l3?. /Atfxar
IE VEÃHIIUIIINS lEfi GEiEESHilillGEI
VAN HKT
ziekenfonds der maatschappij:
âJot Nut van !t ^lgemeenquot;
TOT DEN
RAAD VAN BESTUUR.
DE VEiDIIDING M GENEESKÃIIOIEEN
VAN HET
ZIEKENFONDS DER MAATSCHAPPIJ: ^OT jMuT VAN 'T ^LGEMEENquot;
TOT DEN
RAAD VAN BESTUUR.
GEZET MKT DE LVNOTVPE-'/ETMACHINE TER DRUKKERIJ DER VENNOOTSCHAP HET VADERLANDquot;.
Het ail U misschien wel bevreeiuden, dut ik lt;le zaak, ikior Dr. Coert laatst op de Vergadering: der âM. v. Gen.quot; ',e berde gebnioht, eai aldaar naar de ineening van velen nwer zeker voldoende besproken, iiogmaals hier ter tafel breng â to meer, daar velen uwer toen reeds meenden, dat de bespreking dier zaak daar niet thuis behoorde. Staat mij toe, dat ik in beide opzichten eene andere meening koester. Ik zou meenen, dat deze zaak van voldoende gewicht was om er nog eens in besloten kring van gedachten over te wisselen en dat ze op de âM. v. Gen.quot; thuis behoordei zoowel als hier, m. a. w., in elke Vereeniging of Vergadering, waar meerdere geneeskundigen bijeen zijn om wetensohappelijke of sociale belangen te bespreken. Tua res ngitur.
Of bestaat er dat; zoo weinig solidariteit onder ons, dat wij zouden meenen dat, wanneer een onzer meent verongelijkt te zijn of onrecht en nadeel in zijn praktijk te hebben ondervonden, dit dus anderen niet aangaat zoolang het ons persoonlijk niet treft ? Zou het niet rationeeler zijn dit onrecht, dit nadeel, aan een collega aangedaan, te beschouwen als aan elk onzer persoonlijk of aan onzen geheelen geneeskundigen stand ! Vergeten wij niet dat wat heden één onzer treft, morgen iedci onzer te beurt kan vallen.
Dan denken de werklieden er anders over. Heeft een hunner een werkelijke of vermeende grief - dadelijk trekken allen partij voor den gegriefden broeder, zelfs al is het recht niet altijd aan zijn zijde. En wij â als er in het begin van de ver-
i
gadering der M. v. Gen. een motie was voorgesteld waarin werd verklaard dat de M. v. (Jeu. zich niet met do grieven van een enkele kan bemoeien of dat die grieven niet ernstig genoeg waren of dat er eerst pogingen moesten aangewend zijn om opheffing dier grieven langs anderen weg te verkrijgen â wellicht ware deze motie aangenomen en was do zaak niet eens ter sprake gekomen. Ik schrijf het dan ook meer aan een soort van instinct toe, dat deze motie is achterwege gebleven â aan een onbewuste solidariteit dat de zaak besproken is zooals zij werd.
Ik wenschte nu met U de vraag tei bespreken:
1) Zijn er grieven van onzen kant tegen de Administratie van de M. t. Nut v. 't Alg. en zoo ja â zijn ze gemotiveerd?
2) In dat geval, aan wien de schuld ï
3) Hoe daarin te voorzien:
Ad. 1.) de grieven, die ik tegen die Adm. zou hebben, zijn de laatstgcnomen maatregelen :
a.) beperking van het aantal Gcneesk. â de zoogenaamde sluiting van het Nut;
b) verbinding van den Geneesk. alleen aan het Nut met uitsluiting van een ander Ziekenfonds.
o.) «Ie waarneming der praktijk alleen door Geneesk. die aan het Nut verbonden zijn.
