(ft . /- é/ï '~
DE VOGELS
VA.quot;»
BI LLITON
DOOR
A. G, TORDERM IN.
Corresp. lid dar Kon. Akademie v. Wetenschappen te Amsterdam.
Overgedrukt uit het Natuurkundig Tijdschrift voor Kederlandsch-tndië Deel L, Aflevering 4.
ERIVST lt;amp; Co.
BATAVIA en- NüüRDWIJK. 1890.
Jem /jif!/ 'iquot;yf
/
Overgedrukt nil liet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië Iteel li. Allevering 4.
DE VOGELS
VAN
BI LLITON
noon
A. G. tOISDIKMAV.
Corresp. der K. Akademie van jretenscjiappen te Amsterdam.
Het eilatnl BH li Ion is gelesrcn lusscheii Sumrilra. Borneo en
O O
Java. Hel moei. in geologisclien zin, beschouwd worden als eene voorlzelling in Ooslelijke richling van de formalie waaruil de hergkelenen van hel Maleische Schiereiland, de gebergten van den Riouw- en Li?iga-archipel cn dat van bel eiland Hang ka beslaan.
Mei dil laatste eiland komt, bet veel overeen, zoowel wal klimaat betreft, als in andere opzicbtcn. Straal Ga.tpcr sdxeiM de beide eilanden van elkander. De Noordkust van Billilon wordt bespeeld door de Chineesche, de Zuidkust door de Java-zee en de Oostkust is van Borneo gescbeiden door de vrij breede Karimaia-passage. (*)
Hoewel Billilon gelegen is in bel centrum van eene streek die uil een zoölogisch oogpunt vrijwel onderzocht is, zoo was ' de fauna van dil eiland nagenoeg geheel onbekend en lag
(') Uitgebreider gegevens over de geologie dezer streek, in verband met de geograpliisclie verbreiding dor vogels, trelt men aan in: Les oiseaux de Sumatra et leur |iiésence dans les lies avoisinantes par A. G. Vorderman. Natuurkundig Tijdscbritl voor Nederlamlsch-tndir! Dl, XLIX pag. 381 en volgende.
hierin ook de reden,- die mij noopte een onderzoek in le stellen naar de dieren die op dit eiland worden aange-Iroflen. Daartoe nitgernst liegal' ik mij in Juni 1888 naar Billiton en doorreisde een groot gedeelte van liet eiland. Tevens Itezoclil ik liet naastbij gelegen eiland Meiulanau en eerst na een niaaiul keerde ik terug naar Jinlavia. Zoowel van den Vertegenwoordiger der Hilliton-maatscliappij in Ncler-landsch-lndië, den Generaal .1. 1'. Eumeligt;g, als van de H.H. Ad mistra teurs en de overige employés dier Maatschappij, moclit ik den meesten steun en hulp vinden hij mijne nasporingen , waarvoor ik hen mijnen hesten dank verschuldigd hen.
De plaatsen waar gejaagd en verzameld werd zijn:
1°. Tandjong Pandan en omstreken. De hoofdplaats van het eiland, gelegen nahij hel zeestrand aan de Westkust.
2°. Beganloeng, een kleine dessa aan den Noordelijken voel van het Tadjem-gchergle op den weg tusschen Tandjong Pandan en Doeding.
De dessa is overal door hosch omgeven en grenst aan eene kale grasvlakte waarin de gewone padang-vegetatie.
5°. Tandjong Ajer Lanljov. Ik verbleef drie dagen in hel kustlicht-etablissement dat op een bergrih is geplaatst van hel eiland Mendanau. Dit eiland is vrij groot, van dezelfde geologische formatie als Billilon en er van gescheiden door eeno smalle zeestraat.
4°. Pang/cal Ambalong, nabij de monding van eene kleine rivier gelegen, die in Gaspar-straal uitloopt, in den Zuidweste-lijken hoek van Billilon.
S0. Denqdang. Een tin etablissement aan de Dengdang-haai, zuidkust van Billilon. De omgeving is boschrijk.
6°. Lilungan. Hier verbleef ik eenigen tijd in het logeer-gebouw der Billiton-maatschappij, mij daartoe bereidwillig afgestaan.
Een opgedamd meer is in de nabijheid. De kampong Lilangan is eenige minuten daarvan verwijderd; maar overigens is do streek heuvelachtig en hoschrijk.
413
7°. Ganloeng, een lin-elablissemeiil aan de vrij breede Linggang-rivier. Moeras-vegelalic en uilgeslrekle jfadangs in de nabijheid.
De resullalen die de locbl geliad lieell op ornilliologisch gebied maken Iiel onderworp nil van deze verbandelino-, Eeniffo
1 o o
moeielijk bestemb.ire vogels werden opgezonden naar den lie-kenden Eiigelsehen orniliioloog Siiarpe van bel Urilisb Museum, die de welwillenbeid geliad beefl mij behulpzaam le zijn in linnne diagnoses.
Tol een algemeen overzicht der verzamelde vogels on hunne geographisehe verbreiding diene onderstaande (abel, samengesteld naar hel voorbeeld dat Prof. Salvadori daarvoor gaf ten opzichte der /ton/co-vogels. Uaaruil blijkt dal niel één dei-door mij geschoten BSIIiton-vogels aan bol eiland eigen is zonder tevens in eene andere localiteit le worden aangelrollen. Van de 87 soorten der landvogels, die de lijst beval, zijn er 32 die niet op Java voorkomen, 10 die op Rvnco niel inbeemsch zijn : 8 die niel op Malakha worden aangelrollen en slechts 'gt; die voor Sumatra onbekend zijn.
De avifauna van Hilhlon schijnl dus iets meer overeenkomst te hebben met die van Sumatra, dan met die van Malakha, minder met die van Borneo en het minst met die van Java.
Het is mijne jagers zoowel als mij opgevallen dal wij op Billiton geen kraaien of raven hebben waargenomen; evenmin Ploceus-soorten ol Sturnopastor jalla, Sturnopastor melanoplerus en Acridotheres grisens, allen vogelsoorten die nog al in bet oogvallen en die zeer gemeen zijn op Java.
414
OVERZICHT VAN DR GEOGRAPHISCHE VERBREIDING DER VOGELS
VAN RILLITON.
Australisch gebied.
Indiscl) ffebicd.
Imlo-Malciscli.
Andere locali-teilen.
X A M E N.
i'i r -
â. '7. -2 1 S
Onycliaëtns nialayensis. Ilaliaslur indus.
Scops lempiji.
Kelupa javanensis. l'alaüornis longicauda. I.oriculus galguliis. Pyrotrogon duvaucrlli. l'.hotorea versicolor. Jyngipicus fusco-alhidus. Callolophns malaccensis. lleiglyptes tukki. Jlicropternus bracliyurus. Sasia abnonnis. Cacomanlis sepulcralis. llbo pody tes sumal ran us. Merops i)icolor.
Alcedo mcninling. Pelargopsis leucoccpbala Ceyx innominala. Cafidagrus concrelus. Sauropalis cldoris. Sauropalis sancta. Euryslomus orientalis. Eurylaïmus javanicus. Eurylaïmus ocbroraelas. Cymborhynchus inacro-
rliyncbus.
('aprimulgus allinis. ('.aprimulgus concrelus. Collocalia fucipbaga. Dendrochelidon longipen-nis.
Ilirundo javanica. Ily.olhymis azurea. Leucocerca javanica. Terpsipbone allinis. Ariamus leucorhyncbus. rericocrotus ardens. Irena cyanea.
Myiolesles obscurus. Hylolerpe brunneicauda Prionociulus percussus.
idainan-cilanden
41b
Anslraliseli sollied.
J1
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55 5()
57
58
59 ()0
i a ' 7
|
Cl
62
03
64
65 60 07 68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80 81 b2
I a
i a a
â ; a a â a a
Prionochilus Ihoracieus. l'rionocliilus maculalus. Dicaeuin Irigonostigina. Aelliopypra siparaja. Necliirophila hassellii. Chalcostetlia insigois. Anthreptes malaccensis. Chalcoparia siiigalensis. Arachnothera longiroslris lora viridissima. Phyllornis sonneralii. l'hyllornis iclei'ocephala. Pycnonolus analis. Pycnonotus pluraosus. Pycnonolus pusillus.
lole olivacea. Bracliypodius melanocc-
pliakis.
Criniger phaeoccphalus. Mixonüs gularis. Cyanoderma crytliroplc-
rum.
Macronus plilosus. Itrymocalaphus nigrica-
pittatus.
liracliyptcryx malaccensis Setaria pectoralis.
Pilla cucullata. Ortholomus borneoensis. Orlholomus cineraceus. Ortholomus ruficeps. Orlholomus llavoviridis. Cisticola cursitans. Kittacincia macroura. Copsychus mindanensis. Calornis chalybea. Gracula javanensis. Oriolus indicus.
Treron nasica.
Trcron vcrnans.
Treron lulvicollis. Ptilonopus jambu. Carpophaga aenea. Carpophaga bicolor. Spilopelia tigrina.
N A M E .N.
|
liulo Malcisch. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
a I a â ; a |
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Iiuliscli scbicii.
Andere locali-leilen.
Xicobaren.
Xicobaren.
416
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
\.B. l)e Idler a in deze lijst beleekeiil gt;aan\vezig' | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
417
Fasi. Falco.mdae.
1. onychaètüs malayens1s [kei.vw.].
/'a/co malaijciisis, Reinw. in Tk.m.m. I'l. col. 117.
Ar/uila malaycnsis. Sciileg. Uis. des Iiul. Neerl. Accipilres. p. 45, pl. 3. lig. 1,2. â Vorderman , Vogels van tien Salak, Naluurk. Tijd. Neerl Ind. XLV, pag. ölO (juv.)
jScopiis malai/ensis, Jcrd. 15 Birds of/«(/za, I, p. 6ö. â Blyïii, Cal. Mamm. and birds Hunm , pag. 65.
Helctopus malaycnsis. Gray Hand-list, 1 p. 11, sp. 96.
Onychaclns malayensis. Salv. Uccelli dl Boni, p. o.
Har. Voor-Indie, Ceylon, Bwmah, Malacca, Sumatra, Java, Borneo, Celebes, Tonale, Soela-archipel, Billiton.
He Maleisciie ruigpoolarend werd door mij waargenomen boven de padang-vlakle aan den voel van hel TWJcw-gebergle nabij de kampong Beganlong.
2. HAL1ASTÃR INDUS [Bom,.].
falco inclus, Bodd. Tabl. des Pl. Enl. p. 25.
Falco pondiceriamts, Horsf. , Trans. Linn, Soc. Xlil p. 156.â Ber.nst. Journ. I'. Ornilb. 1860, p. 417.
Haliaslur indtis, G. R. Gray Hand-List I |». 18, sp. 133,â Salvadori uceelü di Borneo p. 12, â Bi.ytii , Cal. Mamm. and birds Burma p. 64.
llaliuelus indus, Schleg. Uis. Ind-Neerl. Accipilres p.p. 10, SI, pl. 4. lig 5, 4, S. â Vorderman, Balaviasclic vogels, Nat. Tijd. Neerl. Ind. XLÃI p. 56.
Har. \ oor-lndië, Burmah, Malakha , Sumatra, Han ka, Java, Borneo, Laboean, Philippijnen F lores, Timor, Billiton, Mendanau.
Inl. naam: Lany.
Deze vogel die algemeen over den Indischen archipel verspreid is, wordt ook op Billiton en bel nabij gelegen eiland Mcndanau aangetrollen. Ook op Tandjong l'andan, Amhalong en Gantoeng werden exemplaren geschoten.
418
Fam. Strigidae.
3. SCOPS LEMPIJ1 [Uoiisi.].
Slrix Icmpiji, IIorsf., Trans. Linn. Soc. X1JI, |». 140. gt;
Strix noclula, Iki.wv.,â Tkmm. PI. col. 99.
Scops Icmpiji, ÃKii.NS, Jouni. 1. Om. ISiJO, |i. 18) -Schleg. Mus. P. 15. Arcs nocluac p. 10. â Salvadori, Uccelli tli Borneo ji. 10. â Vohdhrma.n , Bat. vogels, Natnurk. Tijd. v. N.
Indië, XL1I p. 192 â Salvad. Ucc. d. Sum. p. 17;'».
Had. Malabar, Ceylon, Java, Sumalra, Banka, Mala Idea.
Borneo, Bllliton.
Van ilczc kleine ooruilsoorl werd een exemplaar geselioten Ie Tandjong l'andan.
4. KETÃPA JAVANENS1S [Less.J
Kelupa javanensis, Br. Consp. Av. 1, pag 45. - Salvaiiohi,
Uccelli di Borneo. â Vouderman, Bal. vogels. Nat. Tijd. v. N.
Ind. XL1II p. 80.
Buho javaërsis, Sciil. Mus. P. B. nocluac p. 6,
IIab. Arakan, Burmah, Malakka, Snmalra, Nias, Java,
Romeo, Lahocan, Billiton.
Een exemplaar werd gescholcn in hel boscli nabij de kampong Begandontj.
Fam. Psittacidae.
5. PAUE0RN1S L0NG1CAUÃA [ISodd.].
Psillacus longicaudus, Boud. Tabl. PI. Enl. 887.
Psitlacus barhalulalus , Bechst. â Mull. Schleg. Verhand.
Land. Volkenk. IN. Indië, p.p. 107, 108, 577, 581.
Palaëornis loncjicauda, Schleg. Mus. P. B. Psülaci p. 89 â
Salvadori, Uccelli di Borneo, p. 22.
Palaëornis lomjicaudalus, Finsch, die Papageien II, 2 p. 77.
Beloccreus longicaudus, G. P». Gray. Hand-List II, p. 145. 145. sp. 8065.
410
lui. naam: Bajnmj.
Hab. Mala ktm , Swiialra, Mas, It au lm , Borneo, Lohoeun , BillKon, flendaiiau.
Deze vogel is zeer algeiuecii op Billilon en op Iiel naastbij gelegen eiland Mcndixnau. Hij worill gemakkelijk getenul en verdraagt den gevangen slaat zeer goed. Herhaaldelijk werden ons gevangen individu's le koop aangelioden, waarvan de prijs varieerde tiissehen 20 centen en een halven gulden. wat een contrast met Sunutlras Ooslliiin! mag genoemd worden , waar l)r. Hage.n '1 dollars voor een volwassen exemplaar moest betalen. Ik trol' deze parkiet overal op hel eiland aan gemeenlijk lot vluchten van 10 a 1 i» stuks vereenigd. Onder bet vliegen doen zij hetzelfde geluid hooren als de Javaansche Palaöornis javanieus: hèllèl hcllcl.
Ondervolgende beschrijving is naar een volwassen mannelijk indiviulu dat in de kampong Begaiilong werd geschoten.
Uovenkop fraai donkergroen, waarvan de grens tusschen ile neusgaten en de oogleden schijnbaar met eenen donkeren band is afgezet.
Tusschen hel neusgat en den hoek der onderkaak loopt een breede horizontale streep van donkere vleescbkleur, die zich in den nek met die van de tegenovergestelde zijde vereenigt en waarover hier en daar een paarsachtig waas ligt. Hel rood breidt zich * achter hel oog om naar voren uit. Een scherp begrensde zwarte vlek ontspringt ter zijde van de onderkaak en gaal recht naar achteren tot aan de zijden van den hals waar zij op dezelfde hoogte eindigt als bet rood van den nek. De bovenkaak is intens vermiljoen-rood inel licht-hoornkleurige randen en punt; terwijl de onderkaak donker-hoornkleu-rig is. De iris is driekleurig. Tusschen eenen breeden witten buitenring en eenen smallen gelen binnenzoom ligt een donkergrijs gedeelte doch deze eigenschap is enkel waar le nemen bij den levenden volwassen vogel. Alle onderdeelen, zoomede de flanken, zijn groenachtig-geel, alhoewel op den achterbuik, de onderste
420
slaarldekvederen en den builciikanl der selienen allengs een smaragdgroene tinl gaal voorlieerselien. De kleine Iiinnensle vleugeldekvederen zijn lielder gnllegoin-geel; terwijl de groole-re flauw geel of naliij den vleugelrand donkergrijs zijn gekleurd mei smalle gele randjes.
Manlel; flauw bleek-geelgroen, de randen der vederen liclil-Mauw, sluit en bovenste staartdekvederen liehtgroen.
Kleine buitenste vleugeldekvederen geelgroen, verlengde schou-dervederen grasgroen, vleugelrand licbtgeel. Spreidt men den vleugel uil, dan ontwaart men dal de groote dekvederen tier slagpennen van de le orde grootendeels, en de slagpennen der lc en 2P orde, voor bel gedeelte dat onbedekt is, fraai kobaltblauw zijn, terwijl zij overigens zwart zijn gekleurd en do buitenste groote slagpennen nabij baar uiteinde een groengele buitenzoom vertoonen. Ook de binnenrand der groote slagpennen bezit een geelaebtige zoom.
Op de buitenvlaggen en de uiteinden der slagpennen van de 2° orde praedomineert weder eene groene kleur.
De staartpennen zijn donkergroen van boven en grijsgeel van onderen, uitgezonderd bet middelste paar dal buitengewoon verlengd en smal is en eene kobaltblauwe kleur bezit, terwijl de uiteinden groenachtig zijn.
De poolen zijn grijsaebtig met geelgroene tint, de nagels hoornkleurig.
Afmetingen:
Totale lengte..............0,570 M.
Afstand van hel uiteinde van den bek tot dal
van de niet verlengde staartvederen . . . 0,260 »
Lengte dezer laalsten............0,090 »
Lengte der middelste staartpennen . . . 0,198 »
Vleugellengte.......0,141 »
Vlucht................0,460 »
Lengte der mondopening.....0.016 »
Culmen rostri.......0,022 »
421
Hoogte van do bovenkaak aan de basis . . 0.014 M.
Hoogte van de onderkaak aan de basis . 0,010 »
Mondwijdle ....... 0.014 »
Tarsus . . . . . . . . 0,012 »
Middelloon met nagel. ..... 0,027 »
Grootste aebtertoon met nagel .... 0,025 »
6. LORICULUS GALGULÃS [Lixx.J.
l'sillacun lt;ial(jiili(s. Lin.n. S. N. I. p. töO. - Hohsf. Trans Linn. Soc. Xlll p. 182. â S. Mull. Verhand. Land Volkenk. N. 1. p. p. 107, 581.
Loriculm gah/ulus, Schleg. Mus. 1'. 1). 15. Psillaci, p. 151.â G. l\. (Iray Hand-List, II p. k. 2. sp. 8169. â Salvadoiu, Uccelli di ünrnco, pag. 26.
Cori/llis finlfiulus, Finscii. Die I'apageien II. p. 699, sp. 286. â VoiiDEii.ma.N Ba!. Vog. Nat. Tijds. N. Ind. XLI1I p. 91.
Inl. naam: Kclinsah.
Hab. Malakka. Sumalra, Banha, Borneo, Lnhocan , Killiton, .Hcnd gt;nau.
NB. In Batavia s omstreken ingevoerd en verwilderd.
Wordt aangetroffen in het JW/em-gebergte. in het bosch bij Lilangan en op Ajer Lanljocv nabij het kustiieht-etablissement op het eiland Mendanau. Nestelt in holle hoornen.
De beschrijving van het mannetje werd door mij gegeven op pag. 91 van deel XLIII van het Natuurkundig Tijdschrilt voor Ned. Indië.
Hel wijfje is eenvoudiger van kleed.
Fam. Trogonidae.
7. PYR0TR0G0N DUVAUCELLI [ïemm.].
Trogon duvaucelli, Temm. PI. col. 291. â S. Mull. Verhand. Land- cn Volkenk. N. Indië p. 10a.
llarpacles duvaucelli, G. R. Gray. Hand-list I, p. 84 si». 996.
422
Harpudcs rulilus, Horsf. Moore, Cal. B. Mus. E. 1. (joni[t. J1. p. 712.
Pyrolrogon rulilus, (jAb. Hi;i.\. Mus. Hein. IV, I |». 164.
Pytolrogon iluvaucclli. Salvadoui , Uccclli ili Borneo p. 29.
Inl. naam: l'andai clarc.
Hab. Malahka, Sumnlia, ilonico. Billiton.
Van dezen fraaien Trogon werden cenige exemplaren verzamelil waaronder vier manneljes. Zij werden a angel rollen nabij Beganlong en in hel boseh nabij Lilungan.
De beschrijving van hel mannelje is als volgl:
De rug en de middelsle slaarlpennen zijn licbl-rosbruin, de laalslen mei zwarle uiteinden, de rugvederen mol grijze basis. Sluil, bovenste slaartdekvederen, onderste staarldek-vedereu, borst, buik en flanken vurig rood. Tusschen die beide heldere kleuren steken de vleugels, schilderachtig geteekend, scherp af door humie zwarte grondkleur, die door uiterst I'Ljiio witte, min of meer golvende, dvvarslijntjes afgebroken wordt zoodal men in toegevouwen staal van den vleugel, slechts de uiteinden der slagpennen als ellen zwart ziet. In uilgespreiden toestand bemerkt men nog eene wille vlek aan de basis van iedere slagpen. Uitgezonderd de reeds vermelde slaarlpennen , zijn de overige zwart; de meer buitenwaarts ingeplante met wit aan hare uiteinden, dat in omvang afneemt, naarmate zij verder van de uiterste verwijderd zijn. In het wit behoudt de schaft hare witte kleur. De kop is niet het minst sierlijke deel van den vogel. Hel vederkleed daarvan is ellen zwart waartegen eene helder-kobaltblauwe kale streek om het oog en eene andere in het verlengde van den bek scherp afsteken. De bek is zwart, maar de randen zijn lichtblauw. Iris zwartbruin. Pootjes lichtblauw met donkere nagels en okergele voetzolen. De leenen zijn groolendeels bedekt door fijne manchetten van grijze vedertjes met wille zoomen.
425
Afmetingen;
Totale lengte.......0.238 M.
Staart . . . . . . . . 0,1:21 » Afstand tusschen staart en liet niteintle der
samengevoegde vleugels ..... 0,088 »
Vleugellengte ....... 0,098 »
Vlucht ........ 0,500 »
Mondwijdte ....... 0,018 »
Mondlengte ....... 0,020 »
Hoogte van den bek aan de basis . . . 0,009 »
Culmen rostri . . . . . , . 0,01(3 »
Tarsus........0,015 »
Middelloon inel nagel......0.01(j »
Grootste achterloon mei nagel. . . . 0.010 » Hel wijfje gelijkt in kleurverdeeling op bel mannetje, doch de kleuren zijn flauwer en de kopvedemi zijn sepia-kleurig met rosachtige uiteinden, het rood is lichter en oranje-kleurig
getint en de dwarsbandjes op de vleugels hebben eene licbl-okergele tint.
Kam. Capitoxioae.
8. CHOTUREA VERSICOLOR [Raffles.].
Hue co versicolor, Raffles, Trans. Linn. Soc. XIH, p. 289.â Temm. , PI. Col. 500.
Megalaima versicolor, Goffi.n. Mus. P. B. Buccoups p. li». Choi area versicolor, Housf. Moore, (lat. B. Mus. E. L Comp. II, p. 640 â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 55.
Inl. naam. Toeloel.
Hab. Siam , Malakka, Sumatra, Banka, Borneo, Lahoean, BillUon, Mcmlanaii.
Uitgezonderd de kop, zijn alle hovensle bekleedselen donkergrasgroen, terwijl de onderdeelen eene heldere geelachtig
424
groene kleur bezillen. De slagpennen zijn zwart mei okergelen binnenrand aan de Iiasis en groen, voor zooverre zij in toegevouwen staat aan hel daglicht zijn bloolgesteld. Slaarl-pennen van boven grasgroen, van onderen blauwgroen. Binnen-sle vleugeldekvedereu nabij den vleugelrand groen , overigens licbt-grijsachtig. Do vederen van den kop vormen bel voornaamste sieraad van dezen plompen vogel. Op den bovenkop namelijk zijn zij kersrood en glanzend. Hel voorboofd en de teugels, voor zooverre deze laalslen niet naakt zijn, zijn zwart, even als de naakte streek om liet oog. Een breede kobaltblauwe superciliair-streep loopt tot aan bet aebterhoofd. De wang is zwart met een rood vlekje aan den voorkant. Kin en keel, benevens de streek achter de onderkaak kobaltblauw met lichtere scbafljes op de vederen.
Onder de wang een donkergele vlek. Een ponceau-roode vlek grenst aan de keel, tusschen het blauw en liet groen der borst.
De bek is zwart en de iris donkerbruin.
Pooten loodblauw, voetzolen okergeel.
Afmetingen:
Totale lengte.......0,230 M.
Staart.........0,07ö »
Afstand tusschen het uiteinde van den staart en
dat der vleugelpunten............0,044 »
Vleugel........0.122 »
Vlucht........0,38i) »
Hoogte van den bek aan de basis . . . 0,014 »
Mondwijdte ....... 0,023 »
Mondlengte........0,045 »
Culmen rostri..............0,050 »
Langste vibrissae............0,040 »
Tarsus....... . 0,051 »
Middelloon met nagel......0,02G »
Grootste achterloon met nagel .... 0,02 o »
De vogel is zeer algemeen, zoowel op llillilon als op Mendamu. Den gansclien dag hoor!, men in het boscli zijn eenloonig geroep als: loc-loc loeloel, eenige malen herhaald.
Fam. Picidae :
9. JYNG1P1CUS FUSC0-ALB1DUS [Salv.].
i'iet is variefialus, Wagl. Sysl. Av. Gen. Picus. sp. 2G.
Picus molucccn.tis, ïemm. Tahl. Ulelh. p. 05.âBr. Consp. Av. T, p, 157.
Jynyipicm mohicccnsis, Vordrrmax, fiaI. Vog. Nal. Tijds. N. 1. XLH p. 200.
,h/ngipicus fusco-itWidus, Sai.vadori, Uccelli di Borneo.
11 an. Malakka, Sumatra, â lava, Borneo, tlilliton.
Een exemplaar werd mij Ie Ganloeng aangehracht, dat in de nahijheid dier plaats op eeneu dooden boom in den grooten lelnik was gescholen.
10. CALLOLOPHUS MALACCENS1S [Latii.].
Picus malaccensis, Lath. Ind. Om. I p. 241.
Chri/sonolus minialus, Evt. P. Z. S. 1850, p. 10G. Chloropicus min in lus, Malh. Mon. Picid. II, p. 110. pl. 70. fig. 1 en 2.
