ocr page 1

DE IPALID1TE1TS- EN 0UDERD0MSVERZEKER1NG, de bezwaren bij de uitvoeiig der wet ondervoiiden

EN

de middelen, welke zijn voorgesteld tot verbetering,

BESCHREVEN DOOR

Mr. J. Barou D'AULNIS DE BOÜROUILL.

Jloofjkeraar te L'trecht.

's GKAVENHAOE,

L. K. C. DE HAAS, 189G.

ocr page 2
ocr page 3

Niet in dcii handel.

DE INVAL1D1TE1TS- EN OÜDERMSVERZEKERING, de liczwaren l)ij ilc uitvoering der wet ondervonèD

KN

de middelen, welke zijn voorgesteld tot verbetering,

BESCHREVEN DOOR

Mr. J. Baron D'AULNIS DE BOÜROUILL,

Hoogleer aar te Utrecht.

. -V !•' V..

■ y ... quot; KA

■ L'

/

\ï

'S GRAVENHAGE,

L. K. C. DE HAAS, 189G.

ocr page 4

IMHIHI I ■ ssgja^M^MMlpiyfflMMgS

5;^.W5SSS5!^^5^^^H

■■ WÊmÊÊÊÊsSsSm

^WMIm^WM

ocr page 5

INHOUDSOPGAVE.

Bladz.

Voorwoord............. ... 5

Eerste Hoofdstuk. Werking der Wet.....7

§ 1. De beteekenis van het Plakzegelstelsel in het

algemeen..............7

§ 2. De organisatie der Verzekering......10

§ 3. De gevolgen van Staatkundigen aard. ... 12

Tweede Hoofdstuk. Het plakzegelstelsel in het bijzonder................21

§ 1. Redenen van impopulariteit. Ontduikingen en

misbruiken.............21

§ 2. Verhouding tusschen patroons en werklieden ;

recht van korting op loon........25

§ 3. De kwijtingskaarten..........26

§ 4. De verkoop van zegels.........29

§ 5. Do verkoop van dubbelzegels.......30

§ 6. Loonberekeuing en Loonklassen......31

Derde Hoofdstuk. Administratieve en financieele Statistiek................33

§ 1. Statistiek omtrent de pensioenen wegens ouderdom en wegens invaliditeit; onderling verband ; verhouding tot de bevolkingsgroepen .... 33 § 2. Financieele uitkomsten in het algemeen. . . 42 § 3. Financieel stelsel (Kapitaldechmgsverfahren) . . 43

ocr page 6

4

Bladz.

§ 4. Preventieve zorg door raiddel van herstellings

oorden ...............45

§ 5. Invloed der Verzekering op de Armenzorg . . 46 § 6. Invloed der Verzekering op de belegging in

de spaarbanken............49

Vierde Hoofdstuk. Planum tot Hervorming . . 51

§ 1. Plan-Woedtke............51

§ 2. De voorstellen van Dr. R. Fkeund.....52

§ 3. De plannen van Dr. Bödiker......53

§ 4. De voorstellen der Agrariërs.......58

ocr page 7

VOORWOORD.

Naar aanleiding van de klachten welke in Duitschland over de werking der wet van 22 Juni 1S89 zijn aangeheven, wendde ik mij iu April jl. tot Dr Ludwig Bamberger, vroeger lid van den Rijksdag, te Berlijn. Z.Ed, had de welwillendheid mij eenige belangrijke stukken toe te zenden o. a. de exemplaren van de Norddeutsche Allgemeine Zeitung van 7—9 Nov. 1895. Dat dagblad heeft de voorstellen medegedeeld, welke te Berlijn op de Conferentie van eene door de Regeering bijeengeroepen Commissie tot vereenvoudiging der Arbeidersverzekering door Dr. Bodiker, President van het Reichsversicherungsamt, zijn ontwikkeld. Voorts ontving ik een opstel van Dr. Feeund, president der Ver sicherurgsanstalt Berlin, uit de Preuszische Jahrbücher van Mei 189G, inhoudende diens in genoemde conferentie voorgedragen hervormingsplan.

Een en ander bleek mij in zoo hooge mate samen te hangen met de nopens het plakzegelstelsel in Duitschland opgedane ervaring, dat ik besloot de zaak persoonlijk te Berlijn te onderzoeken, te meer ook omdat Dr. Bamberger mij de klachten over de wet niet had verheeld. „Aber es ist „jetzt zu schwer urozukehrenquot; — schreef mij deze ervaren staatsman en economist, — „und deszwegen hort man dies „Gestandnisz über die Mangel des Gesetzes nicht so offiziell „aussprechen, wie es in sehr groszen Kreisen Urtheilsfahiger „fest steht. Jedenfalls bin ich sicher, dasz mir nicht ernst-„lich widersprochen wird, wenn ich sage : Kame das Gesetz „heute zur Abstimmung, es würde mit groszer Mehrheit „abgelehntquot;.

ocr page 8

6

Dat een volk zich togen de gevolgen van Invaliditeit en Ouderdom verzekert is een grootsche gedachte, waarvan men in Duitschland eene, al zij het ook gedeeltelijke, uitvoering ziet; in hoever dan had deze maatregel in dat Rijk niet voldaan ?

De woorden van Dr. Bamberger waren mij eene teleurstelling, ook omdat ik tot dus ver de Diiitsche regeling wegens hare scherpzinnigheid bewonderd had. Toen mij omtrent de ervaring in Duitschland nog niets bekend was, in het voorjaar van 1893, had ik in een Rapport (bl. 9) aan de Vereeniging tot Bevordering van Fabrieks- en Hand-werksnijverheid in Nederland de technische uitvoerbaarheid van een algeraeenen pensioenverzekeringsdwang aangenomen als door het Duitsche voorbeeld bewezen. Moest thans op deze meening teruggekomen worden?

Te Berlijn werd ik door den Nederlandschen Gezant, door deskundige ambtenaren en leden van den Rijksdag zeer welwillend voorgelicht.

In het hiervolgend opstel zijn talrijke feiten medegedeeld, doch is door mij bijna nergens een oordeel uitgesproken. Het doel van dit opstel is tot de vorming van een eigen oordeel in staat te stellen.

Alleen waar ik de voorstellen tot wetsverandering vermeld heb, zijn eenige critische opmerkingen door mij gewaagd. Niet om ten behoeve van de Duitschers een oordeel over deze voorstellen te vellen; zij zelve zijn daartoe uitnemend in staat; maar om de beginselen, tegen welke de voorstellen zijn gericht, en de beteekenis van deze zelve toe te lichten. Hiertoe scheen mij een weinig critiek het eenvoudigste middel.

Utrecht, Juli 1896.

J. d'Aulnis de Bourouill.

ocr page 9

EERSTE HOOFDSTUK.

WERKING DER WET.

§ 1. De beteekmis van het plakzegelstelscl in het algemeen.

Verzekeringsdwang voor pensioenen onderstelt een gedwongen heffing van bijdragen of preraiën.

Hiervoor is in Duitschland het stelsel gekozen van plakzegels {Beitragsmarkcn, das Marken system) in verhand met jaarlijksche kwijtingskaarten (Quittungskarten).

Het Duitsche Rijk is gesplitst in 31 districten, grooten-deels overeenkomende met de bestaande provinciën, en ieder voorzien van een Versicherungs nstait, eene instelling welke rechtspersoonlijkheid bezit. Door de Versicherungs-anstalt worden de inko?nsten geïnd, de uitgaven gedaan, de geschillen beslecht met betrekking tot de bevolkingsgroep, voor welke zij naar de territoriale indeeling werkzaam is (1). Deze instellingen vormen alzoo ieder een eigen kapitaal met een eigen reservefonds.

Elke Anstalt geeft door middel van de postkantoren zegels uit, vermeldende den naam der Anstalt, het bedrag in geld en de loonklasse, waarvoor het zegel bestemd is. Er zijn namelijk vier loonklassen, te weten:

I klasse, 0— 350 Mark; hiervoor liet zegel van 14 Pfennige;

II t 350— 550 » » » „ s 20 »

III » 550— 850 » » f » » 24 »

IV » 850—2000 » »s» » 30 »

Zoodra een loontrekkend persoon 16 jaar is, moet zijn werkgever bij de politie een kaart halen, welke aan de binnenzijde ruimte bevat voor de opplakking van 52 zegels.

(1) In het 111c Hoofdstuk, $ 1 van dit opstel vindt nmn eene statistische opgaaf van Jo bevolkingsgroepen der Anstalten.

ocr page 10

8

De kaart vermeldt den vollen naam des arbeiders, zijn geboorteplaats, den datum zijner geboorte en de plaats der uitgifte. De werkgever is verplicht elke week een zegel op de kaart te plakken en mag de helft van het bedrag op het loon korten. Zoodra de kaart vol is, wordt een nieuwe gehaald. De oude kaart moet ingeleverd worden uiterlijk drie jaar na de uitgifte. De kaart is het eigendom van den verzekerde. Hij kan ten allen tijde de afgifte er van eischen, en neemt haar mede bij verandering van werkgever. De bij het postkantoor of de politie ingeleverde kwijtingskaart wordt opgezonden naar de Vcrskherungs-anstalt van het district. De zegels worden aldaar door stempeling voor verder gebruik ongeschikt gemaakt. De kaart wordt er bewaard. quot;Wanneer de verzekerde zijn 71ste jaar is ingetreden, worden zijn kaarten voor den dag gehaald, en wordt geconstateerd hoeveel zegels en tot welk bedrag zij door hem zijn gebruikt. Daarnaar wordt zijn pensioen berekend, edoch over niet meer dan dertig jaren. Invaliditeits-pensioenen daarentegen worden berekend over alle weken, waarover bijdragen blijken te zijn gestort. Elk pensioen voorts wordt vermeerderd met eene toelage van 50 Mark uit de Rijkskas. In § 26 der Duitschc Wet is de wijze van berekening vastgesteld. Een voorbeeld van de berekening vindt men in Hoofdstuk III § 1 van dit opstel (bl. 38), alwaar het onderling verband der beide soorten van pensioenen wordt behandeld.

Deze regeling — waarvan ik hier voorloopig alleen de hoofdtrekken mededeel — is de grondslag der Duitsche Pensioen-verzekering. Door haar is het mogelijk geweest om, meer dan door elk ander procédé, althans in vele opzichten de hoofddenkbeelden te verwezenlijken, op welke iedere Verzekering rust:

a. zorg dat met de premiebetaling tijdig begonnen wordt;

b. controle hoe lang en tot welk bedrag de premiën betaald zijn door hem, die pensioen aanvraagt;

c. berekening van een pensioen naar het bedrag en den duur der premiën;

ocr page 11

9

d. betaling der premiën, in kleine sommen telkens, en binnen zekere grenzen in verhouding tot de verdiende loonen.

Wie deze beginselen handhaven wil, moge zoeken naar een ander stelsel dan dat van plakzegels, doch het zal hem niet gemakkelijk vallen een beter te vinden (1).

Het zegelstelsel heeft, buiten deze technische, ook eenige psychologische voordeden.

De verzekerde verwerft in de kwijtingskaart het tastbaar teeken zijner pensioengerechtigheid. De zegels zijn de zichtbare bewijzen dat er voor hem is betaald. Hoeveel er betaald is, is niet kwestieus. Evenmin hoeveel op zijn loon mag worden gekort. Heeft de korting plaats, dan heeft de verzekerde het bewustzijn, dat hij zelf betaald heeft voor zijn eigen pensioengerechtigdheid. Het bezit eener met zegels voorziene kaart herinnert aan die gerechtigdheid, en aan de offers, welke hij zich daarvoor heeft opgelegd. Aan de lieden is de zorg voor hun belangen niet geheel uit handen genomen, al werd ook verreweg het meerendeel der te verrichten werkzaamheden aan de patroons, en niet aan de verzekerden, opgedragen.

Ondanks dit alles is spoedig tegen het „Klebegesetzquot; een agitatie ontstaan. Vermeldt Kulemann dat reeds bij de invoering de wet op hevigen tegenstand stuitte 2), de de zegeling bleef natuurlijk bij de bevolking de wekelijks terugkeerende herinnering aan den dwang, aan de kosten, aan de formaliteiten, aan de straffen, enz. Bij die zegeling komen bovendien vergissingen en misbruiken voor. Er zijn velen, die tegen het zegelstelsel strijd voeren ook omdat zij de daaraan ten grondslag liggende commer-cieele beginselen, bij name het denkbeeld om de pensioenen te berekenen naar het bedrag en het getal der gebruikte zegels („ Aequivalenz-theoriequot;) afkeuren. Die beginselen toch brengen een aantal scherpe regelen mede.

1) W. Kulemann, die Reform unserer Socialversicheruvg, 1894; „Bei der Aequivalenz-theorie ist die Marken-verwendung die einfachste Methodequot;.

2) t. a. p. Vorwort, bl. II.

ocr page 12

8

De kaart vermeldt den vollen naam des arbeiders, zijn geboorteplaats, den datum zijner geboorte en de plaats der uitgifte. De werkgever is verplicht elke week een zegel op de kaart te plakken en mag de helft van het bedrag op het loon korten. Zoodra de kaart vol is, wordt een nieuwe gehaald. De oude kaart moet ingeleverd worden uiterlijk drie jaar na de uitgifte. Do kaart is liet eigendom van den verzekerde. Hij kan ten allen tijde de afgifte er van eischen, en neemt haar mede bij verandering van werkgever. De bij het postkantoor of de politie ingeleverde kwijtingskaart wordt opgezonden naar de Versicherungs-anstalt van het district. De zegels worden aldaar door stempeling voor verder gebruik ongeschikt gemaakt. De kaart wordt er bewaard. Wanneer de verzekerde zijn 71ste jaar is ingetreden, worden zijn kaarten voor den dag gehaald, en wordt geconstateerd hoeveel zegels en tot welk bedrag zij door hem zijn gebruikt. Daarnaar wordt zijn pensioen berekend, edoch over niet meer dan dertig jaren. Invaliditeits-pensioenen daarentegen worden berekend over alle weken, waarover bijdragen blijken te zijn gestort. Elk pensioen voorts wordt vermeerderd met eene toelage van 50 Mark uit de Rijkskas. In § 26 der Duitsche Wet is de wijze van berekening vastgesteld. Een voorbeeld van de berekening vindt men in Hoofdstuk III § 1 van dit opstel (bl. 38), alwaar het onderling verband der beide soorten van pensioenen wordt behandeld.

Deze regeling — waarvan ik hier voorloopig alleen de hoofdtrekken mededeel — is de grondslag der Duitsche Pensioen-verzekering. Door haar is het mogelijk geweest om, meer dan door elk ander procédé, althans in vele opzichten de hoofddenkbeelden te verwezenlijken, op welke iedere Verzekering rust:

a. zorg dat met de premiebetaling tijdig begonnen wordt;

b. controle hoe lang en tot welk bedrag de premiën betaald zijn door hem, die pensioen aanvraagt;

c. berekening van een pensioen naar het bedrag en den duur der premiën;

ocr page 13

9

d. betaling der premiën, in kleine sommen telkens, en binnen zekere grenzen in verhouding tot de verdiende loonen.

Wie deze beginselen handhaven wil, moge zoeken naar een ander stelsel dan dat van plakzegels, doch het zal hem niet gemakkelijk vallen een beter te vinden (1).

Het zegelstelsel heeft, buiten deze technische, ook eenige psychologische voordeden.

De verzekerde verwerft in de kwijtingskaart het tastbaar teeken zijner pensioengerechtigheid. De zegels zijn de zichtbare bewijzen dat er voor hem is betaald. Hoeveel er betaald is, is niet kwestieus. Evenmin hoeveel op zijn loon mag worden gekort. Heeft de korting plaats, dan heeft de verzekerde het bewustzijn, dat hij zelf betaald heeft voor zijn eigen pensioengerechtigdheid. Het bezit eener met zegels voorziene kaart herinnert aan die gerechtigdheid, en aan de offers, welke hij zich daarvoor heeft opgelegd. Aan de lieden is de zorg voor hun belangen niet geheel uit handen genomen, al werd ook verreweg het meerendeel der te verrichten werkzaamheden aan de patroons, en niet aan de verzekerden, opgedragen.

