor rekening van den schuldeischer, van het oogenblik der verbindtenis. Bij nalatigheid van den schuldenaar om de zaak te leveren, is dezelve, van het oogenblik dier nalatigheid, voor zijne rekening. (B.W. 1271, 1311, 1379 v., 1480, 1496, 1511 v., 1517 v., 1581, 1641, 1781 v.)
B.W. Boek 111, Titel I, 1, 2, 3 en 4. Artt. 1269â1280. 205
1274. De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, het zij door een bevel of andere soortgelijke akte, het zij uit krachte der verbindtenis zelve, wanneer deze medebrengt dat de schuldenaar in gebreke zal zijn, door het enkel verloop van den bepaalden termijn. (B.W. 471, 1279, 1305, 1344, 1745,1764; R.V. 1.)
DERDK Al'DEELING.
Van verhindlenissen om iets te doen, of niet te doen.
Art. 1275. Alle verbindtenissen om iets te doen, of niet te doen, worden opgelost in vergoeding van kosten, schaden en interessen, in geval de schuldenaar niet aan zijne verpligting voldoet. (B.W. 1276 v., 1279 v., 1313, 1401 v., 1419; R.V. 585, 771 v.)
1276. Niettemin heeft de schuldeischer het regt om de vernietiging te vorderen van hetgeen strijdig met de verbindtenis verrigt is, en hy kan zich door den regter doen magtigen om, ten koste van den schuldenaar, het gedane te doen vernietigen; onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden fcestaan. (B.W. 1279, 1401 v.)
1277. De schuldeischer kan ook, in geval de verbindtenis niet ten uitvoer wordt gebragt, gemagtigd worden om zelf die verbindtenis te doen uitvoeren ten koste van den schuldenaar. (BW. 1275 v.)
1278. Indien de verbindtenis bestaat in iets niet te doen, is degene die daartegen handelt, uit hoofde van die overtreding alleen, gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 1279 v.)
VIERDE AEDEELING.
Van de vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende tiit het niet nakomen eener verbindtenis.
Art. 1279. Vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet nakomen eener verbindtenis, is dan eerst verschuldigd, wanneer de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blyft om die verbindtenis te vervullen, of indien hetgeen de schuldenaar verpligt was te geven of te doen, slechts kon gegeven of gedaan worden binnen zekeren tijd, welken hij heeft laten voorbij gaan. (B.W. 1275, 1282 v., 1302, 1340, 1343, 1402 v., 1406 v., 1516; R.V. 612 v.)
1280. De schuldenaar moet, indien daartoe gronden bestaan, veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo dikwijls hij niet bewijzen kan dat het niet uitvoeren of het niet tijdig uitvoeren der verbindtenis voortkomt uit eene vreemde oor-
rgt;
Van verbindtenissen in het
zaak, die hem niet kan worden toegerekend, al heeft er ook geene kwade trouw van zijne zijde plaats gehad. (B.W. 1902.)
1281. Geene vergoeding van kosten, schaden en interessen heeft plaats, indien de schuldenaar door overmagt of door toeval verhinderd is geworden om iets te geven of te doen, waartoe hij verpligt was, of iets gedaan heeft hetwelk hem verboden was. (B.W. 1145, 1480 v., 1783; K. 91 v., 345.)
1282. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer regt heeft te vorderen, bestaat, in het algemeen, in het verlies hetwelk hij heeft geleden, en in de winst welke hij heeft moeten derven, behoudens de hierna vermelde uitzonderingen en wijzigingen. (B.W. 1639.)
1283. De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, welke men voorzien heeft of heeft kunnen voorzien, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, ten ware het aan zijne arglist te wijten zij dat de verbindtenis niet is nagekomen. (B.W. 1364.)
1284. Zelfs indien het niet nakomen der verbindtenis te wijten is aan de arglist van den schuldenaar, moet de vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten opzigte van de door den schuldeischer geledene schade en de winstderving, alleenlijk datgene bevatten, hetwelk een onmiddellijk en dadelijk gevolg is van het niet nakomen der verbindtenis.
1285. Indien hij de verbindtenis bepaald is dat degene die in gebreke blijft om dezelve na te komen, bij wege van schadevergoeding, eene zekere som zal betalen, kan aan de andere partij geene meerdere noch mindere som worden toegewezen. (B.W. 1340, 1374 v.)
1286. In verbindtenissen die alleen betrekkelijk zijn tot de betaling van eene zekere geldsom, bestaat de vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit vertraging in de uitvoering voorkomende, alleenlijk in de bij de wet bepaalde interessen, behoudens de byzon-dere regelen op den koophandel en op borgtogten betrekkelijk.
Die vergoeding van kosten, schaden en interessen is verschuldigd, zonder dat de schuldeischer eenig verlies behoeve te bewijzen.
Zij is alleenlijk verschuldigd van den dag dat dezelve in regten gevorderd is, uitgezonderd de gevallen waarin de wet die van regts-wege doet loopen. (B.W. 449, 471, 844 v., 1144, 1322, 1663, 1793, 18U4, 1876, 1880; K. 195, 448 v., 680.)
1287. Vervallene interessen van hoofdsommen kunnen wederom interessen opbrengen, het zij ten gevolge eener geregtelijke aanvraag, hetzij krachtens eene bijzondere overeenkomst, mits de aanvraag of de overeenkomst loope over interessen, ten minste voor een geheel jaar verschuldigd.
1288. Niettemin brengen vervallen inkomsten, als pacht- en huurpenningen, altijddurende of Igfrenten, interessen voort, van den dag dat de eisch gedaan, of de overeenkomst gesloten is.
206
II. W. Boek 111, Titel 1, 4 en 5. Arit. 1281â1296. 207
Dezelfde regel is toepasselijk op teruggaven van vruchten en op interessen, die door eenen derde aan den schuldeischer tot ontlasting van den schuldenaar betaald zijn. (B.W. 1807 v.)
VIJFDE AFDEELING.
Van voorwaardelijke verbindtenissen.
Art. 1289. Eene verbindtenis is voorwaardelijk, wanneer men dezelve doet afhangen van eene toekomstige en onzekere gebeurtenis, het zij door de verbindtenis op te schorten, tot zoodanige gebeurtenis plaats hebbe, het zij door de verbindtenis te doen vervallen, naar mate de gebeurtenis al of niet voorvalt. (B.W. 1168, 1215, 1299, 1301 v., 1304 v., 1317, 2027.)
1290. Alle voorwaarden om iets te doen dat onmogelijk, met de goede zeden strijdig, of by de wet verboden is, zijn nietig, en maken de overeenkomst, die men daarvan heeft doen afhangen, van onwaarde. (A. 14; B.W. 194, 935, 1370 v., 1690.)
1291. De voorwaarde om iets niet te doen hetwelk onmogelijk is, maakt de verbindtenis, onder die voorwaarde aangegaan, niet van onwaarde.
1292. Alle verbindtenissen zijn nietig, indien derzelver vervulling alleenlijk afhangt van den wil van dengenen die verbonden is. Indien echter de verbindtenis afhangt van eene daad, waarvan de vervulling in zijne magt staat, en die daad heeft plaats gehad, is de verbindtenis van kracht. (B.W. 226, 1705.)
1293. Alle voorwaarden moeten vervuld worden op zoodanige wgze als partgen waarschijnlijk gewild en verstaan hebben. (B.W. 1379 v.)
1294. Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde dat zekere gebeurtenis binnen eenen bepaalden tijd zal plaats hebben, wordt de voorwaarde gehouden te ontbreken, indien de tijd verloo-pen is, zonder dat de gebeurtenis hebbe plaats gehad.
Bijaldien de tijd niet bepaald is, kan de voorwaarde altgd vervuld worden, en wordt dezelve niet gehouden te ontbreken, voordat het zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben. (B.W. 209, 1044, 1299 v.)
1295. Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde dat zekere zaak binnen eenen bepaalden tijd niet zal gebeuren, is die voorwaarde vervuld, indien de tijd verloopen is, zonder dat de bedoelde zaak gebeurd zij. De voorwaarde is insgelijks vervuld, indien het, vóór het verloop van dien tijd, zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben; doch wanneer er geen tijd is bepaald, is de voorwaarde niet vervuld voordat het zeker is dat de bedoelde zaak niet zal gebeuren.
1296. De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de
208 Van verbindtenissen in het algemeen.
sclmldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd. (13. W. 936.)
1297. Indien de voorwaarde vervuld is, werkt zij achteruit, tot den tijd waarop de verbindtenis is geboren.
Bij overlijden van den schuldeischer vóór de vervulling van de voorwaarde, gaan mitsdien deszelfs regten over op zijne erfgenamen. (B.W. 1045, 1300, 2027.)
1298. De schuldeischer kan, vóór de vervulling der voorwaarde, alle middelen in het werk stellen welke tot bewaring van zijn regt noodzakelijk ziju. (B.W. 1359; K. 779 v.; R.V. 727 v.)
1299. Eene verbindtenis onder eene opschortende voorwaarde is de zoodanige welke afhangt, of van eene toekomstige en onzekere gebeurtenis, of van eene reeds gebeurde, doch aan partijen nog onbekende zaak.
In het eerste geval, kan de verbindtenis niet worden ten uitvoer gebragt, dan nadat de gebeurtenis heeft plaats gehad; in het tweede ceval, is de verbindtenis van kracht van den dag af dat dezelve is ontstaan. (B.W. 1045, 1215, 1294 v., 1499, 2027.)
1300. Indien de verbindtenis van eene opschortende voorwaarde afhangt, blijft de zaak, die het onderwerp der verbindtenis uitmaakt, voor rekening van den schuldenaar, die slechts verbonden is om dezelve te leveren, wanneer de voorwaarde vervuld is.
Indien de zaak geheel en al is verloren gegaan buiten toedoen van den schuldenaar, blijft er noch van de eene, noch van de andere zijde, eenige verbindtenis bestaan.
Indien de zaak buiten toedoen van den schuldenaar in waarde is verminderd, heeft de schuldeischer de keus om of de verbindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den staat waarin dezelve zich bevindt, zonder eenige vermindering van den uitgeloofden prijs.
Indien de zaak door toedoen van den schuldenaar in waarde is verminderd, is de schuldeischer geregtigd om, of de verbindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den staat waarin dezelve zich bevindt, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 1273, 1279 v.. 1480.)
1301. Eene ontbindende voorwaarde is de zoodanige welke, na hare vervulling, de verbindtenis doet ophouden, en de zaken weder tot den vorigen stand doet terug keeren, even als of er geene verbindtenis bestaan had.
Deze voorwaarde schort de nakoming der verbindtenis niet op; alleenlijk verpligt zij den schuldeischer om hetgeen hij ontvangen heeft terug te geven, in geval de bij de voorwaarde bedoelde gebeurtenis stand grypt. (B.W. 1044, 1215, 1294 v., 1417, 1555 v.)
1302. De ontbindende voorwaarde wordt altijd voorondersteld in wederkeerige overeenkomsten plaats te grijpen, in geval eene dei-partijen aan hare verpligting niet voldoet.
B. W. Boek III, Titel I, 5, 6 en 7. AM. 1297â1308. 209
In dat geval, is de overeenkomst niet van regtswege ontbonden, maar moet de ontbinding in regten gevraagd worden.
Deze aanvraag moet ook plaats hebben, zelfs indien de ontbindende voorwaarde wegens het niet nakomen der verpligting in de overeenkomst mogt zijn uitgedrnkt.
Indien de ontbindende voorwaarde niet in de overeenkomst is uitgedrukt, staat het den regter vrij om, naar gelang der omstandigheden aan den verweerder, op deszelfs verzoek, eenen termijn te gunnen om alsnog aan zijne verpligting te voldoen, welke termijn echter den tijd van ééne maand niet mag te boven gaan. (B.W. 1516, 1553, 1818 v.)
1303. Degene te wiens opzigte de verbindtenis niet is nagekomen, heeft de keus om of de andere partij, indien zulks mogelijk is, tot de nakoming der overeenkomst te noodzaken, of derzelver ontbinding te vorderen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 1279 v., 151G, 1553.)
ZESDE APDEELING.
Van verhindtenissen met tijdsbepaling,
Art. 1304. Eene tijdsbepaling schort de verbindtenis niet op, maar slechts hare uitvoering. (B.W. 1045, 1289, 1344, 1787, 179(), 1800, 2027.)
1305. Hetgeen slechts op tijd verschuldigd is, kan niet geëischt worden, voordat de vervaltijd verschenen is; maar hetgeen vooraf betaald is kan niet worden teruggevorderd. (B.W. 1374, 1463 v., 1762, 1796.)
1306. Eene tijdsbepaling wordt altijd voorondersteld bepaald te zijn ten voordeele van den schuldenaar, ten ware uit den aard van de verbindtenis zelve, of uit de omstandigheden, mogt blijken dat de tijdsbepaling ten voordeele van den schuldeischer is geschied. (B.W. 1441, 1464, 1808; K. 156, 159.)
1307. De schuldenaar kan het voorregt eener bijgevoegde tijdsbepaling niet meer inroepen, wanneer hij in staat van fnillissement of van kennelijk onvermogen verklaard is, of door zijn toedoen de door hem ten behoeve van den schuldeischer gestelde zekerheid is verminderd. (B.W. 1257, 1515, 1809, 1880; B.V. 882 v.; K. 155, 778 v.)
ZEVENDE AFDEELING.
Van alternatieve verbindtenissen, of van verbindtenisisen die ter keuze van eene der partijen staan.
Art. 1308. In alternatieve verbindtenissen wordt de schuldenaar
BURG. WETB. 14
\
210 Van verbindtenissen in het algemeen.
bevrijd door de levering van eene der beide zaken, welke in de verbindtenis vervat zijn, maar hij kan den solmldeisclier niet noodzaken om een gedeelte van de eene, en een gedeelte van de andere te ontvangen. (B.W. 1425.)
1309. De keus behoort aan den schuldenaar, indien dezelve niet uitdrukkelijk aan den schuldeischer is toegestaan. (B.W. 804, 1313, 1385, 1428, 1509.)
1310. Eene verbindtenis is zuiver en eenvoudig, schoon dezelve ter keuze of op eene alternatieve wijze is aangegaan, indien eene der beide beloofde zaken geen onderwerp der verbindtenis kon uitmaken. (B.W. 1368.)
1311. Eene alternatieve verbindtenis is zuiver en eenvoudig, indien eene der beloofde zaken verloren gaat, of zelfs door toedoen van den schuldenaar niet meer kan geleverd worden. De waarde dier zaak kan niet in derzelver plaats worden aangeboden. Indien beide zaken zijn verloren gegaan, en de schuldenaar oorzaak is van het vergaan van eene van beide, moet hg de waarde betalen van die zaak, welke het laatst is te niet gegaan. (B.W. 1272, 1480 v.)
1312. Indien in de gevallen, bij het voorgaande artikel vermeld, de keus aan den schuldeischer is gelaten, en eene der zaken slechts verloren is gegaan, moet de schuldeischer, indien zulks buiten toedoen van den schuldenaar geschied is, de zaak hebben die overgebleven is; indien het door toedoen van den schuldenaar geschied is, kan de schuldeischer of de overgebleven zaak vorderen, of de waarde van die welke verloren is gegaan.
In geval beide zaken zijn vergaan, kan de schuldeischer, indien zulks ten aanzien van beide, of zelfs van eene derzelve, aan de schuld van den schuldenaar is toe te schrijven, de waarde van de eene of van de andere vorderen, naar zijne keus. (B W. 1480.)
1313. Dezelfde beginselen gelden zoo wel in het geval dat meer dan twee zaken in de verbindtenis zijn begrepen, als dat de verbindtenis bestaat in iets te doen of niet te doen. (B.W. 1275 v.)
ACHTSTE AFDKELING.
Van solidaire of hoofdelijke verbindtenissen.
Art. 1314. Eene hoofdelijke of solidaire verbindtenis heeft tus-schen verscheidene schuldeischers plaats, wanneer de titel uitdruk-kelijk aan ieder van hen het regt geeft om de voldoening der geheele schuld te eischen, in dier voege dat de betaling, aan een hunner gedaan, den schuldenaar bevrijdt, ofschoon ook de verbindtenis uit haren aard tusschen de onderscheidene schuldeischers splitsbaar en deelbaar mogt zijn. (B.W. 1332 v., 1339, 1444 v., 1894, '2020 v.)
1315. Het staat aan de keus van den schuldenaar om den eenen
B.W. Boek III, Titel I, 7 en 8. Artt. 1309â1323. 211
of anderen der schuldeischers te voldoen, zoo lang hij niet door een van hen in regten is aangesproken.
Niettemin bevrijdt de kwijtschelding, door een der hoofdelijke schuldeischers gedaan, den schuldenaar niet verder dan voor het aandeel van dien schuldeischer. (B.W. 1475 v., 1975.)
1316. Er heeft hoofdelijke verbindtenis van de zijde der schuldenaren plaats, wanneer zij allen verpligt zijn tot eene en dezelfde zaak, zoo dat elk hunner voor het geheel kan worden aangesproken, en de voldoening, door een van hen geschied, de overige schuldenaars ten aanzien van den schuldeischer bevrijdt. (B.W. 1324, 1475 v., 1976.)
1317. Eene verbindtenis kan hoofdelijk zijn, alhoewel een der schuldenaren op eene andere wijze, dan d«i overige, tot voldoening derzelfde zaak mogt verpligt zijn, bij voorbeeld, indien de eene slechts voorwaardelijk verbonden is, terwijl de verbindtenis van den anderen zuiver en eenvoudig is, of indien de een eene tijdsbe-paling heeft bedongen, welke aan den anderen niet is toegestaan.
1318. Geene verbindtenis wordt voorondersteld hoofdelyk te zijn, ten zij zulks uitdrukkelijk bepaald zij.
Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering in de gevallen, waarin eene verbindtenis uit kracht eener wetsbepaling voor hoofdelijk gehouden wordt, (B.W. 1063, 1337, 1786, 1841, 1848; K. 18, 146, 186, 209.)
1319. De schuldeischer eener hoofdelijke verbindtenis kan dien-
fenen der schuldenaren aanspreken, welken hij verkiest, zonder dat eze hem het voorregt van schuldsplitsing kunne tegenwerpen. (B.W. 1869 no. 2, 1873; K. 878; R.V. 68, 186.)enen der schuldenaren aanspreken, welken hij verkiest, zonder dat eze hem het voorregt van schuldsplitsing kunne tegenwerpen. (B.W. 1869 no. 2, 1873; K. 878; R.V. 68, 186.)
1320. De vervolgingen, tegen éénen der schuldenaren gerigt, beletten den schuldeischer niet om ook tegen de overige zijn regt te doen gelden. (K. 186.)
1321. Indien de verschuldigde zaak mogt vergaan door toedoen van een of meer der hoofdelijke schuldenaren, of nadat deze in gebreke waren gesteld, zijn de overige mede-schuldenaren niet ontheven van de verpligting om de waarde der zaak te betalen, doch zyn dezelve niet gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.
De schuldeischer kan alleenlijk de vergoeding van kosten, schaden en interessen verhalen, zoo wel op de schuldenaren, door wier toedoen de zaak is verloren gegaan, als op degenen die in de voldoening nalatig zijn geweest. (B.W. 1279, 1300, 1346, 1480.)
1322. De eisch tot betaling van interessen, tegen een der hoofdelijke schuldenaren gedaan, maakt dat de interessen ook loopen ten aanzien van alle de overige. (B.W. 2020.)
1323. Een hoofdelijke mede-schuldenaar, in regten door den schuldeischer aangesproken zijnde, kan zich bedienen van alle ex-ceptien, die uit den aard der verbindtenis voortvloeijen, en van alle
14s
Van verbindtenissen in hel algemeen.
die hem persoonlijk eigen zijn, mitsgaders van alle de zoodanige welke aan alle de mede-schuldenaren gemeen zijn.
Hij kan zich uiet bedienen van zoodanige exceptien die enkel aan de personen van sommige der overige mede-schuldenaren eigen zijn. (B.W. 1312, 1459 v.. 1466, 1475 v., 1976, 2020.)
1324. Indien een der schuldenaren de eenige erfgenaam wordt van den schuldeischer, of indien de schuldeischer de eenige erfgenaam wordt van een' der schuldenaren, doet deze schuldvermenging de hoofdelijke schuld niet vervallen, dan aüeeniyk voor zoo veel het aandeel van dien schuldenaar of schuldeischer betreft, (B.W. 1473 v.)
1325. De schuldeischer in de verdeeling der schuld ten aanzien van een der mede-schuldenaren toegestemd hebbende, behoudt zijne hoofdelijke vordering tegen de overige, doch onder aftrek van het aandeel van den schuldenaar, welken hij van de hoofdelijke verbind-tenis ontslagen heeft. (B.W. 1339.)
1326. Een schuldeischer, die het aandeel van een der schuldenaren afzonderlijk ontvangt, zonder bij de kwijting zijn hoofdelijk regt, of zijne regten in het algemeen, voor te behouden, doet geenen afstand van zijn hoofdelijk regt, dan alleen met betrekking tot dezen schuldenaar.
Een schuldeischer wordt niet geacht den schuldenaar van zgne hoofdelijke verbindtenis te hebben ontslagen, indien hij van denzel-veu eene gelijke som ontvangt als zijn aandeel in de schuld bedraagt, indien de kwijting niet met zoo vele woorden inhoudt dat het ontvangene voor zijn aandeel strekken zal.
Hetzelfde geldt ook omtrent den eisch tegen een der mede-schuldenaren enkel voor zijn aandeel gedaan, zoo lang deze schuldenaar in den eisch niet heeft toegestemd, of daarop geene regterlijke veroordeeling gevolgd is. (B.W. 1325.)
1327. Een schuldeischer die afzonderlijk en zonder voorbehouding het aandeel van een der mede-schuldenaren in achterstallige renten of interessen eener schuld ontvangt, verliest zijn hoofde-lijk regt slechts ten aanzien der vervallene renten of interessen, en niet ten opzigte van degene welke nog vervallen moeten, of van de hoofdsom, ten ware de afzonderlijke betaling gedurende tien achtereenvolgende jaren mogt hebben plaats gehad. (B.W. 1430, 2020 v.)
1328. Eene verbindtenis, schoon hoofdelijk zijnde ten aanzien van den schuldeischer, is nogtans van regtswege deelbaar tusschen de schuldenaren, welke onder elkander niet verder dan ieder voor zijn aandeel verbonden zijn. (B.W. 1146 v., 1319.)
1329. De mede-schuldenaar eener hoofdelijke verbindtenis die de gebeele schuld voldaan heeft, kan van de overige niet meer terug vorderen dan het aandeel van ieder hunner bedraagt.
Indien een van hen onvermogend is om te betalen, wordt het
212
B. W'. Boek III, Titel /, 8 en 9 Artt. 1324â1330. 213
verlies, door zijn onvermogen veroorzaakt, ponds ponds gelijk verdeeld tnsschen de overige schuldenaren die betalen kunnen en dengenen die de schnld voldaan heeft. (B.W. 1149 v., 1873 v., 1878.)
1330. In geval de schnldeischer een der schuldenaren van des-zelfs hoofdelijke verbindtenis heeft ontslagen, en een of meer der overige schuldenaren onvermogend zijn geworden, wordt het aandeel der onvermogende ponds ponds gelijk omgeslagen overallede schuldenaren, zelfs over degenen die bevorens van de hoofdelijke verbindtenis zijn ontslagen. (B.W. 1325.)
1331. Indien de zaak, waarvoor verscheiden personen zich als hoofdelijke mede-schuldenaren hebben verbonden, slechts een van hen aangaat, zijn zij wel ieder voor het geheel aan den schuld-eischer verbonden, maar onder elkander worden zij beschouwd als borgen voor dengenen wien de zaak betreft, en moeten dienvolgens door denzelven worden schadeloos gesteld. (B.W. 1328, 1873, 1876 v.)
NEGENDE AFDEELING.
Van deelbare en ondeelbare verbindtenissen.
Art. 1332. Eene verbindtenis is deelbaar of ondeelbaar naar mate dezelve tot onderwerp heeft of eene zaak die in de levering, of eene daad die in de uitvoering al of niet vatbaar is, het zij voor ligchamelijke, het zij voor onliechamelijke verdeeling. (B.W. 775 v., 1206, 1335, 1563, v., 1758.)
1333. Eene verbindtenis is ondeelbaar, ofschoon de zaak of daad welke zij tot onderwerp heeft uit haren aard deelbaar zij, indien de strekking der verbindtenis dezelve niet vatbaar maakt voor eene gedeeltelyke uitvoering. (B.W. 939, 1206, 1337 v., 2020.)
1334. Het hoofdelijke eener verbindtenis geeft aan dezelve geenszins het kenmerk van ondeelbaarheid. (B.W. 1316, 1337.)
1335. De verbindtenis die voor verdeeling vatbaar is moet tus-schen den schuldenaar en den schuldeischer worden ten uitvoer ge-bragt, even als of dezelve ondeelbaar was; de deelbaarheid is slechts van toepassing ten opzigte van hunne erfgenamen, die de schuld niet kunnen vorderen, of die niet verpligt zgn dezelve te voldoen, dan alleenlijk voor het aandeel waarvan zij erfgenamen zijn, of waartoe zij gehouden zijn, als vertegenwoordigende den schuldeischer of den schuldenaar. (B.W. 1146 v., 1206, 1347, 1426, 1563 v., 1758.)
1336. Het beginsel, in het vorige artikel vastgesteld, lijdt uitzondering opzigtelijk de erfgenamen van den schuldenaar;
1°. In geval het eene hypothekaire schuld betreft; (B.W.
1148 v.)
Van verbindtenissen in het algemeen.
2°. Wanneer de schuld in eene bepaalde zaak bestaat; (B.W. 1129, 1427.)
3°. Ten opzigte van eene alternatieve schuld van zaken, ter keuze van den schuldenaar, ') indien eene dier zaken ondeelbaar is; (B.W. 1308 v.)
4quot;. Indien by den titel een der erfgenamen alleen met de uitvoering der verbindtenis belast is; (B.W. 847, 1012.)
5°. Indien, het zij uit den aard der verbindtenis, het zij van de zaak die daarvan het onderwerp uitmaakt, het zij uit het oogmerk hetwelk men zich in de overeenkomst heeft voorgesteld, blijkbaar is dat het de bedoeling der handelende partijen geweest is, dat de schuld niet bij gedeelten zoude kunnen voldaan worden. (B.W. 1333.)
In de drie eerste gevallen, kan de erfgenaam die in het bezit is van de verschuldigde zaak, oi' van het goed dat voor de schuld met hypotheek belast is, voor het geheel vervolgd worden op de verschuldigde zaak, of op het met hypotheek bezwaarde goed, behoudens zijn verhaal op zijne mede-erfgenamen.
In het vierde geval, kan de erfgenaam die alleen met de schuld belast is, en in het vijfde geval kan ook ieder erfgenaam voor het geheel, worden vervolgd, behoudens het verhaal van laatstgemelden op zijne mede-erfgenamen. (B.W. 1012, 1149 v.)
1337. Een iegelijk dergenen die gezamenlijk tot eene ondeelbare schuld verpligt zijn, is voor het geheel derzelve aansprakelijk, al ware het ook dat de verbindtenis niet hoofdelijk mogt zijn aangegaan. (B.W. 1206, 1209, 1314 v., 1333, 1346, 1563 v.)
1338. Hetzelfde geldt ook omtrent de erfgenamen van dengenen die tot eene zoodanige verbindtenis gehouden is. (B.W. 1148 v., 1758.)
1339. Ieder erfgenaam van den schuldeischer kan de uitvoering eener ondeelbare verbindtenis in derzelver geheel vorderen.
Geen hunner alleen mag de geheele schuld kwijtschelden, noch de waarde ontvangen, in plaats van de zaak.
Indien slechts een der erfgenamen de schuld heeft kwijtgescholden, of de waarde der zaak ontvangen, mag zijn mede-erfgenaam de ondeelbare zaak niet vorderen, ten zij in rekening brengende het aandeel van den mede-erfgenaam die de schuld kwytgeschol-den of de waarde ontvangen heeft. (B.W. 1325, 1421, 1474 v., 1565, 1758.)
TIENDE APDBEUNG.
Van verbindtenissen onder beding van straf of poenaliteit.
214
Art. 1340, Het beding van straf is zoodanige bepaling waarbij
I) lu de otticieele uitgaaf staat hier âschuldeischerquot;; moet zijn âschuldenaarquot; volgens art. 67, no. 3, der wet van 1 Maart 1825, Stsbl. no. 14.
B. W. Boek III, Titel I, 9 eu 10. Artt. 1337â1347. 215
iemand tot zekerheid van de uitvoering eener verbindtenis tot iets bepaalds verpligt is, in geval dezelve niet nagekomen wordt. (B.W. 1279, 1285.)
1341. De nietigheid der hoofdverbindtenis maakt ook het beding van straf nietig.
De nietigheid van het beding van straf heeft geenzins die der hoofdverbindtenis ten gevolge. (B.W. 1351, 1353.)
1342. De schuldeischer kan, in plaats van de straf te vorderen tegen den schaldenaar die in gebreke is, de nakoming der hoofdverbindtenis eischen. (B.W. 1271, 1275 v.)
1343. De bepaling van straf strekt in plaats van vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer lijdt uit hoofde van het niet nakomen der hoofdverbindtenis.
Hij kan niet te gelijk de hoofdschuld en de straf vorderen, ten ware de laatstgenoemde enkel op de eenvoudige vertraging mogt gesteld zgn. (B.W. 1279, 1285, 134S.)
1344. Het zij de oorspronkelijke verbindtenis al of niet eene tijdsbepaling bevatte, binnen welke dezelve moest uitgevoerd zijn, is de straf niet verbeurd dan wanneer degene die verbonden is om iets te geven, of om iets te ontvangen, of wel om iets te doen, daarin nalatig gebleven is. (B.W. 1271,1274, 1286, 1304.)
1345. De straf kan door den regter gewijzigd worden, indien de hoofdverbindtenis voor een gedeelte is vervuld. (B.W. 1285.)
1346. Indien de oorspronkelijke verbindtenis, met bepaling van straf, eene ondeelbare zaak betreft, is de straf verschuldigd door de overtreding van een' enkelen der erfgenamen van den schuldenaar; en dezelve kan gevorderd worden, het zij voor het geheel van dengenen die tegen de verbindtenis gehandeld heeft, het zij van ieder der mede-erfgenamen voor zijn aandeel, behoudens derzelver verhaal op dengenen die veroorzaakt heeft dat de straf verbeurd is; alles onverminderd de regten der hypothekaire schuideischers. (B.W. 1209, 1321, 1337.)
1347. Indien de oorspronkelijke verbindtenis, onder bepaling van straf, deelbaar is, wordt de straf slechts verbeurd door dengenen der erfgenamen van den schuldenaar, die tegen dezelve verbindtenis handelt, en alleen voor zoo verre zijn aandeel in de hoofdverbindtenis betreft, zonder dat er eenige regtsvordering kunne bestaan tegen degenen die de verbindtenis hebben nagekomen.
Deze regel lijdt uitzondering, wanneer het beding van straf bijgevoegd is met het oogmerk dat de voldoening niet bij gedeelten zoude kunnen geschieden, en een der mede-erfgenamen de nakoming der verbindtenis in derzelver geheel verhinderd heeft; in dit geval, kan de straf van dezen laatstgemelden voor het geheel ge-eischt worden, en van de overige mede-erfgenamen slechts voor hun aandeel, behoudens hun regt van verhaal. (B.W. 1332 v., 1346.)
Van verbindtenissen in het algemeen.
1348. Indien eene deelbare hoofdverbindtenis, onder bepaling eener ondeelbare straf, slechts ten deele is nagekomen, wordt de straf, ten aanzien dér erfgenamen van den schuldenaar, vervangen door eene vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 12S5, 1332 v., 1343.)
TWEEDE TITEL.
Van verbindtenissen die tdt contract of overeenkomst geboren worden.
EEKSTE AFDKELING.
Algemeene bepalingen.
â Art. 1349. Eene overeenkomst is eene handeling waarbij een of meer personen zich jegens een of meer andere verbinden. (B.W. 1269 v., 1933 v.)
1350. Eene overeenkomst wordt aangegaan om niet, of onder eenen hezioarenden titel.
De overeenkomst om niet is de zoodanige waarbij de eene partij aan de andere, zonder eenige haat, een voordeel toekent.
Eene overeenkomst onder eenen bezwarenden titel is zoodanig eene welke ieder der partijen in de verplichting brengt om iets te geven, te doen, of niet te doen. (B.W. 1270 v., 1703.)
1351. In het algemeen, kan niemand zich op zijnen eigen naam verbinden, of iets bedingen, dan voor zich zeiven. (B.W. 1376, 1418 v., 1682, 1829, 1857, 1910.)
1352. Niettemin kan men zich voor eenen derde sterk maken of instaan, door te beloven dat dezelve iets doen zal, behoudens de vordering tot schadevergoeding tegen dengenen die voor eenen derden ingestaan of beloofd heeft denzelven iets te doen bekrachtigen, indien deze derde weigert om de verbindtenis na te komen. (B.W. 1374, 1682, 1860, 1910.)
1353. Men kan ook ten behoeve van eenen derde iets bedingen, wanneer een beding, hetwelk men voor zich zeiven maakt, of eene gift die men aan een ander doet, zulk eene voorwaarde bevat.
Die zoodanig een beding gemaakt heeft, kan hetzelve niet meer herroepen, indien die derde verklaard heeft daarvan te willen gebruik maken. (B.W. 939, 1009, 1359, 1374, 1815, 1860.)
1354. Men wordt voorondersteld bedongen te hebben voor zich zeiven, en voor zijne erfgenamen en regtverkrijgenden, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij, of uit den aard der overeenkomst mogt voortvloeijen. (B.W. 880, 1683, 1780, 1850.)
1355. Alle overeenkomsten, het zij dezelve eene eigene benaming
216
B. W. Boek III, Titel l, 10 en 11,1 en 2. Artt. 1348â136]. 217
hebben, het zij dezelve onder geene bijzondere benaming bekend zijn, zijn onderworpen aan algemeene regelen, welke het onderwerp van dezen en van den vorigen titel uitmaken.
De bijzondere regelen ten aanzien van bepaalde overeenkomsten worden opgegeven in de titels welke over ieder dezer overeenkomsten handelen, en de bijzondere regelen omtrent handelszaken zijn vastgesteld hij de wetten tot den koophandel betrekkelijk. (B.W. 1269 v.; K. 1.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de voorwaarden welke vereischt worden tot de bestaan-baarheid der overeenkomsten.
Art. 1356. Tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden vier voorwaarden vereischt: (B.W. 163.)
1°. De toestemming van degenen die zich verbinden; (B.W.
85, 1357 v.)
2quot;. De bekwaamheid om eene verbindteais aan te gaan; (B.W.
1366 v., 1738.)
3°. Een bepaald onderwerp; (B.W. 1368 v.)
4°. Eene geoorloofde oorzaak. (B.W. 1371 v.)
1357. Geene toestemming is van waarde, indien dezelve door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst, of door bedrog verkregen. (B.W. 142, 1163, 1485 v., 1896, 1963.)
1358. Dwaling maakt geene overeenkomst nietig, dan wanneer dezelve plaats heeft omtrent de zelfstandigheid der zaak welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakt.
Dwaling is geene oorzaak van nietigheid, indien zij alleenlijk plaats heeft omtrent den persoon met wien men voornemens is te handelen, ten zij de overeenkomst voornamelijk uit aanmerking van dezen persoon zij aangegaan. (B.W. 1655, 1703, 1829 v., 1895 v.)
1359. Geweld, gepleegd tegen dengenen die eene verbindtenis heeft aangegaan, levert grond op tot nietigheid der overeenkomst, ook dan wanneer hetzelve gepleegd is door eenen derde, ten wiens behoeve de overeenkomst niet gemaakt is. (B.W. 940, 1099, 1158, 1360 v.)
1360. Geweld heeft plaats, wanneer hetzelve van zoodanigen aard is om op een redelijk mensch indruk te maken, en wanneer het hem de vrees kan inboezemen dat hij zijnen persoon of zijn vermogen aan een aanmerkelijk en dadelijk aanwezend nadeel zoude blootstellen.
In liet beoordeelen daarvan, moet men acht slaan op den ouderdom, de kunne en den stand der personen. (B.W. 347.)
1361. Geweld maakt eene overeenkomst nietig, niet alleen wanneer hetzelve gepleegd is jegens eeue der handelende partijen.
218 Van oerbindtenissen uit contract of overeenkomst.
maar ook jegens derzelver echtgenoot of bloedverwanten in de opgaande of de nederdalende linie. (B.W. 345 v.)
1362. De vrees alleen uit eerbied jegens vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande linie voortkomende, zonder bijkomend geweld, is onvoldoende tot vernietiging der overeenkomst. (B.W. 353.)
1363. Men kan niet meer tegen eene overeenkomst, uit hoofde van geweld, opkomen, indien na het ophouden van het geweld die overeenkomst is goedgekeurd, het zij uitdrukkelijk, het zij stilzwijgende, het zij dat men den tijd, bij de wet bepaald om in zijn geheel hersteld te worden, hebbe laten voorbijgaan. (B.W. 11G1, 1485 v., 1490 v., 1929.)
