DE
latholieke Jongeling
Q
!«♦
!
l5xj ■ IN DE
?h Kedendaagsche Wereld
AUQUSTINUS EOOER,
Bisschop van St. Gallen.
a
s
m
f?'S
jamp;r'.
5V..
,., ;V v:,: , ,
: ■■ v , '
■■ 'v.
, - '
-Lï,;: '.V '
lt;*.. -
'r '.
' gt;;■• ■gt;
SPV';?•■amp;. ','•■■
■fr'Hi]
..-f
yV- ■
v - : •'■;• .wv.-: •,
Sfe.
Ur '■■■^;
;r'
IN DE HEDENDAAGSCHE WERELD.
gt;quot; Hedendaassche Wereld.
000R
Uit het Duitse ii vertaald 1
DOOR /
L. STOLK,
R. K. Pr. en Kap.-n»^ ii ■ V -
----gt;-lt;D3gt;-c---
W fe' H W? i _ i J
LEIDEN,
J W VAN LEEUWEN.
Maarsmanssteeg.
VOORWOORD
0an de Duitsche uitgave dezer ,,l)rieven aan een Jongeling door Augustinus Egger, Bisschop van St. Gallenquot;, is reeds de vierde druk verschenen. Wel eeti bewijs, dat hunne verschijning welkom was. Ik durf hopen, — zoo het oorspronkelijke door de vertaling niet al te veel heeft geleden, — dat zij ook in ons vaderland door veler handen zullen gaan en de lezing daarvan tal van Jongelingen in him geloof en in hmne goede zeden zal versterken.
De Vertaler
Leiden, 1891.
it boekje is vie er bijzonder bestemd voor de Jongelings- en Gezellenvereenigingen. De gewone gevaren der werkplaats zijn ook die van de fabrieken en de kazernen. Zij doen zich in dezen of genen vorm ook voor in het leven van studenten en jonge kooplieden ja van bijna ieder en jeugdigen christen. Den jongelingen van mijn bisdom moge het werkje tot gids dienen in het broederschap der heilige Familie.
St. Gallen,
28 December 1889.
t Augustinus, Bisschop.
IMPRIMATUR:
Voorschoten, M. Bern sen,
Die 28 Januarii 1891. Libr. Censor.
I.
DE KENNIS VAN ZICH ZELVEX.
Waarde Jongeling!
Jl et groote vreugde meldt gij mij uw aanstaand vertrek naar B., waar gij u voor uw toekomstig beroep gaat bekwamen. Hoezeer ook uwe blijdschap begrijpende, kan ik haar echter niet deelen; ja, ik wenschte zelfs de zaak nog ongedaan te kunnen maken en wel om redenen, die ik u niet verzwijgen wil.
IO DE KENNIS VAN ZICH ZELVEN.
Op een leeftijd, waarin uw karakter zich e
vormen moet, komt gij in eene groote stad, 1'
waar gij aan alle invloeden van het mo- e
derne denken en leven zijt blootgesteld. d
Ik weet hoe gij van huis heengaat, maar h
hoe gij daar zult wederkeeren, is eene vraag, li
die mij niet weinig verontrust, vooral als v
ik er aan denk, wat er van zoo menigeen e
van uwe jaren onder gelijke omstandighe- 1
den geworden is. Alvorens echter hierover £
in bijzonderheden te treden, wil ik u over i iets spréken, dat nog van meer gewicht
is en u toch niet genoegzaam bekend schijnt, \
en dit betreft namelijk u zeiven. 1
Vooreerst valt op te merken, dat jonge- j
lingen en jonge mannen, van wie men in i
hunne jeugdige jaren dezelfde verwachtingen 1
mocht koesteren, in het midden der wereld 1 gekomen, dezelfde beproevingen en beko- ' '
ringen niet op dezelfde wijze doorgestaan £
hebben. De een worstelt zich door alle t
DE KENNIS VAN ZICH ZELVEN
ergernissen en aanlokselen der zonde gelukkig heen, keert als een man van karakter en als een oprecht christen weder, terwijl de ander voor de stormen bezwijkt en helaas ! voor tijd en eeuwigheid schipbreuk lijdt. De uitwendige omstandigheden alzoo, waarin gij geplaatst wordt, beslissen niet enkel over uwe toekomst, de beslissing ligt in uw binnenste. Kent gij dat binnenste goed en houdt gij dit in orde, dan ook mag men van u en voor u het beste hopen.
Sta mij toe, dat ik u een kleinen spiegel van uw binnenste voorhoude. Gij verlaat het vaderlijk huis als een onbedorven jongeling, voor wien geloof en deugd geen ijdele klanken zijn en die ook den wil heeft om deze kostbare schatten hoog te blijven waardeeren. Maar bij het verlaten van uw vaderlijk huis, neemt gij ook eene groote hoeveelheid zwakheden en hartstochten mede, waarover ik u niet lastig
II
12 DE KENNIS VAN ZICH ZELVEN.
wil vallen, als zijnde deze uwen leeftijd eigen. Zoo hebt gij het nog niet vergeten, hoe gij op de school een der beste leerlingen waart. Gij hebt ter nauwernood eenig begrip van uw geringe en gebrekkige kennis en van uwe onvoldoende zedelijke kracht. Dientengevolge bezit gij een al te groote mate van zelfvertrouwen; gij meent sterk genoeg te wezen om .alles wat u in handen komt zonder gevaar te kunnen lezen, om met volle zekerheid tusschen waarheid en dwaling te kunnen beslissen, om in uw zedelijk leven gemakkelijk den rechten weg te kunnen vinden. Daarbij hebt gij een prikkelbaar gemoed, dat zeer licht door iets, hetwelk zulks te recht of ten onrechte verdient, in vuur en vlam wordt gezet. Gij zijt levenslustig, een liefhebber van vroolijke gezelschappen en geeft u zonder eenige achterdocht over aan den prettigen geest, die in zulke kringen gewoonlijk heerscht.
DE KENNIS VAN ZICH ZELVEN. 13
Dat u dit alles tot heden nog geen schade heeft toegebracht, is hoofdzakelijk niet uwe verdienste en ook volstrekt niet opvallend. Wie uw ouderlijk huis en uwe woonplaats kent, zou zich juist verwonderen, indien het anders was, daar gij immers in godsdienstig en zedelijk opzicht tot nog toe op het best beveiligd waart. Bleeft gij voor het vervolg in gelijke levensomstandigheden, dan zou ik met reden vertrouwen, dat uwe levendige natuur wel, zonder u nadeel toe te brengen, tot bedaren zou komen en dat zich weldra in u een vast en mannelijk karakter vormen zou.
Maar als bij tooverslag komt er nu voor u een tweevoudige verandering. Gij verwisselt de veiligheid, waarin gij u tot nu bevondt en het rustige leven van het ouderlijk huis met het woelige leven van eene groote stad, waar uw godsdienstig en zedelijk leven met tallooze gevaarlijke invloeden,
14 DE KENNIS VAN ZICH ZELVEN.
voorbeelden, aanlokselen en gelegenheden wordt bedreigd, van welke gij tot nu toe geen begrip, veel minder ondervinding hadt. En terwijl van den eenen kant de gevaren talrijker zijn, mist gij van den anderen kant den steun, dien gij tot nu toe genoten hebt. Het gestrenge vaderlijk bestuur, dat u tegen de gevaren beschutte, houdt op; tot nu toe als zoon des huizes veilig bewaakt, wordt gij voortaan uw eigen meester en daarmede dringt de ernstige verplichting zich bij u op om steeds als een man te handelen. Of gij zulks doen zult, dat is juist de groote vraag, die mij nu eens met hoop en dan wederom met vrees vervult.
\
II.
DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS DES GELOOFS.
Waarde Jongeling!
aw an alle menschen, met wie gij te B in aanraking zult komen, ken ik niemand. God geve, dat allen u daar tot stichting dienen; maar ik vrees dat de kringen, waarin gij u voortaan zult bewegen, wel -wezen zullen, zooals zij tegenwoordig in de meeste steden zijn. Ik kan ze u daarom vooruit reeds afschilderen, ofschoon afwijkingen niet
16 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
zijn buitengesloten, en deze of gene pen-seeltrek mogelijk min of meer op den voor-of achtergrond zal treden.
Gij werkt met meerdere jongelieden van uwen leeftijd en van uw beroep tezamen; waarschijnlijk zult gij met hen kost en inwoning deelen, u ontspannen en uitstapjes maken, ja mogelijk van hen nieuwsbladen en boeken ter lezing krijgen. Lang kan het niet duren, of gij zult bemerken, in welk soort van gezelschap gij gekomen zijt. Ik wil u heden slechts wijzen op hetgeen u onder godsdienstig opzicht te wachten staat. Godsdienst en geloof zijn zoozeer eene natuurlijke behoefte voor den mensch, dat ook zij, die jegens beiden vol haat en afkeer zijn, er met hunne gedachten voortdurend mede bezig zijn. Wijl zij daaraan moeten denken, er van moeten spreken, doen zij zulks gelijk de boosheid van hun hart het hun ingeeft. Wie maar eenigszins
DES GELOOFS.
met de ongeloovige dagbladen- en brochu-ren-literatuur van onzen tijd bekend is, hij weet ook welke gesprekken er zoo al gevoerd worden. Immers van al wat de he-dendaagsche pers en literatuur aan lasteringen van het meest heilige, aan valsche en verdraaide beschuldigingen tegen de kerk, hare dienaren, haar leer en hare gebruiken in voorraad heeft, druppelt het smakelijkste en gemeenste meestal neder in de onderste lagen van den handwerkers- en arbeidersstand, om straks in ruwe herbergtaal ten beste gegeven te worden. Moeilijk zult gij het aanhooren van zulke dingen bij den arbeid, aan tafel enz. kunnen ontgaan. Als er onder vijf personen slechts een godde-looze is, heeft deze vaak meer onbeschaamdheid als de vier christenen te zamen moed bezitten en geeft hij met zijne ergerlijke taal den toon aan. Wat zal het niet wezen, als de meerderheid van het gezelschap, ja
2
17
18 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
als allen gelijken toon aanslaan? Ik geloof wel niet, dat zoodanige gesprekken reeds aanstonds uw geloof in gevaar zullen brengen, maar de christen moet niet enkel het geloof bezitten en bewaren, hij moet het ook belijden. En zulks is in die omstandigheden voor een man op rijperen leeftijd, laat staan voor een jeugdigen christen, geen gemakkelijke taak. En toch is het gebiedend noodig en zeker ook mogelijk, zoo gij goedgezind uw plicht betracht.
Allereerst zij gezegd, dat gij u met dit soort van lieden slechts moogt ophouden, in zooverre gij hen niet mijden kunt. Gij moogt hen niet tot uwe vrienden en vertrouwelingen maken ; gij zijt verplicht voor zooverre het van uwe keuze afhangt, b. v. bij vermaken of uitstapjes met betere vrienden om te gaan.
Waar de nood u dwingt om bij zulke onchristelijke gesprekken tegenwoordig te
DES GELOOFS. .19
zijn, moogt gij niet meêspreken. Niet zelden gebeurt het, dat jeugdige christenen uit lafhartigheid, zooals men liet noemt met de wolven meehuilen en tegen beter weten en tegen hun geweten in, hunne kerk en hun geloof helpen bespotten; daardoor worden zij vaak schuldiger dan de godde-loozen zeiven. Deze toch belasteren meestal het een of ander, dat zij niet verstaan, terwijl zulke christenen loochenen wat zij gelooven, en bespotten wat zij voor heilig en goddelijk houden. Hoe gruwelijk is zulk een gedrag niet slechts voor God maar ook voor de menschen!
