ocr page 1

„LANDRENTE-ONDERZOEK OP JAVAquot;

DOOR

L. WESSELS

'S-GBAVENITAGE

MART IN US NU IIO FF 1890

ocr page 2
ocr page 3

NAAR AANLEIDING

F. FOKKENS'

„LANDRENTE-ONDERZOEK OP JAVA

' ' s-.

L. WESSELS V • Tl^'

'S-GRAVENIIAGE

MARTINUS NIJHOFF 1896

ocr page 4

De 's-Gravenliaagsche Hoek- en Handelsdrukkerij, voorheen Gebr. Giunta d'Albaui.

ocr page 5

Om tot een billijke, behoorlijke landrente-regeling op Java te geraken, zoo veel jaren reeds het desideratum en een onderwerp, dat reeds zoo oneindig veel pennen heeft in beweging gebracht, werd andermaal door den heer Verstijnkn, in een voordracht in het Indisch Genootschap, en daarna door mij in een brochure de wenschelijkheid aangetoond om de landrente te maken tot een zuivere grondbelasting op kadastralen grondslag.

Tn de brochure, die mij aanleiding tot dit schrijven geeft, bestrijdt de heer Fokkens, inspecteur van de cultures op Java. dat denkbeeld en spreekt daarin de meening uit, dat de beste oplossing van de zaak zal bestaan in het behoud van den thans geldenden grondslag, nl. de bruto-opbrengst van het hoofdgewas; terwijl hij, wat de metingen betreft, wil terugkeeren tot een werkwijze reeds 30 jaren geleden als volkomen onbruikbaar afgekeurd en verlaten.

Bij zoo groot verschil van meening zou het een vruchteloos pogen kunnen schijnen te trachten den heer Fokkens van zijn meening terug te brengen en hem tot de onze over te halen, ware het niet dat uit zijn beschouwingen blijkt, dat hij au fonds ons denkbeeld is toegedaan.

Wanneer we toch uit die beschouwingen vernemen dat ook naar de meening van den heer Fokkens een zuivere grondbelasting «ongetwijfeld te verkiezen zou zijn» en zeker «de belasting der toekomst is», doch dat tegen de invoering daarvan voor het oogenblik eenige bezwaren bestaan — bezwaren evenwel die volledig te weerleggen zijn; terwijl voor het behoud van den tegenwoordigen grondslag geen ander argument wordt aangevoerd dan het feit, dat men dan «wel niet billijk maar ten minste consequent zal zijn», dan kan zulk een pogen a priori zeer zeker volstrekt niet hopeloos worden geacht.

ocr page 6

De 's-Gravenliaagsche Boek- en Handelsdrukkerij, voorheen Gebr. Giunla d'Albani.

ocr page 7

Om tot een billijke, behoorlijke landrente-regeling op Java te geraken, zoo veel jaren reeds het desideratum en een onderwerp, dat reeds zoo oneindig veel pennen heeft in beweging gebracht, werd andermaal door den heer Yerstijnkn, in een voordracht in het Indisch Genootschap, en daarna door mij in een brochure de wenschelijkheid aangetoond om de landrente te maken tot een zuivere grondbelasting op kadastralen grondslag.

In de brochure, die mij aanleiding tot dit schrijven geeft, bestrijdt de heer Fükkens, inspecteur van de cultures op Java, dat denkbeeld en spreekt daarin de meening uit, dat de beste oplossing van de zaak zal bestaan in het behoud van den thans geldenden grondslag, nl. de bruto-opbrengst van het hoofdgewas; terwijl hij, wat de metingen betreft, wil terugkceren tot een werkwijze reeds 30 jaren geleden als volkomen onbruikbaar afgekeurd en verlaten.

Bij zoo groot verschil van meening zou het een vruchteloos pogen kunnen schijnen te trachten den heer Fokkens van zijn meening terug te brengen en hem tot de onze over te halen, ware het niet dat uit zijn beschouwingen blijkt, dat hij au fonds ons denkbeeld is toegedaan.

Wanneer we toch uit die beschouwingen vernemen dat ook naar de meening van den heer Fokkens een zuivere grondbelasting «ongetwijfeld te verkiezen zou zijn» en zeker «de belasting der toekomst is», doch dat tegen de invoering daarvan voor het oogenblik eenige bezwaren bestaan — bezwaren evenwel die volledig te weerleggen zijn; terwijl voor het behoud van den tegenwoordigen grondslag geen ander argument wordt aangevoerd dan liet feit, dat men dan «wel niet billijk maar ten minste consequent zal zijn», dan kan zulk een pogen a priori zeer zeker volstrekt niet hopeloos worden geacht.

ocr page 8

4

In ieder geval de poging moge gewaagd worden. — « Du choc des opinions enz.».

Mocht het mij gelukken bij den heer Fokkens, dien het mogelijk eenmaal gegeven zal zijn op een nieuwe landrenteregeling grooten invloed uit te oefenen, den twijfel op te heffen die bij hem nog bestaat aan de mogelijkheid om reeds nu over te gaan tot het stelsel, dat ook naar zijn meening ongetwijfeld te verkiezen zou zijn, dan mag van hem niets anders verwacht worden dan dat hij van een tegenstander contre-coeur zal bekeerd worden tot een voorstander van datzelfde stelsel en dat zou de zaak, waarom het ons beiden slechts te doen is, het belang van de Javaansche bevolking, zeer zeker ten goede komen.

Voor het beoogde doel zal het wel niet noodig zijn al de beschouwingen van den heer Fokkens op den voet te volgen. Raken we het over de hoofdpunten eens dan volgt de toepassing van zelf.

Tot die hoofdpunten mogen gerekend worden te be-hooren:

de metingen bl. 37;

de belasting op de erven bl. 43;

de vraag of de landrente moet zijn een belasting zuiver op den grond of een belasting op het product bl. 50;

moet de landrente zijn een belasting op het bruto-product of op de netto-inkomsten bl. 52.

Metingen.

Op grond van een door den heer van Vlijmen . in de Tweede Kamer, gedane vraag meent de heer Fokkens, dat het haast een wonder te noemen zou zijn, wanneer een zaak van zoo langen duur, die bovendien zoo veel geld kost, als de kadastrale opname, tot het einde toe zou worden gehandhaafd.

« Om die ramp te voorkomen kan slechts een weg worden ingeslagen nl. jiet onderzoek vereenvoudigen; het zooveel mogelijk aan de eischen van vlugheid en goedkoopte laten voldoen.»

«Bij een onderzoek op kadastralen grondslag, zoo als

ocr page 9

5

de heer Verstijnen dat gewenscht had, zoa dat niet mogelijk zijn.»

Een vereenvondiging die doel treft is, naar de meening van den heer Fokkens, te vinden in een Combinatie, voor de metingen, van het werk van technici met dat van inlandsche ambtenaren, in het kort hierop neerkomende;

Door de inlandsche ambtenaren worden, met behulp van smalcalder boussole en meetketting, opgemeten de afzonderlijke blokken belastbaren grond.

De opgemeten blokken worden in kaart gebracht op een schaal van 1 a 5000; ieder blok op een afzonderlijk vel papier.

In elk gewest worden twee landmeters geplaatst wier taak het is om, zoodra de metingen eener desa zijn afge-loopen, eene schetskaart van die desa te maken, zoodanig dat de betrekkelijke ligging der opgemeten blokken er duidelijk op voorkomt.

Elk blok op de schetskaart wordt van een nummer voorzien en dit nummer gesteld op het overeenkomstige blokkaartje, zoodat men de blokken op de kaartjes uitgezet, dadelijk op het terrein kan terugvinden.

De landmeters met de aan hen toegevoegde mantries verifieeren daarop de metingen, waarna de hoegrootheid der blokken door hen wordt berekend. Moeielijke stukken worden door de landmeters zelf gemeten.

Ten behoeve van den aanslag der landrente wordt nu verder aan de desahoofden gelast de individueele aandeelen der landbouwers, in elk blok, met de gewone inlandsche hulpmiddelen, in te meten.

Van den aanvang af moet voor de bijhouding gezorgd worden. Daartoe wordt aan eiken controleur een mantrie van het kadaster toegevoegd, die in zijn taak wordt bijgestaan door de districts- en onderdistricts-hoofden.

Die mantrie constateert ook de uitgestrektheid onbeplant gebleven en mislukte velden; zonder opmeting evenwel, zoo op het oog slechts.

Van de niet in geregelde cultuur gebrachte bouwgronden behoort elk jaar de beplante uitgestrektheid te worden ge-

ocr page 10

6

constateerd, door metingen door het desabestuur, op de gewone inlandsche wijze, terwijl de mantrie voor de bijhouding ze op het oog verifieert.

Uit het bovenstaande blijkt dat de heer Fokkens, om de uitgaven aan het verkrijgen van een behoorlijk kadaster verbonden uit te sparen, die arbeid eenvoudig kosteloos wel doen verrichten door de inlandsche ambtenaren. Wat voor de regeering wel wat duur wordt geacht om te betalen , zullen dan voortaan de inlandsche ambtenaren gratis moeten leveren.

Het spreekt echter wel van zelf dat al die ambtenaren, w„ o. hooggeplaatste bestuursambtenaren als de districts-en onderdistrictshoofden, al hun benoodigdheden niet zelf naar het veld zullen gaan dragen, of den meetketting voortslepen, dan Avel bakens uitzetten, wat zij ook niet zouden kunnen doen. maai1 daarvoor de hulp van de bevolking zullen requireeren, waardoor dus een nieuwe heerendienst zal worden in het leven geroepen voor een arbeid, tot heden toe, eerlijk betaald werd. Een groote terugtred alzoo op den nu eenige jaren achtereen reeds ingeslagen weg om te komen tot de afschaffing van alle gedwongen diensten. In de leggers zal dan voortaan een nieuwe rubriek diensten moeten voorkomen « voor kadastrale metingen ».