Vcnilia malaccensis, Sclat. P. Z. S. 1865, p. 211. Chrysophlerjma malaccense. Blyth. Ihis lyOG p. 530. â Hargitt. Ihis p. 270.
Callolophus malaccensis. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 50.
Har . Tenasserim, Malakka, Sumalra, Nias, Banha, Borneo, Billiton.
Beschrijving:
Voorste gedeelte van den hovenkop helder bruin; de vederen eindigen in roode puntjes. Teugels, voorste wangstreek en
42G
kin donkerbruin niet wille slipjes. (Iedere veder is helder bruin , maar aan bel uileinde van een wit drieboekig vlekje voorzien, dat aan twee zijden door donkerbruin omzoomd is.) Achterste deel der wangen, hals en zijden van den hals, licbl-bruin, hier en daar van witte stipjes voorzien. Bovenkop, zijden van den nek en kuif helder granaalrood. aebterste kuii-vederen en nek groengeel niet donkerbruine dwarsbandjes. Iris bruinrood. Bovenkaak donker-bruiukleurig: onderkaak loodblauw. Achterste deel van den nek, den mantel en de rugvederen donker-grauwgroen mei heldere okergele dwarsbandjes of vlekjes. Bovenste staarldekvederen sepia. Borst, buik, flanken en onderste staarldekvederen vuilwit met sepia dwarsbandjes die min of meer zigzag zijn. Poolen olijfgroen; nagels donker hoornkleurig.
Staartpennen donker-sepia; slagpennen eveneens, maar met ronde helder bruine vlekken, die bij de meer binnenwaarts ingeplante in driehoekige randvlekken overgaan en lot nabij het uileinde der slagpennen reiken.
Scboudervedercn en buitenste vleugeldekvedercn benevens de builenvlaggen der slagpennen, voor zooverre zij in toegevouwen staal aan hel daglicht zijn bloolgesteld, granaalrood. Bij de schoudervederen voegt er zich, nog hier en daar, olijfgroen bij. Binnenste vleugeldekvederen sepia met wit gevlekt.
|
Afmetingen: | ||
|
Totale lengte....... |
0,2153 |
M |
|
Staart ........ |
0.077 |
)) |
|
Afstand tusscben het uileinde der samengevoegde | ||
|
vleugelpunten en dat van den staart . |
0,040 |
» |
|
Vleugellengte....... |
0,127 |
» |
|
Vlucht ........ |
0,40ö |
)) |
|
Lengte der mondopening ..... |
0,050 |
» |
|
Hoogte van den bek aan de basis |
0,010 |
)) |
|
Mondwijdte....... |
0.014 |
)) |
|
Culmen rostri |
0,025 |
» |
Tarsus........0,025 M.
Middelloon mei nagel. ⢠. . . . 0,029 »
Groolsle achtertoon mei nagel .... 0,027 »
Van dezen spechl werden Uvee exemplaren verzameld. Eén dat geschoten was le Dendang en één te Lilangan.
11. MEltiLYPTES tükk1 [Less.].
Picus lukki, Less. Uev. Zool. 1859, p. 167.
Meiglyples hrunnem, Bp. Consj). Av. I p. 113. â Cf. R. Gray Hand-List II ]). 205, sp. 8842.
Meiglyples peel oralis, llcnu. Hand!», spec, ornitli. Picinae. sp. 958, t. 637 fig. 4572.
Phajopicus pec!oralis, Malu. Monog. Pic. II p. 8. pl. 47, lig. 3 en 6,
Meiglyples marginalus (Reinw.). Wald. litis 1871. j». 16!).
Meiglyples luklci Hargitt Ibis 1884 p. 195,
Meiglyples lukki Salvad. Ucc. di Borneo, p. 37.
Inl. naam: Plalok bado'c.
Har. Malakka, Sumalra, Borneo, Binuon.
Ook deze specht wordt hier en daar op Billilon aangetroffen o. a. in de omstreken van Tandjong Pand an en in het D(?Wa;;(/'sche. Ik verzamelde 5 mannetjes en 1 wijfje.
Beschrijving:
Nagenoeg het geheele vederkleed van den romp is donker-umberbrnin met vale isahella-kleurige dwarshanden geteekend. Ook op de kin en den hals is dit toepasselijk. Daar ter plaatse echter komt de breedte der lichte dvvarsbandjes overeen met die der tusschenruiniten van de donkere grondkleur en zijn zij zeer smal en lijn aan de kin, doch iets breeder aan denhals. De krop is effen vaalzwart. Kop en wangen bezitten dezelfde grondkleur ais de overige deelen, doch elïen en zonder dwars-handjes. Ter zijde van den hals bevindt zich eene driehoekige isahella-gele vlek, van boven smal, van onderen breeder terwijl bij het mannetje aan weerszijden van de onderkaak
428
eene roode breede streep naar aclileren reiki, tol ongeveer één centimeter lengte.
Op den buik komen de dwarsbandjes niel zoo sterk uil als op de flanken, waar zij breeder zijn en scherper afsteken.
De slagpennen bezitten dezelfde groudkleur als de romp. Aan hare buitenzijde komen, op onderling regelnialigen afstand, driehoekige isabella-kleurige randvlekjes voor, die door bunue rangschikking, den toegevouwen vleugel een dwars geaderd voorkomen geven.
Op de binnenvlag der slagpennen ziel men breede vuilwitte dwarsbanden, die niel tol aan de schaft reiken. Biuuensle vleugeldekvederen isabella-geel. Slagpennen der 2'' en ö' orde donker-umberkleurig mei wijd uiteenslaande smalle Isabella dwarsbandjes. Slaartpennen vaalbruin aan weerszijden mei smalle naar binnen spits eindigende lichte dwarsstreepjes . die niel tot aan de schaft reiken.
Snavel zwart. onderkaak loodkleurig. Poolen vaalbruin. fris donkerbruin.
Het wijfje is even als het mannetje, doch mist de roode wangstrepen.
Afmetingen.
O
Totale lengte . . . . . - . 0,184 M.
Staart................0.049 »
Afstand tusschen de samengevoegde vleugelpun-
ten en hel uileinde van den staart. . . 0,039 »
Vleugel . 0,097 »
Vlucht..................0,522 »
Lengte der mondopening ..... 0,027 »
Mondwijdle ....... 0,012 »
Hoogte van den bek aan de basis . . 0,008 »
Culmen rostri..............0,022 »
Tarsus........0,018 »
Middelloon met nagel......0,022 »
Grootste achterloon met nagel .... 0,021 »
429
12. micropternus brachyurus [Vieil.].
Picm brachijurus Vieli. . N. I). If. N. XXVI, p. 103.
Picus badiiis Raffl. Trans. Linn. Soc. XIII, p. 289.
Microp/ernus badius Salv. Ami. Mus. Civ. fieaov. XIV, p. 184.
Micropfernus hrachyums Hume Sir. Feath. 1877 pp. 480,481-â Haroitt. Ihis. 1883 p. 1Ã.
Inl. naam: Plalolc kidjang.
Har. Temsserirn , Malakha . Selanga, Sumalrn, flanka, Java , Cülliton, Itleiiflaiinu.
Deze specht is zeer algemeen op Billilon en tiaar overal verspreid even als op hel eiland Mendunau . Vooral de versch geschoten individu's rieken onaangenaam, min of meer muskusachtig. Zelfs geruimen tijd nadat zij geprepareerd en gedroogd zijn is die reuk nog duidelijk waarneembaar.
in mijne verzameling zijn zes exemplaren voorhanden waaronder vier vrouwelijke.
Beschrijving:
Bovenste hekleedselen van den romp, tol aan den nek, henevens de slag- en staartpennen, de Manken en de buik, helder bruin met koolzwarte dwarsbanden. Nek, schouders, krop en borst ellen helder bruin.
De middelste staartpennen eindigen in sepia-kleurige punten. De geheele kop is licht-vaalbruin: de randen der schedelvederen zijn lichter gekleurd. Wangen van het mannetje iets donkerder. Onder de oogstreek bezitten de vedertjes roode uiteinden.
De kin- en halsvederen lichtbruin met eene vaalzwarte V geteekend en eenen lichteren rand. De daaraan grenzende vedertjes van de ondervvang, die als twee rijen schubben gerangschikt zijn, hebben eene Hauw bruine kleur met lichtere randen.
Onderste vleugeldekvederen lichtbruin met donkere dwars-handjes en vlekjes.
Bek zwart; poolen bruin; iris donkerbruin.
430
| |||||||||||||||||||||||||||||||||
|
13. SASIA ABNORMIS [Temm.]. |
Picumnus abnormis, Temm. PI. col. 571, 1'. 3.
Microcolaples abnormis. â Cab. en Hein. Mus. Hein. IV, 2,
Picidae p. 8.
Sasia abnormis. Bp. Conspect. Av. I p. 140.â G. l\. Gray. Hand-list. II p. 180 op 8353. â Salvadori, Uccelli di Borneo, p. 60.
Picumnoides abnormis. Mal». Mon. Pic. II p. 287, pl. llïgt; fig. 1.
Hab. Malakka, Sumatra, Nias, Java, Borneo. Bllllton.
Deze dwergspecht schijnt zeldzaam op Billüon voor te komen. Slechts één exemplaar werd ik machtig en wel in het bosch nabij Lilangan.
Het diertje heeft eene eigenaardige physionomie doordien de oogspleet, even als bij Dendrophila schuins staal ten opzichte van de lengte-as van den hek.
Beschrijving:
Bovenkop en nek donker-oüjfgroen: ooglidranden wijn-kleurig; iris terra-sienna. Voorhoofd, wangen en superciliair-streek kaneelbruin even als de kin en keel. De onderdeelen zijn groenachtig-grijs, maar in hel midden loopt een breede niet scherp begrensde band, waarvan de vederen kaneelkleurige
431
harige iiileindcii hebben. Achterste deel der llaiiken en onderste slaarldekvedcreu kaneelbruin.
Poolen en nagels oranje-geel. De bovendeelen zijn donker-olijfgroen ; de staart en zijne bovenste dekvederen echter zwart. Slagpennen donker-bistre, doorschijnend, met harige groene buitenzoompjes en witachtige binnenranden, aan de basis. Binnenste vleugeldekvederen llauw-isabella. Snavel zwart, onderkaak eveneens, doch van onderen aan de basis geel.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
14. CAC0MANT1S SEPÃLCRAL1S [S. Mull.]. |
Cacomantis sepulcralis, S. Mull. Verhand. Nat. Gesch. Overz. hezitt. Land- en Volk. p. 177, nota, sp. 2.
Cncutus sepulcralis, Br. Consp. Av. 1 p. 104. â Salvad. Uccelli dl Borneo p. 63. â Vorderman Bat. Vog. Nat. Tijds. N. Ind. XLI p. 190.
Cumins sonnerati, Schleg. Mus. P. B. Cuculi p. 25.
Cuculus assimilis, G. R. Gray.
Cuculus iusperalus el dumelorwn, Gould.
Hab. Voor-lndxc, China, Malakka, Sumatra, Java, Borneo, Halmaheira, Amboina, Ceratn, Timor, Australië, Bllliton,
452
Dc algemeen als «Piet van Vlielquot; bekende llnitkoekoek komt, ook op It HU ton voor. Te Tandjong Pandan, llcfjantoug, I'mujlml Ambalong en Dcndang werd herhaaldelijk zijn gelluil gehoord en nahij laatstgenoemde plaats een individu geschoten. Voor dc beschrijving zie men: Natuurk. Tijdschrift voor N. Indië deel XL1 pag. 190.
15. RHOPODYTES SÃMATRANUS [Raitl.].
CiicuIiis mmalranus, Raffl. Trans. Linn. Soc. Xlll p. 287.
Phocnicophaus swnalranus, Schleg. Mus. P. H. Cttculi jt. 55.
Zancloslomus sumnlranm, Sci.at. P. Z. S. 1865, p. 208.
Rhopodyles sumalranus, Caü. Hein. Mus. Hein. IV, p* 62.â Salvadori , Uccelli di Borneo jt. 75.
Poliococcyx sumalranus, Sharpe P. Z. S. 1875, p. 606 lig. 14.
Inl. naam: n Doror.
Mab. Malakka, Sumalra. Banha, Borneo, Bllliton Mcndanaii.
Een der algemeenste vogelsoorten van Billilon en daarbij in T geheel niet schuw, zoodat zij zelfs in do onmiddellijke nabijheid der woningen in de hoornen nederstrijken om luiii voedsel te zoeken, dat voornamelijk uit rupsen en sprinkhanen bestaat. Ook op Mendanan wordt deze soort veelvuldig aangelrolïcn.
Beschrijving:
De streek die den kop, hals en dc horst omvat is grijs; bet. lichtst naar voren, het donkerst naar achteren. Een groote kale wrattige streek om bet oog is donker-oranje rood gekleurd. Het voorste deel der teugclstreek is met korte pikzwarte vederljes bedekt. Aan de bovenste grens der kale oogstreek zijn de buitenvlaggen der grijze kopvedertjes wil, zoodal zich die grens als eene lijnc witachtige streep voordoet. Dc iris is lichtblauw en de bek eltergroen: terwijl deze van binnen voor hel achterdeel zwart is.
40.1
Overigens zijn de boveiuleelen van den vogel zwarl mei slerk nilgedniktei) zeegroenen melaalglans, die op hel bedekte gedeelte der vleugels en der staartvederen nicer naar staalblauw overhelt. De staart pennen bezitten bovendien witte uiteinden.
Flanken donkergrijs niet slaaiblauwen glans. Buik en onderste staarldekvederen donkor-kaslanje-bruin. Poolen loodkleurig . voetzolen licht grijsgcel, nagels donkcr-hoornkleurig.
Afmetingen:
Totale lengte .......
Staart ........
Afstand tiisschen hot uiteinde der samengevoegde
O C
vleugels en dat van den staart ....
Vleugel........
Vlucht ........
Mondwijdte .......
Lengte der mondopening .....
Hoogle van den bek aan dc basis
Cnlmen rostri .......
De naakte streek strekt zich uit achter dc neusgaten tol ....... .
Tarsus ........
Middelloon mei nagel, .....
Grootste achlertoon met nagel ....
Buceros species.
Nabij Lilangan werden door mij. op eencii hoogen boom legen eene berghelling aan, een paar ueushoornvogels gezien die met den kijker gemakkelijk als Buccros rhinoceros te herkennen waren. Hel ware zeker van groot belang geweest een dezer dieren machtig Ie worden om uil de lengte van den helm af le leiden of zij lol de Sumatraansche soort dan wel tot de variëteit van Boruco, Buccros rhinoceroides Temm. moesten ge-bracht worden. He jacht o|» die dieren was te vergeefs, daar
0,585 M.
0,210 »
0,166 »
0,154 »
0,400 »
0,017 »
0,055 »
0.015 »
0,052 »
0,026 »
0.051 »
0.028 »
0,025 »
454
zij lc snel verdwenen. Mogelijk zijn latere onderzoekers gelukkiger Ie dien opzichte.
F am. Meropidae.
16. MEROPS BICOLOR [Bodu.J.
Merops hi color, Itoiin. Tabl. PI. Enl. p. lij en Buffon PI. enl. 232. â G. 1\. Gray Hand-List 1 p. 99 sp. 1202. â Salva-noRi, Uccelli di Borneo ]). 90âVorderman. Nat. Tijds. N. 1. XLV1 p. 4.
Merops badius. Rchb. Handb. spec. Urn. Meropidae p. 75, t. 449 fig. 5244. â Sciileg. Mus. P. B. Merops, p. 5.
Merops sumairanus Raffl. Trans. Linn. Soc. XIII p. 294.
Melittophas bi color, Cau. IIei.n. Mus. Hein. 11 p. 187.
Inl. naam: Birik.
Hab. Malakka, Sumatra, Banka, Java, Borneo, Billiton
üeze bijeneter is niet zeldzaam op Hillüon. Te Tandjong Pandan en Lilangan schoot ik exemplaren in vollen kleederdos. Het door mij in hot Natuurkundig Tijdscbr. voor Ned. Indie in Deel XLV1 op pag. 4 beschreven exemplaar was aangctroll'en aan het Zuider-strand van West-Java in Juni 1883 en verkeerde in ruiing.
Fam. Alcedimdae ;
17. ALCEDO MENiNTING [Housf.]
Alcedo nieninting, Horsf. Trans. Linn. Soc. Xlll p. 172. Temm. PI. col. 259 lig. 2. â Schleg. Gis. Ind. Neeii. Marlins Pccheurs â pp. 6. 44. pl. 5 lig. 2,5. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 95 â Vorderman Bat. Vog. Nat. Tijds. iN. 1. XL1 p. 18H.
Alcedo asialica, Sharpe Mon. Alccd. pl. o.
Alcedo verreauxii De la Berge Bev. cl Mag. de Zool. 1831 p. 595 pl. 9.
Inl. naam; Peninling Ham.
Hab. Maunbhoan, Cochinchina, Bnnndh, Andamau-eilanden, Malakka , Sumatra , Java, Banka, Borneo, Labocan , Lombok , Celebes, KJlliton.
Wonll ojt Billiton in hol hiimoiilami aangelroffeii langs de knnstmalig opgedamde ineeren (leliak) en do kleine rivier!jes, maar schijnl veel zeldzamer dan de aldaar zeer algemeeue Ceyx innomimla.
Ik verkreeg sleclils één exemplaar, dal langs don lebak bij Liliinrjnn gescholen was.
Beschrijving:
Alle bovendeelen zwart. Do vederen van den kop en nek, zoomede do kleine builenslo vlougeldekvederen eindigen in kobaltblauwe vlekjes, waardoor zich die doelen voordoen als van blauwe dwarsbandjes voorzien. J)ie van den rug en de sluit bezitten kobaltblauwe harige uiteinden.
Teugels kaneelkleurig. Zijden van den kop zwart met blauwe vlekjes, waartusscben hier en daar eene kaneelbruine kleur doorschemert. Achter hel oor een zilverwitte vlek. Ooglidranden zwart. Iris zwartbruin.
Bek zwart, mondhoek en binnenste deel van den bek helder rood. Kin wit. Hauw met kaneelbruin bevvasschen. Alle overige onderdeden en de flanken zoomede de binnenste vleu-geldekvederen kaneelbruin, het donkerst op de borsl. De fijne pootjes inclusiel' de nagels en de voetzolen zijn koraalrood. Slagpennen zwart met blauwe builenzoomen; slaarlpennen donkerblauw.
Afmetingen;
Totale lengte .......
Staart. ........
Afstand lusschcn de samengevoegde vleugelpunten
en het uileinde van den staart ....
Vleugel........
Vlucht
Hoogte van den bek aan de basis-
Moiulwijdle .......
Lengte der mondopening.....
0,lö7 M.
0,026 »
0,020 »
0,061 »
0,251 »
0,008 »
0,012 »
0,0o0 »
456
Culmeii rostri ....... 0,041 M.
Tarsus .... .... 0,007 »
Middelloon met iiagcl. ..... 0,015 »
Aclilerloon mei naircl .... 0.00S »
18. PELARG0PS1S LEUCOCEPHALA [Om.).
Alccdo Icucocephala. Schleg. Mus. P. 15. Alncdincs p. 1 ö. â ld. Ois. des Ind. Neerl. Marlins Pkhcurs pp. 9, 46. pl. 2 lig. 2. â Vorderman. Hal. Vog. Nat. Tijds. v N. 1. XLII p. 42.
Pctargopsis Icucocephahi, Sn.vurE IV Z. S. 1870. p. 64.â Salvadobi, ücoelli di Borneo p. 9a.
Halcyon Icucocephala, Stepii . Gen. Zool. XIII 2. p. 100. Hr. Consp. Av. I p. 1114.
Halcyon javana, Pel/.. Nov. Ileise. Vogel. pp. 49. 161.
Pclargopsis javana, G. R. Gray, Hand-List. I p. 92. sp. 1104.
Pelargopsis rinuldii, Sharpe. Proc. Z. S. 1870.
Pelargopsis fraseri, Sharpe.
Pelargopsis malaccensis, Sharpe.
Pelargopsis floresiana, Sharpe.
Pelargopsis burmannica, Sharpe.
Inl. naam: Tidaul kaluk.
Mab. Voor-Indië, Hurmah, Ceylon, Philippijnen, Malahha. Sumalra, Nias, Ban ka, Java, Borneo, Laboean . Killilon.
Deze groole ijsvogel werd aangelrolTen langs de oevers dor Lingang-v'w'wv bij Ganloeng.
Hij schijnt verderop in hel binnenland schaars le zijn. Ten opzichte van de synoniemen deel ik hel gevoelen van Schlegel. Ingeval de verdeeling van Sharpe moet worden toegepast, die echter op variabele feiten berust, dan zouden de verschillende omlerverdeelingen naast en door elkaar op de groole eilanden voorkomen.
19. CEYX 1NN0MINATA [Salv.J.
Cci/x Iridaclylu; Gray Gen. 15. p. 80. â Sharpe Mon. Alced. pl. il. pl XIII.
457
Ceyx rn/idorsa, Stiuckl. â Bp. Conspecl. Av. I p. 1 iiS Siiabpe 1'. Z. S. 1888 p. ;i02 âId. I' Z. S. 187» (t. 101.
Dacelo rufidorsa, Schleg . Mus. P. H. Alcccl. p. 40. âJd. Ois. liul. Necrl. Marlins I'rchenrs pp. 40, 67 pi. 16, lig. J.
Ceij.r. innomimla, Salvador! Alii R. Ac. Sc. Tor. IV. p. 40)).âId. Uccclli di Borneo p. 97.
Ceyx rubra, G. B. G.iay, Hand.-List. 1 |t. 54 sp. 1145. â Vorderman, Bal. Vog. Nat. Tijds. v. IN 1. XL1I1 p. 170
In!, naam: Pcninling rnchra.
Hab. Malakka, Sumalru, Banha, Java, llawcmi, Honiw, Laboean, Lombok, F lores, Swnhama , Hilliton.
Oil fraaie ijsvogellje koml op Ihllilon algemeen voor langs do kleine riviertjes, waarmede liet eiland doorsneden is, en langs de lebaks in liet binnenland. Ik verkreeg vijf exemplaren van fiegrniloeng, Ambalong, Dendang en Lilangan waaronder één halfvolwassen met een donker boornkleurigen bek met lichtere punt. De beschrijving van dezelfde soort als Bataviasche vogel komt voor in bel Natuurk. Tijdschr. voor N. Indië Deel X.LII I pag. 179 onder de synoniem Ccgx rubra.
30 CAR1DAGRÃS CONCRETÃS [ïemm.].
Dacelo concrela, ïemm. IM. col. 546. â Sciileo. Mus. P. B. Alced. p. 26. â ld. Ois. Ind. Necrl. pp. 2o 37 pl. 8 fig. 2.5.
Halcyon concrela. Gray Hand-List. I p. 95. â Sharpe , Mon. Alced. pl. 85.
Todiramphus varius, Blvth. Cat. B. Mus. As. Soc. Beng. p. 47.
Paralci/on concrela, Rciir. Handb. spec, ornilb. Alced. p. 56. 421. fig. 5143 en 422 lis. 514bâ46.
Caridagrus concrclus, Car. en Heine, Mus. Hein 11, p. 161. Salvadori, Uccclli di Borneo p. 102.
Inl. naam: Kekoewai.
Hab. Malakka , Sumalra, Itornco, Jam, Bllllton
4.gt;8
Is iiiel zeldzaam in licl himiciilantl van Billilon. Ik verzamelde vier exemplaren waaronder ecu ncslling.
Beschrijving:
Bovenkop donkcr-zeegroen, dal van achleren aan den nek in eenen lichleren groenen zoom eindigt en van voren op hel voorhoofd eene rosachlige linl aanneemt. Van af de neusgalen strekt zich naar achleren boven het oog tot nabij den nek een heldere kaneelbruine streep uit. De oogleden zijn geel en do iris is zwart. Teugels zwart; onder het oog loopt naar acb-leren over de oorstreek een zwarte band die naar achteren in den nek omloopt waar hij zich met dien der tegenovergestelde zijde vereenigt. Evenwijdig aan dien band loopt van af den mondhoek eene kaneelbruine streep naar achteren eveneens tot in den nek. Dit bruin vereenigt zich ter zijde van den krop met dezelfde kleur der onderdeden. Van af den boek der onderkaak gaal een donkerblauwe breede band naar achteren, om bij den krop te eindigen. Alle onderdeelen en de binnenste vleugeldekvederen zijn kancelbruin, het lichtst aan de kin en den buik, hel donkerst op de borst. Ook de vleugelrand is kaneelkleurig. Manlelvederen en verlengde schoudervederen zwart met donkerblauwe uiteinden. Evenzoo de buitenste vleugeldekvederen terwijl de slagpennen vaalzwart zijn met eenen smallen donker-blauwen buitenzoom die breeder wordt op de slagpennen der ^ orde. Allen hebben eenen breeden geelachtigeu binnenrand aan de basis. De rugvederen zijn zwart, maar de zijdelingsche eindigen in kolbaltblauw en de middelste in helder azuurblauw. Het zwart der vederen wordt in hel midden hierdoor volkomen bedekt en komt alleen ter zijde van den rug uil. Bovenste staart-dekvederen donkerblauw. Staartpennen eveneens en van onderen grijsachtig. Poolen en nagels groengeel; voetzolen indiaansch geel. Bij den volwassen vogel is de snavel zwart, uitgezonderd de punt en de randen, die geel zijn. Ook de onderkaak is geel. Hij jeugdige individu's is dc geheele bek zwart uitgezonderd de punt die geel is.
439
De nestling die in mijn hezil kwam had reeds de kleur en leekening van den volwassen vogel maar op den mantel ea de bovenste vleugeldekvederen kwamen vrij groote driehoekige lichtbruine vlekken voor.
Afmetingen:
Totale lengte.......
Staart. ........
Afstand lusscben het uiteinde der samengevoegde vleugels en dal van den staart ....
Vleugel........
Vlucht ........
Lengte der mondopening .....
Mondwijdte. .......
Hoogte van den bek aan de basis
Culmen rostri.......
Tarsus .......
Middelloon met nagel. .....
Achtertoon met id.. .....
21. SAÃROPATIS CHLORIS [Bodd.].
Alcedo chloris, Bono. Tahl. PI. Enl. p. 49.
Halcyon collaris, Sclat. P. Z. S 1863 pg. 213.
Halcyon chloris, Sharpe Mon. Alced. pl. 87.
Todiramphus chlorocephalus, Br. Consp. Av. I p. 156.â Bernst. Journ. f. Ornith. 1839 p. 189, p. 270.