Ad. a.) De beperking van het aantal Geneesk. zal natuurlijk voordeelig zijn voor hen die aan het Nut verbonden zijn â maar daar staat tegenover dat zij onvoordeelig moet zijn voor de daarbuiten st landen, 't Is waar, vele Geneesk. hebben slechts een zeer bescheiden aantal leden, maar de mogelijkheid bestaat voor hen, dat door liet openvallen van andereafdeelingeu of door andere redenen, dat aantal in korter of langer tijd giooter wordt. Deze mogelijkheid bestaat nu alleen ten voordeele van de Geneesk. die aan het Nut verbondon zijn â de anderen krijgen niets. Voert men hiertegen, aan dat de Adm. noodeloos bezwaard wordt dan wil ik dit gaarne tue-geven, maar dan is deze maatregel ook genomen in 'iet voor-
deel on ter wille der Adm. â niet ter wille van de Geneesk.
Ad. b.) Dat de Geneesk. zich alleen mag verbinden aan het âNutquot; en niet gelijktijdig aan andere ziekenfondsen â daarvan zie ik nog altijd liet groote nut voor den Geneesk. niet in. Zeker â ik weet wel dat. men misbruik kan maken, dat een Geneesk. zou kunnen trachten leden uit een minder betalend Ziekenfonds over te brengen in een beter betelend. Doch men vergete niet, dat men van alles en van de beste zaken mis-biTiik kan maken, zooals dan ook geschied is en dagelijks gescliiedt ; dat men dus alles zou kunnen afschaften en âmit dem Bade das Kind ausschiittelnquot;. Maar als een maatregel goed is dan tracht© men eventueele misbruiken tegen te gaan, doch zettei niet den geheelen maatregel op zij. Van de door mij bediende ziekenfondsen was het ,,Xutquot; altijd het best betalende â dus zouden de andere ziekenfondsen te klagen kunnen gehad hebben wanneer ik pogingen had gedaan in dien zin â¢â niet het âNutquot;.
Daarenboven gaat dat overschrijven van leden in een ander Ziekenfonds niet zoo gemakkelijk. De menschen toch zijn door het zieken- en begrafenisgeld aan het Ziekenfonds, waarvan zij op het oogenblik lid zijn, verbonden. Ik kan hier uit ondervinding spreken. Van de 4 00 leden die ik bij liet bedanken van het laatste ziekenfonds verloor, is er in de andere fondsen, die ik ben blijven bedienen, overgekomen -â geen éen.
Ook kan ik in dezen maatregel geen voordeel voor de Maatschappij zien. Wat kan het een niet geïnteresseerde Directie-, zooals het âNutquot; bezit, schelen of er een paar leden meer of minder zijn. Wel kunnen andere Directies daarvoor niet onverschillig zijn. Is dat niet de belangstelling voor den bloei der zaak wat overdrijven '! Ik herinner mij nog zeer goed den tijd toen voor de meeste ziekenfondsen alhier de toestand van sluiting bestond. Wat een gejubel was hut, toen het âNutquot; werd opgericht en voor allen opengezet! Dat was eerst een liberale inrichting! Vijf en twintig jaar heeft deze inrichting nu bestaan. En is nu gebleken, dat deze maatregel zooveel
DE VEWIIDIIG m EENEESKUIDIGEN
VAN 1IF.Ã
ZIEKENFONDS DER MAATSCHAPPIJ; ^OT j^UT VAN 'T /^LGEMEÃNquot;
TOT DEN
RAAD VAN BESTUUR.
GKZET MKT DE LYNOTVPE-ZETMACHINE TER DRUKKERIJ DER VENNOOTSCHAP âHET VADERLAND1'.
Het ail U misschien wel hevreeiuden, dat ik de zaak, door Dr. Cübrt laatst op de Vergadering der âM. v. (jlen.'quot; ;e berde gobraoht, eii aldaar naar de meening van velen uwer zeker voldoende besproken, nogmaals hier ter tafel breng â te meer, daar velen uwer toen reeds meenden, dat de bespreking dier zaak daar niet thuis behoorde. Staat mij toe, dat ik in beide! opzichten eene andere meening koester. Ik zou meenen, dat deze zaak van voldoende gewicht was om er nog eens in besloten kring van gedachten over te wisselen en dat ze op de âM. v. Gen.quot; thuis behoorde, zoowel als hier, m. a. w., in elke Vereeniging of Vergadering, waar meerdere geneeskundigen hijeen zijn om wetensohappelijke of sociale belangen te bespreken. Tua res agitur.