Voorts een algeheele wijziging in de regeling van de benoeming en het ontslag van inlandsche ambtenaren.

«Inlandsche ambtenaren » —zegt de heer Fokkens — «speciaal wedana, assistent-wedana, mantrie oeloe, mantrie-kaboepaten, koffiepakhuismeester en de schrij vers van regenten, wedanas en kontroleurs behooren voortaan met de stnalcalder boussole te gunnen meten en het gemetene op schaal in kaart te brengen» — (waartoe dan echter ook noodig is vaardigheid in het gebruik van dubbele palm en transporteur).

«Van de nog niet in dienst zijnde inlanders stelle men bedoelde kennis als eisch om benoemd te worden; terwijl men den reeds in dienst zijnde ambtenaren zes maanden tijd gunne om zich door den controleur

ocr page 11

7

den in het gewest bescheiden landmeters en mantries van het kadaster of door de inlandsche onderwijzers op hoogte er van te laten brengen,

«Het onderwijs in liet landmeten op de inlandsche scholen behoort verder goed en deugdelijk te zijn».

Die dus in het vervolg niet met de boussloe kan omgaan en het gemetene op schaal in kaart brengen kan geen inlandsch ambtenaar worden en een ambtenaar, die het niet kan en het ook in 6 maanden niet leert moet ontslagen worden, want anders heeft het stellen van dien termijn geen beteekenis.

Een algeheele omkeering alzoo in de geheele inlandsche ambtenaarswereld.

Ofschoon op den voorgrond wordt gesteld dat de inlandsche ambtenaren beter geschikt worden geacht om op eenvoudige wijze en in korten tijd de metingen te verrichten dan de ambtenaren van het kadaster, zoo wordt toch aan deze laatsten de taak opgedragen de inlandsche ambtenaren, die het niet kunnen op de hoogte er van te stellen.

Een in den dienst vergrijsd ambtenaar, van de positie van een districtshoofd, zal dus in de leer moeten gaan bij een mantrie van het kadaster om zich op de hoogte te stellen van het gebruik van boussole en andere zaken.

Om het aanbevolen stelsel volledig te doen zijn ontbreekt er nog slechts de tijdsbepaling aan, waarbinnen ook de controleurs blijken zullen moeten geven van hun bekwaamheid in het landmeten, want noch bij het eindexamen van de hoogere burgerschool, noch bij het groot-ambtenaarsexamen hebben zij bewijzen behoeven te leveren van hun kennis van dat vak.

Ook het inlandsch onderwijs zal een groote wijziging-moeten ondergaan. Vóór '1893 toch was het landmeten op op geen enkele inlandsche school een verplicht leervak. Sedert in dat jaar, de scholen in twee klassen werden verdeeld, werd bepaald (Stbl. '128) dat in de scholen van de eerste klasse het landmeten onderwezen zal worden, behalve daar, waar geen der onderwijzers, ter beoordeeling van den inspecteur, in staat is dit vak te onderwijzen.

ocr page 12

8

Wanneer nu bovendien nog rekening wordt gehouden met het feit dat, op de kweekscholen voor inlandsche onderwijzers, pas in 1894 (Stbl. nquot;. 400) de kennis van het landmeten, in 1884 van het programma afgevoerd, weder onder de leervakken werd opgenomen, omdat het bedoeld vak, volgens het Kol. verslag van 1894, indien er gelegenheid toe bestaat, ook behoort onderwezen te worden op de inlandsche scholen van de eerste klasse; terwijl volgens het Kol, verslag van 1895, alleen nog maar te Rembang een school van de eerste klasse werd in het leven geroepen, die evenwel, bij gemis van een schoolgebouw. nog niet geopend is — dan blijkt uit een en ander dat het landmeten op geen enkele inlandsche school onderwezen wordt.

Wanneer dus de heer Fokkens in zijn programma spreekt van «het onderwijs in het landmeten op de inlandsche scholen» dan spreekt hij over iets dat niet bestaat, maar nog in het leven geroepen moet worden.

De inlandsche onderwijzers zullen dus, evenmin als al de kontroleurs, aangewezen kunnen worden, als de leermeesters voor de inlandsche ambtenaren, die dus uilsluitend in de leer zullen moeten gaan bij de ambtenaren van het kadaster.

Die kadaster-ambtenaren zullen alzoo, voor en aleer met de metingen een aanvang gemaakt zal kunnen worden, allerwege cursussen in het landmeten moeten openen, om de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur af lichten voor het examen in het gebruik van den Smalcalder-bous-sole, dubbele palm en transporteur en in het opmeten en in kaart brengen van terreinen.

De heer Fokkens verzekert ons verder wel, dat aan de inlandsche ambtenaren, met het oog op hun overige werkzaamheden, die metingen gerust kunnen worden opgedragen, doch deelt volstrekt niet mede, wat toch wel had mogen geschieden, wie dan hun werk, dat nooit stil staat, vooral dat van de districts- en onderdistrictshoofden, zal moeten verrichten, gedurende de dagen, die zij in het veld moeten doorbrengen; en evenmin hoe de controleurs

ocr page 13

9

en wedanas het stellen moeten zonder hun schrijvers, tenzij daarbij gerekend wordt op hun vervanging door onbezoldigde hulpschrijvers, en dus al weer op onbezol-digden arbeid!

Alles zal alzoo onderste boven worden gekeerd ter wille van die goedkoope metingen!

En dat om de ramp te voorkomen, die gelegen zou zijn in de staking van de kadastrale opname; waaruit blijkt dat de heer Fokkens werkelijk van meening is dat die opname gehandhaatd zal worden door blokmetingen van de inlandsche hoofden, in onbetaalden arbeid!

Om zulk een meening te kunnen verkondigen moet men wel een zeer vreemde opvatting bebben van wat te verstaan is onder een kadastrale opname!

Maar ook al wordt elk denkbeeld aan een kadaster volstrekt buitengesloten, de voorgestelde werkwijze op zich zelf is voor een deel volstrekt onuitvoerbaar; voor een ander deel dertig jaar geleden reeds toegepast, maar toen als geheel onbruikbaar verworpen en verlaten.

Volstrekt onuitvoerbaar is het vervaardigen van een schetskaart van iedere desa en toch is die kaart, in het aanbevolen stelsel, voor de bijhouding onmisbaar.

Zal dat reeds het geval zijn hier in Nederland waar, alvorens met de kadastrale metingen een aanvang werd gemaakt, de noodige bepalingen zijn vastgesteld om alle enclaves te doen verdwijnen, op Java is dat geenszins het geval geweest. Daar, althans in midden-Java, bestaan de desagebieden uit een groot aantal (soms 20 en meer) ver uit elkander gelegen terreinen, zoodat de kaart van zulk een desa er uitziet als de kaart van een eilandengroep; terwijl het wit tusschen die eilanden het gebied voorstelt van de verschillende omliggende desas.

Ga nu van zulk een desagebied, van zulk een verzameling ver ver-spreid liggende gronden, zonder de meest nauwkeurige meting, eens een kaart maken! Ieder deskundige zal dat voor volstrekt onmogelijk verklaren. Zelfs de resultaten van de statistieke opname, door nauwkeurige en goed gecontroleerde metingen verkregen, zijn onvol-

ocr page 14

6

constateerd, door metingen door het desabestuur, op de gewone inlandsche wijze, terwijl de mantrie voor de bijhouding ze op het oog verifieert.

Uit het bovenstaande blijkt dat de heer Fokkens, om de uitgaven aan het verkrijgen van een behoorlijk kadaster verbonden uit te sparen, die arbeid eenvoudig kosteloos wel doen verrichten door de inlandsche ambtenaren. Wat voor de regeering wel wat duur wordt geacht om te betalen , zullen dan voortaan de inlandsche ambtenaren gratis moeten leveren.

Het spreekt echter wel van zelf dat al die ambtenaren, w. o. hooggeplaatste bestuursambtenaren als de districts-en onderdistrictshoofden, al hun benoodigdheden niet zelf naar het veld zullen gaan dragen, of den meetketting voortslepen, dan wel bakens uitzetten, wat zij ook niet zouden kunnen doen. maar daarvoor de hulp van de bevolking zullen requireeren, waardoor dus een nieuwe heerendienst zal worden in liet leven geroepen voor een arbeid, tot heden toe, eerlijk betaald werd. Een groote terugtred alzoo op den nu eenige jaren achtereen reeds ingeslagen weg om te komen tot de afschaffing van alle gedwongen diensten. In de leggers zal dan voortaan een nieuwe rubriek diensten moeten voorkomen « voor kadastrale metingen ».

Voorts een algeheele wijziging in de regeling van de benoeming en het ontslag van inlandsche ambtenaren.

«Inlandsche ambtenaren» —zegt de heer Fokkens — « speciaal wedana, assistent-wedana, mantrie oeloe, mantrie-kaboepaten, koffiepakhuismeester en de schrij • vers van regenten, wedanas en kontroleurs behooren voortaan met de smalcalder boussole te .kunnen meten en het gemetene op schaal in kaart te brengen» — (waartoe dan echter ook noodig is vaardigheid in het gebruik van dubbele palm en transporteur).

«Van de nog niet in dienst zijnde inlanders stelle men bedoelde kennis als eisch om benoemd te worden; terwijl men den reeds in dienst zijnde ambtenaren zes maanden tijd gunne om zich door den controleur

ocr page 15

7

den in liet gewest bescheiden landmeters en mantries van het kadaster of door de inlandsche onderwijzers op hoogte er van te laten brengen.

«Het onderwijs in het landmeten op de inlandsche scholen behoort verder goed en deugdelijk te zijn».

