iiiiiiiiiiiiiiiiiiiriiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiinin
---â¢
AAN EENE
pf «MMA©G£¥*M ^
lü ni
y§
JONGE DOCHTER
IN DB WE BE LD.
DOOR '
F. PETERS,
Vak 71
Redemptorist.
Met Kerkelijke goedkeuring. TWEEDE DRUK.
GULPEN, 1890.
,,c,, , . ÃRUK VAN M. ALBERTS amp; ZONEN.
llMiiWïP*
209
MADGEVINGEN
AAN EENE
JÃIE DOCHTER IN 1 WEEEID,
fitW
GOEDE RA1DÃEVINGBN ^
AAN EENE
JONGE DOCHTER
IJST IDE quot;WIBDRIEILID.
Door W'B ipmxwM.amp;F
Redemptorist.
GULPEN, 4890.
Druk van M. Alderts en Zonen.
Met Kerkelijke goedkeuring.
Door den Hoogwaardigen Pater Generaal onzer Congregatie, Nicolaus Mauron , daartoe gemachtigd staan wij toe dat liet werkje «Goede raadgevingen aan eene jonge dochter in de wereld» door den WelEerwaarden Pater Peters O. SS. R., gedrukt worde, servatis servandis.
Amslenlam, 24 April 1887.
P. OOMEN, G. SS. R.
Sup. prov. Holl.
IMPRIMATUR.
P. MANNENS.
s. Theol. Doet. et Prof. Libr. Censor.
Rufwmundce, IS Junü 1887.
OPDRACHT.
H. Theresia, grooto dienares des Ileeren, U, die bijtijds door Gods genade , aan eene al te natuurlijke liefde jegens eene uwer vriendinnen verzaakt hebt, en daarom van God die troostvolle woorden hebt mogen hooren: «nu behoort gij geheel en al aan Mij;» U die met mannelijken moed den weg der deugd en volmaaktheid bewandeldet, en daarom door mijn Vader, den H. Alphonsus, zoo bemind en geëerd werdt, U zij dit onbeduidend werkje , door een geestelijken zoon van dien H. Kerkleeraar opgedragen. Ik beveel U allen aan die het zullen lezen, opdat zij door uwe machtige voorspraak eene duidelijker kennis mogen verkrijgen van het godvruchtig leven, en het steeds in beoelening brengen in â welken staat ook zij den Heer dienen, opdat zij na U eenigermate te hebben gevolgd op aarde, eenmaal getuigen en deelgenooten mogen zijn van uwe heerlijkheid in den hemel.
VOORBERICHT.
Vele jonge dochters lezen veel, vaak te veel en niet zelden hoeken of werkjes die ze nooit moesten lezen, waardoor hare nieuwsgierigheid geprikkeld, of hare zinnelijkheid gestreeld wordt. Hun smaak is dien ten gevolge bedorven; godvruchtige boeken vinden zij te Jlauw, en lezen ze niet. Waarschijnlijk zullen zij ook dit iverkje niet lezen, immers zij gelijken in dit punt aan Pilatus en willen de waarheid niet hooren, veel minder een godvruchtig leven leiden. Voor dezulken is het dan ook niet geschreven, ofschoon zij den goeden raad hierin vervat, zeer goed zouden kunnen benutten. Maar er zijn er ook, en hun getal is niet gering, die een deugdzaam en godsdienstig even willen leiden, en niet ongaarne nu en dan een godvruchtig book in de hand nemen, liet ontbreekt haar niet aan keuze, want men vindt er in overvloed, hel eene al beter geschreven dan het andere. Er zijn er waarin de schrijver zich niet bepaalt bij schoone gedachten en verhevene beschouwingen, maar ook in bijzonderheden treedt van practischen aard. Ondanks dit alles heb ik gemeend dat hel niet ntd-teloos zou zijn dit klein, ja nietig werkje te schrijven: 1° Omdat het grootcndeels op de praclijk neerkomt. Het is niet zoozeer de vrucht van een aanhoudende ' studie, dan wel van eene langdurige on-
vm
dervinding. 2° Wordt er ook al in vele werken over de keuze van een levensstaat, bepaaldelijk over het kloosterlijk leven gesproken, men ziet toch dat het getal der jonge dochters, die naar een klooster gaan doch spoedig weer huiswaarts keeren, niet gering is. Verre zij het van mij, dat ik mij sterk wil wanen, die te voorkomen, maar m isschien kan ik eenigen de moeite hesparen den kloosterlijken staat te aanvaarden , door ze te wijzen op de hiervoor noodige vereischten, en de redenen aan te stippen waarom er eenigen tijdens den proeftijd hel klooster verlaten. 3° Vindt men in vele hoeken sclwone verhandelingen over de degelijke deugd, in weinige wordt gesproken over de schijndeugd. De ware godsvrucht ivordt er breedvoerig behandeld, de valsche als in het voorbijgaan vaak slechts aangestipt. Het is tvaar, dat alles wat met de ware deugd in strijd is, den naam van deugd niet verdient; maar deze, ofschoon duidelijke gevolgtrekking ivordt door sommigen eenigermate over hel hoofd gezien; dan alleen ivordt hunne aandacht er op gevestigd, als van de schijndeugd of valsche godsvrucht meer bepaaldelijk wordt gesproken, dan ook kunnen zij beter onderscheid maken tusschen de valsche en de ware godsvrucht, gene beter vermijden, deze beter beoefenen.
Moge door dit overigens onbeduidend boekje God verheerlijkt, eenvoudige geloovigen verlicht, de schijndeugd vermeden, de degelijke deugd bevorderd worden. â
HOOFDSTUK I.
De gevaren der wereld in het algemeen.
's Menschen leven op aarde, zegt de H. Job,('l) is een strijd. Niet slechts nu en dan, maar aanhoudend moet de mensch strijden. Zijn leven zelf is een strijd. Niemand zal worden gekroond in den hemel, tenzij hij eerst wettiglijk zal gestreden hebben op aarde. Geene kroon zonder overwinning, geene overwinning zonder strijd, geen strijd zonder vijand. De vijanden, die wij moeten bestrijden, zijn de duivel, de wereld en het vleesch. Den duivel kunnen wij niet ontvluchten, immers een onnoemelijk getal van booze geesten zweven in de lucht, waartegen wij, zooals de H. Paulus zegt, aanhoudend te kampen hebben. Evenmin kunnen wij den huiselijken vijand vermijden, want ons lichaam dragen wij altijd met ons. Het ligt niet in mijn plan, over de aanvallen dezer vijanden wijdloopig en opzettelijk te spreken, evenmin over de gevaren die ons van hunnentwege bedreigen. Deze gevaren zouden minder groot, hunne aanvallen minder hevig zijn, ware het dat de wereld hun niet behulpzaam ware. Men treft maar al te veel personen aan, die, na jaren lang alle aanvallen van den
1) Job 7, i.
2
Satan afgeslagen en de aanlokselen der zinnelijkheid bestreden te hebben, gevallen en diep gevallen zijn, zoodra zij met de bedorven wereld in aanraking kwamen. Werden de geheimen aller harten geopenbaard, dan zouden wij duidelijk zien, dat de aanleidende oorzaak van den val van velen, geene andere geweest is dan de omgang met de bedorven wereld. De H. Apostel Joannes (1) waarschuwt ons dan ook tegen we-reldschgezindheid en de liefde tot de wereld. Hij bedoelt hierdoor niet de stoflelijke, door God geschapen en bijgevolg goede, maar de booze en zondige wereld, de wereld met hare boosheid, van welke de H. Jacobus getuigt, dat de vriendschap met deze wereld vijandin van God is. (2) «Al wie dan,» zoo laat de H. Jacobus er op volgen, «een vriend wil zijn van deze wereld, die stelt zich tot een vijand van God.» Duizenden, ja millioenen heeft de wereld tot vijanden van God gemaakt en het getal harer slachtoffers vermeerdert nog dagelijks.
Aangezien nu alles in de wereld begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid der oogen en hoo-vaardij des levens is, zijn het zingenot, het geld, de eerbetuigingen, gepaard met valsche leerstellingen en bittere spotternij, de gewone middelen waarvan zij zich bedient, om het getal harer dienaren en dienaressen te doen aangroeien. De wereld doet gelijk een visscher, die den visschen een verleidelijk lokaas toewerpt om ze te vangen. Het lokaas waarvan zich de wereld bij voorkeur bedient, om zielen te winnen , en waarop de kinderen Adams zich zoo vaak hartstochtelijk werpen , is de zinnelijkheid. Deze op het oog
2) Jacob 4. 4.
1) I Joan. 2. 15. â
3
smakelijke rnaar giftige â vrucht heeft zij schier overal uitgestald, in boek- en prentenwinkels, in comedies en danszalen, op tentoonstellingen en in kunstkabinetten, in voorstellingen en in kleederdracht, zoodat een zinnelijk mensch ze ras ontwaart, en het den godvreezende geraden is zijne zintuigen vooral zijne oogen te bedwingen om niet bekoord te worden van die verboden vrucht te eten. De wereld is als een doornenbosch, waarin men zich moeielijk kan bewegen zonder zich te kwetsen, tenzij men de uiterste voorzorg in acht neme. Dit geschiedt in den regel niet, van daar dat zij die zich wagen in dat bosch, dat is, die in het midden van we-reldschgezinde personen hun genoegen zoeken, het kleed der onschuld ras aan flarden scheuren. En hoe kan het anders? 's Menschen hart is bedorven en immer tot zinnelijkheid geneigd, en als men nu niets hoort, niets ziet dan wat de zinnen streelt, dan wordt er meer dan eene menschelijke kracht vereischt, om zich staande te houden. «Derhalve,» zegt de H. Paulus, «wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.» (1) Duizenden zien niet toe, maar ook duizenden vallen vooral wanneer zij den Sirenenzang hoo-ren: «Laten wij ons kronen met rozen, voordat zij verwelken; geen bloemhof blijve onbezocht van onzen lust. Er zij niemand onder ons, die niet deele in onze dartelheid; laat ons overal teekenen achterlaten van onze weelde, want zulks is ons deel en ons lot.» (2)
Deze uitnoodiging tot wereklsche en zinnelijke genoegens, gaat tevens met valsche leer-
1) I Corinth. 10. 12. â Sap. 2. 8. 0,
4
stellingen gepaard. Immers door er bij te voegen «zulks is ons deel en ons lot» willen zij doen verstaan, dat de jeugd vooral aanspraak heeft op zulke vermaken, dat men in zijne jonge jaren moet genieten, en zich kronen met rozen vooraleer zij verwelken. Vandaar dat men zoo menigmaal hoort zeggen: de jeugd moet zich vermaken; men moet aan de jeugd veel toegeven; men is maar ééns jong. Alsof het geene schande ware, zich aan zijne hartstochten over te geven, alsof men het losbandig gedrag der jeugd eenvoudig door de vingers moest zien, alsof het tot de orde van den dag behoorde. Wat erger is. Meer in jaren gevorderde personen, kleven niet zelden dezelfde val-sche en verleidelijke beginselen aan, en verkondigen ze in de tegenwoordigheid eener onbezonnen jeugd. Wij zijn ook jong geweest, hoort men ze soms zeggen, en wij mogen het lichtzinnig gedrag der jeugd niet laken. Zulke stelsels zijn valsch en in strijd met het woord des H. Geestes die zegt: «Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap,» (1) en zij laten niet na, een verderfelijken invloed uit te oefenen op jeugdige harten, reeds zoo zeer tot de zinnelijkheid geneigd. Er zijn er die hunne oogen sluiten voor de hun aangeboden giftige vrucht, hunne ooren stoppen voor die zoo herhaalde vriendelijke uitnoodiging, en om geloof te slaan aan zulke valsche en bedriegelijke stellingen hebben zij eene te godsdienstige opvoeding genoten. Om dozen voor zich te winnen, gebruikt de wereld een ander middel, namelijk
1) Eccl. 12. 1.
5
de spotternij. Wil men geen deel nemen in de genoegens der booze wereld, vlucht men de slechte gezelschappen, onthoudt men zich van de voor de zeden gevaarlijke vermakelijkheden, geeft men zijn afkeer te kennen van zedenkwet-sende gesprekken, dubbelzinnige woorden, dan wordt men uitgelachen; men steekt den draak met zulke nauwgezette personen, men beschuldigt ze van overdreven fijnheid, en zij die tot dusverre der verleiding weerstand boden, worden liet slachtoffer van die zoo ongelukkige en rampzalige menschenvrees. De spotternij is een scherp wapen, waarvan de zinnelijke wereld zich bedient, om sterke en hooge boomen te vellen, dat is, personen wier deugd reeds diepe wortelen heeft geschoten en boven anderen uitschijnt, te doen vallen. Op het voorbeeld van den H. Paulus moest men zich aan de vrees voor de menscheti niet storen en zeggen; «ik hecht er zeer weinig aan dat ik van ulieden beoordeeld worde,» (1) en «indien ik nog aan menschen behaagde, dan ware ik geen dienstknecht van Christus.» (2) Dan helaas! het menschelijk opzicht is en blijft een struikelblok waarover duizenden vallen. Zijn de zinnelijke genoegens der wereld als een magneet, die de harten der jeugdige personen tot zich trekken, ook voor die van meer gevorderden leeftijd zijn zij niet zonder gevaren. Immers men treft jonge dochters aan, die na tien, twintig jaren lang de wereldsche vermaken te hebben verzaakt, op rijperen leeftijd zich wagen op het glibberig pad door de wereld met bloemen bestrooid, en
1) Corinth, 4. 3. â 2) Gall. 1, 10,
6
steunende op hare jaren en krachten, ten val komen en aan de jongere tot ergernis strekken.
De kinderen dezer wereld, heeft de Zaligmaker gezegd, zijn in hun geslacht omzichtiger dan de kinderen des lichts. (1) Hun doel is, genieten en anderen in hun genot te doen deelen. Om dit doel te bereiken zijn ze zeer vindingrijk. Zij beramen allerlei middelen, en getroosten zich vaak grootero offers, om zielen te verderven dan velen om hunne ziel te bewaren. De wereld, zooals gezegd, is, doet als een visscher, wil de visch niet in het lokaas bijten, dan bedient de visscher zich van iets anders; zoo ook de wereld. De zinnelijkheid is wel het voornaamste lokaas, waarmede zij de meeste harten wint, maar ook van het blinkend zilver en het schitterend goud wordt door haar op eene behendige wijze eene keten gemaakt, waarmede zij de kinderen Gods tot zich trekt, en gebonden houdt. Vele jonge dochters, zelfs zij die in jaren reeds gevorderd zijn, veroorloven zich vrijheden met een rijken jongeling of weduwnaar, in de hoop op een huwelijk; vrijheden, welke zij niet zouden gedoogen, indien hij arm of althans door de fortuin minder begunstigd ware. Andere geven het kleed der hei-ligmakende genade in ruil voor een stoffelijk kleed. Om zich hiermede te kunnen vertoonen, de aandacht tot zich te trekken, en den men-schen te behagen, vreezen zij niet Gode te mishagen. Nog andere, maar vooral meer behoef-tigen en weduwen, zoodra zij liet blinkend geld
â¢1) Luc. IBS.
7
Ãhder de oogen krijgen, verliezen God uit het oog, en geven den hemel voor het vergankelijke geld in ruil. Duizenden uit alle standen, zouden \vel, ware dit mogelijk, met den Mammon, den afgod des gelds, ook den waren God willen dienen, maar, omdat men geen twee hee-ren dienen kan, geven zij aan den Mammon den voorrang. Ter oorzake van |het geld, of' althans van de hoop op eene winstgevende betrekking in latere dagen, bezoeken velen de ongodsdienstige scholen, ondanks het gevaar dat de onsterfelijke zielen dreigt. Waarom blijft men niet zelden eene voor de ziel gevaarvolle betrekking waarnemen? Om het geld. «Het geld,» zegt een oud spreekwoord «zendt er velen naar de hel, en blijft er zelf uit.» Het geld blijft steeds een middel waarvafi de booze wereld zich gretig bedient, om velen aan haren dienst te verbinden. Om het geld wordt er op zon- en feestdagen gewerkt; om het geld blijft men in eenen voor de ziel gevaarlijken dienst; om het geld legt men eene valsche getuigenis af; om het geld bewaart men hot stilzwijgen, al is het spreken ook plicht. In één woord, om het geld verzaakt menigeen aan den dienst des Heeren, en wordt een slaaf van den Mammon.
Dat de gevaren voor onze ziel groot en menigvuldig zijn in de bedorven wereld, blijkt uit het ontzaglijk groot getal van hare dienaren en dienaressen. Men vindt ze in alle standen. Velen dienen de wereld uit zinnelijkheid. Deze spoort hen aan tot het bijwonen van wereld-sche voorstellingen, cafés chantants, danspartijen en zekere bijeenkomsten waar ze opgewekt
8
en gevoed wordt. Om den beker barer oiirein-beid wordt als om strijd gevochten. Anderen zijn aan den dienst der wereld door bet geld gebonden. Eenigen dienen baar uit vrees voor spotternij, en sommigen in bet zoete vooruitzicht van eene eervolle betrekking, of van aardscbe grootheid, eer en aanzien bij de men-schen, waarop men belust is De H. Abt Anto-nius zag de wereld vol strikken, zij waren overal gespannen, zoodat bij nauwelijks eene plaats zag waar hij veilig zijn voet kon zetten. Verbaasd riep hij uit: hoe zal ik die strikken vermijden? En hem werd geantwoord: door de nederigheid. Eene nederige ziel mistrouwt zich zelve. Overtuigd van hare zwakheid, vermijdt zij met alle omzichtigheid elk struikelblok, zij waagt zich niet op het glibberig pad der we-reldsche vermaken uit vrees van te vallen, indachtig betgeen er geschreven staat: «Wie «meent te staan, zie toe dat hij niet valle,» (1) en «wie bet gevaar bemint zal er in. vergaan.» (2) Eene nederige ziel laat zich weinig gelegen liggen aan den lof dien de wereld baar toezwaait, en stoort zich aan geene spotternij. Zij streeft naar geene pracht; aardsche grootheid benijdt ze niet. Daarenboven overlaadt God den nederige met zijne genaden, en met de hulp der genade kan en moet men zegevieren over de booze wereld die den mensch, vooral eene jonge dochter, overal strikken spant.
1) I Corinth. 10. 12. â 2) Eccli. 3 27,
9
HOOFDSTUK 11.
Gevaren der wereld voor eene jonge dochter in liet bijzonder.
Groot en menigvuldig zijn de gevaren, welke eene onschuldige jonge dochter in do wereld omgeven, en zij zelve beseft ze het allerminst. Ik zeg eene onschuldige jonge dochter, want zij die der zinnelijkheid ten prooi is, kent de gevaren, zoekt de gevaren, bemint de gevaren, waarin zij dan ook vergaat, omdat zij wil vergaan. Een onschuldig en zedig meisje wil niet vergaan, voor niets ter wereld zou zij eene zware zonde willen plegen; zij bemint dan ook de gevaren niet, dat is, die gevaren welke zij weet dat haar dreigen; maar overigens maakt zij zich dikwerf aan zulke roekeloosheid schuldig, dat men ze niet kan verklaren , dan door ze toe te schrijven aan hare kortzichtigheid, die haar belet de gevaren in te zien. Dan het niet inzien van de gevaren, is juist voor haar het grootste gevaar. Dc booze wereld maakt een behendig gebruik of liever een schandelijk misbruik van hare argeloosheid en houdt zoo veel mogelijk een gevaar voor haar verborgen, dat toeneemt, naarmate zij ouder wordt. Der gevaren onbewust, komt ze al meer en meer in aanraking met wereldschgezinde personen, die het zoo oprecht goed met haar schijnen te meenen, en blijken geven van eene
2
10
ware belangstelling. In liare eenvoudigheid neemt ze alles voor goede munt aan, begint genoegen te vinden in een gezelschap waar ze mot open armen wordt ontvangen , en ongemerkt is zij haren val nabij. Menigvuldig zijn de strikken, die de booze wereld eene jonge dochter spant; en omdat zij geene ondervinding heeft, vaak geen argwaan koestert, is haar val schier onvermijdelijk, indien zij het gezelschap zoekt van wereldscligezinde personen. Aan waarschuwingen en aan heilzame vermaningen ontbreekt het haar niet. Deugdzame ouders, bezorgd voor het heil barer dochter, brengen haar menigmaal de gevaren onder het oog, maar haar antwoord luidt: «Zij gunnen mij ook niets, ik mag nergens komen», en de ontevredenheid staat op haar gelaat te lezen. Wordt zij door haren biechtvader, die beter dan iemand de gevaren kent, gewaarschuwd , dan denkt ze niet zelden: hij is te streng, hij is te angstvallig, hij zou alle jonge dochters naar het klooster willen zenden. Doch zij, die door eene droevige ondervinding de gevaren kent, spreekt of denkt niet zoo. Deze stemt volkomen met hare ouders en haren ziel-bestuurder in; maar het zijn in den regel tot dus verre onschuldige meisjes, die zoo denken en spreken, niet omdat zij zonden willen plegen, maar omdat zij zich niet kunnen overtuigen dat er voor haar, in den omgang met wereldscligezinde personen, een werkelijk gevaar gelegen is. Het is wel treurig dat vele jonge dochters niet willen gelooven, vooraleer zij zeiven de ondervinding hebben opgedaan. Zij zijn gelijk aan kinderen, die, na herhaalde waarschuwingen, zich buiten weten der ouders toch wagen op
11
het zwakke ijs. Eene eerste reden, dus waarom de gevaren voor eene jonge dochter in do wereld groot zijn, is haar jeugdige leeftijd. De bedorven wereld zoekt haar bij voorkeur, èn omdat zij jeugdig èn omdat zij zonder ondervinding is.
Eene tweede oorzaak waarom voor eone jonge dochter de gevaren grooter zijn dan voor vele anderen, ligt in hare ijdelheid. Er is geen regel zonder uitzondering, maar over het algemeen is eene jonge dochter ijdel; de eene meer, de andere minder. Ik zal dit wel niet behoeven te bewijzen. Eenieder weet het, eenieder ziet het. (ïaarne trekt zij aller oogen op zich. Vandaar dat ze veel werk maakt van hare kleeding, ên een merkelijken tijd besteedt om zich op te rchikken. Zij moet gekleed gaan naar den laatsten smaak, en vraagt aanhoudend welk kleed haar het beste staat. Komt ze van een gezelschap of, wat erger is uit de kerk, dan spreekt ze niet zelden over de kleederpracht, ze weet in alle bijzonderheden te vertellen hoe deze, hoe gene gekleed was. Uren en uren kunnen jonge dochters onder elkander over den opschik en de kleeding spreken, een teeken dat zij prijs stellen op het dragen van die kleederen welke in den smaak vallen , en de goedkeuring van anderen wegdragen; of spreekt de mond niet uit den overvloed des harten? Trekt er eene veler aandacht tot zich, en wordt er met zekere voorliefde over haar veel gesproken, dan zijn de andere, niet zelden jaloersch. Het ligt hier niet in mijn plan over de ijdele kleederpracht te spreken, elk meisje mag zich kleeden volgens haren stand, en zelfs, zegt de H, Thomas, met het doel om een bruidegom te erlangen ; maar
12
ik wil slechts doen zien, dat de booze wereld partij weet te trekken van die behaagzucht aan vele meisjes eigen. Om eene jonge dochter in hare strikken te vangen, zal de zondige en be-driegelijke wereld niet nalaten hare ijdelheid te streelen. Overtuigd, dat zij zeer gevoelig is voor eiken lof haar toegezwaaid, zal men niet in gebreke blijven haar te vleien, hare kleeding te prijzen, en hare hoedanigheden, al zijn ze ook alle niet prijzenswaardig, tocii weten op te halen om zoodoende van lieverlede ingang te verkrijgen tot haar hart. Immers 's menschen hart en vooral dat eener jonge dochter, gevoelt zich in den regel getrokken tot hen , die de kunst van vleien verstaan, zelf dan nog wanneer men, niet zonder eenigen grond, aan de oprechtheid hunner woorden twijfelen kan. Is zij meer gevorderd in jaren , dan begrijpt ze doorgaans beter het doel dier lage vleierij, maar in jeugdigen leeftijd bestaat er groot gevaar door die loftuitingen , door die streelende eerbewijzen verblind te worden; zoodat zij den afgrond, waarheen men haar leidt, niet ontwaart. Vele jonge dochters hebben haren val te wijten aan hare lichtgeloovigheid. Aan de goede bedoeling, waarmede deze of gene zich tot haar wendde, twijfelden zij niet, en de vleiende woorden, die men haar toevoegde, werden als eene zekere hoogachting eener oprechte liefde en ware belangstelling beschouwd. De slang, welke schuilde onder het gras, bemerkten zij niet dan toen het te laat was.
Eene derde oorzaak van zonde, waartegen eene jonge dochter zich moet wapenen om niet gevangen te worden in de strikken, die de booze
43
wereld haar spant, is de nieuwsgierigheid. Spreekwoordelijk is zij der jonge dochter eigen. Zij wil veel weten, veel hooren, veel zien, dat ze niet weten, niet zien, niet hooren moest. Vaak neemt zij den schijn aan reeds veel te weten, opdat men haar nog meer vertellen zou. Zij mengt zich gaarne in vertrouwelijke gesprekken, ondervraagt hare vriendinnen, maar onderhoudt zich bij voorkeur met degenen, van wie ze meent meer bijzonderheden te zullen vernemen. Om dit doel nog beter te bereiken, schijnt zij van haren kant zeer openhartig, en d .elt weder-keerig eenige geheimen mede onder verplichting der stiptste geheimhouding. Om hare nieuwsgierigheid te bevredigen, kan ze zeer moeilijk hare oogen bedwingen; veel wil ze zien, alles wil ze lezen en vooral die boeken, waarin over de liefde gehandeld wordt. De titel alleen van een boek prikkelt reeds hare nieuwsgierigheid, en heeft ze bij dag geen tijd om het in te zien, dan offert ze gaarne eenige uren van hare nachtrust op, om te lezen, en te herlezen, wat hare nieuwsgierigheid het meest voldoet. De H. Alphonsus, sprekende van soortgelijke boeken, zegt: »zij ontsteken da begeerlijkheden der »zinnen, doen de hartstochten ontwaken, die den swil al licht medeslepen of dien ten minste zoo »zwak maken, dat, wanneer de gelegenheid zich «voordoet eene niet zuivere genegenheid op te «vatten, de duivel het hart geschikt vindt, om »er zich meester van te maken.... Het gift van »deze boeken dringt van lieverlede in de ziel; »het maakt zich meester van den geest, be-»derft den wil, en eindigt met het dooden der sziel. De duivel heeft wellicht geen krachtiger
u
«en zekerder middel, om eene jonge dochter «voor hem te winnen, dan liet lezen van deze «giftige boeken.» (1) Ja, men treft niet zelden jonge dochters aan, die zoo zeer aan het lezen verslaafd zijn , dat ze niet slechts hare dage-lijksche bezigheden door de ouders haar opgelegd verwaarloozen, maar zelfs hare gezondheid merkelijk schaden. Van deze nieuwsgierigheid aan vele jonge dochters eigen, bedient zich de bedorven wereld om hare onschuld te rooven. Wordt er over zaken gesproken, die eene jonge dochter niet begrijpt, dan lacht men met hare eenvoudigheid, en drijft den spot met hetgeen haar tot sieraad strekt. Eenigszins verlegen en nieuwsgierig tevens wil ze gaarne alles wat er in de wereld omgaat, weten, en helaas! in menigte worden er gevonden die haar wijzer maken dan het eene jonge dochter betaamt. Wendt zij zich tot hare ouders of tot voorzichtige en door de ondervinding wijs geworden personen, dan ware er voor haar geen groot gevaar, immers dezen weten, wat zij zeggen moeten, maar om datgene te weten, wat ze niet]weten moet, wendt ze zich meestal tot lichtzinnige vriendinnen. En weerhoudt haar nog eene zekere schaamte, om iemand te ondervragen, dan luistert zij toch met gespannen aandacht naar gesprekken, die haar later berouwen. Vandaar de vele bekoringen, die haar bestormen.
