LEERREDE
OVER =
OpenTDa-ring* xx:i : 4,
DOOR :
L. SCHOUTEN HZN., |
Predikant hij de Nederduitsche Hervormde Gemeente ie Utrecht, \
Uitgesproken in de Jans-kerk, 20 Augustus 1893, na 't zalig \
afsterven van zijn vriend en ambtgenoot ï
Ps. ft.. f{. JDUVAL jSlothouwer,
l'c .Caacj-cXeppcf Ui , iiv
outa-uJcMiv vai v 55 ja at-; jj
Achter welke gevoegd is de toespraak, door den eerstgenoemden gehouden, i
bij de begrafenis, te Utrecht, op Donderdag 17 Augustus. I
Ut.rrcht
IJlTGEGEVEN TEN VOORDEELE DER DIACONIE-SCHOLEN EN OP VERZOEK VAN VELE VRIENDEN DES ONTSLAPENEN.
â C. H. E. BR RIJ KR â
LEERREDE.
Gedrukt ter âUtreclitsche Stoomdrukkerijquot; â P. DEN BOER â Jeruzalemsteeg
/ cm /(Po 3 JZ. S.
LEERREDE
over
OpenTDarirLg- xxi : 4,
door
L SCHOUTEN HZN.,
Predikant hij dc Nederduitschc Ilcrvonnde Gemeente te Utrecht,
Uitgesproken in de Jans-kerk, 20 Augustus 1893, na 't zalig afsterven van zijn vriend en ambtgenoot
ps. j-I. JDuval Slothouwer,
0ycticbaw ['ii Xaag-c'vcppcC lil Ottcji, liv iSciv cti^exbciii. vaiv 55 jaat;
Achter welke gevoegd is de toespraak, door den eerstgenoemden gehouden,
hij de begrafenis, te Utrecht, op Donderdag 17 Augustus. V
____
PlTGEGEVEN TEN VOORDEELE DER DIACONIE-SCHOLEN EN OF» VERZOEK VAN VELE VRIENDEN DES ONTSLAPENEN.
utrecht â c. h. e. breijer â 1893
Eerste voorzang: Gezang 130: 6.
Voorgelezen: Jesaja 65 : 17â25. II Petri 3.
Openb. 21 : 1â5.
Tweede voorzang: Gezang 189: 1, Eerste tusschenzang: Psalm 8g: 7, Tweede tusschenzang: Psalm 84: Nazang: Gezang 187: 1, 7.
Neen, dat had ik niet kunnen denken, toen ik onlangs zelf op 't ziekbed nederlag in groote zwakte, en toen ik zoo dikwerf en zoo getrouw bezocht werd door mijn' geliefden vriend en medebroeder in de Heilige Bediening, Ds. DU VAL SLOTHOUWER, dat had ik niet kunnen denken, dat die vriend en broeder, toen nog zoo vlug, zoo gezond, zoo sterk naar 't lichaam, en tien jaar jonger dan ik, mij, en dat zóó spoedig, zóó onverwacht, zou vóórgaan naar de eeuwigheid!
En wie uwer. Gel., had zich een' zoo spoedigen dood van dien geliefden man kunnen voorstellen! Immers niemand!
Wij menschen, die maar altezeer aanzien wat voor oogen is, en maar altezeer, ook bij anderen, rekening maken op jeugdiger jaren, op eene bloeiende gezondheid, op frissche levenskracht, ofschoon wij 't weten en ook toestemmen, dat wij daarop geen rekening kunnen, geen rekening mogen maken, wij hebben zeker in onze gedachten een langer leven, een langduriger werkzaamheid in den wijngaard des Heeren op rekening van onzen ontslapen broeder en vriend gesteld.
Maar hebben wij dat gedaan, helaas! hoezeer en hoe jammerlijk hebben wij in onze rekening, in ons vermoeden, in onze hoop gefaald!
Des Heeren gedachten zijn anders en hooger geweest dan onze gedachten! En onze gedurige smeekgebeden om de herstelling van onzen geliefden vriend en broeder, zoo 't goed was in des Heeren oogen, ach! die gebeden heeft de Heere niet verhoord.
6
Zeggen wij dit, o! 't is niet, omdat wij ons daardoor ook maar in 't minst zouden durven onderwinden een afkeurend oordeel over des Heeren doen uit te spreken. Want, â en wij gelooven dat van ganscher harte, ofschoon wij Zijn doen niet doorgronden kunnen, en wij spreken het uit als onze oprechte belijdenis, â Zijn doen is ook hier, is ook in den dood van onzen broeder en voorganger, majesteit en heerlijkheid!
Maar wanneer wij 't zeggen, en herhalen, ach! onze smeekgebeden voor de herstelling van onzen geliefden vriend en broeder heeft de Heere niet verhoord, dan is dat âach!quot; eene uitdrukking van geoorloofd smartgevoel over 't groot verlies, dat de Heere, door den dood van onzen vriend en broeder, over ons, en over de gemeente heeft beschikt.