Die dus in het vervolg niet met de boussloe kan omgaan en het gemetene op schaal in kaart brengen kan geen inlandsch ambtenaar worden en een ambtenaar, die het niet kan en het ook in 6 maanden niet leert moet ontslagen worden, want anders heeft het stellen van dien termijn geen beteekenis.

Een algeheele omkeering alzoo in de geheele inlandsche ambtenaarswereld.

Ofschoon op den voorgrond wordt gesteld dat de inlandsche ambtenaren beter geschikt worden geacht om op eenvoudige wijze en in korten tijd de metingen te verrichten dan de ambtenaren van het kadaster, zoo wordt toch aan deze laatsten de taak opgedragen de inlandsche ambtenaren, die het niet kunnen op de hoogte er van te stellen.

Een in den dienst vergrijsd ambtenaar, van de positie van een districtshoofd, zal dus in de leer moeten gaan bij een mantrie van het kadaster om zich op de hoogte te stellen van het gebruik van boussole en andere zaken.

Om het aanbevolen stelsel volledig te doen zijn ontbreekt er nog slechts de tijdsbepaling aan, waarbinnen ook de controleurs blijken zullen moeten geven van hun bekwaamheid in het landmeten, want noch bij het eindexamen van de hoogere burgerschool, noch bij het groot-ambtenaarsexamen hebben zij bewijzen behoeven te leveren van hun kennis van dat vak.

Ook het inlandsch onderwijs zal een groote wijziging moeten ondergaan. Vóór '1893 toch was het landmeten op op geen enkele inlandsche school een verplicht leervak. Sedert in dat jaar, de scholen in twee klassen werden verdeeld, werd bepaald (Stbl. '128) dat in de scholen van de eerste klasse het landmeten onderwezen zal worden, behalve daar, waar geen der onderwijzers, ter beoordeeling van den inspecteur, in staat is dit vak te onderwijzen.

ocr page 16

8

Wanneer nu bovendien nog rekening wordt gehouden met het feit dat, op de kweekscholen voor inlandsche onderwijzers, pas in 1894 (Stbl. nquot;. 400) de kennis van het landmeten, in 1884 van het programma afgevoerd, weder onder de leervakken werd opgenomen, omdat het bedoeld vakj volgens het Kol. verslag van 1894, indien er gelegenheid toe bestaat, ook behoort onderwezen te worden op de inlandsche scholen van de eerste klasse; terwijl volgens het Kol, verslag van 1895, alleen nog maar te Rembang een school van de eerste klasse werd in het leven geroepen, die evenwel, bij gemis van een schoolgebouw, nog niet geopend is — dan blijkt uit een en ander dat het landmeten op geen enkele inlandsche school onderwezen wordt.

Wanneer dus de heer Fokkens in zijn programma spreekt van «het onderwijs in het landmeten op de inlandsche scholen» dan spreekt hij over iets dat niet bestaat, maar nog in het leven geroepen moet worden.

De inlandsche onderwijzers zullen dus, evenmin als al de kontroleurs, aangewezen kunnen worden, als de leermeesters voor de inlandsche ambtenaren, die dus uitsluitend in de leer zullen moeten gaan bij de ambtenaren van het kadaster.

Die kadaster-ambtenaren zullen alzoo, voor en aleer met de metingen een aanvang gemaakt zal kunnen worden, allerwege cursussen in het landmeten moeten openen, om de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur af richten voor het examen in het gebruik van den Smalcalder-bous-sole, dubbele palm en transporteur en in het opmeten en in kaart brengen van terreinen.

De heer Fokkens verzekert ons verder wel, dat aan de inlandsche ambtenaren, met het oog op hun overige werkzaamheden, die metingen gerust kunnen worden opgedragen, doch deelt volstrekt niet mede, wat toch wel had mogen geschieden, wie dan hun werk, dat nooit stil staat, vooral dat van de districts- en onderdistrictshoofden, zal moeten verrichten, gedurende de dagen, die zij in het veld moeten doorbrengen; en evenmin hoe de controleurs

ocr page 17

9

en wedanas het stellen moeten zonder bun schrijvers, tenzij daarbij gerekend wordt op hun vervanging door onbezoldigde bulpschrijvers, en dus al weer op onbezcl-digden arbeid!

Alles zal alzoo onderste boven worden gekeerd ter wille van die goedkoope metingen!

En dat om de ramp te voorkomen, die gelegen zou zijn in de staking van de kadastrale opname; waaruit blijkt dat de heer Fokkens werkelijk van meening is dat die opname gebandhaatd zal worden door blokrnetingen van de inlandsche hoofden, in onbetaalden arbeid!

Om zulk een meening te kunnen verkondigen moet men wel een zeer vreemde opvatting hebben van wat te verstaan is onder een kadastrale opname!

Maar ook al wordt elk denkbeeld aan een kadaster volstrekt buitengesloten, de voorgestelde werkwijze op zich zelf is voor een deel volstrekt onuitvoerbaar; voor een ander deel dertig jaar geleden reeds toegepast, maar toen als geheel onbruikbaar verworpen en verlaten.

Volstrekt onuitvoerbaar is het vervaardigen van een schetskaart van iedere desa en toch is die kaart , in het aanbevolen stelsel, voor de bijhouding onmisbaar.

Zal dat reeds het geval zijn hier in Nederland waar, alvorens met de kadastrale metingen een aanvang werd gemaakt, de noodige bepalingen zijn vastgesteld om alle enclaves te doen verdwijnen, op Java is dat geenszins het geval geweest. Daar, althans in midden-Java, bestaan de desagebieden uit een groot aantal (soms 20 en meer) ver uit elkander gelegen terreinen, zoodat de kaart van zulk een desa er uitziet als de kaart van een eilandengroep; terwijl het wit tusschen die eilanden het gebied voorstelt van de verschillende omliggende desas.

Ga nu van zulk een desagebied, van zulk een verzameling ver verspreid liggende gronden, zonder de meest nauwkeurige meting, eens een kaart maken! Ieder deskundige zal dat voor volstrekt onmogelijk verklaren. Zelfs de resultaten van de statistieke opname, door nauwkeurige en goed gecontroleerde metingen verkregen, zijn onvol-

ocr page 18

10

doende gebleken om te dienen tot een blijvende kadastrale inrichting, omdat die metingen hadden plaats gehad met onvoldoend juste instrumenten, de Smalcalder-boussole en hellingmeter. Dat is dan ook de reden geweest dat de arbeid van de statistieke opname, in 1870, op grond van een langdurig en nauwgezet onderzoek van de heeren Motké en Sprenger van Euk, niet juist genoeg werd geacht voor een behoorlijke bijJiouding en daarom vervangen moest worden door bet kadaster.

Wat verder betreft de voorgestelde blokkenmeting, die is niets anders dan de werkwijze gevolgd bij de proefmeting, die aan de statistieke opname voorafging. Toen deze opname in 1805 definitief werd georganiseerd, werd die tot dat tijdstip gevolgde werkwijze, als geheel onvoldoende, afgekeurd en vervangen door de opmeting van hetgeheele desagebied.

Toch was die bij wijze van proef gevolgde werkwijze nog oneindig beter dan wat nu voorgesteld wordt, want men had daarbij de beschikking over de kaarten van de topografische opname, die nu vervangen zouden worden door nog eerst te vervaardigen schetskaarten.

Keerde men dus terug tot een wijze van werken, nog minder juist dan die, welke ruim 30 jaar geleden reeds als geheel onbruikbaar werd verworpen, om toen vervangen te worden door de statistieke opname, die zoo veel juister werkte, maar niettemin evenzeer, door bovengenoemde autoriteiten, als onvoldoende juist voor een blijvende instelling, werd afgekeurd, dan zou natuurlijk dezelfde lijdensweg weer worden afgelegd en zou men al zeer spoedig tot de overtuiging komen weder onbruikbaar werk te hebben geleverd.

Men zou dan op den geheelen arbeid moeten terugkomen, veel kostbaren tijd vruchteloos verspild hebben; en goedkoop zou ook hier blijken duurkoop te zijn geweest, want alle uitgaven, hoe gering ook, zouden weggeworpen geld blijken te zijn.

Aan de door den heer Fokkens gestelden eisch van «vlugheid en goedkoopte» kan bij geen mogelijkheid anders

ocr page 19

11

worden voldaan dan door zoodanig werk te doen leveren, dat daarop nooit meer behoeft te worden teruggekomen; en dat kan alleen geschieden door het kadaster.

De omstandigheid waarop de lieer Fokkens de aandacht vestigt, dat resultaten van de kadastrale opname gebleken zijn onbruikbaar te wezen voor den landrente-aanslag was natuurlijk alleen het gevolg van onvoldoende samenwerking tusschen kadaster en binnenlandsch bestuur en van het verstrekken van onvolledige voorschriften door dat departement.

Daar het vermelde bezwaar achter slechts hierin schijnt bestaan te hebben dat blokken grond als een geheel zijn opgemeten, die slechts voor een deel ontgonnen waren, zoo behoeft in dat blok op de kaart alsnog slechts de lijn te worden getrokken, die het ontgonnen- van het niet-ontgonnen deel scheidt. Aan de juistheid van do gedane meting zelf doet die inmeting natuurlijk niets te kort.

«Wat men ook op het gebied der landrente verzinnen wil, van geen grondbelasting is de toekomst verzekerd, indien er de kadastrale basis, in den technischen zin van het woord aan ontbreekt. »

« Zonder kadastrale metingen blijft alles broddelwerk.»

Ieder deskundige zal die uitspraak van den heer van der Kemp volkomen beamen.

Er is echter nog een zeer belangrijk punt waarop de aandacht dient te worden gevestigd.

