ocr page 1

REDEVOERING

UITGESPROKEN

JVC^. ZEI. J- Pï A. Ivl ^ K S R

ALGEMEENE VERGADERING

üTiii mm

Kunsten en Wetenschappen,

aehouden den 2 Juli 1890

u t r e c h t ,

Firma L. E. BOSCH amp; ZOON. 1890.

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

i (

'amp;■ -v. ■

ocr page 5

OC ^j ^

REDEVOERING

UITGESPROKEN

ü. Jquot;, n -A. nvn k: e r.

ALGEMEENE VERGADERING

rTi

Kunsten en Wetenschappen,

gehouden den 2 Juli 1890.

.^'rjvx

' ïV-jkvto--. iH

, r-' ■ ■ ^

U T R ECHT,

1?IKMA L. E. BOSCH amp; ZOON. 1890.

ocr page 6
ocr page 7

MIJNE HEEREN !

Gij herinnert U het bericht dat onlangs, in liet begin van Februari, de dagbladen ons brachten. Do Keizer van Duitscliland had , zoo werd ons gemeld, in een schrijven aan Prins Bismarck zijn voornemen te kennen gegeven om , in de eerste plaats de regeeringen van Frankrijk, Engeland, Belgio en Zwitserland , maar verder ook die van do andere industrieele staten , uit te noodigen tot eene conferentie over de vraag , in hoeverre door eene internationale regeling van den arbeid aan de rechtmatige eischen der arbeiders zou kunnen worden te gemoet gekomen.

Bij dit eerste boriclit bleef het niet. Weldra vernamen wij, dat alle geraadpleegde regecringen, ook de Fransclio, de uitnoodiging hadden aangenomen , zij het dan soms mot zeker voorbehoud. Hot door de Uuitsche regeering opgemaakte programma werd ons medegedeeld ; het bleek de gewone onderwerpen van de reeds gemaakte of nog slechts ontworpen nationale wetgevingen op den arbeid te bevatten. Reeds vóór den 15dun Maart waren alle voorbereidende maatregelen afgeloopen en op dien datum werd de conferentie in de congreszaal van het paleis van den

ocr page 8

4

Rijks-kanselier te Berlijn geopend. De regeeringen van dertien landen namen er door middel van hunne deskundige gedelegeerden aan deel.

De werkzaamheden vorderden bijzonder goed : de vergadering werd het gemakkelijk eens omtrent de meest wensehelijkc regeling van een aantal onderdeelen van het vraagstuk van den arbeid. Zij formuleerde hare besluiteu als zoovele wensehen , die aan de verschillende regeeringen zouden worden medegedeeld ; eene bindende internationale overeenstemming had zij niet willen tot stand brengen. Zulk eene overeenstemming moge den keizer toen hij het initiatief nam als het nu reeds bereikbare doel van het overleg voor den geest hebben gezweefd, reeds toen de conferentie bijeen kwam stond het vast, dat men zich voorloopig met eene internationale gedachtemvisseling en een gemeenschappelijk onderzoek zou moeten tevreden stellen.

Den 29s'en Maart, veertien dagen na hare opening, werd de conferentie gesloten.

Het is aan deze gebeurtenissen M. H. dat ik wensch te ontleenen , niet het onderwerp van, maar het motief tot de redevoering, die ik, als tijdelijk voorzitter van ons genootschap, naar oud gebruik heden de eer zal hebben voor U uit te spreken.

Het feit, dat het hoofd eener machtige regeering het denkbeeld heeft uitgesproken van eene internationale regeling van den arbeid, en dat de andere regeeringen dit denkbeeld in het minst niet principieel hebben afgewezen , werpt over de internationale verhoudingen een eigenaardig licht en het blijft dit doen, ook al is de uitvoering van het denkbeeld voorloopig voor onbepaalden tijd verdaagd. Trouwens het staat niet alleen; het is niet meer dan eene bevestiging van hetgeen hij, die het internationale leven van onzen tijd met eenige aandacht gevolgd heeft, toch reeds weten kon , hiervan nl., dat de gewone

ocr page 9

5

opvatting van de wijze, waarop do menscliheid is georganiseerd , niet langer juist is, dat we, om het loven der menschhoid te begrijpen, de heersehendo theoretisch-juridische begrippen op dit punt door andere zullen hebben te vervangen.

Hetzij mij geoorloofd mijne bedoeling zoo kort mogelijk toe te lichten.

Naar de gewone voorstelling is de menscliheid een samengesteld lichaam, dat uit een aantal min of meer nauw aan elkander verbonden leden bestaat, de volken namelijk of de staten. De volken , naar do meoning van de dweepers met het nationaliteitsbeginsel, die in eene natie een door de natuur zelve ingesteld wezen zien, een wezen begaafd met een eigen wil en een eigen verstand , met eene eigene ziel in één woord. Zij stellen den eisch , dat de politieke eenheden , de staten, zich zullen vormen naar de natuurlijke eenheden, de volken, zóó, dat ieder volk zijne eigene regeering hebbe en geen volk over meerdere regeeringen verdeeld zij. Waar het anders is , daar geschiedt iets tegennatuurlijks. Want ieder volk heeft zijne eigene persoonlijkheid en de regeeringen be-hooren niets anders te zijn dan de vertegenwoordigers, waardoor die persoonlijkheden handelen, de organen, waardoor zij haren wil te kennen geven en uitvoeren. Eene regeering heeft recht van bestaan slechts dan, wanneer zij eene volkspersoonlijkheid achter zich heeft, die zij representeert.

Geheel anders zij die in de menscliheid zien een samenstel van staten. Ook zij ontkennen niet hot bestaan van nationaliteiten , al zullen zij vermoedelijk de kenmerken cener nationaliteit anders stellen, dan de daar even besproken opvatting het doet. quot;Wat zij ontkennen is, dat een volk als zoodanig een eigene persoonlijkheid hebben , een afzonderlijk wezen zijn zou. Een wezen met eene eigene

ocr page 10

6

ziel ontstaat eerst met den staat, d. i. door de aanwezigheid van eene regeering, die over een bepaald gebied cn bepaalde personen hare macht uitstrekt. Maar dan is het ook onverschillig, of die personen allen behooren tot cn te samen uitmaken óón volk, in den natuurlijken zin des woords. Een staat is een zelfstandig denkend en handelend wezen, niet omdat hij optreedt als de vertegenwoordiger van een volk, maar omdat hij is eene vereeniging van menschen, geplaatst onder het bestuur van éénzelfde hoogste gezag.

Ik verklaar mij noch voor de eene noch voor de andere meening , omdat ze beide gelijkelijk thuis hooren in de opvatting van do organisatie der menscheid, die ik bestrijd. Uit een praktisch oogpunt verdient ongetwijfeld de tweede de voorkeur. Ook zij toch , die zich angstvallig vastklampen aan het nationaliteitsbeginsel zullen moeten toestemmen , dat een volk om als denkend en handelend wezen te kunnen optreden in het bezit moet zijn van eene regeering, en dat aan den anderen kant, waar eene regeering bestaat met haar gebied en hare onderdanen, feitelijk eene persoonlijkheid aanwezig is, ook al vormen die onderdanen niet een volk in den natuurlijken zin en al is dus de toestand niet zooals hij behoorde te zijn.