Ondanks dit alles is spoedig tegen het „Klebegesetzquot; een agitatie ontstaan. Vermeldt Kulemann dat reeds bij de invoering de wet op hevigen tegenstand stuitte 2), de de zegeling bleef natuurlijk bij de bevolking de wekelijks terugkeei-ende herinnering aan den dwang, aan de kosten, aan de formaliteiten, aan de straffen, enz. Bij die zegeling komen bovendien vergissingen en misbruiken voor. Er zijn velen, die tegen het zegelstelsel strijd voeren ook omdat zij de daaraan ten grondslag liggende commer-cieele beginselen, bij name het denkbeeld om de pensioenen te berekenen naar het bedrag en het getal der gebruikte zegels („ Aequivalenz-theoriequot;) afkeuren. Die beginselen toch brengen een aantal scherpe regelen mede.

1) W. Kulemann, die Reform nnscrcr Socialversichenoig, 1894: „Bei der Aequivalenz-theorie ist die Marken-ver wen dung die einfachste Methodequot;. ■J) t. a. p. Vorwort, bl. 11.

ocr page 14

10

welke streng moeten worden toegepast, wil niet alles ontaarden in verwarring en willekeur. Maar die regelen („das Markenrecht ist scharfer als das Wechselrechtquot;) (1) zouden bij een ,Socialversicherung ', bij welke ook Weldaad en Verzorging hoofddenkbeelden zijn geweest, onprac-tisch zijn, omdat zij leiden tot teleurstelling en ontevredenheid, wanneer te goeder trouw ingediende aanspraken moeten worden afgewezen wijl niet stipt aan de eischen der wet is voldaan.

Aan de gebreken van het zegelstelsel wordt hierna een afzonderlijk hoofdstuk gewijd.

§ 2. Z)c organisatie der Verzekering.

Ook bezwaren van organisatie zijn openbaar geworden.

De drie takken der sociale verzekering, die tegen ziekten, die tegen ongelukken en die tegen invaliditeit en ouden dag hebben eigen administratiën, scheidsgerechten, com-missiën, ambtenaren. Hieruit schijnt, zoo geen rechtstreek-sche verwarring, dan toch voor de verzekerden last voort te vloeien bij de vraag tot wie zij zich moeten wenden om raad en om beslissing, bovendien in den boezem der administratie veel omslag en geschrijf.

Krachtige stemmen gaan op tot unificatie, vooral uit den ambtenaarsstand. Aan iederen tak zijn beginselen van organisatie ten grondslag gelegd zóó verschillend van die der andere takken, dat de afgevaardigde Dr. Pachnike in den Rijksdag gewaagde (2) van „het labyrinth der kassenquot;, en meende dat slechts weinig menschen in Duitsch-land leven, die een nauwkeurige kennis der verzekeringswetten bezitten.

Om die moeielijkheden juist te vatten zou men m. i. een tijd lang in het Duitsche Verzekeringswezen praktisch werkzaam moeten zijn. Dr. Freund sprak mij van de bezwaren der splitsing slechts in algemeenen zin , doch tevens van de moeielijkheid om te vereenigen wat van

(1) Woorden van Dr. Bödiker, ter Bcrlijnsche Conferentie.

(2) Reichstagverhandlungen, 28 Jan. 1890, bl. 57').

ocr page 15

11

meet af was gesplitst. De denkbeelden omtrent de vereenvoudiging der organisatie schijnen zeer verdeeld (1).

Een groote hinderpaal tegen de samensmelting is dat bij iederen tak do premiën uit verscbillende bronnen worden betaald. De verzekeringen rusten op verschillende economische gedachten; zij verschillen in organisatie , in premiën en in uitkeeringen. Bij de ongelukkenverzekering, bijvoorbeeld, geldt als beginsel dat het risico der ongelukken moet gebracht worden tot de onkosten van het bedrijf. Diensvolgens is de nationale arbeid in beroepen gesplitst, waarvan alleen sommige geacht werden voldoend risico op te leveren om aanleiding te geven tot verplichte assurantie. Wat jaarlijks in ieder verzekeringplichtig beroep noodig is wordt jaarlijks over de ondernemers omgeslagen naar maatstaf van hun getaxeerde loonrekening. Gevolg hiervan is een verschil van heffing voor ieder beroep en voor ieder jaar. Ieder beroep draagt zijn eigen last, maar heeft dan ook rechtstreeksch belang bij vermindering der gevaren, aan welke zijn personeel is blootgesteld. Deze in tal van opzichten heilzame individualiseering staat echter aan samensmelting met de pensioen verzekering in den weg, daar de laatste noch met splitsing in beroepen, noch met diversiteit van risico's, noch met omslag der uitgaven te doen heeft, integendeel de loontrekkenden enkel naar loonklassen verdeelt.

Bij de ongelukkenverzekering zijn op groote schaal ook de ondernemers (b. v. in den landbouw) verzekerd; bij de pensioenverzekering echter alleen de loontrekkenden en eenige weinige met hen gelijkgestelden.

Bij de ongelukkenverzekering strekken sommige beroeps-verbanden zich over het geheele Rijk uit; bij de pensioenverzekering vormt het district eener Versichcrungsanstalt de administratieve eenheid.

(1) Plannen zijn ontwikkeld a. a. door R. ton Landmann, über die Vereinfachung der irbeitorversicherung (Pr. Jahrbüolicr, 1S94, Juli—Oct., bl. '246 en Tolg.)

Dr. Freund, Pr. Jalirb. Mei 1896.

Dr. Bödikeu, tor Regeeringsconferentio (Nordd. Allg. Zeitung), 8 Not. l^OS.

ocr page 16

12

Bij de ongelukkenverzekering geldt het ümlageverfahren, bij de pensioenverzekering het Kapitaldeckungsverfahrcn.

Indien deze verschillen grootendeels aan toeval waren te wijten, zouden zij waarschijnlijk gemakkelijk op te heffen zijn. Doch wie de zaken van nabij bestudeert, bemerkt spoedig dat de verschillen nauw samenhangen met de economische doeleinden en de technische eischen van eiken verzekeringstak. Mijn indruk is geweest, dat de unificatie, welke in Duitschland bereikbaar is, niet veel meer dan het uitwendige der zaak kan betreffen, namelijk dat men de rechtspraak (scheidsgerechten) zooveel mogelijk aan dezelfde colleges, en sommige werkzaamheden zooveel mogelijk aan dezelfde ambtenaren zou opdragen. Worden dan echter de colleges uit meer leden samengesteld, en ontvangen de ambtenaren een andere titulatuur, dan is in de zaak zelve weinig veranderd.

In Nederland is de vraag omtrent de organisatie, al drage zij bij den eersten oogopslag een specifiek Duitsch karakter, niet zonder belang nu de Regeering aan de bij Koninklijk Besluit van 31 Juli 1895 n0. 21 benoemde Staatscommissie de vraag heeft voorgelegd, of naast de regeling der verzekering tegen ongelukken voor werklieden een wettelijk recht op geldelijke uitkeeringen moet worden in het leven geroepen.

Ook bij een geheel zelfstandige organisatie zullen niettemin , in sommige gevallen, beide verzekeringen in elkander grijpen. In Duitschland wordt, wanneer de invaliditeit het gevolg is van een beroepsongeluk, liet pensioen ten laste der ongelukkenverzekering gebracht. Het is statistisch niet bekend in hoever door deze regeling de Versicherungs-anstaltm worden ontheven van pensioenen, welke zij anders ter zake van invaliditeit hadden moeten uitkeeren.

§ 3. De gevolgen van Staatkundigen aard.

De wet van 1S89 is in den Rijksdag aangenomen met 185 tegen 165 stemmen, nadat de Regeering bij monde

ocr page 17

13

van vorst Bismarck al haar gewicht in de schaal had geworpen. Waarom was de meerderheid zoo gering?

De wet zelve hinkt op de twee gedachten: Verzekering en Verzorging.

Voor zoover de pensioenen berekend worden naar de betaalde premiën, is liet beginsel van gehnldigd.

Doch het denkbeeld van Verzorging treedt op bij de Staats-toelage van 50 Mark bij ieder pensioen, en bij de gewichtige overgangsbepaling, volgens welke in de eeiste 30 jaren de personen, die 70 jaar worden, hoewel slechts sedert 1 Jan. 1891 premiën hebbende betaald, een pensioen zullen ontvangen alsof zij deze dertig jaren lang betaald hadden.

Geen wet op dit gebied is te ontwerpen of zij moet tal van tamelijk willekeurige termijnen, classificatiën, grensscheidingen, cijfers bevatten, doch wanneer de wet niet meer is de zuiver logische uitwerking van ééne gedachte, wanneer de wet meerdere beginselen tegelijkertijd huldigt, moeten die grenzen in nog meerdere mate afhangen van hoogst subjectieve opvattingen. Naarmate in vervolg van tijd politieke partijen sommige dier beginselen meer op den voorgrond zouden willen dringen, was in den lande agitatie te verwachten tot verandering der cijfers en classificatiën, b.v. tot verhooging van de Rijksbijdrage, — tot verlaging van den leeftijd, — tot uitbreiding van de pensioengerechtigdheid tot neringdoenden, pachters en andere klein-ondernemers. — tot verruiming van het begrip van Invaliditeit, — tot afschaffing der loonklassen. Het stelsel opent een onafzienbaar terrein voor zoogenaamde „hervormingsvoorstellenquot;, bij welke van rechtmatige of overdreven grieven tegen de kunstige machinerie maar al te licht gebruik kan worden gemaakt om haar zelve zooveel mogelijk over boord te werpen, met dien verstande altijd dat men de uitdeelingen uit de Staatskas behoudt, uitbreidt en verhoogt. Bij de millioenen van pensioengerechtigden konden dergelijke voorstellen een middel van agitatie worden, waardoor aan het Staats-Assurantiestelsel de onmisbare stabiliteit werd ontnomen en het politiek leven met een element van bederf werd bedreigd.

ocr page 18

14

Dit alles werd in 1889 van vele zijden gevoeld, zoo niet voorspeld. Tijdens de voorbereiding heeft het wetsontwerp zoowel in als huiten den Rijksdag een scherpen strijd doen ontbranden. Vooral de Rijksbijdrage is heftig bestreden, o. a. door Windthorst. De aanhef der meergemelde brochure van \V. Kulemann geeft te kennen in welke gemoedsgesteldheid zelfs de voor de wet stemmende meerderheid verkeerde. Deze schrijver heeft als lid van den Rijksdag op 24 Mei 1889 tot de vóurstemmers behoord: „aber eine rechte Siegesfreude war es nicht, die der „Mehrheit auf dem Gesichte zu lesen war: vielleicht war „umgekehrt die Gemüthstimmung der Unterlegenen die „befriedigtere, batten sie doch das beruhigende Gefühl, „eine Verantwortung nicht tragen zu müssen, die sich in „ihrem vollen Umfange bei der gröszesten Gewissenhaftigkeit „durchaus nicht übersehen liesz.quot; En wanneer de heer R. van der Borght, hoogleeraar aan het Polytechnicum te Aken, in zijn overzicht van den parlementairen arbeid van 1889 schrijft (1); „Der lebhafte, zum Theil bittere „und verbitternde Kampf um die Ausgestaltung des Gesetzes „ist beendet und es tritt jetzt an jeden die Aufgabe hcran „an seinem Theile dazu beizutragen dasz dor Versuch „zum glücklichen Ende geführt wird,quot; dan spreekt daaruit eene hoop, welke verre van verwezenlijkt is. Vantallooze kanten is men aan het werk getogen om het Staatsassurantie-stelsel te ondermijnen.

Eerst kwam de klacht over het „klevenquot;, de smaad over de geringheid der pensioenen, de teleurstelling bij de afwijzing der pensioenaanvragen, de ontevredenheid over de strafvervolgingen, de opmerking dat de onkosten niet meevielen, de moeielijkheid om voor de onbezoldigde scheidsgerechten de personen te vinden, de afgunst der niet verzekerden wegens de Staatsbijdrage; daarna kwamen de hervormingsvoorstellen.

Aan afschaffing zonder meer van het eenmaal inge-

(1) Supplemcntheft XVI, bl. HG, bjj Conrad's Jahrhücher für National-ökonomie u. Statistik, 1889.

ocr page 19

15

voerde stelsel viel niet te denken : een daartoe strekkende monster-petitie, in Beieren voorzien met 245 745 hand-teekeningen, kon geen gevolg hebben. Doch spoedig werden wenschen tot hervorming geformuleerd in woord en schrift, en reeds op 10 Jan. 1894 zijn door den Rijksdag twee motiën aangenomen, verlangende „eine grundlegende ,Abanderung der Construction des Gesetzes.quot; (1)

Op de Conferentie eener Regeeringscommissie van 70 personen te Berlijn (5- 9 Nov. 1895) zijn door Dr. Bodikbr voorstellen aanbevolen, welke het bestaande stelsel in den wortel aantasten. „Ces propositions ont cause une vive „émotion en Allemagne'quot; (2) — meldt de lieer E. Gruner in een opstel over de nieuwe hervormingsplannen omtrent de sociale verzekering in Duitschland.

Het Ministerie van Binnenlandsche Zaken heeft een plan tot vereenvoudiging in détail bewerkt (plan Woedtke).

Ook Dr. Freünd heeft een plan ontworpen minder ingrijpend dan dat van Dr. Bödiker, maar toch van verre strekking ten opzichte van hoofdbeginselen.

In den Rijksdag stelde in Januari 1896 de Sociaal-demokratische groep voor, den leeftijd tot 60 jaar te verlagen en het begrip van Invaliditeit veel minder streng te formuleeren (voorstel Auer). Over de finantieele gevolgen van dit denkbeeld maakte deze groep zich niet ongerust. Wel had de Minister uitgerekend dat, alleen reeds wegens de voorgestelde verlaging van den leeftijd, de uitgaven tot het jaar 1900 verdubbelen zouden; wel konden omtrent de gevolgen van minder strenge eischen omtrent Invaliditeit zelfs geen gissingen worden gewaagd. Doch men moest maar bezuinigen op militaire uitgaven, de inkomstenbelasting progressief maken en de arbeiders zouden ook wel, verzekerde de woordvoerder.

(1) Alzoo wordt vermeld in de Reichstag ver handlung en, 28 Jan. 1S96, bl. 575 D.

(2) Bulletin du Comité permanent du Congres International des accidents du travail et des assurances sodales, n°. 1895, bl. 633.

ocr page 20

16

het lid Beühne, (1) iets betalen willen. De Rijksdag verwierp de motie.

De Centrumspartij bleef niet achter en noodigde (voorstel Hitze) de Regeering uit om te onderzoeken of de verzekering niet kon worden uitgebreid tot weduwen- en weezenverzorging. De sociaaldemokraat Kühn zag hierin bloot een poging om aan zijne partij den loef af te steken; hij beweerde dat het Centrum aan de geheele verzekering eeu kwaad hart toedroeg en eindigde: „die Wahler im „Lande werden entscheiden; sic werden wissen was sie „von der Resolution, von der gesamrnten Taktik des „Zentrums zu halten haben. De motie-HiTZE is, als tot niets bindend, aangenomen.

Bij de discussie voerden alle partijen het woord. Hierbij kwamen ook de grieven van de Agrarische partij aan het licht. Deze klaagt over den last en de duurte van de plak-zegels in verhouding tot de lage loonen op het land, en verder dat de boeren en de „Kleingewerbe-treibendenquot; niet verzekerd zijn. Bij die partij broeien, zoo werd mij 14 Mei te Berlijn verzekerd, groote plannen tegen de Verzekering. De geest dier plannen is sedert openbaar geworden. De „Bund der Landwirthequot; heeft nieuwe bepalingen geformuleerd en aan de Agrarische club in den Rijksdag toegezonden {Berliner Tageblatt 28 Mei 1896, n0. 266): de premiebetaling wordt afgeschaft, het begrip van invaliditeit uitgebreid, ieder die een bedrijf uitoefent met minder dan 2000 Mark inkomen wordt pensioengerechtigd, de jaar-lijksche onkosten worden jaarlijks gevonden uit de alge-meene belastingen, speciaal de inkomstenbelastingen, en het kapitaal der Versicherungsanstalten wordt genaast om te dienen voor weldadigheidsdoeleinden.