1364. Bedrog levert eenen grond op tot vernietiging der overeenkomst, wanneer de kunstgrepen, door eene der partijen gebezigd, van dien aard zijn dat het klaarblijkelijk is dat de andere partij zonder die kunstgrepen de verbindtenis niet zoude hebben aangegaan.
Bedrog wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden. (B.W. 1U99, 1111,1902; K. 119.)
1365. Een ieder is bevoegd om verbindtenissen aan te gaan, indien hij daartoe door de wet niet onbekwaam is verklaard. (B.W. 1503, 1677.)
1366. Onbekwaam om overeenkomsten te treffen zijn: (B.W. 163, 168, 473 v., 607.)
1°. Minderjarigen; (B.W. 385, 443 v., 1053, 1835.)
2°. Die onder curatele gesteld zijn; (B.W. 487, 500 v.)
3°. Getrouwde vrouwen, in de gevallen bij de wet voorzien, en, in het algemeen, alle degenen aan wie de wet het aangaan van zekere overeenkomsten verboden heeft. (B.W. 174, 1503 v.)
1367. De bij het vorige artikel onbekwaam verklaarde personen kunnen mitsdien tegen hunne verbindtenissen opkomen in alle gevallen, waarin dat vermogen niet bij de wet is uitgesloten.
De personen die bekwaam zijn om zieh te verbinden kunnen zich geenszins beroepen op de onbekwaamheid der minderjarigen, onder curatele gestelden, en getrouwde vrouwen, met welke zij gehandeld hebben. (B.W. 168, 1492, 1739, 1835, 1929.)
1368. De zaken welke in den handel zijn kunnen alleenlijk het onderwerp van overeenkomsten uitmaken. (B.W. 575 v.. 593, 1210, 1990; K. 599.)
1369. Eene overeenkomst moet tot onderwerp hebben eene zaak welke ten minste ten aanzien van hare soort bepaald is.
De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die hoeveelheid naderhand kunne worden behaald of uitgemaakt. (B.W. 13Ã8 v., 1497,1501.)
1370. Toekomstige zaken kunnen het onderwerp eener overeenkomst uitmaken.
B.W. Boek UI, Titel II, 2 en 3. Ar li. 1362â1377. 219
Men kan echter geenen afstand doen van eene erfenis die nog niet opengevallen is, noch over zoodanig eene nalatenschap eenig beding aangaan, zelfs niet met toestemming vau dengenen over wiens nalatenschap gehandeld wordt; behoudens de bepalingen van artikel SZé, 231 en 233. (B.W. 1109, 1290, 1704, 1811.)
1371. Eene overeenkomst zonder oorzaak, of uit eene valsche of ongeoorloofde oorzaak, aangegaan, is krachteloos. (B.W. 937 v.)
1372. Indien er geene oorzaak is uitgedrukt, en er echter eene geoorloofde aanwezig is, of ook indien er eene andere geoorloofde oorzaak dan de uitgedrukte bestaat, is niettemin de overeenkomst van kracht. (B.W. 1915.)
1373. Eene oorzaak is ongeoorloofd, wanneer dezelve bij de wet verboden is, of wanneer dezelve strijdig is met de goede zeden, of met de openbare orde. (A. 14; B.W. 194, 938, 1290, 1656.)
DERDE AFDEELING.
Fan het gevolg der overeenkomsten.
Art. 1374. Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.
Zij kunnen niet herroepen Worden, dan met wederzijdsche toestemming, of uit hoofde der redenen welke de wet daartoe voldoende verklaart.
Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht. (B.W. 1112, 1279 v., 1302 v., 1399, 1725.)
1375. Overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene hetwelk uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is, maar ook tot al hetgeen dat, naar den aard van dezelve overeenkomsten, door de billijkheid, het gebruik, of de wet, wordt gevorderd. (B.W. 1383, 1388 v., 1518, 1837 v., 1856.)
1376. Overeenkosten zijn alleen van kracht tusschen de handelende partijen.
Dezelve kunnen aan derden niet ten nadeele verstrekken; zij kunnen aan derden geen voordeel aanbrengen, dan alleen in het geval voorzien bij artikel 1353. (B.W. 1852, 1855, 1894; K. 777, 848.)
1377. Niettemin kunnen de schuldeischers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen, welke door den schuldenaiir ter be-driegelijke verkorting hunner regten gedaan zijn, mits zij zich overigens gedragen naar de voorschriften der wet, overeenkomstig den aard der handelingen waartegen zij willen opkomen.
Indien de handeling onder eenen bezwarenden titel is aangegaan, moeten de schuldeischers bewijzen dat er, van den kant der beide partijen, bedrog heeft plaats gehad.
'P-
in-
ier ist.
fde die vij-
en-tran .der
len.
in-.W.
L63,
;ien, ian-17é,
)iien ge-
zich ader deld
het 210, 1
zaak
Iheid 8 v.,
j
reen-
4
220 Van verbindtenissen uit contract of overeenkomst.
Indien de handeling om niet heeft plaats gehad, is het voldoende dat er bedrog aanwezig zij van den kant van den schuldenaar alleen. (B.W. 865, 1024, 1107, 1212, 1230, 1490,1989.)
VIERDE AFDEELING.
Van de uitlegging der overeenkomsten.
Art. 1378. Indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet. afwijken. (B.W. 932.)
1379. Indien de bewoordingen eener overeenkomst voor onderscheiden uitleggingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan welke de bedoeling der handelende partijen geweest zij, dan zich aan den letterlijken zin der woorden binden. (Ã.W. 933, 1293,1509, 1892.)
1380. Indien een beding voor tweederlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in den zin waarin hetzelve van eenige uitwerking kan zijn, dan in dien waarin het geen het minste gevolg zoude kunnen hebben. (B.W. 934.)
1381. De bewoordingen voor tweederlei zin vatbaar, moeten opgevat worden in den zin die met den aard van de overeenkomst het meest overeenstemt. (B.W. 1892.)
1382. Hetgeen dubbelzinnig is moet uitgelegd worden naar hetgeen gebruikelijk is in het land of op de plaats, alwaar de overeenkomst is aangegaan. (A. 3.)
1383. Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stilzwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, schoon dezelve daarbij niet zijn uitgedrukt. (B.W. 1375, 1528.)
1384. Alle bedingen, in eene overeenkomst gemaakt, moeten in derzei ver verband genomen, en het eene door het andere uitgelegd worden; ieder derzelve moet in den zin worden opgevat welken het geheel beloop der overeenkomst medebrengt. (B.W. 1892.)
1385. In geval van twijfel, wordt eene overeenkomst uitgelegd ten nadeele van dengenen die iets bedwongen, en ten voordeele van hem die zich verbonden heeft. (B.W. 1309, 1509, 1902, 1916.)
1386. Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin eene overeenkomst aangegaan is, omvat dezelve echter alleen die zaken waaromtrent het blijkt dat partijen voornemens waren te handelen. (B.W. 1891 v.)
1387. Indien men in eene overeenkomst een geval heeft uitgedrukt, om de verbindtenis duidelijk te maken, wordt men niet geacht daardoor te hebben willen inkorten en beperken de naar regten verbindende kracht, welke de overeenkomst in de niet-uitgedrukte gevallen heeft.
B. W. Boek III, Titel 11, 4 en 111. Artt. 1378â3395. 221 DERDE TITEL.
Van verbindlenisseu die uit kracht der wet gehoren worden.
Art. 1388. De verbindtenissen, die uit kracht der wet geboren worden, spruiten voort of uit de wet alleen, of uit de wet ten gevolge van 's mensohen toedoen. (B.W. 362 v., 375 v., 441, 443, 50'), 672 v., 1052 v., 1389, 1940; K. 321.)
1389. De verbindtenissen, welke uit kracht der wet geboren worden ten gevolge van 's menschen toedoen, vloeijen voort of uit eene regtmatige, of uit eene onregtmatige daad. (B.W. 1390 v., 1401.)
1390. Wanneer iemand vrijwillig, zonder daartoe last te hebben bekomen, eens anders zaak met of zonder deszelfs weten waarneemt, verbindt hij zich daardoor stilzwijgend om de waarneming voort te zetten en te voltooijen, tot dat degene wiens belangen hij waarneemt in staat zij om in die zaak zelf te voorzien.
Hij moet zich insgelijks belasten met al hetgeen tot die zaak behoort.
Hij onderwerpt zich aan alle de verpligtingen welke hij zoude hebben moeten nakomen, ingeval hij bij eene uitdrukkelijke lastgeving was gemagtigd geworden. (B.W. 1829, 1837 v.)
1391. Hij is verpligt met zijn beheer voort te gaan, al ware het ook dat degene wiens belangen hij waarneemt tnogt komen te overlijden voor dat de zaak is ten einde gebracht, tot tijd en wijle de erfgenaam dit beheer op zich kan nemen. (B.W. 1837, 1856.)
1392. Hij is gehouden opzigtelijk dat beheer de pligten van een goed huisvader te vervullen.
Niettemin is de regter bevoegd om de vergoeding der kosten, schaden en interessen, welke door schuld of nalatigheid des waarnemers mogten veroorzaakt zyn, te matigen, naar gelang der omstandigheden die hem tot de waarneming der zaak bewogen hebben. (B.W. 1271, 1279,1838.)
1393. Degene wiens belangen door een ander behoorlgk zijn waargenomen, is gehouden de verbindtenissen, door den waarnemer in zijnen naam aangegaan, na te komen, denzelven schadeloos te stellen wegens alle persoonlijke door hem aangegane verbindtenissen, en aan hem alle nuttige of noodzakelijke gedane uitgaven te vergoeden. (B.W. 1844 v.)
1394. Hij die eens anders zaak zonder lastgeving heeft waargenomen, is tot geen loon geregtigd. (B.W. 1831.)
1395. Iedere betaling doet eene schuld vooronderstellen; hetgeen zonder verschuldigd te zijn betaald is, kan terug gevorderd worden.
Ten opzigte van natunrlgke verbindtenissen, waaraan men vrijwillig voldaan heeft, kan geene terugvordering vallen. (B.W. 1371, 1418, 1803, 1828; K. 161.)
4
232 Van verbindtenissen uil kracht der wei geboren.
1396. Die bij vergissing, of met zijn weten, iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, is verpligt het niet verschuldigde terug te geven aan dengenen van wien hij hetzelve ontvangen heeft. (B.W. 587,1357,1400.)
1397. Wanneer iemand die bij vergissing meent schuldenaar te zij n eene schuld betaald heeft, is hij geregtigd om het betaalde van den schuldeischer terng te vorderen.
Niettemin houdt dit regt op, in geval de schnldeischer, ten gevolge van die betaling, de schuldbekentenis vernietigd heeft, behoudens het verhaal van dengenen die betaald heeft op den wezenlijken schuldenaar. (B.W. 1418, 1803, 1828.j
1398. Degene die, te kwader trouw, iets ontvangen heeft hetgeen hem niet verschuldigd was, moet hetzelve terug geven met de interessen en vruchten, te rekenen van den dag der betaling, en zulks onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien de zaak eenige vermindering heeft ondergaan.
Indien de zaak vergaan is, al had zulks ook door toeval plaats gehad, is hij verpligt de waarde te betalen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten ware hij konde bewijzen dat de zaak insgelijks zoude vergaan zijn, indien zij verbleven was onder dengenen aan wien dezelve had moeten terug gegeven worden. (B.W. 605, 630, 1400,1480, 2004.)
1399. Die iets, hetwelk onverschuldigd te goeder trouw door hem ontvangen was, verkocht heeft, kan volstaan met den koopprijs terug te geven.
Indien hij de zaak te goeder trouw om niet heeft vervreemd, behoeft bij niets uit te keeren. (B.W. 587, 604, 630, 1754.)
1400. Hij aan wien de zaak is tevug gegeven, is gehouden zelfs aan dengenen die dezelve te kwader trouw bezeten heeft alle noodzakelijke uitgaven te vergoeden, welke tot behoud der zaak zijn aangewend.
De bezitter is geregtigd om de zaak zoo lang in zyn bezit te houden, tot dat die uitgaven vergoed zijn. (B.W. 605, 623, 629 v., 1185 no. 4,1194,1535.) .
1401. Elke onregtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebragt, stelt dengenen door wiens schuld die schade veroorzaakt is in de verpligting om dezelve te vergoeden. (B.W. 619, 624,1282, 1483, 1955 v.)
1402. Een ieder is verantwoordelijk, niet alleen voor de schade welke hij door zijne daad, maar ook voor die welke hij door zyne nalatigheid of onvoorzigtigheid veroorzaakt heeft. (B.W. 657, 849, 1251.) .. , , â
1403. Men is niet alleen verantwoordelijk voor de schade, welke men door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor die welke veroorzaakt is door de daad van personen voor welke men aansprakelijk is, of door zaken welke men onder zijn opzigt heeft.
B.JF. Boek III, Titel III. Artt. 13Ã6â1408. 223
De vader en, bij gebreke van dien, de moeder zijn verantwoordelijk voor de schade, veroorzaakt door hunne minderjarige kinderen, die bij hen inwonen.
De meesters en degenen die anderen aanstellen tot de waarneming hunner zaken, zijn verantwoordelijk voor de schade, door hunne dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt in de werkzaamheden waartoe zij dezelve gebruikt hebben.
De schoolonderwijzers en werkmeesters zijn verantwoordelijk voor de schade door hunne leerlingen en knechts veroorzaakt, gedurende den tijd dat dezelve onder hun toezigt staan.
De hier-boven vermelde verantwoordelijkheid houdt op, indien de vader en de moeder, de schoolonderwijzers en werkmeesters bewijzen dat zij de daad, voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten. (B.W. 354, 619, 1002, 1649, 1747, 1840; K. 321 v., 452, 534 v.)
1404. De eigenaar van een dier, of degene die zich van hetzelve bedient, is, zoo lang hetzelve tot zijn gebruik verstrekt, aanspra-kelijk wegens de schade welke het dier heeft veroorzaakt, het zij hetzelve onder zijn toezigt en bewaring, dan wel verdwaald of ontsnapt zij.
1405. De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de schade door deszelfs geheele of gedeeltelijke instorting veroorzaakt, indien deze door verzuim van onderhond, of door een gebrek in de bonwing of inrigting, is te weeg gebragt. (B.W. 1402, 1645.)
1406. In geval van moedwilligen of onvoorzigtigen doodslag, hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den nedergeslagene, die door zijnen arbeid plegen te worden onderhouden, eene regtsvordering tot schadevergoeding, te waardeeren naar gelang van den wederaijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden. (B.W. 1279, 1401 v, 1416, 1955 v.)
1407. Moedwilligge of onvoorzigtige kwetsing of verminking van eenig deel des licbaams geeft aan den gewonde het regt om, behalve de vergoeding der kosten van herstel, ook die der schade, door de kwetsing of de verminking veroorzaakt, te vorderen.
Ook deze worden gewaardeerd naar gelang van den wederzij d-schen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden.
Deze laatste bepaling is in het algemeen toepasselijk bij de waardeering der sclMe, ontstaan uit elk misdrijf tegen den persoon gepleegd. (B.W. 1401 v., 1416, 1956 v.)
1408. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleedigina* strekt tot vergoeding der schade, en tot betering van het nadeel, in eer en goeden naam geleden.
De regter zal, bij de waardeering daarvan, letten op het min of meer grove van de beleediging, benevens op de hoedanigheid, den
224 Van verbindtenissen uit kracht der wet geboren.
stand en de fortuin der wederzijdsche partijen, en op de omstandigheden. (B.W. 1410 v., 1415 v., 1955.) ')
1409. De beleedigde kan bovendien eischen dat bij hetzelfde vonnis worde verklaard, dat de gepleegde daad is lasterlijk of be-leedigend.
Eischt hij de verklaring dat de gepleegde daad is lasterlijk, dan gelden de regelen in art. 265 van het Wetboek van Strafrecht voor de strafvordering wegens laster gesteld.
Het vonnis zal, indien de beleedigde znlks vordert, ten koste des veroordeelden, openbaar worden aangeplakt, bij zoo vele exemplaren als, en daar waar de rechter zulks zal bevelen. (B.W. 1414.) ')
1410. Onverminderd hare gehoudenheid tot sciiadevergoeding, kan de verwerende partij de toewijzing van de vordering, bij het voorgaande artikel vermeld, voorkomen, door het aanbod en de werkelijke aflegging van eene openbare verklaring voor den regter, houdende dat haar de gepleegde daad leed doet; dat zij deswege verschooning vraagt, en den beleedigde houdt voor een persoon van eer. (B.W. 1414.)
1411. De regtsvorderingen in de drie voorgaande artikelen vermeld, komen ook toe aan eohtgenooten, ouders, groot-ouders, kinderen en kleinkinderen, wegens beleediging hunnen echtgenooten, kinderen, kleinkinderen, ouders en groot-ouders, na derzelver overlijden, aangedaan. (B.W. 059.) ')
1412. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging kan niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beleedigen. Het oogmerk om te beleedigen wordt niet aanwezig geacht voorzoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging. (R.V. 199 v.) ')
1413. Ook kan de burgerlijke regtsvordering niet worden toegewezen indien de beleedigde aan het te laste gelegd feit bij regter-lijke gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard. ')
Hij echter die kennelijk met het eenige doel van beleediging, ook dan wanneer de waarheid der aantijging uit een gewijsde, of eene authentieke akte, blijkt, iemand deswege met beleedigingen vervolgt, is verpligt aan denzelven de schade te vergoeden, welke deze daardoor lijdt. (B.W. 1955.)
1414. Alle regtsvorderingen, waaromtrent bij de voorgaande zes artikelen is gehandeld, vervallen door uitdrukkelijke kwijtschelding, of ook door stilzwijgende, indien, na de gedane en aan den beleedigde bekend gewordene beleediging, door hem 'zoodanige blijken van verzoening of van vergiffenis zijn gegeven, die met het voornemen om schadevergoeding of betering van eer te vorderen niet kunnen worden overeengebragt. (B.W. 1410,1890.)
â
1) De artikelen 1408, 1409, 1411, 1413 en het 1ste lid van art. 1413 aldus gewijzigd by art. 12 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
B.W. Boek UI, Titel 111 en IV, 1. Ar tl. 1409â1419. 225
1415. De regtsvordering tot schadevergoeding, bij artikel 1408 vermeld, gaat niet verloren noch door den dood van den beleedi-ger, noch door dien van den beleedigde.
1416. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging vervalt door verloop van een jaar, te rekenen van den dag dat de daad gepleegd en aan den aanlegger bekend was. (B.W. 1408 v.) ')
Alle overige burgerlijke regtsvorderingen tot schadevergoeding-wegens daden welke tot strafvordering kunnen aanleiding geven, gaan te niet door de verjaring die ten opzigte dezer strafvordering is vastgesteld. (S.R. 70.)
VIERDE TITEL.
Van het te niet gaan der verbindtenissen.
Art. 1417. Verbindtenissen gaan te niet:
Door betaling; (B.W. 1418 v.)
Door aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving; (B.W. 1440 v.)
Door schuldvernieuwing; (B.W. 1449 v.)
Door vergelijking of compensatie; (B.W. 14G1 v.)
Door schuldvermenging; (B.W. 1472 v.)
Door kwijtschelding der schuld; (B.W. 1474 v.)
Door bet vergaan der verschuldigde zaak; (B.W. 1480 v.)
Door de nietigheid of de tenietdoening; (B.W. 1482 v.)
Door de werking eener ontbindende voorwaarde, waarvan in den eersten titel van dit boek gehandeld is; (B.W. 1301 v.) en
Door verjaring, welke het onderwerp van eenen afzonderlijken titel uitmaakt. (B.W. 1301,1683, 2004.)
EERSTE AFDEELING.
Van betaling.
Art. 1418. Eene verbindtenis kan gekweten worden door een ieder die daarbij belang heeft, gelijk een mede-schuldenaar of een borg.
Eene verbindtenis kan zelfs gekweten worden door eenen derde, die daarbij geen belang heeft, mits die derde handele in naam en tot kwijting van den schuldenaar, of, indien hij in zijn eigen naam handelt, hij niet in de regten van den schnldeischer gesteld worde. (B.W. 1236, 1351 v., 1365 v., 1436 v., 1860; K. 76, 171 v.)
1419. Eene verbindtenis om iets te doen kan door eenen derde
1) Het Iste lid van art. 1416 aldus gewijzigd bij art. 12 der wet van 2G April 1884, Stsbl. no. 93.
BURG. WETB. 15
Pmi het te niet gaan der verbindtenissen.
niet gekweten worden in weerwil van den schuldeischer, indien deze belang heeft dat de daad door den schuldenaar zei ven ver-rigt worde. (B.W. 1275, 1595, 1648.)
1420. Men moet eigenaar zijn van de zaak die in betaling gegeven wordt en bevoegd zijn om die te vervreemden, zal de betaling geldig wezen.
Niettemin kan de voldoening van eene geldsom, of van eenige andere verbruikbare zaak, niet terug gevorderd worden van dengenen die dat in betaling gegevene te goeder trouw verbruikt heeft, alhoewel die voldoening geschied zij door iemand die daarvan geen eigenaar of onbekwaam was om de zaak te vervreemden. (B.W. 561, 1365, v., 1422, 1507, 2014.)
1421. De betaling moet gedaan worden aan den schuldeischer, of aan iemand die volmagt van hem heeft, of die door den regter of door de wet gemagtigd is om voor denzelven te ontvangen.
De betaling, gedaan aan iemand die geene magt had om voor den schuldeischer te ontvangen, is van waarde, voor zoo verre de schuldeischer dezelve goedkeurt of daardoor werkelijk is gebaat geworden. (B.W. 484, 1339, 1390, 1423, 1756, 1833; K. 44, 327, 806; R.V. 893.)
1422. De betaling te goeder trouw gedaan aan iemand die in het bezit is der inschuld, is van waarde, ook dan wanneer die bezitter naderhand bij uitwinning uit dat bezit gestooten is. (B.W. 1397 v.)
1423. De betaling, aan den schuldeischer gedaan, is niet van waarde, indien hij niet bekwaam was om dezelve te ontvangen, dan voor zoo verre de schuldenaar mogt bewijzen dat de schuldeischer door de betaling werkelijk is gebaat geworden. (B.W. 163, 171, 506, 1366,1487,1759,1835.)
1424. De betaling, gedaan door eenen schuldenaar aan zijnen schuldeischer, in weerwil van eene inbeslagneming of oppositie, is niet van waarde ten aanzien der schuldeischers die de inbeslagneming of oppositie gedaan hebben; dezelve kunnen, naar aanleiding van hun regt, den schuldenaar noodzaken om op nieuw te betalen, behoudens, in dat geval, deszelfs verhaal op den schuldeischer. (B.W. 1470; R.V. 736.)
1425. Geen schuldeischer kan genoodzaakt worden eene andere zaak in betaling te nemen, dan die hem verschuldigd is, ofschoon ook de aangebodene zaak van gelijke of zelfs van meerdere waarde zij. (B.W. 1777, 1793 v.; K. 156.)
1426. Geen schuldenaar kan zijnen schuldeischer verpligten om betaling van eene schuld bij gedeelten te ontvangen, al mogt die schuld ook deelbaar zijn. (B.W. 1332 v., 1797; K. 168, 917.)
1427. De schuldenaar van eene zekere en bepaalde zaak is bevrijd door de afgifte der zaak, in den staat waarin dezelve zich ten tijde der levering bevond, mits de verminderingen, welke die
226
B.W. Boek 111, Titel IV, 1. Aril. 1420â1434.
zaak mogt ondergaan hebben, niet door zijn toedoen of verzuim veroorzaakt zijn, noch ook door de schuld of het verzuim van zoodanige personen voor welke hij verantwoordelijk is, noch ook door dat hij, vóór het opkomen dier verminderingen, in de levering achterlik gebleven is. (B.W. 829, 1010, 1203, 1337, 1517, 1752, 1784.)
1428. Indien de zaak welke verschuldigd is alleenlijk is bepaald ten aanzien van hare soort, is de schuldenaar, om zich van de schuld te ontheffen, niet verpligt om van de beste soort, maar hij kan ook niet volstaan met van de slechtste te geven. (B.W. 1016.)
1429. De betaling moet gedaan worden ter plaatse welke bij de overeenkomst bepaald is: indien geene plaats daarbij vastgesteld is, moet de betaling, ten aanzien van eene zekere en bepaalde zaak, geschieden ter plaatse alwaar, tijdens het aangaan der verbiudtenis, de zaak, die daarvan het onderwerp uitmaakt zich bevond.
Buiten deze twee gevallen, moet de betaling geschieden ter woonplaats van den schuldeischer, zoolang deze bij voortduring blijft wonen in de gemeente alwaar hij, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, woonachtig was, en anderzins ter woonplaatse van den schuldenaar. (B.W. 74 v., 81, 1441, 1448, 1468, 1513, 1550, 1761, 1801; X. 180, 209; E.V. 314.)
1430. Ten opzigte van huren, pachten, jaarwedden tot onderhoud, altijddurende renten of lijfrenten, interessen van geleende geldsommen, en, in het algemeen, van al wat bij het jaar of bij kortere geregelde termijnen betaalbaar is, wordt door drie kwijtingen, waaruit van de betaling van drie achtereenvolgende termijnen blijkt, het vermoeden geboren dat ook de vroegere termijnen voldaan zijn, ten ware het tegendeel mogt bewezen worden. (B.W. 1327, 1953.)
1431. De kosten, op de betaling vallende, komen ten laste van den schuldenaar. (B.W. 1443, 1512, 1761.)
1432. De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het regt, bij het doen der betaling, te verklaren tot voldoening van welke dier schulden hij de betaalde som wil doen verstrekken. (B.W. 1665 v.)
1433. De schuldenaar van eene schuld die op interessen loopt kan, buiten de toestemming van den schuldeischer, de betaling, welke hij doet, niet doen verstrekken tot aflossing van de hoofdsom bij voorkeur van voldoening der interessen.
De betaling die gedaan is op de hoofdsom en op de interessen, maar waarmede de geheele schuld niet is afgedaan, strekt in de eerste plaats tot voldoening der interessen. (B.W. 1803, 1806.)
1434. Wanneer hij die verscheidene sommen schuldig is eene kwijting heeft aangenomen, waarbij de schuldeischer verklaard heeft dat hetgeen hij ontvangen heeft in het bijzonder tot voldoening van eene dezer schulden verstrekt, kan die schuldenaar niet meer
227
15*
228 Van het te niet gaan der ver/nndtenissen.
vorderen dat de betaling gerekend worde tot kwijting van eene andere schuld gedaan te zijn, ten zij er van de zijde van den schuld-eiseher bedrog of verrassing hebbe plaats gehad. (B.W. 1357.)
1435. Indien de kwijting niet inhoudt voor welke schuld de betaling gedaan is, moet de betaling gerekend worden gedaan te zijn in voldoening van die schuld, welke de schuldenaar, onder de te gelijk vervallene schulden, destijds het meeste belang had te voldoen; doch indien alle de schulden niet mogten vervallen zijn, wordt de betaling geacht gedaan te zijn in voldoening der schuld die vervallen was, boven de nog niet vervallene, ofschoon deze eerste minder bezwarende zijn mogt, dan de andere.
Indien de schulden van gelijken aard zijn, moet de toerekening op de oudste gedaan worden; doch alles gelijk staande, geschiedt de toerekening op elke schuld naar evenredigheid.
Indien geene der schulden vervallen is, wordt de toerekening gedaan even als omtrent de vervallene schulden. (B.W. 1469 ; H. V. 585 v.)
1436. De subrogatie, of indeplaatsstelling in de regten van den schuldeischer ten behoeve van eenen derden persoon, die denzelven betaalt, geschiedt of bij overeenkomst, of uit kracht der wet.
1437. Deze indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst:
1°. Wanneer de schuldeischer, de betaling van eenen derden persoon ontvangende, denzelven doet treden in de regten, regtsvorderingen, voorregten en hypotheken, welke hij ten laste van den schuldenaar heeft.
Deze subrogatie moet uitdrukkelijk, en gelijktijdig met de betaling, geschieden;
2°. Wanneer de schuldenaar eene som gelds ter leen opneemt, ten einde zijne schuld te betalen, en den geldschieter in de regten van den schuldeischer te doen treden, moeten, om deze subrogatie van waarde te doen zijn, zoo wel de akte van geldopneming als de kwijting bij authentieke akte verleden worden, en moet in de akte van geldopneming verklaard worden dat de som geleend is om daarmede de betaling te doen; terwijl voorts de kwijting moet inhouden dat de betaling gedaan is uit penningen die tot dat einde door den nieuwen schuldeischer zijn voorgeschoten. Deze subrogatie wordt zonder de medewerking van den schuldeischer bewerkstelligd. (B.W. (568, 1198, 141 8, 1885.)
1438. Subrogatie heeft plaats uit kracht der wet: (K. 171, 591.)
1quot;. Ten behoeve van dengenen die, zelf schuldeischer zijnde,
eenen anderen schuldeischer, die uit hoofde van deszelfs bevoorregte schuld of hypotheek, een beter regt heeft, voldoet; (B.W. 1179, 14180.)
2°. Ten behoeve van den kooper van eenig onroerend goed, die den koopprijs daarvan besteedt tot betaling der schuld-
3».
B.ir. Boek III, Titel IV, 1 en 2. Ar tl. 1435â1441.
229
eisohers, aan welke dat goed door hypotheek verbonden was; (B.W. 1242 v.)
Ten behoeve van dengenen die, met anderen, of voor anderen, gehouden zijnde tot voldoening van eene schuld, belang had om dezelve te voldoen; (B.W. 1246, 1'248, 1337 v., 1885; K. 180, 193.)
Ten behoeve van den erfgenaam die, eenen boedel onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebbende, de schulden der nalatenschap met zijne eigene penningen betaald heeft. (B.W. 1078, 1246; K. 171, 284, 610.) De subrogatie, bij de voorgaande artikelen bepaald, heeft plaats zoo wel tegen de borgen als tegen de schuldenaren; dezelve kan den schuldeischer in zijne regten niet verkorten, indien hij slechts gedeeltelijk betaald is; in dit geval, kan hij zijne regten, ten aanzien van hetgeen hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen, bij voorkeur boven dengenen, van wien hij slechts eene gedeeltelijke voldoening bekomen heeft. (B.W. 1877.)
4quot;.
1439.
TWEEDE AÃDEELISG.
Fan aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving.
Art. 1440. Indien de schuldeischer weigert zijne betaling te ontvangen, kan de schuldenaar hem aanbod van gereede betalinc van het verschuldigde doen, en, bij weigering van den schuldeischer om hetzelve aan de nemen, de geldsom of zaak in aeregteliike bewaring stellen. o amp; j
Zoodanig aanbod, gevolgd van bewaargeving, bevrijdt den schuldenaar, en strekt te zijnen opzigte tot betaling, mits hetzelve op eene wettige wijze gedaan zij; blijvende het alzoo in bewaring ge-bragte voor rekening van den schuldeischer. (B.W. 1273- R.V 794 v.)
1441. Ãm zoodanig aanbod van waarde te doen zijn, is het noo-dig: (B.W. 81, 82.)
Dat hetzelve gedaan worde aan eenen schuldeischer die bevoegd is om te ontvangen of aan dengenen die de magt heeft om voor hem te ontvangen; (B.W. 1305, 1421.) Dat het gedaan worde door iemand die bevoegd is om te betalen; (B.W. 1418 v.)
Dat het loope over de geheele opeischbare som en de interessen, mitsgaders over de kosten die vereffend zijn, en over eene som gelds voor de kosten die nog niet vereffend zijn, onder voorbehoud van nadere vereffening; (B.W. 1426, 1431.)
Dat de tijdsbepaling verschenen zij, indien dezelve ten
1°.
3°.
4°.
Vatt het te niet gaan der veröiiidtenüsen.
behoeve van den schuldeischer bedongen is; (B.W. 1306 v.; K. 159.)
50. Dat de voorwaarde waaronder de schuld is aangegaan vervuld zij; (B.W. 1299 v.)
6°. Dat bet aanbod gedaan worde op de plaats alwaar de betaling, volgens de overeenkomst, zoude moeten geschieden, en indien er geene bijzondere overeenkomst deswege bestaat, het zij aan den persoon van den schuldeischer, het zij te zijner werkelijke of gekozene woonplaats; (B.W. 74, 1429, 1448; R.V. 439, 794.)
7°. Dat het aanbod gedaan worde door eeuen notaris of door eenen deurwaarder, beide met twee getuigen. (R.V. 795.)
1442. Om eene consignatie van waarde te doen zijn, wordt geene magtiging van den regter vereischt, het is genoegzaam: (R.V. 795.)
1°. Dat dezelve zij voorafgegaan van eene aan den schuld-eisclier beteekende kennisgeving, houdende aanwijzing van deu dag, het uur en de plaats, waarop de aangebodene zaak in bewaring zal gesteld worden; (R.V. 794.)
2°. Dat de schuldenaar zich van de aangebodene zaak ontdaan hebbe, door dezelve in bewaring te stellen ter plaatse door de wet tot het ontvangen van consignatien aangewezen, met de interessen tot den dag der bewaarstelling toe;
3°. Dat er door den notaris, of door deu deurwaarder, beide met twee getuigen, een proces-verbaal worde opgemaakt, behelzende den aard der aangebodene muntspeciën, de wei-wering van den schuldeischer om dezelve te ontvangen, of dat hij tot die ontvangst niet verschenen is, en eindelijk het doen van de consignatie zelve;
4°. Dat bijaldien de schuldeischer tot de ontvangst niet verschenen is, het proces-verbaal der consignatie hem betee-kend zij, met aanmaning om het in bewaring gebragte te ligten.
1443. De onkosten, gevallen op het aanbod van gereede betaling en op de consignatie, zijn voor rekening van den schuldeischer, indien dezelve wettiglijk zijn geschied. (B.W. 1431, 1448.)
1444. Zoo lang het in bewaring gebragte niet door den schnld-eischer is aangenomen, kan de schuldenaar hetzelve terugnemen; in dat geval, zijn deszelfs mede-schuldenaren en borgen niet bevrijd. (B.W. 1882 v.)
1445. Wanneer de schuldenaar zelf een vonnis verkregen heeft, hetwelk in kracht van gewijsde gegaan is, en waarbij zijn gedaan aanbod goed en van waarde verklaard is, kan hij, zelfs met toestemming van den schuldeischer, het in bewaring gebragte niet meer terug nemen ten nadeele zijner mede-schuldenaren en borgen. (B.W. 1954; R.V. 796.)
1446. De mede-schuldenaren en borgen zijn insgelijks bevrijd,
230
â
B. W. Boek III, Titel IV, i en 3. Artt. 1442â1453. 231
indien de schuldeischer, na den dag van de beteekening der consignatie, een jaar heeft laten voorbijgaan, zonder derzelver bestaanbaarheid te betwisten. (B.W. 1440.)
1447. De schuldeischer die zijne toestemming gegeven heeft dat de schuldenaar het in bewaring gebragte terug neme, nadat de consignatie bij een regterlijk vonnis, dat kracht van gewijsde bekomen had, was verklaard van waarde te zijn, kan uiet meer, om betaling van zijne schuld te bekomen, gebruik maken van de voor-regten of hypotheken welke daaraan verknocht waren. (B.W. 1449, 1457, 1954.)
1448. Ingeval het verschuldigde bestaat in eene zekere zaak, welke
feleverd moet worden op de plaats alwaar dezelve zich bevindt, moet e schuldenaar den schuldeischer geregtelijk doen aanmanen om dezelve naar zich te nemen bij eene akte, welke aan deszelfs persoon of woonplaats, of aan de woonplaats die tot de volbrenging der overeenkomst gekozen is, moet beteekend worden. Indien deze aanmaning gedaan is, eu de schuldeischer de zaak niet tot zich neemt, kan de schuldenaar van den regter verlof bekomen om dezelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (B.W. 74, 81,1429, 1513, 1775.)eleverd moet worden op de plaats alwaar dezelve zich bevindt, moet e schuldenaar den schuldeischer geregtelijk doen aanmanen om dezelve naar zich te nemen bij eene akte, welke aan deszelfs persoon of woonplaats, of aan de woonplaats die tot de volbrenging der overeenkomst gekozen is, moet beteekend worden. Indien deze aanmaning gedaan is, eu de schuldeischer de zaak niet tot zich neemt, kan de schuldenaar van den regter verlof bekomen om dezelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (B.W. 74, 81,1429, 1513, 1775.)
DERDE AFDEBLING.
Van Hchuldoernieuwmg.
Art. 1449. Schuldvernieuwing wordt op driederlei wijze te weeg gebracht:
1°. Wanneer een schuldenaar ten behoeve van zijnen schuldeischer eene nieuwe schuldverbindtenis aangaat, welke in de plaats gesteld wordt van de oude, die daardoor vernietigd wordt;
Wanneer een nieuwe schuldenaar wordt gesteld in de plaats van den vorigen, die door den schuldeischer van zijne verbindtenis ontslagen wordt;
Wanneer, ten gevolge eener nieuwe overeenkomst, een nieuwe schuldeischer gesteld wordt in de plaats van den vorigen, te wiens opzigte de schuldenaar van zijne verbindtenis ontslagen wordt. (B.W. 1457, 1827; K. 236.)
