ocr page 1

VERITAS.

UTRECHT,

C. H. E. BR EU ER. 1897.

ocr page 2
ocr page 3

EENE WAARSCHUWING.

ocr page 4
ocr page 5

EENE WAARSCHUWING

DOOR

VEHIT AS.

UTRECHT,

C. II. E. BR EU EU. 1897.

ocr page 6
ocr page 7

Wij beleven op politiek terrein een tijd, die wel verdient dat men zich rekenschap geve van den wezenlijken toestand. Wij staan toch aan den vooravond van nieuwe verkiezingen voor de Volksvertegenwoordiging, die volgens een zeer uitgebreid kiesrecht zullen gehouden worden en het is de vraag, wat deze ons als fin de siècle zullen aanbrengen.

Het is bekend hoe we aan dat uitgebreid kiesrecht zijn gekomen.

Ofschoon artikel 7 der additioneele artikelen van de Grondwet van 1887 het aantal kiezers in den lande nog pas had verdubbeld, wisten somniige leiders der publieke opinie, in den waan wellicht dat verbetering van sociale verhoudingen meer afhangt van kiesbevoegdheid dan van de zedelijke ontwikkeling des volks, de openbare meening toch warm te maken voor het denkbeeld, dat vóór alles op nog grooter uitbreiding van het kiesrecht behoorde aangedrongen te worden. Dit veroorzaakte een groote stagnatie in den wetge-

ocr page 8

6

venden arbeid eu hield allerlei noodige hervormingen geruimen tijd tegen, 't Was alsof de voorstanders van kiesrechtuitbreiding de gezindheid der bestaande machten om tot die hervormingen over te gaan wantrouwden ol' de verwezenlijking daarvan liever aan andere) misschien wel aan eigen handen zagen toevertrouwd.

De onbillijkheid van dit wantrouwen zal door ieder worden toegegeven, die geen vreemdeling is in de staatkundige geschiedenis van ons land na de grondwetsherziening van 1848. De Staatsregeling van dat jaar brak met het verleden en deed ook ons land de baan betreden van milder beginselen van Staatsbestuur. Het was Thorbecke, het hoofd der liberalen, die onze politieke organisatie tot stand bracht en ons op staatkundig gebied eene wetgeving bezorgde, welke aller belangen beter regelde en waaronder wij gedurende vele jaren kalm en rustig geleefd hebben. Ware deze staatsman nog langer aan het roer gebleven, geen twijfel of hij, die reeds in de Voorrede van zijne „Aanteekening op de Grondwetquot; gezegd had: „Wij hebben van onze Geschiedenis niet geleerd, in staatkundige beschaving bij eenig volk achter te blijven,quot; zou ons ook op sociaal terrein wetten bezorgd hebben, die in de algemeene behoeften des lands zouden hebben voorzien. Dit was trouwens ook een eisch dei-richting, welke door hem en zijne aanhangers werd voorgestaan en waarvan de vervulling aan dezen werd overgelaten.

ocr page 9

7

Toen echter deze bekwame staatsman ons ontviel, was er geen eminent man aangewezen, om hem als leider der partij te vervangen. Wel ontbrak het den liberalen niet aan kundige mannen, maar geen domineerde in die mate, dat men zich gewillig aan zijne leiding onderwierp. De partij was als het ware vleugellam geslagen. Of er afgunst, naijver of iets anders in het spel was, willen wij niet beslissen, maar zeker is het dat de partij na den dood van Thorbeeke is blijven stilstaan en op den weg der ontwikkeling niet met die kracht en energie is voortgeschreden, als in het algemeen belang wenschelijk ware geweest.

Men begon dit echter langzamerhand te beseffen en toen dit besef goed was doorgedrongen, kwamen allengs verschillende maatregelen tot stand, die bevordering der sociale rechtvaardigheid ten doel hadden. De begeerte om nog tot meer maatschappelijke hervormingen te geraken, zou dan ook zeker geleidelijk zijn vervuld, indien de straks bedoelde aandrang tot nog grooter uitbreiding van kiesrecht dit niet had belet.

Die aandrang tot kiesrechtuitbreiding won ten laatste zoodanig veld, dat er een ministerie optrad, dat ze „als noodzakelijke voorwaarde van blijvende verbeteringquot; verklaarde. De Minister van Binnenlandsche Zaken in dat kabinet, de heer Tak van Poortvliet, droeg eene nieuwe kieswet voor, welke nagenoeg tot algemeen kiesrecht zou geleid hebben, daar het voor kenteekenen van geschiktheid en welstand slechts fictiën

ocr page 10

8

gaf. Dit werd geacht niet te strooken met de vooi-schriften der Grondwet. Het wetsvoorstel werd dan ook, en zelfs op niet onberispelijke wijze, ingetrokken, toen het bekende amendement van den heer de Meijier door de Tweede Kamer werd aangenomen.