Bedwingt eene jonge dochter niet bijtijds hare nieuwsgierigheid in het lezen, dan kan het schier niet anders of zij krijgt een dier verderfelijke boeken in handen, die de zondige wereld alom
1) Oeuvres com; !, par 1c R. P. Dujardin. T. 11. p. 3.
15
verspreidt. Hartstochtelijk wordt het gelezen, en de noodlottige gevolgen blijven niet achter. Een bedorven jongeling die in het geheim op hare onschuld loert, zal haar een boek aanbieden als teeken van oprechte liefde en ware belangstelling, doch met het booze inzicht, in haar hart vlammen van eene onreine liefde te doen ontbranden en op die wijze zijn zondig doel te bereiken. Uit beleefdheid, misschien reeds uit eene zekere genegenheid, neemt zij het aan. Is het eenmaal in haar bezit, dan kan ze vaak hare nieuwsgierigheid niet bedwingen. Even moet ze het inzien, zij moet toch weten wat er in staat. Dat weinige wat ze heeft gelezen, prikkelt hare nieuwsgierigheid, zij wil er meer van weten. Reeds bevindt ze zich op eene gevaarlijke helling , de knaging van haar geweten doet zich gevoelen en heeft eene korte vertraging in het lezen ten gevolge, zij dobbert tusschen de vrees voor zonde en het voldoen van hare nieuwsgierigheid; maar ras krijgt hare nieuwsgierigheid de overhand, de stem des gewetens wordt gesmoord, de hartstocht wordt bevredigd, reeds is zij der zinnelijkheid prijs gegeven, en wie weet hoe lang zij die zondige ketenen dragen zal!
Houdt zich eene jonge dochter niet staande in het midden eener bedorven wereld, waar tallooze gevaren haar omgeven, dan is het doorgaans, omdat zij, onervaren zooals zij is, de gevaren niet kent: vandaar het spreekwoord: men is verdronken vooraleer men water heeft gezien. Wil zij derhalve niet verdrinken, dan moet zij luisteren naar hen, die haar het water wijzen, en de waarschuwende stem barer ouders en die van haren biechtvader niet versmaden. Wil ze
'2*
IG
haar hart rein bewaren, dan moet dat hart leerzaam zijn. Opdat de ijdelheid en de behaagzucht voor haar niet een struikelblok worden, moet zij zich toeleggen op de nederigheid , en zich niet beijveren om door andere wereldsch-gezinde personen gezien, bewonderd, geprezen te worden. Daar echter het getal der jonge dochters, die aan het bevredigen barer nieuwsgierigheid baren val te wijten hebben, groot is, moet een meisje, vooral op dit punt, steeds op hare hoede zijn. De onervarenheid, de ijdelheid, de nieuwsgierigheid, ziedaar drie klippen, welke eene jonge dochter in de wereld vermijden moet, en wil ze hierin slagen, dat zij dan leerzaam , nederig en waakzaam zij. Velen zijn het niet geweest, en hierover treuren zij nog in latere dagen. Vraagt men naar de aanlei-dende oorzaak van haar geestelijk ongeluk, dan zal de eene zeggen, ik was eigenzinnig en sloeg de waarschuwingen in den wind; de andere: ik was ijdel en hoovaardig en zeer gevoelig voor lage vleierij; eene derde; ik was lichtzinnig, nieuwsgierig en zocht mijne nieuwsgierigheid te bevredigen. Jonge dochter, doe biermede uw voordeel en beschouw de leerzaamheid, de nederigheid en de waakzaamheid als volstrekt noodzakelijk , om in de booze wereld niet ten val te geraken.'
47
HOOFDSTUK III.
Behoedmiddelen tegen de gevaren der wereld.
Twee zaken nopen den mensch om op zijne hoede te zijn. Het gevaar zelf en het gewicht der zaak die in gevaar is. Bestaat er hoegenaamd geen gevaar , dan is het overbodig voorzorgsmaatregelen te nemen , en is de zaak gering, onbeduidend, dan behoeven die althans niet groot te zijn. Maar is het gevaar groot, en de zaak die in gevaar is van groot aanbelang, dan vraagt de voorzichtigheid dat men de noodige voorzorg neme, om het gevaar te voorkomen. Dat nu het gevaar voor eene jonge dochter in het midden eener bedorven en zinnelijke wereld groot is, hebben wij hierboven reeds aangetoond, en de ondervinding leert het maar al te wel. En het geldt hier geen onbeduidend iets, geen verlies van fortuin of lichamelijke gezondheid, maar eene zaak van het allerhoogste belang, de onschuld te behouden of te verliezen, het kleed der heiligmakende genade ongeschonden te bewaren of het aan flarden te scheuren, den hemel te winnen of te verliezen, een engel te blijven door de maagdelijke reinheid, of een duivel te worden door deze te schenden. Derhalve is het voor de jonge dochter een dure plicht de noodige middelen te gebruiken, om zich voor zulk gevaar te vrijwaren. Het gebed is een allernoodzakelijkst middel zonder hetwelk
18
alle andere niet kunnen baten. «Zonder mij,» heeft de Zaligmaker gezegd, «kunt gij niets «doen.» (1) Aan het gevaar, dat eene jonge dochter in de wereld dreigt, kan ze zonder de hulp van God niet ontsnappen. Daar God echter zijne genade niet verleent tenzij aan hen, die Hem bidden, is het meisje dat niet bidt, verloren. God kent 's menschen zwakheid, en om ons te sterken in den strijd, hèeft Hij de HH. Sakra-menten ingesteld , ons zelfs willen voeden met zijn aanbiddelijk vleesch en bloed. Raakt dat maagdelijk vleesch ons vleesch aan, dan deelt het ons lichaam in ruime mate de maagdelijkheid mede. Vandaar dat de H. Bernardus zegt: «In-«dien gij den prikkel des vleesches niet meer of «althans zoo hevig niet meer gevoelt, schrijf dit «toe aan de H. Communie.» Hieruit volgt, dat eene jonge dochter, wil ze de deugd der Engelen ongeschonden bewaren, dikwijls tot de HH. Sacramenten naderen, en zich vaak voeden moet met Jesus' maagdelijk vleesch en bloed. Maar zij mag God niet beproeven, een wonder van God vergen, zonder voldoende redenen, bijv. in het vuur gaan, zonder te willen branden, dat is, zich vrijwillig in eene gelegenheid van zonde begeven, en toch willen, dat God haar staande houdt. Bevindt zij zich moedwillig in het gevaar dan zal zij er in vergaan. Doch aangezien deze middelen noodzakelijk zijn voor eenieder, zal ik mij thans hierover niet verder verklaren, doch eenigszins breedvoeriger drie behoedmiddelen bespreken, die eene jonge dochter in de wereld gebruiken moet, wil ze op deze wereldzee geen schipbreuk lijden, niet vergaan.
1) Joan. 15. 5.
49
§ I-
De leerzaamheid.
De ondervinding, zegt het spreekwoord, is de beste leermeesteres. Daar jeugdige personen hiervan nog verstoken zijn, moeten zij door hunne leerzaamheid trachten aan te vullen, hetgeen aan den leeftijd ontbreekt, opdat zij, ofschoon jong in jaren, blijken mogen geven van eene meer dan gewone wijsheid. Wilt gij , jonge dochter, in uwen jeugdigen leeftijd onder de verstandiger! gerekend worden, versmaad dan de goede raadgevingen niet. «Luister naar goeden raad,» zegt de H. Geest, «en neem de berisping aan, opdat «gij wijs moogt zijn voor uw volgend leven.» (1) Niet op ééne maar op verschillende plaatsen wordt in de H. Schrift van het luisteren naar goeden raad gesproken. «Die zich in alles laten «raden, handelen wijs.» (2) «Die wijs is, hoort «naar raad.» (3) Gij zult dus, jonge dochter, wijs worden en blijven , indien gij gaarne luistert naar heilzame raadgevingen. En, zoo staat er geschreven, »als de wijsheid haren toegang heeft «gekregen tot uw hart en de kennis behagelijk «is aan uwe zielquot; wat zal er dan gebeuren? «dan zal bezonnenheid u bewaken, en voorzich-«tigheid u behoeden, om u te redden van den «weg des kwaads, en van den man, die booze «reden voert; van hen die het goede pad verslaten, en wandelen op duistere wegen; van hen «die zich verblijden in kwaad te doen, en over «slechte daden juichen, wier paden snoode pa-«den, wier schreden allerschandelijkst zijn.quot; (4)
1) Prov. 19, 20. â 2) t. a. p. 13. 10.
3) t. a. p. 12. 15. â 4) Prov. 2, 10â15.
20
Een allernoodzakelijkst middel voor eene jonge dochter om zich tegen de gevaren der booze wereld, en de verleidelijke taal, die er gesproken wordt, te vrijwaren, is, met een leerzaam hart naar goeden raad te luisteren: dan en dan alleen, zult gij de wijsheid erlangen «en hare ketenen «(der wijsheid) zullen u tot een sterk beschutsel «dienen, en tot eenen stevigen grond, en hare «kluisters tot een prachtgewaad. In haar is 's «levens sieraad, en hare boeien zijn heilzame «banden. Gij zult haar aandoen als een pracht-«gewaad, en als eene vreugdekroon op uw hoofd «zetten.'» (1) Maar het is niet om het even, welke personen gij raadpleegt. Vraag geen raad aan hen, die niet in staat zijn u goeden raad te geven, zooals jeugdige vriendinnen die geene ondervinding hebben opgedaati, en die helaas! maar al te dikwijls geraadpleegd worden, zelfs in zaken van het allerhoogste gewicht. «Beraadslaag «ook niet met dwazen , want zij kunnen van «niets anders houden dan van hetgeen hun wel «bevalt.» (2) Evenmin moet gij hen raadplegen, die in de zaak betrokken zijn, en niet uw geluk, maar hun eigen voordeel beoogen, die niet uw welzijn, maar hunne eigene voldoening zoeken. «Open uw hart niet,quot; zegt de H. Geest, «voor «iedereen, opdat men u geen slechten dank wete ))en schande aandoe.quot; (3) Maar «laat u vinden sin de vergadering van oude, verstandige man-»nen, en sluit u van harte aan hunne wijsheid »aan, om alles wat er over God gezegd wordt »te kunnen aanhooren, en geene schoone zede-sspreuken te verliezen.» (4)
1) Kccli. 6. 30â33. â 2) Eccli. 8. 20. 3) t. a. p, 8. 22. â 4) t. a. p. B. 35.
21
Wie zijn zij dus naar wier raadgevingen gij luisteren moet.? Hebt gij, jonge dochter, het onwaardeerbaar geluk, brave en godsdienstige ouders te bezitten, luister dan met gespannen aandacht en met een bereidvaardig hart naar eiken wenk, die u gegeven wordt; hij komt voort uit een hart dat u innig lief heeft, en niets zoo vurig verlangt dan uw tijdelijk en vooral uw geestelijk welzijn. Velen gevoelen zich in latere jaren diep ongelukkig, omdat zij de ouderlijke vermaningen versmaad , en persoonlijke neigingen ingevolgd hebben. Wie kan beter op de gevaren wijzen, beter de strikken aantoonen, die de booze wereld u spant, dan uwe goede moeder, die van ondervinding weet te spreken, en met innige dankbaarheid jegens God, zich die gevaren herinnert, waarvoor Hij haar bewaard heelt. Wie heeft er meer belang bij dat eene dochter aan de gevaren ontsnapt, dan haar eigene moeder. Zoudt gij u echter met die ouderlijke raadgevingen niet kunnen vereenigen, raadpleeg dan uw geestelijken leidsman, hem die Gods plaats bekleedt, en door den H. Geest op eene meer bijzondere wijze verlicht wordt. Zou er wel iemand beter op de hoogte zijn van de menigvuldige gevaren die eene jonge dochter in de wereld omgeven dan een biechtvader, die jaren en jaren ondervonden heeft, in welk gevaar een meisje meestal omkomt, aan wien zoo menige jonge dochter het struikelblok heeft aangeduid, waarover zij gevallen is. Is er iemand, jonge dochter, voor uw geestelijk heil bezorgd, dan is hij het zeker, die u op het pad der deugd moet voorlichten en voor uwe ziel aan God rekenschap geven zal. De biechtvader kent alle gevaren, die
22
gij in de wereld ontmoeten kunt, en stelt het hoogste belang in uw eeuwig geluk. Wijst hij u op het gevaar, dat er voor u bestaat, bijv. in het bijwonen van dit of dat gezelschap, in den omgang met deze of gene personen, in het lezen van dit of dat boek, geloof dan, dat er een wezenlijk gevaar aanwezig is. Welke anderereden kan een biechtvader hebben, door u tegen zulk gevaar te waarschuwen, dan uw geestelijk welzijn! Zou hij misschien de zaak overdrijven, de verhouding niet kennen van eene jonge dochter, tegenover hare omgeving, niet weten wat haar in haren staat of in hare betrekking past? Is hij wellicht angstvallig van geweten? Uit zullen misschien uwe wereldschgezinde vrienden of vriendinnen zeggen, en u aanraden zulken leidsman te verlaten. Geen twijfel of de duivel zal u ook zulke gedachten ingeven, opdat gij u aan zijn waarschuwend woord niet storen zoudt. Eva nam het woord Gods niet ter harte, toen Hij haar zeide: op den dag dat gij van de verboden vrucht eet, zult gij sterven; zij trok dat goddelijk woord in twijfel, sloeg geloof aan het bedriegelijk woord der slang, en wij weten wat er het gevolg van was. Zoo luisteren ook vele dochters van Eva naar de verleidende stem eener bedorven wereld, door wier mond de Satan spreekt, terwijl zij hare ooren sluiten voor het waarschuwend woord des Priesters door wiens mond de God der waarheid spreekt. Wilt gij dus, jonge dochter, gevrijwaard blijven voor de verleiding der wereld, luister dan steeds met een leerzaam en bereidvaardig hart naar de heilzame waarschuwingen van hem, die Gods plaats bekleedt en niets dan uw eeuwig welzijn beoogt.
23
Opdat hij ecliter bijtijds die heilzame lessen en waarschuwingen kunne geven, moet gij hem uwen toestand op eene eenvoudige wijze openbaren. Hoe kan de geneesheer eene ziekte heelen die men voor hem geheim houdt? Hoe de gepaste middelen voorschrijven als men de oorzaak, den duur en de lievigheid der ziekte voor hem verbergt ? De geheimhouding en geveinsdheid hebben vaak noodlottige gevolgen voor het lichaam; immers wanneer men verschijnsels aangeeft, die niet bestaan, of de bestaande ontkent, dan kan een geneesheer niet oordeelen over den aard der ziekte; hij handelt volgens de gegevens en veroorlooft den zieke zaken, die den toestand mogelijk nog verergeren, wat niet gebeuren zou, indien men alles hadde geopenbaard. Evenzoo zijn de gevolgen voor de ziel hoogst beklagenswaardig, indien men voor den geestelijken geneesheer de werkelijke ziekte of den persoonlijken aanleg voor eene kwaal der ziel verborgen houdt. Doet men zich anders voor dan men in werkelijkheid is, dan ware het beter geen raad te vragen, immers die raad is niet gegrond op de waarheid, die men verzwijgt, maar op eene valsche veronderstelling, waarin men den geneesheer der ziel door zijne achterhoudendheid en geveinsdheid gebracht heeft. Zou het opvolgen van dien raad een slecht gevolg hebben, dan moet men dit niet aan hem maar aan zich zelve wijten. Met de oprechtheid moet ook de bereidvaardigheid gepaard gaan. Eenige jonge dochters raadplegen meer dan voldoende, nu dezen dan genen, niet om een goeden raad in te winnen, maar om iemand te vinden die niet hare zienswijze overeenstemt. Zij willen slechts dien raad
24
volgen, welke haar behaagt, zij zoeken een steun, om aan haar eenmaal gemaakt plan gevolg te kunnen geven. Niet zóó moet gij raadplegen, maar luister met kinderlijken eenvoud zonder vooroordeel naar de raadgevingen en vermaningen, ii door godsdienstigen en bezadigden gegeven, vooral naar die van uwen zielsbestuurder; dit is cei krachtig middel om de gevaren te vermijden, die u in uwen jeugdigen leeftijd van alle kanten omgeven, dit is tevens een teeken van nederigheid, waarin gij een tweede behoedmiddel tegen de gevaren vindt.
§ II.
Se nederigheid.
De nederigheid is eene deugd die allen beoefenen moeten, en niet het minst eene jonge dochter in de wereld. Allen hebben behoefte aan genade, zonder Gods bijstand kunnen wij niets. Allen moeten strijden, doch overwinnen zonder de hulp der genade kunnen wij niet. De strijd is vaak hevig, vooral in de jeugdige jaren; in dien leeftijd heeft men dan ook zeer zeker de genade noodig. Doch God weerstaat den hoo-vaardige, terwijl Hij den nederige zijne genade schenkt. De nederigheid is alzoo een noodzakelijk vereischte om genaden te erlangen, en de genade is noodig om in den strijd te kunnen zegevieren. Derhalve moet men noodzakelijk bezwijken zonder de nederigheid. Om nu te weten, jonge dochter, of en in welken graad gij de deugd van nederigheid bezit, moet gij zien of en in hoe verre gij de voetstappen drukt van een waarlijk nederig
25
meisje, dat men aan de volgende trekken eent-germate onderscheidt.
Eene ootmoedige jonge dochter is steeds bezield met oprechte gevoelens van hare nietigheid en zwakheid tevens. Zij verheft zich niet in den geest boven anderen, overtuigd dat alles wat zij is, en alles wat zij bezit, eene weldaad des Heeren is; dat zij derhalve op niets roemen mag. Dankbaar voor hetgeen God haar naar geest en lichaam schonk, is zij niet jaloersch op anderen, niet gedrukt en neerslachtig als men andere jonge dochters meer prijst of aan deze de voorkeur geeft; veel minder zal ze een liefdeloos oordeel over anderen vellen, veel minder haar in een verkeerd daglicht plaatsen. Innig overtuigd van hare groote zwakheid, zal zij zich wenden tot Dengene, die het zwakke der wereld heeft uitverkoren, om het sterke te beschamen. (1) Eene ootmoedige jonge dochter weet zeer goed dat zij uit zich zelve niets vermag, en daarom zoekt zij een steun. Deze is alleen te vinden bij Dengenen die genoemd wordt de sterke en almachtige God. God alléén kan haar helpen, en Hij zal haar helpen, zoo zij tot Hem hare toevlucht neemt. Derhalve is een nederig meisje een kind van gebed. Het gebed is haar wapen bij uitstek, waarvan zij zicb bedient, om alle aanvallen harer vijanden af te weren. Zij bidt veel, en vuriger naarmate de aanvallen heviger worden en zij meer en meer het volle bewustzijn heeft van hare zwakheid. Het innig besef van hare zwakheid maakt haar sterk. Immers dan gevoelt ze behoefte aan eene meer dan men-
1) I Corinth. 1. 27,
20
schelijke hulp, een God alléén kan haar sterken: dit weet, dit gelooft, dit gevoelt zij, maar ook weet zij, hetgeen de H. Teresia zegt: die niets vraagt, krijgt niets. Zij vraagt derhalve, zij vraagt voortdurend: God moge haar helpen, en de hulp des Heeren wordt liaar immer in ruime mate verleend. Om al meer en meer in hare zwakheid gesterkt te worden, bidt zij niet alleen dien sterken en machtigen God, maar zij vereenigt zich ook herhaalde malen met Hem zoo innig mogelijk in de H. Communie. Dat goddelijk Bloed bluscht of matigt in haar de vlammen der begeerlijkheid des vleesches. Het maagdelijk vleesch van Jesus deelt haar eene bijzondere maagdelijkheid mede. Het is dan Jesus, die in en met haar strijdt. Eene jonge dochter daarentegen, die een al te goeden dunk van zich zelve heeft opgevat, sterker meent te zijn dan zij is, zich in het midden der gevaren veilig waant, leeft zorgeloos voort, verliest de noodzakelijkheid der genade uit het oog, en omdat ze hare diepe ellende niet inziet, bidt ze zelden en dan nog ;;onder aandrang. Wat moet er van zulk hoovaardig meisje geworden, dat steunt op hare eigene krachten, en zich laat voorstaan de aanvallen harer vijanden het hoofd te kunnen bieden? Omdat zij zich verheft, zal ze vernederd worden, en door eene treurige ondervinding hare zwakheid leeren kennen.
Eene nederige jonge dochter immer bezorgd, door een vurig gebed en het meermalen naderen tot de HH. Sakramenten het kleed der heiligmakende genade vlekkeloos te bewaren, geeft minder acht op hare lichamelijke kleeding, niet in dien zin, dat zij de zindelijkheid en
27
\
eene voor haren staat passende kleodij verwaarloost, maar zij besteedt geene uren en uren aan het maken van haar toilet, bekreunt zich niet of hare kleeding misschien dezen of' genen mishagen zal, beijvert zich niet om door eene in liet oog loopende en meer zonderlinge klce-derdracht aller oogen tot zich te trekken, en veel minder zal ze zich meer clan gewone uitgaven getroosten om boven andere in pracht te schitteren. Zij weet, dat de zedigheid liet schoonste sieraad eener jonge dochter is, waardoor zij Gode en allen, die op deugd prijs stellen, behagelijk wordt. Hierin uit te munten, is dan ook haar innig streven, zonder aan haren plicht van welvoegelijklieid, wellevendheid, voorkomendheid en vriendelijkheid te kort te doen. Eene hoovaardige en behaagzieke jonge dochter daarentegen besteedt vaak nutteloos haren tijd en noodeloos haar geld om zich op te schikken; zij begrijpt niet, dat zij juist hierdoor zich zelve belachelijk maakt en niet zelden bij velen den spotlust opwekt, vooral wanneer zij reeds in jaren gevorderd is. De behaagzucht maakt haar minder behagelijk in het oog van allen die het oprecht met haar meenen. Alléén de wereldschgezinde en zinnelijke jongeling maakt een behendig gebruik van hare zucht om te behagen. Door den lof haar toegezwaaid, den eerbied haar bewezen, voedt zij liare ijdelheid, en hierdoor als het ware bedwelmd, neemt zij alles voor goede munt aan. Eene zekere genegenheid spoort haar aan liet gezelschap te zoeken van hen, die haar vleien, zonder acht te slaan op de slang, die in het gras schuilt. Zij begrijpt niet, dat een jougolMig
28
terugdeinst een meisje tot vrouw te nemen, wier ijdelheid hem later zoo veel geld zal kosten, en dat het doel der vleierij geen ander is, dan haar strikken te spannen, haar hart te veroveren en hare onschuld te rooven. Een hoovaardig meisje wordt dan ook doorgaans niet geacht, niet bemind, niet gezocht dan door hen, die niets dan hun eigenbelang en zelfvoldoening zoeken.
Eene nederige jonge dochter, die zich zelve niet vertrouwt, vermijdt zulke personen, evenals elk gevaar dat hare onschuld dreigt. Ten volle bewust van hare zwakheid, vlucht zij zorgvuldig elke gelegenheid tot zonde, indachtig hetgeen er geschreven staat: «Wie het gevaar bemint, zal «er in vergaan» (1) en »die de strikken vermijdt, «is gerust.» (2) Daar ze meent te staan, ziet ze nauwkeurig toe niet te vallen, daarom vermijdt ze dan ook gestadig eiken steen des aanstoots, dien ze op haren weg vaak ontmoet. Hadde de eerste Eva den noodlottigen boom vermeden, zij zou van de verboden vrucht niet gegeten hebben. Hadden evenzoo vele dochterjn van Eva die plaatsen gevlucht waar verboden vruchten worden uitgestald, die personen vermeden, welke ze te koop aanbieden , dan zouden ze thans de wroeging des gewetens niet ontwaren, een gevolg van het eten dierverboden en giftige vrucht. Dit begrijpt eene nederige jonge dochter, en daar zij innig overtuigd is van hare zwakheid, blijft ze steeds van elk gevaar tot zonde verwijderd. Het spreekwoord zegt »de gelegenheid maakt den dief,» dat is, een mensch die er zelfs niet aan denkt zich iets toe te eigenen, wat hem niet
1) Eccl. 3. 27. â 2) Prov. 11. 15.
29
toekomt, wordt vaak een dief, wanneer zich een goede gelegenheid voordoet, zich met liet goed van een ander te verrijken , evenzoo is er menige jonge dochter, die voor niets ter wereld hare onschuld zou willen verbeuren, en toch treedt ze die schoone lelie der reinheid onder de voeten, zoodra ze zich moedwillig in de gelegenheid tot zonde begeeft. De ondervinding leert dan ook, dat zeer vele jonge dochters, najaren Jang tegen de aanvallen van den Satan gestreden te hebben, ten laatste nog bezwijken, zoodra zij in aanraking komen met de zonen van Satan, dat is, met de booze, zinnelijke en zondige wereld. Ik heb u dan gezegd wat eene nederige jonge dochter, is; zij heeft het volle besef van hare zwakheid, zij bidt veel, nadert dikwijls tot de HH. Sacramenten, zij vermijdt zorgvuldig hen, die haar vleien, en elke gelegenheid tot zonde. Doe ook gij zoo, indien gij veilig wilt wezen. Voeg bij eene groote leerzaamheid en eene diepe nederigheid nog eene nauwkeurige waakzaamheid, en de goede God zal u staande houden te midden eener bedorven wereld.
§ m.
De waakzaamheid.
«Waakten bidt, dat gij niet in bekoring komt! «De geest is wel gewillig, doch het vleesch is zwak,» (1) zoo sprak de Zaligmaker weleer tot zijne Apostelen, maar deze woorden zijn ook tot ons gericht, «want al hetgeen geschreven werd, «is tot onze leering geschreven.» (2) Christus wil.
1) Mattli. '26, 41. â 2) Rorti. 15. 4. jonge Docirmi.
3
3U
en wel op de eerste plaats, dat wij allen waken zonder uitzondering. De Priesters, de Kloosterlingen en alle mensclien op aarde moeten immer waakzaam zijn, en de Katholieken niet het minste. Immers de H. Hieronyrnus verzekert, dat de duivel het vooral op hen , leden der ware Kerk , gemunt heeft. Zoo zal dan eene jonge dochter, en zij vooral, hevige aanvallen van den kant des duivels en zijne aanhangers te verduren hebben. Hoe grooter de schat is, des te meer moeite zal een dief zich geven , om dien te bemachtigen. De zuiverheid is een onwaardeerbare schat «en niets is er dat tegen eene kuische ziel kan «opwegen» (1), zilver noch goud kan de kuisch-heid evenaren, en het kostbaarste , het schitterendste edelgesteente is als slijk met de engelachtige deugd der reinheid vergeleken. U, jonge dochter, van dezen schat te berooven, is Satans rusteloos streven. Niet eenmaal, maar herhaalde malen , niet eenige weken of maanden, maar jaren lang zal hij uw hart bespieden, waarin die schat verborgen is. Om aardsche schatten te bewaren, gebruikt men alle voorzorg. Men waagt zich hiermede niet in het midden der roovers. Uit vrees dat de dieven ze bij nacht stelen, sluit men zorgvuldig de deuren en vensters, en opdat zij de kast niet openbreken, wordt deze van een sterk slot voorzien. Even zoo en met nog grootere bezorgdheid moet gij, jonge dochter, den omgang vermijden van hen, die er op uit zijn, u van dien kostelijken schat der zuiverheid te berooven, uwe zintuigen versterven en uw hart bewaren. Over het vluchten der
1) Eccli. 26. 20,
31
gelegenheid lieet't irieri u reeds gesproken. Hier ter plaatse een woord over het bewaken der zintuigen en het bewaren des harten.
