%
h \
3 é la/o^
fl[! i
I
;
.
INLEIDING
TOT DE STUDIE VAN HET
NBDERLAND8CHE STRAFRECHT.
INLEIDING
TOT DE STUDIE VAN HET
noon
Mr. g. a. van hamel,
Hoogleeraar te Amsterdam.
EERSTE DEEL.
Inltiidin^. â De algemeene leerstukken.
HAART ,EM. 's-G R A VENHA GE
DE ERVEN F. BOHN. GEER. REUNFANTE.
1895.
mmmm
. .
VOORWOORD.
Dit voorwoord schrijf ik voor liet Eerde. Deel.
Veel behoef ik over den inhoud en over de indeeling dei-stof wel niet te zeggen. Omtrent een en ander stemt dit werk met do meeste nieuwere, vooral Duitsche, hand- en leerboeken in hoofdzaak overeen. Het bevat dus eerst een inleiding over strafrechtswetenschap, strafrechtswijsbegeerte, de historische ontwikkeling en de bronnen van het Nederlandsche strafrecht: en dan de alyemeene strafrechtsdogrnatiek naar Nederlandsch recht in haar geheel.
Omdat dit deel achtereenvolgens in drie stnkken verscheen, was wat in het eerste stuk (1889), en wel iu §§ 11, 12, 14, 17 en 19, omtrent wetgeving en tractate» medegedeeld werd , bij de verschijning van het laatste stuk (1895) op sommige punten verouderd; en is nu aan het slot (blz. 487â489) een aanhangsel geplaatst, waarin de wijzigingen en aanvullingen van de wetgeving sinds de verschijning van de vorige afleveringen, opgenomen zijn. Wie het boek ter hand neemt, zal dus goed doen, door reeds aanstonds de bedoelde wijzigingen en aanvullingen bij de bedoelde §§ aan te teekeneu.
Aan dit werk, waaraan ik don algemeenen titel geef van âInleiding tot de studie van het Nederlandsche strafrechtquot;, heb ik in alle bescheidenheid een dubbele bestemming toegedacht; en het zou mij een groote voldoening zijn, indien het mocht blijken dat het die vervullen kan.
Bij het universitair onderwijs moge liet nut doen als eene systematische uiteenzetting die op de colleges kan worden
6
uitgewerkt, en als een handleiding voor zelfstandige bestudeering van die gedeelten die in eenigen cursus niet op de colleges behandeld zijn.
Door den ruimeren kring onzer juristen die zich tot wetenschappelijke bestudeering van eenig leerstuk opgewekt gevoelen of die in hun praktischen werkkring aan een overzicht over de onderscheiden leerstukken en over principieele of bijkomstige strijdvragen behoefte hebben , mogen, dat hoop ik, de uiteenzettingen in den tekst en de opmerkingen en verwijzingen in de noten met vrucht worden geraadpleegd.
Een leiddraad uitsluitend voor het universitair onderwijs heb ik dus niet willen schrijven. Misschien staat er nu daarvoor wel eens te veel in, bepaaldelijk in de noten. Dit bezwaar is echter niet groot, omdat de hoogleeraar er altoos is om leiding te geven. Voor zelfstandige studiën mocht het werk niet te weinig inhouden.
Dit is een Inleiding tot xtudie; niet een leesboek. Daarom mocht ik mij bij het schrijven op beknoptheid, op samentrekking toeleggen. En dit moest ik doen wegens den omvang die voor het werk was geraamd. Die noodzakelijkheid van beknoptheid en samentrekking heeft mij, ik beken het gaarne, veel moeite gegeven en is een belangrijke oorzaak geweest van de vertraging der voltooiing. En nu dit Eerste Deel toch nog grooter is geworden dan bedoeld was, zal voor de inrichting van het Tweede Deel hiermee rekening moeten worden gehouden.
Vooral bij het schrijven van een systematisch werk als dit, voelt de schrijver voortdurend zijn te kort komen. Ten slotte geeft hij het dan ook slechts aarzelend uit. Daarom zal ik van alle kritiek over algemeene dingen of over bijzondere punten met dankbaarheid kennis nemen.
' G. A. van Hamel.
J uli 1895.
INLEIDING.
HOOFDSTUK I. â Strafrecht en Strafrechtswetenschap.
§ 1. Het Strafrecht.
Allo strafrecht â dit woord in objectieven zin opgevat â is, gelijk alle recht, positief, geldend binnen de grenzen van eene bepaalde rechtsgemeenschap in een bepaalden tijd. Maar als zoodanig is het geen levenloos mechanisme van instellingen en regelen. Historisch ontwikkeld tot wat het is, draagt het ook de kiemen voor verdere ontwikkeling of vervorming in zich en wordt het door onderscheiden krachten voortdurend daartoe gedreven. Aldus is het voorwerp der strafrechtswetenschap.
Het woord strafrecht omvat hier alleen het strafrecht op het gebied der openbare rechtsorde; het strafrecht in de openbare rechtsgemeenschap. Allereerst derhalve het strafrecht in den staat. Voorts dat in zijne minder of meer zelfstandige onderdeden , als provincie en gemeente. Eindelijk nog dat in andere gemeenschappen, wier publiekrechtelijk karakter door den staat is erkend en wier strafrechtelijke voorschriften mede van staatswege door de gewone strafrechtspleging worden gehandhaafd: in Nederland het strafrecht der waterschappen, ev. veenschappen en veenpolders ').
Ook in andere kringen en gemeenschappen worden, geheel binnen de grenzen voor hun zelfstandig leven gesteld, bestraffingen bedreigd en toegepasts). Zoo in het huisgezin, in de kerk, e. a. m. Inzoover de staat aan het bedreigen en toe-
') Vgl. Artt. 134, 144, 191 G. 23â28 Inv. w. en 44 R. O.
s) Pro parte behoort de bescherming van de belangen dier bijzondere kringen mede tot de handhaving der openbare rechtsorde.
8
passen daarvan grenzen stelt en tegen de overschrijding van die grenzen zelfs strafrechtelijk optreedt, komt menig onderdeel daarvan bij de behandeling van het strafrecht ter sprake.
Het strafrecht is een deel van het recht in zijn geheel en omvat: het samenstel van de beginselen en regelen, welke de staat, resp. eenige andere openbare rechtsgemeenschap, volgt, inzoover hij , als handhaver der openbare rechtsorde, onrecht verbiedt en aan de overtreding zijner rechtsvoorschriften voor den overtreder een bijzonder leed als straf verbindt.
Het begrip strafrecht wordt derhalve bepaald door het begrip straf. Inzoover er geen sprake is van de grenzen, waarbinnen aan overtreding van rechtsvoorschriften straf verbonden is, behoort de regeling van de rechtsgevolgen dier overtredingen niet binnen het gebied van het strafrecht, hoe nauw dat gebied ook aan het daaromheenliggende grenst1).
Op de vaststelling van het begrip straf komt dus alles aan. Die vaststelling echter behoort evenals de ontleding van het begrip in het hoofdstuk dat over straifen handelt2). Bovendien, jnist omdat de grenslijn tusschen het gebied waarop straf en dat waarop de andere rechtgevolgen heerschen, eene veranderlijke is en daarbij de opvattingen van het positieve recht afdoende zijn, ware eene beschouwing over die grenslijn in de Inleiding van dit werk misplaatst.
Voldoende zij het, hier de rechtsgevolgen op te noemen die van overheidswege aan onrechtmatige menschelijke gedragingen verbonden kunnen wezen en die geene straffen zijn in den hier bedoelden, technisch juridischen zin: de privaatrechtelijke verplichting tot schadevergoeding; de disciplinaire maatregelen of tuchtmiddelen; de administratieve ofjudicieele dwangmiddelen ; de policiemaatregelen mot preventieve strekking.
Ofschoon dus op dit alles uitvoerig wordt teruggekomen, worde reeds thans het begrip omschreven en do straf genoemd: een bijzonder leed (malum passionis, Uebel, souffrance), tegen
1
) Do strafrechtswetenschap bestrijkt zeer zeker ook oen deel van het omliggend gebied. Zie de volgende g
2
'') le Hoofddeel, Hoofdstuk III,
9
den overtreder van een door den staat gehandiiaafd rechtsvoorschrift, op den enkelen grond van die overtreding, van wege den staat als handhaver der openbare rechtsorde door het met de rechtsbedeeling belaste gezag uit te spreken 1).
Vermits het strafrecht zich tot publiek recht ontwikkeld heeft, tot een recht waarvan de bedeeling in haren vollen omvang â behoudens geringe uitzonderingen â berust in de handen der overheid, zoo brengt liet, uit een subjectiefrech-telijk oogpunt bezien, een recht mede van die overheid, tot strafbedreiging, strafvervolging, strafoplegging en strafvoltrekking. In dien zin wordt dikwijls strafrecht in subjectieven zin, als jus â puniendi, gesteld tegenover strafrecht in objectieven zin, als jus poenale.
Bij eene wijsgeerig-historische beschouwing van het strafrecht is de door sommigen gestelde vraag van belang, of het begrip âsubjectief rechtquot; wel past op de machtsuitoefening van den staat en of wellicht de verhouding tusschen subjectief en objectief strafrecht hierin gelegen is, dat de macht van den staat tot straffen, door zelfbeperking subjectief recht is geworden, terwijl juist het samenstel van die beperkingen het strafrecht in objectieven zin is 2). In ieder geval echter kan men, op de tegenstelling nadruk willende leggen, in het jus puniendi erkennen een subjectief recht toekomende aan hot staatsgezag, maar alleen voorzoover het in de objectieve rechtsorde past.
Ook het strafrecht omvat naar de gangbare onderscheiding twee deelen, een materieel en een formeel. Het materieele strafrecht wijst de beginselen en regelen aan, waarnaar aan het onrecht straf is verbonden; het formeele de vormen en termijnen, waaraan de verwezenlijking van het materieele straf recht gebonden is.
Tusschen deze beide deelen bestaat een nauw verband. Het formeele recht draagt het materieele, steunt het of kan het
1
) Vgl. Geib., Lehrb. d. Deutsoh. Strafr. (1861/62) 11, 394; Fr. v. Liazt, Lehrb. d. Deutsoh. Strafr. 3c cd. (1888) 235.
2
) Vgl. v. Liszt. Lohrb. bl/,. I n. 1 en Zeitsohr. f, d. gesarato Strafr.wissensob», III, 22; von Jhoring, Zweck im Recht, le ed., I (1877), 250,
10
doon vallen. Van sommige onderwerpen kan het bovendien twijfelachtig heeten tot welk gedeelte zij moeten worden gerekend 1). Toch is over 't algemeen de grenslijn te trekken. Het materieel strafrecht geeft het antwoord op de vraag: wie strafrechtelijk aansprakelijk is, waarnaar en waarvoor hij het is, en waartoe die aansprakelijkheid leidt. Het formeele doet het op de vraag: waar, wanneer en op welke wijze hij aansprakelijk wordt gesteld.
In den regel wordt het woord âstrafrechtquot; in engeren zin gebezigd, uitsluitend voor het materieele recht; en wordt het formeele als âstrafprocesrechtquot; of âstrafvorderingquot; daartegenover gesteld. Aldus in âwetboek van strafrechtquot;; aldus in dit werk.
Vroeger waren hier te lande gebruikelijk de uitdrukkingen âlijfstraffelijk rechtquot; en âcrimineel rechtquot;, welk laatste woord nog wel gebezigd wordt als samenvatting van materieel en formeel recht beide 2).
§ 2. De wetenschap van het strafrecht als rechtswetenschap.
De wetenschap van het materieele strafrecht is in de eerste plaats rechtswetenschap, d. i. zij beschouwt de gansche strafrechtelijke stof uit rechtskundig oogpunt. Uit dat oogpunt treft haar liet strafrecht als rechtsband, den mensch aangelegd in het maatschappelijk leven; de straf als rechtsgevolg, aan het misdrijf als hare feitelijke voorwaarde rechtens verbonden.
Als zoodanig is zij dus de leer der strafrechtelijke aansprakelijkheid. De mensch is voor haar iemand die verantwoordelijk wordt gesteld naar de voorschriften van een positief strafrecht, zóó dat hem eene zekere straf in zekere mate wordt
1
') Vgl. Ie Hoofddeel, Hfdstk. V.
2
) âLijfstraffelijk regtquot; in Org. Besl. v. hooger onderwijs v. 1815; âcrimineelquot; in âeriniineelo zakenquot;, âcrimineel wetboekquot;, â Duitsch; thans âStrafrechtquot;; tevoren âpeinliches Rechtquot;, âCriminalrechtquot;, âFransch: âdroit pónalquot; of âdroit criminelquot;; het laatste niet zelden als samenvatting van materieel en procesrecht. âEngelsch: âCriminal Lawquot; naast Criminal Procedurequot;. â Ital. âDiritto penalequot;, ,,Scienze pe-naliquot;. â De etymologie van het woord âstrafquot; schijnt onzeker, vgl. Loening in Zeitschr. f. d. ges. Strfrw. V, 546, n. 18.
11
opgelegd, ingeval hem een zeker strafbaar feit rechtens kan worden toegerekend, terwijl zekere rechtens erkende, de strafoplegging opschortende of opheffende, bijkomende voorwaarden niet aanwezig zijn.
Intusschen, de handelingen waarvoor de aansprakelijkstelling plaats vindt, zijn concrete; de straf die in een voorkomend geval wordt opgelegd, is qualitatief en quantitatief bepaald;de strafrechtelijke voorschriften waarnaar de aansprakelijkstelling plaats vindt, hebben wel reeds uit hunnen aard een inhoud van algemeenere strekking, maar zijn toch gespeciaii-seerd ').
Het is de taak der strafrechtswetenschap hier te systemati-seeren; de stof die haar het recht en het rechtsleven bieden, te ontleden en te verbinden. Bij dien arbeid komt zij tot het vaststellen van abstracte begrippen en algemeene beginselen; deze groepeert zij, schikt zij en verbindt zij tot een systeem.
Inzoover zij de verschillende strafbare feiten rangschikt in groepen van gelijksoortige feiten en voor iedere groep de begripsomschrijving zoekt, behandelt zij de leer der bijzondere strafbare feiten, verbodsbepalingen en strafposities. Maar van de aldus vastgestelde klimt zij tot nog meer omvattende begrippen bij de behandeling der algemeene leerstukken op. Langs dien weg komt zij tot eene verdeeling van de gansche strafrechtelijke stof in twee hoofddeelen.
Groepeert zij nu verder de stof welke aldus in het eerste hoofddeel âde algemeene leerstukken'1 behandeld wordt, naar do hoofdbegrippen en hoofdbeginselen waarop het daarbij aankomt , dan wijst zich, in verband met de boven gegeven omschrijving van de leer der strafrechtelijke aansprakelijkheid, de verdeeling dier algemeene leerstukken van zelve; I de strafwet, II het strafbaar feit, III de straf en de strafsoorten, IV de mate van straf, V de bijkomende voorwaarden (behalve do
') Bij don oorsprong dor rechtsontwikkeling droegen ook deze een concreet karakter. Aldus veelal nog thans de voorschriften in kleinere kringen b. v. in het gezin; ook sommige voorschriften gegeven door quot;de ambtenaren van het uitvoerend gezag; vgl. art. 184 Swb.
12
zuiver formeele) waarvan de strafoplegging mocht kunnen afhangen 1).
Deze hoofdverdeeling is in dit werk gevolgd, terwijl de onderverdeeling der vijf hoofdstukken door paragrafen, met doorloopend nummer, is aangewezen.
Eene Inleiding ter omschrijving van strafrecht en strafrechtswetenschap en ter mededeeling van de geschiedenis en de bronnen van het geldend Nederlandsche recht, gaat vooraf 2).
Eene wetenschappelijke indeeling, als de hier gevolgde of eenige andere, valt met de indeeling van een wetboek van strafrecht, zelfs van een systematisch goed geordend wetboek, niet noodwendig samen. Sommige algemeene begrippen moeten uitsluitend, andere ten deele, uit de wetsvoorschriften omtrent de bijzondere delikten worden afgeleid. Aldus b. v. ook in het Nederlandsche wetboek 3).
De strafrechtswetenschap als rechtswetenschap, als leer van de strafrechtelijke aansprakelijkheid, is derhalve vóór alles eene systematiseerende wetenschap, zoekend naar de vaststelling van scherp begrensde begrippen en beginselen.
Hare verhouding tegenover het bepaalde geldende recht dat zij bearbeidt, is daarbij eene dubbele. Zij behandelt die stof dogmatisch en kritisch 6).
1
) Do z. g, n. wetenschap van het gevangeniswezen, âGofiingnisskundequot;, is, voor-zoover zij den aard der vrijlieidstraf behandelt, m. i. stellig een onderdeel van do strafrechtswetenschap.
2
) Terwijl ik mij in hot algemeen aansluit bij hot systeem van vele toongevende Duitsche leerboeken â von Liszt, PI, Meyer, Berner e. a,; ook hot Précis van üarraud â zijn toch afwijkingen aan te wijzen. â Het leerstuk van do werking der strafwet behoort m. i. uitsluitend in oen systeem van strafrecht on behoort ook in het systeem zelf; d;m is hot verdedigbaar, tevens andere onderwerpen do strafwet betreffende daarnevens op te nemen, al zouden deze eerder in oen algemeene rechtsleer behooren. Hot leerstuk van de. bepaling der mate van straf gaat m. i. niet op in dat van âdo straffenquot;, maar hooft, althans in ons recht, zoo geheel eigenaardige zijden, dat het plaatsing in oen afzonderlijk hoofdstuk vordert. Het onderwerp van Hfdst. V eindelijk wordt m. i. veelal te zeer als oen aanhangsel beschouwd en hoeft toch in hot systeem een eigen plaats.
3
^1) Uitsluitend, b. v. de schuldleer; ten deole, b. v. de klachtdolikten, de poging.
13
§ 3. De wetenschap van het strafrecht ais sociale
wetenschap.
De strafrechtswetenschap is ook sociale wetenschap, d. i. zij beschouwt het strafrecht ook uit sociologisch oogpunt. Wie deze stof wetenschappelijk beziet, kan er zich niet bij neerleggen om uittegaan van een rechtens vastgestelde strafrechtelijke aansprakelijkheid en om voor de ontwikkeling dier aansprakelijkheidsleer de begrippen vasttestellen.
Het misdrijf' is niet alleen een rechtens strafbaar feit; bet-is in de eerste plaats een maatschappelijk verschijnsel en wel een maatschappelijk euvel. De straf is niet alleen een den pleger van het misdrijf rechtens opgelegd leed; zij oefent ter bestrijding van het maatschappelijk euvel eene sociale functie uit. In zoover nu de strafrechtswetenschap hare beschouwingen richt op ontleding van dat verschijnsel en zijne oorzaken en van de sociale werking der bestrijdingsmiddelen, bepaaldelijk der straf, moet zij tot de sociale wetenschappen worden gerekend en zou zij, als de leer der criminaliteit, m. i., ter scherper onderscheiding, met de ruime uitdrukking criminologie juist kunnen worden aangeduid ').
Deze sociologische richting was der strafrechtswetenschap nooit geheel vreemd, bepaaldelijk uiet bij de studie van de straf-soorten en de bepaling der mate van straf. Ook raakt de leer der toerekeningsvatbaarheid dergelijke opvattingen onmiddellijk. Maar het is nog iets anders, aan enkele sociologische beschouwingen bij een bepaald onderdeel der strafrechtswetenschap invloed toe te kennen; of wel het gansche gebied uit vermeld oogpunt te bezien en de beide genoemde vragen â hoe ontstaat de misdaad en hoe is zij te bestrijden â in hare vollen omvang binnen het wetenschappelijk onderzoek te trekken â ).
Bij het onderzoek naar de oorzaken van de misdaad als
') âCrimineelo sociologiequot; wordt veelal goateld tegenover âcrimineele anthropo-logiequot;. Zie het woord .Criminologiequot; als titel dor werken van Qarofalo e. a.
â¢) De algemeeno verwaarloozing blijkt b. v. wel uit de geheel onvoldoende behandeling der herhaling van misdrijf in bijna alle wetgevingen.
14
maatschappelijk verschijnsel kunnen deze in groepen worden saaragevat: 1. Algemeene, invloeden waardoor alle samenlevenden in meerdere of mindere mate, doch met verschillende uitwerking , worden beheerscht, en wel a. natuurlijke, als klimaat, temperatuur e. a.; b. sociale, als de economische toestanden, de hygienische, volksgewoonten en volksgebreken, de toestand van onderwijs, godsdienstig leven, armverzorging, koorts de stand der wetgeving zelve , de organisatie der politie e. z. m.; 2. Individueel e d. i. op bepaalde individuen werkende krachten, gelegen, a. in den natuurlijken toestand van het individu, psychisch en physisch, in aanleg en karakter, in verband met zijn leeftijd of zijn geslacht, in anthropologische anomaliën in verband met zijne afstamming (herediteit), in pathologische aandoeningen enz,; h. in zijne levensomstandigheden, als verwaarloosde opvoeding, beroep, gebrek, liederlijke levenswijs, habitueele dronkenschap e. a.; c. in tot misdaad opwekkende gelegenheden, gemoedsaandoeningen, verleiding, tijdelijke dronkenschap e. z. m.; alles bij onvoldoenden weerstand. Het spreekt van zelf, dat meestal verschillende oorzaken samenwerken.
In verband met voormelde onderscheiden oorzaken is het hoofdvoorwerp van criminologische onderzoekingen de misdadiger en is de door prof. Wahlberg en velen na hem gemaakte onderscheiding tusschen gewoontemisdadigers en gelegenheids-misdadigers eene principieole.
Voorts voert de studie van de criminaliteit en hare oorzaken tot bestudeering van de onderscheiden middelen ter bestrijding. Tot die middelen behoort de straf niet alleen, behoort de straf ook. Daaruit volgt, dat, zoowel tor wegneming van de oorzaken zelve als ter tempering van het gevaar dat er voor de rechtsorde uit voortvloeit, voortdurend ook andere middelen door den staat en door individueele krachtsinspanning moeten worden aangewend: deugdelijke organisatie der gerechtelijke policie, verbetering van sociale toestanden, vermindering van drankmisbruik, verpleging van gevaarlijke krankzinnigen, opvoeding van verwaarloosde kinderen, versterking van de zedelijke kracht door woord en voorbeeld, e. z. m. Daaruit volgt
15
voorts, dat ook do strafrechtelijke bestrijding â aangewend nadat misdrijf gepleegd is en daarom repressief geheeten â in velerlei opzicht, met name bij de keuze der strafmiddelen, de bepaling van mate en duur der straf, anders moet worden dan zij naar de traditioneele opvattingen zich vertoont.
Is dit alles stof voor de criminologie in 't algemeen, als crimineele-sociologie (in engeren zin) en als crimineele-biologie, of, zooals de meer gebruikelijke uitdrukking luidt, crimineele-anthro-pologie, kiest zij zich sommige van voormelde oorzaken en bestrijdingsmiddelen in het bijzonder tot voorwerp van onderzoek.
Het meer en meer op den voorgrond treden van deze beschouwingen naast, somtijds tegenover de traditioneele opvattingen , teekent inderdaad eene nieuwe richting in de beoefening der wetenschap van het strafrecht.
De eerste stelselmatige beweging in deze richting is uitge- / gaan van de statistiek. De Belgische geleerde .
heeft, aan de hand van de wet der groote getalL ,
kundige kansberekeningen en de opsporing van de wetten die de verschijnselen regeeren, toegepast ook op de verschijnselen in het zedelijk leven; met name kwam hij tot het aannemen bij den âhomme moyenquot; van eenen âpenchant au crimequot;, die * onder grootendeels aan te wijzen invloeden een zekere hoeveelheid misdaden met nauwkeurige regelmatigheid tengevolge had.
De conclusiën van Quételet mogen tot een afgesloten tijdperk behooren, in zijn uitgangspunt en zijne methode was veel dat voor de strafrechtspleging onmisbaar zou blijken. Het veldwinnen van de leer der evolutie op natuurwetenschappelijk en van het deterinimisme op ethisch gebied, de uitbreiding van de werkzaamheid der criinineele-psychologie met betrekking tot het strafrechtelijk leerstuk der toerekeningsvatbaarheid en de ongunstige cijfers der crimineele-statistiek in de meeste beschaafde landen, dit alles gaf aan studiën in deze richting krachtigen steun. Doch die studiën hebben in haar geheel een te voren ongeleenden stoot ontvangen door de Italiaansche âanthropologischequot;, of âpositievequot; school, gevestigd door Lom-broso, psychiatrisch hoogleeraar to Turijn en thans bovenal
16
vertegenwoordigd door criminalisten, als E. Ferri , R. Garofalo e. a. Hare volgelingen en zij die op dezen grondslag voort-werken , trachten voortdurend de onjuistheden, onvolledigheden en overdrijvingen welke vooral in den aanvang den arbeid in deze richting kenmerkten, te verbeteren en ook het eenzijdig anthropologisch karakter door een ruimer te vervangen.
Deze richting vindt in vele landen weerklank. Het eerste crimineel-anthropologisch congres word in 1885 te Rome gehouden, het tweede vergadert in 1889 te Parijs. Eene âinternationale vereeniging voor strafrechtquot; welke aan het sociologisch karakter der strafrechtswetenschap meer recht wil doen wedervaren, is van criminalistische zijde opgericht').
§ 4. De beoefening der wetenschap van het strafrecht ').
Bij iedere wetenschappelijke behandeling van het positief strafrecht â ook in dit werk â treedt, gelijk reeds werd opgemerkt, de strafrechtswetenschap als rechtswetenschap op den
3) Hoofdwerken: O. Lombroso-. I'lJomo delinquente, 3e uitg. 1884, vert, in Franech en Duitsch. E. Ferri, La ecuola positiva di diritto criminalo, Siena 1883; id. I nuovi orizzonti del diritto o della procedura penale, 2e uiig. Bologna 1884. li. Oarofalo, Criminologia, Torino 1885; door den schrijver zelven bewerkt in 't Fransch, Paris 1888. Voorts liet tijdschrijt door Lombroso c. s. sints 1880 te Turijn uitgegeven âAroliivio di psichiatria, scienze penali ed anthropologia criminalequot;. Verder bovenal do sinds 1886 te Lyon door Prof. A. Lacassagne van de medische, Prof. li. Oarraud van de juridische faculteit e. a. uitgegeven âArchives de l'anthropologie criminelle et des sciences pénalesquot;; v. Liszi-, Zeitschr. f. d. g. Strw. (rubr. Kriminal-Soziologie u. Kriminal-Politik) dat in menig opstel on door geregelde bespreking ook van wat in deze richting in de verschillende landen uitkomt, onmisbare bron is; o. a. ook in Handb. d. Gefangenisswesens, Hamburg 1888 , Dr. Kim , 35 , v. Holt-zendorjf, 1, 383, Dr. Mischlcr, 1,56,11, 471; Wahïberg, ges. KI. Schr. 1,136, III, 55. ââ Congres. Actes du premier congrès international d'anthropologie criminelle. Biologie et sociologie. Turin 1886-87. â Internationale Kriminalistische Vereinigung-Union internationale de droit pénal, opgericht 1888, door l'roff. G. A. van Hamel, Fr. von Liszt, Ad. Prins. Vgl. van Hamel in Tijdschr. v. Strafr. III. De oprichters stonden deze denkbeelden reeds voor: v. Liszt, Lehrb. 2 vlgg. 26 vlgg. Z. f. d. g. Sw. Hl, 1 vlgg. Prins, Criminalité et répression, Bruxelles 1886. v. Hamel, Rapport pour le Congrès Penitentiaire de Rome, Bulletin de la Comm. Pén. Intern. 1885, n0. 15,459 vlgg. â Bestrijders o. a. Luigi Lucchini, I semplicisti del diritto penale Torino 1886.
{J 4 ') Zie opgave van eenige algemeene litteratuur in 15.
17
voorgrond. En wol, gelijk mede werd aangestipt, in tweeërlei richting. In de eerste plaats is hare behandeling eene dogmatische , d. i. worden de positiefrechtelijke begrippen en beginselen in zake de leer der strafrechtelijke aansprakelijkheid gezocht , ontleed en gesystematiseerd. Doch een wetenschappelijke behandeling van de rechtsstof kan niet wel anders dan tevens eene kritische zijn, d. i. de aldus verkregen resultaten worden aan de eischen van sytematisch verband â onderling verband en verband met de resultaten van andere wetenschappen â en van practische vruchtbaarheid getoetst. In sommige perioden der rechtsontwikkeling zal de eene studie, in andere de andere de meeste aandacht vragen.
Maar wegens de sociale beteekenis van misdaad en straf en den eisch dat de leer der strafrechtelijke aansprakelijkheid daarmede rekening houde, vordert de strafrechtswetenschap mede als sociale ivetenschap de werkzaamheid van den criminalist; en moet deze, ook inzoover als hare beoefening zelve buiten zijn gezichtskring valt, toch hare ontwikkeling volgen en hare resultaten benutten. Wegens het standpunt dat de tegenwoordige strafwetgevingen op de meeste punten bijna alle nog innemen, kan die werkzaamheid voorloopig nog niet ten volle bij de dogmatische behandeling en de toepassing van het positief recht dienstig wezen; daarentegen heeft zij bij de kritische behandeling een ruim arbeidsveld 2).
De strafrechtswetenschap heeft haar eigen gebied, doch zij behoort tot den kring der rechtswetenschappen en bij hare theoretische behandeling zoowel als bij hare practische toepassing ontmoet de criminalist de andere deelen voortdurend. Al heeft het strafrecht zich tot publiekrecht ontwikkeld , toch heeft het met het privaatrecht zeer engen band behouden. Vooreerst, omdat de grens tusschen privaat- en strafrecht wisselt; dan, omdat de leer dor aansprakelijkheid met het daaraan verbonden schuldbegrip ook in het privaatrecht een breede plaats bezet houdt; eindelijk, omdat het strafrecht ook de privaatrechte-
â ) In hoever naar positiefreoht bij de bepaling der mate van straf criminologische overwegingen mogen gelden, zie le Hfdl. Hfdst. LV.
i. a
18
lijke verhoudingen en instellingen beschermt. Inniger nog is de band tusschen strafrecht en de andere deelen van het publiekrecht , met name staats- en administratief recht beide. De bevoegdheden der staatsmachten die bij de strafrechtsbedeeling betrokken zijn, behoeven scherpe begrenzing; de strafmiddelen en andere publiekrechtelijke dwangmiddelen raken elkaar telkens; bij de strafrechtelijke bescherming van het staatsgezag en van de vrijheden der ingezetenen komen de neteligste vragen van publiekrecht ter sprake. Ook met het volkenrecht komt het strafrecht in aanraking. Het beschermt internationale belangen en verhoudingen; het is als nationaal positief recht somwijlen in internationale verdragen neergelegd of door deze verzekerd; het kan ook buiten verdragen als uitzonderingsrecht erkend zijn a).
De hulpwetenschappen der strafrechtswetenschap, als rechtswetenschap en als sociale wetenschap, liggen aan alle zijden: op het gebied van geschiedenis, wijsbegeerte, sociologie, natuurwetenschap. Als zoodanig mogen met name worden genoemd: de rechtsphilosophie 1) de algemeene psychologie2), de crimineele statistiek6), de gerechtelijke geneeskunde 3), in 't bijzonder de gerechtelijke psychiatrie of crimineele psychologie 4).
Dat de studie van het formeele strafrecht met die van het materieele hand aan hand moet gaan, volgt uit het vroeger geschrevene. Voorts mag de kennisneming van belangrijke strafprocessen bijzonder worden aanbevolen, èn voor de toe-
1
5) Dr. Harald Höffding, Psychologie in Umrissen auf Grundlago der Erfahrung (uit het Doensch) 1887.
2
') Ed. Hoffmann, Lehrb. d. ger. Med. 3e ed. Weenen 1883; Fransche vert. v.m L. L6vy en P. Brouardel (naar do lo ed.) Paris 1881. J. Maschka e. a. Handb. d.
3
ger. Med. in Einzelbeitragen, 4 din. Tubingen 1881 vlgg. Zie ook Z. f. d. ges. Sw. rubr. öer. Med.
4
) Vooral de werken van v. Krafft-Ebing, Lehrb. d. ger. Psychopathol. 2e ed., Stuttg. 1881; Grundzüge d. Krirainalpsych. f. Juristen, 1882. âKim in Hdb. d. Gofw. 3ü vlgg. en de daar aangehaalde geschriften van Mandsley, Morel e. a.
19
passing van strafrechtelijke begrippen, èn voor de leer van liet gerechtelijk onderzoek (Untersuchnngskunde, Lehre der Kriminal-polizei) èn voor het bestudeeren van de oorzaken der misdaden9).
De kritische studie van het positief strafrecht drijft tot zijne ontwikkeling en hervorming. Vooral van criminologische zijde bezien, zijn de tegenwoordige wetgevingen op de meeste punten onvoldoende en bestaat aan eene werkzame sir af rechtspolitiek welke zich doet gelden bij de strafwetgeving, bij de regeling van de strafvoltrekking, met name van het gevangeniswezen, en ook bij de rechtspleging, voortdurend behoefte.
Wat de methode betreft, den weg die bij strafrechtsdogmatiek, strafrechtskritiek en strafrechtspolitiek behoort te worden gevolgd, zij het volgende aangestipt. De strafrechtelijke regelen, instellingen, begrippen en beginselen, zooals zij in eenig positief recht zijn neergelegd, hebben eene lange ontwikkelingsgeschiedenis gehad en hunne beteekenis zoowel als hunne waarde kunnen slechts door historische nasporing van die ontwikkeling en van het verband tusschen maatschappelijk leven en rechtsleven worden begrepen. De rechtsvergelijking, historisch en ethnologisch opgevat, kan over deze stof een licht werpen dat nieuwe gezichtspunten ontdekt. Het werkelijke leven, stoffelijk en geestelijk , wekt de behoeften en opvattingen waaruit de rechtsvoorschriften ontstaan en ter bevrediging waarvan ze moeten dienen. Daarom behoort de studie van deze feiten â historische en hedendaagsche â voor eene breede wetenschappelijke beoefening van het strafrecht punt van uitgang te wezen. De, strafrechtswetenschap is eene empirische wetenschap l0).
Het practisch karakter der strafrechtswetenschap wordt bij hare beoefening als sociale wetenschap uit den aard dor zaak in het oog gehouden. Bij hare beoefening als systematiseerende
a) Typ® i do historisch stoods belangrijke Causes oélè.bres v. G. de Pitaval (1734-1743, 12 dln. 12°; uittreksels Dnitsch v. H. Blum 1885); voorts Der neue Pitaval (v. Vollert). â Feuerbach, Aktenraassige Darstellung merkwürdiger Verbreohen, 1828. Tegenwoordig; Das Tribunal, Z. f. praktische Strafrechtspflege, red. Belmonte, sint» 1 Jan. 1885, Hamburg. Mededeelingen ook uit het buitenland in Pal. v. Just.
10) ^ gl- over dit punt, ofschoon hot er oenigszins anders wordt opgevat, A. E. 1. Mod-. derman. Do methode der wetenschap van hot strafrecht. Leiden 1871. Zie vooral in fine van ji 5 dezer Inl.
20
of rechtswetenschap loopt het gevaar uit het oog te worden verloren. Menige eenzijdige theorie over het wezen der straf, menige onbruikbare of overtollige onderscheiding van delikts-vormen, menige onvoldoende opvatting van de schuldgraden was van onpractisch doctrinarisme of formalisme het gevolg. Toch zijn de begrippen en beginselen die onze wetenschap opspoort, bestemd om wetenschappelijke grondslagen der rechtspleging te wezen en moeten zij voor deze vruchtbaar kunnen zijn. Zijn ze het niet, zoo wreekt zich dit op de wetenschap zelve. âEine dem Leben entfremdete Theorie â zegt Windscheid â ruft in natürlicher Reaktion eine unwissenschaftliche Praxis hervor.quot;
§5. Wijsgeerige grondslagen van hot strafrecht1).
In overeenstemming met de beperkte strekking van dit werk en met de methode door andere schrijvers gevolgd, behandele eene beknopte beschouwing over âwijsgeerige grondslagen van het strafrechtquot; en eene korte beschrijving van eenige der voornaamste stelsels , uitsluitend strafrechtsph Hosoplt ie en blijve het wijde veld der algemeene rechtsphilosophie onbetreden. Ofschoon natuurlijk volmondig toegegeven wordt, dat van een wijsgeerig standpunt zoodanige behandeling onvolledig is, zij het echter om genoemde reden vergund, hier van het bestaan eener rechtsorde, hoe eenvoudig of hoe ingewikkeld men zich deze denke , als van oen voorop gesteld feit, of eene wijsgeerig niet nader te rechtvaardigen praemisse uit te gaan 2).
1
*) Zie vooral v. Liszt Lehrb. J 3â6. v. Bar, Handb. d. D. Str.r. I (1882) 199 vlgg. âGeschichte dor Strafrechtstheoriënquot;. Heinze in v. Holtzendorft. lldb. d. D. Strfr. I. (1871), 239 vlgg. Laistner, Das Recht in der Strafe (1872).
2
) Hier mogen dus onbesproken blijven zoowel de vele theoriën over een hoogste rechtsbeginsel, als die over de (inderdaad steeds wisselende) grens tusschen de voorschriften van recht, zeden en zedelijkheid. Waar bij een zoo fijngevoelig onderwerp beknoptheid misverstand zou wekken, blijve uiteenzetting van eigen denkwijze â voorzoover ze niet uit eenig in den tekst behandeld onderdeel blijkt â liever achterwege. Vlg. voor de geschiedenis der theoriën o. a. H. Zoepfl, Grundr. z. Vorles. üb. Rechtsphilosophie (2e ed. 1879) g 4. H. Ahrens, Naturrecht od. Phil. d. Rechts u. d. Staates, I (1870) 5â28. F. J. Stahl, Die Phil. d. Rechts I (5e ed. 1878). Over eene principieele tegenstelling tusschen de school van het rcderecht, die van
21
Ook van dit meor beperkte standpunt bezien, vertoont zich het strafrecht als oen deel van het recht, dat in bijzondere mate van wijsgeerige beschouwingen het voorwerp is geweest.
Dit moest het worden. Treffen moest het, dat in het strafrecht aan verstoring der rechtsorde, naast de uit zich zelf verklaarbare privaatrechtelijke gevolgen, als herstel van stoffelijk nadeel, en de zedelijke en sociale gevolgen, als wroeging en afkeuring door anderen, een bijzonder leed verbonden werd; treffen te meer nog, omdat dit leed het karakter droeg van aanranding dier zelf de rechtsbelangen, leven, vrijheid, vermogen, eer, voor welker bescherming juist het recht opkomt. Als strafrecht âsnijdt het recht in zijn eigen vleeschquot;.
Een en ander moest leidon tot bijzondere pogingen, om de straf te rechtvaardigen voor het wijsgeerig denken. En wel uit een drievoudig oogpunt: rechtvaardiging van het toebrengen van zoodanig leed, het ingrijpen in de rechtssfeer des overtreders, in 't algemeen, of aanwijzing van den rechtsgrond der straf; rechtvaardiging van de keuze der bijzondere
het positiefrecht, do historische en de utilistische, nlle eenerzijda, en anderzijds die anti-rationalistische richting welke in de rechtsbegrippen alleen ziet den neerslag in den menschelijken geest van de regelmatig verrichte handelingen der menschon, H. J. Hamaker. Het recht en de maatschappij, 's Hage 1888. â Vierderlei echter moge worden opgemerkt. Vooreerst, dat inderdaad alleen een genetisch onderzoek, aan dn hand van geschiedenis en ethnologie, den grondslag vormen kan voor een wijsgeerig onderzoek omürent een zoo rceel verschijnsel .als het recht. Ten tweede, dat welde regelmatigheid der menschelijke handelingen en do indrukken die zij wokken, d, i. de oordeelen waartoe zij leiden, voor een groot deel het product zullen zijn van onbewuste en overgeërfde gewoonte; maar dat die handelingen zelve, ten doele ook hare regelmatigheid en vele der door haar gewekte indrukken hunnen oorsprong nemen in velerlei bronnen, als macht, navolgingszucht, godsdienstige opvattingen, spontaan zich uitende behoeften, utilistische, overleggingen, logische redeneeringen e. z. m., d. i. in onbewust werkende factoren en in andere die met bewustzijn samengaan. Ten derde dat, waar alle nadruk op de verscheidenheid van deze bronnen en op de eindelooze verscheidenheid en de voortdurende wisseling van rechtsregelen en rechtsinstellingen vallen moet, do eenheid waarnaar do wijsbegeerte streeft, wellicht to vinden is, niot in hot aannemen van een, voor hot menschelijk weten vooralsnog verborgen gemcemehappelijken oorsprong van alle rechtsbegrippen, maar in do erkenning van een algemeen onhvikkelingsbeginsel van het recht. ïon laatste, dat als zoodanig, in overeenstemming mot de zoo belangrijke historische beteekenis van den rechtsvrede, in overeenstemming voorts mot de hoogore en lagere behoeften van don mensch in de samenleving en met do waarde dor volksovertuiging als draagster van hot recht, theoretisch te stellen ware en praotisch gehandhaafd moet worden het beginsel, dat die ontwikkeling geschiede geleidelijk, in vrede.
22
strafmiddelen en van de wijze waarop zij worden aangewend, of aanwijzing, voor strafbedreiging en strafoplegging, van beginselen ter bepaling van aard en mate der straf; rechtvaardiging eindelijk van de aanwending der straf tegen sommige en niet tegen alle verstoringen der rechtsorde, of aanwijzing van beginselen voor de grensbepaling tusschen straf baar en niet-strafhaar onrecht.
Dat de drie vraagstukken, vooral de beide eerste, onderling samenhangen , is duidelijk. Niettemin vindt uitwerking van het laatstgenoemde een eigenaardige plaats in het leerstuk van âhet strafbaar feitquot; ; uitwerking van het tweede in het leerstuk van âde straffenquot; en in dat van âdo bepaling der mate van strafquot;. De hoofdvraag bleef en blijft: hoe is straf, met het karakter dat het in de geschiedenis der rechtsontwikkeling draagt, te rechtvaardigen, althans te verklaren.
Ter barer beantwoording zijn de vele uiteenloopende opvattingen over wezen en doel der straf verkondigd, die men met den naam strafrechtstheoriën aan te duiden gewoon is. Eene scherpe systematische groepeering van die theoriën, voor hare beschrijving, heeft eigenaardige bezwaren.
In het algemeen kan worden gevolgd de gebruikelijke indeeling in: A de absolute of vergeldingstheoriën, die het doel der straf plaatsen in haar zelve en in verband daarmede haren rechtsgrond in hare volstrekte noodwendigheid (Kant, Hegel, Herbart, e. a.); B de relatieve of Uoeltheoriën, die het doel en in verband daarmede den rechtsgrond der straf stellen in hare bestemming ter handhaving van de rechtsorde en wel a tot herstel d. i. met het oog op gepleegd onrecht, (b. v. Welcker, van Swinderen), h tot voorkoming d. i. met het oog op te vreezen onrecht, (b. v. Feuerbach en de meeste anderen), c tot herstel en voorkoming beide (b. v. Modderman); C de vereenigingsiheoriën, waarin, van onderscheiden zijden en naar onderscheiden methoden, tusschen de grondgedachte der absolute en die dor relatieve theoriën verzoening gezocht wordt1).
1
) De bokendo tegenatolling (Protagoras, Plato, Soneoa) ânomo prudens punit quia peccatum est sed no pecceturquot; wordt dus, omdat het dool ook op lierstol
23
Doch, al is deze onderscheiding der verschillende hoofdgedachten juist, toch blijft zij als maatstaf voor do groepeering der verkondigde theoriën aan bedenking onderhevig. Vooreerst immers gaat niet elke theorie van ééne grondgedachte uit; somwijlen worden absolute en relatieve beschouwingen naast elkaar gesteld, zonder dat tusschen haar het eng systematisch verband gezocht wordt, waarnaar de latere vereeni-gingstheoriën streven (Grotius). Maar vooral geldt het volgende: hoewel de straf geacht mag worden hare rechtvaardiging tt vinden naar de absolute theorie in hare volstreke noodwendigheid en naar de relatieve theorie in hare bestemming als noodzakelijk middel in den dienst der rechtsorde, toch wordt, bij de eene richting zoowel als bij de andere, in sommige stelsels nog naar een bij zonderen rechtvaardigingsgrond gezocht en deze of in het goddelijk gezag (theologische richting b. v. Stahl) of in het maatschappelijk verdrag (richting der school van het natuurrecht) of in een bijzonder recht van noodweer (b. v. Rossi) gevonden.
De scherpe tegenstelling en de groote strijd tusschen do voorstanders van relatieve en van absolute theoriën vertoont zich vooral in het laatst der vorige en de eerste helft van deze eeuw ; met name sinds op strafrechtelijk gebied naar ingrijpende hervormingen werd gestreefd en sinds ook de criminalisten zich hunne theoriën zochten. De pogingen, om in vereenigingstheorieën verzoening te zoeken, dagteekenen vooral van den lateren tijd.
Aan deze eigenaardige tijdperken in de geschiedenis der strafrechtsphilosophie gaat echter de lange geschiedenis vooraf van de wijsgeerige behandeling derzelfcte vraagstukken dooide groote denkers van oudheid, middeleeuwen en de eerste eeuwen der nieuwe geschiedenis. In hoofdzaak vindt men reeds in die tijden of de latere tegenstellingen terug, of althans denkbeelden uitgesproken waaraan de latere verdedigers van verschillende theoriën hunne meeningen hebben vastgehecht.
(quia peccatum) gericht kan zijn, ten onrechte door sommigen als idontisch beschouwd met die tusschen absolute en relatieve theoriOn.
24
Ongetwijfeld heeft Plalo in zijne Nouoi op het doel der straf, niet ter vergelding van het verledene, dat immers niet ongedaan te maken valt, maar ter beveiliging, afschrikking en verbetering, bij zonderen nadruk gelegd, gelijk reeds vóór hem Protagoras de misdaad als een ziekteverschijnsel in de maatschappij wilde beschouwd en bestreden zien 1). Over de vraag of de groote wijsgeer hiermede in tegenspraak kwam met het vroeger door hem voor-gedragene 2) omtrent de rol der straf tot herstel der harmonie in wereld- en rechtsorde en bovenal in de ziel van den schuldige, wordt verschillend geoordeeld; doch terecht weigeren velen in die vroegere opvatting juist de huldiging van eene vergeldingsleer te zien 6), Ook bij Aristoieles steunt de plicht van den staat om te straffen, op het na te streven doel van verbetering en afschrikking, vermits immers, althans bij ⢠de menigte, met leering niet kan worden volstaan; maar wordt daarnaast een recht om te straffen gegrond op een door den misdadiger met het plegen van zijne daad onvrijwillig aangegane overeenkomst, krachtens welke wat hij zich aangematigd heeft door de straf wordt vereffend 3).
Dat de leer van het christendom op menig punt aan de ontwikkeling van het strafrecht is ten goede gekomen, zal meer dan eens worden in herinnering gebracht; maar, dat ook in naam van de christelijke dogmatiek tallooze strafrechtelijke gruwelen verdedigd zijn, is evenzeer bekend genoeg. De middeleemrsche wijsbegeerte op christelijken bodem leidde met hare erkenning van de roeping der lex humana om de lex aeterna na te volgen, tot eene hoe langer zoo minder angstvallige rechtvaardiging van wat do wereldlijke gerechtigheid ter verbetering en afschrikking, maar ook ter wreking van de zonde ondernam 4).
1
â ') Plato, Logg. IX, 862, 934. id. Protagoras 324.
2
) Vgl. v. Bar 1. c. 204 vlgg. Laistner, 1. c. 17, v. Liszk 1, o. 7, die bedoelde opvatting tot philosophie over den oorsprong (Herkunft) der straf terugbrengt. Aldus opgevat zou er de kiem in liggen van eene der latere vereenigingstheoriën,
3
1) Eth. Nicom. X, 10. V, 5.
4
s) Thomas Aquinas, Kumma theolog. II, 1 qu. 2 qu. vgl. v. Bar 217.
25
Do rechtsphilosophen uit de school van hot natuurrecht hobben ton dooie op de waarde der straf voor het herstel van de verstoorde wereldharmonie of van het toegebrachte idëeelo nadeel gewezen {Leibnitz, Coccejus)quot;). Grootendeels echter, ofschoon dan met verschillende schalceeringon, legden zij den nadruk op de drievoudige taak der straf in den dienst der rechtsorde, afschrikking, verbetering, beveiliging; terwijl dan daarneven, voor de rechtvaardiging van die rechtsorde in 't algemeen of ook van de straf in 't bijzonder, naar de oorspronkelijke macht in den natuurstaat, de uitwendige noodzakelijkheid van eene de vrijheid bindende orde, en bovenal naar het in hunne leer zoo belangrijke maatschappelijk verdrag of naar eene gefingeerde vrijwillige toestemming en onderwerping van den kant des misdadigers, verwezen werd, (Grotius, Hobhes, Spinoza , Pnfendorf, Locke, Thomasius, Wolff, Rousseau, Beccaria)
Ter aanwijzing van dien rechtsgrond werd de leer van het verdrag, in 't bijzonder voor het strafrecht, later op eigenaardige wijze ontwikkeld door Fichte quot;); werd op uitnemende wijze door Stahl en wordt nog voordurend door de rechtzinnig geloovige richting in laatste instantie beroep gedaan op dengeopenhaarden wil Gods;1!)
9) Leibnitz, Nouvoaux essais de théodicóe (1710) I, c. 2,, 73, 74.â S. Coccejus, Introdnctio ad Henrioi de Cocceji Grotium illustratum (1751) diss. XII.
10) II. Grotius De jure belli ac pacis, (1625) L. II, c. 20, 21. â ïhom. Ilobbes, do Give (1042) c. 3, bepaaldelijk n0. 11, o. 6, c. 13: Leviathan (1G51) c. 28.â B. Spinoza, ïractatus tbeologico-politicus (1670) c. 16. â S. v. Pufendorf. De jure naturae et gentiun (1672) bep. L. VlII, c. 3. â Locke. On government(1690) II §87.â Clir. Thomasius, Inst, jurispr. div. (1688), Fundamenta jur. nat. et gent. (1705).â Chr. Wol (F, Institutiones juris naturae et gentium (1754) passim; in verband hiermede het werk van zijn leerling Regnerus Engelhard , Versuch eines allgemeinen peinl. Rechtes aus den Grundsiitzen der Weltweisheit u. bes. des Rechtes der Natur (1756) en daarover R. Frank, die Wolffsche Strafrechtsphilosophie, Qött. 1887,13 vlgg. â Ten deele Rousseau, Contrat social (1762) II ch. 5. â 0. Boccaria, Dei delitti o dolle pene (1764).
1') J' G. Fichte, Grundlage des Naturrochts nach den l'rincipicnder Wissenschafts-lehre (1796), II, § 17, §20. Schending van hot âBiirgervertragquot; zou moeten leiden tot de uitsluiting van den misdadiger buiten de rochtsgemoonschap, zoo niet krachtens het^ âAbbüssungsvertragquot; de straf de noodzakelijkheid van dit gevolg voorkwam.
12) F. J. Stahl, Die Philosophic des Rechts (1830 vlgg. 5o cd. 1878). Bd. II; Rechts-u. Staatslehro, 2, § 140 vlgg. H. 1.1. met name de aanhangers der âanti-revolutionairequot; richting, als D. P. D. Fabius, Het goddelijk karakter van het recht (Amst. 1880. âHet recht eene zelftandige vertolking van do gedachten Godsquot;); A. F. de Savornin Lohman, Over hot hoogste gezag (Utr. 1884) en O. Q. vanSwindoren, Het hedondaag-sche strafrecht in Nederland en in het Buitenland, Groningen 1888, 1,173 vlgg. Van
26
of word eeno speciale noodweertheorie uitvoerig ontwikkeld l3).
De schrijvers nu die, gelijk reeds herinnerd werd, in het laatst der vorige en de eerste helft van deze eeuw zoovele verschillende ârelatieve theoriënquot; hebben verkondigd, mogen al dan niet eene speciale noodweertheorie gehuldigd hebben , van de noodzakelijkheid dat de rechtsorde verdedigd worde, gaan allen uit. Vooral in hunne eenzijdigheid bij de aanwijzing van het speciale doel der straf ligt de eigenaardigheid, de beteekenis en de kracht hunner onderscheiden stelsels.
De oude praktijk, eenvoudig aangelegd op afschrikking van anderen door het gestelde voorbeeld, moge ook hare theoretische en systematische ontwikkeling hebben gevonden, het doel der weerhouding door afschrikking werd in veel dieperen en breederen zin ontwikkeld door Feuerbach's theorie van den psychologischen dwang, waarnaar voor de afschrikking van allen het zwaartepunt gelegd wordt in de tegen den drang der zinnelijkheid gerichte macht der strafbedreiging en eerst daarna in de voor de verwezenlijking van deze noocTige strafvoltrekking M). Volgens Feuerbach zeiven verdraagt zich met zijne theorie zeer goed het door Bentham ontwikkelde utilistisch beginsel, naar 't welk ook voor de vaststelling van verbodsbepalingen en straffen de som van lust en de som van onlust tegen elkaar behooren te worden afgewogen l5); terwijl naar de waarschuwingstheorie van Bauer de kracht der door Feuerbach op den voorgrond gestelde strafbedreiging zich niet alleen tegen de zinnelijke, maar ook waarschuwend tot de zedelijke natuur van den mensch richt quot;).
Tegenstander van Feuerbach was Grolman, die, in zijne
katholieke zijde o. a. li. Jiindaal Jacoba. Beschouwingen over straf en straffen (Diss. Amst. 1884), 3 vlgg.
13) o. a. G. D. Romagnosi, Genesi di ditritto penale (1791) en Dmtsche schrijvers aangehaald bij Holtz.Strfr. I, 272 en bij v. Bar,l. c., 254.
14) Anselm v. Feuerbach, in Bibl. d. peinl. R. I, 2St., Revision d.Grundbegr.d. peinl. R. (1790) I, c. 1, Die Strafe als Sicberungsmittel (1800), Lehrb. d. peinl. R. (1801, later uitgegeven door Mittermaier, He ed. 1847) §8 vlgg.
15) Jerem. Bentham, (1747â1832), Works on the Principles of morals and legislation, penal law, codification etc. (voll. uitg. post mortem Edinb, 1843) Zie de verkorte Fransche bewerking van E. Dumont, Traités de legislation civile et pénale (1820) en Théorie des peines (1840).
quot;') A. Bauer, Die Warnungstheorie (1830).
27
als theorie der speciale preventie bekende leer, de straf, als matiging van een algemeen dwangrecht tegen den misdadiger, rechtvaardigde uit hare werking ter toekomstige afschrikking van den misdadiger zeiven, wien daardoor zijn gevaarlijk karakter ontnomen werd l7).
Uit de behoefte om juist tegenover den misdadiger, in het belang der rechtsorde zoowel als in het zijne, een hooger doel te beoogen ontstond de verbeteringstheorie, die op de werking der straf als middel ter opvoeding, ter verbetering van den overtreder allen nadruk legde en hare voorstanders onder schrijvers van velerlei richting vond, b. v. Groos, die haar van natuurwetenschappelijk standpunt verdedigde, Krause en zijne volgelingen Ahrens en Roder die een ethisch-wijsgeerig standpunt innamen en ook in de verbetering van den onrecht-matigen wil herstel der rechtsorde zagen l8).
Tot de relatieve thooriën meen ik ook te mogen brengen de dus genoemde vergoedings-, herstellings- of heteringstheorie, welke, hoezeer zij aan de absolute theoriën verwant schijnt, toch aan de straf een doel in den dienst der rechtsorde stelt, wel niet ter voorkoming van onrecht, maar tot herstel, tot betering van door het onrecht veroorzaakt intellectueel of idëeel nadeel, bepaaldelijk tot herstel van het verlies of de verzwakking die de eerbied voor en het vertrouwen op het recht hebben geleden ,9).
Intusschen moest de in hare eenzijdigheid gelegen zwakheid der onderscheiden genoemde doeltheoriën leiden tot de weder-opvatting van de waardeering der immers reeds oude harmo-
'') Grollmann, Ueber dioBegründung des Strafrechts u. der ytrafge3etzgebung(1799).
18) F. Groos, Der Skepticismus in der Preiheitslehre (1830), â K. C. F. Krause 11832, System der Rechtsphilosophie (uitg. p. m. 1874). â H, Ahrens, Naturrecht od, Phil. d. Rechts u d. Staates (6e uitg. 1870, 1871) II, 418. â K.D.A. Roder, o. a. Zur Rechtsbegründnng der Besserungestrafe (1846). Die herrschenden Grund-lehren ub. Verbr. u Strafen (1867), 97. â In gelijken zin ook H. Machielsen, De Neder), Strafregtstheorie (1865). â---â
l') V. Th. VVclcker, Die letzten Griinde van Recht, Staat u Strafe (1813) 249 id. Encyclop. (1829) 573. Gedeeltelijk ook Ahrens 1. c 'J 1'en onzent O. Q. van Swin-deren 1. c. I, 173 (die zich echter vergist moet hebben, toen hij elders, I, 21, schreef, dat âde nadeelige indruk van misdrijf alken ideëel te schatten is.quot;) In hoofdzaak ging ook mijn leermeester Prof. B. J. Gratama van dit beginsel uit.
28
nische samenvoeging der onderscheiden doeleinden, afschrikking, beveiliging en verbetering, deze laatste bepaaldelijk als psychische onschadelijkmaking opgevat. Dit geschiedt â ten onrechte echter meestal met miskenning van de juiste gedachte der herstellingstheorio â in de latere doeltheoriën geregeld; en dit geschiedde â ofschoon ook hier hetzelfde voorbehoud moet worden gemaakt â met name door onzen landgenoot Modderman, wiens theorie de groote verdienste heeft, niet alleen dat zij de drie genoemde doeleinden gelijkelijk waardeert , maar bovenal dat zij, ter rechtvaardiging van de straf, aan deze den idealen eisch stelt, voor den gestrafte niet te zijn een eigenlijk kwaad, in den weg staande aan zijne zedelijke ontwikkeling; en welke theorie vooral op dit laatste punt met do opvattingen van Schleiermacher overeenstemt2n).
De absolute of noodwendigheidstheoriën vatten do straf niet op naar de bestemming die zij haar toekennen ter handhaving van de rechtsorde. Zij ontmoeten haar op den weg der speculatieve wijsbegeerte als een absolute eisch der rede, een eisch der gerechtigheid, een eisch tot vergelding. Bij Kant is die gerechtigheid een ethische, wordt de vergelding van misdrijf met het leed der straf â talie zij daarbij in 't algemeen de maatstaf â gëeischt door den kategorischen imperativus, het onvoorwaardelijk gebod der practische rede. Alleen de gerechtigheid, geen maatschappelijk doelkan de straf rechtvaardigen. Bekend is zijne uitspraak, dat al ging de burgermaatschappij uiteen, toch vooraf de laatste moordenaar moest worden ter dood gebracht2I). â In de wijsbegeerte van 11 egel is de gerechtigheid die de straf vordert, eene dialectische] haar eisch volgt uit het begrip recht en alleen het begrip heeft absolute realiteit. Tegen het recht komt het misdrijf in opstand , objectief en subjectief wordt daardoor het recht genegeerd. Maar het begrip recht is onaantastbaar, het misdrijf lijdt aan innerlijke tegenspraak , is nietig, is slechts schijn. Toch moet die nietigheid
â¢quot;) A. E. J. Modderman, Straf â- geen kwaad (Oratie 1864). â⢠Schleiermacher, die christlicho Sitte (Werke I, Bd. 12) 241 vlgg.
-l) Imm. Kant, Metaphysische Anfangsgründe der Rechtslehre (1797) 195 vlgg.
29
zich naar buiten openbaren, do negatie van het recht worden genegeerd: dat doet de straf quot;). â Eene aesthetische noodwendigheid is de straf in de theorie van Jlerhart. De ongelijkheid door het misdrijf te weeggcbracbt, het feit dat de een den ander leed aandoet, mishaagt. Aldus luidt het absolute, het bcgeerloos, onwillekeurig oordeel. En dit mishagen kan alieen verdwijnen, wanneer tegenover liet toebrengen een lijden van leed wordt gesteld, wanneer het eene quantum met een zooveel mogelijk gelijk quantum wordt vergolden; de âonvergolden daad mishaagtquot;, de vergoldene niet meer â *). â De theorie van Sta hl wordt veelal als theorie der goddelijke gerechtigheid tot de absolute gerekend. Maar, vermits volgens baar de straffende gerechtigheid wel eene afschaduwing van de goddelijke gerechtigheid is, het wezen van de straf echter daarin ligt, dat zij de heerlijkheid van den staat herstelt, als van den handhaver eener uitwendige zedelijke orde der dingen, staat deze theorie nader bij die welke op het herstel van het door het onrecht veroorzaakt idëeele nadeel als doel der straf den nadruk legt quot;).
Bij dezen strijd tusschen twee fundamenteel gescheiden richtingen, de relatieve en de absolute, konden stelsels die naar verzoening, vereenujing van de beide standpunten zochten, niet uitblijven en daarop is vooral in de tweede helft dezer eeuw het streven der criminalisten gericht.
Eenerzijds kon niet worden geloochend, dat, waar de speculatieve wijsbegeerte naar bevredigende formules voor de idee der vergelding zocht, zij veelal wel niet voor hare resultaten, maar zeker voor haar streven weerklank vond bij het rechtsgevoel van zoovelen, die het rechtvaardig achtten dat een misdadiger erlangen zou wat hij âverdiendequot;, door eigen lijden âzoenenquot; en âboeten,, zou wat hij misdeed.
Aan den anderen kant kon evenmin worden voorbij gezien, dat de straf hare werking alleen vindt in het werkelijke
22) G. W. F. Hegol, Gründl. d Phil. d. Rechts (1821) ^82 vlgg.
33) J. F. Herbart, Allg. Prakt. Phil. (1808) 138 vlgg.
24) Stahl 1. c. Bd. 2 U, | 140 vlgg.
30
rechtsleven; dat ter voldoening aan den eisch der absolute theoriën de strafrechtsbedeeling niet noodzakelijk behoeft te berusten bij den staat; dat voor de grensbepaling tusschen handelingen die alleen onzedelijk, zelfs onrechtmatig, maar niet strafbaar en die welke dit wel zijn, in de absolute opvatting deugdelijke beginselen niet te vinden waren; dat de talio, hoe ook omschreven, voor de aanwijzing van strafmiddelen en strafmate nevelachtig of ongerijmd was, en dat de wetgeving op deze punten dan ook steeds van een practisch doel ter goede bevordering van do rechtsorde uitging.
Vereeniging werd dus gezocht, maar naar verschillende methoden.
Grooten invloed had de z. g. n. leer der maatschappelijke gerechtigheid (justice sociale) van Eossi, vooral door Fransche, Belgische en Italiaansche schrijvers gehuldigd. De straffende gerechtigheid (justice pénale), heet het daar, is vooreerst gerechtigheid, evenals de zedelijke of absolute; zij mag dus geen handelingen straffen die niet onzedelijk zijn en de grenzen van wat de dader door daad en schuld verdiend heeft, geen atoom overschrijden. Maar zij is slechts sociale gerechtigheid, aangewend in een onvolmaakte wereld door onvolmaakte middelen, uitsluitend ter handhaving van de maatschappelijke rechtsorde d. i. tot haar herstel na schending of verstoring, en wel door de herstellende en voorkomende kracht eener onmiddellijke ten uitvoerlegging van de zedewet; wegens die roeping is het straffen haar plicht, maar mag zij ook in de aanwijzing van de strafbare handelingen, de strafmiddelen en de mate van straf, niet verder gaan dan voor het doel noodzakelijk, nuttig en mogelijk is. In deze theorie houden dus het absolute en het relatieve beginsel elkaar wederkeerig in evenwichtquot;).
Zeer vele latere schrijvers staan in zoover op hetzelfde standpunt, dat ook zij van de absolute noodwendigheid eener straf-
O*) M. P. Eossi, Traité de droit pónal (1829) Liv. I, Ch. XIII.â Ortolan, Elóments dedroit pénal (3e ed, 1863) 80 vlgg. â J. J. Haus, Principes génóraux dn droit pónal lielge (1805; 2e ed, 1874) I, ïit. prél. Ch. II. â Qabba. II pro ed il contra nella questione della pena di morte (18G6) 52 vlgg.â Zoo ook Mitterrnaier in zijne nitg v. Feuerbach's Lehrb. (de 14e uitg. 1847) 20i.
31
fende gerechtigheid â als logische, ethische of aesthetische vergolding (B er tier, H. Meijer, Sogt;itag , Geyer), als delging van het onrecht {Hdlschner), als een door feiten sprekend afkeurend zedelijk oordeel {v. Bar) â uitgaan en dan in 't algemeen voor de bepaling der grenzen van het strafrecht, vooral voor de keuze van quantiteit en qualiteit der straf, een beslissenden invloed toekennen aan practische overwegingen, aan de eischen der reëele rechtsorde, met name aan het belang dat door afschrikking, verbetering en beveiliging onrecht worde voorkomen quot;). Of wel zij nemen het delikt op zich zelf alleen aan als den noodwendigen oorsprong van een sivamp;irecht, eene bevoegdheid tot straffen, vermits de dader in den kring van den vreemden wil waar hij als heerscher meende binnen te dringen , gevangen werd (Laistner), of vermits genoegdoening moet worden gegeven voor het âirreparabelequot; in het delikt [Binding); maar dat reoht wordt eerst een simiplicht, in zoover zijne uitoefening uit een oogpunt van doelmatigheid en tegenover alle nadeelen daaraan verbonden, ter handhaving van het gezag der wetten niet kan worden gemist27). Of eindelijk zij zoeken do vereeniging hierin, eenerzijds, dat de werkelijke opheffing van het onrecht, de delging van de schuld eerst dan bereikt wordt, wanneer de straf op den misdadiger afschrikkend en vooral verbeterend werkt (Köstlin); anderzijds, dat, terwijl de straffende gerechtigheid practische doeleinden ter handhaving van de rechtsorde beoogt, zij daarmede onbewust in den dienst van eene hoogere zedelijke orde der dingen werkzaam is {Merkel) quot;quot;).
Ten slotte zij nog herinnerd aan de vereenigingstheorie welke als uitgangspunt stelt de zoenende kracht van het lijden, vooral
A. F. Berner, Lehrb. g 7 vlgg. â H. Meyer, Lehrb. g 2vlgg. en âdieGereoh-tigkeit im Strafrecht, (Geriohtsaal 1881). â R. Sontag, Beitr. z. Lehre v. d. Strafe (Z. f. d. g, Sw. 1, 480), â A. Geyer, Eeohtsphil. (1863) 127 vlgg. â Hiilsoliner, Gem. D. Strafr. I, 558 â L. v. Bar, Hdb. I, 311 vlgg. â Vgl. ook Stahl, 1. c. I 141, die hier met Abegg tussohen âPrinzipquot; en âMomentquot; der straf onderscheidt.
27) laistner, das Recht i. d. Strafe (1872) 196 vlgg. â K, Binding, Gtrundr. z. \orl. üb. gem. B. Strafr. (1879, 3e uitg. 1884) 80â87.
2H) R. Köstlin, Neue Revision der Grundbegriffe (1845), 1 vlgg. 764 vlgg., Sytem d. ü. Str. (1855) ^ 1 vlgg.â A. Merkel, Krim. Abhandlungen 1,(1867) 104 vlgg.
32
van de psychische smart, waardoor de schuld wordt opgeheven , verbetering en verheffing van hem die misdeed wordt bewerkt , de menschheid wordt getroost, en van verdere misdaad wordt afgeschrikt; eene theorie waarin alzoo, naar het oordeel van den geleerde die ze ontwikkelde (Prof. Kohier), alle andere theoriën als in één brandpunt samenloopen 29).
Leerrijk is de herinnering aan al deze pogingen om voor het wijsgeerig denken âdo straffende gerechtigheidquot; te rechtvaardigen, Zij leert vooreerst, dat geene enkele theorie tot den eisch van eene rechtsorde zonder strafrecht concludeerde. Zij leert, dat op de praktijk van het strafrecht de verscheidenheid der philosophische formules meestal geringen invloed had; doch in ieder geval, dat van den kant der eenzijdige doeltheoriën die invloed het grootst is geweest. Maar zij leert tevens, hoe onuitroeibaar de drang schijnt naar het vinden, in een of anderen vorm, van den grondslag voor het geloof, dat harmonie, gerechtigheid, evenwicht slechts te vinden is in den absoluten regel, dat wie lijden doet, lijden moet.
Aan eene korte uiteenzetting van eigen gevoelen mogen twee opmerkingen vooraf gaan. Vooreerst deze, welke uit haren aard verdediging ontberen moet, dat schrijver dezes niet staat op het standpunt van hen die meenen, uit eene rechtstreeksche, duidelijk erkenbare goddelijke openbaring het gansche strafrecht en de oplossing van alle strafrechtelijke vraagstukken te kunnen verklaren, niet alleen voor hen zeiven, maar tevens met bindende kracht voor anderen. Voorts deze andere. Speculatieve vergeldingstheoriën â daargelaten de objectieve waarde -van den door haar gestelden toetssteen â willen op de werkelijkheid toepassen wat niet aan de werkelijkheid is ontleend, loopen daardoor gevaar aan hare gerechtigheidsleer do rechtsorde op te offeren, gaan in hun streven om eene oneindige en ondoorgrondelijke harmonie te verwezenlijken buiten den grens van het menschelijk weten en laten die verwezenlijking over aan in hun kennen, donken en doen beperkte menschen.
2quot;) 1'rof. Tos. Kohier, ilas Wesen der Strafe (1888).
33
Het is de groote verdienste van enkele vroegere schrijvers (b. v. gedeeltelijk Fichte en Ahegg)so) maar vooral van vele lateren (b. v. Dühring, von Harimann, ook Post, Kohier e. a. en onder de criminalisten bij uitstek von Liszf) dat zij, al trekken niet allen dezelfde conclusie, den sleutel ter beantwoording van de vraag omtrent wezen en rechtvaardiging-van het strafrecht zoeken in het vergelijkend historinnh en elhnoloyisch onderzoek naar de beteekenis welke bij verscheidenheid van maatschappelijke toestanden de straf heeft en in hare historische ontwikkeling gehad heeft. En de waarde van dit genetisch onderzoek blijkt wel uit het feit, dat overal gestraft is en wordt niet alleen, maar dat ook de ontwikkelingsgeschiedenis van de straf overal hetzelfde karakter vertoont.
Wat wij straf noemen is overal oorspronkelijk een daad van wraak, âde ongetemperde wraak van een toornig manquot;, zelfs bij de eenvoudigste sociale vormen al spoedig bloedwraak, strijd, een daad van veete, vijandschap, uitgeoefend en als plicht uitgeoefend door de familie, het geslacht (die Sippe), niet tegen den aanrander alleen maar tegen zijne verwanten, zijne geslachtsgenooten mede. En binnen den kring der volksgemeenschap geldt tegen hem die er den vrede verstoort, in vele gevallen vredeloosheid, uitstooting uit het verband. Door de behoefte aan vrede ontwikkelt zich de zoen, de verzoening, met beding van zware zoen- en vredegelden, tusschen belee-digde en beleediger, tusschen do familie van den aangerande of verslagene en den aanrander met zijne verwanten, tusschen de
30) Fiohte 1. c. J. F, H, Abegg, Strafrechtstheorieen (1835) 36 vlgg. Dühring, Kursus der Philoaopliio (1875) 219 vlgg. E. v. Hartmann, Phanomenologie des sittlichen Be-wusstseins (1879) 196 vlgg. Verschillende werken van A. H. Poat, ala; Bausteine fiir eine allgem. Rechtswissensch. auf vergleichend ethnologisoher Basis 2 dln. (1880, 1881) 1, 137 vlgg.; Dio Grundlago des Hechts und dieG-rundzüge seiner Entwicke-Itmgsgeschichto (1884) 352 vlgg.; Einleitung in das Studium der ethnologischen Juria-prudenz (1886). Vèrschillende werken van Jos. Kohier, ala: Shakespeare vor dein l'orum der Jurisprudenz (1884); Zur Lehre von dor Blutrache (1885); Das chine-sische Strafrecht (1886); Das Wesen der Strafe (1888). F. v. Liszt Lehrb. blz. 23 vlgg. en âDer Zweckgedanke im Strafrechtquot; in Zeitschr f. d. 'g. Strfrw. Ill, 1 vlgg. Zie ook de in beide werken verder aangehaalde litteratuur.
I. 3
84
gemeenschap en den met vredeloosheid bedreigde31). Waar liet maatschappelijk verkeer zich uitbreidt en verwikkelt, waar de kracht van het staatsverband toeneemt, lost zich de reactie tegen aanranding en vredeverstoring steeds meer op in het opleggen van straffen door tusschenkomst of van wege de overheid, meer en meer uitsluitend neerkomende op don dader en hem aandoende wat ook door de wraak, de zoen , de vredeloosheid aangedaan was, dooding , verminking, verarming, uitbanning, later opsluiting. Langs dien weg heeft zich dan het strafrecht ontwikkeld waarvoor nu uit wij sgeerig oogpunt de rechtvaardiging gezocht wordt.
Zoodanige rechtvaardiging moet, dunkt mij, tweeërlei karakter dragen: rechtvaardiging voor het refledeerend verstand, rechtvaardiging voor onze ethische en rechlshegrijypeu.
Van het eerste gezichtspunt is, op het voetspoor der doel-theoriën, de straf gerechtvaardigd door hare werking als noodzakelijk middel ter handhaving van de rechtsorde31), d. i. van den vredestoestand waarin de belangen der menschen, naar den eisch van het samenleven en langs den weg van redelijk overleg, bevrediging kunnen vinden. Doch dan ook alleen voorzoover het middel noodzakelijk is. En verder in de gansche veelzijdigheid van hare werking: met name, ter voorkoming van misdrijf, tegenover den dader als middel tot afschrikking , verbetering (psychische onschadelijkmaking), verwijdering (physieke onschadelijkmaking); ook tegenover anderen, als middel tot afhouding van misdrijf door strafbedreiging en voorbeeld , als middel tot versterking van het algemeen vertrouwen op de heerschappij van het recht (herstel van ideëel nadeel).
Van het tweede gezichtspunt treft, gelijk reeds werd opgemerkt, het feitj dat de huldiging van het beginsel der absolute en der ver-eenigingstheoriën âwie lijden doet, lijden moetquot; uit zeer algemeen verspreide, telkens, in ruweren of zachteren vorm, boven-
M) Vgl. Post, Bausteine, I, 140 vlgg. Wilda, das Strafr. d. Gennanon, 156 vlgg. Kohier 11. cc.
35) v. Liszt Lehrb. 18 âDer Rechtsgrund der Strafe liegt in iluer Notwendigkeit für die Aufreclitlialtung der Rechtsordnungquot;.
85
drijvende ethische en rechtsbegrippen schijnt voort te vlooien. Dit feit moet verklaard en met de door het verstand gestelde practische noodzakelijkheid van de straf in zoodanig verband gebracht worden, dat beide uit ééne zelfde ivijsgeerige gedachte voortvloeien. Op den grond van het boven aangeprezen vergelijkend historisch en ethnologisch onderzoek is nu met name door Dühring, v. Hartmann en v. Liszt, ofschoon dan met eenige schakeering, in hoofdzaak de volgende hypothese gesteld: de straf is oorspronkelijk uiting van de natuur-aandrift der wraak, maar deze is, onbewust, niets anders dan uiting van den drang naar zelfbehoud, naar verweer, naar het afdwingen van eerbiediging , niet alleen ten dienste van den enkeling, maar van de soort, de gemeenschap (bloedwraak). Bij de ontwikkeling van het strafrecht, bij de tempering van de wraak en de opkomst der publiekrechtelijke straffen, ontwikkelt zich die onbewuste drang nu meer en meer tot een bewust streven naar een wel voorgesteld dod van dezelfde be-teelceniir, bewaring van den rechtsvrede, beveiliging van de rechtsbelangen. In deze ontwikkeling van het onbewuste tot het bewuste zou â op dit gebied althans â de vooruitgang liggen.
Deze hypothese vindt ook m. i. in historie en ethnologie steun33). Maar zij behoeft aanvulling, èn ter versterking, psychologisch, van de hypothese zelve omtrent oorsprong en beteekenis van de wraak, èn ter verklaring van het feit, dat zelfs bij voortgaande ontwikkeling van het bewuste streven voormeld, het begrip eener innerlijke noodwendigheid van vergelding, zoen, betering door het leed der straf, zich telkens doet gelden. Die aanvulling is dan m. i. te vinden in de richting der denkbeelden, zoo uitnemend ontwikkeld door Prof. Hamaker, volgens welke de begrippen der menschen, ook omtrent hetgeen behoort te geschieden, producten zijn die zich onder den invloed der waarneming van wat telkens geschiedt, (door de macht van gewoonte en herediteit) in den mensch hebben afgezet31); m. a. w. het begrip van eene inner-
33) Post 1. c. 144, Wilda 1. o. 157.
34) H. i. Hamaker, 1. c. (zie noot 2); bop. 51 vlgg., üü vlgg.
lijke noodwendigheid van straf als gevolg van misdrijf is dooide langdurige waarneming van het feitelijk straffen (verdedigen van, afdwingen van eerbied voor individu en gemeenschap) voortgebracht. Onmiddellijk echter volgt daaruit m. i.
V de zeer vruchtbare conclusie, dat de aldus ontstane begrippen ook door het bewuste handelen en de daardoor gewekte waarneming op den duur kunnen worden gewijzigd.
Bij deze beschouwingen uit beide gezichtspunten voege zich nu nog als derde die betrekkelijk eene vraag welke aan alle relatieve stelsels steeds de grootste moeilijkheid en aan de absolute den krachtigsten steun gaf: hoe staat het met de rechtsbelangen van den dader zei ven , die gelijke aanspraak hebben op erkenning ? Niet in eene herinnering aan de oude vredeloosheid, niet in eene gefingeerde vrijwillige onderwerping kan hier de oplossing van het bezwaar worden gezocht, jxiaar in de overtuiging dat eene zich loyaal ontwikkelende rechtsorde op den duur voor alle belangen bestaansvoorwaarde is; in het voornemen om de straf nauwgezet te beperken binnen de grenzen der noodzakelijkheid en om als ideaal voor oogen te houden de zorg vooral voor de hoogere, zedelijke belangen des daders, gedachtig aan het adagium âstraf een leed â geen kwaadquot;.
Op grond van de aldus aangegeven drievoudige overweging-schijnt mij gerechtvaardigd een strafrecht, dat èn bij de grensbepaling tusschen strafbaar en niet strafbaar onrecht, èn bij de keuze der strafmiddelen, èn bij de straftoemeting de handhaving van de rechtsorde in het oog houdt als eenig doel en er zoo nauwgezet mogelijk naar streeft, dat doel te bereiken binnen de grenzen der noodzakelijkheid en ynet eerbiediging van de wezenlijke belangen der gestraften.
In diezelfde overwegingen eindelijk vindt dan m. i. ook het crimineel-sociologisch standpunt (§ 3) zijn strafrcchtelijk-philoso-phischen grondslag.
De opstellers van het Nederlandsch Wetboek van Strafrecht hebben terecht eene bepaalde strafrechtstheorie in hunne toelichting niet uiteengezet. Hunne persoonlijke opvattingen waren bekend. Uitdrukkelijk verklaarde latei- een van hen,
37
do minister Modderman, bij zijne mondelinge verdediging: âHet maatschappelijk belang, dat ik van het regt niet kan scheiden, heeft bij de ontwerpers altijd op den voorgrond gestaanquot; 35). Reeds van dit relatieve standpunt konden âstrenge straffen niet uitgesloten zijnquot; , maar moest tevens, schoon h. i. âde straf niet strekt tot verbeteringquot; van den misdadiger toch âzooveel mogelijk verslechtering voorkomen, verbetering bevorderdquot; worden 36). En de memorie van toelichting wees er op, dat bepaaldelijk door het strafstelsel, met name door afschaffing van de onteerende straffen en door handhaving van de afschaffing der doodstraf, voortgearbeid werd op de grondgedachte der menschelijkheid in het strafrecht, welke sinds Beccaria, ook hier te lande, zoo vruchtbaar in hervormingen geweest was37). Ook in de afdeelingen der Tweede Kamer schijnt ten overvloede erkend te zijn, dat het wetboek âniet op de theorie der afschrikking is gebouwdquot; 38). Voorts heeft de minister Modderman bij de behandeling van de dood-strafquaestie nog de gelegenheid gevonden legen de absolute theorie der âvoldoeningquot; zich uitdrukkelijk te verklaren; en, al huldigde hij daarbij een zekere âexpiatie-leerquot;, zoo verschilde deze toch volkomen van wat de absolute theorie onder âexpiatiequot; verstaat39). Na de verwerping van het amendement tot wederinvoering van de doodstraf, die juist ook op absolute gronden verdedigd was, had de wetgever het relatieve standpunt der ontwerpers voor goed ingenomen40); alle verdere vraagstukken zijn dan ook, door vertegenwoordigers van uit-eenloopende richting, van dat standpunt en van den prac-tischen kant behandeld.
Scherper theoretische tegenstellingen zijn gezocht bij het debat over de vraag naar den maatstaf ter bepaling van wat strafbaar onrecht wezen zou 41). Doch bij de behandeling der
3S) Smidt 1, 13. 3«) Ibid. quot;) Ib. 3.
38) Ib. 156. Zie over de tegenstelling tusscben âafschrikkingstheoriequot; en âver-beteringstbeoriequot; en den grondslag van het Nederl. strafr, onder den gewijzigden C. P. H. Maehielse 1, c.
39) Smidt 1, 170, 172.
40) Ib, 190 j°. de redevv. der Kamerleden Lobman-en Donner, ib. 157, 164.
41) Redevv. Mackay, Heydenrijck, Modderman, ib. 10,
38
onderscheiden delikten is evenzeer de relatieve opvatting steeds leidende gedachte geweest.
HOOFDSTUK II.
Ontwikkelingsgeschiedenis en bronnen van het Nedek-
landsche strafrecht.
§ 6. Bronnen en karakter van het Nederlandsche Strafrecht vóór de eerste algemeene codificatie.
De geschiedenis van het strafrecht is een der belangrijkste en scherpst geteekende hoofdstukken uit de geschiedenis der beschaving.
Beperkt tot het materieele strafrecht, omvat zij twee onderdeden : de inwendige ontwikkelingsgeschiedenis van de opvattingen betreffende misdrijf en straf; de uitwendige geschiedenis der bronnen van het strafrecht.
Aan de eerste wordt het best bij de behandeling zelve van de algemeene en bijzondere leerstukken, van straffen en strafstelsels herinnerd '). Slechts op enkele hoofdtrekken uit de ontwikkelingsgeschiedenis der algemeene opvattingen worde hier de aandacht gevestigd.
De geschiedenis van het strafrecht in ons vaderland vertoont uit den aard der zaak trekken welke aan dit deel der rechtsgeschiedenis in de geheele Germaansche wereld gemeen zijn. Het waren Germaansche stammen, Franken, Saksers, Friezen, die deze landen bevolkten, en dezelfde invloeden welke in den loop der tijden elders het rechtsleven hebben beheerscht, golden ook hier. Nochtans hebben èn de bijzondere politieke gesteldheid van ons vaderland èn het zich meer en meer af-teekenend eigen volkskarakter er toe geleid, dat ten slotte, tegen het tijdperk der eerste algemeene codificatie, zich hier een
à 6 i) Zie over do ontwikkeling dor algomeonoloorstukkon vooral Goib, IjDhrb. d, 1) Rtj-afr., II, 1862.,
39
strafrecht had gevormd, op menig punt van dat in andere landen onderscheiden !l).
De groote beweging nu, welke, blijkens de onderzoekingen der vergelijkende rechtsgeschiedenis en ethnologic, overal de eerste ontwikkeling van het strafrecht teekent1), doet het ook in de Germaansche wereld ^: de beweging uit een toestand waarin het privaatrechtelijk tot dien waarin het publiekrechtelijk karakter overheerscht.
Die beweging komt in hoofdzaak hierop neer. Oorspronkelijk vertoont zich wat wij straf noemen, als ivraak, d. i. als middel juist niet alleen van verweer tegen aanranding en bedreiging, maar in 't algemeen als middel voor den aangerande, den benadeelde, den beleedigde, om zijne persoonlijkheid, zijne waarde en macht tegenover den aanrander en beleediger te doen gelden, eerbiediging daarvoor aftedwingen. Maar bij het nauw familieverband dat het maatschappelijk leven en het rechtsleven der Germanen beheerscht, wordt die wraak niet uitgeoefend door den man alleen, ook door zijne geslachtsgenooten, zijne familie (Sippe) en gericht tegen de familie van den aanrander. Zoo wekt de daad vecte, vijandschap, niet alleen tus-schen personen, ook tusschen geslachten; zoo vertoont zich na doodslag de bloeckvraak, die door de nabestaanden als een plicht wordt opgevat; zoo ontbrandt, onder de begunstiging van den trots der geslachten en de ruwheid der zeden, tusschen personen en geslachten voortdurend strijd.
In iedere rechtsgemeenschap is deze toestand onhoudbaar. De wraak wordt door de volkszeden, de rechtsgewoonten en
1
â¢') Vlg. do in de vorige jJ aangehaalde werken van Tost en Kohier. â Ook G. A. Wilken, Het strafrecht bij de volken van het Maleische ras in Bijdr. t. d,, taai-land- en volkenk. v. N. I., 1883.
') Standaardwerk W. E. Wikla, das Htrafr. d. Germanen, 1842. Zie voorts de hist. inl. in alle Duitsche leer- en handboeken, vooral Geib, 1. c. I, v. Bar,l. c. I. Ook A. Du Boys, Histoire du dr. crim. des peuples anciens, 1845; id. Hist. d. dr. crim. d. peaples raodernes, 1854. In Zeitschrift f. d. ges. Sw. Rubr. âGeschichte des Strafr,quot;, bewerkt door R. Loening. Bovenal ook Ã'I. Bruinier, Deutsche Rechts-geschichte 1887, J , J 21, 22,
40
de tusschenkoinst der overheid niet alleen gebonden binnen de grenzen der loyauteit, maar bare toepassing wordt getemperd, gebonden 1). En het streven naar vrede en verzoening wordt door de overheid en de rechtspraak der volksgenooten bevorderd en ontwikkeld tot een volledig stelsel van zom door bet betalen van zoengelden, compositie. Dat zoengeld â zeer aanzienlijke gedeelten van bet vermogen â heet in 't algemeen boete (Bnsse, emenda, muleta). Het is een teeken van erkenning van het recht des aangeranden en tevens een middel waardoor diens tegenpartij verzwakt wordt. Als boete, in engeren zin en naar een lageren maatstaf berekend, bij geringere vergrijpen zijnen oorsprong nemend, wordt bet als weergeld of mangeld bij doodslag naar een hoogeren maatstaf berekend en als zoodanig tot andere ernstige aanrandingen (waarbij evenredige gedeelten van het weergeld berekend worden) uitgebreidquot;). Dat zoengeld komt dan aan den aangerande, den beleedigde; het weergeld na doodslag aan zijne familie; terwijl het mede door de familieleden van den aanrander moet worden opgebracht. Dit stelsel nu van zoen en zoengeld behoudt, vooreen groot deel althans, in de geschiedenis van het strafrecht zijne beteekenis de middeleeuwen door, totdat de publiekrechtelijke straften de uitsluitend geldende geworden zijn 2).
Deels naast de wraak, deels naast de zoen (bij onzoenbare vergrijpen, of wel waar geen zoen gegeven werd, of de gedaagde niet voor 't gerecht opkwam) gold de vredeloosheid, uitsluiting buiten de recbtsgemeenschap der volksgenooten, buiten den vrede: straffeloos mocht de vredelooze worden gedood; zijn vermogen was verbeurd, de band met zijne familie verbroken 3).
1
) Wilda 1. o. 156, 169.
2
) Vlg. o. a. Paul Frauenstadt, Blutraohe und Todschlagsühne im Doutschen Mittel-alter. 1881. Dezelfde in Samml. gem. vorst, wissensch, Vortr., Neue Folge N0. 10, 1886. Brunner 1. c. en in Saviguy-Zeitschr. (Germ. Abt.) Ill, 3, blz. 1, âBepaaldelijk voor de toestanden in ons vaderland de na te noemen geschriften van Dr. R. Fruin, Mr. H. A, A. van Berckel, Mr. L. Ph. C. van den Bergh en Mr. J. A Fruin.
3
quot;) Wilda, 278. Brunner, Rechtsgesch, {! 22.
41
Intusschen, al stond de privaatrechtelijke opvatting van de straf aanvankelijk geheel op den voorgrond, fa publiekrechtelijke gold daarnaast. Tot dit verschijnsel en het overheerschen ten slotte van laatstbedoelde opvatting hebben nu onderscheiden oorzaken saamgewerkt.
In de oude instelling der vredeloosheid reeds lag de kiem, want de vredelooze was de vijand van het geheele volk9). Maar ook in het stelsel van compositie, waar de zoen voor het gerecht tot stand kwam, werd een deel van het zoengeld of een zelfstandig bedrag als vrede geld (fredum) ten zoen voor den geschonden of als prijs voor den herstelden vrede aan de gemeenschap toegekend, bij het toenemen van het gezag der overheid, met name van dén vorst, aan dezen'quot;); terwijl onder de Frankische koningen de beteekenis van het den koning als âbannus regiusquot; verschuldigde samenhing met het hem toekomende banrecht, tengevolge waarvan hij straf oplegde in gevallen waarin het volksrecht niet voorzag, en door welk recht ook de opvatting bevestigd werd, dat in 't algemeen de misdrijven mede vergrijpen waren tegen zijne bevelen quot;). Verder moest de ruimere opvatting van het misdrijf worden in de hand gewerkt door den invloed van christendom en kerk, de in bepaalde gevallen ook aan de kerk toegekende boete en vooral de door haar zelve toegepaste poenitentics 1!!). Bovendien worden ook al vroeg vergrijpen die de algemeene belangen raken â Tacitus gewaagt reeds van de straf tegen verraad en lafhartigheid in den oorlog, daarbij komen vergrijpen tegen de volksvergadering, tegen het opperhoofd, tegen godheid en kerk â met andere dan geldstraften, met verbanning, lijf- en doodstraffen geboet. Die behandeling moest op den duur ook in meer gevallen gelden. Eensdeels toch moest de indruk van het gevaar waarmede de misdadigers de algemeene rust bedreigden en de overtuiging van de noodzakelijkheid dat ook
') Ook de misdaad tegen den bijzonderen persoon waa vredebreuk. Zie over de ruimere en engere beteekenissen van dit woord, Wilda, 264.
l0) Vlg. Tacitus, Germania, c. 6, c. 12. L. Fris, XII.
quot;) Wilda, 469. Siokel, Zur geschiohte des Bannes,, Marburg, 1886.
12) Wilda, 525.
42
anderen door strengheid werden afgeschrikt, veld winnen; moest overal, naarmate het staatsgezag sterker werd, de zorg voor dit algemeen belang toenemen. Anderdeels ook moest de toenemende' ongelijkheid der vermogens bij het opleggen van zoengelden voeren tot ongelijken druk; en moest hot ook moeilijker vallen bij familieleden bijstand te vinden; terwijl toch de harde vredeloosheid niet overal intreden kon waar het zoengeld ontbrak. Zoo wies de behoefte aan grooter verscheidenheid van straffen en leidde de samenwerking der genoemde oorzaken er van zelf toe, dat het publiekrechtelijk karakter der straf ten slotte het andere verdrong. Die ontwikkeling is, gelijk reeds werd opgemerkt, eene geleidelijke geweest. Beide opvattingen hebben eenwen lang naast elkaar geheerscht, met afwisselend overwicht naar gelang vooral van den staatkundigen toestand en met ongelijke toepassing ook naar gelang van den aard der misdaden; terwijl bovendien het zoengeld het karakter van straf verliezen en dat van schadeloosstelling behouden kon. Die ontwikkeling is eindelijk in de nieuwe geschiedenis geheel voltooid. En nog waren toen en later in de composities of transacties der overheid sporen van de oude opvattingen gebleven 13).
Voor de kennis van den oudsten toestand van het strafrecht der Germanen liggen de bronnen in de oude sagen, in Tacitus' Germania en in enkele rechtsbronnen zelve, vooral in de Noorsche volksrechten met name den Gragas en in de oudste redactie der Ij. Salica14).
De volksrechten der Franken, Friezen en Saksers, opgeteekende gewoonten, â de L. Salica, de L. Ribuaria en de Ewa Chamavorum, de L. Frisionum en de L. Saxonum â dag-
quot;) Vlg. o. a, dc boschrijvingen bij: Mr. L. Ph. C. van don Bergh, Verhandeling over do oude wijze van strafvordering in Gelderland, Holland en Zeeland, voornamelijk in dc 13o en 14e eeuw (1842); Mr. li. A. A. van Berckel, oen llollandsch dorp in de middeleeuwen, (Dietsclie warande I, II); Mr. ,T. A. Fruin, Het regt en de regtsbedeoling onder de republiek, (Vaderl. Lotteroef. 1867, II); Dr. R. Fruin, I^ene Hollandsche stad in de middeleeuwen (Gids 1873, II, bop. 14li); Dr. J. P. Blok. Eene Hollandsche stad in de middeleeuwen 1881.
14) Vlg. Wilda, 7 vlgg. ïhonissen, L'organisation judiciaire, lo droit p^nal et la procédure pénale de la lol saliquo, 2e cd. 1882,
43
teekenen uit tijden waarin het compositiestelsel reeds in vollen bloei stond; die volksrechten zijn dan ook grootendeels verzamelingen van boeteschattingen. En voor het koninysrecht, dat zich naast het volksrecht ontwikkelde en nog krachtiger naar opheffing van de veeten streefde, leveren de Capitularia der Frankische Koningen een van de belangrijkste bronnen l5).
Na den val der Karolingsche monarchie wordt nu eerst een tijdperk doorleefd waaromtrent weinig bekend is, doch waarin vermoedelijk het volksrecht en het koningsrecht, ook aangevuld en gewijzigd, nawerkt als gewoonterecht, costumcn die door de rechtspraak der schepenbanken als levend recht blijven heerschen. Voor de kennis van dat recht zijn dan, behalve de straks te vermelden geschreven rechtsbronnen, waarin grootendeels het gewoonterecht bekrachtiging vond, ook de in lateren tijd (16e eeuw) opgestelde verzamelingen van âcostuymen ende usantiënquot; van belang.
Naast dat ongeschreven recht echter ontwikkelt zich, in sommige streken van ons vaderland reeds sinds de 11« eeuw, in andere later, meer en meer het geschreven recht in zijn onderscheiden bronnen, als de handvesten, privilegiën, vrijheden, octrooien door de graven of andere landheeren verleend; voorts in de stadrechten, landrechten, willekeuren, ordonnantiën, hofrechten, marktrechten e. a. 16), Op het gebied van liet strafrecht hielden deze geschreven rechtsbronnen aanvankelijk veelal boeteschattingcn in; voorts verzekerden zij het gewoonterecht omtrent degemeene misdaden of bepaalden zij straffen tegen nieuw omschreven feiten , als b. v. geldsnoeierij, landlooperij, veedieverij e. z. m. Ja, sommige van deze landen stadrechten bevatten zelfs voor dien tijd vrij volledige strafrechtelijke codificaties. Verder moet voor de kennis van
15) Dat ook, voor zoover andere stammen zich hier ophielden, andere âlegos bar. barorumquot; kunnen zijn toegepast, volgt uit haar karakter van volksrechten. â Vlg. voor de dagteekening der hier genoemde leges en de litteratuur daarover Mr. b. J. Fockeraa Andreae, Overzicht van Oud-Nederlandsche rechtsbronnen, Haarlem , 1881, bep. 7, 8. Voorts ïhonissen 1. c. H. Brunner 1. c. %% 37 vlg. â Voor de Capitularia id. %% 36 , 54.
lrgt;) CGn gesystematiseerd overzicht daarvan naar de verschillende landen , onderdeden van landen en steden in Fockema Andreae, Overzicht, blz. 8 vlgg.
44
het recht van vroegeren of lateren tijd nog herinnerd worden aan de rechtshoeJcen, beschrijvingen of compilatien, zooals het âonwaardeerbarequot; Rechtsboek van den Briel van Jan Mat-thyssen van omstreeks 1400 en het âLandrecht van Averisselquot; van Melchior Winhoff van 1559 ,7).
Van den invloed der kerk werd reeds even gewaagd. Met name moet echter ook het kaïionieke strafrecht worden genoemd , dat wel is waar voor de wereldlijke gerechten niet rechtstreeks gold, maar op meer dan ééne wijze invloed erlangde: invloed op de algemeene volksopvattingen omtrent misdrijf als zonde (nevens de delicta ecclesiastica de d. civilia en vooral do mixta), waartegen ook de kerk hare bestraffingen (poenitentiae, poenae medicinales, p. vindicativae) bedreigde; invloed op de opvattingen van de wetgevers en vooral van gezaghebbende schrijvers die zich meermalen op kerkelijke uitspraken beriepen; terwijl gedeeltelijk door het kanonieke recht in engeren zin, gedeeltelijk door den invloed van het christendom in 't algemeen, ook naar bijbelsche uitspraken, met name naar het mozaïsch strafrecht geoordeeld werd. Intusschen verloor later, bij het veldwinnen der reformatie, het eigenlijk kanonieke recht voor het strafrecht van deze landen zij ne beteekenis in toenemende mate 18).
Voorts heeft de groote gebeurtenis in het rechtsleven ook van onze vaderlandsche gewesten welke als de receptie van het Ro-meinsche recht bekend staat, mede op het gebied van het strafrecht haar machtigen invloed geoefend I9). âDe bekend-
â ') Matthyssen uitgegeven door J. A. Fruin en M. S. Pola in Oude Vaderlandache rechtsbronnen, I. â Winhoff, uitgeg. 1559 en 1782.
18) Zie een leerrijk overzicht bij Geib, 1. c. 1 § 22â28. Uit het Corpus Juris Can-nonici hebben op het strafrecht betrekking. Deer. Gratiani, P. I, II; vooral Decretal. Greg. lib. V. Vlg. over de libri poenitentiales Wasserschleben , die Buüsordnun-gen der Abendl. Kiche, 1851. Over het Kanoniek recht o. a. E. Doening, Gesch. d. Kirchenrechts, 1878. Richter-Dove-Kahl, Lehrb. d. kathol, u. evang. Kirchenr. 1881â84, blz. 708 vlgg. N. München, Das Kan. Gerichtsverf. u. Strafr. 1874,11.
Zie over deze gebeurtenis voor zooveel do Nederlandsche gewesten aangaat. Mr. W. Modderman, De receptie van het Romeinsche Regt, Gron. 1874, blz. 63 vlgg. G. de Vries Az., Historia introduoti in provincias, quas deinoeps respublica Belgii-uniti comprehendit, juris Romani. Leidae 1839; en do andere bij Modderman aangehaalde geschriften o. a. van Fagel, van der Hoop, Telting.
45
hcid van hot R. R. liier te lande dateert zeker reeds uit de 12e en 13« eeuw, doordien ook onze jongelieden de Italiaansche rechtsscholen bezochten.quot; Aanvankelijk werd het verder bekend door het rechtsgebruik onder den invloed van de geleerde juristen , zooals er wel reeds bij de stedelijke regeeringen werkzaam waren, maar wier rechtstreeksche invloed op de rechtspraak een overwegend karakter erlangde onder de regeering der Bourgondische vorsten wegens de oprichting van uit rechtsgeleerden gevormde hoven en de instelling van den Hoogen Raad (1455, sedert 1473 vast te Mechelen gevestigd). Uitdrukkelijke wettelijke bekrachtiging van het R. R. heeft intusschen ook plaats gevonden. Als de oudst bekende bron waarin gelast wordt om te âprocederen na den inhoudt en forme van beschreven Rechtenquot; geldt de Instructie van Karei den Stoute aan den Raad (1462); terwijl b. v. voor Friesland, dat in de erkenning van het gezag van het R. R. bovenaanstond, eene uitdrukkelijke bevestiging van het gebruik der âkeyzerlycke rechtenquot; voorkomt in den confirmatiebrief van Karei V van 1524 2quot;). Dat het gezag van het R. R. niet in alle gewesten even groot was, hing voorts uit den aard der zaak met de meerdere of mindere volledigheid van het geschreven strafrecht samen.
Wel staat het strafrechtelijk gedeelte van het romeinsche recht bij het privaatrechtelijke onmetelijk ten achter en kan van eene systematische behandeling dezer stof in de romeinsche rechtsbronnen geen sprake zijn. Maar toch moest, bij het onvolkomene en onvoldoende van het nationale strafrecht en bij de veldwinnende behoefte aan publiekrechtelijke opvatting , ook het romeinsche strafrecht voor zijn invloed den bodem bereid vinden. Het is het strafrecht van het Corpus Juris, hoofdzakelijk vervat in de Libri terribiles XLVII en XLVIII van de Digg. en Lib. TX Codicis; zooals het zich ontwikkeld had, a. uit het oude recht omtrent de delicta privata, i. door de leges publicorum judiciorum met de daaraan voortdurend ge-
â 0) Modderman, 1. c. 65 vlg. 74. â J. Telting, De-invoering van het R. R. in Friesland, Tijdschr. v. Nod. R. I, 1â57.
46
geven uitbreiding (crimina publica; poenae legitima, ordinariae),
c. uit de strafbaarstelling bij Seta en Constitutiones van andere feiten (zwaardere vormen van de delicta privata of handelingen die onder geen lexpubl. jud. te brengen waren), waarop, als crimina extraordinaria, bij de extraordinaria cognitio der keizerlijke rechters eene poena extraordinaria of arbitraria werd toegepast51). Vooral van publiekrechtelijke straffen word in dit latere romeinsche recht eene zeer ruime keuze geboden : doodstraffen van allerlei aard, verminkende en niet-verminkende lijfstraffen, vrijheidstraffen mot dwangarbeid, vermogensconfiscatie e. a. m. Scherp afgeteekend waren de begrippen der onderscheiden misdrijven stellig niet; en, hoezeer b. v. veelal uitdrukkelijk dolus geëiscbt, poging of deelneming in het begrip van het misdrijf mede opgenomen werd, van eene stelselmatige ontwikkeling der algemeene leerstukken is in de romeinsche bronnen geen sprake. Maar het gerecipieerde romeinsche recht, ook dit gedeelte, was niet het zuivere recht der bronnen, waaraan eene zelfstandige beoefening ten deel viel. Het was het door de glossatoren en postglossaioren bewerkte ; wat bepaaldelijk het strafrecht aangaat, liet mede dooide Italiaansche criminalisten der middeleeuwen, als Albertus Gandinus, Angelus Aretinus e. a. eenigermate gesystematiseerde en wetenschappelijk behandelde. En dat gerecipieerde recht bleef zijn toenemenden invloed behouden zóó als het in verloop van tijd door latere schrijvers werd uitgewerkt en toegepast.
Aldus bestond in onze vaderlandsche gewesten ongeveer sinds de 16e eeuw en gold tot aan het tijdperk der eerste algemeene codificatie een strafrecht met publickrechtolijk karakter, dat, blijkens de schrijvers uit dat tijdperk, aan de volgende bronnen ontleend werd: gewoonterecht, geschreven recht in algemeene, provinciale en locale bronnen, romeinsch recht, ge-
â l) Voorbb. v. crimina publica: cr. majestatis, vis publica et privata, cr. falsi, er. sicariorum et veneficorum. â Voorbb. v, crimina extraordinaria: cr. furum bal-neariorum, effractorum, cr. expilatorum, receptatorum , stellionatus, expositio infan-tium. â Zie over de geachiodenis v. h. B. strafr. Qeib, Lehrb. d. 1gt;. Stratr. I. (Ge-schichte) 1861; Eein, Das Crimiualrecht der Romer, 1844; Zutnpt, Das Krimr.
d. Eom. Rep. 1865; Pernice, Labeo II, 1878.
47
(leeltelijk kanoniek en mozaïsch recht, gezaghebbende auteurs
Omtrent de kracht van enkele algemeene nederlandsche ordon-nantiën en omtrent de auteurs zij nog het volgende aangeteeker.d.
