/7^°oe f lore?......Jgt;CX//x.
//£ ac 2£/y -V-V // ^
HET FRANKISCHE VOETVOLK ^1), 400-800.
KRIJGSHISTORISCHE STUDIE
van
B. R. F. VAN VLIJMEN.
Gens Krancorum inclita, auctore Deo condita, fortis in armis, firma in pacis foedere , profunda in consilio, corpore nobilis, incolnmis, candore, forma egregia, audax, velox et aspera.
Incipit prolngus legis Salicae.
La nation des Francs, illustre. ayant Dieu pour fondateur, forte sous las armes, ferme dans les traités de paix, profonde en oonseils , noble et saine de corps, d'une blancheur et d'une beauté singulière, hardi, agile et rude au combat.
Prologue de la loi Salique.
Trad. d'Augostin Tiiiebrv.
Geducht waren de versterkingen, die â gelijk reeds op eene andere (2) plaats werd opgemerkt â aan beide oevers van den Rijn door de Romeinen tot bescherming der rijksgrens werden gebouwd. Toch vermochten zij op den duur niet te beletten, dat de woeste Germaansche horden vasten voet kregen aan deze zijde van den machtigen stroom. »Een zoodanige slagboom immers,quot; zegt een Fransch geschiedschrijver, »is eene ijdele bescherming als hij zelf niet beschermd wordt door het hart en den arm van een talrijk volk, toegewijd aan de verdediging des lands.quot;
Hoe het met die toewijding van het volk ten tijde van het keizerrijk gesteld was, werd door tal van bekwame schrijvers geboekstaafd.
In de eerste jaren van het keizerrijk, toen de krijgsdienst opgehouden had een burgerplicht te wezen, werd het karakter van het leger totaal gewijzigd. Gerecruteerd in de provinciën, onder de meest verschillende landaarden, was het weldra niets anders dan eene vereeniging van gelukzoekers, wier eenige band bestond in het gemeenschappelijlie militaire leven. Allengs gingen al de eigenschappen te loor, die de Romeinsche legioenen
i
1
Vervolg op eene afzonderlijk uitgegeven studie: Het Bataafsdie voelcolk.
£i
hadden verheven tot de beste troepen der wereld. Het leger kon nog c
strijden, mits het goed werd betaald, maar van opoffering was geen sprake s
meer en zelfs de gehoorzaamheid werd een ijdele klank. Sommige Keizers, lt;; die, als Pertinax en Probus, meenden het leger te kunnen hervormen
door de gestrenge krijgstucht der oude tijden weder in te voeren, betaalden e
deze vaderlandslievende dwaling met den dood. De soldaat eischte van zijn §
ambacht alleen de genietingen der losbandigheid en de geldelijke voordeelen; I
hij wist de vermoeienissen niet meer te verduren en verbrijzelde zijne spade v
op het hoofd van den bevelhebber, die hem gebood te werken. v
Het gedemoraliseerde leger werd aldus de hoofdfactor van de maatschappe- ü
lijke wanorde. Zijne belangen waren niet slechts vreemd aan die der burger- I
maatschappij, maar kwamen daarmede werkelijk in strijd. Het leger vond er 1: zijn voordeel in om het rijk in wanorde te dompelen, daar elke verandering
van regeering eene nieuwe gelegenheid bood tot roof. Vandaar de menig- s
vuldige militaire oproeren. Een nietig voorwendsel was voldoende om de r troepen te doen opstaan. Zij snelden naar de tent van den legaat, wierpen
hem een purperen mantel om de schouderen en begroetten hem als Caesar. z
Van dit oogenblik af was de veldheer gedoemd den troon te beklimmen v
of. .... te sterven; hetzij hij wilde of niet, hij moest den regeerenden v
vorst van den troon stooten, op straffe van zelf het slachtoffer te worden f
der hebzuchtige soldaten. g
Zoo diende het lichaam, dat eertijds in het leven was geroepen om het ^
rijk te verdedigen, dank zij de algemeene verbastering der zedea, slechts v
om de orde te verstoren, de grondslagen van het rijk te ondermijnen en g
zijn val te verhaasten.
Als wij denken, dat aan zulk een leger de verdediging van het rijk tegen de barbaren was toevertrouwd, kan het geene verwondering wekken dat de onverbasterde stammen, die, van het oosten en noorden aangesneld, zich gelijk een lavastroom op de noordelijke en oostelijke grenzen des rijks wierpen, er in slaagden op verschillende punten door de fameuse grenslinie heen te dringen.
Deze Germaansche benden kunnen gesplitst worden in twee groepen, welker streven en bestemming wezenlijk verschilden. De noordelijke groep, die bijzonder onze aandacht verdient, omvat de Franken, de Saksers, de Friezen en de Allemannen. Deze volken traden op met al de ruwheid hunner oorspronkelijke zeden. Als eenmaal de koorts van het bloedbad hen had aangegrepen, gaven zij er zich aan over in onbegrensden waanzin. Alles, wat hen storend in den weg trad, viel verpletterd onder de slagen hunner bijlen en de met bloed besmeurde muien der veroverde steden vormden, in vlammen opgaande, de vreugdevuren der woeste overwinnaars.
Nog is de bodem der Nederlanden en der Rijn-provinciën de welsprekende getuige van verwoestingen, die door geen historieschrijver werden geboekstaafd. Die bodem, geopend door het houweel der onderzoekers, geeft een
1
3
overvloed van puinen van vroegere Romeinsche kasteden en landhuizen te aanschouwen, verkalkt door den vuurgloed en de beenderen bevattend der gewelddadig omgebrachte bewoners.
Ofschoon de Saksers (Friezen) (1) zich, evenals de Franken, reeds in de eerste eeuwen onzer tijdrekening in het noorden van Oud-Nederland hebben gevestigd (2), wekken de laatstgenoemden de meeste belangstelling. De Franken immers schonken hunnen naam aan het machtige Westersche Rijk, van hetwelk ook Oud-Nederland deel uitmaakte. Zij zijn het, die,, gelijk wij zullen zien, aanvankelijk ouder de Merovingers en later onder de Karo-lingers eene zoo overwegende stelling innemen, dat de namen van Saksers, Friezen, Allemannen in het niet verzinken bij de glorie, die uitstraalt van het Frankische volk.
Klaas Kolijn, onze oudste kroniekschrijver geeft reeds aan de verschillende stammen, die ten jare 366 optrokken (3) om; »te nederen die roomsche gewelt,quot; den algemeenen naam van Franken (4).
Mr. Gerard -van Loon teekent hierbij aan; sin 't gevolg van den tijd zijn deze Franken, onaangezien zij in het begin, zooals gemeld is, uyt zoo veele onderscheidene volken hestonden, nogthans alleen in Salers en Ripuarien verdeeld geworden. Verstaa door de eersten die Franken, welke of door de Romeynsche Keyzeren met de woon op den grond des Roomschen Rijks geplaatst waren, of uyt eygen vrijen wil, zich onder het Rijksgebied der Romeynen ten verblijf begeven hebbende, gezaamentlijk naar de Salische wetten leefden. Door de Ripuarien versta de Franken, welken naa het aangaan van het voormelde verbond, zich in de lauden zoo langs den eenen als den anderen boord des Rijns van Thiel, Nieumeege, en zoo voort tol Mantz toe, sedert altijd hebben gehandhaafd; en waarom zij Ripuarii, dat is boord-zuten genaamd, even gelijk derzelver wetten weer ouder dien van Ripuarische wetten daarom bekend zijn.quot;
Andere schrijvers beweren dat de Ripuariërs, vóór het optreden in Batavia en in Gallia Belgica, hunne woontenten uitstrekten van Maintz tot Keulen terwijl de Sahërs tusschen Weser en Rijn gevestigd waren.
(1) Die Neder-Sassen heten nu Vriezen. (Melis Stoke, Rijmkroniek.)
(2) Het Balaa/'sche voetvolk, bladz. 99.
(3) Idem, bladz. 100.
(4) 'T es geschiet niet lanch na desen Dat ti Sicambrinen Salen
En ti Usipers bij malen Battenewiren en ti Friezen Namen over Rijn te riezen;
Als si deeden met veel ander Do eine volgede malcander.
Tegen Romen wilden zi striden Des zi deden in ti tiden;
En de Francken zien, bij namen Landen en luden, al te samen.
Melis Stoke, Rijmkroniek, bladz. 74.
4
Hoewel de verandering van namen, in de derde eeuw vrij algemeen, veel duisternis heeft verwekt in de historie, schijnt het vrij zeker, dat de West-Germaansche staramen, later onder den algemeenen naam van Franken bekend, herkomstig waren uit Pannonië.
Betreffende de afleiding en de beteekenis van den naam sFrankquot; heerscht groot verschil van meening bij de geschiedvorschers. Volgens sommigen is »Frankquot; afgeleid van »phraktoi,quot; hetwelk beteekent sbekwaam in 't versterken.quot; Du Tillet leidt den naam af van het Teutoonsche »fransen'' (vrijgezel). Augustin Thierry onderstelt evenals Freret, dat sfrankquot; synomiem is met »feroxquot; (wrang-trux, verbannen, woest), terwijl anderen het willen doen afstammen van framea.quot;
De overeenkomst van Frank en vrije man, zegt van Hasselt (1), schijnt voort te vloeien uit den tekst der Salische wet: sRequirenti vero si talis culpa est, unde homo ingenuus sive Francus, etc.quot; (2). Hier schijnt de naam Francus de woordelijke verklaring van homo igenuus (vrijgeborene). De vlaamsche uitdrukking vrank en vrij is blijkbaar de reproductie van dit woord.
Kiliaan eindelijk, de beroemde corrector der Plantijnsche drukkerij, zegt, dat »Frankenquot; beteekent «vrijen.quot;
Hoewel, zooals vroeger bereids is opgemerkt, al het land benoorden den Rijn Neder-Saksen werd genoemd, dragen sommige streken nog het getuigenis van het verblijf der Salische Franken. In Over-IJssel namelijk de afdeelingen Salland en Twente, welker hoofden tot de samenstelling der Salische wet; medewerkten.
De zeden en gewoonten der Franken hadden zeer veel overeenkomst met die van de andere Germaansche volken. Bij hen was de strijd om het bestaan het nationale belang bij uitnemendheid. Het geheele volk droeg de wapenen, die in den beginne hoofdzakelijk bestonden uit werpschicht (framea), zwaard en schild. Tal van eigennamen wekken oorlogzuchtige denkbeelden: Sigidegun (het roemrijke zwaard), Plechelm (de schitterende helm), GunduK' (de wolf der gevechten), Walramn (de raaf van het slagveld) kunnea hiervan getuigen. Waardig te zijn de wapens te dragen was voor den Frank de hoogste eer. Zoodra hij hiertoe niet meer in staat was, mocnt hij geen deel meer hebben aan de beraadslaging betreffende de zaken van het Gemeenebest. In die maatschappij der sterken bezat alleen hij rechten, die in staat was ze te verdedigen.
De plechtigste dag in het leven van den jeugdigen Frank was die, waarop hem de framea werd overhandigd. Dan hield hij op kind te zijn en werd voortaan onder de mannen gerekend. Onverbreekbaar was die vereeniging van den jongeling met zijn wapen; het vergezelde hem allerwegen als
(1) Biographie nationale, 1, bladz. 27.
(21 {.ox Salica XL. Codex X. En Hessels amp; Keus.
5
zinnebeeld van zijn recht en van zijne kracht. In den veldslag werd het verzadigd met het bloed des vijands; op de volksvergaderingen deed hij het voor hem spieken, door ermede te klinken tegen de spietsen zijnei' makkers; bij de feesten volgde het hem om getuige te zijn van zijne vreugde en niet zelden van zijne twisten. De framea was aanwezig bij de voornaamste handelingen van het burgerlijke leven. Als de Frank een huwelijk sloot, als hij een zoon aannam, als hij een slaaf de vrijheid gaf, als hij een verbond sloot werd op dit wapen, als op het heiligste voorwerp, de plechtige gelofte afgelegd. De framea was bij de openbare rechtsgedingen het symbool der gerechtigheid en in handen van den vorst het toonbeeld van gezag. Zelfs de dood vermocht geene scheiding teweeg te brengen tusschen den krijger en zijn wapen. Langen tijd nadat de gewoonte was verdwenen om de vrouwen na den dood hunner mannen te verbranden, volgde de framea, als getrouwe gezellin, den strijder in het graf en rustte voorgoed aan zijne zijde.
De eerste benden, die uit de ongerepte wouden naar het westen togen, waren slechts half gekleed en alleen met schild en framea gewapend. De sterken alléén marcheerden in het gelid; de zwakken hadden de zorg voor den legertros. Enkele geoefende ruiters zwermden vóór het leger uit, maar de hoofdmacht bestond uit voetvolk.
In de voorste rijen zag men woeste tronies, wier lange haren en baarden den aanblik te schrikwekkender maakten. De ijzeren ringen aan armen en beenen konden zij niet afleggen dan na een vijand gedood te hebben.
Hier en daar wapperden zinnebeeldige vanen aan de lansspitsen. Een wild gezang, uit de gelederen stygend, verheerlijkte de goden en de helden van het volk, terwijl de menigte in het loflied stemde door, den mona op den metalen rand der schilden drukkend, een gekrijsch te doen hooren, dat gepaard ging met het gekletter der tegen elkander botsende speren. De geheele massa vormde eene soort van wig, welker punt op onstuimige wijze in 's vijands gelederen doordrong.
Na den eersten schok volgde eene reeks van tweegevechten, waarbij persoonlijke kracht en moed de hoofdfactoren vormden. Ziedaar de geheele tactiek der eerste Frankische benden.
Na den eersten schok was het: overwinnen of sterven. Daar men de middelen der strategie niet kende, was elke terugtocht een vlucht en elke vlucht een onherstelbare ramp. In dit bewustzijn maakte zich eene razernij van den strijder meester, zoodra de kamp begonnen was; hij lachte krampachtig in het aanzicht van den dood, wetende dat Wodan, de hoogste godheid in het Walhalla, medestreed; dat de strijdbare maagden, Walkyriën genaamd, cp zwanenvleugelen over het slagveld zweefden om de zielen der gesneuvelden naar de verblijfplaats der gelukzaligen te voeren.
Na de overwinning verdeelde men den buit: wapenen, gevangenen, slaven en vooral het ^oud, dat de barbaren bovenmate liefhadden.
6
Dan werden de gevangenen gedood, als dankofiers aan de goden, en gaf men zich over aan eene woeste vreugde bij de eindelooze maaltijden, waar de triomfliederen zich mengden met het gereutel der stervenden en het geschrei der roofvogels.
Vroeger teekenden wij reeds aan (1), dat de herhaalde aanvallen der Franken zelfs de Keizers noopten Rome te verlaten en zich in noordelijk Gallic aan het hoofd der legioenen te stellen ten einde het eenmaal door Julius Caesar veroverde gebied aan de barbaren te betwisten.
Het is hier de plaats om het verloop van de even hardnekkige als langdurige worsteling, die met den ondergang der Romeinsclie macht eindigde, eenigszius breeder te ontvouwen.
Niets is duisterder noch onzekerder dan de geschiedenis van de vestiging der Franken aan deze zijde van den Rijn, d. w. z., in noordelijk Gallië. Zij trokken niet in massa over den Rijn, maar overschreden dezen stroom honderd keeren om de groote steden in het noorden te plunderen. Wel namen zij iedere keer met hun buit den terugtocht aan, maar lieten telkens in de moerassige streken van de Waal of tusschen de rotsachtige oevers van de Maas benden achter te midden der volkeren, die voor het meerendeel hun in afkomst gelijk waren.
Het groote oflensieve verbond der West-Germaansche stammen in de eerste helft der derde eeuw was waarschijnlijk het gevolg van de strooptochten der Romeinen onder Keizer Maximinus ('235â238) den ellendigen Thraciër, door den edelen Alexander Severus beweldadigd, die samenspande om zijn weldoener te vermoorden. Na door de legioenen in Germanië tot Caesar te zyn uitgeroepen, verwoestte hij daar uitgestrekte landouwen te vuur en te zwaard.
Geweldig was evenwel de verwarring na den moord op Alexander Severus (235). Ongeveer gelijktijdig met Maximinus waren in Afrika Gordianus, Vader en Zoon, door de legerbenden met het purper bekleed, terwijl in Italië Maximus, Balbinus en een derde Gordianus werden uitgeroepen. Edoch binnen dertien maanden tijds (Juni 237âJuli 238) stierven vijf van deze uitverkorenen een geweldadigen dood, namelijk, Gordianus Vader en Zoon, Maximus, Maximius (bovengenoemd) en Balbinus, die geworgd werd door de Praetoriani. Gordianus de Jonge, vermaagschap1, aan een zijner naamgenooten, regeerde een korten tijd na het bloedbad en toen weerklonk voor 't eerst de naam Franken als een oorlogskreet door geheel westelijk Europa.
Aurelianus, Tribuun van het Vide legioen, trok op en bracht hun bij Moguntiacum (Maintz) eene beslissende nederlaag toe. Zeven honderd Franken werden gedood, drie honderd gevangen genomen.
1
liet lialaafsche voetvolk, bladz. 93 on volgende.
7
Welk lot dezen wedervoer en ook welk een gewicht Rome hechtte aan deze zegepraal blijkt uit de bekende versregelen van Flavius Vopiscüs (1).
Na de kortstondige regeering van Philippus (244â249) besteeg Decius den troon. Het was deze Keizer, die in 252 met geheel zijn leger aan den Donau door de Gothen werd vernietigd. Volgens de Alexandrijnsche kroniek hebben ook Frankische benden daar naast de Gothen gestreden.
Tengevolge van deze overwinning drongen de Gothen en Sarmaten in Griekenland en wierpen zich de Franken opnieuw in Gallia Belgica.
Keizer Valeriaxus (253â260), tegen Perzië te strijden hebbende, Let het aan Posthumus, cjux (2) in Gallië, over de Franken terug te werpen. Posthumus, later tot keizer verheven (261â267), streed negen jaar om Gallië tegen de invallen der Franken te verdedigen. Het gelukte dezen bekwamen veldheer niet alleen de zege te bevechten, maar zelfs aan gene zijde van den Rijn nieuwe versterkingen op te richten om de barbaren in bedwang te houden. Posthumus werd evenals Alexander Severus het slachtoffer zijner rechtschapenheid. Immers de oproerige legioenen brachten hem om het leven, daar hij hun verboden had Moguntiacum te plunderen. Keizer Aurelianus (270â275), de overwinnaar van Moguntiacum, deed den barbaren beven voor zijn geweldigen arm, doch spoedig na zijn dood werd noordelijk Gallië als het ware door de Franken overstroomd.
Toen trad de even bekwame en dappere als rechtvaardige Keizer Probus op (276â282), die de Franken tot aan de Elbe terugdreef. Hun nederlaag was nu zóó volkomen, dat zij groote schatting moesten opbrengen in strijdbare mannen en in vee, zoodat zij als het ware niets anders behielden dan hunne vrijheid en hunne wapenen.
Duizenden gevangenen werden als kolonisten (3) gevestigd in Opper- en Neder-Germanië, welker strijdbare bevolking zeer verzwakt was door aanhoudende vijandelijkheden. Ook werden de Franken veroordeeld om 16.000 man hulptroepen aan Keizer Probus te leveren. Deze troepen werden uit voorzorg, bij kleine gedeelten, door het geheele rijk verspreid, maar brachten allerwegen wanorde aan.
Een verbazend feit wordt o. a. door Zosimus van een dezer Frankische benden verhaald, aan welke het voormalige koninkrijk Pontus als verblijfplaats was aangewezen. Deze horde maakte zich meester van eenige vaartuigen, stevende naar de Egeïsche Zee en leefde daar van roof. Vervolgens voer zij westwaarts, plunderde Syracuse en landde met hetzelfde doel te Carthago. Hier echter werden de woeste Franken afgeslagen; zij togen vervolgens door
(1) Mille Francos, mille Sarmatas semel occidimus;
Mille , mille, mille , mille Persas quaerimus.
tLAVios Vopiscds, In Vita Aureliani.
(2) Dux beleekende aanvankelijk aanvoerder, later keizerlijk landvoogd in de grensprovinoiön.
(3) Deze kolonisten worden door de historici Loeti, Lewies genoemde Dit woord beteekent met alleen lieden (gens) maar oorlogslieden, krijgsvolk van den keizer.
Martin , Hint. de Franc-:, U
8
ile straat van Gibraltar en kwamen over den Atlantischen Oceaan in hun land terug. Dit land was waarschijnlijk Batavia, waot de Bataven, die oude bond-genooten van het rijk, waren getreden in het groote Frankische verbond.
De terugkeer der l'rankische bannelingen en hunne zonderlinge lotgevallen wekten den lust tot rooven op bij de noordelijke stammen. Zwermen barbalen voeren met hunne uit riet en leder saamgestelde vaartuigen naar de kusten van Gallië en Britannië om hier, de Romeinsche vloot braveerende, te rooven en te plunderen.
^ ele van deze loovers behoorden niet tot het Frankische verbond; zij waren Saksers (1) (gewapende lieden), die identiek schijnen met de oude Cauchen.
lu het jaai 292 deelden vier Caesars met elkander de heerschappij, namelijk: Diocletianus, Maximianus, Constantius Ciilürus en Galerius.
Const anti us Chlorus, de beheerscher van Gallië, ontnam den Franken het eiland Batavia en andere streken aan deze zijde van den Rijn, waarschijnlijk Toxandrië en Menapië. Hij drong vervolgens in het hart van het Frankische land tusschen de Main en de Noordzee, behaalde groote voordeden op de Chamaven en andere Frankische stammen, benevens op de Friezen en de Saksers of Cauchen. Met duizenden gevangenen keerde hij naar Gallië terug.
Het scheen alsot Rome zeli zich belasten wilde met de wraak der volkeren van Gallia Belgica, die het zoodanig had onderdrukt. Immers sedert Augustus' tijd hadden de Keizers steeds massa's barbaren overgeplant op den linker Rijnoever, zonder te bedenken, dat zij aldus in het gebied van Rome volkplantingen vestigden, die later de invallen hunner stamverwanten gemakkelijk zouden maken; zonder te vermoeden, dat zij door deze volken bij hunne legers in te lijven, kroon en schepter als het ware in hunne handen stelden.
Constantijn de Groote bracht een nieuw plan ten uitvoer tot verdediging van de steeds bedreigde Rijngrens. Hij vestigde namelijk de legioenen, die tot dat tijdstip langs den Rijn gelegerd waren, meer binnenslands in Gallië, ten einde deze meer geconcentreerde krachten spoediger naar willekeur te kunnen richten op het punt, waar een overtocht werd beproefd.
Deze nieuwe tactiek is door Montesquieu heftig gegispt. Toch was zij oordeelkundig met betrekking tot de gestadige verzwakking der Romeinsche krachten en de onrustbarende vorderingen der barbaren. Het was wel noodig, zooals Sepet ('2) aanmerkt, dat het rijk zijne laatste hulpmiddelen verzamelde om zijne laatste gevechten te leveren.
Na den dood van Constantijn (Mei 338 (3)) viel Gallië aan zijn oudsten zoon Constantijn II ten duel. Maar reeds in 340 werd deze door zijn jongeren broeder Constans, met wien hij twist gezocht had, overwonnen. Constans werd aldus meester van geheel het Westen en moest een hernieuwden grooten aanval der barbaren (Franken) afweren. De vorst, zegt Sülpitius
(.1) Deze naam is afgeleid van Sao;, Sex =: wapen.
y.) L'invasion des barbares.
(3) Questions historiques, II, bladz. 81.
9
Severus, verzamelde de verschillende legioenen, die naar het nieuwe voorschrift zijns vaders Constantun meer binnenwaarts in Gallië gelegerd waren, en trok in 341 tegen de Franken op. Hij leverde hun eene reeks van gevechten, die met verschillenden uitslag voortduurden tot in het volgende jaar (1) (341).
Opmerkelijk is een wet van Constans uitgevaardigd in Juni 341 te Lauriacum, een vlek niet verre van Nijmegen, waaruit op eene beslissende wijze blijkt, dat deze Keizer zich destijds in noordelijk Gallië nabij den Rijn bevond. Dezelfde schrijver verhaalt dat hij de Franken afwachtte in eene stelling bij Worms, dat zij den slag niet aannamen maar zich onderwierpen. Constans stond vervolgens opnieuw aan een der voornaamste stammen toe zich in Batavia en Toxandrië (2) te vestigen.
Volgens Ammianus Marcellinus werden vele Franken machtig in het rijk; getuige hiervan o. a. Magnentius, zoon van een laet, die Constans de kroon en het leven benam.
Reeds vroeger is verhaald (3) hoe de Veldheer Julianus (later als Keizer bijgenaamd Apostata) in den winter van 355 op 356 door zijn neef. Keizer Constantius, naar Gallië werd gezonden om de Franken en de AUemannen te tuchtigen, die den linker Rijnoever van Constanz tot Batavia over eene breedte van meer dan 60 KM. hadden bezet en verwoest. Ook is te dier plaatse aangeteekend, dat Julianus den Franken andermaal op geduchte wijze de kracht van het Romeinsche zwaard deed gevoelen. Hij noodzaakte hen de versterkte plaatsen aan de oevers van den Neder-Rijn e i van de Maas te herstellen.
Wel waagden zij het in vereeniging met de andere over-Rijnsche stammen onder Valentinianus' regeering (364â375) weder op te staan, maar tevergeefs (4). Terwijl Valentianus in 375 door zijn zoon Gratianus
(1) Vario eventu adversum Francos a Constante pugnatur.....
Sülpitiüs Seyerus, Vita S. Mórtini, 4.
(2) Zeeland en Noord-Brabant.
(3) liet Bataafsche voetvolk, bladz. 95 e. v.
(4) De hierop betrekking hebbende passage bij Melis Stoke luidt in zijn geheel a s volgt ;
Drie honderd jaer sestig en zesse Wort keijser Valentisakn ,
Goet Kerstijn was bi sonder waen.
In sinen tiden waren si ghetogen (Die Nedersassen) ende wilde pogen Te nederen die Roomsche gewelt;
Daer begine se op een velt Die keijser, ende wan hem an Hare scepe, ende menich man ,
In quot;t Nederlant neven den Rine.
Doe wan hi voert niet sire pine Haer lant, dat noch zere is vast,
Ende setter in sommighen gast,
Diese ghiselden ende dwonghen Te dienen der Roomsche tonghen;
Dus mosten si den zege verliesen.
10
werd opgevolgd, bleef zijn broeder Valens in het Oost-Romeinsche rijk aan het bestuur.
Het was omstreeks dezen tijd, dat de Mongoolsche volkstam. Hunnen genaamd, uit het hart van Azië westwaarts toog. De Hunnen wierpen zich, gelijk bekend is, op de Alanen, die tussciien Welga en Don (Tanaïs) waren gevestigd. Deze Alanen werden onweerstaanbaar medegesleept toen de Hunnen, verder rukkende, de Gothen aanvielen, wier gebied zich toen van de zee van Azof tot aan de Oostzee uitstrekte.
Bij de eerste ontmoeting met de Hunnen stortte de Gothische macht ineen. Het breede zwaard der Gothische voetknechten vermocht niet hen te beschutten tegen de pijlen der Mongoolsche ruiters.
De Oost-Gothen (tussciien Don en Dniester) onderwierpen zich aan de heerschappij der Hunnen, terwijl de West-Gothen (tussciien Dniester en Theiss) den Donau overtrokken en zich, met toestemming van Valens, in het Oost-Romeinsche rijk vestigden. Maar spoedig verdrukt wordende, stonden zij op, versloegen de legers van Valens en veroverden Moesië en Thracië.
Gratianus zond zijne legioenen ter hulpe van zijn oom Valens. Aangezien de Allemannen van de vermindering der strijdkrachten in Gallië partij trokken om nieuwe strooptochten te ondernemen, werden sommige reeds in aftocht zijnde legioenen teruggeroepen. In een gevecht bij Argen-taria (1) (Colmar) werden de Germanen verslagen als nimmer te voren.
Deze slag bij Argentaria was uit tweeërlei oogpunt merkwaardig. In de eerste plaats werd hier door de Romeinen (wellicht voor het eerst) gebruik gemaakt van de gesteldheid des terreins om de weerkracht te steunen en te verhoogen. Immers het Romeinsche leger liet de vlakte aan den vijand over en trok terug naar een golvend en boschrijk gedeelte. Daar hield het hardnekkig stand en bediende zich behendig van de terreinplooien en terrein-voorwerpen om de numerieke minderheid te verbergen (2).
(1) Vermeld in het Antonijnsche lUnerarium en in de tafel van Peltingeb.
(2) »Sed in ipso proeliorum ardore infinita hostium multitudine milites visa, vitantesque aperta diseiimina , per calles consitas arboribus et anguslas, ut quisque potuil, dispersi, paulo postea stetere tidentius: et splendore consimili, proculque nitore fulgentes armorum, Imperatotii adventus injecere Barbaris metum.quot; Ammjanus marcellinus, L. xxxi, g. x.
De slag bij Argentaria was voorts daarom zoo belangrijk omdat de overwinning vooral wordt toegeschreven aan het talent van een Frankisch stamhoofd, Merobald genaamd, die opperste was van de lijfwachten des Keizers. Deze veldheer werd in 377 tot belooning voor zijne gewichtige diensten tpt consul verheven. Het kan geene verwondering wekken, dat een Frankisch opperhoofd te dier tijde tot eene zoo hooge waardigheid geroepen werd, als wij bij AmmianüS Marcellinus lezen: »dat de satellieten, met dierenhuiden bekleed (Franken), de wet stelden in het rijk, langen tijd vóórdat hunne stammen het rijk veroverd hadden.quot;
Keizer Gratianus werd, evenals zijn generalissimus Merobald, ter dood gebracht door de volgelingen van den overweldiger Maxim as. Na den dood van dezen laatste regeerde een Frankisch bevelhebber, Arbogastes genaamd, terwijl Eugenius Keizer was in naam. Deze Arbogastes weerde o. a. nieuwe aanvallen der Over-Rijnsche Franken af en drong zelfs zegevierend voort tot in de landen der Bructeren en der Chamaven (392).
Keizer Tiieodosius (1) echter maakte in 394 een einde aan de overwegende macht van Arbogastes, maar overleefde dezen slechts weinige maanden en liet het rijk na aan twee zwakke kinderen Arcadius en Honorius (395).
De noodlottige vijfde eeuw begon met een nieuwen stortvloed van volkeren in de richting van het oosten naar het westen. Geheele provinciën bezweken onder het zwaard en het vuur, terwijl de hongersnood vernietigde wat de krijg had gespaard. Uitgestrekte landstreken werden ontvolkt.
(1) Onder de regeering van Keizer Tiieodosius den Groüte had de wapenvervaardiging zich in Galliö reeds belangrijk ontwikkeld. Te Macon werden pijlen, te Autun kurassen vervaardigd. Tc Rheims maakte men zwaarden en te Soissons schilden en maliënkolders. Trier leverde schilden en balisten, Amiens schilden en zwaarden, Siraatsburg alle soorten van wapenen.
Martin, Histoire de France, I.
Het is niet overdreven als men beweert, dat de verbeelding geene wreedheid vermag te bedenken, die den menschen toen werd bespaard; de smartkreten, door de tijdgenooten geslaakt, hebben ons slechts een zwakken weergalm overgebracht van die rampzalige tijden, waarin men getuige meende te zijn van 's werelds ondergang.
Evenwel, het gewicht van Rome had zóó loodzwaar op West-Europa gedrukt, dat velen hunne bevrijding van dien last niet te duur gekocht rekenden door de overweldiging der barbaren. Men gevoelde eene zekere verlichting, na ontkomen te zijn aan den helschen oven van het Romeinsche rijk, welker buitensporig verhitte atmospheer aller bestaan vernietigde; men herademde te midden van de puiuhoopen en hoewel de barbaren onhebbelijlve en afschrikwekkende meesters waren, gevoelde men zich in hunne tegenwoordigheid zekerder en geruster dan tegenover het reusachtige spook, dat Keizerrijk genoemd werd. Men moet zich niet verwonderen, zegt Kurth (1), als men deze indrukken vindt bij de schrijvers, die tijdgenooten waren, naast de uitingen der smart, veroorzaakt door de invasie, en men dient deze tegenovergestelde getuigenissen te verbinden als men zich een begrip wil vormen van de uitwerking, door de machtige omwentelingen der vijfde eeuw op de geesten teweeggebracht.
Rome zelf en met Rome de geheele oude wereld waren in de macht van de jeugdige stammen, die hun zegevierenden intocht deden op het schouw-toonee! der wereldhistorie.
Sïilico, de beksvame staatsman van den onbeduidenden Honorius, betoonde zich een groot man bij het naderen van den storm. Tevergeefs echter putte hij zyne krachten uit, want terwijl hij Gallië ontblootte om Italië te redden, wierpen de barbaren zich op de steden en landstreken van Gallië. Terwijl nieuwe benden van Franken in het noorden binnendrongen, namen de Burgondiërs het oosten en de West-Gothen het zuiden na eene hevige worsteling in bezit.
Aetius, veldheer van Keizer Valentinianus III, trok tegen de Franken op (428) en behaalde eene overwinning, maar kou hen niet verdrijven uit de moerassige bosschen tusschen Tongeren en Keulen.
