L3. i'i
f'x ^
LEERKEDI
gehotiden bij liet afscheid van zijne gemeente te Almeloo
DOOR
Du. J. M. S. BALJON,
henoemd Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aav de Jitjlcs- Umrerstied
ft; Utrecht,
i
den 6en October 1895, des avonds 6 uren.
Prijs met portret f 0.25.
/
ALMELOO W. HILARIUS W/.n.
Zie pag. 4 van dezen omslag.
IN DEN ALMELOSCHEN BOEK- EN KUNSTHANDEL
VAN
W. HILARIUS Wzn., Almelo,
VINDT MEN STEEDS EENE UROOTE M4IRTEERIMC»
Kerkboeken en Bijbels,
in versehillende banden en prijzen.
wssmm mmmm
7317
/I
LEER K EDI
J
gehouden bij liet afscheid van zijne gemeente te Almelo o
DO( )R
Du. J. M, S, BALJON,
hmoemd Jlooffleeraar in de Godgeleerdheid oav de Rjlcs- UrihersUeif
Ie Utrecht,
den 6en October 1895, des avonds 6 uren.
ALMELOÃ. â W. HILARIUS W/x.
Bij mijne afseheuUhezoéken werd van verschillende zijden het verzoek tot mij gericht, dat ik mijne laatde toespraak, wetke ik als evangelieprediker alhier hield, in het licht zou geven. Aan dat verzoek voldoe ik gaarne. Moge dit geschreven woord eenigcn indruk achterlaten zooals het gesproken woord onder Gods zegen vruchten heeft afgeworpen !
A ui E 1,00, J. M. S. BAL-JON.
2 October 1895.
Psalm 73 ; 13.
Wien lieb ik nevens TI omhoog? Wat zon mijn hart, wat zon mijn oog Op aarde nevens U toeli lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bittre smart. Of bangen nood, mijn vleeseh en hart, Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
Voorgelezen 1 Kor. 2.
|
Psalm 121 'k Sla d' oogen naar 't gebergte heen, : Van waar ik dag en nacht Des Hoogsten bijstand wacht. ; Mijn hulp is van den hiser alleen, : Die, hemel, zee en aarde Kerst schiep en sinds bewaarde. ; |
; 1, 2. Hij is, al treft u 't felst verdriet. Uw wachter, die uw voet Voor wankelen behoedt. Hij, Isrels Wachter, sluimert niet. (ïeen kwaad zal u genaken. De heer zal u bewaken. |
hEh ziet, ik hen met ulieden alle dayen tot de voleinding der wereld.quot; Amkx.
Matthei's 28 : 20.
Ik vertoefde, nu ik gereed sta van n afscheid te nemen, gaarne met u op den Olijfberg bij den scheidenden Heer, die ten hemel voer en zijne jongeren door dit heerlijk woord verkwikte: ,/En ziet, ik ben met n alle dagen tot de voleinding der wereld.quot; Die geestelijke gemeenschap van den verheerlijkten Jezns zou de jongeren in staat stellen, getrouw te zijn aan de hun opgelegde taak om alom heen te gaan, de volken te onderwijzen en te doopen en ze alzoo te vormen tot ware belijders van den Naam des Vaders, des Zoons eu des Heiligen Geestes, die getrouw onderhielden de geboden des Heeren en in de practijk der godzaligheid de oprechtheid van hun geloof openbaarden. Hij zou bij de jongeren blijven, die de gezondene des Vaders was en krachtens Zijne goddelijke volmacht spreken mocht: //Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.quot; Het scheiden viel Jezus zwaar, al verlangde Hij naar de heerlijkheid Zijns Vaders, want Hij had Zijne jongeren, Zijne gemeente hartelijk lief. Hij kende de vele gevaren, waaraan de Zijnen bloot zouden staan. Hij wist hoezeer zij aan Zijne lichamelijke tegenwoordigheid gewoon geworden waren. Zij zouden Hem zoo noode derven.
4
Doch het scheiden moest volgen. Zijne nre was gekomen. Gelukkig, dat Jezus hen vertroosten kon door liet woord: z/lk zal u eenen anderen trooster geven, die bij u blijft tot in eeuwigheid, nl. den («eest der Waarheid.quot;
Is het wonder, dat na ik als gezant des Hoeren mijne gemeente verlaten ga, ik dacht aan den lieer, mijnen zender, die van Zijne discipelen afscheid nam? Bij het groote verschil bestaat er toch eenige overeenstemming.