Volgens de voorstelling van den heer Fokkens verkrijgt men den indruk alsof geheel Java en Madura nog opgemeten zouden moeten worden volgens de aanbevolen werkwijze. Daai'bij wordt dan toch geheel over het hoofd gezien alles wat reeds gemeten is en dat is niet weinig.

Gemeten zijn reeds en goed kadastraal op kaart gebracht, de inhouden berekend en deugdelijk in registers geboekt en bijgehouden de geheele vlakken van Bandoeng, Tjiand-joer, Tjitjalengka, Garoet en de bouwvelden van de afdeeling Soekaboemie. Eveneens de geheele breede Noordkust van Pasoeroean en Probolinggo en bijna de geheele afdeeling Modjokerto.

Bovendien zijn in acht andere gewesten de kaarten van

ocr page 20

12

de statistieke opname nog altijd bijgehouden door personeel van het kadaster.

Al dat werk, al die bestaande kaarten ongebruikt te laten zou de grootste geldverspilling mogen heeten. En voor een deel van Java kaarten te gebruiken, w. o. de volkomen juiste van het kadaster en voor een ander deel zich te vreden te stellen met de resultaten van de metingen van de inlandsche ambtenaren zou een geheel opleveren, dat wel geen enkele verdediger zal vinden.

De eenige en zekere weg om in den korst mogelijken tijd te kunnen beschikken over de noodige gegevens, omtrent de oppervlakte van de gronden, voor een definitieve landrente-regeling, is gelegen in het hervatten en voltooien van de gestaakte kadastrale opname; waarbij het dan aanbeveling verdient om de opnemingssecties van het kadaster op te heffen en het personeel te verdeelen over de verschillende gewesten.

Dan zullen, in elk gewest, in overleg met den resident, voor opmeting en kadasteering het eerst in aanmerking kunnen komen de districten, die er de grootste behoefte aan hebben.

Tot aan de geleidelijke voltooing van de kadastrale kaarten kan, voor het toepassen van een nieuwen, billijken grondslag bij den landrente-aanslag, met volle gerustheid worden gebruik gemaakt van de nu beschikbare cijfers omtrent de uitgestrektheid.

Wanneer toch bekend is de belastbare opbrengst van de verschillende soorten van gronden, per bouw, en als punt van uitgang wordt vastgehouden, even als in Nederland geschiedde en ook voor Java volstrekt onvermijdelijk is, aan de bestaande aanslag cijfers, dan dragen de cijfers van de uitgestrektheid niets bij tot de vaststelling van het bedrag van den aanslag; maar dienen alleen om die bestaande aanslag cijfers, naar een billijken grondslag om te slaan over de landrenteplichtige gronden.

Van het gebruik maken van de voorhanden gegevens omtrent de uitgestrektheid — totdat zij vervangen kunnen worden door de resultaten van de kadastrale opname —

ocr page 21

13

kan dus in geen geval eenig nadeel het gevolg zijn, hoe gering ook; het is toch voor den belastingschuldige volmaakt hetzelfde of hij betaalt 10 pet. van de belastbare opbrengst van 1 bouw of 5 percent over diezelfde opbrengst van 2 bouw.

De vraag hoe lang de kadastrale opname juist duren zal kan gerust achterwege worden gelaten, wanneer slechts maatregelen genomen worden om te voorkomen, dat op de voltooing van den geheelen arbeid gewacht zou moeten worden om tot een betre landrenteregeling tegeraken. En daartoe is niets anders noodig dan dat de regeering, wanneer zij de tijd nog niet gekomen acht voor de vaststelling van de algemeene verordening, in het regeeringreglement voorgeschreven, zoodanige bepalingen vaststelt, omtrent den aan te nemen nieuwen grondslag voor den aanslag, dat de hoofden van gewestelijk bestuur onmiddelijk kunnen overgaan tot de invoering er van, overal waar de gegevens omtrent de nieuwe belastbare opbrengst per bouw, voldoende juist worden geacht.

Men is dan, in streken waar nog geen kadastrale gegevens omtrent de uitgestrektheid voorhanden zijn, verzekerd van een billijker omslag van de bestaande en te handhaven aanslagcijfers, over de verschillende soorten van gronden, waarna men gaandeweg in het bezit zal komen van de resultaten van de kadastrale metingen. Eerst dan zal het bestuur zich in staat gesteld zien om, met volledige kennis van zaken de zwaarte van den aanslag te beoordeelen en na te gaan welke wijzigingen in de aanslagcijfers gebracht behooren te worden, alvorens ze definitief voor eenige jaren vast te stellen.

In ieder geval dit staat vast; hoe eerder alle proefnemingen gestaakt worden en tot hervatting van den kada-stralen arbeid wordt overgegaan hoe eerder die arbeid voltooid zal zijn.

Het is intusschen moeielijk te verklaren hoe de heer Fokkens kon komen tot het uitspreken van de meening dat het een wonder te noemen zou zijn wanneer een zaak, van zoo oneindig groot belang, zoo voor de landrente-

ocr page 22

14

plichtige bevolking als voer de regeering zelf, als de kadastrale opname, tot het einde toe zou worden gehandhaafd!

Hoe onjuist die meening dan ook is blijkt uit de mede-deeling in het Kol. verslag van 1895:

«Met betrekking tot de kwestie of het behoud van den dienst van het kadaster in zijne tegenwoordige organisatie, uit een linantieel oogpunt, te verdedigen is, hebben de ingewonnen adviezen duidelijk aangetoond, dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord ».

De kosten zouden ook bezwaarlijk een reden kunnen zijn om de vraag ontkennend te beantwoorden.

Jaarlijks komt op de begrooting van N. I. een bedrag voor van p. m. 600.000 gulden voor kadastrale en statistieke opnamen. Trekt men daarvan af de kosten van het personeel voor de bijhouding van het eigendomskadaster, tot een bedrag van ruim 100.000 gulden, dan bedraagt de jaar-lijksche uitgaaf voor de opnemings-secties nog geen 500.000 gulden, wat ongeveer 3 pet. uitmaakt van het bedrag van de landrente, zoolang dat 16 millioen gulden zijn zal.

Zonder extra-uitgaven dus en door slechts een zeker aantal jaren het tegenwoordig bedrag op de begrooting te handhaven zal het zoo onmisbare kadaster geleidelijk verkregen worden.

Erven en tuinen, (blz. 43).

«Erven en tuinen (w. o. nipa-bosschen) moeten m. i. van de landrenteplichtige gronden worden afgescheiden. Zij (vooral de erven) toch zijn veelal oorzaak geweest van den ongelijk matigen druk der landrente. Waar twee desa's met velden van gelijke productie, voor bezeilde bedrag per bouw bouwgrond waren aangeslagen, werd vaak door de sawahbezit-ters in de eene desa per bouw sawah het dubbele opgebracht van hetgeen daarvoor in de andere desa betaald wei d. Dit kwam omdat in de eene desa veel erven voorkwamen en in de andere weinig. De belastingschuldigen, van geen hooge ervenbelasting

ocr page 23

45

willende weten, sloegen het totale bedrag der te voldoene landrente nagenoeg geheel om over de sawahs. Daardoor was het te verklaren, dat, niettegenstaande de leggers een matigen aanslag per bouw bouwgrond aangaven, een onderzoek naar hetgeen door een landbonwer voor zijn sawahs feitelijk aan landrente betaald werd, aan het licht bracht dat die belasting in sommige desas 70 tot 80 pet. van de geldswaardige productie zijner velden bedroeg; terwijl in andere desas bevonden werd, dat de helft der sawahvelden braak bleef liggen, om reden de bezitters vreesden de verschuldigde landrente niet te kunnen voldoen.

«Bij erven en tuinen is de uitgestrektheid voor den aanslag in de landrente een factor van betrekkelijk geringe waarde; de hoofdfactoren zijn; soort en mate van beplanting. — Het constateeren van de productie en niet minder van de productiewaarde van die gronden valt echter zeer moeielijk; bij het landrente-onderzoek, onder leiding van Dr. Sollewijn GrELPKE, is duidelijk bewezen, hoe men daarbij komt tot de meest absurde cijfers, om reden het bepalen van de jaarlijksche opbrengst van een boomsoort bijna ondoenlijk is en het constateeren van de marktwaarde van vruchten op de meeste plaatsen tot de onmogelijkheden behoort.

« Men schelde daarom deze gronden van de landrente , die een belasting op het product is, en heffe er van verponding, met een aanslag naar de verkoopwaarde of naar vergelijking met andere erven en tuinen (in dezelfde desa of in naburige desas) waarvan de waarde bekend is, dan wel naar een in

gemoede te doene taxatie.....

«Om minvermogenden niet te belasten stelle men perceelen beneden zekere minimum-waarde vrij.»

Zij die kennis hebben gemaakt met de belangrijke voordracht van den heer Fokkens, in het Indisch Genootschap, over «het inlandsch landbouwcrediet op Java» en daaruit

ocr page 24

10

vernamen hoe treurig het daar gesteld is met de welvaart van den landbouwer; hoe men in rijke padiestreken, tijdens mooie oogstjaren, bij goede rijstprijzen denkt aan welvaart en vaak bespeurt dat de bevolking moeite heeft om de schrale maanden door te komen en men, bij een enkel jaar misgewas gebrek ontwaart en een deel van de landbouwers, gedurende de maanden December en Januari, hun bestaan ziet voortslepen door gadoeng uit debosschen te nuttigen als voedsel en dat alles als een gevolg van den schuldenlast, waaronder zooveel landbouwers gebukt gaan en waarvan zij zich niet kunnen bevrijden — zullen zich ongetwijfeld met eenige bevreemding afvragen hoe daarmede in overeenstemming is te brengen het in overweging gegeven denkbeeld om den Javaan, bij de vele zware lasten waaronder hij reeds gebukt gaat en bij den beschreven treurigen economischen toestand, waaronder hij leeft, nog een nieuwen last op te leggen in «een verpondingsbelasting», niet alleen op de erven als zoodanig, maar ook op de erven met de daarop staande gebouwen.