Als men het verhaal van Guegorius van Tours naar de letter opvat, zouden de Franken te dier tijde en corps in Tongrië (tusschen Maas en Schelde) zijn aangekomen. Het algemeene feit, door Gregorius vermeld, is echter de samentrekking van eene lange reeks van feiten.
Volgens sommige schrijvers werden de Franken in den bovenbedoelden slag aangevoerd door hun Koning Pharamond, die zijn zetel vestigde te Hinsuerg, op zes mijlen (Fransche) ten noorden van Aken.
Anderen beweren, dat het bestaan van Pharamond twijfelachtig is. De Schrijver van de Gesta regum Francorum (2) zegt, dat de Franken een »roi
(1) Les origines de la civilisation moderne, 1.
(2) Kroniek der achtste eeuw.
13
cheveluquot; verkozen, Pharamond genaamd en zoon van Mahcomir. Zij verhieven hem op een schild, droegen hem op hunne schouders door de legerplaats en deden hem nu en dan zachtkens opspringen om hem te beter aan het volk te toonen.
Opmerkelijk is het, dat in de vijfde eeuw bij de Franken geene sporen meer te vinden zijn van de onderscheiding, door Tacitus gemaakt, tusschen de Koningen ot' burgerlijke hoofden der Germanen en hunne duces of krijgsoversten. Elke stam had reeds toen een Koning, die het burgerlijk gezag en tevens het krijgsbevel voert.
Wat Pharamond (1) betreft, hij kon oogenblikkelijk de krijgsoverste zijn van den geheelen Frankischen bond, maar Koning was hij slechts van een enkelen stam.
In het tijdvak van 4'20 tot 450 verspreidden de Franken zich meer en meer in noordelijk Gallië tusschen Maas en Schelde. In dat tijdsverloop werden Keulen, Maintz en Trier (2) geplunderd en verwoest en vestigden de veroveraars voorgoed hunne heerschappij op de puinhoopen der Romeinsche versterkingen. Ter vervanging van de vernielde steden, legerplaatsen, kasteelen en landhuizen verhieven zich langzamerhand Frankische burchten en vlekken. Aan de herboren steden Lugdunum, Albiniana, Forum Hadriani, Trajectum werden de Frankische namen Litte (Leiden), Alfna (Alphen), Foreburgum (Voorburg) en Utrecht gegeven.
Alle staramen, die Oud-Nederland bewoonden, losten zich gedurende deze eeuw op in Friezen, ten noorden van den Rijn, en in Franken, ten zuiden van dien stroom.
De Friezen (3) spraken de Saksische taal; vandaar de verwantschap met Engeland (4).
Hoewel de Friezen in bondgenootschap geleefd hebben met de Salische Franken, streden zij niet zelden tegen elkander. De Rijn bleef, volgens
(1) Pharamond beteekent letterlijk : hoofd van eene horde. Dit woord is gevormd uit phara (familie, stam) en mund (hocfd of beschermer). Zie Paul. Diacon. 11 , 9 en Graff. Allhoch-deutscher Sprachschalz , 11 , col. 813.
Als werkelijke eigennaam komt het woord voor in de Vide eeuw. Fortun. Venant. , Miscellanea, IX, 12.
(2) De beroemde stad Trier onderging dit lot viermalen binnen een halve eeuw.
(3) Melis Stoke zegt :
Dien name wan ic dat eerst vant Rome, want het 's een cout lant.
Deze verklaring komt onwaarschijnlijk voor. Volgens dc kronieken is de naam Friazen afgeleid van Friso, een aanvoerder in de IVde eeuw.
(-5) Die verwantschap blijki mede uit het feit, dat Willebrordus, die op het einde der Vilde eeuw uit Britannië hier aankwam, door de bevolking werd verstaan.
Melis Stoke zegt:
»lngels was Willebrord becant Gheboren van Northumberlant.
Ende want d' Ingelsche zijn gewassen Als men leest van Nedersassen Gonste hi te bet die Vriesche tale.
Dit mach elc man proeven wale.quot;
14
Pnocopit's, de scheidsmuur tusschen beide volken, totdat in de IXde eeuw de Franken overheerschend werden.
Chlodio, beroemd a!s edel en dapper, volgens de kroniek der Gesta regum Francorum zoon van Pharamond , was van 428â448 Koning van een der Salische stammen tusschen Tongrië en Toxandrië, dus in het noorden van liet tegenwoordige België. Deze Cülodio werd zonder twijfel tot opperbevelhebber gekozen in eene algemeene vergadering der verschillende stammen. Onder zijne aanvoering werden de landstreken veroverd, zich uilstrekkende van de Ardennen tot aan de Somme, dus het zuidelijk gedeelte van België en het noordelijk deel van het tegenwoordige Frankrijk.
Hij versloeg den Romeinschen veldheer Aetius in verschillende ontmoetingen. Doornik en Kaïnerijk werden stormenderhand veroverd en geplunderd. Eindelijk koos de overwinnaar Amiens tot zijne hoofdstad.
Aetius, die als landvoogd te Suessionum (Soissons) resideerde, trok vervolgens op naar de Somme en viel de Franken bij verrassing aan. De strijd kwam evenwel niet tot eene beslissing, omdat die landstreek (het latere Vlaanderen), uit bosschen en moerassen bestaande, voor de Gallo-Romeinen ontoegankelijk was.
Daar was nog een andere zeer belangrijke reden, die voor een poos den strijd tusschen Franken en Romeinen staken deed. Een groot gemeenschappelijk gevaar doemde, gelijk een orkaan, uit het oosten op. Attila naderde aan het hoofd zijner wilden, met puntigen schedel, gele gelaatskleur, diepliggende oogen en ingedrukte neuzen.
Dit dreigend gevaar bracht er Burgondiers, Gothen en Franken toe zich met de Gallo-Romeinen te vereenigen om daaraan het hoofd te bieden. Allen snelden naar de Loire, het vereenigingspunt door Aetius aangewezen. De Salische Franken kwamen zelfs van de oevers der Schelde, der Maas en van de monden des Rijns, zoodat ook de in Batavia wonende stammen een werkzaam aandeel namen in den reuzenkamp, die gestreden zou worden in de Catalaunische velden.
De Hunnen sleepten in woeste vaart de stammen mede, door wier landen zij trokken, namelijk de Sarmaten, Gepiden, Franken en Burgondiers van de overzijde des Rijns. Het Hercynische woud, zegt Sidonius Apollinaris (1), vallend onder den bijl, werd veranderd in tallooze vaartuigen, die den Rijn bedekten. De overtocht had vermoedelijk plaats nabij den mond van den Neckar, op het einde van Februari 451. Trier, Tongeren en Metz werden veroverd , verbrand en hunne inwoners over de kling gejaagd.
Reeds in het begin der maand Juni was Attila tot aan de Loire doorgedrongen en had hij Orleans bemachtigd. Reeds werd de buit, door plundering verkregen, op wagens geladen, toen Aetius en Theoderik , Koning der West-Gothen, met hunne vereenigde legerscharen naderden, de Hunnen
'i Panegyricus van Avitüs.
15
onverwachts aanvielen en eene eerste overwinning behaalden op de tot dat tijdstip onoverwinnelijks horden. Vele duizenden Hunnen werden hier in de pan gehakt of in de Loire geworpen.
Attila zag zich verplicht terug te trekken. Hij richtte zich naar het noordoosten en naderde de Seine. De verbondenen volgden hem en nu had de slag plaats, die de Catalaunische velden voor altijd beroemd heeft gemaakt.
Joenandes, geschiedschrijver der Gothen (1), spreekt van een slagveld van 50 Fransche mijlen {lieues) op 35. Daar 5 lieues gelijk zijn aan 4 uur gaans, zou dit slagveld 40 uur gaans op 28 uur, of 220 kilometer op 154 kilometer groot geweest zijn. Deze afstanden geven trouwens de yeheele uitgestrektheid aan van de landstreek, die later Champagne werd genoemd.
Volgens Fredegarius (2) waren de omstreken van Méri-sur-Seine het tooneel van de eerste schermutselingen. Attila trok van hier naar de omstreken van Chalons. Zijne achterhoede werd gedurende den nacht aangevallen door Frankische benden, die (waarschijnlijk onder Meroveus) de voorhoede der verbondenen vormden.
In de duisternis had eene langdurige en bloedige worsteling plaats en toen de morgen daagde zag men de vlakte overdekt met eenige duizenden lijken.
Dit was het voorspel van het ontzettende drama, dat volgen zou. De slag bij Chalons-sur-Marne is niet in bijzonderheden bekend. Wij weten slechts in algemeene trekken hoe de slagorde was. Attila vormde met de Hunnen het centrum; de Oost-Gothen werden op den linker-, de Gepiden op den rechtervleugel geplaatst. De rechtervleugel der verbondenen bestond uit West-Gothen, de linkervleugel uit Galliërs, Franken en Romeinen onder bevel van Aetius, terwijl de Alanen van de Loire, wier trouw niet boven verdenking verheven was, in het centrum werden geplaatst. Zoo stonden in dezen reus-achtigen strijd Gothen tegenover Gothen en Franken tegenover Franken,
Ten 3 ure in den namiddag gaf Attila het teeken tot den aanval. Zijn dralen had aan de verbondenen gelegenheid gegeven om een heuvel te bezetten, die de vlakte beheerschte. De West-Gothen wisten, in vereeniging met Aetids, van die hoogte de tallooze ruiterij der Hunnen, die de hellingen opreed, terug te werpen.
Attila sprak zijne scharen toe om hen aan te moedigen tot den algemeenen aanval. Beide legers vielen over de geheele linie, dus in een breed front aan ; twee menschenstroomen vermengden onderling hunne bruischende golven. Ontelbare tweegevechten deden, volgens Jornandes, het bloed storten bij beken. Nooit had de oudheid zulk eene worsteling aanschouwd. De West-Gothen gaven ten slotte de beslissing. Zij wierpen eerst de Oost-Gothen terug, voerden vervolgens eene zwenking uit en vielen, een orkaan gelijk, op de linkerflank der Hunnen aan. Hun aanloop
(1) De rebus Gothicis.
(2) Na GnEnonius van Tours is Fbedegariüs de oudste Fransche geschiedschrijver. Zijne kroniek, geschreven op last van Chiluebrand , broeder van Kakel Martel, eindigt met 641.
16
was zoo overweldigend, dat de linie der Hunnen doorbroken en overhoop geworpen werd. De invallende nacht maakte een einde aan het bloedbad en beschermde den terugtocht der Hunnen. De dageraad van den 22sten Juni 451 rees over een slagveld zonder wederga.
Jorna:;des verzekert, dat, in het geheel, op den Sisten Juni 165.000 mannen gevallen zijn. Hierbij komen nog de Franken en Gepiden, die in den voorcfgaanden nacht sneuvelden. De Spanjaard Idatius, een tijdgenoot, spreekt van 300.000 gesneuvelden. Attila trok af en werd niet vervolgd. Het gel ui te Aetius door list, het verbonden leger te ontbinden; hij toch was bevieesd voor de buitensporige machtsuitbreiding der West-Gothen, bij eventuee'e geheele vernietiging der Hunnen.
Nadat Aetius gevallen was door de hand van den lafhartigen Valen-tinianu; , ontbrandde de strijd tusschen de volkeren van het westen met vernieuwde kracht. De Alanen, West-Gothen, Gallo-Romeinen, Franken en Burgondiërs leefden in gestadigen kamp. De West-Gothen drongen van het zuiden, de Burgondiërs van het oosten, de Franken van het noorden op het treurig overblijfsel van de Romeinsche heerschappij in Gallië aan.
Syagrius, de Romeinsche landvoogd te Suessionum (Soissons), wist door zijn talent het Romeinsche gezag nog eenige jaren staande te houden, ook nadat in 476 de laatste Keizer van het West-Romeinsche rijk, Romulus Augustulus (kleine Augustus), door den Heruier Odoacer was afgezet.
In Gailië heerschte stilte omstreeks dien tijd, maar het was de stilte, die den storm vooraf gaat. Slaan wij een blik op westelijk Europa, dan zien wij de West-Gothen in het Iberische schiereiland en in Frankrijk tot aan de Loire gevestigd; hun hoofdstad was het heerlijke Toulouse. De Burgondiërs waren door de Boven-Loire, de Rhone en de Durance van de Gothen gescheiden; zij hadden, evenals de Sueven in westelijk Iberië, de hegemonie van den Gothischen veroveraar erkend. Ook de vorsten der Franken hadden, tengevolge van de tegenspoeden, die in de brieven van Sidonius Apollinaris vaag worden aangeduid, met den machtigen Ewarik , Koning der West-Gothen, vrede gesloten.
Het gebied der Franken strekte zich uit van den Rijn tot aan de Somme. Een Salisch opperhoofd, Childerik geheeten, zetelde te Doornik, een ander te Kaïnerijk. De strook lands tusschen de Somme en de Loire was verdeeld; te Suessionum namelijk heerschte de zoon van Syagrius, Egieius genf.amd, over een klein gebied, terwijl het overige land, tusschen de beide rivieren, het zoogenaamde onafhankelijke Gallië onder verschillende opperhoofden vormde.
Onder zoovele groote en kleine heerschers, als destijds in Gallië zetelden, was een standvastige vrede niet wel mogelijk. Daarbij kwam dat de Gallo-Romeinsche bevolkingen, zoowel in als buiten het Gothische rijk, met eene steeds stijgende kwaadwilligheid tegenover de Gothen waren bezield.
17
De Franken stonden ?n 480 achter in beschaving bij de Gallo-Romeinen, Gothen en Burgondiërs. Hoewel de verdeeling in stammen nog heerschende was, ontwikkelde zich allengs de staatkundige eenheid. Culodio, Meroveus en Childerik hadden een zeker overwicht weten te verkrijgen voor den stam, aan welks hoofd zij stonden.
Childerik stierf in 481. Hij liet een zoon na, Chi.odo-'Vig, (dat is: beroemd krijger) genaamd. Fredegariüs noemt dezen Ciilodoveus, welke naam in de Fransche kronieken Chlodovées en later Clovis werd.
Clovis was vijftien jaar oud, toen hij, in 486, tot Hertog werd verkozen van den stam, die het tegenwoordige Vlaanderen bijna geheel bezet hield en tot den Salischen bond behoorde.
De groote Frankische bond was namelijk, gelijk reeds hiervoren werd aangeteekend, in twee groote hoofddeelen, de Saliërs en de Ripuariërs, verdeeld. Het groote onderscheid tusschen deze hoofdgroepen schijnt zijn grond te vinden in onderling strydige, zoo oude als nieuwe, maatschappelijke instellingen, die ten slotte eene blijvende staatkundige scheiding der beide elementen teweegbrachten. Zoo bezaten de Ripuariërs, naar de oorspronkelijke Germaansche zeden, algemeene rechtsgelijkheid voor alle vrije bond-genooten; een werkelijken geslachtsadel; hoofden der gouwen, gekozen uit den adel, als bewaarders van recht, orde en vrede in de gouwen; enz.
De Saliërs vormden meer eene vereeniging van benden uit de jongere elementen der Ripuarische gouwen, die zich onder een gemeenschappelijken aanvoerder vereenigden tot het veroveren van nieuwe landstreken. Aan de spits dezer benden bevonden zich de duces (heirtogen). Deze kozen een gemeenschappelijk legerhoofd, dat tijdens één veldtocht met dictatoriaal gezag bekleed, doch in vredestijd eenvoudig een aanvoerder van vrije bondgenooten was, die geene bevelen aannamen en alleen door overreding geleid wilden worden (1). Na de verovering traden de afzonderlijke heirtogen dus weder in hunne rechten (2).
De beroemde Salische wet heeft ons een vrij duidelijk beeld bewaard van de Frankische maatschappij vóór en tijdens het optreden van Clovis. Zij werd, naar de aloude mondelinge traditiën, te boek gesteld door vier uitgelezen hoofden, namelijk: de Gast van Wise, de Gast van Bode, de Gast van Sale en de Gast van Winde (3).
(1) »Der Künig schaltet wie Jeder im Volke nach unbeschranktem Belieben über sein Privat-eigenthum; aber sobald er als König spricht, hangt er vom Volke, dieses von ihm nicht andera als durch Ueberredung ab. Im Kriege aber handelt der König als Anführer zur lïrhaltung der Disciplin mit Diklators Gewalt.quot; Mannert, Freiheil der Franken, bladz. S6.
(2) «Dehinc, extinctis ducibus, in Francis denuo Reges oreantur ex eadem stirpe, qua pnus fuerant.quot; Gesta reg. Franc , C. S.
(3) Gast schijnt in het oud-Germaansch de waardigheid van hoofd eener gouw te hebben aangeduid. Het kanton (of de gouw/ Salland was vermoedelijk Sale, en Twente (wellicht ook T' Wente)
het Winde uit de Salische wet. IVise beteekent waarschijnlijk West en Bode herinnert van verre aan den naam van het eiland der Bataven.
Augustin Tuierrï, Lettres sur l'histoire de France, édit. 183G, p. 114.
2
18
De heldhaftige grootspraak der voorrede legt getuigenis af van de zucht o naar verovering. »De Franken, zoo luidt het daar, zijn het doorluchtige h volk, even dapper onder de wapenen als wijs in de raadsvergadering, het e sterke en schoone geslacht, dat God tot grondvester heeft, enz.quot; v Dit heldendicht is ondanks zijne Christelijke tint niets anders dan de n weerklank der tijden, waarin de Franken een verdelgingsoorlog voerden tegen zi de üallo-Romeinsche bevolkingen aan den linkeroever des Ryns. 0i Tevens doen de vaak onbegrijpelijke formulen der oude wet ons de Franken h kennen als krachtige landbouwers, die geen smaak vinden in de samen- d' woning binnen ommuurde steden. Getrouw aan den eenvoud der Germanen, is hunne woning meestal eene hut, die niet meer materieele waarde heeft dan ni eene schuur met granen of een stal met vee gevuld. d' Men verwarre evenwel dezen eenvoud niet, zegt Kurtii (1), met armoede, 61 men beschouwe hem niet als een bewijs van grove onverschilligheid ten opzichte van de eischen van het huiselijke leven. De Frank had reeds een d; denkbeeld van de onschendbaarheid van de woning, hij schreef in zijne 111 wetten bepalingen, die bestemd waren om die onschendbaarheid te waar- ^ borgen. Zijn huis lag in het centrum van zijne landerijen, omgeven door e( heggen als een fort. Rondom die huizinge breidden zich moestuin en boomgaard uit. De vlas- en wijnbouw, door de Romeinen hier overgebracht, e' werden door de barbaren in eere gehouden. Watervogels bevolkten de erven st en het gegons der bijen verlevendigde den omtrek. De landerijen hadden in 1X1 het oog der bezitters waarde genoeg om ze door omheiningen af te sluiten, ^ die met veel zorg werden bewaakt. Zelfs de bosschen, door de natuur S-zelve als ondeelbaar gekenmerkt, werden in deelen gesplitst. s'
Toch deed deze zorg voor den landbouw geen nadeel aan de veetee.t. De
voornaamste bezittingen bestonden in hoornvee en zwijnen; het paard bleef vlt;
bij de Franken altijd een zeldzaam dier, dat zeer op prijs gesteld en somtijds v(
duurder betaald werd dan een slaaf. O]
De hartstocht voor de jacht bleef hen bij en zij maakten gebruik van vï hunnen voortgang in de beschaving om deze edele kunst te beoefenen en
te volmaken. Getuigen hiervan zijn hunne goed afgerichte windhonden en 8'
havikken, alsmede de hooge waarde, door hen aan deze dieren gehecht. Ook 01
hun koophandel ontwikkelde zich en zij stelden zich niet meer tevreden met 61
den ruilhandel, daar het door hen zelve gemunte geld al hunne koop- 11
contracten beheerschte. vv
Ondanks dezen merkbaren vooruitgang heerschte nog de grootste barbaarsch- 31 heid in de zeden. De Franken waren tegelijk goddeloos en bijgeloovig (2).
De maatschappelijke betrekkingen getuigden van afschuwelijke wreedheden. 81
Men bepaalde zich niet tot het dooden van zijn vijand; men martelde hem a
(1) Les origines de la civilisation vioderne, II. g
(4) .On a même retrouvé cbez les anciens Germains et les sacrifices humains. et les devotions n
infdraes, et jusqu'a 1'anthropophagie.quot; Ozaium , Etudes germaniques, 1, 90, etc.
19
t op de gruwelijkste wijze. De straffen, door de wet op deze onmenschelijk-
b heden gesteld, waren en bleven denkbeeldig, omdat diezelfde wetten mnt
t een barbaarsche zorg het privaat oorlogsrecht beschermden, dat gegeven
werd aan allen, die sterk genoeg waren om het uit te oefenen. Elke vrije e man bezat als 't ware het recht van de hooge justitie. Als hij zich op
tl zijn vijand gewroken had door dezen te dooden, spijkerde hij diens hoofd
op een paal voor zijne deur, zooals men nu nog met vleermuizen en zwijns-n hoofden handelt, en eene boete bedreigde dengene, die dit bloedig zegeteeken
i- durfde verwijderen.
s In één woord het moreele standpunt der Franken in de Vde eeuw was
n niet hooger dan dat van óe Cherusken in de Iste eeuw. En de wanorde,
door het gestadig oorlogvoeren veroorzaakt, moest voorzeker de verbetering 11 en de beschaving der zeden belangrijk in den weg staan.
n De voorname kracht des legers zetelde in het voetvolk. De Galliërs
n daarentegen hadden veel ruiterij. De Franken bleven ten slotte overwin-
ie naars. Geen wonder dat hunne zegepraal hen versterkte in de meening
[â . betreffende de meerdere waarde van het voetvolk. Dientengevolge zag men
,r eeuwenlang zeer weinig ruiterij in hunne legers.
j. De Franken der Vde eeuw kenden nog geene krijgsbewegingen in den
eigenlijken zin. Gestadig in twist met hunne naburen waren zij steeds ten n strijde gereed en oefenden zij zich in vredestijd hoofdzakelijk door geforceerde
n marschen. De kinderen werden vroegtijdig gewend aan allerlei lichaams-
1 bewegingen, namelijk den wedloop, het springen en het zwemmen. In de
lr gymnastische spelen leerden zij de framea en de bijl werpen, zoomede den
slinger hanteeren.
Ie Het machtigste element van de maatschappelijke organisatie waren de
vergaderingen der kantons, die meermalen in het jaar, en de groote volks-[s vergaderingen, die hoogstens één of twee keeren 's jaars werden gehouden
op plaatsen, door de overlevering geheiligd. Nu eens was het een heuvel, n van welks top men een groot gedeelte van den omtrek kon waarnemen,
in dan weder eene uitgestrekte vlakte, die tot vereenigingsplaats werd aan-
,n gewezen, In de schaduwen van eeuwenoude boomen, door verschillende
^ opvolgende geslachten geëerbiedigd, wezen steenen gedenkteekenen, een altaar
et en zetels voor de hoofden het centrum der vergaderplaats aan. Rondom dit
middenpunt stond de gewapende menigte en luisterde aandachtig naar het woord van een of aiideren invloedrijken heirtog (aanvoerder), die een voor ^ allen belangwekkend onderwerp besprak, nadat de vergadering met zekere
godsdienstplechtigheden was geopend. Als de woordvoerder ophield te q spreken, gaf de menigte hare goedkeuring door wapengekletter en hare
m afkeuring door gemor of door kreten van bespotting te kennen.
Op deze vergaderingen werd als het ware door het geheele volk recht gesproken voor dengene, die zichzelven, naar de heerschende zedenj geen ns recht had kunnen verschaffen of wel over hem, die zich aan een groote
misdaad had schuldig gemaakt.
20
De belangrijkste vergadering was ongetwijfeld die van Maart (1), omdat zij het stadium opende van de groote ondernemingen, van de belangrijke oorlogen. Het Champ de Mars was vóór alles de groote kracht, die de verschillende groepen deed samenwerken tot één doel; die bij de ver uiteenwonende stammen de vlam der nationale eenheid weer deed opflikkeren, waar deze door separatistische neigingen gevaar liep geheel te worden uitgebluscht.
Het onderzoek naar de bruikbaarheid der wapenen had mede ter algemeene Maart-vergadering plaats.
Daniel (2) is de eenige historieschrijver, die beweert, dat de Franken eene geregelde ordonnantie hadden en dat zij de kunst verstonden zich in slagorde te scharen op de wijze der Romeinsche legioenen. Tot bewijs vermeldt hij den slag bij Casilinum in 553. Dit gevecht, hetwelk later zal worden beschreven, kan wat de Vide eeuw betreft zeker als voorbeeld worden aangehaald. In de Vde eeuw echter is van eene slagorde weinig of niets bekend, terwijl de tucht veel te wenschen overliet. De beschouwing van Clovis' daden zal strekken tot staving van dit beweren.
Alvorens echter van Clovis' krijgsbedrijven te gewagen, dient de aandacht gewijd aan de kleeding en wapening zijner strijders.
Agathias (3) zegt: »De Franken weten niet wat harnas, dijstukken en armstukken beteekenen en het meerendeel heeft het hoofd ongedekt. Hun bovenlijf is naakt en van den gordel af bedekken zij het lichaam met dierenhuiden of linnen. Zij bedienen zich bijna niet van paarden, omdat zij van hunne prille jeugd verwonderlijk geoefend zijn in het gevecht te voet, volgens de gewoonte van hun land.quot;
Sicard (4) wijkt eenigszins van Agathias af als hij beweert, dat de Franken, hoewel aan ontberingen gewend, behalve een licht onderkleed een schapenvacht over de schouders droegen, die, met een knoop bevestigd, over de heup afdaalde en op de kuit reikte. Eene soort van sandaal, in den vorm van eene halve laars , vormde het schoeisel.
De Frankische wapenen, zoowel tot den aanval als tot de verdediging, waren van ijzer. Immers het gebruik van bronzen wapenen hield in Gallië op, toen de Romeinen als overheerschers optraden.
De aanvalswapenen dan waren vier in getal, te weten: de framaa, de angoen, de franciska en de scramasaxe.
De framea was, gelijk reeds vroeger gezegd is, een gewone lans van manslengte en diende dus om te steken. De angoen daarentegen was een korte werpspiets; zijne punt had den vorm eener pijl. Het ijzeren gedeelte van den angoen was belangrijk dunner en langer dan dat van de framea,
(1) Campus Marlius.
(2) Histoire de France.
(3) In zijn vervolg op Procopius' Jusliniani historiae.
(4) Histoire des institutions militaires des Franqais.
21
terwijl de punt dezer laatste wederom breeder was dan die van den eerste. De angoen had veel overeenkomst met den Romeinschen pilura. Vege-tius (1) zegt, dat,, toen de pilum uit de Romeinsche gelederen verdween, men hem slechts bij de barbaren terugvond.
De franciska was een strijdbijl, die, volgens Procopius, ook tot werpen werd gebezigd. De vorm was in het algemeen aan de hedendaagsche bijl gelijk. Het ijzer had een lengte van ongeveer een derde deel van den houten steel. Het lemmer of liever de scherpe kant was boogvormig en de koorde dezer boog had ongeveer de halve lengte van de bijl zelve. Hieruit kan men opmaken, dat zij bijzonder geschikt was om geworpen te worden. De bijl werd loodrecht op den steel geplaatst door de uitboring aan de dikke achterzijde, zooals bij de moderne bijlen.
De scramasaxe (2) eindelijk was eene soort van zwaard of dagge met scherpe punt, welks rug dikwerf werd uitgehold om 't aanzienlyk gewicht te verminderen. Somtijds was dit wapen vergiftigd. Het had veel overeenkomst met het Romeinsche zwaard, maar het was korter en slechts aan ééne zijde gescherpt. Ook werd nog een ander soort van zwaard gebezigd, tweesnijdend en met een recht gevest.
Of de Franken ook in den oorlog gebruik gemaakt hebben van pijl en boog, is niet boven twijfel verheven. Het eenige verdedigingswapen was een houten schild, overtrokken met leder en wit geverfd. Een ijzeren kegel was midden op de buitenzijde bevestigd. Het geheel werd in verband gehouden door een ijzeren beslag, dat in de holte van den kegel de greep vormde; want dit schild werd aan de hand gedragen, evenals de latere rondas der XlVde en XVde eeuw.
Het duurde geruirnen tijd eer de Franken de oorlogswerktuigen aannamen, bij de Romeinen in gebruik. Edoch de noodzakelijkheid om hunne vijanden met gelijke wapenen te bestrijden, bracht hen eindelijk tot de aanneming van balisten, catapulten, stormrammen en stormtorens, van overdekte gallerijen, van de schildpad-formatie, enz.
Beschouwen wij ten slotte den geheel uitgerusten hoofdman en gewonen krijger.
Een Merovingisch hoofd wordt voorgesteld, gekleed in een rood-wollen tunica met mouwen en een korte wit-wollen rok, als die der Schotten. Zijn hoofddeksel is een lederen kalot met bronzen ring of rand; aan de voeten draagt hij sandalen, met rood lederen kruisbanden tot boven de knie bevestigd. Een breede lederen bandelier houdt de dagge (rechts) in eene scheede van geschilderd hout. De naar achteren geworpen mantel van dierenhuid doet een rijk geëmailleerd gevest van de dagge ontwaren, maar verbergt ten deele een metalen halsketen van kostbare bewerking. De bijl
(1) De re militari.
(2) Duo puori cum cultris validis, quos vulgo scramasaxas vocant..... Gregorius Turo-
nansis , IV , 51.
22
hangt links aan een afzonderlijken gordel; schild en framea worden in de hand gedragen.
De voetknecht is uitgerust evenals het boven beschreven hoofd, doch hij draagt geen mantel en is blootshoofds; het golvende blonde haar daalt tot op de schouders en vormt aldus eene werkdadige beschutting voor den hals (-1).
De schrijvers der Vde en Vide eeuw zeggen ons duidelijk hoe de Franken hunne wapenen hanteerden.
Sidoxius Apollinaris (â|â 489) zegt in zijne lofrede op Keizer Majo-rianus (-f- 461) het volgende:
»Zij (de Franken) slingerden hunne strijdbijlen door de lucht en wisten van tevoren waar deze zouden treffen; zij schoten hunne pijlen met vaste hand en volgden den werpschicht met zulke verbazende sprongen, dat zij vóór dezen bij den vijand aankwamenquot;.
Agathias verhaalt: jHet volkswapen bij uitnemendheid was de bijl {francisla). Bovendien gebruikten de Franken een piek van middelmatige lengte, geschikt tot gebruik van verre en van nabij. De lange en sterke punt was voorzien van een dubbelen viscliangel, terwijl het hout over de lengte met ijzer beslagen was, om het tegen houwen bestand te maken. Als de punt door een vijandelijk schild gedrongen was, maakten de haken het terugtrekken onmogelijk. De schicht bleef aan het schild hangen, terwijl het uiteinde van den stok den grond raakte. Bliksemsnel sprong dan de Frank vooruit, plaatste den voet op den stok en, met het geheele gewicht van het lichaam daarop drukkende, noodzaakte hij zijn tegenstander schild en arm te doen dalen en aldus hoofd en borst bloot te geven. Een geweldige slag met de francisha verbrijzelde dan des vijands schedel. Somtijds werd de werpschicht, aan een koord bevestigd, als harpoen gebruikt. Een man wierp hem uit, terwijl de nevenman het koord vasthield. Dan ver-eenigden beiden hunne krachten om den vijand te vellen.quot;
Chateaubriand geeft in zijn merkwaardig werk : «les Martyrsquot; eene beschrijving van een veldslag tusschen Franken en Gallo-Romeinen, eene beschrijving die, hoewel niet historisch, in de bijzondei heden op onwraakbare bescheiden berust, welke den beroemden schrijver zeker langdurige onderzoekingen gekost hebben. Het is eene schoone studie van de vecht-wijze der Franken onder de eerste Merovingers.
Het tooneel van den strijd is eerst de moerassige bodem van Batavia en later het strand der (Noord) zee.
Het slot van deze schildering luidt aldus (!2): »De schrikwekkende massa van het Frankische voetvolk nadert de Romeinsche legioenen. Deze openen zich, veranderen van front, vallen met geduchte lansstooten de beide (voor-)
(1) GnEGORios van Tocns, Agathias en Sidomus Apollinaris vermelden, dat de Franken het aangezicht scheerden en alleen lange knevels droegen.
(2) In dit fragment is de Schrijver niet op den voet gevolgd.
