heilzame lessen
EN
NUTTIGE WENKEN.
'/oA ' po
HEILZAME LESSEN
EN
Nuttige Wenken
voor de
©hpigïelijke Jeu^d,
door
J. DEÃTZ, R. C. Pr. en Deken van Kerkrade, '^n het Hollandsch overgezet
door
IMPRIMATUR.
liuscoduci 24 Junii 1895.
J. J, VERSTERREN, Reetor,
ad hoc delegatus.
VOORWOORD.
1)e Meeste vermaningeii, die in dit hoekje voorkomen, zijn voor U niet nieuw, mijn kind; gij hebt ze reeds dikwijls gehoord in den Cutechisinus of op de school.
Toch is het voor den mensch nuttig en noo-dig. herhaaldelijk aan zijn plicht herinnerd te worden, zelfs wanneer hij dien reeds kent; en dit geldt inzonderheid voor U, wijl gij voor-taan uwen eigen weg zult gaan en minder vermaningen zult ontvangen.
Tot nog toe hebt gij onder de zorgvolle en waakzame leiding van uwe zielzorgers, uwe ouders en leermeesters bijna niets gehoord dan goed, en de deugd beoefend op gemakkelijke wijze, met vreugde en als van zelf; maar voortaan, nu de kring icaarin gij u gaat bewegen, grooter wordt, zult gij van tijd tot tijd verkeerde dingen hoor en, en op het pad der deugd slechts kunnen voortgaan te midden van vele gevaren en onder zwaren strijd.
1
II
In die omstandigheden â gij begrijpt het zeer goed â-*â is het hoogst noodzakelijk een trouwen vriend aan uwe zijde te hebben, â een vriend, die u dikwijls herinnert nan het goede, dat gij vroeger gehoord hebt en n bevestigt in de goede beginselen welke gij in u zeiven hebt opgenomen. En ziedaar het doel van deze lessen en wenken ! Zij moeten u afschrikken van het kwaad en de gevaarlijke gelegenheden ; u aansporen tot het onderhouden van Gods geboden; u opwekken tot ijverige beoefening der deugd en der christelijke volmaaktheid ; u voorlichten in de keuze van een toekomstigen levensstaat.
Een goed boek is altijd een kostbare schat; hoeveel te meer dan, wanneer het uitsluitend voor u geschreven is, mijn kind, en wel door een vriend die het goed met u meent! O, in dat geval moet iedere heilzame les en nuttige wenk onuitwischbaar in uwen geest gegrift blijven.
Lees daarom â ten minste lederen Zondag =- in dit boekje; denk over de waarheden, die u daarin worden voorgehouden, eens tfrt
Ill
e», neem ze ernstig ter harte; lees voornamelijk dat hoofdstuk, hetwelk het meest van toepassing is op uwen persoon en op de om-standigheden waarin gij verkeert en erken in deze lessen de stem Gods, die op vaderlijke wijze tot n spreekt door den mond van zijn bedienaar. En mocht gij â wat God verhoede ! â ooit van den rechten weg afdwalen, dan, o dan vooral dit hoekje gelezen, mijn kind! Misschien, dat dan het woord daarin vervat, voor u de roepstem wordt van Gods genade, die u tot inkeer hrengt; dat de troostrijke herinnering aan de schoone dagen uwer onschuldige kindsheid u dan de overtuiging terugschenkt, dat de weg der deugd ook die van het ware geluk is.
Zeg niet: âNu hen ik vrij, nu doe ik wat-ik wilquot; â Alleen de deugd maakt a vrij; de zonde maakt u tot slaaf.
Vrij is degene, die zich de wet des Heeren tof levensregel kiest en niet zijn eigen iville-keur en wispelturige grillen. âWijl ik uwe geboden nastreef,quot; zoo spreekt de psalmist, âdaarom wandel ik in vrijheid.quot; fas, 118Jj
IV
vrij is degene, die zich wijdt aan het goede, niet hij, die, alle wetten vertredend en alle handen verbrekend, zijn hartstochten involgt en zijne lasten hotuie-rt; vrij is degene die den wil Gods maakt tot zijn eigen wil. Dat is de vrijheid der kinderen Gods; zij leert u heerschappij voeren en maakt u aldus geschikt tot het bezit van het eeuwig rijk des Hemels.
Mogen deze lessvi en wenken er iets toe bijdragen, mijn kind, om u dat geluk voor de toekomst te verzekeren !
De Schri-ivkb.
HOOFDSTUK 1.
Wees trouw in den dienst van God.
Wat wil dat zeggen; God dienen? God dienen wil zeggen: Zijne geboden onderhouden. Een knecht dient zijn meester, wanneer hij diens bevelen volbrengt en hem de diensten bewijst, waarvoor hij gehuurd is.
God nu heeft u geschapen opdat gij Hom zoudt dienen. God beminnen is het eerste en grootste gebod. God dienen is van dit eerste en grootste gebod slechts een gevolg.
God heeft u geschapen. Roepen al de vermogens uwer ziel en al de krachten van uw lichaam u niet gebiedend toe: Gij moet God dienen! Zegt uw verstand u niet, dat gij steeds aan Hem behoort te denken; uw wil, dat gij steeds het goede moet nastreven; uwe vijf zintuigen, dat gij steeds zijn glorie moet bevorderen 1
Gij kunt God dienen als een knecht, uit
heilzame vrees. âDoordring mijn vleesch met de vreeze voor u, want ik ben bevreesd voor uwe oordeelen.-' (ps. 118, 120.)
Of ook als een daglooner, met het oog op het toegezegde loon:
âIk heb mijn hart gericht op de vervulling uwer geboden, om wille der belooning. (ps. 118, 120.)
Maar de volmaaktste wijze van God te dienen is wanneer dit geschiedt uit liefde; dat is de dienst van een goed, dankbaar kind: ..Hoezeer bemin ik uwe wet, o Heer; den geheelen dag is zij mijne overweging.'' (ps. 118, 97.) Inderdaad, is er wel een beter vader en een vrijgever meester dan God? Alles wat Hij geschapen heeft, heeft Hij voor u geschapen; zijn eeniggeboren, inniggeliefden Zoon heeft Hij voor u gegeven; Hij noemt u zijn kind, zijn vriend: âmet een eeuwige liefde heb ik u bemindquot; (Jer. 31, 3). Zijn eigen woning, den hemel, wil Hij u tot woning geven â en gij zoudt Hem niet dienen? Zoudt gij dan nog wel waardig zijn te leven?
Nu doet een goed knechts en nog veel meer een brave zoon, zijn best om zijn dagelijksch werk te verrichten met de grootst mogelijke zorg en stiptheid, vooral wanneer hij werkt onder de oogen zijns meesters of zijns vaders. Gij zijt altijd in Gods tegenwoordigheid; onafgebroken heeft Hij op IJ zijn oog gevestigd; Hij slaat uw werk gade en doorgrondt de meening welke U daarbij bezielt; hoe volmaakter uw werk en hoe zuiverder uwe meening is, des te heerlijker zal uw loon zijn.
âVrees God en onderhoud zijne geboden-dat is de geheele mensch,'' (Eccl. 12, 13.) Een mensch in den waren zin des woords is slechts hij die Gods geboden onderhoudt, anders wordt hij gelijk aan het dier. Zelfs de heidenen hebben dit uitdrukkelijk verklaard: âAlleen diegene verdient den naam van mensch,quot; zeide een hunner wijsgeerige schrijvers, âdie zich toelegt op de deugd.'' Van de verplichting om God te dienen is geen geslacht, geen stand eu geen waardigheid ontheven; vorsten en bedelaars, rijken en armen, allen moeten God dienen! âDie
God niet vreest, is niets,quot; zegt de H. Augustinus. âVoor den wijze is God de wet, voor den dwaze zijn wellust.quot; (Lact. in ps. 118). Wij worden geboren om God te leeren kennen ; wij leeren Hem kennen om Hem te dienen; wij dienen Hem om tot liet eeuwig leven te geraken; ziedaar het .geheele geheim van ons bestaan. Zij die de wereld, het vleesch of den duivel dienen, begrijpen daar niets van.
De H. Petrus Damianus mocht dan ook gerust zeggen: âDie God niet vreest, heeft zijn verstand verloren.quot; Alles is ijdelheid behalve God dienen.
God dienen is daarenboven heerschen. Dienen moet gij in ieder geval. Wilt gij God niet dienen, den Almachtige en Al-goede, â dan moet gij den duivel dienen, den moordenaar der zielen; ofwel de wereld, de wreedste van alle tyrannen; ofwel het vleesch, dat U â nadat gij in zijn schandelijken dienst uwe beste krachten, uwe gezondheid, uw eer en uw geluk hebt opgeofferd â niets zal nalaten dan een uitge-
put, bedorven lichaam en een rampzalige ziel.
Denk eens aan het voorbeeld van den verloren zoon ! Zijn edelen, goeden vader wilde hij niet dienen; en zie, hij werd gedwongen, zich te verhuren aan een gruw-zamen meester, bij wien het hem ternauwernood vergund was zijn honger te stillen met den draf der onreine dieren.
Dient gij God, dan zijt gij gered; dient gij Hem niet, dan zijt gij verloren. Gij kunt echter geen twee heeren dienen, God en duivel, want gij zult ofwel den eenen haten en den anderen liefhebben, ofwel u zeiven aan den eenen onderwerpen en den anderen verachten (Matth. 6, 24.)
âWat verlangt de Heer uw God anders van U,quot; vraagt do H. Schrift, âdan dat gij Hem vreest en zijne wegen bewandelt en Hem liefhebt; dat gij den Heer, uwen God, dient uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel; dat gij do geboden en voorschriften des Heeren onderhoudt, opdat het U wèl ga.quot;
Beijver U dus om God te dienen, en het zal U wèl gaan in dit en het volgend leven.
â 10 â
Zijn gel)oden heeft, God in uw hart geschreven ; gij behoeft slechts den aandrang van uw hart te volgen om ook Gods geboden te onderhonden.
âIk roep den Hemel en de aarde tot getuige, dat ik U voorgesteld heb leven en dood, zegen en vloek. Kies dan het leven, mijn kind, want Hij is uw leven en de lengte uwer dagen.quot; (Deut. 10. 19)
âMijn zoon, wil mijne wet niet vergeten, en dat uw hart mijne geboden beware; want deze zullen U brengen een lang leven, goede jaren en vrede.'' (Spr. 3. 2) Hoor hoe David de wet des Heeren looft: âUwe wet is onbevlekt, zij bekeert de zielen; uwe geboden zijn recht en verblijden; het gebod des Heeren is een licht voor de oogen,... meer begeerenswaardig dan goud en een schat van edelsteenen en zoeter dan honig en honiggraat.quot; (ps. 118. 8 en vlg.) En kunt gij nu eveneens met den koninklijken zanger David zeggen; En ook uw dienaar onderhoudt ze; daarin is mij een rijke belooning weggelegd;quot;' (ps. 118, 12)
â 11 â
HOOFDSTUK II.
Dien God in «1c dagen uwer jeugd.
Dut gij God in uwe jengel moet dienen, leert u niet alleen uw verstand, maar is ook een uitdrukkelijk bevel van God zeiven.
Gij moet Hem dienen met uwe beste krachten en in al de frischheid van uw leven; niet met een afgewerkt lichaam en een matte, half uitgedoofde ziel : gij moet Hem dienen in een tijd waarin uw dienst Hem de meeste eer bewijst en voor u zeiven de rijkste vruchten afwerpt. In het Oude Verbond moesten aan God de eerstelingen der dieren en der veldvruchten worden gebracht, âde jongen der duiven of der toi'tel-duiven.quot; Dat is een duidelijke vermaning voor u, om de lente van uw leven, het meest frissche, het meest reine, het teederste en kostbaarste wat gij hebt, uwen jeugdigen leeftijd, te wijden aan God den Heer.
De eerstelingen van het leven zijn het geheele leven in zijn kiem. Als uw geheele leven aan Hem behoort, van den eersten
â 12 â
dag tot den lautsten, wat gocfl u dau het recht, om het schoonste gedeelte uws levens aan Hem te onttrekken en Hem niet anders aan te bieden dan het ellendig overschot daarvan een ziokelijken en kwijnenden ouderdom ' Zou zulks geen schromelijke ondankbaarheid en onrechtvaardigheid tevens zijn ' Indien gij uwe jeugd niet schenkt aan God, dan schenkt gij haar aan zijne vijanden, en dat zou voor u een vreeselijk ongeluk zijn, want zij hebben hot slechts gemunt op uwen ondergang.
Om den schat van uwe jeugd meester te worden, strijden vele machtige vijanden; gij alleen kunt beslissen wie haar zal bezitten: God of de duivel, de hemel of de wereld, de deugd of do zonde, en gij behoort toe aan dengene a:in wien gij uwe jeugd schenkt. Als gij uwe jeugd niet aan God geeft, geeft gij Hem niets.
Immers: het tegenwoordige is uw eigendom. dat alleen kunt gij Hem geven; de toekomst behoort u niet toe. en njij hebt daarop des te minder aanspraak, naarmate
â 13 â
gij u door eon zondige jeugd den manne-lijken leeftijd en den lioogen ouderdom onwaardig maakt. âWil niet zondigenquot;, zegt de H. Schrift, âopdat gij niet sterven moogt vóór uwen tijd.' (Eccl. 7. 18) En als dit eens gebeurde, wat dan ? O, dan zoudt gij voor uwen Rechter moeten verschijnen met ledige handen, met een wanhopig verleden en eene jeugd ontheiligd en verwoest door de zonde.
Het is te laat, het leven te willen beginnen, wanneer het leven geëindigd is.
Ja, uwe jeugd behoort aan God; Hij heeft ze u gegeven tot zijne eer en uw geluk; haar aan Hem ontrooven is diefstal Zooals de bron is, zoo is ook de beek; zooals de wortel is, zoo is ook de boom, zooals de jeugd, zoo ook de ouderdom.
Welk een heerlijk beeld: de jongeling en de maagd, die op hun smetteloos voorhoofd de sporen dragen van den strijd en om hun jeugdige slapen de lauwerkrans dei-zegepraal! Verrukkelijk schouwspel dat hemel en aarde in begeestering brengt! Hun verschijning is als die van den verwinnenden
Michael, onder zijn hiel den driekoppigen draak vertrappend, die zich machteloos voor zijn voeten kronkelt, t Zijn geen roemruchtige veldslagen die zij leveren; zij trekken niet tot zich den blik van tijdgenoot en nageslacht; men kent hen ternauwernood,
Maar heel de zegevierende Kerk ziet neer op hen, die stille helden, die toch niets meer zijn dan menschen, levend in het verborgen, zwoegend in een fabriek of op een werkplaats, zich verdedigend met inspanning, niet zelden onder zuchten en tranen, maar zonder ontmoedigd te worden, tegen het geweld van een boozen oproerigen wil.
Wat reeds uw verstand u zegt, dat gebiedt God u met nadrukkelijke woorden: âGedenk uwen Schepper in de dageu uwer jeugd !quot; Wanneer alles vol is van bloesem en geur, vol van bevalligheid en hoop ; en niet eerst dan, âwanneer de dagen zijn gekomen van den ouderdom, waarvan gij zeggen zult: zij behagen mij niet; niet eerst dai, wanneer de wachters des huizes (de armen) sidderen eu de beenderen kraken, wanneer de
â 15 â
weinige overgeblevene tanden niet meer malen en de oogappel verduisterd wordt; wanneer het oor doof wordt en de lippen hunnen dienst weigeren ; niet eerst dan, wanneer de levensbron opdroogt en het stof weer terugkeert tot de aarde, waaruit het gemaakt is.quot; (Eccl. 12)
Schenk aan God uw leven in zijn kracht en niet enkel den droevigen, duisteren ouderdom, den vroegtijdigen dood.
âLaat u niet tweemaal verstrikken in eene zonde, want reeds de eerste zal u worden aangerekend.quot; (Eccli 7. 8) Het is gemakkelijker de eerste zonde te vermijden dan de ijzeren boeien der gewoonte te verbreken; na de gewoonte immers komt de dwang en na den dwang de dood.
âIndien een jongelingzich aan zijn weg heeft gewoon gemaakt, zal hij daarvan nietafwijken, ook als hij oud is geworden.quot; (Spr. 22. 6) Heeft hij in zijne jeugdige jaren den rampzaligen weg bewandeld van hartstocht en zonde, âdan zal zijn gebeente vol zijn van den hartstocht zijner jeugd, en deze zal met hem slapen in het stof,quot; (Job 20, 11)
Alles zult gij op deze wereld achterlaten; uwe ijdclhedeu, uwe kleederen, uwe middelen 0111 anderen te verlokken, uwe spijzen en dranken, uwe danspartijen en drinkgelagen, maar den hartstocht uwer jeugd, die uw gebeente heeft doortrokken als de olie het wollen kleed, dezen zult gij met u nemen in het duistere graf, deze zal met u opstaan ten oordeel.
Daarom vraagt dan ook de koninklijke profeet: âWaardoor o Hoer, maakt de jongeling zijn levensweg recht'? Door uwe geboden te onderhouden.' (ps. 1 18.0) Do heilige zanger David die dit zegt, stond nog in zijne jongelingsjaren ; hij kende degevaren, diehem van alle zij den bedreigden en von d geen anderen uitwee: daarvoor dan in den dienst van God.
âDrie dingen kan ik niei begrijpen,quot; zeide de wijze Salomon: âden weg des adelaars langs den hemel, den weg der slang op de rots en den weg van het schip door de zee; maar het vierde gaat mijn verstand geheel te boven : den weg n. 1. van den man in zijne jeugd.quot; (Spr. 30. 19)
Zijne hartstochten hebben de woeste vlucht van den adelaar, zijn onstandvastigheid de kronkelingen der slang, zijn lichtzinnigheid de slingeringen van het schip ; niets anders kan hem standvastigheid en geestkracht geven dan het onderhouden van Gods geboden. âVan alles heb ik het einde gezien, maar uw gebod, o Heer, duurt eeuwig.quot;.(ps. 118.96) Ja, âhet is den mensch heilzaam als hij van zijne jeugd af het juk gedragen heeft in den dienst des Heeren. (Klaagl. 3. 27) Het juk des Heeren is zoet en zijn last is licht, maar het juk van Satan is zwaar en drukt neer tot den eeuwigen ondergang.
Weet gij waarom de duivel het zoozeer aanlegt op de verleiding der jeugd? Wijl God in de jeugd zijn bijzonder welbehagen vindt; wijl van de jeugd het geheele leven en meestal ook de eeuwigheid afhangt; wijl de jeugd zich zoo licht laat bedriegen en, eenmaal bedrogen, zich met blinden hartstocht in de diepste diepten der zonde nederstort.
Daarom, mijn kind, wijd uwen dienst aan
2
God, clio uwe jeugd wil vervullen mot onuitsprekelijke vreugde. âHoo zoet, o Heer, zijn uwe woorden voor mijn verhemelte ! Zij zijn voor mijn mond zoeter dan honig: zij zijn de wellust mijns harten.quot; (ps. UB. 163)
Schenk aan God uwe jeugd met al hare hoop en al hare verwachtingen â Hij zal zo vervullen ; met al hare frischheid en bevalligheid â Hij zal ze bewaren; met al haar vuur en geestdrift Hij zal c ie ^ onderhouden; ja zelfs met al hare stormen en strijd - Hij zal deze stillen en bezweren. Draag uwe jeugd dagelijks in Gods hei igen tempel aan Hem op als een Æ ein, levendig en Gode welbehagelijk offer.'
Verberg uwe jeugd onder den boschermenden mantel van Maria, de koningin des Hemels; waar kunt ge haar beter in veiligheid brengen'? Hoe heilig heeft zij hare jeugd doorgebracht in de schaduw des hei-ligdoms, verre van de gevaren der wereld. Roep haar iederen dag aan met de bede: Onder uwe bescherming neem ik mijne toevlucht, o heilige Moeder Gods!
â 19 â
Vereer ook getrouw uwen heiligen bewaarengel ; evenals den jongen Tobias zal hij ook u vergezellen op al uwe wegen; âop zijne handen zal hij u dragen, opdat gij uwen voet niet stooten zult aan een steen, adders en slangen zult gij vertreden, maar de vijand zal u niet naderen.quot; (ps. 00, 12, 13)
Onder zijne bescherming zult gij zoowel s vijands open aanval kunnen afslaan, als * zij11 verraderlijke hinderlaag ontwijken.
âOffer den Heer van de eerstelingen uwer vruchten, dan zullen uwe schuren met rijken oogst worden gevuld en uwe kelders overvloeien van wijn.quot; (Spr. 3. 9)
HOOFDSTUK TH.
Vlucht de zonde!
Wat ontheiligt uwe jeugd? â Do doodzonde. De doodzonde ontrooft u uwen vrede, uwe onschuld, uw geluk; de doodzonde vergiftigt uwe frischheid, uwen bloesem.
I I 1
e .1
il
e u
a.
'g
lies
Squot;
ire ei-cl! le:
oe-
20
uwe bevalligheid; de doodzonde verwoest uw welvaart, uw bovennatuurlijk leven, uwe eeuwige gelukzaligheid.
De doodzonde is iets verschrikkelijks; zij heeft het â ofschoon dat doel nooit kan bereikt worden â gemunt op de vernietiging van Gods bestaan.
De H. Juliana van Falconiere viel, als
zij het woord âdoodzondequot; hoorde uitspreken.
in onmacht; de H. Joannes de Deo zeide aan de wereld vaarwel na een predicatie van pater Avila over de doodzonde. Ja -hoe geweldig het ook klinke â het ware beter dat de zon, de maan en de sterren uit hare hemelbanen vielen, dat een al-vernielende brand heel de geschapen wereld ia asch legde of dat een nieuwe zondvloed de levende geslachten van de aarde verdelgde, dan dat slechts ééne enkele doodzonde werd gepleegd.
De zonde is een opstand tegen God. piensch, die zondigt, is het eenige wezen in geheel de schepping, dat zich aang tot verzet tegen zijn Schepper; en toch lig â
â 21 â
er een onmetelijke afgrond tusschen den oneindigen God, die beleedigd wordt, en den ellendigen aardworm, die tegen Hem opstaat, en Hem de verschuldigde gelioor-zaamheid weigert.
De doodzonde is een onuitsprekelijke on-dunkbaarheid jegens den oneindig goeden, bannhartigen en milddadigen God. In zijne goedheid verlangt Hij van u niets dan uwen dienst, en dit eeuige weigert gij Hem, om u over te geven aan zijne vijanden, het vleesch, den duivel en de wereld!
De doodzonde is het schandelijkste misbruik van de weldaden en begaafheden, welke God u heeft geschonken. Uwe oogen, uwe tong, uwe handen, uw verstand, uwe verbeelding, uw wil: al uwe krachten en al uwe zinnen moesten slechts gewijd ziju aan de eer en de verheerlijking Gods en gij misbruikt ze op misdadige wijze in dienst van den hartstocht en in dienst van de zonde!
De doodzonde is een vreeselijke wanorde. De geheele schepping en alles in de schepping gevoelt zich getrokken naar God, het
â 22 â
mklclenpunt, den ooi^piong. het. doel en einde van alle geschapen wezens, du zondaar alleen wendt zich van Hem af en keert zich tot het verachtelijk schepsel, storing en verwarring brengende in het harmonisch streven van alle schepselen naar den ooi-sprong van hun bestaan.
Do doodzonde, in één woord, is hot groote, het eenige kwaad, zonder inmenging van
eenig goed.
De zonde heeft de engelen, die zalige geesten, begaafd met de heerlijkste eigenschappen, plotseling veranderd in duivelen en van het toppunt van geluk neergestort in den diepsten poel van ellende en in een bodemloozen afgrond van vuur.
De zonde heeft onze stamouders uit het paradijs verdreven, hen neergestort in een eindeloos en nameloos ongeluk, cn na hen millioenen nienschen â hunne rampzalige nakomelingen â ten prooi gemaakt aan ellende, smart, honger, arbeid en dood. Dat duizenden en nogmaals duizenden geslachten aan het ongeluk worden prijs gegeven â
is dat iets gerings? Welnu, bereken clan de grootte der misdaad naar de grootte dei-straf. Ja, indien de dood met al zijn akeligheid en pijnlijke onzekerheid omtrent de toekomst de oenigo straf was der zonde, het zou reeds meer dan voldoende zijn om II de boosheid der zonde te doen inzien en erkennen.
Om de zonde uit te delgen is de Zoon Gods mensch geworden en heeft Hij zich zei ven als zoenoffer geschonken; van Bethlehem tot Golgotha heeft hij oen onafgebroken leven van boetvaardigheid geleid en daarna is Hij voor do zonde gestorven, uitgestrekt op een kruis; daarvoor hoeft hij drie uren doorgebracht in doodstrijd, versmachtende van dorsf, ongehoorde pijnen verdragende en bloedende uit honderden wonden; daarvoor is Hij bespot, gekroond en gelasterd geworden, verlaten door al de zijnen, ook door zijn hemelschen Vader, â- en de doodzonde zou niet veel te beteekenen hebben?
âHoort o hemelen.'' zegt God en verneem het, o aarde; âik heb zonen opgevoed en
â 24 â
groot, gebracht en zij hebben mij veracht.quot;
âDo os kent zijn bezitter en ile ezel do kribbe zijns meesters, maar mijn volk weet niet, wie zijn weldoener is.'quot;
âEen Zoon eert zijn vader en een knecht zijn hoer; indien ik een vader ben, waar is dan de eer, waarop ik recht heb? indien ik de Heer ben, waar is dan mijne vreeze ?quot;
Do soldij der zonde is de dood, de lichamelijke en de geestelijke dood. Zeker, de ziel bezit een natuurlijk leven, en dit kan zij niet verliezen, want zij is onsterfelijk; maar zij heeft daarenboven ook nog een bovennatuurlijk loven der genade. Dit bovennatuurlijk leven der genade nu wordt dooide zonde gedood en de ziel wordt een lijk. En evenals een lijk niet meer werkt, ja zelfs niet meer ademt, zoo ook vermag de ziel in dezen ongelukkigen toestand van een geestelijken dood niets verdienstelijks moer te verlichten voor den hemel. Het lichamelijke loven is een kostbare gave ; om vreugde te smaken, om dierbare betrekkingen of goederen te bezitten, om gelukkig te zijn en te
â 25 â
gRnieten moet gij leven, want als het leven van n is geweken, is het uit met alle vreugde, alle bezit en alle genot. Maar oneindig kostbaarder is het bovennatuurlijk leven dei-ziel, het leven van een kind Gods, het reeds op aarde begonnen leven des Hemels. Is uwe ziel echter dood, dood door de zonde, dan verdwijnt allo vreugde, alle hoop op den hemel, en alle liefde tot God; dan zijn verloren alle verdiensten, alle goede werken, al uwe met zooveel moeite voor de eeuwigheid verzamelde schatten van gebed, versterving en aalmoezen. Al hadt gij tot nog toe boete gepleegd gelijk David, al waart gij onschuldig geweest gelijk een Aloysius â indien gij in zonde kwaamt te sterven, Gods toorn zou eeuwig op U rusten en gij zoudt reddeloos verloren zijn. âAls de rechtvaardige,quot; zegt God. âzich afwendt van de gerechtigheid en kwaad doet, zal al zijn vorige gerechtigheid niet meer herdacht worden.quot;
Verwondert gij er U nog over, dat de zonde in de H. Schrift eene dwaasheid wordt genoemd ? Maar van den anderen
â 26 â
kant; âZie, do vreeze des Heeron. dat is wijsheid, en liet kwaad te vermijden, dat
is verstand.''
Een lijk is oen voorworp van afschuw,
__ er ligt iets huiveringwekkends, iets
akeligs in een ontzield lichaam. Die koude, als van marmer, dio onbeweeglijkheid, die verwrongen gelaatstrekken, die laatste spoien van den doodstrijd, die walgelijke lucht, dat alles boezemt schrik eu afschuw in. En toch was dit lijk eens een tempel van den H. Geest, de woning eener onschuldige ziel en zal het na vele jaren glorievol herrijzen uit het graf; â maar eene door doodzonde bezoedelde ziel, is beladen met Gods vloek; God, aan wien alle schoonheid haar wezen ontleent, is uit die ziel verdreven; zij is afschuwelijk geworden, en hare afschuwelijkheid is een voorwerp van Gods haat. O, hoe verschrikkelijk is het, door God gehaat te worden!quot; Verkeert gij in staat van doodzonde, dan zijt gij het afzichtelijkste wezen van de geheele wereld en kondet gij uwe zondige ziel in hare al-
â 27 â
zichtelijkhoid aanschouwen, gij zoudt tevug-(leiiiztjii voor U zelven en sterven van angst en schrik.
Een lijk wordt begraven in den donkoren schoot dor aarde, het daalt neer in de duisternis dos grafs en wordt weldra het voedsel der wormen; â maar de met zonden bezoedelde ziel wordt neergestort in de hol, in de eeuwige duisternis, zij wordt oen prooi dei' vlammen en tevens een brandhout voor het onuitbluschbaar eeuwige vuur.
Alles, mijn kind, moogt gij beminnen, slechts ééne zaak moet gij haten; alles moogt gij hoogschatten, slechts ééne zaak moet gij verafschuwen; en dit ééne is do zonde!
Vlucht voor de zonde als voor eene slang, als voor een moordend zwaard, als voor de tand van een verscheurend monster; want hot is vreeselijk te vallen iu de handen van don levenden God.
Het vuur, de zwavelregen en de storm van Gods wraakgericht zullen het deel zijn van den zondaar â hier beneden do verschrikkingen en de folteringen van het geweten, en in
â 28 â
de eeuwigheid de uitstorting van Gods wraak en toorn, welker bliksemschichten onophoudelijk den afgrond der hol doorklieven, welker donderslagen voortdurend de verworpelingen doen sidderen, welker orkanen de vuur- en zwavelzee steeds wilder en hooger opstuwen en hun gehuil met het gejammer der gefolterden vermengen zullen.
Bedenk het wèl mijn kind: één oogenblik genot, eeuwig lijden 1 Bid dan iederen dag vurig: Leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van den kwade ! Amen.
HOOFDSTUK IV.
Vlucht den omgang der boozen.
Als jongelingen of jonge meisjes bedorven worden â 't ligt gewoonlijk aan slechten omgang.
âHet oog van den wijze,quot; zoo klaagt met âvolle recht een beroemd man uit onze eeuw, âziet met weemoed hoe een onafzienbare âschare van jongelieden, in hun onderlinge
â 20 â
âvereeniging â uitgelokt door gezamen-âlijken arbeid, of gemeenschappelijk ge-,.noegen. of studie of andere omstandig-âheden -â⢠een aanleiding vinden om hun âondergang tegemoet te snellen. Ach I het âis alsof men de menschen slechts met el-âkander in aanraking behoeft te brengen, âom hen ongelukkig te maken. (Joseph de âMaistre.)
Daarom dan ook vermanen uwe ouders, uwe zielzorgers en uwe vrienden die het goed met u meenen, u ter dringenste, allen slechten omgang te vermijden.
âDie met pek omgaatquot;, zegt de H. Schrift, âwordt er mede besmet.''
âWees op uwe hoede,quot; lezen wij daar eveneens, âopdat gij tengevolge uwer dwaas-âheid niet verleid en vernederd wordet.'
âDe vijand heeft zoete woorden op zijne lippen; maar in zijn hart peinst hij er op om u in den afgrond te storten.quot;
En nu vraag ik u; wie zal langs een afgrond gaan wandelen met iemand, van wien hij weet, dat deze hem, zoodra het
oogonhlik gunstig is, er in zal neerstooton ?
âSpreek niet met een dwaas,quot; dat wil zeggen: met een goddelooze, âen wees voor hem op uwe hoede, opdat gij niet bezoedeld wordet door zijne zonde.quot;'
âMijn zoon, als de zondaren u verlokken, luister niet naar hen; als zij zeggen : kom met ons ! -â mijn zoon, ga dan niet met lion mede, houd uwen voet terug van hunne wegen; want hunnn© voeten bewegen zich voort naar het kwaad.quot;
De Zaligmaker zelf waarschuwt u tegen de valsche profeten, de slechte menschen die in schaapskleederen, dat wil zeggen met verleidende taal tot u komen, en inwendig grijpende wolven zijn. âAan hunne vruchten zult gij ze kennen.''
âZiet toe, dat niemand u verleide,quot; zegt de Heiland. Evenals gij aan den adem van den mond de bedorvenheid kunt kennen van de maag, evenzoo zult gij de slechtheid van een raensch kunnen ontdekken aan zijn schaamtelooze taal. Een rotte appel wordt niet beter als men hem legt bij
â 31 â
frissclie :i|ipelen, neon do lautsto wordon veeleer door den eerste aangestoken.
Gij hebt honderdmaal de waarschuwing gehoord; »l)ic het gevaar bemint, zal er in vergaan.quot; Welnu, het is veel gemakkelijker het gevaar te vermijden, dan zich vrij te houden van zonde als men zich eenmaal in het gevaar bevindt. Men zou immers evengoed kunnen verlangen, vuur aan te raken zonder zich te branden, in den meelmolen binnen te gaan en niet bestoven te worden.
Gij wordt zooals uwe omgeving is; gij vormt u naar hetgeen gij dagelijks hoort en ziet. De mensch is immers geneigd tot navolging, en daar hij door de erfzonde verzwakt en verblind is geworden, volgt hij het slechte spoediger na dan het goede.
Het gevaarlijkst is echter het gezelschap van die personen die hot kwaad niet slechts verontschuldigen, maar zelfs verdedigen, en geen kwaad is er dat moeielijker wordt uitgeroeid dan dat hetwelk zijn goedkeuring
â 32 â
vindt bij den tijdgeest en door dwazen in bescherming wordt genomen.
Vlucht vooral den omgang met personen van het andere geslacht. Vertrouw niet op uw standvastigheid. Gij zijt niet sterker dan de wijze Salomon, die door zijn omgang met heidensohe vrouwen verleid werd tot afgoderij en de daarmede gepaard gaande schandelijkheden; gij zijt niet meer beproefd in de deugd dan Petrus, die zijn Meester tot driemaal toe verloochende op de stem van een dienstmaagd. Verlaat u niet op den bijstand van God als gij u lichtzinnig en moedwillig in het gevaar begeeft; hoe zou God, de heiligheid zelve, zijn bijstand kunnen verleenen aan een roekelooze'? Op die wijze zou Hij u immers aanmoedigen tot het kwaad en u prikkelen tot de zonde. Neen, Hij vermaant u veeleer: âMijn zoon, neem u in acht voor de listen der boozen vrouw, want hare lippen zijn als druppelende honig en haar keel is gladder dan olie: maar haar einde is bitter als gal en scherp als een tweesnijdend zwaard. Houdt uwen
â 33 â
weg verre van haar en nader niet de deur van haar huis.quot;
âHaar huis is de weg naar de hel, die afdaalt naar het oord des doods.'' (Spr. 7, 27).
Zie, machtige ceders zijn gevallen en gij, zwak riet, gij vreest niet door den storm te worden neergeveld?
O, vlucht de verleiders! Gij draagt in U een kostbaren schat rond â kostbaar als het bloed van uwen Verlosser â uwe ziel, versierd met de heiligmakende genade; maar er zwerven vele roovers rondom U heen die trachten U dien schat te ontrooven. tin wie zal nu zijn schatten onder het be-leik brengen van roovers en zijn leven onder dat van moordenaars ? Hem zou men onzinnig mogen noemen; en toch, zóó doet gij, als gij U ophoudt met slechte menschen. Grij vlucht voor een vergiftigde slang; gij vreest dat zij door haar zwadder U den dood zal toebrengen, en met recht. Welnu, ontvlucht even zorgvuldig den verleider, die U ongelukkig wil maken !
3
â 34 â
Zie eons terug op do jaren die gij in onschuld liobt doorgebracht. Uit een verleden waaraan gij mot vreugde denkt, hebt gij, tegelijk met den rijken oogst uwer deugden, U zooveel zegepalmen vergaard als gij overwinningen hebt bevochten. Roin en gelukkig zijt gij gebleven, een heerlijk schouwspel voor God en do monschen! Hoe beklagens waardig zoudt gij zijn, als do pestwalm der-verleiding U sloeg! Hebt gij eenmaal uwe onschuld verloren, dan moogt gij weenen en jammeren ; de moordenaars der zielen geven niets om U weeklagen en uwe boetetranen schenken U den schat van uwe kinderlijke onschuld nimmer, nimmer terug! Vermijd dus den omvang met dien vriend, mot die persoon, mot dat gezelschap, die gij als gevaarlijk voor U kent; zij ontrooven U uwe onschuld en zijn de moordenaars uwer ziel!
Zijt gij echter door uwe omstandigheden genoodzaakt mot slechte monschen te ver-koeren, o, roep dan dagelijks de H. Moedor Gods en uwen Bewaarengel aan, opdat zij U beschermen in het gevaar; gedraag U
â 1
â 35 â
tegenover die mensulien terughoudend en ernstig, verkeer slechts dan met hen, als de noodzakelijkheid dit vordert, ou spreek met hen niet meer dan de wellevendheid en de plicht U gebieden.
HOOFDSTUK V.
Over de waakzaamheid.
Als een vesting belegerd wordt door vijanden, brengt de koning zijne schatten in veiligheid en laat allo toegangen door trouwe wachtposten bezetten, opdat de vijand niet naar binnen dringe en de kleinodiën en kroonsieraden wegroove.
Ook uw hart, mijn kind, is een vesting; en deze vesting houdt schatten in van een oneindige waarde, uw onschuld, uwe deugden en de heiligmakende genade.
Die vesting wordt voortdurend belegerl door verbitterde en sluwe vijanden, den duivel, de wereld, het vleesch, zichtbare en onzichtbare verleiders. Het is dus wel noodig
uw hart ook voortdurend en zorgvuldig te bewaken.
âWaakt!quot; Het was de laatste vermaning, welke de Goddelijke Heiland aan zijne apostelen gaf vóór zijn dood. Loer daaruit, hoe gewichtig zij wezen moet.
Waak bovenal over uw hart!
Dat hart is de bron van alle slechte gedachten, begeerten, lusten en genegenheden; in dat hart glimt steeds onder de asch een heilloos vuur, ontstoken door de erfzonde, een lichte ademtocht is genoeg om dat vuur te doen uitslaan in een laaien brand en de schatten, die gij met zooveel moeite hebt bijeenverzameld, te verteeren. Daarom, âbewaar met alle zorg uw hart; want daaruit komt het loven voort, een goed leven uit het goede, een slecht leven uit het slechte.quot; Bewaak het ijveriger dan rijkdommen en schatten, geld en goed, lichaam en leven!
Gij bewaakt uw hart, als gij daarin geen slechte gedachten laat opkomen, geen slechte begeerten, voorstellingen of lusten.