In zake strafrecht komen twee algemeene ordonnantiën ter sprake; de Constitutio Criminalis Carolina (C. C. C.) van 1532 en de Crimineele Ordonnantiën van Philips II van 1570. Terecht wordt opgemerkt, dat âbij de beoordeeling van het gezag dier ordonnantiën in de verschillende provinciën, men zich steeds vooral deze vragen heeft voor te leggen, in hoeverre zich de wetgevende macht van hem die de ordonnantie gaf, tot elk der provinciën uitstrekte, en of overal de formaliteiten zijn vervuld voor de verbindende kracht der ordonnantiën vereischtquot; '3).
De C. C. C., âKeyser Karls des fünfften und des heyligen Eömischen Reichs peinlich gerichtsordnungquot; is een van de merkwaardigste gedenkstukken uit de geschiedenis van het Duit-sche strafrecht. Om haren oorsprong, haren inhoud, haar gezag. In 1530 en 1532 op de Duitsche Rijksdagen van Augsburg en Regensburg vastgesteld, was zij de vrucht van den drang naar bestrijding van velerlei misbruiken in de rechts-pleging en van de behoefte aan voorlichting van de niet-geleerde rechters omtrent het geldend recht. Het Duitsche Rijk had daarbij het geluk in de âBambergensisquot; (1507, mater Carolinae), bewerkt door Joh. Freiherr z. Schwartzenberg u. Hohenlandsberg (f 1528), die ook aan de bewerking van de Carolina deelnam, een uitnemend model te vinden, dat een harmonisch geheel bevatte van germaansch en romeinsch-kanonisch strafrecht en mede onder den invloed van de wetenschap der Italiaansche criminalisten was vastgesteld. Naar haren inhoud is de Carolina, 219 artt. groot, eene verordening voor de rechtspleging en bevat zij voornamelijk procesrecht; het materieel strafrecht als tusschen-gevoegde bepalingen in de artt. 104â180, en daarin niet
22) Als aanwijzing, inlioover up dexe verschillende bronnen beroep wordt gedaan, dienen vooral do aanhalingen in de werken zelve der gezaghebbende vaderlandsche auteurB.
!3) Fookema Andreae 1. c., 65.
48
alleen omschrijving van misdrijven en aanwijzing van straffen, die in groote verscheidenheid bepaald zijn, maar ook uitwerking van algemeene leerstukken, als noodweer, deelneming, poging, toerekeningsvatbaarheid. Zij wijst in verstaanbare taal het geldend recht aan; schept weinig nieuw recht; doch beveelt voortdurend in twijfelachtige gevallen het inroepen aan van den ârath der rechtsverstendigenquot; en Iaat aldus groote ruimte voor den voortgaanden invloed der wetenschap. En al heeft de verordening door de clausula salvatoria der âVorredequot;, eene concessie aan het particularisme, formeel niet de kracht van volstrekt bindend algemeen recht erlangd, zij is toch door haar innerlijke waarde en door de bewerking die zij bij vele gezaghebbende schrijvers vond, tot aan de codificaties der verschillende Duitsche landen de grendslag van het gemeene Duitsche strafrecht gebleven. Zoo gold zij in sommige Duitsche staten nog bij de invoering, in 1871, van het strafwetboek voor den Noordduitschen Bond :4). De vraag of deze voor 's Keizer's Duitsche staten bestemde en geldende verordening in ons vaderland rechtstreeksch gezag heeft gehad, was in het laatst der vorige eeuw een strijdvraag; met name voor de provincie Holland. Vrij algemeen wordt echter aangenomen, dat hare invoering noch plaats gevonden heeft, noch ook beproefd is25). Niettemin heeft zij invloed gehad, deels omdat sommige rechtscolleges haar gezag aannamen, deels omdat eenige der criminalisten van de 18e eeuw die haar tot grondslag namen van hunne beschouwingen S6), ook hier te lande bij de rechtspraak gezag hadden.
Soortgelijke strijd is gevoerd over de verbindende kracht der
!') l)e oudste uitgave is van 1533, bij Ivo Schoffer, Mainz. â Synoptiaclie uitgave van C. C. C. met Batnbergensis, Brandenburgioa en de twee ontwerpen van 1521 en 1529 van Dr. H. Zoepfl. (3e ed.) Leipz. u. Heidolb. 1883, â- Voor do geschiedenis; vlg. Stobbe, Gescb. d, Deutacben Rechtsquellcn, II, 211. Güterbock, Die Entstebungesobichte der Carolina, Würzb. 1876; Brunnenmeister, Die Quellen der Bambergensis, Leipz. 1879.
M) Vlg. over de vraag zelve en over de tegenstrijdige gevoelens o. a. J. M. Kern-per in zijne âInleidingquot; op het Grim. Wb. 160 vlgg. en J. A. Kruin in Vaderl. Letteroef., 1867, blz. 340.
5S) Met name J. S. F. Boelmer, Meditationes ad. C. 0. C. 1770.
49
Criminoele Ordonnantiën van Philips II van 5 en 9 Juli 1570, die op het stuk der Crimineele Justitie en die op den Stijl, heide voor een groot deel door den Nederlander Wigele van Aytta bewerkt. Intusschen is de grond van het geschil hier een andere. Deze ordonnantiën toch werden door den Koning vastgesteld als heer van de Nederlanden en voor deze, terwijl zij ook in sommige provinciën , met name in Holland en Gelderland zijn afgekondigd. Door de pacificatie van Gent (art. 5) zijn ze âgesuspendeerdquot;, volgens sommigen in haar geheel, volgens anderen alleen ten aanzien van de bepalingen over ketterij , en de Unie van Utrecht is op dit besluit niet teruggekomen. Voorts heeft, daar ze van Philips en Alva afkomstig waren en geacht werden tegen de oude privilegiën en costumen te strijden, hare invoering van velerlei zijden voortdurend tegenkanting ondervonden , maar werden ze toch ook, bepaaldelijk bij de rechterlijke collegiën in Holland , op zeer vele punten gevolgd 27). Intusschen moet worden opgemerkt, dat de bepalingen van materieel strafrecht die ze inhouden weinige zijn en zoo goed als alleen in eerstgenoemde ordonnantie voorkomen: bepalingen omtrent misdrijven betrekkelijk de rechtspleging, verbod van compositie , beginselen voor de strafmaat bij arbitraire straffen, eene bepaling dat allereerst gestraft zou worden naar geschreven recht e. z. m.
Van de pogingen van Karei V en Philips om de costumen uit de verschillende landsdeelen te verzamelen en tot consolidatie en unificatie van het recht te geraken, kwam wegens den loop der gebeurtenissen niets en de toestand niet alleen van rechtsongelijkheid, maar vooral ook van rechtsonzekerheid is tot aan de codificatie van 1809 blijven voortduren. Nog in het laatst der 18e eeuw werd in een casus van moord
27) De oorspr. uitgave werd bezorgd bij Plantijn in't jaar der vaststelling. Zie vooral de uitgave van Bavius Voorda, Fransche en Nederl. tekst, in zijne Verhandeling over de Crimineele Ordonnantiën, 1792. â Zie over voormelde strijdvraag: B, Voorda in de Inleiding van zijn werk % 4â6; Barels, Crimineele advysen, 168 vlgg; F. W. Bestel, Commentarii do Rep. Bat. 1795, I, 340. Voorts J.M.Kemper o. I(i8 cn de daar aangehaalde schrijvers; J. A. Fruin 1. o. 432; Mr. A. (Jade-Verhandelingen van Strafvordering en Strafregt 1873, blz. 3.
man
*⢠4
50
officieel de vraag gesteld, of reclit moest worden gedaan ânaar het Romeinsche recht, of naar het Mozaïsche of naar de Carolina, of naar een oud Handvest van 1342quot;.
âGeen wonder, dat men bij zooveel twijfel, bij het telkens zwijgen der wetten, veelal tot de autoriteit van beroemde criminalisten zijn toevlucht nam.quot; Ten bewijze daarvan strekken de aanhalingen bij de verschillende Nederlandsche schrijvers van vroegeren en lateren tijd zeiven; aanhalingen, zeer zeker ook van costumen, van bepaalde geschreven rechten, placaten, ordonnantiën, keuren enz., van plaatsen uit de romeinsche rechtsbronnen en uit den bijbel, maar ook van een heirleger van autoriteiten, te beginnen met de glossatoren tot aan des schrijvers onmiddellijke voorgangers of tijdge-nooten toe 28).
Zoo komen van (\e Nederlandsche schrijvers uit verschillende tijden in aanmerking: uit de 16e eeuw, de Vlaming Jodocus Damhouder van Brugge, {1507-â1581) wiens Praxis rerum criminalium onderscheiden uitgaven in 't Latijn, Nederlandsch en Fransch beleefde, en waarop men zich ook in andere landen beriep; â uit de 17e eeuw Antonius Matthaeus (1601-1654), hoogleeraar te Harderwijk en te Utrecht, die in zijn werk âDe criminibusquot; (waarin bovendien over Utrechtsch stadsrecht gehandeld wordt) tot de zuivere studie dor bronnen zelve van het R. R., zonder vermenging met germaansch en kanoniek recht, terugging en daarmede een wetenschappelijken invloed heeft gehad verre buiten ons land; ook H. de Groot in zijne âInleijdingequot;; S. van Groenewegen; Joh. Voet(t 1719) in zijnen Gommentarius ad Pandectas; voorts F. Zypaeus; Fieter Bort, advocaat voor de gerechtshoven van Holland en West-Friesland, de schrijver der âTractaetenquot;, waaronder dat âvan cri-mineele zaken; en Simon van Leeuwen (Leoninus) wiens verschillende geschriften ook op 't gebied van het strafrecht onmisbare kenbronnen zijn voor de rechtsbedeeling en de rechtsopvattingen van zijn tijd; â uit de 18e eeuw E. van
2S) J. A. Fruin 1. c. 411, 113; vlg. J. M. Kemper, 1. c. 1G2 vlgg.
51
Zurck voor Hollandsch, J. Schrassert voor Geldersch recht; J. Moorman en J. J. van Hasselt; J. L. Kerstoman; Prof. B. Voorda; alsmede uit hot laatst dier eeuw en het begin der 19e de advocaat J. van der Linden o. a.; â voorts nog de vele rechtsgeleerden, waaronder ook juridische professoren, wier adviezen en consultaties in verzamelingen uitgegeven zijn !9).
Van do niet-Nederlandsche auteurs vindt men als gezaghebbend aangehaald: vooreerst de groote meesters uit de scholen dor glossatoren en postglossatoren die het Romeinsche recht in 't algemeen behandelden, met name Bartolus (f 1357) en diens
!!l) Darahcmder heeft zijne Praxis rerum criminalium, Criniineele Pratijck, zeifin drie talen in liet licht gegeven, eerst in 't Latijn, vervolgens in 't Nederlandsch en 't Fransch; de Latijnsche uitgave is de uitgebreidste, in de andere wordt wel verwezen ânaar 'tgcon breeder in 't Latijn verhandeld isquot;; de eerste uitgaven 1555, voorts herhaaldelijk in de 16e en 17e eeuw; Duitsche uitg. 1565, â Later is gebleken , dat het aldus door Damhouder onder zijnen naam verspreide werk zoo goed als geheel was de âPraotijoke criniineelequot; van den Gentschen rechtsgeleerde P/si^s Wielant (1439â1519), naar het eenig bekende, toevallig gevonden Handschrift uitgegeven door Aug, Orts, Gent, 1872, Deze schrijft: âDamhouder de Bruggeling, heeft zich met de veeren des pauws getooid, en de Europeesche faam, die hij als lijfstraffelijk rechtsgeleerde geniet, is niets anders dan een onrechtmatig bezeten goed, aan den Gentenaar Wielant ontnomen, die er de eenige wettige eigenaar van is.quot; â Ant. Matthaei De criminibus ad lib. XL VII et XLVIII, Dig. commentarius, le ed. Traject, 1644; Nederl. vertaling âVerhandeling over de misdaden enz. met aanmerkingen en ophelderingen van J, D. van Leeuwen, Utr, 1760, deel I (eenig), â¢âII, de Groot, in B, III, Dl. 32â38 van zijne Inloijdinge tot de Hollantsche regtsgeleertheyt, uitg. 1631, met aanmm, v. S, v. Groenewegen 1667, met aantt. v. Mr. Schorer 1767. â S. v. Groenewegen , ïractatus de legibus abrogatis, 3e ed. 1669. â J. Voet, Comentarius ad Pandectas, le ed. 1698. â F. Zypaei Notitia juris Belgici, Lib. IX, 2o cd. Antw. 1640, 3e Arnh. 1642. â Pieter Bort, ïractaet van criniineele zaken, le ed. 1702; behelst echter meest procesrecht. â S, van Leeuwen, Censura forensis, 2e ed, 1662; Het Hoorns Hollands Regt, le ed, 1664. B. IV Dl. XXXIIâXXXIX en XLIH; Manier van procedeeren in civile en crim. zaken, 1666 bep. ad. crim. Ord. passim en de bijlagen; Proces crimineel ende regtelijke bewering over het voorval, 1677. â Ld. van Zurck, Codex Batavus, 1711 (3e ed. v. d. Schelling 1738). â J. Schrassert, Codex Gelro-Zutphanicus, 1740. â⢠B. Voorda, de Crim. Ordd, 1792, passim, â Mr. J. Moorman, Verhandelinge over de misdaden en derselver straffen; vervolgd door Mr, J. .1, v. Hasselt, Arnh. 1764. â F. L. Kersteman, Rechtsgeleerd kweekschool of sleutel der criniineele practijk, Amst, 1789, bep. Hfdst. II, XI. â J. van der Linden, Rechtsgeleerd, practicaal en koopmanshandboek, 1806, B. H, âvande lijlstraftelijke rechtsgeleerdheidquot;. â Van de adviezen en consultation uit do 17o en 18e eeuw komen hier vooral in aanmerking die verzameld door J. M. Barels Crimineele advysen, door verschelde voornaeme Nederl. rechtsgeleerden, 1778. Voorts ook wel enkele adviezen over strafzaken in âConsnltatiën, advysèn en advertissementen VI dln. (le ed. 1645â1666), âVervolgquot; (1740) en âNieuwere Holl. Consult.quot; (1741).
leerling Baldus (f 1400); vooml de schrijvers over de Italiaansche crimineele praktijk in de 14e en 15e eeuw, als Albertus Gan-dinus (le helft 14e eeuw), Jacobus de Eelvisio (f 1335) en Angelus Aretinus, (cil. 1450), die in 't bijzonder de algemeene leerstukken van strafrecht ontwikkeld hadden en daarbij niet een zuiver Romeinsch recht leeraarden, maar een dat zich in do Italiaansche praktijk uit onderscheiden bestanddeelen had gevormd. Grooter echter werd het gezag van de Italiaansche criminalisten der 16e eeuw als Hippolytus de Marsiliis (Bologna tl529), Aegidius Bossius (tl54G), bovenal Julius Olarus (lid v. h. Hooggerechtshof te Milaan, tl575). Jacobus Menochius (hoogl. te Pavia, lid van den Senaat te Milaan, f 1007) en Prosper Farinacius (Procureur Generaal te Rome, f 1018). Ook op rechtsgeleerden uit andere landen word een beroep gedaan, als op: den Franschman Antonius Faber (Favre f 1624); den Spanjaard Ant. de Gomez, hoogl. te Salamanca (le helft lGe eeuw); Duitschers, als Andreas Gail, âden Duitschen Papini-anusquot; (Kanselier van den Keurvorst van Keulen f 1587) en in 't bijzonder de Saksers, Matthias Berlichius (hoogleeraar te Leipzig f 1638), vooral op diens nog beroemder en invloedrijker opvolger, den geleerden Benedictus Carpsovius (lid van de schepenrechtbank en hoogleeraar te Leipzig, f 1GG6) wiens hoofdwerk âPractica nova Imperialis Saxonica rerum crimi-naliumquot;, door de systematische, tevens op de behoeften dei-praktijk ingerichte behandeling ook hier te lande, langer nog dan in Duitschland zelf, het gezaghebbend werk bij uitstek werd en waarvan â naast de vermelding in uittreksel achter P. Bort's âtractaat v. c. z.quot;, eene, ofschoon hier en daar verkorte , Nederlandsche vertaling door den Rotterdamschen rechter Mr. Diderik van Hogendorp bezorgd is. Eindelijk komen in aanmerking tegen het einde der 18e eeuw, met niet geringer gezag, J. S. F. Boehmer (1704-1772), zoowel in zijne âMeditationes ad G.C.C.quot;, waaraan reeds herinnerd werd, als in zijne tegen Carpzovius gerichte aanteekeningen op diens werk, alsmede de door van der Linden voor de academische studiën aanbevolen handleidingen van Boehmer en Meister,
53
het door denzelfdo cn na hem bij voorkeur aangehaalde werk van Quistorp en e. a. m. 30).
Bij deze opsomming mag intusschen niet worden voorbijgezien, dat bij het veldwinnen van mildere begrippen en redelijker wetenschappelijke opvattingen liet gezag van vele oudere schrijvers wegviel en het gezag van vertegenwoordigers eener nieuwere richting opkwam, gelijk straks nog zal kunnen worden herinnerd 3I).
Het karakter nu van het materieele strafrecht, â het proces blijve hier buiten bespreking â dat, aan voornoemde verschillende bronnen ontleend, tot aan liet tijdperk der eerste alge-meene codificatie in ons vaderland gold, verschilde uit den aard der zaak in de hoofdpunten niet van dat in andere landen.
Van de formeele zijde bezien treft allereerst, gelijk reeds werd opgemerkt, als gevolg van de verscheidenheid der bronnen en de zelfstandigheid der talrijke gerechten, in vele gevallen eene rechtongelijkheid welke slechts voor eene algemeeno codificatie wijken kon ^); on treft verder als een verschijnsel van veel ingrijpender beteekenis nog en wijdere strekking, de
30) Van Bartolus en Baldus komen hier in aanmerking hunne onderscheiden geschriften over de Digg. en andere deelen van het B. R., sinds het laatst van de 15e eeuw herhaaldelijk uitgegeven óf afzonderlijk, üf als opera omnia, â Alb. Gan-dinus, Tractatus maleficiorum, 1100, 1514, lOljiJ. â Jac. de Belvisio, Bractica cri-minalis 1515. â Angelus Aretinus de Gambilionihus, Tractatus de maleliciis, 1472, 1551, 1573. â Hippolytus de Marsiliis, Bractica causarum criminalium, Lugd. 1538. â⢠Aegidius Bossius, Tractatus varii, qui omnem fere criminalem materiam coraplectuntur, ed. ree. Venet. 1570. â Julius Clarus, Sententiarum reoeptarum Libri V, 1560, Opera, 1572, Lugd. 1661. â Jac. Menochius, De arbitrariis judi-cum quaestionibus et causis, Lugd. 1583, 1605. â Prosper Farinaoius, Praxis et theorica criminalis, Lugd. 1616. â Ant. Paber, Opera omnia, Lugd. 1658â1681.â⢠D. Ant. de Gomez, Variarum Resolutionum tomi tres (T. Ill strafr.) o. a. 1552, Lugd. 1602. â Andreas Gail, Practicarum observationum libri duo, 1578 , 1697. â⢠Matthias Berlichius, Conclusiones practicabiles, 1614â18.âBenedictus Carpzovius, Bractica nova Imperialis Saxonica rerum criminalium B. IâIII, 1638 (of 1635); 13e ed. 1758, cum observationibus J. S. F. Boehmcri. Mr. Dirk van Hogendorp, Verhandeling der lijfstraffelijke misdaaden enz. getrokken uit de geschriften van den Heer Benedictus Carpzovius, Amst. 1751, 1772. â J. S. F. Boehmer Observa-tiones ad Carpzovii praxin, zooeven vermeld; Meditationes in G. C'. C. 1770 (in noot 26 staat abusief Boehner); Elementa Juris Criminalis. â Meister, Principia juris criminalis, 1781. â Quistorp, Grundsiitze des Deutsch peinl. Hechts. 1780.
^1) Vgl. v. d. Linden 1. c. hlz. LXIII. â J. M. Kemper, Grim. Wb. Inl.
squot;) Zie de klacht door een schrijver in 1808 geuit, dat b. v. do schapedief in
54
met de onvastheid, onvolledigheid en onduidelijkheid van de bronnen samenhangende, steeds toenemende uitbreiding van het arbitrair karakter dor strafrechtspleging, waardoor over meer dan e6n hoofdpunt âter discretie van den jugequot; beslist kon worden. Niet alleen over verandering, vooral verzachting van de ordinaire d. i. in gewoonterecht of geschreven recht vastgestelde straffen bij âgroote merckelijke redenenquot;; in sommige gevallen over de soort van doodstraf en bare verscherping; over do keuze der extraordinaire of arbitraire straf (geldboete, gevangenis, lichtere lijfstraffen, verbanning), welke het geschreven recht of de praktijk den rechter liet, zoowel in lichtere gevallen als wanneer het âvol bewijsquot; van de daad ontbrak; ook over de strafbaarheid zelve van handelingen waartegen in het geschreven recht geen straf was gesteld; zelfs nu en dan, in strijd met den ouden toch door gezaghebbende schrijvers erkenden regel, over de uitbreiding van de doodstraf buiten de gevallen in eenig geschreven recht uitdrukkelijk aangewezen 3:i). Bij deze willekeur der gerechten voegde zich dan bij die misdrijven welke of wegens hun lichteren aard, of wegens de moeielijke bewijsbaarheid (b. v. overspel) composibel waren, van den kant der baljuwen en schouten niet zelden bij den afkoop grof misbruik van gezag34).
Naar zijnen inhoud draagt het besproken strafrecht wel dit hoofdkarakter, dat het zoo goed als uitsluitend beheerscht werd door de zucht om van misdrijf af te schrikken door strengheid en wreedheid. Immers werd de doodstraf op ruime
Holland gehangen werd, in Friesland niet; do huisbreker in Friesland wel, in Holland doorgaans niet; dat âop dubbel overspel in eenige Hollandsche wetten doodstraf in andore alleen geldboete gesteld isquot;, bij J. A. Fruin, 1. c. 413 Vgl. ook v. d. Linden, Hdb. blz. 253.
33) Vgl. Damhouder, c, 55; Wielant, o. 54; S. van Leeuwen, Proces crim. VI Dl,; v. d. Linden, Hdb. blz. 219. â Bij de onvolledigheid der geschreven rechtsbronnen schreven deze somtijds uitdrukkelijk uitbreiding voor. Aldus b. v.'t Landr. v, Drenthe (1712) âAlle andere Delicten in dit Boek niet begrepen, zal men straffen na gelegenheit derzelver en na den besten Rechten,quot;
34) Vgl, J, A, Fruin, 1, c, 421; L, Pb, G. v, d. Bergh, Verhandeling enz. (zie boven noot 13); id. Do Baljuwen (in Het Nederl, Rijksarchief I), Vroeger hadden dergelijke composities zelfs bij zwaardere delicten plaats; daartegen vooral Karei V en Philips,
55
schaal on bij allerlei misdrijven toegepast en werd ook hier te lande voor die straf, naar gelang van de soort der misdrijven, eene verscheidenheid van wreede vormen gekozen, deels aangewezen naar geschreven recht, deels naar 's rechters keuzo: als hangen, onthoofden, radbraken â ook deze straf nog in de 19e eeuw â verdrinken, verbranden, zelfs vierendeelen. Immers kwamen ook hier, hetzij ter verscherping van de doodstraf, hetzij naast uitbanning of eerestraffen, op groote schaal lijfstraffen voor, verminkende aan ledematen of zin-tiiigen en enkel pijnigende. Immers ontmoet men ook hier onder de verin ogen sstraffen de geheele of gedeeltelijke confiscatie van liet vermogen. Immers vervulde ook hier de opsluiting in gevangenissen eene ondergeschikte rol en gold de regel, dat âde kerker er is om te bewaren en niet om te punieerenquot; , terwijl men in die kerkers niet zelden âovergegeven was aan alles waarvoor een wreedt mensch zelfs zijn beesten zoude bewarenquot; 35). Bij dat alles komen dan nog de uitgezochte onmenschelijkheden van do pijnbank, hot âscherper examenquot;, het middel van onderzoek dat in het âextraordinairquot; proces do confessie bewerken moest en dat zelfs, ook door eene misvatting van de Ord. op don Stijl, in strijd mot zijn bestemming aangewend werd zoowel in gevallen van gohool onvoldoend als in die van volkomen bewijs; voorts do gruwelijke uiting van het bijgeloof in de vervolgingen tegen tooverij, het verbranden en uitbannen van heksen. En dit geheele samenstel van wreedheid en onverstand werd door de achtbaarsto on gemoedelijkste mannen gehanteerd, met de spitsvindigsto vertoogon uitgewerkt, door de geleerdste autoriteiten gesteund 3li).
35) Woordon van W. Schorer in zijn Vertoog over de ongerijmdheid onzer heden-daagsche rechtsgeleerdheid, 1777.
?'r') Zie betrekkelijk den toestand van het oude strafrecht behalve de in n. 29 en 30 aangehaalde auteurs en onze vaderlandsche geschiedschrijvers , o. a. Jac. Koning, Geschiedkundige Aanteekeningen betrekkelijk de Lijfstraffelijke RegtRoefening to Amsterdam, voornaemelijk in de XVI eeuw, Amst. 1828; S. de Wind, Bijzonderheden uit de geschiedenis van het strafrecht, Middelb. 1827; bep. I. o. de pijnbank ; J. 1). Meyer, Esprit, origine et progrès des instit. jud. 1818â1823, IV, V.; voorts de straks te vermolden werken uit en over het hervofmingstijdperk. â Over do heksenprocessen Soldan-Heppe, Gesch, d, Hexenprocessen, 2e ed. 1880 en in den
56
Intusschcn moet nadrukkelijk worden herinnerd, dat, in vergelijking met andere landen, ons vaderland menig lichtpunt bood. De eerste krachtige stem die tegen de heksenprocessen opkwam was die van den Arnhemschen geneesheer Johs. Wier (1563); ook de geneeskundige faculteit te Leiden nam het daartegen op en, terwijl in Duitsche steden nog in het midden dor 18e eeuw heksen werden verbrand, werd hier de laatste ter dood gebracht in 1597, de laatste met verbanning gestraft in 1610 en vermeldt reeds S. van Leeuwen (1666) dat de strafbaarheid van hekserij hier voor bijgeloof wordt gehouden. De pijnbank is wel is waar eerst 1798 afgeschaft, zelfs daarna nog hier en daar oogluikend gehandhaafd en werd nog in 1792 door een man als Voorda verdedigd als onmisbaar âtenzij men de gemeene welvaart wil opofferen ton bate van guiten en booswichtenquot; , maar reeds in de 17c eeuw had hier de instelling felle bestrijding ondervonden. Ook mag worden herinnerd aan de afschaffing van de vermogensconfiscatia in Holland (1732), Zeeland (1735) en Gelderland; en bovenal aan de rol welke reeds in 't laatst van de 16® en in 't begin der 17e eeuw hier te lande aan de vrijheidsstraf is gegeven door de oprichting van rasp- en tuchthuizen, aanvankelijk voor jeugdige misdadigers later ook voor ouderen, en aan de plaats welke daarbij aan âstadigen arbeytquot; als middel âtot beteringe van levenquot; is toegekend 37).
Over 't algemeen echter bood ook ons vaderland al dien tijd op strafrechtelijk gebied een jammerlijk schouwspel. In de tweede helft van de 18e eeuw ontwikkelt zich nu in geheel Europa een machtige hervorming, welke al spoedig de ergste
laatsten tijd een uitgebreide speciale litteratuur, vermeld in Z. f. d. Ges. Sw. V. on VII; voorts Jacob Scheltema, Gesch. d. beksenprocessen, Haarl. 1828.
3') Johannes Wier, De praestigiis daeinonum et incantationibus ac veneficiislibri VI, Basel 1563. Vgl. Scheltema 1, c. en Binz, Doktor Johann Weyer, der erste Bekampfer dos Hexonwahns, 1885. â Togen de pijnbank: Grevius, Tribunalrefor-rnatum fugata tortura, 1624; J. Heemskerk, Batavische Arcadia, 1637; deRotter-datnsche predikant Daniel Joncktijs, Do Pijnbanck wedersproken en bomatigt, 1651. â Over afschaffing der confiscatie zie Gr, Placaatboek VI, 577; vlg. J. M. Komper 1. c. 74. â Over de tuchthuizen zie later ad Hfdl. I, Hfdst. III. â Vgl. Pols, Het bestaan, de ontwikkeling enz. v. h. Noderl, Strafr. 1879, passim, hop. 16,24.
57
gruwelen verminderde en togen 't einde der 18« eeuw daaraan een einde maakte, maar toch in haren vollen omvang, voor strafrecht en strafproces beide, eerst in den loop van do 19e eeuw als afgesloten kan worden beschouwd.
Deze hervormingsbeweging was eene volksbeweging, haren, oorsprong nemend in de opgeschrikte volksovertuiging en gericht tegen de leiders van dc crimineele praktijk, met hun slendergeest, spitsvindigheid en geleerdheid. Reeds spoedig greep zij in alle landen en in allerlei kringen om zich heen. Zij knoopt zich allereerst vast aan twee gebeurtenissen die op de openbare meening een overweldigenden indruk maakten : het rechtsgeding tegen Jean Galas voor het gerechtshof van Toulouse gevoerd en door Voltaire in al zijn onrechtvaardigheid onthuld (1762)quot;); en de verschijning van Beccaria's âDei delitti e delle penequot; (1764), protesteerend tegen doodstraf, lijfstraffen, pijnbank en de verdere ongerechtigheden der oude rechtspleging, een werkje dat, ofschoon wetenschappelijk zwak van bouw, als ânoodkreet van het menschelijk gewetenquot; en door den gloed van zijn stijl aan allerlei kanten weerklank vond en reeds dadelijk in bijna allo Europoosche talen verspreid werd 3!l).
Deze beweging was echter niet anders dan een van de verschijnselen uit âhet tijdperk der verlichtingquot; (das Zoitaltor der Anfklarung), de periode van den strijd op zoo velerlei gebied door hot redelijk denken tegen de overlevering gevoerd.
3S) Valsohelijk boschutdigd van moord op zijn zoon word hij tor dood veroordeeld en geradbraakt. Vooral ten gevolge van Voltaire's bemoeiingen werd (1765) de uitspraak vernietigd. Zie hierover Coqnerel, Jean Galas et sa familie (1858). Hertz, Voltaire u. d. franz. Strafreohtspflege im 18 Jahrhundert (1887), 157.
39) Cesare Bonesana, Marchese de Beccaria, hoogl. i. d. staathuishoudk. te Milaan, t 1793. â De Ie ed. 1764 zonder den naam des schrijvers. Weldra eene verbeterde met dien naam. Zie eene lijst van de voornaamste uitgaven, vertalingen, bestrijdingen en commentaren o. a. op biz. XXVII vlgg. der âBibliothöque choisie de dr. criminelquot; van Prof. Nypels, voorkomende in zijne uitg. v. Chauveau et Hélie, .Théorie du C. P. T. III, 1863. Zie verder o. a. Fransche vert. met Inl. v. Faustin Ilélie, 2o ed. 1870; do Duitsche v. Glaser, 2e ed. 1876. Bekend is de commentaar v. Voltaire, Londres 1766. In 1768 verscheen té Amsterdam bij G. Bom een Nederlandsche vertaling, âonvolledig en slechtquot;. Het volledigste werk over Beccaria en over de rnenschen en gebeurtcninsen die op zijn werk invloed hebben gehad is v. Camü, Beccaria e il diritto penale, Firenzo 18*62, Fransche vort. v. Lacointa et Del pech, 1885,
58
Daarom word zij door andore verschijnselen voorbereid en gesteund.
Zij was voorbereid en werd verder geleid door de op het geheele rechtsgebied werkzame wijsgeerige richting van het natuur- of rederecht. Met name kan reeds Chr. Thomasius (1655â1728) als rechtstreeksch voorlooper worden aangemerkt. Verder waren het vooral de school van Wolff (Engelhardt, 1756) in Duitschland, Rousseau , Voltaire en hunne geestverwanten, encyclopaedisten en humanisten, in Frankrijk, die het oude strafrecht voor de vierschaar der rede daagden; en ontbrandde wegens deze belangstelling dor wijsbegeerte juist in dozen tijd degroote, tot lieden voortgezette strijd der strafrechtstheorien 40). Talentvolle publicisten, van de nieuwere denkbeelden doordrongen, schreven omvangrijke werken en bouwden hervormingsplannen op; zoo Filangieri in Italië, Wieland, e. a. in Duitschland, Montesquieu in Frankrijk 4'). Voltaire, onvermoeid voor eene rij van onschuldig veroordeelden optredend, vond steun en navolging ^). Vraagstukken van strafrecht werden populair in wetenschappelijke en letterkundige kringen. Door de vereeniging voor staathuishoudkunde te Born werd (1778) een prijsvraag over strafwetgeving uitgeschreven, waarop 44 antwoorden inkwamen, als bekroond antwoord do verhandeling van Globig en Hus-ter quot;). Verlichte vorston trachtten, door goede raadslieden gesteund , de nieuwere denkbeelden in instructies, verordeningen of wetten te belichamen. Aldus Katharina II van Rusland in hare Instructie aan de commissie tot hot ontwerpen van een strafhoek (1768); Leopold II van Toskane in een wetboek waaruit de doodstraf zelfs geheel was vervallen (1786); Frederikll van Pruisen in verschillende partioele verordeningen, in verbeteringen van het proces (1748) en in het kabinetsrescript
â quot;') Zie boven ? 5 n. 10. â Thomasius 6n door zijne leer omtrent de onderscheiding tusschen recht en zedelijkheid èn door zijne dissertationes tegen heksenprocessen, pijnbank, onteerende stralTen e ra.
â quot;) Filangieri f 1788, Scienza della legislazione. â¢â Wieland, Geist der peinl. Gcsetze 1783/84. â Montesquieu, Esprit des lois 1748 o. a. Liv. VI.
â '-) b. v. Dupaty's Mémoire pour trois hommes condamnés a la roue 1786.
t;i) Globig u. Huster, Abh. v. d. Kriminalgesetzgeb. 1783. â Natenoemen verhandeling van onzen landgenoot Calkoen wa.s oorspr. ook tot prijsantwoord bestemd.
50
(1780) waarbij o. a. gelast werd de bewerking van het ontwerp voor een algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek, waaruit onder zijn opvolger het Algemeen Pruisisch Landrecht (1701, in werking getreden 1704) is ontstaan; in Oostenrijk, waar Maria Theresia, door Sonnenfels voorgelicht, wel naaide nieuwe denkbeelden neigde maar niets verwezenlijken kon en aldus nog haren naam verbinden moest aan een wetboek van den ouden geest geheel doortrokken (Theresiana, 1768), haar zoon Joseph II in zijn strafwetboek (Josephina, 1787), dat de grondslag voor verdere ontwikkeling gebleven is '''). Doch veel van dit alles was óf voorbijgaande, öf onvoldoende, of in zijnen invloed beperkt. Op het gebied van strafwetgeving is, in sommige landen dadelijk in andere op den duur, de grootste invloed uitgegaan van Frankrijk en in Frankrijk zelf is het oude strafrecht, ook daar van ongerechtigheden over-vuld, ineensrestort dooi- den schok der Revolutie; reeds de Generale Staten stelden (1780) op dit gebied voor materieel recht en proces tal van eischen welke de constitueerende vergadering en hare opvolgsters hebben vervuld ^).
Zoodra de nieuwere denkbeelden zich bevestigden en vooral sinds zij in velerlei wetboeken werden neergelegd, stond ook voor de strafrechtswetenschap de weg open tot een nieuw gezond leven.
Bij die wetenschappelijke ontwikkeling is Duitschland vooraan gegaan. En juist die wetenschappelijke beoefening heeft de natuurlijke overdrijving kunnen temperen waaraan do nieuwe richting ongetwijfeld leed, in zoover zij niet zelden den rechter
â ii) Vgl. de uitgebreide vermelding van een en ander bij J. M. Kemper I. c. Inl. 8 58. Voorts J. F. Borner, Die Strafgeaetzgebung von 1751 bis sur Gegenwart, 1867. â Bij Frederik II komen reeds dadelijk in aanmerking cene verordening tot beperking van de gequalificeerde doodstraffen (1.740) cn van do doodstraf zelvo (1743) en de afschafling van de pijnbank. Raadslieden de Kanselier S. Coccejus, de criminalist Klein. â Do C. C. Theresiana âovertrof zelfs in barbaarsche wreedheidquot; het in denzelfden geest gestelde eerste Dnitscho âstrafwetboekquot;, den Codex Juris Criminalis Bavarici v. 1751.
5) Albert Desjardins, Les cahiers des Etats-Gcnéraux en 1789 et la legislation criminelle, 1883 Vgl. over het oude en nieuwe strafrecht aid. Inl. VâLXI. â Vgl. M. S. Bols, Strafrecht en strafrechtspraktijk vóór do Fr. Rev. (Rede in't Utr. Gen.) 1889.
60
wilde verlagen tot den lettordienaar van de geschreven wet en de waarde van historische rechtsbeoefening miskende 46).
De nieuwe geest drong in ons vaderland slechts langzaam door. Hij vond er zijn lofredenaars, maar ook zijn bestrijders, waarschuwende tegen âde dwalingen der nieuwerwetsche menschlievendheidquot; ; vooral zijne voorzichtige medestanders 47). Doch de tijd bracht mede, dat men ook Iner door wijsgeerige rechtsbeschouwingen aangetrokken werd. En vooral sinds de Duitsche wetenschap zicli ontwikkelde, kon men zich autoriteiten verschaffen van een ander gehalte dan de ouden. Zoo âhoorde men reeds voor de rechtbanken bijna even dikwijls het beroep op wij sgeerige Duitsche en Fransche schrijvers, als men te voren schier bij uitsluiting de namen van Damhouder, Matthaeus en Carpsovius gehoord hadquot; 48). Eerst waren het vooral nog de reeds vermelde handboeken of overzichten van Quistorp, Boehmer, e. a.49). Later werden het de werken van de grondvesters der nieuwe Duitsche strafrechtswetenschap. Klein, Kleinschod, Grolman en vooral Feuerbach 5quot;).
Maar wat voor rechtspleging en rechtswetenschap allereerst eene behoefte mocht heeten, was wetgeving en eenheid van wetgeving.
Eerst de staatsomwenteling van 1795 bracht daartoe de mogelijkheid.
4I!) Berner 1. c. â R. Loening, 7,ur Qesch. d. dDutsche Strafrechtswissensch. soit 150 jahren (nis Anmm. op zijn Ueber goschichU, u ungoschichtl. Behandl, d. Strafr.) /. f. d. ges. Sw. III 262, 273.
4quot;) Lofredenaar Mr. W. Schorer. Vertoog over do ongerijmdheid onzer heden-daagsche rechtsgeleerdheid, 1777. Daartegen polemiek van een âjongen praktizijnquot; bij de uitgave gevoegd. De in den tekst aangehaalde afkeurende bewoordingen in de Inl. v. Barels 1. c. Tegenstander ook Voorda. Als voorzichtig medestander, meermalen Beccaria aanhalende, meermalen hom bestrijdende, b, v. i. z. pijnbank kan geldon Mr. H. Calkoon in zijne âVerhandeling over het voorkomen en straffen der misdadenquot;, 1778 bekroond door het Genootschap âFloreant liberales artesquot;.
^18) J. M. Kemper 1. o. 80.
â quot;) Vgl. noot 30.
50) Kleinschod, System. Entwiokelung d. Grundbegritfen etc. 1794â1796; Klein (voornaam medewerker aan Ontw. Trouss. Landr.) Orundsiitze d. peinl. R. 1796; Grolman Grundsatze d. peinl. B. 1708; A. v. Feuerbach, Revision d. Grundsatze u. Grundbegriffe des positiven peinl. R. 1799. Lohrbuch.
(jl
§7. Hot Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk
Holland ').
Het mocht inderdaad eerst aan de omwenteling van 1795 voorbehouden zijn, om met de kiem van staatseenheid ook die van rechtseenheid te zaaien; en het verdient waardeering dat het eene onmiddellijk op het ander gevolgd is ').
Wat men al dadelijk beoogde was o, m. âhot concipioeren van een algemeen crimineel wetboekquot;. De eerste jwging (1796) reikte intusschen niet verder dan tot de benoeming van twee commission, eene voor het crimineel, eene voor het civiel recht, en wegens persoonlijke zoowel als staatkundige redenon had die benoeming geen verder gevolg 3).
Niettemin kwam de zaak, weldra krachtens de staatsregeling van 1798 (art. 28 der grondregels), op nieuw aan de orde4) en volgde in hetzelfde jaar op onbekrompen voet do benoeming , nu van ééne commissie, gesplitst in twee afdeelingon, eene voor lijfstraffelijk, eene voor burgerlijk recht (voorts nog van eene uit beide afdeelingon gevormde subcommissie voor procesrecht), welke bij de voorbereiding afzonderlijk, maar met het oog op eene gemeenschappelijke en gelijktijdige aanbieding van hare ontwerpen niet buiten ieder verband met elkaar zouden werkzaam zijn. Aan haar gemeen overleg was allereerst te danken, dat als gemeenschappelijke grondslag do bekende âInleiding over recht in het algemeenquot; ontworpen werd. Het lijfstraffelijk ontwerp was reeds in 1801 gereed, en , daar men met dat voor burgerlijk recht niet vooruitkwam,
') Zie, behalve na te noemen litteratuur, vooral J. M. Kemper, Grim. Wetb. v.li. Koningr. Holland met eene Inleiding en aanmerkingen, I (eeuig) Amst. 1809. Inl. en Wb. ïijn doorloopend gepagineerd 1ââ¢344 ; de Aanmm., loopende tot art. 24 , afzonderlijke blzn. 1â143.
quot;) Zie de uitvoerige geschiedenis der onderscheiden pogingen met aanhaling van de bronnen bij J. M. Kemper 1. c. Inl. 83 vlgg.
3) Kemper 1. c. 83â87. â Opmerking mag het verdienen, dat voor het Grim. Wbk. niet alleen rechtsgeleerden moesten benoemd worden, maar ook personen âdie meer bijzonder in do wijsbegeerte en kennis van bot menscbelijk hart bedreven zouden moeten zijnquot;. Vgl. hiermede later de toespraak v. d. Staatsr. Repelaer, Kemper 1. c. 120.
4) Art. 36 schafte do pijnbank af. Ondorschoiden anderequot; artt. haddon op strafrecht betrekking; met name 41.
62
volgde eindelijk, krachtens een bijzonderen last van hot Staatsbewind, de afzonderlijke aanbieding van âde ontwerpen van 1804quot; betrekkelijk âeenc Inleiding over het recht in liet ul-gomcen, liet lijfstraffelijk wetboek en wetten omtrent het bewijsquot;, welke stukken daarop, naar art. 84 der nieuwe staatsregeling (1801), in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof werden gesteld voor advies s).
Het onderzoek van dit college was eerst in 1806 afgeloopen en toon liet zijn Rapport met bijgevoegde Memorie inzond, was inmiddels de Republiek vervangen door liet Koningschap van Lodewijk Napoleon quot;).
Het kon niet anders, of de stukken van 1804 moesten overwegende bedenkingen wekken. âDo meer leerstellige dan wetgevende toon en wijze van behandelingquot; maakte niet alleen de âInleidingquot;, in waarheid een stuk rechtsencyclopaedie, maar ook liet ontwerp lijfstraffelijk wetboek tot wet ongeschikt 7). Daarbij kwamen leemten, met name bet gemis van de geldboete als afzonderlijke straf en van voorschriften omtrent herhaling; een te ruim gebruik van de eerloosverklaring en andere gebreken. Wel was het werk nationaal en hadden de stellers zicli in hoofdzaak gehouden aan de opvattingen die in den laatsten tijd in deze landen hadden geheerschts).
De Koning raadpleegde over de ontwerpen en liet advies van bet gerechtshof den Staatsraad en de uitslag was eene opdracht tot het ontwerpen van een crimineel wetboek aan eene nieuwe commissie (J. E. Reuvens, C. T. Elout, P. van Musschenbroek) bij decreet van 18 Nov. 1807 quot;). Nadat
5) Kemper 1, o. 87â102. â Deze ontwerpen zijn gearresteerd September, aan het Staatsbewind ingeleverd bij missive v. 3 October 1804, mot die missive uitgegeven ter Staatsdrukkerij onder den titel âStukken door de Commissie tot het ontwerpen van een burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek overgegeven aan het Staatsbewind der Ba-taafsche Republiekquot;.
6) Kemper 1. c. 102â113. Ook dit Rapport is gedrukt. Kemper vermeldt, dat de wet hem verbiedt het over te nemen. Ik zag een gedrukt ex. in de Ms. Bibl. v. wijlen Prof. J. de Bosch Kemper, XL.
') Vgl. b. v. in verband met strafrecht Lil. Hfdst. II; Lijfstr. Wbk. Ilfdst. II,
8) Kemper 1, c. 110â113.
9) Bij deze beraadslagingen in den Staatsraad was de Koning slechts in den aanvang â bij de bespreking van de doodstraf â tegenwoordig. Een kort verslag van
63
deze heeren op hunne voorloopige uiteenzetting van de âgronden waarop zij liet ontwerp wilden vestigenquot; de goedkeuring van den Koning hadden erlangd10), dienden zij hun ontwerp in bij brief van 29 Maart 1808 quot;). Eerst werd dit ontwerp in het belang van systematische eenheid door de drie voorzitters der verse! lillende subscommissiën nagezien; toon volgde de belangrijke beraadslaging in den Staatsraad onder voorzitterschap en onder bijzondere persoonlijke deelneming van den Koning, on werden bij die gelegenheid enkele wijzigingen aangebracht '2). Spoedig had nu de indiening plaats bij hot Wetgevend Lichaam, dat, na de mondelinge toelichting door drie leden van den Staatsraad en oj) het verslag van eene commissie uit zijn midden, het aangeboden ontwerp 29 December 1808 goedkeurde, waarna hot den 31en door Z. M. gearresteerd werd, met bepaling verder dat âhet Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Hollandquot; kracht van wet zou hebben âonmiddelijk na middernacht van den 31⢠Januari 1809quot; u). Het heeft die kracht behouden tot aan de invoering van het Fransche recht.
Dit wetboek bekleedt in de geschiedenis van het Nederlandsche strafrecht een eereplaats. Het bewijst dat op strafrechtelijk gebied Nederland het bezit van eene eerste algemeene codificatie niet aan den Franschen overheerscher behoeft te danken. Hét was een nationaal wetboek, nationale traditiën voortzettend of ontwikkelend in overeenstemming met de veranderde tijden; terwijl de invloed van den vreemden vorst nationale misbruiken had verhinderd of getemperd. Het munt uit door eenvoud, beknoptheid en klaarheid. In de keuze van dood- en
hot verhandelde in afschrift in de Ms. Bibl. v. wijlen Prof. J. de Bosch Kemper.
â o) De Koning maakte één voorbehoud n.1. omtrent de toelaatbaarheid van afkoop. De memorie 25 Jan. en de beschikking van den Koning 5 Febr. bevinden zich in 's Rijks Archief.
quot;) Ontvv. en brief zijn gedrukt en openbaar gemaakt,
1S) Précis des discussions et des délibérations du Conseil d'Etat sur le Code cri-minel, traduit de 1'original Hollandais, Amsterdam 1810. (Van eene Hollandsohe uitgave is geen spoor te vinden.) Zie over de echtheid van dit Précis G. A. van Hamel, Tijdsehr. v. Strafr. III, 1 vlgg.
13) Kemper 1. c. 113â149. â Hoofdwerk Kemper (zie boven n. 1). â Oliic. uitg. 's Hage 1809. â Beredeneerd register op het G. W. door J. v. d. Linden Amst. 1809. â P. J. B. 0. v. d. Aa, Handleiding tut gebruik van het C. W. Leyden 1809,
64
schavotstraffen is het voor dien tijd niet uitermate streng; vermogensconfiscatie kent het niet, geldboeten wel. Door zijne leer omtrent het opzet, door den eenvoud in het stelsel der vrijheidstraffen , doordat het don rechter ten aanzien van den duur dier straffen alleen door een maximum bond, cn door het ontbreken van eene algemeene verdeeling van de misdrijven vertoont het trekken in ons tegenwoordig wetboek terug te vinden.
Plet had inderdaad voor de verdere ontwikkeling van het Nederlandsche strafrecht een uitnemende grondslag kunnen zijn
§ 8. De Code Pénal.
Het Koningrijk Holland, dat reeds belangrijke gedeelten bij tractaat aan Frankrijk had moeten afstaan, werd ten laatste geheel ingelijfd bij Keizerlijk Decreet van 9 Juli 1810 '). Al spoedig volgde, op verschillende tijdstippen, de excecutoir-verklaring van oudere en latere Fransche wetten; krachtens de decreten van 8 November 181à en 6 Januari 1811 âkrachtens 't eerste voor de in 1810 afgestane, krachtens 't laatste voor de ingelijfde departementen â de excecutoirverklaring van den Code Pénal van 1810, bestemd om in Frankrijk van 1 Januari 1811 af als âwetboek van strafrechtquot; tegelden. Ook in ons vaderland is het in dat jaar in werking getreden en wel, krachtens bet decreet van 25 Nov. 1810, op onderscheiden tijdstippen, in verband met de installatie van de gerechtshoven waaronder de verschillende departementen ressorteerden; in het grootste gedeelte, behoorende onder het Hof te 's Gravenhage, 1 Maart, in het gedeelte dat ressorteerde onder het Hof te Brussel, 20 Mei. Nevens de officiëele Parijsche
u) Zie over den geest en de waarde v. li. C. W. van Hamel 1. c.; M. S. Pols I.e.; vooral A. K. T. Modderman, De hervorming onzer strafwetgeving 1863, bk. 6 vlg.
18') Staatsvla;inderen was reeds afgestaan door de Republiek bij tract, v. 16 Mei 1795. De Koning moest afstaan, bij tract, v. 11 Nov. 1807, Vlissingen met omtrek; bij tract, v. 16 Maart 1810 het overige gedeelte van Zeeland, Braband, hot land tusschen Maas en Waal mot Nijmegen; de latere deptquot;. Bouchesdel'Escaut en Bouches du Rhin.
65
uitgave was, met machtiging van de Regeering, ook hier te lande een Fransche tekst uitgegeven. Naast dezen tekst was een Noderlandsche vertaling gedrukt die, hoewel krachtens keizerlijk decreet saamgosteld, toch wemelt van onverklaarbare fouten; uitdrukkelijk was echter voorgeschreven, dat, ingeval van twijfel, alleen naar den Franschen tekst mocht worden beslistquot;)3).
In Frankrijk had het oude strafrecht in hoofdzaak geen ander karakter gedragen dan hot onze, al had het koningschap er voor de rechtshedeeling eene geheel bijzondere heteekenis gehad; slechts waren de ongerechtigheden er nog grooter geweest'). Do Revolutie had er niet alleen het oude opgeruimd, maar op hot gebied van strafrecht en strafproces beide reeds dadelijk geleid tot de vaststelling van codificaties, die de onmiddellijke voorgangsters van den Code Pénal zijn geweest en op dat wetboek in menig opzicht, met name op de verdeeling van de misdrijven en wat daarmede samenhangt, in 't bijzonder ook op het strafstelsel, rechtstreeks invloed hebben gehad s).
2) De off. Parijsche uitgave, ed. originale et seule officielle, 1810, is gevolgd naar het Bulletin des his. Do Nederl. uitgave heet ook âolHoiellequot;, gedrukt met machtiging v. d. Archichanoelier de l'Empire eu is versohenen Amsterdam, Rotterdam 1811. Lijstje van de onnauwkeurigheden waardoor de laatstgenoemde uitgave van do eerste afwijkt, als bijlage van do uitgave âHet wetboek van Strafregt (Codo Pónal)quot; enz. bezorgd door Mr. A. J. van Deinso, Middelburg, 2quot; ed. 1858, biz. 175. ââ De last tot vertaling is bij do verschillende decreten tot oxecutoirverklaring v. Fransche wetten telkens voor die wetten gegeven; bovendien is zij voorgeschreven bij een decreet v. 22 Juni 1810; de eisch dat alleen de Fransche tekst beslissend zou zijn, gesteld in art. 7 aldaar. In dien zin ook de vaste jurisprudentie van den Hoogen Raad. â¢ââ De gebreken v. d. vort. aangewezen bij v. Deinse 1. c. Zie daarover ook Mr. Levyssohn, Thomis 11, 496.
Zie de op do voormelde inlijving, exocutoirverklaring en invoering betrekking hebbende decreten in; hot officieoio Bulletin des Lois de VEmpire (1810, 1811); Rondonneau Collection dos Lois Frangaises etc. et dóclareés exécutoires dans les dépts. de la Hollande et autres réunis a la Franco (1811); J. M. Kemper, Codo organique des départemonts do la Hollande - Verzameling v. wetten en decreten betr. hebbende tot de inlijving en organisatie der Holl. Departementen (1812); voorts do Inleiding der natenoomen werken van C. J. Fortuyn en v. d. Staatse, v. 1819 (Zie noot 23).
^) Duboys, Histoiro du droit criminel en Franco depuis le XVI'jusqu'au XIXquot; siècle, (1871). Esmein Hist. d. 1. proc. crim. en Franco, 1882. E. Hertz, 1. c. (^ 7 n. 38) 1 vlgg. Overzicht bij Qarraud, Précis, 36 vlgg. ââ Zie voor de bronnen en de werken der oude auteurs de reeds aangehaalde Bibl. choisie v. Nypels.
5) In 't bijzonder komen in aanmerking; a Dócret relatif il 1'organisation d'une 1. ' â 5
66
Doch do Code Pénal van 1810 was het werk van het keizerrijk en droeg de teekenen èn van de wetgevende talenten van den vorst onder wiens leiding het werd saamgesteld, èn van diens staatkundig karakter. Uit een oogpunt van codi-ficatie-techniek treft het wetboek door eenvoud van stelsel en klaarheid van uitdrukking; maar ten aanzien van de wetenschappelijke opvatting en uitwerking van algemeene leerstukken is het uiterst zwak en onvolledig. Vergeleken met het oude wreede strafrecht is het ook om zijn strafstelsel een âhoogst verdienstelijk wetboek quot;)quot; ; maar bij vergelijking met de wetgeving van 1791 valt, naast eene groote verbetering in zake de aanwijzing van de mate van straf door den rechter, menige terugtred aan te wijzen, als de verscherping van de doodstraf door voorafgaande verminking bij vadermoord (aanslag tegen het leven des Keizers), het herstel van de vermo-gensconfiscatio en de opneming van den burgerlij ken dood; terwijl ook de doodstraf kwistig bedreigd was. Bovenal komt echter in aanmerking de dubbele maat waarmede de wetgever meet, inzoover hij misdrijven tegen hot staatsgezag met do grootste gestrengheid, misdrijven van ambtenaren tegen de rechten der burgers mot partijdige toogeefelijkoid behandelt. Do algemeene karakterteekoning van den Code luidt veelal aldus: dat de gerechtigheid er aan een utilistisch beginsel, het belang der maatschappij, is opgeofferd; boter ware: dat dit belang en de middelen om liet te bevorderen er met groote eenzijdigheid zijn opgevat 7).
Na de herstelde orde van zaken werden de toen geldende Fransche wetten door het Algemeene Bestuur uitdrukkelijk âbij
police municipale et correctionnelle du 19â22 Juillet 1791 , hot wetb. v. strafr. en v. strafvord. voor do âdólits de police municipalequot; en de âdól. d. pol. correctionnellequot;. h Code Pénal du 2ü Sept.â6 Oct. 1701, hot wotb. v. strafr. voor de âinfractions passibles d'une peine afflictive ou infamantequot;. â Do Code dea délits ot des peines du 3 Brumaire An. IV (Code Merlin) is niet een wotb. v.. strafr, maar v. strafvord.
f) Zie het oordeel v. d. Staatse, v. Nwb. in hare M. v. T. (od. Belinfanto, biz. 2); Smidt, Gosch. 1, 3 vlg. Modderman, De hervorming onzer strafwetgeving, 1 vlgg.
') O. a. Garraud, 1. c. 61 ; âLo G. 1'. de 1810 a pour base los principes de réeolo utilitaire ot pour but rintimidation. Les idéés de justice sont sacriliées a 1'intérêt réel ou prétendu do la sociétéquot;.
67
provisiequot; gehandhaafd en daarna de Code Pénal uog eens, bij het Souvcrein Besluit van 11 December 1813 , âbij provisie en totdat daaromtrent nader zal zijn voorzien 1)quot;. Maar met die handhaving ging, krachtens laatstgenoemd besluit, ingrijpende wijziging gepaard. Te betreuren, schoon te verklaren is het, dat de Regeering niet aan een terugkeer tot liet Crimineel wetboek van den Bonapartistischen koning, doch, van het voornemen om aan den herboren staat een nationale wetgeving te verschaffen vervuld, slechts aan eene voorloopige handhaving van den Code dacht. Maar te loven is het, dat zelfs die voorloopige handhaving niet ongewijzigde handhaving bleef en dat ten aanzien van twee hoofdpunten, het strafstelsel en de straftoemeting, in het systeem van den Code veranderingen werden gebracht, waardoor voor verdere ontwikkeling de grondslag gelegd is2). En dit blijft te loven , al werd het brandmerk behouden en al werden, tot tegenwicht tegen de vervanging van den Franschen dwangarbeid door dc Nederlandsche tuchthuisstraf, als bijkomende straffen ingevoerd de geeseling en de schavotplechtigheden waaraan het . âgeeselbesluitquot; zijn slechten naam te wijten heeft en de mis-Kenning van zijn werkelijke deugden.
Hoe meer de kansen op een nieuw wetboek verminderden, hoe sterker de aandrang tot partieele wijziging en aanvulling
1
1. c, 03 vlgg,
2
) Strafstelsel, artt. 2â11: vervanging v, dwangarbeid door tuchthuis; v, d, altijddurende door tijdelijke straf; zoo goed als feitelijke opheffing v. d. burgerlijken dood; afschaffing van algem. vermogensoonfiscatie en v. h. toezicht der hooge staats-policie; verandering in de wijze v. executie v. d, doodstraf; vervanging v. d, kaak-straf â Slrajioemeting, artt, 12, 13, Oordeelvellingen: zie Modderman 1, c, 4, Pols, Het bestaan, de ontwikkeling enz, 20,
68
van den Code toenam. Aan dien aandrang danken haar bestaan: 1quot; eene menigte wijzigingswetten, die de langdurige heerschappij van den Code, in een land waarvoor dat wetboek niet opgesteld was en bij de voortdurende ontwikkeling van de rechtsovertuiging,. hebben mogelijk gemaakt; 2° eene nog grootere menigte aanvullingswetten, waardoor de leemten in eene reeds van den aanvang af onvolledige en langzamerhand geheel onvoldoende codificatie moesten worden aangevuld.
Onder de wijzigingswetten staat bovenaan de wet van 29 Juni 1854 (Sb. 102) âhoudende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteldquot;; door haar werd, wat het strafstelsel aangaat, in 't algemeen de hervorming van 1813gehandhaafd en tot het geheele land uitgestrekt; werden met hot Souv. Besluit van 11 December de daarbij ingevoerde lijf- on sclia-votstraffen afgeschaft en geschiedde ditzelfde ten aanzien van het brandmerk; liet cellulaire gevangenisstelsel werd er door bevestigd en uitgebreid; do bevoegdheid tot strafverlaging bij verzachtende omstandigheden aanzienlijk verruimd en beter geregeld; op enkele punten (poging, herhaling) werden inde stof van de algemeen e leerstukken verbeteringen aangebracht; liet aantal gevallen waarin doodstraf gesteld was werd ingekort; vele crimineele feiten werden âgecorrectionaliseerdquot;. Naast deze wet komen verder bovenal in aanmerking: wat het strafstelsel aangaat, de wetten betrekkelijk do cellulaire gevangenisstraf, die tot invoering van de subsidiaire gevangenisstraf bij wanbetaling van geldboete en die tot afschaffing van de doodstraf10); wat de bijzondere misdrijven betreft, de wet betrekkelijk valsche muntquot;), die betrekkelijk het recht van ver-eeniging en vergadering15), do begrafeniswet13), de wet tot afschaffing van de artt. 414â410. C. P. '4) en onderscheiden andere, onderwerpen regelende welke ook in den Codo waren behandeld.
10) Coll. gev. 28 Juni 1851 Sb. 68; 24 Juli 1871 Sb. 84; Subs. gev. 22 April 1864 Sb. 29; Doodstr. 17 Sopt. 1870 Sb. 162.
11) 24 April 1836 Sb. 13. 12) 22 April 1855 Sb. 32, a. 17. is) 10 April 1869 Sb. 65. u) 12 April 1872 Sb. 24.
«9
Veel sterker nog wies het getal aanvullingswetten. Met name denke men daarbij aan de vele eigenlijke strafwetten, verbodsbepalingen inhoudend welke noodzakelijk binnen de grenzen eener algemeene codificatie behoorden, zooals: de verbodsbepalingen betrekkelijk beleediging van Nederlandsche en vreemde autoriteiten15); de wet betrekkelijk bankbreuk van kooplieden l6); de voorschriften omschrijvende de verantwoordelijk-beid van do ministers ,7); de bepalingen betrekkelijk desertie van schepelingen19); die betrekkelijk het veroorzaken van gevaar voor spoortreinen quot;); de wet omtrent vernieling en onbruikbaar-making van schepen 2quot;); do verbods- en strafbepalingen betrekkelijk valschheid in fabrieks- en handelsmerken 21); sommige betrekkelijk drankmisbruik en dronkenschap quot;) en tallooze andere.
Eindelijk behelsden uit den aard der zaak onderscheiden speciale wetten waarbij eenig onderwerp van staatszorg geregeld was, strafbepalingen, welke wel bij die wetten behoorden , maar waarvan de verhouding tot het gemeene strafrecht niet altijd voldoende zeker was.
Waren aldus de strafwotgevers na 1813 voortdurend werkzaam, ook van hunne voorgangers waren naast den Code Pénal nog onderscheiden voorschriften geldend gebleven, executoir verklaarde Fransche wetten en decreten, zelfs oude ordonnanties van de Fransche koningen , en wetten uit den tijd dor Bataafsche Republiek =:').
'6) 16 Mei 1829 Sb. 34; 1 Juni 1830 Sb. 15; 28 Sept. 1816 Sb. 51.
'«) 10 Mei 1837 Sb. 21. quot;) 22 April 1855 Sb. 33.
1S) 7 Mei 1856 Sb. 32; 28 Juni 1881 Sb. 98.
19) In de opeenvolgende wetten op liet gebruik van de spoorwegen.
!0) 12 April 1872 Sb. 23. 21) 25 Mei 1880 Sb. 85.
â â ) 28 Juni 1881 Sb. 97.
Bij gelegenheid v. d. invoering v.m de wetgeving v. 1838 verschenen drie verzamelingen v. destijds nog geldende wetten en besluiten: 1. W. J. C. v. Hasselt's Verzameling v. Nederl. wetten en besluiten vastgesteld sints 1813, (1838â1813); 2. J. v. d. Poli's Verz. v. vaderlandsche wetten en besluiten, uitgev. sedert 22 Jan. 1798 tot 10 Juli 1810, (1840); 3. 0. J. Fortuyn's Verz. v. wetten, besluiten en andere regtsbronnen v. Franschen oorsprong (1839). Verg. Rapport der commissie v. onderzoek aang. de alsnog h. t. 1. vigoerende wetten en verordeningen v. Franschen en anderen oorsprong; benoemd bij K. B. v. 5 Febr. 1849, uitg. 1850, 51. â¢â⢠De naast den C. P. geldende latere wijzigende en aanvullende strafwetten waren nauwkeurig opgenomen in J. A. Fruin's Ned. Wetboeken bij den Nederl. tekst v. d. C. P.
70
Op die wijze was onder de heerschappij van den Code Pénal langzamerhand geldende geworden een Fransch-Nederlandsch strafrecht te karakteriseeren als: ânoch nationaal, noch eene codificatiequot;; op de hoogte noch van de volksovertuiging noch van de wetenschap 24).
§ 9. De mislukte pogingen tot het samenstellen van een nationaal wetboek van strafrecht.
Mot de handhaving van don Code Pénal âbij provisiequot; ging en bleef geruimen tijd gepaard het streven om ook voor het strafrecht een nationaal wetboek saam te stellen. Herhaaldelijk zijn door oorzaken van zeer verschillenden aard ernstige pogingen mislukt; en de geschiedenis van die mislukkingen valt in vier stadiën te verdoelen; de geschiedenis van het ontw. 1827, die van deontww. 1839â1846, die van het ontw. 1847, die van het ontw. 1859.
Reeds de werkzaamheid gedurende het eerste stadium steunden grondwettige voorschriften '). De door den Souv. Vorst 18 April 1814 benoemde Commissie voor de nieuwe wetgeving had 17 Januari 1815 ook een ontw. wetboek van strafrecht gereed, dat onderzocht is geworden door den raad van state alsmede door eene commissie uit de zuidelijke provinciën van het Koningrijk, en dat daarna een nieuwe, uitvoerige behandeling in den raad van state vond â ). Na deze bewerkingen zijn daaruit voortgekomen de wetsontwerpen die in
34) Hoofdwerken voor het toenmalig Ned, Strafr. A. ,1. v. Deinse, De algem. beginselen v. strafregt enz., 2« dr. Middelb. 18(30. â M. Scliooneveld, PJz., Het wetb. v. Strafr. (C. P.) met aanteekeningen. 3quot; uitg. met vervolgbundels van Mr. v. IJsselsteyn; 4e uitg. (meer gesystematiseerd) bewerkt door G. A. v. Hamel en ï. J. Noyon (1876); door laatstgen. bijgewerkt tot 31 Aug. 1886 (1887). â Vgl. B. E. Ascher en D. Simons, Het nieuwe W. v. Sr. vergeleken met den C. P. (1886).
5 9 gt;) a. 100 G. 1814; 163 G. 1815.
!') Voorduin, Gesob. en beginselen der Ned. Wetboeken, I (1837) 11â28, 73, 123. Vgl. C. Asser, Vlugtige beschouwing enz. (1827) 11 vlgg. âv. Deinse l.c. ^ 04. â Plet ontw. 1815 bestaat in druk. De subcommissie die het bewerkte was saamgesteld uit de PI. H. J. M. Kemper en A. H. Philipse. In Mr. A. A. de Pinto's bibliotheek bevindt zich een ex. van het Grim. wetb. v. 1809 met de pen omgewerkt tot ontw. 1815 en van Mr. Philipse afkomstig.
71
1827, in April officieus, in October officieel, als ontwerp wetboek van strafrecht aan de Tweede Kamer aangeboden en door de afdeelingen dier Kamers, in 1827 naar den leiddraad van ettelijke algemcene vraagpunten, in 1828 arti-kelsgowijze behandeld zijn Dit ontwerp was grootendeels, zoowel in het algemeene als in het bijzondere gedeelte, geschoeid op de leest van het crimineel wetboek van 1809, terwijl in bot bijzondere gedeelte hier en daar, o. a. door do toevoeging van een titel over policieovertredingen en van bijzondere strafbepalingen tegen geestelijken, de invloed van den C. P. merkbaar was1). De ontvangst, zoowel in den parlementairen kring als daarbuiten, vooral van Zuid-Nederlandsche maar ook van andere zij de , was over het geheel, met name wegens het gehuldigde stelsel van afschrikking, het behoud en ruim gebruik van lijfstraffen, de strenge strafbedreigingen en de onbepaaldheid van de wet, ongunstig; en het ontwerp werd door de regeering teruggenomen 5).
Zoo ontbrak dus in 1830 en in 1838 aan de nationale wetboeken een wetboek van strafrecht. Doch de weg was intus-schen voor nieuwe pogingen bereid. Deze vormen tusschen de jaren 1839 en 1846 eene lijdensgeschiedenis waarvoor wellicht drieërlei oorzaak kan worden aangewezen; de strijd tusschen den wassenden aandrang tot afschaffing van lijf- en schavot-straffen en de taaiheid der regeering die zich slechts stuk voor stuk concessiën liet afdwingen; de in dit tijdperk all erwege ge-
s) Zie Handelingen der S. G. bewerkt door J. J. F. Noordziek, zittingjaar 1826/27, 1827/28; en de octavo uitgave: âGesch. d. beraadsl. enz. gevoerd in de 2« K. d. S. G. over liet ontw. W. v. S. v. 1827 , 2 dln. (1883). â Vgl. ook Voorduin 1. o. 322 vlgg.
4) Vgl. noot 2. Zie bep. Voordnin 1. c. 26 Dit ontw. bevatte ook of. Cr. Wh. voorschriften over bewijs.
s) Zie de beraadsl. i. d, afdeelingen. Voorts o. a. W. B. Donker Curtius, Iets o. d. theorie der straffen en h. hewijs d. misdaden n. aanl. v. h. ontw. v. h? S^b. v. d. Nederl. (1827); W. L. F. C. van Bappard, Aannun. oph, ontw. V. een Wb. op h. strafr. v, h. Koningr. d. Nederl. (1827, 28, 7 stukjes); de buitenlandsche geleerde Mittermaier in N. Archiv. d. Grim, B., vertaald in Begtsg. Bijdr. 3, 574; verder vlugschriften vermeld bij v. Deinse 1. c. | 65, o. a. Le concordat, le code pénal et les Turcs (Brux. 1827); Savart, Observ. critiques (Brux. 1828). Verdedigd werd het, bepaaldelijk tegenover Donker Curtius, door C. Asser, Vlugtige beschouwing van eenige voorname beginselen d. strafr. in verb, ra, h. ontw. d. lijfstraffelijken wet-boeks (1827); ook eenigermate door de Bruerys , Begtsg. Bijdr. 4, 385,
72
voerde strijd over do waarde der onderscheiden gevangenisstelsels en de onvastheid der meeningen op dat punt; de wisseling der inzichten omtrent de wenschelijkheid om of het algemeene gedeelte van een wetboek vooraf te heoordeelen en vasttestellen, öf het algemeene en het bijzondere gedeelte tegelijk. Eerst scheen het verloop gunstig. De 23 October 1839 aangeboden ontwerpen, beperkt tot het Eerste Boek, werden â hoewel naar âeen verbeterd opstelquot;âdoor de wetgevende macht aangenomen en â terwijl het inwerkingtreden later bepaald zou worden â bij de wetten van 10 Juni 1840 (Sb. 20â26) afgekondigd 1). Toen echter de regeering in den aanvang van het zittingjaar 1842â1843 wetsontwerpen aanbood tot vaststelling van het Tweede Boek , werden die ten slotte wel in de afdeelingen behandeld, maar werd toch door de meeste leden de bepaalde wensch geuit, om, voordat men verdelging , voorstellen te erlangen tot wijziging van hot reeds vastgestelde Eerste Boek, vermits men met het aangenomen strafstelsel (in hoofdzaak het Auburnsche gevangenisstclsol tot een maximum van 40 jaren en behoud van de schavotstraf der tentoonstelling) geen vrede meer had. De regering voldeed hieraan door het indienen eerst van partieele wijzigingsvoorstellen (17 Nov. 1843, opnieuw ingediend 21 Oct. 1844) en, vermits totale herziening verlangd werd, van volledige wetsontwerpen tot ge-heele vervanging van het reeds afgekondigde Eerste Boek door een ander (ontww. 15 Januari 1846, iets later nog verbeterd). Deze ontwerpen , waarbij in hoofdzaak het cellulaire stelsel tot den duur van 15 jaren gehuldigd en waarin de schavotstraf der tentoonstelling niet meer opgenomen was, gaven aanleiding tot een hoogst belangrijk parlementair debat in Mei 1846 over de betrekkelijke waarde der verschillende gevangenisstelsels gevoerd. Het ontw. le Titel werd door de 2e Kamer aangenomen, maar het ontw. 2e Titel (strafstelsel) met eene geringe meerderheid verworpen; terwijl de 1° Kamer ten aanzien van
1
) Oorspr. één ontw., werd het volgens 't verlangen der Kamer naar de titels verdeeld in 6 ontww. en later met een ontw. 7equot; titel aangevuld. De genoemde wetten zijn eerst ingetrokken door a. 1 Inv.w. v. 15 April 1886.
73
den len Titel hetzelfde deed. Tot deze vota, waarop intrekking van de overige ontwerpen volgde, had naast de bezwaren tegen liet behoud van eerloosverklaring en levenslange vrijheidsstraf, ook geleid hot verlangen naar eene gelijktijdige indiening van ontwerpen voor het wetboek van strafrecht in zijn geheel7).
Aan dit verlangen werd voldaan door de indiening, 29 Januari 1847 , van 31 ontwerpen samen uitmakende het wetboek van Strafrecht en dus de drie Boeken alle omvattend. Ten aanzien van 't strafstelsel was over 't geheel liet voorbeeld van 184G gevolgd. Alie titels van het Eerste Boek werden door den wetgever vastgesteld, Intusschen leed het totstandkomen van het geheel nu schipbreuk op B. II, waarvan reeds de le Titel in de 2e Kamer werd afgestemd, omdat in liet wetboek eene strafbepaling ter erkenning en handhaving van liet recht van âplacetquot; ontbrak. De behandeling van de volgende titels werd verdaagd8). In October, tijdens de nieuwe zitting, werden nieuwe wetsontwerpen ingediend, maar de staatkundige gebeurtenissen van J.848 hebben het in behandeling nemen van die voordracht belet9). Het ontw. 1847 is
') Deze gelieele geschiedonis met opgave van de onderscheidene ontwerpen, stukken en beraadslagingen uitvoerig beschreven in J. v. d. Honcrt Th/,., Het Wetb. v. Strafr. (n. 1, v. 1847) toegelicht uit de beraadslagingen v. d. 2'' Kamer enz. 2. dln. (Amst. 1848; v. Dl. II verscheen wegens den loop der zaken in 1847, alleen de 1quot; aflev). Van de Handelingen der St, Gen,, naar de bewerking begonnen door Noordziek en voortgezet onder toezicht v, d. Huish. Commissie, is over dit tijdvak'tot dusver alleen verschenen zittingjaar 1843/44, bewerkt door A. H. Ising (1889), â Zie verder het Weekbl. v, h. Begt over al die jaren (Reg. in voce strafregt); en over de behandeling v. d, ontww. 1839, Voorduin, Gesch. en Beg. Dl. XI (1840). âLitteratuur over de onderscheidene ontww. o. a. vermeld in bedoelde jaargangen W. v. h. B,; voorts bij v. Deinse 1. c, § 66 en gedeeltelijk bij Voorduin 1, c. In 't bijzonder komen in aanmerking: Iets o, h. ontw. v. h, Wb. v. Strafr, (2 dln, 1840â1843; opstellen v. d. Bed. W, v. h, B.) Beschouwingen v, h, ontw. v. w, inhoudende het 1° B, v, h. W. v, S. door Mrs, Godefroi, Jolles, Schuurman en Vaillant (1839), J, de Wal, Aanteekeningen en bedenkingen (1839â1842 2 dln), âZie voorts eene verzameling v, 16 stukken over Ned. Strafregt-ontwerpen, 1839â1847, in de Kon, Bibl. (boekerij de Wal),
8) Zie; Hand, v, d, 2« K. 1846/47 Bijl, 296 Ber, 323. W, v. h, B. 1847(in voce. Strafregt) 808 vlg. v. d, Honert 1. c, â Het aangenomen 1° B, uitgeg, 's-Hage 1847. â Litt. vgl. n, 7; voorts W. 783 vlgg,; .T, F. P, ibid, 799 vlgg,
9) Hand. v, d. 2quot; K. 1847/48, B. 28, W. 854 vlgg. In dit ontw, kwam, ï, I, a, 38, do bep, omtrent het recht van placet weer voor, zooals zo in ontw. 1842 was gesteld
70
Op die wijze was onder de heerschappij van den Code Penal langzamerhand geldende geworden een Fransch-Nederlandsch strafrecht te karakteriseeren als: ânoch nationaal, noch eenc codificatiequot; ; op de hoogte noch van de volksovertuiging noch van de wetenschap24).
§ 9. De mislukte pogingen tot het samenstellen van een nationaal wetboek van strafrecht.
Met de handhaving van den Code Pénal âbij provisiequot; ging en bleef geruimen tijd gepaard het streven om ook voor hot strafrecht een nationaal wetboek saam te stellen. Herhaaldelijk zijn door oorzaken van zeer verschillenden aard ernstige pogingen mislukt; en de geschiedenis van die mislukkingen valt in vier stadiën te vordeelen: de geschiedenis van het ontw. 1827 , die van do ontww. 1839â1846, die van het ontw. 1847, die van het ontw. 1859.
Reeds de werkzaamheid gedurende het eerste stadium steunden grondwettige voorschriften '). De door den Souv. Vorst 18 April 1814 benoemde Commissie voor de nieuwe wetgeving had 17 Januari 1815 ook een ontw. wetboek van strafrecht gereed, dat onderzocht is geworden door den raad van state alsmede door eene commissie uit de zuidelijke provinciën van het Koningrijk, en dat daarna een nieuwe, uitvoerige behandeling in den raad van state vond 2). Na deze bewerkingen zijn daaruit voortgekomen de wetsontwerpen die in
31) Hoofdwerken voor het toenmalig Ned. Strafr. A. ,T. v. Deinse, De algem. beginselen v. strafregt enz., 2e dr, Middelb. 1860. â M. Scliooneveld, PJz., liet wetb. v. Strafr. (C. P.) met aanteekeningen. 3quot; uitg. met vervolgbundels van Mr. v. IJsselsteyn; 4e uitg. (meer gesystematiseerd) bewerkt door G. A. v. Hamel on T. J. Noyon (1876); door laatstgen. bijgewerkt tot 31 Aug. 1886 (1887). â Vgl. B. E. Ascher en D. Simons, Het nieuwe VV. v. Sr. vergeleken met den 0. 1'. (1886).
? 9 ') a. 100 G. 1814; 163 G. 1815.
5) Voorduin, Geseh. en beginselen der Ned. Wetboeken, I (1837) 11â28, 73, 123. Vgl. C. Asser, Vlugtige beschouwing enz. (1827) 11 vlgg. â v. Deinsel. c. ^ G4. â Het ontw. 1815 bestaat in druk. De subcommissie die het bewerkte was saamgesteld uit de H. H. J. M. Kemper en A, H. Philipse. In Mr. A. A. de Pinto's bibliotheek bevindt zich een ex, van het Grim. wetb. v. 1809 met de pen omgewerkt tot ontw. 1815 en van Mr. Philipse afkomstig.
71
1S27, iti April officieus, in October officieel, als ontwerp wetboek van strafrecht aan de Tweede Kamer aangeboden en door de afdeelingen dier Kamers, in 1827 naar den leiddraad van ettelijke algemeene vraagpunten, in 18:28 arti-kclsgewijzc behandeld zijn3). Dit ontwerp was grootendoels, zoowel in het algemeene als in het bijzondere gedeelte, geschoeid op de leest van het crimineel wetboek van 1809, terwijl in het bijzondere gedeelte hier en daar, o. a. door de toevoeging van een titel over policieovertredingen en van bijzondere strafbepalingen tegen geestelijken, de invloed van den C. P. merkbaar was1). De ontvangst, zoowel in den parlementairen kring als daarbuiten, vooral van Zuid-Nederlandsche maar ook van andere zijde, was over het geheel, met name wegens het gehuldigde stelsel van afschrikking, het behoud en ruim gebruik van lijfstraffen, de strenge strafbedreigingen en de onbepaaldheid van de wet, ongunstig; en het ontwerp werd door de regeering teruggenomen 5).
Zoo ontbrak dus in 1830 en in 1838 aan de nationale wetboeken een wetboek van strafrecht. Doch de weg was intus-schen voor nieuwe pogingen bereid. Deze vormen tusschen de jaren 1839 en 1846 eene lijdensgeschiedenis waarvoor wellicht drieërlei oorzaak kan worden aangewezen: de strijd tusschen den wassen den aandrang tot afschaffing van lijf- en schavot-straffen en de taaiheid der regeering die zich slechts stuk voor stuk concessiën liet afdwingen; de in dit tijdperk allerwege ge-
3) 'Zie Handelingen dor S. G. bewerkt (Joor J. J. F. Noordziek, zittingjaar 1826/27, 1827/28; en do octavo uitgave: âGesch. d. beraadnl. enz. gevoerd in de 2e K. d. S. G. over het ontw. W. v. S. v. 1827, 2 dln. (1883). â Vgl. ook Voorduin 1. c. 322vlgg.
4) Vgl. noot 2. Zie bep. Voorduin 1. c. 26 Dit ontw. bevatte ook of. Cr. Wb. voorschriften over bewijs.
') Zie de beraadsl. i. d. afdeelingen. Voorts o. a. W. B. Donker Cnrtius, Iets o. d. theorie der straffen en h. bewijs d. misdaden n. aanl. v. h. ontw. v. hv S^b. v. d. Nederl. (1827); W. L. F. C. van Eappard , Aanmm. op h. ontw. v. een Wb. op h. strafr. v. h. Koningr. d. Nederl. (1827, 28, 7 stukjes); de buitenlandsehe geleerde Mittermaier in N. Archiv. d. Grim. R., vertaald in Regtsg. Bijdr. 3, 574; verder vlugschriften vermeld bij v. Doinse 1. c. % 65, o. a. Le concordat, le code pénal et les Turcs (Brux. 1827); Savart, Observ. critiqucs (Brnx. 1828). Verdedigd werd het, bepaaldelijk tegenover Donker Cnrtius, door C, Asser, Vlugtige beschouwing van eenige voorname beginselen d. strafr. in verb. m. h. ontw. d. lijfstraflelijken wot-boeks (1827); ook eenigermate door de Bruerys , Regtsg. Bijdr. 4, 385,
72
voerde strijd over do waarde der onderscheiden gevangenisstelsels en de onvastheid dor meeningen op dat punt; de wisseling der inzichten omtrent de wenschelijkheid om of liet algemeene gedeelte van een wetboek vooraf to beoordeelen en vasttestellen, öf het algemeene on hot bijzondere gedeelte tegelijk. Eerst scheen het verloop gunstig. De 23 October 1839 aangeboden ontwerpen, beperkt tot het Eerste Boek, werden â hoewel naar âeen verbeterd opstelquot; â door de wetgevende macht aangenomen en â terwijl het inwerkingtreden later bepaald zou worden â bij de wetten van 10 Juni 1840 (Sb. 20â26) afgekondigd 6). Toen echter de regeering in den aanvang van het zittingjaar 1842â1843 wetsontwerpen aanbood tot vaststelling van liet Tweede Boek , worden die ten slotte wel in de afdeolingen behandeld, maar word toch door do meeste leden de bepaalde wensch geuit, om, voordat men verdelging, voorstellen te erlangen tot wijziging van het reeds vastgestelde Eerste Boek, vermits men met het aangenomen strafstelsel (in hoofdzaak hot Auburnsche govangenisstolsel tot een maximum van 40 jaren en behoud van do schavotstraf der tentoonstelling) geen vrede meer had. De regering voldood hieraan door het indienen eerst van partieelo wijzigingsvoorstellen (17 Nov. 1843, opnieuw ingediend 21 Oct. 1844) en, vermits totale herziening verlangd word, van volledige wetsontwerpen tot ge-heele vervanging van hot reeds afgekondigde Eerste Boek door een ander (ontww. 15 Januari 1846, iets later nog verbeterd). Deze ontwerpen , waarbij in hoofdzaak het cellulaire stelsel tot den duur van 15 jaren gehuldigd en waarin de schavotstraf der tentoonstelling niet meer opgenomen was, gaven aanleiding tot een hoogst belangrijk parlementair debat in Mei 1846 over de betrekkelijke waarde der verschillende gevangenisstelsels gevoerd. Het ontw. le Titel werd door de 2° Kamer aangenomen , maar hot ontw. 2e Titel (strafstelsel) met eene geringe meerderheid verworpen; terwijl de 1° Kamer ten aanzien van
6) Oorspr. één ontw., werd liet volgens 't verlangen der Kamer naar de titels verdeeld in 6 ontww. en later met een ontw. 7el, titel aangevuld. De genoemde wetten zijn eerst ingetrokken door a. 1 Inv.w. v. 15 April 1886.
73
den len Titel hetzelfde deed. Tot deze vota, waarop intrekking van de overige ontwerpen volgde, had naast de bezwaren tegen het behoud van eerloosverklaring en levenslange vrijheidsstraf, ook geleid hot verlangen naar eene gelijktijdige indiening van ontwerpen voor het. wetboek van strafrecht in zijn geheel7).
Aan dit verlangen werd voldaan door de indiening, 29 Januari 1847, van 81 ontwerpen samen uitmakende het wetboek van Strafrecht en dus de drie Boeken alle omvattend. Ten aanzien van 't strafstelsel was over 't geheel het voorbeeld van 1846 gevolgd. Alle titels van het Eerste Bock werden door den wetgever vastgesteld Tntusschcn leed het totstandkomen van het geheel nu schipbreuk op B. II, waarvan reeds de 1° Titel in de 2e Kamer werd afgestemd, omdat in hot wetboek eene strafbepaling ter erkenning en handhaving van het recht van âplacetquot; ontbrak. De behandeling van de volgende titels werd verdaagd8). In October, tijdens de nieuwe zitting, werden nieuwe wetsontwerpen ingediend, maar de staatkundige gebeurtenissen van 1848 hebben liet in behandeling nemen van die voordracht beletquot;). Het ontw. 1847 is
') Deze geheele geschiedenis met opgave van de onderscheidene ontwerpen, stukken en beraadslagingen uitvoerig beschreven in J. v. d. Honert ïhz., Het Wetb. v. Strafr. (n. 1. v. 1847) toegelicht uit de beraadslagingen v. d, 2'' Kamer enz. 2. dln. (Amst. 1848; v. Dl. II verscheen wegens den loop der zaken in 1847 , alleen de lquot; aflev). Van de Handelingen der St. Gen., naar de bewerking begonnen door Noordziek en voortgezet onder toezicht v. d. Huish. Commissie, is over dit tijdvak'tot dusver alleen verschenen zittingjaar 1843/44, bewerkt door A. H. Ising (1889). â¢â⢠Zie verder het Weekbl. v. h. Regt over al die jaren (Reg. in voce strafregt); en over do behandeling v. d. ontww. 1839, Voorduin, Gesch. en Beg. Dl. XI (1840). âLitteratuur over de onderscheidene ontww. o. a. vermeld in bedoelde jaargangen W. v. h. R.; voorts bij v. Deinse 1. c. § 66 en gedeeltelijk bij Voorduin 1. c. In 't bijzonder komen in aanmerking: Iets o, h. ontw. v. h. Wb. v. Strafr. (2 dln. 1840â1843 ; opstellen v. d. Red. W. v, h. R.) Beschouwingen v. h. ontw. v. w. inhoudende het 1° B. v. h. W. v. S. door Mrs. Godefroi, Jolles, Schuurman en Vaillant (1839). J. de Wal, Aanteekeningen en bedenkingen (1839â1842 2 dln). âZie voorts eene verzameling v. 16 stukken over Ned. Strafregt-ontwerpen , 1839â1847 , in de Kon. Bibl. (boekerij de Wal).
8) Zie: Hand. v. d. 2'K. 1846/47 Bijl. 296 Ber. 323. W. v. h, R. 1847(in voce. Strafregt) 808 vlg. v. d. Honert 1. c. â Het aangenomen 1° B. uitgeg. 's-Hage 1847. â Litt. vgl. n. 7; voorts W. 783 vlgg.; .1. F. P. ibid. 799 vlgg.
9) Hand. v. d. 2® K. 1847/48. B. 28, W. 854 vlgg. In dit ontw. kwam, ï. I. a. 38, de bep. omtrent het recht van placet weer voor, zooals ze in ontw. 1842 was gesteld
74
wegens zijn vele deugden door de Staatscommissie voor het tegenwoordig wetboek herhaaldelijk geraadpleegd, al kon het grondslag voor haren arbeid niet zijn 10).
Intnsschen bleef do Nederlandsche wetgever den volke een wetboek van strafrecht schuldig, en zulks niet alleen omdat de toestand, wegens het strafstelsel, onhoudbaar werd. Die toestand verbeterde door do gewichtige partieele hervorming van 1854, doch de schuld bleef. In 1859 beproefde de minister Boot nog eens haar te delgen door de indiening van een ontwerp voor een Eerste Boek, dat echter, zonder ooit in de afdeelingen onderzocht te zijn, het volgende jaar door den Minister Godefroi werd ingetrokken quot;).
Sints dien tijd is Nederland jaren achtereen in het voortleven van den Code Pénal blijven berusten en is het alleen den weg van partieele verbetering en aanvulling gevolgd.
De oorzaken waren vele. Zeker werkten daartoe mede: de noodzakelijkheid om alle kracht te wijden aan het tot stand brengen van de organieke wetten door de grondwetsherziening van 1848 geëischt; dan de bezwaren waarop de pogingen om de hervorming op 't gebied van het rechtswezen door een nieuwe rechterlijke organisatie in te leiden, voortdurend afstuitten ; en de gestadige wisseling van ministers, bij do gewoonte om alle werkkrachten aan het departement zelf te zoeken, dubbel noodlottig. Maar wat deze moeilijkheden zoo zwaar deed wegen, was ook wel de moedeloosheid als gevolg van de vroegere teleurstellingen, do nationale âbedachtzaamheidquot; en âhet gemis aan een levendig volksrechtsbewustzijn op strafrechtelijk gebiedquot; quot;).
geweest. Opmerking verdient, dat reeds in 1818 bij do grondwetsherziening het recht v. placet viel (a. 170).
I0) Staatse. M. v. ï. 4; Smidt I, 4.
quot;) Hand. S. G. 1858/59, B. LXXX , blz. 880; 1859/60, niet op nieuw gedrukt. Ind. Kon. boodsch. 20 Sept. 1859; Intr. 24 April 1860. â Modderman, De hervorming enz. 32.
I!!) Zie Modderman 1. c. 34. Goudsmit bij dc opening v. d. le Verg. d. Ned. Juristenvereeniging, Hand. J. V. 1870, II , 16.
§ 10. Gcschiecleiiis en algemeen karakter van het wetboek vanstra free lit').
Op de voordracht van den Minister van Justitie van Li]aar benoemde de Koning bij besluit van 28 September 1870 n0 21, eene âStaatscommissie voor de zamenstelling van een wetboek van strafregtquot;. Zij bestond uit onze eerste criminalisten; alle rechtsgeleerde groepen waren er vertegenwoordigd Haar arbeid is niet alleen voor verdere werkzaamheid de grondslag gebleven, maar, op eene aanzienlijke inkorting, vooral in het III' Boek, en op enkele, ofschoon zelfs zeer belangrijke wijzigingen na, in hoofdzaak het wetboek geworden. Zij diende 13 Mei 1875 aan den Koning haar Verslag in met aanbieding van Ontwerpen voor een Wetboek van Strafrecht en acht daartoe behoorende wetten met toelichting3). De minister van Lynden van Sandenburg raadpleegde de 3« afdee-ling van don Raad van State âover hot gevolg waarvoor het werk vatbaar werd geachtquot;; daarna werd de commissie ont-
') Vgl. het volledige, uitnemend gesystematiseerde werk van Mr. H. J. Sraidt, Geschiedenis vau het Wetboek van Strafrecht. Volledige verzameling van regeerings-ontworpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen, enz. 1âIII, 1881. â 't Behelst bovendien van Prof. M. de Vries Taalkundige opmerkingen (passim) eti eene Nota over 't woord âopenbaarquot;; voorts de beraadslaging over eenige speciale wetten die in het wbk. zijn overgegaan; eindelijk onderscheiden nuttige registers, w. o. â aan do 1« Kamer ingediend â een vergelijkend overzicht v. d. tekst v. 't wb. en de drie ontwerpen. Het werk is voor de geschiedenis der tor invoering noodige wetten voortgezet in Dl. IV, V. In Dl. V, bewerkt door Mr. E. A. Smidt (1886/1889) komt o. a. voor de Novelle. â â Alleen naar Smidt's werk zal bij aanhaling uit do stukken of redevoeringen worden verwezen.
3) Mrs. J. de W.al, tevens voorzitter, destijds juist afgetreden als hoogleeraar te Leiden; W. F. G. L. Francois, destijds president v. h. I'rov. Gerechtshof in Z. Holland, op zijn verzoek .'50 Mei 1872 van het lidmaatschap in de commissie eervol ontheven en vervangen door mr. J. J. Loko, raadsheer in gemeld Hof, in 1878 overleden; A. A. de Pinto (tevens secretaris) destijds raad-adviseur, hoofd van de afdeeling âwetgevingquot; aan het Departement van Justitie, later raadsheer in den H. R.; M. B. Pols, destijds advocaat en auditeur-militair te's-Hage, later advocaat-fiskaal van 's Konings zee- en landmacht, daarna hoogleeraar te Utrecht; A. E. J. Modderman, opvolger van Prof. do Wal te Leiden, later Minister van Justitie, 'n 1885 overleden. Als adjunct-secretaris werd aan de commissie toegevoegd. Jhr. Mr. G. J. Th. Beelaerts van Blokland, destijds commies bij het Dop. v. Just., later referendaris aldaar en lid van de 2' Kamor der S. G.
') Uitgegeven ter Alg. Landsdrukkerij in 4° en door Gebr. Belinfante in 8° (uit-verk.). âOver de werkwijze der commissie, zie haar verslag, VI vlgg.
7G
bonden A). In 1878 vatte de minister H. .1. Smidt de zaak krachtig aan, en, na overleg met do leden der ontbonden commissie, werd het ontwerp wetboek van strafrecht, zooals het door dien minister hier en daar gewijzigd maar vooral verkort was , 26 Juni aan den Raad van State verzonden. Den 26⢠November bracht de Raad zijn uitvoerig advies uit, dat 18 December door den Koning aan den minister medegedeeld en 14 Februari 1879 door dezen in zijn rapport aan den Koning beantwoord werd 1). De met de uiterste nauwgezetheid door den Raad gemaakte opmerkingen leidden hier en daar tot wijzigingen, ook nog tot weglating van enkele artikelen, voorts een enkele maal tot aanvulling van de toelichting. Daarop is bij Kon. boodsch. van 22 Febr. 1879 het âontwerp van wet tot vaststelling van een wetboek van Strafrechtquot; -ïüül'Spr. Reg. Ontw., Ontw. Smidt) â bij één ontwerp â aan de Tweede Kamer ingezonden f'). De minister was inmiddels nog op andere wijze werkzaam in 't belang der zaak, door over taal en stijl van het ontwerp het oordeel te vragen van Prof. M. de Vries, een oordeel dat voor de zuiverheid der taal van het wetboek van onschatbare waarde geweest is !).
In de Tweede Kamer werd een bijzondere werkwijze gevolgd. De vijf deskundige leden der Commissie van Rapporteurs werden door don Voorzitter benoemd en daarna bij loting over de afdeelingen verdeeld om er het onderzoek te leiden, dat 20 Febr. 1880 aanving2). Hun Verslag, reeds 16 Juli 1880 vastgesteld, bevatte niet een staalkaart van in de afdeelingen
1
â¢'') Bij het advies van den Eaad waren gevoegd afzonderlijke adviezen van do leden Baehiene en Swart.
2
) Mrs. Godefroi, Patijn, v. d. Kaaij, de Savornin Lobman, des Amorie v. d. Hoeven. Hand. S. G, 1878/1879 B. 122; 1879/80 II. 135. De commissie stelde een leiddraad voor de behandeling samen.
77
geuite gevoelens, maar in hoofdzaak het gevoelen van de Commissie zelve, bij verschil van meening ook van de minderheid. Bovendien had zij vóór de vaststelling van liet Verslag hare opmerkingen schriftelijk aan de Regeering â den sinds 1879 opgetreden minister Modderman â medegedeeld, het schriftelijk antwoord van haar ontvangen en daarna met den minister mondeling overleg gepleegd. Aldus konden het regeerings-antwoord en een verslag van het mondeling gevoerd overleg in het verslag van de C. v. R. worden opgenomen; en werd daaraan toegevoegd een gewijzigd wetsontwerp (Gew. Reg. Ontw., Rep;. Ontw. TT of Ontw. Modderman) en eene lijst van door de Commissie voorgestelde amendementen '). Hierna volgden de openbare beraadslagingen , van 25 October â 9 November 1880, onder de talentvolle leiding van den minister eenerzijds, van de rapporteurs anderzijds, in gewoonlijk matig bezochte zittingen gevoerd en â nadat bij menig amendement door de Kamer, soms in overeenstemming met, soms tegenover de regeering, nog gewichtige, niet altijd gelukkige wijzigingen waren aangebracht â de aanneming van het geheele ontwerp met 58 tegen 10 stemmen.
De Eerste Kamer, hoezeer de aanneming door haar niet twijfelachtig kon heeten, besteedde toch aan liet haar opgelegd onderzoek buitengewone zorg. Ook hier traden de vooraf door den voorzitter aangewezen Rapporteurs, na voor de af-deelingen een leiddraad en een overzicht van de voornaamste verschilpunten tusschen de geldende wetgeving en do voorgestelde te hebben bewerkt, 1G Februari 1881 op met een zelfstandig Verslag, waarin eveneens het schriftelijk antwoord van den minister en hot resultaat van het mondeling overleg waren opgenomen '0). Dit laatste had bovenal geloopcn over oen hoogst belangrijk punt: liet votum zelf van de Kamer, waar deze niet amendeeren konde en toch tegen zeer belangrijke onderdeden, met name drie, ernstig bezwaar had. Bij de openbare beraadslagingen, 1 en 2 Maart 1881, werd dit stand-
'J) Bij liet verslag behoorden Nota's van de leden Oldenluüs Gratama on Lenting.
10) Kappa. Borsiua, v. Akerlaken, Vos do Wael, Thooft.
78
punt gehandhaafd en de aanneming met algeineene stemmen geschiedde niet, dan nadat oene wijzigende novelle , die nog vóór do invoering tot stand zou komen, gevraagd en dooiden minister inderdaad op enkele punten wijziging, op andere overweging toegezegd wasquot;).
Het ontwerp, daarop door den koning bekrachtigd, is geworden de âWet tot vaststelling van een Wetboek van Strafrechtquot; van 3 Maart 1881, Sb. nquot;. 35 ^).
Intusschen moest, wegens de noodzakelijkheid om de invoering èn wettelijk èn door den bouw van de noodige gevangenissen feitelijk voor te bereiden, het in werking treden van het wetboek tot een later bij de wet aan te wijzen tijdstip voorbehouden blijven (art 475) '3). In dat tijdsverloop tusschen aanneming en invoering valt nu ook â onder den minister du Tour van Bellinchave â de bewerking en behandeling van het ontwerp dat geworden is de âWet van 15 Januari 188G, Sb. n0. 6 , houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafrechtquot; (Novelle); eene wet zoodanig ingericht, dat de daarbij vastgestelde wijzigingen en aanvullingen tot het lichaam zelf van het wetboek gingen behooren, zoodra dit laatste in werking trad. Aanleiding tot hare samenstelling was het bovengemelde voorbehoud van de le Kamer. Bovendien zou van de gelegenheid worden gebruik gemaakt âom een paar feilen te verbeteren, die, sedert aan het licht gekomen, noodzakelijk vóór de invoering van het Wetboek voorziening eischtcnquot;. Maar het vorderde zelfbeperking om niet tot eene repetita lectio van het wetboek te komen ''). Reeds de R. v. St. drong den minister eenige voorstellen terug te nemen. Wel werden later â het ontwerp heeft drie redacti.es gekend â verscheiden nieuwe arti-
quot;) Smidt, I 48.
12) Do olficiecle stukken en beraadslagingen in Hand. S. G. 1878/79, B. 110, 1879/80, li. 47, 1880â1881 Hand. II, 93; Hand. I, 245, 280. â Zie voorts, behalve de gesystematiseerde bewerking v. Smidt, een overdruk in 8° v. d, offioieele stukken als Ontw. v. oen Wb, v. Strafr. Handelingen tusschen Reg. en S. Gr. o,ver h. Wb. en de daarbij behoorende wetten, Gebrs. Belinfante (1879â-1886) il®âl'-'god.
13) Smidt; I 104.
14) Zoodanige herziening aanbevolen door Prof. H. van der Hoeven; Mag het W. v. Sr, ongewijzigd ingevoerd worden? Leiden 1884.
79
kolen toegevoegd, doch â dit moet niet worden voorbijgezien â hoofdzakelijk slechts om het wetboek in overeenstemming te brengen met na zijne vaststelling tot standgekomen wetten en tractaten of om uit die wetten voorschriften in het wetboek te plaatsen, welke, hadden ze reeds destijds gegolden, daarin zouden zijn opgenomen ,5). En bij de openbare beraadslaging besloot de 2' Kamer uitdrukkelijk zich streng te bepalen tot die artikelen van het Wetboek welke in de toen gedrukte en rondgedeelde stukken waren behandeld ,8). De wijzigingen of aanvullingen in de wet opgenomen bepalen zich nu â
wat met bovenbedoelde andere wetten verband houdt niet medegerekend â tot: de strafbaarstelling van landloopcrij;
eene verandering in het stelsel betreffende de vervolging van
. . (!- « K
overspel en van het misdrijf omschreven in art. 249; in vele vr
artt. eene noodzakelijke verbetering in de berekening van den verjaringstermijn bij herhaling; eene verandering van de straf-positie (a. 315) en ééne verbetering van redactie (a. 452)'7).
Na de invoering heeft het Wetboek nog ééne wijziging ondergaan, in art. 71 de practisch noodig gebleken aanvulling aangewezen in art. 3 der Wet van 31 December 1887, Sb. 2G5 âtot wijziging van bestaande wettenquot; enz. Ia).
In werking getreden is het Wetboek den lste11 September 1886 19).
Het Wetboek van Strafrecht is de vrucht van een zelfstan-digen arbeid. â Eene bloote herziening van den Code Pénal was onmogelijk, nu het strafstelsel van dat wetboek immers âreeds sedert lang uit zijne voegen geruktquot; was, nu de Staatscommissie reeds aanstonds het voornemen had om met de drieledige vordeeling dor strafbare feiten en met do onteerende straf-
15) Artt. 249 4», 2521quot; 2°, 337, 349 bia-quater, 351 bis, 390, 391, 393, 394 bis, 454,
16) Smidt V 29. â Onder do letter van dit besluit kon nu ook vallen't amend .-Mackay op a. 315. Vlg. ook Smidt V 191.
'') De behandeling van de Novelle in: Hand. 8. G. 1883/81 B. 210, 1881/85 13.
39, 1885/86 B, 28, Hand. II 324. I 47, 174. â Smidt V 1 vlgg. â Uitg. Belin-fante 1. c. 50 ged.
ls) Smidt V 560. 1!l) Zie hierover | 11.
so
fen te breken , en omdat in ieder opzicht â zie § 8 â zoo ontzaglijk veel te verbeteren zou vallen. Bovendien zou ons nationaliteitsgevoel zich tegen zulk een opvatting hebben verzet. â Bewerking van liet ontwerp 1847 was evenmin aangewezen, vermits de behoeften en de opvattingen betrekkelijk algemeene leerstukken , strafstelsel en codificatie in dertig jaren tijds zooveel veranderd waren en de drieledige verdeeling ook toen grondslag was. â Intusschen, ook het geldende recht, ook de vroegere ontwerpen zijn geraadpleegd, evenals de goede vruchten van wetgevend talent in den vreemde, met name het Duitsche Wet-boek en het Belgische, beide toen de Staatscommissie haren arbeid aanving, van jonge dagteekening. Doch geen van deze bronnen is als model gevolgd of kon als model gevolgd zijn quot;).
Over het nationaal karakter van het Wetboek uitdrukkelijk geïnterpelleerd, wees de minister Modderman terecht op het noodwendig betrekkelijke van dat begrip en somde hij voorts als voorbeelden acht bijzondere punten op, die evenzoovele nationale eigenaardigheden zouden zijn. Stelt men het wetboek tegenover den Franschen Code, dan ligt in de meeste van deze opmerkingen voel waars. In 't algemeen echter kunnen m. i. als uitvloeisel van eigenaardig Nederlandsche opvattingen van de genoemde punten alleen gelden de uitsluiting van een jus speciale tegenover geestelijken en het groot vertrouwen op het arbitrium judicis 21).
