ocr page 1

z w

I

1

GEESTELIJKE AFZONDERING,i

m

MAAHDKLtïJKSOHK

ten' dienste van

1 fj

m

if

m

ocr page 2
ocr page 3

MEDITATIËN S

VOOR DE

HAAHDELIJKSCHE

GEESTELIJKE AFZONDERING,

TEN DIENSTE VAN

TILBURG,

Stoomdrukkerij van het R. K Jongens-Weesliuis. 1 890.

ocr page 4

IMPRIMATUR.

M. F. DE BEER, Sup. Gen. et Dec. ad hoc delegatus.

Datum Tilburgi, 10 Januarii 1890.

ocr page 5

VOOR DE MAAXDELIJKSCHE

GEESTELIJKE AFKONDEBÏFfï

1. MEDITATIE»

O Sacrniu convivium. O H. Gastmaal!

GEBED VOOR DE MEDITATIE.

Almachtige, eeuwige God! God van grootheid en liefde, ik hen niet waardig om mijne knieën voor U te huigen , veel minder om met U te spreken en mijn hart aan U te openharen. Gij zijt hier wezenlijk en waarachtig tegenwoordig ; dit erken ik, en ik belijd tevens, dat ik zonder U niets kan, niets vermag. Als kind kom ik tot U, mijn besten en liefderijken Vader, in eenvoudigheid des harten biddende, dat alle gedachten en bewegingen van mijn hart, en alle werkingen van mijne ziel, zuiver en ten volle strekken tot den dienst en de glorie van uwe goddelijke Majesteit. Verlicht mijn verstand, om uwe goddelijke waarheden te kennen, en beweeg door uwe genade mijnen teil, om volgens die waarheden mijn leven in te richten. — Onze Vader. — Wees gegroet.

ocr page 6

le Voorspel. Zich Jesus Christus voorstellen , zeggende : Neemt en eet, dit is mijn lichaam. (Mt. XXVI. 26.)

2e Voorspel. O Heer Jesus, geef, dat wij de H. Geheimen van uw Lichaam en Bloed zoo mogen vereeren , dat wij altijd de vruchten uwer Verlossing ondervinden. (Gebed der H. Kerk.)

le Punt. De Communie is een heilige Maaltijd.

Overweeg waarom deze Maaltijd heilig is..... Wie

recht deze tafel aan ? Is het niet do liefdevolle Verlosser der wereld, de Zoon Gods, de Heilige der heiligen?----

Voor wie recht Hij ze aan ? Wie zijn zijne genoodig-den , zijne gasten ? .... Zoovele zuivere , heilige zielen over de geheele wereld verspreid. Ik, arme zondares, bevind mij onder hen met een besmeurd feestkleed ! .... Welke spijze wordt mij voorgediend? Geen gewoon voedsel , dat slechts een oogenblik de zinnen streelt, maar eene hemelsche , eene goddelijke Spijze ; ja , eene goddelijke Spijze! want Christus zelf, die God en mensch is, wordt daar genuttigd! Hij , die in den Hemel door Engelen en Heiligen aanbeden wordt, en eeuwig hun geluk en vreugde uitmaakt, Hij is hier mijne Spijze! Hij komt tot mij ; Hij komt in mij ; Hij vereenigt zich met mij zoo innig mogelijk , zoodat zich geen nauwere vereeniging l iat denken, en wij met den TI. Paulus mogen zeggen: Ik leef; niet ik, maar Christus leeft in mij. (Gal. II. 20.) Wel hoe! Word ik geroepen, om Jesus Christus te nuttigen? Ik, zondares, den Heilige der heiligen ? Ik , nietige aardworm , den Koning der koningen, den Heer der heeren ! o Wonderbare zaak! Eene verachtelijke slavin nuttigt haren Heer !.... En met welk doel is deze goddelijke Maaltijd aangerecht ? Tot gedachtenis van het lijden en sterven van mijn Heer en God, Jesus Christus , ter herinnering aan al die naamlooze

ocr page 7

5

smarten , die Hjj geleden heeft in den hof van Olijven , aan de geeselkolom , op den Kruisweg , op den Calvarieberg. Zoo dikwijls gij dit brood zult eten en dezen kelk zult drinken, zult gij den dood des Heer en verkondigen. (1 Cor. XL 21.)

Welk eene eer , welk een geluk voor mij, aan dat H. Gastmaal te mogen deelnemen! Welke zorg moet ik aanwenden, dat op mijn feestkleed geen enkele vlek worde gevonden !.... Hoe vurig moet ik naar den dag, naar het oogenblik der H. Communie verlangen !.... Hoezeer ben ik verplicht Jesus dikwijls te bedanken voor dit onwaardeerbaar geschenk !. . ..

2C Pc NT. De uitwerkselen van dien H. Maaltijd.

Met weinige woorden duidt de H. Kerk die aan, als zij zegt; „ De ziel wordt met genade vervuld , en een onderpand der toekomende glorie ons gegeven.quot;

De ziel wordt met genade vervuld! Na de H. Communie heb ik Jesus, de bron der genade in mij. Wat kan mij dan ontbreken ? Hoe heeft God ons met Hem ook niet alles geschonken ? (Rom. VIII. 32.) Ik heb niet alleen licht in mij , maar de Bron van alle licht; niet alleen kracht en sterkte , maar den Oorsprong van alle kracht, 'tls dan waar, wat de H. Teresia zegt, en ik geloof het ten volle, dat éóne II. Communie voldoende zou zijn , om eene heilige van mij te maken! En na zoovele HH. Communiën ben ik nog zoo onvolmaakt!.. . . Waaraan moet ik dit toeschrijven ? Niet aan de H. Communie , maar aan mij zelve. Als mijn hart geheel ledig waar van zonden, van aardsche genegenheden en verstrooiingen, ja, dan zou het vervuld worden met genade; want Jesus verlangt niets vuriger dan ze in ons overvloedig uit te storten. Doch gelijk een vat, 't welk voor een gedeelte reeds eene stof inhoudt, ook maar gedeeltelijk met eene andere kan worden gevuld , zoo kan ons

ocr page 8

6

hart maar genade opnemen naar gelang het vrij en ledig is van ongeregelde neigingen. Een onderpand der toekomstige glorie wordt ons gegeven. Als ik Jesus waardiglijk ontvang, welk een vertrouwen mag ik dan niet hebben, dat ik eeuwig zalig zijn zal! 't Is Hem niöt genoeg ons duizend middelen van zaligheid aan de hand te doen, en ons met woorden te verzekeren, dat Hij onze zaligheid wil en ons in zijne handen , ja, in zijn Hart geschreven draagt; maar bij dat alles wil Hij mij nog een onderpand geven, dat mij bewijzen moet, hoe gerust en zeker ik op zijne liefde en zijne beloften kan afgaan. En welk een onderpand! Geen goud of zilver of edelgesteente; neen, tot onderpand wil Hij ons niets minder geven dan zich zeiven. O , als wij eene moeder een ader van haren arm zagen openen , om haar kind met haar bloed te voeden, zouden wij dan twijfelen aan hare liefde? Maar Jesus doet voor mij veel meer! Om mij het eeuwig leven des Hemels te kunnen schenken, voedt Hij mij met zijn goddelijk Lichaam en Bloed , en zegt mij : l)ie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, heeft het eeuwig leven, en Ik zal hein opwekken ten jong sten dage. (Joan. VI. 55.)

o God , welk een troost voor mij , als ik eenmaal op mijn sterfbed zal liggen en bevreesd zal zijn voor uw oordeel! Wat zijt gij bedroefd, mijne ziel, en waarom beangstigt gij mij? Vertrouw op God! (Ps. 42. 5.) In die laatste oogenblikken zal Hij nog tot mij komen om mij zich zei ven tot onderpand der eeuwige vreugde te geven! Wat zou ik dan den Rechter vreezen? Is Jesus Christus, die mij oordeelen moet, niet troostend en bemoedigend in mijn binnenste ? — Aanstonds zal Jesus Christus wederom in mij neerdalen.. . . Heer, maak mijn hart ledig van al het aardsche , vervul mij met uwe genade , opdat uwe komst mij inderdaad hot onderpand der toekomende glorie zij ! Geef mij nu reeds de gesteltenis, die ik op mijn sterfbed zou wenschen te hebben!

ocr page 9

7

gebed na de meditatie.

Ik offer U op, mijn God! alle heilige gedachten, goede bewegingen en voornemens, die Gij U gewaar dig d hebt mij te geven, tot uwe meerdere glorie en tot zaligheid mijner ziel; ik stel die in uwe heilige handen, opdat zij aldaar eeuwig bewaard blijven en dezelve nimmer uit mijn geheugen gaan. Ik draag U ook op mijne ziel en mijn lichaam, en al de krachten derzelve, en beloof die te zullen gebruiken, tot he tg ene ik in deze meditatie mij voorgenomen heb te zullen doen,

Heere! geef mij de noodige genade, om die voornemens getrouwelijk uit te voeren.

Allerheiligste Maagd , mijne lieve Moeder , mijn heilige Engelbewaarder, mijne heilige Patronen, weest mijne voorsprekers bij God, en verwerft voor mij, dat ik deel hebbe in al de aanbiddingen , die gij doet voor den troon des Allerhoogsten, opdat ik na dit sterfelijk leven , Hem met u moge loven , aanbidden, dienen en beminnen in alle eeuwigheid. Amen. — Onze Vader. — Wees gegroet.

IL MEDITATIE,

Over de dankbaarheid jegens God.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

le Voorspel. Stellen wij ons onzen Heer Jesus Christus voor op het oogenblik , dat Hij na de genezing der tien melaatschen teleurgesteld zegt: Zijn niet tien gereinigd geworden? En de negen, tcaar zijn zij? (Luc. XVII. 17.)

2e Voorspel. O H. Maagd Maria , die den Heer zoo vurig bedankt hebt in uw Magnificat, ik bid u , doe mij deelen in uwe dankbaarheid.

ocr page 10

8

le Punt. Waarom moeten icij dankbaar zijn jegens God?

De H. Kerk drukt ons in iedere H. Mis dien plicht van dankbaarheid op het hart en geeft ons de redenen aan, waarom wij dien plicht moeten vervullen; „Laat ons den Heer onzen God danken .... want waarlijk 't is vereerend, 'tis rechtvaardig, 't passend , 'tis heilzaam, dat wij U, o Heer, altijd en overal dank zeggen.quot; (1)

Het is vereerend voor ons, God te mogen danken. quot;Wie is God, die zich gewaardigt mijne dankbetuigingen aan te nemen , — en wie ben ik ? Hij is „ de Heilige Heer, de Almachtige Vader, de eeuwige God,quot; aanbeden door Cherubijnen en Serafijnen; — ik ben slechts een aardworm, niet waardig mijne oogen tot Hem te verheffen ; mijne lippen zijn bezoedeld , mijne handen onrein! ....

Het is rechtvaardig, dat ik God den Vader, den Zoon, den H. Geest dank. Is mijn leven niet een aaneenschakeling van weldaden Gods ? Wat heb ik , dat ik niet van God ontving? Dat ik besta, dat ik eene onsterfelijke ziel bezit, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, dat ik een lichaam heb met zoo edele vermogens , zijn het geen weldaden van U , o Hemelsche Vader ? — De verlossing met al hare gevolgen , uw lijden , uw bloed , uwe tranen, uwe leer, uwe voorbeelden, uwe HH. Sacramenten , uwe blijvende tegenwoordigeid in het H. Tabernakel, 'tzijn gaven uwer goedheid, o Heer Jesus Christus! — En 13 , o H. Geest, U dank ik de roeping tot het ware geloof en tot den religieuzen staat, en tal-looze inspraken en genaden, waardoor het geloof levendig in mij bleef! — Neen , nooit was een recht beter be-Avezen dan Gods recht op mijne dankbaarheid. En waar

(1) In de Preefatie : Gratias agamus Domino Deo nostro.....Vere diynum

et justum est, cequum et salutare nos Tibi semper et nhique gratias agere.

ocr page 11

9

zijn mijne dankzeggingen ?.....O God, ontferm U mijner

volgens de menigte uwer barmhartigheden!

Het is passend, dat ik God dank. Een bedelaar zoude ik het kwalijk nemen, zoo hij my voor het ontvangen eener aalmoes geen dank zegde , — in een redeloos dier zelfs zie ik gaarne, dat het zich dankbaar toont; en toch vergeet ik, redelijk schepsel Gods, zoo dikwijls, dat God mijn grootste quot;Weldoener is ; terwijl ik van Hem de treffendste liefdeblijken ontvang, zie ik niet op tot de vaderlijke hand , die ze mij schenkt!

Het is heilzaam , dankbaar te zijn. „ quot;Wees dankbaar „ voor het minste,quot; zegt Thomas a Kempis , (Sav. II. 10.) „ en gjj zult waardig zijn het grootere te ontvangen.quot; Maar „ de ondankbaarheid ,quot; zegt de H. Bernardus, „ is „ de vijandin der ziel; 't is een schroeiende wind, die de „ bron der barmhartigheid , den stroom der genade doet „ opdrogen.quot;

Mijne ziel, erken dan voor God, dat gij Hem waarlijk dank verschuldigd zijt, vraag Hem vergeving over uw gebrek aan erkentelijkheid , beloof beterschap en noodig alle schepselen uit. God met u te loven en te danken. ...

2e Punt. Waarin moet onze dankbaarheid bestaan ?

Volgens den H. Thomas van Aquine bevat de dankbaarheid drie deelen, namelijk : de weldaad erkennen, er dank voor betuujen en er een (joed gebruik van maken. Geen dezer drie mag ontbreken. Ik moet dus de weldaden , die God mij deed met mij te scheppen , met mij te verlossen , met mij , toen ik in zonde was , te sparen , met mij in het ware geloof en in den religieuzen staat zooveel middelen van heiligmaking te bezorgen, erkennen, op prijs stellen, er dikwijls aan denken, mij de verhevenheid van den Gever, de grootheid zijner gaven, de liefde waarmede Hij ze mij gaf, in't geheugen terugroepen.

ocr page 12

10

Zegen , mijne ziel den Heer, en wil geen zijner weldaden vergeten! (Ps 102. 2).....

Ik moet aan God mijnen dank betuigen. „ Komt en hoort, gij allen die den Heer vreest, en ik zal u verhalen, welke groote dingen de Heer aan mijne ziel gedaan heeft.quot; (Ps. 65. 16.) De Heer verlangt die betuiging van mij , en Hij heeft daar recht op. Zelf geeft Hij er mij dagelijks meermalen gelegenheid toe. Het morgenen avondgebed, — de gebeden voor en na de maaltijden,—-de Kerkelijke Getijden, — zijn dat niet zoovele gelegenheden , om God den dank te betuigen, dien wij Hem schuldig zijn ? Jesus Christus heeft zelf ons dankoffer willen worden in de H. Mis , waardjor wij aan God zooveel kunnen teruggeven als wij ontvangen hebben : wij kunnen niet méér ontvangen en ook niet méér teruggeven dan Jesus Christus, door wien de Engelen de Majesteit Gods prijzen , de Heerschappijen aanbidden, de Machten des Hemels beven.

Ik moet Gods weldaden goed gebruiken dat is : ze doen dienen tot zijne glorie. „ Zoo wij de weldaden Gods niet tot Hem terugbrengen, dan plegen wij roof aan God,quot; zegt de H. Augustinus. Wat dan te zeggen , zoo ik er wapenen van zou maken om mijnen Schepper te bestrijden en te beleedigen ?

Keer dan in u zelve, mijne ziel, en vraag u eens ernstig af: hoe staat het met uwe dankbaarheid jegens God ? Ontbreekt daaraan misschien niet een dezer deelen ? Denk ik dikwijls aan al hetgeen God reeds voor mij gedaan heeft ? Is inderdaad mijn morgen- en avondgebed een oprechte dankbetuiging aan God ? Zijn de gebeden voor en na den maaltijd door mijne verstrooidheid en haastigheid misschien geene beleedigingen van God , in plaats van dankbetuigingen ? En mijne getijden ? Zou ik op die wijze, waarop ik ze dikwijls bid, aan een mensch

ocr page 13

11

mijn dank durven betuigen ? .... Denk ik er bij de H. Mis altijd aan, dat zij niet alleen een zoen- en smeek-offer , maar vooral ook een dankoffer is ? .. . . Hoe gebruik ik Gods andere weldaden ? Mijne zintuigen ? .... Mijne oogen ... mijne tong . . . mijne handen . .. mijne begaafdheden .. . mijn verstand . . . mijn geheugen ... mijn vrijen wil?.... Welk gebruik maak ik van de tallooze genaden , die ik ontvang . .. van die ontelbare inspraken des H. Geestes ... van de H. Sacramenten der Biecht en Communie ? .. .. Van de kruisjes en moeilijkheden, die toch ook weldaden zjjn van God?____

O God, wees mij arme zondares genadig! Hoevele uwer weldaden vergat ik , vergold ik met ondank , ja , gebruikte ik tegen U! Ik verdien om mijne ondankbaarheid niet, dat de aarde mij langer drage; ik verdien de verachting van alle schepselen. Maar ik zal nog trachten te herstellen , wat te herstellen is. Mijn leven zal voortaan een leven van dankbaarheid zijn; volgens de vermaning van den H Paulus zal ik God danken in alles, in lief en leed, in voor- en tegenspoed; icant dat is Gods wil over ons allen in Christus Jesus. (I Thess. V. 18.) Uit den grond mijns harten zeg ik het, en ik zou wen-schen , dat alle schepselen gedurende de gansche eeuwigheid het met mij herhaalden : Dank aan God, door Jesus Christus, onzen Heer.

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 14

III. MEDITATIE.

Oyer de waarde van den tijd.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Stel u onzftn Heer Jesus voor, met nadruk tot de Joden zeggend: Nog een weinig tijds is het licht onder u; wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvolle. (Joan. XTI. 35.)

2e Voorspel. Een vurig gebed om de waaide van den tijd goed te mogen kennen.

le Punt. De tijd is allerkostbaarst.

Met al het goud der aarde kan men uiet één oogen-blik tijd koopen. De tijd , zegt de H. Bornardus , is zoo kostbaar als de Hemel; want de Hemel is de belooning voor het goed gebruik van den tijd. Eén goed gebruikt oogenblik bezorgde den moordenaar aan 't kruis het Paradijs. Wij zullen een hoogeren graad van glorie en geluk in den Hemel bekomen , naarmate wij den tijd beter gebruiken. De tijd , zegt de H. Bernardus verder, is zooveel waard als het bloed van Jesus Christus. Eene zaak is zooveel waard als een deugdelijk kenner daarvoor geeft. En wat heeft de Zoon van God , de eeuwige Wijsheid , gegeven, om voor ons den tijd te koopen, waarin wij onze eeuwige zaligheid kunnen bewerken ? Zijn bloed tot den laatsten druppel toe. Wat is kostbaarder dan het bloed van Jesus, waarvan één enkele druppel voldoende is, zegt de H. Thomas, om de geheele wereld van alle schuld te verlossen'? Hoe kostbaar moet dus de tijd zijn, waarvan het bloed van Jesus de prijs is! — Ja zelfs, durft de

ocr page 15

13

H. Bcrnardus zeggen, de tijd is zooveel waard als God zelf; want ieder oogenblik , goed gebruikt, kan ons het bezit van God verschatten voor gansch de eeuwigheid. Geen wonder, dat God ons dien zoo kostbaren tijd slechts hoogst spaarzaam toedeelt, als 't ware druppel voor druppel. Als een pijl vliegt hij voorbij, en als men een oogenblik niet grijpt in ziju- vlucht, dan is het verloren , onherroepelijk verloren. Waar is nu het oogenblik , waarop wij dit zooeven dachten ? 't Is voorbij , en niemand kan het doen terugkeeren; andere oogenblikken volgen en verdwijnen eveneens, en zoo snelt de tijd altijd voort, zonder ooit stil te staan.

Deze waarheden moeten mij bemoedigen en toch eenigs-zins beangstigen. Welk eene goedheid in God, die aan den tijd zoo groo'e waarde verbindt, en mij over die kostbare zaak nog voortdurend de vrije beschikking laat! Maar tevens hoe jammer , dat ik er reeds zoo veel van liet verloren gaan ! Hoe onverantwoordelijk, dat ik hem nu misschien nog zoo slecht gebruik ! En wie weet hoe lang ik hem nog hebben zal? Zal ik het volgend oogenblik nog hebben ? Niemand kan het mij zeggen. — O dwaasheid ! „ Men doodt, zegt de H. Bernardus , men doodt den tijd , dien de goedheid Gods ons toestaat om boetvaardigheid te doen , vergeving te bekomen , genade te verkrijgen en den Hemel te veroveren I Men verbeuzelt den tijd, en toch, hij is ons gegeven om Gods gunst te winnen, heen te spoeden naar het gezelschap der Engelen, te trachten naar ons verloren erfdeel, de beloofde zaligheid te verkrijgen , onzen verzwakten wil weer op te wekken en onze zonden te beweenen!quot; (S. Bern. de triplici custodia).

2e PujïT. Wij mogen geen oogenblik laten verloren gaan.

ocr page 16

14

Welken tijd heb ik als verloren te beschouwen ? Den tijd, waarop ik mij overgeef aan ledigheid , zonder aan iets bepaalds te denken of iets nuttigs te doen. Bedenk , mijne ziel, dat de ledigheid niet alleen het oorkussen des duivels is, maar u ook een schat vau onbeschrijfelijke waarde ontrooft. — Erger ware het nog, als ik den mij verleenden tijd besteden zou om kwaad te doen. Hoeveel oogenblikken, uren, dagen heb ik aldus in mijn leven verloren! — Als ik mijne handelingen verricht zonder hooger inzicht, enkel uit menschelijke beweegredenen , mijne maaltijden , mijne nachtrust, mijne uitspanningen neem enkel tot natuurlijke voldoening, dan is de tijd, daaraan besteed, verloren voor de eeuwigheid. quot;Welk een verlies, welk een ongeluk ! En dat misschien iederen dag !.... Hoeveel zal dat zijn aan het einde mijns levens!..,. — Verricht ik mijne werken , ook de beste, op een tijd, op eene wijze, die niet overeenkomt met de plichten van mijn religieuzen staat: als ik bid, terwijl ik moest werken, als ik slaap, wanneer ik waken moest, of werk en waak, terwijl ik moest bidden of slapen, verloren is de tijd, aldus besteed. — Als ik niet in staat van gratie ben, dan blijven de heiligste werken, hoewel op den juisten tijd en op de volmaaktste wijze verricht, zonder verdiensten, en aan het einde van een dag in dien beklagenswaardigen toestand doorgebracht, zou ik moeten uitroepen : „ Ik heb niets voor den Hemel verdiend ; ik heb moeite en tijd verloren! Ik heb geloopen, maar buiten den weg en dus tevergeefs!quot; Hetzelfde zou ik moeten zeggen , als ijdelheid de eenige drijfveer mijner handelingen was : de kostbare tijd is mij ontsnapt, en wie zal hem mij terugbezorgen ?

Mijne ziel, wat hebt gij u op al die punten te verwijten ? quot;Was traagheid voor u niet oorzaak van veel tijdverlies , vooral misschien tijdens die kostbaarste onder de

ocr page 17

15

kostbare oogenblikken uws levens, na de H. Comunie of in het gebed ? Hebt gij in minder gelukkige dagen den tijd niet gebruikt, of liever misbruikt tot zonde?

Is dit misschien nu nog niet dikwijls het geval ?.....

Hoe , met welk inzicht verricht ik de duizend kleine en gewone handelingen , waaruit de geheele dag , ook van de religieuze, is samengesteld ? Is deze gedachte altijd in mijn geest: „ Voor God en om God ?quot; Doe ik mijne handelingen altijd op den tijd, op de plaats, op de wijze, gelijk de H. Regel mij voorschrijft en mijne overheden verlangen ? Laat ik mij den tijd niet ontrooven door ijdelheid of andere zondige beweegredenen ?

o Mijn God, hoe betreur ik het uit den grond mijns harten , zooveel van die kostbare oogenblikken des tijds verloren te hebben laten gaan !.... Wat verschilt mijn gedrag veel van dat der Heiligen, waarvan de H. Schrift getuigt: dat zij in horten tijd een langen levensloop vervuld hebben. (Sap. IV. 13.) O , had ik eens den ijver der Heiligen, die geen oogenblik tijds verloren lieten gaan ! Hoe heerlijk zou dan mijne kroon zijn in den Hemel, terwijl ik nu op mijn sterfbed en in 't vagevuur betreuren zal, dat ik zoovele kostbare oogenblikken ongebruikt gelaten heb. Daarom, o God, hoor het voornemen, dat ik thans neerleg in de handen van Maria, opdat zij het mij helpe uitvoeren: nooit ledig te zijn en al mijne handelingen te verrichten in dien staat, met dat inzicht, op die plaats, op dien tijd en op die wijze, die overeenkomen met uwen H. Wil, met de belangen mijner ziel, en met de voorschriften mijner H. Regelen. Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid ! (Ps. 107. 2.)

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 18

16

FEBRUAKT. ï. MEDITATIE.

,, Komt en ziet.quot; (Joan. I. 39.)

Gebed voor de meditatie. VAe hladz. 3.

le Voorspel. Zich voorstellen , hoe onze Heer op de vraag zijner twee eerste leerlingen : „Meester, naar icoont Gij?quot; antwoordde; „ Komt en ziet.'''' Verbeeld u, dat Hij uit het tabernakel diezelfde woorden tot u richt.

2e Voorspel. Een vurig gebed tot Jesus in het H. Sacrament, opdat Hij het oog en oor onzer ziel moge openen.

1® Punt. Wat zien ivij door het geloof in het H. Sacrament?

Wij weten , dat Jesus daar wezenlijk en waarachtig tegenwoordig is met zijne Godheid en Menschheid , met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den Hemel is. Dit leert mij het geloof, steunend op het woord van Jesus zei ven.

In het H. Sacrament is zijn Allerheiligst Lichaam, dat Hij voor mijne zaligheid heeft aangenomen in den kuischen schoot van Maria ; — daar zijn zijne oogen, die de zondaars zoo minzaam en bemoedigend aanzagen op aarde ; — zijne handen, die arbeidden in den werkwinkel van Nazareth, die zooveel mirakelen deden en zooveel zegeningen uitstortten op grooten en kleinen ; — zijn R. Hart, dat brandt van liefde tot mij en aan het kruis doorboord werd, om

ocr page 19

17

mij die liefde te toonen. Daar zijn zijne HH. Wonden, eenmaal bloedend en pijnlijk door mijne schuld....; — zijn H. Bloed, dat Hij eenmaal tot den laatsten druppel voor mij vergoot.... o Jesus , vergeef mij de zonden , waardoor ik U die wonden heb toegebracht en dat Bloed heb vergoten. Maar juist die wonden en dat Bloed geven inij vertrouwen; want die wonden behoudt Gij in uw H. Lichaam, om ze voor mij aan den Hemelschen Vader te vertoonen , en uw Bloed biedt Gij den Vader aan als losprijs mijner schulden. Op U , o Heer, heb ik mijne hoop gesteld, laat mij niet beschaamd worden! — Daar is zijne H. Ziel met alle schatten van deugd: liefde, zachtheid , ootmoed , gehoorzaamheid.... o Jesus , welk een verschil met mijne ziel! De uwe is vol deugden, de mijne vol zonden ; doch , Heer, ik zal ernstig beginnen mijne ziel aan de uwe gelijkvormig te maken.... Wel zal het mij moeite en strijd kosten, maar ik kan alles in U, die mij versterkt!.... — Die ziel is vol genade, en van hare volheid moeten wij allen ontvangen. Och , of mijne arme ziel toch uit die rijke bron van genade wist te putten!... — Daar is ook zijne aanbiddelijke Godheid. Jesus is één met den Vader en den H. Geest; Hij heeft één en dezelfde Goddelijke natuur, dezelfde wijsheid, dezelfde macht, dezelfde goedheid , dezelfde onveranderlijke volmaaktheid ; de Engelen en Aartsengelen houden niet op te herhalen; „Heilig, heilig, heilig. Heer God dei-Heerscharen ; hemel en aarde zijn vol van uwe glorie.quot; o Goddelijke Jesus , sta toe , dat ik mij aansluite bij die Hemelsche scharen en mijne stem met de hare vereenige! o Engelen Gods, gelieft mijn gebed aan Jesus aan te bieden, verkrijgt mij uwen eerbied in zijne tegenwoordigheid en uwe liefde! — Ziel van Christus, heilig mij; — Lichaam van Christus, zalig mij; — Bloed van Christus, verzadig mij; — AYater uit de zijde van Christus, reinig Z 2

ocr page 20

18

mij ; — Lijden van Christus, versterk mij! o Goede Jesus, verhoor mij ; in uwe wonden verberg mij. Laat niet toe , dat ik van U gescheiden worde.

2e Pünt. Wat hooren mj door het geloof uit Jesus' mond?

Hoor, mijn kind, en neig uw oor naar de woorden mijns monds. (Ps. 44. 11.) Spreek, Heer, uw dienaar hoort. (1. Reg. III. 10.) Wat zegt ons Jesus in 'til. Sacrament?

Woorden van verheven onderrichting: Neemt en eet, dit is mijn lichaam (Mt. XXVI. 2G); al ziet uw oog' slechts de gedaante van brood , hier schuil Ik , die de God van Hemel en aarde ben. Voorwaar, voorwaar, die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Uwe vaderen in de woestijn aten het manna en stierven: dit is het brood, dat van den hemel nederdaalt, opdat, zoo iemand daarvan eet, hij niet sterve. Het brood, dat Ik geven zal, is mijn vleesch , voor het leven der wereld. Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed waarlijk drank. (Joan. VI.) Heer, ik aanbid U onder dien sluier van brood. Ik bewonder daarin een geheim van allerdiepste nederigheid en onuitsprekelijke liefde , en met den II. Thomas van Aquine zeg ik : „Al bedriegt mij mijn oog , mijn smaak, mijn „ gevoel, — één zintuig is er, dat mij niet bedriegt: mijn „gehoor; want ik geloof, al wat Gij, o Zoon Gods, „ gezegd hebt: op het kruis was alleen uwe Godheid ver-„ borgen, hier on Godheid èn menschheid te zamenquot;.... (1)

Woorden van zachte verwijting: „Mijn volk, wat heb Ik u misdaan, of waarin heb Ik u bedroefd ? antwoordt mij! (2) Kunt gij dan nog niet één uur met Mij icaken? (Mt. 26. 40.)

Woorden van liefdevolle bedreiging: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: zoo gij het vleesch van den Zoon des menschen niet eet, en zijn bloed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebben (Joan. VI.). Heer, laat mij liever

(1) In Hymno : Adoro Te. (2) H. Liturgie, vg. Micluras VI. 3.

ocr page 21

19

alle rampen der aarde overkomen , veel liever dan van U gescheiden te worden in de eeuwighèid !... .

Woorden der heerlijkste beloften : Ik ben het brood des lerens; die tot Mij komt, zal niet hongeren, en die in Mij yelooft, zal nimmer dorsten. Hem, die tot Mij komt, zal Ik niet hu it en werpen. En Ik zal hem optrekken ten j om/sten dage. Voorwaar, voorwaar, die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Zoo iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Jk in hem. (Joan. VI.) o Mijne ziel, zie toch welke goederen u beloofd worden ! Jesns zal u bevrijden van den honger en dorst naar aardsche voldoeningen. Het lichaam zelfs zal ter oorzake dier spijze deelen in de glorie der ziel; het eeuwige leven is mij verzekerd, Jesus zal altijd in mij en ik altijd in Jesus zjjn ! Wat kan ik meer verlangen?

o Mijn Zaligmaker, deze beloften vooral bemoedigen mij. Gij bemint mij ; daarom komt Gij mij zoo dikwijls versterken in de H. Communie; daarom wilt Gij nog dezen morgen neerdalen in mijn hart. Kom , o Jesus, kom! Daarom zult Gij nog in mijne laatste ziekte tot mij komen, om, als alle menschelijke hulp te kort schiet en het aardsche mij ontzinkt, om dan mijn troost, mijn steun, mijne hulp te zjjn. O, wat znl ik dan wenschen voordeel gedaan te hebben met uwe onderrichtingen liefdevolle verwijtingen en zachte vermaningen, vermengd met zooveel bemoedigende beloften ! Och, of ik nu reeds in die stemming ware, waarin ik dan zou willen zijn ! Heer, geef mij die gesteltenis , ik smeek er U om dooide verdiensten van uw lijden en smartvollen dood , dooide voorspraak van de H. Maagd Maria, den H. Jozef en de H. Barbara !

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 22

11. MEDITATIE.

Over den geest des geloofs.

Gkbed voor de meditatie. Zie hlaclz. 3.

lc Voorspel. Stellen wij ons onzen Heer Jesns Christus voor, na zijne verrijzenis tot don Apostel Thomas

zeggende : „ Zalig zijn zij, die niet zien en toch yeloocen.'1 (Joan. XX. 24.) e

2e Voorspel. Onzen Pleer allervurigst smeeken, dat Hij ons den geest des geloofs geve. Dien vragen door de voorspraak van Maria; haar geloof toch is door Elisabeth, ja , door den H. Geest, geprezen.

le Punt. Het is van het hoogste belang den geest des geloofs te bezitten.

Overweeg. 1° De mensch heeft drieërlei oog; namelijk het lichamelijk oog, en dit ziet slechts het uitwendige der dingen ; het oog des verstands, dat dieper doordringt, maar ook nog aan velerlei bedrog onderhevig is; eindelijk het oog des geloofs, dat doordringt tot in het wezen der zaak en deze beschouwt, zooals zij is voor God , in het licht der eeuwigheid , der waarheid.

2e De geest des geloofs is voor alle christenen, maar bijzonder voor religieuzen van groot belang. Laten wij ons geleiden enkel naar hetgeen wij uitwendig aan personen en zaken zien , dan zullen onze handelingen niet alleen zonder verdiensten, maar dikwijls zelfs zondig zijn. Gaan wij enkel af op hetgeen ons natuurlijk verstand er van zegt, ook dan blijven onze handelingen zonder verdiensten en onvolmaakt. Maar gaan wij te werk volgens het licht des geloofs, dan , maar ook dan alleen, zullen onze handelingen voor de eeuwigheid

ocr page 23

21

verdiensten hebben; wij zullen ze met vurigheid en oplettendheid verrichten , en de minste handeling zal in Gods oog eene hooge waarde krijgen.

3e God heeft ons uit de wereld geroepen, opdat wij in de afzondering des kloosters ons op dien geest des geloofs zouden toeleggen, zonder door wereldsche bekommernissen daarvan te worden afgetrokken. Hij wilde, dat wij meer dan de menschen, die in de wereld leven , de woorden van den H. Geest in ons gedrag zouden uitdrukken : „ Mijn rechtvaardige leeft door het geloof. (Hebr. X. 38.)

Wat volgt voor ons ixit deze waarheden ? Dat wij alles wat ons omringt, alles wat rondom ons plaats grijpt, moeten beschouwen in het licht des geloofs. Doen wij dit, dan krijgt alles een ander aanzien. Personen, zaken, bezigheden , gebeurtenissen , alles verandert van gedaante. Maar, o mijn God, hoe moet ik mij schamen en mij bedroeven , als ik naga, hoe ik tot dusverre het oog des geloofs gebruikt heb! De oogen mijns lichaams — ik heb ze gebruikt; ik zou mij al zeer ongelukkig achten, zoo ik er het gebruik niet van had ; en nochtans, hoe dikwijls liet ik mij door den uitwendigen schijn bedriegen, zonder ooit wijzer te worden door de ondervinding! Met de oogen des verstands heb ik getracht de geheimen van wetenschap en kunst te doordringen, en hoeveel tijd mijns levens is daarmee voorbij , misschien verloren gegaan! Maar het oog des geloofs , dat Gij mij als een onwaardeerbaar talent geschonken hadt, hield ik al te dikwijls gesloten, daaraan was ik blind. Heer, verlicht mijne ziel, om nu eens duidelijk in te zien , waartoe ik verplicht ben en welk voornemen ik nu hier in uwe tegenwoordigheid te maken heb !