Ja, groot is dat verlies, wel in de eerste plaats voor de treurende en diepbedroefde weduwe, die zich in een gelukkig en rijk gezegend huwelijk met hem mocht verblijden, â groot is dat verlies, óók voor de vier aanvallige en nog zoc jeugdige kinderen, die de ontslapene tot zijne vreugd en dankstof mocht zien opgroeien, en voor welke hij zulk een teederlievend en zorgdragend vader was! Maar ook, groot is dat verlies voor U gemeente, die hij bijna achttien jaren met onvermoeide toewijding ernst en trouw in 't Evangelie heeft gediend, zoowel in zijn huisbezoek, in zijn zieken-bezoek, in zijne katechisatiën, op den predikstoel, als in iedere andere betrekking, waarin hij bovendien voor U, gemeente, werkzaam was! Maar Gode en den Verlosser zij eeuwig dank! waai wij spreken, en spreken moeten, van een groot verlies onzerzijds, daar mogen, daar moeten wij óók spreken van een oneindig grooter winst aan de zijde van den ontslapen broeder en voorganger. Door de goddelijke genade heeft hij van 't heerlijk Evangelie, dat hij zoovele jaren met hartelijkheid heeft gepredikt, de sterkende en de vertroostende kracht op zijn vaak smartelijk ziekbed, en op zijn sterfbed, in de ruimste mate, en op de heerlijkste wijze, aan zijne ziel mogen
7
ondervinden. Hij is heengegaan in volle verzekerdheid des geloofs, â zonder dat deze ook maar een enkel oogenblik is bestreden geworden, â dat hij, arm en groot zondaar in zichzelven, 't duurgekocht en eeuwig eigendom van den Heere Jezus Christus was. En nu juicht hij, als lid van de triumfeerende kerk, voor den troon van God en van het Lam, waar hij reeds !t genadeloon heeft ontvangen, aan Christus gaarn getrouwe dienstknechten toegezegd. Heden acht dagen geleden is 't zijn laatste, maar ook zijn heerlijkste en zaligste levensdag hier op aarde geweest. Na een' voor 't lichaam zeer benauwden nacht te hebben doorgebracht, gevoelde hij, dat zijn einde nabij was. Toen men hem vraagde âof hij dacht de sabbatsrust in te gaanquot;, was zijn antwoord met de woorden van 't5iste Gezang: âO! ja, Jezus is mijn Heer. en Koning, Die mij woning in Zijns Vaders huis bereidtquot;. Nadat hij vervolgens eeist van elk zijner kinderen in 't bijzonder, daarna van zijne echtgenoote een alleraandoenlijkst afscheid had genomen, gaf hij te kennen, â en hoe krachtig sprak hier zijn vast geloof, zijne volle verwachting van de zaligheid, en zijn losgemaakt zijn van alle aardsche banden ! â dat 't hem âeene teleurstelling zou wezen om weer te herstellenquot;. Even daarna vraagde hij hem de geschiedenis voor te lezen van de opwekking van Lazarus, en daarna Gezang 189. Toen de beide verzen, dien wij daar straks hebben gezongen, hem voorgelezen waren, was 't zijne begeerte, dat 't tweede vers zou worden gezongen, en nadat dit geschied was herhaalde hij de beide laatste regels: âBlijmoedig aan het graf te denken is óók een vrucht, die 't kruis ons gaf '. Voorts als men hem vroeg of zijn oog steeds op den Heiland was gericht, was een blik naar den Hemel, een blik waaruit de zaligheid sprak, die zijne ziel gevoelde, 't duidelijk antwoord, dat hij op die vraag gaf. Later op den dag verzocht hij, dat hem, 't 187^ Gezang zou worden voorgezongen: âHoe zacht zien wij den vrome, den dood hier zonder schromen blijmoedig tegengaan.''. Aan den avond was 't zijne begeerte, dat hem
I
8
de ii6cle Psalm werd voorgelezen, en daarna, dat de omstanders zouden zingen 't laatste vers van 't i8os'e Gezang: âIk weet aan Wien ik mij vertrouwe, al wisselen ook dag en nacht. Ik kende de Rots waarop ik bouwe, hij faalt niet die Uw heil verwachtquot;. Nadat dit geschied was werd op zijn verzoek gezongen 't heerlijk vers, waarmede zoovele vromen zalig de eeuwigheid zijn ingegaan: âJezus, Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart. Als wij alles, alles derven, blijft Uw liefd' ons bij in smart ', en wat daar verder volgt, terwijl ten slotte nog t zevende vers van zijn lievelings-psalm werd aan geheven: âHoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort '. Zoo verliep, wel op hoogst aandoenlijke maar toch ook op de heerlijkste wijze de laatste levensdag en tevens de laatste Christelijke rustdag, dien onze ontslapen vriend en broeder hierbeneden doorbracht. Voorts was 't gedurig zeer kennelijk, dat hij verlangend uitzag naaide ontbinding van zijn lichaam. Gedurig was 't zijn gebed: âHeere ! hoe lange nog! Heere! treed toe !quot;' totdat hij eindelijk in den nacht van Zondag op Maandag, omstreeks twee uren, door Zijn' Heiland tot Zich werd genomen, en heenging naar dat Vaderhuis, waar âGod Zelf alle tranen van de oogen afwischt, waar de dood niet meer zijn zal, noch rouw, noch gekrijt, noch droefenis, omdat de eerste dingen zijn weggegaanquot;.
Ziet daar Gel. 't woord dat ik ook aan deze plaats nog aan uwen ontslapen voorganger wilde wijden, en de hootdzaken van zijn zeer zalig sterfbed u medegedeeld. O ! moge 't u en mij eene krachtige en blijvende roepstem zijn, door den Heiligen Geest, om, bij aanvang of meer en meer, dien Heiland te zoeken voor ons hart en leven, Die, óók op hun sterfbed, zijnen vrienden en verlosten zóó heerlijk, zóó volkomen troosten kan en wil. Komt, smeeken wij nu om een zegen in 't ootmoedig gebed.
GEBED.
9
Openbaring XXI: 4.
âEn God zal alle tranen van hunne oogen afwhi-schen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn: want de eerste dingen zijn weggegaanquot;.