Sauropatis chloris. Cab. Heiin. Mus. Hein. II p. 160. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 103.
Dacelo chloris, Sculeg. Mus. P. B. Alced. p. 32 ld. Gis. Ind. Neerl. Marlins Pêcheurs pp. 26, 58. pl. 10 fig. 3, 4. â- Vorderman. Bal. Vogels, Natuurk. Tijds. Ned. Indië XLII p. 45.
Inl. naam: n'Kaler.
Hab. Kusten der Roodc Zee, Voor-Indië, Arahan, Tenas-serim , Siam, Coch in eh in a, Nicoba reu, Andaman-eilanden, Malakka,
0,233 M.
0,059 »
0,027 »
0,109 »
0,385 »
0,058 .
0,022 »
0,016 »
0,045 »
0,018 â¢
0,025 »
0.014 »
440
Sitmairn, Han ka. Java, Borneo. Lahocan, Philippijncn, Loinhol:, Flares, So/or, Timor; Soembaiva, Celebes, Ualmaheira , hal jan. Mora! ay, Tenia le, Amhoiun, Ceram , Ihimln, (la;]!/, Misool, Aroe-eilanden, Goram , Siinggir-eilanden, Keij-eilamlen , Nieuw-Giiinea. Salomon-archipel, Billiton, Itlcndanaii.
Deze ijsvogel trol' ik op Billiton hij liel zeestraiul en nabij padavgs aan. In mijne colleclie zijn slechts drie exemplaren voorhanden; twee van 'TaiidjoiHj l'andan en één van A/ei Lanljoei op Mendanav.
22. SAÃROPATIS SANCTA | Vio. en IIorsf.].
Alq/oii sanclus, Vig. en IIorsf. Trans. Linn. Soc. XV p. 205. â Sharpe Mon, Alced. pl. 91.
Sauropalis sancla. Cab., Hein, Mus. Hein. II, p. ltgt;8.â Salvadori, Uccelli di Borneo, p. 104. â Vorüerman, Bal. vogels Naluurk. Tijds. v. N. I. Dl. XLIII p. 177.
Dacelo sancla, Schleg. Mus. P. B. Alced. p. 3S. â ld. ois. il. Ind. Neêrl. Marlins Pêcheiirs, pp. 27, 1gt;9 pl. 10 fig. 1.â Finsch. New-Guinea p. 161.
Inl. naam: n'Kakê.
Hab. Nieuw-Caledonië, Australië, Norfolk-eilnnden. I neinl-schaps-archipel, Pelew-eilanden, Niemv-Guinea, Waigoe, Salimlh, Aroe-eilanden, Key-eilanden, Misool, Banda, Aiidmna , Ceram, Ternale, lioeroe, Soela-eilanden, Soemba, Lombok, Celebes , Borneo, Java, Ban ka, Malakka, Sumatra, Billiton.
Terwijl de geographische verbreiding der vorige zeer algemeene soort haar middelpunt in Z. 0. Azië heeft, zoodat zij westelijk lot de Roode Zee en Oostelijk tol eenige eilanden in l'olynesié voorkomt, zoo schijnt hel middelpunt van verbreiding van Sauropalis sancla in Nieuw-Guinea ol Australië le liggen en is zij zeer algemeen in Polynesië , maar is oostelijk nooit verder waargenomen dan Banka. Vermoedelijk komt do soort dus ook
441
op de Ziiid-Ooslkusl van Sumalra voor, hoewel er lot dusverre nog geene exemplaren nit die streek zijn aangelwaclil. 0|» Ftilliton on wel Ie Taitdjonij l'andan verzamelde ik 3 individu's.
Fam. Coracidiae.
32. EÃRYSrOMÃS 0R1ENTAL1S [L.|.
Coracias orientalis Li.nx. S. N. I, p. 159.â Raffl. Trans. Linn. Sor. XIII p. 302.
Colaris orientalis, Horsf. Trans. Linn. Soc. XIII p. 1G2. Eurystomus orientalis, Rchb. Hand!». Spec. Ornilh. Merop. p. 04 !. 437 lig 3195â9ü. â Jerpox B. ol' Ind. I p. 219. â Schleg. Mus. l'. 0. Cora ces ii. 139. â Vorderman Nal. Tijdsclir. N. Ind. XLV.
Eurystomus cyanicollis Vieili. N. D. XXIX p. 425.
Inl. naam: Tiouy ha toe.
Har. Voor-Indië, Ceylon, China, Mala Idea, Sumatra, Java. Borneo, Laboean, Philippijnen, Lombok, Soemhawa, Soemba, Flares, Timor, Celebes, Soela-eilanden, BIHiton. llcndanau.
Deze soorl is vrij algemeen op Billiton en op hel eiland Mendanau, in tegenslelling met West-Java, waar zij tol de zeldzaam voorkomende behoort. De beschrijving van een op den Salak gescholen individu komt voor in het Natuurk. Tijds. voor Ned. Indië Deel XLV.
3Iet deze beschrijving komen de op Billiton en Mendanau verzamelde exemplaren overeen.
Enkel heb ik er nog aan loe te voegen , dat bij de levende individu's de iris bruin is, de bek eene helder roode kleur heeft evenals de poolen; terwijl de ooglidranden lichtrood zijn.
Fam: Eurylaïmidae .
24. EURYLAEMÃS JAVANICÃS [Horsf.]
Eurylaemus javanieus, Horsf- Trans. Linn, Soc. XIII. p. 170.
442
ld. Zool. Researches Java pi. 54. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 107 â Vouderman. Nat. Tijds. Ned. Ind. XLV.
Eurylaimus hors fielt Hi. Temm. PI. Col. 150.
Inl. naam: Sempoer oedjon.
Had. Tcnasscrim , Ara kan , Ma lak lea, Sumatra , Java, Borneo , Billlton.
De regen vogel komt op Büliton vrij algemeen voor. Op alle plaatsen, waar ik tijdelijk verblijf hield, werd zijn rollend geluid gehoord . dat de inlanders vergelijken met hel geluid van neerstroomend regenwater. In mijne collectie zijn 4 mannelijke exemplaren voorhanden: wijfjes werden niet geschoten.
Beschrijving;
De hek van dezen vogel valt, hij het pas geschoten individu, niet alleen in het oog door eenen hijzonderen vorm, maar ook door de fraaie kleur, die echter bij het drogen verloren gaat. Deze is blauw, nabij de neusgaten kobaltblauw, dal van voren geleidelijk in licht-azuurblauw overgaat, welke kleur ook de onderkaak bezit. De randen zijn zwartachtig. Het zwart is van voren uitgebreider dan van achteren, waar hel slechts een smal randje beslaat. Tong en binnenvlakte van den bek, zoomede het achterdeel van den rand der onderkaak geel. Ook de iris is helder blauw, terwijl de goed ontwikkelde ooglidranden pikzwart zijn. De poolen zijn loodkleurig met okerkleurige nagels en okergele voetzolen.
Het vederkleed van den Billitonscben vogel is als volgt:
De kop, nek, hals en krop zijn met glanzende haarvaderen begroeid. Hare basis is grijs en haar overig gedeelte wijnrood. Die van den bovenkop en de kin zijn bovendien nog zwartachtig aan de uiteinden, zoodat hierdoor eene kleurschakeering ontstaat waarbij de wijnroode kleur door het zwart heenschemert. Onderste nekvederen aan het zichtbaar gedeelte donker-van-Dijckhruin, Een smalle zwarte band loopt dwars over den krop en is naar achteren door zilverachtig grijze haarvederen
445
begrensd. Dorst, vleugels, flanken en onderste slaarldekvedereu wijnkleurig. Oe vederen die deze deelen bedekken zijn aan bare basis wit. maar vertoonen bier en daar, tusschen het wijnrood, oranje vlekken of uiteinden. Vederen der scbenen sepia. De bovendeelen van den romp zijn zwart, dat op liet midden van den rug en op de sluit door zwavelgeel is afgebroken. Ook de bovenste staartdekvederen eindigen in stevige zwavelgele baren.
Evenwijdig aan de gele rugstreep loopt aan weerszijden een korte gele band naar achteren, die gevormd wordt door de verlengde schoudervederen. Enkele zwarte mantelvederen loopen puntig gebogen naar voren om.
De buitenste vleugeitlekvederen zijn zwart. de hinnenste meerendeels lichtgeel: de vleugelrand is zwavelgeel. Slagpennen zwart; aan bare basis is de binnenvlag wil.
Ook aan de basis van de builenvlag komt wit voor, doch in mindere uitgebreidheid en eenigszins geel getint, liet is bij den nilgespreiden vleugel slechts zichtbaar bij de Ge, T'en 8quot; slagpen der 2° orde.
De slagpennen der 2C orde bezitten bij hare zwarte grondkleur bovendien eene langwerpig-ovale citroengele vlek aan bare builenvlag, zoodal hierdoor in toegevouwen slaat van den vleugel een gele dwarsband zichtbaar is.
De twee middelste staarlpeiinen zijn effen zwart, de overigen hebben eene witte ronde vlek nabij baai' uileinde.
Afmetingen:
Totale lengte . ......
Staart ........
Afstand tusschen hel uiteinde der samengevoegde vleugels en dal van den staart ....
Vleugel........
Vlucht.........
Hoogte van den bek aan de basis
Mondwijdle .......
ü,20!j M.
0,059 »
0,04(3 »
0,104 »
0,5!)0 »
0,014 «
0,023 »
444
Lengte tier uioiitlopeniug Culiiieii roslri Tarsus
Midilelloon mei nagel. Achlerloon » id. .
25 EURYLAEMUS OCHROMELAS fIïaffl,].
Eurylacmus ochromelus (errore) Uaffl. Trans. Linn. Soc. Xlil p. 297. â Bp. Consp. A v. I p. 168.
Eurijlaimus cucutlalus, Tkmm. PI. Col. 201.
Ci/mbirhi/ncltus cuciillnlus, Eyt. P. Z. S. 1839 p. 101.
Kurylaemm ochromelus, Rcim, Handl». Spec. Ornilli. Meropin p. üO I. 441, f. 321ïjâ10. â Ca», en Hein. Mus. Hein II p. 12. â Salvadori, Uccelii di Borneo, p. 108.
Inl. naam : Sempoer oedjan Jarat.
Hab. Tenasserim, Malakka, Smnalra, Borneo, Hilliton.
Van dezen kleinen hapvogel, verzamelde ik 3 exemplaren. Twee waren le Tandjong Pand au door mijne vooruilgezonden assislenlen gescholen en geprepareerd en één verkreeg ik op reis door Blanloe, toen er geene gelegenheid hestoud den pas geschoten vogel te Itesclirijven en al' le melen: echter maakle ik toen eeue aanleekening omlrenl de kleur van hek, iris en poolen.
Beschrijving;
Vederen van kin, wangen en hovenkop pikzwart; de laatste vooral die van het achterhoofd, verlengd. Een wille dwars-hand loopt over den hals en verlengt zich Ier zijde tol in den nek, waar hij zich mei dien van den anderen kant vereenigt.
Op den krop wordt die halsband naar achleren begrensd door eenen zwarten dwarsband die zich Ier zijde met hel zwart van den mantel vereenigl. Bij één exemplaar is die zwarte band volkomen; bij de beide anderen reikt hij aan weerszijden lot nabij het mediaanvlak. (In eene collectie, die indertijd door den naluuronderzoeker Colfs in LuIkiI werd
0,037 M. 0,02'ij » 0,022 » 0,022 » 0,021 »
44ij
gemaakt was ook een exemplaar voorhanden, dal een onvolkomen zwarten dwarsband vertoonde).
Borst en buik licbt-vleesclikleurig. Lichtgeel zijn de flanken, acbterbuik, onderste staartdekvederen, bel midden van den rug, de bnitenvlag der verlengde schoudervederen, de uiteinden der bovenste staartdekvederen en bet achterste gedeelte der bnitenvlaggen van de slagpennen der orde. Deze laatste zijn aan haar uiterste gedeelte zwart. Ook bet overige gedeelte van den rug, de mantel, de vleugels en de staart zijn zwart. Het basaal gedeelte van den buitenrand der slagpennen is echter wit, uitgezonderd dal der drie uiterste, verder is baar biimenvlag aan bet voorste gedeelte eveneens wit gekleurd. Binnenste kleine vleugeldekvederen en vleugelrand licbtgeel; groote dekvederen zwart.
üe staarlpennen hebben nabij baar uiteinde eene ronde witte vlek.
Bek belder-azuurhlauw mei donkere randen; snavelrng en punt van den snavel licbtgroen.
Iris licbtgeel.
Poolen vleescbkleurig, nagels donker lioornkleurig.
o o o
Afmetingen van een geprepareerd individu.
Totale lengte ......
Staart
Vleugel
Lengte der mondopening ....
Mondwijdte .... ...
Hoogte van den bek aan de basis bij de neusgaten.
(luimen rostri ......
Tarsus .......
Middelloon mei nagel .....
Achtertoon «gt; id. .
26. CYMBORHYNCHUS MACRORHYNCHUS [Gsi.j.
Tüiliis inacrorhynchus Gm. S. N. I. p. 44G |).
Todus nasulus Lath. hul. Orn. 1 p. 268.
0,157 M 0,044 » 0.081 » 0,024 » 0,017 » 0,008 » 0,018 » 0,019 » 0,016 » 0,013 »
44(3
Plalyrhynchus na sul us. Des.m. Hisl. Nat. IV.
Eurylaimns lemniscalus, Raffl. Trans. Linn. Soc. XIII p. 29G.
Eurylaimus nasulus, Të.m.m. PI. Col. 154.
Cymhirhi/iichus nasulus Vig. App. 3Ieii). Raffles p. 0j4.
Erolia nasica Less. Tr. il'Orn. p. 260.
Eurylaimus nasicus. Tkmm. Talil. Mclh. PI. Col. I. p. 21
Cymhirhynchus macrorhynchus Bp. Consp. G. A. I. p. 109 â G. R. Gray, Hand-List 1. p. 78 sp. 922.
Cymborhynchus macrorhynchns. Cab. on Hein. Mus. Hein II p. 122. â Salvaboki Atti R.Ac. Sc. Tor. I\ p. 421âld. Uccelli dl Borneo p. 109. âld. Uccelli di Sninatra. Ann. M. C. d. St. N. Genov. XIV. p. 199.
Ini. naam: Sempoer-oedjan soenyai.
Hah. Tenasserim, Malakka, Sumalra, Borneo, Bllllton.
Twee dezer hapvogels waren vóór mijne komst te Tamljony Pandan door mijne jagers gescholen en geprepareerd. Dewijl ik later geen exemplaren meer inachlig werd, was ik niel in staal gesteld de kleur van hek, iris en poolen in verschen toestand le vermelden, en kon ik evenmin dc afmetingen van versche exemplaren noteeren.
Ten opzichte dezer soorl dien ik op le merken dal de drie door Doria en Beccari le Serawalc geschoten individu's eenen ellen zwarten staart bezaten zonder wille vlekken op de 3 uiterste staartpennen; hetgeen Salvadori, die de collectie dier bovengenoemde heeren beschreef, aanleiding gaf deze liontco-soovl ais de echle Cymborhy nchus macrorhynchus le beschouwen en de Malaklca-soorl met de witte vlekken op de staartpennen als eene afzonderlijke de C. malaccensis Salv. af te scheiden. Later verzamelde Beccari op Ajer Manljoer [Sumalra) drie andere exemplaren waaronder er slechts één met elfen zwarten staart was ; terwijl de overigen mei de nevensoorl van Malakka overeenkwamen. Hume verklaart dat hij ongeveer 80 exemplaren, van Malaklia afkomstig, onderzocht heeft, maai' dat er geen enkele onder was inel effen zwarten staart, zoodal deze eigenaardigheid speciaal aan de Serawaksche vogels moei worden toegeschreven. Ook de twee individu's van Billilon bezitten, zooals uit de
447
liieiondor Ie volgen l)escliiijviiig Itlijkl, wille vlekken op de slaai'tvcderen. Een cxnuilaar van Kocley, Romeo's Oóslknul. ai'komslig, dal in hel. Museuin van do K. Nal. Vereenigiug le h'at a via is, iicel'l lt;lcn cfl'cn zwarten slaarl als de Serawaksche vogels.
Beschrijving;
Kin, kop, nek, manlcl en rug glanzend zwarl. Uwars over den hals loopl een lireede donkerroode hand van slugge vederen wier hasis wil is en die zich Ier zijde lol aan de oorslreek nilslrekl. Evenwijdig daaraan loopl dwars over de borsl een even hreede zwarle hand, waarvan de kleur zich Ier zijde in die van den manlcl verliesl. Borsl, huik, llanken, slaarldekvede-ren en sluil donker-wijnrood. Middelste hinuensle vleugeldekve-den lichlgeel, de overige zwart. Vleugelrand oranje; 4 a 5 verlengde schoudervederen zijn zuiver wil; overigens is de vleugel zwart aan de hasis en donker-sepia aan hel uiteinde. Uitgezonderd de heide uiterste slagpennen hebben de overige een witte dwarshand aan hare hasis. Staartpcnnen zwart, de drie uiterste vertoonen eene schuin verloopendc witte vlek aan hare hinnen-vlag nahij het uileinde. Bek in gedroogden toestand zwart mei gelen snavelrug en dito randen. Gedroogde poolen zwart.
Afmetingen van het geprepareerde individu:
Totale lengte . . . . . . . 0,194 M.
Slaarl ........ 0,092 »
Vleugel . .......0,106 »
Lengte der mondopening ..... 0,027 »
Hoogte van den bek aan de basis . . . 0,013 â¢gt;
Mondwijdte ....... 0,020 »
Culmen rostri ....... 0,022 »
Tarsus ........ 0,025 »
Middelloon met nagel. ..... 0,023 »
Achtertoon » id. ..... 0,020 »
448
Fam. Caprimulgiuae.
27. CAPR1MULGUS AFF1N1S [Horsf.].
Capiimulgus n/]iiiis, Horsf. Trans. Lin. Snr. XIII p. 142 Br. Consp. (I. Av. I p. 60. â G. 11. Gray. Haiid-Lisl. 1 p, 57 s|». 65o. â Salvaüori. Uccelli di Horneo p. 115. â Vorderman. Bal. Vog. Nal. T. N. 1. XLII p. 64. â M. Nal. Tijd. N. I. XLV1
Caprimulgus citropacus, Kaffl. (nee. Linn.) Trans. Linn. Siu:. XIII. p. 515.
Caprimulcjus bisignalns, Bon;, Mus. Lugd.
Inl. naam: Kolonrj.
Har: Sumnlra, .lava. liurnco, Loinholc. Soembawa, Timor. Celebes. Blllilon.
Deze geilenmelker koml vrij veelvuldig voor in de onislre-ken van Ambalong op de padangviakle.
's Avonds zalen zij midden op den weg in liet dorp, inden nianeseliijn. Voor de beselirijving zie: Naluurk. Tijds. Ned. Ind. XLII.
28. CAPRIMULGUS CONCRETUS [Br.].
Caprimulgus horneensis, Wall. in lilt.
Caprimulgus concrelus . Bp. Conspecl Av. I. p. 60. Salvadori. Uccelli di Borneo pag. 118.
Hak. Borneo. Bllliton.
Inl. naam: Kolong.
Een exemplaar van dezen geilenmelker werd gescholen nabij de padang van Ambalong.
Hel. werd Ier délenninalie naar Sharpe opgezonden. Beschrijving van hel vederkleed.
De vederen van den hovenkop zijn zwarl incl limine rand-vlekjes, waarhij hel zwarl hel nieesl uilgehreid is. Daardoor doen zich 5 overlangsche hreede zvvarle strepen voor, die vóór den nek eindigen en die van elkaar gescheiden zijn door hrnine geviekle lichte strepen. Nek vederen zwarl mei rosbruine eind-
440
zoomen, iminlolveclercti eveneens docli de limine ramlzooinen zijn hier smaller. Ilugvedcrcii zwarl mei limine dwarsbandjes. Sclioiidcrvedei'cn mei eene groole zwarle vlek aan hel einde, die door helilcr limine randvlekjes omzoomd is. Buileiisie vlengel-dekvederen zwarl met bruin gevlekl. Teugels bminachlig; kin-vederen zwarl ine! okerkleurige en limine dwarse eindzoomen. Keel helder wil. liorslvederen aan de basis donkergrijs en, voor zooverre zij aan hel licbl zijn bloolgesleld , zwarl mei Iwee lielil-iiruine dwarsbandjes; daar lusscben bevinden zich enkele die in eene wille vlek eindigen. Buik- llank- en scbeenvcdcren zwarl mei lichte okerkleurige dwarszoomen , die op den buik naar wil overhellen; ondersle slaarldekvederen mei afwisselende zwarle en lichl-okerkleurige dwarsbanden. Binnensle vleugel-dekvederen zwarl mei liclilbruine uiteinden. Slagpennen der lr en 2' orde egaal zwart. groole buitenste dekvederen van die der lr orde eveneens. Slagpennen der 5'' orde lichl-grijsbruin met zwarte dwarsbandjes geaderd en groole zwarle scbaftvlekken. Middelsle slaartpemicii evenzoo; de meer buitenwaarts ingeplante met bruinachtige dwarshanden op onderling regelmatigen afstand geplaatst. Geen wil aan de buitenste slaarlpennen. â Jris donker-van-Dyckhruiii. Poolen paarsachtig. Bek hoorn-kleurig.
Afmetingen van hol geprepareerde individu:
0,220 M.
0,108 »
0,16!gt; »
0,050 »
0,005 »
0,028 »
0.010 »
0,014 »
0,025 .
0,007 »
Totale lengte.
Staart..... Vleugel .... Lengle der mondopening Hoogte van den lick aan de basis Mondwijdle .... Culnien rostri
Tarsus .... .Middelloon mol nagel Achlerloon « id.
4 HO
F AM. CVI'SELIDAE.
29. C0LL0CAL1A FUC1PHAGA [THUKB.J .
IJirundo fnciphnga, Thunb. Ad. Holm. XXXI11 p. lol t. 4.
Hirundo esculcnla, Horsf. (nee Lin.\.) Trans- Linn. Soe. XIII p. 142.âRaffles Ibid. p. 515.
Cypselus fuciphagus, S. Mull. Verh. Land-Volk. p. 456.
Collocalia uidifica, 6. 11. Gray Gen. R. 1. p. 85. â Jehdo.n B. ol Ind. I p. 182.
Collocalia fuciphaga Bi', llcv. el Mag. de Zool. 1855 p. 581. â Wald. Trans. Zool. Soc. VIII 2 p. 46. â Holdw. 1'. Z. S. Ã872 p. 420. â Salvadori, Uecelli di Borneo |t. 120. Vorderman. Naluurk. Tijds. v. N. I. XLV1.
Har. Voor-lndic, Siarn, Cochinchina, Neilgherries, kust van Malabar, Darjccling, Asam, Bod an , Sikhim , Bunmh, Ceylon, Andaman - eilanden, Malakka, Sumatra, Java, Borneo. Celebes, Timor, Soemha, Bllliton.
Dc zwaluw die de eelbare nestjes bouwt en over den geheelen Indischen archipel verbreid is, koml ook op Billilon voor. Ik sciiool een exemplaar boven de padaugvlakle aan don noordelijken voet van liet 7W/em-gcbergle. Vroeger toen Billilon cijnsbaar was aan de vorsten van Palenibang moesl deDepatli van het eiland o. a. een zeker aantal vogelnestjes leveren. Informaties bij do inlanders gedaan gaven geen resultaat. Blijkbaar waren zij onwillig om dc vindplaats aan te wijzen. Aangezien Billilon geene kalkformatie bezit zal het aantal holen zeer beperkt zijn, en de exploitatie van vogelnestjes weinig beleekencn.
30. DENDR0CHEL1D0N L0NGIPENN1S [Uafin.].
Hirundo longipennis, Bafin. Bull. Sc. Soc. Phil. III. An. II p. 155.
Hirundo klecho, Horsf . Trans. Linn. Soc. XIH p. 145.
Hirundo rubiea, Baffl. (nee Linn.) Traus. Linn. Soc. XIH p. 515.
Cypselus longipennis, Temm. PI. Col. 84 lig. 1.
Maeropleryx klecho, Sclat. I'. Z. S. 1865. p. 212.
Dendrochelidon klecho, Br. Consp. G. Av. I. p. 66. âBernst. Journ. f. Orn. 1859 p. 185.
Dendrochelidon lonyijicnnis, Sai.vauori , Uccolli di Bnriieü p. 122. â Vorderman, Bal. vogels Naliuirk. Tijds. v N. 1. Deel XLII p. 215.
Inl. naam: Kclajang hclèpilocl.
Har . Ma la Idea , Sumatra, Java, Borneo, Labocan. Billlton,
Deze gierzwaluw is zeer aigeiiicen le Tandjoiui h'andan. Ook in liel liinncnlaiul bij Beganlong komt zij voor. Do hcsclirijviiig van cen Javaanscli exemplaar gal' ik in liel Naluurk. Tijds. voor Ned. Indie, Deel XL11 p. 215. Een jong Billiloiieesch individu in hel eerslo kleed, dal ecliler even vlug in liel luchlruim zweefde als de ouderen had cen ander vederkleed waarvan de beschrijving hieronder volgl:
üe verlengde vederen van den bovcukop hadden rccils haren glans maar hezalen liiblhruiuc uilcinden. Die van den manlel, en rug eindigden in wille harige boorden. Schoudervcderen even als die van den buik wil. mei eenen rosachligen donkeren dwarsband vóór hel uileinde.
Borslvederen grijs ; kinvederen als die van den buik ; ondersle slaarldekvederen zuiver wil mei een donker-sepia dwarsband je vóór hel uileinde.
Ook de slagpennen eindigden iu liclilbruinc boordsels, uitgezonderd de 1' en 2quot; slagpen. Slaarlvederen mei rosachlige punljes.
Hel individu had dezell'de afmelingen als de volwassenen.
Fam. Hiruadimdae.
31. H1RUND0 JAVAN1CA [Si aurm.J.
Iliniudo javanicn, Spaurm. Mus. Carls. I. 100. â Tkmm. PI. Col. 85. i'. 2. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 126. Vorderman Bal. Vog. Nal. Tijds. v. IN. !. XL1I p. 209
Hirundo domicola, Jerd. B. of ind. Ip. 1»8.
Hirundo pacifica ,Mottl. en Dillw. (nee. Latii .) Conlr. N. II. of Laboean p. 10.