Of gij al of niet verplicht zijt, om hetgeen lasterlijk gesproken wordt tegen te spreken, is eene vraag, die zich niet voor alle voorkomende gevallen met ja of neen Iaat beantwoorden. In het algemeen zijn woordentwisten over den godsdienst niet enkel onvruchtbaar maar ook nadeelig. Hierover
20 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
zegt de H. Paulus: bewaar het toevertrouwde pand en vermijd de onheilige nieuwe woorden en de tegenstellingen der valschelijk zoogenaamde wetenschap, door -.velke te belijden, sommigen ten aanzien van het geloof zijn afgevallen. (1 Tim. 6 : 20.) Doch de onheilige en ijdele redeneeringen, vermijd die; want zij bevorderen zeer de goddeloosheid en hun woord kruipt voort als een kanker. (II Tim. 2 ; 17.)
Uw voornaamste antwoord zal dus het zwijgen zijn, omdat met tegenspreken toch niemand bekeerd wordt. Hierop is eene uitzondering te maken, wanneer men namelijk tot belijdenis van zijn geloof genoodzaakt wordt en zwijgen eene lafhartige verloochening van het geloof zou schijnen. Verder kan men zien of die goddelooze gesprekken bij den arbeid en bij andere gelegenheden niet op de eene of andere wijze te keeren zijn. Misschien dat er onder
DES GELOOFS.
21
uwe kameraden eenige verstandigen zijn, die zich laten bewegen om daartoe meê te helpen. In dit geval moet gij met deze te rade gaan, hoe zulks het best kan geschieden. Zoo echter zulke gesprekken weken, ja maanden achtereen worden voortgezet, kan van tijd tot tijd een weloverdacht woord te pas worden gebracht. Wanneer ik u ga zeggen, hoe zulks moet gedaan worden, bedoel ik daarmede volstrekt niet, dat gij die woorden bij de eerste de beste gelegenheid letterlijk moet gebruiken. Ik geef slechts voorbeelden, die voor menig geval kunnen te pas komen of met eene kleine wijziging te gebruiken zijn. Maar in elk geval moet niets zonder goed overleg en voorbereiding gezegd worden. Liever gezwegen dan den onbeschaamden tegenstander gelegenheid gegeven tot eene schijnbare overwinning. Ook redetwiste men niet lang, anders gaat de indruk van het ook
2 2 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
nog zoo goed te pas gebrachte woord verloren.
a. Ik heb dezer dagen allerlei ergerlijke zaken over personen, leerstukken en voorschriften van den katholieken godsdienst hooren bespreken. Enkele daarvan kan ik zelf beoordeelen en alleen daarover wil ik dus van antwoord dienen Men heeft gezegd5 dat de Katholieke Kerk de heiligen aanbidt; dat zij zonden vergeeft, die men voornemens is te doen en waarover men dus geen berouw hebben kan; dat zij in de Mis afgoderij pleegt en de Mis aan de heiligen opdraagt Zie, hier is mijn catechismus en daarin kimt gij zwart op wit lezen, dat deze beweringen onwaar zijn. De andere beschuldigingen zijn evenzeer onwaar, maar ik ben niet geleerd en ervaren genoeg, om daarover te redetwisten. Maar ik neem het op mij, om u bij eenen katholieken priester te brengen, of hem uit te noodigen hier te komen, of ten minste bij hem inlichtingen te gaan vragen. Wien het om de waarheid te doen is5 kan daarop niets tegen hebben, maar wie de waarheid niet hooren wil, doe ons het genoegen zijne praatjes voor zich te houden.
b. Velen spreken over den Paus en het Paus-
23
schap, zonder te weten of hetgeen zij zeggen waar of valsch is. Ik ben geen geletterde, maar ik heb indertijd mijn catechismus geleerd en later meer uitgebreid onderricht in de godsdienstleer ontvangen, en ik kan u verzekeren, dat al het kwaad, hetwelk men van den paus zegt, laster is.
1. De onfeilbaarheid van den Paus is niet hierin gelegen, dat de Paus geen zonde kan doen, — hij heeft zelf een biechtvader. — Zij bestaat ook niet hierin, dat hij voor zijn persoon niet dwalen kan. Als een paus boeken schrijft, dan hebben deze een menschelijk gezag, gelijk de boeken van andere geleerden — maar de pauselijke onfeilbaarheid komt hierop neer, dat de Paus niet dwaalt, wanneer hij als leeraar der Kerk verklaart, wat de door God geopenbaarde leer is Wilde Christus, dat Zijne leer niet door de kortzichtigheid en de willekeur der menschen misvormd en ten laatste geheel zou verloren worden, dan moest Hij wel zulk eenen on-feilbaren leeraar aanstellen
2. De misslagen der Pausen worden dikwerf overdreven, vele daarvan zijn loutere verzinsels en bewijzen bovendien volstrekt niets tegen het Pausdom. Herder, een verlicht protestant, die meer dan wij
24 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
van de geschiedenis der pausen heeft gelezen, zegt; „Er bestaat geen stand op aarde, die zoo heeft uitgemunt in geestesgaven en in deugd als de grootsche rij der pausen Hunne 'gebreken zouden niet opgemerkt zijn geworden, als het geen zedelijke onvolmaaktheden der Pausen waren.quot; Als hel andere vorsten betrof, zou men er niet eens melding van maken Wie over deze misslagen der Pausen valt, hij geeft juist daarmede toe, dat de Paus een hoogere plaats inneemt dan de vorsten en koningen der aarde en daarom ook aan hoogere eischen beantwoorden moet.
3 De pauselijke macht geeft eerder stof tot bewondering dan tot beschimping. In de christenvervolgingen zijn zeven en twintig Pausen als martelaars gestorven, een lange rij van Pausen was jaren lang in ballingschap of in de gevangenis en nog altoos is het Pausdom dar.r. Is dat niet de vervulling van het Woord: Op deze Steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen? (Matth. 16 : 18.)
Op het oogenblik is de Paus arm, zonder bezittingen en zonder vast inkomen Jaarlijks heeft Hij honderd duizenden noodig voor het bestieren der
DES GELOOFS. 25
Kerk en voor hare noodlijdende leden in Italië en over de gansche aarde; en Hij ontvangt die niet gelijk de wereldlijke Staatshoofden door belasting-dwang, maar door de vrijwillige offers der geloovigen. Hij is zonder eenige aardsche macht en toch buigen zich de koningen en volkeren der aarde met achting en eerbied voor Hem. Zeker is zulks wel opvallend en niet met lasterlijke praatjes te verklaren of weg te spotten.
c Ik ben van meening, dat de gesprekken, die tegen den godsdienst en de kerk gevoerd worden, ook door weldenkende ongeloovigen niet worden goedgekeurd; want deze hebben achting en eerbied voor de godsdienstige overtuiging van anderen, al deelen zij haar ook niet. Het is eene grofheid om zaken te bespotten, die millioenen heilig zijn; het is onrechtvaardig en onverdraagzaam, om voor zich zeiven de vrijheid te eischen van niet te gelooven en degenen, die de vrijheid en het recht gebruiken om wel te gelooven, daarom te bespotten en te vervolgen. Friedrich II was ook een ongeloovige en toch zeide hij, dat men het aan iedereen moest overlaten, om volgens zijne manier zalig te worden. Wie niets beters weet te doen. moet ten minste
26 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
zoo fatsoenlijk en verdraagzaam zijn om overeenkomstig dit beginsel te handelen. Wanneer den ongeloovigen door degenen, die wel gelooven, niets in den weg wordt gelegd, moet men ook hen rustig hun weg laten gaan. Wij hebben hier geen theologische verhandelingen, en nog minder theologische twisten van noode.
d. Was de Katholieke Kerk inderdaad zoo, als zij door vele harer tegenstanders wordt voorgesteld, dan moest zij bij uitstek onzinnig en slecht zijn. Voorzoover ik de Katholieke Kerk ken, is dit niet het geval. Zeker, daar gebeurt onder de Katholieken soms wel het een of ander, dat niet zijn moest, maar dit geschiedt niet omdat zij Katholieken zijn, maar wijl niet allen goede Katholieken zijn. Zouden alle Katholieken overeenkomstig het geloof en de geboden handelen, dan zouden zij ook allen de beste burgers en de edelste menschen zijn. Men mag alzoo de Kerk niet voor hunne fouten verantwoordelijk stellen. Hetzelfde geldt ook van de priesters en kloosterlingen, aan wie overigens de wereld vaak tegen haar wil den cijns der achting en dankbaarheid betalen moet.
e. Voor de bewering, dat de mensch van apen
i jmi IIIIWBMHMMHI—imWWWIBIIIWIIHI' iquot; WHITWI
DES GELOOFS.
afstamt, dat hij geen Schepper heeft, dat de wereld van zelf ontstaan is, is er niet veel verstand en geleerdheid, maar slechts een zekere hoeveelheid brutaliteit noodig Luister eens naar een korte geschiedenis. Een schipbreukeling werd op een eenzaam eiland geworpen. Na in verscheidene dagen niet het minste spoor van menschelijke bewoners ontdekt te hebben, vindt hij ergens een driehoek in het zand afgeteekend. „Goddank!quot; zoo roept hij uit, „daar is een mensch geweest!quot; Wanneer nu een driehoek in het zand slechts door de hand eens menschen ontstaat, welk verstandig mensch kan dan nog beweren, dat de Schepping met have wondervolle samenstelling zonder Schepper ontstaan kan zijn?
Overigens zijn wij beiden te weinig ontwikkeld om met elkaar over zulke zaken te strijden. Maar nu wij toch met elkaar aan het praten zijn, wenschte ik wel een antwoord op de volgende vraag: Thans komt het ei van de kip en de kip van het ei; maar als er geen Schepper is, wie of wat is er in den beginne dan het eerste geweest, de kip of het ei?
f. Hoevelen er ook in onze dagen zijn, die het bestaan van God en duivel, hel en onsterfelijkheid driestweg loochenen, zoo maakt dit op mij niet den
27
28 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
minsten indruk. Het ongeloof is als een ziekte, die zich dan telkens vertoont, als een volk of de maatschappij tot zedenbederf en zingenot vervalt Wijl dit in onze dagen wederom het geval is, vindt het ongeloof zulk een vruchtbaren bodem.
Maar zie eens, van de millioenen en millioenen menschen die sinds Adam geleefd hebben, maken de ongeloovigen slechts een allerkleinst deeltje uit Alle volkeren, de heidenen niet uitgezonderd, hebben aan het bestaan van een hooger wezen en aan de onsterfelijkheid der ziel geloofd, hoezeer dan ook dit geloof misvormd is geworden. Aldus beschouwd, is het ongeloof niets meer dan de treurige afdwaling van eene onbeduidende minderheid. Hier komt nog bij, dat zelfs die zoogenaamde ongeloovigen hunne eigen zaak niet vertrouwen en bij den aanblik des doods tot inkeer komen. De wijze Plato, die vierhonderd jaren voor onze christelijke tijdrekening leefde, heeft de belangrijke opmerking gemaakt, dat degenen, die tijdens hunne gezonde dagen met allen godsdienst spotten, bij het naderen van den dood weer angstig begonnen te worden voor de hel En toch waren er in die dagen nog geen zoogenaamde papen. Sinds dien tijd staat het ongeloof volstrekt
29
niet vaster in zijn schoenen. De vaders van het hedendaagsche ongeloof, de Fransche Encyclopedisten, hebben de een na den andere in hunne ziekte om een priester geroepen. Dat komt tegenwoordig nog menigmaal voor, ofschoon dikwerf de priester niet toegelaten wordt. Men heeft zelfs afzonderlijke ver-eenigingen opgericht, b.v. die der Solidairs om hem den toegang te beletten. Minstens bewijst dit, hoe diep het geloof aan God en aan de eeuwigheid in 's menschen ziel, ook in die van den ongeloovige wortelt en dat het van hen eene dwaasheid en eene vermetelheid is, met die zaken den spot te drijven; immers de onzichtbare wereld blijft zooals zij is en de hel houdt niet op te bestaan, hoe velen haar
ook durven loochenen.