Heilzame overwegingen, vrome gezind-
â 37 â
heden, ingetogenheid, pussende ernst â ziedaar de wachtpos eu die, wanneer zij uw hart omgeven, het zullen verdedigen tegen iederen vijandelijken aanval. Bewaak uw hart ieder uur, ieder oogenblik; bij dag en bij nacht, in de afzondering en in het openbaar, want de vonk vlamt zoo gemakkelijk op tot een vuur.
Bewaak uwe ooren. Door do ooren drong eenmaal de zonde in het hart van Eva. Zij luisterde met welgevallen naar de bedriege-lijke vleitaal der slang; maar nauwelijks had zij voor de verleiding het oor geopend, of hare ziel was in opstand gekomen en had de kiem des doods reeds in zich opgenomen. Sluit uw oor voor vleitaal en verleiding. Beide zijn om te hooren zoet als honig, maar doortrekken uw hart en uwe ledematen als een doodelijk vergif.
âVerberg uwe ooren tusschen doornen en luister niet naar een goddelooze tong,'' zegt de H. Schrift.
Waak over uwe oogen. De indrukken welke de ziel ontvangt door de oogen zijn
â 38 â
dieper en werken langer na (hm die welke binnendringen door het gehoor.
Aan de schitterende ster van het oog heeft God in het gelaat een hooge plaats aangewezen, opdat dat oog zou opzien naar de oneindige, ongeschapen schoonheid die zich in de natuur en in de kunst openbaart als in hare afstraling, doch niet opdat het zijn genieting zou zoeken in verlokkende ijdelheid.
..Laat uwe oogen recht voor zich uit zienquot; zegt de H. Schrift, âen laat uwe oogleden voor uwe schreden heengaan,quot; d. w. z. laat uwe oogen niet onbedwongen ronddwalen: want do teugellooze vrijheid van blik opent de poort van uw onbewaakt hart voor den vijand.
Het rustige blauw des hemels, de liefelijke pracht der bloemen, het frissche groen van het woud schenken aan uwe ziel rust en weldadige vreugde ; maar de aanblik der wellust brengt in uw gemoed onrust te weeg en verwarring.
Het is zonde, zonder reden den blik te vestigen op slechte voorwerpen, schilderijen,
â 39 â
beelden, voorstellingen of personen. Wees verstandig en beheersch u zelven, opdat gij niet door den blik tot do begeerte en door de begeerte tot noodlottige daden wordt vervoerd, opdat gij niet zuchten moet met den profeet; âMijn oog hoeft mij hot leven der ziel ontroofd !' (Klaagl. 3, 51). Reuzen in deugd, ceders van don Libanon zijn gevallen, en gij zoudt niet vreezeu, gij die een zwak riet zijt!
Wat is de schoonheid dos lichaams ? IJdelheid der ijdelhoden. Ja, wat is schoonheid ? Een kleurige zeepbel. Stel u eens voor, dat gij het verleidelijk wezen, hetwelk thans uwen blik betoovert, aanschouwt als het zal gestorven zijn en als lijk zal liggen in de doodkist â en uw hartstocht zal verkoelen, de betoovering zal wijken.
Bewaar toch van de zonde dat oog, geschapen om in eeuwigheid God te aanschouwen !
De duivel, uw meest verbitterde vijand, waart grimmig om u heen ; met taaie volharding spant hij al zijne krachten in om u te verleiden en tot val te brengen. Hij
â 40 â
kent zoo goed de zwakke zijde van uw hart en overvalt u bij voorkeur met die bekoringen, waarin gij meermalen bezweken zijt. Weersta hem moedig en vastbesloten en zeg het den H. Augustinus na: âEen oogenblik van vermaak, een eeuwigheid van foltering!quot; De dood komt als een dief in den nacht â en na den dood het oordeel...
Waak ook over uw tong; zij is beweeglijk als de golven der zee. Houd haar in uw macht, betoom haar gelijk een bedreven ruiter het woeste paard. Zoolang hij den toom strak aangetrokken houdt, voert het hem gewillig naar het gewenschte doel; maar laat hij onbedachtzaam den teugel schieten, dan wordt hij voortgesleept over steenen en struiken, do3r distels en doornen en vliegt reddeloos een wissen dood tegemoet.
Als gij ophoudt uwe tong te beheerschen, dan sleept zij uwe arme ziel, bloedende uit honderden wonden voort, naar een zekeren ondergang.
âO, Heer'', vraagt de psalmist, âwie zal wonen in uwe tent en rusten op uwen
â 41 â
heiligen berg ?quot; En zijn antwoord is : .Hij die waarheid spreekt... en op zijne tong geen valschheid draagt.quot; (ps. 14, 1, 3).
HOOFDSTUK VI.
?
Over het gebed.
Hoe troostvol is het gebed ! Het is een verzachtende olie voor iedere wonde, een balsem voer iedere smart, een geneesmiddel in alle droefheid en bekommernis.
âIs iemand onder u bedroefd,quot; zoo vermaant de H. Jacobus, âhij biddequot;.
Hoe verheven is het gebed ! Uit het stof der aarde verheffen wij ons tot voor den troon van God, spreken vol eerbied en vertrouwen tot den Allerhoogste, en roepen Hem met datzelfde volle vertrouwen toe : âOnze Vader, die in de hemelen zijt!quot;'
Hoe krachtdadig is het gebed! Als gij bidt, beschikt gij over Gods almacht en goedheid tevens; want ieder gebed, dat gestort wordt in een of andere ware behoefte, wordt door God verhoord,
God wil d:ifc wij liebhen, wat ons nooilig is. Zulk oon gebod is niets anders dan de door mensclion uitgesproken wil Gods, en deze moot vervuld worden.
In dat geval is het de H. Geest zolf die met onuitsprekelijke verzuchtingen in ons tot God smeekt, en wat do H. Geest vraagt, moet geschonken worden. âIk ben het heil dos volksquot;, zegt God ; âals zij tot mij roepen, zal ik hen verhoeren.quot; (ps. 7 7).
Na de offerande is het gebed de hoogste daad van Godsvereering. Door het gebed prijst gij God, den Allerhoogste door het gebed dankt gij Hem voor zijne weldaden ; door het gebed smeekt gij zijn bijstand over u af' en schenkt gij Hem voldoening voor do Hem aangedane beleedigingen.
Hij, die bidt, gelooft aan God; hij hoopt ook op God als den almachtige, algoede en getrouwe ; hij bemint God als de hoogste goedheid, schoonheid en volmaaktheid.
Hij, die bidt, beoefent de deugd van nederigheid, van gehoorzaamheid, van godsvereering en dankbaarheid.
â 43 â
Hij. die bidt, doet hot werk der engelen, die zonder ophouden hunnen Schepper loven ; iets, waartoe ook wij voor de eeuwigheid geroepen zijn.
âGij leert nu Latijn en Grieksch en meer andere wetenschappen,'' schreef de god-vreezende moeder van den grooten Don Bosco aan haren zoon. toen deze nog op studie was, â âmaar mijn kind, bedenk het wèl: ik heb op de eerste plaats geleerd, dat men moet bidden.quot;
Het gebed is ook noodzakelijk, uiterst noodzakelijk. Als men niet bidt, is het onmogelijk zich vrij te houden van zonde of' daaruit op te staan, een deugdzaam leven te leiden en te volharden in het. goede. Het gebed is de bron van alle genaden, de grondslag van een eerbaren en godvruchtigen levenswandel.
VVat de vochtigheid is voor den boom, de d auw voor de plant, het wapen voor den strijder â dat is het gebed voor iederen mensch. âDe reuzen uit den voortijd baden
â 44 â
niet tot God â en zij zijn ve-delgd geworden zegt de H. Schrift. (Eccl. 16, 8).
Het gebed is de sterkte des lichaams, de welvaart des huizes, het onderpand van den vrede, de verzoening der vijanden; het gebed is het zegel der kuischheid en de waarborg voor echtelijke trouw; het gebed is de schutse der reizigers, de bewaker der slapenden, de vruchtbaarheid der velden, het heil der zieken, het ware genot der tegenwoordige en een voorsmaak der toekomstige goederen.
Moet nog meer worden opgesomd om U van de noodzakelijkheid van het gebed to overtuigen ?
Bid voor U zei ven, voor al uwe aangelegenheden; bid om de zuiverheid des harten, om licht bij de keuze van een levensstaat, om de volharding in hot goede en een zalig sterfuur. Bid voor uwe ouders, zusters en broeders, familieleden en vrienden; liefde en dankbaarheid maken U dit tot plicht.
Bid onophoudelijk! Evenals men van iemand die veel werkt, zegt dat hij onop-
â 45 â
houdelijk werkt, eveneens bidt; gij onophoudelijk als gij veel bidt en al uwe werken verricht met een goede ineening. Toen Christus na zijn doopsel zich bezig hield met het gebed, werd de hemel geopend, om den geloovigen te leeren, dat zij na het doopsel zich voortdurend moeten toeleggen op het gebed ten eintle op die wijze te bewerken, dat ook voor hen de hemel openga. Want, zegt de H. Thomas van Aquino, âna het doopsel is voor den mensch â om tot de eeuwige zaligheid te geraken â het voortdurend gebed noodzakelijk.'' Bid des morgens en des avonds, vóór en na het eten. in bekommernis en bekoring. Aan Hem, wien de eerste oogenblikken van den morgen worden toegewijd, behoort de geheele dag. Een voornaam deel van het morgengebed bestaat in het vormen eener goede meening en in het gebed tot den heiligen engelbewaarder; tot het avondgebed behooren voornamelijk de akten van geloof, hoop en liefde, het onderzoek des gewetens, de akte van berouw
â 46 â
cn de drie Weesgegroeten ter eere fier Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Bid niet aandacht eu eerbied ! G-ij spreekt met God ; gij erkent zijne oneindige majesteit en heerlijkheid ; gedraag u daarom ook uitwendig overeenkomstig die erkentenis. Daarom zegt ook de H. Schrift: Eer gij bidt, bereid u daartoe voor, en wees niet als een mensch, die God beproeft. (Eccli 18, 23).
Bid met vertrouwen ! God is immers almachtig, Hij kan uw gebed verhoeren; Hij is goed, en wil u verhoeren ; Hij is getrouw en daarom houdt hij ook zijne belofte : âVoorwaar, voorwaar. Ik zeg u : alsgij den Va dei-iets in mijnen naam zult vragen. Hij zal het u geven.quot; (Matth. 16. 23). Dat âietsquot; wil hier echter zeggen : iets, dat inderdaad goed is, dat God aangenaam en u heilzaam is, niet een schijngoed of een ijdele zaak; â want dat is niets. Verlangt gij van God een waarachtig goed, dan zal Hij het u geven.
Bid met volharding ! âVraagt, en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan.quot; (Luc. II, 9).
â 47 â
Vragen, zoeken en kloppen bctoekenen, dat. uw gebed volhardend moet. zijn; gij moet zoolang kloppen totdat men u opendoet, en zoolang zoeken totdat gij het verlorene hebt weder gevonden.
Bid dikwijls en ijverig; zooals gij bidt, zult gij ook leven, en zooals gij leeft, zult gij ook eenmaal sterven.
HOOFDSTUK VII.
Over het geloof.
âIk geloof in God den Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde.quot; Ik geloof! Welk een uitsprekelijke zaligheid ligt er in dat woord: ik geloof! Dat woord vergunt u met open blik uwen Vader te aanschouwen, die in den hemel is, met vertrouwen de vervulling tegemoet te zien der beloften, welke Hij u heeft gedaan en het bezit van het hemelsch vaderland te verwachten.
âIk geloof.quot; Dat is het. eerste woord hetwelk u tegemoet klonk bij uwe intrede in
de wereld, een der eerste woorden die gij uitgesproken en geleerd hebt op de knieën uwer geloovige moeder ; het zal het laatste woord zijn, dat voor uwe intrede in de eeuwigheid over uwe stervende lippen zal komen.
Het geloof is eene u door God ingestorte deugd, waardoor gij alles zonder eenigen twijfel voor waar houdt wat God geopenbaard heeft en zijpe onfeilbare Kerk u te gelooven voorstelt.
God heeft dus tot u gesproken. Hij, de eeuwige Wijsheid en Waarheid. Hoezeer past het u dan, Hem geloof te schenken ! Men weigert geen geloof aan menschen die door dwaling zeiven kunnen misleid worden: het is dus wel een groote dwaasheid zijn geloof niet te schenken aan een onfeilbaren God.
Deze deugd des geloofs, mijn kind, is U ingestort bij het H. Doopsel; christelijke ouders hebben haar in uwe onschuldige kinderziel opgekweekt en gevoed, ijverige priesters hebben haar bevestigd en tot hooger wasdom gebracht. Het geloof is een boven-
â 4!) â
natuurlijk licht., dat een troostvolle klaarheid verspreidt over den tijd en de eeuwigheid, over uwen oorsprong en uwe bestemming. Evenals het licht der zon U alle dingen doet zien in hun waren vorm, zoo schenkt het geloof U een juiste opvatting van alles, wat boven U, onder U en in U is.-
In het licht des geloofs ziet gij boven U tien alomtegenwoordigen God, dien gij niet ongestraft kunt beleedigen, onder U de hel de verschrikkelijke plaats van straf voor de zonde; in U eene onsterfelijke ziel, de adem Gods, bestemd om God eeuwig te kennen, te beminnen en te aanschouwen. Al deze waarheden gelooven, levendig gelooven en ilan toch zondigen, is iets onmogelijks. Sluit dan den toegang tot uwe ziel nimmer af voor dit hemelsche licht dos geloofs!
Het geloof is een bovennatuurlijke gave. welke God U schonk zonder eenige verdienste van uwen kant; terwijl duizenden en millioenen ongelukkigen nog ronddwalen in de duisternissen des doods en eeuwig
4
â 50 â
verloren gaan, hebt gij de kostbaarste beloften voor het tegenwoordige en het toekomstige leven. Dank God met veel innigheid voor dit geschenk, zoo dikwijls de morgen aanbreekt en de avond daalt.
Het geloof is het richtsnoer van al uwe handelingen, het leert U God kennen en uwe verhouding tegenover Hem, dus de plichten welke uit die verhouding voortvloeien. Leef daarom naar de voorschriften van uw geloof. lt;
Het geloof versterkt U in de bekoring, J verlicht U in den twijfel, troost U in het \ j lijden, bemoedigt U in de beproeving, beurt U op in alle wederwaardigheden, redt U m het gevaar, leidt U door het leven en schenkt Æ ( U kalmte en vrede bij heo sterven. v
Het gelooi is de grondslag der rechtvaardig- 1:
making: âDie Mijn woord hoort,'' zegt God, , g âen Dengene gelooft dien ik gezonden heb, e.
hij heeft het eeuwige leven.quot; (Joës 5. 24). zj
Het geloof is het onoverwinnelijke zwaard, waarmede gij zegeviert over al uwe vijanden : e
âWant dat is de overwinning, welke de m
wereld overwint, ons geloof,quot; (1 Joës 4) di
Do strijd voor het geloof is liet kort begrip van al ons strijden op aarde: voor dezen strijd, goed gestreden, verwachtte de H. Panlus de kroon des eeuwigen levens. ..Ik heb den goeden strijd gestreden, het geloof bewaard . . . , voor mij is weggelegd de kroon der gerechtigheid.quot; (2 Tim. 4. 7).
Zonder geloof geen hoop, zonder hoop geen liefde, geen verdienste; âhet geloof is een vaste grond voor hetgeen men hoopt, een zekere overtuiging van hetgeen men niet ziet,quot; zegt dezelfde H.Paulus.(Hobr. 11 1) Uw geloof moet algemeen zijn; gij moet alle leerstukken voor waar houden welke God ons heeft geopenbaard, zoowel de schrikwekkende als die troost en vertrouwen inboezemen ; want alle steunen op denzelfden grondslag n. 1. de onfeilbare uitspraak zijner eeuwige wijsheid en waarheid en op die zijner door den H. Geest bestaurde Kerk.
Uw geloof moet verder levendig zijn . . . Evenals de ziel het lichaam doordringt, zoo moet het geloof al uwe handelingen doordringen; de drijfveer zijn van al uwe wen-.
â 52 â
schen, van al üw streven, van al mvo oogmerken en daden. Evenals de vnnrhaard wordt gevoed met brandstoffen . evenzoo wordt het geloof levendig gehouden door de goede werken. 0, het wordt zoo gemakkelijk uitgebluscht in een met zonden bezoedeld hart; een zuiver hart ziedaar de zetel van een levendig geloof.
Door het geloof weet gij dat uw lichaam deel uitmaakt van het lichaam van Christus en een tempel is van den H. Geest hoe
zoudt gij dan dat lichaam kunnen ontwijden
door de zonde? Door het geloof weet gij, dat gij een kind Gods zijt; hoe zoudt gij U zeiven kunnen onteeren door den hartstocht'? Door het geloof weet gij, dat uw evennaaste con kind Gods en een erfgenaam des Hemels is, evenals gij; hoe zoudt gij hem kunnen haten of verleiden tot het kwaad .
Uw geloof moet standvastig zijn. Belijd steeds uw geloof door uwe daden en, als het noodig is, door uwe woorden. Laat U nimmer schrik aanjagen door de bedreigingen. of misleiden door de drogredenen.
of ontmoedigen door de spotternij, of ophitsen door de taal en liet gedrag van menschen zonder geloof of zeden. Want zulke spotters zijn ofwel lafaards, ellende-lingen, die de kracht missen om te beoefenen wat zij in hun hart voor goed eu edel moeten houden, ofwel onwetenden, die las-teien hetgeen zij niet kennen. Gij moet U niet storen noch aan de eenen, noch aan de anderen.
âWie zich schaamt over mij en mijne woorden,quot; zegt Christus, âover hem zal de Zoon des menschen zich schamen, als Hij komen zal in zijne heerlijkheid.quot; (Luc. 9. 26)
Maar, âDie Mij belijden zal voor de menschen. hem zal ik ook belijden voor Mijn Vader die in den hemel is.quot; (Math. 10, 32.)
Bewaar dan. mijn kind, zorgvuldig het kostbare kleinood van uw geloof, uw dierbaarste pand, uw grootste schat! Vlucht alles wat dat geloof in gevaar zou kunnen brengen: slechte boeken, gevaarlijke gezelschappen en omgang, bespotters van den godsdienst en liet geloof vijandig gezinde
â 54 â
vereenigingon. Als gij uw goloof hobt- verloren, hebt gij alles verloren,
O troostvolle gave des geloofs ! Lichtstraal uit den hooge in den nacht die ons in dit onderaardsche ballingsoord omhult! Bestraal zonder ophouden onzen levensweg, opdat wij, steeds wandelende in uw licht, eens mogen geraken tot de aanschouwing en het bezit der eeuwige Waarheid, wanneer het geloof zal zijn veranderd in de aanschouwing, de hoop in het bezit.
De wonderen door den Zaligmaker gewrocht, mijn kind â let daar eens op 1 -waren gewoonlijk een belooning van dit levendige geloof. Aan den hoofdman, wiens zoon Hij genas, aan den blinde van Jericho, wien Hij hot licht der oogen terugschonk, aan den melaatsche, dien Hij reinigde, aan de vrouw die lijdende was aan bloedvloeiing, en aan de Cananeesche, wier dochter Hij de gezondheid wedèr gaf, aan deze allen verzekerde Hij, dat hun geloof hun die verschillende genadebewijzen had waardig gemaakt.
Gij gelooft iuiu God, dun Vador; den almachtigen Schepper vun hemel en aarde, gij gelooft dat Hij uw goede, teedenninnende Vader is; aanbid Hem daarom eerbiedigen bemin Hem nit geheel uw hart! Schenk uwen Schepper de eer, en uwen Vader de liefde welke Hem toekomt.
Gij gelooft aan zijn eeniggeboren Zoon, die voor ons is mensch geworden en geboren uit de zuivere Maagd Maria, en die U ook verlost heeft: welnu dan, geef U niet meer over aan den duivel, uit wiens macht Christus U door zijn heilig bloed heeft vrijgekocht.
Gij gelooft aan den H. Geest, den Heiligen Levendmaker; daarom: bewaar de heilig-makende genade, het bovennatuurlijke leven uwer ziel. â waardoor Hij U heilig en levend heeft gemaakt.
Gij gelooft aan eene heilige, katholieke Kerk; leef dan ook als een trouw en gehoorzaam kind dezer liefhebbende Moeder.
Gij gelooft aan de verrijzenis des vleesches en aan een eeuwig leven; leef zóó, dat
â 56 â
gij eens een glorievolle verrijzenis moogt waardig zijn.
HOOFDSTUK VIII.
IViet vloeken!
Vloeken is een verderfelijke en verfoeilijke zonde. Gij vloekt wanneer gij U zeiven of anderen verwenscht, d. w. z. wanneer gij U zeiven of anderen kwaad toewenscht; vervolgens wanneer gij de schepselen â als werken van Gods handen â verwenscht, en eindelijk wanneer gij de schepselen of heilige zaken als werktuigen van wraak aanroept. Gij begaat een godslastering, als gij tegen God of zijne heiligen iets onteerends denkt, spreekt of bedrijft. Gij begaat _ een gods-lastering als gij de heilige Sacramenten, de heilige Mis, het heilig kruis, het wijwater of andere dergelijke heilige zaken aan verachting blootsteld; als gij den godsdienst, de katholieke Kerk, de heilige Communie of de gebruiken der H. Kerk bespottelijk maakt. De godslastering is een der grootste
zouden, wijl zij onmiddelijk God zeiven aanrandt en zijne oneindige heiligheid en majesteit onteert.
Een onderdaan die oneerbiedig en brutaal tot zijn koning spreekt, is hoogst strafwaardig; hoeveel te meer dan de mensch die zich vermeet de majesteit te lasteren van den Koning der Koningen!
Het vloeken verraadt altijd een ruw, dikwijls zelfs een goddeloos gemoed. Het vloeken is de taal der verdoemden. Een godvreezend christenmensch vloekt nimmer.
Het vloeken, bepaaldelijk de godslastering, werd bij de Joden gestraft met den dood. âBreng den lasteraar,quot; aldus sprak God tot Mozes, âvoor het legerkamp, en allen die het gehoord hebben, zullen hunne handen op zijn hoofd leggen en geheel het volk zal hem steenigen.quot; (Lev. 14, 24).
Sennacherib had God gelasterd; hij sneuvelde in een veldslag tegen de Joden en met hem 150.000 van zijn krijgslieden. Arius, een ketter uit de 4e eeuw, had den Zoon Gods gelasterd door zijn Godheid te
â 58 â
loochenen; hij stierf aan een vreesdijko onderlijfsziekte.
Nestorius, een andere ketter, had den Zoon Gods gelasterd en zijne heilige Moeder; zijn lastertong werd verteerd door de wormen.
God is oneindig volmaakt, en goed zijn alle zijne werken; het is goddeloos verachting te koesteren voor het oneindig volmaakte Wezen of Diens werken te belasteren.
Met het vloeken en de godslastering is verwant, â ofschoon minder in boosheid â het oneerbiedig uitspreken van de heilige namen : Jezus, God enz.
Gij duldt het niet dat iemand den naam van uwen vader oi van uwa moeder oneerbiedig uitspreekt, en daar doet gij goed aan. Die eerbiedwaardige namen zijn U zeer dierbaar en heilig. Maar gij zelf dan âgij zoudt met lichtvaardige tong de heiligste namen uitspreken, zonder er aan te denken, dat gij een groote zonde van oneerbiedigheid begaat tegenover den Allerhoogste!
Niet voor niets heeft God in het tweede
â 59 â
fveWxl gezegd: âGij zult den naam van den lieer, uwen God niet ijdel gebruiken.''
De naam âJesusquot; is de heiligste, de machtigste en de zoetste aller namen; het is de naam van den driewerf heiligen God, voor wien allo. knieën zich buigen van hen die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. Door den naam Jezus is de ge-heele wereld bekeerd en geraakt heel de hel in verwarring en schrik. Het is de welluidende naam van onzen Verlosser, onzen grootsten weldoener en Goddelijken vriend. Zoet is die naam als honig, welluidend als een hemelsche harmonie, zacht en weldadig als balsem. De H. Franciscus Regis stortte tranen en sidderde over geheel zijn lichaam, als hij den naam Gods hoorde ontheiligen. Paus Gregorius X schreef in een breve: âWij hebben goedgevonden den âgeloovigen te bevelen door een bijzonder âteeken van eerbied den naam te vereeren, âdie boven alle namen is, in wien alleen âalle menschen hun heil kunnen vinden, den âhoogheiligen naam van Jezus Christus, die
â 60 â
âzijn volk verlost heeft uit tie slavernij des â duivels. Daarom verlangen wij dat een ieder âbij het uitspreken van dezen heiligen naam âhet hootd buige.-' â en gij, die zoo goed weet hoe heilig en verheven die naam is, gij volgt het voorbeeld van zoovelen, die dien naam misbruiken uit lichtzinnigheid of' met opzet!
Het kruis is het werktuig van onze verlossing, gepurperd door het bloed van den Godmensch; het altaar, waarop het Lam zonder vlek werd geofferd, om de zonden der wereld weg te nemen. Eens zal het heerlijk schitteren in de wolken, tot schrik der goddeloozen â als de Zoon des Men-schen zal komen om de levenden en de dooden te oordeelen. Daarom: gebruik nimmer op onwaardige wijze den naam van âhet kruisquot; waaraan het Heil der wereld heeft gehangen.
En de hoogheilige Sacramenten! Zijn het niet zeven genadestroomen, ontsprongen nan het bloedend hart van den Heiland â stroomen van heil, barmhartigheid en ver-
â (il -
giffcnis voor het hulpbehoevend munschen-geslacht ? Eh dit. geldt bijzonder van liet Allerheiligste Sacrament des Altaars. In dat Sacrament is de oorsprong van alle genaden tegenwoordig; dat Sacrament is het waarachtig lichaam en bloed van Jesus Christus ; het is de grootste weldaad, die God aan de menschen bewijzen kan. het kostbaarste goed, het testament zijner liefde, het onderpand der eeuwige gelukzaligheid â en gij veroorlooft U misschien in tegenwoordigheid van lichtzinnige makkers of wufte wereld-lingen met lichten spot of oneerbiedig voor dat aanbiddelijk Geheim te spreken! O, maakt gij U door zulk een gedrag deze onschatbare weldaad niet onwaardig?
En waartoe dient het vloeken ? Welk nut heeft het oneerbiedig uitspreken dezer hoogheilige namen? Zal daardoor uw arbeid beter slagen? Wordt uw lijden daardoor verzacht, of meent gij uwe wederwaardigheden op die wijze uit den weg te ruimen? â Gij weet immers wel beter! Gelooft gij door vloeken een ander te zullen verbeteren ?
â 02 â
Gij zult liem veeleer slechter maken, want door uw vloeken wordt hij nog halstarriger en leert hij uitdrukkingen, die hem tot nog toe onbekend waren. Gij zijt in dat geval meer strafbaar dan hij dien gij bestraffen wilt.
âHeb niet altijd den naam Gods in uwen âmond en gebruik ook de namen der heili-âgen niet voortdurend in uwe gesprekken ; âwant op die wijze zult gij niet. zonder zonde âblijven,quot; zegt de H. Schrift. (Eccli .23, 10). Bemin God boven alles, dan zult gij Hem nimmer lasteren â Hem noch zijne heiligen.
De verwensching eindelijk is inderdaad iets huiveringwekkends, en ieder christen wendt zich met ontzetting af van een goddeloos gemoed, dat aan zijn woede lucht geeft door de verschrikkelijkste verwen-schingen. Waar blijft in zulk een geval de naastenliefde, de voornaamste deugd van het Christendom? Waar blijft de zachtmoedigheid waarvan de Heiland ons gedurende geheel zijn leven zulk een treffend voorbeeld heeft gegeven met het uitdrukkelijk bevel Hem na te volgen? Waar blijft de
â 03 â
liefde tot de vijanden, welke Christus ons als plicht en als voorwaarde voor de vergiffenis onzer zonden heeft opgelegd ? O, bij den vloeker en verwenscher is zelfs het laatste spoor van deze deugden verdwenen. Daarom is iedere zware en met bewustzijn uitgesproken verwensching ook een zware zonde, wijl zij een grove schennis der naastenliefde inhoudt,
Wat gij niet wilt dat U geschiedt, wensoh dat ook aan anderen niet!
Bemin uwen naaste als U zei ven; dan zult gij noch U zeiven noch anderen ooit verwenschen.
Leg U met ijver toe op de beoefening der zachtmoedigheid en der zelfbeheersching, en gij zult U nimmer laten vervoeren tot woeste uitbarstingen van toorn.
En hebt gij de slechte gewoonte van vloeken U eigen gemaakt, verbeter U dan en leg U zelven telkens een vrijwillige boete op, zoo dikwijls een vloekwoord uwe lippen ontsnapt.
â 64 â
HOOFDSTUK IX.
Over het heiligen van den Zondag.
âDe Zondag is voor den vermoeiden sterveling nog altijd een dag van verkwikking geweest.quot; zegt een beroemd man. Het is de dag van rust; hij herinnert ons, meer dan de overige dagen der week aan de rust van het aardsche paradijs, dat wij hebben verloren en aan de eeuwige rust van het h -melsch paradijs waarnaar wij streven. De zedelijkheid van een volk. van eene gemeente of van een enkelen persoon, ge kunt haar het best beoordeelen naar de wijze waarop door hen tie Zondag gevierd wordt: zóó als gij den Zondag doorbrengt, zóó is het ook gesteld met uw zieleleven; hoe eenzamer en akeliger het daarbinnen in uw eigen hart is, des te meer zoekt gij verstrooiing daarbuiten in het gewoel en gedruisch der zinnelijke lusten.
De onverschillige of de goddelooze woont op Zondag de kerkelijke diensten niet bij ; hij gevoelt geen lust om in de kerk woor-
den te hooren die hem ziju onverscliillig-heid, ot zijn goddeloozen levenswandel verwijten. De ontheiliging van den Zondag staat bijna gelijk met godloochening.
Het lichaam moet des Zondags rusten van den arbeid opdat de ziel zich ongestoord en onverdeeld kunne wijden aan God.
En die rust van den Zondag, mijn kind, schenkt u tijd en gelegenheid om uzelven bezig te houden met ernstige en heilzame gedachten, te werken aan het heil uwer ziel en uwen geest hemelwaarts te verheffen; zij doet u diepe en blijvende indrukken opnemen in uw teeder gemoed; want de Zondag is de dag der groote geheimenissen: der Schepping, der Verlossing en der Heiligmaking,
Gij moet echter den geheelen Zondag heiligen d. w. z. uitsluitend toewijden aan den dienst van God; want dat is de ware zin en de ware beteekenis van het derde gebod: âGedenk dat gij den sabbathdag heiligt.quot;
5
_ 66 â
âIn zos dagen lieeft de Heer hemel en aarde geschapen en de zee en alles wat daarin is; maar op den zevenden dag rustte Hij. Daarom zegende God den sabbathdag en heiligde hem,quot; zegt de H. Schrift. (2 Gen. 20. 11.) God heiligde dien dag. d. w. z. Hij bepaalde, dat deze dag aan Hem zou toegewijd en tot zijne eer gevierd zou worden.
In het nieuwe Verbond is die rustdag van den zevenden dag der week op den eersten overgebracht wegens de groote feiten welke op dien dag zijn geschied : op dien dag begon God het groote werk der schepping; op dien dag begon God de Zoon het werk der Verlossing door zijn genaderijke geboorte en voleindigde het door zijn glorierijke verrijzenis; op dien dag begon de H. Geest het wondervolle werk onzer heiligmaking door over de apostelen neder te dalen om hen te verlichten en te versterken tot het stichten en uitbreiden zijner H. Kerk ; op dien dag regende â volgens de meening van den H. Augustinus â voor het eerst het Manna van den hemel, de zinrijke voor
afbeelding vau het H. Sacrament des altaars. Wat al verbeven onderwerpen ter overweging! â wat machtige beweegredenen tot dankbaarheid! â welk een rijke bron van hartverheffende gedachten en verkwikkende zielsaandoeningen!
Hoor wat een godvruchtig schrijver over de viering van den Zondag zegt: âDe sabbat der Joden en de Zondag der Christenen staan t3g3Qover elkander als schaduw en werkelijkheid, voorafbeelding en vervulling. Gene viert de rust van God na de schepping dei' wereld, deze na bare vernieuwing of noquot;
o tn
wonderbaarder herschepping; gene de bevrijding uit de slavernij van Egypte, deze de verlossing van dwaling, zonde en dood; gene de verheffing van Israël tot een uitwendig geheiligd volk van uitverkiezing, deze de roeping van alle volken tot het rijk des hemels, de ware, volmaakte, geestelijke uitverkiezing, verkregen door het bloed van den Zoon Gods en bezegeld door zijn verrijzenis. Die viering van den Zondag is een dor heiligste verplichtingen jegens don Al«
â 68 -
lerhoogsto, die dezen dag heeft, ingesteld als een gedachtenis aan zijn heerlijkste wonderdaden, als een voorafbeelding van den eeuwigen sabbath, die zal aanvangen met de algemeene opstanding des vleesches en den triomf van het wereldgericht. De Zondag is de samenvatting van al de overige feesten, die over geheel het kerkelijk jaar verdeeld, de afzonderlijke weldaden Gods jegens ons menschen in herinnering brengen.
Dit alles maakt den Zondag tot een dag van godsdienstige vreugde. Het melodieus gelui der klokken stemt den geest hooger en roept den christen naar het heiligdom; zelfs de natuur om ons heen schijnt plechtiger dan anders den Schepper lof te zingen.
En gij â gij zoudt aan die godsdienstige vreugde geen deelnemen, gij zoudt niet bidden, en geen offer van dankbaarheid aan God opdragen? âZiet toe'' sprak God tot de Israëlieten âdat gij mijn sabbath onderhoudt; want hij is een teeken tusschen Mij en tusschen U in uwe geslachten.quot; (2 Gen. 31. 13.) God noemt den Zondag âmijnen'' sabbath, want
â 69 â
Hij heeft dien ingesteld tot Zijn eigen eer, Zijne eigen huldiging en aanbidding.
De sabbath is een teeken van het tusschen God en de menschen gesloten verbond; die den sabbath schendt, maakt zich tegenover God schuldig aan trouwbreuk en meineed.
Daarom dan ook stond in de oude Wet geschreven: âDie den sabbath ontheiligt,zal den dood sterven; die op dien dag arbeidt, hij zal uitgedelgd worden uit het volk.quot;(2Gen.3l. 14) God noemt den Zondag âmijnen'' sabbath, en daarom spreken ook wij van: den dag des Heeren, d. w. z. een dag, dien de Heer heeft gemaakt, en die uitsluitend toebehoort aan den Allerhoogste.
Heilig dus den dag des Heeren, mijn kind, door het bijwonen der H. Mis, van de predikatie, de christenleering en de middag godsdienstoefening of het lof; heilig dien dag door het ontvangen der H. Sacramenten, door het lezen van een stichtelijk boek; heilig hem door de beoefening dei-werken van christelijke naastenliefde, want: een x'oine en onbevlekte godsdienst voov
- 70 â
God en den Vader is deze: weezen en weduwen te hulp komen in hunne droefheid en zich zeiven onbesmet van deze wereld bewaren. (Jac. 1. 17.)
Onthoud u, wanneer dringende noodzakelijkheid, de eer van God of het heil van den naaste het niet vereischen, van allen slaafschen arbeid. Onthoud u â het kan vooral in onzen tijd niet dikwijls genoeg herhaald worden ! â van alle buitensporigheden : van onmatig drinken, van rumoerige pleizieren, van openbare vermakelijkheden, zeer bedenkelijk van aard â die helaas, den dag des Heeren niet zelden tot een dag des duivels maken.
Mag men zich des Zondags dan geen ontspanning veroorloven ? Zeer zeker â maar slechts zulk eene, die met een waardige Zondagsviering overeenstemt en die u nieuwe frissche krachten schenkt. Zoek vooreerst uwe ontspanning in het bijwonen der kerkelijke plechtigheden, in den gezelligen kring van uwe huisgenooten en familieleden, in
een wandeling door Gods vrije natuur, door velden, boswchen of weiden.
Wat is verkwikkender voor den mensch dan de frissche lucht, het heerlijk zonnelicht en de geur van bloemen en kruiden? Gelukkig de mensch, die de kunst verstaat te lezen in het verheven boek der schepping om daai-uit de almacht, wijsheid en goedheid des scheppers te leeren kennen !
Wie zou een passend en onschuldig vermaak verbieden ?
Maar veroordeelenswaardig zijn die luidruchtige plezieren, die een geheele gemeente in opschudding brengen cn de plechtige rust van den Zondag verstoren; die telkens terugkeerende feesten en bijeenkomsten, waarin zoo vaak de zinnelijkheid geprikkeld en de zucht naar genot gevoed wordt. Veroordeelenswaardig is die drankzucht die aanleiding geeft tot woestheid en wellust en dikwijls oorzaak wordt van de bloedigste daden; veroordeelenswaardig, dat lang blijven in de herbergen, waardoor zoo menige zoon zijn ouders kommer en verdriet, schande
â 72 â
en schuld veroorzaakt â dergelijke dingen, als men ze nog vermaken noemen mag, moet ieder die zijn verstand gebruikt, afkeuren. Neen, het is geen heiliging van den Zondag, als men des morgens zijn plichten vervult, en des avonds zich overgeeft aan uitspattingen; onmatigheid, ongepaste taal en zinnelijke liederen vloeken tegen den ââ ten minste uitwendigen â eerbied en het gebed, welke men des morgens in het huis Gods heeft beoefend.
Denk ten slotte aan de belooning welke de Almachtige aan de heiliging van den Zondag verbonden heeft. âAls gijquot; zegt God: âop den Sabbathdag uwen voet terughoudt, âen op den dag. Mij toegeheiligd niet doet, âalles wat U lust â als gij den Sabbath âheilig en plechtig viert voor den Heer, zoo-âdat gij uwen arbeid nalaat en uwen wil âniet involgt, dan zult gij U verheugen in âden Heer en Ik zal U verheffen boven de âhoogten van het land en U spijzigen met het âerfdeel van Jacob, uwen Vaderquot;', (Is. 58. 3.) Dat wil zeggen: In plaats van zinnelijke
â 73 â
genoegens zal ik U geestelijke schenken; in plaats van aardsche goederen, hemelsche; in plaats van geld of gewin, mijne genade; in plaats van vergankelijke en dikwijls met bitterheid vermengde vreugde, de eeuwige heerlijkheid. Welaan, doe dan zelf uwe keuze !
HOOFDSTUK X.
Over de viering der kerkelijke feestdagen.