Het is er mij thans slechts om te doen vast te stellen , dat naar de gangbare beschouwing de menschlieid een collectief lichaam is, bestaande uiet uit menschen maar uit volken of staten. Tusschen de afzonderlijke menschen cn de menschlieid staan de volken of staten in. Men is lid niet van de nienschhcid maar van een volk of van een staatsverband, en alleen omdat men dit laatste is, is men indirect en bij gevolgtrekking ook lid van de menschheid.

Op deze beschouwing is de gansche leer van het volken-recht gebaseerd. De staten vormen te gader een republiek, en nieuw staatsverband, waarin zij de rol vervullen ,

ocr page 11

7

die in icdcrcn staat door do menschon vervuld wordt. Binnen dien volken- of statenstaat geldt een recht, het volkenrecht, waardoor de wijze waarop de staten zich jegens elkaar hebben te gedragen wordt omschreven. Do rechten en verplichtingen uit het volkenrecht voortvloeiende zijn derhalve rechten en verplichtingen niet van de menschen maar van de staten: deze zijn er , gelijk men het noemt, de subjecten van. Het volkenrecht is de band, die de staten bijeenhoudt in de statenrepubliek; voor de enkele menschen is het niet geschreven en zij kunnen het dus ook niet overtreden: zij zijn gebonden slechts aan het recht van den staat, waartoe zij behooren.

Het is daarom verklaarbaar , dat door sommigen het bestaan van een volkenrecht wordt ontkend. Het zou zijn een recht, dat de staten bindt, maar, zegt men, iets dergelijks is onmogelijk, omdat het met het begrip van den staat strijdt. In dat begrip liggen de eigenschappen van souve-roiniteit, van volstrekte onafhankelijkheid: welnu, hoe kan een wezen, dat krachtens zijn aard absoluut vrij is, gebonden zijn aan rechtsvoorschriften? De staten kunnen zicli vrijwillig in hunne onderlinge verhoudingen naar zekere regelen gedragen, maar van een moeten kan hier geen sprake zijn. Elke staat is rechtens bevoegd de bestaande betrekkingen af to breken en de tot nog toe gevolgde handelwijze om te keeren.

Ik zog : deze redeneering is verklaarbaar; juist is ze , ook op het heerschende standpunt, niet. Terecht is opgemerkt, dat zij uit de souvereiniteit der staten meer afleidt, dan er in ligt. Die souvereiniteit beteekent niet: afwezigheid van eiken band, welken ook, maar dit, dat de eene staat onafhankelijk is van den anderen, wat in het minst niet belet, dat zjj beiden op dezelfde wijze staan onder het volkenrecht.

En niet alleen de leer van het positieve volkenrecht

ocr page 12

8

is op de boven beschreven opvatting van de organisatie der mcnschheid gebaseerd, ook de denkers, die zicli verdiepten in de vraag, hoe de bestaande internationale verhoudingen te verbeteren en de uit hare veelvuldige verstoring voortvloeijende ellenden te voorkomen zouden zijn, hielden meestal aan het denkbeeld van een volkenrepubliek vast. Zij zonnen op middelen, waardoor, bij behoud van de splitsing der menschheid in staten en volken, twisten en geschillen zouden kunnen worden voorkomen of althans zonder oorlog beslecht. Het is waar, er zijn geleerden geweest, die den wereldstaat, d. i do opheffing van élke splitsing, proclameerden, maar zij zagen hun denkbeeld meestal met zekeren spot ontvangen. Men oordeelde het in strijd met den nu eenmaal bestaanden en niet te veranderen aard der dingen, ot ten minste zoo onpraktsch , dat het beter was er geen tijd aan te vespillen.

Tot zoover de gewone voorstelling van de wijze, waarop de menschheid is georganiseerd, de voorstelling die althans bij ons juristen en in de theorie, alle beschoirwingen over algemeen-Europeesche en wereldtoestanden beheerscht. Dat zjj juist geweest is, lijdt naar ik meen geen twijfel: hoe zou zij anders hebben kunnen ontstaan en zoo algemeen zijn aangenomen? Ik ben er echter tevens diep van overtuigd, dat zij thans reeds lang niet juist meer is.

Wie thans het organisme der menschheid beschrijven wil, moet haar voorstellen, niet als eene groep, eene vereeniging, van afzonderlijke en zelfstandige samenlevingen , maar als ééne maatschappij, die zich over de gansche aarde uitstrekt. De menschheid bestaat niet uit volken of staten, die weer door raenscl\en gevormd worden, maar uit de menschen zelve. Tusschen dezen en de menschheid staat niet iets anders in. Het Christelijk ideaal: alle menschen broeders is waarheid. Wij zijn niet Nederlanders, Pranschen of Engelschen en daarom menschen ,

ocr page 13

9

maar in de eerste plaats en onmiddellijk mensclien: dat we tevens Nederlanders, Fransehen of Engelschen zijn, is iets bijkomends en toevalligs eu heeft op onze waarde, op ons lot, op onze rechten en verplichtingen, vergelijkenderwijs gesproken, slechts onbeduidenden invloed.

Zeer zeker, wij kunnen de menschen onderscheiden naar de taal, die zij spreken en naar andere geestelijke eigenschappen; wij kunnen ze verdeelen naar lichamelijke hoedanigheden van kleur en andere ; wij kunnen lijnen trekken op de kaart en de menschen aan deze zijde in de gedachte scheiden van die aan gene zijde. Doch we moeten het niet vergeten, al deze groepeeringen zijn ons werk. Zij zijn niet het constateeren van in de werkelijkheid aanwezige , gescheiden groepen van menschen, van op zich zelve staande vereenigingen, elke haar eigen leven voerende, maar bestaan slechts in onzen geest, die ze tot stand bracht door het opmerken van punten van overeenkomst en van verschil. Het zijn groepeeringen van gelijken aard als die, waardoor we do menschen onderscheiden naar den godsdienst, dien zij belijden, naar hunne adelijke of burgerlijke geboorte, naar hun beroep of bedrijf.

Het verkeer, d. w. z. datgene, dat de menschen tot één lichaam samen voegt, het cement der maatschappij, stoort zich aan die verschilpunten niet. Het overschrijdt de grenzen, niet alleen de kunstmage, die slechts op de kaart getrokken worden, maar ook de natuurlijke, al bestaan ze in hemelhooge bergen of in zeeën duizende mijlen breed. Hot is als een golfstroom, die de gansche aarde rondgaat om in zich zelf weder te keeren, of als een netwerk, dat de gansche wereld omspant.

Grelijk zulk een netwerk nergens eindigen zou , zoo heeft ook het verkeer nergens een grens. Slechts dit is waar, dat het niet gelijkmatig geknoopt is, dat de mazen hier dichter vallen dan daar.

ocr page 14

10

Ja waarlijk, do menschohjko maatschappij is één samcn-haugcnd geheel, al is haar bouw niet overal gelijk cn al is haar cemont niet op alle plaatsen oven hecht. Overal vindt men mensclielijke verhoudingen en al die verhoudingen staan, als de mazen van het net, middellijk of onmiddellijk met elkaar in verband. Do staten of volken zijn evenmin op zich zei ven staande lichamen als do standen , de beroepen en bedrijven, de gezindten hot zijn.