Ziedaar de geschiedenis der Wet in de weinige jaren, welke sedert hare invoering verloopen zijn. Van den aanvang af hebben twee partijen tegen elkander over-

(1) Reichstagverhandiungen, 25 Jan. 1896, bl. 556 c. Zelfs deze schoorvoetende verklaringen omtrent de offervaardigheid der verzekerden vonden later bij den socialist Künx (bl. 570 A) tegenspraak.

(2) Keichstagverhandlungen, 25 Jan. 1836, bl. 573 c.

ocr page 21

17

gestaan. De ééno partij wenschte Verzekering, naar de commercieele beginselen van aequivalentie tusschen bijdragen en pensioenen; zij zag in de verplichte verzekering het middel om te zorgen dat ieder arbeider in zijn onderhoud op hoogen leeftijd zelf voorzag, met andere woorden vermindering der Armlastigheid. De andere partij daarentegen wenschte dat er eens door de bezittende klassen een groote „weldaadquot; zou worden bewezen opdat de sociaal-democratie van aanhangers zou worden beroofd, en had daarom het oog geslagen op een Staatsverzorging-stelsel. De Wet is een mix turn compositum van beide denkbeelden.

Te Friedrichsruhe beweerde op 17 April 1895 vorst Bismarck (1) in eene opzienbarende rede dat Keizer Wilhelm I en hij zelf oorspronkelijk enkel aan het verzorgingsstelsel hadden gedacht; dat echter de Rijksdag hen had gedwongen van dat denkbeeld af te zien en te komen tot het „Klebe-gesetzquot;, een B psychologische dwalingquot;, omdat zij de menschen dwingt van hun 17e jaar af te sparen voor hun 70st'!! — en in de praktijk „eine der unglücklichsten „Erflndungen worauf man je kommen könnte'''.... „Eine „Einrichtung vom grünen Tisch, für die Ich jede Verant-„wortlichkeit ablehnequot;. Zoo sprak in 1895 de vroegere Rijkskanselier. In de Keizerlijke Boodschap van 1881 heeft inderdaad gestaan dat de Keizer wenschte aan de hulpbehoevenden na te laten : „gröszere Sicherkeit und Ergiebig-„keit des Beistan des, auf den sie Anspruch haben.quot;' Doch het is mij niet gelukt eenig bewijs te vinden dat de Regeering in haar overleg met den Rijksdag ooit het denkbeeld van zuivere ,verzorgingquot; heeft voorop gesteld. Veeleer heeft de Memorie van Toelichting van het wetsontwerp in 1889 de noodzakelijkheid van bijdragen, ook door de arbeiders, met nadruk betoogd. Wat hiervan zij, het denkbeeld van „verzorgingquot; heeft zekerlijk in alle beraadslagingen mede voorgezeten. Met ophef werd en wordt nog steeds gewaagd

(1) Uc rede van Bismarck is vermeld in de Hamburger Nachrichtcn van IS April 1895.

2

ocr page 22

van de „Wohlthatquot;, welke de Staat bewees. Een reeks van sociaal-politische theorieën werd bedacht om de Staats-bijdrage te inotiveeren, b.v. dat de Staatsbijdrage diende om eene fout in het belastingstelsel te corrigeeren (1); of „Der Reichszuschusz ist der Ausdruck des Interesses, das „dieGesammtheit an die Lösung der Socialen Frage hat.quot; (2)

Ja, wanneer men in Duitschland voor eonige nrillioenen Marken zich de „Sociale kwestiequot; van den hals had kunnen schuiven, ware men zeker niet te duur uit geweest. Doch deze afkoops-theorie, — bij welke op kleingeestige wijze het ware karakter der sociale kwestie wordt miskend, — heeft tot jammerlijke teleurstelling geleid. Men was trouwens van alle kanten gewaarschuwd „Je mehr Sie bewilligen, desto gröszer wird das Verlangen nach Mehr werdenquot; had Bebel tot de meerderheid gezegd ; anderen b.v. Windti-iorst hadden gewezen op het gevaar van dergelijk toegeven aan verlangens, waarvan de rechtmatigheid wordt betwist. De uitkomst is geweest, dat de sociaaldemocratie volstrekt niet van hare aanhangers is beroofd, integendeel hare aanhangers heeft zien toenemen. (3)

De uitkomst is geweest dat de „weldaadquot; met smaad is ontvangen. Feitelijk zijn, zoo beweerde bv. op 28 Jan, 1896 in den Rijksdag de socialist Stadthagen, de pensioenen bloot de aalmoezen der Armenzorg, ja nog erger (4) : „Wahrend früber wesentlich auf don Scbultern der Besit-„zenden die Aufbringung dieser Mittel lag, haben Sie „durch die Klebelast wesentlich auf die Scbultern der „Arbeiter die Aufbringung dieser Armenlasten, die am „Ende dieses Jahrhunderts etwa 400 Millionen daliegenden „Kapitals betragen werden, gelegtquot; .... „Mit derartigen

(1) Kulbmann, t. a. p. bl. 19.

(2) K. v. d. BoeöHI, Supplementlieft XVI, bl. 95.

(3) Op sociaaldemocraten werden bij de verkiezingen de volgende stemmen uitgebracht:

18S1 . . . 311.99) 1890 . . . 1,427.293

1884 . . . 559.990 1893 . . . 1.78G.738

1887 . . . 763.128.

Opgave uit liet opstel van li. yon Landhanx (Pr. Juhrh. 1894, bl. 204).

(4} Tteichstagcerltandlimgen, 28 Jan, 1896, bl. 590 B.

ocr page 23

19

„Almosen dienen Sie uns in auszerordenllichcm Maasze, „demi dann wird es in den weitesten Kreisen klar uasz ,Sie mit dem Ansdruck „Rentequot;, dem Arbeiter gegenüber, Bdas bezeiclmen was man sonst als Bettelgroschen, als „Almosen zu bezeichnen pflegt '.

De uitkomst is geweest, dat men in Duitschland spoedig van de vreugde over de oplossing der sociale kwestie bekomen is (1). Het lid van den Rijksdag, Dr. Bartii, schreef onlangs in het tijdschrift Cosmopolis (2): „So viel steht „jedenfalls fest, dasz das Alters-und Invaliditatsversiche-„rungsgesetz, wenn es lieute durch einen Parlamentsbe-„schlusz in allen seinen Folgen wieder ungeschehengemacht „werden könnte, unter einer überwaltigenden Stimmen-„mehrheit begraben werden würdequot;. Er schijnt in Duitschland een reactie tegen zoogenaamde sociale politiek te zijn ingetreden. Werd in 1889 dikwijls het huis der Hohen-zollern genoemd drager van het „Sociale Königthumquot;, thans is deze leuze erg uit de mode. In Juni 1896 trad de Minister van Koophandel v. Berlepscii af; deze aftreding wordt algemeen beschouwd als symtoom van reactie tegen overdrijving in sociale organisatiën. Van deze organi-satiën schijnt wel de „Invaliditats-und Altersversicherungquot; de minst populaire te zijn.

Middelerwijl houdt de Regeering zich aan de eenige gedragslijn, welke voor eene Regeering te volgen valt; zij onderzoekt plannen tot verbetering, doch handhaaft voorloopig het bestaande. Wel gaf de Minister von Bötticher op 25 Jan. 1896 toe (3); „Die Revision der Alters- und „Invaliditatsversicherung wird immer dringender,und wenn „auch die Klagen in neuerer Zcit an Umfang abzunehmen „scheinen, die Berechtigung mancher Klagen kann ich „nicht leugnenquot;, doch waar men op afschaffing van het plakzegelstelsel aandringt vraagt de Minister kalm, of men soms een beter stelsel kent, en waar men hevig klaagt

(1) Vgl. Kulemasn t, a. p. bl. 6.

(2) Maart, lö96.

(3) Verhandlunyen, bl, 560, B.

ocr page 24

20

over de geringheid der pensioenen, antwoordt ZExc. (1) : „Das mag ja sein, dasz die Invalidenrente nichts taugt, „aber ich bin immer der Meinung gewesen dasz wenig „besser ist als gar nichts. Ich glaube nicht, dasz die „Arbeiter die sich heute in dem Genusz der Alters- nnd „Invalidenrente befinden, um deszwillen die Rente auf-„zugeben geneigt sein werden, wcil sie ihnen zu gering „ist; sie werden vielleicht damit unznfrieden sein, dasz „sie nicht höher ist, aber erheben thun sie sie nach „wie vorquot;.

De bewering, dat de Verzekering impopulair is, trachtte de Minister te verzwakken door de opmerking (2) dat voortdurend voorstellen worden gedaan om de kringen uit te breiden, aan welke de weldaden der Invaliditeits- en Ouderdomsverzekering zijn toegedacht. Doch deze opmerking schijnt mij meer geestig dan afdoende. Want die voorstellen plaatsen op den voorgrond, dat de bijdragen worden afgeschaft. Zelfs al deden zij zulks niet dan ware, nu van vele kanten voorgespiegeld wordt allen verzekerden voortaan de pensioenen gratis te verleenen, en wel tot eene hoogte, welke aan hun „verkregen rechtenquot; geen afbreuk doet, het niet te verwonderen dat velen er op bedacht zijn om nog tijdig, al zij het ook onder de bezwarende voorwaarden van het vigeerende stelsel, in de kringen der verzekerden te worden opgenomen.

(1) Verhandlungen, bi. 060, D.

(2) Verhattdlunyen, bi 578, li.

ocr page 25

21

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET PLAKZEGELSTELSEL IN HET BIJZONDER.

§ 1. Redenen van impopulariteit. Ontduikingen en misbruiken.

Ondanks de administratieve voordeelen van het plak-zegel en de kwijtingskaart, hebben deze in Duitschland tot vele klachten aanleiding gegeven. Zij komen vooral voort uit landbouwkringen, uit de kleine nijverheid en uit de privaathuishoudingen Sommige, welke geuit zijn over de moeielijkheid om de millioenen kwijtingskaarten te bewaren, zijn m. i. als overdreven te beschouwen; andere, b.v. die over het omvangrijke werk, verbonden aan verrekening tusschen de Versicherungsanstalten van elks aandeel in ieder vastgesteld pensioen, kunnen worden voorkomen door die verrekening zelve te doen vervallen. Men moet inderdaad bij de appreciatie dier klachten voorzichtig zijn omdat daarbij wel eens agitatorische bijoogmerken een rol kunnen spelen. Toch wijst de algemeenheid der klacht op een algemeene prikkeling der gemoedsgesteldheid.

De zaak schijnt deze:

De verzekerden zijn nu eenmaal voor hun pensioen tamelijk onverschillig en welken vorm men ook verzinne om de menschen te dwingen daarvoor te betalen, elke vorm zal „impopulair'' zijn De boeren, de huisvrouwen, de kleine bazen willen nu eenmaal niet wekelijks met het kleven worden geplaagd. Week in, week uit te worden herinnerd, neen, zich zelve te moeten herinneren; dat b. v. knechten of dienstboden, die 23 jaar oud zijn, wel eens invalide of 70 jaar oud zouden kunnen worden, en daarvoor week in, week uit te betalen en te kleven, dit blijkt voor menschen, die andere zaken aan hun hoofd hebben, te machtig. Men voege hierbij dat de boer een voorraadje van zegels moet hebben, 'tgeen een kapitaaltje

ocr page 26

22

vordert; dat hij in vêrrekening moet vallen inet zijn knecht en eigenlijk daarbij als handlanger van den fiscus moet optreden, daar hij, evenals zijn knecht, die penningen tamelijk wel als een belasting beschouwt; en men stelle zich nu de menigte van zure gezichten voor. „Ich glaubequot;, schrijft Dr. fri-:rnd, Pr. Jahrb. Mei 1896, p. 297 „nicht fehl „zu gehen, wenn ich annelime, dasz unscre liehe gute „deutsche Hausfrau im höchsten Grade erregt durch die „Schwierigkeiten, welche ihr die Versichernng ihrer Dienst-r/,boten, Köchinnen, Aufwarterinnen u. s. w. machte, nicht Kweinig dazu beigetragen bat das Gesetz zu „veriasternquot;quot;. „Une loi — schrijft de heer Grüner (1), — jj^ui agace „la cuisinière et la femme de chambre, le valet de ferme „et la fille d'auberge devient bien vite impopulaire.quot;

Een tweede reden van impopulariteit zijn de talrijke aanrakingen met de Politie cn de boetestraffen. De wet heeft hierdoor een staatssocialistisch-bureaucratisch karakter. Men voelt zich een weinig al te veel „geadministreerd.quot; Mij is dikwijls voorgekomen dat de menschen in Duitschland over de zaak glimlachen als over een mesquinerie. Het woord „Klebegesetzquot; zelf schijnt door spotvogels uitgevonden te zijn en heeft zoodanig opgang gemaakt, dat ieder het kent. Om de nakoming der wet te verzekeren legt do Politie bezoeken af: r,Stichprobenquot; (2). Maar daar de wet op groote schaal slordig wordt nageleefd, verkrijgen deze bezoeken en straffen een hatelijk karakter. Volgens de Nordd. Allg. Zeitung werd ter Conferentie in Berlijn gesproken van „tausende Strafverfügungenquot;; in den Rijksdag werd op 25 Jan, melding gemaakt van 2000 strafvervolgingen bij éene Versicherungsanstalt; in de Algemeene Rekening {Amtliche Nachrichten van 1 Jan 1S96) vindt men 562 332 Mark vermeld als inkomst uit „Strafgelder und andere nicht vorhergesehene Einnahmenquot;. Te onaangenamer zijn de vervolgingen omdat de gebrekkige naleving dikwijls plaats heeft met wederzijdsch goedvinden van baas en knecht.

(') Bulletin du Comité permanent p. 0^5

{i) Vermeld door Dr. FreüKD, t. a. p. bl. 295.

ocr page 27

23

„Gegenwartig —sclirijft Dr. R. Freund (1), — verhalt sich r rler i\.rt)oiter wegen der Geringfügigkeit der zu erwarten-„den Rente gegen die Versicherung als solche und gegen „die Markenverwendung im Allgemeinen gleichgültig. Wenn „Anzeigen wegen Nichtverwendur.g der Marken einlaufen „so stellen dieselben meistens eiuen Rache-nkt gegen den „ Arbeitgeber darquot;. Zoo wordt de wet feitelijk een valstrik.

Een derde reden van de impopulariteit zijn de vergissingen en de onwillekeurige verzuimen, welke begaan worden. Zij schijnen zeer talrijk te zijn; „de hoogste staatsambtenaren en de kleinste neringdoenden begaan zequot; verklaarde mij een hooggeplaatst persoon te Berlijn. De aanleidingen daartoe zijn vele. Ten eerste de verscheidenheid der zegels in verband met de 4 loonklassen. Bij deze klassen is niet altijd het werkelijke geldloon do basis. Vrije kost, inwoning en andere naturaliën worden geschat. In vele gevallen is er een fictief geldloon. (§ 22 der wet; zie Dr. Freünd t. a. p. bl. 289 v. o.). Vervolgens is het verboden op de zegels iets te schrijven, behalve den datum (§§ 108 en 151 der wet), doch velen schrijven er te veel op. De opplakking wordt niet volgehouden bij lossen dag-arbeid, doch dit verzuim werkt aanstekelijk bij vaste werklieden. Menigeen laat liet plakken over aan den loontrekkende en geeft dezen daarvoor het geld: doch dan wordt veelal door dezen het geld voor andere doeleinden besteed. Men heeft ook niet altijd de plakzegels in voorraad, en het postkantoor, waar deze te koopen zijn, bevindt zich niet naast ieders deur. Ten platten lande brengen de brievenbestellers de zegelbladen rond; doch dikwijls zijn deze uitverkocht. Middelerwijl mag het kleven niet stilstaan. Zoo is in liet maatschappelijk raderwerk een machinerie geschoven, die aan de menschen een gevoel van onveiligheid geeft.

Een reeks van psychologische motieven werkt dus samen tot ontevredenheid. Daarbij voegen zich ontduikingen en misbruiken.