♦ ♦
*
Met deze en soortgelijke opmerkingen zult gij slechts iets uitrichten, wanneer gij een geestelijken raadsman hebt, die u met gepaste wenken en boeken ter zijde staat, en wanneer men in u een christen ziet, dien men in zijn geloof niet te na moet
30 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
komen en die bovendien niet strijdzuchtig is, maar gaarne vriendelijk en in vrede en blijdschap met iedereen omgaat. Ook nog op andere wijzen zult gij belijdenis van uw geloof moeten afleggen. Wanneer men ziet, dat gij dagelijks bidt en des Zondags ter kerke gaat, kan het nauwelijks anders of gij zult om die reden bespot worden. Dat gij daarom uw plichten niet moogt verzuimen, weet gij reeds en ik zeg u ook vooruit, dat de spottaal, die gij door de week en des Zondags bij üw arbeid en bij uw ontspanning hooren moet, u alles behalve aangenaam wezen zal. Ik wil u daarom eenige opbeurende beschouwingen aan de hand doen, die ik aan een korte geschiedenis zal verbinden. Een betrtklHijk nog jeugdige Katholiek nam in een hotel met de overige gasten plaats aan tafel. Voor het middagmaal verrichtte hij zijn gewoon gebed en maakte voor en na het teeken des krui-
DES GELOOFS. 3 c
zes. De dischgenooten verzuimden niet daarmede te lachen en te spotten, maar de jonge man bleef dood bedaard en sprak: „Daar is geen bijzondere heldenmoed voor noodig om met een geheel gezelschap te spotten over de handelwijze van één enkele, maar wel heeft men mannelijke overtuiging en moed noodig om ondanks dien spot onversaagd zijn plicht te doen.quot; Vervolgens nam hij ongedwongen deel aan de gesprekken over tafel en bad andermaal, toen het middagmaal was afgeloopen, maar nu lachte niemand meer. Hier had de moedige belijdenis des geloofs als in een oogenblik gezegevierd' over de taal der spotters en zich achting verworven. Zoo snel gaat het niet altoos en zal het ook bij u wel niet gaan, maar toch kan zulks niet uitblijven. Het openlijk en onbeschroomd spreken en handelen volgens zijne overtuiging, dwingt ook het ruwste
32 DE VRIJMOEDIGE BELIJDENIS
gemoed eerbied en bewondering af. Een christen, die zich voor zijn geloof niet schaamt, zal zelfs in eene lichtzinnige omgeving langzamerhand met rust worden gelaten.
Maar gesteld ook, dat deze vuurproef eenigen tijd aanhield, wat beduidt het dan nog? Als gij u een weinig boven den engen kring uwer kameraden weet te verheffen, hebt gij alle reden om u daarover te verheugen. Bedenk toch, dat God en Zijne heiligen op u neêrzien, en Christus u toeroept : Wie Mij voor de menschen zal belijden, hem zal ik ook belijden voor Mijnen Vader, die in den Hemel is. (Matth. 10 ; 22.) De martelaars hebben hun geloof beleden voor gruwzame rechters en die belijdenis met hun bloed bezegeld. Hoe gemakkelijk zult gij met hun voorbeeld voor oogen voor datzelfde geloof eene enkele bespotting kunnen verduren! Wat maakt het uit of
DES GELOOFS.
een paar onnoozele menschen, lasterende wat zij niet begrijpen, u prijzen of berispen ? Wees den lof en de verwijting indachtig, die den christenen op den dag des oordeels in tegenwoordigheid der geheele wereld wacht en verheug u, wijl gij voor het geduldig verdragen van eene kleine bespotting om Christus' wil, op dien grooten dag evenals de martelaars en belijders een eerekroon kunt ontvangen.
Om dezen strijd tot een gewenscht einde te brengen, moet gij ook toegerust zijn met natuurlijke en bovennatuurlijke hulpmiddelen. Met betrekking tot de natuurlijke hulpmiddelen heb ik reeds van een geestelijken raadsman gesproken. Maar voor jonge Katholieken, die als studenten, kooplieden of gezellen in eene stad leven, is het raadnemen bij een geestelijke alleen niet voldoende, zij hebben meer noodig,. en dit meerdere zullen zij vinden in eene
33
3
34 de vrijmoedige belijdenis
Katholieke vereeniging. Voor u zal het de gezellen- of jongelingsvereeniging zijn, waarin gij goed bewaard zult wezen, passende ontspanning en lectuur en het noodige onderricht vindt en u kunt bewegen in een kring van gelijkgezinde kameraden. Reeds het bewustzijn, dat zulk eene vereeniging achter ii staat, zal u in eene minder goede omgeving eenigermate tot steun dienen. Het gevoel van eenzaam en verlaten te zijn, is een drukkend gevoel, dat de kracht en den moed verlamt en al licht tot den nederlaag in den strijd voert. Die ontmoediging wordt u gespaard, wanneer gij u aan eene katholieke vereeniging verbindt en daar onderricht en bemoediging zoekt.
Gewichtiger dan alle natuurlijke hulpmiddelen is de bovennatuurlijke hulp der genade. Door het heilig Vormsel hebt gij dezelfde zegenrijke genade des H. Geestes bekomen, die de Martelaren met een ver-
DES GELOOFS
35
bazingwekkenden moed heeft vervuld. Opdat die genade in uw hart blijve, moet gij uw geweten rein van zonde houden; gij moet bidden en ook de overige genademiddelen vlijtig benutten; gij moet op Gods genade hopen en u zeiven mistrouwen. Aldus begeeft gij u niet als een zwak mensch in de bekoring, maar gij zijt de drager van een hoogere, van een goddelijke kracht, van de genade des H. Geestes. Hij zal in u strijden en zegevieren en als gij hem getrouw blijft, zal ook van u gelden, wat de H. Joannes den jeugdigen christenen van de eerste tijden toesprak: Mijne kin-derkens, die in u is, is sterker, dan die in de wereld is! (i Joan. 4:4)
III.
HET ZORGVULDIG BEWAREN VAN HET GELOOF.
/ Vaarde! yon geling
mijn vorigen brief heb ik al-11 ^ leen over het uitwendig belijden van het geloof gesproken, zonder er W op te wijzen wat te gelijker tijd in : uw binnenste kan plaats hebben. Die stof heb ik voor dezen brief bewaard en ik ga haar, maar in beknopter vorm dan het voorgaand onderwerp, thans behandelen.
HET ZORGVULDIG BEWAREN ENZ. 37
Menigeen, die ais een geioovige zoon der Katholieke Kerk in dezelfde levensomstandigheden kwam, als u thans wachten, is in korteren of langeren tijd een gansch ander mensch geworden; hij heeft het geloof zijner vaderen, het geloof van zijne jeugdige jaren ingeboet om het zijn leven lang niet meer terug te vinden. Ik hoop en wensch vurig, dat het met u zoo niet gaan zal; evenwel de proef moet nog genomen worden en zij is niet zonder gevaar. Ik vrees niet zoozeer de uitwendige gevaren , waardoor gij omringd wordt, als wel de gevaren, die inwendig, in u zeiven zijn. Houdt gij de drie vijanden, die ik u noemen zal, van uw hart verwijderd, verleent gij aan hen geen toegang, dan zal geen uitwendige vijand u het geloof kunnen ontrooven. Deze drie vijanden zijn: het zelfvertrouwen, de lauwheid en de ondeugd.
Vooral op den eerstgenoemden vijand
38 HET ZORGVULDIG BEWAREN
moet gij een waakzaam oog houden Reeds heb ik er op gewezen, dat gij u op uw ' 1
eigen oordeel niet weinig laat voorstaan en (
die zwakheid, door jongelieden zoo gemak- 1
kelijk voor sterkte aangezien, zal u, zoo gij 1
er niet van genezen wordt, ten verderve {
leiden. De aanvallen op het geloof, die (
vroeger slechts in het brein en in de boe- (
ken van ongeloovige geleerden te vinden E
waren, hebben in onze dagen door middel ]
van volks-boeken en bladen, algemeene ver- (
breiding gevonden en kunnen ieder oogen- r
blik uit den mond van eenvoudige arbeiders j
vernomen worden. Zulke lasteringen uit- s
spreken, kan de onnoozelste mensch ter c
wereld, maar om ze te weerleggen is dik- r
■wijls een geleerde noodig. Nu zijn jonge- t lieden, die zoo het een of ander hooren, , e
niet gewoon om naar de bibliotheeken te 1,
gaan of in lijvige boeken te snuffelen, ten t
einde de waarheid te achterhalen en al o
VAN HET GELOOF.
39
wilden zij zulks ook doen, zij zouden er niet toe in de gelegenheid zijn. Het zal dikwijls gaan, als toen Christus door zoo-velen veroordeeld werd. De waarheid wordt valschelijk aangeklaagd en er is niemand om haar te verdedigen, en zoo komt het dat menigeen, zonder het te bemerken, op een dwaalspoor wordt gebracht. In Jerusalem heeft waarschijnlijk menige waarheidlievende zoon van Israël zich laten verleiden om Christus voor schuldig te houden en met het „kruisig Hemquot; in te stemmen. Zoo kan het ook met u gaan, als gij enkel de aanvallen op het geloof en niet de verdediging hoort en u zeiven verstandig genoeg waant om persoonlijk over alles te beslissen. Voordat gij het bemerkt, komt er de een of andere stelling tegen het geloof, waarmeê gij geen raad weet en de twijfel zetelt in uw hart evenals een vergiftige pijl in de wonde. Gelijk die pijl het
40 HET ZORGVULDIG BEWAREN
gansche lichaam vergiftigt en den dood aanbrengt, zoo kan een enkele twijfel het gansche gebouw van uw geloof doen schudden, wanneer gij namelijk daarmeê blijft voort leven zonder tot eene oplossing te komen. De geloofswaarheden hangen zoo innig met elkander samen, dat er geen enkele meer vast staat, als er slechts ééne wordt prijsgegeven. Honderden hebben door den twijfel aan enkele waarheden, dien zij nauwelijks telden en zorgeloos veronachtzaamden, bijna ongemerkt hun geloof verloren. Want naar de beeldspraak van den H. Pau-lus kruipt de dwaling gelijk een kanker voort. ([[ Tim. 2 : 17.)
Wat alzoo staat u te doen? Gij zult tegen uwen zin allerlei praatjes, die met het geloof in strijd zijn, te hooren krij. gen en met den besten wil niet kunnen verhinderen, dat zij een zekeren indruk op u maken. Maar wat gij wel kunt en verplicht
VAN HET GELOOF.
41
zijt, is, uwe eigen oordeelskracht mistrouwen en derhalve alle goddelooze boeken en personen zoover mogelijk van 11 verwijderd houden. Gij moet uw oordeel opschorten, zoolang gij slechts de aanklacht en ook niet de weerlegging gehoord hebt. Gij moogt. — en dit is een hoofdzaak, — met geen enkelen twijfel over eenig geloofspunt blijven voort-loopen, maar moet dien door eenen geestelijken raadsman laten oplossen. Voor eiken aanval op de waarheid is er eene wederlegging, voor alken twijfel eene oplossing, als men deze' wederlegging en oplossing maar zoeken wil. Zondt gij dit in geval van noodzakelijkheid achterwege laten, dan zijt gij een zieke, die den geneesheer en de geneesmiddelen versmaadt, en derhalve zelf de oorzaak is van zijn niet-genezing. Uw geestes- en gemoedsaard verplicht u dubbel, om dit punt ernstig ter harte te nemen en niet te vergeten.
