DE IJVER
VOOR T)K
RELIGIEUZE VOLMAAKTHEID.
liO
DE IJVER
VOOR Dl'i
RELIGIEUZE VOLMAAKTHEID,
opgewekt, vermeerderd, bewaard.
In drie koeten.
NAAR KET LATUM VAN
P. JOEIF iMII S.J.
Met kerkelijke f/oedkeuriny.
's-HERTOG ENBOSCH,
P. STOKVIS amp; ZOÃN
1892.
IMPRIMATUR.
Büscoduci, die 8 Maii 189'2.
J. J. VERSTKIIKEN. Rector,
ad hoe delegatus.
DE SCHSIJVER AAN DEN LEZER.
Ziehier drie boeken over den ijver voor de volmaaktheid, klem wel is waar van omvang maar daardoor juist, als ge wilt, te gemakkelijker in het gebruik. Toen ik die schreef, was ik er nog niet op bedacht een nuttige?i arbeid voor anderen te verrichten, maar alleen mij zeiven tot het leiden lan een religieus leven op te wekken. En vandaar dat tk, na de stoffen uitgekozen, ingedeeld en geordend te hebben, geeti werk heb gemaakt van een fraaien stijl, en alleen op de zaak, niet op woorden lettend, die schrijfwijze, tv elke de opvatting van mijn geest het getrouwst weergaf, heb
gebezigd, zoodal de schrijf Iran I niter st een- d
voudig, om niet te. zeggen ietwat verwaar- b
loosd, ts uitgevallen. En er bestond geen ^
reden, om toen ikvanplanveranderde en j
besloot deze boeken in het licht te geven. c
een poging aan le wenden mijne zegs- g
wijze op te sieren. Want ofschoon sommigen door sierlijkheid en netheid van inkleedi?ig voor de zaak zelve gunstiger gestemd worden, ben ik toch overtuigd, dat de meesten, waar het op hun voortgong m de z^olmaaktlieid aankomt, er weinig op letten of iets sierlijk is uitgedrukt, of zelfs, als zij zoo iets aantreffen, van de zaak zelve worden afgeleid en daardoor belet overvloediger vruchten te oogsten. Zoodanig toch is de aard van den menschelijken geest, dat hij hetgeen met oprechtheid en eenvoudigheid wordt gezegd, gemakkelijker vat en tot zijn gebruik en voordeel bezigt. Dat ziet men bij vele geschriften, maar is vooral
â VII -
duidelijk in den Bijhei en in dat gulden boekje. Over de navolging van Christus, welks stijl ik zoo nabij mogelijk heb trachten te komen, door mij tie natuur zelve en eene nimmer onderbroken lezing als onwillekeurig daartoe gebracht.
Wat de stof betreft, heb ik gemeend deze verhandelingen in drie boeken te moeten splitsen, ivaarvan elk beantwoordt aan een der drie deelen, uit welke de geheele heoe!ening der deugd naar mijn oordeel bestaat, namelijk beweegredenen, hulpmiddelen en de oefening zelve. Slechts weinig heb ik aangestipt uit het vele, dat zich aanbood: maar dat weinige is, in mijn schatting, zeer degelijk en de getrowve uitdrukking van het gevoelen en de lessen der ouden. Indien derhalve ook al de overige sieraden, waarin de menschen behagen plegen te scheppen, ontbreken, zal toch een ziel, die zich op de deugd toelegt., hier'geen
VIII â
gebrek hebben aan beweegredetien en op-wekkingen.
Daarom dan bied ik u met vertrouwen dit hulpmiddel aan, waarvan ik van tijd tot tijd de kracht heb ondervonden en waarbij ik ten uwen bate hier tn daar op de geschiktste plaats kleine toevoegselen heb aangebracht. Moge het, bij zoo grooten voorraad van voortreffelijke boeken, hoe gering het ook zij, vlijtig door u aangewend, dienen om uw ijver voor de religieuze volmaaktheid te bevorderen Vaarwel.
Rome, 2g Juni 1851.
EERSTE BOEK.
BEWEEGREDENEN TOT IJVER VOOR DE RELIGIEUZE VOLMAAKTHEID.
I.
,Over de roeping tot het religieuze leven.
1. De Geest blaast waar hij wil, en beweegt en trekt de menschen op verschillende wijzen tot liefde voor de heiligheid.
Deze wordt opgevoerd tot hooge beschouwing, gene tot het werkend leven en uitwendige bezigheden bestemd, en toch beiden door den H. Geest.
Sommigen wijden zich te gelijk aan het werkend en beschouwend leven ;
1
trachten niet alleen zich zeiven te heiligen, maar ook den naaste tot de zaligheid te brengen. Dat is het vol-maakste en goddelijkste aller werken.
Een zelfde Geest echter bestuurt en leidt allen langs verschillende wegen tot hetzelfde doel.
2. Een ieder nu, die God wil behagen, en de voor hem weggelegde heiligheid verkrijgen, bewandele zorgvuldig den weg, hem door de roeping des H. Geestes aangewezen.
Het zou wel een wonder wezen, indien hij, die zijne volmaking verwaarloost of minacht, het eeuwige leven en de gelukzaligheid verwierf, die den getrouwen alleen is toegezegd.
Hij toch, die den weg, hem door den H. Geest getoond, niet volgt, slaat niet dan met groot gevaar een anderen weg in om aan zijn eigen wil te voldoen
3. Velen worden geroepen op den weg van kwelling en vervolging, en als dezen voorbarig uitwendigen vrede najagen loopen zij groot gevaar.
Velen worden geroepen op den weg van armoede en vernedering, die, als zij op hun gemak en in aanzien willen leven, in dreigend gevaar verkeeren.
Anderen worden getrokken tot een leven van stilzwijgen en eenzaamheid, en zullen, als zij in de wereld blijven, niet zalig worden.
Zoo wordt de een op deze, de andere op gene wijze geleid door een en denzelfden Geest, wien men gehoorzamen en volgen moet.
4. Meen niet, dat gij iets groots voor God hebt gedaan, omdat gij in de keuze van zulk een verheven staat naar den goeden geest hebt geluisterd; God integendeel deed veel voor u, toen Hij zich heeft gewaardigd u te roepen en uit te kiezen.
â 4 â
Velen immers zijn geroepen gelijk gij, weinigen uitverkoren gelijk gij; 't is dus eene groote weldaad, dat God u niet alleen met de anderen geroepen, maar ook uitverkoren heeft tot een zoo heiligen levensstaat.
Een groote weldaad, dat Hij u van alle zorg voor het tijdelijke heeft ontheven, opdat gij ongestoord het welzijn uwer ziel zoudt kunnen behartigen
Een groote weldaad, dat Hij aan anderen de aarde en tijdelijke goederen laat, maar voor u zich zeiven en de eeuwige goederen bewaard heefc.
5 Toch zijt gij nog niet veilig en onfeilbaar zeker van uwe zaligheid; God wil dit, opdat gij u niet zoudt verhoo-vaardigen noch nalatig worden in zijn dienst.
En indien gij niet, door toeleg op de volmaaktheid, u met alle zorg op de beproeving voorbereidt, hebt gij geen
zekeren waarborg van volharding in uw roep.
Legt er v dus op toe, zegt de H Petrus, om door goede werken uwe roeping en uitverkiezing te verzekeren.
En de profeet voegt er bij: de Heer zal hen, die hun plicht verwaarloozen, met de ongerechtigen beschamen.
Onzeker en wankelend is de roeping en uitverkiezing van hem, die niet poogt met den dag door goede werken vooruit te gaan.
II
Men moet standvastig en met opgewekten ijver streven naar de deugd.
1 Meen niet, dat er ooit een tijd komt, waarin gij moogt ophouden naar de volmaaktheid te streven, of daarin lafhartig en nalatig worden
De deugden worden slechts metgroo-te inspanning eindelijk verkregen, en gaan door traagheid weder spoedig ver loren.
En hoeverre ook gevorderd, volmaakt zijt gij nog niet, want er staat geschreven : de rechtoaardige worde nog rechtvaardiger ; en: weest volmaakt, gelijk ook uw hemelseht Vader colmaakt is.
Er valt altijd iets te verbeteren, al hadt gij honderd en meer jaren in het religieuze leven doorgebracht.
Wij blijven immers broze stervelingen, onderhevig aan verkeerde neigingen: wij kunnen die wel besnoeien en onderdrukken, maar niet met wortel en tak uitroeien.
2. Ook weten wij niet wat God over ons heeft beschikt, en wat ons zal overkomen ten straf voor onze nalatigheid en onstandvastigheid.
Van onzen voortgang heeft Hij mis-
â 7 â
schien het heil van velen afhankelijk gemaakt, wier bloed Hij eens uit onze hand zal opvorderen.
Wij weten niet of ons geene zware bekoringen te wachten staan, welke men alleen door eene hoogere volmaaktheid te boven kan komen.
3. Derhalve moeten wij aan onze heiliging geene grenzen stellen, die wij niet willen overschrijden.
Zij die niet schromen zich eene heiligheid af te bakenen, beleedigen God, die hen tot hoogere volmaaktheid roept en stellen zich aan het grootste gevaar bloot.
Gelijk God vele andere heiligen, die wij nu vereeren, geroepen heeft, zoo heeft Hij ook ons geroepen
Gelijk zij derhalve aan die goddelijke roeping hebben beantwoord, en onvermoeid waren in het streven naar deugd, zoo laten ook wij, onzer roeping
waardig, met groot vertrouwen daarin wandelen, en God ijverig dienen.
4. Niemand is beter gestemd om vooruit te gaan, dan hij, die, zich zonder voorbehoud en nederig Gode aanbiedt, en het niet waagt Hem iets te weigeren.
Niets toch is God welgevalliger dan zulk een nederig vertrouwen en edelmoedigheid des harten.
O hoe spoedig zouden wij de volmaaktheid aanleeren, indien wij ons zoo vrijgevig jegens God betoonden !
Hoe spoedig zouden wij heiligen zijn, indien wij vol ijver en goeden wil tot God spraken met den H. Paulus; Heer, wai wilt Gij dat ik doe r
5. Maar daartoe wordt eene ziel vereischt, vrij van driften en een hart, dat zich toelegt op nederigheid.
Daarom moeten wij vóór alles strijden tegen de ongeregelde neigingen
â 9 â
onzes harten, en onze ziel zuiveren van kwade gewoonten, om er den Heer eene plaats te bereiden.
Dan zal ik, zegt de Heer, tot hem komen en mijn intrek bij hem nemen en mijn verblijf zal daar zijn in eeuwigheid.
III,
De menigte onzer gebreken moet ons aanzetten om naar de volmaaktheid te streven.
1. Beschouw u zeiven, en onderzoek hoeveel kwaads gij bedreven hebt en nog bedrijft; hoe weinig goeds gij gedaan hebt en hoe onvolmaakt.
Wat hebt gij met zooveel zorgen en moeiten tol nu toe gezocht? Waaraan hebt gij uw werk, uw krachten, uw tijd besteed ? Hebt gij geleefd voor mij en uwe ziel, of voor de ijdelheid en de zinnelijkheid ?
1*
â 10 -
Zie, uw tijd nadert; dan zult gij de oogen openen, en tot uwe groote spijt niets deugdelijks in uwe handen vinden om het rijk der hemelen te winnen; maar vele zonden zult gij vinden, die gij in de wrekende vlammen zult uitboeten.
2. Sinds vele jaren reeds moet gij naar de volmaaktheid streven : en hebt gij wel één maand, ja één dag volmaakt geleefd ?
Dagelijks moet gij u door gebed en beschouwing inniger met mij vereenigen: en zie, nog geen vol uur hebt gij voor mij doorgebracht zonder onvolmaaktheid
Wat hebt gij voor mij gedaan ? Wat voor mij geleden? Wat heldhaftigs of groots hebt gij tot heden voor mij verricht ?
En toch dit alleen zal u op uw sterfbed troosten: dat gij door de
â 11 â
beoefening der boetvaardigheid en andere deugden voor uwe gebreken en zonden voldaan hebt.
3. Bedenk ook hoe ongaarne en ongeduldig gij minachting verdraagt, hoe spoedig gij uw wrevel uit en het huis met klagen en morren vervult.
Hoe ijdel en zelfzuchtig gij zijt, gij die zoo vurig verlangt geëerd te worden, ja bij de beoefening zelve der nederigheid, door de verkleining van uw ik, in de achting van anderen zoekt te stijgen
Hoe traag gij zijt in uwe boet plegingen, hoe zinnelijk in spijs en drank, hoe weekelijk in het nemen uwer nachtrust, hoe keurig op uwe kleeding, hoe gehecht aan een geriefelijke woning, en hoe wars van alles wat strijdig is met de liefde tot het lichaam.
Hoe kwistig en buitensporig in het najagen van nietigheden, hoe traag en nalatig in de deugd !
12 â
Hoe trotsch en hard in uw omgang, hoe overmoedig en onbescheiden in uwe antwoorden, hoe halsstarigen weerbarstig in de gehoorzaamheid.
Hoe onberaden en onbeteugeld in uwe liefde, hoe onstandvastig en verstrooid in het gebed, hoe traag en gemelijk in het stilzwijgen, hoe onvoorzichtig en aanmatigend in het spreken, hoe onbedachtzaam en wereldsch in uw schrijven, hoe ijdel en vrij in uw denken, hoe weinig religieus en hoe aan-stootelijk in uw doen, hoe opgeblazen en zinledig in uw prediken.
O hoe dikwerf ontvlamt uw toorn tegen uwe medereligieuzen 1 hoe zelden geeft gij een voorbeeld van geduld en ootmoed.
Hoe dikwerf laat gij u door luiheid overmeesteren, hoe zelden schudt gij die af, om goed te bidden en te overwegen.
â 13 â
Hoe dikwerf klaagt gij over uwe oversten en gelijken 1 hoe weing let gij op uw eigen gebreken en onvolmaaktheden, om u zeiven te verbeteren.
Hoe dikwijls laat gij het goede na uit menschenvrees of uit behaagzucht, hoe zelden onthoudt gij u van het kwaad uit liefde tot mij.
Hoevele, u bekende of verborgene, of vreemde zonden hebt gij nog niet uitgeboet! Hoevele voegt gij daar nog dagelijks bij ter uitboeting in het *^andere leven ?
Waarom toeft, waarom aarzelt gij dan ? !t Geldt uwe zaak, om u is het te doen 1 Sla dus ijverig en moedig de hand aan het werk.
Tracht tevens door goed te leven, eiken dag althans iets vooruit te komen, indien gij u zeiven lief hebt en mijne' glorie deelachtig wilt worden.
â 14 â
IV.
De overweging van het vagevuur leidt tot verbetering van ons leven.
1. Mijn kind, hoe lang meent gij wel de pijnen van het vagevuur te moeten verduren ?
Want weinigen zijn er, die door hun grooten ijver voor de versterving en reinheid des harten verdiend hebben van die straffen bevrijd te blijven.
Indien gij er u op wildet toeleggen hen na te volgen, mocht gij hopen, niet lang in de vlammen te zullen lijden, maar spoedig het heilige licht en de heerlijkheid binnen te gaan.
Maar zoo gij het vleesch niet overwint en uw eerzucht niet weerstreeft, zult gij lang en hevig moeten branden.
2. Zuiver u van uwe zonden, nu het nog tijd is en verloochen uwe lusten: dat zal u beter zijn.
â 15 â
Want nu kunt gij èn lichter èn met een groote aanwinst van verdiensten u daarvan zuiveren.
Wie echter afwacht totdat hij door het vuur gelouterd en gezuiverd wordt, zal veel meer en veel heviger lijden, en van dat lijden geene verdiensten inoogsten, wijl de tijd der verdiensten verstreken is.
Meent gij dat het weinig of gering is, wat gij door dat verschrikkelijke vuur wilt laten uitbranden?
Bedrieg u niet : Ik zalJeruzaltm met laniaarnen doorzoeken, en de gerechtig-heden zelve oordeelen, en geen levende zal in mijn oog rechtvaardig worden bevonden.
Dikwerf is hetgeen u verheven en verdienstelijk schijnt in mijn oog afschuwelijk en strafwaardig.
Niets wat bezoedeld of besmet is, kan de heilige stede binnengaan; want die plaats is heilig, en het gemeen schappelijk verb ijf van al wat zuiver is
â 16 -
4. Het is dus beter voor u thans V
op verdienstelijke wijze, boetvaardig- zelv heid te doen,'dan u met een nieuwen dat zondenlast te bezwaren; maar al te -
veel toch hebt gij nog te verbeteren sch en te herstellen. on(
Indien gij tracht nu de aangegane ke( schuld af te doen, dan zal Ik mij met dw weinig, ja met een enkel talent tevre den stellen. Verschuift gij echter de do
betaling tot in het andere leven, dan de
zal ik u beproeven en louteren, gelijk dl
het goud in den smeltoven wordt ge- h(
louterd, en gij zult dien niet verlaten, ti:
voordat gij de laatste penning hebt uitbetaald.
Zie, nu kunt gij met een weinigje toeleg, met een geringe kastijding, uwe zoo talrijke fouten uitboeten, aan verschrikkelijke folteringen ontsnappen en u aan 't gevaar van het helsche vuur onttrekken. i
Welaan, wets dan wijs, en draag u zeiven ec verstandige liefde toe, opdat het u niet te laat berouwe.
Tracht in (e gaan door de en^epoort, schrik voor moeilijkheden niet terug, onderdruk uwe driften, overwin de verkeerde gewoonte, tel den spot der dwazen en lafaards niet.
Zij toch zijn laf en dwaas, die liever door hun onvergefelijke nalatigheid in de handen mijner gerechtigheid vallen, dan door voldoening en boetvaardigheid tijdens hun leven mijne barmhartigheid verdienen.
V
Standvastige beoefening der deugden schenkt groeten vrede.
1. Mijn kind, mijn juk is zoet en mijn last is licht: maar zoet voor hen.
die het op zich nemen en licht voor die hem dragen.
Indien gij dat juk alleen met het oog des vleesches beschouwt en weigert het op uwe schouders te leggen, dan kunt gij de lichtheid en zoetheid er van niet ondervinden.
Daarom klaagt gij dikwerf en meent gij een zwaar gewicht te torsen, omdat gij mij nooit van harte gediend hebt.
O indien gij u eens ernstig en vurig begont te beteren, welk een grooten vrede en inwendigen troost zoudt gij vinden 1
De wereld en de vleeschelijke begeerten zouden u niet meer smaken, zoodra gij het hemelsche hadt geproefd.
Maar wijl gij onvolmaakt en nalatig zijt, kunt gij die zoetheid begrijpen noch genieten, want de vleeschelijke mensch val niet wat des geesies is.
â 19 â
2. Gelukzalig zij, die honqei en en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Och, of gij hongerdet en dorsttej om eens de waarachtigheid mijner beloften te ondervinden: van zoetheid verzadigd, zoudt gij geen troost meer aan de wereld vragen.
Immers vanwaar die oorlog en tweestrijd in uw hart? Is het niet van uwe driften, die in uwe ledematen strijd voeren ? Worstel derhalve tegen uwe begeerlijkheden en gij zult overwinnen en vrede verwerven.
3 Vergeefsch is het vrede te zoeken buiten mij; want aardsche genoegens kunnen het hart niet verzadigen, maar laten het veeleer, als zij genoten zijn, in kwelling en druk.
Ik zelf ook meng bitterheid onder den menschelijken troost, opdat uwe ziel in dien troost niet ruste.
â 20 â
En ik laat dagelijks vele bekoringen en kwellingen toe, opdat wie ver van mij afdwalen, des te spoediger met vreugde tot mij wederkeeren.
Maar wie vol vertrouwen zijn kruis dragend en alles om mij versmadend tot mij komt, leert de ijdelheid en ongestadigheid van alle wereldsche vertroosting kennen, en vindt meer vreugde in de verfoeiing zijner zonden en de overwinning van zich zeiven, dan de gansche wereld in haar ijdel schijnvermaak.
4. Begin derhalve, mijn kind, vrees niet: overwin uwe driften, veracht uw gemak, werp de ijdelheden van u af.
Leg u toe op het gebed en de ver morseling des harte^ lees de levens der heiligen, gedenk uwe uitersten, draag zorg voor de zuivering van uw hart, en gij zult vrede vinden.
Wees ootmoedig en matig, en gij zult vrede vinden.
Wees moedig en standvastig, en gij zult vrede vinden.
Wees geduldig en ijverig, en gij zult vrede vinden.
Indien gij aldus mijn juk draaft en mijn last torst, zult gij in blijdschap het honderdvoud genieten en het eeuwig leven bezitten.
VI.
De vrees voor de hel moet onzen ijver voor de deugd aanvuren.
1. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle. Veien toch zijn afgeweken van den weg des heils, omdat zij niet wilden letten op het gevaar van te vallen.
Hadden zij meer gedacht aan de straffen der hel, dan zouden zij mis schien niet gevallen of spoediger zijn opgestaan.
â 22 â
Misleid u zeiven riet : hoevele beweegredenen tot vertrouwen gij ook hebt, niet lang moogt gij verzuimen te denken aan hetgeen u van een heilzame vreeze doordringt; noch een heilige roeping, noch het geestelijkgewaad, noch de priesterlijke waardigheid stellen u in veiligheid. Niet weinigen zijn goed begonnen en slecht geëindigd, omdat zij zich van hunne zaligheid reeds verzekerd waanden.
2. Denk er aan, bid ik u, hoe rampzalig het is door eigen schuld van alle goed beroofd en door alle folteringen onder de booze geesten gemarteld te worden; in strijd met Gods wil kortstondige vreugde genoten te hebben en daarna in den eeuwigen vuurgloed te wonen; op aarde eenijdelen troost gezocht, en daarvoor het bitterste wee in de hel gevonden te hebben.
Gedenk hoe veelvuldig, hoe verscheiden, hoe verschrikkelijk de pijnen der martelaren zijn ! En zie, zij zijn niets in vergelijking met de pijnen der hel.
De martelaren werden gesteund door de gedachte aan de groote belooning, die hen wachtte, door hun vurige liefde tot Christus, door de zuiverheid en gerustheid van een goed geweten, door Gods genade die alle pijnen verzoette, door de heiligheid der zaak waarvoor zij leden : maar niets van dat alles laat zich denken in de hel.
3. Daar strekken de pijnen niet tot verdienste noch tot zuivering, maar alleen ter wraak.
Daar geen liefde, die de smart verzacht, maar haat en wanhoop die haar verscherpen; daar geen genade, die troost of verkwikt, maar de almogende toorn Gods, die de verdoemden te
â 24 â
heviger kastijdt en hun gevoeligheid i
verdubbelt; daar geen rust des gewe- hoo
tens, maar de storm der duisternissen, die
voor de eeuwigheid bewaard. 1
O, hoe hard is het God te missen, het
in den poel van vuur en zwavel neder dei
te liggen, met alle goddeloozen door de ov(
duivelen gekweld te worden ! vlo
Hoe bitter zich het verleden te her- spi
inneren, het tegenwoordige te aan- ste
schouwen, aan het toekomende te den- all-
ken 1 Het genot der zonde ging voorbij wo
in één oogenblik en de straf der hei zonde zal niet voorbijgaan.
Hoe zwaar zullen dan die fouten he
blijken, die nu licht schijnen, en de uit
eerste oorzaak waren der eeuwige ver- op
werping ! . de
4. O religieus, mijn broeder of zuster, stc waan niet dal die woorden alleen
slaan op den wereldling; ook gij zijt ve
roensch: heb medelijden met trwe ziel. en
Al hadt gij wonderen gewrocht, ver-hoovaardig u niet, maar vrees: want hoe dieper de va], hoe gevaarlijker de wond.
Het lichaam, dat tijdens het leven het weeldrigst gevoed wordt, gaat na den dood het spoedigst tot verrotting over. Zoo ook daalt de ziel, die overvloediger met hemelsch voedsel ge-spijzigd, toch den geestelijken dood sterft, sneller ten afgrond, waar zij alles versmaadt; daarom is het spreekwoord waar, dat zegt: het bederf van het beste is het ergste.
Wat anderen tot geneesmiddel strekt, heeft op die ziel nauwelijks eenige uitwerking; wat anderen treft, heeft op haar alle kracht verloren, want de gewoonte heeft haar geheel verstompt.
5. O hoe oprecht moeten wij ons vernederen, wij, die nog kunnen vallen en voor eeuwig verloren gaan 1
2
Hoe zorgvuldig ons zuiveren van onze vroegere zonden,, opdat wij niet later, in de weegschaal afgewogen, te licht bevonden worden 1
Hoe bereidvaardig de inspraken Gods volgen en ons leven regelen naar onze roeping, opdat het aandeel der huichelaars niet het onze worde 1
VII
Het is gevaarlijk stil te staan ia het streven naar de volmaaktheid.
1. Zie toe, mijn kind, dat gij niet begint af te wijken, van den weg der volmaaktheid, en het u slecht ga.
Gij hebt al wat ijdel en wereldsch is om mij verlaten : reeds is u eene ruime vergelding bereid, die niet lang zal worden uitgesteld: wacht u dus, tot uw groote schade, terug te keeren naar datgene, wat gij zoo edelmoedig hebt verzaakt.
11-
~ 27 â
De inspanning van den tocht schrikke u niet af: want hoe groot die ook ^ mocht wezen, hij kan niet lang duren. | Dit leven vliedt heen en de gedaante
dezer wej-eid gaat voorbij, en wanneer gij er niet aan denkt, zal de dag der vergelding aanbreken.
Indien gij standvastig den weg bewandelt, dien gij om mijnentwil zijt opgegaan, vrees dan niets: uwe droef-heid zal in vreugde veranderen, en tiwe vreugde zal niemand u ontnemen.
Begint gij echter te verflauwen, dan zult gij, al schijnt wat gij verwaarloost gering, langzamerhand zwakker worden en meer ten val geneigd.
2. Bedrieg u niet: begint gij heden in uw gebed te verflauwen en vrijwil-^ lige verstrooidheden toe te laten: morgen zult gij nog veel flauwer en verstrooider zijn.
Bedwingt gij heden uwe zintuigen
J
i y
â
- 28 â
niet door de versterving, morgen zult gij u met meer moeite aangorden om
ze te beteugelen
Laat gij u heden door nuttelooze en ijdele dingen meesleepen, morgen zult gij daaraan of aan ergere nog veel inniger zijn gehecht 1
Dat is de rechtvaardige straf, door mij opgelegd aan hen, die den last van den strijd ontvluchten; die terwijl zij de genade om te overwinnen bezitten, maar verwaarloozen, ook verdienen van den overvloed der genade beroofd
te worden.
3. Men mag den strijd niet staken, voordat ons na de eindoverwinning op al onze vijanden, de kroon der zegepraal wordt toegereikt.
De duivel heeft door eene ijdele gerustheid velen bedrogen, die hij vergeefs jarenlang met andere bekoringen had bestormd.
â 29 â
Door de zorgeloosheid toch, die uit zulke gerustheid voortkomt, wordt de geest verlamd, de gewoonte om aan het hemelsche te denken verloren, de meer krachtige bescherming der goddelijke barmhartigheid verwijderd, de zucht tot eene verderfelijke vrijheid gevoed, de begeerlijkheid opgewekt, de zielskracht ontzenuwd, de opstand der zinnen aangewakkerd, de zonde met den dag menigvuldiger en de weg gebaand ter verderve.
Des menschen zin toch is tot het kwade geneigd van zijn eerste jaren af; indien gij hem derhalve den teugel viert, dan zal hij tot uw verderf tegen u in opstand komen.
Zie, ik heb u gezegd : Wie na mij wil komen, verloochent zich zeiven. En : Hei rijk der hemelen lijdt geweld en de geweldigen nemen het in. Want indien gij niet tegen uwe ondeugden
- 30 â
strijdt en ze ten onder brengt, zullen zij u overwinnen, en u aan de slavernij des duivels onderwerpen.
4. Hij, die niet zorgt vooruit te gaan, gaat reeds achteruit, en neemt reeds ongemerkt in volmaaktheid af.
Wilt gij behouden wat gij hebt, streef dan naar grootere volmaaktheid
Want de onstandvastigheid en de zwakheid van den menschelijken wil zijn groot, en het zal reeds veel zijn, indien gij bij uw pogen om tot grootere heiligheid op te klimmen, in uwen tegenwoordigen toestand volhardt.
Niets toch is blijvend in dit voorbij gaand leven, maar wij zien, dat alles zeer wisselvallig en veranderlijk is. God alleen, bij wien geen verandering noch schaduw van wisselvalligheid is, blijft dezelfde in eeuwigheid en kan nimmer afwijken.
De mensch echter is als een kwade
â Sl
akker, die niet lang zonder slechte vruchten kan zijn, tenzij hij met groote zorg door de beoefening der deugd bebouwd worde ; of als een bootje, dat medegesleept door den stroom, niet op dezelfde plaats kan blijven, tenzij het met krachtigen arm tegen den stroom worde ingedreven.
5. üerhalve moed gevat! en indien u iets zwaar valt, strijd met groote kracht en standvastigheid, totdat gij de overwinning bevochten hebt.
Dikwerf is het iets gerings, dat u in verwarring brengt en van uwe geestelijke oefeningen aftrekt; en indien gij vast besloot te volharden, zoudt gij gevoelen, dat. de strijd korter en gemakkelijker is dan gij meendet.
De strijd is korter en lichter voor hem, die waakzaam en nauwgezet is, dan voor den lauwe en loszinnige.
Hij, die van den beginne af krach-
tig aan de zinnelijkheid en de bekorin-yen weerstand biedt, voorkomt en verlamt door zijn ijver alle listen des vijands ; maar hij, die zijne natuur involgt en overal ijdele versrooiingen zoekt, wordt dagelijks zwakker en onbekwamer ter overwinning, en is daarom ook gemakkelijk te verslaan.
De vijand zou u niet licht overwinnen, indien gij terstond uwe loomheid afschuddet, en met een vast besluit om te strijden God om bijstand smeektet.
Ja zelfs zou de duivel zwak blijken en dikwijls van u wegvluchten, uit vrees dat gij, naar aanleiding van zijne bekoring, grooter verdienste zoudt verwerven.
Verkiest gij echter te droomen en in schuldige nalatigheid den strijd te ontwijken, of bekommert gij u weinig orn den vijand, bij de gedachte aan het goéde, dat gij reeds verricht hebt,
dan zult gij later ondervinden, hoe sterk en moedig gij hem hebt gemaakt tot uw eigen verderf.
VIII
Men moot een schat verzamelen in den hemel.
J. Wees een goed handelaar, zoolang gij tijd hebt, en bereid u een onvergankelijken schat in den hemel, waar geen dief toetreedt en geen mot verteert.
Wat doet gij toch ? Zie, de jaren gaan snel voorbij en de dood nadert, en toch beijvert gij u niet het verlies te herstellen,
Eén dag, één uur, één oogenblik kan een schat van groote verdienste bezorgen aan hem, die God ijverig dient.
2*
Elk goed werk, elke goede gedachte of begeerte wordt in den hemel overvloedig beloond.
Elke overwinning op ons zeiven, de geringste versterving en verloochening onzer driften doet ons vele trappen stijgen voor het aanschijn van God.
Want het kortstondige en lichte onzer tegenwoordige kwelling bewerkt in ons een bovenmate uitmuntend, eeuwig gewicht van heerlijkheid.
