ocr page 1

(ftr.

JON TALI AÜXIL10!quot;

Pe ieuwste Planner

BETREFFENDE

DE REGELING VAN HET BEHEER der Korkolijke iaeieres.

DOOR

Dr. T. CANNEG1ETER,

Hoogleeraar te Utrecht.

UTEECUT

C. H. E. BREIJER. 1895.

_3f_

2r •1

ocr page 2

_

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

JON TALI AUXILIO!quot;

Pe Nieuwste Planner

BETREFFENDE

DE REGELING VAN HET BEHEER

is? Eerfcelijke Goederen.

Doon

Df. t, cannegieteb,

Hoogleeraar te Utrecht.

ïamp;p v.

v quot;-V

UTRECHT

C. H. E. BREIJER. 1895.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

03

99 9921

ocr page 6

Gedrukt ter „ütreelitsclie Drukkerijquot; — P. den Boek — Utrecht.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0418 7682

ocr page 7

INHOUD.

IMdz.

Inleiding..............................................5.

HOOFDSTUK I.

§ 1. Het besluit der Synode en de door liaar gegeven opdracht . . 7.

HOOFDSTUK 11.

§ 2. De opdracht der Synode en het Ontwerp der heeren Perk en

de Kanter...................25.

§ 3. Wat is door de hoeren Perk en de Kanter van de opdracht dei-

Synode gemaakt?.................25.

§ 4. De regeling van de Wetgeving............35.

§ 5. De regeling van de Rechtspraak...........40.

§ G. De regeling van de betrekking tusschen de kerkelijke besturen en de beheer9colleges............48.

§ 7. De bepalingen betreffende de bestemming dek kerkelijke goederen en hun daaraan beantwoordend gebruik.....50.

§ 8. De rekenplichtigheid der Kerkvoogden........54.

§ 9. De medewerking der Regeering...........55.

§ 10. Besluit....................58.

*

ocr page 8
ocr page 9

INLEIDING.

Ieder, die in de aangelegculieilen cm/.er Kerk belang stelt, weet in welke phase op ilit oogeiiblik de in Laren kring druk besprokene quaestie van de regeling des beheers verkeert.

De Synodale Commissie, aan wie de Synode de opdracht had gegeven een ontwerp-reglement samen te stellen, heeft van hare commissie ad hoe een rapport ontvangen, waarin de meerderheid hare inzichten, in een; Ontwerf-reglement op het beheer der kerkelijke goederen belichaamd, heeft ontvouwd.

Deze meerderheid — of eigenlijk één harer leden, de heer de Kanter — heeft het wenschelijk geacht dat ontwerp met de memorie van toelichting, benevens de Nota van de minderheid, den heer Fijnvandraat, ter kennis vau het publiek te brengen.

Over dezen maatregel wordt welliclit verscliillend geoordeeld. Ik wil mij niet in het vóór en tegen daarvan verdiepen, maar bepaal mij er toe den heer de Kantee deswege te danken. Het groote belang der zaak, waarover het gaat, dat hem alle weifeling te dezen ter zijde deed zetten, weegt ook mij zwaar. En daarom verheugt het mij door die openbaarmaking in de gelegenheid te zijn over de beraamde plannen mijn oordeel te zeggen, alvorens de Synodale Commissie beslist wat zij der Synode zal hebben voor te leggen.

Hoe gaarne wilde ik nu, dat ik mij ook over het Concept-ïfAï van genoemde heeren kon verheugen!

Dit is mij echter onmogelijk!

Gaarne eer ik de ontwerpers wegens hun moed om zich te wagen aan de waarlijk niet gemakkelijke taak, die hun werd opgedragen.

Doch de vrucht van hun arbeid kan ik niet prijzen.

Ik beschouw het concept in zijn geheel als eene mislukte poging om een rechtsbeginsel zóó met bestaande toestanden, die de volstrekte loochening van dat rechtsbeginsel zijn, saam te koppelen, dat èn die

ocr page 10

6

toestanden behouden blijven èn tocli ook dat reclitsbeginsel in zijn volle kracht worde gehandhaafd.

Het ontwerp is een in zich zelf verdeeld plan, een tweeslachtig gewrocht, zonder éénheid van leidende gedachten, zonder vastheid van beginselen, zonder een grondslag van goed geformuleerd en wel gewaarborgd recht. Er zit geene besliste rechtsovertuiging in: het is samengesteld naar een systeem van geven en nemen, waarbij nu eens het een en dan weer liet ander de overhand krijgt ; terwijl men ten slotte zich geen klare voorstelling kan vorinen van de toestanden, die door de werking van zulk een reglement zouden ontstaan. Wat hoofddoel wezen zou, is uit het oog verloren en door iets geheel anders verdrongen, dat juist geen hoofddoel mocht zijn. De uitwerking van het eene beginsel wordt oorzaak dat het andere, waarom het toch óók te doen was, nagenoeg geheel zoek raakt.

Wegens dit alles — om nu nog maar niet van zijne on volledigi, eid te spreken — is het ontwerp m. i. volstrekt onbruikbaar.

Dit ongunstig oordeel vereischt rechtvaardiging.

Welnu, ik wil die trachten te geven.

Daarbij mag ik niet vergeten, dat de gebreken van liet ontwerp, ten deele zijn te wijten aan het besluit der Synode in verband met de overwegingen, die er toe hebben geleid, benevens aan de opdracht zelve, zooals zij door de Synode ten slotte werd gegeven.

Inderdaad, deze heeft zelve, door hetgeen zij vermeden en door hetgeen zij bepaald heeft, door onklaarheid en onzekerheid ter eene, en door verkeerde grepen ter andere zijde, aanleiding gegeven tot de tweeslachtigheid en de onvastheid in beginselen, die de ontwerpers m. i. zoo bitter slecht hebben weten te vermijden.

Naar dezen samenhang tusschen het besluit der Synode met de daaruit voortgevloeide opdracht en het ontwerp van de hoeren Perk en ue Kantee, kies ik de oogpunten, waaruit ik hun avant-projet ga beschouwen.

Daarom wensch ik in de eerste plaats een en ander te zeggen over: het besluit der Synode en de door haar gegeven opdracht.

ocr page 11

HOOFDSTUK I.

§ I. Het besluit der Synode en de door haar gegeven opdracht.

Den 22stcn Augustus 1894 besloot de Synode met 11 tegen 7 stemmen het voorstel van de lieeren Pebk, Dr. Gr. J. van her Flier en Overman aan te nemen. !)

Dat voorstel vinden we in het rapport der commissie ad hoe1) volgenderwijs vermeld;

„Voorstel om aan de Algemeene Synodale Commissie op te dragen der vergadering des volgenden jaars een Ontwerp-reglement op de Regeling van het Beheer aan te bieden, berustende op de volgende grondslagen;

Voorkoming, dat de goederen ad jnos uftus aan hunne bestemming worden onttrokken.

Verhindering, dat ten opzichte van het Beheer in de Kerk een imperium in imperio besta.

Aansluiting, zooveel mogelijk, aan de bestaande Organisatie.

Regeling van den aard van het toezicht in dezen zin, dat de Kerkvoogdijen rekenplichtig worden aan de door haar zelve gekozen colleges.quot;

Al heb ik het besluit der Synode eerst met zekere vreugde begroet s), toch was deze verre van onvermengd.

En zoo zal het velen van hen zijn gegaan, die ook nu weer met mij bij de Synode op het terhandnemen van de regeling des beheers hadden aangedrongen.

1

S. H. '94, bl. 530.

ocr page 12
ocr page 13

INLEIDING.

Ieder, die in de aangelegenliedcn onzer Kerk belang stelt, weet in welke phase op dit oogenblik de in liareu kring druk besprokene quaestie van de regeling des beheers verkeert.

De Synodale Commissie, aan wie de Synode de opdracht had gegeven een ontwerp-reglement samen te stellen, heeft van hare commissie ad hoe een rapport ontvangen, waarin de meerderheid hare inzichten, in een; Ontweep-keglement op het beheer der kerkelijke goederen belichaamd, heeft ontvouwd.

Deze meerderheid — of eigenlijk één barer leden, de heer de Kantee — heeft het wenschelijk geacht dat ontwerp met de memorie van toelichting, benevens de ïsota van de minderheid, den heer Fijnvandraat, ter kennis van het publiek te brengen.

Over dezen maatregel wordt wellicht verschillend geoordeeld. Ik wil mij niet in het vóór en tegen daarvan verdiepen, maar bepaal mij er toe den heer de Kanter deswege te danken. Het groote belang der zaak, waarover het gaat, dat hem alle weifeling te dezen ter zijde deed zetten, weegt ook mij zwaar. En daarom verheugt het mij door die openbaarmaking in de gelegenheid te zijn over de beraamde plannen mijn oordeel te zeggen, alvorens de Synodale Commissie beslist wat zij der Synode zal hebben voor te leggen.

Hoe gaarne wilde ik nu, dat ik mij ook over het Concept-zelx van genoemde heeren kon verheugen!

Dit is mij echter onmogelijk!

Gaarne eer ik de ontwerpers wegens hun moed om zich te wagen aan de waarlijk niet gemakkelijke taak, die hun werd opgedragen.

Doch de vrucht van hun arbeid kan ik niet prijzen.

Ik beschouw het concept in zijn geheel als eene mislukte poging om een rechtsbeginsel zóó met bestaande toestanden, die de volstrekte loochening van dat rechtsbeginsel zijn, saam te koppelen, dat èn die

ocr page 14

6

toestanden beliouden blijven en tocli ook dat rechtsbeginsel in zijn volle kracht worde gehandhaafd.

Het ontwerp is een in zich zelf verdeeld plan, een tweeslachtig gewrocht, zonder éénheid van leidende gedachten, zonder vastheid van beginselen, zonder een grondslag van goed geformuleerd en wel gewaarborgd recht. Er zit geene besliste rechtsovertuiging in: het is samengesteld naar een systeem van geven en nemen, waarbij nu eens het een en dan weer het ander de overhand krijgt; terwijl men ten slotte zich geen klare voorstelling kan vormen van de toestanden, die door de we; king van zulk oen reglement zouden ontstaan. Wat hoofddoel wezen zou, is uit het oog verloren en door iets geheel anders verdrongen, dat juist geen hoofddoel moclit zijn. De uitwerking van het eene beginsel wordt oorzaak dat het andere, waarom het toch óók te doen was, nagenoeg geheel zoek raakt.

Wegens dit alles — om nu nog maar niet van zijne onvolledigheid te spreken — is het ontwerp m. i. volstrekt onbruikbaar.

Dit ongunstig oordeel vereischt rechtvaardiging.

Welnu, ik wil die trachten te geven.

Daarbij mag ik niet vergeten, dat de gebreken van het ontwerp, ten cleele zijn te wijten aan het besluit der Synode in verband met de overwegingen, die er toe hebben geleid, benevens aan de zelve, zooals zij door de Synode ten slotte werd gegeven.

Inderdaad, deze heeft zelve, door hetgeen zij ■vermeden en door hetgeen zij hepaaJd heeft, door onklaarheid en onzekerheid ter eene, en door verkeerde grepen ter andere zijde, aanleiding gegeven tot de tweeslachtigheid en de onvastheid in beginselen, die de ontwerpers m. i. zoo bitter slecht hebben weten te vermijden.

Naar dezen samenhang tusschen het besluit der Synode met de daaruit voortgevloeide opdracht en het ontwerp van de heeren Pekk en de Kanter, kies ik de oogpunten, waaruit ik hun avant-projet ga beschouwen.

Daarom wensch ik in de eerste plaats een en ander te zeggen over;

het besluit der Synode en de door haar gegeven opdracht.

ocr page 15

HOOFDSTUK I.

§ I. Het besluit der Synode en de door haar gegeven opdracht.

Den 22stequot; Augustus 1894 besloot de Synode met 11 tegen 7 stemmen het voorstel van de lieeren Peek, Dr. G. J. van hek Flier en Overman aan te nemen. !)

Dat voorstel vinden we in liet rapport der commissie ad hoe1) volgenderwijs vermeld;

„Voorstel om aan de Algemeeue Synodale Commissie op te dragen der vergadering des volgenden jaars een Ontwerp-reglement op de Regeling van het Beheer aan te bieden, berustende op de volgende grondslagen:

Voorkoming, dat de goederen ad pios usus aan hunne bestemming worden onttrokken.

Verhindering, dat ten opzichte van het Beheer in de Kerk eeu imperium in imperia besta.

Aansluiting, zooveel mogelijk, aan de bestaande Organisatie.

Regeling van den aard van het toezicht in dezen zin, dat de Kerkvoogdijen rekenplichtig worden aan de door haar zelve gekozen colleges.quot;

Al heb ik het besluit der Synode eerst met zekere vreugde begroet 2), toch was deze verre van onvermengd.

En zoo zal het velen van hen zijn gegaan, die ook nu weer met mij bij de Synode op het terhandnemen van de regeling des beheers hadden aangedrongen.

1

S. H. '94, bl. 530.

2

Zie b. v. Ev. Zondagsbl. van 2 Sept. 1894.

ocr page 16

8

Al dadelijk viel iu de wijze, waarop dat besluit door de rappor-teerende commissie voorbereid en daarna door de Synode genomen was, een en ander op te merken, dat onze hoop op een bevredigend resultaat aanmerkelijk temperde, ja zelfs ons met zekere vrees voor teleurstelling vervulde.

Lag aan bet besluit der Synode eene besliste overtuiging aangaande de alles bebeersebende rechtsvraag ten grondslag? Waren alle leden der meerderheid vast verzekerd van liet recht der Synode te dezen, en mitsdien diep doordrongen van het besef, dat gebiedende plicht haar tot doortasten moest nopen?

Men kon dit volstrekt niet met zekerheid zeggen. Daarentegen schenen enkele omstandigheden op iets zwevends en wankelends in dit opzicht te wijzen; terwijl een zekere gejaagdheid, een ietwat haastig doordrijven, eigen aan alle opportunisme — waaraan uit den aard der zaak de kracht en de kalmte ontbreken, die alleen door klaarheid en vastheid van beginselen kunnen worden verkregen — niet te loochenen viel.

Er was geadviseerd om een voorstel aan te nemen, waarvan toch ieder voelen moest, dat het alleen op grond van besliste verzekerdheid omtrent de bevoegdheid der Synode kon worden genomen.

Nochtans zou — dus werd verhaald — de quaestie van die bevoegdheid buiten debat en onbeslist worden gelaten!

Wat moest men daarvan maken, en wat zou daaruit voortkomen?

Bovendien zou, naar men vrij luide fluisterde, het beraamde plan ten slotte moeten leiden tot eene poging om de Regeering in den arm te nemen, zoodat zelfs de geheele zaak van hare bereidvaardigheid om orde op zaken te helpen stellen, zou afhangen.

Moest men niet al dadelijk vreezen, dat het met het rechtsbewustzijn in de Synode niet geheel in orde was, en dat zulk een beleid niet enkel zou voeren op een verkeerd spoor, maar ook zelfs de geheele onderneming van meet aan der mislukking zou prijsgeven?

En wat eigenlijk de bedoeling was, welken toestand men eigenlijk wenschte in het leven te roepen — ook daaromtrent kon men niet recht wijs worden.

Het heette, dat het bestaan in de Kerk van een imperium in imperio verhinderd, de bestemming der kerkelijke goederen gecodificeerd, en het gebruik dier goederen ad pios usus volkomen verzekerd zou worden. Doch tegelijk vernam men, dat aansluiting aan de ,bestaande Organisatie'' op den voorgrond werd gesteld, en dat de zoogenaamde

ocr page 17

9

medewerking met het „Algemeen Collegequot; in vollen gang blijven, ja zelfs ditmaal een buitengewonen omvang verkrijgen zou.

Geen wonder, dat velen niet wisten, wat ze daarvan moesten maken, en vreesden, dat zelfs de kundigste mannen er niet in zouden slagen, de samenkoppeling van die twee tegenstellingen gclnkldg tot stand te brengen.

Menigeen was dus, reeds op grond van hetgeen uit de Vergadering der Synode openbaar werd, lang niet gerust.

Hebben later de Synodale Handelingen hun wankelend vertrouwen versterkt en hunne hoop op eene bevredigende uitkomst verlevendigd V Ik vrees van niet. Althans mij is het anders gegaan. Na aandachtige lezing van alles wat onze nauwkeurige Secretaris betreffende deze zaak heeft aangeteekend, bleef er bij mij nagenoeg geene hoop meer over, dat de beheerszaak in dit jaar iets verder zou komen, terwijl ik zelfs meende te moeten vreezen, dat ze ten slotte blijken zon, verder dan ooit van de zoo gewenschte en noodigc afdoening verwijderd te zijn.

Inderdaad, in de wijze, waarop het besluit der Synode voorbereid en door haar genomen is, en in dat besluit zelf met de opdracht waartoe het leidde, lag veel, dat ernstige bedenkingen wekken en met groote bezorgdheid vervullen moest.

Zonderling was het al dadelijk, dat het moderamen der Synode een voorstel ter tafel bracht tegenover dat van mijne geestverwanten en mij, terwijl met het zijne ten principale toch niets anders kon worden bedoeld, dan wat als hoofdzaal', als princi.iëel punt, in het onze op den voorgrond was gezet.

Wij verzochten der Synode; in beginael te besluiten de regeling van het beheer terhand te nemen en dan deswege eene opdracht te geven.

Het moderamen stelde voor; eene opdracht te geven tot het ont-werpen van een lieglement op de regeling van het beheer.

Welnu, wat was dat ten aanzien van de groote hoofdzaken anders dan hetgeen wij verlangden?

Wilde de Synode geen verstoppertje spelen, maar flinkweg met een hoofdbeginsel voor den dag komen, dan moest een besluit conform het voorstel van het moderamen in zich sluiten; het besluit om de regeling van het beheer terhand te nemen.