42 HET ZORGVULDIG BEWAREN
Uw tweede vijand is de lauwheid. Het geloof, dat de wereld verwint, is geen men-schenwerk, maar het werk der goddelijke genade. De voorwaarden en de middelen om in het bezit dezer genade te zijn en te blijven, zijn u bekend. Gij moet over den staat van uw geweten waken, ijverig het gebed beoefenen en de overige genademiddelen waardig benutten ; dan wordt ook uw geloof een boom gelijk, met krachtige wortels. dien geen storm kan omverwerpen. Zoodra gij echter uwe ziel niet meer sterkt met die hoogere kracht, welke de genade u schenkt, zult gij aanstonds verslappen, uw geloof zal in kracht verminderen en tengevolge van de innerlijke zwakheid, voor de aanvechtingen van buiten bezwijken. Het getal der christelijke jongelingen in de wereld, die langs dezen weg hun geloof hebben verloren, is helaas! groot.
De derde vijand eindelijk is te ondeugd.
VAN HET GELOOF.
De beroemde Fransche dichter, geleerde en staatsman Chateaubriand bad eens in zijn salon een voornaam gezelschap van mannen uit de aanzienlijkste standen om zich heen verzameld. Op zeker oogenblik, dat het gesprek op het levendigst was, riep Chateaubriand uit: „Mijne heeren! de hand op het hart, en zegt mij op uw eerewoord; Zoudt gij niet den moed hebben Katholiek te zijn, wanneer gij den moed hadt zuiver te leven?'' Het is dit ééne woord, dat o, zooveel zegt en dat, niet slechts in de salons der rijken, maar in alle klassen der maatschappij tot in den werkenden stand toe, menig raadsel oplost.
Maar Chateaubriand wees slechts op één der uitgangen op zedelijk gebied, die buiten de kerk voeren, al is deze wellicht de wijdst geopende. Maar daar zijn er zeven zoodanigen in de zeven hoofdzonden, van
43
44 het zorgvuldig bewaren enz.
welke ieder afzonderlijk een overgang tot het ongeloof worden kan. Christus zegt: „Ieder, die het kwade doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijne werken niet gestraft worden.quot; (Joann. 3 : 20). Dit woord des Heeren vindt eiken dag op nieuw bevestiging. Het geloof veroordeelt de zonde en daarom vreest en haat de zonde het geloof en beiden kunnen in hetzelfde hart, en met name in het hart eens jeugdigen christen, niet lang samen wonen. Of het geloof óf de zonde moet wijken. Ieder, die het kwade doet, haat het licht.
Ik moet kort zijn, wijl ik over dit onderwerp toch niet alles zeggen kan. Ik hoop in-tusschen dat gij het weinige, dat ik gezegd heb, met des te meer aandacht zult lezen, en vast in uw geheugen prenten en dat gij u zeiven omtrent dit punt onderzoeken en goede besluiten voor de toekomst maken zult.
IV.
DE TEMPEL GODS.
Waarde Jon gel in g!
e hedendaagsche beschaving maakt ^ de geheele nienschelijke maat-
yji* schappij tot één groote machine, waarin ieder afzonderlijk slechts een i stuk van de machine is. Eene minderheid moet met het hoofd bij dit groote drijfwerk bezig zijn, maar de overgroote meerderheid werkt alleen niet de handen meé, en wel grootendeels op zulk eene
DE TEMPEL GODS.
geheel bijzondere en eenzijdige wijze, dat zij inderdaad als levendige gedeelten van die machine te beschouwen zijn. Waar 's menschen waarde en gelijkheid en hoo-gere bestemming zoozeer op den achtergrond worden gedrongen, daar zou de arbeider geen mensch meer moeten wezen, om zich in zulk een toestand gelukkig te gevoelen. Die omstandigheid dan ook behoort, te zamen met het moderne onderwijs op de scholen, tot de oorzaken, welke in de arbeiderskringen de lusteloosheid en ontevredenheid wekken, aankweeken en op verderfelijke wegen voeren. Aan dit onderwerp wil ik slechts eene korte, praktische onderrichting vastknoopen.
Voor den christelijken arbeider en ambachtsman is er ten minste elke week een dag, waarop voor hem die beperkte en eenzijdige stelling als bloot machine-lid wegvalt en die dag is de christelijk ge-
46
DE TEMPEL GODS.
47
vierde Zondag. Op dezen dag staat de machine stil, hij wordt vrij en behoort aan zich zeiven. Op den Zondag is hij niet bloot mechanische werkkracht, hij is mensch en christen, een voor hooger doel bestemd wezen. Op den Zondag wordt hij door het heldere klokgelui tot eene plaats uitgenoodigd, waar hem, zoo levendig als nergens anders in de wereld, 's menschen waarde, gelijkheid en hoogere bestemming voor den geest treden. Door de week bestaat er eene afscheiding tusschen heeren en dienstknechten; die scheiding heeft gewoonlijk ook nog plaats bij de ontspanningen en vermaken van den Zondag; slechts aan de deuren der kerken vindt zij geen toegang. Daar gelden allen evenveel : de hoogste beambte en de knecht des landnians, de millionnair en de ambachtjongen. Daar zijn allen kinderen van denzelfden Vader, bestemd voordenzelfden
DE TEMPEL GODS.
hemel, hebben allen gelijke aanspraak op dezelfde geestelijke goederen der kerk. Nergens geldt de arme en de arbeider meer als in de kerk; zijne ziel heeft daar met die van den vorst gelijke waarde, gelijke waardigheid, gelijke rechten. Alleen daarom reeds zal de arbeider gaarne zich kerkwaarts spoeden, om een oogenblik vrij te zijn van den druk der afhankelijkheid, om als een volkomen gewettigd burger des Rijk Gods vrij adem te scheppen en op te zien tot den Heer en Meester van allen, voor Wien zich ook de koningen moeten buigen; op te zien ook naar het eeuwig Vaderland, waar het hem zelfs, zoo hij slechts wil, mogelijk is eene plaats in te nemen boven den rijke, gelijk hij thans onder hem staat.
Gij weet, dat hiermede de beteekenis van Gods huis en van den godsdienst nauwelijks is aangeroerd. Zijt gij eener-
48
DE TEMPEL GODS.
49
zijds als mensch en als christen verplicht, uwen Heer en Schepper te eeren en moet gij ten minste op den Zondag deze plicht vervullen door aan het heilig Offer en het gemeenschappelijk gebed der geloovigen deel te nemen, van den anderen kant is het bezoeken van Gods huis eene behoefte voor uwe eigen ziel, die in de nieuwe levensverhoudingen, waarin gij gekomen zijt, grooter is dan te voren. Herinner u slechts het vroeger gezegde. De gansche week zijt gij altezeer slechts arbeidskracht, voor bloot aardsche doeleinden aangewend. De zorg voor uwe eeuwige bestemming, die toch hoofdzaak is, komt daarbij niet tot haar recht en het is volstrekt noodzakelijk, dat ten minste na zes dagen, die der aarde behooren, er een dag komt, die aan het heil van uwe ziel is gewijd. De gansche week door leeft gij in verstrooiingen, ja menigmaal te midden
4
DE TEMPEL GODS.
van ergernissen. Ondanks den besten wil wordt uwe ziel ter aarde getrokken, zij wordt zwak e'n mat en moet eens verfrischt en vernieuwd worden, en dat nu moet des Zondags in de kerk plaats hebben.
In de kerk hoort gij het woord Gods. Daar verlaat gij voor eenige oogenblikken de nevelzee van aardsche gedachten en verstrooiingen, daar leeft uwe ziel ten minste een uur in de hoogere wereld des ge-loofs en wordt zij aan God en eeuwigheid herinnerd; daar is zij als de wandelaar, die den somberen nevel des dals achter zich laat om zich op een bergspits aan het zonnelicht te koesteren. Wanneer gij van de hoogte van deze geestelijke vernieuwing en verheffing een enkele goede gedachte meêneemt naar beneden in het denken en streven van het alledaagsche leven, zijt gij niet te vergeefs naar omhoog geklommen. Elke goede en oprecht
5°
DE TEMPEL GODS.
ter harte genomene gedachte kan u de gansche week door tot versterking dienen, u tijdens de bekoring van de zonde afhouden, u tot vervulling uwer plichten aansporen, u bij tal van beproevingen bemoedigen en alles ten beste schikken. Naar gelang gij u omtrent dit punt gedraagt, zult gij in den loop van een jaar in uw binnenste veel ten goede of ten kwade beslissen; gij zult aan het einde des jaars veel slechter of beter zijn, naar gelang gij al of niet van Zondag op Zondag uwe ziel onderricht, sterkt en versiert door het aanhooren van Gods woord.
Even noodzakelijk voor uwe ziel als het woord Gods is de genade Gods. Gij weet en gelooft, wat Christus daarover gezegd heeft (Joann. 15 : 5). Overdenk daarom ten minste iederen Zondag het volgende: Mijne ziel is zwak en mat en uit zich zelve niet in staat om in deze wereld, zoo
DE TEMPEL GODS.
52
vol van gevaren, het geloof en de deugd te bewaren en te beoefenen. De hand van den barmhartigen God houdt overvloedige genade en hulp voor mij gereed. Jesus Christus komt in de Heilige Mis op het altaar om met en voor mij den Hemel-schen Vader hulde en eer aan te bieden, om als Middelaar bij den Vader voor mij alle genaden te verwerven, die ik zoozeer behoef. Millioenen en nogmaals rnillioenen verdringen zich heden bij de altaren, om aan Christus' zegen deelachtig te worden. Mijne dierbare betrekkingen behooren ook tot hun getal en zou ik dan bij die groote verzameling van geloovigen mogen ontbreken ? Eene ontzaggelijke hoeveelheid troost en kracht wordt eiken Zondag van de altaren meêgenomen om in de moeilijkheden des levens vrucht te doen. Ook ik wil er mij heen begeven, om het mij toegedachte aandeel te ontvangen. Ik heb het nog noo-
DE TEMPEL GODS.
diger dan duizend anderen, die aan veel minder gevaar zijn blootgesteld.
Het moet zich echter niet tot de opwekking en den troost bepalen, die u in Gods tempel van hout en steen eiken zondag wordt geschonken; gij zelf moet naar het woord van den H. Paulus een tempel Gods zijn. Gij zijt het geworden in het H. Doopsel en wanneer uw geweten in goeden staat is, zijt gij het nog. Maar alle menschen zijn zwak, jeugdige christenen zijn het dubbel en in omstandigheden als de uwe, is men het vaak drievoudig. Gij weet nu wat het in heeft, te leven of te sterven in een toestand van zonde. Waak daarom over den staat van uw geweien, waag het niet, bij aldien gij het ongeluk hebt gehad van in zonde te zijn gevallen, maanden lang. met Godstoorn beladen, onverschillig voort te leven. Ontvang zelfs dan a's gij u aan geen groote zonde schuldig bevindt, zeker-
53
DE TEMPEL GODS.
54
heidshalve meermalen in den loop van het jaar de H. Sacramenten der boetvaardigheid en des altaars. In een rouwmoedige biecht wordt de tempel van uwe ziel gereinigd en opnieuw gewijd en in de H. Communie komt de Verlosser, de Overwinnaar der wereld, in uw hart om ook in u de wereld te verwinnen. Die twee H. Sacramenten zijn als de voornaamste waarborgen voor uw welzijn te beschouwen. Als gij beide H. Sacramenten geregeld en op waardige wijze blijft ontvangen, dan is het gewis niet mogelijk, dat gij ver van den goeden weg afwijkt. Gij kunt zwak zijn, gij kunt zelfs vallen, maar iederen keer dat gij te biechten gaat, zult gij weer opstaan en tot den goeden weg terugkeeren; iedere H. Communie zal u weer tot een frissche en gezonde rank maken van den levenden wijnstok, welke Christus is. (Joan. 15, 4). De zondag biedt u eene geschikte gelegenheid om het voornemen te
DE TEMPF.L GODS.
maken, op bepaalde feestdagen en verder zoo dikwerf het mogelijk is, de bovengenoemde reiniging en wijding van den geestelijken tempel te bewerken. Dit mag u nu en dan eene overwinning op u zelven kosten; maar onmiddelijk, nadat gij het offer gebracht hebt, zult gij u er over verheugen en eerst in latere jaren en in de eeuwigheid zult gij duidelijk inzien, hoeveel deze kleine offers tot heil van uwe ziel hebben bijgedragen.