De menschheid één en ondeelbaar, zie daar alzoo de éénvoudige waarhe id, die zich aan ons opdringt als het ware, en die toch in de theorie der internationale verhoudingen ten eonen male wordt voorbijgezien. Zij springt in het oog wanneer men de maatschappij zelvo beschouwt en blijkt met niet minder duidelijkheid uit do wetten en instellingen der beschaafde landen. Algemeen geldt het beginsel, dat aan alle menschen zonder onderscheid van ras of woonplaats persoonlijkheid toekomt. Do menschen , die noch uit Noderlandschc ouders geboren, noch binnen Nederland gevestigd zijn, genieten hier ten naastenbij dezelfde rechten als zij , door wier aderen een smetteloos Nederlandsch bloed vlooit. Bevinden zij zich op het grondgebied des rijks, dan genieten zij voor hun persoon en hun goed, door middel van politic en justitie volmaakt dezelfde bescherming, waarop wij aanspraak hebben. Zij maken met hetzelfde recht als wij gebruik van al onze openbare instellingen, van onze land- en waterwegen , van onze havens, van onze middelen van verkeer en vervoer, van onze instellingen van wetenschap, kunst, onderwijs cn wat er meer van dien aard moge zijn. Aan den anderen kant zullen ze, bij overtreding van onze wetten , kennis maken met onze gevangenissen.

Slechts daarin staan zij bij de Nederlanders ten achter, dat zij middellijk noch onmiddellijk deel nemen aan het

ocr page 15

11

bestuur des lands; van do meeste openbare ambten zijn zij uitgesloten en zij hebben geen kiesrecht. En zelfs deze beperkingen kunnen zij doen wegvallen , indien zij , do vereischten daartoe bezittende , zich onderwerpen aan do formaliteiten van eone naturalisatie.

Bedenkt men bij dit alles, dat er bestaat vrijheid van reizen en trekken, dat de regeeringen hare onderdanen niet beletten het land te verlaten, voor goed of tijdelijk , noch aan vreemdelingen den toegang tot het grondgebied weigeren, al achten zij zich bevoegd aan dien toegang zekere voorwaarden te verbinden en al behouden ze zich het recht voor in het openbaar belang eens toegelaten vreemdelingen weer weg te zenden, bedenkt men dit alles, dan blijkt, dat de eenheid der menscheljjke samenleving, die we voor onze oogen zien, wanneer wij haar zelve beschouwen , ook rechtens erkend is.

In één opzicht slechts dragen de wetgevingen der verschillende landen de sporen van een- vroegeren toestand van splitsing en verdeeldheid , juist daarin nl., dat zij do gelijkstelling van vreemdelingen en inlanders mot zooveel woorden uitspreken en daardoor in theorie de onderscheiding nog altijd erkennen. Hier heeft, om met de praktijk gelijk te blijven , de theorie nog een enkelen stap te doen. In plaats van wretten te maken voor do eigene burgers en dan die wretten toepasselijk te verklaren, ook op vreemdelingen , behoort de wetgever van den beginne af aan zijne wetten te maken voor alle menschen, om daarna na te gaan , in hoeverre hij de toepasselijkheid van enkele wetten van nationaliteit of domicilie zal laten afhangen. Men prijst het voorschrift van art. 3 van het Italiaansche burgerlijk wetboek, omdat hot zonder eonig voorbehoud aan vreemdelingen het genot openstelt der burgerlijke rechten , die aan de staatsburgers zijn toegekend , en die lof is zeker verdiend. Maar nog beter zou hij verdiend

ocr page 16

12

zijn , indien do bepaling liet genot der burgerlijke rechten eenvoudig aan alle menschen had gegeven , zonder van yreemdelingen opzettelijk gewag te maken.

Art. 4 van do Nederlandsche grondwet van 1815 bepaalde : allen , die zich op hot grondgebied van het rijk bevinden , hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. Bij de herziening in 1887 heeft men de woorden: „hetzij ingezetenen of vreemdelingen'1 weggelaten en eenvoudig aan alle menschen , die zich op het grondgebied bevinden, bescherming toegezegd. Practisch bleef daarbij de bepaling dezelfde en toch is de verandering van belang, omdat zij het bewijs levert, dat het besef van de eenheid van het menschelijk geslacht ondanks alle politieke indeelingen, intusschen aan kracht en helderheid gewonnen had.

Doch, al is de menschheid één, al vormt zij één ondeelbare maatschappij, toch is er iets verdeeld. Verdeeld is de regeering over de menschheid. Zij wordt bestuurd niet van uit één middelpunt, maar bij stukken en brokken. Er is niet ééne centrale regeering, maar een groot aantal plaatselijke regeeringen hebben ieder een deel van de gansche taak voor hare rekening genomen. De menschheid is één, doch wordt bij gedeelten geregeerd, ziedaar naar ik meen de formule, waarin we den waren stand van zaken het best weergeven , en die ons het juiste inzicht opent in de bestaande internationale verhoudingen. In hot beland van een geregeld bestuur is de aarde verdeeld in een aantal territoriën en in ieder territoir is eene regeering , belast met de taak de belangen der menschheid te behartigen en te bevorderen.

Zoo komen wij bij de staten terug, maar zij vertoonen zich thans in een geheel ander licht. Zij zijn niet de zelfstandige lichamen , die te samen en vereenigd de

ocr page 17

13

menschheid vormen , maar de districten, waarin de aarde verdeeld is voor de regeling van de competentie der de menschheid besturende regeeringen. Zij zijn de historisch en daardoor niet zeer regelmatig gevormde territoriale ressorten van plaatselijke besturen. De menscheljjke maatschappij is één lichaam , maar dat do verzorging van zekere belangen aan een aantal regeeringen heeft opgedragen, aan elk een territorialen kring voor hare werkzaamheid aanwijzende.

Indien dit de juiste beschrijving is van de wijze, waarop thans de menschheid is georganiseerd, dan krijgt het volkenrecht een geheel ander karakter. Het houdt op te zijn de regeling van de verhoudingen tusschen zekere zelfstandige persoonlijkheden , de volken of staten, en wordt de regeling van de betrekkingen tusschen de verschillende plaatselijke besturen der aarde, die juist omdat zjj allo, zij het dan ieder op eene andere plaats, hetzelfde lichaam verzorgen, elkander niet kunnen ignoreeren en in menig opzicht hebben samen te werken. Gelijk binnen iederen staat zekere regelen noodig zijn omtrent de verhoudingen tusschen de provinciale en de gemeentebesturen onderling, zoo kunnen ook regelen omtrent de betrekkingen tusschen

O O

de staatsregeeringen onderling niet gemist worden; het volkenrecht geeft ze en het is daarom een administratief recht voor de wereld. Terwijl de gewone opvatting het volkenrecht beschouwt als eene eigenaardige rechtssoort, zich van het publiek- en van het privaatrecht onderscheidende door de subjecten tusschen wie hot geldt, niet menschen maar volken, is het naar de hier gehuldigde opvatting een deel van het publiek recht, zich van het gewoonlijk zoo genoemde onderscheidende alleen door zijn grooter gebied.