De aanneming van dat amendement en het gansche debat over de wet Tak wezen duidelijk den grondslag aan, waarop een nieuw ministerie de regeling van het kiesrecht zou hebben te grondvesten. Het wetsontwerp van den minister van Houten heeft zich daaraan echter niet gehouden. Het heeft eene veel wijdere strekking; door zijne loonkiezers, door de verdere middeltjes waardoor de kiesbevoegdheid kan verkregen worden en, last not least, door de wijze waarop daarbij het kiesrecht voor de gemeenten is geregeld, drijft het zelfs in eene bedenkelijke richting. De eischen om het kiesrecht te verkrijgen zijn daarbij zoo laag gesteld, dat het — eenmaal in volle werking zijnde — zeker niet minder kiezers zal opleveren dan het niet gewilde ontwerp van Tak zou in het leven geroepen hebben.

Het moet dan ook bevreemden dat de Tweede Kamer zich met dat wetsontwerp heeft kunnen vereenigen. De stemming is inderdaad zonderling geweest. In stede van de linkerzijde der liberale partij, de radicalen, die zoozeer voor kiesrecht uitbreiding hadden gewerkt, voor en de gematigde liberalen tegen te zien stemmen, heeft men juist het tegenovergestelde kunnen waarnemen. Naar de verklaring daarvan zou slechts te gissen vallen

ocr page 11

9

indien dc afscheiding van ecne fractie der radicalen daaromtrent niet eenig licht had verspreid. Deze fractie wilde niet meedoen [aan de opposition quand mème, welke de overige leden der linkerzijde voerden, naar men zegt, uit antipathie tegen den vroegeren partijgenoot, dien men in dezen geen overwinning gunde. Wat de gematigde liberalen betreft, deze hebben, ofschoon velen allerminst met de wet waren ingenomen, blijkbaar daaraan hunne stem gegeven om geen kabinet te doen vallen, dat uit hun midden was voortgesproten en om aan het kiesrechtgewoel een einde te maken.

Er ware over die stemming, waarbij naar onze meening meer aan het belang van personen dan aan het algemeen belang is gedacht en waarbij consequentie en karakter zich zoozeer hebben teruggetrokken, nog veel te zeggen, maar de teerling is geworpen en daar ook de Eerste Kamer, vreemd genoeg, zich met de wet heeft vereenigd, zullen de aanstaande verkiezingen naar hare bepalingen gehouden worden.

Vele zijn de voorbereidingen van schier alle politieke partijen om bij die verkiezingen hare beginselen zoo veel mogelijk ingang te doen vinden. Die voorbereidingen hebben reeds doen zien dat, op eene enkele uitzondering na, alle partijen vrij wel gedesorganiseerd zijn. De liberale partij is gehalveerd. Hare linkerzijde heeft zich aangesloten bij de Liberale Unie, die in hare laatste algemeene vergadering verzuimde haren naam met dien van Radicale of Democratische Unie te verwisselen,

ocr page 12

10

want haar recht om zich thans nog liberaal te noemen heeft zij nog nergens aangetoond en kan zij ook niet aantoonen. Zij heelt dat recht verspeeld en behoorde dit niet langer te ontkennen. In de Anti-revolutionaire partij is eene gelijke scheuring ontstaan. De reeds bestaande radicale partij is ook verdeeld en de partij der sociaal-democraten is almede in fraction uiteengespat. Alleen de Roomschen hebben zich aaneengesloten en zijn op geestelijk bevel tot een volkomen eenheid gekomen; zelfs de Heer Schaepman, van wien de liberalen zoolang dupe zijn geweest, is onder den hoed gevangen, al heeft hij met het oog op zijn kiesdistrict nog een schijntje van zelfstandigheid willen bewaren. De rechterzijde der liberalen en de groote menigte hunner aanhangers in den lande, blijven echter achterwege met elke aansluiting of organisatie. Zullen zij nog langer wachten? «Unitariër» heeft de noodzakelijkheid daarvan reeds aangetoond en het bevreemdt dan ook dat van liberale zijde nog niets wordt vernomen. Misschien zal de roepstem van hun hoofd, den Heer de Beaufort, hen uit den dommel wekken, die hen nog besluiteloos doet zijn.