Wil iemand in zijne woning een schat bewaren , dan moet hij de vensters des huizes gesloten houden, anders komt de dief er in, en zijn schat wordt hem ontstolen. Wilt gij, jonge dochter, dien geestelijken schat der onschuld bewaren, dan is het noodig, dat gij uwe oogen sluit voor alles wat u tot val kan strekken. Men klaagt menigmaal over de bekoringen, waarmede de duivèl ons kwelt, en niet zelden slaakt men diepe zuchten onder de hevige aanvallen, die men te verduren heeft. Hierover moet men niet verwondetd, veel minder droefgeestig zijn; immers wij zijn kinderen van een zondigen Adam, en daarom zal er immer strijd zijn tusschen geest en vleesch, «het vergankelijk lichaam be-«zwaart de ziel». Doch de bekoring zelve is de zonde niet. Laat God toe, dat de mensch bekoord wordt, Hij is ook bereid ons met zijne genade te versterken, en nimmer laat Hij toe, dat iemand beproefd worde boven zijne krachten. De duivel is gelijk aan een hond, die aan een ketting ligt, hij kan wel blaften doch niet bijten, tenzij hem alleen, die wil gebeten worden. En â dit geschiedt alleen dan, wanneer men de bekoring inwilligt. Godvreezende personen overigens zullen daarin niet toestemmen zonder het zeker te weten. Dat men bekoord wordt, moet ons niet verwonderen ; maar het zou als een wonder zijn, indien zij niet bekoord werden , die hunne zintuigen niet weten te bedwingen. Zij zeiven zijn oorzaak van hunne bekoringen. Alles willen zien, alles hooren, en niet bekoord
32
worden, is even onmogelijk als wandelen op gloeiende kolen, zonder zijne voetzolen te verzengen of een doornenbosch doorkruisen zonder zich te steken. Dat dezulken over bekoringen klagen, is onredelijk; zij geven hun vijand den dolk in de hand, waarmede hij hen achtervolgt. Wordt men bestormd door allerlei gedachten en verbeeldingen, dan kan men op Gods hulp rekenen, als men Hem die afsmeekt; maar zal de goede God een vuur blusschen als men het vrijwillig ontsteekt? Waken is derhalve eene gebiedende noodzakelijkheid.
«Maak,» zegt de H. Geest, «eene heining «van doornen om uwe ooren; luister niet naar «eene kwade tong, (1) want kwade gesprekken «bederven de goede zeden.» (2) Eene jonge doch-in de wereld hoort, helaas! vaak ontstichtende woorden en een verderfelijke taal, soms uit den mond van hen, van wie men het niet verwachten zou. Zij verfoeit ze, en ondanks zich zelve, moet zij ze toch, al is het slechts in het voorbijgaan, aanhooren. Hiervan maakt de duivel gebruik om haar jaren lang te kwellen, doch daar zij er geene schuld aan heeft, zal zij met Gods genade wel zegevieren. Zou zij echter een gretig oor leenen aan zulke dubbelzinnige gesprekken, dan kan het niet anders of zij moet hare onschuld verliezen. In eene zóó bedorven wereld kan hare waakzaamheid maar zelden overdreven zijn. Evenzeer moet zij op hare woorden letten, om geene aanleiding te geven tot minder welvoegelijke woorden; «Maak,» zegt de H. Geest, «eene weegschaal voor uwe
1) Sap. 9. 15. â 2) Eccli. 28. 28. â
«woorden en een goeden toom voor uwen mond. «En zie toe, dat gij niet struikelt door uwe «tong, en niet valt voor de oogen uwer vijan-«den die u belagen, en uw val onherstelbaar «en doodelijk zij.» (1) Dat zij bidde met den Profeet: «Stel, o Heer! eene wacht aan mijnen
«Aiond____Neig mijn hart niet tot booze daden.»(2)
Doch meermalen nog moet zij zich met David tot God wenden en zeggen: «Keer mijne oogen «af, opdat zij geene ijdelheid zien.» (3) Immers de gelegenheid van iets te zien, wat tot de bekoring aanleiding geeft, doet zich schier aanhoudend voor. Daarom kan eene jonge dochter zich niet lang staande houden, die hare oogen niet bedwingt. Kunnen onschuldige zaken, heilige personen, die men ziet zonder de minste slechte bedoeling, soms eene oorzaak worden van verkeerde gedachten of slechte voorstellingen, dan zal de booze geest haar zeer zeker hevig aanvallen, die met opzet hare oogen vestigt op zaken of personen, waardoor zij vooruit weet bekoord te zullen worden. Het is waar, men kan alles niet vermijden, maar toch veel, en kan men het zien niet altijd beletten, het bezien of aanstaren kan en moet men immer tegengaan. Wend daarom steeds uwe oogen af van personen, voor wie gij in uw hart eene zekere ongeregelde liefde ontwaart, ten minste beschouw zulke personen niet.
De heiligen, juist omdat zij in de deugd reeds zoo ver gevorderd waren, hadden met betrekking tot hunne oogen, minder te vreezen dan
1) 1 Corinth. 15. 33. â 2) Kccli. 28. 29. 30. 3) Psalm. 140, 3. 4. â 4) Psalm. 11S. 37.
.â¢34
vele anderen, en toch waren zij in dit punt zoo verstorven en zoo voorzichtig. De HH. Ande-marus en Aquilinius vroegen aan God als eene genade, blind te mogen worden, uit vrees van door hunne oogen God te zullen beleedigen, en God verleende hun de verlangde gunst. Een zeker blind persoon ging bidden op het graf van den H. Vedastus, om weder het gezicht te erlangen, en zijn gebed werd verhoord. Thuis gekomen dacht hij: zou ik nu ter oorzake van het herkregen gezicht in de zonde vallen, dan ware het toch beter voor mij blind te zijn. Wat deed hij? Hij keerde naar het graf van dien heilige terug met de bede, dat hij weer blind mocht worden, indien de oogen hem tot val zouden strekken, en ook dit gebed bleef niet onverhoord. Door de oogen, zegt de H. Bernardus, komt de pijl der onreine liefde in den geest. Daarom was de H. maagd en martelares Theodora zoo zedig, gelijk wij lezen in haar leven, door den H. Ambrosius beschreven, dat zij nooit een man in het aangezicht durfde zien. (1) Eene dame beschuldigde zich bij den H. Franciscus Xaverius, dat zij met een weinig te veel behagen een man aanschouwd had. De Heilige gaf haar, op ingeving van den H. Geest tot antwoord: daar gij u om het zien van een mensch in het gevaar gesteld hebt God te verliezen , zijt gij niet waardig dat God u aanziet. Deze woorden maakten op haar zulken indruk, dat zij in het vervolg geen man meer durfde aanzien. (2) Wat u betreft, jonge dochter, blijf uwe oogen minstens niet vestigen op hen, voor
2) Vie par Bouhours,
1) Ribadeneira 28 April. â
35
wie gij u genegen gevoelt. Zulke oogslag is gelijk aan een vonkje vuur, dat op het kleed valt, dooft men het onmiddellijk uit, dan zal het geen brand veroorzaken, zoo niet, dan smeult het voort en gij staat in laaie vlammen. Wendt gij uw oog af van een persoon, dan is het gevaar niet groot, maar houdt gij uw oog op hem gevestigd, dan ontvlamt het vuur der begeerlijkheid. Op het zien volgen de gedachten, op de gedachten de verlangens en de schoone lelie der reinheid wordt met voeten getreden. Groot is het getal dergenen, wier val alléén moet toegeschreven worden aan de onverstor-venheid der oogen, hetzij door personen te aanschouwen, hetzij door boeken te lezen. Ook met betrekking tot het laagste wordt van u eene groote waakzaamheid gevorderd. Bedwing bijtijds de nieuwsgierigheid in het lezen, want het wordt eene vreeselijke hartstocht, die menige jonge dochter in het verderf stort. Zijn de boeken onzedig, dan Spreekt het van zelf, dat men het niet wagen mag die in te zien, zelfs niet in de hand te nemen, allicht werpt men een vluchtigen blik er in; de nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, de bekoring om meer te lezen volgt, en daar gij het gevaar bemint, zult gij er in vergaan. Maar ook voor die boeken, welke in een romantischen stijl zijn geschreven en vaak handelen over liefdesverklaringen en wat hierop betrekking heeft, moet eene jonge dochter zich in acht nemen, vooral wanneer zij hartstochtelijk van lezen houdt. De verbeelding van 's menschen bedorven geest neemt dan vaak eene verderfelijke en gevaarvolle richting. Waak derhalve, jonge dochter, om uwe oorenen oogen.
3G
zulke groote weldaden des Heeren, niet te mis-bruikeri. Moet gij deze met zorg bewaren voor alles wat u in bekoring kan brengen, ook uw hart moet gij bewaren met alle zorg.
«Bewaar uw hart,» zegt de H. Geest, «met ffde grootste zorgvuldigheid, want daaruit komt «het leven voort.» (1) Het hart is als het ware de bron des geestelijken levens. Men kan niet beletten eene zekere genegenheid voor iemand te gevoelen, immers het hart van alle kinderen Adams is bedorven; spruit die genegenheid voort uit eene ware, oprechte en reine vriendschap, dan is er niets kwaads in gelegen. Integendeel «een getrouwe vriend (pf eene vriendin) is eene «sterke beschutting, en die hem gevonden heeft, «vond een schat. Niets is met een getrouwen «vriend te vergelijken, en geen goud of zilver «verdient gewogen te worden tegenover den «schat zijner getrouwheid. Een getrouwe vriend «is artsenij voor het leven en de onsterfelijk-« heid ; en die den Heere vreezen , zullen dien « vinden.» (2) Is men echter niet op zijne hoede, dan gebeurt het maar al te dikwijls, dat eene vriendschap ras ontaart in eene ongeregelde genegenheid ; voor welken persoon men ze ook mocht gevoelen, men moet ze reeds van den beginne af met alle kracht bestrijden. Niets is voor eene jonge dochter zóó gevaarlijk, als het koesteren van zulke genegenheid. Verbant zij de liefde tot God uit haar hart, dan geschiedt zulks meestal, zooals de ondervinding het leert, omdat zij eene opkomende ongeregelde liefde niet bijtijds heeft bestreden. Ongeregeld is reeds eene
1) Prov. 4. 23. ~ 2) Eccli. 6, 14â16.
37
liefde die men iemand toedraagt, wanneer eene natuurlijke hoedanigheid of een louter mensche-lijk inzicht er de drijfveer van is; immers wij moeten onzen naaste beminnen, niet om den naaste zeiven, maar om en in God. Zulke liefde is eene natuurlijke liefde, die dan vooral hoogst gevaarlijk is, als ze hartstochtelijk wordt en met eene zekere zinnelijke neiging gepaard gaat. Eene jonge dochter, die zulke liefde toegang verleent tot haar hart, voeden durft door woorden, blikken en nuttelooze gesprekken, wordt zonder den minsten twijfel het slachtoffer van eene onzuivere liefde. Niets is voor eene jonge dochter zóó gevaarlijk , niets zóó verderfelijk, niets zóó noodlottig als voedsel te geven aan eene zinnelijke genegenheid. Zij loopt op de helling van een berg boven een geopenden afgrond, waarin zij ieder oogenblik kan nederstorten. Wellicht zijt ge hiervan, lezeres, ten volste overtuigd, misschien hebt gij u reeds op zulke gevaarvolle helling bevonden, waarvan Gods goedheid u verwijderd heeft, neem u derhalve in het vervolg in acht en bewaak uw hart met de grootste zorgvuldigheid.
Zijn eene jonge dochter in de wereld overal en ten allen tijde veelvuldige strikken gespannen, omgeven haar afgronden zonder tal, dan kan geene voorzichtigheid te groot zijn. Herinner u, jonge dochter, de woorden des H. Geestes: «Doe uwe «oogleden steeds uwe oogen recht voor u heenszien, en dat uwe voetstappen vooruitgaan. Maak «een recht pad, het pad van rjodsdienst an « deuijd, voor uwe voeten, dan zijn alle uwe gan-«gen geregeld.» (1) Wees leerzaam als men u op
1) Prov, 4. 25. 26.
38
(Je gevaren wijst, wees nederig en trolseer de gevaren niet, overtuigd van uwe zwakheid. Wees steeds Gods woord indachtig: «Die het gevaar «bemint, zal er in vergaan.» Vertrouw op God, terwijl gij u zelve mistrouwt. Doch opdat uw vertrouwen geene vermetelheid worde, moet gij van uwen kant steeds waken op uwe zintuigen, en vooral op uw hart, dan zal de goede God u door zijne genade staande houden, en u den staat des levens aantoonen, dien gij aanvaarden en de wijze, waarop gij dien beleven moet.
HOOFDSTUK IV.
Over een staat des levens.
Van het aanvaarden van eenen staat des levens hangt veel, om niet te zeggen alles af, het tijdelijk geluk en het geestelijk welzijn. Beleeft men eenen staat, waartoe men niet geroepen is, dan is men nimmer tevreden en men gevoelt zich ongelukkig, en dit niet zoozeer ter oorzake van de kruisjes, die men ontmoet, immers deze vindt men in eiken staat; maar de gedachte : ik zelf heb ze mij op den hals gehaald, ik zelf ben er de oorzaak van , maakt iemand schier moedeloos en vergalt zijn leven. Voor het geestelijk welzijn ziet men zich van vele genaden verstoken, welke God zon hebben verleend, ware het, dat men den door Hem gewilden staat hadde aanvaard. De H. -Kerkleeraar Alphonsus leert, dat het zeer moeilijk is zijne zaligheid te bewerken in eenen staat, waartoe God iemand niet
39
verkiest en dat men even moeilijk zal zalig worden , wanneer men een levensstaat verwerpt, waartoe God zoo iemand wel bestemd lieeft. Zou eene jonge dochter door God tot het kloosterlijk leven geroepen zijn, zou God zelf haar tot zijne bruid verlangen en zij aan die genade niet beantwoorden, hetzij ter oorzake van eene ongeregelde liefde voor hare ouders, hetzij omdat haar hart aan de wereld of aan hare vrijheid gehecht is, dan loopt hare zaligheid in de wereld groot gevaar. En dit evenzeer, wanneer zij, zeer zeker tot het huwelijk geroepen, daartoe niet te bewegen is , maar aan hare vrijheid en aan een gemakkelijk leven de voorkeur geeft. Zoude zij echter als met geweld God willen dienen in het huwelijk of in een klooster, terwijl God door haar als maagd wil gediend worden in de wereld , ook dan zal ze groote bezwaren vinden, hare zaligheid te bewerken. Wij moeten God dienen , gelijk Hij door ons wil gediend worden. Niet wij mogen eenen staat des levens uitkiezen volgens onzen wil, maar de wil Gods alleen moet ons dien bepalen. Wij moeten den levensstaat, dien God voor ons bestemd heeft, beleven en geen anderen.
Hier doet zich de vraag voor; hoe kan ik weten, tot welken levensstaat de goede God mij geroepen heeft? Zal God zich aan mij ver-toonen, zooals weleer aan Abraham, wien Hij zeide: «Ga uit uw huis en uw maagschap en « het huis uws vaders, en kom in een land, dat «Ik u toonen zal.» (1) Het is niet waarschijnlijk. Zal Hij dan een Engel uit den hemel zenden.
i) Gen. 12. 4.
40
om mij den weg aan te wijzen, dien ik moet inslaan , zooals Hij dien aan sommige Heiligen geopenbaard heeft? Ook dit zal in den regel niet geschieden. Maar de goede God heeft nog andere middelen, om ons op eene min of meer duidelijke wijze zijn H. Wil bekend te maken.-De goddelijke Voorzienigheid voorziet alles en weet alles zóó te regelen, dat alles meewerkt ten goede. De plannen der Voorzienigheid zijn een geheim, maar soms schijnen zij zóó duidelijk, dat men zeggen moet; «hier is de vinger «Gods;» dan weder kan men uit den samenloop der omstandigheden met genoegzame zekerheiderlangen, wat God van ons vraagt, welk ofier Hij van ons verlangt. Wanneer God iemand roept tot een bepaalden staat des levens, dan stelt Hij ook zeer zeker die persoon in de mogelijkheid dien staat te kunnen aanvaarden. Kunt gij bijv. er niet in slagen in dit of dat klooster te worden aangenomen, dan is het immers duidelijk, dat het Gods H. Wil niet is, daar in te treden. Blijft de deur des kloosters voor u gesloten, dan stelt zich God tevreden met uwen goeden wil. Hij verlangde van Abraham eene groote bereidvaardigheid in het offer van zijn zoon Isaak, doch wilde niet dat het in werkelijkheid gebracht werd. Die edelmoedige Aartsvader had voor God dezelfde verdiensten alsof zijn zoon geofferd ware. Verlangt alzoo eene jonge dochter van ganscher harte zich als eene bruid aan God toe te wijden, maar kan zij in werkelijkheid hierin niet slagen, dan heeft zij wat het wezen betreft dezelfde verdiensten als eene Gode werkelijk toegewijde maagd. Eene jonge dochter zou echter meenen,
M
dat God ham' tot den liuwelijkeu staat verkiest, maar zij is niet in de gelegenheid een met den geest Gods overeenkomstig huwelijk aan te gaan, dat zij zich dan overtuigd houde, dat het vooralsnog Gods H. Wil niet is, dien staat te aanvaarden. Het is dus Gods wil niet, dat men een staat des levens kieze, wanneer eene natuurlijke of zedelijke onmogelijkheid dit belet, liet is zedelijker wijze voor eene jonge dochter onmogelijk naar een klooster te gaan, als daardoor een vader broodeloos wordt of eene moeder in uiterst behoeftige omstandigheden geraakt. Immers, volgens de godgeleerdheid, moet een kind zijne ouders in dien uitersten nood behulpzaam zijn. Om verder zich van Gods H. Wil te vergewissen omtrent een bepaalden staat des levens, moet men zien of men naar lichaam en geest de noodige vereischten bezit, om de verplichtingen , aan dien staat verbonden, na te komen, zoo niet, dan kan en moet men veronderstellen, dat men niet geroepen is tot een staat, van wiens plichten men zich niet naar behooren kwijten kan. Eene jonge dochter meent geroepen te zijn tot het kloosterlijk leven, maar zij is ziekelijk en zóó zwak, dat hare gezondheid schier op eiken regel van de voorschriften eene uitzondering vereischt, dan kan zij zich verzekerd houden tot zulken staat niet geroepen te zijn. Zoo zijn er ook jonge dochters, wier karakter zoo veranderlijk, zoo lastig en zoo hoogst onaangenaam is, dat zij voor een klooster, waar men een gemeenschappelijk leven leidt, niet geschikt en dus ook niet geroepen zijn, tenzij er gegronde redenen bestaan, dat zij van karakter zullen veranderen, en hiervan reeds blijken be-
42
ginnen te geven. Zij moeten veelmeer zicli trachten te heiligen in een meer afgetrokken leven, om niet te zeggen in eene eenzaamheid, waar zij leven kunnen naar welgevallen, want ook in een huwelijk ligt voor haar geen heil. Zijn echter de vereischte hoedanigheden voor een levensstaat aanwezig, dan volgt hieruit nog niet, dat op dien staat onze keuze vallen moet; immers men kan de noodige geschiktheid hebben voor meer dan eenen staat des levens, maar men oordeele volgens bijkomende omstandigheden, welken staat God wil dat wij aanvaarden. Is men geroepen tot het huwelijk, dan doet de goede God in gewone omstandigheden ook eene genegenheid in het hart hiertoe ontstaan. Gevoelt men voor eenen bepaalden persoon geene genegenheid, of wel voor het huwelijk zelf niet, dan moet men zulken stap niet wagen, om een ongelukkig leven te voorkomen. Maar uit eene natuurlijke genegenheid voor een staat des levens, kan men nog niet met zekerheid afleiden, dat God ons daartoe geroepen heeft. Ware dit het geval, dan zou het getal van de bruiden des Heeren al uiterst klein zijn, daar het hart van alle kinderen Adams', bedorven gelijk het is, altijd overhelt tot een staat des levens, overeenkomstig met 's menschen natuurlijke neiging. Meer dan de natuur moet men de stem der genade raadplegen. Het kan gebeuren' dat de goede God, ondanks de vereischte hoedanigheden en de natuurlijke genegenheid voor een. bijzonderen staat des levens, iemand tot een meer verhevenen roept, anders zou men hieruit moeten besluiten, dat alléén diegenen tot het kloosterleven geroepen zijn, die voor een
A3
huwelijk geene of minder goede geschiktheid hebben, hetgeen het geval niet is. Velen hadden een goed en onder alle opzichten aanbevelenswaardig huwelijk kunnen aangaan , doch daar zij de stem des Heeren hoorden, die hen tot een volmaakteren staat des levens riep, hebben zij, zonder acht te slaan op de stem der natuur, op de stem van vleesch en bloed, zich zeiven Gode ten offer gebracht en met eene groote edelmoedigheid aan alles verzaakt wat doorgaans de bedorven natuur zoo streelt.
Niet allen hooren die stem, waardoor zij tot een meer verheven staat geroepen worden, en verreweg het grootste getal heeft God voor den huwelijken staat bestemd. Zouden de noodige vereischten, de middelen van bestaan, de jaren, in de gewone omstandigheden, de toestemming der ouders, de goedkeuring der Kerk voor een huwelijk aanwezig zijn, gepaard met eene genegenheid voor dien staat, en God zou u op geenerlei wijze tot een meer volmaakten roepen, dan kunt gij hieruit nagenoeg met zekerheid afleiden , dat gij tot dezen staat geroepen zijt. God zal u dan ook zijne genade schenken, en gesteund door die hulp van boven, kunt en moet gij u in het huwelijk heiligen. Zoudt gij echter, jonge dochter, ondanks uwe genegenheid voor het huwelijk, de stem des Heeren hooren, die u niet slechts als in het voorbijgaan (ofschoon zoo iets ook geschieden kan en met Zacheus liet geval was) maar meer aanhoudend, met meer aandrang vraagt tot zijne bruid, zoodat gij op uw sterfbed gewetenswroeging ontwaren zoudt, hieraan geen gevolg te hebben gegeven.
zie dan wel toe, dat gij geen aardschen boven een goddelijken bruidegom stelt.
Om echter niet te voortvarend, niet te eigendunkelijk te handelen in eene zaak van zulk groot gewicht, moet gij niet ophouden door een vurig gebed het licht des H. Geestes af te smeeken. Wend u dagelijks tot Maria, den zetel der wijsheid, tot Haar die genoemd wordt en in waarheid is O. L. Vr. van Goeden Raad, niet slechts dan, wanneer er sprake is van handelen, maar reeds jaren te voren. Zoudt gij in de verste verte zelfs niet denken aan een staat des levens, toch moet gij er reeds aan denken hiervoor te bidden en zorgen, dat dit geschiede met een zuiver hart. Immers eene goede keuze aangaande een staat des levens, is eene groote genade, welke genade gij u door een ongodsdienstig en vooral onzedig gedrag onwaardig maakt. Vraagt men raad in moeilijke zaken, dan moet gij zeer zeker niet nalaten in zulke belangrijke zaak, als die van een scaat des levens, dengenen te raadplegen, die door den H. Geest op eene meer bijzondere wijze verlicht wordt en u tot geestelijke leidsman gegeven is. In den regel moet gij u wenden tot uwen gewonen biechtvader, die u beter kent en meer op de hoogte is van bijkomende omstandigheden; dit belet nochtans niet, dat gij u eens aan een anderen openbaart, niet zoozeer opdat hij eene beslissing neme, maar om nadere inlichting te bekomen, die hij om deze of gene reden n wellicht beter zou kunnen geven. Zoek echter niet bij voorkeur dengenen, wiens gevoelen gij denkt, dat met het uwe overeenstemt, dit zou een teeken zijn, dat het u niet zoozeer te doen
is om goeden raad in te winnen, dan wel om gesterkt te worden in uw reeds opgevat besluit. Doe niet zoo als sommigen gewoon zijn, nu eens gaan zij bij dezen, dan weder bij genen, tot dat zij er eenen vinden die haar gevoelen deelt, hetgeen misschien nog niet het geval zou zijn, ware het dat zij alles, het voor en tegen, met oprechtheid en eenvoudigheid openbaarden, want ook dit gebeurt niet altijd. Om goeden raad in te winnen, moet gij hem, dien gij raadpleegt, met alles wat met uwe zaak in verband staat, bekend maken, uwe gevoelens, uwe neiging, in een woord uw hart openbaren, anders loopt gij gevaar een verkeerden raad te ontvangen, die u niet zou gegeven zijn, ware het, dat gij moer openhartig gesproken hadt.
Met betrekking tot een staat des levens moet men (om het in weinige woorden te hervatten) opletten; 1° of er eene natuurlijke en zedelijke mogelijkheid bestaat dien staat te kunnen aanvaarden ; 2° of men de vereischte hoedanigheden tot dien staat bezit. Is dit niet het geval, dan moet men zich aan Gods H. Wil onderwerpen, die, wanneer Hij iemand tot zulken staat geroepen had, hem ook de middelen zou geven orn dien te kunnen beleven. 3° Men geve acht op de genegenheid des harten. Deze is in den regel aanwezig bij het aangaan van een huwelijk, ofschoon zij de ecnige drijfveer er niet vau zijn moge. Men moet niet handelen met zulk natuurlijk inzicht; Gods wil te volbrengen, moet ons eenig streven zijn, maar uit deze natuurlijke geneigdheid leidt men af, en dit niet zonder grond, dat het aanvaarden van dezen staat strookt met de roeping, tenzij God op deze of
i
46
gene wijze vrij duidelijk doet zien dat Hij u, tot een volmaakteren levensstaat bestemd heeft. Om u hierin niet te vergissen moet gij 1 luisteren naar de stem van uw geweten en u eens afvragen, of het geweten u op uw sterfbed niets zou verwijten, wanneer gij oen minder verheven staat beleeft; 2° vurig bidden en u vooral tot Maria wenden, die voorzichtige maagd bij uitnemendheid; 3quot; uwen biechtvader raadplegen , en hem met alles bekend maken, niet met het doel om hem in uw gevoelen te doen deelen, maar alleen om Gods H. Wil beter te kennen en dien alsdan op te volgen. Gaat gij, jonge dochter, op deze wijze te werk, dan kunt gij ook vertrouwen dat de H. Geest u verlichten en versterken zal om tot dien staat des levens te geraken, waartoe de goede God u bestemd heeft. Het zal u dan. ook niet aan de noodige genaden ontbreken, om in dien staat uwe zaligheid te bewerken, ja zelfs een heilig leven te leiden. Laat ons thans over eiken staat des levens in het bijzonder eenige woorden zeggen, en doen zien, wat van eene jonge dochter betrekkelijk eiken staat gevorderd wordt.
HOOFDSTUK V.
Over den huwelijken staat.
