VaMl: Vak H ^
THOMAS A KEMPIS
SCHRIJVER DER â N AV O L_ G 1 N G:
DOOR
Y. BECKER, S. J.
Uitgegeven ter herinnering aan de onthulling van het Monument te Zwolle den 10 November 1897.
ROOSENDAAL
J. VAN POLL-SUYKERBUYK
Uitgever.
1^1
De strijd over den schrijver der Navolging is dan eindelijk beslecht; de waarheid heeft gezegevierd.
Geheel de Christen wereld blikt thans met eerbied op naar den stillen heuvel van waar voor bijna vijf eeuwen als uit hooger sfeerea de zoete en toch krachtige stem nederdaalde tot troost der bedrukten, tot heilzame vrees voor de zondaren, tot vertrouwen voor de boetvaardig en, tot opwekking der lamoen, tot volharding der ijverigen, tot veilige raadgeving voor alle geloovigen otn zonder afdwaling Christus na te volgen op den eenigen iceg die ten hemel leidt.
Die stem klinkt zoowel in de stille kloostercel als in de paleizen van de grooten der aarde, in de woning van den eenvoudig en landman, zoowel als in het studeervertrek der Christelijke geleerden; zij klinkt in alle talen der wereld onder alle rassen en stammen; overal waar de blijde boodschap, waar de leer van Christus doordringt, komt ook zij weldra de geloovigen aansporen het leven en de zeden van Christus na te volgen, en hen onderrichten hoe die goddelijke leer op de meest doelmatige wijze in beoefening te brengen. Bet verleden strekt der toekomst tot waarborg: die stem zal blijven klinken over geheel de aarde tot het einde der eeuwen.
De eerste helft der 15' eeuw was een roemrijk tijdperk voor de kerk van Nederland. De ingesluimerde godsdienstzin was weder ontwaakt en uitte zich in velerlei vormen, alle duidelijke teekenen van het krachtig inwendig leven dat ons volk op nieuw bezielde. De christelijke kunst bereikte haar hoog sten bloei; steden, zelfs vlekken en dorpen, wedijverden onderling in het oprichten van prachtige tempels die nog heden onze bewondering wekken, zooicel voor het genie der bouwmeesters als voor den opofferingsgeest der bevolking die hen in staat stelde zulke grootsche scheppingen uit te voeren.
Alom verrezen nieuwe kloosters, en allerlei godsdienstige en ivel-dadige gestichten voor het christelijk onderricht der jeugd, ter verpleging van zieken, armen, weduwen en weezen.
Tot dusver had de kerk van Nederland van andere kerken slechts weldaden en ondersteuning genoten; thans ging zij van haar overvloed aan andere kerken meded,celen. Nieuwe belangrijke^ godsdienstige stichtingen, op haar bodem ontsproten, gingen zich ver over de naburige landen verbreiden. Tal van heilige mannen en vrouwen, in hare kloosters gevormd, teerden door geheel Duitsch-land, van af de kusten der Oostzee tot in de Tiroolsche Alpen, door België en Noord-Frankrijk verspreid om hun waren religieuzen geest in de kloosters dezer landen over te storten. Toen de eerste ordebroeders van Thomas ü Kempis op het concilie van Con-stanz verschenen, spraken de vergaderde vaders opgetogen en verheugd: âZiedaar de ware religieuzen, die wij sinds zoolang verlangden te zien.quot;
Vele diensten heeft de Windesheimsche kloostervereeniging in Nederland en de naburige gewesten aan de Kerk bewezen; maar geen grootere dan de voortbrenging van het gulden boekje, dat over de geheele aarde zooveel duizenden zielen tot ware godsvrucht heeft opgewekt en nog steeds blijft opwekken.
Rechtgeaarde zonen gevoelen den plicht den welverdienden roem hunner vaderen te handhaven en te verkondigen: âLaudemus vi-ros gloriosos et parentes nostrosquot;; âverheerlijken wij de roemrijke mannen, onze vaderen! De herinnering aan hunne deugden, aan hunne groote daden wekt tot navolging, tot edelen wedijver. Ongelukkig het volk, dat onverschillig wordt voor den roem, voor de geestelijke grootheid, voor het geestelijk erfdeel zijner vaderen; het zal weldra ook voor hun stoffelijk erfdeel, voor het vaderland zelf onverschillig worden, het is op het punt uit de rij der onafhankelijke volken te verdwijnen. Daarom zij steeds onze spreuk: âVin-dicamus haeriditatem patrum nostrorum;quot; âwij verdedigen het erfdeel onzer vaderen.quot;
Het katholieke Nederland heeft zich van den plicht zijner erkentelijkheid jegens Thomas a Kempis. ons aller geestelijken vader bij uitnemendheid, op waardige wijze gekweten door de oprichting van het prachtig gedenkteeken, waarvan wij onlangs het onthulling s feest vierden, ter welks herinnering thans 'dit geschrift verschijnt.
Sinds meer dan een menschenleeftijd is het plan voor dit gedenkteeken herhaalde malen geopperd, maar wij mogen ons met de uitstelling ten slotte gelukwenschen, wijl onder alle opzichten geen gunstiger tijd voor de uitvoering kon aanbreken dan het huidig oogenblik. De kerkelijke kunst heeft thans in ons land een veel grootere hoogte bereikt, te Zwolle is een nieuwe prachtige tempel verrezen, waardig het kunstgewrocht te ontvangen; maar wat meer is, wij kunnen thans den schrijver der âNavolgingquot; een gedenkteeken oprichten zonder zelfs den schijn te beloopen van, gelijk elders werkelijk is geschied, door een steenklomp te willen aanvullen wat aan het gewicht der geschiedkundige beicijzen ontbreekt; wij kunnen thans in eensgezindheid met de geheele Christenheid den triomf van onzen landgenoot vieren, wijl de strijd is geëindigd, en zijne rechten, gelijk heden door de geschiedschrijvers algemeen wordt erkend, zonneklaar schitteren. De veelvuldige stemmen, die in de laatste jaren in schier alle beschaafde landen zich te zijner gunste hebben verheven, meer nog de toetreding van verschillende voorname voormalige tegenstanders zouden reeds voldoende zijn om deze verklaring te staven; doch wijl niets zoo sterk de overtuiging vestigt dan de eigene inzage der inwendige bewijzen, en deze alleen iemand in staat stelt zijne overtuiging ook aan anderen mede te deelen, meenen wij aan vele landgenooten, die niet in de gelegenheid zijn noch komen zullen om de uitgebreide, over het onderwerp verschenene werken te bestudeer en, een dienst te bewijzen door nogmaals de korte verhandeling uit te geven, onlangs door ons in het Jaarboekje van Alberdingk Tbijm geplaatst onder den titel:
THOMAS A KEMPIS,
SCHRIJVER DER âNAVOLGING.quot;
I.
Inleidende opmerkingen.
Maar is het mogelijk in weinige bladzijden met zekerheid don schrijver der Nav. te doen kennen, terwijl daarover zooveel is getwist, terwijl zooveel verschillende namen als auteur van het gulden boekje zijn aangehaald? â Dit is zeer wel mogelijk, gelijk reeds blijkt uit het feit dat wij meermalen begaafde personen, bij het vernemen van slechts enkele der voornaamste bewijzen voor Thomas, hoorden uitroepen: âmaar dan is de zaak ook uitgemaakt, dan behoeft men niet verder te zoeken.quot;
De zaak is werkelijk zeer eenvoudig.
Vooreerst blijkt al spoedig, dat het voorkomen van verschillende auteursnamen in handschriften en gedrukte uitgaven niets beteekent. De aanleiding tot die dwaling gaf de omstandigheid, dat het boek, of liever de vier oorspronkelijk van elkander onafhankelijke geschriftjes, die thans uitmaken wat men de Navolging van Christus noemt, evenals alle andere, door Thomas en zijne ordebroeders ver-
6
vaardigde geestelijke werkjes, anoniem iu omloop werd gebracht. Die vier geschriftjes vonden voor de toenmalige tijdsomstandigheden eene betrekkelijk zeer snelle verspreiding, en werden weldra te gelijk met de werken van voorname bekende geestelijke schrijvers in ééa bundel gecopiëerd. Een volgende afschrijver, die daar de anonieme Nav. naast of tusschen een of meer werken van een grooten bekenden asceet aantrof, meende allicht dat ook dit geschrift van denzelfden auteur was; en zoo ontstonden copieën der Nav. met de namen van den H. Bernardus, Bonaventura. Ludolf van Saxen, maar voornamelijk van den beroemden Parij-schen kanselier Gerson, wiens werkje De Meditaüone cordis dikwerf in haar gezelschap wordt aangetroffen. Hoe ge-dachtenloos de copiïsten daarbij soms te werk gingen, blijkt uit een hs. der bibliotheek van den vorst O ttingen-Waller-stein dat de Nav. toeschrijft aan Basilius Magnus \
Een hs. afzonderlijk beschouwd, waarvan de copiïst niet bekend is als met den opgegeven schrijver in eenige nauwere betrekking te staan, heeft dus geen waarde. Blijkt dit wel het geval te wezen, dan kan hij daarentegen als een contemporaine getuige aangemerkt worden. In hun geheel genomen, drukken de hs. de heerschende meening uit. Gelijk nader blijken zal, geven de hs. zoowel wat het aantal als de betrekking der copiïsten tot Thomas betreft, een schitterend getuigenis voor onzen landgenoot. Bijna alle copiïsten waren zijne tijdgenooten; terwijl alle andere voorgewende schrijvers reeds lang overleden waren alvorens eenig hs. op hun naam verscheen.
Dezelfde oorzaken die de copiïsten misleidden, deden ook vele uitgevers dwalen; en dit te meer, wijl vele blindelings een iu hun bezit geraakt hs. overdrukten. Nog een andere omstandigheid vermindert de geloofswaardigheid der drukkers. Waren de copiïsten allen te goedertrouw, alle uitgevers waren dit niet. Thomas was aanvankelijk buiten de Nederlanden en aangrenzende streken van Duitschland weinig bekend; Gerson daarentegen, een alom gevierd persoon, die ook als geestelijke schrijver destijds veel opgang maakte. Verschillende uitgevers meenden meer aftrek te vinden als zij den naam van den beroemden Franschman op het titelblad stelden in plaats van dien van den een-voudigen Nederlander, die zijn leven had doorgebracht in een hoehJce met een hoeJcske al wisten zij ook dat deze de schrijver was. Hoe toch anders te verklaren dat meerdere uitgaven, die op het titelblad den naam van Gerson dragen.
7
op het einde van het werk een gedrukte noot vertoonen. âOfschoon dit boek gezegd wordt van Joannes Gerson te zijn, is de schrijver toch Thomas a Kempis.quot; Deze drukkers hebben nog de betrekkelijke eerlijkheid gehad de op het titelblad geplaatste leugen te herroepen; maar hoeveel andere lieten ze eenvoudig haar weg gaan? Nog vóór een twintigtal jaren had een uitgever, die een Italiaansche vertaling der Nav. met den naam van Gersen de wereld inzond, de naïeveteit te verklaren wel te weten dat Thomas de schrijver was, maar te vreezen in Italië geen aftrek te vinden, als hij niet den naam van dien Italiaan op het titelblad liet prijken!
Alle, door dezen of genen genoemde tegencandidaten verdwenen spoedig van het tooneel, uitgenomen Gerson; werkelijk de eenige mededinger die eenigszins in aanmerking kon komen wegens de vrij talrijke hs. en de nog talrijker uitgaven, die zijn naam dragen; ofschoon enkele opmerkingen voldoende zijn om ook zijne aanspraken te vernietigen. Het oudste gedagteekende hs. met zijn naam, de Codex San-germanensis, is van 1460, dus 31 jaar na zijn dood. Daarentegen bezitten wij twee doorslaande getuigenissen tegen hem, die alleen in staat zouden zijn alle hs. en gedrukte uitgaven te logenstraffen, al waren zij ook tienmaal talrijker. Gerson's broeder, de prior der Celestijnen van Lyon, stelde in 1423 een lijst samen der geschriften van den kanselier. De Nav. schittert daar door hare afwezigheid. Men kan niet antwoorden dat Gerson nog zes jaren na 1428 heeft geleefd en in dien tusschentijd de Nav. kon schrijven. Een zoo late dagteekening is in strijd met de geschiedenis, vooral als men het werk laat ontstaan in het voor den toenmaligen tijd van de Nederlanden ver verwijderde Zuid-Frankrijk: om slechts één feit aan te halen, minstens eenige weken vóór Palmzondag van 1424 was het eerste boek reeds overgeschreven in Hattem bij Zwolle. Deze veronderstelling wordt bovendien weerlegd door een andere lijst der voornaamste werken van Gerson, drie of vier maanden voor diens dood samengesteld door Jacobus de Ceresio, een zijner boezemvrienden, en in de oudste uitgaven van zijne geschriften opgenomen. De Nav., die alleen meer waard is dan alle werken van den kanselier te zamen, schittert weder door hare afwezigheid. Doch ook al hadden wij deze verpletterende getuigenissen niet, een onloochbaar feit maakt de candidatuur van Gerson geheel onmogelijk. De kanselier is altijd seculier priester gebleven, terwijl de schrijver der Nav. een kloos-
8
terling was gelijk uit het geheele boek zonneklaar blijkt en hij zelf in uitdrukkelijke woorden getuigt: âWat zal ik U wedergeven voor deze genade ? Want het is niet aan allen geschonken alles te verlaten, der wereld vaarwel te zeggen en het kloosterlijk leven te omhelzen.quot; (IIP B. lO H.) Tegenwoordig worden dan ook de aanspraken van Gerson door niemand meer verdedigd; zelfs zijne landgenooten hebben hem losgelaten.
