lr: If/*- gt; ).
/
w./drf-f
DE VOORHRflö
DER
Christelijke Liefdadigheid.
I\EDE
uitgesproken in de feest vergadering
DKR
yEREENIGING
VAN DEN
H. VINCENTIUS VAN PAULO
TE UTRECHT
OP MAANDAG 20 NOVEMBER 1899
DOOR
Dr. O. BROM, Pr.
l i
utrecht,
Wed. J. R. VAN ROSSUM, 1899.
i
, ^
UK VÃORKA.NG
DKR
PHRISTELIJKE I^IEFDADIGHEID,
Br,^
2957 554 9
J/, /
DE VOOHHflNG
DKR
Christelijke Liefdadigheid.
E\EDE
uitgesproken in de feestvergadering
DER
y EREENIGTNG
VAN DEN
H. VINCENTIUS VAN PAULO
TE UTRECHT
OP MAANDAG 20 NOVEMBER 1899
DOOR
Or. O. BROM, Pr.
utrecht,
Wed. J. R. VAN ROSSUM, 1899.
neiir, ^
QÌcf(j[eëezc/e c/eeö/grenoo/cn.
iVl is het ook met alleszins verklaarbaren schroom, dat ik hier voor zulk een aanzienlijke vergadering als spreker optreed, toch vervult éene gedachte mij thans met vertrouwen op Uw aller welwillendheid. Het is dezelfde overweging, welke de geachte feestcommissie ertoe leidde, om mij voor deze eervolle taak uit te noodigen, en die mij evenzeer, na eenig beraad, in de uitnoodiging deed toestemmen. De gedachte namelijk, dat de leden der Utrechtsche Vcrceniging van den H. Vincentius a Paulo, bij hun plechtig familiefeest â en wat is dit gouden jubilé anders? â liefst een van hun eigen medebroeders op het spreekgestoelte zien verschijnen.
Derhalve, als Vincentiaan deelendin de jubelvreugde, welke ons, leden der Vincentius-vereeniging, thans eenparig bezielt, waag ik het de tolk te zijn van aller gevoelens.
Niet een woord van lof en roem over hetgeen door U in de afgeloopen halve eeuw ten bate der armen en behoeftigen werd verricht, ga ik dan spreken. Want geenszins om menschelijken lof hebt (jij, Vincentianen, deze werken van liefdadighei tot stand
1) Mgr. H. vau de Wetering, Aartsbisschop van Utrecht.
6
gebracht. »De hemelsche Vader, die in het verborgen zietquot;,1) zal het te zijnen tijde honderdvoudig vergoeden. In het Boek des 1 .evens staat al dat goede veel uitvoeriger en nauwkeuriger opgeteekend, dan onze bekwame Secretaris het bij mogelijkheid zou kunnen vermelden. En evenmin werd diens Verslag hier voorgelezen, opdat wij, onszelven op den prijzens-waardigen inhoud ervan beroemende, op werkelijke of ingebeelde lauweren zouden gaan rusten. Immers, wij hebben van den grooten stichter onzer conferentie's, Frédéric Ozanam, als kostbare nalatenschap dc les meegekregen; :gt;Dc liefde moet nooit zien naar het verleden, naar hetgeen verricht werd. Neen, altijd naar de toekomst, altijd voorwaarts, altijd vooruit«.
Mijn broederlijk woord dient alzoo Uwen blik te vestigen op de toekomst, waarin nog zoo ontzaglijk veel te verrichten valt. Het moet U opwekken tot nieuwen moed en verdubbelden ijver, om de verheven taak, die op Uwe schouders rust. God dienen in zijne armen, onverpoosd voort te zetten, »zoolang het nog dag is en vóórdat de nacht aanbreekt, waarin niemand meer werken kanquot;. -) Het moet U de grootsche werkzaamheid der christelijke Charitas in al haar omvang doen kennen, opdat gij haar nog vuriger zoudt beminnen en nog trouwer in
beoefening brengen.
En hoe zal ik dit beter vermogen dan in het licht
van ons heilig, katholiek geloof?
Is deze Vereeniging, uiteraard en krachtens haren naam, iets anders dan een echt-katholieke Vereeniging? Zijt Gij daarvan lid geworden om een andere reden, dan op grond Uwer katholiciteit? Vervult Gij de plichten van Uw lidmaatschap wel om andere motieven,
1
Matth. VI : 4. Joës IX ; 4.
/
dan welke het katholiek geloof U dagelijks ingeeft? En is dit ons gouden jubelfeest wel anders begonnen, dan met godsdienstige voorbereiding en kerkelijke plechtigheid, zooals alleen wij, Katholieken, het voorrecht hebben te bezitten ? En wordt elk ander gevoel, dat ons allen dezer dagen om strijd bezielt, dankbaarheid, vreugde, rechtmatige fierheid en juichensstemming, niet machtig overheerscht door, â of liever, worden al die verschillende akkoorden niet wonderschoon opgelost in den eeuwenouden jubelzang der katholieke Kerk: »Te Deum laudamus, TeDominum confitemur?quot;
Ja, indien hier te loven en te prijzen, te juichen en -lt;», te danken valt door de Vincentius-vereeniging van
Utrecht, dan komt het leeuwendeel der eere ongetwijfeld toe aan ons katholiek geloof, dat ons tot het werk der liefdadigheid geroepen en bekwaamd heeft.
Indien wij met vertrouwen de toekomst mogen tegemoetzien en van den ons nog wachtenden arbeid een nieuwen, overvloedigen oogst hopen, dan is het alleen, omdat wij dien arbeid der naastenliefde zullen verrichten in het licht, in de kracht, in den geest van ons katholiek geloof.