Daar ik in een vroeger uitgegeven werkje: «Heilzame Wenken betrekkelijk de roeping en «voorbereiding tot den huwelijken staat» alsmede in een ander «Plichten der gehuwden»
47
meer breedvoerig over dien staat en zijne verhevenheid gesproken heb, vermeen ik hier ter plaatse met eenige woorden te kunnen volstaan. Het huwelijk is een Sacrament, dat alle men-schen op aarde, alle Heiligen in den hemel, alle Engelen voor Gods troon moeten eerbiedigen, ofschoon de maagdelijke staat toch altijd, zooals het geloof ons leert, verhevener is. Dezen staat raadt de H. Paulus den jongen dochters aan met de volgende woorden; «Aangaande de «maagden nu, heb ik geen bevel des Heeren, «maar ik geef mijn raad, als oen die van den «Heer de genade ontvangen heb van geloof-«waardig te wezen. Ik houde dan dat zulks «goed is om den aanstaanden druk, dewijl het «den mensch goed is, zóó te zijn.» (1) Als wilde hij zeggen: ik houd het er voor, dat de staat van maagd of jonge dochter goed, nuttig en voordeelig is om den aanstaanden druk, dewijl het den mensch goed is zóó, dat is, ongehuwd te zijn. Door dien aanstaanden druk verstaan de uitleggers vrij algemeen de zorgen, bekommernissen en ongemakken, die men te allen tijde in den huwelijken staat te wachten heeft, en die min of meer een beletsel zijn, om den Heer vrij en onbelemmerd te dienen. Dit geeft de Apostel te verstaan door de volgende woorden: «De ongetrouwde vrouw en «de maagd, denkt om hetgeen don Heer be-«treft om heilig te zijn naar lichaam en geest; «maar de getrouwde denkt om hetgeen de «wereld betreft, hoe zij haren man zal beha-«gen. Dit echter zeg ik tot ulieder nut, niet
1) I. Corinth, 7. 25. 26,
48
«om u aan een band te leggen» (1), dat is, om u tot den ongehuwden staat te dwingen, of uwe vrijheid dienaangaande te belemmeren, «maar eeniegelijk heeft zijne eigene gave van «God, de eene dus en de andere zóó» , ^2) de eene om God te dienen in den maagdeiijken, de andere om God te dienen in den huwelijken staat. Raadt de H. Paulus den maagdelijken staat aan in het algemeen, in een bijzonder geval raadt hij dien des huwelijks aan, wanneer bij zegt: «Maar indien zij zich niet onthouden, «dat zij trouwen, want het is beter te trouwen, «dan te branden.» (3) Zoudt gij, jonge dochter, die door de belofte van zuiverheid nog niet gebonden zijt, de gave niet ontvangen om den maagdelijken staat te beleven, maar schijnt het, dat God u tot het huwelijk heeft geroepen, zooals wij in het voorgaand hoofdstuk gezegd hebben, treed dan in het huwelijk met deze gedachte: God wil dat ik mij alle ongemakken des huwelijks getrooste, en ondanks zoo vele bekommeringen mij heilige in dien staat, maar inmiddels moet gij u toch wachten voor voortvarendheid , eigenzinnigheid en zinnelijkheid.
§ L
V oortvarendheid.
In de onderstelling, jonge dochter, dat gij, zooals het vrij duidelijk blijkt, tot den staat des huwelijks geroepen zijt, moet gij u in acht nemen voor eene zekere voortvarendheid, welke soms noodlottige gevolgen hebben kan. Ik wil
1) Ibid. v. 34. 35. â 2) Ibid. v. 7. â 3) Ibid. v. 9.
49
hiermede niet zeggen, dat eene eigenlijke ver-keering lang moet duren. O neen! eene langdurige verkeering is vaak oorzaak van vele zonden, een vertrouwelijke omgang, die er het gevolg van is , doet in het hart eene zondige geneigdheid ontstaan, welke op den duur moeilijk bedwongen wordt, en meestal eindigt, met haar in te volgen. Maar vooraleer eene verkeering begint, moet men toezien, zich niet te haasten, en vooral niet gejaagd zijn. Is men kalm en bedaard, dan kan men beter alles, het voor en het tegen, overwegen. Personen daarentegen, die met angstige gejaagdheid, een eenmaal gemaakt plan willen doordrijven, verliezen dikwijls omstandigheden uit het oog, die hen tot een ander besluit zouden gebracht hebben, ware het, dat zij ze voorzien hadden. Het aloude spreekwoord «zin vooraleer gij begint» is hier zeker van toepassing. Wik en weeg alles, vooraleer gij eene verkeering begint. Het gebeurt, helaas! maar al te dikwijls, dat de verstandhouding tusschen man en vrouw nog al veel te wenschen overlaat, dat men huwelijken aantreft, waarin geene eensgezindheid heerscht, en man en vrouw zich zóó ongelukkig gevoelen, dat zij tot groote ergernis niet meer te zamen willen wonen. Hadden zij meer deugd, waren zij godsdienstiger, zij zouden zich in hun lot weten te schikken, en God bidden om elkanders gebreken te verdragen en de wet des Heeren te vervullen. Maar hoe komen zij ook vaak tot een huwelijk ? Zonder voorafgaand onderzoek omtrent den persoon, en de geldelijke aangelegenheden, beginnen zij eene verkeering, die dikwijls, wat de zedigheid betreft, veel te wen-
50
schen overlaat, en dientengevolge, als met blindheid geslagen, zien zij de noodlottige gevolgen ervan niet in. Neem derhalve, jonge dochter, de volgende woorden tot regel van uw gedrag: Verkeer niet lang, stel het trouwen nietquot; uit zonder wettige en afdoende redenen, maar wees voorzichtig en haast u niet eene verkeering aan te knoopen. Waarom niet? lu dan duurt in den regel zulke verkeering een gerui-men tijd, en zij wordt gevaarlijk voor uwe ziel. Immers eene langdurige verkeering brengt u in het grootste gevaar; 2° door een herhaald en nogmaals herhaald bezoek loopt men gevaar eene zekere natuurlijke om niet te zeggen zinnelijke genegenheid voor dien persoon op te vatton; heeft deze eenmaal in het hart diepe wortelen geschoten, dan kan men niets kwaads meer hooren van dien persoon, dan leidt u niet meer de rede, maar de hartstocht. 3° Daar er in de wereld veel gehuicheld wordt met betrekking tot de persoonlijke hoedanigheden en geldelijke aangelegenheden, kan men geene voorzorg genoeg nemen om behoorlijk hieromtrent te quot;worden ingelicht, vooraleer men eene verkeering aanknoopt. Een onvoorwaardelijk geloof slaan aan de woorden van iemand, die naar uwe hand dingt, is meestal dwaas en roekeloos. Er zijn personen, die zeer vriendelijk, zeer voorkomend schijnen, en zich minzaam voordoen, en toch hebben zij zulk lastig karakter, dat het op den duur moeielijk is met hen om te gaan, laat staan met hen te wonen en te leven. Daarom moet men alvorens te ver-keeren, hieromtrent diegenen raadplegen, welke hen meer van nabij kennen en inlichting vragen
51
omtrent liunue godsdienstige gevoelens; immers vroom en godvruchtig schijnen en liet niet zijn, behoort niet tot de zeldzaamheden. Doe hen meer van nabij in hunne gewone levenswijze gadeslaan, om te weten of hun godsdienstig gedrag beantwoordt aan hunne manier van spreken. Op godsdienstig en zedig gebied, moet men den jongeling, die naar uwe hand vraagt, niets merkelijks kunnen ten laste leggen, want ongelukkig de jonge dochter, die om gehuwd te kunnen zijn èn godsdienst èn zeden van haren aanstaande over het hoofd ziet! Wat de geldelijke aangelegenheden betreft, ook op dit punt moet men uiterst voorzichtig zijn, vergeet niet dat er veel klatergoud in de wereld is, en dat schijn vaak bedriegt. Alvorens te verkeeren, jonge dochter, moet gij onderzoeken of de jongeling middelen bezit om in een huisgezin te kunnen voorzien, of hij geene schulden heeft, of zijne vaste goederen, indien hij er bezit, belast zijn, en of hij de waarde kent van het geld. Zijn vele jonge dochters nalatig geweest om een behoorlijk onderzoek te doen aangaande deze aangestipte punten, hebben zij zoo maar aanstonds eene verkeering aangeknoopt, en moeten zij nu als gehuwde vrouw de wrange vruchten eten van hunne overhaasting en voortvarendheid, wees gij ten minste, die deze regelen leest, op uwe hoede. Begin geene verkeering zonder u vooraf te vergewissen of er met betrekking tot de deugd, het karakter, het geldelijk vermogen van den jongeling niets van aanbelang ontbreekt, om een huwelijk gelukkig te doen zijn. Zin vooraleer gij begint, om later over uwe voortvarendheid niet te treu-
52
l-en. WÃ ook in zulke zaak vail gewicht niet eigendunkelijk tc werk gaan.
§ II.
De eigenzinnigheid
Wanneer iemand in zijne jeugdige jaren , zich door den hartstocht heeft laten meeslepen, waardoor hij zich voor zijn volgend leven vele ongelukken op den hals heeft gehaald, dan treurt hij al de dagen zijns levens over zijne verkeerde handelwijze. Te vergeefs slaakt hij diepe zuchten, hij heeft moedwillig de oorzaak gesteld, thans moet hij de gevolgen ervan ondervinden. Menig gehuwde vrouw gevoelt zich thans diep ongelukkig, niet ter oorzake van dien staat des levens, waartoe zij meende door God te zijn geroepen, maar omdat zij door den hartstocht naar aardsche goederen of eene vergankelijke schoonheid, zich aangaande de keuze van den persoon misrekend heeft, ofschoon het haar aan ernstige waarschuwingen niet ontbrak. Wilt gij, jonge dochter, in latere dagen u in uwe verwachting niet te leur gesteld zien, «doe 'niets zonder raad, en als gij gehandeld hebt, zal het u niet berouwen» (1) De H. Geest wil, dat vooral jeugdige personen niets van eenig aanbelang doen zonder vooraf den raad van wijze en verstandige menschen te hebben ingewonnen, opdat het hun later niet berouwe. Men hoort zoo dikwijls van ongelukkige huwelijken spreken, dat er tusschen man en vrouw groote oneenigheid heerscht, die tot ergernis
1) Eccli. 32. 24.
53
van velen, niet zelden aanleiding geeft tot eene scheiding, niet in dien zin dat de band des huwelijks verbroken wordt, immers wat God ver-eenigd heeft, kan geen mensch ontbinden, maar dat zij afzonderlijk gaan wonen. Do oorzaak van zulke ergerlijke scheidingen moet niet alleen in eene onbezonnen voortvarendheid, waarmede men eene verkeering aanknoopte, maar ook in eene halsstarige eigenzinnigheid gezocht worden, waarmede men elke waarschuwing ter zijde stelde. Niet zelden wordt eene raadgeving van de hand gewezen, op grond dat alles wat men omtrent een jongeling zegt, louter lastertaal is, die uit jaloerschheid ontspruit. Ik wil niet ontkennen, dat er veel gelasterd wordt, maar wanneer wijze, bejaarde en belanglooze personen, die boven alle verdenking van jaloerschheid en baatzuchtigheid, staan gemeend hebben u een goeden raad te moeten geven, en u ernstig te waarschuwen tegen de noodlottige gevolgen, die gij na zulk huwelijk te vreezen hebt, wees dan overtuigd, jonge dochter, dat gij niet straffeloos zulke welgemeende raadgevingen zult versmaden. Luister des te eerder naar zulken raad, wanneer er aangaande den jongeling kwade geruchten loopen, want is niet alles waar, wat men vertelt, toch is er vaak iets van waar. Eene zekere jonge dochter werd van alle zijden gewaarschuwd den jongeling, met wien zij verkeerde, niet te huwen, maar eigenzinnig in den hoogsten graad, luisterde zij naar geen goeden raad, en het gevolg ervan was, dat zij reeds eenige weken na het huwelijk van elkander scheidden.
Zouden eenigen u een huwelijk met een be-
54
paald persoon aan-, anderen afraden, mistrouw dan doorgaans hen, die, zooals gij met grond vermoeden kunt, u een raad geven in hun eigen belang, bijv. de eenen zullen een jongeling aanprijzen om zijne geregelde levenswijze, zijn karakter en zijn tijdelijk vermogen, anderen daarentegen weten veel hiertegen in te brengen, in zulk geval moet gij minder acht slaan op den raad, dien zijne ouders, vrienden, aan- en bloedverwanten u geven, dan wel op de raadgeving van hen, die den jongeling overigens vreemd zijn, vooral wanneer gij een zekeren spoed ontwaart, waarmede zij op eene eigenlijke ver-keering of een huwelijk aandringen. Allicht zou men dan kunnen denken: is de jongeling onder alle opzichten zóó aanbevelenswaardig als zij voorgeven, waarom dringen zij dan zoo spoedig aan op een huwelijk? Valt er wellicht niet veel op dien jongeling af te keuren, omdat men hem zoo spoedig uit het ouderlijk huis verwijderen wil ? Vreest men misschien, dat er zaken voor den dag zullen komen, waardoor hij zijne aanspraak verliezen zou op de hand van een fatsoenlijk meisje? Wees derhalve, jonge dochter, niet halsstarrig gehecht aan eene opvatting betrekkelijk de hoedanigheid eens jongelings, die u ten huwelijk vraagt. Gij zult misschien zeggen: indien ik zoo stipt op alles letten wil, dan zal niet één jongeling mij vragen, van den eenen weet men dit, van den anderen dat te vertellen, ik doe mijn eigen zin. Geldt het zaken van weinig aanbelang, van bijkomende omstandigheden , die weinig of niets ter zake doen, en geene slechte gevolgen kunnen hebben, dan kan ik u geen groot ongelijk geven, want wie is er
onder alle opzichten volmaakt? maar betreft het zaken van bedenkelijken aard, die uw verder leven kunnen verbitteren, wees dan op uwe hoede om niet liet slachtofier te worden van uwe eigenzinnigheid. Om nu te weten of het zaken geldt van minder of moer aanbelang, moet gij met een kalm gemoed de zaak wikken en wegen, luisteren naar wijzen raad, die u gegeven wordt door personen van ondervinding, en die niets dan uw welzijn beoogen, vooral naar de stem van uw biechtvader, die Gods plaats bekleedt. In ieder geval moet gij in eene zaak van zulk groot gewicht niet eigendunkelijk beslissen, immers eene zekere vooringenomenheid voor een persoon doet ons vaak zaken van aanbelang als onbeduidend beschouwen, en heeft men eenmaal eene ongeregelde liefde voor iemand opgevat, dan is men als met blindheid geslagen. Neem u dus ook voor eene zinnelijke liefde in acht.
ij III.
De zinnelijkheid.
Allen die in het huwelijk treden, zullen, zooals de H. Paulus zegt, verdrukking des vleesches hebben, dat is, allerlei zorgen, zwarigheden eu bekommernissen, die do huwelijke staat medebrengt, en dit zelfs ondanks dat de staat in zich heilig, liet doel waarmede men dien staat aanvaardt heilig en de voorbereiding heilig is. Doch welke zwarigheden, welke bekommernissen, welke wederwaardigheden staan hen niet te wachten, wier meening bij het aangaan van een huwelijk niet zoo zuiver, en wier voorbereiding
5G
lot liet huwelijk zeker niet zuiver is! Ontwaardt men nu dat Gods zegen , dien men door een zinnelijk leven verbeurt, niet op het huwelijk rust, dan laat de wederzijdsche liefde, en dientengevolge de godsdienstige opvoeding der kinderen, in den regel veel te wenschen over. De vijand van het menschelijk geslacht, de Satan, voorziet dit zeer goed, hij weet dat een slechte en bedorven boom geene goede vruchten zal voortbrengen, daarom spant hij al z'jn krachten in, om hen vooral te verleiden, die zich tot het huwelijk voorbereiden, en wel op de eerste plaats door het lokaas der zinnelijkheid, overtuigd dat hij hiermede de meeste zielen vangt, opdat ook later de kinderen hem dienen zouden. Door een zondig toegeven op het punt van onzedigheid lijdt gij niet slechts schade aan uwe eigene ziel, maar gij loopt ook groot gevaar uwe kinderen later niet te zullen vrijwaren voor het verderf der wereld, die dan, terwijl zij God niet dienen, uw leven zullen vergallen. Wees verzekerd, jonge dochter, dat gij tijdens uwe verkeering, de hevigste aanvallen tegen de schoone en engelachtige deugd zult te verduren hebben, eene reden te meer om uiterst voorzichtig te zijn, die prachtige en zoo verrukkend schoone lelie niet met voeten te treden. De goede God beware u , een vergankelijk mensch meer dan God te willen behagen. Zou een jongeling beweren, dat hij u bemint, en verzekeren, dat hij u eene oprechte liefde toedraagt, en dat die liefde de eenige oorzaak is van zijne hartstochtelijke wijze van handelen, wees dan overtuigd, dat hij gelijk is aan een roover die, omdat hij u bemint , u van uw geld en gouden siera-
51
(leu wil berooven; immers die jongelinp; zou u den onwaardeerbaren schat der zuiverheid willen ontnemen, een schat grooter dan al het goud der wereld, u van het schoone kleed der onschuld ontdoen, alléén omdat hij u lief heeft; waarlijk zulke liefde verdient den naam van liefde niet. Met recht roept dan ook de H. Hie-ronymus eene jonge dochter toe; «gij zijt om-«hangen met goud, pas op voor de roovers.» Hij, die ten koste van een bitter leven, van een schandelijken en pijnvollcn dood, u met dat schoone kleed versierd, dien onvergelijkelijkeu schat verworven en bewaard heeft. Hij is het die U waarlijk lief heeft. Hem moet gij beminnen, en voor niets ter wereld aan zijne liefde verzaken.
Joab, Davids veldheer, zoo lezen wij in de H. Schrift, (1) ontmoette op zijn weg een anderen bevelhebber van zijn koning met name Amasa. Terwijl hij hem vriendelijk groette, en met zijne rechterhand bij de kin nam, als wilde hij hem een kus des vredes geven, stiet hij hem met zijn zwaard, dat hij verborgen hield, in de zijde en doodde hem. Zoudt gij zulke manier van handelen, vriendschap kunnen noemen? was dat ware liefde, die hij Amasa toedroeg? Hoe valsch! hoe laag! roept gij met verontwaardiging uit. Welnu, indien een jongeling u uitwendig eene zoogenaamde liefde betuigt, en middelerwijl uwe ziel den doodsteek geeft, verraadt dan zulke handelwijze niet eene verachtelijke laagheid, des te verfoeielijker, omdat het hier den dood geldt niet van een vergankelijk lichaam, maar van
\) II Heg. 20. 9. 10.
58
éëne onsterfelijke ziel. Zou een jongeling, die, zooals liij voorgeeft, u oprecht bemint, u blijken willen geven van zijne liefde, waarvan uwe ouders noch anderen getuigen mogen zijn, dan kunt en moet gij niet recht veronderstellen, dat hij een dolk verborgen houdt om uwe ziel te dooden. Duizenden zijn het slachtoffer geworden van zulke valsche liefde. De ware liefde komt van God, en heeft God alléén ten doel. Hij die met deze liefde bezield is, bemint zijn naaste, en ook zeer zeker haar, met wie hij al de dagen zijns levens vereenigd wil leven, maar in God, omdat God het zoo wil. Zulke liefde is duurzaam, omdat ze God tot grondslag heeft. Eene liefde echter, die alleen gegrond is op wat stoffelijk en vergankelijk is, verandert volgens omstandigheden, naar gelang het slachtoffer minder of meer behagelijk schijnt, maar eene zuivere liefde is sterk als de dood. Zijt gij eenmaal door de banden des huwelijks met iemand verbonden. die u zulke reine liefde toedraagt, dan zal zijne liefde tot u niet minder oprecht en teeder zijn, zelfs dan niet, wanneer bij u verdwijnt datgene, wat een aardschgezind en vlee-schelijk mensch alleen behaagt. Gelukkig de jonge dochter, die steeds op hare hoede is om nooit door woorden, blikken of gebaren eene vonk van het onreine vuur der liefde in het hart te werpen van haren aanstaanden echtgenoot, maar die zich zelfs beijvert de zuivere, de eenig duurzame liefde in zijn hart aan te kweeken. Geroepen tot het huwelijk, zal zij, vereenigd door dien sterken liefdeband, vredevolle dagen beleven. Maar het is toch niet te ontkennen, dat eene jonge dochter die Jesus tot
59
haren Bruidegom kiest, of liever die door Jesus tot zijne bruid is uitverkoren, een geluk, een genoegen smaakt, den menschen in de wereld onbekend, mits zij hare verhevene roeping waardig beleve.
HOOFDSTUK VI.
Over den kloosterlij keu staat.
«Al wat in de wereld is,» zegt de H. Evangelist Joannes, «is begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid «der oogen en hoovaardij des «levens,» (1) Eene drievoudige bron, waaruit de wateren des verderfs ontspringen, die zich over de wereld verspreiden, en in hunne onstuimige vaart, duizenden, ja millioenen medeslepen en in den afgrond storten. Zij, die de zinnelijkheid, de hebzucht en den hoogmoed bestrijden, zooals het trouwens een ieders plicht is, ziju gelijk aan hen, die het onkruid afsnijden, zoodra liet zich vertoont, maar zij die de drie geloften in het kloosterlijk loven alleggen, zetten de bijl aan den wortel, niet zóó dat deze sterft, immers de neiging tot het kwaad blijft bestaan zelfs in het hart van eene Gode toegewijde maagd, doch hij wordt gewond op eene wijze dat hij minder levensvocht bevat, om het onkruid te doen ontkiemen. Door de gelofte der zuiverheid legt men do begeerlijkheid des vleesches aan sterke banden, door de gelofte der armoede wordt aan
1) I Joan. 2, 1(5.
60
de begeerlijkheid der oogen liet verlangde onttrokken , door de gelofte der gelioorzaamlieid buigt men voor God zijn boof'd, altijd bereid om den wil van een ander te doen, en de hoovaar-dij wordt geknakt. Zij die in de wereld oen zuiver leven leiden, brengen den Heer hun lichaam ten ofler, zij die den armen van het hunne mededeelen, schenken Gode een gedeelte van hetgeen zij bezitten, zij geven vruchten van den boom, maar door de gelofte der gehoorzaamheid geeft men den boom zeiven, men geeft niet alleen hetgeen men heeft, maar ook hetgeen men is. Eene jonge dochter, die zich door de drie geloften als zoovele zachte, maar sterke banden met den Heer Jesus vereenigt, heeft niets meer te geven, zij is een levend en Gode welgevallig ofl'er. Zulk ofler is Gode zóó aangenaam , dat volgens vele godgeleerden door de drie geloften alle tijdelijke straffen der reeds vergeven zonden worden kwijtgescholden, zoodat de kloosterlijke geloften als met een tweede doopsel vergeleken worden. Na de weldaad der schepping en die der verlossing, is, volgens den H. Alphonsus, voor eene jonge dochter de grootste genade, tot bruid des Heeren geroepen te zijn. De eerbiedwaardige zuster, Maria van de Menschwording genoemd, geraakte op den dag dat zij hare geloften had afgelegd in eene geestverrukking, terwijl God haar de verhevenheid van het kloosterlijk leven deed zien. Tot bewustzijn gekomen, verklaarde zij, dat ze God nooit zulke buitengewone genade had durven vragen, ware het dat zij van te voren de verhevenheid van zulke roeping hadde begrepen. Die jeugdige personen, zegt de H. Alphon-
61
sus, (1) welke aan de wereld verzaken, zich aan .Te-sus Christus opofferen, en .zonder voorbeh»ud aan zijne goddelijke liefde toewijden, vinden het ware geluk, en beleven den verhevensten en gelukkigsten staat. Zij worden op eene gansch bijzondere wijze de bruiden des Heeren. Geen bruidegom zóó schoon, zóó rijk, zóó machtig, zóó goed, zóó teeder als .Tesus, dien zij hebben uitgekozen.
Wat nu de voordeden betreft aan dezen verheven levensstaat verbonden, deze verklaart de H. Bernardus (2) met weinige woorden: Men leeft in dien staat, zegt hij, zuiverder, men valt er zeldzamer, men staat spoediger op, men leeft er omzichtiger, men wordt er meer dooiden dauw der genade besproeid, men rust er veiliger, men sterft er geruster, men wordt er spoediger gezuiverd en overvloediger beloond. Laat ons deze geestelijke voordeden een weinig uiteenzetten, om meer en meer het geluk te beseffen van hen, die, verwijderd van de wereld, den Heer in de stille eenzaamheid zijn toegewijd.
Men leeft er zuiverder. Waarom ? 1° De werken, die men in het klooster verricht, zijn meestal heiliger in zich, staan in nauwer verband met godsdienstige en geestelijke zaken, zij zijn, zegt de H. Alphonsus, in zich beschouwd, zonder twijfel, reiner en Gode aangenamer. De gansche dag wordt besteed aan geestelijke oefeningen, aan het geven van onderwijs of het verplegen van zieken, aan werken Gode hoogst aangenaam, en zeer verdienstelijk in
1) T. 10. p. 11. â 2) Hom. in Matth, c. 13.
G2
zich zeiven. 2quot; Zijn er personen in ile wereld, die zich ook met dergelijke werken onledig houden, dan geschiedt het vaak uit eigenbelang, uit winstbejag of eene zekere ijdelheid. Men kan zoo iets van kloosterlingen niet veronderstellen ; immers men telt er onder hen velen, die aan eene niet geringe fortuin verzaakt en de vrijwillige armoede omhelsd hebben. Zou do eigenliefde ook soms hunne liefdewei'ken voor een gedeelte bederven, men wordt herhaalde malen hieromtrent opmerkzaam gemaakt, zoodat de goede meening gestadig vernieuwd wordt. 3° Eene Jonge dochter, die in de wereld een godvruchtig leven leidt, en niet zelden lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid verricht, alle dagen de kerk bezoekt, veel bidt en dikwijls nadert tot de HH. Sacramenten, doet zulks, omdat zij het wil, terwijl eene kloosterlinge dat alles doet, omdat de gehoorzaamheid of de regels haar daartoe verplichten, met andere woorden, omdat God het verlangt, wiens H. Wil ons door de oversten en -de regels kenbaar wordt gemaakt, zoodat eene ware kloosterlinge steeds zeggen kan, «ik doe altijd hetgeen Gode behagelijk is.» Welk een schat van verdiensten vergadert niet een ware kloosterlinge. De H. Bernardus (1) zegt: ik geloof dat men een persoon in de wereld als een heilige zou vereeren, indien hij het vierde gedeelte deed, van hetgeen een kloosterling doet. Treden jeugdige personen in het klooster, die door hare deugden in de wereld als sterren schitterden, dan ziet men meermalen, zegt de
1) In Psalm. 90.
63
H. Alphonsus, (1) uat die sterren haren glans verliezen, zoodra zij met ijverige kloosterlingen vergeleken worden.
Men valt er zeldzamer. Wanneer men in een klooster treedt, wordt men niet in de genade bevestigd, zelfs dan niet als men zicli onherroepelijk door de drie geloften den Heere heeft toegewijd, ook dan nog is en blijft men steeds een zwak kind van Adam. Ook de duivel heeft het vooral gemunt op hen, die zulken verheven staat beleven; zij zijn, zegt de H. Gre-gorius, zijn uitgezochtste voedsel, zij zijn het mikpunt der helsche aanvallen, maar ondanks de bekoringen, die vaak hevig zijn, zullen zij zeldzamer bezwijken. Waarom? Omdat men tus-schen die gezegende muren niet die struikelblokken aantreft, waaraan zoo vele jeugdige personen in de wereld zich ergeren en die hun tot val verstrekken. 1° Men hoort in de wereld dikwijls valsche stellingen verkondigen, zooals: in de jeugdige jaren moet men zich vermaken, en met de wereld meedoen; men moet aan de jeugd veel toegeven, en vele andere dwaze gezegden , verleidelijk voor een jeugdig hart. In het klooster echter worden ons aanhoudend reine en heilige beginselen ingeprent, die ons hart ten goede stemmen. 2° Van gevaarvolle vermakelijkheden, die voor vele jonge dochters eene gelegenheid zijn tot zonden, kan in het kloosterlijk leven geen sprake zijn. 3° Het slechte voorbeeld maakt op een jeugdig hart een verder-felijken indruk. Ter oorzake van de ontstichting, die in de wereld door velen gegeven wordt.