Of bestaat er dan zoo weinig solidariteit onder ons, dat wij zouden meenen dat, wanneer een onzer meent verongelijkt te zijn of onrecht en nadeel in zijn praktijk te: hebben ondervonden, dit dus anderen niet aangaat, zoolang het ons persoonlijk niet treft'! Zou het niet rationeeler zijn dit onrecht, dit nadeel, aan een collega aangedaan, te beschouwen als aan elk onzer persoonlijk of aan onzen geheelen geneeskundigen stand ? Vergeten wij niet dat wat heden één onzer treft, morgen ieder onzer te beurt kan vallen.
Dan denken de werklieden er anders over. Heeft een hunnet een werkelijke of vermeende grief - dadelijk trekken allen partij voor den gegriefden broeder, zelfs al is het recht niet altijd aan zijn zijde. En wij â als er in het begin van de vei-
i
gaduring der M. v. Gen. een motie was voorgesteld! waarin werd verklaard dat de M. v. (leu. zich niet met do prrieven van eeu enkele kan bemoeien of dat die grieven niet ernstig genoeg waren of dat er eerst pogingen moesten aangewend zijn om opheffing dier grieven langs anderen weg te verkrijgen â wellicht ware deze motie aangenomen en was de zaak niet eens ter sprake gekomen. Ik schrijf het dan ook meer aan een soort van instinct toe, dat deze motie is achterwege gebleven â aan een onbewuste solidariteit dat de zaak besproken is zooals zij werd.
Ik wonschte nu met U de vraag te besproken :
1) Zijn er grieven van onzen kant tegen de Administratie van de M. t. Nut v. 't Alg. cn zoo ja â zijn ze gemotiveerd?
2) In dat geval, aan wicn de schuld?
3) Hoe daarin te voorzien :
Ad. 1.) lt;le grieven, die ik tegen die Adm. zou hebben, zijn de laatstgenomen maatregelen :
a.) beperking van het aant il Geneesk. â de zoogenaamde sluiting van het Nut;
b) verbinding van den Geneesk. alleen aan het Nut met uitsluiting van een ander Ziekenfonds.
o.) de waarneming der praktijk alleen door Geneesk. die aan het Nut. verbonden zijn.
Ad. a.) De beperking van het aantal Geneesk. zal natuurlijk voordeelig zijn voor hen die aan het Nut verbonden zijn â maar daar staat tegenover dat zij onvoordeelig moet zijn voor de daarbuiten st,tanden, 't Is waar, vele Gmeesk. hebben slechts een zeer bescheiden aantal leden, maar de mogelijkheid bestaat voor hen, dat door het openvallen van andere afdeelingen of door andere redenen, dat aantal in korter of langer tijd grooter wordt. De zei mogelijkheid bestaat nu alleen ten voordeel© van de Geneesk. die aan liet Nut verbonden zijn ââ de anderen krijgen niets. Voert men hiertegen, aan dat do Adm. noodeloos bezwaard wordt dan wil ik dit gaarne toegeven, maar dan is deze maatregel ook genomen in 'iet voor-
O
deel en ter wille der Adm. â niet ter wille van de Geneesk.
Ad. b.) Dat de Geneesk. zich alleen mag verbinden aan het âNutquot; en niet gebjktijdig aan andere ziekenfondsen â⢠daarvan zie ik nog altijd het groote nut voor den Geneesk. niet in. Zeker â ik weet wel dat men misbruik kan maken, dat een Geneesk. zou kunnen trachten leden uit een minder betalend Ziekenfonds over te brengen in een beter betalend. Doch men vergete niet, dat men van alles en van de beste zaken misbruik kan maken, zooals dan ook geschied is en dagelijks geschiedt ; dat men dus alles zou kunnen afschaffen en âmit dem Bade das Kind ausschiittelnquot;. Maar als een maatregel goed is dan trachte men eventueele misbruiken tegen te gaan, doch zetten niet den geheelen maatregel op zij. Van de door mij bediende ziekenfondsen was het âNutquot; altijd het best betalende â dus zouden do andere ziekenfondsen te klagen kunnen gehad hebben wanneer ik pogingen had gedaan in dien zin â niet het âNutquot;.