De voorbereidingen der partijen hebben het leven gegeven aan vele programma's, welke den aanstaanden kiezers worden voorgehouden. Dat der Illiberale Unie is wegens zijn bestendiging van den kiesstrijd en den dwang dien het aan hare candidaten oplegt van dien aard, dat geen wezenlijk liberaal zich daarbij kan aan-

ocr page 13

11

sluiten. Verschillende kiesvereenigingen hebben zich dan ook reeds van die Unie afgescheiden en het is te verwachten dat nog meerdere dat voorbeeld zullen volgen.

Uit deze verlanglijsten, die dit met zekere andere verlanglijsten gemeen hebben dat ze alle sterk overvragen, spreekt eene algemeene begeerte naar eene politiek, die vooral de sociale belangen zal bevorderen. Wij hebben straks reeds gezegd dat dit natuurlijk is daar het voor iederen onpartijdigen opmerker een feit is dat verschillende sociale vraagstukken eene oplossing eischen. De vraag is slechts in welken zin die oplossing zal geschieden. Ware het werk der liberalen niet onderbroken, die oplossing zou op geleidelijke wijze hebben plaats gehad zonder het land in beroering te brengen. Of dit thans nog zal geschieden zal van den uitslag der verkiezingen afhangen.

Bij de voorbereidingen daartoe trekt het de aandacht dat sommigen gemeend hebben enkele zeer speciale onderwerpen afzonderlijk op den voorgrond te moeten brengen.

Zoo zijn er die zich kanten tegen ons stelsel van vrijen handel en bepaaldelijk op bescherming aandringen. Zij beseffen niet dat elke bescherming nadeelig werkt voor anderen en dadelijk anderen ook weer nieuwe bescherming doet eischen. Gaarne zouden wij ons tarief van in- en uitvoerrechten zien verbeterd, ook uit een fiscaal oogpunt, maar nooit in den zin van protectie. Ware die verbetering reeds voor lang aangebracht, zij

ocr page 14

12

zou vermoedelijk ook het geroep om bescherming getemperd hebben.

Weer anderen, en daaronder misschien velen van de zoo even genoemden, stellen de belangen van den landbouw op den voorgrond en willen algevaardigden gekozen zien, die vooral deze belangen zullen voorstaan. De laatste discussion in de Eerste Kamer zijn omtrent dit vraagstuk zeer leerrijk.

Waar toch speciale belangen voorop zijn gesteld, bevreemdt het dat niemand is opgekomen voor twee andere belangen, die mede zeer gewichtig zijn en niet het belang van enkelen maar dat van allen gelden. Wij bedoelen in de eerste plaats de beginselen van vrede, arbitrage en ontwapening. Wij zullen hier geen droevig tafereel ophangen van de verschrikkelijke gevolgen van den oorlog, noch van de bijna ondragelijke lasten die de staande legers op de volken doen rusten, maar alleen vragen of het voor ons niets zegt, dat ongeveer een derde van ons budget vereischt wordt voor middelen om ons land tegen oorlogsgevaar te verdedigen en dat velen die middelen toch nog onvoldoende achten om dat gevaar af te wenden. In Zweden wordt den candidaten voor den Rijksdag afgevraagd of zij, gekozen wordende, die beginselen zullen steunen en of zij zich zullen aansluiten bij de groep der Conférence Interparlementaire, welke zulk steunen bepaald ten doel heeft. Ofschoon dit nu misschien wat ver gaat, omdat volksvertegenwoordigers naar ons inzien volkomen

ocr page 15

43

vrij moeten blijven, verwondert het toch dat ten onzent aan deze belangen in het geheel niet gedacht wordt, te eer, omdat reeds een groot aantal leden van onze Staten-Generaal leden zijn der bedoelde Conférence Interparlementair. Gaarne brengen wij daarom hulde aan het lid der Eerste Kamer, den Heer Rahusen, die dit belang in onzen Senaat warm heeft bepleit.

In de tweede plaats meenen wij dat onze koloniën ook recht zouden hebben op eene speciale vooropstelling. Zeer wenschelijk ware het toch dat er meer mannen gekozen werden, die onze overzeesche bezittingen kennen en hare belangen konden voorstaan. De programma's gewagen wel van de koloniën in zeer algemeene, niets zeggende phrasen, doch niet met het doel om de behartiging barer belangen op den voorgrond te brengen. Integendeel, hare vermelding komt achteraan en natuurlijk dat in zoo lange programma's eene tirade aan de koloniën niet kon gemist worden. Dit bevreemdt omdat Nederland met zijne koloniën staat of valt en het verzwijgen van dit belang zal dan ook door velen weer als een bewijs worden aangemerkt, dat de onverklaarbare onverschilligheid van onze landgenooten omtrent Indische zaken nog steeds voortduurt.