De eerste schepping had de Apostel-Profeet in een gezicht zien voorbijgaan! âIk zag eenen grooten witten troonquot; zegt hij, hoofdstuk 20: 11, âen Dengenen Die daarop zat, van Wiens aangezichte de aarde en de hemel wegvloeien, en geene plaats is voor die gevondenquot;. En nu zag Johannes eenen ânieuwen hemelquot; en eene ânieuwe aardequot;. Wat Jesaja had voorspeld, en wat wij ook bij Petrus lezen, dat God, wanneer deze tegenwoordige tijd zal voleindigd zijn, eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde scheppen zal, ook dat behoorde tot de gezichten, die aan Johannes op Pathmos vertoond werden. Wij lezen bij Jesaja (Gap. 65 : 17): âWant, ziet, Ik schep nieuwe hemelen, en eene nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomenquot;. En elders (Gap. 66 : 22): âWant gelijk die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de Heere, alzoo zal ook ulieder zaad, en ulieder naam staanquot;. En Petrus zegt (2 Petr. 3: 10â-13): âMaar de dag des Ileeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde, en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden; â maar wij verwachten, naar Zijne belofte, nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woontquot;. Gij bemerkt uit deze plaatsen M. H., dat, gelijk de aarde bij hare eerste vorming, naar 't verhaal van Mozes, was voortgekomen uit 't water, hare herschepping zal plaats hebben uit 't vuur, dat onzen tegenwoordigen aardbol zal verslinden. Vandaar, dat op de tegenwoordige aarde
IO
i dc zee gebleven is toen God 't drooge deed te voorschijn komen. Maar op de tweede, of nieuwe aarde, die uit 't vuur zal geboren worden, zal 't zoo niet wezen. Daarom zegt ook Johannes, in 't eerste vers van ons tekst-hoofdstuk; âen de zee was niet meerquot;. Lezen wij evenwel, in 't eerste vers van 't volgende, van eene âzuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lamsquot;, zoo hebben wij dan daarbij niet te denken aan £.ardsch, aan stoffelijk water, maar aan eene zinnebeeldige rivier, die Johannes zag, aan water des levensquot;, zooals 't heet, aan 't zelfde, dat de Heere Jezus bedoelde in Zijn spreken tot de Samaritaansche, en waarvan Hij ook later gewaagde in den tempel, toen Hij uitriep (Joh. 7 : 37, 38): âZoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeienquot;. Wij hebben dus te denken aan den stroom, d. i., aan de onbeperkte, overvloeiende werking en bedeeling des Heiligen Geestes in 't nieuwe Jeruzalem. En zag Johannes nu geene zee meer op de nieuwe aarde, hij zag daarentegen op die aarde nederdalen 't nieuwe Jeruzalem, van God uit den hemel, âtoebereid als eene bruid, die voor haren man versierd isquot;. Dat was, naar 't 9lle vers, âde bruid, de vrouw des Lamsquot;, in tegenoverstelling van âde groote hoerquot;, (C:ip. 17 : 1), die mede aan Johannes was te zien gegeven door een der zeven Engelen, die de âzeven fiolen van den toorn Godsquot; hadden. En toen nu die nederdaling van dat heerlijke Jeruzalem door des Heeren jonger aanschouwd was, hoorde hij, naar 't 3de vers, eene groote stem uit den Hemel, zeggende: âZiet, dc Tabernakel Gods is bij de menschcn, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen cn hun God zijnquot;. 0! zalige heerlijkheid, die 't deel zal zijn van alle vromen. Dc Apostel mocht hooren en zien wat eens plaats zal hebben, en wat t smachtend verlangen cn 't vurig uitzicht is van al Gods kinderen, dat cr eens geene gemeente meer zal bestaan in 't midden en tegenover dc
11
wereld, maar dat de gansche menschheid, voor zooverre zij niet is geworpen in den poel des vuurs, en den tweeden dood is gestorven, maar op de nieuwe aarde is opgenomen, ééne gemeente en één volk Gods wezen zal. En wat zal 't gevolg zijn als eens werkelijk zal plaats hebben wat de Apostel hoorde, als Gods volk Zijne onmiddellijke tegenwoordigheid mag smaken, en met Hem zóó zal vereenigd zijn, dat 't in den hoogsten en heerlijksten zin des woords Zijn volk wezen zal, en God zijn God zal zijn? Dan zal geschieden wat wij in den tekst lezen? De dood, alle kwaad, alle smart en moeite zal hebben opgehouden, en eene zaligheid zal er genoten worden, die alle vroeger leed doet vergeten.
Komt, laat ons dit nu nader met elkander beschouwen, waar wij tot u gaan spreken over de heerlijke beloften aangaande den toekomstigen gelukstaat van Gods volk. Letten wij achtereenvolgens:
I. Op den rijken inhoud,
II. op de zekerheid, en III. op 't troostvolle dier beloften.
I. Ja waarlijk, rijk van inhoud zijn dc beloften van onzen tekst. âGod zal alle tranen van hunne oogen afwisschenquot;, dat was 'teerste wat Johannes vernam, en daarin ligt opgesloten, dat in 't nieuwe Jeruzalem geen droefheid wezen zal, noch rouw, nog gekrijt. Rollen hier op aarde vaak tranen van droefheid en smart uit de oogen van Gods kinderen, zoodat zij, als David, moeten uitroepen (Ps. 42: 4); âMijne tranen zijn mij tot spijze dag en nachtquot;, en is er hier beneden menigmaal geen vertrooster, als hun, (Ps. 73 : 10), âwateren een vollen bekers worden uitgeperstquot;, â niet alzoo, neen, niet alzoo zal ?t wezen als de heerlijke gelukstaat op de nieuwe aarde zal zijn aangebroken! Met dc liefde eener teedere moeder, die haar weenend kind tot zich neemt, en met zachte hand zijne tranen afwischt, ja, met veel grootere en teederder liefde nog zal God Zelf alle tranen van de oogen Zijner
12
kinderen afwisschen. Alles wat hun hier beneden tot droefheid verstrekte, zal daar door God zijn weggenomen, en die hier treurden zullen daar door Hem worden vertroost! Wie zal 't uitspreken welke tranen daar al niet zullen worden afgedroogd! Zeker de tranen van hen, die, in Johannes' tijd, tot de strijdende kerk behoorden, die weenden bij de vreeselijke verdrukking die aan de volgelingen des Heeren Jezus door Zijne bittere vijanden werd aangedaan. Zeker de tranen van hen, die toen, en ook in lateren tijd, de gruwzaamste folteringen, om de belijdenis des Heeren, van vuur, en staal, en wilde dieren hebben uitgestaan, en die, ofschoon gesterkt, ja, blijmoedig in God, Die hun kracht en genade gaf om getrouw te blijven, toch hunne tranen en angstkreten vaak niet weerhouden konden, als hunne lichamen werden verbrand en vaneen gereten, Zeker ook de tranen van hen, die bij de krachtigste betuigingen en vermaningen, tot bekeêring en geloof aan 's Heeren vijanden gedaan, echter zagen hoe deze hun hart verhardden, en Gods Gezalfde bleven versmaden.
Maar óók de tranen van hen zullen in 't nieuwe Jeruzalem worden afgewischt, die ten allen tijde, en ook nu, geweend hebben en weenen niet alleen om huns volks, maar vooral om hunne eigen zonden, wier harten overstelpt waren van droefenis over hun gedurigen afval van â en ontrouw aan den God huns levens. De tranen ook hier beneden gestort bij 't aanschouwen van 't lijden, van den doodstrijd en de doodsmarten en over 't verlies van hartelijk geliefde en dierbare panden, die werden afgescheurd van 't doorwonde hart, dat gemaakt werd tot een fontein van overvloedige tranen.
Maar ziet, M. H., al die tranen â en wie zal ze tellen dan God alleen? â door Gods kinderen geschreid, zullen van hunne oogen worden afgewischt. God zelf zal dat doen, en geen droefheid, noch rouw, noch gekrijt zal in 't Hemelsch Jeruzalem meer wezen! â Maar deze is niet de éenige belofte in onzen tekst. Wij lezen verder: âen de dood zal niet meer zijnquot;. Die geduchte vijand van 't menschelijk geslacht.