Daarenboven gaat dat overschrijven van leden in een ander Ziekenfonds niet zoo gemakkelijk. De menschen toch zijn door het zieken- en begrafenisgeld aan het Ziekenfonds, waarvan zij op het oogenblik lid zijn, verbonden. Ik kan hier uit ondervinding spreken. Van de 400 leden die ik bij het bedanken van het laatste ziikenfonds verloor, is er in de andere fondsen, die ik ben blijven bedienen, overgekomen -â geen één.
Ook kan ik in dezen maatregel geen voordeel voor de M aatschappij zien. Wat kan het. een niet geïnteresseerde Directie, zooals het âNutquot; bezit, schelen of er een paar leden meer of minder zijn. Wel kunnen andere Directies daarvoor niet onverschillig zijn. Is dat niet de belangstelling voor den bloei der zaak wat overdrijven 1 Ik herinner mij nog zeer goed den tijd toen voor de meeste ziekenfondsen alhier de toestand van sluiting bestond. Wat een gejubel was liet, toen het âNutquot; werd opgericht en voor alkn opengezet! Dat was eerst een liberale inrichting! Vijf en twintig jaar heeft deze imioliting nu bestaan. En is nu gebleken, dat deze maatregel zooveel
6
nadeel lieeffc toegebraolit aan ons 1 Want ik spreek hier van onzo belangen. Hebben wij, geneesk., zoo sterk naar c'le sluiting verlangd? Voor zoover ik weet, niet.
De Haad van Adm. verdedigt den door hem genomen maatregel in het laatste, 49ei, verslag, door tei zeggen, dat âbij ge-âlijktijdige werkzaamheid in 2 of meerdere fondsen zich licht âhet geval kan voordoen, dat de geneesheer de belanoren van âhet eene fonds bij die van het andere zou moeten achter-âstellen, bv., -wanneer dooi' een zijner patiënten zijn advies âwordt gevraagd, bij welke inrichtimr men zich zal doen in-âof overschrijven.quot; De Kaad vergeet, dat de menschen niet den geneesheer, maar den bode in den regel daarover raadplegen. De geneesheer komt eerst met de menschen in aanraking, wanneer zij ingeschreven en in een fonds als leden aangenomen zijn.
Wij komen nu tot de bespreking van punt c, dat de praktijk alleen mag worden waargenomen door een geneesheer, die aan het âNutquot;' verbonden is. Het komt mij voor, dat dit een uoodelooze beperking van vrijheid is.
Ik moet hier opmerken, dat bij de bespreking op de Vergadering der âM. v. Gen.quot; mijns inziens een misverstand is ingeslopen tusschen Dr. de Zwaan en Dr. Cobrt.
De laatste had alleen op het oog een tijdelijke waarneming door ziekte, uit de stad zijn etc. Dr. de Zwaan strekte dit uit tot een blijvende waarneming, waarbij de waarnemende geneesheer het plan zou hebben de âNutsquot;praktijk van een ander over te nemen. Ik ben het geheel met hem eens, dat de ge-ne.jsht:er niet op die wijze over zijn patiënteii mag besehikkcu. Maar hoe dikwijls zal dit laatste voorkomen tegenover het eerste? Wettigt nu een zoo zeldzaam voorkomend geval een dergelijken maatregel? Ja! quot;t Kan voorkomen, dat Je waarnemende geneesheer niet aan 't âNutquot; verbonden, misschien enkele leden tot een ander fonds zal kunnen overhalen. Doch gemakkelijk zal dit niet gaan : 't zal zich nooit tot een groot aantal leden kunnen uitstrekken, en aldus wordt een voor den
geneesheer hatelijke maatregel ingevoerd tot het Ijehondeii van misschien een enkel lid. Hatelijk noem ik den maatregel, omdat hij de veronderstelling in zich sluit, d;it de waarnemende geneesheer, geen lid van 't âNutquot; zijnde, zich niet zal ontzien zooveel mogelijk die Maatschappij te benadeelen en zichzelf te bevoordeelen. En ten andere, omdat zij onze vrijheid van handelen belemmert.
