ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

In (Demqriam.

3!ln'. ijubciiuo (ronielio Joociiliuo Itfaria

uan lii^iicn tot $eucnacrt

Ocntraal-^reaiticut tier 3oseP^s ©cjcllcu VerBcutgiug in X^ctitrlauh, Rector tier ^t. I^utuTtus-Ha^cI,

ocr page 6
ocr page 7

5^ X gt;« AH

quot;gt; - s s---

' IN DE KAPEL. *

^ ''x ^ ic gït

LIJKREDE

bij de PLECHTIGE UITVAART van den WelEerw. HoogWelGeü. Meer Jonkheer

H. C.J. M. VAN NISPEN TOT SEVEN/ER,

uitgesproken door den ZeerEerw. Pater L. STEGER S. J.,

op den 9den December 1897.

Neen, het is geen, droom; . . . het is, helaas, de werkelijkheid !

God heeft hem tot zich geroepen. We staan rondom zijn lijkbaar. Eerbiedwaardige Broeders, St. Josefs-Gezellen, achtbare Familieleden, beminde Christenen, gij zult het aanschijn van dien heiligen Priester, van uw vader in Christus, nog slechts eenige oogenblikken mogen zien.

Wij hadden bij den moed in zijn strijden voor de wet en het geloof zijner Vaderen, hem zoo gaarne toegedacht de

hooge jaren van den grijzen Matathias, maar.....God

heeft het beter beschikt, want. God heeft het anders gewild.

ocr page 8

4

't Was als had de Engel Gods gewacht hem te wekken, totdat het Priesterkoor in onze stad gereed was hem met hunne liederen te vergezellen; want nog zweefde op hunne lippen aan het Altaar op den vroegen morgen van den tweeden Adventszondag de zangen van den Psalmist: »Letatus sum in his quae dicta sunt mi hi: in domum Domini ibimus: Ik heb mij verheugd in het woord tot mij gesproken : Wij zullen ingaan in het huis des Heeren.« »Surge Jerusalem ! Jeruzalem rijs op, en sta in den hooge, en zie de zaligheid, die u gaat toekomen van uwen God,« of de engel des doods met zijn palm, — want voor hem, voor dezen rechtvaardige was hij de bode des vredes, — wekte hem uit het visioen van den nacht, om voor zijn oogen te doen opgaan het licht van den Eeuwigen Dag, en voerde hem, onder priesterlijke gezangen, over naar de poorten van het hemelsch Paradijs.

Wat diepe rouw bij zoovelen, wat ontsteltenis bij allen, die het hoorden, maar het niet gelooven konden!

En nu staan we rond het afgestreden lichaam van dezen gisteren nog voor al wat waar, en goed, en schoon, en heilig is, bezielden Ridder-Priester, die op de aarde in den hemel scheen te wandelen.

Ik weet wel. Priester naar Gods Hart, kondt gij den gesloten mond openen, kondt ge uw welsprekende tong doen spreken, gij zoudt mij om de liefde voor uw beminnelijke ootmoedigheid, smeekend het zwijgen opleggen. Maar zie, ik word in dit indrukwekkend uur door den drang der toevalligheden geroepen, om een woord van hulde te wijden aan uw voortreffelijkheden; — en gij zult mij niet weigeren ter eere van God, en tot heil dezer zielen, de onafgebroken les te herhalen, die uw voorbeeld ons gegeven heeft dag aan dag, zoolang ge in ons midden waart. . . .

»Quotidie morior.« »Ik sterf dagelijks,» zoo klonk deles van dien aan naam en eer, aan geld en goed en zinnen onthechten dienaar van Christus, voor ieder, die het voorrecht had met dien verstorven Edelman in aanraking te komen, te spreken of vertrouwelijk te leven; en als hij daar ingetogen.

ocr page 9

5

met neergeslagen blik, met half gebogen hoofd en schouders voortging langs de wegen onzer stad dan scheen hij te bidden; »Quid a te! A te Quid volui super terrain! O Heer wat is er buiten U, wat ik zou begeeren?quot; Maar Gode zij dank: „Non habemus hic manentem civitatem : Wij hebben hier geen blijvende woonplaats!''

En men staarde hem na en sprak: »Daar gaat de ge-zellen-Vader Jhr. van Nispen tot Sevenaer, de vriend van den werkman, . . . wiens wandel is in den Hemel, . . en men dacht: ,, Vade, et tu fac similiterquot;: Ga, en doe gelijk hij.—

Jhr. Hubertus, Cornells, Josephus, Maria van Nispen tot Sevenaer werd op het voorvaderlijk kasteel in de Heerlijkheid van dien naam geboren, 16 Augustus 1836, en bracht ter wereld met den roem van een luisterrijk geslacht, het innigst katholiek besef van zijn goddelijke afkomst, van zijn hemelschen adel.

Hoewel een edelman zijn karakter nooit verloochent, en ook deze het siersel niet behoefde te dragen, dat zijn Koning hem op de borst hechtte, om zijn aangeboren adel te doen blijken, 't was bij hem deugd, als hij nooit of nimmer zijn afkomst liet klinken, zelden of nooit uit het onderschrift zijner brieven, zijn hooge geboorte deed vermoeden.

Velen uwer kennen het eenvoudig verblijf, — ik had willen zeggen de arme kloostercel, — waar hij in dit huis woonde met haar steenen vloer, en onbehangen kale wanden, en harde legerstee. Daar staat een schrijftafel, en die zich overtuigen wil, hij kan daarop het bewijs lezen in de overgebleven moet van het adelijk familiewapen, dat hij met meerdere versierselen daarvan ontruimde, hoezeer hij onthecht wilde zijn aan den roem van zijn geslacht.

