tfk mzâzv^-- -i
/
o , J3-
zp}J-
â
t.; I
T
lt;
~r
r
/
i i
i *
i
i ?
i
i i
i
i
i gt;lt;
VERMOGENSBELASTIt
J!
KANTONS VAN ZWITSERLAND,
UTRECHT,
C. H. E. B RE IJ ER.
1892.
MEDEDEELINGEN
J. d'AULNIS DE BOUROUILL.
OMTRENT DE
MEDEDEELINGEN
OMTRENT DE
ERMOraSBELASTMEN
IN DE
KANTONS VAN ZWITSERLAND,
DOOR
Mr J. d'AULNIS DE BOUROUILL.
Typ. J. VAN BOEKHOVEN, Utrecht.
In Nederland is voorgesteld de belasting bij het overlijden naar den maatstaf van het vermogen uit te breiden tot eene jaarlijksche heffing.
Ik heb een onderzoek gedaan naar dergelijke heffingen elders.
Misschien zullen mijne landgenooten in de uitkomsten van dat onderzoek belang stellen.
In een Naschrift voegde ik aan dit omstel eenige opmerkingen toe over de methode, door welke men geraken kan lot een oordeel omtrent de verdeeling van den belastingdruk over de verschillende klassen der maatschappij.
Utrecht, Mei 1892.
INHOUD.
Biz.
Vermogensbelastingen in de Zwitsersche Kantons, in
verband het de belastingen van den boxd en de gemeenten ................
§ 1. Maatregelen tot controle van het vermogen
Algemeene resultaten dier maatregelen . . . 11
§ 2. Het kanton Geneve..........19
Geschiedenis der vermogensbelasting aldaar. â Belasting van het roerend vermogen. â Tarief. â Dit tarief in verband met andere belastingen te Genève.
§ 3. Het kanton Waadt..........24.
Geschiedenis der vermogensbelasting. â Invoering der progressie in 1886. â Tarief op het roerend vermogen. â Maatregelen tegen ontduiking. â Gevolgen dier maatregelen.
§ 4. Maatregelen van controle in andere kantons . 33.
1 Eigen aangifte en ambtelijke aanslag . . . 33.
2. Gemeentelijke of kantonnale ambtenaren . . 34.
3. Openbare of geheime kohieren.....36.
4. Ambtelijke boedelbeschrijving......37.
Noodzakelijkheid van dit middel. â De strijd hierover in Zurich. â Mislukte poging der Regeering om dit middel algemeen toepasselijk te doen zijn. â De tegenwoordige controlemiddelen aldaar. â Ont-
duiking op groote schoal. â Nieuwe mislukte poging in 1883. â Men pleit voor versterking der indirecte middelen. â Deze middelen zijn het hoofdbestanddeel der Zwitsersche staatsinkomsten.
NASCHRIFT..............47.
In Zwitserland zijn de vermogonsbclastingou meer een vraagstuk van macht, dan van weloverwogen rechtvaardigheid. â De progressieschalen willekeurig; de volksmenigte meer gevoelig voor vrijstellingen en voor lage tarieven in de lagere rangen dan voor goede controle. â De methode, naar welke do verdeeling van den belastingdruk over de verschillende klassen der maatschappij kan worden berekend. â Proeve eener dergelijke berekening voor het gezin van een ambtenaar-rentenier in een der Hollandsche steden.
Vermogensbelastingen bestaan thans in de Staten der Noord-Amerikaansche Unie en in alle Zwitsersche kantons, met uitzondering van Solothurn.
Die in de Amerikaansche Unie zijn nauwelijks ernstige proefnemingen te noemen. De maatregelen van controle over de eigen aangifte zijn er volkomen onvoldoende en worden zelfs, naar 't schijnt, met opzet door de ambtenaren niet nageleefd, daar de districten, in welke de Staten voor de heffing dier belastingen zijn verdeeld, met elkander wedijveren in pogingen om door lagen aanslag' ieder voor zich zoo weinig mogelijk aan de algemeene schatkist bij te dragen. Geen nederlandsch schrijver is mij bekend, die over de amerikaansche vermogensbelastingen een gunstig oordeel heeft geveld, en Paul Leroy Beaulieu ') vat zijn oordeel er over samen in de woorden: «Rarement dans la fiscalité moderne on a inventé d'instrument plus grossier.» *
Van veel meer belang daarentegen zijn de vermogenshef-fmgen in de Zwitsersche kantons. In deze kleine landstreken, ieder in het bezit van eigen grondwet en andere wetten, zijn in den loop dezer eeuw, soms zelfs reeds in overoude tijden, dergelijke heffingen ingevoerd. De rechtstreeksche belastingen op het roerend vermogen, op het onroerend ver-
') Science des finances, I. bl. 476.
8
mogen, en op de inkomsten uit arbeid vormen er belano-rijke bronnen van inkomst. De Zwitsersche Bond put zijne middelen voornamelijk uit invoerrechten1), uit de posterij, de telegraphie en de domeinen. Om een te groote belemmering van het binnenlandsch verkeer te voorkomen is, evenals in het Duitsche Rijk, het belastingwezen in dier voege geregeld, dat die rechten, welke door middel van douanes moeten worden geïnd, toegekend zijn aan en geheven worden door den algemeenen bondsstaat. De kantons daarentegen hebben vermogens- en inkomstenbelastingen (in '1886 opbrengende fr. 18.184-.000), inkomsten uit het zoutmonopolie, belastingen op dranken en drankhuizen {in 1886; fr. 9.262.0Ã0), belastingen op de erfopvolging en op schenkingen (in 1886: fr. 3.054.000) en verder inkomsten b.v. uit registratierecht, den afkoop van militieplichl, het recht van zegel en het bankwezen. De gemeenten eindelijk zoeken hun inkomsten te verkrijgen door rechtstreeksche heffingen, welke rnin of meer, soms zelfs in den vorm van opcenten, bij de kantonnale zich aansluiten (in 1886: fr. 26.211.00). Hier en daar vindt men belastingen op dienstboden, paarden, rijtuigen en honden : doch deze heffingen zijn in den regel van geen noemenswaard financieel belang.
Zooeven schreef ik, dal de kantons ook indirecte belastingen hieven op het verbruik van zout en van dranken. Die op de dranken wordt sedert 1887 niet meer door de kantons geïnd. De Bond heeft haar thans onder den vorm van een alcoholmonopolie, en keert het product aan de
') De invoerrechten brachten in 1889 fr. 27.686,051 op, d. i. ongeveer 2/s van al de inkomsten van den Bond.
9
kantons uit in verhouding van liet zielental der bevolking'. Zoo is in Zwitserland het denkbeeld in praktijk gebracht, hetwelk in Nederland door Mr. Sprenger van Eijk is aanbevolen, dat namelijk de Staat, met zijne indirecte verteringsbelastingen de groote volksmassa treffende en erkennende dat die belastingen moeielijk geheven kunnen worden door de onderdeelen zelve, de opbrengst er van naar zekeren maatstaf over deze verdeelt ter tegemoetkoming in de bestuurslasten, met welke zij zijn bezwaard.
Nog een andere belasting wordt in Zwilserland geheven, welke de aandacht verdient. De groote invloed, welken in de kantons het volk rechtstreeks op de wetgeving uitoefent, heelt zich niet alleen geopenbaard in liet samenstellen van rechtstreeksche heffingen naar progressieve tarieven, doch ook in het doen van uitgaven, zonder dat de meerderheid des volks er van den druk gevoelt: in sommige kantons is daarom het kiesrecht afhankelijk gemaakt van een hoofdgeld. «Mit der Ausdehnung der Volksherrschaft» â lezen wij in het werk van G. Schanz, die Sleuern der Schweiz (I, hl. 61) â «wurde die Beobachtung gemacht, dass der Grosse Rat und «das Volk ausserordentlich leicht bereit sind, neue Ausgaben «zu beschliessen, zumal wenn die herrschende Partei da-«durch im Volk ihren Anhang starken zu können glaubt. «Die Folgen der Beschlüsse tragi aber oft nur die wohl-«habendere Minoritat; sind die indirekten Sleuern auch sehr «reduziert, so wird das Missverhaltniss noch starker. Es «wurde das Bedürfniss gefühlt eine künstliche Hemmung «anzubringen, und mehr und mehr gilt jetzt der Grundsatz: «wer mitraten will, muss auch mitthaten, d. h. steuern.quot;
Bij de mededeelingen, welke ik omtrent de kantonnale
10
vermogensbelastingen zal doen, heb ik voornamelijk het oog gevestigd op een belangrijke vraag. Deze pleegt te worden gesteld door hen, die niet naar een denkbeeldige, maar naar een werkelijli rechtvaardige verdeeiing van den belastingdruk zoeken, èn door hen, aan wie de handhaving der openbare zedelijkheid op belastinggebied ter harte gaat. Zij is deze: op welke wijze de fiscus eene behoorlijke controle over het ver-mogensbezit der ingezetenen kan uitoefenen ? Die vraag is ook in Zwitserland opgeworpen. Zij trad er bij elke belastingregeling op den voorgrond. Dikwijls zelfs ging de telkens weer opflikkerende, hartstochtelijke partijstrijd in menig kanton, b.v. te Zurich, niet om het tarief of om de mate van progressie, maar had hij veeleer, ja soms uitsluitend de fiscale middelen ter controle tot voorwerp. Men verwondere zich hierover niet: de moeielijkheid van dit vraagstuk ligt in lal van omstandigheden, welke nauw met de individueele zelfstandigheid en vrijheid der ingezetenen, met de techniek der administratie, met den druk ook van andere belastingen, en in ieder kanton dikwijls met eigenaardige sociale en historische toestanden samenhangen.
In Zwitserland hebben de naar verschillenden maatstaf en naar verschillende tarieven geheven directe belastingen op roerend vermogen, op onroerend goed, en op arbeidsinkomsten een scherpe tegenstelling van klassenbelangen in het leven geroepen, welke telkens op staatkundig terrein lot strijd aanleiding geeft.
Maatregelen ter contróle van het vermogen.
Algemeene resultaten dier maatregelen.
Do maalregelen, welke in Zwitserland tol voorkoming ol bestraffing van ontduiking genomen zijn, zijn zeer veelsoortig '). En bijna elke wordt in ieder kanton met min of meer belangrijke wijzigingen toegepast. In hoofdzaak laten zij zich terugbrengen lot 1°. eigen aangifte, 2°. ambtelijken aanslag, 3°. geheele of gedeeltelijke openbaarheid der kohieren, 40. middelen tegen hen, die verzuimen eigen aangifte te doen, 5°. inventarisatie, hetzij rechtstreeks door ambtenaren, hetzij onder toezicht van ambtenaren, van iedere nalatenschap, 6°. bijvordering van te weinig betaalde belasting en boete van eenige malen het achterstallig bedrag ingeval bij de boedelbeschrijving blijkt, dat de overledene te weinig heeft aangegeven, 7°. verplichting van openbare ambtenaren (notarissen.