Zijn de maatregelen, sub a, b en c genoemd, zeker niet in het belang van den geneesheer genomen, onaangenamer nog is in mijn oog ile wijze waarop zij genomen zijn. Om dit aan te toonen zij het mij vergund, even op de positie te wijzen, die de geneesheer, aan een ziekenfonds verbonden, bekleedt. Het zal wel geen tegenspraak uitlokken, als ik zeg, dat ook in de ziekenfonds-praktijk de essentieele elementen zijn : de patiënt en de geneesheer, evengoed als in de particuliere praktijk. Ik kan mij wel een ziekenfonds denken zonder leeken-directie, maar niet zonder doctoren en patiënten. Terecht noemt de administratie der geneeskundige Afd. van het âNutquot; zich dan ook âadministratiequot; en de leden daarvan zijn âadministrateurenquot;. Hoe hoog die administateiuren in de maatschappij ook staan â en ik wil hun gaarne alle respect bewijzen, die hun in hun maatschappelijke positie toekomt â als administrateuren van een ziekenfonds zie ik in .hen niets anders dan ambtenaren â zij het ook vrijwillige â en laat ik daarbij voegen, in casu vertegenwoordigers van de leden â en als zoodanig wil ik ze zelfs directeuren noemen. Mij zeiven, als uitoefenende een vrije kunst, kan ik daarentegen onmogelijk als ambtenaar beschouwen, zelfs wanneer ik aan het âNutquot; werkzaam ben.
Vertegenwoordigen de adniiuistrateureu de leden en hun rechten, dan venogenwoordigen wij de onze en dan komt het mij voor, dat het een gebrek is in de inrichting van het âNutquot;, dat tegenover 7 leden, die de rechten der leden vertegenwoordigen, er slechts '2 staan, die onze belangen behartigen. Xooit zullen die twee leden kunnen verhinderen, dat
8
er maatregelen genomen worden, ilie met onze lgt;elangen strijden, al zouden zij er zich ook met hand en tand tegen verzetten en al hadden zij de welsprekendheid van Demosthenes. De administratie is das volkomen in 'haar recht, als zij zegt, dat deze maatregelen met voorkennis van onze gedelegeerden zijn genomen, maar wenschelijker ware het mijns inziens geweest, dat de administratie, en zoo noodig onze gedelegeerden, er op aangedrongen hadden dat dergelijke maatregelen, waarhij over ons beschikt wordt, in eeno algemeenei vergadering waren hesproken en genomen. Dan hadden wij kennis kunnen nemen van de motieven, die de administratie geleid hebhen en zij had blijk gegeven onze appreciatie op prijs to stellen. Xu kan men wol zeggen; het gewijzigde reglement is U toegezonden en men kan op de December-vergadering alles vragen wat men weten wil. En dan zeg ik : gij hebt volkomen gelijk, en toch komt het mij voor, dat deze maatregelen ongeveer bij verrassing genomen zijn. Evenals velen uwer beu ik er ten minste door verrast en droeg van al die maatregelen geen kennis, vóór ik door de zaak-Coeht daarvan hoorde.