Toch zal ik niemand zijner treurende nabestaanden te kort doen, of de nagedachtenis van zijn voortreffelijken Vader en Broeder, wier namen onuitwischbaar staan geschreven in de annalen van het Katholiek-politiek leven in Nederland, te weinig eeren, als ik zeg, dat Hubertus, de Priester naar Gods Hart, juist om zijn verborgenheid een nieuwen luister aan den adel van zijn geslacht heeft toegevoegd.

ocr page 10

6

Dat God hem tot het Priesterschap had geroepen, was het helder oog van zijn ouders, van de hooge geestelijkheid, die steeds met zijn familie in nauwe vriendschapsbetrekking stond, onder meer van den Aartspriester, niet ontgaan.—

Vandaar dat hij, met een door velen benijdbaar goed gevolg, te Hageveld, en daarna te Warmond zijne studiën voltrok. Daar zat hij met gespannen aandacht onder het gehoor der uitnemendste Leeraren, maar daar vooral hechtte hij zich voor immer aan den man, wiens indrukken bij hem nooit zouden worden uitgewischt, wiens gedachte hij in de hoogste sfeeren steeds bleef achtervolgen, wiens herinnering hij vereerde als van den Vader zijns geestes en zijns harten, aan den grooten Magister, den onvergetelijken Broere.

Kleine trekken zijn voor een geoefenden, opmerkzamen geest dikwijls onloochenbare kenmerken der geregelde beoefening van verheven deugd. Zoo komt de gouddelver door de vondst van een enkelen korrel tot de ontdekking van in dieper lagen verscholen uitgestrekte goudvelden. Dus besloten zijn medestudenten toen reeds tot van Nispens geest van versterving, als zij zagen, hoe hij, als goed genoeg voor hem, tot zijn deel koos bij het middagmaal, wat van de spijzen door anderen als min genietbaar was ter zijde gelegd.

Zóó toegerust met den geest des offers, was het dat op 15 Aug. 1863, de Jeugdige Leviet uit de handen van Mgr. Gerardus Petrus Wilmer de H. Priesterwijding ontving, en zich slachtofferde met het H. Offer dat hij in èèn Sacrificie nevens zijn Bisschop der goddelijke Majesteit opdroeg.

Het moet in den kring der opgetogen familie dien dag en den daaraanvolgende dien zijner Eerste H. Mis, een rein en zalig feest zijn geweest: toch tzonderde zich de Neomista reeds vroeg in den avond af, om in de eenzaamheid en het gebed verzekerd te zijn, dat hij niets verliezen zou van de heilige stemming, van de hemelsche genoegens in den morgen aan het altaar, op zijn Sinai met God ten eersten male genóten.

Verbeeldt u, geliefde christenen, met welk een opgewektheid hij spoedde naar het eerste arbeidsveld, hem door zijn

ocr page 11

7

Bisschop aangewezen, 't Is daar dat wij van ziekbed tot ziek bed hem zien gaan zich bloot stellend aan de besmetting van den heerschenden typhus; en wat hij niet vreesde, wat hij wellicht, — wie kent de vurige begeerten eens jeugdigen Priesters niet? —, wat hij wellicht begeerd had, hij werd door dezelfde kwaal aangetast, en zou wellicht bezweken zijn, want hij lag op het uiterste, als onze en zijne Schutsengelen op Gods bevel den dood niet hadden bezworen; want ziet, kort daarop wees Gods voorzienigheid hem in de Hoofdstad des Rijks een breeder arbeidskring aan.

Slechts korten tijd is hij als kapelaan werkzaam geweest in Sint Catharina aan den Singel, 't Was alsof de Voorzienigheid hem daar zijn roeping bestelde, daar hem het terrein deed overzien, daar hem in aanraking wilde brengen met de standen onzer hoofdstad, wier steun, wier invloed hij later zou behoeven in vereenigingen, die hij zou voorzitten of waarvan hij de ziel moest worden : een Vereeniging van Weldadigheid, het Hubertus-Bureau, en zoovele anderen. Toch vermoedde hij het zelf nog 't minst, en niemand die 't kon vermoeden, dat hij, die daar de hoogere standen trachtte te voeren hooger op tot God, dat hij die daar tot onschuldige scherts zijner omgeving, in zijne vrije oogenblikken, schaaf en bijtel, hamer en zaag hanteerde, bestemd was om af te dalen van zijn dilettanten-atelier, naar de werkplaats, tot de mannen van den arbeid, bestemd was om uit honderde en nogmaals honderde monden het zegenend antwoord der werk lieden te vernemen, als hij hen jaren achtereen den groet zou brengen : »God zegene het eerzaam handwerk.» Ja, »Deus disponit omnia suaviter». God leidt alles op zachte wijze, en gebruikt de middelen, die Hij wil.

Juist die kleine eigenaardigheid in kapelaan Van Nispen, deed de keus vallen Op hem, toen in het voorjaar van r868 — hij was toen vijf jaren priester — Mr. Jan van der Biesen, helaas ook te vroeg de liefdadigheid ontrukt, den toenmali-gen Deken van Amsterdam om geestelijke leiding verzocht voor het werk van vader Kolping, dat toen reeds in Duitsch-

ocr page 12

8

land 60,000 leden telde, voor eene St. Josefs Vereeniging, die hij met den heer Schmitz als medeoprichter zoo even op den meest bescheiden voet kwam te stichten-

En ziet, het bleek spoedig dat God ook hier weêr zijn weg had gevolgd, God die door de neiging der oversten vaak zijn H. Wil doet kennen, en door hun wenk zijn eigen plannen volvoert.

Van Nispen was op zijn terrein op het veld van arbeid waar hij 28 jaren lang dagelijks leerde sterven, om met den dag meer en meer te leven voor het werk Gods, op aanwijzing van zijn geestelijke overheid begonnen, door zijn Bisschop in 1873 aangemoedigd, gezegend en bevoorrecht door Z.H. Pius den Negende, persoonlijk vereerd door Vorst en Vorstin, bedauwd door de genade Gods in den vorm van voor- en tegenspoed.