Dat het moderamen een reglement op de regeling van het beheer voorsloeg, was wel geen onverschillige zaak en hing nauw samen met andere hoogst bedenkelijke overwegingen; maar ieder inoet toegeven,

ocr page 18

10

dat liot ten aanzien van het principiëele punt hoegenaamd geen ver-scliil maakte. Want lastgeven tot het ontwerpen van een reglement op de regeling van het beheer — welke bezwaren daartegen ook overigens bestaan — is toch evenzeer als de opdracht om een reglement op het hehccr te ontwerpen, een terhand nemen van de regeling des beheers.

Ware het dat niet, dan weet ik niet wat het anders zou wezen dan eene zinledige phrase, of, erger nog, een zeer berispelijk spelen met woorden en zaken.

En zóó iets heeft noch het moderamen noch de Synode gewild!

Men had diensvolgens ons voorstel, wegens het daarbij op den voorgrond gestelde beginsel, kunnen en m. i. moeten steunen; terwijl voorts al hetgeen men in de te geven opdracht ten aanzien van den weg, langs welken het vooropgestelde beginsel verwezenlijkt zou moeten worden, anders wilde dan wij, door amendeeriug van ons voorstel had kunnen worden verkregen.

In elk geval was het niet logisch bij volkomen overeenstemming wat de hoofdzaak betreft een voorstel tegenover het onze te plaatsen, gelijk nu is geschied. Dat moest op verwarring in de beoordeeling van de zaak in haar geheel, en ten slotte op eene onzuivere stemming uitloopen.

Wat dan ook inderdaad is gebeurd.

Mogelijk heeft het moderamen willen trachten de quaestie van de bevoegdheid der Synode ter zijde te laten, en daarom een besluit willen uitlokken, dat minder principiëel of radicaal scheen te zijn, dan hetgeen wij bedoelden. Er is wel eenige grond om dit aan te nemen, zooals ons nader blijken zal.

Dan echter heeft men niet enkel zich overgegeven aan eene illusie, maar tevens de Vergadering met haar zelve in tegenspraak gebracht, en haar gevoerd op een weg van onzekerheid en verwarring, die tot onberekenbare schade voor de zaak, welke men wilde dienen, kan leiden.

Wanneer eerlang deze vrees gegrond zal blijken, dan zullen de voorstellers de eersten zijn om dat te betreuren.

Want, dat zij uit warme belangstelling in het welzijn der Kerk met hunne wenschen zijn opgetreden, staat vast voor iedereen, die hen kent, en blijkt bovendien zonneklaar uit hunne memorie van toelichting — afgezien van hetgeen daarin tot ernstige bedenking aanleiding geeft.

Dat zij met zoo krachtigen nadruk de Synode tot onmiddellijk

ocr page 19

11

handelen aanspoorden, doet den volhardenden strijders voor eene kerkelijke beheersregeling goed, wanneer zij voor een oogenblik daarbij alleen zich bepalen. Inzonderheid wanneer zij bedenken, dat één dier mannen nog in 1893 het handelend optreden van de Synode, dat nu zoo volstrekt noodig wordt geoordeeld, mede heeft tegengehouden.

Evenwel juist uit dezen hoofde vind ik in den toon hunner memorie van toelichting iets, dat — ik moet het eerlijk uitspreken — mijne sympathie wel een weinig vermindert.

„Deliberante Senatii, perit Sagnntmi''1 — zóó luidt haar aanhef — „zal dit gevleugelde woord, misschien in betrekkelijk korten tijd, toegepast moeten en kunnen worden op de Synode? Jaar in jaar uit immers maakt zij van hare bevoegdheid tot regeling van het Beheer, het onderwerp van langdurige beraadslaging. Toch wijzen de teekenen des tijds met steeds toenemenden ernst op liet gevaar, dat onze Kerk bij het ontstaan van de nieuwe toestanden, die in aantocht zijn, onvoorbereid zal worden gevonden en machteloos om den storm het hoofd te bieden, welke over haar hoofd zal losbarsten.

Wie ook de zware verantwoordelijkheid van dien toestand moge willen aanvaarden, niet wij.quot; Enz. enz. i)

Uitnemend! — namelijk in den mond van lien, die jaar in jaar uit getracht hebben, met schriftelijke en mondelinge pleidooien, do tegenstanders van de kerkelijke regeling des beheers te overtuigen van hun onrecht en van het gevaar voor de Kerk uit hun obstruc-tionisme geboren.

Eerst in 1893 is het mogen gelukken eene belangrijke kentering ook in den boezem der Synode teweeg te brengen.

Doch ook toen nog bleef de eerste onderteekenaar van genoemde memorie, de heer Perk, tot de tegenstanders behooren.

En nu is het wel een weinig bevreemdend op dien ietwat hoogen en bestraffenden toen óók den man te hooren spreken, die jaren achtereen heeft medegewerkt om den verwarden toestand te bestendigen ;

die nog in 1893 gemeend heeft te mogen beweren, dat te Gent „de gemeente geen cent te kort is gekomen tengevolge van het wanbeheer van een ontrouwen Kerkvoogdquot; -), — eene bewering die

1

Syn. Hand. '94, bl. 530 — 533.

ocr page 20

12

in de vergadering der Synode niet eene mededeeliug van merkwaardige feiten is weersproken i).

In 1893 wilde de lieer Perk de zoogenaamde „liistorisclie lijnquot; niet afbreken -)

Thans ziet hij het gevaarlijke van die „lijnquot; in.

Ik verheng mij daarover. Doch het ware, meen ik, rechtvaardiger en meer naar den eisch der bescheidenheid geweest, indien hij nu niet had gesproken alsof zij, die volhardden in het aandringen op eene kerkelijke regeling, en niet veeleer hijzelf met degenen die, als hij, zich daartegen hadnekkig bleven verzetten, de oorzaak waren van dat jarenlang delibereeren zonder positief resultaat!

„Tegenover de toekomst, die met rassche schreden nadert, willen wij staan met eene onergerlijke consciëntiequot; — aldus spreekt, in gemelde memorie, óók de heer Pkkk.

Welnu, wij willen hetzelfde. Doch tegenover de vrij scherpe verwijten tot den Senatus deliberans gericht, meen ik te mogen zeggen, dat de kansen op eene onergerlijke conscientie te dezen niet minder goed staan voor degenen, die tot in 1893 door den heer Perk zijn bestreden.

Er ia nog meer zonderlings, zoowel in de wijze van optreden van het moderamen als in den verderen gang dezer zaak in de Synode.

Ik zeide boven niet te veel, toen ik het voorstel van het moderamen beschouwde als tegenover het onze ingediend.

Dat ile voorstellers het zóó hebben bedoeld en de rapporteerende commissie, zoowel als de Synode, het in dezen zin opgevat en behandeld heeft, blijkt duidelijk uit de adviezen en besluiten te dezer zake in de Acta Synodi vermeld.

Immers, wat is er gebeurd?

Do rapporteerende commissie heeft geadviseerd, en op voorstel van den President heeft de Synode besloten, af te wijzen: „het voorstel van den Hoogleeraar Cansegieter c. s. en van verschillende adressanten, om om in beginsel te hesluiten de regeling van het heheer ter-hand te nemen 1) en eene commissie van eenige deskundigen te benoemen om eene regeling van het beheer te ontwerpen.quot; 2)

1

Ik cursiveer.

2

S. 11. '94, bl. 534, 5G3.

ocr page 21

13

Nu vraag ik allereerst, waarom èu de adviseorende commissie en de Synode het principiëele, alles belieerscliende punt in onze voorstellen niet als zoodanig op den voorgrond hebben gelaten, zooals wij het daarop hadden geplaatst. Zoowel in de beraadslagingen als bij de beslissing had het groote beginsel moeten worden onderscheiden, — en tot op zekere hoogte ook a/gescheiden —- van hetgeen in onze voorstellen enkel de icij.ze van uitvoering betrof.

Doch in plaats daarvan heeft men alles saamgekoppeld en daaromtrent één en hetzelfde besluit uitgelokt en genomen.

Daargelaten nog, dat dit hoogst onrechtvaardig was — deze onlogische handelwijze moest tot verwarring in het oordeel en tot onzuivere resultaten leiden.

Men had alleen dan alles wat wij vroegen met één besluit mogen afwijzen, wanneer men volstrekt niets in den geest van het door ons aanbevolene wilde doen.

Nu echter heeft men zich in zonderlinge tegenstrijdigheden gewikkeld.

Want niet enkel had men afgewezen ons verzoek: om de naast voor de hand liggende voorbereidende uitvoering van het beginsel op te dragen aan eene speciale commissie; maar ook dat beginsel zelf was verworpen door de weigering: om in beginsel te besluiten de regeling van het beheer terhand te nemen.

Daardoor was nu immers metterdaad elk voorstel vervallen, dat strekken moest om de Synode tot regeling van het beheer — hoe dan ook ■— te bewegen.

En nochtans, een oogenblik nadat bepaald was: geen principieel besluit tot terhandneming van de regeling van het beheer —- besloot de Synode op advies der commissie en volgens des Presidents raad; aan de Syn. Comm de opdracht te geven tot het ontwerpen van een reglement op de regeling van het beheer.

Lag daaraan misschien geen alles beslissend beginsel ten grondslag? En, zoo ja, welk ander beginsel kon dat dan zijn, dan het door ons vooropgestelde, maar door de Synode pas verworpene: de Synode zal (krachtens hare bevoegdheid) de regeling van het beheer terhand nemen ?

Waarin ligt dan nu toch het wezenlij lie, principiëele verschil tnsschen het voorstel van het moderamen en het onze? Ik kan het nergens ontdekken. Niemand heeft het, blijkens do Syn. Handl, gezien of aangetoond. En toch heeft het moderamen zijn voorstel als een

ocr page 22

14

tegenover het onze staaude bedoeld. De adviseerende commissie heeft van „een principieel verschilquot; tusschen dat en het onze gesproken !) ofschoon zij in gebreke bleef iets daarvan aan te toonen. Eu de Synode heeft er zich geene rekenschap van gegeven, dat hier in stede van principieel verschil de meest mogelijke éénheid bestoud op 't stuk vau het aUerprincipiëelste, éénheid in het wezenlijke en beslissende beginsel.

Zoo is de Synode door gemis van klare voorlichting en van juiste onderscheiding op den gevaarlijken weg van verwarrende tegenstrijdigheden gebracht.

Want, nog eens, de hoofdzaak was: terhandnemincj van de regeling ran het beheer.

Die hoofdzaak is eerst verworpen, en daarna, zonder dat de Vergadering op dat eerste besluit is teruggekomen, vastgesteld.

Immers, eene opdracht geven tot het ontwerpen van een reglement te dezer zake, dat is de regeling daarvan terhand nemen.

Al het andere was betrekkelijk ondergeschikt, als betreffende den modus quo, den weg, die ter verwezenlijking vau het in beginsel aangenomen plan zou moeten worden gevolgd.

Betrekkelijk ondergeschikt was het dus ook, dat de Synode, conform het voorstel van het moderamen en der commissie van advies, de voorkeur gaf aan de Synodale Commissie, boven eene speciale commissie, die wij weuschten.

Intusschen was dit betrekkelijk ondergeschikte toch wel degelijk van belang.

Juist bierdoor te meer werd veler, en ook mijne, ingenomenheid met het besluit der Synode vrij wat getemperd.

Waarom moest de opdracht aan de Synodale Commissie worden gegeven ?

Er is gezegd, dat „daarmede niet alleen meer de kerkelijke, maar ook de kortste wegquot; was aangewezen; terwijl tevens werd ondersteld, dat deze weg zekerder leiden zou tot éénheid in het te ontvangen advies 1).

Meer de kerlcelijlce weg? Dan toch ook maar alleen in dezen zin, dat de Syn. Cie. een vast en bij de wet omschreven college is. Doch

1

S. H. '94, bl. 535, 534.

ocr page 23

15

zijn andere commissiën, zooals er nu en dan worden benoemd — b.v. nog in 1893 ter zake van de regeling der examina enz., en tot samenstelling van een Liederenbundel — dan toch niet ook, als de Synode haar benoemt, kerkelijke commissiën?

Die overweging had dus geene werkelijke waarde. Bovendien is er veel vóór te zeggen, dat men niet altijd en in alles zich bindo aan dat vaste College, dat immers uit den aard der zaak, volgens art. 70 Alg. Regl., reeds zooveel te doen heeft, en welks leden tocli ook zeker niet allen voor alle denkbare zaken evengoed berekend zijn.

Maar — was het dan niet ten minste de kortste weg?

Wel neen, ook dat niet. Het is mij een raadsel hoe men dat heeft kunnen meenen. Had men dan niet in onze adressen gelezen, dat wij een Ontwerp-Reg lemen t wilden gereed zien vóór 1 Juli 189.rgt;, om in de Vergadering der Synode van dit jaar te worden behandeld ?

Evenwel, —■ de nu ingeslagen weg was dan toch waarschijnlijk de doelmatigste en bood zeker grooter kans aan op éénheid in het advies?

Men heeft zich inderdaad aan deze illusie hoopvol overgegeven, gelijk blijken kan uit de schrikbeelden, die te dezen opzichte van eene speciale commissie zijn gemaakt!). Het ware anders gemakkelijk genoeg geweest van te voren het volstrekt ijdele van die illusie in te zien, terwijl juist langs onzen weg met grond de géwenschte eenparigheid mocht worden verwacht.

Immers wij wilden eene commissie van deshevocgden, van mannen, zoowel der zake kundig, als ook door den aard hunner overtuiging in dezen in staat om eene kerkelijke regeling te ontwerpen.

Waren echter de, immers ten aanzien van deze zaak toevallige, leden der Synodale Commissie — wier bekwaamheden overigens buiten beoordeeling blijven — bij uitnemendheid aangewezen voor een wetgevenden arbeid, als die hier werd bedoeld?

En — wat zeker ook wel diende overwogen te zijn — waren zij homogeen in principiëele overtuiging omtrent de rechtsvraag, die de quaestie der beheersregeling beheerscht?

Men wist toch wel beter!

Maar hoe heeft men dan in den waan kunnen verkeeren, dat van de Synodale Oommissie geene „geheel tegenstrijdige adviezenquot; zouden inkomen?

De altijd, en ook hier, zoo wenschelijke éénheid tusschen over-

1) S. H. '94, bl. 534.

ocr page 24

16

weging eu besluit, ontsnapt aau miju oog. En zoo is liet mij ook gegaan toen ik vernam, dat de Syn. Cie. de ontvangen opdracht ten fine van advies had gesteld in handen van de heeren Perk, de Kanter

en — pljnvandraat.

Green tegenstrijdige adviezen! —- dat was de bedoeling. Maar nu wist men toch wel dadelijk, wat daarvan zou komen.

Wie kan hier iets bemerken van een vaste hand, van een welberaden: weten wat men wil?

Moet hier wijs beleid worden geroemd, dan ligt het natuurlijk aan mij, dat ik daaraan niet kan meedoen.

Trouwens, het rapport van genoemde heeren heeft alle illusiëu in dit opzicht reeds geheel en voorgoed weggevaagd.

Wat de rapporteerende commissie in de Synode van '94 ten onrechte vreesde van ons voorstel, dat kan nu reeds met zekerheid van den arbeid der Synodale Commissie worden gezegd, nl. dat de Synode rgeheel tegenstrijdige adviezen zal ontvangen, waardoor de zaak zelve geen schrede vooruit wordt gebrachtquot; ]).

Zoo zal die „kortste wegquot; blijken de lanyste, en bovendien volstrekt ondoelmatig te zijn; terwijl de Synode ten slotte toch den door ons aanbevolene zal moeten inslaan.

Maar — dan is er, helaas, alweder een kostbaar jaar ongebruikt voorbijgegaan!

Indien nog maar alleen — ongebruikt!

Doch er is wel eenige reden om erger te vreezen.

Gejaagdheid, opportunisme en onklaarheid van rechtsbewustzijn hebben aan de zaak der beheersregeling al zóóveel kwaad gedaan, dat de Synode zich te dezen wel beter had mogen beraden, dan ze ook nu weer heeft gedaan.

Laat mij nog wijzen op deze drie punten:

1. het in 't midden laten van de bevoegdheid der Synode ;

2. het uitzien naar de hulp van de Regeering om de verlangde kerkelijke wet tot stand te brengen;

3. het vooropstellen van aansluiting aan de bestaande organisatie.

1. De rapporteerende commissie, en met haar de Synode, heeft de quaestie van de bevoegdheid ter zake van het beheer buiten het debat en bijgevolg in het midden gelaten.

1) S. H. '94, bi. 534.

ocr page 25

17

Dat is, evenals het beleid van de meerderheid der commissie u,d hoe en der Synode van 1893, eene miskenning van het gewicht der zaak van de beheersregeling, waarbij het toch allereerst aankomt op een stevigen rechtsgrond en op eene besliste verzekerdheid daaromtrent.

In verband met het besluit, dat onder deze omstandigheden werd genomen, getuigt dat voorbijgaan van de vraag der bevoegdheid hetzij van gemis aan kalm overleg, dat eerst de fondameuten doet leggen alvorens men gaat bouwen, hetzij van gebrek aan helder doorzicht, zoo onmisbaar waar het alleen na goed beraad tot eene kloeke daad kan komen.

Alsof het geven van eene opdracht om een reglement op het heheer te ontwerpen — zon het niet een ij del vertoon of een gewaagd spel zijn — anders mogelijk ware, dan op den grondslag van wél verzekerde en stellig erkende bevoegdheid in dezen!

Wij kunnen moeielijk onderstellen, dat de leden der Synode dit zelf niet zouden hebben ingezien. En aan den anderen kant is hun ernst ons ten waarborg, dat zij noch een ijdel vertoon, noch een gewaagd spel hebben bedoeld.