') Voor de kennis der Zwitsersche belastingen staat ons een voor-treffelijk werk ten dienste, dat van Oeohg Schanz, die Steueni der Schweiz, vijf bockdeelen groot, verschenen te Stuttgart in 11?90. Het is wet het beste, dat op dit gebied bestaat. Met een onuitputtelijk geduld heeft de schrijver de belastingstelsels der 25 Zwitsersche kantons nagedaan, ook in verband met het stelsel van den Hond en met de belastingen van sommige belangrijke gemeenten. Dat geheele belastingwezen
12
kanlonrechlers, griffiers) om aan de iiscale ambtenaren kennis te geven van alle onroerende goederen, builen liet kanton gelegen, behoorende aan ingezetenen des kantons (Freiburg), 8°. de keuze van plaatselijke of centrale ambtenaren, belast met de controle, 9°. openbaarheid van de vonnissen, waarbij wegens ontduiking boeten worden opgelegd (Schafl'hausen).
quot;Wie van al deze regelingen in hare bonte verscheidenheid kennis neemt, â en er zijn nog meer, doch van ondergeschikten aard, â moet al spoedig tot de overtuiging komen, dal de offervaardigheid der Zwilsersche belastingplichtigen niet enkel op vaderlandsliefde rust. Waarom toch waren al die bepalingen noodig ? Men meene niet, dat de reden enkel ligt in de hooge percentage, lot welke de rechtstreeksche
bezit een rijke verscheidenheid. Om zijnen lezers een algemeen overzicht te verschaffen van al die bijzondere wetgevingen, heeft Schanz in het eerste deel van zijn werk do uitkomsten van zijn onderzoek tot een dergelijk geheel tesamengebracht. Het tweede, derde en vierde deel doen ons achtereenvolgens de wetgeving van de kantons ieder afzonderlijk kennen. Hot vijfde deel eindelijk bevat den tekst der talrijke kantonnale wetten, de formulieren van aangifte en een aantal algemeene maatregelen van uitvoering. Het geheele werk is rijk aan statistieke gegevens.
Eon verkort overzicht der Zwitsersche vermogens- en inkomstenbelastingen is te 'vinden in het Bulletin de statistique et de législaiion comparée, jaargang 1884, XVIf deel, hl. 455; en bijzonder voor Waadt in het 20stc deel van dat tijdschrift (jaargang 1886) bl. 310, alv/uar men den tekst vindt der daar geldende Loi d'impót sur la fortune mohilière et sur la fortune immohililre.
Over de werking der vermogensbelasting in AVaadtland zijn voorts mededeelingen gedaan in de Bevue d?économie politique, 1887, bl. 195.
Bovendien heb ik bij mijn onderzoek mij gewend tot ingezetenen te Genève en te Lausanne. Die twee plaatsen koos ik uit omdat liet mij voorkwam dat het ü^ederlandsche ontwerp eenige overeenkomst heeft met de wetgeving in het kanton Genève, en omdat Lausanne gelegen is in liet kanton Waadt, alwaar, naar men meent, de wetgeving op de vermogensbelasting de beste maatregelen bezit tegen ontduiking.
13
heffingen opgedreven zijn. In menig kanton, waar de percentage geenszins bijzonder hoog was opgevoerd, heelt men tot strenge maatregelen zijne toevlucht moeten nemen, â en in andere kantons zijn deze aan de verhooging der percentage voorafgegaan.
Waarom dan waren zij noodig?
Oppervlakkig beschouwd waren de Zwitsersche kantons zeer geschikt voor belastingheffing langs meer minnelijken weg. Ten eerste had het kleine grondgebied van ieder kanton (de geheele Bond telt 25 kantons en ongeveer 2.900.000 zielen; alzoo ieder kanton telt gemiddeld slechts '120.000 inwoners) van zelfbij ieder ingezeten levendig kunnen doen gevoelen dat zijne bijdrage geschiedt voor een belang, waarbij hij zelf nauw betrokken is.
Ten tweede had men in die kantons gemakkelijker in deze rechtstreeksche heffingen moeten berusten omdat, al betaalt men veel voor deze, men daarentegen met andere belastingen, â zooals met afzonderlijke grondbelasting, registratierecht, het personeel, â niet of zeer weinig wordt geplaagd. De grondbelasting, gelijk wij haar kennen, namelijk als eenè heffing van ieder stuk onroerend goed onverschillig in wiens handen dat goed zich bevindt en zonder aftrek van hypothecaire lasten, beslaat in Zwitserland zelden. Wat men daar Grundsteuer, impót sur la fortune immobilière, noemt is een onderdeel der vermogensbelastingen; deze worden er gesplitst in belastingen op het roerend vermogen en op het onroerend. Zelfs daar, waar de grondbelasting geheven wordt naar Neder-landschen trant, gelijk te Genève en in Wallis, is zij de tegenhanger van de heffing over het roerend vermogen. Ook de belasting op het personeel, gelijk wij die kennen, en die bij ons tot een zóo hoog bedrag klimt dat in onze Hollandsche
14
sleden die belasting alleen reeds S'/j 0/o van Ilcl inkomen bedragen kan '), vindl men niet in Zwitserland. De belasting per boold der bevolking voor den Zwitserscben Bond èn de kantons bedroeg in 1888,89 53 francs (slatislisches Jnhrtnich der Schweiz '1891 bl. 213) en is dus niel zwaarder dan de bijdrage, die de Nederlandsche Staat van ieder ingezeten gemiddeld heft.
Ten derde: in vele kantons zijn de vermogensbelastingen zeer oud. Men had kunnen verwachten dat de jarenlange gewoonte om te betalen reeds lang den tegenstand tegen die heffingen zou hebben gebroken. «Man sollte erwarten,» â lezen wij bij Schanz, I, bl. 114, â «dass kaum ein Land «günstigere Bedingungen für die Steuerveranlagung darbieten «könnte als die Schweiz. Die Kleinbeit der Kantone und die «demokratische Selbstbestimmung bringt den Einzelnen dem «Staat, so nah, dass man eine freudige und gevvissenhafte «Erfüllung der Steuerpflicht erwarten sollte. Gleicbwohl «erweist sich auch in der Schweiz die Erfassung der Steuer-«kapitalien als eine gebrechliche Einrichtung; die Detail-«darstellung ist erlüllt von den mühsamen Versuchen, immer «wieder einen Schrift vorwarts zu kommen und die Mangel «zu korrigieren, ist aber auch erfüllt von Beweisen, dasz «das Streben nur theilweise von Erfolg gekrönt war. Der «Egoismus der Einzelnen tragi oft den Sieg davon über das «Pllichlgefühl und lindet seinen Stützpunkt in der nach-
') Een gezin van twee ouders, drie kinderen en twee dienstboden, wonende in een huis van /quot;1100 huurwaarde en beschikkende over een inkomen van Æ 11000, betaalt in onze hollandsche steden ongeveer Æ 270 wegens de belasting op het personeel, alzoo 2I;2 pet. van het inkomen.
De vraag, hoeveel zulk een gezin in normale omstandigheden in het geheel aan belasting betaalt, hoop ik in het naschrift van dit opstel met ocnige uitvoerigheid te beantwoorden.
15
«barlichen Rücksichtnahme.» Onwil om Ie betalen alzoo, gesteund door de meening- dat ook de buurman ontduikt, â ziedaar de moeielijkheid, met welke de vermogensbelastingen in de kantons te worstelen hebben.
Is men door de verschillende maatregelen gekomen lot een aanslag, welke redelijkerwijze met de werkelijkheid verband houdt?
De toestanden loopen in elk kanton zeer uiteen. Te Genève, b. v., een klein kanton, waar steeds eene zeer groote solidariteit van belangen in het geheele kanton bestaan heelt, schijnt het tamelijk wel te gaan. In kanton Waadt, bekend wegens zeer strenge maatregelen, vermoedt men wel ontduiking, gelijk wij straks zullen zien; doch de mate, waarin zij plaats heeft, is voor statistische waardeering nauwelijks vatbaar. In Graubünden wordt zwaar gefraudeerd. In hel belangrijke kanion Zurich kwam de Regeering, bij gelegenheid dat zij nieuwe controlemaatregelen voordroeg rond er voor uit dat, ten gevolge der ontduikingen, de vermogensbelasting op de eerlijke lieden en op de minderjarigen, die zich onder voogdij bevinden, een «eenzijdigen en onrechtvaardigen druk» legde. Thans nog bedraagt in dat kanton reeds de waarde der gebouwen en van het verzekerd roerend goed zeer veel meer dan het geheele op de kohieren gebrachte roerend en onroerend vermogen.
Georg Schanz stelt de waarde van het geheele Zwitsersche kapitaal, dal op de kohieren gebracht is, op S1^ millioen francs (behalve Solothurn, bevolking 85.783 zielen, tegenover de 2.900.000 van den geheelen Bond). Dit is stellig veel minder dan het nationaal vermogen, doch in vele kantons bestaan belangrijke vrijstellingen o. a. voor roerende goederen als meubelen, huisraad, gereedschappen; ook de vrijstellingen voor bestaansminima vormen een belangrijk bedrag. Maar
16
met dat al is het een bedenkelijk teeken dat het geheele belastingplichtig kapitaal in Zwitserland niet veel meer zou bedragen dan de waarde van in 4886 aldaar tegen brand verzekerde gebouwen en roerende goederen (71/3 milliard) '). Zouden dan de fondsen en de ongebouwde eigendommen te zamen zoo ongeveer tegen de vrijstellingen moeten opwegen? Dit is alles behalve waarschijnlijk: de belastingplicht begint in Zwitserland gewoonlijk reeds bij vermogens van 5000 francs. De waarde van de gebouwen en de roerende lichamelijke goederen in Nederland kan men, volgens de opgaven van het successierecht en de grondbelasting, aldus schatten;
gebouwde eigendommen........ 4.560 millioen gulden,
roerende goederen, met uitzondering .
van effecten en schuldvorderingen,
ongeveer 20 n/o van het nationaal vermogen (a 40.520 millioen gulden) . 2.400 » »
te zamen . . 3.660 millioen gulden. Die roerende goederen komen met de waarde van de ongebouwde eigendommen ongeveer overeen. Is het niet duidelijk dat de opgaaf van het belastingplichtig vermogen tot een zoodanig bedrag een ontduiking op groote schaal zou verraden?
Nog op een ander feit vestigt Sciianz de aandacht: naast de zeer rijke steden Basel en Genève slaan het hoogst geklas-sificeerd in het bezit van belastingplichtig vermogen de kantons Waadt en Schaffhausen 2), juist die, welke de scherpste
1
) Kanton stad Basel, zielental 73,754, kapitaal per hoofd 8135 frs. â Genève, â 105,966, â â â 6483 â
â Waadt, â 247,569, â â â 5176 â
â Schaffhausen, â 37,798, â â â 4022 â
47
wetsbepalingen tegen ontduiking genomen hebben , terwijl b.v. welvarende kantons als Bern en Zürich slechts aanwijzen een belastingplichtig vermogen per hoofd van 2673 en 2255 franken.
Raadpleegt men bijzondere personen dan ontvangt men onzekere berichten.
Op de vraag, welke ik deswege richtte tot mijn ambtgenoot L. Walras te Lausanne (kanton Waadt), antwoordde deze mij omtrent de strenge maatregelen tegen fraude: «Cela a «diminué les fraudes; mais cela les a-t-il supprimées? Pour «ma part j'en doute fort.»