En waar blijft G e r s e n, de Benedictijner abt van het klooster te Vercelli ? Die blijft nergens; want om ergens te blijven moet men eerst ergens geweest zijn en dit per-sonaadje heeft eenvoudig nooit bestaan. GersEn is eenvoudig een andere spelling van den naam GersOn ; gelijk zonneklaar blijkt uit het feit dat verschillende hs. der Nav. die den naam Gersen dragen, daaraan den titel verbinden van Cancellarius Parisiensis.
Vóór het begin der 17e eeuw heeft niemand gedroomd van een Gersen, onderscheiden van Gerson. Na de jongste onderzoekingen gelooft thans geen ernstig man meer aan die mythe; het is niet de moeite waard aan hare weerlegging nog een druppel inkt te verspillen.
De veelvuldigheid der vroeger voorgestelde tegencandidaten van Thomas behoeft dus geenszins het vermoeden te wekken, dat de zaak op zichzelve niet klaar is; zij zijn alle opgegeven. Verwonderd zal menigeen opkijken, dat dit reeds in het begin der 17quot; eeuw het geval was. De raadpleging van het Essai bibliographique sur le Livre âde Imitation e Christiquot; van P. A. de Backer S. J., leert dat destijds schier overal, met name in Frankrijk, de Nav. onder Thomas' naam werd uitgegeven; alleen in het verder van de bakermat van het boek verwijderde Italië bleef Gerson zijn naam aan meerdere uitgaven leenen. Deze uitkomst was verkregen zonder dat een enkel opzettelijk verdedigingsgeschrift voor Thomas was verschenen; de waarheid had zich langzamerhand van zelve baan gebroken.
Het was een eenvoudig toeval, een losse bewering, berustende op een vergissing, die aanleiding gaf tot den strijd. P. Eossignoli vond in het noviciaat der Sociëteit van Jezus te Arona, een voormalig Benedictijner klooster, een hs. der Nav. met den naam van abbas Joannes Gessen (op een andere plaats van hetzelfde manuscript Gersen gespeld). Dit was eenvoudig gelijk in verschillende andere hs. een verkeerde spelling voor Gerson. Maar toen de Benedictijn
9
Cajetanus, die destijds bezig was alles voor zijne orde op te eisclien, hiervan hoorde, meende hij, in dit hs. een voldoenden rechtstitel te bezitten om ook op de Nav. beslag te leggen. Wijl het hs., naar hij meende, van de oude Benedictijnen afkomstig was, moest die ahhas Joannes Gessen (zoo doopte hij hem aanvankelijk) een Benedictijn wezen; en zonder schroom deed hij in 1616 te Rome de Nav. onder dien titel drukken.
Onmiddellijk verklaarde P. Maggioli, dat het uitgangspunt van Cajetanus valsch was; het hs. had nooit aan de Benedictijnen van Arona behoord, hij zelf had het in 1579 bij zijne intrede in het noviciaat der Sociëteit uit zijn ouderlijk huis te Genua derwaarts medegebracht. Verder wierp Ilos-weide reeds in 1017 in zijne Vindiciae Kempenses het kaartenhuis van Cajetanus omver, en toonde klaarblijkelijk, evidenter demomtrat, zegt Bellarminus, dat Thomas a Kem-pis do schïijver der Nav. is
Maar hoe is het dan mogelijk, dat hiermede die dwaze geschiedenis niet in eens uit was, hoe is het vooral mogelijk dat de strijd zoolang aanhield? De Benedictijnen begingen de fout de paitij van Cajetanus op te nemen. Men kwam nu eens met dit, dan eens met dat (ongedagteekend) hs. der Nav. aandragen, hetwelk blijkens den vorm van het schrift ouder zou zijn dan Thomas; en wijl de palaeographie nog in hare kindsheid vorkeerde, kon men hiermede lang aan den gang blijven. Ook moedwillig vervalschte stukken werden ten voordeele van Gersen en tegen Thomas te berde gebracht. Wie de bedriegers waren, doet voor de uitwerking dier vervalschingen niets ter zake; hun getal moge klein geweest zijn, hunne driestheid maakte dat der bedrogenen des te grooter. Van den anderen kant werden de voor Thomas getuigende documenten zooveel mogelijk achter slot gebracht, zijn naam op verschillende hs. uitge-wischt of uitgesneden. Evenwel had Cajetanus buiten zijne ordebroeders zelfs in Italië weinig aanhang gevonden. Integendeel; van toen af werd Thomas daar meer algemeen erkend; verschenen vóór Cajetanus in Italië nog vele uitgaven der Nav. onder den naam van Gerson, eenige jaren na hem wordt de kanselier genoegzaam geheel door Thomas verdrongen.
Na Thomas in zijn rustig bezit werd gestoord, trachtten eenige Franschen de reeds prijs gegeven aanspraken van Gerson weder ingang te doen vinden; doch met weinig of geen gevolg.
10
In de jaren 1761 en 1764 had Amort door zijne Deductio critica en Mora lis Certitudo de na een langen rusttijd weder opgestane Gersenisten geheel tot zwijgen gebracht; en zonder de groote beroeringen van het einde der vorige eeuw ware de strijd zeker voor goed beslecht. De klooster-vereeniging van Thomas werd hierdoor geheel vernietigd, de Sociëteit van Jezus op weinig na, van de geheele orde der Reguliere Kanunniken bleef ook riet veel over, d. i. de traditioneele verdedigers van Thomas waren verdwenen. De schade, door de katholieke instellingen over het algemeen geleden, had in dit punt, gelijk in vele andere, de overlevering in de kerkelijke wetenschap onderbroken; de door Amort verkregen uitkomsten raakten in vergetelheid, de kans was schoon om den strijd op nieuw aan te binden. Toch bleef de rust lang bewaard, er ware, zonder een op zichzelf geheel onbeduidend toeval, wellicht nimmer weer verstoord. In 1830 nl. vond de Italiaan Grégory in Parijs een hs. der Nav., naar de Italiaansche familie, waaraan het vroeger behoorde, den Codex de Advocatis geheeten. De ongelooflijk lichtzinnige man, die onder anderen Geert Groote vereenzelfde met den nog in deze eeuw overledenen Franschen diplomaat Gérard de Rayneval, doordien hij in de Biographie universelle van Michaud de elkaar opvolgende levensbeschrijvingen dezer personen als een enkel artikel beschouwde, meende hier een doorslaand bewijs voor zijn landgenoot Gersen gevonden te hebben; het hs. was minstens van de 14e eeuw en dus van Thomas onmogelijk. Eenige maanden later bracht men een in den tusschentijd samengesteld dagboek, het Diarium de Advocatis, te berde, waarin geschreven stond dat dit hs. in de 14e eeuw reeds lang aan de familie had toebehoord. ^ Vele jaren latei-haalde men een hs. der Nav. voor den dag, den Codex Paulanus, met de vervalschte dagteekeningen 1384 en 1385, dat natuurlijk den destijds pas vier jaar ouden Thomas weer onmogelijk moest maken. Deze knoeierijen maakten vele bedrogenen, vooral in Italië, waar de sinds een halve
l) In een brief aan Waterton, waarvan wij copie kregen, schreef Thompson, directeur van het Brilisck' Museum, en een der voornaamste palaeo-graphen: »Als het document De Advocatis gemeend is als een grap, is het een zeer slechte. Do voorstelling, dat het origineel, waarvan U mij een fac-simile zond, is van 't jaar 1349, is eenvoudig belachelijk. Al wie een greintje kennis van middeleeuwsch schrift heeft, zou en kon nimmer zulk een lompe poging tot nabootsing ondernomen hebben.quot;
11
eeuw opgewekte grootheidswaanzin voor de moderne Gerse-nisten een machtige bondgenoot was. ^
Nog een andere omstandigheid bracht er toe bij, dat de strijd niet eerder beslecht werd. De bibliotheken van Dnitsch-land, vooral van Noordwest-Duitschland, en van België waren nog niet voldoende onderzocht; die van Nederland nog in het geheel niet. In Dnitschland is deze leemte grootendeels aangevuld door Hirsche, Grube en Pohl; in België door Ruelens. In ons land is de heer Spitzen de eerste geweest, die zich met de strijdvraag opzettelijk heeft ingelaten. Door een nauwkeurig onderzoek der talrijke te Zwolle en Deventer bewaarde oorkonden uit de voormalige Windesheimsche kloosters heeft hij zeer belangrij ke vondsten opgedaan. Door zijn herdersambt verhinderd, kon hij de andere bibliotheken niet onderzoeken. Onder dit opzicht in gunstiger omstandigheden geplaatst, hebben wij die taak verricht en tal van onbekende of uit het oog verloren documenten opgespoord. Ook in de buitenlandsche bibliotheken van Gaes-donck, Keulen, Brussel en Parijs, vonden wij verschillende belangrij Ke bijzonderheden. Door tusschenkomst van eenige vrienden verkregen wij inzage van een aanzienlijk aantal hs. van Duitschen, Belgischen en Nederlandschen oorsprong, die thans aan particulieren behooren. Door die vereenigde onderzoekingen is thans een veel rijker materiaal ten gunste van Thomas verzameld dan vroeger, dat dan ook verschillende voorname tegenstanders van verder verzet heeft doen afzien. Zoo schreef in 1896 de Revue Bénédictine: âelle [la dispute] parait terminée au profit de Thomas a Kempis.quot; Busken Iluet heeft zijne vroegere bestrijding van Thomas herroepen. {Het land van Rembrand, 2' uitg. bl. 196 en 236). In weerwil van eenige onbeduidende tegenstribbelingen is de strijd dan ook beslecht; een veldslag geldt niet als onbeslist omdat een of ander der aftrekkende vijanden een enkel schot blijft lossen. 1)
, Wij bleven bij het verloop van den strijd een oogenblik stil staan om te toonen, dat hij niet uit zakelijke gronden,
1
'2) Met genoegen zal de lezer liet volgende voorval vernemen, dat ons uit de eerste hand werd medegedeeld. Toen bij den jongsten algemeenen pelgrimstocht naar Rome, onder de menigte Duitschers de groep uit Kempen op hare beurt aan Z. H. werd voorgesteld, voegde Leo XII[ hun toe: »0, medeburgers van Thomas van Kempen, schrijver der Navolging.quot;
12
maar uit ijdelheid is ondernomen, en enkel door oneerlijke praktijken zoo lang is voortgezet, om daardoor het vooroordeel weg te nemen dat die langdurige strijd dan toch de twijfelachtigheid der zaak zelve zou aantoouen. Wel verre van dit besluit te trekken moet het opgeven van alle, ook van de zoo hardnekkig vastgehoudene tegen Candida ten van Thomas, op zich zelf reeds het gegronde vermoeden verwekken, dat hij de schrijver der Nav. is. Onwaarschijnlijk toch mag het heeten, dat de schrijver van een pas in de 15e eeuw verschenen werk, hetwelk zoo spoedig na de eerste waarneembare sporen van zijn bestaan zulk een grooten opgang maakte, volkomen onbekend is gebleven. Wijl hij kloosterling was, kon dit niet aan zijne ordebroeders, allerminst aan zijne oversten, onbekend blijven. Na zijn dood was er in alle geval geen reden om zijn naam te verzwijgen; al ware het ook mogelijk geweest den naam van den schrijver van een zoo beroemd boek, waarnaar stellig veelvuldig werd gevraagd, zoo lang geheim te houden.