Doch waarom dan niet het allergewichtigste, in plaats van het op zijde te schuiven, nadrukkelijk en voor iedereen verstaanbaar op den voorgrond gezet'l

Misschien zal men zeggen: de Synode was niet van zins het heheer zelf, maar de regeling van het beheer te reglementeeren.

Welnu, dit is mij niet ontgaan. Ik sprak er reeds over in ander verband !) Ook hier wordt mijne redeneering in geen enkel opzicht er door verzwakt; — wat ik nader wil aantoonen

Beschouwen wij vooraf nog de bedoelde formule van het voorstel en der gegeven opdracht geheel op zich zelf, dan blijkt ook daarin ieïs zonderlings te liggen, dat beslist moet worden afgekeurd.

Een reglement op de regeling van het beheer wilde de Synode hebben? Hoe nu? Hebben we dat niet reeds in ons Algemeen Reglement? Gelden hiervoor niet in het algemeen de duidelijk om-schrevene en wettig vaststaande bepalingen omtrent het wetgevend gezag in de Kerk, en daarnevens, of liever in samenhang met deze, in het bijzonder de bepaling van art. G5, al. 2? En wat verder den gang der wetgeving in onze Kerk, het totstandkomen van alle

1) Bldz 9, 10, 13, 14.

2

ocr page 26

18

kerkelijke regeliugeu betreft, laten art. G2 en de slotbepaling van het Alg. llegl. dienaangaande eenige onzekerheid over?

Mij dunkt, aan geldige en afdoende regelen voor de regeling van het beheer ontbreekt het ons niet. Eu zóó toch oordeelde ook de meerderheid der Synode. Zoo moest zij oordeelen, toen zij besloot de regeling van het beheer terhand te nemen i).

Anders ware haar besluit de meest roekelooze onzinnigheid zelve.

Neen! een regiem nt op de regeling van het beheer bezitten we gelukkig wél. Doch de regeling zelce missen we nog.

En daarom moeten we die nu eindelijk eeus langs kerkelijken weg hebben; •—• een reglement op het beheer; niets anders, maar ook niets minder dan dat!

Waarom dan nu toch niet dit, maar een reglement op de regeling van het beheer verlangd?

Eerst zal men hier liefst aan eene vergissing denken. Maar, als men gaat letten op een en ander, dat daarnevens in het voorstel, in de memorie van toelichting en in de opdracht voorkomt, dan schijnt de gewraakte zonderlinge formule nog iets anders te zijn dan eene gebrekkige uitdrukking, en eene zeer bepaalde bedoeling aan te duiden. Bedrieg ik mij niet, dan is het deze: Tde bestaande Organisatiequot;, waarvan de opdracht spreekt, op een kerkelijken grondslag te zetten en daardoor wettig te maken.

Hierover nader.

In dit verband wil ik alleen opmerken, dat óók bij deze bedoeling de stellige zekerheid van de bevoegdheid der Synode vooraf vast moest staan.

Zal toch de Kerk gezag verleenen, dan moet zij zelve dat gezag bezitten. Anders kan door de Kerk of in haren naam niets worden quot;gedaan, dat eenige rechts waarde kan hebben.

Derhalve, óók indien men bepaaldelijk de zoogenaamde „bestaande organisatiequot; heeft willen reglementeeren, blijft het even bedenkelijk, dat de bevoegdheid der Kerk — en uit dien hoofde: der Si/nod/ — om in dezen handelend op te treden en door te zetten, niet opzettelijk en onomwonden is uitgesproken.

De rapporteerende commissie en de Synode mogen met die onlogische onthouding het zich vrij wat gemakkelijker hebben gemaakt — evenals in '93 de toenmalige meerderheid dat deed — toch was het

1) Vrgl. boven bl. 9, 10.

ocr page 27

19

een onpractisclie en zeer gevaarlijke maatregel. Want zulk eene allosbeheerselieude qnaestie laat zich niet in een hoek dringen. Zij komt zeker terug; en dan misschien om te kwader ure alles in dingen te doen vallen, door het gemis van een met beslistheid gekozen in rechte bestaanbaar punt van uitgang.

Eén van tweeën: óf de Synode moet de handen van de beheersregeling afhouden, en dan kan zij de vraag der bevoegdheid laten rusten; óf zij moet de beheersregeling terhand nemen, maar dan behoort zij stellig en zeker overtuigd te zijn, dat dit haar recht en haar plicht is, en dan ook kloek, onomwonden en klaar dit te zeggen.

Immers, alleen hare in de statuten der Kerk gewortelde en onbetwistbare wetgevende bevoegdheid kan kracht en duurzaam bestand geven aan hetgeen tot regeling van het beheer van haar zal uitgaan.

Met onzekere maatregelen zal zij er zeker niet komen. Een systeem van geven en nemen, dat reeds menigmaal in de Kerk onheil baarde, is ook hier ongetwijfeld noodlottig. Nu men de vraag van de bevoegdheid der Synode ontweken, en nochtans een besluit genomen heeft, dat enkel met eene stellige overtuiging te dezen aanzien bestaanbaar is, nu heeft men van het gewichtigste eene soort van reservatio mentalis gemaakt. En dat is eene ernstige fout, die zich later schrikkelijk kan wreken.

In elk geval wekt zij al dadelijk liet vermoeden van onzekerheid juist ten opzichte van hetgeen men voor volkomen zeker moet houden, zal men het mogen wagen eene zoo belangrijke zaak als de regeling van het beheer er op te bouwen.

2. En inderdaad, het schijnt dat de klaarheid en de vastheid van overtuiging in dezen bij de voorstellers te wenschen overlieten. Hunne memorie van toelichting deed het maar al te duidelijk uitkomen, dat bij hen eigenlijk alle hoop ten slotte was gebouwd op den steun van het Staatsgezag. Zij verzekerden der Synode er op te durven rekenen „dat de Regeering gaarne zal medewerken om ter voorbereiding der dingen, die komen kunnen, de Kerk in het tot stand brengen van eene behoorlijke organisatie te helpenquot; !)

Zóó stuurde het moderamen reeds dadelijk in geheel verkeerde richting. Vrij natuurlijk is het dus, dat de heer Perk met den heer uk Kantek in denzelfden koers voortging. De memorie van toelichting

1) Syd. Hand, '94, bl. 532. De cursiveering is vim mij.

ocr page 28

20

dezer beide heeren bewijst zonneklaar, dat gevoel van eigen kracht (d. i. hier van het recht en de daarin gelegen kracht der Kerk) huu ontbreekt.

Zij stellen de geheele zaak eenvoudig afhankelijk vau de medewerking der Regeering.

Waarheen gaan wij op die wijze weer terug?

Nog altijd, helaas, dezelfde verbijstering, die de Kerk zoozeer heeft belemmerd om hare vrijheid en haar recht te gebruiken zooals haar toekomt, zonder altijd weer om te zien naar de hulp der Hooge Regeering!

Omtrent dit punt heb ik nog een en ander te zeggen. Doch ik acht het doelmatiger hierop terug te komen na de behandeling van het ontwerp der geuoemde heeren.

3. Bij dat alles, wat ernstige bezorgdheid moest wekken bij hen, die eerst met zekere vreugde het besluit der Synode hadden begroet, kwam nu nog het bedenkelijke van een der ,grondslagenquot;, waarop, naar dat besluit, het te maken ontwerp zou moeten berusten.

De hier bedoelde fout kwam reeds nu en dan even ter sprake. Dat het inderdaad eene fout is, zal, meen ik, moeielijk kunnen worden ontkend.

Ik laat nu daar, dat men liever niet van grondslagen, maar van beginselen had moeten spreken, — wat immers alleen de bedoeling kan zijn geweest.

Of — zouden de voorstellers en de Synode werkelijk aan grondslagen in den eigenlijken zin des woords, en dan vooral wat den derden betreft, hebben gedacht?

Men zou dit haast zeggen, als men ziet wat de heeren Peek en de Kantee hebben ontworpen, en wat zij, blijkens hunne memorie van toelichting, van de opdracht der Synode hebben gemaakt. Want bij hen is de derde dier ,grondslagenquot; dermate de voornaamste geworden, dat van de vierde in 't geheel niet gerept is, en van de eerste twee niets wezenlijks is overgebleven. Wat nader blijken zal.

Die derde „grondslagquot; was: aansluiting, zooveel mogelijk, aan de

bestaande Okgaxisatie.

Waarom nu al dadelijk weer die zoogenaamde „organisatiequot; op den voorgrond gesteld?

die organisatie, die in den tijd van verwarring en verbijstering, ja wél uit goeden wil, doch tevens uit misverstand is geboren, en vervolgeus zonder eenigen rechtstitel door usurpatie in stand is gehouden ?

die organisatie, wier werking alles behalve gezegend is geweest voor

ocr page 29

21

meer clan eéue gemeente? en die, van haar eerste optreden af, door aanmatiging en halsstarrig vasthouden aan eenmaal veroverde positie, alle pogingen om eene in rechte bestaanbare kerkelijke regelitg te verkrijgen, heeft weten te verijdelen?

Mocht de Synode de kerkelijke regeling, waartoe dan toch na besloten was, in dezer voege van meet aan vastmaken aan een naar oorsprong, aard en (ten deeie ook naar) werVuig zoo onkcrkclijl: instituut V

Wist zij dan niet, dat er in de Kerk eene breede groep is, die geen schijn of schaduw van een imperium in imperio langer wil, maar de zuiver kerkelijke zaak van het beheer geheel kerkelijk geregeld eu op kerkelijke leest geschoeid wenscht te zien ?

De Synode zelce kou in de gegeven omstandigheden, bij zóóveel verschil van gevoelen en wegens zóó groote onzekerheid op 'tpunt van beginselen te dezer zake, zich onmogelijk goed beraden ten aanzien van een zoo bij uitstek principieel punt. Doch juist daarom had zij wel mogen overwegen, of het wel aanging harerzijds een eisch te stellen van zulk eene buitengewone principiëele beteekenis.

Dat zij de beslissing hieromtrent niet aan de Synodale Comiissie wilde overlaten is te begrijpen.

Evenwel voornamelijk om dezelfde redenen, waarom de Synode zelve, in de toen gegeven omstandigheden, hare ongeschiktheid tot kalm beraad en tot eene wél overwogene keuze had moeten beseffen.

Eene ernstige reden te meer om niet aan de Synodale Commissie, maar aan eenige bepaaldelijk daartoe uitgekozene desbevoegden de zoo gewichtige en moeielijke taak van het ontwerpen eener kerkelijke regeling op te dragen; — een maatregel, waartoe de Synode nu tóch zal moeten besluiten, wanneer het haar zal blijken, dat van de nu gegevene opdracht niets bruikbaars terecht kon komen.

Thans echter is eene wijze van regeling door de Synode voorgeschreven, zonder dat door haar, of in haren naam en te haren behoeve door anderen, rijpelijk was overwogen, welke wijze van regeling het meest met de natuur der zaak en met de beginselen van ons kerkrecht in overeenstemming zou zijn, en bovendien de beste waarborgen voor de veiligheid en het goed gebruik der kerkelijke goederen zou opleveren.

Waarom dan toch heeft de Synode dien eisch gesteld?

Het vermoeden ligt alweder voor de hand, dat men, innerlijk onzeker omtrent de groote rechtsvraag, die „bestaande Organisatiequot; heeft willen ontzien.

ocr page 30

22

„De nieuwe organisatiequot;, zeggen de voorstellers, !),moet zóó ingericht zijn, dat zij gemakkelijk kan worden aanvaardquot;.

Natuurlijk is dit op zich zelf zeer waar. Doch het allervoornaamste is toch dit: de nieuwe organisatie moet goed zijn, op een stevigcn rechtsgrond steunen, doelmatig wezen, en dus: zij rnoct ilieneii om het kerkelijk gezag in deze kerkelijke zaak in staat te stellen de kerkelijke goederen der gemeenten voor hunne bestemming te bewaren en dienovereenkomstig te doen gebruiken.

En dan, natuurlijk, hoe gemakkelijker te aanvaarden, hoe beter.

Doch als de nieuwe regeling maar werkelijk goed ware in den boven aangegeven zin, welk wezenlijk heztraar zou dan tegen de aanvaarding en de invoering in den weg kunnen staan? Geen enkel! Indien dan maar de kerkelijke Besturen vastberaden en kloek hun plicht deden.

Men vreest zeker verzet van de zijde dier „bestaande Organisatiequot;. Maar dat zal er tóch komen, tenzij de Kerk die organisatie geheel de vrije hand laat. En boe meer men nu die vreemde macht naar de oogen heeft gezien, des te verlegener en machteloozer zal meu staan tegenover het verzet, dat zij wel weer gelijk vroeger zal helpen in 't leven roepen.

Men kan het betreuren, dat de Kerk in deze groote moeielijkbeden zit. Doch dat treuren helpt niets. De verwarring is er. En alle onderhandeling met eene organisatie, die niets met de Kerk te maken heeft, is verderfelijk, en buitendien reeds gebleken vruchteloos te zijn.

Alleen het recht der Kerk kan haar tot zuivere toestanden brengen. Wordt dat recht betwist, welnu — dan moet de reehter beslissen.

Daarom te meer is het zoo jammer, dat de Synode zich niet heeft kunnen losmaken van dat traditioneele ontzien van de „bestaande Organisatiequot;.

Dit lag echter maar al te zeer op de zoogenaamde „historische lijnquot;, die velen maar niet willen afbreken.

Toch is die lijn enkel in dezen zin historisch, dat zij de dwalingen aanwijst, waartoe menschen in eene periode van omkeering en verbijstering kunnen komen.

Juist dat altijd weer allereerst rekenen met de „bestaande Organisatiequot;, die zich aanstelt als ware zij „meesteresquot; in „eigen huisquot;, en met hooge majesteit front maakt tegenover de Kerk en bare

1) S. H. '94, bl. 532.

ocr page 31

Besturen — dat heeft de geesten jarenlang zoo verduisterd en de eenige normale oplossing der hangende quaestie tegengehouden.

Hiermede is natuurlijk niet gezegd — wat ik dan ook volstrekt niet a priori zou willen beweren — dat in de beheersregeling, die de Kerk moet verkrijgen in 't geheel geene elementen van de thans bestaande zoogenaamde „Organisatiequot; zouden moeten worden opgenomen.

Doeli dit is eene vraag, die vooraf de meest ernstige en degelijke overweging vereischt, en door de Synode niet maar eenvoudig had mogen worden uitgemaakt, in voege als zij het door hare conditio sine qua non heeft gedaan.

Men zal misschien zeggen, dat vooraf als tweede ,grondslagquot; was aangegeven: „verhindering, dat ten opzichte van het Beheer in de Kerk een imperium in imperio bestaquot;.

Welnu, dit vergeet ik niet, en ik waardeer dit beginsel, op zich zelf genomen, in hooge mate.

Doch juist de samenkoppeling van dat derde beginsel met dit tweede, geeft m. i. volkomen recht om te beweren, dat men zich niet voldoende rekenschap heeft gegeven van hetgeen aldus werd geoischt.

De derde voorwaarde toch moest wel, bij de pogingen om aan de tweede te voldoen, nopen tot eene methode van aanpassen, van plooien en scliikken, waardoor kwalijk iets anders dan een tweeslachtig plan zonder éénheid zou kunnen worden ontworpen. Want het wezen van de „bestaande Organisatiequot; is juist hierin gelegen, dat zij een imperium in imperio is en krachtens haren aard van meet aan zich vierkant tegenover alle gezag van de Kerk en liarer organen heeft gezet. Zoodat er alleen mee te handelen viel als haar gezag geheel ongemoeid bleef, terwijl zij ook zelfs dan nog menigmaal de vertoogen van kerkelijke Besturen heeft beantwoord met een: wij achten, dat deze dingen u niet aangaan (men denke o. a. aan Zutphen).

Zou de Synodale Oommissie de kunst verstaan, dat imperium in imperio op zijde te schuiven en het nochtans in wezen te laten?

Wij moeten dit nog afwachten. Doch zeker is het alvast — gelijk blijken zal ■— dat de heeren Peek en ue Kastee te vergeefs hunne krachten aan zulk heksenwerk hebben beproefd.

Hoezeer men, bij het opzetten van het stoute plan om last te geven tot het ontwerpen van eene kerkelijke regeling, schroomvallig het oog gericht hield op het Algemeen College, blijkt zonneklaar uit het feit, dat men nochtans voortging met te doen alsof die „bestaande

ocr page 32

24

Organisatiequot; een instituut ware, waarmede liet hoogste Kerkbestuur als zoodanig te rekenen had, alsof het Algemeen College het wettig orgaan ware van het gezag op het gebied des beheers!

Naar den wil toch van het Algemeen College, hutten de lierkehjke wet om, dus zonder eenige bevoegdheid van de Synode als zoodanig — en nu in strijd met hef beginsel van het genomen besluit — wees de Synode alweder een lid voor dat College aan. Zelfs benoemde zij ditmaal een tweede lid, om in naaui der Synode in het zoogenaamde dubbele Algemeen College mede te werken tot de vaststelling van het inmiddels gewijzigd reglement o/i het beheer van die „bestaande Organisatiequot;.

Begrijpe dit, wie het kan. Ook hier valt voorwaar niet over beginselvastheid en helder doorzicht te roemen. Doch — 'tis waar, men hoopte de „bestaande Organisatiequot; met reglementen en al te kunnen behouden!

De betoogen van sommige leden, die terecht op principiëele bezwaren wezen, hebben de vergadering niet van dezen misgreep kunnen terughouden. Zes leden stemden, naar het advies van één lid, tegen de afvaardiging naar het dubbele Alg. Coll, en één lid werkte niei: mede tot het besluit om eene benoeming voor het gewoon Alg, Coll. te doen i).

Nu weet wel is waar ieder, die een oogenblik nadenkt, evengoed als de Synode het kon weten — men herinuere zich wat in de zittingen van 22 en 24 Aug. '93 is gebeurd -) ■— dat die benoemingen volstrekt geen officieel karakter dragen noch eenige rechtswaarde bezitten; want niet de Sytiode als zoodanig heeft haar gedaan noch kunnen doen, en de benoemden zijn geen afgevaardigden van het hoogste Kerkbestuur noch bezitten eenig kerkelijk' mandaat.