Van het advocatenkantoor Ceresole en Favey te Lausanne, werd mij een iets meer naauwkeurig antwoord op dezelfde vraag ter hand gesteld. Het luidt: «11 est difficile de dire si «Ton fraude beaucoup. Ce qui est certain, c'est que le nombre «des personnes se déclarant augmente et que le montant de «la fortune déclarée ou taxée augmente aussi chaque année. «En 4889 le produit de l'impót mobilier dans le Canton de «Vaud a été de fr. quot;1.303,759,51 c.; le montant des amendes «a été de fr. Q^.GSS. En 1890 le produit de l'impót a «été de fr. 1.354.472,62 c., le montant des amendes de «fr. 323.092,50 c.
«Les statistiques n'indiquent pas le nombre des amendes; «le chiffre de 4890 comprend une amende considerable.
«Personnellement je crois que les cas de fraude sont assez «nombreux, surtout dans le campagne, oü l'on ne tient pas «compte dans les déclarations du produit du travail, et oü «Ton négligé de faire rentrer dans la fortune mobilière la «valeur du capital agricole (hétail, chevaux, récoltes, etc.). «Mais l'inventaire au décés aura nécessairement pour résultat «de diminuer les cas de fraude.»
2
18
Deze laatste opmerking heeft betrekking op de ambtelijke inventarisatie in Waadt van iedere nalatenschap onmiddellijk na overlijden.
Een brief van mijn ambtgenoot L. Wuarin te Génève verzekert mij het volgende : «Pour ce qui est de la correction des declarations, on m'assure au Département qu'elle est par-faite. C'est peut-être beaucoup dire. L'irrégularité la plus ordinaire ce sont les gens, qui passent entre les gouttes et qui se gardent bien de se révéler, tant qu'on ne leur demande rien. Cependant chaque année le róle se compléte: on envoie des feuilles a nombre de gens pour leur demander s'ils n'ont pas de fortune soumise a la taxe; nous avons besoin d'argent; de la le soin mis a exercer un controle sérieux. 11 y a chaque année des amendes prononcées. Actuellement le chef du Département des finances étant un homme riche, connaissant les grosses fortunes, il est mieux placé qu'un autre pour faire rendre a l'impót ce dont il est susceptible.» Deze laatste opmerking werpt op de verhoudingen te Genève een eigenaardig' licht: voor de vraag, of daar, na meer dan een eeuw in werking geweest te zijn, de vermogensbelasting naar een goed kohier zal worden geheven, schijnen niet onverschillig te zijn de graad van nood, waarin de schatkist verkeert, en voorts de persoonlijke kennis des Ministers van financiën omtrent de fortuinen zijner medeburgers.
Het kanton Genéve.
Te Geneve leeft men inderdaad in, wat wij noemen, kleine verhoudingen. Het kanton heeft ongeveer 106.000 ingezetenen. Slechts 15 pet. hiervan behoort tot den landbouwenden stand; de helft der bevolking leeft in de stad Genève (52.000 inwoners). Het geheele kanton heeft eene oppervlakte van 24-9 vierkante kilometers, dit is iets meer dan het vijfde deel van de kleinste Nederlandsche provincie (Utrecht /I384f vierk. kilometers).
Reeds in de voorgaande eeuw kende men er eene vermogens-belasting onder den naam van la laxe des gardes. Op het budget van het kanton voor 1790, in quot;t geheel beloopende 1.415.754 fl., stond deze belasting gemeld voor een opbrengst van 205.293 11. ^ Zij is herhaalde malen op nieuw geregeld. Thans bestaat in het kanton eene bijzondere grondbelasting-op gebouwde en ongebouwde eigendommen; reeds sedert 1816 heeft de taxe des gardes alleen betrekking op het roerend vermogend, waarbij echter aanvankelijk werden gerekend die onroerende goederen, welke buiten het kanton gelegen zijn. Herzien in 1819, 1824, 1838 werd zij in 1851 ge-
') G. Schaxz, IV, bl. 200.
20
bracht op een tarief van 1 tot 2 per duizend. Ook werd toen eene strengere controle ingevoerd daar de Regeering op grond van de gegevens van het successierecht en de grondbelasting, tot de meening was gekomen dat «'.r voor ongeveer de helft te weinig werd gedeclareerd. ') Die nieuwe controle echter (openbaarmaking in iedere gemeente van de naamlijst der aangeslagenen) miste straffen op onjuiste aangifte. Deze werden eerst bepaald in 1871, en in dat jaar werd het tarief vastgesteld, gelijk het thans is: de eerste 3000 francs zijn vrij; de daaropvolgende 47.000 betalen 1 per duizend; de klasse van 50.000 fr. â 250.000 fr. 2 per duizend; en wat daarboven is 3 per duizend. 1) Dit tarief geldt echter alleen voor roerend vermogen, liet onroerend goed wordt belast zonder progressie. Van daar dat feitelijk voor groote vermogens de progressie veel minder is dan het cijfer van 3 per duizend zou doen vermoeden. De onroerende goederen buiten Zwitserland worden niet in rekening gebracht. 2)
Bij wet van 9 Nov. -1887 3) is in de regeling nog eene wijziging gebracht; de onroerende goederen buiten Zwitserland moeten thans wél worden opgegeven, maar niet die op Zwitsersch grondgebied. 4) Onjuiste aangiften worden thans
1
) In een mij toegezonden aanslagbillet voor de taxe mobilière wordt het tarief vermeld. Voor 500,000 francs moet worden betaald fr. 1197, voor 700,000 francs fr. 1797; voor 1,000,000 francs 2697 francs, â dit is alzoo over de hoogere deelen van liet vermogen 3 per duizend.
2
) SCHANZ, t. a. p. bl. 222.
3
) De tekst der âLoi générale sur les contributions publiquesquot; is te vinden bij Schanz, V, bl. 150.
4
) Art. 301 zegt: âLes immeubles situés a l'e'tranger doivent être compris dans l'e'valuation des biens soumis a la taxe mobilière. Sont exceptiis ci) les immeubles situés sur le territoire suisse, ainsi que ceux
21
gestraft met eene boete, gelijk aan het dubbele van liet te weinig betaalde recht, berekend over twee jaren.
Om zich de werking dezer belasting voor oogen te stellen, moet men weten welke belastingen eenen inwoner van Genève treffen. Deze zijn:
a. die van den Bond, nl. invoerrechten.
h. die van het kanton. In het mij toegezonden Rapport van den Staatsraad over de middelen voor 1890, vind ik op een totaal bedrag van inkomsten a 5,717,882 fr. de volgende hoofdposten:
successierecht........ 1,038,123
registratie, zegel hypotheken . . 888,562 zouthelasting........ 182,237
1,090,462 024,997 88,000 50,000 26,000
taxe mobilière. . . grondbelasting. . . hoofdgelden. . . . dienstbodenbelasting . paarden- en rijtuigen
vele kleine middelen van inkomst,
waaronder b. v. afkoop militieplicht banknotenhelasting en opcenten op registratie- en successierecht . ± 1,780,000 francs.
c. gemeentebelasling.
Behalve 19 opcenten op de directe kantonnale heffingen, heeft men te Genève een plaatselijke inkomslen-
situes sur le territoire étranger en dedans d'un rayon de deux lieues de
la frontière genevoise; h) les voitures particulières.....; c) les collections
relatives aux arts et aux sciences; d) les meubles meublants, les linges et hardes......
22
belasting *) naar een licht tarief;
want een kapitalist met een inkomen van 25000 francs en hooger betaalt van 120 tot 300 francs, dus hoogstens \ '/4 percent. De beroepen zijn er, naar de soort van ieder beroep en naar eenige weinige uitwendige gegevens, in klassen gerangschikt. De belasting bracht in 1886 op.........471,918 francs.
In dit zamenstel vinden wij derhalve drie rechtstreeksche heffingen van financieel gewicht, er. la taxe mobihère et im-mobilière, b. het registratierecht en het successierecht, c. de gemeentelijke inkomstenbelasting. Slecht twee dezer heffingen komen geregeld jaarlijks terug en in verband hiermede kan men terecht in Genève wijzen op het weinig drukkende der vermogenbelasting, liet kanton Genève vormt met de stad van dien naam in hooge mate eene economische eenheid. De uitgaven van het kanton komen bijna alle rechtstreeks aan de stad ten goede, en op den gang van zaken in het kanton heeft de bezittende klasse der stad een overwegenden invloed. Het beginsel der progressiviteit vindt, in verband met deze omstandigheden, te Genève bij niemand tegenkanting. De Heer Wuarin wijst mij in zijn brief op: l'échelle trés modérée de I'impót, et e'est ce qui fait que le principe de la progressivité ne donne lieu chez nous a aucune prc-
gt;) quot;Wet van 9 Juli 1883. De tekst dezer gemeentelijke wet is in bet werk van Schanz niet opgenomen. Men vindt haar in het Bulletin de statistique et de legislation comparée (uitgegeven door het Ministerie van Financiën te Parijs). De hoofdinhoud te vinden bjj Schanz, IV , bl. 2-iO.
23
testation.quot; De taxe des gardes was, zoo schreef de Regeering in 1864, de trots der ingezetenen, en velen waren er die de wet nauwgezet opvolgden, maar ook velen, die het niet deden. Het Departement van financiën houdt het geheele bedrag dei-kohieren geheim ; vermoedelijk is hel roerend vermogen der kohieren, volgens Sciianz 1) 368 millioen francs. De schrijver teekent hierbij in eene noot aan: «Von seiten eines sach-kundigen Genfers wird die Zahl 368 millionen für zu niedrig gehalten». Of deze zaakkundige hiermede bedoelt , dat er in lagere en in hoogere rangen smokkelarij plaats grijpt, is niet volkomen duidelijk. De mededeelingen van den heer Wuarin over «les gens qui passent entre les goutteg» en over de waakzaamheid des Ministers van Financiën ten opzichte der «grosses fortunes», hebben wij reeds vernomen.
gt;) Schanz, IV, bl. 423.
§ 3.
Het Kanton Waadt.
Gaan wij lhans in bijzonderheden na welke maatregelen genomen zijn in het kanton Waadt. Hier is naar men meent het stelsel der vermogens-controle tot de grootste volmaaktheid opgevoerd. Het kanton heeft ongeveer 250.000 zielen, en vormt de beroemde noordelijke kuststreek van het meer van Genève. Sedert 1848 bezit het ecne inkomstenbelasting; later werden tal van ontwerpen voor een vermogensbelasting in overweging genomen. Men heelt er steeds in hooge mate licht gezocht bij theoretische beschouwingen. In 'I860 schreef de Regeering zelfs prijsvragen uit om een goede belastingregeling te verkrijgen: met den bekenden socialist P. J.Proudhon verkreeg ook mijn bovengenoemde ambtgenoot L. Walras, later een voorstander van landnationalisatie, eene bekroning; â ja meer nog, men nam zijn toevlucht tot een internationaal congres, dat in Juli 1800 te Lausanne bijeenkwam. Eerst in 1862, toen de kantonnale grondwet van 1861 een stellig voorschrift daartoe had opgenomen, werd na zeer veel tegenstand de eerste vermogensbelastingswet vastgesteld.