1450. Schuldvernieuwing kan slechts plaats hebben tusschen personen die bekwaam zijn om verbindtenissen aan te gaan. (B.W. 1365.)
1451. Schuldvernieuwing wordt niet voorondersteld; de wil om dezelve daar te stellen moet duidelijk uit de akte blijken. (B.W. 1456, 1474.)
1452. Scimldvernieuwing, door het in de plaats stellen van eenen nieuwen schuldenaar, kan geschieden zonder medewerking van den eersten schuldenaar. (B.W. 1418.)
1453. Delegatie of overzetting, waarbij een schuldenaar aan zijnen schuldeischer eenen anderen schuldenaar geeft, die zich ten
2°.
3°.
232 Van het te niet gaan der verbindtenissen.
behoeve van den schuldeischer verbindt, brengt geene schuldvernieuwing te weeg, indien de schuldeischer niet uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij van meening was om zijnen schuldenaar, die de overzetting gedaan heeft, van deszelfs verbindtenis te ontslaan. (B.W. 1451, 1456, 1467.)
1454. De schuldeischer zijnen schuldenaar, door wien de overzetting geschied is, van zijne verpligting ontslagen hebbende, heeft op denzelven geen verhaal, indien de in de plaats gestelde in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware zulks bij de overeenkomst uitdrukkelijk mogt zijn voorbehouden, of de in de plaats gestelde schuldenaar reeds op het oogenblik der overzetting in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen mogt zijn geraakt. (B.W. 1572; K. 764 v; R.V. 882 v.) ')
1455. üe schuldenaar die zich, bij overzetting, aan eenen nieuwen schuldeischer verbonden heeft, en daardoor ten aanzien van zijnen vorigen schuldeischer ontslagen is, kan aan den nieuwen schuldeischer niet tegenwerpen de exceptien, welke hij tegen den eersten zoude hebben kunnen doen gelden, al ware het dat dezelve hem bij het aangaan der nieuwe verbindtenis niet bekend zijn geweest, behoudens echter, in het laatste geval, deszelfs verhaal op den oorspron-kelijken schuldeischer. (B.W. 1449.)
1456. Enkele aanwijzing, door den schuldenaar gedaan, van iemand die voor hem betalen moet, brengt geene schuldvernieuwing te weeg.
Hetzelfde geldt ook omtrent eene enkele aanwijzing, door den schuldeischer gedaan, van iemand die voor hem moet ontvangen. (B.W. 1453, 1829; K. 210 v., 221 v.)
1457. De voorregten en hypotheken, aan de oude schuldvordering verbonden, gaan niet over tot die welke in derzelver plaats is gesteld, ten ware de schuldeischer zich zulks uitdrukkelijk mogt hebben voorbehouden. (B.W. 1179, 1447, 1471.)
1458. Wanneer de schuldvernieuwing wordt te weeg gebragt door eenen nieuwen schuldenaar in de plaats van den vorigen te stellen, gaan de voorregten en hypotheken, die oorspronkelijk aan de schuldvordering verbonden waren, niet over op de goederen van den nieuwen schuldenaar. (B.W. 1449.)
1459. Wanneer de schuldvernieuwing plaats vindt tusschen den schuldeischer en een der hoofdelijke schuldenaren, kunnen de voorregten en hypotheken niet voorbehouden worden, dan alleenlijk op de goederen van dengenen die de nieuwe schuldverbindtenis aangaat. (B.W. 1316 v.)
1460. Door de schuldvernieuwing, tusschen den schuldeischer en eeu der hoofdelijke schuldenaren gemaakt, worden de overige mede-schuldenaren van hunne verbindtenis ontslagen.
1) De elf laatste woorden ran art. Uó4 aldus geredigeerd by art. 16 der wet van 15 Juny 1833, Stabl. no. 35.
B.W. Boek III, Titel IV, 3 en 4. Artt. 1454â1466. 233
Schuldvernieuwing, ten aanzien van den hoofdschuldenaar te weeg gebragt, ontslaat de borgen.
Indien evenwel de schuldenaar, in het eerste geval, de toetreding der mede-schuldenaren en, in het tweede, die der borgen gevorderd heeft, en de mede-schuldenaren of borgen weigeren om tot de nieuwe schikking toe te treden, blijft de oude schuldverbindtenis voortduren. (BW. 13-23 v., 1479, 1882 v., 1975.)
VIERDE APDEEMNG.
Van compensatie of vergelijking van schuld.
Art. 1461. Twee personen wederkeerig elkanders schuldenaren zijnde, heeft tusschen dezelve vergelijking plaats, door welke de wederzijdsche schulden worden vernietigd, op de wijze en in de gevallen hierna vermeld. (B.W. 1018, 1465 v.)
1462. Vergelijking heeft van regtswege plaats, zelfs buiten weten der schuldenaren, en de beide sclmlden vernietigen elkander over en weder, op het oogenblik dat zij te gelijk bestaan, ten beloope van derzelver wederkeerig bedrag.
1463. Vergelijking heeft alleen plaats tusschen twee schulden die beide tot onderwerp hebben eene geldsom, of eene zekere hoeveelheid van zaken die door het gebruik te niet gaan, van dezelfde soort, en die wederzijds voor eene dadelijke vereffening en opeisching vatbaar zijn.
Leveringen van granen en levensmiddelen welke niet betwist worden, en waarvan de waarde bij prijscouranten bepaald is, kunnen in vergelijking gebragt worden tegen vereffende en opeischbare geldsommen. (B.W. 561,1305; K. 778; R.V. 891.)
1464. Bekomen uitstel van betaling verhindert geene vergelijking. (B.W. 1306,1797.)
1465. De vergelijking heeft plaats uit welke oorzaak ook de wederzijdsche schulden voortspruiten,'uitgezonderd:
1°. Wanneer de teruggave geëischt wordt van eene zaak waarvan de eigenaar wederregtelijk ontzet is;
2°. Wanneer geëischt wordt de teruggave van iets hetwelk in bewaring of ter bruikleen gegeven is; (B.W. 1731 v., 1777 v.)
3U. Ten aanzien eener schuld, spruitende uit hoofde van levensonderhoud hetwelk verklaard is niet in beslag te kunnen worden genomen. (R.V. 756.)
1466. Een borg kan in vergelijking brengen hetgeen de schuld-eischer aan den hoofdschuldenaar verschuldigd is, maar de hoofdschuldenaar kan niet in vergelijking brengen hetgeen de schuld-eisclier aan den borg verschuldigd is.
De hoofdelijke schuldenaar mag insgelijks niet in vergelijking
334 Van het te niet gaan der verbindtenissen.
brengen hetgeen door den schuldeischer aan zijnen mede-schuldenaar verschuldigd is. (B.W. 1323, 1884.)
1467. Een schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdragt van regten, door den schuldeischer aan eenen derde i'edaan, kan zich niet meer tegen dengenen te wiens behoeve die overdragt gedaan is bedienen van de vergelijking, welke hij, vóór dezelve, aan zijnen schuldeischer had kunnen tegenwerpen.
De overdragt van regten, waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die aan denzelven is beteekend geworden, verhindert slechts de vergelijking der schulden welke na de gedane beteekening zijn aangegaan. (B.W. 668, 1453, 1471, 1569 v.)
1468. Indien de wederzij dsche schulden niet ter zelfde plaatse betaalbaar zijn, kunnen dezelve niet in vergelijking gebragt worden, dan met vergoeding van de kosten der overmaking. (B.W. 1429, 1441, 1448.)
1469. Indien er verscheiden voor vergelijking vatbare en van denzelfden persoon vorderbare schulden bestaan, moet men, ten^ aanzien der vergelijking, de regelen volgen welke bij artikel 143o zijn voorgeschreven. (B.W. 1433.)
1470. Vergelijking heeft geene plaats ten nadeele der verkregene regten van eenen derde.
Aldus kan hij die, schuldenaar zijnde, schuldeischer geworden is, nadat op het door hem verschuldigde door eenen derde is beslag gelegd, zich niet, ten nadeele van den inheslagnemer, van de schuldvergelijking bedienen. (B.W. 1424; R.V. 735 v., 742 v.)
1471. Hij, die eene schuld betaald heeft welke van regtswege door vergelijking vernietigd was, kan zich, bij het invorderen der in-schuld welke hij niet in vergelijking gebragt heeft, niet meer, ten nadeele van derden, bedienen van de voorregten en hypotheken welke aan die inschuld verbonden waren, ten ware hij eeue wettige reden van onkunde mogt gehad hebben omtrent het bestaan der inschuld met welke zijne schuld had moeten worden in vergelijking gebragt. (B.W. 1449, 1462.)
VIJFDE APDEÃLING.
Van schuldoermenging.
Art. 1472. Wanneer de hoedanigheden van schuldeischer en schuldenaar zicli in denzelfden persoon vereenigen, heeft van regtswege eene schuldvermenging plaats, waardoor de schuldvordering vernietigd wordt. (B.W. 753, 1764.)
1473. Schuldvermenging welke in den persoon van den hoofdschuldenaar plaats vindt, strekt ook ten voordeele van deszelfs borgen.
B. W. Boek 111, Titel IV, é, 5, 6 en 7. Artt. 1467â1480. 235
Die welke in den persoon van den borg plaats vindt, heeft geenszins de vernietiging der hoofdverbindtenis ten gevolge.
Die welke in den persoon van een der hoofdelijke schuldenaren plaats heeft, strekt niet verder tot voordeel zijner hoofdelijke medeschuldenaren, dan voor het aandeel in de schuld waarvoor hij zelf schuldenaar was. (B.W. 1324, 1883, 1975 v.)
ZESDE AFDEELISe.
Van kwijtschelding van schuld.
Art. 1474. De kwijtschelding eener schuld wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden. (B.W. 1806, 1902.)
1475. De vrijwillige teruggave van een oorspronkelijk onder-handsch schuldbewijs, door den schuldeischer aan den schuldenaar gedaan, bewijst de kwijtschelding der schuld, zelfs ten aanzien der hoofdelijke mede-schuldenaren. (B.W. 1315 v., 1902, 1911 v., 1953.)
1476. De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij overeenkomst, ten behoeve van éénen der hoofdelijke mede-sohuldena-ren gegeven, bevrijdt alle de overige, ten ware zich de schuldeischer uitdrukkelijk zijne regten tegen de laatstgemelden mogt hebben voorbehouden.
In welk laatste geval, hij de schuld niet verder kan invorderen, dan na aftrek van het aandeel van dengenen aan wien hij de schuld heeft kwijtgescholden. (B.W. 1323, 1894.)
1477. De teruggave van eene in pand gegevene zaak is niet voldoende om de vrijstelling der schuld te doen vermoeden. (B.W. 1196 v., 1474.)
1478. De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij overeenkomst, aan den hoofdschuldenaar toegestaan, bevrijdt de borgen.
De kwijtschelding, aan den bore toegestaan, bevrijdt den hoofdschuldenaar niet.
De kwijtschelding, aan eenen der borgen toegestaan, ontslaat de overigen niet. (B.W. 1446, 1473, 1875, 1975.)
1479. Hetgeen de schuldeischer van eenen borg heeft ontvangen tot afdoening van deszelfs borgtogt, moet gerekend worden in mindering der schuld betaald te zijn, en moet verstrekken tot ontlasting van den hoofdschuldenaar en van de overige borgen. (B.W. 1432.)
ZEVENDE APDEELING.
Van het vergaan der verschuldigde zaak.
Art. 1480. In geval de zekere en bepaalde zaak, welke het on-
236 Van het te niet gaan der verbindtenissen.
derwerp der overeenkomst uitmaakte, vergaat, buiten den handel der menschen geraakt, of verloren gaat, zoodanig dat men van der-zelver bestaan te eenenmale onkundig is, vervalt de verbindtenis, mits de zaak vergaan of verloren zij buiten de schuld van den schuldenaar, en voordat hij in de levering daarvan nalatig gebleven was.
Zelfs dan wanneer de schuldenaar in gebreke is om eene zaak te leveren, en hij voor geene onvoorziene toevallen heeft ingestaan, is de verbindtenis vernietigd, indien de zaak op gelijke wijze bij den schuldeischer zoude vergaan zijn, in geval dezelve aan hem ware geleverd geweest.
De schuldenaar is gehouden het onvoorziene toeval, waarop hij zich beroept, te bewijzen.
Op welke wijze ook eene ontvreemde zaak vergaan of verloren zij, ontslaat dit verlies dengenen die deze zaak ontvreemd heeft geenszins van de verpligting om de waarde te vergoeden. (B.W. 842, 1046, 1145, 1203, 1271, 1273, 1311, 1363, 1508, 1546, 1641 v., 1683, 1782; K. 588.) ')
1481. Indien de verschuldigde zaak zonder toedoen van den schuldenaar vergaan, buiten den handel der menschen geraakt of verloren is, is de schuldenaar gehouden, in geval hij eenige regten of vorderingen tot schadevergoeding betrekkelijk deze zaak heeft, die aan zijnen schuldeischer af te staan. (B.W. 1753.)
ACHTSTE AFDEELING.
Van de nietigheid en van de vernietiging der verbindtenissen.
Art. 1482. Alle verbindtenissen door minderjarige of onder curatele gestelde personen aangegaan, zijn van regtswege nietig, en moeten, op eene door hen of van hunnentwege daartoe gedane vordering, worden nietig verklaard, op den enkelen grond der minderjarigheid of der curatele.
De verbindtenissen, aangegaan door getrouwde vrouwen en door minderjarigen die handligting hebben bekomen, zijn slechts van regtswege nietig, voor zoo verre die verbindtenissen hunne bevoegdheid te boven gaan. (B.W. 163 v., 171, 337, 483 v., 506, 1053, 1366 v., 1489, 1835.)
1483. De bepaling van het vorige artikel is niet toepasselijk op verbindtenissen, voortvloeijende uit een begaan misdrijf, of uit eene daad welke aan een ander schade heeft veroorzaakt.
Ook kan de minderjarigheid niet worden ingeroepen tegen ver-
1) Het ide iid van art. 1480 aldus gewijzigd door art. 9 der wet vau 26 April 1884, Stsbl. no. 93.
B. W. Boek III, Titel IV, 7 en 8. AHt. 1481â1490. 237
bindtenissen door minderjarigen, bij huwelijksche voorwaarden met inachtneming van artikel 206, aangegaan. (B.W. 1401 v.)
1484. Indien de formaliteiten ten voordeele der minderjarigen en onder curatele gestelden, tot de bestaanbaarheid van zekere akten voorgeschreven, zijn vervuld, of de vader, de voogd, of de curator, handelingen heeft verrigt die de grenzen van zijne bevoegdheid niet te buiten gaan, worden de minderjarigen en onder curatele gestelden, met opzicht tot die handelingen, beschouwd alsof zij dezelve na hunne meerderjarigheid, of buiten curatele, hadden verrigt, onverminderd hun verhaal op den vader, den voogd, of den curator, zoo daartoe gronden zijn. (B.W. 362, 385, 451, 459. 461 465, 484, 506.) . . .
1485. Verbindtenissen door geweld, dwaling of bedrog aangegaan, leveren eene regtsvordering op tot derzelver vernietitnnquot;-. (B.W. 1357 v., 1488 v., 1895.) 6 o v
1486. Uit hoofde van benadeeling kunnen meerderjarigen en ook minderjarigen,^ wanneer zij als meederjarig worden aangemerkt, alleen de vernietiging der verbindtenissen vorderen, in de bijzondere gevallen bij de wet voorzien. (B.W. 483, 1158 no. 3, 1159 v., 1170, 1895.)
1487. De nietigverklaring van verbindtenissen, op grond der onbekwaamheid van de personen, bij artikel 1366 vermeld, heeft ten gevolge dat de zaak en de partijen worden hersteld in den staat waarin zij zich voor het aangaan der verbindtenis bevonden, met dien verstande dat al hetgeen aan de onbevoegden, ten gevolge der verbindtenis, is uitgekeerd of betaald, slechts kan worden terug gevorderd, voor zoo verre hetzelve nog onder den onbevoegde berust, of voor zoo verre mogt blijken dat deze door het uitgekeerde of betaalde werkelijk is gebaat, of dat het genotene te zijnen nutte is aangewend of gestrekt heeft. (B.W. 171, 1423, 1739.)
1488. De nietigverklaring, op grond van geweld, dwaling of bedrog, heeft insgelijks ten gevolge dat de zaak en de partgen worden hersteld in den staat waarin zij zich vóór het aangaan der verbindtenis bevonden.
1489. In de gevallen, bij de artikelen 1482 en 1485 voorzien, is degene tegen wien de regtsvordering tot nietigverklaring is toegewezen daarenboven tot vergoeding van kosten, schaden en interessen verbonden, indien daartoe gronden zijn. (B.W. 1279 v.)
1490. In alle gevallen waarin eene regtsvordering tot nietigverklaring eener verbindtenis (daaronder begrepen die waarvan bij artikel 1377 wordt gehandeld) niet bij eene bijzondere wetsbepaling tot eenen korteren tijd is beperkt, duurt dezelve vijfjaren.
Die tijd begint te loopen:
In geval van minderjarigheid, van den dag der meerderjarigheid;
In geval van curatele, van den dag van derzelver opheffing;
Van het te niet gaan der verbindtenusen.
In geval van geweld, van den dag waarop hetzelve heeft opgehouden ;
In geval van dwaling of hedrog, van den dag der ontdekking;
In geval van handelingen eener getrouwde vrouw, zonder mag-tiging van den man aangegaan, van den dag der ontbinding des huwelijks;
De hier-boven vermelde tijd voor het aanleggen der regtsvorde-ring is niet toepasselijk op de nietigheid, hij wege van verdediging of exceptie voorgedragen, welke men steeds zal kunnen doen gelden. (B.W. 163, 170 v., 1487, 1547, 1727.)
1491. Hg die vermeent de nietigverklaring eener verhindtenis op onderscheidene gronden te kunnen vorderen, is verpligt alle die gronden te gelijk aan te voeren, op straffe van verstek der zoodanige die later mogten zijn aangevoerd, ten ware de laatstgemelde door het toedoen der wederpartij niet vroeger hadden kunnen bekend worden. (R.V. 37, 160.)
1492. De regtsvordering tot nietigverklaring vervalt, indien de minderjarige, de onder curatele gestelde, de getrouwde vrouw die zonder bijstand van haren man heeft gehandeld, of hij die zich op geweld, dwaling of bedrog kan beroepen, de verhindtenis uitdruk-kelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd, na den dag van de meerderjarigheid, de opheffing der curatele, de ontbinding des huwelijks, het ophouden van het geweld, of de ontdekking van de dwaling of des bedrogs. (B.W. 172, 1363, 1929.)
VIJFDE TITEL.
Van koop en verkoop.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 1493. Koop en verkoop is eene overeenkomst, waarbij de eene zich verbindt om eene zaak te leveren, en de andere om daarvoor den bedongen prijs te betalen. (B.W. 555, 1271 v., 1501;
K. 309.)
1494. Zij wordt gehouden tusschen de partijen voltrokken te zijn, zoodra deze het eens zijn geworden over de zaak en den prijs, hoewel ook de zaak nog niet mogt geleverd, noch de prijs betaald zijn. (B.W. 1376; R.V. 129.)
1495. De eigendom van het verkochte goed gaat niet eer tot den kooper over, dan nadat de levering daarvan geschied is, overeenkomstig artikel 667, 668 en 671. (B.W. 639, 1511, 1723; R.Vquot;. 529.)
238
B.W. Boek III, Titel IF, 8 en V, 1. Artt. 1491â1503. 239
1496. Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald voorwerp bestaat, is dezelve, van het oogenblik van den koop af, voor rekening van den kooper, hoewel de levering nog niet hebbe plaats gehad; en heeft de verkooper het regt om den prijs te vorderen. (B.W. 1273, 1300, 1480, 1517.)
1497. In geval goederen niet hij den hoop, maar bij het gewigt, het getal of de maat, verkocht zijn, big ven dezelve voor rekening van den verkooper, tot dat dezelve gewogen, geteld of genieten zijn.
1498. Indien, daarentegen, de goederen bij den hoop verkocht zijn, zijn dezelve voor rekening van den kooper, alhoewel dezelve nog niet gewogen, geteld of gemeten mogten zijn.
1499. Koop en verkoop op de proef aangegaan, of van goederen die men gewoon is vooraf te proeven, wordt altijd voorondersteld onder eene opschortende voorwaarde te hebben plaats o-eliad. (B.W. 1299 v.)
1500. Indien de koop met het geven van eene handgift of eenen godspenning is gesloten, kan geene der partijen van dien koop afzien, het zg door het laten behouden, het zij door het terug geven, van de handgift of den godspenning. (B.W. 1374, 1524.)
1501. De koopprijs moet door de partgen bepaald worden.
Dezelve kan echter aan de begrooting van eenen derde worden
overgelaten.
Indien die derde de begrooting niet wil of niet kan doen, heeft er geen koop plaats. (B.W. 1671.)
1502. De kosten der akten van koop en verkoop, en andere bgko-mende onkosten, komen ten laste van den kooper, indien het tegendeel niet bedongen is. (B.W. 1431, 1512.)
1503. Tusschen echtgenooten kan geen koop of verkoop plaats hebben, dan in de drie volgende gevallen:
1°. Wanneer een der echtgenooten aan den anderen van wien hg geregtelijk gescheiden is goederen overdraagt, tot voldoening van hetgeen aan denzelven naar regten toekomt; (B.W. 241 v., 298.)
2°. Wanneer de overdragt die de man doet aan zijne vrouw, zelfs van welke hij niet gescheiden is, eenige wettige oorzaak heeft, als daar is tot wederbelegging van hare vervreemde goederen, of van penningen die haar toebehooren, indien namelgk die goederen of die penningen van de gemeenschap zgn uitgesloten. (B.W. 160, 179, 194 v.)
3°. In geval de vrouw aan haren man goederen overdraagt tot betaling eener som, welke zij hem als huwelijksgoed heeft beloofd, voor zoover die goederen van de gemeenschap zijn uitgesloten. (B.W. 194 v.)
Behoudens echter, in deze drie gevallen, de regten der erfgenamen van de handelende partgen, wanneer eene van laatstgemelde
Van koop en verkoop.
alzoo eenig zijdelingsch voordeel mogt hebben bekomen. (B.W. 199 v., 210 v., 238, 241 v., 948 v.; R.V. 505.)
1504. Regters, leden van het openbaar ministerie, griffiers, advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen mogen door over-dragt geene eigenaars worden van regten en regtsvorderingen, waarover gedingen aanhangig zijn voor de regtbank, onder welker regts-gebied zij hunne bedieningen uitoefenen, op straffe van nietigheid, en vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B.W. 1279 v., 1490.)
1505. Openbare ambtenaren mogen, op dezelfde straf, door hen-zelven of door tusschenkomende personen, geene .zaken koopen die door hen of te hunnen overstaan verkocht worden. (B.W. 239, 958 v., 1490.)
1506. Insgelijks mogen, op dezelfde straffen, door henzelven of door tusschenkomende personen, bij onderhandschen verkoop geene koopers worden:
Lasthebbers van zaken met welker verkoop zij belast waren;
Bewindvoerders van zaken, aau het rijk, de gewesten, de gemeenten, of aan andere openbare instellingen, toebehoorende, welke aan hunne zorg en beheer zijn toevertrouwd.
Het blijft echter aan den Koning voorbehouden om aan openbare bewindvoerders vrijstelling van dit verbod te verleenen.
De voogden kunnen de onroerende goederen, aan hunne pupillen toebehoorende, koopen, op de wijze bij artikel 457 bepaald. (B.W. 239, 406, 958, 1282, 1490, 1837.)
1507. Koop en verkoop van eens anders goed is nietig, en kan tegen den verkooper grond opleveren tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien de kooper niet geweten heeft, dat de zaak aan een ander toebehoorde. (B.W. 637, 1013, 1225, 1535,1559, 1754, 1885, 2014.)
1508. Indien, op het oogenblik der verkooping, het gekochte goed geheel!ijk mogt vergaan zijn, is de koop nietig.
Bijaldien slechts ee» gedeelte daarvan vergaan is, staat het aan den kooper vrij om of den koop te laten varen, of het behouden gebleven gedeelte te vorderen, en den koopprijs daarvoor bij vergelijkende waardeering te doen bepalen. (B.W. 1311, 1374, 1480.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de verpligtingen der verkoopers.
Art. 1509. De verkooper is gehouden om duidelijk uit te drukken waartoe hij zich verbindt; alle duistere en dubbelzinnige bedingen worden te zijnen nadeele uitgelegd. (BW. 1379 v.)
1510. Hij heeft twee hoofdverpligtingen, namelijk, om de verkochte zaak te leveren, en dezelve te vrijwaren. (B.W. 1271, 1527 v.)
240
B. W. Boek lil, Titel V, 1 en 2. Artt. 1504-1522. 241
1511. De levering is eene overdragt van het verkochte goed in de magt en het bezit van den kooper. (B.W. 667 v., 1495.)
1512. üe kosten der levering zijn ten laste van den verkooper, en die der weghaling ten laste van den kooper, zoo niet het tegendeel bedongen is. (B.W. 1431.)
1513. De levering moet geschieden ter plaatse waar het verkochte goed zioh op het tijdstip der verkooping bevond, indien daaromtrent geene andere overeenkomst getroffen is. (B.W. 1274,1429,1448,1550.)
1514. De verkooper is niet verpligt het goed te leveren, indien de kooper den koopprijs niet betaalt, en de verkooper hem geen uitstel van betaling heeft toegestaan. (B.W. 1426.)
1515. Insgelijks is hij niet tot de levering gehonden, al ware het ook dat hij een uitstel van betaling had toegestaan, indien de kooper, na den koop, in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware hij een borg stelde om op den bepaalden tijd te betalen. (B.W. 1307; K. 764 v.; R.V. 882 v.)
1516. Indien de legering dogr-detrSlatigheid des verkoopers achterwege blijft, kan dejEfl^pCfSseiluetiging van den koop vorderen, overeenkomstig_iie^Sépalineen van artikel 1302 en 1303. (B.W. 1272, 1558.)
1517. Het goed moet geleverd worden in den staat waarin hetzelve zich op het oogenblik van den verkoop bevindt.
Van dien dag af aan, behooren alle vruchten aan den kooper. (B.W. 626,1010, 1273, 1427.)
1518. De verpligting om eene zaak te leveren bevat al wat daartoe behoort en tot derzelver bestendig gebruik bestemd is, mitsgaders de bewijzen van eigendom, indien die aanwezig zijn. (B.W. 643, 667 v., 1271 v., 1375, 1517, 1569.)
1519. De verkooper is verpligt het verkochte te leveren in des-zelfs geheelen omvang, zoo als het in de overeenkomst uitgedrukt wordt, onder de navolgende wijzigingen.
1520. Indien de verkoop van een onroerend goed geschied is met vermelding van desz(jlfs uitgestrektheid of inhoud, tegen bepaling van eenen zekeren prijs voor' de maat, is de verkooper gehouden om de hoeveelheid, bij de overeenkomsT*uitgedrukt, te leveren; en indien hem dit onmogelijk is, of de kooper zulks niet vordert, is de verkooper verpligt zich met eene evenredige vermindering van prijs te vergenoegen. (B.W. 1525 v., 1537, 1624.)
1521. Indien, daarentegen, in het geval bij het vorige artikel vermeld, het onroerend goed eenen grooteren omvang bevat, dan in de overeenkomst uitgedrukt is, heeft de kooper de keus om of den prijs in evenredigheid te verhoogen, of van den koop af te zien, indien namelijk het meerdere een twintigste gedeelte beloopt boven den omvang, bij de overeenkomst uitgedrukt. (B.W. 1524 v.)
1522. In alle andere gevallen, het zij een zeker bepaald voorwerp verkocht zij, het zij de verkoop afgescheidene en afzonderlijke erven
BURG. WETB. 16
Van koop en verkoop.
tot onderwerp hebbe, het zij dezelve beginne met de opgave dei-maat, of met de aanduiding van het verkochte goed, gevolgd van de opgave der maat, levert de vermelding dezer maat ten behoeve van den verkooper geen grond op tot eenige vermeerdering van prijs voor het meerdere der maat, noch ten behoeve van den kooper tot eenige vermindering van prijs voor het mindere der maat, dau voor zoo verre het onderscheid tusschen de werkelijke maat, en die welke in de overeenkomst is uitgedrukt, een twintigste meer of minder bedraagt, berekend naar de waarde van het geheel der verkochte voorwerpen, tenzij het tegendeel mocht bedongen zyn.
1523. Indien er, volgens het voorgaande artikel, grond bestaat tot verhooging van den koopprijs voor het meerdere üer maat, beeft de kooper de keus om of van den koop af te zien, of den verhoogden koopprijs te betalen, en zulks met de interessen, ingeval hij het onroerend goed gehouden heeft. (B.W. 1517, 1551.)
1524. In alle gevallen waarin de kooper het regt heeft om van den koop af te zien, is de verkooper gehouden hem, behalve den koopprijs, indien hij denzelven ontvangen heeft, de kosten, op den koop en de levering gevallen, terug te geven, voor zoo verre hij die volgens overeenkomst mogt hebben betaald. (B.W. 1303, 1502, 1516.)
1525. De regtsvordering tot aanvulling van den koopprijs, van de zyde des verkoopers, en die tot vermindering van den prijs, of tot vernietiging van den koop, van den kant des koopers, moeten aangelegd worden binnen den tijd van een jaar, te rekenen van den dag waarop de levering is geschied; zullende, bij gebreke van dien, iteze regtsvorderingen vervallen zijn. (B.W. 1520.)
1526. Indien twee erven bij dezelfde overeenkomst en gezamenlijk voor éénen prijs verkocht zijn, me'; opgave van de hoegrootheid van ieder, en er bevonden wordt dat het eene meer en het andere minder omvang heeft, wordt dit verschil tot het vereischte beloop bij wege van vergelijking vereffend, en heeft de vordering, het zij tot aanvulling, het zij tot vermindering van den koopprijs, niet verder plaats, dan overeenkomstig de hier-boven vastgestelde regelen. (B.W. 1520 v.)
1527. üe vrijwaring, waartoe de verkooper jegens den kooper gehouden is, heeft twee strekkingen, namelijk, voor eerst, het rustig en vreedzaam bezit van de verkochte zaak; ten tweede, de verborgene gebreken dier zaak, of de zoodanige die aanleiding geven tot vernietiging van den koop. (B.W. 1129, 1252, 1528 v., 1540 v., 2027; R.V. 680.)
1528. Hoezeer bij den verkoop geen beding omtrent de vrijwaring gemaakt zij, is de verkooper van regtswege verpligt den kooper te waarborgen voor de uitwinning, welke deze op het geheel verkochte goed, of op een gedeelte daarvan, komt te lijden, of wegens de lasten welke men beweert op dat goed te hebben, en die bij het
242
B.W. Boek UI, Titel V, 2. AM. 1523-1535.
aangaan van den koop niet opgegeven zijn. (B.W. 1129, 1252,1532 v., 1536 v., 1580; R.V. 711.)
1529. Partijen kunnen, bij bijzondere overeenkomsten, deze door de wet opgelegde verpligting uitbreiden of inkorten; zij kunnen zelfs overeenkomen dat de verkooper tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zijn. (B.W. 1374, 1542, 1570.)
1530. Alhoewel bedongen moge zijn dat de verkooper tot geene vrijwaring zal gehouden zijn, blijft hij nogtans aansprakelijk voor de zoodanige welke uit eene daad, door hem zeiven verrigt, voortspruit; alle hiermede strndende overeenkomsten zijn nietig. (A. 14: B.W. 1570; E.V. 711.)
1531. De verkooper is, bij hetzelfde beding, in geval van uitwinning, gehouden den koopprijs terug te geven, ten ware de kooper, ten tijde van den koop, het gevaar van uitwinning mogt gekend hebben, of de zaak op eigen bate en schade mogt hebben gekocht. (B.W. 1541, 1811.)
1532. Indien vrijwaring beloofd, of dienaangaande niets is bedongen geworden, heeft de kooper, in geval van uitwinning, het regt om van den verkooper te vorderen:
l0. De teruggave van den koopprijs;
2quot;. De teruggave der vruchten, in geval hij verpligt is die aan den uitwinnenden eigenaar uit te keeren; (igt;.W. 630 v.)
3°. De kosten op den eisch van den kooper tot vrijwaring gevallen, alsmede de kosten door den oorspronkelijken eiscner gemaakt; (B.V. 56 v.)
4°. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, mitsgaders de geregtelijke kosten op den koop en de levering gevallen, voor zoo verre de kooper die mogt hebben betaald. (B.W. 1252, 1279, 1524 v., 1545; R.V. 08 v.)
1533. Indien op het oogenblik der uitwinning het verkochte goed bevonden wordt in waarde verminderd, of aanmerkelijk vervallen te zijn, het zij door de nalatigheid van den kooper, liet zij door overmagt, is de verkooper niettemin geVouden den geheelen koopprijs terug te geven.
Doch indien de kooper voordeel heeft genoten van de door hem toegebragte schaden, heeft de verkooper de bevoegdheid om eene met dat voordeel gelijk staande som van den koopprijs af te trekken. (B.W, 1251, 1496, 1532.)
1534. Indien het verkochte goed bevonden wordt, op het tijdstip der uitwinning, in waarde te zijn vermeerderd, zelfs zonder toedoen van den kooper, is de verkooper verpligt aan dezen te betalen hetgeen het verkochte goed boven den koopprijs waardig is. (B.W. 1251, 1533.)
1535. De verkooper is verpligt aan den kooper terug te geven, of door dengenen die de uitwinning gedaan heeft te doen terug geven, al hetgene hij wegens reparaticn en nuttige verbeteringen aan het goed heeft uitgeschoten.
243
10*
244 Van koop en verkoop.
Indien de verkooper te kwader trouw eens anders goed verkocht heeft, is hij gehouden aan den kooper alle gemaakte onkosten terug te geven, zelfs de zoodanige welke alleen tot sieraad of vermaak aan het goed besteed zijn. (B.W. 630 v., 1251, 1507, 1544.)
1536. Indien sleclits een gedeelte van het goed uitgewonnen is, en dat gedeelte, met betrekking tot het geheel, zoo aanmerkelijk is, dat de kooper zonder het uitgewonnen gedeelte den koop niet zoude hebben aangegaan, kan hij den koop doen vernietigen, mits hij de regtsvordering daartoe aanlegge binnen één jaar na den dag waarop het vonnis van uitwinning in kracht van gewijsde is gegaan. (B.W. 1547.)
1537. Wanneer, in geval van uitwinning van een gedeelte van het verkochte goed, de koop niet vernietigd is, moet de kooper voor het uitgewonnen gedeelte worden schadeloos gesteld, volgens de geschatte waarde welke het goed ten tijde der uitwinning gehad heeft, doch niet naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, het zij het verkochte goed in waarde moge zijn vermeerderd of verminderd. (B.W. 1520, 1536.)
1538. Indien het verkochte goed bevonden wordt bezwaard te zijn met erfdienstbaarheden, zonder dat die aan den kooper zijn bekend gemaakt, of dat deze daarvan kennis kon dragen, en die erfdienstbaarheden van zoo groot belang zijn, dat men reden heeft om
te vermoeden dat de kooper den koop niet zoude hebben gesloten, | indien hij daarvan ware onderrigt geweest, kan hij de vernietiging van den koop vorderen, ten ware hij liever verkoos zich met eene schadeloosstelling te vergenoegen. (B.W. 1302,1541 v.)
1539. De vrijwaring ter zake van uitwinning houdt op, indien de kooper zich bij een vonnis, hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, heeft laten veroordeelen, zonder den verkooper te roepen, 1 en deze bewijst dat er genoegzame gronden aanwezig waren om den eisch te doen ontzeggen. (B.W. 1902; R.V. 68 v.)
1540. De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens verbor-
fene gebreken van het verkochte goed, die hetzelve ongeschikt ma-en tot het gebruik waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in dier voege verminderen, dat, bijaldien de kooper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het geheel niet, of niet dan voor eenen minderen prijs, zoude gekocht heoben. (B.W. 1358,1547,1790.)ene gebreken van het verkochte goed, die hetzelve ongeschikt ma-en tot het gebruik waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in dier voege verminderen, dat, bijaldien de kooper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het geheel niet, of niet dan voor eenen minderen prijs, zoude gekocht heoben. (B.W. 1358,1547,1790.)
1541. De verkooper is niet gehouden in te staan voor zigtbare gebreken, welke de kooper zelf had kunnen ontdekken. (B.W. 1531.)
1542. Hij moet voor de verborgene gebreken instaan, al ware hij daarvan ook zelf onkundig geweest, ten zij hij, in dat geval, bedongen had dat hij tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zgn. (B.W. 1529 v., 1588.)