13
die door dc zonde in de wereld is gekomen, en die de oorzaak is van zoo veel vrees der ziele, en dc bewerker van zooveel namelooze smart en rouw, de dood, die koning dei-verschrikking, zal uit 't nieuwe Jeruzalem zijn buitengesloten i O! heerlijke belofte voor allen, die, ofschoon van zonde en schuld verlost door 't geloof in Christus, echter nog zoo dikwerf met vreeze des doods zijn bevangen. Want al is 't ook, dat voor den geloovige, door Christus' dood en opstanding, de dood zijn' prikkel heeft verloren, zoodat hij in den geloove met Paulus mag uitroepen; âDood! waar is uw prikkel? graf! waar is uwe overwinning? zoo neemt dit echter niet weg, dat de ure der scheiding van lichaam en geest ook voor den Christen vaak eene ontzettende ure is, wier nadering soms nog wel met vreeze en angst wordt te gemoet gezien. Maar eens, eens zal de dood niet meer zijn! In de stad der gezaligden zal geen inwoner zeggen: âIk ben ziekquot;, en zullen geen ârouwklagers rondgaan op de stratenquot;. Hoeveel millioenen, de millioenen vermenigvuldigd, ook de slachtoffers mogen geweest zijn, nog zijn, en verder zijn zullen, die hier beneden door de doodelijke schicht van den koning der verschrikkingen zijn getroffen geworden. â geen enkele, neen, geen enkele zal er voor hem bezwijken in 't Jeruzalem, dat uit den hemel op de nieuwe aarde zal nederdalen! Want: âde dood zal niet meer zijn!quot; Immers, 't nieuwe Jeruzalem, de gemeente der verlosten en vrijgekochten door 't bloed des Lams, de gemeente der volmaakte rechtvaardigen is de bruid, de vrouw des Lams, Dat, door Zijn sterven en herleven den dood heeft overwonnen, en aan diens heerschappij haar voor eeuwig heeft ontrukt. En door de stad des levenden Gods vloeit eene âzuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams, en aan de eene en aan de andere zijde dier rivier is de Boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vruchtquot;. O! Heerlijke toekomst voor Gods volk. Nu mogen dierbare betrekkingen en
14
vrienden, die met hen den Heere liefhadden in onverderfelijkheid, van hun bloedend hart worden afgescheurd; nu moge ook hun eigen lichaam eens nederdalen in de groeve der verderfenis, â eens zal 't tijdstip aanbreken, waarop de laatste bazuin zal slaan, en al Gods dooden zullen worden opgewekt in heerlijkheid! En de plaats, waar zij dan met hunne reeds zalige zielen zullen hereenigd wezen, zal zijn de groote stad, het âheilige Jeruzalemquot;, en daar, daar zal geen dood meer wezen !
âNoch moeite zal meer zijnquot; vernam Johannes verder. O! wat is er niet veel, dat op deze wisselvallige aarde den Christen moeite veroorzaakt. Hier is 't de vijandschap eener wereld, die God en den Verlosser niet kent; daar de ontrouw van hen, die in dagen van voorspoed vrienden schenen, maar in tijden van tegenspoed zich terugtrokken; elders is 't een tobben en zwoegen om 't brood des bescheiden deels, of een worstelen met allerlei tegenspoed en beproevingen naar 't aardsche. Een Paulus had een âsatans-engel, die hem met vuisten sloegquot;, een âscherpen doorn in het vleesch''. -Een Asaf riep uit, als hij de goddeioozen gadesloeg: âZij zijn niet in de moeite, als andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd!'' Een David had Saul, die hem vervolgde als een veldhoen op de bergen, en een Absalom, zijn eigen vleesch en bloed! die tegen hem opstond! Wat moeite was niet quot;t deel van Job! Hoe lezen wij niet van anderen, die âbespottingen en geeselen hebben geproefd, ook banden en gevangenis; die gesteenigd zijn geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door quot;t zwaard ter dood gebracht; die gewandeld hebben in schaapsvellen en in geitenvellen, verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; die in woestijnen hebben gedoold, en op bergen en in spelonken, en in de holen der aardequot;. (Hebr. II: 36, 37). Maar waar zou quot;t einde zijn u de moeite en 't verdriet op te noemen waaraan ieder, die waarlijk tot Gods volk behoort, in meerdere of in mindere mate is onderworpen ! Maar o! zaligheid, in 't nieuwe Jeruzalem
15
zal geen moeite meer zijn, maar eeuwige rust en verkwikking. Geen doorns meer in 't vleesch, die pijnlijk wonden; geen satans-engelen; geen lijden; geen verdrukking; geen smaad; geen miskenning; geen teleurstelling zal daar wezen! Wat dunkt u, M. H., is er wel de minste twijfel â zóó deze ook al bestond ââ bij u over aan de waarheid van 't geen wij straks zeiden, toen wij u de beloften van onzen tekst rijk van inhoud noemden? En mogen ze daarom terecht heerlijk heeten, ze zijn dat niet minder van wege hare zekerheid. Hierop met u acht te geven is de zaak die wij ons hebben voorgesteld in 't tweede deel onzer rede.