(1) ï. a. p. bl. 29fi.

ocr page 28

24

Om oudersclieiden redenen is het onuitvoerbaar geacht ieder zegel op het oogenblik der opplakking ambtelijk ongeschikt te maken voor verder gebruik („entwerthenquot;'). De kwijtingskaart bevat dus een aantal zegels, welke weder kunnen worden losgeweekt en verkocht. Daar de verzekerde ten allen tijde het recht heeft afgifte zijner kaart te vorderen en iedere kwijtingskaart slechts uiterlijk binnen drie jaar na de uitgifte moet worden ingeleverd, is het niet te verhinderen dat de werklieden hun kaarten berooven van de daarop geplakte zegels en deze te gelde maken. (1)

Een ander misbruik is dat de lieden de nog voorhanden kwijtingskaarten slechts dan van zegels voorzien, wanneer hun gezondheid te wenschen gaat overlaten ; deze nazegeling is met het beginsel van verzekering in strijd.

In welke mate deze twee gelegenheden tot ontduiking de opbrengst in gevaar brengen, moet de toekomst leeren. Het gemis aan maatregelen om te zorgen dat de zegels niet worden losgeweekt en dat de kwijtingskaarten door de verzekerden niet worden weggemaakt, is m. i. een zoodanige gaping in het stelsel, dat, wanneer tot dusver weinig ontdoken wordt, zulks nauwelijks aan iets anders kan worden toegeschreven dan aan onbekendheid alsnog met de kunstgreep en aan het disciplinaire karakter des volks, hetwelk gemakkelijker dan eenig ander zich aan politie-reglementen pleegt te onderwerpen. Zoolang aan de verzekerden het recht wordt verleend hun kaarten in bezit te nemen (2), wordt het hoogst moeielijk uit te maken wie de schuldige is (patroon of werkman), wanneer de kwijtingskaart ontbreekt.

(1) Een volle kwijtingskaart van de hoogste loonklasse bevat 52 zegels van 30 Pfennige, alzoo een waarde van M 15.60, aan verkoopbare zegels, waarvan de patroon de helft heeft betaald.

(2) Op iedere kwijtingskaart wordt verwezen naar ( 108 der Wet: ,Dem „Arbeitgeber sowie Dritten ist es untersagt die Quittungskarte nach Einklebung „der Marken wider den quot;Willen des Inhabers zuriickzubehaltenquot;.

ocr page 29

§ 2. Verhouding tusschen patroons en werklieden.

Recht van korting op loon.

Bij de wet zijn nagenoeg alle werkzaamheden opgelegd aan den patroon. De verzekerden hebben geen anderen plicht dan de korting van de helft des zegels op het loon te gedoogen, tenzij bedongen is dat geen korting zal plaats hebben.

Bij de invoering der wet schijnt zich spoedig in de dienstbodenwereld de gewoonte te hebben gevormd dat geen korting plaats heeft: gevolg van het minder commer-cieele karakter der verhouding tusschen meesteres en inwonende dienstboden. Of de patroon hel zegel geheel voor zijne rekening moet nemen, zal veel afhangen van de verhouding tusschen vraag en aanbod in elk bepaald geval. Ter Berlijnsche conferentie werd als feit geconstateerd (1); „ungünstig situirte Grundbezitzer, die schwer Arbeiter „bekommen, (zahlen) die ganzen Beitrage, wahrend die „gunstiger Situirten die Hiilfte der Beitrage van den Ar-„beitslohnen einzubehalten in der Lage sindquot;. Om dezelfde reden kan het ook in de industrie voorkomen, dat geen korting plaats heeft. Indien echter de patroon het zegel geheel voor zijn rekening neemt is niet uitgesloten dat juist tengevolge hiervan de loon en op een lager bedrag worden bepaald dan elders. Ik vind vermeld (2) dat een fabriekantenfirma te Stuttgart aan den fabrieksinspecteur verklaarde niets te korten, omdat de korting de werklieden te hevig tegen de Staatspensioen verzekering verbitterde Of echter niet op den duur langs indirecten weg een mindering plaats heeft, zou te bezien staan.

Hoewel de Wet den afstand van het kortingsrecht niet verboden heeft, is hare bedoeling, dat de arbeider het bewustzijn zou hebben van zelf voor zijn pensioen mede bij te dragen. De rechtstreeksche korting ligt in haren geest. De volgende woorden uit de Memorie van Toelichting der Wet van 1889 laten hieromtrent geen twijfel over :

(1) Nordd. Allg. Ztg. 9 Xov. nquot;. 528.

(2) Economic Journal, Juni 1896, bl. 292.

ocr page 30

„Der Vorschlag, den Versicherten einen Beitrag auf-„zuerlegen, rechtfertigt sich insbescmdere durcli die Erwa-„gung dasz die allmalige Verminderuag und das eudliche „Schwinden der Erwerbsfahigheit das natürliche Loos jedes „Arbeiters ist, gegen welches er nach dem Masze seiner „Kriifte Vorsorge zu treffen sittlicli und aus Gründen der „öffentlichen Wohlfahrt verpflichtet ist. Eine Einrichtung, „bei welcher dem Versicherten das Bewusztsein der eigenen nVerantwortlichkeit für die Ausgestaltung seiner Zukunft „verloren ginge, würde für unser Volksleben verhangniszvolle „Folgen haben, wahrend es auf der anderen Seite von „hohem Werthe ist dem Arbeiterdas Bewusztsein zu erhalten ndasz der in gesunden Tagen erworbene Arbeitsverdienst „nicht zum sofortigen völligen Verbrauch bestimmt, dasz „es vielmehr Pflicht ist mittelst eines maszigen Theiles „dieses Erwerbes dazu beizutragen dasz die nöthigsten Mittel „zur Existenz auch dann nicht fehlen, wenn der Lebens-„unterhalt nicht mehr durch eigene Arbeit besohafft werden „kannquot; (1). In verband met deze bedoeling wordt door de administratie op toepassing van het kortingsrecht aangedrongen en schijnt door sommigen de korting als een wettelijk voorschrift te worden beschouwd. Niettemin werd in den Rijksdag aan een lid, die vermoed werd als werkgever de korting toe te passen, dit bedrijf als een zware zonde toegerekend, voor welke hij bij do aanstaande verkiezingen wel zou worden gestraft. (2)

§ 3. De hv ij tings ka a ricn.

De kwijtingskaart is in verband met zegelstelsel het gemakkelijkste middel om, zonder boekhouding, te bewijzen dat betalingen zijn gedaan. Er wordt niettemin geklaagd over den administratie ven omslag, welke aan de uitgifte der kaar-

(1) Woorden uit het algemeeno dee! der Memorie van Toelichting der Wet van 1889. (L. Fuld t. a. p. bl 65).

(2) Reichstagverhandlungen '25 Jan 1890, bl. 570 B.

ocr page 31

27

ten verbonden is. Ook over het veelvuldig verlies, waardoor in de beroepen, in welke het verlies veel voorkumt, de pensioengerechtigdheid der verzekerden aan zwaar risico wordt blootgesteld. D ' ondervoorzitter de Versicherungsanstolt Posen A. Ksobloch (1) vermeldt hieromtrent (bl. 8) dat van de geleverde millioenen kwijtingskaarten in de verloopen 4 jaar slechts ongeveer de helft aan de Posensche instelling zijn ingeleverd, „ünd wie sieht es bei den zurückgelangten „Kaïlen um den Zusamraenhaug dcrselben für den einzelnen „Versicherten aus? Irrtümer in der Namensorthographie, „den Gebnrtsdaten, der Bezeichnung der Versicherungs-„anstalten lassen hanfig jedenVersncb dieKartenzusammen-„zustellen, scheitern. Eine Riesenarbeit wird ohnedies „aufgewendet, es isttrotzdem zu Vermuthen dasz dieResultate „bei den Rentenfestsetzungen spaterer Zeit niedriger, als „erwartet, namentlich der Rentenhöhe nach, ansfallen „werden und zwar, weil die Lücken im Beweismaterial „durch Verlaste an Kartcn und Unterlassung von Mar-„kenentrichtung zu massenhafte sein werdenquot;. Er mag echter worden gevraagd of de heer Knobloch niet over-d rij ft (2).

Men heeft dikwijls tamelijk hoog opgegeven van de moeite om de millioenen kwijtingskaarten in de magazijnen der Vers ieli erungsaris talten te bewaren, en wel zoo te bewaren, dat op elk moment de kaarten, welke op een bepaald persoon betrekking hebben, kunnen worden onderzocht.

In Berlijn is hiervoor een brandvrij magazijn gebouwd, waar de kaarten, naar het geboortejaar der eigenaars en naar de namen gerangschikt, worden bewaard. Deze bewaring is eenvoudiger dan dikwijls wordt ondersteld, vooral wanneer aan de administratie het recht gegeven

(1) A. Knobloch, die Beseitiguny der Beitragsmarke, Jena 1896.

(2) Do toon der brochure wekt bij mij dit vermoeden. De schrijver is op grond van oen reeks, meerendeels vrij abstracte, wijsgeerige motieven voorstander van éenheidspensioenen „(Rente-einheitquot;), uit de algemeene belastingen te verleenen aan ieder die, hetzij in- hetzij buiten loonbetrekking arbeidende, in de laatste 3 voorgaande jaren minder dan 1 500 Mark inkomen gehad heelt.

ocr page 32

28

wordt om verzamelkaarten te stellen in de plaats van de enkele, die aan ieder persoon toebehooren.

Daar op iedere kaart naam, voornaam, geboorteplaats en geboortedag van den eigenaar zijn vermeld behoeft verwarring van kaarten evenmin als persoonsverwisseling te worden gevreesd.

Veel bedenkelijker daarentegen is de verrekening der vastgestelde pensioenen tussclien de Anstalten, welke van de gepensioneerden bijdragen hebben ontvangen Men vreesde namelijk in 1889 dat vele personen op hun 70ste jaar pensioentrekkers zouden willen worden ten laste van Anstalten, voor welke zij niet gedurende den tijd van 16—70 jaar hebben bijgedragen. Men meende, dat vooral de westelijke en de stedelijke Anstalten met pensioenen zouden worden belast van personen, die elders hun premiën hadden gestort. Vandaar dat een stelsel van verrekening is aangenomen, op grond van de zegels, die op de kaarten van den aanvrager bevonden worden afkomstig te zijn van onderscheidene Anstalten. Iedere Anstalt moet dan haar aandeel in het pensioen dragen.

Deze verrekening is gebleken tot een reusaebtigen administratieven arbeid aanleiding te geven („eine Unmasse „Arbeitquot;) (1). Zij wordt op goede gronden afgekeurd door Kulemann (2). Tot dusver bleek in de praktijk weinig ot niets van een emigratie, welke niet weder door immigratie werd opgewogen. Dr. Bödikbr stelt voor, alle Anstalten solidair aansprakelijk te stellen voor elkanders pensioenlast („ein allgemeiner Rückversicherungsverbandquot;).

In den vermogenstoestand der Anstalten heeit zich groot verschil ontwikkeld. Bij die van landbouwende districten is de pensioenlast, tegenover de inkomsten, veel zwaarder dan bij de industrieele en bij die in de groote steden (Berlijn , Hansesteden). Dit is eenerzijds gevolg van de in de nijverheid betaalde hoogere loon en, waardoor bij de laatstbedoelde de bijdragen in belangrijke

(1) Nordd. Allg. Ztg.

(2) ï. a. p., bl. 40.

ocr page 33

29

mate tot de hoogste loonklasse behooren (1); anderzijds gevolg van den hoogen leeftijd van plattelandbewoners (2). Naar de stad Berlijn bovendien zijn in de laatste 20 jaren tal van jonge arbeiders gestroomd, van de hoogste loonklasse; daar zijn de TOjarige personen uit den arbeidenden stand in verhouding tot de tegenwoordige bevolking voor-loopig bijzonder schaarsch. (3)

De vaststelling van eene onderlinge solidariteit der Ans'alten zal vermoedelijk ten gevolge hebben, dat die der steden en der nijverheidsdistricten regelmatig vrij belangrijke hulp aan die der landbouw-districten zullen te ver-leenen hebben.

§ 4. De verkoop van zegels.

Deze is zeer regelmatig geweest volgens de opgaven in de Amtliehe J^achrichteti van 1 Jan. 1896, loopende tot 31 Deo. 1894.

Loonklasse.

1891. 1892. 1893.

I

1894.

I

II

(Hieronder dubbelzegels)

III

IV

Totaal . . .

108 310 459 163 871844

(228 855) 92 514 948 62 485 699

99 864 782 171 272 806

(152 760) 94 828 134 58 452 781

98 286 604 169 864 669

(188 413)

99 529 474 60 902 950

101 468 238 174 179 022

(273 406)

102 957 209 63 254 909

427 382 950

424 418 503

428 582 697

441 859 378

(1) In Berlijn b. v. werden in 1S94 verkocht:

148145 zegels der I5,e loonklasse;

6 626 111 „ „

3 834 958 „ „ III^ „

8 262 763 „ „ ÏV^ „

(Verwaltungsbericht Berlin für 1894).

(2) Het aantal ouderdomspensioenen is in verhouding tot de bij ieder Anstalt behoorende zielentallen ongeljjk. Men zie hierover de Statistiek in Hoofdstuk III, § 1, van dit opstel.

(3) De bevolking van Berlijn was:

in 1871 ......... 826 341 zielen.

„ 1890 .......... 1 578 794 „

ocr page 34

30

De opbrengst der in 1894 verkochte zegels was 92.730.431 Mark. In den Rijksdag (28 Januari 1896) werd door den Minister von Bötticher medegedeeld (1), dat de opbrengst over 1895, naar voorloopige schatting, met 2 millioen Mark is toegenomen.

Uit deze regelmatigheid van de opbrengst wordt de slotsom getrokken, dat er voorloopig geen misbruiken of andere invloeden zijn, die de opbrengst ernstig in gevaar brengen.

Of door de cijfers van den verkoop de getrouwheid van de naleving der wet kan worden gecontroleerd, is moeielijk te beslissen; want het is niet bekend hoeveel zegels er belmoren te worden verbruikt. In 1889 schijnt men gemeend te hebben, dat 13 millioen personen verzekeringsplichtig zouden zijn (2). Elders vind ik het aantal dier personen geschat op 11 285 000(3). Neemt men aan dat ieder persoon 47 zegels per jaar gebruikt, dan zouden in 1894

441 amp;59.quot;78 _ g ^ millioen personen de wet hebben nageleefd. Men verkeert hier op het terrein van gissingen. In Posen wordt beweerd, dat aldaar circa 40 pet. te weinig zegels worden gebezigd (4); doch ter Berlijnsche Conferentie is deze schatting overdreven geacht, al werd daar erkend dat de nalatigheid een groeten omvang heeft. (5)

§ 5. De verkoop van dubbelzegels.

(§§ 8, 127 en 120 der Wet van 1889.)

Naast de gedwongen verzekering staat in Duitschland eene vrijwillige, — hetzij door voortzetting van de verzekering nadat de loonbetrekking heeft opgehouden

(1) quot;Verhandlungen bi. 578 2?.

(2) Dit cijfer wordt genoemd in de voorrede van li. Krause, das Geaetz von 22 Juni 1889. Leipz. 1891.

(8) Kulemasn t. a. p. bl. 21, R. vos Lasdmann, Pr. Jahrb. 1894, bl. 247.

(4) Knübloch, t. a. p. bl. 7.

(5) Nordd. Ally. ZUj. 9 Nov. 1895.

ocr page 35

31

hetzij door zelfverzekering van personen, die met loon-trekkenden worden gelijk gesteld („Hausgewerbetreibendequot;). Om echter te verhinderen dat deze personen de Rijkssubsidie ri 50 Mark genieten zonder daarvoor te hebben betaald, zijn zij verplicht „Zusatzmarkeuquot; of extra-zegels te gebruiken bij die van de He loonklasse; deze zegels zijn onder den naam van Doppelmarken verkrijgbaar.

Het gebruik dezer dubbelzegels is echter buitengemeen gering. In de stad Berlijn b.v. werden op een bevolking van 1600000 zielen in 1894 verkocht 6083 dubbelzegels, hetgeen wijst op een zelfverzekering door ongeveer 128 personen, d. i. door nog niet één per tienduizend.

Men schijnt in den aanvang te hebben gehoopt, dat wanneer maar eenmaal, al ware het door dwang, de assurantie onder de aandacht der bevolking zou zijn gebracht, geleidelijk ook velen vrijwillig tot de Verzekering zouden toetreden. De uitkomst heeft deze hoop teleurgesteld. Ter Berlijnsche Conferentie werd medegedeeld dat van de 371/2 Millioen in 1891 vervaardigde dubbelzegels tot 1895 nog slechts circa één millioen waren verkocht.