Maar eigenaardigheden, zuiver nationale dan of niet, zijn zeer stellig o. m.: de tweeledige verdeeling van de strafbare feiten, de eenvoudigheid van hot strafstelsel en het wegvallen van de onteerende straffen, de belangrijke rol van de cellulaire opsluiting , de groote zorg besteed aan de algemeene leerstukken en aan de onderscheiding en formuleering van de strafbare feiten niet name ter aanwijzing van het subjectief element bij de misdrijven, boven alles de afschaffing van de speciale straf-minima.
Dat over don gewenschten omvang de gevoelens zeer hebben
â -u) Smidt I 3.
21) Smidt I 19, 20.
81
uiteengeloopen, kan reeds worden afgeleid uit liet verschillend aantal artikelen in de onderscheiden ontwerpen ï2). In verband met het leerstuk van de codificatie kom ik hierop terug. M. i. is do omvang juist gesteld.
De indeeling van het Wetboek is eenvoudig en redelijk.
In verband met de aangenomen tweeledige verdeeling van de strafbare feiten bevat hot in het 2e en 3e Boek de omschrijving van die feiten mot de daarbij behoorende strafbepalingen en in Tit. IâVIII van liet 1° Boek de strafrechtelijke voorschriften van algemeenen aard; terwijl dat Boek gesloten wordt door een het geheele wetboek beheerschenden titel âde verborum significationequot; en eene het niet-gecodificeerde recht beheerschende âslotbepalingquot;, welke noodwendig tegelijk met het wetboek moest worden vastgesteld. De onderverdeeling in titels is de eenige. In de volgorde dier titels heerscht regel en, al hadde in B. II en III hier of daar eene omzetting evenzeer kunnen worden verdedigd, de gekozen orde is gemakkelijk te volgen. Gewichtige bedenkingen zijn tegen de geheele indeeling noch te maken, noch ook gemaakt23).
Langs den bovenomschreven weg is nu door de samenwerking van wetenschap en praktijk, regeering en parlement een volledig, een zelfstandig, een met nationale opvattingen en behoeften overeenstemmend, in vele opzichten een baanbrekend werk tot stand gebracht.
Maar ook dit wetboek behoeft den ontwikkelingsgang der denkbeelden niet af te sluiten. Integendeel. Eerst door het wetboek heeft voor zijn toekomstige ontwikkeling ons strafrecht vasten bodem erlangd 2 J).
82
§ 11. De beteekenis der met de invoering viin het wetboek van strafrecht samenhangende
wetten ').
De Staatscommissie had eene spoedige invoering van het wetboek gewenscht en uitnemend voorbereid. Alle daartoe noodigo wetten had zij ontworpen; met name eene het ge-heele speciale strafrecht overziende invoerings- en overgangswet en de wijzigingen in rechterlijke organisatie en procesrecht. Voor dit laatste onderdeel had zij de op den grondslag der Fransche drieledige verdeeling van de strafbare feiten gebaseerde dubbele berechting met al hare consequenties behouden en aan de tweeledige verdeeling van haar ontworp-wetboek aangepast; de grens zocht zij dan, wat de misdrijven betreft, in de strafposities met een maximum van drie jaren gevan-nisstraf Dit viel te gemakkelijker, omdat zij het maximum voor gevangenisstraf met eenzame opsluiting ook op driejaren gesteld had; terwijl wegens deze zélfde omstandigheid de eischen voor den aanbouw van nieuwe gevangenissen matig konden zijn.
Toon in het wetboek laatstgenoemd maximum verhoogd en menige strafpositie eene andere geworden was, veranderde dit. Niettemin sprak de minister Modderman bij de behandeling van hot wetboek in de le Kamer nog bet voornemen uvt, om de invoering voor te bereiden op den grondslag van den arbeid der Staatscommissie, om zeer spoedig liet ontwerp van de âgestichtenwetquot; aan te bieden, om, in verband daarmede, wat don gevangenisbouw betreft, over 2 jaren eene âzuivere invoeringquot; van het wetboek naar de aanvankelijke behoeften
king van Fruin's: Nederl. Wetboeken 2o dr. (1888). â 11. L. Israels, Het Wetb. v. Ãtrafr. vergel. met de verschill. ontwerpen en met aanwijzing der off. stukken (1883). Vgl. over andere uitgaven Tijdsohr. v. Strafr. 1, 74; over vertalingen on beoordeelingen in het buitenland, aid. I 85, 93, 221. â Zie voor opgaven van litteratuur, beneden ad § 12.
g 11 i) Vgl, hiervoor H. J. Smidt, Geschiedenis enz. (Vervolg) IV (1881â1880); V (1886â1889, onder toezicht van Mr. H. J. Smidt door Mr. E. A. Smidt).
5 Ã. Stc. uitg. Belinfante. Bijl. blz. 11 vlg., bep. 38.
83
mogelijk te maken, en om in liet zittingjaar 1882/83 alle andere wetsontwerpen in te dienen ^).
Intusschen, de loop der zaken is een andere geweest. Het ontvv. âgestichtenwetquot; werd eerst ingediend 19 Jan. 1882 en over een der hoofdpunten ontstond tusschen Minister en Earner dadelijk een ver strekkend verschil van meening; het ontvv. Rechterl. Org. volgde eerst 12 Febr. 1883 en daarbij was de grondslag der Staatscommissie verlaten; hot ontw. Invoeringswet , na het verlaten van hot omvangrijk codificatie-stelsel der Staatscommissie noodwendig veel uitgebreider, kon 25 Nov. 1882 eerst aan den R. v. St. worden gezonden; en de minister Modderman trad April 1883 af. Zijn opvolger zette de zaak krachtig door , maar, toen eenmaal voor een zeer spoedige invoering met voorloopige aanpassing van het procesrecht, in don geest der Staatscommissie, de tijd verstreken was, kon niets anders worden gewenscht, dan volledige overeenstemming tusschen de onderscheiden doelen der wetgeving en voltooiing van de gestichten. Met het oog op een en ander is in de verschillende ontwerpen der Inv. w. het tijdstip van het in werking treden van het wetboek herhaaldelijk verschoven 1).
Do met het wetboek samenhangende en tegelijk daarmede in working getreden wetten zijn naar chronologische schikking do volgende:
1. W. v. 3 Jan. 1884, Sb. 3 (le Ontw. 19 Jan. 1882), âtot aanwijzing der gesthhten, waar hetzij gevangenisstraf, hetzij heciitenis wordt ondergaan en van aanverwante gestichten'2); aangevuld en gewijzigd door \V. v. 28 Aug. 1880, SI). 130; (zie nog wetten v. 18 Maart 1888, SI). 41; 10 Dec. 1888, Sb. 170; 6 Mei 1889, Sb (il)1quot;').
2. VV. v. 2ü April 1884, Sb. 92 (1° Ontw. 12 Febr. 1883), houdende wij-zitjliiyen in de Wet op de Rechterlijke Organisatie (zie nog VV. v. 23 Juli 1885, Sb. 155; a. 8 Inv.w.)3).
1
') 1 Mei 1884, 1 Jan. 1885, l Jan. 1886, 1 Sopt. 1880.
2
) Smidt, IV. 431; V. 593, 608.
3
7) Hand. 1882/83 B. 152. 1883/81 B. 54; II. 958; I. 229, 301. â Smidt IV, 217.
84
W. v. dezelfde dagl., Sb. !)3, houd. wijz. in het Burgerlijk Wetboek; (zie nog a. 4, 5 W. v. 31 Dcc. 1887, Sb. 2G5)8).
4. W. v. dez. dngt., Sb. Oi-, houd. wijz. in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; (zie nog a. 8 Inv. w. en a. 1' W. v. 31 Dec. 1887, Sb. 265) 9).
5. W. v. dez. dagt., Sb. 95, houd. wijz. inhei Wetboek van Koophandelquot;').
G. W. v. 15 Januari 1880, Sb. 5, (le Ontw. 27 Oct. 1883), houdende
wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering ^); zie nog a. 8 Inv. w.; W. v. 4 Juli 1887, Sb. Ill; W. v. 23 Juni 1889, Sb. 83).
7. W. v. 15 Jan, 1886, Sb. 0 (1quot; Ontw. 6 Mei 1884), houdende wijzigingen in het Wb. v. Strafr. (Novelle) 13).
8. W. v. 15 Jan. 1886, Sb. 7 (1° Ontw. 12 Febr. 1883), houdende bepalingen tot uitvoering v. d. artt. 38 en 30 ]Vb. v. Strfr.13).
9. W. v. 14 April 1886, Sb. 62 (le Ontw. 27 Maart 1884) tot vaststelling der beginselen v. h. gevangeniswezen 14).
10. W. v. 15 April 1886, Sb. 63 (lquot; Ontw. 12 Dec. 1883), lot nadere wijziging d. w. v. 25 Juli 1871, Sb. 91, houdende regeling v. d. bevoegdheid der consulaire ambtenaren lot het opmaken v. burgerl. akten, en v. d. consulaire rechtsmacht^)', (zie nog W. v. 16 Dec. 1888, Sb. 204).
11. W. v. 15 April 1886, Sb. 64 (1' Ontw. 29 Mei 1884) houdende bepalingen, regelende het in werking treden v. h. Wb. v. Strfr. en den overgang v. d. oude lot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen lusschen de bestaande wellen en h. nieuwe Wbk. 16); gewijzigd door W. v. 19 April 1886, Sb. 92quot;); (zie nog Wellen v. 4 Aug. 1888, Sb. 103 en 28 Aug. 1889, Sb. 112).
12. Kon. Besl. v. 31 Aug. 1886, Sb. 159, tot vaststelling v. d. algem. maatr. v. inwendig bestuur, bedoeld in a. 22 Wb. v. Strafr.1quot;); (zie nog
8) Hand. als in noot 7; doch 1883/84 II, 1001. â Smidt IV, 313.
9) Hand. als in noot 7; doch 1883/84 II, 1012. â Smidt IV, 355.
ll)) Hand. als in noot 7; doch 1883/84 II, 1010. â Smidt IV, 350.
quot;) Hand. 1883/84 B. 113. 1884/85 B. 37. 1885/8(3 B, 26; II, 99; I, 40, 102, 128, 166. â E. A. Smidt (onder toezicht v. H. J. Smidt) Wetb, v, Strafvord. met de gescli. d. wijzigingen daarin gebracht bij de invoering v. h. nieuwe Wb. v. Strafr. 2 din. (1886â87). â A. A. de Pinto, Hot herziene Wb. v. Strafvord. 2 dln. (1886â88) I, 3 vlgg.
l:!) Zie bij 'i 10 n. 17.
13) Hand. 1882/83 B. 151. 1883/84 B. 53. 1884/85 B. 36. 1885/86 B. 25; II, 345; I, 19, 179. â Smidt IV; 375.
quot;) Hand. 1883/84 B. 100. 1884/85 B. 38. 1885/86 B. 27; H, 1011; I, 279, 307. â Smidt IV, 463.
15) Hand. 1883/84 B. 146. 1885/86 B. 24; II, 1072; 1, 281. â Smidt V, 467. lli) Hand. 1883/84, B. 220. 1884/85 B. 40. 1885/86 B, 29; II, 1086; I, 281, 316. â Smidt V, 123.
I?) Hand. 1885/86, B. 143; II, 1568. â Smidt V, 125, 466.
'») Smidt IV, 655.
85
K. B. v, 20 Juli 1887, Sb. 139quot;); K. B. v. 20 Jan. !887, Sb. li); K. B. v. 3 Mei 1888, Sb. 81, 8220).
Na do invoering van het wetboek zij n, behalve de reeds aangegeven wijzigingen van vorenstaande wetten en besluiten, nog de volgende wettelijke maatregelen vastgesteld, welke met het Wetboek van Strafrecht onmiddellijk samenhangen:
13. W. v. 31 Dec. 1887, Sb. 265, tot wijziging v. bestaande wetten, ten einde die in overeenstemming te brengen met h. Wb. v. Stafvordering, in bet Wetb. v. Strafr. en, in verband met de thans geldende strafwetgeving, in het Burg. Wetb.1') en K. B. v. 'J Jan. 1888, Sb. 2, tot wijziging v. bestaande Kon. besluiten, ten einde die in overeenstemming te brengen met bet Wb. v. Strafvord. quot;).
14. K. B. v. 6 Juni 1888, Sb. 87 tot vaststelling v. d. algem. maatr. v. best., bedoeld bij a. 43t) n°. 2 Wb. v. Strfr.23).
15. K. B. v. 17 Aug. 1889, Sb. 107 tot vaststelling v. d. algem. maatr. v. bestuur, bedoeld bij a. 17 Wb. v. Strfr.
Van bovengenoemde wetten en besluiten moge â naar eene andere schikking en naar haar verband met het wetboek â de beteekenis kortelijk worden besproken : i).
I. De aanleiding tot de Novelle (7) werd medegedeeld (§ 10).
II. Uitdrukkelijk had liet wetboek in art. 22 ton aanzien van de vrijheidsstraffen aan bijzondere wetten do uitwerking van zijn stelsel voorbehouden. Allereerst de aanwijzing der gestichten 1), een onderwerp van administratievon aard en daarom voor het wetboek zelf niet bestemd, doch waarvan de wettelijke , duurzame regeling vóór alles tot stand moest komen als grondslag voor don gevangenisbouw; terwijl de later in deze regeling aangebrachte wijzigingen hoofdzakelijk overgangstoestanden betreffen en voorziening in bijzondere door de ervaring aangewezen behoeften. Maar bovendien, toon het m, i. volkomen juiste denkbeeld van de Staatscommissie, om het karakter der vrijheidsstraffen in zijn volle werkelijkheid in hot wet-
19) Id. V, 558. 2») Id. V, 551, G22.
!1) Id. V, 560. M) Id. V, 591.
â ') Id. V, 623.
24) De tusschen () geplaatste u08 verwijzen naar dé voorafgaande chronologische opgave.
86
book zelf to omschrijven was opgogovcn, had de wetgever ten minste gezorgd, dat niet hot vele wat nu to regelen viel aan een bestuursmaatregel bleef overgelaten, maar gelast (a. 22 al. 2), dat eerst eene wet (9) de beginselen van het cjevangenis-tvezen zou vaststellen en dan een bestuursmaatregel (12) daarop zou voortbouwen. Beide samen moesten aldus aan don geest van hot in hot wetboek gehuldigde strafstelsel het passend lichaam geven.
III. Evenmin ware toepassing van enkele andere artikelen zonder nadere regeling mogelijk. Ter verkrijging van de beslissingen , bedoeld in art. 38 en in art. 39 al. 3 Swb, moest de procesvonn worden aangewezen (8); voorts vorderden art. 439 n. 2 en art. 17 uitdrukkelijk algomeeno bestuursmaatregelen (14, 15), van welke de laatstbedoelde zeker niet spoed-eischend was.
IV. Naast deze wetten en besluiten, zonder welke de in liet wetboek zelf behandelde rochtsstof niet volledig geregeld was, moesten nu die worden vastgesteld, welke den invloed zouden aanwijzen van het wetboek op het for meel er echt, met name de noodzakelijke wijzigingen in de Wet o. d. Bechterl. Org. (2) en het Wetb. v. Strafvordering (6). Hier gold het 1°. hoofdzakelijk het brengen van overeenstemming tusschen do nieuwe verdoeling dor strafbare feiten, de nieuwe delictsomschrijvingen en strafpositios enz. en de regelen omtrent bevoegdheid en proces, welke met het bestaande stelsel zoo nauw samenhingen. Gesteld voor de keuze tusschen voorloo-pigo aanpassing of consequente toepassing, koos, gelijk reeds is opgemerkt, de wetgever al spoedig bij zijne beslissing omtrent de Bechterl. Organisatie, de laatste. En na deze beslissing was âde eenheid van berechting dor misdrijven als regelquot; ook voor de omwerking van het Wetboek van Strafvordering als leidend beginsel aangewezen. Voorts werd 2quot; vereischt, dat in R. O. en Wh. v. Strafvord. de terminologie met die van hot strafwetboek in overeenstemming word gebracht; en 3quot; dat de bepalingen van materieel recht uit het wetboek van strafvordering verviolen. Terwijl eindelijk 4° de wetgever van
87
do gelegenheid der herziening gebruik maakte om a in verband mot een reeds lang aanhangig afzonderlijk ontwerp in de R. O. de regelen omtrent fora privilegiata te herzien, en b in het Wb. v. Strafvord. onderscheiden hervormingen aan te brengen, welke geacht werden binnen een zeker aangenomen, doch niet scherp begrensd âkaderquot; te vallen.
V. Bij eene zoo groote hervorming van hot strafrecht konden de drie wetboeken van privaatrecht (3â5) niet onveranderd blijven; doch moesten hoofdzakelijk: 1° do terminologie, do omschrijvingen, met die der strafwetgeving in overeenstemming worden gebracht; 2quot; de afschaffing van de onteeronde straffen en de regeling der âontzetting van sommige rechtenquot; haren invloed doen gelden; 3quot; bepalingen van strafrechtelijken aard, waarvan het mogelijk was dat ze niet vielen of niet geacht werden te vallen onder de afschaffende bepalingen der Invoeringswet. worden opgeheven. Deze eenvoudige ontwerpen konden spoedig worden afgedaan, maar dat hier nog tekortkomingen waren begaan, blijkt uit de noodzakelijkheid der aanvullende bepalingen in art. 8 Inv. w., en in de W. v. 31 Dec. 1887 (13).
VI. Do hwoerirxjswet (11) moest de kroon van het werk zijn en hare strekking vierledig. Zij had 1° de invoering van liet wetboek c. a. te verzekeren en daarvoor den dag vast to stellen ; 2° rechtszekerheid te geven, klaarheid omtrent de handhaving of afschaffing van het strafrecht, tot dion dag in onderscheiden wettelijke voorschriften neergelegd; 3° rechtseenheid te verschaffen, overeenstemming tusschen hot wetboek en de andere bepalingen van strafrecht, die daarnaast bleven gelden; 4° den overgang te regelen van de oude strafwetgeving tot de nieuwe. Aan het eerste gedeelte van haar taak (artt. 2, 50) kon zij eerst voldoen, nadat door de W. v. 19 April 188G eene vergissing hersteld was. Voor het vierde (art. 29â49) had zij liet beginsel, neergelegd in a. 1 al. 2 Swb. uit te werken. Do beide andere gedeelten (artt. 3â29) vorderden bijzondere nauwgezetheid; en aan de groote zorg van Regeering, Raad van State en Commissie van Rapporteurs is, na her-
88
haald overleg en herhaalde herziening, een goed uitgewerkt stelsel te danken (zie § 12). Wat hier en daar nog over het hoofd gezien was, heeft de meermalen genoemde wet van 31 Deo. 1887 (13) verholpen.
VII. Ook de consulaire wet (10) moest met de nieuwe strafwetgeving in overeenstemming worden gebracht, ten aanzien van 1° terminologie, 2° de bepalingen van materieel strafrecht, 3° de rechterlijke bevoegdheid en het strafproces. Waar de algemeene Invoeringswet de wijzigingen in de âwetboekenquot; buiten haren kring had gelaten, was ook voor de wijzigingen in do consulaire wet een speciale wet aangewezen; te meer, omdat de bijzondere strafrechtelijke bepalingen van evenbedoelde wet, op grond van haar art. 22, door de Invoeringswet toch niet werden getroffen. Ten aanzien van do voorschriften omtrent rechterlijke bevoegdheid en proces behoorde en behoefde men hier wel niet anders te kiezen dan een stelsel, waardoor de bestaande toestanden in hoofdzaak eenvoudig aan de nieuwe begrippen en onderscheidingen werden aangepast. â Van de aldus gewijzigde wet in haar geheel is krachtens Kon. Besl. v. 15 Juli 1887 een officieele uitgave in het Staatsblad opgenomen (n0. 138).
Al de genoemde, van vóór 1 Sept. 1886 dagteekenende wetten en besluiten zijn nu tegelijk met liet strafwetboek in werking getreden, in Nederland op dien dag, binnen het consulair rechtsgebied later quot;).
§ 12. De bronnen van het in Nederland geldend Strafrecht.
Sinds 1 September 1886 is een klaar overzicht over de hroi-nen van het in Nederland geldend strafrecht mogelijk geworden.
Bij eene bespreking daarvan mag vooraf op verschillende on-
!i) a. 32, Cons. W.
89
derscheidingen der strafrechtelijke bepalingen worden gewezen.
I. Allereerst vallen die bepalingen naar haar staatsrechtelijk karakter te onderscheiden, naarmate zij , als behoorende tot A. het algemeene strafrecht, a voorkomen iu ivetten, h in internationale verdragen, c. samenhangen met algemeene maatregelen van bestuur; of, als behoorende tot B. het plaatselijk strafrecht, voorkomen a in provinciale verordeningen, reglementen en reglementaire voorschriften, h in gemeentelijke verordeningen, c in policieverordeningen of keuren van waterschappen.
II. Naar haren legislatieve» vorm kunnen zij onderscheiden worden, naarmate zij behooren óf A. binnen den kring van het (jecodificeerde, in een wetboek saamgevatte, of B. tot hot niet-gecodificeerde recht (Nebcngesetze).
III. Naar haar strafrechtelijk karakter zijn, op het voetspoor van opvattingen die bij de samenstelling van bet Wotboek en van de Invoeringswet leidende opvattingen geweest zijn, twee onderscheidingen te maken: 1° die tusschen A. eigenlijke strafiretten, d. i. âwetten die, naar algemeene strekking en aanleg, beoogen liet strafrecht van den Staat waarborg dor rechtsorde te regelenquot; en B. strafrechtelijke bepalingen in bijzondere wetten, d. i. bepalingen, enkel dienende tor strafrechtelijke sanctionneering van voorschriften welke de regeling beoogen van eonig onderwerp van staatszorg dat buiten het gebied van het strafrecht ligt; en 2° de onderscheiding tusschen A. bepalingen betreffende de z. g. n. algemeene onderwerpen en B. eigenlijke strafbepalingen, âstrafbedreigingenquot;, poenale sancties, hetzij deze laatste a met de verbods- of ge-bodsvoorschrifton welke er door gesanctionneerd worden, âin dezelfde zinsneden saamgewevenquot; of b formeel daarvan losgemaakt zijn.
IV. Naar de onderlinge verhouding eindelijk van den inhoud der in do verschillende bronnon voorkomende bepalingen vallen to onderscheiden A. de bepalingen van hot gemeene recht (jus commune), den regel aangevend, B. de bepalingen van hot afwijkend of bijzondere recht (jus singulare).
Bij een volledig overzicht kan geene dor bronnen waarin
90
dit strafrecht is neergelegd, worden verwaarloosd. Wel kan en moet daarbij eene afzonderlijke plaats worden toegekend aan het fiscale en het militaire strafrecht (§ 13), die immers beide hier te lande eene afzonderlijke historische ontwikkeling hebben gehad en nog steeds eene afzonderlijke plaats innemen in het rechtssysteem.
Hoofdbron van het algemeene strafrecht in Nederland is dan het Wetboek van Strafrecht met de daarbij behoorende wetten en besluiten, ingevolge artt. 17, 22 en 439 n0. 2, het gecodificeerde recht.
Voor het naast deze codificatie geldende strafrecht, het algemeene zoowel als het plaatselijke, ligt de grondslacj in art. 91 Sub. en in de Invoeriugswet.
Voor de onderwerpen van algemeenen aard stelt art. 91 voorop, dat âde bepalingen der acht eerste Titels van het Eerste Boek ook toepasselijk zijn op feiten, waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaaltquot;. Voor de aanwijzing van de uitzonderingen op dien regel en van de strafbepalingen, had de Invoeringswet te zorgen.
Waar het nu bij het stellen van die wet op aankwam, was dan allereerst de keuze van een voor de rechtszekerheid bruikbaar stelsel omtrent de afschaffing of handhaving van de strafrechtelijke bepalingen in de bestaande witten-, d. w. z. in alle zoodanige tijdens de invoering van het wetboek nog geldende bepalingen, afkomstig van het gezag dat ten tijde der vast-^ stolling of executoirverklaring nj'/cswetgevende macht bezat, onafhankelijk van naam of oorsprong. En die keuze stond tusschen twee stelsels: stilzv^u^nde handhaving van walniet uitdrukkelijk werd afgeschaft; of jj^zwijgende afschaffing van wat niet uitdrukkelijk werd gehandhaafd. Terecht werd heï laatste, reeds door de Staatscommissie gehuldigde, inderdaad het eenig werkelijk bruikbare gekozen (art. 3'/) '); met uitdrukkelijke afschaffing van enkele wetten in haar geheel daar-neven. Maar de uitwerking van liet gekozen stelsel kon nog
') M. v, T. Stc. cd. Belinfauto, blz. 6.
91
zoor verschillend zijn. Men kon of ter aanwijzing van den aard der bepalingen die zouden worden afgeschaft of gehandhaafd, slechts algemeene formules gebruiken, welke dan de praktijk had toe te passen, of die toepassing geheel overnomen in do wet zelve, door zooveel mogelijk aanduiding met name. Gelukkig heeft, onder den dadelijken, krachtigen aandrang der C. v. li., do wetgever den laatstbedoelden weg ingeslagen en is daarmede nu eene vastheid verkregen, waaraan het Nedor-landscho strafrecht geheel ontwend was 1).
Dozo uitwerking komt dan hierop neder.
Do eigenlijke strafwetten zouden opgaan in hot nieuwe wetboek, moesten dus alle vervallen en zijn â de Code Pénal en 23 andere, chronologisch gerangschikt â uitdrukkelijk, met name en in haar geheel in art. Sa-c. Inv. w. afgeschaft2).
Van deze aldus opgenoemde wetten zijn alleen gehandhaafd gebleven; a. met name, twee tot het militaire strafrecht betrekkelijke artikelen der wet v. 17 Sopt. 1870, Sb. 162 tot afschaffing der doodstraf; zonder mot name genoemd te zijn â inderdaad inzoover een ongemotiveerde afwijking van de goede methode â art. 19 al. 4 der wet v. 29 Juni 1854, Sb. 102, immers eene bepaling als bedoeld bij a. 5 Inv. w., âkrachtens welke de Regeering vreemdelingen wegens bedelarij of landlooperij veroordeeld, over de grenzen doet leidenquot; ').
Verder zijn eveneens met name afgeschaft, bij a. 4 Inv. w., a liet avis du Conseil d'Etat v. 28 0ct.-20 Nov. 180G, dat, in verband met art. 2 vlgg. Swb. moest worden goraist; en h do Wet v. 29 Juni 1854 Sb. 103, welker bepalingen toch omwerking behoefden en naar hare strekking in de wet v. d. R. O. en in hot Wh. v. Strafvord. behoorden.
Ton aanzien van de straf rechtelijke bepalingen in andere teelten
1
) Smidt V, 200â229. Reeds R. v. St. had er op aangedrongen, doch met minder goeden uitslag.
2
) De in O. R. O. in plaats van deze opsomming voorgestelde algemeene formule was hier: de uitdrukking âstrafwettenquot;; zoodat de rechter c. q. had uittemaken of eene wet oen âstrafwetquot; was, wat h, v. reeds ten aanzien van den Code Rural bezwaar moest opleveren.
92
heeft de uitwerking van het stelsel in dezer voege plaats gehad: 1°. Het stelsel â afschaffing, tenzij uitdrukkelijke handhaving â is toepasselijk verklaard voor alle wetten die vóór 1 Maart 1886 in werking traden (a. 2,d Inv. w.). 2°. In dat stelsel is als âhandhavingquot; nader aangeduid handhaving in de Invoeringswet zelve (ib.). 3°. De strafrechtelijke bepalingen betreffende onderwerpen van algemeenen aard zijn, als âbepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het Eerste Boek v. h. Wh. v. Strafr. behandeldquot;, in verband met de opschriften dier titels duidelijk aangewezen (ib.). 4°. Ten aanzien van de andere voorschriften is de afschaffingsformule duidelijk beperkt tot de strafbepalinyen, zoodat de verbods-of gebodsvoorschriften door haar niet worden getroffen 1). 5°. De (jehandhaufde bepalingen zijn niet onder eene algemeeno uitdrukking saamgevat, maar, met aanduiding van wetsartikelen en onderdeden van wetsartikelen, chronologisch geordend, nauwkeurig aangewezen (artt. 10 nquot;. 1â47, 12 nquot;. 1, 2).
De aldus gehandhaafde strafrechtelijke bepalingen, de eenige derhalve van vóór 1 Maart 1886, die naast het wetboek c. a. gelden, komen voor in de volgende wetten :
1669 (Aoül). Ordonnance des eaux el forêts (a. 10' Inv. w.).
1806. Publicatie omtrent een algemeen rivier- of waterrecht (a. 10' Inv. w.).
1814. Verbodsvvet betr. loterijen (a. 1U2).
1815. Zondagswei (103).
1827. Scliutlerijwel (I01).
1841. W. betr. de rechlsmacbl der heemraadschappen enz. (102).
1842 (1876, 1878). Nolariswet (lü0).
1843. Tarief v. justitiekosten in burgerl. zaken (107 8).
1850 (1855). Poslwet (lüD).
1853. W. o. d. kerkgenootschappen (lO'0).
, W. betr. hel bouwen in den omtrok v. vestingwerken (10quot;).
1
) M. v. T. Sto. blz. 21; Smidt V, 205. Het beginsel heeft verreikende gevolgen voor het plaatselijk strafrecht (zie beneden),
2
) De in 0. E. O. in plaats van deze opsomming der artikelen voorgestelde far-tnule was hier eene opsomming der wetten alleen, met deze aanduiding der daarin gehandhaafde bepalingen âvoorzoover zij feiten betreffen, waartegen in het Wetboek van Strafrecht niet is voorzienquot; , zoodat bij de toepassing steeds vergelijking tus-schen do speciale wet en het wetboek zou noodig zijn.
93
1854 (1870). VV. o. h. armbestuur (1Ã12).
18B5. W. o. h. recht v. vereeniging en vergadering (JO13).
1857. Jachtwet (10H).
1859. Loodsdienst voor zeeschepen (1015).
18öl (ISü'J). \V. omtr. landverhuizers (1016).
â (1884). Militiewei (1017).
18G5 (1880). W. betr. uitoefening d. geneeskunst (1018).
, W. betr. uitoefening d. artsenijbereidkunst (K)1quot;)-, (1807). W. tot regeling v. h. loods- en bakenwezen op eenige wateren en strooraen (lO15).
1866 (1877). W. betr. de inkwartieringen (102ü).
186!). W. betr. vrachtvervoer op de landwegen (I0'n).
, (1874). Maten en gewichten-wet (10quot;).
, Begrafeniswet (10s3).
, W. betr. zeebrieven (1021).
â W. betr. stoonitoestellen (lO25).
1870 (1875, 1878, 1880). VV. betr. veeartsenijkundige policie (1026 12'). 1872 (1874, 1877). W. o. d. besmettelijke ziekten (102;).
1874 (1875). W. betr. d. veeartsenijkunst (102S).
â W. betr. kinderarbeid (102a. â Deze wet vervalt 1 Jan. 18U0). 1875. Spoorwegwet (1030).
, W. betr. inrichtingen die gevaar enz. kunnen veroorzaken (103'). , W. betr. hondsdolheid (1032).
â W. betr. d. Coloradokever (1033).
1876 (1878, 1881, 1883, 1885). W. betr. hooger onderwijs (1034). n VV. betr. tandheelkunst (1035).
, W. betr. vervoer v. vergiftige stoffen (lO30).
, W. betr. coöperatieve vereenigingen (103').
1877. Quarantainewet (1038).
, W. betr. pasmunt (1033).
1878 (1882, 18S4). W. betr. h. lager onderwijs (lOquot;').
1880. W. betr. openbare middelen v. vervoer (10quot;).
â W. betr. nuttige diersoorten ( 1042),
1881 (1884). W. betr. zeevissnhenjen (1()'3).
, (1884, 1885). Drankwet (10quot;).
1883. \V. betr. visscherijpolitie i. d. Noordzee (lO15).
1884. W. betr. krankzinnigen (lO16).
1885. W. betr. d. Staatsloterij (1047, 122).
Met deze korte verwijzing moge worden volstaan en met de herinnering dat de W. v. 81 Deo. 1887 Sb. 265 âtot wijziging van bestaande wetten enz.quot; nog eene kleine rectificatie in enkele der gehandhaafde artikelen aanbracht.
94
Dc strafrechtelijke bepalingen, voorkomende in wetten welke in werking getreden zijn na 1 Maart 1886, bestaan naast de strafwetgeving van 1 September van dat jaar naar de gewone, door recht en reehtswetonschap erkende regelen betreffende de onderlinge verhouding van oudere en jongere wetten. â Zij zijn do volgende:
188G. Artt. 1, 2 W. v. U April, Sb. fil (in werking getreden 1 Juni), houdende wijziging van eenigo bepalingen der wel v. 13 Juni 1857 (Sb. 87) lot regeling der jacht en visscherij (artt. 10, 40, 41, 42, in verband met het zalmtractaat v. 30 Juni 1885).
, W. v. 15 April Sb. 65, houdende maatregelen ter uitvoering van de internationale overeenkomst tot bescherming van onderzeesclie telegraafkabels (gewijzigd b. d. W. v. 1 Juli 1887, Sb. 109).
â W. v. 10 Decemher, Sb. 213 tot regeling van de tenuitvoerlegging v. d. ingevolge de wet v. 11 April 1827 (schiitlerijwet) uitgesproken veroordeelingen enz.
1887. W. v. 4 Juli, Sb. 109, lot wijziging v. d. W. v. 15 April 1880 Sb. 05, houdende maatregelen enz. tol bescherming v. underzeesche telegraafkabels.
â W. v. 31 December, Sb. 265 lot wijziging v. bestaande wetten eaz. (reeds meermalen aangehaald).
1889. Artt. 17 vlgg. W. v. 5 Mei, Sb. 48, (in werkingtredend 1 Jan. 1890), houdende bepalingen lol het tegengaan van overmatigen en gevaarlijken arbeid van jeugdige personen en vrouwen.
â Artt. 7 vlgg. W. v. 23 Juni, Sb. 82, houdende bepalingen tol voorkoming van bedrog in den boterhandel.
Tot het erlangen van overeetisleiimiiiKj tusschen het wetboek en de gehandhaafde wetten, zijn voor deze bet ten aanzien der onderwerpen van ahjemeenen aard in art. 91 Swb. gehuldigde , reeds vermelde beginsel en liet voor de verdeeling der strafbare feiten aangenomen stelsel uitgewerkt door artt. 11 en 12 al. uit. Inv. w. en door de wijzigingen, welke in a. 10 de gehandhaafde wetsbepalingen, in a. 14â18 andere geldende wetten hebben ondergaan; terwijl inachtneming en uitwerking van die overeenstemming in latere wetten telkens plicht van den wetgever is. â Eindelijk zijn de een onderwerp van algemeenenaard rakende ar 11. 74 Frov. tv. en 47 Gem. w. uitdrukkelijk gehandhaafd (a. 23, 24 Inv. w.).
95
Disciplinaire voorschriften, waarvan het begrip eerst kan worden vastgesteld bij de behandeling van het begrip straf, vallen èn buiten art. 91 Swb., èn buiten de afschaffingsfor-mule der Inv. w. (a. 3 -al. uit.).
Ook internationale verdrayen , door de Nederlandsche regoering met buitenlandsche mogendheden gesloten, naar do regelen door do Grondwet gesteld â met name volgens art. 59 al. 2 (G. 1848 a. 57 al. 3, G. 1815/40 a. 57) âkunnen den grondslag vormen voor of do bron zijn van strafrechtelijke bepalingen , welke als Nederlandsch strafrecht binden.
Zij kunnen dit zijn op onderscheiden wijzen:
1°. De verdragen kunnen wel zelve verbods- en gebodsvoor-schriften vaststellen, maar ten aanzien van de strafrechtelijke sanctie slechts aan de regeering den plicht opleggen om strafbepalingen aan de Wetgevende Macht des lands voor te stellen. Zijn dergelijke wetten ter uitvoering van het verdrag-vastgesteld, dan is de rechtstreeksche bron der strafrechtelijke bepalingen niet het verdrag, maar de landswet1). Intusschen zijn, voorzoover de bedoelde landswetten bij do aanduiding-of omschrijving van het delict naar de verdragen verwijzen, bij de toepassing der strafbepalingen de verdragen zelve mede middellijk haar bron 2).
2''. De intern, verdragen kunnen, in de plaats van landswetten uit te lokken, zelve het nationale recht, bestaand of toekomstig, toepasselijk verklaren op gevallen in hot verdrag genoemd. Zou in die gevallen liet nationale recht zonder zoodanige toepasselijk-verklaring niet toepasselijk zijn, dan moet
1
w. 7 Dec. 1883, Sb. 202. â 2, i, z. de bescherming v. onderzeesohe telegraafkabels, a, 12 der Conv. 14 Maart 1884, aangevuld 21 Mei 1886, (gdgk. Wn. 18 April 1885, Sb. 89; 31 Mei 1887, Sb. 90) en artt. 2â5 der Uitv.w. v. 15 April 1.886 Sb. 65, gew. 4 Juli 1887 Sb. 109. â⢠3. i. z. de zalmvisscherij op den Eijn, a. IX der Conv. v. 30 Juui 1885 (gdgk. W. 14 April 1886, Sb. 60) en de Uitv.w. 14 April 1886, Sb. 61.
2
) Vgl. b. v. a. 3â6. W. tot uitv. d. Conv. betr. visscherij i. d. Noordzee; het gewijzigd a. 2 W. tot Uitv. der Conv. betr. do telegraafkabels jctis a. 2 d. Conv.; en de nadere verklaring omtrent de grenzen der strafrechtelijke aansprakelijkheid in do aanvullende Conventie.
96
liet verdrag zelf â hoezeer in verband niet de landswet â zeker mede als rechtstreeksche bron worden beschouwd 0).
3°. Maar de intern, verdragen kunnen niet slechts rechtstreeks, doch tevens uitsluitend rechtsbron wezen, inzoover de strafrechtelijke bepalingen, voorkomen a in de verdragen zelve, of h in bij verdrag vastgestelde internationale reglementen '0).
Ten aanzien van de bepalingen, sub 10 bedoeld, gelden de gewone regelen van artt. 3d en 10 Inv. w. Ten aanzien van die â bepalingen omtrent de algemeene onderwerpen en strafbepalingen â bedoeld sub 2° en 39 en vóór de invoering van het wetboek van kracht, bepaalt art. 6 Inv. w., dat zij van kracht blijven. Ze gelden dus ongewijzigd, ook al wijken ze (die sub. 3°) van het gemeene recht af quot;). Ook de verhouding van latere verdragen zal geen andere zijn 12).
Bij Koninklijk Besluit vastgestelde algemeene maatregelen van (inwendig) bestuur kunnen gebods- en verbodsvoorschriften inhouden, maar, naar de in de Inv.w. gehuldigde opvatting, moeten de strafrechtelijke bepalingen ter hunner sanctioimee-ring zijn vastgesteld in do wet n).
9) Vgl. b. v. a. 32 Conv. betr, vissoherij i. d. Noordzee, j0. artt. 180, 184Swbk. Vgl. van Hamel, Wedorspannigheid. ïijdsclir. v. Strafr. I, 30. Pahud de Mortan-ges: Zijn de feiten, vroeger strafb. ingev. a. 9 al. 2, 3 W. 7 Deo. 1883, strafb. gebleven? (Diss. 1888) 32. â a. 26, Conv. tot bescherming v. d. industrieelen eigendom v. 20 Maart 1883 (gdgk. W. 24 April 1881, Sb. 53) ju a. 337 Swbk.
10) Vgl. voor a art. 32 Rijnvaait-traotaat v. 17 Oct. 1868 (gdgk. W. 4 April 1869, Sb. 37, afgek. K. B. 3 Mei 1869 Sb. 75 j0. Regl. 0 Jan. 1888 Sb. 1). â Voor h de in M. v. ï. ad a. 6 Inv.w. (Sinidt V, 218) aangehaalde strafbepalingen, voorkomende in de reglementen bij overeenkomst v. 20 Mei 1843 (ter nitv. v. d. trac-taten v. 19 April 1839 en 5 Nov. 1842) tussohen Nederland en België vastgesteld (K. B. 9 Sept. 1843, Sb, 45): a. 22, 29 Rgl. betr, scheepvaart op de Schelde; i. 23, 60 Regl, betr. loodswezen; a, 19, 21 Regl. betr, visscherij; a. 27, 29,32,33, 35 Regl. betr. de vaart op de binnenwateren tusschen Schelde en Rijn; a. 45 Regl. betr. de scheepv. v. d. Maas, gewijzigd, voorzooveel het Belgisch grondgebied betreft, b. d, Conv, v. 31 Oct, 1885 (K. B. 12 Febr, 1886, Sb, 36); a. 11 , 41 Regl, betr. scheepvaart o. h. Kanaal v, Terneuzen,
quot;) Vgl. b, v, de speciale minima der geldboeten.
''-) Zie over intern, verdragen als bron van rechtsplichten: Levy, Wet of tractaat? (1881); Buys, Grondw. I, 215.
13) Over de vraag, of a, 56 Gw, (nieuw) een ander stelsel toelaat, zie beneden. âVoorzoover vroeger wel eens in strijd met dit beginsel gehandeld is, zullen die strafbepalingen, als door de Inv, w, niet gehandhaafd, thans vervallenquot; merkt de Reg. ergens ter loops op (Smidt V, 433), Dit argument is m. i. onjuist, ver-
97
De groote strijdvraag nu omtrent de rechtskracht dier voorschriften, in verband mot de algemeeno strafrechtelijke sanctie vervat in art. 1 dor wet v. 6 Maart 1818, Sb. 12, moest, waar rechtszekerheid, vastheid van hot positieve strafrecht beoogd werd, âvoorzooveel die strijd mot het strafrecht in verband staatquot;, bij de invoering van hot Wetboek worden opgelost14). Als leidend staatsrechtelijk beginsel werd daarbij aangenomen, dat dergelijke voorschriften, die strafrechtelijke sanctie behoeven, in eenige speciale wet niet alleen zoodanige sanctie maar ook zelve wettolijkon grondslag moeten vinden. In de toekomst zou do wetgever zich door dit beginsel moeten en kunnen laten leiden. In de gevallen waarin hij dit te voren deed, bleef voor de Inv.w. alleen de vraag te beantwoorden, inhoever de op dat beginsel gevestigde wetten, in verband met het wetboek, behoorden te worden afgeschaft of gehandhaafd en gewijzigd. In de gevallen waarin hot to voren slechts ten deele geschiedde, zou bovendien het ontbrekende moeten worden aangevuld. In de gevallen waarin het te voren niet geschiedde â die dus waarbij boven vermelde strijdvraag zich voordeed â zou voorloopig do bestaande toestand kunnen worden gehandhaafd, maar, door het stellen van een tormij n , de wetgever tot het in het leven roepen van een toestand in overeenstemming met het gehuldigde beginsel moeten worden gedrongen 15).
Aan deze leidende gedachten danken do artt. 19â22 Inv.w. haar ontstaan.
1°. Inzoover de voorschriften vervat in eenigon algemeenon maatregel van (inwendig) bestuur in eene bijzondere wet (van vóór 1 September 1886) èn hun wettolijken grondslag èn hunne strafrechtelijke sanctie vinden, zijn die strafrechtelijke
mits a. 3d Inv. w. alleen gewaagt van atrafbepalingon, die in wetten voorkomen. Voorbb. in do reeds vervallen Besluiten v. 24 Nov. 1829 op de openb. middelen v. vervoor, en v. 22 Maart 1831 op do rijkatollen. Mochten er nog andere bestaan, dan mogon zij ooliter, althans zoolang a. 1 W. G Maart 1818 geldt, niet worden toegepast.
I4) Overzicht over deze vraag Buys, Grondw. I, 327.
ls) Sraidt V, 193, 428.
7
98
bepalingen' alle uitdrukkelijk gehandhaafd] evenwel â behoudens 't geen te dezen aanzien begrepen mocht zijn in art. 10 Inv.w. 16) â niet met name, en daarom naar de algemeene formule âvoorzoover betreft feiten waartegen in eenige andere wet niet is voorzienquot; (art. 19 al. 1) ,7). Voorts zijn die bepalingen met de beginselen van het wetboek in overeenstemming gebracht (art. 19 al. 2â5).
2°. Inzoover de voorschriften vervat in eenigen algemeenen maatregel van (inwendig) bestuur in eene bijzondere ivet (van vóór 1 September 1886) wel hun wettelijken grondslag, maar â wegens de algemeene wet van 6 Maart 1818 niet hunne strafrechtelijke sanctie vinden, zijn, vermits de evengenoemde wet vervallen moet, de strafrechtelijke bepalingen voortaan in de Inv.w. zelve vastgesteld (art. 20)'s).
3°. Inzoover de voorschriften vervat in eenigen algemeenen maatregel van (inwendig) bestuur in eene bijzondere wet (van vóór 1 September 1886) noch hunne strafrechtelijke sanctie, noch zelfs hun wettelijken grondslag vinden, doch aan die voorschriften op anderen grond, b. v. krachtens eene uit de Grondwet afgeleide bevoegdheid des Konings, bindende kracht moet worden toegekend en de sanctie vervat is in art. 1 dei algemeene Wet van 6 Maart 1818, Sb. 12, is die wet, behoudens eenige wijziging in overeenstemming met het wetboek, uitdrukkelijk gehandhaafd; edoch slechts voorloopig, tot 1 September 1890 (art. 22 Inv.w. j0. laatstelijk W. v. 28 Aug. 1889 Sb. 112),9).
16) B. v. a. 56 al. 2 Spoorwegw. in a. 1030; a. 2 W. 5 Juni 1875 in a. lO3-
^quot;) Over gevallen, waarin het twijfelachtig kan heeten, of het gesanctioneerdo rechtsvoorschrift in de wet voorkomt of in den bestuursmaatregel - een twijfel voor de strafbaarheid zonder invloed â Smidt V , 426.
is) ïe voren dus gold hier de W.. v. 6 Maart 1818. Als voorbb. worden door K v. St. aangevoerd (Smidt V, 428): a. 24 W. op de landverhuizers v, 1 Jum 1861 Sb. 53; a. 11 W. op het gebrnik der stoomtoestellen v. 28 Mei 1869, Sb. 97; W. betr. h, verbod tot uit- en doorvoer van paarden v. 24 Juli 1870 Sb. 143; a. 4 al. 2 W. o. h. lager onderwijs v. 17 Aug. 1878 Sb. 127.
'») ïot de onder dit nquot;. bedoelde algemeene maatregelen van bestuur behooren bepaaldelijk de vele kanaalreglementen, de besluiten regelende tolgelden en die opgenoemd door K. v. St. in zijn advies. Smidt \ , 429.
99
4°. Vermits de Wot v. 6 Maart 1818 vervallen zal, behoort dus de wetgever, door bijzondere wetten , ten aanzien van vroegere besluiten inmiddels in do aanstaande leemte te voorzien en aan latere besluiten telkens vooraf grondslag en sanctie te verleenen.
5°. Aan éénen algemoenen bestuursmaatregel, die wèl aan een bijzondere wet grondslag en sanctie ontleende, maar wegens de afschaffing van die wet deze verliezen zou, is uitdrukkelijk in do Inv.w. zelve eeno bijzondere sanctie gegeven quot;).
Ten aanzien van de strafrechtelijke onderwerpen van alge-meenen aard en de verdeeling dor strafbare feiten geldt betten aanzien van de wetten in 't algemeen opgemerkte ook hier21).
Eindelijk zij, in verband mot de bij de samenstelling der Inv.w. beoogde gedragslijn voor 't vervolg, zooeven sub 4° omschreven, thans aan het nieuwe art. 56 der Grondwet herinnerd.
Voor de rechtskracht der algemeene bestuursmaatregelen is de bovenbedoelde strijdvraag er uitdrukkelijk opgelost en zoowel voor de verbods- en gebodsvoorschriften als voor de poenale sanctie grondslag in de wet gevorderd.
De eisch van een bijzondere wet is echter na oen verwarde beraadslaging, jammer genoeg, niet opgenomen. Bovendien wekt het artikel naar zijn geschiedenis een nieuwen twijfel: of n.1. de wet ook, in plaats van, naar het tot nu toe gevolgde beginsel, zelve de straften te bepalen, voortaan volstaan kan met het aanwijzen van de grenzen, waarbinnen de Koning strafbedreiging heeft vast te stellen. Intusschcn moet de ton slotte gekozen redactie, met name het woord âop te leggen straffenquot; m. i. oorder tot eene ontkennende beantwoording leiden ,2).
30) Regl. betr. de ontginning v. steenkdanmijuen, behooronde bij Tv. B. 28 Juni 1877, Sb. 155, jn. de in Inv.w. niet gehandhaafde W. v. 21 April 1810. Vgl. a. 34 Regl.
21) a. 91 8wb.; 19 al. 2âlt;1 jquot; 11 Inv. w.
3!!) Arntzenius, Hand. o. d. Herziening d. Grvv. V 621; Buys, Gronlw. III, 86.â Over de laatstbesproken vraag gaf do Rog. tegenstrijdige verklaringen; in de 1quot; Kamer (Arntz. IX, 476) in den hier verdedigden zin; zoo ook Buys, 1. c. 93, die echter do beslissing betreurt. â Vgl. in verband met oen en ander het wetsontw. tot vaststelling v. bepp. betr.'s Rijks waterstaatswerken. W. 5612, 5(317, 5720, 5726.
100
Voor het plaatselijk strafrecht geldt naar Noderlandsch recht tweeërlei 23).
Vooreerst, dat do plaatselijke wetgevers de gebods- of ver-hodsvoorschriften vaststellen binnen de grenzen in het admini-stratiefrecht aangewezen, met name, wat elk hunner betreft, alleen voorzooveel het niet onderwerpen geldt waarin een hoogere wetgever voorzien heeft, voorziet, of behoort te voorzien 21). Zoo heeft het Wetboek v. Strafr. zelf aan den plaatse-lijken wetgever menige regeling onttrokken, welken de Code Pénal hem overliet25). En zoo staat ook â vermits de afschaffingsformule der Invoeringswet, gelijk reeds werdt opgemerkt, de in vroegere wetten voorkomende verbods- en gebodsvoorschriften niet treft â het voortbestaan van zoodanige, door den rijkswetgever nu niet meer strafrechtelijk gesanctioneerde, maar niettemin geldende en althans door het burgerlijk recht (a. 1401 B. W.) of wellicht ook door policiemaatregelen verzekerde voorschriften somwijlen aan de bemoeiing van den plaatselijken wetgever ernstig in den weg quot;).
Verder stelt de plaatselijke wetgever mede, ter sanctioneering van zijne voorschriften, zelf de strafbepalingen vast.
101
edoch binnen de grenzen hem door den rijks wetgever gesteld en voorzoover niet door een hoogeren wetgever in de strafrechtelijke sanctie is voorzien. Ook op dit punt is het bestaande stolsel in de nieuwe strafwetgeving onaangetast gebleven en alleen in overeenstemming mot het strafstelsel van het Wetboek gewijzigd; is het bovendien consequenter doorgevoerd, vermits het Wb. v. Strfr. zelf, anders dan de C. P., in geen enkel geval (hot zeer speciale a. 443 uitgezonderd) zelf de strafbedreiging vaststelt
De rechtstoestand is nu deze, dat:
«. Krachtens art. 1 al. 1 W. v. 25 Mei 1880, Sb. 86, zooals het bij de Inv. w. is gewijzigd, de Provinciale Staten tegen overtreding van door hen vastgestelde regelementen en verordeningen en van reglementaire voorschriften ter invordering van provinciale belastingen, kunnen bepalen hechtenis van ten hoogste 12 dagen of geldboete van ten hoogste 75 gulden, alsmede verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen (nader aangeduid in a. 23 al. 2â4 Inv. w.);
h. Krachtens art. 1 al. 2 derzelfde wet j0. art 23 dor wet v. 12 Juli 1855 Sb. 102, de Koning tegen overtreding van voorschriften door hem vastgesteld ter regeling van âbelangen van waterstaat, twee of meer provinciën gemeenschappelijk aangaande, over wier regeling de Staten dier provinciën zich niet of niet behoorlijk verstaanquot;, dezelfde straffen stellen kan (art. 23 al. 2--4 Inv. w.);
c. Krachtens art. 161 dor gemeentewet van 29 Juni 1851 Sb. 85, zooals het nu luidt volgons de Inv. w., de Gemeenteraad op overtreding zijner verordeningen stollen kan hechtenis van ten hoogste 6 dagen of geldboete van ten hoogste 25 gulden en verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen (nader aangeduid in art. 24 al. 2 Inv. w.);
d. Krachtens art. 1 W. v. 12 Juli 1855 Sb. 102, zooals het nu luidt volgende Inv. w., de besturen van Waterschappen âop overtreding der keuren of verordeningen van politie,
27) Zio ook hot in a. 102' Inv. w. gehandhaafde a. 3 W. 6 April 1869, Sb. 39.â Vgl. b. v. C. 1'. artt. 471 4° 5°, 475 3°.
102
door hen krachtens de hun toegekende of tot hiertoe wettig uitgeoefende bevoegdheid gemaakt of te maken, en van daarmede gelijkstaande voorschriften, hechtenis van ten hoogste 6 dagen of geldboete van ten hoogte 25 gulden kunnen stellenquot; (art. 26 Inv. w.).
Uitzonderingen op dit stelsel vormen alleen:
a. de bepalingen der acht eerste Titels van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht, welke ook toepasselijk zijn op feiten waarop bij verordeningen straf is gesteld, en waarvan alleen bij de wet kan worden afgeweken (a. 91 Swb.);
b. de verdubbeling van het maximum der bij de gemeentelijke verordeningen en waterschapskeuren bepaalde straffen in geval van herhaling, eene verdubbeling die immers door de gemeentewet (a. 162) en de waterstaatswet (a. 2) zelve bepaald is (a. 24, 26 Inv. w.).
c. de strafrechtelijke bepalingen tegen ontduiking of overtreding ter zake van plaatselijke belastingen, die immers in de gemeentewet zelve opgenomen, in de Inv. w. gehandhaafd en in overeenstemming met het Wetboek gewijzigd zijn (a. 25 Inv. w.)!8).
De voormelde wijzigingen door de Inv. w. gebracht in de wetten waaraan de plaatselijke wetgevers hunne wetgevende bevoegdheid ontleenen, zouden voor de toekomst gelden. Om de strafbepalingen in de op 1 September 1886 bestaande provinciale , gemeente- of waterschapsverordeningen , reglementen, reglementaire voorschriften of keuren met het Wetboek in overeenstemming te brengen, konden twee wegen worden in-
28) Smidt V, 432. â Zie over de strafbedreigingen Krabbe 1. c. 20 vlgg. â Botr. het maximum v. vervangende hechtenia afwijking v. h. gemeene recht in a. 23 al. uit. Inv.w. â Speciale minima zijn uitgesloten; a. 91, 18 , 23 Swb. â Hechter is of geldboete kunnen ook alternatief worden bedreigd; argg. de beginselen v. h. Swb.; de redactie v. a, 101 Gemw. (oud) waarover H. R. 27 Oct. 1852 W. 1459; de nieuwe redactie die niet het tegendeel leert; de M. v. T. Smidt V, 433c; vooral a. 27 al. 2 Inv. w. Anders Krabbe 1. c. 26, tegen wien in W. 5325, 5327; vgl. Tijdschr. v. S. I, 611. â Verbeurdverklaring is per se facultatief; a. 33 Swb. â Zij kan niet afzonderlijk worden bedreigd: a. 96 Swb. Niet door waterschapsbesturen , Smidt V, 438. Zie bijzonder over de strafwetgevende bevoegdheid der waler-sehapshestaren J. L. do Leao Laguna in Tijdschr. v. Strafr. III, 183.
10:]
geslagen: of den plaatselijken wetgever tot het aanbrengen van do noodige wijzigingen een zekeren tijd toe te staan en inmiddels regelen te stellen voor een overgangstijdperk, öf de wijzigingen te omschrijven en in te voeren bij de wet. De wetgever heeft den kaatsten weg, als eenvoudig en practisch gekozen : ten aanzien van de strafrechtelijke bepalingen van algemeen en aard geldt ook voor de bestaande verordeningen a. 91 Wb.; ten aanzien van de strafbepalingen geldt art. 27 al. 1, 2 Inv. w. ''). In hoever de verbods- of gebodsvoorschriften van bestaande verordeningen wegens voorziening in het Wetboek van Strafr. van rechtswege vervallen zijn, moet naar de geldende, boven aangeduide beginselen van administratief recht worden beoordeeld.
Hiermede zijn, behalve voor het fiscaal en het militair recht, de bronnen van het Nederlandsche strafrecht aangewezen. ^).
-9) Amendement Goekoop. Smidt V, 442. â Wegens a. 27 al. 1 Inv. w. schijnt de noodzakelijkheid om in a 27 al. uit, a. 3 W. v. 25 Mei 1880 uitdrukkelijk te handliaven, twijfelachtig. Andera R. v. St. Smidt V, 440.
30) Alr/emeenc Nederlandsche strafrechtslittcratuur: Smidt, Geschiedenis enz. (reeds vermeld 10, 11 n. 1). â Ascher en Simons, liet nieuwe Wetb. v. Strafr. (Vergelijking van hoofdpunten; (1886), â Polenaar en Heemskerk (eerst ook Hazelhoff), Het Wetb. v. Strafr. in doorloopende aantt. verklaard (1881â1889), waarop nog eene âNalezingquot; te wachten is. (Vooral als commentaar op B. II, III van belang). â Jhr. O. Q. van Swinderen, Het hedendaagsche strafr. in Nederl. en in het Buitenl. Algem. ged. 2 dln. (1889); zie daarover Ree. v. Pols in Tijdschr. v. Strafr. Ill 398. â B. van Royen en H. H. A. van Royen, De strafwetgeving met betrekking tot do kantongerechten (le all, 1889), â Tijdschriften; Allereerst liet sinds 1 Sept. 1886 verschijnend Tijdschrift van Strafrecht onder redactie van de hoogleeraren Pols, v. d. Hoever., v. Hamel, Domela Nieuwenhuis (aan te halen als T. v. S.) en daarin, behalve onderscheiden opstellen, o. v. d. Hoeven Overzicht van de litteratuur betreffende het Wetb, v. Strafrecht (van vóór 1 Sept, 1886) I, 72, 220, b. van de geheele Redactie jaarlijks Overzicht van Rechtspraak en Litteratuur (Wb. van Sr,, Wb, v. Sv., Bijz. wetten enz.) I 512, H 451, III 464, Het ï. geeft, sinds Dl, VI, een bibliographisch overzicht ook v. buitenl. litteratuur en, als bijl,, een rubr. Wetgeving. â Voorts opstellen in N. Bijdragen v. Rechtsg, en Wetgeving; Themis; vooral Rechtsg, Magazijn. â Verzamelingen v. Rechtspraak, Woekbl, v. h. Recht (W.); Paleis v. Justititie (P. v. J.); v. d. Honert, Verz. v. arresten, Afd. Strafv. en Strafr,; Ned, Rechtspr. v. Jhr. de Qijselaar (N. R,); Lóon's Rechtspr. v. d. H,R. Wetb. v. Strafr. door J, v. Praag (1889).
104
§ 13. Het fiscaal en het militair strafrecht.
T. Hot Rijks-fiscaal strafrecht neemt ook hier te lande in het rechtssysteem een afzonderlijke plaats in '). Niet slechts ligt het buiten de algemeene codificatie en is het bij do invoering van de nieuwe strafwetgeving, zoowel ten aanzien van de onderwerpen van algemeonon aard als van do strafbepalingen, in zijne afzonderlijke wetten uitdrukkelijk gehandhaafd (a. 7 Inv. w.); maar gehandhaafd is ook zijn karakter als jus singulare, waarnaast hot gemeene recht (vgl. a. 91 Swb.) slechts aanvullende kracht bezits).
Van het aldus in 't algemeen gehandhaafde zijn alleen enkele bepalingen uit de Wet omtrent den waarborg van 18 Sopt. 1852, Sb. 178 (a. 9 al. 2, 13 al. 4 en 27), als door het Swb. overbodig geworden afgeschaft (a. 7 al. 1); terwijl voorts, tor bevordering althans van overeenstemming met het gemeene recht, ton aanzien van het strafstelsel, de beginselen omtrent straftoemeting en de vordoeling der strafbare feiten, eonige onvermijdelijke wijzingen en aanvullingen, doch ook niets moer dan onvermijdelijke, zijn aangebracht (a. 7 al. 2â8)1).
Intusschen huldigt dit fiscaal strafrecht op menig punt beginselen , van de in 't gemeene recht aangenomone zoo scherp afwijkend, dat zo zelfs als jus singulare hoogst bedenkelijk zijn. De wetgever achtte echter de invoering van het Swb. niet het geschikte oogenblik voor oene omwerking van deze moeilijke en ingewikkelde stof.
Ter vaststelling nu van wat als zoodanig rijks-fiscaal strafrecht geldt, moet op de omschrijvende uitdrukking van a. 7 al. 1 Inv. w. âstrafbepalingen welke voorkomen in wetten rakende zaken van Rijksbelastingenquot; nauwkeurig worden gelet. Op grond van die omschrijving behooren er dan toe: niet alleen 1°. alle
1
) Uitwerking in ï. v. Sr, door Nijpels, 1. c., Qookinga 1426, Schim v. d. Loeff, III 259.
105
bepalingen betreffende eigenlijke belasting-delicten , ook al komen ze in andere dan belastingwetten voor1); maar eveneens ook 2°. alle bepalingen betreffende delicten van anderen aard â zelfs al zonden ze binnen een delictsbegrip van 't geraeene recht begrepen zijn â indien ze in eigenlijke belastingwetten zijn vervat2). Daarentegen behooren daartoe niet strafbepalingen welke buiten beide categorieën vallen, ook al geldt daarbij de strafrechtspleging voor fiscale zaken 6),
De bronnen van het Rijks-fiscaal strafrecht, nu zijn de volgende:
Akjemeene,
Art. 7 Inv.w.; art. 91 Swb.; art. 20 Inv.w. in verband met sommige Algem. Maatregelen v. Bestuur3); artt. 410â418 VVb. v. Strafvord.
Bijzondere.
A. Directe belastingen 4).
1. W. op de In Bordering v. quot;s Rijks directe belastingen, v. 22 Mei 1845 Sb. 22 (bep. a. 17 al. 5, 21); gew. d. W. 15 Juli 1869, Sb. 183.
2. Grondbelasting. â W. v. 20 Mei 1870, Sb. 82; gew. d. W. v. 22 Juli 1873, Sb. llü (a. 31, 32; strafbep. a. 14); 20 Juli 1884, Sb. 149; 30 Dec. 1887 , Sb. 259 a).
3. Personeel. W. v. 29 Maart. 1833, Sb. 4 (bep. a. 35, 39, 4G, 48, 50â52); gew. d. Wn. v. 29 Dec. 1835, Sb. 43; 24 April 1843, Sb. 15; 22 Mei 1845, Sb. 22 (a, 2, 8, 10, 14); 9 April 1869, Sb. 59; 15 Juli 1869, Sb. 133.
4. Patentrecht. â VV. v. 21 Mei 1819, Sb. 34 met de bijbehoorende tabellen (bep. a. 1 vlgg. 9 § 3, 14 § 2, 29â34, 37â43); gew. en aangev. d. Wn. v. 6 April 1823, Sb. 14; 16 Juni 1832, Sb. 30; 9 Juli 1842, Sb. 20 (Notaris-
1
) B. v. a. 27 Notarisvvet, rakende h. patentrecht. Smidt, V 250.
2
) a. 8 W. 30 Doe. 1865, Sb. 173, uitdr. gehandhaafd bij a. 1015 Invw.
3
) Voor 't geval niet de fiscale wet die den Koning de vaststelling v. zoodanige maatregelen opdraagt, zelve de poenale sanctie vaststelt: b. v. a. 2 W. 7 Juli 1865, Sb. 80 (gedistilleerd). Ygl. Nijpels T. II, 75, m. i. ten onrechte v. oordeel dat voorshands a. 22 Inv.w. geldt.
4
s) Léon's Rechtspr. III 1â3 door Briedé (1876, 78, 88).
100
wet, a. 27); 2i April 18t3, Sb. 16; 22 April 1852, SI). 01; 8 Mei 1869, Sb. 77; 17 April 1887, Sb. 64.
J). Rechten op dun invoer en accijnsen 1ü).
1. a. Algemeene wet enz. v. 20 Aug. 1822, Sb. 38 (bep. a. 155, 205 vlgg., 323â325): gew. d. Wn. v. 29 Juni 1854, Sb. 102 (a. 23); 14 Juli 1855, Sb. 105; aangev. d. W. 22 Mei 1873, Sb. 67; j0. W. 31 Maart 1828, Sb. 10 (publ. entrepot). - h. Wn. v. 4 April 1870, Sb. 61 en 28 Dec. 1879. Sb. 250. â c. Alles in verband niet de accijnswetten (zie bierna) en de tarieven v. rechten op den invoer v. 15 Aug. 1862, Sb. 170; 1 Mei 1863, Sb. 47 (a. 9); 31 Dec. 1863, Sb. 220; 2 Juni 1865, Sb. 63 (a. 40); 28 Mei 1869, Sb. 94; 20 Juli 1870, Sb. 127 (a. 41); 6 April 1877, Sb. 71; 20 Juli 1884, Sb. 147 (a. 17); 29 Aug. 1886, Sb. 142 (a. 5); 4 Mei 1889, Sb. 45. â d. Voorts zijn, krachtens artt. 1 , 2 d. voorn. W. v. 4 April 1870 (geldig tot uit. Dec. 1890 vlgs. W. 25 Dec. 1887, Sb. 221) bij K. B. onderscheiden in de wettelijke regeling ingrijpende maatregelen van uitgevaardigd âtot vereenvoudiging der formaliteiten in acht te nemen bij den in- uit- en doorvoer of bij het vervoer v. goederen' K. Bn. 26 Maart 1872, Sb. 19; 4 Aug. 1S74, Sb. 116; 12 Maart 1876, Sb. 53; 17 Juni 1876, Sb. 114; 7 Nov. 1876, Sb. 193; 28 Oct. 1880, Sb. 185; 6 Maart 1881, Sb. 37; 17 Maart 1882,Sb. 44; 26 Oct. 1883, Sb. 148.
2. Accijns op suiker. â W. v. 2 Juni 1865, Sb. 63 omtr. d. accijns o. d. suiker (bep. a. 41â43); en W. v. 7 Juli 1867, Sb. 69, betr. accijns o. d. binnenl. suiker (bep. a. 81â90; met de wijzigingen, deels voor beide, d. Wn. v. 15 Sept. 1866, Sb. 147; 28 Juni 1868, Sb. »4; 19 Juni 1871, Sb. 68; 25 Mei 1880, Sb. 93 (bep. a. 5); 27 April 1884, Sb. 102 (bep. a. 6); 20 Juli 1884, Sb. 147; 29 Aug. 1886, Sb. 142.
3. Accijns op wijn. â Wn. v. 20 Juli 1870, Sb. 127 (bep. a. 42aâc.); 7 Mei 1878, Sb. 34 (bep. a. 12, 14).
4. Accijns op gedistilleerd. â W. v. 20 Juni 1862, Sb. 62, betr. binnenl. ged. (bep. a. 133â135); W. v. 1 Mei 1863, Sb. 47 betr. buitenl. ged. Beide gew. en aangev. bij Wn. v. 7 Juli 1865, Sb. 80; 4 Dec. 1869, Sb, 202; 4 April 1870, Sb. 61 (bep. a. 9); 6 April 1877, Sb. 70; laatstelijk, ook voor 't bedrag v. d. accijns, 23 Dec. 1886, Sb. 223 (zie bep. a. 10).
5. Accijns op zout. â Wn. v. 21 Aug. 1822, Sb. 35 (bep. a. 20); 26 April 1852, Sb. 93 (bep. a. 38, 43 vlgg.); 11 Dec. 1857, Sb. 123; 5 Mei 1859, Sb. 38 (a. 1/-); 7 Aug. 1865, Sb. 104 (bep. a. 9), 7 Dec. 1880, Sb. 221 (bep. al. uit.)
6. Accijns op zeep. â W. v. 4 Mei 1832, Sb. 13 (passim); gew. d. Wn. 14 Dec. 1844, Sb. 65; 15 Mei 1859, Sb. 38 (a. Ig).
'quot;) Wegens a. 7 al. 1 Inv.w. kan, voorzooveel noodig, als gehandhaafd worden aangemerkt a. 23 der a. Sc Inv.w. afgeschafte W. 29 Juni 1854Sb. 102. Nijpels, T. I 203, II 72. â Zie voor de Alg, W. J. Meijer, do A. W. enz. bijgewerkt tot 1 Juli 1881 (1882)1 voor Accijnswetten, ïroelstra, Handb. voor ambtenaren bij 's Rijksbel. (1873).
107
7. Accijns op hier en azijn. â W. v. 25 Juli 1871 , Sb. 92 (hep. a. 61 â(54); gpw. d. Wn. 27 Juni 1870, Sb. 130; 4 Mei 188!), Sb. 44 en 45 (a. 2).
8. Accijn op het geslar.ht. âW. v. 2 Aug. 1822, Sb. 31(passim); gew. d. Wn. 2 Jan. 1832, Sb. 5; 14 Dee. 1844, Sb. 66; 28 April 1852, Sb. 'Jti; 15 Mei 185Ã, Sb. 37; ü April 1866, Sb. 24; 27 April 1884, Sb. 103.
9. Scheepsmetinf! quot;). â W. v. 14 Juli 1855, Sb. 104 (a. 8); gew. d. Wn. 3 Juni 1875, Sb. 101; 28 Dec. 1879, Sb. 250 (a. 9).
C. Indirecte belastingen.
1. Zegelwettenâ¢). â VV. v. 3 Oct. 1843, Sb. 47 (hep. a. 4, 6 â 10, 13, 15, 17, 21, 30, 31â39); gew. en aangev. d. Wn. v. 24 Dec. 1856, Sb. 165; 7 Juli 1867, Sb. 85; 9 April 1869, Sb. 60; 4 Juli 1874, Sb. 87; 11 Juii 1882, Sb. 93 (bep. a. 2, 5, 10, 11)); 31 Dec. 1885 Sb. 264 (hep. a. 2, 4).
2. Registratierechten 13). â Loi d. 22 Frimaire An Vil, Bull. n0. 248 (bep. a. 33-38, 40â49, 51, 52, 54, 57, 59, 61, 63 vlgg.); L. d. 27 Venlöse An IX , Hull n°. 76 (bep. a. 4, 5, 7, 14, 15); W. v. 31 Mei 1824, Sb. 36 (bep. a. 2, 20, 21, 29); W. v. 16 Juni 1832, Sb. 29 (bep. a. 1. 3, 4, 7â9, 16); W. v. 11 Juli 1882, Sb. 92 (bep. a. 12, 15 al. 6, 19, 20).
3. Hi/potheekrechten (rechten v. over- en v. inschrijving). â L. d. 21Veii-tose An. VII. Bull, 266; W. v. 3 Januari 1824, Sb. 1 (bep. a. 4, 9); W. v. 16 Juni 1832. Sb. 29 (bep. a. 18, 21, 23, 24); W. v. 11 Juli 1882, Sb. 92 (a. 19).
4. Openh. verkoopingen v. roerende goederen. â L. d. 22 Pluvióse An VII, Bull 258 (a. 7, 8).
5. Successie en overgang bij overlijden1') â W. v. 13 Mei 1859, Sb. 36; gew. d. Wn. v. 28 Mei 1869, Sb. 95; 9 Juni 1878, Sb. 95; 31 Dec. 1885, Sb. 263 (bep. a. 10, 21, 22, 34, 35-39, 55, 60, 65).
D. Waarborg en belasting deh gouden en zilveren werken. â W. v. 18 Sopt. 1842, Sb. 178 (bep. a. 18. 19, 22, 26, 28, 30-63, 81, 82, 86 vlgg.); gew. d. W. 7 Mei 1859 Sb. 31; a. 7 Inv.w. (afscbalïend a. 9 al. 2, 13 al. 4 , 27).
Het bovenstaande geldt alleen voor liet /i'y/c.s-fiscaal strafrecht.
Ten aanzien van overtredingen ter zake van provinciale belastingen geldt, krachtens a. 23 inv. w., de W. v. 25 Mei 1880 (Sb. 86); ten aanzien v. overtredingen ter zake van ye-meentelijke belastingen gelden art. 24 Inv. w. en de daarbij
quot;) Vermits deze wetten tevens regelen de afBclialling d. vuur- ton- en bakengelden waarmede de meting oorspronkelijk samenhing, behooren zij m. i, tot die bedoeld in a. 7 al. 1 Inv.w.
1!!) Léon's Rechtspr. III, 4 door N. Koomans (1888).ââ Heufke en de Graag, Wetb. op het regt v. zegel (2fl dr. 1887).
13) Heufke en de Graag, Wetb. op do registratie (2' dr. 1883).
quot;) Sprenger v. Eijk. Vroom, Do wetgeving op het recht v. successie (2 'dr. I88G).
108
gehandhaafde, ten deele gewijzigdeartt. 271â282 Gcm. w. 15).
II. Hot Nederlandsch militair (materieel) strafrecht (strafrecht in engeren zin en dus ook hier onderscheiden van liet disciplinair-recht) is dat hetwelk vervat is in do militaire strafwetboeken en de daarmede samenhangende wetten. Het heeft zich ook hier te lande naast het gemeene recht historisch ontwikkeld als standrecht (jus speciale) voor militairen en andere aan de militaire rechtmacht onderworpen personen en neemt als zoodanig, gelijk ook in andere landen, in het rechtssysteem een afzonderlijke plaats in '6).
Het vindt nog zijne hoofdbronnen in 1. Het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te water, gearr. bij de Wet v. 20 Juli 1814 Sb. 85, en 2. Het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande, gearr. bij de Wet v. 15 Maart 1815 , Sb. 26; op de manschappen der militie, naar bepaalde onderscheidingen , uitdrukkelijk toepasselijk verklaard in de W. o. d. Nat. Militie v. 19 Aug. 1861, Sb. 72 (a. 130, 145, 155). Voorts zijn tenzelfden tijde, als behoorende tot het militair strafrecht in ruimeren zin, nog vastgesteld: bij eerstgenoemde wet, 3. Een Reglement van discipline voor het krijgsvolk te water, 4. De Regtspleging voor het k. t. w.; 5. De Regtspleging voor het k. 1.1.; 6. Eene Provincionale Instructie voor het Hoog Militair Geregtshof; â en bij laatstgenoemde wet, 7. Een Reglement van discipline voor het krijgsvolk 1.1. â Ofschoon niet zelve in het Staatsblad afgekondigd, zijn genoemde wetboeken echter in de rechtspraak geregeld als bindend erkend l7).
Zij omvatten â en dit is algemeen het karakter van dit jus speciale â niet het geheele strafrecht dat voor de aan de militaire rechtsmacht onderworpenen geldt. Bij de omschrij ving
15) Zio g 12.
16) Over de lüstorisuho ontwikkeling li. t. 1. zie o. a. v. Deinse, Alg, Beg. 70â80.
'quot;) H. 11. ö Maart, 18 Juni 1849 W. 1030, 1018, liiertogen W. 1107. Ecne for-
meele afwijking. â Litteratuur: H. v. d. Hoeven, Opmerkingen o. d. Nederl. Strafwetg. van het krijgsvolk te lande (186(j). M. S. Pols, Het Criin. Wetb. v. h. krijgsvolk te lande (21' dr. 1876). J. H. Beaujon, Proeve v. een Wb. v. Mil. Strafrecht (1883). H. v. d. Hoeven, On/.e militaire strafwetgeving. Geschiedenis harer wording en vaststelling (1881).
109
en bestraffing der bijzondere delicten bepalen zij zich tot de zuiver militaire en de gemengde militaire; zoodat voor de gemeene delicten als regel het gemeene wetboek geldt l8). In-tusschen gaat met het aannemen van een eigen strafstelsel bij veroordeeling wegens militaire delicten, wel hier en daar bij veroordeeling van militairen wegens gemeene delicten eenige wijziging der straffen van het gemeene recht gepaard 19); terwijl voorts ook bij vervolging wegens gemeene delicten de speciale rechtspraak en rechtspleging behouden blijven!0). â Dit op die wijze naast elkaar gelden van gemeen recht en speciaal recht leidt bovendien tot twee gevolgen: 1quot;. tot het stellen van den eisch, dat ten aanzien der beginselen rakende onderwerpen van algemeenen aard tusschen beide deelen der wetgeving overeenstemming heersche, iets wat in de bestaande wetboeken volkomen werd verwaarloosd; 2quot;. hiertoe, dat de mogelijkheid om strafbaar gestelde feiten van lichten aard â formeel dus te onderscheiden van disciplinaire vergrijpen â krijgsfuchtelijk te behandelen, ook voor gemeene delicten geldt21).
De groote gebreken der militaire crimineele wetboeken moesten , bij de voortgaande ontwikkeling der denkbeelden op strafrechtelijk gebied, hoe langer hoe zwaarder wegen. Het strafstelsel bleek onhoudbaar; do formeele erkenning van de bevoegdheid des rechters tot analogische wetsuitbreiding (a. 17 Cr. AVb. L.) was 't gevolg van de onvolledigheid der wet; 't gemis aan bepalingen omtrent onderwerpen van algemeenen aard bleef bedenkelijk.
De noodzakelijkheid van gcbeele herziening werd en bleef dan ook erkend. Vergeefsche pogingen werden gedaan 22), Bij
l8) a. 13 Gr. W. L.; a. 12 Cr. W. W.; a. 1 Wn. v. 14 Nov. 1879, Sb. 191,193.
B. v. a. 2 v. dezelfde wetten, gew. d. a. 9 Inv.w.
â 0) Vgl. v. Deinne 1, c. ^ 503. â Over de hoogst belangrijke vraag v. een af. zonderlijke rechtsmacht over militairen, zoo in 't algemeen als in 't bijzonder bij de berechting van gemeene delicten, o, a. Hand. Ned. Jur. Vor. 1881.
'^1) a. 7, 8 Regtspl. W.; a. 12â14 Regtspl. L.
â 2) Commissie v. 1841. â Gesch. bij Pols 1. o. 54; v. d. Hoeven, Onze mil. strafwotg. 87.
110
partieele verbeteringen is het gebleven. Bij de W. v. 28 Juni 1854 Sb. 96 werd in het strafstelsel voor het krijgsvolk te water eenige verzachting aangebracht. De afschaffing van do doodstraf bij de W. v. 17 Sept. 1870 Sb. 162 strekt zich ook uit tot de militaire strafwetten âten aanzien van misdrijven in tijd van vrede en niet voor den vijand gepleegdquot;, behoudens enkele gevallen voorzien in het Cr. Wb. v. h. krijgsvolk te water. Ingrijpender was, èn ten aanzien van het strafstelsel èn ten aanzien van andere onderwerpen van algemeenen aard, de belangrijke hervorming, tot stand gebracht door de wetten v. 14 Nov. 1879, Sb. 191, 193 (daarnevens ook herziening van het strafstelsel der Regln. v. krijgstucht, Sb. 192, 194):3). Eindelijk werden nog door W. v. 14 Febr. 1887, Sb. 35 in beide wetboeken ettelijke voorschriften betreffende de desertie in tijd van vrede, die reeds lang uit billijkheidsoogpunt bedenking hadden opgeleverd, gewijzigd24).
Bij de invoering van de nieuwe burgerlijke strafwetgeving is nu het in bovenvermelde bronnen vervatte militair strafrecht uitdrukkelijk gehandhaafd, en wel: de âmilitaire strafwettenquot;, d. i. de gewijzigde crimineele wetboeken en reglementen van discipline, alsmede âde bepalingen van militair strafrecht in andere wetten voorkomendequot; (a. 9 al. 1 Inv. w.). Slechts zijn evenals bij het fiscaal strafrecht, en wel wegens de noodzakelijke wijzigingen in het strafstelsel hier nog op ruimer schaal, onderscheiden wijzigingen en aanvullingen in overeenstemming met het nieuwe gemeene recht aangebracht (a. 9 al. 2. vlgg.)55).
Deze toestand is echter slechts bestemd een zeer voorloopige te blijven quot;). De vervanging der bestaande wetboeken en reglementen door nieuwe kan, na de door Prof. H. van der
quot;â â gt;) Hand. S. Ã. 1876/77, B. 203.
!4) J. H. Boaujon, ï. v. Sr, II, 39.
25) Smidt V, 2(55â303. â Als âbfipalingen v. mil. strafr. in andere mil. wetten vooriiomendequot;, noemt M. v. T. a. 130, 145 (zie ook 155) militiewet en a. 44al. 1. W. o. d. inkwartieringen, v. 14 Sept. 1866, Sb. 138. Al. 2 v. dat art. ia gehandhaafd d. a. 10 I,0nv.w.
S6) Toezegging d. Reg. Smidt 1. c, 271.
Ill
Hoeven krachtens opdracht van de Rogeoring bewerkte ontwerpen, in de naaste toekomst worden verwachtquot;).
§ 14. (Aanhangsel). â Bronnen van buitenlandsch
strafrecht').
Als aanhangsel volge hier eene opsomming der hoofdbronnen van het strafrecht in de voornaamste landen; allereerst van die welke, om onderscheiden redenen en van Nederlandsch standpunt, voor vergelijkende rechtsstudie de gewichtigste zijn.
1. Nederlandsch Indië. â a. Wetboek v. Strafrecht voor do European e)i (op den grondslag van hot destijds in Nederland geldende), vastgesteld bij K. B. 10 Febr. 1866, gew. 7 Juli 1875, I. Sb. 213â215; h. ld. voor Inlanders, Ord. 6 Mei 1872, I. Sb. 85, gew. d. Ordd. 13 Mei, 13 Juli, 6 Oct. 1876,1. Sb. 134, 174, 259 on K. B. 12 Mei 1879, I. Sb. 203 2); c. Algemeen Poütiestrafreglement v. E.; d. id. v. Inl.; beide Ord. 15 Juni 1872. â In April 1886 werd eene Staatscommissie belast met het ontwerpen van een nieuw Swb. v. E.
Uitg. De Ned. Ind. wetboeken v. Reitz en Bousquet. Met' de toelichtende memories a. d. A. A. de Pinto (1800); h. d. der Kinderen (1873); c. d. d. denzelfde (Squot; dr. 1885). â Lilt. W. de Gelder, Het strafrecht in N._I.(2dln. 1886). Ind. Weekbl. v. h. R.
2. Ned. West-Indië. â Voor Suriname en voor Curagao e. o. zijn, in overeenstemming met het toenmalige Nod. recht,
57) Bewerkt is het Ontwerp van een Wetboek van Militair Strafrecht, met ontw. voor ter invoering noodigo wetten. Het is samengesteld door Prof. H. v. d. Hoeven en door hom herzien in overleg met eeue militaire commissie. Uitg. v d. mem. v. tool. Fol. uitg. oil'., niet i. d, handel; 8°. uitg. Leiden (1889) als, âHerziening v. h. Mil. Strafr. I Ontw.w. enz. â Daarna te wachten ontww. over 1°. Regl. o. d. Krijgsd.; 2°. Regeling v. mil. Rechtsmacht en Rechtspleging.
§ 14. ') Het Zeitschr. f. d. ges. Strafr.w. (sints 1880) deelt geregeld de veranderingen mede i. d. Strafwetgeving v. Duitschland en 't buitenland; zie in System. Sachregister IX âGesetzgelningquot; ; voor niet-Duitsche landen in rubr. Intern. Chro-nik. â Zie ook het jaarl. verslag over den stand der strafwetgevingen in het Bulletin de l'Un. Intern, de Dr. Pén. I (1889) 131. Vgl. het overzicht v. buitenl. recht bij v. Liszt, Lehrb. 66.â Zie voor algemcene bibliografische opgaven zoowel Zeitschr. f. d. g. Sw., als in Ned. Tijdschr. v. Strfr. de âStrafr. Bibliographiequot; v. L. D. Petit.
!) 't Bekende a. 328fi,
112
strafwetboeken vastgesteld bij K. B. v. 4 Sept. 1868, om in werking te treden, 1 Mei 1869; gew. bij Kol. verordeningen.
3. Frankrijk. â Nog geldt de Code Pénal v. 1810, gew. 1824, 1832, 1863 en door speciale wetten (o. a. de recidivis-tenwet v. 1885) aangevuld. Aan eene ingrijpende geheele herziening werkt een Staatscommissie.
Litt. Chauveau et Faustin Hélie, Théorie du G. P. (0e. ed. 1873; ed. Beige v. Nypels). Blanche, Eludes pratiques sur le C. P. (7 vol. 1801/1872); S' ed. d. Outruc gedeeltel. verschenen (1888/1889). Dalloz, Répertoire général do jurisprudence etc. Bertauld, Cours de G. P. (1873). Ortolan, Eléments de dr. pén. (1875). Garraud, Précis de dr. crim. (3'- ed. 1888). Garraud, Traité théor. et. prat. de dr. pén. fr. (1880, 3 dln. verschenen).
4. België. â De C. P. Beige v. 1867 is eene herziening van d. Fransche Code; aangevuld is het Wb. o. a. door de belangrijke wet v. 31 Mei 1888 o. d. voorw. veroordeeling en voorw. invrijheidstelling.
Uitg. Gérard, Le nouveau G. P. (18()7). â Litt. Nypels, Le C. P. B. inter-prété (I8(i7âISSl). Haus, Principes généraux du dr. pén. beige (3'ed. 1879).
5. Duitsche Rijk. â Op de lange, zeer belangrijke periode der bijzondere strafwetboeken in do Duitsche staten'), volgde het Strafwetboek v. 31 Mei 1870, sinds 1 Jan. 1871 als Strafwetb. voor den Noord-Duitschen Bond; en, naar de redactie volgens W. v. 15 Mei 1871, als Strafwetb. v. h. Duitsche Rijk algemeen sinds 1 Jan. 1872 1). Wijzigingswetten: vooral de Novelle v. 26 Febr. 1876.
Uity. Daude, D. Strfgb. ruit den Entsch. d. RG. (3quot; ed. 1888 zakuitg.). Litt. Leerboeken, vooral v. Liszt (3e ed. 1888), Berner (15e ed. 1888), H. Meyer (4' ed. 1886), Merkel, Schütze e. a. â v. Holtzendorff Handb. d, D. Strf. in Einzelbeitr. I IV (1871/77). Halschner, Das gem. D. Strafr. (1884-). Binding. Handb. d. Strfr. 1(1885) o. a. en de daar aangehaalde litteratuur.â Vooral ook de commentaren v. Olshausen (3' ed. 1889) en Oppenhoff (1 lc ed. 1889). â Drie tijdschriften: 1. Zeitschr. f. d. ges. Strfrw. v. v. Liszt, v. Lilien-thal, Bennecke (sints 1880; met periodieke litteratuur-opgaven); 2. Der Ge-richtssaal (1849 gesticht, lang onder red. v. Scbwartze later v. Holtzendorff); 3. Archiv f. Strafr. (1863 als Arch. f. preuss. St. door Goldtdammer geslicht). â Entscheidungen d. Reichsger. (sints 1880).
3) v. Liszt 1. c. 60.
1
) v. Liszt, 1. c. 69.
113
6. Italië. â Na de vestiging der staatkundige eenheid bicven gelden voor Toskane het eigen Wh. v. 1853 , voor do andere provinciën het langzamerhand daarvoor aangenomen Sardi-nisch Wb. v. 1839. Na voortdurend herhaalde pogingen is mi het ontw. Zanardelli, als Codice Penale per il Regno d'ltalia vastgesteld 22 Nov. 1888, daarna aan eene redactieherziening onderworpen , en treedt het in werking 1 Jan. 1890. Hot is dubbel belangrijk, èn als het jongste der strafwetboeken , èn als het werk van eene natie die op strafrechtelijk gebied een eerenaam draagt.
Uitg. b. v. die der Stampa reale (zakuilg.). Bronnen: Lavori Parlernentari del Nuovo G. P. I. (Unione typograf. ediLrice, Roma). â Beoordeeling o. a. v. Liszt, Abhandl. d. Kriiu. Seminars zu Marburg I (1888); Alimena in Archives d'anlhropol. crim nquot;. 18 (1888). Litt. Pessina, Elemenli di dir. pen. (2 dln. 1882/83); Brusa, Saggio di una dotlrina di dir. pon. (1884); Stan-daardw. v. Carrara, Programma del corso di dir. pen. (1863 vlgg.); Cogliolo c. a., Coniplelo Trattalo teorico e pralico di dir. pon. sec. il codice unico (in bewerking); ïravaglia, 11 nuovo cod. pen. interpr. (2 dln. 1889). â Tijd-schr.. Revista penale v. Lucchini.
7. Oostenrijk-Hongarije. â Terwijl in Hongarije sinds 1 Sept. 1880 oen nieuw wetb. geldt, leeft Oostenrijk (Cisleithanië) nog onder het wetb. v. 1852. Weldra echter â men is in die richting reeds sinds 1867 werkzaam â mag een nieuw Wb. van groote beteekenis worden verwacht. Het ontw. is April 1889 bij de volksvertegenwoordiging ingediend.
Uitg. Hong. Duilsche vert. (1878). Oost. v. Cramer (1884). Litt. S. Mayer, Studiën over Hong, strafr. in de Duitsclie tijdschriften; Herbst, Handb. d. allg. östrr. Strafr. (7e ed. 18/8284).
8. Engeland. â Even eigenaardig als belangwekkend is het Engelsche strafrecht, dat, niet in eene codificatie besloten, gedeeltelijk geldt als statute law (zie vooral de Crim. law consolidation Acts van 18G1) maar voor een groot deel voortleeft als common law en daarom alleen in zijn historische ontwikkeling moet worden bestudeerd. Pogingen om het geldende recht te codificeeren (1878 en 1879) Radden geen gevolg.
Litt. Voamp;ral de werken v. Sir James F. Stephen: A History of the crim. law of England (3 dln. 1883); A Digest of the crim. law (crimes and punish-
114
rnents, 1883); overzicht in Z. f. ges. Strfr. I 46i). â Aschrott, Strafen-system u. Gefangniszwesen in England (1887).
Hierna mogen nog volgen:
9. Zwitserland. â Slechts voor een zeer klein gedeelte is het Zwitsersche strafrecht bondsrecht. Eene wet âüber das Bundes-strafrechtquot; v. 1853 bevat een âalgemeen gedeeltequot; vol leemten en een âbijzonder gedeeltequot; rakende misdrijven tegen instellingen van den bond. â Verder is het strafrecht kantonnaal recht en wordt aan de autonomie der kantons op dit punt vastgehouden. Toch is er beweging in de richting van centralisatie en eenheid: een motie in dien zin werd (1888) in den Nationalen Raad voorgesteld; de Bondsregeering wil ter voorbereiding eenen rechtsgeleerde eene vergelijkende studie der kantonnale wetgevingen opdragen; een tijdschrift voor Zwitsersch strafrecht is opgericht. â Ongeschreven recht geldt in Uri, Unterwalden nid d. W., Appenzel i. R. In de andere kantons gelden wetboeken; een der belangrijkste is dat van Zürich (1871); de jongste (1886) zijn v. St. Gallon en v. Solo-thurn; nieuwe ontwerpen zijn aanhangig voor Schaffhausen en NeucMtel.
LM. Zeitschr. f. Schw. Sirafr. onder red. v. Prof. Stoosz (sinds 1888). Aid. blz. 193 over de in d. tekst bedoelde motie. Opsomming v. d. wbkn. der kantons bij v. Listz, 68.
10. Spanje. â Wetb. v. 1848, herzien 1870. Aanhangig is (1884) een ontw. v. d. minister Silvela.
Litt. Silvela EI derecho penal (1880). â Proyecto de Código Penal met de toel. (1885).
11. Portugal. â Wetb. v. 1852 (met afschaffing v. d. doodstraf 1867); belangrijk herzien 1884.
12. Denemarken. â Wb. v. 10 Febr. 1866. Een hiermede overeenstemmend wb. v. 1869 op IJsland.
Litt. Goos, Den Danske Strafferet (1875/81).
13. Zweden. â Wb. v. 1865. In 1887 zijn, in verband met hervorming van de drukperswetgeving, twee titels (misdr. tegen d. godsdienst en het openb. gezag) herzien; terwijl een
115
gehcele herziening van 't wetb. door de âCommissie voor wetsontwerpenquot; wordt voorbereid.
14. Noorwegen. â Wb. v. 1842, herzien 1874 en, in verband met het 1 Sept. 1889 in werking getreden nieuwe Wetb. v. Strafvord., laatstelijk nog 1889. â Het ontwerp voor een nieuw wb. wordt door Prof. Getz bewerkt.
Litt. Ontw. Gelz. Tit. 1 (1888).
15. Finland. â Oude Zweedsche wetgeving uit de vorige eeuw, ofschoon 1866 gewijzigd. Een ontw. Wb. v. Sr. is in 1888 door de stenden aangenomen.
16. Rusland. â Wb. v. 1866. Sinds geruimen tijd wordt aan het tot stand brengen van een nieuw wetb. gewerkt.
Vitg. üuitsche vert. (18()8). â Litt. Leulhold. Russische Rechtskunde (188!)). â Ovei' 't nieuwe ontw. (v. Taganzeff en Koinitzky) is, Duitsch, eene verzameling zeer gunstige beoordeelingen v. buitenl. criminalisten verschenen (Petersb. 1884). Daarover vooral ook vertalingen en studiën v. Gretener âStrafgezetzb. f. Russlandquot; (Petersb. 1882).
17. Rumenië. â Wb. v. 1864, gew. 1874.
18. Servië. â Wb. v. 1860 , naar 't model van het toenmalige Pruisische (1851).
Litt. S. Mayer in Gerichtssaal XI.
19. Bulgarije. â Nog het Turksche Wb.
20. Montenegro. â Wb. v. 1855.
21. Griekenland. â In verband met de eerste Koningsdynastie werd, 1833, een Wb. vastgesteld naar 't voorbeeld van 't Beiersche. Herhaaldelijk is 't gewijzigd, o. a. ingrijpend 1864.
Litt. Saripolos in Z. f. ges. Str.w. V, 752.
22. Turkije. â Wb. v. 13 Febr. 1861; in den geest van 't Fransche recht.
Litt. S. Mayer Revista Penale XXX (1889).
23. N. Amerika. â Gecodificeerd strafrecht geldt in do Staten New-York (sinds 1 Dec. 1882), Louisiana, Pennsylvania, Maryland. Voor 't overige rust hot strafrecht in 't algemeen op den grondslag van 't Engelsche recht, in den luteren tijd
116
door veel statutair recht in de verschillende Staten aangevuld.
Uiig. en Litt. The Penal Code of N. York (9' ed. Banks Brothers 1889). Rust, N. Y. Penal Gode (1889). Donnan, Annotated Code etc. (8quot; ed.).
24. Z. Amerika â Wbkn. v. Bolivia (1830); Brazilië (1831); Mexico (1871); Columbia (1873); Chili (1874); Argentinië (1884) e. a.
25. Japan. Wbk. v. 1 Jan. 1882. Aan herziening is en wordt steeds gearbeid.
Litt. van Hamel, in Revue de droll intern. XIV, 480. üoissonade, Projet révisé (1880).
DE ALGrEMEENE LEERSTUKKEN.
HOOFDSTUK I. â De Strafwet.
§ 15. Al go me ene beschouwingen over de strafwet en hare verklaring.
1. Strafrechtelijke bepalingen zijn allo bepalingen van het positief recht, die op strafrechtelijke aansprakelijkheid betrekking hebben. Daartoe beboeren dus zoowel a. die welke al-(jemeene regelen omtrent aard en gevolgen der aansprakelijkheid inhouden; als b. die waarin bijzondere strafbare feilen en strafposities zijn aangewezen.
In de taal van het Ned. Swb. omvat de uitdrukking strafwet (a. 2â7) beide soorten. De beperking welke hier het woord wet medebrengt of althans kan geacht worden mede te brengen,
wordt practisch opgewogen door art. 91 ').
2. Bepalingen van do soort sub b bedoeld, bestaan altijd uit twee deelen: liet rechtsvoorschrift, dat als verbods- of gebodsvoor- /
schrift (Norm) den regel stelt voor de gedragingen der men-schen2); de eigenlijke strafbepaling, penale sanctie, welke op v/ ^
overtreding van den regel straf stelt. De vorm is daarbij onverschillig. De wetgever kan tweeërlei vorm kiezen. Of hij stelt het rechtsvoorschrift nadrukkelijk in den verbiedenden of ge-
') In do ïilgemeene afschaffingsbepalingen der Inv.w. is de uitdrukking âstrafwetten' tegenover âstrafbepalingen in bijzondere wettenquot; , in afwijking van 't oorspr. ontw., niet opgenomen. Vgl. boven blz. 89 en 91 noot 3. Zie echter in a. 9 Inv.w. âmilitaire strafwettenquot;.
2) Normen sind Verbote oder Gebote van Handlungen (Binding).
I. ⢠' 8
§ 15. ALG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET.
V biedenden vorm en do penale sanctie daarnevens; een vorm uit
den aard der zaak in âspeciale wettenquot;, welke een bijzonder onderwerp van staatszorg regelen, veelal gebruikelijk, en de eenig mogelijke vorm bij z. g. n. âstrafbepalingen in blanco.quot;, waarbij de straf bepaald wordt tegen do overtreding van voorschriften die later â meestal door eene andere maebt â zullen worden uitgevaardigd 1). Of wel hij bepaalt straf togen dengene die zekere handeling verricht of verzuimt, een vorm waarin de nieuwere wetboeken van strafrecht en de eigenlijke âstrafwettenquot; gewoonlijk gesteld zijn2). Intusschen mag ook in laatstbedoelde gevallen de vorm het werkelijk bestaan van de genoemde onderscheiding nooit doen voorbijzien. Wat de schuldige, die een in het wetboek omschreven delikt begaat, overtreedt, is niet het artikel der strafwet â dat immers door den straf-opleggenden rechter wordt nagekomen â maar do in het artikel implicite vervatte norm (gij zult niet dooden, niet stelen)3).
Theoretisch heeft de besproken onderscheiding groote waarde.
Zij legt er don nadruk op: dat het strafbaar feit is eene handeling of een laten in strijd mei een rechtsvoorschrift, niet een gedraging waartoe men zich de vrijheid door het ondergaan van straf koopën kïïh ; dat tusschen de normen van strafrecht, privaatrecht, staats- en administratiefrecht slechts verschil in sanctie, geen verschil in karakter, integendeel de nauwste samenhang bestaat4) ^_dat_liet strafrecht niet beoogt strafop-
118
1
) âBlankettstrafgesetzoquot; (Binding, Normen I 74, 2e ed. 161), Vgl. in cms recht de sanctie van algemeene bestuursmaatregelen des Konings (boven bk. 96) en a, 100, 443 Swb.
2
^) In vroegere rechtstoestanden was uitdrukkelijke formuleering van de norm de gebruikelijke. Binding, Normen I 56, 2e ed. 135.
3
) Het is, wat overigens van zijne âNormentheoriequot; en hare consequenticn moge worden gedacht (vgl. o. a. v. Liszt 21 n. 3), eene der groote verdiensten van Binding (Die Normen u. ihre Uebertretung I, 1872 2o ed. 1890; II, 1577; en Hdb. I 155), deze onderscheiding scherp te hebben geteekend en ontwikkeld. Vóór hem reeds Heinze, Qerichtssaal 18(51. Vgl. over de opvatting in litteratuur en rechtspraak Binding, Hdb. 1. c. n, 4 en Normen, I 2e ed, 55.
4
'') De ânormenleerquot; behoort bij de algemeene rechtsleer. âPrivaatrechtquot;, n.1. voor-zoover men het oog heeft niet op dispositieve, meer op imperatieve of prohibitieve bepalingen; â âStrafrechtquot;. Bedoeld zijn die welke in de strafwetgeving voorkomen. Streng genomen behooren, op grond juist van de bovengemaakte onderscheiding, deze normen zelve niet tot het strafrecht, maar tot het publiekrecht in 't algemeen.
ALG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET. § 15.
legging maar verzekering van de nakoming der normen; eu
dat de straf slechts een der middelen is voor dat doel7).
.....
Maar ook practische waarde mist zij niet.
Vooreerst heeft zij nit een algemeen staatsrechtelijk oogpunt tweeërlei beteekenis.
Deze, dat het niet voldoende is indien de penale sanctie een staatsrechtelijk erkenden grondslag heeft, maar dat het allereerst aankomt op don grondslag van de norm 8); en deze andere, dat, wanneer de strafbepaling wordt afgeschaft, nog de norm kan blijven gelden quot;).
Voorts zal bij het bepalen van den omvang der strafrechtelijke codificatie, in den regel, de aard van de norm als deel van een samenhangende regeling, niet de sanctie beslissend beboeren te zijn.
Dan nog werpt de ouderscheiding een eigenaardig licht op vragen welke zich aan bijzondere strafrechtelijke leerstukken vastknoopen: zoo op vragen van transitoir recht, voor zoover de norm en de strafbepaling niet gelijktijdig vervallen of worden afgeschaft; op vragen rakende liet leerstuk van don samenloop of dat van de bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid 'quot;).
Ook mag roods hier worden herinnerd aan de ingrijpende vraag uit de leer van het opzet omtrent dolus juris en rechtsdwaling , eeno vraag waarbij tusschon het verboden zijn en het op straffe verboden zijn van de handeling scherp onder-| scheiden worden moet en onderscheiden wordt.
Bij de samenstelling der Nederlandscho strafwetgeving â wetboek van strafrecht en invoeringswet â is meer dan eens op voormelde onderscheiding de aandacht gevestigd. Intusschen behoefden do samenstellers van die wetten haar niet meer to doen uitkomen, dan voorzoover de practische vraag waarbij ze ter sprake kwam, het eischte, en sluit om die reden liet
') Vgl. de statuten dor Intern. Ver. v. Strafrecht. ïijdscli. v, Str, III 203. Bulletin de 1'Union (Berlin 1889 vlgg).
8) Vgl, de oude strijdvraag omtrent de âalgem. maatr. v. bestuurquot; in verband met de W. v. 6 Maart 1818; zie boven 97.
quot;) Vgl. a. 3d In.w. Zie boven 92, 100.
10) Binding, Normen 1, 79, 98, 130; 2e ed. 167, 188, 232.
119
§ 15. Al.Ci. BESCHOUWINGEN OVEH DE STRAFWET.
beperkte gezichtspunt waaronder ze door hen somwijlen besproken werd, hare ruime erkenning ook voor het Nederlandsche recht niet uit quot;).
De uitdrukking straf bepaling omvat in a. 1 Swb. de eigenlijke strafbedreiging, in verband met de norm die er door wordt gesanc-tionneerd en beheerscht door de strafrechtelijke regelen van al-gemeenen aard. In a. Sd. Inv.w. is zij , blijkens het verband, tot de eigenlijke strafbedreiging beperkt l2).
3. Het recht is vastgesteld (gesetztes R., statute law) wanneer het als zoodanig is aangewezen door overeenstemende wilsbesluiten van de dragers der wetgevende macht; en in den nieuweren tijd valt dit begrip met dat van geschreven recht samen. Het strafrecht nu draagt dat karakter, inzoover dooiden wetgever vastgesteld werd en in geschreven rechtsbronnen te vinden is; a. het voorschrift, do door strafbedreiging gesanctionneerde rechtsnorm (of althans de bepaling dat eenige rechtsnorm aldus gesanctionneerd is), b. de welomschreven strafbedreiging zelve, c. de regelen omtrent de strafrechtelijke aansprakelijkheid bij overtreding van de norm, Hot is niet vastgesteld en ongeschreven (ungesetztes Recht), in zoover ten aanzien van een dezer drie punten de rechter het geldend recht vindt óf in geiroonte (gewoonte-strafrecht) of in eigen rechtsovertuiging (arbitrair strafrecht); niet echter, inzoover hem voor de 'toepassing van het geschreven recht bij wetsverklaring en straftoemeting vrijheid is gelaten, al moge daarmede feitelijk eene weinig minder groote macht verleend zijn.
Het strafrecht behoeft niet uit zijn aard geschreven recht te zijn.