Tot heden toe toch zijn van landrente vrijgesteld de erven tot een uitgestrektheid van quot;1/4 bouw. Erven grooter dan quot;1/4 bouw worden slechts aangeslagen over dat meerdere. Aan die instelling wenscht de heer Fokkens door de regeering een einde te zien maken en zelfs de op de erven staande armzalige hutten te belasten.

En dat op grond waarvan?

1. Omdat de erven veelal oorzaak zijn geweest van den ongelijkmatigen druk der landrente.

2. Omdat het constateeren van de productie en niet minder van de productie-waarde zeer moeielijk is.

3. Omdat de landrente een belasting is op het product en voor de erven beter geacht wordt een belasting naar de waarde.

Dat eerste bezwaar vervalt onmiddelijk wanneer, wat ook der heer F. wenscht, de landrente individueel wordt aangeslagen; dan vervalt alle willekeur en dan kunnen de belastingschuldigen niet meer verklaren van een deel van hun aanslag niets te willen weten.

ocr page 25

17

Omtrent het tweede bezwaar gelegen in de moeielijkheid om de productie en de productie-waarde te constateeren, valt op te merken dat die moeielijkheid even goed zou kunnen worden opgelost door het voorschrijven van een «taxatie in gemoede» als dat nu in overweging wordt gegeven voor het vastsellen van de waarde van de erven zelf.

Bovendien is het wel opmerkelijk, dat hier voorgesteld wordt de verkoopwaarde van de erven te doen vaststellen door een taxatie in gemoede; terwijl het invoeren van een grondbelasting, zoo als beneden blijken zal, onmogelijk wordt geacht omdat de verkoopwaarde van de bouwgronden niet bekend is, die dan toch evengoed in gemoede te taxeeren zou zijn.

Het derde bezwaar wordt willekeurig door den heer Fokkens zelf in het leven geroepen door de landrente een belasting op het product te willen doen blijven en aan de nieuw op te leggen belasting het karakter te willen toekennen van een grondbelasting.

Geen van de aangevoerde argumenten voor het opleggen aan den Javaan van een nieuwe belasting is dus als geldig te beschouwen.

Maar ook al bestond het eerst aangevoerde bezwaar tegen het aanslaan van de belastingschuldige erfgronden in de landrente, dan zou het middel daartegen aangewezen veel erger zijn dan de kwaal. Om een bestaande belasting gelijkmatiger te doen drukken er eenvoudig een nieuwe bovenop te leggen is ongetwijfeld al een zeer eigenaardig geneesmiddel, dat den patient in nog treuriger conditie zou brengen. Het opleggen van een nieuwen last neemt geen kwalen weg, maar voegt aan de bestaande nog een nieuwe toe.

Dat intusschen als een gevolg van den aanslag der erven het geval zich heeft kunnen voordoen dat de landrente voor Sawahs, in sommige Desa's, zooals de heer F. meedeelt, 70 tot 80 pet. van de geldswaardige productie bedroeg, ver-eischt wel eenige nadere toelichting voor hen, die minder met de plaatselijke toestanden bekend zijn.

ocr page 26

18

De Javaan rekent tot zijn erf te behooren alle gronden gelegen binnen de omheining, waarbinnen ook zijn huis staat. Zoo vindt men in Toeloeng-agoeng (Kedirie) b. v. erven van eenige bouws groot, waarop aangetroffen wordt suikerriet, drooge en natte padie, vruchtenboomgaarden, en verder alle soorten van een- en overjarige gewassen.

Treft men nu in een gemeente veel van die boeren hoeven aan, zooals ze gerust genoemd mogen worden en zoo als daar in Toeloeng-agoeng het geval is, ') en betrekkelijk weinig Sawahs daarbuiten, dan is het duidelijk, dat de aanslag van de Sawahs zeer hoog moet worden, als de belasting-schuldigen eenvoudig kunnen verklaren van de ervenbelasting niets te willen weten. In hun landrente voor de Sawahs is dan ook begrepen de veel hoogere aanslag van de z. g erven.

Alle bezwaren echter tegen het billijk aanslaan van die z. g. erven, bij de onmogelijkheid om daarvan met eenige juistheid de zuivere opbrengst te bepalen worden volledig opgelost door, in navolging van hetgeen in Frankrijk en Nederland bij de taxatiën voor het kadaster, in overeenkomstige gevallen, heeft plaats gehad, bij handhaving van de vrijstelling van de erven, tot een uitgestrektheid van Va Bouw, de belastbare opbrengst van erven en tuinen, in overleg met de belastingschuldigen, vast te stellen door vergelijking of gelijkstelling met de belastbare opbrengst van een van de soorten van sawahs of tegals.

bl. 52. « Moet landrente een belasting zijn zuiver op den grond, zooals sommigen willen of een belasting op het product (zuiver dan wel onzuiver).

«Een belasting zuiver op den grond, waaronder hier verstaan wordt een belasting op den bouwgrond onafhankelijk van zijn productie, die dus opgebracht moet worden onverschillig of er al dan niet geplant is, zou ongetwijfeld te verkiezen zijn.

1) Het werk van den lateren resident van Herwerden, die al die hoeven iu „ zuchten dwangquot; heeft doen aanleggen en wiens naam daarom in die afdeeling steeds in eere wordt gehouden.

ocr page 27

19

Zij is het stabielst en gemakkelijkst voor den fiscus. Met afschrijvingen wegens misgewas en onbeplant blijven heeft men dan niets te maken, evenmin met twee factoren, voor een belasting op het product onmisbaar, productie en marktprijzen, factoren, die zoo moeilijk juist te constateeren zijn».

«Wat zulk een belasting echter doet verwerpen is, het in vele streken bijna met geen mogelijkheid kunnen bepalen van de waarde der verschillende soorten van gronden (sawahs en tegals) naar verkoop en verhuurprijzen. Bovendien moet zij bijzonder laag zijn, zoo laag dat de fiscus groote verliezen zou lijden. Verreweg de meeste landrenteplichtigen betalen toch de belasting uit den verkoop van hun oogst; mislukt deze of hebben zij door omstandigheden hunne gronden braak laten liggen, dan blijven hun geen andere middelen over om den fiscus te voldoen. Thans wordt hierin voorzien door afschrijvingen; bij een belasting echter onafhankelijk van het product, kan dit middel natuurlijk niet worden toegepast.»

«Een dusdanige grondbelasting is voorzeker de belasting der toekomst.

Uit bovenstaande aanhaling blijkt alzoo, dat ook de heer Fokkens van oordeel is, dat een zuivere grondbelasting ongetwijfeld te verkiezen en voorzeker de belasting der toekomst is.

Naar zijn meening evenwel bestaan tegen de invoering van zulk een belasting drie bezwaren :

Het eerste bezwaar zou gelegen zijn in «het in vele streken bijna met geen mogelijkheid kunnen bepalen van de waarde der verschillende soorten van gronden (sawahs en tegals) naar verkoop en ver huurprijzen.)-)

Als belastbare opbrengst bij de grondbelasting op de ongebouwde eigendommen in Nederland, geldt de jaar-lijksche pacht- of huurwaarde.

Bij eigendommen echter, waarvan verpachting of verhuring gewoonlijk niet plaats vindt, wordt de zuivere pacht- of huurwaarde berekend naar de bruto-opbrengst,

ocr page 28

20

verminderd met de noodzakelijke productie-kosten en die voor het onderhoud van het perceel.

Bij «the Landi avenue» in Madras heeft de aanslag evenzeer plaats naar de zuivere opbrengst, verkregen door van de hruto-opbrengst de productie-kosten af te trekken. ')

Om tot een zuivere grondbelasting te komen is dus de kennis van de waarde van den grond naar verkoop en verhuurprijzen volstrekt geen vereischte.

Dat eerste bezwaar vervalt dus.

Als hoeede bezwaar vermeldt de heer Fokkens , dat een grondbelasting bijzonder laag moet zijn, zoo laag dat bij de invoering er van op Java de fiscus groote verliezen zou leiden.

De vraag ligt hier voor de hand; Waarom moet juist een grondbelasting zoo bijzonder laag zijn? Waar staat dat als wet voorgeschreven?

«Er is geen enkele belasting» — zegt de heer J. P. Sprenger van Eijk — «bij de bepaling van wier hoogte niet met willekeur wordt te werk gegaan,in zoo verre dat men nooit kan bewijzen of zelfs maar verzekeren, dat het bedrag in de wet bepaald moet zijn zoo als het is, niet hooger en niet lager.» 1)

Dat het in het algemeen wenschelijk is, in het belang van den landbouw en dus van de economische ontwikkeling van het land, een lage belasting op den grond te leggen, geldt niet alleen voor een zuivere grondbelasting, maar natuurlijk evenzeer voor de tegenwoordige landrente.

Maar wanneer de fiscus, bij een nieuwe regeling van de landrente, ook naar de meening van den heer Fokkens geen groote verliezen mag lijden, dan belet dat toch niet die nieuwe belasting, ten einde de groote onbillijkheden in de bestaande gelegen weg te nemen, een zuivere grondbelasting te doen zijn.

Wanneer toch, zooals de heer Fokkens beweert, van de landrente, van wegen haar hoog bedrag, geen billijke

1

De Kijks- en Gemeentebelastingen in Nederland.

ocr page 29

21

grondbelasting gemaakt zou mogen worden, dan zou een theoretisch leerstuk de reden zijn, dat een hoogst onrechtvaardige heffing gehandhaafd zou moeten worden, wat een ongerijmdheid zou wezen. Dan zou de landrente omdat die zoo hoog is, bovendien ook naar een hoogst onbillijken grondslag geheven moeten blijven worden.