II. Ja, zeker zijn de beloften in onzen tekst. Immers, ze zijn geschied van Gods wege. Johannes hoorde haar door eene groote stem uit den hemel. Zöo is 't dan geen droombeeld eener heerlijkheid, van welke wij spreken, geen hersenschim zooals 't ongeloof lastert! Neen, niet anders dan't geen reeds in hoofdzaak de Heilige Geest door den mond van Jesaja had gesproken, vernam des Heilands jonger op zijn eenzaam Pathmos. (Jes. 25: 8). âHij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwisschen, en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de gansche aarde wegnemen: âwant de Heere heeft het gesproken!quot; âWant de Heere heeft het gesproken!'' hoort gij dit Gel. ? En ook de stem, die tot Johannes geschiedde kwam van den hemel! Zoo is er dan geen twijfel aan, zoo is 't dan niet een misschien, of eene hoop, maar die teleurgesteld kan worden! Neen, 't is vaste en onomstootbare waarheid; 't is waarheid die eens, zoo waarachtig als God leeft, hare vervulling zal verkrijgen, 't Is waarheid, die nimmer wijken zal, al werden ook de bergen verzet in 't harte der zee, ja, al veranderde ook de aarde van hare standplaats. God is getrouw, en nimmer is er éénig woord gevallen van al de goede woorden, die Hij gesproken heeft. Zijne beloften kunnen niet feilen, want ze zijn in Christus ja en in Christus Amen, Gode tot heerlijkheid! En Hij stelt er Zijne eer in
i6
ze tc vervullen. En opdat Hij ze aan arme, in zich zeiven verloren en des eeuwigen doods waardige zondaren zou kunnen vervullen, en toch de heilige en rechtvaardige God blijven, daartoe zond Hij immers Zijn' eigen en eeniggeboren Zoon op aarde, âDie in de dagen Zijns vleesches gebeden en tranen met sterke roepingenquot; aan Zijnen Vader heeft geofferd, opdat de tranen van allen, die in Hem zouden gelooven, eens zouden kunnen worden afgewischt; Die den dood ondergaan heeft, den smadelijken en smartelijken dood des kruises, opdat eens voor allen, die door Hem tot God zouden gaan, geen dood meer zijn zou; die moeite heeft getorscht, zooals ze nooit éénig mensch ondervond, opdat eens, in 't nieuwe Jeruzalem, allen die in Hem hunne behoudenis en hunne rust gezocht hebben, van alle moeite, last en verdriet voor eeuwig zouden bevrijd zijn ! Was dat 't heerlijk en genadig hoofddoel waartoe God Zijn' Zoon op aarde zond, en heeft Hij door die grootste daad Zijner liefde getoond, dat Hij 't leven en de zaligheid van zondaren wil, â wie zou dan, die dit gelooft, nog twijfelen aan de zekerheid, dat Gods woorden eens zullen worden vervuld? Daarom, een iegelijk die door genade God liefheeft, en zijne ziel aan den Heere Jezus heeft overgegeven, mag niet alleen, maar moet ook ten volle staat maken, dat ook aan hem eens de heerlijke toezeggingen in onzen tekst zullen vervuld worden.
De zekerheid dier vervulling blijkt eindelijk ook daaruit, dat de Heere God op de nieuwe aarde op eene bijzondere wijze bij Zijn volk zal tegenwoordig zijn.
De stem uit den Hemel had, naar 't 3de vers, óók gezegd: âGod zelf zal bij hen en hun God zijn.quot; En ziet daar M. H. wel de voornaamste reden, waarom in 't nieuwe Jeruzalem geene tranen zullen vloeien, geen dood noch moeite zal zijn. Ja, 't is zoo, en al Gods volk kan hiervan in meerdere of mindere mate uit bevinding spreken, ja, 't is zoo, ook hier op aarde is de Heere nabij degenen, die Hem vreezen en liefhebben. âDe verborgenheid des Heeren is voor degenen.
17
die Hem vreezen,quot; zoo leert 't Woord. En Zijne kinderen in Christus mogen vaak, bij 't heerlijk gevoel van Gods nabijheid, tot Hem zeggen: âde Heere is bij mij, 'k zal niet vreezen!'' âHeere! Gij zijt mijn God!quot; Maar door de overblijfselen der verdorvenheid, door de zonde, wordt die tegenwoordigheid Gods niet altijd op eene bijzondere wijze gekend en ondervonden. En ook wat Zijne dienaren en gunstge-nooten in hunne zaligste uren hier van Gods bijzijn aan hunne ziel genieten, neen, al geeft 't ook in die oogenblikken een hemel in 't harte, neen, toch kan 't niet vergeleken worden bij die zaligheid, die âgeen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geens menschenhart is opgeklommen.quot; Die zal en kan alléén gesmaakt worden in 't nieuwe Jeruzalem, omdat daar de nabijheid Gods in volle kracht en ongestoord zal worden ondervonden. Wat onder 't oude Verbond zinnebeeldig en typisch werd voorgesteld in 't Heilige der Heiligen, door de heerlijke wolk van Gods tegenwoordigheid, die tus-schen de vleugelen der Cherubim boven de Bonds-ark rustte, dat zal in volle waarheid en wezenlijkheid plaats hebben, daar, waar wel geen Tabernakel of Tempel zijn zal zóó als bij Israël, maar waar 't gansche nieuwe Jeruzalem zijn zal één Heilige der Heiligen, en waar de Tabernakel Gods bij de menschen zal bestaan in Zijne onmiddellijke en volzalige tegenwoordigheid! Ja, daar, daar zal 't zijn zooals Ezechiëls profetiën eindigen: âJehovah schaammah ' âde Heere is aldaar!quot; En hoe zouden daar tranen kunnen vloeien? Neen, zóó daar tranen zullen worden gestort, 't zullen geen tranen zijn van droefheid, maar van de reinste hemelvreugde, en van' 't zaligst dankgevoel, dat de zielen der verlosten zal vervullen! Alle andere tranen zal God van hunne oogen afwisschen! Hoe zou daar de dood kunnen zijn, waar de Bron van eeuwig leven met hare wateren allen inwoners te drinken geeft, en de Levensboom hun zijne vruchten schenkt, maand uit maand in tot in eeuwigheid? Hoe zou er moeite kunnen bestaan daar, waar een eeuwige Sabbat zal wezen, en al
I8
Gods kinderen aan Zijnen Vaderschoot zullen uitrusten? Neen, God zelf zal bij hen en hun God zijn. Zijne nabijheid zal alle leed verbannen, en eene eeuwigspringende fontein wezen van 't allerzaligst hemelgenot. Zoo zijn dan de beloften in onzen tekst ten volle zekerheid. O! Christen, gelukkig driewerf gij, zoo gij u aan die beloften moogt vastklemmen. Gij bezit den rijksten troost op aarde!