2e Punt. Hoe hebben wij den geest des geloofs tot nu toe geoefend ?

ocr page 24

22

lc Ten opzichte der personen. Hoe heb ik mijne oversten beschouwd ? Mijn lichamelijk oog ziet in haar slechts menschen; het oog des verstands, misschien menschen met ondervinding, wetenschap en deugd; misschien zelfs menschen met gebreken , (want wie ter wereld is er vrij van ?); maar het oog des geloofs ziet in haar de plaatsbekleedsters van God , die bevelen of verbieden niet uit zich zelf, maar in naam en door het gezag van (rod , van Jesus Christus.....

Hoe beschouwde ik de priesters , in den omgang , in den biechtstoel, op den stoel der waarheid, aan het altaar ? . . .. Eerbiedigde ik hen als de Gezalfden des Heeren , als middelaars tusschen God en de menschen ? . . .

Hoe mijne ondergeschikten , 't zij kinderen of hulpbehoevenden ? Zag ik in hen Jesus Christus, die van mij onderricht of hulp wil ontvangen ? . ... Hoe mijne medezusters ? Ben ik niet bij het uitwendige blijven stil staan, bij haar voorkomen, hare houding, haar vroegeren stand in de wereld en duizend andere uitwendige dingen , die innemen of tegenstaan, naar gelang het lichamelijk oog er behagen in schopt of niet. Of heb ik enkel gelet op begaafdheid , verstand, geest, karakter, en daarnaar mijne achting en liefde bepaald ? .. .. Helaas , Heer, maar al te dikwijla lette ik op dat alles en handelde er naar; en uw beeld in hare onsterfelijke ziel, uw gezag, haar doopsel , hare bestemming voor den Hemel, de werking der genade zag ik met!. . .. En gelijk ik was voor anderen, zoo was ik voor mij zelve : veel bezorgd voor het lichaam , het uitwendige , — weinig voor de ziel, hare volmaaktheid en schoonheid !.. . .

2e Ten opzichte der zaken en bezigheden. Mijne ziel, hoeveel is er u aan gelegen , dat gij deze bij het licht des geloofs beschouwt!.... Beschouwde ik altijd de kracht Gods in al de voorwerpen , die de H. Kerk tot

ocr page 25

23

mijnen dienst wijdt: mijn rozenkrans, gewijd water, mijn kruis ?.....— Als ik in mijne getjjden of geestelijke lezingen , woorden der H. Schrift ontmoette, daclit ik dan, dat ik de woorden van den H. Geest sprak of

hoorde of las ?____ Hoe beschouwde ik mijne religieuzt^

kleeding ? Zag ik daarin de livrei van den oppersten

Heer ?..... Hoe de bidplaats ? Hoe de buigingen en

oefeningen , die ik daar te onderhouden heb ? Och , of het geloof in mij levendig ware, dan zou ik de kapel altijd ingaan als het huis van den Allerhoogste , en het buigen en knielen aanzien als de beleefdheid, de eerbe-tooning, die ik aan mijn Heer en God moet bewijzen. Dan zou ik al mijne bezigheden, hoe gering ook, beschouwen als geschiedden zij voor den grooten Koning, die niets wat voor Hem geschiedt, onbeloond zal laten. Dan zou ik mijne gebeden niet zoo verrichten, dat zij strekken tot ontstichting van anderen en tot brandstof voor het vagevuur!.....

3e ïen opzichte der gebeurtenissen. Neen, mijne ziel, deze zijn niet het gevolg van toeval. Maar als gij den geest van geloof hadt, dan zoudt gij weten en op alle omstandigheden toepassen , dat er niets zonder Gods wil of toelating geschiedt, dat Gods Voorzienigheid zich tot alles ook tot het geringste uitstrekt , dat dus geen haar van ons hoofd, geen blad van den boom valt, of God laat het toe ; — dat ons geen kruisje of moeilijkheid of tegenspoed overkomt, of God heeft van eeuwigheid besloten en bepaald, dat dit zoo en niet anders geschieden zou !.....

o God, hoe dikwijls vergeet ik dit alles ! Herinner het mij, bid ik U, in alle omstandigheden en neem goedgunstig het voornemen aan, dat ik thans aan uwe voeten neerleg : met betrekking tot personen , zaken , bedieningen , gebeurtenissen , 't zij kleine of groote , aangename

ocr page 26

24

of onaangename, vereerende of vernederende, niet te werk te gaan volgens het uitwendige of het verstand alleen, maar met den H. Aloysius altijd het licht des geloofs, het licht der eeuwigheid daarover te laten schijnen,, vragende : „ Wat geeft mij dit voor de eeuwigheid ?quot;

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

IIL MEDITATIE.

Over den onvraclitbaren Vijgebooin.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

1® Voorspel. Stellen wij ons Jesus Christus voor, met allen nadruk tot ons zeggende ; „ Alle boom , die „ geene goede vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en „ in het vuur geworpen worden.quot; (Mt. VII. 19.)

2e Voorspel. Een vurig gebed tot onzen Heer Jesus Christus om deze meditatie goed te mogen doen en innig overtuigd te worden van de noodzakelijkheid der goede quot;werken.

1® Punt. Zeker iemand had een vijgehoom geplant staan in zijnen wijngaard, en hij kwam vrucht daaraan zoekeny en vond er geene. (Luc. XIII. 6.)

Verbeeld u dien schoonen boom , waarvan de Heer spreekt in zijne parabel. Die boom is geplant in een vruchtbaren, vetten grond, die wel in staat is een rijken oogst voort te brengen; want zie, rondom staan talrijke andere boomen zwaar geladen met heerlijke vruchten. Deze boom heeft ook zware takken, weelderige bladeren, diepe wortelen misschien.... Wat ontbreekt hem ? .. .. Vruchten, Zijne takken, bladeren en wortelen dienen tot niets ; hij is onvruchtbaar.. ..

ocr page 27

25

Zie ik daar niet vóór mij mijn eigen beeld ? God heeft mij van den beginne af geplant in de vruchtbare aarde der H. Kerk ; niets ontbrak mij daar ; Jesus Christus heeft mij met zijne tranen en zijn bloed besproeid; Hij gaf mij deel aan zijne H. Sacramenten der Biecht en Communie, die als frissche bronnen mij moesten bevochtigen en nieuwe levenssappen instorten. Hij gaf mij christelijke ouders en onderwijzeressen , om mij te leiden en des noods te besnoeien. ... Ik was misschien nog niet volwassen, of de Heer plaatste mij over op een uitverkoren plekje van zijn wijngaard , in zijne erfenis , den religieuzen staat, onder zijne uitverkorenen, waar Hij zelf weidt onder de leliën, waar ik nog dikwijler dan te voren gevoed zou worden met zijn H. Lichaam en Bloed, met lezingen, overwegingen en onderrichtingen, en waar ik beschut zou zijn tegen den verderfelijken adem der wereld. ... „Ik heb een uitverkoren wijngaard geplant,quot; zegt de Heer „ en met eene haag omtuind, er de steenen uitgehaald en een wachttoren en wijnpers daarin gebouwd.quot; (vgl. Is. V.) Wat al zorgen voor mij , o mijn God ! Te recht zegt Gij : Wat moest Ik nog meer doen aan mijnen wijngaard, dat Ik daaraan niet gedaan heb 9 ....

En wat heb ik voortgebracht ? . .. . Helaas, misschien slechts bladeren, voornemens, schijndeugden.... En zoo ik nog maar alleen onvruchtbaar geweest ware! Maar ben ik door ontstichting en ergernis niet dikwijls zelfs

een schadelijke boom geweest ?____ Mijn wijngaard bracht

mij bittere vruchten voort. (Is. V.) Laat ik het niet wijten aan den grond ; want zoovele boomen staan rondom mij , beladen met vruchten van nederigheid , ijver, gebed en ingetogenheid; het zijn mijne medezusters, die toch niet meer genaden ontvangen , niet meer verzorging genieten dan ik. Hoe vernederend voor mij , in denzelfden vruchtbaren grond te staan , met dezelfde liefde verzorgd

ocr page 28

26

te worden en niet dezelfde vruchten voort te brengen! Is dat dan, o mijn God, de dankbaarheid, die ik U toon voor mijne roeping tot het ware geloof en tot het religieuze leven ? Mijn Jesus , barmhartigheid !.....

2e Punt. En Hij zekle tot den wijngaardenier: zie , het zijn nu drie jaren , dat Ik vrucht kom zoeken aan dezen vijgeboom, en Ik vind er geene. Houw hem dus om ; waarom ook beslaat hij den grond ? (v. 7.)

Is dat niet rechtvaardig verdiend ? — Doch, veroordeel ik niet mij zelve ? Drie jaren ? .... Gij zegt veel te weinig , o Heer ! Hebt Gjj bjj mij niet reeds veel langer vruchten gezocht ? Zie ik beu reeds zooveel .... jaren door het H. Doopsel in de Kerk , en zooveel.... in de uitverkoren aarde des kloosters ; en wat vindt Gij ? ... . Hoe zijn mijne gedachten? Hoe mijne verlangens ? Hoe mijne handelingen quot;r1. .. . Helaas, mijne gedachten zijn zeer dikwijls verstrooid , mijne verlangens aardsch , mijne handelingen , bezigheden , lezingen , onderzoeken , meditatiën , HH. Communiën en biechten onvolmaakt, zeer onvolmaakt! . . . .

Houw hem om ! Zal de Heer, die dagelijks in zijnen wijngaard afdaalt, om te zien of zijne boomen bloeien en vruchten voortbrengen, zal Hij ook op mij niet vertoornd worden, als Hij ziet, dat zooveel zorgen nutteloos aan mij besteed zijn ? Zal het Hem in ieder geval niet grieven , de hoop , die Hij op mij gesteld had , verijdeld te zien ? Misschien heeft Hij ook reeds tot zijnen dienaar, den dood, gezegd ; „ kap den wortel van zulk een nutteloozen boom af! Wat doet hij in den wijngaard des kloosters? Anderen zullen veel waardiger zijne plaats beslaan.quot; — Dat vonnis heb ik verdiend, o mijn God; want ik heb niet aan uwe vaderlijke inzichten voldaan. Ik moest medegewerkt hebben met zoovele genaden , en voor mij zelve

ocr page 29

27

en anderen vruchten van zaligheid hebben voortgebracht. In plaats van andere zielen te heiligen , heb ik zelfs de mijne niet geheiligd. O, wat al goeds zou eene' ijverige religieuze in mijne plaats gedaan hebben , hoeveel zielen zalig gemaakt door haar ijver, gesticht door hare voorbeelden , gered door hare gebeden! Indien Gij mij dan straftet en een ander in mijne plaats steldet, zou ik moeten zeggen: Gij zijt gerechtig , Heer, en rechtvaardig is tin-oordeel (Ps. 118.); maar ontferm U mijner volgens mee r/roote barmhartigheid en volgens de menigte uwer ontfermingen , vernietig mijne ongerechtigheid. (Ps. L. 1.)

Be Punt. Doch de wijngaardenier antwoordde en zeide tot hem : Heer, laat hem nog dit jaar staan , totdat ik rondom hem gespit en west gelegd heb; en brengt hij vrucht voort. His wel; zoo niet, dan zult gij hem tegen het volgend jaar omhouwen, (v. 8 en 9.)

In zijne oneindige barmhartigheid verleent mij de Heer, wat deze hovenier vraagt voor zijn boom: „nog een jaar, Heer, en ik zal mijn best nog eens doen. ..Wie is die persoon, die aldus voor mij ten beste gesproken heeft ? Zijt gij het niet, o mijne lieve Moeder Maria, geholpen door mijne HH. Patronen en mijn goeden Engelbewaarder? Ik mag daar niet aan twijfelen ; want de H. Alphonsus zegt mij, dat alle goed mij toekomt door Maria. — Mijne ziel, misschien is het de laatste genade , die zij voor u nog verkrijgen kon ; misschien is zij borg voor u gebleven ; zij zal de inspraken en genaden vermenigvuldigen, zij zal ii' meerdere middelen van vruchtbaarheid aan de hand doen .... maar let op, doe uw voordeel daarmede, stel God en uwe lieve Moeder ook ditmaal niet te leur!. .. .

Wat verlangt Gij dan van mij, o Heer ? Spreek, uwe dienares hoort... Maakt u een nieuw hart en eenen nieuwen geest, zoo zegt Gij mij door uwen Profeet (Ezech. XVIII. 31.)

ocr page 30

28

Nw is mijn hart vervuld met aardsche verlangens, afkeerig van versterving en zelfverloochening ; mijn geest is verstrooid en bezig met alles behalve met datgene, waarmede hij bezig zijn moest, dat is met U en met de zorg voor mijne volmaaktheid ; maar, Heer, schep Gij in mij een zuiver hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnenste. (Ps. L. 12.) Ik heb het gezegd : heden begin ik. (Ps. 76. 11.) De duivel wil mij geruststellen en mij doen gelooven, dat ik nog tijd genoeg heb , om vruchten voort te brengen ; geef. Heer, dat ik geen geloof sla aan zijne bedriegerijen; maar doordring mijn vleesch met uwe vreeze. (Ps. 118. 120.)

En gij , mijne beminnelijke Moeder Maria, die voor mij ten beste gesproken en mij uitstel verkregen hebt, geef toch , dat ik voordeel doe met de bewijzen uwer liefde ; lang genoeg ben ik een onvruchtbare boom geweest, maak dat ik toch eindelijk eens de vruchten voortbrenge , die gij en uw Goddelijke Zoon zoo vurig en met zooveel recht van mij verlangt. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 31

29

MAART.

L MEDITATIE.

Ouze eerste en laatste H. Communie.

Gebed voor de meditatie. Zie hlath. 3.

!'■ Voorspel. Zich verbeelden een rijk versierd altaar , schitterend van licht, gelijk bij eene plechtige eerste H. Communie ; — vervolgens een ziekbed , daarnaast een kruisbeeld met twee waskaarsen , gelijk bij de toediening der laatste HH. Sacramenten.

2'' Voorspel. De genade vragen van door de herinnering aan onze eerste en de voorstelling onzer laatste H. Communie te worden aangespoord, om altijd zoo vurig mogelijk tot de H. Tafel te naderen.

P Punt. Onze eerste H. Communie.

Gaan wij eens met onze gedachten terug naar den gelukkigen dag, waarop wij , vele jaren geleden, voor het eerst onzen God en Zaligmaker mochten ontvangen. Stellen wij ons dat oogenblik nog eens levendig voor met al zijne omstandigheden. Lang hadden wij uitgezien naar dat uur, en als anderen, die ouder waren, werden toegelaten tot dien H. Maaltijd, dan dachten wij misschien met eene heilige jaloerschheid ; wanneer zal ook voor mij dat geluk eens aanbreken ? Eindelijk kwam die schoone dag. Maar wat maakte hem zoo schoon ? Niet de toebereidselen , die tehuis en in de kerk gemaakt werden

ocr page 32

30

voor een groot feest, niet de gelukwensehen van familie en vrienden , niet de kleederen en sieraden , die ons gegeven werden , — maar, dat God zich verwaardigde te komen in ons hart, waarin Hij nog nooit te voren neerdaalde , en dat hart uitkoos als eene kribbe, om daarin te rusten, als een troon, om daarop te]zetelen als koning. — Doch herinneren wij ons nu ook, de voorbereiding tot die eerste H. Communie ; maanden en dagen van onderrichting en gebed gingen vooraf; nooit spraken wij met meer nauwkeurigheid en berouw onze biecht, nooit hadden wij betere voornemens voor de toekomst; ons hart was zuiver, het brandde van verlangen naar die eerste vereeni-ging, wij baden met vurigheid, ons geloof was levendig, en diep het gevoel onzer onwaardigheid. Was ons hart toen niet een welaangelegde tuin, waarin allerlei deugden begonnen te bloeien en waarvan Jesus Christus met welgevallen bezit nam?..... En toen eindelijk de Heer

gekomen was en wij voor het eerst mochten zeggen: De Heer bezit mij en ik bezit Hem , hoe hebben wij Hem toen bedankt en gesmeekt, dat Hij ons nooit zou verlaten, dat wij altijd zuiver en ijverig mochten blijven! Hoe hebben wij ons toen verheugd in de zaligheid , die op dien dag ons deel geworden was !

Maar, o mijn God, hoelang heefc dat geluk geduurd ?... Mijn Jesus, barmhartigheid ! .... Na die eerste H. Communie had elke der volgende Communiën ons hooger moeten doen stijgen in de liefde Gods ; maar hebben wij onze vurigheid van toen behouden ? Waar is onze zorgvuldige voorbereiding, waar onze hartelijke dankzegging van toen ? Waar die zuiverheid van geweten , waarin wij toen schitterden ? Helaas , onze Communiën werden wel talrijker , maar onze liefde, onze vurigheid , al de deugden , die wij toen bezaten, ontwikkelden zij zich ook ? Neen, goede Jesus, Gij zijt niet veranderd, maar ik ben

ocr page 33

31

niet meer dezelfde. Keer terug , o gelukkige gesteltenis van • toen, en ik zal weer met vreugde putten uit de bronnen des Zaligmakers!

2e Punt. Ome laatste H. Communie.

Verbeelden wij ons, dat het aardsche voor ons een einde gaat nemen en het uur nadert, waarop ziel en lichaam van elkander zullen scheiden. Stellen wij ons dat oogenblik niet voor als zijnde nog op een verren

afstand , maar nabij..... Dan zal ik neerliggen op een

ziekbed, omringd door mijne medezusters. De kaarsen bij het kruisbeeld worden ontstoken , en de bel zal van verre reeds aankondigen, dat Hij , die mij oordeelen moet, voor de laatste maal in aantocht is om mij te bezoeken. Mijne ziel, welk gevoel zal de stem dier bel

in u verwekken? Vrees? Vertrouwen? Liefde?.....

„Vrede zij over dit huh en ocer allen, die het heiconenquot;, zal de priester zeggen , en , gedragen door zijns dienaars handen, treedt mijn Heer en God binnen. „ o Heer, geef dan vrede, want er is niemand anders die voor ons strijdt, dan Gij, onze God.'quot; Hen zal in mijne plaats aan God en aan al de Heiligen des Hemels eene schuldbelijdenis doen en het mea maxima culpa zal in mijne oorcn klinken; want ik heb veel gezondigd door gedachten, door woorden en werken , door mijne schuld, mijne allergrootste schuld. De priester zal mij in naam van God vergiffenis, barmhartigheid en kwijtschelding beloven.

Zal mij dat geruststellen ?..... Dan zal hij mij het

dierbaar Lichaam des Heeren vertoonen en zeggen: Ziehier het Lam Gods, dat icegneemt de zonden der wereld. o Heer, neem dan ook mijne zonden weg, want zij zijn talrijk.... O , hoe zal ik dan , met de eeuwigheid vóór mij, wenschen nooit gezondigd te hebben! Hoe zal ik dan in mijn hart zeggen : och , had ik toch altijd mijne

ocr page 34

32

HH. Communiën met de noodige voorbereiding ontvangen! Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, doch spreek slechts een woord en mijne ziel zal gezond zijn. •— „ Ontvang, ,o mijne zusterquot;, spreekt de priester, „ de Reisspijze van het Lichaam Onzes Heeren „ Jesus Christus, die u behoede voor den boozen vijand „en u geleide ten eeuwigen leven. Amen.quot; Zal de lauwheid, waarin ik nu leef en waarmede ik nu zoo dikwijls dat zelfde Lichaam van Jesus Christus nuttig, mij niet beangstigen , als ik dan denk aan den rechterstoel, waarvoor ik weldra zal moeten verschijnen, aan de heiligheid , die ik had kunnen bereiken en niet bereikt heb , aan de vruchten, die ik had kunnen voortbrengen , maar niet voortbracht ? o Heer, help mij , om van stonde af uit die lauwheid op te staan, ten einde dan gerust te kunnen zijn. ^— „Heilige Heer, Almachtige Vader, eeuwige Godzoo zal de priester nog voor 't laatste bidden , „ met vertrouwen smeeken wij U , dat deze onze zuster, „ die het Allerheiligst Lichaam uws Zoons Jesus Christus „ ontvangen heeft, naar lichaam en ziel daardoor gesterkt

„ worde ten eeuwigen leven.....quot; De priester verwijdert

zich. Jesus Christus heeft mij voor 'tlaatst bezocht, gezegend , gespijsd. De kaarsen worden uitgedoofd. In de verte klinkt nog de bel. Ik bevind mij alleen met

Jesus Christus..... Mijne ziel, dank duizendmaal uwen

Heer en God en Zaligmaker en Koning en Rechter, dat zijne liefde Hem dringt, u nog op die wijze te bezoeken, voordat Hij u oordeelt. Maar wat is er mij bij dien ge-wichtigen overgang veel aan gelegen. Hem dan zoo waardig, zoo vurig mogelijk te ontvangen! Zal mijne gesteltenis op dat oogenblik beter zijn dan gedurende mijne gezonde dagen ? Zal die laatste H. Communie al mijne vorige lauwheid goed maken?.... Waartoe is men in staat, wanneer men ziek is ? „ Men sterft gelijk men geleefd

ocr page 35

33

heeftzegt de H. Augustinus. Mijne ziel, wilt gij in dat oogenblik gerust zijn, ontvang dan nu iedere H. Communie, zooals gij uwe eerste H. Communie ontvangen hebt, zooals gij ze zoudt willen ontvangen op uw sterfbed , met het oordeel in 't gezicht.

o Jesus, zoo wil ik U nog dezen morgen ontvangen. Oelijk een dorstig hert verlangt naar eene frissche waterbron , zoo verlangt mijne ziel naar t! ; ik smeek U door de voorspraak der H. Maagd, van don H. Jozef, van de H. Barbara, geef mij thans dat levendig geloof, dat nederig gevoel mijner onwaardigheid, die vurige liefde, dat oprecht berouw, die ik dan zou wenschen te bezitten. Kom dan , o Jesus , kom !

Gebed ka de meditatie. Zie hlach. 7.

IL MEDITATIE.

Over de Versterving.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Zich levendig onzen Heer Jesus Christus voorstellen in een lijdenden toestand , hetzij bij de Besnijdenis, hetzij in den hof van Olijven, aan de gee-selkolom of op het kruis.

2e Voorspel. De genade vragen, van het groote nut, ja, de noodzakelijkheid der versterving goed in te zien.

le Pükt. De lichamelijke versterving mogen wij niet verwaarloozen.

Onze Heer Jesus Christus, ons voorbeeld, heeft gedurende geheel zijn sterfelijk leven niet alleen zielelijden, maar ook lichamelijk lijden willen onderstaan. Denk slechts Z 3

ocr page 36

34

aan Bethlehem , Egypte , Nazareth , Calvarië! — Alle Heiligen hebben de lichamelijke versterving beoefend en bemind. — Niet alleen de H. Kerk, maar ook onze HH. Kegelen schrijven de uitwendige versterving voor, maar regelen ze tevens door wijze bepalingen. — Ieder mensch gevoelt in zjjn binnenste eene wet, in strijd met de wet Gods, eene neiging tot het kwade, die alleen door de versterving kan worden onderdrukt. — Deze versterving is bij God zeer verdienstelijk; dit deed den H. Petrus van Alcantara na zijn dood tot de H. Teresia zeggen: „ o Gelukkige boetvaardigheid, die mij zulk eene groote glorie verdiend heeft.quot; — Daarbij komt nog, dat wij bij God misschien eene groote rekening te voldoen hebben wegens de zonden van het voorgaande leven, die wel vergeven zijn, maar waarvan de tjjdelijke straffen nog grootendeels over zijn.

quot;Wat volgt uit dat alles voor mij ? Dat ik mij gelukkig moet achten, zoo geheel mijn leven geteekend is met de roemrijke teekenen van de doornenkroon en het kruis van Christus. Dat ik dus de gelegenheid moet te baat nemen om mün vleesch te versterven en zoo in mij de slang der eigenliefde te dooden. Is zulks voor mij ook niet alleszins passend ? Betaamt het wel, dat ik een zinnelijk lidmaat ben onder een met doornen gekroond hoofd ? Hoe dwaas handel ik, als ik zoovele gelegenheden om verdiensten te vergaderen en mijne zonden uit te boeten, ongebruikt laat voorbijgaan! De natuur zegt: die taal is hard, en wie kan ze aanhooren ? Maar de genade weet over de versterving zooveel vertroosting uit te strooien, dat zij van bitter overzoet wordt.

Hoe heb ik tot nog toe deze leer onderhouden ?.....

't Is waar, groote lichamelijke verstervingen zijn mij met een hooger doel verboden; maar verschool ik mij niet dikwijls achter dat verbod, om aan mijne zinnen te groote

ocr page 37

35

vrijheid te geven ? ... Hoe bedwong ik mijne oogen ? . .. mijn gehoor ? ... mijn smaak ? . .. mijn gevoel ? . . . Hoe aanvaardde ik de vermoeienis, den arbeid , het vroeg opstaan, het harde bed, hitte en koude, honger en dorst, vasten- en onthoudingsdagen ? . . . Hoe vooral de lichamelijke ongesteldheden, die God mij overzond, — de zwakheid of onpasselijkheid , waaraan ik nu en dan of voortdurend onderhevig ben ? ... . o Mijn God , wat al gelegenheden om mij te versterven ! Wat al bronnen van verdiensten ! wat al paarlen, die ik verwaarloosd heb ! Vergeef mij, Heer, en schenk mij den geest van versterving.

2e Punt. Wij moeten vooral de inwendige versterving beoefenen.

Niemand, die in de deugd vooruit wil gaan, mag zich aan de inwendige versterving onttrekken. Om zich van de uitwendige te ontslaan, kunnen soms nog redenen bestaan; maar voor de inwendige geldt geen enkele uitzondering, 't Is dan ook een voorschrift, door alle meesters van 't geestelijk leven gegeven, dat men bij voorkeur de inwendige verstervingen , vooral die welke God overzendt, moet beminnen; want deze zijn aan God de aangenaamste en geven den rijksten schat van vergelding. Zonder deze, geen ware deugd; zelfs de strengste uitwendige boetvaardigheid is zonder deze slechts schijndeugd, een lichaam zonder ziel. — Dagelijks bieden er zich honderden gelegenheden voor aan; ja het geheele religieuze leven is er uit samengesteld. Wij moeten onzen teil versterven , door hem in alles aan de voorschriften der Regelen en den wil der Oversten volkomen te onderwerpen ; — door onze kwade driften te bestrijden ; — door bij voorkeur datgene te zoeken , wat het meest met onze natuurlijke neigingen strijdt en de eigenliefde het gevoeligst treft. — Ons verstand, door ook ons oordeel blinde-

ocr page 38

36

lings aan het oordeel onzer Oversten te onderwerpen, — door ons gevoelen niet stijfhoofdig te verdedigen, — door de nieuwsgierigheid te beteugelen, door ons nooit vrijwillig op te houden bij ijdele, wereldsche herinneringen, gansch nuttelooze zaken , — door nooit vrijwillig te blijven nadenken op iets, wat ons tot eer strekt of de eigenliefde voedt, — op eenig onrecht ons aangedaan, waardoor wij voedsel geven aan afkeer. — Ons hart, door de genegenheid, die men de schepselen toedraagt, en in zekere mate toedragen moet, te regelen , te matigen en binnen de juiste grenzen te houden. — Van dat alles heeft nnze ziel een natuurlijken afkeer, voortkomend uit de erfzonde. Maar willen wij de noodige zelfbeheersching verkrijgen om de zonde te laten en de deugd te beoefenen, dan is deze versterving ons allernoodzakelijkst.

Hoe heb ik mij tot nu toe daarin gedragen? Wat deed ik, als ik te kiezen had tusschen twee werkzaamheden , waarvan de eene eervol en aangenaam, de andere nederig en lastig was ? Hoe nam ik het op, als ik werd tegengesproken, terwijl ik meende gelijk te hebben ? Hoe hield ik mij, als het werk niet goed van de hand ging, als ik een werk of gebed ten halve moest afbreken, als ik eenige berisping, vernedering of tegenwerking ondervond ? Bleef ik geduldig, als ik tegen mijnen wil en neiging van bediening, van medehelpster, van woonplaats of werk moest veranderen, of mijne eigenliefde op welke wijze ook gekrenkt werd ? ....

o Mijn God, ik heb mij op al die punten veel te verwijten. Maar ik leg thans aan uwe voeten het vaste besluit, mij meer toe te leggen op de versterving.... Als ik er de gelegenheid toe heb, maak er mij dan opmerkzaam op; geef mij kracht om die gelegenheid te benuttigen; herinner mij dan de spreuk van uwen vromen dienaar Thomas a Kempis (Nav. III. 25.): „ Gij zult

ocr page 39

37

slechts zooveel in de deugd vorderen, als gij u zeiven geweld hebt aangedaan en deze andere der H. Schrift: Indien gij uwe ziel in hare begeerten toegeeft, dan zal zij u ten spot maken voor uwe vijanden. (Eccli. XVIII. 81.) H. Maagd Maria, H. Jozef en alle Heiligen, die de versterving zoo heldhaftig beoefend hebt, helpt mij om uw voorbeeld na te volgen.

Gebed sa de meditatie. Zie bladz. 7.

■ T ---

III. MEDITATIE.

Over de waarde onzer ziel.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 8.

le Voorspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen , met allen nadruk tot zijne Apostelen zeggende :

Wat toch baat het den mensch, zoo hij de geheele tcereld wint, maar zijne ziel verliest ? (Mt. XVI. 26.)

2C Voorspel. Een vurig gebed om wel te begrijpen , hoe kostbaar onze ziel is.

le Püxt. Onze ziel is kostbaar, omdat zij geschapen is naar Gods beeld.

Overweeg, hoe wij als het ware God in ons zeiven terugvinden. God is eeuwig , — onze ziel is onsterfelijk ; God is wijs, ja de bron van alle verstand en wijsheid, — ook wij mogen zeggen : „ gezegend de Heer, die mij verstand gegeven heeft /quot; (Ps. XV. 7.); — God is een zuivere geest, ook onze ziel is een geest. Zij is de adem der Godheid: Hij blies in zijn aangezicht den adem des levens. (Gen. I.) Zij is niet alleen zijn werk, zijn schepsel; neen , zij is meer , zij is zijn. beeld, een straal van zijne glorie. — En wie zal de schoonheid beschrijven,

ocr page 40

38

die de heiligmakende genade aan de ziel mededeelt ? Dan vereenigt God zich met haar, en woont in haar; zij deelt in Gods schoonheid , is rijk door Gods rijkdom, heilig door Gods heiligheid ! Plaats, zegt de H. Joannes Chrysostomus, eene ziel in staat van genade naast de zon ; en de zon zal minder schitteren dan zulk eene ziel.

o God, welk eene waardigheid! Zoo was mijne ziel, toen de zuiverende wateren des Doopsels over haar gevloeid waren. Doch als ik ze nu eens aan God moest teruggeven ? ... . Heb ik het bruiloftskleed der genade niet dikwijls besmeurd met het slijk der zonde, en het beeld van God , zoo al niet uitgewischt, ten minste ontsierd en verduisterd ? — Helaas, voor mijne eer en gezondheid ben ik dikwijls meer bezorgd dan voor de schoonheid mijner ziel! Het minste vlekje op mijn goeden naam is mij ondraaglijk; — om mijne gezondheid te sparen , vrees ik niet mij soms aan een lastigen leefregel te onderwerpen; en voor uw beeld in mijne ziel, o mijn God, heb ik zoo geringe zorg! Wat zal ik U antwoorden , als Gij in het oordeel vragen zult: Wiens heeld is dit? (Mt. XXII. 17.) Och, of ik ten minste zooveel ijver had om mijne ziel met deugden te versieren , als ik heb om mijn verstand met nuttige kundigheden te verrijken! Vergeef mij, wat tot nu toe geschied is. Zuiver mijn hart, o God , en vernieuw den rechten geest in mijn binnenste. Geef aan mijne ziel haar verloren glans terug en schenk mij de genade, dat ik haar nimmer meer met het slgk der zonde bezoedele,

2e PuifT. Onze ziel is vrijgekocht door het bloed van Jesus Christus.

Bedenk, hoe wij op aarde alles schatten naar den prijs, die er voor gegeven is. Hoe dan de waarde mijner ziel te berekenen! Niet voor den prijs van vergankelijk goud of

ocr page 41

39

zilver ben ik vrijgekocht, maar voor den onschatbaren prijs van het Bloed van den Zoon Gods. „ O mensch zegt een kerkvader, „wilt gij de waarde uwer ziel kennen, „ vraag het dan aan uwen God , die u verlost heeft; zie „ zijn arbeid, zijn zweet, zijne wonden, zijne pijnen, zijn „ Bloed , zijn dood. Hij zal u antwoorden ; zooveel zijt „ gij waard.quot; Eén druppel van zijn bloed is meer waard dan de geheele wereld en al hare schatten; maar voor uwe ziel heeft Hij een stroom van bloed vergoten.

Heb ik dien kostbaren schat gewaardeerd ? Heb ik door mijne zonden dat bloed niet met voeten getreden ?

o Mijn God, al vervult dé gedachte aan dien losprijs mijne ziel met vrees voor de verantwoording, toch doet die losprijs mij ook hopen. Zie niet, o God, op mijne zonden , maar op het bloed uws Zoons, dat Hij voor mij gestort heeft. Dat bloed roept niet om wraak, maar om ontferming en vergiffenis. — O Jesus, die al uw bloed veil hadt voor onze zielen, wij bidden U, kom uwe dienaren te hulp , die Gij door uw dierbaar bloed verlost hebt. „ o Bloed van Christus, wat zijt gij onze vereering „ waardig! Op het altaar zijt gij onze drank, op het „ kruis onze losprijs , in den Hemel onze voorspraak!quot; (S. Bern.)

3e Püxt. Onze ziel is bestemd voor het eeuwig bezit van God.

Bedenk, hoe de aardsche genoegens en goederen de ziel des menschen nooit kunnen verzadigen ; zij is er te groot voor. Daarom zegde de H. Stanislaus : „ ik ben tot „ hoogere dingen geschapen.quot; Dat hoogere, waartoe wij allen bestemd zijn, is het bezit van God. Ik zelf, zegt de Heer, zal uw overgroot loon zijn. (Gen. XV.) Reeds hier op aarde wil God van onze ziel bezit nemen, niet gedeeltelijk, maar geheel. Hier wil Hij in haar zetelen

ocr page 42

40

als op zijn troon, om ze naderhand geheel en al en voor eeuwig in zich zeiven op te nemen en gelukkig te doen zijn. Mijne ziel is dus bestemd om eenmaal te deelen in het geluk van God zelf!

Maar als ik nu mijn hart, mijne neigingen, mijne ziel verdeel tusschen God en de schepselen, is dat wel passend ? Is dat billijk ? Is dat niet gevaarlijk ? Want als God mijne ziel vervuld ziet met aardsche verlangens naar eer, naar genot, naar zinnelijke voldoening, zal Hij zich dan niet van mij verwijderen, daar Hij en de wereld niet in één hart kunnen samenwonen ? Onze Gody zegt de Profeet, is een jaloersche God, die geen mededinger duldt. Is het verantwoordelijk, dat ik mijne ziel, bestemd, om gedurende de gansche eeuwigheid te schitteren in het licht der Godheid , hier verontreinig met het slijk der aardsche verlangens en bekommeringen ?

o Mijn God, te lang misschien heb ik dit gedaan ; maar ik zie thans in , d it ik er zeer verkeerd aan deed. Vergeef mij; voortaan z il mijne voornaamste zorg zijn T mijne ziel te bereiden en te versieren voor uw eeuwig bezit. Help mij daarin ; help mij vooral de bezigheden en zorgen, waartoe mijn staat mij verplicht, te heiligen. Geef, dat ik alle gelegenheden van verdienste te baat neme; want naar de mate mijner verdiensten zal ik ook deelen in uw bezit. Stel U zeiven dan als een zegel op mijn hart, opdat geen verkeerde liefde der schepselen daar indringe ; stel U als een zegel op mijnen arm, opdat al mijne werken eenig en alleen voor U, mijn God, geschieden.