Gij moet niet enkel op den zondag, maar ook gedurende den loop der week een tempel Gods zijn. Vooreerst moet gij waken, dat die tempel niet door de zonde wordt ontwijd; vervolgens dat hij ook niet ongebruikt blijft, maar dat daarin door het verrichten van de dagelijksche gebeden als het ware voortdurend godsdienstoefening wordt gehouden. Ik wil van u niet te veel vergen, maar verlang slechts het mogelijke en het
55
DE TEMPEL GODS.
56
noodzakelijke. Uwe ziel is dagelijks vijftien uren en nog langer met wereldsche en aard-sche gedachten bezig; derhalve is het zeker niet te veel, als gij ten minste des morgens en des avonds eiken keer vijf of tien minuten lang u met eene ernstige gedachte bezig houdt. Gij kunt een oogenblik denken aan een woord uit de preek van den vorigen zondag, of u Gods alwetendheid ofwel een der vier uitersten herinneren. Het is reeds iets gedaan, wanneer gij slechts uw geloof aan die waarheden verlevendigt en daaraan een goed voornemen vastknoopt. Gij hebt dan voor u zeiven een korte predikatie gehouden, de wolken der aardsche gedachten hebben zich voor een oogenblik verdeeld en een straal van het hemelsche licht is in uwe ziel neergevallen. Doet gij dit dagelijks eenigszins nauwgezet, dan zult gij, ten tijde dat gij daaraan behoefte hebt, veel gemakkelijker aan de eeuwige waarheden denken»
DE TEMPEL GODS.
dan wanneer uw leven, den geheelen dag en de gansche week door, slechts ééne verstrooiing is.
Eindelijk moet gij 's morgens en 's avonds geregeld bidden — kort maar krachtig. Let er op, dat uw hart en niet enkel uw mond bidt. Een gebed, uit het hart voortkomende, vervult ook het hart met troost en bemoe diging. Brengt gij het zoover om zulks persoonlijk te ondervinden, dan behoef ik u niet verder tot bidden op te wekken; het gebéd zal u dan een zoete behoefte des harte worden. Maar kost het bidden u ook moeite, het blijft u altoos noodzakelijk, en het is even noodig voor uwe ziel als de spijs voor uw lichaam. Verzwakt het lichaam, zoo het niet behoorlijk gevoed wordt, de ziel wordt eveneens zwak en afgemat, als gij niet blijft bidden.
De inhoud van dezen brief is voor u van geheel bijzonder belang. Het betreft hier het
57
DE TEMPEL GODS.
5«
brandpunt van uw godsdienstig en zedelijk leven. De afdwalingen van jeugdige christenen kunnen als het ware op elk punt een aanvang nemen, maar iedere afdwaling zal op dit punt merkbaar worden. Gij kunt daarom van dezen brief als van een geestelijken barometer gebruik maken en daarop zien of het geestelijk leven in u stijgende of dalende is.
V.
WEES EEN MAN'! (III Kon. 2:2)
IVaanü yongeling!
at de stervende koning David tot zijnen zoon Salomon sprak, zeg ik • 'feS ook tot u : wees een man ! Liever nog zou ik zeggen: wees een jongeling en j ' word een man ! En dit zon ik kunnen, als gij bleeft in de omstandigheden, waarin gij tot nu toe verkeerdet; immers met een weinigje goeden wil zoudt gij zonder gevaar
WEES EEN MAN !
de dagen uwer jeugd kunnen doorbrengen. De invloed van eene christelijke familie en het vaderlijk gezag zouden alle ernstige gevaren en afwijkingen ver van u verwijderd houden; langzamerhand zoudt gij het kinderlijke en jeugdige afleggen en met de jaren een karaktervast en zelfstandig man worden evenals het boompje tot een boom opgroeit.
De nieuwe verhoudingen echter, waarin gij komt, stellen u eischen, die uwen leeftijd te boven gaan. Gij zijt jongeling en bij menige gelegenheid hebt gij eene plichtgetrouwe, en zedelijke standvastigheid en zelfstandigheid- noodig, die vaak zelfs bij mannen in geen voldoende mate wordt aangetroffen.
Gij zijt een stuurman gelijk, die met zijn scheepje over een water zeilt, dat nu eens rustig over de vlakte heenglijdt, dan weer in woest oproer langs steile rotsen zich een
6o
WEES EEN MAN!
weg baant. Op de eene plaats kan de stuurman zijn scheepje zorgeloos aan het spel der golven overlaten, maar op de andere hangt er zijn leven aan, dat zijn oog waakzaam is en zijne hand vast en zeker het roer wendt. Zoo ook komen er voor u tijden en plaatsen, dat gij een jongeling zijn moogt, maar ook komen er andere, dat gij een man zijn moet, wilt gij niet hals over hoofd in den afgrond des verderfs storten.
Eene veilige plaats, waar gij jongeling moogt zijn, is voor u de jongelings en gezellen-vereeniging. Daar moogt gij aan uw verlangen naar gezellig onderhoud, naar ontspanning en vriendschappelijk verkeer met personen van uwen leeftijd bevrediging schenken. Daar moogt gij nog zoo vrolijk en opgeruimd zijn, ik vrees niet, dat het in zulk een gezelschap en onder zulk een leiding tot schadelijke afwijkingen komen zal. De vereeniging en hare bestuurder zullen
6l
WEES EEN MAN!
ii de best mogelijke vergoeding aanbieden voor den kring uwer dierbare verwanten, die gij thuis hebt achtergelaten. Of in uwe omgeving nog andere gelegenheden zullen zijn, waar gij zorgeloos zijn kunt, weet ik niet. Vertrouw niet te spoedig! Maar hoe dit zij. ik voorzie een menigte van gelegenheden, waar uw scheepje met behoedzaamheid en inspanning voorbij gevaarlijke klippen zeilen moet, en iedere onvoorzichtigheid noodlottig worden zal. Dat men geheel en al man zijn moet, om als katholiek zijn geloof te belijden en te bewaren, zult gij uit beide voorgaande brieven gemerkt hebben. Ik wil er nog eenige punten, die het zedelijk gebied raken, bijvoegen.
Voor alles mag ik hier wel waarschuwen voor de onzedelijke gesprekken, die in zekere kringen als een ware pest heerschen en in korten tijd bij allen, die er aan deelnemen en bij elk nieuw lid van het gezelschap eene
02
WEES EEN MAN!
volledige innerlijke verwoesting aanrichten. De verbeeldingkracht wordt met onreine beelden vervuld, de zedelijke wil verzwakt en neigingen worden opgewekt, die niet bevredigd mogen worden. De gevolgen hiervan zijn of eene keten van lastige bekoringen en aanvechtingen, waarvan men vrij had kunnen blijven of wel zedelijke afdwalingen, die slechts ten koste van het tijdelijk en eeuwig welzijn kunnen plaats hebben. Het schreit waarlijk ten hernel, hoe daar met 'smenschen waarde en geluk, met deugd en zedenwet een allernoodlottigst spel wordt gespeeld. Daar is wel geen andere klip, waartegen het mannelijk karakter op treuriger wijze wordt verpletterd. Zoodra de held Samson zich aan eene vrouw had overgegeven, had hij zijn reuzenkracht verloren, kon hij gebonden worden als eene vrouw.
Daarom wees een man! Het betreft hier een strijd, waarbij de in- en uitwendige
63
WEES EEN MAN!
64
vijanden, de eigen begeerten en de ergernissen van buiten zich willen verbroederen en waarbij alleen de waakzame strijder, die weet wat hij wil, overwinnen kan. Wandel daarom voor de oogen van den alwetenden God, wantrouw u zeiven, vrees de slang, ook wanneer zij zich onder bloemen verborgen heeft, en maak een ijverig gebruik van de wapens, die u door onzen godsdienst tot den strijd en de overwinning worden aangeboden. Handel ten opzichte van de onzedelijke gesprekken overeenkomstig hetgeen in den tweeden en derden brief over de ongodsdienstige gesprekken gezegd werd en pas het ook op deze stof toe. Tracht, zoo mogelijk, die gesprekken te beletten, het gesprek op andere onderwerpen te brengen en als zulks niet gaat, houd dan uwe ziel bezig met een ernstige gedachte of eene 1 levendige voorstelling, ten einde de slechte gevolgen van zoodanige gesprekken ver van
WEES EEN MAN !
65
u verwijderd te houden. Vlucht ook alle zinnelijke en onzedelijke lectuur, die zoo menigeen ontzenuwt en belet om een man te worden. Denk niet aan personen van het ander geslacht, totdat de tijd voor een passend huwelijk gekomen is, zoo ten minste God u tot dien staat heeft geroepen. Job roept uit: „Ik heb een verbond met mijne oogen gesloten, dat ik zelfs geene gedachte hebbe aan eene maagd.quot; (Job. 31 : 1.) Hoewel de wereld daarvan geen begrip heeft, zeg ik: gelukkig ieder jongeling, die zich dit woord tot levensregel maakt. Daarmede bewaart hij den vrede des harten, ontkomt hij aan talrijke aanvechtingen en groote zonden, wordt hij als jongeling reeds een zedelijk sterke man, en verzekert hij zich het benijdenswaardige geluk om evenals de jonge Tobias eens onbesmet naar ziel en lichaam in het huwelijk te treden en evenals hij voor zich, zijne kinderen en kleinkin-
5
WEES EEN MAN !
deren op Gods zegen te mogen rekenen.
Wees een man op het punt van de matigheid. Het kan voor menigeen ee-n vraag zijn, wat gemakkelijker is: in het geheel niet te drinken of matig te wezen in het drinken. Ik bepaal mij alleen over het laatste een woord te zeggen. Wat de dronkaard voor een christen, burger en huisvader is, behoef ik u niet te zeggen. En toch zijn er zoovelen, die met een lach om de lippen deze onteerende en heillooze slavernij ingaan. Ja niet zelden gebeurt het, dat men te veel drinkt en een dronkaard wordt enkel uit hoogmoed, om namelijk zich op zijn zonderlinge heldendaad te kunnen beroemen.
Wees een man! Leg u zeiven eene vaste maat op, waarvan gij niet afgaat en mocht gij u zeiven vergeten, laat het dan niet gebeuren zonder u de een of andere straf op te leggen. Karei XII van Zweden be-eedigde eens in dronkenschap zijne moe-
66
WEES EEN MAN !
der Des anderen daags smeekte hij haar om vergiffenis, en dronk voor hare oogen een beker wijn uit onder den uitroep: nog dezen en dan geen enkelen meer! En hij hield woord. Dat was een man. Kan men zijn gedrag omtrent dit punt maar nauwelijks aanhalen om het als een voorbeeld ter navolging te stellen, het toont toch duidelijk wat men kan, als men wil 'en zich zeiven niet toegeeft.
Wees een man ! op dit punt zult gij niet altoos behoeven te strijden. Zijt gij eenigen tijd bezield met een vasten wil, dan laat de kracht der gewoonte in den goeden zin des woords zich weldra gelden. Al spoedig kost liet u geen bijzondere moeite meer om u aan den eens aangenomen regel te houden. Met eenige krachtige overwinningen op u zei ven, hebt gij het kwaad voor uw leven lang beteugeld. Welk een gering offer en welk een groot gewin
67
68
aan geld, aan gezondheid, aan karakter, aan huiselijk geluk en aan vooruitzicht op nog hooger geluk in den hemel!
Wees een man ! Het is mij niet mogelijk hier alle klippen op te noemen, die zich in den stroom des levens zullen voordoen en waarbij gij waakzaam moet wezen en met vaste hand het scheepsroer moet wenden. Slechts een punt, waarover reeds in het voorbijgaan is gesproken, wil ik nog aanraken en dit is : het menschelijk opzicht. Als gij uw geloof wilt bewaren en blij ven belijden, dan moogt gij geen menschen-vrees kennen; zoo gij een man wilt worden, moet gij haar als jongeling reeds leeren verachten. De man en christen heeft het kompas voor zijn doen en laten in zijn binnenste, hij volgt zijne overtuiging en zijn geweten en daarnaar spreekt en handelt hij. Wat de men-schen zeggen, komt bij hem pas op de derde plaats. De slavernij van de men-
WEES EEX MAN !
