Repls vaj Je Coireplle Jer Broelers.
Vak 41
P?: EO ELS
VAN DE
COKGKEGATIE BEB BEOlBIBi
öl
-â J VAN-'-
C H E N S
O. L. Vr. van Zeven Smarten.
Geyestigd te Amsterflain.
6erw. Broeders in J. C.
Een der grootste genaden, welke de Heer in Zijne Goedheid aan de religieusen heeft bewezen, bestaat ongetwijfeld hierin, dat Hij hun een heiligen regel heeft gegeven om hen in Zijn heiligen dienst te bewaren en tegen de aanvallen van de vijanden hunner
ziel te beschermen. Daarom bestaat de volmaaktheid
%
der kloosterlingen in het stipt onderhouden der regelen. âMijn zoon, beioaar mijn wet en mijnen raad, want âzij zullen het leven zijn voor uwe ziel en een sieraad âvoor uw halsquot;. (Spr. III, 21, 22).
De christelijke volmaaktheid bestaat in de ver-eeniging met God door de liefde; het zuiverste en hoogste in de liefde is de eenheid van wil met God. Die H. wil wordt den religieus geopenbaard door zijn H. Regel.
Voor den religieus is dus de naleving van den Regel de ware en veilige, ja de eenige weg tot de volmaaktheid, waarnaar hij volgens zijne roeping verplicht is te streven.
Overweeg dikwijls, Eerw. Broeders, wat klooster, lingen, door de H. Kerk in de rei der Heiligen opgenomen, van het onderhouden der Regels gezegd hebben :
De voorbestemming der religieusen is verbonden aan het onderhonden der Regels.
H. Franc, van Sales.
De gehoorzaamheid aan den Regel is de kortste weg naar de heiligheid.
H. Maria Magd. de Paz.
De Regel is een last, maar een last, gelijk aan die der vleugelen , dewijl wij ons daardoor tot God verheffen. H. Alph.
De Regel is een band, maar een band van liefde, die ons aan het hoogst Goed hecht. H. Alph.
De Heer zou u de gouden halsketen der eeuwige glorie niet verleenen, als Hij u eerst niet met de ketenen der heilige Regels geboeid had. H. Aug.
De beste wijze, om naar de heiligheid te streven, bestaat, in alles te onderhouden, wat voorgeschreven is.
H. Bonav.
De Regel is de spiegel der kloosterlingen: aan het onderhouden der Regels kent de Overste zijne onderdanen en kennen zij zich zeiven. H. Aug.
Door een kleine ongetrouwheid aan den Regel kan men een groote genade verliezen.
H. Egidius.
Wilt gij den Regel volmaakt onderhouden , vrees hem dan niet, maar bemin hem. H. Ignatius.
Bedenk, dat gij slechts dien dag kloosterling geweest zijt, waarop gij uwen eigen wil verzaakt en geen enkelen Regel overtreden hebt.
H. Eucherius.
Schat uwen Regel zoo hoog, als God zeiven, want Gods Wil ligt er in opgesloten. Stel u voor, dat gij de eenige zijt, die den geheelen Regel moet onderhouden. Ziet gij anderen tegen den Regel misdoen, tracht dan dit te vergoeden door nog grooteren ijver.
H. Maria Magd. de Paz.
DEKREET
van onzen heiligen Vader Paus Leo XIII aan alle eervv. Oversten van Broeders- en Zustershuizen en van geestelijke gestichten in ons Bisdom.
Evenals aan alle menschelijke zaken, hoe goed en heilig ook in zich zeiven, zoo is het ook aan wijselijk gegeven wetten eigen , dat zij door misbruik van den kant der menschen kunnen ontaarden en tot verkeerdheden afwijken ; waardoor het soms gebeurt dat zij aan het doel, dat de wetgevers zich voorstelden, volstrekt niet meer beantwoorden, ja nu en dan zelfs het tegenovergestelde uitwerken.
Wel te betreuren is het, dat dit ook het geval geweest is met de wetten van vele Congregatiën, Vereenigingen of Instellingen van vrouwen, die eenvoudige of plechtige geloften afleggen , of van mannen die door professie en bestuur tot de leekebroeders behooren. Somtijds toch was in hunne Regels eene openbaring van gewetenszaken toegestaan , opdat de. jongeren in twijfel gemakkelijker van ervaren oversten den moeiclijken weg der volmaaktheid zouden leeren : doch sommigen hebben een volledig onderzoek naar den gewetenstoestand ingevoerd, zooals het alleen aan het II. Sacrament der Biecht is voorbehouden.
Zoo ook was in de Constitutiën overeenkomstig de kerkelijke wetten voorgeschreven, dat in zulke Communiteiten de leden bij hunne gewone en buitengewone biechtvaders zouden biechten; maar de willekeur dei-Oversten ging zoover, dat zij hunnen onderhoorigen
II
cenen buitengewonen biechtvader weigerden, zelfs ingeval zij, in het belang van hun geweten, er een noodig hadden.
Vorder was ook aan het voorzichtig beleid der oversten opgedragen , hunne onderhoorigen ten opzichte van bijzondere boetplegingen en andere werken van godsvrucht te besturen ; doch ook hiervan werd door de Oversten misbruik gemaakt, in die mate zelfs dat zij hun naar believen toestonden tot de 11. Communie te naderen , of dit soms volstrekt verboden.
En zoo is het gekomen, dat zulke bepalingen, die tot geestelijk welzijn der leden en tot behoud en bevordering van vrede en eensgezindheid in de Communiteiten , als heilzaam en wijs waren vastgesteld , niet zelden tot schade der zielen, tot onrust der gewetens en bovendien tot storing van den uitwendigen vrede gekeerd zijn, gelijk herhaalde klachten en bezwaren, door onderhoorigen bij den H. Stoel ingediend, zonneklaar bewijzen.
Daarom heeft onze II. Vader Paus Leo Xlll, uit bijzondere bezorgdheid voor dit uitgelezen deel zijner kudde, in de Audientie aan mij Kardinaal Prefekt van de Congregatie der Hisschoppeu en Regulieren den li'quot; December 1890 verleend, na alles rijpelijk en zorgvuldig overwogen te hebben, het volgende besloten, vastgesteld en bepaald.
I. Zijne Heiligheid vernietigt, schaft af en verklaart voor altijd van onwaarde alle bepalingen in de constituties van godvruchtige vereenigingen of instellingen van vrouwen, die eenvoudige of plechtige gelofte afleggen en van leekebroeders, â al waren die constituties door den H. Stoel in welken vorm dan ook , zells in den zooge-naamden âzeer bijzonderenquot; vorm, goedgekeurd, â voor zoover die bepalingen , op welke wijze dan ook, betrekking hebben op de mededeeling van gemoedsbezwaren of gewetenszaken. En daarom wordt den Oversten van be doelde instellingen. congregaties en vereenigingen ten strengste geboden, genoemde bepalingen uit hunne Constituties, Regels en handboeken volkomen weg te nemen en geheel te schrappen. Eveneens worden alle bestaande, ook onheugelijke , gebruiken en gewoonten op dit punt afgeschaft en vernietigd.
II. Bovendien verbiedt Zijne Heiligheid ten strengste aan alle bovengenoemde Oversten, van welken rang of
Ill
waardigheid ook , hunne onderhoorigen rechtstreeks of zijdelings , door bevel ol raad, door vreesaanjaging, bedreiging of vleierij, er toe aan te zetten, dat zij hunnen imvendigen gewetenstoestand aan hen blootleggen ; en aan de onderhoorigen gebiedt Z. H. de mindere oversten, die hen daartoe willen overhalen , bekend te maken aan de hoogere oversten; en als het de algemeene overste is, moet die bekend gemaakt worden aan bovengemelde Romeinsche Congregatie.
III. Dit belet evenwel niet, dat de onderhoorigen vrijwillig en uit eigen beweging hunnen gemoedstoestand aan hunne oversten mogen openbaren , om van hunne wijsheid raad en leiding in twijfels en gewetensangsten te ontvangen, tot verwerving van deugden en voortgang in de volmaaktheid.
IV. Terwijl van kracht blijft wat door het Concilie van Tiente (Sess. 25. cap. 10 de Regular) en Paus Benedict us XIV in zijne Constitutie .,Pastoralio Curaequot; omtrent de gewone en buitengewone biechtvaders van Communie-teiten bepaald is, vermaant Zijne Heiligheid de overheden nooit eenen hiiitengewonen biechtvader te weigeren, zoo dikwijls hunne onderhoorigen dit in het belang van hun geweten vragen , zonder ooit de reden van dit verzoek uit te. vorschen , of te toonen dat zij het niet gaarne hebben. En opdat deze heilzame bepaling niet verijdeld worde, vermaant Zijne Heiligheid de Bisschoppen, dat zij in die plaatsen van hun Bisdom, waar Zusterhuizen zijn, bekwame priesters zullen aanwijzen, van de noodige volmachten voorzien , tot wie de zusters zich zonder moeite kunnen wenden om te biechten.
V. Wat nu aangaat dt toestemming of het verbod om tot de H. Tafel te naderen, bepaalt Zijne Heiligheid, dat zulk eene toestemming of verbod uitsluitend aan den gewonen of buitenge wonen biechtvader toekomt, zonder dat de oversten eenige bevoegdheid hebben zich in deze zaak te mengen , behalve ingeval iemand hunner onderhoorigen na do laatste biecht de Communiteit tot ergernis geweest is, of eene zware uitwendige overtreding begaan heeft, tot aan de volgende biecht.
VI. Daarom wordt allen op het hart gedrukt, dat zij zich zorgvuldig tot de H. Communie moeten voorbereiden,
IV
en gaan op de dagen in hunne eigen regels bepaald. Acht de biechtvader het wenschelijk dat iemand wegens vurigen ijver en geestelijken voortgang meermalen gaat, dan kan dit door don biechtvader zelf worden toegestaan. Degene echter die van den biechtvader verlof heeft bekomen om meermalen of dagelijks tot de H. Tafel te naderen, zal verplicht zijn aan den overste hiervan kennis to geven. Meent deze billijke en gewichtige bezwaren tegen eene zoo veelvuldige H. Communie, dan is hij gehouden die mede te deelen aan den biechtvader, aan wiens oordeel men zich volkomen zal hebben te onderwerpen.
VII. Zijne Heiligheid gelast verder olie Generale , Provinciale en Plaatselijke oversten van bovengemelde Broeder- of Zusterhuizen, dat zij zorgvuldig en nauwkeurig de bepalingen van dit Dekreet zullen in acht nemen , zullende zij anders onmiddellijk â ipso facto â de strafl'en heloopen , tegen overheben , die pauselijke bevelen overtreden, bepaald.
VIII. Eindelijk beveelt de H. Vader dat een exemplaar van dit Dekreet in de moedertaal in de Constituties van de genoemde Religieuse Gestichten zal opgenomen worden, en ten minste eens in het jaar, op vaste tijden in ieder Huis, hetzij aan de gemeenschappelijke tafel, hetzij in een daartoe opzettelijk belegd kapittel, met luide en verstaanbare stern zal worden voorgelezen.
Aldus vastgesteld en bepaald door Zijne Heiligheid, met volkomen opheffing van alles wat hiertegen is, ook al zou het eene buitengewone en afzonderlijke vermelding vereischen.
Gegeven te Rome ter Secretarie van gemelde H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren den 17⢠Dec. 1890.
J. Card. VERGA , Prefekt. f Fr. ALOVSIUS,
Bisschop van Callinice, Secr.
IET IT O UID.
Bladz.
Voorwoord.
Decreet van Paus Leo XIII........I-IV
I. Het doel en de geest der Congregatie ... i
II. De middelen om het doel der Congregatie
te bereiken
§ i. De geloften in het algemeen............4
§ 2. De heilige armoede..................8
§ 3. De zuiverheid en de zedigheid.....11
^ 4. De gehoorzaamheid..................14
§ 5. De versterving........................19
§ 6. Het gebed en andere geestelijke oefeningen 23
§ 7. De liefde............................26
§ 8. De nederigheid...........29
§ 9. Het onderwijs en de opvoeding der kinderen ...............31
§ 10. De dagorde............33
§ 11. De retraite.............38
III. De huiselijke tucht.
§ 1. De tucht..............40
§ 2. De recreatie en de wandeling.....44
§ 3. De zorg voor de gezondheid......48
§ 4. Het herbergen en reizen.......52
INHOUD.
Bladz.
Voor de Novicen.
§ i. Voorwoord aan de Novicen......54
§ 2. Onderrichting over liet Noviciaat. ⢠â . 57 § 3. De gebreken, welke de Novicen voornamelijk te vermijden hebben .... 63 § 4. De voornaamste plichten der Novicen. . 65 § 5. De plichten der Novicen jegens den Novicen-meester ...........73
§ 6. De dagelijksche bezigheden van de Novicen ...............75
Decreet van Paus Pius IX..........77
Voor de Postulanten.
Eenige wenken aan de Eerw. Broeders-Surveillanten ..................83
Eenige wenken aan de Eerw. Broeders, die aan het hoofd der werkplaatsen gesteld zijn. . . 93
HOOFDSTUK I.
Het doel en de geest der Congregatie.
i.
Ofschoon wij met recht mogen vertrouwen , dat dezelfde goedheid en wijsheid van onzen Heer Jezus Christus, Die zich gewaardigd heeft deze Congregatie op te richten , ook wel zal weten haar te bewaren en in stand te houden zonder eenige andere wet dan die der liefde , welke met onuitwischbare letteren in onze harten is gegrift; zoo is het nochtans doelmatig voorgekomen , om des te beter aan Gods liefderijke oogmerken te beantwoorden, eenige regels vast te stellen, die als de geschreven wet zouden zijn, waarnaar de Congregatie wordt bestuurd.
2.
Terwijl de Constitutiën den hoofdinhoud van het Regelboek bevatten en als de grondwet voor de Congregatie moeten beschouwd worden, volgens welke zij moet worden bestuurd , schrijft het Regelboek meer in het bijzonder die Regelen voor, welke in de Constitutiën in algemeene trekken geschetst zijn en welke door iederen Broeder moeten overwogen en nageleefd worden.
Wekelijks zullen die Regels worden voorgelezen en hetzelfde zal geschieden , zoo dikwijls de Overste het nuttig oordeelt.
1
Het is den Broeders zeer aangeraden, in de dagen der Retraite en op den maandelijkschen Recollectie-dag in hun vrijen tijd een gedeelte hunner H. Regelen tot stof der overweging te kiezen.
3-
De Congregatie beveelt zich op eene bijzondere wijze aan de machtige bescherming van Maria.
Zij wil deze verhevene Moeder des Heeren ook als hare moeder eeren en beminnen en zij noodigt elk harer leden met den meesten nadruk uit om , door een getrouwe navolging harer deugden , zich den vereerenden en troostvollen titel van Broeder van Maria waardig te maken.
4-
Het doel, dat zich de Congregatie onder de bescherming van Maria voorstelt is : tot Gods meerdere eer en glorie naar eigen volmaaktheid te streven en zich daardoor geschikt te maken, om volgens hare bijzondere roeping ook het heil van den evenmensch te bevorderen.
5-
Om dit tweeledig doel van zijne roeping te bereiken, moet ieder lid der Congregatie streven naar de volmaakte onderhouding der Goddelijke geboden, het naleven der Evangelische Raden en de beoefening van al die deugden , waarvan Christus het voorbeeld heeft gegeven.