Afscheid nemen is altijd een pijnlijke zaak. Dit gevoelt de vader reeds, die zijnen zoon aan den vreemde moet toevertrouwen. Eene onbekende toekomst wacht den zoon. Wat zal zijn lot, zijn deel worden? De vader weet het niet. Daarom valt het hem hard, wanneer hij bij het afscheid voor het laatst zijnen zoon de hand drukt en spreekt; //God zegene n en behoede u. Tot weerziens! mijn kind!quot; Afscheid nemen is eene pijnlijke zaak, wanneer gij, bij het sterfbed der uwen gezeten, gewaar wordt, dat het oog van den stervende begint te breken, zijne stem doffer en doffer wordt en gij aan alles bemerkt, dat de engel des doods gereed staat den drempel van uwe woning te overschrijden. Het afscheid nemen viel mij zwaar, toen ik de laatste weken nog eens mijne geliefde gemeente naar alle zijden doorkruiste en ik mijnen laatsten groet u bracht in uwe woning. Al had ik gewenscht, deze bezoeken nog verder uit te strekken dan ik deed, het was mij onmogelijk. Ik heb gedaan wat in mijn vermogen was. Wanneer ik uw weemoedig getuigenis vernam, dat het u leed deed, dat ik van u heenging; wanneer ik mij de herinneringen verlevendigde, welke zoo vele huizen voor mij hadden, wanneer ik mijne leerlingen aanzag, aan wie mijn hart zoozeer verbonden is, wanneer ik de tranen opmerkte, die in veler oogen opwelden, werd mijn hart aangedaan en verlangde ik er eigenlijk naar, dat de moeielijke weken vóór het afscheid voorbij zouden zijn. Nu de ure geslagen is, gaat er meer in mij om dan ik zeggen kan. Het is mij onmogelijk alles uit te drukken en weer te geven wat mijn gemoed vervult. Ik kan u met een eerlijk hart verzekeren, dat ik deze laatste dagen niet veel van de eer gevoelde, welke mij
o
te beurt gevallen is, toen ik tot Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Rijks-Universiteit te Utrecht benoemd werd. Ik was eer somber en droefgeestig gestemd, wanneer ik zag op hen, die ik zou moeten verlaten. Al weet ik zeer goed dat wij elkander nooit vergeten zullen, de banden worden toch losser gemaakt. Mijne plaats moet straks door een ander worden ingenomen. Aangenaam deed het mij aan, dat de gemeente zich over de mij ten deel gevallen onderscheiding verheugde en alzoo mijn heengaan billijkte. Zelfzucht heb ik bij u niet ontdekt. Het is ook een rijke troost dat, terwijl wij scheiden, de Heer blijft, daar Hij immers gezegd heeft: ,/Ziet, ik ben met u alle dagen tot de voleinding der wereld.quot; l i ij blijft den band vormen tusschen n en mij, al zien wij elkander zelden. De gemeenschappelijke liefde tot Hem is het vuur, dat onze liefde aan zal wakkeren. De banden, welke Hij zelf door het geloof in Zijnen naam gelegd heeft, zijn sterker dan afstand en tijd.
Deze ure is hoogst aandoenlijk voor mij, daar ik mijne betrekking als predikant neder moet leggen, al behoud ik ook de rechten, welke daaraan verbonden zijn. Als jongeling zag ik met diep gevoel van eerbied naar den kansel op. Prediker van het evangelie te worden, was mijn ideaal. Hoe klopte mijn hart warm, toen ik na mijnen volbrachten studietijd met frisschen moed en jeugdige krachten mijn werk te Nederhemert begon, waar ik door mijnen leermeester en vriend, den Hoogleeraar V.vleton Ju., tot mijn dienstwerk ingeleid werd. Nooit zal ik de ure vergeten, toen ik in het midden der gemeente nedergeknield lag en des Heeren zegen over mij werd afgesmeekt. Vier jaren mocht ik te Nederhemert vertoeven en verleden week was bet juist zeven jaren geleden, dat ik hier mijne intrede deed, na in uw midden door mijnen ambtgenoot en vriend du Visser te zijn bevestigd, dien ik hier op mocht volgen. En thans heb ik mijn eervol ontslag als predikant gekregen en word ik straks van mijne gemeente losgemaakt. Al weet ik zeer goed, dat ik üls Hoogleeraar op den weg blijf, waarop God mij gevoerd heeft, al ontveins ik mij niet, dat de opleiding van onze