Het Christendom heeft geen ander doel dan de vereeniging van den mensch met God â op aarde door de heiligmakende genade en in den hemel door de zalige aanschouwing Gods. Tot dat doel heeft Christus de katholieke Kerk gesticht en in de Kerk verschillende genademiddelen, door welker waardig gebruik deze vereeniging wordt voorbereid of vervolmaakt.
Tot die middelen behooren ook de feestdagen door de Kerk ingesteld onder ingeving der H. Geestes; want deze feesten
â 74 â
heffen de ziel niet alleen uit, het gewoel der aanlsche dingen op tot God, maar bieden U ook de gelegenheid om rustig en aandachtig de verheven en verheffende geheimen van onzen heiligen godsdienst te overdenken en U uitsluitend met God en uw zieleheil bezig te houden. Zoo wordt uwe vereeni-ging met God voorbereid.
Het kerkelijk jaar met zijn verschillende feesten, van den eersten Zondag van den Advent af tot aan den laatsten van Pinksteren, herinnert U zoowel aan de daden des Verlossers gedurende zijngeheele aardsche leven, als aan de nederdaling des H Geestes over de apostelen en zijn voortdurend bestuur over de katholieke Kerk.
Door deze instelling, mijn kind, zorgt de Kerk dat een voortdurend verkeer worde onderhouden tusschen U en Christus, uw goddelijk voorbeeld, opdat gij al uwe gedachten, woorden en werken zoudt inrichten volgons zijn verlangen, en gij door Christus, den Godmensch, tot God zoudt geraken; een voortdurend verkeer ook tusschen U en
den H. Geest, den Heiligmaker, opdat gij, onder zijn heiligende inwerking, tot de ware heiligheid zoudt komen.
De Kerk telt drie hoogfeesten, die met de voorbereiding tot en de voortzetting van den feestdag zeiven, drie verschillende feest-tijdperken vormen.
Zoo is het kerkelijk jaar verdeeld in een kring van Kerst- Paasch- en Pinksterfeesten; zij vormen de zinnebeeldige voorstelling der groote geheimenissen van onzen heiligen godsdienst; de menschwording, de verlossing en de heiligmaking.
Nu moet gij, mijn kind, trachten U zeiven met heel uw hart en al uwe zinnen van do beteekenis en den geest dier feesten te doordringen; gij moet U Christus in de verschillende omstandigheden van zijn leven en lijden levendig voor oogen stellen en U vormen naar zijn heilig voorbeeld. Daaruit reeds kunt gij afleiden, hoe krachtig de christelijke feestdagen medewerken tot uwe heiliging.
De advent (tijd van afwachting, van komst)
is de voorbereiding tot het hooglieilig Kerstfeest. Deze tijd herinnert U aan de drievoudige komst des Heeren: te Betheibem, bij zijne geboorte; in uw hart. bij de heilige Communie; op den jongsten dag bij het laatste oordeel; voor deze laatste schrikwekkende komst hebt gij echter niet te vreezen, als gij U op de beide eerste steeds waardig voorbereid houdt.
De Advent heeft altijd vier Zondagen, ter herinnering aan de vierduizend jaren, die verliepen van den zondenval tot aan de komst van den Verlosser der wereld â dien droevigen tijd toen de hemel door de zonde gesloten was, en heel het menschdom onder den last dier zonde zuchtend en in de duisternissen van het ongeloof rondtastend, vol smachtend verlangen naar den beloofden Messias uitzag. De Advent is dus een tijd van stille droefheid maar ook van verlangen naar don Heiland. Onthoud U dus gedurende dien tijd van alle luidruchtige vermaken en bid met de rechtvaardigen van het oud Verbond: âDauwt, hemelen, vuu
boven, en gij wolken, regeert den Rechtvaardige ; open U, o aarde, en breng ons den Verlosser!quot; Zuiver uwe ziel van de zonde, en doe uw best om den Heiland in uw hart een waardiger woonplaats te bereiden. dan de kribbe was in den stal van Bethlehem.
En als dan eindelijk na een voorbereiding van vier weken het Kindje Jesus in den heiligen nacht geboren wordt, als het feestelijk gelui der klokken, gelijk aan de stemmen der engelen, in die stille duisternis den vrede verkondigt aan de menschen van goeden wil, o juich en jubel dan met heel de christenheid; spoed U dan ter kerke, waar onder de gedaante van brood dezelfde Verlosser woont, die eenmaal als klein kindje op het harde stroo in het kribje rustte. Zing met blij gemoed kerstliederen en beschouw den tijd die verloopt tot aan het feest van Maria-Lichtmis als een voortzetting van den heiligste alle nachten, waarin Christus de Heer, voor ons geboren werd.
Met den Zondag van Septuagesima be-
gint een tijd van boete; deze tijd is de voorbereiding tot het schoone Paaschfeest en duurt ongeveer 70 dagen, ter herinnering aan de zeventigjarige Babylonische gevangenschap der Joden. Het blijde Alleluja verstomt, hot Gloria in Excelcis wordt niet meer vernomen en de priester verschijnt aan het altaar in het paarsch, de kleur der boete. In vroegere eeuwen begon voor de Christenen reeds op dezen Zondag de Vasten; thans vangt zij eerst aan op Asch-Woensdag. Gedurende den vastentijd moeten de geloovigen zich tot het Paaschfeest voorbereiden door onthouding en versterving; die tijd is ook toegewijd aan de overweging van het lijden des Zaligmakers. Lees daarom zoo ge kunt, gedurende dien tijd dikwijls in een of ander godvruchtig boek over dat bitter lijden des Heeren, en woon â- indien ook dit U eenigszins mogelijk is â getrouw de meditaties in de kerk bij. De Lijdensweek of Goede Week is aan de overdenking van dat lijden en sterven des Heoren geheel en al gewijd.
â 79 â
Vooral in die heilige week moet gij veel bidden, de zinrijke ceremoniën der Kerk trachten te begrijpen en U tot een waardige Paaschbiecht en Paasclicommuie voorbereiden.
Eindelijk â daar breekt de Paaschmorgen aan met zijn helderen voorjaarshemel, zijn jubelend Alleluja, zijn hartverheffend klokgelui, zijn stralend waslicht en zijn verkwikkende lentegeuren. Het is âde dag dien de Heer heeft gemaakt; laten wij ons daarom verheugen en jubelen!quot; Overal heerscht thans vreugde; in steden en dorpen, in paleizen en in hutten, op de bergen en in de dalen, maar vooral in de harten van hen, die zich door een heilige biecht hebben voorbereid tot een geestelijke opstanding en door vasten en boetedoening de Paasch-vreugde verdiend hebben. Zelfs de natuur viert na den kouden, harden winter hare opstanding tot een nieuw, jeugdig, honderdvoudig leven. Sta op, mijn kind, sta op uit het graf uwer zonden: Christus leeft, hoe zoudt gij, een lid van zijn glorievol verrozen lichaam met dc windselen des doods
â 80 â
ouiwouden on in het bederf des grafs verzonken blijven !
De Paaschvreugdo duurt veertig dagen; zij wordt besloten met de hemelvaart van Christus.
Wederom tien dagen van voorbereiding en daar nadert het zegenrijke Pinksterfeest, waarop Christus, gezeten aan de rechterhand zijns hemelschen Vaders, den beloofden heiligen Geest uitzond over zijne leerlingen.
Pinksteren is het geboortefeest der katholieke Kerk; het Oud Verbond houdt op en een nieuwe wereldorde begint. Dit feest wordt het langst voortgezet van alle drie de hoogfeesten; het herinnert ons niet alleen aan de wonderbare werking â tot aan het einde der tijden - des H. Geestes in de Kerk, maar ook aan de inwendige heiliging en volmaking van iederen mensch door dienzelfden H. Geest.
Deze geest wordt genoemd de Heilige Geest, de Geest van liefde, de levendmakende Geest; want zijn werking heeft geen ander doel dan ons te heiligen, ons het
â 81 â
bovennatuurlijk leven te schenken en ons in liefde met God te vereenigen; âdoor de liefde'', zegt de H. Leo, âwil Hij ons vor-m sn naar zijn eigen beeld, en ons in staat stellen om niet alleen Hemzelven te beminnen, maar ook alles, wat door Hem bemind wordt.
Om dit in ons uit te werken schenkt de H. Geest ons alles wat wij daartoe slechts op eenigerlei wijze noodig kunnen hebben: de sacramenten en de sacramentaliën, de predikatie en de christenleering, de heilige liturgie en de kerkelijke kunst, den zegen der Kerk en hare feesten. Ja zelfs de natuurkrachten die den mensch ten dienste staan, heiligt Hij, opdat door het gebruik daarvan, de mensch zelve geheiligd worde.
O mijn kind, sluit uw hart niet voor dien machtigen invloed van den heiligen en heiligmakenden Geest, maar stel het bereidwillig en vreugdevol open voor zijn zegenrijke inwerking, opdat gij door de genade des H. Geestes komen moogt tot uw bovennatuurlijk doel dat geen ander is dan de
6
aanschouwing en hot bezit van God in den hemel.
En vandaar dat de katholieke Kerk aan het einde van het kerkelijk jaar zoo zinrijk het feest viert van Alleheiligen, de zegepraal van alle rechtvaardigen die hunne eeuwige bestemming reeds bereikt hebben; vandaar dat zij, door u een blik te vergunnen in de onuitsprekelijke vreugde welke de gelukzaligen door hun volhardenden toeleg op de deugd zijn binnengegaan, u krachtig opwekt, dat voorbeeld te volgen, opdat gij eens, evenals zij door uwe getrouwe medewerking met de genade des H. (reestes uw heerlijk einddoel, de eeuwigs zaligheid moogt bereiken.
Nu hebt gij, mijn kind, naar ik vertrouw, de opeenvolging der kerkelijke feesten begrepen. Het Kerstfeest herinnert u aan 's Heeren menschwording, hetPaaschfeestaan de Verlossing en het Pinksterfeest aan de heiligmaking der wereld. Zijt gij door den heiligen Adventstijd voorbereid tot het Kerstfeest, dan kan Christus in u geboren
â 83 â
worden; hebt gij in de Vasten met liet kwaad gebroken, zijt gij aan de zonde gestorven, dan kunt gij op het Paaschfeest met Christus verrijzen; is uwe verrijzenis uit den geestelijken dood waarachtig, dan kan de H. Geest tot u komen en zijn intrek bij u nemen; woont de H. Geest in u dan kan Hij het leven der genade in u vervolmaken en bevestigen om u te voeren tot het leven der glorie.
Bij de feesten des Heeren sluiten zich de feesten aan der Allerheiligste Maagd Maria. Als vonkelende edelsteenen schitteren zij in den feestkrans van het kerkelijk jaar en schenken daaraan een liefelijke schoonheid.
De geheimen, die betrekking hebben op de H. Moeder Gods â hare Onbevlekte Ontvangenis, hare geboorte, de Boodschap des Engels enz. â staan in een allernauwste betrekking met die van haren Goddelijken Zoon.
Vier daarom de feesten der H. Moedor Gods met al de innigheid van een lieihebbend kind, evenals gij de feesten zoudt vieren van uw eigen goede moeder. Laat â indien
â 84 â
u dit mogelijk is â geen enkel van die feesten voorbijgaan zonder te barer eere een goed werk te verrichten, en bedenk dan daarbij, dat gij Laar en haren Goddelijken Zoon geen grootere vreugde kunt bereiden dan door het waardig ontvangen der heilige Sacramenten. Ziedaar vooral het middel om u hare moederlijke bescherming te verzekeren en deelachtig te worden aan de zegeningen van haren Goddelijken Bruidegom, den H. Geest.
Eindelijk viert de katholieke Kerk op iederen dag des jaars het feest van een of meerdere heiligen. Onze vrome voorvaderen kenden de heiligendagen van den kalender niet zelden van buiten; hunne brieven, hun testamenten, hun actestukken dagteekenden zij niet met koude, ziellooze cijfers, maar met den naam van een heilige. Door deze onafgebroken gedachtenisviering der heiligen leert ons de Kerk, dat wij op onzen pelgrimstocht door deze wereld voortdurend pen levendig verkeer moeten onderhouden piet onze reeds gekroonde vrienden in het
â 85 â
hemelsch Vaderland, door hen aan te roepen en het voorbeeld hnnner deugden na te volgen, opdat wij mogen worden, wat zij zijn, en eens mogen komen daar waar zij verblijven.
En wij vinden daar heiligen van iederen stand en geslacht en leeftijd. De H. Christina. Zitta en Blandina bijv. waren dienstboden; Paulinus en Isidorns, landlieden; Faustinus, Crispinus en Proculus oefenden een handwerk uit; Agapitus, Venantius, Paneratius, Agnes en Eulalia waren kinderen van 12 tot 14 jaar; Regina en Basilissa waren nog jonger; Ferdinand, Henricus en Lodewijk waren koningen; Margaretha, Hedwiga en Elisabeth vorstinnen; Mauritius, Gereon en Martinus waren krijgslieden, en de H. Bene-dictus Labre was zelfs een bedelaar, Wat zij konden, dat kunt â met Gods genade â ook gij.
Welaan dan, mijn kind, leef gedurende het geheele jaar met de Kerk, in de Kerk en door de Kerk; met de Kerk door evenals zij te treuren of to jnichen of te bidden
-
â 80 â
of te boeten; in de Kerk door meiven te vervullen van den geest van geloof, godsvrucht en liefde; door de Kerk door getrouw de genademiddelen te gebruiken, waaruit gij het bovennatuurlijk leven putten moet.
âEn het zal geschieden van maand tot maand en van sabbath tot sabbath, dat alle vleesch komt om mij te aanbidden,quot; zegt God door den mond van zijn profeet Isaïas. (Is. Oö. 23). Dat wil zeggen: het zal een eeuwige feestdag zijn, gewijd aan de aanbidding des Heeren.
Al zal ook deze voorspelling eerst volkomen vervuld worden in de zegepralende Kerk, ook nu is zij reeds van toepassing, wijl de strijdende Kerk iederen dag feestviert tot verheerlijking van God en vereering zijner heiligen.
HOOFDSTUK XI.
Xader dikwijls tot de H.II. Sacramenten.
Als gij op den duur de zonde wilt ver-
mijden, uwe verkeerde gewoonten wilt afleggen en in het goede volharden, dan is een veelvuldig ontvangen der H.H. Sacramenten voor U volstrekt noodzakelijk.
Het H. Sacrament der Biecht scheukt U niet alleen de heiligmakende genade of, naar omstandigheden, de vermeerdering daarvan, maar ook zekere sacramenteele genaden, die IJ de kracht verleenen om in de zonde, waarover gij berouw gevoelt en die gij verafschuwt, niet meer te hervallen.
Do raadgevingen en opwekkingen van uwen biechtvader, do opnieuw verkregen rust «.les gewetens, het bewustzijn : ik ben een kind Gods, â dat alles werkt krachtdadig mede om U in den staat van genade te bewaren.
Wilt gij nu deelachtig worden aan al de vruchten van hot H. Sacrament dor Biecht, bereid U dan steeds daartoe voor met den ernst, die een verstandig en nauwgezet mensch kenmerkt bij het volbrengen van een gewichtig werk. Daarom: eerst den H. Geest aangeroepen ten einde uwe zonden goed te kennen, oprecht te betreuren en
â 88 â
openhartig te biechten. Gij kunt immers niets uit uzelven; hoe zoudt gij dan de verandering uws harten kunnen bewerken zonder den bijstand Gods?
Vervolgens; ernstig uw geweten onderzocht, totdat gij al de doodzonden, waaraan gij misschien schuldig zijt, hebt ontdekt, met haar getal en de omstandigheden die haar kunnen verminderen of verzwaren. Onderzoek uzelven zonder overdreven angstigheid, maar ook zonder strafbare lichtzinnigheid.
Eindelijk: verwek over uwe zonden berouw. Betreur die zonden, niet alleen wijl gij daardoor Gods rechtvaardige straffen hebt verdiend, maar vóór en boven alles wijl gij God zeiven, het hoogste Goed, daardoor hebt beleedigd. Om dit berouw in U op te wekken, moet gij langzaam en aandachtig nadenkend over hetgeen gij zegt, een acte van berouw verwekken, zooals gij dat in den Catechismus hebt geleerd. Thans begrijpt gij nog beter dan toen de beweegredenen voor een bovennatuurlijk berouw.
â 89 â
Indien, het U inderdaad leed doet, dat gij tegen God hebt gezondigd, zult gij ook vanzelf het vaste besluit hebben gevormd, God niet meer te beleedigen; dit besluit vloeit noodzakelijk voort uit het berouw als de boek uit de bron.
Het berouw is de hoofdzaak; het is bij het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht het meest wezenlijke deel. Als gij berouw hebt, zult gij uzelven verbeteren; als gij berouw hebt, zult gij de naaste gelegenheid vermijden; als gij berouw hebt, zult gij uzelven geweld aandoen, ten einde uwe slechte gewoonten uit te roeien. Het berouw verandert den mensch evenals de regen het verdorde land. Zonder berouw geen voornomen, geen verbetering, geen Sacrament der Biecht. Een biecht zonder berouw is een lichaam zonder ziel. Vergiffenis en verbetering zijn onmogelijk zonder dat het berouw voorafgaat.
Het berouw bestaat niet in woorden maar in de gesteltenis Als gij met kinderlijke oprechtheid tot God zegt: ,.0 mijn God,
-90 â
hoe onuitsprekelijk goed zijtgij voor mij â en. hoe ondankbaar ben ik geweest jegens u; Gij zijt het hoogste goed, en ik heb u zoo zwaar beleedigd; ach. hoezeer doet mij zulks leed! Ik wil liever sterven dan u meer be-leedigenquot; â waarlijk, dan is uw berouw voortreffelijk.
Hebt gij u genoegzaam voorbereid, ga dan vol vertrouwen den biechtstoel in; maar wees oprecht in het belijden van alle doodzonden en van die zonden welke gij daarvoor houdt. Zoudt gij niet oprecht zijn, mijn kind, dan zoudt gij een heiligschennis begaan â een veel zwaardere zonde, dan die welke gij te biechten hebt. Zeker, het is voor den mensch beschamend zichzelven te moeten beschuldigen van een misdaad; maar deze vernedering strekt tot uw heil; want bij een oprechte belijdenis smelten de zonden als het ware weg gelijk sneeuw voor de zon. En daarbij: de onbeschaamdheid, de vermetelheid der zonde moet geboet worden door de vernedering der aanklacht.
â 01 â
Een doodzonde ia de biecht verzwijgen, zou nutteloos zijn; God die liartea en nieren doorgrondt, kent u immers geheel en al. Het is voor u beter, dat gij van uwe zonden vergiffenis verkrijgt, door ze te openbaren aan één mensch, don priester, die zelf onder doodzonde verplicht is daarover een eeuwig stilzwijgen te bewaren, dan dat zij eens bij het laatste oordeel zouden bekend worden aan alle menschen en bestraft in de folterende vlammen der hel. God wil u gaarne vergiffenis schenken â welnu, maak Hem die vergiffenis niet onmogelijk door uwe onoprechtheid. Hoe grooter uwe oprechtheid is, des te grooter is ook uw berouw en des te vollediger de vergiffenis.
Volbreng ten slotte met godsvrucht en op den bepaalden tijd de opgelegde boete. De wil om die boete te volbrengen, behoort tot het wezen, en de volbrenoinar
O O
zelve tot de voltooiing van het Sacrament der Biecht. Al zou die boete ook groot zijn, zij is in ieder geval van weinig beteekenis in verhouding tot uwe zonden en in verge-
lijking met de strenge en langdurige boetedoeningen der eerste Christenen. Overigens hebben de goede werken die in de biecht als boete worden opgelegd, wijl zij met het Sacrament verbonden zijn, een veel grootere voldoeningskracht, dan de andere die uit eigen vrijen wil worden gekozen.
Dank God voor de ontvangen vergiffenis en doe al uw best om voortaan beter te leven.
Ontvang ook dikwijls het H. Sacrament des-Altaars. Het is het Brood der Engelen, de Spijze der sterken, het onderpand dei-glorievolle opstanding, het diepste geheim der Goddelijke Liefde, de vereeniging Gods met de menschen, de bron en de volheid van al de overige Sacramenten. Als ooit een mensch zuiver, volmaakt en heilig is geworden, dan had hij dit te danken aan deze Goddelijke Spijze.
Christus gebiedt het U ; want evenals Hij gezegd heeft: âIndien iemand niet herboren wordt uit water en den H. Geest, hij kan hot rijk der hemelen niet binnengaan' â
â 93 â
zoo zegt, Hij ook; âIndien gij het vleesch van den Zoon des Menschen niet zult gegeten.... hebben, zult gij het leven in u niet hebben.quot;' En op een andere plaats: âWie mij eet, zal door mij leven.quot;
De H. Coinmnnie is ook het dagelijksch brood waarom gij bidt in hetOnze Vader daaruit volgt, dat gij hot dikwijls moet nuttigen. Maar dan dient, gij ook zóó te leven, dat gij het dikwijls ontvangen kunt.
Evenals het stoffelijk brood het lichaam, zoo voedt deze geestelijke spijze uwe ziel, opdat ge niet moede zoudt worden en bezwijken op uwen pelgrimstocht dooi deze wereld
De H. Communie bluscht in uwe ledematen den brand der begeerlijkheid en de uitslaande vlammen van den hartstocht; zij vermeerdert de liefde Gods en vermindert de zinnelijkheid; zij onderhoudt, versterkt en vernieuwt in u alle krachten uwer ziel; zij vervult u met een onuitsprekelijke, bovennatuurlijke vreugde en schenkt u het onderpand der eeuwige glorie â zoudt gij dan
â 94 â
die H. Communie niet dikwijls, zeer dikwijls ontvangen?
Gij ontvangt het verheerlijkte, onsterfelijke lichaam van Christus; zal ook uw lichaam dan niet verheerlijkt en onsterfelijk worden ? Gij ontvangt het leven en de bron des levens zelve; de dood wordt overwonnen door Hom die âde opstanding en het levenquot; is; zoudt gij dan terugblijven van den disch des Heeren?
Jesus Christus noodigt u zoo vriendelijk uit tot zijn gastmaal; hoe ondankbaar zoudt gij zijn, als gij naar zijne roepstem niet wildet luisteren!
Denk aan den dag uwer eerste H. Communie! Welk eene zaligheid vervulde toen uw hart, welk een hemelsch genot deed uwe ziel juichen! Het ligt aan uzelven, deze vreugde meermalen te genieten. En in de eerste jaren na dien onvergetelijken dag hebt gij do H. Communie iedere maand ontvangen â en gij gevoeldet u dan zoo innig, onuitsprekelijk gelukkig. Hartstochten kondon in u niet opkomen en slechte ge-
â 95 â
woonten geen wortel schieten. Hebt gij die maandelijksche H. Communie, welke U zoo nadrukkelijk werd aanbevolen, getrouw onderhouden? O, als gij met deze godvruchtige gewoonte hebt gebroken, vat haar dan onmiddellijk weer op; tot nogtoe was zij uwe bescherming in alle gevaren, uwe sterkte in iedere bekoring, uwe zegepraal in den strijd; verlaat daarom Jesus niet, ook Hij zal U niet verlaten. âHij heeft u een maaltijd bereid, tegen degenen die U bedreigen.quot; (ps, 22, 5).
Breng U eens het voorbeeld te binnen van den H. Aloysius! Deze godvreezende jongeling was gewoon alle acht dagen te communiceeren; drie dagen van de week besteedde hij aan de voorbereiding en drie aan de dankzegging; en juist door deze herhaalde waardige communiën is hij in korten tijd opgeklommen tot de hoogste trap van heiligheid.
Wil dikwerf communiceeren! Hebt gij in uw leven misschien een enkele maal een heiligschennende communie gedaan, dan moet
â 96 â
gij aan God al uwe heilige Communiën opdragen óók tot voldoening van dit zware misdi'ijf.
Hebt gij dit hoogheilig Sacrament somtijds mot lauwheid ontvangen, verdubbel dan uwen ijver, ten einde die onverschilligheid goed te maken door krachtiger liefdegloed. Een onwaardige H. Communie kan slechts worden goedgemaakt door een waardige, een onverschillige door een vurige en de veronachtzaming van de H. Communie door eeu herhaald ontvangen van dat H. Sacrament.
Verwijder uit uw hart alle wereldsche gezindheid, allen hoogmoed en alle zinnelijkheid, en de Verlosser zal met vreugde zijn verblijf in U nemen, en U zijn zegen schenken; gij zult wandelen van deugd tot deugd en met de zuiveren van harte God aanschouwen .
En als gij den Zaligmaker in uw hart hebt ontvangen, gebruik dan de kostbare oogenblikken gedurende welke hij onder broodsgedaante nog bij U verblijft â om Hem te danken, en Hem uwe belangen voor te dragen â en deze zijn zoo veelvuldig!
â om Hom te bidden voor uwe ouders en uwe bloedverwanten en al degenen, jegens wie gij dankbaarheid verschuldigd zijt. Smeek echter voornamelijk en met innigheid van Hem af, dat gij voortaan nooit meer van Hem moogt gescheiden worden, nooit meer moogt hervallen in doodzonde!
HOOFDSTUK XII.
Eer uwe Ouders.
Zelfs indien God u dit gebod niet gegeven had, dan nog zouden uw verstand en uw eigen kinderlijk gemoed u gebieden : Eer uwe ouders! Een zeker heidensch wetgever, Lycurgus geheeten, die aan de burgers van zijn staat de meest wijze wetten voorschreef, maakte geen wet voor de kinderen, wijl hij de schennis van den kinderplicht voor iets onnatuurlijks en onmogelijks hield.
Gij spreekt tot uwen vader met hetzelfde woord waarmede gij God aanspreekt: Vader!
7
Uwe ouders zijn bij U Gods plaatsbeklee-ders ; zij zijn ook als uwe scheppers, want zij hebben u het leven geschonken. Zij zijn voor u dus het hoogste en eerbiedwaardigste wat er op aarde onder de menschen bestaat; daarom moet gij hen eeren en hoogachten, d. w. z. hunne waardigheid erkennen en door uw gedrag deze erkentenis duidelijk toonen. Zij hebben op uwe hoogachting geen aanspraak wijl zij met aardsche goederen gezegend of met voortreffelijke eigenschappen begaafd zijn, maar reeds alleen daarom wijl zij uwe ouders zijn. Vandaar dat de H. Geest u gebiedt; âEer uwen vader met woorden daad!quot; (Eccli 3, 9). Spreek tot en over hen met eerbied, begroet hen vriendelijk, wees jegens hen beleefd en voorkomend. âHet oog dat zijn vader hoont en zijn moeder veracht, zal worden uitgepikt door de raven en de jongen van den adelaar zullen het
opeten. (Spr. 30, 17).
Bemin uwe ouders! Zij hebben u bemind en beminnen u nog met een onbaatzuchtige, offervaardige liefde. De zweetdruppelen op
hun gelaat, hun eolfcigo handen, hun voor-hoofd, gerimpeld vóór zijn tijd, hun biddende lippen, hun wakend oog, alles zegt u, dat zij u onuitsprekelijk beminnen, en gij zoudt een monster zijn als gij die matelooze ouderliefde niet met dankbare kinderliefde wildet beantwoorden. Ieder lachje dat gij op hunne lippen te voorschijn roept, en iedere vreugde waarmede gij hun hart verkwikt, is rijk aan geluk en rijk aan zegen. âEer uwen vader uit geheel uw hart en vergeet niet de smarten uwer moeder; gedenk, dat gij zonder hen niet zoudt geboren zijn. Doe hun goed, gelijk zij dit ook aan u gedaan hebben.quot; (Spr. 7 29.)
O, het zou iets verschrikkelijks zijn een leven te verbitteren of ook slechts met één enkel uur te verkorten, dat de bron is geweest van uw leven.
Daarom: bespaar hun smart en kommer, verdriet en schande; verdraag hunne gebreken met geduld en bid voor hen lederen dag.
Weaa aaa uwe ouders gehoorzaam;
â 100 â
hoorzaam niet slaafscli, maar met kinderlijk gemoed; gehoorzaam uit liefde, niet uit vrees; gehoorzaam bereidwillig, niet gedwongen. Dwang sluit gehoorzaamheid buiten, want Gehoorzaamheid bestaat alleen dan, wanneer men zich uit vrije keuze onderwerpt aan een hoogeren wil, die op onze onderwerping recht heeft. Gij beoefent de ware gehoorzaamheid wanneer gij den wil uwer ouders tot uwen eigen wil maakt, alleen zulk een handeling heeft waarde en verdienste.
Jesus Christus, de Zoon Gods, gehoorzaamde aan Maria en Joseph, die slechts menschen waren â en gij zoudt niet gehoorzamen aan uwe ouders '
Moeten zij u opvoeden,gij zijt verplicht hen te gehoorzamen; opvoeding zonder gehoorzaamheid is niet denkbaar. âGehoorzaamt uwe ouders in alles â altijd wanneer het niet in strijd is met de wet Gods want dit is behagelijk aan den Heer.' (Coll. 3, 3.) Als gij gehoorzaam zijt jegens uwe ouders, gehoorzaamt gij aan God-zelven, want zij gebieden over u in Gods plaats. Luister
â 101 â
naar hunne verm:inningen cn verzet n nimmer tegen hunne tuchtiging; neem hunne raadgevingen ter harte, want zij zijn rijp geworden in jaren en rijk in ondervinding.
En die plicht van gehoorzaamheid, mijn kind, blijft voortduren totdat de Voorzienigheid u een eigen tehuis schenkt. Al hebt gij ook reeds een zekeren leeftijd bereikt â zoolang gij woont onder het ouderlijke dak, moet gij u schikken naar den wil uwer ouders in alles wat betrekking heeft op uwe godsdienstige of zedelijke vorming ofwel op den vastgestelden regel des huizes, vooral dan, wanneer uwe ongehoorzaamheid hun groot verdriet zou veroorzaken. Gij moet gehoorzamen wanneer zij u vermanen tot het getrouw volbrengen uwer christelijke plichten, wanneer zij u waarschuwen tegen gevaarlijken omgang of verderfelijke kennismaking, wanneer zij u aansporen om met hen gemeenschappelijk het morgen- en avondgebed te verrichten.
Ondersteun uwe ouders in hun ouderdom ! Gij waart eens zwak, zij hebbeu ugevoed;
thans zijn zij zwak geworden, welaan, wees gij nu hun kracht en hun steun; vergeld hun rijkelijk wat zij voor u gedaan hebben, want uwe schuld geheel delgen, kunt gij nimmer. Daarom komt hun het beste toe van alles wat in huis is, al zoudt gij het ook u zeiven moeten onthouden. âMijn zoon, zoo vermaant u de Wijze Man, âzorg voor uwen vader als hij oud wordt, en bedroef hem niet, zoolang hij leeft. Worden zijn geestvermogens zwakker, houd het hem ten goede en veracht hem niet, terwijl gij nog in uwe kracht zijt; want de weldaad, welke gij uwen vader bewijst, zal niet in vergetelheid geraken. (Eccli 3, 15).
Eene vrome vrouw â zoo verhaalt ons de H. Schrift â Ruth geheeten, nam ten tijde van een hongersnood hare schoonmoeder Noëmi, liefderijk tot zich; en wat was daarvoor hare belooning'? Zij werd de echtge-noote van den rijken Booz, en een der voorouders van koning David, ja, zelfs van den Verlosser der wereld, Jesus Christus.
En gij moot niet denken dat gij met uwe
ouders kunt afrekenen door het betalen van een weinig kostgeld â dat gij u daarvoor kunt vrijkoopen van de ouderlijke macht, of daardoor recht verkrijgt op een heillooze onafhankolijkheid zoodat de familieband of de huiselijke regel voor u niet meer geldt. O, neen, zulk een handelwijze is die van een ontaard kind ! De heilige banden welke kinderen vereenigen met hunne ouders, laten zich niet verbreken door een koud stuk geld. Tegenover uwe ouders moet gij geen rekening opmaken ! Wat zou er van u geworden zijn, indien zij dit eenmaal tegenover u hadden gedaan ! Gij zijt gelukkig, dankbare zoon, liefhebbende dochter, zoolang er op aarde nog iemand leeft, dien gij âvader,quot; of âmoederquot; moogt noemen. Indien gij niemand meer hebt tot wien gij deze woorden kunt spreken, o, hoe leeg, hoe troosteloos leeg en eenzaam wordt het dan om u heen ! Wordt toch geen vreemdeling in uw eigen ouderlijke woning! Verwissel den eeretitel van kind niet met den kouden naam van âkostganger !quot; Bied uwen ouders edelmoedig
â 104 â
aan wat gij verdient, en wanneer eens de dag komt van uwe zelfstandigheid, dan zullen zij zorg dragen voor hetgeen gij van noode hebt, gelijk zij tot nog toe gezorgd hebben voor uw onderhoud. âAan Gods zegen is 't al gelegen !quot; Welnu, die zegen komt in stroomen neer op een dankbaar kind. Luister naar de groote beloften welke God heeft verbonden aan het onderhouden van het vierde gebod: Evenals een die schatten verzamelt, zoo is hij,die zijne moeder eert.quot; âDie zijnen vader in eera houdt, zal vreugde ondervinden van zijne kinderen, en op den dag, dat hij bidt, verhoord worden.quot; âDie zijnen vader en zijne moeder in eere houdt, zal lang leven. âHet is immers billijk, dat hij, die de bewerkers van zijn leven eert, zelf met een hingen duur van zijn eigen leven beloond worde. âEer uwen vader opdat zijn zegen over u komen, en tot het einde dure.quot; Nog heden ten dage rust de zegen van Noë op de afstammelingen van Sem en Japhet â maar zijn vloek op het geslacht van Chain. âDe weldaden welke
â 105 â
gij uwen vader bewijst, zuilen nimmer in vergetelheid geraken.'' âOp den dag der beproeving zal men uwer gedenken en evenals het ijs bij zonnig weder zoo zullen wegsmelten uwe zonden,quot; want âwat gij aan uwe ouders geeft, geeft gij aan God.''
HOOFDSTUK XIII.
Wacht U voor het geven van ergernis.
Wat de moordenaar is voor het lichaam, dat is de ergernisgever voor de ziel; evenals de eerste aan het lichaam het natuurlijk leven ontrooft, zoo rooft ook de tweede aan de ziel het bovennatuurlijk leven. Maar het geven van ergernis is vreeselijker wijl het leven der genade voor de ziel een oneindig kostbaarder goed is, dan het natuurlijk leven voor het lichaam.
Gij geeft ergernis, wanneer gij uwen naaste met opzet tot zonde verleidt of hem zonder reden vrijwillig tot doodzonde aanleiding geeit.
â 106 â
Gij geeft ergenis, wanneer gij op een of andere wijze tot het kwade aanzet, raadt of helpt.
Gij geeft ergenis, wanneer gij goddelooze of onkuische taal spreekt, of zulk soort liederen zingt.
Gij geeft ergenis, wanneer gij de gelegenheid openstelt tot hot houden van slechte vermakelijkheden of bijeenkomsten.
Gij geeft ergenis, wanneer gij door woord of daad aan onschuldigen het kwaad leert.
Door de ergenis grijpt het kwaad voortdurend om zich heen als een doodelijke besmetting; door de ergenis gaat het over van geslacht tot geslacht, stort zich uit als een watervloed en roeit de kiem uit van onschuld en deugd in de harten van duizenden en duizenden.
De ergernisgever is een tegenstrever van Christus â een ware antichrist in zijne woorden, in zijne handelingen en in zijn bedoelingen; want het is hem te doen om het verlossingswerk van Jesus Christus te verijdelen, om in het verderf te storten de
â 107 â
zielen, welke Christus heeft vrijgekocht door zijn bloed.
Wat de duivel doet op onzichtbare wijze, dat doet ook de ergernisgever, maar met veel geweldiger en rampzaliger gevolgen, wijl de indrukken, ontvangen van een waarneembare gestalte veel dieper doordringen dan die, welke worden teweeggebracht door een verborgen, onzichtbaar wezen. De ergernisgever verwoest den tempel desH. Geestes, berooft hem van zijn sieraad, verandert kinderen Gods in kinderen des duivels en levert aan de straf der hel onsterfelijke zielen over die waren voorbestemd om God in een onbeschrijfelijk gelukzalige eeuwigheid te aanschouwen, te beminnen en te bezitten.
Wee den ergernisgever! Hij draagt op zijn voorhoofd het Kaïnsteeken! Als een brandstichter slingert hij de fakkel in den hooiberg en vlucht henen. Maar achter hem branden de hutten af en de voorraadschuren met hun in zweet en bloed gewonnen rijkdom en de vriendelijke woningen der menschen. Hij bekommert zich niet om het angstgeschrei
â 108 â
en het geweeklaag dcrongelukkige, ten gronde gerichte Imisgezinnen, en binnen weinige uren ligt have en goed van den landman, sinds jaren met zooveel moeite verworven en zorgvuldig opgespaard, in asch en puin.
Ziedaar het droevige beeld van de geestelijke verwoesting aangericht door den ergernisgever. Wie kan het onheil berekenen dat de ergernisgever sticht in één noodlottig oogenblik? Verloren zijn de deugden der zalige kinderjaren, verloren de strijd en de overwinningen van den jeugdigen leeftijd, verloren de verdiensten van een vruchtbaar verleden, verloren de hoop op een zegenrijke toekomst, verloren het vooruitzicht op de onverwelkbare kroon en de zegepralen dei-eeuwige heerlijkheid !
O ergernisgever, wat hebt gij gedaan ! Hot bloed van den onschuldig vermoorde schreit ten Hemel om wraak!
Gij hebt den onschuldige van het leven der ziel beroofd â het hem wedeigeven kunt gij niet; dat hij het natuurlijk leven bezat, is zijn ongeluk geworden I
â 100 â
w aurom heeft God u een tong gegeven eu luinden en voeten en vijf zintuigen ? Was liet om deze te misbruiken tot het bewerken van den ondergang van onsterfelijke zielen? Waarom is uw tong niet verstijfd bij het uitspreken dier verleidelijke taal, uw hand niet veidord bij die moorddadigen aanslag, uw voet niet gestruikeld vóór die slechte daad? O, ware dit geschied, gij zoudt geen zielemoord op uw geweten hebben!
Wee u, ergernisgever, wee u! Het ware veel beter, dat gij nooit liet levenslicht aanschouwd hadt! In den duisteren nacht zullen uwe slachtoffers voor uw oogen oprijzen, bij dag u achtervolgen waarheen gij ook gaat, onder spel en drinkgelag u kwellen en beangstigen en eenmaal voor Gods rechterstoel het verdiende wraakgezicht over u afroepen als onverbiddelijke aanklagers.
Het geslacht van koning Achab werd door Jêhu uitgeroeid, wijl die goddelooze koning de Israëlieten had verleid tot afgoderij (4 Kon. 9.)