Doch niet alleen dit is het gevolg, dat het volkenrecht een ander karakter krijgt, er ontstaat nu ook plaats voor een recht, dat de theorie tot nog toe eigenlijk niet er-

ocr page 18

14

kennen kon. Is do menscliheid één geheel, samengesteld niet uit menschen maar uit staten, bestaat er dus tusschen de atzonderlijke menschen en de menschheid geeno onmiddellijke betrekking , dan kan er ook van een, voor alle menschen als zoodanig gelijkelijk geldend, éénzelfde recht geen sprake zijn. Men is dan aan zeker rechtsvoorschrift gebonden, niet omdat men menscii, maar omdat men lid is van een bepaald volk, van een bepaalden staat. Ook aan de wetten van een ander volk kan men gehoorzaamheid verschuldigd zijn, indien daarvoor een bijzondere rechtsgrond kan worden aangewezen , b. v. dat men zich door verblijf in hot vreemde land tot tijdelijk onderdaan gemaakt of dat men zich door eene wilsverklaring aan de vreemde wet onderworpen heeft. Maar algemeene rechtsvoorschriften, wier gebied is de wereld of het beschaafde deel der wereld, en die rechten geven of verplichtingen opleggen aan den mensch, of aan den beschaafden mensch, als zoodanig zijn niet denkbaar. Wel kan het gebeuren natuurlijk, dat in onderscheidene staten gelijk recht geldt: het komt voor, dat het eene volk zijne wetten copieert naar die van het andere, of dat beide gelijkelijk eenzelfde model overnemen, zooals gebeurde toen tegen het einde der middeleeuwen de meeste staten van Europa het liomeinsche recht aannamen; maar ook in zulke gevallen geldt het voorschrift in eiken staat alleen, omdat het op bepaalde wijze voor de leden van dien staat verbindende kracht gekregen heeft, omdat het onder do wetten van dien staat is opgenomen. liet is nationaal recht, ook al moge het waar zijn, dat men bij andere volken een nationaal recht vindt van gelijken inhoud. Een gemeen recht is hot alleen om die gelijkheid van inhoud. Indien men in de vorige eeuwen hot Rom. recht noemde het ius commune, dan had dit eenvoudig laatstbedoelden zin. Men gaf er mee te kennen, niet dat het krachtens

ocr page 19

15

één grond gold voor vele landen , maar dat vele landen het elk op eigen hand hadden aangenomen. Het had dan ook niet overal gelijke werking : het gold b.v. anders in Frankrijk dan in Duitsehland en bond den Franschman omdat hij Franschman, den Duitacher omdat hij Duitscher was. Iedere staat behield er de vrije beschikking over en schafte het af, als hij goed vond.

Geheel anders vertoont zich de zaak, indien we ons stellen op het nieuwe standpunt en de menschheid beschouwen als ééne maatschappij. Dan laat zich een recht denken op éénzelfden grond geldende voor de gansche beschaafde wereld; dat de menschen bindt niet omdat zij Nederlander of Duitscher , maar omdat zij mensch zijn, en waarover slechts de menschheid de beschikking heeft om het af te schaffen of te veranderen.

Erkend moet worden, dat reeds door Grieksche en Ro-meinsche wijsgeeren en juristen hot bestaan van een algemeen menschheidsrecht is aangenomen , waaraan zij den naam gaven van natuurrecht en dat men hunne theorie sedert eigenlijk nooit geheel heeft losgelaten. Men meende, dat uit de natuur der dingen een recht kon worden afgeleid , bindend voor ieder mensch als zoodanig.

Maar deze theorie was met de opvatting, die men had omtrent de organisatie der menschheid in strijd. Zij leverde slechts het bewijs , dat tegenover het diepgewortelde gevoel van de splitsing der menschheid in volken en staten , toch ook een, zij het dan duister en vooralsnog onderdrukt, besef bestond van de éénheid van het menschelijk geslacht.

Verwonderen kan hot dan ook niet, dat het natuurrecht theorie bleef en niet overging in de internationale praktijk ; als algemeen monschenrecht werd het niet toegepast.

Geheel anders thans, voor wie met mjj aanneemt, dat de menschheid is ééne maatschappij, niet oene groep van

2

ocr page 20

16

afzonderlijke, zelfstandige maatscbappijen. De onderst.el-liïiff van een algemeen menschheidsrecht is voor lien niet

O O

een duister gevoel, dat zich met moeite nnast andere tegenstrijdige gevoelens eene plaats verovert: de mogo-lijkheid van zulk een recht vloeit voor hen uit liet gronddenkbeeld van zelf voort.

Tot nog toe heb ik niet meer gedaan , dan het als mijne overtuiging uit te spreken , dat de menschlieid is één geheel, en dat de gewone opvatting volgons welke de volken of staten afzonderlijke menschengroepen, zelfstandige persoonlijkheden vormen in strijd is, ik zeg niet met den idealen toestand , dien we ons droomen kunnen,, maar met de nuchtere werkelijkheid. Ik wil u thans in de theorie en de praktijk van het internationale leven nog wijzen op enkele verschijnselen, die, naar het mij voorkomt, zonneklaar aantoonon , dal de regeeringen , de staatslieden, de geleerde beoefenaars van het internationaal recht, hoezeer zij in hunne opzettelijke uitlatingen meestal vasthouden aan de oude opvattingen, stilzwijgend en misschien zonder hot zich zeiven bewust te zijn, op menig punt handelen en leeren, alsof zij van de andere opvatting uitgingen.

Ik moet hierbij eene keus doen: de verschijnselen, waaruit het gevoel van de eenheid van het menscheljjk geslacht blijkt, zijn zoo talrijk en de tijd , die mij nog overschiet is zoo kort, dat ik slechts enkele hoofdpunten kan aanstippen.

In de eerste plaats herinner ik dan aan het denkbeeld, reeds in 1870 uitgesproken door een man ais Eluntschli, later opgenomen door onzen landgenoot, den hoogleemar Asser, en voor zoover ik weet door niemand afgekeurd, het denkbeeld bedoel ik van eene internationale regeling van het onderdaanschap. Tot nog toe heeft iedere staat

ocr page 21

17

vooi' zich zelf uitgemaakt welke mensehen zijne onderdanen zijn zullen. Het laat zich hooren, dat dientengevolge bij de regeling van dit punt niet of niet voldoende gestreefd wordt naar harmonie met de regeling in vreemde wetgevingen opgenomen. Van daar dat hot voorkomen kan en ook werkelijk voorkomt, dat éénzelfde persoon onderdaan is van twee of meer staten te gelijkertjjd, en ook dat er mensehen bestaan , die tot geen enkelen staat behoo-ren. Dit laatste kan een bezwaar zijn voor die mensehen zelve ; een theoretisch bezwaar, daar ze (in den gedachten-gang van de heerschende leer ten minste) eigenlijk in het geheel geen recht van bestaan hebben; een praktisch bezwaar , omdat ze de bescherming , die eene regeering hare onderdanen tegenover andere regeeringen pleegt te verleenen, moeten derven. liet eerste kan niet alleen lastig zijn voor die dubbele onderdanen zelve maar bovendien geschillen doen ontstaan tusschen de beide concur-reerende staten.