6
aanstaande predikanten een werk is, dat zeer schoon rnag heeten, nu ik toch mijn evangelieambt neder moet leggen en ik voortaan niet meer met het hartelijke ,/Dominéquot; begroet zal worden, doet het mij aan. Ik beloof u evenwel, dat ik ook in mijne nieuwe betrekking predikant in mijn hart zal blijven en ik mij, getrouw aan mijnen intreetekst van hier, nooit het evangelie van Jezus Christus schamen zal, dat eene kracht tot zaligheid is voor een ieder, die gelooft. Diepere en rijkere levenservaring, meerdere menschenkennis, grondiger studie, niet het minst het verblijf' in uw midden hebben er toe geleid, dat ik mijn leven lang een opgewekt prediker hoop te blijven van de boodschap, dat God alzoo lief' de wereld gehad heeft, dat Hij Zijnen eengeboren Zoon gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. //Gods genade in Christus,quot; zal het thema zijn van alle toespraken, welke ik nog hoop te honden. Ik zal in mijne nieuwe betrekking die hartelijkheid en liefde, welke ik in uw midden ondervonden heb, niet terugkrijgen. Studenten zijn geen gemeenteleden. Maar wel hoop ik, dat ik het vertrouwen der gemeente zal blijven genieten. Aan dat vertrouwen, aan dien steun, aan de voorbede der gemeente heb ik dringend behoefte. Voor verdachtmaking, waarover menig Hoogleeraar zich later heeft te beklagen gehad, hoop ik van de zijde mijner eigene gemeente, die mij vele jaren gekend heeft en die zoo vaak, vooral wanneer ik op den kansel sprak, in mijn hart heeft kunnen lezen, gevrijwaard te blijven. Ik vertrouw, dat gij mij genoeg zult kennen om te weten, dat het mij om de waarheid te doen is. Voor bijoogmerken moge God mij altoos behoeden!
Ik ga als prediker van u heen en dat zegt voor n en mij zooveel. Hoe vele malen heb ik met opgewektheid en liefde u het evangelie van Jezus Christus gebracht als van den Heer, die gestorven is om onze zonden en opgewekt ter onzer rechtvaardigmaking. Zoo gaarne doordrong ik u van de groote, onbeperkte liefde Gods, die verdraagt en beschermt, die verzorgt en die zegent, die genadig en barmhartig is en onze zonden vergeeft om Zijns Naams wille. Zoo vaak heb
7
ik u gepredikt; //Een verbroken hart en een verbrijzeld gemoed zal Hij niet verachten.quot; Het was mijn streven, die liefde Gods in het rechte licht des evangelies te stellen en bij de afschildering daarvan nooit afbreuk te doen aan Zijne heiligheid en rechtvaardigheid. Dat God, de heilige en rechtvaardige, die een ontoegankelijk licht bewoont, geen zonden kan verdragen, heb ik u dikwijls met allen ernst die in mij was, herinnerd. Ik wees u op Gods openbaring in het rijk der natuur en der genade, inzonderheid op Zijne openbaring in Jezus Christus. Den Heer en Zaligmaker heb ik u ais uwen Redder gepredikt, die uit liefde tot u Zijnen hemel verliet, die aan ons gelijk werd uitgenomen de zonden, die zich aan het kruis voor ons liet verhoogen en door Zijne opstanding den dood verwon, die ten hemel gevaren en verhoogd aan 's Vaders rechterhand. Zijne gemeente blijft leiden en verzorgen, die als onze Hoogepriester voor ons bidt. Ik beschouwde het als mijne roeping een gezant van Christus te zijn en u voor mijnen koninklijken Meester te winnen. Zijn koninkrijk uit te breiden en u als schapen te brengen tot Hem, den goeden Herder. Paulus' woord bleef mijn woord: ,/Niemand kan een ander fundament leggen dan betgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.quot; Het was mij een genot, zoo vaak de Christelijke feesten met u te mogen vieren en u dan te wijzen op de groote feiten des heils. Gij weet, dat