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 43

41

-AiPIRIIj.

L MEDITATIE.

Jesus in hot H. Sacrament onze Weldoeaer.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Zich onzen Heer in de zaal des laatsten avondmaals voorstellen ; zijn gelaat straalt van liefde; Hij dankt den Vader, en spreekt: neemt en eet.

2e Voorspel. Een vurig gebed tot Jesus om de genade van wel te begrijpen , wat weldaad Hij ons in de H. Communie bewijst, en wat wij Hem moeten wedergeven.

le Punt. Welke yroote weldaad Jesus ons door de H. Communie bewijst.

De omstandigheden , die de instelling van het H. Sacrament vergezelden, toonen mij de grootheid dier weldaad. Wat geeft Jesus daar? Zich zei ven met alles, wat Hij heeft. Zijne verdiensten, die oneindig zijn. Zijn goddelijk Vleesch en Bloed. Daarmede voedt en laaft Hij ons. — Zijne allerheiligste Ziel en aanbiddelijke Godheid, o Wonder ! o Geheim ! Hij, dien Hemel en aarde niet kunnen bevatten , wil in mijn klein hart zijn ?.....

Wie geeft hier ? Eene gave , hoe gering ook , krijgt waarde, als zij geschonken wordt door een verheven persoon. Wat dan te zeggen van de gave, die Gij, o Heer, ons schenkt ? Hier is het geene geringe gift, maar de kostbaarste aller gaven , geschonken door den God van

ocr page 44

42

oneindige Majesteit.... o Wonderbare gave, o aanbiddelijke Gever! HH. Engelen , helpt ons Hem loven en prijzen.

Aan wien geeft Hij zich ? Aan den menseli , zijn schepsel; aan alle mensehen, zelfs aan de veraehte-lijkste ; aan mij, die niet waardig ben Hem te dienen, „o Wonderbare zaak, zegt de H. Kerk, een arme en verachtelijke slaaf nuttigt zijnen Heer!quot; Gaf Jesus zich nog aan de Heiligen alleen, of enkel aan zijn Plaats-bekleeder op aarde , dit zou mij minder verwonderen; maar Hij geeft zich ook aan mij, die niet eens het kleed mijner eerste onschuld onbesmeurd heb weten te bewaren ! Hij geeft zich ook aan tallooze ondankbaren. Bij de instelling reeds voorzag Hij alle heiligschennissen en alle onteeringen, die Hem in de H. Communie zouden worden aangedaan door de onwaardigen ; en echter ook aan dezen geeft Hij zich, zijn eigen woord als 't ware uit liefde vergetend : Wilt het heilic/e niet aan de honden geven , noch uwe paarlen weipen voor de zwijnen. (Mt. VIL 6.)

Wanneer gaf Hij zich ? Op den vooravond van zijn lijden, in den nacht, dat hij werd overgeleverd. (1 Cor. XI. 23.) 'tWas de vervulling zijner belofte: Ik zpl u niet als weezen achterlaten (Joan. XIV. 18.) , het laatste en blijvend bewijs zijner liefde, de voortdurende gedachtenis van al hetgeen Hij voor ons zou lijden op Calvarië, op het kruis !.. .. „ o Gedachtenis van den dood des Heeren,quot; zegt de H. Thomas van Aquine, „ o levend Brood, dat leven geeft aan den mensch, geef, dat mijne ziel door U leve en altijd uwe zoetheid smake.quot; En dat levendmakend Brood geeft Hij mij niet ééns in mijn leven , maar zoo dikwijls ik aanzit aan de H. ïafel, zoodat het getal mijner HH. Communiën niet meer te tellen is !. . ..

Waarom geeft Hij zich ? Omdat Hij mij bemint. Met verlangen heb Ik verlangd, dit Paschen met u te eten.

ocr page 45

43

(Luc. XII. 15.) Is mijn vermaak, met de kinderen der rnenschen te zijn. (Spr. VIII. 31.) Ik heb medelijden met de schare; als Ik hen onyespijsd wegzend, zullen zij op den weg bezwijken. (Marc. VIII. 3.)

Hebt gij , mijne ziel, bij uwe HIT. Communiën wel altijd deze waarheden voor oogen ? Gij gelooft ze, maar waarvandaan dan die lauwheid, die weinige zorg om u voor te bereiden en uwe dankzegging te doen ? ... . o Jesus,

vergeef mij..... Ik wil mij beteren, ik geloof, Heer,

maar kom mijne ongeloovigheid te hulp. (Marc. IX. 23.) Vermeerder het geloof van allen , die in U gelooven.

2e PüifT. Wat zullen ivij aan Jesus geven ?

Wat zal ik den Heer ivedergeven voor alles, wat Hij mij geschonken heeft? (Ps. 115. 12).... Alles, wat wij zijn of wat wij hebben. Maar, o Jesus, welk versehil tussehen uwe gave en de onze! O, of ik U kende en mij zelve!

Waren wij rijk aan aardsche goederen , wij zouden er een offer van kunnen maken , om aan Jesus onze dankbaarheid te betuigen ; doeh door eene onverdiende weldaad des Heeren zijn wij geroepen tot den stand der H. Armoede. Maar wij bezitten nog ons lichaam en onze ziel ; deze ten minste vraagt de Heer ten bewijze onzer wederliefde. Ons lichaam: door het goed gebruik onzer zintuigen. Gebruik ik mijn gezieht, mijn gehoor, mijne tong enkel en alleen voor Jesus ? Of dienen zij mij niet veel meer om mij van Hem te verwijderen ? — Door het geduldig dragen van lijden en versterving. Dagelijks heeft het liehaam iets te lijden door hitte of koude, door honger of dorst, door onpasselijkheid en zwakte: hoe verdraag ik dat alles ? Te allen tijde , zegt de H. Pau-lus, dragen ivij Jesus' dood in ons lichaam om, opdat ook het leven van Jesus in onze lichamen openbaar worde. (2 Cor. IV. 10.)!..... Onze ziel met al hare vermogens

ocr page 46

44

verlangt de Heer. Ons verstand, door een nederig, levendig geloof; dat overal, in alles, altijd Jesus zoekt en vindt, beschouwt en eert. — Onzen wil, door eene vurige liefde ; — door eene vaardige , blijmoedige , eenvoudige gehoorzaamheid. — Heb ik zoo mijne ziel aan Jesus gegeven?.... Och, als ik mij zelve zoo aan Hem gaf, dan zou mijn offer nog zoo gering zijn, en van dat geringe offer neem ik nog zooveel af, om het aan de schepselen te geven !. ...

o Mijn God, geef, dat wij ten minste vóór onzen dood, U zoo met ziel en lichaam toebehooren, dat wij onbevreesd voor uwen rechterstoel kunnen verschijnen. Daarvoor wil ik U de H. Communie van dezen morgen opdragen.

Gebed xa de meditatie. Zie hladz. 7.

li» MEDITATIE.

Over de Hoop.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Zich verbeelden, dat voor Gods rechterstoel onze goede werken in de weegschaal worden gelegd. Zij zouden te licht zijn, zoo niet onze Heer Jesus Christus zijne verdiensten daarbij legde.. ..

2e Voorspel. Een vurig gebed om eene vaste, onwankelbare hoop op Gods goedheid en barmhartigheid.

le Punt. Waarom moet ik hopen ?

Wij moeten hopen, omdat Gods goedheid en barmhartigheid oneindig zijn. Is Hij niet de Vader van barmhartigheid en de God van alle vertroosting ? (2 Cor. I. 3.) Zoovele zondaars vóór mij hebben op die goedheid gehoopt en God heeft ze niet verworpen! Hij heeft David ge-

ocr page 47

45

spaard, aan Maria Magdalena vergeven, den goeden moordenaar het Paradijs geopend en Petrus na zijn val niet verstoeten. Als zijne Barmhartigheid niet oneindig was, waren wij dan allen niet reddeloos verloren ? — o God, Gij kunt uv.e barmhartigheid slechts op deze wereld uitoefenen ; want na den dood heerscht enkel uwe rechtvaardigheid. Vergeef mij dan , nu het nog tijd is ; toon nu aan mij , dat Gij groot zijt in barmhartigheid, gelijk Gij later zult toonen groot te zijn in rechtvaardigheid!

God is getrouw in zijne beloften. Heeft Hij door den mond van den H. Paulus niet gezegd; Alle mensch is leugenachlig, doch God is de waarheid zelve? (Rom. III. 4.) En door den Profeet: Ik zal mijne beloften niet breken, en wat van mijne lippen uitging , zal Ik niet herroepen ? (Ps. 58. 35.) Als gij u wascht en zuivert, voor mijne oog en het kwaad uwer gedachten wegneemt en ophoudt slecht te doen ... komt dan en daagt Mij voor het gerecht: al waren uwe zonden rood als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. (Is. I. 16.) Hoe is 't mogelijk, dat ik na zulke beloften nog zoo vreezen kan?,... quot;Wat vreest gij, mijne ziel, en waarom beangstigt gij u ? Hoop toch op God, die u zoo schoone beloften doet, en u, tot bewijs der oprechtheid zijner woorden, daarenboven nog een onderpand geeft van oneindige waarde, zijnen eenigen Zoon Jesus Christus, en met Hem alles, wat wij wenschen of verlangen kunnen ter zaligheid! Wat heeft die eenige Zoon Gods gedaan, om mij hoop te geven ? Hij heeft voor mij zijne HH. Sacramenten der Biecht en des Altaars ingesteld; voor mij heeft Hij gewerkt, geleden en zijn Bloed tot den laatsten druppel .vergoten. O, als mijne ouders (hetzij zij nog leven of reeds bij God zijn) mij konden zalig maken, dan zou ik gerust zijn, omdat ik hunne liefde en toegenegenheid voor mij ken; en toch , wat is hunne toegenegenheid en liefde, bij die van Jesus

ocr page 48

46

vergeleken ? Vergeef mij, o mijn Jesus , dat ik l) tot nu toe zoo weinig vertrouwen geschonken heb. Weg van mij al die angstvallige gedachten; ik heb het lijden van Jesus, ik heb zijne verdiensten, ik ben aan Hem verbonden door onverbrekelijke beloften, en nog dezen morgen heb ik Hem als een onderpand der eeuwige glorie in mijn hart mogen ontvangen !. ...

2e Punt. Hoedanig moet mijne hoop zijn ?

Zal de hoop een allersterkste troost zijn (Hebr. IV. 18)-dan moet zij standvastig en werkdadig wezen. Velen hopen zoolang alles voorspoedig gaat in 't leven; maar verliezen de hoop in beproeving en duisternis; - velen hopen , maar zij vertrouwen eenigszins vermetel, meenende of zich verbeeldende, dat God, die ons zonder onze medewerking geschapen heeft, ons ook zonder onze medewerking zal zalig en heilig maken.

Was dit ook met mij niet dikwijls het geval ? Als de duivel, de wereld en het vleesch het scheepje mijner ziel slingerden naar alle kanten en de golven der bekoringen het dreigden te overstelpen, werd ik dan niet beangst en vreesde ik niet voor mijnen roep of mijne zaligheid, alsof God mij verlaten had? Waar was dan mijne hoop op Gods goedheid en liefde , op zijne onfeilbare beloften en op de verdiensten van Jesus Christus ? Gaf ik mij niet over aan overtollige ongerustheid, als ik dacht aan gedane biechten of vroegere zonden ? O mijne ziel, God heeft u de weldaad der religieuze roeping gedaan, Hij heeft xi toegelaten tot de HH. Geloften, en zou die goede God, na zoo groote weldaden, u uwe zonden niet vergeven hebben ? Het is gebrek aan hoop, zoo gij niet vergeet, wat God toch uitdrukkelijk verklaard heeft niet meer te zullen gedenken, ja achter zijnen rug geworpen te hebben. (Is. 38. 17.) o God, geef mij toch dat zoete vertrouwen,

ocr page 49

47

dat steunt, niet op mijne eigene verdiensten, maar op uwe liefde en op uwe beloften! Wees Gij mijn anker, waarop het scheepje mijner ziel veilig rusten kan. quot;Wees dat vooral, als ik op mijn sterfbed zal neerliggen en de duivel mij de hoop op uwe barmhartigheid zal willen ontnemen , om mij in wanhoop te storten !.....

Mijne hoop moet ook van goede werken vergezeld gaan-Wat zal het mij baten op God te hopen, als ik niet met zijne genade medewerk ? Mijne werken hebben op zich zelf wel geene waarde; maar God verlangt ze toch van mij , en zonder goede werken zal ik niet zalig, veel minder heilig worden. — Mijne ziel, hebt gij u in dit punt niets te verwijten ? Als gij ontrouw zijt in het onderhouden van uwe Geloften, van uwe H. Regelen, van uwe geestelijke oefeningen , en in de vervulling van de plichten uwer bediening, als gij u schuldig maakt aan vrijwillige dagelijksche zonden en toch zonder vrees zijt voor uwe volharding en zaligheid , dan is uwe hoop niet vrij van vermetelheid.

o Mijn God, nu eens is mijn vertrouwen onstandvastig en zwak , dan weer is het vermetel; maar wanneer zal het eens vast en werkdadig zijn ? Wanneer zal ik eens doordrongen zijn van dat woord, dat Gij mij door uwen dienaar, den H. Ignatius , toestiert: „ Betrouw zoo op God, alsof alles van Hem afhing, en doe van uwen kant zoo uw best, alsof alles van uwe pogingen moest komen!quot; o God , geef ons allen die genade!

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

ocr page 50

48

III. MEDITATIE.

Over het geluk der religieuze roeping.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

1® Voorspel. Met alle aandacht luisteren naar dat liefelijke woord des Heeren : Vrees niet, kleine schare, want het heeft uwen Vader behaagd, JJ het rijk te geven. (Luc. XII. 32.)

2e Voorspel. De genade vragen, om bij het zien van het geluk der religieuze roeping van dankbaarheid doordrongen en met nieuwen ijver voor de volmaaktheid bezield te worden.

1® Punt. Geluk der religieuze roeping, om de gevaren waaraan zij ons onttrekt.

Overweeg, hoe eenmaal onze TIeer Jesus Christus vol medelijden sprak: Wee der wereld wegens de ergernissen (Mt. XVIII. 7.) ; — hoe de H. Joannes, door den H. Geest verlicht, in weinig woorden geheel den geest der wereld heeft beschreven : hegeerlijkheid der oogen, hegeerlijkheid des vleesches en hoovaardij des levens; — hoe de H. Antonius, geheel de wereld met strikken overdekt ziende, uitriep: Mijn God, wie zal er zalig worden ?quot; —

Aan hoevele van die gevaren heb ik blootgestaan! Welk een geluk, dat ik er aan ontsnapt ben en mij in veiligheid bevind binnen de heilige muren des kloosters ! Wat zou er van mij geworden zijn, als ik eens te midden dier gevaren had moeten blijven ! Want, ach , hoe dikwijls reeds heb ik God beleedigd in den korten

tijd , dat ik in de wereld geleefd heb !..... Misschien

was ik nu reeds een brandstok van de hel, of op weg om het te worden! 't Is waar, de vermaken der wereld

ocr page 51

49

zijn mij nu ontzegd , maar in de plaats daarvan geniet ik den vrede der kinderen Gods, waarvan de H. Paulus zegt, dat hij alle yenoel te boven gaat. (Philip. IV. 7.) Aardsche goederen, waarnaar de wereldlingen zoo begeerig zijn, bezit ik niet; maar des te vrijer is mijn hart, om zich tot God te verheffen; „ want, zegt de H. Bernardus, „ als men die goederen bezit, dan bezwaren zij het hart;

als men ze bemint, besmeuren zij het geweten ; als men „ ze verliest, kwellen zij den geest.quot; (Ep. 103.) — Ik heb mijn eigen wil moeten afleggen, maar ik wandel nu ook veilig onder het zoete juk der gehoorzaamheid.

Heb ik wel genoegzaam mijne roeping hooggeacht en er dagelijks den Heer voor bedankt ? Heb ik dat vooral gedaan, als ik in mijne getijden die woorden des Profeets bad : Gezegend zij de Heer, die ons niet ten roof gaf mm de tanden onzer vijanden. Onze ziel ontkwam als eene musch uit den strik des vogelaars: de strik is gebroken en wij zijn ontkomen ? (Ps. 123. 6. 7.) Of was ik bij voorkomende moeilijkheden niet zoo ondankbaar, dat ik mij over mijnen staat beklaagde en de menschen in de wereld gelukkiger achtte ? O mijne ziel, bedenk toch dat al uwe moeilijkbeden niet opwegen tegen de grootte der weldaad, die God u gedaan heeft; onder vele geroepenen zijt gij uitverkoren; waaraan hebt gij die uitverkiezing te danken ? Waardoor hebt gij ze verdiend ? De volharding in dien 11, Staat is wel waard, dat gij ze koopt ten prijze van eenige voorbijgaande moeilijkheden !... . o God , vergeef mij : ik zal voortaan trachten de lasten en plichten aan mijn H. Staat verbonden, met blijdschap te dragen ! .... Gij, die mij eenmaal riept, help mij ook om te beantwoorden aan de inzichten, waarmede Gij mij geroepen en uitverkozen hebt.

2quot; Punt. Geluk der religieuze roeping om de voordee-len , die zij ons aanbiedt.

Z 4

ocr page 52

50

Overweeg, hoe geheel de H. Kerk een uitgestrekte bloemhof is, waarvan Jesus Christus de hovenier wil zijn. Hij bemint al zijne bloemen, dat is alle Christenen; maar onder dezen zijn er enkelen , die Hij als zijne lievelingsplantjes beschutten wil tegen wind en nachtvorst; daarom plant Hij ze over in besloten plaatsen, waar hij ze meer besproeit, teederder verzorgt en haar een grootere mate van zonnelicht en warmte verschaft. — o Mijne ziel, gij zijt eene dier plantjes ; de liefderijke hand des Meesters heeft u overgeplant binnen de heilige en veilige muren des kloosters. De wereld en haar koude, giftige adem brengen aan vele zielen daarbuiten den geestelijken dood toe, andere verdorren uit gebrek aan onderrichting en opwekking; maar gij ontvangt den dauw der genade overvloedig, het vuur des H. Geestes stort u voortdurend warmte en nieuw leven in ; talrijke onderrichtingen , opwekkingen , meditatiën , lezingen , goede voorbeelden , Communiën , heilige gesprekken, geestelijke afzonderingen, mijn God, wat al middelen, om te groeien in heiligheid en deugd ! Mijne ziel verheft den Heer, en mijn geest springt op van vreugde in God mijn heil, omdat Hij neerzag op de geringheid zijner dienares ; want, zoo mag ik de H. Maagd nazeggen, alle geslachten zullen mij gelukkig noemen, dewijl Hij, die machtig is, groote dingen aan mij gedaan heeft!... .

Maar besefte ik voorheen mijn geluk wel genoegzaam ? Men zou het met recht hebben kunnen betwijfelen , als men zag, hoe nalatig ik de plichten dier H. Roeping vervulde! En toch , had God mij na het Doopsel wel eene grootere weldaad kunnen doen ? De H. Thomas van Aquine zegt, neen. (1) quot;Wacht mij in den Hemel niet eene bijzondere glorie ? Alwie huis of broeders of

(1) S. Thom. Aq. 2. 2. Q. 89.

ocr page 53

zusters of vader of moeder .... om mijnen naam zal verlaten , zal het honderdvoud ontvangen en het eeuwig leven bezitten. (Mt. XIX. 29.) Is mijne ziel niet de Bruid van Jesus Christus geworden ? Hij bemint mij met voorliefde , en eeuwig wil Hij met mij de hemelsche Bruiloft vieren. En de H, Barnardus zegt mij , dat ik in het klooster zuiverder zal leven , zeldzamer zal vallen, spoediger zal opstaan , veiliger zal voortgaan , overvloediger met genade besproeid worden , er vreedzamer kan rusten en veel zachter zal sterven.

o Mijn God, wat zou ik ondankbaar zijn , als al die weldaden mij ongevoelig lieten! Geef toch , dat de gedachte daaraan mij sterke in de moeilijkheden , mij op-beure als de moed mij dreigt te ontzinken. quot;Wee mij, als ik na dat alles nog lauw en traag zou zijn! Heer, ik vraag U niet alleen , dat ik in uw huis moge wonen al de dagen mijns levens, maar ook , dat ik er zoo moge leven, als het aan eene getrouwe en dankbare bruid uws Harten betaamt. H. Maagd Maria, verleen mij uwe voorspraak. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 54

52

MEI.

I. MEDITATIE.

Jesus dooi' Maria gezocht, gevonden, bewaard.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

l6 Voorspel. Zich onze beminnelijke Moeder Maria voorstellen, beurtelings bedroefden verblijd, Jesuszoekend en vindend, en na Hem gevonden te hebben, naar Nazareth terugkeerend, zonder Hem een oogenblik uit het oog te verliezen.

2e Voorspel. Maria allerdringendst smeeken, dat zij ons Jesus leere zoeken , vinden en behouden.

le Punt. Maria zoekt Jesus.

Overweeg, waarom Maria haar verloren Kind zoo ijverig zocht. Zij wist, wie Hij was : De Schepper van Hemel en aarde onder de gedaante van een kind, — Zij beminde Hem, als haar Opperste Goed, als haar Zaligmaker en Verlosser , als haar eenigen Zoon. — Zij kon zonder Hem niet gelukkig zijn , en evenals God haar met dien Zoon alles gegeven had , zoo meende zij met Hem alles verloren te hebben.

Hoe volg ik hierin mijne H. Moeder na ? Het H. Geloof zegt mij , dat Jesus hier tegenwoordig is in 't H. Sacrament. Maar ken ik Hem genoegzaam ? Is mijn geloof levendig ? Och , of ik doordrongen ware van zooveel grootheid onder zoo nederige gedaante!.....—

Bemin ik Hem, zooals Hij door mij verlangt bemind te worden ? Hij bemint mij tot het uiterste, Hij heeft hier

ocr page 55

53

al de schatten zijner liefde voor mij uitgeput; en ik ?. .. O zoet Hart van Jesus , maak , dat ik U steeds meer en meer beminne ! — Gevoel ik mij zonder Jesus ongelukkig ? Helaas , soms gaan er geheele dagen voorbij , zonder dat ik aan zijne beminnelijke tegenwoordigheid denk.... Ja, was er misschien in mijn leven niet een tijd, dat ik geheel i van Hem gescheiden was door de zonde en ik toch schijn

baar gerust voortleefde ? . — o Lieve Moeder Maria , laat uw voorbeeld diep in mijn hart geprent blijven. Gij keerdet terug op uwe voetstappen , om Jesus te zoeken ; o geef, dat ik ook terugkeere tot mijne eerste vurigheid. Gij spaardet geene moeite; och , dat ook mij de moeite der ingetogenheid, der ijverige voorbereiding tot de H. Communie niet afschrikke. Gij zocht Jesus in den tempel; maak , dat ik Hem daar insgelijks zoeke ; want ik weet, dat Hij daar is onder eene nederige gedaante ; ik erken Hem en vvensch Hem altijd meer en meer te beminnen.

2e Punt. Maria vindt Jesus.

Wien vond Maria in den tempel ? Zij vond de liefde haars harten, het eenige voorwerp, dat hare ziel kon vervullen ; — zij vond de blijdschap van haar huis, dat zonder Jesus doodsch en ledig zou geweest zijn ; — zij vond den zegen haars levens; want om dat Kind was zij '' de gezegende onder de vrouwen.

o Jesus, Gij de hoop der boetvaardige zielen, hoe goed zijt Gij voor die U zoeken, hoe liefdevol voor die naar U trachten; maar wat, voor die U vinden? (1)

Mijne ziel, verheug U ; want ook gij hebt Jesus gevonden. Hier vóór u in het H. Sacrament is Hjj wezenlijk en waarachtig tegenwoordig. Gij moogt met de Bruid

(1) Jesu spes poeniteutibus, quam pius es petentibus, quam bonus te (ju?erentibus, sed quid invenientibus ! (S. Bern.)

1

ocr page 56

54

van het Hooglied zeggen : Ik heb Hem gevonden , dien mijne ziel bemint (Cant. III. 4.); en met de H. Kerk : v o Jesus , 't is zoet aan TJ te denken , maar zoeter nog v dan lionig is uwe tegenwoordigheid.quot; (1) Wien heb ik gevonden ? Hem, die mij zoo teeder bemint, en die alleen beminnenswaardig is. „ Ochquot; zegt de H. Bernar-dus, „ erkent toch allen Jesus, vraagt toch zijne liefde , „ zoekt Hem met altijd vuriger aandrang, want die Hem „proeven, hebben altijd nieuwen honger, die Hem drinken, „ hebben nog altijd dorst; zij beminnen niets , zij weten „ niets , zij verlangen niets dan Jesus, hunne liefde.quot; — Ik heb Hem gevonden, die alleen mij vrede en blijdschap geven kan. Zonder Hem moest alle spijs ons bitter zijn ; zonder Hem ware het huis mijns harten doodsch en verlaten. „ Blijf bij ons,quot; zeg ik met den H. Bernardus , „ blijf bij ons, Heer, verdrijf de duisternis van onzen „ geest....; want als Gij ons bezoekt; dan schijnt in onze „ ziel uwe waarheid als eene zon ; dan komt mij de wereld, „ o, zoo verachtelijk voor, en in mijn binnenste gloeit „ het vuur der liefde.quot;

Ik heb hem gevonden , die mij met zegen en genaden overstroomen zal. Hier in het H. Tabernakel zijn de bronnen des Zaligmakers; met vreugde mag ik daaruit putten. Nog slechts weinige oogenblikken , en in eigen persoon zal Hij tot mij komen , om mij al zijne zegeningen en genaden mede te deelen. Heeft God ons met Hem niet alles gegeven ? (Rom. VIII. 32.)

3e Punt. Maria bewaart Jesus.

Overweeg , wat de moederlijke liefde aan Maria ingaf, om voortaan haar schat niet meer te verliezen; zjj zag herhaaldelijk naar Hem ; zij hield Hem zooveel mogelijk

(1) Jesu dulcis memoria , etc.

ocr page 57

55

bij zich : te Jerusalem , op de terugreis , te Kazareth , overal. quot;Wees gerust, dierbare Moeder, Jesus zal u niet meer verlaten voordat zijn uur gekomen is ! — Maar ik moet doen wat Maria deed. Als Jesus aanstonds in mijn hart zal zijn neergedaald, dan kan ik met de Bruid der Gezangen zeggen: Ik bezit Hem, en ik zal Hem niet laten gaan. (Cant. III. 4.) Maar de duivel zal mij mijn geluk benijden, hij zal alle pogingen aanwenden, om mij Jesus' tegenwoordigheid te doen vergeten; verstrooiende bezigheden zullen daar ook het hare toe bijdragen. Ik moet dus dikwijls, gelijk Maria, naar Jesus omzien, dat is, in den loop van den dag dikwijls het groote geluk gedenken , dat ik 's morgens genoten heb en de goede besluiten, die ik met mijn goddelijken Bruidegom genomen heb, getrouwelijk uitvoeren. Hoe deed ik dit tot nu toe ? .... Hoe zal ik het in 't vervolg doen ? .

Ik moet, gelijk Maria, gedurende den dag dikwijls met Hem spreken; want al verlaten na eenigen tijd de gedaanten van het Sacrament mijn hart, Jesus blijft toch in mij door zijne genade; Hij leeft in mij , Hij spreekt in mij. Bewaar ik ook, gelijk Maria, in mijn hart al de woorden , die Jesus tot mij spreekt ? .... o Jesus, geef, dat al mijne woorden en handelingen door den dag slechts de weerklank zijn van die liefdevolle woorden, die Gij U gewaardigt bij de H. Communie in het binnenste mijner ziel te spreken. Ik zal hoor en, wat de Heer in mij spreekt. (Ps. 84. 9.)

o Maria, geef aan mijn hart droefheid en aan mijne oogen tranen van berouw, om te beweenen, dat ik Jesus door de zonde zoo dikwijls heb verloren. Verleen mij de genade. Hem weder te vinden, en altijd te behouden op aarde en in de eeuwigheid. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

ocr page 58

56

IL MEDITATIE.

Over de Liefde tot onzen Heer Jesus Christus.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

1® Voorspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen , ons minzaam zeggende: Mijn kind. qeef Mij uw hart. (Spreuken VUL 26.)

2e Voorspel, o Zoet Hart van Jesus, maak, dat ik U steeds meer en meer beminne.

le Punt. Jesus Christus verdient bemind te worden.

Overweeg, hoe ook op Jesus Christus, ab zjjnde God van eeuwigheid , toepasselijk is het eerste en grootste gebod : Gij zult den Heer uwen God liefhebhen uit geheel uw harty uit geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand en uit al uwe kracht. (Marc. XH. 30.) Van Hem , als van de ongeschapen quot;Wijsheid, staat geschreven: Rijkdom en eer zijn bij Mij, heerlijke schatten en gerechtigheid.... Ik ben van eeuwigheid verordend, van oudsher, eer de aarde werd.... Toen God de Hemelen toebereidde, was Ik daar.... toen icas Ik bij Hem, alles icerkende. (Prov. VIII. 18. 28. 30.) Jesus Christus is als mensch de schoonste onder de kinderen der menschen. (Ps. 44. 3.) Hij heeft reeds eeuwen voor zijne komst beloofd , dat Hij allen , die Hem liefhebben, ook op zijne beurt met zijne liefde zou vereeren. (Prov. VIII. 7.) Hij belooft hun ook de liefde zijns eeuwigen Vaders : Als iemand Mij bemint .... zal ook mijn Vader hem beminnen en Wij zullen tot hem komen en onze woning bij hem vestigen. (Joan. XIV. 24.) En wat heeft Hij al niet gedaan om onze liefde te winnen ! Eén blik op het kruis zegt ons alles.... Wel mag de H. Kerk , zijne Bruid , zeggen : „ Mjjn Beminde is blank „ en rood en geheel beminnelijk. Geheel zijn wezen ademt

ocr page 59

57

„ liefde en eischt wederliefde; voorovergebogen is zijn hoofd, „uitgestrekt zijn zijne handen, geopend is zijne borst!quot; (1) , Waarlijk groot is die liefdezegt de H. Bernardus ; „ want, zoo spreekt de Heer zelf; niemand heeft eene „ (j root ere liefde, dan die zijn leven geeft voor zijne vrien-„ den ; maar Gij , o Heer , hebt eene grootere; want Gij „ hebt het gegeven voor ons, die uwe vijanden waren door „ de zonde , om ons met uwen Vader te verzoenen.quot; (2) quot;Wij waren aan den duivel verkocht; Hij heeft ons vrij gemaakt; wij waren arm aan geestelijke goederen en genaden. Hij heeft ons gemaakt tot een koninklijk priesterschap ; wij zaten in de duisternis en in de schaduwe des doods. Hij heeft iederen mensch verlicht, die in deze wereld kwam; de Hemel was ons gesloten. Hij heeft hem geopend ; wij behoefden eene spijze op den langen weg des Hemels, Hij gaf ons zich zei ven tot voedsel.... En zouden wij dan een zoo grooten , zoo wijzen , zoo machtigen , zoo oneindig goeden en weldadigen Koning niet beminnen uit al onze krachten ? Mijne ziel, begrijpt gij nu dit woord des Apostels : als iemand onzen Heer Jesm Christus niet bemint, die zij vervloekt? (1 Cor. XVI. 22.) Waarlijk ondankbaar is hij, die voor zooveel liefde ongevoelig zijn zou! Moeten wij, die door Jesus tot zijne bruiden zijn uitverkozen, ons niet beijveren, om die liefde aan de geheele wereld te doen kennen, het vuur dier liefde ontsteken waar zij niet is , het aanwakkeren, waar zij kwijnt ? O, hoe moet ik den tijd betreuren, waarin ik misschien buiten die liefde leefde ! Mijn God, hoe heb ik toen kunnen leven ? Hoe moet ik mij beklagen, dat ooit die liefde in mij kwijnde en (o Jesus, verhoed het) nog in mij kwijnt en flauw is en mij geen enkele opoffering ingeeft! Moet ik op het gezicht der wereld ,

(1) In Off. VII. Dol. B. M. V. Resp. 1.

(2) S. Bern. Serm. de Passione.

ocr page 60

58

waar millioenen zondaars de liefde van Jesus versmaden, niet zuchten, gelijk de H. Magdalena de Pazzi: „ De liefde wordt niet bemind, de liefde wordt niet bemind?quot; o Heer Jesus , och, of ik U nu voortaan beminde, gelijk Gij het verdient; ontsteek mijn hart in liefde; als God en als mensch verdient Gij het; ja, ik moet het als een geluk , een onuitsprekelijk voorrecht beschouwen , dat ik, nietige aardworm, U mag beminnen ; maar Gij eischt mijne liefde. Gij dreigt mij met strenge straffen, zoo ik U niet bemin. O waarlijk onbegrijpelijk mysterie! zegt de H. Augustinus. o H. Moeder Maria, gij die het meest van alle schepselen Jesus bemind hebt; maak, dat mijn hart brande van liefde tot Jesus Christus, mijnen God,

-2e Punt. Waardoor zullen wij nan Jesus onze liefde toonen ?

Beminnen is niets anders dan goed wenschen aan den-gene, dien men bemint. Dat is dus zich verheugen over het goede en schoone, dat men in hem ziet, en dat hij reeds bezit. — Daarmede niet tevreden, zal men den beminden persoon ook nog alle goed wenschen, dat hij misschien niet bezit, en werken opdat hij het verkrijge. Men verlangt naar de tegenwoordigheid van den beminden persoon, men zoekt hem, men wil zich met hem vereenigen, men is in gedachte dikwijls met hem bezig. Is die liefde oprecht en vurig, dan zal men den beminde hooger achten dan wat ook op aarde ; hem stellen boven zijne goederen, zyne eer, z|jn leven , en liever zou men alles verliezen dan er in toe te stemmen hem te beleedigen of hem den rug te keeren. — Zou het bij geval gebeuren , dat men hem beleedigde, al is het nog zoo licht, dan is het hart aanstonds bedroefd ; men vraagt vergeving en maakt het voornemen, nooit meer aan den beminden persoon te mishagen ; als anderen hem beleedigen, dan voelen wij dat zelf, en zijn verontwaardigd tegen den beleediger! —

ocr page 61

59

Zoo beminnen wij de menschen : onze ouders, broeders en zusters. Maar beminnen wij zoo ook Jesus Christus , onzen Bruidegom, die het oneindig meer verdient dan alle menschen ? Mijne ziel, verheugt gij u , dat gij in Hem de volheid der Godheid ziet met alle schatten van wijsheid en schoonheid en goedheid en macht, die in God zijn ? — Wenscht gij ook, dat alle menschen Hem beminnen, gelijk Hij het verdient? en vooral, werkt en ijvert gij ook uit alle macht voor de uitbreiding van zijn rijk in de zielen, die u zijn toevertrouwd ? — Haar bezit verlangt uw Bruidegom , en buiten haar verlangt Hij niets; want H|j bezit reeds alles. — Verlangt gij ook naar de tegenwoordigheid van uw Beminde ? Verheugt gij u in zijne tegenwoordigheid in het H. Sacrament ? .. .. Is Hij dikwijls in uwe gedachte ? ... . Stelt gij Hem boven alles ter wereld of hecht gij u liever aan aardsche nietigheden ? .... Als gij Hem uit zwakheid beleedigt, of gij ziet Hem door anderen beleedigen, hoe treft u dit ? Hebt gij dan aanstonds een harteljjk berouw en vast voornemen voor u zelve, eene akte van eerherstel voor anderen gereed, om ze uwen beleedigden Vriend en Broeder en Bruidegom aan te bieden ? ....

o Jesus , als ik zoo de liefde beschouw, die ik U moet toedragen , o , wat ontbreekt er dan veel aan ! Maar , Heer, zoo wil ik U toch voortaan beminnen; dikwijls dacht ik reeds dat ik liefde voor U had , maar dan nam ik misschien het gevoel voor de ware liefde. Help mij , U zoo te beminnen; van U toch moet die zuivere , be-langlooze , edelmoedige , opofferende liefde komen ; geef dat ik met den H. Bernardus kunne zeggen : hij , die het ondervonden heeft, hij slechts kan gelooven, wat het is Jesus te beminnen.quot;

Gebed na de meditatie. Zie lladz. 7.

ocr page 62

60

III, MEDITATIE,

De Religieuze in liet Oordeel.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz 3.

le Voorspel. Verbeeld u den rechterstoel van Jesus Christus ; uwe ziel moet voor Hem verschijnen, om rekenschap te geven van hare werken.