Stelt men zich nu op liet oude standpunt en beschouwt men de menschheid als een complex, van staten, dan schijnt er aan de zaak niet veel te veranderen. Want het recht om eigenmachtig te bepalen, wie zij als hunne leden beschouwen zullen, kunnen bij die opvatting de staten moeilijk opgeven. Een staat is een eigen organisme en van de wetten, van de inwendige inrichting, van dat organisme moet het afhangen , wat er toe behoort, wat er buiten valt. De staten kunnen er naar streven hunne organisatie zooveel mogelijk met die van andere staten in overeenstemming te brengen , maar de mogelijkheid van conflicten is daarmee niet uitgesloten.

Veel beteekenend is daarom het bovenbedoelde denkbeeld, dat niet van idealiseerende droomers doch van met de practijk des volkenrechts vertrouwde mannen is uitgegaan. Het beteekent niet minder dan eene erkenning van de

ocr page 22

IS

eenheid der mensehelijke maatschappij. Dc algemeene, met onderling goedvinden der mogendheden tot stand gekomen , wet zou niets anders zijn dan eene Ycrdeeling van de menschheid over de verschillende staten, eene regeling van elks competentie op gronden ontleend niet aan zjjne eigene natuur, maar aan algemeen mensehelijke belangen, eene regeling van volmaakt den zelfden aard als die welke we thans binnen eiken staat aantreffen tot vordeeling van zijne ingezetenen over de vorschillende provinciën , gemeenten , rechterlijke ressorten en dergelijke. Wordt het denkbeeld uitgevoerd, en het ligt zoozeer in den aard van de zaak en schijnt tevens zoo practisch, dat het daartoe zeker eens komen moet, dan zal het zijn alsof de regeeringen tot elkander zeggen ; wij bestaan allen gelijkelijk in het belang van de menschheid. Daar we het echter voor een geregelden gang van zaken wcnschelijk oordeelen, dat ieder van ons wete, welke menschen tot haar staan in de, zekere bepaalde rechten en verplichtingen meebrengende, betrekking van onderdaan , zoo is het, dat wij deze regelen hebben vastgesteld.

Van nog grooter beteekenis is de wijze waarop thans iedere staat zijne justitie en politie dienstbaar maakt aan de handhaving van het recht over de gansche beschaafde wereld en zelfs daar buiten. Men stelt er zich niet mede tevreden , dat het voor de eigen onderdanen of binnen de grenzen van het eigen territoir geldende recht wordt nageleefd , maar reageert ook op het onrecht gepleegd dooide overtreding van de wetten van andere staten , en dat zoowel met de crimineele als met de civiele justitie.

De vreemdeling wordt opgenomen met al die rechtsbetrekkingen, huwelijk, contracten en andere, door hem in den vreemde aangeknoopt en van hem wordt verwacht, dat hij zich ook hier gedrage, zooals menschen, in dergelijke verhoudingen geplaatst, behooren te doen. Het

ocr page 23

19

onrecht, door wion ook, elders gepleegd, wordt, zoo de dader zich daarna hier ophoudt, hier gewraakt, onverschillig wie er het slachtoffer van was. Wordt er op grond van dat onrecht eene civiele acte tot schacleloosstolling ingesteld, de inlandsche rechter beslist de zaak naar de vreemde wet. Maar, en ook dit ia veelbeteekenend, heeft do buitenlandsche rechter van de zaak reeds kennis genomen, de inlandsche rechter weigert eene herhaalde kennisneming, ne bis ni idem: hij verleent nu slechts zijne medewerking tot de ten uitvoerlegging van het vreemde vonnis, indien dit namelijk eene veroordeeling inhield.

Zoo althans is het in vele landen en bepaaldelijk naaide nieuwere wetgevingen. Dat andere landen , en daaronder ook Nederland, buiten 's lands gewezen civiele vonnissen als niet bestaande behandelen , wordt algemeen afgekeurd.

In deze wijze van uitoefening van de .burgerlijke rechtspraak ligt de erkenning, dat iedere staat zooveel in zijn vermogen is, tot de handhaving van het recht over de gansche beschaafde wereld heeft mede te werken; dat zijne justitie eenvoudig is een onderdeel van de grooto wereldjustitie, die over de gansche aarde hare beschermende hand uitstrekt. Nog sprekender zal die erkenning zijn, indien eenmaal het denkbeeld zal zijn verwezenlijkt, op het rapport van prof. Asser reeds in 1875 uitgesproken door het Institut de droit international, het denkbeeld nl. van eene gelijkvormige regeling van de bevoegdheid der nationale rechtbanken bij eene algemeene, met onderling goedvinden der mogendheden tot stand gekomen, wet. Tot nu toe heeft ieder land eigenmachtig bepaald, welke van alle civiele geschillen die de wereld oplevert, voor zijne rechtbanken thuis hoeren, met welke andere zij zich niet hebben in te laten. Eu indien men zich stelt op het standpunt van de heerschende leer, kan het wel niet

ocr page 24

20

anders. Indien iedere staat is een zelfstandig wezen, met zijne eigene, uit zijne natuur voortvloeijendc, levensverrichtingen , dan moet ook do omschrijving van den omvang zijner rechtspraak uit hem zelf voortkomen. Hij bepaalt, wat hij berechten zal, het aan de andere staten overlatende voor zich hetzelfde te doen. liet is echter niet te ontkennen, dat bij dusdanige methode van regeling moeilijkheden kunnen ontstaan. liet zal nu kunnen gebeuren, dat de rechters van twee of meer staten gelijkelijk bevoegd zijn tot kennisneming van éénzelfde geschil, of dat een geschil tusschen alle zelfstandige nationale regelingen door-valt en nergens thuis hoort. Dat zoowel het een als het ander minder wenachchjk is, behoeft geen betoog. Vandaar het besluit van bovengenoemde internationale vereeniging: regeling van de competentie der verschillende nationale gerechten bij eene wereldwet.

Ik vraag: kan men zich duidelijker erkenning denken van de groote waarheid, dat iedere staat leeft niet voor zich maar voor de wereld ; dat zijn taak en bevoegdheid bepaald worden niet door zijn eigen wil of wezen , maar door het geheel, waartoe hij behoort. En, let wel, de vaststelling van zulk eene wereldwet is voorgesteld niet door den eerste don beste doch door eene gezaghebbende vereeniging, samengesteld uit staatslieden en geleerden uit de moeste beschaafde landen.

Niet minder dan van de burgerlijke wordt hot universeel karakter erkend van de strafrechtspraak, al gebeurt he: op andere wijze. Do staten beschouwen de overtreding der strafwet als misdrijf, ook al word daardoor binnen hunne eigene grenzen de orde niet verstoord. Het misdrijf schendt den wereldvrede en gaat alle staten, die toch niets anders zijn dan de districten der wereld, gelijkelijk aan. Men laat daarom den misdadiger, die, na elders misdreven te hebben, zich binnen de landpalen ophoudt, niet mot

ocr page 25

21

rust, doch doet één van dc twee: men straft hem, ot' levert hem op aanvrage uit aan den staat, waar het misdrijf gepleegd werd en die juist uit dien hoofde in de eerste plaats competent is. Het eerste geschiedt gewoonlijk ten aanzien van eigen onderdanen, tegen wier uitlevering door de meeste staten , niet echter door Engeland en enkele andere, bezwaar wordt gemaakt; niet-onder-danen worden uitgeleverd.