De zaak kan dan ook in weinige bladzijden afgehandeld worden, als men, afgezien van de controvers, rechtstreeks de geschiedkundige oorkonden beschouwt, die dan toch uiteraard de zaak moeten beslissen. De nog bestaande oorkonden zouden alleen reeds ruim voldoende wezen; echter kan men, vooral om onwillige tegenstanders te overtuigen of althans tot zwijgen te brengen, ook die verloren documenten gebruiken, wier voormalig bestaan en authenticiteit door zoodanige getuigenissen is gewaarborgd als bij alle geschiedkundige vragen voor afdoend gelden. Wij hebben een groot en wel het voornaamste deel der nog bestaande stukken zelf onderzocht en kunnen hunne authenticiteit volkomen waarborgen.
Wij zullen bij onze bewijsvoering de getuigenissen voor den â¢persoon van Thomas aanvankelijk buiten beschouwing laten, om te toonen, dat, al ontbraken deze volkomen, de stoffelijke feiten toch den kring, waartoe de schrijver behoort, zouden aanwijzen.
13
. II.
De âNavolgingquot; is geschreven in het eerste vierde der 15e eeuw door een Nederduitscher.
De titel van dit hoofdstuk zal sommigen welliclit vreemd schijnen ; hij is evenwel juist. Men moet de landen volgens hunne destijds bestaande verhoudingen beschouwen; en in de ISquot; eeuw waren de gewesten, die het tegenwoordige Nederland vormen, een deel van Nederduitschland. Vooral de provinciën Overijsel en Gelderland, die hier op den voorgrond treden, waren door taal, zeden en innig verkeer, met name tusschen de geestelijke gestichten, met de naburige streken van het tegenwoordige Duitschland tot een innig samenhangend geheel vereenigd, dat wij kortheidshalve Ne-derrijnland zullen noemen; trouwens, de Overijselaar en de Gelderschman zijn met den Westphaler, met den Rijnlander nauwer stamverwant dan met den Fries of den Hollander.
Het oudste gudagteekende hs. der Nav., dat echter slechts het Iquot; Boek bevat, is het bovenvermelde uit Hattem, van 1424; alle andere opgegeven dagteekeningen berusten op vergissingen of moedwillige vervalsching. Blijkens andere gedagteekende handschriften bestonden de vier Boeken uiterlijk in 1427; het geheel der feiten dwingt ons echter ze enkele jaren vroeger te stellen. Ofschoon het geboortejaar van geen der vier Boeken volstrekt juist bekend is, kan men toch zeggen dat ze omstreeks 1420 zijn geschreven; het 1° is echter bepaald iets ouder dan de overige.
De vraag of eenig hs. der Nav. wegens inwendige ken-teekenen tot een vroegere eeuw moet teruggebracht worden, is in ontkennenden zin opgelost. De geleerde Benedictijn Ursmer Berlière van de abdij van Maredsous verklaart, dat men geheel in paheographie ten achteren moet zijn om tegenwoordig tot dit besluit te komen.
De veelvuldige Germanismen der Nav. toonen reeds op zichzelve dat het boek door een Duitscher, hetzij dan Hoog-of Nederduitscher, is geschreven. Dit bewijs is onaantastbaar, gelijk reeds blijkt uit de sophismen, waartoe de handigste der Gersenisten, Veratti van Modena, zijn toevlucht neemt om het te ontzenuwen. Om aan het âexterius scirequot; {van buiten kennen) te ontsnappen, veronderstelt hij dat de woorden niet echt zijn, óf dat ze âoppervlakkig, slechts naar de letter kennenquot; moeten beduiden; ofschoon honderde hs. en
14
alle oudst gedagteekende ze vertoonen, en geen mensch vóór hem die beteekenis daaraan gehecht heeft. ]) Sophisme en anders niet!
B. II, H. 9 staat: âVerus amotor Christi.. .. non eadit super cousolationes.quot; Geen latijn, maar letterlijk het Dietsche; âEen waarachtig min re christi.... en valt niet op ghenen troost,quot; gelijk het Leidsche Hs. heeft. Veratti staat hier verlegen en geeft toe dat men te doen heeft met âun flamminghismo innegabile,quot; tenzij men hier door ,,caderequot; een zedelijk vallen tot menschelijke vertroostiogen, d. i. zondigen, hebben te verstaan, welke opvatting hem zei ven blijkbaar kwalijk behaagt, en overigens vóór hem geen mensch in het hoofd is gekomen. 1)
B. I, H. 18 lezen wij : âOch teporis et negligentise status nostri, quod tam cito declinamus a pristino fervore.quot; Deze constructie van den tweeden naamval bij een uitroep zet Veratti schaakmat; om zich te redden, verklaart hij dat ze in elke taal eene onmogelijke constructie is, niet de oorspronkelijke lezing kan zijn; hij wist niet dat zij in het oude Dietsch herhaaldelijk voorkomt, en in het Hoogduitsch nog gebruikt wordt. Wijlen Prof. M. De Vries verklaarde dan ook in een door ons gelezen particulieren brief rondweg, dat deze verklaring van Veratti niets anders is dan een âlaffe uitvlucht.quot;
Wij willen van de gelegenheid gebruik maken om de aandacht te vestigen op een paar merkwaardige uitdrukkingen, die tot dusver onopgemerkt bleven.
B. I, H. 23 : âValde cito erit tecum hie factum : vide aliter quomodo te habeas.quot; A liter is de letterlijke vertaling van het Dietsche anders, dat ook beteekende voor het overige. De schrijver wil zeggen: er blijft u niets anders over dan te zien hoe gij u moet gedragen. N0. 319 van de Maatschappij der Ned. Letierk. te Leiden vertaalt: âHerde schiere saelt met di hier sijn gedaen siet anders hoe ghi di moet hebben.quot; Ook de Keulsche vertaling van 1434 heeft: anders.
B. IV, H. I: âEt ad capienda tanta mysteria me rever-herat impura conscientia.quot; Deze uitdrukking ontstond uit
1
van Radewijns leest men ook exterius cliscere {van hiaten kennen.)
het Dietsche wederslaen = afschrikken. Het oude hs. van het Gymnasium te Sittard, de codex van Leiden en meer audere vertalen letterlijk: wederslaet.
Doch al zouden ook geen inwendige kenteekenen de nationaliteit van den schrijver verraden, dan zou toch zoowel het getal als de ouderdom der hs. voldingend bewijzen, dat de bakermat der Nav. in Duitschland, de Nederlanden daaronder begrepen, is te plaatsen.
Door aan de hs. bij geloofwaardige schrijvers vermeld, een aanzienlijk aantal toe te voegen, die wij door eigen onderzoek leerden kennen, bereiken wij het cijfer van 420. Hiervan behooren 19 aan Italië, 25 aan Frankrijk, 15 aan Engeland; de overige aan Duitschland in den uit-gebreiden zin van het woord. De laatste onderzoekingen cledeu het getal voor de drie eerste landen niet toenemen, terwijl het voor het laatste aanhoudend stijgt; Spaansche hs. zijn tot dusver in het geheel niet bekend.
Zooals gezegd is, is het hs. uit Hattem (1424) het volstrekt oudst gedagteekende; in Frankrijk is het oudste van 1456, in Italië van 14'34. Zelfs in Engeland vindt men een ouder dan in deze beide landen, namelijk een van 1438; ja, de noordelijkste streek, waartoe de Nav. als hs. doordrong, het voormalige hertogdom Holstein, bezit er een van 1449. Hoe kan men nu nog aan een Franschen, Italiaanschen of in het algemeen aan een zuidelijken oorsprong der Nav. blijven denken ?
Op het oogenblik kennen wij een öOtal Belgische hs. en 46 Noord-Nederlandsche. Dit is betrekkelijk veel voor ons klein land; vooral wijl reeds in de 16e eeuw bijna alle kloosters zijn verwoest.
Dan, zoo ook al het aantal der hs., alleen beschouwd, de keuze tusschen de verschillende kreitzen van het oude Duitsche rijk niet bepaalt, verschillende daarin voorkomende bijzonderheden plaatsen duidelijk de bakermat der Nav. in die streken, welke boven onder den naam van Ne-- derrijnland zijn samengevat. Het grootste gedeelte der oudste hs. is afkomstig uit die gouwen, niettegenstaande daar over het algemeen de kloosters tijdens de godsdienstoorlogen zoo vreeselijk werden geteisterd. Bij het hs. uit Hattem voegt zich de Codex de Thévenot, die weliswaar ongedagteekend is, maar, gelijk wij te Parijs zagen, van dezelfde hand en daardoor sequivalent gedagteekend, verder die van Ewijk in Westphalen (1426), van Doetichem en Nijmegen (1427),
16
van Erfurt (1428), van Osnabruck (1429), van Keulen (1430), cen Keulsclie vertaling van liet Ie B. (1434).
De kloosterlingen van Zuid-Duitschland eu België plaatsten beslist de bakermat der Nav. in liet Nederrijnland, en wel in een thans Nederlandsch deel daarvan, reeds eer de naam van den scbrijver meer algemeen bekend was. Deze opmerking betreft vooral de Kartbuizers dier streken. Amort vermeldt liss. âex Carthusia Olomucensi, Gemnicensi, Aquis-bacensi,quot; die liet opschrift dragen âper quemdam Cartu-siensem in Rheno.quot; Dat deze uitdrukking op het klooster van Arnhem slaat, kunnen wij voldingend bewijzen.
Het gymnasium te Katwijk bezit een Nederlandsche vertaling uit de 15quot; eeuw van een leven van Christus, volgens Moll het Bonaventura-Ludolphiaansche leven. Na de opgave der C. C. leest men: âHier na beghint dat boec van ons heren leven ghemakct uten latine in duutsch, van enen Santroyse opten rijn.quot;
Volgens den heer Verdam, professor van het Middel-nederlandsch te Leiden, die het hs. welwillend onderzocht, is de taal zuiver Nederlandsch, zonder zweem van oostelijken tongval. Hierdoor is de keuze beperkt tot de Kar-thuizerkloosters van Arnhem of van Utrecht. Maar behalve dat de langs Arnhem stroomende tak der rivier reeds destijds eenvoudig weg de Rijn heette, wordt door andere bijzonderheden duidelijk het klooster van deze plaats aangewezen. Een hs. uit het Karthuizerklooster te Herne in Vlaanderen bevat o. a. de drie eerste boeken der Nav. onder den titel: âIncipit libellus quidam devotus copulatus a quodam devoto Carthusiensi domus Gelrise. Bedoeld werd de Karthuizer Hendrik van Kalkar, die prior te Arnhem geweest is. De zuidelijke Kartbuizers verkregen van hunne Nederlandsche broeders de anonieme Nav. in gezelschap van Kalkar's werkje: â Volens purgari a peccaiis,quot; dat in verschillende hss. der Nav. zelfs tusschen het P en IIe B. geplaatst is. 1)
Terwijl de zuidelijke Kartbuizers de Nav. aau een dei-hunnen toeschreven, noemden de andere, die meer rechtstreeks met den Windesheimer kring in verband stonden, als schrijver een regulieren Kanunnik, gelijk b. v. blijkt uit een hs. van het Karthuizerklooster te Geraardsbergen in Vlaanderen (1450). De Kartbuizers van Utrecht, Keulen
1
Wij kennen drie dergelijke van Nederlandschen oorsprong ; een, dat aan een kanunnik van Utrecht heeft behoord, bevindt zich thans in de bibliotheek te 's Hage.
17
en Vucht noemden Thomas in persoon ; hunne zuidelijke ordebroeders hebben zich later bij dit oordeel aangesloten. Zoo heeft in twee hss. van Olmütz een oude hand de woorden : per quendam Carthnsiensem, vervangen door: Ca-nonicum regular em. In het hs. van 1428 uit het Karthui-zerklooster te Erfurt is de eerste uitdrukking met zeer ouden inkt doorgehaald. ^ Een hs. van 1471 uit het huis dezer orde te Buxheim in Beieren draagt den naam van Thomas.
Hiermede is stellig bewezen dat de Nav. in het Neder-rijnland is ontstaan; wij kunnen bovendien den kring, waartoe de schrijver behoorde, nog nader bepalen.
III.
De Navolging stamt uit den Windesheimer kring.
Het optreden van Geert Groote verwekte weldra eene bewonderenswaardige verlevendiging van den godsdienstzin onder een aanzienlijk deel van het Nederlandsche volk. Vooral de talrijke scholieren zijner geboortestad Deventer waren het voorwerp zijner vaderlijke zorgen. Om behoeftige jongelingen te ondersteunen, liet hij hun tegen behoorlijk loon boeken overschrijven. Op voorstel van zijn vriend Radewijns vereenigde hij een aantal scholieren in eenzelfde woonhuis, en zoo ontstond de Broederschap van het Gemeene (d. i. gemeenschappelijk) Leven, dat zich in een snellen bloei mocht verheugen. Kort voor zijn dood (13S4) had Groot het plan gevormd eenige der voornaamste broeders den Regel der Reguliere Kanunniken van den H. Augus-tinus te doen aannemen, om de andere te beschermen en te leiden. In 1387 volvoerde Radewijns dit plan'door de stichting van het klooster te Windesheim in Overijsel, op slechts 10 kilom. zuidelijk van Zwolle gelegen. Van hier uit werden weldra eenige dochterhuizen gesticht; eenige reeds bestaande kanunnikdijen sloten zich daarbij aan, en zoo ontstond de zelfstandige kloostervereeniging van het Windesheimsch Kapittel, dat in zijn bloeitijd honderd hui-
Wij hebben dit merkwaardige hs, in eigendom overgegaan aan Mgr. Clifford, door de welwillendheid van den prelaat eenigen tijd ter beschikking gehad.