»God schenkt soms zegenquot;, zeide eens na een geweldige beproeving een groot schrijver van onzen tijd, »die binnen komt door de vensters en de ruiten verbrijzelt. Hoe smartelijk het zij, het blijft een zegen Godsquot;. Daarvan is de Gezellen-vader steeds overtuigd geweest. »Achquot;, zoo spak hij nog onlangs, tot een minder gestaaiden in het heilig dienstwerk, die hem zijn nooden klaagde. »Ach, wie vrucht wil dragen, moet eerst vermorzeld wordenquot;.

Dat is de weerklank van het woord des Heeren: „Nisi granutn frumenti. . . viortuum fuerit, ipsum solum meinet, si autevi viortuum fuerit, multum fructum affertquot;. „Tenzij de graankorrel. . . . gestorven is, blijft zij alleen, maar is zij gestorven, brengt zij veel vrucht voort.quot;

Ik mag u niet vermoeien op 's Praeses oneffen pad met zijn steeds aangroeiend gezellental van Vondel- naar Gravenstraat, van Gravenstraat naar den Buitensingel, langs honderd ingeslagen en terugbetreden zijwegen. Wij staan hier op de plek van zijn grootsche stichting, tot stand gekomen door zijn onthechting aan het aardsche, nooit tot stand gekomen zonder zijn geest van voortdurende opoffering, versterving, verloochening; eene stichting, waarvoor hij niet had kunnen

ocr page 13

9

leven, als hij niet dagelijks gestorven ware, voor welke hij niet had kunnen leven,, als hij niet in voortdurende ver-eeniging met God, het leven van zijn werk verzekerd had.

„Si autem mortuum fuerit, niultuni fruclum ajfert.quot; Maar omdat hij gestorven is, is hij niet alleen gebleven. O, gij 5000 mannen in die 28 jaren door hem met sterke spijs gevoed en opgevoed; gij speelzieke knapen door hem gevormd tot den ernst des geloofs; gij jongelingen in de dartelste levensjaren gepantserd door' hem tegen zedenbederf en ongeloof, gij onvermoeide medehelpers, die het voorrecht had u dagelijks te spiegelen in zijn krachtig voorbeeld, gij priesters en religieusen van alle kleur, missionarissen, in zoo verschillende streken der wereld, die aan dezen Joannes Baptist te danken hebt, dat gij tot Jesus' naaste volgelingen behoort, gij bewoners thans met hem van 't Land des eeuwigen Levens stemt in met mij het rein akkoord den dienaar des gekruisten ter waardeering : Ons leven, zijn leven is gewonnen aan het kruis. Zijn werk is de vrucht der zuchten en smeekbeden van dezen Man des Gebeds.

God alleen weet wat hij, de man, die zich zeiven nooit heeft gezocht, en niets nastreefde dan de glorie van den drieëenigen God, God alleen weet, wat hij geleden heeft in zijne ziel, God weet beter dan wij, hoe hij zichzelven met onverbiddelijke gestrengheid dagelijks deed sterven.

„Post aurum ?ion abüt nee speravit in pecunia et thesauris. quot; Op geld, noch goud, noch schatten had hij zijn hart gesteld, en dat sobere, offerende leven maakte hem tot den Vader uwer stichting, stelde hem in de mogelijkheid met zijn fortuin zijn persoon te schenken, zijn fortuin, waaruit deze stichting oprees, en die in de harten van zoovele armen en ongelukkigen en radeloozen een eeuwig monument van dankbaarheid heeft doen verrijzen. Zóó zonder berekenmg schonk hij weg, dat hij meer dan eens een zacht verwijt een stille vermaning ontving, gelijk Carolus Borromeus en Bellarminus van hunne rentmeesters: »Praeses, berokken u met uwe aalmoezen toch niet de eer eener staking van betaling.quot;

ocr page 14

IO

Zijn werk is de vrucht van zijn gebed.

Ja hij leefde in voortdurenden omgang met den Gever aller gaven. Zoo kalm als hij daar ligt, was zijn geest steeds voorbereid om met God te speken, en sprak Hij ook steeds over God, met die hem zagen, ook al opende hij zijn mond niet. Hoe vaak is bij ons niet, als we hem zagen gaan het beeld in den geest gerezen van den Serafynschen Franciscus, als hij predikend zonder te prediken door Assisië stil en ingetogen henen schreed. Welnu die taal, ik mag 't getuigen, heeft tot de deugd menigeen opgewekt, en de zonde doen schuwen; maar ook die kalme ingetogenheid maakte hem geschikt ieder oogenblik in de cel zijns harten terug te keeren om met God te onderhandelen.

Dagelijks heeft hij hier op deze plaats de stervensuren des Heeren voor het Tabernakel doorgebracht.

»Die tijdquot; zei men hem eens, die tijd, ware hij niet de geschiktste tot den arbeid?quot; „Ja,quot; sprak hij, 't is de beste tijd, en daarom, wijd ik dien aan God.quot; Tot twee tot drie keeren toe stond hij vaak van zijn studeer- en schrijftafel achtereen op, om even den Meester te raadplegen, en meerdere malen is het gebeurd, dat men hem hier voor het tabernakel als een smeekend slachtoffer, den heiligen Priester, ter aarde uitgestrekt gevonden' heeft.

«O, Jesusquot; zoo treurt een groot dichter onzer eeuw, „komt men wel ooit tot U, tenzij met besmeurde handen en met verwonde voeten?quot; Maar neen, dat kon men van dezen priester niet zeggen, of 't mocht wellicht zijn, dat hij nooit tot Jesus kwam tenzij met de bloedige wonden der versterving in zijn ziel en in zijn lichaam.

O wereld onzer eeuw, wat schrille tegenstelling bij u! O wereld wat strenge veroordeeling uwer zinnelijke beginselen en van uw leven zonder Godl

En voor ons priesters, wat roept hij ons daar met zijn verstorven trekken en glanzend gelaat niet toe : „ Fes estis sal terrae, vos estis lux mundi. Exemplum dedi vobis.quot; „Gij zijt

ocr page 15

11

het zout der aarde. Gij zijt het licht der wereld. . . Een voorbeeld heb ik U gegeven.quot;

En gij, zwaargetroffen gezellen, door hem ten hemel voorgelichte zielen, gij hebt zijn voorbeeld te veel van nabij onder de oogen gehad om het ooit te kunnen vergeten. Beschouwt hem nog eenmaal, hij gaat nu voor goed van u henen. Gij moogt hem niet vergeten, noch hem in zijn voorbeeld noch hem in uwe gebeden. Maar al zoudt gij hem kunnen vergeten, hij blijft van uit den hemel over u waken, voor u bidden, beter dan hij hier over u gewaakt, voor u gebeden heeft.

