â â â â â
Æ0 ^ ps ^
Ter voorliepeiiling van de algemeene vepkiezingen van Juni 1897
EENIGE BLADZIJDEN
UIT
OE GESG10ENISIEB LIBEitE PIBTIJ
sedert 1887
DOOR
tzvr-
' .. t
:?\®'
..
â - 'k !
⢠⢠⢠⢠- ' --ââ , - â - .
lifw:
â 0^:0 S / : â â â :- ' ' , ⢠,
:-% w: :v.- : -. â ⢠â 'â¢;:â â r^quot;
tquot;/-quot; -. ., - . â ;â ::â â .-â ⢠â v- / -r. ^ ,
^gt;.'2''- ^ . â ,-. v-v.--. v,'\U-
- . - quot; ... ; â .- ' â â - â â â / V--
iSH^ vi-n;;'â¢;â¢quot; ;- v -' - â '-â -â V . v:v- ^m-^X
f A^SAM quot;â â . -v--
. - â J fU; ,-â ; â â¢â¢,r-i,%.f-
- i: â :'.â â¢quot;â ⢠â A â â¢:./; r ,i' i- â . ' : -â ' -..- â ' -â¢-â -.-..fquot; : '^
xxfi- ' ..â â gt;: ^^ ⢠-v :--
;⢠â¢â -quot;. -⢠;
% â â¢â¢. ..
' :-⢠' â¢â¢
v^'v-: : ; â quot;gt;-!Æ -r-' - ⢠⢠-;- : ⢠â
â _ ,. ... r^tSSgj yÃÃÃ
v.. V
-5-»quot;
r ' quot; it
J J.
. â
WMr '
quot;-quot;'â -r-v'
â,.., .... l4.lt;r.,.-
-â jïU..^ -r 'V , '. -
;* / : -; '
'
-r . â - â -
-C;w â '
w ^ :r;
.. , - -.-â ..- -V . ' :- :;â - â â â â . -.,- - â :- ^ â â
:-: V- - gt;⢠^ ' --i. v^' -'v^: 5^ v:
â _;. ; quot;â - r.^'-:;gt;.. ..gt; '..quot;quot;â IT-. ^
.. â ⢠.â .-... r .. â :..- -â¢quot; :quot;... -. - -..c: -...'-: v.-
'r- -v-.-: - ^ ^ %
â â â ... â â % . . â¢.-; . ? ' â ; â¢-. - -- . -â , - â - s.;-, , -r- . â :â - - â .
\ quot;â .f ' â ' . ' ^ . â . â -â quot; - â .â -â .. â - ⢠â , ::.
â â C --⢠. ... ' â ... .. â â : â -
. . . ⢠â . - â â . - -.. â . â : ,.â â - - â , ..- â -
;â !,V:-
quot;'⢠--. -.r-' . â 1quot;.
£[
'â '.iquot; ⢠⢠â ;â¢â - -â â
â â¢Â» - j-
: - -'. â ⢠⢠- ' - r
;â¢-.- I' .,:â â quot; .. .^ ,
f^^.y~Qé^yp- ~
'M:
-.-' â¢' .. â
.-.. x â¢...â¢: _ ,-'. . ;/.â ,
'i' -_quot;:-
... gt; .^â¢. â¢.
, â r '-.1 ^ 'HHIRHHB
â¢- - ⢠- - ⢠â¢â¢ ⢠. ' â . - . . . - - - rv .
â â V V - â -â ⢠â - : . â -
. 1 ' .â . .. .- ... - -. gt; â , -
5v; quot; â ; â â¢â - -'â ⢠V .
t'i-.'..- 5 ..
-«^rSsa.... .
- ⢠⢠- T..--'-- . ⢠â
gt;, ;â gt;/â -.. ;
-â - ⢠.- ⢠-- : ' /â¢..â .â¢â¢â¢ ⢠-I- - - \ r - ' -.. -;.
--M . :-⢠' â ⢠, â¢â
ir'm ⢠lt; '
/1 â ' '
⢠-w - -------------â â â -quot;
quot;
i'1'-'-..- â ------ â ..- ⢠\v â¢
Mfy
;
f vr-e
____ .
... . ⢠⢠- ;V â¢â :; â â - : â â ⢠.â ⢠'
â -â v .-- quot;;'. - ..
;'⢠a â .-
â ⢠⢠i.
Ã7 â - ^ -
- ~â - â
. t'
-S
â .
⢠' - ' ;⢠'
- â - ⢠⢠.-- â â â -â¢â
-^â . â¢' - , ï:
⢠V s- --
.
s? - -___â .L. ^ ^ â â ^..
...
- - â - ... -
â â¢4.,W.-
â â¢quot; â V: - -
rf'V'ï' â quot;â tê'-'.' â ' ' '
quot;
-Ch^ - r - .
⢠...,.i,;^;7.â ⢠-....r r .....â
.' ⢠⢠' -'. ... ; ; .. quot; - i ,. : ..;â â . '; -â â¢â â â :⢠- ,
â¢. ⢠;. ./r-; ⢠..
â _ ⢠i., .. â Jâ . .. â â¢â '--â -. ..-. â¢: ⢠. â ; -. ... :.⢠- - . -, -T - - ^ : - . :r.-~ ; 5
PPP..^'^; â¢quot;..
â gt; j--5 â â -
-v . â :f
_-
⢠â¢â¢. . - ... ⢠r - ...-gt; v- gt; â
â â â â - â â -.
, V' â â ..' quot;quot; . - â ' . ...
--7-
|
' . v-; â¢quot; | ||||||||||||
| ||||||||||||
7:- quot;â¢quot;. :
⢠â â â -
v
'
Ter voopbepeiding van de algemeene vepkiezingen van Juni 1897
EENIGE BLADZIJDEN
UIT
D[ EÃÃCIIEHS DER LBE PMTIJ
sedert 1887
DOOK
Gedrukt bij F. J. BELINFANTE, vooWi.: A. D. SCHINKEL.
Eenige bladzijden uit de Geschiedenis der Liberale partij sedert 1887.
De Grondwetsherziening van 1887 gaf de bevoegdheid het kiesrecht zóóver uit te breiden dat het ook den gezeten werkman omvat. Het in 1894 uit de Liberale Partij voortgekomen Ministerie heeft deze uitbreiding tot stand gebracht.
Dit heeft heel wat moeite gekost. Eerst kwamen de jaren van 1888 tot 1891 toen de partij in de minderheid was. Daarna kwamen die, in welke de krachten werden besteed aan het gewichtige werk der belastinghervorming. Vlak daarop, helaas, moest de partij een strijd aanvaarden om te beletten dat het kiesrecht veel verder werd uitgebreid dan zij door 's lands belang geboden en door de Grondwet geoorloofd achtte. Bij de herinnering aan het doorgestane leed valt gelukkig te wijzen op een grond van troost. Wie nagegaan heeft hoe dezer dagen de kiesver-eenigingen hebben getobd om de personen, die slechts krachtens eigen aangifte op de kiezerslijst worden geplaatst, tot de aangifte over te halen, hij zal zich de vraag hebben gesteld wat het wel zon geweest zijn, indien ieder man, wilde hij kiezer worden, zich had moeten begeven naar het gemeentehuis om daar eene schrijfproef af te leggen? Ook, â welke verrassingen dan de stembus, in Juni 1897 en gedurende tal van jaren in den vervolge, niet zou hebben gebracht? Deze vragen brengen van zelf de gedachten
Gedrukt bij P. J. BELINFANTE, vooi-h.: A. D. SCHINKEL.