23
zijden van den vijamlelijken driehoek (phalanx) aan. De lichte troepen (veliten), de Galliërs en de Grieken, bedreigen de derde zijde. De Franken worden van alle zijden bestormd, evenals eene belegerde vesting. Het bloed stroomt en een stofwolk rijst op te midden van de tallooze tweegevechten. De Franken zijn fier op hunne gapende wonden, die in de halfnaakte lichamen, te vreeselijker schijnen. Door de kreten en bedreigingen, door het dof gerucht der zwaarden en werpschichten en het gefluit der pijlen wordt de stem der aanvoerders verdoofd. Meroveus staat op een grooten wagen, door twaalf evenboortige strijdgenooten omgeven. De wagen, overdekt met de bloedige overblijfselen der verslagen vijanden, werd getrokken door drie stieren, welker knieën baadden in het bloed en wier hoornen besmeurd waren met afgrijselijke overblijfselen van menschen.quot;
sMeroveus, als verzadigd van het bloedbad, beschouwde onbeweeglijk van zijn verheven standpunt de lijken, die rondom hem verspreid lagen. Het hoofd der Galliërs, Meroveus in die tergende kalmte aanschouwend, snelt verwoed vooruit om hem aan te vallen. Meroveus, dit ziende, springt, door zijne framea gesteund, over de koppen der stieren en vertoont zich dreigend voor den Galliër. Deze valt aan, dringt op, kwetst hem met het zwaard aan den schouder en noodzaakt hem terug te treden tot onder de hoornen der stieren. Meroveus slingert nu zijn angoen, die in het schild van den Galliër doordringt. Op hetzelfde oogenblik springt Meroveus gelijk een luipaard vooruit, zet den voet op den werpschicht en doet hem, tegelijk met het vijandelijk schild, dalen door 't gewicht van het lichaam. Het hoofd der Galliërs is aldus ongedekt. De bijl van Meroveus giert door de lucht en dringt in het voorhoofd des vijands als in de kruin van een pijnboom. Het hoofd splijt in tweeën, de hersenen verspreiden zich aan beide zijden en de oogen rollen ter aarde, terwijl het lichaam, met stuiptrekkend uitgebreide armen, nog een oogenblik overeind blijft.quot;
Dit ziende slaken de Galliërs eene angstkreet, terwijl de Franken vol vreugde Meroveus (2) omringen, hem op het schild verheffen en tot Koning uitroepen ais de dapperste der Sicambren (3).quot;
(1) De familie der Merovingers gennot van den beginne een bijgeloovjgen eerbied. Terwijl de Franken in het algemeen hunne goudblonde haren op de kruin in een knoop vereenigden en de einden gelijk eene paardenstaart deden afhangen , droegen de Merovingers het haar op hel voorhoofd gescheiden en lieten het ongebonden in breede lokken op de schouders vallen.
Martin , Hisloire de France.
(2) Uit Klaas Kolijn blijkt, dat de Sicambren eigenlijk een tak waren van den Salischen stam. Immers hij spreekt van Sicambrinen Salen, de Sicambersche Saliërs. En Remigius, Bisschop van Rheims, sprak vóórdat hij Clovis doopte, aldus; Mitis depone colla, Sicamber, etc.
Greg. Tun., Hist., L. II, C. 31.
Clovis.
Volgens de oude kronieken (4) heeft Ciiilderik I misbruik gemaakt van zijn gezag en getracht als Koning te heerschen; daarom werd hij door de Franken afgezet en nam hij de wijk naar Thuringen. Zijn zoon, verwekt bij eene Thunngsche Vorstin, Basina genaamd, was Clodowig of Clovis. Deze werd in 486 op het schild verheven, daar de Gallische Graaf Aegidius (2), een zeer strijdbaar en oorlogszuchtig nabuur, de Frankische staramen noodzaakte steeds tot den kamp vaardig te wezen.
Zoolang Aegidius leefde hield Clovis zich rustig. Nauwelijks echter was hij gestorven en door zijn zoon Syagrius opgevolgd, of Clovis besloot, in vereeniging met Ragiienaher, die te Kamerijk zetelde, het grondgebied van Syagrius le veroveren.
Clovis moet, naar zijn daden te oordeelen, een man van buitengewone scherpzinnigheid geweest zijn. Het doel van de onderneming tegen Syagrius was, ingevolge het besluit van de volksvergadering, niet de verovering van nieuwe landstreken, maar de voldoening van den strijdlust en van de zucht naar buit.
Dit karakter van den eersten veldtocht op Gallischen bodem wist Clovis, na den slag van Soissons, terstond te doen uitkomen. Immers geene bijzondere landerijen werden in bezit genomen; de Gallo-Romeinen bleven gehandhaafd in hun grondeigendom, terwijl alleen hunne roerende goederen buit gemaakt en onder de Franken zooveel mogelijk gelijkelijk verdeeld werden.
Met waren adelaarsblik had de jonge heirtog den toestand begrepen. Als aanvoerder zijner landslieden was en bleef hij hun werktuig en kon hij zelfs
(1) Gesta reg. Franc., c. ii.
(2) Zijn volledige naam was Afranius Syagrius aegidius.
25
niet over een enkel stuk van den buit beschikken, indien een gewone Frank zich daartegen verzette. Het gebeurde met de vermaarde vaas te Soissons, waarvan wij nader zullen gewagen, strekt hiervoor ten bewijze.
»Clo\isquot;, zegt Gregorius van Tours, «voerde vele oorlogen en behaalde vele overwinningenquot;.
De eerste overwinning werd bevochten op eenige mijlen ten noo.'den van Soissons, waardoor, zooals reeds gezegd is, het laatste grondgebied van het West-Romeinsche Keizerrijk in handen der barbaren overging. Syagrius sneuvelde; Clovis vestigde zijn zetel te Soissons en begon van daar den strijd tegen de Gallo-Romeinsche steden en landschappen, die geduurd heeft van 487 tot 491.
Alle landerijen van den Keizerlijken fiscus en de uitgestrekte goederen van de gevluchte Romeinsche familiën vormden de ontzaglijke bezitting, over welke Clovis als overwinnaar van Syagrius beschikte. Daarom nam hij van den Byzantijnschen Keizer gaarne den titel van Romeinsch patriciër aan, welken deze hem verleende, om hierdoor ten minste naar de grondregels van het Romeinsche recht in het bezit van de feitelijk verlorene provincie te blijven.
Clovis en zijne Franken werden door dezelfde of althans gelijksoortige beweegredenen tot verdere veroveringen aangespoord. De Franken, onver-zadelijk in roofzucht, waren tot eiken veldtocht onder een zoo gelukkigen aanvoerder bereid, terwijl de bezittingen der Gothische Koningen, die ook als Romeinsche patriciërs heerschten, voor Clovis een machtig lokaas vormden.
Cloms liet de staatsregeling in wezen en derhalve de openbare ambten aan de Gallo-Romeinen, daar dezen daartoe de onmisbare kennis bezaten, terwijl de Frank alléén geschikt was voor den oorlog.
Zoo was Clovis tegenover de Gallo-Romeinen autocraat, naar de grondslagen van het Romeinsche recht; tegenover zijne Franken bleef hij echter slechts de opperbevelhebber. Hij wist een aantal der dapperste en invloedrijkste Franken door het schenken van goederen en van schitterende hofambten aan zich te verbinden. Deze getrouwen (fidelis, antrustió) werden door een eed tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verplicht. Zij moesten gestadig bereid wezen den Koning in den strijd te volgen. Hun loon bestond dikwerf in rente-gevend grondbezit. Ook enkele Gallo Romeinen werden tot deze voordeelige en invloedrijke ambten geroepen.
De groote veldtochten, die elkaar na het jaar 486 opvolgden, werden nog gevoerd met het volksleger, in het Campus Martius na onderlinge beraadslaging gevormd. Edoch deze militaire inrichting scheen voor de nieuwe verhoudingen op den duur onbruikbaar. De Franken bleven vermetele gelukzoekers, die niet aan tucht onderworpen konden worden.
Na de verovering van Soissons trok Clovis langs den weg, die den naam ontving van via barbarica, langs Hheims op Chalons aan. Hij wilde Rheims
26
sparen uit eerbied voorden Bisschop Remigius, maar een troep brooddronken Franken drong buiten zijn weten in de stad en roofde uit de Christelijke kerken vele kostbare versierselen, onder andere eene vaas van buitengewone grootte en schoonheid. Remigius, hierdoor ten hoogste bedroefd, deed Clovis verzoeken hem voor het minst deze kostbare vaas terug te geven.
De Koning sprak tot de gezanten: »Volgt mij naar Soissons; daar zal de buit verdeeld worden en als deze vaas mij te beurt valt, zal ik des Bisschops wensch vervullen.quot; Toen nu tot de verdeeling zou worden overgegaan, sprak de Koning: »Ik bid u, mijne dappere krijgslieden, mij deze vaas boven rniju aandeel niet te weigerenquot; (1). Alle krijgslieden bewilligden in 's Konings verzoek, één uitgezonderd.
Deze Frank hief even nijdig als lichtzinnig zijne strijdbijl op en deed haar verpletterend op de schoone vaas nederdalen, uitroepende: «Gy zult niets hebben, o Koning, dan wat het lot u zal toewijzen.quot; Allen verwonderden zich over deze daad. De Koning echter verdroeg die beleediging geduldig en de gebroken vaas opnemend, gaf hij ze aan den gezant van den bisschop, maar â zegt de kroniek â hij bewaarde de gramschap in zijn hart.
Hoe Clovis rechtspleging hield, bleek in het volgende jaar (487) op de algemeene vergadering van Maart. Hij doorliep de rijen van het leger en onderzocht de bruikbaarheid der wapenen; komende voor den man, die de vaas had verbrijzeld, sprak Clovis aldus: »Geen enkel man heeft hier zulke slecht onderhouden wapenen als gij. Noch uw spies, noch uw zwaard, noch uwe bijl is in bruikbaren staat.quot; Dus sprekend wierp de Koning 's mans bijl ter aarde. Toen nu de man zich bukte om zijn wapen te hernemen, hief de Koning zelf zijne bijl op en verpletterde den schedel van den krijger, zeggende: »Dat het u verga gelijk gij het vorige jaar met de vaas te Soissons gehandeld hebt.quot; Op deze wijze, zegt Gregorius van Tours, bracht hij eene groote vrees bij zijne omgeving teweeg.
De strijd tegen het zoogenaamde onafhankelijke Gallië werd nu (487) voortgezet en het gebied uitgebreid tot aan de Seine.
Het lag verder in den natuurlijken loop der zaken, dat de onafhankelijke landstreken tusschen de Seine en de Loire allengs werden aangevallen.
Eene belangrijke afleiding had evenwel plaats doordat de Allemannen, die aan gene zijde van den Rijn ten zuiden van de Main gevestigd waren, in massa over den Rijn trokken en schrik verspreidden in de landen der Ripuariërs rondom Trier, Metz en Verdun. Dezen, voor overmacht wijkend, riepen de hulp in van de Salische Franken. Clovis rukte op aan het hoofd van al de Salische benden (2) en leverde den Allemannen den beroemden slag bij Tolbiac (Zülpich) op vier Fransche mijlen ( 31/4 uur gaans, 18 KM.) van Keulen.
1
Rogo vos, o fortissimi proeliatores, ut saltem mihi vas istud extra partem concedere non abnuatis. Gbegorius Turonensis, ii, 28.
27
De slachting was vreeselijk, want, volgens de uitdrukking van een historieschrijver, voerden de Franken den krijg kort en krachtig. Maar in dit geval duurde de strijd lang, omdat de Franken streden tegen ba.baren, die hen in krijgskundige eigenschappen evenaarden.
Siegebert, de opperbevelhebber der Ripuariërs, werd aan de knie gewond. Daarop namen de zijnen de vlucht en lieten de Saliërs alleen zich meten met hunne gevreesde tegenstanders.
Clovis zag, dat allengs ook zijne benden begonnen te wijken, waarschijnlijk medegesleept door het slechte voorbeeld der Ripuariërs. Hij meende, dat de slag verloren was. In dit uiterste oogenblik, zegt Gregorius van Tours, zwoer hij, op raad van den Bisschop Aurelius, het Christendom te zullen omhelzen, indien hij op zijne vijanden, door Gods hulp, mocht zegevieren. Kort daarop herzamelden zich de reeds wijkende Salische benden en keerden zich met vernieuwde krachtsinspanning, op Glovis' heldhaftig voorbeeld, tegen den vijand, met liet gevolg dat eene schitterende overwinning bevochten werd. Clovis vervolgde de Allemannen tot aan de Rhetische Alpen en maakte zich meester van het land, begrepen tusschen de Main en den Donau. De beide belangrijke veldslagen, door Clovis op de Gallo-Romeinen en op de Allemannen gewonnen, zijn door de geschiedschrijvers niet uitvoerig genoeg geboekstaafd om daaruit te kunnen verklaren hoe de vecht-wijzeder Frankische legers te dien tijde is geweest. Edoch, zeker weten wij, dat de Romeinsche vechtwijze bij hen hoe langer hoe meer in vergetelheid geraakte, omdat zij niet werd nagevolgd.
De Allemannen, die zich niet aan de heerschappij der Franken wilden onderwerpen, zochten en vonden een toevluchtsoord in de hooge Alpenstreken op de grenzen van Italië.
Daar regeerde Theodorik de Groote, Koning der Oost-Gothen, die met behulp der West-Gothen na een vierjarigen strijd (489â493) aan het gezag van Odoacer een einde had gemaakt.
Deze machtige vorst nam de vluchtelingen in bescherming en bewoog Clovis de vervolging te staken (1). De overwinnair van Tolbiac keerde van den Donau naar den Rijn terug en trok door de Vogezen op Rheims en Soissons aan.
Zonder twijfel hadden Basilea (Bazel), Argentoratum (Straatsburg) en Toul, met het land van de Boven-Marne tot aan de westelijke hellingen der Vogezen, de heerschappij van den Salischtn vorst erkend.
De overgang van Clovis tot het Christendom had aanvankelijk tengevolge (497), dat velen zijner gezellen hem verlieten en zich ten noorden van de Somme gingen vestigen onder de vanen van Raguenaiier, den Koning van Kamerijk. Maar deze was geen veroveraar, dus zouden in den eerstvolgenden oorlog de zucht naar buit en de dorst naar avonturen spoedig de hardnek-
(1) Greg. Tur. , Hist,, l. II, c. 30.
28
kigste heidenen weder terugbrengen onder den steeds zegevierenden Koning van Soissons.
Aan de andere zijde had Clovis' doop tengevolge, dat de bevolking van Armorica (1), vermoeid door eene langdurige worsteling en op de raadgeving van hare bisschoppen, de wapens nederlegde.
Procopius, die de vereeniging verhaalt van de Armoricen met de Franken zegt: dat de overige Romeiosche soldaten, die de bezetting vormden van het uiteinde van Gallië, niet naar Rome kunnende terugkeeren, zich niet wilden vereenigen met de West-Gotlien. Zij onderwierpen zich met de landstreken, die z'y voor Rome bezet hielden, aan de heerschappij van Clovis. Het is waarschijnlijk, dat de overblijfselen van geregelde troepen van allerlei oorsprong, welke in verschillende deelen van Gallië verspreid waren, zich op deze wijze allengs bij de overwinnaars hebben aangesloten. Zoo breidde Clovis' gebied zich allengs uit, totdat de Franken en de West-Gothen aan beide oevers van de Loire tegenover elkander stonden (498â499).
De Koning der West-Gothen Alarik, de zwakke zoon van den krachtigen Ewarik, deed geen enkele poging om den, van het noorden aanbruisenden, Frankischen stroom te bezweren. Evenwel brak de strijd tusschen Franken en West-Gothen nog niet uit. Theodorik, Koning der Oost-Gothen in Ralië, spoorde Clovis aan zijne wapenen naar de zijde van Burgondië te wenden. Godeghisel, Koning van Hoog-Bur^ondië (Zwitserland), beloofde aan Clovis eene jaarlijksche schatting te zullen betalen, indien hij door diens medewerking Koning zou worden van geheel Burgondië. Clovis gaf gehoor aan deze voorstellen en trok ten strijde tegen Gondebald, Koning van Laag Burgondië, die in de nabijheid van Dijon, met medewerking van Godeghisel, geheel verslagen werd.
Tiieodorik's troepen hadden geen deel genomen aan den slag. Zij waren langzaam opgerukt, opdat de beslissing zou vallen vóór hunne aankomst. Toch deelde Theodorik in den buit. Het land ten zuiden van de Durance werd aan hem afgestaan, terwijl Gondebald's gebied beperkt werd tusschen Durance en Isère. Geheel Burgondië ten noorden van de Isère werd bij het rijk van Godeghisel gevoegd, die wederom het groote gebied van Langres aan den Frankischen vorst afstond. Maar Gondebald herwon zijne krachten, zegt Gregorius van Tours.
De Franken hadden allerwegen groote verwoestingen aangericht en vele inwoners als gevangenen weggevoerd. Dus ontstond eene geweldige react:.e tegen de Franken en hun bondgenoot Godeghisel. Gondebald trok behendig partij van deze gevoelens om aanvallenderwijze te handelen. Hij trok de Isère over en belegerde Vienne, waar Godeghisel zich ophield. De uitslag van dezen nieuwen krijg was, dat nu Gondebald overwinnaar bleef en
(1) Tegenwoordig Bretagne en noordwestelijk Frankrijk.
29
Koning werd van de beide Burgondiën, dal Godeghïsel omkwam en zelfs Langres met de omstreken door Clovis werd teruggegeven (1). De landen ten zuiden van de Durance bleven echter onder den schepter van den Oost-Gothischen Koning. Dank zij de staatkunde van dezen vorst, die met zooveel bekwaamheid de rol van bemiddelaar in het westen vervulde, en wellicht ook tengevolge van eene tweejarige ongesteldheid van Clovis, telde Gallië zes jaren van vrede na den dood van Godeghïsel.
Toen brak de storm, tweemaal door Theodorik afgewend, eindelijk over het rijk van Alarik los.
In Maart 507 had te Parijs de groote vergadering plaats, waarbij het bleek, dat de krijgsbende (traste) des Konings tot een leger was aangewassen. Clovis stelde voor om op te rukken tegen de West-Gothen en met geestdrift werd dit voorstel ontvangen.
De keur der Frankische stammen schaarde zich onder den standaard (2) des veroveraars. Chloderik, zoon van den Koning der Ripuariërs, voerde duizenden strijders aan van de boorden des Rijns en vele Gallo-Romeinen, evenals de Franken door de zucht naar strijd en plundering gedreven, sloten zich by de barbaren aan. Deze schrikwekkende massa trok vermoedelijk bij Orleans over de Loire en marcheerde snel door Touraine naar Poitou, Hoewel in het algemeen de tucht veel te wenschen overliet, vinden wij toch enkele feiten opgeteekend, die bewijzen, dat er in sommige gevallen met de overtreders der bevelen korte metten werden gemaakt. Terwijl het leger door Touraine trok verbood Clovis namelijk, uit eerbied voor de nagedachtenis van St. Martin, in dit land iets anders te nemen dan groenten en water. Een soldaat, die een bos hooi had gestolen van een armen landman, werd terstond ter dood gebracht.
Op den linkeroever van de Auzance, anderhalve mijl (Fransche) ten westen van Poitiers, herkent men nog de sporen van aarden verschansingen, welke den voet van een heuvel verdedigden, die aan den anderen kant door de Auzance wordt gedekt. Daar had Alarik stelling genomen, om te trachten den vijand op te houden, totdat de Oost-Gothen zouden ingrijpen. Want de zwakke Koning der West-Gothen had voornamelijk op Theodorik zijne hoop gevestigd.
Clovis evenwel viel hier niet aan. Hij trok langs de Vienne, die door vele regens gezwollen was, naar boven om, zoo mogelijk, eene waadbare plaats te vinden. Bij het aanbreken van den dag zag men plotseling een ree van bijzondere grootte de rivier doortrekken zonder te zwemmen. En spoedig volgde het Frankische heir door de op zoo gelukkige wijze ontdekte waadbare plaats (dicht bij Lassac), die nog heden »Gué de la bichequot; wordt
(1) Greg. Tun., l. ii, C. 33.
(2) In 498 werd de mantel {la chape) van St. Martin de standaard en het symbool van het Frankische volk, dat voor St. Martinus (Bisschop van Tours, f 397) eene hooge vereering koesterde. Op dit vaandel, van hemelsblauwe taf vervaardigd, was St. Martin's beeltenis geschilderd.
30
genoemd. Na op deze wijze de Vienne te zijn doorgetrokken, marcheerde Clovis naar de Clain en kampeerde op het plateau van Sichar tegenover Voulon, vier mijlen (Franschequot;) ten zuiden van Poitiers.
Door deze beweging sneed Cloyis behendig de gemeenschap zijns tegenstanders met het zuiden af en hield hij hem als 't ware geheel ingesloten. De beide legers bleven eenigen tijd aldus in hunne stellingen, terwijl de Frankische soldaten inmiddels, tegen de uitdrukkelijke bevelen des Konings, allentwegen aan hunne zucht tot roof den teugel vierden. De West-Gothen, hevig verbitterd door deze rooftochten, noodzaakten hunnen vorst om zijne verschansingen te verlaten en den vijand aan te vallen. Dus werd men handgemeen in de vlakte van Voulon (1) of Vouillé.
Het leger der West-Gothen was geweldig door het getal, maar uit heterogene bestanddeelen samengesteld. De wet schreef voor, dat alle vrije mannen, zoowel Romeinen als Gothen, onder de wapenen moesten komen, vergezeld van het tiende gedeelte der slaven. Hierbij kwam nog, dat de meeste Gallo-Romeinen van Aiarik's leger wenschten dat Cloyis zoude overwinnen. Hun wensch werd vervuld. De Franken vielen, zonder te letten op de pijlen der West-Gothen, stoutmoedig met de strijdbijl aan.
In Alarik's gebroken liniën ontstond spoedig eene paniek, die een overhaaste vlucht tengevolge had. Alarik, werd, bij eene poging om de zijnen te herzamelen, door Cloyis zelf doodelijk. gewond. Twee Gothische soldaten, zich opofferend om hun Koning te redden, vielen woedend op Cloyis aan en troffen hem met hunne lansen aan twee zijden tegelyk. Doch, dank zij liet pantser van stevige samenstelling, dat de Koning droeg, konden de lansen niet doordringen en de vlugheid van zijn strijdros werkte mede tot zijne redding. Toch duurde de slag nog geruimen tijd. De lijken waren zoodanig opgestapeld, dat men zou gezegd hebben: »er is een berg van doodenquot; (2).
Het zegevierende leger verspreidde zich en van de oevers der Vienne tot aan die der Garonne werden de landen prijsgegeven aan verwoestingen, zoo groot als zij niet gekend hadden sinds de groote invasie van het jaar 457.
Een deel der overwonnenen redde zich in eenige versterkte plaatsen, voornamelijk in Angoulême.
Cloyis evenwel stoorde zich niet aan deze sterkten, hij trok voort naar Bordeaux, waar hij den winter doorbracht. Theodorik, oudste zoon van Cloyis, vervolgde den tocht zijns vaders naar het zuiden en zuidoosten. Doch het optreden van Theodorik, Koning der Oost-Gothen, had tengevolge, dat aan de veroveringen der Franken paal en perk werd gesteld.
Wel trok Clovis zelf uit Bordeaux langs de Garonne op Toulouse aan, wel viel deze aloude hoofdstad van het West-Gothische Rijk met al hare schattea
(1) Campus Yocladeusis. Greg. Tun., ii, 37.
(2) Grec;. Tun., U, 37. Procopius. Gesta Reg. Franc., C. 17.
31
hem in handen, maar èn Carcassonne èn Arles weerstonden den Frankischen wapenen. Onder de muren van Arles had een bloedig gevecht plaats met een Oost-Gothisch leger, dat was afgezonden om de stad te ontzetten. De Franken leden nu de nederlaag in die mate, dat de overwinnaar van Voulon, die Carcassonne belegerde, het beleg opbrak bij het vernemen van dit onheil.
Desondanks en terwijl de Gost-Gothen hunne wapenen met succes tegen de Burgondiërs keerden, maakte Clovis zich meester van de uitgestrekte landstreek tusschen de Loire, de Cevennes, de Boveu-Garonne en de Westelijke Pyreneën.
Het sterke Angoulême, het laatste toevluchtsoord der West-Gothen, bezweek ten slotte voor den machtigen Frankischen vorst, die, in het zuiden eene legerafdeeling achterlatend, zijn zegevierenden intocht hield binnen Tours en daar de gezanten ontving van den Gost-Romeinschen Keizer Anastasics Dicorus, welke hem de waardigheid van Consul en den titel van Augustus aanboden. Van Tours trok Clovis naar Parijs, waar hij den zetel van zijn rijk {cathedra regni) vestigde, in het jaar 510 sloot hij den vrede met Tiieodorik, den machtigen Koning der Gost-Gothen. Zijne geweldige veroveringen hadden hem zoozeer in aanzien doen rijzen, dat zijn gezag zich allengs uitbreidde over alle Frankische stammen in Gallia Belgica. Bij zgn dood in het jaar 511 was de macht der Franken overwegend in geheel Gallië, welks noordelijk uiteinde, hoofdzakelijk bestaande uit de eilanden gevormd door den Rijn en de Maas, nog altijd Batavia genoemd werd.
Werpen wij een terugblik op de daden van den Frankischen veroveraar, dan moeten wij constateeren, dat, ondanks den voorspoed zijner wapenen, de krijgskunst door hem geen enkele schrede voorwaarts deed. Uit de nevelachtige verhalen der geschiedschrijvers weten wij alleen dit met zeker-lieid, dat alle kracht der legers in het voetvolk bestond (oOT/ie robur inpedite). Daar de Franken weinig of geen gebruik maakten van den slinger, evenmin als van pijl en boog, kunnen wij veilig aannemen, dat zij meestal in gesloten orde streden. Enkele schrijvers vermelden, dat de eerste militaire ridderorden onder of door Clovis werden ingesteld, namelijk die van den hond en van den haan. De eerste orde moest strekken ter gedachtenis aan den doop van Clovis en van zijne gezellen en bestond uit een gouden keten, waaraan een hond hing van hetzelfde metaal. De orde van den haan werd later met die van den hond vereenigd, aan welker keten een gouden penning hing, waarop hond en liaan waren afgebeeld met het onderschrift: »Vigilesquot;.
Naar hetgeen wij van Clovis weten, kan hem de lof niet onthouden worden van een buitengewoon moedig, ondernemend, werkzaam en bekwaam aanvoerder te zijn geweest.
De eenheid van macht, door zijne strijdbijl in het leven geroepen, overleefde hem echter niet. Van Clovis tot Karel Martel is de geschiedenis der Franken eene aaneenschakeling van burgerlijke twisten, van samenzweringen, van staatkundige misdaden en gruwelen, die den beoefenaar van de krijgs-
30
genoemd. Na op deze wijze de Vienne te zijn doorgetrokken, marcheerde Clovis naar de Clain en kampeerde op het plateau van Sichar tegenover Voulon, vier mijlen (Fransche') ten zuiden van Poitiers.
Door deze beweging sneed Glovis behendig de gemeenschap zijns tegenstanders met het zuiden af en hield hij hem als 't ware geiieel ingesloten. De beide legers bleven eenigen tijd aldus in hunne stellingen, terwijl de Frankische soldaten inmiddels, tegen de uitdrukkelijke bevelen des Konings, allentwegen aan hunne zucht tot roof den teugel vierden. De West-Gothen, hevig verbitterd door deze rooftochten, noodzaakten hunnen vorst om zijne verschansingen te verlaten en den vijand aan te vallen. Dus werd men handgemeen in de vlakte van Voulon (1) of Vouillé.
Het leger der West-Gothen was geweldig door het getal, maar uit heterogece bestanddeelen samengesteld. De wet schreef voor, dat alle vrije mannen, zoowel Romeinen als Gothen, onder de wapenen moesten komen, vergezeld van het tiende gedeelte der slaven. Hierbij kwam nog, dat de meeste Gallo-Romeinen van Alarik's leger wenschten dat Clovis zoude overwinnen. Hun wensch werd vervuld. De Franken vielen, zonder te letten op de pijlen der West-Gothen, stoutmoedig met de strijdbijl aan.
In Alarik's gebroken liniën ontstond spoedig eene paniek, die een overhaaste vlucht tengevolge had. Alarik, werd, bij eene poging om de zijnen te herzamelen, door Clovis zelf doodelijk gewond. Twee Gothische soldaten, zich opofferend om hun Koning te redden, vielen woedend op Clovis aan en troffen hem met hunne lansen aan twee zijden tegelijk. Doch, dank zij het pantser van stevige samenstelling, dat de Koning droeg, konden de lansen niet doordringen en de vlugheid van zijn strijdros werkte mede tot zijne redding. Toch duurde de slag nog geruimen tijd. De lijken waren zoodanig opgestapeld, dat men zou gezegd hebben: »er is een berg van doodenquot; (2).
Het zegevierende leger verspreidde zich en van de oevers der Vienne tot aan die der Garonne werden de landen prijsgegeven aan verwoestingen, zoo groot als zij niet gekend hadden sinds de groote invasie van het jaar 457.
Een deel der overwonnenen redde zich in eenige versterkte plaatsen, voornamelijk in Angoulême.
Clovis evenwel stoorde zich niet aan deze sterkten, hij trok voort naar Bordeaux, waar hij den winter doorbracht. Theodorik, oudste zoon van Clovis, vervolgde den tocht zijns vaders naar het zuiden en zuidoosten. Doch het optreden van Theodorik, Koning der Oost-Gothen, had tengevolge, dat aan de veroveringen der Franken paal en perk werd gesteld.
Wel trok Clovis zelf uit Bordeaux langs de Garonne op Toulouse aan, wel viel deze aloude hoofdstad van het West-Gothische Rijk met al hare schatten
(1) Campus Vocladensis. Greg. Tun., ii, 37.
(2) Grelt;;. ïur., ii, 37. procopius. Gesta Reg, Franc., C. 17.
31
hem in handen, maar èn Carcassonne èa Arles weerstotden den Frankischen wapenen. Onder de muren van Arles had een bloedig gevecht plaats met een Oost-Gothisch leger, dat was afgezonden om de stad te ontzetten. De Franken leden nude nederlaag in die mate, dat de overwinnaar van Voulon, die Carcassonne belegerde, het beleg opbrak bij het vernemen van dit onheil.
Desondanks en terwijl de Oosi-Gothen hunne wapenen met succes tegen de Burgondiërs keerden, maakte Clovis zich meester van de uitgestrekte landstreek tusschen de Loire, de Cevennes, de Boven-Garonne en de Westelijke Pyreneën.
Het sterke Angoulème, het laatste toevluchtsoord der West-Gothen, bezweek ten slotte voor den machtigen Frankischen vorst, die, in het zuiden eene legerat'deeling achterlatend, zijn zegevierenden intocht hield binnen Tours en daar de gezanten ontving van den Oost-Romeinschen Keizer Anastasius Dicorus, welke hem de waardigheid van Consul en den titel van Augustus aanboden. Van Tours trok Clovis naar Parijs, waar hij deu zetel van zijn rijk (cathedra regni) vestigde. In het jaar 510 sloot hij den vrede met Theodorik, den machtigen Koning der Oost-Gothen. Zijne geweldige veroveringen hadden hem zoozeer in aanzien doen rijzen, dat zijn gezag zich allengs uitbreidde over alle Frankische stammen in Gallia Belgica. Bij zijn dood in het jaar 511 was de macht der Franken overwegend in geheel Gallië, welks noordelijk uiteinde, hoofdzakelijk bestaande uit de eilanden gevormd door den Rijn en de Maas, nog altijd Batavia genoemd werd.
Werpen wij een terugblik op de daden van den Frankischen veroveraar, dan moeten wij constateeren, dat, ondanks den voorspoed zijner wapenen, de krijgskunst door hem geen enkele schrede voorwaarts deed. Uit de nevelachtige verhalen der geschiedschrijvers weten wij alleen dit met zekerheid, dat alle kracht der legers in het voetvolk bestond [omne robur in pedite). Daar de Franken weinig of geen gebruik maakten van den slinger, evenmin als van pijl en boog, kunnen wij veilig aannemen, dat zij meestal in gesloten orde streden. Enkele schrijvers vermelden, dat de eerste militaire ridderorden onder of door Clovis werden ingesteld, namelijk die van den hond en van den haan. De eerste orde moest strekken ter gedachtenis aan den doop van Clovis en van zijne gezellen en bestond uit een gouden keten, waaraan een hond hing van hetzelfde metaal. De orde van deu haan werd later met die van den hond vereenigd, aan welker keten een gouden penning hing, waarop hond en haan waren afgebeeld met het onderschrift: «Vigilesquot;.
Naar hetgeen wij van Clovis weten, kan hem de lof niet onthouden worden van een buitengewoon moedig, ondernemend, werkzaam en bekwaam aanvoerder te zijn geweest.
De eenheid van macht, door zijne strijdbijl in het leven geroepen, overleefde hem echter niet. Van Clovis tot Karel Martel is de geschiedenis der Franken eene aaneenschakeling van burgerlijke twisten, van samenzweringen, van staatkundige misdaden en gruwelen, die den beoefenaar van de krijgs-
32
kunst ciet het minste belang vermogen in te boezemen. Een enkel feit is merkwaardig, als een bewijs hoe de krijgskunst van het oude Rome onder den invloed der barbaren allengs geheel in verval was geraakt. Wij bedoelen den veldslag bij Casilinum (553).
Het door Clovis beheerschte gebied werd na zijn dood in vier deelen gebrokeu, die door zijne zonen Tiieodorik, Chlodomir, Childebert en Clotarius werden beheerscht. Desalniettemin bleef de hoofdverdeeling in Saliërs en Ripuariërs, ten naasten bij door de Maas gescheiden, bestaan.
De oudste zoon Theodorik verkreeg of nam liet noordoostelijk gebied, waartoe ook Batavia behoorde, terwijl het tegenwoordige België tot aan de Maas onder den schepter van den vierden zoon Clotarius werd gesteld.