2. Waarom dan dralen wij om een groot gewicht van eeuwige glorie voor ons op een te hoepen ?
Waarom zijn wij zoo bekrompen en gierig ten opzichte van God?
Waarom wikken en wegen wij zoo nanwkeurig, hoever onze strikte verplichting gaat, en verwaarloozen en verachten wij bijna, als iets schadelijks, al datgene, waartoe wij ons niet verplicht rekenen ?
3. Waarlijk onze hartstochten verblinden ons, zoodat wij niet alleen niet zorgen voor hetgeen ons zóo voordeelig is, maar zoo groot een goed zelfs geen blik waardig keuren.
Waarlijk de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger en veel voorzichtiger dan wij in hun handel en wandel.
Zij werken zich in het zweet om een klein fortuin te verkrijgen, tobben zich af om ijdele eer, lijden veel om een weinig gezag en een kortstondige zoetheid van dit wisselvallige leven te genieten ; zij zijn bereid nog meer te lijden, schijnen den last des arbeids niet te gevoelen, en met dat al zijn zij niet zeker te verkrijgen wat zij wenschen
En wij zien er tegen op datzelfde en minder dan dat te lijden voor onschatbare rijkdommen, voor waarachtige en eeuwige glorie, voor de
â 36 â
kroon der gerechtigheid, voor eene zaligheid, die onuitsprekelijk is.
En hebben wij iets gedaan of geleden voor God en het heil onzer ziel, al is het nog weinig en nauwelijks voldoende tot uitboeting onzer zonden, dan gaan wij vol vertrouwen voorwaarts, in den waan dat wij reeds rijk genoeg zijn, en verkwijnen en verouderen in laffe werkeloosheid.
4. O diepe verblinding van den mensch ! Waar zaagt gij ooit een koopman die, na eene geringe winst te hebbe^ gemaakt, rustte en zeide : 't Is genoeg ?
Is hij dan niet blind, die meent de eeuwige glorie, welke hij nog niet bezit, reeds voldoende verdiend te hebben en ophoudt schatten te verzamelen?
Vernederen wij ons voor God, en schaman wij ons over onze laaghartigheid en zorgeloosheid.
â 37 -
Voor vergankelijke en tijdelijde goederen wordt geen arbeid te veel of te zwaar geschat en voor het gewin van alle goed wordt alles, hoe klein en gering, als ondragelijk beschouwd.
Voor een nietig en schraal gewin trotseert zoo menig koopman in de wereld levensgevaren: en voor de eeuwige zaligheid verdraagt men niets, zoodra het der natuur zwaar of lastig valt.
Hoevele soldaten aarzelen niet, zich voor een onbeduidenden en moeilijk te verkrijgen buit aan de slagen der vijanden bloot te stellen en wonden te ontvangen; en voor de kroon der heerlijkheid biedt men den duivel of den aanlokselen des vleesches nauwelijks weerstand.
5. O mochten toch onze oogen open gaan, mochten wij wijs en verstandig zijn !
â 3S -
Indien de hemelsche vreugd met droefheid vereenigbaar was, dan zouden alle heiligen weenen en innig betreuren, dat zij God niet vuriger dienden en nog grootere genade verwierven toen het nog tijd was.
Eén graad van glorie overtreft in oneindige mate eiken aardschen schat-Eén druppel van dien allerkost-baarsten kelk is zoeter dan een oceaan van aardsch genot.
Indien slechts voor één oogenblik de schoonheid der belooning, aan elke goede handeling verbonden, het oog der verdoemden trof, zij zouden geene smart meer gevoelen in hunne vreese-lijke folteringen, en de hel zou hun als een paradijs schijnen.
Stellen wij dus zoo weinig belang in zulke schitterende en overgroote belooningen, waarlijk dan zijn wij blind en dwaas.
â 39 â
6. Leeren wij derhalve van de kinderen dezer wereld ijver, moed, geduld, vindingrijkheid, opdat wij ten bekwamen tijde schatten verwerven van onvergankelijke waarde.
Wij moeten zorgvuldig alle middelen uitdenken, om zooveel voordeel van ons leven te trekken als maar mogelijk is.
Wij moeten elke gelegenheid om eenige verdienste te verwerven bespieden, zoeken, afwachten, met vlijt aangrijpen.
Aan een zaak van zulk gewicht moeten wij gaarne alle krachten van ziel en lichaam besteden, al konden wij daardoor onze toekomstige belooning slechts met één graad van glorie vermeerderen.
7. Nooit moeten wij zeggen ' 't is genoeg, ik heb genoeg verdiend, ik ben gelukkig genoeg als ik maar eenmaal het eeuwig leven verwerf.
Dat is de taal van onvolmaakter! en onverstandigen, die, de voortreffelijkheid der goddelijke belooning niet beseffen.
Dat is de taal van ondankbaren en hoovaardigen, die terwijl zij er niet aan denken meer graden van glorie te verwerven, de glorie zelve schijnen te, minachten, en blijk geven God zeer weinig lief te hebben.
Dat is de taal van hen, die innig aan het vleesch en de wereld gehecht, de geestelijke goederen minachten, omdat zij, van ongeregelde begeerlijkheden vervuld, niet vermogen te smaken en te zien hoe zoet de Heer is.
8. Gü dan luister naar den raad des Heeren, dien gij standvastig volgen moet: Verzamelt u schatten in den hemel.
Luister naar het voorschift des Heeren, dat gij met vrees en siddering
â 41 â
moet volbrengen : Drijft handel totdat ik kome.
Hoor eindelijk de uitspraak en het oordeel des Heeren, die gij u diep in 't hart moet prenten ; Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Indien gij dit met een leerzaam hart aanhoort, dit aandachtig overweegt en met goeden wil volbrengt, zie dan zal de Heer op den bepaalden dag komen, u den kus des vredes en der eeuwige liefde geven, en u over al zijne goederen stellen, met de woorden ; Treed binnen in de vreugde uws Heeren.
IX
Wli moetoi. God d. nkbaar zijn voor^de ontvangen weldaden.
1 Mijn kind, gedenk hoe vele weldaden gij hebt ontvangen ; en over-
weeg dikwerf hoe gij die derhalve tot mijne glorie moet gebruiken.
Want die schuld is niet klein en kan niet zonder groote vlijt en standvastigheid worden afgedaan
Schijnt het u gering toe, dat ik mij heb gewaardigd u uit het niet te scheppen en, toen gij verloren waart, gekomen ben om u te verlosseh ?
Met eene eeuwige liefde heb ik u be7nind\ u, die mijne liefde ontelbare malen versmaad en mijn beeld schandelijk bezoedeld hebt.
En toch hebt gij mijne liefde en mijn geduld niet overwonnen.
En ik sprak : Zie, ik s/a aan de deur en klop: doe open, mijn beminde, want mijn hoofd is geheel door den dauw en mijne haren zijn door de druppelen ' an deti nacht bevochtigd.
1 Alwat gij hebt is het mijne, want van mij is alles vol mildheid
voortgekomen. Alwat gij kunt, kunt gij door mij: want zonder mij vermoogt gij niets
Alwat gij hoopt, kunt gij door mij verkrijgen, want ik ben de Heer der krachten en de koning der heerlijkheid.
Beschouw hemel en aarde en al het geschapene: in dat alles ben ik tegenwoordig, in dat alles werk ik tot uw nut, opdat gij mij in vreugde dienen zoudt.
Beschouw u zeiven, dien ik naar mijn beeld geschapen, tot mijn Kerk geroepen, door het woord des levens versterkt, uit de straffen van de hel verlost, tot mijn tempel uitverkoren, met mijn vleesch gevoed, door mijn bloed gereinigd, tot eene onuitsprekelijke glorie met de heilige engelen heb voorbestemd.
3 Welaan dan, mijn kind, vergeet de quot;weldaad i'an uwen borg niet, want
â 44 â
hij heeft zich zeken voor u ten beste gegeven.
Veel heb ik voor u gedaan, veel voor u geleden; en toch vraag ik. niet veel terug: geef mij uw hart, mijn zoon, en ik zal tevreden zijn.
Erken nederig, dat gij alles zonder verdienste van uwen kant hebt ontvangen, dat gij tot nu toe een onnutte dienstknecht zijt geweest en ik zal tevreden zijn
Laat mij vrij in u werken en over u beschikken, zooals het u voordeelig is en ik zal tevreden zijn.
Gebruik mijne weldaden ten goede en ik zal tevreden zijn.
Dit toch is mijn wil omtrent u. dat gij door te beantwoorden aan mijne weldaden, u door mij met gunst op gunst laat overladen.
Waarom dan weerstaat gij aan mijne vrijgevigheid? Waarpm dwingt gij mij
- 45 â
door uwe nalatigheid mij terug te trekken?
Waarom let pij niet op de armoede uwer ziel, en laat gij nauwelijks een plaatsje voor mijn schatten open?
4 Heer, ik ben verlegen en be schaamd. dat gij meer bereid zijt te geven dan ik van u te ontvangen.
Verruim het hart van uwen dienaar, ontsteek in mij het vuur uwer liefde, maak, dat ik geheel zij volgens uw hart.
Ik dank u, o Heer, dat gij u hebt gewaardigd mij uit het niet te trekken, u zeiven voor mij te vernietigen, voor mij ter dood toe gefolterd te worden.
Ik dank u, dat gij in uwe mildheid besloten hebt mij met uwe genade te onderhouden, met duizenden goederen te vervullen, en, toen ik nog uw vijand was, mij het eerste te beminnen.
Ik dank u, dat gij mij, ondankbare, niet verworpen, noch in het eeuwig
â 46 â
vuur gestort hebt, maar mij tot een heilzaam ' berouw opgewekt, mij met liefde bestraft, en tot het verkrijgen van nog betere genadegaven hebt aangespoord.
5. Wat geef ik, o lieer, u weder voor alles wat gij mij geschonken hebt? Zie, ik bezit niets; want wat ik heb, ja, wat ik ben, 't is het uwe en is van u uitgegaan.
Gewaardig u evenwel, o Heer, mij als vrijwilligen dienaar aan te nemen: want ik verlang mij geheel en al in uwe handen te stellen, opdat ik op de wegen uwer gerechtigheid wandele naar het welbehagen van uw heiligen wil.
Is het dan zulk een groot offer, wanneer ik u uit al mijne krachten dien, u, die de Heer van alles zijt ? Moet het dan zwaar vallen, aan men-schelijke en gevoelige vertroostingen te verzaken, ja tot uitputtens en ster-
vens toe te arbeiden, terwijl gij u ge-waardigd hebt al uw bloed voor mij te storten ?
Kan het dan zoo moeilijk wezen, zijne ongeregelde neigingen te verloochenen en om u te behagen zich zeiven te haten, nadat gij mij uit het diepste der hel en den eeuwigen vuurgloed verlost hebt ?
6. Zóó wil, zoo besluit ik : ik bid u. Heer, help mij met uwe genade, opdat ik de onuitsprekelijke waarde uwer weldaden erkenne.
Toon mij hoeveel het is wat gij gegeven hebt, hoeveel meer nog, wat gij geven zult.
Prent dat alles diep in mijn hart 1 opdat de herinnering der ontvangene weldaden en de verwachting der toekomstige mij aanhoudend versterken in uw heiligen dienst en mij voortdurend aansporen om ijverig te arbeiden.
Vervolgingen en lasteringen moeten ons opwekken om des te ijveriger naar de volmaaktheid te streven.
1 Sta op, o Heer, kom ons te hulp ! Toef niet, want de wateren der kwellingen overstelpen mijne ziel; troost uwe dienaren en verdelg, verneder allen, die hen vervolgen.
Vergeet, Heer, onze droefheid niet : om uwentwil zwoegen wij, om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood, geacht als schapen ter slachting bestemd ; red ons. Heer, want op u hebben wij gehoopt.
2. Mijn kind, gelijk zij mij vervolgd^ hebben, zoo zullen zij ook u vervolgen: want de leerling is niet boven den meester.
Heb ik het u niet voorspeld? Zouden zij, die in de boosheid verzonken en
- 49 â
onder het juk van den duivel zijn ge^ kromd, Gods dienaren en de vijanden des duivels niet vervolgen?
Indien gij van de wereld waart, zou de wereld beminnen wat het hare is.
Maar gij zijt niet van de wereld: daarom haat u de wereld Verheugt u derhalve en juicht, want uw loon in den hemel, is overvloedig.
Houd dan op met klagen, mijn kind ; indien gij de zaken wel inziet, dan moet gij mij dank weten: want het is een groote genade voor mij en ter wille van mij lijden en kwelling te verduren.
3. Hij, die om mijnen naam beproefd wordt en vervolging lijdt, moet zich op het lijden beroemen : want die mede lijdt, zal medeheerschen
Dien ik liefheb, berisp en kastijd ik in deze wereld, opdat hij niet met de wereld verworpen worde; maar
3
door vuur en waier gelouterd, bij mij in het verblijf der zaligheid kome.
Lijden en vervolging is mijn dienaars zeer voordeelig; want daardoor gaan zij niet alleen gemakkelijk, maar ook beter en sneller voorwaarts.
Zij toch, die door de wereld gekweld worden en geen troost vinden bij de menschen, nemen gewoonlijk tot mij hun toevlucht met groote onderworpenheid, ijver en vertrouwen.
4. Zij geven ook in den regel nauwkeurig acht op hun levenswandel en verbeteren en besnoeien vlijtig alwat den naaste kan mishagen.
Zij vereenigen zich ook onderling in vuriger liefdCj bidden met meer godsvrucht, zijn zachtmoediger in hun omgang en voorzien zich ijveriger van geestelijke wapenen.
Zij vasten, vernederen zich, ontdoen zich van aardsche neigingen, verdiepen
â 51 â
zich in de overweging der hernelsche zaken, vluchten ijdelen praat, spreken over nuttige en geestelijke dingen, en worden meer geschikt den evennaaste te helpen.
Daarom laat ik toe, dat mijne meest geliefde dienaren beproefd, gehaat en als afschuwelijk uitgekreten worden
5. Wilt gij mij dus behagen, vorder dan niet ongeduldig van de kwellingen verlost te worden, want loutering in dit leven is u nuttig; maar laat alles aan mij over, en vraag alleen om in de verdrukking u moedig te gedragen.
Bid voor hen, die u en uwe broeders vervolgen en kwellen, opdat ook zij het heil verwerven : doe hun wel zooveel gij kunt, want zoo heb ik ook gedaan.
Zoo zij met recht iets in u berispen, verbeter het zorgvuldig; zoo zij u
onrecht doen, verdraag het in mijn naam.
Pas op, dat gij lafhartig noch vreesachtig wordt in mijn dienst.
Volhard in de liefdewerken; bekreun u niet om verachting ; lach met valsche geruchten; vrees de bedreiging der menschen niet; leg er u ijverig op toe mijn eer te bevorderen.
Spreek tot uwe ziel: zie God alleen is mijn hoop en mijn toevlucht, Hij is mijn God, op hem zal ik vertrouwen.
Al richt de vijand tegen\mij zijn legerkamp op, mijn hart zal niet vreezen : al verheft zich de strijd tegen mij, toch
zal ik hopen.
Hoeveel dank ben ik den Heer schuldig, die zich gewaardigt mij op te nemen onder de strijders^om zijn kruis!
O mocht ik waardig zijn jnij te verzadigen aan den kelk des Heeren, en
weerstand te bieden ten bloede toe !
6. Hij, die zoo gesteld is, is een schouwspel voor God, engelen en menschen, en wat er ook gebeure, hij zal niet wankelen,
Maar hij, die nog de ijdele vriendschap der menschen angstig zoekt, en begeert hooggeschat te worden, wordt in tegenspoed weldra een ontrouwe en een lafaard.
Zoo iemand vindt alleen schaamte en nadeel, waar anderen, die vuriger en moediger zijn, groote eer en verdiensten inoogsten.
Waak dus, mijn kind, en ga met behoedzaamheid vooruit, opdat gij in elk opzicht zuiver zijt en in alles welgevallig aan Gods oog.
7. Wees voor't overige welgemoed: Worden niet twee muss dien voor één
pennin^kje verkocht r En niet één daarvan valt op de aarde, buiten den wil
~ 54 â
van uw Vader. Wil alzoo niet vreezen: beter dan vele musschen zijtgij; op den dag der wedergeboorte zal geen haar van uw hoofd verloren gaan.
Dan is al het tijdelijke, hetzij voor of tegenspoed, voorbij en zal den overwinnaars een kroon in de gelukzalige eeuwigheid geschonken worden.
Dan zal hij, die nu om mijnentwil meer geleden heeft, ook meer verheerlijkt worden.
Want dit is de wil mijns Vaders en de mijne, dat hoe meer gelijkvormig iemand aan mij geweest is in geduld, zijne zegekroon ook des te meer gelijk zij aan de mijne.
XL
Wij kunnen het lijden des levens alleen verzachten door ijver voor de volmaaktheid.
Denk na zooveel gij wilt; in geene menschelijke zaak zult gij waren troost vinden voor de moeilijkheden en de ellenden van dit wisselvallig en droevig leven.
Al zoudt ge alles doorloopen en beproeven, gij zult geen rust vinden ; ja zelfs zal na een vergeefsch troostmiddel het gevoel uwer' rampen u nog veel bitterder zijn dan te voren.
Zie de wereldlingen: zij leven diep ongelukkig, ofschoon zij het geluk zoo ijverig zoeken.
Uit alles willen zij voldoening trekken, maar nooit zijn zij gelukkig of hebben zij genoeg ; want de vertroos-
â 56 â
tingen dezer wereld zijn ijdel; endaar-om begrijpen zij niet hoever zij afdwalen, omdat zij niet doordringen in de kennis van zich zeiven.
2. Gij echter, houd u ver van hen verwijderd; tracht aan God te behagen, zoek de volmaaktheid : deze zal veel gemakkelijker dan al de genoegens en rijkdommen der wtreld alle leed verzachten.
Indien gij de volmaaktheid bereikt van den levensstaat, dien gij omhelsd hebt, dan zal niets in dit leven uwe rust kunnen verstoren.
Noch de armoede, noch de minachting der menschen, noch ziekte, noch geesels, noch kerker, noch bekoringen, noch zelfs de dood.
Want hij, die volmaakt is, vreest dat alles niet, ja beschouwt het zelfs niet als kwaad, maar als goed, omdat hij weet, dat Christus hem in dit alles is
â 57 â
voorgegaan. Datgene toch wat Christus omhelsd en te omhelzen geleerd heeft, kan niet anders dan goed zijn,
Hoe meer gij derhalve de volmaaktheid nabij komt,, zooveel te minder zult gij dat alles vree^en, zelfs zult gij er langzamerhand naar gaan verlangen en u met den Apostel gaarne daarop beroemen.
3. Wat zal u dan kunnen ontrusten of bedroeven, indien juist dat alles u een gelegenheid tot vreugde en blijdschap wordt ?
O waarlijk gelukzalig, ook in dit leven, de kloosterling, die vurig is en ijverig voor zijne volmaaktheid!
O waarlijk onuitsprekelijke zoetheid der deugd, die niet alleen de bitterheid uit tijdelijke rampen voortvloeiende doet verdwijnen, maar ze zelfs verzoet!
Indien gij ooit ijverig geweest zijt, dan weet gij hoe waar dit is, en hoe
3«
â 58 â
weinig die zaligheid met woorden kan worden uitgedrukt.
4. Zie hoevele goede kloosterlingen zich verheugen .in de beproevingen; zich gelukwenschen met vervolgingen, behagen scheppen en God loven in hun lijden 1
Hoe ongedwongen is die vreugde 1 hoe waar die vrede! hoe oprecht die
blijdschap!
Want dat is dnor Gods goedheid en gunst het uitwerksel en het loon der deugd voor hen, die de volmaaktheid liefhebben.
Moge dan die machtige en wonderbare invloed der deugd zelve u tot grooten ijver voor haar opwekken.
Welke tegenspoed u ook overkome, door de Helde tot de volmaaktheid alleen zal die gemakkelijk verzacht, verlicht en verzoet worden.
Want een goed en zuiver geweten
â 59 â
is nooit zonder vrede, zonder vreugde, zonder geluk.
5. Herinner u daarentegen, als gij ooit in lauwheid geleefd hebt, hoe alles u toen hard en lastig viel.
Niet slechts vermocht gij niet wat u hinderde te verlichten, maar zelfs maaktet gij dat nog zwaarderen haaldet gij u langs vele andere wegen kruisen en lasten op den hals.
Niemand in de wereld is ongelukkiger dan een lauw en nalatig kloosterling : deze toch heeft noch deel aan de wereldsche, noch aan de hemelsche vreugden : en is daarom dikwijls aan droefheid onderhevig.
Daarbij heeft hij vele lasten te dragen, die de wereldlingen missen ; en omdat hij ze niet weet te dragen, leeft hij onophoudelijk in zuchten en smarten.
En wat den ongelukkige nog het zwaarste valt, is dat hij aan niemand
dan zich zeiven de schuld kan geven van al zijne ellenden: hij ziet dat hij zelf de bewerker is van zijn droefheid en leed.
6. O, wat is de volmaaktheid een groot goed ! Want al blijft haar loon ook weggelegd voor het rijk des hemels, toch wordt het niet ten eenen male uitgesteld.
De volmaaktheid is troost in tegenspoed, zoetheid in de bitterheden des levens, een schat in de ellenden.
De volmaaktheid is de bron van alle vreugde en troost, een zuivere, overvloedige, onuitputbare bron.
De volmaaktheid is als een hooggelegen streek, waarin wolk noch onweer opkomt, waar geen stormen woeden, noch iets anders hinderlijks voorvalt, maar alles integendeel helder en rustig blijft.
De volmaaktheid doet ondervinden
hoe waar het woord is, door Christus uitgesproken: Neemt mijn juk op u: 7üant mijn juk is zoet en mijn last is licht.
XII
Om een goeden dood te sterven
moet men zich. voorbereiden door ijver voor de volmaaktheid.
1. Laat uw blikken over al het geschapene rondgaan, en beschouw hoe alles zonder ophouden voortloopt en verandert.
Wat gisteren was, is heden niet meer of anders: alles gaat voorbij, en gij eveneens.
Want wij hebben hier geen blijvende woonplaats, maar zoeken de toekomstige, dat is, het hemelsch Jeruzalem, waarin alle goed is, volmaakt en bestendig.
Waarom bekommert gij u dan over
â 62 -
aardsche voordeelenen vertroostingen, die of u moeten verlaten in dit leven, of door u verlaten worden in den dood ?
Bedenk liever, hoe gij zoo spoedig mogelijk tot groote heiligheid op kunt klimmen en de eeuwige vertroostingen verwerven.
Zie de dood komt, en zal niet zeer lang uitblijven. Zoo gij door ijver voor de volmaaktheid u zorgvuldig tot de reis naar de eeuwigheid hebt voorbereid, zal u, als het uur dddr is, de noodzakelijkheid om te sterven niet beanstigen
2. O welken troost smaken in het doodsuur de dienaren Gods, die altijd geleefd hebben tot sterven bereid 1
Welk een vertrouwen schenkt hun de herinnering aan het vervlogen leven en de getuigenis van een onbesmet geweten 1
Want zij gehoorzaamden stipt aan
- 63 â
de goddelijke inspraken en legden er zich op toe God altijd meer te behagen ; daarom gevoelen zij, dat zij God tot vriend hebben en is er niets wat hun ziel vrees aanjaagt.
En gelijk iemand, die reeds alles heeft voorbereid, wat voor de reis noodzakelijk en dienstig is, zoo haasten zij zich binnen te gaan in de rust, waarvan zij zoo lang verstoken moesten blijven.
Wie toch zou zich niet verheugen en jubelen, nu hij zooveel ellenden eindigen, de volmaakte gelukzaligheid beginnen, zich volkomen tegen alle zonden beveiligd ziet ?
3. Maar zoo gij u niet geheel uw leven ijverig hebt voorbereid, zult gij niet gevoelen hoe begeerlijk en zalig het is uit dit leven heen te gaan.
Indien het hart nu in een of ander schepsel blijft rusten, dan zal het
- 64 â
zich moeielijk in dat oogenbiik kunnen onthechten en tot God keeren.
Indien gij nu uwe zonden niet beweend en geen werken van boetvaardigheid verricht hebt, zult gij den naderenden dood vreezen en terugschrikken voor Gods rechtvaardig oordeel. ,
Hebt gij den ijver voor de volmaaktheid weinig geteld, dan zal het geweten u knagen, de noodzakelijkheid om rekenschap te geven u benauwen, het vooruitzicht der straffen u ontzetten.
Waarom verwaarloost gij dan de zorg voor u zeiven ? Waarom stelt gij van dag tot dag uit u te verbeteren?
4. Indien gij den dood nabij waart, zoudt gij geen spijt hebben van gee-selslagen, boetekleederen, vasten en gebeden; maar nu zal het u innig spijten, dat gij niet weerstaan hebt
â 65 â
aan de ongeregelde bewegingen uwer driften.
Het zou u niet schaden, indien gij nederig, welwillend, geduldig, werkzaam, gehoorzaam, godvruchtig, geweest waart: maar nu zal het u zeer nadeelig zijn, dat alles gering te hebben geacht en nauwelijks er aan gedacht te hebben, uw leven volgens de kloosterlijke tucht te regelen.
Doe nu derhalve, wat gij eenmaal zult begeeren gedaan te hebben, opdat gij niet later, en dan vergeefs, moogt klagen over de geringheid uwer verdiensten en de menigte uwer zonden.
Dit leven is de tijd om te voldoen en te verdienen; hoe weet gij of gij in het oogenblik des doods uw bewustzijn zult hebben?
Hoe zult gij in weinige dagen het verlies herstellen van zoovele jaren, die gij in lauwheid doorleeft hebt en
â 66 â
waarin gij het stroo ter verbranding rondom uwe ziel hebt opgestapeld?
Indien de dood u voorkomt in het uur waarop gij niet bedacht zijt, dan zult gij tot den laatsten penning aan God uw schuld uitbetalen, terwijl gij die gemakkelijk in uw leven hadt kunnen aflossen.
Indien u echter nog een lang leven rest, dan zult gij u zeker nooit verheugen over het uitstellen uwer verbetering^ en hoe het u ook berouwe, den verloren tijd kunt gij niet meer tot uw nut aanwenden.
5. Gelukzalig de dienaar, die, als zijn heer komt en aan de poort klopt, wakend wordt gevonden.
Zalig is hem het leven, al moet hij veel lijden van de menschen; want hij, die steeds bereid is aan Gods roepstem te beantwoorden, geniet den waren vrede.
â 67 â
Zalig is hem de dood, al woedt de duivel dan ook heviger, wetend dat hem weinig tijds overblijft; want de dood der heiligen is kostbaar voor hei aanschijn des Heer en.
Zalig is hem de eeuwigheid, waarin de Heer hem met den stroom zijner geneugten laven zal en hem vervullen met de onuitsprekelijke zoetheid van het hemelsch manna
Daarom achtten zich de heiligen dikwerf gelukkig in het vooruitzicht dat zij eenmaal moesten sterven ; en niet alleen vreesden zij den dood niet, maar beschouwden dien als een groote weldaad.
Zij echter, die er zich niet op toeleggen heilig te worden, leven in droef heid, beladen zich met schulden, sterven in angst en duchten met recht de verborgen oordeelen Gods.
â 68 â
XIII.
Men moet dikwerf de eeuwigheid der belooniug vergelijken met de lasten van dit sterfelijk leven.
1. Zoodanig is de zwakheid der menschelijke natuur, dat een ieder liever berust in het goede, door hem verricht, dan met kracht voortgaat tot hetgeen hem te doen overblijft.
Het streelt den mensch eene goede getuigenis van zich zeiven te hebben : en daarom houdt hij, als hij iets goeds gedaan heeft, dit altijd voor oogen, stelt er zijn welgevallen in, en ai is het klein, beschouwt het altijd als iets groots.
Heeft hij echter iets kwaads gedaan of ontbreekt hem iets goeds dan wendt hij daar dadelijk de oogen van af,
- 69 â
opdat die beschouwing hem niet be-droeve en hij zich zeiven mishage.
Waarlijk dwaas en blind zijn zij, die reeds wanen rijk genoeg te zijn en reeds genoeg gedaan te hebben voor het eeuwige leven.
Zijn zij dan heiliger dan de Apostel Paulus, die, hoewel hij wist dat hij meer had gewerkt dan de andere Apostelen, gelijk hij zelf getuigt, toch niet meende te mogen rusten?
Hoor wat hij zegt; Mijne broeders, ik meen van mij zeiven niet, dat ik den prijs behaald heb; maar één ding doe ik: wat achter mij is vergetende en tot wat vóór mij is mij uitstrekkende, jaag ik voort naar het doel, naar den kamp-prijs der hemelsche roeping Gods, in Christus Jezus.
2. Wees dus ook gij bedacht op het eeuwig loon: bedenk wat gij zult doen voor zulk een goed, en vergeet
â 70 â
hetgeen gij tot nu toe meent goeds gedaan te hebben.
Indien gij toch de goede werken, die gij verricht hebt, met de toekomstige glorie vergelijkt, dan zullen zij u als nietswaardig voorkomen en als t ware verdwijnen
Weet ook wel, dat misschien veel wat gij voor goed gehouden hebt, gebrekkig is geweest en in plaats van belooning straf verdiend heeft.
Wani de mensch weet niei of hij liefde dan haat waardig is: en daarom wat gij ook gedaan hebt, zeker zijt gij niet-3. Mocht gij toch dikwerf de geluk, zalige eeuwigheid bij u zeiven overwegen ! Zulk eene overdenking zou u ongetwijfeld aanvuren om den arbeid te omhelzen, u een spoorslag zijn om alle gemakken des levens te verwerpen, u bewegen om niets hoog te achten dan de deugd.
â 71 â
Want voor de deugd alleen wordt die onschatbare vreugde, dat onuitsprekelijk goed gekocht, dat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en dat nooit in ' s menschen hart is opgekomen.
Gij zoudt dan begrijpen hoe gij weinig of geen goed gedaan hebt en diep betreuren, dat gij zoovele graden van glorie door uwe nalatigheid om vooruit te komen verloren hebt.
Geen moeite, die gij hebt aangewend of moet aanwenden om uwe ondeugden te overwinnen, zou u zwaar vallen; maar zij zou u zoet zijn, in het bewustzijn, dat elke overwinning der driften een eeuwig wicht van glorie uitwerkt.
Waarom, bid ik u, zijt gij neerslachtig in den strijd met de zinnelijkheid ? Waarom klaagt gij over minachting? Waarom mort gij als u de gelegenheid tot lijden wordt aangeboden ?
â 72 -
Laat de heidenen, de ongeloovigen en de overigen, die geene hoop hebben, zich vrij bedroeven : maar hoe kan een dienaar Gods met recht bedroefd zijn in zijn arbeid en lijden, waaraan het rijk der hemelen is beloofd ?
Maar, helaas ! gelijk de wereldlingen juichen in de boosheid, terwijl 'zij liever moesten sidderen voor de wraak Gods, die hun boven het hoofd hangt; zoo integendeel bedroeven zich dikwerf onvolmaakte religieuzen over datgene, waarover zij zich bovenmate moesten verheugen.