1) T. 10. p, 31.
64
verliezen vele jonge dochters hare onschuld, terwijl in het klooster het stichtende voorbeeld van velen, eene jonge dochter tot deugd en heiligheid aanspoort.
Men staat spoedige.r op. Zou eene Gode toegewijde maagd, eene bruid des Heeren onder de hevigheid der bekoring bezwijken, en zoo iets kan gebeuren, dan zal ze in den regel weer spoedig uit den staat van zonde opstaan, om met verdubbelden moed den strijd voort te zetten. Want 1° elke week moet zij hare biecht spreken, zooals de regels zulks voorschrijven, terwijl eene jonge dochter in de wereld hiertoe niet verplicht is, en niet zelden stelt zij hare biecht uit, omdat ze gevallen is, de vrees bevangt haar, en de duivel houdt haar van de biecht terug, middelerwijl hij haar tot een tweede en derde zonde aanspoort. 2° In de stille eenzaamheid, vooral als men zich met eene geestelijke lezing of het gebed onledig houdt, is men der knaging des gewetens ter prooi, welke stem men in de wereld door afleiding en allerlei vermakelijkheden tracht te sussen. 3° Zou eene jonge dochter in de wereld, die elke maand gaat biechten, in eene zware zonde gevallen zijn, en er aan denken hare biecht vóór dien tijd te spreken, dan durft zij uit menschelijk opzicht haren gewonen tijd van biechten vaak niet vervroegen uit vrees van in het oog te loopen, en voor eene overgodvruchtige te worden aangezien, doch daar in het klooster de wekelijksche biecht in gebruik is, kan men zich er niet aan onttrekken zonder te worden opgemerkt.
Men leeft er omzichtiger. Als er sprake is van zijne or,*'.erfelijke ziel te winnen of te ver-
65
liezen, kan men geene voorzorg genoeg gebrili-ken. Velen leven in de wereld zorgeloos voort, ofschoon alles wat men ziet, en alles wat men hoort, vaak aanleiding geeft tot bekoring. Valt men in zonde, wie is er dan die den gevallene de hand reikt om op te staan? Zóó velen vallen er, dat men nauwelijks er op let, eenieder gaat zijn eigen gang. En zou men ook soms genegen zijn, den gevallene te helpen, dan ontbreekt het nog vaak aan moed, om iemand vrijmoedig de waarheid te zeggen. In het klooster bevindt men zich 1° als in eene sterke vesting, de regels zijn als zoovele bolwerken die ons tegen de vijanden beschutten, en toch wandelt men in die geestelijke vesting met alle omzichtigheid. 1quot; De oversten houden steeds een waakzaam oog op hare onderdanen gevestigd, en 3° men wordt er met de grootste bezorgdheid, met de tee-derste liefde, en de zachtste strengheid tevens gewaarschuwd tegen kleine fouten, die men in de wereld niet telt, en die toch noodlottige gevolgen kunnen hebben.
Men wordt er door den dauw der genade meer overvloedig besproeid. De jonge dochters in de wereld, zegt de H. Alphonsus, (1) zijn als zoo vele planten in eene dorre aarde, die door den hemelschen dauw der genade slechts met eene kleine hoeveelheid besproeid worden, en dit geschiedt nog zelden, omdat men er de middelen niet gebruikt, en dikwijls niet gebruiken kan, die zulken hemelschen en verkwikken-den dauw op ons doen nederdalen. Men ontvangt er minder den Gever aller genaden in zijn Sa-
1) T. 10. p. 30. JONGE DOCUTEH.
66
crament van liefde, liet inwendig gebed behoort er tot de zeldzaamheden, en voor de geestelijke lezing heeft men geen tijd of lust. Heeft echter eene0jonge dochter zich aan de wereld onttrokken, om Jesus tot Bruidegom te kiezen, dan wordt zij overvloedig met den dauw der genade besproeid, want 1° zy vereenigt zich meermalen in de Week op de innigst mogelijke wijze met haren God in de H. Communie, 2° eiken dag onderhoudt zij zich, minstens een half uur met haren goddelyken Bruidegom in de overweging of het inwendige gebed, zonder te spreken van die korte en vurige verzuchtingen gedurende hare werkzaamheden nu en dan tot God gericht, en 3° bet dagelijks lezen of hooren lezen van o-odsdienstige boeken, of van de levens der hei-figen, maakt haar hart vatbaarder voor de indrukken der genade.
Men rust er veiliger. Waarom? 1° De personen in de wereld zijn gelijk aan hen, die dobberen op de onstuimige baren der zee, zij worden heen en weer geslingerd, en aan rusten valt niet te denken, terwijl eene kloosterlinge als in eene haven de stille rust geniet. 2° ïn de wereld is eene jonge dochter doorgaans der hartstochten, zooals hebzucht, ijdelheid, zinnelijkheid, meer prijsgegeven, zij is als iemand die eene dorre woestenij doortrekt, aan de brandende zonnestralen blootgesteld; terwijl eene bruid des Heeren veilig rust onder de schaduwe des kruises. 3° In de wereld leeft men in voortdurende bekommernissen; nu eens wat de stoffelijke welvaart betreft, of deze of gene onderneming zal gelukken, of men zijn stand op den duur zal kunnen ophouden, dan weder
6?
baart de opvoeding en de plaatsing der kinderen veel zorg, en niet zelden komen verschillen tussclien vrienden en aan- ot' bloedverwanten den vrede storen. In liet klooster leeft eene jonge dochter verwijderd van liet gewoel der wereld, zij werpt haren kommer op den Heer, en Hij zal voor haar zorgen, en in het benoo-digde voorzien, en zoo leven de kloostervrouwen schier zonder zorg, terwijl zij, na eene zuster te hebben verlaten, er vele andere wedervinden, door den innigsten band der ware liefde vereenigd.
Men sterft er geruster. Drie zaken, zegt de H. Alphonsus, verontrusten den mensch in zijn sterfuur: de gehechtheid aan het aardsclie, de knaging des gewetens, en de vrees voor Gods oordeel. Niets van dit alles komt in de laatste oogenblikken des levens de kalmte, de rust van eene ware bruid des Heeren storen. 1° Wat het vertrek uit deze wereld betreft, het valt eene kloosterlinge niet zwaar aan de tijdelijke goederen en de wereldsche vermaken voor eeuwig vaarwel te zeggen, zij heeft ze reeds met eene groote edelmoedigheid onder de voeten getreden, haar hart is er niet meer aan gehecht. Reeds !ang hadden ze voor haar alle aantrekkelijkheid verloren. Liever was zij de geringste in het huis van haren God, dan te wonen in de ten-ion der goddeloozen. 2° De zonden, in de wereld misschien gepleegd, zijn eene ware bruid des Heeren reeds lang vergeven, en voor de dage-lijksche zonden, welke zij nu en dan zou plegen, â doet zij aanhoudend boete, door de kloostertucht te onderhouden. Zij herinnert zich de woorden van den H. Bernardus, sprekende van een kloosterling; «zelden of nooit zal een kloos-
68
«tei'ling die sterft van zijne cel in de liel neder-«dalen, want hoogst zelden zal iemand tot den «dood in zijne cel volharden, tenzij hij tot den «hemel is voorbestemd.» (1) De godvruchtige en geleerde Suarez van de Sociëteit van Jesus, zich op zijn sterfbed herinnerende, dat hij alles wat hij in het klooster gedaan had, uit gehoorzaamheid had verricht, zeide : ik had mij nooit kunnen verbeelden, dat het zóó zoet en aangenaam is te sterven. En hoe zou 3° eene ware bruid des Heeren Gods oordeel vreezen ? Immers zij gaat tot haren goddelijken Bruidegom, Hem heeft zij haar hart geschonken, en uit liefde tot Hem aan alles verzaakt, waarom zou ze dan vreezen tot Hem te komen, die haar roept om gekroond te worden? Heeft dan de Heer â lesus niet het eeuwige leven beloofd aan allen die ter zijner liefde de wereld, hunne goederen, hunne aan- en bloedverwanten zullen verlaten hebben? God kan niet liegen, en wat zou dan eene ware kloosterlinge kunnen verhinderen, om aan die woorden van een God geloof te slaan? Sterft er ooit iemand gerust, dan is het zeker eene ware bruid des Heeren, en zou ze nog niet geheel en al aan Gods rechtvaardigheid voldaan hebben, dan wordt liet woord des H. Bernardus bewaarheid dat ze spoediger dan anderen het vagevuur zal verlaten.
Men wordt er spoediger gezuiverd. In het algemeen gesproken, maakt men in de wereld er niet veel werk van om aflaten te verdienen, en onder hen, die het voorgeschrevene verrichten om er deelachtig aan te worden, zijn er velen
1) De vita sol. c. 4.
G9
die de kwijtschelding der tijdelijke straffen niet erlangen, welke zij door hunne kleinere zonden verdiend hebben, omdat er eene gehechtheid aan die fouten blijft bestaan. Sterft ecne jonge dochter in de wereld, dan wordt er, als de tranen zijn opgedroogd, hoogstens door de naaste aan- en bloedverwanten, voor de rust harer ziel gebeden, en onder dezen zijn er wellicht eenigen, wier gebed in vurigheid nog al te wenschen overlaat, maar al te dikwijls is op hen het oude spreekwoord toepasselijk: «uit «het oog, uit het hart.» Het zou dus geen wonder zijn, als die ziel een geruimen tijd in het vagevuur moet verblijven. Eene kloosterlinge echter, zegt de H. Alphonsus, (1) zal niet lang in die zuiveringsplaats gelouterd worden: 1° omdat volgens den H. Thomas, (2) tot voldoening van alle zonden het genoeg is, dat iemand zich door zijne intrede in het klooster geheel en al aan den dienst des Heeren toewijdt; dit overtreft elke soort van genoegdoening. Derhalve heeft ze reeds voor alle vroegere zonden voldaan. 2° Omdat ze ook eiken dag boete doet door het onderhouden van do regels van haar klooster, en meer aflaten kan verdienen, waarop zij èn door hare oversten, èn door ingeving in het gebed opmerkzaam wordt gemaakt, fiquot; Omdat, zooals de H. Alphonsus zegt, de menigvuldige HH. Missen, die voor hare ziel worden opgedragen, de gebeden der gemeente, en die van hare zusters in het bijzonder, haar weldra van die pijnen zullen verlossen. Daarna zal dan hare belooning groot zijn.
1) T. 10. p. 46, â 2) 2. 2. qu. 189. a. 3.
70
Men wordt er overvloediger beloond. Dat zij die uit liefde tot God alles verlaten, den hemel tot loon ontvangen, heeft Josus Christus in zijn II. Evangelie beloofd. Dit is eene onloochenbare waarheid. Dat onder de meer dan zestig personen, die in de 17c eeuw door de H. Kerk in de rij der heiligen of gelukzaligen zijn opgenomen, er zich slechts vijf of zes bevonden, die niet tot deze of gene kloosterorde behoorden, is een bewezen feit. (1) Dat het grootste gedeelte van de tronen der Seraphijnen, die de rampzalige aanhangers van Lucifer hebben moeten verlaten, door personen in het kloosterleven geheiligd, zullen worden bezet, houdt de H. Alphonsus voor zeker. Hieruit kan men reeds aileiden, dat ile belooning voor de ware kloosterlingen weggelegd zeer groot zal zijn in den hemel. Want 1° zij hebben alles verlaten, aan God niet slechts gegeven wat zij hadden, maar ook wat zij waren , hunne goederen en zich zeiven. «Is het «zeer verdienstelijk den marteldood voor het «geloof te sterven, het kloosterlijk leven,» zegt de 11. Alphonsus, (2) «schijnt nog iets verheve-«ner te zijn. De martelaar lijdt de folteringen «om zijne ziel niet te verliezen, maar de kloos-«terlinge verduurt ze om zich Gode aangenamer «te maken, zoodat, indien de eerste een marte-«laar is van het geloof, zij eene martelares is «der volmaking.» '2quot; Verricht men in de wereld godsdienstige en liefdewerken, dan gebeurt zulks slechts nu en dan, uit hoofde van andere menigvuldige bezigheden; maar eene kloosterlinge houdt zich voortdurend onledig met het
1) Cl. H. Alpli. T. 10. p. 28. â 2) Ibid. p. 47.
71
gebed, of met geestelijke of'lichamelijke werken van barmhartigheid. 3° De verstervingen, de gebeden en andere goede werken, die eene kloosterlinge beoefent, hebben, zooals de H, Alphonsus zegt, eene veel grootere verdienste, omdat ze geschieden uit gehoorzaamheid, en om de geloften na te komen, die men heeft afgelegd.
Gelukkig, driewerf gelukkig de jonge dochter die door God tot zijne bruid wordt uitgekozen, en zich steeds als zoodanig gedraagt! Zij ontvangt in deze wereld het honderdvoudige, en na dit kortstondige leven, niet slechts den hemel tot loon, maar ook eene verhevene plaats in het hemelsch rijk van haren goddelijken Bruidegom. Van daar dat eene ware kloosterlinge steeds een genoegelijk leven leidt op aarde, terwijl zij reeds eenen voorsmaak geniet van de eeuwige vreugde, die weldra haar deel zal zijn. Er zijn dan ook verscheidene jonge dochters in de wereld, die volgaarne zulken gelukkigen levensstaat willen omhelzen, maar zij mogen niet uit het oog verliezen, wat van eene jonge dochter, die in een klooster wil treden, gevorderd wordt. Zij moet 1° eenige kennis hebben van het kloosterlijk leven, 2° zich zelve eenigszins beproeven, en 3° met eene zuivere meening bezield zijn.
§ !â¢
Zij moet eenige kennis hebben van het kloosterlijk leven.
Treedt eene jonge dochter in het huwelijk, dan zal zij uiterst zeldzaam den man verlaten en naar het ouderlijk huis terugkeeren, want zoo iets mag niet tenzij om hoogst gewichtige
72
redenen gebeuren, en dan nog wordt hiertoe de goedkeuring van de kerkelijke overheid immer vereischt, terwijl de band des huwelijks blijft beslaan. Deze kan door geen mensch op aarde worden verbroken. Treedt echter eene jonge dochter in het klooster, dan gebeurt het niet zelden, dat zij, na een betrekkelijk korten tijd weder huiswaarts keert. Immers men treft vele jonge dochters aan in de wereld, vroeger door haar verlaten om zich den Heer toe te wijden. De vreeze van zulk voorbeeld te volgen houdt menige jonge dochter terug dien zoo verheven staat des levens te aanvaarden. De vrees alléén van later in de wereld terug te keeren en dooide wereld bespot te worden, doet eenige jonge dochters voor het klooster terugdeinzen, waarin zij een genoegelijk en gelukkig leven zouden slijten, als door God tot dien verheven staat geroepen. De vrees alléén van het in een klooster niet te zullen uithouden, mag geen voldoende reden zijn om in de wereld te blijven; anders zou ik ook tot eene jonge dochter kunnen zeggen, gij moet nooit trouwen, want wie verzekert u dat gij het leven bij zulken man zult kunnen volhouden. Even gelijk God wilde, dat Abraham zijn huis verlaten, zich naar den berg begeven, maar niet dat hij in werkelijkheid daar ter plaatse zijn zoon slachtofferen zou, zoo gebeurt liet ook dat God wel verlangt, dat eene jonge dochter haar ouderlijk huis verlate, zich naar dat des Heeren bcgeve, maar niet dat zij zich onherroepelijk den Heere wijde. God stelt zich in zulk geval met haren goeden wil tevreden, en na eenmaal de proeve te hebben genomen, wordt zij van de gedachte aan het klooster be-
73
vrijd, gedachte, die haar vroeger zóó zeer kwelde, dat zij seliier onbekwaam was hare liuiselijke bezigheden te verrichten. In alle geval is het toch beter eene gewezen kloosterlinge, dan eene gescheiden huisvrouw te zijn, deze is en blijft gebonden, gene (is en blijft volkomen vrij. Verlaten eenigen het klooster tijdens den proeftijd, omdat zij aan de bekoring Satans gehoor geven, en zich zei ven niet overwinnen, anderen verlaten het ook, omdat zij een gansch verkeerd denkbeeld van het kloosterleven hadden opgevat, dan het in werkelijkheid is.
Het kloosterlijk leven is wel een heilige en gelukkige staat, maar men moet er zich vele oilers getroosten. Het is, zegt Thomas van Kempen , (Ij geene kleine zaak in een klooster of in eene Congregatie te wonen, daar zóó te leven, dat niemand over u klage, en tot den dood toe daarin getrouw te volharden. En waarom is het geene kleinigheid om daar in vrede te leven ? Men moet er zich aanhoudend inwendig en uitwendig versterven. De volkomen onderdrukking-der hartstochten is een noodzakelijk vereischte voor eene goede kloosterlinge. Wie er iets anders zoekt dan God alléén en hare eeuwige zaligheid, zal er slechts kwellingen en droefheid vinden. Niemand kan lang in eene Congregatie in vrede leven, die zich niet beijvert (laar de minste en aan allen onderworpen te zijn. Gij zijt, zoo gaat de schrijver van de navolging van Christus voort, gekomen om te dienen, niet om te gebieden. Weet, dat gij geroepen zijt om te lijden en te werken, niet om in ledigheid en
1) le Boek. hoofdst, 17.
74
uuttelooze gesprekken uw tijd te slijten. Men wordt er beproefd en gelouterd, gelijk het goud in den oven. Men kan er niet standvastig blijven, tenzij men ter liefde Gods zich zelve van ganscher harte vernedere. Liever dit dan dat te doen kan daar niet bestaan, men muet zich eenvoudig, met eerbied en ootmoed aan iedere Overste onderwerpen, wie zij ook moge zijn, en wat zij ook gebiede of verbiede, mits het geene zonde zij. Den eigen wil moet men in de wereld laten, om alléén den wil van een ander te doen. Men moet kunnen besluiten, het juk der gehoorzaamheid, wel zoet en aangenaam, maar toch altijd een juk, met nederigheid te dragen. Wordt ons iets bevolen wat niet moeilijk is en met onze neiging overeenstemt, dan wordt men dat juk niet gewaar, maar zoodra het bevel in strijd is met onze bedorven natuur, dan drukt dat juk op onze schouderen. Heeft men derhalve geen onwrikbaar voornemen in alles zijn eigen wil te verzaken, dan kan men in het klooster niet gelukkig leven.
Zich nu en dan eens in kleine zaken te versterven, het stilzwijgen op tijden en plaatsen te bewaren, op het eerste teeken der klok te gehoorzamen, schijnt eenigen niet zwaar, maar vergeet niet, jonge dochter, dat men zich aanhoudend zulke kleine oders getroosten moet, de eene dag gelijkt den andere, de regels van het kloosterleven blijven dezelfde, niet de ondergeschikte bedieningen, die men moet waarnemen; nu eens wordt u deze ontnomen, dan weder eene andere opgelegd zonder uwe neiging of uw verlangen te raadplegen, soms moet men zich eene bediening getroosten, waarin men alles
75
behalve eetie natuurlijke voldoening vindt. Ook is het geene kleinigheid altijd vriendschappelijk met uwe zusters om te gaan. Zijn ze het eens met u, stemt haar karakter met het uwe overeen, dan is zulks gemakkelijk, zelfs aangenaam; maar onder zoovelen zijn er ook, wier inborst u niet bevalt, en van welke gij natuurlijker wijze eene zekere afgekeerdheid gevoelt. Zulk gevoel is vaak onafhankelijk van uwen wil, maar men moet het onderdrukken en zich jegens allen even vriendelijk, voorkomend en hartelijk gedragen. Waar geene onderlinge liefde heerscht, kan men niet gelukkig leven. In den regel zijn de zusters door den band van liefde innig vereenigd, maar hiertoe wordt deugd vereischt.
Zoudt gij dan meenen, jonge dochter, tot het kloosterlijk leven geroepen te zijn, u bereid gevoelen alles en allen, uwe ouders, bloed- én aanverwanten uit liefde tot God te verlaten, en werkelijk besloten hebben dien gewichtigen stap te doen, niet om na eenigen tijd weer huiswaarts te keeren, maar om er uwe overige levensdagen genoegelijk en verdienstelijk in den dienst des Heeren door te brengen, dan zijt gij eene door God bevoorrechte persoon, en gij doet de keuze van den verhevensten staat des levens. Maar vergeet niet bij uw vertrek uit het ouderlijk huis uwen eigen wil daar te laten, om voortaan den wil van uwe Overste te doen, die u in de plaats van God besturen zal. Uwe vrijheid moet gij ten ofl'er brengen, minstens vast kunnen besluiten in alles, wat niet duidelijk eene zonde is, kinderlijk te gehoorzamen. Gij behoeft niet volmaakt te zijn, men gaat naar het klooster om er volmaakt te worden, om naar de vol-
76
rnaaktheid te streven, maar dat is niet mogelijk zonder aan- uwen eigen wil te verzaken. Denk er ook aan vóór uw vertrek, dat gij u moet weten te voegen naar de verschillende karakters van uwe medezusters; niet zij moeten zich voor u, maar gij moet u voor haar buigen. Wees voorkomend jegens allen, en met allen zult gij in vrede leven, zij ook zullen zich wederkeeng vriendelijk en liefdevol jegens u gedragen.
De redenen, waarom er velen vóór de gelotten huiswaarts keeren of weggezonden worden, zijn onder anderen de volgende: lquot; Het kan gebeuren, dat, zooals het uit alle omstandigheden blijkt, de goede God niet wil, dat haar oiler in werkelijkheid volbracht worde, in dit geval stelt Hij zich met haren goeden wil tevreden, en neemt dezen aan voor de daad. Dit is echter een zeldzaam geval, en men moet het zien niet verbeelden, alleen omdat men eemge moeilijkheid in het onderhouden der regels ondervindt. 2° Iemand die zich niet, of althans met weerzin onderwerpt aan de bevelen der Oversten en de voorschriften van de kloosterlijke tucht, kan onmogelijk tot de geloften worden toegelaten, en binnen een meer of minder De-perkten tijd verlaat zij het klooster. 3° Als iemand zich niet weet te voegen naar de inborst van anderen, altijd hare manier van zien wil doordrijven, nu dit dan dat van haie Overste of van hare medezusters weet af te keuren, in -één woord haar lastig karakter niet verandert, dan verveelt het haar langer te blijven of de Overste kan haar niet langer houden. 4» Ook kan het gebeuren dat iemand wordt weggezonden, om hare onoprechtheid; zij heeft
11
zaken geheim geliouilen die zij had moeten openbaren, bijv. lichaamsgebrekfin,, die haar voor liet kloosterlijk leven ongeschikt maken, dat zij reeds in een ander klooster geweest is, of wel andere omstandigheden om welke, waren zij te voren geopenbaard, men haar den toegang tot het klooster zou geweigerd hebben. Vooraleer gij dan, jonge dochter, de wereld verlaat om u in do stille eenzaamheid te willen heiligen , is het wel noodig dat gij minstens eenigszins het kloosterlijk leven kent, alles met allen ernst overweegt, en u zelve eenigermate beproeft.
§ II
Zich zelve van te voren eenigszins beproeven,
David zegevierde als jongeling in zijn strijd tegen Goliath, een sterken reus, èn omdat hij op God vertrouwde, èn omdat hij zich geoefend had in het werpen van steenen door middel van een slinger. Van dit wapen bediende hij zich met het beste gevolg, en hij behaalde, ofschoon nog een jeugdige knaap, eene roemvolle overwinning. Hadde David zich niet reeds van te voren geoefend, dan ware het van zijnen kant zeer gewaagd om niet te zeggen roekeloos geweest zich met dien reus te meten. Hebt gij, jonge dochter, het klooster als eene strijdplaats uitgekozen, en wilt gij daar, in uwen betrekkelijk jeugdigen leeftijd, met goed gevolg strijden tegen de oude en helsche slang, dan moet gij zeer zeker op God vertrouwen wien alleen alle eer der overwinning toekomt, maar u ook oefenen
*78
in liet strijden, en u de wapélieh trachten gewoon te maken.
«Een man die gehoorzaamt,» zegt de H. Geest, «zal van zegepralen spreken.» (1) De gehoorzaamheid, rnoet de eerste en de voornaamste om niet te zeggen de eenigste deugd zijn van eene ware kloosterlinge. Door deze deugd drukt ze de voetstappen van haren god-delijken Bruidegom, die gehoorzaam is geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises. Hij zal haar over alle aanvallen harer vijanden doen zegevieren. Roept God eene jonge dochter tot zijne bruid, dan zal de duivel niet nalaten haar tot trouweloosheid aan te sporen, nu eens zal hij haar met woede aanvallen, dan weder op de sluwste wijze strikken spannen. Is zij gehoorzaam, zonder te redeneeren, dan zal God haar leiden, en tegen alle beproevingen verdedigen. Om echter eene gehoorzame kloosterlinge te worden, moet eene jonge dochter in de wereld zich op eene meer bijzondere wijze op de deugd van gehoorzaamheid toeleggen. Hoe zal zij zich in het klooster aan hare Overste en aan alles, wat de regels voorschrijven, kunnen onderwerpen, die de bevelen harer ouders zoo vaak weerstreeft, die in alles gewoon is haren eigen zin te volgen, en niet zelden haren biechtvader de verschuldigde gehoorzaamheid weigert, of althans, niet dan met weerzin zich naar zijne voorschriften voegt? Vandaar dat eene Overste in den regel er meer bezwaren in ziet iemand in haar klooster op te nemen, die een onafhankelijk leven in de
1) Prov. 21, 2R.
79
wereld leidt, dan eene andere die steeds onder de gehoorzaamheid heeft gestaan. Maak derhalve, jonge dochter, vóór uwe intrede, u reeds gewoon naar allen stipt te luisteren, die eenig gezag over u uitoefenen, zooals ouders, oversten en biechtvader, opdat gij niet later het juk der gehoorzaamheid, hoe zoet overigens ook, moede van uwe schouderen schudt.
Heeft de Zaligmaker vooraleer flij zijne leerlingen ging verlaten, hen met nadruk bevolen dat zij elkander zouden liefhebben, noemde Hij dat gebod, zijn gebod bij uitstek, brachten de eerste Christenen dat woord des Heeren indachtig, het in beoefening op eene wijze, dat zij als één hart één wil hadden, dan begrijpt men al licht, dat in de kloosters, waar men den vurigen ijver, en den liefdevollen omgang der eerste Christenen, die een gemeenschappelijk leven leidden, tracht na te volgen, zoo niet te overtreffen, eene ware en oprechte onderlinge liefde moet heerschen. Ware dit het geval niet, dan zou het zoete juk des Heeren, dat zoo zacht op de schouderen zijner bruiden drukt, schier ondragelijk worden, en daarom wordt zulke wederzijdsche liefde als eene hoofdzaak beschouwd; en zij wordt in een klooster niet opgenomen, en zeker niet tot de geloften toegelaten, dié, op welke wijze ook, de liefde en de eensgezindheid voortdurend storen zou. Ik zeg voortdurend, immers de bruiden des Heeren blijven altijd menschen, en het kan niet anders, of de liefde wordt wel eens in kleine zaken gekwetst, maar men weet zich te vernederen, en de liefde wordt ras nog hartelijker dan te voren. Eene groote en oprechte liefde tot den naaste
80
is alzoo voor ecne jonge dochter die naar eeil klooster wil gaan een noodzakelijk vereischte om er te volharden en er gelukkige dagen te slijten. Leg u dan vooral toe op de liefde tot den naaste, verdraag met gelatenheid de fouten en het lastig karakter van haar, met wie gij moet omgaan, bejegen haar nooit met harde en ruwe woorden, opdat u later als aan eene rustverstoorster het klooster niet worde ontzegd, maar gij veeleer door uw zacht karakter en uw liefdevolle bejegening aldaar het geluk uwer medezusters moogt vergrooten.