In Madras bedraagt «the Land Revenue» 50, zegge vijftig percent, van de zuivere opbrengst.

Wanneer «zulk een grondbelasting voorzeker de belasder toekomst is» — waarom dan niet de belasting van heden? Bij de jaarlijksche vermeerdering van de Staatsuitgaven is een zoo belangrijke verlaging van de belasting, als de heer F. schijnt te bedoelen, zeker nooit te verwachten. De belasting waarvan getuigd wordt dat zij ongetwijfeld te verkiezen is, zou dus, wanneer op zulk een verlaging gewacht moest worden, wel ten eeuwigen dage tot de vrome wenschen moeten blijven behooren.

Bovendien is moeielijk te begrijpen de bewering van den heer Fokkens, dat den Javaan, als hij in latere jaren zal zijn toegenomen in welvaart en ontwikkeling, en meer heeft leeren sparen, een zeer lage grondbelasting beter zal te stade komen dan nu, terwijl hij nog zoo arm is.

Dat tweede bezwaar kan dus evenzeer geacht worden in werkelijkheid niet te bestaan.

Het derde vermelde bezwaar bestaat hierin, dat bij mislukking van den oogst of wanneer belastingschuldigen door omstandigheden hun gronden braak hebben laten liggen, aan dat bezwaar niet kan worden te gemoet gekomen door afschrijvingen, omdat bij een belasting onafhankelijk van het product, dit middel natuurlijk niet kan worden toegepast.

Tegen die bewering valt tweeerlei op te merken. Vooreerst dat een grondbelasting niet onafhankelijk is van het product. En de waarde toch van de gronden, en de huurwaarde, en de zuivere opbrengst, zij hangen bij slot van rekening allen af van de gemiddelde opbrengst. Zooals zoo even reeds werd medegedeeld wordt in Nederland, bij gronden, waarvan verpachting of verhuring gewoonlijk

ocr page 30

22

niet plaats vindt, de belastbare opbrengst juist bepaald naar hunne zuivere opbrengst.

In de tweede plaats wordt de aandacht gevestigd op art. 53 van de wet op de grondbelasting in Nederland van 1870 (Stbl. n0. 82) bepalende:

«Ontheffing of vermindering van belasting in evenredigheid tot het geleden verlies wordt toegestaan voor eigendommen, waarvan onvoorziene rampen de opbrengst of het genot met meer dan 20 ten honderd hebben doen verloren gaan.»

Ook het derde bezwaar, dat bij een grondbelasting in geen geval afschrijving verleend zou kunnen worden, bestaat dus niet.

«Verder is het de vraag» — blz. 52. «of de landrente moet zijn een belasting op het bruto-produd of op de netto-inkomsten d. w. z. de opbrengst verminderd met de productiekosten.

«Men heeft gemeend, dat een aanslag naar de netto-inkomsten billijker zou zijn tegenover de belastingschuldigen, maar is bij de toepassing weer onbillijk moeten worden ter wille van den fiscus. Drijft men toch een aanslag naar de netto inkomsten tot in allen uitersten door, dus ook voor de weinig opbrengende velden, hetgeen de billijkheid natuurlijk medebrengt, want juist op die velden drukken de productiekosten het meest, dan berooft men de schatkist van een groot deel barer inkomsten. Trekt men b. v. van de geldswaardige opbrengst van Sawahs alle productiekosten af, gemeenlijk gesteld op een minimum bedrag van f 30 dan kan van Sawahs, die f 30 en minder opbrengen, geen landrente geheven worden. En daar de opbrengst van een groot deel der bouwgronden niet meer bedraagt dan f 30 zal de belasting beduidend verminderen. Dit hebben de voorstandei's van een heffing naar de geheele of gedeeltelijke netto-inkomsten ook begrepen en komen, tot redding van hun systeem, tot de onrechtvaar-

ocr page 31

23

digheid om alleen wat af te trekken van de veel produceerende velden (die het 't minst noodig hebben) en voor de weinig produceerende de productiekosten te negeeren.

«Als een staaltje van de motieven, die zij hiervoor aanvoeren, zij het een en ander aangehaald uit een opstel van den heer Wessels over aanslag naar de netto-inkomsten, voorkomende in het Fe-bruari-nummer van « de Economist» over 1889.

«De heer Wessels vindt een aanslag naar do bruto-opbrengst daarom onbillijk, wijl sawabs, die minder opbrengen dan die ƒ30. (som, waarop hij de productie-kosten begroot) toch worden aangeslagen, en dus landrente betalen over verlies. Hij acht zulks schreeuwend onrechtvaardig en meent, dat daaruit duidelijk blijkt; hoe een belasting op het bruto-product loodzwaar drukt, juist op hen, die het minste, ja nagenoeg niets kunnen missen, «op de arme bezitters nl. van weinig produceerende, schrale, onvruchtbare gronden ».

«Nu zou men meenen, dat de schrijver dan door een aanslag naar de netto-inkomsten die onrechtvaardigheid zou willen opheffen en bedoelde velden niet aanslaan, doch dat doet hij niet, wijl daartegen, volgens hem, twee bezwaren bestaan: 1°de schatkist zou er onder lijden, 2° het zou eenigermate gelijk staan met het verleenen van een premie op liet houden van den grond op hetzelfde lage productie-cijfer.

« Dus dan maar aanslaan naar de bruto-opbrengst denkt de lezer. Neen zulk een aanslag keurt schrijver onvoorwaardelijk af, omdat zij voornamelijk drukt op de arme bezitters van weinig produceerende, schrale onvruchtbare velden. Hij wil alleen die arme bezitters, waarvan hij weet, dat zij niets verdienen, ja verliezen, aanslaan in een lage belasting, omdat, let wel, het dan niet den minsten twijfel lijdt of de bezitter zal alles doen, wat in zijn vermogen is om de productiviteit van den grond te verhoogen,.

ocr page 32

24

wetende dat hij voor alles, wat hij er meer uithaalt, vrij zal zijn van landrente; zulk een lage belasting zal dan zijn een premie op een betere grondbewerking.

«Tot zulke eigenaardige redeneeringen komt men als men a tort et a travers wil aanslaan naar de netto-inkomten.

«Daarom ben ik voor een aanslag naar de bruto-productie. Men is daarbij ook wel niet geheel billijk, maar men blijft ten minste consequent.»

« Tot zulke eigenaardige redeneeringen », komt men alzoo, naar de meening van den heer Fokkens, «als men a tort et a travers wil aanslaan naar de netto-inkomsten».

Waarin nu eigenlijk het eigenaardige, d. 1. natuurlijk het dwaze, ongerijmde of iets dergelijks, van de redeneering gelegen is wordt niet aangetoond.

In het aangehaalde opstel wordt het volgende beweerd: wanneer vrijstelling van belasting wordt verleend aan gronden, waarvan de opbrengst beneden een zeker bedrag blijft, dan geldt die vrijstelling natuurlijk slechts zoo lang de gestelde productie-grens niet overschreden wordt. Zoodra dat geschiedt vallen ook die gronden in den aanslag. Zij worden dan, binnen het tijdvak van zoo veel jaren, waarvoor de aanslag geldt, aangeslagen en in de leggers opgenomen , evenals het geval is met nieuw ontgonnen velden, die ook tusschentijds belastbaar worden, door het expireeren van den termijn, waarvoor zij vrijgesteld werden. Het is dus te wachten , dat de bezitters van die vrijgestelde gronden, om die vrijstelling te behouden, trachten zullen de gestelde grens niet te overschrijden. Die vrijstelling zal dus de productie drukken.

Worden diezelfde gronden echter voor een zeker aantal jaren, voor vast, voor een laag bedrag, aangeslagen dan zal het eigenbelang van de bezitters meebrengen, de productie , zoo veel in hun vermogen is, te verhoogen omdat zij voor die meerdere opbrengst geen landrente zullen te betalen hebben.

Waarin zit nu de onjuistheid, het onlogische van die redeneering ?

ocr page 33

25

De heer F. is in gebreke gebleven daarvoor het verschuldigde bewijs te leveren.

De groote vraag echter, waarop het hier aankomt, is deze: wordt door gronden, zonder zuivere opbrengst, voor een minimum bedrag in de landrente aan te slaan, gehandeld in strijd met het karakter van een zuivere grondbelasting ?

In de kabinetsmissive van Z. E. den Gouv. Gen. van Lansberge van 23 October 1879, tot toelichting dienende van de, bij regeeringsbesluit van denzelfden datum vastgestelde: «Voorschriften betreffende het verzamelen van gegevens voor een nieuwe regeling der landrente op Java en Madura» komt het volgende voor:

« Een heffing naar de zuivere opbrengst van den grond wordt dikwijls het desideratum genoemd eener goede landrente-regeling, doch het kan nu reeds bijna met zekerheid gezegd worden, dat de toepassing van zoodanig stelsel tot groot fiscaal nadeel voor den lande zou leiden.

«De heffing over de bruto-opbrengst daarentegen is ontegenzeggelijk, in de meeste gevallen, een te zware last.

« Het is dus te voorzien, dat een middenweg zal moeten worden ingeslagen, bestaande b. v. in het inrekening brengen van een deel der productie-kosten, bij het vaststellen der belastbare opbrengst; dan wel het heffen eener vaste grondrente van de verschillende soorten van gronden, vermeerderd met een zeker percentage van de netto-opbrengst.»

In beide gevallen wordt dus hier door de regeering belastingheffing in overweging gegeven van gronden, die geen netto-opbrengst hebben.

Dat denkbeeld nu is geheel in overeenstemming met de leer, verkondigd in de artt. 839 en 842 van het « Handboek der Practische Staathuishoudkunde» van prof. Vissering.