Hoe wanordelijk en hebzuchtig de zonen van Clovis ook waren, tegenover het buitïnland begrepen zij vereenigd te moeten optreden.
Den Ciothen werd belet belangrijke veroveringen te maken, terwijl in 523 Chlodomir, Childebert en Clotarius vereenigd tegen de Burgondiërs optraden. Zij behaalden daarbij aanvankelijk een belangrijk voordeel, maar keerden toch spoedig, wellicht tengevolge van oneenigheid, naar hunne landen terug.
Chlodomir ondernam in 524 een tweeden veldtocht, in vereeniging met zijn oudsten broeder Theodorik, Koning der Ripuariërs. Deze laatste bood echter geene werkdadige hulp. Chlodomir sneuvelde en de Burgondiërs herstelden zich nog eens, hoewel verzwakt, van dezen heftigen aanval. De Koning der Burgondiërs moest onder andere de landstreken aan de Boven-Rhóne nan den Koning der Oost-Gothen afstaan (1). Het gebied van Chlodomir werd verdeeld tusschen zijne broeders Clotarius en Childebert.
Theodorik, Koning der Ripuariërs, kwam niet tusschenbeide, ongetwijfeld omdat hij de hulp van Clotarius noodig had tot volvoering zijner nieuwe plannen. Terwijl zijne broeders Burgondië opnieuw aanvielen, wendde hij zijne blikken naar Germanië. Hij wilde het werk van Clovis voortzetten en de heerschappij der Franken uitstrekken over de woeste streken aan gene zijde van den Rijn.
Behendig gebruik makende van de twisten onder de vorsten der Thurin-gers en geholpen door zijn broeder Clotarius, door Over-Rijnsche Franken en Allemannen, viel hij de Thuringers aan en overwon in een beslissenden slag bij de Unstrut. Dientengevolge geraakte geheel Thuringen onder de heersducppij van Theodorik, terwijl de buit tusschen hem en Clotarils werd verdeeld.
In het jaar 533 vereenigden zich de drie broeders Theodorik, Childebert en Clotarius om een nieuwen aanval te doen op Burgondië. Theodorik (2)
(1) Gri:g. Tur., Ill, C. 1-6.
(2) Onder Theodorik was de wet der Ripuariërs te boek gesteld. Zij verschilt weinig met de Salische wet. Merkwaardig is daarin o. a. de boete voor een moord op een Frank: 200 gouden stuivers; voor dien op een Burgondiër, Fries, Alleman of Sakser: 160 gouden stuivers en voor dien op een Romein; 100 gouden stuivers. Een gouden stuiver was gelijk aan fr. 15.
33
stierf echter in hetzelfde jaar en werd in zijn gebied door zijn zoon Theodebeut opgevolgd. Niettemin werd de krijg tegen Burgondië voortgezet er, dit rijk geheel veroverd en verdeeld.
Groote gebeurtenissen vielen intusscheu voor aan gene zijde der Alpen. JUSTÃNIA.NUS had te Constantinopel deu troon beklommen (527), weinige maanden nadat de groole TnEODOniK, Koning der Oost-Gothen, op dien van Ravenna was overleden (526).
Keizer Justinianus. een man van buitengewone geestkracht en werkzaamheid , wilde beproeven de grenzen van het Oost-Romeinsche rijk uit te breiden en vatte het stoute voornemen op, om de barbaren te gaan bestrijden, die het West Romeinsche Rijk hadden veroverd. Zijn veldheer Belisarius werd in 534 naar Afrika's Noordkust gezonden en vernietigde daar in één veldtocht het rijk der Vandalen. Vervolgens ontving hij bevel naar Italië over te steken en dit aloude Romeinsche land aan de heerschappij der Oost-Gothen te ontweldigen. De gelegenheid scheen daartoe gunstig. Immers na het verscheiden van den groolen ïheodorik ging de kroon binnen weinige jaren op verschillende hoofden over.
Ook de Frankische vorsten, vooral Theodebert, sloegen den blik naar het Italiaansche schiereiland, terwijl èn Byzantijnen èn Oost-Gothen gevoelden, dat der Franken hulp hun van ontzaglijke waarde zou wezen. Dus werd die hulp van twee zijden gevraagd.
De Frankische vorsten luisterden naar de voorstellen van Justinianus, die hun eene belangrijke som gelds gezonden en eene jaarlijksche schatting beloofd had , als zij zich met hem tegen de Oost-Gothen keerden.
Bei.isarius werd spoedig meester van Sicilië en landde vervolgens (536) in het zuiden van het schiereiland, hopende, dat de Franken in het noorden eene afleiding zouden bewerken. Maar dezen trokken niet over de Alp-ï. Vitiges, Koning der Oost-Gothen, stond den Franken al de Trans-Alpijnsche landen af. Dientengevolge ontruimden de Oost-Gothen Aries, Aix, Avignon, Marseille en werden deze landstreken onder de drie Frankische vorsten verdeeld.
De Merovingische verovering had haar toppunt bereikt, daar in Gallië alleen Narbonne en omstreken West-Gothisch en Bretagne Gimbrisch bleven.
Een leger van tienduizend Burgondiërs (vasallen der Franken) rukte op tot ondersteuning van Vitiges en stelde hem in staat Milaan ten onder te brengen, welke sta'quot; op vreeselijke wijze werd uitgemoord, tot boete voor hare gehechtheid aan de Keizerlijke zaak (538).
Belisarius (1) evenwel vervolgde met snelheid zijn zegevierenden tocht door Italië van het zuiden naar het noorden en bedreigde reeds in de lente van 539 Ravenna, de hoofdstad der Oost-Gothen, waar Vitiges, angstig zijn naderenden ondergang te gemoet zag.
(1) Procopius, die onder de bevelen van Belisarius als Doryphoor (officier) den veldtocht in Italië bijwoonde, schetst dezen veldheer als edel, onbaatzuchtig, nederig, verstandig, moedig, vastberaden, matig en rein van zeden.
3
Belisarius wilde Osimo en Fiesole nemen voor en aleer hij Ravenna ging belegeren, opdat geen vijand hem in den rug zou kunnen bestoken. Ter uitvoering van dit plan zond hij eene afdeeling van zijn leger naar Fiesole, dat ingesloten werd. Eene andere afdeeling moest naar het noordwesten oprukken, Tortona bezetten en zich daar verschansen. Zelf sloeg hij het beleg voor Osimo (Auximum) aan het hoofd van elfduizend man. Osimo, de hoofdstad van Picenum, lag op 84 stadiën (1) (15,5 KM.) van de kust der Adriatische Zee en op drie dagreizen en 80 stadiën van Ravenna.
Het gelukte den belegerden van Osimo en van Fiesole boden naar Ravenna te zenden, ten einde den Koning hulp te vragen.
Vitiges bleef zelf te Ravenna maar zond bevel aan Urajas om met zijne troepen uit Milaan naar de landstreek van de Ticino te marcheeren. Deze voldeed hieraan, trok bij Pavia over de Po en stond plotseling tegenover de legerafdeeling van Belisarius. Gothen en Byzantijnen bleven echter op 60 stadiën (11 KM.) van elkander gelegerd, zonder aan te vallen. De Byzantijnen voldeden aan hun last als zij den Gothen den weg versperden en de Gothen wilden niet aanvallen, ten einde eene nederlaag te vermijden.
Terwijl nu deze afdeelingen zuidwaarts van de Po elkander in ontzag hielden, kwam een Frankisch heir uit het noordwesten opdagen.
Procopius zegt: In dezen tijd (539) bemerkten de Franken, hoe èn Romeinen (Byzantijnen) èn Gothen door den krijg verzwakt waren; zij achtten dus het oogenblik gunstig om een goed deel van Italië voor zich te winnen, Want het kwam hun dwaas voor rustig toe te zien, als anderen zoolang oorlog voerden om de heerschappij over een land, dat voor hen zoo gemakkelijk gelegen was. Zij stapten daarom lichtvaardig heen over de met Gothen en Romeinen kortelings gesloten verdragen â want dit volk is het meineedigste onder alle menschen (2') â, verzamelden snel een leger van 100.000 man en vielen onder Theodebeht, kleinzoon vau Chlodmir en Koning van Austrasië, in Italië. Zij hadden slechts weinige ruiters. Deze vormden de lijfwachten des aanvoerders en waren slechts met lansen gewapend.
Het geheele leger bestond overigens uit voetvolk, dat niet met pijl en boog of lans, maar met zwaard, schild en enkelvoudige bijl streed.
Dit leger trok dan over de Alpen in Ligurië en gaf niet zonder gronl den Oost-Gothen hoop op krachtige ondersteuning. De Franken trokken zonder vijandelijkheden te plegen naar Pavia, waar de Romeinen indertijd de Po overbrugd hadden. De bewakers der brug, niets kwaads vermoedend, lieten het Frankische heir ongehinderd overtrekken. Maar nauwelijks waren Tiieoüebert's benden ten zuiden van de Po aangekomen, of zij richtten een ontzettend bloedbad aan onder de vrouwen en kinderen, die zij konden machtig worden, en wierpen de lijken in de rivier ten offer aan Hella,
(1) 1 KM. = ± 5,4 stadiën.
(2) Est enim haec omnium maxime infida natio. Procopius, De hello Gothico, II, 25.
35
de godin des doods, en aan de Walkyriën, de maagden beschermsters der strijdenden. «Want, zegt Procopius, ofschoon deze barbaren Christen geworden zijn, hebben zij vele van hunne heidensche gebruiken behouden.quot;
Na dit moordtooneel, dat allerwegen schrik en ontsteltenis verspreidde, trok het Frankische leger verder en viel op het onverwachts de Gothen van Urajas in den rug aan. Deze verraderlijke overval bracht te midden der Gothen een .vare paniek teweeg en had tengevolge, dat zij in menigte op de vlucht sloegen en wel midden door de Byzatitijnsche troepen op den weg naar Ravenna.
Toen de Byzantijnen de Gothen aldus zagen vluchten, meenden zij dat Belisarius zelf hen had aangevallen, de vijandelijke legerplaats had veroverd en de vluchtenden vóór zich uitdreef. Zij rukten dus op om mede te werken en stieten zeer tegen verwachting op een vijandelijk leger, dat hen onmiddellijk aanviel. Het gevolg was, dat ook de Byzantijnen door de Franken werden verslagen en niet in hunne legerplaats konden terug-keeren. Zij vloden allen naar Tuscië en meldden van daar de ramp aan Belisarius.
De Franken, op deze verraderlijke wijze in het bezit gekomen van beide legerplaatsen, vonden daar een grooten voorraad van levensmiddelen. Ai spoedig echter was deze voorraad uitgeput en vonden de veroveraars in deze verlaten streken alleen rundvee eu het water van de Po. Door het bijna uitsluitend gebruik van vleesch en rivierwater openbaarde zich spoedig onder de krijgers van Theodebekt een geweldige buikloop, die in weinige dagen een derde deel des legers deed omkomen. Intusschen had Belisarius kennis gekregen van het gebeurde en was hij dientengevolge zeer beducht voor zijn leger en bijzonder voor de belegeraars van Fiesole. Hij schreef daarom terstond aan Koning Titeodebert en bracht hem op waardige wijze de ontrouw aan het gegeven woord onder het oog; deze, wiens krijgers bereids morden over het verblijf in deze noodlottige landstreek, keerde ijlings met de zijnen naar Austrasië terug.
Zoowel Osimo als Fiesole vielen daarna Belisarius in handen, die oprukte naar Ravenna er- deze stad aan de zee- en landzijde deed insluiten. Tijdens het beleg traden zoowel gezanten der Frankische Koningen als van Keizer Justinianus binnen de veste. De Franken boden aan, Italië broederlijk met de Oost Gothen te deelen. Dit voorstel werd afgewezen tengevolge van de redevoeringen der Byzantijnen, die wezen op de trouweloosheid der Franken. Terwijl de onderhandelingen nog niet geëindigd waren, boden de Gothen, het gezag van Vitiges moede, de kroon aan den veldheer Belisarius. Hier vooral schitterde het edele, onbaatzuchtige karakter van Belisarius , daar hij de kroon weigerde en er slechts op bedacht was Italië voor den Keizer te herwinnen.
Procopius, den val van Ravenna vermeldende, zegt woordelijk (1): Bfoen
(1) De hello Gothico, ii, 29.
36
ik op dien dag den intocht van liet Romeinsche leger in Ravenna aanschouwde, rees bij mij de gedachte, dat noch de dapperheid, noch de massa hier den uitslag hadden teweeggebracht, maar eene Godheid (1), die de gemoederen der menschen steeds daarhenen leidt waar zij, aan hetgeen worden moet, geen hinderpaal stellen. Want de Gothen overtroIFen hunne tegenstanders verre in kracht en getal ; zij hadden geen gevecht geleverd sedert hunne komst binnen Ravenna en toch waren zij de krijgsgevangenen van hunne zwakke tegenpartij geworden.quot;
Op het einde des jaars 539 werd Belisarius naar Constantinopel ontboden, ten einde oorlog te voeren tegen de Perzen. Na zijn vertrek werden in de landen ten noorden van de Po verschillende Gothische edelen op den troon verheven, die echter gewelddadig om het leven kwamen. In het jaar 541 werd Totilas tot Koning verkozen, onder wiens kra;htige leiding de Gothen weder aanvallend te werk gingen en groote voordeelen behaalden. Na eene eerste overwinning in 541 drong Totilas allengs zuidwaarts en heroverde hij zelfs Napels (543), welks muren op zijn bevel werden geslecht.
Deze belangrijke overwinningen der Gothen noodzaakten Keizer Justinianus in 544 Belisarius opnieuw naar Italië te zenden. Doch uithoofde van gebrek aan troepen en paarden kon deze geene duurzame voordeelen behalen. Hij keerde in 548 voorgoed naar Constantinopel terug en rustte daar op zijne lauweren.
In het jaar 551 werd Narses tot opperbevelhebber in Italië benoemd.
De Franken weiden intusschen zoowel door den Keizer als door den Gothen-Koning Totilas aangezocht om een verbond ie sluiten. Terwijl de Frankische vorsten steeds weifelende bleven, aan welke zijde zij zich zouden aansluiten, behaalde Narses intusschen belangrijke overwinningen.
In 552 werd het leger der Gothen totaal vernietigd, terwijl Totilas zelf sneuvelde. Hetzelfde lot trof ook zijn opvolger Tejas, die aan Theodebald, opvolger (551) van Theodebert, tevergeefs een bondgenootschap had voorgesteld.
Tiieodeiuld, zwak en ziekelijk, zonder krijgslust, zonder heldenmoed, wilde zich niet in den oorlog begeven, maar Leutuaris en Butilinus namen, ofschoon tegen des Konings verlangen, het bondgenootschap aan.
Leutuaris en Butilinus waren gebroeders van den stam der Allemannen en door Theodebert tot heirtogen verheven, nadat hij de Allemannen had onderworpen. Zij zagen voor de Frankische macht een groot voordeel in een nieuwen veldtocht, meenden dat de veldheer Narses spoedig overwonnen zou worden en waanden zich reeds meester van geheel Italië, zelfs van Sicilië. Zij verwonderden zich over de dwaasheid der Gothen, die bevreesd waren voor zulk een dwerg, voor zulk een verweekten harems-
(1) Sed Numen esse, quod eorum mentes sic flectat etc. De bello Gothico, II, 29.
37
wachter, die eigenlijk niets maunelijks had (1). Vol verwatenheid dus verzamelden zij eene krijgsmacht van 75.000 Franken en Alle.nannen en bereidden alles voor tot een inval in Italië.
Narses (2), de uitnemende veldheer, nooit bedwelmd door den voorspoed, maar altijd bezorgd en voorzichtig, hoorde van het plan van aanval en besloot inmiddels zich meester te maken van de plaatsen in Tuscië, die nog in handen der Gothen waren. Vele van die plaatsen vielen hem zonder slag noch stoot in handen, o. a. I^lorence; andere, bijv. Lucca, gewon hij niet dan na een langdurig beleg. Bij deze laatste oorlogshandeling vooral schitteren de rechtvaardigheid, de edelmoedigheid en de wijsheid van dezen veldheer, die in deugd en talent de evenknie van Belisarius genoemd mag worden.
In den winter van 552 op 553 werd alles voorbereid om de Franken te gemoet te treden. De lente vond tiet leger van Narses verzameld nabij Rome. Hier werden dagelijks degelijke oefeningen gehouden. De troepen moesten marcheeren, in volle wapenrusting te paard springen, de pyrrhicha, eene soort van wapendans, uitvoeren. Ook werden zij dikwerf door trompetgeschal gealarmeerd, opdat zij, in de goede dagen der winterkwartieren, de waakzaamheid niet uit het oog zouden verliezen.
Intusschen trokken Leütharis en Butilinus met hunne benden Franken en Allemannen Italië binnen. Zonder in de omstreken van Rome te komen , vervolgden zij hun weg naar het zuiden, een spoor achterlatend van verwoesting door plundering en brandstichting.
In Samnium had eene scheiding plaats. Butilinus namelijk trok met de grootste helft des legers langs de kust van de Tyrrheensche zee en plunderde Campanië. Leutuaris verwoestte Apulië en Calabrië.
Toen nu de zomer naderde, wilde laatstgenoemde naar Gallië terugkeeren, ten einde rustig te genieten van den behaalden buit. Hij zond boden aan zijn broeder om hem tot een gezamenlijken terugtocht te bewegen, maar tevergeefs. Butilinus, gevleid door het hem geopend vooruitzicht om tot Koning der Gothen te worden gekozen, wilde in Italië blijven en bereidde zich dientengevolge tot den strijd. Leutuaris trok snel terug, opdat, na het in veiligheid brengen van den buit, hij zijne troepen zou kunnen zenden tot versterking van het leger zijns broeders.
Op zijn terugtocht evenwel werd hij door eene vijandelijke afdeeling aangevallen bij de stad Pisaurum aan de Adriatische zee. Met verlies van zijne voorhoede, gelukte het hem het gevecht af te breken en haastig den terugweg te vervolgen. Hij geraakte gelukkig over de Po en hield rust in het Venetiaansche gebied.
(1) Mirari vero se Gothos dicebant, si tantopero homuncionem thalamo et umbratili delitio-saeque vitae assuetum, nihilque masculum et virile prae se ferentem, reformidarent.
Agathias Hist. I, 8.
(2) Narses was, hoewel een gesnedene, een zeer krachtig man naar lichaam en geest. Hij stond hoog in aanzien en bekleedde het ambt van beheerder der bijzondere keizerlijke kas.
PROCOPIUS, De hello Gothico, II, 13.
38
Hier echter berouwde liem zijn overhaaste aftocht, aangezien veel van liet geroofde verloren was gegaan. Doch deze rust werd het leger noodlottig. De pest brak uit en woedde zoo vreeselijk, dat Leutiiaris met het grootste gedeelte zijner benden bezweek. Wat Butilinus betreft, hij trok, na vele steden en kasteelen tot aan de zeeëugte van Messina geplunderd te hebben, snel naar Campanië, aangezien hij vernomen had, dat Narses daar het Keizerlijke leger verzamelde. Butilinus verlangde eene spoedige beslissing van het gewichtig pleit, daar ook hij reeds een belangrijk deel zijns legers door ziekte had verloren.
De zomer (553) was reeds voorbij en de wijngaarden droegen overvloedige druiven. Daar Narses met opzet alles had doen verwoesten, vond Butilinus geene voldoende voedingsmiddelen voor zijne troepen. Uit nooddruft verzadigden zij zich met druiven en leden dientengevolge sterk aan buikloop.
In Campanië aangekomen, legerde Butilinus zich niet verre van Capua aan de rivier Casilinus (Volturno) en omringde zijn troepen met een sterken wagenburcht. Overigens vertrouwde hij op de natuurlijke kracht van het terrein; hij meende namelijk, dat zijn rechterflank gedekt was door den voorbysnellenden stroom. Hij deed de karren, die hij in grooten getale met zich voerde, tot aan de naven der achterwielen met aarde versterken en liet slechts een smallen weg open om aanvallend voorwaarts te gaan.
De brug in de nabijheid der legerplaats werd bewaakt door eene uitgelezen bende, welke daartoe in een opzettelijk gebouwden houten toren -.«'us geplaatst, met den last uit deze dekking de brug te verdedigen en den Romeinen den overtocht te betwisten.
Toen Butilinus al deze maatregelen genomen had, dacht hij goed gehandeld te hebben, alsof het aan hem alléén stond de vijandelijkheden te openen. Wat zijn broeder in Venetië gebeurd was, wist hij nog a.et, maar hij verwonderde zich er over, dat Leutiiaris hem niet, volgens belofie, versterking gezonden had. Toch geloofde hij ook zonder verdere ondersteuning den vijand te kunnen verslaan, daar hij de meerderheid had in getalsterkte. Immers zijn leger telde nog 30.000 man, terwijl de Romeinen nauwelijks 18.000 man sterk waren.
Hijzelf had goeden moed en gaf zijn volgelingen te kennen, dat in den aanstaanden strijd eene gewichtige beslissing lag opgesloteiquot;.
Zoodra Narses bericht ontving van den opmarsch van Butilinus, trok hij terstond van Rome den vijand te gemoet en betrok een kamp tegenover dat, hetwelk door dezen ingenomen was. Terwijl beide legers zich ijverig voorbereidden op den naderenden slag, heerschten bij afwisseling vrees, hoop en twijfel. Intusschen plunderden de Franken de naburige dorpen. Daar het Narses verdroot, dat de Frankische treinsoldaten ongestraft voorbijtrokken, alsof er nog geen Romeinsch leger zichtbaar was, besloot hij dit stroopen nadrukkelijk te verhinderen.
Onder de Romeinsche ruiterij was een Armeniër, Charanges genaamd.
3')
eeu stoutmoedig en schrander officier, wiens tent aan de naar den vijand gekeerde zijc'e van kamp geplaatst was. Dezen ritmeester gaf Narses bevel de vijandelijke treinsoldaten aan te grijpen en hen zoodanig toe te takelen, dat de lust tot fourageeren hun geheel zoude vergaan.
Charanges deed alzoo; hij steeg met eenige soldaten van zijne afdeeling (eskadron) te paard, deed een aanval op een konvooi, maakte zich van de wagens meestor en doodde de voerlieden. Een der wagens, met droog hooi geladen, liet hij tot tegen den houten toren brengen, welken de Franken vóór de brug hadden opgericht, en daarna in brand steken. Het vuur decide zich spoedig mede aan den houten toren, die in vlammen opging, terwijl de bezetting zich met groote moeite in de legerplaats terugtrok.
De troepen van Narses bleven aldus meester van de brug. Dit baarde den Franken onrust en deed hen naar de wapens grijpen. Buiten zichzelven van woede, konden zij zich niet langer bedwingen, maar verlangden nog op denzelfden dag den strijd te beginnen.
Ook Narses liet zijne troepen onder de wapenen komen en voerde hen uit de legerplaats in de ruimte tusschen de beide legers, om daar de slagorde aan te nemen.
Nauwelijks was hij te paard gestegen, of hem werd gekondschapt, dat een Heruier van adellijke geboorte een zijner slaven, tot straf voor een geringen misslag, zonder vorm van proces had doen dooden. Terstond beval Narses den moordenaar voor te brengen, daar hij het als een misdaad beschouwde het gevecht te beginnen vóór en aleer dit vergrijp geboet zoude wezen. Daar de aanzienlijke Heruier niet alleen het feit bekende, maar ook beweerde, dat hij, als alle meesters, het recht had met zijne slaven naar willekeur te handelen en dus geen zweem van berouw betoonde, beval Narses zijnen doryphoren den Heruier onmiddellijk te recht te stellen. De misdadiger werd met den zwaarde gestraft.
Narses koos voor zyne opstelling den alouden phalanx-vorm. Op beide vleugels plaatste hij de ruiterij met werpspiets en zwaard, met pijl en boog, sommigen ook met lans, doch allen met het ronde schild gewapend. Deze afdeelingen ruiterij, onder de bevelen van Valerianus en Astabanes, moesten zich achter kleine bosschen verborgen houden, ten einde onverwachts op te treden en den vijand van twee zijden aan te grijpen. De veldheer zelf bevond zich aan den rechtervleugel.
De geheele ruimte tusschen de beide ruitergroepen werd door het voetvolk ingenomen. In de eerste linie stonden de zwaargewapenden, van top tot teen met ijzer bekleed. Midden in den phalanx was een ledige ruimte voor de Herulers gelaten, terwijl de lichtgewapenden (da slingeraars, enz.) zij-en achterwaarts geplaatst werden.
De Herulers, verbitterd over de terechtstelling van een hunner aanzienlijken, wilden aanvankelijk niet aan den slag deelnemen, maar Sindual, hun aanvoerder, hield het voor smadelijk zich bij een zoo gewichtigen kamp
10
terug le trekken. Hij verzocht Narses te wachten tot hij met de zijnen stelling genomen zou hebben. Narses deed evenwel antwoorden, dat lüj niet wachten kon, maar zou zorgen, dat de Herulers eene plaats ontvingen, ook als zij wat later mochten komen. Toen zetten de Herulers zich welgewapend en in goede orde in beweging. De geheele macht van Narses telde 18.000 man; het grootste deel bestond uit ruiterij.
Het leger der Franken, 30.000 man sterk en bijna geheel uit voetvolk bestaande, was in een wigvorm opgesteld. Aan de spits van deze delta waren do schilden dakvormig in elkaar geschoven, zoodat het geheel deed denken aan den kop eens evers. De verschillende onderafdeeiingen, ongeveer 1500 man sterk, hadden 80 man in front en 18 man in de diepte. Aan beide zijden van de delta of wigge plaatste Butiunus zelfstandige afdeelingen, zeer schuins opgesteld en met de buitenvleugels teruggetrokken, zóódat zij zicli tot op eene aanmerkelijke breedte uitstrekten. Deze diver-geerende fionten moesten dienen om, aan beide zijden door de schilden gedekt, den vijand te beter het hoofd te kunnen bieden, terwijl ook door deze opstelling de bedekking in den rug als vanzelf werd gevormd (1).
Twee Herulers, die kort te voren naar de Franken waren overgeloopen, terwijl zij van het latere besluit van Sindual niets wisten, hitsten de Franken tot den aanval op, zeggende: »Gij zult hen (de Romeinen) in volle wanorde vinden, daar de Herulers in hun trots weigeren aan den strijd deel te nemen en het leger door dezen afval zeer geschokt is.quot;
In de hoop, dat dit gezegde waarheid behelsde, liet Butilinus zich overreden en deed het teeken tot den aanval geven. Vol strijdlust voldeden de Franken aan dit bevel, doch niet geregeld en in rustigen gang, iv,aar met eene overhaasting, alsof zij in den eersten opmarsch het vijandelijke leger overhoop wilden werpen.
Onder dreigende oorlogskreten braken de voorste Franken door het Ro-meinsche centrum heen en kwamen in de ledige ruimte, die nog niet dooide Heruhrs was ingenomen. Verblind door dezen aanvankelijken voorspoed, stormden sommigen nog verder, alsof zij de Romeinsche legerplaats wilden bemachtigen.
Toen Narses dit zag, deed hij allengs zijne beide vleugels naar voren ombuigen en den vijand op zijne beide schuins geplaatste frontzijden aangrijpen. Verder beval hij den boogschutters te paard het vijandelijke leger op de beide flanken te overvleugelen en in den rug te beschieten. Daar namelijk de Franken te voet streden, was hot voor de ruiters gemakkelijk uit de verte de uitgebreide liniën te beschieten, die zich rugwaarts niet verweren konden. Van alle kanten werd de rug der Franken op deze wijze bestreken; de pijlen gierden kruiselings, zonder dat de Franken bespeurden van waar eigenlijk
(1) Aversi enim inter se stabant, ut hostibus adversi essent, et ex tuto confligerent, scutis protect!, terga vero mutua ilia inter se contrapositione tuerentur.
Agatiiias , Histor, II, 8,
41
de schoten kwamen. De meesten hadden trouwens, vechtende tegen de zwaargewapenden, geen tijd om na te denken, daar bijna elk schot in de naakte ruggen doodeüjk was.
Ictusschen waren de Herulers, onder aanvoering van Sindual, opgerukt en vielen zy de Franken aan, die het Romeinsche centrum hadden doorbroken. Dezen, hierdoor verrast en meenende in eene hinderlaag gevallen te zijn, namen ijlings de vlucht. Nu drongen de Herulers voorwaarts en vervolgden hunne tegenstanders, totdat zij deels gevallen, deels in de rivier geworpen waren.
Intusschen was, Butilinus' slagorde èn door deze voorwaartsche beweging der Herulers èn door den aanval op beide vleugels en in den rug, geheel gebroken. De Romeinen schoten nu geene pijlen meer, maar het zware voetvolk en de lichtgewapenden vielen aan met spietsen en zwaarden, terwijl de ruiterij eiken uitweg afsneed. Wie aan het zwaard ontkwam, was genoodzaakt bij de vervolging in de rivier te springen en verdronk.
Van alle kanten klonk het gejammer van hen, die op ellendige wijze om het leven kwamen. De aanvoerder Butilinus sneuvelde met het grootste gedeelte van zijn leger, terwijl aan de zijde van Narses slechts tachtig man vielen, die den eersten stoot des vijands hadden moeten verduren.
Agatiiias verheft zeer hoog het veldheerstalent van Narses en inderdaad deze veldheer gaf blijk van meer dan gewone gaven, toen hij zijne beide vleugels tegelijk deed oprukken en de Franken omvatten op dezelfde wijze als Hannibal dit bij Cannae had gedaan.
Het Frankische leger, dat bereids meende zich de zegepraal te mogen toeschrijven tosn Narses' centrum feitelyk doorboord was, werd op geweldige wijze van zyne illusie beroofd, toen de Herulers in het centrum optraden en de Romeinsche ruiterij zich op beide flanken en in den rug deed gelden.
Nadat de Romeinen hunne dooden hadden begraven, verzamelden zij eene groote menigte wapenen en vernielden de Frankische verschansingen. Met buit beladen en hun veldheer lovend in de victoi ie liederen gt; keerden zij naar Rome terug.
Het geheele veld van Capua, zegt Agathias, was met bloed gedrenkt en de rivier Volturno zoozeer met lijken gevuld, dat zij buiten hare oevers trad. Slechts met moeite baanden zich hare wateren een weg naar de Tyrrheensche Zee, terwijl zij geverfd waren met het bloed der barbaren.
/j.
Van liet hierboven besproken tijdvak tot aan den slag van Tours (732), dat is ongeveer twee eeuwen later, is geene merkbare verandering aan te wijzer in de vechtwijze, nocli in de vorming der legers. Wat van de krijgskunst der Grieken en Romeinen was overgebleven, verdween allengs te midden der bloedige binnenlandsclie oorlogen van de Frankische vorsten.
Bij de wisselingen in dien broederkrijg treden de stammen, die Oud-Nederland bewonen, dikwerf op den voorgrond. Uit dien hoofde is een kort overzicht van de gebeurtenissen in het tijdvak 553â732 voor ons onderwerp onmisbaar.
In 553, het jaar van der Franken ontzettende nederlaag in Italië, stierf Theodebald. Clotarius, zijn oudoom, maakte zich van zijn rijk meester en werd gereedelijk door de Ripuariërs erkend. De Saksische volken van Noord-Nederland waren echter minder geneigd zich te bukken onder Clotarius' schepter. Zij hadden de heerschappij der Ripuarische vorsten geduld omdat de verovering van Thuringen den schrik van den Frankischen naam tot bij de Noormannen had doen doordringen. De noodlottige uitslag der onderneming van Leutharis en Butilinus, waardoor de Franken van zoovele dappere krijgers beroofd werden, scheen den Saksers eene gunstige gelegenheid om hunne onafhankelijkheid te herwinnen. Zij snelden te wapen en deden ook de Thutingers in opstand komen,
Clotarius trok tegen de Saksers op en versloeg hen in eeu bloedig gevecht aan de oevers van den Weser. Zij werden opnieuw aan een jaar-lijksche schatting onderworpen, terwijl het land der Thuringers, tot straf voor den opstand, op gruwelijke wijze werd verwoest.
In het jaar 555 weigerden de Saksers opnieuw de hun opgelegde schatting te betalen, wellicht op aanhitsing van Childebert, die het zijn broeder Clotarius niet vergeven kon, dat deze zich van Theodebald's geheele gebied had meester gemaakt.
43
Clotarius trok wederom aan het hoofd van een sterk leger op om de Saksers te tuchtigen en het is bij dezen veldtocht, dat ten duidelijkste blijkt hoe gering de krijgstucht onder de Frankische legerscharen nog was.