ik daar tusschen gaarne het kerkelijk jaar met u volgde en in geregelde orde de evangelische geschiedenis met u behandelde. De evangelieprediking was mij eeu hoogst gewichtig en genotvol werk. U te stichten en op te bouwen in uw allerheiligst geloof, u te vertroosten en te versterken, uwe tranen te drogen, u berusting en stilheid te leeren bij het kruis des levens, was mijn lust en mijn leven. Ik beproefde u het evangelie als evangelie, als eene blijde boodschap voor te stellen en het aantrekkelijk te maken voor jong en oud. Al weet ik, dat niet alle zaadkorrelen vruchten hebben voortgebracht, vrucht is er gezien en zal er gezien worden. Zeer dank ik u voor de belangstelling, die ik bijna geregeld gedurende de zeven achtereenvolgende jaren van u heb
8
mogen ondervinden. Te meer was ik daarover verheugd, omdat deze belangstelling minder den persoon dan zijn woord, zijn beginsel, het evangelie van Jezus Christus gold. Met de evangelieprediking hangen doop en avondmaalsviering samen. De belangstelling voor het heilig avondmaal had ik op gewone tijden â de eerlijkheid gebiedt mij zulks te zeggen gaarne grooter gewenscht en zij moet ook grooter worden. Het is een treurig teeken, wanneer de gemeente nalatig wordt in het verkondigen van den dood ües Heeren. Moge na het goede voorbeeld van de vertegenwoordigers der gemeente die liefde steeds aanwakkeren! J)e doopuren waren mij onvergetelijk. Zoovele honderden ouders mocht ik op hunne verplichtingen jegens God en hunne kinderen wijzen. O! mocht de godsvrucht tocli meer en meer in de huisgezinnen worden aangetroffen en de ouders niet vergeten, dat de vreeze des Heeren het beginsel is van alle wijsheid. De ouderlijke woning, het vaderlijk huis is de beste kweekplaats voor godsvrucht en deugd. De echtgenooten moeten zich als Christenen jegens elkander en jegens hunne kinderen gedragen. Ik ben den vaders en moeders zeer erkentelijk, die hunne kinderen aan mijne geestelijke zorgen toevertrouwden en mij als den catecheet voor de hunnen verkozen. Dat deel was het grootste deel der gemeente. Ik herinner mij nog levendig mijne verbazing, toen ik, pas hier gekomen in de gedachte, dat ik hier voor eene minderheid werken moest, reeds spoedig aan het getal mijner leerlingen en aannemelingen bemerkte, dat die minderheid eene aanzienlijke meerderheid was. Hoewel ik God danken mag voor eene goede gezondheid, welke ik hier heb mogen genieten en voor frissche krachten, welke mij geschonken werden, moet ik toch verklaren, dat vooral in den aanvang de catechetische werkzaamheden, inzonderheid in den tijd der voorbereidinggt;oor de belijdenis, mij wel eens zwaar wogen en drukten. Mijne leerlingen en oud-leerlingen! ik heb u liefgehad en heb u nog lief. Vergeet mij niet, vergeet mijn onderwijs, uwe belijdenis niet! Blijft getrouw tot den einde! Het getal mijner aannemelingen maakt eene gemeente in de gemeente uit. Wat zou ik mij verheugen, als van mijne
n
leerlingen eene geestelijke kracht uitging en zij sieraden waren van de gemeente des Heeren ! Het heeft mij gespeten, dat ik van mijne leerlingen geen afscheid in de catechisatie-kamer nemen kon. Vóór de vacantie mocht ik niets zeggen en kon ik ook niet veel zeggen en toen de vacantie afge-loopen was, was de tijd voor het catechetisch onderwijs te kort. Mijne leerlingen en oud-leerlingen! wordt Paulussen in het geloof. Petrussen in de hoop en Johannessen in de liefde! Vereenigt, en dat geldt natuurlijk de meisjes en vrouwen, in li het beeld van Maria en Martha van Bethanië! Schaamt gij allen u nooit het evangelie van Jezus Christus! Komt voor uwe beginselen getrouw en bescheiden uit! Verloochent uwen Heer nooit, noch door woord noch door wandel!