De uitlevering is overigens tot nog toe niet geregeld bij eene wereldwet, maar bij een groot aantal tractaten van staat tot staat, die trouwens, daar zij in dc hoofdzaken gelijkluidend zijn, zulk eene wet op niet ondoelmatige wijze vervangen en met elkaar eene grootsche verdccling bevatten van de crimineelo wereldjustitie over de verschillende landen.

Wie de internationale regeling der rechtspraak overziet, moet wel tot het besluit komen, dat de menschheid één en ondeelbaar is niet alleen, maar ook voelt, dat ze het is.

In het voorgaande vestigde ik uwe aandacht op de wijze, waarop do regeeringen elk binnen haar gebied, hare taak opvatten. Doch ook hare werking naar buiten komt voor mijn doel in aanmerking : zoo de wijze waarop zij zich hoe langer hoe meer het lot der minder bevoorrechte volken aantrekken.

Tusschen de beschaafde landen onderling geldt het be-•rinscl van non-interventie. Met elkanders binnenlandsche aangelegenheden bemoeijen zij zich niet. En dit schijnt natuurlijk. Wel schendt de regeering, die haar land, d. i. het haar toevertrouwde werelddistrict, slecht beheert, haar plicht, niet alleen tegenover hare onderdanen , maar tegenover dc menschheid, doch hieruit volgt niet, dat iedere andere regeering bevoegd zou zijn haar deswege ter verantwoording te roepen. Want de regeeringen zijn gelijkgerechtigd , gecoördineerd, niet gesubordineerd. Evenmin

ocr page 26

22

als Utrecht zich mengen kan in Amstcrdamscho aangelegenheden , evenmin Engeland in die van Frankrijk. Hier kan slechts een wereldgericht helpen, een gezamenlijk optreden van alle of althans van de groote mogendheden, als te zamen uitmakende het wereldbestuur. Een voorbeeld van zulk een wereldgericht geeft ons het Eerlijnsche congres van 1878, tot regeling van de toestanden op het Balkanschiereiland. Treedt al somtijds eene mogendheid alleen handelend op, zij doet het als vertegenwoordigster der overige, met hare uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming: men denko aan de bezetting van Egypte door Engeland.

Geheel anders is de verhouding der mogendheden tot die landen en volken , waar geene als zoodanig erkende regeering aanwezig is. De regeeringen beschouwen het als haar recht en haar plicht zich het lot van die landen aan te trekken, de zorg daarvoor op zich te nemen en een geregeld bestuur in te stellen. Zij erkennen, dat de wilde en onbeschaafde volken , niet minder dan de meer bevoorrechte, deelen zijn van het groote geheel en gelijke aanspraken als deze kunnen doen gelden op de voordeeion, moreele en materieele, die door eene goede regecring verkregen kunnen worden. Bovendien, het belang van het geheel zelf cischt, dat die in groei en ontwikkeling zoover achter gebleven deelen, den afstand die hen van het overige scheidt, zooveel en zoo spoedig mogelijk inhalen.

ïegenover wilde en barbaarsche volken kan dus van een beginsel van nou-interventio geen sprake zijn. Integendeel, do regeeringen der beschaafde staten mengen zich in hunne zaken, stellen een bestuur aan of nemen het zelve in handen, zoo dikwijls zij dit in het belang der beschaving noodig achten. Gelijk bekend is, was in den laatsten tijd vooral Afrika het tooneel van hare werkzaamheid. Engeland, Duitschland, Italic, Frankrijk, zij wedijveren wie

ocr page 27

23

het mccsfc tot dc ontwikkeling van liet zwarte werelddeel zal bijdragen. Zij stichten koloniën of brengen in anderen vorm gansche landstreken onder hun invloed, omdat zij niet achter willen blijven in de vervulling van wat zij beschouwen als hun plicht tegenover dc mcnschheid.

Ue mcnschheid is niet gelijkmatig ontwikkeld; sommige harer deelen ondervinden de bezwaren van het te veel, andere die van het te weinig. Hetgeen wc op zoo grooten schaal zien gebeuren, is eene poging tot herstelling van het evenwicht. Ik vraag: ligt daarin niet een nieuw bewijs van de éénheid van het mcnschelijk geslacht ?

Gewoonlijk handelt bij de stichting van kolonies iedere regeering op eigen hand, daarbij slechts gebonden aan enkele regelen, door het volkenrecht gesteld en aangevuld op de internationale conferentie van Berlijn in den aanvang van 'tjaar 1885. Sedert dat jaar echter bestaat er onder den naam van Congostaat een soort van gomeensschap-peljjkc kolonie, een staat door de te Berlijn vertegenwoordigde mogendheden gezamenlijk opgericht, opdat hij in het algemeen belang der menschheid en onder haar toezicht de beschaving van een belangrijk deel van Afrika ter hand neme.

De stichting van den Congostaat is het resultaat van de samenwerking van de mogendheden en doet ons daarom denken aan dc vele andere gevallen, waarin door de mogendheden , of door vele of enkele harer , gezamenlijk zekere maatregelen werden beraamd en uitgevoerd ter bereiking van het een of ander gemeenschappelijk doel. Dergelijke door cenige of alle staten gezamenlijk uitgevoerde maatregelen bewijzen op zich zelve do éénheid van het mcnschelijk geslacht in geenen dcele. Ook indien do menschheid werkelijk niets anders ware dan een complex van zelfstandige wezens, de staten of volken, zou het denkbaar zijn dat die wezens zich aanéén sloten , zoo

ocr page 28

24

dikwijls ieder van hen begreep, daardoor zijne eigene belangen des te beter te zullen bevorderen. Van algemeen menscbelijke belangen zou men dan wel is waar niet kunnen spreken; maar alle of vele volken zouden gelijke of gelijksooortige belangen kunnen hebben, die door samenwerking beter of gemakkelijker behartigd werden.

Maar al bewijst dergelijke samenwerking op haar zelve niets voor mijne stelling, zij krijgt groote bewijskraeht, wanneer we letten op haar veelvuldig voorkomen en op do doeleinden, die men er mee tracht te bereiken. Om het voornaamste te noemen : de mogendheden of sommige van haar hebben zich vereenigd of zijn voornemens dit te doen : tot do regeling van het beheer van en de vaart op de zoogenaamde internationale kanalen en rivieren, zooals de Rijn, de Donau, het Suez-kanaal en vele andere;

tot de bescherming van ovcrzeesche telegraafkabels, en van de zeevisschenj ;

tot het voorkomen van ongelukken op zee ;

tot het voorkomen en bestrijden van zekere besmettelijke ziekten en van de phylloxera ;

tot het bestrijden van de slavernij ;

tot de bescherming van den industrieelen eigendom (octroojjen, fabrieks- en handelsmerken) en van het auteursrecht;

tot de regeling van eene internationale post en telegrafie en van een internationaal spoorwegvervoer, enz.