Maar desniettemin kan men uit deze zonderlinge handeling, in verband met dien derden „groudslagquot;: „aansluiting, zooveel mogelijk, aan de bestaande Organisatiequot;, duidelijk zien in welke richting de Synode stuurde, en wat ten aanzien van de regeling des beheers by haar van te voren vaststond.

Inderdaad redenen te over om, nadat het besluit der Synode en de geschiedenis daarvan bekend waren geworden, zich niet bijzonder veel goeds omtrent den verderen loop der dingen voor te stellen.

1) S. H. '94, bl. 571—573.

2) S. H. '93, bl. 513 en 526.

ocr page 33

HOOFDSTUK 11.

§ 2. De opdracht der Synode en het ontwerp der heeren PERK en de KANTER.

Het ontwerp der lieeron Peek eu de Kanter eu huime memorie van toelichting leveren, m. i., liet afdoend bewijs, dat er voor de regeling van het beheer voorshands weinig goeds is te verwachten.

De na zoovele jaren stijdens pas gewonnen zaak is terstond weer op een geheel verkeerd spoor gebracht.

Laat ons eerst hooren: ivat de heeren van de opdracht der Synode hebben gemaald.

Daarna gaan we na wat zij willen zien voorgeschreven omtrent;

a. de wetgeving;

lï. de rechtspraak;

c. de betrekking tussciien de kerkelijke besturen en de beheerscolleges ;

d. de bestemming der kerkekijke goederen en hun daaraan beantwoordend gebruik;

e. de rekenplk'htigheid der kerkvoogden ;

Om vervolgens te overwegen, wat zij noodig achten om aan het

kerkelijk reglement rechtswaarde te verleenen en de uitwerkende kracht ervan te verzekeren.

§ 3. Wat is door de heeren PERK en DE KANTER van de opdracht der Synode gemaakt?

De beer Perk, — president der Synode, eerste onderteekenaar van bet aangenomen voorstel, gelijk nu ook weer van de plannen, door hem en den heer de Kantek ontworpen — heeft natuurlijk best geweten, wat eigenlijk met de opdracht in haar geheel en inzonderheid met dien derden „grondslagquot; werd bedoeld.

ocr page 34

26

Wij mogen dus de memorie van toelichting der ontwerpers van liet concept in zeker opzicht als eene soort van authentieke verklaring omtrent hetgeen de Synode verlangde beschouwen.

De bedoeling nu der Synode wordt door hen volgenderwijs vertolkt;

„Men zou de beteekenis van deze opdracht ook aldus kunnen omschrijven; Een Reglement dat, met aansluiting aan de bestaande organisatie en deze in wezen latende, zorgt, dat alle kerkelijke gemeenten onder toezicht komen en waarvan hoofddoel is, dat de kerkelijke goederen niet aan hunne bestemming worden onttrokkenquot;.

Daar gaat bet derhalve reeds heen.

De Colleges van Toezicht mogen genist zijn! Al hun maclit zal behouden blijven, en zelfs zal er nog heel wat bij komen!

Al dadelijk ziet men wat nu van den derden „grondslagquot;, in de Synodale opdracht genoemd, is geworden.

Dc clausule; „zooveel mogelijkquot; ■— die zekere beperking, indien al niet eischte, dun toch toeliet — is er uit. Het heet nu kortweg; .aansluiting aan de bestaande organisatiequot;.

Die aansluiting moet dan verder zóó geregeld zijn en zoodanige strekking hebben, dat zij die „bestaande organisatiequot; in wezen laaf.

Wat dat nu moet beteekenen, wat het alleen kan beteekenen — zal bet niet op eene zonderlinge mystificatie en een berispelijk spelen met woorden nederkomen — dat zagen we boven reeds !).

Het is inderdaad duidelijk genoeg. Niemand belioeft in onzekerheid te verkeeren, op welk doel wordt losgestuurd.

Doch hierdoor zitten we dan nu ook dadelijk vast met al het overige van de opdracht der Synode De ontwerpers zetten ons terstond voor een zóó duister probleem, dat we met niet geringe spanning de geniale oplossing daarvan tegemoet zien, die zij toch blijkbaar kans hebben gezien ons aan te bieden.

Menigeen zal, na vernomen te hebben, hoe zij de opdracht der Synode verstonden, met verbazing en tegelijk met kwalijk te verbergen wantrouwen hebben gevraagd; hoe zal, bij zulk een beleid^ in het te ontwerpen reglement recht worden gedaan aan den tweeden „grondslagquot; — om nu van den eersten nog maar niet te spreken —; „verhindering, dat in de Kerk ten opzichte van het Beheer een imperium in iniperio bestaquot;?

De groote eisch toch is deze; voortaan zal alle gezag berusten bij

1) Vrgl. bl. 20 — 24.

ocr page 35

27

(h Kerk, d. i., naar de lcerkelijhe v:et bij de door haar aangewezen organen van het kerkelijk gezag. Deze organen zullen, in naam der Kerk en met het door haar verleend gezag, óók ten aanzien van het beheer trefgeven, rechtspreken en besturen.

Zóó zal liet voortaan moeten — indien ten minste de Kerk in hare eigene huishouding het centrale gezag hebben en alle gezag, dat zal worden uitgeoefend, vcrleenen zal. Anders toch zal nimmer kunnen worden verhinderd, dat in de Kerk een imperium in imperio besta.

En evenwel stellen de heeren Perk en he Kantek op den voorgrond, dat de „bestaande organisatiequot; moet voortduren, „in wezenquot; worden gelaten en dus: blijven, wat ze is.

Dienovereenkomstig heet het dan ook verder in hunne memorie van toelichting, dat in hun ontwerp: „de bestaande Beheerscolleges in hunne volle rechtsprekende en wetgevende bevoegdheden gehandhaafd zijn.quot;

Werkelijk, dat staat er! Ofschoon er onmiddellijk op volgt: „behoudens wijzigingen in het Algemeen Reglement, die door de Synode moeten worden goedgekeiirdquot; ■— eene clausule, waardoor dat voorgaande: „in hunne volle .... bevoegdheden gehandhaafdquot; een geheimzinnig mysterie geworden is, en die ook overigens in verband met liet geheele ontwerp alle verstandig wetgevend beleid onder een dichten sluier verbergt; gelijk ons blijken zal.

Maar toch — het staat er zóó; in de memorie van toelichting en, met eene nader bepalende omschrijving, in art. 5 van het ontwerp.

Laat ons het voor eeu oogenblik nemen zooals bet gezegd is, en er nog eerst niet aan denken, dat men het door het slot van art. 5 beeft willen beperken, en het in art. 6 ten deele bepaald ontkendis.

Welnu, dan begrijpt ieder wel, wat dat zeggen wil, en waarheen het leiden moet.

Wij hebben nu 25 jaren, of eigenlijk reeds langer, een imperium in imperio gehad, en de Kerk heeft er vreeselijk mee getobd.

Tot dusver evenwel was dat imperium op usurpatie gegrond.

Dit zal nu anders worden

Voortaan zal een kerkelijk reglement zijn rechtsgeldige bodem zijn, en daarop zal dan wat nu tegen alle reebt en rede in bestaat, voorgoed veilig rusten.

Het imperium in imperio zal dus blijven; ja, het zal nu eerst recht een imperium worden, met goedvinden en naar de wet dei-Kerk, bekleed met de macht — die het vroeger alleen maar nam — om naar eigen wet en goedvinden ter zake van het beheer te laten

ocr page 36

28

gebeuren, wat liet verlangt, óók om verzuim en wanbeheer naar believen door de vingers te zien of te bemantelen, indien dit wenscbe-lijk zal worden geacht. Een en ander zonder dat de Kerk bij machte zal zijn om baren wil aan de bebeerscolleges op te leggen, of hen met hare autoriteit tot bescherming vau de belangen der gemeenten te dwingen.

Zóó zal het komen indien de „bestaande Organisatiequot; zal worden gehandhaafd op eene wijze als door de heeren Peuk en de Kantek op den voorgrond is gesteld.

En, ofschoon zij dat nu toch weer niet zoo hebben bedoeld, — ook juist door de wonderlijke bepalingen vau hun ontwerp zal het zoo komen.

Bovendien zal, naar hunne praemisse en volgens art. 5 van hun concept, het terrein dier vrijmachtige heerschappij nog aanmerkelijk worden uitgebreid.

Immers, volgens hunne opvatting van de opdracht moest er voor gezorgd worden .dat «/?lt;'kerkelijke gemeenten onder toezicht komenquot;.

Weshalve dan ook in art. 5, eerste lid, bet volgende is bepaald:

.Het bestaande Algemeen College van Toezicht op het beheer der „kerkelijke cjoederen benevens de bestaande Provinciale Colleges van ^Toezicht, behouden hunne wetgevende en rechtsprekende bevoegd-,heden, in de thans voor hen vigeerende Reglementen omschreven, „en worden uitgebreid tot al die kerkelijke gemeenten, waarover zich „hun toezicht op heden niet uitstrekt.quot;

„Collegesquot;, die — „uitgebreid wordenquot; tot enz..... Dat klinkt

op 't eerste hooren wat vreemd. Maar men wordt uit deze alinea ten slotte toch wel gewaar, wat hare strekking is.

Alle kerkelijke gemeenten moeten ouder de macht van de „bestaande Organisatiequot; komen. Daarop is het aangelegd; en daarvoor is dan nu met deze bepaling gezorgd.

Dit is derhalve het duidelijk aangewezen hoofddoel, waarop de geheele onderneming gericht is.

Nu vermoed ik wel, dat de ontwerpers, als zij deze bewering lezen, met zekere verontwaardiging mij ongeveer in dezer voege tot de orde zullen willen roepen :

, Kunt gij dan niet lezen? Hebben wij zei ven niet uitdrukkelijk gezegd, dat wij een reglement wilden maken „ „waarvan hoofddoel is, dat de kerkelijke goederen niet aan hunne bestemming worden onttrokkenquot;quot;?

't Is waar, dat staat in hunne memorie van toelichting. Het klinkt

ocr page 37

29

ook inderdaad zeer geruststellend. Maar wie zich nu eenmaal niet met deze welgemeende verzekering tevreden stelt, en eens wil nagaan op welke wijze en met welke bepalingen in dit ontwerp de noodige maatregelen genomen zijn, om te zorgen, dat gezegd hoofddoel inderdaad zal worden bereikt — hij begint al spoedig te twijfelen of die verzekering wel ernstig gemeend kan zijn, of gaat althans vermoeden, dat de ontwerpers in hunne haast het aangeduide hoofddoel geheel hebben vergeten.

En inderdaad, zóó is het. In het geheele reglement — dat trouwens, behalve de o^er^anfifsbepalingen, maar 10 artikelen bevat, al zijn die in 4 Afdeelingen ingedeeld — in het geheele reglement komt hoegenaamd niets voor, dat over de bestemming der kerkelijke goederen handelt of eenigen waarhorg roor het gebruik dier goederen overeenkomstig hunne bestemming aanwijst. Behalve — dat in de overgangsbepalingen (artt. 11,12 en 13) alles, letterlijk alles, wat daarvoor noodig zal worden geacht, irordt overgelaten aan de Prov. Colleges en het Algemeen College!

Aan wie is nu de beurt van verontwaardiging? Aan de ontwerpers, omdat men hen niet zoo maar op hun woord gelooft? Of aan ons, omdat zij zulk eene groote zaak op den voorgrond stellen in hunne memorie, maar in het ontwerp zelf daarvoor niets anders doen, dan die zaak overleveren aan het Algemeen College?

Hoe moeten wij derhalve hunne inzichten te dezen verstaan? Natuurlijk zóó:

Onder de bescherming van het Algemeen College staat de bestem-ming der kerkelijke goederen vast en is hun gebruik dienovereenkomstig verzekerd. Nu komt het er maar op aan alle gemeenten onder dat College te brengen. Derhalve — daarvoor moet dit Reglement zorgen; dat is zijn hoofddoel.

Geene andere conclusie is mogelijk, indien wij de verzekering van de ontwerpers in hunne toelichting en hun ontwerp zelf in beider onderling verband beschouwen. En dit is toch iets, waartegen zij niet kunnen protesteeren.

Over hunne onuitgesprokene praemisse, betreffende de bestemming der kerkelijke goederen en hun gebruik dienovereenkomstig, handelen we nader.

Hier bepalen we ons tot de conclusie; door dit reglement moeten alle gemeenten onder de ,bestaande Organisatiequot; komen.

Hoe stellen de ontwerpers zich voor dat doel te bereiken?

ocr page 38

30

Dit staat in de Overgangshepalingen Lesclireven.

Art. 11 luidt als volgt;

„Door de zorg van liet Algemeen College van Toezicht worden, „zoodra dit daartoe vanwege de Synode of de Synodale Commissie „wordt uitgenoodigd, de kerkelijke administraties der gemeenten, „die nog niet onder toezicht staan, uitgenoodigd om binnen ééue „maand de bestaande plaatselijke reglementen in te zenden aan de „Provinciale Colleges vau Toezicht, waaronder zij ressorteeren, ten „einde deze van het visum der genoemde Colleges te voorzienquot;.

Maar — als het Algemeen College nu eens niet aan die „uit-noodiging'' gelieft te voldoen ? En het is te voorzien, dat er eene weigering zal komen; ten minste — inden op die uitnoodiging zal worden geantwoord, wat lang niet zeker is. Het Algemeen College zal mogelijk eenvoudig zeggen; ik werk niet mede tot de invoering van uwe wet: zorg zelf maar, dat gij haar doet gelden — als gij het wagen durft. Zijn verleden geeft reden om dit te verwachten, en zeer waarschijnlijk zal daarbij nog wel weer een hartig woordje tot de Synode worden gericht, gelijk wel vaker is geschied

Nn, en wat dan?

Mogelijk andermaal „uitnoodigenquot; ? Arme Synode, zich zóó te moeten vernederen en nog wel zonder kans op succès! Zoo bij den eersten stap reeds deerlijk vast te zitten met de kerkelijke wet!

En inderdaad, dat zal het geval worden.

Alles zal afhangen van het Algemeen College. Wil dat wél, dan — ja, dan krijgen we nog wel zonderlinge toestanden, maar dan kan in elk geval liet wrak te water gaan.

Maar wil dat College niet, dan zal de wet eenvoudig in de snippermand terecht moeten komen.

Er staat wel in het laatste artikel (art. 18);

„De Reglementen op het beheer der kerkelijke goederen worden „door de zorg van het Algemeen College van Toezicht zoo spoedig „mogelijk met de bepalingen van dit Reglement in overeenstemming „gebrachtquot;.

Maar —- ook deze bepaling is onuitvoerbaar, als het Algemeen College niet wil handelen. Trouwens, al deed het wat hier gezegd is, dan zou dat wegens de magerheid van „dit Reglementquot; nog niet veel goeds geven.

Doch het Algemeen College zal zeer waarschijnlijk kortweg niet willen.

En — wie zal het dan doen?

ocr page 39

31

De kerkelijke Besturen kunnen er niet bij te pas komen. Die hebben daartoe tot dusver geen kerkelijk mandaat en ontvangen dat ook niet bij „dit Eeglementquot;.

Zelfs de Synode kan enkel afwachten; want volgens art. 7 zal zij alleen het recht hebben om goed (of wel; nf) te keuren, wat in het „Algemeen Keglément op het beheerquot; zal worden veranderd.

In elk geval zal het dus van het Algemeen Ooilege afhangen of de zaak verder zal komen.

Maar — de Synode zal dan toch dat College kunnen noodzaken zijn plicht te doen!?

Zijn plicht? Maar, dat is juist de eerste groote moeielijkheid. Dat College, buiten de Kerk om — immers niet krachtens haar gezag, noch volgens hare wet — in 't leven geroepen, blijft buiten de kerkelijke wet staan, als het zich niet wil laten annexeeren Het heeft zijne eigene wet, waarnaar het zal voortgaan te regeeren, zoolang het van hem zelf zal afhangen.

De Kerk is zijne lastgeefster niet. Dat kan zij ook zeer zeker niet ■worden door dit reglement; ja, dat zou zij nimmer kunnen worden, tenzij eerst de geheele bestaande organisatie werd vernietigd en dan de Kerk zelve eene dergelijke organisatie, die hare eigene schepping zou zijn, in 't leven riep.

Aan het Algemeen College, zooals het nu bestaat, kan geeue bepaling van een kerkelijk reglement eenigen plicht voorschrijven.

Weigert nu het Algemeen College te doen naar art. 18 van het ontwerp, dan weigert het dat in zijn tegenwoordig karakter, en bepaaldelijk ook uit kracht daarvan; en dan is er voor hem van geen plicht volgens dit nieuwe reglement sprake.

Van noodzaken tot zijn plicht kan dus van zelf reeds niet in komen.

Doch al wilde de Synode desniettemin dat beproeven, — hoe en met welke middelen zou zij dit kunnen doen?

Vooreerst alweder, het Algemeen College, zooals het bestaat en in zijne weigering tegenover de Synode zou staan, is geheel buiten het bereik van het kerkelijk gezag.

Reeds daarom zou dit gezag ook met dit nieuwe reglement geen vat op de leden van het weigerachtig College kunnen krijgen.

Doch zelfs al zou men met dit reglement die leden wél kunnen bereiken, dan was daarin nog niets te vinden, waarmede tot gehoorzaamheid zou kannen worden genoopt.

Want de toepassing van tucht is geheel afhankelijk gesteld van

ocr page 40

32

de Colleges van Toeziclit zelf, en bovendien zijn de leden dier Colleges huiten het hereik van de tucht gelaten.