Zij werd geheven naar een vast tarief van 1 per duizend. ')
') Schanz, IV, bi. 133 en 148.
ys
Dertien jaren daarna, in 1875, werd liet tarief op het roerend vermogen verhoogd tot 1 '/2 Per duizend. Middelerwijl nam de ontduiking hand over hand toe. Men weigerde cp groote schaal eigen aangifte te doen, en liet het aankomen op ambtelijken aanslag, hopende dat deze heneden de werkelijkheid zou blijven. In 1878 werd daarom verplichte eigen aangifte ingevoerd, met dien verstande, dat wie in verzuim bleef ambtelijk wordt aangeslagen met 20 0/0 verhooging van zijn vroegeren aanslag. Tegelijkertijd werd het tarief verhoogd tot 1.60 per dnizend. Het getal der eigen aangiften, dat van 1863 tot 1878 stationnair gebleven was. liep thans snel op van 13000 in 1878 tot bijna 29000 in 1886. In liet laatste jaar gaven alleen 3550 belastingschuldigen aan ambtelijken aanslag de voorkeur. Ook werd als boete op onjuiste aangifte een tienvoudige heffing van het ontdoken recht bepaald.
Eerst in 1885 werd bij volksstemming in de Grondwet een nieuw artikel opgenomen, â met 29.095 tegen 18.987 stemmen, â waarbij 0. a. het beginsel van progressiviteit werd vastgesteld, liet tarief zelf werd niet bepaald, doch alleen werd de verhouding tusschen de verschillende klassen van het tarief geregeld. De roerende vermogens der hoogste klassen zouden viermaal hoogere percentage te betalen hebben, dan die der laagste. Zoo was dan met de uniformiteit gebroken. En de daarna in 1880 vervaardigde wet1) leert ons de vermogensbelasting kennen, die thans in Waadt geldt, met uitzondering alleen van het eigenlijk tarief. Dit wordt telken jare bepaald.
') Schanz , IV, 172.
26
De uilslag der volksstemming in 1886 over de nieuwe be-lastingwetten liet zich, ondanks den hevigen tegenstand der minderheid, licht voorspellen. Een stelsel van rechtstreeksche belastingen naar den maatstal' van het roerend vermogen, van hel onroerend goed en van inkomsten uit arbeid leent, in eene democratische staatsorganisatie, zich voortreffelijk tot eenvoudige vraagstukken van rekenkunde. Het wetsvoorstel beoogde eene vermindering der belasting in de lagere rangen en eene vermeerdering in de hoogere. De grondbelasting zou in de laagste klassen verminderd worden van 1 .-iO tot 1 per duizend; dit had ten gevolge dat van de 4-9.517 belastingplichtigen niet minder dan 41.886 voortaan minder te betalen zouden hebben. Voor de bezitters van roerend vermogen werd in de lagere klassen de percentage teruggebracht, van 1.60 per duizend tot 1.20 per duizend; 21.861 belastingplichtigen van de 25.191 genoten hiermede eene flnanciëele bate. ') Ook voor de inkomsten uit arbeid werd de vrijstelling aanzienlijk verhoogd: iemand met 5 kinderen, een arbeidsinkomen bezittende van 2500 francs, betaalde tot dusver l'r. 27.20, doch zou voortaan geheel vrij zijn. 2)
Wat mij in de vermogensbelasting van Waadtland het meest belangrijk voorkomt is het stelsel der maatregelen van controle. Het tarief zelf naar hetwelk de heffing op het roerend en onroerend vermogen geschiedt, is vreemd ten gevolge van ongelijke heffing en van ongelijke opklimming voor verschillende soorten van belegging. Het roerend vermogen wordt er belast naar een tarief, waarvan alleen de onderlinge ver-
') schanz, iv 172. ^ schanz, iv, 163.
27
houding voor de vermogensdeelen vastgesteld is. Hoe is het feitelijk? Ik heb het vermeld gevonden in de Revue d'éco-nomie politique van 1887, en eene mededeeling van den Heer
H. Secrétan te Lausanne heeft mij doen weten, dal nog thans hetzelfde tarief in werking is. Iemand die te Lausanne
I.000.000 francs aan effecten en ander roerend goed bezit, betaalt aan het kanton naar de volgende berekening:
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3855 francs. |
Maar over het vermogen, voor zoover het uit onroerend goed bestaat, wordt onder den naam van impót fancier een belasting geheven naar een lager tarief en met minder progressie, en nog wel met dien verstande, dat alleen in rekening worden gebracht de goederen, die in het kanton gelegen zijn. Gevolg hiervan is, dat men te Lausanne liefst belegt in onroerend goed buiten het kanton, b.v. in huizen te Genève en in Genève betaalt men grondbelasting naar Neder-landschen trant, welke zich dus bij den aankoop laat kapitali-seeren. Indien onze millionnair van daareven voor 600.000 franken land en huizen bezit buiten het kanton, betaalt hij slechts '1215 fr. in de plaats van 3.855, alzoo niet meer dan 1.2 per duizend. Welke is de reden geweest van deze regeling? Ten deele wellicht de onmacht om de goederen op te
28
sporen en te waardeeren, buiten het kanton zich bevindende; maar waarschijnlijk gaf nog wel eene andere omstandigheid voor dat lagere tarief op onroerend goed met lichtere pro-gressie den doorslag. In de Revue d'économie politique t. a. p. hl. 199 lees ik: «Les mauvaises langues prétendent qu'il faut «en chercher tout simplement la raison dans le fait que les «législateurs, ou du moins les électeurs du canton de Vaud, «sont tons plus ou moins propriétaires fonciers, et qu'en «consequence ils ne se sont pas souciés de porter la main «sur leur propre patrimoine.» ') De gemeente Lausanne daarentegen stelt het roerend en onroerend vermogen weder op ééne lijn en treft naar een andere schaal van progressie. De einduitkomst is, dat de man, die er i millioen in roerend goed bezit, aan kanton èn gemeente te zamen, Ier zake van de laxe rnobiliére, betaalt ongeveer 6500 franken, of, bij een rentestand van 4 ten honderd, ongeveer 15 pet van zijn inkomen. Doch wie ook onroerend goed bezit, betaalt minder.
De inkomsten uit arbeid daarentegen zijn veel lichter belast. Een geneesheer, die 50.000 francs 'sjaars verdient, betaalt aan kanton en gemeente 5 ten honderd.
Welke maatregelen tegen ontduiking zijn in het kanton Waadt genomen ?
Onmiddellijk na het overlijden van een vermoedelijk belastingplichtige verschijnt de ambtenaar van den fiscus om de
') Art. 64 der wet: dans le cas oü la loi ne preserit pas l'inventaire de la fortune mobilière d'une personne decedee, il est procédé' a un inventaire sommaire conforme'ment au reglement.quot;
Kevue d'ec. pol. t. a. p.: âEn cas de deoès, sitót que le contribuable n les yeux ferme's, les scelles duivent étre apposes et un inventaire dressé.quot;
29
nalatenschap te inventariseeren. De fiscus heeft het recht alle inventarissen en akten van scheiding in te zien. De fiscus vraagt wel eigen aangifte, doch beslist zelfstandig over den definitieven aanslag. De ambtelijke aanslag wordt, indien geen eigen aangifte is voorafgegaan, telken jare mei 10 pet. verhoogd tien jaren lang, en daarna zelfs jaarlijks verdubbeld (art. 44), totdat de belastingplichtige besluit zelf aangifte te doen.
Meent de administratie dat de eigen aangifte te laag is, dan moet, behalve .de belasting, tienmaal het te weinig betaalde recht als boete worden betaald. Komt de ontduiking aan het licht na den dood, dan moeten de achterstallige rechten en de boeten uit de nalatenschap worden betaald, berekend over een vast getal jaren, namelijk over vijf, zonder nader bewijs dat de fraude zich inderdaad over die tijdsruimte heeft uitgestrekt '). Deze straffen worden uitgesproken door de kantonnale rechtbank (art. 55 en 50). Van den ambtelijken aanslag, welke gedaan wordt door de commissie van hel district, bestaal hooger beroep op eene centrale commissie; doch wie geen aangifte gedaan heelt, heeft geen hooger beroep behalve in geval van verzuim wegens overmacht. De kohieren zijn niet openbaar.
Gelijk men ziet, gaal het in Waadtland minder huishoudelijk toe dan in Genève. Het kanton is trouwens meer dan dubbel zoo groot en er beslaat meer tegenstelling tusschen de belangen van steden en plattelandsgemeenten.
') Deze berekening vloeit niet duidelijk uit de wet voort, (artt. 53 en 63), doch zij schijnt te strooken met de opvatting van G. Sch\nz, i, bl. 125, 127. Ook de advocaten Ceresole en Favey te Lausanne bleken mii die berekening aan te nemen.
30
Hoe spoort men de belastincplichtigen op? Hoe voorkomt men dat een aantal lieden, die in stilte luin besparingen doen, vrij blijven van den aanslag, en gaan behooren tot hen «qni passent entre les gouttes?» In kanton Waadt bestaat nagenoeg geen vrijstelling. Bij eene bevolking van ongeveer 250.000 zielen is het aantal belastingplichtigen: ^
wegens bezit van onroerend goed . . 4-9.517 » » » roerend goed. . . 25.191.
De laagste categorie der belasting voor het roerend vermogen begint dan ook met 1 franc. Ieder ontvangt derhalve een uitnoodiging om zich aantegeven, doch omdat bepaalde soorten van roerend goed niet in de schatting behoeven te worden medegeteld, komt men bij velen tot de uitkomst dat zij geen belastingplichtig saldo bezitten 2). In verband hiermede staat de bepaling, dat indien een persoon geen aangifte doet, hij minstens wordt aangeslagen voor een vermogen van 1000 francs. ^ Het volgend jaar wordt dan zijn aanslag met 10 percent verhoogd, ja na tien jaren jaarlijks verdubbeld , gelijk reeds boven werd gemeld. Deze bepalingen getuigen van den ernstigen zin om administratief gunstbetoon
') Opgaven van G. Schasz, IV, 171, 172.
'2) Art. 21 luidt: Sont de'duits pour 1'évaluation de la fortune mobiliere soumise fi l'impót:
a) les produits du sol, les loyers et fermages et los recoltes de Tannee pre'cédente, demeurés en la possession du proprietaire, de l'usufruitier, du fermier ou du colon partiaire;
b) la valeur du mobilier par nature, des vêtements et du couchei' nécessaires a la familie, des ustensiles de cuisine, des outils et instruments, si elle n'atteint pas 5000 francs, ou ce montant, si elle le dépasse.
3) Art. 43. âToute personne, qui n'a pas fait do declaration et que la commission estime devoir être soumise a l'impót mobilier est taxée sur 1000 francs de fortune mobiliere et 100 francs dc produit du travail au minimum/
31
tegen te gaan, en ook om de administratieve willekeur te beperken, welke het liefst voor de kleine fortuinen de oogen sluit, omdat de controle over deze te veel werk zou geven.