Toen Clotarius namelijk tot aan de grenzen van het Saksische gebied genaderd was, boden de Saksers hunue onderwerping aan. Clotarius wilde die aannemen, doch zijne benden noodzaakten hem den tocht voort te zetten. Toen vroegen de Saksers vrede onder aanbieding van cle helft hunner roerende goederen. Clotarius wilde ook deze vredesvoorwaarden aannemen, uit vreeze van Gods gramschap op te wekken, maar de Franken riepen: »Neen I neen! het zijn logenaars, zij zullen iiun woord niet houden, laat ons hen aanvallen.quot;
Daarna boden de Saksers hunne kleederen, hunne kudden, ja de helft hunner landerijen aan. «Neem dit alles, zeiden zij, opdat onze vrouwen en kinderen gespaard blijven en er geen strijd zij tussclien ons.quot; Clotarius verzocht nu zijnen wapenmakkers (l) van den strijd af te zien en verklaarde niet te willen vechten. Maar de Oost-Franken, dorstig naar bloed en roof, wierpen zich op de koninklijke tent, rukten den Koning met geweld er uit, overlaadden hem met beleedigingen en dreigden hem te wurgen als hij den vijand niet te gemoet trok. Clotarius l;af nu toe, rukte naar de Elbe en bond o; nieuw de worsteling met de Saksers aan. Van beide partijen sneuvelden velen, maar vooral van de Franken. De laatsten leden eene gevoelige nederlaag, zij sloegen op de vlucht en de verbaasde Clotarius was genoodzaakt vrede te vragen, zeggende, dat hij tegen zijn wil gestreden had.
De vrede werd gesloten en Clotarius keerde in zijne landen terug (2).
Intusschen had deze nederlaag een noodlottigen invloed op des konings gezag in Gallië. Een zijner zonen bracht geheel Aquitanie in opstand, terwijl ook zijn broeder IIildebert hem Campania Eemensis (Champagne) trachtte te ontweldigen.
Ook de Saksers en Thuringers verbraken het gesloten vredesverdrag en rukten in Francia, Wanhopig was dientengevolge Clotarius' toestand. Edoch de storm trok voorbij (558â561). De Saksers werden door eene al-gemeene beweging der Franken teruggedreven en Hildebert stierf zonder mannelijke nakomelingen.
Dientengevolge werd voor het eerst sinds den dood van Clovis het geheeie Frankische gebied onder één vorst, Clotarius, vereenigd. Het rijk omvatte bijna geheel Gallië en een groot gedeelte van Germanië.
(1) Leudes was synoniem met wapenmakkers. *
ïAu moment de recevoir le baptème, le chef des Francs-Saliens, arruté par un dernier scrupule de conscience ou par la crainte de déplaire a ses leudes, a ses compagnons cVarmes, vintdemander a Saint Martin la lumière et la force d'ame, dont il avait besoin.quot;
Lecoy de la Manche, St, Martin, p. 385.
(2) Greg. Tur., IV, C. 10â14.
-44
Clotarius stierf in het jaar 562. Zijne vier zonen verdeelden het rijk onder elkander, waarbij de verdeeling vau hel jaar 511 tot grondslag strekte.
Na een tijdvak van onderlinge twisten stierf in 567 een der broeders, Haribert, en vielen zijne landen wederom den overigen broeders ten deel. Van dit tijdstip dagteekent ongeveer de onderscheiding van het land der Franken in 0.sto'-nie {Austiië, Austrasië) en Ni-oster-rike (Neustrië) of Oosten West-Frankenland; ook begonnen omstreeks dezen tijd de onderlinge twisten en oorlogen der Frankische vorsten een allerheftigst karakter aan te nemen, voornamelijk door toedoen van Fredegonde, de bijzit van Hilperik (Neustrië), en Bruxeiiilde, de vrouw van Sighebert (Austrasië). De onverzoenlijke haat, die deze beide vrouwen bezielde, zette het geheele Frankenland in vuur en vlam. De oorlogen, de plunderingen en de moord-tooneelen waren zóó ontzettend, dat Gregoriüs van Tours schrijft: »Er was destijds in de kerken een grooter geklaag dan ten tijde van de vervolging onder Keizer Diocletianus.quot;
Sighebert, oorlog voerende tegen zijn verraderlijken broeder Hilperik, werd vermoord, maar zijn vijfjarige zoon Hildebert werd op het schild verheven door eenige Austrasische grooten, die meenden daarin hun voordeel te zien.
Naarmate de klasse der vrije mannen namelijk verzwakte ten voordeele van de macht der koningen en edellieden of mindere hoofden, kwamen deze laatste elementen allengs met elkander in strijd. De koningen, aangemoedigd door hunne Gallo-Romeinsche raadslieden, wilden hunne getrouwe volgelingen {antrustions) als onderdanen en niet maer als wapenmakkers behandelen. Zij meenden voortaan het recht te hebben, ambten en waardigheden zoowel als de gronden van het koninklijk domein naar welgevallen te geven of terug te nemen.
De groote heeren zagen hierin slechts misbruik van macht; de minderjarigheid van Hildebert was hun dientengevolge eene welkome gelegenheid om hun gezag ten koste van het koningschap uit te breiden. Zij kozen te dien einde een opperhoofd der getrouwen (antrustions), belast met de opvoeding van den jongen koning en het onderhouden van den landsvrede. Dit ambt was niet nieuw. Reeds sedert langen tijd stond boven de edellieden een man, die het algemeen toezicht had op de huishouding des vorsten, de eerste officier van het paleis, de algemeene bestuurder der kroondomeinen, in één woord de hoogste persoon in den staat na den koning.
Men kent den Germaanschen titel van dezen edelman niet. De Gallo-Romeinen noemden hem major-domus. Eene werkelijke omwenteling werd dus volbracht toen de major-domus ophield een dienaar des konings en diens vertegenwoordiger bij de hoofden {leudes) te zijn en hij verheven werd tot bewaker van het koningschap en vertegenwoordiger der leudes bij den vorst.
De Frankische landen bieden ons tijdens het laatste gedeelte der zesde en het eerste gedeelte der zevende eeuw een tooneel van grenzenlooze verwarring.
45
Waar de Frankische rijken gestadig in onderlinge» strijd verkeerden, was het geen wonder, dat er geen krachtige weerstand geboden kon worden aan de buitenlandsche vijanden (1). Ook de krijgskunst geraakte geheel en al in verval door de vernietiging van de tucht, die de oude barbaren hadden gekend.
Toen het treurspel van een halve eeuw in 613 met den gruwelijken dood van de Koningin Brunehilde besloten was, scheen de eenheid van het Frankische gebied werkelijk gevestigd ten bate van Clotarius II, den zoon van Fredegonde. In eene algemeene vergadering te Parijs (614) van de voornaamste edellingen en geestelijken werd de vereeniging van Austrasië, Neustrië en Burgondië bekrachtigd.
Clotarius II stierf in 628. Zijn oudste zoon Dagobert volgde hem op in het geheele gebied, omdat de tweede zoon onnoozel was. Voor de eerste maal werd dus, met toestemming der aanzienlijke mannen, de traditioneele verdeeling van het rijk niet ten uitvoer gelegd. Haribert, schadeloos gesteld met eenig gebied in het zuiden, vestigde zijn verblijf' te Toulouse. Toen hij evenwel in 030 stierf en ook zijn zoontje Hilperik van het leven beroofd werd, voerde Dagobert den schepter tot aan de Pyreneën.
Het begin van Dagobert's regeering was schitterend. Den raad van wijze mannen, als Pepïn, major-domus van Austrasië, en Bisschop Arnulf volgende, recht doende zonder aanzien des persoons, het geringe volk bescliermend, genoot deze vorst de algemeene hulde ook van de vazallen in Thuringen.
Maar het waren de laatste stralen van de ondergaande zon der Merovingers.
Dagobert maakte zich later vele vijanden, zoowel bij het volk als bij den adel en de geestelijkheid, door zijne zedeloosheid en groote verkwistingen, door het heffen van zware belastingen, door het rooven der eigendommen van «leudesquot; en van de inkomsten der kerken. De algemeene ontevredenheid werkte vernietigend op de Frankische macht, vooral toen het lijk geweldige aanvallen te verduren had van de Friezen (2), van de Serben, die tusschen Elbe en Oder, en van de Wenden, die in het tegenwoordige Bohemen woonden. Bij een driedaagschen strijd met de Wenden werd de geheele Frankische legermacht in de pan gehakt.
(1) De geweldige nederlaag van de Franken aan de Aude bij Toulouse getuigt van dit geringe weerstandsvermogen. Het Frankische leger onder Antestius werd daar in 589 door de Gothen in een hinderlaag gelokt en totaal verslagen.
Er bleven in dezen strijd ongeveer 5000 op het slagveld en meer dan 2000 geraakten in gevangenschap. Gregorius van Tours haalt de Spaansche kroniek van Isidorus aan, waarin bevestigd wordt, dat de Gothen nimmer eene grootere zege bevochten hebben.
(2) Dagobert bestreet tl Friezen,
Ende dede ir verliesen
Den slach mitten Bartuwalden:
Ende wat Friezen i behalde Langer als zijn glavy liten Datelic dat hoeft afsmiten.
Klaas Kolijn, Rijmkroniek., bladz. 89,
40
Het was niet door een hevige crisis dat de werkelijke macht der Frankische Koningen, na Dagobert's verscheiden (61.58), op den major domus overging. Zijne beide zonen Sigiiebf.rt en Ciilodwig , kinderen respectievelijk acht en vier jaar oud, volgden hem op in Austrasië en Neustrië. Pepyn van Landen, major-domus van Austrasië, beschermde het kind Sigheberï, terwijl Chlodwig in Neustrië onder de voogdij stond van den Hertog Ega, door Dagobert reeds als major-domus aangewezen.
Na den dood van beide bewindvoerders (640) ontbrandde een birmen-landsche krijg tusschen heerschzuchtige rijksgrooten en een buitenlandsche oorlog met de Wenden en Thuringers, welke laatsten ten slotte de gehoorzaamheid en de schatting aan Austrasië ongestraft weigerden.
In den langdurigen strijd tusschen Austrasië en Neustrië bleef ten slotte (687) Pepyn van Heristal (1), major-domus van Austrasië. overwinnaar. Hij vereenigde Austrasië, Neustrië en Burgondië onder zijnen scliepter, terwijl Theoderik slechts koning was in naam Deze was een der zoogenaamde »roi faineants,quot; die van 638 af, gedurende eene eeuw in stilte den troon bezaten, als spoken beurtelings te voorschijn geroepen en in het niet teruggewezen door de »maires du palais.quot;
De nieuwe regeering quot;van den major-domus Pepyn van Heristal vertoonde schijnbaar het herstel van de alcutle Frankische zeden door de algemeene vergadering {Champ de Mars), waar ook de schijnkoning verscheen op eeu wagen, door ossen getrokken. In werkelijkheid was editor niet alleen de koninklijke macht in verval geraakt; ook liet volk was langzamerhand in macht verminderd en geheel opgegaan in de d:enstl)aailieid aan de groote grondbezitters, die gevolgd door hunne lijfeigenen op de vergadering verschenen.
Pepyn was onder den titel van major-domus, wat de eerste Frankische Koningen geweest waren, het legerhoofd en de opperste rechter van het volk.
In den loop der zevende eeuw geraakte echter door de aanhoudende burgeroorlogen de Frankische macht naar buiten in verval.
Onder Clotarius II waren de Longobarden, onder Dagobert de Saksers bij minzame schikking van schatting vrijgesteld; onder Sighebert II hadden de Thuringers zich met de wapenen vrij gevochten en gedurende de laatste inwendige twisten hadden Beieren, Allemannen en Friezen de overmacht van Austrasië verworpen. De Friezen, die tot in het laatst der zevende eeuw zoo volkomen met de Franken verbonden of aan deze onderworpen waren, dat de gescliiedschrijvers ze niet meer van elkander onderscheiden, hadden niet alleen hun zelfstandig beslaan heroverd, maar namen zelfs eene vijandige houding aan.
Na den dood van den schijnkoning Theoderik (691) wist Pepyn de macht te behouden, zoowel door het plaatsen van diens kinderen op den troon als door de huwelijken zijner zonen met aanzienlijke docliteren uit Neustrië.
(1) Kasteel aan de Maas nabij Luik.
47
De herstelde binnenlandsche rust vergunde hem alle krachten te vergaderen tegen de Friezen, die onder hun Koning Radboud opnieuw den strijd tegen de Franken aanbonden.
Er had een bloedige slag plaats tusschen de beide legers onder Pepyn (1) en Radboud (694) bij het kasteel Durested of Dorstad (Wijk bij Duurstede). De Friezen weiden geheel verwonnen en teruggeworpen ten noorden van den Rijn en van het eiland der Bataven (2).
Vervolgens was Pepyn genoodzaakt tegen de Zwaben (Sueven) te strijden. Tengevolge van deze oorlogen in het noorden was het hem niet mogelijk de zuidelijke provinciën te behouden, die achtereenvolgens van het Frankische Rijk werden losgerukt. Eudes, hertog van Toulouse, breidde zijn gebied tot aan de Loire uit.
Na drie bloedige veldtochten (709â712) werden de Allemannen door Pepyn schaiplichtig gemaakt en beloofden zij bondgenooten der Franken te blijven. Ook werd met de Friezen vrede gesloten.
Maar nauwelijks was Pepyn in zijn kasteel bij Heristal (aan de Maas) overleden (714), of buitenlandsche en binnenlandsche oorlogen ontbrandden opnieuw. De Friezen, de Allemannen, de Beieren hernamen hunne vrijheid. Neustrië kwam weder in opstand, ja verbond zich zelfs met de Friezen en de Saksers om Austrasië te vernietigen. De oude Koning Radboud trok op en viel door Gelderland in liet Frankische gebied. Van het westen rukten de mannen van Neustrië aan en van het oosten stormden de Saksers tot over den Rijn.
In dezen hachelijken toestand stelde Cabolus , de natuurlijke zoon van Pepyn, die vijf-en-tsvintig jaar oud was, zich aan het hoofd van de vertwijfelende volken van Austrasië. Hij wendde zich het eerst tegen Radboud, maar werd verslagen in een lang en bloedig gevecht, waarbij vele dapperen sneuvelden. De overwinnende Friezen oefenden weerwraak door allerwegen vreeselijke verwoestingen aan te richten.
(1) Want Puppyn van Herstelle geboren Die 't sweert van Vrankeric droegh,
Hi had orloghen ghenoech
Jeghen Roboude Gods viant,
Die Hertogh was van Vrieslant,
So dat hi ne verwan met eren In 't Incarnation ons Heeren Ses hondert tnegentich ende viere.
Melis Stoke, Rijmkroniek, Inleidinge.
(2) Cette nouvelle campagne, qui se termina par la défaite totale de Radbod, dans le voisinage de Wijk bij Duurstede, eut pour résultat l'extension de l'Ostrasie jusqu'a la branche septentrionale du Rhin , etc.
van hasselt, Biographie nationale de la Belgiyue, I, p. 46.
48
Karel Martel.
Na de geleden nederlaag ontwikkelde de jonge Karel de geestkracht, de voorziclitiglieid en de stoutmoedigheid, die den groeten krijgsbevelliebber kenmerken. Hij verdeelde de mannen van Austrasië in kleine benden en beval hen door gestadige aanvallen hunne vijanden af te matten. Deze tactiek werd met zulk een gunstigen uitslag in toepassing gebracht, dat er in kleine gevechten groote voordeelen werden behaald en moed en zelfvertrouwen herleefden.
Austrasië strekte zich te dien tijde uit van het eiland der Bataven tot aan de omstreken van Metz; oostwaarts werd de grens gevormd door den linker Rijnoever. Ten platten lande en ook in sommige sleden was de Frankische bevolking overwegend; in de oude steden echter bleef het Gallo-Romeinsche element sterk vertegenwoordigd Nochtans vormden de strijdbare Austrasiërs, één van taal, zeden en traditie, het krachtigste, het meest aaneengesloten nationale lichaam in Europa, dat nu verpersoontijlvt werd in den machtigt ten kiijgsheld, die sinds Clovis' tijd in het westen was opgestaan. In 71/ trok Karel tegen Neustrië op. Allen vereenigden zich onder zijne bevelen, behalve de partij van Plechtrudis, de weduwe (echte vrouw) van Pepyn , die Keulen en eenige andere versterkte plaatsen bezet hield.
Op den 21sten Maart /17 had de gewichtige slag plaats, die besliste over liet bezit van het geheele Frankenland. Langdurig was de strijd. Die van Neustrië waren het sterkst in getal, maar het gros werd gevormd door de Gallo-Romeinsche bevolkingen der steden, die zoowel in physieke kracht als in behendigheid, strijdvaardigheid en wapening ondergeschikt waren aan de mannen van Austrasië (1).
De uitslag van het gevecht was wederom een bewijs te meer voor de stelling, dat in den oorlog de getalsterkte niet alles is en dat de hoedanigheid hier als overal boven het aantal gesteld moet worden.
De nederlaag der mannen van Neustrië was zoo volkomen, dat Karel hen tot Parijs vervolgde. Daarop trok hij terug en wendde zich naar Keulen, welke stad hare poorten voor hem opende.
Plechtrudis overhandigde Karel de schatten van Pepyn en de bekwame veldheer werd door geheel Austrasië als lieirtorj uitgeroepen.
De Saksers en Friezen waren intusschen gedurende Karll's strijd tegen Neustrië wederom plunderend in Austrasië gevallen. ïegen deze vijanden wendde Karel, na zijne verheffing, al zijne krachten aan. Hij verwoestte
(1) Men beschrijft Karel's strijders als bedekt met helmGn en maliënkolders.
Het gebruik dezer defensieve â wapenen was dus sinds den tijd van Theoderik (511â533) meer algemeen geworden. Onder dezen vorst toch maakten alléén de voornaamste strijders gebruik van een harnas, dat 12 stuivers (sous) kostte, en van een helm met kam, voor welken 6 stuivers werden betaald.
49
ia 718 te vuur en le zwaard al de Saksische landen ten westen van den Weser tusschen Oost-Friesland en Hessen.
Raghenfried, major-domus van Neustne, verbond zich uit wraakzucht met Radboud, hertog der Friezen (1), en met Eudes, Koning van Aquitanië, die door Hilperik, den schijnkoning van Neustrië, als Koning van het zuidelijk gedeelte was erkend. In het begm des jaars 719 trok een leger van Eudes over de Loire en vereenigde zich met de troepen van Neustrië.
Radboud maakte zich gereed Karel in het noorden eene afleiding te geven en dezen te noodzaken een deel zijner krachten hier aan te wenden, toen hij plotseling overleed ('ij. De Friezen bleven dientengevolge werkeloos en Karel kon al zijne legerscharen naar het westen aanwenden. Nabij Soissons had de ontmoeting plaats.
üe onsamenhangende benden van Neustrië en Aquitanië werden alras verslagen, zoodat Eudes en Hilperik zicli genoodzaakt zagen de wijk naar het zuiden te nemen. Karel strekte de vervolging uit tot aan de Loire en bracht in den loop van het jaar (719) geheel Neustrië tot onderwerping. Eudes sloot met Karel een verdrag, waarbij hij als koning ten zuiden van de Loire werd erkend. Neustrië werd nu voorgoed met Austrasië ver-eenigd onder den schepter van Theoderik, die koning was in naam, terwijl inderdaad Karel's machtig zwaard alles beheerschte.
En waarlijk het oude Gallië had behoefte aan zulk een zwaard, want evenals in de dagen van Attilla dreigde een groot gevaar; niet uit de kille steppen van Mongolië, maar uit de heete zandwoestijnen van Afrika.
De volken van zuidelijk Gallië zagen toch met ontzetting sedert 712 onbekende standaarden dalen van de oostelijke Pyreneën.
De Muzelmannen snelden aan en begonnen hunne verkenningen in de streken, die zij noemden Ei Frandjat (het Frankische land). Gesteund door de Israëlieten, die wraak zochten wegens de tirannieke wetten der Gothisch-SpaaLSche vorsten, plaatsten de Arabieren weldra hunne tenten ongestraft aan de oevers van de Aude; Narbonne werd veroverd en op vreeselijke wijze geplunderd. Het waren deze gebeurtenissen, die den vrede van het jaar 720 tusschen Hertog Kabel en den Koning van Aquitanië hadden verhaast.
Een Arabische legermacht onder aanvoering van El-Samah betrad het gebied van Eudes en bedreigde Toulouse.
(1) Adgilt berichte ti Friezen,
Ende na hem ti verrizen Radebolt;
Klaas Kolijn , Rijmkroniek, bladz. 92.
(2) Uten fonten is hy getoghen
En turn derden daghe gedroghen
Gravewaerts...........
Klaas Kolijn, Rijmkroniek, bladz. 102.
50
Eudes riep zijn volk te wapen om in eun beslis?enden slag zijn lot te bepalen. Op deu llden Mei 721 botsten â zoo zegt een Arabisch historieschrijver â de beide legers tegen elkander met de onstuimigheid van stroomen, die van de bergen afstorten. Het gelukte Eudes den vijand te beknellen lusschen zijn leger en de stad. Na eene langdurige worsteling viel El-Samah , strijdend als een leeuw, en bleef een derde van zijn leger met hem op het slagveld. De overblijfselen van het leger werden verzameld door Abd el-Eahman, die terugtrok op Narbonne en zich daar staande hield, geholpen door de versche troepen, hem toegezonden door El-Samau's opvolger. Eudes trok geen partij van de behaalde voordeelen. De Arabieren hadden eenige jaren rust en maakten daarvan gebruik om langzamerhand zich uit te breiden tot aan de Rhóne. Zelfs ondernamen zij op hunne snelloopende Numidische paaiden strooptochten lot aan Autun, welke plaats den 2'2sten Augustus 725 geplunderd werd.
Hertog Karel intusschen streed aan den Donau tegen de Allemannen. Provence bood dapper tegenstand onder een opperhoofd van verstand en geestkracht, Maurontes genaamd; door dezen werden de Muzelmannen in verschillende kleine gevechten met bebloede koppen teruggedreven. Deze tegenspoed ontmoedigde hen evenwel niet. Integendeel hoe meer verliezen zij leden, hoe meer hun hardnekkige tegenstand werd aangewakkerd.
In 729 werd A b d-el-Ra hm a n' tot Wali of bestuurder van het Iberische schiereiland verheven. Deze man bezat groote talenten en boven alles eene stoutmoedigheid, die hem den aangewezen veldheer deed zijn voor een veroveringsoorlog. Gedurende twee achtereenvolgende jaren kwamen tallooze scharen uit Afrika de macht der Muzelmannen versterken. Eudes zocht geen hulp in het noorden, aangezien hij de Franken vreesde, maar verbond zich met zekeren Othman , hoofdman der Barberen; een volkstam, die oorspronkelijk, d. w. z., vóór de komst der Arabieren, in het noorden van Afrika woonde. Deze Othman verkreeg de dochter van Eudes ten huwelijk, wellicht tot belooning voor het bondgenootschap.
Eudes was in een zeer moeilijken toestand. Hij werd uit het noorden en uit het zuiden to gelijk bedreigd.
Karel had van 720 tot 730 oorlog gevoerd tegen de oude vazallen van het Frankische rijk. De Saksers, de Zwaben, de Beieren, de Allemannen. de Friezen, beurtelings overwonnen, erkenden opnieuw de overmacht van den hertog van Austrasië. Na deze overwinningen was Karel genoodzaakt aan meer voordeelige tochten te denken om zijn overwicht op de Franken le behouden en de krijgshaftige jongelingen van Friesland, enz., die hij na de overwinning onder zijne vanen vereenig d had, aan zich te verbinden.
Karel beweerde, dat Eudes het tractaat van 720 geschonden had, en maakte zich gereed tot bestraffing van deze denkbeeldige ongetrouwheid.
In de eerste maanden van 731 trok Karel over de Loire, verwoestte-
51
Berry, maakte zich meester van Bourges en keerde daarna in zijn gebied terug.
Deze inval had voor Aquitanië noodlottige gevolgen; want, terwijl Eudes oprukte tegen de Franken, had Othman , zijn schoonzoon, Emir der Pyreneëa , een hevigen aanval te verduren van Abd-el-Raiutan. Othman nam de wijk in de vesting Puycerda, maar vluchtte weldra verder, daar hij uiet instaat was haar te verdedigen. Hij werd door de Arabieren vervolgd, achterhaald en gedood.
In het jaar 732 had Abd-el-Rahman eene gedachte macht vereenigd en trok daarmede door den pas van Roncevaux en de vallei van de Bidassoa.
Zijne gevleugelde ruiters overstroomden het Baskische land en dreven de bevolkingen, ondanks heftigen tegenstand, tot aan de Garonne terug. De steden werden geplunderd, de abdijen en kloosters verwoest. Het gros der Arabische legioenen richtte zich rechtstreeks naar Bordeaux, de residentie van Eudes. Deze brandde van verlangen om zichzelven en zijn dochter (Othman's gevangen gemalin) te wreken en trok daarom al zijne strijdkrachten samen aan de samenvloeiing van Garonne en Dordogne. Een enkele dag helaas! ontnam hem de vrucht van vijftig jaren roemvoller, arbeids. Zijn leger werd vernietigd en Bordeaux, zijne hoofdplaats, ging in vlammen op. Eudes had geene andere keuze dan zich gevangen te geven aan de woeste volgelingen van Mohammed of wel zich te werpen in de armen der Franken. Hij koos het laatste; vluchtend over do Loire, snelde hij naar zijn tegenstander. Hertog Karel, en riep diens machtigen arm te hulp.
Inmiddels bewogen zich de drommen der Arabieren tot in de bergen van Auvergne. Sinds Attila's optreden had een invallende vijand zich niet zóó snel en over zulk eene groote uitgestrektheid verspreid.
Na twee of drie maanden van strooptochten in alle richtingen, waarbij zelfs de Loire werd overschreden, trokken al deze benden op bevel van Abu el-Rahman terug en verzamelde het leger zich aan de oevers der Gharante ter voorbereiding tot een tocht, die te gelijk de hebzucht en het fanatisme der Muzelmannen prikkelde. Het object was namelijk Tours en de beroemde cathedraal van St. Martinus , het heiligdom van den godsdienst in El Fr andjet.
Abu-el-Rahman zwoer de basiliek te zullen vernielen en trok over Poitiers, alles op zijn weg verwoestende. Poitiers werd geplunderd en de kerk in de asch gelegd. Plotseling evenwel staakte de overwinnaar zijn marsch, daar de mare hem tegenklonk, dat een ontzagwekkend leger uit het noorden de stad Tours te hulp snelde.
Abd el-Rahman besloot stelling te nemen en de strijders uil het noorden af te wachten in de vlakten van de Vienne en de Glain.
Hertog Karel had onmiddellijk na de aankomst van Eudes den oorlogs-ban afgekondigd, bewust van het groote gevaar dat ook zijn rijk bedreigde.
52
De instelling der getrouwen 01 wapenmakkers, van welke vroeger gewag gemaakt is, had namelijk niet aan het doel beantwoord. Tengevolge van de tuchteloosheid der Frankische benden waren de koningen als het ware gedrongen om het aantal hunner leudes belangrijk uit te breiden en ze door het schenken van grondgebied aan zich te verbinden (1). De nationale vergaderingen werden langzamerhand afgeschaft en de Koning beraadslaagde over de algemeene aangelegenheden alleen met zijne getrouwen. Het element der vrije Franken, als beslissende staatkundige factor, verdween en maakte voor de leudes plaats, die langzamerhand groote grondbezitters werden en de voorloopers waren van den leenadel der middeleeuwen. Evenwel was het bekleeden van een bezoldigd ambt of het vruchtgebruik van een koninklijk domein niet onvoorwaardelijk met de intrede bij des konings getrouwe volgers verbondeti. Want volgens Marküi.f, die in de zevende eeuw leefde, kwam bet in zijn tijd nog dikwerf voor, dat vrije Franken, die grond in eigen-duin bezaten, met een gevolg van verwanten en knechten aan des konings hof verschenen om door het afleggen van den eed van trouw, ook zonder ee^ koninklijke gift te ontvangen, zich in de »trustequot; te doen opnemen (2).
Het verkrijgen van materieele voordeelen was dus in het Merovingische tijdvak slechts eene toevallige omstandigheid bij de instelling dor getrouwen of leudes en het onderscheid tusschen de leudes van dit tijdperk en de vazallen van het volgende bestond hierin, dat alléén de koning ot de koninklijke familie (3) leudes kon bezitten, terwijl elke vrije Frank vazallen kon hebben, zoodat dus de verhouding der eene persoonlijke, die dei-
vazallen eene zakelijke was.
Evenwel lag het in den aard der verhoudingen, dat ook de Merovingische leudes het stoffelijk belang niet uit het oog verloren, dat zij er eerst naar streefden huu staatkundigen invloed te bevestigen en uit te breiden en zij vervolgens beproefden dien invloed tot hun persoonlijk voordeel aan te wenden.
Vóór alies trachtten zij het zwaartepunt van macht naar hunne zijde over te brengen door de vertrouwelijke vergaderingen, die de koningen (naar de aloude zede der Germaansche gouw-hoofden) met hen hielden, in di; plaats te doen treden van de groote vergadering, die Campus Martius genoemd werd. Dit gelukte hun des te gemakkelijker, daar de koningen het voor hunne macht bevorderlijk achtten om de groote volk.-bijeenkomst in vergetelheid te doen geraken. Op deze wijze werden de Merovingische vorsten afhankelijk van hunne leudes â¢, terwijl zij meenden de vrijheid des volks aan banden te leggen, smeedden zij voor zichzelven de onverdragelijkste boeien. De leudes immers, eenmaal in het bezit van den overwegenden staatkundigen
(!) Koning Dagobert kon reeds een geheel leger uit zijne leudes samenstellen, toen hij, na den dood zijns vaders, met Clotarius II in Burgondië en in Neustrië viel om zijn broeder Charibert te berooven.
K. mannert, Freiheit der Franken , bladz. 162.
(2) Markulf , Form. i, 48.
(3) Koningin Brunehilde had hare eigene leudes. Greg. Tür. IX, 10.
53
invloed, wisten, door hebzucht gedreven, zich koninklijke goederen te verwerven. Deze goeoeren werden niet voor hot leven geschonken, daar de koningen hiermede het middel meenden te bezitten hunne leudes in gestadige afhankelijkheid te houden. Maar juist deze omstandigheid werd den koningen noodlottig. De leudes sloten zich vast aaneen om de hun eenmaal afgestane goederen te behouden en zochten hoofdzakelijk hun steun bij den major-domus, wien qualitate qua het verleenen en het terugeischen van koninklijke goederen was opgedragen.
Ziedaar dus het groote gebrek van de instelling der «leudesquot;. De koningen meenden zich van het volk onafhankelijk te maken, doch geraakten geheel en al onder de macht van een phalanx, die deed denken aan de praetoriani van het Romeinsche Rijk.
De leudes sloten zich ook door veelvuldige onderlinge huwelijken in hunne familiën al nauwer en nauwer aan elkander, de hun eenmaal geschonken goederen werden allengs als erfelijke eigendommen beschouwd, en toen in den loop der zevende eeuw de koninklijke macht tot een schaduwbeeld vervormd was, maakten de aanzienlijke leudes in verbond met den mcvnr-domus zich van alle üskale goederen meester, zoodat den koning slechtquot; zijne villa of residentie overbleef.
De mojor-domus Pepyn tan Heristal, die door de overwinning bij Testri (1) (687) het feitelijk gezag in de drie rijken Austrasië, Neustrië en Burgondië, in handen kreeg, was evenals zijn grootvader Pepyn van Landen een voorstander en bevorderaar van de oud Germaansche instellingen. Hij voerde de sedert lang in onbruik geraakte Volksvergaderinrj weder in en in verband daarmede den gemeenen Heirban of oproeping onder de wapenen. Hiermede had hij ongetwijfeld de bedoeling om den overwegenden invloed der sleudesquot; te breken. Terwijl hij zich namelijk door den heirban uit een krijgskundig oogpunt van de leudes onafhankelijk maakte, kon hij in de volksvergadering door de toestemming der mindere Franken de tegenkanting der »leudesquot; overwinnen en zijne plannen doen zegevieren.
Ka rel, de zoon van Pepyn, volgde, gelijk wij hierboven reeds opmerkten, het voorbeeld zijns vaders, toen de groene vaan des profeets zich dreigend verhief in de vlakten van Aquitanië.
Gedurende den zomer van het jaar 732 schetterden de Romeinsche klaroenen en balkten de Germaansche bazuinen door geheel Neustrië en Austrasië. Uit de boschrijke moerassen aan de Noordzee snelden de halfnaakte strijders naar de Loire, op het voetspoor der zwaar gewapende ruiters van Austrasië.
Deze ontzaglijke massa Germanen en Gallo-Romeinen trok vermoedelijk bij Orleans over de Loire, vereenigde zich met de overblijfselen van het leger van Aquitanië en kwam in October van het jaar 73'2 in het gezicht der Arabieren.
(1) Op Ebroinus major-domus van Neustrië. Verg. bladz. 67.
liet was voor Europa een gewichtig oogenblik. De Franken luidden een voorgevoel van de groote beteekenis van den naderenden strijd. De Arabieren van hunne zijde aarzelden voor het eerst. De twee werelddeelen boezemden elkander wederkeerig verwondering in, door het groote verschil van uiterlijk, wapenen en kleeding.
De Muzelmannen toch, klein van gestalte en licht gewapend, streden voor de overgroote meerderheid te paard. Hunne macht wordt op meer dan 100.000 man begroot, terwijl Karel's soldaten , ongeveer 70.000 man in getal en grooteudeels uit voetvolk bestaande, zich door hunne indrukwekkende lengte en zware wapening onderscheidden.