De Josefs-gezellen-Vereeniging moge ondervinden dat zij een Vader en Beschermer in den hemel heeft, de edele familie, dat de banden des bloeds niet verbroken worden door den dood, wij allen, dat een voorspreker voor ons tot God is opstegen, een voorspreker, wiens welverdiende kronen we zullen nastreven, maar niet in troostelooze droefheid benijden mogen.

Hubertus, Cornelis, Josephus, Maria van Nispen tot Sevenaer.

Heilige Priester, Vader van den Werkman, Trouwe Vriend, rust in zoeten vrede.

Requiescat in pace.

AMEN.

ocr page 16

TOESPRAAK

van den Heer

BERN. J. M. DE BONT,

Lid van den Raad van Bestuur.

Toen de Raad van Bestuur der St. Jozefs-Gezellen-Ver-eeniging mij, als lid van dien Raad, verzocht een enkel woord te wijden aan de nagedachtenis van hem, voor wiens geopende groeve wij ons thans bevinden, toen was het zonder aarzeling en toch niet zonder schroom, dat ik den droeven plicht op mij nam om het woord te voeren bij de treurige plechtigheid, die ons verzamelt rondom het graf van den hooggeschatten President der St. Jozefs-Gezellen-Vereeniging, Jonkheer Hubertus Cornelis Josephus Maria van Nispen tot Sevenaer.

Ik zeg met schroom, want wij weten te goed, dat de man, die alle wereldsche ijdelheid versmaadde, ook thans nog zijn scherpen, doordringenden blik op ons gevestigd houdt

ocr page 17

i3

en het een misdaad zou achten, als wij een woord spraken, dat niet ten volle waar was en oprecht.

Daarom slechts een eenvoudige eerbiedige hulde.

Gevoelens van diepe smart, zoowel van hooggestemde bewondering vervullen ons aller harte bij dit onherstelbaar verlies, en met weemoed staren wij op dit ontzielde lichaam, dat eens het hulsel was van een waarlijk braaf en groot man, die geheel zijn leven ten offer bracht voor het heil en geluk der arbeidende klasse.

Zich zelf vergetend, zich zelf verloochenend, volbracht hij zoo lang, langer dan zijne krachten het gedoogden, het werk waartoe God hem geroepen had, ten einde toe.

Zijn bovenmatig werken, denken, handelen, waren ontwijfelbaar de oorzaak van zijn plotseling verscheiden.

Nooit was hij moede of ontmoedigd, want hij beschouwde het overschoone werk, dat hij tot stand had gebracht, als een werk door God gewild.

Hij, de man van hooge geboorte, van dien ouden adel die den Hollandschen liebaard in zijn wapen voert, hij stond pal en onversaagd als de leeuw, waarmee zijn borst en wapenschild was gesierd. Met zijn diepbetreurden vriend Van den Biesen stond hij pal in het eerste gelid, weerstand biedend aan alle tegenwerking, aan groote moeilijkheden, waarmede ook de Gezellen-Vereeniging had te kampen. Slechts zijn hoop, zijn hulp was op God gebouwd.

Enkelen hebben hem, den strengen asceet niet begrepen. Hij, ofschoon in de wereld, levende als de verstorvenste religieus buiten de wereld, hij had slechts één ideaal en wel het hooge ideaal van een mensch, die niet waarachtig mensch wordt, als hij zich niet weet te bedwingen, als hij zich niet eenigermate weet te kruisigen. Dat kruisigen van het eigen-ik hebben begrepen zijne Bazen, Gezellen en Leerlingen, getuige de waarlijk goede, deugdzame, ordelijke geest, welke in zijne Gezellen-vereeniging heerscht en steeds geheerscht heeft.

Uit uwen naam dan, gij zijne vrienden, gij leden onzer Vereeniging, die hem zoo lief waren, zeg ik onbeschroomd :

ocr page 18

14

Hier staan wij, dierbare Prasses, voor de laatste maal om U heen, wij uw vrienden, uw gezellen, uw kinderen, voor wier welzijn gij U hebt gegeven, hebt opgeofferd uit al de kracht, met alle vermogens uwer groote ziel.

Hoe zullen wij U missen, als gij daar niet meer voor ons staat en ons de geloofswaarheden verkondigt.

Hoe verlaten zullen wij ons gevoelen, als wij U niet meer kunnen raadplegen in onze moeilijke geestelijke en tijdelijke zorgen, waarbij gij altijd hulp, troost en opbeuring wist te verschaffen. Hoe stil en verlaten komt ons nu uw huis voor, dat gij tot ons huis hebt ingericht, en waar uw alomtegenwoordige geest niet meer wordt gezien in uw vurigen, maar vriendelijken en vaderlijken blik.

Wij leden uwer stichting, wij bekennen het, op verre na werd het ons niet gegeven, op verre na waren wij niet bij machte in uw hoog geestelijk leven mede te leven ; wij te midden der wereld met zijn stoffelijke eischen en behoeften, gij, U afzonderend in een arme monnikscel.

Wij, uwe volgelingen, wij laten datgene wat wij van U, geliefde Vader van Nispen, hebben kunnen zien, wat wij van U hebben kunnen hooren en voelen, wij laten uw vriendelijken oogopslag, uw leerende en vermanende stem, uw gullen en liefdadigen handdruk, wij laten dat alles hier achter onder de bescherming van het kruis, waarop gij al uw hoop, al uw verwachting, waarop gij uw gansche bestaan hebt gebouwd.