Met eenig ander kerkelijh reglement zijn die leden evenmin te bereiken. Zij staan in hunne qualiteit buiten (of boven?) de kerkelijke tuchtwet. Met den algemeenen terra van „kerkelijke betrekkingenquot; (art 3 van R. v. K. O. en T.) is ook niets tegen hen aan te vangen, want hunne betrekking is niet alleen effectu veelszins anti-kerkelijk maar ook origine niet-kerkelijk; en juist omdat, en dus ook zoolang als de „bestaande Organisatiequot; zich niet kerkelijk wil laten maken, blijft dat zoo, al stond het ook zoo goed in dit nieuwe reglement geschreven als het er nu gebrekkig in staat.

Als de Kerk dan toch aparte colleges van toezicht zou moeten hebben, dan zou zij die alleen als kerkelijke colleges kunnen verkrijgen, door zelve ze met eene volledige kerkelijke beheersregeling te scheppen, en daarmede de „bestaande Organisatiequot; eenvoudig op te ruimen.

Wat zal de Kerk met het nu ontworpen reglement in de hand dan kunnen doen, indien het Algemeen College weigert het te aanvaarden ?

Een nieuw Algemeen College laten benoemen ?

Onmogelijk; want de „bestaande Organisatiequot;, met de voor haar vigeerende reglementen, blijft van kracht. Daarnaar moet het dan voortgaan. De Kerk kan die reglementen niet wijzigen. Een en ander ook juist volgens dit nieuwe reglement; en eenig ander reglement op het beheer bezit de Kerk nu niet, en dati natuurlijk ook niet.

Om dezelfde redenen zou ook niet de Synode zelve in die verwarring orde kunnen scheppen door zelve een nieuw Algemeen College samen te stellen.

De Kerk zou dus al dadelijk, bij de eerste poging tot invoering van de nieuwe organisatie, door deu te verwachten onwil van anderen hopeloos verlegen zijn met hare eigene wet.

Het is derhalve vrij zeker, dat het niet eens aan de „uitnoodigingquot;, in art. 11 van het concept bedoeld, toe zou komen.

Doch ook al werd dat wél het geval, wat zou er dan kunnen gebeuren ?

Nemen we aan, dat kerkelijke administratiën, die nu nog niet onder toezicht staan, weigerden hetzij hare plaatselijke reglementen in te zenden aan de Prov. Colleges, hetzij die reglementen naar de voorschriften dier Colleges te veranderen, — wat dan?

Dan zouden, volgens art. 14, die „kerkelijke administratiesquot; —

ocr page 41

33

lees; kerkvoogden — „zicli sclmldig maken aan verzuim en ualatig-,heid in liet waarnemen hunner kerkelijke bedieningen, zoodra hunne „bezwaren door het College, in art. 8 bedoeld, zijn ongegrond be-„ vonden of de termijn om zich op dit College te beroepen verstreken isquot;.

Nu laat ik de vraag rusten, of de betrekking van kerkvoogd door dit reglement alleen inderdaad eene Icerkelijhe betrekking zou geworden zijn in den zin van ons vigeerend kerkrecht. Ik betwijfel het wel. Doch laat het zoo zijn. Dan zouden kerkvoogden wel volgens art. 3 R. v. k O. en T. aan de kerkelijke tucht onderworpen zijn, docli de uitoffming der tucht te hunnen opzichte zou dan in elk geval door wijziging ten minste van het iv. v. k 0. en ï., en misschien ook van een en ander in het Alg. Regl., vooraf moeten zijn geregeld.

Goed; dit zou kunnen.

Als dat dan geschied was, dan zou ontzetting van kerkvoogden kunnen volgen. Daarop zouden dan de kerkeraden, volgens art. 1G van het concept, „het beheer der goederen en die goederen zelve uit handen van onbevoegdenquot; moeten opeisclien (natuurlijk na de daartoe vereischte machtiging, in art- G6 O. en T. genoemd, verkregen te hebben).

Ziedaar dan de zaak voor den burgerlijken rechter. Zal deze den eischenden kerkeraad ontvankelijk verklaren en hem zijnen eisch toewijzen? Dat zal natuurlijk afhangen van 's rechters oordeel over do bevoegdheid der Kerk om aan de gemeenten ook ten aanzien van het beheer hare wet op te leggen.

Nu weet men, hoe ik over die bevoegdheid oordeel, en op welke gronden ik haar voor volkomen onaantastbaar houd. En, natuurlijk, die bevoegdheid verdwijnt niet, al wordt zij betwist, en al durft de Synode haar niet kloekweg op den voorgrond stellen. Doch voor de practijk zal het ten laatste toch op de beslissing ran den rechter aankomen.

Zal nu des rechters blik niet min of meer beneveld kunnen worden, juist door de onzekerheid te dezen, die èn in de opdracht èn in het ontwerp doorstraalt, en misschien wel het sterkst zich openbaart in den om hulp smeekenden blik, die naar de Regeering is gericht?

Iets anders zou het zijn, als de Synode zelve met beslist en krachtig rechtsgevoel de zaak had aangevat, en zelve met een volledige en geheel JcerkelyÈe regeling voor den dag kwam.

Maar nu? — als zij een reglement wil maken naar het thans aangeboden model ?

Mogelijk zou het — wat nog veel bedenkelijker ware — bij den

3

ocr page 42

34

rechter niet eens aau eene beslissing ten principale toekomen, wegens de exceptiën, die, wanneer met zulk een reglement als nu ontworpen is de strijd werd aangebonden, naar mij toescliijnt, voor de ver-weerende partij voor liet grijpen zouden liggen.

Het lijkt mij uiterst gevaarlijk toe, op den grondslag van zulk weifelend geven en nemen, als hier aan 't werk is geweest, de beslissing van den burgerlijken rechter in te roepen.

Aan al deze moeielijkheden — om niet te zeggen; onoverkomelijke hinderpalen — die de Kerk bij de invoering van zulk een reglement zou ontmoeten, hebben de ontwerpers, naar het schijnt, in 't geheel niet gedacht.

Doch hoe onzeker zij ook desniettemin omtrent het wélslagen van de door hen voorgestelde onderneming zich gevoelen, blijkt zonneklaar uit het slot hunner memorie van toelichting.

Behalve dat zij de medewerking der Regeering onmisbaar verklaren — waarover nader — wordt door hen de mogelijkheid ondersteld, dat „eenige kerkelijke administratie'' . . . „niet onder dit Reglement komtquot;, en dat er dus in de toekomst nog andere be-heerscolleges zullen zijn dan „de aldus gereglementeerde Colleges.quot;

Nu, het kon waarlijk wel zijn, dat het zóó worden zou; dat de ontwerpers zelfs in die mate gelijk kregen, dat geen enkel beheerscollege „aldus gereglementeerdquot; werd Want als het Algemeen College, dat zoo wat alles doen moet, niets wil, dan is het uit; dan bindt de kerkelijke wet alleen de Kerk, en niemand anders.

Maar hoe kunnen deze raadslieden nu toch eene wet aanbevelen, waarvan zij zelf lang niet zeker zijn of zij wel voor alle gemeenten bindende wet zal worden?

Wat zou het baten, indien ook al de Regeering zóóver de grenzen van het jus circa sacra overschreed, dat zij weigerde „zich in linanciëele relatie te stellen met eenige kerkelijke administratie, die niet onder dit Reglement komt en alleen de aldus gereglementeerde Colleges als wettige beheerscollegesquot; erkende?

Daarvan zouden de gemeenten — overgeleverd aan den wil van kerkvoogden en verdere beheerscolleges — de slachtoffers worden, en de predikanten, die nu rijkstractement genieten, zouden moeielijke tijden zien aanbreken!

Mag men, iets dergelijks mogcJijl' achtende, nochtans een reglement aanprijzen, waardoor dat mogelijke werkelijk wordtn moet?

ocr page 43

35

Hoe kan men een ontwerp aanbieden, waarvan de makers zelf vreezen, dat het, eenmaal wet geworden, de Kerk tocli niet in staat kan stellen alle gemeenten ouder het gemeene recht te brengen?

Ik begrijp niets van zulk een beleid.

Wie oordeelt zoo als deze raadslieden kan geen reglement ontwerpen, waar éénheid en kracht in zit. Hij mist die klaarheid en beslistheid van overtuiging omtrent het object zijner overwegingen, zonder welke op het gebied der wetgeving niets goeds tot stand kan wordeu gebracht.

Hoe bedenkelijk de plannen van de heeren Perk en dk Kanter zijn, zal ons, zoo mogelijk, nog duidelijker blijken, wanneer wij hun ontwerp meer in bijzonderheden beschouwen.

Ik vestig nu eerst nader de aandacht op de regeling van:

§ 4. De Wetgeving

in de ontworpene nieuwe organisatie.

Wat wij tot dusver daarvan vernamen doet ons geene groote verwachtingen omtrent het overige koestereu.

Wanneer de nieuwe kerkelijke wet zal zijn in werking getreden, moet natuurlijk alles, wat op het beheer betrekking heeft, naar den nieuwen toestand worden ingericht.

Het alllereerste wat dan behoort te gebeuren, is omschreven in het laatste overgangsartikel, waarin bepaald is:

„De Eeglementen op het beheer der kerkelijke goederen worden „door de zorg van het Algemeen College van Toezicht zoo spoedig „mogelijk met de bepalingen van dit Reglement in overeenstemming „gebracht.quot;

Omtrent de beteekenis van dit artikel in zijn verband met het overige van het reglement, en ten aanzien van zijne toepassing, rijzen al dadelijk eenige vragen.

Eu daaronder enkele, waarop met den besten wil in het geheele samenstel van het ontwerp geen bevredigend antwoord te vinden is.

Doch ik laat ze rusten, omdat ze ten deele door eene betere redactie zouden kunnen wegvallen, en ten deele met de hoofdzaak onafscheidelijk samenhangen.

Die hoofdzaak is, dat hier alles in handen van het Algemeen College wordt gegeven; en wel zóó, dat van wege de Kerk hoegenaamd niets

ocr page 44

36

kan worden gedaan, noch om dat College te controleeren, wat de herziening der plaatselijke reglementen betreft, uocli om het tot/ijn plicht te brengen, als het zich aan deze kerkelijke wet niet stoort, noch om, buiten het Algemeen College om, eenigen maatregel te nemen tot het doen uitvoeren van de nieuwe wet.

Intusschen ook hiervan behoef ik niets meer te zeggen (zie hfdst. I).

Laat ons aannemen, dat de overgangsperiode na meer of minder getob en gehaspel eindelijk als gesloten zal kunnen worden beschouwd.

Dan zal dus het eigenlijk lichaam van het reglement, de eerste 10 artikelen, in volle werking zijn.

En welken toestand zullen we dan hebben ten aanzien van de Wetgevïng op 't gebied des beheers?

Hieromtrent onderwijzen ons de twee artikelen van „Afdeeling IIIquot;, artt. 5 en 6 van het ontwerp. Zij luiden als volgt;

Art. 5. „Het bestaande Algemeen College van Toezicht op het he-Jieer der kerkelijke goederen benevens de bestaande Provinciale Coltleges van Toezicht, behouden hunne wetgevende en rechtsprekende „bevoegdheden, in de thans voor hen vigeerende Reglementen om-.schreven, en worden uitgebreid tot al die kerkelijke gemeenten, „waarover zich hun toezicht op heden niet uitstrekt.

„Bij de verdere uitoefening van dit toezicht zijn zij onderworpen „aan de bepalingen van dit Reglement.quot;

Art. 6. „Wijzigingen in het bestaande Algemeen Reglement op het „beheer der kerkelijke goederen vereischen de goedkeuring der Synodequot;.

Het is mij te eenemnale onmogelijk te begrijpen, hoe men na kalm overleg en rijp beraad deze „Afdeelingquot; zóó heeft kunnen samenstellen, en zulke artikelen als bestanddeelen van eene kerkelijke wet heeft durven aanbevelen.

De Kerk moet toch óók in de eerste plaats klaarheid en waarheid willen, en goeden zin zeggen in hare Reglementen.

Welnu, het is mij niet gelukt iets daarvan in deze bepalingen te vinden.

Al dadelijk zou ik kunnen vragen: die bestaande Colleges behouden hunne wetgevende en rechtsprekende hevoegdheden ?

Maar hebben ze die dan?

Bevoegdheden — dat moet hier toch, als we niet maar zoo wat heen zullen zeggen, beteekenen: rechtsgeldige macht, door vettig gezag

ocr page 45

37

langs wettigen iceg verleend. Het is dus heel wat anders dan macht van eigen vinding en schepping, dan al datgene, wat door usurpatie wordt verkregen!

Deze macht hebben ze, maar werkelijke bevoegdheden niet!

Immers, wat zijn die Colleges? Waar zijn ze vandaan gekomen? Welken rechtstitel kunnen ze toonen?

Nu — dat weten wij wel 1).

Hoe kan hier dan zóó worden gesproken? Hoe zou de Kerk bij mogelijkheid zóó kunnen spreken?

Hadden die Colleges 7Ailke bevoegdheden, dan behoefde de Kerk ze niet toe te kennen, ja, wat meer zegt, dan berustten ze niet bij de Kerk en dan kon deze ze niet toekennen; dan was de gelieele poging van de Kerk om een reglement op 't beheer te geven — onzin.

Maar, die Colleges hebhen die bevoegdheden niet, en kunnen ze dus ook niet behouden.

Zij kunnen ze niet eens ontvangen. Ten minste niet langs dezen weg. Eerst moet het op zandgrond opgetrokken gebouw weg. Dan kan de Kerk op den grondslag van haar recht een nieuw gebouw optrekken.

Wil zij dat doen naar den trant van het oude, en het nieuwe dan noemen , Algemeen College enz.quot; — dat moet zij weten.

Maar de Kerk moet én de fondamenten leggen én het geheele organisme in elkander zetten. Anders blijft alles gebrekkig knutselwerk, een samenvoegen van heterogene elementen, die nimmer één kunnen worden.

Evenwel, ik wil deze grief nu verder laten rusten.

Want, al zou men meenen, dat die Colleges werkelijk bevoegdheden hebben, dan bestaan er desnietttemin andere bezwaren tegen het organisme van deze artikelen.

Laat ons zien.

De bestaande Colleges van Toezicht „behouden hunnequot; — in de memorie van toelichting heet het nog wel; hunne volle — „wetgevende en rechtsprekende bevoegdheden.quot;'

Maar — „bij de verdere uitoefening van dit toezicht zijn zij onderworpen aan de bepalingen van dit Reglementquot; (art. hb) en;

, Wijzigingen in het bestaande Algemeen Reglement op het beheer der kerkelijke goederen vereischen de goedkeuring der Synodequot; (art. 6).

1

Zie b. y. mijn: „In naam Tan historie en recht!quot; bl. 112- 1-tO.

ocr page 46

38

Inderdaad eene vrij zonderlinge combinatie van „jaquot; en ,.neenquot;, waarvan ten slotte geen van beide overblijft.

Trouwens die eerste beperking (van art. hh) is meer scltijn dan Kezen.

Want juist de hepalingen van dit Reglement leggen liet geheele toezicht in banden van de bedoelde Colleges. Zij kunnen daaromtrent naar hartelust reglementen en voorschriften, buiten bun Algemeen Reglement om, uitvaardigen, en daarin schrijven of daaruit weglaten wat zij verkiezen. Er zal geene macht zijn, die bun hierin iets zal hebben te gebieden of te verbieden. Van controle zullen ze geen last hebben (art. 3 en 4, in verband met 5 en G).

Dit geldt voor alle plaatselijke reglementen, zoowel van de gemeenten, die reeds onder bun toezicht staan, als van die, tot welke zij, nl. die Colleges, nu „worden uitgebreidquot;.

Wel moeten, naar art. 13, in de reglementen der laatstbedoelde gemeenten worden

..opgenomen al de bepalingen door bet Algemeen College van ,Toezicht noodzakelijk geooi-doeld om te voorkomen, dat de kerkelijke „goederen aan hunne bestemming worden onttrokkenquot;, —

doch het Algemeen College zelf moet zulke bepalingen noodzakelijk oordeelen; anders gebeurt het eenvoudig niet.

Voor de gemeenten, die nu reeds onder zijn toezicht staan, schijnen zulke bepalingen niet eens noodig te zijn; want genoemde eisch geldt alleen gedurende de overgangsperiode en uitsluitend voor de nu nog vrij helieerende gemeenten. Nu, in elk geval doet bet er ook niets toe. Want het Alg. Coll. zou toch geene andere bepalingen noodig oordeelen, dan die nu reeds in de plaatselijke reglementen der gemeenten „onder toezichtquot; mochten voorkomen.

Of die dan niet voldoende zijn? Dat zal ons blijken, als we over de rechtspraak en over de bestemming der kerkelijke goederen ad pios usus zullen handelen.

Wat de wetgeving betreft — de „bestaande Collegesquot; houden met „dit Eeglemeutquot; volkomen vrij spel om de bijzondere reglementen naar eigen goedvinden in te richten, en dus om het werkelijke beheer te jaten gaan, zooals zij het verkiezen.

lutusschen — zal men misschien zeggen — met het „Algemeen reglement op het beheerquot; is bet wat anders.

Het is zoo. Maar is dat andere wel heter?

Neen. Vooreerst, het is geen correctief voor de boven aangewezen

ocr page 47

39

fout. Met het ,Algemeen reglementquot;, zooals het na de overgangsperiode zijn zal, in de hand, kunnen de „bestaande Collegesquot; ten aanzien van de overige reglementen handelen, zooals zij verkiezen.

En, ten andere, de beperking in art. 6 omschreven zal op het gebied van de algemeene wetgeving omtrent het beheer een onhoud-baren toestand scheppen

Het ..Algemeen reglementquot; zal dan moeten blijven zooals het eenmaal zijn zal. tenzij twee onderling onafhankelijke en ten opzichte van elkander naijverige, indien al niet vijandige, machten, het met elkander over wijzigingen eens kunnen worden.