Heeft Christus de Heer ons niet geleerd te roemen' in de lasten van dit leven, ons te verheugen en tejubelen; omdat ons loon groot'zal zijn in den hemel ?
Indien gij over dat loon bijna nooit nadenkt, dan is het geen wonder, dat gij de rust zoekt, de ongemakken
vlucht, het aardsche bemint, de vernederingen haat en alle streven naar volmaaktheid verwaarloost.
5. Den religieus overkomen vele moeilijkheden, waarop de natuur de overwinning niet kan behalen.
Menschelijke redeneeringen, het eervolle van een werk, de lof en de blaam der wereld, noch eenig ander tijdelijk voordeel zijn voldoende beweegredenen.
Indien gij daarop alleen let, zult gij het goede of volstrekt niet of slechts oppervlakkig doen: indien gij begint, zult gij niet lang volhouden; hebt gij t volbracht, toch zult gij geen vrede hebben, en wat meer te bejammeren is, gij zult uwe moeite verliezen en tot uw eigen nadeel den last der deugd moeten dragen.
Zijt gij echter het eeuwig geluk indachtig en vergelijkt gij de grootheid
4
â 7-t â
van dat geluk met de geringheid van uw arbeid, de eeuwigheid met het voorbijgaande der beproeving, dan zult gij altijd een nuttige aansporing tot beoefening der deugden hebben
Dan zal het u niet zwaar vallen gekweld te worden, maar wèl zonder kwelling te zijn: de vermoeienis zal u niet mishagen, maar de rust,
6. Zeg derhalve tot u zeiven: nu is het de tijd van werken, nu de tijd van verdienen, nu de tijd van zaaien.
Heb ik nu vee', gezaaid, ik zal dkn zeer veel maaien: maar ben ik nu te traag geweest om te zaaien, dan zal mijne ziel eens zonder vruchten zijn.
Drijf ik handel met mijn talent, dan zal ik overwinnen ; maar heb ik mijn talent in de aarde verborgen, dan L, zal ik in de uiterste duisternis gewor- over pen worden. verst
Hoe meer ik nu zal geleden hebben, midd
- 75 -
n ^ onuitsprekelijker zal ik mij dèn
rquot; verheugen! zoo ik echter nu weiger ''j te lijden, dan zal God mij louteren equot; in het verslindend vuur.
Het is niets groots, indien ik God ;n met ijver dien : maar iets zeer groots er en wonderbaars, dat God aan dezen u mijn dienst zulk een overvloedige vergelding beloofd heeft.
nu Er is niet veel wijsheid noodig om
ijd naar de volmaaktheid te willen streven ; -n maar 't is veeleer eene ongeloofelijke dwaasheid, om waar zulk een belooning te wordt voorgesteld, zich niet met alle zal volharding en inspanning toe te leggen. ijn- De gedachten aan die allervol-Jan komenste gelukzaligheid strekke u nij11 dan dagelijks ten prikkel. 3an Laat niet toe, dat het lichaam klage jror- over te groote vermoeienis; maar versterk l et met de bovennatuurlijke jen, middelen.
'V'
â 76 â
Begeer nu niet schoone en groote zaken te zien; overwin u zeiven en gij zult veel duidelijker de wonderen Gods kunnen aanschouwen.
Streef hier niet naar veel rust; werk met geduld, en gij zult de eeuwige blijdschap verwerven.
Vrees niet nu vernederd en vertreden te worden door de menschen: volg Christus na, en hij zal u tot, een on-begrijpelijken adel verheffen.
Schaam u niet geringe kleederen te dragen en andere teekenen van armoede te vertoonen ; en gij zult voor eeuwig alle hemelsche goederen bezitten.
Want zie; een dierlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam zal er Ur rijzen ; het wordt gezaaid in bederfelijkheid, het zal verrijzen in onbederfelijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid het zal verrijzen in kracht; het wordt
â 77 â
gezaaid in onaanzienlijkheid, het zal verrijzen in heerlijkheid.
XIV.
De liefde Gods moet ons bewegen naar de volmaaktheid te streven.
1 Een groote zaak voorwaar is de liefde, en groot is hare kracht. Wie bemint, kan niet werkeloos zijn ; maar of hij zoekt hoe hij den beminde het meest zal behagen, of hij werkt voor den beminde, of hij spreekt over den beminde, of hij gaat met den beminde vertrouwelijk om
De liefde heeft God tot u gelrokken en genoopt mensch te worden, om u zooveel mogelijk van nut te doen : en niet alleen is hij mensch geworden, maar hij heeft willen lijden en sterven voor u en door u genuttigd worden.
- 78 â
Hoe zegt gij dan, dat gij God be. mint, terwijl gij niet doet wat gij weet dat Hem het meest behaagt ?
Indien gij God waarlijk bemindet, dan zoudt gij uwe ziel met zorg zuiveren van ondeugden en u met deugden sieren, om dagelijks welge-valliger voor Gods oogen te verschijnen.
Vele verstrooiingen zoudt gij vermijden en er u op toeleggen bij ieder werk en woord God voor oogen te houden en te verheerlijken.
Gij zoudt met alle zorg de eenzaamheid des harten zoeken, om vertrouwe lijk met God om te gaan en u innig met hem te vereenigen.
Ondergaat een minnaar eenig verlies, hij bedroeft zich niet; is er te lijden, hij weigert niet; valt er te arbeiden, hij wordt niet moede
Ware en oprechte liefde vraagt
â 79 -
alleen liefde tot belooning en telt al het overige niet.
Indien gij geen smaak meer hebt in de beschouwing der hemelsche zaken, wanneer de geestelijke vertroosting ophoudt, dan is dit een bewijs, dat gij meer uw vertroosting bemint dan den wil van God.
Indien gij u aan den arbeid onttrekt en lauw zijt in het bevorderen van Gods glorie, dan bemint gij meer uw eigen geraak dan God zeiven.
Indien gij nog bekommerd zijt over aardsche genoegens, over het oordeel der menschen en den roem der wereld, zie, dan hebt gij nog uw hart niet geheel aan God gegeven, maar voor u zeiven en voor de wereld behouden.
De liefde tot God sluit de genegenheid voor het zinnelijke buiten, en duldt niet, dat wij ons daaraan hechten
â 80 -
tenzij om God, voor zooverre hel van God komt en tot God voert
3. Hem die bemint walgt alles, wat niet tot den beminde wordt teruggebracht, en indien hij konde, zou dé minnaar uit zich zeiven willen treden en zich geheel in den beminde over-storten om aldus één te zijn met hem.
Maar omdat hij dit niet volvoeren kan, daarom verheugt hij er zich in met hem te zijn, tracht hij hetzelfde te gevoelen, stelt hij er zijn Vreugde in hetzelfde te willen, hetzelfde te spreken, hetzelfde te doen, hetzelfde te lijden.
Geef dus aan God dit teeken uwer liefde, opdat ook hij u te meer beminne ; zorg dat gij in alles met God instemt.
Buig uw wil naar den wenk uwer oversten : zoo zult gij Gods wil vervullen en hem behagen.
- 81 â
Gehoorzaam in volle bereidvaardigheid en edelmoedigheid aan de inspraken der goddelijke genade : en God zal u beminnen.
Volg de voorbeelden van Christus na in ware en inwendige nederigheid, liefde en geduld, en God de Vader zal u beminnen als den broeder van zijn eerstgeboren Zoon Christus, in wienhij zijn welbehagen genomen heeft.
Want Christus onze Heer is daarom den Vader altijd zoo dierbaar geweest, omdat Hij niet Zijn eigen wil volbracht heeft, maa' den wil van dengene, die hem gezonden had.
4 O hoe flauw beminnen wij God, wij, die aan onzen eigen vooruitgang bijna nooit ernstig denken.
Zou een zoon, die niet naar zijns vaders raadgevingen wilde luisteren en zich dikwijks aan diens omgang
4*
onttrok, zijn vader niet zeer weinig liefhebben ?
Een zoon, die bemint, kan niet lang van zijn vader verwijderd zijn en diens toespraak ontberen : en zoodra hij den wil of het verlangen zijns vaders kent, tracht hij alles te volbrengen.
Maar wij leven niet aldus : ofschoon wij weten, dat God zich verheugt over onze zelfverloochening, treft ons dat nauwelijks en blijven wij toch otis zeiven ongeregeld beminnen.
Ofschoon wij weten, dat nederige gehoorzaamheid en eenvoud God wel-behagelijk is, weerstaan wij toch dikwerf inwendig den wil der oversten en morren wij in ons hart.
Ofschoon wij geleerd hebben, hoe aangenaam aan God het gebed is en de ingekeerdheid des harten, willen wij toch liever dagelijks nutteloos ver-
â 83 â
strooid zijn en denken wij nauwelijks aan de volmaaktheid.
5. Helaas 1 wanneer toch zullen wij beginnen God vuriger lief te hebben ? Indien het nog niets is en wij onnutte dienstknechten zijn, hoe groot onze liefde ook zij, hoe beschamend is het dan, vraag ik u, zoo weinig te beminnen ?
Wanneer zullen wij toch met Christus, althans eenigermate, kunnen zeggen : het is mijn spijs den wil te doen van hem, die mi] gezonden heejtr En: wat hem welbehagelijk is, doe ik altijd?
Ontdoen wij ons dan van alles om God, en verlaten wij ons zeiven met al het overige.
Brengen wij ons oordeel met de Schriftuur, onzen wil met de gehoor zaamheid in overeenstemming: verachten wij de tijdelijke, hechten wij ons
- 84 â
aan de geestelijde zaken, klimmen wij dikwerf tot God zeiven op.
Trachten wij in alles het volmaakste te volgen; schieten wij te kort, laten wij dat betreuren; biedt zich eene gelegenheid tot deugdoefening aan, laten wij die niet voorbijgaan: zorgen wij dagelijks eene of andere overwinning op onze kwade neigingen te behalen.
XV.
Het geheim der voorbeschikking moat ons aansporen tot ijver voor de volmaaktheid.
1. Die hij vooruit gekend heeft, die heeft hij ook vooruit bestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld zijns Zoons, opdat deze de eerstgeboretie zij onder vele broeders.
Wil iemand het rijk der hemelen
- 85 â
binnentreden, dan moet hij Christus gelijkvormig zijn in deugden: wordt gij geen broeder van Christus door een goed leven, dan zal God u niet opnemen in de glorie zijner kinderen.
Zie dus hoe gij u gedraagt, en indien gij weinig bezorgd zijt om Christus na te volgen, vrees dan: want Gods oordeelen zijn een diepe afgrond
Laat de godgeleer den zooveel zij willen twisten over het geheim der voor beschikking; zeg gij tot u zeiven: Christus heeft moeien lijden en aldus zijne heerlijkheid binnengaan.
En : Die aan Christus toebehooren, hebben hun vleeseh met de ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd.
En wederom : Indien wij zullen verduren^ zullen wij ook medeheerschen.
En : Zoo iemand den (jecst van Christus niet heeft, die is niet de wijfie.
2. Dit is het, wat wij moeten weten
â Seen dikwerf beschouwen, niet de ver-hievenheid der geheimen Gods.
Daarvan moeten wij eenmaal rekenschap afleggen, en daarom jüist is dit zoo duidelijk in de H. Schrift voorgesteld.
Indien wij dat goed begrepen hebben, zal het ons niet schaden de verborgen-hedeii der geheimen Gods niet gekend te hebben: want God zal ons niet vragen, hoe fijn wij geredeneerd, maar hoe volmankt wij geleefd hebben.
God heeft niet gewild, dat het verborgen oordeel der voorbeschikking den menschen bekend zou worden, opdat wij niet die kennis misschien zouden misbruiken.
Want het is ons nuttig, dat wij omtrent dit punt geene zekerheid hebben: zoo toch blijven wij nederiger en ijveriger.
Daarom zeide de H. Paulus : Ar-
â 87 â
beidt aan uwe zaligheid met vrees en siddering
En de H. Petrus: Beijvert u te Meer om door goede werken uwe roeping en uitverkiezing zeker te maken.
3. Op goede werken toch kunnen wij een waarschijnlijk vermoeden gronden omtrent ons lot in het andere leven: zoo nochtans, dat wij nooit geheel vrij kunnen zijn van vrees en siddering.
Ziehier dus het voornaamste en minst onzeker teeken van voorbeschikking : vlijtig zijn in den dienst des Heeren en ernstig streven naar de volmaaktheid, ons door Christus voorgesteld.
Hij zef.'t immers: Zalig die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid: want zij zullen verzadigd worden.
Maar zoo iemand kwijnt in den dienst van God en zijn voortgang ver-
â 88 â
waarloost, moet hij voora! huiveren, want: Vervloekt is hij, die het werk des Heeren nalatig verricht.
En inderdaad de dienaar, die in het Evangelie boos genoemd wordt, is juist daarom in de uiterste duisternissen verworpen, omdat hij geen voortgang wilde maken en zijn heer niet meer teruggaf, dan hij van hem ontvangen had om mee te handelen.
4. Bereiden wij ons derhalve en in het leven en in den dood, dezen troost, dat wij met recht vertrouwen mogen koesteren omtrent ons toekomstig lot
Volgen wij thans Christus na : Hij toch zal het lichaan onzer vernedering hervormen, zoodat het gelijkvormig is aan het lichaam zijner heerlijkheid.
Leeren wij aan God, die ons tot de volmaaktheid roept, liefdevol gehoorzamen, opdat wij verdienen altijd
â 89 -
zijne kinderen te zijn: en zoo wij kinderen zijn, dan ook erfgenamen.
Juist deze gedachte zal uitwerken, dat wij het lijden met Gods genade nauwelijks gevoelen en in de bekoringen sterker zijn.
Niets toch is zoo bitter, of het wordt door de zoetheid van zulk eene hoop verzoet, en niets zoo zwaar, of het wordt door het uitzicht op zulk eene groote en schoone belooning zeer licht.
XVI.
De liefde tot den evennaaste moet ons trekken tot de volmaaktheid.
1, Kinderkens, zegt de H. Joannes, laten wij niet lief hebben met ivoord noch tong, maar in daad en waarheid. Indien gij waarlijk den evennaaste
â 90 â
bemint en begeert hem nuttig te zijn, dan is het niet genoeg het woord Gods te prediken en de andere verplichtingen te vervullen van onderwijzen, waarschuwen of vertroosten.
Al doet gij ook dit alles maar verzuimt voor u zeiven te arbeiden, opdat ^ij een waardig werktuig der goddelijke glorie moogt worden, dan bemint gij nog niet in daad en waarheid.
Zeg mij; zal iemand, die een hamer wil gebruiken orn te snijden of een zaag om te schilderen, niet vergeefs arbeiden ?
Zoo ook zijt gij, zoolang gij uw eigene volmaaktheid verwaarloost, niet bekwaam om de verbeteiing van anderen te bevorderen
En daarom is uw stem als een klinkend v/etaal of een kla/erend bekken : en uw liefde is in uw woord, niet in uw daad, daar gij de werken nalaat.
â 91 â
waaraan de naaste het meest behoefte heeft.
2. Groot wel is waar is de overvloed der dienaren Gods. Maar helaas! hoe gering de vrucht van veler prediking ! Mochten er minder zijn. maar betere !
Bijna dagelijks trekken wij los tegen de ondeugden, prijzen de deugd, bewijzen met woorden de noodzakelijkheid der goede werken : en toch dagelijks schijnt de wereld slechter te worden.
Waarom dan werken wij zonder vrucht ? Omdat ons leven niet genoeg in overeenstemming is met de waardigheid onzer bediening.
Het woord Gods is een tweesnijdend zwaard, maar indien God ons niet inwendig de kunst van strijden heeft geleerd, zullen wij niet alleen de ondeugden der wereld en de macht des duivels niet uitroeien, maar boven-
â 92 â
dien onvoorzichtig ons zeiven treffen.
Maar hoe zal God u inwendig onderwijzen, indien gij hem geen plaats hebt bereid en u niet door ingetogenheid en godsvrucht tot luisteren hebt gestemd?
3. Hij, die dikwerf met God in het gebed verkeert en in volmaaktheid tracht aan te groeien, weet zoo dik wijls hij dit geestelijk zwaard gebruikt, groote overwinningen te behalen.
Somwijlen heeft één vurig mensch geheele steden en wijken hervormd en tot God teruggevoerd, nadat vele anderen teleurgesteld waren heengegaan : evenals Jonas alleen alle Nini vieten bekeerde.
Denk eens aan Paulus en de andere Apostelen ; hoeveel vrucht van prediking hebben zij over de geheele aarde ingeoogst ! Maar zij legden zich te-gelijktertijd toe op de versterving, of-
â 93 â
schoon zij vol waren van den Heiligen Geest.
Zij spaarden zich zeiven niet, baden veel en achten het de hoogste vreugde aan verschillende beproevingen te worden blootgesteld.
Hun licht scheen voor de menschen, en dezen, omdat zij hunne goede werken zagen, verheerlijkten den Vader, die in den hemel is.
De vervolgingen vreesden zij niet, maar stelden zich moedig daaraan bloot, en dikwerf gingen zij zich verblijdend, dat zij waardig waren gekeurd voor den naam van Jezus smaad te lijden.
4. Raadpleeg de geschiedenis : dikwerf zult gij zien, dat godvruchtige en eenvoudige menschen veel voor-deeliger zijn geweest voor de wereld, dan ongodvruchtige en door hunne wetenschap opgeblazen geleerden.
â 94 â
Want niet door de overredende woorden van wenschelijke wijsheid wordt de wereld bekeerd, maar door de kracht van Christus' kruis.
Die derhalve het kruis niet bemint, hoe zal hij anderen met vrucht uit-noodigen om het kruis te volgen ?
Misleiden wij ons niet: het is de Geest die lerend maakt: het vteesch is tot niets nut.
Indien het zout vervluchtigd is, waarmee zal men zouten? Tot niets deugt, het meer, dan om weggeworpen en door ae menschen vertreden te worden.
En daarom misschien spotten velen met ons, en zeggen : dezen zijn water-looze wolken, die door de winden rondgedreven worden.
Want terwijl wij geestelijke mannen moesten zijn, ontdekken zij in ons vele
en groote gebreken die aan onze bediening zeer schaden.
5. Indien gij derhalve niet met alle vlijt uwe ondeugden uitgeroeid en getracht hebt altijd in de deugd te vorderen, zal uw werk voor het zielenheil van den evennaaste vruchteloos zijn.
Doch al schenkt God in zijn oneindige ontferming over de menschen eenige vrucht, dan zult gij toch beletten dat die vrucht zich verder uitbreidt.
Indien gij niet bedacht zijt op uw eigen heiliging, zult gij Gods meerdere eer niet slechts niet bevorderen, maar hoe nalatiger gij zijt, des te meer schijn zal het hebben, dat gij die glorie wilt bekrimpen en verminderen.
O welk een onwaardige toestand voor een kloosterling ! O betreurenswaardige lafheid en verfoeilijke laagheid 1
â 96 â
Zie, God heeft zich gewaar digd u onder zijne strijders in te lijven en u met de wapenen des geestes t c omgorden : waartoe anders, dan opdat ge door de overwinning op uwe eigen ondeugden zoudt leeren ook anderen van de hunne te verlossen?
't Is een groote eer, een groot goed soldaat van Christus te zijn; maar een nog grootere schande en misdaad, zijne zaak te verraden nadat gij van Christus wapenen ontvangen hebt.
't Is eeu groote waardigheid, een uitstekende roeping, de zielen aan de strikken des duivels te ontrukken,maar ook een zware taak en verplichting, aan zulk een weldaad te beantwoorden.
't Is een verheven bediening en onder alle goddelijke werken het god-delijksie, met God te werken af an het heil der zielen : maar daartoe worden ook bijna goddelijke menschen ge-
â 97 â
vorderd, dat is, menschen die den ouden Adam hebben uitgetrokken en Christus, den nieuwen mensch, hebben aangedaan, die is God, boven alles te prijzen in eeuwigheid.
XVII.
De herinnering aan onze zonden spoort ons aan tot de volmaaktheid.
1. Indien gij ooit gezondigd hebt, dat dan de herinnering aan uwe zonden hiertoe diene, dat gij vast besluit God vuriger te dienen en tot des te hoogere volmaaktheid op te klimmen.
En daar de duivel u door de zonde van God heeft kunnen verwijderen, zoo leer door de herinnering aan uwe zonden den duivel te beschamen en tot God te naderen.
5
â 98 â
Overweeg hoe dwaas gij geweest zijt, met aan God te willen wederstaan : hoe ondankbaar, de weldaden te misbruiken om den weldoener te be leedigen.
Zie hoe schandelijk gij u bezoedeld, welke smaad en foltering gij verdiend hebt, en hoe toch God u liefdevol heeft geroepen en afgewacht.
2. Hij, die deze dingen aandachtig wikt en weegt, vindt groote reden en stof tot zelfvernedering.
Trek dan deze vrucht van nederigheid uit de herinnering aan uw voorgaand leven en, in plaats van u te benadeelen, zal uw zonde u een prikkel zijn tot deugd.
Gij zult geen onaanzienlijk kleed, geen sobere spijs, geen armoedige cel versmaden, indien gij u herinnert, dat gij verdiend hebt eeuwig in het verslindend vuur te verblijven.
â 99 â
Het is billijk, dat hij zich door een ieder met voeten late treden, die zich bewust is langen tijd aan de duivels onderworpen te zijn geweest.
Het past hem nederig te zijn in spreken en handelen, die weet dat hij God vijandig is geweest, en die er niet zeker van is of hij reeds weder in genade is opgenomen.
3. Gij kunt nog een andere vrucht trekken uit de herinnering aan uwe zonden, namelijk een grooten haat tegen u zeiven.
t Is toch niet billijk het lichaam te streelen, nadat het een werktuig is geweest der zonde.
Het lichaam moet tot slavernij gebracht worden, opdat het niet meer tegen God kunne strijden: ja zelfs moet het, hoe weerbarstig ook, gedwongen worden God te dienen.
â 100 â
Hoor den Apostel ; gelijk gij uwe leden hebt overgegeven om der onrein held en der ongerechtigheid dienstbaar te zijn ter ongerechtigheid, geeft evenzoo nu uwe leden over om der gerechtigheid dienstbaar te zijn tot heiliging.
Men moet namelijk God de eer teruggeven, hem door de zonden ontroofd : en omdat al uwe diensten nooit gelijk kunnen staan met de zwaarte der beleediging, begrijpt gij, dat gij de herstelling dier beleediging nimmer onderbreken moogt.
Kastijd dus uw lichaam, bewaak uwe oogen. beteugel uw tong, weersta der gulzigheid, versterf uw gevoel en al de ledematen, waarmede gij hebt gezondigd.
Verloochen uwe uitwendige zintuigen niet alleen opdat zij u niet schaden, maar ook ten straf voor hun vroegere teugelloosheid.
â 101 â
Verzaak uwen eigenwil, niet alleen opdat hij niet oproerig worde, maar ook omdat hij, die eens aan Gods wil durfde weerstand bieden, niet meer verdient zijn eigen wil te volgen.
4. O indien gij dit dikwerf over-woogt en met een innig leedgevoel in uw hart bewaardet â hoe spoedig zoudt gij beter worden 1
Wel spoedig zoudt gij begrijpen, hoe geduldig gij moet zijn, hoe gehoorzaam, hoe zuiver, hoe vurig.
En hoewel men zich nooit mag verheugen over de bedreven zonde, toch zoudt gij met recht kunnen zeggen : o gelukkige schuld, die mij door haar herinnering zoo schoone gelegenheid tot verdienste biedt 1
Zoo immers heeft God toegelaten, dat zelfs Petrus viel, opdat hij daardoor te krachtiger tot nederigheid en
- 102 â
vooruitgang zou gedreven worden.
Ook de H. Paulus en andere Heiligen werden door de herinnering aan hunne zonden krachtig aangevuurd om God dagelijks volmaakter te dienen
Hij toch, die eens dienstbaar was aan de zonde, moet des te krachtiger de hand aan 't werk slaan hetzij om zijn verlies te herstellen, of om den verloren tijd in te halen, of om God, dien hij smadelijk heeft bejegend, gedurende zijn verder leven te meer te verheerlijken.
5. Hoe zwaarder gij gezondigd hebt, zooveel te meer past het u bezorgd te zijn om goede werken te verrichten ; want zegt de H. Schrift : Keert terug naarmate gij dieper ge' zonken waart.
Zooveel vuriger moet gij nu God
â 103 â
beminnen, als hij u langer tijd in uwe zonden gespaard heeft.
Ziet gij daar niet uit, hoezeer hij u, ondankbaré, bemind heeft?
Hij had u terstond aan den duivel kunnen overleveren ter bestraffing en heeft het niet gewild.
Hij wist, dat gij wederom zondigen en van zijne goedheid misbruik zoudt maken, en toch spaarde hij u : liever wilde hijzelf die beleediging verdragen, dan u te doementot het eeuwig vuur.
Wees hem derhalve dankbaar voor zooveel geduld, en ontsteek door de herinnering aan zoo groot eene weldaad het vuur der liefde jegens hem in uw hart.
Laat de gerechtigheid meer dan overvloeien, waar de ongerechtigheid overvloedig was. Zeg tot God : Wasch mij meer en meer van mijne on-
â 104 -
gerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde want ik erken mijne ongerechtigheid, en mijne zonde staat altijd voor mij.
En daar alwat gij doen kunt slechts weinig is, zorg dat ook anderen door u God leeren verheerlijken : zoo zult gij beter nog de beleediging God aangedaan vergoeden.
Maak dus een vast voornemen en zeg met den profeet : Ik zal den hoozen uwe wegen doen kennen, en de poddeloozen zullen zich tot u bekeereti.
O
XVIII.
De hulpmiddelen der genade maken den weg der volmaaktheid gemakkelijk.
1. Wanhoop niet, al zijt gij misschien nog zeer onvolmaakt; indien gij slechts ernstig wilt, zult ook gij tot de heiligheid komen.
â 105 â
Let niet op de krachten der natuur, maar op die der genade : niet op de zwakheid des vleesches, maar op de kracht Gods.
Want er wordt niet gevorderd, dat gij uit eigen beweging den weg der heiligheid inslaat, maar in vereeniging met Christus, die bereid is u te helpen, mits gij Hem niet weerstaat.
Ik hm de wijnstok, zegt hij, gij zijt de ranken, wie in mij blijft eti ik in hem, draagt vele vruchten.
Die op zich zeiven vertrouwt, valt inderdaad spoedig, en valt diep, omdat hij steunt op een geknakt riet: vandaar ook, dat de H Petrus Christus verloochend heeft
Die echter zich zeiven mistrouwt en zich overgeeft aan de goddelijke genade, gaat veilig vooruit en komt tot de volmaaktheid, al ontmoet hij mis schien velebeletselenen moeielijkheden.
â 106 â
2. De weg der volmaaktheid is wel moeielijk voor de menschelijke zwakheid ; daarom zegt de Schriftuur: poogt in te gaan door de enge poort; maar hoor ook wat Paulus zegt: alles vermag ik in hem, die mij versterkt.
Ook Christus heeft gesproken : neemt mijn juk op; maar er bij gevoegd: want mijn juk is zoet en mijn last licht.
Nog zeide hij : het rijk der hemelen lijdt geweld, en die geweld doen nemen het tn, en meer dergelijks. Maar hoor ook wederom den Apostel als hij zegt : ik vloei over van vreugde in al onze beproeving.
Ondervraag heilige en godvruchtige religieuzen, die zich met hart en ziel aan God hebben gegeven, en gij zult begrijpen hoe licht alles wordt door de genade van God.
Leer aan de inspraken der genade gehoorzamen, en gij zult ondervinden
â 107 â
hoe gemakkelijk de wet van Christus is: want zij zal u meer dragen dan gij haar.
De wet van Christus toch is een wet van liefde en genade ; en indien zij iemand moeilijk schijnt, zeker niet dengcne, die Christus liefheeft en vlijtig gebruik maakt van het bezoek der genade.
3. Geef God derhalve toegang tot uw hart ; bereid uwe ziel door godvruchtige lezingen, door gebeden en voornemens, opdat, als de inspraak der genade komt, gij haar niet vergeefs ontvangt.
God zal het u vergelden door het geschenk van grootere genaden, waardoor gij langzamerhand sterker wordt en sneller in de deugd voortgaat.
Dat is de weg, welken de Heiligen gevolgd hebben ; indien gij u aan hunne voorbeelden houdt, kunt gij
â 108 â
ook tot hunne heiligheid opklimmen ; want de hand des Heercti is niet verkort.
Begin slechts en gij zult den vinger Gods zien : verloochen u zeiven, en gij zult een verborgen manna smaken.
Laat u dragen door de goddelijke genade, en gij zult zonder veel moeite den berg Gods bereiken om den zegen des Heeren te ontvangen.
Want zij, die zich edelmoedig aan God overgeven, zulle7i nieuwe kracht verkrijgen, zij zullen vleugelen aanschieten, als arenden, zij zullen vliegen en niet bezwijketi.
TWEEDE BOEK.
HULPMIDDELEN, WAARDOOR DE RELIGIEUS GEMAKKELIJKER TOT ZIJNE VOLMAAK l'HEID ZAL GERAKEN.
I.
Men moet met aandrang aan God den ijver voor de volmaaktheid vragen.
1. Vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt e?i 11 zal worden opengedaan ; want alwie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en wie aanklopt, dien wordt opengedaan.
Dat zijn de woorden van onzen dierbaarsten Verlosser, die veel grooter begeerte heeft om te geven, dan wij
â 110 â
om te ontvangen, met meer liefde zich laat vinden, dan wij zoeken, en aansnelt om open te doen. opdat wij niet te lang zouden aanhouden met kloppen.
Zie door welk een verscheidenheid van woorden hij u de grootheid zijner liefde openbaart: zie hoezeer hij uit eigen aandrang de beloften vermenigvuldigt, om ons vertrouwen in het gebed te vermeerderen en onze ziel tot het ontvangen zijner weldaden te bereiden.
2. Wilt gij dan volmaakt worden, ga tot hem, en vraag om te verkrijgen, zoek om te vinden, klop opdat u worde opengedaan.
Ducht gij, dat, als gij vraagt hij u verstooten, als gij zoekt hij u ontvluchten, als gij klopt hij u versmaden zal ?
God is niet als de menschen, die zich verarmen door te geven, omdat
â Ill â
wat zij hebben gering en van elders verkregen is ; maar God is rijk voor allen, die hem aanroepen, en heeft geen verarming te vreezen.
De menschen vreezen, als kleine beekjes, uit te drogen, maar God, die hooger is dan de hemel, dieper dan de hel, omvattender dan de oceaan, verliest niets, al stort hij ook vele schatten van wijsheid en barmartigheid uit.
3 Zie, God is bereid om te geven, mits gij gereed zijt om te ontvangen.
O wonderbare afdaling der goddelijke liefde 1 De rijkdommen zijner genade heeft hij in onze handen achtergelaten.
Wat toch deed hij anders? Vraagt, zegt hij, en gij zult verkrijgen; gelijk derhalve het vragen in onze macht is, zoo ook het ontvangen van alwat wij vragen.
Ook beperkte hij niet binnen zekere
grenzen wat wij vragen mogen ; zoodat wij niets met voordeel kunnen vragen, wat wij niet van hem verkrijgen.