2e Voorspel. Doordring, o Heer, mijn vleesch met uwe vreeze; ik huiver voor uwe oordeelen (Ps. 118. 120); maar geef te gelijker tijd, dat die vrees voor mij het beginsel der wijsheid zij. (Ps. 110. 9.)

le Pust. Wat heb iJc ontvangen ?

Onze Heer Jesus Christus zegt in het H. Evangelie: Van hem, die 'veel ontvangen heeft, zal veel geëischt worden. Herinner u thans één voor één de groote genaden, waarmede gij begunstigd zijt.... Op den eersten dag des levens werd mij het H. Doopsel geschonken; van een kind van gramschap werd ik een kind Gods, ik werd Christin , eene leerlinge van Christus. Waaraan dank ik het, dat ik in de alleenzaligmakende Kerk geboren werd boven millioenen anderen ? Alleen aan Gods goedheid voor mij ! Ik had Christelijke ouders, die mij van jongs af het juk der geboden Gods en der Kerk leerden dragen en mijne eerste schreden richtten op den weg des Hemels. — Zoodra ik er de jaren toe had , ontving ik na eene zorgvuldige voorbereiding de HH. Sacramenten der Biecht en Communie. Mijn God, hoe zal ik U ooit voor zooveel goedheid kunnen danken ? Maar Gij hebt het er niet bij willen laten. Toen mijne driften heviger werden en mijn geloof sterkte noodig had , toen hebt Gij mij de

ocr page 63

61

volheid van uwen H Geest medegedeeld in het H. Vormsel, en werd ik opgenomen onder de keurbende uwer strijders... Ik ontving zoovele heilige inspraken, zoovele heilzame raadgevingen en opwekkingen, zooveel bovennatuurlijke hulpmiddelen om het kwade te laten en het goede te doen , . . . totdat eindelijk uwe goedheid de kroon op alles zette door mij, zondares , te roepen tot den religieuzen staat, mijne arme ziel uit te kiezen tot uwe Bruid, boven duizenden, die beter waren dan ik. — Mijne ziel, wat zult gij toch antwoorden, als u in het oordeel zal gevraagd worden : wat hebt gij met al die genaden gedaan ? waar zjjn de vruchten van al die talenten ? . .. . o God , als Gij den dienstknecht, die zijn talent ongebruikt liet, reeds straft, wat zal er dan van mij geworden, die uwe genaden, uwe inspraken, die vele middelen van heiliging misschien misbruikt heb ! .. . .

2e Punt. Wat heb ik geloofd ?

In het oordeel zal ook de vraag gesteld worden; wat hebt gij geloofd ? Het geloof moest de regel van mijn gedrag zijn in de wereld, meer nog in het klooster. Met dien regel zal mijn gedrag vergeleken worden : dit hebt gij geloofd — dat hebt gij gedaan ! — Zal de Rechter mij dan kunnen verwijten: Gij geloofdet, dat de wereld maar een doortocht is, en toch hechttet gij u aan personen.... aan zaken . .. aan plaatsen ? Gij geloofdet, dat de minste kwelling of versterving een eeuwig gewicht van glorie bewerkt, en toch ontweekt gij ze zooveel mogelijk. Gij wist, dat Ik alom tegenwoordig ben , en toch vergat gij Mij. Gij beleedt het Evangelie met al zijne voorschriften en raadgevingen , maar volgdet ze niet op. Gij wist en geloofdet en hoordet dikwijls, dat iedere vrijwillige dage-lijksche zonde eene beleediging is der Opperste Majesteit en hare straf in 't vagevuur niet zal missen, en toch

ocr page 64

62

stapeldet gij zonde op zonde, iederen dag, ieder uur.... Mijne arme ziel, wat zult gij antwoorden op al die verwijten , die de Rechter nog in het oneindige zou kunnen vermeerderen ? Zijt gij er wel van doordrongen , dat een geloof zonder de werken een dood geloof is (,Tac. II. 26), en dat de rechtvaardige niet alleen gelooft, maar leeft uit het geloof? (Rom. I. 17.) O, beschuldig nu u zelve, neem uwe toevlucht tot Maria, opdat zij u helpe een leven te leiden, dat eenmaal de vergelijking met uw geloof kunne doorstaan!

3e Pust. Wat heb ik beloofd ?

Wat hebt gij beloofd als Christin, als religieuze? Ook deze vraag zal mij in het oordeel gesteld worden. ...

Toen ik voor de eerste maal ter kerke gedragen werd, heeft de H. Kerk in den naam Gods van mij een drievoudige belofte geëischt. „Verzaakt gij aan den duivel ?quot; vroeg zij mij. En door den mond van peter en meter heb ik gezegd: „Ik verzaak.quot; „En aan al zijne werken?quot; „ Ik verzaak.quot; „ En aan al zijne ijdelheden ?quot; „Ik verzaak. ...quot; H. Engelbewaarder , mijne HH. Patronen , gij waart toen mijne getuigen. Ocb , of gij naderhand niet de getuigen mijner ongetrouwheid hadt moeten zijn! Waar is het kleed mijner onschuld, dat ik toen ontving?... Mijn Jesus , barmhartigheid !.... Waar is de brandende kaars der liefde Gods , die mij toen in handen gegeven werd ? Hoe dikwijls liet ik ze kwijnen of misschien uitgaan ! Waar is het merkteeken der kinderen Gods , het zegel des H. Geestes ? Hoe dikwijls heeft de zonde het verbroken ? .... Ik heb die beloften vernieuwd op den plechtigen dag mijner eerste H. Communie in tegenwoordigheid van talrijke getuigen. Heb ik ze sinds dien dag beter onderhouden ? .

Eindelijk is voor mij de dag aangebroken, waarop ik

ocr page 65

63

na eene lange voorbereiding in het noviciaat, na eene retraite van verscheidene dagen, neerknielde voor het altaar. Mijne medezusters luisterden toe. De Koren der Engelen en Heiligen neigden hun oor naar de aarde. Vóór mij stond de priester met het dierbaar Lichaam des Heeren in zijne hand. Ik sprak : „ Ik beloof armoede , zuiverheid , gehoorzaamheid.quot; Ik ontving als een zegel op die belofte het Lichaam en Bloed van Jesus Christus. De Engelen* teekenden dien dag aan in de boeken des Hemels. Nu had ik trouw gezworen, mijn woord verpand aan God en aan de Congregatie. Mijne medezusters wenschten mij geluk. De Congregatie verheugde zich. — Maar hoe heb ik de aangegane verbintenis uitgevoerd ? Wat zal ik den Rechter zeggen, als Hij mij verwijt: Gij waart vrij, die verbintenis aan te gaan of niet; maar nadat gij ze eenmaal op u genomen hadt, waar is nu uwe getrouwheid ? ....

o Mijn God, vergeef mij. Ik huiver voor uwe oordeelen. (Ps. 110. 9.) Maar aan Maria Magdalena hebt gij vergeven , den goeden moordenaar verhoord, — mij ook hebt Gij hoop gegeven. Van ganscher harte vernieuw ik thans mijne gedane beloften , cr eene nieuwe bijvoegende van ze getrouwer te onderhouden. Ik heb gezworen en vastgesteld uwe rechtvaardige voorschriften te onderhouden. (Ps. 118. 106.) Vergeet, Heer, wat er tot nu toe gebeurd is; ik betuig U met den boetvaardigen koning David Ik heb het gezegd: heden begin ik. (Ps. 76. 11.)

Gebed jca de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 66

64

L MEDITATIE.

Over de geestelijke Communie.

Gebed voor de meditatie. Zie blaclz. 3.

le Voorspel. Zich levendig voorstellen, hoe onze beminnelijke Heer Jesus Christus ons voortdurend in zijn H. Sacrament uitnoodigt, om tot Hem te komen ; Jk heb

vurig verlangd dit Paaschlam met u te eten. (Luc. XXII. 15.)

2e Voorspel. Een hartelijk gebed om verlichting, ten einde de waarde en het voordeel der geestelijke Communie goed in te zien.

le Punt. De geestelijke Communie is zeer gemakkelijk te doen.

Overweeg 1° Dat een der regelen van het geestelijk leven luidt: „ Men zal zich niet tevreden houden met op „ de gestelde dagen werkelijk te communiceeren; maar men moet daarenboven op andere tijden dikwijls eene geestelijke Communie doen.quot;

2° Wat geestelijk communiceeren is. Het is niet alleen zich door liefde en navolging met Jesus vereenigen ; maar ook, en wel voornamelijk: aan onzen Heer en Bruidegom het verlangen uitdrukken, dat men heeft, om Hem in het H. Sacrament des Altaars werkelijk te ontvangen, en zich op het nauwst met Hem te vereenigen in de H. Communie. Tot eene geestelijke Communie wordt dus vereischt: een levendig geloof aan de tegenwoordigheid

ocr page 67

65

van Jesus Christus in het H. Sacrament, — eene harte-lyke dankzegging voor de instelling van dit H. Geheim, — een ware begeerte om Jesus meer en meer te beminnen en aan Hem gelijkvormig te worden in deugden, —■ een oprecht berouw over zijne zonden, — een vurig verlangen, om zoo mogelijk werkelijk te commaniceeren.

Bedenk, mijne ziel, hoe gemakkelijk het voor u is, u zoo te vereenigen met Jesus Christus. Gij kunt die geestelijke Communie doen, niet alleen onder de H. Mis of bij het bezoek van het Allerheiligste Sacrament; maar op alle uren van den dag; — gij hebt daartoe de hulp des priesters niet noodig, gij zijt dan zelf uw priester en bedienaar; — men behoeft niet nuchter te zijn, daar ■wordt geene biecht vereischt, en eene lange voorbereiding is niet noodig. Neen , mijne ziel, als de moeilijkheid u afschrikt van deze heilige oefening , dan verschuilt gij u achter schijnredenen en het woord der dienaren van JSTaaman den Syriër is op u toepasselijk: als iets moeilijks van u geëischt was, hadt gij het zeker moeten doen ; hoeveel te meer dan nu. (IV. Reg. V. 13.) Hoe goed is toch onze Heer, die ons den weg ter vereeniging met Hem zoo gemakkelijk gemaakt heeft! ....

2e Pünt. De geestelijke Communie is zeer aangenaam aan God.

Overweeg, dat onze verlangens heiliger en aan God welgevalliger zijn, naarmate het voorwerp onzer verlangens heiliger is.

Wat verlang ik, als ik naar de H. Communie verlang ? Het heiligste, wat Hemel en aarde bezitten ; het Lichaam en Bloed van Jesus Christus , zijne Godheid en Mensch-heid ; — datgene wat de Engelen en Heiligen voor eeuwig gelukkig doet zijn in den Hemel; — de vereeniging met God, mijn eerste Begin en laatste Einde, welke ver-Z. 5

ocr page 68

66

eeniging in den Hemel zal worden voortgezet en mij daar zal doen baden in een zee van glorie en geluk. Ik verlang naar het Brood der sterken , dat mij op den weg des levens moet staande houden, naar den Wijn, die maagden voortbrengt en mij sterken moet tegen de aanvallen van den onzuiveren geest. Ik verlang dan naar de gelijkvormigheid met mijn Hoofd: Jesus Christus, die in lijden en strijden mijn voorbeeld is. Wat heb ik in den Hemel, en wat verlang ik op aarde buiten U? Mijn vleesch en mijn hart bezwijken: de God mijns harten en mijn deel is God voor eeuwig. (Ps. 72 : 25, 26.) Moet zulk een verlangen aan God niet hoogst aangenaam zijn ? — Een hoveling tracht aan zijnen vorst te behagen , eene dienstmaagd aan hare meesteres; en ik zal niet trachten aan mijnen Heer en Koning, mijnen Bruidegom en God te behagen door dikwijls eene geestelijke Communie te doen ? Daardoor immers betuig ik Hem mijn geloof aan zijne tegenwoordigheid in het H. Sacrament, mijne hoop op de vervulling zijner beloften , mijne liefde en dankbaarheid voor de onwaardeerbare weldaad der H. Communie , mijn berouw over mijne zonden, en het gevoel mijner onwaardigheid om Hem werkelijk te ontvangen. quot;Wat kan Hem aangenamer zijn ? .

3e Punt. De geestelijke Communie is ons zeer voordeelig.

Overweeg, dat God elk werk beloont, dat Hem aangenaam is, als het in staat van gratie verricht wordt; Hij geeft daarvoor vermeerdering der heiligmakende genade en een eeuwig loon. — Het Doopsel van begeerte heeft (met betrekking tot de erfzonde) dezelfde uitwerkselen als het eigenlijk Doopsel; de begeerte van te biechten, vergezeld van een volmaakt berouw , heeft, wat de vergiffenis der zonden betreft, dezelfde gevolgen als de^biecht zelve, — zoo ook heeft de begeerte van te communiceeren

ocr page 69

67

in zekere mate dezelfde uitwerkselen als de werkelijke Communie : de ziel wordt gevoed, gelaafd , gesterkt, vervuld met genade. — De oefening der geestelijke Communie zal mijnen geest behoeden voor verstrooidheid , ik zal in voortdurende vereeniging met Jesus Christus leven, ik zal dagelijks toenemen in liefde en bovenal beter voorbereid zijn op de werkelijke Communie en meer vruchten daaruit kunnen trekken; dewijl Jesus Christus met bijzonder welgevallen komt tot eene ziel , die Hem dikwijls uitnoodigt, gelijk de eene vriend gaarne tot den andere gaat, zoo hij dikwijls en met aandrang wordt verzocht. Dat zal ik vooral ondervinden op mijn sterfbed, als Jesus Christus voor de laatste maal tot mij komt. ...

o Mijn Heer en God Jesus Christus, ik aanbid en bewonder uwe goedheid en liefde.... en bedank er U voor.... Het spijt mij , niet ijveriger geweest te zijn in eene oefening, die U zoo aangenaam en mij zoo voordeelig is. Als ik tegenwoordig ben bij de H. Mis, den priester zie communiceeren, mijne medezusters zie aanzitten aan de H. Tafel, als ik mijn bezoek doe bij het H. Sacrament, als ik iets lees of hoor lezen over de H. Communie, als ik daags voor een communiedag aan de groote zaak van 's anderendaags denk, help nnj dan, o Heer, die gelegenheid benuttigen om U mijn verlangen naar uwe komst uit te drukken. H. Jozef, H. Stanislaus, H. Catharina van Senen, die in deze oefening bijzonder hebt uitgemunt, verkrijgt ook mij de genade van dikwijls eene geestelijke Communie te doen. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

ocr page 70

68

■ IL MEDITATIE.

Over de Ootmoedigheid.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

le Voorspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen , wijzende op een klein kind en zeggende : Zoo gij

niet wordt als kleine kinderen, zult gij het rijk der Hemelen niet ingaan. (Matth. XVIII. 3.)

2e Voorspel. De genade vragen om gedurig toe te nemen in de kennis, de liefde, de beoefening der ootmoedigheid.

le Punt. Wat is ootmoedigheid ?

Overweeg, dat de ootmoedigheid eene deugd is, waardoor men zich zelf gering acht en verlangt ook door anderen gering geacht te worden. Wij hebben wel reden, om eene geringe gedachte van ons zeiven te hebben. Waarop zal stof en asch zich verhoovaardigen ? zegt de H. Geest. (Eccli. X. 9.) quot;Wij zijn niets uit ons zeiven; wij zijn door God uit het niet getrokken, zonder onze medewerking of verdiensten ; Hij had er ons even goed in kunnen laten. Zoo iemand meent, dat hij iets is, ofschoon hij niets is, bedriegt hij zich zeiven, zegt de H. Paulus. (Gal. VI, 3.) Hoe groot is daarenboven onze ellende. Ons lichaam is zwak en aan vele behoeften onderworpen, ons verstand bekrompen , onze wil zeer onstandvastig en ten kwade geneigd, onze goede werken gebrekkig. — Wij hebben niets uit ons zeiven. Wat hebt gij, dat ge niet ontvangen hebt ? En zoo ge het ontvangen hebt, wat beroemt ge u dan , alsof ge het niet ontvangen hadt ? (I. Cor. IV. 7.) — Wij kunnen uit ons zeiven niets in de orde der genade; zonder Mij, zegt Jesus , kunt gij niets doen (Joan. XV. 5); zelfs den Naam

ocr page 71

69

Jesus niet uitspreken , voegt de H. Paulus daarbij. Niet dat wij van ons zeiven bekwaam zijn iets te bedenken als uit ons zeiven; maar onze bekwaamheid is uit God. (2 Cor. III. 5.) Wat wij uit ons zei ven kunnen, is: misdoen , zondigen , het werk Gods is ons zeiven en in anderen bederven. En hoe dikwijls hebben wij dit misschien gedaan! — Hoe staat het met mijne ootmoedigheid?.... 'tls gemakkelijk nederig over zich zelf te spreken, en 't is zelfs voor een verstandelijk wezen, dat geloof heeft, moeilijk anders over zich zelf te denken ; maar dit is nog de deugd der ootmoedigheid niet. Stem ik er ook in toe, dienovereenkomstig door God en door

de menschen behandeld te worden ?..... Als God mij

beproeft en mij vernedering op vernedering overzendt, zeg ik dan kalm en gelaten : „ Heer, ik verdien niet beter ?quot; — Als men mij afzonderlijk of in tegenwoordigheid van anderen over mijne gebreken berispt, als men kwaad van mij zegt, mij de achting niet betoont, waarop mijn staat en mijne verdiensten mij recht schijnen te geven, als men mij beleedigt, neem ik dan die vernederingen goed aan ? Of neem ik dan mijne toevlucht tot verontschuldigingen , leugens , kleine wraaknemingen , bitterheden ? „ quot;Wilt gij nederig worden,quot; zegt de H. Bernardus, „ vlucht dan niet de vernedering, want deze is de weg tot „ de nederigheid.quot; Heb ik in mijne woorden en werken altijd Gods eer op het oog, óf mijne eigene eer, aanzien, verheffing bij de menschen ? .. .. o Heer Jesus Christus, die U zeiven zoo diep vernederd hebt, gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises; allerootmoedigste Jesus, van wien de H. Augustinus zegt, dat hij maar aan U behoeft te denken, om te weten wat ootmoedigheid is, maak mijn hart gelijk aan het uwe • geef, dat ik mij nergens op beroeme, dan op mijne zwakheid en ellende, om zoo kracht te vinden in U, mijn steun, mijne rots, mijn heil in eeuwigheid.

ocr page 72

70

2e Punt. Ootmoedigheid is noodzakelijk.

Overweeg de volgende plaatsen uit de H. Schrift: God weerstaat den hoovaardigen , maar aan de nederig en geeft Hij genade. (1 Petr. V.) — Wee u, die icijs zijt in uwe eigene oog en! (Is. V. 21.) Waar nederigheid is, daar is wijsheid. (Prov. XI. 2.) De wijze roeme niet op zijne wijsheid, noch de sterke op zijne kracht, maar hij roeme daarop: te weten en te erkennen dat Ik de Heer hen. (Jerem. IX. 23.)

Overweeg ook deze uitspraken der Heiligen : „ Als de ootmoedigheid, zegt de H. Augustinus, al het goede , wat wij doen, niet voorafgaat, vergezelt en volgt, dan zal de hoovaardigheid ons alle verdiensten ontrooven.quot; — Ons geestelijk gebouw berust geheel en al op den grondsteen der ootmoedigheid, en daarom, hoe meer wij tot God naderen, hoe ootmoediger wij ook behooren te zijn; anders zullen wij het zeker zien instorten. (H. Teresia.) — Hoe ootmoediger de menschen zijn , hoe meer de Heer in en door hen groote zaken zal uitwerken. Hoe kleiner wij zijn in onze eigene oogen, hoe meer wij de genade züllen hebben van de harten te treffen en onze leerlingen tot ware Christenen te vormen. (Zal. J. B. de la Salie.)

Mijne ziel, hoe verklaart gij bij zulke uitspraken uw geringen ijver om de ootmoedigheid te bekomen ? Zal ik, met al mijne talenten en wetenschap, niet zonder verdiensten , met ledige handen voor mijnen Opperrechter verschijnen , als ik mij niet ernstig op de ootmoedigheid toeleg ? Wat zal er zonder die deugd van mijne volmaaktheid geworden ? De grondslag ontbreekt. — Zal ik zonder haar het tweede doel van mijne roeping bereiken en den evenmensch waarlijk nuttig zijn door de oefening van goede werken ? Mag ik bij de liefdewerken op de bijzondere genade , den zegen van God rekenen , als ik mijne eigene eer, niet de zijne op het oog heb? In tegen-

ocr page 73

71

deel, de H. Geest zelf zegt mij door den mond van den H. Petrus, dat Hij mij wederstaan zal: God wederstaat den hoovaardigen.

o Mijn God, hoevele redenen , om koste wat het kost mij door gebed en oefening deze zoo noodzakelijke deugd «igen te maken! En bij dit alles komt nog, dat Gij, o Heer Jesus Christus mij deze deugd door woord en voorbeeld op het hart gedrukt hebt. Leert van Mij, niet mirakelen doen, niet dooden verwekken, niet eene nieuwe wereld scheppen, maar leert van Mij, dat Ik ootmoedig hen. o Jesus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, maak toch eindelijk mijn hart gelijk aan het uwe. Ik ben beschaamd, als ik U in eene nederige beestenkribbe zie neerliggen , als ik U een armoedig leven zie leiden , U als een misdadiger hoor beschuldigen, U tusschen twee moordenaars zie kruisigen. Als ik daarmede mijn gedrag vergelijk , moet ik dan niet zeggen, dat ik een hoovaardig lidmaat ben onder een vernederd en nederig Hoofd ? Ik weet het, Heer, de duivel haat de ootmoedigheid ; maar dat is voor mij juist eene reden, om ze te beminnen. Bedenk , dat de duivel zelfs U van bekoringen tot hoogmoed niet heeft vrijgelaten; maar , door de verdiensten uwer overwinning op hem, ruk die giftige plant met wortel en tak uit mijn hart en geef mij de genade, die den ootmoedige beloofd is : Aan de ootmoedig en geeft Hij genade. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

f

k

ocr page 74

72

HL MEDITATIE.

Over de vreeze Gods.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Zich verbeelden met de Joden te staan aan den voet van den berg Sinaï, terwijl onder donder en bliksem en bij het daveren des bergs, de stem des Heeren weerklinkt: Ik hen de Heer , uw God.

2® Voorspel. Een vurig gebed om de vreeze Gods r zeggende met David : Doordring , o Heer , mijn vleesch met uwe vreeze. (Ps. 118. 120.)

le Pünt. Wij moeten de straffen van God vreezen.

Overweeg met aandacht de nadrukkelijke vermaning van onzen Heer Jesus Christus : Vreest niet degenen, die het lichaam dooden, maar de ziel niet treffen hunnen ; maar Ik zal u toonen, reien gij vreezen moet; vreest Beng ene, die nadat Hij het leven benomen heeft, ook de macht heeft, om in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u : vreest dien. (Mt. X. 28 ; Luc. XII. 5.) Vreeselijk, zegt de H. Paulus, is het, te vallen in de handen van den levenden God. (Hebr. X. 10.)

Mijne ziel, wat volgt hieruit voor u ? ... . Dat ook gij de straffen des Heeren moet vreezen ; want die woorden zijn gesproken tot alle menschen, ook tot hen, die God op eene bijzondere wijze aan zijnen dienst verbonden heeft, 't Is waar, de H. Joannes zegt, dat de volmaakte liefde de vrees huiten drijft (1 Joan. IV. 18); maar mag ik denken , dat mijne liefde volmaakt is ? Zoolang zij dat niet is, mag dus de vrees mijn hart niet verlaten. Door Gods goedheid mag ik vertrouwen niet in staat van doodzonde te zijn ; de hel is dus voor mij gesloten ; maar als

ocr page 75

73

ik mij doordring met eene heilzame vrees voor die verschrikkelijke straf van den rechtvaardigen God, dan zal de klove, die er tusschen mij en de doodzonde zijn moet, iederen dag grooter en het gevaar van er in te vallen iederen dag kleiner worden, volgens het woord van den H. Geest; De vreeze des Heer en verdrijft de zonde. (Eccli. I. 27.) Hadden de dwaze maagden meer zulke vreeze gehad, nooit zouden zij gehoord hebben : Ik ken u niet. (Mt. XXV. 12.)

Doch God straft niet alleen in de hel. Hij heeft ook het vagevuur met zijne pijn van schade en van gevoel. In hoeverre vrees ik dit ? Ben ik er wel van doordrongen, dat geen mijner geringste fouten daar hare straf zai ontgaan, dat dus alle kleine onwaarheden, liefdeloosheden, ijdelheid en lichtgeraaktheid, oneerbiedigheden, enz. brandstof z|jn voor dat verschrikkelijk vuur ? ... . o Heer , zoo Gij de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er bestaan ? (Ps. 129. 3.)

2quot; Punt. Wij moeten de beleediging van God vreezen.

God is het opperste Goed in zich zei ven ; maar Hij is ook oneindig goed tot ons ; Hij heeft ons met weldaden overladen en zich in alle opzichten een Vader betoond. Overweeg daarbij, wat eene zonde is. Of wij ze doodzonde of dagelijksche zonde noemen, zij is altijd eene beleediging van God, het opperste Goed, de hoogste quot;Wijsheid en Macht, onzen grootsten Weldoener, onzen teederhartigen Vader in den Hemel

Moet ik dan niet vreezen, dien zoo goeden God te be-leedigen ? Wat kwaad heeft Hij mjj gedaan? Mijn volk, wat heb Ik u gedaan , of waarin heb Ik u bedroefd ? Antwoord Mij. (Mich. VI. 3.) o God, wat was het een ongelukkige tijd voor mij, toen ik niet vreesde U te be-leedigen door de doodzonde ! O, kon ik dien tijd terugroepen ! Zal ik nu nog ooit mijn Heer en God vergrammen , Hem door mijne zonden als 't ware een slag in 't

ocr page 76

74

aangezicht geven, — ik, nietige aardworm, opstaan tegen de opperste Majesteit ? Laat mij liever hier voor uwe voeten sterven, o Heer, dan dat ik nog ooit zoo ongelukkig zijn zou!

Maar ook de dagelijksche zonden moet ik vermijden, omdat ook daardoor mijn' goede Vader in den Hemel beleedigd wordt. Als die vrees in mijne ziel was, hoe waakzaam zou ik dan zijn , om alle uitgestortheid te vermijden , hoe voorzichtig in den omgang, hoe nederig, hoe teeder van geweten in zake mijne H. Geloften, hoe zorgvuldig in de kleinste zaken , hoe aandachtig in het gebed, om zoodoende zelfs de schaduw van het kwaad te vermijden , gelijk een goed kind alles vermijdt, wat aan zijn teergeliefden vader mishagen, of hem bedroeven kan. Och, of die kinderlijke vrees mijn deel ware! Zij is veel volmaakter dan de vrees voor de straffen Gods, en houdt voortdurend de ziel in eene blijmoedige oplettendheid ; zij voedt de liefde, zij volmaakt ze, en van deze vreeze is het waar, wat geschreven staat: De vrees des Heeren is eer en roem en blijdschap. (Eccli. I. 11.)

3e Pünt. Wij moeten God zelf vreezen.

Overweeg hoe de vrees voor de straffen van God en voor de beleediging van God eenmaal zal ophouden. Haar daar is nog eene andere vreeze Gods, op welke de H. Bernardus de woorden van David toepast: Zij is heilig en blijft in de eeuwen der eeuwen (Ps. XVIII. 10.) Het is het heilig ontzag, de eerbied voor God en voor alles, wat met God in betrekking staat. — Voorwaar, geen volk heeft zijne goden zoo dicht in zijne nabijheid, als wij Christenen onzen God. En onder de Christenen, zijn wij, de uitverkorenen zijns Harten , toegelaten tot zijne bijzondere vertrouwelijkheid. Dag en nacht woont Jesus Christus met ons onder hetzelfde dak; dagelijks zijn wij tegenwoordig , als de Hemel opengaat en Hij neerdaalt op het

ocr page 77

75

altaar in de H. Mis ; dikwijls per dag verschijnen wij voor zijn H. Tabernakel; meermalen per week komt Hij in ons hart door de H. Communie.... O Heer , wat gaat Gij vertrouwelijk met ons om , ja , Gij toont dat het uwe vreugde is met de kinderen der menschen te zijn, met uwe bruiden in het bijzonder.

Doch is die dagelijksche omgang, die groote vertrouwelijkheid voor mij niet de oorzaak geweest van oneer-lt; biedigheid te zijnen opzichte ? Als ik kniel voor het H. Sacrament, kan men dan aan mijne houding zien, dat de ziel zich reeds vóór het lichaam heeft neergebogen ? Hoe '{ is mijne voorbereiding en dankzegging bij het groote werk der H. Communie ? Hoe spreek ik tot God en over God ? Hoe behandel ik de arme ledematen van Christus ?....

o Mijn Heer en God , als ik op deze punten mij iets te verwijten heb , dan is het, omdat uwe heilige vraeze mij niet doordringt; uw dagelijksche omgang heeft mij als 't ware doen vergeten , dat Gij de God van majesteit en heiligheid zijt, die door vertrouwelijkheid geëerd, maar door oneerbiedigheid beleedigd wordt. De afstand tusschen U en mij is oneindig; en ik behandel U dikwijls alsof er geen afstand was, zooals ik mijns gelijken niet zou durven behandelen. Heb ik ooit een vriend met zooveel koudheid ontvangen, als U in de H. Communie ? Gij zijt nochtans de Heilige der Heiligen , voor wiens aanschijn , de Cherubijnen hun aangezicht met hunne vleugelen be

dekken en die door uw Profeet gezegd hebt: Gevloekt zij hij, die het werk des Heer en nalatig verricht. (Jerem. 48. 10.) HH. Engelen, gij de toonbeelden van dien heiligen eerbied en dat liefdevol ontzag, o, verkrijg ons, te deelen in die heilige vreeze, die de vertrouwelijkheid niet wegneemt, en de liefde vermeerdert!

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

■éühaiibié

ocr page 78

76

L MEDITATIE.

Verborgenheid van Jesns in 't H. Sacrament.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel, Zich wederom verbeelden onzen Heer Jesus Christus in het laatste Avondmaal, zeggende: Neemt en eet, dit is mijn Lichaam. (Mt. XXVI. 26.)

2e Voorspel. O Heer Jesus , verborgen God, verlicht de oogen des geloofs, om U daar te zien, waar de oogen des lichaams te kort schieten.

le Püjit. Jesus. verborgen God.

Bedenk, hoe Adam en Eva in het aardsche paradijs bedrogen werden door het gehoor; zij meenden op het woord des duivels het leven te eten en aten den dood. — In het H. Sacrament toonen ons de zintuigen gewoon brood ; maar het gehoor bedriegt ons niet; want Jesus zelf zegt ons: Dit is mijn Lichaam. Niet alleen voor de zintuigen is Jesus verborgen, maar ook voor de oogen des verstands; want geen menschelijk verstand is in staat te begrijpen, hoe de oneindige God, voor wien de Hemelen te klein zijn, zich bevinden kan onder de geringe gedaanten van brood en wijn. Hij is daar nog meer verborgen dan tijdens zijn sterfelijk leven op aarde; want al zag men in de kribbe, te Nazareth, te Jerusalem, aan de geesel-kolom, aan het kruis zijne Godheid niet, men zag er toch zijne H. Menschheid; maar hier is niet alleen zijne Godheid verborgen, ook zijne H. Menschheid. O wonderbare verbor-

ocr page 79

77

genheid ! Daar kan geen deeltje der H. Hostie zoo klein zijn, ja nauwelijks zichtbaar voor het oog, of Jesus Christus is er onder verborgen met zijne aanbiddelijke Godheid en allerheiligste Menschheid. Waarlijk , Gij zijt een ver-horyen God, Gij Israels God en Verlosser! (Is. 45. 15.) Jesus Christus is gelijk aan een koning, die den luister van zijn koningschap eenigen tijd aflegt, om zich niet alleen met nederige, maar zelfs met verachtelijke kleederen te bedekken. Wat al smaad ondervindt zulk een koning dikwijls! De een kent hem niet, een ander wil hem niet kennen , een ander ziet hem aan voor een verachtelijk mensch. Dat alles ondervindt ook Jesus in 't H. Sacrament, waar Hij verborgen is. Men heeft Joden Hem zien doorsteken met hunne dolken, zeggende: Als Gij de God der Christenen zijt, toon het dan. De ketters hebben Hem menigmaal voor de houden en paarden geworpen; en de slechte Christenen hebben hem onteerd door oneerbiedigheid en heiligschennis. „ o Verborgen Godheid, ik n aanbid U, terwijl Gij verscholen zijt onder deze gedaan-„ ten ; mijn hart althans erkent U. o Jesus, dien ik thans „ verborgen aanschouw, wanneer zal het uur komen, dat v ik U zonder sluier mag zien en ik eeuwig gelukkig zij in „ het aanschouwen uwer glorie !quot; (In Hymno : Adoro Te.)

2e Pust. • JVaarom verbergt zich Jesus in '£ H. Sacrament ?

Jesus verbergt zich hier, om de verdiensten van ons geloof te vermeerderen. Als wij Hem zagen in al zijne glorie, wie zou dan niet in Hem gelooven ? Maar zou dan op ons het woord des Heeren van toepassing zijn : Zalig zijn zij, die niet zien en toch gelooven ? (Joan. XX. 29.) Dat geloof is, zooals de H. Thomas zegt (1), voor ons

(1) S. Thom. Aq. Opusc. de Ven. Sacr. Altaris. Cap. VII.

ocr page 80

78

de bron van groote verdiensten : het geeft ons reeds op aarde een grooten overvloed van geestelijke goederen, volgens dit woord des Heeren: Die in Mij gelooft, stroomen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. (Joan. VIL 39), — en hiernamaals nog een grooter overvloed van glorie, zooals de H. Petrus zegt: Geloovende in Jesus Christus, dien gij niet ziet, zult gij u mei eene onuitsprekelijke en verheerlijkte blijdschap verheugen, wegdragende het einde van uw geloof, de zaligheid der zielen. (1 Pet. I. 8.) „ o God, laat dan het geloof ter hulp komen, daar waar de zintuigen te kort schieten. (In Hymno : Pange Lingua.)

Jesus verbergt zich uit liefde tot ons , om onze zwakheid te hulp te komen. Bedenk toch, dat van Jesus, als God, waar is, wat geschreven staat: Mij zal geen mensch zien en in het leven blijven (Exod. IV. 18); bedenk, dat de Joden , na het onderhoud van Mozes met den Heer, het aanschijn van Mozes niet meer konden aanzien en hij het met een sluier bedekken moest. De Godheid nu van Jesus te aanschouwen, is ons menschen onmogelijk; zijne H. Menschheid, die na zijne verrijzenis verheerlijkt is , kunnen wy ook niet zien, want zij schittert meer dan het aanschijn van Mozes en meer dan de zon ; — toch wil Jesus met ons zijn en in onze nabijheid blijven , en daarom verbergt Hij zich onder deze nederige gedaanten.. . Maar al konden wij zyne Godheid en Menschheid zien j zouden wij dan nog wel durven verschynen voor zijn troon van glorie ? De Cherubijnen sidderen voor Hem en durven nauwelijks tot Hem opzien ; en zouden wij, nietige aard-wormpjes , dat durven, wij die daarenboven duizenden malen dien God van glorie hebben beleedigd ? Heer, als Gij ons toeriept: komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken (Mt. XI. 28), wie zou er komen ? Maar dank aan uwe liefde mag ik nu met David

ocr page 81

79

zeggen : Ik zal den Heer afwachten; want Hij heeft zijn aangezicht verhoryen. (Ps. VIII. 17.) Bewonder, o mijne ziel, die liefde , en dank er uwen God voor met al de vurigheid , waartoe gij in staat zijt....