69
schen-vrees en het menschelijk opzicht is een der hoofdoorzaken, waarom er zoo weinig mannen worden gevonden. De boomen kunnen slechts onder den blooten hemel hoog en rechtop groeien, en zoo kunt gij alleen een zelfstandig en vrij man worden, als gij God vreest en anders niemand. De mannen groeien echter niet van zelf, zooals de boomen. Zij moeten worden opgekweekt. Gij nu moet grootendeels u zeiven daartoe opkweeken. Hoe sterker gij wordt in uwe godsdienstige neigingen en in de onderhouding der geboden, des te meer zullen de praatjes van de menschen als spinraggen voor u wegvallen; hoe meer gij God vreest, des te nietiger schijnen u de menschen toe, die Hem niet vreezen, en gij zult meer medelijden dan vrees voor hen koesteren. Wanneer ik alzoo tot u zeg : wees een man ! dan beteekent dit eigenlijk : wees een christen!
VI.
TEVREDENHEID.
|j[* Waarde Jongeling'.
ij weet nog niet bij ondervinding, aarom de aarde een tranendal genoemd wordt. Maar hoe meer gij de wereld en het leven leert ken-) nen, des te meer zult gij inzien, dat er op aarde geen volmaakt geluk, geen eigenlijke tevredenheid bestaat, dat integendeel de meeste menschen onder allerlei lijden zuchten en allen door onbe-
•lt;s
TEVREDENHEID.
vredigde wenschen gekweld worden. De oogenblikkelijke tevredenheid van de kinderen der wereld is een korte droom, die spoedig genoeg door de naakte werkelijkheid gestoord en verstoord wordt, terwijl de tevredenheid des christen berust op de verheffing des geestes, boven de armzalige werkelijkheid. tot hoogere goederen, wier bezit eerst nog komen moet. Zoo is het altijd geweest en zoo zal het wel altijd op aarde blijven.
Daar is echter een geest van ontevredenheid, die aan onzen tijd eigen, en als het ware eene ziekte van de hedendaag-sche maatschappij geworden is. Het is de ontevredenheid met de bestaande maatschappelijke toestanden, de ontevredenheid der socialisten, die in de arbeiderskringen als een aanstekelijke ziekte om zich heen grijpt. Vooral jongelieden van uw stand zijn voor die besmettings-stof des geestes zeer vatbaar en ik houd het voor niet
71
TEVREDENHEID.
overbodig u eenige middelen daaitegen aan te geven.
Het kwaad heeft twee oorzaken en eene daarvan is van stoffelijken aard. Men zou meenen, dat al die schitterende uitvindingen, die hooggeroemde ontwikkeling van handel en nijverheid, waarop onze tijd zich zoozeer verheft, middelen in overvloed moesten verschaffen tot een fatsoenlijk bestaan voor alle menschen. En zie, juist het tegendeel is het geval. Hoe langer hoe meer scheiden zich de menschen in twee klassen : in een betrekkelijk klein getal van rijken en een schrikwekkend groot getal van bezitloozen, die zich onterfden noemen en van welke honderd duizenden ook bij harden arbeid aan het noodzakelijke gebrek lijden. Nu zien ontelbaren onder deze bezitloozen, deels met een nijdig en ontevreden, deels met een kommervol hart en dikwijls met eene hongerige maag, hoe vele
72
TEVREDENHEID.
rijken een grenzelooze weelde aan den dag leggen en in onzinnige genietingen zwelgen. Reeds die tegenstelling doet het hart des behoeftigen smartelijk aan; het is erg, maar nog het ergste niet.
Bij die stoffelijke oorzaak van ontevredenheid voegt zich nog eene geestelijke oorzaak in het om zich heen grijpende ongeloof. Wanneer de arbeider, de bezit-looze, de noodlijdende al datgene mist, wat den christen in het lijden troost en opbeurt, dan moet hij natuurlijker wijze de wereldbeschouwing der socialisten bijvallen. Hij is mensch evenals de rijken; hij heeft gelijke waarde en gelijke rechten als zij; op een hemel hoopt hij niet, daarom maakt hij aanspraak op het aandeel in de goederen en genoegens dezer wereld; aan een God gelooft hij niet, daarom is volgens hem de mensch zijn eigen wetgever, dat wil zeggen, alles is hem geoorloofd, wat hem tot
73
TEVREDENHEID.
het gewenschte doel voert. Behalve de v
katholieke geloofsleer is er geene wereld- t
beschouwing zoo consequent als de denk- li
beelden van het ongeloovige socialisme. n
Zij oefenen een soort van toovermacht op s
de verontchristelijkte geesten uit, zoodat v
b. v. in Noord-Amerika socialistische woe- s
lingen en werkstakingen voorkwamen, zon- g
der dat juist een maatschappelijke toestand t
van gebrek daartoe aanleiding gegeven had. I
en wij het vaak zien gebeuren, dat edele t
naturen zich voor het streven dezer partij d
laten winnen. Overal waar armoede en on- r
geloof hand aan hand gaan, daar tiert het v
socialisme welig, zoodra het zaad maar is C
Het socialisme nu kan zeker de kranke t
maatschappij niet genezen; het is slechts e
74
een nieuwe, nog bedenkelijker vorm van 1
ziekte; maar toch zou de maatschappij. ■ zoo men niet ophoudt met de oorzaken
TEVREDENHEID.
75
van het socialisme te bevorderen, wel een tijdlang door het socialisme kunnen over-lieerscht worden. De maatschappij is lichamelijk en geestelijk ziek. Om haar uit haar stoffelijken val op te heffen is de medewerking van den staat noodig, die echter niets uitricht, zonder dat tegelijkertijd de geestelijke kwaal genezen wordt. Terugkeer tot Christus is noodzakelijk. Afwending van Hem was het begin der ziekte, terugkeer tot Hem moet het einde zijn. De duur en de loop der ziekte en het proces harer genezing zijn niet vooruit te bepalen; ik wilde deze bemerkingen slechts maken om daaraan eenige praktische herinneringen te knoopen, die u voor afdwalingen zullen behoeden en u in eene wereld vol gebreken en in eene maatschappij vol ontevredenheid, de tevredenheid des harten kunnen verzekeren.
Ik zou het ten zeerste betreuren/als gij
■«J
TEVREDENHEID.
76
u met uw jeugdig vuur en uwe jeugdige onbedrevenheid voor socialistische beschouwingen liet winnen of u aan een socialistische vereeniging zoudt aansluiten. Die socialistische beschouwingen bevatten veel waars, maar omdat zij van een onchristelijk standpunt uitgaan, zijn zij voor jonge lieden, gelijk gij, zeer gevaarlijk. Evenals anderen die geen geloof hebben, zich bij het socialisme aansluiten, zoo zoudt gij door het aanhooren van socialistische theo-riën ongemerkt van uw christelijke opvatting dezer dingen worden afgebracht en ten slotte schade lijden aan uw geloof, 't Is voor u nog te vroeg om in dit vraagstuk eene meening te hebben. Voorshands is het meer dan genoeg, als gij de sociale vraag voor u zeiven oplost, door u vlijtig voor uw beroep te bekwamen, weinige behoeften te scheppen, aan spaarzaamheid te gewennen, een vast karakter te
TEVREDENHEID.
vormen, en een goed Christen en wakker burger te worden, die eens zijne plaats in de maatschappij naar behooren vervult. In tusschen moogt gij 's werelds beloop en het drijven der partijen gadeslaan, zonder u echter door deze beweging te laten mee slepen. Reeds binnen eenige jaren zullen uwe beschouwingen omtrent veel zaken gelouterd en ontnuchterd zijn en als gij eenmaal eene zelfstandige plaats in de maatschappij hebt ingenomen, zal het eerst de tijd zijn om meê raad te geven en de behulpzame hand te bieden, waar iets goeds te verrichten valt. Thans is het zaak om het hoofd, het hart en de hand daartoe voor te bereiden en geschikt te maken. En daarvoor zijn de onontbeerlijke voorwaarden: zielenvrede en tevredenheid.
Gij zult op de eerste plaats gemakkelijk inzien, dat het inwendig geluk en de tevredenheid niet in gelijke, maar vaak juist
77
TEVREDENHEID.
in omgekeerde verhouding staan tot de uitwendige goederen, die den raensch gelukkig heeten te maken. Een persische sage verhaalt, dat de Schah eens ernstig ziek was. Om te genezen, zoo hadden de Wijzen van het land verklaard, was het noodig, dat hij het hemd aantrok van een gelukkige. Overal, in de zetelstad des rijks en in de provinciën werd nu naar dien gelukkige gezocht, maar nergens was hij te vinden. Eindelijk trof een der afgezanten des keizers in een afgelegen dal een herder aan, die, in het gras liggende, vroolijk op zijne fluit speelde. De afgezant ontwaarde uit zijn spreken met den herder, dat deze werkelijk gelukkig was en vroeg zijn hemd te mogen hebben; maar de eenige gelukkige in het gansche rijk bezat geen hemd en de arme Schah moest sterven.
De zin van dit verhaal is gemakkelijk te ontcijferen. Als men de kunst verstaat.
78
TEVREDENHEID.
kan men met bijzonder weinig gelukkig en tevreden zijn. Daarom zegt de H. Pau-lus: „Niets hebben wij in deze wereld ingebracht; ongetwijfeld kunnen wij ook niets daaruit wegdragen. Als wij nu voedsel hebben en kleeding om ons te dekken, laat ons daarmede tevreden zijn.quot; (i Tim. 6 : 7). En reeds in het Oud-verbond heeft de Wijze man gebeden : „geef mij geen armoede en geen rijkdom, geef mij slechts wat ik noo dig heb.quot; (Spr. 30 : 8 ) Deze gouden middelweg van het aardsche geluk schijnt voor u open te staan ; het is slechts de vraag of gij het ook verstaat de voorwaarden dei-tevredenheid in uw hart te grondvesten en te bewaren.
Van die voorwaarden noem ik er in het bijzonder drie: het geloof aan eene Voorzienigheid, den vrede met God, de hoop op den hemel.
De echte socialist gelooft aan geen God.
79
TEVREDENHEID.
In 2ijn oog is het louter toeval, dat hij tot de onterfden behoort, terwijl aan anderen nevens hem de millioenen in den schoot komen rollen. Wij christenen ge-looven aan een goeden Vader in den Hemel, wiens albestierende voorzienigheid ons lot met oneindige wijsheid en liefde tot ons bestwil schikt. Christus roept ons toe: „Aanschouwt de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch in schuren vergaderen; en uw hemelsche Vader voedt ze; zijt gij niet veel beter dan zij?quot; (Matth. 6 : 26). „Van u zijn de hoofdharen alle geteld, jiiet een valt er van uw hoofd zonder den wil des Vaders, die in den Hemel is.quot; (Matth. 10 : 30).