18
zen bezat. Tot de vroegst ingelijfde behoorde de Agnieten-berg bij Zwolle.
Beide stichtingen waren aanvankelijk volgens de bedoeling van Groot op het nauwst verbonden; sommige broeders van het Gemeene Leven brachten als dusdanig jaren of /.elfs hun geheel leven door in een Windesheimsch klooster. Thomas zelf verbleef als broeder van het Gemeene Leven zes jaar op den Agnietenberg, alvorens hij zich daar tot den volmaakteren religieuzen staat geroepen gevoelde; van waar de dwaling is ontstaan dat hij zoo lang novice zou geweest zijn.
Dan, hoe innig beide stichtingen ook verbonden waren, men mag ze niet, gelijk veelvuldig geschiedt, met elkander verwarren. Zoo hoort men Thomas dikwerf een broeder van het Gemeene Leven noemen; dit is hij in zijne jeugd, reeds als student onder Radewijns te Deventer, wel geweest, maar eigenlijk moet hij als een Windesheimsch kanunnik beschouwd worden. Voor ons doel kunnen wij echter beide stichtingen onder den naam Windesheimer kring samenvatten.
De verspreiding der Nav. zoowel als talrijke daarin voorkomende bijzonderheden toonen duidelijk dat het boek uit dien kring is voortgesproten.
Van de oudst gedagteekende hs. dragen sommige den naam der huizen waar zij werden geschreven, andere slechts den plaatsnaam in het algemeen. Hieruit ziet men dat bijna alle afkomstig zijn van huizen die innig met Windes-heim verbonden waren, of van plaatsen waar de zonen van Groot destijds gevestigd waren. Het hs. uit Hattem, en de codex van Thêvenot zijn vervaardigd in het fraterhuis dezer plaats; die van Ewijk, Nijmegen en Doetichem, toen deze kloosters met Windesheim over hunne inlijving in het kapittel onderhandelden. Te Osnabrück en Keulen waren destijds reeds fraterhuizen gevestigd; de Keulsche vertaling van 1434 is door een broeder van Keulen vervaardigd.
Als wij zuidelijker afdalen, ontmoeten wij een hs. in Luik van 1429; nu was in het vorig jaar het fraterhuis aldaar in een Windesheimsch klooster veranderd. Een hs. van Sint-Truyen van 1427 heeft een noot dat het door den prior van het Benedictijner klooster dier stad besteld is. Nu weten wij, dat de broeders, en aanvankelijk ook de Windesheimers, in het copiëeren van hs. een middel van bestaan zochten. De stad ligt dicht bij Tongeren, waar deze in 1424 een klooster stichtten. In Sint-Truyen zelf her-
19
vormden zij het Augustinessenklooster. Een hs. van 1431 is afkomstig van hnn huis bij Leuven. Verder worden vermeld twee hs. van de Benedictijner abdij van S. Jacob te Luik, van 1433 en 1436. Is het nu niet merkwaardig, dat in 1431 Eugenius IV den abt van dit klooster tot beschermheer benoemde van 't Windesh. Kapittel in het Luiksche bisdom ? Het blijkt dat twee derde der vóór 1435 gedag-teekende hs. uit het Windesheimsche land bij uitnemendheid afstammen; in zuidelijker streken vindt men slechts 6 met zulke oude dagteekening, ofschoon daar de kloosters veel minder werden verwoest.
Deze verbreiding der Nav. door de Windesheimers in Zuid-Duitschland wordt op merkwaardige wijze bevestigd door een hs. van Pollingen in Beieren, volgens Amort kort na 1442 vervaardigd. Dit schrijft de Nav. toe aan een kanunnik van het Windesheimer klooster, Bödiken in West-phalen. De kanunniken van dit beroemde klooster hadden sinds 1437 verschillende huizen in Zuid-Duitschland hervormd ; zij verspreidden er te gelijkertijd de Nav., hetgeen de meening verklaart, dat een der hunnen de schrijver was.
Van uit Windesheim werd ook de oudste Dietsche vertaling van het 1° B. verder verspreid. De heer Spitzen heeft te Zwolle een hs. van dit klooster gevonden, opgesteld in den Overijselschen tongval. Voorop staat vermeld: âIn dezen boeke zijn beschreven drie sermonen broeder Johans van Scoenoven ghedaen int kapittel van Windesem, Item een de voet epistel des selve brueder Johans van Scoenoven to brueder Willem sinen neve Carthuser bi Utrecht, Item een boeken van gheesteliken vermaningen qui sequitur me.quot; Het eerste sermoen is gehouden in 1413; de andere enkele jaren later. De vereeniging van dit âboekenquot; met louter Windesh. stukken is reeds merkwaardig; doch er is meer. In het Franciscaner klooster te Weert, een hs. onderzoekende uit een Augustinessen klooster te Utrecht, waarin hetzelfde boekje in gezelschap staat van twee instructies door den prior van Windesheim aldaar gehouden, zagen wij dat het van de Windesh. vertaling is overgeschreven. Hetzelfde is het geval met een hs. uit het Augustinessenklooster te Rijswijk, bewaard in het bisschoppelijk museum te Haarlem. Snellaart vermeldt een hs. uit het zusterhuis te Hasselt bij Zwolle, bevattende de vertaling van âdie Epistel van Eemsteinquot; (van denzelfden Schoonhoven) en van B. I der Nav. Hij geeft geen stuk van den tekst; maar het. voorkomen van dien Epistel, vereenigd met het feit
20
dat die zusters onder het bestuur van den Agrjietenberg stonden, toont duidelijk dat ook zij die vertaling uit Win-desheim verkregen. Deze drong zelfs in Zuid-Nederland door, gelijk blijkt uit een in Belgisch-Limburg vervaardigd hs. dat twee daaraan ontleende brokstukken in het eerste boek, door P. Kieckens in de Dietsche Warande uitgegeven, bevat.
Als men nu het geheel der hss. beschouwt, blijken zij op weinig na voort te komen uit die kloosterorden, welke destijds met de zonen van Groot op goeden voet stonden. Uit de huizen der Reguliere Kanunniken in het algemeen, die, al waren zij niet in het Kapittel ingelijfd, toch werkelijk ordebroeders der Windesheimers zijn. Vervolgens uit de Karthuizer kloosters die van den aanvang af zoo nauw met Windesheim verbonden waren. Groot was van zijn wereldsch leven bekeerd door den Karthuizer Hendrik van Kalkar, verbleef eenigen tijd in diens klooster te Arnhem, zou daar gaarne het kleed hebben aangenomen, hadden deze vrome kloosterlingen, die zijne hoogere roeping erkenden, hem niet overreed zich aan het predikambt te wijden. In zekeren zin hebben dus zoowel de Broederschap als het Windesheimer kapittel aan de Karthuizers hun ontstaan te danken; vandaar die innige verbinding. Eindelijk vinden wij ook vele hs. uit de kloosters der Benedictijnen, die destijds, blijkens de aanstelling van den Luikschen abt tot beschermheer van dat kapittel eveneens vriendschappelijk gezind waren. Uit de kloosters der bedelorden daarentegen, die aanvankelijk de stichting van Groot aanvielen, wijl zij daarin eene gevaarlijke nieuwigheid zagen, zijn slechts enkele hs. bekend, niet meer dan een half dozijn; en nog van latere dagteekening, toen het misverstand geweken was; uit Dominicaner kloosters wordt geen enkel aangehaald.
Maar nog duidelijker verraadt de Nav. haar oorsprong door inwendige kenmerken.
De broeders van het Gemeene Leven werden spoedig nït hun ontstaan wegens hun vromen levenswandel door het volk met den naam van devoten als een eigennaam aangeduid, die als dusdanig ook weldra in geschriften algemeen gebruikt werd. Zoo zegt Thomas in zijn 2e Sermoen aan de novicen: âQuidam devotus, graviter a diabolo tentatus, exivit de congregation em fratrum, ad captanda solatia mundi in lucridis vanis.quot; Hier kan natuurlijk devotus niet vertaald worden door godvruchtig persoon; de leermeester wil zeggen:
âZekere broeder van het Gemeene Leven, zwaar door den duivel bekoord, verliet de congregatie der Broeders om in ijdele vermaken wereldsche vertroostingen te zoeken.quot; Toen later eenige der voornaamste broeders den regel van An-gustinus omhelsden, werden zij van de overige met den naam religiosi onderscheiden; echter waar het niet gold ze onderling te onderscheiden, maar de zonen van Groot als een geheel vormende van andere klassen van personen te onderscheiden, bleven ook de Windesh. kanunniken onder den naam devoti begrepen. Zoo spreekt Thomas in zijn Dialogue novitiorum C. 4 tot zijne jeugdige ordebroeders: âWil dus niet het verkeer zoeken met wereldlingen, gij die het habijt draagt der devoten {qui habitum geris devotorum).quot;
Dat devotus in de Nav. op meerdere plaatsen dezen eigennaam, en niet godvruchtig persoon beteekent, is gemakkelijk te bewijzen. Wij zullen ons kortheidshalve tot een enkele plaats bepalen, maar die dan ook doorslaand is; want verkrijgt men elders door dit woord met godvruchtig te vertalen wel niet den eigenlijken, maar dan toch een mogelijken zin, op die plaats verkrijgt men een volstrekt onmogelijlcen en volslagen valschen zin.
In B. IV, H. 10 lezen wij: âPotest enim quilibet devotus omni die et omni hora ad spiritualem Christi communio-nem salubriter et sine prohibitione accedere: et tarnen eer-tin diebus et statuto tempera corpus sui redemptoris, cum affectuosa reverentia sacramentalier debet suscipere.quot; Hier kan men niet vertalen: âIeder godvruchtig persoon kan op iederen dag en ieder uur tot de geestelijke communie van Christus met vrucht en zonder beletsel naderen: en toch is hij op bepaalde dagen en vastgestelden tijd, verplicht het lichaam van zijn Zaligmaker met innigen eerbied sacramenteel te ontvangen.quot; Dit is valsch; daartoe is een particulier godvruchtig persoon geenszins verplicht, noch zelfs om waarlijk vroom te blijven, eenigermate gehouden; van twee personen, waarvan de eene b. v. op Witten Donderdag, de andere op Paaschzondag ter communie gaat, is de eene daarom niet godvruchtig er dan de andere. Maar de devoten waren door hun regel verplicht op bepaalde dagen en vastgestelden tijd (in de Communauteits-Mis) het Lichaam van Christus sacramenteel te ontvangen.
De huizen der Broeders heetten âvergaderinghenquot; (con-gregatio), die der Windesh. kanunniken âcloesterenquot;' {monas-terium). Zoo lezen wij bij Thomas in Serm. I aan de novicen: âWaarlijk broeders, er bestaat geen grooter genoè-
22
gen in een klooster (monasterio) van religieuzen en in een congregatie (congregatione) van broeders en zusters, dan eensgezindheid.quot; Nu zal men beter begrijpen wat de schrijver der Nav. bedoelt met de woorden van B. I, H. 17: âHet is geen kleinigheid in een klooster of congregatie te wonen.quot;
Reeds vroeger heeft men gewezen op de treffende overeenkomst in richting, ascetisch stelsel, gedachten, eigenaardige uitdrukkingen (ook Germanismen) tusschen de voorgangers van Thomas, Ruysbroek, Groot, Radewijns, de G hees te lij ke Oefeningen van Windesheim van den eenen, en de Nav. van den anderen kant. De heer Spitzen echter heeft het eerst aangetoond, dat sommige zinsneden der Nav. bij oudere Windesheimer schrijvers. Mande, Johannes van Schoonhoven, Gerlach Peters, genoegzaam of zelfs geheel letterlijk voorkomen.