Wijsgeerig is, zoowel naar de absolute theorie der vergelding als naar de relatieve theorie der verdediging van de rechts-
quot;) Mot name hebben wij hier op het oog de opmerking in de in M. v.ï. opde Inv.w. (Stso. Bijl, blz, 21, Smidt V 205) dat âzoo dikwerf eene wet die niet als eene strafivet te beschouwen is het terrein van het materiëele straffecht betreedt, zorgvuldig onderscheiden moeten worden, de gebods- of verbodsbepalingen en de strafbepalingen (strafbedreigingen). Vgl, boven noot 9. Zie verder Stso. M. v. T. 6, 15, 21. Smidt I 37, 67, 109, Voorts, ten bewijze hoe willekeurig de keuzeen hoe onverschillig de gekozen vorm dikwijls is, b. v. a. 19 W. 1 Juni 1865 Sb. 60; a. 272 Swb. vergeleken met a. 20 W. 5 Mei 1889 Sb, 48.
12) Zie boven 92.
120
ALG. BESCHOUWINGEN OVER ÃE STRAFWET. § 15.
orde in de maatschappij, ongeschreven strafrecht denkbaar u).
Ook thans nog zijn er landen in welker historische ontwikkeling het voortbestaan van ongeschreven strafrecht past14); terwijl het èn als gewoonterecht, èn als arbitrair strafrecht in de geschiedenis van alle landen, ook van het onze, eeuwen lang gegolden heeft15).
Maar, zoo ergens, dan is op dit gebied, waar ter rechtsbescherming middelen worden aangewend van ongemeene scherpte , rechtszekerheid eisch. Dien cisch stelde do hervormingsbeweging van het laatst der IS110 een w; aan dien eisch gaf de staatsrechtelijke theorie van de trias politica bijzondere klom; op de ruimere erkenning van dien cisch had bovenal de strafrechtelijke theorie van Feuerbach- krachtigen invloed. Zoo ontond het adagium ânullum delictum , nulla poena sine lege praevia poenaliquot;, in onderscheiden wetgevingen nadrukkelijk erkend 16).
Het Nederlandsche recht huldigt dien regel uitdrukkelijk en als het gansche strafrecht beheerschcnd, in a. 1 8wb. Daarmede wordt erkend, dat uitsluitend het geschreven recht zal hebben aan te wijzen, of ecnige rechtsnorm strafrechtelijk gcsanctionneerd is, wat do inhoud is der sanctionncerende' strafbedreiging, en welke de voorwaarden zijn voor hare toepasselijkheid. Tegenover bet arbitraire strafrecht wordt dit beginsel gesteund door a. 11 A. 13. en sluit het de strafbe-palihgon met geheel onbepaalden inhoud uit17). Voor hetge-i woonte-strafrecht is het ook erkend in a. 3 A. B. in verband' met het gemis van iedere verwijzing in de wet naar recht-
13) Alleou nuar de theorie van Feuerbaoh niet. Zie boven blz. 26, F.'s Lehrb. ? U, ? 19.
1') Zie over Engeland, boven 14, 8.
15) Vgl. boven bl. 43 vlgg.
16) De drie regels van Feuerbach; Nulla poena sine lege; nulla poena sine cri'mine; nullum crimen sine poena legali. Lehrb. (1801)^20. â Fransche Const, v. 3 Sept. 1791. âNul ne peut être puni qu'en vertu d'une loi atablie et promulgate antérieurement au délit et légalement appliquée. Vlg. a. 3 Code 3 Brtim. An IV, overgenomen in a. 4 C. P.; Ned. Ontw. Lijfstr. Wb. 1804 B. I,H. 1. a. 7, H. Ill a. 1. â Crim. Wb. 180ü a. i), 12, 25; a. 52 (afgcsch.) W. o.d. overgang ; Duit-sche wetboeken e. z. m. Zie over 't ontstaan van het adagium Binding Hdb. I, 17.
17) Zoo de vroegere âarbitraire correctiequot; , H. R. 20 Sept 1853. W. 1573, Vgl. a. 2 W. 12 Juli 1855, S. 102; a. 6 W. 29 Juni 1854, S. 102. Zie verder in Hfdst. III.
121
.122 § ,15. AI.G. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET.
scheppende gewoonten op deze puntenquot;). â Omtrent out-heffing van op algemeene wettelijke bepalingen steunende strafrechtelijke verantwoordelijkheid is het arbitraire strafrecht mede uitgesloten 19); het gewoonte-strafrecht alleen erkend voorzoover het volkenrecht is Jji. 8 Swb) ^).
4. Het Nederlandsche geschreven strafrecht is vervat in âwettelijke hepalingenquot; (a. 1), voorschriften âdoor de Nederlandsche wet (rijkswet) of krachtens haar gegevenquot; :o).
De onderscheidene bronnen van dat recht werden reeds opgenoemd en beschreven ^). Al is somwijlen het buitenlandsche strafrecht van invloed (a. 5 20 , 68 Swb.), al zijn de rechterlijke vonnissen ter toepassing van het in koloniën en overzeesche bezittingen geldend recht gewezen , hier uitvoerbaar quot;), Ncder-landsch recht is noch het eene recht, noch het ander.
De âwettelijke bepalingenquot; zijn in den voorgeschreven vorm en, voorzoover samenwerking van onderscheiden organen vor-cischt wordt, in onderlinge overeenstemming genomen en uitgedrukte âwilsbesluitenquot; van de dragers dor wetgevende macht omtrent hetgeen recht zal zijn. Zoodra deze besluiten genomen â wat de wet betreft, zoodra de voorstellen door de Staten-Generaal aangenomen en door den Koning goedgekeurd zijn â is het recht âvastgesteldquot;, hebben de voorstellen âkracht van wet gekregenquot; 23). De aldus vastgestelde tekst is de tekst der âwetquot;, der âbepalingquot;.
ls) De inhoud van een gesanotionneerde norm kan daarom wel door gewoonterecht bepaald zijn, b. v. bij schennis van contractueele verplichtingen.
quot;) a. 11 A. B. en 't gemis van instellingen als âPardonquot; , âVerweisquot; , âvoorwaardelijke veroordeelingquot;. Vgl. ook a. 192 Swb. met a. 180 Sv. (oud).
!0) Omtrent de woorden âwettelijke bepalingquot; en âwettelijk voorschriftquot;, vgl. M. v. T. ad a. 42 Swb. Smidt 1, 308 en de uitnemende Diss, van L. van Praag: De beteekenis van âwettelijk voorschriftquot; in het Wetb. v. S. (1890) bep. 56en74, alsmede de daar aangehaalde litt. en rechtspr. â Dat de bekende beperkte opvatting van âwettelijk voorschriftquot; gehuldigd door H. R. (27 Juni 1887 W. 5447) aan de noodzakelijke ruimere toepasselijkheid van a. 1 schaden zou, is bestreden door verwijzing naar a. 91 Swb. Practisch is dit een uitweg; maar voor de vaststelling van het begrip behoudt a. 1 ongetwijfeld zijne waarde.
2l) Boven, p. 88.
w) R. R. N. I. a. 109; R. R. Sur. a, 140: R. R. (Jur. a. 161.
quot;) Gr.w. (1848) a. 115, (1887) a. 121.
ALG. BESCHOUWINGEN OVEII DE STRAFWET. § 15.
Doch het karakter dezer bepalingen â van de strafrechtelijke geldt dit eer in meerdere dan in mindere mate â stelt den eisch, dat zij den volke worden verkondigd, bekend gemaakt, âafgekondigdquot;, en dat ze eerst na de afkondiging âverbindenquot; en âwerkenquot;; terwijl de rechtszekerheid vordert, dat of de afkondiging geschiede door verspreiding of andere bekendmaking van een geschreven tekst, of althans tot kennisneming van zoodanigen tekst de gelegenheid opensta. Eerst dan is het verbindend recht geschreven en het geschreven recht verbindend '
Do verbindende tekst der wet of andere wettelijke bepaling-is dus die zooals hij èn vastgesteld èn afgekondigd werd. Deze regel isr onaantastbaaT7quot;öok al komen, tegen do blijkbare bedoeling des Wetgevers, in dien tekst z, g. n. redactiefouten (Ro-dactionsversehcn) voor, positieve of negatieve (uitlatingen):5). Slechts waar de fout in het bezigen van eene minder nauwkeurige uitdrukking bestaat, kan wetsuitlegging wellicht baten2quot;). â Wordt tusschen den vastgestelden en den afgekon-digden tekst overeenstemming gemist, dan iieeft inzoover de laatste geen kracht van wet en is de eerste niet verbindend. Een verbeterde afkondiging (volgens de praktijk ten onzent een âverbeterbladquot;, waarin de fout wordt aangewezen), moot deze herstellen quot;).
Van afkondiging verschilt het bezorgen van eene âofficieeio uitgavequot;. Bij nauwkeurige overeenstemming van den âafge-
24) Zie het gemeene publieke recht op dit stuk: Grw, (1848) a. 115â-.17,(1887) a. 121, 72. â W. v. 2 Aug. 1822 S. 33, a. 2. Alg. Eep. en W. 26 April 1852, S. 92 ji». Souv. Besl. 18 Deo. 1813, Sb. 1814, 1 en K, B. 22 Dec. 1863, Sb. 149,â a. 101, 102 Prov. W. â a. 168 vlg. Gem. w. met name a. 175. â Vgl. Buijs Grw. I. 641, litt. aid.
25) Onder onze wetboeken biedt vooral dat v. Burg. Eechtsv. hiervan menig voorbeeld. Ook W. v. K. a. 238 1. 1. Voorb. in 't Swb. de plaatsing van a. 5 lid 2; a. 452 (vóór de Nov.); misschien ook worden in a. 214, 223, 234. Het Duitsche Swb. leed vóór de Nov. v. 1876 aan veel dergel. fouten; in 't D. Mil. Swb. ^ 95 komt een zeer belangrijke voor. Vgl. over deze aangelegenheid vooral Binding Ildb. I 460, v. Liszt 83 en de monografibn van Schütze in Gold. Arch. XX; Sontag, Die Redaktionsversehen (1874). Wachter, Gerichtss. XXIX.
M) Zoo m. i. bij de(oorspr. fout in a. 452 Swb.
!') Die bladen zijn door deu Min. v. .Tust. (K. B. 22 Deo. 1863) onderteekend.
123
§15. ALU. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET.
kondigdenquot; on den âofficieolenquot; tekst, is deze laatste een hoog te waardeeren hulpmiddel voor de praktijk, imuLi-bij niüt-overeenstemming is alleen de afgekondigde tekst de verbindende; dit geldt, al is de âofficieelequot; uitgave bezorgd op last van den wetgever en al is die tekst, ingevolge genoemden last, ook in hot Staatsblad opgenomen28).
5. Het streven naar codificatie, naar systematisch bijeenbrengen van bij elkaar behoorende voorschriften in één wetboek, was historisch een vorm waarin het streven naar geschreven recht, voor ons vaderland mede het streven naar eenheid van recht voor de onderscheiden landsdeelen, zich uitte. Maar dat streven had nog zijn eigen drijfveeren, voortwerkend ook inzoover de andere doeleinden bereikt mochten heeten. Dooi' innerlijk samenhangende, tot éénzelfde onderdeel van hot rechtsgebied behoorende voorschriften in een wetboek saam te brengen, moest eenheid van beginselen en rechtszekerheid worden gewaarborgd. â Het beginsel van codificatie is om deze redenen een beginsel voor de rechtsontwikkeling van blijvende waarde en is hier te lande van den aanvang af een grondwettig beginsel geweest en gebleven29). Voor het strafrecht heeft het bijzondere beteekenis, maar ontmoet het in de toepassing ook bijzondere bezwaren. Immers, hoevelerlei algemeene rechtsvoorschriften â liet âplaatselijk rechtquot; blijft natuurlijk buiten beschouwing â die tot een afzonderlijk gedeelte van het publiekrecht, met name tot het âadminis-
!8) Dit laatste geschiedde b. v. met 't herziene Wb. v. Strafvord., vlgs. a. 30 Herz. W. Zie hierover en over de waarde v. eene off, nitg., do Pinto, 't Herz. Wb. v. Strafvord. I, 53 vlgg.â Vlg. voor de wetgeving v. 1838, a. 7 Afsohaffingsw. v. 6 Mei 1820, Sb. 33. Voor 't Swb. v. 1881 was, volgens den vorm der wet die het vaststelde, de officieele uitgave alleen gewenscht als bruikbaarder boek; na do Novelle werd zoodanige uitgave voor de praktijk noodig.âVgl. a. V. Duitsche Nov. v. 26 Febr. 1876. â Veel ruimer macht werd voor 't bezorgen der officieele uitg. v. 't. Italiaansch Swb. aan de Regeering gegeven bij a. 1 Inv.w. v. 22 Nov. 1888.
Voorbb. v. verschil tusschen afgekondigden tekst en âofficieele uitgavequot;: B. W. a. 107, 506, 702, 1195 7«, 1336 3°; W. v. K. 4 4°, 275, 416, 550, 681 4c, 5»i 730, 762, 763. â De off. uitg. v. h. Swb. is met de uiterste zorgvuldigheid bewerkt ; oen paar onbeduidende drukfouten zijn in een lijst van verbeteringen opgenomen.
29) a. 100 G. 1814; 163 G. 1815; 146 G. 1848; 150 G. 1887.
124
/vLG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET. § 16.
traticf rcclitquot; behooren, vinden niet in strafbepalingen haar sanctie. Beliooren zij daarom tot het âstrafrechtquot; ? Behooren althans de sanctionneerende âstrafbepalingenquot; daartoe in dien zin, dat âeen wetboek van strafrechtquot; waarin zij niet alle opgenomen zijn, aan âde strenge toepassing van het grondwettig beginsel van codificatiequot; tekort komt? En moet telkens â want dit zou de consequentie vorderen â iedere nieuw te maken âstrafbepalingquot; in liet wetboek worden ingclascht?
Een bevestigend antwoord gaf de Staatscommissie voor liet Swb. Aan de bijzondere wetten wilde zij overlaten âwat eigenaardig tot haar gebied behoortquot;, doch âdo strafrechtelijke sanctie van haar geboden en verbodenquot; behoorden h. i. in het wetboek 30). Dit stelsel had den meesten invloed op de samenstelling van B. III31). â De wetgever hoeft het intusschen niet gehuldigd 3::). Terecht, naar ook ik tegenover het gevoelen van zooveel gezaghebbende mannen meenen zou. â Welke bepalingen dan in een âwetboek van strafrechtquot; behooren? Vooreerst, zonder iemands tegenspraak, de algemeeiie (materieelrechtelijke) voorschriften omtrent de straf-TéchtcHjke aansprakelijkheid, onbeperkt; dat gedeelte van het wetboek moet alle andere strafbepalingen beheerschen, ook de niet gecodificeerde, ook die van het plaatselijk strafrecht. Dit is thans â voor zoover de algemeene voorschriften in B. I. vermeld staan (T. I-VIII) â uitdrukkelijk gelast (a. 91). Voor gewenschte uitzonderingen is de weg opengelaten, doch alleen krachtens bepaling van de irei. 33). En men mag te dien opzichte verlangen: dat tot uitzondering slechts bij dringende noodzakelijkheid worde besloten, dat eene uitzondering uitdrukkelijk worde in 't licht gesteld, dat de haar voorschrij-
30) M. v. ï. So. blz. 6 en Bijl. blz. 21.âVoor het mitöairc on hot A'scafe strafrecht werd eon uitzondering gemaakt. Zie boven g 13.
⢠^1) In B. II zie t. VI, VIII, XXVIII (Sc.). Vgl. boven bl. 80, 81.
3S) Vgl. Smidt I 37.
quot;) Vlgs. adv. R. v. St.; anders O. Sc. a. 99, Smidt I 510, â De Inv w. had dit ten aanzien van het recht van vóór 1 Sept. 1886 uit te werken. Vgl. a. 3^, 6 al. 1, 7, 9, 10 al. 1 en passim, 11 al. 2, 19 vlgg. hop. 25. Zie boven blz. 90, 92 , 94 , 99, 102, 103,
125
§15. ALG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET.
kondigdenquot; en den âofflcieolenquot; tekst, is deze laatste een hoog te waardeercn hulpmiddel voor de praktijk, maar.-bij niet-overeenstemming is alleen de afgekondigde tekst de verbindende; dit geldt, al is de âofficieelequot; uitgave bezorgd op last van den wetgever en al is die tekst, ingevolge genoemden last, ook in het Staatsblad opgenomen28).
5. Het streven naar codificatie, naar systematisch bijeenbrengen van bij elkaar behoorende voorschriften in één wetboek, was historisch een vorm waarin het streven naar geschreven recht, voor ons vaderland mede liet streven naar eenheid van recht voor de onderscheiden landsdeelen, zich nitte. Maar dat streven had nog zijn eigen drijfveeren, voort-werkend ook inzoover de andere doeleinden bereikt mochten heeten. Dooi' innerlijk samenhangende, tot éénzelfde onderdeel van het rechtsgebied behoorende voorschriften in een wetboek saam te brengen, moest eenheid van beginselen en rechtszekerheid worden gewaarborgd. â Het beginsel van codificatie is om deze redenen een beginsel voor de rechtsontwikkeling van blijvende waarde en is hier te lande van den aanvang af een grondwettig beginsel geweest en gebleven quot;). Voor het strafrecht heeft het bijzondere beteekenis, maar ontmoet het in de toepassing ook bijzondere bezwaren. Immers, hoevelerlei algemeene rechtsvoorschriften â het âplaatselijk rechtquot; blijft natuurlijk buiten beschouwing â die tot een afzonderlijk gedeelte van het publiekrecht, met name tot het âadminis-
!!8) Dit laatste geschiedde b. v. met 't herziene Wb. v. Strafvord., vlgs. a, 30 Herz. W. Zie hierover en over de waarde v. eene off. uitg., de Pinto, 't Herz. Wb. v. Strafvord. I, 53 vlgg.â Vlg. voor de wetgeving v. 1838, a. 7 Afsehaffingsw v. 6 Mei 1829, Sb. 33. Voor 't Swb. v. 1881 was, volgens den vorm der wet die het vaststelde, de officieele uitgave alleen gewensoht als bruikbaarder boek; na do Novelle werd zoodanige uitgave voor de praktijk noodig. â Vgl. a. V. DuitscheNov. v. 26 Febr. 1876. â Veel ruimer macht werd voor 't bezorgen der officieele uitg, v. 't. Italiaansch Swb. aan de Regeering gegeven bij a. 1 Inv.w. v. 22 Nov. 1888.
m
Voorbb. v. verschil tusschen afgekondigden tekst en âofficieele uitgavequot;; B. W. a. 107, 506, 702, 1195 7», 1336 3°; W. v. K. 4 4°, 275 , 416 , 550 , 681 4», 5°, 730, 762, 763. â De off. uitg. v. h. Swb. is met de uiterste zorgvuldigheid bewerkt; oen paar onbeduidende drukfouten zijn in een lijst van verbeteringen opge
nomen.
quot;) a. 100 G. 1814; 163 G. 1815; 146 G. 1848; 150 G. 1887.
aLG. beschouwingen over de strafwet. § 15.
tratief rechtquot; behooren, vinden niet in strafbepalingen haar sanctie. Behooren zij daarom tot het âstrafrechtquot; ? Behooren althans de sanctionneerende âstrafbepalingenquot; daartoe in dien zin, dat âeen wetboek van strafrechtquot; waarin zij niet alle opgenomen zijn, aan âde strenge toepassing van het grondwettig beginsel van codificatiequot; tekort komt ? En moet telkens â want dit zou de consequentie vorderen â iedere nieuw te maken âstrafbepalingquot; in het wetboek worden ingelascht?
Een bevestigend antwoord gaf de Staatscommissie voor liet Swb. Aan de bijzondere wetten wilde zij overlaten âwat eigenaardig tot haar gebied behoortquot;, doch âde strafrechtelijke sanctie van haar geboden en verbodenquot; behoorden h. i. in het wetboek quot;). Dit stelsel had den meesten invloed op de samenstelling van B. III31). â De wetgever heeft liet intusschen niet gehuldigd32). Terecht, naar ook ik tegenover het gevoelen van zooveel gezaghebbende mannen meenen zou. â Welke bepalingen dan in een âwetboek van strafrechtquot; behooren? Vooreerst, zonder iemands tegenspraak, de alyevieeiie (materieelr echtelijke) voorschriften omtrent de straf-rechtelijke, aansprakelijkheid, onbeperkt; dat gedeelte van het wetboek moet alle andere strafbepalingen beheerschen, ook de niet gecodificeerde, ook die van het plaatselijk strafrecht. Dit is thans â voor zoover do algemeene voorschriften in B. I. vermeld staan (T. I-VIII) â uitdrukkelijk gelast (a. 91). Voor gewenschte uitzonderingen is de weg opengelaten , doch alleen krachtens bepaling van de wet. 33). En men mag te dien opzichte verlangen: dat tot uitzondering slechts bij dringende noodzakelijkheid worde besloten, dat eene uitzondering uitdrukkelijk worde in 't licht gesteld, dat de haar voorschrij-
30) M. v. ï. Sc. blz. 6 en Bijl. blz. 21.âVoor het imliiaiTC on het Jiscale strafrecht werd een uitzondering gemaakt. Zie boven § 13.
⢠31) In B. II zie t. VI, VIII, XXVIII (Sc.). Vgh boven bl. 80, 81.
3J) Vgl. Sinidt I 37.
quot;) V1gs- adv. R. v. St.; anders O. So. a. 99, Smidt I 510. -- Do Invw. had dit ten aanzien van het recht van vóór 1 Sept. 188Ci uit te werken. Vgl. a. 3d, 6 al. 1, 7, 9, 10 al. 1 en passim, 11 al. 2, 19 vlgg. hop. 25. Zie boven blz. 90, 92, 94, 99, 102, 103.
125
§ 15. ALG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET.
vende bepaling â een speciaal recht als 't militaire en 't fiscale daargelaten â in 't wetboek worde ingelascht34).
Ten aanzien van de tweede, de strijdvraag: inhoever de bepalingen die delikisaanwijghigen bevatten â rechtsnormen met strafbedreigingen of strafbedreigingen met verwijzing naar eene elders gestelde rechtsnorm â in een âwetboek van strafrechtquot; behooren, is m. i. jnist ter wille van wat de codificatie nastreeft â harmonie en zekerheid â althans deze negatieve regel te stellen, dat, waar de norm onafscheidelijk behoort tot een samenstel van administratiefrechtelijke regels omtrent eenig onderwerp van staatszorg en de strafbepaling uitsluitend het karakter eener sanctie draagt, èn rechtsvoorschrift, èn strafbepaling buiten de strafrechtelijke codificatie moeten blijven. De eigenlijke z. g. n. âstrafwettenquot;, met hare zelfstan-\ dige verbod s- of gebodsvoorschriften, behooren dus stellig binnen de lijn; ten aanzien van de âstrafrechtelijke bepalingen in andere wettenquot;, valt naar voormelden regel te beslissen35). De Ned, wetgever besloot op soortgelijke gronden tot âde oplossing van alle bepalingen over eigenlijke misdrijven destijds voorkomende in andere wetten, behalve de militaire en fiscale, in liet wetboekquot; 36); drie uitzonderingen komen daarop voor 37). Ten aanzien van overtredingen (B. III.) schijnt over't algemeen de keuze geslaagd. â In de laatste plaats zij nog gewaarschuwd, dat ook bij de vaststelling van strafrechtelijke bepalingen die buiten het wetboek liggen, met het stelsel en do terminologie van liet wetboek nauwgezet worde rekening gehouden, te meer omdat somwijlen in de formuleering van bijzondere strafbepalingen algemeene beginselen zijn neergelegd 3S).
6. Het is de taak des rechters om de strafrechtelijke bepalingen van wetboek, wet, wettelijke verordening, toe te-passen
⢠Ou ,
'r'
Ook laatstgenoemd denkbeeld ware m. i. oven aanbevelenswaardig als uit-rïtjftf voerbaar. Voorb. a. 3 \V. 31 Deo. 1887 Sb. 265.
quot;i) Vlg. over deze begrippen boven 89 ; M. v. ï. ad a, 4 O. Inv.w. Staatscomm. bl. 21.. f
Smidt, I 37. ______ ItiArv-lfvulc*- quot;l 'lu^1'lu-tlt-iquot;
3') A. 12 Inv.w.; a. 20 W. 5 Mei 1889, S. 4$; deze laatste nitz. is zeker niet gerechtvaardigd.
3S) Vgl. a. 20 W. 5 Mei 1889 S. 48 en daarover W. 5680,
Af
e ( y
ALG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET. § 15.
en ter toepassing den vastgestelden en verbindenden tekst uit te legrjen'^). Do bekende', historisch verklaarbare, maar ongerijmde opvatting, alsof de rechter het automatisch mondstuk was waardoor de strafwet sprftk, behoort tot hot verleden '0), Er is geen enkele reden om voor het strafrecht of voor oen ircthoek oene andere methode van wetsuitlegging te volgen dan voor andere deelen van het recht en voor andere rechtsbronnen. Het doel is altijd , hot vaststellen dor beteekonis (vim ac potestatem) van âhet nitgodrukte wilsbesluit des wetgeversquot; omtrent hetgeen strafrecht zal zijn41). Eeno opvatting, alsof men met het wilsbesluit niet van levende monschen maar van âde wetquot; als eeno abstractie zou te rekenen hebben, zoekt haar steunpunt buiten de werkelijkheid ':).
Hiermede wordt echter â dit is eene thans algemeen erkende en bekende waarheid â niet gezegd, dat vastgesteld moet worden wat do wetgever wonschte, dacht, beoogde. Gezocht moet ten slotte slechts wat hij besloot en als besluit uitsprak. En hiermede wordt evenmin beweerd , dat de wetgever zicli âdon inhoud der wet in al zijn gevolgen heldor bewust wasquot; of ook behoefde te zijn; met zijn besluit aanvaardde hij alles wat, naar wetenschappelijke methode tot klaarheid gebracht, in zijne uitspraak ligtquot;). Naar die methode werkt â volgens de bekende tegenstelling â de grammatische, de logische, do systematische en de historische interpretatie14). Zoo komen â met name bij do verklaring van een wetboek van strafrecht â in aanmerking: do volkstaal ten tijde der vaststelling; de rechtstaal op velerlei rechtsgebied; de eigenaardige taal, stijl,
3!l) Zie over dien tekst boven hlz. 123, De uitgebreide litteratuur over wetsnit-'0Sging. bep. v. strafwetten, _ bij Binding, Hdb. I 450. â Voor de oudere ook Geib, Lehrb. II 7. â- Voorts Mitte'lstiidt in Gerichtss, XLIII (1890) 1, Opzoomer Ale, Bep. (3e ed,) 193,
'l0) Montesquieu, Beeearia; Globig u, Huster, Quistorp, Feuerbach, Val, daarover Geib 1. o, 1, 328 vlg.
41) L. v. Praag, 1. c. 23, bep, n, 2,
quot;^) Vgl, id. ca Binding Hdb. I 455, Opzoomer, Alg, Bep, 190,
13) âLatenter Inlialt d, Gesetzesquot; (Dernburg), âLatente Rechtssatzequot; (v. Liszt),
4') Savigny Syst. I 214; Opzoomer 1. c, 197, â^In de kortere tegenstelling âgram-matische-logisehequot; (Dernburg Pand, I 75) omvat âlogischequot; da beide andere ook.
127
§ 15. ALG. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET.
interpunctie van de wet of liet wetboek; hot onderling systematisch verband der onderscheiden deelen van dezelfde wet of hetzelfde wetboek; haar verband met andere, evenzeer tot het positief recht behoorende, wettelijke voorschriften; haar verband met de maatschappelijke toestanden, waaraan zij zich vastknoopen, met de historisch ontwikkelde instellingen waarin zij wortelen. Dit alles kan , bezien door wie op het z. g. n. standpunt van âde letter der wetquot; zich stelt (qui verba tenet) tot resultaat schijnen te hebben eene restrictieve of eene extensieve interpretatie; 'tzijn resultaten van eenzelfde methode45).
Ten aanzien van iedere wet, met name wel van het Ned. Swb., dat met bijzondere zorg werd voorbereid, is d^vraag naar de waarde der gewisselde stukken en gevoerde beraadslagingen als hulpmiddelen voor wetsuitlegging even gewichtig als moeilijk; positieve en geordende regels falen hier licht. Op grond van het in den aanhef aangegeven beginsel en in overeenstemming met de heerschende praktijk, mag de groote waarde der wordingsgeschiedenis worden erkend, mits âmet oordeel gebruiktquot; en nooit contra legem. Vooral tegen negatieve gevolgtrekkingen worde gewaaktquot;).
Authentieke interpretatie, wetsuitlegging door den wetgever zeiven, is zelden geraden; maar noodzakelijk â dit is ook de opvatting van 't Ned, Swb. (Tit. IX) â 1°. wanneer in de wet eenige uitdrukking eene technisch-juridische beteekenis heeft, of a. tegenover de gewone taalkundige beteekenis eene beperking, of b. naast haar eene uitbreiding bedoelend; 2quot;. wan-
45) Cnopius, Analogische toepassing der strafwet (Diss. 1889) 16. â Dernburg
c. 77 , Geib. II 38. Uitdr. vergund in vroegere wbn. Ook Grim. wlgt;. 1809 a. 12.
Waarschuwing tegen gemis aan scherpe begrenzing bij Mittelstüdt 1. c, 10.
46) Vgl. Modderman a. d. Ie K. Smidt I 15. â Uitnemende opmerkingen bij v. Praag 1. c. 25. â Het klassieke werk tegen zoodanig gebruik: Schaffrath, Theorie der Auslegung konstitutionneller Gezetze (1812). â Krachtig opnieuw Binding 1. c. 469 vlgg. Waarschuwend ook Opzoomer 1. c. 193â200; Thorbecke Aant. I, XI.â Er is inderdaad veel misbruik. Over die van't Duitsche RG. Binding 1. c, 473 n. 14.â H. R. gaat hier met groote voorzichtigheid te werk, Voorbb, v, gebruik, arr, 27 Juni 1887 W, 5447, 22 Maart 1888 W, 5526, Voorb, v, verwerping eener negatieve gevolgtrekking IT, R 22 Oct, 1888 W, 5630, Zie W, 5634, T, v, Sr, III 553 (ad 228 Sv,),
128
ALO. BESCHOUWINGEN OVER DE STRAFWET. S? 15.
neer do wetgever tusschen tweeërlei bepaalde rechtskundige beteekenis eene keuze doet47).
De belangrijke strijdvraag betrekkelijk analogische toepassing van wettelijke bepalingen â ad exemplum legis, volgens de oude onderscheiding als wets- of als rechtsanalogie â heeft voor het strafrecht historisch en dogmatisch buitengewone beteekenis â quot;). Met die betreffende den omvang van wetsuitlegging worde zij niet verward49). De regel: nullum delictum enz. verbiedt haar, voorzooveel zij leiden zou, niet alleen tot nit-breiding van de rij der wettelijk aangewezen delicten, maar tot strafbaarstelling, tot zwaardere of tot lichtere strafbaarstelling van welke handeling ook, buiten de wet50). Ook op andere punten is zij voor ons strafrecht uitgesloten61): bij den tegen-woordigen stand onzer strafwetgeving en bij eene gezonde, hot gansche rechtsgebied en rechtssysteem omvattende wetsuitlegging en rechtstoepassing, onnoodig 5!). Ook zonder haar is âkrachtige, organische rechtsontwikkelingquot; mogelijk; maar ter wille der rechtszekerheid drukt den wetgever zwaarder plicht.
De rechter is en blijve zelfstandig wetuitlegger. Het gezag der arresten van een opperste gerechtshof is èn wetenschappelijk èn feitelijk groot; bindend gezag is hot in Nederland niet quot;).
'quot;) Deze titel behelst dus geen âdefinitiënquot;. â Voorbb. l°a: a. 79, 80, 85, 88; lü6: a. 81, 82, 84, 87, 89, 90. (Uitbreiding ligt in 'twoord âbegrepenquot; tegenover âverstaanquot; of âisquot;); 2° a. 83, 86. â Eene omschrijving v. 't onzekere begrip zwaar lioh. letsel (a. 82) ware beter geweest. A. 86 schijnt onvoldoende geredigeerd; vgl. Kropveld in T. v. Sr. IV 152.
â quot;) Vgl. boven b'iz. 121. Zie vooral, ook voor litt. Geib II 40; Binding Hdb, [ 213, met de merkwaardige maar gevaarlijke, leer; âdie Analogie soweit notwondig (nicht Recht sondern Pflicht) als sie nicht untersagt istquot;; van de daar aangehaalden , vooral Wachter Arch. f. Grim., 1844 â Cnopius 1. c.
49) Cnopius 1. c. 15.
Aldus ook Binding, hoewel hij dit verbod afkeurt. â Zelfs in dit opzicht liet uitdr. analogie toe Wb. Brunsw. 1840; nog Denemarken a. 1; en b. t. 1. 'I bekende a. 17 Grim. Wb. Krijgav. t. L,
M) a. 11 A. B.; voorts geschiedenis en systeem der strafwetg.
5!) Vgl. de bij Binding genoemde gevallen; voor de uitbreiding der rechtvaardigingsgronden hierna % 34; over de vrijheid des rechters bij de leer der ondeugdel. poging Smidt I 399. v. Liszt 82 âdelegatie v. d. wet a. d. wetenschapquot;. Stenglein in Gerichtss. XLIII, 3.
5''i) Vgl. a. 12 A. B. â Met voorliefde behandelt II. R. principieel de strijdvragen der nieuwe strafwetgeving.
129
^ It). WERKING DER STRAFWET NAAR DEN TIJD.
§ 16. Omvang van de werking der strafwet naar den tijd').
1. Zoodra en zoolang do wet of andere wettelijke bepaling werkt, beheerscht zij den rechtstoestand eu heeft de rechter haar toe te passen. Noch vóór dien tijd, al was zij reeds âverbindendquot; , noch daarna. Het tijdstip van inwerking treden wordt berekend óf naar bijzondere aanwijzing door of krachtens de wet (resp. wettelijke bepaling), zooals voor de nieuwe strafwetgeving 1 Sept. 1886, of naar den regel van 't algemeene recht2). Het geldt dan voor Nederland; voor het ressort der consultaten waarbinnen het Nedeiiandsche recht geldt, valt het tijdstip altijd later3). De wet of wettelijke bepaling verliest haar kracht geheel of gedeeltelijk alleen tengevolge van afschaffing door eene latere wet, resp, bepaling; uitdrukkelijk of stilzwijgend; zóó dat de afgeschafte regeling door eene nieuwe vervangen wordt, of zóó dat de oude, misschien ongeregelde toestand weder intreedt4). Intusschen kunnen zij hare kracht voor het toekomende ook door enkel tijdsverloop verliezen, wanneer zij bestemd waren om slechts voor een bepaalden tijd of onder bepaalde omstandigheden te verbinden 5}.
2. Deze begrenzing naar den tijd levert op strafrechtelijk
') Vlg. Smidt 1 108â11U: Geib I 43; v. Liszt 88; Geyer ürunJr. 1 88; Bernor 244; o. a. leerbn.; Binding Normen I 78 (2e ed. 167); id, Ildb. I 225 en de bij deze schrijvers aangeli., litt. waaronder vooral oudere. Garraud Précis 109. Polenaar en Heemskerk 1, 1; v. Swinderen 192; P, F. A. Cremers, Het transitoire strafr. (Diss. 1884). Vgl. Opzoomer Aantt. o. d. W. Alg. Bepp. (3e ed.), 27, 45, 107, 123 (passim).
2) a. 2 al. 2, 3 A. B. â W. 3 Aug. 1822 Sb. 33. â W. 26 April 1852 S. 92. â a. 101 Prov. w.â a, 174 Gem. w. â Over de nieuwe strafwetgeving boven (ill.
3) a. 32 Gons. w. â ïon aanzien van de werking der strafwet voor feiten buiten Nederland gepleegd maar voor den Nederlandschen rechter berecht, geldt m. i. niet a. 32; dus de termijn als voor Nederland.
^) Opzoomer 1. c. 123. Over verval van plaatselijk strafrecht tengevolge van latere regeling bij alg. strafr. 142 Pr. w., 151 Gera. w.
5) Vgl. b. v. de wetten die de werking der W. v. 6 Maart 1818 Sb. 6 verlengden; a. 187 al. 3 Gem. w. â Anders wanneer slechts herziening na zekeren tijd gelast is; aldus ook in 't geval v. a. 178 Gem. w. Vgl. Lfion v. Emden, Regtspr. o. d, Staatswn. I 359, 111 148, â Anders b. v. a. 291 Gem. w. â Over verval wegens voorbijgaande omstandigheden, zie beneden.
130
WERKING DER STRAFWET NAAR DEN TUD. § 16.
gobiod geen overwegend bezwaar, wanneer het tijdstip waarop het feit begaan en dat waarop het berecht wordt, binnen dezelfde grenzen liggen6). Maar zoo snol en geregeld kan de rechtspraak hare nauwgezet te vervullen taak niet afwerken. Wat dan, wanneer eene verandering van wetgeving beide tijdstippon scheidt? Deze vraag â van transitoir recht â kan alleen de wetgever oplossen en. deze hoeft voor het stellen van don regel te kiezen tusschen twee beginselen, tegenover elkaar:
liet eene dat â gerekend van hot tijdstip der berechting â do terugwerkende kracht der strafbepaling uitsluit, het andere dat haar erkent. â Naar het eerste mag alleen de wet toepassing vinden die gold toen liet feit begaan werd ; op dat tijdstip stonden de rechtsgevolgen vast die kondon introden; de rechter heeft alleen te verklaren dat de voorwaarden voordat intraden bestaan '). Naar liet andere beginsel ligt hot zwaartepunt in do ifeeteekenis der latere wet, door welker uitvaardiging do wetgever aangaf â en hij heeft dit vrijelijk aan te geven â wat voortaan, in verband met nieuwe rechtsovertuigingen en nieuwe behoeften, voor do strafrechtelijke handhaving dor rechtsorde al dan niet noodzakelijk is. Sommigen stellen dit beginsel onbeperkt8); andoren beperken het tot het geval waarin reeds onder de oude wet het feit verboden, mot een rechtsvoorschrift (norm) in strijd was en daardoor een algemeen recht tot straffen ontstond, waarvoor echter de verwezenlijking naar do nieuwe wet zich te regelen hooft9).
Do nieuwere strafwetgevingen hebben voor het stollen vaipf' , den regel hot eeïstgenoemdo beginsel gehuldigd10). Het No-derlandsche deed het in den algemeenen regel, dat âde wet . alleen voor hot toekomende verbindt en geen terugwerkende ' kracht heeftquot; (a. 4 A. B.); voor het strafrecht nader met deze
ü) Niet overwegend. De transitoire tvraag betredende de opgelegde straffen blijft.
') Zoo de meeste schrijvers. 8J B. v. Gever.
9) Aldus de leer van Binding.
lu) 2 2 Dvvb.; a. 4 C. P.; 2 C. P B.; 2 Cod. Ital â Anders onderscheidden vroegere wbn. v. Dnitsche staten (Binding, Normen I, 2e ed. 170). Ook a. 12 Kuss. ontw.; maar met erkenning â hoezeer op onvoldoende wijze â van uitzonderingen in den anderen zin.
131
§ 16. WERKING DEli STRAFWET NAAR DEN TIJD.
formuleering, aan 't hoofd van een Swb. op hare plaats â dat geen âfeit strafbaar is dan uit kracht van eene voorafgegane strafbepalingquot;. (a. 1 al. 1 Swb.). â Terecht. Aan een verkregen recht des daders behoeft nog niet te worden gedacht; maar rechtszekerheid zij ook tegenover den wetgever gewaarborgd; en het lot des verdachten mag niet op die wijze afhankelijk zijn van de vertraging der berechting. Wel is, gelijk veelal, ook in de Ncd. wetgeving de formuleering negatief. Maar deze èn historisch èn wegens het zinsverband verklaarbare vorm, raag positief als huldiging van de lex temporis delicti worden opgevatquot;).
3. Formeel kan de wet zelve van den regel der niet-terugwerking afwijken 1!!). En algemeen geldt in de nieuwe wetgevingen deze afwijking, dat de latere wet terugwerkt, wanneer zij minder streng is dan de oude ; wanneer de rechtsovertuiging eene zachtere geworden en deze door den wetgever gestempeld is n). Deze afwijking is in 't Ned. Swb. in woorden van ruime strekking erkend: âBij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden do voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepastquot; (a. 1 al. 2). Tot de âgunstigstequot; kunnen behooren alle bepalingen van materieel recht welke op de strafrechtelijke âwaardeering van het feit van invloed zijnquot; n); zij mogen betrekking hebben op 't bestaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid, op de mate van aansprakelijkheid, do bijkomende voorwaarden voor bet recht tot strafvordering en tot tenuitvoerlegging der straf, de straf-soort, de duur der straf, de vrijheid des rechters bij de straf-
quot;) Zoo ook v. Liszt; Geyer; Hiilsclmer; Gem. D. Straft'. I 125; Olshausen Commentar ad ^ 2 n. 10, â Anders Polenaar en Heemskerk n. 5. â Positief luidde liet overigens onvolledige a. 52 W. o. d. Overg. v. 16 Mei 1829.
ls) Vlg. Opzoomer 1. o. 107. Doch alleen de toei; o. a, a. 91 Swb. â Voorbb. a. 25 d. afgeschafte W. 29 Juni 1854: S. 102. a. 8. W. 17 Sept. 1870 S. 162. a. 32 vlgg. Inv.w. â In vroegere Fransche constitutien was 't beginsel als âprincipe constitutionnelquot; opgenomen. Vgl. Garraud 111.
13) Zoo ook do Fransche jurisprudentie ofschoon C. P. zwijgt. Garraud 114. â De waarde der afwijking, vooral het juridisch houdbare, wordt zeer verschillend beoordeeld. B. v. Geyer 90.
'lt;) M. v. T.
132
WERKING UKli STKAFWKT NAAK DEN TUI). § J (i.
toemeting o. a. m. I6) Daaronder dus ook â zeker in't stelsel van 't Ned. Swb. â de bepalingen omtrent klachtdelikten; omtrent verjaring, zoo van de strafvervolging als van de straf; deze laatste, onverschillig of de rechterlijke uitspraak vóór of na de verandering in de wetgeving uitvoerbaar werd ^).
Do ruime uitdrukking van het Ned. Swb. âdo gunstigste bepalingenquot; omvat â â naar 't aangenomen beginsel consequent â ook de z. g. n. âtusschenwetgevingenquot; die na het feit verschenen, vóór de berechting verdwenen mochten zijn17).
Do rechter â ev. het uitvoerend gezag â heeft dus het concrete, te laste gelegde feit ten aanzien der strafrechtelijke gevolgen te toetsen aan elke der wetgevingen. Hij bepaalt zijne keuze naarmate, in verband ook met de opvattingen der wetgevers, de uitslag voor den verdachte hot gunstigst is. Hij zal echter elke bepaling die een der gevolgen â h. v. de straf, de verjaring â in zijn geheel regelt, ook in haar gelieel moeten nemen en niet, hot gunstigste uit de eene bepalingen uit de andere samenvoegend, iets mogen erlangen wat in geen âbepalingquot; staat. â Intusschen is bij eenigszins omvangrijke of ingrijpende herziening van de wetgeving, nadere aanwijzing door den wetgever noodzakelijk. âOvergangsbepalingenquot; komen in vele wetten voor; met name in de Inv.w. der nieuwe strafwetgeving l8).
Is het twijfelachtig welke bepaling de gunstigste moet heeten of bestaat geen verschil, dan moet de wet waaronder het feit begaan werd, toepassing vinden l9).
4. Naar voorschreven beginselen zouden de genoemde tran-
15) Vgl. de genoemde schrijvers; m. n. v. Liszt en Polenaar-Hoemskerkn. 8â10, 14, 15. â Inv.w. a. 44, 46.
'0) Vgl. bep, 't debat bij Sraidt V 456. Omtrent de strafverjafflig oordeelen sommige schrijvers anders; o. a. Olshausen n. 13; zie voorts bij v. Liszt, Ten deele ook Polenaar-Hoemkerk 15 en append. â Juist o. a. v. Liszt zeil'en Binding. Hier heeft dan het O. M. de gunstigste bepaling inaoht te nemen.
'') M. v. ï. Conl'. Dvvb, Cod. Ital. âIe posterioriquot;. â Anders C. 1J, B.; a. 52 Overgw. v. 1829. â Er tegen b. v. Binding, Iliilschner. â Fransche schrijvers en jrprdie er voor; Qarraud 115 n, 2.
l8) Invw. ^ V. Over hare strekking Smidt V 461, 458.
1J) Zie de verdediging boven bij noot 11. â Practische betekenis van dit punt wegens a. 221 al. 2 Sv.
1. - 9
133
S} 16. WKHKING DER STIUFWET NAAR DEN TIJD.
sitoire vragen hare oplossing moeten vinden bij iedere berechting waarbij uit rechtskundig oogpunt over âdo zaakquot; wordt beslist: dus ook na verzet, in hooger beroep, na verwijzing door den cassatierechter of bij diens rechtsspraak ten principale. Bij de invoering der strafwetgeving van 1 Sept. 1886 besliste echter de wetgever, voor dien overgang, vooral op practische overwegingen, anders 20).
Op don_ inhoud van vonnissen gewezen onder 't oude recht en in kracht van gewijsde gegaan, heeft de verandering van wetgeving rechtens geen invloed21).
Ook behooren vroegere vonnissen hunne beteekenis te behouden bij herhaling van misdrijf onder de latere wet; daarvoor is echter bijzondere, althans bij de regeling der recidieve duidelijke voorziening noodig (a. 29 Inv.w.).
5. âVerandering in de wetgevingquot; â strafwetgeving, zooals het verband met al. 1 van art. 2 medebrengt â grijpt plaats wanneer de strafbedreiging â in haar lot al dan niet het verbods- of gebodsvoorschrift, de norm, medeslepend â afgeschaft of vervangen wordt of door verloop van den haar gestelden termijn hare kracht verliestquot;). Doch niet, wanneer zoodanig lot alleen het verbods- of gebodsvoorschrift de norm treft, doch de strafbepaling blijft33). Hierin, niet in het âuit zijn aard bloot tijdelijkequot; van het voorschrift â iets wat dikwijls niet kan worden aangewezen â ligt m. i. het zwaartepunt bij deze vraag.
!o) a. 31 al. 1 Inv.w. R. v. St. en C. v. R. adviseerden tegen: Srnidt V 451. Ook iS^P'^TT^tso. en Reg. op liet Swb. werd er a.nders over gedacht; âofhoogere instantiequot;. Smidt I 110. Voor de in den tekst gehuldigde leer de meeste schrijvers. Vgl. J. H. Faes. Opra, over a. 31 Inv.w. (Diss. 1886).
!1) Zoo ook naar Dwb. vgl. Olshausen. â Anders Cod. Ital. a. 2 al. 4,5. â⢠De nieuwe wet kan zelve anders bepalen, mits uitdrukkelijk; voorbb. hij Garraud 117. Anders baat slechts gratie. Verandering van don âaard der strafquot; ten ongunste door voorschriften van administratieven aard, is ongeoorloofd. Vgl. ïijdschr. v. Sr. 1 213, 330. â Over strafverjaring zie boven noot 16. â Vgl. voorts a. 49 Inv.w.
quot;) Ten onrechte oordeelen in 't laatste geval sommigen anders; bij Olsh. 15 inf.
3!l) Voorbb. a. 100 Swb.; jagen in verboden tijd; verboden vervoer. â In denzelf-den zin, schoon niet steeds op denzelfden grond. het algemeene gevoelen. M. v. T. Polenaar-Heemskerk 20. Ook Duitsche rechtspr. bij Olsh. n. 15. Terecht is dan ook a. 40 W. v. 20 Juli 1870 S. 131 bij a. lO5'1 Inv.w. niet gehandhaafd. Smidt V 353.
134
Wi'.L!KING DER STHAFWET NAAK DE PLAATS. S 17. 135
G. De toepassing der vragen van transitoir recht wordt bc-heerscht door deze: wanneer een feit is âbegaanquot;? Hare bo antwoording behoort in de leer van het âstrafbare feit''.
§ 17. Omvang van de werking der strafwet naar de plaats').
1. Aan den rechter van een staat is het strafrecht van dien staat ter handhaving toevertrouwd. Op privaatrechtelijk gebied kan de rechter de wet van een anderen staat hebben toe te passen; dan leert hot âinternationaal privaatrechtquot;, welke. Dit karakter dragen de vragen van z. g. n. âinternationaal strafrechtquot; niet noodwendig. Op dit gebied kan als grondbeginsel gelden, dat de rechter geen andere wet toepast dan die van zijn eigen staat. De vraag is dan alleen, waar, door wien of tegen welke rechtsbelangen een feit begaan moet wezen, om onder deze berechting te behooren.
Als algemeene regel wordt dit thans niet meer betwistquot;). In de Germaansche wereld, met name in de eerste periode der Frankische heerschappij, gold het stamrecht van den dader3); sints de 9C eeuw begon do huldiging der lex loci delicti commissi door te dringen, ook voor feiten over de grenzen gepleegd '). En de berechting naar die wet, c. q. dus ook naar de vreemde, werd sinds door oudere en latere schrijvers en wetgevers â op grond van 's daders onderwerping aan de lex loci of op gronden van billijkheidâ- tot in't begin
§ 17 ') Goib 1, 40, 51. v, Bar, das intern. Priv. u. Strafr. (1862). v. Rohland , das Intern. Strafr. (1877). Harburger, Dor strafreohtlicho BegriU' Innland u. s. w. (1882). Binding Hdb. I 370. v. Liszt, Lehrb. 91 en Z. f. d. ges. Srw. II 50. Geyer, Grundv. 91. Qarraud, Précis 128. Fiore (trad. Antoine) Traité de dr. pén. intern, et de l'extrad. (1880); Wharton, Conflict of laws (1881); de Martens, Traité de Dr. Intern. UI 1. Hamaker, Praeadv. Jur. Ver. (uitlevering v. eigen onderdanen) 1885, 1 20 i (beraadsl. II 139). Snouckaert v. Sohauburg, Misdr. buitenlands gepl. (Diss. 1880); do Jonge, De nitlev. v. eigen onderd. enz. (Diss. 1881). Verdere litt. vooral bij Binding 1. o. en Grundriss ^ 20 (Ie ed. blz. 65).
') Vgl. Hamaker 1. o. 227. Binding 372.
3) Voor het âwergeldquot; nog 't stamrecht van den beleedigde.
') Vgl. Brunner, I). Rechtsgescbichte. 261,
130 § 17. WERKING DER STRAFWET NAAR DE PLAATS.
dezer eeuw verdedigd '). De strengere erkenning van staatsrechtelijke beginselen op dit gebied leidde echter tot bovenvermelden regel; in 't Ned. recht (a. 2â7 Swb.) erkend zonder eenige uitdrukkelijke afwijking f'). Wel moot worden rekening gehouden met liet vreemde recht bij beoordeeling van rechtsverhoudingen die bestanddeelen van een delikt kunnen zijn, met het vreemde strafrecht in de gevallen van a. 52 en met vreemde vonnissen (a. G8 al. 2); maar toegepast wordt alleen de Ned. strafwet1). Internationale verdragen, strafrechtelijke bepalingen bevattend, zijn in zoover ook nationaal rcchtquot;).
Nevens dat nationale recht wordt dan â deels met gelijke, deels , voor zoover het nationale recht niet toepasselijk is, met uitsluitende heerschappij, de toepassing van het vreemde recht door den vreemden rechter dezerzijds erkend on geëerbiedigd en dient de uitlevering als rechtshulp om die heerschappij te steunen 2).
2. De vraag worde dus herhaald: waar, door wien of ten nadeele van welke rechtsbelangen een feit begaan moet wezen , om onder het gebied der nationale wet te behooren?
Het antwoord is en wordt gegeven naar onderscheiden beginselen , 't zij bij uitsluiting, 't zij vereenigd.
Naar 't unioersaliteitsheciinsel. in zijn volle consequentie opgevat, zou ter zake van elk delikt, waar, door wien of ten nadeele van welk rechtsbelang ook gepleegd, krachtens eeno algemeene roeping der staten ter handhaving eener wereldrechtsorde overal berechting mogelijk zijn; uitlevering van don dader aan den judex loci, berechting dus door dezen naar zijne wet (territorialiteit), zou eenc daad zijn van jurisdictie en alleen op
1
') Eene uitzondering â zie vorige noot â vloeit voort uit a. 68 al, 2!0 bij verjaring v. d. straf.
2
1)) Over mogelijk conflict o. a. v. Liszt Zeitsobr. II 55.
WERKING DER STRAFWET NAAR DE PLAATS. § 17.
grond van processueele behoeften als regel moeten gelden l0). Als ideaal bestemd om voor de ontwikkeling van 't internationale strafrecht, in haar historische lijn, do richting aan te geven, is het als practisch stelsel met het nationale karakter in de ontwikkeling en de werking van liet strafrecht en met do noodzakelijke verscheidenheid der wetgevingen niet te vereenigen; ook voor de algemeone rechtsorde niet onmisbaar quot;). y . Naar het territorialiteitsbeginsel beheerscht de strafwet van eenen staat, krachtens diens roeping, alle feiten binnen de grenzen gepleegd, onafhankelijk van des daders nationaliteit of van het aangerande rechtsbelang. Historisch heeft het zich tegenover het oorspronkelijke, het personaliteitsbeginsel â naar 't welk ook het strafrecht niet voor of tegen vreemdelingen gold â bij 't veldwinnen van 't publiekrechtelijk karakter, baan gebroken; âreeds vóór het einde der middeleeuwen was deze ontwikkeling in Westelijk Europa voltooidquot; 'J). Onbeperkt geldt het nog niet overal ':|); kan het niet overal gelden 14). Dat het uitsluitend zon kunnen heerschen, is zeker tegenwoordig, maar ook, reeds omdat niet alle deelen der aarde tot het grondgebied van eenen staat behooren, in 't algemeen ondenkbaarquot;).
Aanvullende beginselen â zelve als uitsluitende beginselen historisch voor goed overwonnen â zijn allereerst de persomi-lationaViteitsbeqinselamp;U- Vooreerst het actieve (Subjok-
p), waarnaar de burger voor zijne handelingen, waar ook gepleegd, verantwoordelijk blijft naar de wet van zijn land; een beginsel, voorzoovor bezwaren tegen uitlevering van ânationalenquot; bestaan, stellig, maar ook overigens onont-Voorts hot passiwe (Realprinzip) ter bescherming van
ln) H. v. Mohl's Weltrechtspflege Staatsr. I 637. Geyer 92, die de delicta mere juris civilis uitsluit. â Hamaker 219, 234. v. Schwarze in Holtzendorff's Hdb. 11 45. â Vgl. hierover Fiore I 42.
quot;) Vgl. b. v. juist de internationale overeenstemming op den grondslag van een exclusief territorialiteitsbeginsel aanbevolen door v. Liszt 1. c. 55.
137
1!) Hamaker 228. 13) Vgl. b. v. na te melden Avis du Cons. d'Etaten § 18. H) De exterritoriale rechtsmacht van vreemde consuls in sommige landen,
ls) Vgl. noot 12.
§17. WERKING DER STRAFWET NAAR DE PLAATS.
nationale rechtsbelangen , algemeéne of bijzondere, zij het dan, in verband met het vorige, tegenover ânationalenquot; ruimer dan tegenover vreemdelingen, mede onmisbaar. Eindelijk â eene toenadering tot do richting der universaliteit â het beginsel van de bescherming der yemeeiie, internationale rechtsbelangen (Recbtsguter von internationalem WertcJ, krachtens de solidariteit welke tnsschen alle of tnsscben naburige rechtsgemeenschappen bestaat.
3. Voor Nederland zijn de beginselen omtrent dit onderworp , dat van materieelrechtelijken aard is, thans in artt. 2â8 Swb. neergele
Bij de raadpleging dier bepalingen worde echter steeds in bet oog gehouden, wat reeds in 't algemeen werd opgemerkt, dat, naast de heerschappij der Nederlandsche wet, die der vreemde, volgens bare eigen regelen en naar analoge beginselen, recht van bestaan heeft, terwijl de opportuniteitsvraag, of in eenig geval de Nederlandsche berechting zal plaats vindon , hare staatkundige en volkenrechtelijke waarde behoudt quot;'). Inbreuk op de erkenning van het vreemde recht maakt, behalve het ongeschreven volkenrecht, de instelling in sommige landen van de consulaire rechtsmacht over Nederlanders, internationaal op verdragen, staatsrechtelijk op de wet gegrond 's).
4. Ook de Nederlandsche wetgeving stelt het Uirrijorialiteitshe-ninsel voorop en erkent andere daarnevens quot;). âDe Ned. strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen hot rijk in Europa aan eenig strafbaar feit (misdrijf of overtreding) schuldig maaktquot; (a. 2 Swb.). Dit voorschrift beeft in zoover a. 8 Alg. Bep. â met zijn minder juiste redactie â vervangen :quot;). liet bcgin-
16) Wegens gemis van bepp. in C. P. te voren in 8 A, B. en 8â10 Sv. Zoo ook in Ontw. Sv. 188cf.
quot;) M. v. T. Smidt I 113, 114, bep. 117.
19) a. 22 Cons. W. De aanwijzing van consulaten in Turkije, China, Japan, Siam, Egypte, Tripoli, laatstelijk bij K. li. 4 Mei 1800 S. 77.
19) Aldus ook andere wetgevingen: Duitschl. Dwb. § 3 vlgg. â Frankr., C. Civ. a. 3; C. Instr. a. 5â7 gew. en aangev. W. 27 Juni 1860. â^Belgie, C. P. B. a. 3, C. Civ. a. 3, C. Instr. a, 7. â Italië Cod. Pen. a. 3'â8. â Engel, Stephen Dig. of Crim. Proc. § 1â13.
20) Voor âverordeningen van policiequot; die niet strafverordeningen zijn blijft a. 8. van kracht, a, 'Ml Tnv.w. 91 Swb.
138
WEKKING DEK STRAFWET NAAR DE PLAATS. § I 7.
sol wordt, behoudens de uitzondering van a. 8 Swb., onbeperkt gehuldigd. Tegenover de strafwet in haar geheel is de nationaliteit dos daders onverschillig, al kunnen sommige misdrijven, wegens hunne omschrijving, slechts door een Nederlander (b. v. a. 101, 388, 389 Swb.) of slechts door een vreemdeling (a. 197 Swb.) worden gepleegd. Do beperking die fr voor misdrijven aan boord van vreemde koopvaardijschepen op het watergebied van den staat begaan, in verband met
hot adagium âschip is territoirquot; in Frankrijk geldt en ook h. t. 1. gold krachtens 't Avis du Conseil d'Etat van 28 Oct.â ' , ' i 20 Nov. 180G , is vervallenquot;). , -ie ' ⢠1
^lct grondgebied is dat van âhet Rijk in Europaquot;; de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werclddeelen zijn met hot buitenland gelijkgesteld, behoudens do uitvoerbaarheid h. t. 1. van do daar gewezen vonnissen quot;). De landgrenzen zijn bij tractaten bepaald. Van de wateren behooren tot het grondgebied (als in domhüo) rivieren, baaien, binnenzeeën, reedon, havens; terwijl volkenrechtelijk erkend mag heoten, ook voor Nederland ten aanzien van sommige punten uitdrukkelijk bij conventies erkend is en a. 2 blijkbaar mede op hot oog had, de rechtsmacht (imperium) over de tot do territoriale wateren behoorendo kustzee zich uitstrekkend zoover de macht uit liet land reikt (3 zeemijlen gerekend van de laag-waterlijn) quot;).
ïl) a. '1 Inv.w. â Vgl. Smidt I 111. V 247. â 't. Avis bij Fortuyn Verz. II 414, o, m. ook bij Wheaton El. de Dr. intern (3e ed.) I 131. In Frkr. in Ord. sur la marine marehando v. 1833 overgegaan â Vgl. twee belangrijke Ned. diss, âover den volkenrechtelijken regel schip is territoirquot;, Philipson (1864), Reiger (1865).
De Fransche leer, ook in Rusland gevolgd, o. a. verdedigd bij Garraud 130, Fiore 4, de Martens III 33; wat de territoriale zee betreft, Harburger 1. o. 6 vlgg. â
Engel, en Duitschl. als Nederland.
!J) Reg. Regl. a. 104 Ned. Indie, a. 140 Suriname, a. 161 Curasao.
â 3) Zie ook Smidt V. 247 M. v. ï. vgl. Wheaton 1. c. I 168. Fiore I 4. Harburger 1. c. 24 en 6, de Martens I 501. Voor de kustzee is echter volgens sommigen, zoo Harb. en Fiore, de rechtsmacht zelve beperkt: zie noot 21. Voor Engel.
Terr, water jurisd. Act. 1878 (40/41 Vict. c. 73). Vgl. V. V. on M. v. Anw.:
Ontw. houd. aanvulling v. tit. 1 afd. 4 Wb. Strafvord. (zitt. 1888/89): W. a. 2, 3.
Conv. Noordzeevisscherij; conv. telegraafkabels (boven blz. 95). De terminologie schijnt onzeker. Sommigen, b. v. de Martens, noemen de baaien en binnenzeeën âterritorialequot;, de kustzeeën âlittoralequot;; anderen (vgl. b. v. beraadsl. over Ontw. i. z,
...
§17. WERKING DEI! STIIAFWET NAAR DE PLAATS.
5. Zonder dat de Nederl. wetgever wilde of van zijn standpunt ook behoefde te beslissen, inhoever voor dit onderwerp volkenrechtelijk de fictie âschip is territoirquot; golden kon , beoft hij zelfstandig, in overeenstemming met en naar analogie van het territorialiteitsbeginsel, de Ned. strafwet toepasselijk verklaard op âieder die zich buiten het rijk in Europa mui boord van een Nederlanchch vaartuig aan eenig strafbaar feit schuldig maaktquot;; aan boord van oorlogsvaartuigen of koopvaardij vaartuigen, met de daarbij behoorende sloepen; niet alleen in volle zee, ook in vreemde, waaronder koloniale wateren c'). Do uitdrukking âvaartuigquot; omvat zoowel âschepenquot; â n.1. âzeeschepenquot; volgens de wet op do zeebrieven (a. 86 Swb.) â â *) als alle andere vaartuigen. Ook ter bepaling van liet begrip âNederlatidschquot; kan voorts a. 86 geacht worden naaide voorwaarden in voormelde wet (a. 2) voor don eigendom van schepen gesteld, te li ebben verwezen. Doch dit geldt slechts schepen'2'quot;)] niettemin bestaat er alle aanleiding om de Neder-landsche nationaliteit van vaartuigen in 't algemeen vast te stellen naar de beginselen van diezelfde wet2B).
G. Naast dit hoofdbeginsel huldigt dan de wetgever, mede in overeenstemming met andere staten57), allereerst het passieve national it eitshpf/insel, ter bescherming, onafhankelijk van
visschen in terr. wateren, W, 5768), brengen de eerste tot het eigenlijke âgrondgebiedquot;, en noemen de kustzee âterritoriale zeequot;.
Tegen 't. stelRel nota Swart, Smidt 1116. â Gelijk Ned , uitdmkkelijk ook Zweden, Noorwegen. â Ruim, ofschoon, als samenhangend met de rechtsmacht der admiraliteit, ietwat onzeker, Engeland; Steph, Dig. of Grim. Proc. a. 3 , History II 25â 27, Harburger 122. â Frankr., voorzoover het feiten geldt op vreemd watergebied, in overeenstemming met de loer ten aanz. v. vreemde schepen, Harb. 119,â Voor Duitschl. door sommige schrijvers opgevat of. Ned. o. a. Binding 409. Vgl. f 10 Strafprocessordn. Anders Harb. 118, v. Liszt 95, Olsh. ad 5 3 n. 13.
^1) W. 28 Mei 1869 S. 96. *â¢) Smidt I 503.
Nederlatidsch ware dan te noemen: âelk vaartuig dat óf oen Nederlandsch zeeschip is, öf, zoo het een zeeschip ware, op grond van de voorwaarden in a. 2 van voormelde wet ten aanzien van den eigendom gesteld, een zeeschip zou zijnquot;; voorts Nederlandsche âoorlogschepen, andere vaartuigen in dienst van het Rijk an vaartuigen van zeilvereenigingon of jachtclubs als zoodanig door den minister v. financien erkend (a. 1)quot;. â Vgl. Kropveld in Tijdschr. v. Strfr. IV 152, bep. 175 vlgg.: aldus ongeveer ook Polenaar-Heemskerk ad. art.
;') Vgl, noot 19. Engeland niet.
140
WERKING DEK STRAFWET NAAR DE PLAATS. § 17.
territoir en van nationaliteit des daders, van gewiclrtigc alge-meene nationale rechtsbelangen (a. 4 i0â3°).
Intnsschen is, vermits het beginsel ook tegenover vreemdelingen geldt, de rij van deze delicten niet groot: zij betreffen de veiligheid van den staat, doch alleen als hoogverraad.en daarmede verwante feitelijkheden tegen de koninklijke waardigheid (a. 92â96, 108â110) en van het z. g.^flandver raad niet anders dan de bedriegolijke schending van speciale verplichtingen in oorlogstijd (a. 105); behoudens natuurlijk de toepassing van militair strafrecht te velde!8); voort/valsclilieden die rechtstreeks . het crediet raken van den Nedorlnndschcn staat.â daaronder begrepen de koloniën of overzeesche bezittingen â of van eene andere Nederlandsche publiekrechtelijke gemeenschap, âprovincie, gemeente of openbare instellingquot; , als de waterschappen 2°).
Uit hetzelfde gezichtspunt kan worden beschouwd de bescherming van Nederlandsche scheepvaartbelangen , tegenover vreemdelingen zoowel als Nederlanders. Vooreerst, waar een Nedcr-lansch vaartuig opzettelijk in de macht van zeeroovers wordt gebracht (a. 410jquot; 385); en dan, inzoover de handelingen â âook buiten boord gepleegdquot; en derhalve onttrokken aan a. 3 â bohooren tot de âscheepvaartmisdrijvenquot; of âscheepvaartovertredingenquot; van liet Swbk., edoch ten aanzien van deze groepen alleen voorzoover de feiten begaan worden door den schipper of de opvarenden van een Nederlandsch vaartuig (a. 7) 30).
Gewichtige algemeene Icoloniale rechtsbelangen worden slechts inzoover vermeld als zij onder die van staat en rijk begrepen zijn: in a. 4 10 jquot; a. 93, voorts in a. 420 3° 31). De reden daar-
28) Vgl- a' 10 Cr. Wb, Krijgsv. t. L. â Nieuw ontw, mil. Wb. a. 5.
») Smidt I 118, 119, 122', 124, â Strafv. (oud) en Ontw. Strafv, 1863 gingen verder, â âOpenbare instellingquot;. Verg. 't woord in a, 226. Smidt II 250. â Bank-hiljelten uitgegeven door eene krachtens de wet opgerichte circulatiebank zijn ten onrechte niet vermeld; reeds de vervalsching buitenslands benadeelt hun crediet. Vgl. Smidt I 127, 128; W. 4330.
:i0) Do meeste dezer feiten behoorden dan ook in O. R. O. onder a. 4; Smidt I 124. ⢠Ook a. 408 is nu terecht opgenomen. â In do gevallen van a. 388, 389 moet de dader Nederlander zijn.
'quot;) Vgl. voor ârijksmuntspeciënquot; a, 1, 21 W. 1 Mei 1854 S. 75, (Smidt II 227); voor deze en voor âschuldbrievenquot; enz. M. v. T. op Ontw. Sv. 1863 T, I a, 46.
141
§ 17. WERKING l)EH ST HAF WET NAAR DE PLAATS.
van is echter deze dat liet Swbk., ten onrechte, in de rij der misdrijven nooit opzettelijk handelingen ten nadeele van koloniale belangen opnam 3:).
Het beschermingsbeginsol uit te breiden tot nationale indivi-dueele rechtsbelangen, m. a. w. do Nederlandsche strafwet ook toepasselijk te verklaren waar het misdrijven geldt buitenslands tegen Nederlanders begaan, lag wel in het stelsel van het Ontw. Swbk. Inzoover de daders vreemdelingen waren, zouden die zwaardere âmisdrijvenquot; in aanmerking komen waarvoor de mogelijkheid van uitlevering wenschelijk ware; inzoover het landgenooten waren, alle (a. 5 20,3quot; O. Stsc. en O. R. O.)33). Dit rationeel beginsel, ook quot;eMcrs gehuldigd 3') en hier tot de invoering der nieuwe strafwetgeving van kracht35), is bij het streven der Tweede Kamer naar âvereenvoudigingquot; door het actieve nationaliteitsbeginsel geheel verdrongen en, zonder noodzaak, op zwakke gronden volkomen losgelaten30).
7. Ook het beginsel der bescherming van gemeene, internationale rechtshetangen, is tegenover heftigen tegenstand van individualistische opvattingen en slechts in beperkte mate, in het Swbk. doorgedrongen, 't Is erkend ten aanzien van recht-streeksche deelneming aan zeeroof, (a, 4'1quot;jquot; 381, 382), het zijn van zeeroover, hostis generis humani3J). Om niet recht te verklaren redenen en tegen de oorspronkelijke bedoeling geldt het niet voor de misdrijven van a. 383, 384 38). â Voor slavenhandel (a. 274 vlgg.) was gelijke behandeling als voor zeeroof door de ontwerpers beoogd; deze is echter om vele redenen, met name als niet algemeen jure gentium erkend en als onnoodig, weggevallen 39).
M) Vgl. ook B. v. St. Smidt I 115; en beneden ad 8.
33) M, v. ï. Stsc, bl. 25. Smidt I 129.
â¢quot;) a. 7 Cod. Ital. â a. 7. Buss. ontw. â Zweden, Zwitsersche kantons e. a. â Er legen Fiore 87. â In Frankr., a. 7. C. Instr., in 18(36 verlaten; daartegen Qarraud MI.
35) a. 9 Sv. (ond); ook ontw. 1863. Smidt I 120 vlg.
3') Vgl. C. v. R. en nota Lenting; daartegen Reg. Antw. Smidt I 122â124. Litt. uit volkenr. aid. Ook Fiore I 83, de Martens II 342.
â ,s) Rapp. a. d. Koning. Smidt 1 120.
a!l) Smidt I 122'â124, 120, 127. Vgl. Akte der Brusselsohe conferentie v. 2 Juli 1890 a. 5, 25, 54, 56. Engelsche Pari. Pap. C. 6048. â Fiore 1, 95 noemt âla traite nn délit contre le droit internationalquot;.
WKUKING DEK STRAFWICT NAAR DE PLAATS. § 17.
Metzelfclo beginsel wordt voorts steeds meer verwezenlijkt door internationale conventies waarbij, ter bescherming van ge-meene belangen met name buiten eenig territoir, de staten zich tot hot maken van strafwetten tegenover elkaar verbin- '* den, een gemeenschappelijk politietoezicht organiseeren, en de competentie hunner rechters en strafwetten, veelal naar tcrritorialiteitsbeginselen, regelen 40).
8. Bij liet prijsgeven van het passieve is â ingevolge een door de Regeering overgenomen voorstel der C. v. R. â hot actieve nationaliteitsbecjinsel na liet territoriale voor de toepassing vau de Ncderlandsche strafwet het hoofdbeginsel geworden (a. 5) quot; ). Naar dat beginsel blijft de band ook tusschen strafwet ön onderdaan gehecht, de herinnering aan het buitenslands n^isdrevene bewaard. De dader keert allicht in zijn land terug; hij kan rechtsbelangen hebben aangerand, waarvoor de nationale wet het ernstig moet opnemen. Den vreemden staat nu waren die belangen allicht onverschillig; of het feit werd begaan buiten liet grongebied van eenigen staat; of de dader bleef onvervolgd en vindt in het vaderland tegen uitlevering asyl n'). Op den grondslag van deze overwegingen en ten deele met uitdrukkelijke verwijzing naar het Duitsche recht (§ 4 Dwb.), is nu het beginsel gehuldigd; a. (a. 5 10) bij alle misdrijven tegen do veiligheid van den staat en tegen de koninklijke waardigheid (B. 1 T. 1, II); bij een bijzonder misdrijf tegen 's lands weerbaarheid (a. '200); bij bigamie (a. 237)l3); bij uitoefening van de kaapvaart zonder vergunning der Ncderlandsche regeering (a. 388, 389); b. (a. 5 2quot;) in 't algemeen bij elk feit volgens do Nederlandsche strafwet misdrijf (dus niet overtreding) en waarop tevens door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld l4).
Dit laatste voorbehoud is gesteld als een eisch der billijk-
40) Voorbl). boven blz. 05. â¢quot;) Stnidt I 121, 123, 132.
4!) Met het oog op onze wetgeving ging men hiervan uit. Smidt I 129, 132. 4a) âEen feit in 't bnitenl. niet overal strafb, en juist bij voorkeur aldaar gepleegdquot;. â⢠Ook in 't Engelsche recht Stoph. Dig, Cr. Proc. a. 13.
quot;) âWetquot; hier natuurlijk niet in technisohen, dus in den ruimsten zin.
143
§ 17. WERKING DER STRAFWET NAAR DE PLAATS'.
heid 4S). Uitdrukkelijk aan het Duitschc recht ontleend, was liet toch â evenals ongeveer 't geheele stelsel van a. 5 â reeds aangenomen in het Grim. Wh. van 1809 en de ond-vaderlandsche praktijk Ar'). Misdrijven gepleegd in open zee aan boord van vreemde vaartuigen, welke tot het rechtsgebied van een bepaalden staat behooren , zijn door dit voorbehoud niet uitgesloten47); wel misdrijven in open zee buiten eenig vaartuig (b. v. Poolzee) of in niet tot een beschaafd staatsgebied beboerende streken begaan 48); of feiten door de leemten eener vreemde strafwetgeving ginds straffeloos 49). Ook daarom kan zich 't gemis eener ruime erkenning van het passieve nationaliteitsbeginsel ernstig doen gevoelen. â A, 5 20 eischt strafbaarheid van den bepaalden verdachte voor 't concrete feit naar beide wetgevingen; onderscheid in strafmaat, classificatie of qualificatie van liet feit is onverschillig; gelijksoortigheid van overtreden rechtsnorm, aangerand rechtsbelang, noodzakelijk 5°).
Hetzelfde, het actieve nationaliteitsbeginsel, beheerscht verder, doch hier onbeperkt, de Nederlanders die strafbare feiten plegen binnen het ressort der consul aten waarvoor extraterritoriale rechtsmacht geldt51).
Eindelijk vindt men het besproken beginsel terug in de bepaling welke, op grond van een blijvenden band tusschen den Nederlandschen staat en de Nederlandsche ambtenaren â ev. ook vreemdelingen â op dezen de Ned. strafwet toepasselijk verklaart, voorzoover zij zich buitenslands schuldig maken aan een der ambtmisdrijven omschreven in B. 11 T.
45) Smidt I 121.
a. 2, 3 Cr. Wb. â Komper, Aanm, blz. 5. â Hetzelfde voorbehoudsints 1860 ook in 't Fransche recht, voorzooveel âdélitsquot; betreft; bij âcrimeaquot; niet (a. 5 C. Instr.), Gedeelte!, ook Ital. Cod. P. a. 6.
4') Vgl. Smidt I 125 vlgg.
Anders wegens hunne negatieve opvatting van 't voorbehoud Binding 1436, v. Liszt 1, c. 96.
^1) li. v. a. 219 Swb. en C. P. B. W. 5663.
5n) Vgl. Polenaar c. s. 1 24; Garraud 146; Binding 136. â v. Hamel in T. v. Sr. I 24.
sl) Zie boven blz. 130, noot 18.
144
WERKING DEH STRAFWET NAAR DE PLAATS. S 17.
XXVIII 8wb. (a. 6). Buiten do ambtenaron en de feiten in dien titel genoemd, is de bepaling niet uit te breiden'quot;'3).
Wie voor do toepassing van a. 5 Swb. Nederlander is, moest, hij hot bestaande âdubbel Nederlanderschapquot; het Swb. uitmaken (a. 83). Grondslag worden natuurlijk de regelen dor âwet tot uitvoering van a. 7. Gw.quot; (Gw. 1887, a. 6)s3). Maar wegens het verband van actief nationaliteitsbeginsel en asy1-recht, zijn met Nederlanders gelijkgesteld allen wier uitlevering hij de wet is verboden, d. z. do âNederlanders volgons het B. W.quot; (a. 5,6); niet echter de volgens a. 8 B. W. âmet dozen gelijkgesteldonquot; 54). Ingezetenen van Ned. Indië, geen Nederlanders zijnde, zijn hieronder niet begrepen quot;). Wie vreemdeling was tijdens hij hot feit beging maar later Nederlander werd, door naturalisatie of huwelijk, is alsdan op grond van a. 5 to vervolgen (a. 5 al. 2); niot alleen op grond van a. S2quot;, meer ook â ofschoon in strijd met de ratio logis en met de bedoeling van de voorstellers â op grond van a. 5|0'quot;).
Wie voor de toepassing van a. 6 Swb. âNederlandsch ambtenaarquot; is, worde beoordeeld naar B. II T. XXVIII voorzoover daar bijzondere ambtenaren worden genoemd; voorzoover er do algomeeno uitdrukking âambtenaarquot; gebezigd is, naar bijzondere wetten, het algemeen staatsrechtelijk begrip, en do uitbreiding aangegeven in a. 84 Swb. 5?) 58).
9. De voor deze § zoo belangrijke vraag waar oen dolikt begaan is, hangt met do leer van âhet strafbare feitquot; samen 5'J).
52) Over do onvollediglioid dezer regeling Polenaar. o. s. 30 v. d. Hoeven, 1. c. (boven blz. 78) 101. â Ruimer opvatting in a, 4 Ontw. Mil. Swb.
6:') Thans W. 28 Juli 1850, Sb. 44.
54) A. 22jü 2, If!. Alg. Uitlev. W. v. G April 1875 Sb. 66, gew. bij a. 18Inv.w. Sraidt I 498.
«) Smidt 1, 131, 499.
5li) Smidt I 132. v. d. Hoeven 1. c. 101. ââ Andera Polenaar o. s. 26. Vgl. over deze âredactiefoutquot; boven blz. 123, â § 4 Dwb. bindt de toepasselijidieid der nationale wet in dit geval nog aan twee voorwaarden, die m. i. geheel in overeenstemming zijn met de leidende gedachten; de le zeker.
5') Vgl. over dit onderwerp v. Hamel ï. v. Str. I 33 en daar vermelde litt.
iS) Eene groote verscheidenheid v. beginselen lag ten grondslag aan het terecht niet opgenomen a. 7 O. li. O. betrekkelijk het tweegevecht. Smidt 1 134.
S9) Zie beneden Hfdst. II.
145
S 18. VOLKENRECHT KM J KR UITZONDERINGEN.
§ 18. Volkenrechtelijke uitzonderingen x). Op vit quot;f/
1. De Ned. wetgever stelt voor de werking der Ned. strafwet de grenzen vrijelijk krachtens eigen souvereiniteit.
Alleen in zoover hij voor de toepassing rechtshulp van een vreemden staat behoeft, is hij van overeenstemming met dezen afhankelijk. Nochtans heeft hij rekening te houden met, zijnen rechters eerbied te gelasten voor het volkenrecht. Do Ned. wetgever deed dit â bepaaldelijk wegens a. 3 A. B. â uitdrukkelijk (a. 8 Swb.). Intusschen, niet door eenzijdig en allicht onvolledig ie regelen van dat recht in de eigen wetgeving over te nemen; doch door verwijzing 2). Plet geldt als uitzon-deringsrecht, in beginsel tegenover alle in § 17 vermelde regelen (a. 2â7); feitelijk hoofdzakelijk tegenover het stelsel van territorialiteit (exterritorialiteit, exterritorialen). De door de uitzondering gedekten zijn aan de heerschappij der Ned. strafwet zelve en daardoor aan de Ned. rechtsmacht onttrokken a). Intusschen, waar het volkenrecht aldus de toepassing der Ned. strafwet belet, behoort het in volkenrechtelijke maatregelen een tegenwicht te geven ').
Het volkenrecht dat met name in aanmerking komt, is het recht voor tijd van vrede; in staat van oorlog zijn feitelijke machtsverhoudingen veelal overwegend 5).
2. Buiten 't bereik der Nederlandsche strafwet, inzonderheid 5 als territoriale wet, staan allereerst vreemde souvereiiien, âre-
geerende vorsten of andere hoofden van bevnenae statenquot; â niet hunne familieleden â, wanneer zij met goedvinden
j! J8 i) Staatsrechtelijke uitzonderingen behooren, althans in 't stelsel v. 't Ned. Wb., niet hier; vgl. ^ 20.
2) Smidt I 135. Zoo ook reeds Crim. Wb. 1809, al. 2; vroegere D. Wbn., Wb.
Zurich e. a. Anders, ten aanzien v. gezanten, D. Gerichtsvfg. J 18 vlgg.
3) Zie na te noemen volkenr. lilt. Ook Binding 1685, vlgs. wien't privilege alleen tijdelijke âonvervolgbaarheidquot; medebrengt en een processueel karakter draagt: iets wat Ned. Swb., m. i. anders opvat; en 't volkenr., ook niet leert.
') B. v. tegenover sonvereinen, de Martens l 456; tegenover gezanten, Wheaton 201, Harb. 180. de Martens II 69, 90.
!') B. v. misdrijven door soldaten van vijandelijke legers.
146
VOLKENRKCHTELIJKE UITZONDEHINGEN. S 18.
van de regeering des lands hier aanwezig zijn en zoolang zij niet, door incognito te reizen, zelven van liet voorrecht afstand doen. Of het voorrecht ook geldt wanneer zij zonder zoodanig goedvinden reizen, wordt betwijfeld; is hun liet reizen ontzegd, dan geldt het niet6). Over do exterritorialiteit van hun gevolg wordt verschillend gedacht').
Ook de immuniteit der in het land geaccrediteerde vreemde (jezantm â onder welken titel of rang â bepaaldelijk hunne âexterritorialiteitquot;, wordt, wegens de voor hunne ambtsvervulling noodige onafhankelijkheid, in beginsel zoo goed als algemeen erkend quot;). Ze strekt zich uit tot henzelven en, naaide nog vrij algemeone opvatting, tot hun gevolg, daaronder begrepen hunne familie en het gezantschapspersoneel; terwijl omtrent hun dienstpersoneel, bepaaldelijk voorzoover dezen naar hunne nationaliteit tot hot land behooren waar de gezant gevestigd is, verschillend gedacht wordtquot;). Ook aan naar hun post in een nahurigen staat doortrekkende gezanten wordt liet voorrecht door velen toegekend l0). Ilot voorrecht der exterritorialiteit is verbonden aan de personen, niet aan liet gezantschapshdtel, indien daar door anderen misdrijf gepleegd is quot;).
Voor de conmh, ook de berocpsconaiiUu.â ofschoon ten y aanzien van dezen door soinmigen getwijfeld wordt â is op
0) Harburger 205 en de daar aangehaalde litt.: Wheaton I 121; Heffter, das Europ. Volken- (3e ed.) 103, 106, 187; de Martens 1 113â425.
') Harburger 207, de Martens 423.
s) ^ 18 D, Qerichtsvfg. opent de mogelijkheid van beperking, voorzoover do gezant Duitsch onderdaan is.
'J) Cquot;er dit belangrijke, aan strijdvragen zoo rijke onderwerp vooral Harburger 171 vlgg. en de daar aangeh, litt.; Heffter 3GG; Wheaton 1 199; Fiore 10; de Martens II 68 vlgg. die in 't algemeen zeer voor inkorting pleit _ en het voorrecht zelfs aan 't gezantschapspersoneel wil onthouden. â Tegen de exterr. v. d. bedien den b. v. Berner (Wirkungksreis 212) v. Bar. Voor de in den tekst genoemde onderscheiding b. v. Bluntschli Völkerr. % 145; zoo ook D. Qerichtsverfg. | 19, â Onzekerheid bestaat omtrent meer punten: of 't voorrecht ook geldt bij misdrijven tegen de veiligheid v. d. staat; of van 't voorrecht kan worden afstand gedaan,â De oude quaestie, naar welk recht de gezanten in het land waartoe zij behooren, voor feiten begaan waar zij geaccrediteerd zijn , berecht moeten worden (Harh, 191) is door a, 5, 6 Swb. voor Ned. beslist.
10) Harb. 203; Wheaton 219; veel ouderen hiertegen,
quot;) Fiore 22; Harb, 189, do Martens il 02, 67.
147
9o.
ij 19. UITLEVERING.
dit stuk gelijkstelling met gezanten niet als algemeen volkenrecht aangenomen; zij kan slechts op tractatenrecht steunen l2).
3. Do uitzondering geld verder, krachtens onbetwist volkenrecht, voor feiten gepleegd op Nederlandsch watergebied aan boord van vreemde gouvernementsschepen, welke de souve-reiniteit van den staat vertegenwoordigen, bepaaldelijk oorlou-scheyen '3)_; evenzoo voor feiten door de bemanning dier oorlogschepen begaan buiten boord. Ten aanzien van vreemde leoc.rafdccliiKicn met vergunnng der regeering het grondgebied van den staat betredend, geldt hetzelfde; althans voor feiten binnen den kring der operatieën van het leger begaan M).
§ 19. Uitlevering1).
Do âuitleveringquot; van misdadigers is de overlevering van ter zake van misdrijf vervolgde of veroordeelde personen, dooide rogoering van don staat op wiens grondgebied zij zich bevinden, aan die van een anderen staat ter berechting en bestraffing.
Historisch, oenerzijds onderscheiden van de op geheel andere gronden berustende veelvuldige uitleveringen van rebel-
148
1
c. I 119, 124. de Martens II 327, die eebter de uitz. alleen erkent voor misdrijven door de bemanning gepleegd.
'â ') Harburger 130, Wheaton 123. Fiore 22, â v. Bar, wil de exterritorialiteit alleen laten gelden voor misdrijven onder elkaar gepleegd, â⢠Omtrent anderen dan militairen, die 't leger volgen, bestaat geen eenstemmigheid, Harb, 137,
§ 19 ') Billot, Traité de 1'extradition (1874) Fiore, Traité de droit pén, intern, et de l'extradition (vert, Antoine 1880), Bernard, Traité théorique et pratique de 1'extr, (1883 2e ed, 1890), de Martens, Traité do Dr, Intern, III, 51, Lammasch, Auslieferungspflicht u, Asylrecht (1887), Bosch, Asyl en uitlev, historisch geschetst (Diss, 1885). Harbord, Iets over uitlev, v, misd, (Diss, 1879), v, Heeckeren v, Was-senaer, Uitl, wegens pol. misdr, (Diss, 1882), de Jonge, De uitl, v, eigen onderdanen (Diss, 1884), Steeds aangroeiende litt, opgegeven in Sachreg, v, Zeitsohr, f', d, ges, Srw, en in Bibl, overz, v. Petit in ïijdsohr, v. Sr. â¢ââ Voor 't Nederl, recht vooral B, Hulshoff, De uitleveringswet en de door Ned, met vreemde mogendheden gesloten verdragen tot uitlev. (1886),
UITLEVEKING. § 19.
len of emigranten, anderzijds beschouwd als geregelde instelling in het internationaal rechtsverkeer; is zij een vrucht van de rechtsontwikkeling uit den lateren tijd, te beginnen met de 2quot; helft der 18e, en in veel sterker mate sints het midden der 19e eeuw. Wel vond ze in de Europeesche geschiedenis reeds vroeger theoretische verdediging 1) en practische toepassing '). Maar de feitelijke en zedelijke voorwaarden voor haar krachtige ontwikkeling, waarvoor het door naijver op souverei-niteit en rechtsmacht zoolang in wezen gehouden âterritoriaal asylquot; op den duur wijken moest, bestonden zelve niet eerder').
2. In 't stelsel van 't Nederl. recht is de uitlevering eene daad van internationale rechtshulp, niet van kosmopolitische rechtspleging s). Zij behoeft en bezit allereerst een staatsrechtelijke)! grondslag in Grondwet en wet; daarneven volkenrechtelijke regeling in verdragen.
Met het oog op een en ander moet vóór alles onderscheiden worden tusschen vreemdeliiigeii en Nederlanders. De niet-uit-levering van ânationalenquot; is vooralsnog de leer van het positief staats- en volkenrecht der meeste landen; een andere leer wordt in beginsel, doch daarom nog niet in al hunne verdragen , gehuldigd door de V. S. v. N.-Amcrika en Engeland quot;). De waarde der uitzondering wordt in den laatsten tijd op goede gronden krachtig bestreden; doch m. i. verbiedt de noodzakelijke band tusschen staat en onderdaan dat zij onbeperkt en zonder onderscheid worde losgelaten; en vordert de gelijkheid bij volkenrechtelijke verhoudingen regeling van dit punt niet bij bijzondere verdragen, maar bij algemeene internationale conventie 2).
149
1
Eep. L. III, c. 3. â 17e eeuw Grotius de I. B. a. P. II o. X, XI § 3.
2
) Vóór de opheffing b. v. de Martens, Billot, Fiore, v. Liszt, Hamaker 1. c.; I. 10
§ 19. . UITLEVERING.
In Nederland heeft ten aanzien van vreemdelingen de. Grondw. (1848 a. 3 al. 2, 1887 a. 4 al. 2) de Regeering nitdrukkelijk gemachtigd om, zonder nadere goedkeuring door de Staten Generaal (a. 59 al. 2 Grw.), uitleveringsüerdra^e» te sluiten, mits volgens âalgemeene voorwaardenquot; vastgesteld bij de wei. Deze algemeene wet was die van 13 Aug. 1849, S. 39, (a. 16, 17, 18), is thans die v. 6 April 1875. Sb. 66, door a. 18 Inv.w. met de nieuwe strafwetgeving in overeenstemming gebracht. De thans geldende verdragen, voor de kleinste helft reeds onder de heerschappij der laatste wet gesloten, zijn, naar alphabetische rangschikking, de volgende 8):
Baden: 8 Nov. 1864, Sb. 1865 nquot;. 8.
Beieren: 25 Oct. 1852, Sb. 1852 nquot;. 255.
België: 31 Mei 1889, Sb. 1889 n0. 93.
Brazilië: 1 Juni 1881, Sb. 1881 n». 175.
Bremen: 9/12 Oct. 1852, Sb. 1852 n°. 189.
Groot Brittanni'é en Ierland: 19 Juni 1874, Sb. 1874 nu. 113.
Denemarken: 28 Juli 1877, Sb. 1877 nquot;. 182.
Frankrijk: 7 Nov. 1844, Sb. 1845 nquot;. 3'J).
Minister. Verkl. 7 Nov. 1844 (niet in Sb.).
Add. Conv. 2 Aug. 1860, Sb. 1860 n0. 50. . 3 , , quot;0. 51.
Hamburg: 30 Sept. 1852, SI). 1852 n0. 187.
Grh. Hessen: 14 Sept. 1853, Sb. 1853 n0. 112.
Italië: 20 Nov. 1869, Sb. 1870 n. 36.
Add. Conv. 26 Juli 1886, Sb. 1886 n°. 175.
Luxemburg: 21 Juni 1877, Sb. 1877 nquot;. 178.
Mecklenburg Schwerin: 17 Maart 1858, Sb. 1858 nquot;. 16.
Monaco: 10 Aug. 1876, Sb. 1876 n0. 187.
Oldenburg: 3 Maart/23 April 1853, Sb. 1863 n0. 27.
Oostenrijk-Hongarije: 24 Nov. 1880, Sb. 1881 n0. 43.
Oranje Vrijstaat: 14 Nov. 1874, Sb. 1875 nu. 208.
Portugal: 3 April 1878, Sb. 1878 n». 126.
Add. art. 11 April 1878 (hetzelfde Sb.).
Bosch 1. c. 179; de Jonge 1. c. 127. Zie Jur. Ver. 1. c. bep. voor het in den tekst gestelde gevoelen II 147. Vgl. n0. 6 der Oxfordsche resoluties van 't Institut de Dr. Inter. (1881) Annuaire 1881/82, 127: en de uitspraak der Eng. Royal Coin-mission on Extrad. v. 1878.
8) Tekstueel bij Hulshoff 1. c. (chronologische volgorde); ook bij Kivohner 1. C' (alphabetisch).
'â ') Over de geldigheid van dit verdrag H. R. 7 Feb. 1876, W. 3966.
150
UITLEVE1UNG. S 19-
Pruisen: 17 Nov. 1850, Sb. 1850 n0. 73.
Add. Conv. 20 Juni 1867, Sb, 1867 n0. 89 l0). Hu men iö; 13 Sept. 1881, Sb. 1S83 n0. 117.
Rusland: 13 Aug. 1880, Sb. 1881 n0. 34.
Saksen: 23 Mei 1856, Sb. 1856 n. 67.
Sandwich [ILawa'i) Kquot;: Diplom. Verkl. 27 Juli 1881 quot;). Spanje: 6 Maart 1879, Sb. 1879 n. 146.
Ver. Staten v. N.-Amerika: 2 Juni 1887, Sb. 1889 n. 74. Wurtemberg; 23/30 Aug. 1852, Sb. 1852 n. 183. Zwitserland: 21 Dec. 1853, Sb. 1854 n. 25.
Zweden en Noorwegen: 11 Maart 1879, Sb. 1879 n. 140,
C.U--
1 6-' %**â
Regeling bij tractaat vestigt volkenrechtelijk eene verplichting en waarborgt reciprociteit l2) De vraag, of en inhoever uitlevering van vreemdelingen ook buiten tractaat geoorloofd mag lieeten, is een staatsrechtelijke. Uitdrukkelijk is zij hier te lande niet beslist. Vermits intusschen de algemeene wet naar hare woorden uitsluitend regelen stelt voor bet tractatenrecht en de Grondwet wettelijken waarborg beoogde niet voor trac-tatenregeling, maar voor den rechtstoestand der vreemdelingen , moet onder de bestaande wetgeving het antwoord ontkennend luiden; doch ware eene wet die het tegendeel toestond,
m. i. niet ongrondwettig 13).
Voor Nederlanders geldt bovengenoemde regeling niet. Ook shnten alle gekiende Nederlandsche verdragen de verplichting tot uitlevering van de âeigen onderdanenquot; (ânationauxquot;) metA jk name uit u). De wet v. 1875 (a. 22) beschouwt als Nederlan-quot; _
ders hen die het zijn /v olgens het Burgerlijk Wetboek) Toen ( ) 0^.' a. 19 der wet v. 184y ook nog de uitlevering beheerschte, ^ quot; ''
⢠⢠⢠⢠⢠o, â¢1
stonden â en deze uitbreiding werd in de tractaten herhaald â
-â ^
10) Tract, met Hamiover v. 1817 (Sb, 1841 n0. 38) wegens de inlijving bij Pruisen ^ , :. c /^ 'fe' ' door dit tract, vervangen. Verkl. 17 Oct. 1867, Sb. 1867 n0. 116. ^
quot;) Hierbij heeft die Regeering haar uitlever, tract, met N.-Amerika toepasselijk lt; ,
verklaard voor alle mogendhedon waarmede zij eenig tractaat, welk ook, sloot. , ' , / Kirchner 644, Vgl. Tract. 16 Oct, 1862, Sb. 1864 nquot;. 96. '' c
12) Over de voorkeur van een âWelt-Auslieferungsvertragquot; boven speciale trac- ^ v i, { ff taten v. Liszt 1. c. 60 en Lehrb. 99 n, 2. , »,. â¢â
13) Anders naar 't schijnt Buijs Grw, I 23.
14) In het tract, met Hannover v. 1817 werd uitlevering van nationalen in eri)- , ' i
stige gevallen toegestaan, AaiJcx * ⢠quot; ' i%gt;/'
jy-f-
151
S 19. UITLEVERING.
sommige vreemdelingen met Nederlanders gelijk 'quot;). Over beroep op het Nederlanderschap oordeelt de Hooge Eaad (a. 16). Beslissend moet wezen het tijdstip waarop de uitlevering ondergaan wordt16).
Intusschen bestaat voor Nederlanders, naast deze rechtszekerheid, de onzekerheid, of, dan wel in hoeverre, hunne uitlevering ongrondwettig zou zijn. Vóór de herziening van 1887 was de leer der ongrondwettigheid, hoezeer betwist, vooral krachtens historische grondwetsverklaring door zeer velen gehuldigd ,7)- Bij bedoelde herziening werd een voorstel gedaan om door wijziging van a. 3 (nieuw 4) de uitlevering van Nederlanders uitdrukkelijk te verbieden; een ander om haar uitdrukkelijk toe te staan op gelijken voet als die van vreemdelingen. Beide voorstellen werden verworpen 18). Naar 't oordeel der Regeering zou nu de uitlevering van Nederlanders grondwettig geoorloofd wezen: of krachtens lex specialis voor een concreet geval, öf krachtens een tractaat door do Staten Generaal goedgekeurd volgens a. 59 al. 2 Gw., öf krachtens een, steunend op eene algemeene machtiging door de wet volgens a. 59 al. 3 '9); terwijl anderen haar geheel verboden blijven achten: óf op grond van 't onveranderd a. 4 al. 2 (oud 3)!quot;) of wegens de artt. 155, 156 der Grondwet21). Intusschen schijnen ook mij laatstbedoelde artt. slechts betrekking te hebben op berechting naar de Nederlandscbe wetI2); maar acht ik, bij het onveranderd voortbestaan van het deze stof beheer-schend a. 4, iedere regeling der uitlevering van nationalen â hoezeer ten onrechte â door de Grondwet belet.
15) Vgl. Hulshoff 4 en do daar aangehaalde rechtspraak; Schreuder in N. Bijdr. 1883.
i») H. R. 5 Juni 1874 W. 3761; de Jonge 1, c. 191.
quot;) Vgl. Jur. Verg. 1885, II 130, 165; de Jonge 1. o. 188; Arntzenius Handd. o. d. Herz. d. Grw. V, 295 vlgg. Asser, Studiën o. recht en staat (1889) 481.
18) Arntz. 1. c. 1'J) Arntzenius V 333 vlg. IX 423, 471.
M) Aldus de voorstanders derzelfde meening onder Grw. 1848.
!I) Buijs, Grondw. III 15, bestreden door v. Geuns ïhemis 1890. Vgl. Thorbecke Aantt. v. d. Grw. 21; hiertegen de Jonge 1. c. 185.
quot;) Ook heeft alleen inzoover de Nederl. wet den rechter aan te wijzen, â Vgl. ook b. v. a. 36 Noordzeeconv. 6 Mei 1882.
152
UITLEVEKING. § 19.
3. liet volkenrechtelijk karakter van de uitlevering als rechtshulp is, gelijk elders, zou ook in't Nederlandsche uitleveringsrecht niet in al zijn consequentiën doorgevoerd. Do staatsrechtelijke plicht tot beschemiing ook van den vreemdeling âdie zich op het grondgebied van liet Rijk bevindtquot;, brengt mede, dat niet enkel met de wetgeving van den staat die de uitlevering vraagt, maar ook met die van den staat van wien /.e gevraagd wordt, rekening worde gehouden.
Naar het stelsel der Nederlandsche wet kan de uitlevering,
hoezeer hoofdzakelijk aan liet territorialiteitsbeginsel dienstbaar, ook aan de andere beginselen omtrent de werking der Nederlandsche (of vreemde) strafwet ten goede komen; uitgesloten is alleen uitlevering wegens delikten op eigen grond-gebicïï gepleegd (a. 2 uitlev.w.). Intusschen laat het tractaten-reclü bedoelde ruimere opvatting niet altijd of niet altijd onbeperkt toe 2:1); en heeft bij aanvrage door meer dan éénen staat ter zake van hetzelfde feit, do territoriale jurisdictie den voorrang 24). In ieder geval moet de eenmaal in Nederland ter zake van hetzelfde feit aangevangen of afgeloopen berechting worden geëerbiedigd (a. 4 uitlev.w.)!5).
De lijst der misdrijven is als een maximum in de wet aan- . gegeVen (a. 2); zij werd , in overeenstemming met de algemeene ( ' beweging op dit stuk, aanzienlijk uitgebreid in 1875, opnieuw 'l geformuleerd in 1880. Geen tractaat mag haar overschrijden;
tegen ontduiking moet uitdrukkelijk gewaakt (a. 7), Het maximum is echter â reeds wegens de dagteekening van vele verdragen â in het tractatcnrecht op verre na niet algemeen bereikt. Het beginsel der reciprociteit eischt daar niet zelden beperking, dikwijls andere omschrijving; terwijl de ongelijkheid der leer omtrent strafbare poging en medeplichtigheid inzoover bijzondere voorziening vordert (a. 3)ss). Bij de toetsing van eenig feit aan eene in het tractaat gestolde alge-
:3) B. v. tract. Gr. Brittannië, N. Amerika, rruisen, Luxemburg, Bolgii'.
24) B. v. in tractaton met Oostenrijk, Rusland, Rumenië, Belgic e. a. vgl. de Martens III 77,
26) Vgl, b. v. v. d, jongste tractaten België a, 1 al penult.; N. Araer. II al. penult. en uit. â De W. v, 1849 zweeg.
153
§ 19. UITLEVERING.
meene qualificatie, zal, zoo nadere aanwijzing ontbreekt, met de wetgeving van beide staten moeten worden rekening gehouden 56); terwijl eindelijk uitlevering moet verboden zijn, wanneer wegens verjaring, naar Nederlandsch recht, do vervolging of de tenuitvoerlegging der straf zou zijn uitgesloten (a. 5) Intusschen behoeft â zoo eenig tractaat niet het tegendeel inhoudt â het feit niet vóór het sluiten van het verdrag gepleegd te zijn ^).
4. Bij de ontwikkeling der uitlevering als geregelde rechtsinstelling is, sints omstreeks 1830 en vooral na de staatkundige gebeurtenissen van 1848, de uitsluiting van deze hulp bij pnlit.iaIi-p. miadTijvenquot;. ofschoon niet door alle schrijvers, toch in de internationale praktijk algemeen als beginsel erkend 28). In de Nederlandsche wet is de uitzondering niet opgenomen29); wegens de opsomming der misdrijven bij name in art. 1 achtte de regeering haar onnoodig 30). In de tractaten is zij uitdrukkelijk bedongen en is ontduiking van het beding, vervolging n.1. wegens een politiek misdrijf na uitlevering wegens een gemeen delikt, met name verhoed31). Als gronden der erkenning van dit beginsel â ook in verband beschouwd met de tijden waarin het doordrong â liet men gelden: dat liet feit slechts tegen de rechtsorde van éénen staat gericht is en dikwijls doeleinden beoogt in den anderen staat reeds bereikt; dat het niet zelden aan edele gezindheid ontspruit; dat allicht wat eenmaal politiek misdrijf was, later als rechtmatig erkend wordt; dat de onpartijdigheid des rechters niet boven bedenking staat. â Intusschen ontstaat de moeilijkheid eerst waar het niet geldt z. g. n. zuiver politieke misdrijven, dit karakter dragend èn naar het doel èn naar 't aangerand rechtsbelang èn naar 't gebezigde middel; maar waar het geldt of gemengde
26) Hulshoff 7 n. 22. !r) Hulshoff 4.
!s) Fiore 583 vlgg.; litt. 587. de Martens III 85: litt. 91; va.n Heeckoren v. Wassenaar 1. c, A. Heemskerk, Themis 1882. Herhaalde behandeling in de Revue de Droit Intern.
Anders België, Engeland.
30) Ten onrechte. â Vgl. over dit belangrijk dehat o. a. v. Heeokeren 43 Hulshoff 6.
^1) Vgl. h. v. a. 3 Frankr.; 4 Pruissen; ill N. Amer.; 6 België.
154
â
UITLEVE1UNG. § 19.