Eenige bladzijden uit de Geschiedenis der Liberale partij sedert 1887.
De Grondwetsherziening van 1887 gaf de bevoegdheid het kiesrecht zóóver uit te breiden dat het ook den gezeten werkman omvat. Het in 1894 uit de Liberale Partij voortgekomen Ministerie heeft deze nitbreidiug tot stand gebracht.
Dit heeft heel wat moeite gekost. Eerst kwamen de jaren van 1888 tot 1891 toen de partij in de minderheid was. Daarna kwamen die, in welke de krachten werden besteed aan het gewichtige werk der belastinghervorming. Vlak daarop, helaas, moest de partij een strijd aanvaarden om te beletten dat het kiesrecht veel verder werd uitgebreid dan zij door 's lands belang geboden en door de Grondwet geoorloofd achtte. Bij de herinnering aan het doorgestane leed valt gelukkig te wijzen op een grond van troost. Wie nagegaan heeft hoe dezer dagen de kiesver-eenigingen hebben getobd om de personen, die slechts krachtens eigen aangifte op de kiezerslijst worden geplaatst, tot de aangifte over te halen, hij zal zich de vraag hebben gesteld wat het wel zou geweest zijn, indien ieder man, wilde hij kiezer worden, zich had moeten begeven naar het gemeentehuis om daar eene schrijfproef af te leggen? Ook, â welke verrassingen dan de stembus, in Juni 1897 en gedurende tal van jaren in den vervolge, niet zou hebben gebracht? Deze vragen brengen van zelf de gedachten
4
terug tot het voorjaar van 1894. Toen is het werkprogram van het Ministerie Röellâvan Houten het stellige voorteeken geworden dat hetgeen de partij voor eene duurzame en gestadige ontwikkeling van het staatkundig leven der natie noodig achtte spoedig in vervulling zou gaan. Het Ministerie heeft zijne beloften gehouden. Het heeft zijne taak afgewerkt. Het heeft door de heffing der inkomende rechten te verbeteren en door vernieuwing van de wet op de Person eele belasting de belastinghervorming voortgezet. Het heeft het wetsontwerp zijner voorgangers tot beveiliging bij het verblijven in fabrieken en werkplaatsen tot wet doen verheffen. De regeling van het kiesrecht is voltooid. Die der gemeentelinanciën is ontworpen en onderzocht. Het moeielijke wetsontwerp tot invoering eener verzekering tegen ongelukken is ingediend. De gunstige voorteekenen aan den politieken hemel van Mei 1894 hebben niemand bedrogen. De eenige wolk, welke tot droefenis van Nederland zich voortdurend dreigend vertoonde, was de poging veler zich noemende âvooruitstrevendenquot; om veel nieuws en goeds tegen te houden. Sedert 1894 zag men in de Tweede Kamer een vrij talrijken kring tegenover het Ministerie eene houding aannemen, welke niet getuigde van gezindheid tot vrede. Op 25 Januari 1895, toen het gold twee Friesche gemeenten bij de wet tot een ordelijk beheer barer financiën te noodzaken, openbaarde zich deze tegenstand. Scherper teekende hij zich op 14 Maart d. a. v. bij het belangrijk wetsontwerp tot verhooging van de weerkracht en het zelfvertrouwen van den Nederlandschen soldaat door de aanschaffing der nieuwe geweren. Eindelijk, in Juni 1896, scheidden dertien leden zich openlijk af van de minderheid, welker beleid meer en meer bleek te bestaan in tegenkanting. In het Haagsche blad de Avondpost van 28 Juni kwam het Kamerlid de heer Pyttersen de reden mededeelen, waarom hij met twaalf geestverwanten geen deel meer wilde uitmaken van de club, welke vergadert onder het voorzitterschap van Mr. Borgesius.
5
Deze had gestemd, â zoo somde de heer Pyttersen op, â tegen de conversie der S'/a pOts. Nationale Schuld, waardoor het Rijk met twee millioen jaarlijks werd bevoordeeld, â tegen de nieuwe regeling der Personeele belasting, tegen de nieuwe Kieswet. âZoo iets hieruit is op te makenquot; â schreef de heer Pyttersen, â âdan is het dat de Borge-âsianen thans de achterhoede van het conservatieve leger âvormen en vooruitstrevend gelijkluidend is geworden met stilstaand.... De overtuiging dat 's Lands belang niet âwordt gebaat door omverwerping van een Kabinet, maar .,wèl door vervulling van volksbehoeften, noodzakelijk voor âde regelmatige ontwikkeling van het land, zij is nog de âde mijne, zij is die der dertienquot;.... âIn dien zin zijn âwij ministerieel, zonder op te houden yoomitstrevende, âmaar ook vooruit//aancte liberalen te zijnquot;. Een eeresaluut aan den heer Pyttersen en de zijnen! Met hen valt te werken. Laat ons hopen, dat ook de anderen volgen. De ongelukkige oorlogsverklaring, welke in het tweeledig Program, â urgent en niet-urgeut, â der Liberale Unie werd uitgesproken, moge bij nader beraad ter zij worden gelegd. Is er een stellig verschil in staatkundige wenschen, laten dan die anderen een nieuwe partij vormen onder een nieuwen naam. Doch geen steekhoudende grond bestaat voor verdeeldheid, zoo deze enkel rust op beschuldigingen en grieven ter zake van het verleden. Hierop kan de partij met eere terugwijzen. Zij heeft getoond uitnemende waarborgen aan te bieden dat in Nederland goed worde geregeerd.
Ik wensch de wording der verdeeldheid na te gaan. De geschiedenis der Liberale Unie is tot dusver, meen ik, nooit beschreven. Zij gaf mij den indruk dat men in de Unie zich heeft laten medesleepen door vrees voor een, hoofdzakelijk te Amsterdam, ontwakend radicalisme, en dat men gepoogd heeft het meester te blijven door zich in de voorhoede daarvan te plaatsen. De leiders der Unie verloren de
6
eigen troepen uit het oog. Bij de nieuwe bondgenooten was grove teleurstelling hun deel. In Amsterdam is geen enkele kiesvereeniging meer bij de Unie aangesloten. Wat is geworden van de eerste aanvoerders der richting, wier leuzen men overnam om ze te schrijven in het eigen oude vaandel? De een werd sceptisch en overschillig voor alle âprogram-gezwaaiquot;; hij zette zich tot de lezing van vele boeken. De ander zag, na talrijke omdolingen in de journalistiek, zijn âVolksstemquot; sterven en trok onlangs zijn levenservaring samen in den uitroep, dat aan de politiek geen geluk zit en geen zegen (1). En Amsterdam, â waar straatrumoer het algemeen stemrecht eischte, â gaf op 16 Febr. jl. een welsprekend antwoord: daar hebben voor kiesrecht nauwelijks meer aanvragen plaats gehad dan in de vijfmaal kleinere gemeente Utrecht (3823 tegen 3678). Over het algemeen heeft de ervaring geleerd, dat eigen aangiften slechts talrijk zijn waar Katholiek en Protestant met elkander wedijveren.
Ik begin mijn schets bij de voorbereiding van de eerste algemeene verkiezingen na de Grondwetsherziening van 1887.
Wat wilde destijds de liberale partij ?