Het schijnt dat de Regeering deze zelfverzekering beschouwt als eene mislukte proef en hare afschaffing overweegt (plan-W oedtke).

§ 6. Loonberckening en loonklassen.

(§ 22 der Wet.)

Een vrij uitvoerige doch niet volledige mededeeling van de motieven, welke tot de aanneming van 4 loonklassen hebben geleid, vindt men in de Commentaar van Dr. L. Fuld, ad. § 22.

Over de wenschelijkheid van eene indeeling naar loonklassen bestaat strijd.

Aan de ééne zijde eischt men, dat het niet onzeker zij welke premie moet worden betaald. Men stelt daarom voor van allen éénzelfde premie te vorderen Doch deze moet dan, met het oog op de laagstbeloonde arbeiders,

ocr page 36

32

zeer laag zijn, en brengt tevens (wanneer het getal der betaalde premiën niet ongelijk is) éénzelfde, en wel een laag, pensioen mede. (1)

Dit stelsel heeft in 1889 verdedigers gevonden, doch is niet aangenomen. Het beginsel, dat de hooger beloonde arbeiders door hoogere bijdragen hoogere pensioenen moesten verwerven, is met eenigen nadruk gehandhaafd (2).

Thans wordt door R. Freund op afschaffing der loon-klassen aangedrongen met het doel om het plakzegel-stelsel te vereenvoudigen. De hoogte van het pensioen zal, in diens stelsel, enkel van het aantal der gebruikte zegels afhankelijk zijn.

Een uit het stelsel van loonklassen voortvloeiende moeielijkheid is onmiskenbaar deze, dat het de noodzakelijkheid medebrengt de loonen te schatten. Wat is het werkelijke loon? Dit is lang niet altijd gemakkelijk te beslissen, daar vele loonen vooral ten platten lande in naturaliën worden betaald. Deze moeten, volgens de Duitsche wet, worden geschat op geld. Doch tevens heeft deze wet, omdat men in de praktijk nieuwe moeielijk-heden voorzag, een wettelijk stelsel van schatting aangenomen (§ 22) in een reeks van bepalingen, welke, zoo schrijft Dr. Freund, „der groszen Masse der Interessenten durchaus unverstandlichquot; zijn. Van daar tal van vergissingen. Er is nu een fictief loon en een werkelijk loon. Het fictieve kan hooger zijn dan het werkelijke, maar ook omgekeerd. „Die hieraus fiir den Arbeitgeber entste-„henden ünannehmlichkeiten und Weitlaufigkeiten haben „nicht zum Mindesten dazu beigetragen das Kleben in „Verruf zu bringenquot; (3).

(1) Zie L. Füld, t. a. p. bl. 199.

(2) „Es wurde betont die Arbeiter seien keineswegs eine grosze, unter-schiedsiose Masse, vielmehr bestanden zwischen den einzelnen Klassen der Arbeiter in sozialer Hinsicht sehr erkennbare TJnterschiede, welche die Ge-sctzgebung unmöglicli auszer Acht lassen dürfe, und dieserhalb sei es unbe-dingt geboton .... dasz für bessere Arbeiter duroh höhcre Beitrüge aucli eine höbere Kente erworben werden künntequot;. (Fui.d t. a. p. bl. 200).

(3) Dr. K. Freusu, pr. Jahrb. Mei 1896, blz. 289 en 290.

ocr page 37

D E R D E H O O F D S T U K.

ADMINISTRATIEVE EN FINANCIEELE STATISTIEK.

§ 1. Statistiek omtrent de pensioenen wegens ouderdom en wegens invaliditeit; onderling verband; verhouding tot de bevolkingsgroepen.

In 1S91 word ieder 70-jarig persoon pensioengerechtigd verklaard, mits hij bewees in de drie onmiddellijk voorafgaande jaren (141 weken) gestaan te hebben in een loondienst, voor welken thans do verzekeringsplioht werd vastgesteld (§ 157 der Wet).

Was het reeds in den aanvang voor velen niet gemakkelijk over hun toestand in de jaren 1888, 1889 en 1890 een voldoend bewijs te leveren, kennelijk moest in den loop der jaren ieder, die een ouderdomspensioen aanvraagt, in klimmende mate de moeielijkheid ondervinden van te moeten aantoonen, dat hij de jaren 1888—1890 bijna onafgebroken in loondienst had doorgebracht.

Hieraan schrijf ik het toe, dat de ouderdomspensioenen weinig in getal zijn in verhouding tot het getal menschen die op een bevolking van 51 millioen zielen jaarlijks het 71ste levensjaar bereiken.

Ouderdomspensioenen werden verleend in de volgende getallen:

in 1891 . . .132 667 „ 1892 . . . 42 028 „ 1893 . . . 31045 „ 1894 ... 33 442 (1).

Te zamen zijn verleend 236127 ouderdomspensioenen waarvan op 31 Dec. waren vervallen 52 959, zoodat hiervan

(1) Uit cijfer en al de volgende, waarvan het tegendeel niet is vermeld, zijn ontleend aan de Amtliche Nachrichten.

ocr page 38

34

op 31 Dec. 1894 nog bestonden 183168 pensioenen, welke aldus waren verdeeld:

Leeftijd.

Getal.

Bedrag (zonder Rijkstoelage)

70

11 911

970 962 Mark.

71

23 129

1 779 142

Mark.

72

24 811

1 856 844

73

24 966

1 833 178

74

21 901

1 599 142

V

75

18 939

1 369 894

V

71 tot 75

113 746

8 437 702

n

76 tot 80

46 206

3 270 753

V

81 tot 85

10 011

689 630

V

86 tot 90

1 198

81127

V

90 en daarboven

96

6 214

V

Totaal . . .

183 168

13 456 391 Mark.

Bij deze cijfers valt op te merken dat voor het geboortejaar 1824 (70 jaar) slechts de helft ongeveer der in te willigen ouderdomspensioenen op het einde van 1894 was toegekend.

Het gemiddeld ouderdomspensioen was:

zonder Rijkstoelage van 50 Mark.

in 1891 .... 73.35 Mark.

1892 .... 77.76 „

1893 .... 80.07 „

1894 .... 77.95 „ (1)

(1) Deze schijnbare vermindering is enkel het gevolg van oen verandering in de wijze van berekening, liet normale is oen voortdurende stijging.

ocr page 39

Aan Invalidonpensioenen kon in het eerste jaar der invoering (1891) bijna niets worden uitgekeerd, omdat de overgangsbepaling o. a. eischt (§ 156) dat door hen, die binnen de eerste 5 jaren „erwerbsunfahigquot; worden, minstens gedurende één jaar (47 weken) premiën zijn betaald.

Invaliditeitspensioenen zijn toegekend :

in 1891 ... 44

in 1892 ... 17 638

in 1893 ... 35 064

in 1894 . . . 44 397

in het geheel . 92 650, waarvan einde 1894 weder vervallen waren . . 20 895

resteert . . 71755 invaliditeitspensioenen, welke aldus waren verdeeld over de leeftijden:

20—25 jaar . . .

1097

1.53

pet.

26—30 n ...

1704

2.37

V

31—35 „ ...

1957

2.73

7)

36—40 „ ...

2 429

3.38

V

41-45 „ ...

3 619

5.04

n

46—50 „ ...

4 913

6.85

V

51—55 „ ...

7 354

10.25

V

56—60 „ ...

10 527

14.67

V

61—65 „ ...

15 296

21.32

V

66—70 „ ...

18 276

25.47

V

71 en daarboven

4 583

6.39

V

totaal . , .

71 755

100.

pet.

Uit deze cijfers blijkt in welke mate de hooge leeftijd samenhangt met de toekenning van invaliditeitspensioen.

Van de 20 895 toegekende en tot 31 Dec. 1894 weder vervallen Invaliditeitspensioenen blijken dan ook verreweg de meeste door den dood, en slechts weinige door herstel vervallen te zijn, nl.

ocr page 40

iloor don dood................20 271

kapitaalafkoop................9

herstel......................295

andere redenen................220

totaal........................20 895

Dit hooge sterftecijfer heeft de vrees, dat de eenmaal verleende invaliditeitspensioenen zich voortdurend zouden opeenhoopcn, eenigerraate doen verdwijnen. Dat echter ten deze niet alleen veel van het begrip „Invaliditeitquot;, maar ook veel van de toepassing der geneeskundigen enz. afhangt, behoeft nauwelijks betoog. (1)

Verder blijkt, dat het getal der ingewilligde invaliditeitspensioenen jaarlijks toeneemt; de aanvragen trouwens vermenigvuldigen zich merkwaardig :

in 1891 . . . 865 1

„ 1892 ... 35 831 ( opgave van Conrad's „ 1893 ... 46 062 i Handwörterbuch. „ 1894 . . . 62 627 |

(1) Het heeit veel moeite gekost het begrip van Invaliditeit wettelijk vast te stellen. Invalidenrente ontvangt, volgens § 9 der wet, ieder verzekerde die blijvend onbekwaam is om door arbeid te verdienen. Die onbekwaamheid wordt bewezen geacht wanneer een persoon wegens liehaams- of zielsgebreken niet meer verdienen kan dan '/o zlJn8 loons plus Vo van het „ortsübliche ïageslolm gewöhnlioher Lohnarbeiterquot; (§ 9, lid 3). Voorts ontvangt ook hij, die niet blijvend onbekwaam is, doch gedurende een jaar onafgebroken onbekwaam is geweest, het pensioen voor den verderen duur zij nar onbekwaamheid (§ 10).

Uit de vele klachten over afwijzing der aanvragen valt af te kiden, dat de administratie, welke op ruime schaal door haar ambtelijke geneesheeren zich doet voorlichten, tot dusver een strenge toepassing geeft aan deze bepalingen.

Het is mij onbekend aan welke oorzaak de jaarlijksche toeneming der ingewilligde invalidenpensioenen te wijten is. De naaste oorzaak zal welzijn de toeneming der aanvragen: doch van waar de laatste? Noma. Droz (Essaia économiques, p. 209) wijst op het Regeeringsverslag van 1894i, meldende, dat de stijging der kosten van de Ongelukkenverzekering het gevolg is van den vloed van aanvragen, die gedurig klimt nu in Duitschland meer en meer een massa zaakwaarnemers, schoolmeesters enz. een bedrijf maken van het opsporen van gevallen, in welke een aanvraag kan worden ingediend. In hoever iets dergelijks ook op de aanvragen om invalidenponsioen invloed uitoefent, is niet gemakkelijk te boalissen.

ocr page 41

Het gemiddeld bedrag der invaliditeitspensioenen was, zonder de Rijkstoelago van 50 Mark:

toegekend in 1891 .... 63.38 Mark

„ in 1892 .... 64.68 „

in 1893 .... 67.97 „

in 1894 .... 70.96 „

Nopens het verband tusschen Invalidenpensioenen en Ouderdomspensioenen valt het volgende op te merken.

In de keizerlijke boodschap van 1881 was de verleening van hulp toegezegd enkel in geval van „Erwerbsunfahigkeitquot;; niettemin werd een wetsontwerp ingediend, hetwelk naast het in validen pensioen een ouderdomspensioen voorstelde. In den Rijksdag, — zoo vermeldt Kulemann t. a. p. bl. 13, — had men bezwaar tegen het verleenen van een pensioen op een bepaalden leeftijd onafhankelijk van een onderzoek naar den toestand des persoons; een voorstel om de leeftijdgrens geheel te doen vervallen zou gereed gelegen hebben en ware allerwaarschijnlijkst aangenomen, indien niet van Regeeringswege sterk op ouderdomsver-zekering ware aangedrongen. Nu eenmaal een „Alters-versicherungquot; was voorgesteld, zou immers de latere beperking der pensionneering enkel tot invaliditeit bij de bevolking verregaande ontevredenheid hebben opgewekt; de kansen om pensioentrekker te worden mogen niet te zeer worden beperkt. Ook werd het ouderdomspensioen hiermede verdedigd, dat zooal de „Erwerbsfahigkeitquot; niet geheel verloren ging, zij toch op dien leeftijd bijna altijd verminderd is en „het pensioen alzoo den ouden arbeider „in staat zou stellen de overspanning dor gebleven arbeids-„kracht te voorkomen, het overschot zijner kracht langer „te behouden, de intrede van volkomen onmacht langer „uittestellen.quot; (1) Bovendien pleit voor de onderdomsver-zekering nog een praktisch argument: op dien leeftijd, waarop de invaliditeit blijkens de ervaring een normaal

(1) Zie de commentaar van Ij. Fuld, en hot door hem op bl 61 gegeven uittreksel uit de Memorie van Toelichting.

ocr page 42

38

verschijnsel is, althans eiken dag schier dreigt in te treden, is het van veel belang de zeer talrijke feitelijke processen en beslissingen te voorkomen, welke men zou uitlokken indien men geen ander pensioen gaf dan voor elk bijzonder geval, waarin invaliditeit speci-ial bewezen is.

Het ouderdomspensioen kan tot dit voorkomen van geschillen krachtig bijdragen. Van dit punt wordt hier een nadere uitlegging beproefd.

De invalidenrente begint met den dag, waarop het verlies van „Erwerbsfahigkeitquot; is ingetreden ; de ouderdomsrente begint op haar vroegst op den eersten dag van het 71ste levensjaar. De laatste vervalt zoodra aan den ontvanger een invalidenrente wordt toegekend (§ 29 der wet).

Van rechtskundig standpunt heeft derhalve het ouderdomspensioen een subsidiair karakter. Doch op den leeftijd van 70 jaar en hooger wordt het invalidenpensioen natuurlijk alleen aangevraagd wanneer het hooger is dan het ouderdomspensioen, en nu is voorloopig in de dne hoogste loonklassen het invalidenpensioen lager dan dat wegens ouderdom; voor die klassen mist dus het ouderdomspensioen feitelijk nog dit subsidiaire karakter. De volgende cijfers toonen zulks aan.

De ouderdomspensioenen bedragen (zij worden over niet meer, maar ook over niet minder dan 1410 weken berekend), indien steeds in dezelfde loonklassen premiën zijn gestort (§ 26 der wet):

I klasse : 1410 x 4 Pf. 4- 50 Mark z= 106.40 Mark.

II , : 1410 x 6 „ 50 „ = 134.60 „

III „ : 1410 x 8 „ —f- 50 „ = 162.80 „

IV , : 1410 x 10 „4-50 „ = 191.— „

De invaliditeitspensioenen daarentegen (ingeval van premiën steeds in dezelfde loonklasse) bedragen na de Wartezeit van 235 weken (5 x 47 weken):

I klasse; 60 4-50-4- (235 x 2 Pf.) = 114.70 Mark.

II „ ; 60 4- 50 4- (235 X 6 „ ) = 124.10 „

III „ : 60 4-50 4- (235 x 9 „ ) — 131.15 „

IV „ ; 60 4-50 4- (285x 13 „ ) — 140.55 „

ocr page 43

Voor de tweede klasse wordt eerst na 410 weken een invaliditeitspensioen bereikt, dat gelijk staat met het ouderdomspensioen dier klasse; voor de derde klasse na 920 weken; voor de vierde klasse na 723 weken.

Voorloopig hebben dus alleen de gepensionneerden van de laagste klasse een belang, en wel een zwak belang, gehad om bij intredende invaliditeit overgang te vragen van ouderdoms- tot invalidenpensioen. Dientengevolge is het tot 31 December 1894 weinig voorgekomen dat voor een ouderdomspensioen een invalidenpensioen in de plaats trad. In de Amtliche Nachrichten van 1 Jan. 1896 (blz. 144) is gemeld dat sedert 1891 tot 31 Dec. 1894 werden verleend 236.127 ouderdomspensioenen en dat hiervan door overgang in invalidenpensioen vervielen 2222 of nog niet l0/o, terwijl daarentegen door den dood kwamen te vervallen 50.408.