III. Op 't troostvolle van die heerlijke beloften zouden wij nóg ten slotte 't oog vestigen.
Veel en velerlei is 't leed, dat deze aarde oplevert, en de Christen is niet altijd 't minst daarmede bedeeld! Want daalde Heere hem liefheeft wordt Hij ook dikwerf door Hem gekastijd, opdat hij Zijner heiligheid zou deelachtig worden. Ja, dat gelooft t kind van God als leed zijn deel is, en 't wèl bij hem staat. Hij gelooft, dat âalle dingen,quot; óók de bitterste rampen, hem âmoeten medewerken ten goede,quot; en na 't leed zegt hij vaak met den vromen Psalmdichter, Ps. 119 : 71; âhet is mij goed verdrukt te zijn geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde.quot; Maar zou dat geloof, zou die innige overtuiging, al wordt ook de roede der kastijding door hem _ gekust, zijn' tranenvloed weerhouden ? Neen, en God wraakt die tranen niet, die door Zijne kinderen, bij de ondervinding van ramp en smart gestort worden! God wraakt die tolken van gevoel niet, dat onder Zijne slaande hand doet weenen! Maar, zeg 't mij, wat kan dan grooter troost zijn dan die heerlijke belofte in onzen tekst: âGod zal alle t'ranen van hunne oogen afwisschen ?'' Met die belofte, door God zelf in' t harte gelegd, draagt Zijn kind met lijdzaamheid wat zijn Hemelsche Vader hem oplegt. Zóó kon een Job uitroepen: âde Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!quot; Met 't oog op die belofte stroomt er ook troost in 't harte, dat bekommerd is van wege zijne zonde, waar de geloovige, aan t einde van iederen levensdag, ja, ruime stof ook heeft tot dankbare blijdschap, maar óók ruime stof om over zijne koudheid en verkeerdheid te
19
weenen. Maar eens zal de Heere Jezus Zijne gansche gemeente als eene âreine maagd' Gode, Zijnen Vader, voorstellen! En niets, niets zal dan meer in eeuwigheid die gemeente, bekleed als zij zijn zal met de kleederen, die wit gewasschen zijn in het bloed des Lams, meer bezoedelen! En van die gemeente, die op volmaakte wijze God eeuwig zal dienen, ja, daarvan zal de geloovige een deel zijn, hij die hier behoort tot 't worstelend Sion, maar dan óók eens behooren zal tot 't triumfeerend Jeruzalem O! wie is in staat den troost uit te spreken, die daarin voor t geloovig gemoed vervat is!
En niet minder vertroost hem de belofte: âde dood zal niet meer zijn.quot; O! als de Christen staat bij 't sterfbed van vrome, hartelijk geliefde betrekkingen, en met rood gekreten oog 't zielloos overschot aanschouwt van hen, die dierbaar waren aan zijn harte, dan kan hij dat harte zoo doorpriemd gevoelen. Ja, men moet 't ondervonden hebben, om 't te weten welk eene grievende smart 't harte doorboort, als door de onverbiddelijke doodshand iemand, die men teeder lief had, ons wordt ontnomen. Men moet met de innigste liefde aan een vader, aan eene moeder, aan broeder, zuster, echtgenoot, kind, vriend zijn verbonden geweest, om 't te weten, hoe pijnlijk de ziele doorwond wordt, als zulk een dierbaar pand door den dood van ons hart als wordt afgescheurd, en banden, die zoo hecht en sterk waren te zamen gesnoerd, met onweerstaanbare kracht worden vanééngereten!
Ja,, óók de geloovige kent die smart, en die hem 't liefst en 't dierbaarst zijn, worden hem vaak 't vroegst ontnomen. Maar, Christen, als 't gevoel van droefheid u zou verpletteren bij 't sterfbed en de lijkbaar uwer geliefden, â als gij hopeloos worden zoudt bij 't grievend gemis van vrome, vroeg gestorven vrienden, zie, dan komt Gods liefde met Zijne vertroostingen u tegemoet, en wijst u op de nieuwe en betere aarde, en op dat nieuwe en Hemelsche Jeruzalem, waar âde dood niet meer zijn zalquot;. Neen, 't lïfeengaan van hier beneden is geen eeuwig scheiden! Wederzien zult gij ze in heerlijk-
2 O
heid allen, die met u den Heiland in onverderfelijkheid hebben liefgehad, en die met u vereenigd waren door één geloof, ééne hope, ééne liefde! Wederzien zult gij ze in heerlijkheid, weder omhelzen, weder ontvangen uit de hand des Heeren, niet om andermaal hen te verliezen door den dood, maar om eeuwig met hen bij den Heere te wezen!
En, zegt 't mij, is 't troostvolle van de heerlijke beloften aangaande den toekomstigen gelukstaat van Gods volk niet ook daarin gelegen, dat zij óók de toezegging bevat: ânoch moeite zal meer zijn ?quot; Wat kan voor den reiziger naar verre, afgelegen landen, als zijn schip door stormen en orkanen wordt geslingerd, of zijn weg heenleidt door onbekende en gevaarvolle oorden, verkwikkelijke! zijn dan de gedachte: als ik 't doel mijner reize bereikt zal hebben, zal ik uitrusten van al mijne vermoeienissen? Maar is 't niet evenzoo met den vrome op zijne pelgrimsreize naar 't Hemelsch Vaderland? TIeeft ook de Christen in 't geestelijke geene levenszee te bevaren, welker baren hem dikwerf dreigen te verzwelgen, en loopt zijn pad niet vaak langs moeilijke en onbekende wegen? Maar hij weet cn gelooft 't, dat 't einde zijns tochts 't heerlijk Jeruzalem daarboven is, en daar zal geen moeite meer zijn! Geen moeite zal er ook wezen voor hen die hier, in den tijd hunner voorbereiding, ervaren hebben hoe zwaar een strijd de strijd der zonde is, maar die daardoor niet zijn moedeloos geworden, maar, in des Heeren kracht, volhard hebben tot den einde toe. Geen moeite zal er ook wezen voor zoo menigen vrome hier beneden, die in aardsche armoede leefde, en dagelijks 't brood at der smarte, zoo zuur door hem verdiend! Geen moeite meer voor den gaarn getrouwen dienaar des Heeren, wiens lust en zoeken 't was om tot eeuwig heil van zijne mede-zondaren te mogen werkzaam zijn, en zielen te mogen winnen voor zijnen God cn Zaligmaker, maar die, o! zoo vaak, op rotsen ploegde, cn aan zoo menige ziel, vaak ook van die hem 't nauwst in den bloede waren verwant, tot zijne onuitsprekelijke smart tevergeefs
21
arbeidde! Geen moeite meer voor zoovelen, die hier vaak met tranen hebben gezaaid, maar nooit een verblijdenden oogst mochten aanschouwen! O! kan er voor die allen wel eene meer vertroostende belofte wezen, dan dat er geen moeite meer zijn zal? Hoe liefelijk moet zij in't oor geklonken hebben niet alleen van Johannes zeiven op 'teiland zijner wreede ballingschap, maar óók van zoovelen zijner mede-geloovigen, die door de gruwelijke vijandschap van 's Heeren hateren goed en bloed verloren! Hoe liefelijk ook moet zij onzen vromen voorvaderen zijn geweest, als zij de woede ondervonden van Rome's dienaren, verbolgen als deze waren op 't werk der zegenrijke Hervorming! Met die belofte in 't harte bestegen zij moedig, ja blijmoedig, dankend en lof-zingend vaak, brandstapel en moordschavot, en achtten zij 't lijden dezes tegenwoordigen tijds voor niets bij de heerlijkheid, die hun zou geopenbaard worden. Met die belofte betreedt ook thans nog zoo menig Christen den moeilijken weg, langs welken de Heere hem leidt, den weg van miskenning en smaad, van tegenspoed en strijd, van verdriet en smarte. Zij houdt, in Gods hand, hem staande; omgordt zijne lendenen; stort nieuwe kracht in hem uit; bezielt hem met moed en volharding. Ja, 't geloofsoog op 't nieuwe Jeruzalem, waar geen moeite meer wezen zal, doet hem de moeite dezer aarde beschouwen als mede dienstbaar aan zijne voorbereiding voor dat oord van enkel zaligheid. Maar zoo is 't dan ook waarheid, ten volle waarheid, dat de beloften in onzen tekst vol zijn van vertroosting.