Koning David moest zijn kind verliezen;
â 110 â
wijl hij lt;loor zijn slecht voorbeeld den naam des Hoeren tot een voorwerp van laster had gemaakt voor de boozen. (2 Kou. 12.)
De Joden werden overgeleverd aan liet ongeluk en den ondergang, wijl zij aan anderen hunne slechte wegen hadden geleerd. (Jer. 2 33.)
Honderden Madianitische vrouwen werden door de Israëlieten gedood âwijl zij de zonen Israëls tot zonde verleid hadden. (Num. 31, 36). âIndien er in het huis van Israël iemand is, die de ergenis zijner boosheid voor zijn aangezicht plaatst, dien zal ik uitroeien uit het midden mijns volks.'' (Ezech. 14, 4).
De apostel Paulus wilde liever in eeuwigheid geen vleesch eten, indien hij door het gebruik daarvan, zelfs wanneer het geoorloofd was, zijne broeders zou ergeren (I Cor. 8, 13,) Gij kent ook zeker wel het schoone voorbeeld van den grijzen Eleazar. De god-delooze koning Antiochus had den Joden op straffe des doods bevolen verboden vleesch te eten; Eleazar weigerde aan dit bevel te â voldoen ea moest sterven. Zijne vrienden
nu, door medelijden bewogen, brachten hem vleesch, waarvan het gebruik hem geoorloofd was, en smeekten hem dat hij daarvan zou eten om ten minste jjen schijn aan te nemen alsof hij gehoorzaamde aan het bevel des konings. Maar Eleazar wees dit voorstel, hoe goed gemeend ook, ontsteld van zich af met de woorden : Het zou mijn ouderdom onwaardig zijn te huichelen, zóódat velen der jongeren, in de meening dat de negentigjarige Eleazar tot het heidendom was overgegaan, door mijne huichelarij zouden verleid worden. Al ontga ik ook ile foltering der menschen, toch kan ik de hand van den Almachtige niet ontvlieden, hetzij levend, hetzij gestorven.'' En hij onderging den marteldood. (2 Macch. 6).
âRaakt mijn gezalfden niet aan(ps. 104, 15) De christenen, die in hot Doopsel gezalfd zijn met het heilig Chrisma, zijn heiligdommen Gods, zijne beschermelingen en lievelingen. wier lichaam en ziel Hij ongeschonden wil bewaard zien. Zij zijn ledematen van den van eeuwigheid gezalfden en god-
â 110 â
wijl hij door zijn slecht voorbeeld den niifiin des Hoeren tot een voorwerp van laster had gemaakt voor de boozen. (2 Kon. 12.)
De Joden werden overgeleverd aan het ongeluk en den ondergang, wijl zij aan anderen hunne slechte wegen hadden geleerd. (.Ter. 2 33.)
Honderden Madianitische vrouwen werden door de Israëlieten gedood âwijl zij de zonen Israels tot zonde verleid hadden. (Num. 31, 36). âIndien er in het huis van Israël iemand is, die de ergenis zijner boosheid voor zijn aangezicht plaatst, dien zal ik uitroeien uit het midden mijns volks.quot; (Ezech. 14, 4).
De apostel Paulus wilde liever in eeuwigheid geen vleesch eten, indien hij door het gebruik daarvan, zelfs wanneer het geoorloofd was, zijne broeders zou ergeren (I Cor. 8, 13,) Grij kent ook zeker wel het schoone voorbeeld van den grijzen Eleazar. De god-delooze koning Antiochus had den Joden op straffe des doods bevolen verboden vleesch te eten; Eleazar weigerde aan dit bevel te -voldoen eu moest sterveu. ZijnQ vrieuden
nu, door medelijden bewogen, brachten hem vleesch, waarvan het gebruik hem geoorloofd was, en smeekten hem dat hij daarvan zou eten om ten minste den schijn aan te nemen alsof hij gehoorzaamde aan het bevel des konings. Maar Eleazar wees dit voorstel, hoe goed gemeend ook, ontsteld van zich af met de woorden: Het zou mijn ouderdom onwaardig zijn te huichelen, zóódat velen der jongeren, in de meening dat de negentigjarige Eleazar tot het heidendom was overgegaan, door mijne huichelarij zouden verleid worden. Al ontga ik ook de foltering der menschen, toch kan ik de hand van den Almachtige niet ontvlieden, hetzij levend, hetzij gestorven.quot;' En hij onderging den marteldood. (2 Macch. 6).
âRaakt mijn gezalfden niet aan (ps. 104, 15) De christenen, die in het Doopsel gezalfd zijn met het heilig Chrisma, zijn heiligdommen Gods, zijne beschermelingen en lievelingen, wier lichaam en ziel Hij ongeschonden wil bewaard zien. Zij zijn ledematen van den van eeuwigheid gezalfden en god-
mensclielijkeu Hoogepriester, een priesterlijk en koninklijk goslacht, wier leven moet zijn een geestelijk offer, een openbaring van Gods heiligheid, in geloof, hoop en liefde.
Neem wèl ter harte de treffende woorden door den Heiland gesproken : âDie zulk een kind in mijn naam opneemt, hij neemt Mij op. Maar die een van deze kleinen, die in mij gelooven, ergert, hem ware het beter, dat een molensteen aan zijnen hals gehangen en hij in de diepte der zee verzwolgen werd. Ziet toe, dat gij geen van deze kleinen veracht; want ik zeg u, hunne engelen in den hemel aanschouwen onophoudelijk het aangezicht mijns vaders, die in den Hemel isquot;; d. w. z. zij staan voor Gods troon om den-gene aan te klagen, die door een roekeloos woord of een schandelijke daad een kind zou verleiden, dat aan hunne hoede is toevertrouwd.quot; (Matth. 18).
Hebt gij echter het ongeluk gehad, anderen te verleiden, tracht dan die ergernis naar best vermogen weer goed te maken.
Hei-stel door uw goed voorbeeld hot kwaad
waarvan gij door uw slecht voorbeeld de oorzaak zijt geweest; bid iederen dag voor het, offer van uwen hartstocht en uwe boosheid, opdat God hem of haar de genade sehenke der bekeering, der rouwmoedigheid en dor volharding in het goede. Zoo zult gij de rust van uw geweten herkrijgen, de gramschap van een rechtvaardigen Rechter bezweren en zijne straffen van u afwenden.
HOOFDSTUK XIV.
Over het bewaren der kuischheid.
O, hoe schoon is een kuisch geslacht in den glans der deugd! Onsterfelijk is zijn aandenken; hij God en bij de menschen is iet bekend. Is het tegenwoordig, men volgt het na; js het aan de oogen onttrokken men verlangt het te bezitten; en eeuwig zegeviert het met de kroon der overwinning en draagt het den kampprijs weg der 01^ bevlekte reinheid. (Wijsh, 4, 1.)
Ziedaar de verheven woorden waarmede
8
â 114 â
de H. Geest zelf de liefelijke schoonheid bezingt der engelachtige deugd. O mijn kind, indien gij die woorden wel ter harte wildet nemen, nooit zoudt gij gedoogen dat door den onreinen walm der zonde de blanke spiegel uwer onschuld verduisterd werd-Prent ze daarom diep in uw geheugen, denk er iederen dag over na en bewaar ze zorgvuldig in uw jeugdig hart!
âO, hoe schoon is een kuisch geslacht in den glans der deugd!quot; Schoon is het morgenrood, als de zon, den jongen dag aankondigend, omhoog stijgt uit de purperen wolken met hun gouden boordsels en op het smaragden tapijt der velden duizenden stralende robijnen uitstrooit; maar schooner _ in het rijk van het bovenzinlijke â is de glans der kuischheid.
Schoon is de regenboog, die na het geweld van den donder forsch en fier zich uitspant langs het luchtgewelf en den verzoenden hemel vreedzaam vereenigt met de frisch gedrenkte aarde; maar schooner is de glans der kuischheid.
Schoon is de lelie in hot vruchtbare dal-hoog in de lucht verheft zij hare blanke' kelk, baadt zich in den dauw des hemels en zendt hare welriekende geuren dankbaar op naai de zon, die haar smetteloos gewaad met nieuwe pracht omgeeft; maar schooner is de glans der kuischheid.
Zij straalt van het voorhoofd, van het gelaat en uit de geheele gestalte van den kuischen jongeling en de kuische maagd, en maakt beiden tot bovenaardsche wezens, die zelfs op het meest ruwe en verharde gemoed een onweerstaanbare betoovering en overweldigende kracht uitoefenen.
De kuischheid is het kort begrip der heiligheid; de apostel zegt liet duidelijk: âDit is de wil Gods, uwe heiligmaking; dat gij U onthoudt van alle ontucht.quot; (1 Thess. 4, 3.)
De kuischheid is het sieraad der zeden, te bevalligheid des lichaams, de adel der geslachten, de gezondheid des lichaams, het kenteeken van een rechtschapen gemoed,
L venals de zonnestraal in den regendrup. pel de zeven kleuren schept van den regen.
â 116 â
boog, zoo kweekt de kuischheid do meeste deugden. Die haar bezit, mag zich gewoonlijk ook verheugen in het bezit der overige zedelijke deugden: nederigheid, zachtmoedigheid, godsvrucht, naastenliefde enz. Wat de 11. Geest getuigt van de wijsheid, geldt ook van deze deugd: âMet haar ontving ik tegelijkertijd alle andere goede dingen. (Wijsh. 7, 11). Met haar zijt gij een engel en een kind Gods; met haar zijt gij eerbiedwaardig voor geheel de wereld; met haar zijt gij blijde en opgeruimd en bovenmate gelukkig. Maar veronderstel eens â wat onmogelijk is â dat gij alle deugden bezat behalve de zuiverheid des harten, ach! wat zoudt gij dan zijn? Een lente zonder lentegroen, een zomer zonder bloemen, een hemel zonder zon.
âOnsterfelijk is zijn aandenken.' Duizenden jaren zijn vervlogen, sinds Joseph woonde in het huis van Putiphar en Egypte redde van den hongersnood; maar die duizenden jaren hebben de gedachtenis aan zijn heldhaftige kuischheid niet kunnen uitwisschen. Duizenden jaren zijn reeds
voorbij sinds de vrome Suzunna tot zonde werd aangezet door de ontuchtige grijsaards, maar die duizenden jaren hebben hare standvastige kuischheid onsterfelijk in de gedachtenis van het nageslacht doen voortleven.
En evenals do H. Agues, de H. Cecilia, ( e H. Lucia, de H Kunegunda, de heilige Aloysius en zoovele anderen in de eeuwige gelukzaligheid hunne overwinning vieren, evenzoo zal op aarde do roem van het men-schelijk geslacht hunne namen door alle eeuwen heen onsterfelijk bewaren en hun de zegekrans van ongerepte kuischheid om de slapen blijven winden.
âBij God en bij de menschen is het bekend.' De helden der oudheid worden geprezen en vereeuwigd in liedoren, sa-en erts en marmer ; maar hooger in eere stean de Vestaalsche maagden, die te midden van de woestenij des heidendoms do kuischheid beoefenden. Dit is juist de geheimzinnige eigenschap dezer bijna bovenmenschelijke deugd, dat zij ook de achting en de bewondering wekt van dengene, wien het zelf aan
â IIS â
moed on zielenadel ontbreekt om haar te beoefenen. Vanwaar dit verschijnsel ? Do mensch gevoelt bewondering vooral diegenen, welke door hun moed. him uitstekend verstand of andere eigenschappen, zich boven de gewone menschen verheffen en meer en dichter tot God naderen. Nu brengt geen enkele eigenschap en geen enkele deugd ons dichter bij God dan de kuischheid; zij maakt den mensch tot een geestelijk wezen. âGoden zijt gij, en zonen van den Allerhoogste, gij allen. ' (3?s. S1, 6.) Dat woord der H. Schiift geldt bijzonder voor het geslacht der zuiveren van harte.
âIs het tegenwoordig, men volgt het na.' Het beeld der kuischheid was het immers dat den H. Augustinus aanspoorde op het pad der deugd terug te keeren. âDaar verscheen mijquot;, zoo zegt hij zelf. âde indrukwekkende gestalte der waardige onthouding niet uitgelaten vroolijk, maar vriendelijk mij uitnoodigend haar te volgen, heenw ijzend op lt;le uitverkoren schaar, die gezegepraald had over het vleesch en de zinnelijkheid.
â 119 â
Eu met een zachtea spotlach, tevens vol h^oedigende opwekking, sprak zij tot mij: âHoe, zoudt gij niet kunnen, wat dezen en d- konden. ' Vermochten zij het misschien
. t zich ^Iven, of niet veeleer door de
racht Gods ïquot; En de aanblik van dat beeld
bewerkte zijne bekeering.
«Is het aan de oogen onttrokken, men vei langt het te bezitten.quot; Wat zou de aarde zijn zonder kuischheid ? Een afschuwelijke hel O ja, de deugd der kuischheid is nog ,1e laatste hennnering aan dien gelukzaligen toestand toen de mensch nog niet tegen
God en het vleesch nog niet tegen den ge^st
was opgestaan; toen de eerste menschen doox de verrukkelijke dreven van het aard-
che paradijs met de engelen rondwandelden
met ^nne gelijke. O schoone deugd, ons overgebleven uit het paradijs, blijf, blijf steeds
ami cT T ,TerZa 0nS llet Verdl-iet
en zoetheid1^ S ^ ^001 uwe bevalligheid
ov;â¢TlïJs'vier' 'M *tâ¢quot;
â 120 â
O ja, de kuische ziel verdient een eeuwige, onverwelkbare kroon; want de strijd was hard. Niet met wilde dieren heeft zij gestreden, geen gruwzame tyrannenoverwonnen
_ neen, zij heeft een veel zwaarderen stiijd
gevoerd, een strijd tegen het opioeiige vleesch, tegen de ontembare lust der zinnen, âwaartegen dagelijks strijd gevoerd, maar waarbij zelden overwonnen wordt, ' gelijk de H. Augustinus zegt: âZalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zienquot; (Matth. 5, 8.) Zij zullen hem aanschouwen veel naderbij, veel schitterender, veel heerlijker dan al de andere uitverkorenen; hun door niets benevelde gees-tesblik dringt dieper door in Gods wezen, in zijn schoonheid en beminnelijkheid.
âDe zuivere zielen zullen den koning tot vriend hebbenquot; (Spr. 22, 11.) Door de kuischheidis Maria de bruid desH.Geestes en Joannes de beminde leerling van Christus geworden; door haar zal ook uwe ziel de geliefde bruid worden van den hemelschen Koning.
Laat de strijd u dus niet verdrieten! Zie,
â 121 â
hoe de stormen de wateren uit haar diepste kolken omhoog stuwen en opstapelen als hooge gebergten, hoe zij het zwakke vaartuig nu eens hemelhoog opheffen en dan wederom neerslingeren in de diepte, om het te doen vergaan; doch moedig en vastberaden staat de stuurman aan het roer en stevent, het oog gericht op de sterren, ondanks stormen en baren op de veilige haven aan. Begrijpt gij dit beeld' Ook de hartstochten stormen op u aan; doch door de kracht Gods gebiedt gij over hen en reilt, gij uwe ziel uit de hooggezwollen zee van bekoringen, en brengt haar in veiligheid in de haven des hemels, indien gij slechts uwen blik gericht houdt op God. Gedenk uwe waardigheid! Gij zijt een lidmaat van dat heilige, geheimzinnige lichaam, waarvan Christus het hoofd is; uw lichaam is een tempel des H. Geestes, een woning Gods, het heiligdom der Allerheiligste Drievuldigheid, geheiligd door het vleesch en bloed van Jesus Christus, bestemd om eens verheerlijkt op te staan uit het graf, om on-
â 122 â
lijdelijk en onsterfelijk zijn zetel in te nemen onder de zuivere hemelgeesten. Bewaar het daarom in reinheid, dat lichaam tot verheerlijking bestemd, en draag het dagelijks aan den Allerhoogste op als een levendig, heilig en Gode welbehagelijk offer!
De kuischheid is een koninklijke deugd. Over al uwe gedachten, woorden, gezindheden, begeerten en bewegingen heerscht zij met onbeperkte macht. Daarom dan ook riep de koninklijke profeet na zijn diepen val rouwmoedig, maar ook vol vertrouwen uit: âGeef mij wederom de blijdschap van uw heil en bevestig mij in den vorstelijkengeest!''
HOOFDSTUK XV.
Gebruik dc middelen!
Iets grootsch, mijn kind, kunt gij niet anders verkrijgen dan door moeite. Wilt gij rijk worden, dan moet gij arbeiden, veel arbeiden; wilt gij kuisch zijn en blijven,
â 123 -
dan moet gij u/.olven moeite geven, veel moeite geven, en de geschikte middelen gebruiken.
1. Het voornaamste middel om deze deugd te verkrijgen, is een vastbesloten wil; niet een half verlangen of een zwak pogen, zooals de profeet dat schildert: âEen hinken naar beide zijden, tusschen God en Baal, tusschen deugd en ondeugd.quot; (3 Kon. 18, 21); maar een krachtdadig willen, hetwelk David weergeeft met deze woorden: âIk heb gezegd : nu zal ik beginnen. Deze verandering is van de rechterhand des Allerhoogstenquot;. (Ps. 76, 11). âIk lieb gezworen en besloten, uwe geboden te onderhouden. (Ps. 118, 100). Zulk een vastbesloten wil had de H. Agatha. Toen n.1. een heidensche vrouw, Aphrodisia geheeten, haar op bevel van Quintianus den roineinschen prefect van Catana wilde verleiden tot wellust en daardoor tevens tot afgoderij, antwoordde de christen heldin aan hare verleidster; âDe taal welke gij spreekt, is de taal des duivels die u deze ingeeft; weet echter wèl, dat al uwe po-
â 124 â
gingen vergeefscli zijn; want ik houd zoo onwrikbaar vast aan de zuiverheid, waartoe ik mij tegenover Grod heb verbonden, dat eer de zon hare stralen en het vuur zijn gloed en de sneeuw haren glans verliezen zal, dan ik wankelen zal in mijn voornemen. Quintianus moge zijn leeuwen op mij afzenden, den brandstapel ontsteken, mij op de folterbank uitspannen, ja zelfs de deur van den vuuroven voor mij openen; dat alles zal ik met vreugde verdragen om als christen en maagd te sterven; want ik weet, dat ik sta onder de bescheiming Gods aan wien ik mijn lichaam en mijne ziel heb toegewijd.quot; Zijt gij niet getroffen en verbaasd over de heldhaftige taal dezer zwakke maagd? Welnu dan, volg haar na in haar wilskracht. Als gij zulk een vastbesloten wil hebt, is niets u te veel, niets te zwaar, niets te hard. Als gij dezen goeden wil hebt, komt God uwe zwakheid te hulp met zijn alvermogende genade. âMijne genade is ii genoeg,quot; zegt de Heer, âwant de kracht wordt in de zwakheid vervolmaakt (2 Cor.
â 125 â
12.0) (1. w. z. door iedere bekoring welke gij overwint, verkrijgt uw wil zooveel kraclit en weerstandsvermogen, dat liij ten laatste met de vermeerderde genade Gods onoverwinnelijk wordt. Hebtgij dezen vastbesloten, dooide genade geschraagden wil, dan is niets -- noch list, noch geweld, noch openlijke, noch verborgen aanvallen â in staat u tot zonde te brengen, en kunt gij met den apostel zeggen: âIk vermag alles in Hem, die mij versterkt,'' (Phil. 4, 13.)
2. Ontvang dikwijls de H. Sacramenten. Het vleesch dat zoo dikwerf vereenigd wordt met het maagdelijk Vleesch en Bloed van Jesus Christus, wordt zuiver en vlekkeloos. De H. Communie is âde tarwd dor uitverkorenen.quot; (Zach. 9, 27) en de wijn die maagden voortbrengt. En het Sacrament van boetvaardigheid met zijn berouw, zijn vooi-nemen, zijn belijdenis en zijn sacramenteele genaden â het is hot voornaamste middel tot standvastigheid en een onderpand der volharding ten einde toe.
3. Vermijd de gevaren! Hoe kunt gij op
â 126 â
Gods bijstand rekenen als gij u dien moedwillig onwaardig maakt door uwe lichtzinnigheid/ âKan iemand vuur in zijn schoot nemen zonder dat zijne Ideederen in brand geraken' of wandelen op gloeiende kolen zonder zijne voetzolen te verbranden?quot; (Spr. 6, 29). Daarom verkeerde, volgens de meening van den H. Chrysostomus, Jozef in de tegenwoordigheid der vrouw van Putiphar in grooter gevaar dan Daniël in de leeuwenkuil, want het ruur der wellust is heviger dan het vuur der vlammen; het het laatste schrikt af door zijn gloed, het
eerste trekt aan door zijn genot. Maar _
het genot gaat voorbij en de dood blijft.
4. Waak over uwe zintuigen, vooral over uwe oogen. Eva is gevallen door het bedrog der oogen: âEva zag dat de vrucht goed was om te eten en schoon voor de oogen, en dat het een wellust was haar te aanschouwen; â en zij nam de vrucht en at.quot; (1 Moz. 3, 6.)
Holophernes viel door het bedrog der oogen; âJudiths voetzolen betoovcrden zijne
â 127 â
oogen, Imre schoonheid boeide zijne zielquot; â en hij viel onder Judith's zwaard (Jud. 16, lij. David viel door het bedrog der oogen. Vandaar dat hij uitroept: âWend mijne oogen af, opdat zij de ijdelheid niet zien!quot; (Ps. 118, 37.)
Volg het voorbeeld na van den godvree-zenden Job, die met zijne oogen een verbond had gesloten, om nimmer zelfs te denken aan eene maagd (Job. 31, 1); want als de ziel zoo lichtzinnig is om te aanschouwen hetgeen hare slechte begeerlijkheid opwekt, zal zij ook verlangen naar hetgeen zij aanschouwd heeft.
De profeet klaagt over de droevige gevolgen van zondige blikken: âDe dood is door de vensters het hni'sbinnengeklommen..quot; (Jer. 9, 21). De dood, d. w. z. de zonde; de vensters, het zijn de oogen; het huis, daarmede wordt bedoeld: de ziel. âMijn oog heeft mijne ziel geplunderd. (Klaagl. 3, 51). O ja, het wellustig oog plundert uwe ziel uit: eer, gemoedsrust, reinheid des harten, vrede, alles wordt u daardoor ontroofd.
â 12S â
Het oog is geschapen om te zieu en om te weenen; maar hoe dikwijls moet het bittere tranen storten omdat het gezien heeft!
God hoeft u oogleden geschonken om uw oog zelve te beschermen tegen slagen en stooten, maar nog veel meer om hot te bewaren tegen zondige nieuwsgierigheid en het bedrog der wellust.
âRicht uwe oogen steeds op don Heer; hij zal uwe voeten bevrijden uit den strikquot; (Ps. 24, 15.)
5. Denk steeds aan de alomtegenwoordigheid Gods, mijn kind ; Hij ziet u overal, in het donker even goed als op klaarlichten dag, in het gewoel en in de eenzaamheid; met zijn almacht en tegenwoordigheid doordringt Hij u evenzeer als het kleinste stofje in de lucht; Hij ziet u als Vader, dien gij niet moogt bedroeven, als Rechter, dien gij niet moogt vertoornen. âDenk bij al wat gij doet, aan uwe uitersten en in eeuwigheid zult gij niet zondigen.quot; (Eccli 7, 40).
Sterven in de zonde, welk een dood! Sterven na de zonde, wolk een oordeel!
â 129 â
Sterven met de zoude, welk een hel! Gij zijt immers onophoudelijk onder het bereik van Gods almachtige hand; Hij kan u dooden, gelijk gij het insekt dooden kunt, dat gij
onder uwe voeten vertrapt, en dan _ na
een kortstondig genot, een eeuwigdurende foltering!
Versterk uwen wil door gebed en verstel ving; âwant dat soort duivelen kan slechts worden uitgedreven door gebed en vasten. (Mare. 9. 28).
âDaar ik wist, dat ik niet kuisch kon zijn, zonder dat het mij door den Heer werd geschonken , zoo sprak eenmaal de jeugdige Salomon, âtrad ik voor het aanschijn des Heeren en smeekte hem daarom uit geheel mijn hart.' (Wijsh. 8, 21). Want onze hulp is in den naam des Heeren. Evenals de duivel voor het geluid van Davids harp op de vlucht sloeg, zoo vliedt hij ook voor de stem des gebeds. Zend dikwijls een schietgebed op tot uwen heiligen bewaarengel en tot de heilige Moeder Gods; zij
9
â 130 â
zullen li in de ure des gevaars niet aan uzelven overlaten.
Het vloesch begeert tegen den geest, en zijn zinnelijkheid en dartelheid worden slechts onderdrukt door een sobere, boetvaardige levenswijze. Nooit is een week mensch een kuisch mensch geweest. ,,De vurige pijlen van Satan moeten worden uit-gebluscht in de gestrengheid van het vasten, de nachtwaken en de armoede,quot; zegt de H. Hieronymus. âGeloof mij'' verzekert de heilige abt Antonius, âde duivel vreest niets zoozeer als de nachtwaak, het gebed, het vasten en de vrijwillige armoede.quot;
Omgeef de lelie der reinheid met de haag der versterving en zij zal beveiligd zijn tegen alle stormen.
HOOFDSTUK XVI.
Vlucht de danslokalen!
Dat onbezonnenheid en lichtzinnigheid eigenschappen zijn der jeugd, wie die zulks niet weet! â Maar als er een gelegenheid
â 131 â
ter wereld wordt gevonden, waarbij de zedelijke gevaren dat jeugdig en lichtzinnig hart met bijna onweerstaanbaar geweld bestormen â waarbij de ontspruitende en heerlijk openspringende rozenknoppen van kinderlijke deugd meedoogenloos worden afgerukt en vertreden, en waarvan de jeugd, ondanks de meest ernstige waarschuwingen en droevige ervaringen toch zoo moeielijk teruggehouden wordt â dan zijn het de danslokalen.
Gij mijn kind, wees gij niet zoo lichtzinnig. Gij ontvlucht liet huis waarin een besmettelijke ziekte heerscht; o, vlucht vee] behoedzamer de plaats waar honderden zielsgevaren u bedreigen! Het brandt in uw jeugdig gemoed toch reeds lievig genoeg; haal daar niet nog meer brandstof binnen, en wakker het vuur uwer jeugdige driften niet krachtiger aan door den gloei-enden ademtocht die uit de danszaal dat hart binnendringt.
De bedwelmende muziek, de verhittende dranken die worden geschonken, de heftige
â 132 â
bewegingen des licliaams, de vertrouwelijke omgang der beide geslachten, de gevoeligheid en prikkelbaarheid van het jeugdig hart, dat laat naar huis keeren â zijn dat niet gevaren genoeg om u, christen-jongeling en u, christen-meisje, van deze plaatsen verwijderd te houden V om u voor deze gelegenheden te vervullen met een godvruchtige vreeze ? Gij draait rond als aan den rand van een afgrond, en zijt volstrekt niet bevreesd, plotseling bij een verkeerden tred neer te storten in de diepte ! Welk genoegen ligt er toch in dat eeuwigdurend draaien, waarbij u het zweet van het voorhoofd gudst? Als iemand u tot zulk een inspanning veroordeelde, gij zoudt het beschouwen als een zware straf. Daarom, spreek maar ronduit: het geheele vermaak van het dansen ligt alleen in den omgang der beide geslachten, en daarin juist schuilt ook het gevaar.
In een danslokaal heerscht gewoonlijk niets dan bedwelming der zinnen, uitgelatenheid en zucht om te behagen; daar
â 133 â
gaat de vermanende roepstem van het geweten verloren en worden do inspraken van den bewaarengel met ruw geweld onderdrukt; daar sluipt de dood de ziel binnen door al de open, onbewaakte zintuigen.
In het danslokaal wordt niet zelden de gezondheid verwoest of de kiem gelogd tot een langdurige sleepende ziekte; ja wij zien het gebeuren dat plotseling daar de dood verschijnt en er een offer vraagt.
In het danslokaal, daar loeren de ziels-vijanden in alle hoeken en brengen aan de ziel dood en verderf in het gevlei eoner noodlottige, verradelijke vertrouwelijkheid.
Daarom, terug van liet danslokaal, zoo SI) nog kunt blozen; terug, zoo gij uwe ziel liefhebt! Terug, zoo gij prijs stelt op uw waardigheid van mensch en van christen! Terug van dien verderfelijkon drempel â hij is bevlekt met het bloed der onschuld! Op een danslokaal rust Grods zegen niet. Tegenover redeneeringen kunt gij misschien ongevoelig blijven, maar tegen feiten, waarneembare, zichtbare feiten strijdt alleen
â
i
â 134 â
iemand die zijn verstand heeft verloren. Aan honderden menschen, die zulke vermakelijkheden ondernemen, kunt gij de ervaring opdoen, dat zij hun geheel vermogen verliezen of in hun bedrijf achteruitgaan ; want op hun huis rust de vloek der ouders, wier kinderen daar bedorven zijn geworden, en van die kinderen zei ven, welke daar hun ongeluk hebben gevonden. Na het vioolspel en de fanfaremuziek volgt grafgezang. En dan mogen die ongelukkige slachtoffers der verleiding ook al weenen, zij verkrijgen daardoor hun verloren onschuld niet terug!
Zoekt gi) in het danslokaal misschien aan-knoopingspunten voor een toekomstig huwelijk? O. weet dan wel: dit is daarvoor de plaats niet. In de uitstalkasten wordt de koopwaar met stof bedekt, in de vakken der laden blijft zij zuiver bewaard; met andere woorden: zoek uwe uitverkorene niet in de uitstalkast van het danslokaal, maar veeleer in het stille heiligdom onzer christelijke.brave huisgezinnen.
Ja, in het huisgezin, daar moet gij u eene
â 135 â
levensgezellin zoeken, die u immers ook in liet huisgezin gelukkig moot maken. âEen goed paard zoekt men in den stal, een braaf meisje tehuis,quot; zegt een spreekwoord.
Zoudt gij dan werkelijk zoo dwaas zijn, christen-maagd, om uzelven tot het voorwerp te maken van ongepaste misdadige blikken, en u misschien door den eersten losbol den bosten te laten veroveren? Oneen, duizendmaal neen, niet in het danslokaal â maar in een christelijk huisgezin, daar worden in den regel de gelukkige huwelijken gesloten.
Maar, zidt gij zeggen, ik doe er geen kwaad. â Pas op! Bedrieg u zei ven niet âde boosheid heeft tegen zich zeiven gelogen. (Ps. 26. 12)
Gij hebt misschien niet gezondigd door een of andere slechte daad; maar deukt gij ook aan dat heirleger van booze gedachten, dat in uw binnenste woelt? aan die verkeerde, voor de ziel doodelijke blikken, aan die lichtzinnige gesprekken en uitdrukkingen die gij om u heen kunt hooren?
En al zondigt gij zelf ook niet, geeft gij
â 136 â
dan misschien geen aanleiding tot zonde?
En als gij God waarachtig bemint, zult gij dan niet zooveel als dit in uw vermogen is, verhinderen dat Hij beleedigd worde ?
Gij zondigt niet, zegt gij ; maar gij geeft een slecht voorbeeld en werkt tot gevaarlijke handelingen mede. Kortom: een brave jongeman en een godvruchtig meisje zullen nooit den voet zetten in een danslokaal ofwel slechts dan als zij niet anders kunnen. Zeker is het, dat â indien de jongelieden er toe konden besluiten zich van dit vermaak te on-houden â duizenden zonden vermeden en houderden veel gelukkiger huwelijken gesloten zouden worden.
Zeker, gij moet uitspanning hebben, verkwikkende uitspanning op die weinige dagen van het jaar, die u tot dat doel gegeven zijn; maar een uitspanning in eere en deugd, waarover gij u niet behoeft te schamen, die uwen geest verfrischt, uw lichaam staalt en u nieuwe krachten schenkt voor den arbeid, dien gij verrichten moet met uw lichaam of met uw geest. En dat doet het dansen niet;
het vermoeit, maar versterkt niet; het put uit, maar verkwikt niet: het verhit, maar verfrischt niet.
Het dansen is en blijft onder alle omstandigheden een gevaarlijk vermaak. Zoudtgij echter door de onvermijdelijke noodzakelijkheid gedwongen zijn en aan deel te nemen, doe het dan in gezelschap en onder toezicht van uwe ouders. Dit geldt ook voor het naar huis gaan. Weet echter wel, dat het dansen â indien het voor u een naaste gelegenheid is tot doodzonde â onvoorwaardelijk voor u verboden is, en dat aan geen enkelen dans, die op zich zolven reeds slecht is, door iemand ter wereld mag worden deelgenomen.
âHoud geen omgang met eene danseres, opdat hare kunst u niet ten verdere voere,quot; zoo vermaant de H. Geest. En al is dit woord hier in zijn ergste beteekenis te verstaan, toch ligt er duidelijk in opgesloten dat het dansen dikwijls gebruikt wordt als een middel tot verleiding, een oorzaak tot ongeluk en ondergang van ziel en lichaam.
â 138 â
HOOFDSTUK XVIL
Over den lijd der vcrkccring.
Menig schip vergaat in de nabijheid vau do haven; menig korenveld wordt getroffen door een al vernielenden hagelslag vlak voor den oogst; vele jongelieden verliezen, helaas, de zuiverheid huns harten voordat zij den h ii welij ksstand aanvaard en.
Inderdaad, hot is een droevige waarheid, dat tal van jongelingen en meisjes, die den tijd hunner jeugd in onschuld hebben doorgebracht, de voorbereiding tot hun huwelijksleven schandelijk ontwijden door hot involgen van hunne hartstochten enâ in plaats van zich den zegen des Hemels te verzekeren door de beoefening van deugd en goede zoden â door een reeks van zonden Gods vloek over zich afroepen.
Het huwelijk is heilig â wijl het door God is ingesteld en door Christus tot een Sacrament is verheven; het is heilig wijl het ook ten doel heeft de echtgenooten te heiligen, het is heilig wijl het eene afbeelding
moet zijn der vereen iginff van Christus met zijne heilige Bruid, de Kerk.
Maar als het huwelijk heilig is, dan past daartoe ook eene voorbereiding, die aan de heiligheid des huwelijks beantwoordt. Daarom: evenals gij u tot het ontvangen der H. Communie en van het H. Vormsel maanden en jaren hebt voorbereid, wijl het Sacramenten zijn. zoo moet gij u ook tot het Sacrament des huwelijks voorbereiden door de heiligheid uws levens en de ongeschonden reinheid uws harten. En toch, hoe weinig verkeeringen worden begonnen, voortgezet of geëindigd zonder zcnde !
De tijd van verkeering heeft zeker zijne rechten ; men kan het niet anders dan noodzakelijk noemen, dat twee menschen, die hun gansche leven met elkander zullen doorbrengen, vreugde eu leed, geluk en ongeluk zullen deelen, te voren in eer en deugd met elkander omgaan ton einde ernstig de proef er van te nemen, of hun hart, hunne denkwijze en karakter genoegzaam overeenstemmen om die levensgemeenschap te kunnen aanvaarden;
â 140 â
maar niet om zich schaamteloos over te geven aan allarlei ongepaste vrijheden en uitspattingen. Er is een alziend Oog. dat ook in het verborgen waakt.
Gij speelt in uwe verkeering een gevaarlijk spel, jongeling, indien gij eene persoon hebt leeren kennen met al hare verkeerde eigenschappen: pronkzucht, uitgelatenheid, trek naar pleizieren enz. en toch geen afstand van haar wilt doen; gij zijt verregaand lichtzinnig, strafbaar lichtzinnig, jongedochter, als gij weet dat een jongeling behept is met slechte eigenschappen: drankzucht, speelzucht en andere, en hem in uwe heillooze verblinding toch uwe hand reikt.â Wat zullen de gevolgen zijn van die verblinding?
Afkeer en verachting, tweedracht en onherstelbaar, eindeloos ongeluk.
Wat beteekent de bruidskrans om het voorhoofd der bruid ? Deze krans is een zegekroon; zij verkondigt aan allen, dat gij,christen-maagd, tot nog toe hebt gezegevierd over al de aanvechtingen der verleiding. Wat beteekent de bloemruiker in uwe hand en op uwe borst ?
Do eerbaarheid van uwen wan tel en de reinheid uws harten. Ach, hoe dikwijls worden deze schoone zinnebeelden treurige leugen en verblindend bedrog!
Verwelkt, reeds lang verwelkt is dikwijls de liefelijke bloesem der onschuld, en op de bruiloft volgt de ruwe, gure wintertijd met zijn nevelen en stormen, zijn donkeren hemel, en harden bodem, beroofd van allen bloemen tooi.
Bedenk het wel, christen-jongeling, chris-ten-maagd, de gedachte: âIk heb een onbesmette, reine bruid naar het altaar geleid â ik heb als reine bruid voor het altaar neergeknield,quot; zal in uw hart een gevoel doen geboren worden van onbeschrijfelijke vreugde, dat u een gelukkige toekomst zal verkondigen en bereiden evenals het morgenrood een helderen dag.
Is het u ernst om â met het oog op een toekomstige echtverbintenis â een eerzame verkeering aan te knoopen, neem dan nauwgezet de volgende lessen en wenken in acht: 1. Denk niet eer aan het aanknoopen van
â 142 â
verkeoring, dan voordat gij een bepaalden leeftijd hebt bereikt. Ofschoon hieromtrent moeilijk een algemeene regel vast te stellen valt, is do veiligste weg zich te houden aan de gewoonte die op dit stuk heerscht onder de goode Christenen zijner omgeving. Gevaarlijk en verderfelijk is een te vroeg aangeknoopte verkeering die daardoor van zelf te lang wordt voortgezet.
2. Geef uw ouders kennis van uw voornomen, en hebt gij op een bepaalde persoon uwen geest gevestigd, verzoek dan aan hare ouders dat zij u den toegang tot hun huis veroorloven. Het is zeer onpassend en onwellevend verkeering aan te knoopen zonder voorkennis der ouders beiderzijds.
3. Dat uw beider omgang gedurende de verkeering nooit plaats hebbe dan in tegenwoordigheid der ouders; nooit op geheime wegen, nooit in het duister; de deugd vordert het, het gevaar gebiedt het, het geweten beveelt het. Houdt u aan dit voorschrift vast; het is voor u een ondoordringbaar schild in iedere bekoring; blijf aan dezen
â 143 â
regel getrouw, o jongeling, dan zult gij eens als een gelukkige bruidegom, een heilige bruid naar het altaar voeren, en dan zal de gedachte aan den frissehen krans harer onverwelkte, glanzende onschuld een hoven-natuurlijken luister uitspreiden over uwe gezegende toekomst.