Buiten de volksvertegenwoordiging kon als belangrijk orgaan van de wenschen der liberalen de Liberale Unie worden aangemerkt. Zij was opgericht in 1885 om door alle geoorloofde middelen van voorlichting en samenwerking de toepassing der liberale beginselen te bevorderen. Tot deze middelen behooren, volgens haar huishoudelijk Reglement, het inwinnen en verschaffen van inlichtingen omtrent de behoeften der partij in de verschillende deelen des lands, het leiden der openbare meening door de pers, door voordrachten en vergaderingen, het verstrekken van steun ter gelegenheid van verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, het organiseeren van samen-
(1) Plaat bij liet Weekblad de Amsterdammer van 7 Febr. 1897.
7
werking der liberalen vooral door de oprichting van kies-vereenigingen. Levendig herinner ik mij uit 1885 de discussiën in den kring mijner vrienden over de wensche-lijkheid eener dergelijke Unie. Sommigen vreesden dat zij voor enkele politici, die meer dan anderen de gelegenheid hadden om de vergaderingen te Amsterdam bij te wonen, het middel zou worden om âvoor heel Nederland nu eons âuit te maken wat liberaal isquot;. Anderen, en ook ik behoorde daartoe, wezen op de wenschelijkheid van meer stelselmatige propaganda in gedesorganiseerde districten door den invloed o. a. van een in der minne, eendrachtig zonder bedekte bedoelingen samengesteld program, vooral ook door aanwijzing van geschikte candidaten waar deze moeielijk in het district zelf te vinden waren. Het scheen ons dat de organisatie der anti-revolutionnaire partij in hare deputatenvergadering navolging verdiende.
De Unie kwam tot stand. Uit alle deelen des lands traden kiesvereenigingen toe. Geruststellend klonk voor hen, die eenig misbruik vreesden, op 6 Juni 1885 de openingsrede van den Voorzitter, Mr. van Hamel, dat er geen door het Bestuur klaar gemaakt program zou worden voorgelegd, te bekrachtigen door meerderheid tegen minderheid, 't geen âeen ijdel werkquot; zou zijn, âdat âniet eenmaal zou opleveren wat zij, die er naar verhangen, zich voorstellen: de splitsing der liberale partij âin twee scherp geteekende deelen. Men herinnere âzich slechts wat bekende liberalen over de onderscheiden âvraagstukken donken om te weten dat dezelfde personen âvoor do eenc quaestie in de eene groep zouden staan, âvoor de andere naar eene andere groep zouden moeten âworden verplaatst.quot; (1) . . . âDo Unie, haar naam getuigt âhet, is bestemd tot vereenigen, niet tot verdoelen.quot;
Haar eerste daad was de publicatie eener nota ten behoeve van uitbreiding des kiesrechts, hervorming van
(1) Den tekst dier rede vindt men in liet AUj. Handelsblad van 7 Juni 1885.
8
belastingen, tempering van den schoolstrijd, sociale wetgeving. Steeds bleef in de eerste jaren van baar bestaan de Unie bierop aandringen, totdat de algemeens verkiezingen onder de nieuwe Grondwet, te houden op 6 Maart 1888, baai-deden optreden met bet program, dat de grondslag is geworden van de staatkunde der partij tot heden toe. Het is vervat in de hieronder afgedrukte circulaire 1, welke bet
1
Circulaire van 19 Dec. 1887 :
«Do heiziening der Grondwet is eindelijk tot stand gekomen. Een werk dat, al moge het niet allen bevredigen, heilzame vruchten dragen kan.
Eerlang zal het Nederlandsche volk geroepen worden tot het samenstellen een er nieuwe vertegenwoordiging.
Op dit, voor de ontwikkeling onzer staatsinstellingen gewichtig oogenblik l ijst de vraag: wat is voor de naaste toekomst de eisch eoner liberale staatkunde, die, haar verleden getrouw, leiding wil blijven geven op den weg van den vooruitgang?
Ook wij hebben ons afgevraagd: waarop behoort bij de aanstaande verkiezingen het streven der liberale partij gericht te zijn ; wat is â naast de vaststelling van wetten, onmiddellijk uit de gewijzigde Grondwet voortvloeiende, â bereikbaar in de eerste vier jaren?
liet zij ons vergund u de slotsom onzer overwegingen daaromtrent mede te deelen.
De enquête betrelïende den kinderarbeid en den toestand van fabrieken en werkplaatsen hoeft op menige wonde plek onzer samenleving scherp het licht doen vallen en ons, gelijk velen, gesterkt in Je overtuiging dat verder ingrijpen van den wetgever op dit gebied een onafwijsbare rechtseisch is.
Zal echter het gevaar vermeden worden van niet genoeg doordachte navolging van wat elders geschiedt, zal onze wetgeving in overeenstemming zijn met onze toestanden en onzen landaard, dan moet onze kennis dei-feiten uitgebreid, dan moeten racer gegevens verzameld worden.
De enquête, door de Grondwetsherziening afgebroken, worde dus voortgezet.
In afwachting van hare nadere uitkomsten en van hetgeen een voortdurend staatstoezicht, als thans wordt voorbereid, verder aan het licht zal brengen, behoort door den wetgever reeds dadelijk in het algemeen belang :
het verbod van kinderarbeid uitgebreid, de arbeid van vrouwen en jongelieden beperkt te worden ;
aan iederen arbeider een wekelijksche rustdag te worden gewaarborgd verzekering van den werkman tegen ongelukken ingevoerd en aan voorzieningen bij ziekte, ouderdom en overlijden krachtig de hand geslagen te worden ;
met regeling van het vakonderwijs, bepaaldelijk van het ambachtsonder-wijs, fabrieks- en landbouwonderwijs een aanvang te worden gemaakt.
Zal het verbod van kinderarbeid volkomen doel treilen, zoo moet het
9
â
Bestuur der Unie op 19 December 18S7 aan de k]esver-eenigingen zond, en welker inhoud op de algemeene ledenvergadering van 25 Februari 1888 tot Manifest werd ver-
samengaan mei leerplicht. Daarvoor de baan te effenen en tot invoering ts geraken /.ij liet ernstig streven der liberale partij.
De ingrijpende wijziging van het 8ste Hoofdstuk der Grondwet stelt den wetgever in staat, maar legt hem tevens de verplichting op afdoende verbetering te brengen in de inrichting onzer levende strijdkrachten.
Zoowel de rechtvaardigheid als het belang eener verhooging onzer weerbaarheid zonder bovenmatigen druk voor de belastingschuldigen vorderen gebiedend dat daarbij toepassing erlange het beginsel van persoonlijken dienstplicht.
Hervorming van het samenstel onzer belastingen was sinds lang de wensch der liberalen in den lande, èn ter bevestiging van een evenwicht tnsschen de staatsinkomsten en uitgaven èn ter verkrijging eener betere verdeeling van lasten, waarbij op den voorgrond staat opheffing van het privilegie, tot dusver voor de inkomsten uit roerend vermogen genoten ;
thans mag daarmede niet langer gedraald.
De eerste stap zij invoering eener inkomstenbelasting.
Zal deze beantwoorden aan de bedoeling dat met de draagkracht rekening worde gehouden, zoo behoort zij progressief te zijn.
Versterking der middelen, langs dezen weg tot stand gebracht, gepaard aan een zuinig beheer zal het mogelijk maken over te gaan tot afschaffing van accijnsen op eerste levensbehoeften en tot vermindering van heffingen, welke te eenzijdig den druk leggen op handel, landbouw en bedrijf.