Maar wat wij niet hier laten, dat is de herinnering aan een edel vriend van den Mensch, een beminnaar van den Mensch, niet uit wereldsche of zelfs uit instinctmatige neiging, maar uit het hoog heilig beginsel, dat ieder mensch een ademtocht, een afspiegeling, een beeltenaar is van de Godheid zelve, die hem tot het leven riep.

Onze dank priester van Nispen voor uw streng en verheven voorbeeld; voor het ten toon spreiden van een ijzeren wil, die alleen daarom zoo krachtig was, omdat hij getoetst werd aan, en gevormd naar den wil van God.

ocr page 19

i5

Onze dank vader VAN NlSPEN, voor uwe goedheid, voor uwe mededeelzaamheid, waarvan wij van baas tot gezel hebben geleefd, waarin wij allen hebben gedeeld.

Onze dank vriend VAN NlSPEN, voor uwe hartelijkheid, uwe belangstelling, uw medelijden voor allen.

Onze dank voor alles wat gij deedt met uwe beide handen, maar ook voor alles wat uw rechterhand alleen werkte zonder medewerken van de linker.

Onze dank, priester, vader, vriend, ook voor de schoone herinnering aan uw bestaan, die, met uwe stichting, in ons midden zal blijven voortleven.

Neen wij zullen U niet, wij zullen U nooit vergeten, dat beloven wij hier plechtig in dezen droeven stond.

Wij zullen U niet vergeten als wij in ons voelen leven de zucht tot arbeidzaamheid, tot orde, tot regelmaat in handel en wandel; als over ons komt de geest des gebeds, dan zullen wij telkens weten dat dit alles voorkomt uit de zaden die gij in ons hart hebt uitgestrooid.

Ja, vooral als wij bidden zullen wij aan U denken. Hier op dit oogenblik in onze gedachte reeds een vurig gebed. Wij zullen dat dikwijls herhalen.

En als gij tot loon van een leven vol opoffering en kruisiging het verheerlijkte kruis van Jezus Christus moogt aanschouwen, bidt dan ook voor mij, voor uwe gezellen, voor den Raad van Bestuur en voor de leden uwer vereeniging.

Uw gebed : 0 God, zegen hun eerzaam handwerk, daar uitgesproken aan de voeten van uw Goddelijken Meester, zal doorklinken tot hen voor wier heil gij U offerdet.

Daar, daarboven hopen wij U weder te zien.

Praeses VAN NlSPEN, rust er in vrede !

ocr page 20

Toespraak van H. JANSKN,

Lid der Afd. Gehuwde Gezellen.

Dierbare Gezellen!

Zoo is dan grafwaarts gedragen een veel geliefde doode, een groot weldoener, Jonkheer HUBERTUS VAN NlSFEN TOT

Sevenaer!

En wij, zijn St. Jozefsgezellen, wij staan, verlaten en in diepen rouw gedompeld, rondom de groef.

Wij toch moesten heden ten grave brengen niet enkel een weldoener, maar onzen dierbaarsten vriend, maar onzen zorgvollen vader. . . .

Ach, gelijk een kind vaak zijn ouders eerst ten volle waardeert, als de dood ze komt opeischen, zoo gevoelen ook wij bij zijn graf eerst volkomen, wat onze President voor ons geweest is. . . .

Ja, dierbare doode, wij bekennen het met kinderlijke oprechtheid, ook wij, uwe zonen, hebben uwe liefde, uwe toewijding, uw opofferend leven voor ons niet altijd op den waren prijs geschat! . . . Ach, wij hadden u, op uw sterfbed, daarvoor zoo gaarne vergeving gevraagd; — maar nu ons dit niet is gegeven geweest, nu beloven wij, hier bij uw open graf, aan elkander ; beloven wij u, dat wij uwe lessen zullen naleven en uwen geest, den geest van liefde en toewijding, zullen levendig houden in onze Vereeniging en in onze huisgezinnen.

Rust dan, beminde vader, rust in vrede; en als Ge, door onze gebeden geholpen, spoedig uw loon geniet bij God, wees dan bij Hem onze voorspreker. Blijf ons van uit den hemel leiden en besturen, opdat wij allen u eenmaal mogen wederzien in de gelukkige eeuwigheid.

ocr page 21

Ter Nagedachtenis

VAN WYLEN ONZEN BEMINDEN PRESIDENT

H. C. J. M. VAN NISPEN.

Wijze: „Ons Huisquot;.

1.

Wat droeve maar In 't laatste jaar; De Praeses dood! De ziele ontvlood Der aardsche wone!

Wat scheiding wreed! Wat grievend leed! Wat stomme smart In 't rouwend hart, Zooveler zonen!

ii.

Die Vader was Een juist kompas, Een veilig licht Voor leer en plicht Op onze wegen.

Dat hart zoo goed. Die tale vroed, Die mannenkracht, Die priestermacht. Wat rijke zegen 1

iii.

Hij torste 't Kruis In dit zijn huis. Zoo vroeg als spa Zijn Meester na. Den welbeminde;

En altijd meer Vroeg aan den Heer Om 't kruis zoo zoet. Der ziel zoo goed. De vroom gezinde.

iv.

Zoo opgegaan Des kruises baan. Steeg hij in deugd Tot d' eeuw'ge vreugd Hem rijk beloonde;

En God in stee Van 't aardsche weê. Met hemelglans, Met zegekrans Zijn trouw bekroonde.

v.

Is 't Vader waar Dat gij van daar Uw zonen ziet? Och 1 toef dan niet Ons nu te sterken ;

Verkrijg dat wij. Zoo goed als gij, In dit ons huis.

Door 't dierbaar kruis Ons heil bewerken.


th. gabriel.

ocr page 22

TOESPRAAK

van den

WelEerw. Heer J. P. HKNDRIKS,

Vice-President.