Daaruit blijkt toch dat de grondbelasting, waar men haar zuiver karakter in het oog houdt en tracht te handhaven, niets anders is dan een vaste grondrente, die de Staat zich

ocr page 34

26

voorbehoudt; welke belasting evenwel niet belet tevens te heffen een belasting van het inkomen van den grond.

De door den gouverneur-generaal aanbevolen heffing van een vaste grondrente van alle gronden, zoomede de voorgestelde minimum-aanslag, wanneer den eersten weg wordt ingeslagen (welke minimum-aanslag natuurlijk ook in de andere aanslagcijfers begrepen is) zijn dus niets anders dan de vaste grondrente, die de Staat zich voorbehoudt, en alzoo in overeenstemming met de, door prof. Vissering verkondigde, leer.

Voldoet zulk een heffing van grondbelasting van gronden zonder zuivere opbrengst alzoo aan de eischen der theorie, als in overeenstemming met het zuiver karakter eener grondbelasting '), dan rijst nog de vraag, of zulk een aanslag voor den belastingschuldige nadeeliger zal zijn dan een naar de bruto-opbrengst, zooals de heer Fokkens voorstaat.

Maar ook die vraag is ontkennend te beantwoorden.

Bij een heffing van 10 pCt. van de bruto-opbrengst zal van een opbrengst van f 30 per bouw 3 gu'den betaald moeten worden; terwijl de voorgestelde minimum-aanslag slechts 1 gulden bedraagt.

De bewering van den heer Fokkens is dus niet juist, dat bij weinig prorluceerende velden, door de voorstanders van een heffing naar de geheele of gedeeltelijke nettoinkomsten de productiekosten « genegeerd » zouden worden; zoo dat geschiedde, zou bij den aanslag van 10 pCt., voor een opbrengst van 30 gulden, 3 gulden betaald moeten worden in plaats van een.

En wanneer de heer Fokkens diezelfde voorstanders verwijt, dat zij een «onrechtvaardigheid» zouden begaan door van weinig produceerende gronden een gulden landrente te heffen, zou het dan niet onrechtvaardig zijn, die

1) Ook in Nederland worden Heide-broek en andere gronden, die geen netto-opbrengst hebben, naar een minimum-belastbare opbrengst in de grondbelasting aangeslagen; terwijl van uitgeveende plassen, water dus, in de meeste gevallen de grondbelasting geheven wordt, waarvoor die gronden waren aangeslagen toer. zy nog wei- of bouwland waren,

ocr page 35

27

gronden naar de bruto-opbrengst aan te slaan, een aanslag die altijd veel hooger zal zijn?

En nu het argument van den heer Fokkens voor een aanslag naar de bruto-opbrengst.

«Tot zulke eigenaardige redeneeringen komt men, als men a tort et a travers wil aanslaan naar de netto-inkomsten.

«Daarom ben ik voor een aanslag naar de bruto-productie. Men is daarbij ook wel niet geheel billijk, maar men blijft ten minste consequent.»

De heer Fokkens is dus voor een aanslag naar de bruto-productie, omdat een voorstander van een aanslag naar de zuivere opbrengst z. i. «eigenaardig» redeneert.

En dat terwij hij van oordeel is, dat een grondbelasting ongetwijfeld te verkiezen en voorzeker de belasting der toekomst is en tevens erkent, dat de productie-kosten het meest drukken op de weinig produceerende velden; en in ieder geval het feit onbetwistbaar vaststaat, dat bij een heffing naar de bruto-opbrengst, belasting betaald wordt ook van de verplichte uitgaven, de productie-kosten, die uit de bruto-opbrengst moeten worden betaald, alvorens er van inkomsten sprake kan zijn.

Is dat dus een argument? Is het te verdedigen om ter wille van de consequentie een heffing te handhaven, die men zelf niet billijk noemt en waarvan het drukkende voor weinig produceerende gronden zoo duidelijk wordt aangewezen; een heffing die door Z. E den Gouv.-Gen. van Lansberge met al zijn adviseurs onvoorwaardelijk verworpen werd?

En die adviseurs waren niemand minder dan de directeuren van Binn. Bestuur, de heeren Fm Verploegh en Bosscher, de directeur van financien de heer Sprenger van Eijk , de Preanger-ambtenaren, waartoe behoorden de adviseur-honorair Karel Holle en de latere dir. van Binn. Bestuur Uljé, de algemeene secretaris, de heer Levyssohn-Norman en — de Baad van Ned. Indië.

Nog oneindig onbillijker echter is een aanslag die niet slechts geschiedt naar de bruto-opbrengt, maar naar de bruto-opbrengst alleen van het hoofdgewas.

ocr page 36

28

Maar al te duidelijk is het toch dat in dat geval van gronden die met tweede gewassen beplant worden slechts een deel van de opbrengst belast zou worden en van gronden zonder tweede gewassen het geheele product.

Omtrent het door de regeering in 1878 gegeven voorschrift eindelijk, dat het onderzoek naar de productie-cijfers kringsgewijs moest geschieden, laat de heer Fokkens zich alsdan uit:

«Het bepalen van kringen ten behoeve van het onderzoek naar de productiviteit was eveneens een misslag. Men moest kringen maken van de desas, die, wat de productiviteit betrof, ongeveer aan elkander gelijk waren, en men had nog geen gegevens omtrent de opbrengst; die moesten noch gezocht worden! Begrijpelijk is het, dat de op die wijs aangenomen productie-cijfers dei' velden van sommige desa's, later in de practijk bleken énorm van de werkelijkheid te verschillen ».

Dat oordeel kan moeielijk aan iets anders dan aan een misverstand worden toegeschreven.

Wanneer de heer Fokkens had rekening gehouden met de wijze, waarop hier in Nederland de schatting van de ongebouwde eigendommen heeft plaats gehad, dan zou hij, na de vermelding, dat er kringen moesten gevormd worden, niet verwonderd uitroepen: «eu men had nog geen gegevens omtrent de opbrengst, die moesten nog gezocht worden!»

Die voorgeschreven kringenvorming toch moest juist dienen, om dat zoeken van die gegevens te vereenvoudigen.

Bij de schattingen in Nederland werden, in elke gemeente, de verschillende rubrieken van gronden in eenige klassen verdeeld en tot iedere klasse gebracht de velden, die bekend stonden van gelijke productiviteit te zijn, zonder nog gegevens omtrent die productiviteit te hebben; die moesten nog gezocht worden. Daartoe werd in iedere klasse een stuk grond als type aangewezen en daarvan de juiste belastbare opbrengst bepaald, per hectare, die daarop toegepast werd op alle tot diezelfde klasse behoorende gronden.

ocr page 37

29

Datzelfde denkbeeld nu ligt ten grondslag aan de kringsgewijze bepaling van de productie-cijfers.

Wanneer in een kring, d. i. in een groep, in een Con;-plex van bijeengelegen desa's, de overeenkomstige soorten van gronden, door de belanghebbende landbouwers en door de hoofden, geacht en verklaard worden van gelijke productiviteit te zijn, en men bepaalt dan in een van die desas, als type-desa, de opbrengst, per bouw, van elk van de soorten van gronden, dan weet men die ook van de andere tot dien kring behoorende desa's, omdat de gronden in die desa's bekend staan als van gelijke productiviteit te zijn.— Ging men echter eerst in alle desas, van elk van de soorten van gronden, de productie-cijfers bepalen, dan behoefde men waarlijk geen kringen meer, om het zoeken naar die gegevens te vereenvoudigen, wat het eenige doel was van de, als een misslag veroordeelde, kringen vorming.

Begrijpelijk echter is, niet wat de heer Fokkens als zoodanig vermeldt, maar dat, wanneer desas ten onrechte tot een kring zijn bijeengevoegd en dus het voorschrift van de regeering onjuist wordt toegepast, de vastgestelde productie-cijfers in sommige desa's natuurlijk in de praktijk zullen blijken van de werkelijkheid te verschillen. —

Dat kringensysteem werd ook hier te lande toegepast, door de Staatscommissie in 1886 benoemd om een onderzoek in te stellen naar den toestand van den landbouw, ten einde op de uitkomsten daarvan plannen tot verbetering te baseeren. —

«quot;Wat de landbouwenquete betreft, zoo volgde de Commissie het voorbeeld o. a. in Hessen en in Baden reeds vroeger met goed gevolg in practijkgebracht, om door studie van type-gemeenten het beoogde doel te bereiken. Er werden groepen gevormd van gemeenten, die allen een overeenkomend beeld van landbouwtoestanden vertoonen; uit iedere groep werd er een gekozen en de toestanden daar nauwkeurig bestudeerd». ')

1) Landbouw en Eegeering door F. b. Löhnis. bl. 14,

ocr page 38

30

Aan het einde gekomen van mijn beschouwingen over de punten van verschil mag met voldoening worden geconstateerd, dat ook de heer Fokkf.ns de repartitie door het desahoofd wil vervangen door den individueelen aanslag en dat ook hij, althans door de regeering vooraf wil doen uitmaken of voor geheel Java de heffing van eenzelfde percentage zal worden vastgesteld dan wel of slechts een gelijk percentage zal geheven worden in een district of onderdistrict, zoodat ook hij rekening wil houden met de bestaande aanslagcijfers, iets wat volstrekt onvermijdelijk is.

De rationeele weg door den schrijver aanbevolen om tot den individeelen aanslag te geraken, werd ook evenzoo, eenige jaren geleden reeds, door den heer Vekstijnen aangegeven in het Tijdschrift van Nijverheid en Landbouw.

Even als de statistieke opname deed, meet ook het kadaster, wat de landrenteplichtige gronden betreft, uitgenomen die in agrarisch eigendom bezeten, slechts de belastbare blokken.