Welnu dan: shonor cui honorem, cui tribu-tum, tributum.quot; !) Onze verplichte cijns van hulde en dankbaarheid gebracht aan het katholiek geloof, waaraan onder Gods zegen en de bescherming van SintVincentius onze liefdadigheid moet toeschrijven: haar oorsprong of motieven,
haar organisatie of uitwendige kracht, hare toewijding of intensiteit.
3) Rom. XIII : 7.
8
I.
Dc socialistisch getinte schrijver Henry George had eens een vertrouwelijk onderhoud met kardinaal M a n n i n g, aartsbisschop van Westminster. Het gesprek liep over de verhouding tusschen de liefde tot God en de liefde tot de menschen. Henry George beweerde, dat de liefde jegens de menschen hem bracht tot liefde jegens God; waarop dc kardinaal snedig antwoordde, dat de liefde jegens God hèm bracht tot liefde jegens de menschen.
Ziedaar het groote onderscheid.
H enry George, de »vrijzinnigequot; denker, maakte van zijn naastenliefde een soort godsdienst. Kardinaal Manning, de man des geloofs, maakte zijn godsdienst tot naastenliefde.
Aan wien dezer twee de eerepalm toekomt? Welk van beiden het meest zegenrijk heeft gewerkt voor den noodlijdenden evenmensch: de philantropie van Henry George, óf de christelijke Charitas van kardinaal Manning?
De vraag stellen, is haar reeds beantwoorden.
Welnu, ziedaar ook het groote onderscheid, waarop ik hedenavond den vollen nadruk wensch te leggen. En wanneer ik zoodoende, naar recht en waarheid, den eerepalm toeken aan de christelijke naastenliefde, dan is het geenszins, om de verdiensten en den ijver der philantropie te doen minachten. Het glorieuze licht der christelijke Charitas heeft inderdaad geen donker-gemaakten achtergrond noodig, om in verrukkende schoonheid te stralen. Neen, het zij verre van ons, met Phariseeuwsche zelfoverschatting neer te zien op andersdenkenden, die niet zoo vooraan als wij mogen
9
staan in het heiligdom der waarheid. Het zij verre, onszelvcn eigendunkelijk boven anderen te verheffen op onze liefdadigheid, omdat wij maar al te zeer het afschrikwekkend voorbeeld kennen van den Phariseeër, die praalde met zijn goede werken, terwijl twee zijner stand- en geloofsgenooten, de Joodsche priester en de Leviet, in practische naastenliefde toch schitterend overtroffen werden door den barmhartigen Samaritaan, minstens een half-ongeloovige.
Doch wanneer ik den voorrang der christelijke Charitas ga prijzen, dan is het alleen om aan te toonen, hoeveel zwaarder en heiliger ogt;izc verplichtingen zijn dan van degenen, die, zonder het licht des geloofs, slechts door hun natuurlijk gevoel aangespoord, de philantropie beoefenen. Want »hoe meer iemand heeft ontvangen, des te meer rekenschap zal eens van hem worden afgevraagd.quot; ')
Welnu, onze liefdadigheid is onafscheidelijk van ons geloof. Zij komt eruit voort, zooals de reine, klaterende, verfrisschende fontein uit de diepe bronwel, die onder den grond verborgen is. Zonder die onuitputtelijke bron des geloofs zou onze liefdadigheid spoedig opdrogen en stilstaan. Maar de stuwkracht, welke voortdurend van den katholieken godsdienst uitgaat, zij alleen geeft aan onze liefdadigheid de roeping, de wijding-, de volharding, die haar zoo hoog verheffen boven de philantropie. Paus Leo XIII heeft op dit beslissend verschil herhaaldelijk gewezen.
Eens bij gelegenheid der audiëntie op 3 Juni 1883, toen de Conferentie van Parijs, de moeder aller Con-ferentie's van den H. Vincentius a Paulo, haar gouden jubelfeest vieren en haar nederige hulde aan de voeten van Christus' zichtbaren Plaatsbekleeder neerleggen mocht.
l) Vgl. Matth. XXV : 29,
IO
Toen sprak de Vader der Christenheid onder meer deze gedenkwaardige woorden: »Maar al te dikwijls, geliefde zonen, tracht men tegenwoordig de werken der openbare weldadigheid te ontdoen van dat godsdienstig karakter, hetwelk ze veredelt en dat alleen in staat is haar vruchtbaar te maken. Voor de Charitas zou men in de plaats willen stellen een louter natuurlijke en menschelijke liefde, die enkel let op de mate-rieele behoeften en die, ondanks geruchtmakende reclame, er nooit in slaagt de menschelijke ellende
van het bitterste leed te ontdoen____Hij daarentegen,
die handelt op aansporing der ware en christelijke naastenliefde, hij ziet en respecteert in den arme de persoon van Jesus Christus zelf; hij gaat den arme opzoeken en komt tot hem; hij deelt in de zorgen en kwellingen van den arme; met teederheid voorziet hij in diens behoeften, terwijl hij elk middel van stoffelijke ondersteuning tracht in overeenstemming te brengen met het geestelijk welzijn van den arme. De christelijke naastenliefde werkt geheel belangeloos en met edelmoedig-e zelfverloochening, zonder ophef en zonder klagen; zij vervult de wereld met waarachtige weldaden; zij sluit tusschen den rijke en den bedelaar innigzoete banden eener heilige toegenegenheid.quot;
Een andermaal, den 6⢠Januari 1885, toen de H. Vader de afgevaardigden van Italië's katholieke jongelingschap bij zich ontving, waarschuwde hij uitdrukkelijk tegen het moderne streven, »om aan de naastenliefde haar christelijk aureool te ontnemen en haar te be-rooven van het gewijde karakter, dat de godsdienst haar verleent. Gij daarentegen â zoo ging Paus Leo daarna voort Gij dierbare zonen, moet altoos meer en meer bijdragen tot de ontwikkeling van die heilige vereenigingen, waarin de Apostel der ware naastenliefde, Sint Vincentius a Paulo, wist neer te leggen
11
den geest van Jesus Christus, die de geest is van offer, die het goede doet zonder rumoer, die den arme opbeurt en niet schroomt hem naderbij te treden, en die zorgend voor de tijdelijke behoeften, nog hooger belangen nastreeft, door ook aan de zielen troost en redding te verschaffen.quot; i)
Naar de les van onzen roemvol regeerenden Paus moeten wij derhalve vóór alles het godsdienstig, christelijk karakter der naastenliefde handhaven en hooghouden. Ons Katholieken, in 't algemeen, en ons Vincentianen, in 't bizonder, moet, zooals kardinaal Mannin g zei, de liefde jegens God drijven tot liefde jegens den evenmensch. Dat is de ware, christelijke liefde, waarvan de groote Apostel der heidenen getuigde: »Charitas Christi urget nos, de liefde van Christus dringt onsquot;. 2)
Nu de vraag: hoe, door welke motieven ons heilig geloof de liefdadigheid aanspoort?