Geachte Dames en Heeren,

Vandaag, geachte Dames en Heeren, is het juist een maand geleden, dat de Gezellen-Vereeniging van Amsterdam het stoffelijk overschot van haren zoo onverwacht ontslapen President grafwaarts droeg. — Ofschoon de Eerwaardige Geestelijkheid, .ofschoon de hoogere en lagere standen der burgerij, door hunne oprechte blijken van deelneming, zeer veel er toe bijdroegen dat onze droefgeestigheid zou verdrijven; ofschoon zij alles in het werk stelden om met allen luister onzen overledene de laatste eer aan te doen, toch het was en het bleef onzen anders zoo levenstigen jongens, onzen krachtvollen mannen, aan te zien. . . zij waren getroffen * door een zwaren slag. Zelden was het sterven, zelfs van een priester, zoo diep, zoo algemeen betreurd; zelden zoo welsprekende tranen in het mannenoog! Eer aan Amsterdam, dat getoond heeft Mijnheer van Nispen hoog te achten als een man van verdiensten; eer aan de Amsterdamsche Gezellen,

ocr page 23

19

die toonden, hoe ook onder het soms ruwe uiterlijk van den handwerksman een edel hart kan kloppen vol van liefde voor den priester.

Wat was de gquot;- Dec. voor ons een sombere droeve dag. Binnen in het gebouw der Vereeniging, het was als uitgestorven, — daarbuiten was het alsof iedere voorbijganger in stilte met een blik van medelijden ons aanzag. — Het was nog zoo kort geleden, dat wij in opgewekte stemming met onzen Praeses en met verschillende Presidenten van andere Gezellen-Vereenigingen, het zilverfeest vierden van drie onzer afdeelingen. Zoo aanstonds zouden wij den 30stü11 verjaardag der Vereeniging gedenken. We bereidden ons reeds voor — we waren reeds bezig, onder de leiding van onzen Praeses, om op dien dag het christelijk treurspel „Merodatesquot; op te voeren, een treurspel voor ons des te eigenaardiger, omdat het door een der onzen voor onze tooneelspelers bewerkt was. — De tentoonstelling, die in Amsterdam èn door Geestelijken èn door leeken met zoo buitengemeene welwillendheid was ontvangen, was in werking en we dachten niet anders of de St. Josephs Gezellen-Vereeniging ging eindelijk eens een glorievolle toekomst te gemoet. En ziet, daar klinkt eensklaps op den Squot;1 December de droeve mare door Amsterdams kerken en straten: Mijnheer VAN NlSPEN is gestorven. . . Welk 'n slag! Welk een toestand voor mij, die, vergeleken bij Mijnheer VAN NlSPEN, slechts een kind ben in het priesterschap.

Voordat ik nog den tijd had om te denken, had ik dadelijk de zware teugels over te nemen over een zeshonderd man. . . Ik nam ze over; en na God moet ik het zeker dank weten aan het krachtig en ijverig optreden van onzen achtbaren Raad van Bestuur, aan de ijverige medewerking der Commissarissen, aan den geest van gehoorzaamheid door Mijnheer VAN NlSPEN zijnen jongens ingestort, het regeeren viel mij tot nog toe gemakkelijk. „Wat moet ik doen,quot; heb ik toen gevraagd aan mijne raadslieden. Dat en dat staat voor de deur. Wat is het beste voor het welzijn der Vereeniging? „Doorgaanquot; heette het, — alles volgens de orde

ocr page 24

20

door Mijnheer VAN NlSPEN vastgesteld — „Doorgaanquot;, zei ik, eu, ofschoon met een gebroken hart, het werk door Mijnheer VAN NlSPEN begonnen, werd voortgezet.

Den 30ste'1 verjaardag der Vereeniging, zoo sprak ik tegen mijne jongens, mogen we niet ongemerkt laten voorbijgaan. Alle reden hebben wij om God dankbaar te zijn voor de genade door de Vereeniging ons geschonken. Onze Praeses is gestorven — we treuren over zijn heengaan — naar toch, in het licht des Geloofs gezien — is ook dat een genade van God. Als de H. Kerk zelfs in tijden van boetvaardigheid en rouw (Advent, Groote Vasten) hare kinderen toeroept Gandete, Laetare, mogen wij dan niet, wij een godsdienstige Vereeniging, op stemmige wijze, wel geen feestvieren, maar toch iets doen ter eere van de nagedachtenis van onzen overledene? Heeft het zangkoor, heeft de harmonie dit gemogen, hebben zelfs de misdienaars van de kapel mogen bijdragen om de nagedachtenis van Mijnheer VAN NlSPEN hun bescheiden hulde te bewijzen; zal aanstonds ditzelfde aan de tentoonstelling vergund zijn; moet zulks dan aan de liedertafel en aan onze tooneelspelers onthouden worden, die toch ook werken tot eer van God? Of moesten wij aan Amsterdam te aanschouwen geven, dat door den dood van den Praeses ook aan zijn werk de dood was toegebracht ? Een werk, aan welks opbouwing de Praeses dertig jaar gearbeid had, mocht dat schijnen in dertig dagen te zijn afgebroken? Neen, juist nu moest het werk der Vereeniging voortgaan alsof Mijnheer VAN Nispen nog met ons was. Ook na zijn dood moet gij kunnen optreden als de jongens van Mijnheer VAN NlSPEN.

Wat nu hier een bizondere moeilijkheid opleverde; ziet! onze liedertafel, onze harmonie hadden hunne aanvoerders behouden, onze tooneelspelers evenwel hadden met Mijnheer VAN NlSPEN tevens hunnen aanvoerder verloren, en dat nu wij iets onder handen hadden dat toch toch zeker voor een handwerksman gewaagd mocht heeten. Toch moest ook hier in den ouden geest worden voortgezet. Te zuiverder, dacht

ocr page 25

21

mij, zou dit geschieden, als ik dit werk aan de jongens zelf overliet. Een der onzen heb ik met mijn gezag bekleed en als regisseur over zijne medespelers aangesteld. Vergeeft het hun derhalve, als mijne tooneelspelers bij hun bescheiden pogen niet zoo gelukkig slagen, als zij onder leiding van Mijnheer van Nispen hadden kunnen slagen. Zij vragen niet zoozeer uw handgeklap als wel in groote mate uwe toegevendheid.