(complexe) óf met een politiek misdrijf samenhangende (con-nexe), die stellig naar haren oorsprong en strekking een politiek karakter dragen, maar die, afgescheiden hiervan, ge-meene misdrijven zijn waarvoor uitlevering werd toegestaan. Deze moeilijkheid wast, sedert zich als politieke personen doen gelden misdadigers die niet tegen éénen staatsvorm maar tegen iedere staatsordening met geweld optreden. Sints de Belgische wet van 1856 werd âdo aanslag tegen het Hoofd van den staat (of de leden zijner familie) bestaande in moord, vergiftiging of moedwilligen doodslagquot; krachtens de z. g. n. âattentatclau-sulequot; in vele tractaten buiten asyl gesteld32). Later, en voor Nederland gaf daartoe de wet van 1875 do gelegenheid, werd aanslag tegen het leven van 't Hoofd van den staat (of zijn familieleden) veelal uitdrukkelijk onder de tractaatmisdrijven opgenomen quot;). Is hierdoor aan dit delikt â en 't zelfde gold en geldt van andere âgemeenequot; delikten â onder alle omstandigheden het politiek karakter ontnomen ? Eenstemmigheid heerscht hier niet34); met het oog op de geschiedenis der wet v. 1875 kan ook naar Nederlandsch recht het antwoord niet onvoorwaardelijk bevestigend luiden :'5). Het Institut de Droit International heeft in de Oxfordsche resoluties (XHI, XIV) zeer waardeerbare regelen aan de hand gedaan: het beginsel blijve onaangetast; de staat tot wien de aanvrage gericht wordt, be-oordeele vrijelijk, naar do omstandigheden, of het feit een politiek karakter draagt; daarbij gelde, negatief, dat een gemeen delikt niet enkel wegens het staatkundig oogmerk der daders een politiek delikt wordt, en positief, dat bij de waardeering van feiten gedurende een opstand of burgeroorlog gepleegd, de vraag moet worden gedaan of ze door het oorlogsgebruik zouden gerechtvaardigd zijn. En in de richting dezer stellingen ligt dan m. i. bovendien nog wel deze andere, dat â ofschoon dan bij hoogo uitzondering â wegens een in wet en tractaat genoemd delikt
3S) Bij ons in add. Conv. Frankrijk en in tract. Oranje Vrijstaat, â Sommige staten weigerden haar op te nemen.
s3) In alle tractaten v. Ned. na 1875, behalve met N. Amerika.
31) v. Heeckeren 57; Fiore 596; de Martens 94. Lammasch 1. c.
35) Aldus ook Snijder v. Wissenkerke, Tijdschr. v. Sr. I 450 tegen HulshofF 38,
155
§ 19. uitlevering.
do uitlevering kan worden geweigerd, wanneer, naar 't oordeel van den staat van wien ze gevraagd wordt, hot feit onder den drang van staatkundige onderdrukking begaan is quot;).
5. Do uitlevering is cene rogeeringsdaad, waarover, op grond der overgelegde in het tractaat aangewezen stukken (a. 11 uitlev.w.) do Minister van Justitie beslist (a. 8). De rechtelijk macht heeft in 't algemeen slechts te adviseeren; intusschen beslist de arrond. rochtb. over de opzending van overtuigingsstukken , de Hooge Raad over het Nederlandschap (a. 8, 16, 17). Regelen omtrent de rechtspleging, waaronder do aanhouding van don verdachte, stelt de wet (a. 9 vlgg.) en worden in de tractaten uitgewerkt '7).
HOOFDSTUK II. â Het Strafbaar feit.
A. Algcincciie bescliouwingen.
§ 20. Het subject der strafbare feiten.
1. Het strafrecht is, als alle recht, oen band alleen den menschen aangelegd. Subject van rechtens strafbare feiten is derhalve alleen de picnsrh. Eigonaardigon indruk maken do voorbeelden in de rechtsgeschiedenis van wat genoemd wordt strafbedreigingen en strafprocessen togen dieren ']. Men vindt zo overal tot in 't laatst der 18e eeuw quot;â ook quot; hier te lande â ter zake van âbestialiteitquot; s). Maar ook voor 't geval door dieren menschen waren gedood of verwond, komen ze in 't mozaïsche recht en vooral in do middeleeuwsche stadrechten voor; zelfs nog in 1571 een voorbeeld te Middelburg3). Bij
quot;') Vgl. Fiore 598. â Anders do Martens, Lammasch, v. Heeckeren e. a. Ook Rusland Ontw. Swb. a. 11.
â '') Zie over leemten in de wet o. a. Snijder v. W. 1. o. 444.
20 i) Geib., Lehrb. ii197; (doorhem aangeh.)Berriat-Saint-Prix,Rapport etrechcr-ches sur les procés et jugements relatifs aux animaux (1829); Post, Grondlage d. R. 359.
â ) Lcvit XX, 15, 16; can 4 Cans. 15 qu 1; Wilda Strafr. d. Germ. 859; plaatsen van onderscheidene auteurs en van 't Pruiss. Landr. aangph, bij Geib. 198. â S. de Wind, Bijz. uit de gesch. v. 't strafr. (1827) 36.
3) Exod. XXI, 28, 29; Geib. 1. c.: de Wind 1. c. 37.
156
MET SUBJECT DEH STRAFBARE FEITEN. § 20.
de beoordeeling van wat zoo zonderling schijnt, zie men niet voorbij: dat deze voorschriften en handelingen grootcndeels samenhingen met godsdienstige opvattingen, later ook met het geloof aan tooverij; hij bestialiteit met het verlangen om de herinnering aan bet verafschuwde nittewisschen; dat de invloed van het mozaïsche recht lang heeft nagewerkt; dat de afscheiding tusscben wat wij als administratieve behandeling van zaken en rechtspleging onderscheiden, destijds of niet, of niet in die scherpte bestond; en dat bet hoofddoel veelal eenvoudig was, onscbadelijkmaking vim gevaarlijke dieren liTeïvormelijke waarschuwing van de bezitters.
2. De vraag, of eene vereeniging van personen als eenheid, (collectieve persoon, rechtspersoónj'shbj ëcTvan strafbare feiteii kan zijn, neemt als strijdvraag in de geschiedenis der strafrechtelijke leerstukken een belangrijker plaats in, dan zij schijnt te verdienen 4). â Het is niet de vraag, of, waar maatregelen die als straf kunnen gelden, uitsluitend het karakter dragen van middelen van strijd en verweer â zooals in de rechtsgeschiedenis de maatregelen tegen rebellische steden5); maar of bij een op de schuldleer gevestigd strafrecht de strafbaarstelling van collectieve personen of rechtspersonen verdedigbaar of wellicht noodzakelijk is.
In het klassieke romeinsche recht was daarvoor geen plaats r'); in 't kanonieke recht paste zij eigenlijk evenmin, maar werd zij meermalen aangenomen, met name bij het âinterdictquot; '). Toen ontwikkelde zich bij de canonisten en oudere Italiaansche criminalisten als âcommunis opinioquot; de leer, die tot in 't laatst der 18® eeuw de heerschende bleef en ook in de 19° aanhang
â ') Ovorz, Geib. 11 198; Schaper bij Holt zend. Hb. Ill 111; allo Duitscho leor-boeken, Vgl. v, Kries, de Dol. univertatum (1896); v. Asch v. Wijok, Strafbh. on strafverv. v. jurid. personen (Diss. 1885): F. v. Lennep, Art, 51 Wb. v. Sr, (l)iss. 1887) 5 vlgg,
5) Liv. XXVI 1(3. Wetten der Duitscho Keizers 12oâ14e eeuw bij de verschillende scbrijvors aangeh. Perz. Monum. Germ. Hist. IV, 112. 317, 451, 52fl,
quot;) L. 15 § 1 D. de dol. (4,3). Vgl. Domburg Pand. I 152; O. Gierke. Das 1). Qeno-isenschaftsrecht III 168.
') Vgl. Gierke 1. c. 346â349,
157
158 § 20. HET SUBJECT DER STRAFBARE FEITEN.
behield, dat oeno universitas, handelend door hare bestuurders , gestraft worden kon 8).
Reeds in 't laatst van de vorige eeuw, vooral in deze, kwamen wetgevers en auteurs tegen deze leer op en werd hot âuniversitatem delinquere non possequot; de gemoene leer ^). â Terecht. Een op de schuldleer gebouwd strafrecht mag zelfs niet de kans wagen, te treffen waar geen schuld is. Onverschillig is bet daarbij of de juridische persoonlijkheid als fictie dan als realiteit wordt opgevat.
Intusschen huldigen in den laatsten tijd schrijvers van naam deze leer niet meer, en nemen ook vreemde wetgevers dat standpunt in 10). Optreden tegen de universitas zelve achten zij noodig en juridisch mogelijk. â Doch ook de oude leer staat aan zulk optreden niet in den weg; en theorethischkan zij m. i. zonder gevaar voor misverstand eerst verlaten worden , wanneer wat nu strafrecht heet, alle maatregelen ter bestrijding van de criminaliteit omvatten zal'').
Onder onze vorige strafwetgeving heeft de Hooge Raad meermalen do oude leer als die van het gemeene recht, maar de mogelijkheid van afwijking bij speciale wet erkend 12. Dat naar de beginselen van het Wb. v. Strafr. rechtspersonen geen delikt kunnen begaan, volgt uit de formuleering zoo van a. 2 als van de artt. in B. II en III; uit het ontbreken â ook waar het delikt er anders wel aanleiding toe zou geven â van iedere strafbedreiging die van het beginsel uitgaat13); eindelijk uit a. 51 Swb.; terwijl ook ons procesrecht zich tegen eene andere opvatting verzet. Voor deze beginselen geldt ook a. 91 Swb. In bijzondere wetten komen afwijkingen niet voor 14);
s) GiindinuR, Bosnius, Clarus, Farinacius; later Leijser, Carmigniani o. a, Vgl. Gcib. Vgl. de Fransche Gemeentow. v. 10 Vend(5m. An. IV.
quot;) Cod. Bavar. I, 1, 42 Beiersoh. Wb. (1813) a. 49. Hessen (1841) a. 44; Oostenr. (1852) a. 486 e. a. Savigny Syst. II 310; Feuerb. l.ehrb. ? 28; Berner e. a.
10) Beseier D. Privatr. 232; Gierke 1. o. Ill 522; v. Liszt Lehrb. 115. â a. 25 Ontw. Swb. Spanje. Uuitseh Gonossenscb. G. a. 35. Qewerbe Ordn. a, 103, 104.
quot;) Hiertoe moet de ontwikkeling der strafrechtswetenschap als sociale wetenschap leiden.
is) 27 Dec. 1846 N. R. 26, 152; 2 April 1850 N. R. 35, 175.
13) a. 140, 342, 343. H) B. v. W. o. h. recht v. vereeniging; spoorwegwet.
HET SUBJECT DER STHAFBARE FEITEN. § 20.
alleen het fiscale recht kont eene strafrechtelijke aansprakelijkheid van âvennootschappen en reederijenquot; 16).
Intusschcn kent ons recht één maatregel van verweer, als boven bedoeld, tegen als rechtspersoon erkende vereenigingen: de vervallenverklaring van de rechtspersoonlijkheid u). Dit
V'»» -f.Y'1-4' ' ' 1
schijnt onvoldoende.
3. Ieder mensch (a. 2 vlgg.) kan subject van strafbare feiten zijn. 'Wei kunnen persoonlijke of subjectieve omstandigheden â de gesteldheid van den persoon zeiven of zijne betrekking tot personen of zaken betreffend â de algeraeene strafrechtelijke aansprakelijkheid in meer dan één opzicht beheerschen; haar bepalend, uitsluitend, verscherpend of verminderend, hetzij in 't algemeen, hetzij bij eenig bepaald delikt. Edoch zij vermogen dit alleen wegens haren invloed op den aard van den rechtsplicht of op de schuld. Het beginsel van het nieuwere strafrecht: rechtsgelijkheid ook bij maatschappelijke ongelijkheid, behoort onaangetast te blijven. Dit is eisch voor wetgever en rechter l7).
4. Buiten strafrechtelijke verantwoordclijklieid staat de Koning. Ten aanzien van regeeringshandelingen is dit in de eerste woor-den van a. 54 Grondw. (a. 53 G. 1848) geschreven. Ten aanzien van andere handelingen kan de toepasselijkheid van dat voorschrift worden betwijfeld 18). Maar bij de erkenning der onmogelijkheid dat een vervolgde of gestrafte de kroon drage, legt het recht zich neder, vertrouwend dat de vorst in onderworpenheid aan de wet zijne onderdanen voorga. Ook wijst het geenen rechter aan quot;). Mede wegens de onafzetbaarheid van den liegenf, drager der koninklijke macht, moet het gezegde voor dezen gelden !!0).
5. Buiten strafrechtelijke verantwoordelijkheid staan gedeel-
15) a. 13 W. 4 April 1870 Sb. Bij», a. 231 Alg. w.
16) a. 10 W. 22 April 1855 Sb. 32.
'') Oppervlakkige beweringen omtrent âklassenjustitiequot; in Nederland. Hand. 2 K. 1889/90 393, 417.
18) Buijs örondw. I 190; anders Heemskerk, Practijk d. Grondw. I 46.
19) Belangrijk voor Dnitseh recht, dat in de middeleeuwen berechting van den Koning kende, o. a. v. Liszt 102, Binding Hdb. I 667; voor Fransch recht, waar 't beginsel thans gedeeltelijk ook voor den President der Rep. geldt, Garraud 137.
50) Vgl. Buijs 1 151. â Binding 1. c. 669.
159
§ 20. HET SUBJECT DER STRAFBARE FEITEN.
telijk ook de leden der Staten Geiiemal (a. 97 Grw.). Uitsluitend echter âvoor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar'FclirifteliJIc hebben overgelegdquot;; maar dan 'ookquot; onverschillig welk verraderlijk, opruiend, beleedigend of ander misdadig karakter het gezegde of geschrevene op zich zelf dragen mocht5'. Deze âonschendbaarheidquot;, âimmuniteitquot;, ontleend aan de Engelsche Bill of Rights en door de Fransche revolutie in het staatsrecht van het vasteland overgebracht, beoogt eene voor de behandeling van 's lands zaken noodige vrijheid van woord en scbrift, welke niet door de inmenging van strafwet en strafrechter, maar door de inwendige parlementaire tucht naar het Reglement van Orde der vergadering zelve moet worden beteugeldquot;). Daarom is het voldoende, dat dit voorrecht een âlokaal karakterquot; draagt, d. i. beperkt is tot wat in de vergadering gezegd is of schriftelijk aan haar overlegd ^3). Doch binnen die grenzen geldt het onbeperkt, voor adviezen, interrupties, uitweidingen e. z. m.; om dit te verzekeren tegenover het gevaar eener enge opvatting door de rechtspraak, is de redactie van het grondwetsartikel in 1887 verbeterd !1). Anderen, ofschoon bevoegd in de parlementaire vergadering te spreken, genieten het privilege niet.
Aan de leden van Provinciale Staten en van Gemeenteraden is een privilege van gelijke strekking door de wet gewaarborgd (a. 74 Prov. W.; a. 47 Gem. W.) quot;). In strijd met de strekking dezer wetsbepalingen heeft de rechtspraak meermalen hare woorden â minder ruim gesteld dan die van het nieuwe grondwetsartikel â zóó opgevat, dat de rechter over uitlatiu-
!1) Zio de uitvoerige beficliomvingen van Buijs Gronchv. I 533. â Litt. bij Binding I 671.
quot;) Tegen het privilege O. Q. v. Swinderen in Bijdr. Adm. R. XIV 331; vooral Binding I. 678 vlg. Over 't mogelijk onvoldoende der parlementaire disciplinaire voorschriften h. t. 1. Buijs 547. Binding 1. c.
Buijs 537; de openbaarmaking in 't Bijblad behoort hierbij; vgl. I). Swb. ^ 12,
a. 92 G. 1848 luidde......wegens de advijzen door hen in de vergadering
uitgebrachtquot;. De enge opvatting der rechtspraak betrof gelijksoortig a. 47 Gem. w. Buijs 539.
!S Vgl. a. 23 al. 1, 24 al. 1 Inv.w. Tegen deze gelijkstellin b. v. Garraud 137. â Het priv. komt niet toe aan den Comm. d. Kon en den Burgemeester q. t.
160
ALGEMEEN BEGRIP VAN HET STRAFBAAR FEIT. § 21. 161
gen, naar zijn oordeel niet tot âstem of meeningquot; betrekkelijk, richten mocht25).
§ 21. Algemeen begrip en hoofdbestanddeelen van het strafbaar feit.
1. Van zijn formeele zijde vertoont zich ieder voorkomend delikt (het delikt in concreto) als een menscbelijke gedraging â bestaande in doen of laten â die door het recht op straffe verboden was en daarom, nu ze voorkwam, als rechtsgevolg strafoplegging van overheidswege aan hem die zich aldus misdroeg met zich brengt. Als zoodanig moet het gebracht kunnen worden onder het bijzonder begrip eener bepaalde soort van delikten (species), naar de begripsomschrijving {qualificatie) daarvan in de verbodsbepaling gegeven; en, kan dit geschieden, dan behooort het daardoor tevens onder het algemeen begrip van het delikt (genus). â Het Wetboek van Strafrecht heeft nu, ter aanduiding van dat algemeen begrip (als nomen generis), de uitdrukking âstrafbaar feitquot; ingevoerd. Deze keuze is te verklaren uit den wensch naar eene duidelijk sprekende uitdrukking van zuiver formeele beteekenis, naar vermijding van uitdrukkingen met historisch engeren zin en naar het saamvatten van de tegenstellingen âmisdrijf en overtredingquot;, âdoen en latenquot; '). Bij wetenschappelijke behandeling kan de uitdrukking met eene andere worden afgewisseld quot;). Het algemeen begrip moet nu allereerst in zijne bestanddeelen worden ontleed.
!0) H. R. 30 Juli 1861 W. 2297; 28 Juni 186-:) W. 2705. Zie do bestrijding bij Buijs 510 vlg.
à 21 ') Over de gebreken der uitdrukking v. d. Koeven, Mag liet W. v. Str. ongewijzigd ingevoerd worden? (1884) 29 noot. â Onder 0. P. was, in verband met de onderscheiding in misdaad, wanbedrijf en overtreding, 't nomen generis, bep. in Wb. v, Sv. âmisdrijfquot;; zoo ook Ontww. 1827, 1840, 1847, 1850. De oude vaderl. uitdr. was âmisdaadquot;. â Vgl. âovertredingquot; in vert. v. a. I G. P. âinfraction aux loisquot;. â D. Swb. soms âstrafbare Handlungquot;. C. Ital. âreatoquot;.
2) Hier, ter vermijding van âmisdrijfquot;, veelal âdeliktquot;. â Ook bij buitenl. schrijvers is de terminologie onvast.
§ 21. ALGEMEEN BEGRIP VAN HET STRAFBAAK FEIT.
De in deze § aangegeven ontleding wordt in de volgende §§ uitgewerkt. De schematische behandeling te dezer plaatse diene slechts om bij deze moeielijke stof, waarbij veel onzekerheid en verschil van opvatting heerscht, zoowel ten aanzien der onderscheidingen zelve als ten aanzien der terminologie, een overzicht te geven over de begripsonderscheidingen en over haar systematisch verband1). De gezichtspunten zijn daarbij theoretische en practische.
2. Vermits elk strafbaar feit is eene menschelijke gedraging, voor de rechtsorde van beteekenis omdat ze naar huiten werkt, en door het rechtsvoorschrift dat haar verbiedt in haar wezenlijke trekken omschreven , treft allereerst het uitwendig, materieel of feitelijke bestanddeel, of de groep van zoodanige hestanddeelen , saam te vatten als: een menschelijke gedraging, verricht en inwerkend op de buitenwereld, op de wijze en onder de omstandigheden in het verbodsvoorschrift aangewezen ').
3. Vermits elk strafbaar feit is eene menschelijke gedraging-door een rechtsvoorschrift verboden, zoo is een tweede noodzakelijk bestanddeel van het algemeen begrip de onrechtmatigheid der gedraging; dat ze verboden is naar positief recht2). En vermits het eene gedraging is zóó verboden, dat ze strafoplegging tot rechtsgevolg heeft, zoo is een derde bestanddeel de strafwaardigheid; het bestanddeel waarvoor niet de norm, maar de strafbedreiging den grondslag vormtquot;). In den regel vallen onrechtmatigheid en strafwaardigheid samen, 't Kan echter voorkomen, dat de strafwaardigheid (of de verhoogde
162
1
) De bedoelde verscheidenheid en onzekerheid in de opvattingen treft bij het openslaan der onderscheiden handboeken. Zie o. a. Berner Gü, 90; v. Liszt 105, 131, 180, 278; Meyer 117, 281, 402; Merkel 34; Schaper bij Holtz. II 108;Gar-raud O. d. eigenaardige onderscheidingen van Binding (lldb. 498, Grundr. 70). zie Pols in Rechtsg. Mag. 6, 219.
2
) Rechtswidrigkeit, élément injuste.
0) âStrafwaardigheidquot; is ook voor een scherpe onderscheiding van verwante begrippen beter dan âstrafbaarheidquot; (Strafbarkeit).
ALGEMEEN BEGRIP VAN HET STRAFBAAR FEIT. ij 21. 163
strafwaardigheid) nog nader wordt afhankelijk gesteld van eene bijkomende voorwaarde der strafwaardigheid, eene omstandigheid niet tot de bovenvermelde feitelijke bestanddeelen van ^ het delikt zelf bohoorende ~).
De rechtsvoorschriften en strafbepalingen kunnen nu in tweëerlei vorm het verbod stellen en de strafwaardigheid bepalen : of positief, door de op straffe verboden gedraging met alle omstandigheden waaronder ze onrechtmatig en strafwaardig is te omschrijven, óf negatief, door aan minder uitvoerige omschrijving van den regel toe te voegen aanwijzing van uitzonderingsgevallen, van gronden â objectieve d. i. met gebeurtenissen, of subjectieve d. i. met don persoon des daders samenhangende â welke of do onrechtmatigheid uitsluiten (rechtvaardigingsgronden), of de strafwaardigheid uitsluiten6).
4. Vermits elk strafbaar feit is een menschelijke gedraging welke als rechtsgevolg medebrengt strafoplegging aan hem die zich misdroeg, zoo is een vierde bestanddeel van het algemeen begrip; liet zich misdragen van den te straffen persoon, m. a. w. schuld van hot subject. Aan strafoplegging gaat schuldigverklaring vooraf. De schuld is het inwendig, het psychisch bestanddeelquot;). Ten aanzien van het bestaan en den aard van dit bestanddeel, met name van het verband tusschen dit en de andere elementen, gelden bij ieder delikt bijzondere eischen. Maar het geheel wordt door één algemeenen eisch beheerscht: de vatbaarheid van het subject voor schuld, do toerekeningsvatbaarheid. Deze algemeene eisch is dus in dien der schuld begrepen. Inzoover de strafwet dien eisch uitdrukkelijk stelt,
') zie verder beneden. Vgl. v. Liszt 1. c. 180 âBedingungen der
StrafbSrSeitquot;; Ãinding, Normen 1130 (2e ed, 232) âdoppelt bedingte Strafdrohnngenquot;.
8) Rechtvaardigingsgronden, b. v. a. 11 Swb.; Reohtfertigungsgründe, Gründe t'ür den Wegfall der Eeohtswidrigkeit, l'aits justificatifs. â Orunden die de strafwaardigheid uitsluiten, b. v. a. 316 al. 1 Swb. In de uitdrukking van vele Duitsche schrijvers âSim/auschliessungsgrundequot; komt bet theoretisch te onderscheiden karakter niet voldoende uit. Over 't verschil in karakter en werking tusschen deze en de rechtvaardigingsgronden, later.
9) âPsychischquot; is beter dan het veelal gebruikelijk âsubjectiefquot; element; veel materieele bestanddeelen zijn subjectief, d. i. hangen met den persoon samen â⢠Schuldhaftigkeit, Schuld, Versohuldnng. Ãlément moral.
164 § 21. ALGEMEEN BEGRIP VAN HET STRAFBAAR FEIT.
kan zij dit ook hier doen in tweeërlei vorm: of positief, of negatief door de aanwijzing van gronden welke de toerekeningsvatbaarheid uitsluiten 10).
5. Hiermede zijn de bestanddeelen van het algemeen begrip aangegeven en kan het strafbaar feit (delikt) dus beschreven worden als: eene wettelijk omschreven menschelijke gedraging, onrechtmatig, strafwaardig en aan schuld te wijten.
Al deze bestanddeelen moeten â in overeenstemming met de voor de bijzondere delikten (diefstal, doodslag enz.) of voor de bijzondere deliktsvormen, (poging, medeplichtigheid enz.) gestelde eischen â in 't concrete geval werkelijk (objectief) aanwezig zijn. Dit, niet de opvatting van den dader dat ze bestaan (subjectief), is in 't algemeen beslissend. Wel kan, wanneer de bestanddeelen voor het voltooide delikt worden gemist, juist wegens des daders opvatting wellicht van strafbare poging sprake zijn, maar ook alleen indien de bestanddeelen daarvoor objectief zijn aan te wijzen quot;)⢠â Met name moet worden opgemerkt: het ingebeelde delikt (delictum putativum, Wahnverbrechen) is geen delikt. Het bestaat, zoo dikwijls (of inzoover), maar ook alleen zoo dikwijls (of inzoover) de dader , tengevolge van dwaling omtrent het bestaan van verbodsvoorschriften of strafbedreigingen, of ook omtrent het het nietbe-staan van uitzonderingsvoorschriften, het door hem verrichte voor verboden en strafwaardig hield, terwijl het, wegens het ontbreken van eerstbedoelde of het bestaan van laatstbedoelde bepalingen, dit niet was. Tegen verwarring van ingebeeld delikt en poging worde reeds hier nadrukkelijk gewaarschuwd 's).
6. Opdat een feit strafbaar zij, is dus noodig: behalve de feitelijke bestanddeelen naar de omschrijving der wet, positief, onrechtmatigheid, strafwaardigheid, schuld; negatief, het ontbreken van gronden welke de onrechtmatigheid, de strafwaar-
10) Positief, a. 39 al. 4: negatief, b. v. a. 37. â Schuldausschliessungsgriinde; Qründe der Unzureohnungafaliigkeit; causes de non-responsabilité.
11) Hoe weinig daarvoor somtijds ook noodig is; vgl. do bekende strijdvraag omtrent absoluut ondeugdelijke poging.
gt;') Hierop wordt teruggekomen. Vgl. v. liiszt 134, Binding Ildb. T 692, Haber-lin in Goltd, Arcb. 13, 235.
algekeen begrip van het strafbaar feit. § 21.
digheid of de schuld uitsluiten l3). Eerst bij het bestaai; van dit alles is het feit strafrechtelijk toerekenbaar 14).
Theoretisch moeten nu bedoelde uitsluitingsgronden naar hunne juridische beteekenis onderling scherp worden onderscheiden ; practiseh kunnen ze natuurlijk alle heeten âgronden die de strafbaarheidquot; m. a. w. die de strafrechtelijke âtoerekenbaarheid van het feit uitsluitenquot;, of âoorzaken van ontoerekenbaarheid van het feitquot;. Deze uitdrukkingen konden, van hun practisch standpunt, de ontwerpers en de wetgever van het Ned. Swb. wellicht zonder bezwaar bezigen. Bij eene wetenschappelijke behandeling echter moet m. i. die terminologie als leiddraad worden verworpen l5).
7. Intusschen, al is een feit in den dus beschreven zin âstrafbaarquot;, âstrafrechtelijk toerekenbaarquot; ; toch kan âhet recht tot strafvorderingquot; of âhet recht tot tenuitvoerlegging dei-strafquot;, behalve van zuiver processueele eischen, nog van andere , tot het materieel recht behoorende, maar de onrechtmatigheid of de strafwaardigheid van het feit niet rakende, bijkomende voorwaarden afhankelijk zijn. Deze zijn of alge-meene óf bijzondere. Zij dragen of als opschortende voorwaarden een het ontstaan van het recht tot strafvordering (resp. veroordeeling) opschortend; óf als ontbindende voorwaarden een het recht tot strafvordering (resp. veroordeeling) of het recht tot strafvoltrekking opheffend karakter 16). Het ontbreken van deze voorwaarden â van die der vorige nos streng te onderscheiden â behoort dus niet tot de âbestanddeelenquot; van âhet strafbaar feitquot; '7).
quot;r; iX'*-
ei.*'-
13) Dezo tegenstelling is van bijzondere beteekenis voor het procesrecht, met liet oog op den inhoud der dagvaarding.
H) Men onderscheide vooral tussohen âde toerekenbaarheidquot; van het feit (Impu-tablitiit, imputabilité) en do âtoerekeningsvatbaarheidquot; v. d. persoon (Zurechnungs-fahigkeit, responsabilité).
15) De bedoelde uitdrukking in Ned. Swb. B. I, ï. Ill; M. v. ï. Smidt I 339, 375 vlg. â Gevaar van verwarring is hier niet denkbeeldig.
iri) Opschortend, b. v. de klaohte bij klachtdelikten; opheffend, b. v. de dood. Hierover Hfdst. V. â Do Duitsohe schrijvers noemen de eerste veelal âProzess-voraussetzungenquot;; de andere âStrafaufhebungsgriindequot;.
'') Van belang voor 't procesrecht. Vgl. ïijdsch. v. S. Ill, IV ad a. 269 Swb. 2. I. 11
166 § 21. ALGEMEEN BEGRIP VAN HET STRAFBAAR FEIT.
Eindelijk zij nog herinnerd, dat de gehoele vraag der straf-rechtelijke toerekenbaarheid beheerscht wordt door de in vorige §§ behandelde, of het subject van het delikt inzoover aan de Nederlandsche strafwet onderworpen is 18).
§ 22. Algemeen karakter van het strafbaar feit.
1. Het betoog der vorige § bezag het strafbaar feit van den formeelen kant. In de ontleding der bestanddeelen ligt voor den rechter het zwaartepunt. Maar bij ruime wetenschappelijke beschouwing staat naast de vraag: is eene gedraging een strafbaar feit â eene andere; waarom zij het is. In hare beantwoording ligt het zwaartepunt voor den wetgever. En gelijk er een algemeen gezichtspunt is waaronder het begrip, zoo moet er ook een zijn waaronder het karakter van het strafbaar feit kan worden saamgevat.
De laatstgestelde vraag splitst zich dan in twee andere: waarom moeten zekere gedragingen rechtens verboden, waarom op straffe verboden zijn; welke is de grond voor de norm; welke die voor dc strafbedreiging?
2. De âwijsgeerige grondslagen van het strafrechtquot; werden vroeger uitvoerig ontwikkeld '). Uit de toen verdedigde opvattingen â de theorie der sociale verdediging â volgt nu als eerste antwoord op de eerstgestelde vraag van zcif eeiv; formule als deze: dat rechtens verboden moeten zijn die men-schelijke gedragingen waardoor levensbelangen voor welker bescherming het recht heeft op te komen, worden aangerand of bedreigd; m. a. w. dat wat het strafrechtelijk verbod beoogt, bescherming van rechtsbelangen is (Rechtsgüterschutz) J).
»») ?? 17, 18, 20.
^ 22 ') Zie boven, bl. 30, 36.
-) De korte en daarom bruikbare uitdrukking ârcchtshdangquot; wordt in dit werk geregeld gebezigd. Drieërlei zij dienaangaande opgemerkt: 1°. De begrippen âbelang waarvoor het recht opkomtquot; en âbelang dat de rechtsorde raaktquot;, âbelang der rechtsordequot; dekken elkander geheel; omdat alleen het recht den omvang der rechtsoide
ALGEMEEN KARAKTER VAN HET STRAFBAAR FEIT. § 22. 167
Nadrukkelijk wordt hier, in overeenstemming met vele nieuwere schrijvers, als Binding, v. Jehring, v. Liszt, Meijer, e. a., het begrip rechtsbelang (lieclitsgut) op den voorgiond gesteld. Hiermede is een gezichtspunt voor ruime en breede rechtsopvattingen geopend, een dat ontbreekt wanneer men met vele oudere schrijvers, als Feuerbach, Luden, ook Berner en met Fransche auteurs, gewaagt van âbijzondere rechtenquot; of âsubjectieve rechtenquot; waartegen het delikt gericht is, die er âde objectenquot; van vormen en welke het recht te beschermen heeft1). Vooreerst schijnt de oudere uitdrukking reeds minder juist, omdat het delikt inderdaad iemands rechten zelve niet bedreigt; en ook quot;liet begrip subjectief recht onzeker is. Doch er is meer. Tegenover die breede rij van menschelijke bobwigen welke bij vastheid en onderling vertrouwen in 't maatschappelijk verkeer, bij do eerbiediging van godsdienstige en zede-lijkheidsopvattingen betrokken zijn , is het onmogelijk van door bepaalde personen -gedragen subjectieve rechten te gewagen, en heeft men, om ook de delikten tegen dergelijke belangen in het systeem te persen, naar de meest gewrongen constructies moeten grijpen of eene algemeenheid zonder persoonlijkheid, âde maatschappijquot;, tot subject van rechten gemaakt '). Of ook, men neemt wel aan dat sommige delikten tegen ïlet âobjectieve rechtquot; gericht zijn zorwler dat ze ook een âsubjectief rechtquot; bedreigen, maar acht Jkin juist â en nu wordt de
1
) Feuerb. Lehrb. ^ 21 vlg.; Ludon Abhandl. aus d. gera. teutschen Strafr. (1836, 10) II 16*1; Berner Lehrb. ^ 51; Ortolan E16m. I ^ 36; Qarraud 1. c. 82 âSujet passif de l'infractiDBquot;. Ook bij de samenstelling van 't Nod. Swb. werkte deze oudere loer blijkbaar na; vgl. b. v. Smidt I 60, 65; II 5. â Zie ook't overzicht bij Geib 11 176.
'') B. v. Berner 1. c. 89. Smidt 1. c.
168 § 22. ALGEMEEN KAUAKTEK VAN HET STRAFBAAK FEIT.
bestreden leer eerst recht noodlottig â die categorie van de andere scherp onderscheiden 1); terwijl sommigen de verwarring daarbij nog vermeerderen door schending van ârechtenquot; en schending van âbelangenquot; tegenover elkaar te stellen 0). Bovendien werpt men van het oudere standpunt allerlei ijdele vragen op, b. v. betrekkelijk de rechten van overledenen, van ^ ongeborenen e. z. m. En eindelijk is m. i. ook het geheele
. gt; rquot; getob over de vraag of en inhoever dierenmishandeling op . - straffe mag worden verboden, van het hier verdedigde rui-
r
IV /*â
y*-' mer gezichtspunt bezien, ijdel?). Waar leven is zijn levens-
fl)/ c
F/ belangen; en alle levensbelangen die het naar 's wetgevers
C' overtuiging waard zijn, kunnen rechtsbelangen worden.
i)- Voor het strafrecht is eene zuivere opvatting van het alge
meen begrip ârechtsbelangquot; onmisbaar. Do eenheid van dit begrip belet echter niet eene groepeering van de bijzondere delikten naar eene groepeering, in categoriën , van die rechtsbelangen welke er het naast bij betrokken zijn; al is wegens het onderling verband der belangen iedere zoodanige groepeering gebrekkig. Omgekeerd verhindert echter de verscheidenheid in die groepeering weer niet, dat in éénzelfde delikt aanranding van onderscheiden rechtsbelangen kan liggen en voorts dat elke soort van delikten, als aanranding van rechtsbelangen, tegen âde algemeene rechtsordequot; gericht is2).
3. Alle verbodsvoorschriften waardoor in de wereld der men-schen levensbelangen worden beschermd, zijn geene rechtsvoorschriften. Als niet minder machtige, schoon met andere middelen werkende hoeders, beschermen hen do voorschriften van f/odsdieiist, moraal en zeden. Waar ligt nu de grens tusschen de bemoeiingen van deze, met name van de moraal, en die van het recht? M. a. w. wanneer is een belang rechtsbelang; en inhoever moet aanranding of bedreiging daarvan door rechtsvoorschrift verboden zijn?
1
) Luden âReolitsdelikte-Gozetnosdeliktequot;; daarover § 23.
2
a) Binding, Normen I 195 (2e ed. 343): Smidt ]I 5.
ALGEMEEN KARAKTER VAN HET STRAFBAAR FEIT. § 22. 169
Aan deze, de rechtsphilosophie in het hart grijpende vragen sluit zich in zake strafrecht onmiddellijk de andere helft dei-in den aanhef dezer § vermelde beginselvraag aan: welke is, aangenomen dat het rechtsverbod zijnen grond heeft, de grond voor eene strafbedreiging tegen schuldig overtreden; m. a. w. wanneer moet het beschermend recht strafrecht wezen, wanneer kan daarentegen met andere verweer- en dwangmiddelen , met name met die van privaatrecht, procesrecht, administratief-recht, of ook tucht e. z. m. worden volstaan9)?
't Kan hier de plaats niet wezen, om op het veld van do historie der rechtsphilosophische stelsels naar al de antwoorden te zoeken die op de eerste groep van voormelde vragen in den loop der tijden gegeven zijn. Ook worde opgemerkt dat hier niet ter sprake komt de grens of de verhouding tusschen recht en moraal in 't algemeen. De quaestio loopt over de grens tusschen beider taak ter bescherming van dezelfde levensbelangen. â De andere vraag â waarom niet alleen recht, maar strafrecht â raakt ons van naderbij. En juist hare beantwoording zal de richting kunnen aangeven voor de oplossing der misschien nog gewichtiger vragen, zooeven bedoeld.
4. Naar een absolute, een principieele grens, bepaaldelijk tusschen âstrafrechtelijk cn civielrechtelijk onrechtquot;, is lang gezocht10). Den grootsten invloed had hier de theorie van Hegel en zijne school. Volgens hem cischte het âbefangenes Unrechtquot;, het als onrecht gewilde, straf; het âunbefangenesquot;, het niet als onrecht gewilde, enkel de rechtsgevolgen van het privaatrechtquot;). Dezelfde gedachte werd somtijds eenigszins an-
quot;) van Hamel, De grenzen der heerschappij v. h. Strafr. (Intreerede 1880).
10) Deze veelal gebruikelijke tegenstelling âCivilunrechtquot;, âCriminalunreohtquot; is natuurlijk streng genomen niet juist geformuleerd; dit blijkt reeds bij do opmerking dat uit vele strafbare feiten tevens een civiele actie ontstaat. Vgl. Binding Normen I 134 (2e ed, 242); Merkel Krim. Abhandl. I, 1, â Do voornaamste voorstanders van een principieele onderscheiding: Hegel, Orundl.. d. Phil. d. R. § 83 vlgg. (ed. Gans bl. 124); Köstlin, System } 2; Berner in de vroegere uitgg, v. üiju Lehrb. b. v. 4e ed. 38; Ahrens, Naturrecht § 131; Hiilschner in Gerichtssaal 1869, 1876 en Syst I, 15; John in Goltd, Arch. Ill 504, 632; Stahl Phil. d. R. II, 2, 694. â Vgl. voor do litt. Goib II 175 en Hiilschner Syst. 1. c.
quot;) Hegel 1. c.; tusschen deze twee plaatste hij 't âbedrogquot;, wel onrecht, voor wie 't pleegde, maar voor anderen recht schijnend.
170 § 22. ALGEMEEN KAUAKTEU VAN HET STRAFBAAR FEIT.
ders uitgedrukt ,s); somtijds ook werd voor nieuwe onderscheidingen naar nieuwe formules gezocht en de oplossing aangegeven in tegenstellingen als âonmiddellijkquot; onrecht en âmiddellijkquot;, het eerst wordend door bemiddeling van den benadeelde; âab-soluut en relatiefquot;, of âthetisch en hypothetischquot;, d. i. onrecht onder alle of onder bepaalde omstandigheden e. z. m. 13).
Tegen de hoofdleer, de Hegelsche, viel al dadelijk aan te voeren, dat ook de weigering om privaatrechtelijke verplichtingen na te komen , een âbewustequot; kan zijn ; en dat de strafrechtelijke behandeling van vele âonbevangenequot;, culpose delik-ten niet kan worden gemist. Ook de andere formules stuiten op de feiten af. â Maar van al deze pogingen kan thans ge-rustelijk worden gezegd dat hare kracht gebroken is. Ilechts-geschiedenis en rechtsleven leerden anders. Het strafrecht kon zijn oorsprong uit het privaatrecht niet verloochenen en de behoeften van het rechtsleven konden zich niet in gekunstelde formules plooien. Zoo is, reeds sints lang, van den kant dei-moest toongevende rechtsgeleerden, onafhankelijk zelfs van veler opvattingen omtrent den wijsgeerigen grondslag der straf, elk denkbeeld van principieele en absolute grensbepaling verworpen en in beginsel erkend, dat, ook naar do wisselende behoeften van tijden en maatschappelijke toestanden, ter bescherming van alle rechtsbelangen tegen alle rechtens verboden aanrandingen en bedreigingen strafrechtelijke reactie noodig en daarmede rechtmatig kan zijn l4). Op het standpunt der in dit werk ontwikkelde theorie van de sociale bescherming is een ander antwoord niet mogelijk.
Wat dan den doorslag moet geven, is: de groote waarde van het te beschermen rechtsbelang; de ingrijpende beteeke-
12) B. v. Köstlin, Berner, John, Halschner. Vroeger Binding ook in soortgelijken zin (vgl. Normen 1 (2o ed.) 252; noot. Zie voorts 263 (n. 21),
13) Stahl. 1. o. â Mr. v. Swinderen 1, c. 20 schijnt het verschil hierin te zoeken, dat z. i. bij strafrechtelijk onrecht alleen idceel, bij 't andere stoffelijk nadeel ontstaac,
H) Gcib 1. c.; Merkel, Krim. Abh. I; Jhering, Zweck ira Recht I 476; Dahn, Vernunft im R. 173; Binding, Normen I, 172 (2e ed. 235 vlgg., bep. 432); v. Liszt, Lehrb. 108; H. Meijer, 13; thans ook Berner (15e ed.) 66. â H. t. 1. injur. Ver. 1876, Praedv. Veegens I i)6, bij beraadsl. II 112 vlgg. o. a. Modderman, e. a. â
ALGEMEEN KARAKTER VAN HET STRAFBAAR FEIT. § 22. 171
nis van de verboden gedraging voor dat rechtsbelang; de, in de eerste plaats uit de ervaring af te leiden, uitgebreidheid van het gevaar voor dergelijk onrecht en voor de herhaling daarvan 15). Dit alles eenerzijds. Aan den anderen kant: de onvermijdelijkheid en de werkelijke doelmatigheid der scherpe reactie van het strafrecht, in den rechtsstrijd immers een tweesnijdend wapen, waarmede âhet recht in zijn eigen vleesch snijdtquot;, en daarom slechts âultimum remediumquot;. Op die wijze is dan in 't algemeen het standpunt aangewezen voor de toepassing van het vraagstuk b. v. tegenover plichtverzaking in huwelijk of voogdij, benadeeling van schuldeischors, contractbreuk, veronachtzaming van door de wet aan werkgever of werknemer opgelegde plichten e. z. m. I6).
5. Geheel in dezelfde richting is nu ook de oplossing te vinden van die andere vragengroep, omtrent de grensbepaling tusschen de gedragingen waartegen het recht met zijne dwangmiddelen heeft op te komen, en die waarvan het de bestrijding geheel aan andere krachten, bepaaldelijk aan moraal en zeden, of aan de vrije opvattingen der burgers heeft over te laten. Ook hier geen naar algemeene begrippen en formules te trekken lijn 17); gelijk immers voor 't verleden de rechtsgeschie-
Uitvoerig bij W. o. d. desertie v. Zeevissoliers, Smidt III 109 vlgg. (Vgl. mijne rede, zie boven noot 11).
u) De eisehen dat er mede gemoeid zij âalgemeen belangquot;, âopenbare rechtsordequot;, âeen publiekrechtelijk momentquot; , verklaren niets, â M. i. kon hier 't begrip âge-woontedeliktquot; meer worden benut.
16) Vgl. Modderman 1. c.; ook Smidt, III 110, en de verdere vermelde litt., alsmede d. P. W. 5718. Vgl. desertie van zeelieden en visschers met andere verbreking van het werkcontract. Over contractbreuk vooral R. Loening, der Ver-tragsbruch (1876) en voor de geschiedenis eener belangrijke quaestie inNed. Indie, Neys, Werkcontractbreuk (diss. 1881); Kool, Art. 328« W. v. S. voor Inl. (diss. 1884); Ind. Gids 1881.
17) Vgl. do litt. v. noten 9, 10, 14. De formule van Mr. v. Swinderen, 20vlg., dat alleen onzedelijkheid pleegt, die bij de idëeel nadcelige handeling âzijn rechtskring niet overschrijdtquot;; misdrijf, die dat daarbij wel doet, is eene tautologie, geen verklaring. In de geschiedenis der rechtspbilosophie (ïhornasius, Wolff, Kant, Hegel, Abrens, Zoepfl e. a.) is bij liet zoo veelvuldig behandeld thema over de verhouding tusschen recht en moraal dit punt meestal niet de hoofdvraag. Deze wordt gezocht; óf in de waarde der formeele tegenstelling, dwang en geen dwang; óf in de zeer vruchtbaro stelling dat het zuiver innerlijk leven buiten den rechtskring, alleen binnen dien der zedelijkheid ligt; óf in de opvatting dat recht en zedelijk-
L72 § 22. ALGEMEEN KARAKTER VAN HET STRAFBAAR FEIT.
denis, met name die van de misdrijven tegen godsdienst en zeden, hetzelfde leert: dat de grenzen naar tijden en omstandigheden , behoeften en opvattingen, steeds hebben gewisseld. Maar het streven zij steeds inkorting van het rechtsgebied, zelfbeperking van den wetgever, vooral ook den plaatselijken; te meer inzoover straf het eenige middel is dat het recht zon ten dienste staan. Voor de gronden dezer leer worde naar 't reeds betoogde verwezen. Voorts worde bedacht, dat aan maat-schappelijke behoeften dikwijls anders dan door rechtsdwang kan worden voldaan; dat ernstige en diepgewortelde volksopvattingen wel niet getrotseerd, maar stellig geleid knnnen worden; dat overdaad van rechtsvoorschriften en strafbepalingen even zeker een volk ondermijnt als slapheid van het gezag. Is echter rechtsbescherming, met name strafrechtelijke, onmisbaar, dan kan geen formule den staatsarm verlammen.
6. Het beschermende recht heeft allereerst te verbieden krenking (Verletzung) van de rechtsbelangen; die gedragingen welke de levenstoestanden zoodanig veranderen, dat het beschermde belang â leven, gezondheid, ongerepte eerbaarheid, vermogen, openbare orde, machtsuitoefening van het gezagt, e. z. m. â geheel of ten deele, duurzaam of tijdelijk, vernietigd wordt. Vandaar dat doodslag, mishandeling, beleediging, diefstal, wederspannigheid e. z. m. misdrijven zijn. â Maar vandaar verder dat reeds door het wagen eener poging tot zoodanige krenking in strijd met het verbiedend voorschrift gehandeld, en dat, onder bepaalde voorwaarden, zoodanige poging strafbaar gesteld wordt; al levert deze met betrekking tot het rechtsbelang nog geen krenking, slechts gevaar voor krenking op 18).
Het begrip gevaar heeft echter eene beteekenis van veel
heit) samonh.'ingen, 't eerste in de tweede zijn grond vindt; óf hierin dat de zedelijkheid eener handeling naar hare drijfveeren beoordeeld wordt e. z. ra,
ls) Tegenover de (krenking verbiedende) norm kan poging reeds noxmovertreding heeten (vgl. Binding, Normen I, 2e ed. 367); met betrekking tot het rechtsbelang is zij zeker in 't algemeen wel âaanrandingquot; (Angriff), maar slechts aanranding door het veroorzaken van gevaar; o. a. v. Liszt 110, Eohland, Oefahr im Straft'. (1886); hiertegen Binding 1. c, 374,
ALGEMEEN KARAKTER VAN HET .STRAFBAAR FEIT. § 22. 173
wijder strekking. De waarde der rechtsbelangen vordert reeds in 't algemeen, ja vordert zelfs in do eerste plaats, zorg dat ze niet worden in gevaar gebracht (Geführdung). Gevaar nu, dadelijk of verwijderd, kan veroorzaakt worden door gedragingen welke de levenstoestanden zoodanig veranderen, dat krenking van do beschermde rechtsbelangen mogelijk is en niet anders af te wenden dan door der menschen bijzondere krachtsinspanning. door hunne bijzondere oplettendheid of door een gunstigen, buiten dor menschen inzicht of macht ligerenden samenloop van omstandigheden 18). Vandaar dat de enkele veiligheid der âstoffelijke, economische en idëeolequot; rechtsbelangen, hunne veiligheid in het maatschappelijk verkeer, ook zelve een, ofschoon dan een afgeleid rechtsbelang boeten mag 20). En vandaar dat â met inachtneming van de noodige waarborgen ter voldoening aan de eischen van âonrechtmatigheidquot; en âschuldquot; â verboden kunnen zijn: of het teweegbrengen van een bepaald gevaar door bepaalde middelen (b. v. a. 1572°, 1582», ook a. 4273°, 4291°, 431 e. a.); óf het teweegbrengen van een bepaald gevaar door onbepaalde middelen (b. v. a. 165, 166); of het teweegbrengen van oen onbepaald gevaar door bepaalde middelen (b. v. a. 225, âmogelijkheid van nadeelquot;, ook a. 426); óf eindelijk bepaalde, in haar geheel omschreven gedragingen , welke altijd eenig gevaar opleveren (of zoo men wil, kunnen opleveren), groot of gering, onmiddellijk of verwijderd, waarschijnlijk of onzeker, langdurig of voorbijgaande (b. v. a. 207, 256, 42720 50, 429 2°, 430, 440, en vele andere artt. in wetten en verordeningen !1).
quot;) Sommigo Duitsche schrijvers ontkennen dat van âgevaarquot; in objectieven zin kan worden gesproken, omdat elke uitkomst der gebeurtenissen noodwendig is. Zoo Hertz, das ünrecht, (1880) 73, v. Buri, Causalitat (1885) 130, Merkel, Strafr. (1889) 42 e. a. â Hiertegen vooral Binding 1. c. 378; ook v. Liszt 110. Vgl. v. Rohland 1. c.
:o) v. Liszt spreekt, maar met meer beperkte toepassing, van âmittolbarequot; en âuneigentliche Bechtsgüterquot;. Lehrb. 111.
21) Of in deze laatste groep onderscheiden moeten worden gedragingen welke het recht â ofschoon dan ter vermijding van gevaar in 't algemeen â uitsluitend als omjehoorzaamheden (einfacher Ungehorsam) opvat, zal in de volgende % ter sprake komen. Vgl. v. Liszt 110, Binding Normen I (2e cd.) 397.
174 § 22. ALGEMEEN KARAKTER VAN HET STRAFBAAR FEIT.
Nog verder gaat het recht in deze richting. Niet onverschillig kan het zijn tegenover de gevaarlijkheid van den dader; met name wanneer die uit misdadige getrooste, bepaaldelijk uit herhaling van misdrijf blijkt, 't Is intusschen zeer de vraag of deze, in de regeling der recidive door het positiefrecht neergelegde gedachte in de wetgeving, de rechtspraak en de strafrechtswetenschap van onzen tijd voldoende tot haar recht komt.
Maar nergends meer dan waar hij het veroorzaken van gevaar op een dier vele wijzen verbieden wil, is den wetgever zelfbeperking als eerste plicht te stellen. Een leven waaruit alle gevaar vermeden werd, ware zelf hot grootste gevaar.
§ 23. Algemeenc verdeeling van do strafbare
feiten.
1. Met verschillende algemeene leerstukken houden onderscheidingen van de strafbare feiten verband.
Zoo met de uitlevering, de onderscheiding tuschen gemeeue delikten en politieke; met de leer van âde handelingquot;, die tus-schen delikten welke in doen en welke in laten bestaan (d. commissionis, omissionis); met de schuldleer die tusschen do-leuse en culpose; met de leer der deelneming die tusschen ge-meene en bijzondere (d. communia, propria) '); met het leerstuk van den samenloop en verwante leerstukken, die tusschen zelfstandige delikten en voortgezette (d. continuata), afloopende en voortdurende (d. continua), enkelvoxulige en collectieve'); met het leerstuk der klachte de onderscheiding tusschen de delikten van ambtsirege en aUee)i op klachte vervolgbaar (Officialdelikte, Antrags'delikte); met meer dan één leerstuk de onderscheiding tusschen de eenvoudige tegenover de gequalificeerde en gepriviligi-eerde vormen der delikten.
| 23 ') De d. propria xijn grootendeels âstandsdeliktonquot;; doch niet uitsluitend.
s) âZelfstandige en samenhangende (connexe)quot; is een onderscheiding voor 't procesrecht. -------
VERDEELING VAN DE STRAFBARE FEITEN. § 23.
Bovendien moeten onderscheidingen worden gemaakt, als grondslag voor de groepeering der speciale delikten of in een wetenschappelijk systeem of in een wetboek (B. II, III Swb.).
2. Maar 't is de vraag, of niet, in strafrechtswetenschap en strafwetgeving, het geheele systeem door eenige algemeene hoofdverdeeling, welke bij eene reeks van leerstukken prac-tischen invloed heeft, moet worden beheerscht. 't Ligt immers in den aard der zaak, dat, bij het overzien der gansche rij van alles wat, formeel beschouwd, met straf bedreigde normovertreding (strafbaar feit) heeten moet, een streven ontstaat om te onderscheiden naar de zwaarte; en dat het alleen daarop aankomt, of voor zoodanige classificatie kan worden aangewezen een beginsel en een IcenteeJcen (criterium). Voor deze vragen staat de wetgever; de rechter heeft slechts diens classificatie te volgen.
Zoodanige verdeeling houdt dan verder krachtens haren aard en hield ook in haar historische schakeeringen, in meerdere of mindere mate, verband met onderscheidingen in het straf-fenstelsel en in de rechtsbedeeling.
Aldus reeds de onderscheidingen van het vroegere recht: de oud-Germaansche, tusschen Friedensbriiche en wat Wilda noemt Rechlsbrüche , eene onderscheiding samenhangend met de oude vredeloosheid en het compositiestelsel3); die tusschen do causae majores en minor es uit den tijd der capitularia 4); in de latere middeleeuwen die der Friedbrüche, âHauptwrogenquot;, naar 't Saksische recht âUngerichtequot;, in ons vaderland âoudadenquot; , misdrijven gestraft aan Juüs en hand11, tegenover âFrevelquot;, de lichtere, âslechtequot;, gestraft âaan huid en haar'1 5); de hiermede samenhangende, ook in de C. C. 0. erkende onderscheiding tusschen misdaden die âpeinlichquot; en die âbür-
3) Wilda, 1. o. 2fi8.
*) Cap. Sax. a. 797 c. 9; C. Aquisgr. a. 812 c. 4; Pertz, Mon. Germ. Leg. I, 76, 174. Zachariae D. Strafpr. (1861) I 228.
s) Wilda 1. o. 271; Grimm, Rechtsalt. 624; Noordevvier, Nederl. rechtsoudh. 273; Matthaeus, de Grim. 574; Zacliariae 1. c. 229; Geib I 218, II 180. Berner 1. c. 70; v. Liszt, 112.
175
§ 23. VERDEELING VAN ÃE STRAFBARE FEITEN.
gerlichquot; werden gestraft6); de latere, aan do Italiaansche criminalisten ontleende, zeer verbreide onderscheiding tnsschen delicta atrocissima, alrocia, levia'); die tnsschen de âdélits de nrand criminel et de petit criminelquot; in dc ond-Fransche praktijk 8)9 )â¢
3. In het tijdperk der algeraeene codificaties , sints het laatst laatst der 18e eenw, moest het maken van dergelijke onderscheidingen bovendien bevorderd worden door de behoefte aan een logisch systeem in de strafwetboeken en een beginsel voor de bepaling van hunnen omvang. Bij do vereenvoudiging der strafstelsels en de wijsgeerige richting van don tijd, leidde dio behoefte tot het zoeken , niet naar uitwendige, maar naar rechts-philosophische grondslagen voor de te maken verdeeling. Verder hing die beweging samen, eenerzijds mot het streven van dien tijd om onderscheidene feiten buiten hot gebied van het eigenlijke strafrecht te brengen en te verwijzen, deels naar de moraal, deels naar 't policierecht; anderzijds met het streven om het veld der staatszorg uit te breiden en tegen allerlei feiten, die dan als âpolicieovortredingenquot; kondon worden opgevat, geringe straffen te bepalen 10).
Zoo ontstond de onderscheiding tnsschen crimineel-onrecht en policie-onrecht; oene onderscheiding waarvoor de rechtsleeraars de formule zochten en welke in de wetgeving hare erkenning moest vinden: óf in eene onderscheiding tnsschen misdrijven en overtredingen in de strafwetboeken zelve11); of in de enkele uitsluiting van de policieovortredingen buiten de strafwetboeken, mot verwijzing naar bijzondere wetten en verordeningen 12); of in het vaststellen van
quot;) C. C. G. a. 104, 105, 138, 158, 167.
') Clarus, V, 5 de malef. n. 9; Farinacius qu. 18 n. 61; Carpzov, qu. J02 n. 56. s) Ortolan Elém. I 668.
!l) Andore deels uit 't liotn, r, afkomstige ondorscheidingen; cr. publica, privata; ordinaria of legitiraa, extraordinaria; non excepta, exoepta.
10) Vgl. Geib I 331 vlgg. Feuerbach, Lehrb. 48, Revision II 220.
quot;) Beieren (1813), Oldenb. (1814) vgl. Code Pénal en zijne navolgers. Ook het jdch daarbij niet aansluitend Ned. Ontw. 1827.
'quot;) Grim. Wb. 1809 a, 6,7; Fransche wetgeving v. 1791.
176
VERDEELING VAN DE STRAFBARE FEITEN. § 23.
ucii policie-strafwetboek naast een wetboek van strafrecht u') H).
Onder de rechtsleeraren heersclite echter bij het zoeken naar de formule groote onzekerheid en verschil van opvatting. In hoofdzaak kwam het toch wel hierop neder, dat het criml-neele onrecht iets absoluuts luid, uit zijn eigen aard in strijd met het begrip rechtsorde, de rechtsorde werkelijk aanrandend; het policio-onrecht iets relatiefs, de rechtsorde slechts betreffend omdat deze ter wille van allerlei maatschappelijke belangen haar gebied uitzette, geen eigenlij k onrecht, doch slechts gevaar voor onrecht opleverend. En waar scherper afscheiding gezocht werd, heette het dat het crimineele onrecht subjectieve rechten aantastte, terwijl het policie-onrecht slechts belangen krenkte en policiewetten schond die de staat, ter middellijke bereiking van zijn dool, te maken het recht had15). Maar dit laatste kon van vele zwaardere âmisdrijvenquot; b. v. tegen openbare orde, veiligheid en zeden evenzeer worden gezegd 16). Geen wonder dan ook , dat reeds verscheidene Duitsche schrijvers iédere splitsing op dergelijken grondslag onmogelijk achtten, en dat de wetgevers zich bij hunne classificaties niet zelden vergisten 17).
4. De Fransche strafwetgeving van 1810 (a. 1. C. P.) was tot hare drieledige verdeeling (division- tripartite) van de strafbare feiten (infractions) in crimes, délits, contraventions, langs een anderen weg gekomen. Zij sloot zicli aan bij de vooral met de procesorde samenhangende onderscheiding der oude Fransche praktijk tusschen les délits de grand criminel, les délits de petit criminel, les délits ou contraventions de police locale; en, terwijl ook do wetgeving van 1791/95 op dezelfde onderscheiding geschoeid was, vond deze hare voltooiing
13) Oostenrijk, Beierach ontw. 1822, Wurtemberg (1839), Hannover (1810) Hessene. a,
quot;) Over deze stof Mittermaier, die Strafgesetzgeb. in ihrer Fortbildung (1811) 1 221; en zijne aantt. op Feuerb. 47.
I5) Feuerbaoh Lehrb. § 22; v. Wachter Lehrb. ⢠(1825); Köstlin, Revision d. Orim. r. 27, Vgl. Geib 1, c. II 181, v. Liszt 111,
Vgl. daarom Luden's tegenstelling, waarover nader.
17) Mittermaier 1. o.; Heffter Lehrb. § 31 n. 3; Bekker, Theorie d. D. Strafr. I 115; Geib II 181; Schaper in Holtzendorff II 94, In sommige Wbn. onder pol. overtr. b. v. kleine diefstallen, bedriegerijen, beschadigingen.
177
178 § 23. VEHÃEELING VAN DE STRAFBARE FEITEN.
in den Code Penal18). Vandaar is zij, deels krachtens de invoering van 't Fransche recht, deels krachtens eigen bekoring in de meeste landen van Europa doorgedrongen. Wat haar die kracht gaf, was zeker niet haar wijsgeerige beteeke-nis. Maar haar scherpe begrenzing door de drie in de wet omschreven groepen van strafsoorten, haar samenhang met rechtspraak en proces en haar duidelijke formuleering '9. Juist echter wegens haar gemis aan dieperen grondslag, met name bij de in hare toepassing noodzakelijk willekeurige onderscheiding tusschen crimes en délits, was zij voor den haaf toege-kenden invloed op vele der algemeene leerstukken â poging, herhaling, rechterlijke straftoemeting â niet berekend. In Frankrijk zelf is zij zeer verschillend beoordeeld; maar juist in hare verdediging als âune division plutót d'ordre que do principequot; lag de veroordeeling van de overwegende rol die haar was toegekend 20).
Wat haar voor Frankrijk nog aannemelijk maakte, ontviel haar in Nederland. De terminologie â misdaad, wanbedrijf, overtreding â had, wat de eerste onderscheiding aangaat, in geschiedenis noch taal eenigen steun. De samenhang met de berechting was, wegens het ontbreken van de jury, gekunsteld en stond aan eene goede organisatie der rechtspleging in den weg. Haar verband met het strafstelsel hield het verwerpelijk systeem van onteerende straffen in wezen. Haar invloed op de leer der recidive en der poging had in 1854 ernstig geleden 21). En bij de ontwikkeling van het stelsel der âverzachtende omstandighedenquot; ontviel haar iedere reden van bestaan 5!). Een ânationaal wetboek van strafrechtquot; moest haar prijsgeven 23).
18) Vgl. boven blz. 65 n. 5. Ortolan 1. c. I 274 (n. ()67 vlgg).
19) a. 1, 6, 9, 464. C. P. a. 138, 179 Instr. Cr. Crimes berechtte de j ury.
:u) Afgekeurd o. a. door Rossi, Traité (ed. Leiden) 25, 32: Boitard, Lemons de Dr. cr. 20. Verdedigd o. a. door Ortolan 1. c. 74 n. 666; Ghauveauâ-Hélie I 19 n. 32 vlgg. Bertauld, Cours de C. P. (1859) 143.
=') a. 11, 10, 17 W. 29 Juni S. 102.
-'J) Langzamerhand werd in meer dan 750/0 der gevallen van crime correctio-neele straf opgelegd.
M. v. ï. Smidt I 54. Slechts bij de verjaring (a. 459 vlgg. Sv. oud) was haar invloed zuiver gebleven.
vehdEeung van de strafbare feiten. § 23.
5. Aangenomen werd echter eene tweeledige verdeeling in misdrijven en overtredingen quot;): niet alleen als grondslag voor eene indeeling van het wetboek (B. II, B. III), niet als noodwendige leiddraad voor de attributie van rechtsmachtquot;6)] maar als grondslag voor geheel het strafrechtelijk systeem in de geheele strafwetgeving i6). Immers: wordt bij overtreding noch strafbare poging, noch strafbare medeplichtigheid erkend (a. 46, 52); wordt een bijzonder voorschrift omtrent de aansprakelijkheid van âbestuurdersquot; tot overtredingen beperkt (a. 51), en de bijzondere regeling der aansprakelijkheid voor drukpers-delikten tot misdrijf (a. 53, 54)quot;); geldt bij samenloop van zelfstandige feiten (concursus realis) voor overtredingen een overigens verworpen stelsel van straffencumulatie (a. 62); is het stelsel van klachtdelikten alleen voor misdrijf aangenomen (tit. VII), de mogelijkheid van voorkoming der strafvervolging door vrijwillige boetebetaling alleen voor overtreding (a. 74); is voor overtredingen een kortere verjaringstermijn vastgesteld (a. 70, 76); is de verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen bij overtreding (ofschoon dan tevens bij niet-opzettelijk gepleegde misdrijven) niet als algemeene straf gesteld (a. 83); en is, behoudens eene enkele uitzondering, plaatsing van kinderen in een opvoedingsgesticht bij overtreding uitgesloten (a. 38, 39); terwijl a. 91 Swb. voor de inachtneming van deze algemeene beginselen buiten het wetboek waakt. Eindelijk moet uit het speciale deel van het wetboek (B. II, III) worden herinnerd ; hieraan, dat wel ook bij vele overtredingen de recidive op de straf invloed beeft, maar dat toch niet voor groepen van deze, zooals bij misdrijven, gemeenschappelijke regelen gelden (B. II, T. XXXI); en vooral hieraan, dat de wetgever bij de omschrijving der misdrijven telkens nauwgezette aanwijzing van den schuldgraad beoogde, bij overtreding zooda-
34) Aldus ook Ontw. 1827.
35) Latei- daarvoor benut, a. 44, 56 R. O. Vgl. boven 86.
26) M. v. ï. Smidt I 57, 167. Het daar sub. 8° vermelde (a. 44) is in G. O. vervallen; Smidt I 383.
3') Deze beide punten in M. v. T. niet vermeld. Vgl. toch b. v. a. 343 4415U, 430.
179
§ 23. VERDKEUNG VAN DE STRAFBARE FEITEN.
nige aanwijzing opzettelijk naliet28). â Rechtstreeksche samenhang van deze verdeeling met het straffenstelsel bestaat niet.
De ontwerpers van het wetboek achtten âde deugdelijkheid der onderscheiding tusschen eigenlijk gezegde misdrijven en overtredingen onbetwistquot;, al heerschte âgeen eenstemmigheid over de grenslijnquot; â 'â '). Deze uitspraak was inderdaad te absoluutquot;); doch ver van de waarheid lag zij niet. De Duitsche schrijvers hadden hunne pogingen om tusschen crimineel- en policie-onrecht de principieele grens te vinden, voortgezet. Behalve de reeds vermelde formules deed hier ook de mede besproken tegenstelling ârechtskrenkingquot; en âgevaarquot; dienst31); eensdeels reeds op zich zelve, maar vooral omdat zij leidde tot de opmerking, dat vele feiten, verboden dewijl er in 't algemeen gevaar uit kon ontstaan, verbodsovertredingen bleven ook al was in 't bijzonder geval geen gevaar geboren, zoodat zij dan hot karakter van eenvoudige ongehoorzaamheid, zuiver formeel onrecht, moesten dragen32). En verder was immers ook in de zoo verbreide Fransche drieledige verdeeling de afscheiding der âovertredingenquot; gehuldigd, ofschoon dan naar eenvoudiger methode. De Nederlandsche ontwerpers sloten zich dus bij bestaande opvattingen aan; doch zij stelden zicli hier â ten onrechte m. i. â te zeer buiten den Franschen en onder den Duitschen invloed 33).
Het door hen voor de indeeling gekozen leidend beginsel lag blijkbaar in de (subjectieve) tegenstelling tusschen feiten, in haar volle omschrijving reeds strafwaardig, althans onrechtmatig, naar het algemeen rechtsbewustzijn; en andere, eerst als zoodanig te erkennen door het uitdrukkelijk verbod der
=s) Smidt Hl 168 jquot; I 70.
29) Smidt 1. c. Zie verder over deze verdeeliug, hare grondslagen en hare waarde: II. v. d. Hoeven, Mag het W. v. S. ongewijzigd ingevoerd worden, 29; hiertegen Pols, Tijdschr. v. S. I 225; repliek v. d. Hoeven aid. 453.
30) Noot 17; v. d. Hoeven Mag. enz. 35. 31) Vgl. boven § 22.
3!). Merkel, Abh. I 95; v. Liszt 110, 111: Geyer, Grundr. I 87. Binding, Normen I 199, 204 (2e ed. 379) wil echter hiervoor niet de uitdrukking âpolitieon-rechtquot; bezigen.
33) Hiermede wordt niet beweerd, dat C. P. altijd juist en volledig geclasscerd had. Smidt I 58.
180
VERDEELING VAN DE STRAFBARE FEITEN. § 23.
wet. Theoretisch drukten zij deze tegenstelling uit in de formule ârechtsdelikten en wetsdeliktenquot;; in de wetgeving zouden daarmede overeenstemmen de woorden âmisdrijf en overtredingquot; 3'i). En diezelfde theoretische formule is toen verder bij het tot stand komen van het Wetboek van Strafrecht en van latere wetten de leiddraad der wetgevende macht gebleven quot;).
Omtrent dezen grondslag valt heel wat op te merken quot;).
De Duitsche schrijver (Luden) aan wien de âformulequot; ontleend was, had deze in geheel anderen zin gebruikt, voor de tegenstelling n.1. tusschen feiten die al dan niet aanrandingen van âsubjectieve rechtenquot; moesten heeten ;quot;). Terwijl de ontwerpers blijkbaar uit een subjegtief gezichtspunt en van het standpunt der historische school hun beginsel hadden gekozen, herinnerde niet alleen de formule zelve, maar ook hare toelichting â onrecht vóór de wet en door de wet â nog te zeer aan een objectief gezichtspunt, aan het geheel verlaten standpunt dor natuurrechtelijke leer 4quot;). Vandaar al aanstonds eene verwarring, waaronder de verdere behandeling dezer stof steeds heeft geleden41).
Maar, ook zoo men aan deze verwarring ontkomt en het blijkbaar bedoelde beginsel weet te waardeeren, moet de bruikbaarheid daarvan als grondslag voor eene wettelijke onderscheiding met practische rechtsgevolgen worden ontkend. In oen strafrechtelijk stelsel waarin âgeen feit strafbaar is dan uit kracht van eenodaaraan voorafgegane wettelijke strafbepalingquot; heeft het zonderlingen klank. Bij do toepassing stolt het den wetgever voor onoverkomelijke moeilijkheden, omdat het scherpe onderscheiding voorschrijft, doch scherp gesneden maatstaf onthoudt ,2);
3C') Sraidt I 57, 65 en verder passim b. v. II 99, 316, 442, III 36, 197, IV 274 cf, Stso. Bijl, blz. 37. Zie ook Pols 1. c. 236.
3') Zie b. v. Snüdt II, III 11. co., V 00, 104, 107, 3S9, 398.
3S) Reeds bestreden in Afdd. 2e K.; nota Grataraa, Smidt I 61; vooral in do ook m. i. afdoende kritiek van v. d. Hoeven 11, cc.
38) v. d. Hoeven, Mag enz. 81â92; zie Smidt I 57 noot 4. Luden, Abbandl. II 113 vlgg.
^10) Vgl. ook v. d. Kaay bij Smidt V 400.
quot;) Voorbb. bij v. d. Hoeven, Mag enz. 29â62; ï. v. Ã. I 468.
â ^) v. d. II., ï. v. S. I 467.
I. 12
181
182 § 23. VERDEEUNG VAN DE STRAFÃAUE FEITEN.
reeds de schikking 'der delikten in het Wetboek bewijst dit (b.v. a. 424, 425, 447); meer nog de dikwijls onverklaarbare, inconsequente of bedenkelijke schikking in de Invoeringswet quot;). Duurzamen maatstaf verstrekt het in ieder geval niet; de volksovertuiging wisselt, ook onder den invloed der wet zelve. Voorde bepaling der wettelijke strafmaat kan het geen richtsnoer geven, gelijk dan ook reeds in het Wetboek die maat bij sommige overtredingen hooger dan bij enkele misdrijven gesteld is 44). De bovengenoemde ârechtsgevolgenquot; kunnen dikwijls uit het gestelde beginsel kwalijk worden verkaard *6). Voor eene goede ontwikkeling van de schuldleer bij overtredingen mag m. i. het geheele stelsel noodlottig heeten.
6. In verband met voorschreven grondslag, heeft nu het Ned. wetboek niet, als C. P., in de strafposities een uiterlijk kenteeken voor de onderscheiding gesteld. Toch eischen de rechtsgevolgen voor ieder strafbaar feit aanwijzing van zijne plaats. Dit geschiedt thans voor de in het Wetboek opgenomene dooide opschriften van B. II en III; voor de in bijzondere wetten of verordeningen strafbaar gestelde is telkens uitdrukkelijke aanwijzing bij de wet noodig ^). Werd het voor eenig feit verzuimd , reeds de berechting ter zake daarvan ware onmogelijk.
7. Met het bovenstaande is niet over iedere algemeene verdeeling in de wet de staf gebroken.
Wel schijnt eene qualitatieve onderscheiding, naar het karakter der delikten, hiervoor onbruikbaar. De oudere pogingen zijn alle mislukt. En ook de latere, berustend op de tegenstelling tusschen feiten, die, naar hun wettelijke omschrijving, (in concreto) rechtsbelangen krenken of in gevaar brengen (Verletzungs-Gefahrdungsdelikte) eenerzijds, en feiten, naar die omschrijving, zich voordoende als eenvoudige ongehoorzaamheid (einfacher Ungehorsam, rein formelles Unrecht) ander-
quot;) ld. Mag enz. 61; T. v. S. I 478, 480; Smidt V 261, 271 , 389, 398.
â quot;) Zie b. v. a. 433, 434, 450, 456; 198, 199 al. uit., 348; v.d. 11. Mag enz. 31.
45) Zie boven bl. 179. Vgl. v. d. H. Mag enz. 70.
46) Inv.w. a. 6 al. 2, 7 al. uit., 9 al. 2, 11 al.1, 12 al. uit., 19 al. 2, 28. a. 21 W. 5 Mei 1889 S. 48, a. 5 W. 9 Mei 1890, S. 81.
VERDEELING VAN DE STltAFRARE FEITEN. § 23.
zijcis, is ook m. i. voor dit doel niet geschikt. Hare llioo-rctischo waarde blijve onbesproken; ook de vraag of zij voor de toepassing genoeg vastheid biedt. Maar uit het oogpunt waarop 't hier aankomt, is zij reeds veroordeeld door de eenvoudige opmerking, dat âenkele ongehoorzaamheidquot; een omnium consensu zwaar delikt kan wezen (b. v. a. 100 2°, 140 al. 2, 184, 214, 388 Swb.), bepaalde krenking of in gevaar brenging van rechtsbelangen een licht (a. 424, 429 !°, 4G0). De onderscheiding heeft zeer stellig haar nut voor een juiste vaststelling van de bestanddeelen der delikten naar hun wettelijke omschrijving; vorder reikt het m. i. niet47).
De eenige redelijke grondslag voor eene algemeeno verdeo-ling schijnt mij eene quantitatieve, naar de zwaarte, waarbij èn liet bedreigde rechtsbelang, èn het middel van aanranding , èn de grootte van het gevaar, èn het ernstige der ongehoorzaamheid in aanmerking komen; maar waarbij dan do groep dor lichtere vergrijpen slechts de zeer lichte, de onder alle omstandigheden lichtere, omvat. De namen âmisdrijvenquot; en âovertredingenquot; konden blijven; een algemeene grens van lagere strafmaxima ware een geschikt kenteeken; de rechtsgevolgen thans aan do onderscheiding verbonden, konden in hoofdzaak worden gehandhaafd en zouden beter worden verklaard 48) quot;).
V) Zie noot 32 dezer â Zij schijnt ook bij Pols beschouwd te worden als de grondslag onzer tweeledige verdeeling. ïijdschr. 1. c. 240, 243 vlg. (Vgl. boven noot 36.) Hiertegen v. d. Hoeven T. 1. c. 474 vlg.
4S) In denzelfden zin v. d. Hoeven, Mag enz. 79, T. v. S. 463.â- Onder de recWs-(/evolgen (zie blz. 179) nog te vermelden do beperking van a. 5 20 on a. 6 tot mis-drijf. â Tegen de tweeledige verd. ook v. Swinderen 1. c. I 85.
â quot;^) Vele vreemde wetgevingen drijven nog op eene drieledige, aan 't Pransche recht ontleende verdeeling. Aldus b. v. Duitschland, België, Hongarije, onderscheidene Zwitsersche kantons, Griekenland, Japan; ook de aanhangige ontwerpen van Oostenrijk, Rusland, Spanje. Eene tweeledige verdeeling volgen b. v. Italië, met erkenning van den aard der straf als onderscheidingsteeken (a. 1, 10), Noorwegen (in zijn ontw.), Neuchatel (in zijn ontw.) en andere Zwitsersche kantons, waar zoodanige verdeeling echter veelal samenhangt mot het golden van afzonderlijke âpoliciestrafwettenquot;. Zoo ook Nod. Indie, in beide wetboeken, waar het onderscheidingsteeken deels in den aard der rechtsbronnen ligt, dq,els in de maat der straf. Do onderscheiding in 't Engelsche recht tusschen felony en misdemeanor â- waarbij dan komen do kleinere oiïonces waarvoor geen soortnaam geldt â hangt nog aan
183
§ 24. de handeling: daad en gevolg.
li. De lioofdbestamldeelen van liet strafbaar feit.
§ 24. De handeling: daad en gevolg1).
1. Voor het vaststellen van het begrip der uitwendige feitelijke bestanddeelen van de bijzondere strafbare feiten en van het strafbaar feit in 't algemeen, moeten geraadpleegd worden de rechtsvoorschriften, welke de menschelijke gedragingen waartegen zij gericht zijn, omschrijven. Die voorschriften geven allereerst de omschrijving van het voltooide delikt, gepleegd of begaan door den eigenlijken dader '). De omschrijving der verboden poging en der vormen van deelneming buiten eigenlijk daderschap, geschiedt in den regel in afzonderlijke voorschriften , meestal van algemeene strekking.
De omschrijving van die voltooide delikten nu vertoont zich in onderscheiden vormen: of als uitgewerkte omschrijving van een doen dat verboden wordt (delictum commissionis), of als uitgewerkte omschrijving van een laten dat verboden, derhalve van een doen dat geboden wordt (eigenlijk d. omissionis); of als enkele aanwijzing, zonder nadere aanduiding der wijze van uitvoering, van het veroorzaken van een bepaald gevolg, een veroorzaken dat dus in 't algemeen verboden wordt, 'tzij het geschiede door doen (d. commissionis) of door laten (oneigenlijk d. omissionis, d. commissionis per omissionem) 3).
Voorshands kome alleen het doen ter sprake, zoowel in het eerste, als in het laatste der genoemde gevallen.
haar historisohen oorsprong, doch mist thans practisohe waarde (Stephen, Hist. II 192). Eigenaardig is ook New-York, dat de âcrimesquot; in felonies en misdemeanors verdeelt, met den aard der straf tot onderscheidingsmerk; maar waarbij binnen de tweede groep zoowel van onze âovertredingenquot; als van onze lichtere âmisdrijvenquot; behooron. In het Swb. v. Zweden ontbreekt iedere verdoeling en zijn toch onder den gemeonen naam âbrottquot; mede sommige onzer âovertredingen opgenomen; in vele speciale wetten worden andere uitdrukkingen gebezigd. Ook 't Ned. ontw. v. 1859, 13. I, kende alleen âmisdrijvenquot; (vgl. Smidt I 59).
J 24 i) v. Liszt g 27, 28; Meyer | 31, 32; Pols, Het begrip van strafbare handeling, ïijdschr. v. Sr. Hl, 93. Berner, Grundlinien der Imputationslehre (1843).
2) Over âplegenquot; en âbegaanquot; in Swb. Smidt I 3-17.
3) Voorbb. v. d. tegenstellingen: artt. 131, 135, 148; belangrijke misdrijven v. d. Ie groep: a. 180, 225, 242, 310; v. d. 2e: a. 185, 180, 192, 341 355'1quot;; v. d. 3o: a. 287 vlgg., 300 vlgg.
184
de handeling: daad en gevolg. § 24.
2. Voor do menschelijke daden, welko strafrechtelijk betee-kenis hebben, geldt geen ander begrip dan voor die, welke rechtens onverschillig zijn. De daad is eene spierbeweging die zich vertoont als uiting van den tril. Rechtens echter heeft die spierbeweging alleen in zóóver beteekenis als zij eene verandering in de buitenwereld teweegbrengt, en wel eene zoodanige waarvan het teweegbrengen door het recht als eene krenking of een in gevaar brengen van een rechtsbelang beschouwd, als zoodanig verboden en strafbaar gesteld wordt1). Die verandering in de buitenwereld is haar gevolg. Uit strafrechtelijk gezichtspunt moeten nu de drie zijden der daad, dat zij is spierbeweging, wilsuiting en veroorzaking van een gevolg in de buitenwereld, worden safimgevat. Uit deze samenvatting ontstaat het begrip der âhandelingquot; ; 2) en zoo heeft dat begrip een physiologischen, een psychologischen en een causalen kant.
3. De strafbare handeling is derhalve vóór alles daad, door de werking der bewegingszenuwen veroorzaakte spierbeweging, activiteit6); en in dezen zin vormen natuurlijk âwoorden en dadenquot; geene tegenstelling.
Bij de beschouwing van den psychologischen kant wordt dan verder dit gesteld, dat de spierbeweging zich vertoont als een gewilde, als, gelijk het heet, eene uiting van den wil.
Deze laatste, aan het spraakgebruik ontleende uitdrukking mag veilig gebezigd worden, mits men bedenke dat zij toch maar eene onbeholpen en onzekere voorstelling der dingen teruggeeft. In tweeërlei opzicht.
Vooreerst ligt hierbij, immers vooralsnog, buiten de grenzen der menschelijke kennis het verband tusschen het phy-siologisch en het psychologisch proces, tusschen de physische verschijnselen â prikkeling van do gevoelszenuwen, prikkeling
185
1
) Vgl. blz. 172. Kropveld, Bijdrage tot de leer van het strafbare laten, (Diss. 1889) 5.
2
lt;i) Vooralsnog schijnt z. g. n. zuiver psychische veroorzaking, zonder eenige spierbeweging , niet bekend. Mocht zij als bestaanbaar erkend worden, dan zou op 't begrip âdaadquot; altoos nog 't woord âzenuwwerkingquot; passen; wat nu in 't woord âspierbewegingquot; vervat is.
§ 24. de handeling: daad en gevolg.
van de bewegingszenuwen, spierbeweging â en de bewustzijnsverschijnselen â gewaarwording, gevoel, voorstelling, denken, willen. De waardeering der onderscheidene hypothesen dienaangaande behoort tot het gebied der psychologie 1). Van zijn practisch standpunt moge de criminalist zich voorstellen dat het zwaartepunt hier ligt aan de psychische zijde, hij vergete nooit dat dit slechts eene voorstelling is; en hij vergete althans niet, dat, èn bij het ontvangen der indrukken, èn bij hot verrichten der bewegingen, het geheele psycho-physisch organisme werkzaam is.
In de tweede plaats worde evenmin voorbijgezien, dat over liet psychologisch begrip van den uil, in zijn verband tot de handeling, groot verschil van opvatting bestaat2). Hier zij slechts aan ééne belangrijke tegenstelling herinnerd. In overeenstemming met de populaire opvatting, beschouwen velen den wil in abstracto als een psychische kracht (het wilsver-mogen) waardoor, in concrete als een bijzonderen denkvorm waarin âde geestquot; zich doeleinden kiest, zich daarop richt en daden in die richting in 't leven roept. Anderen oordeelen dat niet gesproken mag worden van âeen wilquot; in dezen zin, doch alleen van âhet willenquot; (Wollung, volition); en zij verstaan daaronder uitsluitend dat psychisch feit, dat bewustzijnsverschijnsel waarmede de spierbeweging zelve als âwils-daadquot; of âwillekeurige daadquot; samengaat (of wel waardoor ze veroorzaakt wordt); terwijl dit willen niet slechts in 't algemeen door het âkarakterquot; van den persoon, maar telkens door bepaalde âvoorstellingenquot; en âbegeertenquot; beheerscht wordt'). Intusschen moet hierbij dadelijk worden opgemerkt, dat dan echter op dezelfde wijze ook die âvoorstellingenquot; en die
186
1
) Zie o. a. H. Höffding, Psychologie in Umrissen (1887) 67. â De spiritualistische , de materialistische, de identiteits-hypothese.
2
) Külpe, die Lehre vom Willen in der neucren Psychologie (Leipzig 1889, ook in Wundt's Philoa. Studiën V); overzicht bij Frank, Zeitschr. f. d, ges. Sw. X, 194.â liuiten doze beschouwingen blijve de door Binding (Nonnen II 107) niet zijne schuldleer in verband gebrachte leer van het âonbewuste willenquot;; litt. daartegen bij v. Liszt, Lehrb. g 27.
'J) Hiermede is dus bedoeld verband te ontkennen tusschen den eigenlijken âwilquot; on âhet gevolg van de daadquot;.
DE HANDELING : DAAD EN GEVOLG. § 24.
âbegeertenquot;, welke immer uitingen van zenuwwerkzaamheid zijn, âwillekeurigquot;, âgewildquot; kunnen wezen ,0.)
De eerste dezer opvattingen werd blijkbaar gehuldigd door de samenstellers van het Ned. Strafwetboek. Op haar is hunne uiteenzetting der leer van opzet en schuld gebouwd quot;). De andere opvatting is meer in overeenstemming met de nieuwere psychologie l!). Uit het verschil in opvatting vloeit voort, ook bij de behandeling van strafrechtelijke vraagstukken, een verschil in terminologie waarop, ter vermijding van misverstand, wel moet worden gelet; voorts wordt bij de leer van liet âopzetquot; met haar in verband gebracht eene tegenstelling tusschen de âvoorstellingstheoriequot; en de quot;wilsthoorie,quot; voor de constructie van het z. g. n. âvoorwaardelijk opzetquot; niet zonder beteekenis quot;).
De ontwikkeling van een en ander behoort bij de leer der schuld.
4. Op grond nu van wat aldus van den physiologischen en den psychologischen kant is opgemerkt, valt derhalve buiten het begrip âhandelingquot;, c. q. dus buiten het begrip delikt:
1°. Het veroorzaken van eenige verandering in de buitenwereld waarbij hot menschelijk lichaam wel als eene der oorzaken moet gelden, maar het een zuiver passieve schakel in de keten was; b.v. wanneer iemand, tegen goederen aangeworpen, deze door zijn val vernielt.
2°. Evenzeer die activiteit welke alleen hierin bestaat dat de van buiten of spontaan op liet zenuwstelsel uitgeoefende prikkels uitsluitend psychische, d. i. bewustzijnsverschijnselen â gewaarwordingen, voorstellingen, begeerten, â in 't leven roepen, maar de indrukken niet in bewegingsverschijnselen worden omgezet. Cogitatiouis poenam nemo patitur M). In de geschiedenis van het crimen majestatis zijn voorbeelden van
10) Hoffding 419. quot;) Smidt I, 69, 74. Pols, T. v. Sr. III 99.
1!) Spencer, Ilibot, Wundt. â Criminalisten; v. Liszt Lehrb. 27, 38: Frank 1. c. 201, Bünger, Zeitsehr. f. d. ges. Sw. VI 307.
13) Frank 1. c. 169 vlgg.
quot;) L. 18 D. de poen. (48, 19). Vgl. verder Qeib 1. c. II 202.
187
§ 24. de handeling: daad en gevolg.
afwijking 15). In het nieuwere recht echter geldt het beginsel zonder uitzondering 16).
3°. Aan den anderen kant dio spierbewegingen waarbij de prikkeling der gevoelszenuwen in eene prikkeling der bewegingszenuwen wordt omgezet zonder dat zich daarbij bewust-verschijnselen voordoen, z. g. n. reflexbewegingen l7). Deze vallen dus buiten het deliktsbegrip, welke ook hare gevolgen zijn; b.v. bij beschadiging van goederen, die iemand laat vallen, vermits hij den arm terugtrekt, doordat hij niest of een insekt hem steekt. Hiervan onderscheiden zijn z. g. n. instinkt-matig verrichte handelingen, waarbij althans het bewustzijn van het verrichten der handeling niet geheel gemist wordt1S).
5. Van den causalen kant bezien, is de handeling eene daad die een gevolg heeft, d. i. eene spierbeweging die eene verandering in de buitenwereld veroorzaakt. En het recht verbiedt sommige handelingen op straffe juist wegens zoodanig gevolg, in zoover, naar de volksovertuiging of naar s'wetgevers oordeel, daarin eene krenking of een gevaar voor rechtsbelangen ligt quot;).
De onafgebroken aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, die zelve weder oorzaken van nieuwe gevolgen zijn, brengt mede dat de concrete daden onafzienbare reeksen gevolgen hebben. In de deliktsomschrijving nu duidt de wetgever aan op welk gevolg het voor het deliktsbegrip â âvoltooid deliktquot; â aankomt; de vroegere zoowel als de latere gevolgen zijn dan voor dat begrip onverschillig. Zoo is voor de vraag of hot toebrengen van zekeren dolksteek binnen het begrip âdoodslagquot; valt, alleen de veroorzaakte dood van beteekenis, niet het voorafgegane lijden, evenmin de latere verarming van het gezin !()).
Do vorm waarin bij deliktsomschrijvingen dat gevolg wordt
15) L. 5 (Quisquis) Cod. ad L. Jul. Maj. (9, 8).
Nquot;) Bij iedere opvatting van het strafrecht kan en moet dit rechtseisch blijven, èn omdat de psyche niet de geheele mensch is, èn ter wille der rechtszekerheid.
'') Over haren aard, Höffding 46, 71, 112, 395; over hare beteekenis voor de psychologie, Eibot, Les maladies de la volonté, 4.
ls) Höffding 112. â Deze kannen toch straffeloos zijn op anderen grond.
Zie boven 173. 2Ã) Voor de strafmaat geldt dit niet.
188
DE handeling: daad en gevolg. § 24.
aangeduid, verschilt21). Het duidelijkst is de aanduiding waaide wet eenvoudig in 't algemeen het veroorzaken van een bepaald gevolg verbiedt, zonder nadere omschrijving derwijze van uitvoering, b.v. a. 287, 307. Dan kunnen spierbewegingen dat gevolg, den dood, veroorzaken op velerlei wijzen, die men kan onderscheiden, ofschoon ze principieel niet verschillen, zooals: onmiddellijk, b.v. bij wurging met de hand; of middellijk, hetzij dan met een werktuig, een dolk, hetzij met krachten der levende natuur, een gevaarlijk dier dat men loslaat, hetzij met andere natuurkrachten, een hclsche machine; en zoo ook dadelijk of na tijdsverloop, op de plaats zelve der daad of op een afstand Duidelijk is de aanwijzing van het gevolg ook in zoover de wet, cene handeling verbiedende, hare strafwaardigheid (of hare verhoogde strafwaardigheid) aan een bepaald genoemd gevolg verbindt, b.v. a. 157, 158. Cv
Minder scherp springt de aanduiding van het gevolg dei-spierbeweging als bestanddeel van het delikt in hot oog, wanneer do aard van het delikt medebrengt dat, naar den eisch der taal, de handeling niet omschreven wordt als het veroorzaken van een toestand, doch als het verrichten van eene werkzaamheid welke van zelf een, dan niet nader te omschrijven toestand medebrengt. Zoo b.v. bij diefstal (a. 310), bij valschheid (a. 225) âwegneemtquot; on âvervalschtquot; voor âeene daad verricht waardoor eenig goed tegen iemands wil uit zijn bezit geraakt, een geschrift vervalscht isquot;. Intusschen wordt het duidelijk dat ook bij deze delikten het teweegbrengen van een gevolg tot het begrip behoort, zoodra men â wat bij de meeste mogelijk is â ze zich voorstelt zóó gepleegd , dat tusschen de spierbeweging en do voltooiing door den ingetreden toestand een afstand ligt van tijd of plaats; b.v. bij diefstal van gas door het openzetten van de kraan, bij verval-sching van een geschrift mot behulp van chemische stoffen. Deze
^1) Zio dc aanhef dezer
2ï) Eenvoudigheidslialve blijft luer de medewerking van anderen â de leer der deelneming â- buiten bespreking.
189
§ 24. DE HANDELING : DAAD EN GEVOLG.
opmerking geldt voor alle delicta commissionis. Met haar is de door vele criminalisten, met name ook bij de samenstelling van liet Ned. Strafwetboek gehuldigde onderscheiding tusschen materieele en formeelc delikten verworpen 2:'). Bij de leerstukken van opzet en van poging zal dit resultaat zijn invloed doen golden.
6. In dadelijk verband met het voorafgaande staat nu hot leerstuk van de veroorzaking (causaliteit, causaal verband, Causalzusammenhang) in het strafrecht24). Het omvat de al-gemeene vraag, in hoever eene daad de oorzaak van eenen toestand of een toestand het gevolg van eene daad heeten en hij die de daad verrichtte wegens dat verband voor het gevolg strafrechtelijk aansprakelijk gesteld worden mag 2£).
De moeilijkheid van hare beantwoording is hierin gelegen, dat elke concrete toestand, ook die, welke strafrechtelijk van beteekenis is, het resultaat moet heeten van een menigte samenwerkende factoren, van welke geen enkele kan worden weggedacht zonder dat ook het resultaat, zooals het feitelijk voorkwam, zou moeten wegvallen. Behoort tot die factoren eene daad, dan is het de vraag, of uit strafrechtelijk oogpunt de beteekenis van deze, als factor, tegenover de beteekenis der andere factoren wegvalt, of gewijzigd wordt, of onaangetast blijft. Zoo stelle men b.v. bij een gewelddadigen dood o. m.
23) Modderman (Smidt I 74): âmaterieel misdrijf, eerst voltooid wanneer de handeling een bepaald gevolg Lad; formeel misdrijf, reeds voltooid door do enkele liandelingquot;. Anders, naar het schijnt. Pols 1. c. 110, â De onderscheiding komt inzonderheid bij oudere schrijvers voor bij het leerstuk v. d. poging, o a. Köstlin Revision 440, Schwarze bij lloltz, II 286, v. Deinse, Algem. Beg. § 252; ook L. Cohn, Lehre v. versachten Verbr. (1880 I); id. die Grundsiitze üb, d. Tbatbest. d. Verbr. (1889) 7. â- Zeer sterk tegen de onderscheiding v. Liszt, Lehrb. 5 27 en Z. f. d. ges. Sw. I 93.
24) v. Listzt, Lehrb. | 28; Meyer j) 32; v. Bar, die Lehre v. Kausalzusammen-hang (1871); v. Birkmeyer (met uitvoerige opgave v. literatuur) in Gerichtssaal 37, 257. Vooral v. Buri in een aantal geschriften, o a. Causalitat (1873) en Die Gausalitat u, ihre strafr. Beziehungen (1885 en als Beil. in voorn. Ger.s.); laatstelijk Janka in Z. f. d. ges. Sw. IX 499; Kohier, Stud. a. d. Strafr. (1890) 80. -â v. d. Bogaert, Gevolg v. misdrijf grond v. strafverzwaring (Diss. 1885); vooral D. Simons in Rechtsg. Mag. V 147.
S5) âWegens dat verbandquot;; immers voor de âaansprakelijkheidquot; is juist de cau-saliteitsvraag niet de eenige.
190
DG HANDELING : DAAD EN GEVOLG. § 24.
deze factoren: do dolksteek, do daad van hom, die den dolk sloep, de daad van hem, dio het slachtoffer knevelde, het zwakke gestel van den verwonde, dat tegen eeno wondkoorts niet bestand was, diens onvoorzichtigheid in het herstellingstijdperk, een irrationeele medische behandeling, een in hot hospitaal waarin hij was opgenomen opzettelijk of onvoorzichtig gestichte brand, die, wegens den schrik, aan zijne ziekte een ernstig verloop gaf, of waarbij hij omkwam. In hoever zijn, onder dergelijke omstandigheden, de onderscheiden genoemde âdadenquot; oorzaken van don dood, zij die ze begingen, voor het veroorzaken van don dood aansprakelijk?
Zoo beheerschcn uit haren aard de causalitoitsvraag en do richting waarin zij beantwoord wordt, een aanzienlijk deel van de strafrechtelijke leerstukken. Van de bijzondere hoofdstukken der strafrechtsdogmatiek, de leer van het strafbaar laten, vwo. poging, deelneming, samenloop; zelfs uit de strafrechts-philosophie liet vraagstuk omtrent den grond vair het strafrecht quot;). Terwijl dan voor sommige dier vraagstukken de wetgever de richting der beantwoording aangegeven, voor andere haar aan 's rechters wetenschappelijk oordeel overgelaten heeft.
Maar voor eene principieele behandeling heperke men haar, gelijk in deze, tot strafbaar doen en materieel daderschap en stelle men slechts twee groepen van vraagstukken.
191
1°. Allereerst deze: in hoever in concreto tusschcn eene daad en een toestand zoodanig oorzakelijk verband bestaat, dat de handeling als een bepaald delild (bestaande in het schuldig veroorzaken van dien toestand) kan worden gequali-ficeerd. Hare beantwoording kan (zie nquot;. 5) bij alle delikten moeilijkheid opleveren; het meest echter bij die welke eenvoudig als (schuldige) veroorzaking van een bepaald gevolg omschreven zijn (opzettelijke of culpose levensrooving, gezond-heidsbenadeeling, brandstichting, veroorzaking van spoorweg-gevaar e. z. m.) Intusschen worde op dit, punt niet voorbij
â c') Uitvoerig v. Buri, dio Causalitat, 38 vlgg.
§ 24. DE HANDELING : DAAD EN GEVOLG.
gezien: dat, ook bij het bestaan van causaal verband, hier door de strafwet sehuldverband (opzet of schuld) nog nadrukkelijk geëischt wordt; alsmede dat, ook bij gemis aan causaal-verband, de mogelijkheid eener qualificatie als strafbare poging open blijft.
2°. Het tweede vraagstuk voor een principieele behandeling aangewezen â met grooter moeilijkheden â is dit: in hoever een toestand, als ânaderquot; gevolg van eeno reeds voltooide handeling of een reeds voltooid delikt, voorwaarde voor strafwaar-digheid of grond voor strafverzwaring wezen kan of naar positief recht is (a. 157, 158 e. a. in B. II, T. VII, 181, 248, 257, 282, 283, 300 vgg. Swb. e. m.).
7. De behandeling van het leerstuk dor veroorzaking in zijn principieele beteekenis en zijn algemeene strekking is van jonge dagteekening. Bij do oudere criminalisten, in het oudere recht, zelfs in vele wetboeken van deze eeuw, is het casuïs-tisch behandeld en bepaaldelijk bij âdoodslagquot; !7). Juist omdat daarbij veelal de animus occidendi onnoodig, de animus lae-dondi voldoende geacht en het feit, was het doodslag, met den dood gestraft werd, was men te eerder geneigd in bijzondere aanwijzingen richtsnoer te zoeken. In de oudere casuïstiek gold de leer dat de verwonding eenige en noodwendige doodsoorzaak moest zijn geweest28); inde latere dat de verwonding werkelijke doodsoorzaak konde wezen, onverschillig of haar doodelijk karakter was âletalitas absoluta of relativa, in abstracte of in concrete, per se of per accidensquot;, ofschoon dan veelal toch met verschil in straf29).
i!') Overzicht bij Feuerbaoh Mittermaier § 208, 209a. Meyer I.e. â De Franscho leer volgt nog deze behandeling, Chauveau-Hélie, Théorie 2574. Gok verdedigd door Berner, Lehrb. 112, 495.
28) Clarns homic. n0. 40 vgg. Farinacius qu. 127. Damhouder e. 77 âgestorven van de wonde of uyt occasie van de wondequot;. Het zwaartepunt lag in 't oordeel der geneeskundigen (C. C. 0.147. Clar. Farin. 11. c. c.) Hot tijdsverloop na de verwonding kwam sterk in aanmerking; b.v. 40 dagen, Zie nog G. P. a. 231. Togen deze engere leer in Duitschl. Boohmer Elem. j. cr. § 216, Stubel, Thatbest (1805).
2!l) Feuerb. 1. o. â Beijersch Wb. 1813 143 vlgg. e. a, Duitsche Wbn. in navolging. â Ned. Ontw. 1804 B. III, H. I, a. 57 vgg. Grim. Wb. 1800, a. 121 vgg. Ontw. 1827, a. 179 vvg.
192
t)K HANDELING 1 DAAD EN GEVOLG. § 24.
De behandeling in do nieuwere theorieën wordt beheerscht door ééne groote tegenstelling. Eenerzijds de leer dat elke factor die niet kan worden weggedacht zonder dat ook het resultaat, zooals het feitelijk voorkwam, zou moeten wegvallen, âmedeoorzaakquot;, d. i. oorzaak moet heeten.30) De strafrechtelijke aansprakelijkheid van hem wiens daad zoodanige oorzaak van het gevolg was, hangt dan echter niet slechts af van dit (objectief) causaalverband, maar tevens â en hierin ligt het correctief â van een daarvan wel te onderscheiden (subjectief) schuldverhand, in dien zin derhalve, dat hem met hot oog op het aldus door zijne daad teweegbrengen van dat gevolg âopzetquot; of âschuldquot; moet kunnen worden geweten 31). Anderzijds worden de bedoelde factoren onderscheiden in oorzaken, en voorwaarden of aanleidingen (Ursache, Bedingung, Veranlas-sung); en wordt dan dit engere begrip der oorzaak op onderscheiden wijzen omschreven, als: die voorwaarde welke het normaal verloop in een abnormaal verandert; die welke aan de omstandigheden de beslissende richting geeft, de wezenlijke drijfkracht; de voorwaarde welke in 't algemeen geschikt is om zoodanig gevolg teweeg te brengen e. a. 32).
De laatstgenoemde leer is zeker vooralsnog de meest verspreide. Ook mij schijnt zij echter theoretisch onhoudbaar, willekeurig; schijnen do z. g. n. voorwaarden evengoed âmedeoorzakenquot; zonder welke het resultaat niet zou zijn ingetreden, of, wil men, de z. g. n. âoorzakenquot; niets anders dan âvoorwaardenquot; waaronder de z. g. n. âvoorwaardenquot; evengoed gezegd kunnen worden als âoorzakenquot; te hebben gewerkt. Prac-tisch zullen beide theorieën elkander veelal naderen. Bij een âgevolgquot; waarvan waarschijnlijkheid of mogelijkheid niet had kunnen worden voorzien, zal de eene theorie wegens gemis
30) De oorzaak is eigenlijk âthe whole of the antecedentsquot;. J. Stuart Mill, System of Logic (1851) 340.
Dc voornaamste vertegenwoordiger v. Buri; ook v. Liszt; Lammasch Gri'm-huts Z. IX, 245; Geyer Grunclr. I 119.
3;!) Achtereenvolgens: v.Bar; Meyer; Binding (Normen T 42, 2eed.ll6); Kohier; v. Kries Z. f. d. ges. Sw. 1 532. Ook Opzoomer, Het B, W. verklaard. V 104, VI 319, onderscheidt âaanleidingquot; en âoorzaakquot;.
193
§ 24. DE HANDELING : DAAD EN GEVOLG.
aan schuldverband, do andere wegens gemis aan causaalver-band de aansprakelijkheid ontkennen. Maar in de eerste opvatting hebben wetgever en rechter m. i. wetenschappelijk beter richtsnoer; terwijl ook met haar het beginsel dat het strafrecht een verdedigingsrecht is tegen misdadige gezindheid en daaruit voortvloeiende gevaarlijkheid, veel meer tot zijn recht moet komen. Intusschen is voor de goede werking van deze opvatting een goede ontwikkeling van de schuldleer eerste eisch s'').
Naar de hier verdedigde beginselen moet en kan nu ook beantwoord worden de bijzondere vraag âeen onderdeel van de algemeene â in hoever andere factoren (medeoorzaken, tus-schenoorzaken) de aansprakelijkheid beletten. Dit geldt voor alle, bijzondere omstandigheden en toestanden, schuld van anderen, opzet van anderen, gelijkelijk31).
Intusschen worde nooit voorbijgezien, dat âmedeoorzakenquot; do onrechtmatigheid der handeling kunnen uitsluiten quot;). Vooral niet, dat het positief recht, dikwijls op goeden grond, voor sommige verhoudingen uitdrukkelijk de aansprakelijkheid zelfstandig regelen of beperken kan, zooals bij âdeelnemingquot; van onderscheiden personen 36).
8. In de nieuwere wetgevingen is de casuïstische behandeling meestal verlaten. Doch zonder dat men zich van voormelde theoretische tegenstelling voldoende rekenschap gaf en een vast beginsel duidelijk koos. Die geldt bepaaldelijk voor het Ned. Strafwetboek37). Wel plaatste de Comm. v. Rapp. de noodzakelijkheid van schuldverband bij aansprakelijkstelling
Daarom biedt do Ned. rechtspraak betr. doodslag en mishandeling onder 't Fransche recht geen leiddraad. Schooneveld ad. a. 295 C. P. 6, ad a. 309. 14, 29.
3') Onjuist is dus de leer dat in deze theorie âde bewuste en vrije handeling van een toerekeningsvatbaar persoonquot; als tussohenoorzaak altijd de causaliteit of de aansprakelijkheid zou opheffen, v. Buri, Die Causalitiit 13 tegen Geyer, Grundr. 1. c. 35) B.v. medewerking v. d. benadeelde of andere rechtvaardigingsgrond.
sc) B.v. bij eigenlijke âdeelnemingquot;, vooral medeplichtigheid (a. 48, 49); bij deelneming van het slachtolfer (a. 294); bij vechterij (a 305). Hot I;al. Swb. onderscheidt voor de strafmaat of de daad âeenigequot; of âmedeoorzaakquot; was, a. 318, 349.