Laten wij S. zelf zijne ontdekkingen verhalen: âToen Mande eerstgenoemd werkje [Fan drien staten eeiyt behierden mevschen'] schreef â vóór 1415 â bestond de Imitatie nog niet; dat zij in den Windesheimer kring toen nog onbekend was, geven onze tegenstanders toe. Daarentegen blijkt uit de Navolging, dat haar auteur hem gekend heeft en genoemd werkje vóór zich gehad. Niet alleen geeft hij zakelijk menige plaats van Mande weder, hij citeert hem somtijds ook zoo goed als woordelijk. Schreef Mande: âWi en sullen gheen verkiesen hebben in den dinghen noch geen eyghenschapquot;; bij hem lezen wij B. Ill, H. 37, N. 1: âSta sine electione et omni proprietate.quot; Waarschuwt gene: âWie sullen ons ledich holden van dat ons niet toe en hoort en de ons luttel onderwinden van den dingen die ons niet bevolen en sin: soe moghen wi vrede hebben in ons ende in anderen men-schenquot;: deze leert B. I, H. 11, N. 1: âMultam possemus pacem habere, si non vellemus nos cum aliorum dictis et factis et quae ad nostram curam non spectant occupare.quot; Bij Mande leest men; âHier omme secht hi oec: Die nae mij wil comen, hi verloechne syns selves, en de boer op syn cruce ende volghe mij nae .... Mer nyemant en maeh mij antwoerden en de segghen: dat is al te hart te doene, wie macht volbrengen. Och here god het sal vele harder wesen: gaat ghi vermalididen in dat ewighe vuer.quot; In de Imitatie B. II, H. 12, N. 1: âDurus multis videtur hic sermo: Abnega temet ipsum, tolle crucem tuam et sequere Jesum. Sed multo durius erit audire illud extremum verbum: Discedite a me, maledicti in ignem aeternum.quot;
23
Later vonden wij in hetzelfde werkje van Mande een zinsnede, die merkwaardiger wijze in hetzelfde H. der Nav. terugkeert; âWair wij comen dat wij menschen vinden sullen, ende dat wij oec ons zeiven mede drag en wair wij wonderen: want ist dat wij al den liden ontlopen willen, dat en hebben wij geen macht in dezen leven; want dat cruce Christi dat is die rechte leder daer men mede opclymt totten ewighen leven, ende so wijl enen anderen wech gaen wil, die dwaelt, als voorschreven is.quot; En in de Nav.: âNon potes effugere, ubicumque cucurreris, quia ubicumque veneris, teipsum tecum portas et semper teipsum invenies . . . . Et quomodo tu aliam viam quaeris quam hanc regiam viam quae est via s. crucis .... Erras, erras, si aliud quaeris quam pati tribulationes.quot;
Nog treffender is hetgeen de heer Spitzen in een ander Zwolsch hs. heeft gevonden; âEen derde schrijver van dien tijd, bij wien de auteur der Nav leende, is de vrome en geleerde Johannes van Schoonhoven, leerling in het klooster te Groenendal zelf, waar hij later vice-prior was van Johannes Ruysbroek, wiens mystisch stelsel hij tegenover den Parijzer kanselier Gerson zegevierend verdedigde.
Van dezen Groenendaler bestaan nog onder meer onuit-gegevene geschriften, twee âepistelen ghezant tot enen reghe-lier in Eemsteyn,quot; zijnen âneef Simon professus in Eem-steijn,quot; getuigt Busch. Een sierlijk op perkament geschreven, blijkbaar veel gebruikt manuscript van een der brieven, vroeger aan het Fraterhuis alhier toebehoorend hebbende, bezitten onze Etnmanuelshuizen. Daar âneef Simon in 1387 te Eemsteijn reeds aan het hoofd stond, en de brief aan hem gericht werd toen hij, on nog pas âprofessusquot; of gewoon âreghelierquot; was, kan het stuk wel op zijn laatst in 1383 ontstaan zijn. Welnu, men leest erop blad 33: âHet is sekerre te sculen dan te openbaren (wij zeggen thans: âzich openbarenquot; of âverschijnen.quot;) Die poete seit: Ghe-love mi hi heeft wel gheleeft die wel gheschuult heeft. Ende een heilich man 1) seyt: Niemand en is zekerlik boven dan die gheerne onder is. Niemand en spreket sekerlic dan die gheerne swighet.quot; En wat leest men B. I, H. 20 in de Imitatie: â't Schier lichter te huis schuilen dan zich buiten genoegzaam te kunnen bewaren. Wie derhalve er op uit is tot het innerlijke en gheestelijke te komen, die moet
1
Later vond de heer S, dat hier bedoeld is de vrome Dominicaan Johannes de Tambaco.
24
met Jezus de schare ontwijken. Niemand openbaart zich veilig dan die gaarne schuilt. Niemand spreekt veilig dan die gaarne zwijgt. Niemand is veilig boven (prseest) dan die gaarne onder is {subest).quot;
Dat er overname tusschen beide schrijvers heeft plaats gehad, is klaarblijkelijk; de veronderstelling dat beide rechtstreeks de drie zinsneden uit Tambaco hebben overgenomen, wordt uitgesloten door een vierden zin die bij beiden voorkomt, namelijk : âHet is sekerre te schuilen. maar bij Tambaco gemist wordt.
Doch er is meer. Schoonhoven haalt vele gezegden aan van heidensche wijsgeeren, de schrijver der Nav. daarentegen slechts twee. Het vers van Ovidius P B. IL, 13, N. 5; Principiis obsta; en in B. I, H. 20, N. 2: âDixit quidam: Quoties inter homines fui, minor homo redii,quot; woorden niet letterlijk, maar slechts zakelijk van Seneca, die in Epist. VH schrijft: âAvarior redeo, ambitiosior luxuriosior, immo vero crudelior et inhumanior quia inter homines fui.quot; Welnu, beide deze gezegden komen ook voor bij Schoonhoven, en wel het laatste onder denzelfden vonn, maar met den naam van Seneca; waardoor verder bevestigd wordt, dat de met de heidensche wijsgeeren vertrouwde Schoonhoven die spreuk onder dien vorm niet aan den met die wijsgeeren zich niet inlatenden schrijver der Nav. heeft ontleend, doch deze veeleer aan gene.
Doch afgezien van deze inwendige bewijzen, komt men door de overneming om te keeren, tot de ongerijmdste gevolgtrekkingen. Om het niet geloochende en onloochenbare feit te verklaren, dat Thomas door den geheelen Win-desheimer kring altijd als schrijver der Nav. is gehuldigd, hebben de tegenstanders vroeger steeds beweerd, dat het boek vóór Thomas in den kring onbekend was, door hem daar is bekend gemaakt en met ijver verspreid, en hij daardoor bij vergissing voor den schrijver is aangezien; thans zal men moeten zeggen, dat de Windesheimers, waaronder mannen van den eersten rang, Thomas aanzagen voor den schrijver van een werk, dat reeds bij hen als een bron gold, toen deze nog een jongeling of zelfs een klein kind was ! !)
') In ons boek L'Auteur de VImitation et les Documents Neerlandais. (La Haye, M. Nijhoff) hebben wij (bl. 11) en v.) aangetoond dat alle feiten waarop de schrijYer der Nav. zinspeelt in den Windesheitner kring worden aangetroffen. Daar dit betoog voor geen uittreksel vatbaar is, moeten wij ons bepalen er naar te verwijzen; wij willen echter van de gelegenheid gebruik maken om de aandacht te vestigen op een feit, dat toen onze aan-
IV.
De schrijver der Navolging is Thomas è. Kempis.
De schrijver van het gulden boekje was dus een Neder-duitscher uit het Nederrijnland, een zoon van Geert Groote, en wel als religieus geen broeder, maar een Windesheimer kanunnik; eigenschappen, die alle in Thomas vereenigd waren. Maar al was ons van dit alles niets bekend, dan zouden de getuigenissen, die hem rechtstreeks als auteur der Nay. noemen, toch allen twijfel wegnemen.
In 1380 te Kempen geboren, kwam hij reeds als twaalfjarige knaap te Deventer onder de leiding van Rade wij nr., door wien hij in 1399 naar den Agnietenberg werd gezonden, waar zijn broeder Johannes destijds prior was. Na daar zes jaren als broeder van 't Gemeene Leven te hebben gewoond, omhelsde hij in het zelfde klooster den religieuzen staat; met een korte onderbreking van slechts 14 maanden bleef hij altijd aan dezelfde communauteit verbonden en stierf er in 1471 door allen bemind en geëerd, in den hoogen ouderdom van 91 jaren, in geur van heiligheid.
I. Johannes Busch, op het einde van 1399 te Zwolle geboren, trad op 18-jarigen leeftijd in het klooster te Windes-heim; in 1423 naar Ludingakerke in Friesland gezonden, om dit klooster te helpen hervormen, had hij daar het genoegen twee maanden samen te leven met Thomas, die met de geheele communauteit van den Agnietenberg, tijdens hunne verbanning door de Utrechtsche scheurmakers, in
dacht ontsnapte, niet om er op zich zelf beschouwil eenig bewijs uit te trokken, maar om, aangenomen dat Thomas de schrijver is, een plaats der Nav. op te helderen. In B. I, II. 19 lezen wij: «Non possunt omnes habere unurn exercitium : sed aliud isti, aliud illi magis deservit.quot; Thomas zinspeelt hier op het tusschen zijn broeder Johannes en den prior Vos van Heusden te Windesheim voorgevallene en door Busch met de volgende woorden verhaalde: «Sancti patres et viri virtutnm eandcm non omnes semper habent graciam devocionis in scripturis, sed singuli secundum fer-vorem sui spiritus et animi qualitatem singularem a domino graciarum optinent influenciam. Nam frater Johannes Iluesden prior noster nolabile satis excerptum ex beati Bernardi sermonibus super cantica pro devocione sua compilavit, mediam pene partem sermonum eorumdem. Frater autem Johannes Kempis excerptum pro sua devocione ex eisdem volens extrahere, non ea, quae pater Johannes prior noster sibi collegerat, sed ea magis, quae in suo excerpto ipse omiserat, utiliora pro suo profectu et sibi magis sapida esse judicans, propria edoctus experiencia in unurn ea collegit.quot;
26
hetzelfde jaar daar een toevluchtsoord had gevonden. J) In 1440 werd Busch tot prior gekozen van het klooster Sulta bij Hildesheim, en in 1449 tot proost van het aanzienlijker convent Neuwerk bij Halle. Hier werd hij in 1451 door den pauselijken legaat, den kardinaal Nicolaas van Cusa, benoemd tot visitator apostolicus der kloosters in Noord-Duitschland. In 1455 keerde hij voor eenigen tijd naar Win-desheim terug en ontving hier van den toenmaligen prior-generaal Johannes van Naaldwijk de opdracht de kronijk van zijn klooster te schrijven ; hij begon dezen arbeid te Win-desheim zelf, doch voltooide dien pas in 1464 te Sulta, waar hij ten tweede male tot prior was gekozen en in 1480 in geur van heiligheid stierf. Busch heeft den grooten stoot gegeven aan de kloosterhervorming in Duitschland en is daarom een der voornaamste kerkelijke personen der 15e eeuw.
Deze persoonlijke eigenschappen van den schrijver, en niet minder het officieel karakter der kronijk geschreven op last der overheid, waardoor deze mede aansprakelijk werd voor de waarheid van het verhaal, geven aan de over de ordebroeders medegedeelde berichten een doorslaand gezag.
Welnu, in deze officieele kronijk staat duidelijk dat Thomas de Nav. heeft geschreven.
Bij de beschrijving van den dood van den Windesh. prior Vos zegt Busch letterlijk: âWeinige dagen vóór zijn overlijden kwamen twee voorname broeders van den Agnieten-berg bij Zwolle van onze orde om dezen onzen prior over zekere zaken te spreken, te Windesheim aan, waarvan een was frater Thomas van Kempen, een man van beproefden levenswandel, die verschillende godvruchtige boeken heeft samengesteld, namelijk Qui sequitur me over de Navolging van Christus met anderequot; {qui plures devotos lihros compo-suit videlicet qui sequitur me de imitatione Christi cum aliis.)
De tegenstanders zagen wel, dat deze getuigenis alleen reeds de strijdvraag beslist; daarom trachtten zij te bewijzen, dat deze woorden niet door Busch zijn geschreven, niet tot de kronijk behooren, maar er later door eenigen copiïst zijn ingeschoven. Een misverstand, waarvan zelfs de Kempisten het slachtoffer werden, gaf eenigen steun aan die bewering
Op de Parijsche vergadering van 1681 legden de Regu^ liere Kanunniken twee hs. over van het werk van Busch
â 1) Vreemd, dat op deze omstandigheid nog niet is gewezen. In 1429 was de Nav. niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Noord-Duitsch-land reeds ver verbreid. Als een broeder van den Agnietenberg de auteur was, konden de huisgenooten daarmede niet meer onbekend zijn; de getuigenis van Busch wordt daardoor nog verhoogd.