Jesus verbergt zich, om ons een voorbeeld te geven van nederigheid. Gelijk een geneesheer, die de ziekte bestrijdt met middelen, die lijnrecht tegen de kwaal overstaan, zoo gebruikt Jesus hier een middel, dat lijnrecht tegen onze neiging ingaat. Onze neiging is : voor den dag komen , gezien worden , schitteren , al is het slechts in een nede-rigen kring van zusters of kinderen, ons verheffen boven anderen. Is dat niet dikwijls het geval, als wij liefdediensten bewijzen , of liefdewerken oefenen, als wij onzen tijd

besteden aan het gebed, of als wij verstervingen doen ?____

Mijne arme ziel, zie toch op het voorbeeld , dat Jesus u geeft in het H. Sacrament. Dat voorbeeld roept u toe : Het rijk der Hemelen is gelijk aaneen verborg en schat (Mt. XIII. 14.) ; „ word gaarne over het hoofd gezien en „ voor niets geteld ; niemand komt veilig voor den dag , „ dan die gaarne verborgen is.quot; (Nav. I. 20.) Ziet, ook Jesus Christus bewijst liefde , ja Hij put hier zijne liefde uit, maar Hij doet het in het verborgen ; Hij bidt hier en leeft in een staat van geheimzinnige versterving, maar Hij verbergt zich. En zal ik mij dan nog willen verheffen, terwijl Jesus Christus zich zoo diep vernedert ?

o Jesus, verborgen God , die U aanstonds nog dieper zult vernederen met U to verbergen in mijn arm hart, geef, dat ik uwe lessen begrijpe. Och , hoe gaarne zou ik U in dat hart een koningstroon aanbieden , uwe Godheid waardig ! Verhoed ten minste, dat de verborgenheid waarin Gij U vernedert, voor mij eene aanleiding zou zijn om U minder eerbiedig of liefdevol te behandelen. Leer my , mij zelve voorbereiden op die laatste H. Communie , op welke de ontsluiering volgen zal. Als Gij U

ocr page 82

80

dan aan mijne oogen vertoonen zult in al den luister uwer heerlijkheid, geef, dat ik dan niet beschaamd behoeve te zijn, U als verborgen God niet genoeg erkend, geëerd en bemind te hebben. H. Maagd Maria, in wier schoot Jesus zoolang verborgen was , verkrijg mij die genade. Amen.

gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

IL MEDITATIE.

Over lie Zaclilinoedig:heid.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

le Voorspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen onder het beminnelijke beeld van een Lam, zooals de Profeten Hem aankondigden en Joannes Hem aanwees.

2e Voorspel. Een vurig gebed om de zoo schoone en noodzakelijke deugd van zachtmoedigheid.

1® Punt. Jesus Christus vraagt van ons de zachtmoedigheid.

Overweeg, hoe dringend onze Heer Jesus Christus door woord en voorbeeld de zachtmoedigheid aanbeveelt. Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig van harte hen. (Mt. XI. 29.) Ik zend u cds lammeren te midden der wolven. (Luc. X. 3.) Als men u op de eene uang slaat, bied ook de andere aan ; als men u uw kleed ontneemt, geef ook uwen mantel af (Luc. VI. 29.), liever dan door te twisten, uwe zachtmoedigheid te verliezen. Aldus spreekt Jesus Christus, onze Bruidegom en de Wetgever van het Nieuwe Verbond. — Hij zelf was zachtmoedig , in zijne kindsheid, in zijne jongelingsjaren, gedurende de drie jaren van zijn openbaar leven, te midden van onwetende, ruwe leer-

ocr page 83

81

liny en, van valsche broeders, van schijnheilige Parizeërs, van lastige zieken , van boetvaardige en onboetvaardige zondaars, van allerlei personen met verschillende karakters, hoedanigheden , opvoeding , vooroordeelen , zienswijzen , hebbelijkheden; in één woord, te midden eeneromgeving, die voor de beoefening der zachtmoedigheid voortdurend de ruimste gelegenheid aanbood. Die zachtmoedigheid bereikte haar toppunt in zijn heilig lijden, toen Hij tegenover een verraderlijken Judas, een trotschen Caïphas, een laffen Pilatus, een onkuischen Herodes en onmenschelijke beulen eene zachtmoedigheid toonde, die Hemel en aarde in verbazing bracht. Wat volgt daar voor mij uit?.... Als Jesus Christus mij door woord en voorbeeld de zachtmoedigheid zoozeer aanbeveelt, dan moet hare beoefening mij zeer Toordeelig , ja zelfs noodzakelijk zijn. — o Mijn Jesus, Gij vraagt dus die deugd van mij. Gij wilt dat ik in alle omstandigheden mijn toorn inhoude. Mijne omgeving , hetzij te huis, hetzij in de school, hetzij in een ander liefdewerk , biedt er mij dagelijks gelegenheid toe aan ; maar hoe gedraag ik mij dan ? .... O , mij dunkt, ik hoor U mij toeroepen: mijn kind, gij weetniet van welken geest gij zijt. Mijn voorbeeld, mijne lessen, de zoo uitdrukkelijke woorden uwer HH. Regelen, de zoo dikwijls herhaalde waarschuwingen der Oversten, door wier mond Ik spreek, is u dat alles niet genoeg ? . ...

o Mijn Jesus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, maak mijn hart gelijk aan het uwe. Geef mij ten minste eene vurige begeerte en een heiligen ijver om die deugd te verkrijgen !... .

2e Pirax. Be evennaaste vordert die deugd in ons.

De H. Yincentius zegf, dat alle menschen verlangen met zachtheid behandeld te worden, en niemand met bitterheid of hardheid wil berispt zijn ; — de H. Fran-Z ' 6

ocr page 84

82

ciscus van Sales zegt, dat de berisping eene bittere vrucht is, die niet smaakt, of zij moet in de zachtmoedigheid zijn ingelegd.

Bedenk , dat gij zelf met zachtmoedigheid wilt behandeld zijn. Vraag u eens af: hoe word ik gaarne toegesproken ? Als men mij vermaant of berispt, bevalt het mij dan, als het met hevigheid of bitterheid geschiedt ?...

Vergeef mij, o Heer, dat ik zoo dikwijls anderen, mijns gelijken en minderen , behandeld heb gelijk ik zelf niet zou verdragen, en dat wel tegen de wet, die Gij zelf in het hart van iederen mensch gegrift hebt: „ wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook niet aan een anderHoe jammer, dat ik zoo dikwijls met hevigheid te werk ging! Moet ik daaraan niet de onvruchtbaarheid van vele mijner werken toeschrijven, alsook, dat ik op de zielen, mij toevertrouwd, zoo weinig vermag? Met zachtmoedigheid kan men de harten kneden als was, zooals een Kerkvader zegt: „ Voor de nederigen is niets n moeilijk, en de zachtmoedige kent geen tegenstand.quot; Geen wonder. De zachtmoedigheid komt voort uit liefde en medelijden met des naasten zwakheid. En welk hart is er bestand tegen liefde en medelijden ? . Heeft de zachtmoedige vermaningen of raad te geven , dan spreekt die liefde uit ieder woord; het wordt den evennaaste duidelijk, dat men het goed met hem meent, en een steenen hart laat zich verzachten door de olie der zachtmoedigheid. o God , geef, dat ik het inzie, en in beoefening brenge, wat alle Heiligen zeggen: Door de zachtmoedigheid wordt het gemakkelijk de harten te leiden.

3e Punt. Wij hebben zeiven de zachtmoedigheid noodig.

Herinner u, dat, willen wij de achting en de liefde onzer medezusters en kinderen bezitten , wij zachtmoedig moeten zijn. Deze achting en liefde mag wel niet ons

ocr page 85

83

hoofddoel zijn bij de beoefening der zachtmoedigheid; maar heeft men deze niet, dan verbittert men zijn eigen leven en men is in de onmogelijkheid om aan anderen goed te doen. Hoevele onaangenaamheden en teleurstellingen had ik mij dus kunnen besparen door zachtmoedigheid ! Bovendien, hoeveel schade heb ik door hevigheid en oploopendheid aan mijne eigene ziel toegebracht! Als ik daaraan toegaf, heb ik altijd zaken gedaan, woorden gesproken of besluiten genomen , die mij later, bij kalmer gemoedsgesteldheid , berouwden. Ik heb het hoofd verloren , en .... dwaasheden begaan, zooals de H. Geest zegt: Een opvliegend mensch doet dwaasheden. (Prov. XIV. 17.) Het gebed, dat daarop volgde, was verstrooid en flauw ; bij de volgende H. Communie heb ik misschien alle devotie moeten missen , omdat aan den maaltijd der liefde geen andere dan liefdevolle gevoelens mogen voorafgaan. Ik miste de tevredenheid , die zich nooit bevindt te midden der hevige gevoelens, en die toch zoo noodzakelijk is, om mij in mijn heiligen staat gelukkig te gevoelen.

o Mijn God en Heer, Jesus Christus, hoe ondankbaar, onchristelijk en dwaas heb ik gehandeld met zoo weinig mijne hevigheid te bedwingen! O toonbeeld van alle zachtmoedigheid , wat heb ik uwe voorbeelden en lessen dikwijls uit het oog verloren, vergetend, wat de H. Chrysostomus zegt: „zie op Christus, en gij zult aanstonds zachtmoedig zijn!quot; Hoeveel goed heb ik daardoor verijdeld , hoeveel schade ondervonden! Maar, Heer, ik maak het vaste voornemen, mij te zullen beteren. Ik weet wel, dat mijn hart tot de gramschap geneigd is, en er gelegenheden zullen komen, waarin het moeilijk zal zijn mij in te houden; maar sterk mij dan door uwe genade , doe mij denken aan uwe voorbeelden , aan uwe lessen , aan uwe beloften : Zalig zijn de zachtmoedig en,

ocr page 86

84

want zij zullen de aarde bezitten (Mt. V. 4.); geef. dat ik dan, als David, altijd mijne ziel in mijne handen koude (Ps. 118, 9.)» om die ziel ernst te viuden, welke Gij als een kostbaren schat hebt toegezegd aan al wie zachtmoedig is van harte. (Mt. XI. 29.)

Gebed xa de meditatie. Zie hladz. 7.

Ill, MEDITATIE,

Jesus Christus, onze Getuige.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz 3.

le Voorspel. Met gi-ooten eerbied zich in de tegenwoordigheid stellen van Jesus, in het H. Sacrament wezenlijk en waarachtig tegenwoordig.

2e Voorspel. Met aandrang de genade vragen van altijd in de tegenwoordigheid Gods te mogen wandelen.

le Punt. Jesus Christus is met zijne Godheid overal tegemcoordig en de getuige onzer handelingen.

Jesus Christus, die uit liefde tot ons mensch werd , is ook de God van Hemel en aarde. Hij heeft als zoodanig het heelal geschapen en vervult het met zijne tegenwoordigheid : in Hem leven wij, in Hem bewegen wij ons, in Hem zijn wij. (Act. XVII. 28.) Geen visch in de zee ia zoo omringd van het water, geen kristal zoo doortrokken van licht, als wij omringd en vervuld zijn van God. Hij ziet alles; zijn oog dringt door tot in de diepste ingewanden der aarde, tot in de geheimste plooien der gewetens. „ o Heerquot; roept David uit (Ps. 138. v. 6 — 13), „wow-derhaar, machtig is uwe kennis; mijn verstand staat er voor stil! Waar zou ik henen gaan voor uwen geest, en

ocr page 87

85

waarhenen, om aan uw aangezicht te ontvlieden ? Zoo ik opsteeg ten hemel, daar zijt Gij! Daalde ik neder ter onderwereld, Gij zijt er. Sloege ik in 't morgenrood mijne vleugelen uit en liet ik mij neder aan het einde der zee, ook daarheen zon uwe hand mij geleiden en uwe rechterhand mij dragen. En ik zeide: misschien zal de duisternis mij bedekken en de nacht mijn licht zijn in mijne genoegens. (Maar neen !) Want de duisternis is voor U niet duister en de nacht is U zoo helder als de dag , de duisternis des nachts en het licht van den dag zijn (bij U) één.quot; Van Hem staat geschreven : Geen schepsel is verborgen voor Hem, en alles ligt open en bloot voor zijne oogen. (Hebr. IV. 13.) En; Hij had niet noodig, dat iemand getuigenis gaf van den mensch, want Hij zelf wist, want in den mensch was. (Joan. 11.15.).... o Verschrikkelijke waarheid voor de zondige ziel! Maar troostend geloofspunt voor den rechtvaardige! God ziet dan mijne strijden , mijne bekoringen , mijne pogingen , mijne zwakheid ; Hij hoort mijne verzuchtingen, mijne gebeden, mijne klachten , mijne wenschen ! o God, ik weet zulks door mijn geloof; 't is mij van kindsbeen af geleerd , en ik dank er quot;ü voor; maar hoe komt het dan, dat soms uren en dagen voorbijgaan, zonder dat ik op U denk ? I o Heer, kom mijne zwakheid ter hulp!

2e Punt. Jesus is vooral onze getuige in het H. Sa-i crament.

Door een wonder van goedheid en liefde heeft Jesus Christus onze woning tot zijn verblijf uitgekozen. Zijn liefdevol oog slaat mij gade, waar ik ook ben; hetzij ik rust, hetzij ik arbeid , hetzij ik spreek of mij ontspan , hetzij ik mijn lichaam voed en laaf. Door de deur van zijn H. Tabernakel heen , dwars door muren en afsluitingen, volgt mij zijn alziend oog ; hefls onafgebroken op

ocr page 88

86

mij gericht, alsof ik alleen mij binnen de eenzame muren des kloosters bevond! En sluit ik des avonds mijn oog, Gij , o Heer Jesus, sluit uw oog niet ; Gij waakt over mij , Gij ziet mij, Gij wacht, of 's avonds mijn laatste gedachte voor U is, of 's morgens weer mijn eerste gedachte voor U zijn zal. Nader ik tot uw H. Tabernakel, altijd vind ik U bereid om naar mijne smeekingen te luisteren, altijd hebt Gij uw oor geopend om de stem mijns gebeds, die uit de diepte mijner ellende opstijgt, te hooren. — Gij daalt bij de H. Communie neer in mijn hart, om getuige te zijn van mijne liefde , van mijnen ijver. — o Liefdevolle God , o alwetende Getuige van mijn doen en laten , och , of Gij van uit uw H. Tabernakel toch nooit in mij iets zaagt, wat U droefheid veroorzaken moet. O, zaagt Gij mij toch altijd ingetogen, —-sprekend, zwijgend, werkend eenig en alleen voor U , — liefderijk voor mijnen evenmensch, nederig en zacht, zuiver in zeden en gedachten, vurig in 't gebed en doordrongen van een heiligen eerbied in uwe tegenwoordigheid. Vergeef mij, Heer, de droefheid, die ik U door het dagelijksch schouwspel mjjner ongetrouwheden heb aangedaan in uw H- Sacrament, o God , wees mij , arme zondares , genadig !. . ..

3e Punt. Wij moeten altijd in Gods tegenwoordigheid wandelen.

Wandel voor mijne oog en en wees volmaakt. (Gen. 17. 1.) Zoo sprak God tot Abraham, als wilde Hij zeggen : „denk er aan, dat Ik , uw Heer en God, mijne oogen op u gevestigd houd, en gij zult niet zondigen, maar dagelijks meer en meer naderen tot de volmaaktheid, die gij in My ziet.quot; God ziet mij ! Jesua Christus ziet mij! Die gedachte mag dus nooit uit mijnen geest gaan. De Heiligen hadden die waarheid altijd voor oogen. o God, hoe ver

ocr page 89

87

ben ik daar nog van verwijderd ! En toch, hoeveel onvolmaaktheden, ja zonden zouden daardoor voorkomen zijn! Maar ach , als een ongeloovige of een andersdenkende , die de zwakheid des menschen niet kende, mijne verstrooidheid , mijne onvolmaaktheden en fouten eens zag , zou dan de gedachte niet bij hem opkomen, dat mijn hart niet gelooft aan hetgeen mijn mond belijdt ? God ziet mij! Zoo dacht de kuische jongeling Jozef, toen Putifar's vrouw hem tot zonde bekoorde : Hoe kan ik dit kwaad doen en zondigen tegen mijnen God ? (Gen. 39. 9.) God ziet mij! Zoo dacht de kuische Susanna, toen zij in haren dringenden zielenood uitriep: H Is mij beter zonder dit kwaad in uwe handen te vallen, dan te zondigen voor het aanschijn des Heeren. (Dan. XIII. 22.)—God ziet mij! Zoo moest ook ik denken , als de duivel mij met bekoringen nadert, — als minder volmaakte medezusters mij aanzetten tot overtreding der HH. Regelen, — als lauwheid en traagheid bezit dreigen te nemen van mijn hart, — als ik, voor het H. Sacrament geknield, den tijd voorbij laat gaan, zonder mij ernstig op het gebed en de meditatie toe te leggen; — op die waarheid moest ik mijne oogen onafgebroken gevestigd houden, gelijk de Joden op de Vuurkolom, om zoodoende altijd te weten, waarheen mijne schreden te richten en hoe mijne handelingen te regelen!

Goede Jesus, doe uw aanschijn lichten over uwen dienstknecht en leer mij uwe gerechtigheden. (Ps. 118. 135.) Heer, geef dat uw licht mij altijd verlichte gelijk de zon, waarvan ik toch de aanwezigheid ondervind, al is zij achter wolken verborgen. Dan zal ik van deugd tot deugd kunnen gaan (Ps. 83. 8.) en eenigszins het woord kunnen vervullen , dat Gij zelf gesproken hebt: „ Weest volmaakt gelijk uw Hemelsche Vader volmaakt is.quot; (Mt. V. 48.)

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

--—-

ocr page 90

88

AXJaXJSTXJS. I. MEDITATIE,

„Zie, weldra kom Ik.quot; (Apoc. XXII. 12.)

Gebed toor de meditatie. Zie hlndz. 3.

le Voorspel. Zich verbeelden deel uit te maken van het huisgezin van Martha en Maria op een oogenblik, dat Jesus daar verwacht wordt.

2e Voorspel, Een vurig gebed, om zich altijd waardig tot het bezoek van Jesus voor te bereiden.

le Punt. Wie komt tot mij ?

Herinner u de onfeilbare waarheid des geloofs, dat Jesus Christus, God en mensch , met ziel en lichaam in het H. Sacrament tegenwoordig is.. .. Diezelfde God van majesteit en macht wil tot mij komen!.... Hij vraagt mij den toegang tot mijn hart; Hij klopt aan de deur , ziet door het venster en de traliën en zegt: open , mijne zuster en bruid. (Cant. II. 9.) — Hij die komt, is de onsterfelijke Koning der eeuwen , die mij eenmaal oordeelen zal, mij zal binnenlaten in de zalen des Hemels of mij kan verwerpen met de verdoemden. Hij is mijn Schuldeischer, bij wien ik eene onmetelijke schuld heb ; mijn Meester, die mij het zoete juk zijner geboden en raden heeft opgelegd en mij een eeuwig loon heeft beloofd. — Hij is mijn Leeraar, die zelf de weg, de waarheid en

ocr page 91

89

het leven is. — Hij is mijn Vriend , wiens getrouwheid onkreukbaar is, en die zijne vriendschap door zjjn Bloed heeft willen bezegelen. — Hij is mijn Broeder, die, ofschoon Gods eenige Zoon zijnde , mij tot zijne medeërf-gename heeft aangenomen. — Hij is mijn Bruidegom, die gezegd heeft: Voor eeuwig verloof Ik Mij aan u, in gerechtigheid en oordeel en barmhartigheid en ontferming. (Osee II. 19.) — Hij is de Erfgenaam van een allerrijksten Vader ; maar om ons is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was , opdat wij door zijne armoede zouden rijk worden. (2 Cor. VIII. 9.) — Hij is een allerliefderijkste Geneesheer, die waarlijk onze smarten gedragen heeft en om ons is melaatsch geworden, door God geslagen en vernederd is, opdat wij door zijne krankheid zouden genezen worden. (Is. 53. 4.) O Jesiis, hoe zal ik U mijne bewondering en liefde uitdrukken ? o Mijn Rechter en Schuld-eischer, mijn Meester en Leeraar, mijn Broeder en Bruidegom, hoe zal ik U waardig kunnen ontvangen? Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak. . .. O, maak mij ten minste minder onwaardig, door mij gevoelens eener oprechte nederigheid in te boezemen !

2e Punt. Tot wie komt Jesus?

o Mijne ziel, 'tis niet mogelijk, dat gij u te diep vernedert, voor Hem, die tot u komt. Och, kende ik Hem en kende ik mij zelve! quot;Wie ben ik , o God , dat Gij tot mij komt! Wat is de mensch, dat Gij hem gedachtig zijt! (Ps. VIII. 5.) De Koning komt tot zijn geringste onderdaan! Ik heb bij Hem een onmetelijke schuld door mijne talrijke zonden! o Mijn God , ziet Gij niet, dat ik geen penning heb, om de tien duizend talenten mijner schuld te betalen ? Ga weg van mij. Heer, want ik ben een zondig mensch! — De Meester komt tot zijne slavin; maar welk eene slavin ben ik! Ach, zoo dikwijls heb ik

ocr page 92

90

het zoete juk zijner geboden afgeschud, zijne zachte banden verbroken, en, hardnekkig in mijn opstand , door mijne daden gezegd ; ik wil U niet dienen. Heer, kom toch niet om mij te straffen, ofschoon ik het verdien! — Jesus, mijn Leeraar, de Wijsheid des Vaders, komt tot mij, zijne geringste leerlinge ! Zelden slechts luister ik naar zijn woord ; Hij leert mij de deugden , maar aanstonds wordt mijn lichtzinnige geest door andere voorwerpen afgeleid. Hoe is 't mogelijk, o Heer, dat Gij van mij geen grooteren afkeer hebt? — Nog grooter wordt mijne verwondering, als ik bedenk, dat Hij als vriend tot mij komt, tot mij, die Hem zoo dikwijls schandelijk verraden heb en de nietswaardige vriendschap der menschen boven zijne liefde stelde. Heer, kunt Gij nog liefde gevoelen en vriendscliap betoonen jegens iemand, die U verraden heeft? Och, Hij heeft het gedaan in den hof van Olijven, en Hij doet het ook nu nog! — Hij komt als mijn broeder. Maar, Heer, weet Gij dan niet, dat ik als een Caïn ben, die U, mijn onschuldigen broeder Abel, zoo dikwijls door mijne zonden den dood heb aangedaan ? — Mijne ziel, durft gij u nog als zijne bruid beschouwen ? Ach , zoo dikwijls hebt gij uw hart aan Jesus onttrokken en het weggeschonken aan onwaardige schepselen ; gij zijt zoo arm als eens Lazarus aan de deur des rijken, met zweren en wonden overdekt, en met de kruimelen zijner tafel zoudt gij u willen voeden, zoo groot is uw ellende; als de reiziger van Jerusalem naar Jericho , zoo ligt gij gewond en beroofd langs den weg; gij zijt blind en in duisternis gezeten, gij zijt noch koud, noch warm, en moet den walg des Heeren verwekken !.... En toch komt Hij tot mij, toch wil Hij in mijne arme woning zijn intrek nemen!.... Duizendmaal meer dan Petrus, moet ik herhalen : Ga weg van mij , Heer, want ik ben een zondig mensch ! Heer , ik ben niet waardig, dat Gij tot mij komt.

ocr page 93

91

3e Punt. Waartoe komt Jesus ?

Als ik Jesus beschouw en mijne eigene nietigheid en ellende bedenk , dan vervult vrees mijne ziel. Gelijk de schuldenaar, die zijnen machtigen schuldeischer ziet aankomen , denkt: Hij komt, om zijne schuld te eischen; gelijk eene weggeloopen slavin beeft voor het aanschiju haars meesters, een onoplettende leerling voor de straf zijns leeraars ; gelijk een verrader vlucht voor den blik en de wraak van zijn verraden vriend ; — zoo moest ook ik de komst van Jesus vreezen. o Heer, ik schrik en beef voor uw aanschijn! — Doch, wat vreest gij , mijne ziel? Waarom, zijt gij bedroefd, en waarom beangstigt gij mij? (Ps. 41 , 6.) Hoort gij niet, dat Jesus van uit de H. Hostie u toeroept: Vrees niet, Ik ben het ? (Joan. VI. 20.) Hij komt als uw Koning en Schuldeischer, ja ; maar niet, om u als slavin te verkoopen en al het uwe weg te nemen, maar om u te verklaren, dat alles, alles is kwijtgescholden, vergeven en vergeten ! Hij komt, als meester en leeraar, maar niet om u te straften , neen , maar om zelf u met zachte hand te geleiden en opnieuw te onderrichten in de wegen der waarheid. Hij zal u niet verwijten , dat gij zijne vriendschap verraden hebt, maar u aan zijn hart drukken , alsof Hij een schat gevonden had. Hij zal u geen scheidingsbrief geven, als aan een ontrouwe bruid , maar opnieuw zich aan u verloven en opnieuw u eene getrouwheid beloven, die Hij zelf nooit verbroken had ; — Hij komt u niet onterven , ofschoon gij het verdiendet, maar u eene goede, volle, opgehoopte, overvloeiende maat van genade geven. Mijne ziel, wat wilt gij nog meer ? Hij komt als de barmhartige Samaritaan, om uwe wonden te verbinden , om olie en wijn daarop te gieten en zorg voor u te dragen, totdat gij genezen zijt van al uwe kwalen; Hij zal uwe blindheid wegnemen door zijn licht,

ocr page 94

92

en uwe lauwheid als een verslindend vuur verteren, om u daarna geheel en onverdeeld te bezitten.

o Heer, kom dan tot mij! Gelijk een hert smacht naar de waterbronnen , zoo smacht mijne ziel naar U, o God. Mijne ziel dorst naar den machtigen , den levenden God: wanneer zal ik komen en verschijnen voor Gods aangezicht ? (Ps. 41 , 2. 3.) Kom dim vooral als mijn Bevrijder, mijn Broeder, mijn Bruidegom , mijn Geneesheer tot mij, wanneer de smarten der laatste ziekte mij brengen zullen aan den drempel der eeuwigheid. O , genees dan vooral de laatste wonden mijner ziel, scheld mij dan mijne ongetrouwheden en schulden kwijt, die er nog mochten over zijn ; en , om dan meer vrucht uit uw laatste bezoek te trekken, zoo wil ik nu reeds U in die gesteltenis trachten te ontvangen waarin ik in de laatste , alles beslissende oogenblikken zou willen zijn ! ....

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

II. MEDITATIE.

Jesus, IJveraar der zielen.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Zich verbeelden Jesus Christus[te hooren zeggen : „ De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. (Luc. XIX. 10.)

2e Voorspel. Jesus Christus bidden , dat Hij ons zijn vurigen ijver voor de zaligheid der zielen mededeele.

le Punt. Jesus, IJveraar der zielen in zijn openhaar leven.

Bedenk, hoe Jesus de teederste genegenheden zijns harten verloochende, — zich scheidde van zijne teerbe-

ocr page 95

93

minde Moeder en de eenzaamheid verliet, om zich aan het openbaar leven, aan tegenspraak en allerlei moeilijkheden , die Hem daarin wachtten , te onderwerpen. Hij verdroeg met geduld den last der menigte, die tot Hem kwam om leering en genezing, zonder Hem een oogenblik rust te laten. Nooit hooren wij , dat Hij zich beklaagt. Na den dag in vermoeienden arbeid te hebben doorgebracht, ontvangt Hij des nachts Nicodemus, die verlangend is naar onderricht, maar uit menschelijk opzicht des daags niet tot Hem durft komen. Hoe vurig bemint Hij de zielen! Hoe ijvert Hij voor hare zaligheid! Zie Hem daar vermoeid van de reis nederzitten aan den put van Jacob , om eeue arme zondares te bekeeren. Hij neemt elke gelegenheid te baat, om te onderrichten en zalig te maken. .. .

quot;Wij moeten dien ijver van Jesus navolgen. Dat is onze roeping. Daardoor vooral zal het blijken, of wij ware liefde voor God hebben. „ Indien gij God bemint,quot; zegt de H. Augustinus, „ maakt dan, dat allen Hem liefhebben.quot; — Om echter een geschikt werktuig te zijn in Gods handen , moet ik eerst en vooral mij zelve heiligen. Ik moet een stichtend voorbeeld zijn voor allen met wie ik in aanraking kom. Geen offer ook moet mij te veel zijn , wanneer het er op aankomt, het geestelijk welzyn van anderen te bevorderen. Wat toch is verhevener, dan God door de kleinen te doen kennen en beminnen, als zoovele engelbewaarders aan hunne zyde geplaatst te zijn om ze voor zonde te bewaren ? Hoevele kinderen zullen eenmaal naast God aan mijne zorg en waakzaamheid hun eeuwig heil te danken hebben, als ik van zielenijver brandt Is dit inderdaad met mij het geval ? Of bepaal ik er my toe, de kinderen eenig en alleen te onderwijzen in de menschelijke wetenschappen, zonder ook voor hunne zielen te zorgen ?... .

ocr page 96

94

o Jesus , die de zielen bemint en U geheel voor haar welzijn hebt besteed, geef mij ook dien ijver, die tot alles bereid is, wanneer het er op aankomt, TJ mijne liefde te toonen en zielen voor U te winnen ?

2® Pust. Jesns, IJveraar der zielen in zijn bitter lijden.

Heeft de Zaligmaker geheel zijn openbaar leven geijverd voor het heil der zielen, bovenal zien wij dien brandenden zielenijver in zijn bitter lijden. Om voor ons te lijden en te sterven, was Hij op aarde gekomen. Dat lijden stond Hem aanhoudend voor den geest, daarvan sprak Hij zeer dikwijls, daarnaar haakte Hij. En toch, welk een lijden ging Hij te gemoet! Aanschouw eens die lange keten van versmadingen en smarten. ïel eens zijne zuchten , zijne tranen, al de druppelen van zijn Bloed. Al zijne wonden, elke bloeddruppel, die er uitvloeit, de laatste ademtocht en de opening zijner heilige Zijde roepen u toe: „Ik bemin u, Ik dorst naar u. Om uwe zielen zalig te maken en met mij eeuwig gelukkig in den Hemel te zien , — ziedaar, waarom ik dat alles lijd.quot; Ja, dat was de dorst, zegt de H. Antoninus, die Christus aan het kruis verslond. Heb ik waren ijver voor de zaligheid der zielen, dan moet ik Jesus ook navolgen in zijne liefde voor het lijden. Naarmate ik in mijne bedieningen kruisjes en moeilijkheden ondervind en ze met liefde draag, kan ook ik rekenen op overvloedigen zegen, dien de Heer over mijnen arbeid zal uitstorten. Wil ik dus met vrucht arbeiden aan het heil des naasten, wil ik krachtdadig medewerken aan de bekeering der zondaars, dan moet ik het lijden beminnen. Beroekt God mij met ziekten, worden mijne beste bedoelingen miskend, ondervind ik tegenwerking, laat God toe, dat ik door bekoringen bevochten worde, ziedaar middelen , waardoor ik zielen kan koopen. Altijd zal het waar blijven: om de zaligheid der zielen te bevorderen, even-

ocr page 97

95

zeer als om ons zeiven te heiligen, moet er veel geleden worden. Hoe zou ik mij dan nog door tegenspoed en moeilijkheden laten nederslaan ! — o Jesus, doe ons deelen in uwen ijver voor de zielen , maar ook in uwe liefde voor het lijden.

3° Punt. Jesus, IJveraar der zielen in H H. Sacrament.

In het H. Sacrament des A.ltaars is Jesus nog altijd de groote IJveraar der zielen. Voor hare zaligheid daalt Hij nog dagelijks op duizenden altaren neder, gelijk Hij eenmaal nederdaalde in den maagdelijken schoot van Maria. In zijn H. Tabernakel wacht Hij allen, zondaars en rechtvaardigen , af; allen noodigt Hij vriendelijk uit, om tot Hem te komen; Hij biedt hun zijne verdiensten , zijne voorspraak en bemiddeling aan. Gelijk in den Hemel, zoo spreekt Hij ook daar immer voor ons ten beste. Geen oogenblik van den dag of van den nacht gaat er voorbij, waarop Hij geen vurige gebeden of verzuchtingen tot zijnen Hemelschen Vader opzendt voor het welzijn der H. Kerk , voor de bekeering der zondaars en de volharding der rechtvaardigen.

JiTiet een ieder is geroepen, om rechtstreeks door het onderwijzen der jeugd of andere liefdewerken aan het heil der zielen te arbeiden. Maar nog andere middelen staan mij ten dienste, om met goed gevolg de zaligheid dei-zielen te bevorderen. Ik kan mijne dagelijksche bezigheden, de kruisjes en moeilijkheden des levens tot die intentie aan God opdragen ; zoo doel ik in de verdiensten mijner medezusters en trek Gods zegen op haren arbeid af. quot;Wij bezitten vooral één allerkrachtigst middel, om vele zielen voor den Hemel te winnen , te weten ; het gebed. Eenigen moeten arbeiden in den wijngaard des Heeren ; anderen moeten hidden, opdat de dauw des Hemels den-zelven bevochtige. God wil, dat eenigen kinderen onder-

ocr page 98

96

wijzen, anderen zieken verplegen; maar Hij zelf moet door zijne genade de harten treffen, en die genade zal de vrucht des gebeds zijn.

o Goddelijke Zaligmaker, daar ik dan uit uwe woorden en daden weet, dat ü niets zoo aangenaam is als de zaligmaking der zielen , daarom is het mijn vast en onwrikbaar besluit, door alle middelen , die mij ten dienste staan , vooi'al door een stichtend voorbeeld en een vurig gebed, daaraan mede te werken. Gelief dit mijn voornemen te zegenen en mij de kracht en de genade te geven, om het uit te voeren tot aan mijn dood. Amen.

Gebed xa de meditatie. Zie hladz. 7.

IIÏx MEDITATIE.

Over de onderlinge Verdraagzaamheid.

Gebed voor de meditatie. Zie Mach. 3.

le Vookspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen , van zijne Apostelen omringd. De een hindert Hem door heerschzucht en hoovaardigheid, een ander door onverstandige vragen, een ander door overdreven ijver , een ander door valsche vriendschap ;..., Hij verdraagt allen.

2e Voorspel. Vereer de verdraagzaamheid des Heeren, en vraag Hem de genade, ze in alles en overal te mogen navolgen.

le Punt. De liefde vordert, dat wij verdraagzaam zijn.

Liefde en verdraagzaamheid zijn onafscheidelijk verbonden. Hen, die wij beminnen moeten, moeten wij ook verdragen; want ieder mensch heeft zijne gebreken ; in

ocr page 99

97

den Hemel alleen is niets te verdragen. Met Engelen of met menschen zonder gebreken omgaan, zou niet moeilijk zijn, maar ook geringe verdiensten opleveren. Ieder mensch op aarde heeft zijne eigene inborst; de neigingen en karakters zijn verschillend; de opvattingen en inzichten staan dikwijls lijnrecht tegenover elkander ; de verschillende willen komen in botsing. Opdat vele harten en zielen slechts één hart en ééne ziel vormen, is verdraagzaamheid allernoodzakelijkst; zonder haar is de vereeniging der harten , is de vrede even onmogelijk als de vereeniging van vuur en water, van licht en duisternis. Dat leert de ondervinding van iederen dag.