Hervorming van ons belastingstelsel opent tevens de mogelijkheid te voldoen aan de dringende behoefte om beter verband te brengen tusschen Rijks-, provinciale- en gemeentebelasting.
Eindelijk behoort, althans vóór de Tweede Kamer voor de eerste maal worde vernieuwd, de gebrekkige voorloopige regeling van het kiesrecht, in de additionneele artikelen vervat, door eene definitieve te worden vervangen.
Deze definitieve regeling moet. door vrijgevige toepassing van het voorschrift der Grondwet, het kiesrecht op breederen grondslag vestigen, waarbij tevens persoonlijke invulling van het stembillet in het lokaal der stemming als voorwaarde worde gesteld.
Wij vleien ons dat deze denkbeelden weerklank vinden bij de Liberale Unie en dat dit blijken zal, wanneer wij U eerlang tot eene algemeene vergadering oproepen.»
Het Bestuur der Liberale Unie,
|
Amsterdam, 19 Dec. 1887. Uitgegeven '21 Dec. 1887. De Secretaris, P. J. DE WITT. |
E. H. HARSTEN, Voorz. K. VAK DE WERK. H. .T. DIJCKMEESTER. F. J. FOCKEMA ANDREAE. H. L. DRÃCKEK. E. FOKKER. L. MICHIELS V. KESSKNICH. E. E. VAN KAALTE. ]). VVIOHEHLIXK, |
.
10
heven in den vorm eener door Mr. J. A. Levy voorgestelde en met algemeene stemmen aangenomen motie, luidende: âDe vergadering, van oordeel dat de algemeene strekking âder circulaire van liet Bestuur der Liberale Unie d. d. 19 âDec. 1887 beantwoordt aan het streven der liberale partij ânopens de daarin vermelde punten, besluit dat de circulaire âhet algemeen richtsnoer onzer geestverwanten behoort te âzijn bij de aanstaande verkiezing.quot;
Uit dit Manifest blijkt, dat reeds toeu heel de partij, voor zoover de Unie haar orgaan was, actieve sociale politiek voorstond, hervorming van belastingen en uitbreiding van het kiesrecht op breederen grondslag.
Wat er met dien breederen grondslag bedoeld werd, was destijds niet twijfelachtig.
Bij de pogingen om volgens art. 80 der nieuwe Grondwet de kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand aan te wijzen, had men, ten gevolge van het gemis aan eene Rijks-inkomstenbelasting alsmede wegens gemis aan de noodige voorbereidende studiën omtrent de huurwaarden in de verschillende streken des lands, zoovele moeielijkheden ondervonden, dat men in art. VII der additio-neele artikelen een provisioneele regeling aannam, op de grondbelasting en op de personeele belasting gebaseerd, in de hoop dat de latere wetgever, waarschijnlijk na hervorming van het belastingstelsel, er in slagen zou de kenteekenen behoorlijk aan te wijzen en zoo de grens te vinden, die den gezeten werkman van den proletariër scheidt. Over de noodzakelijkheid om die grens te trekken waren zelfs de leden, die in later dagen elkanders bestrijders zouden worden, het eens; zoo sprak Mr. Goeman Borgesius tot toelichting van een door hem ingediend amendement (1) âMet ons is de Minister van oordeel, dat men zoover moet âgaan dat ook de gezeten werkman in het kiezerscorps âmoet worden opgenomen.quot; En Mr. Gleichman zeide na
(1) Zitting 0 Juni 1887, Handelingen, bl. '1907.
11
eene omschrijving van wat hij onder gezeten werklieden verstond; (1) âvoor zoover mijne kennis van de werklieden, âdie in deze omschrijving vallen, strekt â en ik tel ouder âhen vele vrienden, â kan het kiesrecht hun veilig worden âgegeven.quot; Hoe krachtig en algemeen het bewustzijn was dat het om deze grenslijn te doen zou wezen, blijkt wel het best uit de geboorte in die dagen van een nieuwe partij, die zich âvooruitstrevend, kortheidshalve de radicalequot; noemde, en die vooral hierom tegen de Liberale Unie en tegen de Amsterdamsche kiesvereeniging Burgerplicht te velde trok, omdat deze beide door haar werden aangezien voor tegenstanders van haar ideaal: Algemeen Stemrecht.
Wat trouwens vlak te voren bij de voorbereiding van art. 80 der Grondwet in de Tweede Kamer was voorgevallen, lag iedereen nog te versch in het geheugen om thans reeds te kunnen worden uit het oog verloren. Men wist hoe de Regeering bij monde van den Minister van Binnen-landsche Zaken, Mr. Heemskerk, de portefeuillekwestie had gesteld tegenover een amendement der heeren Zylker en van Houten, bij hetwelk de regeling van het kiesrecht geheel aan den gewonen wetgever zou worden overgelaten (2). Men herinnerde zich de stellige verklaringen der Eegeering nopens de bedoeling van art 80 om, welke mate van vrijheid de gewone wetgever ook mocht erlangen, althans het Algemeen Stemrecht en al wat praktisch op hetzelfde zou neêrkomen bij de Grondwet uittesluiten (3). Men herinnerde zich hoe in de Tweede Kamer aan die verklaringen zóódanig gewicht was gcliecht, dat Mr, Gleichman, die aanvankelijk op de onzekere beteekenis der redactie had gewezen, geëindigd was met te zeggen (23 Maart 1887): âWij âweten in elk geval, sedert gisteren, wat de beteekenis âvan het artikel zal zijn; wij verkeeren dienaangaande
(1) Handelingen 0 Juni â¢1887, bl. 195(1.
(2) Handelingen '2-2 Maart 1887, bl. 1 quot;iöd.
(3) Handelingen. '22 Maai t 1887, bl. 1 '254.
12
âniet meer in het duisterquot;, en dat de Heer Heldt wegens die verklaringen had medegedeeld tegen het artikel te zullen stemmen (22 Maart 1887). Men herinnerde zich, dat de Minister Heemskerk uitdrukkelijk had te kennen gegeven, niet alleen dat, maar ook ivaarom, het lid dei-Eerste Kamer Jhr. Mr. Röell in een vroeger geschrift zich in diens uitlegging van de redactie had vergist (15 Maart, bl. 1163, en 22 Maart, hl. 1253). Men herinnerde zich, dat het amendement â van Houten met 62 tegen 21 stemmen verworpen was. En kon het nu verwondering wekken dat zelfs de radicale partij, welke te Amsterdam in het voorjaar van 1888 haar eerste kiesvereeniging stichtte en Algemeen Stemrecht in haar vaandel schreef, zelve verklaarde dat zij, om dit doel te bereiken, op een nieuwe Grondwetsherziening aandrong ? Dio nieuwe herziening zou, opdat ander werk niet inmiddels werde tegengehouden, moeten plaats hebben op het einde der thans beginnende vierjarige periode, alzoo in 1891. (1)
De geboorte der radicale partij in die dagen is eene gewichtige gebeurtenis geworden.
(1) de Amsterdammer 20 Januari 18S8.