De vraag is evenwel of het vooropstellen van speciale belangen bij verkiezingen wel aanbeveling verdient, daar het voor elke partij de eenheid kan verbrokkelen, die noodig is om te overwinnen. Laat het streven

ocr page 16

14

daarom zijn naar sociale hervormingen, die door den loop der dingen eene prioriteit verkregen hebben, maar men bedenke het wel dat in dit opzicht niet alles van den Staat kan verwacht worden en zelfs op verre na niet zooveel als sommige leiders zich daarvan voorstellen. Tegen de overdrijving van dit denkbeeld kan niet genoeg gewaarschuwd worden, omdat de Staat zijne medewerking niet kan verleenen, zonder het reeds drukkende budget nog belangrijk te verzwaren. Daarom is het van het hoogste belang dat er mannen worden gekozen, die kundig, onafhankelijk en eerlijk zijn, karakter bezitten en van wie men dus mag verwachten, dat zij in werkelijkheid steeds het algemeen belang voor oogen zullen houden. Geschiedt dit niet, dan vreezen wij voor eene sociale politiek, die het individu vernietigen en tot staatssocialisme voeren zal.

Wat ten slotte nog het meest treft in al dat kies-rechtgescharrel, waarvan de dagbladen ons dagelijks ellenlange verhalen geven, is het werk der Roomschen. Deze treden zóó driest op, dat zij bezwaarlijk meer overmoed aan den dag zouden kunnen leggen, indien het hun te doen ware om van Nederland plotseling een roomsch gewest te maken. Met loslating van alle vroegere gezindheden, vereenigen zij zich allerwege, om geheel op zich zei ven zoo mogelijk eigen candida-ten te verkrijgen; op vele plaatsen stellen geestelijken zich aan het hoofd der beweging; andersdenkenden worden geboycot in hunne neringen en geloofsgenooten

ocr page 17

45

op allerlei wijze voorgetrokken en bevoordeeld. Volgens pater Erman, die hier en daar politieke lezingen houdt, is de aanstaande verkiezing zelfs aan te merken als een godsdienstoorlog. Ergo zou de politieke macht hier te lande moeten overgebracht worden in de handen der bisschoppen.

Dergelijk streven doet de pauselijke breve van 4 Maart 1853, waarbij de sedert drie eeuwen vervallen bisschoppelijke zetels hier te lande werden hersteld, op nieuw betreuren. Maar al misgunnen wij den Roomschen die organisatie niet, dat streven wijst toch op een gevaar van maatschappelijken en staatkundigen aard, dat inderdaad groot is. En wat doet Nederland om dat maatschappelijk gevaar te voorkomen en zich tegen verrassing en overrompeling te hoeden? Weinig of niets. Ja, van kerkelijke zijde wordt er iets gedaan, maar behalve dat zij, die daaraan deelnemen, reeds uit zichzelven waakzaam zijn, kan daartoe niet medegewerkt worden door hen, die hunne kerkelijke richting niet zijn toegedaan. Zal de Protestantsche Volksbond wat vermogen? Wij willen het hopen, üe vraag is zelfs of, nu de Roomsche geestelijken zich met de zaak bemoeien, onze predikanten niet hetzelfde moeten doen. Wel hebben zij geen hoogere priesters, die het hun kunnen bevelen, maar de aangerande overtuiging is ook een factor van handelen. In elk geval gelooven wij dat allen, die wars zijn van ultramontanisme, zich behoorden te vereenigen om het gevaar, dat de maatschappij

ocr page 18

dG

van die zijde bedreigt, te bezweeren. Het land der Geuzen mag niet tot Rome behooren. Dit is geen uiting van onverdraagzaamheid, maar van zelfverdediging.

Op staatkundig terrein zal het gevaar vooral dreigen als er weer sprake mocht zijn van eene herhaling van het monsterverbond tusschen Anti-revolutionairen en Roomschen. De laatsten doelen in hun program reeds op eene hervatting van den schoolstrijd en als het streven die richting neemt mag er in de volksvertegenwoordiging wel eene sterke partij zijn om het te keeren. Ook om deze reden is het dringend noodzakelijk dat alle liberalen zich aaneensluiten om bij de aanstaande verkiezingen op mannen te stemmen, die het gevaar dat van clericale zijde dreigt af te wenden.

Wij hebben onze gedachten over een en ander meêgedeeld in de hoop dat zij den lezer tot het besef zullen leiden van den ernst van het oogenblik en van de noodzakelijkheid om alle onversclnlligheid af te schudden omdat deze noodwendig aan de tegenstanders moet ten goede komen.

quot;s Gravenhage, 4 Februari 1897.

VERITAS.

ocr page 19
ocr page 20