Is hij nu bereid, ons al het goede dat wij vragen, te schenken, hoeveel te meer zal hij den goeden geest geven aan wie er hem om bidt r
Alle uitmuntende gave toch en alle volmaakte gift is van boven, nederdalend van den Vader der lichten.
4. Geen gebed behaagt God meer, dan dat, waarin vurige begeerten naar de volmaaktheid worden uitgedrukt, geen is meer verdienstelijk, geen wordt spoediger verhoord.
Hoe grooter en voortreffelijker de gaven zijn, die van God worden afgebeden, des te liever verhoort hij het gebed: want de Heer,die zoo vol goedheid is, begeert ons wel te doen en ons rijk te maken.
Hij daarentegen, die zulke gaven niet
â 113 â
of niet ernstig vraagt, doet God groote oneer aan.
De Heer immers roept luide en zegt: Indien iemand dorst heeft, hij koine tot mij. En : Komt tot mij allen, die vermoeid en beladen zijt, èn ik zalu verkwikken. En; komt en koopt voor niets, en dergelijke woorden meer.
Doet hij dan God geen groote be-leediging aan, die, terwijl hij behoeftig is en naakt, woorden van zooveel goedheid in den wind durft slaan ?
Moet men niet zeggen, dat hij de he-melsche gaven versmaadt, die weigert de hulpmiddelen, tot zijne zaligheid gereed gemaakt, ootmoedig te vragen ?
5. O treurige toestand van de blindheid der menschenl Zie, de schatten des hemels staan ons open, opdat wij ons verrijken, en nauwelijks strekken wij de hand uit, om in onzen uitersten nood te voorzien.
â 114 â
De bron des levenden waters is voor ons toegankelijk, de bron van het water, dat spingt ten eeuwigen leven, en nauwelijks denken wij er aan, onzen dorst te lesschen.
Wij zouden gemakkelijk onze vleugelen kunnen uitslaan ten hemel, en toch blijven wij liever schandelijk met de zondaars in het slijk dezer aarde vastkleven.
Moet men het dan geringachten, dat God ons alles geeft als wij het vragen? Of willen wij, dat hij de rijkdommen zijner genade doe afregenen op wie ze weigeren of verachten?
6. Naderen wij dan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid verwerven; want de diepte onzer ellende is groot.
Vragen wij aan God licht om te zien wat hem welbehagelijk is, krachten om het te zijner tijd te volbren-
â 115 â
gen, sterkte en standvastigheid om te volharden.
Zie hij wil gevraagd worden, omdat hij begeert ons gebed te verhooren. Daarom beval hij zijn apostelen : Bidt, opdat gij niet valt zn bekoring.
Daarom ook heeft hij alle menschen vermaand zeggende: Men moet altijd bidden en nooit aflaten.
Hij die niet bidt, terwijl hij het gemakkelijk kan, wordt dikwerf niet van den val weerhouden, opdat hij beseffe, hoe zwak en broos hij is zonder een krachtige hulp van God
Die echter nederig is en niet op zich zeiven steunt, maar voor alwat hij noodig heeft zich met vertrouwen lot God richt, hij begrijpt, hoe God in waarheid sprak: Omdat hij op mij zijne hoop vestigde, zal ik hem bevrijden, ik ik zal hem redden en hem verheerlijken.
Zoo iemand is onder Gods bescher-
â 116 â
ming waarlijk veilig en beschikt als heer over de hernelsche schatten
11.
Men moet niet licht het schijnbaar geringe verzuimen.
1. Mijn kind, wilt gij houden wat gij hebt in deugd vooruitgaan en vrij zijn van vele bekoringen, acht dan geen enkel goed werk, hoe klein ook, te gering en bega ook niet de lichtste fout vrijwillig.
De duivel is slim, vooral als hij religieuzen aanvalt ; hij begint met het kleinste om langzamerhand tot het ergste te komen.
Indien hij u terstond van den beginne af met eene zware bekoring aanviel, dan zoudt gij, plotseling afgeschrikt door de afschuwelijkheid der gonde, hem verwenschen en zijne on-
â 117 -
gerechtigheid op zijn eigen hoofd terugslingeren.
Nu echter draagt hij zorg u te lokken met eene lichte bekoring, waarin gij nauwelijks iets verkeerds ziet, in de hoop van naderhand tot zwaardere zonden te kunnen overgaan.
Hij heeft eene langdurige ondervinding : daarom durft hij zich in het groote de zegepraal niet beloven, tenzij hij eerst in het kleinere en allerkleinste overwinnaar gebleven is.
2. Gelijk een leeraar gewoonlijk zijne leerlingen niet tot het hoogere op doet gaan voordat zij in het lagere genoegzaam zijn gevorderd, zoo ook pleegt de duivel zijne zwaarste bekoringen alleen voor te stellen aan hem, dien hij eerst in mindere zaken reeds dikwijls volgzaam heeft bevonden.
Wien hij echter zelfs in het kleine
niet kan overwinnen, laat hij dikwerf los, het vergeefsche moeite achtend, hem met grootere zaken lastig te vallen.
Daarom ook tracht hij te bewerken dat gij van tijd tot tijd een kleiner goed werk nalaat, en niet let op da-gelijksche gebreken; en poogt hij u te overtuigen, dat gij u voor kleinere zaken niet te zeer moet aftobben.
3. Gij daarentegen zie wel toe dat, indien hij u somtijds zulke gedachten ingeeft, gij u niet laat vangen en hem geloof schenkt : want hij is de vader der leugentaal.
Maar bedenk veeleer wat ik gezegd heb; want Ik ben de weg, de waarheid en hel leven.
Ik nu heb gezegd en zeg nog: Die in het kleine geit ouw is, zal ook in het groote getrouw zijn : i-n die in
â 119 â
het kleine onlt;jetroicw is, zal ook ontrouw zijn in het groote.
Overweeg die woorden en vrees; want al is het weinig wat gij in den beginne verzuimt, gij bereidt u voor om het groote te verwaarloozen : het groote immers wordt uit het kleine geboren
Uit kleine regendruppels, die onmerkbaar vallen, groeien niet zelden de stroomen zoozeer aan, dat zij machtig genoeg zijn om groote gebouwen te ondermijnen Dikwerf ook ontstaat uit een enkele vonk. waarop toevallig geen acht wordt geslage^ een groote brand, die niet meer te blusschen valt.
Evenzoo heeft een kortstondig verzuim van het gebed of afkeer daarvan, ja een ijdel gesprek of het nalaten eener kleine versterving en alle vertraging van ijver in het oefenen der kleinste deugden, velen ten laatste
â 120 â
in de netten des duivels verstrikt en tot een speelbal hunner vijanden gemaakt.
4. Zij, die tot de grootste ondeugden vervallen, beginnen met kleine gebreken ; en niemand wordt een dief in 't groot, die niet eerst de gewoonte had weinig te stelen.
Zoo ook verlaat niemand den religieuzen staat, dien hij is ingetreden, indien hij eerst niet dikwijls kleinere verplichtingen heeft verwaarloosd.
Vele kleine zaken steunen den mensch van aile kanten, opdat hij niet valle: worden die weggenomen, dan zinkt hij neer.
Steunsels, welke u beletten te vallen, zijn : de bewaking uwer oogen en de beteugeling der overige zingtuigen, een goed en geestelijk gesprek, de bereidvaardige gehoorzaamheid, het veel-
- 121 â
vuldig gewetensonderzoek, het mijden van verstrooiingen, de versterving der gulzigheid, het intoomen der te groote vrijheid en de verloochening van het eigen oordeel.
Ook wordt men veel geholpen door het naleven der uitwendige regeltucht, de zedigheid in houding en gang, het stilzwijgen en de eenzaamheid, het geduldig dragen der armoede, der berispingen, der gemeenschappelijke werkzaamheden, en alwat door den regel is voorgeschreven.
5. Ziedaar wat gij nauwkeurig moet onderhouden, indien gij in uw goede voornemen wilt volharden.
Het zijn kleine zaken, maar te zamen genomen zijn zij voldoende om de ziel in veiligheid te stellen en voor het kwaad te behoeden.
6
â 122 â
Zoo zou ieder der soldaten, uit welke het sterkste leger is samengesteld, niet afzonderlijk den vijand kunnen verslaan, maar vereenigd behalen zij de overwinning.
Zoo heb ik alles in zachtheid beschikt, opdat gij niet zoudt kunnen klagen over de moeite: want ik ken uwe zwakheid.
Was er van groote dingen sprake, gij zoudt u misschien wegens uwe zwakke krachten kunnen verontschuldigen: maar het zijn voorwaar kleine, zeer kleine punten, die u geen recht op verschooning schenken.
Evenmin had Adam in het aardsch Paradijs, na het eten van de verboden vrucht, iets te zijner rechtvaardiging in te brengen, omdat hij zich zonder moeite daarvan had kunnen onthouden.
6. Daarom wees waakzaam en versmaad het kleine nimmer, maar tracht den duivel in alles te overwinnen.
â 123 â
Alwat gij goeds verricht hebt, ook het minste, zal u met een groot loon worden vergolden ; maar acht gij iets gering dan zult gij u weldra aan den rand des afgronds zien.
Verbeter uw slechte gewoonte, opdat ook het geringste deel der goede gaz e voor u niet verloren ga ; immers dan zult gij u in groote veiligheid bevinden tegen de hinderlagen des duivels; en opdat de booze geest u niet in een ernstig gevaar voor uwe zaligheid zou kunnen brengen, zult gij hem dwingen, zich tot het minst gevaarlijke te bepalen; lijdt gij daarbij eenig verlies, dan zijt gij nog niet verloren ; maar blijft gij overwinnaar, dan zal hij beschaamd staan.
â 124 â
III.
De bekoringen zijn ons nuttig.
1. Heer, kom mij te hulp, want ik word dagelijks door vele bekoringen in verwarring gebracht en als overstelpt.
Dikwerf ben ik in twijfel, of ik wel krachtig genoeg weerstand heb geboden, dikwerf gevoel ik ook, dat ik overwonnen word en uit het veld geslagen.
Hoelang zal dit ellendig leven, o Heer, nog duren, waarin men, met zooveel gevaar voor zijne ziel, strijden en den duivel moet weerstaan ?
Zie, gij weet, hoe zwak en ellendig ik ben.
Sta dan op, en verdrijf de wolken en stormen, opdat ik niet geheel overweldigd worde en vergal
2. Mijn kind, er ligt geen kwaad in,
â 125 â
dat bekoringen en benauwdheden u kwellen.
Ue bekoring is lastig, maar bevestigt de ziel in geduld en sterkte.
De bekoring brengt u van tijd tot tijd in verwarring, maar schenkt u een schoone gelegenheid om verdiensten te garen.
De bekoring vervolgt u, maar slechts opdat gij in krachten zoudt toenemen.
De bekoring kwelt u, opdat gij in dit leven, zooals billijk en u voordeelig is, iets voor uwe zonden zoudt lijden.
De bekoring schijnt ondragelijk, opdat gij zoudt leeren u te vernederen en tot mij uwe toevlucht te nemen.
De bekoring overwint u, maar alleen dan, wanneer gij te veel vertrouwt op u zeiven en op eigen krachten en in de deugd verflauwt,
3. Voor 't overige verhef tot mij uwe stem in de bekoringen, en ik zal
126 â
u aanwinst van genade schenken, opdat gij staande kunt blijven.
Want al schijn ik ook ver van u verwijderd, toch ben ik veel dichter bij u dan gij meent.
Want met mijne genade ben ik in uw binnenste, zoo dikwerf gij dapper weerstand biedt aan de bekoring ; ik woon in u, ik oefen u, ik draag zorg voor u ik berisp u en ik verheug mij in uw vast besluit van te overwinnen.
En hoewel het u hard valt tegen de bekoring te strijden, toch weet ik u dien strijd alleraangenaamst en zoetst te maken.
4. Wat toch kan u zoeter en wel-gevalliger zijn, dan te weten, dat ook gij een mijner schapen zijt ?
Maar wanneer de duivel u met vele bekoringen achtervolgt, dan mag dat uwe hoop en uw volle vertrouwen zijn.
Want de duivel zou u niet behoeven
â 127 â
te bekoren, indien gij van de zijnen waart, noch u te plagen, opdat gij van mijn wil zoudt afwijken, indien hij zich niet overtuigd hield, dat gij mijnen weg bewandelt.
Ook zou de bekoring zelve u niet mishagen, zoo mijne liefde en mijne genade niet in u woonden.
Hef dan vol moed het hoofd omhoog en weet dat ik niet den vrede gebracht heb, maar het zwaard.
Ik heb u echter dikwert gezegd en zeg het andermaal ; Dit na mij wil komen, vet loochent zich zeken, neme zijn kruis op, en volge mij.
Wilt gij dus mij volgen in de glorie, neem dan met vreugde het kruis der bekoringen op en strijd voor uwe ziel, totdat gij overwonnen hebt.
5. Is de bekoring zwaar, zeg dan met den jeugdigen Hebreeër: Hoe zou ik dit kwaad kunnen doen en zondigen tegen mijnen Heer r
Is de bekoring langdurig, ga dan tot den peisoon, door de oversten daartoe aangesteld, raadpleeg hem, wees hem gehoorzaam, stort uwe ziel als water voor hem uit.
Is de bekoring hevig, treed stoutweg op, bid vurig, werk onvermoeid, kastijd uw lichaam, verneder voor mij uw ziel.
Dikwerf helpt het weinig met de bekoring te worstelen, maar wel de oogen van haar af te wenden; soms toch is het ook in gevechten veiliger te vluchten dan weerstand te bieden.
Daar zijn ook bekoringen, die men moet verachten zullen zij niet schaden ; want aldus wordt de duivel beschaamd en ontmoedigd, die woedend is, wanneer hij zich geminacht en versmaad ziet.
Valt gij somtijds, verlies den moed niet, en meen niet, dat daardoor de
â 129 â
hoop op overwinning is verdwenen.
Maar betreur liever uw val, en overweeg bij u zeiven, dat aldus geschied is, of wijl gij traag zijt geweest in het weerstaan, of langzaam in het vluchten, of hoovaardig door zelfvertrouwen, of niet ijverig in het gebed, of nalatig in het bewaken van uw hart, of vermetel in uw oordeel, of loom in het vervullen van uwe plichten.
Want dan moet gij u over u zeiven schamen, opdat gij zoudt leeren en medelijden te hebben met anderen, en inwendig nederiger te zijn, en vuriger te bidden, en uwe volmaaktheid ijveriger te behartigen, en met de bekoring niet te spelen.
â 130 â
IV.
In. den tijd der troosteloosheid moet men aan zijne goede voornemens vasthouden.
1. Niet altijd is men in troost en geestelijke vreugde, want God wil ons liever in geduld oefenen door trooste loosheid en geestelijke dorheid.
Alsdan walgt alles, en wat vroeger zeer gemakkelijk en licht te volbrengen scheen, valt dan in den regel moeilijk en lastig.
Meen niet dat ge dan door God verlaten zijt, maar besef veeleer dat aldus liefdevol met u gehandeld wordt, opdat de mistroostigheid niet minder dan de hemelsche troost zelve u helpe om de volmaaktheid te bereiken.
2. Pas op, dat gij dan niet afwijkt van uwe goede voornemens; dat gij het gebed niet verzuimt, het vuur der
â 131 â
overweging niet laat uitdooven, noch u van den weg der versterving verwijdert
Want in zulk een tijd bekoort u de duivel, en tracht, zooveel hij kan, u te overtuigen dat al uw ijver nutteloos is.
Maak ook in troosteloosheid geen voornemen 't een of ander te doen ; want het is moeilijk dan een goed en verstandig voornemen te vormen, omdat de geest wordt afgetrokken tot ijdelheden en het hart zich tot het zinnelijke voelt aangelokt.
3. Maar bedenk liever, dat juist daarom de vertroosting u eerst is geschonken, opdat gij thans door haar verkwikt gemakkelijk zoudt kunnen staande blijven.
Na den herfst komt de winter ; de aarde, door koude verstijfd, brengt geen vrucht voort: toch leven de
â 132 â
menschen dan niet zonder spijs, maar zij vinden dan juist het geschiktste voedsel in hetgeen zij in andere jaargetijden verzamelden.
Zoo gedenk ook gij in deoogenblikken waarin gij geen troost geniet, die tijden, waarin het bezoek des hemels u met een onuitsprekelijke zoetheid vervulde en wat gij u toen voorgenomen hebt te doen, volbreng dat nu.
Hebt gij toen iets goeds opgeteekend, sla nu het geschrevene op en herlees het, opdat de herinnering aan het ver-ledene tot opbeuring strekke in de behoefte van het oogenblik. Want nutteloos is u de vertroosting, indien gij niet tracht er zoodanige vrucht voor den tijd der troosteloosheid van te plukken.
4. Bedenk ook, dat tot uw grooter welzijn God u deze of gene bekoring en kwelling overzendt.
- 133 â
Indien een vreemdeling in een onbekend huis aankomt, dan zal de vader des gezins hem een licht geven opdat hij in de duisternis niet struikele en valle : maar wanneer hij alle toegangen eenmaal kent en reeds dikwijls doorloopen heeft, dan vertrouwt men op zijne ervaring en is voor geen licht meer bezorgd.
Zoo, toen wij nog pas uit de wereld in het religieuze leven traden en van geestelijke zaken slechts een duister begrip hadden, leidde God ons bij de hand, en schonk ons ten tijde van het gebed verlichting en troost, opdat wij soms den voet niet mochten stooten.
Maar nadat wij den noodigen tijd hebben gehad, om de geestelijke zaken door en door te leeren kennen, laat God ons nu en dan aan ons zeiven over, opdat wij in duisternis en dor-
- 134 -
heid leeren wandelen en ons gewennen ook van onze eigen middelen gebruik te maken. Zijn wij van goeden wil, dan is de duisternis niet van dien aard, dat wij in gevaar verkeeren; maar wij moeten als rondtastend naar den weg zoeken en dan in oefening brengen, wat eene vroegere verlichting ons geleerd heeft.
Hij, die zich ten tijde van troosteloosheid aldus gedraagt, zal niet alleen niet struikelen, noch vallen, maar integendeel gelegenheid hebben om het loon te verwerven, aan een grooteren vooruitgang weggelegd.
5 Geef dan aan God dit blijk van uw kunnen en van uw goeden wil
God toch beproeft u uit liefde, gelijk een moeder haar klein kind beproeft, of het reeds heeft leeren loopen: dan treedt zij wel een weinig terug, doch verlaat het niet en verwijdert
zich niet geheel, maar wordt gaarne gezocht en gevonden, en neemt haar kind wederom op haar schoot, om het des te teederder te koesteren.
En als dan het kind, vroegere lief-koozingen gedachtig, alle pogingen aanwendt om tot haar schoot te naderen, leert het de voeten gebruiken en stevigt zijne zwakke krachten door een nuttige oefening.
Derhalve doe ook aldus : en dank God, dat hij louter tot uw eigen voordeel zich een weinig tijds aan u onttrekt.
V.
Het gemeenschappelijk leven is een middel tot eigen heiliging.
1. Danken wij God, die zich ge-waardigd heeft ons te roepen, om met uitmuntende broeders onder de gehoorzaamheid te leven.
â 136 â
Zte hoe zoet en hoe aangenaam is het, als broeders samenwonen !
Wie zal zoodanig en zoo groot een goed naar waarde schatten ?
Waarlijk van de roeping tot den religieuzen staat kan men zeggen: met haar is mij tevens alle goed ge-worden
Want zij, die in gemeenschap met goede broeders leven, worden dagelijks door goede voorbeelden opgewekt en meer ontstoken tot ijver voor hunne volmaaktheid.
Hier houdt het menschelijk opzicht niet van het goede terug, maar drijft veeleer tot oefening der deugd ; want het volmaakt bezit van hechte deugden is 't eenige, waar allen naar streven.
Onder zoovele broeders kunt gij van den eene nederigheid, van een ander eenvoud, van een derde broederlijke liefde leeren.
â 137 -
Deze zal u godsvrucht toonen, gene versterving der zintuigen, een derde welbegrepen ijver.
Van een ander wederom zult gij de voorzichtigheid des geestes overnemen, van een ander de volmaakte gehoorzaamheid, van een ander groote liefde tot de armoede ; en zoo met de overige deugden.
2. O hoe spoedig zouden wij heiligen kunnen worden, trachtten wij de deugden van anderen na te volgen !
Ook moeten wij God niet minder dankbaar wezen voor de aanhoudende oefening van geduld met elkander: want het geduld volmaakt htt werk.
Veel gebeurt er, dat ons voortdurend in die zoo nuttige oefening vooruit kan helpen: of de gebreken en zwakheid van sommige onzer broeders, of de ongemakken der armoede, of de verwijtingen van kwaadwilligen, of de
â 138 â
besluiten der oversten, of de lasten van andere zaken of bezigheden leveren ons veel stof tot geduld en verdiensten.
God nu wil in zijne goedheid, dat wij in dat alles zeer dikwerf geoefend worden, opdat wij spoedig zouden leeren ons zeiven te vergeten en tot volmaakte menschen worden omgevormd.
Hij toch, wien dagelijks de gelegenheid wordt geboden om zich te verloochenen, kan gemakkelijk met Gods genade deugden verwerven.
3. Daarbij komt de waakzaamheid der oversten en hun vaderlijke bezorgdheid voor ons: kan men ooit iets uitdenken dat meer geruststellend of wenschelijk is ?
Want gelijk voor zieken een herhaald bezoek van den geneesheer noodig is, zoo is het ook geheel
â 139 â
aan de menschelijke zwakheid geëven-redigd, dat iemand haar van tijd tot tijd opbeure en steune.
En gelijk degene die een gevaarlijken tocht onderneemt, een ervaren gids moet kiezen, zoo ook is het voor ons het beste, te gehoorzamen aan menschen, die in de deugd geoefend zijn.
Want wij hebben er behoefte aan, bij herhaling gewaarschuwd, opgewekt, geleid, berispt en door andere liefdediensten meermalen geholpen te worden.
O mochten wij toch niet zoo onverstorven zijn en de voorzichtigheid der geestelijke geneesheeren en leidslieden minachten!
Groot voorwaar zou dan de rust van ons gemoed, groot ons vertrouwen en onze troost zijn.
Achten wij dat dan niet gering en morren wij nooit omdat zij onze
vleeschelijke en verkeerde neigingen tegengaan.
Laten wij integendeel en met woorden God en de menschen dank zeggen, en door werken ons dankbaar hart toonen, opdat alwat ons in het religieuze leven overkomt, mede-werke tot ons welzijn, volgens de liefderijke bedoeling van den godde-lijken wil.
4. Ook bestaat onder ons de veelvuldige gewoonte van goede gesprekken : geen gering nut voorzeker hebben die onderlinge besprekingen van de middelen om den evenmensch te helpen, op alle wijzen Gods hoogste glorie te bevorderen, van de gemakkelijkste wijze om vooiuit te gaan in het afsterven aan onze gebreken en de oefening van deugden.
Daarenboven zijn er gemeenschappelijke tijden voor het gebed, waarin wij
â 141 -
allen eenstemmig Gods barmhartigheid over ons aftrekken, hem smeekende, dat hij op ons en onze gebreken genadig moge neerzien : zoo helpen wij elkander en wordt door de vurigheid van den een de lauwheid van den andere vergoed.
Want ieders afzonderlijk gebed geschiedt ten nutte van allen : en hij die met goeden wil zich met het gebed eens anderen vereenigt, trekt, ook al is hij zelf misschien dor in het bidden, geen geringe vrucht uit die onderlinge gemeenschap.
5. Ziedaar dan wat al voordeelen den religieus in het gemeenschappelijk leven zijn weggelegd.
Daardoor wordt hij van veel zorgen ontheven, tegen vele vijanden beschermd, met de krachtigste wapenen toegerust, door allerlei hulpmiddelen gesteund, en door de heiligste oefe-
â 142 â
ningen uitmuntend gestemd om de volheid der genade in zich op te nemen.
Wee hem, die tot zijn verderf zooveel schatten misbruikt, of die hakend naar iets bijzonders zich aan de gemeenschappelijke oefeningen zoekt te onttrekken 1
Wee hem, die door lauwheid of morren, of te vrijzinnige beginselen, of ongeregelde levenswijze, of liefde tot wereldsche vreugde zich zeiven bedriegt, en door het slechte voorbeeld van zijn gedrag een verrader wordt zijner broeders !
Beter ware 't hem in de wereld te zijn gebleven, dan, eenmaal religieus geworden, hun die vooruit willen een hinderpaal te stellen.
Leggen wij er ons dus op toe, waardig te beantwoorden aan zoo vele en zoo groote weldaden, opdat
â 143 â
het wegens onze nalatigheid God niet berouwe, ons in zijn heilige woning te hebben geroepen, en daarom, wijl wij in gebreke blijven, anderen onze kroon ontvangen.
Beminnen wij dit leven, en zoeken wij nooit eenig middel tot eigen heiliging, dat daarmede niet overeenstemt.
En nu God ons dezen gemakkelijken weg ten hemel heeft getoond, geven wij ons niet aan traagheid over, maar dragen wij de lasten van het gemeenschappelijk leven gaarne, met opgewektheid en vurigheid des geestes, opdat wij ook de zoetheden en de vruchten er van volop genieten.
âquot;144 â
VI.
Men moet zijn hart openbaren.
1. Wilt gij een groote gewetensrust en voortdurende blijdschap genieten, dan moet gij uwe bekoringen, zwakheden en moeilijkheden nimmer verborgen houden; van den anderen kant ze ook niet aan iedereen openbaren, maar aan uwe oversten en daartoe bijzonder aangewezen personen.
Want gelijk men een doorn, die in het vleesch is gedrongen, er noodzakelijk moet uitrukken om verzachting van lichamelijke smart te verkrijgen, zoo moet men ook de droefgeestige gedachten en inblazingen des vijands openbaren, zullen zij ophouden de ziel te steken en te kwellen,
Ziet gij niet, hoe alwie door verdriet beklemd wordt, zich vanzelf reeds op-
gebeurd en verlicht gevoelt, zoodra hij de verborgen wonde zijns harten open baart? Hoeveel te meer zal de genade Gods en de kracht der deugd dat teweegbrengen ?
2. Maar aarzelt gij en stelt gij van dag tot dag uit u te openbaren, dan handelt gij onvoorzichtig en haat u zeiven, door een zoo grooten en zoo tijdigen troost af te wijzen.
Indien gij terstond eene overwinning op u zeiven behaaldet en uw hart blootlegdet, zoudt gij ook terstond alle onrust in uw binnenste doen bedaren en in de grootste kalmte en veiligheid leven.
Want zoo dikwijls wij onze eigen kwalen doen kennen, wordt met den geestelijken troost tevens een krachtig geneesmiddel voor die kwalen verstrekt.
Hebt gij iets misdreven of u eeniger-mate in de strikken des duivels laten
7
â 146 â
vangen, met behulp van een ander kunt gij u gemakkelijk daaruit losmaken en in uw vroegeren toestand hersteld worden
Hij echter, die zich zeiven tot leider wil zijn, verkeert in een allergevaarlijkste dwaling. Want niet den zieke, maar den geneesheer komt het oordeel over de ziekte toe: daartoe immers worden de geneesheeren ontboden.
IVee hem, die alleen staat, zegt de H. Schriftuur, want ah hij valt, heeft hij niemand, die hem opricht.
Hoe voorzichtig gij ook zijt, de duivel is nog slimmer : wee u derhalve, indien gij het waagt alleen tegen hem testrijden.
3. In den regel draagt niemand zorg genoeg voor zich zeiven, indien hij ook den raad van anderen niet volgt: dit wordt niet alleen in geestelijke, maar ook in menschelijke zaken bewaarheid.
â U7 â
Dikwerftoch verblindt de ongeregelde liefde ons verstand en verhindert zij ons in te zien wat ons het nuttigste is.
Dikwerf worden anderen door ons vermaand, aangespoord en ten goede opgewekt en zien wij duidelijk in en doen hun aan de hand wat voor hen past; maar zijn onze eigen belangen in 't spel, dan worden wij terstond kortzichtiger, tasten in het duister rond en veranderen van gevoelen.
Daarom, al kunt gij anderen voorzichtig leiden, laat u zeiven toch leiden door een ander, opdat gij wellicht niet na andèren gepredikt te hebben, zelf een verworpeling wordet.
4. O hoeveel vertroosting ontvangen goede religieuzen, die niet op zich zeiven vertrouwende, hun toestand aan den overste als aan hun vader blootleggen !
Welk een gemakkelijk geneesmiddel
vinden zij voor hunne kwalen, welk een kracht in de bekoringen, welk een behoedmiddel tegen de zonde!
Want de openbaring van ons hart is van een bijzondere kracht oro den duivel te verdrijven en te kwellen, die de duisternis bemint om zich veilig als engel des lichts te kunnen voordoen.
De duivel begeert, dat wij nooit ootmoedig belijden wat wij gedaan hebben, noch den overste onze gedachten openbaren; maar hij tracht te bewerken, dat wij ons liever door eigen oordeel en gevoelen laten leiden, opdat wij niet van beproefde strijders zouden leeren hem te overwinnen en te verslaan.
Worden de plannen des duivels ontdekt, dan kan hij het licht niet verdragen, maar neemt terstond wanhopig de vlucht.
â 149 â
Er is niets, wat hem spoediger den moed beneemt en met lamheid slaat, dan dat zijne kunstgrepen aan den dag komen.
5. Dikwerf zelfs houdt hij op te bekoren, indien iemand gewoon is de bekoring te openbaren : want dan weet hij wel, dat hij overwonnen en dagelijks zwakker zal worden.
Welk kwaad hij u ook ingeblazen, in welke verwarrring u gebracht, welken last u ook veroorzaakt hebbe, als hij geen heimelijke wond kan toebrengen, wordt hij gedwongen aan de overwinning te wanhopen.
Want een groote deugd is de nederigheid, die de schuilhoeken des harten doet kennen, en de duivel heeft geen macht over hen die waarlijk nederig zijn.
Eene groote deugd en sterker dan alle wereldsche dubbelhartigheid is de
â 150 â
eenvoud, waarmede men zijn hart als water uitstort voor de plaatsbekleeders van God.
Een groote voorzichtigheid is het, niet op zich zeiven te vertrouwen en de slagen des duivels op eens andermans schild op te vangen.
Een groote verdienste ligt er in de nederige openbaring zijns harten, den goeden wil om voortgang te maken en de eenvoudige gehoorzaamheid.
Groot is de kracht van hem, die een verdediger heeft : de broeder, die door zijn broeder geholpen wordt, is a/s een versterkte stad.
Want Gods genade versterkt de ne-derigen en eenvoudigen en God heeft wat dwaas is naar de wereld uitgekozen, om de kracht des duivels te beschamen.
â 151 â
VII.
Men moet op den weg der volmaaktheid ordelijk vooruit- en van het een tot het andere overgaan.
1. Mijn kind, er is maar al teveel, wat u terughoudt van de bereiking der volmaakte deugd.
Het eene verduistert het versland, het andere verzwakt den wil, weder iets anders doet u onder den invloed van het lichaam tot loomheid en werkeloosheid vervallen.
Zie hoe 't met u gesteld is: in uwe tong, uwe oogen uwe ooren, in de neigingen uwer zinnen ontmoet gij even zoovele hinderpalen. Hinderpalen zijn teugelloosheid en verstrooiing der verbeelding, zucht naar gemak, nieuwsgierigheid om wereldsche dingen te zien, onwetendheid in het geestelijke, vooroordeelen.