1543. In de gevallen bij artikel 1540 en 1542 vermeld, heeft de kooper de keus om het goed terug te geven en den koopprijs terug te vorderen, of het goed te behouden, en zich zoodanig ge-
B.W. Boek III, Titel V, 2 en 3. Ar tl. 1536â1552. 245
deelte van den koopprijs te doen terug geven, als de regter, na deskundigen hierop te hebben gehoord, zal bepalen. (B.W. 1532.)
1544. Indien de verkooper de gebreken van het goed gekend heeft, is hg, behalve tot teruggave van den daarvoor ontvangen koopprijs, nog jegens den kooper tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen gehouden. (B.W. 1279,1532,1535,1790.)
1545. Indien de verkooper de gebreken van het goed niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot de teruggave van den koopprijs, alsmede om aan den kooper de kosten op den koop en de levering gevallen, te vergoeden, voor zoo verre hij die mogt hebben betaald. (B.W. 1532.)
1546. Indien de verkochte zaak die verborgen gebreken had, ten
fevolge van dezelve, vergaan is, valt het verlies voor rekening van en verkooper, die jegens den kooper gehouden zal zijn tot teruggave van den koopprijs, en de overige schadevergoedingen, waarvan in de twee voorgaande artikelen is melding gemaakt.evolge van dezelve, vergaan is, valt het verlies voor rekening van en verkooper, die jegens den kooper gehouden zal zijn tot teruggave van den koopprijs, en de overige schadevergoedingen, waarvan in de twee voorgaande artikelen is melding gemaakt.
Doch het verlies, door toeval veroorzaakt, is voor rekening van den kooper. (B.W. 1480 v., 1532.)
1547. De regtsvordering, voortspruitende uit gebreken die de vernietiging van den koop ten gevolge hebben, moet door den kooper aangelegd worden binnen eenen korten tijd, overeenkomstig den aard dier gebreken, en met inachtneming der gebruiken van de plaats alwaar de koop gesloten is. (B.W. 1490,1536; A, 3.)
1548. Deze regtsvordering heeft geene plaats bij verkoopingen die op regterlijk gezag geschieden. (R.V. 469, 523 v.)
DEBDE AFDEBLING.
Van de verpligtingen van den kooper.
Art. 1549. De hoofdverpligting van den kooper bestaat in het betalen van den koopprijs, ten tijde en ter plaatse bij de overeenkomst bepaald. (B.W. '1227, 1418 v., 1496, 1514, 1552; K. 99; R.V. 140.)
1550. Indien er bij liet aangaan van den koop niets daaromtrent bepaald is, moet de kooper betalen ter plaatse alwaar, en op den tijd waarop de levering geschieden moet. (B.W. 1429, 1513.)
1551. De kooper is, zelfs zonder uitdrukkelijk beding tot het betalen van interessen van den koopprijs verpligt, indien de verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten oplevert. (B.W. 1286.)
1552. Indien de kooper door eene hypothekaire regtsvordering, of door eene regtsvordering tot reclame, in zgn bezit gestoord is, of gegronde reden heeft om te vreezen dat hij daarin zal gestoord worden, kan hij de betaling van den koopprijs opschorten, tot dat de verkooper de stoornis heeft doen ophouden, ten ware deze liever verkoos zekerheid te stellen, of er bedongen mogt zijn dat de koo-
246 Van koop en verkoop.
per, niettegeustaande alle stoornis, tot de betaling verpligt is. (B.W. 629, 1514, 1528 v., 1579.)
1553. Indien de kooper den koopprijs niet betaalt, kan de verkoo-per de vernietiging van den koop vorderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1302 en 1303. (B.W. 1185 v., 1516; K. 230 v.)
1554. Niettemin zal, in geval van verkoop van waren en meubelen, de vernietiging van den koop, ten behoeve van den ver-kooper, van regtswege en zonder aanmaning plaats Lebben, na liet verloopen van den tijd, tot afhaling van het verkochte bepaald. (B.W. 571,1279.)
VIERDE AÃDEELING.
Van hel regt van wederinkoop.
Art. 1555. Het vermogen om het verkochte weder in te koopen spruit voort uit een beding, waarbij de verkooper zich het regt 1 voorbehoudt om het verkochte terug te nemen, tegen teruggave van ' den oorspronkelijken koopprijs, en de vergoeding waarvan in artikel i 1508 gesproken wordt. (B.W. 1215, 1301, 1560.)
1556. Het regt van wederinkoop mag voor geenen langeren tijd 1 dan voor vyf jaren worden bedongen.
Indien hetzelve voor een langer tijdvak bedongen is, wordt die tijd tot de gemelde vijf jaren ingekort.
1557. Het bepaalde tijdvak moet naar scherpheid van regten worden opgevat; hetzelve mag door den regter niet verlengd worden, en wanneer de verkooper verzuimt om zijn regtsvordering tot wederinkoop binnen den voorschreven termijn te doen gelden, blijft de kooper onherroepelijk eigenaar van het gekochte. (B.W. 1374, 1613.)
1558. Dit tijdvak loopt ten nadeele van een ieder, zelfs van minderjarigen, behoudens hun verhaal op die liet aangaat, indien daartoe gronden bestaan. (B.W. 362, 443, 2024.)
1559. De verkooper van een onroerend goed, die zich het vermogen om het verkochte weder in te koopen heeft voorbehouden, kan tegen eenen tweeden kooper zijn regt doen gelden, al ware ook bij de tweede overeenkomst van dat beding geene melding gemaakt. fB.W. 1376, 1507, 1613.)
1560. Hij die gekocht heeft onder beding van wederinkoop treedt in alle de regten van zijnen verkooper; hij kan zich van de verjaring bedienen, zoo wel tegen den waren eigenaar, als tegen degenen die eenige hypothekaire of andere regten op de verkochte zaak mogten vermeenen te hebben. (B.W. 1613, 1983 v.)
1561. Hij kan tegen de schuldeisohers van den verkooper het voor-regt van uitwinning doen gelden. (B.W. 1244, 1870.)
1562. Indien hij die onder beding van wederinkoop een onver-
B.W. Bock 111, Titel V, 3 en 4. Artt. 1553â1568.
deeld aandeel in een onroerend goed gekocht heeft, na eene tegen hem gerigte regtsvordering tot scheiding en deeling, kooper van het geheel is geworden, kan hij den verkooper verpligten het geheel over te nemen, in geval deze van het gemelde beding wil gebruik maken. (B.W. 628.)
1563. Indien verscheidene personen eenig goed, tusschen hen gemeen, gezamenlijk en bij eene en dezelfde overeenkomst verkocht hebben, kan ieder hunner het regt van wederinkoop slechts doen gelden voor zoo verre zijn aandeel bedroeg. (B.W. 1332, 1565.)
1564. Hetzelfde heeft ook plaats wanneer iemand die alleen eenig goed heeft verkocht verscheidene erfgenamen nalaat.
Ieder van deze mede-erfgenamen kan slechts van het vermogen van wederinkoop gebruik maken, voor zoo veel zijn aandeel in de nalatenschap bedraagt. (B.W. 112S v., 1335, 1565.)
1565. Doch, in de gevallen der twee voorgaande artikelen, kan de kooper vorderen dat alle de mede-verkoopers, of mede-erfgena-inen, worden opgeroepen, ten einde zich onderling nopens den wederinkoop van het geheele goed te verstaan; en indien zij het niet eens worden, zal de eisch tot wederinkoop worden ontzegd.
1566. Indien de verkoop eener zaak, aan verscheidene personen toebehoorende, niet door alle gezamenlijk en voor het geheel geschied is, maar ieder van dezelve afzonderlijk dat gedeelte verkocht heeft, hetwelk hem daarin toebehoorde, kan ieder hunner het regt van wederinkoop afzonderlijk, ten aanzien van het deel dat hem daarin toekwam, uitoefenen, en de kooper kan dengenen die op deze wijze van zijn regt gebruik maakt niet dwingen om het geheel over te nemen.
1567. Indien de kooper verscheidene erfgenamen heeft nagelaten, kan van het regt van wederinkoop tegen ieder van dezelve niet verder worden gebruik gemaakt, dan voor zoo veel zijn aandeel betreft, zoo wel in het geval dat de boedel nog niet gescheiden is, als in het geval dat bet verkochte goed onder de erfgenamen is verdeeld.
Maar indien de boedel gescheiden is, en het verkochte goed aan een der erfgenamen is te beurt gevallen, kan de regtsvordering tot wederinkoop voor liet geheel tegen dezen worden aangelegd. (B.W. 1332 v.)
1568. De verkooper die van het beding van wederinkoop gebruik maakt is niet alleen verpligt den geheelen oorspronkelijken koopprijs terug te geven, maar ook fe vergoeden alle regtmatige kosten op en ter zake van den koop en de levering gevallen, mitsgaders de noodzakelijke kosten van reparation, en die waardoor het verkochte goed in waarde vermeerderd is, ten beloope van deze vermeerdering.
Hij kan niet in het bezit van het weder-ingekochte treden, dan na aan alle deze verpligtingen te hebben voldaan.
Wanneer de verkooper, ten gevolge vim het beding van weder-
247
248 Van koop en verkoop.
inkoop, zijn goed terug bekomt, moet hetzelve vrij van alle lasten en hypotheken, door den kooper daarop gelegd, tot hem overgaan; hij is echter verpligt de hnur-overeenkomsten, welke de kooper te goeder trouw mogt hebben aangegaan, gestand te doen. (B.W. 556, 631, 1301, 1555.)
VIJFDE AFDEELING.
Bijzondere bepalingen betrekkelijk den koop en verkoop van inschulden en andere onligehamelijke regten.
Art. 1569. De verkoop van eene inschnld bevat al wat daartoe behoort, als borgtogten, voorregten en hypotheken. (B.W. 458, 668, 1010, 1198, 1517 v.; K. 139.)
1570. Hij die eene inschuld of een ander onligchamelijk regt verkoopt moet instaan voor het aanwezen daarvan ten tijde van de levering, hoewel ook de verkoop zonder belofte van vrijwaring geschied zij. (B.W. 1527 v.; K. 70.)
1571. Hij is voor de genoegzame gegoedheid van den schuldenaar niet verantwoordelijk, ten zij hij zich daartoe verbonden hebbe, en slechts ten beloope van den koopprijs, welken hij voor de inschuld ontvangen heeft. (K. 70.)
1572. Indien hij beloofd heeft te zullen instaan voor genoegzame gegoedheid van den schuldenaar, moet deze belofte verstaan worden van deszelfs tegenwoordige gegoedheid, en strekt zich niet uit tot het toekomstige, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen zy. (B.W. 1434.)
1573. Die eeue erfenis verkoopt, zonder dat hij, stuk voor stuk, opgeeft waarin dezelve bestaat, is niet verder gehouden, dan tot vrijwaring van zijne hoedanigheid van erfgenaam. (B.W. 1094, 1129, 1164,1370.)
1574. Indien hij reeds de vruchten van eenig stuk goed genoten, of het beloop van eenige inschuld, tot die erfenis behoorende, ontvangen, of eenige goederen uit die nalatenschap verkocht mogt hebben, is hij verpligt dezelve aan den kooper te vergoeden, indien niet uitdrukkelijk anders is bedongen. (B.W. 1518, 1569.)
1575. De kooper is van zijnen kant verpligt aan den verkooper te vergoeden al hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap mogt hebben betaald, en datgene te voldoen, hetwelk de verkooper, als schuldeischer van de erfenis, te vorderen had, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (B.W. 1472.)
1576. Indien vóór de levering van eene verkochte inschuld, of van eenig ander onligchamelijk regt, de schuldenaar aan den verkooper de schuld voldaan heeft, is hij op eene voldoende wijze bevrijd. (B.W. 668, 1467.)
B. W. Boek III, Titel F, 5, FI, FII, 1. Artt. 1569â1584. 249
ZESDE TITEL.
Fan. ruiling.
Art. 1577. Ruiling is eene overeenkomst, waarbij partijen zich verbinden om aan elkander wederkeerig eene zaak in de plaats van eene andere te geven. (B.W. 1124, 1493 v.)
1578. Al hetgeen voor verkoop vatbaar is, kan ook het onderwerp van rniling uitmaken. (B.W. 1507.)
1579. Indien de eene partij de zaak, welke haar in ruiling gegeven wordt, reeds ontvangen heeft, en naderhand bewijst dat de andere daarvan geen eigenaar was, kan zij niet genoodzaakt worden tot levering van de zaak, welke zij van haren kant heeft beloofd, doch alleenlijk om die welke zij ontvangen heeft terug te geven. (B.W. 1507, 1514, 1552.)
1580. Hij, di(x.door uitwinning gesteld is uit het bezit der zaak welke hij in ruiling heeft ontvange{u_h«eft de keus om van de wederpartij vergoeding van kgstfeariScnaden en interessen, of de teruggave der doorâhem-gegevene zaak, te verderen. (B.W, 1279, 1302 v., 1516, 1528 v., 1536 v., 1553.)
1581. Indien eene zekere en bepaalde zaak, welke men beloofd had in ruiling te geven, buiten schuld vau den eigenaar is verloren gegaan, wordt de overeenkomst voor vervallen gehouden, en kan degene die van zijne zijde aan de overeenkomst voldaan heeft de teruggave van het in ruiling gegeven goed vorderen. (B.W. 1273, 1496.)
1582. Voor het overige zijn de regelen van de overeenkomst van Hoop en verkoop op die van ruiling toepasselijk. (B.W. 1493 v.)
ZEVENDE TITEL.
Van huur en verhuur.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 1583. Er bestaan tweederlei soorten van overeenkomsten van hunr en verhuur: huur van goederen, en huur van diensten, werk en nijverheid.
1584. Huur van goederen is eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om der andere het genot eener zaak te doen hebben, gedurende eenen bepaalden tijd en tegen eenen bepaalden prijs, welken de laatstgemelde aanneemt te betalen.
Men kan allerlei soort van goederen, het zij onroerende, het zij roerende, verhuren. (B.W. 458, 612, 820, 1230, 1621 v., 1996 v.)
Van huur en verhuur.
1585. Huur van diensten, van werk en van nijverheid is eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om iets voor de andere, tegen betaling van eenen tussohen haar bepaalden prijs of loon, te verrigten. (B.W. 1C37 v.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de regelen, welke gemeen zijn aan verhuringen van huizen en van landen.
Art. 1586. De verhuurder is, door den aard van de overeenkomst, en zonder dat daartoe eenig bijzonder beding vereiseht wordt, verpligt:
1°. Om het verhuurde aan den huurder te leveren;
2°. Om hetzelve te onderhouden in zoodanigen staat, dat het tot het gebruik waartoe het verhuurd is dienen kan;
3°. Om den huurder het rustig genot daarvan te doen hebben, zoo lang de huur duurt. (B. W. 1511 v., 1587 v., 1592 v.)
1587. De verhuurder is gehouden het verhuurde goed in alle op-zigten in goeden staat van onderhoud Ie leveren.
Hij moet daaraan, gedurende den huurtijd, alle reparation laten doen welke noodzakelijk mogten worden, met uitzondei'ing van degene tot welke de huurder verpligt is. (B.W. 1277,1302,1591, 1619; K.V. 53.)
1588. De verhuurder moet den huurder instaan voor allo gebreken van het verhuurde goed, welke het gebruik daarvan verhinderen, al mogt ook de verhuurder dezelve tijdeus het doen der verhuring niet gekend hebben.
Indien door die gebreken eenig nadeel voor den huurder ontstaat, is de verhuurder gehouden hem deswege schadeloos te stellen. (B.W. 15S6, 1790.)
1589. Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed door eenig toeval geheel en al vergaan is, vervalt de huur-overeenkomst van regtswege. Indien het goed slechts ten deele vergaan is, heeft de huurder de keus om, naar gelang der omstandigheden, of eene vermindering van den huurprijs, of zelfs de vernietiging van de huurovereenkomst, te vorderen; doch hij kan, in geen dier beide gevallen, aanspraak op schadevergoeding maken. (B.W. 1273, 1480.)
1590. De verhuurder mag, gedurende den huurtijd, de gedaante of inrigting van het verhuurde goed niet veranderen. (B.W. 1586.)
1591. Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed dringende reparation noodig heeft, welke niet tot na het eindigen der huur kunnen worden uitgesteld, moet de huurder dezelve gedoogen, welke ongemakken hem ook hierdoor worden veroorzaakt, en hoewel hij ook, gedurende het doen dier reparation, van een gedeelte van het verhuurde goed verstoken zij.
Doch indien deze reparatien langer dan veertig dagen duren, zal
B.W. Boek III, Titel Vil, 1 en 2. Artt. 1585â1596. 251
de huurprijs verminderd worden naar evenredigheid van den tijd, en van het gedeelte van het verhuurde goed, waarvan de huurder zal zijn verstoken geweest.
Indien de reparatien van dien aard zijn dat daardoor het gehuurde, hetgeen den huurder en zijn huisgezin ter bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar wordt, kan dezelve de huur doen verbreken. (B.W. 1587, 16] 9.)
1592. De verhuurder is niet verpligt den huurder te waarborgen tegen de belemmeringen, welke hem derden, door feitelijkheden, in zijn genot toebrengen, zonder overigens eenig regt op het gehuurde te beweren; behoudens het regt van den huurder om dezelve uit eigen hoofde te vervolgen. (B.W. 612, 1401 v.)
1593. Indien, daarentegen, de huurder in deszelfs genot is gestoord geworden, ten gevolge eener regtsvordering, welke tot den eigendom van het goed betrekking heeft, heeft hij het regt om eene geëvenrecligde vermindering van den huurprijs te vorderen, mits van die stoornis of belemmering aan den eigenaar behoorlijk kennis gegeven zij. (B.W. 1586, 1627.)
1594. Indien degenen die de feitelijkheden gepleegd hebben eenig regt op het verhuurde goed beweren te hebben, of indien de huurder zelf in regten gedagvaard is om tot ontruiming van het geheel of van een gedeelte van het goed verwezen te worden, of om de uitoefening van eenige erfdienstbaarheid te gedoogen, moet hij den verhuurder daarvan beteekening doen, en hij kan denzelven tot vrijwaring oproepen.
Hij kan zelfs vorderen buiten het geding te worden gesteld, mits hij dengenen opgeve voor wien hij in het bezit is. (BW. 5S4, 849, 1627; R.V. 68 v.)
1595. De huurder mag, indien hem dit vermogen niet is toegestaan, liet goed niet weder verhuren, noch zijne huur aan een ander afstaan, op straf van vernietiging der huur-overeenkomst, en vergoeding van kosten, schaden en interessen, zonder dat de verhuurder, na die vernietiging, verpligt zij de onderhuur gestand te doen.
Indien het gehuurde in een huis of in eene woning bestaat, welke de huurder zelt bewoont, kan hij een gedeelte daarvan, onder zijne verantwoordelijkheid, aan een ander verhuren, indien hem dat vermogen niet bij de overeenkomst is ontzegd geworden. (R.V. 759.)
1596. De huurder is tot twee hoofdverpligtingen gehouden:
1°. Om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken, en overeenkomstig de bestemming, welke daaraan bij de huur-overeenkomst gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelaug dei-omstandigheden, voorondersteld wordt; (B.W. 1590, 1597, 1603.)
2''. Om den huurprijs op de bepaalde termijnen te voldoen. (B.W. 1185 v., 1430, 1617, 2012; K. 920.)
Van huur en verhuur.
1597. Indien de huurder het gehuurde tot een ander gebruik bezigt dan waartoe het bestemd is, of tot een zoodanig gebruik waardoor aan den verhuurder eenig nadeel kan veroorzaakt worden,, kan deze, naar gelang der omstandigheden, de huur doen vernietigen. (B.W. 1302, 1596, 1625.)
1598. Indien tusschen den verhuurder en den huurder eene beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is laatstgemelde gehouden het goed in dien staat weder op te leveren, waarin hij hetzelve, volgens die beschrijving, heeft aanvaard; met uitzondering van hetgeen door ouderdom of door onvermijdelijke toevallen vergaan of van waarde verminderd is. (B.W. 1480, 1619.)
1599. Indien geene beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, ten aanzien van het onderhoud, hetwelk ten laste van huurders komt, behoudens tegenbewijs, voorondersteld het gehuurde in goeden staat te hebben aanvaard, en moet hij hetzelve in dien staat terug geven. (B.W. 1587, 1619.)
1600. De huurder is aansprakelijk voor alle schaden, gedurende den huurtijd aan het verhuurde toegebragt, ten ware hij bewees dat dezelve buiten zijne schuld hebben plaats gehad. (B.W. 1275, 1281, 1619; R.V. 98.)'
1601. Hij is echter niet verantwoordelijk voor brand, ten zij de verhuurder mogt bewijzen, dat de brand door de schuld van den huurder is veroorzaakt. (B.W. 1281, 1401, 1600.)
1602. De huurder is verantwoordelijk voor alle schaden of verliezen door zijne huisgenooten, of door degenen aan wie hij de huur mogt hebben overgedaan, aan het gehuurde toegebragt. (B.W. 849, 1403; R.V. 98 v.)
1603. De huurder mag, bij ontruiming van het gehuurde goed, afbreken en naar zich nemen al hetgeen hij daaraan, op zijne kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde zonder beschadiging van het goed. (B.W. 658 v., 772, 1596.)
1604. Indien de huur, zonder geschrift aangegaan, nog op geenerlei wijze is ten uitvoer gebragt, en eene der partgen dezelve ontkent, kan geen bewijs door getuigen worden aangenomen, hoe gering de huurprijs ook zij, en ofschoon men zich ook op het geven van eenen godspenning mogt beroepen; alleenlijk kan de beslissende eed worden gevorderd van dengenen die het aangaan der huur ontkent. (B.W. 1607, 1622, 1633, 1932 v., 1966; R.V. 53.)
1605. Wanneer er geschil ontstaat over den prijs eener verhuring, bij monde aangegaan, waarvan de uitvoering begonnen is, en er geene kwijting aanwezig is, moet de verhuurder op zijnen eed geloofd worden, ten ware de huurder mogt verkiezen den huurprys door deskundigen te doen begrooten. (B.W. 1604, 1Ã66; R.V. 222 v.)
1606. Indien de huur bij geschrifte is aangegaan, houdt dezelve van regtswege op, wanneer de bepaalde tijd verstreken is, zonder dat daartoe eene opzegging vereischt worde. (B.W. 1609; R.V. 98,122 v.)
252
B.jr. Boek lil, Titel VII, 2. Artt. 1597â1616.
1607. Indien de huur zonder geschrift is aangegaan, houdt dezelve op den bepaalden tijd niet op, dan voor zoo verre de eene party aan de andere de huur heeft opgezegd, met inachtneming der termijnen, welke het plaatselijk gebruik medebrengt. (A. 3; B,VV. 1604 v.)
1608. Wanneer de eene partij aan de andere eene opzegging van huur heeft beteekend, kan de huurder, hoewel in het genot blijvende, zich niet beroepen op eene stilzwijgende wederinhuring. (B.W. 1274; R.O. 41 v.)
1609. Indien, na het eindigen van eene verhuring hij geschrifte aangegaan, de huurder in het bezit is gebleven en gelaten, ontstaat daardoor eene nieuwe huur, waarvan de gevolgen geregeld worden hg de artikelen, tot mondelinge verhuringen betrekkelijk. (B.W. 779, 1607 v., 1623, 1634.)
1610. In het geval der twee voorgaande artikelen, strekt zich de horgtogt, voor de huur gesteld, niet uit tot de verpligtingen die uit de verlenging der huur ontstaan. (B.W. 1634, 1861.)
1611. Dehuur-overeenkomst gaat geenzins te nietdoorden dood van den verhuurder, noch door dien van den huurder. (B.W. 1648,1863.)
1612. Door verkoop van het verhuurde wordt eene te voren aangegane huur niet verbroken, ten ware dit hy de verhuring mogt voorbehouden zyn.
By zoodanig voorbehoud, kan de huurder, zonder uitdrukkeiyk beding, geene aanspraak op vergoeding maken, maar met dat laatste beding is hy niet tot ontruiming van het gehuurde verpligt, zoo lang de verschuldigde vergoeding niet is gekweten. (B.W. 819,1614 v.;R.V. 505.)
1613. De kooper, met beding van wederinkoop, kan geen gebruik maken van de bevoegdheid om den huurder tot ontruiming van het gehuurde te noodzaken, voordat hy, door het verstryken van den termyn, voor den wederinkoop bepaald, onherroepeiyk eigenaar is geworden. (B.W. 1560, 1568.)
1614. Een kooper die gebruik wil maken van de bevoegdheid, by de huur-overeenkomst voorbehouden, om in geval van verkoop, den huurder tot de ontruiming van het gehuurde te noodzaken, is verpligt den huurder zoodanigen tyd te voren te waarschuwen, als het plaatseiyk gebruik tot het doen van opzeggingen medebrengt.
By huur van landeryen moet de waarschuwing ten minste een jaar aan de ontruiming voorafgaan. (B.W. 1612; R 0.41; R.V. 122.)
1615. De verhuurder kan de huur niet doen ophouden door te verklaren dat hy het verhuurde goed zelf wil betrekken, ten ware het tegendeel mogt bedongen ziin. (B.W. 1788.)
1616. Indien men bij de huur-overeenkomst is overeengekomen dat de verhuurder de bevoegdheid zoude hebben om het verhuurde huis of land zelf te betrekken, is hij verpligt vooraf eene op-
253
//
Van hiur en verhmr.
zegging te doen beteekenen, zoo veel tijd (e voren, als bij artikel ](il4 is vastgesteld.
DERDE APDEELISG.
Van de regelen, tcelke bijzonder betrekkelijk zijn tot huur van huizen en van huisraad.
Art. 1617. De huurder die een verhuurd huis niet van genoegzaam huisraad voorziet, kan tot de ontruiming daarvan worden genoodzaakt, ten zij hij voldoende zekerheid geve voor de betaling der huurpenningen. (B.W. 1185 v., 1615.)
1618. Een tweede huurder is, ten aanzien van den eigenaar, niet verder gehouden dan tot het beloop van den huurprijs der tweede huur, welke hij, op het oogenblik van een gedaan beslag, aan den eersten huurder zoude mogen schuldig zijn, eu zonder dat hij zich op betalingen, bij voorraad gedaan, beroepen kan, ten ware die betalingen mogten zijn geschied uit krachte van een beding, bij zijne huur-overeenkomst uitgedrukt, of ten gevolge van plaatselijke gebruiken. (B.W. 11S8 v.; R.V. 759.)
1619. Geringe en dagelijksclie reparatien zijn voor rekening van den huurder.
Bij crebreke van overeenkomst, worden als zoodanig aangemerkt reparatien aan winkelkasten, de sluiting der luiken of blinden, de binnensloten, de vensterglazen, zoo binnen als buiten 's huis, en al hetgeen verder door het plaatselijk gebruik daaronder begrepen wordt.
Niettemin komen die reparatien ten laste van den verhuurder, indien zij door den vervallen toestand van het verhuurde of door overmagt zijn noodzakelijk geworden. (B.W. 1185 no. 2, 1587, 1591; R.O. 39; R.V. 98.)
1620. Het schoonhouden van putten, regenbakken en sekreten komt ten laste van den verhuurder, indien het tegendeel niet bedongen is.
Het schoonhouden der schoorsteenen komt, bij gebreke van beding, ten laste van den huurder. (B.W. 704.)
1621. De huur van meubelen, om een geheel huis, eene geheele woning, een winkel, of eenig ander vertrek, daarmede te stofferen, wordt gehouden voor zoo lang te zijn aangegaan, als de huizen, woningen, winkels of vertrekken, volgens plaatselijk gebruik, doorgaans verhuurd worden. (B.W. 1604 v., 1633.)
1622. De huur van gestoffeerde kamers wordt gehouden bij het jaar te zijn aangegaan, wanneer dezelve is aangegaan voor eene zekere som in het jaar;
Bij de maand, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde som in de maand;
254
A
B. W. Boek IH, Titel VII, 3 en 4. Artt. 1617â1627. 255
Bij den dag, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde 1 som voor iederen dag.
Indien niet blijkt dat de huur voor eene zekere som bij het jaar, bij de maand, of voor iederen dag is aangegaan, wordt dezelve macht volgens plaatselijk gebruik te zijn gesloten. (B.W. 1604, 1607; A. 3.)
1623. Indien de huurder van een huis of vertrek, na het eindigen van den hnurtijd, bij schriftelijke overeenkomst bepaald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich de verhuurder daartegen verzet, wordt hij geacht het verhuurde op dezelfde voorwaarden te blijven behouden, voor den tijd welken het plaatselijk gebruik medebrengt, en kan hij het verhuurde niet verlaten, noch daaruit gezet worden, dan na eene tijdige opzegging, overeenkomstig het plaatselijk gebruik gedaan. (B.W. 1607, 1609, 1634.)
VIERDE APDEELING.
Van de regelen, welke bijzonder betrekkelijk zijn tot hmtr van landerijen.
Art. 1624. Indien bij eene huur-overeenkomst van landerijen ene kleinere of grootere uitgestrektheid wordt opgegeven, dan de-elve werkelijk hebben, geeft zulks geen grond tot vermeerdering f vermindering van den huurprijs, dan alleen in de gevallen en olgens de bepalingen bij den vijfden titel van dit boek vastoestold. B.W. 1520, 1525.)
1625. Indien de huurder van landerijen dezelve niet van de tot eweiding of bebouwing noodzakelijke beesten en bouwgereedschap-en voorziet; indien hij met de beweiding of bebouwing ophoudt, f te dien opzigte niet als een goed huisvader handelt; indien hij et gehuurde goed tot een ander einde gebruikt, dan waartoe het-elve bestemd is; of indien hij, in het algemeen, de bedingen, bij e huur-overeenkomsf gemaakt, niet nakomt, en daardoor cenig na-eel voor den verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om, naar gein? der omstandigheden, de vernietiging van de huur, met ver-oeding van kosten, schaden en interessen, te vorderen. (B.W. 11S5 o. 2, 1279 v., 1301 v., 1596 v., 1617.)
1626. Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruchten in e daartoe bestemde bergplaatsen te bergen. (B.W. 1185 v., 1635 v.)
1627. De huurder van landerijen is, op straffe van vergoeding in kosten, schaden en interessen, gehouden den eigenaar van alle itelijkheden te doen kennis dragen, welke op de gehuurde erven oaten gepleegd worden.
Deze kennisgeving moet gedaan worden binnen denzelfden ter-ijn, welke tusschen den tijd der dagvaardingen en den dag der
256 Van huur en verhuur.
verschijning, naar mate van den afstand der plaatsen, bepaald is. (B.W. 612, 849, 1402, 1593 v.; R.V. 7 v.)
1628. Indien bij eene huur voor verscheiden jaren, gedurende den huurtijd, de geheele of de halve oogst van een jaar, door on-vermijdelgke toevallen, is verloren gegaan, kan de huurder eene vermindering der huurpenningen vorderen, ten ware hij door den oogst der vorige jaren reeds mogt zijn schadeloos gesteld.
Indien hij niet schadeloos gesteld is, kan de begrooting der vermindering van de huurpenningen niet geschieden, dan op het einde van de huur, wanneer het genot van alle de jaren tegen elkander wordt in vergelijking gebragt.
De regter kan niettemin den huurder toestaan om voorloopig, naar mate van het geleden verlies, een gedeelte der huurpenningen in te houden. (B.W. 556, 776.)
1629. Indien de huur slechts voor één jaar Is aangegaan, en de oogst voor het geheel of voor de helft is verloren, is de huurder ontheven van de betaling van den geheelen huurprijs of van een evenredig gedeelte van denzelven.
Wanneer het verlies minder dan de helft bedraagt, heeft hij geene aanspraak op eenige korting. (B.W. 776.)
1630. De huurder kan geene korting erlangen, indien het verlies der vruchten geleden is nadat dezelve van den grond zijn afgescheiden, ten ware bij de huur-overeenkomst een zeker gedeelte van den oogst in nalura voor den eigenaar bedongen zij; in welk
feval de eigenaar zijn aandeel in het verlies moet dragen, mits de uurder niet achterlijk geweest zy om aan den eigenaar deszelfs aandeel in den oogst te leveren.eval de eigenaar zijn aandeel in het verlies moet dragen, mits de uurder niet achterlijk geweest zy om aan den eigenaar deszelfs aandeel in den oogst te leveren.
De huurder kan evenmin eenige korting vorderen, indien de oorzaak der schade, tijdens het aangaan der huur, reeds bestond en bekend was. (B.W. 809.)
1631. De huurder kan, bij een uitdrukkelijk beding, voor de onvoorziene toevallen worden aansprakelijk gesteld. (B.W. 1628 v.)
1632. Zoodanig beding wordt echter alleen verstaan gemaakt te zijn ten aanzien van de gewone onvoorziene toevallen, als daar zijn: hagel, bliksem, vorst, of het ontijdig afvallen der bloesems van den wijngaard. ')
Hetzelve strekt zich niet uit tot buitengewone toevallen, als daar zijn: verwoestingen van den oorlog, of overstroomingen, waaraan het land niet gewoonlijk onderworpen is; ten ware de huurder alle, zoo wel voorziene als onvoorziene, toevallen hebbe op zich genomen. (B.W. léÃ5.)
1633. De huur van landen, zonder geschrift aangegaan, wordt gerekend aangegaan te zijn voor zoodanigen tijd als de hnurder
1) In de officieele uitgaaf staat hier âden boom-of wijngaardquot; in plaats van volgens den tekst der wet âden wyngaardquot;.
B.W. Boek UI, Titel Vil, 4 en 5. Artt. 1628â1639.
noodig heeft tot het inzamelen van alle de vruchten van het verhuurde erf.
Aldus wordt de huur van een weide, van eenen boomgaard, wyn-
faard, en van alle andere gronden, waarvan de vruchten binnen en loop van een jaar geheel worden ingezameld, gerekend voor een jaar te zijn aangegaan.aard, en van alle andere gronden, waarvan de vruchten binnen en loop van een jaar geheel worden ingezameld, gerekend voor een jaar te zijn aangegaan.
De huur van bouwlanden, welke bij afwisselende zaaibeurten bebouwd worden, wordt gerekend te zijn aangegaan voor zoo vele jaren, als er beurten van dien aard zijn. (B.W. 1604 v., 1621 v.)
1634. Indien, na het eindigen van eene schriftelijk aangedane verhuring, de huurder in het bezit van het goed blijft en daarin gelaten wordt, worden de gevolgen van de nieuwe huur door het voorgaande artikel geregeld. (B.W. 1609, 1623.)
1635. De huurder wiens huur eindigt, en hij welke hem in de huur opvolgt zijn verpligt elkander over en weder met al datgene te gerij ven. dat vereischt wordt om het verlaten en het betrekken van het goed gemakkelijk te maken, zoo wat betreft de bebouwing voor het volgende jaar, het inoogsten der nog te velde staande vruchten, als anderzins; alles overeenkomstig het plaatselijk gebruik.
1636. De huurder moet insgelijks, bij zijn vertrek, het stroo en de mest van het afgeloopen jaar achterlaten, indien hij dezelve bij den aanvang van zijne huur ontvangen heeft; en al had hij die zelfs niet ontvangen, kan de eigenaar dezelve, volgens eene te maken begrooting. aan zich houden. (B.W. 563.)
VIJFDE AFDEELING.
Van huur van dienstboden en werklieden.
Art. 1637. Men kan zijne diensten slechts voor eenen tijd, of voor eene bepaalde onderneming, verbinden. (B.W. 2, 79, 1639; K. 394 v., 754.)
1638. De meester wordt op zijn woord, des gevorderd met eede gesterkt, geloofd:
Ten aanzien van de hoegrootheid van het bedongen loon;
Ten aanzien van de betaling van het loon over het verschenen jaar;
Ten opzigte van hetgeen op rekening gegeven is van het loon over het loopende jaar; en
Ten opzigte der tijdsbepaling, voor welke de huur is aangegaan. (B.W. 1966, 2005 v.)
1639. Dienst- en werkboden mogen, indien zij voor eenen bepaalden tijd gehuurd zijn, zonder wettige redenen hunnen dienst niet verlaten, noch uit denzelven worden weggezonden, voordat de tijd verstreken zij.
BDKG. WETB. 17
257
Van huur en verhuur.
Indien zij binnen den bepaalden of gewonen huurtijd den dienst, zonder wettige redenen, verlaten, verbeuren zij het verdiende loon.
De meester is echter bevoegd om lien te allen tijde, zonder het aanvoeren van redenen, weg te zenden, doch hij is, in dat geval, verpligt aan hen, behalve het verschenen loon, tot schadeloosstelling te betalen zes weken, te rekenen van den dag waarop zij nit den dienst zijn weggezonden.
Indien de hnnr voor eenen korteren tijd dan zes weken is aangegaan, of minder dan zes weken te loopen heeft, hebben zij, in dat geval, regt op het volle loon. (B.W. 1647, 1902; K. 436.)
ZESDE AFDEELING,
Van aanneming van werk.
Art. 1640. Bij het laten maken van werk, kan men overeenkomen dat de werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijverheid, of wel dat hij ook de stof leveren zal. (B.W. 2008.)