Het ,Algemeen College'' alleen zal veranderingen provisioneel mogen arresteeren, doch ze niet kannen vaststellen als de Synode hare goedkeuring niet schenkt.

En als de Synode veranderingen zal voorstellen, dan zullen hare wensclien pia vota blijven, als liet Alg. Coll. er niets van weten wil.

Twee stuurlieden dus aan één roer, waarvan 't gevolg zal wezen, dat het roer eenvoudig moet worden vastgezet.

Het zal op deze manier kunnen voorkomen, dat, hoe dringend noodig wijziging ook zij, er niets kan gebeuren, en wel — omdat de kerkelijke wet zelve het dan onmogelijk maakt.

Waar is nu de autoriteit van het „Centraalgezagquot; in de Kerk, waarmede de Synode de macht zou bezitten om — wat de voorstellers terecht wilden — „in hoogste instantie het laatste woord te sprekenquot; ? i)

Als het Algemeen College zijn „non possumusquot; spreekt, dan zal dat telkens het laatste woord zijn.

En dan zal het ergerlijke spel, waarvan de Kerk in de laatste jaren getuige is geweest, weer opnieuw beginnen. De Synode kan wenschlijsten maken, en mot vriendelijke of met dreigende vertoogen bij het „Algemeen Collegequot; gehoor vragen, — zij zal zich er in moeten schikken, telkens weer te worden afgewezen.

Wat de voorstellers wilden verhinderen — n.1. dat de beheers-colleges met de bestuurscolleges den spot zouden drijven, — dat zal dan op den ouden voet voortgaan, en nog veel erger worden, omdat het dan met de kerkelijke wet bestaanhaar zal zijn-

En, aan den andereu kant, waar is de volle wetgevende bevoegdheid van het „Algemeen College-'' gebleven?

1) S. H. '94, bl. 532.

ocr page 48

40

Er is geen spoor meer van te ontdekken. Terecht heeft de heer F un vandea at in zijne Nota gevraagd: wat aldus besnoeide wetgevende bevoegdheden beteekenen. Zij beteekenen kortweg niets! Ten minste niets dat goed is. Er zal in 't gelieel geen wetgevende bevoegdheid meer zijn, aan geen van beide kanten.

Het eenige, waartoe de Synode en het Alg. Coli. beide in staat zullen zijn, is; door ohstructionisme de algememe irdycving iot stü-s stand doemen. Terwijl intussclien op 't gebied van de gemeentelijke beheershuishouding de bestaande Colleges hun gang kunnen gaan.

Hoe moet zulk een wetgevend beleid heeten? Heeft men „don Gordiaansehen knoop'' willen doorhakken ? Dan is het toch niet mot den genialen zwaardslag van Alexander den Groote geschied Want de verwarde knoop zit nu nog hopeloozer vast dan ooit te voren.

Geen imperium in imperio langer! Dat was de tweede eisch der Synode.

Men ziet nu hoe daaraan voldaan zal worden. Tenzij de Synodale Commissie zich beter berade dan hare adviseurs.

Het is, m. i., onmogelijk het imperium in imperio voorgoed weg te krijgen, zoolang men er naar streeft om het gezag te verdeelen tusschen de Kerk en een lichaam, dat nóch de Kerk nóch origine et aetu orgaan van kerkelijk gezag is.

Alle gezag in kerkelijke aangelegenheden, ook in die van liet beheer, moet berusten bij de Kerk-

Het behoeft daarom nog niet in één hand gelegd te worden. Het tegendeel is zelfs wenschelijk Maar in elk geval moeten de organen, die het uitoefenen, organen zijn van het gezag der Kerk.

Komt dan eene of andere bepaling ten slotte niet tot stand wegens het veto dergenen, aan wie het laatste woord is gegeven, welnu, dan zijn het de vertegenwoordigers van het kerkelijk gezag, en dus in dezen zin de Kerk zelve, door wier wil de gang van zaken wordt bepaald.

Zóó moet het zijn, ook ten opzichte van liet beheer.

Het kan alleen dan zoo worden, als de grondwet onzer Kerk ook op liet gebied des beheers naar den vollen eisch van ons kerkrecht wordt toegepast.

De Kerk, en zij alleen moet de wetgeefster zijn!

§ 5. De regeiing van de rechtspraak.

Met deze is het in het ontwerp niet beter gesteld.

In één opzicht echter wèl. Doch ook slechts in dit eene. Namelijk

ocr page 49

41

in zoover als ten aanzien van de rechtsprelcende bevoegdheden der „bestaande Collegesquot; art. 5 meer waar is.

De „bestaande Collegesquot; toeb ^heho'den liuune wetgevende en rechtsprekende bevoegdheden, in de (hans voor he-t vigeerende Reglementen omschrevenquot; ^).

Welnu, dit is ook inderdaad in het ontwerp zoo geregeld.

Immers, benevens de uitoefening der tucJit (zie blz 43—46) blijft ook de administratieve rechtspraak voor geschillen in zaken van beheer geheel en uitsluitend aan de Colleges van Toezicht overgelaten, die er mee kunnen doen naar de voor hen thans bestaande reglementen.

Dat het in eeue kerkelijke beheersregeling niet alzoo behoort; dat de Kerk de berechting van de hier bedoelde aangelegenheden niet buiten de bemoeiing van hare eigene organen mag laten, spreekt m. i. van zelf.

Evenwel •—■ de in het concept voorgeslagene regeling is geheel in overeenstemming met de uitwerking, die het ontworpene reglement hebben zou; de stichting voorgoed van een imperium in imperia.

Alleen de geschillen tusschen bestuurs- eu beheerscolleges (art. 8), die, naar de ontwerpers schijnen te meenen, door „dit Reglementquot; zouden kunnen ontstaan, zullen niet bij de „bestaande Collegesquot; komen. Evenmin die, welke, in de periode van overgang, „tusschen de kerkelijke administration en de Prov. Colleges v. T. over de toepassing van artt. 11, 12 eu 13quot; mochten ontstaan (art. 15).

Dit laatste wenschen de ontwerpers „ten einde den schijn van eenzijdigheid bij die uitvoering zelf te vermijdenquot; (mem. v. toel.).

Men zou anders zeggen, dat de geheele zaak slechts eéne zijde heeft, nl. de kerkelijke. Maar — in dit ontwerp treedt nu eenmaal het streven op den voorgrond om aan twee machten zooveel mogelijk voldoening te geven.

Intusschen — dit punt betreft enkel mogelijke verwikkelingen in de periode van overgang.

Is die periode eenmaal achter den rug, dan zullen geschillen tusschen bestuur en beheer bij een nieuw College komen, dat volgens art. 8 zal bestaan uit:

„7 personen, drie aan te wijzen door en uit de Synode, drie aan „te wijzen door en uit het Algemeen College van Toezicht, onder „praesidium van den president der Synodequot;.

1) Ik cursiveer.

ocr page 50

42

Waartoe nu weer een nieuw College? Ts de administratieve rechtspraak misscliien in 't geheel niet in de kerkelijke reglementen geregeld? Men zie slechts het Tweede deel van ons R. v. K. O. en T. enz.!

'tTs duidelijk, dat het oprichten van dit nieuwe College onafscheidelijk samenhangt met de tweeslachtige regeling in haar geheel, die met dit ontwerp is bedoeld. Met die tweeslachtigheid zelve is dat nieuwe lichaam veroordeeld. Daarom kunnen we het hier laten voor hetgeen het is.

Alleen nog de vraag: wat zou dat nieuwe College na de overgangsperiode te doen kunnen krijgen ?

Andere geschillen tusscheu bestuurs- en beheerscolleges, dan die welke in art. 68 Kegl. v. K. O. en T. enz. zijn genoemd, en waarin daar is voorzien, zijn, volgens de vigeerende kerkelijke bepalingen op do administratieve rechtspraak, niet bestaanbaar.

Bovendien zouden ze door de toepassing van dit nieuwe reglement niet hunnen ontstaan. Want de kerkelijke Besturen komen voortaan evenmin als nu bij /je/iflerszaken te pas. Behalve misschien ter uitvoering van art. 7b. Doch deze zonderlinge bepaling zou — al ware ze goed te begrijpen en voor toepassing vatbaar — toch nooit een geschil, maar alleen moeielijkheden de tucht betreffende kunnen veroorzaken. En deze zouden weer niet anders dan volgens het Regl. v- K. O. en T. mogen worden behandeld.

Over de hier bedoelde bepaling spreken we nader.

't Zou alleen nog kunnen wezen, dat de Synode ter zake van het , Algemeen Reglement op het beheerquot; met het Algemeen College in dik weer geraakte. En dit zou zelfs maar al te dikwijls gebeuren.

Doch ook dan zou dat nieuwe College even goed thuis kunnen blijven als vergaderen. Stel; de Synode acht wijzigingen in het Algemeen Reglement noodig, maar het Algemeen College wil ze niet aanbrengen. Of omgekeerd: Dit College wijzigt, maar de Synode keurt niet goed.

Welnu, wat zouden dan de 7 nieuwe wijzen kunnen doen? Immers niets anders, dan volgens do bepalingen van dit nieuwe reglement aan elk lichaam zijn eigen recht laten, en dus in beide gevallen beslissen: er kan niets ran de wijziging komen.

Ifoe staat het met de regeling, in dit ontwerp, van do rechtspraak in zaken van tucht?

Ik ga de overgangsperiode nu maar geheel voorbij, ofschoon ook tegen art. 14 allerlei bedenkingen rijzen.

ocr page 51

43

Op den blijvenden toostaud komt het vooral aan.

Hoe zal deze zijn?

Boven zeide ik reeds, dat ook de reclitspraak in fnchhukm geheel in handen van de „bestaande Collegesquot; is gebleven.

Dit is in strijd met hetgeen ons de ontwerpers in humie memorie van toelichting volgenderwijs verzekeren:

„Eerstens dient Artikel 7 (en tijdelijk, zoolang de organisatie niet volkomen is doorgevoerd, Art. 14) om vergrijp in de beheerszaken te brengen onder de kerkelijke fnchtquot; i).

Hoe zij dit kunnen zeggen, en toch beweren, dat de beheerseolleges „in hunne volle rechtsprekendequot; bevoegdheid zijn gehandhaafd, is moeielijk in te zien. Doch — houden we ons bij deze contradictie maar niet op.

Blijkbaar was liet hunne bedoeling over kerkvoogden en notabelen twee tuchtmeesters aan te stellen, nl. de beheerseolleges en de kerkelijke Besturen.

Zouden de ontwerpers er niets van hebben gevoeld:

1° hoe zulk eene regeling tegen eene redelijke opvatting van kerkelijke tucht ingaat? en;

2° hoe zij met hunne bepaling den kerkdijken rechter alle initiatief ontnomen, hem op een afstand gezet en voor kerkvoogden nog onschadelijker gemaakt hebben, dan hij nu is?

Hoe dit zij —• voor kerkvoogden en notabelen zullen er twee soorten van tuchtmeesters zijn.

Allereerst de beheerseolleges, die iiet nu ook zijn, nl. de Colleges van Toezicht; en vervolgens het Classicaal Bestuur (of door verwijzing ; het Prov. Kerkbestuur).

Art. 7 luidt als volgt;

„Indien leden van beheerseolleges in de uitoefening van hunne „functien, als zoodanig zich mochten schuldig maken aan vergrijpen, „die naar het oordeel van het rechtsprekend beheerscollegc aanleiding „kunnen geven tot toepassing van eenig tuchtmiddel, deelt dit zijne „uitspraak mede aan het Classicaal Bestuur van het ressort, waaronder de veroordeelden behooren.

rHet Classicaal Be-tuur behandelt of verwijst de behandeling der „zaak alsdan overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor „kerkelijk opzicht en tucht enz.quot;

1) Ik cursiveer. N.B.; art. 14 spreekt niet eens van vergrijp!

ocr page 52

44

Dit artikel moet natuurlijk iu onafscheidelijk verband met art. 5 beschouwd en naar het daar bepaalde uitgelegd worden.

Daar du in dat artikel is gezegd, dat de bestaande Ooileges huune rechtsprekende bevoegdheden hchoiiden, in de thans voor hen vigeer en de Reglementen omschreven, zoo volgt hieruit, dat in art. 7 van het concept

1°. met ..leden van beheerscollegesquot; bedoeld zijn; kerkvoogden en notabelen ^);

2''. met de „uitspraakquot; van het rechtsprekend beheerscollege gemeend is; eene uitspraak van „ontzetting''' uit (of schorsing in de uitoefening van) de betrekking van kerkvoogd of Jiofabel; terwijl

3°. ,.veroordeeldenquot; moet beteekenen; met zulk een vonnis getroffenen of uit hunne betrekking ontzetten (resp. geschorsien).

Zóó moet art. la toch wel bedoeld zijn.

Intusschen zou men — lettende op de 2e alinea van art. 7, en gehoord de verzekering van de ontwerpers; dat art. 7 dient „om vergrijp in beheerszaken te brengen onder de kerkelijke tuchtquot; — kunnen meenen, dat met het bepaalde in art. la moet zijn bedoeld; hetzij een aanklacht, hetzij een voorloopig onderzoek, in den trant van artt. 40, 42, 46, 47 al. 3 v. h. R. v. k. O. en T.

Laat ons dit voor een oogenblik aannemen. Welnu, dan zou door deze bepaling in verband met art. Ib, aan de kerkelijke tucht in elk geval reeds het onmisbaar recht van eigen en zelfstandig initiatief ontnomen zijn, en die tucht geheel afhangen van hetgeen de Colleges van Toezicht al of niet zouden gelieven te doen. Ook reeds op deze wijze zou op dat; vergrijp in beheerszaken is onder kerkelijke tucht gebracht —■ het allervoornaamste zijn af te dingen. Bovendien zouden ook daardoor de aard en de strekking der kerkelijke tucht in erge mate zijn miskend, daar deze in haren eigenen kring zelfstandig moet kunnen ingrijpen, en wel niet enkel op grond van reeds gepleegde feiten, maar ook op grond van blijkbare bedoelingen; en voorts niet in de eerste plaats om begane vergrijpen te straffen, maar vooral om het werkelijk begaan ran verkeerde handelingen te voorkomen.

Doch — art. 7 kan niet zijn gemeend in den zin van aanklacht of voorloopig onderzoek.

Immers vooreerst, dan ware er geen sprake van; veroordeelden.

Vervolgens, dan ware de rechtsprekende bevoegdheid der bestaande

1) AVant volgens art. 7 van het algemeen reglement o. h. beheer, zooals het na de herziening luidt, kunnen nu ook de notabelen getuchtigd worden.

ocr page 53

45

Colleges „in de thans voor lieu yigeerende Reglementen oiusclirevenquot;, voor/.oover de. tucht betreft, geheel verdwenen.

En, eindelijk, dan zou de term : uitspraak, geheel in strijd met den kerkrechtelijken zin van dat woord zijn gebezigd i). Er zou dan geen uitspraak gedaan, maar enkel een besluit genomen zijn

Derhalve art. la moet zóó worden verstaan, dat kerkvoogden en notabelen als zoodanig onderworpen blijven aan de rechtspraak uitsluitend van de „bestaande Ooilegesquot;, die het recht behouden, hun bij art. 7 van het voor hen vigeerend Alg. Regl. o. h. b. toegekend, om genoemde titularissen (te schorsen, of) u t hunne hetrekking te ontzetten.

En toch heet „vergrijp in de beheerszakenquot; nu „onder de kerkelijke tnehtquot; gebracht!!

Wanneer zal de kerkelijke tuelit er dan bij te pas komen ? Alleen wanneer de „bestaande Collegesquot; het zullen goedvinden. Niet de organen van het kerkelijk gezag zelf, maar de Colleges van Toezicht zullen oordeeleu of er aanleiding zou kunnen zijn tot toepassing van eenig kerkelijk tuchtmiddel!!!

Inderdaad, do kerkelijke tucht is hier wél in eere en vrijheid gehandhaafd!

In welke hoedanighe'd zullen de „veroordeeldenquot; aan den kerke-1 ijken rechter worden overgeleverd?

Als kerkvoogden of notabelen? Doch met dezen als zoodanig kan geen kerkelijk College iets beginnen, noch volgens dit nieuwe reglement, noch volgens het vigeerend reglement voor k. O. en T., waarnaar art. lh van het ontwerp verwijst (zie artt. 39, 47, al. 1, 50, 52 R. v. k. 0. en T.; vergl. Alg. Regl, art. 43, al. 1. 1°).

Evenwel — zelfs al zou men meenen, dat art. 47 al. 1, tweede helft, R. ü. en T. (15 Jan 90), vat geeft op kerkvoogden en n fabelen — wat ik ontken — dan nog zou men daarmee tegen de volgens art. 7a van het ontwerp „veroordeeldenquot; niets kunnen beginnen.

W ant die „veroordeeldenquot; zijn dan reeds „ontzetquot; en dus geen kerkvoogden of notabelen meer; of geschorst, — maar ook dan blijft het recht van ontzetting aan de Coll. v. T. volgens art. 7 Alg. R. o. h. b.

Zij zullen dus voor den kerkdijken rechter worden gebracht als lidmaten. Nu goed. Maar als lidmaten zijn ze reeds nu volgens de kerkelijke reglementen onder het bereik der kerkelijke re liters-

1) Vrgl. b.v. R. v. IC. O. en T. art. 47 al. 3.

ocr page 54

46

Eveuwel -- van den Kerkeraad, volgeus arfc. 39 al. 1 vau 't R v. 0. en T.. Het „rechtsprekend belieerscollegequot; zou das in elk geval met „zijne uitspraakquot; niet bij het Class. Bestuur, maar bij den Kerkeraad der gemeente, waartoe de „veroordeeldenquot; behooren, moeten komen.

Wat zal dan aan „de kerkelijke tuehf gegeven zijn hoven 't geen 7in reeds aan Laar toek.mt?