Behalve de vastendagen, die voor alle christenen verplichtend zijn, schrijft onze Congregatie geen buitengewone gestrengheden voor.
Gevoelt zich een of andere Broeder geneigd tot grooter uitwendige versterving, dan raadplege hij hierin zijn Overste.
7-
De Broeders zijn ontslagen van het koor en van de verplichting om het groote officie te bidden , maar zij moeten het gemis daarvan vergoeden , door buiten de morgen-meditatie, die minstens een half uur moet duren, nog alle avonden, zooveel mogelijk gezamenlijk, te bidden de Vespers van O. L. Vrouw van Zeven Smarten.
Wanneer er 's avonds gepreekt wordt of de Kruisweg gemeenschappelijk wordt gebeden, treden deze oefeningen in de plaats van genoemde Vespers.
8.
De Congregatie zoekt het heil der zielen te bevorderen niet alleen door de gebeden, die zij zonder ophouden voor de belangen der H. Kerk stort, maar ook door lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid, die zij bij verschillende gelegenheden oefent, en inzonderheid door het onderwijzen en opvoeden van arme kinderen, waaraan zij zich geheel en al en van ganscher harte toewijdt.
â 4 â
HOOFDSTUK II.
De middelen om het doel der Congregatie te bereiken
en van haren geest alle leden te doordringen.
§ I.
De geloften in het algemeen.
\
Als de novicen , aan het einde van hunne proefjaren gekomen , de vereischte voldoening hebben gegeven, worden zij tot de professie toegelaten , welke daarin bestaat, dat zij zich door altoosdurende geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid aan God en aan de Congregatie verbinden.
2.
De Broeders moeten wel overtuigd wezen, dat zij door het afleggen der geloften 'een aller-verdienstelijkst werk verrichten , dat zij zich daardoor met ziel en lichaam , met al wat zij bezitten, voor geheel hun leven aan God toewijden en Hem alzoo gelijk de heilige Vaders zich uitdrukken : een welbehagelijk brandoffer opdragen.
3-
Een ieder moet zich dan ook tot het doen der geloften, als tot eene zaak van het hoogste
belang voorbereiden. De drie dagen , die den dag zijner professie voorafgaan, zal hij in geheele afzondering doorbrengen.
4-
De formule der Geloften , bij de 3 jarige professie af te leggen, luidt als volgt :
Almachtige , Eeuwige God ! innig overtuigd van mijne nietigheid, maar aangespoord door een heilig verlangen om U volmaakter te dienen, buig ik mij, Broeder . . . . , ootmoedig voor Uwe Goddelijke Voeten neder , om met goedvinden van onzen Hoogwaardigen Vader, den Bisschop van Haarlem, mijne 3 jarige geloften af te leggen.
In tegenwoordigheid van de Allerheiligste Maagd Maria, van alle Heiligen , van de Eerw. Broeders dezer Congregatie en van U, Eerwaardige Vader, die hier de plaats des Hoogwaardigen Bisschops bekleedt , beloof ik aan U, Almachtige God, armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid volgens den zin en de verklaring onzer Constitutiën en Regels voor den tijd van drie jaren. Ook beloof ik het onderwijs en de opvoeding van arme en verlaten knapen , in zooverre dit van mij wordt gevorderd , naar mijn best vermogen te zullen behartigen en nu smeek ik Uwe Oneindige Goedheid door de verdiensten van 0. H. Jezus Christus, dat, gelijk Gij mij de genade hebt verleend deze geloften te doen. Gij mij ook de kracht gelievet te schenken, die volmaakt te volbrengen. Amen.
De formule bij de herhaling der geloften is :
Almachtige, Eeuwige God! innig overtuigd van mijne nietigheid, maar aangespoord door een heilig verlangen, om
â 6 â
U volmaakter te dienen, buig ik mij, Broeder . . . . , ootmoedig voor Uwe Goddelijke Voeten neder , om met goedvinden van onzen Hoogwaardigen Vader, den Bisschop van Haarlem, mijne geloften te herhalen.
In de tegenwoordigheid der Allerheiligste Maagd Maria, van alle Heiligen, van de Eerw. Broeders en van U, Eerwaardige Vader, die hier de plaats des Hoogwaardigen Bisschops bekleedt, beloof ik aan U , Almachtige God , armoede , zuiverheid en gehoorzaamheid volgens den zin en de verklaring onze Consti-tutiën en Regels tot den tweeden dag vóór het afleggen van mijne eeuwigdurende geloften óf (zoo ik eerder volgens de beslissing van den Algemeenen Raad de Congregatie moet verlaten) tot den dag van mijn terugkeer in de wereld. Ook beloof ik het onderwijs en de opvoeding van arme en verlaten knapen, in zoover dit gedurende dien tijd van mij wordt gevorderd , naar best vermogen te zullen behartigen en nu smeek ik Uwe Oneindige Goedheid, dat, gelijk Gij mij de genade hebt verleend deze geloften te herhalen, Gij mij ook de kracht gelievet te schenken, die volmaakt te volbrengen. Amen.
De formule voor de geloften van volharding is:
Almachtige, Eeuwige God ! innig overtuigd van mijne nietigheid , maar aangespoord door een heilig verlangen om U volmaakter te dienen , buig ik mij , Broeder. .. . , ootmoedig voor Uwe Goddelijke Voeten neder, om met goedvinden van onzen Hoogwaardigen Vader, den Bisschop van Haarlem, mijne eeuwigdurende geloften af te leggen.
In de tegenwoordigheid van de Allerheiligste Maagd Maria, van alle Heiligen , van de Eerw. Broeders dezer Congregatie en van U , Eerwaardige Vader, die hier de plaats des Hoogwaardigen Bisschops bekleedt, beloof ik aan U , Almachtige God, voor geheel mijn leven : armoede , zuiverheid en gehoor-
â 7 â
zaamheid volgens den zin en de verklaring onzer Constitutiên en Regels. Ook beloof ik het onderwijs en de opvoeding van arme en verlaten knapen, in zoover dit van mij wordt gevorderd, naar mijn best vermogen te zullen behartigen , en nu smeek ik Uwe Oneindige Goedheid door de verdiensten van O. H. Jezus Christus , dat, gelijk Gij mij de genade hebt verleend deze eetnuigdtirende geloften te doen , Gij mij ook de kracht gelievet te schenken, die tot mijn dood volmaakt te volbrengen. Amen.
(figt;
«=;
lt;L?
§ 2-
De heilige armoede.
5-
Alle Broeders zijn verplicht de armoede niet alleen te beschouwen als den voornaamsten steun der Congregatie, maar ook te beminnen als eene teedere moeder, die hun ontelbare, zoo stoffelijke als geestelijke, voordeelen aanbrengt.
6.
De Broeders moeten ernstig bedenken, dat zij vrijwillig en uit liefde tot God alle recht van eigendom hebben afgestaan; dat zij dus voor God niets meer bezitten en niets meer kunnen bezitten en alzoo met den H. Petrus mogen uitroepen ; Heer ! wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.
7-
Daar de Broeders alle recht van eigendom hebben verloren , kunnen zij ook over niets als over hun eigendom beschikken en mogen dus niets geven, niets leenen, niets ontvangen, niets ruilen , niets laten maken of herstellen , zonder daartoe de vergunning van hunnen Overste te hebben verkregen.
8.
Daar, waar de Broeders voor de burgerlijke
wet niet als religieusen zijn erkend, is het noodzakelijk , dat zij hunne burgerlijke rechten behouden ; zij mogen er nochtans , zonder uitdrukkelijke toestemming van hunnen Overste , hoegenaamd geen gebruik van maken.
9
Het voedsel, de kleeding, het huisraad en al wat tot het gebruik der Broeders behoort, dient zóó te zijn ingericht als het dengenen betaamt, welke geroepen zijn den armen Jezus van nabij te volgen.
Een ieder moet zich er mede tevreden stellen, dat het geringste wat er in huis is hem worde gegeven, om zoo des te beter de zelfverloochening te beoefenen.
10.
Niemand mag, zelfs niet voor goede werken, te zijner beschikking eenig geld hebben zonder uitdrukkelijke vergunning van den Overste, welke die vergunning niet dan zelden en om zeer bijzondere redenen mag toestaan.
Als de Broeders eenig geld hebben ontvangen van een of anderen verkoop of voor het maken of herstellen van een of ander voorwerp, zullen zij dit geld denzelfden dag aan den Overste ter hand stellen.
11.
Niemand mag uit de eene of andere kamer
--IO â
of uit de werk- of bergplaats van een ander zich iets toeëigenen of tot zijn tijdelijk gebruik nemen zonder vergunning van den Overste of van den Broeder, dien de Overste met het geven van die vergunning belast heeft.
12.
Als iemand van het eene huis naar het andere wordt gezonden, mag hij, met uitzondering van zijn regelboek , niets met zich nemen zonder verlof van den Overste van het huis , dat hij verlaat.
13-
Niemand mag zonder verlof eenig geschenk voor zich zeiven aannemen , en indien er iets voor de Congregatie of voor eenig goed werk wordt aangeboden , moet dit aan den Overste worden overhandigd , die er mede naar goedvinden zal handelen.
â II â
§ 3-
De zuiverheid en de zedigheid.
14-
De Broeders moeten zich geheel pn al aan God toewijden door het onderhouden eener engelachtige zuiverheid.
Zij moeten des te meer trachten in deze deugd uit te munten , naar mate zij soms uit hoofde van hunne heilige roeping meer genoodzaakt zijn met de menschen uit de wereld in aanraking te komen.
15-
De Broeders moeten de zuiverheid hoogachten als een onwaardeerbaren schat, maar als een schat, dien zij in zeer broze vaten omdragen , zoodat zij verplicht zijn alle voorzichtigheid aan te wenden om dien geheel en al ongeschonden te bewaren.
16.
De Broeders moeten te dien einde niet alleen met hart en ziel zich op de beoefening van het gebed en de versterving toeleggen , maar ook zeer bijzonderlijk de zedigheid betrachten, die met recht als het voornaamste bolwerk der zuiverheid wordt beschouwd.
17-
Zij moeten hunne oogen niet alleen niet licht-
zinnig laten rond gaan , maar die gewoonlijk neergeslagen houden, voornamelijk in de kerk, in de eetzaal, en in andere dergelijke bijeenkomsten.
In het spreken met personen, vooral van het andere geslacht , moeten zij zóó de beleefdheid in acht nemen, dat zij de zedigheid niet uit het oog verliezen.
18
Ofschoon de Broeders verplicht zijn elkander met liefde te voorkomen, en het niet is verboden bij het afreizen en terugkomen de gebruikelijke teekenen van liefde te geven, moeten zij overigens elkander zelfs niet uit scherts aanraken , maar steeds met den vereischten eerbied behandelen.
De grootste voorzichtigheid in dit punt hebben zij in acht te nemen bij den omgang met de aan hunne zorg toevertrouwde kinderen.
19.
Indien de kleeding der broeders altoos in overeenstemming moet zijn met de heilige armoede, mag zij toch ook niet met de welvoegelijkheid strijden. Nooit mag een Broeder, tenzij betamelijk en zoo zindelijk mogelijk gekleed, zich vertoonen.
20.
De Broeders moeten in al hunne handelingen en bewegingen eene gepaste bedaardheid toonen;
â 13 â
niemand mag zijne schreden merkelijk verhaasten, tenzij alleen uit noodzakelijkheid en dan nog moet de meest mogelijke zedigheid worden in acht genomen.
21.
Een ieders gelaat moet veeleer inwendige vreugde en tevredenheid toonen, dan wel droefgeestigheid of eenigen anderen min geregelden hartstocht aanduiden. Een ieder moet trachten zijn uiterlijk zóó te regelen , dat hij daardoor niet slechts aan God behage, maar ook aan den evenmensch tot stichting strekke.
22.
Terwijl men zich beijvert in alles de zedigheid in acht te nemen, moet men zich toch wachten van eene zekere gemaaktheid , welke met de ware zedigheid strijdt.
â 14 â
§ 4-
De gehoorzaamheid.
23-
Indien een Broeder dezer Congregatie, gelijk elke religieus, verplicht is zich door de beoefening van alle deugden aan God aangenaam te maken, zoo moet hij toch voornamelijk trachten door gehoorzaamheid uit te munten, niet alleen wijl deze deugd, op zichzelve beschouwd, hoogst voortreffelijk is en zeer vele voordeden oplevert, maar ook wijl de eigen aard van zijne roeping boven alle andere deugden de gehoorzaamheid vordert.
24.
Ieder Broeder moet er zich bijzonder op toeleggen om altoos in den persoon van zijnen Overste te beschouwen, niet den mensch aan gebreken en zwakheden onderhevig, maar God Zeiven, Die boven alle gebreken en zwakheden is verheven. Een ieder moet met eene ware onderwerping aan zijn Overste, wie hij ook zijn moge, als aan God Zeiven gehoorzamen.
25-
Een ieder moet met een bereidwillig hart , zonder klagen , zonder morren , zonder tegenspreken , nauwkeurig alles ten uitvoer brengen, wat hem door de gehoorzaamheid is opgelegd, al is het ook , dat het soms strijdt met zijn
bedorven natuur , als het maar niet strijdt met Gods heiligen wil.
Waar geen zonde wordt geboden, daar moet zich een ieder beijveren het gebod van zijnen Overste als den wil van God te volbrengen.
26.
Elke Broeder moet er zich met hart en ziel op toeleggen volmaaktelijk te gehoorzamen, niet alleen in zaken van belang, maar ook in de nietigste aangelegenheden , zelfs dan wanneer geen uitdrukkelijk gebod is gegeven en alleen het verlangen van den Overste bekend is. Iedereen moet zich wel overtuigd houden, dat het altijd groot is ook in de kleinste zaken den Koning der koningen te dienen.
27.
Maar om tot volmaakte gehoorzaamheid te geraken, moet men zich niet alleen tevreden stellen uiterlijk te volbrengen wat de Overste heeft voorgeschreven , men moet ook gehoorzamen met eene ware onderwerping van geest en hart.
Men moet alle tegenstrijdigheid van gevoelens door eene blinde gehoorzaamheid tegengaan; men moet zijnen wil met dien van den Overste zooveel mogelijk vereenigen , wel wetende , dat men daardoor zich zeiven meer en meer gelijkvormig maakt aan God, Die de opperste regel is van alle goed.
â i6 â
28.
Allen moeten met een kinderlijk vertrouwen zich geheel en al stellen ter beschikking van hunnen Overste; zij moeten hem de vrijheid laten alles te regelen , zonder ooit eenigen tegenstand te bieden. Zij mogen zich niet bemoeien met hetgeen de Overste omtrent anderen beschikt, noch daarover onbescheidene gissingen maken of gesprekken voeren; maar een ieder moet met onderwerping als van de hand Gods alles aannemen , wat de Overste èn omtrent hem zeiven èn omtrent anderen belieft te beslissen.
29.
Als in een of andere bediening meerdere Broeders werkzaam zijn, moeten de ondergeschikte Broeders ook gehoorzaam zijn aan den Broeder , die als hoofd in deze bediening gesteld is, in zooverre het de belangen van die bediening geldt.
30.
Als iemand van eenen ondergeschikten Overste iets wordt geboden, strijdig met het bevel van eenen hoogeren Overste ontvangen, moet hij dat bevel aan dien ondergeschikten Overste bekend maken ; indien deze dan desniettegenstaande oordeelt, dat zijn bevel ten uitvoer moet gebracht worden , zal hij zich daaraan in eenvoudigheid des harten onderwerpen.