Mijn pastorale werk heeft bijzonder de liefde van mijn hart gehad. Het was mij een genot, eene behoefte geworden, dagelijks den wandelstaf ter hand te nemen en de gemeente te doorkruisen. Het was mij eene eigenaardige gewaarwording, dat ik die den naam had en behouden heb van een kamergeleerde te zijn, zelfs door het kleinste kind gekend werd en vaak met bet vertrouwelijk vI1\l.)0.\quot; werd toegesproken. Ik streefde er naar op mijn huisbezoek iedere richtingkwestie Ie vergeten en n zonder aanzien des persoons te begroeten. Gaarne sprak ik met u over uwe tijdelijke, maar boven alles over uwe eeuwige belangen en wekte u op, God te zoeken en uw leven Hem te wijden. Ik heb door dat huisbezoek veel levenswijsheid en menscbenkennis opgedaan. Al waren sommige bezoeken wel eens onaangenaam en pijnlijk, in den regel heb ik liefelijke ervaringen gehad. Bijna overal stonden huis en hart voor mij open. Gelukkig zijn op een bezoek van den predikant de meesten zeer gesteld en sommigen hierdoor zelfs vereerd. Zoo moet het blijven. Een predikant, voor wien liet huisbezoek eene bezoeking is, heeft zijn métier misgeloopen. De pastoraal vormt den hecbtsten band tusschen leeraar en gemeente. De gedachten vermenigvuldigen zich in mij, wanneer ik denk aan de vele zieken, aan wier bed ik gezeten, in wier smarten ik gedeeld heb en de vele stervenden, met wie ik gebeden heb om een vredig
10
einde en eene zalige toekomst. Veel hebben wij met elkander doorgemaakt. Vooral het lijden, de smart, de beproeving heeft onze banden versterkt.
Evangelieprediker te zijn, was mijn hoogste ideaal alhier. De zucht oin een voorganger te zijn op politiek of sociaal gebied was mij vreemd. Ik ben altijd van meening geweest, dat, hoewel ik gaarne zie, dat politieke mannen ernstige, liefst vrome mannen zijn, politieke en godsdienstige kwesties zooveel mogelijk uit elkander moeten gehouden worden. Dat men de schoone namen van anti-revolutionair en liberaal toch niet als tegenstellingen, als partijnamen gebruike! Vooral zie men hier toe, dat de naam liberaal, die een naam is, ontleend aan de politiek en niet aan het godsdienstige gebied, geen dekmantel worde voor onverschilligheid. Indien dit ooit het geval mocht zijn, hoop ik, dat gij zoo spoedig mogelijk allen anti-liberaal moogt worden. Men boude hot heilige hoog en spele niet met groote woorden! Een sociaal hervormer heb ik nooit willen worden. Ik heb er mij mede vergenoegd, wanneer ik beginselen uit mocht spreken, die leiden konden tot eene juiste waardeering en eene vriendschappelijke verhouding tusschen heeren en knechten, werkgevers en werklieden, kapitaal en arbeid. ]?ij de knechten had ik vaak meer liefde en belangstelling, vertrouwen voor hunne heeren verlangd. Bij de heeren had ik terecht meer samenwerking en aansluiting in het godsdienstig leven mogen verwachten. Er zijn onder hen, die ik hier nooit, er zijn er, die ik slechts weinig, er zijn er, die ik hier ééns per jaar zag. Was dat recht, was dat billijk? Deed men zichzelven en zijn eigen gezin daardoor geen schade aan? Getuigt het van een verheven standpunt en van ware beschaving, wanneer het godsdienstig element geheel op den achtergrond treedt?
Het is een innige wensch van mijn hart, dat de verhouding tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij bier en elders altoos van gewenschten aard moge zijn. Laten daartoe zij, die de meerderen zijn, aan hunne ondergeschikten in alles een goed voorbeeld geven! Men mis-bruike nooit zijne macht, ook niet in het kerkelijk leven.
11
wat ook hier meermalen geschied is. Wanneer ik als historieschrijver op moest treden en verhalen hoe hier in vroegere jaren de kerkelijke verkiezingen geleid en ten uitvoer gebracht werden, wanneer ik opmerk, hoe zij nog door de mannen van invloed dezer gemeente jaar op jaar worden geregeld en als ^t ware een strijd aan de stembus uitgelokt wordt, die naar mijn oordeel in liet kerkelijk leven zooveel mogelijk gemeden moet worden, kan mijn oordeel hierover niet anders dan hoogst ongunstig zijn. De waarachtige belangen der gemeente zijn wel eens aan de belangen der partij opgeofferd. Men heeft wel eens vergeten, dat men lid is van de Nederlandsch Hervormde kerk, eene belijdeniskerk, wier lieden rnst op haar historisch verleden en waarvan men niet maken kan wat men wil, zoolang eerlijkheid en goede trouw nog recht van spreken hebben. Andere toestanden zullen hier aanbreken, maar ik hoop, dat zij mogen komen langs ordelijken, geleidelijken weg, opdat niet â de geschiedenis is zoo leerzaam â uit de actie eene krachtige reactie geboren worde!