Karel begon met eene defensieve stelling te kiezen tusschen Tours en Poitiers, den rug geleund aan de Loire en de Cher, ten einde tegen omtrekkingen van den vijand beveiligd te zijn. Zijne slaglinie moet eene belangrijke uitgestrektheid gehad hebben. Het zwaar gewapende voetvolk was in de eerste linie geplaatst, terwijl de ruiterij meer als reserve diende. Bovendien had hij Eudes met de mannen van Aquitanië op een halve mijl (1) zijwaarts (rechts) eene gedekte stelling doen innemen. Deze had in last op een afgesproken teeken den vijand in de flank aan te grijpen.
Gedurende zeven dagen bleven de beide legers roerloos tegenover elkander. Eindelijk besloot Abd-el-Rahman tot den aanval. Een orkaan gelyk stormden de woeste ruiterbenden, de kromzwaarden zwaaiend, op de onbeweeglijke slagoide der Franken aan. De schok was vreeselijk, maar gelijk de golfslag gebroken wordt tegen een onwrikbaar rotsgebergte, zoo stortten de Arabische ruiters verpletterd neder vóór de Frankische linie, aaneengesloten als een marnieren muur.
Hunne aanvallen, ofschoon vele malen herhaald, vermochten de kracht der Frankische slagorde niet te breken. Intusschen had Eudes van Aquitanië langs een omweg getracht in den rug van Abd-el-Raiiman's leger te komen. Deze omtrekking gelukte. Met onstuimige dapperheid werd het legerkamp der Arabieren aangevallen. De daar aanwezige vrouwen, kinderen en knechten vluchtten onder luide angstkreten naar voren en brachten schrik en verwarring te midden der strijders.
Van de hierdoor ontstane verwarring meesterlijk partij trekkend, deed Karel eindelijk zijne Frankische voetknechten voorwaarts gaan, met het gevolg, dat de geheele slagorde van Abd-el-Raiiman werd verbroken. Karel snelde met de strijdbijl in de vuist zijne dapperen vooruit. De Muzelmannen, door eene paniek aangegrepen, weken over de geheele breedte van het slagveld als ware het voortgedreven door een beweegbaar woud van zwaarden, die, zonder verpoozen zich verheffend en nederdalend, bij elke schrede eene reeks vijanden in het stof deden bijten.
(1) 2 km.
55
De avond maakte een einde aan den reuzenstrijd, die ten voordeele van Europa was beslist. Bij het aanbreken van den volgenden morgen zagen de Franken 's vijands tenten op dezelfde plaats, maar de uitgezondene verkenningstroepen vonden het geheele kamp verlaten. Alleen paarden, wapens en bagage waren bij den overhaasten terugtocht achtergelaten.
Hoe gering de krijgstucht nog was, blijkt weder uit het feit, dat de Franken, in plaats van den vijand te vervolgen, zich in het kamp verspreidden om den rijken buit te bemachtigen (1). Volgens Paüi.us Diaconus (die hier o. i. niet van overdrijving is vrij te pleiten) lieten de Arabieren honderd duizend dooden op het slagveld, terwijl het verlies der Franken nauwelijks vijftienhonderd man bedroeg.
Het was tengevolge van dezen merkwaardigen veldslag, dat Hertog Kar el den naam van Martel verwierf, omdat hij, volgens de geschiedschrijvers, » steeds met de strijdbijl (franciska) in de vuist zijne scharen voorging. De kracht der Muzelmannen in Europa was gebroken en Aquitanië voortaan als vazalstaat aan het Frankische gebied gehecht, terwijl liet geslacht van Heristal zoodanig in aanzien steeg, dat Karel het rijk onder zijne zonen kon verdeelen, zooals de Merovingische vorsten dit plachten te doen.
Ten einde zijn gezag meer en meer te bevestigen, trok hij in het volgende jaar (733) tegen Burgondië op en onderwierp het door de kracht der wapenen aan de Frankische heerschappij.
Op dit tijdstip had Karel zijn doel bereikt; hij had namelijk het Frankische gebied wederom de uitgebreidheid teruggegeven, die het bezat bij den dood van Dagobert 1. Hij kon nu geheel zijne kracht aanwenden tegen de Friezen, die onder hun Koning Poppo, opvolger van Radboud, wederom op Austrasisch gebied hunne rooftochten hielden. IJlings «nelde hij van de Durance naar de Waal en deed een inval in Friesland (733).
Wenschende voorgoed een einde te maken aan de invallen der Friezen, deed hij in den winter (733â734) een groot aantal schepen uitrusten in de havens van Neustrië. Terstond na de Maart-vergadering van 734 viel hij Friesland aan van de land- en zeezijde, versloeg en doodde Poppe, vernietigde het Friesche leger, sloopte de heilige bosschen, verbrandde de afgodstempels, bevestigde zijn overwinning door de invoering van het Christendom en keerde met een ontzaglijken buit in Austrasië terug. Het vreeselijk strafgericht, over de Friezen gehouden, deed geheel Germanië sidderen en had in het noorden eenige jaren van vrede en rust tengevolge,
Intusschen had Karel wederom te strijden tegen Hunald, zoon van Eudes van Aquitanië, die zich van de Franken onafhankelijk wilde maken. Ofschoon Hunald, zeer moedig, zijn gebied voet vöor voet verdedigde, moest hij spoedig voor Karel zwichten en een verdrag sluiten, waarbij hij trouw zwoer aan den Frankischen vorst.
(1) »Rien ne put les decider h poursuivre les vaincus.quot; Martin, Hist, de France, I.
56
De laatste jaren van Kakel's leven gingen voorbij in onafgebroken oorlogen tegen Burgondië, tegen de Saracenen, die, met de Burgondiërs verbonden, hun macht in liet zuidoosten van het tegenwoordige Frankrijk wederom hadden uitgebreid , en eindelijk tegen de Saksers, wier gebied hij ten derden male verwoestte en die hij noodzaakte schatting te betalen en gijzelaars te leveren. Op het einde des jaars 739 had hij Burgondië voorgoed ten onder gebracht en de Saracenen teruggedreven tot aan de oevers van de Middellandsche zee, waar Luitprand , Koning der Longobarden, hun laatsten tegenstand hielp fnuiken.
In het jaar 740, zeggen de kronieken, regeerde Karel in vrede en voerde hij geen leger naar eenige landstreek; deze omstandigheid wordt door hen geboekstaafd als eene bijzonderheid, gelijk aan het sluiten van den Janustempel in het oude Rome.
Den 22slen October 741 overleed de bekwame aanvoerder in zijne villa * te Quierzy-sur-Oise, na alle naburige volkeren aan het Frankische Rijk te hebben onderworpen (1).
Uit alles, wat hiervoren betreffende Karel Martel is geboekstaafd, valt gemakkelijk af te leiden, dat deze veldheer aan eene onstuimige dapperheid een ongemeen talent paarde in de aanvoering van troepen. In het bijzonder levert de slag bij Tours het bewijs, dat hij met groot beleid van het terrein party wist te trekken tot het opstellen eener legermacht en dat zijne beschikkingen op het slagveld de vergelijking met die van de grootste veld-heeren der oudheid glansrijk kunnen doorstaan. Intusschen moet er de aandacht op gevestigd worden, dat de vechtwijze en de wapening gelijk waren aan die van Clovis en zijn opvolgers en dat nog steeds, tengevolge van de eigenaardige samenstelling en den geringen samenhang van zijne legers, orde en tucht veel te wenschen overlieten. Hoewel de Franken tot het Christendom waren overgegaan, zat het aloude barbarisme hun nog in 't bloed en, gelijk het schip op den oceaan de golven klievend een phospho-risch lichtspoor achterlaat, zoo teekenden de in vlammen opgaande steden en vlekken den weg, door het Frankische leger afgelegd.
Tot welk een hoogen trap van feitelijk gezag Karel Martel naast den Merovingischen schynkoning gestegen was, bleek ten duidelijkste toen hij, op het einde zijns levens, al zijne leudes om zich verzamelde en met hunne toestemming het rijk onder zijne zonen verdeelde, zooals vroeger de Mero-vingische vorsten gewoonlijk deden.
(1) Na Puppijn (als ic voren seide)
Die den hertoge Roboude onder leide,
Wart Here sin soen Karel Marteel,
En de dwanc alle die Lande gheheel,
Van Vrieslant tot over Gheronde;
Melis Stoke, Rijmkronyk, Inleidinge.
57
Karloman, den oudsten zoon, werden Austrasië, Allemannië of Zwaben, Frankenland aan gene zijde des Rijns en Thuringen toegewezen, terwijl de tweede zoon Pepyn (de korte bijgenaamd) het gezag over Neustrië, Bur-gondië en Provence verkreeg.
De kroniekschrijvers noemen noch Aquitanië noch Friesland onder de landen, die verdeeld werden, waarschijnlijk omdat zij alleen schatplichtig waren aan het Frankische Rijk.
Dat rijk zou den geweldigen overwinnaar niet overleefd hebben, als h'y niet, met zijn bloed, ook zijne dapperheid en zijn krijgsmanstalent aan zijne zonen had nagelaten.
Met uitzondering van de Arabieren, die onderling verdeeld waren, verhieven na Karel's dood al de omringende stammen het zwaard tegen het Frankische Rijk. Ten einde aan deze opkomende stormen het hoofd te bieden, sloten Karloman en Pepyn zich vast aaneen en bedachten een vernuftig middel om hunne vijanden te ontwapenen. Zij plaatsten namelijk Childerik, een afstammeling der Merovingische Koningen, op den troon van het rijk en regeerden in zijn naam als maires in Austrasië en Neustrië. Terwijl zij door Bonifacius het Christendom, zoowel in Germanië als in Gallië, deden prediken, bestreden zij gezamenlijk en beurtelings de omringende volken, die zich opnieuw vijandig betoonden aan het Frankische gezag.
Het is voor ons doel van weinig belang om over deze opvolgende veldtochten uit te weiden. Genoeg zij het aan te teekenen, dat de beide broeders overwinnaars bleven in de oorlogen, die zij voerden van 74-2 tot 746 tegen Hunald van Aquitanië, tegen der Beieren Heirtog Odilus en tegen Theodebald, Heirtog der AUemannen. Nadat Karloman in 746 zijn maliënkolder tegen de monnikspij verwisseld had, regeerde Pepyn alleen over het geheele rijk.
Deze gevoelde, na nieuwe zegepralen op de Saksers in 748 en 749, zijn gezag onwrikbaar gevestigd en meende, dat het oogenblik gekomen was om metterdaad Koning der Franken te worden. Na den raad van Paus Zacharias te hebben ingewonnen, werd Pepyn door de algemeene vergadering der bisschoppen en leudes te iSoissons als Koning van het geheele Frankische Rijk erkend en met zijne echtgenoote Bertrada door Bonifacius gezalfd en gekroond (751).
Na zijne verheffing wilde hij arbeiden aan de bereiking van een grootsch doel, namelijk; de eenheid van Gallië. Daartoe moesten het zuiden (Aquitanië) en het westen (Bretagne) worden veroverd. Ook dienden de Saksers bedwongen en de laatste Arabieren uit het zuiden verdreven te worden.
Met weinige woorden zij hier aangeteekend op welke wijze Pepyn zijn doel bereikte. Al dadelijk trok hij op tegen de Arabieren, die nog in het zuiden vasten voet hadden, maar wier macht gebroken was door onderlinge verdeeldheid. Niettemin werd de hoofdstad Narbonne met hare onwrikbare Romeinsche murea zóó krachtig door hen verdedigd, dat aan een
5.
58
stormenderhandscheu aanval niet te denken viel. Pepyn deed de stad insluiten en keerde op het einde des jaars 75-2 naar Austrasië terug, na het geheele zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Frankrijk, dat eigenlijk nog door de Gotlien werd bewoond, onderworpen te hebben.
In 753 werd Pepyn's hulp ingeroepen dooi' Paus Stephanus II tegen Astulf, Koning der Longobarden, die, in Midden-Italië doorgedrongen zijnde, Rome schatplichtig wilde maken. Deze Astulf scheen met VVaïfer, opvolger van Hunald, Koning van Aquitanië, een verbond te hebben gesloten, terwijl de Saksers, die in 748 beloofd hadden schatting te zullen betalen, opnieuw in verzet kwamen.
Pepyn was onbetwistbaar een beleidvol legeraanvoerder. Te recht de Saksers als de geduchtste vijanden beschouwende, wendde hij zich het eerst naar het noorden. De strijd was bloedig, maar eindigde met de volkomene onderwerping der westelijke Saksers na de vernieling der door hen gebouwde forten (1).
Pepyn's tocht strekte zich uit tot aan den Weser. Van daar trok hij terug op Bonn, passeerde den R'yu en viel in Burgondië, waar hij een leger oproerlingen versloeg. Ook werd Bretagne nog in hetzelfde jaar (753) onderworpen. Uit deze feiten moeten wij de gevolgtrekking maken, dat Pepyn zijne troepen vrij snel wist te bewegen. Immers de weg van den Weser naar Bonn, vervolgens naar de Jura en van daar naar Bretagne is lang. De groote vergadering en heirbaa had in Maart plaats; derhalve kon het leger niet vóór April tegen de Saksers oprukken. Binnen negen maanden dus wist Pepyn dezen zegevierenden tocht teu einde te brengen.
In het volgende jaar (754) ondernam hij den tocht naar Italië cm Astulf, Koning der Longobarden, te bestrijden, die geweigerd had af te zien van zijne ondernemingen tegen de Pauselijke Stalen. Het Frankische volk gaf zijne toestemming tot dien krijg op het Chauip de Mars te Braine en het leger verscheen tegen het einde van den zomer te velde.
De Franken waren sedert hunne tochten in de 6de eeuw in het bezit van de voornaamste bergpassen, die van Gallië naar Italië leidden. Zij trokken met groote moeite door de kloven van den Mont-Cénis en hunne voorhoede daalde stoutweg in de vlakte van Suza, zonder het gros in te wach'.en. Astulf viel die voorhoede met al zijne krachten aan, evenwel met het voor hem noodlottig gevolg, dat hij geheel werd verslagen. Vele aanzienlijke Longobarden bleven op het slagveld en de veldtocht eindigde met de inname van Pavia en een verdrag, waarbij Astulf zich o. a. verbond den Franken eene jaarlijksche schatting te betalen en den Paus met meer te verontrusten in diens staten.
Reeds in het volgende jaar echter (755) werd dit tractaat door Astulf geschonden. Wederom verwoestte hij de Pauselijke landen le vuur en te
(1) Firmitates, zegt Fredegarius. Contiu IV. De aloude Germaansche hoeven [métairies , villa's) waren allengs in forten veranderd naar den trant van de ttomeinscüe Castra.
59
zwaard, maar opnieuw werd liij door Pepyn overwonnen en wel zóó volkomen, dat hij zich geheel moest onderwerpen en het derde gedeelte zijner koninklijke schatten al» prijs voor den vrede moest afstaan.
Hoewel Astülf's opvolger, Desiüerius, zich weinig door de beloften, aan Pepyn gedaan, gebonden achtte en al spoedig vijandig des Pausen gebied in de omstreken van Ravenna betrad, achtte Pepyn dezen vijand niet zoo gevaarlijk als de Saksers, die ondanks hunne beloften voortgingen hunne Christelijke naburen te plunderen. In het jaar 758 vernielde hij wederom al de sterkten, die zij nabij de Fi'ankische grenzen hadden herbouwd, en verkreeg hij van hea nieuwe beloften, die zouden geschonden worden als de vorige.
Nadat Narbonr.e en het geringe gebied, dat de Arabieren nog bezaten, voor Pepyn's zwaard bezweken was, besloot de veldheer in 760 van Waïfer, koning van Aquitanië, herstel van grieven te eischen. Daar Waïfer een weigerend antwoord gaf, trok het Frankische leger over de Loire en rukte naar Berry en Auvergne.
Waïfer, die niet geheel ten strijde gereed was, trachtte tijd te winnen door schoone beloften. Pepyn, hein op zijn woord geloovend, trok terug. Waïfer bereidde nu van 7(30 op 761 alles tot den oorlog voor en viel eensklaps in Burgondië, nadat Pepyn de groote voorjaarsvergadering te Duren aan de Roer [Marcudurum) gehouden en ontbonden had.
In Burgondië geen tegenstand ontmoetend, deed Waïfer geheele landstreken te vuur en te zwaard verwoesten. Pepyn, te recht op het hevigst verbolgen over zulk eene trouwelooze handelwijze, riep onverwachts den heirban op en trok, vergezeld van zijn oudsten zoon Karel, naar Aquitanië.
Waïfer had zijne troepen in versterkte plaatsen gelegerd en meende de Franken te kunnen afmatten door een langdurigen defensieven krijg. Edoch de Frankische benden van Pepyn vviiren sinds lang ook geoefend in den aanval van versterkte plaatsen. Door middel van hunne beleringswerktuigen naar het Romeinsche model wisten zij vele steden te veroveren, o. a. Clermont, dat stormenderhand genomen en verbrand werd.
In het jaar 762 begon eigenlijk de veroveringskrijg. Pepyn en zijne zonen Karel en Karloman rukten aan het hoofd van een zeer talrijk leger naar Beny en berenden Bourges, eene krachtig versterkte stad. Circumvallatie-liniën werden aangelegd. Vele maanden duurde het beleg, hoezeer het gevoerd werd rnet alle soorten van wapenen en oorlogswerktuigen.
Eindelijk deden de stormrammen bressen in de muren ontstaan en drongen de belegeraars de stad binnen. Bourges onderging evenwel niet het lot van Clermont, waar eene menigte van menschen in de vlammen was omgekomen.
Pepyn wist de furia zijner soldaten te bedwingen en behandelde zijne talrijke gevangenen edelmoedig.
60
De zegevierende tocht eindigde in Poitou. Hoewel de veldtochten van 761 en 762 beslissend schenen, zwichtte de onverschrokken Waïfer niet. Ook in 763 toch moest de oorlog worden voortgezet. Het Frankische heir trok verwoestend door Aquitanië en naderde Cahors. Toen besloot Waïfer een beslissenden slag te wagen. Hij viel de Franken [aan met een groot leger van Baskiërs, maar leed eene ontzettende nederlaag.
Daar Pepyn wegens het vergevorderde jaargetijHe het behaalde voordeel niet kon vervolgen en gedurende het jaar 764 door oproerige bewegingen in Beieren en Saksen werd belet zijne krachten tegen Aquitanië aan te wenden, had Waïfer tijd om zijn leger te hervormen. In het voorjaar van 765 ging hij stoutweg aanvallend te werk.
Ir.tusschen had Pepyn Beieren onderworpen, zoodat hij opnieuw met alle krachten tegenover Waïfer kon optreden. Met hoeveel verbittering gestreden werd, hoe wanhopig de tegenstand was, blijkt voldoende uit het feit, dat nog drie jaren moesten verloopen alvorens Aquitanië geheel was ten onder gebracht, ja zelfs, wat nimmer te voren was geschied, een winterveldtocht (767â768) noodzakelijk bleek om het doel van den strijd te bereiken. In den zomer van het jaar 768 eindigde de oorlog met de onderwerping van Aquitanië en het land der Baskiërs, terwijl Waïfer op de vlucht door eenige volgelingen verraderlijk werd gedood.
Pepyn de korte overleefde slechts kort de voltooiing van zijn werk: de politieke eenheid van Gallië. Den 24sten September 768 stierf hij te St. Denis, na, met toeslemming van zijne rijksgrooten, het rijk verdeeld te hebben tusschen zijne zonen Karel en Karloman. Karloman volgde evenwel reeds op den 4den December 771 zijn vader in het graf. Hoewel hij twee zeer jeugdige zonen achterliet, werd Kakel door de voorname mannen van het rijk van Karloman als Koning van het geheele Frankische gebied erkend en gehuldigd.
Karel de Groote (772â814.)
Karel Martel en Pepyn de Korte zijn beiden te recht beroemd èn als veldheer èn ais staatsman. Edoch zij worden verre overtroffen en in de schaduw gesteld door hun genialen nazaat Karel den Groote, den vorst, die, volgens het dicht van Angilbert, boven allen oprijst met zijne hooge gestalte en wiens ontzaglijke eaven van geest en hart hem verheffen tot den reus, die de middeneeuwen beheerscht.
Karel de Groote trad op in het juiste tijdsgewricht, niet om te vernieuwen of te hervormen, maar om voort te zetten en te bekronen, wat Karel Martel en Pepyn hadden gewrocht. In de eerste plaats was het hem opgelegd samenhang en vastheid te schenken aan het uitgestrekte gebied, dat onder zijn schepter was geplaatst.
Gelijk wij hebben vermeld, waren de eerste Karolingers gestadig genoodzaakt geworden de oproerige bewegingen der schatplichtige volken te straffen. Toch bleef de onderwerping dezer volken steeds twijfelachtig. Telkens, als eene gunstige gelegenheid hun geboden werd, verhieven zij opnieuw het zwaard om hunne onafhankelijkheid te heroveren. De onbuigbare geestkracht van Karel den Groote wist ten slotte een einde te maken aan deze, zoowel voor de overwonnenen als voor de overwinnaars noodlottige, wisselingen. Beieren en Aquitanië verloren hunne heirtogelijke dynastieën en werden teruggebracht tot den rang van eenvoudige provinciën des Rijks.
Door zijne wijze staatkunde maakte hij vervolgens van vazal-volken goede en getrouwe onderdanen. Ook tegenover de vreemde volkeren trad Karel de Groote met eene onverzettelijke wilskracht op. Geene overwinning werd door hem als volkomen beschouwd, wanneer zij niet gelijk was aan eene verovering. Eene verovering was in ziju oog nooit beslissend als er geene werkdadige bevrediging op volgde.
02
Ten einde dezen grooten uitslag te verkrijgen, viel hij twintig, dertig keer opnieuw aan met eene bewonderenswaardige standvastigheid, totdat hij den laatsten tegenstand gebroken had Hij is de eerste ouder de vorstelijke veldiieeren, die verschillende legers te gelijk handelend heeft doen optreden en de soldaten heeft doen overwinteren in het vijandelijke land. In zijne onwrikbare standvastigheid ligt voorzeker liet geheim van zijue verbazingwekkende en bestendige overwinningen.
De Saksische stammen zagen hunne aloude republikeinsche staatsregeling ineenstorten en moesten zich buigen onder Karll's scliepier; de Longo-barden waren verplicht de ijzeren kroon op het hoofd van den Frankischen Koning te plaatsen; de woeste volkstam der Avaren werd geheel uit Europa verdreven.
De vijanden, die hij niet volkomen ten onder kon brengen, deed hij terugdeinzen en plantte daarna op hun gebied, in Denemarken zoowel als in Spanje, den standaard der beschaving.
Tengevolge van zijne groote krijgstochten beheerschte hij westelijk Europa van de Ebro tot de Elbe en van de Garigliano tol aan de Kyder. Hoewel dit rijk samengesteld was uit verschillende volkeren en bijna overal natuurlijke grenzen ontbraken, vormde het, uit een krijgskundig oogpunt, een vast aaneengesloten en deugdelijk geheel.
De verdediging was met de grootste zorg geregeld. De grensdistricten, door uitgelezen krijgsoversten bestuurd, vormden, onder den naam van marken, een keten van versterkte posten rondom het uitgestrekte gebied, die den vijanden ontzag inboezemde. Ook de zeehavens en de riviermondingen, zoo dikweif verwoest door Scandinavische vloten, werden versterkt, zoodat de zeeroo\ers het niet waagden de kusten te naderen, waar zj steeds de oogen der wachters op zich gericht zagen.
Dezelfde voorzorgen werden genomen aan de landzijde, waar de uitgebreide, lage vlakten van noordelijk Duitschland de invallen der volkeren van het noorden en van het oosten begunstigden. De onderwerping van de Saksers sloot voorgoed deze poort, door welke sedert eeuwen de barbaren zich wierpen op het westen. Gewapend met het geweldige zwaard van het Frankische volk, doorkruiste de machtige Keizer met reuzenschreden het hem toevertrouwde gebied aan het hoofd van het dappere leger, dat gevormd was in de school van Karel Martel en welks zegevierende vanen hadden gewapperd in alle landen van Europa. Evenwel al zijne tochten, al ?ijue oorlogen hadden slechts één doel â den vrede. Nooit was het zwaard in een menschenhand een zóó machtig werktuig ter beschaving. Straalde Karel's genie door in alle takken van het rijksbestuur, hoogst belangrijk vooral waren de hervormingen , door hem ingevoerd in het krijgswezen.
Niets was onrechtvaardiger en kwellender dan de wijze, waarop de legers onder de Merovingische Koningen werden gevormd. Karel de Groote was de eerste, die de legervorming in zijne capilularia onder weiten bracht.
63
Karel's vader, Pepyn, had, zoodra hij tot onbeperkte heerschappij geraakt was, den heiiban tot eene regelmatijie, wettelijk geordende instelling gemaakt, waardoor eik vrij ondenlaan tot den krijgsdienst werd verplicht. De heirban van Pepyn was de invoering van den algemeenen krijgsdienstplicht en de groote vergadering van Maart {Campus Martius) werd ais het ware eene groote controle, eene irspectie, waarbij de stipte vervulling van den zwaar-wichtigen last gestreng werd onderzocht en de overtreders of nalatigen met straffen werden bedeeld.
Pepyn verschoof (7ttl) deze voorjaars-vergadering van Maart naar de maand Mei [Campus Maius) (1) ten einde zoo noodig met de vergaderde troepen terstond len oorlog te kunnen trekken en alle weifelingen en tekortkomingen af te snijden, welke bij eene nieuwe oproeping te vreezen waren.
De vervulling van den dienstplicht werd allengs met grootere gestrengheid geêischt. Het niet verschijnen bij den heirban werd met eene koningsboete van zestig (2) gestraft; bij onvermogen tot betaling verviel de schuldige
in lijfeigenschap (3).
Om de maatschappelijke gevolgen van deze alremeene verplichting tot het verschijnen bij den heirban naar waarde te beoordeelen, moet men vooral de geldelijke beteekenis voor oogen houden. De dienstplichtige moest zijne volledige uitrusting bekostigen en zich op den bepaalden tijd op de bepaalde plaats bevinden, voorzien van leeft cht voor eenige weken. De uitrusting bestond uil helm, borstharnas, en beenstukken van metaal, benevens uit zwaard, schild en lans. De helm kostte destijds (8ste eeuw) zes solidi, het borstharnas twaalf, de beenstukken zes, speer en schild twee; te zamen dus: zes en twintig solidi, eene som, waarvoor men twaalf ossen kon koopen. De geheele uitrusting met den gevordenden mondvoorraad vertegenwoordigde eene waarde van ongeveer vijftien ossen.
Alvorens een blik te werpen op de krijgsdaden van Keizer Karel, schijnt het, tot nadere verklaring van de legervorming, nuttig een oogenblik de aandacht te vestigen op den toestand der bevolking van het uitgestrekte gebied.
Deze bevolking leefde, zoowel bij de Franken als bij de Friezen en de Saksers, hoofdzakelijk van den landbouw Want, behalve de Romeinsche nederzettingen aan den Rijn en aaa den Donau, bestonden er vóór Hendrik den Vogflaar geene steden, terwijl de nijverheid (behalve in de kloosters) op een zoo laag stanüpunt stond, dat de Austrasiërs hunne wapenen en uitrusting uit Neustrië moesten verkrijgen, eene omstandigheid waaruit ten deele de hooge prijs van die krijgsuitrusting wordt verklaard.
(1) Fhedegarius, Contiu., 125.
(2) Solidus was een gouden munt uit den tijd van Keizer Constantyn den Groote en later, wegende 4,55 wichtje.
(3) Capit. II, v. 812, c. 1.
64
Er was een aanzienlijke stand van groote grondbezitters, die den ouden Germaanschen adel vormden en tot alle vrije staingenooten in de nauwste betrekking stonden. De wijze, waarop naast en uit de verblijven der aanzienlijken kleine koloniën ontstonden, toont aan, dat de bezittingen der vrije mannen zeer in waarde verschilden; er waren zelfs vele vrije mannen, die als pachters van kleine erven in hun levensonderhoud moesten voorzien.
Ondanks de instelling van den gemeenen heirban, bleef het gebruikelijk, dat elk groot grondbezitter een gevolg van gewapende dienaren onderhield, welk gevolg hij in den dienst van het rijk evenwel slechts onder de bevelen der graven vermocht aan te voeren. De omstandigheid, dat bij de toenmalige gemeenschapsmiddelen de vruchten der landouwen niet, als thans, ter markt gebracht en tegen zilver verwisseld konden worden, maar ter plaatse verbruikt moesten worden, verklaart voldoende waarom in de middeneeuwen de weelde van den adel voornamelijk in een talrijk gevolg van knechten bestond.
Maar terwijl de groote grondbezitters, zoowel door gewoonte en persoonl'yk voordeel als door de noodzakeiykheid â welke uit den toestand der gemeenschapsmiddelen ontsproot â gedreven werden tot het streven naar vermeerdering hunner knechten of volgelingen, drong de geldelijke last, aan de vervulling van den heirbanplicht verbonden, vele minvermogenden tot pogingen om zich dien last van de schouders te wentelen. De aard der omstandigheden riep derhalve een maatschappelyken toestand in het leven, waarbij de algemeene krijgsdienstplicht hoofdzakelijk door de groote grondbezitters werd vervuld, in ruil voor de diensten, die zij van de minvermogende bevolking genoten. Deze sociale ontwikkeling leidde allengs tot de lijfeigenschap van het grootste gedeelte der bevolking onder de opvolgers van den grooten Keizer.
Wij zullen later te geschikter plaatse op dezen toestand terugkomen en hier alleen nog herinneren aan de groote macht, met welke de graven dooiden Keizer bekleed waren. De oproeping tot den krygsdienst lag geheel in hunne handen. Hij, die door den graaf begunstigd werd, kon rustig te huis blijven; voor dengene evenwel, wien de graaf minder genegen was, vond deze elk jaar een reden tot oproeping (1).
Zoolang echter de groote Keizer leefde, waagden de graven het ze'.den van deze hunne macht misbruik te maken. Immers zoowel door de zendgraven (missi dominici) als op de groote volksvergaderingen, waar elkeen vrijmoedig zijne bezwaren kon blootleggen, waren machtige mi Idelen te beramen om tirannieën te keer te gaan.
Maar ook de geestelijke waardigheidsbekleeders werden materieel genoegzaam in hun ambt gesteund, om hun gezag zelfs tegenover den machtigste der
(1) Capit. III, jaar 811 : Be eau sis, propter quas homines exercitalem obeditiouem dimittere solent. C. 3.
65
staatsdienaren hoog te houden. Die geestelijken waren de natuurlijke beschermers der mindere bevolking. Daarom kon, ondanks de bloedige veldtochten, die de onderdanen der rijks gedurende Karel's regeering hadden bij te wonen, nog een betrekkelijk hooge staat van welvaren door de bevolking worden bereikt.
Karel de Groote was 29 jaar, toen hem door den dood zijns broeders de heerschappij ten deel viel.
Eginhard, zijn geleerde vertrouweling en getrouwe dienaar, beschrijft ons des vorsten kleeding aldus. sKarel, zegt hij, droeg de kleeding der Franken; over het hemd en de korte broek van linnen, droeg hij eene tunica met zijde geboord, tibialen, d. w. z. lange kousen door kruisbanden vast aan het been sluitend, en lage laarzen. Des winters ging over de tunica, tot dekking van borst en schouders, een vest van bevervel of van marterbont. Steeds wikkelde hij zich in een Venetiaanschen mantel en droeg hij aan zijn gordel een zwaard met kruisgevest van zilver of goud. Bij gelegenheid van groote feesten, als hij de gezanten der vreemde volken ontving, droeg hij een zwaard versierd met edelgesteentenquot; (1).
Karel de Groote wordt te recht geroemd niet alléén als een der grootste regenten, maar ook als een der meest geniale veldheeren in de wereldhistorie. Zijn strategisch genie schittert bovenal in de bewonderens-waardige snelheid, waarmede hij zijne strijdkrachten wist te bewegen, om nu eens in het noorden, dan weder in het oosten of het zuiden de aanvallen der vijanden van zijn rijk af te weren. Want al zijne krijgstochten droegen, zooals Guizot (1') te recht opmerkt, een defensief karakter. Zij strekten alle om het grondgebied van het Christenrijk, door Karel Martel en Pepyn den Korte gesticht, tegen de herhaalde aanvallen der barbaarsche (ook in den zin van niet Christen-) volken te verdedigen.
Nu is dit een der groote kenmerken van Karel's veldheersgenie, dat hij, door den nood tot de verdediging gedrongen, als alle groote veldheeren, den verdedigenden krijg aanvallenderwijze voerde, dat hij met onbezweken geestkracht en rusteloozen ijver, maar vooral met wonderbare snelheid naar alle zijden zijne aanvallers aanviel. De verdedigingskrijg werd zoodoende een aanvallende; hij verplaatste den strijd naar het grondgebied der volken, die op het zijne een inval wilden ondernemen.
Het leger, door de graven en heirtogen bijeengebracht, was samengesteld uit vrije mannen (anmani) en lijfeigenen (servi, villam). De eersten waren de eigenlijke strijders (milites), de laatsten deden dienst bij den legertros als zoetelaars, knechten, enz.
(1) Einhardi, Fit a Karoli Imp er at or is, XXIII.
(2) Cours (V hist oir e moderne.