Niets! Want de lidmaten staan nu reeds, ter zake van alles, wat met de verplichtingen van liet lidmaatschap in strijd is, onder de tucht.

Maar wél zal integendeel aan den kerkdijken rechter iets ontnomen worden. Immers nu kan hij tegen lidmaten optreden, wanneer zij in eenige hoedanigheid iets doen, waardoor zij hunne verplichtingen als lidmaten schenden; en wel zelfstandig, naar eigen oordeel en bevoegdheid volgens de kerkelijke wet. Maar dan zal hij, waar het vergrijpen in beheerszaken geldt, niets tegen de li 'maten in quaestie kunnen doen — voordat het vreemde College oordeelt, dat de kerkelijke tuehf aan 't werk moet!

Voorwaar, wél eene vreemde manier om de hier bedoelde zaken „te brengen onder de kerkelijke tuchtquot;!

Bovendien mag ook hier nog wel eens worden herinnerd aan hetgeen ik boven reeds opmerkte over miskenning van den aard en de strekking der kerkelijke tucht.

Voorkoming van kwaad is op deze wijze den kerkelijken Besturen volstrekt onmogelijk gemaakt!

Afgezien nog hiervan, dat de zorg voor de veiligheid der kerkelijke goederen alzoo aan onbevoegden blijft toevertrouwd, op wier goeden wil blijkens de historie niet eens voldoende valt te rekenen, — door art. 7 van het ontwerp wordt de kerkelijke tucht van haar meest wezenlijk element beroofd.

En wat zou er van overblijven?

Ze zou ontaarden in het opleggen van straffen, waarvan voor de in casu gekrenkte belangen geene herstelling, noch eenig ander wezenlijk nut, meer ware te verwachten; derhalve eigenlijk in doel-looze irraaknemin ', hierin bestaande, dat de kerkelijke rechter, op aanwijzing van den eigenlijken rechter, zich nu nog eens op de door dezen „veroordeeldenquot; behoorde te werpen, en hen, ofschoon reeds getuchtigd, nog eens terdege met kerkelijke tuchtmiddelen zou moeten afstraffen.

Zóó iels mag de Kerk zeker nimmer toelaten!

ocr page 55

47

Ten slotte nog een paar bezwaren tegen de regeling van de tuelit in het ontwerp.

1°. Na de overgansperiode zal volgens art. 1quot; alleen vergrijp, maar geen verzuim in beheerszaken aanleiding tot maatregelen van tucht kunnen geven.

Hoe noodig dat echter dikwijls worden kan — b. v. ter zake van het niet-indienen van begrooting of van rekening en verantwoording — is maar al te duidelijk gebleken; terwijl bovendien feiten zijn te noemen, ten bewijze, lat de Kerk de zorg daarvoor niet langer aan de „bestaande Collegesquot; mag overlaten.

Mede juist hierom heb ik op nog een ander bezwaar te wijzen, namelijk:

2°. de hoor/ere beheerscolleges — de Colleges van Toezicht — blijven buiten liet bereik van de tucht.

Dat is zonder redelijken grond; in strijd met het organisme der kerkelijke rechtspraak; en bovendien gevaarlijk. Kunnen de Colleges van Toezicht geene schade aanbrengende vergrijpen plegen? Zijn ze verheven boven de verzoeking om door verzuim en nalatigheid de belangen van gemeenten in gevaar te brengen ?

Men moet wel wat heel erg naïef zijn, om dat nu nog in goed vertrouwen aan te nemen!

Zullen er aparte Colleges van Toezicht zijn, dan moeten ook die Colleges zelf onder streng toezicht staan, en hunne leden als zoodanig aan de kerkelijke tucht onderworpen zijn. Dat zou in allen deele normaal wezen. En de belangen der gemeenten eischen, dat de Kerk er voor zorge.

Welk een zonderling wetgevend beleid dus in dit ontwerp, ook op het punt van de rechtspraaJc!

Nu weet ik wel, dat de groote oorzaak van al dat vreemde en gebrekkige, ligt in het streven om twee kapiteins op één schip aan te stellen. Maaquot;, juist omdat dit een ijdel streven is, moest hier wel eene regeling voor den dag komen, waarmede de Kerk niets kan aanvangen, en die zij niet mag vaststellen, omdat ze tegen den aard van haar rechtsbeginsel indruischt, haar onthoudt, wat haar alleen toekomt, en nog bovendien bederft, wat ze heeft.

ocr page 56

48

§ 6. De betrekking tusschen de kerkelijke Besturen en de Lseheerseolleges.

Ook te dezen aanzien is liet ontwerp alles behalve bevredigend, ofschoon de geiieele vierde „Afdeelingquot; eraan gewijd is.

Het opschrift dier Afdeeling belooft anders zooveel!:

„ Van de verhouding tusschen de hestunrs-en heheerscollege.i.quot;

Doch de inhoud valt bitter tegen.

Mijne bedenkingen vallen samen in deze twee;

1°. Wat er in staat, moest er niet in to vinden zijn; eu

2°. Wat er wél in voorkomen moest, staat er niet in.

Ad 1 urn: Wat staat er in?

In art. 7 lezen wij de ons reeds bekende bepaling, waardoor vergrijp in beheerszaken onder de kerkelijke tucht heet gekomen te zijn.

En daarna handelen de artikelen 8, 9 en 10 over hot nieuw op te richten College van zeven, dat nóch een kerkelijk Bestuur zal worden, noch iets te besturen zal hebben; en dat ook zelfs niets van beteekenis te berechten zal krijgen, omdat geen kerkelijk Bestuur hij de beheerszaken te pas zal komen (beluilve, dat én de Synode én het Classicaal Bestuur of het Prov. Kerkbestuur — lees; de Kerke-raad — bij gelegenheid zullen kunnen „prijzen, wat de heeren wijzen gt;.

Over beide deze zaken heb ik in het bovenstaande reeds mijn gevoelen gezegd. Ik kan ze dus nu voorbij gaan.

Maar met deze twee punten is nu ook reeds de gansche inhoud van die veel belovende „Afdeelingquot; uitgeput!!

Ad 2 um: Van hetgeen er wél in moest staan, komt er niets in voor.

Van de bestuurscolleges gewaagt het opschrift. En nochtans is van de in onze Kerk bekende wezenlijk kerkelijke Besturen alleen liet Classicaal Bestuur genoemd; en dan nog wel op eene zoo zonderlinge wijze, dat men er naar raden moet, wat toch kan bedoeld zijn, en evenwel niets kan vinden, dat als bedoeling er door kan.

Van de overige Besturen is geen sprake, en kan ook, wegens de beteekenis van art. 7a, in art. 7b geen sprake zijn.

Van de Kerkeraden is met geen woord gerept.

Die zou men hier anders in de eerste plaats verwachten.

Al dadelijk krachtens het eenig mogelijk gevolg der toepassing van art. 7, en verder wegens den aard der zaak, die zoo rechtstreeks de belangen der gemeenten betreft.

Maar dan ook nog uit kracht van art. 65 al. 2 van het Mg. Hegl., dat van de geheele operatie de grondwettige basis is.

ocr page 57

4y

in Jat artikel tocli lezen we; „Omtrent de administratie der by-„zondere kerk-, pastorij-, kosterij- en andere gemeentefondsen, en de „betrekking tusschen derzelver bestuurders en de Kerkeraden i) zullen „nadere bepalingen worden ontworpen.''

En noelitans is in het concept met geen enkel woord van die betrekking gesproken!

Dat komt er van, als men eene wet wil maken, niet ter uitvoering van duidelijk en nadrukkelijk uitgesprokene rechtsbeginselen, maar om bestaande toestand,en, hoe ook in strijd met het recht geworden, in het kader van dat recht op te nemen.

Ue Kerk stelt in art. 65, al. 2, A. R., op den voorgrond, dat er uit den aard der zaak en mitsdien krachtens onwraakbaar recht betrekking is tusschen de Kerkeraden en de beheerders van de kerkelijke goederen der gemeenten; en wil, dat die betrekking geregeld worde.

Voorts heeft zij in liet Alg. lïegl., art. 70, 5°, de Synodale Commissie aangewezen als het lichaam, waaraan het „algemeen toezicht op de administratie van kerkelijke goederenquot; moet worden opgedragen, en zij wil, dat deze zaak bij een reglement aal worden geregeld.

Maar bij de ontwerpers van dit concept schijnt zelfs geen vermoeden te zijn opgekomen, dat deze eischen in het Alg. Reglement zonder omwegen zijn uitgesproken. Daarentegen stellen zij eene regeling te dezen opzichte voor, die — behalve dat zij in zich zelf onmogelijk is en ons tuchtrecht principieel zou bederven —• vierkant ingaat tegen ons Algemeen Reglement, en de toepassing van de daar gestelde beginselen geheel onmogelijk maakt.

Alleen gedurende de overgangsperiode zullen de Kerkeraden, benevens de overige kerkelijke Besturen — volgens artt. 16 en 17 van het ontwerp — allerlei handlangersdiensten aan de „bestaande Collegesquot; hebben te betoonen, al naardat „de Beheerscolleges (dit) van hen mochten verlangenquot; (art. 16a).

Inzonderheid arme gemeenten, die subsidiën behoeven, en vacante gemeenten, die gaarne weer een eigen predikant zouden willen hebben, zullen het, naar art. 17, zwaar te verantwoorden krijgen, wanneer hare kerkvoogden zich niet dadelijk aan het gezag der Colleges van Toezicht onderwerpen.

Eu daarop komt dan voor den tijd van overgang „de verhouding tusschen de hestimrs- en beheerscolleges' neder.

1) Ik cursiveer.

4

ocr page 58

50

Het zal eeue verhouding zijn zonder veel waardigheid voor de kerkelijke Besturen en voor vele gemeenten waarschijnlijk tot groot verdriet.

Doch daaraan komt dan toch misschien eenmaal een einde.

En als dan de nieuwe organisatie „volkomen is doorgevoerdquot;, dan zullen wij den toestand hebben en behouden, die in Afdeeling IV van het ontwerp omschreven is zooals wij zagen, — een toestand, waartoe niet zal behooren wat de grondwet der Kerk eischt, terwijl alles wat er wél toe zal behooren, tegen die grondwet strijdt.

Maar de Kerk m:ig, naar mijne overtuiging, niet gedoogen. dat op dien toestand worde aangestuurd.

Of zou het ontwerp, in weerwil van de aangevoerde bezwaren, misschien aanbeveling verdienen met het oog op zijne bepalingen betreffende:

§ 7. De bestemming der kerkelijke goederen en hun daaraan beantwoordend gebruik?

Laat ons zien.

Men herinnere zich, dat de eerste der door de Synode vastgestelde ,grondslagenquot; deze was:

„Voorkoming, dat de goederen ad pios usus aan hunne bestemming worden onttrokken.''

Van de ontwerpers hoorden we reeds !) hoe zij de opdracht der

Synode verstonden: „Een Reglement............

..............waarvan hoofddoel is, dat de

kerkelijke goederen niet aan hunne bestemming worden onttrokken.quot;

En wat lezen we nu met opzicht tot dat „hoofddoelquot; in het ontwerp?

Volstrekt niets!

Wel is waar, zullen in de plaatselijke reglementen der gemeenten, „die nog niet onder toezicht staanquot;, (art. 11), moeten worden opgenomen „al de bepalingen, door liet Algemeen College van Toezicht noodzakelijk geoordeeld om te voorkomen, dat de kerkelijke goederen aan hunne bestemming worden onttrokkenquot;' (art. 13).

Doch voor iedereen, die zich niet met fraaie woorden tevreden stelt, is het klaar, dat dit voor de zaak, waarover het gaat, hoegenaamd niets beteekent.

Op zijn best zullen die plaatselijke reglementen worden ingericht

1) Zie bladz. 25, v.v.

ocr page 59

51

naar het model van de bepalingen, die voor de nu ouder toezicht staande gemeenten gelden.

En wanneer dan op den duur de overgangsperiode zal gesloten zijn, dan zal het ook in dit opzicht naar de „thans voor hen (de bestaande Colleges) vigeerende Reglementenquot; voortgaan (art. 5).

Ja, maar — zal men zeggen — die reglementen zullen dan toch eerst „door de zorg van het Algemeen College van Toezichtquot; eent herziening hebben ondergaan (art. 18).

Zeker! — namelijk als het Algemeen College dat wil. Doch ook dan zullen leiddraad en maatstaf bij die herziening zijn; „de bepalingen van dit Reglementquot; (art. 18).

En zoek nu maar eens in „dit Reglementquot; naar bepalingen betreffende de bestemming der IcerJcelijlce goederen, of ook maar naar maatregelen ter verzekering van een werlcelijk doeltreffend toezicht op het doelmatig gebruik dier goederen — gij vindt ze nergens!

Niets, zelfs niet de zwakste poging tot eene codificatie van de bestemming der goederen ad pios usus!

Men zou anders zeggen, dat daartoe waarlijk wel aanleiding en nu tevens eene schoone gelegenheid bestond.

Blijkbaar echter hebben de ontwerpers er anders over gedacht.

Dit wekt te meer bevreemding, als men eens nagaat, wat over deze gewichtige zaak tusschen de hoogste kerkelijke autoriteit en het Algemeen College is verhandeld, b. v. in 1891 en '92 !).

Reeds meer dan eens heb ik daarop de aandacht gevestigd. Men leze o. a mijn; „In naam van historie en recht!'' bl. 171—174.

De heer Peek, ook reeds in de genoemde jaren president van de Synode, zal zich toch wel hebben herinnerd hoe het Algemeen College bepaald heeft geweigerd om ook maar één enkel woord tot omschrijving van de bestemming der kerkelijke goederen in zijn reglement op te nemen.

Evenzeer kan het hem zoo goed bekend zijn, hoe dat College over die bestemming ad pios usus denkt, en het „oude dogmequot; uit den weg wil ruimen met eene theorie — welke het nog bovendien door eene beslissing in hooger beroep, d d. 15 Febr. 1890, heeft gesteund — waardoor aan kerkvoogden een gemakkelijke en breede weg tot vervreemding aangewezen en geopend is.

1) S. H. 1891, bi. 294, 321; 1892, Bijl. 13. bl. 217-229.

ocr page 60

52

En — in ■weerwil van deze wetenscliap wil de president der Synode nu zulk een reglement aan do Kerk geven!

Het Algemeen College heeft in zijn brief aan de Syn. Commissie d.d. 5 April '92 ^ nog eeno, zij hot ook heel zwakke, poging gedaan om zijn stelligen onwil in dezen te verbergen achter de bezwaren, aan eone herziening van zijn Algemeen Reglement verbonden.

Inmiddels heeft nu toch die herziening haar beslag reeds gekregen in de vergadering van het zoogenaamde „dubbele Algemeen Collegequot;, in het einde van Maart 1.1. gehouden.

En wat is do vrucht dier herziening voor do codificatie van de bestemming der kerkelijke goederen?

Geen enkele syllabe is daaromtrent in het herziene Algemeen T'eylement op het helleer te vinden!1).

Het zal dus ook in dozen op den ouden voet blijven voorigaan. liet op dit punt geheel onveranderd reglement zal voortaan de bindende wet zijn voor do gehoele Kerk. Zóó willen het althans de hoeren Perk en de Kantek.

Metterdaad zal dus de wil (of de onwil) van het Algemeen College de bestemming der kerkelijke goederen hetzij omschrijven, hetzij in gevaarlijke onzekerheid brengen.

En al komt de Synode dan later terug mot beleefde vragen of met dringende vertoogen om het Algemeen College tot codificatie van de bestemming der goederen ad pios usus te bewegen, het zal haar dan even weinig baten als tot dusver, indien dat College niet wil.

En dat het niet zal willen, daarvan zijn we nu maar al te zeker.

Wat zal de Synode dan doen met haar recht om wijzigingen in het Algemeen Reglement op het beheer goed te keuren ? Juist de wijzigingen, die zoo noodig zullen zijn, zullen haar niet worden voorgelegd.

En wat de maatregelen betreft ter voorkoming, dat de kerkelijke goederen door wanbeheer enz. aan hunne bestemming worden onttrokken, — ook deze zullen, geheel van de bestaande Colleges afhangen. Dit ontwerp behelst geen enkele bepaling, die tot verscherping van het toezicht leiden kan; want met art. 7 — dat, nota bene! vergrijp in beheerszaken onder de kerkelijke tucht heet te brengen — is, zooals ons gebleken is, niets aan te vangen.

1

Zooals mij welwillend is medegedeeld dooi' een dio 't weten kan, en uit diens exemplaar en aanteekeningen mij gebleken is.

ocr page 61

53

Maar — zal iemand misschien in liet midden brengen — de thans vigeerende reglementen der „bestaande Collegesquot; zijn immers op het punt van het toezicht duidelijk en volledig genoeg! Bovendien kunnen nu, door de wijziging van art. 7 Alg. Regl. o. h beheer, ook de notabelen worden getuclitigd; terwijl een nieuw art. 34, van hetzelfde reglement, bepaalt: „Wanneer hetzij Kerkvoogden, hetzij Notabelen „in gebreke bljjven uitvoering te geven aan de voorschriften van het „Algemeen of van het Plaatselijk Reglement,quot;.... „wordt in die uitvoering door het Provinciaal College voorzien.quot;

Wat dit laatste betreft, — de bepaling is op zichzelf wel goed, ofschoon ook tot dusver de Prov. Colleges maatregelen Iconden en moesten nemen om te zorgen, dat do voorschriften van de genoemde reglementen werden uitgevoerd.

Doch wat zal men overigens van deze dingen zeggen ?