Wanneer later de invaliditeitspensioenen vrij aanzienlijk boven de ouderdomspensioenen stijgen, kan men talrijke aanvragen om de laatste door de eerste te vervangen, te gemoet zien. Het zal dan m.i. blijken dat die talrijkheid een gewichtig praktisch bezwaar oplevert. Niet alleen omdat de vele onderzoekingen bezwaarlijk zijn voor de administratie, maar ook omdat waarschijnlijk de praktijk al spoedig deze zal zijn, dat de aanvragen op zeer groote schaal worden ingewilligd. Yele psychologische motieven (medelijden, het bewustzijn dat toch eiken dag de invaliditeit werkelijk intreden kan) zullen de scheidsgerechten er toe brengen om het met het onderzoek niet zoo nauw te nemen en om de aanvragen in te willigen. Dan zal feitelijk het ouderdomspensioen door het invaliedenpensioen bijna geheel worden verdrongen, en dan zal, ook uit een oogpunt, de toestand voorziening eischen.

Het zou mij niet bevreemden, indien tegen dien tijd wettelijk de beide soorten van pensioen werden gelijk gemaakt door het gemiddelde te nemen van de bedragen, welke blijkens de ondervinding in beide categoriën worden uitgekeerd.

Door deze verandering zou de techniek der wet worden

ocr page 44

40

vereenvoudigd. Zij zou dan tamelijk wel hierop gaan nederkoraen, dat op dien leeftijd de invaliditeit als wettelijke praesumtie werd ondersteld.

Bij de discussien in den Rijksdag werd, omdat reeds tegenwoordig circa de helft dor invaliedenpensioenen vallen tusschen den leeftijd van 60—70 jaar, door den sociaaldemocraat Brühnb (1) geeischt, het ouderdomspensioen op 60 jaar te gaan yerleenen (Auer). Dit was een zwakke redeneering, want uit dat feit bleek geenszins dat ook de helft der arbeiders op dien leeftijd invaliede is; doch onmiskenbaar schijnt het dat op een leeftijd, waarop de invaliditeit inderdaad een normaio toestand wordt, een onderzoek naar invaliditeit met voordeel door een praesumtie, in combinatie met een wat lager pensioen, kan worden vervangen.

Mocht het ouderdomspensioen tot een pensioen wegens gepraesumeerde invaliditeit worden hervormd, dan zou ook unificatie moeten plaats hebben van de termijnen, gedurende welke men moet hebben betaald („ Wartezeitquot;. § § 15, 16 en 17 der Wet). Deze zijn thans voor ouderdomspensioenen 1410 en voor invalidenpensioenen 235 weken. Wie b. v. op zijn 50ste jaar in loondienst gaat kan eerst op zijn 77ste een ouderdomspensioen, en reeds op zijn 55ste een invalidenpensioen verkrijgen, — eene hardheid, welke vooralsnog, onder de werking der overgangsbepaling, zich niet doet gevoelen.

(1) 25 Jan. 1806, lieichslagverhatidlunyn, bl. 550, C.

ocr page 45

41

STATISTIEK

omtrent de Bevolkingsgroepen der Versicherungsanstaltcn,

in verband met de in 1894 toegekende invaliden- en

ouderdomspensioenen.

(Do bevolkingscijfers zijn de voorloopige uitkomsten van de Beroeps-en bedrijfstelling van 14 Juni 1895; de andere cijfers zijn geput uit de Amtliche Nachrichten des Reichsverskherungsamts van 1 Jan. 1896.)

Toegekende

Toegekende

Naam der Anstalt.

Bevolking.

invaliden-pensioenen.

ouderdomspensioenen.

Aantal.

Op lü 000 zielen.

1. Ost-Preussen....

1 979 387

3 368

2119

10,7

2. West-Preussen . . .

1 469 932

1331

957

6,5

3. Berlin......

1 615 082

781

465

2,9

4. Brandenburg....

2 795 747

2 490

2 291

8

5. Pommern.....

1574 950

1767

948

6

6. Posen......

1 773 036

1 804

1 858

7,6 8,3

7. Schlesien.....

4 357 555

5 756

3 662

8. Sachen-Anhiilt . . .

2 996 996

2178

1962

6,5

9. Schleriwig-Holstein .

1 334 623

946

1 270

9,5

10. Hannover.....

2 571 209

2 359

1 655

6,4

11. quot;Westfalen.....

2 669 415

2129

1288

4,7

12. Hessen-N.assan . . .

1798089

1121

609

5,3

(incl. Waldeck.)

13. Rheinprovinz. . . .

5 151 549

4134

2 329

4,5

14. Oberbayern ....

1179 411

1 389

742

6,3

15. Niederbayern. . . ,

666 273

868

608

9

16. Pfalz.......

755971

470

382

5

17. Oberpfalz.....

541 610

411

249

4,6

18. Oberfranken ....

582 692

493

499

8,5

19. Mlttelfranken . . .

726 345

475

243

3,3

20. Unterfranken. . . .

630 304

497

289

8,8

21. Srtiwaben.....

691 230

709

229

8,3

22. Königr. Sachsen . .

8 753 872

2 082

4 735

12,3

23. Württemberg . . .

2 071 407

1 395

672

8,2

24. Baden......

1 713 844

1 395

603

4.1

25. Hessen......

1 031 791

711

378

8,5

26. Mecklenburg ....

709 990

590

768

10,8

27. Thüringen.....

1 331 058

964

806

6

28. Oldenburg.....

291 641

122

189

4,7

29. Braunschweig . . .

485 625

366

233

5,8

30. Hansa......

936 951

417

300

3,2

31. Elsass-Lothringen . .

1 621 279

879

714

4.4

Totaal . . .

51 758 364

44 397

88 442

ocr page 46

42

§ 2. Financiecle Uitkomsten in het algemeen. Er is betaald:

1894.

1893.

1892

1891.

Totaal M.

W aarvan

door het Rijk.

Totaal M.

Waarvan

door het Rijk.

Totaal M.

quot;Waarvan

door het Rijk.

Totaal M.

Waarvan

door het Rijk.

Invaliden-pensioen .

Ouderdomspensioen .

10 173 183 24 414 443

4 172 710 9 682 186

5 282 850 22 763 337

2 209 016 9 052 636

1 353 433 21 071602

561 010 8 410 061

15 306 702

6 049 848

Te zamen

34 647 620

13 854 896

28 046 187

11 261 653

22 425 035

8 971 072

15 306 702

6 049 848

Het vermogen der Versicherungsanstalten was

einde 1891 . . 76 802 239 Mark (incl. Reservefonds)

„ 1892 . . 151363 482 „ ( , „ )

„ 1893 . . 226 587 506 „ ( „ B )

„ 1894 . . 303 570 969 „ ( „ B )

Het vermogen is dus in de eerste 4 jaren regelmatig mét ±75 Millioen Mark vermeerderd. Doch een zoodanige vermeerdering wordt voor de toekomst, zelfs tot 1900, geenszins verwacht. In den Rijksdag tocli deelde op 28 Januari 1896 de Minister von Bötticher mede {Vei-hand-lungen, bl. 585) dat men tot Deo. 1900 zou hebben uit te geven 757 Millioen Mark. Naar de tegenwoordige bijdragen zou opgebracht zijn 1089 Millioen Mark, 't geen geeft een overschot van 332 Millioen, waarbij een reservefonds te voegen van 101 Millioen, — te zamen 433 Millioen Mark. De Regeering ziet dus zeer spoedig stagnatie in de verdere kapitalisatie te gemoet, m. a. w. een sterke

ocr page 47

43

klimming der uitgaven wegens pensioenen en wegens de talrijke na Deo. 1895 te verleenen restitutiën van premiën.

Uit de algemeene rekening der Verrsicherungsansialten over 1894 heb ik de volgende posten en cijfers geput:

Inkomsten.

Mark.

Uitgaven.

Mark.

Zegelverkoop .

92 730 431

Invalidenpen-

Rente van kapi

sioenen. . .

5 388 486

taal. . . .

8 352 731

Ouderdomspen

Huur v. onroe

sioenen . . .

14 377 586

rend goed ,

19 558

Kapitaalafkoop.

907

Boeten en di

Medische hulp .

362 773

versen. . .

626 678

Administratie

kosten . . .

5 041 390

Totaal . .

101 729 398

25 171 142

Uitgaven .

25 171 142

Batig saldo .

76 558 256

§ 3. Financieel stelsel (Kapitaldeckungsverfahren),

Het stelsel is, dat de op te brengen kapitalen in dier voege worden berekend, dat zij voor een bepaald tijdsverloop, en wel voorloopig voor 10 jaren, voldoende zijn om de in dat verloop toegekende pensioenen te dekken, terwijl daarna eene verhooging der bijdragen zal moeten plaats hebben (§ 20 der wet).

Oorspronkelijk was door de Regeering het „Premiën-stelsel'' voorgesteld, hetwelk een sterkere kapitaliseering medebrengt en hoogere premiën reeds van den aanvang af.

De motieven tegen het Umlageverfahren en het Fremiën-verfahren zijn uitvoerig vermeld bij L. Fuld t. a. p. bl. 184 en 185

In de na 1900 volgende 5jaarlijksche „Beitragsperiodenquot; zullen, naar algemeen ondersteld wordt, hoogere bijdragen

ocr page 48

44

moeten geheven worden, wijl de pensioenen dan voortdurend klimmen wegens de grootere hoeveelheid vau gebruikte zegels, waarover zij worden berekend. Eefst na SOjaar zal aan de stijging vau ouderdomspensioenen een einde komen en de „Beharrungszustandquot; bereikt zijn. De invalidenrenten echter worden berekend over bijdragen van meer dan SOjaar geleden; bij deze dus treedt het rustpunt nog later in.

Om wel te begrijpen, waarom een zóó sterke stijging der uitgaven in de toekomst verwacht wordt, bedenke men dat het niet alleen geldt de betaling van gaandeweg hoogere pensioenen, maar ook dat tal van uitkeeringen vallen te doen, die eerst op 1 Jan. 1896 konden beginnen en die eveneens stijgen, te weten:

1°. terugbetaling van dc- helft der zegels aan vrouwelijke verzekerden, die in het huwelijk treden (§30);(1)

2°. bij overlijden van den verzekerden man, alvorens hij pensioen trekt, terugbetaling aan de weduwe van alle bijdragen des mans (§ 31), of, zoo geen weduwe aanwezig is, aan zijn kinderen beneden 16 jaar;

3o. bij overlijden van een verzekerde weduwe, terugbetaling van de helft der zegels aan haar kinderen beneden 15 jaar (§ 31).

Door een paar voorbeelden worde deze stijging duidelijk gemaakt:

(1) Mij werd te Berlijn verzekerd dat door vrouwelijke verzekerden, die in het huwelijk treden, op ruime schaal gebruikt wordt gemaakt vau de bevoegdheid om do helft der gebruikte zegels terug te vorderen. Hiermede treden zij uit het loopende verzekeringsverbaud.

Blijven zij na de terugonvangst in loondienst, dan moeten zij de bijdragen voortzetten en begint voor haar de verzekering, met den verplichten wachttijd, op nieuw.

Komen zij daarentegen buiten loonbetrekking, dan kunnen zij, mits geen teruggaaf van de helft der gebruikte zegels vragende, alleen door vrijwillige verzekering haar pensioengerechtigdheid voortzetten (§ 117 der wet).

ocr page 49

45

De Invalidenpensioenen bedragen (incl. Rijkstoelage) in de Loonklassen:

II. III.

Mark.

I.

IV.

na 5 iaren

n 10 J „ «20 , , 30 B » 40 B , 50 n

119 40 138.20

128.SO 166.40

138.20 194.60

147.60 222.80

157.00 251.00 152.30 171.10

114.70 124.10 131.15 140.55

194.60 232.20

236.90 293.30

279.20 354.40

321.50 415.50


De restitutiën, bij vooroverlijden van verzekerde geregeld betaald hebbende mannen, ten behoeve hunner weduwen en kinderen zullen bedragen, behalve de zegels van het loopende jaar :

In Loon klasse;

III.

IV.

II.

Mark.

in 1S96 „ 1897 r 1898 „ 1899 „ 1900

7.28 x 6 7.28 x 7 7.28 x 8 7.28 x 9 enz.

10.40 x 6 10.40 x 7 10 40 x 8 10.40 x 9 enz.

7.28 x 5 10.40 x 5 12.48 x 5 15.60 x 5

12.48 x 6 12.48 x 7 12.48 x 8 12.48 x 9 enz.

15.60 x 6 15.60 x 7 15.60 x 8 15.60 x 9 enz.


§ 4. Preventieve zorg door middel van Ilerslellingso irden.

In de algemeene rekening, vermeld op bl. 121 der Amtlichc Nachrichten over 1894, komt een post van uitgaaf voor a 332 773 Mark wegens kosten van geneeskuudige hulp.

Volgens art. 12 der, Wet van 1889 hebben de Anstaiten de bevoegdheid om, alvorens een invalidenpensioen toe te kennen, de aanvragers aan geneeskundige behandeling te onderwerpen, hetzij rechtstreeks onder toezicht en op

ocr page 50

46

kosten der Anstalt, hetzij door bemiddeling der Ziekenkassen, bij welke de aanvrager ingevolge de Ziekteverzekering behoort.

Van deze rechtstreeksche zorg vindt men bij de Anstalt Berlin een voorbeeld. Zij heeft op 30 kilometer buiten Berlijn een Sanatorium ingericht, omtrent welks bestuur en uitkomsten thans het eerste Jaarverslag, loopende tot Sept. 1895, verschenen is („das Sanatorium der Invaliditiits-und Altersversicherungsanstalt Berlin zu Gütergotzquot;). Er is plaats voor 72 patienten. Zooveel mogelijk worden alleen die personen opgenomen van wie eene geneeskundige behandeling een duurzaam herstel of een tijdig tegengaan van verder verlies der arbeidskracht doet verwachten. De opneming geschiedt slechts na zorgvuldige prognose, te meer ook omdat het aantal plaatsen voor een bevolking als die van Berlijn gering is. Van de 200 patienten, die ontslagen werden, waren 165 zoover hersteld dat zij door de geneesheeren beschouwd werden als „erwerbsfiihigquot;. Niettemin kwam het voor dat ook aan hen, die genezen waren verklaard, een aanvraag om invalidenpensioen door het scheidsgerecht werd toegewezen.

Het sanatorium kan ook gebezigd worden als middel van controle op simulatie van invaliditeit.

Of de onkosten der instelling niet buiten verhouding staan tot de resultaten en of deze resultaten niet goed-kooper te verkrijgen zijn door middel der algemeene ziekenhuizen, zou m. i. een nader onderzoek moeten uitmaken.

§ 5. Invloed der Verzekering op de Armenzorg.

Op verzoek van „der Deutsche Verein fiir Armenpflego und Wohlthatigheitquot; is door eene commissie, van welke Dr. R. Frbund de rapporteur was, de vraag onderzocht, welken invloed de nieuwere sociale wetgeving op de taak van armen wetgeving en armenzorg uitoefent ?

Het rapport is in 1895 onder den titel van „Armenpflege und Arbeiterversicherungquot; verschenen. (1)

(l) Leipzig, uitgevers Düscker amp; Hcmblot.

ocr page 51

47

Het heeft echter meer betrekking op de Ongelukken-en Ziekteverzekering, dan op die tegen Ouderdom en Invaliditeit.

Omtrent de laatste wordt medegedeeld (bl. 95) dat, hoewel op den duur zekerlijk de invloed gewichtig zijn zal, hij thans nog gering is wegens de korte werking der Wet. Velen worden nog armlastig, die voor pensioen-gerechtigheid niet de bewijzen kunnen leveren, welke de overgangsbepaling vordert. Tal van armlastigen zijn zulks geworden vóór 1891 en vallen niet in de termen om verzekerd te zijn. Voorloopig zijn de pensioenen nog zoo gering, dat de Armenzorg zeer dikwijls zelfs voor de pen-sioentrekkenden niet overbodig wordt.

Den invloed der pensionneering nauwkeurig na te gaan is hoogst moeielijk, want men zou moeten vaststellen hoe-vele gepensionneerden armlastig zouden geworden zijn, had de Verzekering niet bestaan. Er zijn vele wegens ouderdom gepensionneerden, die in het geheel geen behoefte aan onderstand hebben, doch hun vroeger bedrijf voortzetten. Van de 1028 pensioentrekkenden te München worden 150 geschat door de pensionneering aan armlastigheid te zijn onttrokken. In Kempten wordt van de 17 OvAe gepensionneerden gemeld, dat hiervan 10 stellig en 4 waarschijnlijk aan de Armenzorg onttrokken zijn ; te Schnee-berg zou, volgens schatting, 50 pCt. der oude gepensionneerden armlastig geweest zijn.