Wanneer ik aan het zondenregister van anderen denk, haast ik mij daarbij te voegen, dat ik aan mijne gemeente vergeving vraag voor alles, waarin ik jegens haar te kort geschoten ben. Al ben ik mij van de heiligste bedoelingen bewust, ik ben een mensch, die mijnen schat droeg in een aarden vat. Ik bied van mijne zijde bij mijn afscheid aan n allen de hand der liefde en der verzoening aan. Bidden wij niet: //Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren?quot; Mijne verantwoording als evangeliedienaar was zwaar, maar zoo licht komt men dan ook tekort.
Gezang 83 : 1, 3, 4.
|
God, enkel licht. Voor wiens gezicht Niets zuiver wordt bevonden, Ziet ons bevlekt, Met schuld bedekt, Heer! waar dan heen? Tot V alleen. Gij zult ons niet verstooten. Misvormd door duizend zonden. |
Uw eigen Zoon Heeft tot Uw' troon Den weg ons weer ontsloten. Ju, Amen I ja. Op Golgotha Stierf Hij voor onze zonden. En door zijn bloed Wordt ons gemoed Gereinigd van de zonden. |
12
. Hooggeachte vriend en ambtgenoot Aoriani ! Zeven jaren mochten wij samenwerken en hebbfin veel lief en leed met elkander doorgemaakt. Zoo vaak hebben wij de belangen onzer gemeente, die ons beiden zoo nauw ter harte gingen, besproken. Ik wil niet de gemeenplaats bezigen, dat wij ondanks verschil van geloofsovertuiging tocli elkander gewaardeerd en hooggeacht hebben en wij als goede vrienden scheiden. Mij dunkt, het sprak vanzelf, dat zulks moest zijn. Indien het anders treweost was, zou het teiren ons eetuijid
~ ' o o o
en hiervoor gesproken hebben, dat wij onze eigen eer en naam gezocht hadden. Ik wil niet het zoo weinig zeggende getuigenis afleggen, dat wij verdraagzaam jegens elkander geweest zijn. Die verdraagzaamheid had met koelheid gepaard kunnen gaan. Hooger dan de platvloersche verdraagzaamheid stonden liefde en warme sympathie. Bij verschil tusschen ons was er ook groote overeenstemming. Gij ver-stondt mij en wat mij heilig was, was ook U heilig. Wij hebben elkander vaak eenen blik gegeven in het heiligdom van ons hart. Weinigen zijn er geweest, die zich over mijne benoeming zoozeer verblijd hebben als gij. Het is mijn streven geweest, zoolang ik hier was, U als den oudste in jaren en den meerdere in levenservaring de eer te geven, die U toekwam. Hij de noodige zelfstandigheid, die van mij verwacht werd, liet ik U altoos gaarne voorgaan en was ik met het volgen tevreden.
Ook namens mijne vrouw bid ik voor U en Uwe vrouw en kinderen Gods zegen af! Hij spare U met de Uwen! Hij verlichte U met de Uwen! Hij leide U met de Uwen op Zijnen weg! Laat ons, zoolang God ons het leven spaart, van elkander gelooven, dat wij op elkander rekenen kunnen. Is straks mijne plaats ledig, dan neem ik de vrijheid U als consulent te benoemen van de vacante plaats en de belangen mijner vrienden in engeren kring U op hel hart te drukken. Ik heb het achter Uwen rug gezegd, dat zij op U rekenen konden en aan U hun vertrouwen mochten geven, wenschen openbaren, bezwaren mededeelen. Toon, dat ik niet te veel gezegd heb en doe wat in Uw vermogen is, om mijne ledige plaats door een waardig man te doen vervullen!
13
Waarde vriend Eruintng! Gij zult niet verwachten, dat ik zooveel tot U zeg als tot collega Adri.vni. Daarvoor kennen wij elkander te kort. Toch moet mij het woord van het hart, dat ik ü in dien korten tijd, dat wij niet elkander omgingen, heb leeren hoogachten op grond van zijden van Uw karakter, die de kieschheid mij verbiedt, hier te noemen. Het beeld, dat men voor mij van LI geteekend had, voordat gij hier waart, komt met de werkelijkheid overeen. Ondervind met vrouw en kroost, dat (Jod met U is!