1641. In geval de werkman de stof moet leveren, en het werk, op welke wijze ook, vergaat, alvorens het geleverd is, komt het verlies voor zijne rekening, ten ware hij die liet werk besteld heeft nalatig zij geweest om hetzelve te ontvangen. (B.W. 1273, 1279 v., 1480 v., 1496 v.) _ I
1642. Indien de werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijverheid moet leveren, en het werk vergaat, is hij slechts voor zijne schuld aansprakelijk. (B.W. 1401, 1649.)
1643. Indien het werk, in het geval bij het voorgaande artikel vermeld, buiten eenig pligtverzuim van den werkman is verloren gegaan, voordat de levering geschied is, en zonder dat hij die het werk besteld heeft nalatig is geweest om hetzelve op te nemen en goed te keuren, heeft de werkman geene aanspraak op zijn loon, ten ware de zaak door een gebrek in de stof zelve verloren ware gegaan. (B.W. 1480.)
1644. Indien een werk bij het stuk of bij de maat bearbeid wordt, kan hetzelve bij gedeelten worden opgenomen; die opneming wordt geacht geschied te zijn voor alle de betaalde gedeelten, wanneer de aanbesteder den werkman telkens betaalt naar evenredigheid van hetgeen afgewerkt is. (B.W. 1193.)
1645. Indien een gebouw, voor eenen bepaalden prijs aangenomen en gemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de zamenstelling, of zelfs uit hoofde van de ongeschiktheid van den grond, zijn de bouwmeesters en aannemers daarvoor, gedurende tien jaren, aansprakelijk. (B.W. 2004.)
1646. Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een bestek, met den eigenaar van den grond beraamd en vastgesteld, kan hij
258
B.W.Boeklll.THelVIl, 6,e« Fill. Artt. 1640â1654. 259
geene vermeerdering van den prij s vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der dagloonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen die niet in liet bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrootingen niet schriftelijk zijn ingewilligd, en over derzelver prijs met den eigenaar geene overeenkomst is getroffen. (B.W. 1185.)
1647. De aanbesteder kan, des goedvindende, de aanneming opzeggen, ofschoon het werk reeds begonnen zij, mits hg den aannemer, wegens alle deszelfs gemaakte kosten, arbeid en winstderving, volkomen schadeloos stelle. (B.W. 1374, 1639.)
1648. Huur van werk houdt op door den dood van den werkman, bouwmeester of aannemer.
Maar de eigenaar is gehouden aan de erfgenamen, naar evenredigheid van den bij de overeenkomst bedongen prijs, te betalen de waarde van het gedane werk en die der in gereedheid gebragte bouwstoffen, mits dat werk of die bouwstoffen hem tot eenig nut kunnen verstrekken. (B.W. 1419, 1611.)
1649. De aannemer is verantwoordelijk voor de daden van degenen die hij in het werk stelt. (B.W. 1403 v.)
1650. Metselaars, timmerlieden, en andere ambachtslieden, welke tot het zetten van een gebouw of het maken van eenig ander aangenomen werk gebezigd zijn, hebben geene regtsvordering tegen dengene te wiens behoeve de werken gemaakt zijn, dan ten he-loope van hetgeen deze aan den aannemer schuldig is op het oogen-blik waarop zij hunne regtsvordering aanleggen. (B.W. 2005, 2008.)
1651. Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachtslieden, die zeiven onmiddellijk en voor eenen bepHalden prijs een werk op zich nemen, zijn gehouden aan de regelen in deze afdeeling voorgeschreven.
Zij zijn aannemers in het vak waarin zij werkzaam zijn. (B.W. 1640 v.)
1652. Arbeidslieden die eenig goed van een ander onder zich hebben, om daaraan eenig werk te verrigten, zijn geregtigd om dat goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van de kosten en arbeidsloonen daaraan besteed, ten zij de eigenaar voor die kosten en arbeidsloonen genoegzame zekerheid hebbe gesteld. (B.W. 1185 no. 5; E,. V. 39.)
1653. De regten en verpligtingen van voerlieden en schippers zijn in het Wetboek van Koophandel vastgesteld. (K. 91 v., 394 v., 754.)
ACHTSTE TITEL.
Van het regt van beklemming.
Art. 1654. Het regt van beklemming en van altijddurende beklemming, geboren uit overeenkomst, of door andere wettige mid-
17«
260 Van maatschap of vennootschap.
delen ingesteld, wordt door de aan hetzelve eigene bepalingen en bedongene voorwaarden, en, by gebreke van deze, door de plaatselijke gewoonten, geregeerd. (A. 3; B.W. 564, 627, 1210; R.V. 491.)
NEGENDE TITEL.
Van maatschap of vennootschap.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 1655. Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zicli verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen. (B.W. 1670, 1672, 1690 v.; K. 14 v., 286, 320 v.)
1656. Alle maatschap moet een geoorloofd onderwerp hebben, en tot het gemeenschappelijk belang der partyen aangegaan worden.
Ieder der vennooten moet of geld, of andere goederen, of zijne nijverheid, in de maatschap inbrengen. (B.W. 1368 v., 1685.)
1657. Maatschappen zgn of algeheel, of bijzonder.
1658. De wet kent slechts de algelieele maatschap van winst. Zij verbiedt alle maatschappen, het zij van alle de goederen, het zij van een bepaald gedeelte van dezelve, onder eenen algemeenen titel; onverminderd de bepalingen, vastgesteld in den zevenden en achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek. (B.W. 174 v., 194 v., 1112.)
1659. De algeheele maatschap van winst bevat slechts hetgeen partijen, onder welke benaming ook, gedurende den loop der maatschap door hare vlijt zullen verkrijgen.
1660. De bijzondere maatschap is de zoodanige welke slechts betrekking heeft tot zekere bepaalde zaken, of tot derzelver gebruik, of tot de vruchten die daarvan zullen getrokken worden, of tot eene bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van eenig bedrnf of beroep. (K. 141, 57 v.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de verbindtenissen der vennooten onderling.
Art. 1661. De maatschap begint van het oogenblik der overeenkomst, indien daarbij geen ander tijdstip bepaald is. (B.W. 1289.)
1662. Ieder vennoot is aan de maatschap verschuldigd al hetgene hij beloofd heeft daarin te zullen brengen; en, indien deze inbrengst in een bepaald voorwerp bestaat, is hij tot vrijwaring gehouden, op gelijke wijze als bij koop en verkoop plaats vindt. (B.W. 1273, 1527 v., 1668, 1685.)
li. v. Boek 111, Titel IX, 1 en 2. Artt. 1655â1668.
1663. De vennoot die eene som gelds in de maatschap moest inbrengen, en zulks niet gedaan heeft, wordt van regtswege, en zonder daartoe aangesproken te worden, schuldenaar der interessen van deze som, te rekenen van den dag waarop dezelve had hehooren ingebragt te worden.
Hetzelfde geldt omtrent de geldsommen, welke hij uit de ge-meene kas genomen heeft, te rekenen van den dag waarop hij dezelve tot zijn bijzonder voordeel daaruit getrokken heeft.
Alles onverminderd de vergoeding van meerdere kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B.W. 1279, 1286, 1517, 1842.)
1664. De vennooten die zich verbonden hebben om hunnen arbeid en hunne vlijt in de maatschap aan te brengen, zijn aan dezelve rekenschap verschuldigd van alle winsten, welke zij, door zoodanige soort van nijverheid als welke het onderwerp der maatschap uitmaakt, verkregen hebben. (B.W. 1670.)
1865. Wanneer een der vennooten, voor zijne eigene rekening, eene opeischbare som te vorderen heeft van iemand die mede eene insgelijks opeischbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelven, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijne eigene inschuld mogt gebragt hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft dat de geheele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen. (B.W. 1432, 1462.)
1666. Indien een der vennooten zijn geheel aandeel in eene ge-meene inschuld der maatschap ontvangen heeft, en de schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot gehouden het ontvangene in de gemeene kas in te brengen, al had hij ook voor zijn aandeel kwijting gegeven.
1667. Ieder vennoot is jegens de maatschap gehouden tot vergoeding der schaden, welke hij aan dezelve door zijne schuld heeft veroorzaakt, zonder dat hij die schaden kan in vergelijking brengen met de voordeden, welke hg door zijnen arbeid en zijne vlyt in andere zaken aan de maatschap mogt hebben aangebrafft. (B.W. 1279 v., 1401 v.)
1668. Indien de zaken, waarvan slechts het genot in de maatschap is ingebragt, in zekere en bepaalde voorwerpen bestaan, welke niet door het gebruik te niet gaan, zijn dezelve voor rekening van den vennoot, aan wien zij in eigendom toebehooren.
Indien die zaken door het gebruik vergaan; indien zij in waarde verminderen door dezelve te behouden; indien zij bestemd geweest zijn om verkocht te worden, of indien zij in de maatschap zijn aangebragt volgens eene begrooting, bij eene beschrijving of inventaris bepaald, zijn zij voor rekening der maatschap.
261
Van maatschap of vennootschap.
Indien het goed geschat is, kan de vennoot niets meer vorderen dan het beloop van die schatting. (B.W. 80i, 1273, 1480 v., 1662, 1783.)
1669. Een vennoot heeft aanspraak op de maatschap, niet alleen wegens de gelden welke hij voor dezelve heeft nitgeschoten, maar ook wegens de verbindtenissen welke hij, te goeder trouw, ten behoeve der maatschap heeft aangegaan, en wegens de schaden welke onafscheidbaar zijn van zyn beheer. (B.W. 1S47.)
1670. Indien bij de overeenkomst van maatschap het aandeel van ieder vennoot in de winsten en de verliezen niet is bepaald, is elks aandeel geëvenredigd aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebragt
Ten aanzien van dengene die slechts zijne nijverheid heeft ingebragt, wordt liet aandeel in de winsten en de verliezen berekend gelijk te staan met het aandeel van dengenen der vennooten die het minst heeft ingebragt. (B.W. 1655, 168Ã.)
1671. De vennooten kunnen niet bedingen dat zij de regeling der hoegrootheid van hun aandeel aan een' hunner of aan eenen derde zullen overlaten.
Een zoodanig beding wordt voorondersteld niet geschreven te zijn, en zullen alzoo de verordeningen van het voorgaande artikel worden in acht genomen. (B.W. 1501.)
1672. Het beding, waarbij aan een' der vennooten alle de voordeden mogten toegezegd zijn, is nietig.
Maar het is geoorloofd te bedingen dat alle de verliezen bij uit-sluitinf door een' of meer der vennooten zullen gedragen worden. (A. 14; B.W. 1655.)
1673. De vennoot die bij een bijzonder beding van de overeenkomst van maatschap, met het beheer belast is, kan, zelfs in weerwil der overige vennooten, alle daden verrigten, welke tot zijn beheer betrekkelijk zijn, mits hierin te goeder trouw te werk gaande.
Deze magt kan, zoo lang de maatschap duurt, niet zonder wettige redenen herroepen worden; maar indien dezelve niet bij de overeenkomst der maatschap, maar bij eene latere akte, is gegeven, is zij, even als eene eenvoudige lastgeving, herroepelijk. (B.W. 1374, 1676, 1679, 1682, 1837 v., 1850; K. 17, 44.)
1674. Indien verscheidene vennooten met het beheer belast zijn, zonder dat hunne bijzondere werkzaamheden bepaald zyn, of zonder beding dat de een buiten den anderen niets zoude mogen verrigten, is ieder van hen afzonderlijk tot alle handelingen, dat beheer betreffende, bevoegd. (B.W. 1841.)
1675. Indien er bedongen is dat een der beheerders niets buiten den anderen zonde mogen verrigten, vermag de eene, zonder eene nieuwe overeenkomst, niet te handelen zonder medewerking van den anderen, al mogt deze zich ook voor het oogenblik in de onmogelijkheid bevinden om aan de daden van beheer deel te nemen.
262
B. W. Boek lil. Titel IX, 2 en 3. Jrlt. 1669â1679. 263
1676. Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer, moeten de volgende regelen worden in acht genomen:
1°. De vennooten worden geacht zich over en weder de magt te hebben verleend om, de een voor den anderen, te be-heeren.
Hetgeen ieder van hen verrigt is ook verbindende voor het aandeel der overige vennooten, zonder dat hy hunne toestemming hebbe bekomen; onverminderd het regt vau deze laatstgeinelden, of van een' hunner, om zich tegen de handeling, zoo lang die nog niet gesloten is, te verzetten ; (B.VV. 1673, 1679, 1682.)
2°. ieder der vennooten mag gebruik maken van de zaken aan de maatschap toebehoorende, mits hij dezelve tot zoodanige einden gebruike, als waartoe zij gewoonlijk bestemd zijn, en mits hij zich van dezelve niet bediene tegen het belang der maatschap, of op zoodanige wijze dat de overige vennooten daardoor verhinderd worden om van die zaken, volgens hun regt, mede gebruik te maken; (B.W. 1663, 1667.)
3°. Ieder vennoot heeft de bevoegdheid om de overige vennooten te verpligten in de onkosten te dragen, welke tot behoud der aan de maatschap behooiende zaken noodzakelijk zijn; (B.W. 630, 1185, 4quot;, 1196.)
4°. Geen der vennooten kan, zonder toestemming der overige, eenige nieuwigheden daarstellen ten aanzien der onroerende goederen, welke tot de maatschap behooren, al beweerde hy ook dat dezelve voor de maatschap voordeelig waren. (B.W. 636.)
1677. De vennooten die geen beheer hebben, mogen zelfs de roerende goederen, tot de maatschap behoorende, noch vervreemden, noch verpanden, noch bezwaren. (B.W. 1366, 1673.)
1678. Elk der vennooten mag, zelfs zonder toestemming der overige, eenen derden persoon aannemen als deelgenoot in het aandeel hetwelk hij in de maatschap heeft; doch hij kan denzelven, zonder zoodanige toestemming, niet als mede lid der maatschap toelaten, al mogt hij ook met het beheer der zaken van de maatschap belast zijn. (B.VV. 1660, 1676.)
DEKDE AFDEELING.
Vun de cerbinitenissen der vennooten ten aanzien van derden.
Art. 1679. De vennooten zijn niet ieder voor het geheel voor de schulden der maatschap verbonden; en een der vennooten kan de overige niet verbinden, indien deze hem daartoe geene volmagt gegeven hebben. (B.W. 1318, 1676; K. 17 v.)
264 Van maatschap of vennootschap.
1680. De vennooten kunnen door den schuldeischer, met wien zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen bedroeg; ten zij, bij het aangaan der schuld, derzelver verpligting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elk vennoot te dragen, uit-drukkelijk zij bepaald. (B.W. 1670.)
1681. Het beding dat eene handeling voor rekening der maatschap is aangegaan, verbindt slechts den vennoot die dezelve aangegaan heeft, maar niet de overige, ten zij de laatstgenoemde hem daartoe volmagt hadden gegeven, of de zaak ten voordeele der maatschap gestrekt hebbe. (B.W. 1673, 1676; K. 58.)
1682. Indien een der vennooten in naam der maatschap eene overeenkomst heeft aangegaan, kan de maatschap de uitvoering daarvan vorderen. (B.W. 1352, 1390 v., 1836.)
VIERDE AFDEELING.
Van de verschillende wijzen waarop de maatschap eindigt.
Art. 1683. Maatschap eindigt:
lu. Door verloop van den tijd voor welken dezelve is aangegaan; (B.W. 1304, 1684.)
2°. Door de vernietiging der zaak of de volbrenging der handeling, die het onderwerp der maatschap uitmaakt; (B.W. 1480 v., 1685.)
3°. Door den enkelen wil van eenige of van slechts eenen der
vennooten; (B.W. 1686.)
41'. Door den dood of de curatele van één hunner, of indien hg in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard. (B.W. 487, 1688; K. 764; R.V. 882 v.)
1684. De ontbinding van maatschappen, voor eenen bepaalden tijd aangegaan, kan door eenen der vennooten, vóór den afloop van den tgd, niet anders gevorderd worden dan om wettige redenen; zoo als, indien een ander vennoot niet aau zijne verpligtingen voldoet, of eene aanhoudende ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken der maatschap waar te nemen; of andere soortgelijke gevallen, waarvan de wettigheid en het gewigt aan de beoordeeling des regters worden overgelaten. (B.W. 1302, 1683.)
1685. Indien een der vennooten beloofd heeft den eigendom eener zaak in gemeenschap te zullen brengen, en deze zaak, voordat zulks geschied is, vergaat, wordt de maatsehap daardoor, ten opzigte van alle de vennooten, ontbonden.
De maatschap is insgelijks, in alle gevallen, ontbonden door het vergaan der zaak, wanneer alleen derzelver genot in gemeenschap is gesteld, en de eigendom aan den vennoot is verbleven.
5. r. Boek III, Titel IX, 3, 4, en X. Ar tl. 1680â1691. 265
Maar de maatschap wordt niet verbroken door het vergaan der zaak, waarvan de eigendom reeds in de maatschap is ingebragt. (B.W. 1480 v., 1662, 1668, 1683.)
1686. Maatschap kan slechts door den wil van eenige of van slechts eeneu der vennooten worden ontbonden, in geval dezelve voor geenen bepaalden tijd is aangegaan.
De ontbinding geschiedt, in dat geval, door eene opzegging aan alle de overige vennooten gedaan, mits die opzegging te goeder trouw en niet ontijdig plaats hebbe. (B.W. 1374, 1683.)
1687. De opzegging wordt geacht niet te goeder trouw te zijn geschied, wanneer een vennoot de maatschap opzegt., met oogmerk om zich alleen een voordeel toe te eigenen, hetwelk de vennooten zich hadden voorgesteld gemeenschappelijk te zullen genieten.
De opzegging geschiedt ontijdig, wanneer de zaken niet meer in haar geheel zijn, en het belang der maatschap vordert dat derzel-ver ontbinding uitgesteld worde. (B.W. 1374.)
1688. Indien bedongen is dat, in geval van overlijden van een' der vennooten, de maatschap met deszelfs erfgenaam, of alleen tus-schen de overblijvende vennooten, zoude voortduren, moet dat beding worden nagekomen.
In het tweede geval, heeft de erfgenaam des overledenen geen verder regt dan op de verdeeling der maatschap, overeenkomstig de gesteldheid waarin dezelve zich ten tijde van dat overlijden bevond; doch hij deelt in de voordeden en draagt in de verliezen, die de noodzakelijke gevolgen zijn van verrigtingen, welke vóór het overlijden van den vennoot, wiens erfgenaam hij is, hebben plaats gehad. (B.W. 1683; K. 30.)
1689. De regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen, de wyze dier verdeeling, en de verpligtingen die daaruit tusschen de mede-erfgenamen voortspruiten, zijn ook toepasselijk op de verdeeling tusschen vennooten. (B.W. 1112 v.; K. 32; R.V. 129.)
TIENDE TITEL.
Van zedelijke ligchamen.
Art. 1690. Behalve de eigenlijke maatschap, erkent de wet ook vereenigingen van personen als zedelijke ligchamen, het zij dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of erkend, het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of met de goede zeden, zijn zamengesteld. (A. 14; B.W. 582, 857, 946 v., 1290, 1655 v., 1696, 1700.)
1691. Alle wettig bestaande zedelijke ligchamen zijn, even als particuliere personen, bevoegd tot het aangaan van burgerlijke handelingen, behoudens de openbare verordeningen, waarbij die bevoegd-
Van zedelijke ligchamen.
heid mogt zijn gewijzigd, beperkt of aan zekere formaliteiten onderworpen. (B.W. 947, 1717,1991.)
1692. De bestuurders van een zedelijk ligchaam zijn, voor zoo verre daaromtrent niet anders bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen is bepaald, geiegtigd om in naam van het ligchaam te handelen, hetzelve aan derden en derden aan hetzelve te verbinden, mitsgaders, zoo eischende als verwerende, in regten op te treden. (B.W. 947, 1673, 1694 v., 1829 v.; R.V. 4, 242, 324.)
1693. Alle handelingen, waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbinden het zedelijk ligchaam slechts in zoo verre hetzelve daardoor werkelijk is gebaat, of de handelingen naderhand behooriyk zijn goedgekeurd geworden. (B.W. 1681, 1694 v.)
1694. Indien de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen uiets bepalen nopens het bestuur van het zedelijk ligchaam, is niemand der leden bevoegd in naam van hetzelve te handelen, of het lichaam op eene andere wijze te verbinden, dan bij het slot des vorigen artikels is bepaald. (B.W. 1673, 1679 v.)
1695. Voor zoo verre daaromtrent niet bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen op eene andere wijze is voorzien, zijn de bestuurders verpligt om aan de gezamenlijke leden van het zedelijk ligchaam rekening en verantwoording af te leggen, waartoe elk lid bevoegd is hen in regten op te roepen. (R.V. 771 v.)
1696. Indien bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen geene bepalingen opzigtelijk het stemregt zijn gemaakt, heeft ieder lid van een zedelijk ligchaam gelyk regt zijne stem uit te brengen, en wordt het besluit bij meerderheid van stemmen opgemaakt. (K. 54.)
1697. De regten en verpligtingen der leden van zoodanige ver-eeniging worden geregeld naar de verordeningen, waarop zij door het openbaar gezag zijn ingesteld of erkend, of naar hare eigene instellingen, overeenkomsten en reglementen, en, voor zoo verre die ontbreken, naar de bepalingen van dezen titel. (B.W. 1695, 1701.)
1698. De leden van een zedelijk ligchaam zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de verbindtenissen van hetzelve.
De schulden kunnen alleen verhaald worden op de goederen van dat ligchaam. (B.W. 1692, 1702.)
1699. Het zedelijk ligchaam op openbaar gezag ingesteld wordt niet vernietigd door den dood of den afstand van het lidmaatschap van alle de leden, maar blijft als zoodanig bestaan, tot zoo lang hetzelve wettiglyk is ontbonden.
Indien alle de leden in voege voorschreven ontbreken, is de arron-dissements-regtbank, onder welker gebied het ligchaam is gevestigd, bevoegd om, op verzoek van den belanghebbenden, en na verhoor en zelfs op requisitoir van het openbaar ministerie, de maatregelen voor te schrijven, welke tusschentijds in het belang van het zedelijk ligchaam mogten worden vereischt. (B.W. 1701; R.V. 324.)
266
B.W. Boek lil, Titel X en XI, 1. Jrll. 1692â170Ã. 267
1700. Alle andere zedelijke ligchamen blijven bestaan tot dat zij uitdrukkelijk zijn ontbonden, volgens hunne instellingen, reglementen of overeenkomsten, of tot dat het doel of het voorwerp der ver-eeniging ophoudt. (B.W. 1690.)
1701. Indien de verordeningen van het zedelijk ligchaam, of des-zelfs instellingen, reglementen en overeenkomsten, deswege geene andere bepalingen inhouden, is het regt der leden van hetzelve persoonlijk, en gaat niet over op hunne erfgenamen. (B.W. 880, 1002, 1354, 1699.)
1702. By de ontbinding van zoodanig zedelijk ligchaam zijn de overblijvende leden, of wel het laatst overblijvend lid, verpligt de schalden van het ligchaam te voldoen, ten bedrage der baten, en kunnen zij alleen het voordeelig slot onderling verdeelen, of zich persoonlijk toeëigenen, en alzoo op hunne erfgenamen overdragen.
Zij zijn ten opzigte van de oproeping der schuldeischers, het aanzuiveren der rekening en verantwoording, en het uitbetalen der schulden, aan dezelfde verpligtingen onderworpen als erfgenamen die eene erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard.
Bij gebreke van voldoening aan die verpligtingen, zijn zij persoonlijk, elk voor het geheel, aansprakelijk voor de schulden, en dragen zij den last daarvan op hunne erfgenamen over. (B.W. 1075 v., 1398.)
ELFDE TITEL.
Fa/i schenkingen.
EERSTE AFDEELIXG.
Algemeene bepalingen.
Art. 1703. Schenking is eene overeenkomst, waarbij de schenker, by zyn leven, om niet en onherroepelijk eenig goed afstaat ten behoeve van den begiftigde die hetzelve aanneemt.
De wet erkent geene andere schenkingen dan schenkingen onder de levenden. (B.W. 225, 227 v., 960 v., 1350 v., 1712, 1723, 1725.)
1704. Schenking vermag alleen de tegenwoordige goederen van den schenker te bevatten.
Indien dezelve toekomstige goederen bevat, is zy te dien opzigte nietig. (B.W. 224, 233 v., 1013 v., 1220, 1507.)
1705. De schenker mag zich niet voorbehouden de bevoegdheid om over een voorwerp, in de schenking begrepen, te beschikken; zoodanige schenking wordt voor zoo veel dat voorwerp aangaat als nietig beschouwd. (B.W. 226, 1292, 1708.)
1706. Het is aan den schenker geoorloofd zich het genot of vrucht-
Van schenkingen.
gebruik van geschonkene, roerende of onroerende goederen, te zijnen eigen voordeele voor te behouden, of daarover ten behoeve van een ander te beschikken; in welke gevallen, de bepalingen van den negenden titel van het tweede boek van dit Wetboek zullen moeten worden in acht genomen. (B.W. 803 v., 832, 930, 969.)
1707. Eene schenking is nietig, indien zij gemaakt is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die welke uitgedrukt staan in de akte van schenking zelve, of in eeneu staat welke daaraan zal moeten zgn vastgehecht. (B.W. 1290 v., 1725.)
1708. De schenker mag zich voorbehouden om over eene bepaalde geldsom uit de geschonkene goederen te beschikken.
Indien hij overlijdt zonder over die geldsom beschikt te hebben, blijft het geschonkene in het geheel aan den begiftigde. (B.W. 228.)
1709. De schenker vermag zich het regt voor te behouden om de gegevene goederen tot zich te doen terug keeren, hetzij in geval de begiftigde alleen, of deze en zijne al'komelingeu, vóór den schenker kwamen te overlijden, maar dit kan niet anders bedongen worden dan ten beljoeve van den schenker alleen. (B.W. 229 v., 233, 926.)
1710. Het gevolg van het regt van terugkeering zal daarin bestaan, dat alle vervreemdingen der geschonkene goederen worden vernietigd, en die goederen tot den schenker terug keeren, vrij en ontheven van alle lasten en hypotheken welke daarop sedert het tijdstip der schenking mogten gelegd zijn. (B.W. 975, 1139, 1253.)
1711. De schenker is in geval van uitwinning tot geene vrijwaring gehouden. (B.W. 1510, 1527 v.)
1712. De bepalingen van artikel 926, 927, 928, 929 en 931, die van artikel 941, en eindelijk de zevende en achtste afdeelingen van den twaalfden titel van het tweede boek, zijn op schenkingen toe-passelijk. (B.W. 1020 v., 1036 v.)
TWEEDE AFDEELING.
Van de bekwaamheid om bij wege van schenking te beschikken, en voordeel te genieten.
Art, 1713. Alle personen mogen bij wege van schenking beschikken en genieten, uitgezonderd de zoodanige welke de wet daartoe onbekwaam verklaart. (B.W. 163, 179, 943, 1356, 1366 v.)
1714. Minderjarigen mogen niet bij wege van schenking beschikken, behoudens hetgeen bij den achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld. (B.W. 194, 206, 223 v., 385, 459 v., 484, 944, 951 v., 1366.)
1715. Schenkingen tusschen echtgenooten, staande huwelijk gedaan, zijn verboden.
268
B.W. Boek III, Titel XI, 1, 2 3. Artt. 1707â1722. 269
Deze bepaling is echter niet toepasselijk op geschenken of handgiften van roerende, ligchamelijke voorwerpen, waarvan de waarde niet bovenmatig is, in aanmerking van de gegoedheid des schenkers. (B.W. 163, 223 v., 172é.)
1716. ïen einde bekwaam te zijn om bij wege van schenking voordeel te genieten, moet de begiftigde, op het tijdstip waarop de schenking heeft plaats gehad, bestaan, met inachtneming van den regel bij artikel 3 vastgesteld. (B.W. 229 v., 883, 9é6, 1044, 1503.)
1717. Schenkingen aan openbare of godsdienstige gestichten gedaan, hebben geen gevolg, dan voor zoo verre de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend om die giften aan te nemen. (B.W. 910, 946, 1712.)
1718. De bepalingen van het tweede lid en van het laatste lid van artikel 951, mitsgaders artikelen 953, 954, 955, 956 en 958, zijn op schenkingen toepasselijk. ')
DERDK APDEELING.
Van den vorm der schenkingen.
Art. 1719. (reene schenking, uitgezonderd degene waarvan bij artikel 1724 wordt gehandeld, kan op straffe van nietigheid anders gedaan worden dan bij eene notariële akte, waarvan de minuut onder den notaris is verbleven. (B.W. 1724, 1904 v., 1930.)
1720. Geene schenking is voor den schenker verbindende, of brengt eenig gevolg hoegenaamd te weeg, dan van den dag waarop dezelve in uitdrukkelijke bewoordingen zal zijn aangenomen, het zij door den begiftigde zeiven, het zij door eenen persoon, aan wien door dezen, bij eene authentieke akte, de volmagt is verleend om schenkingen aan te nemeu, welke aan den begiftigde gedaan zijn, of in het vervolg mogten gedaan wordeu.
Indien de aanneming niet bij de akte van schenking zelve gedaan is, zal zulks kunnen geschieden bij eene latere authentieke akte, waarvan eene minute zal worden gehouden, mits dit plaats hebbe gedurende het leven van den schenker; in welk geval, de schenking, ten opzigte van dezen laatstgenoemde, slechts van kracht zal zijn van den dag, waarop de aanneming aan dezen zal zijn be-teekend geworden. (B.W. 225, 231 v., 1703, 1830 v., 1905.)
1721. Schenkingen aan eene getrouwde vrouw gedaan, kunnen niet anders worden aangenomen dan overeenkomstig de bepalingen vau den zesden titel van het eerste boek van dit Wetboek. (B.W. 163 v., 222, 1366.)
1722. Schenking aan minderjarigen gedaan kan, gedurende het leven der beide ouders, door den vader worden aangenomen.
1) Art. 1718 aldus gewijzigd bü art. 2 der wet van 7 April 1869, Stabl. no. 06.
Van schenkingei
Schenking aan onder voogdij staande minderjarigen, of onder curatele gestelden, gedaan, wordt door den voogd of den curator, daartoe door den kantonregter gemastigd, aangenomen.
Indien de kantonregter de magtiging verleent, blijft de schenking van kracht, al mogt de schenker vóór het verleenen der magtiging zijn overleden. ') (B.W. 355, 362, 364, 385 v., 443, 460,1366.1484.)
1723. De eigendom der in de schenking hegrepene goederen wordt, zelfs wanneer die schenking behoorlijk is aangenomen, niet door den begiftigde verkregen, dan door middel van de over-dragt, gedaan overeenkomstig artikel 667, 668 en 671. (B.W. 1495, 1511, 1703.)
1724. De giften van hand tot hand, van roerende, ligchamelijke voorwerpen, of van schuldvorderingen aan toonder, vereischen geene akte, en zijn van kracht door de enkele overlevering aan den begiftigde, of aan eenen derde, die het gegevene voor hem aanneemt. (B.W. 807, 1390 v., 1719, 1829 v.)
VIERDE AFDEELING.
Van het herroepen en le niet doen van schenkingen.
Art. 1725. Eene schenking kan niet worden herroepen, noch dien ten gevolge te niet gedaan, ten zij in de volgende gevallen: (B.W. 227, 1703; K. 775 v.; R.V. 891 v.)
1°. Dit hoofde der niet-vervulling der voorwaarden, waaronder zij gedaan is; (B.W. 1353, 1726.)
2°. Indien de begiftigde zich schuldig of medepligtig heeft gemaakt aan eenen aanslag op het leven van den schenker, of aan een ander misdrijf jegens denzelven; (B.W. 959, 1727.)
3°. Indien hij weigert aan den schenker, nadat deze in armoede is vervallen, levens onderhoud te verschaffen. (B.W. 379, 1727.)
1726. In het eerste geval, blijft het geschonkene aan den schenker, of hij kan hetzelve terug vorderen, vrij van alle lasten en hypotheken welke daarop door den begiftigde mogten gelegd zijn, met de vruchten en inkomsten bij denzelven sedert zijne nalatigheid genoten.
De schenker kan, in dat geval, tegen den derden houder van eene geschonkene onroerende zaak dezelfde regten uitoefenen als tegen den begiftigde zelveu. (B.W. 975 v., 1137, 1253, 1710, 2014.)
270
1727. In de twee laatste gevallen bij artikel 1725 uitgedrukt, wordt geen hinder toegebragt aan de vervreemding van de geschonkene zaak, of aan de hypotheken of andere zakelijke lasten welke de begiftigde op dezelve mogt gelegd hebben, voordat de eisch tot
1) Zie aanteekening op art. 865.
B. W. Boek lil, Titel XI, 3, 4, en XII, 1. Jrll. 1723â1732. 271
tenietdoening der gift was ingeschreven naast de bij artikel 671 vermelde overschrijving. Alle vervreemdingen, hypotheken, of andere zakelijke lasten, welke later dan de voorzegde inschrijving door den begiftigde mogten zijn gedaan, zijn nietig, indien de eisch ten gevolge der herroeping wordt toegewezen. (B.W. 1490.)
1728. De begiftigde moet, iu het geval van het vorige artikel, de geschonkene zaak terug geven, met de vruchten en inkomsten, te rekenen van den dag der regtsvordering, of, ingeval de zaak vervreemd mogt zijn, de waarde van dezelve, op het tijdstip der regtsvordering, mede met de vruchten en inkomsten sedert dat tijdstip.
Hij is daarenboven verpligt den schenker schadeloos te stellen voor de hypotheken en andere lasten, waarmede onroerende zaken, ook vóór de regtsvordering, door hem mogten zijn bezwaard. (B.W. 1272, 1427 v., 1725.)
1729. De regtsvordering, in het vorige artikel uitgedrukt, vervalt na verloop van één jaar, te rekenen van den dag waarop de daadzaak, die grond tot dezelve geeft heeft plaats gehad, en aan den schenker heeft kunnen bekend zijn.
Die regtsvordering kan niet worden aangelegd door den schenker tegen de erfgenamen van den begiftigde, noch door de erfgenamen van den schenker tegen den begiftigde, ten ware, in dat laatste geval, de regtsvordering reeds door den schenker ware aangevangen, of deze binnen het jaar van de ten laste gelegde daad mogt zyn overleden. (B.W. 1725.)
1730. Door de bepalingen van dezen titel wordt geen hinder toe-gebragt aan hetgeen by den achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld. (B.W. 223 v., 231 v.)
TWAALFDE TITEL.
Van bewaargeving.
EERSTE AFDEELING.
Van bewaargeving in het algemeen, en van derzeloer ver-schillende soorten.
Art. 1731. Bewaargeving heeft plaats, wanneer men het goed van een ander aanneemt, onder de voorwaarde van hetzelve te bewaren en in natura terug te geven. (B.W. 612, 1996.)
1732. Er zijn twee soorten van bewaargeving: de eigenlijk gezegde en de sequestratie. (B.W. 1733 v., 1767 v.)
Van bewaargeving.
TWEEDE AFDEEL1KG.
Van eigenlijk gezegde bewaargeving.
Art. 1733. Eigenlijk gezegde bewaargeving wordt geacht om niet te zijn aangegaan, zoo niet het tegendeel is bedongen.
Dezelve kan slechts roerende goederen tot onderwerp hebben. (B.W. 1755, 1769, 1771, 1831.)
1734. Deze overeenkomst is niet voltrokken dan door de wezenlijke of vooronderstelde overgave der zaak. (B.W. 667 v., 1273,1757.)
1735. Bewaargeving geschiedt, of vrijwillig, of uit noodzaak. (B.W. 1736 v., 1740 v.)
1736. Vrijwillige bewaargeving heeft plaats, ten gevolge van de wederkeerige toestemming van den bewaargever en den bewaarnemer. (B.W. 1356 v., 1366, 1734, 1763.)
1737. Indien men zich zonder schriftelijk bewijs, of zonder begin van schriftelijk bewijs, mogt beroepen op eene vrijwillige bewaargeving, welker bestaan niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is, wordt degene, die als bewaarnemer aangesproken wordt, geloofd, het zij omtrent de daadzaak zelve der bewaargeving, het zij omtrent de zaak die het onderwerp der bewaring uitmaakt, het zij omtrent de teruggave daarvan; alles onverminderd hetgeen, in het vierde boek, opzigteiijk den beslissenden eed bepaald is. (B.W. 1638, 1902, 1932 v., 1966 v.)
1738. Vrijwillige bewaargeving kan slechts plaats hebben tus-schen personen die de bekwaamheid hebben om verbindtenissen aan te gaan.
Indien evenwel iemand die bekwaam is om verbindtenissen aan te gaan iets in bewaring aanneemt van eenen daartoe onbekwamen persoon, is hij aan alle de verpligtingen van eenen wezenlijken bewaarnemer onderworpen. (B.W. 1365 v., 1482.)
'1739. Indien de bewaargeving door eenen bevoegden persoon gedaan is aan iemand die niet bekwaam is om verbindtenissen aan te gaan, heeft de bewaargever tegen den bewaarnemer slechts eene regtsvordering tot teruggave der in bewaring gegevene zaak, zoo lang de laatstgemelde nog in het bezit van dezelve is; of, indien de zaak niet meer bij den bewaarnemer berust, eene regtsvordering tot vergoeding, voor zoo verre deze daardoor gebaat is. (B.W. 163, 1366 v., 1423, 1487.)