27
dat onder den naam van Windesheinische Kronijk, in 1621 door Rosweijde was uitgegeven; en bovendien een derde hs., dat gelijk men later meende, dezelfde kronijk bevatte. In de twee eerste hs. stond de getuigenis, in het derde niet. Het overleggen van dit laatste weten wij uit een brief van Mabillon, die later echter is misverstaan, zoodat sommigen hem zelfs lieten zeggen dat diths. het autograaf was van Busch.
Ziehier de ware toedracht der zaak. Busch heeft twee kronijken geschreven; in de eerste behandelt hij alleen het klooster Windesheim, in de tweede 6 jaren later geschreven in 12 nieuwe hoofdstukken bovendien ook de oprichting en uitbreiding van het Windesheimsch kapittel; tegelijkertijd heeft hij de geheele kronijk sterk omgewerkt. In de eerste kronijk wordt Thomas in het geheel niet vermeld, en was er dus geen aanleiding om hem als schrijver der Nav. te noemen. De Reguliere Kanunniken kenden destijds zeer goed het verschil tusschen beide kronijken. Waarom legden zij ook een exemplaar der eerste over, ofschoon de getuigenis er in ontbrak? Om aan de vergaderde geleerden te toonen, dat er twee verschillende kronijken bestonden, en dus het ontbreken der getuigenis in eenig exemplaar der eerste geen bewijs was tegen de authenticiteit van die zinsnede. Doch later raakten de zeldzame hs. der eerste kronijk verloren; zelfs de herrinnering aan haar bestaan verdween. In het voormalige Windesh. klooster te Gaesdonck hebben wij een exemplaar der eerste kronijk teruggevondenen alle zakelijke varianten tusschen beide kronijken uitgegeven in de Bijdragen en Mededee ling en van het Historisch Genootschap te Utrecht. 10' Dl.
Later hebben wij te Parijs den eigenhandigen brief van Mabillon overgeschreven, welk stuk, als men het bestaan der twee kronijken van elders kent, niet meer misverstaan kan worden. âIls produisirent aussi, deux chroniques de Jean Busch, dans l'une desquelles qui paroissoit originate, n'etoit pas la parenthèse soupgonnée de faux par les premiers défenseurs de Gersen, mais seulement dans le seconde, qu'ils prétendirent avoir été augmentée par Buzilius même.quot; De waarheid dezer laatste bewering blijkt uit de vergelijking van beide kronijken zonneklaar en wordt ook niet meer betwist. Het woord originate, dat hier klaarblijkelijk eenvoudig beteekent de oorspronkelijke of oudste kronijk, heeft aanleiding gegeven tot de dwaling, dat dit exemplaar het autograaf van Busch was, hetwelk reeds destijds, gelijk zoo vele andere stukken, door de vernietiging van het klooster Windesheim was zoek geraakt.
28
Is nu de opwerping tegen de authenticiteit vernietigd, van den anderen kant is deze door de latere onderzoekingen schitterend bevestigd. Men kent thans 12 exemplaren der tweede kronijk, afkomstig uit Nederlandsche, Belgische en Duitsche kloosters. De copie uit het Windesh. klooster te Utrecht, in de universiteits-bibliotheek bewaard, is gc-dagteekend van 1465, en dus vervaardigd 6 jaar vóór den dood van Thomas en onmiddellijk na de voltooiing der tweede kronijk in 1464. Daar alle exemplaren de getuigenis in dezelfde woorden bevatten, is een inschuiving door een lateren copiïst eenvoudig onmogelijk.
2. Hermann Rijd was een ander uitstekend ordebroeder van Thomas; in J408 geboren, trad hij in 1427 in het klooster te Wittenburg, en werd later door kardinaal Cusa naar Tyrol gezonden om eenige kloosters te hervormen. In eene beschrijving der huizen van zijn kapittel, zegt hij : âDe broeder, die het boek der Navolging heeft samengesteld, heet Thomas; hij is onder-prior in het voornoemde klooster Agnietenberg bij Zwolle.... Deze schrijver leefde nog in 1454 en ik, broeder Hermann, van 't klooster Nou werk, in het bisdom Maagdenburg, in dat jaar naar het algemeen kapittel gezonden, heb hem gesproken.quot;
3. Wessel Gansfort. Ullmann heeft in de bibliotheek te Munchen een hs. ontdekt, dat de geschriften bevat van Hardenberg, een leerling van Wessel: âDe kloosterlingen van den Agnietenberg hebben mij verschillende geschriften getoond van den zeer vromen Thomas a Kempis, van wien men, behalve verschillende andere boeken, bewaard heeft het waarlijk onschatbare werk der Navolging van Jezus-Christus. Wessel bekende in dit werk den eersten smaak der ware godgeleerdheid te hebben geput. Dit boek had hem overgehaald, toen hij nog jong was, zich naar Zwolle te begeven om er de beginselen der schoone letteren te leeren, en de vriendschap te genieten van den vromen Thomas a Kempis, die kanunnik was in het huis der H. Agnes, hetwelk Wessel daarom zoo hoog schatte, dat hij dit verblijf boven elk ander verkoos.quot;
4. De levensbeschrijver van Thomas. Korten tijd na 1471 ging een Duitscher naar den Agnietenberg, om van de kloosterlingen inlichtingen te verkrijgen ter samenstelling eener levensschets van Thomas, en van eene lijst zijner geschriften. Zijn naam is onbekend, maar die levensschets doet hem kennen als een innig vroom man, buiten staat de waarheid te kort te doen. Hij zelf verklaart alles wat
29
hij verhaalt, uit den mond van Thomas' nog levende med-gezellen te hebben vernomen. In zijne levensschets schrijft hij: âWij hebben overigens wat hij alsdan tot den Heer zeide, en wat zij samen spraken in zijn tractaat âOver dc inwendige toespraak van Jezus-Christus tot de geloovige ziel.quot; (IIP B. der Nav.) Verder noemt hij in de door hem samengestelde lijst de vier boeken der Nav. uitdrukkelijk.
Dat de kloosterlingen, evenals aan Hardenberg, ook aan dezen bezoeker de autographen van Thomas toonden, opdat hij de titels der geschriften daaruit zou kunnen copiceren, is wel vooraf genoegzaam zeker; en de vergelijking der lijst met de nog aanwezige autographen toont duidelijk dat de titels daaruit werkelijk gecopieerd zijn. De Nquot;8 5â17 der lijst noemen de 13 tractaten van het Brusselsche autograaf in dezelfde orde waarin zij daar voorkomen; ofschoon in strijd met de later algemeen aangenomene volgorde het zoogenaamde 4quot; B. der Nav. vóór het oquot; geplaatst is. De N0i 23 en 24 der lijst geven de titels van twee geheel heterogene geschriften: de Sermoenen aan de novicen, en het Leven der H. Liduina. Welnu, deze werken staan in dezelfde volgorde in het Leuvensche autograaf, dat verder niets anders bevat.
Een copie dezer levensschets met de daarbij behoorende lijst, geschreven in het Windesb. klooster Franckentaal in Beieren en gedagteekend 17 Maart 1488, bevindt zich in de Haagsche bibliotheek. Het origineel is al licht eenige jaren ouder. Dr. Gruhe heeft in de Munchcnsche bibliotheek twee gelijkluidende copieën uit andere kloosters afkomstig gevonden, waardoor de authenticiteit van het stuk nader is bevestigd.
Hebben wij de getuigenis van Thomas' levensgezellen op den Agnietenberg uit den mond van twee hunner gasten vernomen, twee Agnietenbergers zelve zullen ons die getuigenis herhalen.
5. Johannes Mauburne, te Brussel geboren, werd kort na 1471 op den Agnietenberg aangenomen en deed zijn noviciaat onder Reinier Koetken, die nog 6 jaar met Thomas samenleefde. Na de voornaamste bedieningen in zijne orde te hebben vervuld, werd hij ter hervorming van eenige abdijen naar Frankrijk gezonden, waar hij in 1500 als abt overleed.
Reeds in 1491 had hij te Bazel een geleerd werk uitgegeven. Rosetum spiritualium exercitiorum, waarin hij onder Thomas' naam eenige zinsneden der Nav. aanhaalt. In zijn
30
Venatorium, een cataloog zijner voornaamste ordebroeders, zegt hij: âWelke broeder Thomas a Kempis onder andere werkjes die hij schreef, het boekje Qui sequitur me samenstelde, dat sommigen valschelijk aan Gerson toekennen.quot;
6. De medgezel van Mauburne, die met hem uit den Ag-nietenberg naar Frankrijk werd gezonden, schreef in een brief, gericht aan Fr. J. Oret, in het prioraat S. Salvatoris Mellundini letterlijk: âMajor labor est risistere passionibus, quam corporalibus insudare laboribns, dicit Thomas.quot;
7. De Windesheimers van Utrecht. Een zeer oud hs. uit dit klooster, in de universiteitsbibliotheek bewaard, bevat onder anderen onder Thomas naam:
Ammonitiones ad interna trahentes {2' B.)
Thomas regularis super Audiam quid leguatur (3e B.)
8. De ordebroeder van Thomas, itimon van Ley den, die reeds eenigen tijd priester was, toen hij in 1482 zijne getuigenis aflegde.
9. Een broeder van 't Fraterhuis te Deventer. In een hs. der 15e eeuw uit dit huis afkomstig, vond prof. Moll een verzameling van Dicta quaedam Thomx Kempis, grooten-deels aan de Nav. ontleend.
10. Adrianus de But van 't Cistercienser klooster in de Duinen, in Vlaanderen, teekende op de kronijk van zijn huis bij het jaar 1458 de volgende woorden aan: âDit jaar sticht broeder Thomas a Kempis van den Agaietenberg, professor der orde der reguliere kanunniken, vele lieden door de uitgaven zijner geschriften; hij schreef het leven der H. Liduina en een boek iu maat (metrice) over: die mii navolgt.quot;
Merkwaardiger wijze heeft Spitzen bewezen, dat Thomas kort voor 1458 uitgaf zijne Sermoenen aan de novicen en het leven der H. Liduina, door de But op de eerste plaats genoemd. (Zie een artikel van Dr. Cruise, Précis Ilistori-ques. 1889.)
11. Caspar van Pforsheim, die in 1448 een Duitsche vertaling der Nav. onder den naam van Thomas vervaardigde.
12. Petrus Scot, kanunnik van Straatsburg, een beroemd redenaar, bezorgde in 1488 een uitgave der werken van Gerson, waarin hij verklaart de Nav. niet te hebben opgenomen, wijl het zeker is, dat deze door zekeren Thomas a Kempis, regulier kanunnik, is geschreven.
13 Een Franschman, die in 1493 te Parijs een Fransche vertaling der Nav. uitgaf, zegt, dat het boek niet geschreven is door Gerson, doch door Thomas van Kempen.
31
14. PirJcamer, prior der Karthuisers te Neuremberg, bezorgde in 1494 een uitgave der werken van Thomas, waaronder de Nav. voorkomt.
15. Phili/ipus Foresta, een geleerde Italiaansclie kronijk-schrijver, Augustijner-eremijt, geboren in 1434.
16. De beroemde Benedictijner abt Trithemius van Span-heim, geboren in 1462.
Hierbij komen een zestigtal bs. en verscbillende wiege-drukken, onder anderen de editio princeps van Zainer te Augsburg, in 1472.
Merkwaardig vooral is een bs. uit Benedictbeuern, een Beierscbe Benedictijner abdij, wegens de dagteekening 1447. Verschillende andere hs. zijn eveneens tijdens het leven van Thomas vervaardigd, alle andere op weinig na kort na zijn dood; want wijl spoedig na 1471 de Nav. niet alleen in üuitschland en de Nederlanden, maar zelfs in Frankrijk en Italië herhaalde malen werd gedrukt, zijn in de 16e eeuw niet veel hss. meer vervaardigd.
Ten slotte kunnen wij nog een geheel onfeilbaren getuige aanhalen; Thomas zei ven. De faam, dat hij de schrijver der Nav. was, had zich minstens 24 jaren voor zijn dood niet alleen door de geheele Nederlanden, maar tot diep in Zuid-Duitschland verspreid; dit feit kon hem niet verborgen blijven. Hij zag zich als schrijver der reeds beroemde Nav. vermeld in de kronijk zijner kloostervereeniging op last der hooge overheid geschreven en bestemd om in alle huizen verspreid te worden. Zou hij, de heilige kloosterling, ja, zou ieder eerlijk meusch zich niet verplicht geacht hebben, die faam, dit bericht in de kronijk tegen te spreken als zij niet de waarheid weergaven? Zou hij niet daardoor zijne broeders op den Agnietenberg gewaarschuwd en aan die dwaling voor goed een einde gemaakt hebben ? Zou hij ook zijne oversten niet hebben gewaarschuwd om die dwaling uit de kronijk te verwijderen? Dit waarschuwend woord heeft hij nooit uitgesproken; niet alleen zijn eigen klooster, maar het geheele Windesh. kapittel heeft Thomas altijd als schrijver der Nav. gehuldigd. Zoo ooit dan geldt hier de spreuk: die zwijgt, stemt toe.