Van dat zamenstel van bepalingen is het eerste gevolg geweest, dat eenige vermogende gezinnen bet kanton hebben verlaten. Om de vreemdelingen-renteniers niet te verdrijven heeft men deze voor 10 jaren vrijgesteld (art. 20, 66), zich natuurlijk de bevoegdheid voorbehoudende om in 1896 deze vrijstelling te verlengen. In de Revue d'économie politique van 1887 wordt de werking der belasting aldus beschreven: «Ce qui a fait crier les contribuables, c'est moins la quotité «de l'impót et la fapon, dont il est établi, que les mesures «d'exécution auxquelles il donne lieu. Les contribuables sont «a la discretion d'une commission nommée par le conseil «d'Etat, mais composée de trois personnes, qui sont prises «dans la commune, le plus ordinairement dans la categorie «de ceux qui ne possèdent rien et désignés le plus souvent «a raison de leurs opinions politiques.» â¢
Merkwaardig stemt hiermede overeen wat de Meer L. Wuarin uit Genève mij schrijft: «Dans le canton de Vaud les intéréts «de la polémique ont porté les conservateurs a comhattre «la progressivité. Cela a été une erreur dont ils reviennent «pen a pen mais en revanche les radicaux (qui sont les cam-«pagnards, pré-occupés a se dégrever en frappant les citadins) «ont été trop loin dans l'accentuation de la progression, lis «le payent cher: il y a eu de gros contribuables quittant le «pays; les étrangers ont été effarouchés et chaque annêe il «se fait des arrangements divers, arrangements de familie, «modes de placement habilement combinés, par lesquels les
32
«contribuables cherchent a s'alléger. Mais ce qui exaspère «nos voisins plus encore que l'imporlance des impots dont «ils sont frappés, ce sont les tracasseries qui en accompagnent «la perception, les enquêtes, inventaires au décés, amendes «en cas d'irrégularité vraie ou supposée, alors que celui qui «pourrait quelquefois faire la lumière, n'est plus la.»
Wat deze schrijver bedoelt met «arrangements de familie» in het kanton Waadt, laat zich vrij wel gissen. De progressie van de laagste tot de hoogste klasse, opklimmende in de verhouding van 4 : 4, brengt een premie mede op de ware of gefingeerde verdeeling van het familievormogen over verschillende leden, tengevolge waarvan al de deelen van het fortuin ten slotte worden aangeslagen naar het tarief der lagere klassen. Het aanzienlijk bedrag der boeten (in 1890 bracht de belasting fr. 1,354,472 op, en werd aan boeten geïnd een bedrag van fr. 323,092) wijst op een scherpe toepassing der wet, wanneer de overtreding aan het licht komt. Doch een enkele groote boete kan dit laatstgenoemde belangrijke totaalbedrag reeds veroorzaken. «Le chiffre de 1890 comprend «une amende considerable» werd mij, gelijk ik reeds meldde, geschreven. En â hoevele malen blijven de overtredingen geheim? Dat het belastingplichtig saldo op de kohieren toeneemt kan een gevolg zijn van vermeerdering des rijkdoms, en ook een gevolg van de vermeerdering der kapitaalswaarde ter zake van daling van den rentestand. De belasting toch richt zich naar de kapitaalswaarde, en niet naar het werkelijk inkomen. Reeds eenige bladzijden te voren hebben wij gezien, dal de Heeren Walras en Ceresole over de juistheid dei-kohieren van het kanton vrij sceptisch denken.
§ 4.
Maatregelen van controle in andere kantons.
Reeds boven deelde ik het oordeel van Georg Schanz mede, waar deze schrijft dat, ondanks de gunstige locale omstandigheden waarin voor de toepassing van vermogensbelastingen de kantons van Zwitserland verkeeren, men aan de controle over het belastingplichtig vermogen zijne bijzondere aandacht heelt moeten wijden. Ik zal eenige dier controle-maatregelen in het algemeen beschrijven, en meer in het bijzonder stilstaan bij de inventarisatie van het vermogen.
1°. Eigen aangifte en ambtelijke aanslag.
In Zwitserland gaat men het liefst uit van eigen aangifte (Selbstschatzung) terwijl men in de verschillende kantons een groote verscheidenheid van maatregelen vindt voor de gevallen , dat deze aangifte wordt verzuimd. De merkwaardige regeling voor die gevallen in het kanton Waadt heb ik reeds vermeld.
G. Schanz geeft het volgende overzicht (I bl. 110): «Die Schweiz bat alle Grade von der grössten Milde bis zur grösslen Strenge ausgebildet. In Zug, Uri, Obwalden, Schaffhausen, Genf tritt bei unterlassener Deklaration die Taxation ein aher diese Taxation bleibt anfechtbar, die ganze Strafe für Unter-
3
34
lassung liegt also höchstens in der Unbequemlichkeil, welche die Anfechlung mil sich bringt. In Zürich geht man einen kleinen Schritt weiter; der Steuerplichtige verliert das Rokurs-rechl nur für den Fall, dass ihn die Steuerkommission nicht höher als bisher taxiert. In St. Gallen und Thurgau kann der Steuerplichtige die Taxation anfechten, bedingt aber da-durch die Taxation nach dem Tode. Schlechtweg wird das Rekursrecht verloren in Bern, Graubunden, Freiburg, Neuen-burg. In Schwyz sind die Rechtsmittel gegen die Taxation nicht abgeschnitten, dafür aber wird die Unterlassung oder nicht rechtzeitig erfolgende Deklaralion mil 5â40 Fr. gebüsst. Eine bedeutende Verscharfung isl gegeben in einigen kanionen , insofern zum Verlust des Rekursrechtes noch Strafen hinzulreten, so in Aargau 2â8 Fr., in Baselland für die Bemühung des Gemeinderats 10 0/o der Sleuer. Tessin nimmt einc Art Mittelstellung ein. Es bestraft die Nichtausfüllung des Deklaralionsformulars mil 5â50 Fr. und das Rekursrecht geht erst verloren, wenn auch die zweite Aufforderung er-folglos blieb. Besonders streng isl hinsicbtlich des Deklara-tionszwangs Waadt».
2°. Plaatselijke of centrale ambtenaren.
Eene veel moeielijker vraag is deze geweest, in hoever men de controle over de aangiften moest opdragen aan locale dan wel kantonnale ambtenaren. Ook hieromtrent vindt men vele regelingen, ten einde aan hel groote bezwaar te ontkomen dat de plaatselijke commission van toezicht ieder hel hare doen om de gemeente, tot welke zij behooren, zoo weinig mogelijk te doen dragen in den algemeenen last. Slechts in één kanton (Schwyz) heeft men enkel gemeentelijke
35
controle. Het heeft trouwens slechts een bevolking: van 50.378 zielen (1889). Elders heeft men gemeentelijke controle onder toezicht van kantonnale cominissiön. Nog elders heeft men commissiën voor belastingdistricten, onafhankelijk van gemeenteverband. In die kleine landstreken behouden de kantonnale commissiën en ambtenaren nog altijd veel kennis van personen en locale toestanden. Men bedenke, dat blijkens officieele opgaven van Dec. 1888 van de 25 kantons slechts acht ') eene bevolking hebben van meer dan 110.000 inwoners. Hiermede worden van zelf vele moeielijkheden uit den weg geruimd, die zich bij grootere verhoudingen voordoen. 2) «lm allgemeinen», â in deze woorden vat Schanz de opgedane ondervinding samen, â «ist die Kon-«trolle um so besser, je begrenzter der gemeindliche Einflusz «ist. Wohl sind die Gemeinden mit den Steuerverhiillnissen «am besten vertraut, auch haben sie wegen ihrer eigenen «hochangestiegenen Steuern ein grosses Interesse an der Meh-«rung des Steuerkapitals. Allein die Gemeindebehörden sind «mit den Steuerplichtigen zu eng verwachsen, sie schenen
') Deze zijn:
| ||||||||||||||||
|
:2) Sciianz, I, bl. 114: âIn den Landsgemeindekantonen kennen aüe Bürger einander sogar persönlich.....wahrend es grade in den Gross- ataaten die grösste Mühe maclit, bei den vielen Ivommissionen und Koutrollbeliürden gleiohe Anschauungon uud Massstilbe zu erzielen.quot; |
36
«das Odium, wagen gegen einflüssreiche Mitglieder nicht auf-«zutreten. Das Interesse der Gemeinden an der Mehrung des «Steuerkapitals ist nicht intensiv genug, theils weil es der «Gemeinde gleichgültig- ist, wenn ihre Angehörigen sich zu «arering veranlasren, wofern nnr innerhalb der Gemeinde eine
cj o o 7
«gewisse Verhiiltnissmiissigkeit vorliegt, toils weil sie einzelne «Steuerpflichtige der Gemeinde nicht entfremden will .... «Es gilt das freilich nur sehr im allgemeinen: es kommt gar «viel noch darauf an, wie die Kommissionen zusammen-«gesetzt sind».
3°. Openbaarheid of geheim der kohieren.
Evenals in de gemeenten in Nederland de kohieren der plaatselijke directe belasting, zijn in sommige kantons die der vermogensbelasting openbaai'. In Neuchatel zelfs en in Appenzell A.Rh. is het kohier door de drukpers gepubliceerd. Elders heeft men beperkte geheimhouding; nog elders geheimhouding zoo streng mogelijk. Het is niet onnatuurlijk dat men tot bevordering van administratieve verantwoordelijkheid en tot bestrijding van gunstbetoon bij kohieren, opgemaakt door eenige weinige ambtenaren, â- ook omtrent de vermogens van hun bloedverwanten, zijmagen, vrienden en kennissen, â in de openbaarheid een steun heeft gezocht. Doch de ondervinding heeft de schaduwzijden der openbaarheid doen kennen. Het onderzoek van iemands vermogen is te rnoeielijk, dan dat het publiek belangrijke inlichtingen zou kunnen geven: «Die Denunziation ist nicht Jedermanns Sache.» ') Daarentegen vindt menigeen in de zijns inziens
1) Schaxz, t. a. p. I bl. 120.
37
te lage aanslagen zijner medeburgers aanleiding om zich zeiven voortaan ook te laag op le geven. De openbaarheid is van zelf van localen aard: wanneer in een gemeente ieder zicli te laag opgeeft, is er bij de gemeentenaren zelve geen prikkel om hiertegen op te komen, en buiten de gemeente is het feit, dat daar algemeen te laag wordt aangegeven, allicht onbekend, althans moeielijk bewijsbaar.
â 4°. De ambtelijke boedelbeschrijving.
Van veel meer belang in het Zwitsersche belastingwezen is de Inventarisatie. In de Boodschap van 1889 van den Grooten Raad aan het volk van Bern werd verklaard: «Die Inventarisation bildet einen notwendigen Bestandtheil .lt;eines jeden ernstlich gemeinten Steuergesetzes.» Is bij een vermogensbelasting het denkbeeld begrijpelijk, dat men de vermogens der ingezetenen aan een boedelbeschrijving wil onderwerpen, die door een openbaar ambtenaar wordt verricht of, zoo zij al door den belastingplichtige wordt opgemaakt, door den ambtenaar wordt geverifieerd, â men kan zich die beschrijvingen voorstellen als geschiedende alleen bij overlijden of op gezette tijden, â nog een bijzondere omstandigheid heeft in Zwitserland de aandacht op de wensche-lijkheid van dit middel van controle gevestigd. Volgens hel burgerlijk recht toch moet boedelbeschrijving plaats hebben ingeval van minderjarigheid van erfgenamen. Gaf nu in het algemeen reeds de ontduiking der vermogensbelasting tot ongelijke en onrechtvaardige heffing aanleiding, zeer in hel bijzonder deed zij zulks tegenover de minderjarigen, wier vermogens ten volle langs dezen weg aan den fiscus werden
38
bekend gemaakt. Op twee wijzen trachtte men hierin eeniger-mate tegemoet te komen: men heeft soms de weezen lager belast; elders heeft men gepoogd de ambtelijke boedelbeschrijving voor te schrijven voor alle boedels. De eerste weg vond geen tegenstand: hij is echter de offlcieele erkenning van en de offlcieele berusting in de algemeene smokkelarij. De tweede weg is dikwijls op tegenstand gestuit. In Graubünden en in Zurich zijn de voorstellen daartoe door de volksstemming afgewezen.