Hypurotepis domicola, Gould. B. of As. pl. 15.
Inl. naam: Kclajang.
Hab. Voor-Indiii, Ceylou , Schiereiland Malakka, Sumatra,
452
Nias, Java, Hom cd . Lnhoean, Celebes, l.oinfntk . Timor, iltllifon , itlcndanaii.
Komi veelvuldig voor Ie Taiuljuuii l'nndan waar deze snorl in de o|»cii galerijen der Europeesehe woningen neslell. (tok op hel kiisllirhl-etaiilissemenl le Ajcv Laiiljocr [Mendanati) neslell een lien lal paren.
Fam. Miisoicapidae.
32. HYP0THYM1S AZUREA [Bouu.).
Muscicapa nzurca, Bonn. Tahl. PI. Enl. p. 41.
Muscicapa cocrula, Iïm. S. N. I. p. 945. Rakfl. Trans. Linn. Soe. XIII p. 512.
lllipolhjiuiis azuren, l!r. Consp. Tien. Av. 1 p. 520.
Muscicapa oceipilalis, Vig. P. Z. S. 1851 p. 07.
Myafjra azurea, .Ii:rii. 1!. of hid. I. p. 4o0.
Hi/polhjimis azuren, VVald. Ibis 1872 p. 102. â Sai.vahohi. Ilccelli di Borneo p. 155.--Vorukiima.n Bal. Vog. Nal. Tijd. N. I. XLIII p. 101.
Inl. naam: Boeroeng tarocm.
Deze fraaie Nauwe vliegenvanger is zeer algemeen op Hillilon. Te Lilangan o. a. werden mij iederen avond meerdere exemplaren levend aangetraehl, die door de inlandsclie kinderen mei lijnislokjes gevangen waren.
Zoo klein en lief als liet vogellje zich voordoel in den vrijen slaal, zoo kwaadaardig loont hel zieh als hel pas gevangen is. Mei opgericlile kopvederen Irachl Iiel iedereen die hel henaderl krijschend le pikken, zoodal dan de fraaie gele kleur van hel inwendige van den bek nilkoml. Eene beschrijving vindl men in hel Naluurk. Tijds. voor Ned. Indië Deel XLIII pag. 101.
33. LEUCOCERCA JAVAN1CA [Spariim.J.
Muscicapa javanica, Sparü.m. Mus. Carl. Ill I. 75. â Housk. Trans. Linn. Soc. XIII p. 146.^âBaffl. Ibid. p. 512.
Rhipidura javanica. Blvth. J. A. S. B. XII. p. 950. â S. Mull. Verb. Land-Volk. p. 183.
Rhipidura per spirilla la, Gray, Gen. B. 1. p. 259.
455
Leucoccrca jam hum , Bp. Consp. a. i. p. 524. â Bkisxst. Jourti. i. Orti. 1 S;gt;9 |). 266. â Sai.vmioiu, Uccelli ili Borneo p. 155. Voruehman. Bat. Vog. Nal. Tijlt;ls. n. I. xliI p. 60.
inl. naam: Gandarussi.
IIab. Schiereiland Malakka, Sunialra, â hud. Borneo, Laliocan, Blllllon.
Komi hier en daar o|) Hilliloit voor o. a. It; Tandjony I'undan en in de kampong Beganlong.
34 TERPSIPHONE AFFIN1S |1Iav.].
Tehilrea a/fin is, .Ibrdox. b. ol i. i p. 448. â Sciii.ki,. Ned. Tijds. Dierk. Ill p. Sii.
Muscijtela affinis, Br. Consp. t!. Av. i. p. 521). â Voriikrman Nal. Tijds. n. i. xli.
Tehilrea paradisi. Sciii.ki;. Do Dierg. pag. 147.
Terpsiphonc affinis, Salvador!, Uccelli di Borneo p. 157.
IIab. Nepal, Sikhim, Tenasscrim. Arakan, Burniah, Schiereiland Malakka, Sunialra, Java, Borneo, Stmbawa. Flares, Lanihlcn, Soemha, Billiton.
inl. naam: Boerocng lali kepang.
Do »Billiloiische paradijsvogelquot;, zooais de Europeanen van hel eiland dezen i'raaieii vliegenvanger nociiien. is daar niel zoo
c o
zeldzaam als wel gemeend wordt. Te Beganlanij hraclil een inijncr jagers mij liet eerst gescliolen individu aan, en le Lilangaii in liet Dendangsclie werden mij herhaaldelijk dooide inlandsche kinderen levende exemplaren aangebracht die door middel van lijmstokjes gevangen waren, maar echter dikwerf erg heschadigd in mijn liezil kwamen.
Ik heli in mijne Billitonsche verzameling de huiden van 5 inamieljes en evenveel wijfjes. De pas gevangen vogel toont zich even kwaadaardig als de azuiirldauwe vliegenvlieger en tracht krijschend alles mei den bek te verwonden, wat in zijne nabijheid komt. Twee nam ik waar vlak bij hel logeer.
4!ï4
gebouw ilor Billilon-Maalscliappij Ic Lilonijan. Zij zweelden van van boom lol boom, waren erg onrustig en vlug in iiunne bewegingen, waarbij de sierlijke verlengde niiddclsle slaarl-pennen door bun fladderen iels zeer eigenaardigs aan den vogel gaven.
Beschrijving;
Kop, nek en bals pikzwart met indigoblauwen wecrsdiijn. Ac li lerboofds vederen lol eene kuif verlengd. Hek en naaklc buid om bel oog beider kobaltblauw, dat scberjt legen bel zwart afsteekt.
Ook de vibrissae zijn zwart, overigens is bel vederkleed van onderen sneeuwwit en van boven grijswit, waartegen de lijne zwarte scbafljes der rompvederen fraai uitkomen. Daalde basis der rompvederen grijs is, zoo schemcrt die kleur bij de barige gesteldheid van den rug door.
De slagpennen der l1' en orde, benevens de buiteuste groote vleugeldekvederen van die der lc orde zijn zwart mei witten buitenrand; die der 5° orde wil mei zwarte scbaft-streep. Op den binnenkant van den vleugel, die zich daar grijs-achlig zwart voordoet, komt de witte binnenrand der slagpennen goed uit. De staart is bel fraaiste gedeelte van den vogel. Twee lange fijne witte middelste slaarlpeimen, die 2/3 van de totale lengte van den vogel uitmaken steken wapperend naar achteren uit. Hare schaft is even als die der overige slaarl-pennen zwart doch slechts voor bet voorste 2i3 gedeelte en overigens spierwit.
De overige slaarlpeimen die geleidelijk van uit hel midden in lengte afnemen zijn ellen, doorschijnend wit mei zwarte schaften en dito buitenranden.
Bek en naakte huid om hel oog kobaltblauw. De punt van den bek is echter donker en van binnen is de mondopening geel.
Poolen loodblauw met donker-hoorukleurige nagels.
Afmelincren;
Totale lengte ....... 0,435 M.
Waarvan de miililelsle staarlpemien . . 0,325 »
Lengte van liet daarop volgende paar staart pennen. 0.14à »
Uiterste staarlpemien. ..... 0,0715 »
Afstand tussclien liet uiteinde der samengevoegde vleugelpunten en dat van liet paar slaaiipennen
naast de middelste. . . . 0.111 »
Vleugel ....... 0,090 »
Vlucht ....... 0,275 quot;
Lengte der mondopening. .... 0,02ü »
Hoogte van den bek aan de iiasis . O.OOü »
Mondvvijdte ....... 0,015 »
Culmen rostri . . . . 0,017 »
Tarsus ....... O.OtU »
Middeltoon met nagel ..... 0,014 â¢
Achtertoon met id. . . . . 0,0t4 »
Hel vederkleed van liet wijfje is als volgt;
Vederen van den bovenkop zwart niet indigo-blauwen weerschijn en verlengd. Hel overige gedeelte van den kop, zoomede de bals en de borst zijn ascbgrijs, welke kleur op den buik geleidelijk in vuilwit overgaat.
Onderste slaartdukvederen helder kaneelkleurig. Rug, mantel en staartvederen lichtbruin. Evenzoo de buitenste vleugel-dekvederen.
Vleugel als bij liet mannetje met het onderscheid, dat wat bij dit wit is, bij liet wijfje door beider bruin vervangen wordt. De middelste staartpennen van een individu waren IG cm lang.
Fam. Autamidae.
35 ARTAMUS LtUCORHYNCHUS [Lm.].
LeploiJlenjxleucorhynchus, Horsf. Trans. Linn. Soc. XIII p. 144, Ocyplerus leucoqafiler, Valenc. Mem. do M. H. iN. VI p. 21 t, Vil fig. 2.
4r,G
Arlamus leucopygialis CiOumj, P. Z. S. 1842 p. 17.
Arlamii.t leucogasler Up. Consp. fi. Av. 1 p. 54.}. â Ber.nst., .lourn. /. Ãrnith. 1851 p. 2G8. â VoitnEitMAN, Hat. Vo» Nat. Tijds. N. I XLII p. 225.
Arlamus leucorhynclnis, Wall. Ibis 18üü, |». 141. â Sai.va-doim, Uccelli di Horneo |t. 140.
IIab. Philipinjnen, Ardainan-eilandev, schiereiland Mala li ka , Siniiah'a, .Lira. Borneo, Laboeaii, Celehes, Loinbulc, Suinbawn , luuor, blares, MohiLIccii, Australië, Billiton, nemianau.
Deze spitsvogel, die algemeen in den Iiidisrheii arcliipel voorkomt trof ik aan te Taudjonq Paudan en te Ajer Lantjoer, eiland Mevdanau.
Fam. Campephagidae.
36. PER1C0CR0TUS ARDENS [üon-.].
Pericocrolus aniens »Boiequot; Hp. Conspect. (i. Av. I. p. 557; â Salvador!, Uccelli di Borneo, p. 145. c. fi^.
IIab. Sumatra, Borneo, Killiton.
Van dezen fraai gekleiirden rupsvogel komt een goed geslaagde afbeelding voor in liel bekende werk van Salvadori, Uccelli di Borneo. Ik verzamelde te Tandjong l'andan een mannelijk exemplaar en langs de oevers der Lingaug-rivier bij Gantoeng, 5 mannet jes en 2 wijfjes.
Bescbrijving:
Kop, nek, mantel, groote en kleine vleugeldekvederen zwart, met blauw-violetten weerschijn. De groote buitenste vleugeldekvederen der 2e orde hebben vurig roode uileindeu, voor zooverre zij in den rooden dwarsband van den vleugel vallen. Slagpennen zwart met violetblanwen wcerscliiju. Dwars over den vleugel loopt, een breede helder roode hand, die zoowel de buiten-als hinnenvlaggen van de slagpennen betreft. Op deze laatste deelen, die in toegevouwen staat bedekt zijn.
457
is hij ecliLer heldor geel. Staarl oranje-rooil en zwart. De laalsle kleur lielrel't de 4 middelsle slaarlpennen en een basaal gedeelte der overige, dal ia uilgelireidheid alneeml naariuale zij meer buileiiwaarls zijn ingeplant.
lUig, sluit en bovenste staortdekvederen vermiljoen-rood. De onderdeelen eveneens vurig rood, wat helder uitkomt doordien iedere veder aan de basis wit, verderop geel en aan hel uiteinde vermiljoen-rood is. Middelste gedeelte van den huik witachtig. Kleine binnenste vleugeldekvederen geel; de overige grijs met ol' zonder gele boorden. Vederen van de schenen zwart. Iris, bek en poolen zwart.
|
Afmetingen: | ||
|
Totale lengte |
Ã,1Ã0 M. | |
|
Staarl ..... |
Ã,0C2 » | |
|
Afstand tusscben hel uiteinde der |
samengevoegde | |
|
vleugelpunten en dat van den st; |
lart. |
0,032 - |
|
Vleugel . . |
. |
0,072 » |
|
Vlucht. .... |
0,223 » | |
|
Hoogte van den hek aan de basis |
0,00ü gt;. | |
|
Mondvvijdte. |
0,007 » | |
|
Lengte der mondopening |
0,014 » | |
|
Cnlmen rostri |
0,0to » | |
|
Tarsus. .... |
0,017 » | |
|
Middelloon met nagel |
0,013 » | |
|
Achlerloon » id |
0,010 » | |
|
liet wijfje heeft den bovenkop. |
nek, mantel en voorrug | |
aschgrijs. Hel achterste gedeelte der wangen en de zijden van den nek evenzoo. Voorhoofd , vederljes om de oogleden , voorste gedeelte der wangen, flanken en onderste bekleedselen lichtgeel. Binnenste vleugeldekvederen als van hel mannetje, vederen der schenen grijs; slagpennen en buitenste vleugeldekvederen donker-sepia. De dwarsband over de vleugels is oranje-geel, 1'ug helder oranje-rood. Bovenste slaartdekvederen donkerder
4SJ8
rood. Slaartpennen als Itij liel mannetje, doeh sepia vervangt liier liet zwart en oranje liet rood.
37. IRENA CYANEA [Gegbie.].
Irena cyanea, Begb. The Malayan Peninsula. âSalvadori, Ucceili di Borneo p. 131 â Id. Ucx. Sumatra p. 207.
Iveua pnella, Mottl. en Dillw. ('onlrilt. Nat. Hist. Lali. p. -igt;.
hrnit criviger, Sharp. Cat. B. Ill p. 267âVokhkrma.n. Lisle des Ois. de Borneo, Nat. Tijds. v. N. I. Deel XLVI.
Irena mulayava, Walii. Ann. en Mag. Nat. Hist. serie vol. V p. 417.â^ Id. Iliis 1871 p. 171.
Inl. naam: Mas liapor.
Hab. Burmah, Schiereiland Malakka, Sumatra, Romeo, Laboean, BlilUon. Mciulanau.
Het mannet je van de Irena cyanea, is een der fraaiste vogels van de Maleische avifauna. Op Java wordt deze soort dooide zeer naverwante Irena lurcosa, wald. vervangen, maar deze vogel is er uitermate schaars voorlianden, eene wijze van verbreiding die een sterk contrast maakt jnet liet voorkomen der Maleische Irena op Billiton. Daar tocli is het een der algemeenste vogels, en was cr geene plaats van oponthoud of mijne jagers bracliten mij een of meerdere exemplaren aan. De eerste vederdos van hel mannetje scliijnt gelijk Ie zijn aan dien van liet volwassen wijfje en is eerder leelijk dan fraai le noemen. Ik verkreeg meerdere exemplaren in hel kleed van het wijfje en slechts twee in hef, prachtkleed van hel volwassen mannetje, behalve degene die verbrijzeld waren en niet konden worden opgezet.
Ook oj» Mendanau nabij hel kusllicbl-etablissemenl komt deze soort voor.
Beschrijving van het volwassen mannetje:
De geheele vogel is lluweelacblig zwarl, uitgezonderd eene breede streep, die loopl over den kop, nek, mantel, de
439
middelste en kleine builensle vleugeldekvederen, den rug en de stuit, !)enevens de bovenste staartilekvederen. De vederen die deze deelen bedekken zijn glimmend en helder ultramarijn-blauw, terwijl de onderste staartdekvederen evenzoo gekleurd zijn.
De onderste staartdekvederen hebben bovendien de eigenschap van bijna lol aan hel uiteinde van den staart Ie reiken. Hek en pooten zwart. Iris karmijnrood.
Afmetingen ;
Totaal lengte ...... 0,240 M.
Staart................0,089 »
Langste bovenste staartdekvederen . 0,080 »
onderste » ... 0,082 â¢â¢
Afstand tusschen hel uiteinde der samengevoegde
vleugelpunten en dal van den staart 0,048 »
Vleugel. ....... 0,126 »
Vlucht..............0,365 â¢â¢
Mondwijdte ....... 0,013 »
Lengte der mondopening ... 0.030 »
Hoogte van den bek aan de basis . . 0,010 »
(Uilmen rostri. ...... 0,024 »
Tarsus. ....... 0,015 «â¢
Middelloon met nagel ..... 0,020 »
Achlerloon » id. ..... 0,015 »
Het vederkleed van hel wijfje is vuilblauvv, waarliisschen bijna overal de grauw-grijze kleur van de basis der vederen heenschemert, zoodat hel blauw zich eigenlijk tol de min of meer harige uileinden der vederen beperkt. Groole buitenste vleugeldekvederen en slagpennen donker-sepia met Hauw-blauwe smalle buitenranden. Slaartpennen vaalzwart met blauwe builenvlaggen. Hel middelste paar blauw , waartegen de zwarte schaft afsteekt.
Bek, pooten en iris als bij het mannetje.
4GÃ
Fam. Lanhdae.
38. myiolestes obscürus [hobsf.]-
Muscicapn obscura, Horsf. Trans. L. Soc. XIII p. 14G.
Muscicapa Inmnd'iiiacea »Ueinw.quot; Temm. Piaucli. Col. 1t9.
Hemipus obscurm, Jer». H. of Itul. I p. 147). â Sai.v. Uccelli di Sumatra p. 209.
Teplirodornis hirnndinacea, Br. (loiisj). Gen. Av. lp 537. â Iïerst Journ. 1'. Orn. 1839 p. 244. â Vordkkman. Hal. Vog. Nal. Tijtls. v. N. I. Deel XLI p. 2ü';gt;.
Myiolesles ohscnrvs. Car. Mus. Hein I p. 07. âSalvadori, Uccelli di Borneo p. 136.
IIai'.. Java, Sumatra, Hoinco, Malakka, linrinalt, Btlllfoii.
Een exemplaar (mannelijk) werd gescholen in de padang nabij Panglcal Ambalonrj.
39. hyloterpe brunneicaüda [Saiv.].
üylocharis luscinia, S. Mull. Tijdsclir. Nal. Ges. en Phys II, p. 551â{sine descriplione). (?)
Hylolerpe hrunneicauda Salvadori, Ucc. d. Samalra p. 210.
Har. Sumatra, Bllliton.
Van deze soort verkreeg ik meerdere exeinplareit te Lilatiijlt;nt die door de kinderen met lijmslokjes gevangen waren.
Het is een klein vogeltje, dat zich in het lage struikgewas ophoudt, eenvoudig van kleuren is en een aardig dik kopje en groote donkerbruine oogen hezit.
Beschrijving;
Alle bovendeelen, de zijden van den kop en de flanken zijn donkergrijs leikleurig met eene tint van olijl'hruin Itewas-schen en dit het minst op den kop.
De onderdeelen zijn wit, uitgezonderd de horst, die eene grijsachtige kleur heeft en met hrown-pink getint is.
Slagpennen sepia met lichte hrninachlige huilenzoomen. Staart-pennen hrninachtig.
Bek zwart. Iris donkerhruin. Poolen paarsachtig grijs.
401
Afmetingen :
ïolale lengte.......0,158 M.
Staart........Ã,0igt;8 »
Afstand tussdien het uiteinde van den staart en dal
der samengevoegde vlengelpnnten . . . 0.050 »
Vleugel................0,075 »
Lengte der mondopening . . . . 0,018 gt;gt;
Hoogte van den hek aan de husis . . . 0,004 »
Mond wijdte . . . 0,010 »
(ailmen rostri . . . . . . . 0,012 »
Tarsus................0,020 »
Middelloon met nagel......0,01a gt;â¢
Achtertoon met lil. ...... 0,012 »
Fam. Nrctaiiimiiiae.
40. PR10N0CH1LUS PERCUSSUS [Tkmm.].
I'ardalolus percmsm, Temm. l'l. Col. 594 lig. 2, g. Priouochilus percussus, Bp. Consp. Av. I p. 555. â Salvadori, Uccelli di Borneo, p. 24âHorsk. en Moore. Cal. B. M. E. I. Oomp. II, p. 731.âVorderman. Nat. Tijds. N, I. XLV. Dicaeum igiiicapiUutn, Eyt. I'. Z. S. 1859. p. 103.
Inl. naam: Penis hoembang.
Mar. Malakka, Java, BillKon.
Koml hier en daar op Billilon voor, maar niet algemeen. Ik verkreeg twee mannelijke exemplaren Ie Demlang.
41. PRI0N0CH1LÃS THORACICUS j Temm.].
Pardalolus Ihoracicus, Temm. PI. Col. 000 lig. I. 5''o-2'9-Priouochilus Ihoracicus, Br. Consp. G. Av. I p, 55!gt;. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 165.
Dicaeum ihoracicum, Schleg. Dierk. I. p. 240.
Anaimos Ihoracicus, (i. 1». Cray Hand-List. I p. 1 iü sp. 1444,
Har. Malakka, Sum a Ir a , ftorneo, Biniton.
I
462
Een exemplaar dezer soorl werd vóór mijne komst !e Tan-djong Pandav door oen mijner jagers gescholen.
De besciirijving van hel vederkleed is ais volgt : Kop, nek, borst, vleugels en staart zwart. Op den hovenkop eene kleine vuurroodo overlangsche vlek en ((]i den kroji eene groole ronde van dezelfde kleur. Mantel en kleine huitenste vleugeldekvederen quot;eeWoen; niir en sluit ^eel â¢. evenzoo de huik en de onderste
o o * ~ 0
staartdekvederen. Flanken grijs. Uinnensie vleugeldekvederen wit. Slagpennen aan haren hinnenrand eveneens wil. Bek en poolen zwart.
|
Afmetingen: | |
|
Totale lengte..... |
. 0.082 M |
|
Staart....... |
, 0.02'. |
|
Vleugel...... |
. 0.039 » |
|
Lengte der mondopening . |
. 0,011 » |
|
Hoogte van den hek aan de hasis |
. O.OOIJ » |
|
Mondwijdte ..... |
. 0.006 » |
|
Culmen rostri..... |
. 0.009 » |
|
Tarsus ...... |
. 0,014 quot; |
|
Middelloon met nagel. |
. 0,011 » |
|
Achtertoon » id..... |
. 0,011 » |
49. PR10N0CHILUS MACULATÃS [Teiim.J.
Pardalolus maculalus, Temm. PI- Col. 600 I'.
Prionochilus maculalus, Giiav, Hand-List. I, p. 166 sp. 14-4 1 .â Salvadori,Uccelli di Borneo p. 164 â ld . Ifrcelli Sumatra p. 211. Dicaeum macidalum, G. B. Gray Gen. B II p. 10, sp 25
Inl. naam: l'h/lis Icoedong.
Hab. Mnlakka, Sumatra, Borneo, Billflnn.
Van deze soort werden slechts twee exemplaren geprepareerd die heiden te Lilaiigiiii gescholen waren.
46Ã
Beschi'ijviiig.
Alle liovemleeleii on zijden van den kop dniiker-olijlgroeii. Roven op den kop eenc oranje vlek in de lengle-as van he! lichaam. Twee haren sleken lusschon de vederen van hel achterhoofd uil.
Oiulerdeelen lichlgeel. Aan weerszijden van den hoek der onderkaken daall eene smalle donkergroene slreep naar beneden lol aan de borst waar zij breeder wordt. Vederen van de zijden der borst olijfgroen met gele boorden. Die van de llanken evenzoo.
Okselvederen wit. Slagpennen sepia met smallen olijfgroenen buitenrand en witten binnenrand aan de basis.
Staartpennen sepia met olijfgroene buitenranden.
Hek zwart, pooten grijs met okergele voetzolen.
Iris terra-sienua.
Afmetingen:
Totale lengte ......
Staart. .......
Afstand tusschen het uiteinde der samengevoegde
vleugelpunten en dat van den staart
Vleugel .......
Vlucht .......
Hoogte van den bek aan de basis.
Mond wijdte. ......
Lengte der mondopening ....
Oulmen rostri ......
Tarsus. .......
Middeitoon met nagel .....
Achtertoon met id. .....
43. DICAEÃM TR1G0N0ST1GMA [Scoi-.j.
Dicaeiun canlillans, Temm. Pi. Col. 478 lig. 5.âSchleg. Hand. Dicrk. 1. p. 240.
0.078 M.
0.025 »
0,008 »
0,052 »
0.165 »
0,004 »
0,006 »
0,011 »
0,010 »
0,014 »
0,012 »
0,009 »
464
Dicaemn croceovenlrc, Mottl. en üillvv. CoiiI. Nal. !lisl. Lali. !'⢠17. .
Dicaciun triyono.sligma, Br. Consp. Av. I p. 405. â O. R. Gray
Hand-List. I. |gt;. 114 sp. 1416. â Salvauori, liccelli di Borneo, p. 166.
Inl. naam : Pen lis.
Hah, Aralcan, Tcnasserim, Malakka, Sumatra, Java, Lahocan, Borneo, Billifon.
Deze kleine üicaeuiu-soorl wordt, veelvuldig aangetroll'en in het binnenland nabij hel Tadjcni-r/chergl en Ie Dcndang.
Beschrijving:
Bovenkop, wangen, nek, zijden van den nek en mantel donker-blauwgrijs. Vleugels en staart donker-sepia. Slagpennen der 2° orde met blauwgrijze buitenrandjes; die der 3e orde donker-blauwgrijs; allen echter met witachtigen binnenrand. Midden van den rug oran je. Achterrug en stuit indiaansch-geel. Bovenste staartdekvederen, die door de stuitvederen bedekt zijn, zwartachtig. Kin, keel en borst grijs. Buik oranje. Flanken, achterbuik en onderste staartdekvederen geel. Binnenste vleugeldekvederen wit. Bek en pooten zwart, voetzolen okergeel. Iris van Dijck-bruin.
|
Afmetingen: | ||
|
Totale lengte |
0.087 | |
|
Staart |
0,022 | |
|
Afstand lusschen bet |
uileinde der samengevoegde | |
|
vleugelpunten en dal |
van den staart . |
0,010 |
|
Vleugel |
. |
0,048 |
|
Vlucht |
0.132 | |
|
Hoogte van den hek |
aan de basis |
0,004 |
46o
Mondvvijdle.......0,00o M.
Leugle der iiiond()|iciiing ..... 0,011 »
Ciilmeii roslri ....... 0,010 »
Tarsus ........0,01a »
Middelloon met nagel. ..... 0,012 »
Achlerloon mei id. . . . . . 0,009 »
llcL vvijlje wonll door de Hillilonueozeii Penlis bcnalucmj genoemd.
Haar vederkleed is als volgt.
Boveudeelen donkergrijs met olijfgroen hewassclien. Hovensle groole vleugeldekvedei'en grijs-zwart met olijfgroene uiteinden. Slag- en staartpennen zwart met olijfgroene buitenzoompjes. Stuitvederen geel.