4. Bid veel en ijverig; zoo ooit, dan hebt gij in dezen gewichtigen, gevaarvollen tijd het gebed noodig; gij staat aan den vooravond van een hoogst ernstige beslissing. Ontvang daarom ook iedere maand de heilige Sacramenten; gij hebt behoefte aan licht, bijstand, kracht en wijsheid â en dat alles verkrijgt gij door een veelvuldig en waardig ontvangen der heilige Sacramenten.
5. Indien een jongeling, die naar uwe hand dingt, o jongedochter, zich ooit een ongepaste vrijheid zou veroorloven, verzet u dan daartegen met beslistheid en zeg: âWat moet dat beteekenen ? Voor wie houdt gij mij ? Nog eenmaal zoo iets en alles is tus-schen ons uit.quot; Het is immers de grofste beleediging, welke hij u kan aandoen, daar
hij li voor slcclit genoeg houdt, om er op in te gaan.
(5. Omhels den huwelijken staat met eene goede meening d. w. z: om in dien staat uwe ziel te redden en aan de oogmerken Gods te beantwoorden. Andere redenen, die hun oorzaak vinden in verstandig overleg en wijze berekening, bijv. om uzelven verpleging en gezelligheid te verzekeren voor uw later leven, mogen zich ongetwijfeld óók doen gelden: alleen louter zinnelijke beweegredenen moeten uitgesloten blijven; want âover degenen, die zóó den huwelijken staat omhelzen, dat zij God uit hun hart verbannen en slechts luisteren naar wellustigen hartstocht, over hen doet de duivel zijn macht gelden'. (Tob. 6, 16).
Wee de zondige verkeering! Zij rijst daar op als een schandelijke grenspaal tusschen een leven vol van zonden dat eindigt, en een leven vol van ongeluk, dat begint. Want waarin gij gezondigd hebt vóór het huwelijk, daarvoor zult gij boeten in het huwelijk. Na een korten zwijmel die uwe zinnen be-
â 145 â
dwelmt, ziet. gij tegenover u rle strenge onverbiddelijke ernst des levens: de valsche zonneschijn is verdwenen en aan den verduisterden hemel pakken zich donkere, dreigende wolken- samen. De betoovering is gebroken en de werkelijkheid staat voor u mot al haar bittere gewaarwordingen. .. .
HOOFDSTUK XVIII Over het toegeven aan genotzucht.
Wat is genotzucht ? Het onmatige streven en haken van den mensch naar de bevrediging zijner vijf zintuigen.
Het oog wil alles zien, het oor alles hooren, het verhemelte alles proeven, het lichaam zich tooien met kostbare kleedereu en genieten van al wat te genieten valt.
De zinnen stellen zoovele en zulke hoo-ge eischen, dat het onmogelijk is, ze alle te bevredigen; zij verhingen voortdurend iets nieuws, voortdurend iets dat haar streelt. Verzadigd worden zij nooit en hoe meer gij
10
â 146 â
aan haar toegeeft, des te overmoediger en aanmatigender worden zij in hare eischen.
Wèl biedt de wereld u hare meest verscheiden en uitgezochte genoegens aan: smulpartijen, drinkgelagen, tooneelvoorstel-lingen, bals, plezierreizen, â en roept zij om uwe genotzucht te voldoen, u voortdurend toe: âGeniet, geniet, bij mij is het geluk te vinden 1quot;' maar dat is zuiver bedrog, dat is een hersenschim. Zij giet met hare vermaken olie in het vuur; zij is niet bij machte den gloed te blusschen van het naar genieting smachtend hart; zij kan dien gloed slechts aanwakkeren en aanblazen, maar uitdooven nimmer. âHet oog wordt niet verzadigd door te zien, noch het oor door te hoorenquot; (Eccli. 1, 8); de zinnen zijn onverzadiglijk evenals de bloeddorst van een roofdier.
De genotzucht doet in u sterven iedere hoogere, edele aandrift, ondermijnt in u olk verheven gevoel, verlamt de wilskracht, drijft uit den geest des gebeds, maakt lauw in den dienst van Clod, koud in het geloof,
onverschillig in den godsdienst en doet de ziel langzamerhand wegzinken in het slijk van zinnelijkheid en den afgrond van wellust; âwant dat was de zonde van Sodoma en Gomorrha: de verzadiging der lusten en de overvloed (Ez. 16, 49). Evenals de bloem slechts leven kan in licht en lucht en niet in walm en zwaveldamp, evenzoo kan de ziel, dat geestelijk wezen, slechts leven in de atmospheer van het gebed, der godsvrucht en der zelfbeheersching, en niet in een door voldoening der zinnelijke lusten oververzadigd en nedergedrukt lichaam.
Evenals sissende vuurpijlen die tot een duizelingwekkende hoogte opstijgen, een kortstondigen, verblindenden schitterglans verspreiden om daarna met een akelige zwavelreuk weer op de donkere aarde neer te vallen, zoo is ook de schittering der wereldsche vreugden slechts van korten duur en laten deze in de bitter teleurgestelde ziel slechts een troostelooze leegte en een folterende pijn achter. Zoo hooien wij koning Salomon klagen, die schijnbaar de
â 148 â
gelukkigste was aller stervelingen: âIk zal heengaan en ten volle toegeven aan mijne lusten, mijne zinnen niets weigeren en van liet goede genieten; maar ik zag, dat alles ijdelheid was.quot;
Dit erkenden zelfs reeds vele heidenen door het hloot natuurlijke licht hunner rede. Vandaar hun spreuk: âVerdragen en onthouden.quot; Hoeveel te meer moet dit de leus van den Christen zijn !
Gij zijt Christen en als zoodanig een leerling van Hem, die gezegd heeft: âNeem uw kruis op en volg mij na.quot; En de apostel Paulus leert u dat âhet rijk van Christus niet bestaat in eten en drinken.' (Hom. 14, 17). Zie, uw Meester gaat u in het verduren van kruis en lijden, van versterving en onthouding, vóór, en gij, zijn leerling, zoudt willen zwelgen in de voldoening uwer lusten en u baden in zinnelijke genietingen ? Dan zou er van uw Christendom weinig anders overblijven dan alleen de naam. Als Christen hebt gij verzaakt aan den duivel en zijne ^verken, aan de wereld en hare pracht; dus
â 140 â
ook aan alle ongeoorloofde genoegens, en dat jagen naar bedwelming en voldoening uwer hartstochten, waardoor gij bijna nooit meester zijt over uzelven, u bijna nooit gelukkig gevoelt in den stillen kring uwer familie, in het verkeer met God, door gebed en overdenking.
De zucht naar genot knaagt aan uwen zielevrede, aan uw huiselijk geluk, aan uwe gezondheid, aan uw vermogen en aan uw voorspoed, als een doodelijke kanker. De mensch wordt niet rijk dooi- groote winsten, maar veel meer door beperking zijne uitgaven.
De zucht naar genot is de bron der armoede, de spaarzaamheid de moeder der welvaart. âDie van genietingen houdt, zegt de H. Schrift, âzal arm worden; die niet kan zonder wijn en uitgezochte spijzen, wordt niet rijkquot; (Spr. 21. 17)
âEau arbeider die aan den drank verslaafd is, zal niet rijk worden.quot;
Verzadiging der zinnelijke lusten verwekt ontevredenheid met u zeiven, walging en
â 150 â
levenszatheid. Alles, alles loopt gevaar door het toegeven tuin genotzucht: uwe tijdelijke belangen zoowel als uwe eeuwige. Daarom: dood aan die genotzucht, dood aan de begeerlijkheid !
De rijke vrek brandt in de hel en de arme Lazarus verheugt zich in den schoot van Abraham. Wees niet zoo dwaas om ter wille van de aardsche vreugden de hemelsche te verspelen.
HOOFDSTUK XIX
Vermijd de opschik in uwe kleeding.
Het is een opvallend verschijnsel, dat de mensch zich zooveel laat gelegen liggen aan zijne kleeding, die hem toch niet het minste in waarde doet stijgen; dat hij zich opsiert en optooit dermate, dat het veeleer tot zijn oneer strekt.
,.Wees niet trotsch op uwe kleeding,quot; zegt de H. Schrift. Uwe kleeding, mijn
â 151 â
kind, maakt goun deel uit vau uw wezen, van uwen persoon.
Atkomstig van de dieren â liet schaap of de zijdeworm â wordt zij ook wederom door de dieren â de motten â verteerd.
Hoe zou dan de kleeding kunnen bijdragen tot de waarde van uwen persoon?
Wat is het toch wel, dat gij optooit met goud en zijde'? Ach, niets meer dan stof en asch, niets anders dan een weerloos speeltuig van de ziekte en den tijd. De kleederen dienen om het onderscheid van stand aan te duiden, zij dienen tot bescherming der eerbaarheid en der gezondheid, tot afwering van hitte en koude, tot vertolking van een innerlijk gevoel: van eerbied, vreugde of droefheid, maar geenszins tot bevrediging van uwe ijdelheid. Beantwoordt uwe kleeding aan genoemde doeleinden niet, dan is zij berispelijk en verwerpelijk.
Dwaasheid en ijdelheid is het, u te kleeden boven uwen stand. Evenals de tooneelspelers, die zich kleeden in het gewaad van vorsten en koningen, geeft gij u uit voor hetgeen gij
niet zijt; in plaats van de werkelijke waarheid te huldigen, neemt gij een bedriegelijken schijn aan, gij verheft u tot een hoogte, waarop God u niet heeft willen plaatsen. En ondanks al dit ijdel en nutteloos pogen verraadt gij onder alle opzichten uwe afkomst, en oogst gij in plaats van achting en aanzien slechts den spot en de geringschatting in van alle verstandige menschen. Een pop, zij moge nog zoozeer zijn opgedirkt, blijft toch altijd maar een pop; een afgodsbeeld, al is het behangen met goud en edelgesteente, blijft een afgodsbeeld en een vlinder, al heeft zij een paar schoone bonte vleugels, blijft altijd een leelijke rups.
âDwaas is hij die, al hij een paard koopt, naar het optuigsel van het dier ziet en niet naar den bouw, maar nog veel dwazer degene, die een mensch beoordeelt naar zijne kleeding,quot; zegt de wijze Seneca.
Zondig wordt de kleeding, wanneer zij de zedigheid schendt, en in plaats van eerbaarheid en onschuld te beschermen, een werktuig wordt van verleiding in dienst
â 153 â
der wellust. Een kleeding die het fatsoen en het schaamtegevoel een slag in het aangezicht geeft, moest door den rechter gestraft en door de menschen aan een algemeene verachting prijsgegeven worden.
Hoe verschrikkelijk heeft Christus voor de wellustige schaamteloosheid der menschen geboet door zijn bloedige ontkleeding!
't Is een erbarmelijke kleingeestigheid met uzelven te kijk te loopen en door uw even onpassende als ongewone kleeding aller oogen tot u te trekken. In de uitstalkasten zijn immers kleedingstukken tentoongesteld van alle soorten, naar keur en keus, en gij behoeft waarlijk uw best niet te doen om de aandacht van het publiek daarop te vestigen.
Overigens zal deze ijdelheid u of anderen ten slotte ruïneeren. Gevaarlijk is het voâ¬gt;r uwe gezondheid kleederen te dragen die te nauw sluiten, het lichaam in een dwangbuis wringen, den bloedsomloop verhinderen en uwe inwendige organen in hun werking bemoeilijken. O, hoevele meisjes van uwen leeftijd bijv. hebben door deze dwaze ijdel-
â 154 â
heid in zich de kiem opgenomen van een langdurige ongeneeselijke kwaal. hoevelen zijn daardoor zelfs reeds een plorselingen dood gestorven 1
Zeker, op Zon- en feestdagen, en wanneer gij bezoeken hebt af te leggen, dient gij beter dan gewoonlijk gekleed te zijn, om uwen eerbied voor God en uwe achting voor dengene wien uw bezoek geldt, ook uitwendig te toonen; maar niet om met uzelven te pronken en voor u den wierook der alge-meene bewondering te laten branden. Uwe kleeding zij volgens uwen stands proper, fatsoenlijk, overeenkomstig het algemeen gebruik en uwe eigen omstandigheden; is zij dusdanig, dan kunnen noch God, noch de menschen, noch uw eigen geweten daartegen iets inbrengen. Wees niet haantje-de-voorste om een nieuwe mode te volgen, als ge ten minste niet wilt doorgaan voor een modepop; wees ook niet de laatste om een verouderde mode af te leggen, anders zou men u â en terecht, houden voor een zonderling.
Uw schoonste sieraad is reinheid des har-
â 155 â
ten en onschuld. âDe bevalligheid is be-driegelijk en de schoonheid ijdel; maar eene vrouw, die den Heer vreest, zal geprezen wordenquot; (Spr, 31, 31.)
âBeschouw u zeiven dagelijks in den spiegel, d. w. z. in Jesus Christus; sier u uiten inwendig met de bloemen van velerlei deugden en draag de kleederen, die passen aan de dochter en de bruid van den allerheiligsten Koning,'quot; zegt de H. Clara.
Denk eens aan het treffende voorbeeld van de heilige Adelheid, de weduwe van keizer Otto den Groote; zoodikwijls zij in keizerlijke pracht, met de schitterende kroon op het hoofd en den purperen met goud gebor-duurden mantel om de schouders in het openbaar moest verschijnen, werkte zij aan haar eigen lijkwade, ten einde door dezen ern-stigen arbeid en het gezicht van haar doodskleed iedere opwelling van ijdelheid in zich te onderdrukken en alle zucht naar behagen te dooden. Die lijkwade is haar voorzeker heilzamer geweest dan het koninklijk gewaad.
Koning Lodewijk de IXe, de heilige,
â 156 â
verbood zijn dochters zich des Vrijdags te tooien met hare hoofdsieraden, wijl op dien dag de Heiland den bloedigen doornenkroon had gedragen. Leer gij daaruit, nederig te zijn, opschik en ijdelheid te verachten.
O, hoe verstandig zoudt gij zijn, indien gij â in plaats van het zoo moeilijk verdiende geld te verspillen aan onbeduidende prullen, een kleine som bijeenspaardet voor de onzekere dagen die komen kunnen!
Neen, volg veeleer de sterke vrouw na, van wie Salomon zegt dat âhare waarde zoo groot is als van zaken, die komen van de uiterste grenzen.quot;'
âZij ziet om naar een akker en koopt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijnberg. Zij vreest voor haar huisgezin de koude niet, want al de haren zijn dubbel gekleed ; zij maakt hemden en verkoopt die, en levert gordels aan de Kanaanieten.quot; (d. w. z. de kooplieden^ (Spr. 31, 10 en vgl.)
Hoe edel zoudt gij handelen, wanneer gij in plaats van toe te geven aan uwe ijdelheid, uw goede ouders onderhieldt of hen van
â 157 â
tijd tot tijd verrastet met een passend geschenk ! Dat zou een kapitaal zijn, dat voor den hemel duizendvoudige rente zou afwerpen.
HOOFDSTUK XX.
Wec.s rechtvaardig cn milddadig!
Ofschoon de Almachtige aan het mensch-dom in het algemeen het bezit dezer aarde heeft geschonken: âVervult de aarde en onderwerpt haarquot; (1 Gen. 1 2d) heeft Hij toch tot handhaving der orde en tot verzekering van den algemeenen vrede gewild, dat het privaat-bezit zou worden ingevoerd, waardoor de afzonderlijke personen zouden bezitten en niet de gemeenschap.
Dit privaat-bezit wordt verworven door inbezitneming van een onbeheerd goed, door eigen werkkracht, en door erflating.
Daar God nu het privaat-bezit voor de algemeene welvaart heeft ingesteld, treedt
â 158 â
Hij ook als beschermer daarvan op met de woorden: âGij zult niet stelen!'' Iedere ontvreemding of beschadiging van eens anders goed is dus zonde; want God zegt uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk: âGij zult niet stelen 1quot;
quot;Vraag daarom niet: Is de eigenaar rijk of arm, goed of slecht, bemiddeld ol behoeftig, heeft hij veel of weinig? maar denk slechts aan dit ééne: âGij zult niet stelen!quot;
Het was noodig dat dit gebod gegeven werd, van den eenen kant wegens de onver-zadiglijke hebzucht der menschen en anders-zijds om de veelvuldige manieren waarop het kan worden overtreden. Het was noodig, wijl er menschen gevonden worden, krankzinnig genoeg om een algeheele verdeeling van het bezit te eischen, een roekelooze poging, die niet alleen de door Gods Voorzienigheid Vastgestelde wetten aantast, maar ook den ondergang na zich sleept van alle orde: in den staat, in de Kerk, in het huisgezin; een nuttclooze poging, daar in den tegen woord igen toestand der menschheid
â 150 â
evenmin strikte onpartijdigheid eu onomkoopbaarheid der verdeelenden als bevrediging der toebedeelden denkbaar is.
Gij zondigt tegen dit gebod door roof en diefstal, door bedrog in den handel, door woeker, door helen en het koopen van ge-stolene zaken.
Gij zondigt tegen dit gebod door directe medewerking bij den diefstal, of ook daardoor dat gij de onrechtvaardigheid niet verhindert, welke gij volgens overeenkomst of volgens plicht verhinderen moest.
Gij zondigt tegen dit gebod als gij geleende of gevondene zaken niet teruggeeft, ofschoon gij den bezitter er van kent; als gij uwe schulden niet betaalt of door verkwisting u zeiven in de onmogelijkheid brengt die te betalen.
Gij zondigt tegen dit gebod, als gij voor uwen arbeid of uwe koopwaar te veel geld eischt of onrechtvaardige processen op touw zet; als gij moedwillig eens anders vee, weiland, boomen, hekken, plantsoen, of welk
â 160 â
ander eigendom ook, bederft, of ten na-deele van anderen uwen plichtmatigen arbeid niet verricht.
Gij ziet dus dat de zonde van onrechtvaardigheid op verschillende manieren kan worden bedreven. De zwaarte daarvan hangt zeer zeker af van het bedrag der ontvreemde geldsomen do waarde der zaak welke wordt verwaarloosd of beschadigd, maar ook van de omstandigheden van dengene die de schade lijdt. âWeinig met rechtvaardigheid is beter, dan veel met onrechtvaardigheidquot; (Spr. 10, 8).
Indien gij iemand op de een of andere wijze schade hebt toegebracht, haast n dan die schade naar best vermogen weer goed te maken; ook een ongegrond uitstel van teruggave is zonde.
Hebt gij schulden, betaal ze; kunt gij dit voorloopig niet, doe dan uw best om door spaarzaamheid en arbeidzaamheid uwe verplichtingen zoo spoedig mogelijk na te komen.
Vindt gij iets dat u niet toebehoort, tracht dan den vinder op te sporen en stel hem
â 161 â
het gevondene eerlijk ter hand. Kimt gij dit niet, doe dan wat de burgerlijke wet voorschrijft. Neem nooit iets aan, dat gestolen is, koop nooit onrechtvaardig goed, help niemand tot een of andere onrechtvaardige daad.
Zijt gij, met uw eigen medeweten, in het bezit van iets, dat toebehoort aan een ander, verzuim dan niet het terug te geven. Zonder deze teruggave, of ten minste zonder den ernstigen en werkzamen wil daartoe, is er voor u geen vergiffenis mogelijk.
Luister naar hetgeen God beval in het Oude Verbond: âAls iemand een os steelt of een schaap, dan zal hij vijf ossen voor dien eenen en vier schapen voor dat eene teruggevenquot; (2 G-en. 22, 1.) âAls iemand een akker of een wijnberg beschadigt en er zijn vee in laat loopen, zoodat het graast op vreemden grond, hij zal het beste dat hij heeft op zijn akker of in zijn wijnberg naaide waarde der toegebrachte schade teruggevenquot; (2 Gen. 22, 5.)
En zoo moet ook in het Nieuw Verbond
11
â 162 â
-
de teruggave geschieden, al is het dan ook niet op dezelfde wijze.
âEerlijkheid duurt het langst,quot; zegt een oud spreekwoord; Gods zegen rust op de eerlijkheid. Op de eerlijkheid is het vertrouwen ; ree der menschen onderling gegrondvest, en uw , uw eigen aanzien hangt af van de eerlijkheid, ^ ooi-deel in deze zaak niet volgens de ziens- gt; be* en spreekwijze eener hebzuchtige wereld,
maar handel naar de onveranderlijke uitspraken der eeuwige Waarheid.
âEen valsche weegschaal is voor den Heer bel een gruwel, maar een rechtvaardig gewicht 1 pl is hem welgevalligquot; (Spr. 11, 1)- «Onrechtvaardig goed gedijt niet.quot; Het brengt slechts ongeluk en schande over u en de uwen. En al moge misschien geen zicht- \
vei dai
a me dei gij
(
zuc der har eer ker aardig
baar strafgericht over u komen, de wroeging des gewetens, de zekerheid van het oordeel Gods na den dood, de overtuiging van de ^ onverbiddelijke noodzakelijkheid der teruggave, dat alles moet ieder genot van het onrechtvaardig verworven goed, noodzakelijkerwijze voor u onmogelijk maken en u
I
â 163 â
veel meer foltering en lijden veroorzaken dan het bezit van dat goed zelf u vreugde zou kunnen schonken.
Laat ieder het zijne behouden! Hot onrechtvaardig verworven goed wordt nimmer uw eigendom; teruggeven moet gij: dat goed volgt zijn bezitter, evenals de schaduw haar beeld. Is het dan niet dwaas uzelven iets toe te eigenen, wat nooit het uwe worden kan ?
Eenmaal komt de dood voor wien armen en rijken gelijk zijn; hij zal u niets laten behouden dan een lijkkleed en een kist van planken. Gij hebt bij uwe komst in deze wereld niets medegebracht, gij zult evenmin iets me-denemen als gij daaruit vertrekt; waarom haakt gij dan zoozeer naar onrechtvaardig bezit?
Onderdruk en verban uit u zeiven de zucht naar opschik en genot, de onmatigheid, den hoogmoed, de ledigheid, kortom al die hartstochten, groote en kleine, die in het eerst ongetrouwheden Van mindere betee-kenis, vervolgens diefstallen van érnstiger aard en ten slotte de grootste onrechtvaar-dighedou tou gevolge hebben.
â 164 â
Wees veeleer milddadig jegens armen en w(
noodlijdenden; door de werken van naasten- S da
liefde zult gij u blijvende schatten verzame- Hâ¬
len, die noch door de dieven geroofd, noch ' tra
door de mot verteerd worden. Want âsom- en migen deelen hunne bezittingen uit en
worden rijker, anderen rooven ze en blijven ^ mc
altijd arm' (Spr. 11, 24). be!
^De hand des armen is de offerbus van | de Christus,quot; zegt teekenend de H. Chrysologus; wat gij daarin werpt, wordt door Christus arl ontvangen. Geef aan den arme van uwe j de: aardsche bezittingen, opdat gij hemelsche (p moogt ontvangen; geef aalmoezen, ten einde voor uzelven het rijk des hemels te koopen. Wat gij den arme geeft, geeft gij aan ^ uzelven. âIk wil barmhartigheidquot;, zoo | .f spreekt de Heer; weigert gij nu aan God
wat Hij wil, dan wilt gij, dat aan u geweigerd worde, wat Hij u wenscht te geven. Ze De barmhartigheid woont in den hemel; gij 0I1 bereikt haar door de werken van barmhartigheid, welke gij zelf beoefent op de aarde.
âGeef aalmoezen naar uw vermogen en
â 165 â
wond van geen arme uw aangezicht af. Wees dan barmhartig naarmate gij het zijn kunt. Hebt gij veel. geef dan veel; hebt gij weinig, tracht dan ook van dat weinige iets te geven, en doe het gaarnequot; (Tob. 4, 7).
âMijn zoon, onthoud den arme uwe aalmoezen niet en wend uwe oogen van den behoeftige niet af' (Eccli. 4,1); maar âreik den arme uwe hand volgens uw vermogen (Eccli. 14, 83),quot; âwant zalig hij, die den arme en behoeftige gedenkt; op den dag der smarten zal de Heer hem verlossenquot; (Ps. 40, 1).
XXI HOOFDSTUK, arbeidzaam.
De arbeid is voor den mensch een plicht. Zelfs vóór den zondenval, in den staat van onschuld moest de mensch arbeiden: âGod plaatste den eersten mensch in den lusttuin, opdat hij dezen zou bebouwen.quot; (1 Gen. 2,15); de arbeid was echter toen voor hom niet
â 166 â
an fiers cliin een aangename verpoozirg. Sinds clen zondeval onzer stamouders is die arbeid eeno straf geworden voor heel het mensche-lijk geslacht. âIn het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, totdat gij terugkeert tot de aarde waaruit gij genomen zijt.' (1 Gen. 3, 19).
Een zwaar juk ligt op de kinderen Adams van den dag hunner geboorte tot op den
dag, dat zij allen in de aarde begraven worden.quot; (Eccli 40, 1). âDe mensch is geboren om te arbeiden, gelijk de vogel om te vliegen.quot; (Job. 5, 7). Daarom staat de mensch dan ook voor de onvermijdelijke keuze; ofwel arbeiden, ofwel te gronde gaan.
Arbeiden is leven. Die riet arbeidt, is een lijk vóór zijn tijd. Het leven, zoowel het geestelijke als het lichamelijke spreekt zich uit door den arbeid; zonder arbeid geraakt de mensch in een toestand van ver-
dooving cn versuffing.
Beschouw den boom, een der liefelijkste heelden uit de natuur : hij schiet botten en knoppen uit, bloeit en geurt, en wuift onder
den adem der winden lustig met zijn bladerrijke kruin ; bij het gebulder der stormen ruischt en suist hij, en werpt als de tijd gekomen is, zijn overvloedige vrucht af in den schoot des landmans, â ziedaar het beeld van de arbeidzaamheid. Doch beschouw nu de dorre tak, die aan den machtigen stam naar beneden hangt, en die zonder loof, zonder sap en zonder vrucht, wordt afgehouwen als een overtollige last, alleen nog bruikbaar als brandhout in den vuurhaard â dat is-' het beeld van den lediggangen
Wilt gij niet vroegtijdig uwe jeugdige krachten verloren hebben en afgeleefd zijn; wilt gij geacht worden door uwo medemen-schen, vees dan vlijtig en arbeidzaam. Eens konings eer is gelegen in het waardig uitoefenen zijner macht, de onze in den arbeid onzer handen.
Ofschoon de arbeid gepaard gaat met moeite is hij toch een bron van zoete vreugde. Welk een verkwikkende voldoening vervult uwe ziel als de avondklok het uur van rust aankondigt na een wèlbesteeden, in arbeid
â 168 â
doorgebnichten dag 1 Wat onuitsprekelijke blijdschap doorstroomt geheel uw wezen, zoo dikwijls gij, na veel geestesinspanning, iets nuttigs hebt tot stand gebracht; dan zijt gij van uw werk de schepper geworden en kunt gij, daarop neerziende, het getuigenis afleggen, âdat alles goedquot; is.
Ofschoon de aartsvader Jacob een rijkdom bezat van kudden en landerijen, vond hij zijn grootste vreugde in het bedt van zijn kleinen akker in het land van Sichem, wijl hij dien met het zwaard veroverd had van de Amorrhieten ; en daarom schonk hij ook deze hem bijzonder dierbare bezitting aan zijn zoon Joseph, dien bij het meest Lefhadv
De arbeid is ook een bron van welvaart. Gelijk de zon op het morgenrood, zod volgt welvaart op vlijtigen arbeid. âTk ging langs den akker van den luiaard en zag dien overdekt met distelen en doornen, vol van onkruid en giftplanten; ik kwam voorbij den akker van den arbeidzamen man â en deze vertoonde een rijken, gouden oogst.
De arbeid â het spreekt vanzelf dat bier
â 169â
bedoeld wordt de redelijk en verstandig beoefende arbeid â is de waarborg van een voortdurende gezondheid; daardoor wordt aan het lichaam de noodige beweging verschaft tot verwerking der aangevoerde sappen en in de zenuwen en spieren die lenigheid onderhouden, welk de levensverrichtingen dier organen vorderen.
Wat het anker is voor een schip, de wortel voor een boom, het fundament voor een huis, dat is de arbeid voor den wil. De arbeid geeft den wil kracht, volharding, standvastigheid en weerstandsvermogen in alle moeilijkheden en beproevingen.
Zorg daarom dat de duivel u altijd bezig vinde, dan hebt gij een krachtigen steun tegen bekoring en verleiding.
Met de lediggangers heeft hij gemakkelijk spel; want âledigheid is des duivels oorkussen,' en de ledigheid is de moeder van vele ondeugden.
Zie om u heen; overal beweging en bedrijvigheid. De zon en de sterren, de aarde en de zee, de leeuw en de worm, de vogel
â 170 â
en de visch, boomen en planten, kortom al het geschapene streeft, krachtens Gods hevel, naar het bereiken van zijn doel. Welk een schande indien gij. koning der natuur, de voorkeur er aan zoudt geven om lui en traag te zijn, om werkeloos en als het ware dood te blijven te midden van het om u heen heerschende leven! Daarom heeft de H. Geest voor den luiaard slechts woorden vau verachting: âDo luiaard is getroffen door een steen met drek en allen spreken van hem met verachting; hij is bezoedeld met ossenmest; die hem aanraakt, wisclit zich de handen af.quot; (Eccli. 22, 2.) d. w. z.: de luiaard is gewoonlijk behept met de slechtste eigenschappen, die hem tot een voorwerp maken van algemeene geringschatting en verachting; ieder eerzaam man wendt
zich van hem af.
Behoort gij tot den arbeiders- of handwerkersstand, dan zijt gij, volgens de chiis-telijke levensbeschouwing, in den verheven-sten en meest verdienstelijken stand der wereld geplaatst: in dien stand namelijk,
â 171 â
dien Christus, de Heer. op aarde voor de zijnen heeft gekozen. Indien gij nu leeft van het werk uwer handen, âdan zijt gij ook uw loon waardquot; (1 Tim. 5, 18); en hebt gij te klagen over wanverhouding tusschen arbeid en loon of over andere misstanden, dan weerhoudt niets u om die klachten aan de bevoegde personen en in den passenden vorm te uiten; maar hoe rechtmatig deze klachten ook mogen zijn, toch blijft het op deze ellendige wereld onmogelijk, daaraan geheel en al tegemoet te komen : de arbeid is nu eenmaal een straf der zonde.
Laat u intusschen niet bedriegen door de valsche leuzen van die mannen, welke, geweldig in het vernielen en afbreken, maar machteloos waar het geldt op te bouwen, den arbeider aanzetten tot ontevredenheid en hem allerlei hersenschimmen van een onbereikbaar geluk voor don geest tooveren, ten einde de jammerlijke onhoudbaarheid hunner drogredenen te verbergen, en houd u ervan overtuigd dat door dergelijke leerstelsels veel meer onheil over de menscben wordt ge-
â 172 â
bracht, clan door de misstanden waarover gij u misschien te beklagen hebt.
âBid en werk!quot; Dat was de spreuk dei-oude monnikken, en daarmede hebben zij de meest verbazingwekkende wonderen gewrocht; daarmede hebben zij de wildernis herschapen in heerlijke landouwen, de eenzame, dorre woestenijen in vruchtbare akkers, de naakte bergruggen beplant met wijnstokken, scholen gesticht en opgevoerd tot onge-kenden bloei; zij hebben prachtige kathedralen gebouwd en deze versierd met de heerlijkste beelden en schilderstukken; in de eenzame cel hebben zij de oude perkamenten afgeschreven en zoo de geestesvoortbrengselen der oudheid bewaard voor het nageslacht. Zonder hunne vlijt zou geheel het menschelijk geslacht nog zoo goed als vreemd zijn op het onafzienbaar gebied van kunst en wetenschap ; en dat alles hebben zij tot stand gebracht door hun onvermoeiden vlijt en onuitputtelijke werkkracht.
Bid en werk! Een arbeid, die tusschen twee Weesgegroeten in ligt, wordt door God
â 173 â
gezegend, zegt de H. Alphonsus; ja zelfs terwijl gij arbeidt, bidt gij, indien gij uwen arbeid verricht met eene goede meening.
Bid en werk! dat zij ook uw beginsel. Bid, want gij zijt christen; arbeid, want gij zijt mensch. Gij staat in de wereld niet alleen; gij moet arbeiden met anderen en voor anderen. Slechts dan hebt gij waarachtige waarde in de oogen Gods en in die der menschen, als gij uw leven vruchtbaar maakt door gebed en arbeid en nuttig tracht te zijn voor uzelven en voor anderen. God geeft u den tijd, maak daarvan een goed gebruik; de verloren tijd komt nimmer terug. God heeft u ook talenten gegeven ; begraaf die niet, maar woeker er mede, opdat gij eens met vertrouwen uzelven zult kunnen verantwoorden, wanneer Hij u rekenschap vragen zal van zijne gaven en genaden.
â 174 â
HOOFDSTUK XXII.
Over de ontspanning.
De boog kan niet altijd gespannen blijven, zegt liet spreekwoord, d. w. z. de mensch kan zich niet voortdurend met arbeiden bezighouden. En dit spreekwoord geldt ook voor u, die onophoudelijk bezig zijt met lichaams- of geestesarbeid
âKruid uw rusteloozen arbeid van tijd tot tijd met scherts en spel, opdat de verteerende zorg uw leven, dat zooveel kan opleveren, niet verkorte,quot; zegt een oud wijsgeer. De arbeid, zoowel die des geestes als die des lichaams verbruikt voortdurend uwe krachten, en deze moeten wederom worden hersteld door voedsel en ontspanning. Vandaar dat in het latijn aan de ontspanning met recht en reden de naam wordt gegeven van recreates, d. w. z. herschepping. Ja, de Schepper wil u opnieuw scheppen, herscheppen, wanneer gij naar Zijn gebod quot;Hem een gedeelte uwer krachten hebt opgeofferd in zij non dienst en in trouw aan uwen beroepsplicht. God
â 175 â
schenkt u niet slechts iedere week een rustdag, maar Hij wil in zijn vaderlijke goedheid U daarenboven na volbrachten arbeid gaarne eenige uren schenken vau weldadige verkwikking.
Intusschen : de mensch is steeds geneigd tot het misbruiken der hem geschonken goederen ; ontstaan er nu in de wijze van uwe ontspanning misbruiken, dan zijn deze berispelijk.
De ontspanning moet boven alles ontspanning blijven, d. w. z. de rust mag eerst een aanvang nemen na den arbeid, als de behoefte daaraan zich doet gevoelen; een ontspanning die altijd voortduurt is niets anders dan luiheid.
De arbeid is het zout der ontspanning ; slechts de arbeid verleent aan de ontspanning hare aantrekkelijkheid en weldadige werking ; alleen hij geniet van de ontspanning die haar door moeite en inspanning verdiend heeft; dan is de inspanning een weldaad en de rust een verkwikking; zonder de arbeid is de ontspanning doelloos ;
â 176 â
de arbeid is regel, de ontspanning uitzondering. Zij is gelijk aan een kostbare spijze : matig gebruikt, behaagt zij it; te dikwijls genomen, krijgt gij ook van haar een walging. âAlles heeft zijn tijd,-' zegt de H. Geest: er is een tijd van weenen en een tijd van lachen, een tijd van klagen en een tijd van genoegen,quot; (Eccl. 3, 1), dus ook een tijd van arbeiden en een tijd van uitrusten. âGod doet alles goed, te zijnen tijde,quot; doe eveneens en gij zult uw leven inrichten volgens den heiligen wil Gods.
Veroorloof uzelven nimmer eene ontspanning waardoor do christelijke zedigheid of de goede toon wordt bèleedigd. Schreeuwen, joelen en dergelijke zijn uitspanningen voor wilden â niet voor beschaafde menschen, veel minder voor Christenen; ontvlucht alle vermaken die in zich zelf zondig zijn of tot zonde leiden. Een waarachtige ontspanning is voor u onbestaanbaar wanneer de worm der gewetenswroeging aan uw hart knaagt of de doorn der zonde u pijnlijk door de ziel dringt.
â 177 â
Veroorloof uzelven ook nimmer eeneVmt-spanning die voor anderen een reden is tot verdriet; dus niet zulk eene, welke u verboden is door uwe ouders en overheden. Iedere vreugde, die gekocht wordt ten koste van de droef heid der ouders is veel te duur en een rechtgeaard kind onwaardig.
Zoek uwe. ontspanning in fatsoenlijk gezelschap met opgeruimde en onschuldige personen van uwen leeftijd. Vlucht de vermaken der boozen; alleen met de goeden kunt gij waarlijk blijmoedig, alleen met hen wier gedrag onberispelijk is, vroolijk zijn. Dit begreep de jonge Tobias; nooit zegt hij, heb ik mij gemengd onder de boozen, noch mij gevoegd bij degenen, die wandelen in lichtzinnigheid.quot; (Tob. 3, 17). Neem uwe ontspanning op eene wijze die past aan uwen stand en aan uw geslacht; en ook de plaats waar gij u een dergelijke ontspanning veroorlooft, zij daarmede in overeenstemming.
Laat uwe ontspanning niet langer duren dan den tijd welke daartoe door uwe ouders en den regel des huizes is vastgesteld. Tedere
12
_ 178 â
ontspanning mist haar doel. indien zij U voor den op handen zijndcn arbeid ongeschikt maakt; een ontspanning zonder grenzen en mate is veeleer afmattend dan versterkend. Mag dat een ontspanning heeten, zulk eene die u vermoeit, en die, in plaats van u nieuwe krachten te schenken voor den arbeid, een nieuwe rust voor u noodzakelijk maakt? Ontspan uzelven, niet om uwe plichten te verwaarloozen, maar om uzelven tot de vervulling daarvan wakkerder en kloeker te maken.
Een der meest gewone ontspanningen is het spel, en bij het spel gaat het gewoonlijk om geld; intusschen is de winst niet het eigenlijke doel van het spel, maar slechts een prikkel om de deelname aan het spel levendiger en opgewekter te doen zijn. Daai -om zij de inzet slechts van geringe waarde en ga deze niet boven uwe krachten. Het spel is immers geen kostwinning, maar slechts een ontspanning. Maar hoe kunt gij in het spel een ontspanning vinden, wanneer de zucht om te winnen u voortdurend in hart-
â 179 â
stochtelijke opgewondenheid doet verkeeren, of de vrees om te verliezen, veel te verliezen u een angstige gejaagdheid bezorgt? Hartstochtelijk spelen is altijd gevaarlijk spelen. Speel daarom niet met het doel om te winnen, niet uit hartstocht. Bij het spel â meer dan bij eenige andere gelegenheid â komen de zwakheden en inwendige onvolmaaktheden des menschen aan het licht ; gedraag u dan zóó, dat uw kalmte en opgeruimdheid u steeds maken tot een aan-genamen medespeler; wees niet uitgelaten als gij wint, niet terneergeslagen of knorrig als gij verliest.