1740. Bewaargeving uit noodzaak is de zoodanige welke men door eenig toeval gedwongen wordt te Hoen, zoo als door brand, instorting van gebouwen, plundering, schipbreuk, overstrooming, of andere onvoorziene toevallen. (B.W. 1742, 1746 v., 1940 no. 2; R.V. 585.)
1741. Het bewijs door getuigen wordt omtrent de bewaargeving uit noodzaak toegelaten, al mogt de waarde van hetgeen in bewa-
272
B. W. Boek III, Titel XII, 2. Artt. 1733â1751. 273
ring gegeven is ook de som te boven gaan, welke, naar den regel, niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is. (B.W. 1932 v., 1940.)
1742. Voor het overige wordt bewaargeving uit noodzaak geregeld overeenkomstig de bepalingen op vrijwillige bewaareevins toepasselijk, fB.W. 1738 v.)
1743. De bewaarnemer moet omtrent de bewaring der aan hem toevertrouwde zaak dezelfde zorg aanwenden, welke hij omtrent de bewaring zijner eigene zaken aanwendt. (B.W. 1271 v., 1782.)
1744. De bepaling van het voorgaande artikel moet met meerdere strengheid worden toegepast;
1°. Indien de bewaarnemer zich zeiven tot de bewaring heeft aangeboden;
2°. Indien hij eenig loon voor de bewaring bedongen heeft;
3°. Indien de bewaargeving eeniglijk in het belang van den bewaarnemer geschied is;
4°. Indien uitdrukkelijk bedongen is dat de bewaarnemer voor allesoort van verzuimzoude aansprakelijk zijn, (B.W. 1838.)
1745. In geen geval, is de bewaarnemer aansprakelijk wegens onvermijdelijke toevallen, ten ware hij in de teruggave der in bewaring gegevene zaak mogt zijn nalatig geweest.
Zell's in dat laatste geval, is hij niet aansprakelijk, indien het goed bij den bewaargever insgelijks zoude vergaan zijn. (B.W. 1271 v., 1280, 1753.)
1746. Herbergiers en logementhouders zijn als bewaarnemers verantwoordelijk voor de goederen welke de reizigers, die bij dezelve hunnen intrek nemen, medebrengen. De bewaargeving van zoodanige soort van goederen wordt als eene bewaargeving uit noodzaak aangemerkt. (B.W. 1741, 1940 2°, 2005; R.V. 585.)
1747. Zij zijn verantwoordelyk wegens diefstal of beschadiging van de goederen der reizigers, het zij de diefstal begaan, of de schade veroorzaakt zij door de dienstboden of andere bedienden der herberg, het zij door ieder ander persoon. (B.W. 849,1403, 1649, 1840,1953.)
1748. Zij zijn niet verantwoordelijk voor gewelddadige diefstallen, of die begaan zijn door personen welke de reiziger zelf bij zich toegelaten heeft.
1749. De bewaarnemer mag zich van het in bewaring gegeven goed niet bedienen, zonder het uitdrukkelijk of voorondersteld verlof van den bewaargever, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B.W. 1279 v.; R.V. 454.)
1750. Hij mag niet onderzoeken waarin de zaken bestaan die hem in bewaring zijn gegeven, indien hem dezelve in eene geslo-tene kist, of onder eenen verzegelden omslag, zijn toevertrouwd geworden.
1751. De bewaarnemer moet dezelfde zaak welke hij ontvangen heeft, terug geven.
Aldus moeten geldsommen in dezelfde stukken geld worden terug
BURG. WBTB. 18
Van bewaargeving.
gegeven, -welke in bewaring zijn gegeven, het zij die muntspeciën in waarde vermeerderd of verminderd zijn. (B.W. 1465, 1996.)
1752. De bewaarnemer behoeft de in bewaring gegevene zaak slechts terug te geven in den staat, waarin dezelve zich bevindt op het tijdstip der teruggave.
De verminderingen, die dezelve buiten zijne schuld heeft ondergaan, komen voor rekening van den bewaargever. (B.W. 1010, 1273, 1427, 1480.)
1753. De bewaarnemer aan wien het goed door eene overmagt ontnomen is, en die de waarde daarvan of iets anders in de plaats ontvangen heeft, moet dit ontvangene aan den bewaargever teruggeven. (B.W. 1481, 1745.)
1754. De erfgenaam van den bewaarnemer, die, niet wetende dat eene zaak in bewaring ontvangen was, dezelve te goeder trouw verkocht heeft, is alleenlijk gehouden den door hem ontvangen koopprijs terug te geven, of, indien hij denzelven nog niet ontvangen heeft, zijne regtsvordering tegen den kooper af te staan. (B.W. 880, 1002, 1272, 1399, 1507, 2014.)
1755. Indien het in bewaring gegeven goed vruchten heeft opgeleverd, die door den bewaarnemer geïnd of ontvangen zijn, is hij verpligt dezelve terug te geven.
Hg is geene interessen van de aan hem toevertrouwde geldsommen verschuldigd, dan van den dag dat hij, daartoe aangemaand, in de teruggave daarvan nalatig is geweest. (B.W. 449, 1006, 1204, 1274, 173;?, 1804, 1842; R.V. 455.)
1756. De bewaarnemer mag het bewaarde goed niet teruggeven dan aan dengenen die hem hetzelve heeft toevertrouwd, of aan hem in wiens naam de bewaring gedaan is, of die aangewezen is om hetzelve terug te ontvangen. (B.W. 1421.)
1757. Hij' kan van dengenen die de zaak in bewaring gegeven heeft, geen bewijs vorderen dat deze de eigenaar van dezelve was.
Indien hij niettemin ontdekt dat het goed is gestolen, en wie daarvan de wezenlijke eigenaar is, moet hij dezen kennis geven dat hetzelve goed bij hem in bewaring gesteld is, met aanzegging om hetzelve binnen eenen bepaalden en genoegzamen tijd op te eischen. Indien degene aan wien de aanzegging gedaan is verzuimt het in bewaring gestelde goed terug te eischen, is de bewaarnemer wettig-liik ontslagen door de overgave van hetzelve goed aan dengenen van wien hij zulks ontvangen heeft. (B.W. 637, 1734, 2014.)
1758. In geval van overlijden van den bewaargever, kan het goed alleenlijk aan deszelfs erfgenaam worden terug gegeven.
Indien er meerdere erfgenamen zijn, moet hetzelve terug gegeven worden aan alle gezamenlijk, of aan elk van heu, voor zijn aandeel.
Indien de in bewaring gestelde zaak ondeelbaar is, moeten de erfgenamen zich onderling omtrent de overneming van dezelve verstaan. (B.W. 880, 1002, 1335, 1339, 1565, 1850.)
274
B. IF. Boek III, Titel 17/, 2. Ar It. 1752â1766. 275
1759. Indien degene die de zaak in bewaring gegeven heeft van staat veranderd is, by voorbeeld indien eene op het tijdstip der bewaargeving niet gehuwde vrouw naderhand getrouwd is, en zich alzoo onder de magt van haren man bevindt; indien een meerderjarige bewaargever onder curatele is gesteld; in alle deze en soortgelijke gevallen, mag het in bewaring gegeven goed niet terug gegeven worden, dan aan dengenen die het beheer heeft over de regten en goederen van den bewaargever, ten ware de bewaarnemer wettige gronden mogt hebben om de verandering van staat niet te weten. (B.W. 163 v., 536 v., 1850.)
1760. Indien de bewaargeving door eenen voogd, curator, echtgenoot of bewindvoerder gedaan is, en hun beheer geëindigd is, kan het goed alleenlijk terng gegeven worden aan den persoon die door dezen voogd, curator, echtgenoot, of bewindvoerder, vertegenwoordigd werd. (B.W. 1756.)
1761. De teruggave der in bewaring gegevene zaak moet geschieden ter plaatse bij de overeenkomst aangewezen.
Indien de overeenkomst de plaats tot de teruggave niet aanwijst, moet dezelve gedaan worden op de plaats zelve waar de bewaargeving geschied is.
Ue kosten, deswege te vallen, zijn voor rekening van den bewaargever. (B.W. 1429, 1766.)
1762. De in bewaring gegevene zaak moet aan den bewaargever terug gegeven worden, zoodra hij zulks vordert, al ware het ook dat bij de overeenkomst een bepaalde tijd voor de teruggave mogt zijn vastgesteld, ten zij onder de handen van den bewaarnemer beslag mogt gelegd zijn. (B.W. 1274, 1305, 1753, 1755, 1772; R.V. 735 v., 797.)
1763. De bewaarnemer die wettige redenen mogt hebben om zich van het in bewaring gegevene goed te ontlasten, kan hetzelve ook, vóór het tijdstip bij de overeenkomst bepaald, aan den bewaargever terug geven, of, bij deszelfs weigering, van den regter verlof bekomen om hetzelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (B.W. 1772 v.)
1764. Alle verpligtingen van den bewaarnemer houden op, indien hij mogt ontdekken en bewijzen dat hij zelf eigenaar is van het in bewaring gestelde goed. (B.W. 1472 v.)
1765. De bewaargever is verpligt aan den bewaarnemer te vergoeden alle onkosten welke hij mogt gemaakt hebben tot behoud van het in bewaring gestelde goed, en hem schadeloos te stellen wegens alle de schaden welke hem door de bewaring mogten zijn veroorzaakt. (B.W. 630, 1185 no. 4, 1194, 1271 v., 1279 v., 1400 v., 1789, 1846.)
1766. De bewaarnemer is geregtigd om het goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van hetgeen hem, ter zake der bewaring, verschuldigd is. (B.W. 630, 762, 1196, 1205, 1493, 1849.)
18*
Van bewaargeving.
DERDE AÃDEELING.
Van sequestratie en derzeloer verschillende soorten.
Art. 1767. Sequestratie is de bewaargeving van eene zaak, waarover geschil is, in de handen van eenen derde, die zich verbindt om dezelve, nadat het geschil zal zijn uitgemaakt, met de vruchten terug te geven aan dengenen die daartoe zal worden geregtigd verklaard.
Deze bewaargeving heeft plaats, of door overeenkomst, of op reg-terlijk bevel. (B.W. 534, 880, 1003, 1731, 1734, 1768 v., 1773 v.)
1768. De sequestratie heeft bij overeenkomst plaats, wanneer het betwiste goed door een of meer personen vrijwillig in handen van eenen derde is gesteld.
1769. Het is geen noodzakelijk vereischte dat sequestratie om niet geschiede. (B.W. 1733, 1744.)
1770. Sequestratie is aan dezelfde regelen onderworpen, als de eigenlijk gezegde bewaargeving, behoudens de hierna volgende uitzonderingen. (B.W. 1733 v.)
1771. Zij kan roerende en onroerende zaken tot onderwerp hebben. (B.W. 1733,1774.)
1772. De bewaarnemer, die met de sequestratie belast is, kan niet van de bewaring der zaak worden ontslagen voordat het geschil uitgemaakt is, ten ware alle de belanghebbende partijen daarin mogten toestemmen, of er eene andere wettige reden mogt bestaan. (B.W. 1762 v., 1770.)
1773. Sequestratie op regterlijk bevel heeft plaats, wanneer de regter gelast dat eene zaak waarover geschil is in bewaring gesteld worde. (B.W. 617, 1763, 1(J22; K. 487.)
1774. Geregtelijke sequestratie wordt opgedragen, het zij aan iemand omtrent wien de belanghebbende partijen onderling zijn overeengekomen, bet zij aan iemand die door den regter van ambtswege daartoe benoemd is.
In beide gevallen, is degene aan wien de zaak is toevertrouwd aan alle de verpligtingen onderworpen, welke de sequestratie bij overeenkomst medebrengt, en daarenboven gehouden om jaarlijks aan de arrondissements-regtbank, op de vordering van het openbaar ministerie, eene summiere rekening van zijn beheer af te leggen, met vertooning of aanwijzing der aan hem toevertrouwde goederen, zonder dat echter de goedkeuring der rekening aan de belanghebbende partijen zal kunnen worden tegengeworpen. (B.W. 1770 v.;K. 94, 489'; R.V. 53.)
(775. De regter kan sequestratie bevelen :
1°. Van roerende zaken, welke onder eenen schuldenaar zijn in beslag genomen; (R.V. 450, 721, 727, 760.)
276
B. W. Boek UI, Titel XII, 3, en XIII, 1. Artt. 1767â1780. 277
2°. Van eene roerende of onroerende zaak, waarvan de eigendom of het bezit tusschen twee of meer personen in geschil is; (B.W. 617, 880; K. 618.)
3°. Van zaken, welke een schuldenaar tot kwijting zijner schuld aanbiedt. (B.W. 1440 v.; R.quot;V. 794 v.)
1776. De aanstelling van eenen geregtelijken bewaarder brengt tusschen den inbeslagnemer en den bewaarder wederkeerige verplig-tingen voort.
De bewaarder moet voor het behoud der inbeslag genomene zaken de zorg dragen van een goed huisvader.
Hij moet dezelve overgeven, het zij ten verkoop, om daaruit den inbeslagnemer te voldoen, het zij aan de partij tegen welke de inbeslagneming heeft plaats gehad, indien deze inbeslagneming is opgeheven.
De verpligting van den inbeslagnemer bestaat in het betalen van het bij de wet bepaalde loon aan den bewaarder. (B.W. 1743 v.; K.V. 450, 454 v.)
DERTIENDE TITEL.
Fan bruikleening.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 1777. Bruikleening is eene overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere eene zaak om niet ten gebruike geeft, onder voorwaarde dat degene die deze zaak ontvangt, dezelve, na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of na eenen bepaalden tijd. zal terug geven. (B.W. 1425, 1465, 1731, 1791.)
1778. De uitleener blijft eigenaar van de geleende zaak. (B.W. 1783, 1789, 1792.)
1779. Al hetgeen tot den handel der menschen behoort, en niet door het gebruik verloren gaat, kan het onderwerp dezer overeenkomst zijn. (B.W. 593, 1368.)
1780. De verbindtenissen, welke uit de bruikleening voortspruiten, gaan over tot de erfgenamen van dengenen die ter leen geeft, en van hem die ter leen ontvangt.
Maar indien men de uitleening gedaan heeft alleen uit aanmerking van dengenen die ter leen ontvangt, en aan deszelfs persoon in het bijzonder, kunnen deszelfs erfgenamen het verder genot van het geleende goed niet blijven behouden. (B.W. 880, 1002, 1354, 1754, 1863.)
Van bruikleeniny.
TWEEDE AFDEELING.
Van de verpligtingen van dengenen die iets ter bruik-leening ontvangt.
Art. 1781. Die iets ter leen ontvangt is gebonden, als een goed huisvader, voor de bewaring en het behoud van het geleende goed te zorgen.
Hij mag daarvan geen ander gebruik maken dan hetwelk de aard der zaak medebrengt, of bij de overeenkomst bepaald is: alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zgn.
Indien hij bet geleende goed gebruikt tot een ander einde, of gedurende eenen langeren tijd, dan hij zulks behoorde te doen, is hij daarenboven aansprakelijk voor het verlies van dat goed, al had dit verlies ook door een bloot toeval plaats. (B.W. 1271 v., 1281 v., 1427, 1480 v.. 1782 v.)
1782. Indien de geleende zaak verloren gaat door een toeval, hetwelk degene die dezelve ter leen ontvangen heeft, door zijne eigene zaak te gebruiken, had kunnen voorkomen, of indien hij, slechts een van beide kunnende behouden, aan de zijne den voorrang heeft geweven, is hg voor het verlies der andere zaak aansprakelijk. (B.W. 1272, 1281,1480, 1743.)
1783. Indien de zaak bij het ter leen geven geschat is, komt het verlies van dezelve, al ontstond dat ook door toeval, ten laste van dengenen die de zaak ter leen ontvangen heeft, ten ware liet tegendeelquot; mogt bedongen zijn. (B.W. 1281, 1068.)
1784. Indien de zaak alleen ten gevolge van het gebruik waartoe dezelve geleend is, en buiten schuld van den gebruiker, in waarde vermindert, is deze wegens die vermindering niet aansprakelijk. (B.W. 1427, 1480.)
1785. Indien de gebruiker, om van de geleende zaak gebruik te kunnen maken, eenige onkosten gemaakt heeft, kan hij dezelve niet terug vorderen. (B.W. 1789.)
1786. Indien verscheidene personen gezamenlijk dezelfde zaak ter leen hebben ontvangen, zijn zij, ieder voor het geheel, jegens den uit-leener daarvoor aansprakelijk. (B.W. 1318, 1387 v.)
DERDE ArDEELING.
Van de verpligtingen van den uitleener.
Art. 1787. De uitleener kan de geleende zaak niet terug vorderen dan na verloop van den bepaalden tijd, of, bij gebreke eener dusdanige bepaling, nadat dezelve tot het gebruik waartoe zij was uitgeleend gediend heeft, of heeft kunnen dienen. (B.W. 1304 v., 1762, 1796.)
278
B. W. Boek III, Titel XIII, 2,3 en XIF, 1. AM. 1781â1794. 279
1788. Indien evenwel de uitleener, gedurende dat tijdsverloop, of vóór dat de behoefte van den gebruiker opgehouden heeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts opkomende redenen, zelf benoodigd heeft, kan de regter, naar gelang der omstandigheden, den gebruiker noodzaken liet geleende aan den uitleener terug te geven. (B.W. 1305, 1615.)
1789. Indien de gebruiker, gedurende de bruikleening, tot behoud der zaak eenige buitengewone noodzakelijke onkosten heeft moeten maken, welke zoo dringende waren dat hij daarvan te voren aan den uitleener geene kennis heeft kunneu geven, is deze ver-pligt hem dezelve te vergoeden. (B.W. 1185 no. 4, 1194, 1400, 1765, 1778, 1785.)
1790. Indien de ter leen gegevene zaak zoodanige gebreken heeft, dat daardoor aan dengenen, die zich van dezelve bedient nadeel zoude kunnen worden toegebragt, is de uitleener, zoo hij die gebreken gekend, en daarvan aan den gebruiker geene kennis gegeven heeft, voor de gevolgen verantwoordelijk. (B.W. 1401 v., 1540, 1799.)
VEERTIENDE TITEL.
Van ver bruikleening.
EEKSTE AEDEELING.
Algemeene hepalingen.
Art. 1791. Verbruikleening is eene overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere eene zekere hoeveelheid van verbruikbare zaken afgeeft, onder voorwaarde dat de laatstgemelde haar even zoo veel, van gelijke soort en hoedanigheid, terug geve. (B.W. 561, 1428, 1800.)
1792. Uit krachte dezer verbruikleening, wordt degene die telleen ontvangt eigenaar van het geleende goed; en indien hetzelve, op welke wijze ook, vergaat, komt dat verlies voor zijne rekening. (B.W. 1273, 1480, 1778. 1800.)
1793. De schuld, uit leening van geld voortspruitende, bestaat alleen in de geldsom die bij de overeenkomst is uitgedrukt.
Indien er, voor het tijdstip der voldoening, vermeerdering of vermindering van de waarde der geldspecie, of verandering in de gangbaarheid, plaats heeft, geschiedt de teruggave der geleende som in zoodanige specie als ten tijde der voldoening gangbaar is, berekend naar derzelver gangbare waarde op dat tijdstip. (B.W. 1286, 1425; K. 156 v.)
1794. De regel, bij het vorige artikel vastgesteld, is van geene toepassing, indien, ten opzigte der leening van een zeker getal
Van verbruikleening.
stukken van eene bepaalde munt, de partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen, dat hetzelfde getal en dezelfde soort van stukken zullen worden terug gegeven. In dit geval, moet degene die ter leen ontvangen heeft het juiste getal stukken van denzelfden aard, en niet meer noch minder, terug geven.
Indien dezelfde soort van stukken niet meer in voldoende hoeveelheid bestaat, moet het ontbrekende worden vergoed met munt van hetzelfde metaal, zoo na mogelijk van hetzelfde gehalte, en te zamen inhoudende even veel metaal fijn, als de ontbrekende hoeveelheid der verschuldigde stukken metaal fijn inhielden. (B.W. 1425, 1800 v.)
1795. Indien staven goud of zilver, of wel andere waren, zijn ter leen gegeven, moet de schuldenaar, hoezeer derzelver waarde ook moge vermeerderd of verminderd zyn, altijd eene gelijke hoeveelheid en hoedanigheid terug geven, en is tot niets meerder gehouden. (B.W. 1428, 1791.)
TWEEDE AFDEELING.
Fan de verpligtingen des uitleeners.
Art. 1796. De uitleener kan het ter leen gegevene niet terug eischen, voordat de tijd, bij de overeenkomst bepaald, verstreken is. (B.W. 1304 v., 1800 v.)
1797. Geene tijdsbepaling gemaakt zijnde, kan de regter, wanneer de uitleener de teruggave vordert, naar gelang der omstandigheden, aan dengenen die de zaak ter leen ontvangen heeft eenig uitstel toestaan. (B.W. 1307, 1426, 1798.)
1798. Indien men is overeengekomen dat hij die eene zaak of geldsom ter leen heeft ontvangen dezelve zal terug geven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar gelang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen. (B.W. 1292, 1304, 1426.)
1799. De bepaling van artikel 1790 is op verbruikleening toepasselijk. (B.W. 1401 v., 1540.)
DERDE AFDEELING.
Van de verpligtingen des teeners.
Art. 1800. Die iets ter leen ontvangt is verpligt hetzelve, in gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en op den bepaalden tijd, terug te geven. (B.W. 1304, 1428, 1791, 1796.)
i80l. Indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt om hieraan te voldoen, is hij gehouden de waarde van het geleende te betalen, waarbij zal moeten in aanmerking genomen worden de tijd en de plaats, waarop het goed, ten gevolge der overeenkomst, had moeten worden terug gegeven.
280
B.W. Boek III, Titel XIV, 2. 3, 4, XV. Artt. 1795â1807. 281
Indien deze tijd en plaats niet bepaald zijn, moet de voldoening geschieden overeenkomstig de waarde welke de geleende zaak, ten tij de waarop en ter plaatse alwaar de leening geschied is, gehad heeft. (B.W. 1279, 1286, 1429.)
VIERDE APDEELISG.
Van het ter leen geoen op interessen.
Art. 1802. Het is geoorloofd, voor leening van geld of andere verbruikbare zaken, interessen te bedingen. (B.W. 12S6,1S05, 2012: R.V. 348.)
1803. Hij die ter leen ontvangen, en interessen betaald heeft die niet bedongen waren, kan dezelve niet terug eisohen, noch in mindering der hoofdsom doen verstrekken, ten ware dezelve de wettelijke interessen te boven gingen; in welk geval, het te veel betaalde kan worden terug geëischt, of in mindering van de hoofdsom verstrekken.
De betaling van onbedongen interessen verpligt den schuldenaar niet dezelve in het vervolg te betalen; maar bedongene interessen zijn verschuldigd tot de teruggave of consignatie der hoofdsom toe, zelfs indien de eene of andere na den vervaltijd mogt hebben plaats gehad. (B.W. 1306, 1395, 1440.)
1804. Interessen zijn of wettelijk, of bij overeenkomst bedongen. De wettelijke interessen zijn bij de wet bepaald. ') üe bij overeenkomst bedongene interessen mogen de wettelijke te boven gaan, in alle de gevallen waarin de wet zulks niet verbiedt.
De hoegrootheid der bij overeenkomst bedongene interessen moet in geschrift worden bepaald. (B.W. 449, 471, 844 v., 1006, 1144, 1286, 1322, 1842, 1876, 2012.)
1805. Indien de uitleener interessen bedongen heelt, zonder dat het beloop daarvan bepaald zij, is degene die ter leen ontvangen heeft gehouden het beloop der wettelijke interessen te voldoen.
1806. Het bewijs van de betaling der hoofdsom zonder voorbehoud van interessen gegeven zijnde, doet de voldoening der interessen vooronderstellen, en de schuldenaar wordt daarvan bevrijd. (B.W. 1433, 1474, 1953, 1958.)
VIJFTIENDE TITEL.
Van gevestigde of altijddurende renten.
Art. 1807. Het vestigen eener altijddurende rente is eene over-
1) Vastgesteld by art. 3 der wet vau 23 Doc. 1S57, Stsbl. uo. 171.
Van altijddurende renten.
eenkomst, waarbij de uitleener interessen bedingt, tegen betaling eener hoofdsom welke hij aanneemt niet terug te zullen vorderen. (B.W. 567, 1430.)
1808. Deze rente is uit haren aard aflosbaar.
Partijen kunnen alleenlijk overeenkomen dat de aflossing niet geschieden zal dan na verloop van eenen zekeren tijd, welke niet langer dan voor tien jaren mag gesteld worden, of zonder dat zij den schuldeischer vooraf verwittigd hebben op eenen zekeren, door hen bevorens vastgestelden termijn, welke echter den tijd van een jaar niet zal mogen te boven gaan. (B.W. 1305 v., 1556.)
1809. De schuldenaar eener altijddurende rente kan tot de aflossing genoodzaakt worden:
lu. Indien hij niets betaald beeft op de gedurende twee achtereenvolgende jaren verschuldigde renten;
2°. Indien hij verzuimt aan den geldschieter de bij de overeenkomst beloofde zekerheid te bezorgen;
3°. Indien hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard. (B.W. 1304, 1307, 1818 v., 1880; K. 764 v.; R.V. 882 v.)
1810. In de twee eerste gevallen, bij het vorige artikel vermeld, kan de schuldenaar zich van de verpligting tot aflossing ontheffen, indien hij binnen de twintig dagen, te rekenen van de geregtelijke aanmaning, alle de verschenen termijnen betaalt of de beloofde zekerheid stelt. (B.W. 1274.)
ZESTIENDE TITEL.
Van kans-overeenkomsten.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 1811. Eene kans-overeenkomst is eene handeling, waarvan de uitkomsten, met betrekking tot voordeel en nadeel, het zij voor alle de partijen, het zij voor eenige derzelve, van eene onzekere gebeurtenis afhangen.
Van dien aard zijn:
De overeenkomst van verzekering; (K. 246 v., 287 v., 592 v., 686.)
Bodemerij; (K. 569 v.)
Lijfrenten; (B.W. 1812 v.)
Spel en weddingschap. (B.W. 1825 v.)
De beide eerste worden bij het Wetboek van Koophandel geregeld. (B.W. 1289 v.)
282
B.W. Boek 111, Titel, XVeu XVI, 1, 2. Artt. 1808â1821. 283
TWEEDE AFDEELING.
Van üe overeenkomst van lijfrenten en derzelver gevolgen.
Art 1812. Lijfrenten kan bij eenen bezwarenden titel, of bij akte van schenking, worden gevestigd.
Zij kan ook worden verkregen bij uiterste wilsbeschikking. (B.W. 811, 960 v., 965, 1007, 1288, 1817, 2012.)
1813. Lijfrente kan worden gevestigd, het zij op het lijf des geldschieters, of van hem wien men daarvan het genot geeft, het zij op dat van eenen derde, ofschoon deze daarvan geen genot hebbe.
1814. Dezelve kan gevestigd worden op het lijf van een of meer' personen.
1815. Zij kan gevestigd worden ten behoeve van een' derde, hoewel het geld door een' ander persoon geschoten zij.
In dat geval is zij echter niet onderworpen aan de formaliteiten welke tot sclienkingen vereischt worden. (B.W. 1353, 1719 v.)
1816. Alle lijfrente, gevestigd op het lijf van iemand die overleden was op den dag waarop de overeenkomst is aangegaan, is krachteloos. (B.W. 1371, 1811.J
1817. Lijfrente kan tot zoodanig beloop van renten gesteld worden, als partijen goedvinden te bepalen. (B.W. 1804.)
1818. Degene te wiens behoeve eene lijfrente bij bezwarenden titel is gevestigd, kan de vernietiging van de overeenkomst vorderen, indien de schuldenaar hem de bedongene zekerheid voor derzelver nakoming niet bezorgt.
In geval van vernietiging, is de schuldenaar gehouden de achterstallige bedongene renten te betalen, tot den dag toe, waarop de hoofdsom zal zijn afgelost. (B.W. 1303, 1809 no. 2.)
1819. Wanbetaling der verschenen lijfrente geeft den rentheffer geen regt om aflossing van de hoofdsom, of teruggave van het door hem daarvoor afgestane goed, te vorderen; hij heeft alleen het regt om zijnen schuldenaar voor de verschuldigde renten aan te spreken en uit te winnen, en om zekerheid te vragen voor de te vervallene renten. (B.W. 1430, 1809.)
1820. Ingeval de schuldenaar in staat van faillissement of kennelijk onvermogen is verklaard, zal de lijfrente verminderd worden naar evenredigheid der overige schalden, en is de boedel verpligt aan den rentheft'er het genot der alzoo verminderde lijfrente te verzekeren. (K. 764 v., 885; R.V. 882 v._)
1821. De schuldenaar kan zich niet van de betaling der lijfrente ontheften door de teruggave der hoofdsom aan te bieden, en door af te zien van de terugvordering der betaalde renten; hij is gehouden met de betaling der lijfrente voort te gaan, gedurende het ge-heele leven van den persoon of der personen op wier lijf de rente
amp;
Van kans-overeenkomsten.
gevestigd is, hoe bezwarend ook de betaling dier rente voor hem worden moge. (B.W. 1808.)
1822. De eigenaar eener lijfrente heeft slechts een verkregen regt op de lijfrente, naar evenredigheid van het getal der dagen welke degene geleefd heeft, op wiens lijf de rente is gevestigd.
Indien echter de overeenkomst medebrengt dat de rente vooruit moet worden betaald, is het regt op den termijn die betaald had behooren te zijn verkregen van den dag waarop de betaling had moeten geschieden. (B.W. 558, 810 v.)
1823. Men kan niet bedingen dat eene lijfrente aan geene inbeslagneming zal onderworpen zijn, ten ware dezelve om niet gevestigd zij. (B.W. 1465; R.V. 758.)
1824. De rentheffer kan de verschenen rente niet vorderen, dan door te doen blijken van het leven van hem op wien de lijfrente gevestigd is. (B.W. 3012.)
DERDE AFDEELING.
Van spel en weddingschap.
Art. 1825. De wet staat geene regtsvordering toe, ter zake van eene schnld uit spel of uit weddingschap voortgesproten.
1826. Onder de hier-boven staande bepaling zijn echter niet begrepen die spelen welke geschikt zijn tot ligchaamsoelening, als het schermen, wedloopen en dergelijke.
Niettemin kan de regter den eisch ontzeggen of verminderen, wanneer hem de som overmatig toeschijnt.
1827. Men mag de bepalingen der twee voorgaande artikelen door geene schuldvernieuwing ontwijken. (B.W. 1449 v.)
1828. In geen geval, kan hij die het verlorene vrijwillig betaald heeft hetzelve terug eischen, ten ware, van den kant van dengenen die gewonnen heeft, bedrog, list of opligting hebbe plaats gehad. (B.W. 1364, 1395.)
ZEVENTIENDE TITEL.
Van lastgeving.
EERSTE AFDEELING,
Van den aard der lastgeving.
Art. 1829. Lastgeving is eene overeenkomst, waarbij iemand aan eenen anderen de inagt geeft, en deze aanneemt, om eene zaak voor den lastgever, in deszelfs naam, te verrigten. (B.W. 19, 133 v., 1390 v.; K. 79, 111, 327.)
284
B. W. Boek III, Titel XVI, 2,3, XV 11,1, ï, AM. 1822â1837. 285
1830. Last kan worden gegeven en aangenomen bij openbare akte, bij onderhandsch geschrift, zelfs bij eenen brief en ook bij monde.
De aanneming van eenen last kan ook stilzwijgende geschieden, en afgeleid worden uit de volvoering van den last door den lasthebber. (B.W. 1217, 1720, 1911, 1933 v., 1982; K. 824; R.V. 263, 434, 847.)
1831. Lastgeving geschiedt om niet, ten ware het tegendeel bedongen zij. (B.W. 10f)8, 1394, 1585, 1838.)
1832. Lastgeving is of bijzonder, en slechts tot eene of meerdere bepaalde zaken, of algemeen en tot alle de zaken van den lastgever betrekkelijk. (B.W. 1833, 1962.)
1833. Lastgeving in algemeene bewoordingen vervat, strekt zich alleen uit tot daden van beheer.
Om goederen te vervreemden, of met hypotheek te bezwaren, om eene dading aan te gaan, of om eenige andere daad van eigendom te verrigten, wordt eene uitdrukkelijke lastgeving vereischt. (B.W. 1217, 1421, 1441 no. 1, 1720, 1971; K. 336; R.V. 263.)
1834. De lasthebber mag niets doen hetwelk zijnen last te buiten gaat; de magt om eene zaak bij wege van dading af te doen bevat geenszins de bevoegdheid om dezelve aan de beslissing van scheidsmannen te onderwerpen. (B.W. 1352, 1843; R.V. 620.)
1835. V rouwen en minderjarigen kunnen tot zaakgelastigden gekozen worden, maar de lastgever heeft geene andere regtsvordering tegen minderjarigen, dan overeenkomstig de algemeene bepalingen, die tot de verbindtenissen der minderjarigen betrekkelijk zijn, en tegen getrouwde vrouwen, die zonder magtiging liarer mans den last hebben op zich genomen, dan volgens de regelen, bij den zesden en achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek voorgeschreven. (B.W. 163 v., 169, 170. 194 v., 388, 443 v., 1053,1366 v., 1423, 1482; R.V, 622.)
1836. De lastgever kan dengenen met wien de zaakgelastigde in die hoedanigheid gehandeld heeft onmiddellijk in regten betrekken en de voldoening der overeenkomst vorderen. (B.W. 1829,1840; K. 78.)
TWEEDE APDEELING.
Van de verpligtingen vaa den lasthebber.
Art. 1837. De lasthebber is gehouden den last, zoo lang hij daarvan niet ontheven is, te volvoeren, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen, die door het niet ten uitvoer bren-l aan gen van dien last zonden kunnen ontstaan.
zaak Insgelijks is hij gehouden de zaak, waarmede hij ten tijde van 13 v., het overlijden van den lastgever eenen aanvang heeft gemaakt, ten einde te brengen, indien er, door het niet onmiddellijk afdoen van
Van lastgeving.
de zaak, eenig nadeel zoude kunnen ontstaan. (B.W. 1279 v., 1373, 1390 v., 150«, 185é.)
1838. De lasthebber is niet alleen aansprakelijk wegens kwaad opzet, maar ook wegens verzuimen welke hij bij het volvoeren van zijnen last mogt hebben gepleegd.
Niettemin wordt de verantwoordelijkheid wegens verzuimen minder streng toegepast ten aanzien van dengenen die eenen last om niet op zich neemt, dan van hem die daarvoor eenige belooning ontvangt. (B.W. 1271, 1364, 1392, 1744, 1831.)
1839. De lasthebber is verpligt rekenschap te geven van hetgeen hij verrigt heeft, en aan den lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij uitkrachte van zijne volmagt ontvangen heeft, al ware het ook dat het ontvangene niet aan den lastgever mogt zijn verschuldigd geweest. (B.W. 1842; R. V. 771 v.)
1840. De lasthebber is verantwoordelijk voor dengenen dien hij tot de uitvoering van dien last in zijne plaats gesteld heeft:
ln. Indien hij geene magt heeft bekomen om een ander in zijne plaats te stellen;
2°. Indien hem die magt verleend is zon der aanduiding van eenen bepaalden persoon, en degene dien hij daartoe gekozen heeft blijkbaar onbekwaam of onvermogend is.
De lastgever wordt steeds voorondersteld aan den lasthebber het vermogen te hebben gegeven om een' ander in zijne plaats te stellen tot het beheer van goederen welke buiten het grondgebied des Koningrijks gelegen zijn.
In allen gevallen, kan de lastgever den persoon, welken de lasthebber in zijne plaats heeft gesteld, onmiddellijk aanspreken. (B.W. 849, 1403, 1618, 1836; K. 89.)
1841. Indien, bij dezelfde akte, verscheidene gevolmagtigden of zaakgelastigden zijn aangesteld, heeft te hunnen aanzien geene hoof-delüke verbindtenis plaats, dan voor zoo verre zulks uitdrukkelijk bepaald is. (B.W. 1063, 1316 v., 1674, 1830, 1848.)
1842. De lasthebber is de interessen der hoofdsommen, welke hij tot zijn eigen gebruik besteed heeft, verschuldigd, te rekenen van het tijdstip waarop hij daarvan gebruik heeft gemaakt; en van de sommen die hij bij slot van rekening moet uitkeeren, van den dag af, waarop hij in verzuim gesteld is. (B.W. 449, 1279, 1663,1755,1847.)
1843. De lasthebber die aan dengenen met wien hij in die hoedanigheid handelt behoorlijk kennis gegeven heeft van zgne volmagt, is niet aansprakelijk ten aanzien van hetgeen boven zijnen last geschied is, ten ware hij zich daartoe persoonlijk had verbonden. (B.W. 1833 v.)