Onderdeelen grijs, langs liet midden van borst en buik mot geel bewasseben; onderste staartdekvederen beider geel. De zijden van bel lichaam stellen in kleur oenen geleidelijken overgang daar lusscben die der boven- en onderdeden. Okselvederen en binnenste vleugeldekvederen wit.
Snavelrug en nek van voren donker-boornkleurig, van acbleron indiaanscb geel.
Iris donker-grijs. Poolen donkergrijs. Nagels zwart.
De afmetingen zijn:
Totale lengte ...... 0.080 M.
Staart................0.022 »
Afstand lusscben bel uiloinde der samengevoegde
vleugels eu dal van den staart 0,010 »
Vleugel ....... 0,046 »
Vlucbl ....... 0,lö7 »
Lengte der mondopening .... 0,011 »
Mondwijdlc ....... 0,006 »
Hoogte van den bek aan de basis 0,005 »
Culmen rostri ...... 0,010 »
466
Tarsus........0,014 M.
Middelloon mei nagel ..... 0,011 »
Achlerloon » id. .... 0,009 »
De vogelljes komen bovendien veelvuldig voor in hel struikgewas nabij den lebak bij kampong Lilanguii.
44 AETHOPYGA S1PARAM [Uaffl.].
Ccrlhia siparaja, Uakfl. Trans. Linn. Soc. Xlil |t. 299. Neclarinia myslacalis, S. Mull, en Schlkg. Verb. Nal. Geseb. Ned. Bezill. Zool. Aves p. 34.
Acihopya siparaja, Cab. Mns. Hein. 1 p. 105.
Aethopyga euporion. Cab. Mns. Hein. 1 p. 105 (nola ' ' ').â Salvador], Uccelli di Borneo p. 175.
lui. naam ; Kélajocl.
Hau. Schiereiland Malahka , Sumatra, Java, Borneo, Lahocan, Bllllton.
Deze soorl komt bier en daar op Hillilon voor. Ik verkreeg Iwee mannelijke exemplaren le Tandjonri Pandan en twee dito, waaronder één in bel eersle kleed le Lilauffan.
45. nectarophila hasseltii [temm.].
Neclarinia hassellii, Temm. PI. Col.â S. Mull. Verb. iNal. Gescb. Ned. Overz. Bezil. Zool. Aves. p. o9 en 10 lig. ü (9). Leplocoma hassellii, (Iaü. Mns. Hein 1, p. 104.
Nectarophila hassellii, Bc.hb. Handb. Spec. Orn. Scansoriac p. 280. sp. BiiO l. 1)68 fig. 5868â69, 5870. â Salvador], Uccelli di Borneo p. 177.
Cinnyris hasseUi, BuïT]KOFEit, Conl. Ornilb. Sum. p. 56.
Inl. naam : Kêlajoel.
Hab. Arakan, Malahka, Sumatra, Java, Horneo, Lahocan, Billlton.
Van deze soorl werden Iwee maiineljcs verzameld in volkomen vederkleed.
467
Bescli rij ving:
Do gruudklcur van hel vogelljc is zwarl: lluweeizwarl op de wangen, nek, zijden van den hals, hel midden van den manlel en de groole bnilenste vleugeldekvederen; zwarl naar hel donkergrijs Irekkend , op de flanken, den adilerhnik en de onderste slaarldekvederen. De slagpennen zijn dol' zwart; de slaarlpennen blanwzwarl mei eenen huilen-rand die eenen indigokleurigen melaalgloed heelï; alleen hel middelsle paar heelt over de geheele uitgestrektheid dien melaalgloed. Bovenkop prachtig goudgroen glanzend; kin en keel violel nietaalglanzend; kop en horst dol' donkerrood. De kleine huitenste vleugeldekvederen, de geheele rug en de bovenste slaarldekvederen zijn violel-hlauw glanzend.
Bek en poolen zwarl.
Afmelingen;
Totale lengle ......
Staart,. .......
Afstand tussehen het uiteinde der samengevoegde
vleugelpunlen en dal van den staart.
Vleugel .......
Mondwijdte .......
Lengle der mondopening. ....
Hoogte van den hek aan de basis .
Culmen roslci. ......
Tarsus. .......
Middelloon mei nagel .....
Achterloon mei id.
46. CHALCOSTETHA 1NS1GN1S [Jaiid.].
Neclavinia peel oralis, Temm. (nee Horsf.) PI. col. 158, lig. 5, ((5) â Mum,, en Schlf,g. Verhand. Nat. Ges. Ned. Overz. Bezill. Zool. Aves p. 57 1. 9 tig. 2 (9).
Cinnijfis tnacklolii, Br. Consp. Av. I p. 208 sp. 44. â Vordkrma.n, Bat. Vog. Naluurk. Tijds. N. 1. XL11 p. 60.
0,092 M.
0,029 »
0,01 o »
0,0ö0 »
0,00a »
0.016 »
0.005 »
0,008 »
0,013 »
0,011 »
0,009 »
468
Cluilcoslcllia insignia Walu. Ibis 1870 p. 44. â Salvau. Ucc. Borneo, p. 177.
Inl. naam; Kclajocl.
IIab. Siam, Malakka, Sumali a, .lava, Honico, Bllliton
Koml veelvuldig voor op Ttindjniiij l'andaii.
In mijn colleclie zijn exemplaren voorhanden gescholen Ie Tandjong Pandati vóór mijne komsl altlaar.
47. ANTHREPTES MALACCENS1S [Scoi-.J.
iïcclarinia javanica, Horsf. Trans. Linn. Soc. XIII p. 167.
Nccturiniii Icpida, Te.m.m. PI. Col. 126 fig. 1. 2. â Mui.i,. en Schleg. Verh. Nal. Gesch. Ned. Overz. Uezill. Zool. Aves p. 65.
Anlhreplcs javanica, S\v. Class. Birds 11 p. ö20.
Anlhreples malaccensis G. 1«. Gray Hand-Lisl J. p. lirgt;.â Wald Ihis 1870 p. 47. â Salvad. Ucc. di Borneo p. 178.
Anlhreples lepida. Bp. Consp. Av. 1 p. 409 â Vorderm. Bal. Vog. Nal. Tijds. N. I. XL1I p. 61.
Inl. naam. Kölajoel.
Har. Ar a kan, Tcnasseriin, Siam, Cambodja, Malakka, Snmalra, Java. Borneo, Labocan. Celebes, Soelu-archipel, Flores , Billitorn. Ncndanau
Deze algemeen over den indischcn archipel verspreide honig-zuiger koml ook veelvuldig op llilhlon voor en is gewoonlijk U; vinden op de bloeiwijze van den klapperboom.
Te Ganloeng slaan nabij hel pakhuis der Billilon-maalscliappij eenige kolossale loeri-boomeii {Agalhi ijrandijloruni), waarvan de bloemen den ganschen dag door deze soorl bezochl worden. Ook op Mendanau werden eenige individu's verzameld.
460
48. CHALC0PAR1A S1NGALENSIS [CM.].
Molacüla singalensis, Gm. S. N. I. p. 964.
Nectarinia phoenicotis, Temm. PI. Col. 108 1. 1.âS. Mull. en Sculeg. Verh. Nal. Ges, Over. Bez. Zool. Aves. p. 65.
Cinnyris phoenicotis. Bp. Consp. Av. I p. 408.
Chalcoparia singalensis, Salvadobi, Uccelli di Borneo.p. 180.â Vohdebmaiv , Bal. Vog. Nal. Tijds. Ned. Ind. XLIII p. 215.
Inl. naam : Kelajoel.
Had. Tippera, Ara kan, Tenasserim, Muulmeiu , Mnlakka, Sumatra, Java, llorneo. Lahoc.an, Bllllton.
Komi hier en daar op Rillilon voor. Ik verkreeg één exemplaar te Tandjoncj Pandan en één op hel Tadjeni-^hcrslc. In hel Nal. Tijds. voor Ned. Indië Deel XLIII beschreef ik op pag. 215 een exemplaar, dal van Meesler-Cornelis afkoinslig was. Het was reeds geprepareerd vóór ik hel in bezit kreeg, zoodal enkele bijzonderheden die slechts aan den vcrscheii vogel waar Ie nemen zijn, niet konden genoteerd worden.
Als zoodanig voeg ik dus aan de beschrijving loe dat bij hel pas geschoten individu de iris lerra-sienna-kleurig is. terwijl de poolen olijfgroen zijn en de voetzolen zoomede de nagels eene okergele kleur bezitten.
De afmetingen van een pas gescholen individu waren:
Totale lengte . 0,104 31.
Slaarl........ 0,058 »
|
Afsland lusschen hel uiteinde der samengevoegde | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
470
BdiJilvo de rug \v;iroii ook do sluit- en de bovensle slaarl-dekvederen melaalglanzeiul zeegroen gekleurd.
49. ARACHNOTHERA LONGIROSTRA [Lath.].
Verlhia lonrjirostra, Kaffl Trans. Linn. Soc XlUp. 299.
Cinnijris lougiroslra, Horsf. Trans. Linn. Sne. Xtll |». 167,
Nectar inia lonijiroslra, Tkmm . PI. Col. 84 lig. 1.
Arachnolhcra lougiroslra, S. Mull. en Sguleg. Verh. Nal. ties. Ned. Ovrz. Uez. Zool. Aves. |t. 69, 71.â Kr. (loiis|i. \v. 1 [i. 409. â S.VLVADoui, Uccelli di Borneo |i. 186,â Vorderman, Ral. Vog. Tijds. N. 1. XL1 p. 194.
Inl. naam: Tjolja/tan.
Har. Voor-lndië, A ra lam , Tcnasucrim, Mulnkka, Saimlro , Java, Hortteo, llilliton.
Van dezen honigvogel kwamen Iwee exemplaren in mijn liezil. Eén van Beganlong en één van Lilangan.
Fam. Melupiiagiuae .
50. 10RA V1R1D1SS1MA l Uonai'.].
lora viridissima, Tkmm. Mus. Lugd. â Br. Cousp. lien. Av. I p. 097.-âSalvador], Uceelli di Borneo p. 192.
Aegilhina viridissima, Tweed. ll)is. 1877. â Salvad. Uccelli Sumatra p. 206.
Inl. naam: Pocnai ara.
Har. Malakka, Sumatra, Borneo, BillUon.
Koml nog al veelvuldig op Kiiuton voor. in mijne colleclie bevinden zich 5 exemplaren, waaronder 2 manneljes.
Beschrijving:
Kop en romp olijlgroen dal op den hnik in geelgroen en op de onderste slaarldekvederen in zwavelgeel overgaat. De vederljes van de schenen zwart met helder gele uiteinden.
471
De vleugels, ile bovenste slaarldekvederen en de staart zijn zwart gekleurd. Over de luiilensle vleugeldekvederen loopen twee witte dwarsljanden. Ook liet achterdeel der flanken en liet. grootste gedeelte der Itinnensle vleugeldekvederen zoomed»' de binnenraudeu der slagpennen zijn wil gekleurd. De huilen-randen der slagpennen zijn groen. In hel oogvallend zijn twee citroengele vlekjes, één hoven één cjnder hel, oog. Teugels zwarl. Iris van-Dijck-hruin.
Bek en poolen loodhiauw. Snavelrug en nagels zwart , voetzolen okergeel
Afinetinijen:
Totale lengte ......
Staart.........
Afstand tussclien hel uiteinde der samengevoegde vleugelpnuleit en dal van den staart ,
Vleugel ........
Vlucht ........
Mond wijd Ie.
Hoogle van den bek aan de basis
Lengte der mondopening . . . . .
('mimen rostri
Tarsus . .......
M.
0,118
0,042
0,024 0,059 0,178 0,009 O.OOli 0,017 0,014 0,017 0.010 0,010
Middelloon met nagel ....â¢â¢
id.
Achlertoon
De vogel in onvolkomen kleed is lichter groen van boven, en de zijden van den kop, de kin, keel en onderste hekleedselen zijn helder geel.
Bij de volwassenen worden de twee wille dwarsbanden over den vleugel gevormd door de wille uiteinden der groote vleugel-dek vederen-
Bij hel overgangskleed evenzoo, doch hier hebben zij eene geelachtige linl, terwijl de Iniitenranden dier dekvederen lichtgroen zijn en de staart dan even groen is als de bovenste liekleed-selen.
kleine vleiigelilekvederen zwarl. terwijl die anders donkergroen is.
51. PHYLL0RN1S SONSERATll [jann. en Selb.].
Turdus viridis IIorsf. Trans. Linn. Soc. Xlll p. 148.
Meliphaga juvensis, Horsf. Trans. Linn. Sor. XIII p. 1 j'2 . Chloropsts someralii, Ja^i». en Sklh, III Orn. tesl. del. Tav. 7 el lalt. 100.
I'liyllornis müllen'i, Tkmm. PI. Col. liv. 81.
I'liyllornis sonneratii, Re. Consp. Av. lp 7gt;0G. â Jerd. 15. ol'Ind. II p. 100. â Salvador! . Ucc. Horn p. 195âId. Uccell. di Sumatra p. 217.
Plnillornis viridis, Twekd. lliis 1877 p. 505.
Inl. naam. Hoer oen fj dam.
IIaü. Schiereiland Mal a Idea, Siiinalra, Java, Borneo, VUlUton.
Van dezen bladvogel, die zeldzamer op Hillilon voorkomt dan de volgende soort. verkreeg ik te Lilavtinn eenige exemplaren.
Beschrijving van liet mannel je:
Alle Itovensle bekleedselen papagaai-groen.
De onderste bekleedselen lichtgroen met smaragdgroenen tint. De tUinken en de zijden van den bals stellen een overgang daar lusschen de beide hoofdkleuren.
Slagpennen zwarl met groenen buitenrand, slaartpennen groen mei zwarte schaften, van onderen zijn zij grijs.
Teugels, voorste gedeelte der wangen, kin en keel. lot aan het. midden van den krop, koolzwart; aan weerszijden daalt onder den onderkaaksboek een violel-blauw slreepje af. Achterste oograndvedertjes helder geel.
Bek zwart, iris bijna zwarl, poolen loodblauw.
Hel wijfje verloonl dezelfde kleur als bet mannelje, maar bel mist de zwarle plek aan keel en kop terwijl alle vedertjes rondom de oogleden, zoomede de kin en keel benevens de mondboeken helder geel zijn.
|
4 T :gt; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
52. PHYLL0RN1S ICTEROCEPHALA ^[Lesson.]. |
Phyllornis malabaricm, Tejim. (nee. Gm.) PI. col. ÃJ12 fig 2. Pliylloniis iclerocpphalus, Less. Uev. Zool. 1S4à |i. 1Ã4. Phyllnniis iclerocepltala, I!p. Consp. Av. I p. .quot;gt;9(3 â Ucm-.. Hnnlt. Spec, ornith. Meropinae p. 98 sp. 25quot;) l. 404 lii; .quot;gt;519, â .Ierd. Birds of Jiul. 11 j». 100.â Sai.vadoiu,'Urcelli di Borneo p. 193â ld Uccelli di Suinatra p. 217.
lui. naam. Boeroeng daun.
Hab. Schiereiland Malakha, Stnnnlra, Borneo, Killlton
Do geelkop-bladvogel koml veelvuldig voor op BilHlou. Op alle plaatsen loch, die ik Itezochl, kreeg ik exemplaren, zoodal in mijne colleclie 8 opgezelle individu's zijti, waaronder 4 mannetjes.
Beschrijving:
Kop helder geel dal op liet acliierhoold geleidelijk overgaat in groengeel- Vederen der hoyenste hekleedselen als hij de l'lti/lloniis
cocliincliiiWHsis (Im. , waarvan do hesclirijving voorkomt in liet Naliunk. Tijdsrlir. voor Ned. Ind. Deel XLV-
Even als hij dezen vogel zijn ook hier de tengels, de streek om den mond . het voorste sredeelte der wanden , de kin en een
O u
deel van den hals koolzwart en wordt aan den hoek van de onderkaak een kohalthlanw vlekje aangetrollen. Rondom die zwarte plek is een lichtgele rand, die geleidelijk in hel groen der overige hekleedselen overgaat. Ook de onderdeelen zijn als van de /'. cochinchinensis, uitgezonderd de horst, die hij deze soort helder geel is maar hij gene even groen is als de huik. Vleugels met dekvederen hij heide soorten gelijk : staart|tennen eveneens, uitgezonderd het fijne witte terminaal-randje dal hij I'. ideroccphala ontbreekt.
Bek zwart. Iris donker van-Dijck-hruin
Poolen grijsgroen.
üe wijfjes der heide soorten zijn enkel aan het al of niel onlhreken van hel witte lerminaalrandje der slaartpennen van elkander te onderscheiden.
Afmetingen van een mannelijk individu:
|
Totale lengte ....... |
O O |
Hf. |
|
Staart. ..... |
Ã.Oliö |
» |
|
Afstand tussdien hel uiteinde der samengevoegde | ||
|
vleugelpunten en dat van den staart . |
0,052 |
» |
|
Vleugel â¢.,.... |
9,078 |
» |
|
Vlucht..... |
0,260 |
» |
|
Lengte der mondopening ..... |
0,020 |
gt;i |
|
Hoogte van den hek aan de hasis |
0,003 |
D |
|
Mondwijdte. |
0,009 |
)gt; |
|
(luimen rostri ....... |
0,015 |
»gt; |
|
Tarsus ....... |
0,019 |
n |
|
Middelloon met nagel ...... |
0,014 |
» |
|
Achtertoon » id. .... |
0,01 1 |
475
Zoo.tis uit de afinetiiigen Iilijkl, verschilt deze sooi't niet
veel in grnolic mei cochinchincnsis, ma;ii' des Ie meer met de voorgaande I'. sonneralri. die grooler is-
Fam üracityi'odiiiae.
53. PVCNONOÃUS ANALIS [Honsp.].
TurJii* dualis, Horsk. Trans. Ijinn- Soc. XIII p. 107.â Iiaffl. op. cit. |i. 311
Pyciwiiolus r/Dinvirr. IIorsf. Moohe. (lat. 15. Mus. E. I. Comp. 1. [gt;. 242.
Ixos analis, Hp. Consp. 1. p. 20)). Vodderman, Hat. V'og'els Nat. Tijds. N. XLI. p. 202.
Pycnonolus amlis, Sclat. 1'. /. S. 186quot;) p- 21(5.â- Salvad. ücc. di Borneo p. 197.
Ixus analis, Tweehd. Ihis, 1877 p- .quot;00. â Salv. Ucc. di Sumal. p. 219.
Olncompsa per sonata. Hume. Sir. Feath. 1873 p. 456.
Har. ScluereUaiid Malakhn, Sumalra, Java, Borneo, Lahoean, Rllliton
Deze vogel is zeer algemeen Ie Tandjong l'nndan en wordt ook elders in liel liinneniand aangelrollen. Hij is volstrekt niel schuw en hlijft, op eenige passen afstand van den waarnemer, rustig azen op de rijpe vruchljes der kamoening-boompjes. [Murraya exotica. L.
54. PYCNONO TOS PLÃMOSUS [lii.vTii.J.
Pycnonotus plumosus. Hr.ytu. .1. A . S B. XIV p. o67.â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 198.
Trichophorus plumosus, O. Finsch iu Lilt.
Pycnonolus inornatus, Kuul. in Bp. Consp. Av. 1 [). 265.
Ixos plumosus, Bp. Consp. Av. I p. 266. â Voroerman, Bal. Vog. Nat. Tijds. N. I. XLII [t. 186.
Brachypus plumosus, Salvador!, Uccelli Sumalra.
Pycnonotus sim nier. IIorsf. Moohe. Cat. B. Mus. E. I. Comp. I. p 244.
Ini. naam: Berebe.
476
Hah. Schiereilnnd Mnlnlclea, Smnulra. â lam. Borneo, Billiton
Is vrij algemeen in hel districl Ikiidanfi. Te Lilnnfjan werden mij clagelijks indiviilu's aangebrachl die door dc inlandsche kinderen mei vogellijm gevangen waren. Voor de bescli rij ving zie men hel Nnl. Tijds. voni' N. Indië, Doel XLII, waai in ik op pag. 186 eene itesclirijving van den Balaviaasclien vogel gaf. Op Billilm aam ik ecliler bij geen der vele exemplaren, die mij in handen kwamen, een okergele keel waar. zooals dit dikwijls bij die van liiilrivm voorkomt.
55. PYCNONOTUS PUSILLOS [Salv.J.
I'ycnonoluit sunjilex. Kuhl. Mus. Lugd. Ui', nee Lhss. Consp. Gen. Av. I pag. 26quot;».
Ixos simplex. S. Mui.i. losle 1'p. 1. c.
Ixos sp., Gray Hand-List. I, pag. 270 sp. 3935.
Pyciwnolus puKilluit. Salvahobi, Uccelli ili Borneo p 2ÃO.
lU'ochi/pus jiusilltis, Sai-vaoori, Uccelli di Siunalra, p. 220
Inl. naam Berèbe.
Hah. Borneo, Sum'ilni, Scliieretlanil Malakka, SSIIMton.
Ãeze vogel verschilt van de I'ljcnonoim plu moms enkel dooide kleinere afmetingen. Zoowel bij bel TW/eni-gebergte als in Lilanrian kwam deze soort lusscben de aanverwante soorten voor.
Bovenste hekleedselen umberkleurig, het donkerst op den kop. l)e kleur der staarlpennen is dezelfde, doch heeft eeiiR meer bruinachtige tint. Slagpennen sepia met brninaebtig umber-kleurige lichtere huitenranden.
Onderste hekleedselen en binnenste vleugeldekvederen licht okergeel. Dc flanken en de zijden van de borst en den bals stellen een geleidelijke overgang in kleur daar lussclien de bovenste en onderste hekleedselen.
Bek en poolen donkerhoornklenrig. Iris rood.
477
|
Afmetingen van het geprepareerde individu: | |
|
Totale lengte ...... |
. 0,145 M. |
|
Staart ....... |
. 0,065 » |
|
Vleugel ...... |
. 0,072 v |
|
Lnngte der mondopening .... |
. 0,012 » |
|
Mondwijdte. ... |
. 0,007 » |
|
Hoogte van don hek aan de hasis |
. 0,004 » |
|
Cnlmen rostri ...... |
. 0,011 » |
|
Tarsus ....... |
. 0,018 » |
|
Middelloon mol nagel. .... |
. 0,015 » |
|
Achlerloon » id. ..... |
. 0,011 » |
|
56 JOLE OLIVACEA [Bi.ytii.]. *) |
.lolp. olivacea, üi.ytii , .1 A S I! XIII |i. ?)8ü.â üp. Consp. Gen. Av. F. [mg. 2G).
Criiiiger charlollae, Finsch Journ. f. Om. 1876, |». 19.â G. 15. Gray Handl. 1 p. 274.
Trichophorus hruunesceiis, S. Mdli. . Mus. Lugd.
Inl. naam: Bvrèbè.
Had Schiereiland Malahkn, Java, Siimalra, Rornro, Billlton.
0]t (lezelltle plaals waar do vorige soort, werd waarge-genomen, Lilangau, kwam gelijklijilig een andere vogel voor ille veel op dezen geleek maar daarvan afweek door eenige vaste kenmerken. Ook de zang of hel geluid verschilde.
liet meest in het oogloopend verschil is dat de Pycnonolus plumosus een roode of roodbruine iris heel! en deze soorl Jole olivacea ook op jeugdigen leeftijd een wille..
Beschrijving:
üovenkop en staart ninherkleurig. Alle hovendeelen eveneens doch hovendien hewasschen met eene flauw olijfgroene tint. Slagpennen iiistre, buitenvlaggen en huitenste vleugeldekvederen olijfgroen. Zijilen van den kop en nek grijsachtig
(' l)r. Shabpe liad de vriendelijklieid dezen vo^el le (telermineereii.
478
mei olijlgroeu als bewasschen. ünderdeelen en Iliiiiken grijsachtig wil en mei olijfgroen liewassclien. Horsl liolilgeel gelinl even als de onderste slaartdekvederen. Poolen Heli) hoornkleurig, niet zoo stevig als die van Pycnonolus plumosus. Iris wit. Hek van hoven donker hoornkleurig, van onderen wil en fijner gehouwd dan hij I' jjlwnosus.
Vergelijkt men de pas gescholen individu's der heide soorten dan vallen de volgende verschillen in hel oog.
Bij /'. plumosiis heelt een geleidelijke overgang plaats Ins-schen de kleur van den hovenkop en dit^ van hel gelaat. die trouwens slechts weinig verschilt.
Dij Jolc olivacca is de donkere iiniherklenr scherp algescheiden van de lichtere geelgrijze kleur van hel gelaat en de teugels
Bij I'. plumosiis is de huik grijs niet gelen okerlint. hij de andere daarentegen meer lichtgeel. l)e vorm der vederen op den hovenkop is hij Jole olivacea min ol' meer scherp puntig en hij I'. plumosiis meer afgerond.
Ook de poolen toonen verschil. Zij zijn hij I'. plumosm steviger en dikker.
Terwijl laatstgenoemde eenen dikkeren korleren hek heeft, die nagenoeg geheel doiikerhoornkleui ig is en waarvan enkel hel onderste gedeelte van de onkerkaak, eene lichle vleeschkleur heeft, hezit Jolc olivacea eenen scherpen spitsen hek waarvan enkel de snavelrug donkerhoornkleurig is, doch die overigens eene lichte loodkleur heeft. Van hinnen is de hek hij Jole olivaceu geel in tegenstelling mei dien der andere soorl, welke van hinnen loodhlauw is.
Behalve deze verschillen, komen ook de afmetingen van den kop in heide soorten niet, overeen, zoo als uit onderstaande cijfers hlijkt:
Jole olivacea. Pycnonoln* plumosus.
Breedte van den kop over de oorstreek hij drie exemplaren.
1.6â1.5â1.5 cliu. 1.7â1.6âl.ti clm.
479
Mondvvijdle.
1.1 â 1.0â1.0 ctra. 1.1â1.1â1.0 ctm.
Mondhoogle nan lt;le luisi.s.
0.7â0.6â0.6 elm. 0.6â0.6â0.6 ctn«.
I^engle der mondopening.
2.4_2.4â2.5 ctm. 2.1â2.0â2.0 ctm.
(luimen rostri.
1.6â1.6â1.1) ctm. 1.5â1.5â1.5 ctm.