â I; â
3i-
Wanneer iemand aan den eenen Overste iets vraagt, hetgeen hem door eenen anderen Overste is geweigerd, moet hij tevens te kennen geven, dat hij het reeds gevraagd en om welke reden het werd geweigerd , als die reden ten minste hem door den Overste vrijwillig is bekend gemaakt , want nooit mag hij naar redenen van eenig gebod of verbod vragen.
32.
Als aan iemand uit gehoorzaamheid iets is opgedragen, waarvan de uitvoering om de een of andere reden onmogelijk is geworden, zal hij in tijds den Overste waarschuwen, opdat daarin naar behooren zal kunnen worden voorzien.
33-
Niemand mag zonder vergunning van den Overste een brief schrijven , noch dien wegzenden , zonder dat die door den Overste is gezien en gesloten.
Om een brief te schrijven aan Z. D. H. den Bisschop van Haarlem of aan den priester, die door Z. D. H. als algeineene Overste is aangesteld, heeft men geen verlof noodig.
Wordt aan iemand een brief gezonden , dan moet hij eerst aan den Overste worden ter hand gesteld, welke, dien gelezen hebbende, of geeft, of houdt, zooals hij dit voor God het nuttigst
2
oordeelt. Een brief nochtans, aan eenen hoogeren Overste gezonden , of door eenen haogeren Overste geschreven , mag door geen ondergeschikten Overste of geopend of gelezen worden.
34-
Zoo men zich niet aan het grootste gevaar wil blootstellen vroeg of laat in de strikken des duivels te vallen, moet men vooral in geestelijke zaken zich geheel door de gehoorzaamheid laten geleiden.
â 19 â
§ 5-
De versterving.
35-
Bij het onderhouden der religieuse geloften , moeten allen van ganscher harte zich op de beoefening van soliede deugden en wel voornamelijk op de ootmoedigheid en de verachting der wereld toeleggen. Zij moeten trachten zóóver te komen , dat zij overvloeien van vreugde, indien zij waardig worden geoordeeld voor den naam van Jesus smaad te lijden.
36.
Allen moeten zich niet slechts weten te verheffen boven de moeielijkheden, die van buiten komen en die hun met alle braven gemeen zijn, maar ook de onaangenaamheden en kwellingen, die hun persoonlijk zijn en die hun in de Congregatie zelve te beurt vallen, moeten zij trachten met geduld , ja zoo mogelijk met vreugde, te verdragen.
37-
Om tot dezen graad van volmaaktheid te geraken , moeten allen zeer bijzonder de verloochening van zich zeiven, dat is, de inwendige en uitwendige versterving beoefenen. Zij moeten zich steeds levendig voor den geest stellen onzen Heer Jezus Christus met Zijn kruis beladen,
20
hun deze woorden toesprekende ; âAls iemand mijn leerling wil zijn , dat hij dan zich zeiven verloochene, zijn kruis opneme en mij navolge.quot;
38-
Zij moeten zóó hunne zintuigen in toom houden, zóó hunne hartstochten beteugelen , dat het vleesch in alles aan de rede , en de rede aan God gehoorzame. Zij moeten vooral trachten de gebreken uit te roeien , waaraan zij meest onderhevig zijn en te dien einde het bijzonder onderzoek met standvastigheid en nauwgezetheid verrichten.
39-
Zij mogen niet morren , als de fouten en zwakheden , waaraan zij zich schuldig maken , door anderen, die daarvan buiten het Sacrament der Biecht kennis dragen, aan den Overste worden bekend gemaakt. Zij moeten met liefde de waarschuwingen en berispingen aannemen , die hun daarover mochten worden gegeven.
40.
Allen moeten de ledigheid vluchten als cene bron van verderf. In geest van boetvaardigheid moeten zij steeds die werken en bezigheden met ijver verrichten , die hun door de gehoorzaamheid worden opgelegd , innig overtuigd , dat zij, als zondaars geboren , door een onherroepelijk vonnis tot den arbeid zijn veroordeeld.
2 I
41.
De maaltijd moet altijd met de gebruikelijke gebeden begonnen en geëindigd worden; onder den maaltijd moet een ieder niet alleen de regels der matigheid onderhouden, maar met aandacht luisteren naar de geestelijke lezing , die er geschiedt , opdat alzoo, terwijl het lichaam wordt gevoed, ook de ziel eenige verkwikking erlange.
42.
De onthoudingen, die op de Vrijdagen in gebruik zijn, moeten, behalve op de feestdagen, naar gewoonte onderhouden worden.
43-
De Broeders moeten zich , zoo dikwijls de Overste zulks verlangt, in het Kapittel beschuldigen van de uitwendige fouten tegen de Regels begaan , om zooveel mogelijk de ontstichting weg te nemen, die ze daardoor mochten hebben gegeven.
Het Kapittel zal wekelijks worden gehouden, en, ofschoon de Overste kan toestaan, dat niet alle Broeders zich bij dit Kapittel komen beschuldigen, moeten toch allen, zooveel mogelijk , dit Kapittel bijwonen.
Voor de fouten, tegen de broederlijke liefde begaan, wachte de Broeder niet tot het Kapittel, maar vrage daarvoor zoodra mogelijk afzonderlijke poenitentie bij Br. Overste , die dan zal
22
oordeelen, of het ook nog in het openbaar moet geschieden.
44-
Om den geest van religieuse armoede en zuinigheid te bevorderen en tevens een blijk te geven van liefde voor de versterving en de beoefening der nederigheid, zullen de Broeders, als ze het een of ander voorwerp gebroken , ernstig beschadigd of verloren hebben, daarvoor eenige poenitentie vragen afzonderlijk bij Br. Overste. De Overste kan het echter ook in het openbaar doen geschieden, als hij oordeelt, dat zulks tot bevordering van den goeden geest kan strekken.
45-
Iedere Broeder moet zich eens in de maand bij Br. Overste vertoonen en vragen, of de Overste aanmerkingen heeft op zijn gedrag, vooral met betrekking tot de uitivendige fouten tegen de broederlijke liefde en het onderhouden der Regels, inzonderheid der Regels over de stilzwijgendheid.
â 23 â
§ 6.
Het gebed en andere geestelijke oefeningen.
46.
Dc Broeders moeten zich beijveren met den geest van versterving ook den geest des gebeds te vereenigen ; zij moeten hunne geestelijke oefeningen met de meeste nauwgezetheid verrichten en er steeds de hoogste waarde aan hechten , wel overtuigd zijnde , dat zij daaruit de kracht en de sterkte moeten putten , welke zij behoeven om den berg van volmaaktheid te beklimmen, waar God hen roept.
47-
Zij moeten trachten bij al hun doen en laten steeds in Gods heilige tegenwoordigheid te wandelen; zij moeten dikwijls tot den hemel verzuchten door kleine schietgebeden, die zij zich eigen maken; zij moeten dikwijls hunne werken aan God opdragen en er zich bijzonder op toeleggen, om in alles met eene goede en zuivere meening en vooral uit liefde tot God te handelen.
48.
Wanneer een Broeder op den bepaalden tijd zijn meditatie niet kan doen , moet hij den Overste vragen, dat hem een andere tijd daarvoor worde aangewezen. De Overste mag daarin
niet dispenseeren, zelfs niet voor een enkele keer, tenzij alleen in geval van ziekte of andere zeer dringende redenen.
49.
De Broeders zijn verplicht tweemaal daags, eens vóór het middagmaal en eens des avonds, hun geweten te onderzoeken.
Het eerste of bijzonder gewetensonderzoek moet met de daarbij behoorende gebeden een kwartier duren.
50.
Ook zijn de Broeders verplicht, alle dagen eene geestelijke lezing bij te wonen of afzonderlijk te doen. Zij , die dikwerf verhinderd zijn de gemeenschappelijke lezing bij te wonen, b. v. de Broeders-Surveillanten, moeten toch uit al hun vermogen trachten, eenigen tijd aan die lezing te besteden.
5i-
Wanneer een of andere Broeder zonder voor-afgegaan verlof van den Overste te laat komt bij de geestelijke lezing , zal hij , alvorens op zijn plaats te gaan, zich eerst tot den Overste begeven en hem zeggen, door welke omstandigheid hij te laat is gekomen.
Dezelfde regel geldt voor het te laat komen aan den maaltijd.
â 25 â
52.
De Broeders zijn verplicht alle dagen een Rozenhoedje te bidden.
Op de dagen , waarop de Kruisweg gemeenschappelijk wordt gebeden, is men niet verplicht het Rozenhoedje te bidden.
De verplichting blijft evenwel bestaan in de dagen der Retraite of op den dag der maande-lijksche afzondering.
De Broeders, die onder het Lof op het koor zingen , behoeven op de Lof-dagen het Rozenhoedje niet te bidden. Op den dag der maande-lijksche afzondering en als zij in Retraite zijn , blijft de verplichting evenwel bestaan.
53-
De Broeders moeten zich gelukkig achten dikwijls tot de H. Communie te naderen en zich alzoo op de innigste wijze met hunnen Verlosser te vereenigen. Zij moeten trachten in den gloed van Zijn hart de liefde te ontsteken , waarvan hun hart wederkeerig moet branden.
§ 7-
De liefde.
54-
Bij alle andere deugden , die de Broeders te beoefenen hebben , moeten zij ook trachten op eene bijzondere wijze door naastenliefde uit te munten. Zij moeten zich dikwijls de woorden te binnen brengen, die ons Christus met zooveel nadruk heeft toegesproken : âDaaraan zal men weten dat gij mijne leerlingen zijt, indien gij liefde voor elkander hebtquot;
55-
Ofschoon de Broeders als Christenen verplicht zijn alle menschen in hunne liefde te omvatten, moeten zij toch eene bijzondere liefde koesteren voor hunne medebroeders, met wie zij door de heiligste banden zijn vereenigd ; zij moeten elkander met teekenen van genegenheid en eer-bewijzing voorkomen en door wederkeerige liefdediensten den last zoeken te verlichten , dien zij te zamen hebben te torsen.
56.
Niemand mag zich bemoeien met eens anders bediening , of zich de vrijheid veroorloven een ander te berispen , als hij daartoe geen last heeft ontvangen.
Meent iemand eene overtreding van een mede-
broeder aan den Overste te moeten bekend maken, dan kan hij dit vrij doen , doch hij raadplege eerst God in het gebed.
57-
Als iemand eene bediening verlaat, moet hij déngene, welke hem opvolgt, met liefde onderrichten in al hetgeen deze noodig heeft te weten om die bediening goed waar te nemen.
58.
Aan tafel zittende , moet een ieder zorgen, dat diegene, die naast hem zit, behoorlijk van alles zij voorzien.
Wanneer er iets ontbreekt, moet de Broeder die dient, worden gewaarschuwd.
59-
Zekere bijzondere vriendschap met een der medebroeders of een der kinderen , die altijd hoogst verderfelijk is en anderen tot aanstoot strekt, moet uiterst zorgvuldig worden vermeden.
6o.
Elke Broeder moet zich beijveren om de liefde, die hij zijnen ouders en bloedverwanten is verschuldigd , van alle onvolmaaktheden te zuiveren en zooveel mogelijk in eene geestelijke te veranderen.
â 28 â
6i.
Daar onze roeping het vordert met menschen van allerlei stand in aanraking te komen, moet men trachten een ieder te stichten en , zooveel het zijn kan, alles voor allen te worden.
62.
De liefde , door Christus Zeiven ons geleerd, strekke zich uit niet alleen tot onze levende medebroeders, maar ook vooral tot die Broeders, die in den Heer ontslapen zijn. Als leden van ééne en dezelfde Congregatie moeten zij op de eerste plaats hun ter hulp komen , die zich zeiven niet meer kunnen redden.
64.
Na het overlijden van een Broeder zullen de Broeders bij de H. Communie en onder het H. Misoffer vurig bidden voor de rust der ziel van den ontslapene en zullen zij negenmaal hun Rozenhoedje bidden voor hun overledene medebroeder.
â 29 â
§ 8.
De nederigheid.
65.
De nederigheid is dc hechte en duurzame grondslag der andere deugden; zij is de moeder, de voedster, de grondslag en de steunpilaar van het religieuse leven.
De Overste en de Broeders moeten zich derhalve ernstig op deze verhevene deugd toeleggen.
66.
Allen moeten zich bijzonder ijverig toonen in het verrichten van nederige liefdewerken. Ja, hoe nederig een bediening is, des te gelukkiger moeten zij zich achten, wanneer hun die bediening te beurt valt , wel wetende , dat zij alzoo te meer gelijkvormig worden aan hunnen God-delijken Verlosser , Die zich uit liefde tot ons zoo diep heeft vernederd.
67.
De nederigheid bestaat noch in woorden , noch in 't uiterlijke; zij bestaat hierin, dat men eene geringe gedachte van zich zeiven hebbe , geput uit de overdenking , dat al het goede in ons de vrucht is van Gods onverdiende genade, en al het kwade het gevolg van onze eigene zwakheid of schuld.
â so
es.
De Broeders zullen de nederigheid ook in de beoefening brengen in den omgang met hunnen Overste, die bij hen de plaats van God bekleedt. Zij zullen, hem voorbijgaande, steeds eerbiedig groeten , uit eerbied staande met hem spreken en opstaan, als de Overste binnenkomt.
â 31 â
§ 9-
Het onderwijs cn de opvoeding.
69
De Congregatie wijdt zich geheel en van ganscher harte aan het onderwijs en de opvoeding zoowel van arme als verwaarloosde knapen.
70.
Het onderwijs en de wijze van opvoeding moet den godsdienst tot grondslag hebben.
71-
De Congregatie belast zich, als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt , met het bestuur niet alleen van bewaar- en leerscholen, maar ook van opvoedingsgestichten, en legt zij er zich op toe zoowel aan arme als verwaarloosde kinderen de gewenschte opvoeding te verschaffen.
72.
Als de Congregatie de leiding van die kinderen op zich neemt, moet zij trachten ze bekwaam te maken, om zich later het noodige onderhoud te kunnen verschaffen , hetzij door hen in een ambacht te onderrichten of voor den landbouw op te leiden.
73-
De algemeene Overste is gerechtigd op onze
â 32 â
scholen al datgene te laten onderwijzen , wat hij, na zijn raad gehoord tc hebben, ter bereiking van het doel der Congregatie nuttig zal oordeelen. Hij moet zooveel mogelijk zorgen, dat er steeds Broeders voorhanden zijn, die daartoe de noodige bekwaamheden bezitten.
74-
Indien er geen Broeders voorhanden zijn , welke de noodige bekwaamheden hebben, moet de algemeene Overste zorgen, dat er onderwijzers van buiten komen, om in dat gebrek te voorzien. Ook kan hij die binnenshuis doen logeeren, mits deze zich aan de regels van het huis willen onderwerpen.
75-
Zij, die de verplichting hebben, kinderen te onderwijzen en op te voeden, moeten zich wel doordringen van het gewicht der taak , die zij te vervullen hebben. Zij moeten niet alleen bedenken, dat die kinderen op zich zelven dierbaar zijn in de oogen van God , vermits zij zielen zijn door het bloed van Jezus vrijgekocht, zij moeten daarbij ook in acht nemen het nut, dat nog eenmaal door die kinderen kan worden gesticht, indien zij de noodige deugd en bekwaamheid verkrijgen.