In later dagen heeft men, ter verdediging van liet wetsontwerp des Ministers Tak, zich dikwijls beroepen op de uitlegging van Prof. iiuys (De Grondwet 111e deel, bl. quot;147, ad art. 80): «De wetgever moet kenteekenen «aannemen en grenzen stellen, maar hij is bevoegd vrede te hebben met «een muur waar een kind over heenstapt. Hij mag niet kortweg algemeen «stemrecht voorschrijven, maar hij mag wel de kenteekenen zoo inrichten, «dat het algemeen stemrecht feitelijk bestaat». Hierbij vergat mijn geëerde leermeester dat de gewone wetgever verplicht is niet enkel om pro forma de grondwet nateleven, maar ook om haar ernstig toetepassen. Nadat de Regeering in ISOS haar eerste ontwerp, bij hetwelk enkel negatieve kenteekenen waren voorgesteld, had laten varen en positieve kenteekenen van welstand was gaan aanbieden (eerst: plaatsing op bevolkingsregisters, daarna: zekere woningvastheid) liep de strijd dan ook enkel hierover, of het voorgestelde kenteeken met het oog op de werkelijkheid des levens een ernstig bewijs van welstand was. Misschien zullen sommigen zich nog wel herinneren dat ik in Febr. 1894,111 een vlugschrift over het Gewijzigd Wetsontwerp op liet kiesrecht, door een onderzoek omtrent 395 te Utrecht door Armenzorg ondersteunde gezinnen, aantoonde dat hiervan nagenoeg alle aan den welstandseisch der Regeering voldeden. Een onderzoek, elders door anderen ingesteld, leidde tot een uitkomst in denzelfden geest.
IB
Het was in een met talent geredigeerd dagblad, de Amsterdammer, dat van 17 tot 25 Januari een vijftal hoofdartikelen verschenen onder den sprekenden titel waarom scheiding? Scheiding predikte het onder de liberalen, scheiding, omdat de vereeniging Burgerplicht medeging met de circulaire van het Bestuur der Liberale Unie. Als grieven tegen dat stuk werden genoemd dat daarin geen partij werd getrokken voor Algemeen Stemrecht, niet stellig genoeg werd aangedrongen op Leerplicht, en gezwegen werd van oplossing des schoolstrijds en van verbreking der flnancieele banden tusschen den Staat en de Nederd. Hervormde Kerk. Men gaf in die artikelen te kennen dat het nieuwe artikel 80 der Grondwet onduidelijk was, doch gaf toe dat eigenlijk zonder nieuwe grondwetsherziening het gewenschte kiesrecht niet was te verkrijgen. De oorlogskreet van de Amsterdammer ging gepaard met de oprichting eener nieuwe kiesvereeniging Amsterdam, den 24 Januari, wier oprichters in eene circulaire (1) aan het publiek verklaarden :
B(Wijgt; willen niet langer mededoen aan het verbergen der ernstigste â vorsoliilpunten achter niets-zeggende algemeenheden. Daardoor wordt âniet anders verkregen, dan een schijnbare samenwerking van rich-,,tingen, die op de hoofdpunten verschillen. Beter is hot, dat elke âpartij duidelijk doe uitkomen wat zij wil. Haar kracht mag niet âverlamd worden door andersgezinden in eigen boezem.
âOm deze reden hebben de oprichters van Amsterdam in hun âprogramma elke dubbelzinnigheid willen vermijden. Alle in hoofdzaak âgelijkgezinden kunnen bij deze vereeniging zich aansluiten. Amsterdam âwil algemeen kiesrecht met verzekering van het geheim der stemming âdoor verplichte invulling van het stembiljet ten bureele. Hebben âniet alle klassen der maatschappij evenzeer recht op behoorlijke âvertegenwoordiging, op behoorlijke behartiging harer belangen? âWaarom dan echter juist de talrijkste klasse, die der arbeiders, âuitgesloten? De ongeschiktheid van liet grootste deel der natie mag âniet ondersteld worden. Wel moeten zij, die inderdaad ongeschikt âzijn om zelf aan den verkiezingsarbeid deel te nemen â de geheel
(1) ïe vinden in de Amsterdammer van 31 Januari 1S87. De ondeitee-kenaars waren de II.H. M. W. F. ïreub, J. li. de Ivruijfl', Gh. K. Kou veld en H. J. Biederlacki
14
âouontwikkelden, die noch lezen noch sclirijven kunnen, â van do ^stembus verwijderd blijven. Moge dit onder do tegenwoordige Grondwet âmisschien nog niet geheel to verkrijgen zijn, er worde althans krachtig .,op aangedrongen om reeds aanstonds het kiesrecht zóóver uit te âbreiden als voor het oogenblik mogelijk is.quot;
Warm werd het programma der nieuwe vereeuiging door de Amsterdammer toegejuicht. âWij geloovenquot; â schreef dat blad op 26 Januari, â âdat dit programma duidelijk âwêergeeft de allereerste wenschen van de vooruitstrevende âliberale partij, kortheidshalve de radicale genoemdquot; .... âGaat van elkaar gij conservatieven en radicalen, â maar âbederft elkander nietquot;!
Het Bestuur der Liberale Unie vond in deze aanvallen geen termen hoegenaamd om zijne circulaire te wijzigen; gelijk wij boven hebben gezien, werd zij, eene maand daarna, ongewijzigd door de algemeene ledenvergadering aangenomen. Wie zou destijds hebben durven voorspellen, dat binnen drie jaren datzelfde Bestuur, met woorden, welke nagenoeg letterlijk aan het manifest van Amsterdam waren ontleend, het Algemeen Stemrecht zou voorstellen zonder herziening der Grondwet, â dat dus het Bestuur ten aanzien der quaestie, waarin de basis der politiek is gelegen (1), zelfs de stoutste wenschen der radicalen zou overtreffen ?
De uitslag der algemeene verkiezingen in 1888 was eene nederlaag voor de liberale partij: het actief program barer Unie werd dat eener minderheid. Het hoofdmoment in de parlementaire geschiedenis werd de beëindiging van den schoolstrijd. Prof. Buijs had in zijn Gidsartikel (2) van Januari 1888 geschreven: âdat er hier te lande aan geen âgezonde organisatie van politieke partijen gedacht kan âworden zoolang op dit gebied â ik zeg niet de vrede âgesloten, maar âgeen toestand geschapen is waarin allen
(1) Woorden uit de Amstenlammcr, 20 Januari 1888.
(2) Blz. 139.
15
âkunnen berusten. Mochten de aanstaande verkiezingen âaan de kerkelijke partijen eene bruikbare meerderheid âverzekeren, dan zoude daaruit allicht dit goede gevolg âvoortvloeien, dat het invoeren van zulk een toestand âmeer gemakkelijk werd gemaaktquot;. Welnu, de onderbinding leerde dat de overwinning dier partijen werkelijk dit goede medebracht. Zonder eeuigermate de verdienste te willen verkleinen van hen, door wie tot de pacificatie van 1889 het initiatief en de eerste regeeringsmaatregelen van uitvoering werden genomen, durf ik het eene eer noemen van vele liberalen in de Tweede en in de Eerste Kamer, dat zij tot de wet van 8 December 1889 op het Lager Onderwijs hebben medegewerkt.