Nu kan men alweer zeggen : als het U niet bevait, dan kunt gij bedanken, maar MM. HH.! al zmi ik dit doen, dan zou ik geen stap verder zijn in de zaak, die ons nu bezig houdt. Daarenboven gaat het toch niet aan om aan ieder, die de vrijheid neemt een maatregel te bespreken, of zelfs af te keuren, of die meent, dat een maatregel verandering of verbetering verdient, een consilium abeundi te geven. Daaruit zou volgen, dat wij ons slechts stilzwijgend te onderwerpen hadden aan eiken maatregel, dien men zou willen nemen. Het komt mij ook voor, dat het geen argument is van de sterkste soort, of liever, dat het in het geheel geen argument is en slechts een dooddoener. Al zou men dan ook kunnen toegeven, dat de maatregelen, waarvan hier sprake is, voor den geneesheer niet zoo grievend zijn, zelfs erkennen, dat zij met de beste bedoeling zijn genomen, men zal toch niet
9
kunueu beweren, d;it zij in het Ijelang der geueeslieereii zijn genomen, en al zouden wij er ons tegen willen verzetten â wij zouden het, bij de tegenwoordige inrichting van het âNutquot;, niet kunnen. Ik acht dan ook het feit, dat dergelijke maatregelen, die dan toch onze belangen betreffen, genomen kunnen worden, zonder dat de massa der geneesheeren er kennis van draagt, een gevaar.
i Wij komen nu uan punt 2, en willen de vraag trachten
te beantwoorden: aan wie ligt de schuld van dezen toestand?
En dan aarzel ik geen oogenblik te bekennen, dat de schuld liijt aan ons. En wel
a. omdat wij onze belangen niet weten te verdedigen, en
b. omdat er geen solidariteit onder ons bestaat.
Ad. a. Het is duidelijk, zooals ik boven reeds zeide, dat bij de tegenwoordige inrichting der Administratie van het âNutquot; de verdediging onzer belangen hoofdzakelijk in handen is van die administratie. Hoe1 wil men nu verwachten, dat leeken onze belangen beter zullen behartigen dan wij zeiven? Hoe willen leeken, wieu geheel geneeskundige kennis ontbreekt, beoordeelen, waar en wanneer de geneeskundige in zijn taak is te kort geschoten? Niet, dat ik mij persoonlijk te beklagen heb over een min heusche behandeling van de zijde der administratie, integendeel, dan zou ik onwaarheid spreken. Maar zeker en waar is het. ook, dat, wil men vermijden dat het âNutquot; ontaarde in den zin, zooals het vóór 30 jaren de ziekenfondsen waren, dan moeten, mijns inziens, de geneeskundigen een veel grooteren invloed uitoefenen in het beheer. Anders vrees ik, dat de arbeid, vóór 30 jaren door onze voorgangers verricht, nutteloos zal blijken. Dan vrees ik, dat wij bij de plethora van geneeskundigen, die nu reeds bestaat en missehien nog grooter zal worden, den toestand zullen zien terugkeeren van vóór dien tijd, toen de niet gefortuneerde geneeskundige zeer laag stond aangeschreven en eene allesbehalve benijdenswaardige positie bezat.
Dus, waar do administratie met het reglement in de hand
10
hot recht heeft eeu collejrn, op wien niets te zeggen vult en wicu door een iinder collega de pmktijk is opgedragen, de waarneauing dier praktijk te ontzeggen en aldus heide collega's to grieven, daar is iets ârotten in the statequot;. Daar, waar de administratie , alweer met het wethoek in de hand, het recht heeft om een geneesheer, die niet anders dan het helaiig van zijn patiënt bedoelt, en daarmede volstrekt geen den geneesheer onwaardige', alleen in het oog van de administratie hoogst hedenkelijke fe ten pleegt â waar de administratie, zeg ik, het recht heeft dien geneeskundige een berisping toe te dienen - met hedreiging hem eeu volgend maal te zullen ontslaan, daar is de toestand, mijns inziens, niet zooais die hehoort, dan zijn er reeds bepalingen in het reglement geslopen, die zeker niet door de: geneeskundigen voor de geneeskuiu1:gen gemaakt zijn, daar heeft de administratie eene macht in handen gekregen, die zeker niet ten vourdeele van de geneeskundigen is en ook niet gebruikt wordt.