Eigenlijk is dit geen vraag meer, voor ieder Katholiek, die zijn Catechismus kent. Ons heilig geloof leert ons vier groote waarheden, die als de vier groote stroomen van het aardsche paradijs, den lusthof der christelijke Charitas met levend, vruchtbaarmakend water besproeien.
Wij menschen, zijn allen, zonder uitzondering, door God geschapen, naar zijn beeld en gelijkenis. Zelfs de afzichtelijkste bedelaar, met lompen en zweren overdekt, draagt dit stempelmerk van goddelijken adeldom. Zijn onsterflijke ziel is van bovenaardsche schoonheid, die alle zichtbare natuurwonderen in schoonheid overtreft.
Wij menschen, zijn allen, zonder uitzondering, kinderen van dezelfde stamouders. Allen zonder onder-
!) Boudignou, Saint Vincent de Paul (Paris 1897) 154â'56 2) II Cor. V : 14.
I 2
scheid stroomt hetzelfde bloed door de aderen. Daar bestaat in laatste instantie geen werkelijk verschil van afkomst en stand. Meer nog, allen zonder onderscheid, gaan beladen onder éen en dezelfde schuld, die met de geboorte van onze stamouders wordt overgeërfd, éen gemeenschappelijke zondeschuld, die in haar nasleep ook de armoede en het lijden op de wereld heeft gebracht. Voor den een meer, voor den anderen minder. Maar allen zonder onderscheid zijn solidair schuldig aan de oorzaak, en dus ook solidair aansprakelijk voor de gevolgen dier schuld.
Wij, zondige menschenkinderen, zijn allen verlost door den kruisdood van Jesus Christus onzen Fleer. Hetzelfde kostbare zoenbloed heeft ons rein gewasschen. Aan ons heeft niet de rechtvaardigheid, maar de barmhartigheid heil gebracht. Een goddelijke, oneindige barmhartigheid, die aan het kruishout geklonken, nog bad voor haar beulen en moordenaars: ;gt;Vader, vergheef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.1) Daar mag dus, onder ons. Christenen, geen haat of vijandschap meer bestaan. Daar worde onder ons geen kwaad weer met kwaad vergolden. De stervende Heiland heeft ons met zijn eigen voorbeeld geleerd: »Bemint zelfs uwe v ij a n d e n; doet wel aan die u haten; bidt voor die u vervolgen en lasteren®.2)
Eindelijk, wij verloste menschen, zijn allen zonder uitzondering, bestemd voor een en denzelfden hemel, ons gemeenschappelijk vaderland. Derhalve, hoezeer ook in dit wereldsch labyrinth de paden uit elkander loopen of elkaar kruisen, ze komen toch alle zonder onderscheid uit op hetzelfde einddoel en voeren ons naar dezelfde bestemming. Waarom zouden we elkaar
1
Luc. XXIII : 34.
2
Matth. V : 44.
â¢3
dan niet broederlijk de hand reiken ? Waarom niet de een aan den ander verstrekken een licht op den weg, een staf voor den voet, een steun voor den arm, een hulp in den nood? Neen, daar is voor de christelijke liefde geen verschil meer van ras of nationaliteit, van taal of volk. »Geen heiden en Jood, geen barbaar en Scythiër, geen vrije of slaaf. Maar over alles en in alles heerscht Christus», als de koning der liefde. !)
Ziehier de vier groote grondbeginselen der christe-telijke liefdadigheid. Vier steunpilaren, waarop zij is gegrondvest en waarop zij niet haar machtigen bouw de philantropie hoog overtreft, zooals de torenspits eener kathedraal, of liever gelijk onze eeuwenoude Utrechtsche Domkerk zich fier ten hemel verheft boven de openbare en particuliere woonhuizen, die aan haren voet, in haar schaduw zijn verspreid.
Of wilt Gij soms een andere vergelijking?