§ 10.
De dagorde.
76.
De uren van opstaan worden door den Alg. Overste geregeld naar de omstandigheden in de verschillende huizen der Congregatie.
In geval een Broeder ter oorzake zijner bediening vroeger dan de anderen meent te moeten opstaan, mag hij dit niet doen zonder verlof.
77-
Het morgen- en avondgebed bidden allen zooveel mogelijk gemeenschappelijk of in de kapel óf in eene andere daartoe bestemde plaats.
78.
Allen zullen dagelijks , als het mogelijk is , het H. Misoffer bijwonen.
79-
Na het middagmaal of na de geestelijke lezing zullen de Broeders in de kapel het Allerh. Sacrament bezoeken in die huizen, waar het Allerh. Sacrament rust.
80.
Voor het middagmaal en de recreatie hebben de Broeders anderhalf uur.
De overige recreatie-tijden worden door den
3
â 34 â
Alg. Overste geregeld naar de omstandigheden in de verschillende huizen der Congregatie.
81.
Driemaal daags zullen zij in de kapel bidden 7 Wees gegroeten telkens met een gedeelte der âStabat Materquot;.
82.
De Broeders , die tijdens het bijzonder ge-wetens-onderzoek in hunne bediening waren , kunnen dit houden tusschen elf uur en half drie, maar zooveel mogelijk buiten den tijd der recreatie.
Mochten sommigen zelfs in dien tusschentijd niet kunnen , dan zal het gewetensonderzoek worden verschoven tot het onderzoek van den avond. Men late in deze zaak den Overste oor-deelen , doch in geen geval late men zonder verlof het genoemde onderzoek achter.
Desverkiezende kan men het onderzoek van den voormiddag of van den avond achterlaten, als men op denzelfden morgen of denzelfden middag te biechten is geweest.
83.
Zooveel het zijn kan, moeten alle Broeders ééns in de week hunne biecht spreken op de hun aangewezen dag en bij den priester, die hun door den Bisschop tot biechtvader is gegeven.
De Alg. Overste zal den Bisschop verzoeken,
â 35 â
dat Z. D. H. op de door de kerkvergadering van Trente (sess. XXV, caput 10) bepaalde tijden een buitengewonen biechtvader aan de broeders gelieve te zenden.
Alle broeders zijn verplicht naar het voorschrift van genoemde Kerkvergadering zich bij dezen buitengewonen biechtvader in den biechtstoel te vertoonen.
84.
Met goedkeuring van den biechtvader zullen de geprofeste Broeders iederen Zondag, Dinsdag en Vrijdag tot de H. Tafel naderen ; de niet-geprofeste Broeders alleen des Zondags en Vrijdags ; de postulanten slechts Zondags en op den eersten Vrijdag der maand. De buitengewone Communiedagen zijn : de geboden feestdagen (de afgezette feestdagen er onder begrepen) , de beide feestdagen der 7 Smarten van Maria, het feest van het H. Hart van Jesus, het feest van den H. Jozef, van den H. Vincentius a Paulo , van den H. Ignatius Loyola, van den H. Willi-brordus, van den Patroonheilige van het Gesticht waarin men woont. Allerzielendag, het feest van Maria Praesentatie , ook zullen de Broeders te Communie mogen gaan bij de uitvaart van een lid der Congregatie, bij gelegenheid eener inkleeding of professie, op den geboortedag van den Alg. Overste, op den patroondag van den bijzonderen Overste van het huis, waarin men verblijft en de Novicen ook op dien van den Novicen-meester.
-je
ss-
Wanneer een Broeder tengevolge zijner bediening niet op den bepaalden dag tot H. Communie kan naderen, mag hij dit, na kennisgeving aan Br. Overste , op een anderen dag doen De Br. Overste zal tijdig genoeg hiervan kennis geven aan den Eerw. Rector van het huis.
86.
Buiten de bovengenoemde dagen mogen de Broeders niet tot H. Communie naderen zonder verlof van hunnen biechtvader.
Staat de biechtvader aan een Broeder nog meerdere Communiën toe, dan zal die Broeder hiervan tijdig kennis geven aan Br. Overste, die op zijn beurt den Eerw. Rector van het huis ervan verwittigt. Wanneer een Broeder ernstig tegen den regel gezondigd of door een ernstige fout anderen geërgerd heeft, kan de Overste hem de H. Communie verbieden tot aan zijn eerstvolgenden Biecht.
87.
De Broeders moeten bij al hunne gebeden en goede werken zich innig vereenigen met de H. Kerk onder deze drievoudige meening ;
a. God , de H. Maagd , de Engelen en alle Heiligen te verheerlijken ;
b. Aan de eeuwige en tijdelijke behoeften van al de kinderen der strijdende Kerk te gemoet te komen.
â 37 â
c. De zielen in het Vagevuur te bevrijden.
Zij zullen ook veel bidden voor de kinderen, die aan hunne zorg zijn toevertrouwd.
88.
Alle Broeders moeten ééns in de week de H. Mis hooren en een rozenhoedje bidden voor den Algemeenen Overste , insgelijks voor de overledenen van het huis, waarin zij verblijven.
Aan beide meeningen kan worden voldaan door het rozenhoedje, dat men dagelijks volgens den Regel moet bidden.
- 3« ~
§ ii.
De Retraite.
89.
De Broeders zijn verplicht jaarlijks eene retraite van zeven of acht dagen , zooveel mogelijk , in het Moederhuis te houden , en aan het einde van die retraite hunne geloften op de volgende wijze te vernieuwen :
Almachtige Eeuwige God! ik broeder N.N. vernieuw en bevestig uit geheel mijn hart de gelofte van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, die ik bij mijne professie gedaan heb ; ik smeek Uwe Oneindige Goedheid door het Bloed van Jezus Christus mij de genade te verleenen die volmaakt te volbrengen. Amen.
90.
Indien er echter in een huis een groot aantal Broeders aanwezig is, zal de jaarlijksche retraite aldaar kunnen gehouden worden, zóó nochtans, dat de Algemeene Overste ten minste den een of andere Broeder in het Moederhuis moet laten komen.
91-
De Broeders, die de jaarlijksche retraite niet hebben kunnen bijwonen, moeten deze zoo spoedig mogelijk afzonderlijk doen, en insgelijks aan het eind daarvan de geloften vernieuwen.
â 39 â
92-
In dc jaarlijksche retraite zal elke Broeder, als dc biechtvader zulks goedkeurt , een overzicht van het afgeloopen jaar houden.
93-
Omdat de dagen der retraite dagen zijn van buitengewone genade, zullen de Broeders in die dagen meer de ingetogenheid beoefenen, vuriger bidden , wijl in de dagen der afzondei ing God op buitengewone wijze tot hen spreekt.
94.
Behalve deze jaarlijksche retraite zal de eerste Vrijdag van iedere maand voor de Broeders een dag zijn van afzondering. Op dien dag vervalt elke recreatie, zoodat het silentium geheel den dag wordt onderhouden. Na het middagmaal zullen de kruisweg en de zeven boetpsalmen gezamenlijk gebeden worden. In de maand, waarin de jaarlijksche Retraite gehouden wordt, vervalt de dag van afzondering.
Als op den eersten Vrijdag een groot feest invalt, zal Br. Overste de maandelijksche afzondering op een anderen dag dier maand kunnen deen houden.
â 40 â
HOOFDSTUK III. De huiselijke tucht.
§ i-De tucht.
i.
Om als religieus te leven is het niet genoeg den inwendigen niensch te heiligen , ook de uitwendige mensch moet geregeld worden en daarom is het noodzakelijk , dat de huiselijke tucht met gepaste strengheid worde gehandhaafd.
2.
Een ieder moet zich beijveren nauwkeurig de dagorde te onderhouden, die door den algemeenen Overste is voorgeschreven , en die zoo veel mogelijk voor alle huizen dezelfde moet wezen.
3-
Voor een enkel geval kan elk ondergeschikt Overste in die dagorde dispenseeren , maar wanneer eene algemeene dispensatie mocht noodig schijnen , moet de algemeene Overste worden geraadpleegd, die daarin, na den Raad gehoord te hebben, zal beslissen.
â 41 â
4-
Een ieder moet zich dadelijk op het teeken van de klok als op de stem van Christus Zeiven derwaarts begeven , waar hij geroepen wordt; schrijvende bijvoorbeeld , moet hij zelfs den letter niet willen voltooien, die hij bij het hooren van de klok mocht begonnen hebben.
5-
Buiten de uren van recreatie of uitspanning moet de stilzwijgendheid met de meeste nauwkeurigheid door een ieder onderhouden worden.
6.
Niemand mag gedurende de stilzwijgendheid met een zijner medebroeders spreken, tenzij alleen uit noodzakelijkheid, en dan nog moet dit zoo zacht en zoo kort mogelijk geschieden.
In en buiten den tijd van recreatie spreke men altijd, vooral met vreemdelingen, zoo zacht mogelijk in de gangen van het huis.
Wie in het spreken niet misdoet, is een volmaakt man.
Wie zijn mond bewaakt, bewaakt zijne ziel.
Veel spreken geschiedt niet zonder zonde.
â 42 â
7-
Als een Broeder , die geen Overste is , een afzonderlijke kamer bewoont, mag niemand er ingaan om met dien Broeder te spreken, of om iets anders te verrichten, tenzij op last of met vergunning van den Overste.
8.
Als een Broeder eene kamer wil binnen treden, moet hij vooraf kloppen, en geklopt hebbende de deur niet openen , vóórdat hij antwoord heeft gekregen.
9-
Niemand mag aan een ander brieven of boodschappen overbrengen buiten weten van den Overste.
13-
Wanneer vreemden onze huizen komen bezoeken en de Broeders door dezen worden aangesproken, zullen de Broeders beleefd antwoorden, doch alle onnoodige gesprekken vermijden.
II.
Niemand mag uitgaan zonder toestemming van den Overste , welke die toestemming niet dan om gewichtige redenen mag geven.
Als een Broeder die toestemming heeft verkregen, zal hij den Overste daarenboven vragen.
â 43 â
ivanneer hij moet gaan, en ook of iemand hem moet vergezellen.
Als de Broeder, die uit is geweest, terugkomt, moet hij aan den Overste rekenschap geven van hetgeen hij gedaan heeft, als de zaak zulks vereischt en de Overste het vordert.
I 2.
De Overste van ieder huis moet van tijd tot tijd en vooral in het kapittel de Broeders onderhouden over de gebreken , die hij ten aanzien der huiselijke lucht heeft opgemerkt en hun daarover eene vermaning geven.
13-
Als er iets buitengewoons mocht gebeurd zijn, kan de Overste desverkiezende alle Broeders bijeen roepen , ten einde door eene tijdige vermaning het kwaad des te beter te stuiten.
H-
Niemand mag zonder goedvinden van den Overste zijn kamer of zijn kasten gesloten houden.
Hij moet steeds bereid zijn, den Overste van alles inzage te veileenen.
â 44 â
§ 2.
De recreatie en de wandeling.
15-
Allen moeten zooveel mogelijk de gewone recreaties bijwonen , die er dagelijks na het middagmaal en na het avondeten plaats hebben. Niemand mag zonder vergunning er zich van verwijderen en zich met andere zaken bezighouden.
16.
Die aan de tweede tafel dienen of in de keuken helpen, moeten, na het werk behoorlijk te hebben verricht, zich bij de andere Broeders vervoegen om deel aan de recreatie te nemen.
17-
Indien er in een huis een groot getal Broeders aanwezig is , zal het den Overste vrijstaan om tijdens de recreatie de jongere Broeders van de oudere te scheiden, als het kan dienen om aan de recreatie een nuttiger en doelmatiger richting te geven.
18.
Ofschoon in de recreatie de opgeruimdheid bijzonder wordt aanbevolen, mag toch niemand zich te zeer uitstorten of zich gesprekken veroorloven , die de liefde kwetsen of ontstichting veroorzaken kunnen.
â 45 â
19.
In het bijzonder moet niemand spreken van familiebetrekkingen of van voorrechten, die hij in de wereld heeft genoten, of van nieuwstijdingen , die een religieus niet betamen. Maar een ieder moet trachten door goede en nuttige gesprekken elkander zóó te onderhouden , dat de religieuse geest er door bevorderd kan worden.
Als het kan dienen om de opgewektheid of den goeden geest in de recreatie te bevorderen, kan de Br, Overste tijdens de recreatie het een of ander nieuwsblad voorlezen of laten voorlezen.
Ook kan het voor sommige Broeders, die met de opvoeding van oudere jongens belast zijn , nuttig wezen , dat zij de nieuwsbladen inzien. Zij mogen dit evenwel niet doen zonder toestemming van den Overste en nooit in den tijd, dat zij met de surveillance belast zijn.
20.
Wanneer in de recreatie het gesprek loopt over een onderwerp waaromtrent er verschil van gevoelen bestaat, mag men wel , om de waarheid te huldigen , zijn gevoelen met bescheidenheid verklaren, maar, eenmaal zijn gevoelen verklaard hebbende, moet men zich van krakeelen en twistredenen onthouden.
2 1.
Kik Overste van een huis kan op buiten-
â 46 â
gewone feestdagen aan tafel van de lezing en de stilzwijgendheid ontslaan en op gewone Zonen feestdagen de recreatie na den maaltijd een half uur verlengen.
22.
Niemand mag zich uit de recreatie verwijderen zonder kennisgeving aan Br. Overste.
23-
Als de Broeders tot wandelen verlof krijgen, moeten ze in de steden twee in getal gaan.
24.
Op de wandeling in de steden mag nimmer gerookt- worden.
Om te rooken op de wandeling buiten het gebied der stad , is afzonderlijk verlof van Br. Overste noodig.
25-
De Broeders mogen op hunne wandeling buiten verlof van den Overste nergens een bezoek afleggen, zelfs niet bij de ouders der kinderen,
26.
Het is voor de Broeders buiten twijfel een voorrecht, als zij de onaangenaamheden , welke op de wandeling met de kinderen kunnen voor-
â 47 â
komen, niet behoeven te ondervinden. Daarom zullen zij voor de wandeling zooveel mogelijk wegen kiezen , waar zij 't meest tegen onaangenaamheden zijn gevrijwaard.
De Broeders moeten vooral op de wandelingen zich niet blootstellen aan de gelegenheid om van den kant der wereld te zien of te hooren , wat hun niet dan schadelijk zijn kan. Zij moeten daarom de grootste omzichtigheid in acht nemen, opdat zij niet ondervinden , wat de navolging van Christus zegt , dat men dikwerf van de wandeling een gewicht op het geweten en verstrooiing in het hart te huis brengt. Deze gaat opgeruimd uit, maar keert droefgeestig weder , en de vroolijkheid van den avond brengt neerslachtigheid voor den morgen van den volgenden dag.
27.
De rooktijden worden door den Alg. Overste bepaald.
De Broeders , die tijdens de S8'1quot; Algemeene Vergadering (1903) een snuifdoos hadden, mogen die blijven gebruiken. Zij, die toen geen snuifdoos bezaten en zij, die na die vergadering in de Congregatie zijn gekomen , mogen een doos vragen na hunne geloften van volharding.
- 48 -
§ 3-
De zorg voor de gezondheid.
28.