Het octrooi der Nederlandsche Bank werd op nieuw geregeld. De aanneming van de wet van 5 Mei 1889 tot het tegengaan van overmatigen en gevaarlijken arbeid van jeugdige personen en van vrouwen in fabrieken geschiedde in de Tweede Kamer met algemeene stemmen minus ééne, nl. de stem van het socialistisch lid Domela Nieuwenhuis. Bij gebreke van algemeene verkiezingen, bepaalde de Unie zich tot manifesten over het schoolwezen en den persoonlijken dienstplicht; doch veel belangrijks leverden haar vergaderingen, welke ik bijwoonde, niet op: de partij was in de minderheid. Er heerschte windstilte. Over de stappen, die het Bestuur had genomen tot beëindiging van den schoolstrijd, scheen één oogenblik een vleugje wind te zullen opsteken. Maar dat ging liggen. Uit niets hoegenaamd kon men opmaken dat in den boezem van het Bestuur een maatregel werd voorbereid, waarvan het eene scheiding onder de geestverwanten, â destijds vergoelijkend nog âonderscheidingquot; genoemd, â zelf voorzag.
In Juni 1891 zouden de algemeene verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden worden. Op 5 Maart te voren verraste het Bestuur de natie met een Concept-Manifest, uitermate uitvoerig over allerlei onderdeelen van Staats-
16
beleid, en allereerst eene nieuwe Kieswet eischende tot invoering feitelijk van het Algemeen Stemrecht.
Zij ligt thans vóór mij, die circulaire van 5 Maart 1891.
âDe kiesbevoegdheid â ZOO klinkt het, â voor de Tweede Kamer der Stateu-Generaal worde door onbekrompen toepassing van het voorschrift der Grondwet uitgebreid tot den kring der werklieden, die reeds te lang daarvan verstoken bleef. De wetgever ga aanstonds zoover als een eerlijke uitlegging der Grondwet hem veroorlooft. Onder vaststelling van de noodige waarborgen tegen misbruik, geve hij het kiesrecht aan alle meerderjarige mannelijke Nederlanders, die, bij eene eigenhandig geschreven aanvrage aan het plaatselijk bestuur hunner inwoning, hun verlangen te kennen geven om op de kiezerslijst te worden geplaatst, of op eene andere door de wet voor te schrijven wijze toonen te kunnen lezen en schrijven en belang te stellen in de openbare zaak. Behalve de bedeelden en de overige in de Grondwet aangewezenen, blijven daarbij echter uitgesloten zij, van wie blijkt dat zij niet in staat zijn zelf in hun onderhoud en dat van hun gezin te voorzien. Persoonlijke invulling van het stembiljet in het lokaal der stemming worde voorgeschreven.quot;
De liberalen in den lande zagen zich in eenquot; moeielijke positie. Bij een naderenden verkiezingsstrijd wenscht men de eenheid te bewaren. Men komt niet gaarne tegen geestverwanten in openbaar verzet. Zij deden aanvankelijk alsof zij de twistappel, welke was nedergeworpen, niet zagen, en poogden haar ter zijde te schuiven, zonder veel discussie liefst. De Nieuwe Rotterdamsche Courant (1) maakte de opmerking, dat het ontwerp te -veel in bijzonderheden van regeling trad, bijvoorbeeld ter zake van kiesrecht; zij wenschte een onbekrompen regeling doch tevens vrijheid voor hen, die de wet zullen te maken hebben, in de beslissing hoe dat zal moeten geschieden. Plet Sociaal Weekblad (2) daarentegen juichte: het stelde, indien nu de verkiezingen gewonnen werden en indien dan soms vele liberalen met de kiesrecht-paragraaf niet mochten meegaan,
(1) 15 Maart 1891.
(2) 21 Maart 1891.
17
eene kamerontbinding van de zijde van het alsdan opgetreden liberaal kabinet alvast in het verschiet; dat allen mede zouden gaan, verklaarde de redacteur, Mr. Kerdijk, bij voorbaat âeene illusiequot;.
Tegenover deze bedreiging en aanvallende voorspelling stelden vele geestverwanten hun hoop op de algemeene Itden-vergadering, die op 11 April het Manifest zou vaststellen. Mijn persoonlijke indruk in die dagen is geweest, dat het Bestuur bevreesd was voor tegenwerking der te Amsterdam steeds krachtiger opgetreden radicalen en thans door eene wat al te toegefelijke houding trachtte hen te werven als bondgenooten bij het groote liberale leger; â een onmannelijke politiek in mijn oog, over welke echter men voor-loopig het best zou doen enkel binnenskamers afkeuring uittespreken. Daar ik om persoonlijke redenen verhinderd was op 11 April de vergadering te Amsterdam als afgevaardigde van de Utrechtsche Kiezersvereeniging bij te wonen, deelde ik aan het Bestuur dier Vereeniging mijn bedenkingen tegen het concept-manifest schriftelijk mede. Mijn. lezers zullen beseffen dat ik met aandacht volgde, wat er op 11 April te Amsterdam voorviel en dat ik mij vooral de vraag voorlegde of het Concept in een aannemelijken geest werd gewijzigd.
Eerst later is gebleken dat achter het bestuursvoorstel iets anders stak dan een poging om de radicalen van Amsterdam te brengen binnen den kring der liberale partij. Het Bestuur bleek werkelijk tot de doctrine van het Algemeen Stemrecht bekeerd en tot een ander kamp overgeloopen. Op de vergadering zelve van 11 April trad reeds aan het licht, dat het ten behoeve dier doctrine de eenheid der partij wilde ten offer brengen en dat het zijn mandaat niet opvatte in den zin, dat het vóór alles eene Unie had in stand te houden van hen, aan wie het zijn mandaat verschuldigd was. Het Bestuur had besloten tot een politiek beleid, dat als twee druppelen water zou gelijken op de circulaire der Amsterdamsche radicalen van 24 Januari 1888: dat de
18
wetgever aanstonds zoover moest gaan als de Grondwet veroorlooft, waren reeds de eigen woorden dier circulaire geweest. Alleen hadden de radicalen een kiesrecht naaide schrijfproef niet wel mogelijk geacht zonder nieuwe grondwetsherziening: zij waren thans door het Bestuur der Unie voorbijgestreefd.
Zoo kwamen op 11 April de afgevaardigden der ünie te Amsterdam bijeen.
Daar openbaarde zich tweeërlei strijd (1).
ïen eerste over de vraag of het Manifest dermate in bijzonderheden moest afdalen als het Bestuur had voorgesteld Prof. Buijs stelde met vele andere afgevaardigden uit den Haag en Rotterdam en Leiden eene motie voor van meer algemeenen inhoud, in welke b. v. over het kiesrecht enkel werd gevraagd eene zoodanige toepassing der Grondwet, âdat het ook voor den werkman toegankelijk worde.quot; De Leidsche hoogleeraar wees er op dat het bij het Bestuur te doen scheen ora eene instructie aan de afgevaardigden ; dat de zaken niet behoorlijk waren onderzocht; dat het program met al zijne details een twistappel zou kunnen worden in de kiesvereenigingen, eene poging om onrijpe vruchten meê te geven aan de aanstaande afgevaardigden. Mr. Buijs wees er op, âdat men langs den weg van het âManifest meer en meer de wetgevende macht zou ver-âplaatsen van het Parlement naar de kiezers, en dat men âzich thans begaf op een gevaarlijken weg, waarvan het âlater moeielijk zou zijn af te wijken.quot; Hiertegenover sprak Mr. van Hamel eenige woorden, die konden gelden als eene voorspelling van 't geen later is gebeurd: âDe liberale âpartij streve met vasten wil vooruit. Dat nu is niet te
(1) Bij gebreke van stenographisch verslag volg ik hier de verslagen, welke in de Nieuwe Rotlerdamsche Courant en in het Algemeen Handelsblad van 12 April 1891 verschenen zijn. Er bestaat alzoo geen absolute waarborg doch enkel waarschijnlijkheid dat de woorden zoo gesproken zijn als hier aangehaald. Voor alle citaten omtrent het ter vergadering voorgevallene maak ik uitdrukkelijk deze reserve.