Vóórdat men den prachtigen tempel van Sint Pieter te Rome binnentreedt, staat men reeds verbaasd over zijn ontzaglijke afmetingen, maar vooral over den reusachtigen koepel, waarvan het gulden kruis bijna den blauwen hemel van Italië schijnt te raken. Men vraagt zich in verwondering af: hoe is het mogelijk, dat zulk een onmetelijk gevaarte zoo torenhoog kan zweven in de lucht? En de grootsche basiliek binnengetreden, ontwaart men terstond, vóóraan in het midden, den van marmer en mozaïek glanzenden koepel, als het ware een afzonderlijke tempel, waaronder duizenden en nogmaals duizenden komen neerknielen bij het graf der Apostelen Petrus en Paul us. â Uwe verbazing gaat eer toenemen dan verminderen, 't Schijnt U nog altoos een raadsel, een
l) Coloss. III : 11.
14
wonder te zijn, hoe die reuzenkoepel daar zoo hoog-kan zweven in de lucht.
Doch naderbij gekomen, ziet Ge vier massieve pijlers, zoo geweldigquot; van omvang, dat ieder op zich wel een toren gelijkt. Dat zijn de vier pijlers, waarboven de geniale bouwmeester een koning in het rijk der gedachte, een koning nog meer op het veelzijdig gebied van de daad zijn reuzenbouw heeft opgetrokken. Dat zijn de vier pijlers, waarop Michel Angelo den koepel van Sint Pieter heeft doen rusten, nadat hij de weergaloos-stoute conceptie had uitgesproken: gt;Ik zal het Pantheon tot aan de wolken verheffen lt;\
Welnu, de vier bovengenoemde motieven, waarmee ons heilig geloof de liefdadigheid aanspoort, beuren evenzoo het Pantheon der philantropie hoog in de lucht en maken het tot een reuzenkoepel der christelijke naastenliefde, die ieders verwondering en verbazing wekt. Duizenden en duizenden knielen dagelijks onder het breede, van kostbaar goud en veelkleurig mozaïek stralend gewelf eerbiedig neer, om met de belijdenis van hun geloof daar het offer op te dragen hunner christelijke liefdadigheid. Van alle geslachten en natiën, van alle standen en rangen der maatschappij: omdat allen zonder onderscheid zich kinderen achten van denzelfden Vader in den hemel, broeders en zusters van hetzelfde huisgezin, ledematen van hetzelfde geheimzinnig Lichaam, burgers van hetzelfde gemeenschappelijk Vaderland.
Ja, de geschiedenis van meer dan achttien eeuwen reeds staaft het woord van een onpartijdig getuige als de liberale Academici en Maxime du Camp: »De tous les moteurs de la Charité le plus infatigable est la foi«, van alle motieven der naastenliefde is toch de meest onvermoeide drijfveer â het geloof.
15
11.
Wanneer een handeling door een enkelen persoon kan worden gesteld, dan volgt zij gewoonlijk, als vanzelf en met succes, op de krachtige beweegreden, die ertoe overhaalt. Doch wanneer die handeling door meerderen moet tot stand komen, dan is onderlinge samenwerking een onmisbaar vereischte. En samenwerking is niet mogelijk zonder orde en regelmaat, met andere woorden, zonder organisatie.
Nu heeft de liefdadigheid de gewichtige taak op zich genomen, het onafzienbare veld der menschelijke ellende te ontginnen. Dit moet van allerlei onkruid worden gezuiverd; de onwillige bodem moet worden gespit en bemest, geploegd en geëgd, bezaaid en verzorgd, met rusteloozen arbeid, in het zweet des aan-schijns. Hoe zouden aan die nimmer afgedane dagtaak ooit genoeg bekwame handen kunnen arbeiden? Waar ooit genoeg geschikte werkkrachten te vinden ? En hoe zouden ooit al die verschillende krachten â gesteld dat zij bekwaam zijn voor den arbeid, gesteld ook dat zij de zware taak geheel belangeloos op zich willen nemen â hoe zouden ooit al die verschillende krachten tot samenwerking kunnen gebracht worden? Zonder twijfel, op het breede veld der liefdadigheid is de goede wil alleen, zij het ook van nóg zoovelen, lang niet voldoende; maar deze vereischt op de eerste plaats samenwerking naar orde en regelmaat: organisatie.
Ook onder dit opzicht behoort aan de christelijke liefdadigheid verreweg de voorrang boven de philan-tropie. Of eigenlijk, om mijne bedoeling nog scherper aan te duiden: aan de katholieke liefdadigheid, waarin immers het christelijk element eerst tot vollen wasdom en ontwikkeling komt, boven alle andere liefdewerken, die buiten de Moederkerk worden ondernomen.
Kort geleden verscheen hier te lande een merk-
16
waardig boek, ruim iioo blz. van omvang, getiteld: »Gids der Ncdcrlandschr weldadigheid. Uit officieele en particuliere bronnen bewerkt.quot; ') Wat blijkt nu uit dit lijvig adresboek aller weldadige vereenigingen in ons vaderland? Geven we aan de verdienstelijke bewerkers zeiven het woord.
Als hun algemeenen indruk betuigen zij eenerzijds sgt;diepgaande bewondering voor de uitgebreidheid van de Nederlandsche weldadigheidquot;; maar daarnevens spreken zij het uit als een »herhaalde ervaring, hoe verspreid en onsamenhangend de verrichtingen op dit gebied zijn.quot; 1) En onze tegenwoordige premier, minister Pi er son, die de Voorrede schreef, hij klaagt daar eveneens over het »hoofdgebrekquot; der Nederlandsche weldadigheid: een bedroevend gebrek aan organisatie. Thans bestaat er slechts een «labyrinth onzer duizenden armenzorg-instellingen.quot; 2)
Wil men na de verklaring dezer onverdachte zegslieden nog een teekenachtig staaltje in cijfers?