286
B. W. Boek III, Titel XVII, 2, 3 en i. AM. 1838â1850. 287
DERDE APDEELING.
Fan de verpligiingen van den lastgever.
Art. 1844. De lastgever is verpligt na te komen de verbindte-nissen, door den lasthebber, overeenkomstig de magt welke hij hem heeft verleend, aangegaan.
Hij is niet gehouden tot hetgeen bovendien mogt geschied zijn, dan voor zoo verre hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft. (B.W. 1393 v., 1829, 1929; K. 656.)
1845. De lastgever is verpligt aan den lasthebber terug te geven de voorschotten en onkosten, welke deze tot uitvoering van den last gedaan heeft, en hem zijn loon te betalen, indieu zulks bedongen is.
Indien aan den lasthebber geen verzuim te wijten is, kan de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet onttrekken, al mogt de zaak ook mislukt zijn. (B.W. 1393, 1848.)
1846. Ook moet de lastgever den lasthebber schadeloos stellen wegens de verliezen welke deze, ter gelegenheid der uitvoering van zijnen last, mogt geleden hebben, mits hem te dien opzigte geene onvoorzigtigheid te wijten zij. (B.W. 1765.)
1847. De lastgever is aan den lasthebber interessen voor gedane voorschotten verschuldigd, te rekenen van den dag, waarop de voorschotten gedaan zijn. (B.W. 1286, 1842.)
1848. Indien een lasthebber door verscheidene personen is aangesteld tot het waarnemen eener zaak, die aan hen allen gemeen is, is elk hunner jegens hem, voor het geheel, aansprakelijk voor alle de gevolgen van de lastgeving. (B.W. 1318, 1845.)
1849. De lasthebber heeft het regt om hetgeen hij van den lastgever in handen heeft zoo lang terug te houden, tot dat hem alles betaald is hetwelk hij ten gevolge der lastgeving te vorderen heeft. (B.W. 630 v., 1185 no. 5, 1193, 1766; K. 82, 84 v.)
VIERDE AFDEELINC-.
Over ie verschillende wijzen waarop lastgeving eindigt.
Art. 1850. Lastgeving eindigt: (B.W. 526.)
Door herroeping der volmagt van den lasthebber; (B.W. 1374, 1673, 1837.)
Door de opzegging van den last door den lasthebber; (B.W. 1851.)
Door den dood, de curatele, den staat van faillissement of van kennelijk onvermogen, liet zij van den lastgever, het zij van den lasthebber; (B.W. 500, 523 v., 1391; K. 770; R.V. 888.)
Door het huwelijk der vrouw die den last gegeven of ontvangen heeft. (B.W. 160, 1835; K. 140.)
Van lastgeving.
1851. De lastgever kan den last herroepen wanneer hem zulks goeddunkt, en, indien daartoe gronden bestaan, den lasthebber noodzaken hem de volmagt, welke hij in handen heeft, terug te geven. (B.W. 1241, 1850.)
1852. De herroeping, alleen aan den lasthebber kenbaar gemaakt zijnde, kan aan derden, die, daarvan onkundig, met hem gehandeld hebben, niet worden tegengeworpen; behoudens het verhaal van den lastgever op den lasthebber. (B.W. 137().)
1853. De aanstelling van eenen nieuwen lasthebber, tot het ver-rigten van dezelfde zaak, brengt de herroeping van den eersten mede, te rekenen van den dag waarop die aanstelling aan den laatstgemeide is kenbaar gemaakt. (R.V. 136.)
1854. De lasthebber kan zich van den last ontslaan door opzegging aan den lastgever.
Indien evenwel deze opzegging door hare ontijdigheid, of uit eenigen anderen hoofde, door de schuld van den lasthebber aan den lastgever tot nadeel verstrekt, moet hij deswege door den lasthebber schadeloos worden gesteld; ten ware de laatstgemeide zich in de onmogelijkheid bevond om den last verder te volbrengen, zonder daardoor zelf eene aanmerkelijke schade te lijden. (B.W. 1279 v., 1390, 1837.)
1855. Indien de lasthebber onbewust is van den dood des lastgevers, of van het bestaan van eenige andere oorzaak die den last doet eindigen, is hetgeen hij in die onwetendheid verrigt heeft van waarde.
In dat geval, moeten de verbindteuissen, door den lasthebber aangegaan, nagekomen worden ten aanzien van derden die in de goede trouw zijn. (B.W. 1374, 1837.)
1856. In geval de lasthebber overlijdt, moeten deszelfs erfgenamen daarvan aan den lastgever kennis geven, indien hun de lastgeving bekend is, en inmiddels zorg dragen voor hetgeen de omstandigheden in het belang van den lastgever mogten vereiscben; op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B.W. 880. 1062, 1279 v., 1391.)
ACHTTIENDE TITEL.
Van borgtogt.
EERSTE AEDEELING.
Van den aard der borgtogt.
Art. 1857. Borgtogt is eene overeenkomst, waarbij een derde zich, ten behoeve van den schuldeischer, verbindt om aan de ver-
288
B. JT. Boek I[I, Titel XVII, 4, IVIII, 1, Artt. 1851â1865. 289
bindtenis van den schnldenaar te voldoen, indien deze niet zelf daaraan voldoet. (B.W. 1868; K. 65.)
1858. Geen borgtogt kan bestaan, of er moet eene wettige hoofd-verbindtenis zijn.
Men kan zich niettemin borg stellen voor eene verbindtenis, al mogt die ook kunnen vernietigd worden door eene exceptie, welke alleen den verbondene in persoon betreft, bij voorbeeld in geval van minderjarigheid. (B.W. 1366, 1610, 1869 no. 3, 1884.)
1859. Een borg kan zich tot niets meerder, noch onder meer bezwarende voorwaarden, verbinden, dan waartoe de hoofdschuldenaar verbonden is.
Borgtogt kan ook worden aangegaan voor slechts een gedeelte der schuld of onder minder bezwarende voorwaarden. Indien de borgtogt voor meerder dan de schuld, of onder meer bezwarende voorwaarden, is aangegaan, is hij niet geheel van onwaarde, maar bepaalt zich slechts tot datgene hetwelk in de hoofdverbindtenis is begrepen. (B.W. 1304, 1861.)
1860. Men kan zich borg stellen zonder daartoe aangezocht te zijn door dengenen voor wien men zich verbindt, en zelfs buiten zijn weten. (B.W. 1353.)
Men kan zich ook borg stellen, niet alleen voor den hoofdschuldenaar, maar ook voor deszelfs reeds gestelden borg. (B.W. 1353, 1390, 1418, 1876, 1884.)
1861. Borgtogt wordt niet voorondersteld, maar moet uitdrukke-lijk worden aangegaan; men kan die niet verder uitstrekken dan de bepalingen, onder welke dezelve is aangegaan. (B.W. 1610, 1859; K. 130 v.; R.V. 619.)
1862. Onbepaalde borgtogt voor eene hoofdverbindtenis strekt zich nit tot alle de gevolgen der schuld, zelfs tot de kosten der tegen den hoofdschuldenaar gedane regtsvordering, en tot alle zoodanige welke gemaakt zijn nadat de borg deswege is aangemaand, (B.W. 1286, 1802.)
1863. De verbindtenissen der borgen gaan over op hunne erfgenamen. (B.W. 1002, 1354, 1780.)
1864. De schuldenaar die verpligt is borg te stellen moet daartoe zoodanigen persoon aanbieden die de bekwaamheid heeft om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is om aan de verbindtenis te kunnen voldoen, en binnen het Koningrijk woonachtig is. (B.W. 1124, 1365, 1866 v.; R.V. 619.)
1865. De gegoedheid van eenen borg wordt alleen beoordeeld naar deszelfs vaste goederen of inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld, uitgezonderd in zaken van koophandel, en wanneer de schuld eene geringe som bedraagt. Men kan geen acht slaan op onroerende goederen, waarover geschil in regten bestaat, of waarvan de uitwinning, wegens derzelver verren afstand, te moeije-lijk zoude zijn. (B.W. 1871; R.V. 618 v.)
BURG. WETB. 19
290 Van borgtogt.
1866. Wanneer de borg, die door den schuldeisclier vrijwillig, of op regterlijke uitspraak, is aangenomen, naderhand onvermogend is geworden, moet er een nieuwe borg gesteld worden.
Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering, in geval de borg gesteld is ten gevolge eener overeenkomst, waarbij de schuldeischer eenen bepaalden persoon tot borg gevorderd heeft. (B.W. 1864.)
1867. Hij, die door de wet, of tengevolge van een regterlijk gewijsde, verpligt is eenen borg te stellen, en dien niet mogt kuunen vinden, kan volstaan met, in deszelfs plaats, een pand of hypotheek te geven. (B.W. 528, 831, 1025, 1196 v., 1208 v., 1864, Ã869 no. 5; R.V. 152, 315, 729.)
TWEEDE AFDEELISG.
Van de gevolgen van borgtogt tmschen den schuldeischer en den borg.
Art. 1868. De borg is jegens den schuldeischer niet tot betaling gehouden, dan bij gebreke van den schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten uitgewonnen worden. (B.W. 1319, 1857, 1870.)
1869. De borg kan niet vorderen dat des schuldenaars goederen vooraf uitgewonnen worden:
1°. Wanneer hg van het voorregt van uitwinning heeft afstand gedaan; (K. 921.)
2°. Wanneer hij zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar verbonden heeft; in welk geval de gevolgen van deszelfs verbindtenis geregeld worden naar de beginselen welke ten opzigte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld; (B.W. 1197, 1319, 1329.)
3°. Indien de schuldenaar eene exceptie kan in het midden brengen, welke hem alleen en persoonlijk betreft; (B.W. 1858, 1884.)
41'. Indien de schuldenaar zich in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen bevindt; (K. 764; R.V. 882 v.)
5°. In geval van geregtelijke borgtogt. (B.W. 1864, 1867; R.V. 152, 616 v., 735.)
1870. De schuldeischer is niet verpligt den hoofdschuldenaar eerst uit te winnen, dan wanneer de borg, op de eerste geregtelijke tegen hem gerigte aanspraak, zulks vordert. (B.W. 1244, 1561, 1868.)
1871. De borg die de uitwinning van den hoofdschuldenaar vordert moet aan den schuldeischer de goederen van denzelven aanwezen, en de noodige penningen voorschieten om de uitwinning te bewerkstelligen.
Hij kan geene aanwijzing doen van goederen, waarover geschil in regten bestaat, noch van de zoodanige welke voor de schuld zijn gehypothekeerd, en waarvan de schuldenaar niet meer in het
n.W. Boek IH, Titel XV III, 1, 2 en 3, Ar It. 1866-1877. 291
bezit is, noch eindelijk van goederen buiten het Koningrijk gelegen. (B.W. 1864 v.)
1872. Wanneer de borg, overeenkomstig het voorgaande artikel, eene aanwijzing van goederen gedaan en de noodige penningen tot de uitwinning geschoten heeft, is de schuldeischer, ten beloope der aangewezene goederen, met opzigt tot den borg, verantwoordelijk voor liet onvermogen van den hoofdschuldenaar, hetwelk bij gebreke van vervolgingen daarna ontstaan is.
1873. Wanneer verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelfden schuldenaar en voor dezelfde schuld, is ieder van hen voor de geheele schuld verbonden. (B.W. 1332 v., 1786, 1857.)
1874. Niettemin kan elk hunner, zoo hij geen afstand heeft gedaan van het voorregt van schuldsplitsing, op de eerste geregtelijke aanspraak, vorderen dat de schuldeischer zijne schuldvordering alvorens verdeele, en dezelve vermindere tot het nadeel van eiken deugdelijk verbonden borg.
Indien, ten tijde dat een der borgen de sclmldsplitsing heeft doen uitspreken, een of meerder medeborgen onvermogend zijn, is die borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor de on-vennogenden te voldoen; maar hij is niet aansprakelijk, indien derzelver onvermogen na de schuldsplitsing is opgekomen. (B.W. 1319, 1869.)
I87'5. Indien de schuldeischer zelf, en vrijwillig, zijne regtsvor-dering verdeeld heeft, kan hij tegen die schuldsplitsing niet weder opkomen, al waren zelfs eenige der borgen onvermogend, vóór den tijd dat hij de schuld verdeeld heeft. (B.W. 1325 v.)
DERDE AFDEELING.
Van de gevolgen vun horglogt tmschen den schuldenaar en den borg, en lusschen de borgen onderling.
Art. 1876. De borg die betaald heeft, heeft zijn verhaal op den hoofdschuldenaar, het zij de borgtogt met of zonder deszelfs medeweten gesteld zij. Dit verhaal heeft plaats, zoo wel ten aanzien van de hoofdsom, als van de interessen en de kosten.
Ten aanzien dier kosten heeft de borg slechts zijn verhaal, voor zoo verre hij tijdig aan den hoofdschuldenaar heeft kennis gegeven van de tegen hem gerigte vervolgingen.
De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B.W. 1279, 1860, 1862, 1879 v.)
1877. De borg die de schuld betaald heeft treedt van regtswege in alle de regten welke de schuldeischer tegen den schuldenaar gehad heeft. (B.W. 1436 v., 1881.)
19*
Tan borgtogt.
1878. Indien verscheiden hoofdschuldenaars van dezelfde schuld ieder voor het geheel verbonden waren, heeft degene die zich voor alle tot borg gesteld heeft op een ieder hunner zijn verhaal tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft. (B.W. 1329, 1848, 1881.)
1879. De borg die eenmaal de schuld betaald heeft, heeft geen verhaal op den hoofdschuldenaar die voor de tweede maal betaald heeft, indien hij denzelven van de door hem gedane betaling geene kennis heeft gegeven; behoudens zijne actie tot terugvordering tegen den schuldeischer.
Indien de borg betaald heeft, zonder daartoe in regten te zijn aangesproken, en zonder den hoofdschuldenaar daarvan te hebben verwittigd, heeft hij op dezen geen verhaal, ingeval die schuldenaar, op het oogenblik der betaling, gronden mogt hebben gehad om de schuld te doen vervallen verklaren; onverminderd de regtsvordering van den borg tot terugvordering tegen den schuldeischer. (B.W. 1307, 1395 v., 1539, I87tgt;.)
1880. De borg kan, zelfs voordat hij betaald heeft, den schuldenaar aanspreken om door denzelven schadeloos gesteld, of van zijne verbindtenissen ontheven te worden:
1quot;. Indien hij tot betaling in regten vervolgd wordt; (B.W. 1868 v.)
2°. Indien de schuldenaar is verklaard in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen; (B.W. 1307; K. 764; H.V. 882 v.) -
3°. Indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem binnen zekeren tijd het ontslag van zijne borgtogt te bezorgen; (B.W. 1374.)
4°. Indien de schuld opeischbaar is geworden, door het verschenen van den termijn op welken zij betaalbaar was gesteld; (B.W. 1304 v. 1837.)
5°. Na verloop van tien jaren, indien de hoofdverbindtenis geenen bepaalden vervaltijd heeft, ten ware de hoofdverbindtenis van dien aard zij, dat zij niet vóór eenen bepaalden tijd kan vervallen, zoo als eene voogdij. (B.W. 472.)
1881. Indien verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelfden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld voldaan heeft, in de gevallen bij no. 1 en 2 van het vorige artikel voorzien, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.
De bepaling van het tweede lid van artikel 1329 is ten dezen toepasselijk. (B.W. 1873, 1878.)
VIERDE AFDEELING.
Fan het te niet gaan van borgtogt.
Art. 1882. De verbindtenis, uit borgtogt voortspruitende, gaat te
292
B. W. Boek ITJ, Titel XV111, 3, 4., en XIX. Artl. 1878â1889. 293
niet door dezelfde oorzaken, waardoor de overige verbindtenissen eindigen. (B.W. 1417, 1444 v., 1455 v., 1473, 1478 v., 1976 v., 2021.)
1883. De schuldvermenging, welke plaats heeft tusschen den persoon van den hoofdschuldenaar en dien van den borg, wanneer de een erfgenaam wordt van den anderen, vernietigt geenszins de regts-vordering van den schuldeischer tegen dengenen die zich tot, borg gesteld heeft van den borg. (B.W. 1473, 1860.)
1884. De borg kan zich tegen den schuldeischer van alle excep-tien bedienen, die aan den hoofdschuldenaar toekomen en tot de schuld zelve behooren.
Maar hg kan geene exceptien in het midden brengen, welke alleen den persoon van den schuldenaar betreffen. (B.W. 1323, 1466, 1478 v., 1858, 1975.)
1885. De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van den schuldeischer, niet meer .treden kan in de regten, hypotheken en voorregten van dien schuldeischer. (B.W. 1438 v., 1877.)
1886. De vrijwillige aanneming van eenig onroerend of ander goed, door den schuldeischer in betaling der hoofdschuld gedaan, ontslaat den borg, al ware het ook dat hetzelve goed naderhand van den schuldeischer wierd uitgewonnen. (B.W. 1425.)
1887. Een eenvoudig uitstel van betaling, door den schuldeischer aan den hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat den borg niet; doch deze kan, in dat geval, den schuldenaar vervolgen, om hem tot betaling te noodzaken, of om hem het ontslag van zijne borgtogt te bezorgen. (B.W. 1444, 1610, 1880.)
NEGENTIENDE TITEL.
Van dading.
Art. 1888. Dading is eene overeenkomst waarbij partijen, tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak, een aanhangig geding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen.
Deze overeenkomst is slechts van waarde, indien zij schriftelijk is aangegaan, al mogt zij ook eene zaak betreffen waaromtrent het bewijs door getuigen zoude kunnen worden toegelaten. (B.W. 465, 1163, 1833, 1932, 2007.)
1889. Om eene dading te treffen, moet men de bevoegdheid hebben om over de onderwerpen, in de dading begrepen, te kunnen beschikken.
Voogden en curators kunnen geene dading treffen dan zich gedragende overeenkomstig de bepalingen van den zestienden en achttienden titel des eersten boeks van dit Wetboek.
De gemeenten en openbare instellingen kunnen geene dading treffen, dan met inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven bij de wetten die haar betreffen. (B.W. 163, 354, 470, 506, 1690; K, 770, 884; R.V. 19, 330; Staatsbl. 1851 no. 85.)
Van dading.
1890. Men kan over de burgerlijke belangen, die uit een strafbaar feit ontstaan, dading treffen. ')
De dading belet geenzins de vervolging van bet openbaar ministerie. (A. 8, 14; B.W. 1414.)
1891. Dadingen bepalen zich tot derzelver onderwerp; de daarbij gedane afstand van alle regten, actiën en vorderingen moet slechts verstaan worden, voor zoo verre die betrekking hebben tot het verschil hetwelk tot de dading heeft aanleiding gegeven. (B.W. 1386.)
1892. Dadingen maken slechts een einde aan die verschillen welke daarin begrepen zijn, het zij partijen derzelver bedoeling in bijzondere of algemeene bewoordingen bevat hebben, het zij men die bedoeling afleide als een noodzakelijk gevolg van hetgeen uitgedrukt is. (B W. 1293, 1379, 1900.)
1893. Indien degene die eene dading getroffen heeft over een regt hetwelk hem uit eigen hoofde toekwam, vervolgens een dergelijk regt van een' ander' verkrijgt, is hij, met betrekking tot het nieuw bekomen regt, aan de bevorens aangegane dading niet gebonden. (B.W. 880, 1002.)
1894. Dadingen, door een' der belanghebbenden aangegaan, verbinden de overige belanghebbenden niet, en kunnen door hen niet worden ingeroepen. (B.W. 1974 v.)
1895. Dadingen hebben tusschen de partijen kracht van gewijsde in het hoogste ressort.
Men kan tegen dezelve niet opkomen, het zij uit hoofde van dwaling in het regt, het zij uit hoofde van benadeeling. (B.W. 1103, 1954 v.; R.V. 160.)
1896. Niettemin kan eene dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaats gehad omtrent den persoon, of omtrent het onderwerp van het geschil.
Zij kan vernietigd worden in alle de gevallen waarin bedrog of geweld heeft plaats gehad. (B.W. 1357 v., 1899 v.; R.V. 382.)
1897. Insgelijks kan men de vernietiging eener dading vragen, wanneer dezelve, ten gei'olge eener dwaling in leiten, is aangegaan ten aanzien van eenen titel die nietig was, behalve in het geval dat
Ear tij en uitdrukkelijk over die nietigheid eene dading gesloten heb-en. (B.W. 1929, 1931; R.V. 176.)ar tij en uitdrukkelijk over die nietigheid eene dading gesloten heb-en. (B.W. 1929, 1931; R.V. 176.)
1898. Eene dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand zijn bevonden valsch te zijn, is ten eenen male nietig. (B.W. 1954; R.V. 332 v., 398 v.)
â 294
1899. Eene dading over een geschil, waaraan reeds een einde is gemaakt door een vonnis hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, doch waarvan partyen, of eene derzelve, geene kennis droegen, is nietig.
1) Het eerste lid van art. 1890 aldus gewgzigd !)ij art. 13 der wet van 36 April 1834, Stsbl. no. 93.
B.W. Boek UI, Titel XIX. Artt. 1890â1901.
Indien het vonnis, waarvan partyen geene kennis droegen, aan eenig beroep onderhevig was, is de dading van waarde. (B.W. 1896; R.V. 81, 359 v., 376 v.)
1900. Indien partgen, in het algemeen, eene dading hebben aangegaan over alle zaken welke zij met elkander uitstaande hebben, leveren de bescheiden die hun toen onbekend waren, doch naderhand ontdekt zijn, geene grond op tot vernietiging der dading, ten ware dezelve door toedoen van eene der partijen mogten zijn achtergehouden.
Maar de dading is nietig, indien dezelve slechts eene enkele zaak tot onderwerp had, waarop door de naderhand ontdekte bescheiden gebleken inogt zijn dat eene der partijen geen het minste regt had. (B.W. 1891 v.; R.V. 382.)
1901. Een misslag van berekening, bij eene dading begaan, moet hersteld worden.
295
VIERDE BOEK. VAN BEWIJS EN VERJARING.
EERSTE TITEL.
Van bewijs in het algemeen.
Art. 1902. Een iegelijk die beweert eenig regt te hebben, of zich op eenig feit tot staving van zijn regt, of tot tegenspraak van eens anders regt, beroept, moet het bestaan van dat regt, of van dat feit, bewijzen. (B.W. 305, 1430, 1806; R.V. 76, 237 v., 876 v.)
1903. De bewijsmiddelen bestaan in;
Het schriftelijk bewijs; (B.W. 1904 v.)
Het bewijs door getuigen; (B.W. 1932 v.)
De vermoedens; (B.W. 1952 v.)
De bekentenis; (B.W. 1960 v.)
Den eed. (B.W. 1966 v.)
Alles met inachtneming der regelen bij de volgende titels voorgeschreven. (B.W. 221; R.V. 219 v.)
TWEEDE TITEL.
Van schriftelijk bewijs.
Art. 1904. Schriftelijk bewijs geschiedt door authentieke, of door onderhandsche geschriften. (B.W. 320, 1911, 1939.)
1905. Eene antlientieke akte is de zoodanige welke in den wette-lijken vorm is verleden, door of ten overstaan van openbare ambtenaren, die daartoe bevoegd zijn ter plaatse alwaar zulks is geschied. (A. 10; B.W. 13, 336, 410, 1912, 1926.)
1906. Eene akte welke, uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van den ambtenaar, of ') uit hoofde van een gebrek in den vorm, niet voor authentiek kan gehouden worden, heeft echter kracht van een onderbandsch geschrift, indien dezelve door partijen onderteekend is. (B.W. 1911 v.)
1907. Eene authentieke akte levert tusschen partijen en derzei-
1) Dit woordje âofquot; ontbreekt in de officieele uitgaaf.
B. W. Boek ir, Titel 1 en II. Artt. 1902â1915. 297
ver erfgenamen of regtverkrijgenden een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat. (B.W. 1934; R.V. 436.)
1908. Eene authentieke akte levert echter geen volledig bewijs op omtrent hetgeen daarin als een bloot te kennen geven voorkomt, dan voor zoo verre het te kennen gegevene in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte.
Indien hetgeen daarbij als een bloot te kennen geven voorkomt, niet in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte, kan hetzelve alleen dienen tot begin van schriftelijk bewijs. (B.W. 1912, 1934, 1939.)
1909. Indien eene authentieke akte, vau welken aard ook, van valschbeid beticht wordt, kan derzelver uitvoering worden geschorst, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. (R.V. 100, 176 v.) '
1910. Nadere overeenkomsten, aangegaan bij eene afzonderlijke akte, in strijd met de oorspronkelijke, leveren alleen bewijs op tusschen de partijen die tot zoodanige akte zijn toegetreden, en hunne erfgenamen of regthebbenden, doch zij kunnen niet tegen derden werken. (B.W. 203, 1351, 1376.)
1911. Als onderhandsche geschriften worden aangemerkt onderhands geteekende akten, brieven, registers, huisselijke papieren en andere schriften welke zonder tusschenkomst van eenen openbaren ambtenaar zyn opgemaakt. (B.W. 1475, 1917, 1939.)
1912. Een onderhandsch geschrift, hetwelk erkend is door dengenen tegen wien men zich daarop beroept, of hetwelk op eene wettige wijze voor erkend wordt gehouden, levert, ten aanzien van de onderteekenaars, en derzelver erfgenamen en regtverkrijgenden, hetzelfde volledige bewijs op als eene authentieke akte, en de bepaling van artikel 1908 is op gelijke wijze daarop toepasselijk. (B.W. 1002, 1354, 1917.)
1913. Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch geschrift beroept, is verpligt zijn schrift of zijne handteekening stellig te erkennen of te ontkennen; doch zijne erfgenamen of regtverkrijgenden kunnen volstaan met te verklaren dat zij hetzelve niet erkennen als het schrift of de handteekening van dengenen, wien zij vertegenwoordigen. (R.V. 75 v., 177, 179.)
1914. In geval iemand zijn schrift of zijne handteekening ontkent, of indien deszelfs erfgenamen of regtverkrijgenden verklaren dezelve niet te erkennen, moet de regter bevelen, dat de echtheid daarvan geregtelijk onderzocht worde. (R.V. 176 v.)
1915. Onderhandsche eenzijdige schuldverbindtenissen tot voldoening van gereed geld, of van eene zaak welke op eene bepaalde waarde kan worden gesteld, moeten geheel geschreven worden met de hand van dengenen die dezelve onderteekend heeft, of ten minste moet daaronder, behalve de handteekening, met de hand des onderteekenaars geschreven worden eene goedkeuring, houdende in
Van schriftelijk bewijs.
voluitgesohrevene letters de som of de hoegrootheid, of de hoeveelheid der verschuldigde zaak.
Bg gebreke hiervan, kan de geteekende akte, indien de verbiud-tenis wordt ontkend, slechts als een begin van schriftelijk bewijs worden aangenomen. (B.W. 1939.)
De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op zaken van koophandel. _(K. 100, 221 v., 592 v.)
1916. Indien de som welke bij de akte zelve vermeld is, verschilt van die welke bij de goedkeuring uitgedrukt staat, wordt de ver-bindtenis gerekend voor de minste som te zijn aangegaan, zelfs dan ook wanneer de akte, mitsgaders de goedkeuring, geheel en al door de hand van dengenen die zich verbonden heeft geschreven zijn; ten ware men kunne bewijzen in welk van beide gedeelten van het stuk de misslag heeft plaats gehad. (B.W. 1385, 1958.)
1917. Onderhandsche akten hebben, ten aanzien harer dagteeke-ning, tegen derden geene kracht, dan van den dag dat dezelve zijn
eregistreerd; of van den dag waarop degenen, of een van degenen, ie dezelve onderteekend hebben, overleden zijn; of van dien waarop derzelver bestaan bewezen wordt bij akten, door openbare ambtenaren opgemaakt; of wel van den dag waarop de derde, tegen wien men zich van de akte bedient, derzelver bestaan schriftelijk heeft erkend. (B.W. 1912 ; K. 131.)
1918. Registers en hnisselijke papieren leveren geen bewijs op ten voordeele van dengenen die dezelve geschreven heeft; zg strekken tot bewijs tegen hem:
1°. In alle de gevallen waarin die stukken stellig melding maken van eene ontvangene betaling;
2°. Wanneer zij uitdrukkelijk melding maken dat de aantee-kening geschied is om een gebrek in den titel aan te vullen, ten behoeve van dengenen te wiens voordeele zij eene verbindtenis aanduiden.
In alle andere gevallen, zal de regter daarop zoodanig acht slaan als hij zal vermeenen te behooren. (B.W. 1353 v., 1919, 1939, 1959.)
1919. Koopmansboeken leveren een bewijs op tegen personen die geen handel drijven, ten aanzien der hoedanigheid en der hoeveelheid van de leverancien welke daarop gebragt zijn ; mits het van elders bewezen zij dat de koopman gewoon was aan de tegenpartij dergelijke leveringen op crediet te doen, mitsgaders dat de boeken overeenkomstig de bij het Wetboek van Koophandel voorgeschrevene formaliteiten gehouden zijn, en eindelijk, dat de koopman de echtheid zijner vordering onder eede bevestige.
Indien de koopman overleden is, moeten zijne erfgenamen onder eede verklaren dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is.
Koopmansboeken, niet rigtig gehouden, kunnen echter tot bewijs
298
B.IF. Boek IF, Titel II. Aril. 1916â1926. 299
strekken tegen den koopman. (B.W. 1904, 1967 v., 1977 v.; K. 6, 10, 68, 823.)
1920. Aanteekeningen, door eenen sohuldeischer gesteld op eenen titel die altijd in deszelfs bezit is gebleven, verdienen geloof, alhoewel dezelve door bem noch onderteekend, noch gedagteekend zijn, wanneer het geschrevene strekt tot bevrijding van den schuldenaar.
Hetzelfde geldt omtrent aanteekeningen welke de schuldeisciier op het dubbel van eenen titel of op eene kwijting gesteld heeft, mits dit dubbel of deze kwijting in liet bezit van den schuldenaar zij. (B.W. 1953.)
1921. De eigenaar van eenen titel kan daarvan, te zijnen koste, de vernieuwing vorderen, indien het schrift wegens ouderdom of eenige andere reden onleesbaar wordt. (B.W. 20U4.)
1922. Indien een titel gemeen is tusschen verscheidene personen, is ieder derzelve bevoegd te vorderen dat die op eene derde plaats, in bewaring worde gebragt, mitsgaders om daarvan te zijnen koste een afschrift of uittreksel te laten maken. (B.W. 1773 v., 1925; K. 11, 35.)
1923. In eiken stand van een regtsgeding kan eene partij van den regter verzoeken dat hare wederpartij bevolen worde om de stukken over te leggen die aan beide partijen gemeen zijn, de zaak in geschil betreffen, en zich onder hare berusting bevinden. (K. 67; R.V. 149, 833.)
1924. Kerfstokken, met hun dubbel overeenkomende, verdienen geloof tusschen degenen die gewoon zijn om de leverancien, welke zij in het klein doen, of ontvangen, of dusdanige manier te bewijzen. (B.W. 1904, 1911.)
1925. De kracht van een schriftelijk bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.
Wanneer de oorspronkelijke akte bestaat, verdienen de afschriften en de uittreksels slechts geloof, voor zoo verre die overeenstemmen met het oorspronkelijke stuk, welks vertooning steeds kan gevorderd worden. (B.W. 1922, 1928; K. 24.)
1926. Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer aanwezig is, leveren de afschriften bewijs op, met inachtneming der navolgende bepalingen:
1B. De grossen of eerst uitgegevene afschriften leveren hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte; hetzelfde geldt omtrent afschriften welke op regterlijk gezag, in tegenwoordigheid van partijen, of deze partijen behoorlijk opgeroepen zijnde, zijn opgemaakt, gelijk mede omtrent de zoodanige welke opgemaakt zijn in tegenwoordigheid der partijen, en met derzelver wederzijdsche goedkeuring;
2°. De afschriften welke zonder tusschenkomst van den regter, of buiten toestemming van partijen, en na de uitgifte der
Van schriftelijk bewijs.
grossen of eerste afschriften, volgens de minuut van de akte gemaakt zijn, door den notaris voor wien die akte is verleden, of door een van zijne opvolgers, of deor ambtenaren welke, in deze hunne betrekking, de minuten in bewaring hebben en tot de uitgifte van afschriften bevoegd zijn, kunnen, in geval de oorspronkelijke akte verloren is geraakt, door den regter als volledig bewijs worden aangenomen ;
Wanneer de afschriften die naar de minuut eener akte gemaakt zijn niet vervaardigd zijn door den notaris voor wien die akte verleden is, of door een zijner opvolgers, of door openbare ambtenaren die als zoodanig de minuten onder hunne berusting hebben, kunnen dezelve nimmer anders dan tot een begin van bewijs door geschrift verstrekken;
4°, Authentieke afschriften van authentieke afschriften, of van onderhandsche akten, kunnen, naar omstandigheden, een begin van schriftelijk bewns opleveren. (B.W. 24,1908,1939; R.V. 19, 187, 430, 838.)
1927. De overschrijving van eene akte in de openbare registers kan alleenlijk tot een begin van bewns door geschrift verstrekken. (B.W. 671, 760, 865, 1224; K. 309, 571.)
1928. Akten van erkentenis ontslaan van de verpligting om den oorspronkelijken titel te berde te brengen, mits daaruit genoegzaam vau den inhoud des titels blijke. (B.W. 1925; R.V. 148.)
1929. Eene akte waarbij eene verbindtenis, tegen welke de wet eene vordering tot nietigverklaring of tenietdoening toelaat, bevestigd of bekrachtigd wordt, is slechts van waarde, indien zij melding maakt van den hoofdinhoud dezer verbindtenis, alsmede van de redenen waarom de tenietdoening zoude kunnen gevraagd worden, en van het oogmerk om het gebrek, waarop die vordering zoude berusten, te verbeteren.
Bg gebreke van eene akte van bevestiging of bekrachtiging, is het voldoende dat de verbindtenis vrijwillig is ten uitvoer gebragt na het tijdstip waarop dezelve, op eene bestaanbare wijze, had kunnen bevestigd of bekrachtigd worden.
De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming eener verbindtenis, in den vorm en op het tijdstip, door de wet vereischt, gedaan, wordt gerekend voor eenen afstand der middelen en exception, welke men anders tegen die akte zonde hebben kunnen in het midden brengen; onverminderd nogtans het regt van derden. (B.W. 1363, 1421, 1492,1844,1897.)
1930. Een schenker kan door geene akte van bevestiging de gebreken verhelpen eener schenking die nietig in den vorm is; dezelve schenking moet om geldig te zijn, op nieuw in den wettigen vorm worden gebragt. (B.W. 231 v., 1719.)
300
B.W. Boek IF, Titel II en III. Artt. 1937â1940. 301
1931. De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming eener schenking, door de erfgenamen of regtverkrijgenden van den schenker, na deszelfs overigden, gedaan, versteekt dezelve van de bevoegdheid om zich op eenig gebrek in den vorm te beroepen. (B.W. 1897, 1929 v.)
DERDE TITEL. /
Fan bewijs door getuigen.
Art. 1932. Het bewijs door getnigen wordt toegelaten in alle de gevallen waarin hetzelve niet door de wet wordt uitgesloten. (B.W. 1604, 1741,1903, 1964; K. 1; R.V. 103 v., 177 v., 199 v.)
1933. Dit bewijs wordt niet toegelaten om het aanwezen aan te toonen van eenige akte of overeenkomst welke, het zij eene verbind-tenis, het zij eene ontheffing van schuld, bevat, wanneer het onderwerp de som of de waarde van drie honderd gulden te boven gaat. (B.W. 1197, 1604, 1737, 1741, 1830, 1940 no. 4.)
1934. Geen bewijs door getuigen wordt toegelaten nopens hetgeen tegen of boven den inhoud der schriftelijke akte gevorderd wordt, noch ook omtrent hetgeen men mogt beweren dat vóór, ten tijde, of na het opmaken van zoodanige akte zoude zijn gezegd, al mogt ook de som of waarde, waarover het geschil is, minder dan drie hon-derd gulden bedragen. (B.W. 1904 v., 1964.)
1935. De bepalingen der twee bovenstaande artikelen zgn geenszins op zaken van koophandel toepasselijk. (K. 1.)
1936. De bepaling van artikel 1933 is van toepassing, wanneer bij de regtsvordering, buiten en behalve de hoofdsom, ook interessen gevorderd worden welke, met de hoofdsom vereenigd, de som van drie honderd gulden te boven gaat. (B.W. 1343, 1802 v.)
1937. Die eenen eisch gedaan heeft, drie honderd gulden te boven gaande, kan niet meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten, al mogt hij ook zijne oorspronkelijke vordering tot die som verminderen. (K.V. 134.)
1938. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten in een geding, waarin minder dan drie honderd gulden geëiscbt wordt, wanneer de gevorderde som het overschot of een gedeelte uitmaakt van een grootere inschuld welke niet bij geschrifte bewezen is.