â 152 â
Hinderpalen zijn uwe vroegere zonden, waardoor de ziel zich nog verzwakt gevoelt en de kwade gewoonten, die gij nog niet verstorven hebt.
Hinderpalen zijn ook wereldsche liefde en vrees, ongeregelde behandeling uwer zaken en bezorgdheid voor nuttelooze dingen,
2. Laat de menigte der vijanden u evenwel niet afschrikken. Maar meen ook niet, dat gij ze allen te gelijk kunt aanvallen en terstond overwinnen : Verdeel en heersch /
O, indien gij goed begreept wat ik zeg, en wat gij begrijpt ten uitvoer bracht ! Dan zou de W'eg ter verkrijging der volmaaktheid gemakkelijk en zeker, ja zelfs aangenaam en kort voor u worden.
Hij, die al zijne gebreken te gelijk verbeteren wil, zwoegt veel en komt ternauwernood iets vooruit.
â 153 â
Zijn geest wordt afgemat onder den last en weldra onbekwaam tot den strijd en geraakt in volslagen verwarring.
Ook de wil wordt zwakker door zulk worstelen, en daar de vrucht van beterschap gering schijnt, vervalt men gemakkelijk tot moedeloosheid en laat den strijd varen.
3. Indien derhalve de duivel ziet, dat iemand vurig is van geest, en hij hem niet op een andere wijze van den dienst van God kan aftrekken, weet hij te be werken, dat zoo iemand den strijd tegen zijne ondeugden voert met die verwarde, onvoorzichtige gejaagdheid.
De duivel, geloof mij, vreest niet, wanneer hij u hoort zeggen : Nu wil ik mij in alles verheicrtti en heilig worden; maar dan lacht hij, want hij weet, dat hij er velen, die zulke voornemens maakten, listig bedrogen heeft.
â 154 â
Maar ten uiterste is hij beducht, zoo dikwijls hij een vurig kloosterling, tegen eene hoofdondeugd alle wapenen ziet keeren en vol moed slechts streven naar ée'ne overwinning.
Want degene, die eene taak op zich neemt naar zijne krachten berekend, zal kunnen volhouden, en na het behalen eener eerste, zij 't nog zoo geringe overwinning, veilig tot andere, grootere overgaan.
Wie echter in eene opwelling van vurigheid zich te veel heeft voorgenomen, zal, al begint hij ook met moed naar alle waarschijnlijkheid onder de zwakheid der natuur bezwijken.
4. Beschouw daarom u zeiven en uwe gebreken : en doe een keus uit uwe ondeugden, welke gij eerst zult aanvallen, welke daarna.
Ga van wat gemakkelijker te overwinnen is tot het moeilijkere over,
â 155 â
ofwel begin met den wortel uwer gebreken af te snijden, om met één slag alles te treffen.
Spreek niet aldus; voortaan wil ik niet meer hoovaardig, niet meer toornig, niet meer lui zijn.quot; Ook dit is te veel in eens.
Maar hebt gij besloten om de hoo-vaardigheid te bestrijden, zorg dan eerst, te zwijgen over u zeiven; daarna niet te morren als u eene vernedering overkomt; vervolgens van yjd tot tijd eenige vernedering te zoeken, en zoo vervolgens.
Zoo worden de ondeugden gemakkelijk uitgeroeid. Want het werk wordt verdeeld, zoodat het de zielskracht niet uitput en de volharding niet belet.
Evenzoo valt hij, die een kwaden boom wil vellen, niet plotseling met één stoot daarop aan, en denkt er evenmin aan dien met een enkelen
â 156 â
slag om te houwen, maar klooft door herhaalde slagen afzonderlijk den eenen wortel na den anderen.
5. Indien gij aldus uwe zelfverbetering behartigt, zult gij in korten tijd de volmaaktheid bereiken.
Al moet gij ook langen tijd een ondeugd bestrijden vrees niet: is de aanvoerder verslagen, dan zullen de overige vijanden vluchten; is de steunpilaar omvergeworpen, dan zal het ge-heele huis instorten, ineenvallen.
Want evenals de deugden, zijn ook de ondeugden onderling verbonden, en de eene kan niet overwonnen worden, ofde andere wordt verzwakt en gewond.
Daarom is ééne ondeugd uitgerukt, dan zullen de overige kwijnen en het zal u zeer gemakkelijk vallen ze te onderdrukken.
â 157 â
VIII.
De overweging der hemelsche zaken is noodzakelijk.
1. Mijn kind, zoolang gij op aarde leeft, zijt gij onderhevig aan vele dwalingen en verkeerde neigingen; vandaar ook, dat gij onstandvastig zijt in uwe goede voornemens en dikwerf van den rechten weg afwijkt.
Zijt gij derhalve altijd zwak, neem dan ook gaarne geestelijke geneesmiddelen en wees bezorgd ze dikwerf te gebruiken.
Indien gij deze versmaadt, dan zult gij niet alleen terstond in de volmaaktheid verflauwen, maar zelfs de zaligheid uwer ziel eens in gevaar brengen.
Van deze geneesmiddelen zijn sommige niet geschikt voor alle omstandigheden, maar moeten met onderscheid gebruikt en niet zonder den
â 158 â
raad van voorzichtige menschen toegepast worden; andere echter kunnen met voordeel dagelijks, en op den zelfden dag bij herhaling worden genomen.
2. De overweging der hemelsche zaken zij u een dagelijksch geneesmiddel om uw geest met een goddelijk licht te verhelderen en uw wil van ongeregelde begeerlijkheden af te houden.
Dè overweging der eeuwige waarheden, der voorbeelden van Christus en zijne Heiligen is een groot goed en het beginsel van alle goed. In de overweging arbeidt de ziel, vinden de deugden hulp worden de goede werken gevoed
De overweging leert de vooroordee-len afleggen, wekt nuttige gedachten op, dooft de begeerlijkheid uit, verscheurt de netten des duivels.
De overweging is de moeder van
â 159 â
ware en hechte godsvrucht : want zij brengt den wil met zachtheid en kracht er toe om te doen wat aan het oog van God welbehagelijk is.
3. Meestal is het geen ware godsvrucht, die niet door de overweging is voorafgegaan ; zij kan niet duurzaam zijn, omdat zij niet in degelijke voorbereiding van het verstand haren grondslag heeft. Zulk een godsvrucht is van weinig waarde en onstandvastig, en komen er tijden van beproeving en dorheid, dan bezwijkt zij.
Beschouw de wereldsche menschen, die niet gebruik maken van de overweging ; hoe weinigen leven er zooals 't behoort ! hoevelen volgen den weg des verderfs, hoevelen die aan God en het eeuwig leven zelfs niet denken 1 De aarde, zegt de Heer, is met verwoesting overdekt, omdat niemand in zich zeiven treedt.
- ICO â
Indien eenigen onder hen braaf leven en de deugd beminnen, hoe dikwerf wankelen zij niet of vallen zelfs in zonden, tenzij dat zij dikwerf over de hemelsche dingen nadenken.
Heden zijn zij vol godsvrucht, morgen kwijnen zij in den dienst des Heeren; en zoo bouwen zij beurtelings op en breken weder af. geheel hun leven door, en brengen nooit bet geestelijk gebouw tot voltooiing.
4. De overweging is eene zoete verkwikking en ontspanning voor den geestelijken mensch, niet minder noo-dig voor de ziel, dan de dagelijksche spijs en slaap voor het lichaam.
De overweging is een spiegel der ziel, waarin zij zich dagelijks moet beschouwen, totdat zij zich van alle vlekken hebbe gezuiverd en sierlijk opgetooid om aan Christus te mogen behagen.
â 161 â
De overweging is de edelste oefening van zelfverloochening, een fakkel des geestes, bezieling voor den wil, een kanaal der goddelijke genade, het beeld en de voorsmaak der hemel-sche geneugten.
Daarom moet men nooit in een zoo heilige oefening verflauwen, en al tracht de duivel verveling te verwekken en verstoooiing in den geest te brengen, toch onverbiddelijk aanhouden en met ijver volharden.
5. Indien gij des morgens opstaat met den profeet, en met terzijdestelling van alle andere zorgen deuitspraken des Heeren aandachtig overweegt, zal de geheele dag zonder moeite geheiligd worden.
De versterving zal u dan zoet, de eenzaamheid bekoorlijk, het stilzwijgen aangenaam en de godsvrucht gemeenzaam zijn.
â 162 â
Gij zult de lasten van het gemeenschappelijk leven gemakkelijk dragen, uw ziel zal geduldig zijn in den arbeid gij zult van ijver branden om Gods glorie te bevorderen.
De gestrengheid der armoede zal u niet mishagen, noch de zwaarte der vernederingen u neerdrukken, evenmin als de last van andere moeilijkheden of de aanval der vervolgingen u in verwarring brengen zal.
Indien gij godvruchtig overweegt, zult gij u bereid vinden om dat alles te verdragen, zelfs zult gij allervurigst daarnaar verlangen, om aldus Christus na te volgen
De overweging toch leert hoe groot een goed het is zijne begeerlijkheden te verloochenen en het geduld te beoefenen, en zij spoort den wil allerkrachtigst aan, om den begonnen loop niet te staken.
â 163 â
6. Zijt gij echter niet zeer bezorgd voor de heilige overweging, maar laat gij die geheel varen of verricht gij ze oppervlakkig, meen dan niet dat gij dien dag zult leven gelijk een icligieus betaamt.
Gij zult geen behagen scheppen in de ingekeerdheid des harten, noch in de zelfverloochening, noch in het stilzwijgen-, noch in eenige andere oefening van deugd.
Een geringe arbeid zal u gemakkelijk neerslaan, de noodzakelijkheid om te gehoorzamen zal u bedroeven, elke last zal u ondragelijk schijnen.
Gij hebt dat meermalen ondervonden; want nooit hebt gij een meer verstrooid en minder religieus leven geleid, dan wanneer gij den toeleg op de overweging verwaarloosd hebt.
Leer dan uit den terugblik op uw leven, hoe noodzakelijk voor u de
â 164 â
overweging is; en wat er ook nieuws, groots en onverwachts moge gebeuren, laat nooit toe dat gij in dien heilige bezigheid belemmerd wordet.
IX.
Men moet dikwerf zijn geweten onderzoeken.
1. Stel ii dikwerf voor het aanschijn Gods, zet een oogenblik alle overtollige zorgen op zijde en onderzoek nauwkeurig uwe werken. Uw eerste zorg zij, dat gij eene grondige kennis van u zeiven verkrijgt en tracht u te verbeteren, opdat de Jebuzeeër niet misschien in het verborgen op-groeie en sterk worde tegen u.
De ziel is gelijk aan een kleinen hof: dagelijks moet zij gezuiverd worden van het onkruid der kwade neigingen.
â 165 â
Dagelijks moet de groei der deugden worden verzorgd, en moeten wij nagaan hoeveel wij zijn vooruitgegaan of hadden moeten vooruitgaan. Dagelijks moeten onze goede voornemens vernieuwd en bevestigd worden, opdat de wil niet langzamerhand kwijne en verflauwe.
Dit alles is noodig voor hem, die vooruit wil gaan : en omdat wij nog niet geheel en al aan de ondeugd verhaakt hebben, moeten wij zorg dragen dat wij dagelijks een deel van den ouden rnensch afleggen,
2, Dezen weg zijn alle Heiligen betreden, en door spoedig de booze begeerlijkheden te onderdrukken, zijn zij opgestegen tot het toppunt der deugden.
O, welke zuiverheid van ziel hebben de vaders, die in de woestijn God dienden, verworven en hoeveel duizen-
â 166 â
den monniken hebben zij gelukkig tot de volmaaktheid opgeleid !
Maar ook de oefening van het onderzoek des gewetens was hun zeer eigen en wat zij des nachts m de overweging geleerd hadden te moeten doen, dat brachten zij ten uitvoer, door zich in den loop van den dag dikwijls daarover te onderzoeken.
Daarom is het gebruik van het onderzoek des gewetens bij alle kloosterorden door hun heilige stichters ingevoerd. Door dat onderzoek tocii leert de mensch beter zijne kwade gewoonten en neigingen kennen, schaamt hij zich en treurt over zijne afdwalingen, maakt ernstiger voornemens om zich te beteren, besluit zich zeiven te straffen indien hij vrijwillig valt, en roept vurig Gods bijstand in ; daardoor brengt hij zijne ondeugden ten onder en verrijkt zich met vele goederen.
â 167 â
3. Allen echter, die aan het heil van anderen moeten werken, behooren nog veel meer en naarstiger zich zeiven te onderzoeken.
Velen zouden goede religieuzen zijn, indien zij alleen in de eenzaamheid op zich zeiven hadden te letten ; maar omdat apostolische mannen een veel grootere deugd behoeven, verkeeren diezelfde religieuzen niet veilig onder de menschen.
Hij, die nog geene hechte grondslagen van deugd gelegd heeft, beweegt zich niet zonder gevaar in de bedieningen van het werkzame leven.
De geest van den onvolmaakten mensch geraakt licht verstrooid in de uitwendige bezigheden, en wordt zoo geheel daardoor in beslag genomen, dat hij zich zeiven vergeet, terwijl hij voor anderen zorgt.
En daar wij allen onvolmaakt zijn.
â 168 â
moeten wij dikwerf in ons zeiven treden, en voor God ona rekenschap afvragen van al onze werken.
Zoo zal bet gemakkelijk zijn, teistond te verbeteren, wat tot het verkeerde neigt en den duivel allen toegang af te sluiten.
Zoo zal ook volmaakter en voorzichtiger verricht worden, wat tot het heil van anderen dienstig is; want dan kan men al de omstandigheden van hetgeen ons te doen staat gemakkelijker overschouwen en oplettender wikken en wegen.
4. Indien iemand begeert zich zeer nuttig te maken voor zijn evenmensch, moet hij alle toegangen tot het men-schelijk hart bespieden, met de listen van den duivel en de kronkelingen der kwade neigingen, de zwakheden der menschelijke natuur en hare geneesmiddelen, de veelvuldige soorten der inspraken Gods en de geheele geeste-
â 169 â
lijke krijgskunst door en door bekend zijn.
Dat alles leert men echter beter door eigen ondervinding en zelfbeschouwing dan door de lezing van geestelijke schrijvers. Daarom zegt de H. Schrift: die niet beproefd is, wat weet hij ? Maar hij, die zich zeiven zelden en oppervlakkig beschouwt, bemerkt niet in zich dien strijd der natuur en der genade, ontdekt niet de verraderlijke slingerpaden der driften, en kan de nuttigste en snelwerkendste middelen tegen geestelijke ziekten niet leeren kennen.
Daarom zien wij, dat sommige ongeletterde, maar geestelijke menschen veel meer voordeel doen aan den evennaaste dan sommige ontwikkelde en geleerde, die voor zich zeiven minder bezorgd zijn.
5. Houd dit wel in uw geheugen:
8
men kan in het geestelijke niet vorderen, noch den naaste werkdadige hulp aanbrengen, tenzij door de kracht der genade Gods.
God nu is gewoon des te gereeder zijne gaven uit te deelen, naarmate hij ziet, dat iemand naarstiger zijn geweten zuivert. Oefen u derhalve in het opsporen en bestrijden uwer gebreken: overweeg, hoe gij dagelijks deze of die neiging volkomen zult versterven, of sommige kiemen van deugd vlijtiger ontwikkelen, of een betere wijze van handelen in bijzondere punten kunt verkrijgen.
Daardoor zult gij eene groote zuiverheid van geweten verwerven, veel ondervinding en voorzichtigheid, groote rust en zoelheid.
Gods genade zal in u overvloeien, de bekoringen zullen minderen, en geheel het geestelijk gebouw, op een
â 171 -
hechten grondslag opgericht, zal zich tot de vereischte hoogte verheffen.
Zoo zult gij u ook gewennen om vertrouwelijk met God te wandelen, uw geest dikwerf tot het hemelsche te doen opstijgen, uwe meening zuiver tot God te richten en uit de geringste han delingen eene groote winst van verdiensten te trekken.
De godsvrucht tot do Heiligen is zoer nuttig voor hen, die voortgang willen maken.
1. In waarheid de kinderen dezer wereld zijn, in hun geslacht, voorzich-tiger dan de kinderen des lichts.
Kunnen de wereldlingen niet door eigen kracht al het aardsche, dat zij begeeren, verkrijgen, dan vleien zij de rijken en voornamen, en trachten listig dezer macht tot hun eigen voordeel aan te wenden.
â 172 â
Wij echter, al zijn wij ook naar den geest arm en ellendig, vergeten bijna de Heiligen, door wier gebeden wij toch vele en groote goederen zouden kunnen verkrijgen.
De wereldlingen, al worden zij dikwerf door de machtigen verstooten, keeren terug, vragen en smeeken met tranen; wij echter, al staat ons de vriendelijkste ontvangst te wachten, worden niet uit onze loomheid opgeschud-
De wereldlingen dringen sterk aan, wachten lang, stellen alles in 't werk om door hun overlast eenig vergankelijk goed machtig te worden; en wij, ter verkrijging der hemelsche goederen, bewegen nauwelijks een enkelen keer met godsvrucht onze tong.
2. O welk een schande ! Moeten wij dan, omdat God de hoogste bron en uitdeeler van alle goed isj de Hei-
â 173 -
ligen verwaarloozen of hunne tusschen-komst als van gering voordeel be schouwen?
Zoek toch geene uitvluchten voor uwe zorgeloosheid: de Heiligen zijn God zeer dierbaar, en indien zij iets vragen verkrijgen zij het veel spoediger en veel gemakkelijker.
God zelf heeft besloten dikwerf door de handen der Heiligen ons zijn gaven te schenken, opdat hij aldus hun eer bewijze en ons leere hen te eerbiedigen en te vereeren.
Daarom ook heeft Christus zijne Apostelen niet dienaars, maar vrienden genoemd, en zegt de profeet: uwe vrienden, o God, zijn ten hoogste door u geëerd: huitne heerschappij is bevestigd bovenmate.
3. Dit is derhalve Gods wil, dat wij door de Heiligen, die in den hemel zijn, menig goed verwerven.
â 174 â
Schijnt het u dan zoo weinig waard, dat gij de voorspraak kunt genieten van hen die in ditzelfde leven en in dezelfde gevaren verkeerd hebben ?
Ook zij hebben veel geleden, daarom koesteren zij licht medelijden.
Is het een kleine zaak dat gij de vrienden van Christus en de deelge nooten van zijn rijk, u zeiven tot vrienden kunt maken ?
Neem u dan voor hen te dienen, onderzoek hoe gij u bij hen bemind zult maken: zoo zult gij vrijeren toegang hebben tot God.
Zuiver met meer zorg uw geweten bij het aanbreken hunner feesten, opdat gij waardig zijt hun bescherming te ondervinden.
Lees hun geschiedenis en overweeg hoe zij heilig zijn geworden, opdat gij ook denzelfden weg moogt bewandelen.
Dit is het voornaamste in de gods-
â 175 â
vrucht tot de Heiligen: met Gods genade hunne deugden na te streven; daarom ook beveelt ons de Kerk de Heiligen dikwerf te vereeren en te vieren.
4. Kies u dan eenige Heiligen tot bijzondere beschermers en leermeesters in de deugd: tracht hunne vriendschap te winnen door gelijkvormigheid van leven.
Dit zij het eerste en voornaamste huldeblijk uwer godsvrucht jegens hen, dat gij hun gelijkvormig wilt worden; vervolgens dat gij hun vraagt u van God de daartoe noodige genaden te verkrijgen.
Vraag van dezen de navolging van zijn geduld van geenen die zijner nederigheid, van een derde die zijner boetvaardigheid en liefde.
Maar let ondertusschen op u zeiven, en voeg bij uwe gebeden vasten en
â 176 â
andere verstervingen: zoo zullen die gebeden van meer kracht zijn om verhooring te vinden.
5. Bevlijtig u echter bijzonder om de heilige Maagd en Moeder Gods te vereeren : want de moeder alleen vermag meer dan alle vrienden en dienaren.
Want de Moeder des Verlossers bemint ons vuriger, omdat zij de overige Heiligen ver in liefde overtreft.
Deze gelukzalige Maagd vraagt als koningin met meer vertrouwen aan den Koning; als heerscheres voorziet zij in alles; als moeder deelt zij de hemelsche schatten uit.
In het oog van Christus is ook de liefde en de eer, zijner Moeder bewezen, zeer verdienstelijk ; want Christus zelf bemint en eert haar boven alle anderen.
Hen, die Maria tot moeder aannemen, beschouwt en beschermt Christus ook in waarheid als zijne broeders.
â 177 â
Trachten wij dan haar meer dan anderen te behagen, en zijn wij niet tevreden, voordat wij hebben ondervonden dat zij ons vurig bemint.
Het is niet genoeg haar maandelijks eer te bewijzen: door dagelijksche gebeden en goede werken moet zij gediend worden; want kinderen hebben dagelijks en meermalen op een dag de hulp der moeder noodig.
Zij, die gewoon zijn Gods Moeder oprecht en godvruchtig te dienen, ondervinden groote hulp in de bekoringen, troost in beproeving, sterkte in den arbeid bescherming in gevaren, zoetheid in het geestelijk leven, gerustheid in den dood, zalig genot in de eeuwige glorie.
â 178 â
XL
Men moet zich dikwerf met de lez ng van geestelijke boeken bezig houden.
1. Die op den weg der deugd niet achteruit wil gaan, moet dagelijks eenige geestelijke spijs nuttigen om aldus de krachten van den geest te onderhouden.
Maar omdat de menschelijke geest onstandvastig is in de beschouwing van het hemelsche, en bij de minste gelegenheid door het zinnelijke licht wordt afgetrokken, is de lezing en overdenking van godvruchtige boeken allernuttigst.
Zoo weert men gemakkelijk de aanvallen van lastige voorstellingen der verbeelding, en wordt de ziel tevens op eene kalme en aangename wijze gevoed.
- 179 â
Het is daarenboven gemakkelijker de leiding van anderen te volgen en eene leer, die voor ons pasklaar gemaakt is in zich op te nemen, dan zich zelf den weg te banen.
2. Gij zult daarin veel opwekkingen en hulpmiddelen vinden tot de deugd, die gij tot dan toe niet kendet noch beschouwd hadt
Alwat vrome en heilige mannen door langdurige overweging en vele tranen van God verdienden te leeren, kunt gij u, mits gj wilt, met geringe moeite eigen maken
De ondervinding van anderen zal uwe onervarenheid, de ijver van anderen uwe lauwheid de godsvrucht van anderen uwe dorheid, de wijsheid van anderen uwe twijfels te hulp komen.
Kondet gij u met die Heiligen on derhouden, alles zoudt gij daarlaten
â 180 â
om met hen te zijn ; en zie, nu kunt gij hun veitrouwelijk verkeer genieten zooveel gij maar wilt.
Veelal ook is het nuttiger de schrijvers te lezen dan met hen om te gaan.
Immers wat gij eens gelezen hebt, kunt gij naar believen meermalen herlezen, met groote oplettendheid overwegen, totdat gij het volmaakt begrepen hebt en, als het u ontgaan is, kunt gij het weder in uw geheugen terugroepen.
3. Geheel het leven van een waar religieus moet in niets anders bestaan dan in het zoeken naar Gods wil, en in dien te volbrengen als men hem gevonden heeft.
Wees derhalve niet nalatig in het lezen van geestelijke boeken; want wilt gij de ooren uwer ziel openen, dan zult gij Gods stem, die zich daarin openbaart, vernemen.
â 181 -
Het is inderdaad een groote weldaad Gods, dat Hij in zijne barmhartigheid zich gewaardigt door middel van boeken te spreken tot ons, die dikwerf verstrooid zijn en de inwendige toespraken der genade niet hooren.
Gemakkelijker toch hooren wij Gods stem in de lezing, dan door alleen bij ons zeiven na te denken; daarom ook pleegt eene goede lezing de ingeefster van goede gedachten te zijn.
Want onze natuur brengt mede, dat wij altijd over iets denken ; maar voor te schrijven wat wij zullen denken, hangt veel minder van onze natuur af, dan van de gesteltenis en keuze van ieders eigen wil.
Laat gij den wilden olijf aan zich zeiven over, dan blijft hij een onnutte boom; maar ent gij er een tamme olijf op, dan brengt hij veel vruchten voort.
Wilt gij dan de kwade gedachten beletten en goede in u opnemen, zoo schenk uwe ziel geestelijk voedsel, opdat zij niet, bij gebrek daaraan, zich tot het zinnelijke wende.
Zoo zult gij gedurende den dag gemakkelijk de ingetogenheid van harte kunnen bewaren en te midden van al uw bezigheden onder Gods oog ver-keeren.
4. Kies dus een vast bepaalden tijd uit, om u dagelijks met eene zoo nuttige oefening bezig te houden en onderbreek dien niet, tenzij er een ernstig beletsel turschen beide kome.
Vele zondaren zijn met Gods genade door heilige lezingen bekeerd ; en vele brave menschen langs dien zelfden weg tot nog grootere heiligheid van leven gekomen.
En gelijk slechte en zedelooze lezingen niet anders dan groot nadeel kun-
â 183 â
nen berokkenen, zoo ook kunnen geestelijke boeken niet dan veel uitmuntend goede vruchten voortbrengen.
Gelijk toch eene slechte lezing eerst schandelijke gedachten en begeerten, daarna ook schandelijke woorden en werken voortbrengt tot ergernis en ondergang van velen: zoo ook wekt eene heilige lezing, heilige gedachten en begeerten ; weldra zullen daarop ook heilige werken volgen en heilige gesprekken tot verheerlijking van God en tot groote stichting der menschen.
XII.
Wie voortgang.wil maken moet het stilzwijgen beminnen.
1. Niets verstrooit meer den geest en belet meer den ijver voor de volmaaktheid dan de onverstorven praatzucht.
â 184 â
Den man, wiens tong niet beteugeld is, zegt de H. Schrift, zal het niet goed gaan tp aarde. En elders: Waar veel gesproken wordt, zal de zonde niet ontbreken; en: Hij, die vele woorden spilt, zal zijne ziel benadeelen.
Hij toch, die veel praat, kan niet genoeg overwegen wat hij zal zeggen, en hoe hij moet spreken, en of hij wel moet spreken.
Ook kan hij niet op zich zeiven letten wegens de gedurige verstrooi ing van zijn geest; maar terwijl hij met nuttelooze zaken bezig niet bedacht is op gevaar, wordt hij door den duivel verstrikt.
Gelijk een stad, die open ligt en niet door muren is omsloten, zoo is de man, die in het spreken zijn geest niet kan bedwingen.
2. Wil u dus niet bedriegen : zoo gij niet geleerd hebt uw tong te be-
â 185 â
dwingen, zult gij geen voortgang kunnen maken.
Daarom bidt de profeet: plaats, Heer, een wacht aan mijn mond en een slot aan mijne lippen.
Breng u uw vroeger leven te binnen en zeg mij : wanneer gij den ganschen dag hebt doorgebracht met het verhalen en aanhooren der daden van anderen, welke geestelijke aanwinst hebt gij daarmede gedaan ?
Misschien zult gij bevinden, dat geen dag uw zonden talrijker zijn geweest, dan toen gij met verwaarlpozing van u zeiven, aan uw praatzucht hebt toegegeven
Veel woorden hebt gij doen hooren. maar de geest van godsvrucht ging als in den wind verloren
Gij zijt uit geweest op dwaze vertelseltjes en de herinnering aan de eeuwige waarheden hebt gij verstikt.
â 186 â
Aan vele ijdele en nuttelooze dingen hebt gij gedacht, en wat u het noodzakelijkst geweest zou zijn, hebt gij vergeten.
Luister dan naar den H. Jacobus:
Zoo iemand meent godvruchtig te zijn en zijn tong niet bedwingt, maar zijn hart misleidt, diens godsvrucht is ijdel.
Weet daarenboven, dat de menschen van elk ijdel woord, dat zij gesproken hebben, rekenschap zullen geven in den dag des oordeels.
Die waarschuwing heeft Christus, die u oordeelen zal, zelf gegeven.
3 O wat zoudt gij gemakkelijk gelegenheid vinden om voortgang maken, indien gij u van overtollige samenspraken onthieldt 1
Zoudt gij al dien tijd niet nuttig kunnen besteden, met u toe te leggen op de verbetering uwer gebreken ?
Gij moet zooveel aanleeren hetzij
â 187 â
van de heilige wetenschap, hetzij van andere menschelijke kundigheden: dat alles zoudt gij gemakkelijk leeren, indien gij wildet zwijgen.
Gij zoudt veel kunnen schrijven tot stichting en heil van den evennaaste, vele werken van liefde verrichten, meer dan éen buit aan den duivel ontrukken.
Maar indien het u verdriet te zwijgen en in uw cel te blijven, zult gij dat alles verliezen en ook anderen tot last en nadeel zijn.
4. Begrijp dus wel wat u past; niet zonder gewichtige redenen is de wet van het stilzwijgen door de heilige stichters in de kloosterlijke regeltucht opgenomen.
De stilzwijgendheid doet ons zeer vele gelegenheden tot zonde mijden, en de kwade gewoonte afleggen van te spreken uit drift en begeerlijkheid.
â 188 â
De stilzwijgendheid geeft ons een groot gemak om naar anderen te luisteren en te leeren hoe het een religieus past te spreken.
De stilzwijgendheid stemt de ziel om de geheime inspraken van God te hooren en in zoetheid met den Heer om te gaan, want Hij zegt: Ik zal haar in de eenzaamheid leiden en tot haar hart spreken.
De stilzwijgendheid bevrijdt ook van vele angstvalligheden en ijdelheden, en baart grooten vrede.
5 Gedenk dit bewonderenswaardige gezegde: Indien iemand niet zondigt door de tong, dan is hij een volmaakt mensch.
Zie welken gemakkelijken weg tot de volmaaktheid de H. Schrift den mensch van goeden wil aanwijst 1
De volmaaktheid ligt niet aan de andere zijde der zee, zoodat gij kunt
â IS9 -
zeggen ; wie zal daarheen gaan ? noch in de wolken, zoodat gij kunt zeggen : wie zal ten hemel opstijgen ? Zij ligt niet buiten de grenzen van uw vermogen : zij ligt bij u, zij ligt vóór u, zij ligt in u zeiven; want, zegt de Heer ; Hei rijk der hemelen is in ti.
Bedwing derhalve uwe tong en spoedig zult gij de andere ondeugden overwinnen en de volmaaktheid bereiken.
Het is moeilijk in het spreken niet te falen, en daarom, neem u voor te zwijgen, zooveel gij kunt.
XIII.
De uitwendige zedigheid is don religieus noodzakelijk.
1. De volmaaktheid is iets inwendigs en heeft haar zetel in de ziel: maar meen daarom niet, dat gij alle zorg voor de uitwendige regeling der bewegingen van het lichaam moogt verwaarlozen.
â 190 â
Geheel de mensch is oorspronkelijk het werk Gods: derhalve moet de ge-heele mensch zich zoo regelen, dat hij en inwendig en uitwendig tevens God diene.
Geheel de mensch zal in den hemel de belooning zijner verdiensten ontvangen: derhalve moet ook geheel de mensch in dit leven goed geregeld worden.