De kerkelijke armenzorg bij de Protestanten in ons vaderland wordt uitgeoefend door niet minder dan 34 â zegge vier en dertig â verschillende instellingen, al naar de verschillende kerkgenootschappen; instellingen, die met elkander niet het minste hiërarchisch verband en geen noemenswaardige voeling houden.
Hoe gunstig steekt hiertegenover de katholieke armenzorg af! Daar vindt men eenvoudig vermeld de parochiale armbesturen met hun bisschoppelijk reglement en toezicht, die in 606 plaatsen van ons vaderland zijn gevestigd: de officieele liefdadigheid. Vervolgens de Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo,
1
2) Inleiding blz. XXII.
2
T. a. p. blz. XâXI.
17
die op 138 plaatsen bestaat en gezamenlijk 12 Bizondere Raden en 185 Conferenties telt. Alle ressorteeren onder den Hoofdraad, ieder is gehouden aan het algemeene reglement, en alle Conferenties zijn onderling in nauwe samenwerking verbonden. Dit is de vrijwillige liefdadigheid, waartoe als vrouwelijke hulptroepen ook Ver-eenigingen als van de H. Elisabeth, de H. Catha-rina van Sienna enz. moeten worden gerekend.
Ziedaar alles!
Maar ziedaar ook de macht der organisatie, die wij uitsluitend aan ons katholiek geloof te danken hebben. En vraagt men nog, hoe deze organisatie is ingericht, dan wijs ik niet op de parochiale armbesturen, wier reglement door het vaderlijk beleid onzer Bisschoppen is samengesteld. Want zulk een reglement kan niet anders dan voortreffelijk zijn, wijl katholieke bisschoppen, ook op het stuk van armenzorg, de opvolgers zijn der Apostelen en een ondervinding, een traditie van ruim achttien eeuwen bezitten, i)
Liever nog wijs ik U op het Reglement onzer Vereeniging van den H. Vincentius, dat, ofschoon nog geen 60 jaar in werking, door roomsch en onroomsch om strijd geprezen wordt.
Andermaal kan ik mij hier beroepen op een onpar-tijdig getuigenis van zeer jongen datum.
Vóór eenigen tijd werd mij door een niet-kathohek, die op het gebied van armenzorg een klinkenden naam in ons land heeft, inzage verzocht van het «Handboek der Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo.quot; Nu een paar weken geleden, werd mij het geleende boek teruggestuurd, met een warme dankbetuiging, waarin onder meer het volgende letterlijk staat geschreven; »Het werken der Vereeniging, waar ik dit
i) Vgl. J. M. Gerrits over; Armenzorg, iu Je Katholiek (Juni 1897) blz. 424 v. v.
3
18
ontmoette, heb ik altijd met groote belangstelling gevolgd. De geest, dien 't Handboek ademt, is in de meeste opzichten, zou ik meenen, die welke iedere vereeniging van armenzorg moest bezielen. Vooral de éénheid en het solidariteitsgevoel, dat erin doorstraalt op elke bladzijde, deed mij heerlijk aan.quot;
De waarde dezer ruiterlijke verklaring komt eerst in het volle licht, als men bedenkt, dat zij werd gegeven door een niet-katholiek, die in ons land, waar het de belangen van armenzorg geldt, steeds vóóraan staat en als een autoriteit meetelt zoowel in theorie als in practijk.
Moeten we dus, bij de aanschouwing zulk eener bewonderenswaardige organisatie, niet dankbaar erkennen: :gt;Digitus Dei est hic,quot; i) waarlijk hier is de vinger Gods. Neen, hier is geen louter menschenwerk, maar de geest van christelijke liefde, welke Sint Vin conti us a Paulo en zijn volgelingen bezielt, is geïnspireerd door den geest der goddelijke liefde. Daarom heerscht er in hun liefdewerk zulk een wonderschoone orde en regelmaat: »quae a Deo sunt, ordinata sunt, 1) wat van God komt, is ordelijk gesteld.quot; Of zooals Vincentius a Paulo getuigde: »In de dingen van God, hetzij in de orde der natuur, hetzij in de orde der genade, heerscht regelmaat.quot; 2)
Aan den eenen kant, welk een veelzijdigheid in Vincentius' liefde voor de armen!
»Elke ellende, zoo verklaart father Thomas Burke,3) elke ellende, die zich op zijn weg vertoonde, werd verlicht; elk verdriet, dat hij op zijn pad ontmoette, werd in vreugde veranderd; elke ziel, die ooit binnen het bereik
1
Rom. XIII : 1.
2
Boudignon 1. c. 47S.
3
4) Preeken Ilt;; Bundel (Amst. 1S99) hl. 96.
19
zijner handen, het geluid zijner stem of den blik zijner oogen kwam, werd door hem gereinigd. Er is in de g'eheele rij heiligen, die de geschiedboeken der Katholieke Kerk versieren, niet één, wiens liefde zoo krachtdadig, zoo wondervol, zoo algemeen optrad, wiens liefdadigheid op zooveel verschillende wijzen elk lichamelijk werk van barmhartigheid omvatte, als de groote H. Vincentius van Paulo.quot;
En toch, aan den anderen kant, welk een organisatie bij dien wereldomvattenden arbeid!