Behalve de hovenstaande al'meliugen, die enkel den kop be-Irelfen, nam ik nog de volgende verschillen waar. Uit zes volwassen exemplaren van iedere soorl werd hel grootste gezocht en vond ik hel volgende;
|
Jcle olivacea 0,190 M. 0.071 » 0.270 » 0,087 » 0,020 gt;. 0.015 » 0,011 » |
Tolalc ii'iigle. Staart. Vlucht. Vleugel. Tarsus. Middelloon mei nagel. Achlerloon mei nagel. |
Pycnonolus phmosus. 0,185 M. 0,069 » 0,263 » 0.078 » 0,019 » 0,015 » 0,012 . |
57. BRACHIP0D1ÃS MELANCCEPHALUS [Gji.J.
Tardus melanocephalus, Raffl. Trans. Linn. Soc. Xlfl p. 510. Turdus alriceps, Temm. PI. Col. 147.
Brachypodius melanocephalus, Blvth. Journ. As. Soc. B. XIV p. 576. â Salv. Ucc. Born. p. 201. â Ibid. Ucc. Sumat. p. 221. â Vordermak, Nat. Tijds. voor N. I. Deel XLVI.
480
Brachypodius immaculalus, Sharpe, Ibis 1876 p. 39.
Jxos mclanocephalus, Schleg. Dierk. 1 p. 272.
Inl. naam: Pélinlang.
Hab. Arukan, Tipper ah , Malakka, Sumatra, Java. Borneo, Laboean , Bawean, Billiton
Deze vojiel is vrijwel algemeen verbreid over hel eiliind Billiton. Ik bezit in mijne collectie 8 exemplaren waaronder 5 waarvan de kop in rui is. Voor de bescbrijving zie men bel Naliuirk. Tijds. Ned. Ind. Deel XLV1.
58. CR1N1GER PHAEOCEPHALUS. [IIartl.J.
Inos phaeocephalus, llAr.r. Rev. Zool. 1844. p. 401.
Trichophorus sulphuratus, Bp. Consp. G. Av. ). p. 262.
Criniger cantori, Moore. I'. Z. S. lSi}4 p. 279.
Criniger phaeocephalus, Fixsch Journ. f. Orn. 1867. (tag. 17.
Inl. naam: Berèbè irang.
Hab. Malakka, Sumatra, Borneo, Billiton.
Beschrijving:
Bovenkop zwartachtig, met grijze zoompjes aan de vederen, waardoor zij zich geschubd voordoen.
Zijden van den kop licht asebgrijs. Teugels licht grijs. Lenige fijne haren sleken lusscbeu de eenigszins verlengde achlerboofds-vederen uit. Kin, keel en hals beider wit. Onderste bekleedselen helder kanariegeel. Zijden van de borst geelgroen. Binnensle vleugeldekvederen en flanken helder geel. Mantel, rug en kleine buitenste vleugeldekvederen donker olijfgroen mei grijze linl. De stuitvederen geelgroen en harig.
Bovenste staarldekvederen en slaarlpennen van-Dijck-bruin: slagpennen eveneens; voor zooverre zij in toegevouwen slaat aan hel licht zijn blootgesteld mei olijfgroene buitenrandjes, doch overigens mei lichten binnenrand.
481
Iris bruin. Snavel zwartachtig: iln zijden even ais de onderkaak loodblauw.
Poolen geelaclitig.
Almelinüren:
Totale lengte ......
Staart .......
Afstand tussclien hel niteiiule der samengevoegd vleugelpunlen en dat van deti staart . Vleugellengle ......
Vlucht.......
Lengte der mondopening ....
Hoogte van den hek aan de hasis Mondwijdte ......
Gulmen rostri ......
Tarsus .......
Middelloon mei nagel. ....
M.
0,196 0,084
0,046 0,095 0,294 0,020 0,008 0,011 0,019 0,020 0,015 0,012
Achterloon ine! id. ....
n hel iiosch
Van dezen vogel \erkreeg ik een exemplaar nabij Begnulong en Iwee iti hel districl Dendang.
Fam. Timeliidak.
59. M1X0RN1S GÃLiRlS lRaffl.J.
Mdlacilla gularis, Raffl. Trans. Linn. Soc. XIII p. 512. Tïinaliu guhns, horsf. (nee. f km mv Zool. lie?, in Jav. c. labul. Mi.corn is swnalrana, Dp. Consp. G' Av. I p, 217.
Mirornin gularis, Blvtii. J. A. S.. 1gt;. XI p. 794. â Horsf. Moore. Cal. li. Mus. E. 1. Comp. I p. 557. â Salv. Ucc. Sum. p. 225. â Keuiam. Malayan ornilh. .lourn. Sir. Br. U. A. S. 1885 n0. I 1 p. Ã.
lui. naam: Sepompong.
Hab. Schiereiland Malahka, Sumatra, Java, Oilllton.
482
Van dil vogeltje, waarvan zoowel Horsfield als Tkm.mim;k afbeeldingen gaven, verkreeg ik ö exemplaren in mijn liezit. Twee afkomstig van Tandjotuj Handan en (^én van Befjanlong.
Beschrijving ;
Alle liovenste itekleedseien kastanjebruin. Slag- en staarl-pennen evenzoo, voor zooverre zij in toegevouwen staat aan liet licht zijn blootgesteld, overigens zijn dc laatste licht bistro. Dc basis der harige rugvederen is grijs. Voorhoofd, teugels en onderste deel der wang zwartachtig, naar achteren en boven geleidelijk in bruin overgaand. Ook de zijden van den hals zijn bruin.
Binnenste vleugeldekvederen donkergrijs met witte zoomen. Kin. keel cn krop wit mei zwarte overlangsche vlekken.
Borst en voorbuik lichtgeel met overlangsche zwartachtige streepjes geteekend. Flanken en achterbuik grijsachtig, dc vederen eindigen in licht geelgroen getinte haren.
Iris lichtgeel. Op een min of meer kale plek om het oog schemert de donkerblauwe kleur van de huid door.
Snavel donker hoornkleurig, onderkaak loodblauw. Poolen olijfgroen met geelachtige voetzolen.
|
Afmetingen van een |
geprepareerd exemplaar; | |
|
Totale lengte |
. 0,125 | |
|
Staart. |
. |
0,036 |
|
Vleugel |
. |
. 0,059 |
|
Lengte der mondopening. .... |
. 0,016 | |
|
Hoogte van den bek |
aan de basis |
. O.OOo |
|
Mondwijdte |
. |
. 0,007 |
|
Culmen rostri |
. 0,015 | |
|
Tarsus |
. 0,020 | |
|
Middelloon met nagel..... |
. 0,015 | |
|
Achlertoon » id. |
⢠⢠⢠⢠|
. 0,015 |
48.gt;
60. CYANODERMA ERYTHROPTERUM [Ri,ytii.|.
Tunalia crylhroplera, Ulytii. J. A. S. B. XI p. 794. â Hohsf. .Moork C;U. li. Mus. E. I. Comj» J p. 229.
Timalia aculirostris, G. 1\. Gray. Hand-List. I p. 5!5, sp. 469S.
Cyanoderma erylhroplertim, Salvadori, Uci^elli di Borneo p. 223. â Siiarpe 1'. Z. S. 187;» p. 105.
Hab. Sumatra, BilIHon.
Van dit vogeltje verkreeg ik le Dcii()datif) 5 exemplaren, één mannelijk eu twee vrouwelijke die holzell'de vederkleed bezaten.
In versclien toestand is de naakte huid om liet oog en langs de wangen, kin, en keel, blauw, liet, gelaat indigo blauw, de andere deelen licbl blauw.
Het voorste gedeelte van den kop, de zijden van hel gelaat, de kin, hals en borst zijn donkergrijs leikleurig. Buik en ondersle slaaridekvederen zoomede de Manken grijs met flauw okerbruine harige uiteinden aan de vederen.
Het achterhoofd , de nek en de vederen der bovenste bekleed-selen zijn roeslbruln.
De slaarlpennen van üyck-bruin, uitgezonderd hel middelste paar dal roestbruin is.
Slagpennen der orde roestbruin. De overigen van-Dyck-bruin met roestkleurige builenzoomen en lichtere binnenranden. Okselvederen okerkleurig. Op den rug schemert het grijs van de basis der vederen door.
Punt van den bek en snavelrug zwartachtig, overigens is de bek loodblauw.
Poolen grijsgroen; voetzolen okergeel.
Afmetingen :
Totale lengte . . _ . . 0,125 M.
Staart. ........ 0,045 »
Afstand tussclien hel uiteinde der samengevoegde
vieugelpunlen en dat van den staart . . 0,026 »
Vleugel ........ 0,054 »
Vlucht . . . ; . . . 0,170 »
484
Mond wijd le. 0,007 M.
Hoogte van den bek aan de basis . . 0,00» »
Lengte der mondopening ..... 0,014 â¢
Culmen rostri ....... 0,01 '1 »
Tarsus........0,019 »
Middelloon inel nagel. ..... 0,014 »
Aclilertoon » id. ..... 0,012 »
61. MACRONUS PT1L0SÃS [Jahd. amp; Selb .
Macro nu s plilosus, .Iard. amp; Sklb. 111. Orn. I. 150. â lip. Consp. Av. I p. 218.âSalvadori, Uccelli di Uorneo p. 216'â Ibid. Ucc. Sumatra p. 224.
Timah'a trichorrhos, Temju. PI. Col. 594 lig. 1. â S. Mull. Verb. Land en Volk. p. 59().
Inl. naam; Sepompoiuj gadoek.
Hab. Malnkka . Sunuilra , Borneo, Java, HilHfon
Beschrijving:
Even als de Cyanodenna-soovlen lieel'l deze vogel de liuid rondom de oogen , bel voorste gedeelte der wangen, de kin en de keel blauw gekleurd . welke kleur door de ijle vederljes die deze plaatsen bedekken uilkomi. De naakte teugels zijn licbl-blauw, liet overige deel min of meer kobaltblauw. Deboven-kopvedcren zijn roestbruin en die van het acbterboofd bovendien verlengd. De gekleurde blauwe buid der bovengenoemde deelen is spaarzaam inel donkergrijze vederljes begroeid. Hel achterdeel der wangen, de nek , krop en onderdeelen zijn grijsachtig okerkleurig. (brown pink}.
Mantel en rug van Dyck-bruin.
Slagpennen sepia met van-Dyek-bruine buitenranden; slaarl-petinen donkersepia, (bij den gedroogden vogel zwartachtig).
Een bijzonderheid van dezen vogel is dal de okselvederen en die van bel voorste gedeelte van den rug, eigenaardig vervormd zijn. en wel doordien de witte schnflen bijzonder onl-
485
wikkeld en verlengd zijn en soms eene lengte van 3 a 6 cenlimelers bereiken, terwijl de haren wijd uil elkaar staan en leikleurig zijn, zoodat in den bundel de wilte scliaften even als de stekels van een Hystrix naar achteren uitsteken.
Bek en pnoten zwart, voetzolen okergeel.
Iris donkerhniin.
Alnielingen:
Totale lengte . ⢠0,16a M.
Staart ........ 0,062 »
Afstand tusschen liel uiteinde der samengevoegde
vleugelpunten eti dat van den staart. . 0,058 »
Vleugel ........ 0,068 »
Vlucht..........0,225 »
Langste rugvederen ...... 0,062 »
Lengte der mondopening ..... 0,020 »
Mondwijdte . . . . . 0,010 »
Hoogte van den hek aan de hasis . . 0,006 â¢gt;
Culmen rostri ....... 0,015 »
Tarsus ........ 0,019 »
Middelloon met nagel. ..... 0,019 »
Achtertoon gt;⢠id. ..... 0,013 »
Van dezen vogel kreeg ik twee exemplaren te Lilangan
62. DRYMOCATAPHÃS NIGRICAP1TTAT0S [Eyt.j.
Bruchijplenjx nicpocapilatn, Evr. P. Z. S. 1850 p. 105. Galdana nigvocapilala, IJlvth. J. A. S. 15. XI p. 796. Dnjmocalapluis niyrocapillalns, Horsf. amp; Moore Cat. Mus. E. I. C. 1 p 596.
Besselhera harhala, Cab. Mms. Hein. I p. 76. (nota 1
Inl. naam: fioeroeng p'clandok.
Hab. Malnlilcn , Sum al ra, Killitnn
Wordt nog al veelvuldig in de hosscheu aangetroUen waar hij zich even als de Javaansche Dripnacalapltus capistralns lusschen het kreupelhout ophoudt.
486
Beschrijving:
Bovenkop zwarl. Zijden van den hals, achterst deel der wangen, nek , krop en verdere onderdeden kaneelhruin. uitgezonderd de kin en keel, die helder wil zijn . Vederen van de zijden van hel gelaat grijs niet lijne wille schalïjes.
Eene grijs-wille superciliair streep loopt van alquot;de neusgalen over hel oog lol aan hel achterhoofd ; ook hier zijn de vederljes lichtgrijs met heldere witte schalïvlekjes. Een lijn zwart streepje scheidt het grijs der wangen van het wit der koel.
De hovendeelen van den romp donker roodhruin even als de slaartpennen en de slagpennen, voor zooverre deze in toegevouwen staat aan het licht zijn hloolgesteld . voor hel overig deel zijn de slagpennen donker van-Dijck-hruin.
Binnenste vleugeldekvederen rosachtig en grijsbruin. Poolen en nagels donkergrijs mei Hauw roodachtigen lint. Bovenkaak zwarl. Onderkaak wit. Iris roodhruin.
|
Al'melingen : | |
|
Afstand tusschen de punt van den hek en hel | |
|
uiteinde der naar achteren uilgestrekte poolen. |
0.182 M |
|
Afstand tusschen de punt van den hek en het uit | |
|
einde van den staart ..... |
0,16U » |
|
Staart . . . |
0,036 » |
|
Afstand tusschen het uiteinde der samengevoegde | |
|
vleugelpunten en dal van den staart. |
0,055 » |
|
Vleugel ....... |
0,069 - |
|
Vlucht........ |
0,250 » |
|
Lengte der mondopening. .... |
0,021 » |
|
Mondwijdte ....... |
CO O |
|
Hoogte van den hek aan de hasis |
0,00tgt; » |
|
Culmen rostri ...... |
0,016 » |
|
Tarsus. ..... |
0,028 » |
|
Middelloon met nagel .... |
0,021 » |
|
Achtertoon » id. .... |
0,017 » |
487
63. BRACHYPTERTX MALACCENSIS Hvrv. .
In I. naam : lioeroeng pelandort;.
Il\it, Malahka. Sumalrn . Itnrnro. Ilillifon.
Beschrijving:
Zijden van den kop gnjs; wangen zwart: kin mi keel zuiver wil. l!ovonkn|i en bovensle bekleedselon grijsachtig bruin, min of meer sepia, dal naar achteren eene roestkleurige lint. aanneeinl. Staartvederen donkerbruin mei lichtere randjes. Krop, flanken, onderste staartdekvcderen en schenen helder kaneelbruin. In het midden van de borst en den huik gaal deze kleur geleidelijk in wil over. Slagpennen sepia met lichtere builenzoompjes.
Onderste vleugeldekvederen kaneelkleurig.
Iris donker bruin.
Snavel donkerhoornkleurig. Onderkaak loodkleurig..
Poolen en nagels vleeschklenris.
Afmetingen;
Totale lengte ....
Idem met inbegrip der naar achteren poolen .....
Staart .....
Afstand lusscben hel uiteinde van de dat der samengevoegde vleugelpunten Vleugel .....
Vlucht ......
Lengte der mondopening . Mondwijdte .....
Hoogte van den bek aan de basis r.ulmeii rostri ....
Tarsus .....
Middelloon mei nagel.
Achtertoon » id. .
0,156 M.
0,173
O.O^S quot;
0,014 »
0,001 »
0,210 »
0,019 »
0,009 â gt;
o,oo;; â gt;
0,014 »
0,028 »
0,020 »
0.0 IS »
litgeslrek
staart lt;
488
Ue/.e vogel houdl zich in hel lage struikgewas op en voedt zich mei inseclen.
Zoowel le Deganloeng als le Lilanrjan kreeg ik één exeui|jlaar.
64, SETARIA PECT0RAL1S [Salv.].
Alcippe pccloralis, Salv. All. lgt;. Ac. Sc. Tor. Ill p. S550, [\'(ipolhora eunjsona, Mull. Mus. Lugd.
Brachypleryx peel oralis, Giebel. ïhes Om. I |). 477.
Velaria pccloralis, Salvadoiu, Ucc.d. Boni. 253. â Vorderman, Bal. vog. Nal. Tijd. N. 1. XL111 p. 184.
Hab. Sumalrn, â lava, Borneo. Billiton.
Slechls één exemplaar werd ik maclilig en wel hij de kampong Begaiilong. Van dezen vogel hestaai eeue LaUjp.sche beschrijving in Salvadori, Uccelli di Bnrueo, waarhij ecne afheelding is gevoegd en eene Hollandsche in het Naluurk. Tijdsrlir. voor Ned. Ind Dl XLHI pag 184
Fam. 1'ittidae.
65. PITTA CUCULLATA [Hahtl.].
I'illa rhodogaslra. Hodgs, J. A. S. XII p. 961 (juv.).
i'illn nigricollts, Blytu. J. A. S. B. XII p. 960.
I'illa malaccensis, Mull, en Sculeg. Verli. N. G. Ned. Overz. liez. Pilla p. 111gt;.
I'illa cucuHala, Jerü B. ol' ind. 1 p. 505. â Sculeg, Mus. I'ays-Bas I'illa p. 4.
I'illa banglmna, Sculeg. in Mus. P. B. I'illi p, 5.
Brachyui'us cucullalus, Blytu. Cal. M, and B. of Burma, p. 98.
lui. naam: l'opalf.
Hab. Nepal, Sik him , Uimalaja , Burmah, Malahka, Banka, multon
489
Deze l'raaie filla is vrij algemeen verlireid in de Ltiliilonsche liossclien. Ik verkreeg exeiii[ilareii le Decjanlong, Tandjong Pundan en Lïlangan. Tol ilusverrc was zij behalve op Malakha , Voor-lndië en lliti ma, in ilen Indischen arcliiitel slechls waargenomen op hel eiland l'angka, waarvan de exemplaren vrnegei door Sciilkgel als eene afzonderlijke soort, de l:. banglcana, werden vermeld, doch later hieek dal die soorl niel le scheiden was van de reeds vroeger bekende f'. cucullaln. Dr. Hagen Irof haar aan op de Ooslkusl van Stimalra.
Ueschrijving;
Kop, nek en hals pikzwart, de vederen van den hovenkop bezitten ecliter donkerbruine uiteinden. Horst en flanken lichtgroen. Mantel, rng en stnil donkergroen.
Dezelfde kleur heeft het grootste deel der bniteuste vleugel-dekvederen, waartegen een dwarsband van helder zilverachtig blauw op die deelen scherp afsieekl.
Deze noïal breede band begint aan den vleugelhoek en
o u c
loopl schuins naar binnen lol aan den rug. Dit laatste deel van den band is echter door de mantelvederen bedekt. Dezelfde zilverachtig blauwe kleur hebben ook de bovenste slaart-dekvedcren.
De slagpennen der 2C orde zijn, voor zooverre zij in toegevouwen slaat niel aan hel licht zijn blootgesteld, zwart, doch overigens blauw groen. Alula elfen zwart.
De slagpennen der f orde zwart met breeden witten dwarsband over het midden. Ook de schaften deelen daar ter plaatse in de witte kleur. Huik, onderste staartdekvederen en hel achterdeel der flanken helder rood. Ite vederen dezer deelen zijn aan de basis grijs, daarop volgt eene driehoekige zwarte vlek terwijl de harige uiteinden rood zijn. Om deze details le zien moeien echter de vederen opgelicht worden. Staartvederen zwart.
Hek zwart. Poolen en nagels loodkleuring. Iris donkerbruin.
â 490
Afmetingen:
Afstand lussclieii liel uiteinde van den bek en dat
der naar achteren uitgestrekte pooten. . 0.250 gt;1. Afstand tnsschen liet uiteinde van den hek en liet
staartuiteinde ....... 0,16ü gt;â
Staart ........ 0.040
De samengevoegde! vleugelpunten reiken iets over liet uiteinde van ilon naar heneden gerirhten staart.
Vleugel . 0,100 â
Vlucht................0,554 »
Mondwijdle ....... 0,012 â¢â¢
Lengte der mondopening ..... 0,024 »
Hoogte van den hek aan do hasis . . 0,009 »
(filmen rostri ....... 0,025 »
Tarsus ........ 0,058
Middelloon met nagel. ..... 0,027
Achtertoon met nagel...... 0,020 »
Een jonj,' individu dat mij te LiIuikjuh aangehracht werd had op den zwarten kop slechts de uiteinden der voorhoofds-vederljes hruin.
De punt van den hek, de mondhoeken en de mondholte waren oranjekleurig de oogleden oranje. Kin zwart. keel wit. krop, hors) en flanken rosachtig grijs, huik licht rose. Bovenste hckleed-seleu olijfgroen. Op enkele dor Imilenste grootste vleugeldek-vederen kwamen nog groote witte vlekken voor. De kleitie waren lichthlauw de stuit eveneens.
Poolen donker vleeschkleurig. Iris van-Dijck-iiruin.
Deze vogel maakt een fraai etfect wanneer hij in hel hosch wegvliegt, als wanneer de witte dwarshand van de vleugels en het lichte azuurhlauw sterk in het oog vallen.
491
F\m. Sylviidae.
66. ORTHOTOMUS B0RNE0ENS1S [Salv.j.
Orlholomm borneoensis, Salvad. Hoc. Born. p. 247. â Ibfd. Ucc. Sumatra p. 255.
Inl. naam: Kroedjik.
Hab. Borneo, Sumatra, Billiton.
üil siüjdervogeltje, dal veelvuldig op Tandjong Pandan voorkomt, gelijkt veel op de 0. sepium van Java doch verschilt er van hoofdzakelijk door de meerdere grootle, de grijze horst en keel, den grijzen rug waarop geen olijfkleur is en den buik die wit is in plaats van geel zooals hij 0. sepium.
Beschrijving:
Voorhoofd, teugels, wangen en kin beider bruin. Bovenkop en nek grijsbruin; overige bovenste bekleedseleu van den romp ascbgrijs zonder een zween van olijfgroene tinl. Midden van de keel, den bals, de borst en bet voorste gedeelte der flanken helder grijs, dat naar achteren geleidelijk in hel wil van den buik en de onderste staartdekvederen overgaat. (Bij een dei-exemplaren in mijn bezit is ook de buik lichtgrijs gekleurd).
Slagpennen sepia met lichtere buitenzoompjes en wilacbtigen binnenrand; vleugelrand rosachtig wil. Okselvederen wilacblig. Staarlpennen sepia met donkerder uiteinden en witachtige ler-minaalzoonipjes, Vedertjes van de scheen licht roestbruin.
Snavel donker hoornkleurig, onderkaak vleescbkleurig. Pooten vleeschkleurig. Iris lichtbruin.
Afmetingen van hel gedroogde individu:
0,110 M. U,040 »
Totale lengte Staart
49i
Vleugel................0,049 M.
Cuhnen rostri ....... 0.015 »
Tarsus ........ 0,018 »
Middelloon met nagel. ..... 0,01
O
Achterloon mei id. ..... 0,011
Van deze soort bezit ik drie exemplaren.
67 ORTHOTOMUS C1NERACEUS [Blyth.].
Ortholomns cineraceus, Blyth. J. A. S. 15. XIV p, 389. â Bp. Consp. G. Av. I p. 282. Sai.v, Ure. di Horn. p. 248
lui. naam; Kroedjik.
Hab. Malakka. Sumatra, Borneo, Laboeau, ttilllton.
Van deze soort is slechts één exemplaar in mijne collectie voorhanden. Hel is afkomstig van Denrfany.
Beschrijving:
De bovenste hekleedselen zijn aschgrijs. Bovenkop en nek grijsbruin dal naar voren geleidelijk op hel voorhoofd in helder roestbruin overgaat. Teugels, slreek hoven het oog helder roesthruin, overig gedeelte van hel gelaat lichtbruin dal zich ter zijde aan weerskanten van de onderkaak en kin voortzet; keel en overige onderdeelen wit, terwijl de zijden van den hals en de flanken eene geleidelijke over-gangskleur hezitten tusschen de onder-en bovendeelen. Vedertjes nabij den hiel lichtbruin Snavel en nagels hoornkleurig; onderkaak en poolen licht vleeschkieurig. Vleugels en staarlpennen bistre, de laatste donkerder aan de uiteinden terwijl de meer buitenwaarls ingeplante van een wil terminaalzoompje voorzien zijn.
495
Biniiensle vleugeldekvederen en vleugelrand helder wit. Iris bruin.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
68. ORTHOTOMÃS RÃF1CEPS [Less.]. |
Edelu ruficeps, Less. Tr. d'Orn. p. 509.
Orlholonius senceus, Temm. , Texle des PI. Col. liv. 101. Orlholomus ruficeps, Horsf. amp; Moore, Cat. B. Mus. K. I. Conip. I p. 156. â Salvador!, Uccelli di Borneo, p. 248.
fnl. naam: Kroedjik.
Har. Malaklca, Sumatra, Romeo, Lahoean, Bllllton. Van deze soorl kreeg ik één exemplaar le Lilangan. Beschrijving:
Bovenkop, tengels, streek boven en achter het oog helder roestbruin. Bovendeeleu van den romp donkergrijs, slaartpenneu ellen bruin zonder donker uiteinde of wit terminaalrandje. Slagpennen sepia met lichteren binnenzoom aan de basis. Wangen,
494
zijden van den lials , kin en verdere onderdeelen wit; zilverwit in liot midden van den luiik, op de overige deelen met een flauw Isabella tintje lievvasschen.
Iris terra sicnna. Siiavelrug donker hoornkleurig, overig gedeelte van ilon bek Hebt vleeschkleurig. I'ooten donker vleesrbklenrig.
Afmetingen ;
Totale lengte .......
Staart........
Afstand liisseben bet uiteinde der samengevoegde vleugelpunten en dal van den staart ,
Vleugel ......
Vlucht.........
Lengte der mondopening ....
Hoogte van den bek ;ian de basis Mondwijdte ......
Culmen rostri ......
Tarsus .......
Middelloon met nagel. . . . * .
Achtertoon » id. ....
69. ORTHOTOMÃS FLAV0VIR1DIS [Mooiik.].
Orlkolomus flnvo-viridis, Moork P. Z. S. 1854. â Horsk. amp; Moorh. Gat. 15. Mus. E. J. Comp. I p. 514.
Orl/wlomiis flavovirnlis, Hlvtii. Cat. M. amp; B. td'Bnrmab p. 121.