Duld niets in u, dat iemands blikken kan stoeten ; maar beheersch al uwe bewegingen, zooals het past aan een minnaar der volmaaktheid.
Stel u den persoon van Christus onzen Heer voor oogen, en leer van Hem ook uitwendige ernst, geduld, nederigheid en volmaakte zedigheid.
2. Als een sterk man gewapend zijn voorhof bewaakt, dan is alwat hij bezit in vrede.
Wilt gij dus uwe ziel in vrede be-
â 191 â
waren, bewaak dan den voorhof van uw hart, d. i. uwe zintuigen.
Meen niet, dat uwe ziel inwendig goed geregeld kan zijn, indien gij de regeling van het uitwendige verwaarloost.
De ziel is met het lichaam en het lichaam met de ziel allerinnigst verbonden, en zij vormen zoodanig één geheel, dat hunne handelingen natuur lijkerwijs op elkander terugwerken.
Hij, die de zintuigen zijns lichaams niet weet te beheerscben, zal nog veel minder zijn inwendige neigingen kun nen bedwingen.
Want wie zijn oog niet van ongeoorloofde of vreemde zaken kan afhouden, zal moeilijk zijne gedachten daarvan afwenden en zich hoeden voor kwade begeerten.
3. Verlangt gij u met God bezig te houden, verleen dan geen toegang
â 192 â
aan de schepselen, maar sluit uwe zintuigen, opdat zij niet binnentreden : want zijn ze eenmaal binnengekomen, dan zult gij ze moeilijk uitdrijven om plaats te maken voor God.
Gisteren hebt gij veel uitgevorscht en gezien ; heden zult gij niet in staat zijn die indrukken uit te wisschen en die beelden op zij te zetten.
Nog een ander nadeel komt daaruit voort; de ziel stort zich om zoo te zeggen door de zintuigen uit en verliest hare kracht.
Gelijk goede wijn, wanneer men het vat laat openstaan, zijn pit verliest en langzamerhand verzuurt: zoo ook strooit de ziel, die van buiten niet bewaakt wordt, den geest van godsvrucht in den wind en begint langzamerhand aan God te mishagen.
En gelijk het vat, als het deksel is weggenomen, zich vult met stof en
â 193 â
vuilnis: zoo ook wordt de ziel besmet, wanneer men de waakzaamheid over de zintuigen verwaarloost.
4. Het kost echter geen geringe overwinning om tot de volmaaktheid te komen : al de kracht der ziel is daartoe noodig.
Zie derhalve toe, dat gij u niet verzwakt; want hij, die de uitwendige zedigheid veracht, haalt zich vele zorgen op den hals en, bij het aangroeien van het getal zijner vijanden, moet hij zijne krachten over ieder van hen verdeden, en daardoor wordt hij zwakker.
Bouw om uw ziel een versterkte burcht, waarin zij veilig opgesloten, strijden kan: sluit de poorten uwer zintuigen af, en open ze niet voor den vijand, maar alleen om geestelijken leeftocht met behoedzaamheid binnen te voeren.
9
â 19é â
Bedenk ook wat de menschen doen, die voor een moeilijke taak staan : zij zonderen zich af, en opgesloten in hun kamer, overwegen zij hoe zich te redden.
Doe ook gij zoo: een moeilijke taak hebt gij onder handen zoek nu gekeerd en afgezonderd in u zeiven, hoe gij u moet verbeteren, want anders kunt gij dat niet.
5. Hij, die zich hoedt voor de verstrooiing der zintuigen, lijdt geen schade, al moet hij dikwerf onder de menschen verkeeren : want hij treedt voort als een veldheer, omringd van soldaten.
Hij zelf brengt veeleer den duivel schade toe, omdat hij door het goed voorbeeld zijner zedigheid de men schen tot een goed leven opwekt.
De uitwendige zedigheid is zeer bewonderenswaardig in de oogen der menschen : en hij, die zijne oogen,
â 195 â
stem en alle gebaren volgens de zedigheid bestuurt, verschijnt onder de men-schen als een engel
Naar zulk een mensch luislert men gaarne en hij overreedt gemakkelijk ; want hij schijnt als uit den hemel gedaald en in naam van God te spreken Ja, al zwijgt zijn tong, hij predikt door zijn voorbeeld: en dit is dikwijls van nog meer kracht; aldus, lezen wij, predikte weleer de heilige Franciscus.
Maar zijn wij ongeregeld en wanordelijk in onze uitwendige bewegingen, dan overreden wij niet alleen niet, maar maken ons ook belachelijk en berispenswaardig
Want lichtzinnigheid stemt niet met den ernst onzer bediening, noch ongeregelde manieren met het religeuze kleed.
6. Pas echter op, dat gij niet voor de uitwendige zedigheid alleen bezorgd zijt en de inwendige verwaarloost,
â 196 â
Uw voorname ^oig zij voor inwendige reinheid en geregeldheid; Bewaak met alle zorgvuldigheid uw hart, daaruit toch komt het leven voort.
Als de wortel verdort, dan sterft de boom: en als de zedigheid niet voortkomt uit het hart, dan heeft zij geen duur.
Gelijk de uitwendige ongeregeldheid ook de orde der ziel verstoort, zoo ook uit zich de wanorde der ziel dooide bewegingen des lichaams. En daarom zegt de Schriftuur ; Aan het gezicht kent men den man, en den verstandige aan zijn gelaat
En op een andere plaats. (jelijk het gelaat wordt weerspiegeld als men in het water ziet: zoo openharen aan de schranderen zich de harten der menschen.
De schaduw volgt het lichaam en de uitwendige houding des lichaams
â 197 â
de inwendige aandoeningen des harten. Derhalve moet men de inwendige aandoeningen regelen, wil men bij voortduring de uitwendige zedigheid kunnen bewaren.
XIV.
Men moet zich een innige kennis van Christus verwerven.
1. Dit is het eeuwig leven, dat zij u kennen, den alteen waren God en Dien gij gezonden hebt. Jezus Christus.
Zalig hij, die er zich op toelegt, Christus dagelijks volmaakter te ken nen, toe te nemen in zijne liefde.
De kennis van Christus is kostbaarder dan alle overige kennis en geene verrijkt de ziel als zij.
De kennis van Christus doet hej hart overvloeien van vreugde en zoet-
â 198 â
heid, en maakt de beoefening van alle deugden zeer gemakkelijk.
O, mochten wij met zooveel ijver trachten Christus innig te kennen, als waarmede wij de menschelijke wetenschappen en ijdele dingen pogen aan te loeren.
Christus de Heer is een groot en uitmuntend boek : die dit kan lezen en begrijpen, verkrijgt zeer spoedig alle wijsheid
2 Chiistus is de weg, de waarheid en het leven : die door Hem binnengaat zal zalig worden.
Door Jezus zijn wij met de goddelijke natuur verbonden, en daarop als ware het geënt; door Hem hebben wij het kindschap Gods en goddelijk erfrecht verworven.
Zonder Christus zijn wij duisternis, kunnen, hebben wij niets: zoo wij niet trachten Hem te behagen , zal het ons
â 199 -
niet baten, al behaagden wij aan alle menschen.
Daarom moeten wij zorgvuldig de innigste gevoelens zijns harten nagaan , opdat ook wij gevoelen en willen, zooals Hij gevoelt en wil.
Wil niets beminnennochhoogachten, tenzij gij ziet dat Christus het heeft hooggeschat en bemind.
De gevoelens en verlangens van Christus kunt gij gemakkelijk leeren uit zijn leven en zijne leer.
De wet van Christus toch prijst za lig de armen van geest, zalig de zacht moedigen, zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zalig die treuren, zalig de zuiveren van harte, zalig de barmhartigen, zalig die vervolging lijden om de rechtvaardigheid
Dat alles derhalve heeft Christus hooggeschat, en boven al het andere liefgehad, zoodat Hij dat alles ook voor zich zeiven heeft verkozen.
â 200 â
Overweeg dan meer in het bijzonder wat Christus vooral in zijn persoon als in een voorbeeld heeft getoond, en spoedig zult gij tot de innige kennis van Christus geraken.
Evenzoo kwam Christus een vuur op aarde brengen, de glorie des vaders , niet de zijne zoeken , de ongeregelde liefde tot de schepselen uitroeien , de eenvoudigheid der duif, de voorzichtigheid van de slang , kinderlijke argeloosheid en nederigheid leeren, en vele andere zaken ons door de Evangelisten medegedeeld.
Ga dit alles in het bijzonder na, en gij zult begrijpen in welke zaken Christus zijn welbehagen heeft gesteld.
Hebt gij u eenmaal van de uitmuntendheid en heiligheid dezer leering doordrongen, dan zult gij al de schatten van Gods wijsheid en wetenschap in Christus verborgen vinden, en u ver-
â 201 â
rijken naarmate gij ze kunt bevatten-3. Hij die vurig bemint, verliest den beminde nimmer uit de gedachte, maar let op al zijne gezegden, en slaat bewonderend al zijne handelingen gade. Zoo dus betaamt het, dat zij, die Christus beminnen, bij zijne woorden en daden stilstaan, opdat zij hem inniger leeren kennen en altijd volmaakter beminnen.
Beschouw hoe langen tijd Christus voor u in nederigheid geleefd, hoe groote liefde Hij altijd getoond heeft, hoeveel geduld barmhartigheid, zachtmoedigheid.
Acht al het goede, door Hem aan anderen bewezen, ook aan u door Hem gedaan, want dikwerf zijn die weldaden algemeen, en misschien hebt gij nog meer ontvangen dan anderen. Overtuig u, dat alwat Hij voor allen
9,
â 202 â
geleden heeft, in het bijzonder voor u door Hem geleden is en zeg met den Apostel: Hij heeft mij liefgehad en zich zeiven voor mij overgeleverd.
5. O hoe hoog word ik gewaardeerd, daar de eengeboren Zoon Gods om mij van den hemel is nedergedaald, om mij heeft geweend, honger en dorst heeft willen lijden ; om mij in droefheid geweest is en heeft willen geslagen, gewond, verguisd en gedood worden 1
O mochten wij altijd gaarne ons met de overweging van die stoffen bezig houden 1 Mochten wij altijd ons herinneren, dat Hij zooveel groots voor ons gedaan heeft, om ons te leeren, wat ook wij moeten doen om Hem te behagen.
Beschouw ook met hoevele gaven Hij u, die het niet verdiendet, verrijkt heeft, en hoevele Hij beloofd heeft nog te zullen schenken.
â 203 -
Zoo zult gij beter tot de diepten zijner barmhartigheid doordringen en tot dankbaarheid worden aangemaand Hoewel nu alle goed in Hem en door Hem tot u komt, hebt gij toch op bijzondere wijze de geestelijke goederen door Christus verkregen en zult die door Hem verkrijgen.
Uit Hem komt de vergiffenis der zonden, de instorting van den heiligen Geest; uit Hem de oorsprong van alle genaden en alle verdiensten; uit Hem het geestelijk leven der ziel in deze wereld en de eeuwige glorie in de toekomstige.
Indien gij iets vraagt, dan zult gij het niet verkrijgen tenzij in den naam van Jezus Christus: want er is ons geen andere naam gegeven, waarin wij zalig moeten worden
Aan welk gevaa of welke kwelling gij blootstaat, gij zult die niet te boven
â 204 â
komen tenzij door Hem, gelijk gij ook tot nu toe geene overwinning hebt behaald dan door Hem.
Derhalve moet gij u in dit leven op niets anders van ganscher harte toeleggen, dan om te weten hoe gij u aan Christus met den dag dierbaarder zult maken.
6 Jezus Christus heeft u op on. uitsprekelijke wijze lief en moest Hij ook nogmaals voor u sterven, gaarne zoude Hij ten tweeden en ten derden male den dood ondergaan.
Laat, bid ik u, niet na u door deze of dergelijke beschouwingen eene zoo innig mogelijke kennis van Christu te verwerven
Gij zult zien met hoeveelheid zoetheid eene dusdanige kennis u trekken zal tot zijne volmaakte navolging
Ga gedurende den dag zijn leven na en overweeg dagelijks iets van zijne
â 205 â
leer; zoo zult gij uw oordeel aan zijn onfeibaar oordeel gelijkvormig kunnen maken
Overpeins met welke geestdrift Hij den wil des Vaders tot den dood des kruises heeft volbracht ! met welke vreugde Hij zich heeft vernietigd, om u groot te maken in zijn rijk.
Gedenk welke steile en doornige wegen hij heeft bewandeld, om u, verloren schaap aan de wolven te ontrukken en vol liefde naar zijn schaapstal terug te voeren
Bewonder in alles de rijkdommen zijner goedheid; en overweeg wat gij naar billijkheid Hem voor zulk eene begenadiging moet wedergeven.
7. Waarlijk hij is Christus' liefde onwaardig, wie nalaat door dergelijke middelen zijne liefde tot Christus te voeden.
Hij is Christus onwaardig, die er
â 206 â
zich niet op toelegt Christus goed te kennen : want i/t ken mijne schapen, zegt Hij, en de mijnen kennen mij.
Ook geen goed soldaat van Christus kan hij zijn, die er zich niet om bekreunt zijn aanvoerder zeiven te kennen en die niet weet wat hem behaagt.
Luister dan naar de vermaning des Apostels : omkleedt u met de wapenrus-ting Gods, dat is met Christus, opdat gij bestand moogt zijn tegen de listen des duivels.
Het is een onschatbaar goed al ontbreekt ook alle overige kennis, Christus alleen innig te kennen en te beminnen.
En een onschatbare winst, met verzaking van al het overige in zijne heilige wonden te wonen.
â 207 â
XV.
Wen moet gaarne naar terechtwij-zigingen luisteren.
1. Mocht iemand zeggen, dat er geen zonde in hem is, dan spreekt hij de waarheid niet; want 7uij allen misdoen i?i vele zaken.
Daarom zeide zeker schrijver : zonder gebreken wordt niemand geboren, de beste is hij, die met de minste behept is.
Derhalve moest al ons streven daarop gericht wezen, dat wij, die aan vele gebreken onderhevig zijn de geneesmiddelen daarvoor niet verachten.
Gij zoudt inderdaad uwe broeders moeten vragen, dat zij niet nalaten u te waarschuwen als zij een of ander gebrek in u bespeuren; en diegenen zoudt gij voor uwe beste vrienden moeten houden, die u het meest uwe gebreken openbaren.
â 208 â
Veel meer nog moest gij be-geeren, dat ook uwe oversten dit deden, omdat dezen niet slechts de plaats van vriend, maar ook van vader bij u bekleeden, en verplicht zijn u tot uwe volmaking behulpzaam te wezen.
2. Hij die de berisping haai, is een dwaas, is hoovaardig, in een verkeerde stemming, en als een verworpen aarde der vervloeking nabij
Want wie de berisping haat, bemint de zonde
Indien hét u waarlijk mishaagt, dat gij nog zoo onvolmaakt zijt, klaag dan niet over eene berisping, u door oversten of gelijken toegediend, ja duld zelfs, dat minderen u vermanen.
Indien iemand u berispt, hoor dan in dank de vermaning aan, en tracht u te verbeteren.
Het is een harde plicht den zondaar
â 209 â
te berispen en niet iedereen heef^ daartoe den noodigen moed.
Al zult gij er misschien velen aantreffen, die niet schromen uit overmoed en vermetelheid anderen te beschuldigen : weinigen, ja zeer weinigen, weten dit met liefde te doen.
Denk dan bij u zei ven, dat er niemand is, die u meer lief heeft dan hij, die er niet voor terugdeinst uwe gebreken te bestrijden.
3 Beter is eene openbare hertsping dan stilzwijgende vriendschap, zegt de H Schrift.
En: Beter zijn de wonden,geslagen door de liefde, dan het bedriegelijk kussen van den haai.
Hij dus, die u vermaant en berispt, is u nuttiger, dan allen die u prijzen en vleien.
Zooveel meer als u diegenen be-nadeelen, die buiten uw weten, over
â 210 â
u morren, zooveel meer ook helpen u diegenen, die, buiten iemands weten, u alleen uwe gebreken voorhouden.
Derhalve moet gij hem als uwen grootsten vriend beschouwen, die met de meeste vrijmoedigheid u waarschuwt.
Maar indien iemand, vooral uw overste, zwijgt, terwijl hij toch ziet dat gij vol onvolmaaktheden zijt, en u niet durft berispen, ga dan tot hem en overreed hem met groote bescheidenheid u zulk een onrecht niet aan te doen.
Daarom immers laat hij dikwerf de berisping na, omdat hij ziet, dat gij niet goed gesteld zijt om er naar te luisteren.
Belijd hem derhalve uwe zwakheid, en beloof hem, dat gij in het vervolg de vermaning op hoogen prijs zult stellen.
Want indien gij aanleiding geeft om
- 211 â
anders over u te oordeelen, dan zult gij, als lijdende aan eene ongeneeslijke ziekte, aan u zeiven worden overgelaten, gelijk de Schriftuur zegt; Wil een bespotter niet berispen, opdat hij u niet hate.
4 Bedenk dat gij krank zijt: wee u, indien gij de geneesheeren dwingt te zwijgen en zich van u te verwijderen!
Noch gij zelf zult u het ware geneesmiddel toedienen, noch dulden dat het u door anderen toegediend worde.
Zijt gij niet geduldig, dan zult gij alles vervullen van klachten en gemor, indien iemand het slechts waagt u even aan te raken
O hoe groot kwaad kan uw hoo-vaardigheid ongeduld en bitterheid u berokkenen, indien dat anderen noopt te zwijgen! O hoeveel beter zou het u zijn, betuigdet gij allen die u vermanen, met waren ootmoed uw dank !
â 212 â
Hoeveel gemakkelijker zouden de anderen ten uwen opzichte den plicht der broederlijke berisping vervullen, vreesden zij niet u aanleiding te geven tot ongeduldig verzet!
Leer derhalve, ook al zoudt gij mee-nen niet misdreven te hebben, in allen ootmoed de berisping te aanhooren: zóo zult gij in staat zijn uwe gebreken te kennen en te overwinnen.
DERDE BOEK.
OVER DE BEOEFENING DER DEUGDEN UIT WELKE DE RELIGIEUZE VOLMAAKTHEID HESTAAT EN DE VERBETERING DER TEGENOVERGESTELDE GEBREKEN.
I.
Over de religieuze armoede.
1 Indien gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop alles wat gij hebt, geef het den armen, en kom, volg mij
Met deze woorden vermaande de Heer Jezus zekeren jongeling, die er over dacht een volmaakter leven ie leiden.
Treurig echter verwijderde zich deze
- 214 â
want hij was zeer rijk, en had den moed niet den raad des Heeren ten uitvoer te brengen, daar zijne begeerte naar de volmaaktheid niet oprecht genoeg was.
Zoo ook bedriegen wij ons zeiven, indien wij in den religieuzen staat be-geeren iets terug te houden of te nemen van hetgeen wij in de wereld reeds hebben verlaten.
2. Wij hebben ons uit de wereld teruggetrokken, om Christus te dienen en door goede werken in zijne heerlijkheid te worden overgeplaatst.
Hoe echter zullen wij Christus dienen, indien ons hart zijn rust zoekt in de geschapen goederen en verre van Christus verwijderd is ?
Hoe klein en nietig het zij wat ons hart trekt, het ontrooft ons toch het hoogste goed, namelijk den ijver voor de volmaaktheid en een waarlijk religieus leven.
â 215 â
3. Nimmer hebt gij iemand voortgang zien maken in de volmaaktheid, of hij legde er zich met alle kracht op toe zijn hart geheel van al het geschapene af te wenden,
Niemand hebt gij ooit naar den top des heiligen bergs opwaarts zien vliegen, die niet met zorg zijne voeten uit den modderpoel des zinnelijkheid trok.
Niemand ter heilige stad Gods zien opgaan, die zich niet als een vreemde Hng op aarde beschouwde en van alles ontdeed, om des te onbelemmerder met Christus vooruit te snellen.
4. De geschapene zaken bezwaren de zie' en zijn beletselen om Christus te volgen.
Daarom zeide Christus, dat een kameel gemakkelijker door het oog eener naald gaat, dan een rijke door de poort des hemels. Want het is moeilijk overvloed van rijkdommen te
â 216 â
bezitten en de weelde niet te beminnen.
Daarom ook waarschuwde wijselijk de profeet : Wanneer u rijkdom toevloeit, wilt U7V hart er niet aan hechten. En het moet ons aangenaam zijn alles te verlaten, om God te toonen, dat wij hem beminnen en achten boven alle rijkdom en genot.
5. Wij zijn inderdaad gelukkig, omdat wij met Petrus alles vrijwillig en oprecht hebben verlaten, en ons kruis dragende, Jezus zijn gevolgd.
Daarom vreezen wij de bedreigingen van Christus tegen de rijken niet, maar verwachten de belooning bij de wedergeboorte, indien wij ons thans zuiver bewaren in de heilige armoede.
Maar indien wij onvoorzichtig zouden terugkeeren tot iets van hetgene wij reeds verlaten hebben, dan zullen wij veel meer reden hebben te vreezen en beducht te zijn voor de straf van God.
Want wie afwijkt van den weg der
- 2lt â
volmaaktheid en zich omkeert tot hetgeen hij reeds had uitgeworpen, toont dat God hem niet genoeg is, en daarom verdient hij grootere straf dan hij, die nooit ondervonden heeft hoe zoet het is om God in armoede te leven.
6. Hoe meer iemand de menschen in de wereld overtreft, door alles uit liefde tot God te verlaten, des te meer daalt hij beneden hen, als hij, na Gods zoetheid gesmaakt te hebben, van zijn goed voornemen afwijkt.
Hoe grooter eer en glorie God wordt geschonken door het afleggen der belofte van armoede, zooveel grooter smaad wordt Hem aangedaan door het schenden dier belofte om wille der nietigste zaken.
Beter is het nimmer gelofte te doen en in de wereld te blijven, dan zich over de gedane gelofte te berouwen en aan zijn broeders en aan de wereld ergernis te baren, 10
â 218 â
II.
Over de religieuze gehoorzaamheid.
1 Het moet u niet zwaar vallen, indien men u somtijds oplegt wat moeilijk en hard is volgens de natuur.
Integendeel, gij moet u verheugen en juichen, omdat u eene allergeschik-ste gelegenheid tot winst wordt geboden. Werd er nimmer iets moeilijks of zwaars opgelegd, dan zou er in het gehoorzamen geene verdienste liggen wegens de verloochening van onzen eigen wil en «ildus zou een der voornaamste vruchten der religieuze gehoorzaamheid verloren gaan.
Het is zeer nuttig dat de oversten soms moeilijke zaken bevelen, om u meer te versterven en te zuiveren, en opdat gij zelf zoudt erkennen hoe ver gij nog verwijderd zijt van de volmaaktheid, daar gij nog niet ge-
ïi
â 219 â
leerd hebt in den wil des oversten goed te berusten.
Mor dan niet tegen uw overste, indien hetgeen hij u beveelt, u soms niet behaagt: maar verheug u veeleer dat gij in alles beproefd wordt, om alzoo beter uwe onvolmaaktheid te ontdekken en te verbeteren.
2 Dikwerf is hetgeen opgelegd wordt niet moeilijk en toch maakt het u onrustig en verzet gij u inwendig.
De moeilijkheid ligt meestal niet in de zaken zelve maar in de slechte gesteldheid van uw eigen wil.
Overwin u zeiven, ruk uwe slechte neigingen uit, en gij zult geene aanleiding vinden u te beklagen over het bevel uws oversten.
3. Alwat wettig bevolen wordt, moet ge'met vreugde verrichten; want de wil des oversten is de wil van God
En hoe moeilijker de zaken schijnen
â 220 â
te zijn, hoe meer zij met de zinnelijkheid strijden, des te liever en met des te grootere zielevreugde moet gij gehoorzamen.
Want indien alleen gemakkelijke zaken worden opgelegd, dan zoudt gij kunnen vreezen, dat gij door die aangename gehoorzaamheid uw eigen wil volbracht zonder verdienste.
Worden u echter moeilijke zaken bevolen, die strijdig zijn methet vleesch, dan zijt gij zeker, dat ge met te gehoorzamen Gods wil volbrengt.
4 Heer, het is mij goed dat ik aan de oversten gehoorzaam om Uwentwil, daar toch ook Gij, die Meester zijt over alles, om mijnentwil gehoorzaam zijt geworden aan God en aan de menschen tot den dood des kruises.
Gij zijt aller menschen Verlosser en Vader en beschikt alles met zachtheid en kracht tot ons heil.
221 -
Hoe kan ik dan aarzelend en mor rend gehoorzamen, daar ik toch verzekerd ben. dat de onderwerping den oversten betoond, mij stelt onder de barmhartige bescherming uwer Voorzienigheid ?
Of wat moet ik verlangen, tenzij U te dienen zooals Gij het wilt, in nederige gehoorzaamheid, die niet kan dwalen ?
5. Ik dank u, o Heer, dat Gij mij zulk een gemakkelijken weg ter zaligheid hebt getoond en voorgeschreven.
Want als ik nederig en volmaakt zal gehoorzaamd hebben om Uwentwil, dan behoef ik in het oordeel niets te vreezen.
Heb ik dan ook voor U niet vele en groote zaken in het oog der men-schen vei richt, ben ik om Uwentwil verborgen gebleven en heb ik mij begraven en uwe glorie niet overvloe-
â 222 â
diger verkondigd, zie niets van dat alles zal mij bezwaren.
De gehoorzaamheid alleen zal mij rechtvaardigen, in haar is alle volmaaktheid gelegen, daar zij de volkomen vervulling is van uwen wil.
Leer mij dan, Heer, nederig en met blijdschap om U onderworpen zijn en de gehoorzaamheid boven alles stellen.
Want alles moet men verachten en als niets beschouwen, om uw wil, zoodra men dien kent, te vervullen.
III,
Over de religieuze zuiverheid.
1. Niets in de wereld is meer bewonderenswaardig en edel dan de vrijwillige en eeuwige oefening van zuiverheid.
Daardoor worden wij boven ons
223 â
zeiven verheven en tot de godheid opgevoerd, en ofschoon minder dan de engelen naar de natuur, in waardigheid aan hen gelijk
Ja zelfs worden wij in zekeren zin boven de engelen verheven ; want in hen is de zuiverheid een natuurlijke toestand, in nns moet zij gelden als groote deugd.
In hen is geen tegenstand der begeerlijkheid, en in zooverre zijn zij wel is waar volmaakter ; in ons echter wordt veel strijd verwekt, waarin groote moed en standvastigheid vereischt wordt om niet overwonnen te worden ; en in zooverre zijn wij gelukkiger dan de engelen, wegens de ons aangeboden gelegenheid tot verdiensten.
De beoefening der zuiverheid maakt dat wij beter en gemakkelijker wat des Heeren is kunnen overwegen.
Het hart wordt gemakkelijker van
_ 224 â
alle schepselen losgescheurd, nadat het zich onttrokken heeft aan het zingenot ; het hangt zuiverder God aan en rust gaarne in Hem alleen.
2. De beoefening van eeuwige zuiverheid is dus een groote schat. Maar gedenk, hoe wij dien schat dragen in broze vaten Het is een groote deugd, maar die aan groote en vele gevaren is blootgesteld, en veel waak-zaamheid vordert.
Ik gevoel, zeide de Apostel, in mijne ledematen een andere wet, strijdig met de wet mijns geestes en mij kluisterend in de wet der zonde.
Indien nu in ieders lichaam de vijand der zuiverheid schuilt, dan wordt er zeker groote ijver vereischt, opdat wij niet te eeniger tijd bedrogen en overwonnen woiden.
Gelijk de aarde doornen voortbrengt en voedt, gelijk het hout door wormen wordt uitgevreten; zoo ook voedt
â 225 â
ons sterfelijk lichaam de zinnelijkheid, waardoor dikwerf de ziel zelve wordt besmet en bedorven, dat is te zeggen, die ziel, die niet met alle zorg bewaakt wordt.
Ook kan niemand, hoever ook in deugden gevorderd, daarom zich veilig wanen ; want als gij slechts een weinig uwe waakzaamheid vermindert, dan dringt de vijand heimelijk binnen en maakt zich gereed u te dooden, voordat hij aangegrepen wordt.
3 Helaas hoevele vreeselijke voorbeelden leest men in de geschiedenis der Heiligen, schrikwekkend voor allen, maar vooral voor de nalatigen en lauwen !
O diepte der onnaspeurlijke oordee-len Gods 1 Hoe is het goud zonder glans? hoe heeft het zijn schitterende kleur verloren r
Zij, die als zuilen omhoog rezen en
10*
â 226 â
onbewegelijk schenen te staan, zij stortten neder, na vele jaren in volmaaktheid geleefd te hebben, en op één oogenblik was de glans der deugden, die hen wonderbaar sierden, verduisterd.
Die als op duivenwieken ten hemel waren gestegen en in Gods schoot hun schuilplaats hadden gevestigd, opdat zij niet door besmetting der aardsche vuilnis zouden bezoedeld worden, zij kwamen daarna ten val en lagen ellendig daarneder in het slijk en de afschuwelijkheden dezer wereld.
Die gevoed werden met den overvloed der hemelsche vertroostingen en verzadigd met het manna van alle zoetheid vol zij dompelden zich tn het slijk van aardsche en walgelijke genoegens.
In waarheid Gods oordeden zijn een diepe afgrond: in waarheid wij moeten met vrees en siddering onze zaligheid bewerken.
â 227 â
4. Waak dus over u zeiven, opdat misschien niet wat anderen, volmaakter dan gij, is geschied, ook u des te gemakkelijker en spoediger overkome.
Het is een raad des hemels : Hij, die meent te staan, zie toe dat hij niet va lie.
Vrees dat het lichaam u verrade : want het is een verrader. Het eet en drinkt en wandelt en slaapt met u en zal dan vooral zijn dwingelandij doen gevoelen, als fSet zich met meer vurigheid bemind en grooter oplettendheid verzorgd ziet
Bedenk hoe gij de begeerten des lichaams zult beheerschen; want het lichaam zal óf zelf dienstbaar zijn, óf u in het harde slavenjuk klem. men, hier en in het toekomende leven.
Bewaak uwe uitwendige zintuigen, indien gij de reinheid des harten be-
waren en meer ernstige aanvechtingen van lastige voorstellingen wilt ontgaan.
Versmaad niet een onaanzienlijk kleed : gebruik spaarzaam voedsel : dit is voldoende voor de gezondheid; en wees tevreden met matigen slaap.
Want wie zijn slaaf van kindsbeen af weelderig voeni, zal la/er ondervinden dal hij weerbarstig is.
Wacht u voor te groote gemeenzaamheden en fe vrije gesprekken, hoe geestelijk ze in hun oorsprong ook schijnen ; want velen heeft de duivel aldus gevangen.
Breek met alle ijdele en overtollige bezorgdheid voor u zeiven en geloof niet te spoedig dat gij veel noodig hebt; want van hoe meer zaken gij u onthoudt, des te gemakkelijker zult gij de gezondheid des lichaams en de zuiverheid bewaren.
â 229 â
Onttrek u ook van tijd tot tijd en met voorzichtigheid iets van het noodzakelijke en doe uw vleesch eenige pijn aan, om met den Apostel uw lichaam te kastijden en tot slavernij te dwingen.