»Maat, regel, harmonie zijn overal. Het is het volste, rijkste, warmste, waarachtigste leven. Alle geledingen zijn op haar plaats en grijpen in elkander. Van pijnlijke nauwkeurigheid, van kleingeestige beperking, van angstige afmetingen geen zweem, geen schaduw van een zweem. Wilt ge weten, hoe zulk een instelling van Vincentius â- om het gemeenzame woord te bezigen â in elkander zit? Ziet Gods eiken: alles leeft en leeft mede, van de machtige wortelgroep tot den broeden stam, van den breeden stam tot de kleinste vezel in het licht bewogen blad. Ziet den mensch in zijn geheelen bouw, en wat gij bewondert in deze wonderbare schepping van den Schepper der wonderen, dat vindt gij terug in Vincentius'werken: rijkdom van middelen, eenheid van kracht«. 1)
Zoo en niet anders is de organisatie in onze Ver-eeniging van den H. Vincentius a Paulo, welke door Fréderic Ozanam, geheel naar den geest van dien g-rooten Apostel der liefdadigheid, werd ingericht, mot persoonlijk optreden, persoonlijk verkeer, persoonlijke toewijding als grondslag.
Artikel 2 van ons Algemeen Reglement zegt: Geen liefdewerk moet geacht worden vreemd te zijn
1
Dr. Schaepinaii S. Vincentius a Paulo, Twee toespraken (Utr. 1896) blz. 9.
20
aan de Vereeniging«. !) Voorwaar, een stout artikel, dat alleen zijn verklaring vindt in het woord van den Apostel der heidenen: »Charitas omnia credit,1) de liefde gelooft alles, hoopt alles, verduurt alles«.
En toch is dit algemeen program van actie niet te stout gesproken. Onze eigen, thans jubileeronde Ver-eeniging moge tot levend bewijs verstrekken. Behalve haar gewoon liefdewerk, het geregeld huisbezoek met al de hieraan gepaarde bemoeiingen op godsdienstig, zedelijk en stoffelijk gebied, telt zij niet minder dan zes verschillende instellingen van weldadigheid, vrijwillig op touw gezet en vrijwillig onderhouden, maar alle om strijd steeds toenemend in bloei.
En wat de organisatie aangaat, beroep ik mij op Uw persoonlijke ondervinding. Indien U de vraag werd gesteld: »is het reglement U ooit ondoelmatig of ontoereikend gebleken, heeft het U ooit gekneld als een dwangbuis en belemmerd in Uwe beweging?quot; -Gij zoudt eenparig en zonder aarzeling ten antwoord geven; »Nimmer of nooit».
Inderdaad, de katholieke weldadigheid mag, zonder profanatie, op zichzelve het woord toepasselijk achten, dat de Bruid van het Hooglied in heilige vervoering sprak: sOrdinavit in me charitatem«, 2) mijn Heer en Koning heeft de liefde in mij geordend«.
En zonder aanmatiging mogen wij gerust instemmen met de uitspraak van bovengenoemden kanselredenaar: «Daarom wordt ook alleen in de katholieke Kerk die groote g'eregelde liefdadigheid gevonden. Nergens buiten haar vindt gij de liefdadigheid geregeld«. 3)
1
1 Cor. XIII : 7.
2
3) Cautie. II : 4.
3
â 4) Burke t. a. p. blz. 65.
4
Handboek der Vereen, v. d. H. Vine. v. Paulo ('s-Hage 1893) blz. 13.
2 I
III.
Het schijnt haast een banaliteit, en toch is het een diepzinnige waarheid, dat de kern on het wezen der liefdadigheid bestaat in de liefde. Welnu, liefde veronderstelt toewijding, zelfverloochening, opoffering. De ware liefde, zoo heeft men terecht opgemerkt, leeft eigenlijk van de offers, die zij aan zichzelve oplegt. En met vreugde brengt zij die offers, want dan herhaalt zij telkenmale: »Le sacrifice m' est une fête,quot; het offer is voor mij een feest.
Moet ik thans nog betoogen, dat de philanthropic zich onmogelijk tot dit heroïsme van zelfopofferende liefde verheffen kan ? Zij gaat nooit verder dan tot innig mededoogen met andermans leed. Van haar maatschappelijk standpunt, dat zij nimmer prijsgeeft, daalt zij nu en dan tot de ellende af, om deze op te beuren en te verheffen. Maar uiteraard blijft de philanthropic dan ook afdaling, die aalmoezen uitreikt en hoogstens de reddende hand toesteekt, maar zelden of nooit zichzelve weet te geven.
Hoogstens wordt dc liefdadigheid aldus een zwakke afbeelding van dc Schepping, waardoor God, zonder dat Hij zichzelven aan den mensch gaf, iets van zijn eigen overvloed mededeelde: voorzeker een onwaardeerbare aalmoes!
Maar de christelijke liefdadigheid zoekt haar verheven toonbeeld in den menschgeworden God, die zichzelven aan den mensch schonk geheel en al, en die aldus een tot nog toe ongekende soort van liefdadigheid geopenbaard heeft. !)
Hier vinden wij het mysterie van de toewijding der christelijke Charitas in beginsel verklaard. Haar
1) Vgl. Mgr. Gerbet C Eucharistie principe re'génératczir de la piété chre'tienne pag. 86âSS.