Indien maar de oude en de nieuwe bepalingen van het „Algemeen Reglement o. h. beheer'' voldoende werden gehandhaafd, dan ware menige verkeerdheid of te voorkomen uf te herstellen! Maar indien een of ander Provinciaal College nu eens heel toegevend is op 't stuk van rekening en verantwoording, en deze jaar op jaar laat uitblijven, om dan later de stukken voor vele vervlogene jaren in orde te laten brengen ? Of — indien men zich nooit eens bij de bewaarders van hypotheken vergewist of er misschien ook bedriegelijke bezwaring van kerkelijke goederen heeft plaats gehad? Of wel, — indien men, ontdekkende, dat zoo iets werkelijk is geschied, den bedrieger jaren na het gepleegde feit nog vrijwaart met de verklaring, dat de tot die bezwaring vereischte goedkeuring indertijd is gegeven, en akoo de gemeente de schade laat dragen?

Wat dan ?

Wel, dan zal de Kerk, dan zullen de kerkelijke Besturen daar eenvoudig geheel machteloos tegenover staan.

Want alle gezag te dezen zal berusten bij de „bestaande Collegesquot;. En deze Colleges zullen, én nu én later, onder hoegenaamd geen toezicht staan, en door geen kerkelijk gezag kunnen gedwongen ■worden hun plicht te doen.

Ziedaar de groote fouten!

En deze zouden door „dit Reglementquot; niet enkel bestendigd worden, maar ook nog veel grootere gevaren scheppen.

Zijn die gevaren denkbeeldig?

Hebben dergelijke dingen, als die ik boven onderstelde, misschien

f

1

ocr page 62

54

nooit plaats gehad? De Synode weet wel, hoe het antwoord op deze vragen moet luiden.

Hoe kan men dan willen, dat haar een ontwerp als dit van de heeren Perk en dk Ka vier worde voorgelegd?

De boven ontvouwde bezwaren gelden evenzeer ten aanzien van: § 8. De rekenplichtigheid der Kerkvoogden.

De vierde „grondslagquot;, door de Synode aangegeven, was:

„llegeling van don aard van het toezicht in dezen zin, dat de Kerkvoogdijen rekenplichtig worden aan de door haar zelve gekozen Collegesquot;.

Wat is hieromtrent in het ontwerp te vinden?

Niets! Dat wil zeggen: geen enkele bepaling ervan in 'tbijzonder strekt tot regeling van den aard van liet toezicht in don aangegeven zin.

Maar — dat was, bij do klaarblijkelijke bedoeling der ontwerpers en wegens de strekking van hun geheele concept, ook niet noodig.

De heer Fijnvandraat onderstelt, (in zijne Nota) dat de meerderheid met den vierden grondslag geen raad heeft geweten.

Doch dit is niet juist. De meerderheid wist, naar mij voorkomt, op dit punt heel goed, wat ze deed.

Zij richtte het geheele reglement zóó in, dat de voor de „bestaande Collegesquot; „thans vigeerende reglementenquot;, zonder eenige wijziging wat deze zaak betreft, van kracht konden blijven.

Welnu, daarmede was dan ook deze „grondslagquot; gelegd, en de geheele rekenplichtigheid van kerkvoogden naar den wensch der Synode volkomen in orde! Want volgens die thans vigeerende reglementen worden de leden der Provinciale Colleges, met uitzondering van één lid, door afgevaardigden uit do gecombineerde vergaderingen van kerkvoogden en notabelen gekozen.

Aan die Colleges moeten afschriften van inventarissen, begrooting en rekening worden gezonden.

En dat gaat overal zoo voortreffelijk!

Wat zou men moer kunnen verlangen?

Werden maar alle kerkvoogdijen, dio nu nog niet onder toezicht staan, onder dezelfde rekenplichtigheid gebracht, dan ware het toezicht op de beste wjjze geregeld!

En daarvoor zal nu immers „dit Reglementquot; zorgen!

ocr page 63

55

Derhalve — ais de Kerk „dit Reglement'' nu maar krijgt, dan kan zij ook in dit opzicht gerust zijn!!

Het is te hopen, dat de Synode niet in dezen waan zal verkeeren.

Na al het voorgaande, kan ik hiermede dit punt laten rusten.

Alleen nog deze opmerking:

Al ware er op het toezicht onder de „bestaande Collegesquot; niets af te dingen, dan zou nog het beginsel van rekenplichtigheid der kerkvoogden aan door hen zeiven gekozen Colleges verwerpelijk zijn. De natuur der zaak en de beginselen van ons kerkrecht eischen daarvoor kerkelijke lichamen, die hun gezag volgens de kerkelijke wet van de Kerk zelre ontvangen.

Thans nog een enkel woord over iets, dat, volgens de memorie van toelichting, „aan dit Reglement ontbreektquot;, en „dat er niet in kan worden opgenomenquot;, —

§ 9. Da medewerking der Regeering.

liet moderarnen der Synode had, gelijk we ons herinneren, gesproken van do medewerking der Regeering, eu verklaard er op te durven rekenen, dat deze „de Kerk in het tot stand brengen van eene bo-hoorlijke organisatie' gaarne zou helpen 1).

'tls jammer, dat deze overweging geen debat heeft uitgelokt, waardoor ze had kunnen worden weggedrongen van de plaats, die ze in de beschouwingen van het moderarnen had, en nu ook iu het besluit der Synode heeft verkregen.

Zij berust op de volstrekt onjuiste meening, dat onze Kerk in deze materie niet, evenals in andere zaken, volkomen zelfstandig hare eigene inwendige aangelegenheden zou kunnen en moeten regelen.

De hoogleeraar G ooszex heeft het anders bij herhaling zoo volkomen juist der Synode gezegd, dat er slechts ééne macht is, die thans regelen kan, nl. do Kerk. en dat deze absoluut vrij is en hare res sacrae behoort te regelen 2).

Toch schijnt het aan de aandacht, althans der meerderheid, ontsnapt te zijn, hoe juist door de overwegingen van het moderarnen en do onderstelling, waarop deze waren gebouwd, de geheele zaak groot gevaar

1

S. H. '94, bl. 532.

2

S. H. '94, bl. 545, 546, 561.

ocr page 64

56

moest loopen van te worden vastgemaakt aan een onjuist beginsel, dat haar ten slotte aan voikomene mislukking zou kunnen blootstellen.

En inderdaad, zoo ver zijn we nu reeds.

De medewerking der Regeering is noodig — verklaren de heeren Pkrk en de Kaxter. Zonder deze zal, meenen zij, de Kerk met haar Reglement op het beheer niets kunnen doen.

Alsof we nog leefden in de toestanden van vóór 1852! Alsof de wet van 10 Sept. 1853 niet meer van kracht ware voor Staat en Kerk beide!

Al de andere kerkgenootschappen in ons Vaderland zouden wél hare eigene aangelegenheden zelfstandig kunnen regelen, maar de Neder-landsche Hervormde Kerk alleen zou daartoe niet bij machte zijn!?

Zij alleen zou eerst de goedkeuring van de Regeering moeten vragen.. en geen rechtsgeldige wet op t beheer kunnen uitvaardigen, dan nadat haar van Regeeringswege ware gezegd: ga uwen gang, deze wet verklaar ik als voor uwe gemeenten verbindend te erkennen!?

Hoe lang kunnen toch voormalige toestanden, die reeds sints jaren tot het verleden behooren, nawerken! Welk een moeite kost het toch den Hervormden in ons Vaderland, zich in kerkelijke zaken in verhouding tot den Staat werkelijk vrij te gevoelen!

Zelfs nu nog, door leden van de Synodale Commissie, wordt in allea ernst de stelling verkondigd, dat de Kerk, naar eigen recht en wet eene organisatie van het beheer inrichtende, aan de Regeering moet vragen: wilt gij deze organisatie als de wettige erkennen?!

Men zou kunnen zeggen: ziedaar de Achilles-hiel van het ontwerpI Doch nu dit overigens zoo weinig Achillesachtigs heeft, gaat de beeldspraak niet op.

Evenwel, al ware het ontwerp in dezelfde mate voortreffelijk als het nu gebrekkig is, dan zou het toch volstrekt onmogelijk zijn gemaakt door den eisch, dat het, als het tvet tverd, zijne uitwerkende kracht zou moeten verkrijgen door de erkenning van de Regeering.

Stel eens, dat de Regeering zich daartoe vinden liet en er een koninklijk besluit verscheen, houdende erkenning enz. . . . (en een konl. besluit zou het voor het minst moeten zijn, terwijl het toch ook weer onmogelijk iets meer wezen kon) — welnu, welke grond van zekerheid zou men dan nog hebben verkregen, om er een proces op te durven bouwen ?

Men bedenke, dat koninklijke besluiten niet het recht scheppen, en zeer bepaald casu quo aan de critiek van den rechter zijn onderworpen.

ocr page 65

57

Deze zou in 't bedoelde geval de reclitsgeldigheid van het hier onderstelde konl. besluit moeten beoordeelen, en daartoe de bevoegdheid dor Regeering, om ton aanzien van de wettigheid eener kerkelijke organisatie van het beheer te beslissen, behooren te onderzoeken.

Welnu, dat onderzoek zou tot stellige ontkenning van bedoelde bevoegdheid leiden.

Derhalve — al ware de Regeering volkomen bereid om de verklaring te geven, die de hoeren Perk en de Kaxter van haar willen gevraagd hebben, dan zou zulk eene verklaring nog geene de minste waarde in rechte bezitten.

Intusschen mogen we aannemen, dat de Regeering zelve deze dingen opperbest weet.

En daarom zal zij zich wel zeer wijselijk van de medewerking, waartoe men haar wil zien uitgenoodigd, onthouden.

Niet omdat — gelijk de heer Fi.twakdraat schijnt te onderstellen — zij kortweg niet zou willen, maar omdat zij te eenenmale onbevoegd is, en dus niet kan en niet mag.

De Kerk zelve, en zij alleen, heeft te zorgen, dat zij eene voor al hare gemeenten verbindende rechtsgeldige regeling vaststelle.

En de Staat zal, voor zoover hij met kerkelijke aangelegenheden te doen heeft of mocht krijgen, daarbij overeenkomstig de bepalingen dier kerkelijke regeling zich gedragen.

Wanneer het tot het verwachte „afwikkelen van de financiëele relationquot; mocht komen, dan zal de Staat, enkel kunnen handelen met de door de Kerk daarvoor gestelde machten. En deze behoort zelve te zorgen, dat hare wet de noodige waarborgen oplevert „dat de golden volgens hunne bestemming worden gebruikt.quot;

De heer Fijxvandraat wil in het onderstelde geval den Staat eigenmachtig de door hem alsdan uit te betalen gelden laten „inschrijven in de Grootboeken N. W. S. onder een door hem bepaalden titelquot;.

De Staat echter zal zich wel wachten te doen, wat niet van zijne bevoegdheid is.

Maar als de Kerk zorgt, dat de beheerszaken door haar wettig geregeld zijn, dan zal de Staat, overeenkomstig zijn plicht, in handen van de bevoegde kerkelijke autoriteit de verschuldigde gelden storten. Die gelden zullen dan komen te behooren tot de gemeentefondsen, waarvan art. 65, al. 2, Alg. Regl. spreekt; en aan de Kerk staat het te zorgen,

ocr page 66

58

dat die fondsen overeenkomstig hunne bestemming — in casu dus ook tot voorziening in dc bezoldiging van de leeraren der gemeenten — worden gebruikt.

§ 10. Besluit.

Tn mijne critiek van liet ontwerp der hoeren Peuk en de Kanter kwam natuurlijk ook dc Nota van den heer Funvandraat eiikelo male ter sprake.

Daarom zie ik geen reden thans nog deze Nota afzonderlijk te behandelen.

Tegenover hetgeen in don aanhef daarvan kortweg en zonder eenig bewijs wordt beweerd omtrent de beteekenis van art. 65, al. 2, Alg. Kegl., stol ik met eenige vrijmoedigheid al hetgeen ik daaromtrent in mijne drie geschriften over de beheersquaestic, cn 't laatst in mijne „Notaquot; van 1893!), heb uiteengezet.

Ieder, die wil weten, hoe eigenlijk de vork in den steel zit, kan zich daaromtrent vergewissen, als hij zoowel den heer Fijnvandraat als mij zorgvuldig narekent.

Dit laat ik dus gerust aan den ernstigen en onpartijdigen onderzoeker over.

ITier bepaal ik mij tot een paar opmerkingen.

De heer F. verzekert, dat de opvatting van het woord „ontworpenquot; in art. 65, al. 2, in den zin van als wet „vaststellenquot;, ingaat:

Jegen den uitdrukkelijken wil van den Wetgever (zie Ilandl. 1851, bl. 474quot; en

„tegen alle spraakgebruikquot;.

Welnu, van dien uitdrukkelijken wil des wetgevers, naar de opvatting van den heer F., blijkt niets, — noch op de door hem aangehaalde bladzijde, noch op eenige andere bladzijde der Syn. Handelingen, noch uit de geschrevene Handelingen, die ik er op nagezien heb. Wél echter zijn er afdoende argumenten aan te voeren voor de bewering, dat de kerkelijke autoriteit in de jaren 1851—'53, van de bevoegdheid der Synode tot het vaststellen van een beheersreglement beslist overtuigd was, en de bepaling van art. 65, al. 2, in dien zin en bedoeld en opgevat heeft.

1) Syn. Hand. '93, bl. 417 — 447.

ocr page 67

59

Het Is niet noodig, dit nog eens weer aan te toonen. Ik verwijs eenvoudig naar mijne vroegere geschriften.1)

En wat het toenmalig spraakgebruik betreft, — men loze eens b. v. mjjn „Uitstel, geen afstelquot; bl. 71 en V2 2), om zelf te kunnen bepalen, welke waarde aan de verzekering van den heer F. te hechten zij.

Het doet mij innig leed, dat mijn oordeel over het ontwerp van de heeren Perk en de Kanter zoo ongunstig moet luiden.

Daar echter, m. i., de regeling van het beheer, die zoo dringend voorziening eischt, door de nu ontworpene plannen opnieuw — en ditmaal op nog veel ernstiger wijze — in gevaar wordt gebracht, achtte ik mij verplicht mijne meening vrijmoedig en nadrukkelijk uit te spreken.

Wat zal nu de Synodale Commissie met het avant-projet doen?

Wij moeten dit afwachten.

In 't belang van de zoo hoogst gewichtige zaak hoop ik, dat zij een geheel anderen weg zal inslaan.

Zij zou eene geheel nieuwe, volledige regeling van het beheer, b. v. in den trant van het concept van 1874, kunnen ontwerpen.

Nog beter ware het, dat zij der Synode aanried om, op den grondslag van hare bevoegdheid naar de kerkelijke wet, eene commissie van eenige deskundigen in den Lande te benoemen, met de opdracht:

1°. te overwegen: of — en zoo ja, in hoever — aan afzonderlijke beheerscolleges naast de kerkelijke Besturen en in verband met deze, de uitoefening van het toezicht op het beheer zou moeten worden opgedragen;

2°. overeenkomstig de resultaten van hare overwegingen omtrent het bovenbedoelde, een reglement op het beheer der kerkelijke goederen, in art. G5 al. 2 Alg. Regl. genoemd, te ontwerpen, met inachtneming van de volgende beginselen:

a. Aan de gemeenten blijve het onbeperkt genot van hare goederen overeenkomstig hunne bestemming verzekerd;

1

„De bevoegdlieid enz.'' bi. 111—116. Vrgl. 129 — 171 „Uitstel, geen afstelquot; bi. 65, v. v. en „In naam van historie en rechtquot; bl. 47, v. v. Voorta van mijne Nota, in Syn. Hand. 1893, bl. 438—444.

2

Vrgl. mijn : „Do bevoegdheid enz.quot; bl. 46, 47.

ocr page 68

60

h. Het beheer zelf blijve berusteu bij de gemeenten, om in haren naam, door van wege haar zelve daartoe aangewezenen, te worden gevoerd naar de kerkelijke wet;

c. De bestemming der kerkelijke goederen ad pios vsus worde duidelijk omschreven en voorgoed onaantastbaar gesteld;

d. liet beginsel van rekenplichtigheid der gemeentelijke beheerders (kerkvoogden) aan uitdrukkelijk daartoe aangewezen Colleges 01 Besturen worde op den voorgrond gesteld, en do handhaving van dat beginsel op doelmatige wijze verzekerd;

e. Er worde betrekking tusschen de kerkelijke administration en de Kerkcraden en hoogere kerkelijke bestuurslichamen geschapen, en die betrekking worde nauwkeurig omschreven en gewaarborgd.

Ziedaar wat reeds in 1893 door mij l), en in 1894 mede door de groote meerderheid in de Kerk 2) aan de Synode is voorgesteld.

Misschien is er weinig kans, dat de Synodale Commissie in dezer voege en met dezen raad haar mandaat weder in handen der Synode zal leggen.

W elnn, dan moge de Synode zelve in dezen zich wijselijk beraden en haren plicht doen, opdat de Kerk de zekerheid verknjge, dat alles wordt gedaan, wat noodig is om eene goede regeling van liet beheer voor te bereiden en tot stand te brengen.

Het ontwerp der heeren Perk en de Kanter is m. i. volstrekt onbruikbaar.

Welk verzet nog bovendien ook met zulk eene wet van de zijde der „bestaande Collegesquot; zou te wachten zijn, is door de oppositie van den heer Fijxvaxdraat nu reeds duidelijk gebleken.

Verzet zal in elk geval in 't leven worden geroepen.

Met een reglement als het door genoemde heeren ontworpene, zal de Kerk daar machteloos tegenover staan.

Bezit zij echter eerst eene goede, ■volledige, kerkelijke wet, dan staat zij tegenover allen tegenstand op eer vasten grond van venreerl

Moge dan toch nu niet op een zandgrond worden gebouwd!!

1) Syd. Hand. '93, bl. 446, 447.

2) Syd. Hand. '94, bl. 494, v. v.

ocr page 69

T

laren n'don

dui-

lieer-es or i dat

in de i die

i' de

ezer 10de

rlon illos leer

•ekt

ij de itie

zal iiat

ocr page 70
ocr page 71