66
De vrije mannen van weinig of geen vermogen waren onderscheiden in landbouwers en vazallen {colnni en vasalli). üe vazallen dienden meestal op de kasteden der lieeien en trokken, met enkele uitzonderingen, allen ten strijde, terwijl de landbouwers of pachters zelden of nooit mede oprukten. Dezeu werden alleen opgeroepen als het land door vijandelijke invallen geteisterd werd. Voorzeker was het eeu der gioote verdiensten des Keizers, dat hij een open oog had, ook voor het gewichtige maatschappelijke belang, in den landbouw gelegen. Trouwens zorg voor den landbouw werd gebiedend gevorderd, omdat allengs meer grondbezit werd verkregen en de neiging tot het landelijk bedrijf steeds vermeerderde.
Een brief van den Keizer aan Fülrad, Abt van St. Denis (1), kan gelden als toonbeeld van eene oproeping tot den krijg en tevens een denkbeeld geven van de voeding, de verpleging, de uitrusting, de krijgstucht, enz.
Deze brief luidt aldus:
«In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Karel de verhevene, door God gekroond, groot en vreedzaam Keizer, door de genade Gods Koning der Franken en der Longobarden, aan Fulrau, abt!quot;
sWeet, dat wij dit jaar onze algemeene vergadering hebben vastgesteld in het oostelijk deel van het land der Saksers, aan de rivier Bota, op eene plaats genaamd Starasfurt (2). Daarom bevelen wij U, op de genoemde plaats U te bevinden, vergezeld van alle uwe mannen, goed gewapend en goed uitgerust, opdat gij zult kunnen trekken naar alle plaatsen waar het ons behagen zal U te doen gaan; wij bedoelen met de wapenen, gereedschappen, krijgswerktuigen, met levensmiddelen en kleederen, zoodanig dat elke ruiter voorzien zij van een schild, eene lans, een zwaard, een houwer, een boog en een koker met pijlen.quot;
»Wij bevelen, dat gij in wagens medevoert gereedschappen van allerlei soort, als: bijlen, schaven, schoppen, ijzeren spaden en andere, noodig tot den oorlog.quot;
«Gij zult levensmiddelen moeten hebben voor drie maanden, te rekenen van het tijdstip van den opmarsch, benevens wapenen en kleederen voor zes maanden. Wij bevelen u verder aan, u in goede orde en langs den kortsten weg naar de aangewezen plaats te begeven en ook de anderen daarop indachtig te maken, dat van de bewoners niets anders mag geëi^cht worden dan gris, hout en water, hetwelk gij zult noodig hebben; dat voeUolk ruiters en wagens bij elkander blijven gedurende den marsch tot aan de plaats der bestemming, opdat niemand worde bekoord om k\.aad te doen.quot;
»Wat de giften betreft, die gij ons moet aanbieden ter vergadering, doe zo ons toekomen omstreeks half Mei, op welke plaats wij ook mogen zijn.
(1) Encyclic a dc placilo generali Jiabendo a. 806.
(2) Stasfurd aan de Bode, linker zijrivier der Saaie.
67
mits deze op uwen weg gelegen zij; maar wij zouden het verkieslijk vinden, dat gij ze zelf kondet aanbieden. Draag zorg in geen enkel opzicht nalatig te z'yn, als ij in ouze gunst wilt blijven.quot;
Met betrekking tut de proviandeering lezen wij op eene andere plaats:
»VVij hebben bevolen, dat. volgens de oude gewoonte, men zich in de provinciën van levensmiddelen zal voorzien voor drie maanden en van wapenen en kleederen voor een halfjaar; hetgeen moet worden uitgevoerd aldus, dat zij, die komen uit de Rijnstreken tot aan de Loire, de drie maanden beginnen te rekenen zoodra zij aan de Loire zullen gekomen zijn; en oat degenen, die komen van de oevers der Loire tot aan den Rijn, ook beginnen te rekenen van het tijdstip, dat zij aan den Rijn zullen aankomen om op te rukken.quot;
))Wat betreft degenen, die aan gene zijde van den Rijn wonen en die bevel hebben om naar Saksen te marcheeren, dat zij weten, dat het land, waarin zij zich van levensmiddelen kunnen voorzien, is de geheele streek van den Rijn tot aan de Elbe; en dat zij, die aan gene zijde van de Loire wonen en naar Spanje moeten marcheeren, hun proviand kunnen trekken in het land tusschen de Loire en de Pyreneën.quot;
Hoe de krijgsdienstplicht door Karel werd afhankelijk gemaakt van de mate van grondbezit, blijkt uit verschillende capitularia. Een voorschrift, door Pertz (4) geplaatst in 803 en door Balüze in 811, stelde vast, dat elk man, wiens geheele bezitting of beneficie vier manses ('2) in volle bebouwing bedroeg, verplicht was op te rukken, hetzij onder bevel van zijn heer, ofwel, als deze niet medetrok, onder bevel van den graaf. Hij, die drie manses bezat, vereenigde zich met een ander, die slechts één manse zijn eigendom noemde. Fen van beiden trok op, terwijl beiden in de kosten van den tocht deelden in evenredigheid van hunne bezitting. Op gelijke wijze vereenigde zich de bezitter van twee manses met een ander van gelijke bezitting. Zij droegen elk de helft in de kosten van uitrusting. Van elke vier bezitters van één manse trok er één uit. Ieder van hen droeg een vierde bij in de kosten.
Deze voorwaarden werden echter somtijds gewijzigd naar de omstandigheden en naar de nooden van den staat. Nu eens werd de verhouding met één trap verlaagd (3) en moesten al degenen, die drie manses bezaten, in persoon optrekken; dan weder moesten allen marcheeren, die eenig beneficie bezaten, onverschillig van welke waarde (4).
Het evenredige gedeelte der bevolking, dat ten oorlog werd geprest, was dikwerf afhankelijk van den te doorloopen afstand, van den graad van
(!) Monumenta Germaniae historica. Scriptore .
(2) Een manse was gelijk aan zes hectaren.
(3) Karoli M., Capitulare Aquense gt; a. 807.
(4) Kauoli M., Capitulare Aquense, a, 807. In primis quicnmque beneficia habere videntur, ommes in hostem veniant.
68
voorspoed, dien de bevolking genoot, en van de meerdere of mindere mate der Keizerlijke gunst.
Als de Saksers bijv. moesten marcheeren naar Spanje of naar het land der Avaren, werd één man van elk zestal gevorderd; als hunne bestemming Bohemen was, trok één man uit van elk drietal; terwijl zij allen zonder uitzondering moesten marcheeren, als de oostelijke rijksgrens te verdedigen viel tegen de Slaven aan gene zijde van de Elbe.
Wat de Friezen betreft, moesten alle graven, vazallen des Keizers en ridders oprukken en van de overige mannen één zevende gedeelte (1).
Al deze voorschriften zijn zoovele teekenen van een wijs en goed bestuur; zij beantwoorden aan de eischen der rechtvaardigheid, welke geen bestuur, hetzij beschaafd of barbaarsch, op den duur straffeloos zou kunnen verzaken.
Elk heer, die vrije mannen in dienst had onder zijn dak, was verplicht die mannen te voeren naar den heirban {in hostem). De wet stelde het aantal dier vazallen vast, dat niet mede behoefde te gaan. Zoo mocht bijv. een graaf vier mannen achterlaten, namelijk; twee tot wachters voor zijne gemalin, en twee om in zijne plaats te treden, bij de regeling van zaken, betreffende het bestuur van het graafschap.
Dat dikwerf groote heeren tegen dit gebod zondigden, bewijst o. a. een capitulum van het jaar 811 (2). De overtreders werden gestraft in den regel met boete, welker grootte in rechte reden stond tot hunne bezittingen aan roerend goed. De straf van geldelijke boete diende echter alleen als er een offensieve krijg gevoerd moest worden. Was het vaderland in gevaar, dan werd elke overtreding van dezen aard als verraad beschouwd en met den dood gestraft.
Alles, wat de verzameling en den opmarsch der troepen betrof, was aan de graven opgedragen en dezen waren persoonlijk verantwoordelijk voor den goeden gang van zaken. De graven werden in deze moeielijke ambtsplichten ondersteund door hunne onderhoorige ambtenaren, die als rechters optraden in de tienden en honderdsten, waarin eik graafschap was verdeeld. Deze ambtenaren, dixainiers en centeniers geheeten, deden dus ook dienst als onderbevelhebbers.
Klom de sterkte van het leger belangrijk of was het doel van den strijd in hooge mate gewichtig, dan werd de leiding gegeven aan een of meer
(1) De Frisionibus volumus, ut comités et vasalli nostri, qui beneficia habere videntur, et »caballariiquot; omnes generaliter ad placitum nostrum veniant bene praeparati. Reliqui vere paupe-riores sex septimum praeparare faciant et sic ad condictum placitum bene praeparati hostiliter veniant. Karoli M . Capit. 807.
(2) Quod episcopi et abbatcs sive comités dimittunt eorum liberos homines ad casam in nomine ministerialium. Similiter et abbatissae. Hi sunt falcon ar ii, venatores, telonarii, praepositi, decani, et alii qui Missos recipiunt et eorum sequentes.
Karoli M., Capit. de expeditione ex ere it al i. Anno 811.
69
heirtogen (duces), wier waardigheid het meest overeenstemt met die van de tegenwoordige maarschalken of chefs van legerkorpsen.
De bevelhebbers hadden eene groote verantwoordelijkheid. De krijgswetten waren ook te hunnen opzichte zeer gestreng; ambtsovertreding of zelfs nalatigheid kon hunne onmiddellijke afzetting tengevolge hebben. De graaf verloor zyne eer, d. w. z., zijn post, en de vazal zijn beneficie. In deze wetten werden evenwel dikwerf veranderingen gemaakt. Zoo is er bijv. een capitulum, dat den graaf niet met ontslag of afzetting, maar met boete bedreigt, als hij zijn plicht heeft verzaakt (1).
De graven waren verplicht, vooral gedurende den marsch, het leven en den eigendom der inwoners te beschermen en gestreng te waken voor het handhaven der krijgstucht. De man, die eenig geweld pleegde in dit opzicht, alvorens de grens (mark, marche) bereikt werd, was gehouden de gemaakte schade te vergoeden.
De bevelhebber, die naliet of weigerde om de buitensporigheden zijner ondergeschikten te beteugelen en te straffen werd van zijn bevel ontheven.
Desertie werd met den dood gestraft (2).
Niemand kon in rechten betrokken worden voor bijzondere zaken, terwijl hij in dienst van den vorst was. Dit zelfde voorrecht strekte zich uit over alle vrije mannen, die onder bescherming stonden van de onmiddellijke vazallen des vorsten.
Ten einde steeds zeker te weten over hoevele strijdbare mannen kon worden beschikt, hadden de missi dominici (zendgraven) bevel om op hunne rondreizen eene telling te doen houden van de vrije mannen en eene nauwkeurige lijst samen te stellen, zoowel van hen, die in persoon konden marcheeren, als van hen, die een of meer helpers noodig hadden om de kosten van den tocht te bestrijden. Insgelijks werden nauwkeurige aanteeke-ningen gehouden van het aantal en de waardigheid der bevoorrechten, van het aantal vazallen die onder hun dak woonden, van het getal en de uitgebreidheid der beneficiën, enz.
Een gewichtige vraag dringt zich op. Hoe was de vechtwijze van Karel's troepen en hunne indeeling in de slagorde? Een volledig antwoord kan op deze vraag niet worden gegeven. De geschiedschrijvers hebben deze byzonder-erheid, voor ons doel zoo belangrijk, met den sluier van het zwijgen bedekt.
Rocquancourt (3) zegt, dat Karel de krijgstucht verbeterde, maar betwijfelt of hij de Romeinsche vechtwijze deed herleven, zooals Daniel in zijne Histoire de France onderstelt. Ware dit het geval geweest, zegt
(1) Et si senior vel comis illius eum domi dimiserit, ipse pro eo eumdem bannum persolvatj et tot heribanni ab eo exeqantur quot homines domi dimisit. Anno 811.
(2) Si quis adeo contumax aut superbus extiterit, ut, dimisso exercitu, absque jussu vel licen-tia regis domum revertatur, et quod nos Teudisca lingua dicimus â¢oHerilizquot; fecerit, ipse ut reut majestatis vitas periculum incurrat, et res ejus in fisco nostro socientur.
Karoli Magni , Capitulare Bononiense, Anno 811.
(3) Cours cVhistoire et d'art militaire.
70
RocqI'ancourt, de krijgskunst zou onder zijne opvolgers niet tot een peil gedaald zijn, lager zelfs dan ten tijde van Karel Martkl. De ooi log tegen de Saksers zou niet zóólang geduurd hebben en de ruiterij zou, onder zijne regeenng, niet eene zoo belangrijke getalsterkte hebben verkregen, met betrekking tot het voetvolk ; eindelijk zouden zijne paladijnen (1) geene romanhelden geworden zijn, wat een sprekend bewijs is, dat reeds de persoonlijke dapperheid in de plaats was getreden van de tactiek.
Een ander militair schrijver (2) oppert de meening, dat Karel, te midden zijner gewichtige werkzaamheden als souverein, als veroveraar en als wetgever van een zoo uitgestrekt en uit zooveel verschillende elementen samengesteld gebied, zich minder heeft kunnen bezig houden met de bijzonderheden der tactiek, dan met de groote combinatiën en algemeene regelingen.
Al zijne oorlogen toch bewijzen, dat hij er vooral op bedacht was, om de beweeglijkheid zijner legers te verhoogen, een streven, dat de vermeerdering der ruiterij volkomen verklaart. De ruiterij, die in den slag van Poitiers (732) het 1IS van de sterkte der infanterie bezat (12.000 ruiters op 60.000 voetknechten), telde onder Pepyn den Korte reeds de helft van het voetvolk. Onder Karel den Groote had de ruiterij evenwel eeae grootere getalsterkte dan liet voetvolk.
De redenen, door de bovengenoemde schrijvers aangehaald om hun denkbeeld te wettigen betreflende het verval der Romeinsche veclitwijze, komen ons niet geheel afdoende voor. Kahel's genie was allesomvattend. Hij wijdde zijne aandacht zoowel aan het kleine als aan het groote; dit getuigen zijne wetten, bekend onder den naam van Capitularia. Als wij overwegen, dat hij daarin afdaalt tot bijzonderheden de krijgstucht betreffende (3), dan mogen wij met grond onderstellen, dat ook de bijzonderheden der tactiek niet aan zijne aandacht ontsnapt zullen zijn.
Als reeds onder den grooten Keizer de Romeinsche indeeling en veclitwijze in verval waren, meenen wij dit veeleer te moeten toeschrijven aan het belangrijk verschil van karakter, vorming en samenstelling tusschen de Romeinsche legers en die van Karel den Groote,
De Romeinsche krijgslieden vormden eigenlijk staande legers. Zij waren steeds onder de wapenen in kasteden en verschanste kampen ; zij konden geregeld en aanhoudend geoefend worden. De krijgers, door Karel den Groote en zijne paladijnen aangevoerd, waren geene beroepssoldaten; zij
1
De twaalf paladijnen waren strijders van hoogen rang, die zich door buitengewone dapperheid hadden onderscheiden. De latere waardigheid van maarschalk schijnt hel meest met die van paladijn overeen te komen.
71
waren vrije mannen {arimani) ofwel vazallen, die onder hunae graven {comités) en heirtogen (duces) ter Maart- of Mei-vergadering togen, als daar heirban gehouden werd. Bij een leger, op deze wijze uit verschillende volken samengesteld, kon de tactische opleiding niet zoo deugdelijk wezen als bij de Homeinen.
Toch is het waarschijnlijk dat Karel de Romeinsche gevechtsvormen, wellicht min of meer gewijzigd, in stand gehouden heeft, vormen, welker voortreffelijkheid, tegenover de driehoeken, wiggen ofphalanxen der barbaren, zoo dikwerf gebleken was. Aangezien de tijdgenooten ons ecliter volstrekt in het duistere laten betreffende deze gewichtige aangelegenheid, zoo is het voor ons doel van weinig belang Keizer Karel op al zijne tochten te volgen.
Hoewel, ter wille van het verband, eene vermelding der voornaamste krijgstochten onvermijdelijk is, kan hier meer bijzonder het licht vallen op den veeljarigen strijd tegen de Saksers, die ten deele ook op Nederlandschen bodem gevoerd werd.
Reeds vroeger is de aandacht gevestigd op het kostbare van de uitrusting des krijgers, aangezien de helmen, borstharnassen of kurassen en de lansen meer in zwang kwamen. Een krijgsman uit het Karolingische tijdvak (1) (IXde eeuw) was, naar de bestaande afbeeldingen, gekleed in tunica, korte broek, lange kousen en eene soort van sandalen. Hij droeg helm en kuras en was gewapend met zwaard, lans en schild.
De tunica, uit gekleurde wol vervaardigd, had lange mouwen, die tot aan den elleboog schuilgingen onder de (± 5 centimetors breede) ijzeren, horizontaal gerangschikte platen van het kuras. Deze platen waren bevestigd op leder, dat geplooid onder het kuras uithing en tot aan de knie reikte, gelijkvormig aan den Schotschen kilt.
De ijzeren helm, van vierhoekigen vorm met rood lederen piek, was van binnen met leder bekleed en voorzien van ijzeren keelbanden.
De korte broek had eene bruine kleur evenals het leder, terwijl de kousen door gekruiste lederen banden vast aan het been sloten,
Eindelijk werd over het geheele costuum een wit wollen mantel gedragen, die tot op de kuit afhing en om den hals met koperen haak en oog werd bevestigd.
Het zwaard was recht met kruisvormig bronzen gevest en gegroefde kling, welker uiteinde eene afronding vertoonde, die bewees, dat het wapen alléén lot houwen bestemd was. De scheede hing door middel van eene halfcirkelvormige ijzeren plaat in eene opening van den lederen bandelier.
Het cirkelvormige schild, dat van hout vervaardigd en met leder overtrokken was, droeg in het middenpunt een ijzeren kegel en was gevat in een ijzeren band.
De lans van hout, voorzien met ijzeren punt, had bijna dubbele manslengte.
(1) racinet, Lc costume historique, t. iv.
72
Het geheele costuum was eene ontaarde kopie van dat der Romeinen.
Wat de vaandels betreft, vinden wij opgeteekend, dat de mantel van St. Martinus nog steeds het teeken was op den Koninklijken standaard. Verder hadden de heeren, die aanvoerders waren, ook hunne kleine vaandels, genaamd banier (gonfanon, gonfalon, bannière) en pennon (bassinet of bacinet). De banier was eene vierkante vaan, welke alleen gevoerd werd door de hooge baronnen (chevaliers, bannerets) of baandeiheeren. De pennon was een driehoek en behoorde aan de ridders van den tweeden of derden rang.
De reuzenstrijd tusschen Franken en Saksers, die reeds woedde tijdens liet leven van Karel Martel en Pepyn den Korten, beiieerschte ook geheel de regeering van Karel den Grooten. Alle andere oorlogen schijnen gering van beteekenis in vergelijking van dezen kamp op leven en dood der twee machtigste Germaansche stammen en het is de onvergankelijke roem van Karel den Grooten, dat hij in deze worsteling heeft gezegevierd.
Groot nog was het verschil in godsdienst, zeden en gewoonten tusschen Franken en Saksers op het tijdstip, waarop Karel de Groote als Koning van het geheele Frankenrijk werd erkend.
De Saksers, meer nog aan de Noormannen dan aan de Germanen verwant, waren hardnekkig in het heidendom en zonder centraal gezag. Zij vormden omstreeks de helft der achtste eeuw drie bondgenootschappen. Het eerste bondgenootschap was gevestigd langs de beide oevers van de Beneden-Elbe; het tweede in de landstreek tusschen de Boven-Elbe en den Boven-Weser en het derde ten westen van den Weser. De bondgenootschappen waren wederom verdeeld in gouwen, die elk hun eigen opperhoofd erkenden. Het volk bestond nog uit drie kasten, die zich niet met elkaar vermengden, namelijk: edelingen, frijlingeu en ülen of laten. Aangezien dit volk dus geen aaneengesloten geheel vormde en alléén in geval van een algemeenen krijg één enkel opperhoofd gehoorzaamde, was het moeielijk aan te vallen.
Terwijl Pepyn de Korte in de laatste jaren zijns levens hoofdzakelijk strijd voerde in hel zuiden van Gallië, hadden dj Franken aan den rechter Rijnoever veel van de vijandige Saksers te verduren. Zonder algemeenen inval drongen de Saksers steeds naar het westen en overweldigden zij langzamerhand het land der Bructeren en andere Frankische kantons. In het begin des jaars 772 waren zij gevestigd langs den IJssel, de Lippe, de Roer en de Sieg, voorts langs den Rijn van het eiland der Bataven, gewoonlyk
6.
74
Batavia genoemd, tot zuidwaarts van de Sieg. Aan den mond der laatstgenoemde rivier hadden zij eene sterkte gebouwd. Hunne aanvallen werden allengs driester, omdat van tegenweer geen sprake was, Hun haat tegen het Christendom openbaarde zich door het aanvallen en verwoesten van Christenkerken. Een Engelsch zendeling. Liefwijn genaamd, wiens kerk te Deventer door de Saksers werd verbrand, begaf' zich stoutmoedig geheel alleen naar den Weser en dorst de Saksers bedreigen met liet machtig zwaard van den grooten Koning der Franken.
En op deze bedreiging volgde snel de daad.
In Mei 772 werd te Worms de heirban gehouden. Van daar trok Karel terstond met het geheele leger over den Rijn (vermoedelijk door middel van vlotten) naar de Boven-Lippe, welke landstreek de groote gevechten van Arminius, Varus en Germanicus had aanschouwd.
Alles werd te vuur en te zwaard verwoest (1).
ïen slotte maakte Karel zich ook meester van het versterkte kasteel {castrum) Eresburg (2) en vernietigde hij het afgodsbeeld , door de Saksers Irminsul genaamd, hetwelk te midden van Eresburg op den top van een heuvel of berg was opgericht. Na deze overwinning verbleef het leger nog een korten tijd aan den Weser. Hier ontving Karel twaalf gijzelaars en nam de onderwerping der Saksers aan. De voorwaarden van onderwerping waren voor de Saksers zeer gemakkelijk. Karel stond hun toe in de Frankische landen te blijven, hopende hen door goedertierenheid voor zich te winnen.
Terwijl Karel aldus in 't noorden streed, ging Desiderius, Koning der Longobarden, voort met het doen van invallen in de landen van het Exarchaat. Hij ontnam den Paus vele plaatsen, zonder dat deze bij machte was aan die tyrannie weerstand te bieden.
Paus Adrianus zond dientengevolge een gezant aan Karel den Grooten, welke den Koning ontmoette te Thionville in den winter van 772 op 773. Karel, overtuigd dat hij tegen Desiderius moest oprukken, die weigerde de genomen plaatsen terug te geven, hield eene algemeene tegen-vergadering te Genève. Daar ter plaatse weid het Frankische leger in twee afdeelingen gesplitst. De eerste afdeeling trok onder bevel van Bernard (3), oom van Karel, over den berg Jovis (4), terwijl Karel zelf aan het hoofd van de tweede afdeeling den Mont-Cenis overschreed. Desiderius deed vergeefsche pogingen om weerstand te bieden aan de goed aangevoerde Frankische benden. Terwijl hij trachtte bij de passen van den Mont-Cenis Karel's leger tegen te houden, werd hij door Bernard omgetrokken. Aldus van twee zijden aangevallen, leed iiij de nederlaag en kon hij slechts liet gros
(1) Ferro et igne cuncta depopulatus. Einhard , Annates Francorum.
(2) Stadtberg ten zuiden van Paderborn.
(3) Volgens Eckhardt werd de berg naar dezen krijgsoverste St. Bernard genoemd.
(4) Groote St. Bernard,
75
zijns legers redden van den ondergang. Hij ging terug op het versterkte Pavia en werd hier door Karel belegerd.
Het beleg van deze stad leverde zoovele moeielijkheden op, dat de Franken genoodzaakt waren hier den geheelen winter door te brengen. Eerst in de lente van 774 gaven Pavia en andere versterkte steden zich over. Koning Desiderius viel met vrouw en dochter, benevens al zijne schatten, in Karel's handen. Geheel Lombardije kwam tot onderwerping. De Lon-gobarden echter verloren noch hunne landerijen, noch hunne eeretitels, noch hunne ambten. De nationale wetten bleven in stand. Karel voegde aheen bij zijn toenmaligen titel dien van «Koning der Longobarden.quot; Het was dus slechts eene staatkundige verovering, die alweder een bewijs te meer is voor Karel's gezond verstand.
Terwijl Karel aldus in het zuiden optrad voor het recht, gingen in het noorden de Saksers opnieuw aanvallend te werk en maakten zij een nieuwen veldtocht noodzakelijk. Zij vernietigden de in hun oog ontwijde vesting Eresburg geheel en al en deden invallen in Hessen en in Friesland. Zij plunderden o. a. Duraburg en Deventer.
Karel bracht den winter van 774 op 775 door in zijn domein van Quierzy en besloot daarom den strijd tegen de trouwelooze Saksers opnieuw aan te binden en de wapenen niet neder te leggen, dan na hen te hebben gedwongen zich aan den Christelijken godsdienst te onderwerpen of wol na hen te hebben vernietigd.
Hij hield dan de Mei-vergadering in de stad Duren en trok van daar over den Rijn aan het hoofd van al de strijdkrachten zijns rijks. Zijn eerste object was het kasteel Siegburg, waarin de Saksers een garnizoen hadden gelegd, Siegburg werd stormenderhand veroverd.
Vervolgens trok Karel naar het verwoeste Eresburg, deed dit geheel herstellen en plaatste hierin eene Frankische bezetting. Voor zooverre ons bekend is, was dit de eerste keer, dat Karel een Frankisch garnizoen in 's vijands land achterliet. Van Eresburg werd gemarcheerd naar den Weser, waar de Saksers met het doel om Karel den overtocht der rivier te betwisten, zich in massa bij Brunesberg (1) vereenigd hadden. Doch hun pogen was vergeefs. Reeds bij den eersten schok werden zij teruggeslagen en op de vlucht gedreven met ontzaglijk verlies. Karel trok over den Weser en richtte zich met een deel zijns legers naar de rivier de Ocker, terwijl de achterblijvenden een kamp betrokken aan den Weser, nabij de plaats waar nu Lubeck gelegen is. Hessuinus, een der voornaamste Saksische hoofden, trok Karel te gemoet, leverde hem de gevraagde gijzelaars en deed de belofte van getrouwheid. Karel nam daarop den terugtocht aan en ontving gedurende dien tocht in het land van Bücheburg (2) de hulde
(1) Ten zuidoosten van Hoxter.
(2) Ten oosten van Minden (Westphalen).
7(3
van de Angzariërs, insgelijks behoorend tot deu stam der Oostphaliërs, die zich met hunne voornaamste hoofden aan hem vertoonden en evenals hunne stamgenooten, bovengenoemd, den eed van trouw aflegden en gijzelaars leverden.
Terwijl Koning Karel afwezig was, had intusschen het aan den Weser achtergebleven deel des legers een verraderlijken aanval te doorstaan.
Einiiard zegt, dat deze legerafdeeling zich liet verrassen door de Saksers. Toen de kudden der Franken door hunne bewakers omstreeks het negende uur van den dag (1) in de legerplaats werden teruggeleid , drongen tevens tal van Saksers mede binnen, die veinsden de kameraden der Franken te zijn. Onverwachts wierpen de Saksers zich op de slapende Franken en richtten onder dezen een vreeselijk bloedbad aan. Zy werden echter teruggedreven door den moed der Frankische soldaten, die waakten en een ge-duchten tegenstand boden.
Zoodra Karel van dit feit bericht ontving, rukte hij aan met alle mogelijke snelheid en vervolgde iiij de vluchtende Saksers, van welken een groot aantal werd gedood. Na ook van de Westphaliërs gijzelaars ontvangen te hebben, trok Koning Karel terug, ten einde den winter in het land der Franken door te brengen.
Opmerking verdient hier de wijze, waarop in de verpleging van het Frankische leger werd voorzien. Uit den tekst van Einiiard toch blijkt, dat het Frankische leger kudden met zich voerde, tot voeding van de troepen. Dit verhaal is dus volkomen in overeenstemming met den inhoud van den vroeger vermelden brief of het marschbevel aan Fulrad, Abt van St. Denis, waarin o. a. wordt bevolen levensmiddelen mede te voeren voor drie maanden. De geschiedschrijver Henri Martin verkeert dus in dwaling als hij spreekt van sfourageursquot;.
Ofschoon uit het verhaal niet blijkt, hoever de afdeeling des Konicgs van het kamp verwijderd was, toen Karel bericht ontving van den overval der Saksers, zoo toont de vervolging der vluchtende vijanden toch helder aan met welke snelheid en voortvarendheid de operatiën onder de leiding van den grooten veldheer geschiedde. Het gedeelte, ter vervolging aangewezen. moet evenwel uit ruiterij hebben bestaan, anders is de sne'.heid onverklaarbaar.
In Frankenland teruggekeerd, verneemt Karel, dat de hertog van Frioul een opstand heeft verwekt in Noord Italië en dat bereids vele steden zijne partij hadden gekozen, terwijl hij streeft naar de koninklijke waardigheid. Begrijpende, dat het van het hoogste belang is, dien opstand onmiddellijk te onderdrukken, snelt Karel met zijne keurbenden (leudes) naar Italië. In den winter van 775 op 776 wordt deze opstand door Karel gedempt.
(1) Circa nonam diei horam (ongeveer ten 3 ure n. m.). Einiiard, /innales Francorum, DCCLXX.V.
77
worden de verloren ot' afvallige steden zonder slag of stoot hernomen en keert de veldheer even snel terug, als hij er was heengetogen.
Nauwelijks is hij cie Alpen over, of boodschappers komen hem te gemoet; zij verhalen, dat de sterkte Eresburg door de Saksers is ingenomen en het Frankische garnizoen, voor overmacht bukkend, met wapenen en vaandels is afgetrokken. Ook het kasteel Siegburg was belegerd, maar niet in 's vijands handen gevallen, liet garnizoen had een stouten uitval gedaan en het was gelukt de belegeraars tot den aftocht te noodzaken.
Deze tijdingen deden Karel besluiten het leger te Worms te verzamelen en met snelheid wederom het land der Saksers binnen te trekken.
Na den heirban te Worms gehouden en een talrijk leger verzameld te hebben, trok Karel liet Saksenland binnen met eene zoodanige snelheid, dat alle pogingen door den vijand in 't werk gesteld om tegenstand te bieden daardoor als 't ware verlamd werden (1).
Ten einde de snelheid, waarmede Karel zijne troepen wist te verplaatsen, eenigszins te verklaren, dient hier te worden aangeteekend, dat onder Pepyn's regeering en niet minder onder Karel's bestuur talrijke wegen en pleisterplaatsen werden hersteld en vernieuwd; dat alle heeren, eigenaars of vruchtgebruikers van landgoederen gehouden waren, volgens hun vermogen, levensmiddelen en vervoermiddelen te schaffen voor den Koning en zijn gevolg, hetwelk op zichzelf een klein leger vormde, bestaande uit (paladijnen), lenden, klerken, wachten, enz.; dat de etappen werden aangewezen door de ligging van vele steden en landgoederen over heel het grondgebied verspreid en dat 's Konings gevolg waarschijnlijk geheel en al uit ruiterij bestond. Toch zijn ook de strategische marschen van het geheele leger bewonderenswaardig en stempelen zij alleen Karel reeds tot een van de grootste veldheeren der wereldhistorie. Terecht merkt een Fransch schrijver op: »De Frankische helden schenen, te beginnen met Karel Martel, de wieken des Romeinschen adelaars en tevens zijne stoutheid en zijn genie geërfd te hebben.quot;
Aan de oevers van de Lippe gekomen, vond Koning Karel daar eene menigte uit het trouwelooze volk, die berouwvol, naar het scheen, zich kwam onderwerpen en vergiffenis afsmeeken voor de begane misdrijven.
Karel behandelde de Saksers wederom met zachtheid en deed degenen doopen, die verklaarden Christen te willen worden (2). Hij nam de bedrieglijke beloftenâ de gezworen trouw niet te zullen verbrekenâ die zij hem opnieuw boden , aan en ontving de vereischte gijzelaars. Vervolgens deed hij de sterkte Eresburg wederom herstellen en ook een fort oprichten aan den
(1) .....tanta celeritate ad destinatum a se in Saxonia locum pervenit, ut oranes hostium
conatus, quibusei resistere parabant, ilia festinatione praevorteret. Einiiard. A mi ales Francorum , DCCLXXVI.
[2) Cui cum et misericorditer ignovisset, et eos qui se christianos fieri veile affirmabant, bapti-zari fecisset, .... Einiiard, Annnles Vrancorum, DCCLXXVI.
78
oever van de Lippe. In beide kasteelen liet hij een sterk garnizoen achter, toen hij terugtrok naar Gallië om den winter door te brengen in liet voorvaderlijk kasteel Heristal aan de Maas.
Het kan voorzeker niet ongepast genoemd worden, in het voorbijgaan hier de aandacht te vestigen op het feit, dat Karel de Groote steeds met groote zachtmoedigheid en lankmoedigheid tegenover de Saksers te werk ging en dat zij door hem niet verplicht werden liet Christendom te aanvaarden.
De tekst van Einhard is in dit opzicht volkomen duidelijk en vernietigt de legende, die tot op onzen tijd is voortgeplant, als zouden de Saksers met het zwaard bekeerd zijn geworden.