Zal ik mij dan niet in het onvermijdelijke moeten schikken ? Mag ik door mijne schuld de liefde, die gave des Hemels, uit mijne omgeving verbannen ? In de wereld is zij verjaagd ; in het klooster zoekt zij eene schuilplaats. Moet zij ook daaruit verdreven worden ? Hoe zullen wij dan het gebod des Heeren vervullen ; Bemint elkander gelijk Ik u heb liefgehad ? (Joan. XIII. 34.) Het vervullen van dat gebod is het kenteeken der leerlingen van Christus; Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt. (t. s. p. 35.) Zou met de liefde ook de zegen van God het huis niet verlaten ? Onze Heer toch is een God van liefde en vrede, die niet verblijven kan, waar twist en onverdraagzaamheid wonen____

Heb ik tot nog toe altijd de verdraagzaamheid beschouwd als de bron van vrede en liefde ? Of was ik gelijk aan die planten, die bij de minste aanraking zich inkrimpen en zich bezeerd toonen ? Is dat misschien mijn gewone toestand ? .. .. Hoe kan ik dit overeenbrengen met die zoo dringende vermaning der HH. Regelen: Zij zullen elkander met alle toegevendheid, geduld en liefde verdragen j .... zich schikkende naar de luimen, onvolmaaktheden en zwakheden der medezusters; dit is een Z. 7

t

ocr page 100

98

der hoofdmiddelen om de eensgezindheid en den heiligen vrede te bewaren ?

2e Punt. Be wet Gods vordert van ons verdraagzaamheid.

Bedenk, dat het Gode niet genoeg scheen, de verdraagzaamheid aan te hevelen, toen Hij in de H. Schrift deed neerschrijven: Men erkent eens mensdien wijsheid aan zijn geduld; en aangedaan leed niet op te merken, is hem eene glorie (Prov. XIX. 11.); Hij heeft er allen Christenen, en dus vooral den Religieuzen , een uitdrukkelijk gehod van gegeven, en dat zelfs herhaaldelijk, als voorzag Hij hoeveel moeite deze deugd aan velen zou kosten. Wij moeten de gebreken der zwakken verdragen. (Rom. XV. 1.) Draagt elkanders lasten; zoo zult gij de wet van Christus vervullen. (Gal. VI. 2.) Weest toch bezorgd de eensgezindheid in den band des vredes te bewaren, met alle nederigheid en zachtheid, met geduld elkander in liefde verdragende. (Ephes. IV. 23.) Zoo spreekt de H. Geestdoor den mond des Apostels. — Onze Heer Jesus Christus zelf beveelt ons die verdraagzaamheid; neen , er is geen middel, om ons aan zijn bevel te onttrekken : Indien gij den menschen hunne misdrijven vergeeft, dan zal uw hemelsche Vader u ook uwe misdrijven vergeven; maar indien gij den menschen niet vergeeft, dan zal ook uw Vader u ook uwe misdrijven niet vergeven. (Mt. VI. 14.15.) Bedenk , mijne ziel, dat dit de woorden zijn der eeuwige Waarheid Jesus Christus, die getrouw is in zijne beloften, maar ook in zijne bedreigingen. Met dezelfde maat waarmede ik zal gemeten hebben , zal mij worden terugge-meten. o Mijn God, hoe is het mogelijk, dat ik met die waarheid voor oogen, niet verdraagzaam zijn zou ? Gij hebt iederen dag, ja ieder uur zooveel van mij te verdragen , zoo dikwijls als ik misdoe, en Gij verdraagt

ocr page 101

99

mij nochtans! — Maar, mijne ziel, eenmaal toch zal Hij zijne bedreiging moeten uitvoeren en het woord des H. Chrysostomus zal op ons toepasselijk zijn : „Als gij uwen naaste niet verdraagt, hoe zal God dan u verdragen ?quot; Ons zijn tien duizend talenten kwijtgescholden; zullen wij dan eene nietighjid niet kunnen vergeven en ongemerkt voorbij laten gaan ? Hoe zou ik anders zoo dikwijls op een dag in het Onze Vader durven herhalen : „ Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren?quot; Welk eene gerustheid ook voor mijne ziel, als ik verdraagzaam geweest ben ! Heer, ik heb veel misdaan ; maar ik vertrouw en beroep mij op uw woord. Ik wil verdraagzaam zijn, verdraag Gij mij dan ook nu en in eeuwigheid!

3e Punt. De billijkheid vordert van ons verdraagzaamheid.

Ieder mensch heeft zijne gebreken ; ook ik ben er niet vrij van. Ik verlang gelijk alle menschen , dat anderen mij verdragen; maar zou het nu niet eene grove onbillijkheid zijn , anderen niet te verdragen ? quot;Wij beklagen ons over eens anders onvolmaaktheden. Hebben wij de onze niet? Haar karakter of humeur bevalt ons niet. Hebben wij zelf niet onze luimen ? De evennaaste is driftig en stootend. Ontsnapt nooit een hevig woord aan onze lippen ? Zij dekt haar ongelijk altijd met verontschuldigingen en geeft nooit toe. Maar is dat ook niet dikwijls met ons het geval ? Ja, zijn wij er misschienniet toe gekomen, ons zeiven voor beter te houden dan anderen ? Hij, die onder u zonder zondenis, werpe den eersten steen! (Joan. VIII. 7.) Het is hoogst onbillijk van anderen te vorderen, wat wij zelf hun niet geven, van anderen ons recht te eischen en zelf onzen plicht te verwaarloozen; en zoo ik dikwijls niet die achting bezit, die ik onder mijne medezusters

ocr page 102

100

zou willen genieten, moet ik dan misschien daarin de oorzaak niet zoeken ? Heer, maak dnt ik zien moge. (Mt. VIII. 51.)

o Mijn God, ik dank U voor de verdraagzaamheid, die Gij mij betoont.... Geef, dat ik ü navolge! En zoo de liefde, uwe wet, de billijkheid niet genoeg zijn, om mij daartoe te bewegen, laat mij dan getroffen worden door uwe bedreigingen.... Ik wil voortaan trachten alles met een bly hart te verdragen , om door U met] toegevendheid behandeld te worden in het oordeel.

Gebed xa de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 103

101

SEPTEMBER.

L MEDITATIE,

Over de dankzegging na de H. Commnnie.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 8.

lc Voorspel. Zich verbeelden eene huisgenoote te zijn der H. Elisabeth, op het oogenblik dat Maria haar bezoekt. Elisabeth roept uit: Wat geluk geschiedt mij, dat de Moeder des Heeren tot mij komt! (Lnc. I. 43.)

2® Voorspel. De genade vragen van wel de kostbaarheid der oogenblikken na de H. Communie te beseffen.

le Püxt. Onze plicht van dankbetuiging.

De oogenblikken na de H. Communie zijn de kostbaarste van ons leven.. . . Het geloof zegt mij , dat alsdan Jesus Christus tot mij gekomen is , de Zoon van den levenden God, de Oneindige, de Schepper der wereld, de opperste Meester aller dingen, mijn toekomstige Rechter; dat Hij gekomen is tot mij, arm en nietig schepsel, dat zijne aandacht niet waardig is, — tot eene zondares, die meer dan ééne reden heeft om voor den God van alle heiligheid te sidderen. Maar als die groote Heer en Koning tot mij komt, is het dan niet billijk, dat al de vermogens mijner ziel zich rondom Hem verzamelen , om Hem gezelschap te houden, Hem eer te bewijzen, zich met Hem te onderhouden, tot Hem te spreken en naar Hem te

ocr page 104

102

luisteren ? Geheugen , verstand en wil, beijvert u , om hulde te brengen aan uwen Schepper ; Loof den Heer, mijne ziel I en heel mijn binnenste love zijn heiligen Naam. (Ps. 102 , 1.) Zou het niet eene groote oneerbiedigheid zijn, zulk eenen Gast in het binnenste onzes harten alleen te laten , en ons met iets anders bezig te houden ? Zou ik een vriend of hooggeplaatst persoon zoo durven behandelen ? o Jesus, vergeef mij, dat ik U , mijn Heer en Koning , zoo dikwijls minder belangstelling getoond heb dan aan een gewoon medemensch.

Wat vraagt de dankbaarheid van mij ? .. .. Kan daar ooit de stof voor ontbreken ? Zie, zegt de H. Joannes , welke liefde de Vader ons gegeven heeft. (1 Joes III. 1.) Hij spijst ons niet gelijk zijn volk in de woestijn , met het manna des hemels , maar met het Vleesch en Bloed van zijn eenigen Zoon. De Israëlieten hebben het manna gegeten en zijn gestorven , maar die dit Brood eet, zal eeuwig leven. (Joes VI 59.) — God de Zoon zelf heeft na een leven van vermoeienis en opoffering mijne zonden uitgeboet in den hof van Olijven , aan de geeselkolom , op den weg naar Calvarië en op het kruishout, waar Hij onder de vreeselijkste pijnen den laatsten snik gaf. Dat alles heeft Hij geleden , niet omdat Hij moest, niet om eenig voordeel, maar uit zuivere liefde tot mij. Het was Hem niet genoeg, mij door zijn lijden den Hemel te openen; neen , Hij wilde mij nog, om zoo te zeggen , aan zijne hand den Hemel binnenleiden ; daarom heeft Hij ter gedachtenis aan dat lijden en tot mijne ondersteuning het H. Sacrament ingesteld, waarin Hij onder ons wil wonen, en als een Goddelijke Spijs in mijn hart wil nederdalen, o Mijne ziel, zoo dikwijls gij dan dit Brood eet en dezen Kelk drinkt, verkondig den dood des Heeren (1 Cor. XI. 26.) en dank er Hem voor in vereeniging met al de Engelen en Heiligen des Hemels; dan is het

ocr page 105

103

de tijd om met Paulus te zeggen : Dank aan God voor zijne onuitsprekelijke gave! (2 Cor. IX. 15.)

quot;Wat zegt mij mijn welbegrepen eigenbelang ? Ka de H. Communie heb ik Jesus Christus bij mij! Mijne ziel, begrijpt gij zulks ? Gij arme, gij hebt in u den oneindig Rijke, — gij zwakke, gij bezit de Bron van alle sterkte. — gij zieke, gij hebt een almachtigen Geneesheer in u, die zich zeiven aan u geeft als een geneesmiddel, dat onsterfelijk maakt. Na de H. Communie kunt gij Jesus beter smaken, u vervullen met zijnen geest, u doordringen van zijne liefde. En Hij ook , Hij is dan meer genegen , om U te verlichten, tot het goede op te wekken, te versterken. Alsdan tijd verloren laten gaan, zou de handelwijze zijn van den dwaas, die met volle handen rijkdommen kan putten uit de schatkamer des konings, maar zich de moeite daartoe niet geven wil.

2e Pust. Hoe moet die dankzegging zijn ?

quot;Wij moeten ons alsdan met alle mogelijke vurigheid beijveren, om Jesus, die in ons hart rust, te aanbidden, te bedanken , ons geheel en al aan hem op te dragen , en genaden af te smeeken voor ons zei ven en anderen. Aanbidding dus , — dankbetuiging , — opdracht van ons zei ven , — gebed om genade , ziedaar, wat Jesus van mij vraagt na de H. Communie. Hij heeft daar het volste recht op. Is Hij niet de God van Hemel en aarde, wiens aanbiddelijke majesteit de vreugde en het geluk der Engelen en Heiligen uitmaakt ? „Ik aanbid U , verborgen Godheid ... aan U onderwerpt zich geheel mijn hart, want U beschouwend bezwijkt het gansch en al van bewondering !quot; (1) — Bewijst Hij ons niet de grootste aller weldaden, met zich zeiven aan ons te geven ? Ofschoon

(1) Adoro Te.

ocr page 106

104

Hij oneindig wijs is, kan Hij niets beters bedenken; ofschoon Hij oneindig rijk is, heeft Hij toch niets kostbaar-ders ; en al is Hij oneindig machtig , toch kan Hij ons niets grooters geven ! — Wat zal ik den Heer wedergeven voor alles, icat Hij mij geschonken heeft? (Ps. 115, 3.) Hij geeft zich geheel aan mij, met ziel en lichaam, met Godheid en menschheid, is het dan niet billijk, dat ik mij ook geheel aan Hem geef met alles wat ik heb of wat ik ben ? En dat niet alleen na de H. Communie, maar den ganschen dag door, ja al de dagen mijns levens ? Moet ik dus mijne beste voornemens niet aan Jesus' voeten neerleggen, Hem belovende, mijne hoofddrift beter te zullen bestrijden, nauwgezetter te zullen zijn in dit of dat punt van den H. Regel, ijveriger in het beoefenen der deugd, waarover ik het bijzonder onderzoek doe, edelmoediger te zijn in alles wat mij strijd en opoffering kost ? . — En dan mijn gebed ! o mijne dierbare ziel, wanneer zal het woord van Jesus zelf voor u meer waar zijn ; Indien gij iets vraagt in mijnen naam. het zal u gegeven worden. (Joes XVI. 23.) Jesus bidt dan in u, Hij bidt met u , Hij bidt voor u, uwe belangen worden de zijne; dan kunt gij met vreugde putten uit de hronnen des Zaligmakers. (Is. XII, 3.) o God , o Jesus, och , of ik toch de waarde , de kracht, ja de almacht van dat gebed eens goed besefte.

o Mijn God, aanhoor dan het voornemen, waarover ik door Maria's voorspraak , uwe genade afroep! Die dankzegging zal voortaan het voorwerp zijn mijner bijzondere aandacht; ik zal met die oogenblikken trachten voordeel te doen , gelijk een gierigaard met zijn geld ;.... dikwijls door den dag zal ik trachten te denken aan de groote weldaad , die ik 's morgens genoten heb ; dat zal mijn eerste werk zijn, zoo dikwijls ik neerkniel voor 't H. Sa-cfament, en, doet de gelegenheid zich voor , dan zal ik

ocr page 107

105

getrouwelijk de goede besluiten uitvoeren, die ik met U, mijn goddelijke Bruidegom, genomen heb. o H. Moeder Maria, verkrijg mij iets van de gevoelens, die u bezielden, als gij Jesus na zijn dood in de H. Communie ontvingt!...

gebed na de meditatie. Zie hlcidz. 7.

IL MEDITATIE.

Over het Gebed.

gebed voor de meditatie. Zie blculz. 3.

le Voorspel. Aanschouw onzen Heer Jesus Christus tot zijne Apostelen zeggende : Men moet altijd hidden en niet moede worden. (Luc. XVIII. 1.)

2e Voorspel. Met aandrang de genade vragen van de noodzakelijkheid van een aanhoudend gebed in te zien en de middelen daartoe te leeren. Heer, leer ons bidden. (Luc. XI. 1.)

le Punt. Waarom wij altijd moeten bidden.

Overweeg , dat er misschien geene verplichting is, die ons in het H. Evangelie dikwijler en dringender wordt op het hart gedrukt dan de noodzakelijkheid van onze toevlucht te nemen tot het gebed. Men moet altijd bidden en niet moede worden (Luc. XVIII. 1.), zegt Jesus de opperste Wetgever. Vraagt en u zal gegeven worden. (Mt. VII. 7.) Bidt zonder onderbreken, zegt de H. Geest door den mond van den H. Paulus, in alles dankzeggende, want dit is de wil Gods in Christus Jesus over u allen. (1 Thess. V. 17.) Op vele andere plaatsen herhaalt de Heer dezelfde vermaning en gebruikt daarbij de treffendste vergelijkingen. — De Heiligen dringen op deze

ocr page 108

106

verplichting even sterk aan. „ Bij alle werk, dat gij begint,quot; zegt de H. Augustinus (de Salut. docum. c. 28) „ roep eerst God aan , dank Hem , en als gij het voleindigd hebt, doe insgelijks.quot; — „ Die bidt, wordt zalig,quot; zegt de H. Alphonsus, „ die niet bidt, gaat verloren.quot; Al die openbaringen en uitspraken zijn ook gedaan voor mij. Als dus mijn gebed niet aanhoudend is, dan moet ik op middelen bedacht zijn, om mijn gedrag in dit opzicht naar dien regel te verbeteren. Waarom dan zal ik altijd bidden ?

1° Om de tallooze rampen naar ziel en lichaam te ontkomen, die allen mensch voortdurend bedreigen, en vooral een slechten dood. „ lederen dag toch,quot; zegt de H. Joannes Chrysostomus , „ ontmoeten wij vele klippen waarop wij schipbreuk kunnen lijden.quot; En Onze Heer zelf zegt ons met allen mogelijken nadruk : „ Geef toch acht op u zeiven, dat uwe harten niet soms bezwaard worden.. en die dag n onverwachts overvalle; want als een strik zal hij komen over allen, die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. Waakt derhalve, altijd biddende. (Luc. 21 , 34.)

2° Om de hulp des Hemels te verkrijgen, die ons te allen tijde noodzakelijk is, om onze zaligheid te bewerken : want om verhoord te worden , moet men altijd bidden , zegt onze Heer, en nooit moede worden, naar het voorbeeld dier weduwe, die door haar aanhouden een boozen rechter bewoog haar recht te doen. En Hij zegde hun deze parabel, omdat men altijd moet bidden en niet moede worden. (Luc. 18 , 1.)

3® Om iedere handeling wel te kunnen doen , zooals God ze van ons vordert. „ Want het gebed is als de „ hoofdspier der zielquot; zegt de H. Joannes Chrysostomus ; „ van het oogenblik af, dat u die spier is doorgesneden of verzwakt, zult gij niet meer in den rechten weg der

ocr page 109

107

„ deugd kunnen wandelen ; gij zult, gelijk Jacob, kreupel „ gaan , en uw leven zal een aaneenschakeling zijn van „ fouten en gebreken.quot; (1) Maar hij die den stok des „ gebeds altijd in zijne hand houdt zal niet struikelen, „en zoo hij ooit struikelt, zal bij niet ten gronde toe „ vallen.quot; (2)

Daar echter onze roeping eene roeping van liefde is, moeten wij om dat alles bidden niet voor ons zeiven alleen , maar voor alle zielen , die met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie. ...

o Mijne ziel, kan u dan wel ooit de stof tot bidden ontbreken ? En kunt gij God wel genoeg bedanken, dat Hij u, arm aard wormpje in een hoek der aarde verborgen, toestaat, tot Hem , den Oneindige, uwe stem en uw hart in het gebed te verheffen ?

2quot; Pust. Hoe zullen ivij altijd bidden ?

Altijd bidden en nooit ophouden , is dit zelfs voor de religieuze wel mogelijk ? Bedenk, dat de mensch op drie manieren kan bidden , door namelijk te spreken met God in 't mondgebed of in de meditatie , — door te handelen voor God, — en door te allen tijde bereid te zijn om tot het gebed terug te keeren, zoodra men vrij is van uitwendige bezigheid. In een van deze drie toestanden moet ik dus altijd zijn. Maar ben ik daar ook altijd in ? Als het tijd is, om mij volgens voorschrift der HH. Regelen, op de meditatie toe te leggen, laat ik dan de oogen-blikken niet ongebruikt voorbijgaan, of schrik ik niet terug voor de moeite, die eene goede meditatie mij kost ? Helaas , als ik zelfs die oogenblikken niet goed besteed, hoe zal dan het overige van den dag besteed worden!

(1) S. J. Chrys. lib. I. De orando Deum.

(2) S. Joau. Olim. Gradu 28.

ocr page 110

108

Mijd getijdengebed, mijn rozenhoedje, hoe verricht ik die ? Mogen zij inderdaad gebed heeten, dat is, eene samenspraak met God ? Of is op mij het woord van een Heilige toepasselijk : „ Hoe wilt gij, dat God u versta ? Gij verstaat u zelve niet!quot; — Handel ik inderdaad altijd voor God? Draag ik mijn arbeid des geestes of des lichaams dikwijls aan God op en vernieuw ik daarbij de intentiën, door mijn H. Regel aangegeven en bij 't morgengebed gemaakt ? Of tracht ik dien arbeid door dikwijls herhaalde schietgebeden te heiligen en zoo mijn geest met

God vereenigd te houden ?...... De eerbiedwaardige

Ludovicus de Ponte had de gewoonte, om bijna onophoudelijk de woorden te herhalen: Voor U, o God , en daardoor bad hij altijd, wat hij ook verrichtte. Hoe gemakkelijk kon ook ik mij die gewoonte eigen maken ! quot;Welke sterkte zou het mij geven in de bekoringen , wat moed in alle gevaarlijke omstandigheden, en bij alle hinderpalen der deugd! 't Is niet boven mijne macht; anderen hebben het zoo ver gebracht. Zou ik hetzelfde niet kunnen ? ....

Ben ik altijd bereid, om tot het gebed terug te keeren, zoodra mijn geest of mijne tong vrij is ? Ik moet in dit punt zijn gelijk een gierigaard, wiens geest altijd bezig is met geld , des nachts , des morgens, des avonds ; iedere gelegenheid grijpt hij gretig aan om , al is het nog zoo weinig, te verdienen. Beschamend voorbeeld voor mij ! Het gebed moest mijne passie zijn, die geheel mijn hart bezit, mijn middelpunt, waartoe ik altijd terugkeer. Is dit zoo met mij ? Als ik eens een vrij oogenblik heb, wat doe ik dan ? Als ik in de gangen van het huis, in kamers of zalen een beeld of schilderij zie vau God of zijne Heiligen, ligt dan aanstonds een schietgebed op mijne lippen ? Niet voor sieraad bevinden zich die afbeeldingen in een klooster, maar ter herinnering en opwek-

ocr page 111

109

king ! Als ik mij des avonds ter ruste begeef, des nachts wakker word , des morgens opsta, is dan altijd de meditatie in mijnen geest, het tweede voorspel op mijne lippen ? Als de klok mij naar het gebed roept, mag ik dan altijd in oprechtheid zeggen : Ik hen verblijd, om hetgeen mij gezegd is: wij zullen opgaan naar het huis des Heeren ? (Ps. 121, 1.) Begeef ik mij daarheen, nujn hart bereidend voor de groote zaak , die ik ga doen ? ... .

o Heer, verleen mij dien geest des gebeds, leer mij hidden , help mij mijn verstrooiden geest verzamelen, opdat, wanneer mijne lippen tot U spreken, ook mijn hart zich met ü onderhoude ; opdat ik altijd voor U, om U, in uwe tegenwoordigheid werke. Wanneer zal ik eens dat geluk hebben ? Helaas, o Heer, als ik eene religieuze ben zonder dien geest des gebeds, dan stel ik I] te leur, bedrieg ik de wereld en mij zelve, dan heb ik als religieuze geen reden van bestaan, dan is mijn arbeid onvruchtbaar en mijne roeping loopt gevaar. HH. Apostelen, die door Jesus zelf in het gebed zijt onderwezen, verkrijgt ook ons de genade om altijd te bidden en nooit moede te worden.

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

HL MEDITATIE.

Over lt;le Volharding.

Gebed vook de meditatie. Zie hladz. 3.

1® Voorspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen tot zijne leerlingen zeggende: Die volhard zal hehhen tot het einde toe, zal zalig zijn. (Mt. X. 22.) — Zich verbeelden onder het getal dier leerlingen te zijn.

ocr page 112

110

2e Voorspel. Een hartelijk gebed , om niet alleen in den staat van gratie , maar ook in den ijver en de vurigheid te volharden.

le Punt. Noodzakelijkheid dar volharding.

Herinner u de gesteltenis waarin gij waart op het einde dat vorige retraite; welke vurigheid ! hoevele goede voornemens !.... Als ik die alle uitvoer , hoe heerlijk zal mijne belooning zijn ! Zonder die volharding is alles mij nutteloos! Of volharden in mijne vurigheid , of het loon missen, dat voor de ijverige religieuze bewaard is, ziedaar voor welke keuze ik geplaatst ben. De volharding, zeggen de H. Vaders, is de eenige dochter van den oppersten Koning, de vrucht en de volmaking van alle deugden, de ladder van Jacob op welks hoogste trede God neerzit. „ 't Is niet het goede beginzegt de H. Hiero-nymus, „dat door God beloond wordt, ook niet de voor-„ uitgang, maar alleen het einde ontvangt de kroon.quot; Alle deugden loopen als het ware in eeu wedstrijd , om den kampprijs te behalen; maar alleen de volharding verkrijgt hem. Zij alleen, zegt de H. Barnardus , geeft den mensch aan den Hemel en den Hemel aan den mensch. Daarom, zeggen de Heiligen met Paulus, is het nutteloos, dat men loopt, als men niet loopt tot het einde der renbaan. quot;Waartoe dient een zaad, dat welig opschiet, maar vóór den oogsttijd wordt vernield ? Wij zullen slechts op zijnen tijd maaien, zegt de H. Paulus, als wij volharden (Gal. VI. 9.); het begin is iets, maar de volharding is alles. Ook Judas begon goed, maar hij volhardde niet. Sta dan vast op den weg des Heer en, spreekt de H. Geest (Eccli. V. 11.); en onze Heer Jesus Christus zegt: Wees getrouw tot in den dood en Ik zal u de kroon des levens geven. (Apoc. II. 10.) — Mijne ziel, zoo deze uitspraken van God en der Heiligen u niet zouden treffen , bedenk

ocr page 113

Ill

dan , aan welk gevaar gij u blootstelt, zoo gij in uwe vurigheid verslapt: het gevaar namelijk van niet alleen de belooning van eene goede religieuze te verliezen, maar zelfs uwe eeuwige zaligheid. Zijt gij eenmaal aan het verflauwen , waar zult gij eindigen ? Gij zijt op een hellend vlak; eenmaal vallend, zult gij altijd verder door-vallen ; in het begin hadt gij u kunnen tegenhouden; maar later ? Wie weet wat dan gebeurt ? Verlies der religieuze roeping, verlies der genaden van zaligheid aan die roeping verbonden , verlies der eeuwige zaligheid misschien ; — o mijne ziel, — welke gevaren ! — Mijn Heer en God , volmaak dan mijne voetstappen, geleid mij op het pad moer geboden, richt mij op den weg uwer deugd, (Ps. XVI. 5.) breng mij tot het einde , opdat ik niet, na goed begonnen te zijn, ten laatste nog verloren ga!

2e Pu XT, Middelen ter volharding.

Onze Heer Jesus Christus heeft ons in weinige woorden die middelen aangegeven : Ziet toe , waakt en bidt (Mt. XIII. 33.) en de H. Petrus heeft ze herhaald : Weest dus voorzichtig en waakt in het gebed. (1 Petr. IV. 7.)

Ziet toe, zegt de Heer. quot;Waarop zullen wij zien, o God ? Laat uw aanschijn lichten over uwen dienaar. (Ps. 118. 135.)

Zie, o mijne ziel, op de rampen, die hen treffen, welke niet volharden. Salomon verloor zijne wijsheid , Samson zijne kracht, Saül zijn koninkrijk, Adam zijn eigen geluk en dat zijner nakomelingen, door gebrek aan volharding. Wee hun, zegt de H. Geest, (Eccli. II. 16.) die het geduld verliezen en den rechten weg verlaten ! Wat zullen zij doen, als de Heer begint te onderzoehen (in het oordeel) ? De rechtvaardigheid zal den rechtvaardige niet baten, als hij misdoet. (Ezech. III. 12.) Alles is voor hem verloren, als de volharding hem ontbreekt.

ocr page 114

112

Zie op Jesus Christus, ons voorbeeld, ook der volharding. Vader, ik heb het werk volbracht, dat Gij Mij te doen yaaft. (Joes. 17. 4.) Hij dronk den kelk tot op den bodem. De Schriftgeleerden en Farizeërs , handlangers des duivels, spoorden Hem nog op het kruis aan, zijn werk onvolmaakt te laten en af te komen van het kruis. Maar Hij verdroeg hun smaad , en gaf den geest niet, dan na eerst met volle recht gezegd te hebben: Het is volbracht. (Joes XIX. 30.) Zie ook op de voorbeelden der Heiligen, die, hoever ook in deugd gevorderd, nog altijd voor zich zeiven beefden, als zij dachten aan het woord der H. Schrift; Die staat, zie toe, dat hij niet valle. Zij baden en smeekten den Heer, dat Hij hun die gave zou geven, zonder welke al het andere hun niets zou baten. Daarom bad de H. Thomas van Aquine dagelijks om de genade van tot het einde toe den Heer te dienen zonder in zijne eerste voornemens te verzwakken. ... — o God, open de oogen mijner ziel, opdat die voorbeelden altijd levendig voor mijnen geest staan ! ... .

Waakt, zegt de Heer. o Mijne ziel, daar is een vijand, die bezit van u wil nemen. Hij slaapt nooit, maar waakt altijd, 't Is de duivel, die al uwe kwade driften en neigingen in zijnen dienst heeft. Hoogmoed , verstrooidheid van geest, traagheid , ongeduld , afgunst, ongestadigheid zullen op zijn aansporen hun best doen, om binnen te sluipen. Zij bespieden het oogenblik , dat ge niet op u zelve let; en gelukt het hun binnen te dringen, dan zal het u veel moeite kosten ze wederom te verwijderen. De eene zal door eene andere gevolgd worden en ongemerkt zal de geest van verslapping weer in u meester zijn. Mag ik dit toelaten ? Eene droevige ondervinding van vorige jaren heeft mij dit geleerd. Wanneer zal ik toch eens wijs worden?

Bidt, zegt de Heer. Als de Heer de stad niet bewaakt,

ocr page 115

113

te vergeefs waakt hij die ze bewaart. (Ps. 126 , 2.) Het gebed is de oven, waar, zoo de harten beginnen te verkoelen , weer nieuwe warmte en gloed aan dezelve wordt medegedeeld. Zonder aanhoudend , vertrouwvol, innig gebed, geen vurigheid , geen lust in den arbeid , geen vrucht van de liefdewerken , geen standvastigheid in de deugd.

En nu, mijne ziel, hoe wendt gij deze middelen aan? Hoe hebt gij ze tot nu toe aangewend ? Hoe zult gij ze in 't vervolg gebruiken ? Herinnert gij u dikwijls de tegenwoordigheid Gods ? Zweven u de voorbeelden van Jesus Christus en der Heiligen altijd voor oogen ? Hoe gebruikt gij de middelen van volharding, die uw H. Regel u aanbiedt; het dagelijkseh onderzoek, het getijdengebed, de meditatie, de geestelijke lezing, de maandelijksche afzondering, de openbaring des harten, de biecht, de H. Communie ? .

o God , wat al middelen tot volharding, maar ook wat al redenen tot vernedering! Neen, Heer, zoo ik niet volhard heb in mijn eersten ijver, 'tis niet uwe schuld, maar het is eenig en alleen te wijten aan mijne lafheid en traagheid. Vergeving, Heer, vergeving! Ik zal trachten mij te beteren. Heiligen des Hemels , gij die ten einde toe volhard hebt, en nu het loon uwer volharding eeuwig geniet, verkrijgt mij de genade dit voornemen uit te voeren I

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

z

ocr page 116

114

OCTOBEK. L MEDITATIE,

Over de redenen, die Jesus bewogen, om liet H. Sacrament in te stellen.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz 3.

le Voorspel. Zich Jesus voorstellen op het oogen-blik, dat Hij tot zijne leerlingen zegt; Boet dit tot mijne gedachtenis. (Luc. XXII. 19.)

2e Voorspel. Geef, o Heer, dat wij door het overwegen der redenen, die U tot deze instelling aanspoorden, bewogen worden om U liefde voor liefde te geven.

le Püxt. Jesus stelde het H. Sacrament in, 0])dat wij altijd aan Hem zouden denken.

Jesus kon niet altijd bij ons blijven en toch wilde Hij zulks. Hij vond in zijne wijsheid en almacht het middel om terug te keeren tot zijnen Vader en toch bij ons te blijven : Hij stelde namelijk het H. Sacrament in. Nu roept Hij ons overal, uit alle tabernakelen toe : „ Denkt aan Mij!quot; Aan dat verlangen van Jesus zijn wij verplicht te .voldoen ; want wat heeft zijne liefde niet voor ons gedaan! Hij heeft ons onze zonden vegeven en onze schuld bij God betaald met zijn Bloed. Had Hij dat niet gedaan, nooit zouden wij zalig geworden zijn ; want wij waren niet bij machte de tien duizend talenten onzer schuld te betalen. — Hij heeft ons vrijgekocht van de slavernij des duivels, waarin wij zuchtten en verkwijnden.

ocr page 117

115

Hij heeft die boeien verbroken door zijn dood ; nu genieten wij de heilige vrijheid der kinderen Gods. — Hij heeft ons duizend andere weldaden bewezen : voor ons de HH. Sacramenten ingesteld en ons Maria tot Moeder geschonken. Is het dan niet billijk , dat wij aan Hem denken ?

Hij wil ook, dat wij aan Hem denken als aan een getuige, wiens oog ons overal vergezelt. Wekt de gedachte aan Jesus' weldaden in ons hart dankbaarheid en liefde op , dan , zoo zegt de H. Thomas van Aquine, zal de gedachte aan zijne alomtegenwoordigheid ons van zonde terughouden ; en dat was zijne bedoeling, zegt die groote Kerkleeraar, met zóó onder ons tegenwoordig te blijven , dat wij Hem haast niet vergeten kunnen. Gelijk een kind niet licht misdoen zal onder het oog zijner ouders , zoo zal ook die gedachte: „ Jesus ziet mij in 't H. Sacramentquot; ons verwijderen van 't kwaad. — Doch ook, zegt de H. Thomas, blijft Hij bij ons, om ons aan het toekomstig oordeel te doen denken, en dat wel om onze verdiensten te vermeerderen.- De gedachte toch, dat Jesus, die ons zooveel goed deed en ons altijd gadeslaat, ons eenmaal loonen of veroordeelen zal naar gelang onzer verdiensten , is wel in staat ons ijverig de gelegenheden te doen waarnemen om onzen schat in den Hemel te vermeerderen. Hij blijft dus bij ons, om ons overal toe te roepen : Denkt aan Mij als aan uwen Weldoener, uwen Getuige, uwen Rechter. Heer, geef, dat die gedachte nooit mijnen geest verlate !

25 Punt. Jesus stelde het H. Sacrament in, opdat wij een waardig Offer zouden hebben.

De offeranden der Oude Wet waren onvoldoende. Zij hadden uit zich zelf geene kracht tot vergeving der zonden.

Het is onmogelijk, dat door het bloed van stieren de zonde wordt weggenomen. (Hebr. X. 4.) Zij gaven geene

ocr page 118

116

genade, dan in zooverre zij betrekking hadden op het offer van Jesus Christus in de Nieuwe Wet. Dringend werd dus een offer vereischt, dat èn behagen kon aan God, èn voor onze zonden kon voldoen èn ons de genaden kon bezorgen, die wij noodig hadden. Doch waar dat offer te vinden ? Al hadden zich alle menschen te zamen gedurende eene gansche eeuwigheid bedacht, nooit zouden zij het gevonden hebben. Alleen de wijsheid, de almacht, de liefde van Jesus was daartoe in staat. Hij gaf zich zelf ten offer. Als eenige Zoon van God behaagt Hij oneindig aan God , — zelf God zijnde, kan Hij ons de zonden vergeven en ons genade verschaffen ten eeuwigen leven.

Daar volgt voor mij uit, dat ik Jesus dankbaar zijn moet voor de instelling van zijn H. Sacrament. Jesus had zich op bloedige wijze geofferd op Calvarië. Maar er was door Malachias voorspeld, dat er een offer zou opgedragen worden op alle plaats van den opgang der zon tot aan haren ondergang. (Malach. I. 11.) Jesus heeft die voorspelling vervuld door de instelling van zijn H. Sacrament, dat zijn Vleesch en Bloed bevat, hetwelk dagelijks in het H. Misoffer op alle punten der aarde aan God wordt aangeboden. Dank dan aan U, o goede Jesus ; nu kunnen wij gerustelijk voor den troon van God verschijnen ; wij hebben in onze handen een offer, dat Hem behaagt. Wij hebben het door uwe liefde, die ü bij uwe intrede in deze wereld deed zeggen : Slachtoffer en offerande wildet Gij niet, maar een lichaam hebt Gij Mij toebereid; brandoffers voor de zonden behaagden U niet ; toen sprak Ik: zie Ik kom .... om uwen wil te doen, o God! (Hebr. X. 5.)