Geeft niet reeds de veelvuldigheid dezer samenwerking te denken ? Indien de staten werkelijk waren en zich werkelijk gevoelden als zelfstandige, elk zijn eigen leven voerende wezens , zou het dan zoo dikwijls tot eene samenwerking gekomen zijn ? Is althans dit verschijnsel , dat zeker nog lang niet tot volle ontwikkeling gekomen is , niet veel beter te verklaren, indien we aannemen, dat

ocr page 29

de regeeringen geleid worden door het besef, dat zij zijn do vertegenwoordigers niet van een volk maar van de menscliheid ?

Nog duidelijker echter dan uit de veelvuldigheid der samenwerking, blijkt in bijna al de genoemde gevallen het universeel karakter der internationale maatregelen uit don aard dor belangen , ter wier bescherming zjj genomen worden Dit zijn niet Nederlandsche, Engel-sclic, Duitsche belangen, die toevallig als zouvole vliegen in één klap geslagen kunnen worden : het zijn algemeen menscheljjko belangen, wier bevordering iederen mcusch, zonder onderscheid van nationaliteit, ten goede komt.

Een gewichtig argument eindelijk voor de stelling, dat de menschheid één is en zich één voelt, ligt in het volgende. Boven reeds merkte ik oji, dat zij die haar beschouwen als een complex van staten of volken, slechts kunnen spreken van een volkenrecht in den zin van een recht van volk tot volk of liever van staat tot staat. Hun ius gentium is niets anders en kan niets anders zjjn dan een ius inter gentcs.

Tiet bestaan van een algemeen mcnschonrecht, bindend voor ieder mensch als zoodanig kunnen zij niet toegeven. De mogelijkheid daarvan ontstaat eerst voor hem, die zich stelt op het standpunt van do éénheid van het menschelijk geslacht.

Wel nu, dat zich, naast het recht geldende van volk tot volk, langzamerhand een algemeen wereld-of mcnsehenrecht ontwikkelt, kan m. i. niet betwijfeld worden.

Voor een deel is het oen uitvloeisel van , of hangt hot samen met, de daar even besproken maatregelen tot bevordering van algemcene wereldbelangen. De uitvoering van die maatregelen hoeft van zelf geleid tot de vast-

ocr page 30

2G

stolling van zekere rechtsvoorschriften, bestemd o. a. om de onmisbare medewerking der private personen te verzekeren, en te handhaven deels door middel van straf, deels door middel van private acties. Zij zijn verbindend voor al die personen , van wie de regeeringen , die het tractaat waarbij zij werden vastgesteld teekonden , hetzij uit hoofde van hunne hoedanigheid als onderdaan , hetzij uit hoofde van de plaats, waar zij zich bevinden, gehoorzaamheid aan hare wetten eischen kunnen. Ondersteld dat het tractaat geteekend werd door alle Europeesche regeeringen , dan vormen de bedoelde rechtsvoorschriften niet voor Nederland een Nederlandsch , voor Frankrijk een Fransch, maar een gemeen Europeesch recht, verbindend uit kracht van de, door de Europa vertegenwoordigende regeeringen gegevene , toestemming en dat geen van die regeeringen eigenmachtig afschaffen of wijzigen kan. Het is op dezelfde wijze verheven boven het rijksrecht van iederen staat als dit laatste het is boven het particuliere recht van provinciën en gemeenten.

Naast dit gemeene recht van alle of vele beschaafde natiën , dat voor het grootste deel stamt uit den laatsten tijd, is er een ander, dat veel ouder en voornamelijk dooide gewoonte ontstaan is, al werd hot ook wel door tractaten bevestigd en aangevuld. Ik heb 't oog op het oorlogsrecht, de rechten en verplichtingen dor neutralen en het recht van pvijs en buit daaronder begrepen. Naast voorschriften van volkenrecht m don eigenlijken zin treft men daarin een aantal bepalingen aan door private personen tegenover elkander uf door do burgerlijke of militaire overheid en de private personen over en weer in acht te nemen, liet is een gemeen recht der beschaafde wereld, dat in werking treedt zoodra de oorlogstoestand bestaat en dan van de goed- of afkeuring van geene mogendheid in het bijzonder afhankelijk is.

ocr page 31

27

Een dorde deel eindelijk van hot gemeene werolcirecht is nog eerst in wording, maar zal ongetwijfeld te ooniger tijd tot stand komen.

Tot nog toe bezit iedere staat zijn eigen privaatrecht en hoewel al deze wetgevingen oen aantal hoofdbeginselen gemeen hebben, in do bijzonderheden bestaat groot verschil. Dat dio verscheidenheid van recht, juist omdat de menschheid ééne maatschappij vormt, veel bezwaar oplevert , behoeft geen betoog. De menachelijke verhoudingen overschrijden aan alle kanten de grenzen der staton en van daar telkens en telkens de vraag : welke van al de nationale wetgevingen is in dit geval toepasselijk ? liet is waar , er is eeno wetenschap, die er zich op toelegt vragen van dezen aard te beantwoorden, doch het is er ver van af, dat zij het doel reeds bereikt zou hebben.

Van daar het denkbeeld, of het niet mogelijk zou zijn aan alle moeilijkheden in eens een eind te maken door do invoering van een eenvormig wereldprivaatrecht. Te recht echter heeft men begrepen, dat daarop vooreerst niet kon worden aangedrongen. Do menscho-lijke samenleving, al is zij één en ondeelbaar, is niet overal op dezelfde wijze ingericht, het maatschappelijk leven ia niet overal gelijk en daarom kan het privaatrecht , dat het beeld is der maatschappij , niet overal hetzelfde zijn. Zoolang de maatschappij niet uniform is , kan het recht niet uniform wezen. Trachtte men de éénvormigheid der wetgeving aan die der samenleving te doen voorafgaan, zij zou niet meer zijn dan een schijn , waarachter de verscheidenheid bleef groeijon en bloeijen.

Doch dit alles geldt slechts het privaatrecht in het algemeen. Het belet niet dat sommige menscheljjke verhoudingen over do gansche wereld gelijk zijn of zonder bezwaar gelijk gemaakt worden kunnen. Dit is het geval

ocr page 32

bepaaldeljjk met die verhoudingen, die door of ten gevolge van den internationalen handel in het leven geroepen zjjn, zooals de wissel , het bevrachtingscontract, de averijgrosse. In haar ziet zich de Nederlander geplaatst nu met een landgenoot, dan met een Engelschman, dan met een Franschman : is hot vreemd, dat zich langzamerhand zekere internationale gebruiken gevormd hebben, die ten slotte in do verschillende nationale wetgevingen overgingen, en dezen in hooge mate éénzelfden stempel opdrukten ?