(Jij andere Heeren, Leden van den Kerkeraad, Ouderlingen en Diakenen! Onze vergaderingen kenmerkten zich in den regel door eenen vriendschappelijken geest, (lij hebt mijn werk altoos gewaardeerd en waart nooit karig in uw lof, waar iets misschien te prijzen viel. Nam ik mijne leerlingen aan, dan betuigden de Ouderlingen mij ieder jaar hunne ingenomenheid met de vorderingen mijner discipelen en met den geest, waarin ik mijn onderwijs gegeven had. Gij verborgt het niet, maar spraakt het duidelijk uit in aller tegenwoordigheid: ,/Volhardt toch daarbij.quot; Dat getuigenis uit Uwen mond was mij veel waard. Nooit heb ik tevergeefs een beroep gedaan op de welwillendheid en de medewerking van bet college van Diakenen. Hun ijver en hunne toewijding waren vaak boven mijnen lof verheven. Ik heb niet verlangd, dat mijne gemeente, dus ook gij niet, op al wat ik zeide, ja en amen zeggen zou. Maar ik verheng er mij toch in, dat de handdruk mij na de preek gegeven, mij vaak overtuigde, dat gij mijn woord dikwerf met instemming ver-naamt. Eén ding heeft mij gespeten, dat ik in de zeven jaren, dat ik hier was, nooit in de gelegenheid gesteld ben, leden van den kerkeraad tot hun dienstwerk in te zegenen. Dat was niet recht en ik ineen, dat ik zulks ook niet van mijne gemeente, die ik met liefde bewerkte, heb verdiend. Mocht de eer, die mij niet beschoren is geweest, nog eens het deel worden van mijnen opvolger !
Ontvangt Heeren Kerkvoogden en Notabelen ! de betuiging mijner erkentelijkheid voor Uwe zorgen voor de stoffelijke belangen dezer gemeente. Wanneer ik Uwe medewerking
14
inriep, vooral in de laatste jaren met het oog op mijne pastorie, waart gij altoos bereid, mijne wenschen te vervullen. Nooit deed ik tevergeefs een beroep op Uwe hulpvaardigheid. Houdt er U overtuigd van, dat ik de beste wenschen koester voor den bloei onzer Ned. Herv. kerk. Ik lieb haar lief als mijne geestelijke moeder. Wordt gij zeiven als levende steenen opgebouwd tot een geestelijk huis! Zijt waardige discipelen van Hem, die de beste verzorger zijner kerk, zijner gemeente is, d. i. van Jezus Christus, onzen Heer!
Gij, leden van het Kiescollege! hebt mij zeer aan U verplicht door de hoogst humane wijze, waarop gij dadelijk de hand aan den ploeg sloegt oin in mijne vacature te voorzien en voor den ernst, die daarbij uit uwe overleggingen sprak. Toen ik LI het woord gaf, om over mijne vacature te handelen, stelde ik natuurlijk daardoor mij zeiven aan kritiek Uwerzijds bloot. Ik mag U evenwel de eer geven en het strekt mij tot levendige voldoening, dat geen enkel onheusch woord door U ten mijnen opzichte gesproken werd. Gij verlangdet iemand, zooals de vertrekkende leeraar geweest was, vroegt mij herhaaldelijk of de nominatie wel naar mijn genoegen was. Ziet Uwe pogingen, om in de vacature te voorzien, zoo spoedig mogelijk met eenen gun-stigen uitslag bekroond! Zijt trouw in Uwe plichtsbetrachting!
Na de verschillende kerkelijke colleges, hebt gij, Edelachtbare Heer, burgemeester van Stad-Almeloo ! in de eerste plaats aanspraak op een woord van mij. Gij hebt getoond, dat gij een ernstig man waart, die het goede voorbeeld, door Hare Majesteit de Koningin-Regentes der Nederlanden gegeven, volgt van belang te stellen in de kerk en hare godsdienstige samenkomsten. Ik heb mij daarin ten hoogste verblijd en hoop, dat dit zoo blijven moge. Gij waart mij meer dan het hoofd dezer gemeente. Gij waart mijn vriend, tot wien ik mij van meet af getrokken gevoelde. Ontvang hier in den geest mijnen hartelijken handdruk! Onder Uwe vaste, manlijke, onpartijdige en kloeke leiding bloeie Almeloo! God zegene Uw huis!
Mijne waarde ambtgenooten van de classis Deventer, die
15
herwaarts gekomen zijt om Uwe belangstelling te toonen, en gij, mijn waarde vriend Van Douwen! weet, dat ik Uwe liefde hoog waardeer. Mijn hart heeft behoefte aan sympathie eu broederlijke trouw. Ik vond ze bij U. Ons ambt zal ook in de toekomst hoog bij mij staan aangeschreven. Er is geen schooner roeping dan arbeider te zijn in den wijngaard des Heeren ! Met warme sympathie zal ik U blijven volgen. Wilt den aanstaanden Hoogleeraar Uw blijvend vertrouwen geven! Arbeidt met lust en opgewektheid in Uwe kringen en ondervindt, dat Uw werk niet ijdel is in den Heer! Weest een zegen !