3e Punt. Jesus stelde het H. Sacrament in, opdat wij eene spijze zouden hebben voor onze zielen.

ocr page 119

117

De Joden werden in de woestijn 40 jaren lang gespijzigd met het manna des hemels. — Elias , die spijze ontving van eenen Engel en uit kracht van die spijze 40 dagen en 40 nachten doorging tot aan den berg Gods Horeb , ontving eene gave des Hemels. — De duizenden in de woestijn werden door Jesus gespijzigd met een wonderbaar brood. — Maar meer dan die allen ontvangen wij: het H. Sacrament. Jesus Christus heeft zich zeiven gegeven als onzen Gezel in de kribbe, zegt de H. Kerk, als onzen losprijs op het kruis, als onze spijze in de H. Communie. Zoo geeft Hij zich aan allen zonder onderscheid, aan goeden en kwaden , aan Joannes en aan Judas , zoo laat Hij die zou van liefde opgaan voor goeden en kwaden. Hij vereenigt zich met ons. Hij woont ia ons, wij worden op de nauwste wijze met Hem vereenigd. quot;Waartoe dat alles, o Heer ? o Ziel, opdat gij eene Spijze zoudt hebben op den weg des Hemels, opdat gij niet zoudt bezwijken, maar kunnen doorgaan tot aan den berg Gods, den Hemel; opdat deze Spijze zou herstellen, wat de verboden spijze van 't aardsch Paradijs verkeerds had uitgewerkt. Die eerste spy ze had de ziel met duisternis vervuld, in het lichaam de bewegingen der begeerlijkheid veroorzaakt, en te gelijk aan ziel en lichaam den dood toegebracht. Maar deze Spijze verdrijft de duisternis des geestes, geneest de begeerlijkheid des lichaams, en brengt aan ziel en lichaam het leven.

o Onze God en Zaligmaker , hoe zullen wij U dan ooit genoegzamen dank kunnen brengen voor zooveel liefde ? quot;Wij moeten beantwoorden aan de heilige inzichten waarmede Gij dit H. Sacrament hebt ingesteld. Geef dan , Heer, dat wij altijd liefdevol aan U denken om U te bedanken voor uwe weldaden, — om de zonden te schuwen, wijl Gij onze Getuige zijt, — om onze verdiensten te vermeerderen , wijl Gij onze toekomstige Rechter zijt; — wij

ocr page 120

118

dragen U op aan den Vader , omdat Gij Hem oneindig behaagt en ons de kwijtschelding onzer schuld en tallooze genaden van zaligheid bezorgen kunt; wij verlangen naar U als naar eene vrucht van den boom des levens, o Heer, kom dan in ons hart. Mogen de vruchten uwer komst beantwoorden aan de liefdevolle inzichten, die Gij hadt bij de instelling van dit H. Sacrament: dat vragen wij U door de voorspraak onzer goede Moeder Maria!

Gebed sx de meditatie. Zie hladz. 7.

11. MEDITATIE.

Onze Verlangens.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

lc Voorspel. Zich levendig voorstellen onzen Heer Jesus Christus , stralend van lietde en tot zijn Apostelen zeggend : Allervurigst heb Ik verlangd dit Paschen met L te eten. (Luc. XXII. 15.)

2e Voorspel. De genade vragen , om deze meditatie met vrucht te mogen doen , en bezield te mogen worden met dezelfde verlangens als het H. Hart van Jesus.

1quot; Puxt. Wat verlangt het H. Hart van Jesus?

Bedenk, dat het hart des menschen vol ongeregelde verlangens en begeerten is. Wij verlangen te veel zaken, en wat wij verlangen , verlangen wij te veel. Ons hart is niet, waar God het hebben wil; Hij wil, dat onze verlangens naar den Hemel gericht zijn; wij richten ze naar de aarde. Vandaar onrust en gebrek aan vrede. Eene ongeregelde begeerte onzer stamouders heeft geheel het menschelijk geslacht in het verderf gestort. — Om al

ocr page 121

119

die wonden te genezen en om ons hart te leeren, wat en hoe het verlangen moet, heeft de tweede Persoon der H. Drievuldigheid ook een menschelijk hart willen aannemen , in alles gelijk aan het onze. Wat verlangde dat H. Hart ?

Ik moet een doopsel ontvangen, en hoezeer word Ik geprangd, totdat het volbracht zij. (Luc. XII. 50.) Met die woorden gaf mijn God en Zaligmaker zijn verlangen te kennen naar het lijden en den dood. Het kruis, dat Hij geheel zijn leven voor oogen had , beschouwde Hij als het altaar, waarop Hij het offer voor de verzoening der wereld ging brengen , en Hij verlangde dat altaar te bestijgen.

Met verlangen heb Ik verlangd, dit Paschen met U te eten, voordat Ik lijde. (Luc. XXII. 15.) Zoo sprak de Heer op den avond zijner gevangenneming, om ons te leeren, naar den H. Maaltijd der H. Communie te verlangen. Xooit zullen wij zooveel verlangen kunnen hebben om die H. Spijze te nuttigen, als Hij had , om dat H. Geheim in te stellen.

Ik heb dorst. (Joes XIX. 28.) „ Heerzegt een kerkvader, „waarnaar dorst Gij? Hoe? Doet uw dorst „ U meer pijn dan uw kruis ? Van het kruis zwygt Gij, „ maar uw dorst verkondigt Gij luide. Waarnaar dorst „ Gij dan , o Heer ? .... Naar uw heil, naar uw „ „ geluk, o ziel. Ik lijd om wille van u meer dan door „ „ mijn kruis.quot;quot; Hij verlangde dus naar onze zaligheid, naar die van alle menschen. Dat verlangen verteerde Hem als een brandende dorst, niet alleen op het kruis, maar al de dagen zijns levens ; dat was zijn levensdoel; Ik ben gekomen om vuur op de aarde te brengen , en icat wil Ik anders, dan dat het ontstoken worde ? (Luc. XII. 49.)

o Jesus, dat zijn dan de vlammen, die uw Goddelijk Hart uitslaat; voor ons te lijden, — U met ons vereeni-

ocr page 122

120

gen, — de zaligheid der zielen bewerken , — de glorie uws Vaders bevorderen ! Och , of diezelfde vlammen ook mijne ziel verteerden! Heer, laat een vonkje van dat vuur, door U op aarde aangebracht, op mijn hart vallen; doe het branden van dezelfde begeerten; want uw dienaar de H. Laurentius Justinian us zegt mij , dat die verlangens mij met reuzenschreden zullen doen vorderen in alle deugden !

2e Punt. Wat verlangt mijn hart ?

Als de H. Pranciscus van Sales ons zegt: „ Mets verlangen , niets vreezendan bedoelt hij daarmede, dat wij niets aardsch moeten verlangen of vreezen , maar dat wjj gerustelijk ons hart mogen vervullen met de verlangens van Jesus. God zelf laat Daniël prijzen , omdat deze een man was van begeerten. (Dan. IX. 23.)

Mijne ziel, keer in u zelve. Jesus verlangde te lijden en zoo de beleedigde eer van zijnen Vader te herstellen. quot;Waar is mijn verlangen naar lijden? Helaas, nauwelijks onderwerp ik mij aan de verstervingen, die mijn H. Regel, of de omgang met mijne medemenschen mij opleggen. — Jesus verlangt allervurigst het Paaschlam met mij te eten, dat is, mij deelachtig te maken aan den H. Maaltijd van zijn Vleesch en Bloed. Maar welk is mijne begeerte, om Hem in de H. Communie te ontvangen ? O, als ik brandde van verlangen om Jesus te nuttigen , zoude ik dan daags voor een communiedag zooveel uren laten voorbijgaan , zonder aan mijn aanstaand geluk te denken ? — Jesus dorstte naar de zaligheid der zielen. Ook ik meen, dat ik daarnaar verlang ; maar getroost ik er mij ook iets voor ? Help ik door een vurig gebed hen, die rechtstreeks aan de bekeering der zondaars en aan de uitbreiding van het rijk Gods arbeiden ? Breng ik ook dezen raad van Thomas a Kempis ten uitvoer; „ dat nooit eene

i

ocr page 123

121

ziel mij mag naderen, of zij moet beter van mij heengaan, dan zij gekomen isquot; ? Och, hoe dikwijls spreek ik in het „ Onze Vaderquot; de woorden uit: ons toekome uw rijk, terwijl ik aan Gods glorie en aan zijne belangen in de zielen nauwelijks denk !.. ..

Hoe ver ben ik verwijderd van de voorbeelden des Heeren niet alleen, maar zelfs van die der Heiligen! „ Of lijden of sterven,quot; sprak de H. Teresia. Mijne zwakke natuur zegt zoo dikwijls : „ neen, Heer, noch het een, noch het ander!quot; De Heiligen beminden de zielen. Hoeveel tranen vergoten zij! Hoeveel boetvaardigheid pleegden zij ! Hoe vindingrijk maakte hen die liefde! Hoeveel gebeden stierden zij voor de zielen ten Hemel! Zij schenen slechts te leven, om den evennaaste te dienen en te helpen : ja , de H. Paulus wenschte zelf uitgeworpen te worden , om de zielen voor Christus te winnen. (Rom. IX. 3.)

o Jesus, hoe beschamend ziju die voorbeelden voor mij! ilaar wat anderen konden, zou ik dat met de hulp uwer genade ook niet kunnen ? O , geef, dat mijn hart brande van die heilige verlangens, en dat in mij de woorden van den H. Laurentius Justinianus mogen vervuld worden: „ zij zijn het begin, de vooruitgang en het einde der deugd ; zij geven de volharding , zij maken heiligen en martelaars; zij geven kracht en nemen alle moeite weg.quot; Zie, o Heer, mijn hart is vol verlangens ; het verlangt zoo dikwijls naar een weinig eer en achting der menschen, naar gemakken des levens , naar bevrediging van mijne zinnen , van mijnen hoogmoed en eigenliefde. O , neem al die verlangens uit mijn hart en stel er betere voor in de plaats!

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 124

122

III, MEDITATIE,

Over den dood ran eene goede Religieuze.

Gebed voor de meditatie. Zie hlndz. 3.

1® Voorspel. Verbeeld u, dat gij zijt neergeknield bij het sterfbed van eene ijverige religieuze; zij heeft de doods-kaars en het kruisbeeld in hare hand ; — op haar gelaat vertoont zich eene groote kalmte en gerustheid.

2e Voorspel. Vraag de genade van dat leven van ijver te beginnen, 't welk de noodzakelijke voorbereiding is voor een goeden dood.

lc Punt. Het verledene troost haar.

Ieder menschenleven is een aaneenschakeling van kruis en moeilijkheden. Daar is maar één weg ten Hemel, en deze loopt over den Calvarieberg. „ Al zoudt gij , zegt Thomas a Kempis, met Paul us in den derden Hemel verheven zijn geweest, dan zijt gij daarom nog niet vrij van lijden ; want (zegt Jesus) Ik zal hem toonen hoeveel hij voor mijnen naam lijden moet .. . Willens of onwillens, altijd zal er iets te lijden zijn.quot; (lib. II. 12.) Ook de ijverige religieuze heeft dus haar aandeel gehad in datgene, wat geen sterveling ontgaan kan. Maar waar zijn thans al die beproevingen , waardoor zij, gelijk haar Goddelijke Meester, de glorie moest ingaan? Waar zijn thans al die vermoeienissen, die zij zich tijdens haar leven, bij de liefdewerken getroost heeft ? En die talrijke verstervingen, die zij vrijwillig op zich nam , of die anderen haar aandeden of haar H. Regel haar oplegde, wat zijn ze nu?... Aangename herinneringen , ware genoegens , bronnen van vreugde! O , nu de doodskaars haar licht er over werpt, hoe geheel anders dan vroeger komen ze voor!

Waar is nu al die tegenzin, die zij heeft moeten overwinnen , die bekoringen, die zij heeft moeten bestrijden ?

ocr page 125

123

Dat alles is voorbij. Nu mag zij zich gelukwenschen, niet te hebben toegegeven aan de neigingen der natuur, maar liever het kruis van Christus voor deel gekozen te hebben met deszelfs schijnbare strengheid , maar wezenlijk geluk. Zij heeft hare ziel beschouwd als den akker door God haar toevertrouwd; het uitrukken des onkruids deed zeer; het planten en bewerken kostte moeite; maar nu is het einde van den dag daar en mag zij uitrusten en de vruchten gaan verzamelen.

quot;Want, wat er ook voorbijging, — hare verdiensten blijven. Hunne werken zullen hen voir/en, (Apoc. XIV. 13.) zegt de H. Geest, en een glas koud water in mijnen naam gegeven zal zijn loon niet missen. (Mt. X. 42.) Zij heeft in tranen gezaaid, in vreugde gaat zij oogsten. (Ps. 125, 5.) Welke troost! quot;VVelke vreugd bij dien terugblik ! Ja , als_ zij spijt gevoelt in dat oogenblik , dan zal bet zijn , dat zij niet méér geleden , meer gestreden, meer verdragen , meer gearbeid heeft. — Mijne ziel, zoo zult ook gij er eenmaal overdenken. Waarom niet reeds nu gehandeld, gelijk gij dan zult wenschen gehandeld te hebben ? .

2e Punt. Het tegenwoordige boezemt haar vertrouwen in.

Is het aliijd waar, wat de H. Geest zegt: Een gerust gemoed is een voortdurend vreugdemaal (Prov. XV. 15.), dat zal vooral waar zijn in die laatste oogenblikken. De ijverige religieuze heeft God gezocht in de eenvoudigheid baars harten, zij heeft trachten te leven volgens den geest des geloofs, in alles God ziende en recht tot Hem gaande. Maar hare fouten , waarin zij , gelijk ieder mensch , gevallen en hervallen is?.... Zij weet , dat zij zijn afge-wasschen in het Bloed van Jesus Christus. Zij zelf heeft trachten aan te vullen , wat aan het lijden van Christus ontbrak, door gebed en versterving. Zij mag dus ver-trouwvol opzien naar den Vader der Barmhartigheid en dea God van alle vertroosting, die aan eene Maria Mag-

ocr page 126

124

dalena hare misdaden en aan een moordenaar op het kruis zijne moorden vergaf. „ De troon van Gods Barmhartigheid steunt slechts op onze ellenden,quot; zegt de H. Francis-eus van Sales. — En heeft haar toekomstige Rechter zelf niet gezegd: Zalig zijn zij die barmhartigheid bewijzen , ivant zij zullen barmhartigheid verwerven ? (Mt. V. 7.) en; Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden ? (Luc. VI. 37.) Wat nu heeft zulk eene religieuze geheel haar leven anders gedaan, dan barmhartigheid en toegevendheid bewezen aan haren evenmensch ?

Bemerkt zij goed in zich, dan zal zij wel zich plaatsen onder de onnuttige dienstknechten, als een die enkel gedaan heeft, wat hij moest doen (Luc. XVII. 10.) en door de genade Gods is wat hij is (1 Cor. XV. 10.), maar toch, hoe aangenaam zal het haar zijn, te mogen denken, dat de genade Gods niet onvruchtbaar in haar geweest is ! {\ Cor. XV. 10.) De heerlijke woorden : „ Welaan, gij goede en getrouwe dienaresquot; (Mt. XXV. 23.) klinken haar reeds in de ooren, en 't Paradijs is reeds in hare ziel, gelijk bij den goeden moordenaar op 't kruis , toen hem gezegd was : Heden zult gij mei Mij zijn in H Paradijs. (Luc. XXIII. 43.) Met vertrouwen mag ook zij het kruisbeeld aanzien; ook zij was met Christus gekruisigd, en gelijk haar Meester en Voorbeeld wilde zij van dat kruis niet afkomen vóór haar dood. Gerust mag zij luisteren naar de gebeden der H. Kerk , die zeggen zal: Den ijver Gods had zij in zich. (Rit.) Vrijelijk zal zij neerzien op hare Zusters rondom zich, die zij altijd bemind en gesticht heeft, o Gelukkige dood ! Zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven! (Apoc. XIV. 12.) O , mocht mijn sterven aan het hunne gelijk zijn !

3e Pust. De toekomst beangstigt haar niet.

Gelijk de schjjnbare gerustheid der boozen/^bij het naderen des doods dikwijls overslaat tot wanhopigen angst,

ocr page 127

125

zoo gaat zeer dikwijls de heilzame vrees der rechtvaardigen op het einde huns levens over tot de kalmste gerustheid en het volste vertrouwen op Gods gronzelooze barmhartigheid. Komt eenige angst dan in de ziel op, dan mag de ijverige religieuze denken, gelijk de H. Teresia : Hij, die mij oordeelen zal, is mijn beste vriend. Ik weet, mag zij zeggen , ann wien ik geloofd heb, aan wien ik mijn lichaam en ziel, mijn verstand en mijn wil door mijne geloften heb toevertrouwd , en ik ben zeker , dat Hij machtig is, om het pand, dat ik Hem toevertrouwde, te bewaren. (2 Tim. I. 12.) Nu heb ik den goeden strijd gestreden , den loop voleind , het geloof bewaard. Voorts is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij geven zal. (2 Tim. IV. 7.) En de Hemel opent zich in 't verschiet met de glorie des Heeren, met de Engelen en Heiligen, met Maria hare Moeder, met Patronen en zalige medezusters, en meer dan ooit begrijpt zij die woorden , die zij zoo dikwijls in hare getijden heeft uitgesproken : Ik ben verheugd, dat mij gezegd is: wij zullen opgaan naar het huis des Heeren! Onze voeten staan in uwe voorhoven, o Jerusalem. (Ps. 121. 1 , 2.)

o Mijn God, waarom voel ik mij niet van verlangen blaken, om ook den dood der rechtvaardigen te sterven ?... quot;Waarom leid ik het leven niet der rechtvaardigen, der ijverige religieuzen ? Hoe dwaas, den angst over het verledene, vrees om het tegenwoordige , schrik voor de toekomst te verkiezen boven die hemelsche kalmte der rechtvaardigen! O , ik bid U, mijn God en Zaligmaker, help mij van stonde af, om geheel mijn doen en laten zóó te regelen , dat ik dan moge zeggen : Ik zal gerust tegelijk mij neerleggen en inslapen; want Gij, o Heer, Gij alleen stelt mij in veiligheid! (Ps. IV. 9.)

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

------------------

ocr page 128

L MEDITATIE.

Over de Vruchten der H. Coiiimnnie,

Gebed voor de meditatie. Zie hludz. 3.

le Voorspel. Zich verbeelden onder Jesus' leerlingen te zijn, terwijl wij Hem hooren zeggen : Indien gij het Vleesch van den Zoon des menschen niet eet, .... zult gij het leven in u niet hebben. (Joes VI. 54.)

2e Voorspel. De genade vragen , om de wonderbare vruchten van de H. Communie wel te kennen en vooral te ondervinden.

le Punt. De H. Communie bewaart en vermeerdert de zuiverheid onzer ziel.

De H. Bernardus zegt: „ Dit H. Sacrament werkt in „ ons twee zaken uit, het vermindert de bekoringen en Ti behoedt voor zonden. Als iemand uwer niet meer zoo „ dikwijls en niet meer zoo hevig de bewegingen gevoelt „ van toorn, van afgunst, van onzuiverheid en dergelijke, „ hij danke het aan het Lichaam en Bloed des Heeren ; „ want de kracht van het Sacrament werkt in hem.quot; (serm. de Ccena Dom.) „Het bedaart, zegt de H. Cyrillus,

„ de weerspannige wet onzer ledematen____en stilt de

„ stormen in de ziel.quot; (1. IV. in Joan.) De H. Kerk bevestigt deze uitspraken, want zij leert: dat de H. Communie vele dagelijksche zonden wegneemt uit de ziel van hen, die goed bereid zijn , en dat zij hen bewaart voor 't

ocr page 129

127

hervallen in de zonde , doordien zij de driften en bekoringen vermindert, die de twee hoofdbronnen zijn van al onze fouten ; zij doet aan de ziel de afschuwelijkheid der zonden inzien en boezemt er een grooten afschrik voor in ; en eindelijk , zij geeft nieuwe kracht, waardoor wij aan de verleiding der zonden kunnen wederstaan. — Wij zien dan ook niet alleen vele religieuzen, maar ook christenen, die te midden van duizend gevaren leven , eene wonderbare zuiverheid van ziel bewaren , omdat zij dikwijls en met vurigheid de H. Communie ontvangen.

Welke vruchten heeft zij in mij teweeggebracht ? Als ik nu eenig goed in mij zie, moet ik het dan niet toeschrijven aan de H. Communie , die ik het geluk heb zoo dikwijls te mogen ontvangen ? En moet ik het niet uiterharte betreuren, dat ik hare zuiverende kracht in minder gelukkige tijden niet beter gekend heb ? Hoe vele zonden waren er dan wellicht voorkomen! Met hoe veel meer welgevallen zou God op mij neergezien hebben !.... Maar heeft mijne ziel wel die zuiverheid bereikt, welke zij bereiken kon, gevoed als zij wordt met de Tarwe der uitverkorenen en den Wijn , die maagden voortbrengt? Waaraan de schuld? Niet aan de H. Communie ; want de H. Teresia zegt, dat ééne H. Communie in staat zou zijn, om groote heiligen van ons te maken, en de H. Dionysius verzekert ons, „dat zjj een vuur is, „ 't welk alles rondom zich in vuur verandert; zoo maakt „ onze Heer en God , die zich in de H. Schrift een ver-„ terend vuur laat noemen, ons door deze Spijze aan „ Hem gelijk en vergoddelijkt ons als 't ware.quot; (De coel. Hier.) Heb ik dan misschien zelf niet de schuld ? Ben ik altijd genoegzaam voorbereid, gelijk mijne H. Regelen verlangen ? Of is mijne ziel misschien door gemis van die voorbereiding gelijk aan vochtig hout, waarop ook het vuur geen vat heeft ? Mijne ziel, als dit het geval

ocr page 130

128

is, bid dan God , dat Hij u leere, in welke gesteltenis gij zijn moet, opdat uwe zuiverheid niet alleen bewaard, maar dagelijks vermeerderd worde.

2e Punt. Zij bewaart en vermeerdert de kracht onzer ziel.

Wanneer de ziel des menschen met het lichaam ver-eenigd is, dan leeft dè menseh. Zoo ook, wanneer de ziel door den band der liefde met God vereenigd is, dan bezit zij het bovennatuurlijk leven. Hoe inniger deze vereeniging is, hoe sterker de ziel wordt. Maar eene nauwere vereeniging dan van de spijs en hem , die ze nuttigt, is niet denkbaar; die spijs gaat over in den persoon , zij lost zich in hem op, zij wordt als 't ware een levensdeel van hem , die ze nam. Daarom wilde de Heer ons zijn Lichaam en Bloed geven onder de gedaante van brood en wijn , bij wijze van spijs en drank. Hij wilde ons voedsel worden, om allernauwst met ons vereenigd te zijn. o Zalige vereeniging! Ik onwaardige, ik zondig schepsel word vereenigd met God, den oneindig Heilige, en Hij, de Schepper van Hemel en aarde, ver-eenigt zich met mij. Ik kan er niet aan twijfelen, want zijn onfeilbaar, goddelijk woord zegt mij : Die mijn Vleesch eet, blijft in Mij en Ik in hem. (Joes. VI. 57.) Welk eene kracht moet niet zulk eene vereeniging aan mijne ziel geven ! Kan het anders ? De Sterke, de Heer der Heirscharen, op wiens naam alle knieën zich buigen in den Hemel, op aarde en in de hel, heeft zich aan haar medegedeeld, en, al hebben de gedaanten van het H. Sacrament mijn binnenste verlaten , Jesus is toch bij mij gebleven met zijne genade, om het leven van mijn leven, de ziel van mijne ziel te zijn. Laten wij het met dankbaarheid aan God erkennen, dat, zoo wij in vele bekoringen, vooral des vleesches, o verwinnaressen bleven,

ocr page 131

129

wij het te danken hebben aan de goddelijke spijze der H. Communie, die „ons gelijk maakte aan vuurspuwende „ leeuwen, in staat den duivel schrik aan te jagen.quot; {S. J. Chrys. hom. 45 in Joan.); als de talrijke moeilijkheden van onzen staat of bediening, de teleurstellingen , de ondankbaarheid der menschen, de langdurigheid der beproevingen ons den moed niet doen verliezen, dan moeten wij het danken aan de kracht, die de H. Communie aan onze ziel mededeelt; aan haar ook zullen wij het danken, zoo de onschatbare genade der eindvolharding in onzen roep ons geschonken wordt; want, zegt de H. Joannes Chrysostomus: „ Door dit Lichaam des Heeren hoop ik den Hemel met al zijne goederen eenmaal te bezitten.quot; — Kom dan , mijn Verlosser, kom. Zij , die Gij bemint, is ziek en zwak. Zeg aan mijne ziel: Ik ben uw heil. (Ps. 34 , 3.)

3e Punt. Zij veredelt en volmaakt onze ziel.

„ Gelijk de spruit van een goeden boom op een wilden „ stam geënt, de bitterheid van dezen wegneemt en hem „ goede vruchten doet voortbrengen , evenals een goede „ boom; — zoo ook verbetert het Lichaam van Jesus „ Christus, als ingeënt op het onze, onze gebreken, — „ deelt ons zijne goedheid mede, — en tevens de macht om „ vruchten van rechtvaardigheid voort te brengen, gelijk „ aan die welke Hij zelf voortbrengt.quot; Zoo spreekt de engelachtige Leeraar Thomas van Aquine. (opusc. 58. c. 25.) Niet alleen de ziel, ook het lichaam deelt in die veredeling. Deze H. Spijze toch sterkt niet enkel tegen de bekoringen van den onzuiveren geest, het vermindert ze ook ; en als eenmaal in den laatsten oordeelsdag onze lichamen glorievol , onbederfelijk, onlijdelijk en onsterfelijk uit het graf verrijzen , om eeuwig met de ziel vereenigd te leven , — dan zal het zijn, omdat zij gevoed werden met het Z. 9

ocr page 132

130

Hoogheilig Lichaam en Bloed des Heeren. Gij zult niet toelaten, Heer, dat uw heilige het bederf aanschouwe. (Ps, XV. 10.) Maar onze ziel vooral wordt veredeld en meer geschikt voor alle goed. Honderden malen misschien ondervond ik het: na eene vurige H. Communie kostte niets mij moeite; ik volbracht met lust mijne taak ; de verdraagzaamheid viel mij niet zwaar, de liefdewerken hadden geene moeilijkheid. Geen wonder! Jesus Christus werkte in mij! Op mijn sterfbed zal ik den dood niet behoeven te vreezen, mijn leven is dan Christus en sterven mij een gewin; want voor de laatste maal zal Jesus Christus zich op mij als 't ware inenten, om mij het sap der onsterfelijkheid mede te deelen en dan mij over te planten naar den eeuwig bloeienden lusthof van 't Paradijs.

o Mijn God en Heer Jesus Christus, kom dan in mijn hart. Dat hart is vol gebreken en fouten; kom, o Heer, en zuiver het; dat hart is zwak in de deugd, o, sterk het; vereenig U met mij en doe mij de vruchten voortbrengen , die Gij van mij verwacht. Ik van mijn kant beloof U, o Jesus, mij zelve voortaan zoo zorgvuldig mogelijk op de H. Communie te zullen voorbereiden, opdat zij ook inderdaad voor mij die uitwerkselen hebbe. Help mij daarin door uwe genade. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie hladz. 7.

IL MEDITATIE,

Over de Onderwerping aan Gods Wil.

Gebed voor de meditatie. Zie hladz. 3.

le Voorspel. Zich voorstellen, hoe God uit het hoogste des Hemels den geheelen wereldloop regelt en alles met een aandachtig oog gadeslaat.

ocr page 133

131

2e Voorspel. Met den koninklijken Profeet ootmoedig tot God bidden: Heer, leer mij utven wil doen. (Ps. 142, 10.)

le Punt. Waarin bestaat de volmankte onderwerping aan- Gods teil ?

Door volmaakte onderwerping aan Gods wil verstaat men eene nauwe vereeniging van onzen wil met dien van God, zoodat men niets anders verlangt dan wat God verlangt , dat men alles wil wat Hij wil en zooals Hij het wil, dat men bereid is kalm en blijmoedig daarheen te gaan, waar Hij ons roept, — aan te nemen, wat Hij ons overzendt, — en te doen , wat Hij van ons vraagt In dien gelukkigen staat, verricht men alles met een alge-heele gemoedsgelijkheid, zonder onrust, zonder overhaasting en gejaagdheid , zonder vertraging , afkeer of verveling , zonder bekommering over den goeden of kwaden uitslag; men is te voren bereid op beide, zoo God het wil; men is zonder voorliefde voor wat dan ook, zonder andere liefde dan de liefde voor den wil Gods ; omdat men niet bemint de dingen, die God wil, maar den wil van God. o Heilige onverschilligheid, die geen afkeer kent of verwaarloozing! Zij neemt alles aan in de orde der natuur, als: gezondheid of ziekte, schoonheid of misvormdheid, kracht of zwakte, het leven of den dood , rijkdom of armoede, verheffing of verachting; ook in de bovennatuurlijke orde is alles even welkom : dorheid zoowel als vurigheid en vertroosting, — verlatenheid en duisternis zoowel als verlichting. De H. Franciscus van Sales zegt het in korte woorden: „ Niets verlangen, niets „ vreezen ; niets zoeken , niets weigeren.quot;

o Gelukkige staat! Hoe kalm , hoe rustig en vreedzaam moet zulk een weg ten Hemel zijn ! o Verheven staat! Eén wil te hebben met God, den Heilige der Heiligen! 't Is de bezigheid der Engelen in den Hemel,

ocr page 134

132

't was de bezigheid van den Zoon Gods op aarde : „ Ik „ hen van den Hemel gekomen, niet om mijnen wil te „ doen , maar den tril van Hem, die Mij gezonden heeftquot; (Joes VI. 38.); 't is de bezigheid van alle Heiligen en 't zal eeuwig mijne bezigheid zijn in het andere leven. Wat wilt Gij, Heer, dat ik doen zal ? (Act. IX. 6.) Vader, uw wil geschiede op aarde als in den Hemel (Mt. VI. 10.) Geef, dat die wil mijn dagelijksch brood zij, gelijk hij het was voor uw Goddelijken Zoon, die zegde: Mijn voedsel is den wil te doen van Hem , die Mij gezonden heeft. (Joes IV. 34.)

2c Pust. Waarop moet onze onderwerping aan Gods wil steunen ?

Zij steunt op den onwankelbaren grondslag des geloofs, op het woord , de wijsheid en de liefde van God.

Ik ben zeker , dat alles wat op deze wereld gebeurt, op last of door toelating van God gebeurt. Geen blad valt van den boom , geen haar van ons hoofd, indien God het niet wil. Zoo wij Hem beminnen, zal alles wat gebeurt, ons ten goede komen, want: Voor hen, die God beminnen, werkt alles ten goede mede. (Rom. VUL 28.)— Ik ben zeker, dat God beter weet dan ik zelf, wat goed voor mij is. Hij kent mijne geaardheid, mijne neigingen, mijne behoeften , mijne zwakheden, mijne ellenden; daarnaar regelt Hij alles, want, zegt de H. Geest: Hij kent ons samenstel. (Ps. CH. 14.) — tk ben zeker, dat God dikwijls de schijnbaar tegenstrijdigste middelen gebruikt, om tot zijn doel te geraken. De slavernij bracht Jozef op den troon in Egypte, het kruis den Zoon Gods tot de glorie; wat mij dus lastig toeschijnt, is dikwijls een bewijs van Gods liefde voor mij. — Hij heeft voor ieder van ons een weg ten Hemel afgebakend ; 't is een aaneenschakeling van gebeurtenissen , van genaden, van tegenwerking, van

ocr page 135

133

vertroosting. God alleen kent dien weg. Hij dus moet ons geleiden en wij niet ons zeiven ; wij weten niet of deze of gene gebeurtenis, die wij verlangen of vreezen , een hinderpaal of een hulpmiddel is. — Die geheele overgeving van ons zeiven aan God zal voor Hem een dringende beweegreden zijn , om ons tot een gelukkig einde te brengen. Mag een kind zich niet verlaten op de hand zijns Vaders, en kan God eene ziel aan haar lot overlaten , die zich geheel in zijne handen gesteld heeft ?

Ziedaar, mijne ziel, waarop uwe onderwerping aan Gods wil steunt. Waarom dan mij zelve verontrust? De Heer geleidt mij (als een herder zijn schaap); niets zal mij ontbreken. (Ps. XXII. 1.) Moet ik zelf bepalen, wat goed voor mij is ? Een schip, waar niet de stuurman, maar een onervaren reiziger het roer houdt, is den ondergang nabij ! Als ik in mijne verledene jaren eens naga , hoe dikwijls de tegenstrijdigste zaken mij geholpen hebben, om op den weg des Hemels vooruit te komen , moet ik dan niet erkennen, dat Gods vaderlijke Voorzienigheid mij bestierde ?

3e Punt. Welk voordeel geeft de onderwerping aan Gods wil?

Niet alleen maakt die onderwerping ons aangenaam aan God, niet alleen geeft zij aan de ziel een kalmte en een vrede, die door niets gestoord kunnen worden , zelfs niet door de grootste moeilijkheden, — maar die onderwerping brengt ons als met éénen stap op het toppunt der volmaaktheid ; zij is immers de samenvatting aller deugden, het uitvloeisel, de vrucht der,liefde tot God, onzen Vader, het bewijs van een levendig geloof aan de Voorzienigheid Gods, van een vaste hoop op zijne goedheid , van een diepe nederigheid, waardoor men zich zelf en zijn eigen wijsheid mistrouwt; 't is die volmaakte brandofferande, die God van ons verlangt. Daarom, zegt de H. Bernardus ,

ocr page 136

134

was het woord van Paulus : Heer, wat wilt Gij, dat ik doe (Act. IX. 6.) , wel kort, maar vol van zin; ja de H. Franciscus van Sales zegt: „ Die onderwerping is de verzekering onzer eeuwige zaligheid ; want het is onmogelijk , dat God iemand, die in deze volmaakte onderwerping sterft, niet plaatsen zal in zijn Paradijs.quot;

o Mijn God, waarom heb ik dan zoo dikwijls mijn wil boven den uwen gesteld ? quot;Waarom mij verbitterd tegen zaken of personen, die de uitvoerders waren van uwen wil ? Het was, omdat die waarheden niet levendig genoeg voor mijnen geest stonden. Heer, prent ze diep in mijn hart, opdat ik ze nooit vergete, vooral niet als het kruis mij zwaar valt, als de menschen mij tegenwerken, of de moeilijkheden talrijk zijn; leer mij dan in alles uwe vaderlijke hand erkennen , die alles vol zachtheid en toch krachtig bestiert. (Sap. VIII. 1.)

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

IIL MEDITATIE.

Over ons laatste einde.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

le Voorspel. Zich voorstellen, hoe God in het oordeel zeggen zal; „ Ik heb u als redelijk mensch geschapen , Christin en religieuze gemaakt, hoe hebt gij aan uwe roeping beantwoord ?quot;

2' Voorspel. Een vurig gebed om volkomen te beantwoorden aan de heilige inzichten, die God gehad heeft met ons te scheppen, met ons Christenen te maken, met ons tot het religieuze leven te roepen.

ocr page 137

135

le Punt. Waartoe hen ik geschapen?