Waarom duurde de oorlog tegen de Saksers zoovele (33) jaren ?
Einhard geeft ons het antwoord in zijn; Leven van Keizer Karel. sGeen oorlog, zegt hij, was langer, was hardnekkiger voor het Frankische volk, omdat de Saksers, gelijk bijna alle volken die Germanië bewonen, woest van aard waren en overgegeven aan den eeredienst der duivelen (scultui dsemonum deditiquot;). Vijanden zijnde van den Christelyken godsdienst, meenden zij schaamteloos de goddelijke en menschelijke wetten te mogen schenden.quot;
»Er waren nog andere oorzaken, die uiteraard dagelijks tot verstoring van den vrede leidden. Onze grenzen namelijk palen evenals de hunne bijna overal aan een vlak land en slechts bij uitzondering zijn het op weinige plaatsen groote wouden en hooge bergen, die op meer bepaalde wijze de grenslijn tusschen de beide volken aanwijzen. Daardoor werden van beide zijden herhaaldelijk moord en roof gepleegd. Deze buitensporigheden verbitterden de Franken dermate, dat zij besloten den Saksers in een geregel Jen oorlog te bekampen; deze strijd, eenmaal begonnen, werd gedurende drie en dertig jaar voortgezet met gelijke hartstochtelijkheid van beide zijden, maar noodlottiger voor de Saksers dan voor de Franken. De oorlog had eerder beëindigd kunnen zijn, indien de trouweloosheid der Saksers geen beletsel ware geweest. Het zou moeilijk zijn te zeggen hoevele keeren zij als overwonnelingen de genade des Konings afsmeekten en zwoeren zijne bevelen te gehoorzamen; hoevele keeren zij zonder uitstel de gijzelaars leverden, die men van hen eischte, en de bestuurders ontvingen, die hun werden gezonden ; hoevele keeren zy zelfs zoodanig vernederd en verslagen schenen, dat zij beloofden den eeredienst der afgoden prijs te geven en zich aan den Christelijken godsdienst te onderwerpen. Maar als zij snel gereed waren om dergelijke verbintenissen aan te gaan, toonden zij zich tegelijkertijd zoo haastig in het verbreken daarvan, dat men waarlijk niet zou kunnen zeggen welke van deze beide neigingen bij hen de sterkste was. Inderdaad, sedert het begin van den oorlog ging er nauwelijks één jaar voorbij, dat niet werd gekenmerkt door eene dezer veranderingen.quot;
sMaar de groote moed van den Koning, zijne onwrikbare standvastigheid.
79
zoowel in legenspoecl als in voorspoed, werden nooit overmeesterd door liunne veranderlijkheid. Nooit duldde hij, dat zij ongestraft hunne beloften schonden; nooit begingen zij trouweloosheden, zonder dat een leger, aangevoerd door hem of door zijne graven, iiun eene rechtmatige bestraffing ging toedienen, totdat hij eindelijk, na volkomen te hebben gezegevierd over alles wat hardnekkig weerstand bood, tienduizend van degenen, die de Elbe bewoonden, met hunne vrouwen en kinderen deed verplaatsen naar duizend verschillende oorden van Gallië en Germanië.quot;
Deze zijn de woorden van Einhard.
Nadat de Koning in de lente van 777 het Paaschfeest te Nijmegen hftd gevierd, besloot hij (terecht de beloften der Saksers wantrouwende) te Pader-born (1) de Mei-vergadering te doen houden. Hij trok dus naar het hart van het Saksenland aan het hoofd van een talrijk leger. De hoofden zoowel als het volk der Saksers gaven gevolg aan Karel's oproeping en verschenen te Paderborn om van hunne trouw blijk te geven. Witikind echter, een van de voornaamste hoofden der Westphaliërs, die zich bewust was schuldig te zijn aan eene menigte van misdaden en daarom den toorn des Konings vreesde, had een toevlucht gezocht bij Siegfried, Koning der Denen. Allen, die te Paderborn waren verschenen, betuigden hunne vol-komene onderwerping.
Tengevolge van de komst van den Saraceen Iben-Al-Arabi , die de onderwerping aanbood van eenige plaatsen in het noorden van het Iberische schiereiland, trok Karel in het jaar 778 door Gasconje en over de Pyreneeën. Eenige steden, als Pampelona en Saragossa, werden veroverd; de geheele landstreek, onmiddellijk grenzende aan de Pyreneeën, kwam in onderwerping. Maar bij den terugtocht vielen de Gasconjers de achterhoede aan in den bergpas van Ronceval; deze aanval gaf aanleiding tot een hevig gevecht, waarin de bloem van Kahel's paladijnen sneuvelde (2).
Deze tegenspoed was voor den Koning van te meer beteekenis omdat de Saksers, gebruik makende van zijne afwezigheid, opnieuw naar de wapenen hadden gegrepen en aanvallend waren opgetreden. Alle steden en dorpen in de nabijheid van den rechter Rijnoever, van Deutz tot aan den mond van den Moezel gelegen, werden te vuur en te zwaard verwoest (3). Ook de kerken werden geheel en al vernietigd. De vijand spaarde vrouwen noch
(1) Dicht bij de bronnen van de Lippe.
(2) Einhard is de eenige historieschrijver, die melding maakt van den dood van den beroemden Roelant. Hij zegt; nln quo prtelio Eggihardus, regke mensa; praïpoiitus, Anselmus comes palatii, et Hruodiandus, Brittannici limitis prïefectus, cum aliis compluribus interficiuntur.quot; Vita Kavoli inipei'aloris, IX.
Tevens leeren wij hieruit: dat Roelant Markgraaf van Bretagne was of Prefect van de grenzen (marken) van Bretagne.
(3) Quicquid a Diutia civiiate usque ad fluentem Mosello:- vicorum villarumque fuit, ferro et igne depopulati sunt. Eixhakd, Annates Francorum, DCCLXXYI1I.
80
kinderen, als wilde hij daardoor duidelijk aantoonen, dat hij het grondgebied der Franken had betreden, niet om te roeven, maar om zich te wreken.
In de stad Auxerre ontving Karel de tijding van deze ramp en terstond zond hij bevel aan de Oost-Franken om in aller ijl op te rukken en den vijand terug te werpen. Het gelukte aan deze troepenmacht de terugtrekkende Saksers te bereiken in Hessen bij de rivier de Adern. Terwijl de Saksers deze rivier doorwaadden, werden zij aangevallen met zóóveel geweld, dat er slechts weinigen aan het bloedbad, door de Franken aangericht, konden ontkomen.
In het jaar 779 werd de heirban te Duren gehouden en na den veldtocht kwamen de Saksers opnieuw in onderwerping. Dit belette evenwel niet, dat ook in 780 een tocht naar het hart van het Saksenland noodzakelijk was. Terwijl het Frankische leger kampeerde aan den oever der Elbe, werden door Koning Karel voorschriften gegeven aan de Saksers, die den linkeroever bewoonden, en aan de Slaven, welke zich aan den rechteroever van dien stroom hadden gevestigd.
Ook in 782 werd de heirban in de Saksische landen gehouden. In zijn kamp aan de boorden der Lippe ontving Koning Karel de gezanten van Siegfried, Koning der Denen, en van de opperhoofden der Hunnen.
Nauwelijks was hij echter in Gallië teruggekeerd, of Witikind keerde in het Saksenland terug en zette de Saksers tot opstand aan. Tegelijkertijd kwam het bericht van een inval der Slaven, die tusschen de Elbe en de Saaie woonden, in het land der Thuringers en der Saksers. Koning Karel zond onmiddellijk eene legermacht om de Slaven te tuchtigen. Deze troepen, onder bevel van drie graven, leden in het Saksenland eene nederlaag ten-cevol^e van het trebrek aan beleid hunner aanvoerders. De quot;eheele afdeelinpr
O O O ' w
werd in de pan gehakt. Behalve de aanvoerders, sneuvelden tal van aanzienlijke officieren.
Bij het vernemen van deze nieuwe trouweloosheid der Saksers verzamelde de Koning zoo spoedig mogelijk een leger en trok zelf naar Saksen. Witikind had reeds weder de wijk genomen naar het noorden Daar dit opperhoofd dus voor het oogenblik niet bereikbaar was, besloot Karel al degenen, die zich door hem tot opstand hadden laten verleiden, op voorbeeldige wijze te straffen. Vreeselijk was het gericht: vierduizend vijfhonderd mannen werden aan de boorden van den Aller onthoofd.
Deze ontzettende strafoefening vermocht echter geen blijvenden indruk teweeg te brengen. Integendeel, in het volgende jaar was de Koning andermaal genoodzaakt zelf aan het hoofd van zijn leger naar Saksen op te rukken, aangezien de opstand der Saksers algemeen was geworden. Die veldtocht van 783 was merkwaardig, omdat hij werd gekenmerkt door twee veldslagen, de eenige waarin Karel de Groote persoonlijk het bevel voerde. De eerste dezer veldslagen werd geleverd bij den berg Osney, op eene plaats, genaamd Detmold; de tweede had in dezelfde maand plaats aan
81
der oever der rivier de Hase (nabij Osnabrück) op eene plaats, die in de middeleeuwen sSchlachtvörderbergquot; genoemd werd. In deze beide gevechten werden de Saksers zoo geducht verslagen en overwonnen, dat zij voortaan niet meer aanvallend duifden optreden en het zelfs niet waagden de aanvallen des Konings te weerstaan, tenzij beschermd door eene sterke stelling.
De Franken verloren in dezen strijd een gedeelte van hunnen adel en van hunne hoogwaardigheidsbekleeders, evenals de Saksers. De overwinnaar trok oostwaarts voort tot aan de Elbe, al het land op zijnen doortocht verwoestende. Vóór het invallen van den winter keerde het leger echter in het Frankenland terug. De Koning bracht als naar gewoonte den winter door op zijn kasteel Heristal. Ook in 784 was een veldtocht naar het Saksenland noodzakelijk. In dezen veldtocht werden de Franken, in twee legers verdeeld, aangevoerd door den Koning en door zijn zoon Karel.
Hoewel ook in dit jaar vele landen verwoest en vele steden verbrand werden (1), bleek toch de tegenstand zóó hardnekkig, dat de Koning, na te Worms het leger herzameld te hebben, het in het najaar opnieuw oostwaarts deed marcheeren en tegen zijne gewoonte een winterveldtocht hield.
Hij vierde het Kerstfeest in zijn kamp nabij het Saksische kasteel Skidro-burg (ten noorden van Paderborn) en rukte daarna op naar den Weser, alles op zijn doortocht verwoestende.
Daar evenwel het strenge wintergetijde en de overstroomingen hem verhinderden verder te gaan, bracht hij (tnirabile dictu!') den winter door in het fort Eresburg. Hij liet zelfs zijne vrouw eu zijne kinderen daarheen komen. Na in het kasteel eene sterke bezetting gelegd te hebben, ging hij wederom te velde om den vijand afbreuk te doen. Gedurende den geheelen winter van 784 op 785 werd het Saksische land over de gansche uitgestrektheid te vuur en te zwaard geteisterd.
In de daarop volgende lente werd met de gewone plechtigheid de jaar-lijksclie volksvergadering gehouden en wel te Paderborn. Na afloop van deze vergadering vertrok de Koning naar Bardengoo of Bardengau (2). Daar vernam hij, dat de hoofdlieden Witikind en Abbio zich ophielden in het gedeelte van Saksen, dat ten oosten van de Elbe gelegen is. Hij zond hen onmiddellijk Saksische boodschappers, ten einde hen te overreden om zonder aarzelen tot hem te komen en zich te onderwerpen. Nadat hun straffeloosheid beloofd was eu bovendien, als waarborgen voor hunne persoonlijke veiligheid, gijzelaars waren overgeleverd door Amalwinus, een der hooge beambten van het hof, vergezelden zij dezen naar Attigny,
(1) .....venit in campestria Saxoniae, iJuee Albi atque Salce fluminibus adjacent, depopula-
tisque orientalium Saxonum agris ac villis incensis..... Einhard, Annates Francorutn,
dcclxxxi1i.
(2) Dichtbij en ten oosten van Luneburg.
rr i.
8'2
vertoonden zich daar aan den Koning en werden op hun verlangen gedoopt.
De hardnekkige trouweloosheid der Saksers sluimerde nu gedurende eenige jaren; vooral (zegt Einhabd) omdat zij geene gunstige gelegenheid konden vinden om opnieuw in opstand te komen (1).
Terwyl aldus in het noorden eenige jaren van kalmte intraden, was Koning Karel genoodzaakt krijgstochten te doen ondernemen naar Brittannië, naar Italië en naar Beieren en eindelijk tegen de Hunnen en de Slaven aan gene zijde van de Elbe en de Raab.
Van deze veldtochten en van de latere tegen de Saksers wordt door de historieschrijvers, wat de tactiek betreft, niets byzonders vermeld. Enkele zijn merkwaardig uithoofde van strategische maatregelen. Zoo vinden wij opgeteekend, dat in het jaar 789 een veldtocht werd ondernomen tegen den Slavischen stam der Wilzen, ook Welataben genoemd, die tusschen de Elbe en de Oder langs de Baltische zee woonden, omdat deze volken de Abodriten, bondgenooten der Franken, aanhoudend door invallen hinderden. De Saksers namen als hulptroepen aan dezen tocht deel, hoewel zij niet betrouwbaar waren ('2),
Karel deed twee bruggen slaan over c'e Elbe. Een dezer bruggen werd aan beide oevers beveiligd door schansen, die door eene sterke troepenmacht waren bezet.
In den veldtocht van 791 naar Pannonië, bewoond door de Avai-en of Hunnen, rukte Karel's leger in twee groote afdeelingen langs de beide oevers van den Donau voort. Het korps aan den noordelijken of linkeroever werd aangevoerd door graaf Theodorik en door den kamerheer Meganfried, terwijl Karel zelf de afdeeling aanvoerde, die den zuidelijken of rechteroever volgde. De Beieren begeleidden de legerbehoeften, die, in vaartuigen geladen, rivier-afwaarts werden vervoerd.
Aanvankelijk werd het kamp opgeslagen aan de oevers van de Enns, die de grens vormde tusschen de landen der Beieren en der Hunnen. Na een rust van drie dagen werd de marsch voortgezet en werden de Hunnen in hun eigen land krachtig aangevallen. De schansen, door hen opgericht, werden verwoest en het land werd te vuur en te zwaard geteisterd. Het korps van Karel trok over de Raab en volgde den loop dezer rivier tot aan haren mond in den Donau. De terugtocht van dit korps geschiedde langs den aanvankelijk gevolgden weg, maar het korps van Theodorik en Meganfried, dat geheel uit Saksers en Friezen was samengesteld, keerde volgens bevel des Konings, door Bohemen terug. De geheele veldtocht liep gelukkig af. Alleen leed de ruiterij van Karel's korps groote verliezen door het
(1) Quievitque ilia Saxonicae perfidiae pervicacitas per annos aliquot, ob hoe maxime, quoniam oecasiones deficiendi ad rem pertinentes invenire non potuerunt, Einhard, Annates Francorum, dcclxxxv.
(2) Quanquam ficta et minus devota obedientia. Einhard, Vila Karoli imperator is, XII.
83
sterven van duxzende paarden (1). Er bleef slechts een tiende gedeelte dezer paarden over. Dit feit levert ons het bewijs, dat een zeer groot deel, waarschijnlijk. de grootste helft van Karel's afdeeling, uit ruiterij bestond.
De oorlog tegen de Hunnen was echter met dezeu eersten veldtocht niet ten einde. Einiiaed noemt dezen krijg den belanglyksten, door Karel ondernomen, als men den Saksischen strijd uitzondert
Inderdaad, acht jaren duurde het, eer de Hunnen totaal machteloos waren, door het sneuvelen van alle aanvoerders en het verlies van al het goud en zilver, bij hunne tochten op het grondgebied van andere volken geroofd en in de hoofd versterking, »Ringquot; genaamd, tusschen den Donau en de Theiss opgestapeld.
Opmerking verdient, dat Koning Karel, na zijne troepen te hebben ontbonden, den winter van 791 op 792 doorbracht in de stad Begiwn, die nu Regensburg is geheeten.
Reeds in 793 was het noodzakelijk wederom tegen de Avaren op ie rukken. Karel had o. a. een pontonbrug op den Donau doen vervaardigen, om in dien veldtocht te gebruiken. Karel's vertrek werd echter verhinderd door onrustbarende berichten uit Saksen. De troepen namelijk, die onder aanvoering van graaf Theoderik Friesland waren doorgetrokken, hadden nabij den Weser een aanval van de Saksers af te weren en leden daar eene volkomene nederlaag. De Koning zag voor 't oogenblik van den veldtocht af, daar zijn aandacht geheel geboeid werd door eene grootsche onderneming, het graven van een kanaal tusschen de Rednitz ('2) en de Altmuhl, dat de vaartuigen moest in staat stellen van den Rijn in den Donau te geraken. Terwijl de Koning dit belangrijke werk (hetwelk evenwel mislukte door aanhoudende regenbuien en het moerassige terrein) van nabij gadesloeg, ontving hij ongunstige berichten van twee zijden. Vooreerst werd hem kond gedaan van een nieuwen opstand der Saksers en tevens van een inval der Saracenen in Septimanië. Deze inval werd door groote woestheid en stoutmoedigheid gekenmerkt.
Na verschillende gevechten geleverd te hebben tegen de graven van die provincie, na een groot aantal Franken te hebben gedood, keerden de Muzelmannen zegevierend terug, beladen met een onmetelijken buit. In dezen strijd onderscheidde zich Willem au court nez, Hertog van Toulouse Hoewel hij overwonnen werd door Abd-El-Melek aan de samenvloeiing van de Aude en de Orbieu, gelukte het hem door zijne groote onverschrokkenheid de Saracenen tot staan te brengen. Zij leden zulke geweldige verliezen, dat zij genoodzaakt waren van verdere aanvallen af te zien.
Daardoor kon Koning Karel in 794 weder al zijne strijdkrachten tegen de Saksers aanwenden. Nadat hij met twee legerkorpsen Saksenland was
(1) ..... ut vix decima pars de totmillibus equorura remansisse dicatur. Eixhard , Annnles Francorum , DCCXCI.
(2) Zijrivier van den Main bij Bamberg.
84
binnengerukt, kwamen de opgestane volken wederom spoedig in onderwerping.
Toen daarop in de lente van 795 de oo^'logsbau werd afgekondigd, weigerden de Saksers mede te trekken naar I annonië. Koning Karel was dientengevolge genoodzaakt andermaal zijn plan te wijzigen. In samenwerking met de Slaven of Abodriten, zouden nu de Saksers worden aangevallen. Edoch de Slaven vielen in een hinderlaag bij den overtocht van de Elbe en werden geheel vernietigd. Koning Karel , gevoelig getroffen door deze ramp en vooral door het sneuvelen van zijn trouwen bondgenoot Wizinum, der Slaven vorst, deed het Saksenland opnieuw al de kracht van zijne legerbenden gevoelen.
Wij lezen in Einhard's annalen bij herhaling, dat de Saksische gouwen verwoest werden. Die verwoesting is echter waarschijnlijk telkenreize slechts over een deel van het land uitgestrekt, want blijkbaar was de geleden schade spoedig weder hersteld. Ook in den veldtocht van 796 werd bijna geheel Saksen verwoest (1) door het leger onder het persoonlijk bevel des Kcnings, terwijl zijn zoon Pepyn eene volkomene overwinning op de Hunnen behaalde en deze volken terugdreef tot over de Theiss.
In 797 werd de verwoesting van het Saksische land uitgestrekt tot aan de uiterste grenzen, d. w. z. tot daar, waar het, tusschen de Elbe en den Weser, door de zee bespoeld wordt. (2).
Ook in 797 mocht echter de krijg tegen de Saksers nog niet tot eene beslissing komen. Hoeverre men nog van den vrede verwijderd was, blijkt wel uit het feit, dat Koning Karel den winter van 797 op 798 in het Saksische land doorbracht en wel kampeerend aan den oever van den Weser op eene plaats, die van dien tijd af op 's Konings bevel Heerdall werd genaamd.
Gedurende de jaren 798 en 799 woedde de oorlog voort, terwijl de Koning in zijn kamp, nu eens aan den Weser, dan weder te Paderborn, vreemde gezanten ontving en het rijk bestuurde.
Eindelijk, na eene afwezigheid van enkele jaren, zien wij Karel in het jaar 80-i als Roomsch Keizer op naam, maar voor het laatst, aan het hoofd zijns legers het land der Saksers binnentrekken. Het was in dit jaar, dat de bekende verhuizing der Saksers, op Karel's bevel, geschiedde. Hij deed alle de Saksers, die aan gene zijde van de Elbe woonden, met hunne vrouwen en kinderen naar het land der Franken overgaan en gaf hun land aan de Abodriten (3).
(1) Saxonia ex magna parte vastata. Einuard , Annales Francorum, DCCXCVI.
(2) Nee prius destitit, quam omnes terminos ejus peragrasset. Nam usque ad ultimos fmes ejus, qua inter Albim et Wisuram oceano alluitur, accessit. Einuard . Annales Francorum, DCCXCVII.
(3) .... omnes qui trans Albiam et in Wihmuodi (tegenwoordig gebied van Bremen) liabi-tabant Saxones, eum mulieribus et infantibus, transtulit in Franciam, et pagos transalbianos Abodritis dedit. Einuard, Annales Francorum: DCGCtV.
85
Omstreeks denzelfden tijd trok Godfried , Koning der Denen, met zijne â vloot en geheel zijne legermacht naar Sliesthorp (1), op de grenzen van zijn gebied en dat der Saksers, met het doel een samenkomst en een onderhoud te hebben met den Keizer. Deze wachtte Godfried te Hollinstadt nabij de Elbe ten zuidoosten van Hamburg. Maar de samenkomst had niet plaats, daar Godfried, waarschijnlijk door zijne raadslieden daartoe aangespoord, weigerde verder te trekken.
(1) Thans Sleeswijk, hoofdstad van het hertogdom van gelijken naam-
Keizer Karel ontsloeg wederom zijne legermacht en betrok als naar gewoonte zijn paleis te Aken, waar hij o. a. in het begin des jaars 805 het opperhoofd der Hunnen ontving. Deze Hunnenkoning verzocht voor zijne onderdanen vergunning om te mogen bewonen het land, gelegen tusschen Sarwar (aan de samenvloeiing van de Raab en de Gunz in Hongarije) en Hamburg (ten oosten van Weenen aan den Donau), een grondgebied van ongeveer 20 mijlen (lieues) breedte. Zoozeer, zegt Eckhart (1), was de eertijds zoo geweldige natie der Hunnen verminderd. Dit verzoek van de Hunnen geschiedde tengevolge van de aanvallen der Slaven, die hen verhinderden op hun aloud grondgebied te verblijven.
Keizer Karel, de aan hem onderworpen Hunnen willende beschermen, deed in hetzelfde jaar een leger onder het bevel van zijn zoon Karel in het land der Slaven (Boheme) rukken, met het gevolg dat hun grondgebied werd verwoest en hun hertog werd gedood.
In het volgende jaar (806) had op eene algemeene vergadering van alle grooten en edelen des Rijks eene gewichtige plechtigheid plaats. Keizer Karel verdeelde namelijk zijn Rijk onder zijne drie zonen Karel, Pepyn en Lodewijk, opdat ieder hunner zoude weten welk deel des Rijks hij na den dood des Keizers zoude hebben te verdedigen en opdat vrede en eendracht onder hen zouden heerschen.
In de oorkonde betreffende deze verdeeling des Rijks worden eenige belangrijke aanwijzingen gevonden betreffende den maatschappelijken toestand in verband met den krijgsdienst.
De vazal mocht zijnen heer niet verlaten zonder gewichtige redenen, zelfs al deed hij afstand van het goed, hetwelk hij van zijnen heer ontvangen had. Als gewichtige redenen werden aangemerkt:
(1) II, 38.
87
1°. de dood des leenheers;
2°. mishandeling of poging tot het dooden van den vazal;
3°. het onteeren van de vrouw ot' van de dochter des vazals door den heer.
In de laatste jaren van Keizer Karel's leven waren nog enkele krijgstochten noodzakelijk ofschoon de algemeene toestand van het Rijk, dat zich van de Elbe tot den Ebro uitstrekte, vreedzaam genoemd mocht worden. Die krijgstochten werden door des Keizers zonen aangevoerd. Zoo trok de oudste zoon Kauel in 806 tegen de Slaven op en deed hij, na ze overwonnen te hebben, twee kasteelen bouwen, één aan de Saaie en één aan de Elbe, ter plaatse waar thans Halle en Maagdenburg gelegen zijn. Dezelfde Karel werd in 808 met een leger naar de Elbe gezonden om Godfried, Koning der Denen, die een inval gedaan had in het land der Abodriten, in zijn marsch te stuiten, indien deze mocht beproeven Saksen binnen te rukken,
Het kwam niet tot een treffen met Godfried, daar deze vorst terugtrok na aanzienlijke verliezen te hebben geleden. Maar Prins Karel deed een brug over de Elbe werpen (hoe wordt niet vermeld) en rukte op naar het land der Linnen (Linones) en der Smeldingen (Smeldingos), dat aan den oever van den Oder gelegen was, omdat deze volkstammen de zijde van Godfried hadden gekozen. Na in dit land vele verwoestingen te hebben aangericht, keerde hij op zijne schreden terug en bracht hij zijn leger ongedeerd weder in het land der Saksers.
Godfried van Denemarken was blijkbaar een man van geestkracht en talent, en zeker een man van beleekenis als tegenstander van Keizer Karel. Vele uitgewekene Saksers hadden zich in Denemarken metterwoon gevestigd en streden onder Godfried's vanen tegen den machtigen Keizer.
Was het tusschen de legers van Prins Karel en van Godfried niet tot een treffen gekomen, de Deensche vorst trok niet terug zonder belangrijk nadeel te hebben toegebracht aan de Abodriten, die zich onder de hoede des Keizers hadden gesteld. Na zijn terugkomst in zijn Rijk deed Godfried een allerbelangrijkst werk uitvoeren, dat onder gewijzigden vorm tot in deze eeuw heeft voortbestaan. Hij deed namelijk door eene versterking of door eenige versterkingen zijn Rijk van Saksen afscheiden. Eene soort van borstwering of wal werd, van de Oostzee tot aan de Noordzee, langs den noordelijken oever van de Eyder aangelegd. Deze versterkte grensscheiding is tot in onzen tijd onder den naam van Danewerc of Danewirk in aanzijn gebleven en vormde nog eene belangrijke stelling in den oorlog van 1864 tusschen Denemarken ter eene en Pruisen met Oostenrijk ter andere zijde.
De gestadige vijandschap tusschen de beide Slavische volkstammen, die Abodriten en Wiltzen werden genaamd en respectievelijk het tegenwoordige Mecklenburg en Brandenburg bewoonden, gaf bij herhaling aanleiding tot ernstige conflicten tusschen den Deenschen vorst en Keizer Karel, Bij den bovenbedoelden tocht van Godfried hadden de Wiltzen zich onder zijne
88
bevelen gesteld, ten einde het land der Abodriten te kunnen verwoesten, en waren zij met een rijken buit in hun land teruggekeerd.
In het jaar 809 had op voorstel van Godfried eene bijeenkomst plaats van Frankische en Deensche edellieden, ten einde tot eene minnelijke beslechting van bestaande geschillen te geraken.
Vruchteloos was die bijeenkomst, waarschijnlijk omdat men niet van beide zijden oprecht naar den vrede wenschte.
Keizer Karel echter, den hoogmoed en de zwetserij van den üeenschen vorst moede, besloot aan de overzijde (den rechteroever) van de Elbe eene sterkte te doen bouwen en daarin een Frankisch garnizoen te leggen. Dit besluit werd uitgevoerd ter plaatse waar thans Itzehoe gelegen is in Holstein.
In het jaar 810 scheen opnieuw een tocht tegen Godfried van Denemarken noodzakelijk. De Denen of Noormannen waren met eene vloot van 200 schepen op de Friesche kusten verschenen en hadden de daar gelegen eilanden versvoest, vervolgens, het land intrekkende, hadden z'y de Friezen in drie gevechten overwonnen en hun eene schatting opgelegd van 100 pond zilver. Koning Godfried zelf was in zijn land gebleven.
Op deze tijding ontstak de Keizer in hevigen toorn en besloot hij persoonlijk nogmaals aan het hoofd eens legers op te treden. In aller haast werden boden naar alle zijden gezonden, belast met het oproepen eener troepenmacht, die nabij de Lippe aan den rechter Rijnoever werd verzameld. De Keizer nam zelf het opperbevel en trok met geforceerde marschen naar de Aller. Aan de samenvloeiing van deze rivier met de Weser werd het kamp opgeslagen en wachtte de Keizer den Deenschen vorst af. Want, zegt Eginhard, deze vorst, opgeblazen door ijdelen waan, verklaarde pochend dat hij den Keizer in het open veld slag zou leveren (1).
Die slag had echter niet plaats; de Keizer ontving in zijn kamp het bericht, dat de Denen uit Friesland waren teruggetrokken en dat Koning Godfried door een zijner wachten was gedood. Deze dood had ten gevolge, dat de strijd tegen de Denen althans voor eenigen tijd werd gestaakt.
Zeer opmerkenswaardig is hier des Keizers persoonlijk optreden op hoogen leeftijd, terwijl hij, als het ware, van het legerbevel reeds afstand had gedaan en zijne zonen Karel, Lode wijk en Pepijn in de verschillende dealen des Rijks het opperbevel voerden. Lode wijk trad dan ook tegen de Mooren op en Pepijn tegen de Grieken. Maar Keizer Karel beschouwde blijkbaar de Denen of Noormannen als zeer geduchte vijanden.
Gedurende de laatste jaren zijns levens wijdde hij bijzondere zorg aan de bescherming van zijn Rijk tegen de herhaalde aanvallen der Noorsche barbaren. Wij zien hem in 800 langs de kusten trekken van den Atlan-tischen Oceaan en van de Noordzee, bezettingen vestigen aan die kusten
(1) Nam rex ille, vanissima spe victoriae intlatus, acie se cum imperatore congredi veile jactabat. Einhard, Annales Prancorum, DCCCX.
89
â en ook eene vloot iu het leven roepen , om de rooverijen der Noormannen te keer te gaan.
De vrede met Hemming, Koning der Denen, neef en opvolger van Godfried, werd in de lente van 811 op bijzonder plechtige wijze gesloten, aan de Eyder, door twaalf Frankische en twaalf Deensche gezanten, wier narnen voor het rneerendeel in de annalen worden genoemd.
Terwijl gedurende datzelfde jaar drie legerafdeelingen weiden ten strijde gezonden tegen de Linnen (tusschen Elbe en Oder), tegen de Slaven (in Pannonië) en tegen de Britten, begaf de Keizer zich in persoon naar Boulogne, eene Gallische zeestad, waar hij eene vloot had doen bouwen om de kusten te beschermen (1). Na die vloot geïnspecteerd te hebben en den daar aanwezigen vuurtoren te hebben doen herstellen, vertrok hij naar Gent en inspecteerde daar de oorlogsvaartuigen, die ten doel hadden de monden der rivieren te verdedigen tegen de aanvallen der Noormannen. De gezanten van Koning Hemming boden den Keizer daar ter plaatse geschenken aan, om den gesloten vrede te bezegelen.
Die vrede werd vóór den dood des Keizers niet meer verstoord, waarschijnlijk omdat in Denemarken binnenlandsche onlusten over de troonsopvolging uitbraken en ook dientengevolge strijd werd gevoerd tusschen de Denen en de bewoners van Noorwegen.
Daar de Keizer het ongeluk had zijne zonen Pepijn en Karel te zien sterven â de eerste in 810, de laatste in 811 â, hield hij in Augustus 813 eene plechtige vergadering van de grooten en edelen des Rijks en deed daar zijn zoon Louewijk, den eenig overgebleven telg uit zijn huwelijk met llildegarde, tot Keizer kronen. Het bestuur van Italië werd opgedragen aan Bernard, zoon van Pepijn.
Intijds had de groote Keizer deze beschikkingen genomen want hij stierf reeds in Februari 814 in het 47ste jaar zijner regeering en in het 72ste jaar zijns levens. Bodewijk, zijn zoon, volgde hem op onder algerneene goedkeuring der Franken.
(1) Boulogne wordt vermoedelijk bedoeld in het werk van den Monnik van St. Gallen, waar deze verhaalt dat Keizer Karel zich bevond in eene Gallische havenstad.
Eene vloot van Noorsche roofschepen, daar vertoevende, stevende met snelheid zeewaarts bij het vernemen van de aankomst des Keizers.
En Karei., de schepen naoogende, zeide; tik betreur het, dat deze roovers, tijdens mijn leven, bijna den voet op dit strand hebben gezet, en eene groote droefheid bevangt mij als ik voorzie door welke rampen mijne naneven en hunne volkeren geteisterd zullen worden.quot;
E R R A. T A.
Bladz. 418, negende regel v. o. vlegervergaderingquot; in plaats van vteyen-vergadering,quot;
» 419, negentiende regel v. b. vdaarquot; in plaats van »daarom.quot; » 4'28, zesde regel v. o. »op nieuwquot; in plaats van )gt;op naam.quot;