O c1
Op hetgeen dienaangaande te Zürich is voorgevallen kom ik straks terug.
Van de boedelbeschrijving is in sommige kantons een eigenaardig gebruik gemaakt; zij is daar in de hand van den belastingplichtige een middel van beroep tegen den ambtelijken aanslag. Zoo kan in Glarus, in Zürich, Graubünden en Schaffhausen door den belastingplichtige, die tegen een ambtelijken aanslag bezwaar heeft, een boedelbeschrijving worden gevorderd, die dan terstond plaats heeft. In nog andere kantons (St. Gallen en Thurgau) is de belastingplichtige vrij om tegen eiken ambtelijken aanslag op te komen door een plechtige verklaring, dat hij het vermogen, 't welk men hem toeschrijft, niet bezit. De fiscus moet zich dan bij zijne aangifte nederleggen. Doch de nalatenschap van hem, die van dit middel gebruik maakt, wordt dan ook terstond na diens dood aan eene ambtelijke boedelbeschrijving onderworpen.
In bijna alle kantons is verder bepaald, dal wanneer bij de boedelbeschrijving aan het licht komt dat te weinig belasting is betaald geworden, behalve het ontdoken recht een veelvoud hiervan (het tienvoud zelfs in Baselland, Freiburg,
39
Waadt, Zug en Wallis), over een zeker getal jaren berekend, als boete moet worden gestort.
Gaan wij thans, bij wijze van voorbeeld na, wat in Zürich over de boedelbeschrijving is voorgevallen. Het kanton is een der grootste van Zwitserland. Het heeft 337.000 inwoners; de oppervlakte is 1723 ⡠kilom.; er zijn in het geheel 197 gemeenten; de stad Zürich, met de onmiddellijk daarbij gelegen gemeenten, heeft 05.000 inwoners. Vermogensbelastingen zijn er in den aanvang dezer eeuw eenige malen geheven als buitengewone middelen '); eerst in 1832 werd er eene wet afgekondigd tot heffing van drie jaarlijksche belastingen, te weten een vermogensbelasting, een bedrijfsbelasting en eene inkomstenbelasting1). Bij onderscheidene wetten is in den vorm dezer heffingen verandering gebracht. Eene poging in 184-8 om eene progressie in te voeren bij de vermogensbelasting leed schipbreuk; eveneens in 1861 2). Men vreesde, dat het beginsel van progressie, toegelaten in den staat, ook zou opgenomen worden in de gemeentebelastingen, waar het, in kleine gemeenten, zou nederkomen op slechts zeer weinig ingezetenen Eerst krachtens de nieuwe grondwet van 1869 is in 1870 een progressief tarief ingevoerd. Dit tarief klimt van 1 '/2 per duizend over vermogens van 20.000 fr. op tot 3 per duizend over vermogens van 10.000.000 fr. 3).
1
) t. a. p. bl. 389.
2
) t. a. p. bl.
3
) t. a. p. bl. 411. â De progressie wordt te Zurich tot stand gebracht door verschillende vermogenshoeveelheden, tot 500,000 frs. toe, slechts gedeeltelijk in rekening te brengen. En ook bij vermogens boven
40
Hel lol dusver geldende nniforme tarief van i 1i1 per duizend voor de vermogensbelasting werd alzoo enkel voor de laagste klasse van 20.000â30.000 fr. behouden. In dat zelfde jaar is tevens weder eene successiebelasting (welke in 1803 was afgeschaft) vastgesteld en wel voor de zijlinie en niet-bloed-verwanten. ') Het geheele ontwerp, in verband niet eene bedrijfsbelasting, bij welke de percentage van heffing voor inkomens beneden 2000 fr. belangrijk werd verminderd, werd bij volksstemming aangenomen, doch een afzonderlijk ontwerp tot invoering van een ambtelijke boedelbeschrijving bij alle sterfgevallen, werd verworpen. En toch, de Regeering had op dit middel van controle zóo sterk aangedrongen! liet was haar gebleken, zoo schreef zij in een boodschap aan hel volk in Januari 1870 2) dat er voor ongeveer de helft ontdoken werd. Zonder twijfel waren er vele burgers geweest, die zich eerlijk hadden aangegeven: ook de minderjarige personen waren aangeslagen naar hun werkelijk bezil: doch daartegenover stonden zij, die slechts de helft, een derde, ja niet zelden een tiende deel aangaven. Om aan den een-/ ij di gen en on rechtvaardigen druk, die hieruit voortvloeit, paal en perk te stellen, was verscherping der controlemiddelen onmisbaar en zonder deze zou het kwaad zich nog scherper doen gevoelen nu het tarief der vermogensbelasting prodie som hebben de deelen, welke daar beneden liggen, het voorrecht dier gedeeltelijke berekening.
Over het eindsaldo wordt een gelijk percentage geheven.
') Schanz, II. bl. 400, j0. I, bl. 123.
â 2) t. a. p., II, bl. 414. De regeering was tot die wetenschap gekomen door de inventarissen van boedels van minderjarigen te vergelijken met de vermogensaanslagen hunner erflaters.
M
gressief zon worden en nu ook de successiebelasting zou worden ingevoerd
In dien geesl sprak de Regeering- in 1870. Te vergeefs. De ambtelijke boedeibescii rij ving bestaat llians te Züricb, behalve in geval van minderjarigheid, deels als middel van verzet van den belastingplichtige tegen een ambtelijken aanslag, deels als middel van controle op de successiebelasting.
§ 27 der wet van 24 April 1870 zegt: «Die amtliche Inventarisierung tritt ein :
«) wenn ein Steuerpllichtiger sie selber verlangt;
/') gemass ^ 9 des Gesetzes betreffend die Erbschaftssteuer. Bovendien heeft men in Zurich als controlemiddel openbaarheid van liet kohier der eigen aangiften («Sebsttaxationen») in iedere gemeente; ^19 der wet schrijft voor; «Der Ge-«rneinderat hat diese Taxationen in ein alljahrlich im Doppel «zu fertigendes Steuerregister einzutragen, und dasselbe 14 «Tage lang often aufzulegen. .Ieder Steuerpflichtige hal das «Recht es in seinem ganzen Umfange einzusehen und seine «Bemerkungen der Steuerkommission mil Namensunterschrift «einzureichen.»
Titel V der wet regelt de gevolgen van onjuiste aangiften. Zij zijn betaling van bet vijfvoudig bedrag' van de te weinig betaalde belasting over twee jaren. De erfgenamen zijn hiervoor hoofdelijk aansprakelijk. Ambtenaren (Vormundschafts-
') âWena jetzt schon der einseitige uiut ungerechte Druck, dor dadurch aui' einen Teil der Bevötkerung, darunter alle Waisen und eine grosze Zahl Witwon fiel, hedeutend war, so müsstc derselbo in uaher Zukunft, wonn das gleielie Verhaltniss bloibt, sich noch erheblich steigern. Die ven der Verfassung geforderte Progressivteuer auch auf das Vermogen und die Erbsohaftsteuer mussen namlick in diesem Fall die Ungleiehheit in der wirklichen Leistung an den Staat noch mohr spannen.quot;
42
und Gerichtsbeliörde) zijn verplicht, wanneer zij te lage aangiften ontdekken, hiervan aan den fiscus kennis te geven.
Eigenaardig is nog de bepaling, dat geen bijbetaling wordt gevorderd indien een ambtelijke inventarisatie door den belastingplichtige is aangevraagd en hierbij een te lage eigen aangifte aan het licht komt. De grond dezer bepaling is waarschijnlijk dal in dit geval de belastingplichtige geacht wordt, nopens het geldswaardig saldo van zijn vermogen te goeder trouw te hebben gedwaald.
Tegen hen, die beslanddeelen van hun vermogen aan de ambtelijke hoedelbeschrijving onttrekken, zijn boeten bepaald.
Voor zoover men uit de inventarissen, welke ter kennis van de overheid komen, heelt kunnen nagaan beloopt tegenwoordig do ontduiking van het belastingplichtig vermogen een derde, liet op die wijze gecontroleerd belastingplichtig vermogen beliep toch van '1870â1879 94 millioen francs, en daarvan was aangegeven 64 millioen; van de 119 millioen Irancs over de jaren 1880â1889 was aangegeven 82 millioen. '). Doch deze cijfers hebben alleen betrekking op de ontduiking voor zoover zij uit de vergelijking met inventarissen is gebleken. Langs een anderen weg is men gekomen lot een uitkomst, welke de vertrouwbaarheid der kohieren in een nog veel somberder licht stelt, liet vermogen waarover in 1885 belasting werd betaald, beliep 874 millioen francs. De assurantiewaarde der gebouwen alleen bedroeg' 704 millioen francs en die van het verzekerd roerend goed 017 millioen. Zonder twijfel is lang niet alle roerend goed, dal voor
') Schasz, II bl. 41quot;.
43
verzekering- vatbaar is, werkelijk verzekerd. Daar deze twee bestanddeelen van het nationaal vermogen in liet kanton Zurich derhalve verre het vermogen overtreffen, waarover de belasting feitelijk gelieven wordl, â terwijl over geheel Zwitserland die deelen nagenoeg tegen het op de kohieren gebracht vermogen opwegen, â is klaarblijkelijk de ontduiking in het genoemde kanton nog belangrijker dan elders.
Na J870 is de vermogensbelasting in verband met de belasting van inkomsten uit arbeid te Zurich voortdurend het vojrwerp geweest van staatkundigen strijd. Door die gesplitste regelingen is de maalschappij zelve wettelijk in klassen gesplitst, ten gevolge waarvan eene scherpe tegenstelling van klassenbelangen in de staatkunde des lands den -boventoon verkregen heelt. Te Zurich zijn een aantal pogingen in het werk gesteld om belangrijker vrijstelling te verkrijgen in de lagere klassen, en daarentegen den druk meer naar de hoogere over te brengen. Toen de belastingvoet in 1877 van 3 lot â 4 per duizend was verhoogd, werd van vele zijden aangedrongen op invoering der algemeene ambtelijke boedelbeschrijving. Een ontwerp in dien geest werd van Regeeringswege gereed gemaakt. Zelfs verlangde eene petitie van arbeiders in 1877 eene algemeene inventarisatie om de vijfjaren, en conliscatie van het aan den fiscus onttrokken belastingplichtig vermogen voor de helft ten behoeve van den staat, voor de andere helft ten behoeve der gemeente. De voorstellen dragen allen een eenvoudig karakter, liet Regeeringsontwerp van 1877 echter werd in 1883 in den kantonsraad verworpen; dezelfde uitkomst hadden volksstemmingen over wetsontwerpen, door bijzondere personen opgesteld; en de voortgezette
44
arbeid eener commissie lol herziening der belaslingwellen heel't tot dusver geen vruchten opgeleverd. In den laatsten tijd is, ingevolge de opmerking dat de rechtstreeksche heffingen in het kanton (68 n/0 van het totaal der inkomsten) zeer hoog zijn opgevoerd, de aandacht in de regeeringskringen meer op eene verbetering en uitbreiding der indirecte belastingen gevestigd. 1)
Onder indirecle belastingen wordt evenwel in de Zwitser-schc kantons gewoonlijk iets anders verstaan dan in Nederland. Wanneer men Ic Zurich thans pleit voor eene verster-kiiiquot;- dier bestanddeelen van het stelsel, dan is liet niet omdat
o
men aldaar accijnseii of invoerrechten zou wenschen te zien vaslgesteld, â de geringe .oppervlakte van het kanton zou hiertegen overwegend bezwaar opleveren. Men bedoelt dan veeleer die heffingen te vermeerderen, welke, gelijk zegelrecht, hondenbelasting, belasting op het bankwezen, niel lot grondslag hebben een algemeeneu aanslag van iemands vermogen of arbeidsinkomslen, doch zich houden aan een uitwendig kenteeken, een feit, dat in zijn geheel voor waarneming en controle vatbaar is. Bij de beoordeeling van het Zwitsersche belastingstelsel vergete men niet, dat de middelen, welke in wetenschappelijken zin hij uitnemendheid indirecte helfingen zijn, gelijk invoerrechten en alcohol- en zoutbelasting, daar geenszins ontbreken, aangezien b.v. uil het eerste middel de
') Schanz (II, bl. 427): .,Maii ist froh dasz man überhaupt das Geset:i von 1870 hat, im übrigen richtet man seine Blioke nach einer anderen Seite, nach indirekten Steuern, Gobühren Sterapeln und dergleichenquot; Men ijvert thans meer naar 't schijnt voor eene reorganisatie der Com-miesiën van aanslag, dan voor de ambtelijke boedelbeschrijving, waarvan trouwens het gewicht, naar de meening eener commissie uit dsn kantonsraad, overdreven is voorgesteld. (Verg. Schanz, II, bl. -128).