5 Het is zeer moeilijk langen tijd de zuiverheid te bewaren voor hem, die er zich niet op toelegt in de overige deugden voortgang temaken: vooral voor hem, die inwendig zich tegen de gehoorzaamheid verzet, die zijn tong niet breidelt, of op zich zeiven vertrouwt en over zijne talenten ijdel zelfbehagen koestert.
God immers weerstaat den hoovaar-digen en laat dikwerf toe, dat iemand, dien hij in 't verborgen reeds door hoogmoed heeft zien zondigen, door eene blijkbare zonde van onzuiverheid tot zijn eigen heil vernederd wordt.
Dat hij lang kuisch blijve, die niet
â 230 â
bidt, is eene onmogelijkheid Want de natuur des menschen is zwak en broos en tot allerlei zinnelijkheid geneigd : God alleen schenkt de onschendbaarheid van zulk eene voortreffelijke deugd: maar Hij pleegt slechts eene zoo uitnemende gave te schenken aan hen, die door nederige en vurige smeekingen hun verlangen daarnaar openbaren.
Nauwelijks begreep ik, zegt Salomon, dat ik mij niet kon onthouden, tenzij door Gods genade, en ook dit is wijsheid, te weten zan wien die gave komt, ben ik vrij tot den Heer gegaan en heb Hem gesmeekt uit geheel mijn harte
Verlangt gij dan die parel, dien schat, die vleugelen om God te bereiken, dat licht om het hemelsche te doorschouwen, de zuiverheid te bewaren, bid vurig tot God, waak over u zeiven, vlucht geheime vertrouwelijkheden, verneder uwe ziel.
â 231 â
Bewaking van u zeiven baat niet zonder den steun des gebeds; gebed baat niet, waar waakzaamheid en versterving ontbreken. Beide zijn altijd noodig, volgens des Heeren woord: Waant en bidt, opdat gij niet toestemt in de bekoring.
IV.
Over de verloochening van eigen wil en oordeel.
1. Geheel het leven vaneen goed en waar religieus is eene standvastige verloochening van eigen wil en oordeel.
Heeft iemand lang en veel gewerkt volgens zijn eigen wil â dat beteekent niets.
Heeft hij veel schoons en diepzinnigs geschreven â dat beteekent niets.
Heeft hij welsprekend en schitterend
â 232 â
gepredikt, zoodat de hoorders van bewondering opgetogen waren en hunne verkeerde wegen verlieten, â dat be-teekent evenzeer niets.
Heeft hij zich een grooten roep van geleerdheid en allerlei wetenschap verworven â- ook dat beteekent niets.
Is hij aangesteld om anderen te leiden en heeft hij uitstekende gaven van verstand en voorzichtigheid aan den dag gelegd en vele zaken goed volbracht â zelfs dat beteekent niets.
En zoo hij vele en groote wonderen heeft gewrocht â ook dat is van geen waarde, want velen zullen op den dag des oordeels tot Christus komen zeggende : Heer, Heer. hebben wij niet in uw naam voorspellingen gedaan en in uw naam duivelen tiitgcdreven ? Maar Christus zal hun verklaren en spreken: Gaa/ weg van Mij'. Ik ken u niel.
2. Maar indien men boete voor zijn
â 233 â
zonden gedaan en zich op verbetering zijner ondeugden heeft toegelegd : dat is reeds iets.
Indien men met geduld en zelfs met vreugde aanneemt en verdraagt alwat er te lijden valt in de onderhouding van het religieuze leven : dat is ook iets.
Indien men vlijtig en vurig is ge-weestin het gebed, ingetogen en nederig in het spreken, godvruchtig en eenvoudig in het gehoorzamen: dat is reeds niet weinig
Wanneer men echter zich geheel aan den dienst van God heeft overgegeven en, van ijver voor de volmaaktheid ontvlamd, in alles zich zelven heeft verlaten en van zijn eigen wil geheel afstand heeft gedaan: dat is veel, dat is het hoogste, dat is alles.
3. Daarin ligt dat martelaarschap, dat, hoewel het geen bloedvergieten vordert, noch afschrik inboezemt door
â 234 â
de voorstellingen van wreedheid en pijni -ging, toch veel lastiger valt aan de natuur omdat het zoo langdurig is: het moet immers duren tot den dood.
Dat is die wonderbare strijd, waarin men met de wapenen der gerechtigheid rechts en links alle aanslagen van den duivel moet overwinnen, totdat God ons opneemt in zijn heilige stad Sion en met de kroon der overwinning begiftigt.
Dat is die smalle weg en die enge poort, waarvan Christus O. H. spreekt, dien allen bewandelen en waardoor allen heen moeten, die zijne voetstappen willen drukken.
Dat is dagelijks zijn kruis opnemen en Jezus volgen, ja, zich met Jezus bekleeden, gelijk de Apostel voorschrijft.
4. Velen meenen, dat zij eene volmaakte verloochening van wil en oordeel bezitten, maar zij bedriegen zich
â 235 â
zeer. Want zij gehoorzamen wel naar het uitwendige, maar als zij nauwkeurig acht slaan op hun binnenste, zullen zij bevinden dat zij zich inwendig bijna nooit ten volle onderwerpen.
Dikwerf is het gelaat wel ootmoedig en zijn de oogen neergeslagen, maar is het hart vol bitterheid, tegenstand en hardheid: en wij zien het niet in omdat wij ons zeiven slechts oppervlakkig gadeslaan.
Dikwerf dwingt ons de noodzakelijkheid, de beleefheid, de zorg voor onzen goeden naam, de neigingen van ons binnenste te ontveinzen, welke de liefde tot de volmaaktheid geheel moest uitroeien: en de boosheid van den wil blijft in het hart schuilen.
Openen wij toch, bid ik u, de oogen, laten wij ons zeiven nauwkeuriger bezien en oprechter beoordeelen want handelen ook de huichelaars niet aldus?
â 236 â
Wat baat het uitwendig goed te schijnen, maar van binnen vol hoogmoed, verblinding en zinnelijkheid te zijn ?
De menschen zien wat van buiten is, maar God ziet op het hart. Wilt gij dus aan God behagen, wees dan bezorgd voor de zuiverheid van harte den eenvoud van een goeden wil en inwendige deugden
5. Meent gij soms reeds ver gevorderd te zijn, zie toe dat gij niet dwaalt ; een lange weg blijft u nog over en des te langer, naarmate hij u wellicht korter toeschijnt.
Hij die weinig weet, begrijpt gewoonlijk niet goed hoeveel hem nog blijft aan te leeren
Hij daarentegen die veel heeft geleerd, weet juist daardoor dat er hem nog vrij wat te leeren overblijlt. Zoo oordeelen dikwerf zij, die nog
- 237 â
vol hartstochten en onverstorven van wil zijn, dat zij reeds genoeg zijn gevorderd : heilige en volmaakte men-schen echter treuren en houden zich voor onvolmaakt, omdat zij zien hoeveel volmaaktheid hun nog blijft aan te werven.
Vertrouw dus niet op u zeiven; maar verloochen u liever met allen ijver, verneder u en spaar u niet, zoo dikwijls gij dit verwaarloosd hebt.
Zoo toch moet gij doen, wilt gij niet voor God zijn als een lijk zonder levensadem, als iemand, die het religieuze kleed, maar geene werken bezit; die den naam, maar geene deugden te aanschouwen geeft; als een vijgenboom, die al zijn sap verteert in loof alleen.
Vlei u zeiven niet: en meen niet dat gij een goed religieus zijt, zoo gij niet geleerd hebt uw eigen wil geheel te onderwerpen en naar den wenk van anderen te buigen.
â 238 â
V.
Over nuttige studiën.
1. Mijn kind, als Ik u zal roepen en gij voor mijn aanschijn zult staan om geoordeeld te worden, wat zult gij Mij dan antwoorden ?
Er zijn vele zaken, waarvan Ik u rekenschap zal vragen : want er zijn ook vele lasten, die gij u op de schouders hebt gelegd, toen gij in den religieuzen staat getreden zijt en mijn dienst hebt aanvaard.
Welke verontschuldiging zult gij inbrengen, indien gij dezen tijd, u geschonken om in mijn wijngaard te arbeiden, zoo laag geschat en verbeuzeld hebt ?
Waarom legt gij u niet krachtiger toe op uw eigen heiliging en het heil van anderen, en laat gij zoovele uren nutteloos verloren gaan ?
Geef acht op u zeiven, en op de leer, volhard daarin.
2 Op u zeiven zult gij acht geven, indien gij, met terzijdestelling van alles, wat uwe volmaaktheid niet bevordert, u toelegt op goede werken, gebed en godvruchtige lezing.
Indien gij uw leven dikwerf nagaat en onderzoekt, om te zien wat gij moet wegsnoeien of versterven, verbeteren of omhelzen.
Indien gij dikwerf te rade gaat bij iemand, gekozen uit de volmaakste religieuzen en met groote deugden versierd opdat hij u besture in den geest en gij hem gehoorzaamt
Indien gij nauwkeurig ten uitvoer legt, wat u door de oversten wordt bevolen of in de regels van uwe orde is voorgeschreven.
Indien gij de voorbeelden der groote Heiligen al overwegend leest en u opwekt hen na te volgen.
Indien gij voor een godvruchtig beeld, ofvoorhetallerheiligst Sacrament de goddelijke hulp afsmeekt om standvastigheid in het goed begonnen werk en voortgang daarin te verkrijgen.
Wie deze en dergelijke zaken verricht met een waren geest van ootmoed en een oprechte begeerte naar vooruitgang, let op zich zeiven en wordt spoedig een volmaakt mensch.
3 Dan zal Ik u aantoonen, hoe gij moet acht geven op de leer, opdat gij met vrucht voor u zeiven den evennaaste kunt helpen.
Maar zie toe, dat gij niet de wapenen, die u worden gegeven tot heil van den naaste, onvoorzichtig tegen u zeiven keert
Want daarin schuilt een groot gevaar, en veel meer dan Paulus moet gij op uwe hoede zijn, opdat gij niet, na anderen gepredikt te hebben, zelf verloren gaat.
â 241 â
Zij nu keeren die wapenen tegen zich zeiven, die om beter acht te geven op de leer, geen acht slaan op zich zeiven, en niet bezorgd zijn voor hun zelfverbetering.
Dezen gedenken niet, dat alle leer en menschelijke wijsheid niets vermag zonder het voorbeeld van een heilig en onder elk opzicht onberispelijk leven.
Want zoo luidt het spreekwoord: âwoorden wekken, maar voorbeelden trekken.quot;
Immers zien de menschen iets doen, dan gelooven zij dat het gedaan kan worden; wat echter alleen met stem en gebaren wordt gepredikt, zullen zij niet zoo spoedig besluiten te doen.
4. Wat is het, mijn kind, dat de menschen tot Mij bekeert, en standvastig maakt in het goede ?
Voorwaar geen groote geleerdheid noch wetenschap, noch fraaie en klin-
11
â 242 â
kende woorden ; maar mijne genade, en die geest en dat leven, welke met mijn woorden gepaard gaan door de vereeniging der ziel met Mij, en de innige kennis en smaak der eeuwige waarheden: dat alles echter wordt door gebed en vermorzeling des harten verkregen.
Gij hebt gehoord wat van oudsher is gezegd : âdeze heeft geplant, gene besproeid, maar God den wasdom geschonken.' Zoo is het: indien iemand niet innig met Mij is vereenigd door gebed en ootmoedige zelfverloochening dan is zijn wetenschap en geleerdheid ijdel, en kan behagen noch gesmaakt worden.
5. Sommigen zelfs keeren dat wa pen der wetenschap door hoovaardig heid en opgeblazenheid tegen zich zeiven.
Zoo zij iets leeren, iets spreken, iets doen, dan wenschen zij dat allen dit
- 24!} â
weten: ja sommigen leeren, spreken en handelen juist omdat zij begeeren geëerd en voor groote mannen gehouden te worden : maar niets is schandelijker voor iemand, die verplicht is naar de volmaaktheid te streven.
Dwazen en blinden ! Zij hebben hun loon ontvangen, omdat zij zich zeiven prediken en op de laatste plaats mijne glorie zoeken.
Zij moesten met den Apostel belijden, dat zij niets kennen als den Gekruiste, en integendeel beroemen zij zich en pochen op ijdele en wereldsche wetenschap.
Zij moesten zeer gering zijn in hun eigen oogen, daar zij de nederigheid door hun woorden leeren en in hun kleed vertoonen, en integendeel keuren en breken zij metterdaad af, wat zij door woord en kleed aanprijzen.
Over hen is reeds het vonnis ge-
- 244-
streken : Die mijn woord heeft, ja, anderen verkondigt, en het veracht, zal zijn rechter vinden op den jongsten dag 6. Sommigen ook hechten zich aan studiën, welke kloosterlingen niet nuttig zijn, en verliezen hun tijd nutteloos, en in te veel verstrooiing en uitgestortheid van geest
Wat gaan u allerhande ijdele zaken en kunsten aan, die veel meer genot dan nut verschaffen ?
Wat bemoeit ge u met staatkundige verwikkelingen met nieuwstijdingenen praatjes, van ver verwijderde veldslagen en «geruchten van gevechten?quot;
Indien uw levensregel dit niet medebrengt, zoo iets niet lofwaardig wordt door uw levensstaat of om goede redenen is voorgeschreven, dan moet gij daarmede u niet afgeven, ja er niet naar verlangen
Want het trekt den geest sterk van
â 245 â
het hemelsche af, en stuurt u met geweld naar de klippen der hoovaardig-heid.
Overweeg de heilige Schrift en gij zult zien hoeveel gij daarin vindt dat nuttig is ter bekeering van uw even-mensch. Raadpleeg de godgeleerden en heilige schrijvers : dezen zullen u leeren hoe gij het heil van den naaste moet zoeken en met goeden uitslag bewerken kunt.
Doorblader de gewijde geschiedenis en het leven der Heiligen, en gij zult leeren wat men doen moet om der wereld van nut te zijn
7. De wereld toch klaag , dat de kloosterlingen nutteloos zijn geworden, in ledigheid leven en onwetend zijn.
Klaagt zij nu ook meestal zonder grond, gij moet zorgen dat gij steeds nuttiger wordt voor de wereld, opdat niet om uwe ledigheid en verkeerd-
â 246 â
heden geheel de religieuze staat in minachting kome,
Hoor nogmaals, wat ik reeds gezegd heb : Zóó schijne uw licht voor de menschen, dai zij uwe goede werken zien en uwen Vader verheerlijken, die in den hemel is. Want het past, dat gij u ten bekwamen tijde voor de menschen in de wereld voordoet als ervaren in de gewijde wetenschap en in de heilige Schriftuur, opdat zij inzien dat zij ten onrechte de kloosterlingen minachten en beschuldingen.
Zij moeten ook weten dat de kloosterlingen zich nooit meer verheugen, dan wanneer zij in liefde, nederigheid en oprechtheid allen van dienst mogen zijn tot heil der zielen.
Geef dan acht op u zeiven en op de leer; volhard daarin, en laat u nimmer door ledigheid ontzenuwen ol door traagheid overmeesteren. Aldus
â 247 â
zult gij u zeiven zalig maken en die u hooreu : Doch hij, die gedaan en onderwezen zal hebben, hij zal groot genoemd worden in het rijk der hemelen â¢
VI.
Hoe men moet bidden in geestelijke dorheid en troosteloosheid.
1. Mijn kind, alle vertroosting des geestes is een bijzondere gave Gods, die aan nalatigen zelden, aan vurigen dikwijler, maar toch niet altijd, ver leend wordt. Wil dus niet wanhopen, wanneer gij dorheid en troosteloosheid ondervindt in gebed of overweging : maar verneder u liever diep en zeg met den profeet: Mijn hart is dor, omdat ik vergeten heb mijn brood te eten.
â 248 -
Het mishage u ook niet, dat gij u niet in hooge beschouwing kunt ophouden : want noodzakelijker is u de oefening van nederigheid en geduld.
Overweeg dan in dat geval uwe gebreken en zonden, om welke gij een weinig aan u zeiven wordt overgelaten, en spreek met vertrouwen deze en dergelijke woorden :
2. Heer, zie ik kan niet bidden ; ik schaam mij zoo voor uw aanschijn te staan. Zie nijne ziel is voor u als een waterlooze bodem.
Zeker, Heer, ik verdien die straf en een veel grootere straf voor mijne zonden en nalatigheden.
Zie, Gij hebt mij eens aan mij zeiven overgelaten, ofschoon niet geheel en al en ik ben een onbekwaam en lauw schepsel geworden, opdat ik zou begrijpen dat ik niets vermag zonder U. '/ Is mij goed, dat Gij mij hebt verne*
â 249 â
derd, opdat ik uwe gerechtigheden leere kennen.
Want in waarheid ik ben uwe vertroosting onwaardig, maar Gij, zie op mij neder en ontferm U mijner, want ik ben krachteloos en zwak en arm en blind en naakt.
Toon mij Heer, uwe barmhartigheid en schenk mij uw heil, dat is mijn bovennatuurlijk brood, de vreugde mijner ziel.
Want al is het niet goed het brood der kinderen den honden voor te werpen, toch eten ook de hondjes van de kruimels, die van de tafel huns meesters vallen.
3. Zulk een nederig gebed behaagt Mij bovenal, en als het tot uw welzijn strekt dan zal Ik uw gebed verhooren.
Maar onderwerp u inmiddels aan mijn wil, want die Ik liefheb berisp
11-
â 250 â
en kastijd Ik : en blijf in uw goeden wil volharden want eenmaal komt een vrede, die alle gevoel te boven gaat.
Gij hebt gehoord, wat er gezegd is ; De Heer uw God beproeft u, opdat het duidelijk worde, of gij Hem be-mint, of niet.
Wees dus sterk, wees nederig, wees geduldig: Uw hart worde niet ontsteld en stel uw hoop op den Heer.
VII.
Over de ongeregelde genegenheid jegens de bloedverwanten.
1. Mijn kind, Ik ben uw vaderen uw moeder : en wanneer gij eenmaal religieus zijt geworden, en uwe bloedverwanten hebt verlaten, moet gij niets meer bij hen zoeken.
Het behaagt Mij niet wat u soms
â 251 â
in den geest komt, dat het goed is en overeenkomstig de liefde om jaarlijks eenigen tijd bij uwe ouders door te brengen. Dat is geen eisch van de liefde jegens uw ouders, maar veeleer van uw zwakheid en van een geheime geestelijke krankheid.
Want daarom zoekt gij troost buiten het klooster, omdat gij geen smaak vindt in uwe cel en de ingetogenheid van harte.
Gij zoekt verpoozing van de moeite die 't u kost de voorschriften te onderhouden. en eene vrijheid, waartoe menschelijk gevoel u drijft.
Gij zoekt vreugde en troost te putten uit het zinnelijke, omdat gij de geestelijke vreugde mist, en liever buiten de gehoorzaamheid en uwe oversten om leeft, dat is, buiten het welbehagen van mijn wil.
2. Het baat u niet dat de over-
â 252 â
ste zich schikt naar uwe zwakheid: want hoewel een goed en voorzichtig overste niet gemakkelijk pleegt toe te geven, doet hij het soms om grooter kwaad te voorkomen.
Dat is dan niet de vrije wil des oversten, maar uw lastigheid en onvolmaaktheid.
Zelf moest gij den overste vragen, dat hij u niet toestond zonder gewichtige reden buiten het klooster te leven. veeleer dan dat gij voedsel moest â¢zoeken voor de begeerten des vleesch-es. i
Maar helaasl zoover is het gekomen, dat men, als men het gevraagde niet verkrijgt, zijn voorzichtigen overste beschuldigt en mort over te stipte onderhouding der regeltucht.
Gij- moest den overste bedanken, als hij de plichten zijner bediening krachtdadig vervult, en als een goed
â 253 -
geneesheer in uwe ziekelijkheid niet mee wil gaan
3. Welken voortgang hebt gij gemaakt, zoo dikwerf gij tehuis en buiten het klooster geweest zijt ? en wat hebt gij dan voo het eeuwig leven gedaan ?
Zie Ik weet wat gij gedaan hebt: en daarom draag zorg voor u zeiven en voor een goed berouw, want als de dag gekomen is, zal Ik u oordeelen.
Gij zult veel meer zonden en onvolmaaktheden vinden in één maand, die gij bij uwe bloedverwanten hebt doorgebracht, dan in een of meer jaren, in het klooster onder de gehoorzaamheid
Gij zult na een kort uitstapje bij uwe betrekkingen en bloedverwanten veel meer vinden, dat in het vuur moet gelouterd worden dan wat gij in langen tijd door ingetogenheid van geest en gestrengheid van leven aan verdiensten hadt verzameld.
â '252 â
ste zich schikt naar uwe zwakheid: want hoewel een goed en voorzichtig overste niet gemakkelijk pleegt toe te geven, doet hij het soms om grooter kwaad te voorkomen.
Dat is dan niet de vrije wil des oversten, maar uw lastigheid en on-volmaaktheid.
Zelf moest gij den overste vragen, dat hij u niet toestond zonder gewichtige reden buiten het klooster te leven. veeleer dan dat gij voedsel moest â¢zoeken voor de begeerten des vleesch-es. i
Maar helaas! zoover is het gekomen, dat men, als men het gevraagde niet verkrijgt, zijn voorzichtigen overste beschuldigt en mort over te stipte onderhouding der regeltucht.
Gij- moest den overste bedanken, als hij de plichten zijner bediening krachtdadig vervult, en als een goed
- 253 -
geneesheer in uwe ziekelijkheid niet mee wil gaan
3. Welken voortgang hebt gij gemaakt, zoo dikwerf gij tehuis en buiten het klooster geweest zijt ? en wat hebt gij dan voo het eeuwig leven gedaan ?
Zie Ik weet wat gij gedaan hebt: en daarom draag zorg voor u zeiven en voor een goed berouw, want als de dag gekomen is, zal Ik u oordeelen.
Gij zult veel meer zonden en onvolmaaktheden vinden in één maand, die gij bij uwe bloedverwanten hebt doorgebracht, dan in een of meer jaren, in het klooster onder de gehoorzaamheid
Gij zult na een kort uitstapje bij uwe betrekkingen en bloedverwanten veel meer vinden, dat in het vuur moet gelouterd worden dan wat gij in langen tijd door ingetogenheid van geest en gestrengheid van leven aan verdiensten hadt verzameld.
â 254 â
4. Gij verliest alles, wanneer j;ij u, al is 't voor korten tijd, uit het klooster naar uwe verwanten begeeft, ofschoon dezen misschien brave lieden zijn. Want de liefde tot de vrijheid en de ijdelheid is in u nog niet gedoofd; en de duivel is in de wereld veel machtiger tegen een vleeschelijk kloosterling, die maar verlangend is uit te loopen.
Daarbij mist men ook in het ouderlijk huis de geestelijke oefeningen, die in de kloosters zoo verstandig zijn vastgesteld; ook is daar geen overste om over u te waken, u te vermanen en terug te houden en te verbeteren.
5. En Ik stort in de ziel van zulke kloosterlingen geene vertroosting, en beloof hun ook niet mijn gewone hulp : Want het is niet goed het brood der kinderen te nemen en voor rie honden te werpen.
â 255 â
Zie gelijk jachthonden, van den band gebroken, loepen zij her. en derwaarts om uitgezochte spijzen te zoeken: maar zij verdwalen dikwijls en bedriegen zich zeiven.
⢠Want wanneer zij buiten het klooster zijn, worden zij ook geheel beroofd van dien zoeten vrede, welke iemand, die om mijnentwil onder een overste staat, nimmer ontbreekt : en geen genoegen kunnen zij vinden, dat tegen het verlies dier zoetheid ook maar eenigs=zins opweegt.
6. Wat, meent gij, mijn kind, denken de menschen, als zij soms een religieus zien, die vrijelijk met zijne bloedverwanten aan maaltijden en vermaken deelneemt?
Reeds voorlang heb Ik het gezegd ; Niemand is prof eel in zijn vaderland.
Zie, als gij eenigen naam van heiligheid bezat, dan gaat die nu geheel
- 256 â
in den wind verloren: en de tnenschen oordeelen dat hij, die zoo gemakkelijk zijn klooster en de gewone geestelijke oefeningen verzuimt, geen geestelijk mensch kan zijn: maar zij ergeren zich in die vrijheid van leven.
7. Maar nog een ander, erger kwaad vloeit daaruit voort : want door uw toedoen komen ook uwe broeders in kwaden naam.
Want de menschen zeggen niet : Die religieus heejt dit en dat gedaan af gezegd, maar zij zeggen : Ook de religieuzen zeggen en doen dil en dat.
Pas dan op, mijn kind, en let op hetgeen gij doet: want mijn oog zal u niet sparen, indien gij den eerbied aan uwe broeders en mijne dienaren verschuldigd, op de een of andere wijze door uwe onverstorvenheid of door uwe zinnelijkheid vermindert.
Want wie hun goeden naam aan-
â 257 â
raakt, raakt den appel van mijn oog.
8, Indien echter somtijds de liefde waarlijk vordert, en de overste het gebiedt of uit eigen beweging toestaat, dat gij u naar uw geboorteplaats of bloedverwanten begeeft, zie dan wel toe wat en in welke mate het dienstig kan zijn.
Uw omgang met hen moet heilig en geestelijk zijn, en uw oponthoud bij hen zoo kort mogelijk, opdat zij begrijpen dat gij, die u met de goddelijke dingen bezig houdt, geen tijd hebt om hunne verlangens te bevredigen.
Gij moet niet door het ouderlijk huis alleen ronddwalen, noch aan spelen, vermaken, maaltijden deelnemen; want dat alles past niet aan een kloosterling en hebt gij in het klooster niet geleerd. Maar zorg dat gij iemand, door den overste aangewezen, tot
â 258 -
gezel hebt en u haast, na uw liefdeplicht en dienstbetoon volbracht te hebben, met hem naar uw klooster terug te keeren
Q. Zulke omstandigheden echter komen zeker zelden voor en mogen van uw kant niet gezocht worden.
De Heiligen weigerden dikwerf ook maar een weinig van hun weg af te wijken, om hunne bloedverwanten te bezoeken, ofschoon zij hun door goede voorbeelden en gesprekken tot voordeel konden zijn.
Maar gij, die zoo onvolmaakt en zwak en niet in staat zijt uw eigen voordeel te behartigen, zoekt juist daarin reden om derwaarts te gaan en er te verblijven ' en toch hebt gij veel meer te vreezen dan die heilige mannen, van wie ik sprak.
Het is niet billijk, dat hij de neigingen des vleesches inwilligt, die ze
â 259 â
om mijnentwille verafschuwd heeft
Het is niet veilig aan den feestdisch aan te zitten voor hem, die zijne zinnen moest kruisigen.
Het is niet goed op een zacht bed te slapen voor hen, die beloften van armoede hebben gedaan.
Het is niet nuttig zich met de we-reldlingen te vermaken, nadat men de wereld en het wereldsch leven heeft verzaakt.
Het is niet voorzichtig vrijelijk met personen van het andere geslacht om te gaan voor iemand, die besloten heeft God in zuiverheid te dienen.
En vandaar dat zij. die dikwijls het ouderlijk huis bezoeken, niets vooruitgaan in den geest en indien zij eenigen voortgang gemaakt hadden, dat weldra verliezen, want : De vijanden der menschen zijn zijne huisgenootcn.
Zalig hij, die om mijnentwille aan
- 260 -
vader, moeder en bloedverwanten verzaakt, mits hij daarin volharde : want dan zal hij inderdaad mijn leerling, zoon en broeder kunnen zijn.
En wie vader en moeder en broeders en zusters, ja zijn eigen leven niet haat om mijnentwil, kan mijn leerling niet zijn.
VIII.
Over de nederige werken.
1. De volmaaktheid van den religieus bestaat niet hierin, dat hij zaken verrichte, die volgens de meening der menschen groot zijn, noch dat hij een groot of geleerd man genoemd worde.
Maar zij bestaat hierin, dat hij Gods wil volbrenge, dat is, volmaakt leve op die plaats en in dien staat, waarin God zich gewaardigd heeft hem te
â 261 -
stellen door middel van de oversten.
Dat is de groote waarheid, welke Jezus Christus dertig jaren lang niet opgehouden heeft door zijn voorbeeld te leeren.
Hij toch leidde een nederig en in het oog der menschen schier nutteloos en werkeloos leven.
Hij bleef in het verborgen voor de wereld onbekend, en was zelfs voor diegenen, die hem kenden als de zoon eens werkmans, een voorwerp van minachting en smaad.
En toch had Hij al predikend wijken en steden kunnen doorloopen, in den tempel onderwijzen en door zijn wondermacht alle zondaars be-keeren.
Dat kon Hij, en nochtans heeft Hij 't niet gedaan : opdat gij uwe te groote zucht om in de wereld uit te blinken en uwe talenten ten toon te spreiden
â 262
zond', leeren matigen en versterven.
2. O groot geheim! dat den nede-rigen tot hoogsten troost, maar den hoovaardigen tot uiterste beschaming en schande strekt!
Zie de oneindige wijsheid, de Koning der glorie, de Heer van hemel en aarde, Hii die mei alle gaven van natuur en genade op overtreffende wijze verrijkt is, die in de wereld gekomen was om de ondeugden te bestrijden, de dwalingen te verdrijven, de zeden te regelen, zie, Hij blijft in de werkplaats van een ambachtsman verborgen en leidt dertig jaren lang met het grootste geduld een armoedig leven.
En toch heeft Hij aldus verborgen, schijnbaar niets verrichtend, zijne talenten begravend, allervolmaaktst geleefd en van zijne talenten een uitstekend gebruik gemaakt.
â 263
Het leven des Heeren dat in de oogen der wereld nutteloos en nietig scheen, was in de oogen des hernel-schen Vaders ten hoogste roemrijk en verdienstelijk.
Want Hij leefde zooals het de Vader wilde. Hij deed wat de Vader wilde, Hij was waar Hem de Vader wilde, Hij zweeg gelijk de Vader het wilde.
Indien Christus gedurende geheel dien tijd groote zaken voor de men-schen had verricht dan zou Hij onvolmaakt geleefd hebben, omdat Hij den wil van zijn hemelschen Vader niet zou hebben vervuld.
3. Hoe denkt gij er dan aan, u zeiven in 't licht te stellen terwijl gij veilig met Jezus verborgen kunt blijven volgens den goddelijken wil?
Verkeerd spreken sommigen, die zeggen : waartoe heeft God mij dan
- 264 â
het talent gegeven 7 Is het niet opdat ik het verrneerdere en eenmaal hoore : Goede en getrouwe knecht, ga binnen in de vreugde uws Heer en ?
Verkeerd, zeg ik, spreken zij, en zij dwalen, omdat zij de waarde der nederige gehoorzaamheid niet indachtig zijn.
Want indien het anders ware, waarom zou God dan de allergrootste talenten aan Christus onzen Heer geschonken hebben, terwijl Hij niet wilde, gedurende dertig jaar dat Christus daarvan in het openbaar gebruik zou maken ?
4. Hoor, gij trotsche en ijdele menschl Daarom heeft u God die gaven der natuur of der genade geschonken, opdat gij iets zoudt hebben, dat gij Hem uit gehoorzaamheid kondet opofferen.
Want de talenten, die volgens Gods wil begraven worden, blijven niet renteloos weggeborgen.