Als bruid des Heeren moet met» streven naaide volmaaktheid ; deze nu is gelijk aan een berg, dien men niet dan met moeite beklimt. Eene kloosterlinge is de bruid van een gekruisten God, maar onder een hoofd gekroond met doornen passen geene teêre en gevoelige ledematen. Eene bruid des Heeren moet een levend en Gode welgevallig offer zijn. Zonder de in- en uitwendige versterving kan men wel den naam dragen van bruid, maar dien niet waardig dragen. Daarom is het te vreezen, dat eene jonge dochter, die zich tot op hare intrede in het klooster in- noch uitwendig versterft, tenzij hoogst zelden, niet lang zal verblijven in het midden van vrome zusters. Zich altijd te overwinnen, zich dagelijks kleine oilers te getroosten valt haar zwaar, maakt haar neerslachtig; zóó kan ik het niet uithouden, denkt zij, en dan is het beter in tijds het klooster te verlaten en zij gaat heen. Denk daarom niet, dat men u in het klooster groote en buitengewone verstervingen zal opleggen, maar het kloosterlijk leven O]) zich ïelven is reeds eene aanhoudende
81
verloochening van den ouden mensch. Zij, die zich in de wereld reeds eenigermate in de versterving heeft geoefend, vooral in het verdragen van vernederingen en het verlichten van vernederende werkzaamheden, vindt het kloosterlijk leven betrekkelijk zoo zwaar niet, en weet zich die kleine verstervingen nog al te getroosten. Zij echter, die vóór hare intrede in het klooster zich schier in niets weet te versterven, en den moed niet heeft om eene opmerking of berisping met liefde aan te nemen, zal in het proefjaar met vele moeilijkheden te kampen hebben , en voor hare volharding bestaat er groot gevaar.
De gehoorzaamheid, de liefde tot den naaste, de in- en uitwendige versterving en de nederigheid zijn deugden, die eene jonge dochter, als zij voornemens is naar een klooster te gaan, ik zeg niet, moet bezitten, immers volmaakt behoeft ze niet te zijn, maar waarop het noo-dig is, dat zij zich toelegge, met den vasten wil ze steeds in beoefening te brengen. Met zulk besluit verlate zij edelmoedig de wereld in hot zoete vooruitzicht, ondersteund door de genade, eene ware Bruid des Heeren te worden. Hem geheel en al behooren, voor Hem alléén te leven moet dan haar eenig streven wezen.
§ UI.
Zij moet met eene zuivere meening bezield zijn.
Groot is de belofte door den Zaligmaker gedaan aan allen, die om zijnent wil, bloed- en aanverwanten, aardsche goederen, in één woord
ö
82
de wereld verlaten. Al wie uit liefde tot Hem zich dergelijke oilers getroost, zal niet slechts het eeuwige leven erlangen, maar daarvoor reeds in dit leven overvloedig beloond worden. Aan hot noodzakelijke zal het eone ware bruid des Heeren nooit ontbreken. Haar goddelijke Bruidegom, wien hemel en aarde toebehooren, is rijk genoeg om haai- ruimschoots van kleeding eu voedsel te voorzien. Toen de H. Al-phonsus, arm geworden uit liefde tot Jesus, geen brood had om te eten, klopte hij aan het tabernakel, en aanstonds werd hij op wondervolle wijze geholpen. Ontslagen te zijn van tijdelijke zorg en tevens geen gebrek behoeven te lijden, zou voor deze of gene misschien eene beweegreden kunnen zijn, de wereld te verlaten; dan, uw inzicht, jonge dochter, moet bij uwe intrede in het klooster veel verhevener zijn. Geen aardsche bedoeling, geen tijdelijk voordeel, mag de drijfveer zijn van uwe keuze. Zij, die naar een klooster zou gaan, alléén met het doel om voor haar volgend leven een goed onderkomen en eene liefdevolle verzorging te vinden, zal in alles niet uit het geloof, maar uit menschelijke beweegreden handelen, hare Overste vaak meer dan Gode zoeken te behagen , en daar zij den waren geest eener kloosterlinge mist, vóór het einde van het proefjaar reeds vertrekken of weggezonden worden. Zij verlaat de wereld niet ter liefde van God, maar om haar tijdelijk belang. Evenzeer loopt zij gevaar om niet te zullen volharden, die de wereld verlaat, omdat zij door de wereld nagenoeg verlaten is, en voor haar weinig vooruitzicht bestaat op eene goede betrekking of een voordeelig en
83
/
mot haren stand overeenkomend Imwelijk. Met meer grond kan men de volharding verwachten van haar, die in een betrekkelijk jeugdigen leeftijd, ondanks een huwelijksaanzoek van velen, de wereld verlaat, die haar zoekt en eene schoone toekomst voor oogen houdt; want men kan en moet veronderstellen dat zij aan dat alles verzaakt uit liefde tot God, en Om hare zaligheid beter te kunnen bewerken.
Gebeurt het, dat eene jonge dochter zich naar een klooster begeeft, waarin eene vriendin zich bevindt die zij eene bijzondere genegenheid toedraagt, dan kan men hieruit niet afleiden, dat zij geene roeping heeft tot het kloosterlijk leven, maar is het gezelschap van die persoon zoo niet de eenige dan toch de voornaamste reden van hare intrede, dan is het te vreezen dat zij weldra weder in de wereld zal terug-keeren; immers haar doel is niet zuiver, zij zoekt het schepsel, niet den Schepper; niet God maar zich zelve. Hetzelfde is te vreezen voor haar, die overigens godvruchtig in de wereld leven, zich nergens liever dan in de kerk bevinden, uren lang kunnen bidden, maar hare huiselijke bezigheden verwaarloozen. Om nu dien inwendigen troost meer overvloedig te kunnen genieten, zonderen zij zich van de wereld af en aanvaarden het kloosterlijk leven, met de gedachte in de eenzaamheid zich naar hartelust met het in- en uitwendig gebed onledig te houden. Zij vergeten echter, dat in een klooster moet gewerkt worden, en soms veel. Daar zij nu in liet klooster niet eiken dag vinden hetgeen zij zochten, en zich in hare verwachting zien te leur gesteld, kunnen zij zicli moeilijk
84
aan do kloostertucht onderwerpen, geven aan hare godvruchtige oefeningen de voorkeur boven die, welke door de regels zijn voorgeschreven, en weldra keeren zij huiswaarts.
Het doel, jonge dochter, van uwe intrede in het klooster mag niet menschelijk of natuurlijk zijn. De beweegredenen moeten bovennatuurlijk wezen , aan het geloof ontleend. Zoudt gij de wereld, waar zoo vele zonden gepleegd worden, willen ontvluchten om met den stroom eener bedorven wereld niet te worden medegeslecpt, om er geen schipbreuk te lijden, zooals dit helaas! met vele meisjes het geval is; zoudt gij u te zwak gevoelen om den stormen, die in de wereld woeden, weerstand te bieden, en daarom naar het klooster, als naai' eene veilige haven, willen heensnellen, dan is uwe meening zuiver, en gij zult er vinden hetgeen gij zoekt; rustig en kalm is het in die haven, en slechts een stap is er noodig om in het land dér levenden behouden aan te komen. Als het de eeuwige zaligheid geldt, dan kan men geene voorzorg genoeg gebruiken; zoudt gij om die meer en meer te verzekeren de wereld willen verlaten, dan zult gij met betrekkelijk weinig moeite uw doel, dat zoo heilig is, bereiken. Sommigen hebben zulke vurige liefde tot God, dat zij ter zijner liefde zich gaarne de grootste offers getroosten, en daar het offer van zich zeiven wel het grootste is, brengen zij liet volgaarne. Zoudt gij met zulke liefde bezield, u-geheel en al zonder eenig voorbehoud dengenen willen opofferen, die ter liefde van u zich zeiven aan het kruis geofferd heeft, laat u dan met drie geestelijke spijkers, dat is, de drie geloften aan het
85
liout des kruises vastnagelen; eu als de vijanden des kruises u toeroepen «kom af van het «kruis,» dan zal de liefde, die sterk is als de dood, u aan dat kruis doen leven, om op liet voorbeeld van Jesus er aan te sterven.
Zoudt gij derhalve, na het kloosterlijk leven overwogen, u zelve eenigermate beproefd en eene zuivere meening gemaakt te hebben, aan de wereld met hare vergankelijke goederen en vermaken willen verzaken, om eene ware bruid des Heeren te worden, treed dan, edelmoedige jonge dochter, in den naam des [leeren het klooster binnen, daar zult gij het honderdvoudige ontvangen, ondervinden hoe zoet de Heer is, en Gods vrede smaken die alle begrip te boven gaat, (1) met het zoete vooruitzicht, volgens de goddelijke belofte het eeuwige leven te erlangen. Zoudt gij echter niet kunnen besluiten de wereld te verlaten , maar in de wereld een deugdzaam leven willen leiden, niet in den huwelijken maar maagdelijken staat, gelieve dan verder te lezen, hetgeen over dezen staat zal worden verhandeld in het volgend hoofdstuk.
HOOFDSTUK VII.
Over den maagdelijken staat.
Meer dan eens heb ik eene jonge dochter hooren zeggen; trouwen of naar een klooster gaan, want ongehuwd in de wereld blijven
(-1) Philip, 4. 7.
86
leven, is geen levensstaat. Het is waar, dat er duizenden en nogmaals duizenden sterven, zonder ooit een levensstaat te hebben aanvaard. Immers velen worden door den dood verrascht vooraleer zij een staat des levens hebben uitgekozen. Maar niet alle ongehuwden, die in de wereld sterven, sterven er zonder een staat des levens te hebben omhelsd. Bestaat er dan behalve de huwelijke en kloosterlijke geen maagdelijke of' ongehuwde staat? Zeer zeker; en deze is volgens de leer der H. Kerk verhevener dan de gehuwde staat, en dus ook in zich zaliger en verdienstvoller. Doch, opdat het ongehuwd zijn een levensstaat worde, is het niet noodig, dat eene jonge dochter zich hiertoe door gelofte verbinde, het is voldoende, dat zij een voornemen hebbe ongehuwd te blijven, in dit geval beleeft zij den maagdelijken of ongehuwden staat. De H. Paulus, sprekende van ongehuwden (wel te verstaan door geene belofte gebonden), die gevaar loopen de zuiverheid te verliezen, zegt: dat zij dan trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden, dat is, door het vuur der begeerlijkheid verzengd te worden en tot onzuiverheid te vervallen. Dezulken uitgezonderd, schrijft hij in het algemeen: «Aan de ongetrouwden nu en aan de «weduwen zeg ik: het is hun goed, indien zij «zóó blijven.» (1) En verder: «Aangaande de «maagden nu heb ik geen bevel des Heeren; «maar ik geef mijn raad, als een die van den «Heer de genade ontvangen heb van geloof-«waardig te wezen. Ik houde dan, dat zulks
1) Corinth. 7.
87
«good is om den aanstaanden druk, dewijl liet «den mensch goed is, zóó te zijn.» (1) Volgens den H. Paulus, is alzoo de staat van maagd of jonge dochter goed, nuttig en voordeelig, ja beter dan de huwelijke staat. Hieruit ziet men dat het verwijt, hetwelk eene jonge dochter soms naar het hoofd geslingerd wordt van niet te trouwen, onverdiend is, en dat zij alleen zich zoo iets durven veroorloven, die met den geest van den Apostel en bij gevolg met dien van Christus niet bezield zijn. Immers, toen de Zaligmaker met zijne leerlingen sprak over de onverbreekbaarheid van den huwelijken band, zeiden dezen: «dan is het niet raadzaam te «trouwen.» Wel verre van hen, ondanks die onverbreekbaarheid, tot het huwelijk aan te sporen, gaf Jesus ten antwoord; «Niet allen « vatten dit woord, maar zij aan wie het gege-«ven is.» (2) Als wilde Hij zeggen; dit woord dat gij daar zegt, te weten: dat het niet raadzaam is te trouwen, en beter ongehuwd te blijven: dit woord vatten niet allen, dat is, niet werkdadig met den wil, maar wien het van God gegeven is, zij vatten het wel. Deze laatste woorden beteekenen dat de onthouding eene genadegave Gods is, echter niet in dien zin, dat God deze genadegave aan sommigen wel, aan anderen daarentegen niet wil geven. Neen, zij is allen aangeboden en voor allen verkrijgbaar, die daarom bidden, gelijk het behoort. De onthouding is eene genadegave, maar tegelijk ook eene deugd; waarom de beoefening, ofschoon allen aangeraden, toch aan niemand
1) Corinth, v, 23. 26. â 2) Matth, 49. 41.
6*
88
legen zijn wil, rechtstreeks als plicht is öpge-legrl. Zij, die met de hulp van Gods genade, door deugd de genegenheid der natuur onderdrukken, vrijwillig zich van het huwelijk onthouden, voor altijd verkiezen in den maagdelijken staat te leven , en zulks doen om het rijk der hemelen , dat is, met een godsdienstig oogmerk, zij zijn het, die onder den bijstand van Gods genade, dat woord vatten, namelijk: het is beter ongehuwd te blijven. «Die het vatten «kan,» voegde de Zaligmaker er ten slotte bij, «vatte het » Dit zijn woorden, zegt de geleerde Boelen, (1) van opwekking en aanmoediging tot het leven in den maagdelijken staat. Deze, aan niemand als plicht rechtstreeks opgelegd, wordt toch iedereen als een staat van grooter volmaaktheid aangeraden. Hieruit volgt, dat die volmaaktheid ook bereikt kan worden door iedereen, die daartoe de hulp van Gods genade inroept en ernstig wil medewerken met de genade. «Die het vatten kan, vatte het.» Deze woorden beteekenen niet, dat de onthouding, waarvan hier sprake is, voor sommigen eene volstrekte onmogelijkheid is, maar de zin is: die zich zoo veel geweld wil aandoen, en die overwinning op zich zeiven behalen, dat hij het van zich verkrijgen kan in den maagdelijken staat te willen leven, die doe het. Daarom, zegt de H. Joannes Chrysostomus, kunnen niet allen het woord vatten, omdat niet allen het willen vatten.
Uit dit alles blijkt het duidelijk, dat gij, jonge dochter, die om het rijk der hemelen ongehuwd wilt blijven, eenen volmaaktercn levensstaat
1) In Matth. 19. 12.
89
hebt uitgekozen, dan zij die een huwelijk wil aangaan. Maar daarom zijn alle ongehuwde dochters in de wereld niet volmaakter en heiliger dan do gehuwde vrouwen. De staat van maagd is en blijft volmaakter, maar hieruit volgt niet dat alle maagden een volmaakter en Gode welgevalliger leven leiden. Er zijn helaas! vele jonge dochters in de wereld, die zelfs tot de zoogenaamde godvruchtige klasse behooren, in wier plaats ik niet gaarne voor Gods oordeel zou willen verschijnen; die, ondanks haren staat als maagd, het in het oordeel zwaarder te verantwoorden zullen hebben dan eenc gehuwde vrouw. Want wie zou het lot willen deelen dier dwaze maagden van het H. Evangelie, welke, ondanks hare bede: «Heere, Heere, doe ons «open,» ten antwoord kregen: «Voorwaar zeg «ik u: ik ken u niet.» (1) Met recht verdienden zij den naam van dwazen, daar zi j, na in den hevigsten strijd te hebben gezegevierd, zorgeloos voortleefden, onbekommerd voor de olie, die zij voor hare lampen noodig hadden, iets wat haar zoo moeilijk niet was, als maagd te blijven.
Wilt gij derhalve, jonge dochter, die den maagdelijken staat beleeft, niet onder het getal der dwaze maagden gerekend worden, zorg dan steeds olie in uwe lamp te hebben. De zuiverheid alléén zonder de goede werken, zegt de H. Gregorius, (2) beteekent niet veel; indien eene jeugdige persoon door reinheid zou uitschijnen, maar geene goede werken verricht, kan zij den Verlosser niet behagen. Daar men jonge dochters in de wereld aantreft, die van
1) Matth. 25. 12. â
2) Hom. 13. in Evang.
90
geen Jiuwelijk hooren maar een gotlvruclitig leven willen leiden, en tot aanstoot van velen onverstorven, liefdeloos en eigenzinnig zijn, raad ik dezulken aan, zoo spoedig mogelijk liare lampen te voorzien met olie van versterving, van liefde en onderwerping, opdat zij, als de Bruidegom komt, olie hebben in overvloed.
§ I-
Olie van versterving.
Er zijn jonge dochters in de wereld, die, overtuigd dat de maagdelijke staat alléén haar niet heiligt, en zelfs niet zalig zal maken, zich met allen ernst toeleggen op het beoefenen dei-deugden. Niet slechts willen zij nederig, verstorven, gehoorzaam schijnen, zooals sommigen, maar het in werkelijkheid zijn, en om hiertoe te geraken zuilen zij de noodige middelen gebruiken. Zij zijn dan ook geene dwaze maar wijze maagden. Anderen echter, en dat getal is niet gering, willen van geen huwelijk liooren, en zouden zich ergeren, als iemand haar er van zou durven spreken, maar van ware godsvrucht, van degelijke deugden schijnen ze niets te begrijpen. Hare voornaamste, om niet te zeggen eenigste godsvrucht bestaat in het dikwijls bezoeken der kerk, daar lang te verwijlen, en meermalen te naderen tot de HH. Sacramenten. Wel verre van zulke godsdienstige oefeningen af te keuren, noem ik ze allerkrachtigste en noodzakelijke middelen ter zaligheid en volmaking. Maar dat alles moet geschieden, zooals het behoort, dat is, op den daartoe bestemden tijd, op de daarvoor vereischte stichtende wijze.
91
en met de daarvoor noodige gesteltenis. Dit echter is altijd niet het geval. Men ziet vaak zulke personen in de kerk, wanneer zij behoorden t'huis te zijn; doch ondanks de drukke bezigheden, die spoed vereischen, en waarmede zij als kind of ondergeschikte belast zijn, in weerwil van het uitdrukkelijk bevel van eene moeder of overste, gaan zij op gewone dagen naar de kerk, blijven er een geruimen tijd, en laten de werkzaamheden door ouders, oversten en zusters verrichten. Zulke handelwijze strookt niet met de ware godsvrucht; zij verzuimen de plichten aan haren staat verbonden, deze te vervullen is plicht, hare devotie te willen involgen , grilligheid. Zoo deed de H. Radegonda niet. Voor alles kweet zij zich van hare plichten als dienstmaagd, liet haar opgelegde werk verrichtte zij met de meeste nauwkeurigheid, en bleef haar nog vrije tijd over, dan besteedde zij dien, niet in nuttelooze gesprekken om hare ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen, maar in het gebed en liefdewerken. Laten de huiselijke werkzaamheden het toe, dat men dagelijks de * H. Mis bijwone en de kerk bezoeke, dan is dit in den regel zeer prijzenswaardig. Het mag echter geen beletsel zijn om u stipt te kwijten van de plichten van uwen staat. Doch ook al geschiedt dit met goedkeuring van ouders of oversten, dan laat de wijze, waarop sommigen dien tijd in de kerk doorbrengen, vaak nog veel te wenschen over. Men vindt er, die in de kerk gestadig rondzien om te weten, wie er zijn, wie binnen komen, hoe zij gekleed zijn, aan welken biechtstoel deze en gene zich bevindt; dit alles willen zij weten, dit alles weten zij
02
ook nauwkeurig te vertellen, en tocli willen zij voor zeer godvruchtige personen doorgaan, dewijl anderen, die zich den naam van godvruchtige niet aanmatigen, zich stichtender dan zij gedragen. En zouden die zoogenaamde godvree-zende zielen ook al niemand door hunne uitwendige houding ontstichten, daarom zal dat bezoeken der kerk haar nog niet altijd als een zeer verdienstelijk werk worden aangerekend. Immers, wanneer de bedoeling niet zuiver is, dan kunnen zij, door eene daad hoe verdienstelijk overigens ook, Gode niet behagen. Waarom dan gaan zulke in schijn godvreezende personen naar de kerk? Eenige, alléén om gezien te wor-den, andere om voor vroom door te gaan, sommige om door haar biechtvader te worden opgemerkt, daarom geven zij de voorkeur aan het uur, waarop deze de H. Mis leest, en plaatsen zij zich nabij hot altaar; weer andere uit nieuwsgierigheid om dit of dat nieuws te vernemen van personen, die zij daar aantreffen. Eindelijk zjn er die uren en uren in de kerk doorbrengen om te weten, wie bij dezen of genen priester biecht; en ware dit slechts eene loutere nieuwsgierigheid! dan neen, dit gebeurt nog vaak om later aan den biechtvader' te kunnen zeggen, wie van zijne biechtelingen elders gebiecht hebben.
Wat het naderen tot de HH. Sacramenten betreft, dit doen in den regel zij, die voor deugdzaam willen doorgaan, zeer dikwijls, meestal elke week, en soms meermalen in de week zouden zij willen biechten, indien de biechtvader haar zulks veroorloofde. Wil hij haar bevredigen, dan moet hij zich een geruimen tijd met haar
93
onderhouden, iiiet om haar de waarheid té zeggen tot regeling van haar gedrag, immers de waarheid hooren zij liefst niet, maar om hare klaagliederen en vele andere zaken, die met de biecht niet in betrekking staan, geduldig aan te hooren; dan kunnen zij later er op roemen, dat zij langen tijd in den biechtstoel geweest zijn, want hare eigenliefde is schier grenzeloos. Het is dan ook niet de ware liefde tot God, die haar aanspoort het verlof te vragen om meermalen in de week tot de H. Communie te naderen, maar vaak de eigenliefde, immers als de biechtvader zulks niet vergunt, dan, in plaats van zich nederig te onderwerpen aan dengene die Gods plaats bekleedt, zijn ze ontevreden, beroepen zich op het voorbeeld van anderen, en houdt zich de biechtvader aan de eerste weigering, dan gaan zij meestal van den eenen naar den anderen, en van den eenen biechtvader weten zij dit, van den anderen dat te zeggen.
Ik vraag u, jonge dochter, in gemoede: is zulke handelwijze van eenigen, die tot de godvruchtige klasse willen behooren, ware godsvrucht? Dan heb ik er altijd een verkeerd denkbeeld van gehad; ik weet wel dat het bezoeken der kerk, en het dikwijls naderen tot de HU. Sacramenten, als zulks op den tijd, op de wijze, en met de vereischte gesteltenis geschiedt, zooals het behoort, middelen en krachtige middelen zijn, om tot de zaligheid en heiliging te geraken, maar hierin alleen bestaat de ware deugd niet. Geen wonder, dat zulk soort van de godvruchtige klasse, de deugd vaak bespottelijk, anderen van de genademiddelen afkeerig.
94
zlcli zelven belachelijk maakt, en dat anderen, haar bedoelende zeggen: die veel tijd in de kerk doorbrengen en dikwijls de HH. Sacramenten ontvangen, zijn altijd de deugdzaamste, niet. Dit gezegde is helaas! maar al te waar. Velen die minder naai' de kerk gaan, zeldzamer de HH. Sacramenten ontvangen, overtreffen haar vaak in deugd. Hieruit moet men echter niet besluiten dat het in het algemeen gesproken, beter is niet zoo dikwijls de kerk te bezoeken , en zeldzamer te biechten, dit is niet zoo; maar zulks moet met een zuiver inzicht en behoorlijke gesteltenis geschieden. Doch veronderstellen wij eens dat dit het geval is, zouden zij dan onder het getal der oprecht vrome en godvreezende personen mogen gerekend worden? Zij zouden zeker meer genaden ontvangen, en waarschijnlijk in werkelijkheid vromer en godsdienstiger zijn, maar de ware deugd heeft de verloochening van zich zelven, en de versterving tot grondslag. Een werk, dat men verricht, eene daad, waarvan men zich onthoudt, kan den schijn hebben eener deugd, kan zelfs eene natuurlijke deugd genoemd worden niet echter eene bovennatuurlijke, waardoor wij Gode behagen, en ons met verdiensten verrijken, tenzij zulks gepaard gaat met een zeker geweld, dat men zich aandoet, met eene overwinning, die men door het geloof op den ouden mensch behaalt. Van daar dat Thomas van Kempen zegt: gij zult vooruitgaan, naarmate gij u zelven geweld aandoet. Velen van hen die onder de deugdzamen en godvruchtigen willen gerekend worden, doen zich zelven zeer weinig geweld aan, en beoefenen de versterving
95
maar zeldzaam. Zoudt gij, jonge dochter, die deze regelen leest, tot dat getal behooren, laat dati uwe aanspraak op ware godsvrucht varen, of leg ii toe op de versterving. Een waar godvruchtig leven willen leiden, zonder de versterving , is eene onmogelijkheid.
«Die aan Christus toebehooren,» zegt de H. Paulus, (1) «hebben hun vleesch met zijne on-«deugden en begeerlijkheden gekruisigd.» En wat hij leerde, dat deed hij zelf. «Ik kastijd «mijn lichaam,» zegt hij, «en ik houd het in «bedwang.» ('2) De liefde tot het lichaam, zegt de H. Bernardus, verbant de liefde tot God. Niet te verzaken aan de voldoening zijns lichaams is, volgens den H. Ambrosius, verzaken aan Godes welbehagen. Gelooven, dat God hen tot zijne vriendschap toelaat, die in alles de gemakkelijkheden des levens zoeken, is eene dwaasheid, zegt de H. Teresia. Derhalve zijn die jonge dochters, welke den maagdelijken staat beleven, maar zich niet op de versterving toeleggen , dwaze maagden. Onder de tien maagden waren er vijf wijs en vijf dwaas. Het zou mij ook niet verwonderen, dat de helft van die zoogenaamde godvruchtige klasse, in eene mindere of meerdere mate, den naam van dwaze maagden verdiende. Want hoevelen worden er niet gevonden, die gecne enkele vernedering kunnen verdragen, onverstorven zijn in eten en drinken, te lui, te vadzig om moeilijken en vernederenden arbeid te verrichten, en zelfs geene opmerking kunnen dulden. Hoe men zulk onverstorven leven een godvruchtig leven noemen
â¢1) Ga|l. 5. 24 â 3) I Corinth. 9. 27.
90
kan, begrijp ik niet. Verlangt gij derhalve, jonge dochter, een waarlijk godvruchtig leven te leiden, wil dan u zelve en anderen niet misleiden. Kwijt u op de eerste plaats nauwgezet van de plichten van uwen staat; laat de tijd het toe, ga dan naar de kerk, mits de gehoorzaamheid of de liefde tot den naaste het u niet beletten, maar doe het dan met eene zuivere meening, zonder iemand te ontstichten, en blijf daar geen oogenblik langer dan liet u geoorloofd is. Ga te biechten en tot de H. Communie volgens goedvinden van uwen biechtvader. Veroorlooft hij u niet te communiceeren of althans zoo dikwijls niet als gij het verlangt, onderwerp u dan aanstonds met alle nederigheid, zonder blijken te geven van ontevredenheid. Wees gaarne de minste te huis, verricht bij voorkeur lastigen en vernederenden arbeid, getroost u vele offers, wees geduldig en zachtmoedig in uwen omgang, versterf u voortdurend in kleine zaken, en gij zult in achting stijgen bij alle weldenkende menschen, zij zullen met lof van u spreken; Gode zult Gij welgevallig zijn, en met de wijze maagden de bruiloftszaal binnengaan, immers gij hebt in uwe lamp de olie van versterving, vermeng die echter met de olie der liefde tot den naaste, anders zou uw lamp niet branden.