â 45
Bond aanzienlijke inkomsten trekt. Zelfs in Zwitserland is het daarom geen gemakkelijk vraagstuk hoe, in verband met de indirecte heffingen en met de feitelijke toepassing der rechtstreek sche', de werkelijke druk der belastingen over ingezetenen der verschillende maatschappelijke klassen verdeeld wordt. De gezamenlijke inkomsten van den Bond en van de kantons hebben in 1888/89 de som bedragen van 151.839.000 francs,1) terwijl hierin voor rechtstreeksche kantonnale heffingen naar roerend en onroerend vermogen, inkomen, bedrijf en hoodf-geld 2) waarschijnlijk voor niet meer dan 19.000.00(1 francs begrepen is geweest, althans die middelen brachten in 1880 een som van 18.'184.217 Ir. op. Deze alle te samen zijn alzoo slechts ongeveer '13quot;/,, der tolale inkomsten van den Bond en zijne deelen.
') Statistisches Jahrbuch der Schweiz, 1890, bl. 20!).
;) SCHANZ, I, bl. 42, Somt deze middelen up onder de namen van Vermögons-Einkommens-, Grund-Gewerbestuer und Personaltaxen.
Schanz geeft (I, bl. 14 en 45) verschillende berekeningen omtrent do onderlinge verhouding van de elementen van het Zwitsersche belastingwezen. Daarbij blijkt dat de rechtstreeksche heffingen vrij ver tegenover de indirecte in de minderheid blijven: ,,Wie immer man auch die Gi'up-pirung vornehmen mag, stets überragen die indirekten Abgabon die direkten, auber auch mit der Xeigung der Abnahme.quot;
NASCHRIFT.
Ondanks de betrekkelijk vele rechtstreeksche heffingen in Zwitserland naar vermogen en inkomen, is liet hoogst moeielijk zich een denkbeeld te vormen van de verdeeling van den belastingdruk over de verschillende klasseii der ingezetenen. Want daartoe zou men niet alleen oen goed overzicht moeten bezitten van de tarieven der invoerrechten, het alcohol- en het zoutmonopolie, maar ook moeten weten welke artikelen in die heffingen bijdragen en ten laatste . â vooral dit niet te vergeten. â in welke klassen der bevolking het verbruik der belaste artikelen voornamelijk valt. De hervormingen nu van de kantonnale belastingen, zijn, â voor zoover mij bekend is, â nooit van een dergelijk onderzoek uitgegaan. Men heeft er de rechtstreeksche belastingen eenvoudig ingevoerd onder den nood der schatkist en omdat andere belastingen te veel tegenstand ondervonden. Aan de opstelling daarbij van progressieve tarieven ging in Zwitserland geenszins een onderzoek vooraf in hoever de progressie in de fouten van het bestaande moest verbetering brengen. Vandaar dat, hoewel die tarieven allen een aanvulling zijn van eenzelfde stelsel, nl. dat van den Bond, zij onderling in hooge mate verschillen. Zelfs negen kantons hebben in 't geheel geen progressie aangenomen. De vraag, óf en in hoever progressie moest worden ingevoerd, is geweest eene machtsvraag, een vraag van stem-menmeerderheid, beslist onder een duister besef, waarbij ruime plaats overbleef voor dwaling, beslist onder den invloed vf.n
47
kansberekeningen op de tijdelijke sympathieën der volksmassa. Daarbij treft het, dat deze volksmassa voor de eigenlijke Eecht-vaardigheid zich minder gevoelig toont. Indien het tarief maar verlaagd wordt in de onderste klassen en de vrijstelling uitgebreid, bezit het de gunst der menigte. Doch deze schijnt koeler te zijn voor de vraag, of er ontdoken wordt en of er, bij gebreke van goede controlemiddelen, in de bezittende klassen zelve onzedelijke smokkelarij wordt aangewakkerd, of de administratie tot willekeur wordt verleid, en of er niet een bloot denkbeeldige Rechtvaardigheid ten laatste in de verdeeling der belastingen heerschen gaat. Wetsontwerpen gelijk te Zurich, â welke enkel verscherping der middelen van controle beoogden, zonder verandering van tarief, â konden bij de volksstemmingen de meerderheid niet verwerven. In Grau-biinden, welks bevolking voornamelijk uitlandbouwers bestaat, konden in 1881 nieuwe belastingwetten den bijval der menigte slechts verkrijgen bij ruimer vrijstelling en scherper progressie , en mits men afzag van strenge controle; weshalve men thans aldaar den fiscus naar hartelust bedriegt, zoodat Schanz getuigt: âvon einer annahernd richtigen Erfassung der Steuer-kapitalien ist nicht die Rede.quot;
Ook om in Nederland de verdeeling van den belastingdruk, zelfs bij benadering, te leeren kennen, behoort men van iedere onderzochte klasse de levenswijze vrij nauwkeurig te overzien en in de tweede plaats het belastingwezen zelf zich volledig voor den geest te brengen. Door een dergelijk onderzoek tot verschillende klassen van ingezetenen uit te strekken, zou men kunnen komen tot een antwoord op de vraag, hoe het bestaande stelsel werkt; een antwoord, hetwelk, hoezeer het nog ruimte mocht overlaten voor vragen omtrent de détails, toch iets meer zou zijn dan de uiting van eenzijdige waarneming en van den oppervlakkigen indruk des oogenbliks. En eerst wanneer men zulk een antwoord bezit, kan er aangewezen worden in hoever er onrechtvaardigheid in het bestaande stelsel ligt, en of eene progressie het goede middel is om die onrechtvaardigheid op te heffen.
Steunen de stellingen, welke men in Nederland omtrent de
AS
verdeeling der belastingen verneemt, op behoorlijk onderzoek? De een klaagt over den druk der accijnsen, en rekent u bijvoorbeeld voor, dat een rijk man niet honderdmaal meer zout eet, dan de mingegoede: hij ziet alle andere heffingen over bet hoofd. Een tweede klaagt over de accijnsen op dit of dat artikel: doch hij heeft nooit onderzocht in welke klasse dei-bevolking het verbruik van het accijnsplichtig artikel voornamelijk valt. Een derde spreekt enkel over de Rijksbelastingen, docli cijfert weg al wat aan provinciale- en gemeentebelastingen wordt betaald, en verwaarloost daarmede een zeer belangrijk deel onzer rechtstreeksche heffingen. Een vierde stelt zich liet geval, dat een kapitalist nooit onroerend goed koopt en weet op deze wijze voor een groote klasse van personen den druk der registratiebelasting tot nul te herleiden. Een vijfde meent, dat de druk der grondbelasting nergens meer te vinden is. Een zesde bepaalt zich enkel tot het uitspreken van de namen der belastingen en verzwijgt de cijfers, welke zich achter die namen verbergen. En zoo geraakt, wanneer dergelijke betoogen dag aan dag worden herhaald, de openbare meening langzaam maar zeker op een dwaalspoor.
Bij wijze van proeve kom ik hier tot de berekening, welke ik in den aanvang dezer brochure beloofde. Men zal in deze berekening een aantal vragen aangeroerd vinden en cijfers vermeld. De statistische appreciation waarop al deze cijfers berusten heb ik, ten einde te groote uitvoerigheid te vermijden, niet in alle détails kunnen mededeelen. Doch ik geef de verzekering-dat zij rusten op langdurige waarneming en op onderzoek ex uelt;iuu et bono. Wie het er niet mede eens is, poge voor zicli zelf eens tot betere en meer gemotiveerde cijfers te geraken. Bij de poging, welke men hiertoe misschien zal willen in het werk stellen, zal men wellicht tot het besef komen; dat het vraagstuk, hoe feitelijk de verdeeling is van den druk, â⢠afgezien van de tweede vraag, hoe die verdeeling behoort te zijn, â niet gemakkelijk is.
Onderstellen wij in een onzer hollandsche steden (Amsterdam, Haarlem, den Haag, Rotterdam of Utrecht, tg zamen iets meer dan 900,000 inwoners) het gezin van een ambtenaarrentenier. Het gezin bestaat uit man, vrouw, drie kinderen
49
en twee dienstboden. De ouders hebben een geërfd vermogen van f 250,000; hiervan is aan meubilair en huisraad besteed /â 15,000, en de overige /'235,000 geven a 4% t-eii inkomen van /' 9400. De man heeft een betrekking a f 1600. Het geheele inkomen is derhalve f 11,000.
Om te begrooten hoeveel door dit gezin aan directe en indirecte belastingen betaald wordt, behoort men zich het normale budget van uitgaven voor te stellen. Het zou ongeveer aldus samengesteld kunnen zijn:
|
1. |
Huishuur.......... |
f 1100.â |
|
2. |
Onderhoud en vernieuwingen . . . |
- 1500.â |
|
3. |
Opvoeding en onderwijs..... |
- 1000.â |
|
4. |
Diverse levensmiddelen . . . . |
- 1300.â |
|
5. |
Slager........... | |
|
6. |
Wijn en bier......... |
- 300. |
|
7. |
Kleeding . ........ |
- 1200.â |
|
8. |
Dienstbodenloon........ |
- 250.â |
|
9. |
Water, brandstof, verlichting . . . |
- 250.â |
|
10. |
Contributiën en armenzorg .... |
- 800.â |
|
11. |
Geneeskundige hulp...... |
- 100.â |
|
12. |
Diverse reizen........ |
- 500.â |
|
13. |
Huurkoetsier, boeken, couranten. | |
|
fooien, sigaren, enz. enz..... |
- 600.â | |
|
14. |
Rechtstreeksche jaarlijksche belasting |
pro memorie |
Totaal . . . f 9400.â.