22
stichter en model is J e s u s Christus in eigen persoon, die »zichzelven heeft vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aannemend« !) Hem eeren en beminnen wij in de armen, aan wie Hij volkomen gelijk werd. Want »niet alleen was Hij arm van den dag af, waarop Hij in een stal werd geboren, tot op den dag-, toen Hij uit louter liefde naakt aan het Kruis stierf en een plaats vond in het geleende graf van een ander - maar Hij gewaardigde zich ook, zich te vereenzelvigen met Zijne armen, tot het einde der tijden toe, alsof Hij voortdurend zeide: »Wenscht gij Mij te vinden? Wenscht gij Mij met uwe handen aan te raken ? Wenscht gij Mij woorden van troost en liefde toe te spreken? Welnu, christenziel, ga, zoek de armen en naakten, de zieken, de behoeftigen en de hongerigen! Zoek hen, die verdriet lijden en gebukt gaan onder de smart; in hen zult gij Mij vinden; want »v oor waar, Ik zeg u, al wat gij aan den minste Mijner broederen gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan«. 1)
Neen, het was geen vrome hallucinatie, wanneer Sint Maarten, de patroon dezer stad. Sint Joannes de Deo, Sint Alvarez van Cordova en zooveel andere helden der christelijke Charitas mochten aanschouwen, dat zij hun weldaden in den arme of melaatsche hadden bewezen aan den goddelijken Meester zelf. Dan kwam alleen de volle werkelijkheid, die gewaarborgd is door 's Heeren woord, met een zichtbaar wonder uit.
Het is geen autosuggestie, wanneer de liefdezuster van Vincentius a Paulo, die een walgelijken kelder binnentreedt, op de vraag: - Waar gaat gij heen«, subliem-eenvoudig antwoordt: Je vais visiter
1
-) Matth. XXV : 40; vgl. Burke t. a. p. 57â5S.
J é s u s - C h r i s t«. !) Dan spreekt alleen het kinderlijk geloof dergenen, die ziilig geprezen zijn, «omdat zij niet gezien, en toch geloofd hebben.quot;2) Zou anders een instelling als van Vincentius' liefdezusters ruim twee en een halve eeuw kunnen stand houden en nog immer toenemen in uitbreiding, in toewijding en bloei? Deze naastenliefde, die nooit ophoudt bergen van menschelijke ellende te verzetten, is slechts daarom zoo machtig, wijl zij steunt op een onwankelbaar geloof, waaraan de belofte van het bergen-verzetten toebehoort.
Buiten het katholiek geloof, zult Gij dan ook nergens de liefdezuster in haar volle grootheid ontwaren. Bij voorkeur spreek ik thans van haar, geenszins omdat zij de eenige volstrekt niet maar omdat zij de schoonste en meest aantrekkelijke belichaming is dei-christelijke Charitas.
Zelfs een cynisch spotter als Voltaire erkent met eerbied en bewondering: »Misschien is er niets grooters op aarde, dan het offer van schoonheid, van jeugd, dikwijls ook van hooge geboorte gebracht, om in de hospitalen alle menschelijke ellende te verlichten, waarvan het g'ezicht voor 's menschen trots zoo vernederend, voor fijn gevoel zoo terugstootend is. De volken buiten Rome's gemeenschap hebben maar onvolkomen zulk een edelmoedige liefde nagebootste. 3) Zelfs een geweldenaar als Napoleon I voelde zich klein tegenover deze levende manifestatie der Charitas. â¢gt; Dit, zeide hij, van V i n c e n t i u s' liefdezusters sprekende, dit noem ik nuttige instellingen. Spreek mij van zulke offers en niet van uwe philanthropen, die meer praten dan uitvoeren.quot; En bij openbaar decreet van 14 October iSoi, waarbij de hospitaaldienst weer aan de liefde-
!) Vgl. Ur. Schaepman t. a. p. blz. 10.
a) joës XX : 29.
3) Essai sur les moeurs Tom. Ill ch. L39.
24
zusters werd toevertrouwd, prijst hij: vdeze sublieme instelling, waarvan het eenig doel is op te leiden tot een naastenliefde zonder grenzen.quot; !)
Welnu, de liefdezuster is het sprekendste type der christelijke liefde, die zichzelve geeft en opoffert, zonder voorbehoud, en die in dit offer haar grootste blijdschap vindt.
Christus dienen in zijn armen, is de leus, de glorie dezer christelijke liefde. Daarom is het geen afdaling, wanneer zij tot de armoede gaiit. Want, zooals Vincent i u s placht te zeggen: »hoe schoon is het, de armen te beschouwen met de achting, die Jesus Christus hun toegedragen heeft.quot; 1) En elders: »Zalig degenen, die zich aan God zonder voorbehoud geven, om de werken van liefde te verrichten, die Christus zelf ook heeft gedaan.quot; Doch wanneer zij de armen dient, dan weet de christelijke Charitas, dat zij zich niet vernedert, maar opbeurt en verheft, wijl zij niets anders doet, dan haar goddelijken Meester dienen, eeren navolgen en Hem gelijk worden.
Ja, Hem gelijk worden. Ziedaar het laatste, onmisbare woord der oplossing van het mysterie. Een mysterie, wellicht te heilig en te verheven, om op deze plaats te worden verkondigd. Maar gij allen kent het reeds bij ondervinding van kindsbeen af, en om wille der waarheid mag het thans niet worden verzwegen.
Waar is de eigenlijke oefenschool, waarin de christelijke Charitas wordt gevormd en opgeleid? Nergens anders dan in de Eucharistie, welke SintVincentius al'oracle des pensees charitablesquot;2) noemde, »het orakel van gedachten der liefde.quot; Daar ziet de Katholiek het goddelijk toonbeeld van blijvende vernedering en zelfverloochening-, (van toewijding en opoffering, van
1
-) Boudignou p. 178.