Aldus, geachte Dames en Heeren, wij hebben U uit-genoodigd niet juist om een feest te genieten, veel meer, opdat gij getuigen kondt zijn, dat wij onzen President nog niet zijn vergeten, maar dat hij nog na den dood voortleeft in zijne jongens, in hun werk.

Door uwe groote opkomst, door de welwillendheid voor onze tentoonstelling aan den dag gelegd, hebt gij uwe goede gezindheid tegenover ons getoond. Moogt gij dezen avond in die gezindheid nog gesterkt worden.

Er wordt Weieens gevraagd : „Waartoe dient de Gezellen-Vereeniging? Heeft zij recht van bestaan?quot; Men zou kunnen antwoorden: Er wordt ook gevraagd: „Heeft de Katholieke Kerk wel recht van bestaan.quot; Het feit alleen immers, dat deze bestaat, terwijl al het andere rondom haar wegsterft, bewijst genoeg, dat zij het recht heeft om te bestaan. Is de Gezellen-Vereeniging tegen de Katholieke Kerk? Komen er geen Katholieke handwerkslieden naar Amsterdam om zich te bekwamen in hun vak? Is voor zulke menschen een Katholiek kosthuis, waar zij voor het huis hunner ouders, dat zij verlieten, een ander huisgezin terugvinden onder de leiding van den plaatsbekleeder Gods, beveiligd voor vele gevaren naar ziel en lichaam, is dat voor hen overdaad, als wij spreken in den geest der Kerk, die gewoon is met kwistige hand hare zegeningen uit te strooien ?

De Staat sticht hare gevangenissen, waar het uitvaagsel der Maatschappij voeding, kleeding en huisvesting verschaft wordt. — De Katholieke Kerk acht het niet beneden zich huizen op te richten voor menschen, die reeds door de zonde ongelukkig zijn geworden of geschandvlekt, opdat zij

ocr page 26

22

toch maar niet weder tot de zonde zouden terugkeeren. — Mag de Kerk dan geen toevluchtsoord hebben voor diegenen harer kinderen, die nog niet de wrange vruchten van de zonde hebben geproefd ? Of is een handwerksman — ook al trekt hij niet van stad tot stad — is hij niet blootgesteld aan • veel gevaren, leeft hij niet dikwijls noodzakelijkerwijze in een naaste gelegenheid van zonde? en als zijn ziel de geheele week door in een ongezonde atmospheer beeft doorgebracht mag zij dan niet eens de gezonde lucht van den godsdienst inademen daar, waar de godsdienst zich spelenderwijze met hem bezig houdt? Of is een handwerksman veroordeeld om nooit een hoogere opleiding te verkrijgen voor het godsdienstige leven, dan die hem geboden wordt onder vloeken en schelden, ontuchtige taal en spotternij ? — Kloosterlingen en Religieuzen, de Kerk zal alle moeite aan wenden om hen verwijderd te houden van de zonde, en zij zijn menschen, die veelal buitengewone genaden van God ontvangen hebben, terwijl dit laatste met den handwerksman dikwijls niet het geval is. Heeft hij geen roeping op aarde te vervullen ? Is het huisgezin van den handwerksman niet meermalen het huisgezin, waaruit God zijne priesters en zijne religieusen kiest? Neen, geachte Dames en Heeren, zoolang Christus aan zijne Kerk niet heeft opgelegd zich enkel en alleen met verloren schapen bezig te houden, zoolang mag de Kerk ook zorg dragen, dat er een veilige schuilplaats is voor de andere schapen.

We zouden misschien wenschen dat het getal der Gezellen duizenden en duizenden was. Maar wat zal men er aan doen als de godsdienstzin zoo zwak is ? De gevangenis is misschien beter bevolkt dan menig klooster; de koffiehuizen en kroegen zijn misschien beter bezocht dan de Kerk — maar staat in beide evenzeer de godsdienst op den voorgrond?

Zoo dan, geachte Dames en Heeren, ben ik zoo vrij, de Gezellen-Vereeniging aan te bevelen in uwe godsdienstige gezindheid. Ik hoop, dat onze jongens meer en meer uwe toegenegenheid waardig worden, en dat ook uwe genegen-

ocr page 27

23

heid en liefde voor ons er toe moge medewerken, dat onze Vereeniging niet langer zij een signum cui contradicttur, een teeken dat wordt tegengesproken, maar een lumen ad reve-lationem gentium, een lichtpunt in onze tegenwoordig in veel opzichten zoo Heidensche Maatschappij.

J. P. Hendriks, Kap.

Vice-Praes.

Amst., 9 Jan. 1898.

ocr page 28

VERSLAG

van dun Heer

W. A. SCHADE YAN WESTRUM Hz-,

Secretaris van den Raad van Bestuur.

©OD ZEGENE HET 0ERZAME Ï^ANDWERK!

Zeer Eerwaarde Heereu.

WelEdele Dames en Heereu Contribueerende Leden, Dierbare Gezellen!

Met een gevoel van den diepsten weemoed open ik het 30quot; jaarverslag. Tot tweemaal toe werd de Vereeniging dit jaar zwaar geslagen! Nauwelijks had '97 zijn intrede gedaan of daar ontviel ons de man, aan wien de Vereeniging haar stichting dankte; die onvermoeid altijd bereid was hare belangen te dienen ; steeds vaardig om haar tegen verdachtmaking of laster te verdedigen ; de „Katholiek van de koene daadquot;, waarvan onze Vereeniging niet weinig een roemrijk getuigenis aflegt; — in één woord, Mr. Jan van den blesen, den lateren Protector onzer Vereeniging.