Inl. naam: Kroedjik.
Hab. Malahka, Billiton.
Dit fraaie snijdervogeltje, waarvan mij twee exemplaren te Lilanfjan aangebracht werden, was lot dusverre slechts bekend van Malalthn. Vermoedelijk strekt zich de verbreiding ook uil over Piiauw en Bangha maar nóch oji Sumilra, noch op Borneo word! deze soort aangetroffen. Het is dus met eenige andere
0,112 M.
0.041 »
0.032 »
0,048 .lt;
0,160 »
0.018 »
0,003 »
0,007 »
0,014 »
0,021 -gt;
0,011 »
0.011 gt;â¢
49gt;i
lypischo Malahka-vogek eigenaardig Ftilliton-ham.
Beschrijving:
Uitgezonderd hel onderdeel der wangen, dal liclilgrijs is, is de kop van boven en ter zijde roodbruin. Kin en onderkanl van den onderkaak mei witte vederljes begroeid. Keel en krop zwart. Borst grijs-zwarl mei witte overlangsche scliaft-vlekjes. Buik wit; onderste staartdek vederen geelachtig; Banken grijs met geel bewasschen. Bovenste bekleedselen van den romp olijfgroen. Slagpennen donkersepia mei geelgroene builenzoompjes; vleugelrand citroengeel. Staart-pennen licht sepia mei geelgroene tint, en lichleren rand; nabij het uileinde van iedere staarlpen is eeu donkerder vlek die door een groengeel helder terminaalzoompje begrensd wordl. Onderzijde van de staartvederen geelachlig, schenkelvedertjes lichl rosachtig.
Snavelrug donker hoornkleurig; overi,
voor de afkomst der
g gedeelte van den bek
en de poolen vleeschkleurig. Iris lerra-sienna.
Afmetingen:
Totale lengte .... Staart ..... Afstand tusschen het uiteinde der san vleugelpunlen en dat van den staart
Vleugel.....
Vlucht ..... Lengte der mondopening .
Hoogte van den bek aan de basi? Mondwijdte .... Culmen rostri ....
Tarsus.....
Middelloon met nagel.
Achterloon » id.
0,106 M.
0,042 »
0,054 »
0,042 »
0,146 »
0,017 »
0,003 »
0,007 »
0,014 »
0,019 »
0,011 »
0,010 »
engevoegde
496
70. CISTICOLA CURSITANS [FRANKL.].
Prinia cursilans, Frankl. P. Z. S. 1851 p. 118.
Cislicnla cursilans, Blytii. J. A. S. B. XVI p. 4o7. â Bp. C. G. Av. p. 286. â Horsf. Moore Cat. B. Mus. E- J. Comp. I p. 324. â Vorderman Bat. Vog. Nat. Tijds. N. I. XLIII p 97.
Hab. Nepaul, Voor-lndië, Malakka, Sumatra? Borneo! Java, Celebes, Bllllton.
Inl. naam. Keloppi.
Dit vogeltje is zeer verbreid over Zuidelijk A:-ie en den Indischen archipel. Dat er tot dusverre nog geen exemplaren van Sumatra ol' liorneo zijn aangebracht is, met het oog op de algemeene verbreiding en de levenswijze, geen bewijs dat die soort op deze groote eilanden zoude ontbreken. Het bewoont liefst wildernissen met kort gras ol' struikgewas begroeid. Van de nevensoorl van Voor-lndië, Cislicola eri/throccphala Jerd. van Malabar toonde ik het bestaan op Java aan. Voor de eigenaardigheid der avifauna van Billiton, ten opzichte van die der omliggende eilanden kan deze soort dus niet in aanmerking komen.
In de grasvlakte aan den noordelijken voet van liet Tadjem-gebergte op Billiton komt zij veelvuldig voor. Ook in den padang bij Gantoeng werd een exemplaar geschoten. Voor de beschrijving zie men het Natuurk. ïijds. v. Ned. Ind. Deel XLIII p. 97.
Fam. Saxicoudae.
71. K1TTAC1NCLA MACROURA [CM.].
Turdus tnacrourus, Gm. S. N. L. 1. p. 820. â Horsf. Trans. Linn. Soc. X1H p. 147.
Kittacincla macroura. Bp. Consp. G. Av. 1. p. 268.
Cercotrichas macroura, Vorderman Bat. Vog. Nat. Tijds. \. N. I. XLIII p. 100.
Copsychus macrourm, G. B. Gray Gen. of Birds I p. 177.
Cittocinda macroura, Salv. ücc. Sumatra p. 236.
497
hil. naam: m'Boeroek.
Haü. Voüi -lndi.ë, Burmah, Malakha, Sumalra, Java. Billiton.
Van deze soort liezil ik in mijne Billitonsche collectie achi stuks, waaronder in jeugdig kleed.
Hel voorkomen van de C. macroura oji Billiton doel weder liet J/a/aMa-karakler der avifauna uitkomen, want de Borneo-sclie nevensoort, K. suavis Sr.lat. wordt op het eiland gemist. Hel is eene algemeen voorkomende, weinig schuwe vogel die de bosschen door zijnen fraaien zang opluistert. Voor de beschrijving zie men Natuurk. Tijds. v. Ned. Ind. UI. XL1I p. 100.
72. COPSYCHUS M1NDANENS1S [Ga.].
Turdus mindanensis, Om. S. N. 1 p. 8'2.quot;).
Lanius musicus, Uaffl. Trans. Linn. Soc. XIH p. 507.
Tardus amoenus, Horsf. Trans. Linn. Soc. XIH p. 147.
Copsijchus mindanensis, Bp. Consp. G. Av. 1 p. 267.â Berust. Journ. f. Orn. 18159 p. 198 ; 1S6Ã. p. 270. â Salv. Ucc. di Horn, p. 24;J. â Vordebman. Bal. Vog. Nat. Tijds. v. N. 1. Dl. XLVI p. 66.
Copsijchus musicus, Salvad. Ucc. Sumalra p. 2,36.
Inl. naam: Moer ai.
Hab. Siam, Burmah, Philippijnen, Malaklca, Sumatra , Java , Borneo, lïiliMon, fflcndanau.
Van dezen op Batavia welbekenden luin-vogel verkreeg ik op Billiton ö exemplaren, waarvan twee Ie Tandjonfj Pandanen één te Ambalong. Ook op hel nabij gelegen eiland Memhmau observeerde ik dien vogel in de nabijheid van bel kusllicht-elablissement le Ajer Lantjoer.
Fam. Sturnidae.
73. CAL0RN1S CHALYBAEA [Horsf.J.
Turdus chalybaeus, Horsf. Trans. Linn. Soc. Xlü p. 148 (5)-
Turdus strigalus, Horsf. ibid (9)-
Lanius insidiator, Baffl. oj». cil. p. 507.
498
Lamprotoniis cantor, Temm. (nee. Gm.) Planch. Col. 14a.
Calornis panayensis, Mottl. on Dillw, (nee. Scop.) Coul. t. Nat. Hist. Lab. p. 24.
Calornis chali/baca, Salvad. Ucc. di Boni. p. 271. â Ibiü. Ucc. di Sumatra p. 258. â Vordebma.n Bat. Vog. Nat. Tijds. N. Ind. XLI1I p. 189.
Inl. naam: Perling.
Hab. Malakka, Sumatra, Java, Borneo, Lahocan, Billlton.
Deze vogel is zeer algemeen verbreid. Ik zag bij Lilangan in eene licus-soorl, die vol vruchten was, een troep van minstens honderd individu's neerstrijken en de andere aanwezige vogels verjagen.
74, GRACÃLA JAVANENSIS [Osb.].
Conus javanensis, Osbeck , lier. p. 102.
Eulahes religiora, Horsf. (nee. Li.\n.) Trans. Linn. Soc. XIII p. 162.
Gracula javanensis. Bp. Consp. G. Av. I p. 422. â Schlëg. Ned. Tijds. Dierk. I p. 5. PI. I lig. 5. â Salvad. Uccelli di Born. ]». 274. â Ibid. Ucc. di Sumatra p. 258.âVobdebman Nat. Tijds. N. I. XLV.
Eulahes javanensis, G. R. Gray Hand-List II p. 18.
Inl. naam: Tiong.
Hab. Malakka, Nicoharen, Sumnlra. Banka, Borneo, Lahoean. Java, Billlton, Mendanau.
De béo is zeer algemeen op Büliton. Overal kan men, zoowel op de hoofdplaats als in de hosschen van het binnenland, het geroep tiong waarnemen, waarnaar de Billiloneezen den vogel genoemd hebben. Ik bezit de huiden van 6 exemplaren in mijne collectie. Ook op het eiland Mendanau is het een veelvuldig voorkomende vogel.
499
Fam. Oriolidae.
75. 0r10lus indicus [Bniss.].
Oriolus indicus, Briss. Orn. II p. 528. â Jeru, B. of lud II p. 109. â Bi'. Consp. G. Av. I p. 548. â Salvad. Ucc. ili Born. p. 273. â Vorderman Bal. Vog. Nat. Tijils. N. I. XLII p. 79.
Broderipus indicus, G. R. Gray. Hand.-List. I p. 292.
Oriolus (jalhnla, Horsf. Trans. Linn. See. XIII.
Oriolus chinensis, Raffl. (nee. Linn.) Trans. Linn. Soe. XIII p. 505.
IIab. ludië, Ceijlon, China, Cochinclnna, Formosa, Burmah. Ma la li ka, Sumatra, Java , Borneo, Billiton.
Deze wielewaal zag ik slechts ééns Ie Tandjong Pandan.
Fam. Trkromdae.
76. treron nas1ca [Sculeg,].
Treron nasica, Schi.eg. Ned. Tijdschrift Dierk. 1 p. 67. â Ibid, op. cit. Ill p. 211. â Ibid. Mus. d. Pays Bas. Columbae p. S5. â Salvad. Ucc. di Born. p. 28o. â Ibid. Ucc. Sumatra p. 241.
Treron curviroslra, Wall. Ibis 1865 p. 520.
Toria nasica. G. R. Gray. Hand-List. II p. 222.
Inl. naam: l'oenai koenok.
IIab. Borneo, Bangka, Sumatra. Billiton.
Van deze fraaie duif, waarvan ik een exemplaar kreeg te Lilangan, bestaat eene afbeelding in het werk der Sumalra-expeditie.
Hoe goed deze ook uitgevoerd is, zoo is het jammer dat de teekenaar geen rekenschap beeft gehouden met de kleur van den bek en die der naakte huid om het oog, zooals die zich bij den levenden vogel voordoet. Deze toch is geheel anders dan op de plaat is aangegeven.
oOO
In de Lampongs cu o[) de eilandjes in de Z,«gt;/i/)o«;/-baai komt deze soorl nog al voor. Ik kreeg eens van Tel oh Belonrj eene bezending van eenige dozijnen levend in kooien. Zij verdroegen zeer goed den gevangen staal en werden niet pisang en gekookte rijst gevoerd.
De beschrijving van hot Biltilonscho exemplaar is als volgl;
Het voorste gedeelte van den bek is Napelseb geel, liet acbler-deel beider wijnrood. Van af den snavel boven den mondboek reikt eene naakte streek om en acbter bet oog, die licbl. geelgroen van kleur is. Iris oranje geel. Bovenkop grijs, van voren Hebt, van aebteren donker. Nek en zijden van de;i kop olijfgroen, waartnsscbeii bel grijs der basis van de vederen beenscbemerl. Kinvederen lieblgrijs met licblgroen gemengd. Hals en krop geelgroen. Borst en buik beider grijsgroen; midden van den buik licbt ascbgrijs, de vederen met licbl grijsgroen bewasscben. Voorste gedeelte der flanken en binnenvlakle der vleugels intens ascbgrijs; acblerbuik witacblig, aclitersl gedeelte der flanken beider groen. Vederen van de scbeen grijs met groene boordsels, waarlusscben elfen wille voorkomen. Onderste slaarldekvederen beider kaneelbruin. Mantel, voorste gedeelte van den rug eu kleine vleugeldekvederen cbocolade-bruin. in bel midden als met grijs bewasscben: acblerrug donkergroen. Sluit en bovenste slaarldekvederen licbt geelgroen. Middelste slaartpennen groen; de overige grijs, met groen bewasscben buitenvlaggen. Op de meer buitenwaarts ingeplante wordl een donkere dwarsband nabij bel acbtersle derde gedeelte gevonden. Slagpennen en groote dekvederen zwart, de binnenste der 2dt' en die den o'10 orde benevens luinne dekvederen van beider gele buitenranden voorzien die vooral bij de laatste sterk ontwikkeld zijn. Poolen wijnrood, nagels licbt boornkleurig voel zolen vuilgeel.
Afmetingen:
0,26o M.
Totale lengte
501
|
Staart ........ (),08o M. Afstand tusscheii liet uiteinde der sainengevoegdo | ||||||||||||||||||||||||||||||
|
77. TRERON VERNANS. [Lio.].
CuluHiba vernans, IIorsf. Trans. Linn. Soc. XIII p. 482-l'iaffl. 0|l. cit. ]1. Ã18.
Treron vernans,-âSchleg, Mus l'. I!. Coluniltae |». 49 â Salvad. üccelli di Borneo p. 28(5.âVordekman 15at. Vog. Nat. Tijd. N. I. XL1I p. 89.
Ini. naam: Poenai claun.
Hab. Philippijncn, Tenasscrim, Malakka, Sumatra. Banijka Borneo, Java, Celebes, Itilliton, Hendanau.
Van deze, algemeen in het westelijk gedeelte van den archipe-. voorkomende, Treron komt ecno beschrijving voor in hol Natuurk Tijds. Ned. Ind. XL1I p. 89. â Ik verkreeg eenigc exemplaren te Billiton nabij du kampong Lilantjan en één te Ajer L'mijner op het eiland Mendanau.
78 TRERON FULV1C0LL1S. [Wagl.J.
Columba j'ulvicollis, Schleg. Handl. Dierk 1. p. 142.
Columba einnamomea, Temm. (nee Svvain.) PI. Col. livr. O.ï,
Treron /'ulvieollis, Schleg. Mus P. B. Columbae p. 57.â Salvadori Ucc. d. Born. p. 288.
Treron lenuiroslre, üyt. Aan. Sc Mug. Nul. Hist. XVI p. 228.
Osmotreron /'ulvieollis, Bp. Consp. G. Av. II p. 14.
302
Inl. naam: Pnenai sa wang.
Hab. Malakka, Sumatra, Banglca, Borneo, Bllllton.
Van deze fraaie duif verkreeg ik te Lilangan meerdere exemplaren. Ito mannetjes zijn anders gekleurd dan de wijljes doch de soort onderscheidt zich door den voor een Treron kleinen bek.
Beschrijving van een mannelijk exemplaar:
De betrekkelijk kleine bek is voor de voorste helft groengeel en voor de achterste wijnrood gekleurd, üe ooglidranden zijn oranje en de iris, voor zooverre die bij bet pas gedoode individu is waar te nemen (niet twee kleurig) lichtkarmijn. Kop, nek en hals helder kaneelbruin, dat naar achteren op den mantel en de bovenste kleine vleugeldekvedereu eerst in eene grijsachtige wijnkleur en verderop in chocolade-bruin overgaat doch dat naar voren aan de okergele kropvlek grenst. Borst en midden van den buik licht grijsgroen. Flanken, onderste vleugeldekvederen en de binnenvlakte van den vleugel helder aschgrijs. Vederen van de schenen groen met breede gele boordsels; die welke rondom den anus zijn ingeplant licht iieelvvit. Onderste staartdekvederen licht kaneelbruin. Pooten wijnrood. Rug grijs, sluit en bovenste staartdekvederen groenachtig. üe middelste staartpennen zijn groen, de overige grijszwart met lichtgrijze uiteinden. Het gedeelte van iedere staartpen, dal in gevouwen staat aan het licht is blootgesteld, is als met groen bewasschen. De groole buitenste vleugeldekvederen zijn zwart met lichtgele buitenranden. Alula zwart, slagpennen zwart, die der ^2lt;l', orde niet lichtgelen rand aan de builenvlag. Verlengde schoudervederen, voor zooverre zij blootleggen groen.
Van het wijfje ziju de bek. pooten, oogleden en iris gelijk aan die van hel mannetje.
Hel vederkleed echter verschilt, doordien de voorheerschende kleur groen is.
Bovenkop grijs; zijden van den hals, de wangen, kin, keel,
505
teugels en krop licht grasgroen. Midden van de borst licht groengeel, min ol' meer stroogeel naderend. Flanken en binnenvlakte der vleugels helder aschgrijs. Zijden van de borst groenachtig, achterste flankvederen mei breede witte boordsels, vederen van den huik witachtig; die der schenen zwavelgeel. Onderste staartdekvederen groen met breede wille zoomen.
Nek, mantel, kleine bovenste vleugeldekvederen, rug, stuit en bovenste staartdekvederen donkergroen; het midden van den rug echter als met grijs bewasschen. Middelste staartpennen donkergroen, de overige grootendeels grijs met zwarten dwars-band nabij het uiteinde,, doch overigens aan de buiteuvlaggen groen. Slagpennen met hare dekvederen als hij het mannetje.
Afmetingen:
Mannetje. Wijfje.
Totale lengte..........0.270 M. 0.265 M.
Staart ...... 0.085 â¢gt; 0.080 »
Afstand tusschen hel uiteinde dei-samengevoegde vleugelpunten en dat
van den staart .... 0,055 » 0.050 »
Vleugel . . 0,150 » 0.145 »
Vlucht ..... 0,465 â¢gt; 0,440 gt;â¢
Lengte der mondopening . . 0,018 » 0,018 »
Mondwijdte .... 0,010 » 0,009 »
Hoogte van den hek aan de basis . 0,008 « 0,007 »
Duimen rostri . . . 0,015 » 0,015 »
Tarsus ..... 0,020 » 0,019 n
Middelloon met nagel . 0,025 ⢠0,024 »
Achtertoon » id. . . 0,019 » 0,017 »
79. PT1LOROPÃS JAMBU. FGmel.].
Columhu jamha, »Gm.quot; Raffl. Trans. Linn. Soc. XIII p. .quot;10 â Schlkg. Hand. Dierk. p. 411.
Ptilonopus jambu, Blyth. Cat. B. Mus A. S. B. p. 250.â Sal VAD. ücc. di Born. p. 289.
Ã04
Rhamphicidus jamtm, Bp. Coiis|). G Av [I p. 17.
I'lilopus jambu, Sc.iilkg. Mus. P. R. Columbae |». 56.
Inl. naam: l'oenai djamhoe.
[[ai; . Mala k!ia. Sumatra, Bang ka . Borneo, l'hilippijnen . Billiton.
Van deze fraaie jullmluil' werd één exemplaar le Dendang gescholen.
Beschrijving:
Alle hovendeelen van nek en romp fraai groen gekleurd. De vederen daar Ier plaatse liezillcn in meerdere of mindere male ffoud'rlanzende boorden. Ook de hnilensle vleugeldek-
o o
vederen verloonen die kleuren.
Ter zijde van den lials en van de flanken is hel groen scherp afgescheiden van hel wil der onderdeelen. Hel voorsle gedeelte van den kop is, uitgezonderd de zwarte kin, Iraai karmijnrood: hel lithl.sl getint van boven het donkerst van onderen. Hel wil van de horst zei zich lusschen helgroen van den nek en hel rood der wangen als eeu smalle ring tol aan den voornek voort. Onderdeelen wil; de uileinden der vederen zijn als mei eene lichlgele okerlinl hewasschen. Op den krop wordt eene licht rosé gekleurde vlek aangetroffen, wier randen geleidelijk in hel omringende geelwit overgaan. De vedertjes van de Imitenvlakle der schenen zijn groen gekleurd, die van den binnenkant wilachlig. Onderste staartdekvederen iicblkaslanje bruin.
De kleinste hiuncnslevleugcldekvederen zijn fraai bronsgroen, de overigen donker grijsachtig evenals de binnenvlakte der vleugels.
Slagpennen zwarl, voor zooverre zij bij den gevouwen vleugel niel aan hel licht zijn bloolgesleld Overigens hezillen zij de groene kleur der hovendeelen, die door middel van een fraai staalblauw in hel zvvarl overgaat. Slaarlpemien grijs : voor zooverre zij aan het licht zijn bloolgesleld echler goud glanzend groen. Bek oranje kleurig.
rgt;05
Pooten donker karmijn mei hoornklcnrige nagels. Iris !io!-iler brnin mei eenen liciileren binnenrand. Ooglidranden en de mj uitgebreide kale streek om liel oog zeer licht blauw, hei-geen bij de overige kleuren eene eigenaardige idiysionomie aan den vogel geel'l
Afmetingen :
0.250 M.
0.085 »
0.054 »
0.129 »
0.405 ..
0.023 ..
O.OOÃ ..
0,011 ..
0.017 »
0.01G » 0,025
0.016 »
Totale lengte.......
Staart ........
Afstand tussclien het uiteinde der samengcvnp^de vleugels en dal van den staart Vleugel .......
Vlucht .....
Lengte der mondopening Hoogte van den bek aan de basis .Mondwijdte ......
duimen rostri ......
Tarsus .......
Middelloon met nagel. . â . . Achtertoon » id.
8(1. CARPOPHAGA AENEA . Lixn.
Columhrt aenen. Livn . S. N. 1 p. 285. n0. 22. _Temm.
en Knip. Pig. I p|. 3. âHorsf. Trans. Linn Soc. XIII p 184. â Kaffl. op cit. p. 510.
Carpophaga aenea, Br. Consp. G. Av. II p. 52. â Sciileg . Ned. Tijdschr. Dierk. 111 p. 196â197. â ihid. .Mus. l'. li. Columbae p. 85.âSalvad. Ucc. di Horn. p. 290 Vobderman' Bal. Vog. Nat. Tijdschr. N. I. \LIV p 226.
lui. naam; Per gum .
Hab. Malakka. Sumatra, Hang/.u, Java, llorneo, La I mm n
Lombok. Florcs , Sumhawa , f'hilippijtifn . Ft and a, Bliliton . .Wendanaii,
306
Van deze. algemeen over den archipel verbreide soort werden vele exemplaren aangetroffen in de kampongs Baloe Penjoe en Djancjkar Asem. Zij waren daar tegelijk met Carpophaga bicolor op vruchlboomen door middel van vogellijm gevangen en zaten onder de afdaken der inlandsche huizen vastgebonden. Tot de vangst dient een tamme lokvogel.
De pas gevangen schuwe vogels worden op eene eigenaardige manier getemd en wel doordien men de schaft van eene uitgetrokken slag- of staartpen boven de oogleden dwars in de oogholte steekt tol dat zij hel dunne bcenige septum der oogholte doorboord heeft en aan de andere zijde boven het oog naar buiten steekt. De vogels zijn daardoor genoodzaakt de oogleden te sluiten en zien dus niet de nabijheid van personen of voorwerpen die hen anders zoude doen opvliegen
De beschrijving van een te Beganloeng gescholen individu is als volgt;
Voorhoofdsvederen witachtig. Kop, onderdeelen, bals en binnenste vleugeldekvederen asebgrijs met eene wijnroode tint als bewasschen, hetgeen vooral uitkomt op den kop. Onderste staarldekvederen donkerbruin. Rug, mantel en buitenste vleugeldekvederen groen met koperkleur gemengd, zoodanig dat op den schouder en de stuit de koperglans voorheerscht. Bovenste staarldekvederen groen met goudachtig gebronsde randen.^
Slagpennen donkergrijs; voor zooverre zij aan het iichl zijn blootgesteld echter lichtgrijs. Die der orde komen in kleurspeling met de bovenste staarldekvederen overeen. Middelste staartpennen zwart, de overigen donkergrijs met goudgroene zijden. Binnenvlakte der slagpennen bruingrijs. Ondervlakte der staartpennen grijszwart; die der buitensten bruingrijs.
Oogleden wijnrood Iris bruin. Bek loodblauw. Bovendeel der bovenkaak tol even voorbij de neusgaten wijnkleurig. De stevige poolen zijn wijnkleurig, de voetzolen licht okergeel en de nagels hoornkleurig. Tarsi van boven bevederd.
507
Afmetingen:
Tolale lengte............0,430 M.
Slaarl........0,156 »
Afstand tussclien liet uiteinde der samengevoegde
vieugelpuntcn en dat van den staart . ü.082 »
Vleugel ............0,230 »
Vlucht........0,750 »
Mondvvijdte ....... 0,015 »
Hoogte van den Iiek aan de hasis . . . 0,009 »
Lengte der inondopening .... 0,034 »
Culnien rostri ...... 0,025 »
Tarsus..............0,025 »
!\liddeltoon met nagel ..... 0,045 »
Achterloon » id. . 0,027 »
Grootste breedte der voetzool .... 0,017 »
81. CARPOPHAGA BICOLOR [Scop-].
Cohanba hicolor, Scop. Del. Flor. Faun. Insuli. II p. 94.
Coluniha lilloralis, Temm. en Knip. Pigeons 1 t. 7.
Carpophaga hicolor, Schleg. Ned. Tijds. Dierk. III p. 203,
205, 243. â Salvadori, Ucc. di Borneo p. 292--Vordekmax,
Bat. Vog. Nat. Tijds. v. IN. I. Dl. XLVII p. 2^7.
Carpophaga lucluosa, Mott. amp; üillw. (nee Reikw) Cont. Nal. Hist. Lab. p. 31.
Myrislicivora hicolor, Bp. Consp. G. Av. II p. 30.
Hab. Nicohareu, Malakka, Ranglca, Java, Eiland Edam, Horneo, Sumatra, Lahoean, Soeloe-archipcl, Siam, Sanghir , Celebes, Roeree, Ccram, Amhuina, flalmaheira, Raljan, Moor, Mohr. Mareh, Morotui, Ohi, Salwalle, Misool, Nieuw-Guinea, Aroe-eilanden , Kcrj-eilanden, Mn lobelia, Monavolka, Goram, Bllliton.
Verscheidene levende individu's van deze groote witte duif werden aangekocht in de kampong Djangkar Asem hij Ganloeng,
Ã08
F am. couimbidae.
82. spilopelia t1grina [temm.].
Colurnba ligrina, Temm. en Kmp Pig. 43. â Sc.hlkg. Hand.
Dierk. I p 404. ^
Turlnr chinenm, Up. Consp. b. Av. 11 p. Go-
Turtur ligrina. Wem. Columbar. p. 62 sp. 167 ( 246 lig.