Gelijk een overdreven zorg voor het lichaam met recht berisping verdient , zoo is eene gematigde zorg, om zijne gezondheid tot Gods eer te bewaren, loffelijk en moet door een ieder aangewend worden.
29.
Ofschoon elke Overste hoofdzakelijk verplicht is het geestelijk belang zijner onderhoorigen te behartigen , mag hij ook hun tijdelijk welzijn niet uit het oog verliezen.
Met de liefde van eenen vader moet hij voor de gezondheid zijner kinderen waken en, blijvende binnen de grenzen der heilige regels, alles doen, wat hij kan om die of te behouden of te herstellen,
30
Bij het stichten van huizen onzer Congregatie moet bijzonder worden gelet, dat die niet alleen in gezonde luchtststreken tot stand komen , maar ook, zonder kostbaar te zijn , zoodanig worden ingericht, als ter bevordering der gezondheid het doelmatigst wordt geoordeeld.
31-
In al onze huizen en in al hetgeen wat tot
â 49 â¢
het gebruik der broeders dient, moet er bijzonder werk worden gemaakt van reinheid en zindelijkheid, daar dit tot stichting van den evenmensch en ter bevordering der gezondheid kan dienen.
32.
Gelijk men niemand met zooveel lichamelijken arbeid mag overladen, dat daardoor de geest gedrukt en het lichaam verzwakt wordt, zoo moet nochtans eene doelmatige oefening des lichaams, die den geest verkwikt en het lichaam versterkt, aan een ieder worden voorgeschreven.
33-
Niemand mag buiten de tijden , door den Regel bepaald, iets eten of drinken zonder vergunning van den Overste.
34-
Ofschoon een vaste, bepaalde regel van eten, drinken, slapen, enz. aan allen moet zijn voorgeschreven, zoo heeft toch de Overste niet alleen het recht, maar ook de verplichting ten aanzien van bijzondere Broeders dusdanige uitzonderingen te maken , als de bijzondere gesteltenis dier Broeders schijnt te vorderen.
35-
Als een Broeder bemerkt , dat hem ten aanzien van kleeding , voedsel of woning het een
4
â SO â
of ander schadelijk is of iets anders noodzakelijk schijnt te wezen, kan hij zijn Overste daarvan kennis geven , mits hij er eerst in het gebed over nadenkt en vervolgens de zaak aan zijne beschikking overlaat.
36.
In geval van ziekte mag niemand een geneesheer kiezen of medicijnen gebruiken buiten weten van den Overste; maar als iemand zich ongesteld gevoelt, moet hij den Overste daarvan kennis geven, opdat deze daarin volgens zijn goedvinden zal kunnen voorzien.
37-
Als de geneesheer een zieke komt bezoeken, moet daarvan dadelijk aan den Overste of aan den zieken-Broeder kennis worden gegeven, opdat hij, daarbij tegenwoordig zijnde, des te beter zou kunnen zorgen, dat al hetgeen er mocht worden voorgeschreven, nauwkeurig ten uitvoer worde gebracht.
38.
In ziekte en ongesteldheid moet een ieder niet alleen aan den geneesheer , maar ook aan den zieken-Broeder in alles wat tot zijne bediening behoort, als aan God Zeiven gehoorzamen; een ieder moet in geest van onderwerping al datgene in acht nemen, wat hem tot herstel der gezondheid wordt voorgeschreven.
â SI â
39-
De Overste moet zorgen, dat de zieken behoorlijk door de Broeders worden bezocht , in zooverre dit den zieken tot troost en den Broeders tot stichting kan strekken.
40.
Indien nochtans de zieke tot waanzinnigheid is vervallen of anderszins ontstichting kan veroorzaken, moet hij wel met alle liefde verzorgd, maar niet onnoodig bezocht worden.
41.
Die de vergunning hebben verkregen een zieke te bezoeken , moeten niet alleen zacht en met gematigdheid spreken , maar ook over zulke zaken handelen, welke geschikt zijn om den zieke op te beuren en de aanwezigen te stichten.
42.
Als de toestand van den zieke gevaarlijk wordt, moet hij intijds met de laatste H. Sacramenten worden voorzien. De Overste moet zorgen, dat, naar de omstandigheden het toelaten , de bediening zoo stichtend mogelijk geschiede.
â 52 â
§ 4-
Het herbergen en reizen.
43-
Het is nooit geoorloofd personen van het andere geslacht in onze huizen te herbergen.
44-
Het zal den Overste of den zeer eerw. Rector van het huis vrijstaan iemand te herbergen , wien zij meenen dezen liefdedienst niet te mogen weigeren.
46.
Aan weldoeners en ouders van de Broeders , die van verre het huis komen bezoeken , zal, met toestemming van den Overste , eenige ver-versching mogen worden aangeboden, zonder dat het daarom den Broeders geoorloofd is iets mede te gebruiken.
47-
De Broeders mogen niet op reis gaan, tenzij alleen uit noodzakelijkheid en op uitdrukkelijk bevel van den Overste. Zij moeten hunne reis tot in de kleinste omstandigheden naar de gehoorzaamheid regelen.
Onder noodzakelijkheid wordt ook begrepen stervensgevaar van ouders.
â 53 â
48.
De Broeders moeten hunne reis met God beginnen ; op reis zijnde, moeten zij zich zooveel mogelijk afgezonderd houden. Indien zij nochtans genoodzaakt zijn , zich in het gezelschap van anderen te bevinden, moeten zij trachten een ieder door hunne zedigheid en bescheidenheid te stichten.
49-
Wanneer de Broeders op reis zijn, mogen zij gebruik maken van de hospitaliteit , die hun door vrienden en weldoeners wordt aangeboden, uitgenomen op die plaatsen, waar de Congregatie een huis heeft.
Voor de Novicen.
§ i.
Voorwoord aan de Novicen.
God is zoo naijverig op de schoonheid van Zijne tempels, dat Hij Zelf de teekening gaf van de arke des Verbonds, welke Zijne woonplaats en een teeken van Zijne tegenwoordigheid onder zijn volk zijn moest; dat Hij eigenhandig het plan grifte van het Heiligdom en uitdrukkelijk verbood daarin eenige verandering te maken.
De Novicen moeten zich beschouwen als tempels , die wel op eene bijzondere wijze aan God zijn toegeheiligd , maar die nog niet behoorlijk zijn afgewerkt, die meer moeten volmaakt en versierd worden naar het verheven plan, dat God ons in Zijnen eenigen Zoon heeft aangetoond.
Onze Verlosser , zegt de Apostel, koos het kruis bij Zijne intrede in de wereld. Op gelijke wijze moeten de Novicen bij hunne intrede in het noviciaat, gedrongen als zij zijn door de liefde en door het verlangen Jesus Christus na te volgen, geheel bezield zijn van ijver voor Zijne eer en tot hun aandeel kiezen den weg
â 55 â
des lijdens, dien hun goddelijke Bruidegom heeft bewandeld , en den bitteren kelk aanvaarden , welken Hij aan Zijne kinderen tot erfgoed heeft gelaten.
Dat zij dan het vaste besluit hebben om zich nimmer te laten afschrikken, en om moedig alle moeielijkheden te overwinnen, welke zij mochten ontmoeten.
Deze overtuiging moet de Novicen bezielen , dat het religieuse leven aanvangt met deel te nemen aan het lijden van Jesus en aan Zijne vernedering. Dit leven is het, hetwelk tot de glorie van Christus leidt.
Zij moeten dus dezen staat niet omhelzen met het doel om vertroostingen te smaken, want de Heer heeft hun regels en wetten voorgeschreven, welke met den zinnelijken mensch en niet de genegenheden van de natuur in strijd zijn.
Veeleer moeten zij derhalve beproevingen wachten, en in deze verwachting met hart en geest zich zeiven vereenigen met den lijdenden Jesus. Hij begon Zijne loopbaan met het lijden en met de ontbering van alle menschelijke hulp, en nadat Hij overladen was van hoon en van smarten , eindigde Hij haar op het schandhout des kruises.
Om aan Zijne teedere Liefde te beantwoorden, en om aan Hem te behagen , moeten zij alle kwellingen , alle wederwaardigheden en alle smarten , die aan het religieuse leven zijn verbonden , omhelzen. Zij moeten zelfs zich verheugen , dat zij waardig worden geacht al de
â 56 â
dagen huns levens den standaard des kruises te mogen dragen ; afstand te doen volgens hunne roeping van de genoegens der wereld ; zich zeiven te verloochenen en slechts te leven voor den Heer, Die alleen waardig is, dat men voor Hem leve en sterve.
â 57 â
§ 2.
Onderrichting over het Noviciaat.
Het Noviciaat dient om de Novicen te beproeven en tot ware religieusen te vormen.
Zij moeten met goedvinden van hun biechtvader na eene buitengewoon zorgvuldige voorbereiding eene biecht afleggen over geheel hun leven, niet slechts om in de heiligste stemming en vrij van alle zonden een nieuw, een geestelijk leven te beginnen , maar ook om zich zeiven beter te leeren kennen ; want èn bij de voorbereiding voor die biecht en bij het voortdurend waken over al hunne handelingen en bewegingen van hun hart , waarvan dat eerste grondige gewetensonderzoek het begin moet zijn , zullen zij ontdekken dat zij, ondanks hunne liefde tot God, welke hen bewogen heeft om alles te verlaten en Christus te volgen, zich aan menigvuldige fouten hebben schuldig gemaakt , dat zij hunne gebreken uit de wereld in het klooster hebben meegebracht, en dat die gebreken misschien wel tot gewoonten zijn geworden. Bij die ontdekking moeten zij zich bezielen met een heilig verlangen om voor vroegere zonden boete te doen en de wonden hunner ziel te genezen , om zich te wapenen tegen de bekoringen , te strijden tegen de booze begeerten der bedorvene natuur en de verkeerde gewoonten af te leggen. In dien voortdurenden strijd beproeft zich de ziel, of zij wel tot het religieuse leven is getrokken
- 58 â
door de eenige beweegreden, die zij daarbij hebben moet, nl. het heilig verlangen om God te dienen door zich zelve voortdurend meer te heiligen.
Zij moeten er zich op toeleggen de noodige wetenschap te verkrijgen om zeiven inwendige menschen te worden en om anderen , die eenmaal aan hunne leiding mochten worden toevertrouwd, te onderrichten, en daarom moeten zij trachten eene zakelijke kennis van de plichten te verkrijgen , welke zij als Christen-menschen en als religieusen te vervullen hebben ; zich zeiven diep te doordringen van het gewicht des eeuwigen heils, van de gevaren der wereld, van de waarde des tijds en van het belang der rekenschap, welke zij aan God over het besteden des tijds moeten geven.
Zij moeten leercn zich te buigen onder het juk des Heeren ; zich zeiven te verloochenen en nimmer hun eigen wil te doen.
Zij moeten worden opgeleid voor het geestelijk leven, de regels leeren onderhouden en in zich zeiven een stevigen grondslag leggen voor de deugd, voornamelijk voor die deugden , welke een Broeder van de H. Maagd dienen te onderscheiden : de nederigheid met de daaraan zoo nauw verwante gehoorzaamheid, de ingekeerdheid, die afzondering en stilzwijgen niet vlucht, maar zoekt, en de liefde tot God, die smaak geeft in gebed en oefeningen van godsvrucht en die vooral beoefend wordt in ware christelijke naastenliefde.
In een woord zij moeten leeren zich zeiven en eigen wil steeds te verloochenen en voort-
â 59 â
durend zich te buigen onder het wel harde maar toch ook zoete juk des Heeren.
En met dit alles moeten zij terstond een aanvang maken, want een slecht begin heeft doorgaans een week en ongebonden leven ten gevolge. Hierom zeide de H. Joannes Climacus, dat een zwak en traag begin gevaarlijk is, want het is een teeken van een toekomstigen val. Het is daarentegen zeldzaam dat men verslapt en afwijkt, nadat men goed aangevangen heeft en zich heeft voorgenomen goed te eindigen.
Diensvolgens is het van het uiterste belang , dat de Novicen geen van de kostbare oogen-blikken verliezen van hunnen korten proeftijd. Wordt deze tijd niet goed besteed, dan zal hij voor hen geheel nutteloos wezen en , ofschoon de kostbaarste tijd van hun leven, slechts dienen om hen tot religieusen te vormen, die wel den naam , maar noch den geest, noch de deugden van religieusen bezitten en dus behebt blijven met de gebreken, welke zij uit de wereld hebben medegebracht ; zij zullen het bederf zijn van de Communiteit in plaats van hechte zuilen, de eer en glorie van de Congregatie , zij zullen verloren gaan in hunnen staat en daarbij wellicht anderen in dat verlies medeslepen.
Dat de Novicen derhalve zich wachten te gelijken op den dwaze, van wien Jezus Christus in het Evangelie spreekt; hij bouwde zijn huis op een zandgrond , doch weldra stortte het tot puin in één ; zij zouden doen als hij, bijaldien zij het geestelijk gebouw van hunne volmaking
â 6o â
op eene valsche roeping of op eene verkeerde godsdienstigheid, of op eigenliefde, of op gehechtheid aan hunne zienswijze en aan hunnen eigen wil, of op flauwheid en verstrooiing wilden optrekken. Op dergelijken grondslag zouden zij niets stevigs bouwen, niets Gode waardigs. Bekoringen , moeielijkheden en kwellingen zouden niet uitblijven , hun afkeer van hunnen staat inboezemen, totdat zij ten laatste deze verlaten, of in regel- en ordeloosheid beleven.