Heerlijk, gij hebt 't te dezer ure gehoord, en vertroostend zijn de beloften, die God gedaan heeft. Maar ach! hoe zouden zij u gelden, M. H., die daar nog in wereldsche vroolijkheid uw leven doordartelt, en geene droefheid kent over uwe zonden? Neen, reeds uw verstand moet 't toestemmen, dat 't niet op u van toepassing is wat aan Gods
22
volk is beloofd, dat âGod alle tranen van hunne oogen zal afwisschenquot;. O ! mocht ook uw hart dat gevoelen, en 't gevoelen wat 't allervreeselijkst gevolg daarvan moet wezen, dan zoudt gij niet langer die misdadige en valsche vreugde najagen en liefhebben, die nu nog door u gezocht wordt op de paden der ongerechtigheid. Die hier niet leert weenen. die hier niet door de kennis van zijne zonde en ellende tot die âdroefheid naar Godquot; geraakt, die âeene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheidquot;, hoe zouden diens tranen eens worden afgewischt, waar 't heerlijk en heilig nieuwe Jeruzalem voor hem gesloten is, en eeuwig gesloten blijft, omdat geen onreinen en onbekeerden daar kunnen binnenkomen! Neen, M. H., dan kan bij uw sterven geene andere dan die plaats uw deel zijn, van welke dat ontzettend woord door den Heere Jezus Zeiven gesproken is: âdaar zal zijn weening en knersing der tanden!quot; Dan kunt gij niet daar komen, waar âgeen dood meer zijn zalquot;, maar moet gij ondergaan den akeligen en vreeselijken âtweeden doodquot;, om dien tot in alle eeuwigheid tot straf te lijden! Ach! laat toch de zekerheid van dat geducht oordeel, dat over alle wereld- en zondedienaren, over allle onbekeerden, over alle goddeloozen, over allen die niet door Christus met God verzoend zijn, u nog intijds met een gezegenden schrik moge vervullen, en u moge doen beven over u naderend lot. Want âzoo wat de mensch zaait, dat zal hij maaien!quot; Laat 't u doen stilstaan op uwen zondeweg, opdat gij, door berouw, schuldbelijdenis en bekeering, moogt 't toekomstig verderf ontvluchten, en uwe zielsbehoudenis zoeken met tranen en smeekingen, terwijl de mogelijkheid om behouden te worden nog niet voor u is afgesneden. Wilt gij niet eeuwig weenen, eeuwig weenen als 't te Iaat zal zijn ten uwen bate, o! lacht en dartelt dan niet langer te midden uwer zonde en onbekeerdheid, maar zoekt, zoekt biddend en schuldbelijdend vergeving bij God in 't zoenbloed des Verlossers. En kunt gijzelven uwe harde harten niet verbreken, en tot een springader van tranen maken,
om tc beweenen de groote doemschuld waarin gij verzonken zijt, o! smeekt 't God, Wiens ontferming u nog wordt aangeboden, dat Hij, door de almachtige werking des Heiligen Geestes, de steenrots uws harten te morzel sla, en die onmisbare droefheid in u verwekke, voor welke troost bereid is, troost reeds in dit â troost in 't eeuwige leven. Maar dan ook dien kostbaren genade-tijd niet langer misbruikt, die wellicht nog zoo kort, zoo kort kan wezen.
Gel. in ons midden, die de vrijmoedigheid tot 't aannemen dier belofte, en de verzekerdheid des geloofs, dat zij eens aan u zal vervuld worden, in uwe harten hebt ontvangen, en weet wat 't zegt daaruit troost te mogen putten in 't Mesech dei-ellende hierbeneden, o! weest dankbaar voor zoo groot eene genade, en zoekt veel tot verheerlijking van uwen God en Zaligmaker met die belofte werkzaam te wezen. Breng ze u te binnen, en bidt dat de Heere Zelf ze toepasse aan uwe zielen, als gevoel van droefheid over uwe zonde u aangrijpt; als gij met smart terugdenkt aan uwe dierbare vrome afgestorvenen ; als :t leed en de moeite eener kommervolle aarde u doen gebukt gaan; als âwateren eens vollen bekers'' u worden uitgeperst. O ! hoort t nogmaals: âGod zal alle tranen van uwe oogen afwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn: want de eerste dingen zijn weggegaan!quot; Springt uw hart niet op van vreugde bij 't vernemen van zoo groot een zaligheid ? O! wat zal 't dan wel wezen, als gij eens in 't nieuwe Jeruzalem zult zijn gekomen, en gij de nabijheid zult smaken, storeloos en eeuwig van den God uws levens, en van dat Lam, dat voor u geslacht is, en dat al die vertroostingen voor u heeft verworven! Neen, geen menschelijke taal kan dat uitdrukken, ja, geen Engel zelfs kan dat beschrijven! Daartoe is de zaligheid, die u wacht, oneindig te groot, te heerlijk. Moge quot;t dan maar, terwijl gij nog in 't vleesch verkeert, en hopende uitziet naar â't gansch uitnemend gewicht van heerlijkheid dat voor u bereid is, door dagelijksch gebed
24
en ernstige waakzaamheid uw aanhoudende toeleg zijn, om meer en meer voor die zaligheid te worden toebereid! Iedere levensdag, ja, elk levensuur worde daartoe door u aangemerkt als een kostbaar Godsgeschenk. Neen, die voorbereiding gaat niet altijd langs effene en gebaande wegen. Maar de Heere weet wat goed voor u is. En dit is toch eene zekere waarheid, dat Hij u langs geenen kruisweg leiden zal, dien Hij goed, niet noodig voor u rekent; dat Hij u geenen drinkbeker zal aan de lippen zetten, die, hoe bitter ook, niet de noodige en kostelijke medicijn voor u bevat; dat Hij geen enkelen traan u zal uitpersen, of Hij vergadert dien ook âin Zijne flesschequot;. O! gaat dan voort, lijdende en beproefde kinderen Gods, gaat dan voort in de kracht uws Heeren. Haast is uw proeftijd ten einde! Haast is uw zilver doorlouterd, en dar. wordt 't uit den smeltkroes genomen! Haast is uw pelgrimstocht afgelegd, en staat gij aan den oever der doods-jordaan. En die doodsjordaan zult gij veilig overkomen, want uw Heiland zal u geleiden. En als gij dan de poorten der eeuwige Godsstad, de poorten van 't nieuwe Jeruzalem voor u geopend vindt, en vriendelijke Engelen u daar binnenleiden, en u voeren zullen tot voor den Troon, o! dan zult gij ook in de volste zaligheid smaken wat hier u beloofd was: âGod zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn: want de eerste dingen zijn weggegaan!' Amen.