Ad. b. En hoe kan dit ook anders, daar bij ons de solidariteit geheel ontbreekt? Waar een collega terstond bereid is, hetgeen een andere meent niet te kunnen of te mogen doen, oj) te vatten ? \ oorbeelden daarvan liggen te zeer voor de hand, dan dat ik die behoef aan te halen.
Ad. 3. Wij komen nu tot het .3e punt en vragen naai het geneesmiddel voor de kwaal. En dan moet ik erkennen, dat ik geen afdoend middel ken.
a. Het zou mijns inziens wenscheJijk zijn, dat de genees-kundigan, in den 1'aad van Administratie, minstens door een viertal geneeskundigen waren vertegenwoord:gd, zoodat ei ten minste kans bestond, dat zij niet steeds door het aantal let ken overstemd werden. Of een poging in die richting zal slagen, weet ik niet. Niemand toch is geneigd afstand Ie doen van de macht die hij bezit, dan door den nood gedrongen b. Missohiem zou het mogulijk zijn een ziekenfomts up te richten, bestuurd door geneeskundigen. Wij hebben nu zieken-fondsen, die beheerd worden door werklieden, door burgers
It
en floor deftige burgers. Waarom ook niet door geneeskundigen ? Andere beroepen beredderen toch hun eigen zaken, waarom wij niet? Waarom moeten er tusschen ons en de patiënten altijd directies uit leeken bestaan ' Zouden wij niet bekwaam genoeg y;ju om zelfs een ziekenfonds te administree-ren? Of bestaat er vrees, dat wij de leden, en hun belangen dan zouden veronachtzamen? 't Ken is niet vereerend en het andere geen compliment. Ik vraag mij zeiven af, of de buitengewone ambitie om ziekenfondsen op te richten berust op het belang der leden of up het eigenbalaug der oprichters of op de exploitatie der geneeskundigen. Doch ik geloof, dat-het alleen gebrek aan solidariteit is, waardoor zich tussohen de patiëntön en ons zooveel directies hebben kunnen schuiven. Wij willen niet gehoorzamen aan onze collega's, en moeten nu gehoorzamen aan leeken.
c. Het zou noodig zijn, dat wij in sommige gevallen, onze eigen kleinere belangen achterstelden bij de grootere alge-meenet Wij zouden iets van onze vrijheid moeten opofferen, gedachtig aan het: âservi legis sumus ut liberi simusquot; van Cicero. En om ons daarin voor te lichten en desnoods daartoe to dwingen zou misschien, evenals bij de justitie, een Raad van discipline wensehelijk zijn. Elk geneeskundige, die hier de praktijk komt uitoefenen, zou verplicht zijn tot de orde der geneeskundigen toe te treden en door zijn hand-teekening te beloven, dat hij zich aan de besluiten van dien Uaad zal onderwerpen, waartegenover die Raad zijn belangen zou verdedigen waar, wanneer eu tegenover wien ook. Wanneer de collega^ die zich over het ontzeggen der praktijk terecht beleedigd achtte, zich tot dien Raad had kunnen wenden, had deze den Raad van Administratie over dien maatregel kunnen onderhouden en zoo deze daarin niet had willen toegeven, had hij aan de andere geneeskundigen haar meening te kennen kunnen geven, in hoever hij het gepast achtte, dat onder die omstandigheden een ander de praktijk van Dr. Cobrt waarnam. Ik zou dus een zekere organisatie van do
12
Geneeskundigen verlangen, terwijl tot- dusver ieder slechts voor zijn eigen belangen streed. Dut de Raad van Discipline, zich slechts tot moreele middelen zal kunnen bepalen, dat is de zwakste zijde van een de;gelijke organisatie. Het is ;n-tusschen mijn plan niet dit denkbeeld uit te werken - - ik wensch het slechts aa.n te geven .
Vraagt gij mij nu, MM. HH. I niet welke bedoeling ik deze regelen schreef, dan was dit niet. geen andere, dan om U aan te sporen zorg te dragen, dat de eer van den geneeskundigen stand ongerept gehandhaafd blijve. Videant consules ne respublica detrimentum capiat.
Dr. J. F. BAERKEN.