3') Zie de beschouwingen ad a. 47. 49 en 157, 158; Smidt I 408, 415, II, 116 vgg. 118, 120, 125, 130, 136, 141, 148.
194
dk handeling: daad en gevolg. § 24.
voor âgevolgenquot; herhaaldelijk op den voorgrond; maar op het theoretisch verband met de eansaliteitsvraag werd niet gelcf,; anders ware misschien het nu even verworpen stelsel der Commissie aangenomen 38).
Ten aanzien van het wetboek kan nu dit gelden: 1°. De wetgever is blijkbaar uitgegaan van de juistheid der meest verspreide, ook in 't privaatrecht (art. 1283, 1284 B. W. 699 5K.) uitgedrukte theorie, welke tusschen oorzaken en voorwaarden onderscheidt. 2°. De nauwgezet uitgewerkte schuld-leer zal echter bij die delikten, waarbij ook de veroorzaking van het gevolg door de schuld beheerscht moet worden, de toepassing der andere theorie veilig toelaten ^). 3°. In vele gevallen is bij doleuse delikten de veroorzaking van het gevolg nadrukkelijk als grond voor strafwaardigheid of verhoogde strafwaardigheid gesteld, reeds wanneer, doch ook eerst dan, wanneer het gevolg tijdens de daad âin 't algemeen te voor-zien wasquot; (a. 157 80 ^ 161, 162'quot;, 166 168'quot;, 170 10 !U) quot;). 4quot;. Is de veroorzaking van een (ongewild) gevolg zonder meer als grond voor strafverzwaring van een gepleegd doleus delikt gesteld, dan zal, naar 's wetgevers bedoeling, zeker dat, maar ook slechts dat gevolg in aanmerking komen, d. i. als âgevolgquot; beschouwd worden, âwaarvan de mogelijkheid in 't alge-gemeen te voorzien wasquot; (a. 157 3quot;, 162 164 al. 2, 166 20 168 20, 170 30, 172, 174, voorts a. 141, 181, 248, 300 vgg. e. a.) quot;). 5°. In zoover ditzelfde voorkomt bij culpose delikten (a. 158, 163, 165, 167, 169, 171, 173, 175, 183) zal ditzelfde moeten gelden 4S). 6°. De causaliteitsvraag bij de leer der âdeelnemingquot; heeft haar eigen regeling en deze haar eigen eigen consequentiën.
^8) Verworpen 28 togen 27 at. Sinidt II, 132. Dc C. v. R. verzuimde ook dc redactie dor artt. v. T. VU, betrekkelijk culpose delikten van haar standpunt to bezien.
Geval T. v. S. IV, a. 1G5 Swb. 5.
4°) Vg. v. d. Bogaert 1, o. G2, H. R. 1887 W. 54005, 400.
4I) Zie bop. de beraadslaging over a. lö?30, Smidt II 120, 125, 127. Ook do Pinto, Themis 1883, v. d. Bogaert 1. c. 62.
^2) Smidt II 135 vg. Anders v. d. Bogaert 2. c. 69.
195
;i
25. HET LATEN.
§ 25. Het laten ').
1. âLatenquot;, zegt von Liszt terecht, is een bedrijvend werkwoord; âhet beteekent niet niets doen, maar iets niet doenquot;. Reeds in § 24, 1 werd gewezen op de onderscheiding dei-strafbare feiten die in âlatenquot; bestaan, in eigenlijke en on-eigenlij ke ').
De eigenlijke, (echte ünterlassungsdelikte, d. oraissionis) vormen een groep op zichzelve, feiten die uitsluitend door laten kunnen worden gepleegd. Zij bestaan in het laten van eene bepaalde, bij rechtsvoorschrift omschreven of aangeduide en geboden handeling, b. v. het niet-aangeven van een misdrijf (a. 135) het niet verstrekken van inlichtingen (a. 194), het niet verleenen van hulp in nood (a. 414, 450).
Formeel leveren zij op overtreding van een gebod, van een praeceptief rechtsvoorschrift. De vorm der bepaling van do strafwet is daarbij onverschillig 3).
Van den materieelen kant bezien, geldt dit: do wetgever stelt zijn gebod omdat de niet-nakoming een toestand ten gevolge heeft waarin voor rechtsbelangen krenking ligt of gevaar;
( C/Uv) quot;t/' maar ter beoordeeling van de vraag of het strafbaar feit is
, behoeft naar oorzakelijk verband tusschon het laten ^ Cn een 8'ovo^» niet in concreto te worden gevraagd; staat vast
hot gobodene niet-gedaan werd, dan is dit in zoover vol-J ' doende 4)
g 25 i) Do handboeken o.a. Geibll 183, v. Liszt $ 30, Meijer § 33, Berner §63; v. Rohland, Die strafbare Unterlassung (I 1887), Haupt Z. f. d. ges. Sw. II 533, Landsberg, Die sogen, Commissivdelikte dnrob Unterlassung (1890). Kropveld, Bijdrage tot do leer v. b. Strafb. laten (Diss. 1889) en de litt. aid. v. Eossem, Hulp-verzuim (Diss. 1878).
â ) Sommige sobrijvers noemen alleen de eerste omissiedolikten. Vgl. Qeib II 184.
3) Kropveld 1. c. 8. â Do opsomming der artt. v. b. Swb. waarin deze groep v. delikten voorkomt, aid. 10. Ten onreobte echter zijn daaronder genoemd a. 184, 40010, 473, vermits bij deze âblanco-strafbepalingenquot;, do inhoud van do gesanotio-neorde rechtsvoorschriften ontbreekt; vgl. a. 100. â Ten onrechte m, i. ook a. 255. Vele voorbb. in speciale wetten.
4) Vgl. Kropveld 1. c. 62 noot 2. v. Liszt 141. âIn bet laten v. h. gebodene , niet in bet doen van iets anders dan hot gebodene ligt het strafbaar feit. Andors Luden, Binding; zie Kropveld 13.
196
HET LATEN. § 25.
Dit geldt, ook al heeft de wetgever de strafwaardigheid van hot laten eerst aan eene âbijkomende voorwaardequot; gebonden (a. 135, 450) 5).
2. De oneigenlijke omissiedelikten (uneehte Unterlassungs-delikte, d. commissionis per omissionem) maken slechts oen onderdeel uit van eene grootere groep feiten, die zoowel door doen als door laton gepleegd kunnen worden. Zelve bestaan zij in het door laten veroorzaken van een gevolg, waarvan het veroorzaken in 't algemeen op straffe verboden is: b.v. liet dolo of culpa veroorzaken van iemands dood door onthouding van voedsel of zorg (a. 287, 307).
Formeel leveren zij dus op overtreding van een verbod, van een prohibitief rechtsvoorschrift. Ook hier is de vorm van de bepaling der strafwet onverschillig. Zij kan eenvoudig hem, die het gevolg veroorzaakt, strafbaar verklaren zonder eenige nadere aanduiding (a. 287, 307); of wel nadrukkelijk ver-meidon, dat strafbaar is, wie het teweeg brengt, door laten of doen (a. 255, 198 al. 3, 199 al. 2, 367, 405 al. 1 e. a. quot;).
Van den matorioolon kant bozion geldt dit: dat hier het oorzakelijk verband tusschen het laten en het gevolg waarvan liet teweegbrengen verboden is, in concreto moet vaststaan.
3. Hierbij staat men dus voor de strijdvraag over âdo causaliteit van het latenquot;. De oudere praktijk zag er geen vraag in, behandelde deze stof casuïstisch, met name bij levensroo-ving en paste bij veroorzaken van den dood door laten, of naar mildere opvatting eene lichtere, öf naar strengere opvatting de gewone straf toe 7).
Onder Duitschlands latere schrijvers, te beginnen mot Lu-den, zijn, wegens het bezwaar om âiets dat isquot; zijne oorzaak
s) Vgl. boven bl. 163.
ft r') Ook de bepalingen, die strafbaar stellen het âtoelatenquot;, ..gedoogenquot; dat een || ander iets verricht, behelzen niet het gebod tot eene bepaalde handeling, omschrij-jlf ven dus niet eigenlijke maar oneigenlijke d. o. â¢ââ Ook Kropveld 11.
') Met name bij kindermoord. Milder b.v. de ouderen als Farinaoins, Carpsovius, en sommige wetgevingen, b.v. de ïheresiana. Vgl. v. Liszt 142. Met gelijke strengheid naar L. 4 1). de agn. et al. libr. (25, 3) o. a. in Duitschland Boehmer, ook Feuerbach § 211; in ons vaderland Ontw. 1804 B. 3, Ilfdst. 1 , art. 8 vlgg. J. 13
197
§ 25. HET LATEN.
to doen vinden in âiets dat niet isquot;, onderscheiden ingewikkelde theorieën niet veel geleerdheid verkondigd 8). Vooreerst âde theorie van het iets anders doenquot;, naar welke niet het laten, maar de tijdens het laten verrichte handeling de eigenlijke oorzaak zou zijn !l); dus âwanneer eene moeder kousen hreidt in plaats van haar kind voedsel te geven, hot kousen breiden.quot; Intusschen, daargelaten of iemand wel altijd terwijl hij iets laat, gezegd kan worden iets anders te doen, de aard van dat doen is voor de veroorzaking van het gevolg inderdaad onverschillig. â Dan âde theorie van het voorafgegane doenquot;, nftar welke niet het laten, maar eene vroegere handeling, waardoor de door liet misdrijf getroffen rechtsbelangen reeds onder den invloed dor latere gebeurtenissen werden gebracht, de eigenlijke oorzaak zou zijn, zoodat, wanneer de wisselwachter door te verzuimen den wissel goed te stellen, gevaar voor een trein deed ontstaan, de oorzaak b.v. zou moeten liggen in zijne aanvaarding van het ambt of zijn overnemen van den dienst10). Intusschen stuit deze opvatting uit het oogpunt der schuldleer in beginsel af op den eisch , dat er schuld moet zijn op 't oogenblik van de 't gevolg veroorzakende gedraging, en ziet zij van den feitelijken kant voorbij, dat dan toch de voorafgegane handeling alleen causaal is in vereeniging met het laten, en bovendien dat dikwijls zulk eene voorafgaande handeling niet wel, ten minste niet dan langs gekunstelden weg, zal zijn aan te wijzen; b.v. wanneer iemand in strijd met een gebod der overheid zijn hond ongemuilband laat loopen en deze door zijn beet rabiës veroorzaakt. Ook wordt hier m. i. verward de onmiskenbare beteekenis, welke de voorafgegane handeling heeft voor de onrechtmatigheid van het laten met die, welke zij hebben zou voor zijne causaliteit. â Een derde groep van theorieën zoekt aan het laten zelf een positief karakter toe te kennen , door het te beschouwen als âdo bepaalde vernietiging van eene voorwaarde, welke an-
s) Overzicht bij Kropveld 22 vlgg.
3) Luden, Ahh. I 467, II 219.
I0) Krug, Krira. Abli. 28; Merkel Abh. i 70; Glaser, Abh. 379.
198
HET LATEN. § 25.
dors het gevolg zon tegenhoudenquot; (Vernichtung emer ubhal-tenden Bcdingnng); die voorwaarde is dan het voornemen zelf van den dader om het gevolg af te wenden, een voornemen zóó geuit, dat nu andere voorwaarden, die het ook konden afwenden, door belanghebbenden werden opgegeven; b.v. eene belofte om iemand, die zich aan gevaar gaat blootstellen in geval van nood te redden, brengt dozen er toe andore voorzorgsmaatregelen te laten varen; wordt nu de belofte niet nagekomen, dan wordt de tegenhoudende voorwaarde vornio-tigd quot;). Nu is 't vooreerst de vraag, of bij lederen rechtsplicht tot afwonding van oen gevaar wel van een voornemen tot afwending kan worden gewaagd; voorts, of ook in geval van verzuim wol aan eigenlijke âvernietigingquot; van zoodanig voornemen kan worden gedacht; bovenal, of hier niet de leer van een mechanisch causaliteitsverband, welke men zoekt te redden , zelve in den druk geraakt, vermits de waarde van physieko oorzaken, welke immers die leer onderstelt, aan voornemens en aan vernietiging van voornemens, d. i. aan psychische feiten wordt toegekend.
De oplossing moet zeker aanvangen met de eenvoudige opmerking, dat een gevolg, b.v. de dood van een drenkeling door eene reeks van mechanisch werkende, d. i. toestanden veranderende oorzaken bepaald wordt, doch dat bij hot ingrijpen in die oorzakenreeks , b.v. bij hot uitstoken van de reddende hand, eene andere reeks geopend wordt, die nu tot oen ander gevolg, de redding, voort; wordt dus dat ingrijpen nagelaten, dan oefent de eerste ongestoord hare werking Het gevolg treedt dus in tengevolge van de vrije, d. i. de door het laten niet tegengehouden werking van die reeks.
.199
Sommigen spreken hier van een causaal verband quot;sui generisquot; van het laten, tegenover het mechanisch causaal verband
quot;) o. a. Binding Nonnen II 211, v. Buri (iorichtsmiiil 1869, 1875, 1876. 13) Kropveld 1. c. 61 en do door hem aldaar, ook 62 n. 1 quot;aangehaalde schrijvers, o. a. v. Liszt 1. c., Ook Landsberg 1. c. 110, die er nog bijzonderon nadruk op wil gelegd zien, dat het laten alleen dan causaal kan zijn als hot doen invloed had kunnen hebben.
/J-c/V
200 § 25. HET LATEN.
van het doen. Daarmede echter verbreken zij de eenheid van het begrip der causaliteit. Waarom de zaak niet aldus opgevat, dat oorzaak is; iedere toestand, die als voorwaarde van liet ontstaan van het gevolg in concreto niet kan worden weggeflacht zonder dat ook het gevolg niet zou zijn ingetreden. Het âlatenquot; nu is ook een toestand, slechts van zijn negatieven kant bezien13), gelijk het âdoenquot; eene opeenvolging van toestanden vertoont van hun positieve zijde beschouwd ^1).
4. Uit liet voorafgaande volgt echter, dat, ingeval een rechtens verboden gevolg is ingetreden, eene eindelooze verscheidenheid van âlatenquot; â veel meer nog dan van âdoenquot; â als zoodanige onmisbare voorwaarde kan worden aangemerkt. De strafrechtelijke beteekenis van het laten moet dus niet voornamelijk liggen in de causaliteitsvraag, d. i. bij het feitelijk bestanddeel van deze gedraging. Veel meer ligt zij bij hot bestanddeel van âde onrechtmatigheid der strafbare feitenquot;.
.1/ . ys Alleen dat laten heeft strafrechtelijk beteekenis, dat niet slechts /. y/ f \ / causaal, maar tevens onrechtmatig is '5); waarbij dan tevens, ' 1 evenals bij het doen, nog het schuldverhand noodig is ter ver
krijging van de aansprakelijkheid. Sterft een kind door onthouding van voedsel, dan kan ook het laten der buren causaal worden geacht; doch slechts het doleus of culpoos laten dor ouders is onrechtmatig en strafbaar.
5. Ook het laten is gewild zoo dikwijls liet niet als gevolg van reflexwerking of van uitwendigen dwang zich voordoet, en bovendien met volkomen bewustheid plaats heeft Zijn negatief karakter staat hieraan niet in den weg. Bij eene gewilde bepaalde daad vertoont immers het bijzonder psychisch proces, dat wij âwillenquot; noemen, zich niet alleen in die werkzaamheid der bewegingszenuwen welke tot de bepaalde spierbeweging leidde, maar ook'in hare niet-werkzaamheid in eene andere richting. Bij eene operatie wil de heelmeester een bc-
13) Aldus naar 't schijnt ook Sigwart, der Begriff dos Wollens (ld. Sohr. 11)100 on Rohland l.c. 121.
H) Vgl. over dit begrip âoorzaakquot; | 24.
â ^) Zio dus verder in ^ 28.
/
HET LATEN. § 25.
paalde plek van hot lichaam treffen, andere er omheen liggende niet-treffen. Maar dan wijst eveneens hot laten, dat niet met een bepaald doen samenvalt, onder voornoemde omstandigheden, op een toestand (Verhalten) van de bewegings-zenuwen door het psychisch wilsproces begeleid of bebeerscht. Het bewijs van het gewild zijn kan hier veelal moeilijker wezen dan bij doen. Dit is geen principieel verschil
§ 26. Andere uitwendige bestanddeelen.
Het âstrafbaar feitquot; vertoont in zijn geheel nog meer feitelijke zijden dan het menschelijk doen of laten mot de gevolgen ').
Die zijden dragen een subjectief karakter, voorzoover zij de gesteldheid van den persoon zeiven of zijne betrekking tot personen of zaken betreffen, (b.v. bet ambt bij ambtsmisdrijven) 2); of een objectief, voorzoover ze buiten zijn persoon liggen. Laatstgenoemde worden gevormd door de omstandigheden waaronder het feit plaats beeft (b.v. âin tijd van oorlogquot; a. 102, Swb., âin het openbaarquot; a. 432''1); Ag middelen waarmede het wordt begaan (b.v. âgeweldquot; a. 180); het voorwerp waarin de getroffen rechtsbelangen belichaamd zijn (b.v. âeens anders goedquot; a. 310). Dergelijke uitwendige zijden zijn altijd bestanddeelen van het âfeitquot; in concreto; doch daarom zijn zij nog niet alle rechtskundig bestanddeelen van het begrip van liet âstrafbaar feitquot; (soortbegrip), waaronder het begane feit wegens den aard van handeling en gevolg behoort. Voor dat begrip kunnen zij zijn onverschillig (accidentalia, b.v. bet geslacht van den gedoode bij doodslag) of van belang (essentialia); en wel: van belang voor de grensbepaling, of tus-
lli) Vg. Landsberg 1. c. 118 vlg. âWillensakt ist die psyclüsclio Ursaclio durch welche das Verhalten motorischer Nerven vmmittelbar bestiramt wird.quot; S 20 ') Vgl. ^ 21, blz. 162.
â ) Vgl. § 20, blz. 159,
201
§ 2G. ANDERE UITWENDIGE GESTANDDEEI.EN.
schen liet geoorloofde en het verbodene (b.v. verzet tegen de personen in a. 180 genoemd of tegen anderen, beleediging onder of buiten de omstandigheden van a. 266); of tusscben liet eene delikt en bet andere (vgl. b.v. a. 414 met 474); öf tusscben den grondvorm en de gequalificeerde of geprivilegieerde vormen van betzelfde delikt (b.v. a. 310, 311, 312» 287, 290) 1).
De wetgever beeft voor bet stellen van al deze onderscbei-dingen zijne beweeggronden. Ongetwijfeld eebter ligt, stellig ten aanzien van de laatste, docli op don duur ook ten aanzien van de voorlaatste soort, zelfbeperking van den wetgever in de richting waarin bet Nederlandsche strafrecht, met zijn eenvoudig strafstelsel en zijn ruim arbitrium judicis, zicli ontwikkelen zal. Ook feitelijke omstandigheden, die niet tot eenige wettelijk onderscheiden groep bebooren, zijn voor de straftoemeting van gewicht.
Uit de belangrijkheid der genoemde onderscheidingen volgt het belang van scherpe ontleding der in de begripsomschrijving (qualificatie) aangewezen bestanddeelen bij âde leer der bijzondere deliktenquot;. Bovendien geldt dat belang voor de schuldleer in liooge mate.
2. Bestanddeel van bet delikt, d.i. van het door het rechtsvoorschrift verbodene, kunnen strikt genomen alleen zijn: a. bet verboden doen of laten, met inbegrip van h. beö gevolg waarvan naar de begripsomschrijving het teweegbrengen verboden is (bet constitutief gevolg), alsmede c. de bovenbedoelde subjectieve of objectieve omstandigheden (bieronder dan begrepen middel en voorwerp), waaronder bet doen of laten voorkwam.
Later intredende omstandigheden kunnen aan bet verrichte bet karakter van eene verboden handeling noch geven, noch ontnemen. Wel kan de wetgever de beslissing of het verbodene strafwaardig zal worden verklaard, van zoodanige bijkomstige omstandigheid als voorwaarde doen afhangen.
202
1
) Ten onrechte worden somtijds deze laatste als âbegeleidende omstandighedenquot; (Umstande) gesteld tegenover âbestanddeelenquot; (Thatbestand), zooals bij Berner, ? 36, 37.
ANDERE UITWENDIGE BESTANDUEELEN. § 2G.
En /Allies omdat, indien de voorwaarde niet intreedt, naar 's wetgevers oordeel, de handeling het de rechtsorde ernstig verstorend karakter mist, niet omdat (zooals b.v. bij klacht-delikten) door bijkomende redenen , welke het karakter van liet feit niet raken, eene strafvervolging ontraden wordt. In hare dubbele theoretische tegenstelling nu tegenover de eigenlijke âbestanddeelen van het deliktquot; en tegenover de âopschortende of ontbindende voorwaarden van het recht tot strafvorderingquot; noemen wij ze bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid 1). Hier zijn zij alleen uit bet oogpunt van eerstgenoemde tegenstelling aan de orde 2).
Voorbeelden van zoodanige voorwaarden in het Ned. Strafwetboek zijn: het uitbreken van den oorlog in a. 101, het volgen van het misdrijf in a. 135, 136, bet volgen van een tweegevecht in a. 152, de zware gevolgen in a. 306, de faillietverklaring, bij daarvóór verrichte daden, in a. 340 vlgg.; bet onbekend blijven van den dader van hot drukpersdelikt in a 418'°, 419'°, de dood in a. 450.
Voorts kent de wet op gelijke wijze bijkomende voorwaarden van verhoogde strafwaardigheid (strafverzwaring) en wel zekere door het delikt veroorzaakte, z.g.n. âobjectiefquot; ingetreden ernstige gevolgen °).
3. Treedt nu eene âbijkomende voorwaarde van strafwaardigheidquot; niet in, dan is do handeling niet strafbaar gewor- y_ , den, zelfs niet â anders dan bij het niet-intreden van gevol- a/' '
gen die âbestanddeelenquot; zijn â als mislukt misdrijf (poging). Treedt de voorwaarde wel in, dan is de handeling strafbaar. En als zoodanig beheerschen nu de âbijkomende
203
1
) Vg. boven blz. 162, 165. Theoretisch minder juist zoowel II. R. als O. M. arr. 3 Juni '89 W. 5729; ofschoon practisch H. R, juist besliste. â Vg. v. Liszt 343, âBedingungen d. Strafbarkeitquot; ; daartoe brengt hij echter minder juist eener-zijds de âklachtequot; anderzijds de reciprociteits-beperking v. H 102, 103 D. Sgb. Binding sprak (Normen I 130, 2 cd. 232) het eerst van liet begrip der âdoppelt bedingte Strafdrohungenquot; , maar heeft dit toch geheel anders uitgewerkt (Ook Itdb. I 588).
2
) Do moeilijkheden en onzekerheden aan het doorvoeren van deze tegenstelling verbonden, zijn daarin gelegen dat de wetgevers zich barer niet voldoende bewust waren.
§ 26. ANDKIIE UITWENDIGE BESTANDDEELEN.
voorwaardenquot; in beginsel niet enkel de strafwaardigheid van het voltooide delikt maar ook van de poging (b.v. poging tot hot misdrijf van a. 101 of van a. 341'°), tenzij uit het stellen als voorwaarde van iets, dat slechts als resultaat van hot voltooide delikt kan voorkomen, volgt, dat poging niet strafbaar kan zijn (b.v. a. 152, 7). â Is het delikt voltooid, afgeloopen, dan kan, al trad de voorwaarde nog niet in, van quot;deelnemingquot; geen sprake zijn, alleen c. q. van âbegunstigingquot; 8).
-x-f- Uit processueel oogpunt zij opgemerkt, dat het vervuld zijn fa
Z'amp;'t / van voorwaarde in de dagvaarding moet zijn opgegeven quot;); ^,1
lquot;£a£ dat na de handeling en vóór de vervulling der voorwaarde
V quot; voorbereidend onderzoek wel toelaatbaar is, maar rechtsingang
ri'(Jt, ten» ware de voorwaarde dit uitdrukkelijk toelaatquot;1); , wordt do voorwaarde te laste gelogd, en blijkt in foro {Tsffl'i'iet, dat ze vervuld is of blijkt, dat ze niet vervuld is, âvrij-spraakquot; volgen moet1,1 ^* ~ '/*/quot;' rquot;'
§ 27. Plaats en tijd waarop hot strafbaar feit begaan is1).
1. Dit vraagstuk worde allereerst behandeld uitsluitend met het oog op het strafbaar doen, bij voltooid delikt en materieel daderschap. Ook blijven de saamgesteldo gevallen van voortgezette- , voortdurende- en gewoonte-delikten hier buiten beschouwing. Voorts worde wel in 't oog gehouden, dat het vraagstuk niet gesteld wordt ten aanzien van handelingen,
') Te algemeen v. Liszt 1. c. a. 78. Zie bij poging.
s) Vg. v. Liszt 1. c.
^ a. 143 Sv. H. R. aangehaald in noot 4. Vg. § 21 noot 17.
10) a, 41810, 419 1Cgt;. Zie vorige noot. â Bij bankbreuk komt a. 768 K. te gemoet.
u) a. 216 Sv. Vg. v. Liszt inf.
? 27 ') v. Deinse, Alg. Beg. g 272; Boot, De plaats d. misdr. (Diss. 1867); Verschoor, Opm. o. d. Staatsloterij (Diss. 1887) 63; Ileemskerk-Polenaar I, 11. â v. Liszt g 29; Meijer 97, 107, 185; Halschner ? 63; Binding 1 414; Schneidler, Der Ort d. begangenep ITandlung (Tüb. 1889). v. Lilienthal, Dor Ort etc. (Marb. 1890).
204
PLAATS EN TIJD VAN HET DEUKT. § 27.
die in gang zijn en voortgaan; maar van afgesloten delikten of deliktsvormen, bij hunne berechting.
De handeling nu, dit zij herinnerd, bestaat uit eene daad on een gevolg, dat door de tusschenkomst van onderscheiden krachten andere gevolgen kan meevoeren, totdat het gevolg intreedt in het teweegbrengen waarvan, naar zijne begripsomschrijving, het delikt bestaat2). Nu kan de daad (spierbeweging) met hare onderscheiden gevolgen, met name het constitutief gevolg, in ruimte van tijd en plaats samenvallen of door een afstand daarvan gescheiden zijn. Dit laatste is bij de meeste strafbare handelingen denkbaar, vooral bij die, welke, naar hare begripsomschrijving, in't algemeen en zonder nadere aanwijzing bestaan in het veroorzaken van een bepaald gevolg. Als voorbeelden zijn te noemen: beleediging, opruiing, landverraad, gepleegd in geschriften, gelezen of openbaar gemaakt later en elders dan zij gesteld zijn (men denke zich ook telophoon en phonograaf); het animo occidendi doodelijk treffen van iemand, die zich over de grenzen bevindt, of van iemand, die later en elders sterft; misdrijven in spoortreinen, hier aangevangen, ginds voltooid; het verzenden van een helsche machine, die later en elders ontploft, of van vergif, dat later en elders wordt ingenomen, terwijl het slachtoffer nog later en weer elders sterft.
Wanneer en waar zijn dergelijke strafbare feiten gepleegd? Van belang kan deze vraag zijn, wat den tijd betreft, voor transitoir recht (a. 1 Swb.), voor de berechting van misdrijven door kinderen gepleegd (a. 38, 39), voor de verjaring (a. 71); wat de plaats aangaat, voor de berechting van binnenslands of buitenslands gepleegde feiten (a. 2 vg.) en voor de keuze van het forum (a. 22, 24 Sv.); voorts, wat beide aangaat, voor de verklaring der begripsomschrijving van bijzondere delikten. (b.v. a. 311, 432).
205
2. De stelsels te dezen aanzien verdedigd, wijzen op eene oude, ten onrechte in de nieuwere wetgevingen voortgezette onzekerheid.
s) ? 24, 5,
§ 27. PLAATS EN TIJD VAN HET DELIKT.
Dc tijd der zonderlinge casuïstiek, met name toegepast op het dooden nabij de lands- of stadsgrens, is lang voorbij 1). De prineipieele stelsels loopen uiteen. Hier gelden twee uitersten.
Naar het eene, de meest verspreide leer, komen alleen in aanmerking tijd en plaats van âde daadquot;, van quot;de persoonlijke, lichamelijke handeling des dadersquot; (niet de daad van voorbereiding maar van uitvoering natuurlijk), de plaats dus âwaar de dader, toen hij die verrichtte, zich bevondquot; ').
Hiertegenover staat de leer, dat, âvermits in 't geldend recht de eigenaardigheid der delikten door hun gevolg bepaald wordtquot;, beslissend moeten zijn plaats en tijd waarop de handeling âhare uitwerkingquot; had, het âgevolgquot; is ingetreden 2). Maar deze leer heeft dan niet op het oog âbijkomende gevolgen, die de straf verzwarenquot; en zelfs het âconstitutief gevolgquot; (b.v. dood bij doodslag) niet onder alle omstandigheden (b.v. niet als iemand, te A. verwond, naar B. vervoerd, aldaar sterft). Daarom onderscheiden sommigen tusschen âuitwerkingquot; en âgevolgquot;, verstaan anderen hier onder âgevolgquot; âdie werking waardoor reeds het aangerande rechtsbelang gekrenkt of in gevaar gebracht werdquot; (b.v. de verwonding, die de oorzaak was van den dood); of sluiten weer anderen de plaats van het gevolg uit, âindien dit zich aldaar toevallig voordeedquot; quot;).
Eene tusschenliggende meening, die zich bij de eerste heet aan te sluiten maar reeds de baan der inconsequentie is opgegaan , omdat zij met daden gelijkstelt wat werkingen d. i. gevolgen zijn, gewaagt van âde handeling, die tot het wezen van 't misdrijf behoortquot; en heeft bepaaldelijk op het oog âhet handelen door tusschenkomst van een instrumentquot; (de
20G
1
) Carpsovius, Practica crim. qu. c. x. ^ 13 vgg. Zie Boot 1. c. 3.
2
) v. Deinse 274, v. Liszt 1. c.
r') v. Liszt 1. c., Olhausen ad ^ 3 n. fi. Aldup naar 't schijnt ook v. Deinse. â Berner 248.
PLAATS EN TIJD VAN HET DEUKT. § 27
openbaarmaking door den drukker van een toegezonden geschrift, en dan ook het ontploffen van eene verborgen hel-sche machine)1).
3. In thesi generali is het vraagstuk, op welk tijdstip en op welke plaats een strafbaar feit, dat zoovele momenten vertoont, die over een langen tijd en over onderscheiden plaatsen verdeeld zijn, in 't algemeen gepleegd moet heeten, uit zijnen aard onoplosbaar. Van daar ook het onvoldoende of inconsequente der verschillende systemen. Het vraagstuk is verkeerd gesteld. Het is niet één vraagstuk. Het zijn er zoovele als er vraagstukken zijn waarbij eene bepaling van tijd of plaats noodig is. En de beginselen, welke voor die verschillende vraagstukken leidend zijn, zullen telkens ook voor deze andere vraag moeten beslissen. Maar dan bestaat er ook geen bezwaar tegen om, waar de aard van een vraagstuk zulks medebrengt, meer dan één tijdstip, meer dan ééne plaats tegelijk in aanmerking te brengen.
Zoo zal ter bepaling van den leeftijd waarop een kind âeen feit begingquot;, alleen het tijdstip van het persoonlijk handelen beslissend moeten zijn. Zoo zou voor den aanvang der verjaring afdoende kunnen zijn, naar gelang van het beginsel waarop men deze instelling doet steunen, öf het tijdstip der handeling, of dat waarop hare uitwerking voorkwam, óf dat waarop het constitutief gevolg intrad; het positief recht zal hier echter één moeten kiezen 2). Voor het vraagstuk der werking van de strafwet naar den tijd (§ 16) en naast de milde oplossing daarvan in het tegenwoordig recht, moet wel dit beginsel gelden, dat geene strafwet zal kunnen worden toegepast, die niet reeds gold, toen die daad verricht werd, welke bij de beoordeeling van het feit blijkt geweest te zijn de beslissende persoonlijke daad waardoor de âwerkin-
207
1
aangewezen (Duitschl.).
2
) Nader bij do verjaring, a- 71 Swb. g 67 Uwb. Wolfson, Eenige boscbouwin-gen o. d, verjaring v. li. strafrecht (Diss. 1890) 81.
§ 27. PLAATS EN TIJD VAN HET DEL1KT.
gonquot; en âgevolgenquot; zijn in 't loven geroepen0); terwijl voorts â dit kan geen moeilijkheid geven â voor de keuze van âgunstigste bepalingenquot; bij verandering in de wetgeving, het ge-heele tijdsverloop tusschen bedoelde daad en de berechting in aanmerking komt.
Ten aanzien van de plaats zal nu, zoowel voor de aanwijzing van het forum bij distributie van rechtsmacht binnenslands, als voor het vraagstuk van de werking der strafwet naar de plaats (§ 17), met het stelsel van één locus delicti moeten worden gebroken 10). In een vroeger tijdperk der rechtsgeschiedenis drong de onderlinge naijver van staten en rechters tot enge opvattingen quot;). In het tegenwoordige is ruime opvatting geoorloofd. Stellig kunnen gelijkelijk en nevens elkaar in aanmerking komen de plaats der âlichamelijke handelingquot; des daders, die van zijne âhandeling door een instrumentquot;, die van âde uitwerkingquot; d. i. het intreden van dat eerste gevolg âdat zich reeds als eene krenking of een in gevaar brengen van het door de handeling aangerande rechtsbelang voordoet.quot; Op al deze plaatsen is, indien het tot misdrijf of strafbare poging kwam, de rechtsorde zoodanig bij het gebeurde als doel van het gepleegde delikt betrokken, dat krachtens hot territorialiteitsbeginsel berechting aldaar gerechtvaardigd is. âGevolgenquot;, die, na het gepleegde delikt intredend, slechts de straf verzwaren, zullen, evenals daden van voorbereiding, buiten invloed blijven12).
Twijfel kan worden geopperd omtrent den invloed in dezen van het âconstitutief gevolgquot; (dood bij doodslag), voorzoover dat van het straks als âuitwerkingquot; genoemde (de verwonding) gescheiden is. Toch is voor het erkennen van dien invloed veel te zeggen. De grenzen van het âvoltooid deliktquot; worden niet voorbijgestreefd en de omstandigheden
9) Stel b.v. de verzending van eene seliriftelijke aangifte h. 1.1. eerst door a. 188 Swb. strafbaar geworden. Vg. Olshausen ad § 2 n. 2, 8, 10.
10) Zoo ook Berner 248, Olshausen ad | 3, n. 5, 0, Lilienthal on do Duitscho rechtspraak bij menige gelegenheid. Ook Verschoor I.e. 64.
quot;) Vg. noot 3.
l2) Dan is het delikt gepleegd.
208
PLAATS EN TIJD VAN HET UELIKT. S 27. 209
kunnen inmenging van den staat waar het voorkwam, zeer stellig verlangen. Ook te dien opzichte blijve dus de ruime opvatting hier verdedigd; behalve indien liet gevolg âtoevalligquot;, buiten de berekening van den dader, aldaar intrad 13).
4. Kunnen deze beginselen gevolgd worden bij de verklaring van de Nederlandsche wetgeving; met name van Boek I, Titel I Wetb. v. Strafrecht14)?
Opmerking verdient, dat de wisselende terminologie âzich aan een feit schuldig makenquot; (a. 2 vgg. Swb.) âeen feit begaanquot; (a. 1 , 52ü en al. 2, 38, 39 Swb., a. 24, 25 Sv.), âeen feit plegenquot; (a. 71 Swb., a. 31 Inv.w., a 22, 25, 26 Sv.) wat do thans besproken strijdvraag aangaat, geen verschil van zin beoogt15), en dat de terminologie van het vroegere a. 8 A. B. âzich op het grondgebied bevindenquot; opzettelijk verlaten is 16).
Dat hetgeen boven omtrent de werking der strafwet naaiden tijd in 't algemeen betoogd werd, ook naar a. 1 Swb. moet worden aangenomen, volgt uit de erkenning aldaar van hot beginsel zelf waarop dat betoog gegrond was l7).
Twijfelachtig is het, of de ruime opvatting ten aanzien van de werking der strafwet naar de plaats in 't algemeen gehuldigd, ook naar a. 2 vgg. Swb. kan worden gevolgd. Mij schijnt ze met het oog op het algemeene stelsel, de geschiedenis en de woorden der wet, geoorloofd. Immers moet worden opgemerkt; dat, al hebben ook de stellers van het Wetboek zich het vraagstuk niet juist voorgesteld, der wetenschap nadrukkelijk groote vrijheid gelaten is, en dat de roeping van den staat krachtens het territorialiteitsbeginsel door den wetgever ruim is opgevat1quot;). Voorts, wat de parlementaire
13) Berner 1. c. 218. Loset siuh der Ort des Erfolgea vom Willen des Thiiters ab, so ist er nicht mehr Ort der begangenen Handlung.
Voor het forum, binnenslands (a. 22 vgg. Sw.) zal het stelsel v. a. 2 vgg. Swb. moeten en kunnen worden gevolgd. Zie bep, de nieuwe artt. 25, 26 Sv. De artt. 38, 39 en 71 Swb. komen uit den aard der zaak later afzonderlijk ter sprake.
15) Smidt I 347 â âBegaanquot; en âplegenquot; nog herhaaldelijk promiscue gebruikt; o. a. in a. 25 Sv., a. 1 Swb. jquot;. 31 Inv.w., M. v. T. Smidt I 109.
'«) Smidt I 111, 112. '?) Vg. ? 16. '») Smidt I 110, 112.
quot;
§ 27 PLAATS EN TUL) VAN' HET DEUKT.
behandeling aangaat: dat men de plaats âwaar do dader zich bevondquot; of die âwaar 't gevolg zich openbaartquot;, slechts, negatief, niet als unicus locus heeft willen aanwijzen, doch daarom nog niet, gesteld dat eenige plaatsen tegelijk in aanmerking kunnen komen, ze positief, heeft willen uitsluitenquot;); dat men bovendien hierbij, blijkens oen gekozen voorbeeld, niet aan âgevolgquot; in engoren juridischon, maar zelfs in den ruimeren zin van ânawerkingquot; heeft gedacht2quot;); dat men de plaats âwaar door tusschenkomst van een instrument gehandeld isquot; uitdrukkelijk heeft willen aanwijzen, maar daarmede dan ook logisch de beteekenis van âdo uitwerkingquot; en van het âconstitutief gevolgquot; heeft erkend S1). Wat eindelijk de woorden der wot betreft: dat alle genoemde feitelijke momenten doelen zijn van het âstrafbaar feitquot;quot;); en dat, indien bij het intreden van eenige âuitwerkingquot; of âgevolgquot; de âplaatsquot; een geheel toevallig karakter dragon mocht, do dader ook niot gezegd kan worden zich aan hot plegen van een feit aldaar âte bobben schuldig gemaaktquot; (a. 2 vgg.).
5. Naar do hier verdedigde beginselen komen nu de hij-komende voorwaarden dor strafwaardigheid of verhoogde strafwaardigheid niet in aanmerking, beslissen bij eigenlijke omis-siedelikten tijd en plaats waarop, in meer bedoelden ruimen zin, had moeten gehandeld worden quot;), en do plaats waar do dader toen hij handelen moest, zich bevond; en kan bij oneigenlijke omissiedeliklen naast dozen regel nog do invloed van sommige gevolgen gelden, gelijk voor de commissiedelikten is uitgewerkt.
19) Positieve uilsluiting van eorstgemelde plaats ware ook niot to rijmen met het woord âbegaanquot; (vgl. a, S2quot; met 38).
20) Onjuist is do opmerking v, d. Min., dat bij do buitenslands geploegde misdrijven van a. 8 Sv. (oud) hot gevolg zich per se binnenslands openbaart.
1!l) Zie ad 3. 2quot;) Conf. Verschoor 1. c. (58.
2'') Keeds uit don aard der zaak kunnen dit ondersohoidon plaatsen zijn. a. 135 öwb.
210
ONRECHTMATIGHEID VAN DOEN EN LATEN IN 'T ALGEMEEN. §28. 211
§ 28. Do onrechtmatigheid en de strafwaardigheid van het strafbaar doen en laten '). ^ 2xaA
1. De onrechtmatigheid van het delikt is een der hestand-deelen van het algemeen begrip (§ 21, 3). Dit volgt èn uit het karakter van het delikt als overtreding van een rechts-verhocl of rechtsgebod noodwendig, èn uit het karakter dor veroordeeling als schuldigverklaring (a. 214 al. 1. Sv.).
De onrechtmatigheid is een objectief, een algemeen, een zelfstandig vereischte. Over de objectiviteit ook van dit bestanddeel, met name over hot âingebeeld deliktquot;, werd reeds gesproken 1); en de vraag, inhoever dwaling omtrent de onrechtmatigheid de strafbaarheid uitsluit, behoort bij de schuldleer. De beteekenis der algemeenheid heeft deze strekking, dat alles waardoor, krachtens eenig rechtsvoorschrift, de rechtsplicht tot gehoorzaamheid aan het verbod of gebod is uitgesloten of opgeheven, aan de handeling het karakter van delikt ontneemt. De zelfstandigheid beduidt dit, dat het vereischte der onrechtmatigheid onderscheiden is van dat dei-strafwaardigheid en van dat der schuld 2). Aan de eerste tegenstelling wordt aanstonds nader herinnerd. Omtrent do tweede worde reeds hier opgemerkt, dat wel schuld onrechtmatigheid onderstelt, maar niet onrechtmatigheid schuld. Door velen wordt in de leer omtrent recht in 't algemeen naast dusgenaamd âsubjectiefquot; ook âobjectief onrechtquot; aangenomen '). Maar bovendien, al wordt bij strafrechtelijke aansprakelijkheid altijd schuld gevorderd, daarom is de schuldvraag en de onrechtmatigheidsvraag nog niet dezelfde. Elke dezer vestigt op een andere zijde der handeling de aandacht.
u
sv, ^ â
0.1/. 1 ir?J
'Ad. I/Ã. IJU â d.
yC-S*, lt;h ^
t!gt;*/%!* j 7 gt; Mj? - .A '
é\
1
5) Blz. 164.
2
) Bij Binding heet do onrechtmatige, aan schuld te wijten handeling âDeliktquot;, de strafwaardige âVerhrechenquot;.
lt;) Aldus h.v. Dernhurg Pand I. 193; Jhering, das Schuldmoment im röm. Priv. r. I. (1867) 5. v. Liszt Lehrb. 100 n, 2..e. a. Daartegen vooral Binding, die Normen 1, 135.
212 § 28. ONUECHTMATIGHEIà VAN UOEN EN LATEN IN 'ï ALGEMEEN.
2. In de strafrechtswetenschap kwam en komt ook nu nof* dit alles niet voldoende tot zijn recht.
Daartoe leidde vooreerst do casuïstische behandeling van de rechtsvaardigingsgronden, eigen aan het oude strafrecht en waarvan in de nieuwere wetgeving menig spoor overbleef, zoodat vele dier gronden bij bijzondere delikten werden behandeld, met name, noodweer uitsluitend bij doodslag, nood voornamelijk bij diefstal, de bevoegdheid van den geneeskundige bij vruchtafdrijving5). Daarbij kwam, dat, voorzoover eene meer principieele behandeling werd gevolgd, zij langen tijd niet werd vastgeknoopt aan het algemeene begrip van onrechtmatigheid der handeling, maar aan de speciale vraag of do aangerande, in verband met den aard der aanranding, wellicht rechteloos was 1). Alverder werd en wordt tot de door-eenmenging van rechtvaardigingsgronden met andere, die practisch eveneens straffeloosheid bewerken, doch theoretisch op andere basis, vooral bijgedragen door de verklaarbare samenvoeging in de wei van velerlei gronden, die alle âde strafbaarheid uitsluitenquot; 2). Eindelijk worden bij sommige misdrijven , b.v. mishandeling, de vraag omtrent liet oogmerk van den dader en de onrechtmatigheidsvraag niet zelden schromelijk verward 3). ^ ^ ^ ïaCjtj U U j |
3. Op welke wijze wordt nu de eisch, dat de nandeling' onrechtmatig zij, in de strafwet uitgedrukt ?
Bij culpose delikten is enkele omschrijving van de handeling, wegens het vereischte van âschuldquot; of âonachtzaamheidquot; (faute, Pahrlassigkeit, culpa), voldoende. Bij vele doleuse delikten geldt dit niet: vooreerst kan opzettelijk handelen
1
) Vgl. b.v. Matthaeus de crim, ad Tit. do furtis (47.1) o. 1 n0. 7; ad Tit. de
2
sicariis (48.5) c. 2, 3 n0. 7; ad Tit. de extr. crim. (47.5) c. 1 (de partu abacto)
3
nquot;. 5. â Damhouder (ed. 1618) c. 76,84. â Jus Can. c. 3 X do furt. (5.18) â 0. C. 0. iV 166, 175. â Crim. Wb. a. 133. â Code Pénal Fr. a. 327 vlgg. â Ook J. M.
ONHEGHÃMATIGHE1D VAN IXJl'.N KN LATEN IN 'ï ALGEMEEN. § 28. 213
oven goed van rechtmatig als van onrechtmatig handelen worden gezegd; voorts kan eene in 't algemeen ongeoorloofde handeling (b.v. doodslag) onder bepaalde omstandigheden geoorloofd worden (b.v. in noodweer), terwijl omgekeerd sommige handelingen juist alleen in verband met andere bijzondere rechtsregelen ongeoorloofd zijn (wederspannigheid). Daarom komen naast a de vermelding van âschuldquot; bij culpose delik-ten en b de enkele omschrijving van die vele handelingen welke in den regel ongeoorloofd zijn, in aanmerking c de aanwijzing van rechtvaardigingsgronden en d in sommige gevallen do uitdrukkelijke vermelding van liet onrechtmatig karakter der daad. In de gevallen a, h en d is de vermelding van het vereischte positief, in c negatief9).
4. De rechtvaardigingsgronden wijzen uitzonderingsgevallen aan op den regel van de onrechtmatigheid der handeling,
gelijk de wet deze in het algemeen omschrijft. Zij zijn of algemeene, niet tot bepaalde delikten beperkt, öf bijzondere.
Het wetboek van strafrecht vermeldt vier van do eerste groep (artt. 40â43) en kent er onderscheidene van do tweede (b.v.
a. 137, 261 al. 2); voorts vinden er in bijzondere strafwetten vermelding of in andere rechtsvoorschriften steun 10).
Zij moeten om als rechtvaardigingsgronden te kunnen werken, objectief aanwezig zijn. Het âingebeeld deliktquot; kan ook hierbij zich voordoen; in hoever de dwalende meening des daders, dat ze bestaan, de strafbaarheid uitsluiten kan, hangt
met de schuldleer samen. Voorts moet hun karakter in be-'^quot;'^ , i.J
ca c ct ou/i j
ginsel medebrengen, dat, indien ze bestaan, het onverschillig / i q
0 b gt; gt; gt; fe /Uvrh/XsJU: t ^ Ja'J
l'
is of do dader ze in het leven riep, opzettelijk of door ver-
zuim, ten ware of de positieve wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt, öf deze veroorzaking den toestand zóó geheel verandert, dat het uitzonderingsgeval niet meer geacht kan' worden aanwezig te zijn; iets wat slechts bij do bespreking-der bijzondere gronden kan worden uitgewerktquot;).
ü) Vgl. boven, blz. 163,
l(l) Zio beneden § 32.
quot;) v. Liszt 133 (4° ed. 14G), Moyor 284, Olsh. ad 2 53, 7. Anders Binding, Normèn 11 203.
1. U
ar
: 'i
214 § 28. ONRECHTMATIGHEID VAN DOEN EN LATEN IN 'T ALGEMEEN.
'feM ^quot;et lquot;t' een formee^ oogpunt negatieve en uitzonderings-
L karakter dezer gronden brengt processueel mede, dat het ont-
uJtw rv^o Q breken daarvan niet in de dagvaarding vermeld, niet volgens
fjJ-ï-A. quot;de wettelijke regelen bewezen noch in het vonnis vastgesteld
worlt;len' ofschoon wegens het positieve karakter '^2/l ^, van 'iet vereischte dor onrechtmatigheid zelf, bij twijfel om-'' /ofj- ^ren^ aa'nquot; of afwezigheid van zoodanigen grond veroordee-
/ / ling niet is toegelaten 1!).
5. Uitdrukkelijlce optieriiimi van lu;t (viyechimcdig hi.rnldi'r dej-handeJiny in de wettelijke omschrijving van het delikt (zie boven 3d) komt voor in twee vormen: 1° wanneer het delikt aangewezen wordt of als de overtreding van een bijzonder ^ 1 i) \ voorschrift (a. 100, 184 Swb.), of als het tegenwerken van
gezag (a. 180 Swb.); 2° wanneer in de wettelijke omscbrij-jjjt vinff nadrukkelijk de positieve .eisch wordt gesteld, dat de
I handeling âonrechtmatigquot;, âwederrechtelijkquot;, âzonder geldige
L redenquot;, âzonder verlofquot; gepleegd zij (a. 138, 168, 282, 350,
428 Swb. e. a., veelal ook in speciale wetten). Do nadrukke-lA vermelding in de gevallen der le groep volgt uit den
' ' quot;quot;i. aard der zaak. Als reden voor die der 2° werd bij de behan-
deling van 't Wetboek gewezen op âhet gevaar dat anders ook hij, die van zijn recht gebruik maakte zonder daarom juist uitvoering te geven aan een wettelijk voorschrift (a. 42 Swb.) in de bepaling der strafwet zou vallenquot; n); wat echter bij een ruime opvatting van de rechtvaardigingsgronden m. i. een afdoende reden niet kan zijn. Veeleer is voor sommige der bedoelde misdrijven de grond hierin te zoeken, dat daarbij verband wordt geëischt tusschen de onrechtmatigheid en de schuld (b. v. a. 282, 283 Swb.)14). En verder â meer algemeen dus â ligt hij in de noodzakelijkheid, dat bij vele delikten de onrechtmatigheid in concreto blijke. Zoo is het dooden van ij
1!!) Vaste rechtspr. H. E. Zie ad artt. 143 (oud 223), 211 (oud 206), 221 (oud 211) Sv., vermeld bij Léou, later in ïijdsohr. v. Strafr. o. a. H. E. 15 Dec. 1879 W. 4462, 17 Oct. 1887 W. 5486, 13 Mei 1889 W. 5719. Vg. v. Baar, Iets over gebreken en leemten i. d. dagv. in strafz. (Diss. 1890) 21, 39.
^) Smidt 1, 381.
quot;) Ook dit punt nader bij de scliuldleer.
i
0NHECHTMAT1GHEID VAN DOEN EN LATEN IN 'l' ALGEMEEN. §28. 215
een mensch verboden (a. 287 Swb.) tenzij het bij uitzondering gerechtvaardigd zij; terwijl b.v. het vernielen van eens anders goed alleen verboden is inzoover het wederrechtelijk geschiedt (a. 350 Swb.). Hier moot dan ook do onrechtmatigheid, het ontbreken van recht of verlof, als positief bestanddeel iu dagvaarding en veroordcelond vonnis vermeld siaan en in 't geding worden bewezen ,s). Wellicht ging do wetgever hier ^ / ^
somtij cis verder ïïan bij eeno ruime opvatting dor rechtvaardigingsgronden noodig werd. Leidende beginselen moeten,
dunkt mij, liggen; vooreerst in hot alternatief van 's wetge- -â
vers bedoeling, om óf in 't algemeen te verbieden behoudens lt; - â â lt; *' uitzondering, of in 't algemeen toe te laten, behoudens regelingquot;quot;'); en verder in het bij sommige delikten grooter, bij ^ ^ andere geringer gevaar van veroordeeling niettegenstaande.-^ u ^oe M ^ de handeling gerechtvaardigd was17). c'/nJ lt; 6. Bij het strafbaar laten, het niet-handelen waar de rechts-^A^^ /»-plicht te handelen gebiedt, ligt (zie boven § 25) in de on-rechtmatigheid het zwaartepunt. cxJiamp;-/ camp;.
Ten aanzien van de eigenlijke omissiedelikten is nadere toe-lichting onnoodig; naast den regel van het gebod werken dan de rechtvaardigingsgronden als uitzondering. ^ ^
Bij de oneigenlijke moet elders de rechtsplicht gezocht wor- ^ /sgt;JteuJi den, aan welks niet-vervulling de strafrechtelijke verantwoor- £gt;Llt;- ^lt;ai
delijkheid verbonden is voor het â dolo of culpa â door âlatenquot; - gt;£$*-0- , cS-o- t 4lt;-veroorzaken van een gevolg waarvan de wet in 't algemeen
het veroorzaken verbiedt. Stilzitten is, wat ook de gevolgen zijn en al worden dezo beoogd, niet in 't algemeen in strijd met het recht. Doch het is dit wel, wanneer een bijzondere sUuJuaStyt
---£lt;7 .n.^oua^^'
It't
ls) Aldus ook rechtspr. H. E. ad, artt. Sv. aangehaald in noot 12. Be]). H. ll.
10 Oct, 1887 W. 5482, 24 Oct, 1887 W. 5487, 28 Mei 1888 P, v. J, 77. â Ditzelfde ^ f qtA
geldt grootendeels ook voor de bovenvermelde gevallen v. d. l'1 groep; ofschooir'^^y^^ |
het bestaan van afgekondigde algemoeno voorschriften niet in de dagvaarding ver-meld en naar de bewijsloer bewezen behoeft to worden. H, B, 28 Oct. 1889 W, 5792. !. ,/(lt; '. â *
Anders O. M.
Deze tegenstelling komt vooral uit bij overtredingen; b.v. a. 20 jquot; 1, 26 Jachtw.
n.B. 17 Oct. 1886 W. 5486, a. 3 Wapenwet v. 9 Mei 1890 Sb. 81.
17) Vgl. over dezo belangrijke stof o, a, v, Liszt 133 (4I! od. 145), Meyer 282,
Binding, Normen 11 488, Gtrundr, 68, 71. Eoossingh, ï, v. Sr. IV. 308,
/J v
lt;r^lt;st£ ^
-Cfn Ji-'â ^ V- '
216 § 28. ONliECUTMATIGllElU VAN DOEN EN LATEN IN 't ALUEMEEN.
rechtsplicht tot handelen, d. i. dus in het concrete geval tot voorkoming of afwending van hot gevolg, of door een dwingend wettelijk voorschrift werd opgelegd, 6f onder sanctie van de wet vrijwillig aanvaard. Zoodanige rechtsplicht kan dan liggen op hot gebied van 't publiekrecht, met name het zich steeds uitbreidend administratief policierecht; of voortvloeien uit rechtsverhoudingen van privaatrechtelijken aard. In aanmerking komen dan algemeene plichten van ingezeten of burger, ambtsplichten, beroepsplichten, familieplichten, privaatrechtelijke verplichtingen uit wet of overeenkomst l8). Edoch worde hierbij opgemerkt, dat, waar de wet den rechtsplicht voorschrijft en dezen op zich zelf door eene bijzondere strafbedreiging sanctionneert, met 's wetgevers kennelijke bedoeling om uitsluitend een eigenlijk omissiedelikt te omschrijven, eene verdere strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het veroorzaken dor gevolgen (bij opzet of schuld) niet kan worden aangenomen (b.v. a. 450 Swb.) ia).
7. Moet nu voor het aannemen van zoodanigen, voor hot gevolg van een âlatenquot; verantwoordelijkmakenden rechtsplicht
nog verder tor
worden gegaan20)? Een algemeene rechtsplicht ^ ^ en^ling^ vai^ noodlottige gevolgen alles te doen.
/ ctOatt,-*ac...
I,. ^ n t'/ /i.f ^affó
Vc
A,wat in eens menschen macht staat, behoeft en behoort naar
ictsvâ ivx-*M c 1
U.
e.
L- A^A- IjbhlY
iti utJ! taf/1
'dL .do f1
t ^ amp;Z-P
Feuel'baclli Lehrb. g 24; Meyer 198; v. Liszt 128 (4» od. 139); Landsberg, âr* / ' Die sogen. Commissivdel. duroh Unterlassung (1890) 229. â Zie ook a. 255 vgg.
Swb. Vg. a. 319 C. P. ïen onrechte hebben sommigen bezwaar hier ook don rechtspliclit ex contractu te laten gelden. Vg. Landsberg 249. Voor den omvang vin dien plicht a. 1375 B. W. I
l0) Vgl. Kropveld 97. Deze loor kan, zoo noodig, op art. 55 al. 2 Swb, steunen. 'â¢!0) 't Geldt hier vooral de wisselende grens tusschen recht en moraal.
2') Artt. 414, 446, 450, 474 Swb. M. i. niet af te keuren., Vgl. Sinidt III259; van Kossem, Hulpverzuim (l)iss. 1878).
goede rechtsbeginselen niet te worden erkend, on kan hoi niet naar positief recht; de uitzonderingen (strafbaar hulp verzuim) bevestigen dezen regel!').
Intusschen wordt van vele zijden voor hem, die door eene âvoorafgegane (geoorloofde) werkzaamheidquot; zoodanig in den loop der dingen ingreep, dat schadelijke of gevaarlijke gevolgen daaruit kunnen voortkomen, de rechtsplicht aangenomen
./Va/
ONRECHTMATIGHEID VAN DOEN EN LATEN IN 'T ALGEMEEN. §28. 217
tot eene z. g. n. âaanvullende werkzaamheidquot;, om die gevolgen te keeren. Sommige schrijvers, die deze leer voorstaan, vermengen haar, ten onrechte (§ 25), met het leerstuk der causaliteit van het laten 22). Doch ook daarvan losgemaakt, dus zuiver gestold, vindt zij krachtige verdediging23); en wel op grond van een âalgemeen rechtsbeginselquot; dat, wegens den eisch des levens, ingrijpen slechts zoude toestaan onder voorwaarde van aanvulling, of op grond van een door de eerste werkzaamheid gewekt vertrouwen. Zij raakt de groote strijdvraag van burgerlijk recht omtrent het begrip der âonrechtmatige daadquot; (nalatigheid a. 1401, 1402 B. W.), door sommigen beperkt tot doen en laten in duidelijken strijd met het stellige recht, door anderen uitgebreid tot het nalaten van âdie diligentia welke een zorgvuldig mensch in 't maatschappelijk leven tegenover zijne medemenschen in acht neemtquot;, âdie voorzorgen, welke in redelijkheid kunnen gevorderd wordenquot; 2lt;). In de richting van deze ruime opvatting zou aan onze strafrechtelijke vraag een bevestigend antwoord verzekerd zijn, te eerder, omdat de schuld zich hier altijd in een der zwaar^ dere vormen (opzet of grove schul(l^\ertoont. En zulks niet naar een immers onaannemelijk âalgemeenquot;, maar naar den geest van het positief recht. Herinnerd zij , dat de rechtsplicht tot âaanvullende werkzaamheidquot; erkend is bij de negotiorum gestio (a. 1390 B. W.), bij de aansprakelijkheid voor dieren en gebouwen (a. 1404, 1405 B. W.), en dat gelijke erkenning bij beroepsuitoefening onmisbaar mag heeten 26). Door de1
ss) B. v. Binding, Glaser, Merkel, Halschnor, 1. 1. c. c. ad | 25.
23) Meyer 199; v. Liszt 128; v. Rohland 1. c. 14; Kropveld Diss, (zie § 25) 100.â Hiertegen do oude invloedrijke leer v. Peuerbaeh $ 24. Ook Geyer bij lloltzend, IV, 92.
Streng: Opzoomer VI 313; Kist, Do verbindtenissen uit onrechtin. daad, 17; Thorbecke, Iets over verb, tot seliadeverg. wegens onr. daad, 10 â Ruim: Feith, N, Bijdr, v. R, on W, XII, 373; Bolinfante, Themis 2°, Verz, XVI, 288; Coninck Liefsting Nod, Jur, Ver, 1887 II118. Vooral H, R, 14 April 1881 , W, 4659, In dit goval was alleen sprake van oon gevolg te voorzien tijdens de eerste werkzaamheid. Zoodanige beperking ware in 't algemeen onvoldoende, Vg, Landsberg 205, quot;) Met uitgewerkte reglementaire voorschriften kan niet worden volstaan, Vg, a. 23, 24, K, B, 26 Juli 1885, Sb. 168 (Aanvaringen op zoo). Artseneed; a. 21 W. 25 Dcc, 1878, Sb. 222,
-
Ill
218 § 28 ONRECHTMATIGHEID VAN DOEN EN LATEN IN 'ï ALGEMEEN.
rechtspraak van den Hoogen Raad gesteund, worde nu rechts-toepassing, zeker rechtsontwikkeling in deze richting aanbevolen
8. In den regel vallen bij doen of laten wat op straffe verboden is,-^rechtmatigheid en strafwaardigheid samen; hangen beide van dezelfde deliktsbestanddeelen of bijkomende voorwaarden af; zijn zij door dezelfde gronden uitgesloten quot;). Mogelijk is echter, dat de handeling wel onrechtmatig, maar nog niet strafbaar kan heeten ; zóó dat eene burgerlijke actie in te stellen is, eene strafactie nog niet (a. Sél1quot;30 Swbjquot;. 1377 B. W. vóór het faillissement). Mogelijk is, dat wel door eenige omstandigheid de strafwaardigheid uitgesloten is, maar burgerrechtelijk de onrechtmatigheid hare rechtsgevolgen behoudt (a. 316 al. 1 Swb.). Het systematisch verband en de historische ontwikkeling der wetsbepalingen wijst dit aan 28).
M
Je-
iJH
£. '4
Noodweer ').
1. Do ânoodweerquot;, do quot;noodzakelijke verdediging tegen oogenblikkelijke wederrechtelijke aanrandingquot; (Notwehr, legitime défense, moderamen inculpatae tutelae) heeft als rechtvaardigingsgrond zich in de historische ontwikkeling van het strafrecht niet eene plaats veroverd, maar gehandhaafd. Zij is eene, ofschoon dan defensieve oorlogsdaad, overgebleven
M) Voor Duitschl. vindt deze opvatting grooten stenn in 't Pandootonrecht. â Over de mogelijkheid om 't beginsel in 't algemeen in 't burgerlijk reclit neer te Bohrijven , landsberg 1. o. 289.
;;) Vg. boven bl. 163 n°. 8. 28) yg. met a. 316 Swb. a. 380 C. P.
§ 29. i) Zie de onderscheiden handboeken, b.v. Berner§53, V.Lisztji 32, Meyer § '18, Olshausen ad § 53 Dwb., Holtzendorff II 137, Binding I 730, Geib II ? 91, 92, Garraud n0. 154 vggâ Chauveau-H61ie 2722vgg. Monografieën; b.v. Le-vita. Recht d. N. (1856), Geyer, Lehre v. d. N. (1857), Wahlberg, ld. Schr. III, 71, Moriaud, Le délit nfecssaire (1889) 35, 298. Noderl.: behalve Smidt en Pole-naar-Heemskerk ad art. '11 Swb., Gregory, Comm. do inculpatae tutelae modera-tione (1864), id. N. Bijdr. 1883, 1'. Bink, Bijdrage tot do loer der noodweer, (Diss. 1874), Tichelaar, Aantt. op a. 328, 329 C. P. (Diss. 1883). Grotho, Noodweer (Diss. 1890).
£ 1
i
y
NOODWEER. § 29.
uit het tijdperk der âprivate wraakquot;, bestand geweest tegen den historischen drang naar eene allesomvattende zorg van het openbaar gezag voor rechtsbescherming !); en krachtens eene ânon scripta sed nata lexquot;, bestemd om stand te honden 1).
Zoo ook is haar in recht en rechtswetenschap altijd eene breede behandeling te beurt gevallen '); doch zijn over hare grenzen en over hare plaats in hot rechtssysteem in den loop der geschiedenis sterk wisselende opvattingen gehuldigd. Hoofdtegenstellingen zijn daarbij: de vroeger veelal casuïsti-sche behandeling, tegenover de latere vaststelling van oen algemeen begrip 2); de vastknooping aan de leer omtrent doodslag, tegenover opneming onder de algemeene leerstukkenquot;); do beperking tot verdediging van leven en lijf tegenover uitbreiding tot verdediging ook van andere rechtsbelangen3); daarbij dan verdere tegenstellingen betreffende de feitelijke grenzen van het verweer 4).
Ter voorkoming van kleingeestigheid en willekeur, zooveel mogelijk ook van onzekerheid , bij wettelijke regeling of wetstoepassing, mogen de volgende hoofdgedachten worden in het oog gehouden. Hot geldt hier niet zoozeer zelfverdediging, dan wel rec/'isverdediging; het is bier van do zijde des wetgevers niet een berusten in een onweerstaanbaren drang der normale menschelijke natuur, maar veeleer een eerbiedigen van dien drang als eisch van rechtquot;). Plet is rechts-vm/e-
219
1
3) Cicero pro Milone c. 4. L, 3 D. de just et jure (1,1); L. 4 pv., 1. 15 ^ 4 P. ad L. Aquil. (9.2), L. 1 § 27 D. de vi e. d. vi arm. (43, 16).
2
5) Middeleeuwsche rechten en auteurs; evenzeer de latere; zie b.v. Damhouder c. 7(3, 78â80, C. C. G. a. 139â145, 150.
3
Geib, blz. 234 vgg.
4
8) Geib 237. â Het Cr. Wb, v. 1809, 133â138 eh 145, huldigde ruimer opvattingen dan zijn Fransche opvolger.
9) Ihering, Dor Kampf ums Recht (3quot; ed. 1873) 116. Modderman bij Smidt, I 378. â Hot redactieverschil tusschen het Ned, Wb. âniet strafbaar is hijquot; en van
§ 29. NOODWEER.
diyiny, zoodat het zwaartepunt niet ligt in het onrecht, dat gedaan, maar in liet onrecht, dat geleden zou worden 10). Het is eene rechtsverdediging, die in de algemeene rechtsorde passen moet, in beschaafde staten een recht tot geweldadig verweer , dat wel ruim , maar niet onbeperkt kan worden opgevat.
2. De Nedcrlandsche wetgever heeft zich niet bij de Fran-sclie, veeleer bij de Duitsche behandeling en opvatting aangesloten, waar hij een feit, welk ook, in noodweer begaan acht, en dus hem, die het beging, niet strafbaar verklaart, indien het yehoden (was) door de noodzakelijke verdedigincj van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenhlilchelijlce, â wederrechtelijke aanranding (a. 41 Swb.) quot;). Hiermede is het bestaan van dezen rechtvaardigingsgrond aan voorwaarden gebonden ten opzichte van a de aanranding, 6 de verdediging.
De aanranding moet 1° ivederrechtelijk zijn, 2° oogenhliklcelijk gevaar opleveren voor 3quot; eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed', voorts moet Aquot; verdediging noodzakelijk, 5° het begane feit daartoe geboden zijn.
3. In aanmerking komt elke aanranding, die de in de wet genoemde rechtsbelangen krenkt of in gevaar brengt.
Zij is wederrechtelijk (reebtswidrig), wanneer de aangerande iets te dulden krijgt of krijgen zoude, wat hij te dulden rechtens niet verplicht is. Feitelijk doet (en deed in do geschiedenis) de noodweer zich het meest voor tegenover aanrandingen, die ook subjectief onrechtmatig zijn, d. i. waarbij aan de zijde van den aanrander schuld is; voor het begrip moet het zwaartepunt echter in de verdediging liggen, z, g. n. objectief onrecht voldoende zijn, en dus de aanranding als wederrechtelijk worden beschouwd zoo dikwijls de aanrander, daartoe niet gerechtigd was 1!!).
liet Fransoho of Duitsche recht âer is geen strafbaar feitquot; geeft allerminst een verschil van beginsel terug. Anders Grothe 14, 36.
'quot;j Binding 1. c. 735. Zie beneden u0. 3. Vg. het Franscbe âlegitime defensequot;.
quot;) De uitdrukking ânoodweerquot; komt niet voor in de wet, wel in M. v. T., Smidt I 377. Vg. Cr. Wb. 1809 a. 134, D. Wb. § 53.
12) Grotius d. I. B. a. P. L. II, c. 1 § 5; Binding I 735, v.Liszt, Moriaudl.c.; Chauvoau-Hélie 2736; Rossi, Traité, 1,8; Rink 77, 125.
220
NOOUWEEK. § 29.
Daarom is noodweer uitgesloten tegen rechtmatige ambtsuitoefening of tuchtoefening; toegelaten tegen materieele of formeele, ofschoon dan ook veelal straffelooze, overschrijding daarvan (art. 43 al. 2); mits natuurlijk â iets waarop hier nadruk worde gelegd â de overige voorwaarden voor noodweer niet ontbreken13). Daarom is noodweer uitgesloten als âte-1 genweerquot; tegen noodweer; toegelaten tegen overschrijding van' noodweer (a. 41 al. 2) quot;). Daarom is noodweer uitgesloten tegen de uitoefening van een eigenlijk, uitdrukkelijk door de wet toegekend noodrecht16). Daarom is noodweer toegelaten tegen aanranding door personen, die wel op volkenrechtelijke of . ^
staatsrechtelijke gronden strafvrij zijn, maar daarmede niet/'-'/~ ^t het recht hebben erlangd om te misdoen l6).
Moeilijkheid biedt echter de toepassing van het beginsel,
waar het verweer gericht is tegen aanranding a door niet-toerekeningsvatbare personen of h door personen, die daarbij zeiven handelen onder den drang van nood (overmacht), buiten de gevallen van eigenlijk ânoodrechtquot;. Dan is het n.1. ^ de vraag, of het verweer als ânoodweerquot; mag worden opge- Ial-u'i. â â vat, dan wel of het zelf ook alleen beschouwd kan worden als âin noodquot; gepleegd. In Duitschland zijn deze strijdvragen van uitnemend practisch gewicht, omdat er de nood als rechtvaardigingsgrond uitdrukkelijk minder ruim erkend is dan het recht van noodweerquot;). Wel is nu naar Nederlandsch recht die stof niet op gelijke wijze geregeld; toch zal ook hier althans de bevoegdheid om âanderenquot; straffeloos ter verdediging te helpen (Nothilfc) bij noodweer ruimer kunnen worden opgevat dan bij nood (overmacht), en verder voor de handelingen in nood gepleegd de evenredigheid of onevenredigheid tusschen het geredde en het opgeofferde rechtsbelang grootere beteekenis hebben dan voor die van noodweer ls).
Ij O oc-ceA ü f lt; lt; ij
â¢^) Vg. over dn roohtinatighGid v. ambts-uitoefening, bepaaldelijk over wat aan de nauwgezette beoordeeling van den ambtenaar zeiven is overgelaten, v. Hamel ï, v. Sr. I 275, 3(59; de Eanitz, ib. IV 401 â Kink 77; Geib 11 228.
quot;) v. Liszt, Merkel, Lehrb. 163. Binding 1 743, e. a., zie beneden n°. 8. 15) 13. v. a. 374 K. vg. Binding I 766. ll!) Boven ^ 18, {! 20, 4, 5.
17) § 53, 54 Dwb. 1!i) Zie de volgende
221
§ 29. NOODWEER.
Do conscqncnte toepassing van hot vooropgostoldo beginsel eischt echter m. L, ook in voormelde gevallen ânoodweerquot; aan te nemen. De niot-toerekeningsvatbare is aan zijne aanranding niet schuldig, maar ook niet tot haar gerechtigd; bij de handeling van den in nood verkeerende legt het recht zich neder, tot die handeling machtigt het echter nietquot;1). Dozo consequenties zullen somtijds, althans waar de verweerder don staat van don aanvaller kende, voor liet rechtsbewustzijn moeilijk te aanvaarden zijn. Do oorzaak daarvan ligt bij do wetgevers, die â een gevolg van de casuistischo ontwikkeling der beide begrippon ânoodquot; en ânoodweerquot; â zo niet voldoende met elkaar hebben in verband gebracht.
Met minder bezwaar zal noodweer worden erkend tegenover dieren, aangehitst of niet20).
In hoever â wat bij aan andoren te verloonen hulp van belang is â de toestemming van don aangerande, don aanrander een recht geeft, hangt van den aard van het getroffen rechtsbelang en van hot positieve recht af!l); ook kan de toestemming beperkt zijn geweest of teruggenomen worden.
De aanranding blijft wederrechtelijk, al heeft de aangerande haar uitgelokt of voorzien; wol kan dan op andoren grond het recht tot noodweer licht ontbreken quot;).
4. De aanranding moot zijn eene oogenhlilckelijke (gegenwar-tige, necessité actuolle). De krenking kan dus óf èe^owwen zijn, of nog dreigen.
Is zij begonnen, dan is noodweer toegelaten zoolang zij voortduurt; niet meer zoodra zij heeft opgehouden en geene hervatting dreigt (b.v. do slag is toegebracht, de dader is
1!gt;) Voor ânoodweerquot; togonovor niet-toerekeningavatbaron, o. a. v. Liszt, Wahl-berg, Chauveaii-IMie, Rossi, Moriand ll.ee., Binding I 738; h.t. 1. Rink 125, Ileemsk.-rolon. ad art. n. 10; tegen o. a. Meyer 209, Olsh. I 239, Halsehner [ â 179; h. t. 1. v. Praag, Misdrijf in nood gejileogd (Diss. 1885)66.â Foor ânoodweerquot; tegenover in nood verkeerenden, zie vooral Binding I 766; ook, ofschoon m.i. niet consequent, o.a. Meyer 313, Olsh. 245, Halsehner I 492; er tez/en, m.i. op zijne beurt evenmin consequent, v. Liszt 142; ook v. Praag I.e.
20) Anders b.v. Merkel Lehrb. 163.
!1) B.v. a. 206, 293 Swb. Vg. Binding 1 737.
Vg. Meyer 302, Binding I 748, id. Normen 11 203. Anders oudore schrijvers o. a. Feuerb. j) 38,
222
NOODWEEU. § 29.
door omstanders gevat). Het is echter niet de vraag of do aanranding als delikt juridisch voltooid werd (b.v. bij diefstal wegneming uit het bezit), maar of ze als aanranding niet meer dadelijk (in continenti) af te wenden is (zoo hield zij b.v. niet op zoolang de dief nog met de zaak vlucht) ^).
Oogenblikkelijke aanranding is er ook wanneer de krenking nog niet is begonnen, maar onmiddellijk dreigt24). Inhoevcr na de automatische werking van gereed gelegde verweermiddelen (b.v. âvoetangels en klemmenquot;) art. 41 toepasselijk is, zal ook aan de hier besproken voorwaarde moeten worden getoetst; sommige wetgevingen beperken het gereedleggen preventief25).
5. De aanranding moet gericht zijn tegen lijf, eerbaarheid of goed van den verweerder of van een ander. Tegenover het Fransche recht uitgebreid, is deze aanwijzing tegenover het Duitsche recht beperkt.
Lijf omvat het leven en de integriteit van het lichaam, in ieder opzicht; ook de vrijheid. De eerbaarheid van den man en van de vrouw wordt hier ten volle beschermd26); ook buiten de gevallen van strafbare aanranding.
In het oude recht liep de groote strijd over de erkenning van noodweer ter verdediging van goed; over de vraag of deze alleen gold bij, of ook buiten gevaar voor den persoon. Die strijd werkte na in de verscheidenheid der wetgevingen van de eerste helft dezer eeuw, met name in de beperkende voorschriften van den Code Pénal27). Naar Ned. recht staat nu. noodweer ten bate van goed in beginsel met die ten bate van den persoon gelijk. Zij wettigt niet alleen bescherming van den eigendom, ook van bezit of van andere vermogens
33) Binding I 74(5 o. a. Over hot âon repoussantquot; v. d. C. P., Rink, 190.
S4) L. 1 God. quando licoat unie. (3,27). 0. C. C. 140. Cr. Wb. a. 135 âgevaarquot;.â Anders ouderen, b.v. Peuerb. $ 38.
25) § 3678 Dwb., a. 4!li. Alg. Pol. Strafr. v. E. in N. Ind. â Vg. Sommerlad in Geriehtssaal 39.
Anders a. 325 C. P. â Vg. Geib 11 233.
Vg. C. C. C. (a. 150) die onzeker was; Damhouder c. 78. Over dien strijd o. a. Mittermaier ad Feuerb. ad § 38, I. â Gregory 1. c. â Beperkt was a, 329 C. P. Daarover Chauveau-Hélie 2744 vgg., Rink 157. â Ruim was reeds a. 134 Cr. Wb,
223
§ 29. NOODWEER.
rechten in eenig aan te randen âgoedquot; belichaamd 2S). Over de toelaatbaarheid of de grenzen van noodweer ter verdediging van den huisvrede, hoeft in de geschiedenis van dit leerstuk mede groot verschil van opvatting gegolden. De Germaan-sche rechtsgeschiedenis is hier rijk aan verscheidenheid van regels29); do Code Pênal (a. 329 jquot; 322) beperkte do noodweer ook hier nadrukkelijk. Het Nederlandsche recht sluit haar niet uit. Dit volgt m. i. uit de algemeenheid van het woord âgoedquot; en uit de bepaalde bedoeling om met dat woord de genoemde voorschriften van het Fransche recht te omvatten cu uitttsbreiden30). Voor den aard der den huisvrede bedreigende aanranding zullen de artt. 138 en 370 Swb. leiddraad zijn.
Onder de verdedigbare rechtsbelangen is ten onrechte de eer, op zich zelve, niet begrepen31), Æ )
De verdediging kan ook lijf, eerbaarheid en goed van anderen betreffen, verwanten, vrienden, vreemden. Niet de al-gemeene belangen van het gomeenebest32).
In beginsel mogen nu de opgenoemde rechtsbelangen, zoo het noodig is , verdedigd worden, onafhankelijk van de her-stolbaarheid der schade of van hunne waarde in evenredigheid tot het rechtsbelang van den aanrander, dat opgeofferd wordt33).
6. Intusschen klemt tegenover zulke gevallen te sterker de voorwaarde dat verdediging noodzakelijk was.
Nadrukkelijk is met het oog daarop door den Nederland-schen wetgever de redactie van het O. R. O. âeen feit noodzakelijk ter verdedigingquot; in âeen feit geboden door de noodzakelijke verdedigingquot; veranderd ^).
Beslissend is daarbij in beginsel niet het oordeel van den
28) Vg, Binding I 744.
29) Vg, Alborda v. Ekonstein, Do huisvrede i. h. strafr. (Diss. 1883) 14, 27, 35, 38.
30) Smidt I 378. Anders Heemsk.-Polen. 1. o. 8.
31) H. K. 4 Nov. '89 W. 5797. Zie echter a. 201 Swb. Anders Dwb. Binding I 744. â Zie Damhouder c. 79.
3S) Zie echter oen recht tot aanhouding in a. 41 al. 1 Sv.
33) Smidt I 378, Binding I 752, v. Liszt e. a. Anders b. v. bij Mittermaier. Feuerb. 1. c. Damhouder c. 78 eu andere ouderen aangehaald bij Cieib ]T 234.
3') Smidt I 378,
224
NOÃDWEKli. § 29.
aangerande, i',1 moot dit zijn invloed hebben, maar dat van den rechter36). Dezen heeft de wetgever, met volkomen bewustheid, ruimte van oordeel en macht willen laten. Dit heeft zij n voordeel, inzoover daarmede kan worden tegemoet gekomen aan het bovenvermeld bezwaar van een gemis aan onderscheiding tusschen de gevallen van subjectief en van objectief wederrechtelijke aanranding; en inzoover daardoor in 't algemeen ruwheid van zeden in een beschaafden staat kan bestreden worden. Het heeft echter zijne schaduwzijde, vermits de vrees voor te groote toegevendheid jegens den aanrander bij den rechter van onzen tijd en bij zijne beoordeeling a posteriori, niet ongegrond is36). Voor den rechter zullen nu o. m. in aanmerking kunnen komen de schuld van den aanrander, zijne persoonlijke kracht en de kracht van den aanval, de indruk van den aanval op den aangerande, diens individualiteit, de mogelijkheid van dadelijk in toeroepen hulp, zelfs misschien die van eene veilige en eervolle vlucht, de relatief geringe beteekenis, of de lichte herstelbaarheid van het dreigend nadeel ^).
7. Hierbij sluit zich de eisch aan, dat het gekozen middel van verweer voor de verdediging geboden, d. i. op de afweer van aanval en aanvaller berekend zij; dat deze niet harder en niet anders worde aangetast dan voor het doel noodig is. Binnen deze grenzen is ook agressieve verdediging niet uitgesloten.
8. De moeilijkheid om a posteriori over noodweer een billijk oordeel te vellen, brengt den wetgever zelfs tot de erkenning van straffeloosheid bij overschrijding (a. 41 al. 2) 38). Overschrijding echter niet âvan noodweerquot;, in ieder opzicht.
35) De beslissing zal meestal aan den oassatierechlor onttrokken zijn. Vg. 11. R. 26 April 1889, N. R. 151, 478,
M) Jhering, dor Kampf, 117.
3') De opvatting naar Duitsch recht kan voor eene ruime opvatting van het noodweorrecht gunstiger zijn en is het over 't geheel. Olsh. ad 53,2. Binding I 751 en de schrijvers in noot 69; v. Liszt I.e., Meyer 302.â Over de âvluchtquot; liep reeds van ouds strijd, a. 140 C. C. C.; Damhouder c. 78, 5. Mittermaier 1. c. a8) Niet aldus C. P., wel Dwh. § 53 al. 3. Cr. Wb. 136 stolde slechts lichter straf.
225
§ 29. NOOUWEEH.
slcchts van âdo grenzen van noodzakelijke vorderligingquot;. Overschrijding onder den drang van âeene hevige gomoedsbevvo-gingquot;; niet uitsluitend van âvrees, angst, radeloosheidquot;, zooals hot O. R. O., in overeenstemming met het Duitsche Wetboek, li ad voorgesteld; ook h.v. van toorn of medelijden-, naar 's rechters goedvinden, mits de gemoedsbeweging eene âhevigequot; en zij âdoor de aanranding veroorzaaktquot; was 39).
Voorts moet m. i. op de vraag, inhoever overschrijding straffeloos is, â wat daaromtrent in het algemeen zou te bo-toogen vallen, en hoeveel vrijheid den rechter is gelaten â naar de woorden van het Nederlandsche Wetboek, versterkt door hunne toelichting, dit worden geantwoord: dat âde aanrandingquot;, d. i. de wederrechtelijke, lijf, eerbaarheid of goed krenkende of met onmiddellijk gevaar dreigende, moot zijn aan te wijzen; dat de daad het karakter van verdediging niet mag hebben ingeboet; dat echter van den boven (6,7) vermolden dubbelen eisch van de noodzakelijkheid dor verdediging mag zijn afgeweken, hetzij wegens overschatting van het gevaar, intensief of extensief, hetzij wegens uitzetting van de verdediging, absoluut of relatief40).
Ook de niet strafbare overschrijding blijft overschrijding, dus wederrechtelijk; verweer daartegen is noodweer. Overschrijding die âbedoeldquot; werd, is ten volle strafbaar.
Het algemoene begrip âovermachtquot; maakt het bijzondere begrip der âstraftolooze overschrijding van noodweerquot; niet overbodig 41).
9. Bijzondere regelen voor hot bewijs van noodweer kont het nieuwe recht niet42).
39) Smidt I 378, 370.
^0) Voorb. Rb. Almolo T. v. Sr. IV, 469,12. â Vg. voor vroogoro opvattingen vooral naar Duitsoh recht, Geib 237; voor tegenwoordige vooral Binding 752, Olsh, n. 14â18. v. Liazt brengt tot overschrijding ook dwaling in do wederrechtelijkheid v. d. aanranding.
â quot;) Andera do Ridder in T. v. Sr. II, 1.
42) Anders h.v. C. C. C. 142.
226
OVERMACHT. § 30.
Overmacht ').
1. Binnen het begrip van den rechtvaardigingsgrond door 4 den Nederlandschen wetgever (a. 40 Swb.) geformuleerd als drang van overmacht , behoort velerlei.
Vooreerst physieke dwang als vis absoluta, zóó sterk dat van den kant des gedwongenen alle macht, d. i. alle activiteiten mogelijkheid van activiteit, is uitgesloten en hij derhalve zelf noch iets doet, noch iets laat3).
Voorts absolute psychische dwang, als vis absoluta werkend op het zenuwstelsel, zóó sterk dat evenzeer alle weerstandskracht van den kant des gedwongenen is uitgesloten; vele gevallen van hypnotische suggestie waarbij den gehypnotiseerde zeker doen of laten is ingeprent3).
Maar ook het zeer ruime begrip van psychischen drang 4); een drang dus van begeerten en voorstellingen â buiten de ziekelijke storingen van a. 37 Swb. â werkende als drijfkracht tot handelen of laten, als vis compulsiva, zóó sterk, dat weerstand van den gedwongens rechtens niet op straffe kan worden geëischt.
De grensbepaling van het begrip âovermachtquot; als absoluten dwang, physisch en psychisch, in voormelden engen zin, biedt theoretisch geene moeilijkheid. De grensbepaling van liet begrip
| 30, ') De Fransche schrijvers ad a. 64 G. P., de Duitsohe ad $$ 52, 54 Dwb. Vg. v. Liszt ^ 33 ; Berner { 57; Meyer § 49; Binding I, 754; Stammler, Notli-stand (1878); Janka, der strafr. Nothstand (1878); Moriaud, Du d61it nécessaire (1889). Nederl. Polenaar c. s. ad a. 40 Swb,; Borel, Noodtoestand (Diss. 1884); v. Praag, Misdrijf in nood gepleegd (Diss. 1885). Vg. Smidt, behalve ad a. 40 (1, 370), ook ad a. 432. (III 197, 202, 205, 207, 212), ad a. 404â407. (III 143), ad a. 436 (III 228).
2) Smidt 1. c. â Ned. Ontw. 1804 (Inl. Plfdst. II) onderscheidde deze daden als âonwilligequot; van âgedwongenequot;. Vg. ook J. M. Kemper ad Cr. Wb, Aanm. bl. 101.
3) Tijdens de samenstelling v. h. Ned. Swb. nog niet besproken. Vg. Boekhoudt, De beteekenis v. hypnotisme en suggestie in ons strafr. (Diss. 1890) bl. 46, 57. Höfelt, liet hypnotisme in verband m. h. strafr. (Diss. 1889) bl. 29. Forel in Z. f. d. ges. Sw. IX 141, 178. Siegenbeek v. Heukelom in ï. v. Strafr. IV, 97. â In deze gevallen kan âziekelijke storing der verstandelijke vermogensquot; (a. 37 Swb.) zeker lang niet altijd worden aangenomen. ââ Vg. nader beneden sub 3.
^) Smidt 1. c. Drang en dwang -, Prof. de Vries aid.
227
§ 30. OVEHMAGHT.
als psychischen drang biedt er zooveel te moor. De ontwikkeling van dit leerstuk mist dan ook alle eenheid; èn in de historie èn in het hedendaagscho recht.
Tot goed verstand stelle men op den voorgrond oene onderscheiding tusschen tweeërlei richting: die der specialiseering van gevallen, haar type vindend in het Duitsche recht (§52, 54 Dwb.); en die der algemeene formule van de âonweerstaanbare krachtquot;, haar type vindend in het Fransche recht ; (a. 64, 2e lid C. P.). De eerste richting lijdt aan het gevaar van casuïstische onvolledigheid, maar haar uitgangspunt is juist. Do tweede, ook door den Nederlandschen wetgever gevolgd , laat den rechter meer ruimte, maar zij onthoudt hem | gt; een bruikbaar richtsnoer, want haar uitgangspunt is onjuist., ' Zij staat blijkens hare formule op indeterministisch standpunt; hiervan uitgaande, dat de daden der menschen uitingen zijn van hun âvrijen wilquot; en dus de aansprakelijkheid opgeheven achtend, wanneer door âeens kracht waaraan de dader geen weerstand kon biedenquot;, die vrijheid is opgeheven5). Doch de strafwetgever zelf plaatst zich met zijne gebods- en verbodsvoorschriften op deterministisch standpunt, hiervan uitgaande dat de mensch door begeerten en voorstellingen in velerlei . / richting wordt gedreven, eu eischend, dat aan drijfkrachten ' in verboden richting weerstand geboden worde. Aan dezen strengen eisch stelt hij echter grenzen. En daarom is do be-ginselvraag niet deze, of de dader weerstand bieden koude, maar of hij weerstand bieden moest.
2. In do rechtsgeschiedenis staat in deze materie op den voorgrond de leer omtrent den invloed van den nood, van do ' zucht om gevaar voor eigen lijf en goed of voor dat van nabestaanden te keeren. Eerst later heeft zich de leer van den onweerstaanbaren drany daaraan vastgehecht of daarin gemengd1).
De geschiedenis nu dier leer van den tiood vertoont eene allerbelangrijkste verscheidenheid van opvattingen; niet slechts bij latere wijsgeerige beschouwingen over don grondslag, maar
228
1
) Aldus ook in M. v. T. v. a. 40 Ãwb. Ãmidt 1. c.
'') Over deze geschiedenis vooral Moriaud 1. c. 51.
OVEHMAGIIT. § 30.
roods van don aanvang af bij rechtsopvattingen over de grenzen. Die rechtsopvattingen uiten zich uit haren aard in ca-suïstische opsomming van bijzondere gevallen, al beweegt zich daarnaast een streven naar samenvatting in algemetno spreuken, die het volksrechtsbewustzijn treffen.
Zoo komen in aanmerking: In het Romcinsche recht de uitspraken omtrent vernieling van naburige huizen bij brandgevaar, werping bij zeegevaar, omkooping ter redding van tor dood veroordeelden, het dooden van een ander dan don aanvaller bij noodweer1). In het Gerinaansche recht, zoowel de plaatsen betrekkelijk do vergunning aan don reiziger om onderweg zich of zijn paard hot noodigo te verschaffen en oen enkel ander geval; als do volksspreekwijzen âNoth bat kein Gebotquot; o. a. 2). Zoo in liet kanoniek recht do straffeloosheid of strafverzachting bij kerkelijke vergrijpen en bij diefstal van voedsel of kleeding wegens âhoogen noodquot;, volgens het ânecessitas non habot legemquot;3). Omtrent dit laatste geval ontwikkelde zich dan verder in de middeleeuwen en in de 16'' eeuw bij canonisten en criminalisten een uitvoerig uitgewerkt, doch binnen enge grenzen gevut bijzonder leerstuk; tot eene algemeeno ontwikkeling van de noodleer leidde het niet4). Evenmin deed dit do voor 't gemoene Duitsche recht zoo invloedrijke bepaling der C. C. O. over den diefstal âinn rechter hungorsnottquot; quot;); noch hare soms bekrompen, soms ruimere verklaring en toepassing, in de 17e en 18quot; eeuw5).
229
1
) L. 7 § 4 D. quod vi aut clara (43.24); 1. 3 $ 7 D. do incend. (47.9); 1. 49 ^ I. D. ad 1. Aquil. (9.2); 1. 14 pr. 1). do praesor. verb. (19.5); 1. 1 ü. do bonis eorum (48.21); 1. 2 Cod. ad L. Corn, do sic. (9.16). Vg. Pernioo, Labeo II 16; Moriaud 75.
2
) Noordowior, Ned. rechtsoudh. 328; Grimm, 1). Reohtsalt. 400, 460 en passim; Sachsensp. II 68; Lib. Feud. II 27 ? 19; L. Visig. VIII 2; Wilda 1. c. 939.
3
IJ) Decr.-Grat. Dist. I c. 11 de oonsocr. (P. 3); c. 4 X de reg. jur. (5.41); o. 3 X do fnrt. (5.18); e. a. Vg. Goib. II 221; Moriaud 88.
4
) B.v. Alb. Gandimis, t. de poon. n. 60; Jac. do Bolvis, I c. 8, 47; Bossius, t. de l'urt. 52, de bomio. 95; Clarus Reo. Sent. V § furt. n. 24. Farinaoius , qu. 97, o. 1 n. 11.
5
1!!) Borlich. Concl. V. o. 44, n. lü; Carpsov. Pract. P. 11, qu. 83, n°. 40. Bohmer ad art. C. G. C. en ad Carps.; Walch, De furto fame dominante facto (1788) e.a.; vg. Feuerb. ^ 321 en ^ 91.
1. lrgt;
§ 30. OVKHMACHT.
Do breedere ontwikkeling en do voorbereiding eener regeling in do nieuwere wetboeken is daarna van de rechtspbilosophen gekomen: van Grotius, Pufendorf, Thomasins, Stryk, Kant, Wolff, Fidite e. a., den grond der rechtvaardiging zoekend in velerlei formules u); en daarmede een veld openend, waarop zich verder allo criminalisten bewogen en bewegen lA). Zoo ontstonden dan ook die wetboeken, don nood als algemeenen grond erkennend en in bijzonderheden, dikwijls zeer onvolledig, omschrijvend 15).
De leer nu omtrent strafverzachting of straffeloosheid als go-volg van dwang ontstond in de 15'' en 16° eeuw, eerst op don grondslag der uitspraken in het Romeinscho recht over het handelen op bevel van machthebbenden, al spoedig algemeener opgevat 10). Eenerzijds heeft zij zich dan, omdat uit ongehoorzaamheid aan die bevelen gevaar dreigde, met de noodleer vermengd; anderzijds door wijsgeerige beschouwingen omtrent wilsvrijheid en wilsdwang hot zwaartepunt doen leggen in uitsluiting van de toerekenbaarheid op subjectioven grond, veelal in opheffing of beperking van do âvrije wilsbepalingquot; l7). In de wetgevingen heeft zij op die wijze geleid of tot het erkennen van den invloed dor bedreiging van derden nevens dien van
quot;) Zie ook onzen Mattheus ad tit. de furt. o. 1 n, 7 en Prol. c. 1, 13. â Grotins de J. B, a. P. I, o. 4, § 7, II, c. 16 § 26; Pufendorf IIo. 6; Thomasius, Fund. j. nat. II c. 2 § 18; Stryk, de j. necessitatis (1712); Kant, Metaph. Anfgr. d. Eechtsl. Einl. XLI; Wolff, J. Nat. VI | 521 vgg.; Fichte, Naturr. II §19. â Grooten invloed had vooral Kant's beschouwing over onstrafbaarheid wegens de onmogelijkheid van eene preventieve kracht der strafbedreiging.
14) Vg. de opsomming bij Moriaud 144â223; Meyer 305; Binding ITdb. I 760; v. Praag 36.
15) Const. ïheres a. 11 jj 8; Beiersch ontw. v. 1822 en de wetboeken der onderscheiden Duitsche staten (opgenoemd bij v. Praag 23 en Feuerb.-Mittermaier § 91 n. II) opgelost in Dwb. § 52, 54; Hongarije a. 77, 78 e. a.
,s) L. 4, 169, D. de reg. jur. (50.17); 1. 16 g 1 D. de lib. cans. (40.12). Zie de plaatsen uit Baldus, Decius, Bossius, Clarus, en vooral van den Franschen criminalist ïiraqueau der 16quot; eeuw in zijn âde poenis temperandis aut remittendisquot;, aangehaald bij Moriaud 113; ook Matthaeus ad tit. de poen. c. 4, 14.
*') Do leer van Feuerbach (§91) in verband met zijne strafrechtstheorie en met de beschouwingen van Kant.â De leer der gemengde handelingen, ânoch vrijwillig noch ongewildquot; (Matthaeus, Filangieri e. a.). â⢠De leer van de belemmering der vrije wilsbepaling (Rossi II o. 23; Ortolan I n. 353 vgg. en de latere Fransche schrijvers, als Ch. Hé.lie 898, zelfs Garraud 206; Mittermaier ad Feuerbach e.a.)
'280
OVERMACHT. § 30.
eigenlijken nood1quot;); of tot de algemeene leer der stnifloloos-heid in geval van âcontraintequot; '9); of tot eene erkenning van âdwangquot; als grond voor uitsluiting of vermindering van straf naar 's rechters oordeel 20).
Historisch moge betwijfeld kunnen worden of de Fransche formule der contrainte ook âzodelijken dwangquot; omvatte, schrijvers en rechtspraak hebben aan haar eene algemeene toepassing gegeven31); de meesten passen haar ook toe bij eigenlijke gevallen van ânoodquot;22). De mime beteekenis van, het daaraan ontleende a. 40 Ned. Wb. staat boven iederen twiJfcrYM. v. T.).
3. Gelijk reeds werd gezegd, biedt bij gevallen van absolu-ten dwang waarbij physisch of psychisch weerstand volstrekt onmogelijk is, de theorie geene moeilijkheid. Hare toepassing-natuurlijk wel. Intussehen is het noodzakelijk en redelijk , den eisch dier âonmogelijkheidquot; scherp op te vatten 23), Met name geldt dit ook voor hypnotische en posthypnotische suggesties, waarbij werkelijk automatisme zeldzaam schijnt te zijn 24).
4. Voor den psychischen drang, waartegen weerstand niet volstrekt onmogelijk mag heeten, is, strikt genomen, do overmachtsformule eenerzijds eene âcontradictioquot;, anderzijds, gelijk reeds werd opgemerkt, een onbruikbaar richtsnoer. Zij onthoudt eigenlijk iederen objectieven maatstaf en zou toch wegens bare subjectieve beteekenis, consequent doorgevoerd, tot onaannemelijke straffeloosheid van tallooze misdaden leiden 2f'). De schijnbare beperking, dat do dador âdlleen tengevolge van overmachtquot; moet gehandeld hebben (M. v. T.), verhoedt deze consequentie niet.
1B) 0. ïliores ix. 11 l 8. Vele Duitsohe wetboeken; thans l)wb. § 52.
quot;) C. Josephina en latere Oostenr. Wbn,; do Fransche C. P. en zijn navolgers.
^1) Bv. Cr. Wb. v. 1809 a. 24.
21) Moriaud 228; Ch. Hólie n. 897; Dalloz, Rép. v. Peine 411; Ciarraud 1. c.
-â¢) Ch. Hél. Aant. ad 9052ü.
^1) Dat âforce A laquelle il ria pa n'sUterquot;, in a. 64 C. P. minder scherp moet worden genomen, volgt uit de toepasselijkheid van dat art. op alle contrainte morale.
2') Vg. noot 3: hep. v. Heukelom 117, 123.
25) Moriaud 174, 229; Qarofalo, Criminologie 280.
'231
§ 30. OVKRMACHT.
Zoo dwingt do onmogelijkheid dor subjectieve opvatting om naar eene objectieve te zoeken, naar âde grenzen tusschen het geoorloofde en het ongeoorloofdequot; (M. v. T.) 'c'). Den wetgever moet, op zijn minst, eene âovermachtquot; hebben voorgestaan, die in eene bepaalde rechtsorde algemeen als zoodanig werkt cn daarom als zoodanig erkend wordt. En al achtte hij het âeven gevaarlijk als onnoodig, het vrije oordeel des rechters door wettelijke omschrijving te bindenquot; (M. v. T.), de rechtswetenschap heeft uit het geheele rechtssysteem een beginsel als leiddraad voor den rechter te kiezen, Bij die keuze moeten wegen: de eischen der rechtsorde, in verband met het door het delikt getroffen rechtsbelang; de eischen der menschelijke natuur, in verband met het door het delikt beveiligde rechtsbelang; de ernstige beteckenis van rechtsvcr-bod en strafrechtelijke sanctie En dan schijnt het beginsel wel aldus te kunnen worden geformuleerd : dat bij psychischen drang tot een delikt overmacht moet worden aangenomen, wanneer de strafwet, door toch te vorderen dat het âfeitquot; worde nagelaten, op straffe eischen zou â wat buiten den eisch der rechtsorde liggen moet â öf iets dat zedelijk heldenmoed zou wezen (het geval b.v. der redding van liet eigen leven ten koste van een ander), óf iets dat zedelijk eene dwaasheid zou zijn (bot geval b.v. van het loopen over eens anders grond om water te halen ter blussching van een brand) !8). Hot recht, daarbij straffeloosheid erkennende, berust dan eenvoudig in het gebeurde 29).
5. Psychische drang kan dus rechtens nooit worden uitgeoefend door hooj) op voordeel, alleen door vrees voor gevaar, door nood: gevaar voor een rechtsbelang; een gevaar dat het
3quot;) Practisoh is ook de opvatting der Franscho schrijvers objectief. Ch. Hél. n0. 898, n. 6, 900 vgg.
3') Kortheidshalve is hier gesteld âdeliktquot; voor âfeit, dat onder andere omstandigheden delikt zou zijnquot;.
2S) Over den âheldenmoedquot; reeds vele oudore schrijvers; zie Moriaud 160. Over de âdwaasheidquot; o.a. Berner; De impunitate propter summam neoessitatem proposita (1861); id. Lehrb. 99.
~!t) Binding; âunverhotenquot;. v. Liszt: âdie Rechtsordnung laszt gewiihrenquot;.
232
OVERMACHT. § 30.
anders strafbare feit bestemd is af te wenden; een gevaar dat dreigen kan 1°. door bedreiging van anderen (Nötigung, Dwb. § 52) â uitdrukkelijke bedreiging, stilzwijgende bedreiging in eenig hevel opgesloten, feitelijke bedreiging in een reeds aangevangen geweid (vis compulsiva) begrepen)30); 2°. door smwei;-ioop van omstandigheden, nood in engeren zin, als schipbreuk , brand (Notstand Dwb. § 54)quot;).
Sommigen onderscheiden hier â wat bij eene ruime opvatting van hot begrip ârechtsbelangquot; onnoodig is â do gevallen a. van eenvoudige botsing van rechtsbelangen (b.v. de twee schipbreukelingen bij do reddingsplank); b. van botsing tus-schen rechtsbelangen en rechtsplichten, (b.v. eene legerafdee-ling die, den weg versperd vindend, om tijdig op haar post te zijn, over gezaaid land haren weg moet nemen); c. van botsing tusschcn rechtsplichten (b.v. do schildwacht, die op zijn post kennis erlangt van een misdadig voornemen, waarvan aangifte is te doen volgens a. 135 Swb.) 31!).
De in gevaar verkeerende rechtsbelangen kunnen die zijn van den dader van het feit zeiven of van anderen, hem verwant, bevriend of vreemd. De in botsing gekomen rechtsbelangen en rechtsplichten kunnen in verhouding tot elkaar zijn gelijkwaardig en ongelijkwaardig; en wel in het algemeen (leven om leven) of in concreto (het loven van een stervende om dat van een gezond mensch). Het gevaar kan dringend of minder dringend; het tot redding gekozen middel zeker aangewezen of twijfelachtig zijn. Een en ander kan anders beoordeeld worden door den rechter, dan het beoordeeld werd door den dader.
De Duitsche wetgever heeft hier nadere aan wijzigingen voor de beoordeeling gegeven; doch èn onvolledig èn ongetwijfeld
30) Oeweld: in a, 284 Swb. e. a. omvat âgewoldquot; do vis absoluta on de vis com-pulsiva. Bevelen: niet de bevolen zelfs van invloedrijke personen op ziob zelve; Cb. Hél. 919 vgg. Vg. benedon ^ 31, 32.
31) Ook bij de Fransche sobrijvors. Ortolan nquot;. 363, 373; Oh. Hél. 9052quot;. Verschil ten aanzien van âdiefstal uit hongerquot;. Ortolan nquot;. 364, Ch. Hél. 907,
32) Binding Hdb. I 758.
233
§ 30. OVERMACHT,
veel te beperkt quot;). De Nederlandsche wetgever gaf er goene enkele. Hij liet der wetenschap alles over.
C. Op den voorgrond worde dit gesteld: Eenerzijds, dat | wanneer uitdrukkelijk een noodrecht erkend is (b.v. art. 367, 374 W. v. K.), of voorzoover zekere handelingen alleen strafbaar zijn verklaard, indien ze âbuiten noodzaakquot; worden begaan (b.v. art. 404â407, 436 Swb.), het wel de vraag kan wezen of er nood was, niet wat in nood geschieden moest. Anderzijds, dat nood als overmacht niet geldt voor hen op wie een bepaalde noodplichl, een plicht van zelfopoffering rust (soldaten, schippers, brandwachten e. a.) 34). Vorder, dat dc rechtvaardigingsgrond toepasselijk is bij alle (strafbare) feiten. Eindelijk, dat in beginsel gevaar voor alle rechtsbelangen in aanmerking kan komen; leven, lijf, eerbaarheid, eer, goed, van den dader zeiven, van zijne betrekkingen, van zijne vrienden, ook van hem vreemden; eveneens algemeene, b.v, van den staat in oorlogstijd quot;)
Ofschoon nu het oordcel van den dader over liet gevaar cn over wat hem te doen stond niet beslissend mag zijn, laten toch het bovengesteld beginsel en de uitdrukking âovermachtquot; ongetwijfeld ruimte om met een onder de gegeven omstandigheden redelijk en naun-gezet gevormd oordeel des daders rekening te houden 1quot;.