TOESPRAAK OP DE BEGRAAFPLAATS,
17 Augustus 1893.
Rust als Voorzitter van den Kerkeraad der Ncdcrduitsehe Hervormde Gemeente te dezer stede de taak op mij, om een woord bij deze groeve, namens dien Kerkeraad te spreken, â bij de aandoening en de droefenis, die mijn hart vervullen gevoel ik al 't moeilijke daarvan.
Immers wij brengen 't lijk van een' man ten grave, die â ik vertrouw zulks van u allen, medeleden van den Kerkeraad â ons een geliefde, een dierbare broeder was; een hartelijk en getrouw verkondiger van 't Evangelie der genade Gods in Christus Jezus; een volijverig medearbeider in den wijngaard des Heeren; een gemoedelijk aanklever van de beproefde leer der kerk die ons lief en dierbaar is; maar meer nog, door de genade Gods, een aanklever, een liefhebber van dien Hcere Jezus, Die èn van die leer 't middelpunt is, en Die oneindig boven die leer is verheven. Hem te prediken. Hem in Zijne noodzakelijkheid, onmisbaarheid, algenoegzaamheid tot zaliging van arme zondaren, ging hem dan ook boven 't prediken van die leer, hoe zeer hij ook aan deze was gehecht. Want dit had hij, door de genade Gods geleerd, dat niet de geschreven leer, maar de gekruisigde, opgewekte en verheerlijkte Hecre Jezus, overeenkomstig diezelfde leer 't eenig rust- en steunpunt wezen moet, en in waarheid zijn kan, voor een arm en doodschuldig zondaars hart.
Zulk een medebroeder, zulk een ambtgenoot, geliefde broeders in de H. bediening, hebben wij verloren in hein,
26
wiens stoffelijk deel in deze kist geborgen is, om aan den schoot der aarde te worden toebetrouwd, of liever aan Hem, Die óók 't stof der graven beheerscht, en die ook dit stof eens zal opwekken, als de laatste bazuin, op den grooten dag der opstanding, ook ruischen zal over dit groote dooden-veld, en de tienduizenden, hier verzameld, zullen opstaan uit hunne graven.
O! hoe gaarne, broeders, leden van den kerkeraad zouden wij dezen doode nog langer levend in ons midden hebben behouden, evenzeer als den geliefden en onvergetelijken broeder van Weede van Dijkveld, ons, vier maanden geleden, door den dood ontrukt! Zijner jarental was toch nog niet hoog geklommen. Aan geene bijzondere lichaamsgebreken of zwakte leed hij. Volijverig deed hij zijn werk in al dc deelen zijns dienstes. En ons, mijne ambtgenooten, was hij steeds een hulpvaardig broeder, waar wij die hulp ook behoefden, en hij ons die schenken kon. Moeten wij dat alles getuigen om der waarheid wille, en valt zijn heengaan ons daarom smartelijk, â wij kunnen, wij durven, wij mogen niet verder gaan bij deze groeve met alzóó te spreken. Onze ontslapen broeder, die in de school van den Heere Jezus óók nederigheid en ootmoed geleerd heeft, heeft 't toch als zijne volstrekte begeerte op zijn sterfbed uitgesproken, dat er niet tot zijnen lof bij zijn graf zou worden gesproken. Aan die begeerte hebben wij ons te onderwerpen. En wat wij dan ook van hem gezegd hebben, en den schijn zou kunnen hebben alsof wij tegen zijne begeerte aan gehandeld hebben, dat willen wij beschouwd hebben als een dank- en lofoffer aan dien Heiland, door Wien, en in Wiens kracht, onze broeder geweest is wie hij onder ons, en in de gemeente, was. O! neem Gij dat offer aan, hoe zwak en met zonde bevlekt wij 't U opdragen. Gij Eerstgeborene uit de dooden! Neem Gij den dank aan voor den dienst, door dezen onzen ontslapen broeder aan de gemeente bewezen. Neem Gij den dank aan voor de vertroostende kracht, die Gij hem
27
van *t dierbaar Evangelie, door hem onder ons gepredikt, op zijn ziek- en sterfbed hebt doen ondervinden. Neem Gij den dank aan, dat Gij hem in vrede en zalig hebt doen sterven, met een vast vertrouwen op Uw bloed en op Uw kruis. En laat, door Uwe genade, wat hem gegeven is, en wat, op zijn verlangen, nog bij zijn sterfbed gezongen is, ook ons, ook zijne treurende weduwe, ook zijnen kinderkens eenmaal gelden:
âEens zullen wij met Jezus leven.
Dan voelt, dan kent men geen verdriet.
Dat uitzicht moet ons nooit begeven.
Zij die gelooven haasten niet!
De dood zal ons die ruste schenken.
Dies stappen wij met vreugd naar t graf; Blijmoedig aan het graf te denken Is ook een vrucht die 't kruis ons gafquot;.
Gez. 189 ; 2. Amen.