En zie ! Nog is het jaar niet ten einde gespoed,— nog treurt de Vereeniging om de ledige plaats, welke door geen ander is kunnen worden ingenomen,— of daar treft ons een tweede, veel geweldiger slag, doordat God den beminden Praeses plotseling uit ons midden opriep tot de eeuwige belooning.

ocr page 29

25

O! Toen wij daar op dien vroegen Zondagmorgen van den 5n December in de cel-woonkamer bij elkander stonden in sprakelooze smart, herinnerden wij ons het drie weken te voren gevierde zilveren Jubileum der Onder-Afdeelingen,— met zooveel godsvrucht aangevangen in de Kapel, met zooveel opgewektheid voortgezet aan het gemeenschappelijk ontbijt, met zooveel geestdrift besloten op den luisterrijken feestavond; — herinnerden wij ons den Praeses, stralend van geluk, nu hij om zich heen zag de eerwaarde vertegenwoordigers van verschillende Afdeelingen des lands; herinnerden wij ons hoe de geestdrift ten top steeg bij de toespraak van den Eerwaarden President van Nijmegen, Pater van Hooff, en zijn juichkreet: „God wil het!quot; .... en toen, op dien droeven morgen, toen alles ons ontviel, beefde de echo van dat woord op onze lippen, bogen wij het hoofd in dankbare onderwerping, . . . want wat God doet is welgedaan!

En toen wij ons 's avonds schaarden rondom het praalbed, waar hij rustte, de beminde Praeses, met den gesloten mond, waarom een glimlach van geluk speelde, was het of een stem ons het dichterwoord influisterde:

„Nooit kon zijn moed in tegenspoed bezwijken, „En werd ook al de ziel te zwaar beladen,

„Geen bittre klacht laat dat aan andren blijken!quot;

Onder den indruk dezer gebeurtenissen en door de vele bezigheden voor het Bestuur, daaruit voortspruitende, was het ons niet wel mogelijk gevolg te geven aan ons voornemen, om op dit zesde lustrum een uitgebreid verslag samen te stellen en mogen de volgende beknopte mededeelingen door U gunstig worden aangehoord.

(Volgde het administratief en jinanti'éel verslag.)

Enthans, mijne toehoorders, nu wij het verslag gaan besluiten, eischt de plicht der dankbaarheid Ons nog even den ontslapen, den zaligen Praeses te herinneren. Niet door een levensschets.

ocr page 30

26

waarvoor de krachten te onbevoegd en de ruimte van een verslag veel te beperkt zijn. Neen! Maar terwijl de veder der historie van ongeduld trilt om het leven van dezen Neder-landschen Kolping te boek te stellen; terwijl ieder woord der Lijkrede, met onverdeelde instemming opgevangen, onvergetelijk voortleeft in onze herinnering, eischt de dankbaarheid voor het groote werk der Gezellen-Vereeniging, door hem dertig jaren lang met ononderbroken toewijding bestuurd, dat wij hier in diepen eerbied zijn naam herdenken op den 30quot; Stichtingsdag.

Dertig jaren lang onverpoosd zwoegen en strijden en lijden voor dit werk, — zie, dat verplicht ons, — dat verplicht U, Gezellen, — tot den hoogsten dank ! Want zwaar, ontzaglijk zwaar, was het presidium der Gezellen-Vereeniging! Stormen zijn over zijn hoofd gevaren; slagen heeft het op de Ver-eeniging geregend;— maar ongebroken bleef zijn kracht; onverzwakt zijn werklust; onverflauwd zijn geestdrift; onverlet zijn vertrouwen op den Gekruiste, — waardoor hij heeft gehandhaafd den bloei der Vereeniging, God alleen weet ten koste van hoeveel tranen en offers en gebeden.

En ik, die als Lid van den Raad van Bestuur door mijne functie meer met hem in aanraking kwam, iedere week en meermalen 's weeks en jaren achtereen; ik, die dien omgang van lieverlede een vertrouwlijker karakter zag aannemen; die het hooge voorrecht eener vriendschap mocht genieten, waarvoor ik God niet genoeg dankbaar kan zijn ; die door deze vriendschap mij tal van confidenties zag toevertrouwd en die gaarne over hem mij met anderen onderhield, omdat de persoon mij zoo dierbaar was, — mij deed het 't hart goed te zien hoe op aller lippen de lofzang leefde : dat het een heilig Priester was!

Een heilig Priester!

Dat getuigde reeds de mond van een kind, dat, na hier het Hoogheilig Misoffer te hebben bijgewoond, bij het verlaten der kapel vroeg om weder te mogen worden medegenomen, en op de vraag: Waarom ? — toen ik geheel iets

ocr page 31

27

anders verwachtte. — tot mijn verbazing ten antwoord gaf: „die Pastoor daar doet zoo heilig de Mis!quot;

Een heilig priester!

Dat getuigden zij, — want ik moet slechts aanstippen, — mannen van eruditie en zelve van beproefde deugd, — enkele daarvan zijn reeds ter ziele! —die niet altoos deelden zijn ideeën ; die niet altoos instemden met zijn streven ; die aan zijn werk niet altoos hun volle sympathie konden geven; — bij ons afscheid konden zij hem toch deze hulde niet onthouden: „dat het een man was van hooge, beproefde, heldhaftige, „martelaarsdeugd. . . . dat het een heilig Priester was!quot;

Dit getuigde ook de doorluchtige mond van Haarlems beminden Kerkvoogd, zelfs op verschillende tijdstippen.

Gelukkig noem ik U dan, St. Josephs Gezellen-Vereeni-ging, — driewerf gelukkig noem ik U, dat ge tot eersten President van God hebt mogen ontvangen zulk een heilig priester! Moge hij de voorbede zijn bij God voor zijn dubbel geteisterde Vereeniging en hare toekomst! Moge het nieuwe tijdvak, dat wij ingaan, wijzen op toenemenden bloei! Maar eer ga van den hoogsten tot den diepsten steen van dit monument zijner blakende liefde tot God te pletter, eer in de Vereeniging de geest van haren Praeses, — d. i. voor Gods glorie de geest van offer en gebed, — verloochend worde!

ocr page 32
ocr page 33
ocr page 34
ocr page 35
ocr page 36