32
V.
Het autograaf van Thomas.
Dit hs., te Brussel bewaard, bevat voorop de 4 boeken der Nav. in de chronologische volgorde (I, II, IV en III); dan 9 tractaten, wier echtheid tot diep in deze eeuw algemeen werd erkend, en sluit met de onderteekening: âGeëindigd en voltooid (finitus et completus) door de handen van brpeder Thomas Kempis in het jaar 1441.quot;
Tot nog vóór korten tijd beweerden sommigen, dat deze onderteekening duidelijk bewijst dat Thomas niet de schrijver, maar slechts de copiïst der Nav. is, doch geheel ten onrechte. De Windesheimers plaatsten nooit hun naam als auteur onder hunne eigene geestelijke geschriften, en behandelden deze op dezelfde wijze als vreemde vootrbrengselen die zij overschreven. Hoe weinig die onderteekening volgens het heerschende gebruik den auteur van den copiïst onderscheidt, blijkt uit het feit dat Mabillon, en met hem de oude Gersenisten in het algemeen, omgekeerd beweerden: dat Thomas door de Nav. aan het hoofd dezer 9 echte tractaten over te schrijven en achter het geheel die onderteekening te plaatsen zonder het te weten, de geheele wereld in de war heeft gebracht, dat juist dit hs. de oorsprong was der dwaling die hem ook als auteur der Nav. deed aanzien.
Er bleef een andere, ernstiger moeilijkheid. De boeken der Nav. in dit hs. vertoonen vele doorhalingen, veranderingen, vooral bijvoegingen, welke laatste blijkens andere gedagteekende hs. vóór 1441 reeds tot den tekst behoorden. Hoe komt het dan, dat, als Thomas de auteur was, hij zelf later bij het overschrijven zooveel fouten beging? Deze moeielijkheid is door den heer Spitzen in een glansrijke bevestiging omgezet.
Ofschoon de onderteekening slechts zegt, dat de bundel in 1411 voltooid is, meende men dat al zijne deelen in dat jaar zijn geschreven; doch ten onrechte. De bundel bestaat uit verschillende kleinere bundeltjes op verschillende tijden geschreven, en later, gelijk zoo dikwerf geschiedt, door den auteur in éen band vereenigd; de 4 boeken der Nav. zijn bepaald veel vroeger geschreven, niets belet ze tot het jaar 1420 op te voeren, indien daarvoor van elders gegronde redenen bestaan, gelijk werkelijk het geval is. Die 4 boeken blijken namelijk niet een latere copie, maar het oorspronkelijke autograaf van den auteur te zijn, althans het eerste afgewerkte autograaf, bestemd om er copieën van te nemen.
De codex bestaat uit vijf reeksen van afzonderlijke bundeltjes, die achtereenvolgens niet minder dan vier verschillende soorten van papier vertoonen. Onbeschrevens bladzijden tusschen de opvolgende bundeltjes toonen tot driemaal toe hunne oorspronkelijke onafhankelijkheid. Het papier der twee eerste, die de 4 boeken der Nav. bevatten, heeft zeer oude watermer-
33
ken, de P van Philips den Stouten en een fijn anker. Dit laatste verschijnt reeds in den codex van Deventer, door Thomas in 1399 voltooid (deze is een studenten-cahier); het verschijnt nog in den codex van Windesheim, die de vertaling van B. I der Nav. bevat en omstreeks 1420 werd vervaardigd; in de latere Zwolsche hs. verschijnt het niet meer. In de derde reeks bundeltjes ziet men den ossenkop van jongeren vorm; in de vierde de P met gespleten voet van Philips den Goeden; de vijfde reeks, die slechts 6 blaadjes bevat, vertoont geen watermerk. Aan het hoofd van het hs. staat op een blaadje perkament een tafel, die de 13 daarin bevatte tractaten aangeeft. Maar die tafel is blijkbaar na de voltooiing van den bundel opgesteld; zij staat op een afzonderlijk blaadje dat door een omgeslagen rand van het eerste bundeltje is gescheiden.
Dit alles wijst duidelijk op verschillende tijdperken. Vergelijken wij nu eens met dit autograaf van Thomas een hs., dat wij in het seminarie Haren hebben onderzocht. Dit is blijkbaar een copie van het autograaf; het bevat in dezelfde volgorde dezelfde 13 tractaten met denzelfden tekst en hetzelfde
Eunctuatie-stelsel; het bestaatunctuatie-stelsel; het bestaat geheel uit hetzelfde papier als et laatste deel van het autograaf met dat watermerk van Philips den Goeden en is door een enkele hand afgeschreven. De zaak is klaar. Kort na de voltooiing van het autograaf heeft een broeder van den Agnietenberg last gekregen er een copie van te vervaardigen. Hij nam het destijds in zijn klooster gebruikelijk papier, maakte er bundeltjes van en schreef die zonder tusschenruimte vol. Had Thomas ook zoo reeds bestaande tractaten in 1441 willen overschrijven, zijn hs. hadde er uitgezien als dat van dezen copiïst, zijn medgezel.
Toont dus de materieele samenstelling van den codex, dat de boeken der Nav. lang voor 1441 zijn geschreven, het onderzoek van den tekst bewijst, dat wij werkelijk het eerste afgewerkte autograaf van den auteur voor ons hebben. De daarin voorkomende verbeteringen, in hun geheel beschouwd, toonen klaar, dat de schrijver hier de auteur zelf is. Onder de doorgehaalde plaatsen is er een, die alleen reeds voldoende zou zijn om den auteur van den copiïst te onderscheiden.
B. II, H. 11 na de zinsnede : âQui autem Jesum propter Jesum, et non propter suam propriam consolationem diligunt, ipsum in omni tribulation e et angustia cordis, sicut in summa con-solatione, benedicunt,quot; stond aanvankelijk; âEt si Jesus vellet quod irent in infernum, ibi quoque contenti essent nee eum minus amarent.quot; Deze zinsnede is doorgehaald, en wordt gevolgd door de woorden ; âEt si nunquam eis consolationem dare vellet, ipsum tarnen semper laudarent et gratias agere vellent.quot; Natuurlijk is de doorgehaalde zinsnede niet geschreven om geplaatst te worden tusschen de beide zinsneden, die thans in het autograaf, gelijk in alle copieën, staan. Dat Thomas een model voor zich had, hetwelk de doorgehaalde zinsnede
34
bevatte, is onaanneemlijk; zij is nooit in eenig hs. der Nav. aangetroffen. Als auteur dus van het boek, heeft Thomas deze, zakelijk aan zijn ouderen ordebroeder Gerlach Peters ontleende zinsnede, aanvankelijk neergeschreven. Echter heeft hij terstond hare onhoudbaarheid ingezien; de zinsnede, die haar kwam vervangen, vormt met do rest van den tekst een natuurlijk geheel. Ghesquière heeft reeds opgemerkt, dat zulk een verandering den auteur zeiven en niet een eenvoudigen copiïst aanduidt. Maar daar de woorden, die de doorgehaalde zinsnede vervangen, in alle van vóór 1441 gedagteekende hs. staan, begreep men moeielijk hoe Thomas er toe kwam de reeds gangbare zinsnede te verwerpen om haar door een andere te vervangen, en dan onmiddellijk weer deze plaatsvervangster ontsloeg en den vroegeren tekst herstelde. Nu wij weten, dat die dagteekening niet op de eerste tractaten van het autograaf betrekking heeft, wordt de zaak zeer duidelijk: de doorgehaalde zinsnede werd eerst geschreven en de volgende kwam haar eenvoudig vervangen.
Behalve een aantal woordomzettingen, bevat het autograaf 69 hijvoegingen, waaronder slechts 9 noodzakelijke, bij vergissing weggelatene woorden; onder de niet noodzakelijke bevinden zich drie op den rand geplaatste zinsneden. Al deze veranderingen zijn van de hand van Thomas, op éen of misschien twee niet noodzakelijke woorden na. Dat Thomas, de Nav. schrijvende, eenige keeren bij vergissing een woord wegliet dat hij wilde schrijven en overigens zelf aanvulde, is niet te verwonderen, dit overkomt den meesten auteurs; maar dat hij bij het overschrijven op 69 keeren, 60 maal woorden en zinsneden oversloeg, wier weglating den zin niet verstoorde, noch den samenhang verbrak, is geheel onaannemelijk. Dergelijke bijvoegingen vindt men ook in de andere tractaten van het autograaf.
Over het algemeen maakten die bijvoegingen reeds deel uit van den blijkens de hs. van Nijmegen en andere reeds in 1427 gangbaren tekst. Echter zijn stellig eenige copieën reeds genomen voor het autograaf van den schrijver al deze veranderingen vertoonde. De voornaamste bijvoeging staat in B. I, H. I, waar de zinsnede âVanitas igitur est divitias perituras quserere: et in illis sperarequot; op den rand is geplaatst met een verwij-zingsteeken, aanduidende dat zij moet gesteld worden voor de zinsnede: âVanitas quoque est honores ambire et in altum se extollere.quot; De zinsnede op den rand kon ontbreken zonder den samenhang te verstoren; ook heeft de auteur ze niet bij vergissing overgeslagen, maar naar rijp beraad er bijgevoegd, gelijk uit een merkwaardige bijzonderheid blijkt. Het woord quoque van den zin in den tekst heeft natuurlijk betrekking op den zin aan den rand. Hoe kon dan de auteur dat woord quoque gebruiken alvorens den zin aan den rand te hebben geschreven? Door het onderzoek van het autograaf vonden wij
35
een verklaring die de moeilijkheid in een schitterende bevestiging verandert. Op de plaats van het woord quoque is het perkament sterk met het mes bekrabt. Welk woord is wegge-krabt? Hooger in den tekst staat het woord igitur, waarvan de laatste lettergreep is voorgesteld door de gewone afkorting, die gelijkt op ons cijfer 4, waarvan de twee eerste trekken boven de lijn werden geplaatst. Welnu, door de bekrabte plek met doorgelaten licht te beschouwen, zagen wij de trekken van dat teeken nog duidelijk voor den dag komen, in denzelfden stand dien zij bij het eerste igitur innemen. Wij hebben hier dus twee belangrijke veranderingen, waarvan de eene een noodzakelijk gevolg is der andere. Is er een verandering denkbaar die duidelijker het onderscheid tusschen den auteur en den copiïst aangeeft ?
Die zin op den rand staat in alle hs.; dit is niet het geval met een andere bijvoeging in dezelfde passage. Het geenszins noodzakelijke woord statum is, achter al turn, hoven de lijn geschreven. Dit woord ontbreekt in het hs. van 1424, in den codex van Windesheim en in zoo veel andere dat stellig eenige copieën zijn genomen vóór het autograaf van den schrijver deze bijvoeging vertoonde. Werkelijk is dat woord niet te gelijkertijd met den zin op den rand er bij gevoegd; want terwijl deze, gelijk alle andere bijvoegingen, met zwarten inkt is geschreven, is statum met roeden inkt aangebracht.
Vraagt men nu hoe het kwam dat niemand vóór Spitzen heeft gezien dat de boeken der Nav. veel vroeger dan de laatste tractaten van het autograaf zijn geschreven, dan luidt het antwoord: zonder eene nauwkeurige studie der te Zwolle en Deventer bewaarde Windesheimsche stukken, ware dit feit ook voor hem verborgen gebleven.
VI.
Een paar der meest gangbare opwerpingen.
Dikwerf hebben de tegenstanders gewezen op het feit, dat de Nav. niet voorkomt onder de werken van Thomas te Utrecht' bij Ketelaer en de Leempt uitgegeven; die uitgave is niet ge' dagteekend; gewoonlijk wordt zij door de bibliographen in 't jaar 1473 geplaatst, en is stellig uiterlijk van 1475, wijl die drukkerij in dat jaar werd opgeheven. Klaarblijkelijk zou dit feit dan iets beteekenen, als de drukkers een volledige uitgave bedoelden; men heeft dit dan ook zoo laten voorkomen, ofschoon zij zelf uitdrukkelijk het tegenovergestelde verklaren. Er zijn meerdere personen, die eenige geschriften van Thomas uitgaven
3G
zonder de Nnv., ofschoon zij ook deze aan hem toekenden. De Utrechtsche drukkers hebben zich bij hunne keuze door praktische oyerwegingen laten leiden, en het is gemakkelijk te verklaren, waarom zij de Nnv. niet opnamen. De Duitsche drukkers, waartoe destijds ook de Nederlandsche behoorden, dreven onder elkander een waren ruilhandel; nu was de Nav. pas in 1472 door Zainer te Augsburg uitgegeven, en de Utrechtsche firma kon het dus voordeelig vinden een aantal exemplaren harer uitgave met die van Zainer te ruilen. Aan de belachelijke bewering, dat die firma een bloemlezing uit de werken van Thomas wilde geven, zullen wij geen woord verspillen.