1939. De hier-boven gestelde regelen lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is.
Men noemt aldus alle geschrevene akten welke voortgekomen zijn van dengenen tegen wien de vordering gedaan wordt, of van dengenen dien hij vertegenwoordigt, en welke de daadzaak, waarop men zich beroept waarschijnlijk maken. (B.W. 320, 343,1737,1908,1911 v., 1915, 1926 no. 4,1927; K. 258.)
1940. Dezelfde regelen lijden insgelijks uitzondering in alle de
Van bewijs door getuigen.
gevallen waarin het uit den aard der zaak niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.
Deze uitzondering is onder anderen toepasselijk:
1°. Op verbindtenissen die uit kracht der wet, ten gevolge van 's menschen toedoen, geboren worden; (B.W. 1389 v.)
2°. Op bewaargevingen uit noodzaak, eu op de zoodanige welke gedaan zijn door reizigers in de herberg waar zij hunnen intrek hebben genomen; alles naar mate van de hoedanigheid der personen, en naar gelang van de omstandigheden der zaak; (B.W. 1740 v., 1746 v.)
3°. Op verbindtenissen welke bij onvoorziene toevallen, waarbij men geene schriftelijke akte heeft kunnen opmaken, aangegaan zyn;
4quot;. In geval de titel welke tot schriftelijk bewijs dienen moest, door eene toevallige, onvoorziene en door overmagt te weeg gebragte gebeurtenis, is verloren geraakt.
1941. In de gevallen waarin bewijs door getuigen wordt toegelaten, moeten de volgende bepalingen worden in acht genomen. (R.V. 103 v., 199 v.)
1942. De verklaring van eenen enkelen getuige, zonder eenig ander middel van bewijs, verdient in regten geen geloof. (B.W. 1945.)
1943. Indien de afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen van verscheidene personen, omtrent verschillende feiten, door haren zamenloop en verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak, wordt het aan het oordeel des regters overgelaten om aan die afzonderlijke getuigenissen zoodanige kracht toe te kennen als de omstandigheden dit mogteu vereischen. (B.W. 1945, 1959.)
1944. Iedere getuigenis moet met reden van wetenschap bekleed zijn.
Bijzondere meeningen of gissingen, bij redeneering opgemaakt, zijn geene getuigenissen.
1945. In de beoordeeling der waarde van de getuigenis moet de regter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenkomst der getuigen, op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak in het geding bekend is, op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen, op de levenswijze, de zeden en den stand der getuigen, en, in het algemeen, op alles wat op derzelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben. (B.W. 1943 v.)
1946. Alle personen, bekwaam om getuigen te zijn, zijn verpligt getuigenis in regten af te leggen.
Niettemin kunnen zich van het afleggen van getuigenis verschoo-nen; (R.V. 30,119.)
1°. Die aan eene der partijen in de zijdiinie bestaan in den
302
2°,
B. JV. Boek IF, Titel III. Arlt. 1941â1950.
tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap; (B.W. 352, 1950 v.)
Die den echtgenoot van eene der partijen bestaan in de regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie in den tweeden graad; (B.W. 350, 1950 v.)
Alle degenen die, uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd. Als onbekwaam om getuigen te zijn worden beschouwd, en mogen niet worden gehoord, de bloed- en aanverwanten van eene der partijen in de regte linie, en de echtgenoot, zelfs na eene plaats gehad hebbende echtscheiding. (B.W. 20, 254, 1946, 1950 v.)
1948. De getuigen moeten, volgens de wijze hunner godsdienstige gezindheid, zweren, of beloven dat zn de waarheid zullen zeggen. (R.V. 107, 200, 215.)
1949. Zij die den vollen ouderdom van vijftien jaren niet hebben bereikt, mitsgaders zij die ter zake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij zijn onder curatele gesteld, of hangende het geding, op bevel des regters, zich bij voorraad in verzekerde bewaring bevinden, kunnen niet als getuigen worden toegelaten.
Het staat echter aan den regter vrij om zoodanige min der jarigen, of ook onder curatele gestelden, die bij tusschenpoozen het genot hunner verstandelijke vermogens bezitten, zonder eeds-aflegging te hooren, doch derzelver verklaringen zullen slechts als toelichting mogen worden aangemerkt.
De regter zal alzoo geen geloof mogen slaan op hetgeen die onbevoegde personen verklaren te hebben gehoord, gezien, bijgewoond en ondervonden, al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met, en op het spoor te geraken van daadzaken, welke door de gewone middelen nader kunnen worden bewezen. (B.W. 509.)_
Als getuigen kunnen gewraakt worden: (B.W. 583; R.V.
1950.
30.)
1».
20.
3°.
4».
Die in de zijdlinie bloed- of aanverwant is van eene der partijen, tot den vierden graad ingesloten; (B.W. 1946 v., 1951.)
De aanverwant van den echtgenoot van eene der partijen, in de regte linie onbeperkt en in de zijdlinie tot in den vierden graad ingesloten; (B.W. 1946 v., 1951.) De vermoedelijke erfgenaam, de begiftigde, de dienstboden of bedienden van eene der partijen, of hg die een da-delijk of zijdelingsch belang bij het geding heeft; (B.W. 991; K. 492.)
Die ter zake van meineed of van een der misdrijven, waar-
303
3°.
1947.
304 Fan vermoedens.
op in geval van herhaling art. 421 van het Wetboek van Strafregt toepasselijk is, is veroordeeld. â¢) (B. W. 991; R.V. 108, 200, 213 v.)
1951. Nogtans zullen bloed- en aanverwanten, mitsgaders dienst-hoden of bedienden, in twistgedingen betrekkelijk tot den burgerlijken staat der partijen, als zoodanig noch onbekwaam zijn, noch kunnen gewraakt worden. (B.W. 156, 264, 306 v., 317, 319, 343, 491, 1946 v., 1950; K. 805; R.V. 827.)
VIERDE TITEL.
Van vermoedens.
Art. 1952. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen, welke de wet of de regter uit eene bekende tot eene onbekende daadzaak .afleidt, (B.W. 1903.)
Zij zgn van tweederlei aard:
W ettelijke,
En de zoodanige welke niet op de wet zelve zgn gegrond. (B.W,
1959 v-) ⢠,
1953. Wettelijke vermoedens zijn de zoodanige welke, uit krach-
te eener bijzondere wetsbepaling, met zekere handelingen of met zekere daadzaken verbonden zijn. (B.W. 580.)
Van dien aard zijn, onder anderen: (K. 13, 7o, 539.)
1°. De handelingen welke de wet nietig verklaart, omdat zij door haren aard en hare hoedanigheid alleen, vermoed worden gepleegd te zijn om eene wetsbepaling te ontduiken; (B.W. 384, 1718.)
2°. De n-evallen waarin de wet verklaart dat de eigendom, of de bevrijding van schuld, uit zekere bepaalde omstandigheden wordt afgeleid; (B.W. 214, 681 v., 706 v., 951, 1430, 1475; K. 13.)
3». Het gezag hetwelk de wet aan een regterlijk gewijsde toe kent; (B.W. 1239, 1954 v.)
4°. De kracht welke de wet aan de bekentenis van eene der partijen of aan derzelver eed toekent. (B.W. 239, 470, 655 v., 681, 878, 958, 1960 v.)
1954. Het gezag van een geregtelijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot het onderwerp van het vonnis.
Om dat gezag te kunnen inroepen, wordt vereischt dat de zaak welke gevorderd wordt dezelfde zij; dat de eisch op dezelfde oorzaak beruste, en door en tegen dezelfde partijen in dezelfde betrek-kino' gedaan zy. (B.W. 1376, 1445, 1895, 1899; R.V. 160, 431, 620Ov.)
1) Art. 1950, 4quot; aldus gewijzigd b() art. 14 der wet van 36 April 1884, Stsbl. no. 93.
B.W. Boek IV, Titel IV en V. Artt. 1951â1962. 305
1955. Een arrest of vonnis in kracht van gewijsde gegaan, waar-bij iemand wegens eenig feit tot straf is verwezen, zal in een bur-
ferlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen, be-ondens tegenbewijs. ') (B.VV'. 1401, 1406 v., 1413.)erlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen, be-ondens tegenbewijs. ') (B.VV'. 1401, 1406 v., 1413.)
1956. Indien iemand van een aan hem ten laste gelegd feit is vrijgesproken, kan die vrijspraak bij den burgerlijken regter niet worden ingeroepen om eenen eisch tot schadevergoeding af te weren. 1) (B.W. 1406 v.)
1957. Vonnissen betrekkelijk den staat van personen, gewezen tegen dengenen die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen te spreken, zijn van kracht tegen elk en een iegelijk. (B.W. 72, 1954.)
1958. Een wettelijk vermoeden ontslaat dengenen, in wiens voordeel hetzelve bestaat, van alle verdere bewijzen.
Geen bewijs wordt tegen een wettelijk vermoeden toegelaten, in
feval de wet, op grond van dit vermoeden, zekere bepaalde han-elingen nietig verklaart, of den regts-ingang weigert; ten zij de wet zelve bet tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent den geregtelijken eed en de geregtelijke bekentenis vastgesteld is. (B.W. 1430,1475,1482, 1960 v.)eval de wet, op grond van dit vermoeden, zekere bepaalde han-elingen nietig verklaart, of den regts-ingang weigert; ten zij de wet zelve bet tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent den geregtelijken eed en de geregtelijke bekentenis vastgesteld is. (B.W. 1430,1475,1482, 1960 v.)
1959. Vermoedens welke niet op de wet zelve gegrond zijn worden overgelaten aan het oordeel en aan de voorzigtigheid van den regter, die echter op geene andere letten mag dan op die welke ge-wigtig, nauwkeurig, bepaald en met elkander in overeenstemming zijn. Zoodanige vermoedens kunnen alleenlijk in aanmerking komen in de gevallen waarin de wet het bewgs door getuigen toelaat, en ook bijaldien, uit hoofde van kwade trouw of bedrog, tegen eene handeling of akte wordt opgekomen. (B.W. 1364, 1749, 1943; K. 274.)
VIJFDE TITEL.
Van bekentenis.
Art. I960. De bekentenis welke aan eene partij wordt tegengeworpen, is, of geregtelijk, of buiten regten afgelegd. (B.W. 1953, 1964, 2019.)
1961. Eene bekentenis mag niet gesplitst worden ten nadeele van dengenen die dezelve heeft afgelegd.
Het staat echter aan den regter vrij om de bekentenis te splitsen, indien de schuldenaar daarbij, tot zijne bevrijding, daadzaken heeft aangevoerd, welker valschheid wordt bewezen. (R.V. 103, 199.)
1962. De geregtelijke bekentenis levert een volledig bewijs op tegen dengenen die dezelve, het zij in persoon, het zij bij eenen
1
Art. 1956 aldus gewyzigd by art. 16 der wet van 26 April 1884, Stsbl. no. 98. BURG. WETB. 20
Van den geregtelijken eed.
biizonderen daartoe gevolmagtigde, heeft afgelegd. (B.W. 1953, 1958; R.V. 19, 49, 263 v.)
1963. De geregtelijke bekentenis kan niet herroepen worden, ten ware bewezen wierd dat dezelve een gevolg is geweest van eene dwaling omtrent daadzaken.
Onder voorwendsel van eene dwaling omtrent het regt, kan dezelve niet herroepen worden. (B.W. 1357, 1895.)
1964. Eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, kan niet worden ingeroepen, dan in de gevallen, waarin het bewijs door getuigen is toegelaten. (B.W. 1932 v.)
1965. In het geval bij het slot van het vorige artikel voorzien, blijft het aan des regters oordeel overgelaten welke kracht aan eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, moet worden toegekend. (B.W. 1943.)
ZESDE TITEL.
Van den geregtelijken eed.
Art. 1966. De geregtelijke eed is van tweederlei aard: 1°. Die welke door de eene partij aan de andere wordt opgedragen om de beslissing der zaak daarvan te doen afhangen; deze wordt genaamd beslissende eed-, (B.W. 1967 v.) 2°. Die welke door den regter, ambtshalve, aan eene der beide partijen wordt opgelegd. (B.W. 1366 v., 1605, 1971 v.)
1967. De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle geschillen, van welken aard ook. behalve degene waarover partijen geene dading zouden mogen treffen, of waarin bare bekentenis niet zoude kunnen worden in aanmerking genomen.
Dezelve kan in eiken stand van het regtsgeding worden opgedragen, zelfs dan wanneer geen ander middel hoegenaamd aanwezig is om de vordering of de exceptie, ten aanzien van welke de eed gevorderd wordt, te bewijzen. (B.W. 1737, 1889, 2010; R.V. 328, 621, 810.)
1968. Die eed kan alleen worden opgedragen omtrent eene daadzaak, welke persoonlijk zoude zijn verrigt, door dengenen aan wiens eed de beslissing wordt overgelaten. (B.W. 1970; R.V. 103, 203, 237.)
1969. Hij aan wien de eed is opgedragen, en die weigert denzel-ven af te leggen of terug te wijzen, of ook hij die den eed heeft op-
fedragen, doch aan wien dezelve is terug gewezen, en die weigertedragen, doch aan wien dezelve is terug gewezen, en die weigert
en eed af te leggen, moet in zijne vordering of exceptie in het ongelijk worden gesteld. (B.W. 1953, 1980 v.; R.V. 50.)
1970. Indien de daad omtrent welke de eed wordt opgedragen niet is de daad van beide partijen, maar alleen van degene aan wel-
306
B.W. Boek IV, Titel V en VI. Artt. 1963â1980. 307
ker eed de beslissing wordt overgelaten, mag de eed niet worden terug gewezen. (B W. 1968 v.)
1971. Geen eed kan opgedragen, terug gewezen of aangenomen worden dan door de partij zelve, of door eenen daartoe bijzonder gevolmagtigden persoon. (B.W. 1982.)
1972. Die den eed heeft opgedragen of terug gewezen, kan die daad niet weder intrekken, indien de wederpartij zich bereid heeft verklaard dien eed af te leggen. (B.W. 1963.)
1973. Wanneer hg aan wien de beslissende eed is opgedragen, of hij aan wiens eed de beslissing is terug gewezen, den eed heeft afgelegd, is de tegenpartij niet ontvankelijk om de valschheid daarvan te beweren. (B.W. 1953, 1958.)
1974. De afgelegde eed levert geen bewijs op dan alleen ten voordeele of ten nadeele van dengenen die denzelven opgedragen of terug gewezen heeft, en van zijne erfgenamen of regthebbenden. (B.W. 1376, 1894.)
1975. Niettemin wordt een schuldenaar, aan wien de eed door eenen der hoofdelijke schuldeischers is opgedragen, en die denzelven heeft afgelegd, daardoor niet verder bevrijd dan voor het aandeel van dien schuldeischer.
De eed, door den hoofdschuldenaar afgelegd, bevrijdt de borgen. (B.W. 1315 v., 1478, 1894,1976.)
1976. De eed, door een' der hoofdschuldenaren afgelegd, strekt ten voordeele der mede-schuldenaren, en die welke door den borg is afgelegd, strekt ten voordeele van den hoofdschuldenaar, indien namelijk, in deze heide gevallen, de eed ia opgedragen of terug gewezen geworden omtrent de schuld zelve, en niet omtrent het hoofdelijke der verbindtenis, of van de borgtogt. (B.W. 1316, 1323, 1884, 1974 v.)
1977. De regter kan ambtshalve aan eeue der partijen den eed opleggen, het zij om daarvan de beslissing der zaak te doen afhangen, het zij om daardoor een toe te wijzen bedrag te bepalen. (B.W. 1605, 1638, 1919, 1979: K. 13; R.V. 50.)
1978. Hij kan dat slechts doen in de twee volgende gevallen: 1°. Indien de vordering of exceptie niet volledig bewezen is; 2°. Indien dezelve ook niet geheel van bewijs ontbloot is.
(B.W. 1942; K. 13.)
1979. De eed omtrent de waarde der gevorderde zaak kan door den regter aan den eischer niet worden opgelegd, dan wanneer het onmogelijk is om die waarde op eene andere wgze te bepalen.
Zelfs moet de regter, in dat geval, de som bepalen tot welker beloop de eischer op zijnen eed zal geloofd worden. (B.W. 1977.)
1980. De eed, door den regter aan eene der partijen opgelegd, kan door deze niet aan de wederpartij worden terug gewezen. (B.W. 1969.)
20*
308 Van verjaring.
1981. De eed moet worden afgelegd voor de regtbank die van het regtsgeding kennis neemt.
Indien een wettig beletsel dit onuitvoerlijk maakt, kan de regtbank tot het afnemen van den eed een harer leden magtigen, die zich alsdan naar de woning of het verblijf zal begeven van hem die den eed afleggen moet.
Indien, in dat geval, die woning of dat verblijf te ver mogt zijn verwijderd, of buiten het regtsgebied van de regtbank gelegen, kan zij het afnemen van den eed opdragen aan den regter der woonplaats of des verblijfs van dengenen die tot de eeds aflegging ver-pligt is. (R. V. 50.)
1982. De eed moet persoonlijk worden afgelegd.
Om gewigtige redenen is het den regter geoorloofd aan eene partij toe te staan om den eed door een' bijzonderen hij authentieke akte daartoe gemagtigde te doen afleggen.
De volmagt moet, in zoodanig geval, den af te leggen eed omstandig en nauwkeurig inhouden.
Geen eed mag worden afgenomen dan in tegenwoordigheid der wederpartij, ofquot; deze daartoe behoorlijk zijnde opgeroepen. (B.W. 1830, 1971; K. 823 v.)
ZEVENDE TITEL.
Van verjaring.
EERSTE AFDEEUNG.
Vam verjaring in het algemeen.
Art, 1983. Verjaring is een middel om, door het verloop van eenen zekeren bepaalden tijd, en onder de voorwaarden bij de wet bepaald, iets te verkrijgen of van eene verbindtenis bevrijd te worden. (B.W. 639, 1417, 2000 v., 2004 v.)
1984. Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar men kan wel afstand doen van eene veijaring welke reeds verkregen is. (B.W. 1109.) , ^
1985. De afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelyk of stu-zwijgende. De stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit eene daad welke doet vooronderstellen dat men zgn verkregen regt heeft laten varen. (B.W. 1395 v., 1418.)
1986. Hij, die niet mag vervreemden, mag geen afstand doen van eene verkregene verjaring. (B.W. 136ö, 1484.)
1987. De regter mag ambtshalve het middel van verjaring niet toepassen. (tt.V. 48.) . ,
1988. In eiken staat van het geding kan men zich op verjaring beroepen, zelfs in hooger beroep. (R.V. 160, 255 v.)
B.W. Boek IV, Titel VI en VII, 1. Artt. 1981â1999. 309
1989. Schuldeischers of andere belanghebbenden kunnen opkomen tegen den afstand van verjaring door den schuldenaar; ter be-driegelijke verkorting hunner regten gedaan. (B.W. 1377, 1560.)
1990. Men kan door verjaring den eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten den handel zijn. (B.W. 577, 593.)
1991. De staat, de gemeenten en andere openbare gestichten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen, en kunnen daarvan op gelijke wijze gebruik maken. (B.W. 577, 579, 582.)
1992. Om door middel van verjaring den eigendom eener zaak te verkregen, wordt vereischt een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar. (B.W. 599 v., 60é, 616, 2000, 2015.)
1993. Daden van geweld, van zuivere willekeur, of van eenvoudig gedoogen, kunnen geen bezit te weeg brengen, dat de kracht heeft om eene verjaring te doen geboren worden. (B.W. 613, 1359 v.)
1994. De tegenwoordige bezitter die bewast van ouds bezeten te hebben wordt voorondersteld mede het bezit te hebben gehad gedurende den tijd die tussclien beide verloopen is; onverminderd het tegenbewijs. (B.W. 590 v., 616, 622, 1953.)
1995. Om den tot veijaring vereischten tijd te vervullen, kan men bij zijn eigen bezit dat van den vorigen bezitter, van wien men de zaak verkregen heeft, voegen, op welke wijze men dezen ook zij opgevolgd, het zij onder eenen algemeenen of bijzonderen titel, het zij om niet, het zij onder eenen bezwarenden titel. (B.W. 880, 1002, 1350, 1354, 1992.)
1996. Zij die voor een ander bezitten, mitsgaders hunne erfgenamen, kunnen nimmer iets door verjaring verkrijgen, door welk tijdsverloop zulks ook zoude mogen wezen.
Alzoo kan een huurder, bewaarder, vruchtgebruiker, en alle anderen die het goed van den eigenaar ter bede onder zich hebben, hetzelve niet door verjaring verkrngen. (B.W. 591, 596, 612, 803, 1584, 1751.)
1997. De personen, bij het voorgaande artikel vermeld, kunnen den eigendom door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, het zij uit eene oorzaak die van eenen derde afkomt, het zij door hunne tegenspraak tegen het regt van den eigenaar. (B.W. 591 v., 1992.)
1998. Zij, aan wie de huurders, bewaarders en andere bezitters ter bede het goed hebben overgedragen, bij eenen titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed door verjaring verkrijgen. (B W. 2000.)
1999. De verjaring wordt gerekend bij dagen, en niet bij uren.
Zij is verkregen wanneer de laatste dag van den vereischten tijd
verloopen is. (B.W. 941, 1226; K. 179; R.V. 8, 14.)
Van verjaring.
TWEEDE AFDEELING.
Van de verjaring, beschouwd als een middel om iels te verkrijgen.
Art. 2000. Die te goeder trouw, en uit kracht van eenen wettigen titel, een onroerend goed, eene rente of eenige andere, aan toonder niet betaalbare, insehnld verkrijgt, bekomt daarvan den eigendom, bij wege van verjaring, door een bezit van twintig jaren.
Die te goeder trouw liet bezit heeft gedurende dertig jaren, verkrijgt den eigendom, zonder dal hij kan worden genoodzaakt zijnen titel te toonen. (B.W. 567, 587, 604, 630, 665, 1396, 1399; K. 221 v.)
2001. Een regtstitel die nietig is uit hoofde van een gebrek in den vorm kan niet tot grondslag eener twintigjarige verjaring verstrekken.
2002. De goede trouw wordt steeds voorondersteld, en degene die zich op kwade trouw beroept moet dezelve bewijzen. (B.W. 589, 1364, 1953.)
2003. Het is voldoende dat op het oogenblik der verkrijging de goede trouw bestond. (B.W. 587, 1995.)
DEBDE AFDEELING.
Van de verjaring, beschouwd als een middel om van eene verpUgting bevrijd te ivorden.
Art. 2004. Alle regtsvorderingen, zoo wel zakelijke als persoon-lijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij die zich op de verjaring beroept verpligt zij eenigen titel aan te toonen, of dat men hem eenige exceptie, uit zijne kwade trouw ontleend, kunne tegenwerpen. (B.W. 324, 472, 882, 1921, 2030; K. 95, 206 v., 220, 229, 741 v.;R.V. 129.)
2005. De regtsvordering van meesters en onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens de lessen welke zij bij de maand, of voor korter tijd, geven; (B.W. 797, 1195,1652, 1746,1999.)
Die van herbergiers en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost; (B.W. 1185 no. 6, 1193.)
Die van arbeiders en handwerkslieden, wegens hun loon; (B.W. 11855,1193.)
Verjaren door verloop van een jaar. (K. 741.)
2006. De regtsvordering der artsen, heelmeesters en apothekers, wegens hunne bezoeken, heelkundige diensten en geneesmiddelen; (B.W. 11953.)
Die van deurwaarders, wegens hun loon voor het beteekenen van
310
B. J?. Boek IV, Titel VII, 2 en 3. Artt. 2000â2011. 311
akten en het ten uitvoer brengen van de hun opgedragene werkzaamheden ; (R.V. 126.)
Die der kostschoolhouders, wegens het kost- en schoolgeld voor derzelver leerlingen, en van andere meesters, voor het loon van hun onderwijs; (B.W. 1195°.)
Die der dienstboden, wegens de betaling van hun loon; (B.W. 1195*.)
Verjaren door verloop van twee jaren. (B.W. 1195, 1638, 2009 v.; K. 754.)
2007. De regtsvordering der advokaten tot de betaling hunner verdiensten, die der procureurs tot de betaling van hunne voorschotten en loon, verjaren door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag dat het geding is uitgewezen, of dat de partijen eene schikking hebben getroffen, of de volmagt op die procureurs is ingetrokken.
Ten aanzien van onafgedane zaken, kunnen zij geene voldoening vorderen van voorschotten en verdiensten die meer dan tien jaren mogten ten achteren zijn.
De regtsvordering der notarissen tot betaling hunner voorschotten en loon verjaart insgelijks door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag waarop de akten zijn verleden. (B.W. 2009 v.; K. 745.)
2008. De regtsvorderingen:
Van timmerlieden, metselaars en andere werkbazen, tot betaling hunner leverancien en loonen; (B.W. 11858.)
Van kooplieden, voor de koopwaren, aan bijzondere, geen handeldrijvende personen, of aan kooplieden die denzelfden handel niet drijven, geleverd; (B.W. 11955.)
Verjaren door verloop van vijf jaren. (B.W. 797, 1185, 1640 v.; K. 742.)
2009. De verjaring, in de vier voorgaande artikelen vermeld, heeft plaats, ofschoon men met het doen van leverancien, diensten en arbeid zij voortgegaan.
Dezelve houdt dan slechts op te loopen wanneer eene schriftelijke schuldbekentenis opgemaakt, of de verjaring, volgens artikel 2016 en 2017, gestuit is. (B.W. 2013, 2018.)
201Ã. Niettemin kunnen degenen aan wie de verjaring, bij artikel 2005, 2006, 2007 en 2008 vermeld, wordt tegengeworpen, van hen die zich daarvan bedienen den eed vorderen dat de schuld werkelijk is betaald geworden.
De eed kan opgelegd worden aan de weduwen en de erfgenamen, of aan de voogden van laatstgemelden, indien zij minderjarig zijn, ten einde te verklaren dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is. (B.W. 385, 461, 1919, 1967, 2013; K. 206, 747.)
2011. De regters en procureurs zijn niet meer aansprakelijk wegens de afgifte der stukken na verloop van vijf iaren, na de uitwijzing der gedingen.
Fan verjaring.
Insgelijks zijn de deurwaarders ontheven van alle aansprakelijkheid dienaangaande na verloop van twee jaren, te rekenen sedert het uitvoeren van den last, of het heteekenen der akten, waarmede zij belast waren. (B.W. 2007, 2013.)
2012. De interessen van altijddurende renten, of van lüfrenten; (B.W. 1807, 1812.)
Die van jaarwedden, tot onderhoud verstrekkende; (B.W. 1465.)
De huurprijzen van huizen en van landgoederen; (B.W. 1185, 1596.)
De interessen van geleende geldsommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar, of bij kortere vastgestelde termijnen; (B.W. 1286, 1551.)
Veijaren na verloop van vijf jaren. (B.W. 1596, 1802.)
2013. De veijaringen, waarvan in artikel 2005 en volgende van deze afdeeling gehandeld wordt, loopen tegen de minderjarigen en tegen degenen die onder curatele staan; onverminderd hun verhaal op hunne voogden of curators. (B.W. 2005 v., 2024.)
2014. Met betrekking tot roerende goederen die noch in renten bestaan, noch in inschulden welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel.
Niettemin kan degene die iets verloren heeft of aan wien iets ontvreemd is, gedurende driejaren, te rekenen van den dag waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad, het verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terug vorderen van dengenen in wiens handen hij hetzelve vindt, behoudens het verhaal van den laatstge-melde op dengenen van wien hij het bezit bekomen heeft, en onverminderd de bepaling van artikel 637. ') CB.W. 565 v., 611, 1465, 1739; R.V. 68 v., 538 v., 721.)
VIERUE AFDEELING.
Van de oorzaken die de verjaring stuiten.
Art. 2015. De verjaring is gestuit wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, het zij door den vorigen eigenaar, het zij zelfs door eenen derde. (B.W. 601, 614, 621 v., 1992.)
2016. Zij wordt mede gestuit door aanmaning, dagvaarding en elke daad van regtsvervolging, alle in den vereischten vorm betee-kend door eenen daartoe bevoegden ambtenaar, uit naam van den regthebbende aan dengenen die men beletten wil de verjaring te verkrijgen. (B.W. 2020; R.V. 281, 860.)
312
2017. Ook de dagvaarding voor eenen onbevoegden regter stuit de verjaring. (R.V. 154.)
1) Het 2de lid van art. 2014 aldus gewijzigd bij art. 9 der wet van 26 April 1884, Stabl. uo. 93.
B. W. Boek IV, Titel Vil, 3, 4 en 5. Ar tl. 2012â2026. 313
2018. Verjaring is echter niet gestuit indien hetzij de aanmaning of dagvaarding wordt ingetrokken of nietig verklaard, het zij de aanlegger van zijnen eisoh afstand doet, of dezelve wordt ontzegd; het zij de aanleg, uit hoofde van het tijdsverloop, is vervallen verklaard. (R.V. 88, 90 v., 278.)
2019. De erkentenis, door woorden of door daden, van het regt van dengenen tegen wien de verjaring loopt, door den bezitter of den schuldenaar gedaan, stuit almede de verjaring. (B.W. 1426, 1803, 1928 v.)
2020. De heteekening, overeenkomstig artikel 2016, aan een der hoofdelijke schuldenaars gedaan, of diens erkentenis, stuit de verjaring tegen alle de overige, zelfs tegen hunne erfgenamen.
De heteekening aan een der erfgenamen van eenen hoofdelijken schuldenaar gedaan, of de erkentenis van dien erfgenaam, stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige mede erfgenamen, zelfs niet in het geval van eene hypothekaire schuld; ten ware de ver-bindtenis ondeelbaar mogt zijn.
Door deze heteekening of erkentenis wordt de verjaring ten aanzien van de andere mede schuldenaren niet verder gestuit dan voor zoo veel het aandeel van dien erfgenaam betreft.
Om de verjaring der geheele schuld ten aanzien van de andere mede-schuldenaren te stuiten, wordt vereischt eene heteekening aan alle de erfgenamen van den overleden schuldenaar, of eene erkentenis door alle die erfgenamen gedaan. (B.W. 880, 1002,1206,1333,1445, 1894, 2016 v.)
2021. De heteekening aan den hoofdschuldenaar gedaan, of des-zelfs erkentenis,stuit de verjaring tegen den borg. (B.W. 1460, 1466, 1473,1478,1882 v.)
2022. De stuiting der verjaring door een' der hoofdelijke schuld-eischers geldt voor alle hoofdelijke mede-schuldeischers. (B.W. 1315, 1324; R.V. 757.)
VIJFDE AFDEELING.
Van de oorzaken die den loop der verjaring schorsen.
Art. 2023. De verjaring loopt tegen alle personen, behalve diegenen te wier behoeve de wet eene uitzondering maakt. (B.W. 266, 445, 718, 757, 1991.)
2024. Verjaring kan niet beginnen noch voortgaan tegen minderjarigen en tegen degenen die onder curatele gesteld zijn, uitgezonderd in de gevallen bij de wet bepaald. (B.W. 385, 756, 1558, 2013; R.V. 280, 340.)
2025. Verjaring heeft geen plaats tusschen echtgenooten.
2026. Verjaring loopt niet tegen eene vrouw gedurende haar huwelijk :
Van verjaring.
1°. In geval de regtsvordering der vrouw niet zonde kunnen vervolgd worden dan na het doen eener keas omtrent de aanvaarding of den afstand der gemeenschap; (B.W. 187 v.)
3°. In geval de man, het eigen goed der vrouw zonder hare toestemming verkocht hebbende, den verkoop moet vrijwaren, en in alle andere gevallen waarin de actie van de vrouw op den man zoude terug komen. (B.W. 160, 1528 v.; R.V. 68 v.)
2027. Verjaring loopt niet:
Met betrekking tot eene inschuld welke van eene voorwaarde afhangt, zoo lang die voorwaarde niet vervuld is; (B.W. 1297, 1299.)
Met betrekking tot een regtsgeding tot vrijwaring, zoo lang de uitwinning geen plaats heeft gehad; (B.W. 1527 v.; R.V. 68.)
Met betrekking tot eene inschuld welke op eenen bepaalden dag vervalt, zoo lang die dag niet verschenen is. (B.W. 1289 v., 1304 v.; K. 149 v.)
2028. Verjaring loopt niet tegen eenen erfgenaam die eene nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard heeft, ten opzigte zijner inschulden, ten laste dier nalatenschap.
Veijaring loopt tegen eene onbeheerde nalatenschap, ofschoon dezelve van geenen curator voorzien zij. (B.W. 1076, 1078, 1172 v.; R.V. 341, 703.)
2029. Zij loopt insgelijks gedurende den tijd dat de erfgenaam zich beraadt. (B.W. 1070 v., 2023.)
Algemeene bepaling.
Art. 2030. De verjaringen welke reeds vóór de afkondiging van dit Wetboek eenen aanvang genomen hebben, zullen overeenkomstig de bepalingen van het vorige Wetboek worden geregeld. (A. 4; O. 1, 8, 47.)
314
1 *
DE ARBEIDSWET.
Wet van 5 Mei 1889 (Staatsblad no. 48), houdende
bepalingen tot het tegengaan
VAN OVERMATIGEN EN GEVAARLIJKEN ARBEID
van
JEUGDIGE PERSONEN EN VAN VROUWEN,
met inleiding en aanteekeningen door
MR. H. GOEMAN BORGESIUS.
Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Met SuppL, prijs f 1,35.
.......Gelukkig zagen wij weldra meerdere uitgaven der
Arbeidswet aangekondigd, doch van allen, die wij opsloegen â wij moeten het eerlijk bekennen â is die van Mr. Borgesius ons het best bevallen.quot;
Tijdschr. Admin. Recht.
DE NEDERL. DRANKWET.
Wet van 28 Juni 1881 (Stbld. no. 97; met pe daakin aan-
OEBKACHTE WIJZIGINGEN EU DE WET VAN 23 APRIL
1884 (Stbld. no. 54) en bij de wet van 1G Apiili, 1885 (Stbld. no. 78), MET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN
eenevens eene
HANDLEIDING VOOR DE TOEPASSING,
dook
MR. H. GOEMAN BORGESIUS,
Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Tweede, geheel herziene en omgewerkte druk. In groot 8vo, prijs f 1,90.
Mr. C. Beeling Knap, Beknopte Handleidinmbij de Wet oji het FAILLISSEMENT en de SURSÃANCE y^^ETALINB. Eenvoudige uiteenzetting benevens Tekst der. ea -Alphabetis^ Register. Mo,- bijgewerkte druk. / 1,25; ⢠f,
H. J. Gr. Hartman, WET op h?t LI ONBÃBBWIJS, tóf Aanteekeningen enz. onder toezicht van M^E. L. Van Emden. In gr. 8vo. Æ 8,50; geb. / 3,90. Eerste en Tweede vervolg /
HET BURGERLIJK WETBOEK, met vMavijzing naar de overeenkomstige artikelen, uitgegeven ondej^flffltht van Mr. J. G. Meijer. 2de, bijgewerkte druk. / OjSüfgeb. Æ 1,25.
NEDERLANDSCHE STAATSWETTEN, met verwijzing naar de overeëukomstige artikelen in de verschillende wetten, uitgegc-ven. onder toezicht van Mr. J. C. Meyer. 7de, vernieuwde druk. Gebonden Æ 1,90.
Deze uitgaaf bevat, in handig formaat en duidélyh gedrukt o.iï De Grondwet, Kieswet, Provinc. Wet, Gemeentewet, Nederlan-dersch. en Ingez,'Vreemdel.wetten,Vereeuiging, Enquête, Watersoh.-besturen, Waterst.belangen, Onteigening, Verantw. Mimsters, Baad van State, Eekenkamer, Kerkgenootschappen, Muntwezen, Nederl. Bank, Armbestuur, Lager Onderwijs, Middelbaar Onderwijs, Hooger Onderwijs, Geneeskundigen en Apothekers, Beeldende Kunsten, Militair Onderwiis Landmacht, Nationale Militie, Schutterijen, Jagt en Visscherij, Drankwet, Besm. Ziekten, Arbeidsw«t, Stoomtoestelle'p, Inrigtingen van Gevaar, Auteurswet, Regeringsbeleid Ned. Indië. â¢_ Grondwet, zooals zij by verschillende wetten is gewijzigd.yQ.lO. Kieswet, zooals zij by verschillende wetten is gewijzigd. / 0,10. Wet tot regeling van het Lager Onderwijs, zooals zij bij verschillende wetten ls gewijzigd, f .0,10.
Wet op het Kwitantie-Zegel met toelichting, Æ 0,10. Wet hetr. het Zegelrecht op Effecten. / 0,10. BTederlandsche Drankwet. Tekst-uitgaaf, f 0,10. Wettelijke Bepalingen tot regeling van den Kleinhandel in Sterken Drank enz. Plano-uitgaaf./0,10. De Arbeidswet, Tekst-uitgaaf. /0,10.
Lijst Werklieden volgens art. 11 der Arbeidswet./0,10. Wot Brievenposterijj'met de NIEUWE TARIEVEN./0,10. Wét Vermogensbelasting. / 0,10. Wet Bedrijfsbelasting./0,10.
Wet op de Pabrieks- en Handelsmerken. /0,10.