Naar dat oordeel nu moet liet gevaar dringend en tot geen geringeren prijs zijn af te wenden geweest; dat het onmiddellijk dreigde is inzooverre niet noodzakelijk ^7).
Is de botsing van rechtsbelangen van dien aard, dat het staat tusschen ondergang van heide of redding van één van beide ten koste van het ander, dan gelde van het ingrijpen ter redding het volgende: waren zij gelijkwaardig (twee drenkelingen
234
1
') Anders Dwb. vg. Meyer 313.
OVERMACHT. § 30.
aan con reddingsplank, die slechts één kan dragen), dan is het ingrijpen (afstooten van den een) niet strafbaar, hoe ook de keuze gedaan en door wien ook ingegrepen werd; waren zij niet gelijkwaardig (stel voor één dor drenkelingen een dier), dan zal in hot algemeen opoffering van het meerwaardige strafbaar, van liet minwaardige straffeloos zijn; in twijfelachtige gevallen zal voor de schatting minder scherpe eisch mogen worden gesteld, waar do redding den dader zeiven, een zijner verwanten of vrienden , dan waar zij een hom vreemde ten goede kwam. Is do botsing van rechtsbelangen van dien aard, dat het staat tusschen ondergang van het een of redding daarvan ten koste van het ander, dan gelde van bedoeld ingrijpen het volgende: waren zij gelijkwaardig, dan stond in het algemeen zoodanig ingrijpen, ter keuze, niet aan ieder vrij, doch is het ingrijpen wel straffeloos waar de redding ten bate kwam aan den dader zeiven of aan iemand, wiens belang hem redelijkerwijze beheerschto; waren zij niet gelijkwaardig, dan mag het hoogere niet worden in gevaar gebracht om hot lagere, wel het lagere om het hoogere te redden38).
Het Nederlandsch recht eischt niet, dat liet gevaar huiten schuld van den dader ontstaan zij 3!l). In vele gevallen zal toch die eisch gelden; wie zich onverplicht opzettelijk of roekeloos in gevaar begeeft, drage de gevolgen.
In hoever tegen handelingen in nood noodweer kan gelden, werd besproken ',0). Handelingen in noodweer tegen anderen dan den aanrander gepleegd, kunnen soms in nood verricht zijn 41). Ook kunnen uit noodhandelingen van den een dergelijke van een ander volgen.
Gevallen in foro behandeld en tot straffeloosheid kunnende leiden, zijn zeldzaam 4!).
33) Vg. hiermede de uiteenzettingen van Binding 1. o.
3I)) Anders Dwb. § 54; beaamd o. a. door v. Liszt 143 (154), Binding Hdb. I 777; gelaakt door Meyer 311, Berner 101. Vg. v. Praag 51.
''0) § 29, 3. quot;) Binding Hdb. I 750. Vg. C. C. C. 145.
Eenige oudere en latere vermeld bij Moriaud 7. â Het âMignonette gevalquot;; v. Braag 78, vooral Simonson in /. f. d. ges. S\v. V 3G7. Stelen in uitersten nood: P. v. J. 1888. 92. Bedelen in nood: Smidt III ad a. 432; ook T. v. Sr. I. 546, II. 454. H. B. 24 Juni 1887, W. 5449,
235
§ 30. OVERMACHT.
7. Bij ccne stof als de/.o is speciale regeling, altluins voor gevallen waarin nood licht kan voorkomen, aan te bevelen. Aldus zijn sommige feiten slechts strafbaar gesteld, indien zo âbuiten noodzaakquot; worden begaan; dan moet ook het ontbreken van nood worden ten laste gelegd en bewezen '3). Aldus wijzen speciale rechtsvoorschriften gedragslijnen aan voor bepaalde omstandigheden ^4). Aldus worden bij sommige de-likten speciale uitzonderingen limitatief aangegeven, en is daarmede ook de toepasselijkheid dier uitzonderingen bij andere delikten uitgesloten ,5).
8. Inhoeverre do overmeesterende invloed van gemoedsaandoeningen (smart, hartstocht) rechtens erkend mag worden, moet, in verband niet het hierboven betoogde, samenhangen met hare oorzaak. Als âovermachtquot; is hij te beoordeelen naar de hierboven (4â6) ontwikkelde beginselen; voorts is hij erkend bij overschrijding van noodweer (a. 41 al. 2) en in do pathologische vormen (a. 37) â quot;').
§31. Wettelijk voorschrift. Ambtelijk bevel.
1. De algemeene bepaling, dat âniet strafbaar is hij, die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschriftquot; (a. 42 Swb.), werd aan eeno bijzondere bepaling van het Fransche recht ontleend ').
De in haar vervatte âalgemeene waarheidquot; zou gelden, ook al was zij niet in do wet opgenomen. Iedere lex specialis heft
quot;) a. 404â407, 411, 414, 436, 450, 474 Swb. â Vg. boven blz. 234; ook a, 6 al. 2. W. 7 Mei 1856 Sb. 32.
â ,4) a. 14, 20 Vischerij Conv. v. 6 Mei 1882; a. 2 al. 2. Telegraafkabelconv. v. 14 Maart 1884 (zie boven blz. 95); K. B. 26 Juli 1885, 8b. 68 betr. aanvaringen op zee (bep, a. 23, 24), jquot;. W. v. 11 Juli 1882 Sb. 86.
â |5) Vg. a. 137, 189 al. 2, a. 102 Swb. jquot;. a. 66, 162, 163 Sv. met a. 188, 190, 207, 444 Swb. Vg. ? 157, 313 Dwb.
â ^) In gelijken zin ongeveer ook de Fr. schrijvers ten aanzien van contrainte. Oh. Hél. 845, 906. â ï. v. Sr. III 472. â ]iij noodweer anders de Bidder, ï. v. Sr. II 1.
? 31 ') A. 327 C. P. Algemeen ook a. 70 C. P. E, a. 49'° C. Ital.
23G
WETTELIJK VOORSCHRIFT. AMBTELIJK BEVEL. § 31.
binnen de door haar gestelde grenzen de toepasselijkheid van een algemeen geformuleerd rechtsverbod of rechtsgebod op 1). Het komt dan slechts aan op nauwgezette afbakening van die grenzen, wat aangaat èn de taak waartoe de lex speck lis machtigt, èn de middelen waarvan zij het gebruik veroorlooft. Evenmin was de vermelding van die waarheid noodzakelijk âter vermijding van de gedurige herhaling der woorden ire-derrechtelijlc, onbevoegd en dergelijke in het bijzondere deelquot; (M. v. T.). Over de vraag of dergelijke uitdrukkingen in de omschrijving van bijzondere delikten al dan niet behooren te worden opgenomen, beslissen andere gronden 2). â Doch nu heeft dan ook die âalgemeene waarheidquot; inderdaad ruimer strekking dan haar hier is gegeven. In art. 42 worden immers alleen gerechtvaardigd feiten begaan âter uitvoeringquot; van een wettelijk voorschrift.
2. âTer uitvoeringquot; van zoodanig âvoorschriftquot; handelt niet ieder, die bij zijn handelen âvan zijn recht gebruik maaktquot;, die dus iets âkrachtensquot; wettelijke bepaling verricht; alleen hij, die, dat doende, optreedt âtot verwezenlijking van het voorschriftquot;, die eene taak vervult hom door zoodanig voorschrift aangewezen 3).
Allereerst behooren daartoe de gevallen waarin de taak zuiver publiekrechtelijk is; met name dus, waarin ambtsplichten nagekomen worden, alsook waarin de publiekrechtelijke taak in ruimeren kring drukt (bv. a. 192 Gem.w.). Verder zoodanige beroepstaak, welke uit haren aard en naar hare regeling publiekrechtelijk heeten mag (de politiemacht des schippers aan boord)4). Twijfelachtig is, of daartoe te
237
1
in strijd met het andere wettelijke voorschriftquot; (M. v. T.) â Zie ook, hoewel Dwb. zwijgt, de algemeene meening in Duitschland. Olsh. 1,4 n. 12. v. Liszt $ 34. Binding Hdb. I 791. â Cr, Wb. 1809 zweeg evenzeer.
2
) Zie boven ^ 28, 5, blz. 214.
3
Zie; de Fransche herkomst âordonné par la loiquot;; de redactie van a. 13; dein den tekst aangehaalde tegenstelling in M. v. T., Smidt I 381. Vg. v. Praag, De beteekenis v. âwettelijk voorschriftquot; i. h, W. v. Sr. (Diss, 1890) 33, 36.
4
) a. 6â9 Tuchtwet v, 7 Mei 1856 Sb. 32.
§31. WETTELIJK VOORSCHRIFT. AMBTELIJK BEVEL.
brengen ware de uitoefening van andere erkende beroepen of die van ouderlijke tucht n).
Voor de erkenning van zoodanige taak is het dan onverschillig, of het wettelijk voorschrift don vorm koos van het opleggen eener verplichting of van het verleenen eener bevoegdheid '). In jure publico zijn ârechtenquot; rechten tot plichtsvervulling; de woordenkeus hangFTn den regel hiervan af, of de omstandigheden waarin de taak vervuld moet worden, bij het voorschrift in bijzonderheden kunnen worden aangewezen (b. v. a. 41 Sv.), dan wel door den ter plichtsvervulling geroepene, op zijne verantwoording, te overwegen zijn (b.v. a. 45 Sv.). Ook kan het verschil afhangen van het streng of minder streng karakter, dat aan de opdracht gegeven wordt (b. v. a. 11, a. 41 Sv. ten aanzien van bijzondere personen) 1).
3. De uitdrukking âwettelijk voorschriftquot; komt in onderscheidene artikelen van het Wetboek voor2); en met name bij de verklaring van art. 184 is tusschen tweeërlei opvatting van hare beteekenis strijd gerezen 3). Naar de meest algemeene, omvat zij elke bepaling, die of voorkomt in eene in Nederland geldende rijkswet, of daaruit middellijk voortvloeit, m. a. w. die in de wet, onmiddellijk of middellijk, haren oorsprong, haar bestaansrecht vindt1'); met name dus âalle wettige koninklijke besluiten, provinciale en gemeenteverordeningenquot;, vastgesteld immers krachtens de op Grondwet en wet steunende koninklijke macht en autonomie van provinciale
238
1
s) Voor do meening dat ook de bijzondere persoon die aanhoudt, handelt âter uitvoeringquot; van a. 41 al. 1 Sv. ook Heemskerk-Polen, ad art. n. 2. Anders v. Praag 1. c. 36.
2
«) Artt. 1,2830, 42, 84, 125â129, 180, 184, 207, 219, 385, 441, 468.
3
) Literatuur: Buys, ïijdschr. v. Strafr. II, 250; v. d. Feltz Bijdr. tot de verkl. v. a. 184 Wb. v. Sr. (Diss. 1887); v.Praag, De beteekenis v. âwettelijk voorschriftquot; i. h. Wb. v. Sr. (Diss. 1890). Arr. H. R. 27 Juni 1887 W. 5447; vg. W. 5432, 5462. (vg. nog O. M. bij II. R. W. 5728).
quot;) v. Praag 1. c. 105. Buys 1. c. 260. v, d. Feltz I.e.
WETTELIJK VOORSCHRIFT. AMBTELIJK BEVEL. § Sl.
en plaatselijke besturen '2). Naar de andere opvatting, die van ^ ^ 'h ^ den HoogenRaad, zouden nevens de âwetquot; slechts die voor- 7 schriften quot;wettelijkequot; zijn, waarvan de vaststelling door den rijks wetgever aan een ander gezag werd voorgeschreven, bestemd derhalve om met de, hunne vaststelling voorschrijvende wetsbepaling âeen geheel uittemakenquot; '3). â Dit verschil van opvatting geldt dan ook voor a. 42; knoopt zicli in 't bijzonder aan de verklaring der memorie van toelichting â tekst en noot â op a. 42 vast. De eerstgenoemde ruimere opvatting nu volgt, ook m. i., uit die noot, 's wetgevers volledige en algemeene omschrijving inhoudend, ongedwongen en hecht zich met name aan de daar ontwikkelde tegenstelling tusschen âwettelijkquot; (âwat uit de wet in ruimeren zin volgtquot;) en âwettigquot; (âwat met de rijkswet of een ander wettelijk voorschrift in overeenstemming isquot;); zij ligt in het stelsel van vele artikelen waarin de uitdrukking voorkomt, en is bepaaldelijk voor a. 42 m. i. staatsrechtelijk de eenig mogelijke14).
Het begrip omvat uit zijn aard alleen wettelijke voorschriften,
die voor Nederland geldend zijn 15). âHoever echter het begrip voorschrift zich uitstrekt, is minder klaar16). Hier omvat het blijkbaar elk in de wet gegrond âalgemeenquot; of ook âspeciaalquot;
voorschrift, dat niet liet karakter draagt van een âambtelijk bevelquot; 17). Art. 42 heeft het oog op hen die ter uitvoering van wettelijke voorschriften zelfstandig optreden, hetzij dan in persoon, hetzij, krachtens hunne bevelen, door anderen.
4. Art. 42 beoogt alleen de bescherming van wettige handelingen. Dat dus vooreerst de voorschriften zelve niet slechts
1!!) Ten aanzien van âwaterscliapsverordeningenquot; zal onderscheiden moeten worden naar den tijd waarin ze gemaakt zijn. Ook voorschriften van vereenigingen aan hare leden zijn wel âwettigequot;, niet âwettelijkequot;, v. Praag 1.c. 66, 72, 109.
13) B.v. Alg. Ãegl. o. d. spoorwegen j0. a. 27 spoorw.w.; de plaatsel. verord.
ingevolge a. 1 W. v. 31 Aug. 1853 Sb. 83.
14) Ook bv. voor a. 207, 219. â Vg. v. Praag 1. o. 33, 59, 85. â v. d. Feltz 98.
quot;) Ook bepalingen v. intern, traotaten. v. Praag 1. c. 60. v. Hamel T.v.Sr. I,
24. â De vraag is v. beteekenis bv. voor a. 207,
16) Uitvoerig v. Praag 44.
17) Over. het begrip âambtelijk bevelquot;, bep. over ambtelijke instructiën, beneden sub 8. Vg. do tegenstelling in a. 42, 43 Swb. en M. v. ï.; a. 358 Swb.; a. 327 0. P., a, 186, 187 Gem. w.
239
§ 31. WETTELIJK VOORSCHRIFT. AMBTELIJK BEVEL.
in bindenden vorm gegeven, maar ook â de onschendbare wet daargelaten â binnen de daarvoor door Grondwet en wet gestelde grenzen moeten gebleven zijn, volgt uit het woord âwettelijkquot; van zelf18). Evenzeer is het duidelijk, dat de te rechtvaardigen feiten door den rechter getoetst moeten worden aan de materieele en formeele voorwaarden door het wettelijk voorschrift aangegeven ^). De tot optreden bevoegde handelt hierbij op eigen gevaar; maar kan dan ook gerechtvaardigd zijn al dekte hem geen bevel van hooger hand20); ten ware het aanwezig zijn van een bevel tot de bedoelde formeele voorwaarden behoort2'), 't Is echter niet altijd de vraag, of naar 's rechters oordeel, a posteriori opgemaakt, de het handelen rechtvaardigende omstandigheden aanwezig waren; maar dikwijls alleen, of naar 's daders oordeel, a priori gevormd, hij tot handelen redelijken grond had; in hoeverre hier zijn nauwgezet gevormd oordeel afdoende is, hangt af van de strekking van het voorschrift22).
5. Juist bij vele handelingen van het openbaar gezag is een beroep op art. 42 onnoodig, omdat er het âwederrechtelijkequot; als positieve eisch voor de strafbaarheid dier handelingen gesteld is 23). Intusschen brengt dit geene verandering in de regelen waaraan het recht tot handelen getoetst moet worden. Alleen het âwettelijk voorschriftquot; â elk voorschrift dat niet eenc wet is, binnen zijne eigenaardige perken â rechtvaardigt de aanranding van rechtsbelangen. Daarom kan ook op eeno âalgemeene bevoegdheidquot; der policie bij hare zorg voor
l8) Dit staat ter beoordeeling van den rechter. Vg. Buys, Grondwet I 327,638. v. Hamel, T. v. Sr. I. 369.
1!') Vg. v. Hamel T. v. Sr. I 281 vgg.
!lgt;) Anders, met do bedoeling om do nakoming der voorwaarden in concreto beter te verzekeren, a. 327 C. P. Ch. Hél. 2719.
21) v. Hamel 1. c. Smidt I 382 (2e ed. 410) bv. a. 158 Grw.
-â ) Bv. bij a. 41 Sv. wanneer de aangehoudene later blijkt abusief âverdachtquot; te zijn geweest. Vg. v. Hamel ï. v. Sr. I 287.
Art, 282, 283 j0 44 Swb. in verband bv. met Wb. v. Sv.; a. 370 al. 1 Swb. i. v. m. Wb. v. Sv. en vele speciale wetten, zooals W. v. 21 Juli 1890, S, 127; a. 370 al. 2, 371 vgg. Swb.; 365 ib; 350 ib.; 143 vgg. ib. (geoorloofd).â Vg. boven } 28, 5; 5 31, 1.
240
WETTELIJK VOORSCHRIFT. AMBTELIJK BEVEL. § 31.
rust cn veiligheid, m. i. geen beroep worden gedaan 21).
Lovensrooving rechtvaardigt art. 42 thans alleen in den oorlog, naar volkenrechtelijk oorlogsgehruik; en bij het bedwingen van stoornis der openbare orde door Biirgemcester of Commissaris des Konings 26). Ander geweld op den persoon kan op den hier besproken grond ook geoorloofd zijn als tuchtmiddel in ééne onzer strafgevangenissen28); of onvermijdelijk wezen voor eene andere geoorloofde handeling, b.v. gevangenneming.
6. Dc algemeene rechtvaardigingsgrond van âeen ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag11 (a. 43 al. l)rust, aldus omschreven, op denzelden bodem als de vorige. Immers liet gezag dat beval, moet bevoegd zijn geweest tot het geven van het bepaalde bevel dat werd uitgevoerd. Die bevoegdheid nu â van haren formeelen en materieelen kant bepaald: dooide ambtelijke stelling van hem, die beval en zijne verhouding tot hem, wien hij beval, door bet grondgebied waarbinnen hij gezag heeft, door vorm en inhoud van het bevel zelf â kan alleen getoetst worden aan wettelijk voorschrift. Het recht om te bevelen dat gehandeld worde, is afhankelijk van het recht tot handelen zelf. Daarom kan bij een beroep op dezen grond dikwijls allerminst met een beroep op den algemeenen bevoegdheidskring waarbinnen het bevel gegeven werd, worden volstaan !7).
7. Zal het hevel als zoodanig, d. i. de gehoorzaamheidsplicht rechtvaardigingsgrond wezen, dan zal dus verder moeten worden gegaan; en zelfs een of in het algemeen ofinconcreto onbevoegd gegeven bevel den ondergeschikte moeten kunnen
S4) Vg. over deze belangrijke vraag Bool, de Politie (Diss. 1887) 6, 200, 207. v. Hamel, ï. v. Sr. 1 280. â Eene algemeene politiewet ontbreekt. Zie het Verslag eener Staatscommissie v, 1852.
«) Art. 58 en H, VIII Grw.; vg. a. 29 Ontw. Mil. Wb. â a. 184 vgg. Gem. w.â Niet derhalve het dooden van ontvluchtende gevangenen; anders bv. art. 04 In-str. der Eijksveldwacht v. 8 Jan. 1858.
5«) Art. 22 W. 14 April 1886 Sb. 02 j0 110 K. B. 31 Aug. 1886 Sb. 159.
2') Vg. boven sub. 4. Ook v. Hamel, T. v. Sr. I 375. â Eenigszins anders, naar 't schijnt, M. v. T.
241
242 § 31. WETTELIJK VOOHSCHBIFT. AMBTELIJK BEVEL.
rechtvaardigen, de verantwoordelijkheid geheel latende voor hem die beval 28).
Doch binnen welke grenzen? Eenerzijds heeft het recht ambtelijke gehoorzaamheid te eischen, anderzijds blinde ge-hoorzaamheid, die zelfs delikten aanvaardt, te wraken. In wetenschap en wetgeving is de oplossing van dit conflict op onderscheiden wijzen beproefd quot;). Ook het Nederl. Wetboek (a. 43 al. 2) erkent het overwicht van den ambtsplicht in den regel niet; alleen bij uitzondering, onder twee voorwaarden: eene objectieve, dat de nakoming binnen den kring der ondergeschiktheid van hem, die gehoorzaamde gelegen was; en eene subjectieve, dat liet bevel door hem te goeder trouw als bevoegd gegeven beschouwd werd. Hij die zich op liet bevel beroept, moet dan ook van deze twee voorwaarden âop voor den rechter overtuigende wijze doen blijkenquot; 30).
De algemeenheid van art. 43 al. 2 verbiedt evenzeer, m. i. ten onrechte, veroordeeling wegens een culpoos delikt, wanneer de âgoede trouwquot; uit gemis aan nauwgezetheid voortkwam.
8. De wet eischt, dat het bevel ambtelijk zij, krachtens een ambt gegeven aan âondergeschiktenquot;, ambtenaren of anderen 31). Analogische uitbreiding tot bevelen van den schipper aan boord, schijnt aangewezen32). Mits nakoming, niet overschrijding kunne worden aangetoond, is het meer speciaal of algemeen karakter van het bevel onverschillig 33). Ambtelijke âinstructiesquot; zullen tegenover hot bepaalde feit meestal als âbevelenquot;, niet als âwettelijke voorschriftenquot; zijn aan to merken ^).
9. De rechtvaardigende kracht van het wettelijk voorschrift
28) Vg. a. 4710 Swb. âdoen plegenquot;.
=») L. 167 5 1, 169, D. do R. I. (50, 17) Baier. Gb. (1861) a. 71. C. P. a, IH, 190. 0. P. B. 152, 260; Goib II 219; Luden Hdb. 310; Mittermaier-Feuerb. § 91, IV, met vele aanhalingen uit vroegere Dnitsche Wbn. Dwb. zwijgt. Zie eebter' Meyer 293; Berner 97; Binding Hdb. I 804. Ook D. RG. (E. VI440). Vg. Chauv. Hólie, 908, 2722.
:l0) Bedoeld is, hem den bewijslast op to leggen (M. v. ï.) vg. boven 214. â¢ââ Anders Ontw. 1859, T. II, a. 4. Ook D. Mil. Gb. â Nod. Ontw. Mil. Wb. stolt geene verandering of aanvulling voor.
â¢^) a. 192, 193 Gem.w.; 446 Swb. 3!) a. 6 Tuchtwet. Vg. boven sub 2.
B. v. a. 158 Grw. a, 3i» W. 21 Febr. 1890 Sb. 127.
3'') Vg. geval in W. 5867.
WETTELIJK VOORSCHRIFT, AMBTELIJK REVEI,. § 31.
vervalt niot doordat do omstandigheden voor zijne toepassing mede door den dader veroorzaakt zijn; die van het ambtelijk bevel evenmin, tenzij de âgoede trouwquot; daardoor wegvalt35).
§ 32. Andere rechtvaardigingsgronden.
1. Bijzondere gronden tot uitsluiting van onrechtmatigheid of strafwaardigheid kent het Wetboek van Strafrecht in artt. 53 en 54, 137, 156 al. 1, 189, 261 al. 2, 316 al. 1, 319, 324, 338, 348 al. 2, 353, 394 bis al. 2.
Voorts wordt in vele bijzondere wetten uitdrukkelijk het rechtvaardigend karakter erkend van andere dan ambtelijke hevelen; dispensatiën van hot openbaar gezag; bijzonder omschreven omstandigheden van noodzakelijkheid of veiligheid f).
Buiten deze moeten echter nog andere, niet uitdrukkelijk vermelde, gelden, krachtens den vooropgezetten regel (§ 31, 1), dat wat eene lex spocialis veroorlooft, niot naar de lex generalis strafbaar kan wezen ^ ^ ^ ^
2. Allereerst wettelijk erkende beroepen.
Over den schipper werd gesproken 3).
Voor den naar de wet bevoegden geneeskundige geldt voor de keuze der geneeswijze, met name bij heelkundige en verloskundige kunstbewerkingen in verband met do formeele omschrijving der misdrijven van mishandeling, vruchtafdrijving e. a., vrijheid van beweging bij nauwgezet oordeel naar de regelen zijner wetenschap 4). Aan ernstige, toongevende ver-
35) Vg. boven blz. 213.
i) 3 32. Bevelen: a. 26 W. o. d. stoomtocstellen (28 Mei 18G9 Sb. 97); a. 56 al. 4 Spoorwegwet (9 April 1875 Sb, 67); a. 3 al. 3, W. o. d. lokaalspoorwegen (9 Aug. 1878 Sb. 35); a. 9 al. 5 W. o. d. openb. middelen v. vervoer (23 April 1880 Sb. 67). Bij deze âovertredingenquot; geldt het bevel zonder meer, â Dispensatiën : a, 5, W. o, d. loterijen (22 Juli 1814 Sb. 86); a, 6 al. 2, 26 Jachtwet (13 Juni 1857 Sb, 87); a, 5, 6, 7 Arbeidswet (5 Mei 1889 Sb. 48); a, 380 »quot; Wapenenwet (9 Mei 1890 Sb. 81). â Bijzondere omstandigheden enz.: a. 7 al, 2 W, o, d, hondsdolheid (5 Juni 1875 Sb. 110); a. 310â70 Wapenenwet.
s) Binding Hdb. I 791. 3) § 31, 2 en 7,
4) a, 1, 8, 16, 127 W. 25 Deo. 1878, Sb. 222; 1, 2, 15â17 W. 1 Juni 1865, Sb. 60, â Vg, Buchner-Koster, Iieerb, d, ger, geneeslj, 409, e, a, Lehrbb, d, ger, Med,; Meyer 292; v. Liszt 146 (156); Binding Hdb, 1802; Rotering, Ghir, op.
243
§ 32. ANDERE REGUTVAARDIGINGSGKONDEN.
tegenwoordigers cn organen der medische wereld moet de beantwoording worden gelaten van bijzondere vragen betreffende de geneeskundige waarde der bewerking voor genezing of verzachting en de kansen op goeden afloop, alles, zoo in 't algemeen als voor 't bijzonder geval; in verband tevens met de kunstvaardigheid van den operateur. Van de beantwoording dezer medische vraag hangt dan onmiddellijk af de juridische, inhoever ook zonder, zelfs tegen de toestemming van den patiënt of zijne betrekkingen kan worden ingegrepen. Bij de samenstelling van het Ned. Wetboek is op dit be-roepsrecht van den geneeskundige niet voldoende gelet 1). Evenals ieder ander kan de geneeskundige bij zijne beroepsuitoefening fouten begaan, waarvoor hij bij ernstige culpa aansprakelijk is (z.g.n. kunstfouten) quot;).
De bevoegdheid van kerkelijke âbesnijdersquot; schijnt mede niet te betwisten 2).
Ook vivisectie op dieren door wetenschappelijke mannen, voor wetenschappelijk doel en naar wetenschappelijke methode, is niet onrechtmatig 3).
3. Rechtvaardigingsgrond is ook het tuchtrecht der ouders en voogden; waarvan de uitoefening aan anderen is over te dragen, b.v. aan dienstboden, werkmeesters, onderwijzers, voor zoover dezen niet reeds krachtens eigen wettelijke bevoegdheid kunnen handelen. Hier is de vrijheid van optreden door het paedagogisch doel en ecne nauwgezette opvatting daarvan gerechtvaardigd en beperkt; somtijds beperkt door bijzondere wetsbepaling 'J). Eene algemeene bevoegdheid om bij balda-
244
1
Essers, Perforatie of sectio caesarea? (Diss. 1889).
2
') Vg. K. B. 20 Juni 1820, Sb. 1821, n0. 27, gew. K. B. 28 Maart 1868, Sb. 38.
3
s) Witsen, Vivisectie (Diss. 1888). v. Hippel, ïierqualerei i, d. Strafgesetzgeb. (1891).
ANDEKE HECHT VAAR DIG INCiSGH ON L)EN. § 32.
rligheid kinderen te tuchtigen, is niet erkend ^). Het tuchtreclit in fimbtelijken dienst wordt door artt. 42 en 43 beheerscht ; dat van kerken en andere verecnigingen kan naar ons reolit slechts op toestemming steunen. Huwelijk noch dionstcontract hrengen hier te lande bevoegdheden van disciplinairen aard mede quot;).
De vraag inhoevcrre aan don anderen kant bij voormelde verhoudingen oen gehoorzaamheidsplicht rechtvaardigingsgrond wezen kan, wordt zelfs voor kinderen slechts naar do voorschriften omtrent hun eigen aansprakelijkheid (a. 38, 39 Swb.) en in andere gevallen alleen in bijzondere wetsbepalingen beantwoord 1!).
4. Aanranding van eigen rechtsbelangen kan als zoodanig strafrechtelijk onverschillig wezen. Wegens den samenhang van het sociale leven treft zij echter meestal ook andere rechtsbelangen, rechtstreeks of middellijk. Daarom kan zij straf baai-moeten zijn. Het positief recht heeft dit te beslissen. Dc rechter vindt zijn leiddraad in de wettelijke omschrijving der de-likten, in verband ook met hun historisch gevormd begrip ,3).
Belangrijk is de historische ontwikkelingsgang van het strafrecht betrekkelijk zelfmoord en poging daartoe ^). Het Romein-sche recht kende slechts in enkele gevallen rechtsgevolgen, in één daarvan strafquot;). Onder den invloed echter van godsdienstige beschouwingen en het kanoniek recht, heeft daaromtrent in de rechtsgeschiedenis streng recht gegolden, sints
Sb. 127). â Tuchtrecht o. d. âleerlingquot; b.v. § 127 D. Gewerbeordn. â Vg. Meyer 290; v. Liszt 145 (156); vooral Binding Ildb, I 796.
10) Anders v. Liszt 1. c.
11) a. 161 j° 288 al. 2 B. W. â Het historisch belangrijke recht van dooding bij echtbreuk van de vrouw of onkuischheid van de dochter is vervallen. L. 20, 22 'i 4 D. ad 1. Jul. do adult. (48,5); C. 0. C. 121; C. P. 324. Voor de geschiedenis vooral Chauv. Hél. 2703. â Een tuchtrecht tegenover dienstboden naar sommige Duitsche Landrechten. Hiervoor ook Binding Hdb. I 799; v. Liszt 1. c.
I!) Zie in deze § sub 1.
u) Swb. a. 287, 310, 350, daartegenover 351; 239; 2061quot;; 157 vgg.; 328, 428, 282; 300. â Vg. Binding Hdb. I 695; v. Liszt 147 (158), In Holtzendorff s Rechts-loxikon, Wahlberg, Selbstverletzung.
quot;) Feuerb.-Mitt. § 241; v. Wachter, Revision d. Lehre v. Selbstmorde, in Neues Arch. d. Grim. X (1829); Standlin, Qeschichte der Vorstellungen u. Lehren v. S. (1824); Baumhauer, de raorte voluntaria (Diss. 1843). In Holtzendorff's Rechtslexi-kon, Merkel. â Ch. Hél. 2421. Binding, v. Liszt, 1. c. Geib H 201.
§ 32. ANDERE HECHTVAAHUlGlNGSGKONUEN.
de raidfleleeuwen tot in het laatst der 18' eeuw; smadelijke begrafenis, dikwijls vermogensconfiscatie; bij poging arbitraire straften, volgens velen zelfs doodstraf; ofschoon wel uitzonderingen werden aangenomen bij blijkbaar ziekelijke oorzaak Do schrijvers uit âhet tijdperk dor verlichtingquot;, met name Montesquieu, Beccaria, Voltaire, braken, op grond van individueele vrijheid en van onzinnigheid eencr bestraffing van dooden, den ban; de Fransche wetgeving van 1791 volgde; ook ons Crimineel Wetboek van 1809; de Duitsche wetboeken sints 1813; alleen het Engelsche recht gaf wel in 1828 gedeeltelijk, in 1882 geheel de smadelijke begrafenis prijs ; maar kent nog straf tegen poging 17). Belangrijk is zelfmoord voor den criminalist uit anthropologisch en sociologisch gezichtspunt , wegens het verband tusschen neiging tot zelfmoord en criminaliteit18).
Aanzetten tot of helpen bij zelfmoord is naar sommige wetgevingen een afzonderlijk misdrijf19).
5. Over de rechtvaardigende kracht der toestemming van hem wiens rechtsbelang onmiddellijk bij het feit betrokken is , kan weinig in het algemeen worden gezegd Alleen dit: dat het zoo dikwijls gebezigde âvolenti non fit injuriaquot;, noch historisch had, noch juridisch hebben kan de ruime betoo-kenis, die velen er aan gaven21); voorts dat, waar toestem-
16) L. 6 § 7 I). de re rail. (19,16); '1. 3 pr. D. de bon. eor. (18,21). Vg. mot deze katste bepaling C. C. G. a. 135.
'quot;) August, de Civ. Dei c. 17, 18; Deer. Grat. can. 9â12 c. 23. qu. 5. Stad- en landrechten aangehaald bij Geib 1. c. Nog Cod. Bavar. (1751), Josephina (1787). Vooral Damhouder c. 88: Math, de crim. ad D. 48,5 c. 1 n. 9â11. Carps, qu. 2, 25â36. Jousse, Just, crira IV 131.
'quot;) Montesq. Lettres persanes, 76; Beccaria § 31 (35) en Voltaire, Comm. 19.â Engeland. Stephen, Hist. Ill 104; Z. f. d. ges. Sw. IV, 122.
18) Corre, Crime et suicide (1891).
''J) 294 Ned. Swb. â Niet C. P. of Dwb. â Wel Hongarije 230; ontw. Spanje 475; e. a.
â quot;) Geib II, 211; Berner ^ 53; Binding 707 en de uitgebr. litt. in de noot; v. Liszt 146 (157);. Meyer 287; Kessler, die Einwilligung des Verletzten in ibrer strafr. Bedeutung (1884); Nysingh, lets over de werking der toestemming i. h. strafr. (Diss. 1888).
^) L. 1 ^ 5 D. de inj. (47,10). Geib, Berner 11. cc. Binding Hdb. I 710, n. 11; Pernice, Baboo II 26.
246
ANUEHE UEGiri'VAARDlGlNGSGRONDEN. § 32.
ming invloed heeft, bedoeld is duidelijke, ernstig gemeende, bepaaldelijk op het delikt in zijn geheel gerichte toestemming van eon die over het rechtsbelang psychisch beschikken kan, rechtens beschikken mag quot;). Natuurrechtelijke opvattingen omtrent het delikt als aanranding van âsubjectieve rechtenquot;, de onderscheiding van deze in âvervreemdbarequot; en quot;onvervreemdbarequot;, de beperking van den invloed der toestemming tot handelingen waardoor âvervreemdbarequot; worden aangerand, zijn grootendeels verlaten quot;).
Het sub 4 opgemerkte omtrent den samenhang der rechtsbelangen en de taak van het positief recht geldt ook hier. Eveneens dat den rechter vóór alles de wettelijke omschrijving der delikten in verband met hun historisch gevormd begrip en' ook het geheele stelsel van liet geldend recht leiddraad moet zijn.
Bij sommige delikten is in de begripsomschrijving de be-teekenis der toestemming van den onmiddellijk getroffene uitdrukkelijk aangewezen (a. 2062quot;, 2392ü, 281lü, 293, 29G, 297 , 370 en 311:|°) 24). Bij andere brengt het begrip buiten iederen twijfel mede: of dat zoodanige toestemming allen invloed mist, (b.v. bij vele misdrijven tegen den staat, de ge-meene veiligheid; de zeden) 2S); öf dat, omgekeerd, de misdadige werkzaamheid zelve mot toestemming ondenkbaar is (b.v. âdwangquot;, a. 95, 2812'', 284, 317, 318 e. a.); óf dat het âwederrechtelijkquot; karakter van het delikt wegens het niet twijfelachtig beschikkingsrecht (b.v. eigendomsrecht) van den toestemmende wegvalt (b.v. a. 310, 321, 350). ^).
2S) Binding Ildb. 1727. Zelfs omtrent den leeftijd is geen algeineene regel te geven ; /,ie voor den 16-jarige a. 247, 252'quot;; bij 297 echter is lager leeftijd mogelijk; bij 293 zal de individueele leeftijd mede liet âernstigequot; bepalen.
23) Vg. boven | 21. Nog Berner, Halsehner e. a. Zie Qeib, Feuerb. 11. cc. Ny-singli 14, Binding Hdb. I 710 n. 11 en 720 n. 5.
1!l) Buiten het hier besproken onderwerp liggen de gevallen der uitdrukkelijke straf baars telling van handelingen verricht zonder vergunning van het openbaar gezag; bv. 388, 389. â Het feit v. a. 293 werd bij het zwijgen van C. 1'. terecht als gewone doodslag of moord beschouwd. Vg. Dvvb. § 216. âVerlangenquot; is moer dan alleen âtoestemmingquot;.
B.v. 244 vgg., 249.
Sl1) Binding, Ildb. I 716 n. 28.
247
§ 32. ANDKUE RECHT VA AHDIGINGSGRONDEN.
Toch blijven er twijfelachtige gevallen, met name vrijheids-rooving, mishandeling, beleediging De leer, dat bij het zwijgen der wet, terwijl zij zich elders wel uitliet, toestemming geen invloed kan hebben28), gaat reeds van de onjuiste opvatting uit dat de wetgever zich het vraagstuk in vollen omvang voorstelde. De leer dat de toestemming bij alle handelingen geldt, welke, zoo de dader ze tegen zich zeiven pleegt, straffeloos zijn29), is onhoudbaar, reeds omdat zij de beteekenis der deliktsbegrippen in hun geheel en de mogelijke verscheidenheid der motieven voor straffeloosheid dei-aanranding van eigen belangen miskent.
Invloed moet zeker hebben, behalve liet deliktsbegrip op zichzelf, b.v. eenerzijds de absolute onrechtmatigheid van sommige toestanden, zooals slavernij (a. 278); anderzijds do onmiskenbare vrijheid van den individu, om binnen zekere grenzen, te bepalen wat hij lijden wil, alsook het karakter der klachtdelikten; terwijl voorts de toestemming sommige daders verontschuldigen kan, anderen (b.v. ambtenaren) niet.
6. Rechtvaardiging van handelingen wegens rechteloosheid van het slachtoffer kent het nieuwere recht niet. quot;).
7. De vraag inhoever eigenrichting eene handeling rechtvaardigt of haar âwederrechtelijkquot; karakter uitsluit, kan slechts voorkomen indien overigens alle bestanddeelen van een delikt aanwezig zijn. Zij rechtvaardigt alleen in de bijzondere gevallen bij de wet erkend (714 al. 3 B. W.) 3I).
squot;) Binding Hdb. I 718; Nysingh 60. Voor mishandeling Kronecker in Qor. S. 30.
2S) Nysingh 45. Kessler. Daartegen Nysingh 36.
^1) Belangrijk historisch overzicht bij Geib II 215.
3gt;) Zie de Nederl. rechtspr. over beide punten bij Schoonevold ad a. 456 G. P. 8 vgg. â Vg. a. 87 Cr. Wh. 1809.
248
SCHULD EN SCHULD VERBAND IN HET ALGEMEEN. § 33. 249
§ 33. Schuld en schuldver band in het algemeen ').
1. Schuld is verantwoordelijkheid (rechtens) voor het, door doen of laten, in strijd met een rechtsvoorschrift, veroorzaken van zeker gevolg, de verwezenlijking n.1. van de bcstaud-deelen van een delikt; voorzoover die verantwoordelijkheid op dezen grondslag berust, dat de dader die veroorzaking had kunnen en moeten vermijden. Alleen dan is, naast causaal verhand, schuldverband aanwezig2).
Zulk een grondslag is voor strafrecht noodwendig. Slechts daarop kunnen rechts verboden of geboden, met strafrechtelijke sancties, berekend zijn.
Bij de ontleding der verantwoordelijkheid voor een delikt legt dan de causaliteitsleer het zwaartepunt in het uitwendig verband tusschen doen of laten en gevolg; de onrechlma-tigheidsleer in de rechtsvoorschriften en in de uitwendige omstandigheden waardoor de onrechtmatigheid van het veroorzaken van het gevolg bepaald wordt; de schuldleer in het inwendig, het psychisch, het wilsproces dat tot de veroorzaking medewerkte3). Dat proces heeft zij psychologisch te ontleden, juridisch aan den eisch der rechtmatigheid te toetsen.
Psychologisch heeft zij hiervan uit te gaan, dat wat men willen noemt (wilsbesluit, Entschlusz), het resultaat is van begeerten en voorstellingen*)] en dat bij veroorzaking van een gevolg door doen of laten, ten aanzien daarvan aldus valt te onderscheiden: de dader heeft 1°. het veroorzaken beoogd, d. i. het zich als noodwendig of mogelijk voorgesteld en tevens begeerd; 2°. het zich als noodwendig voorgesteld, zonder het bepaaldelijk te beoogen; 3°. het zich als moge-
^ 33 i) Beruer, Grundl. d. Imputationslehro (1843); id. Lehrb ^64vg.; v. Liszt (ij! 37â42; Meijer ^ 26 vgg.; Schaper bij Iloitz, Hdb. II 176; Binding Nonnen II 102; Goib II 55, 241; Krug, Dolus u. Kulpa (1854); Lucas, Die subjootivo Versclmldung (1883); Ortolan, Elém. 198; Pols, Het begrip v. strafbare handeling, T. v. Sr. III 93.
-) Vg. boven 163 sub 4, 185.
3) Vg. boven 185, 3. 4) Vg. boven 186.
I. 1«
§ 33. SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN.
lijk voorgesteld, zonder het te beoogen; 4°. het zich noch als noodwendig, noch zelfs als mogelijk voorgesteld, doch hij had het zich als zoodanig kunnen voorstellen.
Juridisch is het dan de vraag: in het le geval, of hij onder den drang dier voorstellingen en begeerten handelen (of laten) mocht; in het 2e en 3e, of hij, dergelijke voorstellingen hebbende, handelen mocht; in het 4e of hij zich het niet voorgestelde voor te stellen verplicht was en bij het gemis van de voorstelling niettemin handelen mocht.
Deze schakeeringen worden nu in het tegenwoordige recht saamgevat onder twee schuldvormen, in het Nederlandsche wetboek aangeduid als opzet (dolus) en schuld (d. i. schuld zonder opzet, culpa)5). Bij de begripsomschrijving der onderscheiden delikten of deliktsvormen heeft de wetgever den voor elk van deze vereischten schuldvorm aan te wijzen.
Psychologisch intusschen â daarop wordt ten slotte gelet â doen zich de delikten niet anders voor dan de gedragingen die juridisch onverschillig zijn. Ook weldaden, beleefdheden, huiselijke bezigheden kunnen met opzet of zonder opzet worden verricht6).
2. Dat bij deze beschouwingen het schuld verband, zonder uitzondering, gezocht is in de verhouding van het wilsproces tot het (verboden) veroorzaken van een gevolg, hangt samen met de vroeger verdedigde volstrekte verwerping van de onderscheiding tusschen materieele en formeele delikten 7). Elk delikt bestaat in het teweeg brengen van een toestand in de buitenwereld , waarvan de wet het teweeg brengen verbiedt. Daarom is de gekozen uitdrukking volkomen gerechtvaardigd en daarmede , ten bate van eene vereenvoudiging der schuldleer, voor eenheid van begrip eenheid van terminologie gewonnen.
Intusschen dient vooral op één gewichtig punt gelet. In den regel is dit verboden teweeg brengen, deze verwezenlij-
s) Aldus do algemeone opvatting. âMittelstufen zwischon Dolus u. Kulpaquot; ten onrechte bij oudere schrijvers als Krug 1. c. 77, Köstlin Syat. 1102, 187. Vg. Modderman bij Smidt II 134 (136), 1 80 (87).
i) Vg. Pols 1. c. 96, 114. ') Bk. 189.
250
SCHULD EN SCHULD VERB AMD IN HET ALGEMEEN. § 33. 251
king van de doliktsbestanddeelen, niet eenvoudig, maar samengesteld; d. w. z. worden voor het begrip van een bepaalden deliktsvorm eene reeks uitwendige bestanddeelen onderscheiden (§ 26). Bv. verwond is een mensch, die mensoh. is ambtenaar, als zoodanig was hij in ambtsoefening, deze was rechtmatig; geld is weggenomen, uit een kist, deze was verbroken, de deur naar het vertrek mot een sleutel geopend, die sleutel valsch. Van deze onderscheiden bestanddeelen nu kunnen in concreto sommige beoogd, andere slechts als noodwendig of mogelijk voorgesteld, andere zelfs niet eens als mogelijk voorgesteld zijn geweest. De wetgever heeft aan te wijzen wat hij te dien aanzien bij ieder delikt, voor ieder bestanddeel verlangt. Hij behoeft allerminst voor elk bestanddeel gelijken eisch te stellen. Een delikt kan zeer goed pro parte tot de opzettelijk gepleegde (doleuse), pro parte tot de niet-opzettelijke geplegde (culpose) behooren. Het gemis aan duidelijke erkenning van deze waarheid is eene der voor do wetenschap, de wetgeving en de praktijk van het strafrecht noodlottigste dwalingen; waaraan m. i. ook de Nederlandsche wetgever niet ontkomen is. Zij baart bij de wetstoepassing niet slechts onzekerheid, maar in die onzekerheid gevaar â ten aanzien van sommige bestanddeelen â voor te scherpe opvatting van het schuldvereischte eenerzijds, voor willekeurige uitbreiding van het begrip âopzetquot; of ontkenning van de noodzakelijkheid van eenig schuldverband anderzijds 1).
Juister opvatting omtrent dit punt is de hoeksteen voor eene zuivere leer omtrent den invloed der, verschoonbare of niet verschoonbare dwaling op de aansprakelijkheid; de hoeksteen ook voor eene j uiste deliktsomschrij ving, waarbij zij â⢠al biedt somtijds de formuleering eenige moeilijkheid â tot ver-
1
) Zie a. 33 Swb.; M. v. T. Smidt I 69 (77), 77 (8t); III 1(58 (175); Modderman bij Smidt I 73 (81), III 83 (85). â Moeilijkheden b. v. bij a. 136, 140, 180 (v. Hamel T. v. Sr. I 399, H. R. 27 Feb. '88, W. 5526), 239, 247, 250, 370, 416 e. a. Vg. 416 met 259 Dwb. â- Voor overtredingen heeft de wetgever, onwillekeurig, misschien nog de meeste gelegenheid tot toepassing van de juiste leer gelaten. â De misvatting ligt ook ten grondslag aan de redactie v. $ 59 Dwb. Zie ook beneden n. 8.
252 § 33. SCHULD EN SCHULD VERBAND IN HET ALGEMEEN.
meerdering van het aantal z. g. n. culpose deliktsyormen leiden moet.
3. Allo delikten hebben dit gemeen, dat zij bij rechtsvoorschrift verboden zijn. Moet nu ook dit algemeen karakter van onrechtmatigheid door schuld worden beheerscht; d. w. z. moet de dader dat verboden karakter van zijn doen of laten hebben gekend (voor opzet) of hebben kunnen en moeten kennen (voor enkele schuld)? Deze gewichtige strijdvraag wordt te weinig uit dit vereenigd gezichtspunt behandeld; meestal, ook bij de samenstelling van het Nederlandsche wetboek, uitsluitend voor opzet. En, al is de leer van het eene uiterste, welke voor schuldig opzet bewustzijn van de onrechtmatigheid, met name bekendheid met het rechsvoorschrift eischt (de schuldleer o. a. van Binding), crimineel-politisch onhoudbaar, rechtens onnoodig; daarom is nog niet gerechtvaardigd de leer van het andere uiterste, welke met het objectief bestaan van het rechtsvoorschrift onder alle omstandigheden tevreden is, eene leer, blijkens het zwijgen der wet en het bij de samenstelling voorgevallene, ook die van het Nederlandsche Wetboek1). Veeleer zou â dit is dan in overeenstemming met het zooeven betoogde â voor de aansprakelijkheid èn wegens z. g. n. doleuse èn wegens culpose delikten in beginsel met de mogelijkheid van 's daders bekendheid met het verboden karakter der handeling zeer goed kunnen worden volstaan, doch deze ook moeten worden geeischt. Daaruit zou volgen â iets wat zeer aannemelijk en b. v. met de in art. 39 en in art. 43 al. 2 Swbk. gehuldigde beginselen in overeenstemming ware â dat in de zeldzame gevallen van welbewezen verschoonbare onbekendheid met het verboden karakter der handeling strafrechtelijke aansprakelijkheid werd uitgesloten. Men denke bv. aan plotseling uit een onbeschaafden in een beschaafden staat overgeplaatste individuen, of aan personen handelend met oogluikende goedkeuring van de overheid in aangele-
1
) Over een en ander, met vermelding van literatuur, beneden § 34. Vg. o. a. Lucas 1. c. 65; Binding, Normen li 55, 310, 403, Smidt I 06.
SCHULD EN SCHULDVEHBAND IN HET ALGEMEEN. § 33. 253
genheden waarin op haar toezicht vertrouwd kan worden, of aan delikten buiten 's lands gepleegd10).
4. De schuldleer â en daarmede het strafrecht âschijnt, wegens haar uitgangspunt, op de erkenning van de z. g. n. wilsvrijheid (lihre arbitre) noodwendig te steunen. Zoo wordt zij betrokken in den ouden, wijsgoerigen strijd tusschen indeterminisme en determinisme, tusschen de leer die het men-schelijk willen plaatst in eene sfeer van volle vrijheid â als causa sui â en de leer die het stelt onder de algemeene wet der causaliteitquot;). Naar de opvattingen aan het eene uiterste, is hij de handelingen der menschen het wilsbesluit de uitkomst van eene geheel vrije, ongemotiveerde keuze, hetzij dan tusschen het handelen en het niet-handelen zelf, hetzij tusschen do drijfveeren die tot het handelen noopten en die welke daarvan terug hielden; terwijl naar de tegenovergestelde opvatting, het willen telkens bepaald, gedetermineerd wordt door drijfveeren â voorstellingen en begeerten â en deze, naar aard en kracht, zelve noodwendig afhangen van uitwendige oorzaken en van de persoonlijkheid, het karakter
10) Het i. d. tekst verdedigde gevoelen ook bij Merkel, Lelirb. 06; die het, ook m. i. echter ten onrechte , in ^ 59 Dwb. meent te lezen. â Opmerking verdient dat het gevoelen doorschemert eenerzijds in Binding's betoog van de wenschelijk-heid eener afzonderlijke lichte strafbepaling tegen schuldige onbekendheid met het rechtsvoorschrift (II, 61); anderzijds in eene door de Regeering niet overgenomen zinsnede in de M. v. T. onzer Staatscommissie (ed. Belinf. 267), â Vg. boven ad | 31, 7 en 8; ad 232, 1.
quot;) Overzicht der vraag uit strafrechtelijk oogpunt bij Bünger in Z. f. d. ges. Sw. VII, 80. â Deterministische opvatting: onder criminalisten, bij die der Italiaansche positieve school, bij vele Duitschers, als van de ouderen Feuerbach, Revision en Lehrb., Qeib II 57; van de nieuweren v. Liszt, 148, 151 (160), Merkel Lehrb. 72, Bünger Z. f. d. ges. Sw. 1. c. en VI 311, VlII 576; e. a. aangehaald bij Liszt 1. c.; ook Moriaud, Délit nécessaire 150.; onder wijsgccrm als iïobbos, Spinoza, Leibnitz, Wolff, Locke, Stuart Mill; h. 1.1. Scholten, Vrije wil (1868). In den grond ook Kant (Krit. d. rein Vernunft, ed. 1799, 567) en Schopenhauer (Welt als Wille u. Vorstellung, I 127), die de âvrijheidquot; van den wil buiten de wereld der ervaring stellen. Vg. ook Höffding, Psychologie 430. /namp;icrmmtsiisc/ie opvatting onder Duitsche criminalisten als Hiilschner, Binding Normen II, I , Birkmeijerin Gerichts-saal 37, 257 noot 10â12; vooral onder de Fransche schrijvers: typisch Proal, Crime et p6nalité (1892) 286, 387; onder de wijsgeeren vooral de school v. Ilcgel,â G. ïarde (Pbilosophie pénale, 1890, p.83) zoekt op deterministischen grondslag eene nieuwe verantwoordelijkheidstheorie te vestigen; doch wijst m. i. slechts do grenzen voor de verantwoordelijkheid aan; verleent haar geen nieuwen grond,
254 § 33. SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN.
des daders, zooals dit onder velerlei invloeden geworden is.
Welke is nu in deze strijdvraag de stelling van de leer der strafrechtelijke verantwoordelijkheid? â Vooreerst make zij er geen aanspraak op, van hare vermeende behoeften de oplossing der vraag te laten afhangen; maar schikke zij zich naar de oplossing die door werkelijkheid en logica wordt gevorderd. Dan bedenke zij, dat eene in alles bevredigende oplossing, vooralsnog ten minste, buiten de grenzen schijnt te liggen van het menschelijk weten. Doch verder moet, naar ook ik zou meenen, worden erkend, dat de juistheid van het deterministisch standpunt de meeste waarschijnlijkheid voor zich heeft; dat de wilsuitingen der menschen, als verschijnselen in de wereld der ervaring, buiten de wet van oorzaak en gevolg niet kunnen worden gesteld; dat het subjectief gevoel van wilsvrijheid anders te verklaren is, dan als bewijs van het objectief bestaan dier vrijheid zelve; en dat ook de ervaring menigen uitwen-digen invloed en karakterinvloed duidelijk leert herkennen.
Theoretisch heeft echter het positieve strafrecht zich ongetwijfeld onder indeterministische opvattingen ontwikkeld. Vandaar een gewagen van âvrije wilsbepalingquot; bij de leer der toerekeningsvatbaarheid 12); vandaar de terminologie van âovermachtquot; 13); vandaar in de praktijk der straftoemeting dikwijls veel te slappe opvatting der handelingen van gevaarlijke karakters.
Practisch heeft evenwel het strafrecht â voorzoover het niet uitsluitend op de vergeldingsleer steunde â altijd een deterministischen grondslag aangenomen in de erkenning van de terughoudende en opvoedende kracht van verbodsvoorschrift , strafbedreiging en strafvoltrekking; vooral in de strengere behandeling van recidivisten. Inzoover het sociale verdediging beoogt, moet het uitgangspunt deterministisch wezen, en zijn de onderzoekingen in sociologisch-anthropologische richting slechts nieuwe stappen op denzolfden weg. Maar ook
l5) § 51 Dwb., waarover Bünger in Z. f. d. ges. S\v. VII90; a. 438 Nod. Ontw, Stc., a, 47 O. R. O. Sraidt I 339, 376 365, 404).
quot;) Vg. boven hh. 228, 232,
SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN. § 33.
inzoover het afkeuring (reprobatio) van onrecht beoogt, kan het op dit standpunt ongedeerd blijven, omdat het als zoodanig eene even natuurlijke als ten goede werkende uiting is van sociaal-ethische begrippen, welke zich historisch hebben ontwikkeld.
Onjuist en onnoodig is het dan om uitwegen te zoeken M). Doch in het tegenwoordig tijdperk van overgang en totdat het strafrecht, bij toenemende kennis omtrent oorzaken der criminaliteit, bewust deterministisch zal geworden zijn, kan de terminologie van wat zich indeterministisch ontwikkeld heeft, niet geheel worden verlaten. Meer echter dan de terminologie staat hier niet in den weg. De gewone verantwoordelijkheid of strafbaarheid is immers berekend op de toegankelijkheid der menschen voor die voorstollingen en begeerten, betreffende de stoffelijke en de zedelijke wereldorde, welke binnen zekere rechtsgemeenschap, in zekeren tijd, de normale determineerende zijn; en de ervaring leidt tot de erkenning van bepaald aan te wijzen psychische toestanden, waarin de werking van deze normale determinanten faalt, waarin de eigenlijke strafrechtelijke behandeling hare reden van bestaan verliest, en welke dus ook van deterministisch standpunt toestanden van tnere-kenings-onvatbaarlieid kunnen heeten.
5. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid bestaat niet zonder schuld, in een der beide ook naar ons recht erkende vormen. Hierop heeft de wetgever te letton bij de begripsomschrijving der delikten; de rechter, inzoover hij niet mag veroordeelon zonder bewijs van schuld. Het bewijs van dit z. g. n. âintern feitquot; kan worden geleverd door bekentenis en door aanwijzingen , dikwijls reeds gelegen in de enkele toedracht der handeling; naar 's rechters vrij en nauwgezet oordeel ls). â Wettelijke vermoedens van schuld, behoudens tegenbewijs, erkennen wel theoretisch het vereischte van schuld; doch
14) Zooals b.v. v. Lisztl. c.; voor.il Tarde, Philosopliio pénale 83; zie boven noot 11.
15) Vg. de rechtspraak van II. R. Zie vooral ïeixeira quot;de Mattos, Léon's Regtspr. Strafvord. ad art. 442 (oud â 406 nieuw) n. 2; ook Overz. in T. v. S. Voor recht-streeksch bewijs door getuigen (zeer betwistbaar) H. R. c. a. W. 5704, on N. R. 156, 232.
255
256 § 33. SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN.
dreigen practisch met gevaar van veroordeeling zonder schuld ^), Ook aan deze fout lijdt het â m. i. geheel onnoodig â art. 51 Swb.; betrekking hebbende op nvertredhujen, bestaande in schending door âbestuurders, leden van eenig bestuur of commissarissenquot; van rechtsverboden of geboden tot hen als zoodanig gerichtir). Art. 57 al. 5 der Wet betrekkelijk het bouwen binnen zekeren afstand van vestingwerken (21 Dec. 1853, S. 128) schijnt zelfs geen tegenbewijs toe te laten 18).
6. De leer dat bij overtredingen schuld onnoodig, de enkele veroorzaking, door doen of laten, het z. g. n, materieele feit voldoende is, was vroeger ruim verbreid, vooral onderFran-sche schrijvers en rechtspraak'9). In de wetboeken zelve, met hun onvoldoende terminologie, vond zij misschien aanleiding, niet noodwendig steun. Gevoed, deels door verwarring tusschen gemis aan âopzetquot; of aan âboos opzetquot; en gemis aan schuld in het algemeen; deels door onklare voorstellingen omtrent het bewijs van schuld; deels door onzekerheid omtrent het juiste verschil tusschen âovertredingenquot; en andere strafbare feiten; deels door de m. i. ook hier noodlottige onderscheiding tusschen âformeele en materieele deliktenquot; 50); had zij hare uitloopers ook bij de behandeling van het Nederlandsche
Vg. v. Liszt 162 (172); Lucas 1. c. 135; Binding, Normen II 609. Art. 9 Arbeidsw., v. 5 Moi 1889 stelt een vermoeden voor het âverrichten van arbeidquot;, nog niet voor de schuld van hem die dezen âdeed verrichtenquot;. Vg. Besier, T. v, Str. V 356. â Over drukpersdelikten beneden n. 8; fiscaal strafr. n. 7.
17) âOok aan deze foutquot;; somtijds n. 1. zal, ingevolge dit artikel, bovendien liet ,daderschapquot; zelf op vermoeden worden aangenomen. â De strekking van het art. volgt uit M. v. ï.; de beperking met name uit noot 1 aid.; consequent is die beperking niet. â De in noot 2 vermelde bep. der Armenwet en Spoorwegwet zijn, als nu overbodig, niet bij Inv. w. gehandhaafd. â Vg. F. K. v. Lennep, art. 51 Swb. (Diss. 1887), 38, bep, 47 vgg. â Over de beperkte strekking v. dit art. H. R. 26 Nov. 1888, W. 6645.
1S) Vg. M. v. T. ad a. 51 noot 1. â Art. 57 gehandhaafd in a. 10uo Inv. w.
18) Over het onder dit n0. behandelde onderwerp in zijn geheel vooral D. Simons, Het schuldbegrip bij overtredingen, in Themis, 1884, 550 vgg., en 1885, 1 vgg.; D. v. d. Vliet, Dolus en culpa bij overtredingen (Diss. 1884). â De leer v. h. âfait matfirielquot; o. a. bij Chauveau IKlie 4071 vgg. en de daar aangehaalde arrquot;. v. Cass., ook b. v, 4215, 4216; Ortolan, Elém. I 274; Dalloz, Rép. v. Contrav. Ook Ned. rechtspr. Schooneveld (4e ed.) 546. â Do meeste voorstanders erkenden echter de uitsluiting van aansprakelijkheid bij toerekenings-onvatbaarheid en overmacht. Anders b. v. Rb. Leiden (W. 432, 445) aangehaald bij Simons 1, c,
!0) Modderman bij Smidt I 411 (441). Vg. boven 189,
SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN. § 33. 257
Wetboek. Somtijds stak daarbij de bedoelde leer zelve het hoofd op21); somtijds deed men de stelling gelden, dat bij overtredingen schuldverband altijd eo ipso, met het feit zelf der overtreding, aanwezig wasquot;); somtijds werd een bepaald onderzoek naar, eene uitdrukkelijke beslissing over het bestaan van schuld, hier onnoodig geacht23).
In haren letterlijken zin en ongerijmde consequentie hebben noch Staatscommissie, noch Regeering de leer van hetmate-rieele feit gewild. De ongelukkige zinsnede omtrent het âbewijs van schuldquot;, in de M. v. T. van Boek III opgenomen, raakt het materieele recht niet. De eenige eigenaardige opvatting betrekkelijk dit punt welke op den inhoud van het Wetboek invloed had, was deze, dat bij overtredingen, hetzij dan wegens hare geringe zwaarte, hetzij wegens haar z. g. n. karakter van âwetsdeliktenquot;, noch in de begripsomschrijving, noch in de strafbepaling, tusschen den doleusen en den culposen vorm zou worden onderscheiden; beide vormen strafrechtelijk zouden gelijk staan24); â en haar gevolg was dit, dat de in Boek II over 't algemeen nauwgezet in 't oog gehouden terminologie ter aanwijzing van den schuldvorm, in Boek III geheel is verwaarloosd. â Toch was ook die opvatting minder juist en kon die vermeende gelijkstelling van opzet en schuld geen doorgaand criterium voor âovertredingenquot; zijn, vermits immers sommige, naar hare omschrijving in de wet, óf in haar geheel, of ten aanzien van eenige bestanddeelen, slechts in doleusen, andere slechts in culposen vorm denkbaar zijn 25).
Intusschen behoeft de bedoelde verwaarloozing der terminologie niet tot de veroordeelde leer van het materieele feit terug te voeren. Het beginsel âgeene strafrechtelijke aansprakelijkheid zonder schuldquot; â de grondslag ook van het algo-meene art. 37 â moet in het stelsel onzer wetgeving even-
quot;) Vg, Smidt I 356 (382). Op zijn minst onduidelijk ib. 391 (420).
!2) M. v. T. Stsc. 266 vg., door de Reg. niet overgenomen.
53) M, v. T, Stsc. 266; id. O. R. O. Smidt III 168 (175); ook PolenaarâHeemsk. 129.
54) M. v. ï. v. B. III, Smidt III 168 (175). â Zie ook bii liet vervallen a, 418, O. R. O. Smidt III 49 (51).
55) Vg. b. v, a. 424, 425'quot; 2°, 435'°, 448, 454,
268 § 33. SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN.
eons bij âovertredingenquot;, waarvoor de wet het immers niet uitsluit, worden gehandhaafd. Inzoover dan de omschrijving niet blijkbaar âopzetquot; vordert, kan met culpa worden volstaanquot;). Dit geldt niet voor het Wetboek alleen; bij de toepassing van andere wettelijke bepalingen evenzeer. Alleen klaarblijkelijke uitsluiting zou tot verwaarloozing van het beginsel mogen leiden.
7. Het fiscaal strafrecht neemt hot, zoo hier te lande als elders, met het schuldvereischte niet nauw: het stelt âmeestersquot; en âerfgenamenquot; aansprakelijk voor de schuld van anderen 1!7). Intusschen moet, ten ware de wet tot het tegendeel bepaaldelijk mocht dwingen, het schuldvereischte ook hier niet worden prijs gegeven 28).
8. Ook bij drvhpersdelihten geldt naar menig rechtstelsel aansprakelijkheid op grond van gefingeerde schuld. Niet meer intusschen naar de leer van het Nederlandsche rechtquot;).
9. De wetgever die ten aanzien van eenig bestanddeel van een delikt â in eenvoudigen of gequalificeerden vorm â met het objectief aanwezig zijn daarvan wil volstaan en schuldver-band niet vordert, wijkt inzoover van de juiste leer afquot;). Dergelijke afwijking is nooit gerechtvaardigd, indien maar bedacht wordt, dat immers niet voor alle bestanddeelen van eenzelfden deliktsvorin dezelfde schuldvorm behoeft geeischt te worden31).
S6) âInzoover.quot; Zie over de onderscheiding der bestanddeelen in verband met de schuld, deze § sub 2. â Vg. Simons I.e. (1885) 26 vgg. i 59 Dwb. âstrafbare Hand-lungquot;. Eg. Entsch. II 321. v. Liszt 161 (172). Binding Normen II 616. Olsh. ad §59, n. 9, 34. â Zie ook Ontw. Rusl. a. 43 al. 4.
=quot;) a. 231 j0 b.v. 218, 221 Alg. W. v. 26 Aug. 1822 Sb. 38; a. 13 W. 4 April 1870 Sb. 61.
^8) Juist H. R. 20 April 1864, W. 2592 (a. 61 W. o. d. WaSborg); zie ook in a. 229 Alg. W. het dilemma âverzuim of abuisquot;, âopzettelijke fraudequot; ; voorts de qualifioatie âmisdrijvenquot; in a. 7 al. uit. Inv. w. â Vg. W. v. h. R. 445, 452 in verband met a. 20 W. 21 Aug. 1822 Sb. 35 (zoutaccijns). Aanhalingen uit wetgeving en rechtspraak in Duitschland bij v. Liszt § 37 n. 3, Lucas 1. c. 134.
^9) a. 53. 54, 418, 419 Swb. â Smidt I 423 (452). Onder de rijke literatuur Schimmel, Period, pers- en drukpersdel. (Diss. 1882) 76; Simons, De vrijheid v. drukpers (Diss. 1883) 73. Zie verder beneden bij deelneming.
30) Vg. Binding Normen II 616; Lucas 1. c. 134. â Over bestanddeelen boven § 26, n. 1.
31) Vg. boven n. 2, bep. noot 8.
SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN. § 33. 259
Intusschen, indien een wetgever dergelijk samentreffen van beide schuld vormen niet kent, ligt het ook in den aard der zaak dat hij bij menig âopzettelijkquot; misdrijf voor sommige bestanddeelen â waaronder ook het misdrijf vergezellende z. g. n. âverzwarende omstandighedenquot; â met den eisen eener zuivere objectiviteit stellig volstaan wil, of althans voor opvattingen in dien geest ruimte laat. Aldus ook, mede blijkens formuleering en toelichting, het Nederlandsche wetboek 3S). Voorbeelden bieden alle, niet klaarblijkelijk culpose misdrijven, in welker omschrijving het woord âopzettelijkquot; (of eenig analogon) ontbreekt, of dat woord niet alle deelen van den zin beheerscht; of waarbij âobjectief verzwarende omstandighedenquot; zijn aangewezen. Do wetsverklaarder mag dit stelsel der wet niet veranderen; doch hij bedenke evenzeer, dat de zin der wet op dit punt niet in eene algemeene formule is terug te geven , doch dat die te zoeken is voor ieder bestandeel (verzwarende omstandigheid) van ieder misdrijf waarbij de vraag zich voordoet, op zichzelf, naar den aard van het delikt, naar den aard en de beteekonis van het bestanddeel , bij verzwarende omstandigheden ook hiernaar, âof do grond der strafverzwaring bovenal in het grootere nadeelquot; (gevaar) âdan wel bovenal in de grootere immoraliteit van den dader te zoeken isquot;; voorts niet zelden naar de toelichting bij de samenstelling der wet33).
10. De vraag naar het verband tusschen schuld en de veroorzaking van een in de deliktsomschrijving met name genoemd gevolg vertoont zich in de nieuwere strafwetgevingen onder onderscheiden gezichtspunten.
Inzoover uitdrukkelijk het âopzettelijkquot; of liet âdoor schuld veroorzaken van een gevolgquot; wordt strafbaar gesteld (a. 287» 307, 164, 165), is het schuldverband streng gehandhaafd.
quot;) Vg. Smidt I 75 (82), II 168 (170), 315 (332), 331 (348),III83 (85). Vg. ? 34. 33) Voorbb. a. 104 j°. 102, 131, 138 j0. 370, 180 (waarover H. R 27 Febr. 1888, W. 5526, T. v. Sr. I 399), 239, 244, 245, 247, 252; do tegenstelling âopzettelijk wederrechtelijkquot; â âopzettelijk cn wederrechtelijkquot;, T- v. Sr. II 230, IV 47; a. 279 al. 2, 311, 312 al. 2,
260 § 33. schuld kn sciiuldverband in het algemeen.
Inzoover bij dolmse delikten de veroorzaking van een gevolg (met name van âeen gevaarquot;) als grond voor strafwaardigheid of strafverzwaring nadrukkelijk alleen gesteld is, voorzooveel het quot;te duchten isquot;, d. i. ten tijde der daad in 't algemeen te duchten was (a. IS?'quot;20, 161, 162'°, 166'°, 1681quot;, 170lojo Swb.), wordt wel reeds, ra. i. ten onrechte, het persoonlijk karakter van het schuldverband â dolus dan wel culpa â in theorie prijs gegeven; maar wordt toch met een zuiver objectief causa-liteitsverband niet volstaan, integendeel iets gevorderd, dat practisch meestal op een culpoos schuldverband neerkomt3lt;).
Inzoover naar do meeste nieuwere wetgevingen, bij doleuse delikten het intreden, na de voltooiing, van een niet door het opzet beheerscht (jevolg (zwaar lichamelijk letsel of dood) zonder nadere aanduiding gesteld is als grond voor strafverzwaring, valt omtrent het schuldverband het volgende te onderscheiden. Het toerekenen van dat gevolg steunt niet meer op do fictie van een indirect opzet36). Maar een bepaald schuldverband als culpa wordt, ook hier m. i. ten onrechte, blijkbaar niet gevorderd. Dwingt dan de wetgever, om niets meer te verlangen dan een zuiver objectief causaliteitsverband, d. i. aansprakelijkheid zonder schuld36)? Wat hiervan naar vreemde wetgevingen gelden moge, voor het Nederlandsche recht raag,
M) Vg. 5 24 n. 8. â Stolsel verdedigd in M. v. T. en door Min. Modderman, tegenover het m. i. juiste, ook in ontw. 1817 gehuldigd, nu verworpen stelsel der C. v. R.; Smidt II 116. 120, 130 (118, 121, 132). Vg. W.v.29 Juni 1854 Sb. 102 en daarover H. R, 25 Oct. 1870, W. 32G2. Belangrijk H. R. 1887 W. 5400, vooral 5490. â Merkwaardig is het intusschen, dat de formule âte duchten isquot; eigenlik om eene buiten dit vraagstuk staande reden boven 't zuiver objectieve âontstaatquot; werd verkozen. Smidt II 117 (118), â Dwb., ^ 306 vgg., Code Ital. 288 vg. C. P. 434, C. P. B. 510 vgg. specialiseeren en missen daardoor dergelijke voor de geheele schuldleer zoo belangrijke algeraeene redactie. Zie echter vooral C. P. B. a. 510 al. 4.
^) Vg. a. 300 al. 3 mot 287. Zie over dit punt i 34.
^) Qroote strijdvraag onder de Duitsche schrijvers. De meeste nieuworen sluiten ieder schuldverband uit: v. Liszt 163 (173), Geyer Grundr. II 143, Meijer 153, Wahlberg in Zeitschr. f. d. ges. Srw. II 207, Lucas 1. c. 19 e. a.; zoo ook RG. o a. E. V 33; eveneens, met uitvoerige afkeuring van het stelsel des wetgevers Brück, Fahrlassigkeit (1885') 102 vgg. Een samengaan van dolus en culpa nemen aan o. a. Berner Lehrb. 130, Imputationslchrc 254, Binding Hdb. 1366, Halschner II 28 o. a,
SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN. § 33.
op den voet van het straks betoogde, het gevolg alleen dan
/1
ter strafverzwaring worden toegerekend, wanneer ten tijde derquot;/ daad de mogelijkheid daarvan in 't algemeen te voorzien was. Dui-cTelyk is dit voor sommige gevallen uitgesproken (a. 157 30, 16620, 16820, ITO30)37). Voor de andere (141, 154 al. 4, 162'-°, 164 al. 2, 16630, 172, 174, 181, 206 al. 2, 218, 257, 275,282 al. 2 en 3, 296 al. 2, 297 al. 2, 300 vgg., 312 al. 24quot;, en 3, 382, 395 al. 2, 396) mag hetzelfde worden aangenomen: èn wegens de eenheid van stelsel; èn wegens het beperkt aantal en den aard der delikten waarbij deze gronden van strafverzwaring gelden; èn wegens het beperkt causaliteitsbegrip waarvan de wetgever blijkbaar is uitgegaan 38).
Bij culjjose delikten schijnt de vermelding van gevolgen, als z. g. n. objectief verzwarende omstandigheden (a. 158, 163, 165, 167, 169, 171, 173, 175, 283) nog vreemder39). Culpoos schuldverband eischt daarbij klaarblijkelijk de wetgever niet; doch op grond eener logisch noodzakelijke eenheid van stelsel, mag ook' hier m. i., âvoorzienbaarheid van het gevolg in 't algemeenquot; naar ons recht gevorderd worden 40).
11. Bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid (a. 101, 135, 136, 152, 306, 340 vgg., 418'quot;, 419'quot;, 450; vg. § 26 n. 2) kunnen buiten schuldverband staan, vermits immers, formeel, de dader niet bepaaldelijk daarvoor wordt aansprakelijk gesteld., Intusschen kiest de wetgever niet licht andere dan die ten minste âin 't algemeen als mogelijk te voorzien warenquot;.
12. Bovenstaande beschouwingen liepen wel nu en dan op de leer der bijzondere schuld vormen vooruit; maar nog nauwer was haar samenhang met den eisch van schuldverband in 't algemeen.
37) Juist daarom ia in Gr. O. van O, R. O, afgeweken on tot de redaotio van do Stsc. teruggekeerd. Smidt 11 120 (127, 128).
3S) Vg. § 24 n. 7,8. â Aldus ook v. d. Bogaort, Gevolg v. misdr. grond v. strafverzw. (Diss. 1885) 51. Eigenaardig ook de Pinto, Themis 1883, 405.
39) ïoeliohting ontbreekt. Zelfs de O. v. B. verzuimde ook deze artt. van haar standpunt te bezien. Onzekerheid bij het debat Smidt II 136 (137).
40) Objectief ook voor § 309 Dwb. o. a. EG. E. V 202. Vg. Lucas 114. Brück 1. c. 03. â Voor âculpa levisquot; v. d. Bogaert 1. c. 69.
261
262 § 33. SCHULD EN SCHOLD VERB AND IN HET ALGEMEEtJ.
12. In de historische ontwikkeling der strafrechtelijke schuld-loer valt vooral op enkele harer zijden het lichtquot;).
Aansprakelijkstelling ook zonder schuld gaat met do oorspronkelijke opvatting der straf als oorlogsdaad (wraak , bloedwraak , veete) samen en vertoont zich dus ook nog in de periode der compositie; intusschen, alleen voor do in het zoengeld vervatte schadevergoeding en terwijl onder voormeld negatief begrip (von Ungefahr) ook lichtere schuld begrepen was quot;).
Bij het toenemend publiekrechtelijk karakter der straf en in de Germaansche wereld reeds onder den invloed van christelijke opvattingen, valt de aansprakelijkheid voor toeval geheel weg43); en erlangt de tegenstelling tusschen opzettelijk en niet-opzettelijk handelen steeds grooter beteekenis **).
Intusschen staat de ontwikkeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor culpa bij die van den dolus verre achter in scherpte en in omvang. De zwaardere vormen smolten veelal met dolus, de lichtere met casus samen; de behandeling was casuistisch en de delikten waarbij wegens bepaalde culpa straf werd opgelegd (met name levensberooving), waren uitzonderingsgevallen.
Zoo in het Romeinsche en evenzeer in het Germaansche en het Kanonieke recht quot;). In de C. C. C. is ten aanzien van culpose levensberooving reeds een algemeen begrip aangegeven en met voorbeelden toegelicht46); terwijl voorts de latere praktijk naar velerlei onderscheidingen zoekt om de strafbare
41) Vg. Geib Lehrb. II 248; Lucas 1, 105; Meijer 149; v. Liszt 160 (170); Feuerb. Mitterm. 154; Brüok, Fahrlassigkeit (1885) 34; \ViIda544, 578; Brunner D. Rechts-gesch. 156.
42) Vg. boven ^6, blz. 39 vgg. â Oud-Rom. r. de plaatsen v.Gellius XX 1 en Servius aangeh. bij Geib. â Germ. r. Wilda 578; Geib II 251; L. Saxon XII 1,5; L. Angl. 10, 8.
â ^) Vg. b. v. L, Saxon XII 3, 4, met L. Ilib. LXX, 2. Vg. Wilda 579, 582; Geib 252.
â¢quot;) Wilda 545, 579; Geib 249, 251 vgg. L. 1 | 3 1. 7 D. L. Corn, de aio. (48, 8).
Strijdvraag voor het Rom. r. over de erkenning van enkele culpose delikten; en over de grens van culpa lata en dolus: Pernice, Labeo II 244; Geib 251; Binding, Normen II 338; Lucas 406; Brüok 35 on litt. aid. â Voor Germ, recht Wilda 581; Geib 252; Brüok 36 en de daar aangeh. plaatsen v. Kan. r. Ook de casuïstiek in Schwabensp. 182â184.
46) 0. C. C. a. 146. jquot;. 134, 136 (vg. L. 11 pr. D. ad. L. Aq. 9,2); 180.
SCHULD EN SCHULDVERBAND IN HET ALGEMEEN. § 33. 263
van de straffelooze culpa af te zonderen 47. Wat aangaat den omvang van het gebied waarop deze schuldvonn in 't strafrecht erkend wordt, zoo hadden reeds de Italiaansche practici der 14e en 15q eeuw de algemeene strafbaarheid bij alle delikten die daarvoor pasten, voorgestaan en bleef dit punt tot heden toe bij auteurs en wetgevers een punt van strijd 18). H. 1.1. gold reeds in het Grim. Wb. v. 1809, dat slechts âmerkelijke schuldquot; in aanmerking kon komen en alleen âwanneer de wet zulks duidelijk uitdruktquot; 40). De ontwikkeling van het leerstuk der culpa is echter verre van afgesloten.
De ontwikkelingsgeschiedenis van hot c/o/^sbegrip is het belangrijkst bij den nog steeds voortgezetten lateren dogma-tisehen strijd èn over de onderscheiding tusschen opzet en boos opzet, èn over die tusschen velerlei vormen van opzetsquot;).
Ernstige tekortkomingen vertoont de geschiedenis der schuld-leer, belangrijke vorderingen zijn nog te maken ten aanzien van de verhouding tusschen, hot âsamentreffenquot; van dolus en culpa. Dit punt is steeds te beperkt opgevat51).
Eindelijk moeten op de schuldloor bijzonderen invloed hebben anlhropologisch-sociolotjische studiën, welke het zwaartepunt leggen in het karakter des daders, waarvan de schuld bij eene enkele daad slechts eene uiting is 5:).
§ 34. Opzet ').
1. Hot woord opzet wijst in do Noderlandscho rechtsleer,
B. v. Damhouder o. 85, 8 vgg. HogondorpâCarpsov., o. 27; Clarus, Horaic, qu. 84, n. 1; Farinaciua qu. 87, 88, 126.
â '8) Reeds Alb. Gandinus, Ang. Aretinus, Jac. de Belvisis. Later Bossius, Clarus, Menochius otc. Ook Carpsovius 141, 142. Vg. Qoib 255, Brüok 37.
a. 10, 11, j0. 131, 132, L IG (levensberooviug, verwonding). Zio ook a. 3, 6. Ontw. 1804. â Daartegenover b. v. a. 64 Beijeren (L813).
5°) ? 34. quot;) Geib II 267. Deze § 3, 10. quot;) Boven § 3.
§ 34 ') Zie voor de algemeene literatuur § 33 noot 1 en R. Frank, Voratellung u. Wille i. d. modernen Doluslehre, Z. f de ges. S\v. X 169, niet do daar aangehaalde oudere schrijvers. Voorts voor Ned. Swb. over 't algemeen begrip, de M. v. ï. (ji 5) enz. bij Smidt I 66â76 (73â83); verder bij onderscheiden bijzondere artt. Ook v. Ittersum, T. v. Sr. II 139.
§ 34. OPZET.
naar de taal van het wetboek en in overeenstemming met vroegere terminologie, den eenen schuldvorm aan s).
Het opzet is een, straks nader te omschrijven bestanddeel van het psychologisch proces, ivilsproces, dat tot het delikt heeft geleid. Het begrip is dus in strafrechtelijken zin ontleend aan het begrip in algemeen psychologischen zin. Maar, terwijl hier omtrent de terminologie veelal onzekerheid bestaat; is in een bepaald rechtssysteem vastheid van begrip alleen bij eenheid en vastheid van uitdrukking mogelijk 1). Deze ontbraken in de ontwikkelingsgeschiedenis van het begrip maar al te zeer; met name wegens den invloed van het Ro-meinsche recht; hier te lande bovenal onder en door de heerschappij van het Fransche recht '). Het Ned. wetboek bezigt geen ander woord dan âopzettelijkquot;. Het voorkomen nu en dan, van âwetende datquot; of eenige analoge uitdrukking, (a. 195 ju 196, 198); het ontbreken somwijlen van iedere nadrukkelijke aanduiding (b. v. a. 138, 140); de toevoeging niet zelden van âmet het oogmerkquot; (b. v. a. 225, 281); schaden niet aan de eenhiid van het begrip. Dat begrip is derhalve te ontleenen aan de opvatting des wetgevers. Deze nu blijkt uit de bijzondere deliktsomsch rij vingen, èn op haar zelve èn in onderling verband; niet uit eene â daarnaast onnoodige, zelfs gevaarlijke â algemeene definitie of andere algemeene aanwijzing s). Uit de gewisselde stukken en de beraadslagingen
264
1
) Vg. boven blz. 250. â Hoffding, Psychologie (1887) *116; Drbal , Emp. Psychologie (1885) 286.
OPZET, § 34.
is die opvatting ten aanzien van sommige zijden tootelichten; uit do geschiedenis van het leerstuk en uit de algemeene psychologie is zij op te helderen.
2. Bij de samenstelling van het wetboek is opzet opgevat als: âde wil om het feit te plegen dat de wet strafbaar steilquot;; is het âopzettelijk plegen van een misdrijfquot; aangeduid als: âhd teweegbrengen van de verboden hundeliiig willens en iveiens'J quot;).
Opzet kan dus bij voltooid delikt alleen betrekking hebben op wat werkelijk gedaan en teweeggebracht is; en daaronder alleen op de speciale bestanddeelen van het delikt. â Daarom is van het opzet geheel onderscheiden dat oogmerk dat, als het streven naar zeker einddoel, naar de bevrediging van die behoefte die den stoot gaf aan de overlegging welke tot de handeling voerde , d. i. als motief of drijfveer wordt aangeduid (b. v. bij een doodslag de begeerte om zich vau het geld van den gedoode meester te maken), â Daarom is daarvan mede onderscheiden dat oogmerk, dat streven naar een bepaald nader doel, dat wel voor de strafbaarheid der handeling vereischt wordt, maar zonder welks verwezenlijking het delikt toch voltooid kan wezen (b. v, bij diefstal het oogmerk van toeëigening der zaak a, 310, bij schaking hot oogmerk om zicli het bezit der geschaakte te verzekeren, a. 281). â Daarom is onder opzet begrepen, maar worde daarmede niet vereenzelvigd, het oogmerk in engeron zin, het streven naar de bereiking van hot naaste doel, naar de verwezenlijking van liet gevolg dat hoofdbestanddeel is van het delikt (b. v. bij doodslag den dood, bij diefstal het bezitsverlies).
Bij âopzettelijkquot; gepleegd delikt kan hot opzet derhalve alleen behoerschen;. a het doen of laten-, b het daardoor veroor-zahéll Vim het tjevnftf' ih Tiet veroorzaken waarvan het ver-bodene bestaat; c de verwezenlijking van de overige feitelijke bestanddeelen (essentialia) van hot delikt1). In deze drie ver-' houdingen worde nu hot opzet nader ontleed.
205
1
') Vg. boven § 21â20. i,' i'
§ 34. OPZET.
3. Het begrip âopzet gericht op («) doen of latenquot; is eenvoudig en onbetwist.
Bij doen (de daad) moet zijn aan te wijzen eene opzettelijk verrichte spierbeweging, onverschillig dan inzoover wat hare uitwerking zij , oen vuistslag b. v. of een aalmoes.
Die spierbeweging is eene opzettelijke, indien zij is eene gewilde; zij is eene gewilde, indien zij werd voorgenomen en uitgevoerdquot;). Zoo vallen dan 1°. huiten het begrip, niet slechts a. rvenschen en voornemens, maar ook b. die bewegingen welke, als uitvloeisels van absoluten dwang (physiek of psychisch) of als reflexbewegingen, goene gewilde bewegingen zijn9);â-doch 2Ã. binnen het begrip, alle gewilde daden, ook al was de dader voor het daardoor veroorzaken van eenig gevolg niet aansprakelijk, omdat te dien opzichte opzet en schuld ontbraken. Zoo is er geen opzettelijke daad, wanneer iemand onder den invloed van absoluten dwang een ook door hem gewenschten dood veroorzaakte; is er wel eene, wanneer iemand door eene willekeurige daad een dood veroorzaakte dien hij zelfs niet bul kunnen voorzien.
Plet hier van doen (beweging) gezegde geldt dan van luien (onthouding van beweging) eveneens.
Dit opzet wordt somtijds, als formeel, gesteld tegenover materieel opzet, het opzet gericht op de veroorzaking van een gevolg I0), Plet wordt onvoorwaardelijk voor alle âopzettelijk te plegenquot; (doleuse) delikten gevorderd. Ook naar Nederlandsch recht. âVoor misdrijvenquot; van die groep onbetwist. Doch stellig ook voor âovertredingenquot;, inzoover deze n.1. niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan quot;).
Doch het vertoont zich niet uitsluitend bij z. g. n. âdoleusequot; delikten; het kan en zal zich dikwijls eveneens voordoen bij z. g. n. âculposequot; ; vermits in het bestaan of het ontbreken
s) Het vroeger (§ 24. 3, bl. 186) aangeduide verschil in opvatting omtrent het begrip van den wil, is tegenover de daad nog niet van beteekenis.
») Vg. boven l 24. 4 (187) en $ 30. 1 (227).
lu) Modderman bij Smidt I 74 (81).
quot;) Vg. 5 33. 6.
266
OPZET. § 34.
van dit opzet het criterium tusschon de gevallen van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor âopzetquot; of âschuldquot; {dolus of culpa) niet gelegen is.
4. Dat criterium nu ligt wel in het bestaan of hot ontbreken van (b) âhet opzet gericht op het veroorzaken van het gevoUj in het veroorzaken waarvan het delikt bestaatquot; '2). Dit kan bij z. g. n. âculpose doliktenquot; niet voorkomen; uitsluitend bij âdoleusequot;.
Maar moet het dan ook voorkomen bij deze alle, even ononvoorwaardelijk als het opzet («) zooeven sub 3 omschreven ? De in onderscheiden wetgevingen als âovertredingenquot; gequa-lificeerde feiten, waarbij de schuldleer zoo onvolkomen ontwikkeld is, blijven buiten beschouwing; en dan luide het antwoord: ongetwijfeld 13). Ook naar Nodorlandsch recht; b. v. hot opzet gericht op het veroorzaken vau den dood (a. 287), van bezitsverlies (a. 310), van beschadiging (a. 350). Ook zonder dit opzet geen âopzettelijk handelenquot;.
Waarin nu bestaat dit opzet naar zijnen aard ?
Dat de veroorzaking van het gevolg niet als motief behoeft te hebben gewerkt (dooden alleen om te dooden) is duidelijk.
Verder is bij het geven van antwoord op bedoelde vraag hoofdzaak eene ondubbelzinnige terminologie. De woordenkeuze van de z. g. n. wilstheorie, eischende dat âhet gevolg gewildquot; zij, schijnt eenvoudig en duidelijk, doch is, wegens de mogelijkheid van verwarring tusschen âgewildquot; gevolg en âbeoogdquot; gevolg, bedenkelijk. Juister is de woordenkeuze der z. g. n. voorstellingstheorie, hiervan uitgaande dat alleen het doen (of laten) zelf âgewildquot;, dat het gevolg slechts âvoorgesteldquot; kan zijn u).
i:) Vg. Pole 1. c. 109, 111; Berner, Lehrb. 119, 124; Schaper in Holtz. Hdb, 11 195. Vele schrijvers noemen dit opzet in 't algomoen âoogmerkquot;, âAbsichtquot;. Zie ook v. Wiek, Vorsatz u. Absicht (1866) 25. Daarover beneden,
13) Hier worde nog eens herinnerd dat alle delikten bestaan in liet verboden veroorzaken van een gevolg; dat de onderscheiding tusschen âmaterieelequot;, en âfor-meelequot; delikten in dit werk (§ 2-1, 5) verworpen is.
14) Zie over deze tegenstelling Frank, Vorstellung u. Wille i. d. mo lernen Dolns-lehre. Z. f. d. ges. Sw. X, 169. â De strijd die zich aan deze onzekerheid der terminologie vastknoopt, is oud; zoo die over den âdolus indirectusquot; en over den âd. even-
267
§ 34. OPZET.
Men ondcrscheide dan de volgende drie schakeeringen: opzet als oogmerk; opzet bij zekcrheidsbewustzijn; opzet bij mogelijkheidsbewustzijn '5).
1°. De dader kan bij zijn gewild doen of laten (het opzet a van n. 3) zich de veroorzaking van het gevolg (het intreden van den dood door zijn pistoolschot) hebben voorgesteld als noodwendig of mogelijk en het tevens hebben beoogd; dan is dit opzet onbetwist aanwezig en heet het oogmerk l6).
2°. Hij kan bij zijn opzettelijk doen of laten zich de veroorzaking van het gevolg als noodwendig, als onvermijdelijk hebben voorgesteld, het bewustzijn der zekerheid daarvan hebben gehad, zonder het bepaaldelijk te beoogen (b. v. het verwonden van iemand die met zijn lichaam het voorwerp dat men met het pistoolschot beoogt te treffen, geheel bedekt; het dooden van de bemanning van een vaartuig, bij het veroorzaken van eone ontploffing waarmede alleen de vernieling van schip en lading ter verkrijging van assurantie-penningen beoogd werd'7). Bij sommige misdrijven, b. v. beleediging, is die schakeering van het opzet de gewone 18). Ook hier nu is hot besproken opzet onbetwist altijd aanwezig. In de formuleering der âwilstheoriequot; wordt dan gewaagd van âeen gevolg-dat wel niet gewenscld, maar toch gewild isquot;, of wel van âhet be-trijs van het oogmerk'1 dat door liet bewustzijn der onvermijdelijkheid geleverd is '9). Intusschen wordt het psychologisch begrip âoogmerkquot; als iets dat beoogd, nagestreefd wordt,
tualisquot;. â In den geest van de terminologie der woraieKmi/sf/ieone, van de ouderen reeds v. Almendingen tegen Feuerbacli in Bill, f. peinl, li. I, 1; vooral Bekker, Theorie d. heut. D. Strafr. (1859) I 243; van de tegenwoordige Duitsche schrijvers vooral v. Liszt 165 (175); Frank 1. o. â- De terminologie der mfaiAcone is de meest algemeene; vg. boven sub 2; Pols I.e., Berner I.e., Meyer 100, 162.
'») Vg. (i 33, 1 , blz. 249,
16) Dit is dan, onbetwist, in de Duitsche loer âAbsichtquot;. Intusschen is de strekking van dit woord in Dwbk. en bij de schrijvers dikwijls onzeker. Vg. Berner, Lehrb. § 66; v. Liszt 167 (174); Meyer 159 ; Lucas 9; Geyer II109. Vg. boven noot 12.
quot;) Geval Thomas van Bremerhaven. Ãmidt II 122, 125, 129 (123, 126, 130); Pols 1. c, 123; Binding Normen II 437; Lucas 1. c. 52.
18) v. Ittersum in T. v. Sr. II 329.
lü) Modderman bij Smidt II 120, 129 (121, 130). â Pols 1. c. 125. â Meyer 162, 7; Geyer 1 112; Krug 1. c. 67; Lucas 1. c. 9, 13; v. Liszt 167 (177).
'26S
OPZET. § 34.
zuiverder bewaard bij het enkel volgen van de terminologie der âvoorstellingstheoriequot;: opzettelijk veroorzaakt is het gevolg van welks onvermijdelijkheid bij het opzettelijk doen (of laten) de dader zich beirnst was
3quot;. De dader kan evenzeer bij zijn opzettelijk doen of laten zich de veroorzaking van het gevolg als mogelijk hebben voorgesteld, zonder het juist te heoogen. Dergelijk mogelijkheidshe-wustzijn is niet alleen bestaanbaar, doch ook stellig bewijsbaar. Alleen hoede men zich vragen omtrent hot bewijs met vragen omtrent den aard van dit bewustzijn te verwarren31).
Het geldt hier de moeilijkste vraag uit do leer van het opzet, de grensbepaling tusschen opzet en schuld.
De âwilstheoriequot; im kan consequent bij deze schakeering in geen geval opzet aannemen; omdat uit het bewustzijn van de mogelijkheid alleen het âbewijs van het oogmerkquot; dan toch wel niet kan worden geput. Zij moet in al deze gevallen aannemen âeen wil alleen gericht op de daad, maar niet op het gevolgquot;, derhalve aansprakelijkheid niet voor âopzettelijkquot;,-; alleen voor âschuldig (culpoos)quot; veroorzaken van het gevolg; zij het dan ook voor culpa in den zwaarsten vorm 52).
Intusschen kan deze consequentie noch psychologisch , noch juridisch voldoen. Psychologisch niet, omdat immers, bij de onzekerheid van alle toekomst, in verreweg do meeste gevallen slechts het bewustzijn aanwezig is van eene mogelijkheid, die zich dan als hoogere of geringere waarschijnlijkheid voordoet. Juridisch niet, omdat in menig geval van mogelijkheidsbe-wustzijn de onrechtmatigheid rnn het willen in den grond geen ander karakter zal dragen dan bij bewustzijn van de zekerheid. Hadde Teil zijn zoontje getroffen, dan zou (de vraag
20) Voor verschil met âoogmerkquot; de verspreidingsdelikten, a. 113, 271 Swb.
^1) Niet of hij het zich als mogelijk heeft ktmncn voorstellen, maar of hij het zich inderdaad als zoodanig voorgesteld heeft, is de eerste vraag; al kan hetheivijs van het laatste meermalen uit het eerste worden afgeleid.
quot;) Aldus consequent, naar ik meen, Pols 1. c. 111, 117, 119, 125. â Van de ouderen met name Fenerbach, Lehrh'. § 54 en Betrachtungen üher Dolus u. Culpa im Bibl. d. peinl, B. II, 1 n. 5. Eigenlijk ook Berner, Lehrb, § 68 en 72. Stellig v. Buri üeber die BegrifTe d. Vorsatzes u, d, llandlung, Gerichtssaal 41, 408,
2G9
§ 34. OPZET.
van âovermachtquot; daargelaten) alleen aan âschuldquot; kunnen zijn gedacht; maar de koning van Dahomey, hetzelfde kunststuk ter zijner oefening beproevende op een slaaf en dezen doodelijk treffende, zou gezegd worden diens dood âopzettelijkquot; te hebben veroorzaakt53).
Daarom heeft, waar praktijk en rechtsbewustzijn met voormelde consequentie der âwilstheoriequot; geen vrede zouden kunnen hebben , de dogmatiek ook bij enkel mogelijkheidsbewust-zijn de aannemelijkheid, onder zekere omstandigheden, van oigt; zet erkend en getracht naar het vinden van begrenzing en formuleering. Zij heeft zich laten verleiden tot de thans gelukkig verlaten fictie van den âdolus indirectusquot;. Zij heeft ktl zelfs heil gezocht in het aannemen van âgeheimzinnige raid-delgraden tusschen opzet en schuldquot;. Vooral echter heeft zij - â de vrij algemeen verbreide leer ontwikkeld van het z. g. n.
âvoorwaardelijkquot; of âeventueelquot; opzetquot;). Deze leer nu heeft wel tot juiste toepassingen geleid, maar de uitdrukking die zij zich koos, is niet de voor deze schakeering van het opzet passende. Van âvoorwaardelijk opzetquot; wordt immers ook en terecht gesproken in den zin van âvoorwaardelijk of relatief bepaaldquot; oogmerk; wanneer de dader het gevolg slechts voorwaardelijk beoogde, maar dan toch beoogde. Doch de hier besjn'oken schakeering van het opzet is niet âeen voorwaardelijk opzetquot;; zij is âslechts voorwaardelijk d. i. slechts onder zekere voorwaarden ojrzetquot; 25).
Daarom worde bovenal voor dit punt in de terminologie der âvoórstellingstheoriequot; klaarheid gezocht en mag m. i, de omschrijving aldus luiden; opzettelijk veroorzaakt is ook hot gevolg van welks mogelijkheid bij het opzettelijk doen (of laten) do dader zich bewust was, indien hij bij eene voorstelling van de
â¢^) Voorbeelden vooral bij Lucas 1. o. 46.
!l) Modderman; âDat gevolg heeft men dan eventueel in zijn wil opgenomenquot;. Smidt I 80 (87); ook 74 (81).
âVoorwaardelijkquot; niet adjectivum. maar adverbium; niet âeventueller Vor-satzquot; maar âeventuell Vorsatzquot;; niet âdolus eventualisquot; maar âeventuale dolusquot;; zou ik zeggen. Dit is in 't Nederlandach in, i. terug te geven door do bijvoeging âslechtsquot;.
270
OPZET. § 34.
onvermijdelijkheid zich door het vooruitzicht van dat gevolg niet zou hebben laten terughouden 26). Ook deze voorwaarde is bewijsbaar, b. v. uit het bewustzijn der hooge waarschijnlijkheid van liet gevolg, uit het verzuimen van voorzorgsmaatregelen, uit uitlatingen van den dader, uit zijne gewoonten
Zoo schijnt de ook hier verdedigde oplossing een leiddraad aan te geven theoretisch juist en practisch bruikbaar :B).
5. Wat onder n0. 4 omtrent de drie schakeeringen van het daar behandelde opzet betoogd werd, geldt nu consequent evenzeer van (c) het opzet gericht op de verwezenlijking van de overige feitelijke bestanddeelen (essentialia) van het delikt Die verwezenlijking is ook een âgevolgquot; van het doen of laten, is een deel van het resultaat in zijn geheel.
Dat de wetgevers, hoezeer ten onrechte, van sommige bestanddeelen het objectief aanwezig zijn voldoende achten, werd betoogd (§ 33, 9). Die categorie blijft nu hier buiten beschouwing. In de leer van het âopzetquot; bebooren slechts die bestanddeelen waarvoor de wet beheersching door het opzet vordert.
Deze bestanddeelen geven aan de handeling öf haar strafwaardig karakter, of hare bijzondere qualificatie (§ 26, 1).
Vg. Frank l.o. 211, 217; v. Liszt l.c. Uitnemend reods Breidenbach, Koram. op Swb. v. Qrh. Hessen (1844), aangehaald bij Frank 211.
S') Herhaaldelijk aldus b. v. bij veroordeeling wegens /tcfoff. Over onjuiste bestrijding der mogelijkheid van dit bewijs Frank 211.
28) Een overzicht van de onderscheiden pogingen der oudere schrijvers om eene bevredigende oplossing te zoeken, geeft Frank l.c. 170â194. Pogingen in oude wetgevingen bij Feuerb. Mitterm. $ 59. â De ter hulp geroepen dolus indirectus hoeft eigenlijk wijdere strekking; daarover nader beneden, sub. 12; reeds Feuer-bach (Lehrb. 1. o. 1) beklaagt zich over deze verwarring.
Do verdediging van âMittelstufen zwischen Dolus u. Culpaquot; bij Krug, Kostlin e. a. Vg. boven J 33 noot 5. Jammer genoeg nog niet geheel prijs gegeven door Modderman, Smidt I 75 (82), 80 (87); II 134 (136). Bestreden door BernerLehrb. g 67 n. 2, Pols l.c. 118.
Over de leer van den dolus eventualis naar de nieuwere schrijvers en de verwarring tusschen voorwaardelijk opzet als âopzet bij mogelijkheidsbewustzijnquot; en âvoorwaardelijk oogmerkquot; vooral Lucas l.c. 11, 35 en de daar aangehaalde plaatsen van Halschner, Syst II 129; v. Wachter in Gerfchtss. 1864, 56; Meyer 169, 182; Binding Normen II § 58; ook Modderman 11. cc. Vg. ook Simons Eechtsg. Mag. V 164. â De opvatting van âvoorwaardelijk opzetquot; uitsluitend als ârelatief bepaald opzetquot; (oogmerk) Pols 1. c. 123.
29) Vg. in deze § sub. 2 inf. Lucas l.c. 16.
271
§ 34. OPZET.
Wordt nu hot gevolg' teweeggebracht, rlan treedt het onder die bijzondere omstandigheden in. Sluit A. een huwelijk en was hij reeds gehuwd, dan is het resultaat dat een dubbel huwelijk werd aangegaan. Beleedigt B. een persoon en is die persoon de Koning, dan is het resultaat beleediging van den Koning. Ruit C. tot strafbare feiten op en was do vergadering waarin dit voorviel eene openbare, dan is er eene opruiing in het openbaar geschied.
Ook hier nu is het denkbaar: 1°. dat do dader dezen samenloop van gebeurtenissen beoogde; 2°. dat hij zich van hare onvermijdelijkheid bewust was, zeker wist dat ze zouden intreden ; 3quot;. dat hij zich van hare mogelijkheid bewust was en , al ware hij van haar intreden zeker geweest, niet anders zou hebben gehandeld. Juist ten aanzien van dergelijke bestand-deelen zal deze laatste schakeering zich in de praktijk meermalen vertoonen 30).
6. Thans gelde het de toetsing van deze leer omtrent omvang en aard van het opzet aan liet Nederlandsche recht.
7. Wat den omvang aangaat. Buiten beschouwing blijven de overtredingen en het fiscaal recht31). In de omschrijving der bijzondere misdrijven van het wetboek is de omvang aangegeven ; dit voorbeeld is bij latere wetten gevolgd 3:). De uitsluitend cidpose misdrijven zijn door de uitdrukkelijke vermelding van âschuldquot; of âonachtzaamheidquot; duidelijk te onderkennen.
Bij de overige wordt ongetwijfeld gevorderd het opzet («) gericht op het doen of laten ; en het opzet [b) gericht op het daardoor veroorzaken van het gevolg in het veroorzaken waarvan hot ver-bodeno bestaat. Zonder opzet in deze beide richtingen geen âopzettelijk handelenquot;. Juist hierin werd âhot normaal subjectief vereischte van allo misdrijvenquot; gezien (M. v. T.). Om dit
m) Voorbb. bij Lucas 1. o. 54; Entsoh. EG., 16, 363 (knevelarij); 18, 165 (smaad). Vg. Modderman I 75 (82).
31) Daarover § 33, 6 en 7.; g 34, 4, 5,
32) Bv. a. 2 W. 15 April 1887 Sb. 05, gew. 4 Juli 1889, Sb. 109 (onderz. telegraafkabels); a. 20 W. 5 Mei 1889, Sb. 48 (overmatige arbeid).