âdoen zonder in eenige details af te dalen. Algemeenheden âworden niet meer vertrouwd. Wat het ongeoorloofde eener âinstructie aan de afgevaardigden aangaat, de tijden kunnen âdaartoe dwingen, en volgens spreker leven wij in zoo'n âtijd. Een ander bezwaar zou zijn dat door die details âstrijd zou komen onder de liberale kiesvereenigingen. Nu âwil spr. niet afscheiden, maar wel onderscheiden. Is er âeen kleine minderheid, die anders wil als wij besloten âhebben, dan zou spr. zeggen onderscheidt die minderheid, ânaar haar nuance, van de liberale partij.quot;
De vergadering besloot met 61 tegen 21 stemmen het Manifest zelf in behandeling te nemen, alzoo over te gaan tot de details.
De regeling van het kiesrecht kwam alzoo aan de orde. Maar hoewel men er op had aangedrongen dat de punten op de i's zouden worden gezet, toen men aan het werk toog bleek men onwillig. Terstond kwam een amendement in om de geheele regeling omtrent de kiesbevoegdheid uit het Manifest te lichten. Vierkant werd zij bestreden door den heer Hoetink uit 's-Gravenhage: âHet âkomt hem voor, dat de geheele redactie van het Manifest âter zake van het kiesrecht zoo onmogelijk is en zoozeer âin strijd met de Grondwet, dat het hem niet de moeite âwaard voorkomt in eene bespreking te treden.quot; (1) Werd echter het amendement aangenomen dan zou enkel de zinsnede overblijven: âde wetgever ga aanstonds zoover als eene eerlijke uitlegging der Grondwet toelaatquot;, â en dit was niet naar den zin van allen, allerminst van het Bestuur. Bestrijders van het amendement traden op. Onder hen rangschikte zich ook Mr. J. A. Levy: âAls wij âwisten dat de Grondwet duidelijk was, zouden wij kunnen âmedegaan, maar wij weten allen dat de Grondwet dubbel-âzinnig is, en nu komt spr. er tegen op, dat men zich
(;l) Verslag der N. Bolt. CL
20
âachter de Grondwet als achter een échappatoire ver-âschuilt.quot; Ook anderen wezen er op dat men door het amendement zon geraken tot juist datgene wat de motic-Buijs had beoogd : eene vage omschrijving. Ook het Bestuur bleef aandringen op zijn nauwkeuriger formule. Het mocht niet baten. Met groote meerderheid (52 stemmen tegen 29) vereenigde de .vergadering zich met de vage omschrijving en verwees zij alzoo alles naar de âeerlijke uitlegging dei-Grondwetquot;, zonder dat in de vergadering zelve van deze uitlegging eenige rekenschap gegeven was.
Voor mij, te Utrecht, was geen overwegende reden tot oppositie meer. Uit het Manifest viel op te maken, dat ook eene andere dan eene eerlijke uitlegging der Grondwet mogelijk werd geacht: welnu, zoo dacht ik, hieraan zal men zich niet wagen. Dat de Grondwet eerlijk moet worden uitgelegd, spreekt van zelf.
De verdere geschiedenis der verkiezingen in 1891 is bekend. In Amsterdam en in Rotterdam werd in liberale kiesvereenigingen de hernieuwde candidaatstelling van sommige Kamerleden der partij bestreden, zonder dat echter die bestrijding ingang vond. Omtrent het Kiesrecht bleef het meeningsverschil bedekt. Bij de stembus stonden alle liberalen schouder aan schouder. Zij verwierven de meerderheid. Mr. Tak van Poortvliet trad op als Minister van Binnenlandsche Zaken. Toen deze in 1892 een wetsontwerp voorstelde in den geest van de uit Concept-Manifest geschrapte regeling, verklaarde het Bestuur der Unie bij eene circulaire van 27 October zijne hooge ingenomenheid met het ontwerp en belegde het, vóór nog de Tweede Kamer der Staten-Generaal een onderzoek over het wetsontwerp had openbaar gemaakt, eene algemeene ledenvergadering (26 Nov.) alwaar de wensch werd uitgesproken, dat het ontwerp in hoofdzaak ongewijzigd mocht worden aangenomen. Het Voorloopig Verslag echter der volksvertegenwoordigers, â vastgesteld op 25 Febr. 1893, â bracht aan het licht, dat er tegen de hoofdzaak beden-
21
kingen bestonden, waarvan de overweging ook voor de leden der Unie nuttig had kunnen geweest zijn: bedenkingen omtrent Grondwet en Staatsbelang. Fluks werd op hen, die deze bedenkingen deelden, de naam van conservatieven toegepast. Zekere angst om bij de radicalen achter te blijven scheen velen voort te drijven, lieeds op 11 April 1891 had Mr. Levy op de algemeene vergadering der Liberale Unie gezegd: âEr heerscht een gevoel van verbittering in den lande en dat gevoel wordt door eene âpartij geëxploiteerd, die zegt dat zij de partij van her-âvorming en de liberale partij die van behoud is. Dit âmoet de liberale partij doorzien en logenstraffenquot;. Een tijdperk bleek geopend van het uitspelen van steeds hoogere troeven. Toen het Bestuur de onheilspellende teekenen scheen te willen bezweren door de oogen er voor te sluiten, heb ik bij een schrijven, dat in tal van bladen werd openbaar gemaakt, het gewaarschuwd om toch niet af te .gaan op moties van slecht bezochte vergaderingen, maar liever eens te letten op andere dingen o. a. op de verkiezing tusschentijds te Rotterdam van een verklaard tegenstander van het Regeeringsontwerp en op de adresbeweging daartegen. Te vergeefs.
Over den strijd van 1894 trek ik den sluier.
Men kan uit dit verhaal zien dat de regeling, die in 1894 aanleiding gaf tot zoo hevigen strijd, ten eenenmale buiten den gedachtengang lag der liberale partij bij de Grondwetsherziening van 1887; dat zij veeleer ontleend was aan de Amsterdamsche radicalen van 1888.
Thans eerst is het kiesrecht in overeenstemming met de oorspronkelijke gedachte geregeld. De liberale partij heeft op nieuw haar kracht getoond, steunende op beginselvastheid en gematigdheid. Deze staan over tegen de wispelturigheid, de onberekenbare omkeeringen en bekeeringen, welke verrassingen brengen aan de geestverwanten en het vertrouwen ondermijnen bij allen. De verrassingen
22
kunnen soms de menigte het spoor bijster doen worden, doch slechts voor korten tijd. Het wantrouwen daarentegen is van meer blij venden aard. Want het is verdiend. De geschiedenis van andere landen en van vervlogen tijden leert dat op den bodem der plotselinge wendingen maar al te dikwijls beweegredenen liggen, die vreemd zijn aan eene staatkunde, welke rustig overweegt wat door het openbaar belang gevorderd wordt.
Uit de historie blijkt dat de liberale partij niet anders doet dan trouw betrachten jegens hare traditiën, indien zij thans van alle zijden op nieuw vordert dat de wetgever een open oog bezitte voor de behoeften, welke in don loop der tijden vooral uit de steeds voortgaande ontwikkeling der nijverheid geboren zijn. In dit opzicht is er geen enkele kring, die het recht heeft zich het monopolie van maatregelen toe te kennen, en die de andere mag beschuldigen zijn program na te schrijven. Het eene is toevallig een weinig vroeger in de wereld gezonden dan het andere: doch alles is ten slotte een nieuwe uitgaaf van het program van 1888, in verschillende vormen.