Wacht u voor oneerlijkheid en valschheid! Ach. het meest onschuldige spel eindigt soms met twist en strijd, met vijandschap en betreurenswaardige daden! Goed spelen is zeker een kunst; maar onder het spel altijd kalm te blijven, is een veel grootero kunst. Houd u nooit bezig mot het zoogo^ naamde hasardspel; want dit spel kent geeu ander doel dan te winnen, en djiariii ligt juist het gevaar. De winst wordt daav
â 180 â
toogewozon door liet blinde lot; verstand of berekening hebben niets in ts brengen. Wordt gij echter uitgenoodigd om meê te doen in een hasardspel dat van onschuldigen aard is, laat dan de inzet nog geringer zijn dan anders. Om alles saam te vatten : â Zoek uw ontspanning en vermaak niet op de paden der goddeloozen, en laat de weg der zondaren u niet aanlokkenquot; (Spr. 4, 14).
HOOFDSTUK XXIII.
Vermijd alle ruwheid.
Ruwheid is altijd in strijd met het fatsoen.
Het fatsoen wordt beleedigd door onbehoorlijkheden van allerlei aard; door geschreeuw en rumoer, door luidruchtigheid en woest gezang, door plagen en schelden, door valsche streken en mishandeling van menschen en dieren, door uitgelatenheid onder lederen vorm en hartstochtelijke uitbarstingen van toorn, kortom: door alles Wat
â 181 â
u als mensch niet past en als Christen onteert.
Gij leeft te midden eener beschaafde wereld, eener wèlopgevoede maatschappij en als lid dezer maatschappij rust op u de plicht u zóó te gedragen als de maatschappelijke verhoudingen rondom u dat vorderen-en gelijk anderen zich ook gedragen tegen over U.
Als mensch zijt gij het edelste schepsel op aarde; als Christen een kind Gods ; doe dus nooit iets waardoor gij deze dubbele waardigheid zoudt verliezen. Indien gij echter uzelven wilt bewaren van alle ruwheid in het openbaar, onthoud u dan ook van alle ruwheid in het geheim.
Eerbiedig uzelven, dan zult gij ook door anderen geëerbiedigd worden; deze eerbiediging van uzelven is eeu onvoorwaardelijk vereischte, indien gij de achting van anderen wilt verdienen. Werpt gij uzelven weg, dan moet gij niet rekenen op hoogschatting van anderen. âDraag zorg voor uw goeden naam, want hij zal voor u van langer duur
â 182 â
zijn dan duizend kostbare schatten. De dagen van een goed leven zijn geteld, maar een goede naam blijft in eeuwigheid.1' (Eccli. 41, 15, 16.)
In dezen zin vermaant de apostel Paulus de Romeinen: Legt u toe op het goede, niet slechts voor God, maar ook voor de menschen.quot; (Rom. 12, 17) d. w. z. leeft zóó, dat uw wandel niet slechts welgevallig zij aan God, maar ook zonder aanstoot voor de menschen, zelfs voor uwe vijanden.
Gij hebt immers de achting uwer mede-menschen noodig om hun vertrouwen te verwerven; hun vertrouwen om vooruit te komen; vooruitgang om ten minste tot eenige tijdelijke welvaart te geraken.
Ruwheid is het kenteeken van een â uit gebrek aan opvoeding of uit verwaarloozing daarvan â verwilderd gemoed. De deugd geeft aan geheel uw wezen een hoogeren adel en een onweerstaanbare bekoorlijkheid â de boosheid daarentegen maakt van u een voorwerp van afkeer en walging. Ruwheid pleit waarlijk niet voor uwe opvoeding.
â 183 â
Euw wordt gij in deu omgang met bande-looze, ongemanierde menschen. In een ruwe omgeving wordt alle bescheidenheid, alle ingetogenheid gedood.
Ruwheid is het begin of het gevolg van zedelijk verval. Wat helpt het u, mijn kind, wanneer gij allerlei goede eigenschappen, ja zelfs deugden bezit, als gij haar glans verduistert door den grauwen nevel dei-ruwheid? Ook de kostbaarste edelsteen wil , een passende omlijsting hebben.
De trotsch van. den jongeling is wellevendheid en waardigheid; het sieraad dei-maagd, zedigheid. Zonder deze uiterlijke hoedanigheden verliest de inwendige deugd geheel of gedeeltelijk hare waarde. Een uitgelaten gelach gaat de perken der zedigheid te buiten, zegt een geleerd schrijver.
Velen willen geestig schijnen zonder geestigheid te bezitten, en wat aan waarachtigen geest ontbreekt, vullen zij aan door ruwheid en platheid.
Het fatsoen moet den geheelen mensch beheerschen, zijn innerlijk en zijn uiteilijk;
â 184 â
maar dat uiterlijk fatsoen is op den duur niet mogelijk zonder inwendigen zielenadel.
De plicht van zich fatsoenlijk en behoorlijk te gedragen houdt nimmer op; bij nacht zoomin als bij dag, in de eenzaamheid noch in het openbaar, in het ouderlijk huis noch in dat van vreemden, hij past aan ieder geslacht en aan iederen ouderdom, vooral aan de jeugd. Hij die zich aan dien plicht houdt, is voorzichtig in zijne uitdrukkingen, bedachtzaam in zijn handelingen, kalm in zijn bewegingen, kiesch in zijn scherts, bescheiden in zijn optreden; en overal en in al zijn doen en laten meester over zich zeiven, vergeeft hij zich zeiven nimmer iets, en wordt ook voor anderen nooit een oorzaak van ergernis. Vermijd die huizen en die omgeving, waar uitgelatenheid heerscht en ruwheid; daar zijt gij niet op uwe plaats, jongeling en nog veel minder gij, schuchtere christen, maagd.
Vorm uzelven veeleer naar het aantrekkelijk voorbeeld van die beschaafde jongelieden en zedige maagden van uwen stand
en uwen leeftijd, die door hun innemende bescheidenheid overal gaarne worden gezien, overal den besten indruk maken en bij alle welopgevoede menschen de aangenaamste herinnering achterlaten.
HOOFDSTUK XXIV.
Waak over uwe tong!
Een kostbaar geschenk van God, de men-schelijke spraak!
Met helderen klank en vol beteekenis ontspringt zij als een harptoon aan 's menschen lippen om God te prijzen, verhevene gedachten en edele gevoelens te openbaren en onder de menschen dat vertrouwelijk verkeer te bewerken, hetwelk volgens Gods wijze beschikkingen onder hen moet heer-schen als onder broeders.
Doch wee, wanneer de mensch, tegen de bedoeling van den Schepper die spraak misbruikt tot leugentaal, onkuischheid of
â 186 â
laster! Dan wordt die hemelgave een doode-lijk vergif; en ofschoon slechts bestemd om te zegenen en te stichten, verandert zij dan in een werktuig van verwoesting en verderf.
Een geheimzinnige hemelgave, diemensche-lijke spraak! Evenals het eeuwige, onzichtbare Woord in de gestalte eens menschen zichtbaar verschijnt, evenzoo openbaart zich de meest verborgen gedachte door de men-schelijke spraak; zij verkondigt uw denken, uw voelen, uw vermoeden en uw verlangen â zij is de gevleugelde bode uwer met god-delijken adel begiftigde ziel. O, ware zij ook steeds de weerklank van een edel, rein, waarheidlievend gemoed I
De spraak onderscheidt u van de dieren; het dier is stom en kan slechts klanken voortbrengen zonder beteekenis. En ach, voor menigeen zou het beter zijn, indien hij voor altijd stom ware gebleven! Wie toch telt al die duizenden, die bedorven worden door slechte taal, die honderdduizenden, die reeds verloren gingen door een booze tong?
O, het is een goddeloos bestaan, leugens
â 187 â
te verspreiden, de deugd te bespotten, de waarheid to verdraaien, God te lasteren en aan de onschuld gruwelen te openbaren, die nooit of nimmer aan het licht moesten komen!
Slechte gedachten, voorstellingen en begeerten, schandelijke daden en plannen, het verlies van eer en goeden naam â ziedaar de gewone vergiftigde vruchten, van het misbruiken der taal. âSlechte gesprekken bederven de goede zedenquot; (I Cor. 15, 33).
Slechte taal is een geesel. die het gebeente verbrijzelt; slechte taal is een zwaard, dat de onschuld vermoordt, een keten, die verleider en verleide aan elkander smeedt, een verterend vuur, dat bosschen en steden in asch legt, een geopende hellekolk, die duizenden menschen verzwelgt; âeen wereld vol ongerechtigheidquot; (Jac. 3, 6).
âWilde dieren en slangen kunnen dooide menschen getemd worden, maar niemand bedwingt de tong, dat rustelooze kwaad vol doodelijk vergif.quot;
En gij spreekt misschien die slechte taal met lichtzinnigen en schaamtoloozen mond!
â 188 â
Weet gij, welk kwaad gij daarmee doet?
Het is doodzonde, taal te spreken, die uzelveu of anderen aanleiding geeft toe te stemmen in onzuiverheid â al was het slechts één enkel woord.
Het is doodzonde, uit hartstocht onzuivere taal te spreken.
Het is doodzonde, uit hartstocht dubbelzinnige taal te spreken, wier schandelijke beteekenis maar al te duidelijk is voor hen, die ze aanhooren.
Het is doodzonde, zich op zijne schandelijke daden te beroemen.
Het is doodzonde, lastertaal te spreken, waardoor de eer van den naaste aanmerkelijk wordt benadeeld.
En het aantal van deze zonden wordt grooter, naarmate het getal grooter is van diegenen, welke er naar luisteren.
Zijt gij in overheid gesteld, dan rust op u de plicht zulke taal te onderdrukken of te verhinderen; zijt gij onder uw gelijken, dan moet gij óf wel zwijgen óf wel uzelven verwijderen.
â 189 â
Wordt niet gelijk aan die goddeloozen, van wie geschreven staat; âHun mond is een open graf; zij punten hunne tongen als de slangen, addergif dragen zij op hunne lippenquot; (Ps. 5, 11).
Evenals het echte goud gekend wordt aan den klank, zoo herkent men de zuiverheid van uw hart steeds aan uwe taal. âWaar het hart vol van is, daar loopt do mond van over.quot; Houd uw hart zuiver, dan zal ook uwe taal altijd kuisch en zedig zijn.
Denk steeds aan de tegenwoordigheid Gods, wien gij rekenschap moet afleggen zelfs van ieder ijdel woord; hoe zoudt gij dit dan kunnen van slechte woorden?
Houd uwe tong in eere en beschouw haar als een heiligdom. Heeft op haar niet herhaaldelijk de Heiland gerust bij de H. Communie? Is zij niet geheiligd evenals de kribbe van Bethlehem, waarin eens het kindje Jesus nederlag? Of als de kelk van het tabernakel, waarin de H. Hostie wordt bewaard? Hoe heiliger nu een zaak is, des te erger is het die zaak te misbruiken.
â 190 â
Onder de Christenen mag, volgens den Apostel, niets onheiligs geduld worden; âontucht en iedere onreinheid of gierigheid worde onder u niet genoemd, gelijk het heiligen betaamt; evenmin oneerbare taal of dwaze gesprekken of boerterijen, die aan een christelijk gedrag niet passenquot; (Eph. 5, 3). De heilige Casimir en de heilige Stanislaus Kostka vielen in onmacht, als zij toevallig ongepaste woorden moesten hooren.
âLegt af alle oneerbare taal van uwen mondquot;. (Col. 3, 8). Vlucht die onbeschaam-den, die hun mond altijd vol hebben van onreine taal; het zijn gepleisterde graven, van binnen vol verrotting en bederf. Zijt gij echter gedwongen zulke taal aan te hooren, gedraag u dan ernstig; âwant de Noordenwind verdrijft den regen en een droef gelaat de booze tongquot; (Spr. 25, 13).
Bid dagelijks tot God met dit schietgebed: âStel, o Heer, een wacht aan mijnen mond en een deur aan mijne lippenquot; (Ps. 140, 3). Want âgelukzalig de man, die niet misdoet door het woord van zijn mondquot; (Eccli. 14, 1).
â 191 â
âO Heer Jezus Christusquot;, zoo bad lt;lo abt Sisoïs, gi'ijs geworden in zelfverloochening in versterving, âbewaar mij voor mijne tong! Vijftig jaren lang heb ik haar bewaakt en nog is zij voor mij een oorzaak van val!quot; Hoeveel te meer reden hebt gij dan niet om over uwe tong te waken !
âDie zijn mond bewaart, bewaart zijne ziel van vele zonden ; maar die in hot spreken onbedachtzaam is, hem zal het slecht vergaan!quot; (Spr. 13, 3).
âAls de zonde u niet beheerscht, blijft gij onbevlekt; dan zullen de woorden van uwen mond den Heer welgevallig zijn, en de gezindheid van uw hart aangenaam voor zijn aangezicht,quot; (Ps. 18, 12).
Daarom: wees voorzichtig in uwe woorden, verzin, eer gij spreekt. âSmelt uw goud en zilver te zamen en maak daaruit een weegschaal voor uwe woorden en een breidel voor uwen mondquot; (Eccli 28, 29).
Tegen slechte taal kan ik u niet genoeg waarschuwen, mijn kind, want als een zondvloed verzwelgt zij het menschdom, voor-
â 192 â
namelijk de onbezonnen jeugd. Zondige taal van schaamtelooze lippen â men hoort haar overal: in de werkplaats en op de straat, in de herberg en in het woonhuis, zelfs in die kringen, waar hoogere beschaving en fijnere vormen een meer gepasten, meer fatsoenlijken toon zonden doen verwachten. Hoe tegen dezen stroom van zonden een dam op te werpen? Hoe het verderf, dat op deze wijze de wereld bedreigt, afgeweerd? Alleen door de vreeze des Heeren. De heilige Bernardinus van Siëna oefende door de zuiverheid zijner zeden zulk een macht uit over zijne studiegenooten, dat bij zijne nadering elk oneerbaar woord op hunne lippen bestierf. Mijn kind, kondet ook gij het zoover brengen!
HOOFDSTUK XXV.
Klct liegen!
âEen afschuwelijke schandvlek aan den niensch is de leugenquot; (Eccli 20, 26). âLeugen-
â 193 â
achtige lippen zijn den Heer een gruwelquot; (Spr. 12, 22). Zóó spreekt de H. Geest over de leugen.
Gij liegt, als gij opzettelijk onwaarheid, of tegen uw beter weten in spreekt.
God is de eeuwig3, onfeilbare Waarheid Gods wezen is Waarheid; âIk ben de weg, de waarheid en het leven (Joës 14, 6.) als gij dus de waarheid spreekt, maakt gij uzelven r gelijkvormig aan God. De duivel is de vader dev leugentaal; door zijne leugens heeft hij onze stamouders en met hen geheel het menschelijk geslacht in het verderf gestort; liegt gij, dan wordt gij gelijk aan den duivel.
De leugen is een zoo verachtelijk kwaad dat het al uwe eigenschappen, hoe goed en voortreffelijk deze ook mogen zijn, verduis-tert. Zijt gij een leugenaar, dan hebt gij alle vertrouwen verbeurd; men gelooft u niet, ook al spreekt gij de waarheid. âZelf een dief s beter dan een hardnekkige leugenaar.quot; (Eccli. 20. 27).
Evenals de dwaallichten die dansend bo-
13
- 194 â
ven de moerassen, den nachtelijken wandelaar misleiden, zoodat hij in die plassen terecht komt, en in den modder wegzinkt, evenzoo brengt de leugenaar zijn medemen-schen op het dwaalspoor en van het dwaalspoor dikwijls tot het ongeluk.
De leugenaar is als een valsch stuk geld; evenals dit laatste wordt ook hij uitgestoo-ten uit den kring der eerzame menschen ofwel slechts met groot mistrouwen geduld. De leugenaar stelt immers van zijn kant alles in het werk om ieder gemeenschappelijk verkeer in de war te sturen of te ondermijnen, immers: waav de waarheid niet meer geëerbiedigd wordt, daar is de goede trouw verbannen, daar verliezen de verdragen en overeenkomsten hare bindende kracht, daar gaat zelfs de heiligheid verloren van den eed, het laatste middel om onder de men-scheu trouw en eerlijkheid te handhaven.
âSchaam u daarom niet, de waarheid te zeggen zelfs met gevaar voor uw leven.quot; (Eccli 4. 24). âSpreek op geen enkele wijze tegen het woord dei* waarheid en schaam
â 195 â
u, als gij uit zwakheid gelogen hebt. (Eccli 30).
God heeft u verstand gegeven, opdat dit zou streven naar de waarheid, en de gave der spraak, opdat gij door haar de waarheid en niets dan de waarheid zoudt openbaren. Welk een onverantwoordelijk misbruik van deze dubbele hemelgave is het dan, haar in dienst te stellen van de leugen.
En of gij nu liegt zóó dat een ander er nadeel van heeft, of alleen uit scherts ofwel uit nooddwang â in den grond dei-zaak blijft dit hetzelfde, al is de graad dei-boosheid ook verschillend; want iedere leugen strijdt tegen de waarachtigheid Gods. Daarom is iedere leugen ook zonde. Geoorloofd is het echter somwijlen uit voorzichtigheid, naastenliefde of krachtens zijn ambt de waarheid te verzwijgen.
Lieg nimmer uit scherts! God heeft de waarheid zóó lief, dat Hij ook niet het geringste vergrijp daartegen dulden kan. Er zijn zaken van zoo verheven, heiligen aard dat een mensch van geweten die nimmer
â 196 â
tot een voorwerp van scherts maakt; en wat is er nu verhevener, heiliger dan de waarheid?
Neem ook nimmer uw toevlucht tot een leugen uit nooddwang, bijv. om u te onttrekken aan eene straf of berisping. Deze list kan u wel gelukken, zeer zeker; maar gij wordt er door deze verkeerde handelwijze veeleer slechter aan toe dan beter.
De heilige Andreas Avelinus had zich als jong advocaat, eens in een proces van zulk een noodleugen bediend. Niet hingen tijd daarna viel zijn oog bij het lezen der H. Schrift op de woorden: âEen mond die liegt, doodt de zielquot; (Wijsh. ]. 11), endaar-door werd hij zoozeer getroffen, dat hij aanstonds zijn advocaten-practijk liet varen en priester werd.
Hoed uzelven vooral voor een leugen waardoor gij aan anderen nadeel toebrengt.
Terwijl deze leugen zelf in de meeste gevallen doodzonde is, sleept hij gewoonlijk ook de ergste gevolgen na zich : beleediging.
â 197 â
bedrog, onrechtvaardigheid, vijandschap, ongeldige biechten.
Hoe zou het mogelijk zijn al deze misdaden te verantwoorden voor Gods rechterstoel!
Uw mond zij steeds : âJa, ja; neen, neen.quot; (Matth. 5. 37). Iedere zonde is een leugen, een verloochening der Goddelijke Wet, een zich-afkeeren van de eeuwige Waarheid; een gedachte, woord of handeling zonder waarheid. De leugen is de moeder van alle zonden. âGij haat allo misdadigers en verdelgt allo de leugenaars.quot; (Ps. 5. 7).
âAlle leugenaars zullen hun deel ontvangen in den poel, die brandt van vuur en zwavel en die een andere dood is.quot; (Openb. 21, 8.)
En toch zijn er zoovelen onder uwe makkers, die altijd maar liegen ; zij kunnen den mond nauwelijks openen of zij spreken leugens. Wat zij zoggen is gelogen, en wat zij verzekeren als waarachtig, is bedrog; liegen is voor hen een tweede natuur geworden. Hoe zou men hun achting kunnen toedragen '
â 198 â
Hoe hun geloof en vertrouwen schenken ? Hoe met hun oen verbindtenis kunnen aangaan ?
Heb de waarheid zoozeer lief, dat zelfs de geringste poging om haar te kwetsen u rood doe worden van schaamte en voor u weldra tot de onmogelijkheden behoore. Giësi, de dienaar van Elisëus had door middel van een leugen van den legerhoofdman Naaman twee talenten en kostbare kleederen (ongeveer 3600 gulden) weten machtig te worden. En toen zijn meester hem vroeg, vanwaar hij kwam en van vvien hij die kostbaarheden had gekregen, beloog hij hem. Toen sprak de profeet: Om wille van uwe leugen zal de melaatschheid van Naaman over u komen en op u rusten voor altijd. En Giësi ging heen, bedekt met melaatschheid. Ananias en Saphira werden gestraft met een plotselingen dood, wijl zij den heiligen Petrus hadden belogen.
Zoo ernstig treedt God op tegen de zonde van leugentaal, zoo zwaar heeft Hij haar gestraft; vermijd dan tocli dit leelijke kwaad
â 190 â
en zeg dikwijls met, rlon Wijzen Man : âOm twee zaken heb ik u gebeden : laat ijdel-heid en bedriegelijke woorden verre van mij verwijderd blijvenquot; (Spr. 30. 8); denk aan de uitspraak der H. Schrift : Een valsche getuige blijft niet zonder straf en de leugenaar zal de zijne niet ontgaan.quot; (Spr. 19. 5.)
Toen gedurende de fransche revolutie de katholieke priesters werden vervolgd en ter dood gebracht, gebeurde het eens dat een priester de vlucht nam naar zijn geboorteplaats en zich daar verborgen hield. Hij werd echter door de dienaren der revolutie ontdekt en gevangen genomen. Daar dezen den priester voor eeti man van hoogen leeftijd hielden, gevoelden zij eenig medelijden met hem en zeiden: âOnze roemrijke republiek laat geestelijken, dïe boven de zestig jaar zijn, ongemoeid. âHoe oud zijt gij wel?quot;
âIk ben,quot; antwoordde do vrome kloosterling, â59 jaar en 9 maanden oud en nog gezond.quot;
âMaar gij ziet er uit alsof gij ver iu de zestig
â 200 -
waart,quot; hernamen de revolutiemannen. âGeef op, dat gij zóó oud zijt, dan kunnen wij u vrijlaten.quot;
âDat gaat onmogelijk,quot;' antwoordde de priester, âdat zou gelogen zijn en dat heb ik in mijn leven nog nooit gedaan. Ik wil liever sterven dan mijn leven eenige jaren verlengen ten koste van een leugen.quot; Daarop werd hij ter dood gebracht.
HOOFDSTUK XXVI.
Bereid u voor tot uwen levensstaat.
Er komt eens een dag waarop gij u een levensstaat moet kiezen.
Na de zorg voor het heil uwer ziel is de keuze van een levensstaat uw gewichtigst werk op aarde, en in het algemeen kan men zeggen, dat het eerste van het laatste afhangt ; 't is daarom een ernstige plicht u tot uwen levensstaat voor te bereiden.
â 201 â
Zijt gij van zins een of anrler t,e verrichten waar veel van afhangt, een reis te ondernemen, iets van waarde te koopen of te verkoopen, een zaak te beginnen of iets dergelijks, dan wikt en weegt gij zorgvuldig het vóór en het tegen van die onderneming; gij wint den raad in van verstandige en ondervindingrijke menschen, gij peinst op de meest geschikte middelen om uw voornemen ten uitvoer te brengen. En gij zoudt u niet voorbereiden voor uwen toe-komstigen levensstaat, waarvan zoo ontzaggelijk veel afhangt voor tijd en voor eeuwigheid?
En toch â ach, hoe is het mogelijk! â er zijn er honderden van uwen leeftijd die lichtzinnig en onbesuisd den gewichtigsten levensstaat aanvaarden zonder andere voorbereiding dan een leven vol zonden en het aankoopen van eenig huisraad. Kan men er zich dan over verwonderen dat het hun slecht, bedroevend slecht gaat?
Om u van zulk een ongeluk te vrijwaren, mijn kind, spoor ik u dringend aan, de
â 202 â
volgende lesten tot uw eigen voordeel en geluk wél ter hiirte te nomen :
Evenals de Schepper de verschillende lie-mellichamen groote en kleine, ver verwijderde en dicht nabij zijnde in de meest volmaakte orde en regelmaat aan het firmament hoeft geplaatst, en met bewonderenswaardige juistheid hun loop heeft geregeld, zóó heeft Hij ook in zijne wijsheid onder de menschen het verschil van staat en stand vastgesteld en geordend, opdat door het samenwerken der menschelijke krachten, één in haar verscheidenheid, het doel der schepping bereikt en het geluk der menschheid in haar geheel verzekerd worde.
Gij moet bijgevolg met al uwe krachten er naar streven, om in deze algeraeene wereldorde die plaats in te nemen en die taak te vervullen, welke God u â voor uw eigen welzijn en dat van anderen â heeft toebedeeld, en gij moet alle middelen aanwenden welke u tot de vervulling van die taak dienstig kunnen zijn. Er zijn in het geheel vier staten; do buwelijksstaat, de maagde-
â 203 â
lijke staat, de kloosterlijke en tie priesterlijke staat.
Nu is het een vaste waarheid, dat gij uwe zaligheid het gemakkelijkst en het zekerst zult bewerken in dien staat waartoe gij geroepen zijt; want hebt gij onder dit opzicht naar beste weten en volgens uw vermogen Gods heiligen Wil volbracht, dan zal God u ook genoegzame genade geven om alle moeilijkheden die zich mochten voordoen te overwinnen, en kracht in overvloed om aan alle wederwaardigheden het hoofd te bieden. Gaat gij echter tegen de beschikkingen Gods in, hebt gij u zeiven een staat uitgekozen waartoe gij niet geroepen zijt, hoe kunt gij dan rekenen op die bijzondere genade Gods, waaraan gij ter vervulling uwer beroepsplichten zoozeer behoefte hebt ?
Het bewustzijn, dat gij in dezen of dien staat niet op uw plaats zijt, zal u iedere levensvreugde vergallen en uwe dagen verbitteren.
Meen daarom niet, dat gij zoo maar naar believen een of anderen staat kunt kiezen,
â 204 â
en dat bijv. ook ^',1 tot het huwelijk zijt geroepen, enkel en alleen omdat gij ziet, dat velen uwer kennissen zich in dien staat begeven. Dan had God het verschil van staat immers even goed kunnen opheffen.
Alle staten zijn goed in zich zeiven, dat is waar: heiligen heeft ieder beroep opgeleverd, maar niet iedere levensstaat is goed voor u. âEen ieder heeft van God zijne eigene gave, de eene zóó en de andere andersquot; (I Cor. 7, 7). Iedere staat heeft zijn eigen doel ; denk daarom eens ernstig na, of gij den noodigen aanleg, de vereischte eigenschappen bezit om tot dat doel te komen.
De huwelijksstaat heeft zeer zeker zijne voordeelen. Hij is een voorbehoedmiddel tegen vele gevaren en een dam tegen het opbruischend geweld der bedorven natuur, een bron ook van verdiensten. Door het huwelijk wordt het getal der Christenen vermeerderd, deugd en goede zeden worden voortgeplant, de ledigstaande tronen dei-oproerige engelen in den hemel worden wederom bezet door uitverkorenen en evenals
â 205 â
Christus met Zijne Kerk, zóó worden de echfcgenooten met elkander verbonden tot wederzijdsche heiliging. Christus heeft het huwelijk zelfs verheven tot de waardigheid van Sacrament, opdat de geroepenen in de genadebron van dit sacrament de rijkste en overvloedigste hulp zouden vinden om hunne veelvuldige verplichtingen als hoofd des huisgezins, echtgenoot en ouder te vervullen. Maar â en dit dient men niet te vergeten â zij zullen ook, zooals de H. Schrift zegt, âde bekommernis des vleesches hebben.quot; (I Cor. 7. 28).
Is de gehuwde bedacht op datgene wat van de wereld is en hoe hij zijn vrouw be-hage, zij die iu den maagdelijken staat leven, zijn bedacht op de dingen die des Heeren zijn, en hoe zij zich zullen heiligen naar ziel en lichaam.
Volgens de leer der katholieke Kerk gaat de maagdelijke staat verre boven dien des huwelijks. De maagdelijkheid is de bloem der zeden, de schoonheid des lichaams, het fundament der heiligheid, het kenteekeu
â 206 â
eener verheven ziel; zij is een onvergelijkelijke sell ie, een onverwelkbare kroon, een tempel dos H. Geestes, een woning der Allerheiligste Drievuldigheid, een bij uitstek kostbare parel; zij is het heerlijkst sieraad der katholieke Kerk. Het huwelijk bevolkt de aarde, de maagdelijke staat den hemel; en evenals de Allerhoogste in den hemel bijzonder vereerd en verheerlijkt wil worden door de engelen, zoo wil Hij ook dat dit op aarde geschiede vooral door degenen die leven in den maagdelijken staat en den naam verdienen van engelen in het vleesch.
Als nu de maagdelijke staat zoo verheven is en blijkbaar zulk een voortreffelijk middel om tot de heiligheid te geraken: als steeds zulk een 1 alrijke schaar dien staat heeft liefgehad, dat de H. Ambrosius in zijn tijd kon getuigen, dat er in de Oostersche Kerk meer personen in den maagdelijken staat leefden, dan er in Italië menschen geboren werden, dan bestaat er voor u toch wel eenige reden, om eens ernstig te overwegen of ook gij misschien niet tot dezen roem-
â 207 â
vollen staat zijt geroepen, en om zoo kuisch en zedig te leven dat gij door lichtzinnigheid of uitgelatenheid die verheven roeping niet verliest. Want, âniet allen begrijpen dit woord, maar alleen zij, aan wie zulks gegeven isquot; (Matth. 19. 11).
In den kloobt3rlijken staat leidt hij die daartoe geroepen is, een reinen levenswandel en valt minder dikwijls in zonden, of, als hij valt, valt hij niet zoo diep; hij wandelt met groote omzichtigheid, geniet een veiliger rust, en de genaden en gunsten des Heeren stroomen in rijker mate op hem neer. Hij zelf doet boetvaardigheid en verlicht dud zijn vagevuur; hij sterft met een groot vertrouwen en verkrijgt ten slotte in den hemel een heerlijker kroon. Want wie alles verlaat om wille van Christus' naam âhij zal het honderdvoudig terug ontvangen enheteeuwige leven bezitten'' (Matth. 19. 20).
De priesterlijke staat is de verhevenste en heiligste staat op aarde. De priester is de plaatsbekleeder Gods bij de menschen, de uitdeeler der Goddelijke geheimen, de
â 208 â
middelaar tusschen God en de hulpbehoevende menschheid. De priesterlijke staat is â in het algemeen genomen â de belooning voor een deugdzaam doorgebrachte jeugd, een zegen voor de familie, een oorzaak van vrede en eendracht voor de bloedverwanten. âNiemand echter neme voor zich die eer, dan hij, die door God geroepen wordt, evenals Aüron' (Hebr. 5, 4).
Ziedaar: thans hebt gij de verschillende levensstaten voor u; hoe bereidt gij u nu het best voor tot dien staat, welke voor u zal bestemd zijn?
Vooreerst: door een deugdzaam leven, voornamelijk in de jeugd. De gelukkige keuze van een levensstaat hangt gewoonlijk af van de heiliging der jeugdige jaren. De zuiverheid des harten is een onfeilbaar middel om den levensstaat, door God voor den mensch bestemd, te leeren kennen. Evenals de zonnestraal in den zilverhelderen vloed, zoo dringt ook Gods licht door in het zuivere hart; maar ook evenmin als de lichtstraal door den dikken nevel de aarde
â 209 â
kan bereiken, evenmin kan het goddelijke licht schijnen in eene ziel vol zonden en hartstocht. âDe wijsheid treedt niet binnen in eene booze ziel en woont niet in een lichaam, dat dienstbaar is aan zonden en hartstochtenquot; (Wijsh. 1, 4). âDeze mannen bedrijven afgodendienst,quot; zegt God in het Oude Verbond, âzij maken hunne goden tot een oorzaak van val voor zich zeiven en voor anderen; zal ik hen dan op hunne vragen antwoorden ?quot;
Ten tweede: Doe uwe keuze met eene goede bedoeling, met eene zuivere meening, ter eere Gods, om uw eigen zieleheil of' dat van anderen te bevorderen, of om dergelijke redenen. Zeker: gij moogt u ook laten leiden door natuurlijke beweegredenen, bijv. door het verlangen naar een eigen haard, naar een positie, naar vooruitgang in het tijdelijke; maar deze beweegredenen moeten steeds ondergeschikt blijven aan de zooeven genoemde. Uitgesloten zijn echter alle beweegredenen, die hun oorsprong hebben in zinnelijkheid, genot- of hebzucht of ijdelheid.
14
â 210 â
Ten derde: Eaadpleeg eens met brave en verstandige menschen! âMijn zoon, doe niets zonder raad, dan zult gij na uw daad geen berouw gevoelenquot; (Eccli 32, 26), zoo vermaant de H. Geest. âMet anderen raadplegen is iets heiligs,quot; zegt de H. Basilius, âwant het is een teeken van nederigheid.quot; De grootste geesten hebben in gewichtige aangelegenheden nog behoefte aan raad, want de mensch bedriegt zichzelven zoo gemakkelijk waar het zaken geldt, die hem zei ven betreffen. En daarom is het hoogmoed en aanmatiging te gelooven, dat men wel buiten raad kan in een zaak, waarbij blinde hartstocht zich als eenige leidsman aan ons wil opdringen; maar âgelukzalig de man, die niet gaat naar de raadsvergadering der boozenquot; (ps. 1, 1).
Handelt gij zonder raad in te winnen, dan zijt gij gelijk aan den onvoorzichtigen wandelaar, die bij donkeren nacht, zonder licht en zonder staf zich waagt langs afgronden; één misstap is voldoende om den roekelooze in het verderf te storten. De
â 211 â
raad van een wijzen man vergoedt hetigcen uzelven aan inzicht en ervaring ontbreekt.
Uwe eerste en van nature aangewezen raadgevers zijn uwe ouders; en ofschoon de keuze van een levensstaat een zaak is die uzelven aangaat, zou het toch even onverstandig als ondankbaar zijn een of anderen levensstaat te aanvaarden zonder vooraf uwe ouders te hebben geraadpleegd. En wanneer zij u op degelijke gronden, bijv, om te groot verschil in leeftijd, in stand, godsdienst of karakter, wegens lichamelijke of geestelijke gebreken of door de Kerk gestelde huwelijksbeletselen een huwelijksverbintenis afraden, dan zoudt gij u niet zonder vermetelheid of misschien ongehoorzaamheid tegen hun raad kunnen verzetten.
Ook uw biechtvader is uw raadsman, dooi-God daartoe aangesteld. Hij is de onpartijdige en onbaatzuchtige vriend die u den sluier der toekomst opheffen en u onder Gods voorlichting voeren zal langs de verborgen paden van uwen nog onbekenden levensstaat. Welnu, verlicht zijn taak door een onbeperkt ver-
trouwen, een kinderlijke openhartigheid en een bereidwillige gehoorzaamheid.
Tm vierde : Bid dagelijks om verlichting en genade bij de keuze van een levensstaat! Immers : iedere goede gave en elk volmaakt geschenk komt van boven, van den Vader der lichten.quot; (Jac. 1. 13). Bid dikwijls evenals koning Salomon ; âZend uwe wijsheid af van uwen heiligen hemel en van uwen hoogen troon, opdat zij met mij zij en met mij arbeide, opdat ik wete wat u aangenaam is. Wie zal uwen wil kennen, indien gij hem geen wijsheid schenkt en uwen heiligen Geest niet zendt uit den Hooge?quot; (Wijsh. 9.) âHuis en rijkdom geven de ouders, maar een verstandige vrouw komt van den Heer. (Spr. 19. 14.)
HOOFDSTUK XXVII.
Een woord over den maagdclijkcn staat.
Daar in het voorgaande hoofdstuk voornamelijk gesproken is over den huwelijken
â 213 â
staat, willen wij hier ook een afzonderlijk woord wijden aan den maagdelijken staat.
Jesus Christus en na Hem de H. Paulns en de onfeilbare Kerk leeren uitdrukkelijk, dat de maagdelijke staat op zich zei ven heiliger is dan de hnwelijksstaat. Zoo verre als de hemel is boven de aarde en de engelen boven de menschen, zoo verre overtreft de maagdelijke staat dien des huwelijks. De maagdelijkheid is, om zoo te spreken, het vijfde kenteeken der katholieke Kerk: want ânergens wordt zij zoo volmaakt en zoo veelvuldig beoefend als bij de Christenen,quot; zegt de H. Athanasius.
Do maagdelijke zielen vormen een uitgelezen schaar onder Christus' kudde; over haar verheugt zich en juicht de Kerk; en hoe meer het getal maagdelijke zielen toeneemt, des te grooter wordt hare vreugde. De onbevlekte zuiverheid bezielt de maagden met een heldenmoed, die den meest koene en onverschrokkene verbazing afdwingt, en staalt haar met een offervaardigheid, die zelfs niet terugschrikt voor het offer van
â 214 â
het eigen leven; zij zendt haar uit naar die plaatsen waar de menschelijke ellende zich vertoont in hare afschuwelijkste gedaanten, maar waar de christelijke liefde hare hoogste triomfen viert: aan het ziekbed en in de gasthuizen, in de scholen en in de weesinrichtingen, op het slagveld en onder de heidenen, in de oerwouden van Amerika en de zandwoestijnen van Afrika; en daar waar de bodem ophoudt vruchtbaar te zijn, waaide bloem verwelkt en iedere plant verdort, daar groeit en bloeit nog met haar hemel-schen geur de teedere bloem der maagdelijkheid. Vanwaar in een heilige Agnes, een heilige Eulalia, een heilige Prisca â kinderen van 12 tot 14 jaren â die onverschrokkenheid waarmede zij niet alleen haar geloof bekenden voor de beulen, maar ook haar lichaam overgaven aan den marteldood om het te bewaren voor iedere onteering? Dat vermocht in haar alleen de liefde tot de maagdelijke zuiverheid.
Die deze bezit is gelijk aan een koopman , âdie al zijn goederen verkoopt, om deze
â 215 â
ééne kostbare parel machtig te worden. 'Alles waarnaar op deze wereld wordt gestreefd: rijkdom, eer, aanzien, waardigheid en wetenschap, âis niet te vergelijken met de waarde eener maagdelijke zielquot;(Eccli. 26, 26). Als koninginnen, kunnen wij zeggen met de woorden der H. Schrift, âstaan de maagden aan de rechterhand des koninklijken Bruidegoms in gewaden met goud doorwevenquot; (Ps. 44, 10).
Het merkteeken der maagdelijkheid voert den inensch op tot de engelen. âZij zullen zijn als engelen Godsquot;, zegt de H. Schrift (Matth. 22, 30), want: gebonden zijn door de banden des vleesches en toch leven als buiten het vleesch â dat is het leven van een engel. Zeker: de maagdelijkheid der engelen is gelukkiger â maar die der zuivere zielen roemrijker, want de laatste moet bevochten en bewaard worden ten koste van harden strijd en strenge waakzaamheid. Vandaar het woord van den H. Basilius: dat de maagdelijke zielen niet slechts engelen zijn, maar zelfs tot de hoogere koren der engelen gerekend moeten worden.