§ n.
De olie der liefde tot den naaste.
Van de liefde tot God, en bij gevolg van een godvruchtig leven, kan er geen sprake zijn, wanneer de liefde tot den naaste ons ontbreekt,
97
Dat men geen aanspraak maken kan op een godvreezend leven, zonder de liefde Gods, behoeft geen betoog; immers die liefde maakt het wezen uit der godsvrucht; al het andere, zegt de H. Paulus, het geven van aalmoezen, het verduren van pijnen, het sterven van een wree-den dood, niets van dat alles kan mij baten zonder de liefde. Maar de liefde tot God en de liefde tot den naaste is ééne en dezelfde liefde. Christus heeft ze op dezelfde lijn geplaatst. Het eerste en voornaamste onder alle geboden, zeide Hij, is God beminnen, en het tweede aan dit gelijk, voegde Hij er bij, is: «gij zult uwen «naaste beminnen gelijk u zeiven,» zoodat het onmogelijk is, gelijk de H. Joannes zegt. God te beminnen, zonder den naaste lief te hebben. De liefde tot God en de liefde tot den naaste zijn als twee takken van denzelfden boom, twee vlammen van hetzelfde vuur, twee schakels van dezelfde keten, twee rivieren van dezelfde bron. Bemin ik mijn naaste niet, dan heb ik ook geene liefde tot God, dan kan ik niet godvruchtig wezen, bemin ik mijnen naaste vurig, dan is mijne godsvrucht geen schijn maar werkelijke deugd. Het godvruchtige leven staat in het nauwste verband met de liefde tot den naaste. Om alzoo te weten of eene jonge dochter den naam van eene waarlijk godvruchtige persoon verdient, moet men haar beschouwen, niet zoo zeer in de kerk, aan den biechtstoel of aan de tafel des Heeren, maar in hare betrekking tot den evenmensch. Is zij zachtmoedig, geduldig in het vördragen van een ieders gebreken, biedt zij gaarne iemand de behulpzame hand, is zij niet afgunstig, koestert zij geen achterdocht,
98
legt zij lt;le handelwijze van een ander niet ten kwade uit, bespiedt zij niet uit nieuwsgierigheid het gedrag van een ander, velt zij geen vermetel oordeel over dezen of genen, en spreekt zij van niemand kwaad, dan behoort zij met alle recht tot de godvruchtige klasse; dan toch beoefent zij de liefde. Men kent den boom aan zijne vruchten. Ziet men eene jonge dochter in de kerk , dan ziet men een boom die bloesem draagt, men kan nog niet oordeelen over de goede eigenschappen van dien boom, deze leert men kennen uit de vniQlit. Beschouwt men haar in de omgeving van anderen , in het midden van hare broeders, zusters en andere huis-genooten, en vallen dan ruwe, bitse en liefde-looze woorden van hare lippen, dan is zij eenen boom gelijk, waarvan zure en wrange vruchten vallen, en met recht zegt men dan: die boom deugt niet. Is zij echter zachtmoedig, geduldig, liefdevol in woorden en in daden, dan gelijkt zij een boom die zoete, rijpe en smaakvolle vruchten afwerpt, en men stelt prijs op dien boom. Is eene jonge dochter, die zich op het geestelijk leven toelegt, zachtaardig, behulpzaam, voorkomend, houdt zij de eer van haren naaste op, bedekt zij de gebreken van den evenmensch met den mantel van liefde, dan stijgt zij in aller achting, een ieder gaat gaarne met haar om, en erkent volmondig, dat zij de ware godsvrucht bezit; immers do ware godsvrucht is tot alles dienstig.
Helaas! hoe veie jonge dochters van eiken leeftijd worden er in de wereld gevonden, die tot de godvruchtige klasse Willen behooren, en zelfs in den derden Regel zijn van dezen ot
99
genen Heilige, en bij voorkeur in dien van don H. Franciscus van Assisiö, door den IJ. Vader Leo XIII met klem aanbevolen, en toch zoo weinig begrip hebben van het echt godvruchtige leven! te oordeelen althans volgens hare levenswijze. Zeker, men treft er aan, die een verstorven leven leiden, het ware pad der deugd en volmaking bewandelen, en zich steeds beijveren deugdzamer en volmaakter te worden, maar ook velen worden er gevonden, die, wanneer zij tot een derden Regel behooren, hare geestelijke broeders en zusters niet veel eer aandoen, en wellicht de oorzaak zijn, dat anderen van dien regel niet willen weten. Men vindt er die ondanks haren maagdelijken staat den naam van dwaze maagden verdienen, omdat in hare lamp de olie van liefde tot den naaste ontbreekt. Wanneer men zulke zoogenaamde godvruchtige personen, die men op sommige plaatsen kwade kwezels noemt, van nabij gadeslaat, dan storen zij zich al zeer weinig aan het uitdrukkelijk gebod des Heeren: «gij zult uwen naaste besminnen, gelijk u zeiven,» want zij zijn in den regel zeer bemoeiziek, zij mengen zich in alle gesprekken, zij zijn uiterst nieuwsgierig, luisteren overal, zij zijn achterdochtig, het geheim bewaren schijnt haar onmogelijk, den splinter zien zij in het oog van een ander, en den balk in hun eigen oog bespeuren zij niet, zij keuren alles af bij anderen, niets bij zich zeiven, met den Farizeër zeggen zij; o God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen, terwijl met meer recht vele anderen konden zeggen: mijn God, ik dank IJ dat ik niet ben, gelijk zij. Nu weten zij van den eenen dit, dan van een ander dat
1Ã0
te vertellen, de liefdeloosheid schijnt haar eigen. Van daar dat zij zicli bij allen hatelijk maken, uitgezonderd bij hen, die even nieuwsgierig en liefdeloos zijn als zij. Zij zijn ontsticht als aan een ander, ik zeg niet een onzedig of dubbelzinnig, maar een min wel voege lijk woord ontvalt , en zij zeiven houden niet op, andoren voortdurend te ontstichten door hare liefdelooze gesprekken. Zij zijn verontwaardigd als een ander boos wordt, en zij zeiven geven er gestadig aanleiding toe. Niets mag tegen deugd of godsdienst gezegd worden, en zij hebben gelijk; maar zijn zij zeiven er niet vaak de oorzaak van ? Maken zij zeiven deugd en godsdienst door haar gedrag niet dikwijls bespottelijk ? Of is het niet bespottelijk deugdzaam te willen schijnen en het niet te zijn? veel ophef te maken van de deugd, zonder die te beoefenen? anderen de les voor te houden, die zij zeiven niet kennen, en waarvan zij niets begrijpen? Zij zijn in zekeren zin gelijk aan iemand, die aanhoudend bedorven vruchten aanbiedt, die niemand koopen wil, behalve zij wier smaak bedorven is. Om aangestoken en sappelooze vruchten smakelijk te vinden moet men allen smaak verloren hebben. Zijn dan de vruchten dier boomen op geestelijk gebied, dat is, de werken van die zoogenaamde godvruchtige personen, geene be-dorvene vruchten, waaruit men het sap dei-liefde heeft geperst? Zijn zij gelijk aan hen, die valsche voor echte waren aanbieden, zij gelijken ook op valsche munters, die valsch geld willen uitgeven, dat alléén de onbezonnen en onna-denkenden voor goede munt aannemen, want de werken, die den stempel der liefde niet dra-
dol
gen, zijn gelijk aa» valscli geld, waarvoor men geen hemel koopt; kunnen de menschen het niet onderscheiden, God wel, kunnen de menschen misleid worden, God nooit.
Heb ik de kenmerken der valsche godsvrucht eenigszins breedvoerig en in het oog van sommigen misschien wat scherp aangestipt, dan doe ik zulks, opdat men des te betei* de ware godsvrucht kenne. Ik heb ze eenigermate ontmaskerd, opdat men wete, dat liefdeloosheid met ware deugd niet gepaard gaat, en dat de handelwijze van die zoogenaamde godvreezende personen , in geenen deele de goedkeuring dei-Priesters kan wegdragen. Ik weet, dat mij dit door sommigen euvel zal worden geduid, en wellicht zullen zij met eene zekere verontwaardiging deze regelen lezen, en misschien zelfs hare tong scherpen tegen den schrijver, en zoo ja, dan is het een teeken, dat ik den vinger op de wond gezet heb, en zij zich plichtig gevoelen. Voorzag de Zaligmaker de verontwaardiging piet der schriftgeleerden en Farizeërs? Wist Hij niet op welke wijze zij Hem lasteren en vervolgen zouden? Heeft Hij daarom gezwegen.' Heeft Hij ze gespaard ? Heeft Hij ze niet ontmaskerd voor het volk? Heeft Hij de menigte niet gewezen op hunne schijnheiligheid? Heeft Hij hun uitwendig vertoon van godsvrucht niet als huichelarij gebrandmerkt? Hij kon niet dulden, dat zij door een uiterlijken schijn van heiligheid het eenvoudige volk zouden misleiden, daarom stelde Hij hen in het openbaar aan de kaak, en waarschuwde de menigte tegen hunne manier van handelen en verregaande geveinsdheid. Zij waren muggenzifters, die kameelen verslonden, dat
JONÃE DOCUÃEU. 7
102
is, zij maakten zonde van hetgeen geene zonde was, schenen bevreesd en angstvallig voor nietige en onbeduidende zaken, terwijl zij hunne boosheid des harten verborgen onder het masker van deugd. Dat voorbeeld des goddelijken Verlossers moet de richtsnoer zijn van het gedrag-eens Priesters; het is zijn dure plicht de eenvoudige menschen te waarschuwen tegen de handelwijze van hen, die godvruchtig willen schijnen en het in werkelijkheid niet zijn. De eenvoudige geloovigen moeten ingelicht worden aangaande de ware godsvrucht, en weten, dat deze niets gemeen heeft met de liefdeloosheid, die door haar verfoeid en verafschuwd wordt.
Vele jonge dochters zouden met alle oprechtheid een deugdzaam en godvruchtig leven willen leiden, maar wanneer zij zien, dat er onder die godvruchtige klasse velen gevonden worden, die, ondanks het menigvuldig bezoeken der kerk, en het dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten, zeer lastig van karakter zijn en zich zóó liefdeloos gedragen, dan krijgen zij een weerzin van de godsvrucht. Dat zij van zulke godsvrucht, dat is, van de valsche, een afkeer krijgen, begrijp ik, en ik kan ze geen ongelijk geven, maar daarom zijn ze niet gerechtigd het godvruchtige leven in het algemeen te veroordeelen, het dikwijls bezoeken van Jesus in zijn Sacrament van liefde, en het meermalen ontvangen van de genademiddelen onzer Moeder de H. Kerk af te keuren, want het ware wenschelijk, dat zij, die hiertoe in de gelegenheid gesteld zijn, het meer deden, maar het zijn en blijven, in zooverre men er anderszins niet toe verplicht is, slechts middelen om de ware deugd te erlan-
103
gen ; zonder liefde tot den naaste echter is er geen ware godsvrucht. Dit mogen zij met allen ernst overwegen, die, ondanks zoo vele liefde-looze behandelingen en gesprekken, toch voor oprecht godsdienstige personen willen doorgaan, opdat zij der ware godsvrucht meer nabij komen, en bijgevolg den biechtvaders meer voldoening, den naaste meer stichting geven, en zich zeiven meer geluk bezorgen mogen. Immers zulke personen, die slechts het masker van deugd en godsvrucht dragen, zijn lastig voor de biechtvaders, ergerlijk voor anderen, en ongelukkig voor zich zeiven.
Zij zijn lastig voor den biechtvader, want 1° zij willen dikwijls, zelfs meermalen in de week communiceeren, en als de biechtvader oordeelt, dat zij hoogstens op zon- en feestdagen tot de tafel des Heeren mogen naderen, dan zijn ze ontevreden, en weten vaak nu dit dan dat van hem te zeggen. 2° Zij spreken meermalen uit de biecht, en de woorden des biechtvaders te verdraaien, eene verkeerde uitlegging er aan te geven behoort niet tot de hoogste zeldzaamheid; de Priester nu moet zwijgen. Ware het, dat zij eerst alles vertelden wat zij den biechtvader gezegd hebben, dan konden zij, die zulke praatjes aanhooren, beter de zaak beoordeelen, maar hiervoor zullen zij zich wel wachten. 3quot; Zij benemen den biechtvader veel tijd, door te willen spreken over vele zaken, die in geenen deele met de biecht in betrekking staan. En 4° ware het, dat de biechtvader met eenigen grond veronderstellen kon, dat zij van lauw vurig, en in den waren zin des woords godvreezende personen zouden
104
worrlen, dan zou liij zich volgaarne moeite, en vele moeite voor hun zieleheil getroosten, maar helaas! hij is vaak hopeloos eene verandering ten goede in hunne handelwijze te zullen bespeuren, want zij zijn, vooral wanneer zij reeds jaren lang gewoon zijn de lichtgeloovigen door hunne schijndeugden te misleiden, schier onverbeterlijk.
Zij 'zijn ergerlijk voor den naaste. 1° Zijn zij schuldig aan eene geestelijke traagheid, ook van traagheid, om niet te zeggen van luiheid in den arbeid, worden zij niet zelden met recht beschuldigd. 2quot; Dikwijls zijn zij de oorzaak van oneenigheid , hetzijquot; door oorblazerij, met bijv. te zeggen: deze of die heeft dit of dat van u gezegd, hetzij door het geheim niet te bewaren, hetzij door iemand te lasteren, hetzij door gestadig ongegronde opmerkingen te maken.
Zij geven voor eene ware godsvrucht te bezitten, maar zij beoefenen haar niet, en maken de deugd belachelijk. 4° Zijn zij lastig voor den biechtvader, hun karakter is vaak onverdrage-lijk voor anderen, en daarenboven zijn ze niet zelden hoogst aanmatigend.
Zij zijn ongelukkig voor zich zelven. 1° Zij zijn weinig geacht, omdat zij niet kunnen zwijgen, aanmatigend en liefdeloos zijn in hare gesprekken. 2° Men vertrouwt ze niet, ter oorzake van hare onoprechtheid, booze uitvluchten van allerlei aard. 3° Zij zijn niet vrij van gewetenswroeging, overtuigd dat, al kunnen zij ook den mensch misleiden, zij Dengenen tot Rechter hebben, die de harten en nieren doorgrondt. 4° Zij leven in eenen voor hare ziel hoogst gevaarvollen staat van lauwheid, loopen bijgevolg
105
groot gevaar, vroeg of laat te vallen in de doodzonde, en zouden zij ook hieraan als door een wonder ontsnappen, dan wacht haar een vreeselijk vagevuur.
«Die godvruchtig willen leven in Christus Jesus,» zegt de H. Paitlus, (1) «zullen vervolging lijden.» Geen wonder dan, dat deugdzame jonge dochters, in den waren zin des woords godsdienstig, vaak uitgelachen en bespot worden. Haar stichtend voorbeeld is den wereldsch-gezinden hinderlijk, alsmede hun, die den moed niet hebben goede voorbeelden na te volgen. Moeten alle weidenkenden, die prijs stellen op de deugd, hunne partij trekken en ze beschermen tegen den vuigen laster van eerlooze en valsche aantijgingen van eerrovende personen; dezulken te verdedigen, die spotten met de deugd, haar in een valsch daglicht plaatsen, en er alleen den schijn van hebben zonder de werkelijkheid, is onmogelijk. Zou men kunnen beweren, dat zij die, zooals eenieder weet, een afschuwelijk gelaat verbergen achter een schoon masker, zich in hunne natuurlijke gedaante vertoonen? zoo niet, dan kan men ook degenen die een zondig en liefdeloos hart achter het masker der deugd verbergen, niet als ware deugdzamen verdedigen. Wilt gij dan, jonge dochter, in werkelijkheid een godvruchtig leven leiden, neem dan zulke liefdelooze personen niet tot voorbeeld, overtuigd dat er zonder de liefde tot den naaste geen spraak kan zijn van ware godsvrucht, maar neem het gedrag van haar tot regel, die voorkomend, gedienstig, hulp-
l) H. Timotlj. 3. 12,
100
vaardig zijn, gaarne eene opmerking aannemen, ze ongaarne maken, in één woord, met den H. Paulus eenigermate kunnen zeggen: aAllen ben ik alles geworden,» (1) dat is, in ieder opzicht mij naar hen voegende, voor zooveel als plicht en geweten mij dat toelaten. lu dit geval, zult gij bij allen in achting stijgen, allen zullen u hoogschatten en prijs stellen op uwe deugd; door uwen vromen levenswandel zult gij den mond der lasteraars sluiten , en door een stichtend voorbeeld menigeen tot andere en betere gedachten brengen. Niet eene dwaze maar eene wijze maagd zult gij genoemd worden, en het in werkelijkheid zijn, mits gij bij de olie der versterving en die der liefÃe tot den naaste, ook de olie der onderworpenheid voegt, immers zonder de vermenging van deze drievoudige olie, zal uwe lamp niet branden.
§ III.
De olie der gehoorzaamheid.
Zal iemand die gehoorzaamt van zegepralen spreken, (2) zij die niet gehoorzaamt, maar eigenzinnig, stijfhoofdig is, en gehecht aan hare eigene zienswijze, zal door hare vijanden meer bestormd en vroeg of laat overwonnen worden; meer dan eene nederlaag staat haar te wachten. De eigenzinnigheid is een gevolg der hoovaardij, immers eene nederige ziel onderwerpt zich blijmoedig. «Daar God den hoo-vaardigen wederstaat,» zooals de Apostel Jacobus (3) zegt, hoe kan dan eene eigenzinnige persoon
1) I Corinth. 9, 22. â 2) Prov. 21. 28. â 3) Job 4. 6.
107.
op de genade des Heeren rekenen, wieu zij zoo vaak weerstreeft, door niet te luisteren naar hen, die zijne plaats bekleeden? Kan zij zonder de genade niets, hoe zal zij dan op den duur der bekoring weerstand bieden? Immers hiervan zijn zelfs de godvruchtigste personen niet bevrijd. De ondervinding leert dan ook, dat zij die godvruchtig willen leVen, maar volgens hare eigene en persoonlijke opvatting, aan zeer groote gevaren zijn blootgesteld, en niet zelden tot zware zonden vervallen. Even gelijk een kasteel, dat niet op vasten grond gebouwd is, bij een hevigen storm instort en tot puin vergaat, zoo zal het kasteel der liefde Gods, dat eene jonge dochter, die in de wereld den maagdelijken staat beleeft, wil opbouwen, misschien de aandacht van dezen of genen kunnen trekken, maar als het de gehoorzaamheid niet tot grondslag heeft, zal het, bij een hevigen storm, dat is, door zware bekoringen aangevallen, weldra instorten, en zij die godvruchtig wilde zijn, niet in het oog van God, maar in dat der menschen, zal aan hare hartstochten prijsgegeven worden.
Zij die eigenwijs zijn en zich zeiven willen besturen, zijn gelijk aan eene zieke jonge dochter, die, na den geneesheer te hebben ontboden, hem -nagenoeg aldus toespreekt: ik gevoel mij niet wel en daarom wil ik u eens raadplegen over mijnen toestand, maai- ik zal u zeggen, op welke wijze gij mij behandelen moet. liet veel spreken moet gij mij niet verbieden, evenmin het uitgaan; bittere medicijnen moogt gij niet voorschrijven, want ze bevallen mij niet. Gij moet mij met groot geduld aanhooren, veel
108
belangstelling toonen, mij laten uitpraten en niet onderbreken, want ik ben zeer zenuwachtig, eindelijk mij alles toestaan wat ik u vraag. Wat dunkt u van zulke zieke? Wat zal de dokter haar antwoorden? Zal hij het met zijn geweten kunnen overeenbrengen, in alles haren zin te volgen ? Zal hij haar niet veeleer zeggen: gij moet u zelve maar genezen, gij hebt geen geneesheer noodig ? Wat zal er het gevolg van zijn? Haar toestand blijft kwijnend en wordt weldra hopeloos. Dit is vaak het geval met zoogenaamde godvruchtige zielen, die ondanks het woord des H. Geestes: «wil niet wijs zijn bij u zeiven,» zich laten voorstaan alles beter te weten dan een ander, zelfs beter dan hij die Gods plaats bekleedt en haar besturen moet. Zij komen bij dien geestelijken geneesheer, en zeggen wel niet met den mond: zóó en zóó moet gij mij behandelen, doch hare handelwijze verkondigt het maar al te luide. Zij raadplegen hem in vele zaken, maar volgen dan alléén den gegeven raad, wanneer hij strookt met hare eigen wijze van zien. Van gegronde opmerkingen willen zij niet hoeren, van vernederingen niets weten, steeds willen zij dat de biechtvader van oprechte belangstelling blijken geve; dat immers streelt hare eigenliefde. Met geduld moet hij haar aanhooren, hoe weinig van beteekenis zij te zeggen hebben. Ondanks hare onverstandige redeneering, willen zij altijd gelijk hebben; in één woord; wil men haar tevreden stellen, dan zou de biechtvader naar haar, zij niet naar den biechtvader moeten luisteren.
Zij die in den waren zin des woords een
109
godvruchtig leven leiden, handelen zóó niet. Wij zien het in het leven der heiligen. Eene H. Te-resia werd meermalen door haren biechtvader op de proef gesteld. Was het hare beurt om te biechten, dan ging hij soms herhaalde malen achtereenvolgens den biechtstoel uit, en liet haar wachten, maar' van ongeduld of zenuwachtigheid was bij haar geen spoor te vinden. Eens schreef zij hem om zijn raad in te winnen; aanstonds ontving zij antwoord, maar toen zij den brief opende, waren de eerste woorden: in zóóveel dagen moogt gij hem niet lezen. Van ongehoorzaamheid of tegenspraak van haren kant, was geen spraak. Als God haar iets openbaarde, en zij hiervan de volkomen zekerheid had, onderwierp zij zich aan de beslissing des biechtvaders; God keurde hare handelwijze goed, en prees hare gehoorzaamheid. Hoe zou dan God do eigenzinnigheid en weerspannigheid kunnen goedkeuren van velen, die verlangen dat do biechtvader haar gehoorzaam ware? Prijst God de gehoorzaamheid, de eigenzinnigheid weet hij op zijn tijd te straften. Een ander voorbeeld van gehoorzaamheid. De biechtvader van de H. Elizabeth, koningin van Hongarijen, gebood haar, zich te ontdoen van twee getrouwe bedienden, die haar altijd in de harde beproevingen ter zijde hadden gestaan, en in de plaats van deze zond hij haar twee andere vrouwen; de eene was oud, terwijl zij tevens een zeer lastig karakter had, en de andere hardhoorig om niet te zeggen doof. Zwaar was zulk gebod, maar ongehoorzaam zijn was haar niet mogelijk. Hieruit volgt, dat eigenzinnige en ongehoorzame personen, die voor godvruchtig willen door-
96
kan, begrijp ik niet. Verlangt gij derhalve, jonge dochter, een waarlijk godvruchtig leven te leiden, wil dan u zelve en anderen niet misleiden. Kwijt u op de eerste plaats nauwgezet van de plichten van uwen staat; laat de tijd het toe, ga dan naar de kerk, mits de gehoorzaamheid of de liefde tot den naaste het u niet beletten, maar doe het dan met eene zuivere meening, zonder iemand te ontstichten, en blijf daar geen oogenblik langer dan liet u geoorloofd is. üa te biechten en tot de H. Communie volgens goedvinden van uwen biechtvader. Veroorlooft hij u niet te communiceeren of althans zoo dikwijls niet als gij het verlangt, onderwerp u dan aanstonds met alle nederigheid, zonder blijken te geven van ontevredenheid. Wees gaarne de minste te huis, verricht bij voorkeur lastigen en vernederenden arbeid, getroost u vele oilers, wees geduldig en zachtmoedig in uwen omgang, versterf u voortdurend in kleine zaken, en gij zult in achting stijgen bij alle weldenkende menschen, zij zullen met lof van u spreken; Gode zult Gij welgevallig zijn, en met de wijze maagden de bruiloftszaal binnengaan, immers gij hebt in uwe lamp de olie van versterving, vermeng die echter met de olie der liefde tot den naaste, anders zou uw lamp niet branden.
§ n.
De olie der liefde tot den naaste.
Van de liefde tot God, en bij gevolg van een godvruchtig leven, kan er geen sprake zijn, wanneer de liefde tot den naaste ons ontbreekt,
97
Dat men geen aanspraak maken kan op een godvreezend leven, zonder de liefde Gods, behoeft geen betoog; immers die liefde maakt liet wezen uit der godsvrucht; al het andere, zegt de H. Paulus, het geven van aalmoezen, het verduren van pijnen, het sterven van een wree-den dood, niets van dat alles kan mij baten zonder de liefde. Maar de liefde tot God en de liefde tot den naaste is eene en dezelfde liefde. Christus heeft ze op dezelfde lijn geplaatst. Het eerste en voornaamste onder alle geboden, zeide Hij, is God beminnen, en het tweede aan dit gelijk, voegde Hij e'r bij, is: «gij zult uwen «naaste beminnen gelijk u zeiven,» zoodat het onmogelijk is, gelijk de H. Joannes zegt. God te beminnen, zonder den naaste lief te hebben. De liefde tot God en de liefde tot den naaste zijn als twee takken van denzelfden boom, twee vlammen van hetzelfde vuur, twee schakels van dezelfde keten, twee rivieren van dezelfde bron. Bemin ik mijn naaste niet, dan heb ik ook geene liefde tot God, dan kan ik niet godvruchtig wezen, bemin ik mijnen naaste vurig, dan is mijne godsvrucht geen schijn maar werkelijke deugd. Het godvruchtige leven staat in het nauwste verband met de liefde tot den naaste. Om alzoo te weten of eene jonge dochter den naam van eene waarlijk godvruchtige persoon verdient, moet men haar beschouwen, niet zoo zeer in de kerk, aan den biechtstoel of aan de tafel des Heeren, maar in hare betrekking tot den evenmensch. Is zij zachtmoedig, geduldig in het vèrdragen van een ieders gebreken, biedt zij gaarne iemand do behulpzame hand, is zij niet afgunstig, koestert zij geen achterdocht.
98
legt zij de handelwijze van een ander niet ten kwade uit, bespiedt zij niet uit nieuwsgierigheid het gedrag van een ander, velt zij geen vermetel oordeel over dezen of genen, en spreekt zij van niemand kwaad, dan behoort zij met alle recht tot de godvruchtige klasse; dan toch beoefent zij de liefde. Men kent den boom aan zijne vruchten. Ziet men eene jonge dochter in de kerk, dan ziet men een boom die bloesem draagt, men kan nog niet oordeelen over de goede eigenschappen van dien boom, deze leert men kennen uit de vruqht. Beschouwt men haar in de omgeving van anderen , in het midden van hare'broeders, zusters en andere huis -genooten, en vallen dan ruwe , bitse en liefde-looze woorden van hare lippen, dan is zij eenen boom gelijk, waarvan zure en wrange vruchten vallen, en met recht zegt men dan: die boom deugt niet. Is zij echter zachtmoedig, geduldig, liefdevol in woorden en in daden, dan gelijkt zij een boom die zoete, rijpe en smaakvolle vruchten afwerpt, en men stelt prijs op dien boom. Is eene jonge dochter, die zicli op het geestelijk leven toelegt, zachtaardig, behulpzaam, voorkomend, houdt zij de eer van haren naaste op, bedekt zij do gebreken van den evenmensch met den mantel van liefde, dan stijgt zij in aller achting, een ieder gaat gaarne met haar om, en erkent volmondig, dat zij de ware godsvrucht bezit; immers de ware godsvrucht is tot alles dienstig.