Met dit budget van uitgaven tot grondslag, kunnen wij komen tot de volgende schatting van hetgeen dit gezin wegens belastingen betaalt aan Kijk, provincie en gemeente;
1. Personeele belasting.........f 270.â
Toelichting: Bij eene geschatte huurwaarde van /' 1000.â , en zeven haarsteden, bedraagt deze belasting aan het rijk =1= f 140, in hoofdsom , te vermeerderen met
20 opcenten voor het Eijk, ± 2 ., â de provincie, en
± 70 â â de gemeente.
50
De gemeentelijke opcenten bedragen:
te Amsterdam . . .75 te Haarlem . . . . 70 te 's Hage . . . . 72 te Rotterdam .... 80 e Utrecht ... .66.
2. Gemeentelijke inkomstenbelasting a 2 n/o ⢠⢠f 220.
Soms zijn in onze hollandsche steden de inkomstenbelastingen feitelijk hooger, onverschillig of het inkomen rechtstreeks wordt geschat, dan wel gevonden wordt door berekening naar sommige grondslagen van het personeel. (Vergel. Mr. van Nierop's opstel in de Economist, 1890, bl. 527.)
3. Grondbelasting....... ... Æ 400.
Met vele anderen, geloof ik dat de grondbelasting (ongebouwd) , en ook grootendeels die op gebouwde eigendommen, is geamortiseerd in de kapitaalswaarde, hetgeen evenwel niet insluit dat die belasting thans door niemand meer wordt betaald, zoodat personen, die vermogen bezitten, van haar evenmin iets bemerken als zij , die enkel leven van inkomsten uit arbeid.
De verminderde kapitaalswaarde van het onroerend goed peraequeert zich m. i. op den duur over de in fondsen belegde vermogens,
omdat:
1°. bij de scheiding der nalatenschappen, â
en welk vermogen wordt op den duur niet gescheiden? â de kapitaalswaarde der deelen gelijk wordt gemaakt, en de mindere waarde der onroerende goederen dus ook die deelen drukt, waarin enkel effecten worden opgenomen ; de deelhebber, die enkel effecten ontvangt , verwerft dus minder waarde dan hij zou ontvangen hebben indien er geen grondbelasting had bestaan op de onroerende goe-
51
deren, welke in de andere loten opgenomen zijn; en 2°. omdat het niet-belast zijn van effecten op den duur een hoogeren koers voor deze wijze van geldbelegging moet hebben veroorzaakt, dan anders daarvoor zou besteed zijn. Daar de grondbelasting ook bijna overal elders bestaat, is hare werking in dit opzicht internationaal en heeft zij invloed op den algemee-nen koers der fondsen. De grondbelasting werkt dus met indirecten druk op die deelen van een vermogen, welke uit roerend goed bestaan.
Ik houd die belasting in haar geheel voor feitelijk een algemeene vermogensbelasting, geheven op een bepaald bestanddeel, doch gere-percuteerd ook op de andere bestanddeelen van het nationaal vermogen.
Ons nationaal vermogen bedraagt circa 10 milliard gulden. Wegens grondbelasting wordt aan Eijk, provinciën en gemeenten 18 millioen gulden betaald. Naar deze verhouding moet voor een vermogen van /' 250,000 ongeveer op f 400 's jaars wegens grondlasten worden gerekend.
Men kan tot berekening der grondlasten ook een anderen weg volgen, die evenwel tot nagenoeg dezelfde uitkomst leidt. Ons nationaal vermogen bestaat voor bijna uit onroerend goed en de belastbare opbrengst van gebouwd eigendom is nagenoeg gelijk aan die van het ongebouwd. Naar deze verhouding zou in een vermogen van f 250,000 gewoonlijk ongeveer f 80,000 aan onroerende goederen begrepen zijn, voor de helft gebouwd voor de andere helft ongebouwd eigendom. Berekent men, naar deze grondslagen, uit de kapitaalswaarde de belastbare opbrengst, en uit de belastbare opbrengst de grondbelasting met de 50 opcenten op gebouwd voor provinciën en gemeenten en met de 24 opcenten op het ongebouwd voor
52
provinciën en gemeenten {Jaarcijfers, 1S90, bl. 238) clan komt men tot
belasting gebouwd eigendom . Æ 207. â ongebouwd â . - 173.â
Totaal . . f 380.â
alzoo nagenoeg dezelfde uitkomst.
Indien het gezin nu werkelijk de normale hoeveelheid onroerend goed bezit, dan betaalt het rechtstreeks jaarlijks circa f 400.â; zoo neen, dan openbaart de druk der grondbelasting zich hierin dat het revenu uit de fondsen van bepaalde waarde geringer is, dan het zonder grondbelasting zou zijn geweest, of hierin,
dat het fondsenbezit zelf geringer is.
4. Successiebelasting..........f 250.
De successiebelasting heft jaarlijks van ons nationaal vermogen eene som van f 11 millioen:
dit staat voor een vermogen a f 250.000 gelijk met gemiddeld f 275.â jaarlijks. Dit is voor een privaat persoon iets te hoog; men brenge in aftrek lO0^, welke wegens vererving tus-schen niet-bloedverwanten in de statistische opgaven zijn opgenomen.
De som van f 250.- komt neder op eene gemiddelde heffing van 1 per duizend ieder jaar, of 31/, percent iedere 35 jaren.
5. Registratie-zegel- en hypotheekrechten.
Deze belastingen worden voor verreweg 't grootste deel geheven op vermogensbestand-deelen, doch zóó onregelmatig dat een bepaalde omslag nauwelijks mogelijk is. Van ons nationaal vermogen a 10 milliard wordt ter zake dezer belastingen jaarlijks bijna 13 millioen betaald; een omslag over f 250.000 zou dus geven f 300.â. Al gaat men zeker veel te ver. indien men meent dat een rentenier
5^
nooit onroerend goed koopt of verkoopt, het is wel zeker dat hij minder dan andere personen der bezittende klassen aan deze middelen betaalt. Ik stel daarom dezen post op f 150.â
6. Patentbelasting. Deze werkt voor een belangrijk deel als eene algenieene verteringsbelasting , drnkkende op alle consumenten over hun algemeen verbruik. Een ander deel blijft in den kring der patentplichtigen achter. Stelt men de jaarlijksche verteringen onzer natie op 900 millioen gulden, en neemt men aan dat de patentbelasting voor -/;t wordt verhaald op de verbruikers, dan maakt zulks op een jaarlijksche vertering van f' 9;400 ......f 30.â
7. Wijnaccijns (jaarlijksche consumtie 2 hectoliters) f 40,â
Voor den accijns op bier en azijn wordt hier niets gerekend,
8. Vleeschaccijns (10% der consumtie) . ... f 50.â
9. Suikeraccijns (rechtstreeksche en middellijke consumtie geschat op 100 kilogr, per jaar of ongeveer ' 4 kilogr. per dag) .... . . f 27.â
10. Zoutaccijns (eene informatie bij leveranciers naar het zoutverbruik in aanzienlijke huishoudens gaf mij de uitkomst dat dit verbruik aldaar ongeveer 9 kilo per hoofd is. â alzoo gelijk aan het verbruik per hoofd over de ge-heele bevolking. De zoutaccijns werkt feitelijk als een hoofdgeld, en wel van f 0.84 's jaars,
alzoo in een gezin van zeven personen . . . f 6.â
11. Zeepaccijns.
(de rechtstreeksche en de middellijke consumtie van veraccijnsde zeep geschat op 50 kilogr. 's jaars)..... ......f 5.â
12. Gedistilleerd.
(naar gemiddeld verbruik van /' 36 's jaars.
De accijns bedraagt ongeveer 60 quot;/, van den
détailprijs)............f 20___
54
13. Invoerrechten.
(De totaal opbrengst van /'5.300.000 's jaars,
wordt voor een zeer groot deel gevonden op artikelen, die door welgestelde lieden worden verbruikt. Bij een geheel bedrag van uitgaven van bijna / 10.000; en in aanmerking nemende dat het gezin in het bezit is van TT'o'ö'ïrir van het nationaal vermogen, mag men voor dezen post uittrekken circa ai,4os of rond .... Æ 70.â
Eecapitulatie:
|
1. |
Personeel. . . . |
Æ 270.â |
|
2. |
Gemeentebelasting |
- 220.â |
|
3 |
Grondbelasting. |
- 400.â |
|
4. |
Successiebelasting. |
- 250.â |
|
5. |
Registratie enz. . |
- 150 â |
|
6. |
Patent .... |
- 30.â |
|
7. |
Wijnaccijns . |
- 40.â |
|
8. |
Vleeschaccijns . . |
- 50.â |
|
9. |
Suikeraccijns |
- 27. |
|
10. |
Zoutaccijns . |
6.â |
|
11. |
Zeepaccijns . |
5.â |
|
12 |
Gedistilleerd . . |
- 20.â |
|
13. |
Invoerrechten . . |
- 70.â |
|
Totaal |
f 1538.â |
Dit eindcijfer bedraagt 14 percent van het inkomen.
Indien men eene dergelijke berekening ook over het werkmansgezin wilde opstellen, zou men zich eveneens vooraf rekenschap moeten geven van de consumtieve gewoonten van 5:00-danig gezin in normale omstandigheden. Terwijl toch in het zooeven behandelde gezin van een welgesteld rentenier de rechtstreeksche heffingen bijna geheel de bijdragen wegens accijnsen in de schaduw stellen, â op een totaal van f 1538 konden wij slechts Æ 148 voor accijnsen vinden, â verdwijnen die heffingen bij het werkmansgezin in den regel geheel, evenals wijnaccijns en vleeschaccijns.
55
Hoeveel moet men nu in dit gezin uittrekken voor accijns op suiker, zout, zeep, gedistilleerd en bier en voor invoerrechten? Voor dergelijke berekening zouden de werkmanshud-getten (gepubliceerd in de Bijdragen van het Statistisch Instituut) een grondslag kunnen aanbieden. Ik heb haar gemaakt, en ik ben tot de slotsom geraakt, dat aan een ordentelijk werkmansgezin door ons belastingwezen een druk wordt opgelegd van ongeveer S'/.^ ten honderd van het inkomen.
Van al zoodanige berekeningen is mijn eindindruk geweest dat ons belastingstelsel thans progressief werkt in eene opklimming , waarvan liet laagste punt door het getal 3, het hoogste door ongeveer 16 a 18 percent kan worden aangeduid. Deze progressie, â ziedaar mijn indruk, â klimt niot volkomen geleidelijk op, doch in 't eind bereikt zij toch dat hoogtepunt. Zij begint eerst te verzwakken bij die klasse van vermogenden, bij welke de belasting naar huurwaarde der woning met de andere grondslagen van het personeel bepaaldelijk gaat achterblijven bij de vermeerdering des inkomens en ook niet door het bestaande progressief-tarief van sommige dier grondslagen wordt goed gemaakt. Eu op welke grens wordt dit keerpunt bereikt? Voor zoover ik de levenswijze der vermogende klassen weet te schatten, ongeveer bij inkomens van f 20.000. â, alzoo bij vermogens van ongeveer f 500.000.â. Of dan de progessie gaat plaats maken voor degressie, is nog een tweede vraag. Het is mogelijk, dat over eenige vermogensklassen de progressie zich niet uitstrekt, doch dat daarvoor eene vrij zuivere evenredigheid in de plaats treedt.