Het is duidelijk dat de lasten en moeie-lijkheden, die de mensch in dit leven te verduren heeft, geheel en al verschillen, naar gelang men bij de beoordeeling daarvan van een christelijk of van een onge-
8o
TEVREDENHEID.
loovig standpunt uitgaat. De christen heeft in al zijne smarten en in al zijne beproevingen den zoeten troost, dat God ze hem met een goed oogmerk heeft opgelegd en dat er een tijd komen zal, waarop hij God er voor danken zal. Die gedachte doet hem eigenlijk nooit ongelukkig zijn. Al blijven ook vele zijner wenschen on-vervuM en al moet hij ook lijden, hij lijdt met onderwerping en gelatenheid, hij lijdt voor het uitwendige, maar in zijn hart woont de vrede. Omgekeerd is het met den ongeloovige. De uiterlijke lasten moet hij dragen, evenals de christen. Maar terwijl zij bij den laatste door het geloof in zijn binnenste worden verzoet en verlicht, lijdt de ongeloovige inwendig nog meer dan uitwendig. De gedachte, een slachtoffer te zijn van het vijandige noodlot, vervult hem met bitterheid en wrok, met nijd en ontevredenheid. Bij geheel denzelf-
6
8l
TEVREDENHEID.
den drukkenden toestand heeft de onge-loovige de gezindheid van een slaaf, die knarsetandt tegen zijnen meester, terwijl de christen, als zoon des huizes, in vrijwillige gehoorzaamheid zijnen Vader dient en op diens wijsheid en liefde onvoorwaardelijk vertrouwen stelt. Het kan niet anders of de keuze tusschen deze twee levensbeschouwingen zal u gemakkelijk vallen.
De tweede vereischte is de vrede met God. Wij christenen erkennen God als onzen heiligen wetgever en rechtvaardigen rechter; wij gelooven aan de onsterfelijkheid der ziel, aan Hemel en hel, en als met verstand begaafde menschen weten wij, dat de dood en het oordeel en tegelijk de onherroepelijke beslissing tusschen eene eeuwigheid van geluk of eene eeuwigheid van ongeluk elk oogenblik voor ons komen kunnen. Zeker, die gedachte heeft hare ernstige en verontrustende zijde voor ons.
82
TEVREDENHEID.
83
maar diezelfde gedachte moet ons ook aansporen, om naar de vermaning van den goddelijken Verlosser te waken en elk oogenblik gereed te zijn. Als wij over den staat van ons geweten walcen, met allen ernst de zonde vermijden en zoo wij gevallen zijn, ons in den stoel der boetvaardigheid weer met God verzoenen, dan kunnen wij ons het overgroote geluk verzekeren, van kinderen Gods te zijn. Voor dezen is God een geliefde en liefhebbende Vader, tot wien zij zich ieder oogenblik met vertrouwen wenden, op wiens steun en hulp zij zeker rekenen mogen. Voor dezen verliezen de dood en de geheimen aan gene zijde des grafs hunne verschrikkingen, want voor de kinderen Gods is de dood slechts de duistere poort, waardoor hun de hemel wordt geopend. En daarin ligt voor de ge-loovige en plichtbetrachtende christenen een overvloed van troost en van vrede.
TEVREDENHEID.
In zijn oog is het louter toeval, dat hij tot de onterfden behoort, terwijl aan anderen nevens hem de miliioenen in den schoot komen rollen. Wij christenen ge-looven aan een goeden Vader in den Hemel, wiens albestierende voorzienigheid ons lot met oneindige wijsheid en liefde tot ons bestwil schikt. Christus roept ons toe: „Aanschouwt de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch in schuren vergaderen; en uw hemelsche Vader voedt ze; zijt gij niet veel beter dan zij?quot; (Matth. 6 : 26). „Van u zijn de hoofdharen alle geteld, .piet een valt er van uw hoofd zonder den wil des Vaders, die in den Hemel is.quot; (Matth. 10 : 30).
Het is duidelijk dat de lasten en moeie-lijkheden, die de mensch in dit leven te verduren heeft, geheel en al verschillen, naar gelang men bij de beoordeeling daarvan van een christelijk of van een onge-
8o
TEVREDENHEID.
loovig standpunt uitgaat. De christen heeft in al zijne smarten en in al zijne beproevingen den zoeten troost, dat God ze hem met een goed oogmerk heeft opgelegd en dat er een tijd komen zal, waarop hij God er voor danken zal. Die gedachte doet hem eigenlijk nooit ongelukkig zijn. Al blijven ook vele zijner wenschen on-vervuM en al moet hij ook lijden, hij lijdt met onderwerping en gelatenheid, hij lijdt voor het uitwendige, maar in zijn hart woont de vrede. Omgekeerd is het met den ongeloovige. De uiterlijke lasten moet hij dragen, evenals de christen. Maar terwijl zij bij den laatste door het geloof in zijn binnenste worden verzoet en verlicht, lijdt de ongeloovige inwendig nog meer dan uitwendig. De gedachte, een slachtoffer te zijn van het vijandige noodlot, vervult hem met bitterheid en wrok, met nijd en ontevredenheid. Bij geheel denzelf-
6
Si
82
den drukkenden toestand heeft de onge-loovige de gezindheid van een slaaf, die knarsetandt tegen zijnen meester, terwijl de christen, als zoon des huizes, in vrijwillige gehoorzaamheid zijnen Vader dient en op diens wijsheid en liefde onvoorwaardelijk vertrouwen stelt. Het kan niet anders of de keuze tusschen deze twee levensbeschouwingen zal u gemakkelijk vallen.
De tweede vereischte is de vrede met God. Wij christenen erkennen God als onzen heiligen wetgever en rechtvaardigen rechter; wij gelooven aan de onsterfelijkheid der ziel, aan Hemel en hel, en als met verstand begaafde menschen weten wij, dat de dood en het oordeel en tegelijk de onherroepelijke beslissing tusschen eene eeuwigheid van geluk of eene eeuwigheid van ongeluk elk oogenblik voor ons komen kunnen. Zeker, die gedachte heeft hare ernstige en verontrustende zijde voor ons»
TEVREDENHEID.
83
maar diezelfde gedachte moet ons ook aansporen, om naar de vermaning van den goddelijken Verlosser te waken en elk oogenblik gereed te zijn. Als wij over den staat van ons geweten waken, met allen ernst de zonde vermijden en zoo wij gevallen zijn, ons in den stoel der boetvaardigheid weer met God verzoenen, dan kunnen wij ons het overgroote geluk verzekeren, van kinderen Gods te zijn. Voor dezen is God een geliefde en liefhebbende Vader, tot wien zij zich ieder oogenblik met vertrouwen wenden, op wiens steun en hulp zij zeker rekenen mogen. Voor dezen verliezen de dood en de geheimen aan gene zijde des grafs hunne verschrikkingen, want voor de kinderen Gods is de dood slechts de duistere poort, waardoor hun de hemel wordt geopend. En daarin ligt voor de ge-loovige en plichtbetrachtende christenen een overvloed van troost en van vrede.
84 TEVREDENHEID.
De ongeloovige heeft een hart zooals wij, met dezelfde behoefte aan inwendigen vrede; maar deels wil, deels kan hij dat hart niet bevredigen. In den regel bekommert hij zich weinig om den toestand van zijn binnenste. Hij zoekt de onrust zijns harten door uitwendige verstrooiingen te verdrijven, of hij tracht zich soms een soort van inwendigen vrede te scheppen, door zich van het oordeel en de dingen aan gene zijde des- grafs eene voorstelling te maken, juist zooals hij die gaarne wenscht, waarbij hij natuurlijk niemand meer dan zich zeiven bedriegt. Over me-nigen twijfel echter kan hij niet heenkomen en den waren vrede verkrijgt hij niet. En het gaat hem allicht op het einde, gelijk het den stervenden heiden ging, van wien de wijze Plato verhaalt. Diens woorden verdienen ook door christenen behartigd te worden. „Wanneer een mensch, zoo
TEVREDENHEID.
85
zegt Plato, den dood voelt naderen, dan jagen hem zekere dingen, waarover hij vroeger gerust was, zorg en onrust aan. Wat van de onderwereld en van de straffen, die de zondaars in het andere leven wachten, verhaald wordt en waarmede hij vroeger lachte, verontrust thans zijne ziel; hij vreest, en hij denkt, het moest toch eens waar zijn. Nu hij die schrikwekkende plaatsen is genaderd, schijnt hij ze beter te aanschouwen; hij is derhalve vol wanhoop en schrik; hij geeft zich rekenschap van zijne gedragingen; hij onderzoekt, welk kwaad hij bedreven heeft; hij schrikt dikwerf gedurende het nachtelijk uur plotseling wakker; hij siddert en beeft bij ai het verschrikkelijke, dat hem te wachten staat.quot; Zoo schildert de wijze Plato den zondaar bij den aanblik van den dood. Wal nu in het stervensuur als met geweld uit het diepste der ziel opwelt, dit is reeds gedurende het
TEVREDENHEID.
leven in de ziel aanwezig en verstoort nu en dan den inwendigen vrede. Zoover mijne ondervinding van het leven der ziel reikt, is de arme klepperman met een goed geweten veel gelukkiger dan de millionnair, die door woeker rijk geworden is.
Als er een dropje van de hemelsche vreugde op aarde te genieten is, dan wordt bet genoten door de reine onschuldige ziel, en omgekeerd wordt de helsche foltering reeds geproefd in de pijn, die het schuldige geweten heeft uit te staan.
De derde vereischte om tevreden te zijn is de hoop op den hemel. Wie niet op een eeuwig geluk hiernamaals hoopt, zoekt zooveel mogelijk den korten tijd, dat hij op aarde is, aan vergankelijke genoegens te besteden. Maar ook zij, die de middelen bezitten om de vreugde van dit leven te genieten, worden niet bevredigd. Want ons hart is voor iets hoogers geschapen; het
86
TEVREDENHEID.
zal, gelijk de H. Augustinus zegt, onrustig zijn, totdat het rusten zal in God. IJdelheid der ijdelheden, zoo roept Salomon uit, die zich beroemde een der gelukkigste men-schen op aarde geweest te zijn. Maar wat is wel de behoeftige zonder den hemel ? Andere genoegens dan die van deze aarde kent hij niet. en deze zijn hem ontzegd. Naast hem ziet hij anderen in overvloed zwelgen; hem heeft een vijandig noodlot tot armoede en gebrek veroordeeld. Toch bestaat zijn grootste ongeluk niet in de armoede, maar hierin, dat hij geene hoop heeft. Het is dan ook best te begrijpen, wanneer de ongeloovigen de smart niet uithouden, en al spoedig bereid zijn, om zich op ge-weldadige wijze van het leven te berooven, evenals het ook zeer goed is te verklaren, wanneer anderen met misdadige hand aan de rijken hun aardschen hemel zoeken te ontnemen.
TEVREDENHEID.
Geheel anders is het met den christen gesteld! Moet hij ook gebrek lijden of smart verduren, hij lijdt met de hoop op een eeuwig geluk, hij lijdt een kortoogen-blik, om namaals eene eindelooze zaligheid te genieten. Armoede en ellende zijn in het christendom niet datgene, wat zij te voren waren, bestraald als zij zijn door het licht der verheerlijking. Duizenden hebben ze niet enkel met moed en onderwerping, maar zelfs met vreugde op zich genomen. Hoewel de meeste menschen niet al dien troost weten te benutten, welke hun door den godsdienst wordt aangeboden, zoo is en blijft toch de godsdienst voor allen een onschatbare bron van bemoediging en versterking.
Alwat in dezen brief gezegd is, vat ik te zamen in het woord van Tertullianus: De ziel is van nature christelijk. Gelijk de vogel in de lucht, en de visch in het
88
TEVREDENHEID.
89
water hun levenselement bezitten, zoo is het levenselement voor uwe ziel het christendom met zijne waarheid, zijne genade, zijne hoop. Keert gij u van het christendom af, zoo verliest gij uw inwendig geluk; en hoe christelijker uw handel en wandel zal wezen, des te meer vrede en tevredenheid zult gij in uw hart hebben; want, gelijk gezegd is, uwe ziel is van nature christelijk.
VII.
EN DAN?
|i^ Waarde jongeling!