Bij invalidenpensioen echter kan men aannemen dat de pensioentrekkenden bijna allen armlastig zouden geworden zijn, hetgeen niet insluit dat thans de Armenzorg niet behoeft bij te springen, want dikwijls is zij genoodzaakt op te treden tot aanvulling van het pensioen. Dr. Fretotd vermeldt (bl. 96), dat te Berlijn van 2660 gepensionneerden 1600 personen zijn gecontroleerd. Van deze 1600 waren 150 armlastig toen hun een pensioen werd toegekend. Deze 150 echter zijn daardoor lang niet allen opgehouden armlastig te zijn :

42 personen bleven ontvangen 5800 Mark aalmoezen en 5780 Mark pensioen.

ocr page 52

48

25 personen hielden op armlastig te zijn (besparing 2820 Mark aalmoezen),

83 personen, die tot dusver 14 000 Mark aalmoezen ontvingen, ontvangen thans 8600 Mark, d. i. 5400 minder.

De ontlasting der Armenzorg bedraagt alzoo, volgens Dr. Freund, 2820 - 5400 8220 Mark (1). Maar deze 150 personen ontvangen ieder 50 Mark toelage uit de Rijkskas, 7500 Mark. Tegenover ontlasting der Armenzorg staat dus belasting der Openbare Kas.

In sommige plaatsen (genoemd worden Breslau, Regens-burg, Hannover) worden gepensionneerden tot volledige verpleging in het Armengesticht opgenomen terwijl dan het pensioen geheel of gedeeltelijk aan het Bestuur van het gesticht wordt uitbetaald. In den Rijksdag is op die praktijk gewezen door het socialistisch lid Singer (2); doch hiertegen is opgemerkt, dat zij in overeenstemming is met de wet (§ 35). Wanneer Dr. Freund (bl. 96 v. o.) uit deze opneming van gepensionneerden in armenge-stichten de slotsom trekt, dat zulks de ontoereikendheid der pensioenen bewijst, vergeet ZEd. (wat de Engelsche Staatscommissie nopens de Workhouses heeft opgemerkt) dat de toekenning van geldelijke uitkeeringen nog niet de wenschelijkheid opheft om ouden en invalieden in hun eigen belang te voorzien van regelmatige verpleging en van toezicht, gelijk alleen in een gesticht mogelijk is.

Men kan in het algemeen in Duitschland bij de voorstanders der Verzekering groote verwachtingen opmerken omtrent de gevolgen der Verzekering voor de Armenverzorging. Deze verwachtingen hebben, daar zij met de veelvuldige oorzaken en toestanden der Armoede geen rekening hielden, tot teleurstelling geleid. De toekenning van kleine geldelijke uitkeeringen aan invalied-verklaarden en aan 70 jarige mannen kan slechts voor een deel voor

(1) Rekent men, dat ieder dier 150 personen het minimum pensioen ontvangt, nl. tot 10G.40 M. dan wordt hun 16 000 Mark pensioen betaald, waarvoor zij nagenoeg niets hebben gestort.

(2) Reichstayverhandlungen. 28 Jan. iS9G, bl. 583 B.

ocr page 53

49

Armenverzorging in de plaats treden. Deze laatste heeft te voorzien in een reeks van gevallen en te voldoen aan tal van ethische en zedelijke eischen, welke niet tot hun recht komen bij de bloot mechanische nitkeering van pensioenen aan personen, die daartoe door wettelijken regel gerechtigd verklaard zijn, al zijn deze pensioenen zelve hoog te waardeeren hulp in den materieelen nood. Zelfs zou de vraag kunnen worden gedaan of de Verzekering, aangezien de pensioentrekkenden nagenoeg niets tot hun pensioen hebben bijgedragen, niet in den eersten tijd geweest is en in de naaste toekomst nog blijven zal een andere vorm van Armenverzorging, welke naast de vroegere vormen in het leven is geroepen?

§ G. Invloed der Verzekering op de belegging in de spaarbanken.

De Engelsche Staatscommissie, welke in Febr. 1895 een Verslag over de verzorging van oude lieden („aged poorquot;) uitbracht en hierbij ook den verzekeringsdwang behandelde, sprak de vrees uit, dat wanneer de Staat bijzonderlijk de besparing voor lijfrenten aanmoedigt, zulks aan andere vormen van besparingen nadeel toebrengt. Verzekeringsdwang toch is dwang om te sparen voor pensioen.

Met het oog op deze uitspraak, is door mij onderzocht of in Duitschland een nadeelige invloed der Verzekering op de belegging in spaarbanken kan worden waargenomen.

De gedwongen besparing voor pensioen kan ten gevolge hebben, of mindere verteringen voor oogenblikkelijk genot, of mindere besparingen in een der vele vormen, in welke besparing kan optreden (aankoop van eigen goed, belegging in spaarbanken, enz.).

Indien men op dit gebied eene waarschijnlijkheid a priori mag aannemen, zou zij zijn, dat de pensioenspaar-dwang haar gevolgen over verteringen en over andere vormen van besparing verdeelt. Aangezien dan in Duitschland

4

ocr page 54

50

de bevolking jaarlijks eeue som van circa 90 Millioen Mark aan zegels besteedt, en daarentegen telken jare de spaarbanksaldo's in Duitschland met sommen van 200 a 300 Millioen Mark toenemen, is het a priori onzeker of inde beweging dier ook van vele andere invloeden afhankelijke beleggingen eenige invloed van den spaardwang te bespeuren is.

Bij mijn onderzoek heb ik de volgende methode gebezigd. Uit de gegevens, welke de ijverige Secretaris van het Bureau der Centrale Commissie voor de Statistiek te VGravenhage mij welwillend verschafte, stelde ik van 1886 af de cijfers vast der gezamelijke spaarbankbeleggingen (alle herleid tot Marken) van Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, België, Nederland en Denemarken; — ik herleidde alle saldo's in verhouding tot het grondcijfer 1000 in 1886. Dezelfde methode volgde ik voor de gezamelijke deelen van het Duitsche Rijk. Op die wijs verkrijgt men twee onderling vergelijkbare reeksen, ieder met het cijfer 1000 als basis. De vraag is nu, of de invoering van den spaardwang in 1891 in Duitschland een invloed heeft gehad, welke bij de vergelijking dier reeksen voor den dag komt?

Het antwoord moet ontkennend luiden.

Ziehier de cijfers:

T

Jaren

1886

1887

00 i 00 i 00 | t-h

1889

1890

1891

1892

1893

1894

Groep van Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, België, Nederland en Denemarken.

1000

1052

1138

1184

1255

1295

1381

1422

1515

Duitschland ......

1000

1077

1157

1240

1310

1362

1423

1502

1598

Men ziet dat reeds in 1887 Duitschland met zijne spaar-bankbeleggingen op die in de andere landen een voorsprong nam, welken het, al zij het onregelmatig, behouden

ocr page 55

51

on op het einde van 1894 tot 83 op de 1500 a 1600 Mark vermeerderd heeft.

Deze voorsprong wijst de volgende beweging aan;

in 1887....................25

, 1888....................19

„ 1889....................56

„ 1890....................55

„ 1891..........67

, 1892....................32

, 1893....................80

„ 1894....................83

VIERDE HOOFDSTUK.

plannen tot hervorming.

§ 1. Plan- Woedtke.

Het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, bij hetwelk de geheimraad von Woedtke de ontwerpen nopens de verzekering pleegt te bewerken, heeft aan de Berlijnsche Conferentie een Ontwerp voorgelegd, waarvan de inhoud gepubliceerd is door den heer Gruner in het Bulletin du Comité permanent no. 4 van 1895. Het Ontwerp betreft details, voornamelijk omtrent het plakzegelstelsel. Een rapport er over heeft nog niet het licht gezien, en zal trouwens, zoo het opgemaakt wordt, wel niet voor openbaarheid bestemd zijn, evenmin als het Ontwerp zulks is geweest.

De belangrijkste bepalingen zijn: 1°. uitgifte van zegels voor meer dan éene week ; 2°. afschaffing der dubbelzegels; 3o. opheffing van de verplichting om wekelijks op te plakken ; 4°. invoering van verzamelkaarten voor de archieven der Anstalten; 5°. vereenvoudiging en bekorting der procedure bij aanvragen ora pensioen; 6°. opheffing van

ocr page 56

52

de verplichting der Anstalten om een reservefonds te vormen.

Sommige van deze wijzigingen zijn eveneens door Dr. R. Freund voorgesteld en toegelicht. Hare beteekenis zal blijken uit de volgende paragraaph.

§ 2. De worstellen van Dr. Freund.

In de genoemde Conferentie heeft Dr. Freund zijn plannen tot hervorming ontwikkeld en in do Pr. Jahrhücher van Mei 1896 heeft ZEd. ze openbaar gemaakt. Zij zijn te splitsen in twee deelen :

a. die over de organisatie in verband met Kranken- en Unfallversicherung ;

b. die over het stelsel der plakzegels.

Het eerste punt heeft een specifiek Duitach karakter. Het tweede daarentegen betreft meer de verzekering in het algemeen.

Dr. Freund wil de loonklassen afschaffen en slechts twee zegels invoeren, een voor mannen en éen voor vrouwen, — en in verband hiermede pensioenen, die niet meer naar de hoogte doch die enkel naar het getal der gebruikte zegels worden berekend.

Daarbij wenscht ZEd. door afzonderlijke plakzegels op afzonderlijke kwijtingskaarten de mogelijkheid te openen om de wettelijke rente door een vrijwillige verzekering te verhoogen, en wel met bevoegdheid om te allen tijde het kapitaal terug te erlangen, — de zegels worden dus eigenlijk „spaarzegels.'1

Vervolgens wenscht hij de verplichting tot weke! ijksche opplakking te doen omvallen, en zelfs maand-of kwartaalzegels in te voeren.

Ten slotte wenscht hij de belangstelling in de pension-neering te verhoogen door vermeerdering van de pensioen-bodragen.

Ten opzichte dezer voorstellen meen ik met een paar opmerkingen te kunnen volstaan :

ocr page 57

a. De invoering v.iii éenheidszegels is zonder twijfel een gewichtige vereenvoudiging. Doch de vraag is , van welk bedrag die zegels moeten zijn? Zijn zij van het bedrag, dat thans voor de laagste loonklasse geldt (nl, 14 Pfennige) dan kunnen de pensioenen ook slechts zeer laag zijn. Stelt men ze hooger, dan worden zij voor de lage loonen te drukkend.

b. Het denkbeeld om door vrijwillige zelfverzekering de mogelijkheid te openen op liooger pensioen wekt sympathie, vooral wanneer do verzekerde ten allen tijde het betaalde bedrag kan terug ontvangen: doch is op die voorwaarde een ernstige verhooging der pensioenen arithmetisch mogelijk ?

Het schijnt een zwak punt in Dr. Freunds plannen, dat hij de populariteit der pensionneering wil verhoogen door hoogere pensioenen, doch in gebreke blijft aan te wijzen uit welke middelen deze kunnen worden betaald. quot;Wel beweert hij (bl. 291) „dasz bei der überwiegenden „Zahl der deutschen Versicherungsanstalten die der-„zeitigen Beitrage weit über das Bedürfnisz hinausgehenquot; doch de Minister von Bötticher heeft in den Rijksdag omtrent dit punt een andere meening geopenbaard.

c. De wekelijksche zegeling is ingevoerd omdat, zoo daartoe niet wordt verplicht, de opplakking wordt uitgesteld tot zij zoo duur wordt, dat zij wordt nagelaten. De voorstellen om de opplakking te veroorloven na langere termijnen komen met dit motief in strijd.

§ 3. De plannen van Dr. Bödiker.

De President van het Reichsve: sicherungsamt houdt het Plakzegelstelsel voor „eine ideale Construction, für das praktische Leben zu feinquot;' (1). Hij wenscht een stelsel met minder scherpe lijnen en kanten, dat in de toe-

(1) Xordd. Allg Zeitung.

ocr page 58

54

passing veel meer ruimte voor geven en nemen laat.

Men vindt die plannen medegedeeld in de Norddeutsche Allgemeine Zeitung van 5, 8 en 9 Nov. 1895.

Wat jaarlijks noodig is zal jaarlijks omgeslagen worden over allen die arbeiders in hun dienst hebben, naar den maatstaf der door hen betaalde loonen of naar de getaxeerde loonen, evenals zulks reeds plaats heeft bij de verzekering tegen ongelukken.

De patroons zullen het recht hebben de helft van het betaalde op de loonen te korten.

Nu de mogelijkheid wegvalt om te berekenen wat ieder arbeider individueel bijdraagt, zal een eenheidspensioen (Grundrente) worden ingevoerd, zoo voor invaliditeit als ouderdom, nl. 12 Mark 's maands voor mannen en 9 Mark voor vrouwen, ongeveer gelijk aan de tegenwoordige pensioenen der 2e loonklasse. Dit pensioen wordt aan ieder toegekend, die op eenige wijze het bewijs levert in de laatste 5 (of 3) jaren vóór de aanvrage als arbeider werkzaam te zijn geweest. Doch dit pensioenbedrag zou kunnen stijgen tot zelfs het 3voud, mits men bewijze langer dan 6 (of 3 jaar) werkzaam te zijn geweest, en naarmate van het loon, hetwelk men bewijst genoten te hebben. In den vorm van dat bewijs is men geheel vrij.

Teruggaaf van betalingen bij het huwelijk van vrouwelijke werklieden zou vervallen. Bij overlijden zou in de plaats van teruggaaf van betalingen een vaste som (Sterbe-geld) treden.

De thans bijeengebrachte kapitalen der onderscheidene Jnstalten worden tot éen geheel vereenigd om te dienen als Reservefonds tot dekking van eventueele tekonen bij misrekening in de omslagen.

Ziedaar het plan van Dr. Bödiker.

Hierbij wordt de Verzekering in sterke mate beroofd van hare commercieele beginselen. De aequivalentietheorie wordt in nevelen opgelost. De individueele bijdrage behoeft niet meer, noch wat bedrag noch wat duur betreft, bewezen te zijn. De hoogte van het pensioen wordt bepaald door een bloot Ijjgturisch motief, namelijk

ocr page 59

ÜO

door het bedrag in één der afgeschafte loonklassen (1).

Behoudens tillen eerbied voor den talentvollen Voorzitter van het Reichsversicherungsamt en met waardeering zijner humane bedoelingen komt het mij voor dat tegen zijn voorstellen gewichtige bedenkingen zijn aan te voeren.

Door het bewijs niet te binden aan een bepaalden, zichtbaren vorm (de kwijtingskaart) maar te doen rusten op onderstellingen,, opent dit plan de deur voor eindelooze reclames en ontelbare processen over de vraag, hoe langen voor hoeveel loon de aanvrager in vroegere jaren heeft gearbeid. Men heeft in 1889 verboden dat op de kwijtingskaart eenige aanteekening zou worden gedaan van wegü den patroon, vreezende dat die kaarten zouden worden de bij de arbeiders hoogst impopulaire conduite-lij sten ; thans echter zal de arbeider, wil hij hooger pensioen dan het minimum bekomen , zich van zijn jeugd af van een arbeidsboek moeten voorzien. Eu zeer velen zullen op dat hooger pensioen aanspraak maken, want zij betalen er voor, althans in theorie. In Berlijn b v. behooren 8 200 000, ongeveer de helft der tegenwoordig gebruikte, zegels tot de vierde of hoogste loonklasse, m. a. w. ongeveer 200 000 personen zijn verzekerd voor het pensioen dier klasse. Kan men deze menschen tot de aanschaffing van een arbeidsboek dwingen, op straffe van gepensionneerd te worden voor de tweede klasse, terwijl zij niettemin naar den maatstaf van hun hooge loonen blijven belast?