â 216 â
âDe maagdelijkheid brengt ons het dichtst bij God'' (Wijsh. 6, 20), bij God den Vader, die niet is voortgebracht; bij God den Zoon, die als God geene moeder had; bij God den H. Geest, die van den Vader en den Zoon tegelijkertijd op een geestelijke, geheimvolle wijze voorkomt. De maagden dragen op hun voorhoofd een goddelijk merkteeken, dat, evenals het merkteeken van sommige Sacramenten. gedurende geheel de eeuwigheid hun heerlijkheid in den hemel vermeerderen en hen met een bijzonderen luister omgeven zal: âIk zag'' zegt de H, Joannes in het boek der Openbaring, âop den berg het Lam en honderd vier-en-veertig duizend, die zijn naam en dien des Vaders op het voorhoofd droegen... want zij zijn maagden.quot; (Openb. 14).
De maagdelijke mensch neemt Gods gelijkenis evenals een heldere spiegel voller en rijker in zich op, om haar in den hel-dersten glans weer uit te stralen.
Evenals de Zoon Gods in den hemel slechts door zuivere geesten geprezen en gediend wilde worden, evenzoo wilde Hij op aarde
â 217 â
slechts zuivere, maagdelijke menschen in zijne omgeving. Een maagd koos hij zich tot Moeder; een maagdelijken jongeling, den heiligen Joannes, tot zijn beminden leerling; reine of rein geworden mannen, die vrouw en huis en netten hadden verlaten, tot zijne apostelen; âwant de hemelsche Bruidegom verblijft onder de leliën (Hoogl. 2, 16). En thans, nu Hij naar den hemel is teruggekeerd en in verheerlijkten toestand troont aan de rechterhund'zijns hemelschen Vaders, â verblijven in zijn nabijheid maagdelijke zielen, en âzingen Hem een lied, dat niemand anders zingen kan, en volgen het Lam overal, waarheen het gaatquot; (Openb. 14, 3). Kan er over den maagdelijken staat wel iets verhe-veners gezegd worden. dan deze laatste woorden der H. Schrift ?
Zelfs de heidenen die zich slechts lieten leiden door een zeker gevoel van betamelijkheid, stelden voor den dienst van sommige godinnen slechts priesteressen aan die maagd waren, in de overtuiging dat hare dienstverrichtingen passender en aan de godheid
â 218 â
welgevalliger waren. Zoozeer gevoelde de meusch, ook reeds door het zuivere licht zijner rede, dat de maagdelijke staat iets buitengewoon heiligs, liefelijks, verhevens en aan God welbehagelijks zijn moet.
Kan er op aarde iets edelers bestaan'? Intusschen â zou misschien eene of andere van deze overwegingen u hebben getroffen, wacht u dan wel daaruit een besluit te trekken zonder voldoende kalm overleg. De maagdelijkheid kan wel aangeraden, maar niet geboden worden ; wacht u nog zorgvuldiger voor het afleggen eener gelofte zonder den raad te hebben ingenomen van uwen zielsbestuurder; het zou immers hoogst onbezonnen zijn, uzelven lasten op te leggen, die gij niet zoudt kunnen dragen. Verkrijgt gij echter zijne goedkeuring, welnu wees dan vastbesloten en volhardend en doe uw best om evenals de wijze maagden uw lamp steeds met olie te vullen d. w. z. uwe maagdelijkheid te verbinden met goede werken, om eens, wanneer de Bruidegom komt^ Hom vlekkeloos rein tegeinoat te gaan met
â 219 â
het licht der heinelsche zuiverheid. âDe maagdelijkheid zonder goede werken betee-kent nietsquot;, zegt de heilige paus Gregorius, âen de goede werken zonder maagdelijkheid evenmin.quot;
XXVIII HOOFDSTUK.
Doe wat goed is en schaam u voor niemand!
Wat is eer? Het aanzien, dat iemand van zijn medemenschen geniet wegens zijne goede eigenschappen.
Waardoor wordt gij eer waardig? Vóór en boven alles door de deugd: door ingetogenheid, godsvrucht, matigheid, gehoorzaamheid enz; dat alles adelt den mensch en maakt hem eerbiedwaardig voor zijns gelijken ; ja, de ware deugd heeft zulk een overweldigende kracht, dat zij zelfs eerbied afdwingt van dengene, die niet den moed heeft haar te beoefenen.
De deugd is iets goddelijks ; zij maakt u
gelijkvormig aan God; zij is de overeenstemming van uwen wil met dien van God. De hoogste eer, welke iemand in de wereld kan genieten is: God te dienen, want God dienen is heerschen en een eeuwig rijk bezitten. De deugd nu is niets anders dan het voortdurend onderhouden der Goddelijke wet. Beoefent gij de deugd, dan dient gij God en verwerft gij u Zijn welgevallen en Zijne belooning.
De deugd maakt u gelukkig en tevreden; zij neemt alle harten voor u in, verwerft u het vertrouwen en de genegenheid uwer overheden, de achting uwer inedemenschen, den eerbied uwer ondergeschikten en bereidt u voor tot de eeuwige heerlijkheid.
Van welken kant gij de deugd ook beschouwt, overal straalt u haar heerlijke glans tegen. Alleen de dwaasheid, die alle juiste begrippen verwart, en de boosheid, die alle zedelijke grootheid verwoest, is voor dit feit blind. Maar daarmede wordt aan dat feit zelve geen afbreuk gedaan en de god-delooze zal door zijn blindheid de waarheid
â 221 â
niet veranderen hoe lastig deze hem ook zijn moge.
Zoiult gij u clan over de deugd schamen ? Dat zij verre! En toch zijn er velen, voornamelijk onder de jongelieden, die aan zulk een dwaze schaamte lijden. Zij schamen er zich voor, godvruchtig te bidden, een slecht gezelschap te verlaten, aan de stem der verleiding te weerstaan, een onpassend gesprek af te breken; zij zijn lichtzinnig met de lichtzinnigen, onmatig met de onmatigen, jazelfs losbandig met de losbandigen â uit vrees voor de menschen !
Behoort ook gij misschien tot het getal van die karakterlooze lafhartigen ? Zoo ja, dan hebt gij aan de goddeloozen het kostbaarste geofferd wat gij bezit â uwe eigenwaarde, uw overtuiging, uw geweten; dan slaat de verschrikkelijke bedreiging des Zaligmakers op u ; âWie zich over mij schaamt, over hem zal de Zoon des Menschen zich schamen, als hij komen zal in zijne heerlijkheid.quot;' (Luc. 9, 26.)
âIk schaam mij niet voor het Evangelie,quot;
â 222 â
schrijft de Apostel; want het bezit kracht tot heil van hen, die er aan gelooven.quot; (Rom. 1. 16.)
Het Evangelie heett de wereld bekeerd en haar zedelijkheid geleerd en heiligheid; het heeft den duivel overwonnen en het oproerige vleesch weten te beteugelen ; het heeft duizenden kluizenaars naar de woestijn gedreven en honderdduizenden martelaren gewapend met bovenmenschelijken moed tegenover de foltertuigen van woedende dwingelanden; â en gij zoudt u schamen die heilige Teer van het Evangelie te bekennen, die heilige leer, welke alleen groot is en groot maakt! O, indien er op de geheel e wereld iemand gevonden wordt, die te midden der algemeene jammerlijke karakterloosheid, waardoor de geesten en de gemoederen worden verlamd en bedorven ââ het recht heeft, hoog en vrij het voorhoofd te dragen, dan is dit ontegenzeggelijk de christen met een onbevlekten naam en een edele gezindheid, en die den moed heeft, bij de algemeen heerschende begripsverwarring aan
â 223 â
het woord zijn ware beteekenis weer te geven en met zijn redelijk verstand de waarheid tot haar volle recht te doen komen.
Doe wat goed is en schaam u voor niemand! Bij het heilig Doopsel en het Vormsel is uw voorhoofd geteekend geworden met het teeken des kruises ; vergeet het nooit : dat is voor u een eereteeken ! Overal bestreden en overal zegevierend, overal gehoond en overal verheerlijkt, verrijst het in alle eenwen en onder alle volken als een ware zegestandaard ; in dat kruis en met dat kruis zult ook gij zegepralen, over al uwe machtelooze vijanden en alle vloekwaardige spotters
De leer, welke gij door woord en daad belijdt, is de leer van Christus, den machtigen Verwinnaar van dwaling, leugen en zonde; het is de leer der apostelen, der martelaren, belijders en maagden ; de leer der verhevenste geesten en roemrijkste heiligen ; overal en trots allen weerstand heeft zij zich baan gebroken door de duisternissen des heidendoms, door den nacht van het
â 224 â
oude en nieuwe ongeloof, en ofschoon overal aangevallen en belasterd, vervolgt zij rustig haren weg door de eeuwen met de zekerheid harer toekomstige zegepraal. Om zulk eene leer te onderdrukken â daartoe schieten zelfs al de verbonden vijandelijke machten van spot en laster der menschen te kort. Haar belasteren en beschimpen, dat kan alleen de boosheid of de dwaasheid. Word niet ontrouw aan uw eigen gezond verstand, mijn kind, en laat u niet schokken in uw betere overtuiging; vertrouw veeleer op God'. âHij zal u een voorhoofd geven, harder dan het hunne, een aangezicht harder dan diamantquot; (Ez. 3. 9). Hunne spot is niets anders dan een teeken van hunne zwakheid en een brandmerk van verachtelijke kleingeestigheid, âDe weg der rechtvaardigen echter is als een schitterend licht, het klimt hooger en hooger en stijgt op tot de volle middaghoogtequot; (Spr. 4, 18).
Eenmaal zal deze volle dag voor u aanbreken tot verheerlijking uwer getrouwheid en belooning uwer standvastigheid, maar dat
â 225 â
zal ook de dag der straf en schande zijn voor de goddelooze spotters. âDan zullen âde rechtvaardigen met groote standvastig-âheid staan tegenover degenen, die hen âhebben vervolgd. Dezen zullen het zien âen bevangen worden door een vreeselijke âschrik, en zij zullen zich verbazen over het âonvoorziene, onverwachte geluk der recht-âvaardige; vol spijt zullen zij tot zich zeiven âzeggen en angstig verzuchten; âDeze zijn âhet dan, welke wij eens hebben bespot en âmet schimpredenen hebben gehoond. Wij âdwazen wij hebben hun leven voor onzinnig âen hun einde voor smadelijk gehouden; âthans â ziet! â zijn zij gesteld onder de âkinderen Gods en onder de heiligen is hun âerfdeel. Wij hebben dan gedwaald verre âvan den weg der waarheid, en het licht âder gerechtigheid heeft voor ons niet ge-âschenen en de zon der kennis is ons niet âopgegaan. Wij zijn vermoeid geworden op âden weg der ongerechtigheid en des ver-âderfs en wij hebben moeielijke wegen be-âwandeld.quot; (Spr. 5, 1 en vlg.) 15
â 226 â
Gij ziet het, mijn kind, geen menschen-iiiond kan de schrik weergeven veroorzaakt door dezen plotselingen onherroepelijken overgang. Zij zuIIgii zuchten en weenen, maar niemand zal hen troosten; zij zullen weeklagen in hun vertwijfeling, maar niemand zal zich hunner ontfermen. Voorbijgegaan is hun hoovaardij, hun wellustig genot, hunne ij delheid; voorbij die pracht en praal in kleeding, dat goede - leven, die vadsigheid, die bandeloosheid! Waar is nu him spottend hoongelach! Waar die menigte van kameraden en slechte vrienden! ^aai zijn hunne feesten en zwelgpartijen? Weggevaagd zijn zij geworden van de aarde door den storm van Gods wraakgezicht. Is er dan geen tijd meer voor boete en voldoening: Neen, de nacht is aangebroken waarin niemand meer werken kan. âGod is rechtvaardig en gerechtig zijn Zijne oordeelen. ' âEn zij zullen gaan in het vuur, dat nimmer wordt uitgebluscht, en gepijnigd worden door de worm dienimmer sterft.quot; (Mare 45.4 7.) âMaar gij, mijn geliefde, herinner u de woor-
â 227 â
âden tlie gesproken zijn, dat er ... . spotters âzullen komen, dio wandelen volgens hnnne âgoddelooze lusten. Het zijn diegenen, die âzich afscheiden, die dierlijk zijn en den âGeest niet bezitten. Maar gij, bouwt u âeen vaste woning op uw allerheiligst âgeloof, bidt in den H. Geest, bewaart âuzelven in de liefde en verwacht de âbarmhartigheid Gods ten eeuwige leven.'' (Jud. 1. 17.)
HOOFDSTUK XXIX.
Veracht de wereld.
Reden in overvloed hebt gij, mijn kind, om de wereld te verachten, wanneer gij eerst in het licht des geloofs en door uwe eigene ervaring zult hebben ingezien, wat de wereld eigenlijk is.
Met de hem eigene beminnelijkheid waarschuwt de apostel Joannes de door hem bekeerde Christenen tegen de boosheid der
â 228 â
wereld; inzonderheid richt liij zijne vermaningen tot de jeugd, wijl hij wel wiat, hoe gemakkelijk deze zich door de arglistigheid der wereld laat misleiden. âIk schrijf aan u, mijne kinderen,quot; zoo zegt hij, âwijl gij den Vader kent; ik schrijf aan u, jongelingen, wijl het woord Gods in u blijft: Bemint niet de wereld noch hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld bemint, is de liefde des Vaders niet in hem; want al wat in de wereld is, is begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens.'quot; (1 Joës 2. 14.) âDe wereld en haar begeerlijkheid gaat voorbij.quot; (Joës 2. 17.) âGij, overspelers, weet gij niet, dat de vriendschap dezer wereld vijandig is jegens God ?quot; (Jac. 4. 4.) Ziedaar uitspraken der onfeilbare Waarheid; daaraan is niets te veranderen.
Wat is de wereld'? Het zijn de slechte menschen met hunne slechte beginselen. De menschen, die al hunne zinnelijke lusten zoeken te bevredigen door de zonde; die zóó leven aLof zij nooit moeten sterven;
â 229 â
die alleen zorgen voor hun lichaam, en hun onsterfelijke zielen laten verkwijnen; die enkel het tijdelijke zoeken en het eeuwige prijsgeven, die alles in het werk stellen om hun valsche leerstellingen ingang te doen vinden bij de onervaren jeugd. Op zulke menschen moogt gij niet gelijken, hun gezindheid moogt gij niet tot de uwe maken, huu voorbeeld niet volgen. âMaak u los van alle schijngoederen,quot; zeide reeds Seneca, een heiden, âzij zijn een last en een gevaar voor dengene, welke ze bezit; maak u los van de genietingen, want zij verweekelijken het lichaam en verzwakken de ziel; leg de eerzucht af, want deze maakt opgeblazen en ijdel en kent maat noch grens.quot; De wereld is valsch. Zij lacht u toe met het doel om u te bedriegen; zij vleit u ten einde u te ketenen in hare boeien; zij roept u tot zich om u te verstrikken; zij verheft u om u des te dieper neer te storten in den afgrond van ellende en ongeluk.
Dwaas zijt gij, indien gij â in plaats van het blijvende, het eeuwige, het hemel-
â 230 â
sche te kiezen, de voorkeur geeft aan het vergankelijke, het aardsche en ijdele. »0 gij menschenkinderen, hoelang zult gij de ij delheid liefhebben en de leugen najagen?-' (pSl 4, 31. Evenmin als uw hand de lucht of het water kan vast houden, evenmin kunt gij u het blijvend bezit verzekeren der aardsche goederen. De wereld is een leugenaarster. Het goede noemt zij slecht; het slechte goed; in vleiende taal belooft zij u alles en geeft u niets; zij verzekert u het leven en berokkent u den dood. O. kondet gij eens het geweeklaag hooren van al cle ongelukkigen, die door de wereld bedrogen zijn geworden, ontzetting zou u aangrijpen, zoodat gij de wereld zoudt willen ontvluchten en u afzonderen in de eenzame woestijn. De wereld ligt in den booze, d. w. z. zij is vol van slechtheid, gevaar en verleiding. Wat de onzichtdare duivel is, datzelfde is de zichtbare wereld: een verderf voor de zielen. Maar de wereld is meer te vreezen, wijl de indrukken teweeggebracht door een zichtbare gedaante veel krachtiger nawerken,
â 231 -=
clan dio welke uitgaan van een onzichtbaar wezen.
De wereld is een moordenares. In hare hand wordt alles moordadig vergif: spelen en vermaken, vereenigingen en bijeenkomsten, liederen en scherts, tooneelspel en dans, beelden en boeken, kleeding en mode; ja met al deze dingen doet zij soms niets anders dan zielen vermoorden, want zij staat in dienst van den duivel, den moordenaar van den beginne af.
De wereld is wreed â wreed als de hel. Zij vordert van u alles, ook het dierbaarste en het kostbaarste: uwe jeugd, uwe gezondheid, uwe schoonste jaren en uwe beste krachten; uw eer en uw vermogen; en nadat zij u alles, en ook uwe onschuld heeft ontroofd, stoot zij u koud en onmeedoogend van zich af en laat u over aan een trooste-looze verlatenheid en eene namelooze ellende. En dan moogt gij klagen en weenen â daarmede verkrijgt gij de verloren schatten niet terug.
O. hoe kortstondig zijn de vermaken der
â 232 â
wereld! âAlles gaat voorbij als een schaduw en een voorbijsnellende bode, of als een schip, dat de golvende zee doorploegt en als het voorbij is, geen enkel spoor meer nalaat in de baren-, of als een vogel, die door de lucht vliegt en van zijn vlucht geen enkel teeken nalaat; of als een pijl, wier weg niet meer is aan te wijzen.quot; (Wijsh.5.10.)
âDe wereld gelijkt op een woestijn waarover de nacht is neergedaald, die door geen zonnestraal wordt beschenen, door geen bron besproeid, door geen bloesem of vrucht verkwikt. Zij is de walm der hel die uit den afgrond opstijgt.quot;
De wereld, ten slotte, is de tegenstreefster van Jesus Christus. Christus predikt versterving, zelfverloochening en boete; de wereld genot, vermaak, voldoening. Christus noemt gelukzalig hen, die arm zijn van geest, de zachtmoedigen en de om zijnentwille onschuldig vervolgden; de wereld prijst den rijkdom aan, de macht en de eer. Christus vermaant u, uw kruis te dragen en Hem te volgen; voor de wereld is het kruis een dwaashei
â 233 â
of een ergernis. Gij ziet het: onder alle opzichten is de wereld in tegenspraak met Christus. Daarom ook bidt Christus niet voor de wereld (Joës XVII, 9); want de wereld haat Hem, zij bestrijdt Hem, zij onteert Hem en berooft Hem van de verschuldigde eerbewijzing zijner schepselen, om die voor zich te eischen; daarom kan er geen gemeenschap bestaan tusschen Christus en de wereld (Matth. 18, 6). Gij kunt nu van uwen kant geen twee heeren dienen, evenmin als uw oog tegelijkertijd den hemel en de aarde kan aanschouwen. Christus belooft u na een kortstondig lijden en een kortstondigen strijd een eeuwig, overvloedig en hemelsch loon; ook de wereld belooft u onbeschrijfelijke genietingen zonder einde, wiens zijde wilt gij nu kiezen? â- âHeer, tot wien anders zullen wij gaan dan tot u alleen ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.'' (Joës 6. (59.)
â 234 â
HOOFDSTUK XXX.
Wees voorzichtig met hetgeen gij leest.
Een wonderbaar voorwerp, zoo'n boek! Men zou bijna angstig worden als men er een ziet liggen en niet weet, welke geest er uit spreekt, of de adem die u daaruit tegenwaait een adem des levens of wel een adem des doods is. Daarin slapen toover-geesten, in roerlooze, doodelijke rust; maar nauwelijks beeft de menscb de bladen er van opengeslagen, of de betoovering begint te werken en alles wemelt van leven. Ach, hoe dikwijls reeds was de adem welke daaruit opsteeg, voor den onschuldigen jongeling, voor de argelooze maagd een adem des doods !
Wie schildert de noodlottige verwoesting aangericht door een slechte, goddelooze pers, die hare producten als een geweldigen stroom over de wereld uitstort? Evenals de verzengende woestijnwind heenscheert over de groenende oase en de laatste levenskiem der
â 235 â
jonge planten doodt, zoo treft de helscke pestwalm der goddelooze en onzedelijke boekenmarkt onze leesgrage maatschappij en vergiftigd de meest verborgen laatste kiemen van geloof, zedelijkheid en zielenadel, welke God heeft neergelegd in de naar waarheid hakende ziel des menschen.
Slechte boeken zijn er altijd geweest; maar in vroegere tijden was de leeslust over het algemeen nog zwak en waren de persproducten â na de uitvinding der boekdrukkunst â veel geringer in aantal; thans echter, nu de stoomkracht de boeken ver-duizendvoudigt en met bliksemssnelheid over de wereld verspreidt; nu hunne goedkoopte ze ook voor den kleinen man genietbaar maakt en hun uitwendig kleed zelfs den meest nuchteren blik boeit, nu wil alles lezen en leest alles ook.
Evenals er nu te allen tijde slechte boeken zijn geweest, zoo heeft ook door alle eeuwen heen onze Moeder de H, Kerk, rekening houdende met het onberekenbaar onheil hetwelk zij stichtten, niet slechts de
236 â
lezing en het bezit daarvan verboden, maar ook op de overtreding van dit gebod zware straffen gesteld.
Nu echter de voorschriften der H. Kerk zoo veelvuldig werden geminacht, en de vrijmetselarij de verspreiding van slechte boeken dagelijks meer en meer in de hand werkt; nu de revolutionaire partij haar troon en altaar bestormende vlugschriften overal kolporteert; nu onverzadelijke geldzucht gewetenloos speculeert op de zinnelijkheid en de lage hartstochten â nu zijn de boeken vermenigvuldigd tot een onnoemelijk getal.
Daarenboven : vroeger had men niets anders dan boeken; maar tegenwoordig is daarbij een stortvloed opgekomen van losse bladen, couranten, tijdschriften en brochuren, die bij honderden en duizenden in het licht worden gegeven met geen ander doel dan om de menschen â in het bijzonder de jeugd â door hun doodelijk vergif ten ver-derve te voeren.
Schuw en veracht, mijn kind, die heillooze, verderfelijke geschriften van godvergeten
â 237 â
schrijvers : zij verbergen in zicli een zeke-i'en onverinijdelijken dood.
Wat is het doel van verreweg de meeste moderne persproducten ? De loochening van het bovennatuurlijke. Maar zoodra de mensch het geloof daaraan heeft prijsgegeven, is iedere godsdienstige bodem onder zijne voeten weggezonken, heeft hij eiken zedelijken steun verloren en blijft in hem niets anders over dan het dierlijke.
Geloochend wordt het bestaan van een persoonlijken God; Gods aanbiddelijken naam wordt niet meer genoemd, maar in plaats daarvan komen de woorden, ânatuur, noodlot, toevalquot; â en waar die heilige naam nog genoemd wordt, daar wordt hij gelasterd.
Geloochend wordt de onsterfelijkheid der ziel; want volgens de leer van die onge-loovigen is alles slechts stof, alles slechts vleesch en bloed, alles vergankelijk en eindigt alles met den dood; oordeel, hel en eeuwigheid zijn volgens diezelfde menschen niets dan schrikbeelden voor de domme menigte. Vandaar de verdediging en ver-
heerlijking van den zelfmoord; hij die op misdadige wijze aan ziju eigen bestaan een einde maakt, wordt geprezen en verheerlijkt
als een held.
Deze verderfelijke leerstellingen worden niet gegoten in een weinig aantrekkelijken, wetenschappelijken vorm â wie van het groote lezende publiek bekommert zich om dorre, drooge wetenschap? â maar men stelt ze den lezer voor in het kleurige, be-tooverende gewaad der zoogenaamde belle-trische literatuur, d. w. z. in den boeienden vorm van roman, novelle, volkslied of feuilleton. .Met suiker gemengd wordt het vergift gemakkelijker â helaas ook zekerder!
ingenomen.
Al wat goed en edel is, deugd, eer- en schaamtegevoel, vaderland, kerk, priesterstand, rechtmatig gezag â t wordt alles belasterd en beschimpt; terwijl daarentegen de afschuwelijkste hartstochten en misdaden niet alleen verdedigd en gerechtvaardigd, maar ook met zulk een schaamtelooze naaktheid geschilderd worden, dat, toen bijv.
â 239 â
onlangs hij de behandeling van een rechtzaak in Engeland uit zulk een slecht boek eenige passages moesten worden voorgelezen, de president van het gerechtshof den voorlezer onderbrak met de woorden: âKwel onze ooren toch in Gods naam niet langer met dergelijke vuiligheid!quot; En zulke boeken worden door duizenden menschen ffekocht,
O '
gelezen, verslonden! De heidenen zouden ze door den beul hebben laten verbranden ; ja, evenals de boeken der H. Schrift door den H. Geest zijn ingegeven, zoo worden deze boeken ingegeven door den duivel zeiven bij het licht der helsche vlammen. O, als gij hen persoonlijk kendet, die godde-looze schrijvers, met hunne geheime en openbare schanddaden, gij zoudt-hen vluchten als de slangen, â en dan zoudt gij op geestelijke wijze met hem willen verkeeren door de lezing van hunne schriften?
Do lezing van die boeken duurt aan één stuk voort, wordt niet onderbroken, is zonder eenige verstrooiing van buiten; uw hart voedt zich onophoudelijk met wellust, uw
- 240 â
verstand met slechte gedachten, uw verbeelding met schandelijke voorstellingen en schilderingen â en zou dan niet'uw geheele wezen worden aangestoken tot in het diepste merg van uw gebeente 1
Weg daarom, voor eeuwig en altijd weg met zulke schandelijke boeken !
En al voeren nu ook niet alle romans en alle novellen en soortgelijke boeken, die het lezend publiek aangenaam moeten bezighouden, tot dien poel van onzedelijkheid, toch behandelen zij in den regel op allerlei va-riatiën het zelfde thema eener gelukkige of ongelukkige liefde, met alle mogelijke en onmogelijke toestanden en onnatuurlijke verwikkelingen. En zoo hebben ook de dusgenaamde âgoedequot; romans gewoonlijk geen ander nut, dan dat zij u ten minste op fatsoenlijke wijze bezighouden en aan het lezend publiek in het algemeen een zeker tegengif bieden tegen de lectuur van romans die goddeloos en zedeloos zijn.
Maar van den anderen kant, hoe schoon is het streven van een schrijver, die de rijke
â 241 â
gaven van zijn geest en zijn hart wijdt aan de goede zaak, en met vaardige pen de kennis der waarheid, de liefde tot het goede cn het schoone tracht op te wekken en te verbreiden; zegenrijk is zijn werk voor tijdgenoot en nakomeling tot in de meest afgelegen streken en in de verst verwijderde tijden. Want, bereikt het gesproken woord slechts een zeer klein gedeelte der menschen, het geschrevene gaat over berg en dal, land en zee, en dringt door zoowel in het paleis des konings als in de hut van den dagloo-ner ; woorden verdwijnen, maar het geschrevene blijft. De schoonheid in de afstraling der waarheid en de uitdrukking der waarheid in de orde der zedelijke handelingen is het goede. Deze drie begrippen zijn één, evenals in God waarheid, schoonheid en heiligheid één zijn.
Uit hetgeen gezegd is volgt dat gij bij het lezen steeds de volgende regels moet in acht nemen :
1. Lees onderhoudende boeken â goede
16
romans ol goede gedichten; maar besctoirw dat lezen als een ontspanning na den arbeid, een verpoozing. Wees daarbij echter voorzichtig en stel u tevoren voldoende op do hoogte of die romans of gedichten waarlijk in staat zijn, in u edele gevoelens op te wekken en u met afschuw voor alle laagheid en slechtheid te vervullen.
2. Lees in den regel slechts boeken waaruit iets te leeren valt, d. w. z. zulke die den kring uwer godsdienstige, wetenschappelijke, geschiedkundige of vakkennis verwijden.
3. Lees vóór en boven alles goede boeken in den eigenlijken zin des woords, boeken die u doen vooraitgaan in de vreeze Gods, de liefde tot den naaste, den ijver voor de zaligheid uwer eigene ziel en de beoefening der deugd; die u dus hier óp aarde in verbinding stellen met God, om u voor te bereiden tot de toekomstige aanschouwing zijner eeuwige schoonheid en heiligheid, zooals bijv. het Leven des Zaligmakers, de Levens der heiligen, Thomas « Kempis, de
â 243 â
Inleiding tot het Godvruchtig Leven van den H. Franciscus van Sales, en andere.
Bij de godvruchtige lezing is het de stem van God zei ven die, somtijds ontzagwekkend als de bazuin van den oordeelsdag, somtijds liefelijk als het geruisch van Davids harp tot uw hart spreekt. Vandaar de wonderbare werking van een goed boek. De H. Augustinus, de H. Ignatius, de H. Theresia en zoovele andere heiligen danken hunne bekeering of' hunne volharding aan de lezing van stichtende boeken. Zou deze lofwaardige gewoonte datzelfde uitwerksel ook niet bij u voortbrengen?
4. Koop geen boek, hetwelk gij niet kent, of dat Ti wordt aangeboden door onbekende verkoopers of marskramers, hoe verleidelijk de titel ook moge klinken, en hoezeer men het u ook aanprijze.
Win â wat betreft den inhoud van een boek hetwelk gij wilt lezen, of de richting van een courant, waarop gij u wilt abon-neeren, eerst inlichtingen in bij brave verstandige menschen, bijv. bij uwen pastoor
â 244 â
Een boek of een tijdschrift kan overigens, evenals een geneesmiddel, voor den een nuttig, voor den ander nadeelig zijn.
5. Zeg niet eigenwijs : âIn dat boek steokt geen kwaad, ik zie er niets in want het is met een slecht boek als met bedorven lucht; ook ongemerkt ingeademd vergiftigt zij het bloed, en brfengt de kiemen van dood en verderf in aderen en longen.
HOOFDSTUK XXXI.
Wees een getrouw kind der Katholieke Kerk.
Gij, mijn kind, zijt een lidmaat van dat lichaam, gesticht door Christus, verspreid over geheel de aarde, voortdurende tot het einde der tijden, en omvattende alle volken der wereld. Doordring u diep van dat verheven en glorievol lidmaatschap, en beschouw u zeiven toch nooit als een vreemdeling in uwe eigene familie, in dit reus-uchtig huisgezin, dat God zelf heeft gevormd.
â 245 â
TV belangen van die Kerk moeten uwe lio langen, haar welvaart, uwe welvaart, haar droefheid en haar vreugde de uwe zijn. De ledematen van deze Kerk staan niet afzonderlijk en ieder op zelf naast elkaar, maar zijn allen met en onder elkander innig verbonden en vereenigd door gemeenschappelijke banden, zij hebben allen hetzelfde onzichtbare opperhoofd, Christus, en ook hetzelfde zichtbare opperhoofd, den Paus ; zij hebben allen dezelfde geloofsleer, hetzeHde offer, dezelfde genademiddelen; allen hebben zij aandeel in dezelfde geestelijke goederen, dezelfde blijde hope op de eeuwige gelukzaligheid des hemels. Welk oene eer voor u, zoo innig met Christus, den Godmensch, verbonden te zijn !
Als gij u houdt aan dat onzichtbare en aan dat zichtbare opperhoofd en diens leer, dan kunt gij nimmer dwalen; blijft gij door de heiligmakende genade een levend lidmaat van die Kerk, dan verkrijgt gij een ruim aandeel aan in die Kerk verrichte goede VWken, en zijt gij reeds nu, wat gij geheel
â 246 â
de eeuwigheid door zult wezen: een heilige. Do ware christenen werden vroeger in de eerste eeuwen zelfs âheiligenquot; genoemd.
De Kerk zet het verlossingswerk van Christus voort. Die de Kerk hoort, hoort Christus. Evenals Christus gedurende korten tijd op aarde â vooral in het Joodsche land - â de mensehen heeft geleerd, zoo gaat de Kerk door alle eeuwen voort, aan alle volken de goddelijke openbaring te verkondigen en onfeilbaar te verklaren ; evenals
O
Christus door zijn zoendood de menschen heeft geheiligd, zoo gaat zij voort, de menschen te heiligen met de door Christus geschonken middelen om heilig te worden. Dagelijks vernieuwt zij het bloedige kruisoffer op onbloedige wijze, en past de oneindige verdiensten van dat bloedige kruisoffer toe op de geloovigen, naarmate hunner zielsgesteltenis. Sluit u dus vast en innig aan bij de Kerk, evenals de vrome scharen zich verdrongen om den Heiland; hoe inniger gij u bij de Kerk aansluit, des te hechter sluit gij aan bij Christus en des te
overvloediger zult gij verrijkt worden met de schatten van hemelsche leening en genade, waarvan de Kerk de uitdeelster is.
De Kerk is uwe Moeder. Wij spreken immers gewoonlijk van : âonze Moeder, de heilige Kerk.quot; Als iemand op aarde ooit dezen glorierijken naam heeft verdiend door liefde, bezorgdheid, toewijding, offervaardigheid, moedervreugde en moedersmart, dan is het ontegenzeggelijk de heilige Kerk. Zij geeft u het leven, het bovennatuurlijk leven van het kindschap Gods; zij vat u reeds in de wieg bij haar moederhand en leidt u met geduldige liefde door hot leven, voedt u met een hemelsche spijze, heft u op uit uwen val, droogt uwe tranen, leert u door haar woord, waakt bij uw ziekbed, sterkt en bemoedigt u bij den dood, wijkt dan niet van uwe zijde, blijft bij u tot aan het graf, en zendt ook dan nog zonder ophouden gebeden en smeekingen voor u op tot den dag uwer opstanding en verheerlijking, wanneer haar moederlijke taak volbracht zal zijn en zij in het dal van Josa-
â 248 â
phat al de door haar geheiligde scharen van uitverkorenen als trouwe kinderen, jubelend en zegevierend in de armen zal voeren van haren goddelijken Bruidegom. En zoudt gij zulk eene Moeder niet liefhebben met warm kloppend hart ? Zoudt gij aan haar niet^ al uwe krachten wijden om haar te beschermen tegen de aanslagen der goddeloozen en de listen van hare verraders? Zoudt gij voor haar uwen laatsten druppel bloed en uw leven niet veil hebben ? Gij zijt een waar kind van die Moeder als gij niet alleen hare geboden onderhoudt, maar ook hare moederlijke wenschen vervult. Uwe liefde tot haar moet u hare verlangens doen voorkomen. Hoort gij hare stem niet in uw binnenste ? Ontvang dikwijls en waardig de heilige Sacramenten, hoor ook dikwijls en godvruchtig de H. Mis, stort gaarne een penningske voor de missiën opdat deze zich steeds meer mogen uitbreiden lees slechts dagbladen en tijdschriften, geschreven volgens de katholieke beginselen ; laat u opnenqen in een of ander
â 249 â
godvruchtig broederschap en onderhoud daarvan naarstig den regel; neem â waar dit kan geschieden â deel aan de openbare processiën en ommegangen en doe dat alles in den geest van geloof. Een waar en trouw kind te zijn der katholieke Kerk, dat blijve steeds voor n de hoogste eer en het ijverigst streven ; als gij haar tot Moeder hebt, zult gij God tot Vader hebben.
De Kerk is een rots, een rots van waarheid en gerechtigheid; nooit zal die rots wankelen of geschokt worden op haar bodem. Sinds eeuwen hebben de machten der duisternisquot; getracht met geweld die rots omver te halen, en zijn de golven der vervolging hoog tegen haar opgespeeld en heeft de schuimende branding haar woedend gebeukt; de golven zijn teruggeweken, de branding JS gestild, maar de rots heeft niet gewankeld. Houd u vol vertrouwen aan deze rotsvast, omklem haar in allen nood en bij iederen storm ^ en nooit zult gij schipbreuk lijden, noch in uw geloof, noch in uw zedelijk ge-(Jrpg, noch iii uw hoop op het eeuwig leven.
â 250 â
Die Kerk is Christus' rijk op aarde; hoe zou dat rijk kunnen ten ondergaan ? Het heeft alle tot dusverre bestaan hebbende rijken overleefd en zal ze in de toekomst eveneens overleven en over hunne rookende puinhoopen heen zijn zegenrijke zending voortzetten tot heil der volkeren; want dat rijk alleen heeft de goddelijke, onfeilbare belofte : âIk zal met u zijn tot aan de voleinding der eeuwen.quot; De hoeksteen van dit rijk is de waarheid, en de kromsteen do gerechtigheid. En al geven ook aardsche machthebbers vrij spel aan hun ruw geweld tegenover zwakken en onschuldig verdrukten, al willen zij de Kerk ook berooven van den kostbaren schat harer bovennatuurlijk geopenbaarde waarheden en haar van de aarde verdelgen, zij zal voortgaan de verstrooide volken om zich heen te verzamelen, hen in de ure des gevaars van den ondergang te redden en in de geschonden tempels hetzelfde Credo voort te zingen, dat zij eens heeft gezongen in de onderaardsche gewelven, diep onder de paleizen des keizers. Deze
â 251 â
paleizen zijn in puin gestort, maar de Kerk is uit die duistere gewelven voor het oog der wereld glansrijk te voorschijn getreden. Evenals dit rijk een afbeelding en een voorteeken is van het rijk des Hemels, zoo is ook zijne duur een voorafbeelding van de eeuwigheid van het rijk des hemels. Verblijd u in de overtuiging, dat gij behoort tot een rijk, hetwelk zijn onderdanen op een gelukzalige eeuwigheid niet alleen voorbe-leidt, maar hun ook het bezit daarvan verzekert en waarborgt.
Door het Doopsel heelt de Kerk u Christen gemaakt, d. w. z een hooger wezen, een vriend Gods, een erfgenaam des hemels; zij heeft u in staat gesteld om niet alleen het lichaam van Christus te ontvangen, maar zelfs een geheiligd lidmaat te worden van zijn geheimzinnig lichaam en een tempel des H. Geestes ; â is er een hoogere waardigheid denkbaar ?
Zij heeft u gezalfd met hetzelfde chrisma waarmede zij priesters zalft en koningen, maar daardoor heeft zij u ook de verplich
t-m. opcrolegd, om als priester voortdurend
zuiveren, leven^ ^ mve hartstochten offerande, en als konin^
en booze lusten te beheerschen Bh 1 uwe rfl- heid van christen steeds gedachtig
r. if e «eBenik.
Moeder op. âWijt . v» de quot;»
schriften uwer Mooder,- .lt;-«'â quot; Squot;' tl sienuid uw hoofd o.nge.e. uw hal. C'do getooid mét eeu Uo.thare. keto».
(Spr. 1, 8, !gt;)â¢
XXXII HOOFDSTUK.