De erkende werken van Thomas, zeggen de tegenstanders, verschillen in stijl te veel van de Nav., staan in waarde te diep onder deze, om van denzelfden schrijver te kunnen zijn. Maar vooreerst; wat zijn die erkende werken? Vroeger had die uitdrukking eene bepaalde beteekenis en sloeg op de kronijk en op de geheele uitgave van Sommalius, alleen de Nav. uitgezonderd; die tijd is thans voorbij. Onder die geschriften zijn er eenige die feiten vermelden, welke op ondubbelzinnige wijze den auteur aanwijzen, namelijk; de kronijk, het leven der H. Liduina, de levensbeschrijvingen van Groot, Radewijns en diens leerlingen, de sermoenen aan de novicen en eenige particuliere brieven. Tot deze geschriften moet thans die nitdruk-king beperkt worden. Van al de overige wordt de echtheid tegenwoordig mede betwist; deze loochent de echtheid van dit geschrift, gene van een ander. Op den duur moest dit wel geschieden. Waarom is aanvankelijk eerst de strijd over de echtheid der Nav. alleen gevoerd ? Omdat zij minder dan de overige geschriften door geschiedkundige getuigenissen is gewaarborgd ? Geenszins; integendeel, als men deze raadpleegt, blijken zij voor geen enkel half zoo talrijk noch zoo doorslaand als voor de Navolging. Die strijd is eenvoudig ontstaan uit een luim van Cajetanus. Intusschen op den duur herneemt de logica haar rechten. Waarom zou men de echtheid der Nav. loochenen en die van minder gewaarborgde geschriften vasthouden? Om consequent te blijven zouden de tegenstanders zich bij de vergelijking moeten bepalen tot de zooeven genoemde geschriften, wier inhoud den auteur met zekerheid aangeeft. De vergelijking van deze werken met de Nav. is, het verschillende genre in aanmerking genomen, bepaald gunstig voor Thomas. Een der andere geschriften tegen de rechten van Thomas op de Nav. aanvoeren, is als een ongeoorloofde handelwijze, als een meten met twee maten, eenvoudig af te wijzen.
Wij voor ons houden de echtheid van alle door Sommalius uitgegevene geschriften voor voldoende gewaarborgd; en wel voornamelijk door de boven vermelde op den Agnietenberg vervaardigde lijst, die op een paar nummers na, welke aan S. onbekend bleven, met diens uitgave volkomen overeenstemt. Doch of al die werken juist oorspronkelijke zijn. is een andere vraag.
37
Dit is stellig niet het geval met het leven der H. Liduina, dat getrokken is uit het werk van Brugman. Waarschijnlijk ook zijn verschillende der Sermones ad fratres slechts omwerkingen der onderrichtingen die Thomas zelf uit den mond zijnor leermeesters heeft opgevangen; zoo iets geschiedt tegenwoordig nog aanhoudend. Het is klaar, dat de vergelijking zich tot de oorspronkelijke werken moet bepalen. Doch ook nog eenige andere zijn daarvan uit te sluiten; namelijk die geschriften, welke niet voor de openbaarmaking bestemd waren, en dus met mindere zorg werden bewerkt. Hiertoe behooren bepaald de tractaten De jideli dispensatore en De Soli.tudine et silentio, die eenvoudig particuliere brieven zijn; en ook nog wel eenige andere. Bovendien bleef Thomas, gelijk Malou opmerkt, tot den 91 jarigen leeftijd de pen hanteeren, en moet men de voortbrengselen dei-volle mannelijke kracht van die uit het tijdperk van verval onderscheiden. Do tractaten, die blijkens de hs. tusschen den 40 en 50 jarigen leeftijd werden vervaardigd, zijn dan ook de beste.
Verder moet men niet meenen, dat Thomas alles geschreven heeft in den vorm waarin zijne tractaten in de gedrukte uitgaven voorkomen. De Dialogus novitiorum verschijnt daar als een zonderling geschrift, dat wel een kop, doch geen staart heeft. Geen wonder, het is uit zijn verband gerukt; blijkens oude hs. is het slechts het eerste deel van een omvangrijker werk, waarvan de levens van Groot, Radewijns en diens leerlingen de drie laatste deelen vormden. Niet van alle geschrif-ien heeft Sommalius de autografen ter beschikking gehad, on bepaald hebben wij voor het pasgenoemde werk uit oude hs. gezien, dat de door hom gebruikte tekst slechter was dan de oorspronkelijke. Doch ook waar hij autografen volgde, heeft S. sommige uitdrukkingen. Neerlandismen, die hij als Waal niet begreep, verandert. De door hem zeiven bezorgde uitgaven zijn reeds niet vrij van zinstorende drukfouten; de latere, eenvoudige herdrukken van de zijne, bevatten er nog veel meer; zelfs die drukfouten hooft men benuttigd om Thomas af te breken. De willekeurige, vaak verkeerde indeeling in nummers, is niet van don auteur zolven, en moet weggedacht worden. Gelijk Hirsche opmerkt, liggen de werken van Thomas niet in bruik-baren vorm voor en is een nieuwe critische uitgave voor de vergelijking met de Nav. noodzakelijk.
De reden, waarom Thomas niet meer tractaten heeft kunnen schrijven, in aantrekkelijkheid en uitwerking aan de vier boeken dor Nav. gelijk, is dezelfde waarom geen enkele andere schrijver dit kon. Die schrijftrant, welke heldere diepe gedachten en niet minder diepe gemoedsaandoeningen kwistig uitstort, doch niet uitwerkt, is bekoorlijk en indrukwekkend; maar niet lang vol te houden. De schrijver zal vrij spoedig in herhalingen vervallen, of een ander genre moeten aanvatten, dat uit zijn aard minder bekoorlijk is en waarvoor hij ook
38
wellicht minder aanleg bezit. De Nav. is de eerste rijpe penne-vruclit van Thomas. Hij had toen nog aan niemand den vollen schat vertoond der hemelsche verlichtingen en affecten uit een jaren lang innig verkeer met zijn goddelijken Meester ontsproten. Wij hooren daar voor het eerst de inwendige samenspraak van Christus met de geloovige ziel. De lusthof is het schoonste als de geuren nog zweven in de frissche morgenlucht en de bloemen nog fonkelen met den hemelschen dauw. In die latere geschriften, welke nog min of meer in den trant der Nav. zijn opgesteld, ontmoeten wij nog menige plaats, die, gelijk b.v. het 2« sermoen tot de novicen, de meeste hoofdstukken der Nav. in schoonheid overtreft, maar het geheel kon niet meer den frisschen indruk maken van den vollen lentebloei.
Wil men de vier boeken der Nav. aan Thomas betwisten, dan moet men ze aan een, zelfs aan zijne ordebroeders onbekend gebleven Windesheimer schrijver der 15e eeuw toekennen, die na het vervaardigen dier tractaten reeds geheel was uitgeput, of althans niets meer voorbracht van genoegzame waarde om bewaard te blijven. Dan maakt Thomas, die ook in een ander genre door zijne tijdgenooten hooggeschatte geschriften opstelde, toch een veel beter figuur. Dat deze werken geenszins, gelijk sommige zijner bestrijders beweren, waardeloos zijn, maar daarentegen door zijne tijdgenooten en nog vele volgende geslachten hoog geschat werden, blijkt duidelijk uit de talrijke nog tot ons overgekomen copieën, uit het lötal volledige en nog talrijkere gedeeltelijke uil gaven, waarin zij werden verbreid. Hoeveel schrijvers mochten zich in zulk een bijval verheugen ? De bestrijders van Thomas zijn zelve in de waardeering dezer geschriften oneens, en daar zij op de geschiedkundige bewijsstukken geen acht slaan, geraken zij met elkander in lijnrechte tegenspraak. Zoo b. v. beweert Gregory dat het tractaat van Thomas De disciplina claustralium niet van den schrijver der Nav. kan zijn âle stile en est bas el rampant Puyol daarentegen verklaart dat dit geschrift, evenals eenige andere der vroegere onbetwiste werken schoon mag heeten, doch, voegt hij er bij, ze zijn niet van Thomas. Den verba-zendsten goocheltoer voerde Wolfsgruber uit, door de echtheid van het Soliloquium animas aan te nemen en te verwerpen, naar gelang het in zijn betoog te pas komt.
Dat de overige geschriften van Thomas thans weinig meer gelezen worden, zegt niets. Van welken asceet, ouder dan de 16« eeuw, zijn de werken tegenwoordig veel in gebruik? Zijn die oudere voortbrengaelen op zich zelve in het algemeen van geringere waarde dan de jongere ? Geenszins; maar de latere schrijvers konden beter rekening houden met de veranderde tijdsomstandigheden en de daardoor mede veranderde geestelijke behoeften der lezers.
Het zou ons te ver voeren door voorbeelden aan te toon en, dat het geheele ascetisch stelsel, de eigenaardige trant, het pun-
39
tige en spreukige, de eigenaardige uitdrukkingen, hetzelfde Ne-derlandsch latijn, in de Nav. voorkomende, in de andere werken van Thomas terugkeeren. Maar wij kunnen wel uit getuigenissen van gezagvolle en onverdachte mannen bewijzen, dat de bewering als zoude de stijl, gelijk sommigen zich uitdrukken, in deze geschriften zoo hemelsbreed van dien der Nav. verschillen, op geheel subjectieve ongegronde indrukken berust.
Toen Gersen het eerst voor den dag werd gebracht, had Bel-larminus, gelijk hij zelf verklaart, nog niets van de geschiedkundige bewijzen voor Thomas gezien. Daardoor kon hij aanvankelijk door de stoute beweringen van zijn landgenoot misleid worden, en hield het een korte poos voor âvalde probabilequot;, dat de Nav. door dien Benedictijnschen abt is vervaardigd, en bij vergissing aan Thomas werd toegeschreven âwegens zekere overeenkomst in stijlquot; (similitudinem aliquam styli). 1) Als nu een Bellarminus de overeenkomst in stijl tusschen de Nav. en de werken van Thomas groot genoeg vond om hem ook bij ontstentenis van geschiedkundige getuigenissen voor den auteur van het gulden boekje te doen doorgaan, welke waarde dan te hechten aan de bewering van den eersten den besten dat in weerwil der doorslaandste getuigenissen het verschil in stijl hem het vaderschap der Nav. moet doen ontzeggen ? Bellarminus staat in zijn oordeel geenszins alleen.
Het A'roeger zoo vermaarde Journal de Trèvoux schreef in Mei 1726: ,.De onnavolgbare stijl van dit boek heeft een zoo nauwe verwantschap met den stijl der andere werken van Thomas a Kempis, dat het gevoel dezer overeenkomst altijd bij een on-bevooroordeelden lezer de bovenhand zal behouden.quot;
Dr. Saintyves van de Socicté des pré tres de la Mis'ericorde zegt in de voorrede zijner vertaling der Oeuvres spirituelles de Thomas a Kempis: âHij heeft verschillende werkjes geschreven die in niets voor de Navolging onderdoen voor de degelijkheid der leer, de schoonheid der moraal en de gevoelens van teedere en naieve vroomheid waarmede zij vervuld zijn.quot;
J. Couston, vicaris-generaal van Montpellier, die een Fran-sche vertaling der sermoenen aan de novicen uitgaf, zegt op zijne beurt: âIk heb de werken van Thomas a Kempis gelezen en dikwerf met genoegen herlezen.... Onder andere werken heeft hij dertig sermoenen achtergelaten, gericht aan de
novicen, wier meester hij was. Welke welsprekendheid____
Het is volkomen het bewonderenswaardige en bijna goddelijk boek der âNavolging van Christus,quot; ik kan niet begrijpen hoe iemand aan den auteur van dit boek kan twijfelen als hij de werken van Thomas k Kempis heeft gelezen.quot;
Hiermede is voldoende aangetoond, dat die werken, wel verre van de geschiedkundige getuigenissen voor zijn vaderschap der Navolging te ontzenuwen, deze volkomen bevestigen.
1
De Scriptoribns ecclesiasticis, p. 405, Coloniae Agrippinae 1613.
40
Voor eenige jaren reeds schreef Dr. Funck, hoogleeraar te Tubingen, over ons onderwerp; âMochten er nog eenige personen opstaan die op klaarlichten dag niet zien kunnen, dan zal de wetenschap haars weegs gaan, zonder er zich verder om te bekreunen.quot;
V. Becker, S. J.
Oudenbosch, Allerheiligendng 1897.