Afgevaardigden van de gemeente van Nijverdal ! Het verraste mij, dat ook gij hier komen wildet en door uwe komst getuigenis wildet afleggen van den band, die ons samen verbindt. Gedurende zeven jaren was ik uw raadsman en vriend. Gaarne kwam ik bij u, bezocht ik u, sprak met u, bad met u en leidde uwe vergaderingen. Ik eerde in u uwen grooten ijver, uwe liefde tot uwen patroon, uwe vroomheid en deugd. Gij zocht uwe kracht nooit in de bespreking van kerkelijke of politieke kwesties, maar hieldt voet bij stuk en bleeft in de roeping, waarin God u geroepen had. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik in Almeloo niet zulk eenen kring van Christenwerklieden heb kannen samenbrengen als ik dien ten uwent vond en zooals b.v. mijne ambtgenooten de Visser en Gheei, Gilüemkester op hun terrein hebben gesticht. Hier te Almeloo was gedurende mijn verblijf de tijd daarvoor niet rijp en de krachten, die ik daarvoor noodig had, vond ik hier niet. liet zal mij steeds verheugen, het goede van mijne trouwe Nijver-dalsche vrienden te vernemen. Vaartwel! Ik beveel u Gode en den woorde Zijner genade.
Wat in andere gemeenten niet de gewoonte is, doe ik hier en breng ook hier aan den koster onzer kerk eenen hartelijken afscheidsgroet. Uw ijver, waarde vriend Bartelink! voor de kerk en voor hare belangen was eer te groot dan te klein. Als er voor de kerk gestreden moest worden, dan zoudt gij staan in de voorste gelederen en liever sneuvelen op het veld van eer dan haar over te geven in de handen harer vijanden.
16
Wanneer ik u iets vroeg, zoiult gij, als 't kon, voor mij gevlogen hebben. Weet, dat ik daarvoor zeer gevoelig ben. De avond uws levens worde verhelderd door het licht van Gods trouw en liefde! Slaat eens uwe laatste ure, dan zij uw woord het woord van den vromen Simeon, toen hij het kindeke Jezus in zijne armen droeg.
Tot hoevelen, aan wie ik mi j verbonden, ja verknocht gevoelde,
zou ik gaarne nog een woord zeggen. Ik zou evenwel niet
weten waar te beginnen en waar te eindigen. Velen, zeer
velen heb ik liefgehad. Al had ik jeugdige schouders, ik heb
velen gedragen en die velen opgedragen aan den troon van
Gods genade. Maar ik moet eindigen, want de laatste oogen-
blikken van mijn pastorale leven zijn aangebroken. Broeders
en Zusters! Vergeet mij en de mijnen niet! Blijft mij gunnen
eene bescheiden plaats in uw harten ! Bidt voor ons ! Laat onze
liefde gegrond blijven en geheiligd worden door de liefde tot
Hem, die ons heeft liefgehad tot in den dood!
Door ééneii Heer zijn onze harten,
Door éénen O eest en doop vereend,
Eén trooster is het, die in smarten
Ons samen sterkt, rn hulp verleent.
't Is één geloof, waardoor wij leven.
Kén hoop op uwe zaligheid ;
Eén hart wilt (Jij ons allen geven,
Dat hebt Gij zelf ons toegezeid.
amkx.
Gezang 06.
Halleluja! eeuwig dank en eere.
Lof, aanbidding, wijsheid, kracht.
Word', op aard en in den hemel, Heere I
Voor lTw liefd', IJ toegebracht!
Vader! sla ons steeds in liefde gade!
Zoon des Vaders ! schenk ons Uw genade! Uw gemeenschap. Geest van God!
Amen ! zij ons eeuwig lot.
â
lotomfisGhe re'tretteii
\AN DKX
, Heer Dr, J, 1. S,
voorheen Predikant te Almeloo, thans Hoogleeraar te Utrecht,
ZIJN VE11KRIJGBA.AR BIJ
D. J. BOOM, Photograaf te Almeloo.
Prijs in Cabinetformaat f 0.60. â â Album â f 0.30.
ü