Naar mijne meening hebben zij den besten vorm gekozen, die zich er van hebben onthouden onrijpe vraagstukken als opgelost voor te stellen, en die tevens zich er voor hebben gewacht om, onder welke leuze of sophistische redeneering ook, te drijven naar de keus als candidaten van slechts die mannen, die bij voorbaat verklaren de natie op dergelijk onrijp ooft te willen onthalen.
In dit opzicht was de Liberale Unie op 14 November jl. ongelukkig. Zij heeft een van de diepst ingrijpende vragen, welke het parlementaire regeeringstelsel medebrengt, in den verkiezingstrijd geworpen, de vraag namelijk wat de praktische beteekenis is van het grondwettelijk voorschrift omtrent de volksvertegenwoordiging: âde leden stemmen âzonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen.quot; Willen de kiezers zich onthouden van lastbrieven voor de afgevaardigden, dan moeten zij zekere zelfverloochening
28
bezitten, geleid door het inzicht, dat anders het parlementair stelsel bedorven wordt. Juist op dit oogenblik, nu groote scharen van nieuwe kiezers optreden, is de verantwoordelijkheid dubbel zwaar van hen, die de kiezers prikkelen om het parlementair overleg bij voorbaat aaa banden te leggen.
Bovendien beging de Unie een tweede fout. Zij heeft, door een reeks maatregelen van haar âalgemeen Hervormingsprogram1' afzonderlijk te vereenigen tot een urgent program, eene volgorde van Regeeringsbeleid willen voorschrijven. Noodzakelijkerwijs toch gaan de urgente voor. Zulk een van wege kiesvereenigingen voorgeschreven volgorde is tot dusver, naar ik meen, in Nederland eenig in haar soort. Is zij wel ernstig gemeend? Het dubbele program is bloot de in twee lichters overgeladen vracht van het zeeschip, hetwelk gebleken is wegens overlading de haven niet te kunnen binnenvaren. Tusschen beide programs bestaat geen zakelijk verschil. Het doet er weinig toe wat op den voorgrond geplaatst is, wat op den achtergrond. Over de volgorde beslissen feitelijk Eegeering en Staton-Generaal. Naar het niet-urgente Program wil de Unie evenzeer als naar het urgente de candidaten gekeurd hebben. Derhalve zal, â krijgt de Unie haar zin, â het Parlement onder den druk staan van beide.
Diep valt hierbij te betreuren dat de Unie in éen dier twee den wensch heeft uitgesproken tot voortzetting van den strijd over het kiesrecht. In § 1 van haar Hervormingsprogram staat:
âTen aanzien van het kiesrecht blijft do Liberale Unie, in overeenstemming met wat in 1891 en in 1894 door haar beleden werd, oen zoo ruim mogelijke uitbreiding van het kiesrecht, los van eiken band met belastingen, noodzakelijk achtenquot;.
Deze verklaring bevat eene historische onjuistheid. Nooit heeft in 1891 de Unie beleden dat het kiesrecht los van eiken band met belastingen moest zijn. Men kweeke niet
24
langer de dwaling dat de liberalen thans eene regeling hebben gemaakt in strijd met hetgeen zij in 1891 hebben beloofd.
Maar afgezien hiervan, deze kiesrechtparagraaf zon als oorlogsverklaring moeten worden opgenomen, indien men geen hoop mocht koesteren dat het zal blijven bij een verklaring enkel op het papier. De geschiedenis van de wijze, waarop de Unie zich voor de koets der radicalen heeft doen spannen; de ontgoocheling, welke haar ten deel viel door de cijfers van de eigen aangiften; de raad van enkele harer leden om bondgenootschap te sluiten met de Friesche volkspartij en andere richtingen onder allerlei naam â dit alles opene tijdig hare oogen.
Mocht echter de oorlogsverklaring metterdaad in werking komen ; mochten sommige kiesvereenigingen bij het zoeken van candidaten heimelijk of openlijk genoemde paragraaf als leiddraad bezigen, dan zullen die candidaten onaannemelijk zijn voor allen, die in 's Lands belang eene heropening van den strijd over het kiesrecht veroordeelen.
Het beleid der liberale partij in de volksvertegenwoordiging gaf blijk van omzichtigheid en vastberadenheid; evenzeer vereenige zij bij de voorbereiding der verkiezingen in den lande deze deugden. Zij streve vrijelijk vooruit, doch geve zich rekenschap van hetgeen de ware vooruitgang eischt. Tegen maatregelen, welke zij beschouwt als een terugtred op de baan, sta zij over met moed en met vertrouwen. Dan zal zij, met eere wijzend op haar verleden., mogen rekenen op den steun van het Nederlandsche volk in het tegengaan der toekomst.
. --quot;⢠- . . â¢quot; - - â¢- , Æ*-, ⢠'. ⢠-â - ⢠; v.-'-.* â¢' * â
se::?s£ Æ -
^gâ¢: : ⢠SiS« â â Sï|®
' ' ' - ' -
â¢â¢â¢â¢ . ' .ra-.v/ r-.v'
- ..⢠: f -lt; v ; '-ü - â â¢quot; '-â » ⢠: ; ó
; ' Cv V;: ; -r-: . . .Z
- J-.-
.âJ . - ^ ....
â â quot; - â .ââ / -â â â - -⢠â ' - -v 'â . ' â
: â . - â¢â¢â / - â , ~ - ⢠.--r^ .-â v. . . -
. â â i .... .quot; -. â
' '' ^ -
quot; quot; â . .. ~ quot;.-: ' . ' quot; - ' ' quot; â . , .- -
â â . : .â¢â¢. .,â ' ' ,-r.;, .....â . â¢
-- â .- . ⢠,
0oi^:^ - ^^^HpHpipip
' . â :r', â¢.i-'-'-.v t .^-'r.
' ^ quot;'Z^-â â
- â â ^ - -. .r- - - â â
|
/ ' . â quot;
.
⢠- . - - , - - -
; . . --- ⢠^
--r - â -,.... -------- ,r^. _ . .^.
''ï' -.r -,, â »- -
-. -â â â --vi... - -
2^. . ' . C:4
^ ⢠.⢠' . . . r-- â â ., - quot; â â
-lt;-) â - v--,⢠' V/ ⢠. 'â -.-V. . : â¢.
-â¢-:â â¢. â¢- â '⢠- ./ ⢠- . -
â s.
- ' â --......-
? ® -gt;â
t'-. ^
⢠t-,.-
T â - â: ^ 'â
â . ^ ⢠⢠.. ⢠... -â¢â â â ..â¢
- â â -â -- . - v â -
' %.⢠;' : . i'.
, ... .â â â â '- â .-.--J . .
â . ' . iquot;-V. - ⢠â¢; .'
. ;â gt; ⢠^ 'h - â gt; ⢠.. . ::
.â ...v. â
., .v.,^ % ⢠â¢:
â - â -â¢â¢- / -- - -.
. *JJj. â â '= ⢠â - â -â¢
-v-V --:.r , '-ïtLis::-:
â¢quot; -rquot;-
V ' - â .-..
quot;V..S.;
|
â ; | |
|
' ⢠. ^ |
.-Trquot;,