Over dc volmaakllieiil
Die rechtvaardig is, worde m,g recht.
alle menschen. Rechtvaardigheid en
â 253 â
zijn en heilig zijn, ziedaar eveneens twee begrippen van dezelfde beteekenis, want heiligheid is de roeping van den christen, vandaar dat de apostelen de christenen gewoonlijk aanduiden met het woord âheiligen.'' En de H. Petrus vermaant de eerste christenen : âWeest, op liet voorbeeld van den Heilige, die U geroepen heeft, ook heilig in geheel uwen wandel. (1 Petr. 1, 15), Naar rechtvaardigheid en heiligheid te streven, mijn kind,is dus voor u een wezenlijke plicht, het is het gewichtigste, dat gij op aarde te vervullen hebt. Meen daarom niet, dat de heiligheid alleen beoefend moet worden door priesters en kloosterlingen.
De christelijke gerechtigheid nu bestaat daarin, dat wij het kwade vermijden en het goede doen, in. a. w. dat wij aan iedereen geven wat hem toekomt; aan God gehoorzaamheid en aanbidding; aan onze overheden hoogachting en onderdanigheid; aan onze gelijken liefde en voorkomendheid; aan onze ondergeschikten- welwillendheid en vergevingsgezindheid en aan ons zeiven welbe-
|
â 254 â | ||
|
grepen eigenliefde. Het kwade moet gij |
ii | |
|
altijd vermijden, het goede altijd doen. Zoo |
h | |
|
dikwijls de gelegenheid daartoe u wordt ge | ||
|
boden. Kunt gij met nederigheid van u |
s | |
|
zeiven getuigen, dat gij zonder ophouden en |
t | |
|
mot ijver er naar streeft om in alles en bij |
V | |
|
iedere gelegenheid het goede te doen, dan |
n | |
|
bezit gij de deugden welke noodzakelijk zijn |
g | |
|
om tot de heiligheid te geraken. |
i] | |
|
Wat is deugd ? Deugd is een zekere be |
2 | |
|
drevenheid en vaardigheid in het verrichten |
e | |
|
van goede daden; en evenals gij in uw |
g | |
|
handwerk of in uw vak meer en meer be |
s | |
|
kwaam wordt door oefening, zoo verkrijgt gij |
C | |
|
ook die vaardigheid in het goede door de |
h | |
|
voortdurende en aanhoudende beoefening er |
V | |
|
van. Een kind dat ieder bevel zijner ouders | ||
|
opvolgt, verwerft zich niet slechts de deugd |
t | |
|
van gehoorzaamheid, maar het maakt zich |
t | |
|
deze zoozeer tot een tweede natuur, dat onge |
t | |
|
hoorzaamheid hem bijna onmogelijk wordt. |
g | |
|
Zoo zult ook gij door onverdroten dage- |
e | |
|
lijksche oefening en gesteund door de ge |
0 | |
|
nade Gods, langzamerhand die bedrevenheid |
V | |
â 255 â
in het goede verkrijgen, waarin de Christelijke gerechtigheid of heiligheid bestaat.
De deugd is als het edelsteen. Het edelsteen is harder dan kiezel of metaal; het trotseert den tijd, den eenigen dwingeland van het tijdelijke ; het drenkt zich met het meest onstoffelijke van alle levenlooze dingen ; het licht, en straalt dat wederom uit in schitterende glanzen. Evenzoo de deugd. Zij overleeft al het aardsche â eer, rijkdom en genot; zij heeft de beloften van het tegenwoordige en het toekomstige leven, en straalt, beschenen door het licht der genade. Gods heiligheid, schoonheid en volmaaktheid weder uit, in de heerlijkste en meest verheven daden.
De verschillende christelijke deugden staan tegenover de ondeugden; de nederigheid tegenover de hoovoordij, de milddadigheid tegenover do gierigheid, de kuischheid tegenover de onreinheid enz. Beoefent gij eene deugd, dan zult gij de aan haar tegenovergestelde ondeugd noodzakelijkerwijze vermijden. Leg uw vooral toe op die
â 256 â
deugden, welke een sieraad zijn voor uwé jeugd en u een gelukkige toekomst bereiden : de matiglieid, de gehoorzaamheid, de zuiverheid, de zachtmoedigheid en de godsvrucht.
En ga nu op den weg der gerechtigheid een stap verder d. w. z. streef naar volmaaktheid, zoekt het in de heiligheid zoover te brengen als mogelijk is. Want ook dit streven is de plicht van den Christen. De Goddelijke Meester heeft tot alle menschen gezegd: âWeest volmaakt, gelijk uw hemel-sche Vader volmaakt is.quot; (Matth. 5, 48). Gij moet derhalve zóózeer uw best doen, alsof gij de oneindige volmaaktheid Gods wildet bereiken, en nimmer zeggen : het is genoeg; want in het geestelijke leven is stilstand even onmogelijk voor den mensch als voor het vaartuig op den wild bruisenden stroom ; óf wel het breekt door de kracht van den voeier het geweld der golven en schiet voorwaarts, of wel het drijft af, voortgesleept door het geweld van den stroom. Gaat gij door de kracht van uwen wil en den bijstand dor genade niet vóóruit, dan gaat gij door
â 257 â
ket geweld uwer hartstochten en de hevigheid der bekoringen, noodzakelijk achteruit.
De volmaaktheid is gelegen iil deze woorden : âBemin God bovenal en al het andere om God.quot; Bemin God bovenal, want Hij is het hoogste goed en de oneindige schoonheid ; bemin al het andere om God, want dat is zijn wil. De onvoorwaardelijke liefde tot God on de voorwaardelijke liefde tot de schepselen, ziedaar de heiligheid volgens het woord van den wereldapostel; âBehoudt boven alles de liefde, welke de band der volmaaktheid is.quot; (Coll. 3, 14).
Als gij iemand bemint, zoekt gij ook aan hem gelijkvormig te worden; als gij God bemint uit geheel uw hart, zult gij dus ook trachten gelijkvormig te worden aan Hem, de heiligheid zelve !
Maar ik hoor u zeggen : Hoe zou het mogelijk zijn gelijkvormig te worden aan God, de oneindige heiligheid, de hoogste volmaaktheid, die troont in het ongenaakbaar licht, boven Cherubijnen en Seraphijnen, bo-
17
â 258 â
ven de Heerschappijen en Vorstendommen? En ik antwoord: om u dit mogelijk te maken is de Zoon Gods uit den Hemel op de aarde gekomen, is Hij mensch, kind en jongeling geworden evenals gij, en heeft Hij in alle omstandigheden van het menschelijk leven zich zeiven u ton voorbeeld gesteld, opdat gij Hem zoudt navolgen. En thans roept hij u toe : âIk ben de weg, de waarheid en het leven. Kom en volg mij na !quot; Als gij den menschgeworden Zoon Gods navolgt, zult gij volmaakt zijn gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is.
Houd altijd uw oog gevestigd op uw Goddelijk voorbeeld! Hoe gehoorzaam was Hij jegens zijn hemelschen Vader en zelfs jegens zijne aardscho moeder en zijnen pleegvader! Hoe liefderijk jegens alle menschen : barmhartig voor de zondaren, zachtmoedig tegenover zijne vervolgers, vergevingsgezind en edelmoedig jegens zijne vijanden ! Hij geneest zieken, blinden, lammen en dooven en spijzigt duizenden met eenige brooden : en toch geeft Hij de eer
â 259 â
daarvan aan zijnen Vader en verbiedt den genezenen, zijne wonderen openbaar te maken ; uit nederigheid wascht Hij zelf de voeten zijner Apostelen ; Hij is geduldig in het lijden, overgegeven aan dan wil zijns Vaders en een zijner laatste woorden is een gebed voor zijne vijanden en vervolgers. Ziedaar uw voorbeeld! âJa, U kennen is volmaakte gerechtigheid; uwe gerechtigheid en macht kennen, is de wortel der onsterfelijkheid.quot; (Wijsli. 15, 4.)
âZie en handel volgens dit voorbeeld,'' (Hebr. 8, 5.)
En wat Hij u toont door zijne daden, dat leert Hij u door zijn verhevene woorden, vooral in de beroemde bergpredikatie, welke gij kent. Ja, in de acht Zaligheden leert Hij u, hoe gij het werk uwer volmaking op den zoogenaamden trap van zuivering moet beginnen, op dien van verlichting voortzetten en op dien van vereeniging voleinden.
Vooreerst moet gij u door nederigheid, zachtmoedigheid en boetvaardigheid afkeeren van de zonde; want âzalig zijn de armea
â 260 â
van geest, zalig de zachtmoedigen, zalig zij die weenen, n.1. over himae zonden.quot; ; dat is de trap van zuivering.
Vervolgens moet gij u met ijver toeleggen op de christelijke deugd, voornamelijk op de naastenliefde ; want âzalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; zalig zijn de barmhartigenquot;; dat is de trap van verlichting.
Eindelijk klimt gij op tot den hoogsten trap van volmaaktheid, n.1. tot de vereeniging mst God; want âz,alig zijn de zuiveren van hartequot;, die daardoor ook tevens den ziele-vrede bezitten en door vervolging noch lijden of wat ter wereld ook zich laten scheiden van de liefde Gods. Dat was ook de gesteltenis van den heiligen apostel Paulus toen hij sprak: âIk ben zeker, dat leven noch dood, noch engelen, noch machten noch het tegenwoordige, noch het toekomstige, noch. hoogte, noch diepte, noch eenig aiisr sohip^al om vermig te sjhaidsn van da liefde God^, welk^ is in Onristui Jesui, pnzen Heer.quot; (Rorn. 8, 38, 39.;
â 261 â
Als nu God u tot de volmaaktheid verplicht, schenkt Hij u ook gewone en buitengewone middelen om haar te bereiken ; de gewone moet gij onvoorwaardelijk, de buitengewone slechts onder zekere omstandigheden gebruiken.
De gewone middelen zijn het gebed, het woord Gods en de heilige Sacramenten. Bid dus dikwijls, ijverig en godvruchtig; luister leergierig en met een geloovig hart naar het woord Gods; ontvang de heilige Sacramenten dikwijls na ijverige voorbereiding en met ware godsvrucht; verricht al uwe handelingen steeds met eene goede meening en in staat van heiligmakende genade ; weiger uzelven altijd wat ongeoorloofd en somtijds zelfs wat geoorloofd is, en gij zult het spoedig brengen tot een hooge volmaaktheid.
De buitengewone middelen zijn de zoogenaamde Evangelische Radon: de vrijwillige armoede, de eeuwigdurende zuiverheid en de volmaakte gehoorzaamheid aan een geestelijken overste. Deze middelen zijn niet ypor allen, dus mogelijk ook niet yoor u,
â 264 â
âGeprezen zij de almachtige God, die ons Zijne Moeder tot Moeder gaf â geprezen zij Zijne heilige Moeder, die ons arme men-schen als hare kinderen aannam ! En zóó is het inderdaad. Toen de Zaligmaker, stervend aan het kruis, het werk der verlossing volbracht, en tot den apostel der liefde de woorden sprak : âziedaar uwe moeder;quot; toen heeft zij op zich genomen het zegenrijke moederschap over alle menschen. Welk een onuitsprekelijk geluk, mijn kind, dat gij âMoeder'' moogt zeggen tot haar, die de Moeder is van Jesus Christus ; en blijft het onderscheid bestaan dat zij Hem als kind geboren en u slechts als kind aangenomen heeft, toch is zij in waarheid uwe Moeder.
Zij is eene verhevene, machtige, beminnelijke en goede Moeder, wees gij steeds een goed, deugdzaam, liefhebbend kind! Vereer Maria! Zij is het meesterstuk van Gods hand, de gezegende onder de vrouwen evenals Christus in den hemel een almachtigen, eeuwigen Vader heeft, zoo hoeft Hij ook op aarde een ongeschonden, vlekkelooze Moeder gehad,
â 265 â
Evenals het aan God paste, slechts uit eene Maagd geboren te worden, zoo paste het aan de Maagd slechts een God ter wereld te brengen. Zijn de andere heiligen vrienden en dienaren van God â zij alleen is Gods Moeder ; in deze heerlijke zon van genade heeft de Allerhoogste Zijn woontent opgeslagen ; overal waar de naam âJesusquot; wordt geloofd, daar wordt ook die van âMariaquot; geprezen ; evenals de Bondsark de Tafelen der Wet en het Manna omsloot, zoo droeg Maria in zich den oppersten Wetgever, den Godmensch door het Manna voorafgebeelrl. Vereer Maria geheel uw leven, mijn kind! Vereer haar iederen dag bij het luiden van den âEngel des Heeren vereer haar des morgens en des avonds door het bidden van drie Wees-gegroeten ter eere harer Onbevlekte Ontvangenis, een oefening van godsvrucht, die niet genoeg kan worden aanbevolen ; vereer haar iedere week door haar des Zaterdags een bijzondere â al is het dan ook kleine â huldebetuiging aan te bieden ; vereer haar iedere ma;iuil door liet
â 266 â
ontvangen der H. H. Sacramenten en het godvruchtig vieren van de haar toegewijde feesten welke in die maand vallen ; vereer haar ieder jaar door de schoonste van alle maanden, de Meimaand aan haar toe te wijden. IJver voor hare eer en bevorder hare vereering.
Roep Maria aan! Zij is eene machtige Moeder, en evenals eens koning Salomon sprak tot Betsabee, zoo spreekt ook Jesus tot Maria : âVraag slechts, o moeder, want het is niet passend, dat ik u afwijzequot;' (3 Kon. 2, 13). God heeft de volheid der genaden aan hare handen toevertrouwd, opdat zij deze rijkelijk zou uitdeelen onder de menschen, maar voornamelijk onder hare getrouwe dienaren en dienaressen. Evenals alle rivieren in de zee, zoo vloeien alle genadestroomen in Maria's handen te zamen. Gelijk haar Zoon almachtig is krachtens zijne natuur, zoo is zij het door hare voorbede. Zij heeft dor helsche slang den kop verpletterd ; zij is âeen toren gebouwd met borstweringen; duizend schilden hangen daartegen, geheel
â 267 â
de wapenrusting der sterken.quot; (Hoog. 4, 4). en met deze ondoordringbare schilden beschermt zij ons tegen de vurige pijlen der hel.
Evenals Dagon, de afgod, in tegenwoordigheid van den Bondsark van zijn troon stortte en in stukken viel, zoo siddert de gansche hel van schrik voor deze machtige Verwinnares. âDe Heer is met haar''; de Yader door zijne Almacht, de Zoon door zijne Wijsheid, de H. Geest door zijne Liefde: wie zou Haar dan kunnen weerstaan ? ,,Hare woning heeft hij in Sion, de sterke stad, en hare macht in Jeruzalemquot;', het hemelsche Jerusalem. (Eccli 24, 15.) Hoe zou haar iets kunnen geweigerd worden door don Almachtige, die het vleesch heeft aangenomen in haren schoot! âZij nadert het altaar der verzoening veel meer gebiedend dan biddend, veel meer als heerscheresse dan als dienaresse.quot; (Petr. Dam.) âGod heeft gewild, dat wij niets zouden bezitten, tenzij door de handen van Maria.quot; (H Bern.) Ja, haar is alle macht gegeven in den hemel en op aarde, opdat zij alles kunne uitwer-
â 268 â
ken, wat zij wil. Roep haar daarom aan met vertrouwen ! Beveel haar al uwe belangen : uw leven en het einde uws levens, uwe zorgen en bekommernissen, maar vooral de zuiverheid uws harten, de keuze van uwen levensstaat, uwe volharding en het uur van uwen dood. Ook gij zult de troostvolle ondervinding opdoen, dat, zooals de H. Bernardus ons verzekert, niemand hare voorspraak ooit tevergeefs heeft ingeroepen
En zoudt gij ook in staat van zonde ver-keeren, mijn kind. weet, dat Maria de toevlucht is der zondaren, de hoop der wanho-pigen, de voorspreekster der veriatenen, de hulp der hulpeloozen, de verlossing der gevangenen, de voogdesse der weezen, het heil en de behoudenis der zieken, de troos-teresse der bedrukten.
âIk ben de Moeder der barmhartigheid,quot; zeide zij eens tot de H. Brigitta, âen er is geen verdoemde in de hel, die gedurende zijn leven van mijne barmhartigheid verstoken is gebleven; er is niemand, hoe verre li ij ook van (rod moge zijn afgedwaald, die,
â Ã69 â
als hij aanroept, niet; verhoord zal worden en tot God zal terugkeeren,quot;
Bemin Maria! â Gelijk God heeft gewild, dat Maria van alle vrouwen de machtigste zou zijn, zoo heeft Hij ook gewild dat zij van allen de beminnelijkste zoude wezen. De H. Kerk, doordrongen van een vurige liefde tot Maria, schildert hare beminnelijkheid met de heerlijkste beeldspraak der H. Schrift. Evenals de ceder op den Libanon slank en hoog oprijst Boven dalen en velden, zoo verheft zich Maria hoog boven het stof der aarde en de lust der zinnen ten hemel; gelijk de cypres op den berg Sion, nimmer aangetast door rijp of vorst, altijd door blijft prijken met frisch groenen lentetooi, zoo staat ook zij daar, de vlekkelooze, onaangetast door zonde of booze lust; evenals de palmboom te Kades onder den adem des winds wuift met zijne schaduwrijke twijgen â zinnebeelden van overwinning â zoo zwaait Maria haren zegepalm als Koningin, zegevierend over hel en duivel. Schoon is aan de oevers der wateren de bladrijke
â 270 â
plataan, die den vermoeiden wandelaar uifc-noodigfc onder de verfrisschende koelte van zijn schaduwrijk looverdak; maar schooner is Maria, als zij de wijde plooien van den mantel harer moederlijke bescherming uitspreidt om hare kinderen die in gevaar ver-keeren, daaronder te beschermen; heerlijk is de pracht van de rozenstruik te Jericho in den purperen gloed van het morgenrood ; maar heerlijker de geurige deugdenschat dei-allerheiligste Moeder Gods.
Zij is bevalliger dan de bloem des vekls, smetteloozer dan de lelie in het dal. Gelijk de olijf met zijne olie de wonden verzacht, en de wijnstok met zijn versterkend sap de uitgeputten verkwikt, zoo schenkt Maria aan den armen pelgrim op deze wereld hemel-sche zalf tot genezing, en aan den afgematte t3t verstérking het bloed van haren godde-lijken Zoon. Zij is de Moeder der schoone liefde en der heilige hope ; bij haar is alle genade, alle hoop des levens en der deugd. (Eccli 24.)
Hobt gij, mijn kind, nu eenig begrip ge-
â 271 -
kregen van de beminnelijkheden uwer he-melsche Moeder? Welnu, bemin haar dan ook met al den gloed van uw kinderlijk hart. Verheug u over hare waardigheid, over hare vereering en verheerlijking gelijk een kind zich verheugt over de eer, die zijne moeder wordt aangedaan. Zeg dikwijls tot haar met de H. Theresia: âGij zijt mijne moeder, aan u beveel ik al mijne belangen, al mijne verwachtingen, allo mijne nooden,quot; Ontsteek aan haar moederlijk hart uw eigen liefde tot haren Goddelijken Zoon en verteer in dezen liefdegloed alles, wat in u nog ijdel en zondig moge zijn. Ja, als iets hier op deze wereld in staat is om u hooge en edele gevoelens in te boezemen en iedere andere liefde in uw hart te louteren en te heiligen, dan is het voorzeker een voortdurende blik op Maria, de onvergelijkelijke, engelreine, hemelsche schoonheid en beminnelijkheid.
De ware Maria-vereering is een zeker teeken van uitverkiezing. Maar die ware vereering, mijn kind, bestaat dan ook â onthoud dit wel â in do navolging barer
- '272 â
dengden. Hoe zoudt gij een dienaar of eeii dienares van Maria kunnen zijn, als gij het tegenovergestelde doet van hetgeen zij van u verwacht en vordert? Hoe zoudt gij haar, de reinste maagd en hemelkoningin de hulde uwer godvruchtige oefeningen kunnen aanbieden in een onrein vaatwerk, d. w. z. met een besmeurd geweten?
Neem hare moederlijke vermaning wèl ter harte: âDie naar mij luistert, zal niet te schande worden, en die in mij zijne werken doet, zondigt niet.quot; (Eccli 24.)
Welke deugden leert zij u dan beoefenen?
De H. Joannes, de bevoorrechte zoon van Maria, geeft daarop in zijne Openharing het antwoord : âEr verscheen een groot teeken aan den hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder hare voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren,quot; Deze sterren beteekeuen (volgens de schrittuur-verklaarders) de twaalf meest uitstekende deugden van Maria.
De eerste van die dengden is : haar geloof. Zij geloofde vastelijk, dat zij door een
â 273 â
wonder van Gods Almacht, door de werking des H. Geestes Moeder Gods zoude worden en tegelijk maagd zoude blijven, en dat haar Zoon, ondanks zijn smaadvollen dood, glorierijk uit het graf zou opstaan.
De tweede deugd van Maria is de hoop. Evenals haar levenswandel, zoo was ook hare hoop steeds gericht op God en den hemel. Deze hoop verliet haar ook nimmer bij de aard-sche beproevingen. Wel moest zij, om aan de vervolgers van haar Kind te ontkomen, naar Egypte vluchten ; wèl moest haar hart doorboord worden met een zevenvoudig zwaard van droefheid : maar zij bleef onwankelbaar in haar vertrouwen, dat de Almachtige en Algoede al deze beproevingen voor haar ten beste zou keeren.
Haar derde deugd was hare liefde tot God. Zij gaf aan God geheel haar hart met een onbaatzuchtige, standvastige, brandende en werkzame liefde, en wat of wien zij ook anders mocht beminnen, beminde zij alleen om Gods wille.
18
â 274 â
Als vierde dengd merken wij vooral op hare godsvrucht. Terwijl die heilige Moeder haar Kind voedde, kleedde en verpleegde met onuitsprekelijke teederheid en eerbied, erkende en aanbad zij steeds onder het zichtbare hulsel zijner menscheid, zijn verborgen Godheid.
Hoe groot was haar ootmoedigheid! Zij was moeder van God en noemt zich dienstmaagd des Heeren; zorgvuldig houdt zij hare onvergelijkelijke waardigheid verborgen, zelfs voor hare naaste verwanten; en ofschoon door hare nicht Elisabeth erkend en begroet als Moeder Gods, antwoordt zij : âMijne ziel maakt groot den Heer en mijn geest verheugt zich in God, mijn heil! Want Hij heeft nedergezien op de geringheid zijner dienstmaagd!quot;
Wat zal ik u zeggen omtrent de zuiverheid haars harten? Was zij niet bereid haar Goddelijk Moederschap prijs te geven, als zij daarvoor hare maagdelijkheid had moeten opofferen ? Bij het verschijnen van den engel wordt zij ontsteld. Ja, van hare zuiverheid
â 275 â
ging zulk een kracht uit, dat â volgens liet getuigenis van den H. Ambrosius â bij haren aanblik alle oneevbare gedachten verdwenen.
Van haar sterkte gaf zij een bewijs onder het kruis. Bij het aanschouwen der vreese-lijke smarten, van de bange verlatenheid en den gruwzamen dood haars Goddelijken Zoons, dien zij liefhad zooals nooit eene moeder haar kind heeft liefgehad â jammert of weeklaagt zij niet, of zinkt niet van droefheid ineen; neen â stabat : d. w. z. zij stond, wel diep bedroefd, maar moedig en heldhaftig op de eerste plaats.
Hare liefde tot de armoede was zoo groot, dat zij â geheel volgens den geest van haren Goddelijken Zoon, haar Kind liever in een stal wilde baren en op hard stroo wilde neerleggen dan in een koninklijk paleis op donzen kussens.
Haar naastenliefde deed den Goddelijken Heiland op de bruiloft te Kana zijn eerste wonder verrichten; want toen zij het jonge echtpaar wegens gebrek aan wijn in verle= genheid zag, zeide zij vol deelneming en met
â 276 â
groot vertrouwen tot haren Zoon : âZij hebben geen wijn meer.''
Uit gehoorzaamheid onderwerpt zij zich niet slechts aan de Mozaïsche wet der zuivering, maar gehoorzaamt zelfs aan het bevel van den heidenschen keizer Augustus, en laat zich bij de volkstelling in het register van haar vaderstad opschrijven.
Bereidwillig brengt zij het offer van haren Zoon, tot verlossing van geheel het men-schelijk geslacht, ook van diegenen, welke hem gruwzaam mishandelen ; want zij is de Moeder van barmhartigheid.
De laatste ster is de deugd harer bescheidenheid. Ja, slechts gedwongen treedt zij op in het openbaar, slechts wanneer het moet, waagt zij zich onder de menschen ⢠het huisje van Nazareth met den onverge-lijkelijken schat welken het omsluit, ziedaar haar geheele wereld. Zij was zoo zedig in haren gang en bewegingen, zoo ernstig en tevens zoo onuitsprekelijk beminnelijk en bevallig in de uitdrukking van haar gelaat, zoo bedachtzaam in hare woorden, zoo in-
â 277 â
getogen en waakzaam in hare blikken en toch zoo verheven en vol majesteit, dat Dio-nysius de Areopagiet, die haar mocht aanschouwen, getuigt: âAls het geloof'mij niet anders geleerd had, zou ik gemeend hebben een Godheid te aanschouwen.quot; O mijn kind, doe uw best, om zoo zedig, zoo ingetogen, zoo bescheiden, zoo ernstig en lieftallig te worden als uwe hemelsche Moeder Maria!
Het beeld, waarnaar gij u vormen moet hebt gij thans vóór u: Maria, âde spiegel der gerechtigheid''. O, doe uw best om op deze verheven Moeder te gelijken. Hoe volmaakter zij deze gelijkenis in u zal ontwaren, i^des te meer zal zij u liefhebben, u heiligen en u in alle nooden en gevaren haren machtigen bijstand doen gevoelen. Bijzonder beveel ik u te harer eere de schoone gebeden aan van den H. Bernardus, den H. Aloysius en Paus Pius IX. z. g. â aan het einde van dit boekje.
â 278 â
HOOFDSTUK XXXIV.
Over de volharding.
De korte jaren gaan voorbij, en gij bewandelt een weg, waarop gij nimmer meer zult terugkeeren. Het getal uwer maanden is bij God. Hij heeft daaraan een einde gesteld. (Job. 14); en dit einde is â de eeuwigheid. Ik heb u in dit boekje den weg naar die eeuwigheid getoond, mijn kind,
_ volhard, volhard zonder ophouden totdat
gij haar bereikt.
Hebt gij âde hand aan den ploeg geslagen en ziet gij achterwaarts, d. w. z. houdt gij niet vol, dan zijt gij voor het rijk Gods ongeschikt-' (Luc. 0, 62). Velen zijn goed begonnen, maar hebben slecht geëindigd. Bij Lucifer en zijne aanhangers was het begin voortreffelijk, maar het einde rampzalig.
Judas, een van de twaalf, was goed begonnen, maar eindigde slecht. En zij allen zijn begraven in den poel van zwavel, waar
â 270 â
het vuur niet wordt uitgedoofd eu de worm niet sterft.
Saul, Salomon, Tertullianus, Nicolaas van Antiochië en zooveel andere uitverkoren mannen, hoogbegaafde geesten en dappere koningen, zij zijn goed begonnen, maar â-hoe hebben zij geëindigd ? Wat is thans hun lot ? Slechts met twijfel en vreeze beantwoordt gij deze verschrikkelijke vraag. âBegonnen zijn er velen'quot;, zegt de H. Hie-ronymus, âmaar den top bereikt hebben er slechts weinigenquot;.
âAlle deugden strijden, maar alleen de volharding wordt gekroond,'' zegt de H. Bernardus. Daarom, mijn kind, roep ik u vol bezorgdheid toe met den wereldapostel: âIk vertrouw, dat Hij, die in u het goede werk heeft begonnen, dit ook zal voltooien tot op den dag van Jesus Christus.''
Moogt gij het werk der rechtvaardiging en der heiliging, dat gij met Gods genade hebt aangevangen, ook daarmede voortzetten en voleindigen!
Nu is deze genade der volharding niet
â 280 â
ééne enkele genade, maar veeleer de samenvatting van vele en aanhoudende genaden. Zij wordt verleend aan hen, die zich toeleggen op het gebed, voortdurend de nederigheid beoefenen en hun best doen om braaf te leven. Zóó deden de heiligen: door hun steeds vurigen ijver en aanhoudend gebed hebben zij van God zóó veel licht voor hun geest ontvangen en sterkte voor hun wil, dat zij bijna geen doodzonde meer bedrijven en hun eeuwige bestemming missen konden.
Daarom: âWees getrouw en God zal u de kroon des levens gevenquot;' (Openb. 2, 10.). Gij hebt aan God trouw beloofd bij het H. Doopsel en deze heilige belofte zoo dikwijls herhaald bij het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht; word dan tegenover uwen God geen breker van uw woord, tegenover uwen Koning en Heer geen verrader, maar wees getrouw en volhard in uwe goede beginselen en voornemens.
Is het niet dwaas, een handwerk hetwelk men begonnen is te leeren, spoedig daarna
â 281 ~
weer op te geven? Is het niet dwaas, een reis te ondernemen en na weinig tijds uit louter gemakzucht terug te keeren, zonder zijn doel bereikt te hebben? Maar veel dwazer is het nog, den dienst van God te verlaten en terug te keeren tot den harden dienst der wereld en des duivels, welken gij verlaten hebt. âHoud vast aan uw verbond ... en word oud bij het werk, hetwelk men u heeft opgelegdquot; (Eccli 11, 21). Wie houdt zich aan zijn verbond? Hij, die getrouw blijft aan Gods geboden. Wie wordt oud bij zijn werk? Hij, die zijn best doet in het volbrengen van goede werken te volharden tot het einde toe.
Wees getrouw! Begint het u somtijds zwaar te vallen â blijf volharden, nog slechts een korte poos. Wie ter wereld heeft ooit iets grootsch bereikt zonder moeite? En gij zoudt het grootste, het verhevenste, het Rijk des Hemels, het bezit van God willen verwerven zonder inspanning en arbeid?
De worstelaars uit den ouden tijd zagen
er niet tegen op hun lichaam door de strengste ontberingen te verharden, dagen achtereen de meest vermosiende en afmattende oefeningen te houden, stooten en slagen te verduren in bloedige gevechten â en dat alles om eene vergankelijke kroon te verdienen; â hier echter geldt het een onvergankelijke, onverwelkbare, eeuwige kroon: en zou dan de arbeid daarvoor u te lastig, de strijd te hard, een oifer te zwaar zijn? De Joden trokken veertig jaar achtereen gewapend door de woestijn; slechts met geweld van wapenen veroverden zij het Land van Belofte. En gij, mijn kind, zoudt meenen het beloofde Land des Hemels te kunnen veroveren, zonder voortdurend uitgerust te zijn tot den geestelijken strijd'?
âWees getrouw!'' en God zal u getrouw blijven; Hij heeft het u immers beloofd : Hij zal nooit toelaten dat gij boven uwe krachten beproefd wordet, maar u bij de beproeving ook uitkomst â d. w. z. genade â verleenen, opdat gij kunt volharden.
âWaar waart gij, o goede Jesus,quot;' riep
â 283 --
eens de kluizenaar Antonius uit na een lievige bekoring, âo goede Jesus, waar waart gij ?quot; En een inwendige 'stem gaf hem ten antwoord ; âAntonius, ik was bij u; en thans, nu gij niet gewankeld hebt, zal ik u ook altijd bijstaan.'' â Zoo zal een nog krachtiger bijstand van God ook uwe trouw en uwe standvastigheid beloonen.
Wees getrouw in het gebruiken der da-gelijksche genaden, bijzonder in het gebed om de kroon van alle genaden: de volharding. Want om vol te houden tot het einde in den strijd tegen zich zeiven, tegen den duivel en de wereld, om te zegevieren over alle moeielijkheden op den weg der deugd, over alle hevige bekoringen en zielsgevaren, om moedig en met taaie volharding voort te gaan op het eenmaal ingeslagen pad â daartoe is noodig een bijzondere genade Gods.
Zóó kroont God het werk, dat Hij in u door de dadelijke en heiligmakende genade heeft begonnen, met de genade der volharding.
âWees getrouw!quot; Gedraag u mannelijk,
â 284 â
laat, uw hart sterk zijn en hoop op den Heer.'' (Ps. 26. 14).
In den gouden tijd der jeugd is het hart vol verwachtingen en vooruitzichten op een gelukkige toekomst; maar ach ! hoe vaak worden zij teleurgesteld ! Gelijk de kleuren van den regenboog verdwijnen, zoodra de zon zich achter de wolken verbergt, evenzoo lossen al die verwachtingen en droombeelden zich op in nevel en rook, zoodra de lentezon der jeugd is ondergegaan. Maar ééne hoop blijft â de hoop op een eeuwige belooning na een tijdelijke zegepraal; en deze hoop berust op God â op zijne eeuwige Waarheid en onfeilbare Getrouwheid.
Luister, mijn kind, naar hetgeen Hij zelf u in de âOpenbaringquot; van deu H. Joannes (2 en 3) belooft: âHem die overwint zal ik de kroon des levens geven â de onsterfelijkheid.quot;
âHem, die overwint zal ik te eten geven van den boom des levens, welks vrucht is; een overstelpende gelukzaligheid in de liefde en de aanschouwing Gods.quot;
â 285 â
âHem, die overwint, zal ik een verborgen Manna schenken, vol onuitsprekelijke zoetheid, en een nieuwen naatn. Ik zal hom noemen: kind des Allerhoogsten â hem, den glorievollen en geheiligden overwinnaarquot;.
âHem, die overwint, zal ik bekleeden met een wit gewaad van glanzende heerlijkheid en op den dag des oordeels zijn naam belijden voor mijnen Vader en mijne engelen, evenals hij mij beleden heeft voor God en de menschen''.
âHem, die overwint, zal ik maken tot een met roem gekroonden burger van hethemelsch Jeruzalem en hem den naam Gods op het voorhoofd schrijven.quot;
âHem, die overwint, zal ik geven met mij op mijnen troon te zetelen, evenals ook Ik overwonnen heb en met Mijn Vader op mijnen troon gezeten ben.quot;
Zoo zal hij, die met Christus heeft gestreden, ook met Christus gekroond, geprezen en verheerlijkt worden in alle eeuwigheid.
â 286 â
HOOFDSTUK XXXV. Gebeden tot Maria.
Het âMemorarequot;.
Gedenk, o allergoedertierenste Maagd Maria, dat het nooit gehoord is, dat iemand die tot u zijne toevlucht nam, uwe hulp inriep of uwe voorspraak verzocht, door U verlaten is geworden. Aangemoedigd door dit vertrouwen, o Maagd der maagden, kom ik tot U en werp mij, zuchtend onder het gewicht mijner zonden, voor uwe voeten neder.
O Moeder van het eeuwig Woord, versmaad mijne gebeden niet, maar neem die genadig aan en gewaardig U ze te verhoeren. Amen.
(Tans Pius IX z. g. heeft op den 25 Juli 1846 aan dit gebed 300 dagen aflaat verbonden.,)
O Domina.
O, mijne Meesteres, o mijne Moeder ! Ik draag mij geheel aan U op, en om U daar-
van een bewijs te geven, wijd ik U heden toe mijne oogen, mijne ooren, mijn mond, mijn hart, en alles wat ik heb en ben. O goede Moeder, ik behoor u toe; bewaar en bescherm mij dan ook als uw bezitting en uw eigendom !
Schietgebed: O mijn Meesteres, o mijne Moeder!
Gedenk dat ik U toebehoor. Bewaar en bescherm mij als uwe bezitting en uw eigendom ! â Wees gegroet, Maria enz.
(Paus Pins IX z. g. heeft aan alle geloovigen, die des morgens en des avonds rouwmoedig een Wees gegroet bidden met dit gebed en schietgebed, een aflaat verleend van 100 dagen, te verdienen eenmaal per dag.)
Gebed van den II Aloyslus tot Maria.
âO Maria, mijne Meesteres! Ik beveel heden en voor iederen dag, maar bijzonder voor het uur van mijnen dood, mij, mijne ziel en mijn lichaam in uwe gezegende bescherming, in uwe bijzondere hoede en in den schoot uwer barmhartigheid. Op U
â 288 â
vestig ik al mijn hoop, van U verwacht ik al mijn troost, in uwe handen stel ik al mijne nooden en ellenden, mijn leven en het einde daarvan, opdat door uwe allerheiligste voorbede en door uwe verdienste al mijne gedachten, woorden en werken in volkomen overeenstemming mogen zijn met uwen wil en dien van uwen Zoon. Amen.
(Paus Leo XIII heeft op deu löden Maart 18UJ aan dit gebed een aflaat verbonden vau 200 dagen.)
INHOUD.
Bid/..
VOOBWOORD............... 1
Hoofdstuk I. Wees trouw in den
dienst van God. . 5 â II. Dien God in de dagen
uwer jeugd .... 11 â III. Vlucht de zonde! . . 19
â IV. Vlucht den omgang
der boozen.....28
â V. Over de waakzaamheid.........35
â VI. Over het gebed ... 41
â VIL Over het geloof ... 47
â VIII. Niet vloeken! .... 56
â IX. Over het heiligen van
den Zondag. ... 64 â X. Over de viering der kerkelijke feestdagen.........73
II
Bid*.
Hoofdstuk XI. Nader dikwijls tot de
H. H. S acram enten 86 Xn. Eer uwe ouders . . 07 » XIII. Wacht u voor het
geven ran ergernis 105 XI\. Over het bewaren
der kuischheid . . 113 XV. Gebruik de middelen! .......122
» XVI. Vlucht de dansloka-
len!........i3o
quot; XVII. Over den tijd der
verkeering .... 138 â X \ III. Over het toegeven
aan genotzucht. . 145 â XIX. Vermijd de opschik
in uwe kleeding . 150
XX. Wees rechtvaardig
en milddadig! . . 157
XXI. Wees arbeidzaam. . 165 quot; XXII. Over de ontspanning J74 â XXIII. Vermijd alle ruwheid 180 â XXIV. Waak over uwe tong J85 â XXV Niet liegen! .... 192
Hoofdstuk XXVI. Bereid u voor tot
uwen levensstaat 200
XXVII. Een woord over
den maagdelijken staat.......212
XXVIII. Doe wat goed is
en schaam u voor niemand! . . ⢠219 r XXIX. Veracht de wereld. 227
XXX. Wees voorzichtig
met hetgeen gij leest. .......234
XXXI. Wees een getrouw
kind der Katholieke Kerk . . . 244
XXXII. Over de volmaakt
heid .......252
XXXIII. Over de godsvrucht
tot de H. Moeder Gods.......263
XXXIV. Over de volharding 278 XXXV. Gebeden tot Maria 286
v«.......,,, , ,
⢠.
â
. â