X gt;VurtiiS li(mgt;ius, Schleg. Mus. V. B. Columbae p. 127. â Yorderman Bal. Vog. Nat. Fijds. N. I. XLI\ p. 228.
Spilopclia ligrina, Salvadori. Uccelli di Borneo p. 196.
Inl. naan*: Tekoehoer.
Hab. Malakka, Sumatra . I'oeloe Bras , Bangka , Java. Borneo. Laboean , Lombok, Surnhaiva, Flor es, Timor, Well er, Kisser, Letli, Celebes. Amboina , Halma Iie.ira. Tern ale, Bllllton
Deze algemeen in den archipel levende duif komt ook op BillUon voor, niet veelvuldig en nabij de ladangs. Hoogst zelden hoorl men in de dorpen hel welbekende geluid van dezen vogel dal voor de Javaansche dessa's zoo kenmerkend is.
Fam. Gouridae.
83 chalcophaps 1nd1ca [linn.i.
Colurnba indica, Linn. S. iS. I. p. 284.
Colurnba javanica, Horsf. Trans. Linn. Soc. Xlll p. Chalconhaps indica, .Terd. B. of I. Ill p- 484. -âSchleg. Mus. P. B. Columbae p. 145. â Salvadori, Uccelli di Borneo p. 299. â Vouderman Bal. Vog. Nat. Tijds. N. I. XLI1 p. 228. Chalcophaps javanica. Bp. Consp. G. Av. II p. 91.
Inl. naam; Limbokan.
Hab. Indië, Ceylon, Arakan, Burmah, Hainan, Malakka Sumalra, Bangka, Java, Borneo, Laboean, Philippijnen, Sanghir Soela, Boeroe, Ceram, Amboina, Haroekoe, Celebes, Timor Nicobaren, Itlllltou.
Ã09
Deze fraaie bronsduif komt nog al veel op Billilon voor, Eene beschrijving van een le Batavia gevangen exemplaar treft men aan in bet Natuurk. Tijds. v. N. Indië. Deel XLH p. 2:28.
84. CALLOENAS N1C0BAR1CA [Lixx.].
Columba nicoharica, L. Edw. 15. [il. 339.
Caloenas nic-harica, G. 11. Gray. Hand-List. il p. 240
Caloenas youldiue. Id. Hand-List. II p 146 van 9440.
Calloenas nicoharica, Schleg. Mus. P. 15. Coiunibae p. 170.â Vorderman Nat. Tijds. N. I. XLVIII p. 149.
Inl. naam. Uoeroeng djoenai.
Hab. Nicoharcit. AnJamun-eilanden. Philippijnen . Mergui-archipcl. eilandjes in Straat Malahka, Laboean, Karimon-Djawa archipel, Kangean archipel, Ilalmaheira , Coram, Misoo!, Sahvalli-Ohi, Me foor, Soek, Jobo, Nieuw-Guinea, eiland Noonhvachter in de Java zee. Poeloe Lima bij Bllllton.
Deze duif komt niet voor op Billilon docb wel op eenige kleine eilandjes die nabij de knst liggen, o. a. op do Poeloe Lima in de Ga.iperslraat. De groole eilanden worden door haar vermeden en slechts die kleine eilanden, waar geen kleine roofdieren of apen inheemsch zijn, kiest zij uit tot verblijf en broeiplaats.
Beschrijving van een op Billilon gekocht individu.
Kop, nek en hals zwart met blauwgrijs bewasschen. Borst, buik, flanken en binnenste vleugeldekvederen zwart met slaal-blauwen metaalglans, waartusschen vooral op de borst een groene gloed komt. Vederen van den nek en de zijden van den hals puntig verlengd, goudgroen en indigo blauw glanzend naar gelang van hel opvallend licht. Alle bovendeelen van den romp . de puntige kleine buitenste vleugeldekvederen en de slagpennen der S'1quot; orde groen mei goudglans, waartusschen hier entlaar staalblauw.
510
Slagpennen en groole dekvederen zwart mei slaalWaawen metaalglans aan do luiilenvlaggen.
Slaarlpennen en onderste staarldekvederen zuiver wil.
Aclitor op don bek onlwikkoll zicli soms eenknoldiol. Hek zwarl.
Iris hruingrijs. Poolen lila. nagels en voelzolon vuilwil. Al'iuelingen ;
Totale lengte......
Staart.......
Afstand Inssclien hel uiteinde der samengevoi vleugelpunten en dal van den staart .
Vleugel.......
Vluclil.......
Lengte der mondopening . . . â¢
Mondwljdte
Hoogte van den liek aan de liasis
(duimen rostri......
Tarsus.......
Middeltoon met nagel.....
Achtertoon » id......
FAM. RoLLtLlDAE.
85 ROLLULÃS ROULOÃL [Scop.].
Telrao viridis, Raffl. Trans. Linn. Soc. XIII p. 532. Cryplonix coronalus, Temm. PI. ooi. 550,5S1. â Schleg. Hand. üierk. I p. 595.
Rollulus cristalus, G. IV Gray. Lisl. spec. li. Brit. Mus. \ Gallinae p. 64.
Rollulus coroualus, Jerd. B. of Ind. lil p. 580.
Rollulus rouloul, Salv. Ucc. di Born. p. 509.
Inl. naam; Siauw.
Hab. Malaklcit, Sumalra, Borneo, Blllltoii.
Van deze fraaie patrijs-soorl werden mij Ie Lilangan her-
0.080 gt;â¢
0,008 â¢gt;
0,225 »
0,759 »
0,035 »
0,014 «
0,011 »
0,026 .gt;
0,044 »
0,046 »
0.052 »
oil
liaaldelijk levende individu's aangebraclil, die door de inlanders in hel boscli gestrikt waren. Aan de poolen gebonden maakte zij hetzelfde pieperige geluid als vastgebonden jongejiippeii en waren eer schuw dan kwaadaardig, zooals dit met de levende Ixos en Tcrsiphonequot;s bet geval was, die terzelfder lijd gevangen waren.
Het vederkleed van het mannetje is als volgt:
Kop, nek en hals met glinmiend zwarte vedertjes bekleed.
Op het midden van het voorhoofd ontspringt een 8 tal vedertjes die reeds bij hunne basis in eene stijve fijne zwarte schaft ontaarden en zich als een stijl haar schuins naar achteren tot aan het voorste uiteinde der achterhoofdskirf uitstrekken. Zij bereiken eene lengte van 0.04;; M. Dwars over den hoven-kop loopt een witte hand. rechthoekig begrensd, en daarachter zijn de vederen tot eene platte groote rechtopstaande kuif verlengd, die bij bet wijfje gemist wordt. De kleur dier kuif is kastanje bruin. Mantel, rug, stuit en bovenste staart-dekvederen donkergroen met staalblauw dooreengeniengd, doch zoodanig dal de laatste kleur meer op de voorste deelen predomineert, terwijl het groen bij den staart het best uitkomt.
Schoudervederen bruin met paarsen gloed. Onderst gedeelte van den romp en de flanken zwart, op de borst en den krop met blauwen metaalgloed. Slagpennen sepia, die der t'-en 2corde met roestbruine donker bespikkelde buitenvlaggen. die der 5(le orde effen gekleurd.
De groote buitenste vleugeldekvederen zijn sepia met roestbruine uiteinden, evenzoo de alula. Kleine vleugeldekvederen donker van Dyck-hruin. Vleugels van binnen grijs. Staart-pennen zwart. De poolen zijn fraai koraalrood dat zich ook op de voetzolen uitstrekt. De nagel van den achtertoon is rudimentair.
Voorste gedeelte van den bek en de snavelrug zwart; overig gedeelle bloedrood. Om het oog, dat eene bruingrijze iris heeft, staat een krans van bloedroode straalsgewijs geribde uitgroeisels van de oogleden, juist als eene cocarde. Achter hel oog is een roode wrattige kale plek.
312
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
de harige uilgroeisels op liel voorhoofd doch deze zijn kleiner en zoowel de wille dwarshand als de roode kuif worden geinisl. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bij een jong exemplaar, dal mij werd aangebrachl, waren de kopvederen bruin en donzig. De bek was van voren bruinen van acbleren bloedrood. Iris donkergrijs. Borst donkergroen : enkele nog niel verwisselde vederen van hel neslkleed verloonden bruine uileinden. Buik . Ilanken en schenen grijs. INek, man lel, rug en sluil donkergroen. Bovensle vleugeldekvederen donkerbruin mei wilachlige vlekjes aan de uileinden. Slagpennen der 3quot; orde van-Dyck-bruin, die der 1quot; cn 2'orde hadden de builenvlag lichlbruin mei grijs bespikkeld; de binnen-vlag lichlbislre. Evenzoo de groole vleugeldekvederen van de slagpennen der 1° orde, benevens de alula vederen. Slaarl-pennen zwarlachlig. l'oolen koraalrood.
Fam. Perdicidae.
86. AREOTÃRNiX PLUMB1PES [Hoogs ].
Turnix plwnhipes, Hodgs. I$eii}:. spoi l Mag. 1857 p. ö4o.
Tarnii. oceUahin, Scop. Jerii. li. ol' Ind.
lui. naam: l'oejo.
Har. Uimalaja , Asam , Bunnah , Tenasserim, Maluklca , Blllifon.
Van dezen k war lel verkreeg ik één exemplaar in de grasvlakte van den noordelijken voel van hel Tad/Vm-gebergle.
Beschrijving:
De vederljes van den hovenkop zijn zwarlachlig mei lichle grijshruine zoonipjes, zoodal zij zich als geschubd voordoen, en in hel midden van den kop in overlangsche richliug iels lichter getint. Vederkleed van mantel en rug grijs-umberkleurig met zeer lijne donkere puntjes bespikkeld, waarlusschen elfen zwarte vlekken, die grooler worden naarmate zij meer nabij de sluil zijn, geplaatst. Die zwarte vlekken betreffen het uileinde van eene veder en zijn door rosachtige fijne zoompjes van achlcren begrensd en ter zijde aan den buitenkant van een lichl isabelle randje voorzien. Builensle dokvederen van den vleugel zeer ontwikkeld, isabellakleurig mei één ol twee ovale of nagenoeg ronde groote zwarte vlekken, Scapulairvederen rosachtig met zwarl geaderd, dal vooral op de builen vlag ontwikkeld is en daar Ier plaatse door eenen Isabella kleurigen buitenrand is afgezet. Slaarlpennen zwarl mei harige Isabella randzoo-inen. Slagpennen sepia, vleugelrand isabella. Vederen van de zijden van kop en keel grijsachtig mei witte punljes, die van krop. borst en flanken zwart met isabella harige zoompjes welke op de borst meer eene roeslkleur krijgen. De krop doel zich dientengevolge meer dwarsgestreept voor terwijl het zwart der borslvederen, vooral der achterste, meer als ronde vlekken uitkomt. Buik en onderste slaartdekvedereii kaneel-
312
|
A line tin gen : | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hel wijije is minder Iraai dan hel mannetje. Het liezil ook de harige uitgroeisels op hel voorhoofd doch deze zijn kleiner en zoowel de wille dwarsband als de roodc kuif worden gemist.
Bij een jong exemplaar, dal mij werd aangebracht, waren de kopvederen bruin en donzig, üc bek was van voren bruin en van achteren bloedrood. Iris donkergrijs. Borsl donkergroen . enkele nog niel verwisselde vederen van hel nestkleed verloonden bruine uiteinden. Buik . ilaiiken en schenen grijs. Nek, mantel. rug en stuit, donkergroen. Bovenste vleugeldekvederen donkerbruin met wilachlige vlekjes aan de uileinden. Slagpennen der ö1' orde van-Dyck-bruin, die der 1' en 2' orde hadden de builenvlag lichtbruin mei grijs bespikkeld ; de binnen-vlag licblbislre. Evenzoo de groole vleugeldekvederen van de slagpennen der 1° orde, iienevens de alula vederen. Staart-pennen zwartachtig. Poolen koraalrood.
513
Fam. Peröic.idak.
86. ARE0TURN1X PLUMB1PES [Hoüüs J.
Turnix plwnbipes, Hodgs. Beti},'. sport Mag. I8igt;7 p. Ã4K.
Tm â¢nii ocellalus, Scor. Jerd. 15. oi' Ind.
lui. naam: Poejo.
Har. Himalaja , Asam , Bnrmah , Tenassct im , Malnkka , Billlton.
Van dezen kwartel verkreeg ik één exemplaar in de grasvlakte van den noordelijken voel van hel /W/V//i-gel»ergte.
Beschrijving:
üe vedertjes van den hovenkop zijn zwartachtig met lichte grijsbruine zoompjes, zoodat zij zich als geschubd voordoen, en in hel midden van den kop in overlangsche richting iels lichter getint. Vederkleed van mantel en rug grijs-umberkleurig met zeer lijne donkere punljes bespikkeld, waartusschen effen zwarte vlekken, die grooter worden naarmate zij meer nabij de stuit zijn. geplaatst. Die zwarte vlekken betreffen het uiteinde van eene veder en zijn door rosachtige fijne zoompjes van achteren begrensd en ter zijde aan den buitenkant van een licht isabelle randje voorzien. Buitenste dekvederen van den vleugel zeer ontwikkeld, isabellakleurig met één olquot; twee ovale ol nagenoeg ronde groote zwarte vlekken. Scapulairvederen rosachtig niet zwart geaderd, dat vooral op de buitenvlag ontwikkeld is en daar Ier plaatse door eenen Isabella kleurigen buitenrand is afgezet. Staartpennen zwart met harige Isabella randzoo-men. Slagpennen sepia, vleugelrand Isabella. Vederen van de zijden van kop en keel grijsachtig met witte puntjes, die van krop. borst en flanken zwart met Isabella harige zoompjes welke op de borst meer eene roestkleur krijgen. De krop doet zich dientengevolge meer dwarsgestreept voor terwijl hel zwart der borstvederen, vooral der achterste, meer als ronde vlekken uitkomt. Buik en onderste staartdekvederen kaneel-
314
bruin. Snavelrug en bek van voren donker boornkleurig, aan de basis geel. Iris licbl Napelscb geel. Pootcu loodkleurig.
| ||||||||||||||||||||
|
van Java [Arcoluvnix jUKjnnx Tkmm.) doch legl men de beide |
vogels naasl eikaar dan komt eersl het verschil goed uit ; vooral op den rug is dit merkbaar. De Javaaiische kwartel heelt daar behalve de isahella buitenrandjes van sommige vederen een vederkleed waarbij helder bruine en zwarte dwarsbandjes elkaar afwisselen, terwijl hij de Itillitonsche vogel hel grijs predomineert en enkel nabij de stuit een spoor van dwarsbandjes wordt waargenomen. Ook de zwarte vlekken op den rug mankeeren bij de Javaaiische soort. Aan do onderzijde gelijken de vogels nog het meest op elkaar maar op de borsl van A. plumbipes doel het zwart der vederen zich meer gelobd voor terwijl het bij A. pitgnox ook hier even als op den krop lot dwarsbandjes blijft.
87. EXCALFACT0R1A CH1NENS1S [LIKN.J.
Tetrao chinensis, Linn. S. N. 1. p. 277.
Colurnix excalfacloria, Tkmm. Pig. et Gall. Ill pp. Slö, 742.
Tetrao sinensis, Haffl Trans. Linn. Soc. Xlll [). 324.
Colurnix chinensis, hnn.nst. Journ. I. ornith. 1861 p. 189.â Vorderma.n 13at. Vog. Nat. Tijds N. I XLI p. 209.
Colurnix sinensis, Bonn. Ene. Method. I p. 225 pi. 96 lig. â gt;.
Excalfacloria chinensis, Jerd. li. ol Ind. lil p. »91.â Salvadori, Ucc. di Borneo p. 511.
aia
Hab. Indië, China, Formosa, Hainan, i'hüippijncn, Ceijlon. Malakka, Sumalni, Borneo, Jar a , Billitaii.
Van dil l'ruaie kwarleltje kreeg ik een mannelijk exeni|,laar in de graspadang van den Noordelijken voet van hel Tadjem-ge berg le.
Kam. Glauuuliuak.
88 GLAREOLA ISABELLA [Vieili.oi. .
Glareu/a Isabella, Vikill. Nouv. Did. XIII p, 221. â Salvadobi. Uccelli di liDrneo p. 320.
Glareola grallaria, Tkmm. Man. d'Oi'ii. II p. a05. âSchleg. Mus. P. I!. Cursores p. 18.
Glareola auslralis, Lkach. Trans Linn. Soc. XIII p. 132 pl. 14 f. 1 , 2.
Slillia (/railaria. G. I!. Ubay. Hand-List. Ill p. 18 sp. 10052.
Hab. Anslraiir, Nieutv-Guinea, Ohi. /'lores , Jura, Celebes, Borneo, KillUoii.
Deze zwaluwsnip komt in den oost moesson veelvuldig voor op de liij eb drooggeloopene zaïidslrooken van de zeeoevers bij Tandjonfi l'andan.
Beschrijving:
Vederen van den hoveukop bistre mei Isabella zoomen , zoo-dal zij zich als geschubd voordoen; die van den nek, mantel en rug zoomede de verlengde schoudervederen en de buitenste vleugeldekvederen eveneens, doch zoodanig dal de grondkleur lichtbislre is en de randen min of meer rosachtig zijn. Bovenste en onderste staarldekvederen zoomede de achterbuik sneeuwwit. Zijden van den kop Isabella met donkere schalt-streepjes; kin witachtig. Een breede gordel van vederen die licht bistre zijn mei harige isbella zoomen loopt dwars over den krop Borsl wil ; flanken envoorbuik donker kastanjebruin.
iilti
Op ilen Imilengewoon scheritcn vleugel verlooue» zich in uit-gesjireiden loeslcind, lieliulve tic Itovciivernielde vedcicu, de slagpennen der 1(' orde die zwarl zijn. Ook de vedel en dei alula zijn zwart maar Itezillcn bovendien een wille \lek aan dc Ijinnenvlag. De slagpennen der 2'' en 5° orde zijn egaal geelaclilig grijs mei fijne Isabella builenzoompjes.
Slaarlpennen wil mcl breeden zwarlen dwarsband. De beide middelslen eindigen in geelgrijs. Binneusle vleugel-dekvederen zwarl, doch nabij den vleugelrand donker Isabella. Poolen donkerbruin bij bel zwarl ai'. Voorste gedeelle van den bek zwarl. achterslc gedeelte donkerrood. Iris van-Dyck-brum.
Afstand van dc punt van den bek uiteinde van deu slaarl Idem lol bet uiteinde der vleugels .
Staart ..â â¢â¢â¢
Vleugel . . . ⢠â¢
Vlucbl
Mondwijdte . â¢
Hooirle van den hek aan de basis
O
Lengte der mondopening Culmen roslri . . â¢
Tarsus. . . ⢠⢠â¢
Naakt gedeelle van do scheen .
Middelloon met nagel Achterloon » id.
Fam. Scolopaciüae.
89 NUMENIUS PHAEOPÃS
Scolopax phaeoitm, Linn. S. N. 1 p- l1'.
Numenius phacojw.s, Schleo. M. P. B. Scolopaccs p. â ' Salvau. Ucc. di Borneo p 555. â Vordermax 15at. Vog. Nat Tijds. N. 1. XU11 p. 119.
Hab. Europa, Afriku, Asiè, Auslmlie, China, Formosa Japan, Inclië, Ma lak ka, Sumalra, llangka, Borneo, Java, Celebes
lol het
0,210 gt;1
. 0,278 â¢gt;
0.037 »
0,210 »
. 0,610 â¢gt;
. 0,015 »
. 0,007 â gt;
0,023 quot;
. 0.013 -gt;
0,032 »
0,024 »
. 0,027 »
O.OOO »
Lixn.].
ol 7
Morotai, Tcnialc, Baljan, Ualmaheira, Cerain, Amboina, Guébé, Waigoe, Nieuw-Guinea , Timor, Aroe-eilaiulen . Ftores, Peluw-archipel, Carolinen, Itilliton. JMendanau
Ueze vogel werd gescholen in slraal Nassi lusschen iiel eiland Mendanau en flaloc Dindinj verder op de zandplaten bij kaa|i Roe.
Fam. Aküfïdak.
90. HER0D1AS INTERMEDIA V.-Hasselt.]
Ardca intermedia, Sciileg. Mus. P. IJ. Ardeae. p. 10.ââ VohDKiiMA,\ Bal. Vog. Nat. Tijds. N. I XL11 p. 230.
Eyrella p'umifera, lie. Consp. G. Av. II p. lo.
Hcrodias egrello'ides, Jerd. 15. ol' Ind. Ill p. 74.
Herodias intermedia, G. 1». Gray. Iland-Lisl. Ill p. 28 sp. tüllü. â Salvad. Ucc. di Born. p. 548.
Had. Afrika, Azië, Australië, Indië, Ceijlon, China, Japan, Philippijnen, Sumatra, Borneo, Java. Aroe-eilanden, Key â¢eilanden , KillitoH.
Een exemplaar werd gescholen langs de Lingang-r'wmï.
91. BUTORIDES JAVAN1CA [Horsf.].
Ardea javanica, Hor-^f. Trans. Limi. Soc. Xlll p. 190.-Schleg. iVius P. B. Ardeae p. 45. â Vorderma.n Bat. Vog. Mat. Tijds, N. 1. XL1I p. 251.
Butorides javanica, Jeri». B. ol' Ind. lil p. 7o2. Salvai». Ucc. di Born. p. 2SI.
Inl. naam : Boel jan .
Hab. Indië. Ceylon, A moer. China. Formosa, Japan. Mco-baren, Phüippynen, Sumatra, Ba wean, Bang/ia, Java, Borneo, Laboean, Celebes, Amboina, Ceram, Ualmaheira, Tulore, Morotai, Timor, F lor es, JSieuw-Guinea, Aroe-eilanden, Australië, Nieuw-Caledonie, Viti-at chipel, Tahiti. IlillUon
618
Van tlil over geheel oostelijk Azië, tien archipel en Oceanic verbreide reigertje werden herluuildelijk nabij hel zeestrand Ie Tandjong l'aiulan en te Dendang exemplaren gescholen.
Fam. Cico.miuak.
92 leptopt1los j4vanicus [hobsf.].
Cicünia jiivtuiica, Horsf. 1 rans. Linn. Soc. Xlü p. 188 Cicouia capillala , 1i:mm. PI- ^ol. 31 i.
My cl er ia javamca, Sciileg. Mus. 1*. R. Cicomae p. Igt;.
Arqala jnvanica. l!r. Comp. (gt; A. II p. 108.
Levloplilos jauaniens: Salv. Ucc. di Borneo p. 5o8. - Voroebm. Bal. Vog. Mal. Tijds. v. N. 1. Dl. Mgt;lll P 240.
Inl. naam: Hanga.
ii ab. Indië, Ceylon, Atakan . Haitian. Malakka. Sumalin , â lava, Homeo, Billiton.
Deze soort werd aangetrollen quot;p de zandbanken voorl ij Kaap Roe.
Kam. Pelkca.muak.
93 fregat a attuila [LLNR.J
l'eleeaniis agudus, Linn. S, A' I p. 226.
Freqala aquila, Schleg. Mus. I'. B. I'elecam p. 2. Vordebm. Bal. Vog. Nat. Tijds. v. N. I. Dl. XLII p. 125. â Salvad. Ucc. Born. p. ö6i.
Taehypeles aijuilus, Vieii.l. Gould Hand. Vög^Austral. 11 p. 6Sb. Aüagen aquilus, .Ierh. H of Ind. Ill p. I3.gt;.
Inl. naam; Hienlnjong.
Had, Kusten van de tropische zeeën van ilmen'Aa ,
Azië en Afrika, Ceylon, Hiai van Bengalen , Km! van Malahar, Cocos-eilanden, Suimlra , Jaeu, eiland iSoordivachler in de Java-zee, Halmabeira, Huljan, vele tropische eilanden inden stillen Oceaan. «illiton.
r.i9
Oo groote fregatvogel, die cosmopoliet hij uitnemendheid. werd langs de kust van Billüon en Mendannii waargenomen.
Ãp het eilandje Lanykwas hrengl liij in groeten getale den nacht door, ook op andere kleine eilandjes rondom fiiltiloii moet dit het geval zijn . doch nog nooit hebben de Sekah's die de omliggende eilanden bezoeken, een nestelend paar gevonden. Dil gaf aanleiding tol hel ontstaan van een volksgeloof. Zij meenen namelijk dal de fregatvogel zoo huilengewoon hoog vliegt dat hij zijn ei in de lucht laat vallen, en dat hel ei, al vallende, van zelf uitbroeit zoodat hel. voor dal hel de zee hereikt, reeds in eenen vogel veranderd is.
Batavia, November 1889.
*) Keu eigenaardig zeevarend volk dal in prauwi'n Mil eu zich langs Billilon ophoudt.
INHOUD.
Palacornis longicauda Pyrotrogon duvaucelli . Chotorea versicolor Callolophus malaccensis . Meiglyptes lukki Micropternus brachyurus,
Sasia abnormis Rhopodyles sumatranus .
Alcedo meninting .
Caridagrus concretus Eurylaemus javanicus Eurylaemus ochromelas . Cymborhynchus macrorhynchus Carprimulgus concretus . Dendrochelidon longipennis (juv.) Terpsiphone alïïnis.
Pericocrotus ardens Irena cyanea.
Hyloterpe brunneicauda . Prionochilus Ihoracicus . Prionochilus maculatus . Dicacum trigonosligma . Nectarophila hasseltii Chalcoparia singalensis .
lora viridissima Phyllornis sonneratii Phyllornis icterocephala . Pyenonotus pusillus Jole olivacea.
Criniger phaeocephalus . Mixornis gularis .
Cyanoderma erythroplerum
i n o u D.
Macronus plilosus . . . Bladz'
Dryraocataphus nigricapillatus. .
Brachypteryx malaccensis . . quot; '
TiUa cucullata . . ' ' ^
Ortlioloinus borneoensis . ^0^'
ünhotomus citieraceus . . ⢠⢠⢠491.
Ortlioloraus ruficeps . quot;
Orlliotomus flavoviridis . . â¢â¢â¢493.
Treron nasica . . quot; ' ' ^'
Treron fulvicoilis . . ⢠⢠⢠⢠499.
1'tilonopus jambu . ⢠⢠⢠501.
Carpophaga aenea . quot; 503â¢
Dalloenas nicobarica . . 505.
Rollulus rouloul . . ' ⢠â - 509.
Areoturnix plurabipes . . quot; ' '
Glareola isabella . quot; ' ⢠⢠⢠513.
- 515.