IjjPk moet nog op één punt uit mijn vorigen brief terugkomen. De heilige bisschop Zeno van Verona zegt: „Neem de hoop weg ( en alle leven is verlamd, alle ijver en moed heeft uit, alles is dood. De landman strooit geen zaad in de aarde; de visscher werpt zijn net niet uit op plaatsen, waar hij zijn moeite niet beloond hoopt te
I EN DAN? 91
)----
) zien. De reiziger verzamelt zijn laatste krach-
ï , ten, zoolang hij nog hopen kan het verlangde doel te bereiken; ziet hij zich echter in zijne verwachting bedrogen, dan zakt hij machteloos in een.quot; De drijfveer van het gansche leven en streven der menschheid is de hoop; elk afzonderlijk denkt bij iedere schrede die hij doet, liet een of ander goed te bekomen, of wel eenig kwaad te ontgaan. Maar hoe verscheiden zijn 's menschen verwachtingen! Hoe vele blijven onvervuld! Voor duizenden is de hoop, die zij najagen, niets dan een dwaallicht, waardoor zij in het moeras gevoerd worden. Zij doen hun best om vreugde, geld en eer, en wat verder al niet te grijpen, maar vinden zich bitter teleurgesteld; plotseling verdwijnt het dwaallicht en laat hen radeloos en zonder troost in ellende achter. Hoe velen ondervinden met harteleed de misleiding van hunne ijdele verwachtingen en de ontnuch-
EN DAN?
tering van de naakte werkelijkheid! De jeugd vooral is rijk aan zulke droome-rige verwachtingen, zoodat de dichter te recht zegt; de jongeling zeilt fier met duizend masten den oceaan in, om als grijsaard in stilte op eene nog behoudene boot in de haven terug te keeren.
Gij zult hieruit ontwaren, dat het voor uw toekomstig geluk niet zonder belang is, welke verwachtingen gij in u omdraagt. Volgt gij een dwaallicht, dan zal u dit ook in dwaling voeren. Richt gij echter uwe verlangens naar het ware doel, dan zullen zij u met geweld daarheen drijven, juist zooals een gunstige wind de zeilen doet zwellen en het vaartuig naar zijn doel brengt. Ik knoop aan de onderrichting omtrent dit punt eene korte vertelling vast. Tot den heiligen Philippus Neri kwam eens een aanzienlijke jongeling en verhaalde hem vol vreugde, dat hij zoo juist zijn examen
92
EN DAN?
met goed gevolg had afgelegd en nu in de rechtswetenschap zou gaan studeeren. De heilige vroeg: „En dan?quot; — „Dan zal ik vlijtig studeeren om den doctersgraad te bekomen.quot; — „En dan?quot; „Dan zal ik voor de rechtbank optreden en als advocaat een grooten naam maken.quot; — „En dan?quot; —• „Dan zal ik huwen en een gelukkige huisvader worden.quot; — „En dan?quot; „Dan zal ik, in het bezit van rijkdom en eer, een aangenaam leven leiden.quot; — „En dan ?quot; — „Dan, dan, stotterde de jongeling, zal ik oud worden en eindelijk sterven.quot; Nogmaals vroeg de heilige: „En dan? — Nu verstond de jongeling den heilige en zweeg.
Dit verhaal toont u allerduidelijkst, op welke dingen gij boven alle andere verwachtingen hopen moet, om u zei ven niet op jammerlijke wijze te bedriegen. Hier geldt het, om het woord van den Goddelijken Verlosser in al zijn volheid te behartigen:
93
KN DAN?
94
„Wat baat het den mensch, zoo hij al de gansche wereld wint, maar aan zijne ziel schade lijdt?quot; Welk eene dwaasheid, om zijne levenlang dingen na te jagen, die men wellicht niet verkrijgen zal, die, wanneer men ze inderdaad bezit, niet gelukkig maken en die men in elk geval spoedig weder moet verlaten. Maar nog noodlottiger is de dwaasheid, om op zondige wijze naar voorbijgaande genoegens en goederen te streven, waardoor men de eeuwige goederen verliest. Het „En dan?quot; van den heiligen Philippus Neri moge u tot richtsnoer dienen, om de verlangens en wenschen uws harten te regelen en te verbeteren. Gij moogt geen ondergeschikte wenschen uws harten bevredigen, die het verkrijgen van een hooger goed in den weg staan. Integendeel het verlangen naar vergankelijke dingen is slechts in zooverre geoorloofd en toegelaten, als het der hoop
EN DAN?
op hoogere en kostbaardere goederen bevorderlijk is of haar ten minste niet in den weg staat. Ik vil dezen hoofdregel in het kort op uw leven toepassen.
Het is zeer goed mogelijk, dat uw levenslustig gemoed, uw zucht naar genoegen en gezelligheid u in ernstige bekoringen brengt. Gij treft jongelingen van nagenoeg denzelfden leeftijd en dezelfde geaardheid aan, en de uren, met dezen in vermaak doorgebracht, schijnen u de schoonste uws levens toe. Ieder vrij oogenblik wordt gij als door een geheimzinnige macht gedreven naar die gezelschappen, welke intusschen het doel van uwe wenschen en verlangens zijn geworden. Dat gij dien verkeerden hartstocht moet tegengaan en bestrijden, zult gij zelf erkennen, als gij u de vraag „En dan ?quot; slechts stelt, en het oog vestigt op uw later levensgeluk, waarmeê die dolle pretmakerij niet in overeenstemming is. Als gij de onvoor-
95
EN DAN?
zichtigheid hebt, u in den kring van lichtzinnige vrienden te begeven, wordt gij ongemerkt een herberg-plakker, een dronkaard en een zwendelaar, en maakt gij u ongeschikt om later een onafhankelijk man, een gelukkig huisvader te wezen. De hoop op het bezit van degelijk tijdelijk geluk in lateren leeftijd, moet hooger bij u staan dan de bevrediging van de verlangens uwer jeugd. Gij moet die jeugdige verlangens zoo beheerschen en beperken, dat zij uw aardsche geluk niet in gevaar brengen.
Moet gij echter uw levensdoel hierin stellen, om eens welvarend of zelfs rijk te zijn, eer en ambten te verkrijgen, een man van aanzien te worden ? — Het staat u zeker vrij, om met gepaste middelen en in gepaste mate naar het bezit van de goederen dezer wereld te streven, en als gij een gezin hebt, is het tot op zekere hoogte zelfs uw plicht. Maar wanneer gij alles verkrijgt, wat
96
EN DAN?
97
uw hart verlangt, hetgeen u, wat mij betreft van harte gegund zij, dan toch kom ik met de vraag terug: „En dan?quot; Eer gij u. daarvan het bezit hebt verzekerd, gaat alles voorbij, gij wordt oud en ziek, de dood komt en gelijk gij niets in de wereld hebt meêgebracht, zoo zult gij ook niets daaruit meênemen. (i Tim. 6: 7). Wanneer gij, als een kind der wereld, in de vergankelijke goederen het doel van uw leven en streven hebt gezocht en daardoor de eeuwige goederen vergeten en veronachtzaamd hebt, zijt gij een groote dwaas geweest. Gij moet hooger gaan met uw verlangens en strevingen, opwaarts naar den hemel met zijne eindelooze gelukzaligheid. Hebt gij den Hemel gewonnen, dan is ook alles gewonnen; zonder den hemel, is alles verloren. Alle pogingen aan te wenden om tot het bezit van den hemel te geraken, moet als christen uw voornaamste streven
7
EN DAN?
zijn; den hemel aan de uwen te verzekeren, moet als vader eene uwer eerste zorgen zijn. Wat baat het den mensch, zoo hij al de gansche wereld wint en schade lijdt aan zijne ziel?
Uwe verlangens en wenschen moeten aldus geordend en geregeld worden : bovenaan staat de hoop op het eeuwige geluk des hemels, vervolgens komt het streven naar tijdelijken welvaart, en eerst op de derde plaats komen de genoegens en de vermaken der jeugd, die slechts in zooverre zijn toegestaan, als zij aan het tijdelijke en eeuwige welzijn geen schade toebrengen.
Wanneer gij u met uwe verlangens tot de hoogte des hemels verheft, en dan achterwaarts ziet, zult gij licht begrijpen, dat die hoop op den hemel wel eenige offers van u vordert, maar daarvoor in ruil ook veel grooter aardsche yoordeelen aanbiedt.
98
EN DAN?
99
Dit geeft ook de goddelijke Verlosser te kennen, als Hij ons zegt: Zoekt eerst het Rijk Gods en Zijne gerechtigheid en dit alles zal u worden toegeworpen. (Matth. 6:33). Zoek eerst het Rijk Gods en Zijne gerechtigheid, denk en handel als een christen, vrees God en onderhoud zijne geboden, en gij verzekert u daardoor niet slechts het eeuwig geluk des hemels, maar ook het tijdelijk geluk op aarde. Want zoekt gij eerst het Rijk Gods, dan zult gij niet tot het getal dier jongelingen behooren, die in jeugdige lichtzinnigheid met eigene hand hun levensgeluk verwoesten; zoekt gij eerst het Rijk Gods, dan zult gij, gelijk ik in mijn vorigen brief heb aangetoond, den vrede Gods in het hart dragen, al gaan ook niet alle aardsche wenschen in vervulling. Zoekt gij eerst het Rijk Gods, dan zal de Heer volgens Zijne beloften u het overige toewerpen; Hij zal het weinige of vele,
EN DAN?
dat gij bezit, zegenen en dien zegen op uwe kinderen overdragen. Wanneer gij eerst het Rijk Gods zoekt en voor alles uw streven naar den hemel richt, dan zult gij ook op aarde zooveel geluk en tevredenheid vinden, als u dienstig en heilzaam is. Daarom zij uwe levensregel het woord des Heeren: „Zoekt eerst het Rijk Gods en Zijne gerechtigheid en dit alles zal u worden toegeworpen.quot;
En nu ten slotte nog eene laatste herinnering en bede, die ik aan het eind van een langen vermaningsbrief van den H, Augustinus gelezen heb en welke aldus luidt:
„Opdat dit geschrift u als een spiegel diene en niet in vergetelheid gerake, moet gij het iedere maand herlezen. Bevindt gij, dat uw gedrag daaraan beantwoordt, wees dan God,
lOO
EN DAN?
den Gever van alle goed, daarvoor dankbaar. Zoo gij echter, in dezen spiegel ziende, misstappen ontdekt, bedroef u dan over het gebeurde en neem u in acht voor de toekomst: bid, opdat de zonde u ivorde uitgewischt en gij niet in bekoring valt.quot;
(August. Epist. CCXI).
IOI
INHOUD.
Hladz
I. De Kennis van zich zeiven.....U
II. De Vrijmoedige Belijdenis des Geloofs . 15 III Het zorgvuldig bewaren van het Geloof . fi'?
,\:lt;r0.mxiK' '..y V:.:.
J\S0-ci:-.
i: * js ■'. /;.-
m
Jp'
,■ -V--; v;•,' -'
■ y w .l .-lt;lt;gt; ■
■■■ ?
hgt;
:'èvv-
' ' • ^•r' '
'M:;
■ • V ' ^
r gt;
^ - NV ■■■s; ■■•Vquot; ■■'•gt;■ ■■ ,•--■■■.
:: . '] ' ' ■ ■ , . . 1 / ■„..--Vr-/-, •'■■ - ., , :quot; .■■■ • quot;■ ,, -'■■■ '
' .til V 'quot;■■■ ■ ■'
-Ï-?'
r.V
;i!s; ■
#-•4 ' '
■K'.
■ , . Vquot;
ïi--
r~' \ : quot;■ ' ■ '■ . • ■■■'„ •,/x/, ■ ___i____
______
•\Vi , i;-'■ J/ quot; . - - •-■ ; . , ■- , ' ' quot;••■ •- . . ■-■ . .- '
.-■; - ' ■ ■ ;■ - ■■■.■ . ■ ,. • ;■ ,..• •• :;J
w: •,
rw
•Ö
:.,'V
'^,r-
'.-r: ■ ' ■ : ■y - {quot;
'!';
' / : ■ ^ ■' ^ '4
'f Cy' ■ '. - ', ■ - . ■-. ■ v
. .. - • v 1 ,-.-r \
■■■