â 265 â
Hemel en aarde roep ik tot getuigen, zoo sprak iemand, dat ik liever volgens Gods wil een nietig wormpje ben, dan buiten zijn wil een verheven Seraphijn.
Liever wil ik overeenkomstig Gods wil niets uitrichten en een martelaar der werkeloosheid zijn, dan buiten zijn wil de geheele wereld bekeeren en een martelaar des geloofs wezen.
Liever wil ik volgens Gods wil in een vergeten hoekje onder de korenmaat schuilen, dan buiten zijn wil schitteren aan den hemel.
Liever wil ik volgens Gods wil een boomstronk zijn, dan buiten zijn wil wonderen verrichten.
Als ik maar aan het goddelijk welbehagen voldoening schenk, dan ben ik, waar ik ook ben en wat ik ook doe, groot, rijk, gelukkig en wijs genoeg.
12
â 266 â
IX.
Men moet de gulzigheid bedwingen.
1. Hij, die zijne gulzigheid niet weet te beheerschen, wordt gemakkelijk door den duivel overwonnen en gaat den weg des verderfs op.
Want de gulzigheid is de moeder der ledigheid en ongebondenheid, zij wekt ijdele gedachten, werkt de zinnelijke bewegingen in de hand en is de oorsprong van alle vleeschelijke begeerten.
Zij doodt de zielskracht door verzadiging van het lichaam , zij lokt onpassende scherts uit . veroorzaakt ongeduld, onstandvastigheid, stijfhoofdigheid en aanmatiging-
O deed men daar niet zulk eene ondervinding van op, zelfs in religieuze gemeenten 1
Hoeveel grooter zou onze zielskracht niet zijn, hoeveel vuriger onze ijver voor
â 267 â
de glorie van God, hoeveel zediger onze omgang , hoeveel zuiverder ons geweten !
Maar omdat velen der gulzigheid gehoor geven en dienen, daarom kwijnt in hen de onderhouding der regelen en ontmoet men hen overal morrend, werkeloos en ijdel,
Hoe toch zal hij, die dezen vijand, den verachtelijksten van allen, geen weerstand biedt, de booze geesten en de machten der duisternis overwinnen ?
Want hoewel deze ondeugd gewoonlijk groot nadeel toebrengt, is zij toch zwakker dan de overige en gemakkelijker te overwinnen,
2- Wie zich in het gebruik van spijs te veel toegeeft, is onbekwaam om goed te bidden en met vurigheid te ovei wegen.
De dierlijke mensch toch begrijpt het goddelijke niet, heeft daarin geen genoegen, maar al wat de zinnen niet
â 268 -
streelt, boezemt hem afkeer en walging in.
De ziel van een vleeschelijk mensch kan, als een veer, die vastkleeft in het slijk, niet meegaan op den adem des heiligen Geestes, zij kan zich niet van de aarde losscheuren en ten hemel vliegen.
Er is een groote verloochening der hartstochten noodig, opdat de ziel rustig kunne overwegen en ingetogen bidden.
Daarom, als iemand zich onmatig op het voedsel des lichaams werpt, heeft hij een walg van het geestelijke feestmaal, en is hij niet gestemd om goddelijke vertroostingen in zich op te nemen.
Hoe toch wilt gij door God naar den geest bezocht en vertroost worden, indien gij andere, lichamelijke, ongeregelde en met den religieuzen geest strijdige vertroostingen zoekt ?
â 269 â
Neem de beletselen der ondeugden weg, dan zult gij godvruchtig en vurig kunnen bidden en het hemelsche smaken.
Bereid uw ziel voor door onthouding en vas en, en terstond zult gij hongeren naar het brood des levens.
Dit is altijd de voorbereiding van alle Heiligen geweest om goed te bidden; weinig slapen, veel vasten, het vleesch op velerlei wijze kwellen; ziedaar hoe zij zulk een zoet verkeer en groote gemeenzaamheid met God verkregen.
3. Bewandelt iemand den tegen-overgestelden weg , dan zal hij noch in het beschouwende, noch in het, werkende leven vorderingen maken, maar voor zeer vele goede werken bijna onnut worden.
Een vet lichaam is traag, zwak, weerbarstig, eischt altijd meer slaap en rust.
â 270 â
Niet zelden wordt het door het overdadige voedsel ondermijnd en verzwakt , zoodat het onbekwaam is tot den vereischten arbeid in den wijngaard des Heeren.
Gij zult niemand vinden , die vele of groote zaken voor de glorie van God en het heil der zielen verricht en zich niet eerst op matigheid en onthouding heeft toegelegd.
Door de onmatigheid wordt God uitgedreven, de naaste geërgerd en met het lichaam ook de ziel ontzenuwd.
Misschien heeft zoo iemand veel schoons in de gedachte, maar hij brengt niets ten uitvoer! Misschien zegt hij veel goeds, maar hij treft het hart der toehoorders niet.
Want aan zijn woorden ontbreekt die geest des levens, welken God niet mededeelt aan onverstorven en zinnelijke menschen.
â 271
Fii ziet gij soms, dat God zülke onvolmaakte menschen gebruikt om de bekeering van zondaren te bewerken, laat u niet misleiden, maar weet dat God ook eenmaal door eene ezelin geprofeteerd heeft.
Zoo het een als het ander evenwel moet als een groot wonder beschouwd worden.
4. De matigheid daarentegen maakt ons nuttig voor den evennaaste , omdat zij den geest meer doorzicht in menscheüjke zaken en meer ijver voor de goddelijke schenkt.
Want zij breidelt niet alleen de begeerten der gulzigheid, maar onderdrukt ook de hoovaardigheid, schudt de traagheid af, bedwingt de verbeelding en verheft het verstand tot het zien van God.
De matigheid maakt ons hongerig naar geestelijke spijs, ontsluit de ver-
â 272 â
borgenheden der H. Schrift, verwekt geduld in den arbeid, zedigheid, gehoorzaamheid, ootmoed.
De matigheid trekt Gods-gaven af en verlamt de krachten van den verleider , en daarom zegt de H. Petrus : Broeders, wees/ matig en waakt, want uw vijand, de duivel, loopt rond als een brieschende leeuiv zoekend wien te verslinden.
De matigheid eindelijk is zelfs voor het lichaam zeer voordeelig en vrijwaart voor vele ziekten en smarten.
Lees de geschiedenis der Heiligen» en gij zult vinden dat de groote An-tonius en Paulus de kluizenaar en zeer vele anderen hun leeftijd tot een zeer hoogen ouderdom hebben gebracht; en toch hebben zij den roem verworven, niet alleen van matigheid, maar bovendien van de strengste ont-gn boetvaardigheid-
â 273 â
5. Bedrieg u dus niet, maar zie toe hoe het met u gesteld is. en indien gij nog een slaaf der gulzigheid zijt , laat dan de schaamte over uw lafhartigheid u aanzetten om nu althans te beginnen met u zeiven te verloochenen.
Het lichaam heeft geen behoefte aan vele, aan keurige, aan uitgezochte spijzen : want er zijn zoovelen, die in de noodzakelijkheid verkeerend, slechts weinig en grof voedsel gebruiken en toch gezond zijn.
Bedenk dat ook gij arm zijt en een armen Meester dient : deze gedachte zal u opwekken en tot groote matigheid doen besluiten.
O dat wij toch trachtten Christus voorbeelden na fe volgen Wij zouden ons dan voorwaar schamen, zulke lage slaven van ons lichaam te worden.
Zeggen wij dikwerf tot ons zeiven: Christus heeft om mijnentwille honger
- 274 â
en dorst geleden ; wat is er dan meer onbillijk, dan dat ik uit liefde tot Christus niet eens gaarne de matigheid zou beoefenen?
6. Sommigen echter zijn zoo onvolmaakt, dat zij zelfs den heiligen omgang met hun broeders door die pest hunner zinnelijkheid bezoedelen en anderen tot hun schandelijke grofheden overhalen.
Onder ons moet niet gesproken worden over lekker eten en drinken : want hei rijk Gods bestaai niet in spijs en drank
Schandelijk is in den mond van een religieus elke klacht over eten en drinken, alles wat het vermoeden van gulzigheid kan opwekken.
Want waar 21 w schat is, daar is ook uw hart; doch de woorden komen uit het hart voort : de mond immers spreekt uit den overvloed des harten.
- 275 â
Gelijk het derhalve schandelijk is voor een religieus met zijn hart aan nietig voedsel te hangen, zoo ook over eten en drinken te spreken. Spreken wij over God niet over eten, over geestelijk, niet over lichamelijk genot, over de eeuwige, niet over voorbijgaande genoegens.
Zoo zullen onze gesprekken tot aller stichting zijn, en wij zeiven ook in de liefde Gods en de kennis der geestelijke zaken vooruitgaan.
X.
Over de geestelijke vertroosting.
1. Zoo uitmuntend zijn de geeite-lijke gaven en het inwendig bezoek van God aan de ziel, dat zelfs zij, die dat genieten, het zeiven niet genoegzaam kunnen uitleggen noch begrijpen.
- 276 â
Nooit zijn wij zoo vanrdig en opgewekt tot het goede als ten tijde van zulk een bezoek.
Nooit bieden wij ons met zooveel groo hartigheid en moed Gode aan, opdat Hij met ons doe wat Hem belieft.
Nooit verzaken wij met zooveel vreugde aen ons zeiven en de geringste ongeregelde neigingen.
Alles wordt dan zeer licht geteld en niets kan ons afschrikken om den weg der hoogste heiligheid in te slaan.
2. Dan, ja, zien wij in, hoe groot het geluk is der ziel, die zich geheel, zonder voorbehoud, aan God opoffert en Hem zonder eenige beperking in smaad, gebrek en ellenden dient, want dan begrijpen wij dat alles zoo goed en beschouwen het met zooveel zielsgenot, of wij reeds onder de heiligen waren en van den last des
lichaams bevrijd die zaligheid smaakten.
Dan baart het gebed, al wordt het ook verlengd, geen verveling; met graagte pleegt men het dan zells twee, drie uren lang voort te zetten.
3 Dan komen ook zelfs geen ijdele gedachten de ziel verstrooien, gevoelt de geest zich niet afgemat door de aandachiigste beschouwing van zich zeiven. noch vermoeid door de kalme bespiegeling der hemelsche zaken.
Want wat in dien toestand de ziel ondersteunt, verfrischt en ontspant, komt van boven en houdt haar vol zoetheid bezig.
Dan ontdekt men duidelijk de lagen des duivels, dan neemt men zich krach-lig voor goede werken te verrichten, dan zegt niet als in 't voorbijgaan tot God; Ik ben uw dienaar.
Want het is ons, of wij door God tot zijn heiligen dienst getrokken wor-
â 278 â
den op eene wijze, die wij vroeger niet kenden noch ondervonden hadden, maar die geheel bijzonder, onuitsprekelijk, hemelsch is.
4. Meestal ook weten wij niet wat groots wij voor God gedaan hebben, om zulk eene zoetheid te verdienen; want hoewel God vertroost wien Hij wil, is Hij toch gewoon om eenig goed werk of goede gesteltenis iemand zulke geestelijke vertroostingen toe te ' zenden.
Maar als wij aandachtig ons leven nagaan, zullen wij zien, dat die vertroostingen en bovenaardsche vreugden ons dan worden geschonken, wanneer wij ons met grootere nederigheid en zuiverheid tot het gebed hebben begeven.
Soms ook omdat wij iets hebben gedaan, wat strijdt met de natuur en het vleesch, en jegens God vrijgevig
â 279 â
zijn geweest: daarom bevinden wij, dat God dan van zijn kant ook vrijgeviger is jegens ons.
5. Want zeker die vaardigheid en opgewektheid, welke wij dan ontwaren ten goede, is niet uit ons. En zeker begrijpen wij ook niet, hoe zulk eene wonderbare zoetheid en zoo groote ingetogenheid en verheffing des geestes van iemand anders zou kunnen komen dan van God alleen, die de God van alle vertroosting is.
Zoo groot toch zijn deze gunsten, dat wij bij ons zeiven denken, als wij ze genieten, dat het goed is heilig te worden, al moest ook geen andere zaligheid dan deze den heiligen ten deel vallen: en wij zeggen met Petrus tot Christus . Heeri het is ons goed hier te zijn, laten wij hier drie tenten bouwen : één voor het geheugen, één voor den wil en één voor het verstand.
O waarlijk gelukkige zelfverloochening, die zulke zegeningen over ons aftrekt!
O waarlijk begeerlijke vermorzeling des harten, die ons zooveel goeds en zoets baart !
O waarlijk gezegende ijver voor de hemelsche overweging, waardoor God ons zoo krachtig maakt tegen de verkeerde neigingen en zoozeer versterkt in de hoop op onze heiliging!
6. Wilt gij dus dikwerf door God bezocht worden, wees dan ijverig in zijn dienst, in het gebed, in de oefeningen van boetvaardigheid, en wees niet als een tnensch, die God beproeft.
Hij immers beproeft God, die van Hem de zoetheid der vertroostingen verwacht, maar zich niet genoegzaam voorbereidt tot zijn bezoek en dagelijks aan nuttelooze verstrooiing overgeeft.
â 281 â
Hebt gij echter God een plaats be reid en is Hij tot u gekomen met een overvloed van geneugten en troost, pas dan op dat gij daar niet groot op gaat en het u ten verderve strekke.
Want dikwerf als God ons bezoekt en verblijdt, nemen wij ons voor groote dingen te doen, en dunkt het ons, dat wij van alle driften verlost en bevrijd zijn.
Maar de driften zijn niet dood, zij zijn slechts een oogenblik stil, als honden, die ophouden te blaffen wanneer men hun voedsel vóorwerpt.
Meen ook niet terstond, dat gij heilig zijt omdat gij heilige begeerten koestert : want iets anders is het te begeeren wat heilig is, iets anders het ten uitvoer te brengen.
XI.
Wij moeten de broederlijke liefde onder elkander bevorderen.
1. Dii is mijn gebod, dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb liefgehad.
Bemin uwe broeders om Christus indien gij uw eerstgeboren broeder, Christus, wilt behagen.
Al is de een of ander ook zeer onvolmaakt en lastig, toch moet men hem beminnen, opdat het gebod des Heeren vervuld worde : want ook u, die een zoo groot zondaar zijt, heeft, de Heer, in alle oprechtheid liefgehad.
O hoe jammerlijk is het met sommige religieuzen gesteld! Zij meenen, dat zij geestelijke menschen zijn en verlangen onder yerafgelegene en barbaarsche volken apostolische be-
â 283 â
dieningen waar te nemen en intusschen verwaarlozen zij de zoo noodzakelijke zorg om in huis de liefde te onderhouden.
Is dan uw broeder, die met u in hetzelfde klooster woont, van hetzelfde voedsel leeft, dezelfde regels en voorschriften volgt, u niet nader dan alle barbaarsche volken ?
Leer derhalve eerst de liefde uitoefenen jegens uwe broeders, indien gij door de liefde ook nuttig wilt zijn voor anderen.
Wat zoekt gij de allermoeilijkste liefdewerken onder vreemde volken, daar gij nog niet eens geleerd hebt de gebreken uwer broeders te verdragen ?
Hoe zult gij bereid zijn uw bloed te storten, gij, die nog niet één enkel woord verdragen kunt?
2. Hieraan zullen allen kennen, dat gij mijne leerlingen zijt, indien %ij liefde hebt jegens elkander.
â 284 â
Zie hoe edel en uitmuntend de liefde is! Deze deugd maakt en merkt u tot een leerling van Christus.
Daar nu de mensch niets zoozeer verlangen moet als de zekerheid van Christus' leerling te zijn, daarom moet hij met alle zorg de liefde bewaren en aankweeken.
En omdat onzen evennaasten niets meer noodig is, dan dat zij weten en erkennen dat wij Christus toebehooren, daarom zijn wij gehouden hun voorbeelden van liefde te geven.
Zoo groot, ja, is de kracht der evangelische liefde, dat zij, ook zonder te spreker. , alle vooroordeel der menschelijke wijsheid gemakkelijk overwint.
Want de liefde is iets goddelijks, dat den menschen boven hen zeiven verheven, de grootste gelijkenis schenkt met God zeiven, want God is liefde.
â 285 â
3. De liefde is geduldig, goedertieren; de liefde is tiiet ijverzuchtig, zij handelt niet onbedachtzaam, zij is niet opgeblazen^ zi] is niet eerzuchtig, zij zoekt zich zelve nie'.
Indien gij de gebreken van anderen niet weet te verdragen noch hen in droefheid te troosten en in moeilijkheden te helpen, dan is de liefde niet in u Indien gij het beste en het gemakkelijkste voor u tracht te verkrijgen, indien gij weigert eens anders lasten te dragen, indien gij er u niet om bekreunt anderen te mishagen, dan hebt gij geen liefde.
Indien gij oordeelt dat gij beter zijt dan een ander, indien gij gewoon zijt de meeningen van anderen te verachten, indien gij niet zedig, zachtzinnig, vriendelijk spreekt, dan kent gij de liefde niet.
Waarom twist gij met uw broeder
- 286 â
over ijdele en nietswaardige dingen, die u niet aangaan ?
Hoor wat de apostel Paulus zegt: Eeti dienaar des Heeren moest niet twisten, maar jegens allen zachtmoedig zijn. leerzaam, gedulaig.
'i Is immers een grooter goed de liefde te bewaren dan eene overwinning te behalen, welke dan ook, met krenking der liefde.
4. Zelfs de deugden kunnen zonder de liefde God niet behagen, en ook niet deugden genoemd worden.
Lofwaardig voorzeker is het geduld, voortreffelijk de nederigheid, roemrijk de sterkte, uitmuntend de matigheid : maar indien ik de liefde niet heb, ben ik niets.
Want de grootste aller deugden en aller ziel is de liefde, waardoor God bemind wordt om zich zeiven en de evennaaste om God.
287 â
O hoe gemakkelijk zoudt gij uw broeder (zuster) liefhebben, indien gij God bemindet! Want de beweegreden tot beider liefde is eene en dezelfde, namelijk Gods opperste goedheid : hoe zoudt gij dan God kunnen beminnen, en onverschillig zijn jegens uw broeder (zuster)?
Hoe bereidvaardig zoudt gij zijn tot alle liefdediensten, indien gij er aan dacht, dat uw broeder door God wordt bemind en met u een lidmaat is van hetzelfde lichaam, onder hetzelfde hoofd , Christus onzen Heer!
Beschouw u zeiven : indien een of ander lid ]ijdti lijden dan niet alle andere leden mede ? Is uw voet gewond, hoe zorgvuldig zoekt gij dan een geneesmiddel, met hoeveel zachtheid wendt gij het aan, hoe voorzichtig behandelt gij de wond!
Handel dan op dezelfde wijze met uw
â 288 â
broeder, al is hij u ook lastig : want gij moet uw naaste beminnen als u zeiven.
5. Wees er dus op bedacht, allen te voorkomen door hulpbetoon en liefdediensten, niemand met grond te mishagen, onophoudelijk jegens ieder in het bijzonder de liefde door woorden en werken te beoefenen.
Men moet aller gebreken verdragen, allen zooveel mogelijk trachten te voldoen ; als gij niet geduldig en meegaande zijt, zult gij de iiefde niet onderhouden.
Onthoud u van uitzonderingen, ver smaad bijzondere voorrechten; de liefde is sterker onder gelijken; en daarom moeten zij, die de eenheid der volmaakte liefde willen bewaren, een gemeenschappelijke levenswijze volgen.
Overkomt uw broeder iets goeds, beschouw het als u zeiven aangedaan :
verheug u en wensch hern van gan-scher harte geluk. Overkomt hem eenig kwaad, beschouw het wederom als u zeiven geschied, betreur het en heb van harte medelijden met hem.
Vraagt hij iets, stoot hem niet af; mishaagt hem iets, doe het niet ; spreekt hij een oordeel of meening uis verzet u niet.
Wees vriendelijk, zachtzinnig beleefd, nederig van ha te : twist niet, mor niet, lach niemand uit wees niet bijtend, en tenzij het uw plicht is, berisp niemand.
6 Een dtiedubbel koord wordt moeilijk verbroken, en ; de broeder, geholpen door zijn broeder, is als ecu sterke stad.
Indien de liefde ons onderling volmaakt vereenigd houdt, laat dan de duivel ons bestrijden en de wereld ons vervolgen, wij zullen toch welgemoed blijven. 13
200 â
Maar als de liefde onder ons begint te kwijnen dan zullen wij geen vrede smaken al bestrijdt ons ook niemand van buiten.
Wacht u derhalve wel uw broeder (zuster) ie beleedigen, of hoe dan ook de onderlinge liefde te kwetsen, want dan wondt gij u zeiven.
Hebt gij iemand beleedigd, geef hem dan zoo spoedig mogelijk voldoening ; heeft u iemand beleedigd, schenk hem vergiffenis en zorg voor hem, als hadde hij de wonde ontvangen.
Wij schieten allen in vele zake?i ie kort, en niemand onzer leeft zonder schuld. Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, dan misleiden wij ons zeiven en de waarheid is niet in ons.
En daarom, als het soms den schijn heeft, dat wij ten onrechte iets van een ander lijden, nemen wij dat aan als een straf voor onze zonden.
â 291 â
e- Wilt gij dat men u verdraagt ,
:n verdraag dan anderen ; wilt gij bemind
ik worden, bemin anderen; wilt gij geholpen worden, help anderen.
5i' A/s wi] elkander liefhebben, dan blijft
ik God in uns en is zijne liefde /� ons
nt volmaakt.
XII.
Over de keuze en de voluiaaktheid der deugden.
1. Zoolang ons het sterfelijk vleesch bezwaart, kunnen wij niet de volmaaktheid van alle deugden bereiken ; en daarom moeten wij een keuze doen, opdat wij geen vergeefsche moeile besteden.
Kies dan de deugd uit, waarin gij vooral moet geoefend worden, lotdat gij met Gods hulp daarin uitmuntend zijt.
yi d. de en
ijn an an
a
Eenige deugden komen veelvuldig te pas in onze dagelijksche handelingen en zijn voor allen noodzakelijk : daarom moet men die met bijzondere zorg nastreven.
Hoe meer gij vordert in zachtmoedigheid, geduld, zedigheid, matigheid, nederigheid en andere deugden, wier uitoefening dikwerf voorkomt, des te spoediger zult gij heilig worden.
2. Sommigen streven naar die deugden, welke uitwendig de edelste zijn en de schitterendste in de opvatting der menschen.
Zij onderrichten gaarne, maar in de voornaamste kerken en onder een grooten toeloop van geleerde en aanzienlijke mannen.
Zij bezoeken gaarne zieken en hooren gaarne biecht, maar liefst van rijken en voornamen.
Wacht u. zoo iels hoog te schatten:
â 293 â
volmaakter en veiliger is het Christus O. H. na te volgen en de dorpen te doorlooi en, dan in de steden roem van welsprekendheid en geleerdheid in te oogsten.
Het is u nuttiger armen en landlieden te bezoeken en te troosten, dan rijken en ailellijken, die daarenboven minder bereid zijn u aan te hooren en te gehoorzamen
3 Sommigen zijn tevreden met die deugden, welke met hunne natuurlijke neigingen strooken , omdat deze hun gemakkelijker voorkomen en geen of geen harden srrijd kosien.
Maar wordt er zelfverloochening en versteiving vereischt, dan durven zij geen deugd oefenen, maar laten den moed zinken, gedragen zich lafhartig en vinden het verkieselijk zich zeiven te sparen.
O volg gij hen niet na : want zoo-
â 294 â
danigen gaan niet vooruit, maar wijken eerder van den weg der volmaaktheid af, daar zij Christus' lessen en voorbeelden niet opvolgen.
Christus immers heeft niet hen zalig genoemd, die zich ontzien en voor den last van den strijd terugdeinzen, maar hen, die weenen en krachtig strijden om de gerechtigheid.
Christus wilde zelf een man van smarten zijn, met smaadheden verzadigd en geacht worden als een worm en geen mensch.
Christus ook heeft gezegd: Ik ben niet den vrede k(/me7i brengen^ maar het zwaard- En : Die na Mij wil komen, verloochent zich zelven, neme zijn kruis op en volge Mij-
4- Kies dan hetgeen met uw natuur het meest tegenstrijdig is, en gij zult sneller en veiliger vooruitgaan.
Kies ijver voor het geduld, de ver-
â 295 â
nedering en algeheele verloochening dat is de weg der volmaaktheid dit de grondslag van het geestelijk leven.
Indien gij geleerd hebi u zei ven te overwinnen, dan zult gij u de overige deugden gemakkelijk eigen maken, zooals grootmoedigheid, sterkte, ge hoorzaamheid, broederlijke liefde, on-hechting eindelijk van alle ongeregelde neigingen.
Zijt gij daarentegen niet bedacht op zelfverloochening dan ruit gij in moeilijkheden en tegenspoed, ongeduldig zijn, droevig, terneergeslagen, u zeiven onnut, ergerlijk vooi anderen.
Waar gij ook zijt, wat gij ook doet, altijd is er gelegenheid tot strijd, en gij kunt dien niet altijd vermijden : heb gij nu niet geleerd te strijden, dan zult gij gemakkelijk verslagen worden.
5 Velen leggen er zich op toe deugden te verwerven rnaar zijn er
â 296 â
niet op uit ze tot volmaaktheid te brengen : en daarom blijveu zij altijd zwak en onvast.
Met moet niet in de middelmatigheid berusten, men moet nooit zeggen ; Hei is genoeg I maar pogen tot de hoogste volmaaktheid op te klimmen.
Slechts een kleine en lafhartige ziel blijft in de betrachting der deugd stilstaan en ht eft een afkeer van grootere heiligheid-
Trachten wij de deugden nabij le ko men zooals die in Christus waren op-dai ieder onzer kunne zeggen : Weest mijne navolgers, gelijk ik het van Christus ben.
6. Onze nederigheid zij zoo groot, en dale 700 diep af, dat zij geenerlei vernedering noch beschaming af-wijze.
Zoo groot zij onze gehoorzaamheid, dat zij s'andvasiig tot den dood vol-
harde met 'e zeggen : Niet mijn wil. maar de iiwe geschiede 1
Onze liefde jegens de naasten, zelfs jegens ons vijandigen en kwalijkge-zinden, zij zoo groor, dat eer. ieder onzer begeere zelfs van Christus gescheiden te zijn voor zijn broeders en zijn leven te geven voor hun heil.
Dat alles toch heeft Chris-us gedaan voor ons, ons een voorbeeld nalaiend, opdat wij zijne voetstappen zonden drukken.
Maar wilt gij u me^ middelmatige deugd tevreden stellen pas dan wel op. want ook van de middelmatigheid zult gij afwijken en, als het gevaar u overvalt, uw ondergang zeer nabij zijn.
IM H © ig ID.
EERSTE BOEK.
BliWEKO REDE SEN TOT IJVER VOOR DE RELIGIEUZE VOLMAAKTHEID.
Bladz.
I. Over de roeping tot liet religieuze leven...... 1
II. Men moet standvastig en met opgewekten ijver streven naar de deugd .... 5
III. De menigte onzer gebreken
moet ons aanzetten om naar de volmaaktheid te streven. i)
IV. Do overweging van het vage
vuur leidt tot verbeterimg van ons leven . . ⢠. . 11 V. Standvastige beoefening der deugden sclienkt grooten vrede.........17
INHOUD.
Bladz.
VI. Pe vrees voor de liel moet
onzen ijver voor de deugd aanvuren.......21
VII. Het is gevaarlijk stil te staan
in het streven naar de volmaaktheid .......26
VIII. Men moet eeu schat verzamelen
in den hemel......3'5
IX. Wij moeten God dankbaar zijn
voor de ontvangen weldaden. 41 X. Vervolgingen en lasteringen moeten ons opwekken om des te ijveriger naar de volmaaktheid te streven. . . 48 XI. Wij kunnen het lijden des levens alleen verzachten door ijver voor de volmaaktheid. . . ö5
XII. Om een goeden dood te sterven
moet men zich voorbereiden door ijver voor de vohmakt-heid.........01
XIII. Men moet dikwerf de eeuwig
heid der belooning vergelijken met de lasten van dit sterfelijk leven.....(gt;8
INHOUD.
Bladz.
XIV. De liefde Gods moet ons bewe
gen naar de volmaaktheid te streven.......77
XV. Het geheim der voorbeschik
king moet ons aansporen tot ijver voor de volmaaktheid .........84
XVI. De liefde tot den evennaaste
moet ons trokken tot de volmaaktheid ....... 89
XVII. De herinnering aan onze zon
den spoort ons aan tot de volmaaktheid......97
XVIII. De hulpmiddelen der genade
maken den weg der volmaaktheid gemakkelijk . . lüi
TWEEDE BOEK.
HÃLPMIDDKLKNT, WAARDOOR DE RELIGIEUS GEMAKKELIJKER TOT ZIJNE VOLMAAKTHEID ZAL GERAKEN.
Bladz.
I. Men moet met aandrang aan God den ijver voor de volmaaktheid vragen .... 109
INHOUD.
Bladz.
II. Men moet uiel licht het schijn
baar geringe verzuimen. . llii
III. De bekoringen zijn ons nuttig. 124
IV. In den tijd der troosteloosheid
moet men aan zijne goede voornemens vasthouden . . 130 V Het gemeenschappelijk leven is
een middel tot eigen heiliging 135 â s VI. Men moet zijn hart openbaren..........144
VII. Men moet op den weg der volmaaktheid ordelijk vooruiten van het een tot het andere
overgaan.......151
VIII. De overweging der hemelsche
zaken is noodzakelijk. . . 157 IX. Meu moet dikwerf zijn geweten onderzoeken.....llii
X. De godsvrucht tot de Heiligen is zeer nuttig voor hen, die voortgang willen maken. 171 XI. Men moet zich dikwerf met de lezing van geestelijke boeken
bezig houden......178
XII. Wie voortgang wil maken moet
het stilzwijgen beminnen . ISü
INHOUD.
Bladz.
XIII. De uitwendige zedigheid is den
religieus noodzakelijk. . . 189
XIV. Men moet zich een innige ken
nis van Christus verwerven 1Ã7
XV. Men moet gaarne naar terecht
wijzingen luisteren. . . . 2Ã7
DERDE BOEK.
OVER DE BEOEFENING DER DEUGDEN, UIT WELKE DE RELIGIEUZE VOLMAAKTHEID I1ESTAAT EN DE VERBETERING DER TEGENOVERGESTELDE GEBREKEN.
Bladz.
I. Over de religieuze armoede . '213 II. Over de religieuze gehoorzaamheid .........218
III. Over de religieuze zuiverheid. 222
IV. Over de verloochening van eigen
wil en oordeel......231
* V. Over nuttige studiën .... 238 VI. Hoe men moet bidden i.i geestelijke dorheid en troosteloosheid..........247
INHOUD.
Bladz.
VII. Over de ongereo'elde genegen
heid jegens de bloedverwanten ........25Ã
VIII. Over de nederige werken . . 260 XI. Men moet de gulzigheid bedwingen........2GB
X. Over de geestelijke vertroosting 275 XI. Wij moeten de broederlijke liefde onder elkander bevorderen .........282
N.B. De hoofdstukken, in den Inhoud met. een sterretje geteeken(1, zijn niet voor ulte religieuzen van toepassing.