De Novicen moeten om hunnen proeftijd goed en ijverig te beleven zich hoofdzakelijk bevlijtigen : iu. om goed te leeren mediteeren en liefde voor de meditatie te krijgen, want de meditatie verbonden met het gewetensonderzoek , dat de meditatie als het ware afsluit, is inderdaad het voedsel voor het geestelijk leven; zonder meditatie zal ons hart verdorren ;
2quot;. om door het overdenken van eigen ellende en schuld zich op te wekken en kracht te krijgen tot boete, versterving en waakzaamheid ;
3°. om in den geest van boetvaardigheid gaarne aan te nemen en goedwillig te verdragen alle ongemakken der armoede , alle vernederingen , kwellingen zoowel naar ziel als lichaam en al het overige dat der natuur vijandig is en waarvoor de wereld zoozeer vreest ;
4quot;. om uit versterving zich te ontdoen van alle gehechtheid. Iedere gehechtheid toch zou hen blijven binden aan de wereld , welke zij verlaten hebben , omdat zij zoo zondig is en altijd tot zonde bekoort. Daarom zeiden ook de
Apostelen tot Christus : âZie, wij hebben alles verlatenquot;; en eerst daarna voegden zij er bij : âen wij zijn U gevolgdquot; ;
5°. om zich te wapenen tegen de bekoringen, die bij alle onthechting toch niet zullen uitblijven, omdat zij , ofschoon alles verlaten hebbende , toch de bedorven menschelijke natuur niet konden afleggen. Het grootste gevaar bij die bekoringen is voor een Novice misschien wel de ontmoediging, als hij ook in het geestelijk leven, wellicht buiten zijne verwachting, de voortdurende neiging ondervindt tot het kwaad. Daarom moet hij zich diep doordringen van de waarheid, dat hij den vollen vrede eerst in den hemel zal vinden , en dat ook het klooster voor hem een strijdperk blijven zal, maar een strijdperk waar hij veiliger en met meer zekerheid van te overwinnen strijd zal voeren ;
6°. om in de overweging van het leven onzes Heercn Jezus Christus en Zijner heiligen, die ook bekoord zijn geworden, kracht te putten, maar vooral voorbeelden te vinden, hoe zij moeten doen;
7°. om van Christus en de Heiligen te leeren, altijd bij al hun doen en laten alleen te vragen : wat is de H. wil van God en daarom
8quot;. geen vrijwillige fouten , hoe klein ook , gering te schatten of te verontschuldigen, maar te streven naar eenc groote reinheid van geweten, daar dit de zekerste en geschiktste weg is tot die heiligheid en volmaaktheid, waartoe zij van God zijn geroepen ;
9quot;. den tijd goed te besteden door de ledig-
â 62
heid te vluchten , en al wat zij doen , ook het geringste en onaanzienlijkste werk , zoo goed mogelijk te verrichten met het oog op God, in Wiens dienst zij arbeiden ;
I O0, om zich te gewennen al hunne werken te verrichten met eene levendige godsvrucht, met de zuivere meening om aan God te behagen;
li0, als ware dienaars van God nooit hun eigen wil of inzicht te volgen , maar geheel te leven in de beoefening der gehoorzaamheid ;
12quot;. evenals hun Goddelijk voorbeeld Jezus Christus de naastenliefde tegenover elkander en tegenover degenen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd, te beoefenen door groote welwillendheid, geduld en inschikkelijkheid ;
13°. zich derhalve goed eigen te maken steeds in de tegenwoordigheid van God te wandelen, d. i. voortdurend aan God te denken, niet slechts bij het gebed in de godsdienstoefeningen, maar bij alle werk en zelfs bij de uitspanning ; immers hetzij wij eten, hetzij wij drinken, hetzij wij iets anders doen, altijd behooren wij aan God. Een veelvuldig gebruik van kleine schietgebeden, eene stille verheffing des harten tot God bij het aanschouwen van een Kruisbeeld of Kerk of heiligenbeeld, een kleine acte van liefde, wanneer zij getuigen zijn van eenige beleediging Gods door de fouten van anderen zullen hun leven maken tot eene voortdurende opvolging van het goddelijk voorschrift; âgij moet altijd bidden zonder ophoudenquot; en âwandel voor mijn aanschijn en wees volmaaktquot;.
â 63 â
§ 3-
De gebreken welke de Novicen voornamelijk te vermijden hebben.
Deze gebreken zijn de volgende :
I. Geestelijke traagheid: deze vertoont zich gewoonlijk
1°. In geringschatting van de regels en gebruiken der Congregatie.
2°. In het niet ernstig opvatten van den plicht der stilzwijgendheid.
3°. In het lichtzinnig verwaarloozen van vermaningen over hunne gebreken.
II. Hoovaardigheid, die zich openbaart
1°. In het niet kunnen verdragen, dat wij worden vermaand.
2°. In een zekere eigenzinnigheid , waardoor wij zeiven willen beoordeelen , welke gebreken wij verbeteren moeten.
3°. In het zich moeielijk kunnen onderwerpen.
4°. In al te gevoelig zijn bij voorkomende moeielijkheden. Wie van zoodanige inborst is , is niet geschikt voor eene Congregatie , welke den ootmoed op den voorgrond stelt bij hare leden.
III. Onverstorvenheid; deze bestaat in:
1°. zich over te geven aan zijne luimen, zoo-
-r
â 64 â
dat men wispelturig wordt, den eenen dag ijverig en geduldig, den anderen dag ontevreden en twistziek ;
20. bijzondere vriendschap met eenige van zijne medebroeders of met anderen. Zoolang dergelijke vriendschap bestaat zal men nimmer rlt;
vorderen op het pad der deugd. n
n n k
n
g
t( h
e d
O 11
âU-O.IIâ l!
II
V 1-
e
7.
r t
e \ \ J
- 6s -
§ 4-
De voornaamste plichten der Novicen.
De eerste voorwaarde om eenmaal een waar religieus leven te leiden is de intrede van het noviciaat. Den ganschen proeftijd moeten de novicen besteden aan de betrachting van de noodige deugden, ten einde zich zei ven te bekwamen voor hunnen staat. Zij moeten zooveel mogelijk zich zei ven onthechten van de werken, gedachten en gevoelens der wereld, en daarentegen een nieuwen geest aandoen en in hunne harten verlangens naar het eeuwige ontsteken.
Het is dus van liet hoogste belang, dat de eerste oogenblikken van den proeftijd goed worden besteed en dat de aanvang van eene zoo groote onderneming de hoogst mogelijke volmaaktheid bezitte. Van den dag, waarop zij hunne intrede doen in den religieusen staat, moeten zij groote achting koesteren voor alles wat zij daar zullen vinden : voor hunne Overheid, voor hunne medebroeders, voor de regels en zelfs voor de onbeduidendste instellingen en zich steeds bev/ust zijn, dat zij niet zijn gekomen om te beoordeelen, maar om beoordeeld te worden.
Zij moeten eene oprechte en zuivere meening en niets anders op het oog hebben dan de eer van God, hun eigene zaligheid en het zielenheil van den naaste. Hunne blikken moeten zij op Jesus Christus alleen gevestigd houden, en Hem
5
te behagen, Hem te beminnen, als hun eenig erfgoed beschouwen.
Van den aanvang van hunnen proeftijd af tot zoolang de novicenmeester het noodig oordeelt, zullen zij van dezen leeren kort, duidelijk en rouwmoedig te biechten en al hetgeen verder wordt vereischt om dit H. Sacrament waardig te ontvangen. Zij moeten vooral ieeren vermijden , in de biecht onnoodige en niets afdoende zaken te verhalen.
Ook moeten zij leeren wat vereischt wordt om waardig en met vrucht te naderen tot de H. Communie, goed de H. Misofferande bij te wonen, het rozenhoedje te bidden en er de geheimen van te overwegen. Daarenboven kunnen zij, doch immer met bescheidenheid, de noodige inlichtingen van den novicenmeester vragen. Maar bovenal moeten zij God bidden om genade , ten einde veel vruchten te mogen plukken van het onderwijs, dat wordt gegeven.
De Novicen moeten zeer ijverig zijn in het leeren van den Catechismus, dewijl het mede tot hunne roeping behoort de jeugd daarin te onderwijzen. Zij moeten derhalve trachten eene bijzondere bekwaamheid voor deze gewichtige bediening te verkrijgen. Te dien einde zullen zij den Catechismus van het Bisdom dikwijls lezen en overlezen en daaruit zelfs van buiten leeren, wat de Novicenmeester nuttig oordeelt, en mocht een of ander daarin voorkomen, wat zij niet verstaan, dan moeten zij inlichting vragen , opdat zij op hunne beurt kunnen antwoor-
â 67 â
s
g den op de moeielijkheden, welke hun mochten
worden voorgesteld en alzoo behoorlijk zich )t kwijten van de groote taak , welker vervulling
t, hun is opgedragen.
n Dewijl het mediteeren een noodzakelijk mid-
:r del is om te vorderen in de deugd en om de
g gebreken uit te roeien en tevens zeer krachtig
is tegen de verkeerde genegenheden van de na-e tuur, zoo is het van zeer groot belang, dat de
Novicen diep doordrongen worden van achting t en liefde voor deze heilige oefening. Zij moeten
e naar de meditatie als naar de ware hemelspijze
e hongeren. Deze spijze zal in hen allen smaak
voor de wereld dooden , en hen voeden met den n geest van zelfverloochening, welken Jesus Chris-
e tus zoo krachtig heeft aanbevolen. Om hierin
te slagen moeten zij den avond te voren het onderwerp van de meditatie voor den volgenden
1 morgen en de vruchten , welke zij er van wen-schen te plukken, zorgvuldig overwegen. Zij
t mogen niets verzuimen van hetgeen kan bijdra-
2 gen om goed te leeren mediteeren en met vrucht d deze oefening te doen. Eindelijk moeten zij uit i al hun vermogen trachten de bezwaren te boven ; te komen, welke het heilzame doel van de 1 meditatie kunnen verijdelen.
5 De Novicen moeten er zich aan gewennen
1 steeds in Gods heilige tegenwoordigheid te leven.
, Deze oefening is hun niet slechts nuttig, maar
l ook noodzakelijk, omdat God geheel hun hart
wil bezitten en Hij van hen verlangt, dat zij voor Zijn heilig aanschijn in volmaaktheid wandelen.
*
â 68 â
De Novicen moeten niet nalaten eiken morgen al hunne werken aan God toe te wijden , en deze toewijding door den dag te vernieuwen , zoo mogelijk bij elke daad, opdat zij de zuiverheid van meening, het verlangen om aan God te behagen en in alles Zijn heiligen wil te doen zich mogen eigen maken. Zij moeten nimmer met overhaasting aan het werk gaan , wijl dit niets goeds voortbrengt en niet gepaard kan gaan met vordering in de deugd.
Omdat de religieuse staat zooveel zoetheid bezorgd aan den met eenvoudigheid gehoorzamende, moeten de Novicen een heiligen afkeer hebben van hun eigen wil en oordeel en tegen beiden zonder ophouden strijd voeren, wijl beiden een beletsel aan hun geluk kunnen stellen.
Tot richtsnoer van hun gedrag moeten zij de gehoorzaamheid kiezen en zich naar haar regelen in al hunne werken , door zich voor te nemen immer de inzichten en gevoelens van diegenen te volgen, die hun door God tot leidslieden zijn gegeven.
De Novicen moeten trachten onverschillig te zijn ten opzichte van hun verblijfplaats , bediening, studie en over het algemeen van alles wat God niet is, opdat zij volkomen bereid mogen wezen tot alles wat de gehoorzaamheid vordert. Zij moeten insgelijks, werwaarts zij ook worden gezonden , met bereidvaardigheid aan iederen Overste gehoorzamen en hem beschouwen als den plaatsbekleeder van God, waaruit volgt, dat zij zich niet al te zeer moeten hechten zelfs niet
â 69 â
aan dengene, wiens voorbeeld zij meenen dat hun nuttig zijn kan. Daarentegen moeten zij zóó gehoorzamen, dat geen menschelijke beweeggrond hen leide; maar zij moeten zich alleen hechten aan God, Die naijverig is op geheel hun hart.
De uitspanning zullen zij , mits zij minstens drie in getal zijn , gezamenlijk houden , en dit vooral in de huizen waar een Noviciaat is, tenzij de Novicemeester hen van de verplichting om de recreatie bij te wonen mocht ontslaan. Het onderhoud tijdens de uitspanning mag loopen over allerlei onderwerpen mits zij onschuldig zijn , de goede indrukken , die bij meditatie of andere godsdienstoefeningen en onderrichtingen zijn verkregen, niet uitwisschen door al te groote uitgelatenheid , en anderen niet op al te zware proef stellen door ongepaste plagerijen. Omdat wij echter eenmaal rekenschap zullen moeten afleggen van ieder ijdel woord, moeten zelfs de onbeduidendste gesprekken geheiligd worden door de goede intentie , om die uitspanning uitsluitend te laten dienen als een verademing voor ernstiger zaken, zooals wij de rust genieten om straks beter te kunnen arbeiden ; ja zelfs bij de heiligste gesprekken over God en Zijne Heiligen â die natuurlijk in de uren van uitspanning niet uitgesloten zijn â moeten zij alle droefgeestigheid en neerslachtigheid, alle gemaakte vroomheid vermijden; ook zulke gesprekken moeten eene ware uitspanning blijven , die met een blij en opgewekt gelaat kan genoten worden.
â 7o â
Buiten den tijd van uitspanning mogen de Novicen , zonder noodzakelijkheid , niet met elkander spreken , ook niet zonder verlof van den Overste met andere personen , hetzij zij huisgenooten zijn of niet. Zij moeten grooten eerbied koesteren voor de regels over de stilzwijgendheid , hun leven lang dien stiptelijk onderhouden. Mocht het echter noodzakelijk zijn, bij sommige gelegenheden en in oogenblikken van stilzwijgendheid te spreken, dan moeten zij het met alle mogelijke ingetogenheid doen.
Zij mogen elkander niet prijzen, vooral niet in elkanders bijzijn; niet te min zullen zij hunne vreugde aan den dag leggen wegens den lof, welke aan hunne medebroeders te beurt valt.
Krachtdadig moeten zij alle achterdocht, lichtvaardige oordeelvellingen , nieuwsgierige, ontevredene en kwaadwillige gedachten over anderen tegengaan. Zorgvuldig moeten zij allen twist en gemor vluchten, en integendeel uit ootmoed en ter bevordering van de liefde liever duizendmaal toegeven, zelfs wanneer zij gelijk hebben.
Ingeval iemand hun harde of beleedigende woorden mocht toevoegen, moeten zij dit in zachtmoedigheid verdragen en zich wel wachten een antwoord te geven, waardoor zij hunne gevoeligheid aan den dag leggen. Zij moeten veeleer het oog van dergelijke beleediging afwenden , en het vestigen op de zachtzinnigheid van Jesus, zooals Hij die beoefende, toen Hij beleedigd en gelasterd werd. Het is voor de Novicen een dure plicht in hunne gemeenzame
gesprekken niet te handelen over de gebreken van het huis, waarin zij hun verblijf hebben, of waar zij geweest zijn. Dit hebben zij voornamelijk te vermijden als vele broeders te zamen komen. Zij mogen derhalve noch van den Overste noch van de broeders, die eenige bediening hebben, noch van anderen spreken, evenmin van Priesters, tenzij het ware om mede te deelen wat men heiligs en deugdzaams heeft waargenomen en wat dienen kan om de achting voor hen te verhoogen.
Zij moeten dus zeer voorzichtig zijn, ten einde noch in de uitspanning, noch bij andere gelegenheden , de liefde hetzij rechtstreeks of zijdelings te kwetsen. Daarentegen moeten zij immer eene zachte en eenvoudige beminnelijkheid, een opgeruimd gelaat, eene jegens allen gelijke voorkomenheid hebben , zoodat ieder zich van hen verwijderende, tevreden en gesticht zij.
Indien van een Novice een dienst wordt verzocht, welke hij niet kan bewijzen, zal hij trachten door zachte en hartelijke woorden den vrager te bevredigen, en zich wel wachten met stuurschheid te antwoorden of door harde en onbezonnen taal het hart van zijnen medebroeder te kwetsen.
Zij moeten van alle schepsels zich losmaken en aan God alleen zich hechten; Hij toch moet geheel hun hart bezitten.
Zij moeten in overeenstemming met den naam dien zij dragen, zich zelven als de minsten beschouwen en diensvolgens zeer nederig zijn. Met
â 72 â
grooten ootmoed moeten zij allen dienen en eerbiedigen.
Novicen, als gij uw gedrag regelt naar bovenstaande wenken, zult gij een hechten grondslag voor de godsvrucht leggen , van den geest van uwen staat worden doordrongen en gelijken op een bloeienden boom, die geplant is aan den oever en op zijn tijd vruchten draagt. Gij zult namelijk, niet slechts gedurende uwen proeftijd, maar al de dagen uws levens, het goede doen en zóó vruchten voor de eeuwigheid dragen. De H. Aloysius en de H. Stanislaus wijdden zich zeiven Gode zóó volmaakt toe, dat zij binnen twee jaren groote heiligen werden en verdienden in de rijen der hemellingen te worden opgenomen. Kiest beiden tot uw voorbeeld en tot uwe beschermheiligen. Wie weet of ook gij niet zult sterven in uwen proeftijd evenals zij ; maar zeker is het, dat gij nooit een ijverig en volmaakt broeder zult zijn, wanneer gij geen ijverig novice zijt geweest, die zich op de volmaaktheid met ernst heeft toegelegd. Gewoonlijk lezen wij dan ook in de levens van heilige kloosterlingen, dat zij reeds in hun Noviciaat de volmaaktheid schenen bereikt te hebben.