Helaas! hoe vele jonge dochters van eiken leeftijd worden er in de wereld gevonden, die tot de godvruchtige klasse willen behooren, en zelfs in den derden Regel zijn van dezen of
99
genen Heilige, en bij voorkeur in dien van den H. Franciscus van Assisië, door den H. Vader Leo XIII met klem aanbevolen, en tocli zoo weinig begrip hebben van bet echt godvruchtige leven! te oordeelen althans volgens hare levenswijze. Zeker, men treft er aan, die een verstorven leven leiden, het ware pad der deugd en volmaking bewandelen, en zich steeds beijveren deugdzamer en volmaakter te worden, maar ook velen worden er gevonden, die, wanneer zij tot een derden Regel behooren, hare geestelijke broeders en zusters niet veel eer aandoen, en wellicht de oorzaak zijn, dat anderen van dien regel niet willen weten. Men vindt er die ondanks haren maagdelijken staat den naam van dwaze maagden verdienen, omdat in hare lamp de olie van liefde tot den naaste ontbreekt. Wanneer men zulke zoogenaamde godvruchtige personen, die men op sommige plaatsen kwade kwezels noemt, van nabij gadeslaat, dan storen zij zich al zeer weinig aati het uitdrukkelijk gebod desHeeren: «gij zult uwen naaste be-«minnen, gelijk u zeiven,» want zij zijn in don regel zeer bemoeiziek, zij mengen zich in alle gesprekken, zij zijn uiterst nieuwsgierig, luisteren overal, zij zijn achterdochtig, het geheim bewaren schijnt haar onmogelijk, den splinter zien zij in het oog van een ander, en den balk in hun eigen oog bespeuren zij niet, zij keuren alles af bij anderen, niets bij zich zeiven, met den Parizeer zeggen zij: o God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen, terwijl met meer recht vele anderen konden zeggen: mijn God, ik dank U dat ik niet ben, gelijk zij. Nu weten zij van den eenen dit, dan van een ander dat
100
te vertellen, de liefdeloosheid schijnt haar eigen. Van daar dat zij zich bij allen hatelijk maken, uitgezonderd bij hen, die even nieuwsgierig en liefdeloos zijn als zij. Zij zijn ontsticht als aan een ander, ik zeg niet een onzedig of dubbelzinnig, maar een min welvoegelijk woord ontvalt , en zij zeiven houden niet op, anderen voortdurend te ontstichten door hare liefdelooze gesprekken. Zij zijn verontwaardigd als een ander boos wordt, en zij zeiven geven er gestadig aanleiding toe. Niets mag tegen deugd of godsdienst gezegd worden, en zij hebben gelijk; maar zijn zij zeiven er niet vaak de oorzaak van ? Maken zij zeiven deugd en godsdienst door haar gedrag niet dikwijls bespottelijk? Of is het niet bespottelijk deugdzaam te willen schijnen en het niet te zijn? veel ophef te maken van de deugd, zonder die te beoefenen? anderen de les voor te houden, die zij zeiven niet kennen, en waarvan zij niets begrijpen? Zij zijn in zekeren zin gelijk aan iemand, die aanhoudend bedorven vruchten aanbiedt, die niemand koopen wil, behalve zij wier smaak bedorven is. Om aangestoken en sappelooze vruchten smakelijk te vinden moet men allen smaak verloren hebben. Zijn dan de vruchten dier boomen op geestelijk gebied, dat is, de werken van die zoogenaamde godvruchtige personen, geene be-dorvene vruchten, waaruit men hot sap der liefde heeft geperst? Zijn zij gelijk aan hen, die valsche voor echte waren aanbieden, zij gelijken ook op valsche munters, die valsch geld willen uitgeven, dat alléén de onbezonnen en onna-denkenden voor goede munt aannemen, want de werken, die den stempel der liefde niet dra-
lol
gen, zijn gelijk aan valscli geld, waarvoor men geen hemel koopt; kunnen de menschen liet niet onderscheiden, God wel, kunnen de menschen misleid worden. God nooit.
Heb ik de kenmerken der valsche godsvrucht eenigszins breedvoerig en in het oog van sommigen misschien wat scherp aangestipt, dan doe ik zulks, opdat men des te beter de ware godsvrucht kenne. Ik heb ze eenigermate ontmaskerd , opdat men wete, dat liefdeloosheid met ware deugd niet gepaard gaat, en dat de handelwijze van die zoogenaamde godvreezende personen , in geenen deele de goedkeuring dei-Priesters kan wegdragen. Ik weet, dat mij dit door sommigen euvel zal worden geduid, en wellicht zullen zij met eene zekere verontwaardiging deze regelen lezen, en misschien zelfs hare tong scherpen tegen den schrijver, en zoo ja, dan is het een teeken, dat ik den vinger op de wond gezet heb, en zij zich plichtig gevoelen. Voorzag de Zaligmaker de verontwaardiging niet der schriftgeleerden en Farizeërs ? Wist Hij niet op welke wijze zij Hem lasteren en vervolgen zouden? Heeft Hij daarom gezwegen.' Heeft Hij ze gespaard? Heeft Hij ze niet ontmaskerd voor het volk 1 Heeft Hij de menigte niet gewezen op hunne schijnheiligheid? Heeft Hij hun uitwendig vertoon van godsvrucht niet als huichelarij gebrandmerkt ? Hij kon niet dulden, dat zij door een uiterlijken schijn van heiligheid het eenvoudige volk zouden misleiden, daarom stelde Hij hen in het openbaar aan de kaak, en waarschuwde de menigte tegen hunne manier van handelen en verregaande geveinsdheid. Zij waren muggenzifters, die kameelen verslonden, dat
JONGE DOC11TEU. 7
102
is, zij maakten zonde van hetgeen geene zonde was, schenen bevreesd en angstvallig voor nietige en onbeduidende zaken, terwijl zij hunne boosheid des harten verborgen onder het masker van deugd. Dat voorbeeld des goddelijken Verlossers moet de richtsnoer zijn van het gedrag-eens Priesters; het is zijn dure plicht de eenvoudige menschen te waarschuwen tegen de handelwijze van hen, die godvruchtig willen schijnen en het in werkelijkheid niet zijn. De eenvoudige geloovigen moeten ingelicht worden aangaande de ware godsvrucht , en weten, dat deze niets gemeen heeft met de liefdeloosheid, die door haar verfoeid en verafschuwd wordt.
Vele jonge dochters zouden met alle oprechtheid een deugdzaam en godvruchtig leven willen leiden, maar wanneer zij zien, dat er onder die godvruchtige klasse velen gevonden worden, die, ondanks het menigvuldig bezoeken der kerk, en het dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten, zeer lastig van karakter zijn en zich zóó liefdeloos gedragen, dan krijgen zij een weerzin van de godsvrucht. Dat zij van zulke godsvrucht, dat is, van de valsche, een afkeer krijgen, begrijp ik, en ik kan ze geen ongelijk geven, maar daarom zijn ze niet gerechtigd het godvruchtige leven in het algemeen te veroordeelen, het dikwijls bezoeken van Jesus in zijn Sacrament van liefde, en het meermalen ontvangen van de genademiddelen onzer Moeder de H. Kerk af te keuren, want het ware wenschelijk, dat zij, die hiertoe in de gelegenheid gesteld zijn. het rneer deden, maar het zijn en blijven, in zooverre men er anderszins niet toe verplicht is, slechts middelen om de ware deugd te erlan-
103
gen; zonder liefde tot den naaste echter is er geen ware godsvrucht. Dit mogen zij met allen ernst overwegen, die, ondanks zoo vele liefde-looze behandelingen en gesprekken, toch voor oprecht godsdienstige personen willen doorgaan, opdat zij der ware godsvrucht meer nabij komen, en bijgevolg den biechtvaders meer voldoening, den naaste meer stichting geven, en zich zeiven meer geluk bezorgen mogen. Immers zulke personen, die slechts het masker van deugd en godsvrucht dragen, zijn lastig voor de biechtvaders, ergerlijk voor anderen, en ongelukkig voor zich zeiven.
Zij zijn lastig voor den biechtvader, want 1° zij willen dikwijls, zelfs meermalen in de week communiceeren, en als de biechtvader oordeelt, dat zij hoogstens op zon- en feestdagen tot de tafel des Heeren mogen naderen, dan zijn ze ontevreden, en weten vaak nu dit dan dat van hem te zeggen. 2quot; Zij spreken meermalen uit de biecht, en de woorden des biechtvaders te verdraaien, eene verkeerde uitlegging er aan te geven behoort niet tot de hoogste zeldzaamheid; de Priester nu moet zwijgen. Ware het, dat zij eerst alles vertelden wat zij den biechtvader gezegd hebben, dan konden zij, die zulke praatjes aanhooren, beter de zaak beoordeelen, maar hiervoor zullen zij zich wel wachten, 3» Zij benemen den biechtvader veel tijd, door te willen spreken over vele zaken, die in geenen deele met de biecht in betrekking staan. En 4° ware het, dat de biechtvader met eenigen grond veronderstellen kon, dat zij van lauw vurig, en in den waren zin des woords godvreezende personen zouden
104
worden, dan zou liij zich volgaarne moeite, en vele moeite voor hun zieleheil getroosten, maar helaas! hij is vaak hopeloos oene verandering ten goede in hunne handelwijze te zullen bespeuren, want zij zijn, vooral wanneer zij reeds jaren lang gewoon zijn de lichtgeloovigen door hunne schijndeugden te misleiden, schier onverbeterlijk.
Zij zijn ergerlijk voor den naaste. 1° Zijn zij schuldig aan eene geestelijke traagheid, ook van traagheid, om niet te zeggen van luiheid in den arbeid, worden zij niet zelden met recht beschuldigd. 2° Dikwijls zijn zij de oorzaak van oneenigheid, heizij door oorblazerij, met bijv. te zeggen: deze of die heeft dit of dat van u gezegd, hetzij door het geheim niet te bewaren, hetzij door iemand te lasteren, hetzij door gestadig ongegronde opmerkingen te maken. 3' Zij geven voor eene ware godsvrucht te bezitten, maar zij beoefenen haar niet, en maken de deugd belachelijk. 4° Zijn zij lastig voor den biechtvader, hun karakter is vaak onverdrage-lijk voor anderen, en daarenboven zijn ze niet zelden hoogst aanmatigend.
Zij zijn ongelukkig voor zich zeiven. 1quot; Zij zijn weinig geacht, omdat zij niet kunnen zwijgen, aanmatigend en liefdeloos zijn in hare gesprekken. 2° Men vertrouwt ze niet, ter oorzake van hare onoprechtheid, booze uitvluchten van allerlei aard. ;]0 Zij zijn niet vrij van gewetenswroeging, overtuigd dat, al kunnen zij ook den mensch misleiden, zij Dengenen tot Rechter hebben, die de harten en nieren doorgrondt. 4° Zij leven in oenen voor hare ziel hoogst gevaarvollen staat van lauwheid, loopen bijgevolg
105
groot gevaar, vroeg of laat te vallen in de doodzonde, en zouden zij ook hieraan als door een wonder ontsnappen, dan wacht haar een vreeselijk vagevuur.
«Die godvruchtig willen leven in Christus Jesus,» zegt de H. Paulus, (1) «zullen vcrvol-ging lijden.» Geen wonder dan, dat deugdzame jonge dochters, in den waren zin des woords godsdienstig, vaak uitgelachen en bespot worden. Haar stichtend voorbeeld is den wereldsch-gezinden hinderlijk, alsmede hun, die den moed niet hebben goede voorbeelden na te volden. Moeten alle weidenkenden, die prijs stellen op de deugd, hunne partij trekken en ze beschermen tegen den vuigen laster van eerlooze en valsche aantijgingen van eerrovende personen; dezulken te verdedigen, die spotten met de deugd, haar in een yalsch daglicht plaatsen, cn er alleen den schijn van hebben zonder de werkelijkheid, is onmogelijk. Zou men kunnen beweren, dat zij die, zooals eenieder weet, een afschuwelijk gelaat verbergen achter een schoon masker, zich in hunne natuurlijke gedaante vertoonen? zoo niet, dan kan men ook degenen die een zondig en liefdeloos hart achter het masker der deugd verbergen, niet als ware deugdzamen verdedigen. Wilt gij dan, jonge dochter, in werkelijkheid een godvruchtig leven leiden, neem dan zulke liefdelooze personen niet tot voorbeeld, overtuigd dat er zonder de liefde tot den naaste geen spraak kan zijn van ware godsvrucht, maar neem het gedrag van haar tot regel, die voorkomend, gedienstig, hulp-
â¢I) H. Timotli. 3. 13.
106
vaardig zijn, gaarne eene opmerking aannemen, ze ongaarne maken, in één woord, met den H. Paulus eenigermate kunnen zeggen: «.Allen ben ik alles geworden,» (1) dat is, in ieder opzicht mij naar hen voegende, voor zooveel ais plicht en geweten mij dat toelaten. In dit geval, zult gij bij allen in achting stijgen, allen zullen u hoogschatten en prijs stellen op uwe deugd; door uwen vromen levenswandel zult gij den mond der lasteraars sluiten , en door een stichtend voorbeeld menigeen tot andere en betere gedachten brengen. Niet eene dwaze maar eene wijze maagd zult gij genoemd ^worden, en het in werkelijkheid zijn, mits gij bij de olie der versterving en die der liefde tot den naaste, ook de olie der onderworpenheid voegt, immers zonder de vermenging van deze drievoudige olie, zal uwe lamp niet branden.
§ III,
De olie der gehoorzaamheid.
Zal iemand die gehoorzaamt van zegepralen spreken, (2) zij die niet gehoorzaamt, maar eigenzinnig, stijfhoofdig is, en gehecht aan hare eigene zienswijze, zal door hare vijanden meer bestormd en vroeg of laat overwonnen worden; meer dan eene nederlaag staat haar te wachten. De eigenzinnigheid is een gevolg der hoovaardij, immers eene nederige ziel onderwerpt zich blijmoedig. «Daar God den hoo-vaardigen wederstaat,» zooals de Apostel Jacobus (3) zegt, hoe kan dan eene eigenzinnige persoon
1) I Corinth. 9, 22. â 2) Prov. 21. 28. â 3) Job 4. 6.
107.
op de genade des Heeren rekenen, wieu zij zoo vaak weerstreeft, door niet te luisteren naar lien, die zijne plaats bekleeden? Kan zij zonder de genade niets, hoe zal zij dan op den duur der bekoring weerstand bieden? Immers hiervan zijn zelfs de godvruchtigste personen niet bevrijd. De ondervinding leert dan ook, dat zij die godvruchtig willen leven, maar volgens hare eigene en persoonlijke opvatting, aan zeer groote gevaren zijn blootgesteld, en niet zelden tot zware zonden vervallen. Even gelijk een kasteel, dat niet op vasten grond gebouwd is, bij een hevigen storm instort en tot puin vergaat, zoo zal liet kasteel der liefde Gods, dat eene jonge dochter, die in de wereld den maagdelijken staat beleeft, wil opbouwen, misschien de aandacht van dezen of genen kunnen trekken, maar als hot de gehoorzaamheid niet tot grondslag heeft, zal het, bij een hevigen storm, dat is, door zware bekoringen aangevallen, weldra instorten, en zij die godvruchtig wilde zijn, niet in het oog van God, maar in dat der menschen, zal aan hare hartstochten prijsgegeven worden.
Zij die eigenwijs zijn en zich zeiven willen besturen, zijn gelijk aan eene zieke jonge dochter, die, na den geneesheer te hebben ontboden, hem nagenoeg aldus toespreekt: ik gevoel mij niet wel en daarom wil ik u eens raadplegen over mijnen toestand, maar ik zal u zeggen, op welke wijze gij mij behandelen moet. Het veel spreken moet gij mij niet verbieden, evenmin het uitgaan; bittere medicijnen moogt gij niet voorschrijven, want ze bevallen mij niet. Gij moet mij met groot geduld aanhooren, veel
108
belangstelling toonen, mij laten uitpraten en niet onderbreken, want ik ben zeer zenuwachtig, eindelijk mij alles toestaan wat ik u vraag. Wat dunkt u van zulke zieke? Wat zal de dokter haar antwoorden? Zal hij het met zijn geweten kunnen overeenbrengen, in alles haren zin te volgen ? Zal hij haar niet veeleer zeggen: gij moet u zelve maar genezen, gij hebt geen geneesheer noodig ? Wat zal er het gevolg van zijn? Haar toestand blijft kwijnend en wordt weldra hopeloos. Dit is vaak het geval met zoogenaamde godvruchtige zielen, die ondanks het woord des H. Geestes: «wil niet wijs zijn bij ii zeiven,» zich laten voorstaan alles beter te weten dan een ander, zelfs beter dan hij die üods plaats bekleedt en haar besturen moet. Zij komen bij dien geestelijken geneesheer, en zeggen wel niet met den mond: zóó en zóó moot gij mij behandelen, doch hare handelwijze verkondigt het maar al te luide. Zij raadplegen hem in vele zamp;ken, maar volgen dan alléén den gegeven raad, wanneer hij strookt met hare eigen wijze van zien. Van gegronde opmerkingen willen zij niet hoeren, van vernederingen niets weten, steeds willen zij dat de biechtvader van oprechte belangstelling blijken geve; dat immers streelt hare eigenliefde. Met geduld moet hij haar aanhooren, hoe weinig van beteekenis zij te zeggen hebben. Ondanks hare onverstandige redeneering, willen zij altijd gelijk hebben; in één woord; wil men haar tevreden stellen, dan zou de biechtvader naar haar, zij niet naar den biechtvader moeten luisteren.
Zij die in den waren zin des wpords een
100
godvruchtig leven leiden, handelen zóó niet. Wij zien het in het leven der heiligen. Eene H. Te-resia werd meermalen door haren biechtvader op de proef gesteld. Was het hare beurt om to biechten, dan ging hij soms herhaalde malen achtereenvolgens den biechtstoel uit, en liet haar wachten, maar' van ongeduld of zenuwachtigheid was bij haar geen spoor te vinden. Eens schreef zij hem om zijn raad in te winnen; aanstonds ontving zij antwoord, maar toen zij den brief opende, waren de eerste woorden; in zóóveel dagen moogt gij hem niet lezen. Van ongehoorzaamheid of tegenspraak van haren kant, was geen spraak. Als God haar iets openbaarde, en zij hiervan de volkomen zekerheid had, onderwierp zij zich aan de beslissing des biechtvaders; God keurde hare handelwijze goed, en prees hare gehoorzaamheid. Moe zou dan God de eigenzinnigheid en weerspannigheid kunnen goedkeuren van velen, die verlangen dat de biechtvader haar gehoorzaam ware? Prijst God de gehoorzaamheid, de eigenzinnigheid weet hij op zijn tijd te strafl'en. Een ander voorbeeld van gehoorzaamheid. De biechtvader van de H. Elizabeth, koningin van Hongarijen, gebood haar, zich te ontdoen van twee getrouwe bedienden, die haar altijd in de harde beproevingen ter zijde hadden gestaan, en in de plaats van deze zond hij haai' twee andere vrouwen; de eene was oud, terwijl zij tevens een zeer lastig karakter had, en de andere hardhoorig om niet te zeggen doof. Zwaar was zulk gebod, maar ongehoorzaam zijn was haar niet mogelijk. Hieruit volgt, dat eigenzinnige en ongehoorzame personen, die voor godvruchtig willen door-
410
gaan, het niet in werkelijkheid zijn, ot dat de heiligen, door de H. Kerk op het altaar geplaatst, de ware godsvrucht niet begrepen hebben, maar wie zou dit laatste durven beweren? Hebben de heiligen uit liefde tot Hom, die ter liefde van ons gehoorzaam is geweest tot den dood, en tot den dood des kruises, der gehoorzaamheid zulke zware offers gebracht, dan kunnen en moeten zij, die eenigermate hunne voetstappen willen drukken, zich ook met een bereidvaardig hart, een veel minder zwaar voorschrift laten welgevallen , bijv. als de biechtvader zou goedvinden dat zij nu en dan eens van de tafel des Heeren verwijderd blijven.
Een vurige, maar daadwerkelijke liefde tot God, ziedaar de ware godsvrucht, doch hoe kunnen zij hierop aanspraak maken, die den wil van God zoo vaak weerstreven? Geldt het zaken van gewicht, waartoe men op zware zonden verplicht is, dan kan er van Gods liefde geen spraak meer zijn, maar in zaken van minder ernstigen aard zich niet onderwerpen aan hen, die Gods plaats bekleeden, getuigt van eene zeer koele liefde, en daar de ware degelijke godsvrucht eene meer dan gewone liefde veronderstelt, mogen zij, die naar den biechtvader niet luisteren, zich geene godvruchtige personen noemen. Eene werkelijk godvreezende jonge dochter beschouwt het woord des biechtvaders als het woord van God, zoo ook het woord van hare ouders en oversten. Zij echter, wier gehoorzaamheid in alles wat geene zonde is, veel te wenschen overlaat, mag zich niet onder het getal der godvruchtigen rekenen. Zonder de nederigheid geene gehoorzaamheid, en zonder de
Ill
gehoorzaamheid geene ware godsvrucht; derhalve moet zij die als maagd in de wereld tot de godvruchtige klasse behooren wil, de nederigheid behartigen, en op deze deugd zich met allen ijver toeleggen, want zonder de nederigheid zal haar de maagdelijkheid niet baten. Zou het geene schande zijn voor haar, na over de bekoringen, die het hevigste zijn, namelijk tegen de engelachtige deugd, te hebben gezegepraald, door die, welke veel minder zijn, te worden overwonnen? Wat meer is, zij loopt gevaar op te houden te zijn hetgeen zij is, te weten eene in Gods oog zuivere maagd. De zuiverheid zonder de nederigheid zal u, jonge dochter, niet in den hemel brengen. De woorden van den H. Ber-nardus, (1) mag ik hier ter plaatse u wel herinneren, zij zijn te schoon en te doeltreffend om ze niet aan te stippen. Na gesproken te hebben over de nederigheid van de Maagd Maria, zegt hij; «Gij hoort het, zij is maagd, gij hoort het, «zij is nederig. Indien gij de maagdelijkheid «niet kunt navolgen van haar die nederig is, « volg dan de nederigheid na van haar die maagd «is. De deugd der maagdelijkheid is prijzens-« waardig, maar noodzakelijker is de nederigheid, «gene wordt aangeraden, deze bevolen; tot «gene wordt gij uitgenoodigd, tot deze verplicht; «van gene wordt gezegd; die het vatten kan, «hij vatte het, van deze, tenzij iemand worde «gelijk dit kleine kind, zal hij het rijk der hesmeien niet binnengaan. Gij zult zonder de «maagdelijkheid zalig kunnen worden, niet zon-«der de nederigheid. De nederigheid, die treurt
1) Super Missus etc.
112.
«over de verlorene maagdelijkheid, kan (Gode) «behagen, maar zonder de nederigheid, ik durf «liet zeggen, zou zelfs de maagdelijkheid van «Maria (Hem) niet behaagd hebben. Dat hare «maagdelijkheid Gode behaagde, heeft zonder (f twijfel hare nederigheid bewerkt. Wat zegt gij, «trotsche maagd? Maria als vergetende dat zij «Maagd is, draagt roem op hare nederigheid, «en gij, die de nederigheid verwaarloost, vleit «u met uwe maagdelijkheid. Hij zag, zegt zij, «neder op de nederigheid zijner dienstmaagd. «Wie was zij? Zeker eene heilige Maagd, eene «matige Maagd, eene godvruchtige Maagd. Zijt «gij reiner dan zij? of is uwe zuiverheid Gode «aangenamer dan die van Maria, zoodat gij «meent ter oorzake van uwe zuiverheid Gode «te kunnen behagen zonder de nederigheid, «hetgeen zij niet vermocht ter oorzake van « hare zuiverheid ? »
Uit dit alles zien wij, dat tot de ware godsvrucht iets meer vereischt wordt dan alleen ongehuwd te blijven, en dat allen die den maagdelijken staat beleven, al zouden zij ook tot het getal der godvreezende personen willen gerekend worden, daarom nog niet in den waren zin des woords godvruchtig zijn. Godsvrucht die niet gegrond is op de zelfverloochening, of de versterving die niet gepaard gaat met eene oprechte liefde tot den naaste, niet geregeld wordt door de gehoorzaamheid, verdient den naam van ware niet. Zoudt gij derhalve, jonge dochter, in den maagdelijken staat, niet onder de dwaze, maar wijze maagden willen gerangschikt worden, dan moot gij 1° een min of meer verstorven leven leiden. Zoudt gij den moed niet hebben,
413
ii in vele zaken te versterven, getroost u dan minstens die verstervingen, welke anderen u aandoen, en maak van de noodzakelijkheid eene deugd. 2° Niemand niet alleen ontstichten, maar allen eene oprechte en bovennatuurlijke liefde toedragen, allen beminnen met de daad en in waarheid, zonder de liefde te kwetsen door woorden noch door werken, dit althans moet nw voortdurend streven zijn, indachtig's Heeren woord: «gij zult uwen naaste beminnen gelijk «u zeiven.» 3° Moet gij u in alles, wat niet duidelijk eene zonde is, aan allen onderwerpen, die met het wettig gezag bekleed zijn. De gehoorzaamheid moet al uwe geestelijke oefeningen regelen, zij, niet uw eigen wil moet het richtsnoer zijn van al uwe handelingen, indachtig het woord des H. Geestes; «een gehoorzaam «mensch zal van zegepralen spreken.» Op deze wijze en niet anders, zal uwe lamp, gevuld met de olie der versterving, met de olie1 der liefde tot den naaste, en mei de olie der gehoorzaamheid, zeer goed branden, zoodat, wanneer de Bruidegom komt, al is het ook te middernacht, gij met Hem de bruiloftszaal zult binnengaan, dat is, den hemel, om daar met het goddelijk Lam bruiloft te vieren in eeuwigheid, Amen. Zoo zij het, zoo geschiede het.
_____
.
I IVTH O U D.
Bladz.
Opdracht...............
Voorbericlit.............vu
HOOFDSTUK I.
Over de gevaren der wereld in het algemeen 1
HOOFDSTUK II.
Over de gevaren der wereld voor eene jonge
dochter in het bijzonder........ 9
HOOFDSTUK III.
Over de behoedmiddelen, die zij moet gebruiken 17 Deze zijn:
§ I. De leerzaamheid........-19
§ II. De nederigheid.....; 24
§ 111. De waakzaamheid........29
HOOFDSTUK IV.
Over een staat des levens in het algemeen . 38 HOOFDSTUK V.
Over den huwelijken staat .......46
Betrekkelijk dezen staat moet zij zich in acht nemen:
§ I. Voor voortvarendheid.......48
§ IF. Voor eigenzinnigheid.......52
§ III. Voor zinnelijkheid........55
H(j
Bladz.
HOOFDSTUK VI.
Over den kloosterlijken Staat ....... 59
Met betrekking tot dezen staat wordt van eene
jonge dochter gevorderd:
§ I. Dat zij eenige kennis hebbe van het
kloosterlijk leven........71
§ II. Dat zij zich van te voren ecnigermate
beproeve...........77
§ III. Dat zij met eene zuivere meening bezield zij ...........81
HOOFDSTUK VII.
Over den mnagdelijken staat........85
Eene jonge dochter, die dezen staat beleven wil, moet zorgen in hare lamp te hebben :
§ I. De olie der versterving......90
§ H. De olie der liefde tot den naaste ... 96 § III. De olie der gehoorzaamheid .... 106
â â =#
-l â quot;amp;.
';⢠â¢â¢'
⢠I
jp
*
#
m
tm
,.'f
-â â - ët' quot;'; m
Ã-W/ â¢v\ ' ,
Sp*
iV,|J -l