En zoo is het dan te verklaren , dat ernstige mannen het denkbeeld eener gelijkvormige wereldregeling juist van deze onderwerpen opgevat hebben. Zij wisten hot daarheen te leiden, dat gezaghebbende internationale vereenigingen van staatslieden en geleerden zich de zaak aantrokken en voorloopige ontwerpen van wet samenstelden. Eindelijk heeft eene regeering haar ter hand go-nomen en met de medewerking van andere regeeringen herhaaldelijk aan de beraadslagingen van een internationaal congres onderworpen. En al is nu eene wereldregeling dezer instellingen tot heden niet tot stand gebracht, toch meen ik hetgeen reeds gedaan is te mogen noemen onder do bewijzen van het veldwinnend besef van de éénheid der menschheid.

De tjjd, den spreker in deze vergadering gegund, gedoogt mij niet er nog andere aan toe te voegen. Moeite zou dit anders niet kosten. Hij, die het internationale leven met eenige aandacht volgt, heeft ze voor liet grijpen en ik mag daarom vertrouwen, dat gij M. II-zelve deze vluchtige beschouwingen zult willen aanvullen. Gij zult ze aanvullen o. a. met de daad des Duitschen keizers, waarvan ik in den aanvang gewaagde. Die daad beteekent, dat thans ook aan de éénvormige regeling van den arbeid bij eene wereldwet de hand geslagen is. Zij

ocr page 33

29

bewijst in den vorst, van wien mon verwaclitte. dat hij oog zou hebben slechts voor de grootheid, voor de militaire grootheid vooral, van Duitschlnml, een ruimte van blik en een gevoel voor de éénheid des menschelijken geslaohts, die bewondering wekken.

Ten slotte nog ééne vraag; we hebben do woreldmaat-schappij, krijgen we nu ook den wereldstaat ? M. a. w.; zal het einde dit zijn, dat ergens eeno wetgevende on oene uitvoerende macht worden ingesteld, bevoegd en in staat om, onafhankelijk van de toestemming der plaatselijke regeeringen, voor de gansche wereld wetten te maken en uit te voeren ?

Er zijn er die het wenschen, daarbij vooral denkende aan de belangen van den vrede, dien zij zoo gaarne ten eeuwigen dage aan de menschheid gewaarborgd zouden zien. Anderen, do meerderheid, schrikken reeds bij den blooten klank van 't woord, omdat zij zich den wereldstaat voorstellen als een sterk gecentraliseerd lichaam, geen ander leven kennende dan wat er uit hot centrale punt wordt ingeblazen.

Ik voor mij geloof niet, dat het zulk een vaart loopen zal. Ik zie niet in, waarom het nog niet zeer lang zou kunnen blijven als tot nog toe: eeno wereldmaatschappjj bestuurd van uit een betrekkelijk groot aantal punten, door regeeringen die hoe langer hoe moor do éénheid der menschheid beseften en daarom steeds geneigder zich toonen samen te werken tot bevordering dor algemeen menschelijke belangen. Aan den anderen kant erken ik, dat het toch wellicht ten slotte tot de instelling van eeno centrale wereldregeering komen zal. Indien het aantal door onderlinge samenwerking te behartigen algemeene belangen zal zijn toegenomen in eene mate, die wij thans niet voorzien kunnen, zal het misschien wenschelijk blijken

ocr page 34

30

do uitvoering dor gezamonlijk beraamde maatregelen op te dragen aan een enkel centraal lichaam, en dit, anders dan thans geschiedt met de voor post, telegrafie en andere onderwerpen te Bern reeds bestaande internationale bureaux, to voorzien van eigen geld- en machtrniddelen en te be-kleedon met de bevoegdheid om tegen de overtreders der wereld wetten met dwangmaatregelen op te treden. Al licht zal men dan nog een stap verder gaan en een vertegenwoordigend lichaam in het leven roepen, niet geljjk de congressen van nu, samengesteld uit afgezanten van de verschillende regeeringen, maar door de wereldkiezers direct bijeengebracht. En is hot zoover, dan is er de wereldstaat.

Doch ook dan voorzie ik noch de voor- noch de nadoelen, die men met zooveel nadruk op den voorgrond plaatst, liet is zeker denkbaar, dat dezelfde oorzaken, die tot de instelling van den wereldstaat leidden, het verdwijnen van den oorlog ten gevolge zouden hebben. Maar dat de instelling van den wereldstaat op zicb zelve den oorlog zou afschaffen, dat is toch moeilijk vol te houden. Zij zou niet anders teweeg brengen dan eene verandering van naam: wat internationale oorlog was zou burgeroorlog woi-den. De vrienden van den eeuwigen vrede moeten aandringen niet op den wereldstaat, maar op alles, waardoor het inzicht in de éénheid van het menschelijk geslacht kan worden verscherpt, het gevoel van algemeeno men-schenliefde verhoogd. Dat is de weg, die met of zonder wereldstaat tot het doel kan leiden.

Yeel hersenschimmiger nog schijnen mij de motieven van hen, die den wereldstaat vreezen. Indien hij ontstaat, dan zal het zijn door langzamen groei uit de kleine kiemen, die misschien thans reeds aanwezig zijn. Hij zal niet de wereld veroveren, zij zal zich aan hem onderwerpen, bijna zonder zelve het te bespeuren , gedreven door de behoeften

ocr page 35

31

van hare natuur. En zijne macht zal niet grootor zijn dan voor de behoorlijke vervulling van zijne taak noodig zal blijken.

Naast hom zullen ongetwijfeld de staten van thans of hunne opvolgers met uitgebreide autonomie blijven bestaan, eenvoudig omdat zij beter dan de centrale regeering voldoening zullen kunnen geven aan de bijzondere behoeften der afzonderlijke deelen van het groote geheel. Van eentonige eenvormigheid dus geen sprake : integendeel veelkleurige verscheidenheid naast de eenheid in het noodige. Is dat een schrikbeeld ?

Maar ik eindig. Het leven van de meesten onzer heeft de strekking onzen maatschappelijken gezichtseinder te beperken. We bewegen ons binnen eenen betrekkelijk kleinen kring van bloedverwanten, vrienden, beroepsge-nooten en met hen allen gevoelen we ons zonder moeite eng verbonden. Maar al te licht daarentegen vergeten we, dat de banden die ons met hen vereenigen, door-loopen in de lengte en in de breedte, van mensch tot mensch, altijd voort, tot ze in ons zeiven wederkeeren. Een eind lang kunnen we ze, ook buiten onzen eigen kring, met de oogen volgen, doch weldra verliezen we ze uit het gezicht en geven we de moeite om ze terug te vinden op. In de rechtswetenschap heeft deze bekrompenheid geleid tot het vasthouden aan eene bepaalde opvatting omtrent de wijze waarop de menschheid is georganiseerd, lang nadat zij had opgehouden juist te zijn. Zij bouwt de leer van het internationaal recht op het gronddenkbeeld, dat elk volk een eigen stel menschelijke verhoudingen vertegenwoordigt, dat de banden der eenheid eindigen telkens als het volk eindigt.

Daartegen ben ik opgekomen. Hoe vaster we ons overtuigen van de waarheid, dat ondanks alle schijnbare splitsing de menschelijke maatschappij is één en ondeelbaar, des te beter in alle opzichten !

ocr page 36

32

Hiermede verklaar ik, M. H., de 117d|! algemeene vergadering van hot Provinciaal Utrcchtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen geopend.

ocr page 37

i (P I ^

ocr page 38

â–