Leert naar het voorbeeld dier heiligen kleine zaken groot achten en prijs stellen op hetgeen nietswaardig schijnt. Laat dit in uw gedrag doorstralen en zijt steeds indachtig de woorden van den H. Geest: âmunt uit in al uwe werkenquot;.
â 73 â
en
I § 5-
n-
ig De plichten der Novicen jegens den
ui Novicen-meester.
'P
;n De Novicen moeten hunnen meester hartelijk
üt beminnen , in hem een kinderlijk vertrouwen ,
d, dat met eerbied is gepaard , stellen en hem
;n dankbaar zijn voor de zorg waarmede hij hen
n. voor den religieusen staat opleidt. De Novicen-
;n meester is eigenlijk hun vader in Christus Jesus,
n- wijl hij hunne geestelijke kindsheid voedt met
r- de melk der heilzame Goddelijke onderrichtingen.
;n Hij beschermt zijne kinderen in Jesus Christus
:n tegen de listen des vijands en leidt ze op in
ij deugd en heiligheid. Hij eindelijk bestuurt ze
i ; in den naam en in de plaats van God, en waakt
n over hen, wijl hij eenmaal rekenschap van hunne
n zielen moet geven.
1- Zij moeten dus alle vooringenomenheid tegen
i- hunnen meester verwerpen en geene gedachten
;e koesteren , welke de liefde en het vertrouwen
it kunnen verminderen, welke zij te zijnen opzichte moeten hebben. Daarbij moet de gestadige en
e vertrouwelijke omgang met den Novicen-meester
n geen inbreuk maken op den eerbied, welken de
g Novicen hem zijn verschuldigd, doch zij behooren
n j steeds indachtig te zijn, dat hij de plaats van God
'. | bekleedt. Ook moeten zij niet te veel aan de persoonlijke hoedanigheden van hunnen meester hechten, dewijl dit oorzaak wordt, dat men om
â 74 â
menschelijke beweeggronden gehoorzaamt, terwijl uit het geloof de gehoorzaamheid moet voortkomen.
De Novicen moeten de leiding van hunnen meester getrouwelijk volgen
Wanneer zij te zamen zijn en de Overste tegenwoordig is, is het niet noodig dat zij opstaan als de Novicen-meester binnenkomt of zich verwijdert; 't is dan voldoende eene buiging met het hoofd te maken. Doch ingeval de Novicen-meester een Novice (waar ook) aanspreekt, is deze verplicht op te staan.
De Novicen mogen niet buiten het Novice-Huis gaan zonder verlof van den Novicen-meester en ingeval zij uitgaan moeten zij aan hem te kennen geven werwaarts zij zich begeven.
Allen moeten met eenvoudigheid en zonder tegenspraak gehoorzamen aan den Novicen-meester en al wat hij beveelt.
Voor elke vergunning moeten de Novicen en Postulanten zich richten tot den Novicen-meester ; ook hunne werkzaamheden worden door den Novicen-meester bepaald. Alhoewel de Novicen-meester onderworpen is en blijft aan het gezag van den Br. Overste, treedt hij ten opzichte van de Novicen en Postulanten als hun Overste op.
Zij mogen niet met geprofeste Broeders spreken van hetgeen in het Noviciaat voorvalt, noch van hetgeen in de onderrichting of bij andere gelegenheden door den Novicen-meester is gezegd
â 75
^ 6.
De dage lijksc he bezigheden van de Novicen.
Deze zijn over 't algemeen dezelfde oefeningen van godsvrucht, welke de geprofeste broeders hebben.
Als aan de Novicen onderrichting gegeven wordt, dan moet het onderwerp zijn :
a. de uitlegging van den regel of het geestelijke leven.
b. de uitvoerige verklaring van de eene of andere wijze van mediteeren.
c. het bijzonder en algemeen gewetensonderzoek.
d. de H. Misofferande ;
e. de Biecht;
Æ. de H. Communie;
g. de overige godvruchtige oefeningen zooals de geestelijke lezing, het rozenhoedje enz.
h. het opstaan , het slapen gaan , de wijze waarop men zich te kwijten heeft van de kleine bedieningen des Noviciaats, zooals te dienen aan tafel, bedden opmaken, vegen enz. 4enz.
i. verklaring van de deugden , welke hun in het bijzonder zijn aanbevolen.
j. wekelijks eene onderrichting over de regels van de Novicen Daags voor de/gröote feesten, eene onderrichting over het geheim dat men viert.
O'
\
â A
k de uitlegging van de geloften , die vooral zal geschieden in de maand, die aan de professie voorafgaat.
3-
De Novicen zullen de geldelijke zaken, waarover zij beschikken kunnen , vóór de professie regelen.
4-
Voordat iemand tot de professie wordt toegelaten , moet hij zich onderwerpen aan het examen , dat de Ordinarius overeenkomstig het voorschrift van de H. Kerkvergadering van 1 rente (sess. XXV, C. 17) moet houden.
DECREET
van de H. Congregatie voor den staat der Regulieren , uitgevaardigd op gezag van Paus Pius IX, 25 Januari 184S.
De Roomsche Opperpriesters hebben, overeenkomstig hun herderlijke storg, waarmede zij niet verzuimd hebben, steeds liet welzijn en den luister der reguliere genootschappen te bevorderen, dit vooral, zooveel zij konden, aan de oversten aanbevolen, dat deze, alvorens postulanten tot het rellgieuse kleed toe te laten, volijverig onderzoek zouden doen naar hun leven, zeden en verdere begaafdheden en hoedanigheden, om niet voor onwaar-digen den toegang open te stellen tot religieuse genoot-schappen, die onvermijdelijk daardoor zeer groote schade zouden lijden. Doch welken ijver de bestuurders van Orden ook aanwenden om inlichtingen te vragen, toch verkee-ren zij zeer dikwerf in groot gevaar van misleiding, indien zij niet van de plaatselijke Bisschoppen getuigenis vragen omtrent de hoedanigheden van hen, die aanzoek doen om tot het religieuse kleed te worden toegelaten ; want de Ordinarissen kunnen krachtens hun herderlijk ambt beter dan anderen hunne, schapen kennen en menigmaal die beletselen aan den dag brengen, welke voor anderen verborgen zijn. Dit overwegende â gehoord de wensch van de Kardinalen der Heilige Roomsche Kerk , die behooren tot deze heilige Congregatie voor den staat der regulieren, en gelet op het verzoek van sommige Bisschoppen â bepaalt en verordent onze Allerheiligste Vader Paus Pius IX met Apostolisch gezag, door dit tegenwoordig decreet, dat op alle plaatsen en te allen tijde voortaan moet onderhouden worden, het volgende:
- 78 â
I. In volstrekt iedere orde, congregatie, soeieteit. instituut, klooster, huis â hetzij er plechtige hetzij er enkelvoudige geloften worden afgelegd, en alhoewel er spraak kan zijn van orden, congregaties, sociëteiten, instituten, kloosters en huizen, die krachtens een bijzonder privilegie, al is dit ook in liet kerkelijk wetboek vervat, of krachtens eenigen anderen titel, hoedanig ook, niet begrepen zijn in algemeene decreten, tenzij er van hen een bijzondere, eigene en uitdrukkelijke melding worde gemaakt â mag niemand tot het geestelijke kleed toegelaten worden zonder getuigschrift zoowel van den Or-dinaris der geboorteplaats als van den Ordinaris der plaats, waar de postulant na voltooiing van zijn vijftiende levensjaar langer dan een jaar vertoefd heeft.
II. De Ordinarissen moeten in voornoemd getuigschrift, nadat zij, ook door heimelijk ingewonnen berichten, ijverig onderzoek gedaan hebben naar de hoedanigheden van den postulant, verslag geven omtrent zijn afkomst, ouderdom, zeden, levenswijze, faam, stand, opvoeding, kunde; of hij gerechtelijk verdacht is, in eenige censuur, irregulariteit, of ander kanoniek beletsel vervallen, met schulden bezwaard is of rekenschap omtrent eenig beheer nog heeft af te leggen. En de Ordinarissen moeten wel weten, dat zij voor de waarheid van het medegedeelde in geweten verantwoordelijk blijven, en dat het hun nimmer vrijstaat, zulk een getuigschrift te weigeren; maar dat zij daarin omtrent elk der bovengenoemde punten alleen datgene moeten getuigen, wat zij in den lieer oordeelen naar geweten te kunnen bevestigen.
III. Aan alle reguliere oversten en aan ieder van hen in het bijzonder, alsmede aan de andere religieusen, wien het aangaat â van welken rang en van welk instituut zij ook mogen wezen, al is dit exempt en gepriviligieerd en voor de rechtsgeldigheid uitdrukkelijk te vermelden â wordt de naleving van dit decreet, ook uit kracht dei-heilige gehoorzaamheid, gestrengelijk voorgeschreven ; en wie tegen den inhoud van dit decreet iemand tot het religieuse kleed heeft toegelaten, hij beloope door die daad zelve de straf der berooving van alle bedieningen en van stemrecht en van altoosdurende onbevoegdheid om andere in het vervolg te verkrijgen, van welke straf
liij niet dan door den Apostolisclien Stoel kan ontheven worden.
IV. Krachtens eenigerlei privilegie, faculteit, indult, dispensatie, goedkeuring van regels en constituties, zelfs in bijzonderen vorm, welke eenige orde, instituut, overste of religieus van den Apostolisclien Stoel kan verkrijgen, worde nimmer geacht, dat dit decreet opgeheven is, indien hot niet uitdrukkelijk en met name opgeheven wordt, alhoewel in de verieenings-akte algemeene op-heffingsforniulen . hoe ruim van zin ook , worden bijgevoegd. En indien aan eenig instituut uitdrukkelijk en niet name dispensatie omtrent dit bepaalde decreet ooit mocht verleend worden, dan zal deze geenszins tot andere kunnen uitgestrekt worden krachtens eenigerlei privilegie of mededeeling van privilegiën.
V. Telken jare, op den eersten Januari, worde dit decreet aan den gemeenschappelijken maaltijd voorgelezen op straffe der berooving van bediening, alsook van onbevoegdheid om te stemmen üf bij stemming verkozen te worden , welke straf de oversten door het feit zelf be-loopen.
Opdat echter de naleving van dit decreet niet door eenigerlei reden, titel of voorwendsel verhinderd worde, zoo heft Zijne Heiligheid ten eenentnale op en verklaart voor opgeheven : volstrekt alle hiermede strijdige constituties, regels en statuten, â al zijn zij ook in bijzon-deren vorm door den Apostolisclien Stoel goedgekeurd, â van iedere orde, congregatie, sociëteit, instituut, klooster, huis, zonder uitzondering: alsmede volstrekt elk privilegie, al is het ook in het kerkelijk wetboek vervat en door Apostolische constituties en decreten bevestigd en al vereischt het een uitdrukkelijke, eigene, bijzondere en zeer bijzondere vermelding : alsook al het overige, hoedanig het moge zijn, wat hiermede in strijd is.
Gegeven te Home uit de heilige Congregatie voor den staat der regulieren, den 25sten Januari 1848.
Andreas Can. Bizarri , Secretaris.
be
Voor de Postulanten. st
za
i. te
m
De eigenschappen , welke in een Postulant d; vereischt worden, zijn : beproefde deugd, onbesproken afkomst en naam, eene goede gezondheid en een gezond verstand.
2.
Redenen van uitsluiting zijn ; weerspannigheid, lichtzinnigheid , droefgeestigheid , onvatbaarheid voor de bedieningen der Congregatie en te ver gevorderde leeftijd; op dit laatste zal nochtans in bijzondere omstandigheden en om gewichtige redenen eene enkele uitzondering mogen gemaakt worden.
3
De Postulanten moeten medebrengen de som van minstens Æ 500.â ter bestrijding van de onkosten hunner proefjaren.
Als zij het Noviciaat verlaten, zal men hun eene som, geëvenredigd naar den tijd, welken 7,ij in het Noviciaat zijn geweest, teruggeven.
De bovengenoemde som kan meer of minder bedragen naar gelang van tijd , plaats en omstandigheden.
5-
Alvorens een Postulant het kleed aanvaardt , zal hij eene retraite houden van drie dagen , tenzij hij binnen de twee jongst verloopene maanden eene retraite van minstens zooveel dagen hadde gehouden.
Bewaart de orde, opdat de orde u beware.
Bovenstaande Regels voor de Congregatie der Broeders van O. L. Vr. van Zeven Smarten worden door Ons goedgekeurd en voor alle leden der Congregatie verplichtend gemaakt, in het vaste vertrouwen, dat zij, trouw nageleefd, een uitstekend middel zullen zijn om de heiligheid te bereiken, die van den kloosterling mag en moet gevorderd worden.
Haarlem, feestdag van den H. Marcellinus 1904.
-j- Augustinus Josephus,
Bisschop van Haarlem.
EENIQE WENKEN
AAN DE
EERf. BROEDERS-SURVEILLANTEN.
i.
De eer van God en het welzijn der kinderen moet het groote doel zijn van iederen Broeder-Surveillant.
Hij denke aan het woord van onzen Goddelijken Zaligmaker : Al wie één van deze kinderen in mijnen naam ontvangt, ontvangt Mij.
2.
Leest dikwerf de regels, die voor de kinderen gegeven zijn , wijl het een der eerste plichten is van den Surveillant te zorgen, dat deze door hen stipt worden opgevolgd.
,
3-
Weest openhartig met uwe Oversten. Maakt hun zonder vrees het goed en kwaad der kinderen bekend; raadpleegt ze in moeielijke gevallen en legt hun ook de fouten bloot, die gij
_ 84 â
in 21 zeiven hebt opgemerkt , vooral van al te groote toegevendheid of te groote strengheid.
4-
Leeft in volmaakte overeenstemming met de andere Broeders-Surveillanten, opdat er éénzelfde geest heersche in de wijze van opvoeding dei-kinderen. In alles moet die éénheid zichtbaar zijn.
5-
Wilt u niet mengen in zaken, die u niet aangaan. De Broeder-Surveillant vooral gehoorzame blindelings aan hetgeen de Overste als zijn wil heeft te kennen gegeven.
6.
Door de stem van uwe Oversten heeft God Zelf u in deze betrekking geplaatst. Wilt dus niet morren of ontevreden zijn of naar iets anders verlangen.
7-
Draagt met vreugde de kruisjes , die gij als Surveillant meermalen zult ondervinden ; daardoor vooral bevordert gij voor u zeiven den religieusen geest, maar boven alles de eer van God, Die door het kruis de wereld heeft verlost.
8.
Draagt den kinderen , aan uwe zorg toever-
trouwd, eene vaderlijke genegenheid toe; denkt er aan: zij worden door Jezus en Maria vurig bemind. God blijft de zondaars liefhebben , ondanks hunne vele en groote gebreken. Tracht het kwade door het goede te overwinnen.
(Rom. XII, 21).