2
) Boudiguou p. 523.
zichzelf te geven, geheel en al, aan den behoeftigen, in ellende gedompelden mensch. Daar heeft de Katholiek meer dan een goddelijk toonbeeld. Hij vindt er ook een onuitputtelijke bron van genade en kracht, om naar zwak vermogen dat verheven toonbeeld na te volgen. Want niet te vergeefs heeft de God-mensch plechtig verzekerd: »wie Mijn vleesch eet en M ij n bloed drinkt, bl ij ft in M ij en I k i n h e m.quot; ')
Daarom kon Vin een tins a Paulo gerust zijn liefdezusters vragen: »Wanneer wij Jesus Christus hebben ontvangen in de H. Communie, gevoelen wij dan niet in ons een bovennatuurlijke kracht, om ons op te offeren voor onzen noodlijdenden evenmensch?quot; Daarom kon hij zich gerust beroepen op de dagelijk-sche ervaring zijner priesters-missionarissen: »Ouand vous avez recu le corps adorable de J é s u s - C h r i s t, ne sentez-vous le feu divin brul er dans votre poitrine?quot;
Nog in onze dagen wordt op die vraag het antwoord niet anders gegeven, dan zooals Vincentius het kende. Henri Taine, de geschiedschrijver der Fran-sche revolutie, verhaalt, dat pater Etienne, superior der Lazaristen en der liefdezusters te Parijs, eens vreemde bezoekers ontving in zijn klooster. Na de vreemdelingen door de gansche inrichting te hebben rondgeleid, zei pater Etienne, in de kapel gekomen: »ik heb u thans onze levenswijze doen kennen, maar het geheim daarvan heb ik u nog niet verklaard. Ziehier het geheim, verborgen in ons tabernakel. Het is Je sus Christus, gekend, bemind en gediend in de Eucharistie.quot; 2)
Waar zelfs de ongeloovige Taine eerbiedig het hoofd ontbloot, door op te merken, dat pater Etienne aldus sprak »met volkomen juistheid en met het gezag eener lange ondervindingquot;, daar, M. H., behoef
') Joës VI : 57.
-â¢) Revue des deux A Sondes (i Juiu 1891).
26
ik ongetwijfeld niet verder aan te dringen. Uw aller persoonlijke ondervinding van jaren herwaarts zou niet anders kunnen spreken. Ja, de sleutel van het tabernakel is alleen in staat, om de geheime schatkamer te ontsluiten, waarin de christelijke Charitas haar weergaloozen, steeds onuitputbaren rijkdom vindt van toewijding en liefde.
Monseigneur, hooggeëerde Feestgenooten, nog eens moet ten slotte mij de verklaring van het hart, die zeker ook U naar het hart gesproken is: niet om onszelven in ijdelen roem te verheffen en op andersdenkenden met eigenwaan neer te zien, heb ik den voorrang geprezen der christelijke Charitas boven de philanthropic. Maar alleen, om ons opnieuw te doordringen van den eereplicht, die ons Katholieken inderdaad dwingt â¢â noblesse oblige! â bij de beoefening der naastenliefde voor niemand te wijken en iedereen vooruit te streven.
In onzen tijd meer dan ooit.
Onze tijd is een tijd van ongeloof en hrnjfclziichf. 't Gaat thans niet meer om een of andere waarheid der Openbaring, maar om het bestaan-zelf van het Christendom, onbewimpeld en direct: vóór of tegen den Christus. Stellen wij tegenover de prediking van het ongeloof de kloeke belijdenis van ons geloof, vooral door een werkdadige liefde, die volgens den H. Joannes Chrysostomus, zulk »een groote leermeesteresse ter bekeering is.quot;
Onze tijd is een tijd van sociale gisting en wanorde, die vóór alles behoefte heeft aan passende organisatie. .Stellen wij tegenover de leuze van ontbinding en verwoesting de organisatie onzer liefdadigheid, die vooral ook een sociale zending heeft te vervullen 1).
1
) Vgl. Prof. J. V. de Groot. Dc sociale zending der christelijke liefde. (Amst. 1898.)
Want terecht heeft een liberaal denker verklaard, dat »de liefde misschien de beste borstwering en het krachtigste middel is tot instandhouding van de maatschappij» 1).
Onze tijd eindelijk is een tijd van brutaal egoïsme, van cynisch eigenbelang, dat alleen het recht van den sterkste huldigt. Stellen wij daartegenover, met onverdroten ijver en toewijding, de practische naastenliefde V2in het Christendom. Want, zoo heeft onze roemvol regeerende Paus Leo XIII uitdrukkelijk geleerd: :gt;om te hervormen is de liefde tot groote dingen in staat.« 2) En zijn onsterflijke Encycliek Renini Novarum mag ons, Vincentianen, zeker niet te vergeefs de les hebben ingeprent: »dat het gewenschte heil der maatschappij vooral te verwachten is van een groote uitoefening der liefde.»
De H. Franciscus van Sales, een tijdgenoot en vereerder van onzen g-eestelijken vader Yincen-tius a Paulo, was gewoon van zijn altoos werkzamen vriend te zeggen: »Hoe liefderijk en goed moet God toch wel zijn, dat Vincentius zóo goedig is«!
Voor de Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo te Utrecht zal het nog veel schooner glorie-titel zijn dan de gouden jubelkroon, die haar thans zoo luisterrijk siert, wanneer wij als waardige zonen van Sint Vincentius steeds in zijn voetstappen treden en door onze beoefening der christelijke Charitas bij roomsch en onroomsch, bij oud en jong, bij rijk en arm, menigmaal de ernstige, ten hemel strevende gedachte wekken: gt;Hoe liefderijk en goed moet God toch wel zijn, dat een Vincentiaan zóo goedig is.quot;
1
!) Maxime du Camp La charitc privce a Fan's (Hachette iSSj) P- 535-
2
) Ene. Sapientiac chr/stianae: Magnarumque rervmi effcctiix renovauda caritas.quot;