Worden nu aan de inlandsche ambtenaren copieën verstrekt van de verschillende blokken en wordt aan de desahoofden opgedragen de individueele aandeelen daarop over te brengen en een individueele inhoudsopgaaf daarvan te verstrekken, dan zal zoodoende, zoodra al de bezitters die opgaaf als juist hebben aangenomen, een individueele aanslag verkregen worden, die even juist te achten is als die, welke verkregen zou worden door een perceelsgewijs karakter.

Waar die copieën van de blokken niet verstrekt kunnen worden zal voorloopig gebruik gemaakt kunnen worden alleen van de detailopgaven van de desahoofden, bij optelling overeenkomende met de bekende totaalcijfers van de uitgestrektheid van de verschillende soorten van gronden.

Ter voorkoming van het kwaad dat altijd gelegen is in het verwerpen van het goede en bereikbare, omdat het beste niet dadelijk te krijgen is, een kwaad dat in zoo

ocr page 39

31

hooge mate bestaat ten opzichte van een betere landrenteregeling op Java, wanneer men zoo telkens, tegen alles wat voorgesteld wordt, bergen van, vaak hoogst kwasie-wijsgeerige, bezwaren hoort opperen, moge hier tenslotte de aandacht gevestigd worden op de wijze waarop men op Java, bij de invoering van de verponding en in Nederland bij de schattingen voor de belastbare opbrengst van de grondbelasting bezwaren heeft weten op te lossen.

Bij de verponding op Java is de regeering begonnen met den grondslag voor de heffing vast te stellen. Daarna zijn commissies benoemd om de noodige gegevens te verzamelen en daarnaar onmiddelijk den aanslag te verrichten.

Aan de commissies werd bovendien de bevoegdheid ge-gegeven om, wanneer tot vaststelling van de waarde van perceelen geen gegevens voorhanden waren, aan die per-ceelen eenvoudig een waarde toe te kennen per vierkante roede.

Hier werd door de regeering dus de knoop flinkweg doorgehakt — de eenige weg om ooit tot een resultaat te komen. —

Mocht zij toch ook ten opzichte van de landrente dien weg slechts inslaan — hoe spoedig zou aan al het jaren lang getob een einde komen. —

Geen enkel bezwaar is denkbaar zelfs dat zich daartegen zou verzetten.

Evenmin als bij de verponding zijn voor het vaststellen van den aan te nemen grondslag voor de landrenteheffing voorafgaande onderzoekingen noodig.

Het bezwaar dat ondervonden werd bij de invoering van de ordonnantie van 1872 n.1. dat de resultaten van den nieuwen aanslag te veel afweken van de bestaande aanslag-cijfers om toegepast kunnen worden, wordt geheel ontgaan door juist deze cijfers als -punt van uitgang te nemen; terwijl voor het verzamelen van de gegevens omtrent de uitgestrektheid en de belastbare opbrengst van den grond, de regeering de beschikking heeft over de ambtenaren van kadaster en binnenlands bestuur.

Wanneer een heffing naar de bruto-opbrengst onvoor-

ocr page 40

32

waardelijk te verwerpen is, doch tegen een heffing uitsluitend naar de zuivere opbrengst mede bezwaren bestaan; dan is de eenige oplossing gelegen in het inslaan van een van de twee, door den Gouverneur-Generaal van Lansberge aanbevolen wegen, die tot nagenoeg hetzelfde resultaat leiden.

Welk bezwaar is nu denkbaar dat zich verzetten zou tegen de onrniddelijke vaststelling van een van die grondslagen en tegen het allerwege doen aanvangen of hervatten van de kadastrale metingen?

En geschiedt dat, dan zal eindelijk worden afgesloten het tijdperk van proefnemingen, in een deel van een gewest , met algeheele verwaarloozing van de belangen van alle andere belastingschuldigen, en, in alle gewesten, een aanvang nemen het tijdperk van geleidelijke totstandbrenging , van geleidelijken opbouw, op een deugdelijken grondslag.

En nu wat Nederland betreft.

Als belastbare opbrengst voor de ongebouwde eigendommen geldt de jaarlij ksche zuivere pacht of huurwaarde. Bij eigendommen echter, waarvan verpachting of verhuring gewoonlijk niet plaats vindt, wordt de zuivere pacht of huurwaarde berekend naar de bruto-opbrengst verminderd met de noodzakelijke productie-kosten en die voor het onderhoud van het perceel.

Bij een aanslag nu naar de zuivere huurwaarde valt de ondernemingswinst buiten den aanslag; bij den tweeden grondslag wordt ook daarover grondbelasting betaald.

Volgens de wet kan de aanslag dus geschieden naar tweeerlei grondslag.

Door die regeling heeft men hier te lande van den nood een deugd weten te maken en het goede niet versmaad wanneer het beste niet in zijn geheel te verkrijgen is.

Voor de gebouwde eigendommen is als belastbare opbrengst aangenomen niet de zuivere, maar de onzuivere huurwaarde, zonder aftrek van de kosten van onderhoud, omdat die gerekend tuorden voor alle woonhuizen '/i bedragen van de huurwaarde, ofschoon het wel van zelf spreekt dat

ocr page 41

33

die kosten, bij de verschillende woningen, in de verschillende jaren, in hooge mate uiteenloopen.

In de memorie van toelichting op het ontwerp van wet voor de herziening van die belastbare opbrengst, van 22 April 1873, komt daaromtrent het volgende voor:

«Of onder belastbare opbrengst verstaan wordt de zuivere dan wel de onzuivere waarde in huur en of de belasting naar het eerste of naar het laatste bedrag geheven wordt is toch, wanneer er gelijke aftrek van alle perceelen plaats heeft, onverschillig voor den belastingschuldige, want in beide gevallen wordt hij tot een gelijk bedrag in de grondbelasting aangeslagen. Voor hem is het cijfer van zijn aanslag een onderwerp van gewicht, maar niet de vraag of dat cijfer bijv. 8 ten honderd van V4 van de belastbare opbrengst, dan wel 6 (d. i. 3/4 van 8) ten honderd van de gebeele belastbare opbrengst beloopt .....Ook in Pruissen is bij de algemeene

herziening van het kadaster, welke daar laatstelijk heeft plaats gehad, van dit beginsel uitgegaan».

Geheel om dezelfde reden wordt dan ook door den heer Verstijnkn en mij in overweging gegeven om, ter bepaling van de belastbare opbrengst voor den landrenteaanslag, van de bruto-opbrengst alleen af te trekken de Constante productie-kosten, dat zijn de bewerkingskosten tot aan den oogst, die voor alle gronden nagenoeg even groot zijn en daarom op de lage producties zoo veel zwaarder drukken dan op de hooge; doch niet de relatieve, nl. de kosten van den oogst, omdat ook die gerekend kunnen worden voor alle gewassen het Vs te bedragen van de opbrengst, en het dan evenzeer hetzelfde is of men b. v. heft 10 ten honderd van 4/5 van de bruto-opbrengst, dan wel 8 (d. i. V5 vari 10) ten honderd van de geheele bruto-opbrengst.

In de zitting van de Tweede Kamer van 4 Juli 1873 gaf de minister van financiën (de heer van Delden), ter verdediging van den aanslag naar de onzuivere huurwaarde o. a. nog het volgende te kennen;

ocr page 42

34

« Gisteren heb ik den geachten afgevaardigde reeds gevraagd of hij aan de zoogenaamde zuivere huurwaarde , die thans bij den aanslag van de gebouwde eigendommen gevolgd wordt, in eenig opzicht, meer rechtvaardig acht. Zij wordt toch verkregen door de onzuivere huurwaarde van alle perceelen in het algemeen te verminderen met x/i voor tot woning dienende gebouwen en met voor fabrieken. Als dus de onzuivere huurwaarde een valsche grondslag is dan blijft de aldus verkregen zuivere huurwaarde toch even verkeerd.

«Ik erken dat de onzuivere en de aldus verkregen zuivere huurwaarde geen volmaakt juiste grondslagen zijn voor de grondbelasting; maar ik vraag welke andere kan men dan daarvoor in de plaats stellen. Men kan bij een dergelijke belasting niet op een goudschaaltje wegen; er moeten gemiddelden worden genomen en algemeene regelen worden gevolgd. Het is onmogelijk om van elk kadastraal perceel eerst te schatten de onzuivere huurwaarde om dan nauwkeurig na te gaan wat daarvan afgetrokken moet worden om een zuivere huurwaarde te krijgen. Wil men dergelijk volkomen resultaat dan zou elk jaar dat werk herhaald moeten worden en dan ging elk begrip

van kadaster verloren.....

« Men moet kiezen of deelen; wil men een grondbelasting, naar de gemiddelde opbrengst, die voor een tal van jaren in de kadastrale stukken wordt opgenomen, dan kan men, bij het berekenen van die gemiddelden, onmogelijk voor onderhoudskosten verschillende bedragen aannemen, gegrond op den toestand van elk perceel op een gegeven oogenblik».

Welnu, wanneer men in het zoo veel kleinere Nederland, ook na de invoering van een geregeld kadaster en na de vele onderzoekingen die hebben plaats gehad, bij een reeds zoo langen tijd behoorlijk ge regelden toestand alzoo, op den voorgrond stelt, dat men bij een grondbelasting niet op een goudschaaltje kan wegen, maar gemiddelden moeten

ocr page 43

35

worden genomen en algemeene regelen gevolgd — hoe veel te meer moet die leer dan niet worden toegepast op Java, ■waar men in een chaotischen toestand, orde en regel moet brengen en staat voor een eersten aanslag naar een rechtvaardigen grondslag.

Ik stel er prijs op te verklaren dat al het bovenstaande algeheele instemming vindt bij den heer Verstijnen, den deskundige in kadasterzaken bij uitnemendheid.

ocr page 44
ocr page 45
ocr page 46