9-
Bemint zooals Jezus bemint; niettegenstaande hunne herhaalde overtredingen blijft Hij de menschen met Zijne liefde achtervolgen. Of Hij dreigt of straft of beloont, de grond van alles is de liefde, het doel hun eeuwig welzijn.
10.
Trekt het eene kind niet boven 't andere ; toont zelfs niet den minsten schijn van meerdere genegenheid. De oogen der kinderen zijn op dit punt zeer scherp. Deze raadgeving sluit niet uit, dat men eene bijzondere belooning geve aan hen, die zich door goed gedrag en voorbeeldige vlijt onderscheiden.
11.
Stelt evenmin door eene natuurlijke afgekeerd-heid het eene kind achter 't andere : tusschen gelijken moet de balans gelijk zijn.
12.
Zonder God kunt gij niets; bidt Hem dus
â 86 â
dikwerf door een hartelijk gebed , opdat Zijne kracht en genade moge aanvullen, wat u in het gewichtige werk der opvoeding ontbreekt.
13-
Bestudeert met zorg de verschillende karakters, om het goed en het kwaad der kinderen beter te kunnen schatten. Oordeelt niet te veel naar het uiterlijke; mistrouwt de kinderen , die u vleien of voortdurend aan uwe zijde zijn of die u alle kleine overtredingen mededeelen , die zij in hunne kameraden hebben opgemerkt.
14.
Wanneer zij u eene groote overtreding, door een ander kind begaan, uit plichtbesef meêdeelen, moogt gij nimmer bekend maken, door wien u dit gezegd is: geen der kinderen wil voor zijne kameraden weten, dat hij iets kwaads van hen heeft overgebracht.
Bij onvoorzichtigheid in deze teedere zaak zoudt gij den mond der kinderen sluiten bij zaken, die u soms hoogst noodig zijn te weten.
IS-
Bij berisping en straf komt vooral het karakter der kinderen 't meeste uit. Ziet ook met zorg toe , hoe zij spelen , hoe zij loopen , hoe zij omgaan met hunne kameraden; let zelfs op hunne houding , wanneer zij staan of zitten ; slaat de
- 87 -
uitdrukkingen gade, die zich vertoonen op hun gelaat, in hunne oogen , in hunne gebaren, wanneer gij een ander kind prijst of berispt ; ziet met welke kameraden zij 't liefst omgaan. Vergeet echter niet, dat er meer dan één dag noodig is om iemand goed te kennen. Zijt dus niet te haastig in uw oordeel.
16.
Hoe gij ook over een kind denkt, ten goede of ten kwade, spreekt er nooit over met andere kinderen. Zij vertellen elkander alles, en het gevolg hiervan zou zijn : jaloerschheid, afkeer, haat, kwaadspreken.....
17.
De rede alleen , geleid en geholpen door de kennis van het kinderlijk hart en vooral door het inwendige licht der genade , zij u tot gids bij het groote werk der opvoeding. Verwart dus geen zekere heftigheid met goed geplaatsten ijver; ziet geen onbuigzaamheid aan voor vastheid van karakter , geen hartvochtigheid voor eene rechtmatige strengheid , geen geneigdheid om niets te verschoonen, niets te vergeven voor eene nauwgezette plichtsbetrachting. Houdt overal een waakzaam oog om de orde te handhaven, maar maakt onderscheid tusschen het eene kind en het andere, tusschen de eene omstandigheid en de andere; in één woord weet uw oordeel
â 88 â
naar omstandigheden te wijzigen, zonder nochtans ooit iets te kort te komen in de tucht of in de opvoeding.
18.
De ongeregeldheden of overtredingen, begaan door de kinderen onder toezicht van een Broeder die voor een wijl de plaats van den Broeder-Surveillant vervangt, worden nooit door dezen laatste verschoond of vergoêlijkt; de straffen , tijdens zijne afwezigheid den kinderen opgelegd, worden door hem streng gehandhaafd om zijn eigen gezag geen afbreuk te doen.
19.
Een goed Surveillant wachte zich vooral, dat zijne verbeelding niet alles verzware, dat zijn eigenliefde niet alles ten verkeerde uitlegge, dat hij niet voortdurend en bij elke gelegenheid den kinderen het vroeger bedreven kwaad verwijte.
20.
Doch van den anderen kant zorge hij, dat zijne goedaardigheid niet ontaarde in flauwheid of weekelijkheid , dat zijne nederigheid geen beschroomheid worde of menschelijk opzicht, dat zijne toegevendheid bij sommige gelegenheden geen bewijs zij van zwakheid of te weinig gezag, in één woord hij wachte zich wel, dat bij de kinderen nooit eenig vermoeden opkome.
â 89 â
dat hij niet bekwaam is hen te besturen of dat hij weinig belang stelt in de onderhouding van een of anderen regel. De regels blijven heilig èn aan hem èn aan de kinderen. Door te weinig godsdienstigen eerbied voor de regels ontstaan wanorde en de betreurenswaardigste gevolgen.
21.
Geeft een ieder volgens zijne werken , doch let wel; het is bij de bestraffing der kinderen beter een weinig onder de verdiende straf te blijven dan hierin iets te ver te gaan. Wilt gij noch te toegevend noch te streng zijn :
1. Geeft dan eerst uwe waarschuwing in het algemeen.
2. Berispt vervolgens in het bijzonder hen , die niet pogen zich te verbeteren.
3. Legt bij de eerst voorkomende overtreding eene middelmatige straf op, en bedreigt ernstig, wanneer het nog eens mocht gebeuren, zwaarder te zullen straffen.
4. Houdt woord op dit punt.
5. Laat nooit scherpe of voor het kind vernederende woorden over uwe lippen komen ; spreekt vooral nooit minachtend over zijn ouders.
Men moet zich altijd weten te bezitten , zich wachten voor elke overhaasting en met kalmte naar de redenen luisteren, die het kind op eerbiedigen toon te zijner verontschuldiging opgeeft, en naarmate die redenen aanwezig zijn , moet ook de straf verminderen. Bij groote fouten,
â 90 â
b. v. koppigheid, gebrek aan eerbied, brutaliteit enz , raadplege men de Oversten.
22.
Welke ook de opgelegde straf zij, zij moet altijd medelijden in u opwekken. Gij moet de kinderen beminnen óm God , maar ook zooals God. Zegt God: Ik berisp en kastijd diegenen, die ik bemin (Apoc. III, 19), zou dan de navolger van Christus zonder gevoelens van dat teeder medelijden zijn , dat zich zoo heerlijk openbaarde, toen onze Goddelijke Verlosser het ontrouwe Jeruzalem ging straffen ? Toen Hij de stad sag, weende Hij over haar. (Luc. XIX, 41) Die kinderen zijn de ledematen van Jezus Christus; zij verdienen te meer medelijden, naar mate zij schuldiger zijn. Denkt er wel aan : Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. (Mt. V, 7). Met deze gedachten zult gij bij 't straffen elk gevoel van voldoening of haat onderdrukken. Nooit moge een kind zeggen : âNu is de Broeder tevreden, nu ik gestraft benquot;. Allen moeten begrijpen, dat gij door te straffen aan een zeer moeilijken plicht voldoet.
23-
Moet gij het kwaad tegengaan , niet minder noodig is het, de geschikte middelen aan te wenden om het goede te bevorderen. Ter verkrijging van dit doel is eigenlijk maar één
middel, nl. een levendig belangstellen in alles, wat de kinderen aangaat , in alles met hen meêleven. Daardoor zult gij hun van tijd tot tijd diensten bewijzen, die in uw oog misschien nietigheden zijn , maar door de kinderen op hoogen prijs gesteld worden, b.v. het ter hand stellen van een voorwerp , dat een kind heeft laten vallen; het doen van een of andere boodschap, waarom het u vriendelijk verzocht heeft; een woord van tevredenheid; een kort bezoek tijdens zijne ziekte; een woord te zijnen gunste in zijne afwezigheid; een groet, een woord van
aanmoediging..... Wat van het hart uitgaat ,
gaat zoo spoedig naar het hart terug. Geeft deze kleine bewijzen van genegenheid ook van tijd tot tijd ongemerkt aan hen , over wie gij u 't meest te beklagen hebt: Doet wel aan die u haten. (Mt. V, 44). Moge het karakter van 't kind er al niet spoedig door veranderen , gij wint zijn hart en lang zullen de bewijzen uwer goedheid hem bijblijven.
24.
Hecht voor u zeiven geen waarde aan de diensten , die gij den kinderen bewijst; laat u nooit voorstaan op eenig recht van dankbaarheid. Moet gij hun iets overeenkomstig de regels weigeren , doet zulks met zachte woorden. De liefde overwint alles.
â 92 â
25.
Brengt hun bij voorkomende gelegenheden de uitwendige beleefdheidsvormen en de regels der wellevendheid onder 't oog.
26.
Vastheid van karakter gepaard aan eene groote goedheid: zietdaar de twee groote hulpmiddelen om te verkrijgen van de kinderen, wat wij eischen ; namelijk stipte onderhouding der regels.
Gij zult gelukkig zijn , als gij deze raadgevingen opvolgt. (Jo. XIII, 17).
AAN DE
EERWAARDE BROEDERS
die aan liet hoofd der wer^laatseii gesteld züu.
i.
Orde voert tot God. Beijvert u derhalve, dat er op uwe werkplaats orde en regel, netheid en zindelijkheid heersche.
2.
Onder orde en regel wordt op de eerste plaats verstaan het onderhouden van het stilzwijgen , dat zoowel aan u als aan de jongelingen is voorgeschreven. Gij moet hun ten voorbeeld zijn, gelijk Christus het voor ons allen is, doch weet wel, dat uw klooster-regel, die het silentium voorschrijft, nooit door u overtreden wordt, als gij met hen zaken bespreekt, die het werk betreffen.
3-
Draagt zorg, dat het gaan naar en van de
â 94 â
werkplaatsen ordelijk geschiede. Niemand mag de werkplaats verlaten, zonder zijn gereedschap op behoorlijke plaats te hebben neergelegd.
4-
Begint en eindigt uwe werkzaamheden met een gemeenschappelijk gebed, dat zoo mogelijk knielend verricht worde.
5-
Uwe heiligmaking was het groote doel van uw intrede in 't klooster. Weest daarom bij al uw werken de woorden van den Apostel indachtig ;
âHetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij IETS ANDERS doet, doet alles ter ecre van Godquot;.
6.
Iedere Broeder is op zijne werkplaats tegelijk surveillant, dus hij wake ook over die zijner leerlingen, welke buiten de werkplaats eenig werk in het huis verrichten. Deze bezoeke hij meermalen op den dag om te zien, of zij zich ordelijk gedragen.
7-
Met hetgeen de jongelingen onder uwe leiding geleerd hebben, zullen zij naderhand in hun onderhoud moeten voorzien. Het is dus uwe taak het werk, dat zij afleveren , nauwkeurig
â 95 â
te onderzoeken om hun met zachte woorden de gebreken, die daarin voorkomen, onder het oog te brengen. Weest er van overtuigd, dat zij zich later u dankbaar zullen herinneren.
8.
Keurt nooit met harde woorden in tegenwoordigheid der jongens af, wat op uwe werkplaats niet gemaakt is, om u des te meer in de nederigheid te oefenen en den schijn niet op u te laden, alsof uw werk volmaakt is.
9-
Wijl de uiterlijke wellevendheid gegrondvest is op de christelijke naastenliefde, zult gij zorgen, dat bij quot;t bezoek van uwe Oversten of vreemdelingen op uwe werkplaats de beleefdheidsvormen door uwe leerlingen worden in acht genomen , b. v. dat zij opstaan , wanneer zij gezeten zijn ; het hoofd ontblooten; niemand aanspreken vóórdat zij aangesproken worden enz.
Goed vóórgaan doet goed volgen.
IO.
Duldt van uwe leerlingen nooit eenige oneerbiedigheid of onbetamelijk woord tegenover uw persoon. Zonder gezag is het onmogelijk de orde te handhaven en de jongelingen, aan uwe zorg toevertrouwd, goed te onderrichten.
â 96 â
11.
Groote overtredingen op de werkplaatsen zult gij uwen Oversten bekend maken, straf of berisping aan hen overlatende.
12.
Om den ijver en het goed gedrag der leerlingen te bevorderen, zal nu en dan een of andere kleine belooning zeer veel bijdragen b. v. een kwartier of half uur vroeger uitscheiden met werk. Iedere belooning werkt altijd ten goede. Maar denkt steeds, dat gij geene belooning kunt geven zonder toestemming uwer Oversten.
13-
Zoekt de genegenheid der jongens te winnen, vooral door een zachten en vriendschappelijken omgang, zonder nogtans te veel af te dalen of aan uw plicht en geweten te kort te komen.
14-
De Broeder-novice, aan 't hoofd cener werkplaats gesteld, wachte zich wel den eerbied en gehoorzaamheid, die hij zelf aan zijne Oversten verschuldigd is, uit 't oog te verliezen. Een novice, die in overheid gesteld is, kan zeer spoedig gevaar loopen zich op iets te laten voorstaan en daardoor zijne nederigheid te schaden.
â 97 â
IS-
Als gij de hulp noodig hebt van een uwer medebroeders, op eene andere werkplaats werkzaam , moet gij steeds beleefd vragen , wat gij van hem verlangt ; wordt niet driftig , wanneer hij u niet aanstonds behulpzaam is en weest hem dankbaar voor de goede diensten u bewezen.
16.
Wanneer de benoodigdheden, voor uw werk noodzakelijk , u niet goed of onbruikbaar toeschijnen , zult gij op eerbiedigen toon uwe Oversten er mee in kennis stellen ; laat geen ontevredenheid blijken, indien er aan uwe aanmerkingen geen gevolg gegeven wordt Dit laatste gebeurt dikwerf om uwe deugd te beproeven, uwe nederigheid, onderwerping en gehoorzaamheid te toetsen. En valt die vernedering u moeilijk, denkt aan het groote offer van armoede, dat gij God vrijwillig gebracht hebt.
17-
De gelofte van armoede, die gij hebt afgelegd, maakt u onbekwaam om zonder toestemming uwer Oversten iets aan anderen weg te schenken. Gij hebt alle recht van eigendom verloren , zoodat het weggeven of ontvangen van de kleinste zaak eene overtreding is van uwe H. Gelofte. Gij hebt alles verlaten om Christus te volgen.
â 98 â
i8.
Niets behoort u toe â â niets is uw eigendom. Gaat dus niet roekeloos of verkwistend om met zaken, aan uwe zorgen toevertrouwd, en behartigt met de geestelijke ook de tijdelijke belangen van het huis , waarin gij werkzaam zijt. Wij moeten altijd grootere zorg hebben voor het goed, dat anderen, dan wat ons toebehoort.
19.
Weest immer de groote spreuk van den H. Augustinus indachtig:
Beivaart de orde, opdat de orde u beware.
wmm
E«^ 3^ -'â¢Jf /^j. v?* ^s- ~i?f /V. j
^ ^
mf
%
^f. ^ ^s^quot; f^l- 3v /w, ^jiJr ^r,
«?⢠/av v*?f ^f. ^y- j
r^s. ft,.
i-Jf- c,-«,T J«- â .â â ijl' i-»' ..,% - J,^-
quot; ⢠' quot; quot; 'H ...... quot; ^L...
Al
«- ^ v^ ^ -vjf /w, 3quot;vs?r Ar, ^5
m
^ 3v-lt;- o ^
b- =«amp; ''I?-