Zou het den patroons licht vallen den van hen geheven omslag voor de helft op de loonen te verhalen ? Bij de ongelukkenverzekering komt die korting niet voor. Zij zou een eeuwige twistappel zijn, geworpen in de verhouding tusschen ondernemer en arbeider. Want de percentage van den omslag is varieerend, en wanneer zij een afgeronde breuk is, zou zulks aan gelukkig toeval te danken zijn. Stel b.v. dat het jaarlijksch

(1) „üie Vorgeschlagene Höhe der Grundrente entsprioht amiilherend den „gegenwartigen Rentendurchschnitten so dasz also wohlerworbeno Rcdito „nicht verletzt würdenquot;. Xordd. Ally. Ztg. 9 Ifov. 1895.

ocr page 60

56

pensioenbedrag 75 Millioen Mark bedraagt, om te slaan over de totaalsom der in het Rijk betaalde loonen; de helft van den omslag zal nu op het loon mogen worden gekort; hoe spoedig komt men nu niet in gecompliceerde berekeningen ? Vermoedelijk zal weldra in de praktijk de ondernemer, vermoeid van de voortdurende twisten met zijn werklieden, van rechtstreeksche korting bij elke betaling afzien, doch daarentegen voor een evenredig lager loon contracteeren. Maar dan gaat ook bij den arbeider het bewustzijn verloren, dat hij voor zijn pensioen zelf bijdraagt, dat bewustzijn, waarop in 1889 zoo hooge prijs werd gesteld. De ,Verzekeringquot; wordt dan eenvoudig een Bedrijfsbelasting, geheven naar den maatstaf van de uitbetaalde loonen, een „poor-ratequot;. Alleen met behulp van de theorie der afwenteling van belastingen zal kunnen worden betoogd, dat de arbeiders mede den last dragen. Het stelsel begint dan sprekend te gelijken op een stelsel van uitdeelingen uit de door belastingen gevulde openbare kas. Het zou van een ,Verzekeringquot; alleen den na£,m dragen, in denzelfden zin als waarin men wel eens hoort, dat de Armenzorg de menschen verzekert tegen den nood, en dat de Staat een assurantiemaatschappij is tegen moord en vreemde overheerschins:.

Zou ook niet spoedig worden aangedrongen op afschaffing dier omslachtige - Bedrijfsbelasting en op hare vervanging door een algemeene belasting? In de Nordd. Allg. Zeitung is deze vraag ontkennend beantwoord met de opmerking dat men op dezelfde wijze ook wel betoogen kan dat, aangezien het van algemeen belang is dat de spoorwegen worden gebruikt, voortaan de plaatsbilletten der reizigers om niet moeten worden uitgereikt en de kosten van het vervoer uit de algemeene middelen moeten worden bestreden. Deze tegenwerping komt mij niet zeer krachtig voor. Wanneer men eenmaal afgezien heeft van de individueele bijdrage, en deze vervangen heeft door een speciale bedrijfsbelasting, is de vervanging der bedrijfsbelasting door eene

(1) 9 Nov. 1895, n». 528.

ocr page 61

57

van meer algemoenen aard een gemakkelijke stap, welke met een beroep op de behoefte aan eenvoud in het financieel beheer krachtig kan worden bepleit.

In het stelsel van Dr. Bödiker wordt metterdaad van individueele bijdrage afgezien. Van daar dan ook, dat de teruggave der premiën bij huwelijk van de vrouw of bij overlijden des verzekerden mans komt te vervallen. Voor het laatste zal nu wel een „doodengeldquot; in de plaats komen, docb deze som wordt door enkel willekeur bepaald.

De afwezigheid van controle op den duur der bijdragen heeft tot gevolg dat men, om de pensioengerechtigdheid van een aanvrager te beoordeelen, toevlucht moet nemen tot een hypothese. Alen zal aannemen, dat iemand zijn geheele leven tot den arbeidersstand heeft behoord, zoodra hij bewijsb in de laatstvoorafgaande 5 (of 3) jaren als werkman geleefd te hebben (1). Dit nu is voor den stand der kleine neringdoenden, kleine pachters, schippers enz. een tamelijk gewaagde onderstelling, en niet minder ook voor den stand der weduwen, die zeer dikwijls eerst na den dood des mans in loondienst gaan.

Wanneer men de plannen van Dr. Bödiker in hun geheel overziet, zal men niet verwonderd zijn over de uitspraak van het lid des Rijksdags, Dr. Th. Barth (2): „Dieser Reformplan sieht einer Verurtheilung des ganzen „Gesetzgebungswerks verzweifelt ahnlichquot;.

In de Nordd. AU//. Zeitung wordt te verstaan gegeven dat de (sedert afgetreden) Minister von Berlepsch op de Berlijnsche Conferentie gezegd zou hebben dat de voorstellen van Dr Bödiker „in weitgehender Weise den B Anschauungen der preuszischen Verwaltung entsprechenquot;. In den Rijksdag echter heeft de Regeering bij monde van den Minister v. Bötticher geen woord van instemming hiermede uitgesproken (3j. „Auf dem Standpunkte stehe

(1) „Wer so lange gearbeitet hat, von dem sei anzunehmen, dasz er es „auch trüher gethan hatquot;

(2) In Cosmopolis, Maart 1896.

(3) Reichstagverhandlunyen, bl. 577 ü.

ocr page 62

58

„ich — sprak deze Minister, — dasz ich das einmal durch „die Gesetzgebung sanktionirte Markensystem nur daim „aufzugebeu rathen werde, wenn ein besseres System, das „weniger Unbequemlichkeiten init sich fiihrt und weniger „Mangel an sich tragt, gefunden worden sein wirdquot;. Dit werd gezegd op 28 Januari 1896.

§ 4. De voorstellen der Agrariërs.

Bij de discussiën in den Rijksdag is aan het licht gekomen dat men, vooral in de kringen van den landbouw, eene bevoorrechting der loonarbeiders gelegen vindt in de regeling, waarbij enkel aan de loontrekkende klasse pensioenen met staatsbijdrage worden verleend. Men beweert, dat kleine neringdoenden en pachters enz. een even harden strijd om het bestaan voeren als hun loontrekkende ondergeschikten, en eischt derhalve uitbreiding der pensionneer! ng tot ieder, die geen 2000 Mark inkomen heeft.

Uitvoerig werd reeds in 1894 deze eisch verdedigd door W. Kulemann (t. a. p. bl. 61 en volg). Men is, — zoo betoogt deze schrijver. — uitgegaan van het plan om voor loonarbeiders te zorgen; doch dit uitgangspunt is eenzijdig. Welstand en armoede worden zoowel bij kleine ondernemers als bij arbeiders aangetroffen. Men had pensioen moeten uitkeeren waar de behoefte aanwezig is (1). In détails toont hij aan, dat reeds thans de grens tusschen ondernemers en loonarbeiders bij de verschillende takken van verzekering niet streng door den wetgever is in het oog gehouden. Met ingenomenheid vermeldt hij, dat reeds in November 1893 te Berlijn op een groote vergadering van patroons eenstemmig werd besloten den Rijksdag te verzoeken de wet van 1889 in dezen geest te veranderen, dat de bijdragen van arbeidgevers en arbeiders geheel ophouden, de inkomsten geput worden uit een algemeene progressieve inkomstenbelasting en dat ieder staatsburger

(1) „Also auf diesen Urastand kommt es an, aufdie Frago dor Bedürftigkeit.quot;

ocr page 63

59

op zijn 60ste jaar recht liebbe op een staatspensioen van een Mark per dag. Met even groote ingenomenheid wijst hij op het Deensche stelsel van onderstand en op in Frankrijk gedane voorstellen, hij al hetwelk van onderscheiding tusschen loontrekkenden en zelfstandig arbeidenden geen sprake is.

Klaarblijkelijk in verband met deze strooming is in den boezem der agrarische partij thans een voorstel geformuleerd , waaromtrent ik het bericht ontleen aan het Berliner Tageblalt van 28 Mei 1896, n0. 266 :

„Eine neue Forderung der Agrariërquot;quot;.

„Der Bund der Landwirthe hat ein neues Invaliditdts-versicherungsgesetz ausgearbeitet und der agrarisch-schutz-zöllnerischen „wirtschaftlichen Vereinigungquot; des Reichstags zugehen lassen. Wie der Bund in seinem Organ mittheilt, enthalt der Gesetzentwurf „folgende hauptsachlichen neuen Bestimmungenquot;.

„Es werden versicherta) vom vollendeten 16. Lebensjahre an Arbeiter u. s. w., Betriebsbeamtc mit eiuem Gehalt unter 2000 Mark, die Schiffsbesatzung deutscher Seefahrt-zeuge, b) vom vollendeten 21. Lebensjahre au Betriebs-unternehmer und selbststandige Gewerbetreibende, deren Jahresarbeitsinkommen 2000 Mark nicht übersteigt.

„Die Invaliditatsrente betragt für Manner 100 Mark, für Weiber 75 Mark jahrlich, wenn die Erwerbsfahigkeit dauernd urn mindestens 50 Prozent beeintrachtigt ist. Bei höherer Beeintrachtigung stcigt die Rente für je 25 Prozent, bei Mannern um 50, bei Weiborn um 35 Mark.

„Auszerdem erhöht sich die Rente, wenn in den letzten vier Jahren vor Beginn der Invaliditat versteuert worden ist ein Arbeitseinkommen von:

600 bis 950 M, bei Mannern auf 150 M., bei Weibern auf 125 M. 950 „ 1300 „ „ „ „ 200 „ „ „ „ 175 „ 1300 „ 1650 „ „ „ „ 250 „ „ „ „ 225 „ 1650 „ 2000 „ „ „ „ 300 „ „ „ „ 275 „

ocr page 64

60

„Invalidenrente erhalt audi derjenigc nicht daucrnd Er-werbsunfahige, welcher wahrend eines Jahres ununter-brochen erwerbsunfabig gewesen ist, für die weitere Dauer seiner Erwerbsunfabigkeit.

„Die Rente kann nacb Gemeindebestinnning bis zu 2/z ibres Betrages in Naturalleistungen gewabrt werden.

„Zur Erlangung eines Rentenansprncbs ist auszer dem Nacbweise der Erwerbsunfabigkeit oder des Alters nur der Nacliweis erforderlicb, dasz der Versicberte innerbalb der Ictzten 4 Jabre mindestens 160 Wocben in einem die Versicheruug begründenden Erwerbsverbaltnisse ge-standen bat.

„Ueber den Rentenansprucb entscbeidet die Versicbe-rungsbehörde in freier Würdigung des gesammten Be-weismaterials, obne an gesetzlicbe Bescbraukungen ge-bunden zu sein.

„Die Aufbringung der Mittel erfolgt dadurcb, dasz das Reich von jeder einzelnen Rente im Voraus den Betrag von 50 Mark deckt, und das Uebrige durcb Zuschldgc zu den Einkommensteuern in den einzelnen Bundesstaaten erhoben wird, wobei jedoch die Einkommen unter 600 Mark frei zu lassen sind.

„Ueber die Organisation wird Folgendes bestimmt: Für die Gemeinden oder weiteren Kommunalverbande werden Versicberungsbebörden errichtet, deren Geschafte von einem durch die Landesregierung zu ernennenden böbern Be-amten wahrgenommen werden. Die Befugnisse der Versicberungsbebörden können auch schon bestebenden staat-lichen oder kommunalen Beborden übertragen werden. Für den Bezirk jeder Versicberangsbehörde wird ein Schiedsgericht errichtet, bestehend aus dem Beamten der Versicberungsbehörde als Vorsitzenden, vier Beisitzern (davon zwei Versicberte) und einem beamteten Arzte. Für die nach dein Gesetze von 1889 abgegrenzten Bezirke werden Versicherungsanstalten errichtet, die aus einem Vorsitzenden, acht Beisitzern (davon vier Versicberte) und einem böbern beamteten Arzt bestehen. Versicberungsbebörden, Schiedsgerichte und Versicherungsanstalten

ocr page 65

61

unterliegeii der Beaufsichtigung durch das Reichs-be-ziehungsweise durch das Landesversicherungsaint.

„Zustandig fiir die Bewilliguug der Rente ist die Ver-sicherungs- oder Gemeindebehörde des Beschaftigungs-oder Aufenthaltsortes des Antragstellers. Von den Ueber-gangsbestimmungen sei nur hervorgehoben, dasz die Ver-mögensbestande des bisherigen Versicherungsanstalten auf die Staaten oder Kom munal verban de übergeben, fiir die die Anstalten errichtet waren, und zu sozialpolitischen Zwecken sowie zur Entlastung zu verwenden sindquot;.

Na al het voorgaande behoef ik in eene kritiek dezer voorstellen niet te treden. Men ziet, bij oplettende beschouwing, spoedig wat hun doel is en tevens in hoe groote mate bij al dergelijke voorstellen belemmering wordt ondervonden van de tarieven en classificatien van het verzekeringsstelsel, dat men wel in naam wil behouden doch metterdaad wil afschaffen.

Allen zullen pensioentrekkers worden, wier jaarlijksch inkomen geen 2000 Mark overtreft, en het éenige te leveren bewijs zal dit zijn, dat men in de laatste 4 jaar vóór de aanvrage eenig beroep hebbe uitgeoefend zonder een inkomen van die som te hebben. Komt dit — aangezien ieder, die geen rentenier is, moet werken voor den kost, — niet neder op pensionneering van bijna allen , minua de renteniers, ten koste van de aangeslagenen in de inkomstenbelastingen? Van een ernstig onderzoek naar individueele behoeftigheid is geen sprake.

Ook de hoogte van de pensioenen in dit uitdeelings-stelsel is eenvoudig bepaald met het oog op de pensioenbedragen van het bestaande verzekeringsstelsel, onder toevoeging van een gewichtige verhooging. De bepaling, dat de gemeentelijke administratie zal beslissen in hoever 2I3 van het pensioen zal worden uitgekeerd in den vorm van naturaliën, wijst op een bijna alomvattend stelsel van uitdeeling van brood, koffie, kleederen en verpleging ter beoordeeliug van gemeenteambtenaren.

ocr page 66

G2

Of dit alles ernstig gemeend is, dan wel of het enkel een verkiezings-speculatie is, valt moeielijk te zeggen. De groote macht der Agrarische partij in den Rijksdag, — in deze aangelegenheid gesteund door de socialistische, — moet bij de vraag, welke toekomst voor dergelijke voorstellen is weggelegd, niet uit het oog worden verloren.

Al zijn deze voorstellen, zooals zij daar liggen, niet vatbaar om tot wet verheven te worden, zonder twijfel zullen zij in menig opzicht blijven wat de Engelsche Staatscommissie in haar Verslag over Pensioenverzekering heeft vermeld van het plan van Ch. Booth: „widely popular1'. En dat om tal van redenen, welke ik niet alle behoef te noemen. Zekerlijk telt mede, dat het onderscheid tusschen loontrekkenden en klein-ondernemers vervalt. Dit onderscheid geeft niet alleen wegens de Staatsbijdrage stof tot ontevredenheid maar ook omdat, wegens de bepalingen op hel verlies van pensioengerechtigdheid, menigeen, die tot den stand der klein-ondernemers overgaat, zijn recht verliest. Wie dan niet door de (duurdere) zelfverzekering zijn gerechtigdheid voortzet, verliest het recht, door hem aan zijn vroegere bijdragen ontleend; hij moet, indien hij niet binnen circa 3 jaar op nieuw in loonbe-trekking gaat, van voren af beginnen (§ 32 der Wet).

Ziedaar een der eigenaardigheden van het plakzegel-stelsel. Dit stelsel is de huldiging van de Verzekering in Commercieelen zin: wie premiën heeft betaald en de betaling niet voortzet is niet alleen zijn recht, maar ook zijn vroegere inlagen kwijt. Zóó alleen worden voor de overblijvenden hoogere uitkeeringen mogelijk.

De Duitsche Regeering blijkt voorloopig ongeneigd om, nu het eenmaal bestaat, van dat stelsel afscheid te nemen.

Tijdens het in druk brengen van deze bladzijden wordt mijn aandacht gevestigd op een in de Berliner Politische Nachrichten van 8 Juli (een officieus orgaan der Pruisische Regeering) voorkomend bericht omtrent het ontwerp tot herziening der wet. Volgens dat bericht zal het ontwerp, dat in de volgende zitting aan den Rijksdag zal worden

ocr page 67

63

aangeboden, niet veel verschillen van het hierboven geschetste plan-Woedtke. Het zal ten doel hebben eenige gebreken, welke bij de toepassing van speciale bepalingen aan het licht gekomen zijn, op te heffen. Doch het zal geene vereenvoudiging brengen in de organisatie der verzekering in den geest van samensmelting van verschillende takken, noch verandering in de fundamenteele bepalingen van zakelijken aard.

ocr page 68
ocr page 69
ocr page 70