Gelijk ieder verstandig mensch zich bij al zijne handelingen een doel voorstelt, zoo had ook de Opperste Wijsheid een bepaald doel, toen Zij besloot, mij uit het niet te roepen en mij het aanzijü te geven. Welk was dat doel ? Het werd mij reeds als kind geleerd: God te kennen, God te beminnen, God te dienen in dit leven, om Hem eenmaal in den Hemel te bezitten. Dat is, zegt de H. Geest, geheel de mensch. (Eccle. XII. 13.) Een ander levensdoel heb ik niet, en als ik niet werk om dat doel te bereiken, dan heb ik geen reden van bestaan, evenmin als eene kaars die niet zou branden , of eene klok zonder klank. Naar dat doel moet alles zijn gericht, al mijne werken, al mijne gedachten en woorden. Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, doet alles voor Gods eer, zegt de H. Paulus. (I Cor. X, 31.) Al deed ik de schitterendste werken, ja, al had ik de gave van mirakelen, en God was het doel niet mijner handelingen, 't zou alles ijdelheid zijn , ijdelheid der ijdelheden. „ Ik zou loopen en mij vermoeien, zegt de H. Augustinus, maar buiten den weg.quot; En de H. Geest zegt, dat wie daarvan afwijkt, nutteloos wordt. (Ps. 52 , 4.)

Heb ik altijd voor dit doel geleefd en gewerkt ? Mijne ziel, denk aan uwe zonden en geef het antwoord.... En nochtans, een verhevener doel was niet denkbaar. God zelf is mijn doel! Hij heeft mij naar zijn eigen beeld en gelijkenis geschapen, mij verstand gegeven, om Hem te kennen, een wil om Hem te beminnen, een lichaam en eene ziel, om Hem te dienen, o Heer, roept de H. Aartsvader Job uit, wat is toch de mensch, of icaar heeft hij het verdiend, zoo door U verheven te worden ? (Job VII, 17.) „Gij hebt mij voor U geschapen, zegt „ de H. Augustinus; en mijn hart zal altijd in beweging v zijn en in onrust, totdat het kunne rusten in IJ.quot;

ocr page 138

136

2' Punt. Waartoe hen ik Christin ?

Ook met mij Christin te maken in de ware Kerk, boven millioenen anderen, die zoo gelukkig niet zijn, had God een doel. Of zou Hij mij die overgroote weldaad gegeven hebben , om ze ongebruikt te laten ? Als mensch reeds ben ik verplicht, God te kennen, te beminnen , te dienen; maar als Christin is mijn levensdoel. God zóó te kennen, zóó te dienen, zóó te beminnen, als Jesus Christus, de Zoon Gods, het geleerd heeft. En hoe heeft Deze het ons geleerd ? Als iemand mijn volgeling wil wezen, hij verloochene zich zeiven. (Mt. XVI. 24.) Ik ben dus Christin, opdat ik mijne natuur, mijne neigingen, mijne driften, mij zelve in een woord, verloochene naar het voorbeeld en de leer van den Zoon Gods. Wil ik eene ware leerlinge van Jesus Christus genoemd worden en zijn, dan moet ik mij aan Hem gelijkvormig maken. Hij was ootmoedig , gehoorzaam , kuisch , liefdevol , vervuld van medelijden, vergevingsgezind, verlangend naar lijden. Hoe ben ik ? .... Ik moet bekleed zijn met Jesus Christus, want de Apostel Z3gt: „ Gij allen , die gedoopt zijt, gij zijt bekleed met Jesus Christus. (Gal. III. 27.) Welk eene eer! Maar wat schande zou het zijn, als ik er maar uitwendig mede bekleed ben, zonder dat de inwendige heiligheid er aan beantwoordt. — Ik moet als 't ware zijn ingelijfd in Jesus Christus; want, zegt de Apostel, weet gij niet, dat uwe lichamen de lidmaten zijn van Jesus Christus? (1 Cor. VI. 15.) Pas ik, als een zinnelijk, onverstorven lidmaat, onder zulk een hoofd ? Ik moet dus eenigermate hetzelfde leven leiden als Jesus Christus; want het leven van Jesus moet in onze lichamen uitschijnen, zegt de Apostel. (2 Cor. IV, 10.) Alleen dus reeds daardoor, dat ik Christin ben, moet van mij gezegd kunnen worden : Jesus Christus denkt in haar, spreekt in haar, handelt in haar. Durf ik mij

ocr page 139

137

zelve in de tegenwoordigheid Gods die getuigenis geven? Mag ik in waarheid zeggen : Ih leef, maar ik hen het niet die leef; His Jesus Christus, die in mij leeft. (Gal. II, 20)? o God, ware het zoo ! D aarvoor nochtans ben ik Christin. Leg ik mij op iets anders toe, dan mis ik mijn doel. Ik stel mijn God, mijn Meester en Verlosser te leur ! .. .

3e Punt. Waartoe hen ik religieuze?

Onder de millioenen Christenen , over de heele wereld verspreid , heeft God er eenigen uitgekozen , om Hem in de eenzaamheid des kloosters meer bijzonder te dienen. Ook ik ben onder dat getal. quot;Waarom? Wat heeft God daartoe bewogen? Niet mijne verdiensten; want duizenden , die beter waren dan ik , heeft Hij niet geroepen.

Neen, God had daarbij het inzicht, dat ik mij op eene grootere volmaaktheid zou toeleggen, en Hem meer eer en glorie zou geven. Hij had van eeuwigheid besloten mij tot den religieuzen staat te roepen ; al de gebeurtenissen mijns levens heeft Hij daartoe geleid. Nu verwacht Hij van mij, en met recht, dat ik eene religieuze zijn zal, zooals Hij van eeuwigheid bedoeld heeft, eene religieuze, die niet alleen hare zaligheid , maar ook hare volmaaktheid bewerkt; die daar al haar doen en laten toe terugbrengt ; die niets acht dan dat, alles daarvoor opoffert, en bereid is alles daarvoor te lijden. Denk ik zoo inderdaad over de volmaaktheid ? Of stel ik mij tevreden met een gewoon leven, dat zich slechts van 't leven der menschen in de wereld onderscheidt door eenige weinige uitwendige oefeningen? Als dit het geval is, dan stel ik God dubbel te leur. Hij kon tot mij zeggen : Ik heb een uitverkoren wijngaard geplant; Ik heb veel, zeer veel voor denzelven gedaan , en wat vind Ik nu voor vruchten ?. Dan stel ik mijne zaligheid in gevaar; want voor de religieuze zijn zaligheid en volmaaktheid twee

ocr page 140

138

nauwelijks te scheiden zaken. Ik was vrij om religieuze te worden of niet; maar nu ik het eenmaal door Gods gratie ben, nu is het streven naar volmaaktheid voor mij een plicht van staat geworden. Vervul ik dezen niet, dan zal God mij zijne genaden onttrekken, misschien mij verwerpen, gelijk een werkman het werktuig wegwerpt, waarvan hij goede diensten verwachtte, maar dat geheel en al ondienstig blijkt. Dan bedrieg ik de wereld; want daar beschouwt men mij als heilig, als afgescheiden, onthecht van de wereld, gekruisigd en gestorven aan de wereld.

o Mijn God, welken dank ben ik u verschuldigd voor mijne driedubbele waardigheid van mensch , Christin en religieuze! Maar welk eene verantwoording legt zij mij op! Vergeef mij , wat ik te kort bleef. Ik bid U, Heer, doe mij steeds beter mijn drievoudig einde kennen, maar geef mij tegelijkertijd ook al de genaden , die ik noodig heb , om er volkomen aan te beantwoorden.

Gebed na de meditatie. Zie hlaclz. 7.

ocr page 141

139

DECEMBER.

I. MEDITATIE.

Jesus' wonderen in't H. Sacrament.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

le Voorspel. Zich onzen Heer Jesus Christus voorstellen zeggende: Mijn Vleesch is waarlijk spijs en mijn Bloed is waarlijk drank. (Joan. VI. 56.)

2e Voorspel, o Heer, die ons de gedachtenis uwer wonderen hebt nagelaten, geef, dat wij door het beschouwen dier wonderen tot dankbaarheid worden opgewekt.

le Punt. De H. Communie, een wonder van liefde.

Niemand kan een grooter geschenk doen dan door zich zeiven te geven. Men heeft daarom menschen gezien, die zich zeiven uit liefde als slaaf verbonden aan den dienst van personen, die zij vereerden. — Onze Heer Jesus heeft ons vele andere geschenken gedaan, maar Hij heeft al die geschenken overtroffen door zich zeiven te geven. Meer had Hij niet, meer kon Hij niet geven. En wat Hij geeft, dat is het Hoogste Goed, dat de Engelen bewonderen en dat hen gelukkig doet zijn de gansche eeuwigheid door; — Hij geeft veel, oneindig veel, omdat Hij niets overhoudt. Al geeft een koning ons nog zoo groote schatten, hij geeft weinig, omdat hij nog veel meer overhoudt. Maar Jesus geeft al wat Hij bezit; zijne Godheid , zijne Menschheid , zijne Ziel, zijn Lichaam, zijne genaden. Nog meer liefde toont Hij,

ocr page 142

140

door zich zóó geheel aan ons te geven , dat wij meester zijn over Hem. quot;Wij kunnen over Hem beschikken. Hij is in onze macht gelijk een gevangene, geboeid en vast-gekluisterd in de gevangenis van ons hart. Hij heeft zich aan ons overgeleverd uit liefde. Waarom, oJesus, hebt Gij dat alles gedaan? quot;Wat ziet gij dan in ons? quot;Wat verwacht Gij van ons? Welk belang hebt Gij er bij,. U zoo aan ons te geven? Wij menschen, wij geven zoo zelden iets , zonder dat wij eenig eigenbelang op het oog hebben ; er is op aarde zoo weinig ware, belangelooze liefde. Maar wilt gij liefde zien, die geheel belangeloos en zuiver is ? Zie dan op Jesus' liefde in 't H. Sacrament. Zoo iets Hem trekt, dan is het onze ellende en geestelijke armoede. O , welke liefde ! Wie zal ze ooit naar waarde beschrijven? Wie zal ze ooit genoegzaam bewonderen ? Wie zal er Jesus ooit zoo voor kunnen danken , dat het de weldaad eenigszins nabijkomt ? Heiligen des Hemels, wij kunnen het niet. Helpt gij ons dan Jesus' liefde loven, prijzen en bewonderen en bovenal Hem er voor danken !

2e Punt. De H. Communie , een wonder van macht.

Het manna in de woestijn was een wonderbaar voedsel. Het viel uit den hemel op eene geheimzinnige wijze. Het had den smaak, dien ieder er aan wenschte. Allen hadden evenveel of men veel verzamelde of weinig. — De vijf brooden, waarmede Onze Heer eenmaal zes duizend menschen spijsde, waren wonderbare brooden, en de aanwezige Joden waren door dat wonder dan ook zoo opgetogen , dat zij den Heer tot Koning wilden uitroepen! Een veel wonderbaarder voedsel is ons gegeven in de H. Communie. Te Cana in Galilea werd water veranderd in wijn. Maar hier wordt brood veranderd in het dierbaar Lichaam van Jesus Christus en wijn in zijn H. Bloed.

ocr page 143

141

De schijn van brood is er, en ook de gedaante van wijn, en hij , die door het geloof niet verlicht wordt, zou daamp;r niets anders zien dan brood en wijn; maar door een wonder zonder wederga op aarde, is onder dien schijn het Lichaam en Bloed van Christus verborgen; de zelfstandigheid van brood en wijn heeft opgehouden te bestaan.— Al zijn er nu twee gedaanten, toch is Jesus Christus geheel tegenwoordig onder beide, zoodat wij evenveel ontvangen, onder welke gedaante wij Hem ook nuttigen.— Een aardsche maaltijd wordt soberder naar gelang het grooter getal gasten, dat aanzit. Niet zoo uw Maaltijd, o Heer Jesus ! Of ik alleen aanzit of duizend anderen met mij, ik ontvang zooveel als al die duizend te zamen, en al die duizend niets minder dan ik ; en al staat de wereld nog millioenen jaren en al zoude het getal menschen verhonderdvoudigen, nooit zal die Spijze verminderen. Zij blijft wat Zij is : het geheele Lichaam van Jesus Christus.— Maar de uitwerkselen dier Spijze verschillen, en ook dat is wonderbaar. Joannes nuttigt haar, en hij wordt daardoor vervuld met zooveel liefde, dat hij aan de borst des Heeren verlichting zoekt. Judas nuttigt dezelfde Spijze, en oogenblikkelijk staat hij op, om zjjn Meester te gaan verraden. De een ontving het leven, de ander den dood. Zoo verlicht de zon gezonde oogen, terwijl zij zieke verblindt. — Verdeel die wonderbare Spijze en een nieuw wonder zal plaats hebben. Vóór de verdeeling was Jesus Christus geheel onder die gedaante tegenwoordig, en al deelt men nu die gedaante nog zoo dikwijls, Hij blijft geheel onder elk deeltje, zoolang het zichtbaar blijft voor 't oog. De wijze, waarop de Heer daar tegenwoordig komt, is niet minder wonderbaar. Een arme sterveling, de priester, spreekt eenige woorden, en die weinige woorden, al fluisterend gesproken, hebben weerklank in het hoogste der Hemelen ; zij doen den Zoon van God neerdalen op 't al-

ocr page 144

142

taar. o Wonderbare zaak, zegt de H. Kerk, het brood der Engelen wordt de spijze der menschen! Inderdaad, welke wonderen ! „ Zij maken ,quot; zegt de H. Thomas , „ de H. Communie tot het grootste mirakel des Heeren, „ grooter dan de verandering van water in wijn te Cana, „ grooter dan de vermenigvuldiging der brooden, grooter „ dan de opwekking van Lazarus.quot; Zalig zijn zij, die niet gezien en toch geloofd hebben. (Joan. XX. 29.)

3e Punt. De H. Communie, een wonder van geduld.

Overweeg, aan welke beleedigingen Jesus in de H. Communie blootstaat. Hoe talrijk, hoe afgrijselijk zijn ze, en dat in plaats van de dankbaarheid, die Hij voor zijne liefde zoo rechtmatig terugverwachten mocht! Denken wij slechts aan de beleedigingen van Joden, Heidenen en Ketters, — aan de onteeringen van Katholieken, die de H. Communie met afkeer en lauwheid ontvangen, ja, wat erger is, ze ontvangen gelijk Judas in eene met zonde besmeurde ziel, waar de duivel als heer en meester regeert. Wat heeft Jesus van mij persoonlijk in de H. Communie al niet moeten verdragen!..... Hij verdraagt dat alles, Hij neemt er geen wraak over, en sinds meer dan achttien eeuwen blijft Hij bij al dien smaad geduldig. Herodes vroeg den Heer om een wonder. Jesus zweeg. Herodes en zijn hof bespotteden Hem; Jesus bleef zwijgen. Zoo deed Hij in de tegenwoordigheid van Herodes een groot wonder van geduld, maar Herodes bemerkte het niet. Zoo doet ook Jesus in onze tegenwoordigheid nog altijd dat wonder van verduldigheid, 't welk des te grooter is, dewijl het zal moeten duren tot aan het einde der wereld. Jesus voorzag dat, maar het hield Hem niet terug van de instelling dier H. Spijze.

o Heer Jesus , welke dankbaarheid moet niet mijn hart vervullen bij 't beschouwen van zoo groote wonderen. Gij

ocr page 145

143

doet al die wonderen van liefde, van macht, van geduld, om mij niet te berooven van uwe H. Tegenwoordigheid; Gij deedt ze, opdat ik aanstonds weer die H. Spijze zou kunnen ontvangen ; Gij deedt ze, opdat ik ü eenmaal op mijn sterfbed als mijn reispenning zou kunnen nuttigen, o Heer, geef mij nu de 'gesteltenis, die ik dan zou willen hebben, opdat die Spijze mij inderdaad eene spijze der onsterfelijkheid zij. Amen.

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

IIx MEDITATIE»

Jesns in de Kribbe, Toonbeeld van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

le Voorspel. Zich levendig den armen stal van Bethlehem voorstellen : het kribbetje , — een weinig stroo , schamele doekjes, — het aanminnig Goddelijk Kind.

2e Voorspel. Een hartelijk gebed , om de lessen van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid, die het kleine Kind Jesus ons geeft, wel te verstaan.

1® Punt. De Kribbe een leerstoel der gehoorzaamheid.

Overweeg, hoe de ongehoorzaamheid van Adam het menschelijk geslacht ongelukkig gemaakt heeft. Jesus, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid , wilde dat ongeluk herstellen door zijne volmaakte gehoorzaamheid. Daarom sprak Hij bij zijne intrede in de wereld : Brandoffe-randen voor de zonden behaagden U niet. Toen zegde Ik: zie Ik kom .... om uwen wil te doen, o God. (Hebr. X. 6, 7.) Dat Kind daar in de kribbe zal een-

ocr page 146

144

maal zeggen : Ik hen van den Hemel afgedaald , niet om mijnen wil te doen, maar den wil van Hem, die Mij gezonden heeft. (Joes VI. 38.) Gehoorzaamheid dus brengt Jesus met zich op deze wereld. Zie, hoe Hij zich door Maria laat behandelen gelijk zij wil. Zij windt Hem in doeken, zij legt Hem in de armen van St. Jozef, zij neemt Hem op haren schoot of doet Hem neerliggen in de kribbe; alles laat dat Goddelijk Kind, wien legioenen van Engelen ten dienste staan, zich welgevallen. Hij mort niet, spreekt niet tegen, toont geen ontevredenheid of tegenzin. Hij is gekomen, om den wil zijns Vaders te doen; en die wil is , dat Hij zich nu als een sprakeloos Kind laat behandelen, door hen, die Gods plaats op aarde voor Hem innemen.

Ziedaar het toonbeeld der religieuze gehoorzaamheid. Ik behoor dus in de handen mijner Oversten te zijn als een sprakeloos kind, zonder eigene keuze, zonder eigen wil. De gehoorzaamheid toch is eene volmaakte brandofferande van zich zeiven , waardoor men verzaakt aan zijn eigen wil, om dien te onderwerpen aan den wil van God , in den persoon van hem, die zijne plaats bekleedt. — Maar ben ik altijd zulk een sprakeloos kind geweest ? Wat waren dan die ontevreden woorden , die ik sprak, als een bevel of verbod mijner Oversten mij niet beviel ? Sprak ik haar niet tegen , en deed ik haar tot hare droefheid niet ondervinden , dat ik, die zij als een sprakeloos kind meenden te mogen behandelen, nog wel degelijk mijn eigen wil en eigene keuze behouden had ? ....

o Hemelsche Vader , ik draag U de gehoorzaamheid van uwen Goddelijken Zoon op, om goed te maken, wat tot nog toe aan mijne gehoorzaamheid ontbrak.... En Gij, o Goddelijk Kind , door de gehoorzaamheid , waarvan Gij mij in de kribbe zoo schoone voorbeelden geeft, bind mij door de banden dier deugd, gelijk de windselen

ocr page 147

145

en doeken der H. Maagd uwe handen en voeten omwonden. Geef, dat ik er mij mijn gansclie leven niet van ontdoe; dat ik geene andere beweging hebbe dan die mijne Oversten mij geven, tot op den dag dat ik wederom met U moge zeggen: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.

2' Punt, De kribbe een leerstoel van armodde.

Bedenk, dat het Kind, 't welk voor u ligt, de God is van Hemel en aarde; — dat alles door Hem gemaakt is en zonder Hem niets; — dat Het met het volste recht kan zeggen: Alles heeft de Vader Mij in handen gesteld (Joan. III. 35) : goud en zilver, edelgesteenten en al de schatten der aarde. Hoe schijnt alles in den stal van Bethlehem hiermede in tegenspraak ! Daar is geen spoor van rijkdom ; integendeel, alles spreekt er van armoede, zoo groot, dat de armsten onzer bekenden nog zoo arm niet is als dit kleine Kind. En die armoede zal altijd nog grooter worden; want, zegt de H. Bernardus, de Heer was arm in de kribbe, armer in zijn leven, allerarmst aan het kruis; die armoede is zijne bruid, waarmede Hij in de kribbe eene geheimzinnige bruiloft viert, eene bruid, die Hij teeder bemint, die Hem overal vergezellen zal; te Nazareth , in Egypte , in Judea , op Cal-I varië, tot op het kruis, waar Hij meer dan ooit zal mo-■ gen zeggen ; de vossen hebben hunne holen, en de vogelen des hemels hunne nesten, maar de Zoon des menschen heeft niets, om zijn hoofd op te laten rusten. (Luc. IX. 58.) Maar, o God, welk eene armoede reeds in de kribbe! — Bedenk, mijne ziel, dat die armoede geheel en al vrijwillig was. Hij had ook in een paleis kunnen geboren worden. Maar om mij een voorbeeld te geven, verkoos Hij de armoede boven de rijkdommen Zie, hoe

vernederend die armoede voor Hem is en hoeveel min-Z 10

ocr page 148

146

achting der menschea zij Hem op den hals haalt.......

Zie, hoe pijnlijk zij is, hoe de koude Hem doet beven, en het harde stoo Hem doet lijden......... Niettegenstaande dat alles , omhelst Hij zijne armoede, bemint ze als zijne bruid , en voor niets ter wereld zou Hij er van hebben willen scheiden, o Goddelijk Kind, welk een voorbeeld voor mij! Mijne armoede is doorgaans niet vernederend, integendeel zij maakt mij geëerd bij de menschen; maar ontvlucht ik niet het weinige vernederende , dat zij heeft, als het er op aankomt voor geringe zaken verlof te vragen ? ... . Als mijne armoede mij in voedsel of kleeding, in deksel of ligging eenig lijden veroorzaakt , hoe verdraag ik dat ? .... Mijne ziel, bedenk, dat ook gij op den dag uwer beloften, de armoede tot bruid verkozen hebt; het stond u vrij dit te doen of te laten, maar nu gij ze vrijwillig gelijk Jesus genomen hebt, moet gij ze beminnen, en iedere gehechtheid aan het aardache is ontrouw jegens haar.

3e Punt. De kribbe een leerstoel van zuiverheid.

Bedenk, hoe de H. Schrift zegt van Onzen Heer, dat „ Hij onder de leliën weidt.'''' (Cant. VI. 2.) Reeds bij zijne geboorte vervult Hij deze voorspelling. Zie met welke zuivere wezens Hij zich omringt: Maria, de Maagd der maagden, — Jozef, den maagdelijken Bruidegom der maagdelijke Moeder. — Bij zijne menschwording was de zuiverheid nagenoeg van deze aarde verdwenen. Jesus komt om ze terug te brengen en in eere te herstellen. Zijn mond zal eenmaal luide aan de wereld verkondigen : Zalig zijn de zuiveren van harte; want zij zullen God zien. (Mt. V. 8.) Zijn hart is de bron, waaruit het water vloeit, dat alle onzuiverheid kan afwasschen; geheel zijn leven zal besteed worden, om den geest der onzuiverheid, die de menschen ten verderve voert, te

ocr page 149

147

bestrijden. — Jesus leert ons in de kribbe de zuiverheid, i door de versterving, waaraan Hij zich onderwerpt; de

versterving toch is de noodzakelijke voorwaarde der zuiverheid. Dat harde bed, dat stroo, die schamele doekjes, die open stal, o , zij zeggen mij als 't ware : „ Wilt gij zuiver zijn , versterf u dan ; versterving alleen geeft zelf-beheersching; de lelie blijft schoon te midden der door-^ nen!quot; o Mijne ziel, wat zegt gij hierop ? Gij bemint

de zuiverheid; hare hemelsche schoonheid trekt u aan , gij wilt den Engelen gelijk zijn. Maar bemint gij ook de versterving van lichaam en ziel ? Oefent gij u voortdurend in de onthechting van alles wat de zinnen streelt ? Bedenk wel, dat er geschreven staat: Die Christus toebe-hooren, hebben hun vleesch met zijne ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd. (Gal. V , 24.)

o Jesus, zuiverheid der Maagden, Gij die weidt onder de leliën, geef mij om uwe liefde voor de zuiverheid de genade, mijne ziel onbesmet te bewaren en daartoe alle middelen aan te wonden, die mij ten dienste staan. — Aanvaard de vernieuwing mijner geloften, die ik neerleg aan uwe voeten. Maar geef mij tegelijk de kracht en de genade, die ik uoodig heb , om uwe lessen van gehoorzaamheid , armoede en zuiverheid te begrijpen en na te volgen. Amen.

i Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

Éi

ocr page 150

148

III. MEDITATIE.

Over den Hemel.

Gebed voor de meditatie. Zie bladz. 3.

1® Voorspel. Zich den bemitmelijken Verlosser voorstellen in al zijne schoonheid. Hij zegt tot ons : Verheugt en verblijdt u, want uw loon zal qroot zijn in den Hemel. (Luc. VI, 23.)

2® Voorspel. Een hartelijk gebed, om door de overweging der hemelsche goederen, bezield te worden met een vurig verlangen daarnaar en met de kracht, om het tegenwoordige lijden met blijmoedigheid te dragen.

1® Pünt. Het loon des Hemels is overvloedige vreugde.

Wat is het goede, dat wij voor God doen, in vergelijking met hetgene de Heiligen gedaan hebben en wij zouden kunnen doen ? Wij doen iets meer dan vele wereldlingen; maar bedenk, dat als wij alles gedaan hebben, wat wij moesten doen, wij nog nuttelooze dienaressen zjjn, die enkel haar plicht deden. — Dat geringe nochtans wil de oneindig goede God met een overvloedig loon betalen! Het lijden van den tegenwoordigen tijd is van geene beteekenis bij de toekomstige heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. (Rom. VIII, 18.) Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, His in geen men-schenverstand opgekomen , wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben. (1 Cor. II, 9.) Al de schoonheid dezer aarde is niets daarbij; goud of edelgesteenten, wereldsche en zinnelijke genoegens, hebben geene waarde in vergelijking met de vreugd, die ons bereid is. Ik zelf, zegt de Heer Ik, de vreugde der Engelen, de rijkdom der Hemelen ,

ocr page 151

149

het licht des Vaders en de Weerglans zijner glorie , Ik zelf zal uw overgroot loon zijn. (Gen. XV, 1.) Wij zullen die millioenen en millioenen Engelen, Cherubijnen en Seraphijnen zien , die ontelbare schare van Apostelen, Martelaren, Belijders en Maagden, aan wier hoofd Maria, de allerschoonste! — Wij zullen God zien ; zijn beminnelijk oog zal op ons rusten, wij zullen zijnen lof zingen en juichen en jubelen en verzadigd worden van den overvloed van zijn huis, overvloeien van vreugde en als wegsmelten in die zee van licht en glorie en blijdschap, o Zalige stond! Ja, mijne ziel, verlang vrij, daar te zijn waar gij zulke vreugde zult genieten. Wanneer zal ik komen en voor uw aanschijn verschijnen? (Ps. 41 , 3.) Wanneer zal mij gezegd worden : Wij zullen opgaan naar het huis des Heeren? — (Ps. 121 , 1.)

Maar wat zal ik doen , om aan dat loon deelachtig te worden ? Vraagt God van mij buitengewone zaken, waarmede ik zulk een overgroot loon moet koopen ? „ Verschrikt u de prijs,quot; zegt de H. Augustinus, „ troost u dan; de arme weduwe kocht den Hemel voor twee penningen; het is nog goedkooper: voor een dronk koud water, ja voor minder nog kunt gij hem verkrijgen; heb een goeden wil en de Hemel is aan u.quot; o Mijne ziel, God vraagt van u geen zware boetplegingen , geen groote werken voor de zaligheid der zielen, geen marteldood, geen bloed ; Hij vraagt van u : „Geheel den Regel, en niets dan den Regel.quot; Zal ik dan het geringe lijden van dit leven niet aannemen , om hooger in die glorie te stijgen ? God geeft mjj dat lijden, dien arbeid als eene munt, om eeuwige glorie te koopen, zelfs mijn geringste werk , iedere voetstap , iedere ademhaling , ieder schietgebed kan daarvoor dienen, en ik zou die munt niet gebruiken ? . o God , vergeef mij mijne dwaasheid en ondankbaarheid van vroeger!

Z 10*

ocr page 152

150

2e Pcnt. Het loon des Hemels is onvermengde vreugde.

Lijden onder allerlei vorm is hier op aarde ons deel: lijden is regel; troost en vreugde zeldzaam en Toor-bijgaand. De wereld toch is een tranendal, waar overvloedige doornen en zoo weinig rozen groeien. Maalais eenmaal de gelukkige dag aanbreekt, waarop wij tot het loon geroepen worden, dan zal alle lijden in vreugde veranderd worden, o Mijn God, hoe troostrijk zijn de beloften die Gij ons dienaangaande doet! Zij zullen niet hongeren , zij zullen niet dorsten , geen hitte of zon zal hen hinderen ; Gij die U over hen ontfermd hebt, zult hen geleiden, en drenken aan de waterbronnen. (18.49, 10.) Gij, die Mij zijt bijgebleven in mijne beproevingen, Ik beschik u, . .. dat gij in mijn rijk eet en drinkt aan mijne tafel en op tronen zit. (Luc. XXII, 29.) En God zal allen traan van hunne oog en afwisschen, en geen dood zal daar meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch smart. (Apoc. XXI. 4.) En geen nacht zal er meer zijn, en zij zullen noch lamplicht , noch zonlicht behoeven; want God de Heer zal hen verlichten en zij zullen heerschen in alle eeuwigheid. (XXII, 5.) o God, hoe heerlijk! En die vreugde is bestemd voor mij, als ik getrouw bén ! Wie overwonnen heeft, zal dit beërven, zegt de Heer, en Ik zal zijn God en hij mijn zoon zijn. (XXI, 7.) Mijne ziel, bedenk , dat het God zelf is, die u deze belofte doet, Hij die getrouw is in zijne beloften en die gezegd heeft, dat eerder Hemel en aarde zullen vergaan, dan dat een stip of tittel zijner beloften onvervuld zal blijven! — Maar welke moeite kan mij dan te groot schijnen om tot zulk eene zaligheid te komen ? o Gelukkig lijden , dat zulke heerlijkheid bewerkt! Hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen, o Heer der heerscharen ; mijne ziel is hegeerig en versmacht van verlangen naar de voorhoven des Heeren.

ocr page 153

151

(Ps. 83, 1.) Gelukkig zijn ze, die wonen in uw huis, o Heer. (Ps. 83 , 5.) Ik zal opgaan naar de plaats der heerlijke tente, naar hel huis van God, onder gejuich en lofgezang. (Ps. 41, 5.) Hoe lang nog, o Heer, hoelang?...

3e Punt. Het loon des Hemels is eeuwige vreugde.

Wat zijn 's menschen jaren in vergelijking met de eeuwigheid ? Een verdwijnende rook, een voorbijvliegende pijl, een stip. Als Methusalem van het eerste oogenblik zijns levens tot aan zijn laatsten snik geleden en gewerkt had op aarde , dan nog zou zijn arbeid kort geweest zijn, in vergelijking met het eeuwige loon. Onze jaren zullen zeker de honderd niet te boven gaan. Och, hoe kort is die tijd bij de eeuwigheid, die zonder einde is ! — En voor dien korten arbeid, zal ik een eeuwig loon ontvangen! — Zoo lang God zal heerschen, zal ik met Hem heerschen ; zoolang God verheerlijkt zal worden , zal ook mijne glorie duren, en aan mijne zaligheid zal nooit een einde komen. Hier is alle vreugde van korten duur, en 's menschen leven bestaat uit twee deelen, die altijd en overal elkander ontmoeten ; Daar is een tijd van weenen, daar is een tijd van lachen. (Eccle. III, 4.) Op de vreugde der vereeniging volgt de droefheid der scheiding ; op de blydschap van het bezit volgt de smart van het verlies. Niet zoo bij U , o mijn God ! Bij U hebhen wij een huis, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis in den Hemel. (2 Cor. V. 2.) De zichtbare zaken zijn voorbijgaand, de onzichtbare eeuwig. (2 Cor. IV18.) En onze tegenwoordige, kortstondige en lichte verdrukking bewerkt in ons een bovenmate uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid. (IV, 17.) Hoe juichen thans zoovele heilige kluizenaars , boetvaardigen en martelaars in den Hemel! Zij zaaiden een tijdelijk, kortstondig lijden , en maaiden eeuwige glorie ! Hoe blijde is thans die goede moordenaar , die voor een oogenblik

ocr page 154

152

lijdens een eeuwig Paradijs ontving! Hoe zal ook ik eenmaal juichen om het lijden, dat ik hier draag ! Zoude ik alsdan spijt kunnen gevoelen, het zou maar om ééne zaak zijn , namelijk dat ik niet méér geleden en gewerkt heb op aarde, o Mijne ziel, hoe licht moet u dan alles voorkomen, als gij den Hemel beschouwt, als gij opziet naaide eeuwige bergen, van waar de glorie u tegenstraalt! Wat zijt gij dan bedroefd, mijne ziel, en waarom verontrust gij mij ? Neen, zeg liever met den H. Paulus : Ik word gedrongen, daar ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn, wat zeer veel beter is. (Philip. 1, 23.)

o Mijn God en Heer Jesus Christus , wat zal het dan eene vreugde zijn voor mijne ziel, als ook mij uwe zoete stem zal tegenklinken : Kom, gezegende mijns Vaders, en bezit het rijk dat voor u bereid is. (Mt. 25 , 34.) Geef toch dat die overvloedige, onvermengde, eeuwige vreugde altijd voor mijnen geest sta, vooral als het lijden mij drukt of de vernedering mijn deel is; geef dat ik ook in waarheid kunne zeggen , wat eenmaal de H. Ignatius zegde: n Hoe verachtelijk is mij de aarde , als ik den „ Hemel beschouw !quot;

Gebed na de meditatie. Zie bladz. 7.

ocr page 155

*

INHOUD.

Januari.

•) BLADZ.

1. Mediiatie. quot; O Sacrum convivium. o H. Gastmaal ! . . 3

2. Mediiatie. Over de dankbaarheid jegens God. . . 1

3. Meditatie. Over de waarde van den tijd.....12

Februari.

1. Meditatie. «Komt en ziet.quot;.........16

2. Meditatie. Over den geest des geloof's......20

3. Meditatie. Over den onvruchtharen Vijgehoom. . . 24

Maart.

1. Meditatie. Onze eerste en laatste H. Communie. . . 29

2. Meditatie. Over de Versterving........33

3. Meditatie. Over de waarde onzer ziel......37

April.

1. Mediiatie. Jesus in het H. Sacrament onze Weldoener. 41

2. Meditatie. Over de Hoop........, . . 44

3. Meditatie. Over hel geluk der religieuze roeping. . 48

Mei.

1. Meditatie. Jesus door Maria gezocht, gevonden,

\ bewaard............52

2. Meditatie. Over de Liefde tot onzen Heer Jesus

t Christus............56

3. Meditatie. De Religieuze in het Oordeel.....60

Juni.

1. Meditatie. Over de geestelijke Communie.....64

i 2. Meditatie. Over de Ootmoedigheid.......68

3. Meditatie. Over de vreeze Gods........72

1

4

ocr page 156

Juli,

BLADZ.

1. Meditatie. Verborgenheid van Jesus in'tH. Sacrament. 76

2. Meditatie. Over de Zachtmoedigheid.......80

3. Meditatie. Jesus Christus, onze Getuige.....84

Augustus.

1. Meditatie. «Zie, weldra kom Ik.''......88

2. Meditatie. Jesus, IJveraar der zielen......92

3. Meditatie. Over de onderlinge Verdraagzaamheid. . 96

September.

1. Meditatie. Over de dankzegging na de H. Communie. 101

2. Meditatie. Over het Gebed..........'105

3. Meditatie. Over de Volharding.........'109

October.

1. Meditatie. Over de redenen, die Jesus bewogen, het

H. Sacrament in te stellen.....H-i

2. Meditatie. Onze Verlangens..........118

3. Meditatie. Over den dood van eene goede Religieuze. 122

November.

1. Meditatie. Over de vruchten der li. Communie. . 126

2. Meditatie. Over de Onderwerping aan Gods Wil. . 130

3. Meditatie. Over ons laatste einde........134

December.

1. Meditatie. Jesus'' wonderen in 'tH. Sacrament. . . 139

2. Meditatie. Jesus in de Kribbe, Toonbeeld van ge

hoorzaamheid , armoede en zuiverheid. 143

3. Meditatie. Over den Hemel..........1^

ocr page 157
ocr page 158
ocr page 159
ocr page 160