272
OPZET. § 34.
aan tc duiden, heeft de wetgever meestal en zeer juist het woord âopzettelijkquot;, aan hot verbum voorafgaande, in de begripsomschrijving opgenomen (a. 98, 111, 125, 142, 152 20, 157, 184, 207, 209, 220, 228, 236, 250, 252 254, 255, 261, 272, 274, 287, 302, 321, 329'°, 348, 350, 355 40, 385, 416 e. a.)33). Waar hij ter wille van taal en zinvorming dit woord niet bezigt, geeft hij niet het vereischte prijs, doch acht hij het reeds in de âtot omschrijving gebezigde woordenquot; uitgedrukt34). Zoo b. v. óf in het verbum zelf (opruit 131 , verleidt 207, te vondeling legt 256 e. a., als 108, 109, 126, 1^0, 147, 152'°, 197, 242, 274, 300); of in de aanduiding van het te bezigen middel (met geweld 95 , 121, 180 , 284 e. a., bedriegelijk 105, 127, 326 e. a.); of in de aanwijzing van een bijkomend oogmerk, waarbij de âhandelingquot; niet anders dan opzettelijk te verrichten is (a. 92, 101, 126, 174, 187, 225, 243, 253, 281, 310, 341). Intusschen heeft deze tweede methode, het niet bezigen van het woord âopzettelijkquot;, reeds ten aanzien van dit punt hier en daar onzekerheid gebracht (b. v. bij a. 140, 239) 3S). Toch moet aan den eisch van het hier besproken tweevoudig opzet bij alle misdrijven onbepaald worden vastgehouden : wegens de eenheid van stelsel, de uitdrukkelijke opsomming van culpose misdrijven, de duidelijke toelichting quot;),
Ten aanzien van het opzet (r) gericht op de verwezenlijking van de overige feitelijke hestanddeelen (essentialia) der misdrijven , is het antwoord moeilijker. In de toelichting is de hier gemaakte onderscheiding tusschen de drie objecten van het opzet niet tot haar recht gekomen; de zinsnede in het âRegec-ringsantwoordquot; dat âwetenschap vereischt wordt ten aanzien
Smirlt I 70 (78). Zoo in D. Wb., maar minder nauwgezet doorgevoerd, âvor-satzlichquot;. G. P. miste op dit punt allo klaarheid en nauwkeurigheid. ,
**) M. v. T. inf.; R. v. St. en Rapp.; Verslag en Antw. sub. b. Smidt I 70, 71, 76, bep, noot 2 (78, 79, 83). â Vg. v. Ittersum 1. o. I 146 vgg.
35) Zie v. Ittersum T. v. Sr. II 153 IX en 334 (noot) die bij a. 239 opzet en verzuim gelijk gesteld acht. â Vg. M. v. T. Ontw. Ãwb. v. N.-Indië a. 149, 248. â âReeds ten aanzien van dit puntquot;; veel meer nog ten aanzien van het opzet gericht op do andere hestanddeelen van het delikt. Vg. boven | 33, 9.
36) M. v. T. Smidt I 69 (77),
273
§ 34. OPZET.
van alles wat nooclig is hot feit oen misdrijf te doen zijnquot;, is te absoluut om juist te kunnen wezen37); op het mogelijk samentreffen , ten aanzien van verschillende bestand deelen maar bij hetzelfde misdrijf, van opzet en schuld is niet gelet; wordt derhalve voor ecnig bestanddeel verband met opzet door de wet niet gevorderd, dan moet wel met het enkel objectief aanwezig zijn worden volstaan. Waar nu in de deliktsomschrijving het woord âopzettelijkquot; voorkomt, is het stelsel aangewezen; vermits dat woord âsteeds de geheele omschrijving behoerscht van het strafbare feit, zooals die daarna volgtquot; 3S), en wal daaraan voorafgaat , alsdan buiten het opzet ligt, tenzij uit den geheelen .inhoud der bepaling het tegendeel noodwendig voortvloeitquot;). Maar waar om eene der bovenvermelde redenen van taal en stijl â welke toch slechts gelden konden met betrekking tot âde handelingquot; â het woord âopzettelijkquot; ontbreekt, heerscht met betrekking tot de âandere bestanddeelenquot; meermalen onklaarheid l0). Dit geldt niet voorzoover de uitdrukking âopzettelijkquot; door andere van gelijke strekking is vervangen, als: âwetende datquot;, âkennis dragende vanquot; 41). Maar waar zoo iets niet geschiedde, moet de onzekerheid voor ieder misdrijf en ieder bestanddeel naar de gewone methode van wetsverklaring worden opgelost. Van een algemeenen eisch van opzet kan echter op dit punt niet worden uitgegaan â ,2).
8. Bij de vermelding van verzwarende omstandigheden die het misdrijf vergezellen, wordt het woord âopzettelijkquot; niet gebezigd. Te dien aanzien geldt dus het zooeven opgemerkte evenzeer; en komen bovendien in aanmerking, gelijk feeds betoogd werd (§ 33, 9), de aard der omstandigheid en de reden voor strafverzwaring.
^7) Smidt I 74 (81) a 2°. en ad Ilm. 3S) M. v. T. Smidt I 70, 71 (78).
39) Zie b. v. a. 100; een blijkbare fout in a. 168, 170; vg. ook a. 351 met 350 en 352, Smidt III 33 (42); vg. a. 201 met zijn redactie in Ontw. Smidt II 209 (211); evenzoo a. 250, Smidt II 329 (332, 345); voorts a. 372, 393. Zie ook be-raadsl. 2°. K. ad a. 98. 102, 201, 204, 370.
â |0) Zie de voorbeelden aangehaald bi. 259 noot 33.
41) Smidt I 70, 71, 76 (78, 79, 83). Voorbb. a. 172, 174, 188, 195, 237 243, 253, 275, 362, 379 388, 389, 394 bis, 400, 411.
'2) Vg. ^33,9 en de noten 32, 33,
274
OPZET. § 34.
Ten aanzien van bijkomende gevohjen als gronden voor straf-verzwaring werd het stelsel der wet reeds ontwikkeld (§33, 10) en is, hoe men over de juistheid der verdedigde opvatting denke, in ieder geval verband met opzet niet geeiseht.
Voor sommige misdrijven vordert do wet â gelijk reeds in een ander verband werd opgemerkt â tor hunner onderscheiding van feitelijk gelijksoortige geoorloofde of ongeoorloofde handelingen, buiten het opzet in den hier aangegeven omvang, bovendien een, meer of minder scherp omschreven , bijkomend oogmerk. Dat meer verwijderd doel behoort beoogd, maar het behoeft â in afwijking inzoover van het âopzetquot; als âoogmerkquot; â ook voor het begrip âvoltooid misdrijfquot; quot;quot;) niet bereikt te zijn geweest43).
De andere oogmerken des daders zijn drijfveer en , motieven, van âopzet als oogmerkquot; en in de zooeven bedoelde gevallen ook van âhet bijkomend oogmerkquot; psychologisch slechts gradueel, doch juridisch principieel onderscheiden. Voor de mate van schuld, criminologisch, zijn zij van groote beteekenis. Voor het bestaan van schuld, voor het begrip van eenig misdrijf, dogmatisch, zijn zij zonder beteekenis44). Ditzelfde geldt wanneer het oogmerk tevens motief mocht zijn (mishandelen uit lust tot mishandelen) 45).
9. Ook do sub 4 en 5 ontwikkelde leer omtrent den aard van het opzet ten opzichte van {h) het veroorzaakte gevolgen (r) de bijkomende deliktsessentialia kan m. i. voor het Nederlandsche recht worden gevolgd. De bij de samenstelling
â is) Vg. boven sub 2. -â- Do typische misdrijven van deze groep in a, 113, 151, ITT1quot;., 208, 225, 250, 256, 261, 281, 310, 326, 341, 403, 416 e. a. âWi winstbejagquot; (a. 250, 416) is niets anders dan âmet hei oogmerk winst te makenquot;. Anders v. Ittersum I.e. 152 vin. â Uit a. 102 schijnt, voor het 2e lid, ten onrechte âopzettelijkquot; voor âmet het oogmerkquot; in de plaats gesteld. Vg. Smidt II 31 (Ã6). Van dit oogmerk is sprake in M. v. T. en Reg. Antw. Smidt I 71 , 74 (78, 82), maar op het in don tekst aangegeven juridisch verschil is niet gelet. Vandaar de m. i, minder gelukkige zinsnede over materieel opzet en formeele misdrijven.
â 14) M. v. T. Smidt I 70 (77) ook Antw. Smidt II 30-(26). Aldus de algemoene opvatting. Vg. Berner 122, Pols 1. c. 101, 111. â Wel heet bij sommige schrijvers âmotiefquot; wat wij âbijkomend oogmerkquot; noemden, Bv. Lucas 1. c. 34.
^5) v. Liszt schijnt alleen dan van âAbsichtquot; te spreken, § 27 noot 2; ^ 3611,2.
275
§ 34. OPZET.
van het wetboek gevolgde, aan de âwilsthcoriequot; ontleende terminologie staat daaraan niet in den weg.
Dit lijdt geen twijfel ten aamien der twee eerstgenoemde, juridisch immers identieke schakeeringen: opzet a/s oogmerk en opzet hij onvermijdeUjhh cidsbewustzijii. Eene opvatting, bovendien bevestigd door den eisch in de M. v. T. dat het handelen geschied zij âwillens en wetensquot;, door de vervanging menigmaal van âopzettelijkquot; door âwetende datquot;, door menige opmerking bij de beraadslaging 4li).
Ten aanzien van de derde schakeering, opzet bij mogelijk-heidsbervustzijn, hot z. g. n. slechts voorwaardeJijk opzet is de zwarigheid grooter, omdat de algemeene Memorie van Toelichting â bij haar gedachtenkring en terminologie niet on-natuurlijk â daarover zwijgt, de grenzen van deze schakeering noch in de wet noch bij hare behandeling aangegeven zijn, en de uitdrukking âwetende datquot; op een eisch van zekerheid schijnt te wijzen. Intusschen zal bij het psychologisch en juridisch logische van de erkenning dezer schakee-ring hare erkenning in de wet slechts op bepaalde onvereenig-baarheid met den zin der wet mogen afstuiten. En dan verdient opmerking, dat bij de behandeling van het Wetboek herhaaldelijk het goed recht van deze schakeering door Regee-en Vertegenwoordiging is op den voorgrond gesteld47); dat hot allerminst de bedoeling is geweest de wetenschappelijke ontwikkeling van deze vraag te hinden48); dat eene met deze vraag samenhangende verandering in de strafbedreiging tegen vele culpose delikten slechts een tegemoetkomen was aan de aarzelingen der praktijk40); dat bij sommige misdrijven uit gunnen aard deze schakeering de gewone zal zijn50); dat het
â ,6) M. v. T. Smidt 69 (77). â Beraadslaging b. v. bij a. 102, 142, 157, 370, 416 o. a. Vg. redactie a. 47, 48 met a. 60 C. P. Vg. Pols 1. c. 125.
â '7). Reg. Antw. Smidt I 75 (82); beraadsl. Ie K., Smidt 1 79 (87) j0, 190(203); beraadsl. 2e K. bij a. 157, 158; a. 250.
â ,8) Smidt I 82 (89).
â ,9) Smit bij a. 157, 158; ook V. V. bij de Novelle, Smidt V 22 (I 206).
5n) B.v, a. 237 (vg. over het voorkomen in O, R, O. doch niet in G. O. evenmin als in Stsc. van eene bepaling tegen culpose bigamie, Smidt ad art. en I 75 (83) noot; â â ook a. 416, waarmede te vergelijken rechtspr. H. R. op a. 62 C'. P.
276
OPZET. § 34.
woord âopzettelijkquot; zeker niet in den weg staat; en dat in het daaglijksch leven âwetenquot; volstrekt niet altijd in strengen zin wordt opgevat allerminst bij âhandelen met wetenschapquot; 5I). Daarom is m. i. naar Nederlandseh recht ook deze schakee-ring onder'âopzetquot; begrepen52).
Daar echter waar de wet een bijkomend âoogmerkquot; vordert, kan te dien aanzien de eisch dat er âbeoogdquot; zij niet worden losgelaten; en kan alleen over het bewijs daarvan worden getwist63).
10. De opvatting dat opzet boos opzet moet zijn (dolus malus, rechtswidriger Vorsatz, intention criminelle) is oud en wordt nog thans in populaire raeeningen en wetenschappelijke stelsels gehuldigd. Zij is denkbaar in onderscheiden vormen. Voor dat opzet kan n.1. worden geeischt: bekendheid van den dader of 1°. met de speciale toepasselijke strafbedreiging; öf 2quot;. met de strafbaarheid der handeling in 't algemeen; of 3quot;. met het speciale overtreden rechtsvoorschrift; of 4°. met hot bestaan van een rechtsverbod, met het onrechtmatige (normwidrige), der handeling in 't algemeen; of ook 5°. alleen met haar zedelijk ongeoorloofd karakter34). â De belangrijkste van deze opvattingen is de sub 4quot;. genoemde, gehuldigd o. a. in de Nederlandsche ontwerpen van 1804 en met groot talent, ook met het oog op het geldend Duitsche recht, door Binding en zijne geestverwanten ontwikkeld quot;).
(Schooneveld aant. 21); ook a. 350, ofschoon Mr. Modderman daarbij te ver ging en eene onverdedigbare onderscheiding aangaf; Sraidt I 75 (82) II 331 (348); vg. H, R. 25 Juni 1888 W. 5587.
t*1) Aldus ook voor Duitsch recht Lucas l.c. 35, 39 en Olsh, I ad. $ 59, 7; ofschoon de negatieve redactie v. ^ 59 D. Wbk. te hulpe komt.
^2) Zoo ook v. Ittersum 1. c. 141.
5:!) Zeer belangrijk hiervoor de verspreidingsdelikten. Zie Smidt bij a. 113, 271.
5l) Zie over de onderscheidingen en verwarringen bij~ou3ere schrijvers en wetgevers Feuerb.-Mitterm. § 54 en de aantt. aid.; Geib. II § 93; M. v. 1«. op Ned. Swb. 'i 5; Smidt I 66 (71) vg.
5S) Ontww. 1801, Lijfatr. W. I, 1, a. 3, 4, âde wil om te misdoenquot;. â Binding, Normen II § 57 vg. âDer Vorsatz charakterisirt sich als das Wollen einer Handlung trots ilires vorgestellten Widerspruchs zu der. Norm unter welche sie falltquot; (hl. 403), Geestverwanten: Oetker, Einllusz d. Rechtsirrtums (1876); Ols-hausen, Komm. ad ^ 59 n. 30â35; Hammerer, Der Einflusz d. Rechtsirrtums auf die liestrafung (1890); vorder gaat nog Ortloll', Die Ãtrafbarkeits-Erkenntnisz als
277
§ 34. OPZET.
Terwijl nu h. t. 1. onder het Fransche recht door de onvastheid der uitdrukkingen in de wet en de ontwikkeling der âintention criminellequot; in de rechtspraak groote onzekerheid bestond66), heeft de Nederlandsche wetgever blijkens de duidelijke memorie van toelichting, de straks te vermelden bijzondere uitzonderingen, en het gemis van, wat anders noodig ware, de erkenning naast elk opzettelijk misdrijf van een cul-posen vorm voor de gevallen van culpose rechtsdwaling , de leer van het âboos opzetquot; in iederen vorm â als bekendheid met het strafbare, het onrechtmatige of het zedelijk ongeoorloofde â verworpen. Hij achtte haar crimineel-politisch onhoudbaar, juridisch onnoodig. Hij vatte, met het Crimineel Wetboek van 1809 (a. 11) en latere ontwerpen (1815 en 1827), het opzet op niet als âden wil om te misdoenquot; maar als den wil om iets te doen wat dan objectief verboden of geboden is. En deze opvatting deed hij steunen: op de fictie van algemeene bekendheid der wet als âhoofdbeginsel van ons stellig rechtquot; , op de noodzakelijke onverschilligheid van de motieven der daad voor het deliktsbegrip, en op do praemisse dat de wetgever tot misdrijf alleen dio opzettelijk gepleegde handelingen stempelt, âvan welke het ieder normaal ontwikkeld mensch duidelijk moet zijn dat zij in strijd zijn met de zedelijke en maatschappelijke ordequot; 57).
Dat intusschen daarom nog niet ieder algemeen verband tusschen onrechtmatigheid en schuld had behoeven te worden prijs gegeven, werd boven betoogd {§ 33, 3).
11. In dit stelsel behoeft echter niet aan iedere rechlsdwa-
Sclmld-Vorauszetzung (1891). â Bestrijding: o. a. Heinemann, Die Bindingache Schuldlehre (1889), v. Liszt 1. c. § 39; Lucas 1. o (iO; ook de praktijk van het D. EG. B.v. E. 1, 88; 2, 208; 3, 184, 300; 15, 159; 10, 86; 20, 391. â Sommige der hedendaagsche D. schrijvers vorderen bekendheid met liet zedelijk ongeoorloofde karakter (aldus ook volgens M. v. T. Ãvvh. het Ned. Ontw. 1817): een enkele eischt bekendheid met de strafbaarheid. Vg. Olsh. 1, c.
5li) Zie bij Sohooneveld ad a. 1 aant. 5â9; ad a. 64, 2, 9;.ad a. 115 vgg. 1, 5 vg. ; ad. a. 434, 2 vg.
6') M. v. ï. Algem. ged. 5. Smidt I 66, 70 (73, 77). â Dat dit de leer is v. h. rfwb. is onbetwistbaar. Onjuist Hof Amst. W. 5989; ook Polenaar c. s. I 113 die m. i. den eisch van de objectieve onrechtmatigheid verwarren met dien van het schuldig opzet. Vg. boven 'i 28, 1. â Over Crim. Wb. Kemper, Aamu. 21.
278
OPZET. § 34.
Hug, d. i. aan dwaling omtrent het bestaan, den inhoud of de toepasselijkheid van eenig rechtsvoorschrift, een het opzet uitsluitende invloed te worden onthouden; en ook in het Nederlandsche recht is dit niet geschied.
Allereerst komen in aanmerking de gevallen waarin het delikt, blijkens zijne omschrijving, bestaat in opzettelijke onye-hoorzaamheid: of aan een speciaal rechtsvoorschrift, wel van algemeene strekking, maar met een gelegenheids- en tijdelijk karakter (a. 100 Swb.)58); of aan een concreet bevel (a.. l84, 186). In beide gevallen doet dan de rechtsdwaling zich voor als dwaling omtrent een bijzonder bestanddeel van het delikt.
Voorts kunnen dwaling en onbekendheid ten aanzien van eenig feitelijk bestanddeel dat door het opzet beheerscht moet zijn, het gevolg ook van rechtsdivaliny wezen. Zoo b. v. dwaling omtrent eigendomsrecht en daardoor omtrent het eigendom van een ander, bij diefstal (a. 310); omtrent huwelijksrecht bij bigamie (a. 237); omtrent minder]arigheidsrecht bij koppelarij (a. 250); omtrent verkiezingsrecht bij verhindering van kiesrechtsuitoefening (a. 125) e. a. m. Waar de wet dan omtrent den oorsprong der feitelijke dwaling niet onderscheidt, mag ook bij de toepassing niet onderscheiden worden quot;).
Eindelijk komen die misdrijven in aanmerking in welker omschrijving de wet, om redenen vroeger vermeld (§ 28, 5), uitdrukkelijk den positieven eisch stelt, dat de handeling âonrechtmatigquot; , âwederrechtelijkquot; , âongeoorloofdquot; , âin strijd met eene wettelijke verplichtingquot; verricht werd. Zeker biedt ook deze groep inzoover geene uitzondering op het sub 9 uiteengezette beginsel, vermits immers dwaling omtrent het straf-rechtelijk verboden karakter van de handeling, waarvan b. v. de dader wel weet dat zij ingevolge andere rechtsvoorschriften on-
58) Do plaatsing van âopzettelijkquot; in a. 100 lu tweede zinsn. en30 zou dom donken dat bekendheid met hot voorschrift niet geöisoht wordt. Zie echter duidelijk M. v. T.
5'J) M. v. T. I.e. Modderman; Smidt I 75 (82) 111 8(iquot;(85), â Vg. Lucas I.e. 88. â Wegens het sub 9 betoogde geldt dit niet inzoover de feitelijke dwaling haren oorsprong vindt in dwaling omtrent een in de strafwet zelve omschreven begrip. B. v. a. 104 jquot;. 87 (vijand).
279
§34. OPZET.
rechtmatig is, hot schuldig opzet niet uitsluit60). Maar de vraag, of dan toch niet bij deze groep dwaling omtrent bestaan, inhoud of toepasselijkheid van die andere rechtsvoorschriften het vereischte opzet uitsluit; m, a. w. ofbij die misdrijven de onrechtmatigheid ook door het opzet beheerscht, dan wel alleen objectief aanwezig moet zijn, biedt groote moeilijkheid quot;j. Voor het Duitsche recht is een algemeen antwoord in eerstgenoemden zin lichter te geven, èn wegens de alge-meene strekking van § 59 Dwb., èn omdat juist wegens die § de plaats die het woord âwiderrechtlichquot; in de deliktsom-schrijving inneemt, onverschillig is In het Ned. Wetboek kan echter wegens het systeem zijner terminologie de plaatsing van het woord âwederrechtelijkquot; (of een analogon), ton opzichte van hef woord âopzettelijkquot; (of âmet het oogmerkquot;) niet onverschillig zijn, In vele gevallen nu zal er geene aanleiding bestaan om niet, die terminologie in al hare consequentiën volgende, op voormelde vraag ook voor het Ned. Wetboek, verband tusschen onrechtmatigheid en opzet te vorderen (b. v. a. 148, 199, 255, 310 e. a., 406, 409). In andere gevallen echter kan, vermits hot redactie verschil tusschen a. âopzettelijk wederrechtelijkquot; (a. 159, 1(30, 282, 321) en b. âopzettelijk en wederrechtelijkquot; (a. 149, 150, 168, 350â352, 372, 374, 390, 392) uit geschiedenis, inhoud of blijkbare bedoeling der artikelen niet voldoende te verklaren is, worden geaarzeldquot;). Nogtans kan bij de misdrijven a het âwederrechtelijkequot; stellig niet buiten verband met het opzet worden beschouwd.
^0) Anden â en dus hier vóór invloed ook van dwaling omtrent de strafwet â niet alleen Binding (Normen II (gt;07) c. s., maar ook v. Liszt 172(181) noot 5 (2); U'jen dezen de meest algemeene opvatting, ook gehuldigd door RG.; Lucas 1. c. 88; vooral Heinemann 1. o. 134. â Wat hiervan zij naar D. Wbk. (jj 59), voor Ned. Swb. kan dit niet twijfelachtig zijn.
^1) Zie vooral de studiën over âopzettelijk (en) wederrechtelijkquot; van Mrs. v. Aalten, Buttinga Wichers en v. Ittersum in ï. v. S. 11 238, 402, III 47.
'2) Vg. b. v. i 239 en 3U. â Bevestigend Schaper-v. Holtzend II ^ 38; Meyer 1Ã5; v. Liszt (179); Heinemann 118; in gelijken zin EG. b. v. E. 4, 328 (verduistering); 8, 104; 12, 194 (vrijheidsbeneming); 19, 209 (zaakbeschadiging).
63) Vg. noot CU. Het onverklaarbare komt vooral uit in artt. 148â140 Swb. vergeleken met O. R. O., met Onfcw. Stsc. en met de Begrafeniswet; voorts uil vergelijking b. v. v. a. 157, löO met 149, 150, litó, 351.
280
OPZET. § 34.
Daartegen verzetten zich : meer gemelde terminologie; de analogie met de gevallen waarvoor zooeven een gelijk antwoord reeds gegeven werd; de bij de behandeling van het wetboek too-gelichte tegenstelling in de artt. 282 en 283 neergelegd 6'). Aan den anderen kant ware het in strijd èn met gezonde taalkundige interpretatie èn met het stelsel gehuldigd bij misdrijven in welker omschrijving ook liet wederrechtelijke als bestanddeel genoemd is doch, om vroeger uiteengezette redenen, hot woord âopzettelijkquot; ontbreekt (b. v. a. 138 j°. 370), om ook bij de misdrijven b het wederrechtelijke door het opzet beheerscht te willen zien. Daarom is do eenige veilige weg, meer gemelde terminologie streng te volgen en te beslissen dat, zoo dikwijls het woord âwederrechtelijkquot; (of een analogon) door âopzettelijkquot; beheerscht wordt, dwaling omtrent het onrechtmatige, zij het dwaling in feiten of in het recht, het wettelijk vereischte opzet uitsluit.
Intusschen moet worden opgemerkt dat ook de aldus begrensde invloed van dwaling alleen dan geldt, wanneer zelfs het, boven (als 3quot; sub n. 4) aangeduide âslechts voorwaardelijk opzetquot; daarvoor wegvalt.
Inhoever voorschreven stelsel strijden mocht tegen het uitgangspunt van a. 2, Alg. Bei). ~ trouwens eene fictie met geheel andere strekking; inhoever voorts niet in meer gevallen dan alleen bij wederrechtelijke vrijheidsrooving (a. 283) ook de culpose vorm strafbaar gesteld moest zijn; heeft de wetgever te verantwoorden, niet de wetsverklaarder.
12. Bechtvaardiyiitgsgroiiden sluiten de onrechtmatigheid uit; en het niet aanwezig zijn daarvan behoort, schoon negatief, tot de bestanddeelen van ieder delikt (§ 21, 3; § 28, 4). 's Daders onjuiste opvatting dat ze zouden bestaan kan zich voordoen: a. als rechlsdwuliitg; en wel als liet aannemen van een erkenden grond buiten de wettelijke grenzen (b. v. noodweer ook tegen rechtmatige aanranding) of als iiet aannemen van een grond door de wet niet erkend (b. v. eigen richting);
quot;') Vg. Smidt III 74 (76) bij het als overbodig vervallen a, 412 O. R. O.
I. 18
281
§ 34. OPZET.
h. nis feitelijke diraliiifj, het ton onrechte aannemen van omstandigheden die, zoo zij bestonden, den grond zouden scheppen. Ten aanzien van den invloed dier dwalingen op het opzet zullen, in verband mot het boven betoogde, onderscheiden moeten worden: 1quot;. de misdrijven waarbij verband tus-schen opzet en onrechtmatigheid niet', 2°. die waarbij liet wel uitdrukkelijk geëischt wordt. â Bij de 1quot; groep zal in 't stelsel onzer wetgeving rechtsdivaiincj zeker niet haten; maar m. i. ook feitelijke dwaling niet. Over dit laatste ware naar goede beginselen van strafrecht eu bij een nauwkeurig uitgewerkte onderscheiding van doleuse en culpose gevallen, zeer wel anders te oordoelen ^5). Maar naar ons wetboek, dat het opzet alleen beschouwd wil zien in verband met de bijzondere delikts-omschrijvingen, dat slechts bij enkele delikten ook den cul-posen vorm straft, en dat bij sommige rechtvaardigingsgronden óf naar den aard daarvan (a. 40) óf uitdrukkelijk (a. 41 al. 2, 43 al. 2, 2(51 al. 2) met dwaling des daders rekening houdt, schijnt eone negatieve beslissing aangewezen. â Bij do 2quot;. groep zullen beide dwalingen hot op de onrechtmatigheid gerichte opzet wel uitsluiten.
Dwaling omtrent de toerekeningsvatbaarheid kan geen invloed hebben; evenmin die omtrent bijkomende, het recht tot strafvordering opschortende of opheffende voorwaarden (§ 21, 7)''').
13. Al is het nu voor het delikts-begrip onverschillig, of op bijkomstige omstandigheden, uccidentalia, het opzet al dan niet is gericht geweest (b. v. de bloedverwantschap tusschen vermoorde en moordenaar), toch kan ook ten aanzien daarvan, strafrechtelijk, b. v. voor de strafmaat, opzet alleen in eene der bovenvermelde schakeeringen worden in rekening gebracht.
14. De leer van het bepaalde of absoluut bepaalde en minder of betrekkelijk bepaalde opzet (dolus determinatus, indetermi-
In Duitechlond zijn de gevoelens zeer verdeeld. Naar 'l schijnt voor eene alge-meene conclusie met de in den tekst voor 't Ned. reclit verdedigde overeenstom-mend v. Liszt g 39 II, III. â Den invloed van feitelijke dwaling erkennen o. a. Heinemanu 140; Lucas 100; ook EG. E. 4, 98. Olshausen ad 59, 25d. Anders weer Meyer 164 (197). Voor uitsluiting van opzet, maar ruime toepasselijkheid van culpa Binding. Normen II (38.
r,li) Vg. Lucas, 1. c. 98.
282
OPZET. § 34.
natus) berust op het feit dat de voor liet opzet noodige voorstelling omtrent gevolg en andere deliktsessentialia niet altijd op dezelfde wijze bepaald is. Intnsschon is de opvatting alsof een geheel onbepaald, in geen opzicht gespecialiseerd opzet â om te dooden, om goederen te vernielen â in concreto denkbaar ware, onjuist 'ir); en heerscht ook verder op dit stuk veel verwarringquot;quot;). â Het z. g. n. alternatief opzet â do dader wil 's A. of B/ treffen, C. dooden of wonden â kan zeer bepaald zijn quot;a). Ditzelfde geldt van hot z. g. n. voorwaardelijke opzet (d. even-tualis), wanneer de dader oen zeker gevolg, iets geoorloofds of ook iets ongeoorloofds, in de eerste plaats wil, maar onder omstandigheden iets anders: met een steenworp een voorwerp raken, ev. het breken, iemand wonden, ev. hem dooden, A. treffen, ev. zoo deze met hem is, ook diens vrouw70). Ook bij wat het algemeene opzet (d. generalis) genoemd wordt â de dader een bron vergiftigend, wil allen dooden die daaruit drinken, een dynamietbom ontstekend, allen die zich in den omtrek mochten bevinden â zijn de voorgestelde gevolgen niet onbepaald, doch alleen niet op de gewone wijze bepaald71). Dit komt veelal voor bij delikten, waarbij de hoeveelheid dei-gevolgen de eenheid van hot delikt niet verandert â diefstal van veel of weinig voorwerpen, toebrengen van veel of weinig wond. Intusschen kan juist daarom ook bij dit opzet zeer. wol eenig gevolg als âoverschotquot; buiten de voorstelling, d. i. buiten het opzet liggen
quot;') Bindig, Normen II 412 vg.; v. Liszt 1139 (177). Pols 1. c. 123 spreekt van ârelatief bepaaldquot; opzet.
Verschillende pogingen van classificatie, dikwijls met onderscheidingen in de mate van strafbaarheid, vooral bij do oudere Dnitsche schrijvers en wetgevers, /ie overzichten bij Feuerbach-Mittermaier § 59; Geib 11 § 95, 97; Krng 1. c. 50; Ber-ner Lehrb. §§ 68, 72; Meyer $$ 28, 29; Lucas l.c. 11â20. Over do classificatie veel verschil van inzicht en verwarring van terminologie. Ook Pols l.c. stelt d. indeterminatus en voorw. opzet gelijk.
m) De uitdrukking âde da Ier wil treffenquot; enz. wordt bij deze onderdeelen van l^t leerstuk alleen kortheidshalve gebezigd. Vg. boven blz. 267.
'ü) Over de zeer verspreide verwarring van dit âvoorwaardelijke opzetquot; met de sohakeering van het opzet als âslechts voorwaardelijkquot; vg, boven ^ 34 noot 28. '') Bindig l.c. 416, 418. âMeyer 168. Ook D. Simons, Reohtsg. Mag. V. 157. ï2) Onjuist en inconsequent m. i. Binding die aan z. g. n. âQuantitiits-irrthiimerquot; binnan de grenzen van de bedoelde deliktssoort invloed ontzegt.
183
§ 34. opzet.
Alleen historische beteekenis heeft de leer van den fictie ven dolus indiredus, waarnaar bij eenig opzettelijk gepleegd misdrijf (met name verwonding) ook het âniet gewildquot; gevolg (de dood) als indirect opzettelijk veroorzaakt toegerekend; mishandeling met doodelijk gevolg als opzettelijke doodslag beschouwd, voor laatstgenoemd misdrijf âanimus occidcndiquot; onnoodig, âanimus nocendiquot; voldoende geoordeeld werd. Deze leer vond hare grondlegging in de praktijk tijdens de C. C. C.; hare ontwikkeling bij Carpsovius , die echter de in 't geheel niet voorzienbare gevolgen uitsloot; hare bevestiging bij Duit-sche criminalisten na hem, met name Nettelbladt; hare toepassing o. a. in den Franschen, op dat punt voor Nederland tot het einde onveranderd gebleven Code Penal. Zij vond hare bestrijding vooral bij Feuerbach, die hier eene bijzondere culpa aannam, âculpa dolo determinataquot;, bij anderen, die hier de schuld verklaarden als een samenloop van dolus en culpa. Zij vond eindelijk hare oplossing in de boven (§ 33, 10) ontwikkelde leer der nieuwere wetgevingen omtrent de bij vele misdrijven erkende strafverzwaring op grond van een ingetreden ernstig gevolg7:i).
15. Met het voorafgaande hangt samen de leer omtrent de meerdere of mindere overeenstemming tusschen het ten aanzien van gevolg en andere essentialia voorgestelde en het go-beurde; de leer van dwaling en afdwaling (error, aberratie), als oorzaken van niet-overeenstemrning tusschen die twee. Hiervoor gelde, op grond van het in deze § betoogde, als regel dat, voorzoover de uitkomst, om welke reden ook, door het opzet â in welke schakeering of in welke bepaaldheid ook â niet gedekt wordt, die uitkomst niet opzettelijk veroorzaakt is. â⢠Ook de in de latere rechtsleer bijzonder behandelde en
73) Carpsovius Pract. Crim. qu. 1 , 31 v; Nettelbladt, Diss. Hal. v. GlanUer de homioidio ex intontione indirecta oommisso (175(5). â C. P. a. 295, in Frankr. reeds 1832 gewijzigd; vg. Cliauv. Hél. 237121', Schooneveld aant. 2. â Feuerbach in Bbl. f. peinl. Rechtsw. 11 193 en Lelirb. ^ 60. â Overzicht over hot leerstuk o. a. bij Feuerb.-Mitterm. 1. c. Geib. II 260; Krug 1. c. 8; Lucas 1. c. 18; v. d. Bogaert, Gevolg v. misdrijf grond v. strafverzwaring (Diss. Amst. 1885)3. â 'tEng. recht kent den d. i. Stephen. Dig. Crim. and Punishm. a. 223.
284
OPZET. § 34.
van elkaar onderscheiden gevallen van venrisseliiig (error in objecto)en afdwaling (aberratie ictus) verschillen uit dit negatieve oogpunt principieel niet. In de eerstbedoelde gevallen is do niet-overeenstomming het gevolg van dividing des daders omtrent de identiteit, van het voorwerp; in het bekende geval Rosc-Rosahl schiet Rose op en doodt hij een voorbijganger dien hij, zich vergissende, aanziet voor Rosabl's crediteur, op wiens leven de aanslag gemunt was. In de andere gevallen is de niet-o vereen stemming hot gevolg van uiterlijke omstandigheden; do dader schiet op A., door afwijking van het schot wordt B. getroffen.
Intusschen is de vraag naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid in die gevallen met deze negatieve opmerking stellig niet in haar geheel beantwoord. Bij de vencisselingsgevallen zal do niet-overeenstomming meestal eene hoedanigheid betreffen strafrechtelijk, althans voor het deliktsbegrip, onverschillig; en zal dus het voltooide delikt onverkort aanwezig zijn: Rose doodde den voorbijganger opzettelijk. In zoover die hoedanigheid niet onverschillig is (b. v. voor koningsmoord), zal ten haren aanzien aan to nemen zijn of poging, of culpa dan wel casus, naarmate bedoeld bestanddeel inde voorstelling aanwezig was, doch niet in de uitkomst of wel in de uitkomst doch niet in do voorstolling. Bij de afdicalwgsgevallen moet eerst vast staan , dat ar werkelijk overeenstemming niet bestaat; licht kan â b. v. in oene vechtpartij â relatief bepaald of slechts voorwaardelijk opzet aan te nemen zijn. Wordt echter iedere overeenstemming gemist, dan zal ton aanzien van het voorgestelde poging zijn aan te nemen, ten aanzien van de uitkomst culpa of casus'4).
1*) Do strijd over beide soorten van gevallen is oud, Overzicht bij Gfib II 2G9â 274 ; ook bij D Simons in Recbtsg. Mag. V 142. Vg. ook Mitterm. ad. Feuerb. § 57.
Bij error i. p. is de ook i. d. tekst gehuldigde opvatting de meest algemeene leer geweest en gebleven. Vg. v. d. onderen b.v. Glarus J Homic., 5; Mathaeus 48, 5, 3, 12; Carpsov. qu. 5, 1â1G; Boehmer ad Carps, obs. 1; van wie sommigen, (Menochius) een lichtere straf bepleitten. V. d. nienweren b.v. Geib 273, Berner 147; Meyer 171; lAicas 21; v. Liszt 173 (185); Simons ](i8; Polenaar c. s. 124; Ghauv. Hél. 2417 e. a.; zoo ook H. R. 19 Nov. 1888, W. 5637; uitdr. G. P. Beige 392. Anders, nl. voor samenloop van poging met culpoos-delikt tijdelijk Geib (Arob. d. orim. R. N. F. 1838). Belangrijke Puicscbe litteratuur opnieuw gewekt door 't geval
285
§ 34. OPZET.
16. Het dclikt bestaat in het veroorzaken van een gevolg. De dader had dus ook eene voorstelling omtrent de wijze van veroorzaking. Gemis aan overeen stemmig tusschen die voorstelling en het werkelijk verloop is licht mogelijk. De dader wil vergiftigen met een snelwerkend gif; het gif veroorzaakt den dood na een lang lijden. Een moeder, haar kind door verdrinking willende dooden, werpt het in de rivier; in den val wordt het hoofd verpletterd tegen een pijler. Do dader wil met een revolver dooden; in de worsteling raakt hot slaehtoffer zelf den trekker aan en wordt het door dat schot gedood. De strooper wil den veldwachter doodschieten; deze springt op zijde, valt in een afgrond en sterft. â Sluit dergelijke niet-overeenstemming liet opzet uit? Allereerst worde opgemerkt, dat ten aanzien van de wijze van uitvoering 's daders voorstelling uit den aard der zaak velerlei, bepaalds en minder bepaalds, somtijds zelfs ieder voor liet doel gunstig verloop omvat; als ook dat de wijze van uitvoering in den regel juridisch zonder beteekenis is. Yoorzooveel zij echter juridisch wel beteekenis 1 iceft, hetzij als bestanddeel van een delikt (b. v. geweld, braak), hetzij voor de strafmaat (b. v. een wreed middel van dooding), kan opzet to dien aanzien alleen bij voldoende bepaaldheid van de voorstelling worden aangenomen: doch is â zooals in alle bovengenoemde gevallen â ook dan opzet ten aanzien van het veroorzaken zelf van het gevolg niet uitgesloten75). â Dit laatste is echter wel het geval waar het voorgestelde gevolg ten slotte werd teweeggebracht door
Rose-Eosalil (1859) Vg. Goltd. Arch, VII, 322; Böhlau d. Krim. Proz. R. u. R. (1859) die voltooid del ikt en poging aannam; verder in Goltd. Arch, VU 433, VIII156.
Omtrent aberralio iclus gold en geldt meer blijvend verschil van gevoelen, Gelijkstelling met het andere geval, d, i, aansprakelijkstelling als voor voltooid delikt, verdedigd bij oudere wetgevers en schrijvers (zie bij Geib 270; o, a. Matthaeus 48, 5, 3, 13; Carpsov, qn 5,17vg,: somtijds met lichtere straf, als Damhouder c. 85, 7); ook bij nieuweren (b. v. in Gerichtssaal 13, 253; 18, 401; v, Buri Causalitat, 82; onzeker Schaper bij Holtzend, II 175), bepaaldelijk ook in de Fransche, Belgischeen Engelsche praktijk (Chauv. Hél, I.e.; Nypels Code Beige II 254; Stephen 1, c, n0,14), Meestal echter wordt hier samenloop aangenomen van poging en culpoos-delikt; Geib, Berncr, Meyer, Lucas, v, Liszt (mot de ook in den tekst gehuldigde reserve), Simons 168, Polenaar c. s,
75) Vg. Binding Normen II 435; v. Liszt 171 (183).
286
OPZET. § 34.
omstandigheden, â daaronder andere handelingen van den dader zeiven begrepen, â die als oorzaken geheel huiten de voorstelling lagen; h. v. door een bliksemstraal die het slachtoffer treft onder de worsteling, of doordat de aanvaller het slachtoffer in het water wierp, in de meening het reeds door andere middelen gedood te hebben. Ten onrechte zagen sommigen in het laatste geval of altijd, of althans wanneer de tweede handeling als voortzetting van de eerste beschouwd kon worden , voltooiden doodslag met een âalgemeen opzetquot;; naar dogmatisch juiste opvatting is er alleen : poging, onder omstandigheden met een culpoos delikt daarnevens 76). Dat het rechtsbewustzijn tegen dergelijke oplossing menigmaal opkomt, vindt zijn reden in liet zoo dikwijls ongemotiveerde verschil in strafbaarheid tusschen poging en voltooid delikt.
17. De tijd waarop het opzet moet aanwezig zijn, is die waarop het voor de veroorzaking van het gevolg beslissend doen of onrechtmatig laten voorkomt. Voornemens en voorstellingen op dien tijd niet aanwezig, maar voormeld doen of laten voorafgaand of volgend (z. g. n. dolus antecedens, subsequens) blijven voor het opzet buiten rekening. Omgekeerd blijft een op dien tijd wel aanwezig opzet als zoodanig gelden, ook al is daarna, docli tijdens den voortgang van de oorzakenreeks of tijdens het intreden van hot gevolg, de dader in een toestand van toerekeningsonvatbaarheid geraakt. Dit geldt ook â en in de geschiedenis van het leerstuk bekleedt deze groep van gevallen, als z. g. n. actiones liberae in causa of ad libertatem relatae, eene bijzondere plaats â wanneer de dader zichzelven in dien staat bracht en juist hierin bet beslissend doen of laten bestond; eene somnambule die zich in hypnose laat brengen om in dien staat geneeskundigen raad te geven, eene moeder die zich naast haar kind
76) De z. g. n. âOnechte dolus generalisquot; bij sommige oudere schrijvers als Weber in N. Arch. d. Grim r. VII 565, 577 (âde Webersched, g.)'; v. Wachter Lehrb. II127; v. Schwarze bij Holt zend, II 313; ook in vroegere wetboeken; met het in den tekst vermelde voorbehoud ook Meyer 171 en andere daar en door Schaper aangehaalde latere schrijvers; juist o. a. Geib II 268; Berner Imp. 193; Lucas 17; Schaper bij Iloltzend 11 207.
287
§ 34. OPZET.
to slapen legt in do vorwachting het in den slaap dood to drukken 77).
18. Het opzettelijk handelen is het resultaat van een psy-chisch proces, aanvangend met het opkomen van het eerste motief en met het willekeurig doen of laten eindigend. Binnen die grenzen ligt het werken van onderscheiden voorstellingen en begeerten, het beraad, gevolgd door een besluif (Beschlusz), en daarna leidend tot een wilsbesluit, een voornemen tot de daad of tot het laten (Entschlusz)78). Dit proces kan verloopen, in oeno rustige gemoedsstemming die bedaard overleg toelaat; dan boot bet opzet gevormd te zijn âmet voorbedachten raad'1 (praemoditatio, préméditation, Uoberlegung); â of wol in oeno gemoedsberooring welke de gelegenheid tot zoodanig overleg uitsluit, âzonder voorbedachten raadquot; (impetus, Affokt-wille, haastig gemoed, hastmod). Ofschoon deze onderscheiding bij zoor vele delikten in aanmerking zou kunnen komen, ligt zij in de moeste wetgevingen van het vaste land alleen ten grondslag aan do tegenstelling tusschen âmoordquot; en âdoodslagquot; (a. 289, 287); in sommige, o. a. in het Nod. Wetboek, ook aan onderscheidingen bij mishandeling (a. 301, 303). Voor eerstgenoemde tegenstelling wordt over haren oorsprong go-twist; onder latere schrijvers vooral over hare waarde. Do schakeeringon van gemoedsstemming zijn zoovele, dat grensbepaling slechts voor uiterste gevallen goed mogelijk is. Daarom levert ook de bewijsvoering tal van bezwaren. Tijdsverloop is geen afdoende aanwijzing;(gt;). Vermits do onderscheiding bo-
quot;) Onde strijdvraag; vooral bij de culpa zich voordoende. Vg. Geib II 75, 76; Binding Normen II 186, 195 en noot 262; en de bij beiden aangehaalde litteratuur en wetgevingen; v. Liszt (163); Meyer 143; Geyer bij Holtzend IV 106 e, a.
7quot;) Vg. Pols l.o. 104; Berner Iraputationslehre 179; id. Lehrb, 120.
'») Ned. recht: Smidt II 437, 430 vg., 451 (460, 453 vg., 474); Pols I.e.; Lan-gemeier, Premeditatie (Diss. Leiden 1882); Quintus, Onderscheid tusschen moord en doodslag (Diss. Gron. 1892). â Vg. C. P. a. 297 (préméditation), 298 (guet-apens), 310, 311 al. 2; Dwb. 211; C. P. B, 394; Cod. Ital. a, 366; geheel afwijkend de Eng. tegenstelling v. murder en manslaughter. âZie schrijvers en rechtspraak opraoorj; o. a. Feuerb. Mittem. 215; Geib II 256; v. Liszt 118, 298 (129, 317); Meyer 167; Holtzendorff, Hdb. III 425; id. d. Verbrechen des Mordes u. d. Todesstrafe (1875) Ghauveau Hélie ad a. 297; Haus, Principes 290; Alimena, La premeditazione (1887); Wachenfeld, D. Ueberlegung i. unsrem heutigen Mordbegriff (1887); id. Die Begriffe
288
OPZET. § 34.
troffen moet de vorming van het bepaalde opzet waarmede hot delikt in concreto gepleegd is, heeft de z. g. n. tegenstelling tusschen vorming van het voornemen m. v. r. (Fransch recht) en uitvoering van het misdrijf m. v. r. (Duitsch recht) geen dieperen zin Rquot;).
§ 35. Schuld (culpa).
1. Het woord schuld â d. i. schuld zonder opzet â wijst in de Nederlandsche rechtsleer, naar de taal van het wetboek, den anderen schuldvorm aan (B. II T. VII, T. XXI, a. 3516/«, 356, 367, 368). In de vroegere rechtstaal werden veelal onderscheiden uitdrukkingen gebezigd, ter aanduiding van onderscheiden gevallen quot;). Overblijfsel daarvan is nog het woord âonachtzaamheidquot; in a. 198, 199.
2. Herinnerd zij dat elk dolikt bestaat in het door doen of laten veroorzaken van een gevolg, de verwezenlijking van de deliktsessentialia. Indien of voorzoover dit gevolg niet-opzeltelijk is teweeggebracht, kan het veroorzaakt zijn zonder schuld of met-schuld; met schuld, wanneer de dader dit had kunnen en rechtens had moeten vermijdfen (§ 33. 1).
v. Mord u. Todschlag i. d. Qesetzgebung(1890; daaTover Qnintua 1. o.). â¢âStrijd over den oorsprong- oti a 137 C. C, C. of uit do oude Fransche rechtsleer: WachcnFeld-Giiterboèü; zie Qujntus. 14, 38, Tegen de handhavihy' van het onderscheid o. a. minderheid G. v. R. bij Smid,t 1,0.; v. Holtzendprll,, Hans, voorat Wachenfeld, v. Liszt, Binding'11508, Qüintus 83 e. a. , ' .
80) Onjuist (vg. v. Liszt 301, 317^-daarover de verbreide opvatting in Duitsohe .⢠leer en rechtspraak: zie Osllf: IL'77i, Waohenfeld o. a,; ook Quiötus 61.
? 35 ') Zie voorde algemeene litteraUiuf £33 noot 1; voor.ts BmckxFahrlitssigkeit (1885). â Over de historische ontwiKkehng § 33 ,12.
2) Vg- Smidt I 77 (84), bep. noot 6 â Damhouder c. 85 âculpe of schuitquot;; OntV-1804 âschuldig pligtverzuimquot;: Cr. Aflj;-|809, âmerkelijke schuld, onvoorzichtigheid en onachtzaamheidquot;; Ontw, 1.827^'âmel'kelijke schuld of onvoorzichtigheidquot;. Zie de casiiistische opsomming in a. 31*9, 320 G. P. Ten aanzien der terminologie vitn, het oude recht mag worden herinnerd jjsyi. de langzame qiitjvikke.ling van het' begrip (433» 12), Terminologie der Ilomeimöhe bronnen ; .gulpa, ne'gligentia,'ignorantia sim-prudentia, lascivia, luxuria; de^öcmawrlsii/ie bronnen: von ungefiiUr, unge\vlt;,JaM, undankes, incuria, negligentia, incauta,' indiscrete; C.X!-. C,-aus unfloisz, aijs geylheit, leiohtfertig, unfnrsichtig; 't Fransche recht: par tmafairesse etc. , involontairement in G.P.; de schrijvers ook âfeilde,quot;-» 't Daüsche recht tegenwoordig; Fahrlassigkeit.
289
§ 35. SCHULD.
Hiermede doet ook teu aanzien van dit leerstuk de verwerping der onderscheiding tusschen materieele en formeele dclikten (Sj 24. 5, § 33. 2) haren invloed gevoelen; en wordt destelling gehuldigd, dat het becjrip schuld principieel hetzelfde is b.v. hij: het door schuld veroorzaken van iemands dood (a. 307), of van een gevaar (a. 165) eenerzijds; het door schuld tc hard rijden (gem. pol. verordening), of zich in gesloten jachttijd in liet veld bevinden met geladen schietgeweer (a. 20 Jachtw.) anderzijds. Bij de zuivere omissiedelikten, bv. het door schuld niet doen van eene waarschuwing, of eene aangifte (a. 427:quot;', 448) is dan het niet-vervuld zijn van het gebod het gevolg1).
Negatief is nu do hoofdzaak, dat niet het gevolg (bv. de brandstichting) opzettelijk veroorzaakt, niet die veroorzaking âdoor het opzetbeheerschtquot; werd; onverschillig dan â inzoover de deliktsomschrijving omtrent de wijze van veroorzaking niets bepaalt â of de oorzaak lag in eene opzettelijke daad (liet ontsteken van een licht), in een opzettelijk of niet-opzet-telijlc laten (het niet uitdooven van een licht) 2).
Positief is de schuld allereerst eene fout betrekkelijk de voorstelling van de gevolgen die het doen of laten hebben zou, een gemis aan de rechtens noodige voorzienigheid; veelal bovendien eene fout betrekkelijk het doen of laten zelf, een gemis aan de rechtens noodige voorzichtigheid 3).
3. Ofschoon in 't algemeen alle aanrandig van rechtsbelangen (§22. 6) die, opzettelijk gepleegd, strafbaar is, mede door schuld kan worden begaan, is toch ook in de nieuwere wetgevingen het aantal dclikten waarbij laatstbedoelde schuldvonn
290
1
) Anders b. v. Bruck 1. o. 83; Erfolgsdolikte, Handlungsdclikto. Ook v. Liszt 174 (185, 186) meent dat naar positief recht het begrip der schuld bij enkele delik-ton een ander is.
2
quot;) Vg. | 34. 3,4. â
3
s) Voor deze tegenstelling is gevolgd de juiste terminologie van v. Liszt âMangel an Voraussicht, an Vorsichtquot;; het hiervoor zoo passende âvoorzienigheidquot; is, blijkens voorlichting van Prof. Verdam, in dien zin een goed Nederlandsch woord, vroeger in dien zin gebruikt; Weiland Wdb.: geneigdheid tot voorzien. Deze tegenstelling is zuiverder dan die van min. Modderman, (Smidt I 78 (85)), âgebrek aan noodig nadenken, kennis, beleidquot;. Smidtl 78 (85). M. v. T. geeft eeneenunoiatieve opsomming.
SCHULD. § 35.
behoort, betrekkelijk gering, de strafbaarstelling van schuld uitzonderingquot;).
Daarvoor kunnen als redenen gelden: dat in de historische ontwikkeling der scliuldleer zich deze vorm later en langzamer ontwikkelde dan liet opzet (§ 34. 12); dat wegens de scherpte der strafrechtelijke reactie daartoe bij dozen schuldvorm niet zoo licht raag worden overgegaan (§ 22, 4, 5); dat het denkbeeld om van een zelfde delikt voor sommige bestanddeelen opzet, voor andere schuld te eischen, nietiu de wetgevingen verwezenlij kt is (34. 2).
De nieuwere wetgevers â met name de Nederlandsche â kunnen nu gezegd worden hunne vaststelling van culpose delikten naar drieërlei overwegingen te hebben gericht:
1°. Waar hot do vele kleine maatschappelijke plichten betreft, die uitvoerig kunnen worden omschreven , die gemakkelijk zijn na te komen, zonder welker nauwgezette vervulling echter een ordelijk verkeer niet mogelijk is, maar waarbij ook de strafbedreiging licht kan zijn, verbiedt do wetgever evenzeer en met gelijke strafrechtelijke sanctie de opzettelijke plichtverzaking en het schuldig plichtverzuim. Deze groep wordt gevormd, door de â naar hare omschrijving niet uitsluitend doleuse â overtredingen (§ 34. 6).
2°. Waar het, omgekeerd, de beveiliging betreft van yroote algemeene rechtsbelangen, verbiedt de wetgever, in een algemeen verbod, ook de aanranding door schuld; maar met lichtere strafrechtelijke sanctie dan bij opzet. Deze groep wordt in ons recht gevormd door de misdrijven van artt. 158, 163, 165, 167, 169, 171, 173, 175, 283, 307, 308, 351bis. Swb., a. 2, 2° lid W. v. 15 April 1886, S. 65; de overtreding van a. 8 al. uit. jquot;. 303. W. v. 4 December 1872, S. 134 (Inv. w. a. lO57quot;)7). Hierbij is elk schuldig teweeg brengen van zeker
â¢) M. v. ï. op Swb. Vg. Feuerb. Mittorm. §55 n. Ill en V; Geib II255; Meyeit 177; Bomer 125; v. Liszt 175 (187); Bruck 34. Ander» a. 64 Beieren (1813). Zio over de consequentie om bij den eiseh dat bot opzet âboos opzetquot; zij, de culpa voel ruimer strafbaar te stellen § 34. 10.
') In andere wetgevingen is het aantal van dergelijke culpose misdrijven wel grooter; b. v. Dwb. 55121, 163, 259; vg. Meyer 177. Zio ook a. 259 Ned. O. K O. iSniidt ad a. 237 Swb.
29]
§ 35. SCHULD.
resultaat verboden ; maar de schuld ook eerst strafbaar, wanneer dat resultaat ingetreden is: somtijds reeds een gevaar (a. 165), somtijds echter eerst de krenking van het rechtsbelang (a. 307). Het kan ernstig worden betwijfeld, of althans deze laatste beperking criminologisch voldoende gerechtvaardigd is, do strafbaarheid daarbij niet te zeer van het goed geluk afhangt; de schuld ligt immers in het doen of laten zelf en zij blijkt ook reeds uit het veroorzaakte gevaarquot;).
3°. Waar bijzondere rechtsplichten, vooral ambtelijke, tot bijzondere zorg, ook voor andere gewichtige rechtsbelangen dan de sub 2°. bedoelde moeten nopen, wordt ook de culpose aanranding door bepaalde personen gestraft; meestal lichter dan de opzettelijke. Deze groep wordt gevormd door de misdrijven van artt. 198 al. 4, 199 al. 3, 356, 367 al. 2, 368 al. 2, 413 al. 2, 418, 419 Swh., 20 al. 3 W. 5 Mei 1889, Sb. 48.
4. Het gemis aan de noodige voorzienigheid nu bestaat óf in de onjuiste voorstelling, dat het gevolg â in concrete â niet zal intreden (do dader hooft een steen geworpen mce-nende de voorbijgangers niet te zullen treffen, den trekker van het geweer overgehaald meenende dat het ongeladen was) ; óf in het gemis aan eoüge voorstelling omtrent de mogelijkheid van het gevolg (de dader wierp den steen, haalde den trekker over, zonder aan voorbijgangers te denken)quot;).
Buiten deze twee groepen van gevallen bestaat geen derde. Wat aangeduid wordt als âhet geval waarin zich de dader het gevolg als mogetijk voorsteldequot; â waarbij de schuld bij vele schrijvers den dubbelzinnigen naam âbewuste schuldquot; erlangt â is niet con derde geval, maar behoort â aangenomen dat âopzetquot; is uitgesloten (§ 34. 4s'') â binnen den
s) Dit geldt met name in zoover men het zwaartepunt meer bij den misdadiger leggen wil dan bij de daad. Analoog is voor opzettelijk bandelen de vraag betrekkelijk de gelijke strafbaarheid van voltooid delikt en poging. Vg. in verband hiermede ook de opvattingen van Feuerbaoh, Bibl.d. peinl R. II 193, en daarover Binding Normen II 144.
quot;) In de eerstgenoemde groep van gevallen berust de schuld op vermijdbare dwa-ling; vg. {59 al. 2 Dwb. Oneigenlijk is het alk schuld gevolg van dwaling te noemen; Berner § 71,
292
SCHULD. § 35.
kring der eerste groep; alleen is bij deze terminologie het gezichtspunt een ander, wordt daarbij meer nadruk gelegd op de natuurlijke onvastheid waardoor voorstellingen omtrent de toekomst allicht gekenmerkt zijn (den dader staat wel in 't algemeen de mogelijkheid voor dat zijn steenworp voorbijgangers treffe, maar hij verwacht dat dit niet gebeuren zal) ,0).
Het gemis aan de noodige voorzichtigheid bestaat in gemis aan nauwgezetheid, beleid, handigheid, voorzorg e. z. m., uitkomende of in het doen of laten onder zekere omstandigheden , of in de wijze van doen of laten (de steenwerper werpt zonder te waarschuwen , werpt onhandig).
Schuld is dus niet-aanwending of onjuiste aanwending van velerlei psychische vermogens. Toch is zij ook eene fout van den tvil: 1°. inzoover doen of laten gewild werd terwijl het niet gewild worden mocht{20. inzoover vermogens niet gebruikt zijn die men had moeten willen gebruiken ''J.'
5. Do noodige voorzienigheid. Vereischt wordt derhalve in 't algemeen dat de dader de veroorzaking van het gevolg hebbe kunnen en moeten voorzien. Juist niut ook in bijzondorheden de wijze waarop het intrad; slechts in 't algemeen het gevolg als veroorzaakt door zijn doen of laten 12). Dit geldt ook inzoover het doen of laten van anderen heeft medegewerkt13). Slechts het geheel onvoorzienbaar verloop valt buiten de schuld 1').
De noodige voorzichtigheid. Vereischt wordt derhalve dat de dader de veroorzaking van het gevolg dat hij heeft kunnen en moeten voorzien, ook hebbe kannen en moeten vermijden l5).
10) Vg. in deze | n. 7.â Vóór de âbewuste soliuldquot; o. a Peuerbach Mittem. ^§55, 56 (unmittelbare, mittelbare FahriiiiMigkeit): Geib II 262; Berner Lehrb. § 72; Meyer 181:o.a. Ook Modderman *fflTCwPr1fu(?77; C. v. 11. Smidt II 118 (120), 133 (134). Daartegen o. a. Binding Normen II 121; v. Buti Gerichtssaal 1870, 14; v. Liszt 177(189); Bruek 15. De onderscheiding naar liet psychologisch gezichtspunt, in don tekst aangeduid, verzoent de beide opvattingen en voorkomt tevens de dwalingen waartoe de leer der âbewuste schuldquot; allicht leidt
quot;) Modderman, Smidt I 78 (85). Vg. hoven | 24 3. Strijdvraag of schuld wils-fout of verstandsfout is; Meyer 175; Bindinf» Normen 11 146 n. 182; v. Liszt 175 (186).
12) 11. G. E. XV 345. ^ Gron, w. 5842.
'â ') Vg. i 34 n. 16.
'*) Dit verband met het gemis aan voorzienigheid moet dus vaststaan. Vg. R. (i. Ill 208.
293
§ 35. SCHULD.
Naar welken maatstaf rechtens moet nu liet begrip noodig, het kunnen en hot moeten, beoordeeld worden; naar een sub-jectieven, individueelen, of naar een objectieven , algemeenen maatstaf ?
Bij de beantwoording van deze vragen worde opgemerkt: dat het moeten uit zijn aard zeker objectief, maar dat het kunnen uit zijn aard subjectief is; dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid er eene is van ongewone scherpte; en dat tusschen niinirnauJgrens en maximaalgrens kan onderscheiden worden 'quot;).
Het minste wat gevorderd kan worden â de minimaalgrens â kan niet naar subjeetioven; het meeste wat gevorderd kan worden â de maximaalgrens â kan niet naar objectieven maatstaf worden bepaald. Niemand behoeft rechtens verplicht te worden tot alles wat hij kan. Niemand mag rechtens verplicht worden tot meer dan hij kan.
Daarom gelde in 't algemeen een objectieve maatstaf, berekend op het normale: normale vermogens, normale eischen van het rechtsleven. Waar dan bij uitzomlering de subjectieve maximaalgrens overschreden zou worden, houdt de schuld op. Edoch alleen inzoover dit laatste geldt van het doen of laten in zij)! geheel : een bijzonder kortzichtige of onhandige had zich veelal van doen of laten kunnen en moeten onthouden.
G. Welke regelen gelden nu verder voor de vaststelling van het normale?
Met normale vermogens kunnen, alweder wegens do groote individueele verschillen onder de menschon, niet bedoeld zijn volstrekt algemeene; wel, vermogens normaal voor zekere groepen, onderscheiden naar leeftijd, geslacht, opleiding, stand, be-roep e. z. m.
De normale eischen van het rechtsleven richten zicli naar wat in âredelijkheidquot; kan worden gevorderd, en verschillen naaide grootere of geringere waarde van hot bedreigde rechtsbe-
16) Betr. den strijd over snbjectieven of objectieven maatstaf, en hot meest verspreide gevoelen ten gunste van don eerstgenoeinden, Bruok 08. Onjuist m. i. v. Liszt 171 (18(3) die aan de voorzichtigheid per se een objectieven, aan de voorzienigheid per so een snbjectieven maatstaf aanlegt.
294
SCHULD. § 35.
lang, ilc meerdere of mindere gemakkelijkheid om de uitkomst te vermijden, do eigenaardige behoeften of den drang dei-omstandigheden. Niet zelden geven bepaalde voorschriften richtsnoer17); toch zal èn aanvulling, èn, in bijzondere gevallen, afwijking daarvan kunnen gevorderd worden18). Voorts zijn, in 'talgemeen, bij âdoenquot; de eischen strenger dan bij âlatenquot; 19). Eindelijk kunnen de te stellen eischen samenhangen met bijzondere maatschappelijke plichten dei-groep waartoe de dader behoort; bepaaldelijk met ambt of beroep ^). Al wordt bij de uitoefening daarvan somwijlen groote vrijheid gevorderd en geduld, ook deze heeft hare grenzen, door de onbeschreven regelen van ambt of beroep gesteld. Naar dit beginsel moeten o. a. de z. g. n. âkunst-fouten der geneeskundigenquot; beoordeeld worden ^1).
Hoofdzaak is echter bij een en ander dat, bepaaldelijk wegens de bijzondere scherpte van strafrechtelijke aansprakelijkheid, de maatstaf van het normale ontleend worde aan de voorzienigheid en voorzichtigheid van hen die in eenige groep liet (jeironR, niet van hen die er het huilengewoiie vertegenwoordigen. Strafrechtelijk is schuld in 't algemeen alleen op te vatten als grove of merkelijke schuld, âwat in foro civili culpa lata genoemd wordtquot;. Terecht is dit bij de samenstelling van het Ned. Wetboek nadrukkelijk herinnerd. Dat de uitdrukking zelve er eenmaal voorkomt (a. 356), geldt, historisch verklaarbaar, niet als uitzondering22).
7. De schuld is naar hare zwaarte niet te onderscheiden in soorten , wel in graden; deze laatste zijn echter alleen in con-
a. 319 G. P. âinobservation des réglementsquot;.
Is) B. v. a. 23, 24 K. B. 26 Juli 1885, Sb. 108. (Aanvaringen op zee.)
'â ') Vg. «25. 4; 28. 6.
2ü) a. 11 Swb. verhoogt ook bior somtijds de straf; op ruimer schaal 222, 230 Dwb.
Vg. I 32. 2. Hierover eene belangrijke litteratuur en speciale bepp. in vroegere wetboeken. Feuerb. Mitterm. 158 n. III; Geib 1I_264; Holtzend Ildb. III 471; Bruck 80; Kalisch Kunstfehler d. Aerzte (18(iG); Mair Ger. ined. Casuistikd. Kunstfehler (1892); Maschka Hdb. Ger. Med. III.
-â ) Vg. a 3 1'. W. 22 April 1855, 8. 33; a. 396 O. Stc,; Smidt III 49 (50). â In gelijken zin H. E. 14 Nov. 1887, W. 5509; zoo ook de Franscbe en de En-gelsche leer.
â¢295
§ 35. SCHULD,
creto als schakeeringen, niet leerstellig als eigenlijke graden, aan te wijzen quot;).
De tegenstelling van bewuste en onheivuste schuld is onjuist (§34. 3, §35. 4), onnoodig, dubbelzinnig en licht leidende tot de dwaalleer der middelgraden tusschen opzet en schuld 2').
De roekeloosheid wordt ten onrechte somwijlen opgevat als identiek met z. g. n. bewuste schuld quot;); ook z. g. n. onbewuste schuld kan roekeloosheid zijnâRoekeloosheidquot;, âluxu-riaquot; (Rotn. r.), âgeylheytquot; (C. C. C.) duidt tegenover âandere schuldquot; of âonvoorzichtigheidquot; op een zware schuldschakee-ring; eene afzonderlijke schuldsoort is zij nietquot;).
8. Voor den tijd waarop schuld moet bestaan hebben, geldt het omtrent opzet gezegde (§ 34. 17).
9. Bij de samenstelling van het Ned. Wetboek werd aanvankelijk beoogd aan de tegenstelling tusschen opzet en schuld, bij misdrijven en voor zooveel vrijheidsstraf betreft, principieel uitdrukking te geven door een verschil in straf soort: gevangenisstraf en hechtenis. Vrees voor weifelingen van de praktijk bij de onderscheiding tusschen opzet en schuld deed echter dit stelsel verlaten :8).
§ 36. Toerekeningsvatbaarheid.1)
1, Schuld onderstelt bij den persoon vatbaarlieid voor schuld, toerekeningsvatbaarheid (Zurechnungsfahigkeit, responsabilité) â ').
2:i) De oude leer onderscheidde hier leerstellig naar de graden van het privaatrecht; waartegen met name Fenerb. (Feuerb. Mitterm. §58). Vg. Geib II ; Ij ruck 70.
3') Vg. § 35, noot 10; j! 34 noot 28; ? 33 noot 5.
Over luxuria, Frevelhaftigkeit, in dezen zin vooral Berner Imputationskhre 240; id. Lehrb. 127.
M) Ook deze is hetr echter niet per se; anders v. Liszt 170 I (189).
-') RR. 1. 11 D. de incend. -17 9; G. C. 0. a. 146.
s») Smidt I 17 281, 286 (299, 304); II 134. (136) Dwb., Fr. G. P. niet.
? 30. ') Literatuur; deels die over schuld (| 33 v.); deels die over de gevallen van toerekeningsvatbaarheid (deze jj).
3) Toerekeningsvatbaar (responsable) is do menscb; toerekenbaar (imputable) is de handeling Het taalgebruik verwart dikwijls beide uitdrukkingen. Zoo ook Woordenboek d. Ned. 'faal. Hiertegen W. 6173. Vg. W. 6176.
296
TOEKEKENINGSVATBAARUEID. § 36.
Op die vatbaarheid als het algemeene en normale is de schald-leer gebouwd. Bij uitzondering vertoonen raenschen psychische eigenaardigheden waarbij die vatbaarheid ontbreekt: jronden van uitsluiting der toerekeningsvatbaarheid.
Het begrip der toerekeningsvatbaarheid volgt dus noodwendig uit het begrip der schuld. Bij zijne ontleding en omschrijving moet hier de opvatting van het positieve recht worden gevolgd , al is deze, met hare terminologie, onder den invloed der indeterministische beschouwingswijze gevormd en al moet dus van deterministisch standpunt menige bedenking rijzen 3). Intusschen kan, zoolang het strafrecht nog niet bewust deterministisch geworden is, aan die bedenkingen in vele opzichten , theoretisch en practisch, worden tegemoet gekomen: indien maar de wetgever der wetenschap volle vrijheid laat bij de aanwijzing der gevallen van wat in zijne leer uitsluiting der toerekeningsvatbaarheid heet; den rechter groote vrijheid van beweging toekomt bij de toemeting der straf; en voldoende maatregelen worden verordend ter afwending van de gevaren waarmede psychisch abnormale individuen of verwaarloosde kinderen den maatschappelijken vrede kunnen bedreigen 4).
Ons wetboek geeft ook van dit begrip geene omschrijving.
Naar de opvattingen echter die bij zijne samenstelling hebben voorgezeten, naar zijne schuldleer en naar zijne omschrijving van de uitzonderingsgevallen, schijnt de toerekeningsvatbaarheid aangeduid te kunnen worden als een staat van psychische normaliteit en rijpheid welke drieërlei geschiktheid medebrengt: 1°. die om de feitelijke strekking der eigen handelingen te beseffen; 211. die om het maatschappelijk ongeoorloofde van die handelingen te beseffen; 3°. die om ten aanzien van die handelingen den wil te bepalen5). Immers: in de
s) Vg. luerbovon uitvoerig % 33. I.
4) Dat de tegemoetkoming niet volkomen is, spreekt vanzelf.
') Deterministisch moet dit laatste heeten: vatbaarheid voor de werking der normale motieven. Vg. § 33. 4 inf. â Zie H. Meyer I.e. 133; normale Verstandes-entvvickelung; normale Beschalfenheit derüefühl's- oder Empfindungsthatigkeit; normale Entscheidungsfahigkeit. Vg. Bernor Lohrb. ? 41; v. Krafftââ Ebing, Qrund-züge d. Criminalpsychologie (188:2) 1.
I. l'J
297
§ 86. TOEREKENINGSVATBAARHEID.
algemeene toelichting bij B. I. T. III zijn deze drie bestand-doelen nadrukkelijk onderscheidenquot;); in de oorspronkelijke redactie van art. 37 en in de toelichting daarop werd het 3°. bestanddeel uitdrukkelijk genoemd; en, terwijl alleen liet 2°. twijfelachtig zou kunnen zijn, moot toch èn voormelde algemeene toelichting, èn het begrip âoordeel des onderscheidsquot; in art. 39, èn vooral het motief dat tot de verwerping der leer van het boos opzet leidde (§ 34. 10), ook ten aanzien van dat punt liet gestelde rechtvaardigen 7).
2. Theoretisch is het begrip dor toerekeningsvatbaarheid, als vatbaarheid voor schuld, een relatief begrip; d. w. z. wordt de toerekeningsvatbaarheid beoordeeld , niet in het algemeen , doch in verband met ieder bepaald feit. Ook de formuleering der Nederlandsche wetgeving (a. 37, 39 Swb.) is hiermede in overeenstemmings). Practisch echter zal dit relatieve karakter misschien van eenige beteekenis zijn voor de bepaling der verantwoordelijkheid van kinderen, doch zeker van weinig beteekenis bij psychische abnormaliteit 9).
3. Eigenaardig is de oude strijdvraag over de bestaanbaarheid van eene verminderde toerekeningsvathaarheid. Deze uitdrukking wees, naar vele oudere schrijvers en oudere wetgevingen uit de eerste helft dezer eeuw, een psychischen staat aan waarin de voor toerekeningsvatbaarheid noodige normale geschiktheid niet ontbrak, doch in zwakkeren graad aanwezig was, en die dan gold als een grond voor strafverzachting beneden de wettelijke maat. Intusschen kan de theoretische juistheid van dit begrip worden betwist en was de verdediging daarvan inderdaad slechts eene tegemoetkoming aan de onmiskenbare waarheid , dat ook binnen het gebied der z. g. n. toerekeningsvatbaarheid tallooze schakeeringen en overgangstoestanden zijn aan te wijzen, vooral aan de behoefte om
â¢) Smidt I, 339, 310, 359, (361, 305, 385).
7) Dwbk. (i 51 âfroio Willensbestimmungquot;; ? 56 âdie zur Erkonntniszihrer Straf-barkeit erforderliche Einsichtquot;. â God. Ital. a. 46.
8) Vg. ook M. v. T. op art. 37. Smidt I 340 (365, 366).
9) Zie bonoden n. 8 en 9. Vgl. v. Liszt 150 (162).
298
TOEUEKENINGSVATBAARIIEID. § 36.
daarmede practisch rekening te houden. Do latere schrijvers en wetgevers die dat derde begrip niet erkennen, beoogen practisch hetzelfde, deels door wettelijke vermindering van de straf op een delikt gesteld (a. 39, 290, 291 Swb.), bovenal door uitbreiding van de vrijheid des rechters bij hare toe-meting l0).
4. De tijd waarop de toerekeningsvatbaarheid moet aanwezig zijn, is die waarop het voor de veroorzaking van het gevolg beslissend doen of onrechtmatig laten voorkomt. Gemis aan toerekeningsvatbaarheid op dat tijdstip sluit schuldigverklaring uit. Toerekeningsvatbaarheid op dat tijdstip laat haar toe en later opgekomen opheffing dier vatbaarheid kan slechts procos-sueele gevolgen hebben of invloed op de voltrekking der straf ''). Aan wat in verband hiermede betrekkelijk het leerstuk der z. g. n. âactiones liberae in causa*quot; bij de leer van opzet en schuld is uiteengezet (§ 34. 17; § 35. 8), worde nog hier herinnerd. Wie in- en tengevolge van een staat waarin toerekeningsvatbaarheid is uitgesloten, een feit begaat, en vóór het geraken in dien staat het noodige opzet had om in dien toestand dat feit te begaan â daaronder liet âslechts voorwaardelijk opzetquot; begrepen (§ 34. 4:|°) â, heeft het feit opzettelijk gepleegd; het is als had hij zich/elven als werktuig gebruikt (a. 47'quot; Swb.). Wie door eon met hot oog op dat feit als schuld aan te merken gebrek aan de noodige voorzienigheid of voorzichtigheid zich in dien staat bracht, pleegt een culpoos delikt, voor zoover do wet het feit als zoodanig straft. Dit geldt voor âovertretredingonquot; even goed als voor âmisdrijvenquot; 1!).
10) De oude leor bij Goib II 105, § 70; aldaar ook de vele Dmtslihe wetboeken die deze leer huldigden, o. a. Brunsw. ^ 60, Hessen 114â117, Bestrijding van de leer door Feuerbach (Tjebrb. ? 100) e. a. die voor zulke gevallen geene strafver-zaehting wilden. De strijd nog onder de nieuwere schrijvers: b. v. v. Liszt 152 (162); H. Meyer, 136; Merkel bij v. Holtzend. II 563; Berner 75 e. a. Het Dwb, heeft het begrip, dat in een der ontww. was erkend, niet opgenomen. Wel o. m. Cod. Ital. 47 j0. 46. Fransche auteurs gewagen van âresponsabüitó alfaibliequot;.
quot;) Art. 415, v. Sv. â Art. 12 v. W. v. 27 April 1884, Stb. nquot;. 96.
12) Zie litt. in § 33 noot 77. â Vg. M. v. T., G. v. R. en Reg. Antw. op art. 37. Sraidt I, 310, 344, 346, (365, 369, 371). â Ten onrechte oordeelden som-
299
§ 36. TOEKEKENINGSVATBAAHIIEID.
5. De toerekeningsvatbaarheid van den persoon is een positief vereischte voor de schuldigverklaring.
Intusschen behoeft het bestaan daarvan niet altijd opzettelijk onderzocht en in het veroordeelend vonnis vastgesteld te worden.
Wel in zoover de wetgever, vermits gemis aan toerekeningsvatbaarheid zeer licht voorkomt, den eisch, ook formeel, positief heeft gesteld; gelijk dit geschiedde ten aanzien van kinderen tusschen 10 en 16 jaren (a. 39). âNiet, in zoover, vei1-mits het aanwezig zijn van toerekeningsvatbaarheid als het normale wordt aangemerkt, de eisch formeel negatief is gesteld, door de aanwijzing van gronden welke de toerekeningsvatbaarheid uitsluiten; gelijk dit geschiedde voor personen van 16 jaren en ouder.
Toch is ook hier, wegens het positieve karakter van den eisch zelf, zelfs bij twijfel omtrent de aan- of afwezigheid van eenigen uitsluitingsgrond veroordeeling niet toegelaten. Maar de vraag of aanleiding bestaat tot twijfel en onderzoek, heeft de wet hier geheel ter beslissing gelaten van den rechter; zoodat het alleen de taak der wetenschap is, die gevallen aan to wijzen en den rechter vooral ook het twijfelen te leeren l3).
6. De wet wijst de gronden van uitsluiting der toerekeningsvatbaarheid aan
Moet zij die aanwijzen? â Ongetwijfeld, in zoover zij aan eene duidelijk te omschrijven uiterlijk omstandigheid, zooais aan den leeftijd van don persoon, een bepaald aangewezen invloed op dit punt geven of ontzeggen wil. â Minder vast echter kan dit beweerd worden waar het innerlijke, psychische toestanden betreft, waarmede, krachtens den aard van het
migen ten aanzien van âovertredingenquot; anders. Smidt 1. c. 344, 356 (369, 382). Vg. daarmede hierboven ^ 33. 6.
13) Dat het oordeel aan den rechter gelaten is, besliste o. a. H. E. 19 December 1865, W. 2671: dat in geval van twijfel geen veroordeeling volgen kan, o. a. 11. Mil. Ger. in Tijdschr. v. Str. VI, 448, aant. 30; anders II. R. bij Schoone-veld op a. 64 C. P., aant, 5. â Bij rechtspleging voor gezworenen aan wie vragen worden gesteld, is de waarborg grooter. Vg. D. Strafpr. Ã. § 266, 295; C.d'Instr. 339. â Vg. vooral boven (S 21, 4 inf. en, wegens analogie met do rechtvaardigingsgronden , § 28, 4. â- Zie nader in deze j n. 9.
14) Ãwb. a. 37 â 39; gedeeltelijk a. 40; Dwb. \ 51, 52, 56 â 58; G. P. a. 64, 66: C. P. B. a. 71, 72; Cod. Ital. a. 46â48, 53â60.
300
TOEREKENINGSVATBAARHEID. § 30.
wettelijk schuldbegrip zelf', vatbaarheid voor schuld onbestaanbaar is; zooals b. v. die storing der psychische vermogens waardoor hunne werking in een der drie bovengemelde opzichten (§ 36. 1) is opgeheven. In theorie kan m. i. wettelijke opnoeming van zulke gronden worden gemist; eene opvatting welke ook door art. 37 Swb. , blijkens zijne onbepaalde redactie, gedeeld wordt.
Intusschen zijn er practische redenen die ook dan opnoeming aanbevelen.
Vooreerst eene algemeene: de wenschelijkheid om, ook met het oog op zoovele tekortkomingen der praktijk van vroeger en later, den rechter leiding te geven en hem te nopen zich de vraag omtrent do toerekeningsvatbaarheid to stellen en naar wetenschappelijke methode het antwoord te zoeken.
Dan eene bijzondere, voor die wetgevingen die, gelijk ook de onze, voor het aanwezig zijn van opzet in 'talgemeen niet in concrete vorderen boos opzet, bekendheid met het ongeoorloofde! der handeling (§ 34. 10). Immers bestaan er vormen van ziekelijke storing der psychische vermogens, zooals in-sania moralis, waarbij èn de voorstellingen omtrent de feiten èn de z. g. n. vrije wilsbepaling normaal kunnen zijn, zoodat de dader in zekeren zin gezegd kan worden âmet opzetquot; te hebben gehandeld, hoewel eene van de voorwaarden voor âschuldig opzetquot; , de geschiktheid om het ongeoorloofde van de handelingen te beseften, ontbreekt 's).
Gewichtig is dan echter de vraag, of de opsomming van den wetgever een limitatief, dan wel een enunciaiief karakter draagt. De hier verdedigde beschouwingen nu moeten in het algemeen stellig tot hot toelaten van uitbreiding leiden. En dat de Nederlandsche wetgever volstrekt het tegendeel zou hebben gewild, kan ook m. i. tegenover dit betoog niet wel
15) Vg. o, a. bij de behandeling van art. 37, tegenoverde minderheid der C. v. E. die art. 37 overbodig achtte, de opmerking van den minister en Mr. Patijn, dat âkrankzinnigen en idioten wel opzettelijk handelen kunnenquot;. Smidt I, 344, 354, 356 (370, 379, 380). â Over de algemeene reden voor de wenschelijkueid der opnoeming de meerderheid der C. v. R. Smidt I, 344 (370). Vg. aldus ook H. Meyer I.e. I 25; Chauv. Hélie I, 820 e. a.
301
§ 36. TOEREKENINGSVATBAARITEID.
worden verklaard. Zelfs de omstandigheid dat de âbewusteloosheidquot; uit het oorspronkelijk ontworpen artikel 37 is weggenomen terwijl men toch âvolslagen bewusteloosheidquot; als grond van uitsluiting der toerekeningsvatbaarheid heeft willen behouden, bevestigt deze meening. Daartegen kan eene enkele uitspraak tijdens de beraadslaging niet afdoen quot;^.Maaide gronden die aldus tot het verdedigen van uitbreiding leiden , beperken haar tevens tot gevallen waarin de storing het feitelijk voorstellingsvermogen of het wilsvermogen betreft, d. i. de geschiktheid hierboven (§ 36. 1) onder 1°. en 3°. aangeduid; terwijl uitbreiding voorts beperkt kan zijn door's wetgevers duidelijken wil.
Consequentie in de leer der toerekeningsvatbaarheid lijdt niet zelden onder de vrees dat de maatschappij weerloos zou staan tegenover gevaarlijke personen. Die vrees zou ophouden, indien het nemen van beveiligingsmaatregelen tegen dezen, óf in 't algemeen binnen het strafrecht getrokken , of althans daarnaast voldoende geregeld werd 'r).
In aanmerking komen nu de volgende gronden: 1. sommige gevallen van overmacht, 2. jeugdige leeftijd, 3. ziekelijke storing der verstandelijke vermogens, 4. gebrekkige ontwikkeling dier vermogens^ 5. storing van het bewustzijn, in 't bijzonder 6. dronkenschap en 7. gemoedsbewegingen.
7. Uit dit oogpunt komt overmacht (a. 40) alleen ter sprake als absolute psychische dwang 18).
8. Jeugdige leeftijd '9). â Aan jeugdigen leeftijd is in de
10) Mr, v, d. Kaay, Smidt I, 355 (377). â Vg. ook onder de Duitsclie criminalisten de voorstanders van reclilsanalogie op dit punt: Berner 81; H. Meyer 140; v. Liszt 158 (168); Binding Hdb. I, 221- anders b. v. Merkel bij Holtzend, II, 82.
â¢') Vg. a. 37 al. 2 Swb.; W. o. b. Krankzinnigenwezen; vreemdelingenwet; a. 426, 453 Swb.
18) Vg. uitvoeriger hierboven | 30. 1.
^1) J. H. P. Qallée, Artt. 38 en 39 Swb. Pr. (1883); A. D. H. Kolff, De jeugdige leeftijd in liet Swb. Pr. (188ti); J. Simon v. d. Aa, De Rijksopvoedingsgestichten in Nederland, Pr. (1890). â Baurnert, Zurechnungsfiihigkeit u. Bestrafungjugend-lioher Personen (1877). â Zie mede de ook bij de samenstelling van ons Wbk. geraadpleegde 5 III v. h. âGutachten d. kgl. wissenschaft!. Deputation f. d. Medicinal-wesenquot; als Anl. 3 zu don Motiven des Strafg. Entwurfs f. d. Nordd. Bund. Stenogr. Berichte üb. d. Verhandlungen d. Reichst. d. Nordd. Bundes. I Legislatur-Periode Session 1870.
302
TOEREKENINGSVATBAARHEID. § 36.
strafrechtsgeschiedenis in velerlei vormen invloed toegekend. Door uitsluiting van alle strafbaarheid; door het gelasten van een bijzonder onderzoek naar de aansprakelijkheid; door uitsluiting van sommige straften; door het aanwenden van bijzondere maatregelen van straf en opvoeding :i').
De grond hiervoor, in het licht der nieuwere wetenschap steeds vaster erkend, is liet psychologische feit dat de normale psychische toestand, waarop de wettelijke stelsels van toerekeningsvatbaarheid en strafoplegging berekend zijn, eerst door physieke rijpheid en door levenservaring ontstaat.
In do nieuwere wetgevingen hebben zich nu wat de uitwerking aangaat, twee stelsels ontwikkeld, liet ticeevoudiye, Duitsche, in de rechtsgeschiedenis een veelzijdigen grondslag vindend, o. a. ook in het crimineel wetboek van 1809, en in de meeste nieuwere wetgevingen, met name in de Duitsche gehuldigd, kent: 1°, een leeftijd waarin de toerekeningsvatbaarheid volstrekt is uitgesloten (terminus criticus); 2quot;. een leeftijd waarin een bijzonder onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid plaats moet vinden. Het enkelvoudige, Fransche, stelsel, hier te lande 1 tot 1 September 1886 geldend, kent de eerstbedoelde vol-11 strekte uitsluiting niet 5I).
Het eerstgenoemde is verre verkieslijk. Stelt men do grensj van dien leeftijd niet te hoog, dan is een concreet geval van
20) De grootste invloed op dit punt komt toe aan het klassieke Rom. recht, met zijne vele ondersehoidingen van leeftijd, infans, infantiao proximus, impnbes, pu-bertati proximus; op den laagsten leeftijd do strafbaarheid uitsluitend, later een onderzoek in concreto voorschrijvend, waarbij to de nabijheid van de leeftijdsgrens, èn de ontwikkeling van den persoon, èn de aard van het delikt in aanmerking kwamen; in verband hiermede ook het kanoniek recht, bij het aannemen van aansprakelijkheid toch strafverzachting gelastend. â R. R. â L. 5 ^ 2 1). ad L, Aquil (9.2); L. 23 D. de furt. (17.2); L. 12 D. ad L. Corn, de sicar. (48.8); L. 3 § 1 D. de injur. (47.10); L. 22 pr. D. ad L. Corn, de fals. (48.10); L. 14 D, ad Set. Silan, (29.3); â Kan.r. â Clem. V, 4. de homic.; c. 2 Cxv qu. 1; Greg. V, 23 o. 1. â Aan deze opvattingen, ook wat de grensbepalingen van den leeftijd betreft, en met aanwending tevens van het âmalitia supplet aetatemquot; slniten zich dan de criminalisten van de 16e, 17e en 18e eeuw grootendeels aan; ook in Frankrijk. Vg. de overzichten bij Geib II 68 v.; Chauv. Hélle I 747 v.; Ortolan n°. 257 v. â Zie ook C. C. C. artt. 164, 179. Eigenaardig Damhouder c. 84, 1â5.
^) I. Dwb. 3 55â57; Cod. Ital. a. 58-â-50.; ook de Ned. Ontww. 1815, 1827, 1839. II. Fr. C. P. a. 66â69; C. P. B. a. 72â75 (van de vroegere Duitsche Wbn. Pruisen en Beijeren); ook de Ned. Ontww. 1847, 1859.
303
§ 36. TOERKKENINGSVATBAARIIEID.
toerekeningsvatbaarheid binnen die grens bijna niet denkbaar; ontheft de wet den rechter van een onvruchtbaar onderzoek; voorkomt zij de mogelijkheid van onredelijke strafoplegging aan jonge kinderen.
De Nederlandsche wetgeving het tweevoudig stelsel kiezend, heeft nu in artt. 38 en 39. Wetboek van strafrecht, in verband met de âuitvoeringswetquot; van 15 Januari 1886, Stb. n0. 7, het volgende bepaald:
A. â Een kind wordt niet strafrechtelijk vervolgd wegens een feit â het mocht misdrijf opleveren of overtreding â begaan voordat het den leeftijd van tien jaren ten volle bereikt heeft 2S). Voor de berekening van den leeftijd komt in. i. ook het uur der geboorte, voor zooveel bekend, in aanmerking; anders de laatste dag van het tiende jaar, geheel Voorde bepaling van het begaan, geldt alleen het tijdstip van het persoonlijk handelen !E). Iedere strafrechtelijke behandeling is uitgesloten, maar âplaatsing in een rijksopvoedingsgestichtquot;,d.i. opvoedüig van staahcege met vrijheidsbeneming, kan ook bij deze kinderen worden gelast. De toepasselijkheid van dien maatregel is beperkt tot feiten die een eenigszins ernstig karakter dragen, die nl. vallen âin de bepaling van een misdrijf waarop gevangenisstraf is gesteld of in die der overtredingen van bedelarij of landlooperijquot; LM); terwijl misdrijven alleen op klachte vervolgbaar, niet in aanmerking komen, hoofdzakelijk opdat de plaatsing âniet afhankelijk zij van den wil van bijzondere personenquot;. â Het initiatief voor die plaatsing behoort, binnen een jaar, te rekenen van den dag
quot;) Zie do redenen voor doze grensbepaling â conf. Ontww. 1815, 1827,1839 en Stsc. â Sraidt I. M. v. T. â Ontw. 1804 14 j,; Wb. 1809 12 j.; ook Dwb.; ook Min. Smidt; daartegen en tegen het geheele stelsel R. v. St. Smidt I, 364 (392); Eng. recht 7 j.; Cod. Ital. 9 j.
=3) Vg. a. 31 B. W. â Aldus Opzoomor, Burg. Wetb. II 298 n. 1. â Anders Diephuis Burg. Regt, 2e uitg. 608. â Vg. Gallée 1. c. 25.
!l) Dit laatste of. amend, v. Gennep, door de Beg. overgenomen, Smidt I 374 (401) de redactiewijziging âovertredingenquot;, wegens art. 10 der Novelle in art. 11 dezer wet opgenomen. Smidt V 42 (I 403). Het Regecringsvoorstol bij art. 7 Inv.w. om bij misdrijven t. z. van Rijksbelastingen (smokkelarij) vorder te gaan, is teruggenomen. Smidt V, 259 v,
304
TOEREKENINGSVATBAARHEID. § 36.
na dien waarop het feit begaan is, aan het O. M. bij de bevoegde arrondissementsrechtbank (a. 1 Uitv.w.); het oordeel over de wenschelijkheid berust geheel bij den rechter , die bij gemotiveerde beschikking, doch zonder, ook wat het begaan van het feit betreft, aan wettelijke bewijsregelen gebonden te zijn, uitspraak doet (a. 6 Uitv.w.); en die wel vooral zal hebben te letten op het gevaar waarmede, wegens de slechte of onvoldoende opvoeding die het kind te wachten heeft, of de verleiding die het blijkbaar tegemoet gaat, do misdadige aanleg in de tóekomst dreigt. Die rechter is â opdat iedere schijn van strafvervolging uitgesloten zij â de burgerlijke rechter; voor wien, naar bijzondere regelen, in voormelde Uitvoeringswet voorgeschreven, de zaak in raadkamer behandeld wordt (a. 12) Js). â De rechter bepaalt aanstonds den duur der plaatsing, doch mag dien niet langer stellen dan tot liet vervulde 18e levensjaar. Ontslag binnenstijds kan door hem worden gelast, op vordering van het O. M. of op verzoek van den vertegenwoordiger van het kind (§ 2 Uitv.w.) quot;). â De instelling dezer staatsopvoeding, zich reeds aan oudvader-landsche opvattingen vastknoopend, had zich hier te lande onder het Fransche recht als âéducation correctionnellequot; in bijzondere mate ontwikkeld 27). De gestichten zijn thans: voor jongens, dat te Alkmaar (1854), dat aan âden Kruisbergquot; bij Doetiuchem (1866, langen tijd strafgevangenis voor jeugdige veroordeelden), en het gesticht âVeldzichtquot; te Avereest (1892); voor meisjes dat te Montfoort (1859) Het aantal kinderen van deze categorie welke in de gestichten geplaatst zijn, is zeer gering.
B. â Een kind, niet bohoorende do vorige categorie, kan
55) Zie de geschiedenis dier Uitvoeringswet, in welker ontwerp eerst oen ander stelsel van rechtspleging voorgesteld was, Smidt IV, 375 v.
M) Oratie is uitgesloten, vermits het hier niet een straf geldt.
s') J. Koning, Lijfstr. Eegtsoefening te Amsterdam 34. â Vg. S. v. d. Aal. c. 8 vg. â⢠Dwbk. laat het nomen van âgeeigneten Maszregelnquot; aan do âLandesgesetzgelmngquot; over.
!8) a. 8 Gfstichtenwet; W. v. 29 October 1892 Stb. n°. 241; ïit. VI der Beginselenwet o. h. gevangeniswezen; en de Algem. Bestuursmaatregel v. 31 Aug. 1886 passim. â Vg. S. v. d. Aa 1. o, 53 v,
305
§ 36. TOEUEKKNINGSVATBAARHEID.
ter zake van eon feit, begaan voor dat liet den leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, wel strafrechtelijk worden vervolgd; maar de rechter, d. i. de gewone bevoegde strafrechter recht sprekende naar de gewone vormen van strafrechtspleging , is dan verplicht opzettelijk te onderzoeken of het âmet oordeel des onderscheids gehandeld heeftquot;, (art. 39 Swb). Do bepaling van deze grens, waarboven jeugdige personen dus met volwassenen gelijk staan, ontleende de wetgever aan het Fransche recht en aan de ervaring hier te lande n).
I Met âoordeel des onderscheidsquot;, het âdiscernementquot; van I den C. P., inderdaad eene andere uitdrukking voor âtoerckc-' ningsvatbaarheidquot; voor deze gevallen, bedoelde hij bepaaldelijk aan te duiden het vermogen om zoowel de feitelijke strekking als het rechtens ongeoorloofde van het bepaalde feit te beseffen 30); eene opvattiing welke intusschen, wegens de mogelijkheid van andere verklaring der woorden en de moeilijkheid der vaststelling in foro, in de praktijk niet altijd tot haar recht komt. Blijkt van zoodanig oordeel, dan wordt het kind tot straf veroordeeld. Daarbij zijn de strafsoorten de gewone; allefiii--*ijri--~tw£!e^ bijkomende straffen. ontzetting van rechten en oDcnbaarmukinff quot;van de uitspraak, uitgesloten; terwijl voorts de toepassing der opsluiting in afzondering beperkt is en met het oog daarop, voor gevangenisstraffen van langoren duur, bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden aangewezen zijn, voor jongens to 's Hertogenbosch , voor meisjes te Montfoortquot;). De strafmaten zijn echter niet de gewone; de strafmaxima zijn verlaagd (a. 39 al. 4 v.) â Indien niet van oordeel des onderscheids is gebleken â ook dus in geval van twijfel â is strafoplegging uitgesloten, doch kan ook deze rechter de plaatsing in een rijksopvoedings-
59) Ontw. 1804 20 j.; Cr. Wh. 1809 18 j.; ook Dwb.; Eng. recht 14 j., editor met de inogelijkli. v, plaatsing in een opvoedingsgesticht tot 16 j,; ookC. Ital, mot strafverlichting tot 21 j.
an) Smidt I 373 (400); S. v. d. Au 30 v., 49 v.. 112 v.; Gallée 27-31) a, 12 Swb,; â a. 7 30 Qestichtenwet, zooals liet gewijzigd is door a. 1 W. 26 Aug. 1886 Stb. n». 130 en door \V. v. 6 Mei 1889 Stb. n0. 51. â De âverpleegdenquot; on do veroordeelden te Montfoort zijn van elkaar gescheiden.
306
TOEREKENINGSVATBAARHEID. § 36.
gesticht gelasten, onder dezelfde voorwaarden als voor do vroeger genoemde kinderen aangegeven is; terwijl hij mede een vervroegd ontslag bevelen kan langs denzelfden weg (§ 2 Uitv.w.). â De bij deze regeling aangenomen geheele uitsluiting der staatsopvoeding voor hen wier oordeel dos onderscheids moet worden aangenomen, wordt terecht door velen betreurd; opheffing van het theoretisch onderscheidend kenmerk van het âoordeel des onderscheidsquot;, met toekenning aan den rechter van grooter vrijheid in de keuze van geschikte maatregelen , door sommigen voorgestaan 33).
1 '9. Ziekelijke storing der verstandelijke vermogens quot;). â âNiet strafbaarquot;, zegt ook hier de wet uitdrukkelijk (art. 37), âis hij die een feit begaat dat hem wgeens de ... . ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens niet kan worden toegerekendquot;.
Het is duidelijk dat de onderkenning van alle psycho-pa-thologische toestanden en de erkenning van hunnen invloed op de toerekeningsvatbaarheid eerst bij den voortgang der wetenschap, dus in den lateren tijd, tot ontwikkeling konden komen. Niettemin wordt het beginsel ook in de oude rechtsbronnen gesteld. Herhaaldelijk in de Romeinsche; in geringe mate in de oud-Germaansche; sterker in het kanonieke recht en het middeleeuwsche en bij de oudere criminalisten; onomwonden ook in de C. C. C., bij de latere schrijvers en , als een vaste leer, bij de wetgevers uit het tijdperk der nieuwere codificatie. Doch het verschil lag telkens in de uitwerking, in
3!) Zie Bulletin de l'Un, Intern, de droit Pénal, 2e année (1890). Tegenwoordig belangrijke litteratuur over jeudige misdadigers.
Algemeene litteratuur; J. N. Bamaer, Psiychiatrische aanteekeningen o. li. üntw. v, W. tot vaststelling v, een Wb. v. Sr. 1880. â Griesinger, die Pathologie u. Therapie d. psychischen Krankheiten (1876); v. Krafft-Ebing, Gruudziige d. Criminalpsychologie für juristen (1882); id. Lehrb. d. Gerichtlichen Psychopathologie (1881, 1892); Krapelin, Psychiatrie (1889). â Cullerre, Traité pratique des maladies mentales (1890); Ball, Lemons sur les maladies mentales (1890). â Mauds-ley. The pathology of mind (1879). â Bepaaldelijk-over degeneratie. Morel, Traité des dégénéreseences de l'espèoe humaine (1857); Cullerre, Les frontiöres de la folie (1888). â Zie verder geregelde mededeelingen in; Zeitschr. f. d. ges. Sw. Archives do 1'anthropologie criminello etc. (Lyon); Arohivio de psichiatria, scienze penali etc, (Torino). â Zie de Ned. proefschriften van J. G. Pott, Beschouwingen over art. 37 Swb. (1881). â F. Willelces Macdonald, De psychiater in het strafproces (1885).
307
§ 36. TOEREKENINGSVATBAARHEID.
het aanwijzen van de waanzinsvormen die als zoodanig zouden gelden. Het onbeholpen oudere recht kende slechts de allerzwaarste; de vervolgingen wegens âtooverijquot; zijn tegen meni-gen krankzinnige gericht geweest; de criminalisten twistten over velerlei opvattingen; do wetgevers zochten met moeite naar hunne formules34). â De Fransche C. P. (a. 64) sloot de toerekeningsvatbaarheid uit bij den âétat de démencequot;. Dit woord teekende, naar de leer van dien tijd, eigenlijk een bepaalden vorm, maar is door den wetgever bedoeld en in de praktijk opgevat als een algemeene formule, elke ziekelijke storing der psychische vermogens omvattend ^). Niettemin heeft de Nederlandsche wetgever den Franschen voorganger niet gevolgd. Hij wilde èn uitdrukkingen kiezen van wetenschappelijk onbetwist ruimen zin, èn doen uitkomen dat telkens âliet verband tusschen den abnormalen toestand der geestvermogens en het concrete feitquot; moest vaststaan.
Wat liet eerste punt betreft, is de oorspronkelijke, aan het Duitscho wetboek (§ 51) ontleende redactie (a. 48 Stsc., 47 O. R. O.), waarbij van âgeestvermogensquot; en van opheffing der âwilsbepalingquot; gewaagd werd, ten gevolge van psychiatrische bedenkingen in hot G. R. O. verlaten; aan den tweeden oisch is, hoezeer in anderen vorm en ook tegenover psychiatrische kritiek, vastgehouden36).
Van juridisch standpunt is nu voor den wetgever dit de hoofdzaak, dat hij , het rechtskundig karakter van hot begrip der toerekeningsvatbaarheid handhavend, do mogelijkheid van
si) L. 3 1 D. do injur. (47.10); L. 7 | 3 D. ad L. Jul. Maj. (48.4); L. 12 1). ad L. Corn, de Sic. (48.8); L. 9 £ 2 D. de L. Pomp. de parr. (48.9); Pernioe, Labeo I 234. â Wilda 644. â Saksensp III 3. â C, C. C. 150, 179. â Zie over de vele oudere schrijvers Kemper Crim. Wb. Aanm. 73 v.; Geib II 66 v. â Over de vele wetgevingen Feuerb.-Mitterm. § 90a, Anm. 50. â Leerzaam de uitvoerige voor-scbriften onzer Ontww. v. 1804 en a. 22 Crim. Wb. 1809.
35) Vg. Exposé des motifs. Locré, 29, 264. â Rossi, Traité L. IICh. 17. Chauv. Hélie I 822 20, 824 v. en de daar aangehaalde schrijvers.
3li) De oorspr. redactie luidde: âNiet strafbaar is hij die een feit pleegt, terwijl hij ten gevolge van de ziekelijke storing zijner geestvermogens buiten staat is ten aanzien van dat feit zijnen wil te bepalenquot;. â Kritiek van Dr. J. N. Ramaer 1. c. 41. 45 v.; Ill; van Dr, v. Andel c. s. in een adres aan de 2e Kamer, te vinden bij Pott 1. c. Bijl,
308
TOEREKENINGSVATBAARHEID. § 36.
opheffing dier vatbaarheid door psychopathologische aandoeningen erkennend, aan de medisch-psychologische wetenschap volle vrijheid late om alle ziektevorinen welke zij onderkent, onderscheidt en op de psychische werkzaamheid â verstand, gevoel ol' wilsvermogen â van invloed acht, als zoodanig in foro voor te dragen. Naar dit beginsel kan ook art. 37 Swb. worden toegepast. De uitdrukking âverstandelijkequot; vermogens moet, blijkens hare geschiedenis in ruimen zin opgevat, alle psychische vermogens omvatten37). Iedere storing door ziekte komt in aanmerking. Maar de jurist, gewoon naar scherpe begrippen te zoeken, bedenke dat de onderscheidingen der psychiatrische wetenschap hier uit den aard der zaak veelal verre van scherp kunnen zijn; dat die wetenschap vooralsnog gedwongen is zich daarbij naar meer dan éénen grondslag te richten38); dat zij naast typische gevallen tallooze schakeeringen en overgangsvormen ontmoet; voorts dat de terminologie verre van vast en algemeen is; eindelijk dat zelfs het begrip âziekelijkquot; onbepaald en zeer betrekkelijk is, zoodat âelke onevenredigheid der normale verschijnselenquot; dien naam kan dragen ^). Vandaar dat in aanmerking komen: niet alleen de eenvoudige vormen , als manie, melancholie en dementie in al hare schakeeringen; maar ook algemeene paralyse; neurosen als epilepsie met blijvende of voorbijgaande storingen, en hysterie; ernstige storingen als gevolg van hereditaire degeneratie, waaronder impulsieve aandoeningen en insania moralis; pathologische gevoeligheid voor alcohol; pathologische gemoedsaandoeningen e. z. m. 4quot;).
37) Zij hot dan op dezen grond âdat onder den invloed van andere storing (gemoedslijden , zenuwziekten), geeno strafbare daden worden bedreven, wanneer niet ook liet vorstand gestoord iaquot;. Eamaer 1. c. 12. Zie zijn invloed M. v. T. Snüdt 346 (371).
r'8) Een drievoudige grondslag is de meest algemeen gevolgde; naar 1. patholo-gisoh-anatomiache feiten; 2. de oorzaken; 3. de verschijnselen. Zie een tableau bij Cullorre, Maladies mentales, 41.
Cullerre 1. c. 21 en do daar aangehaalde uitspraak van Claude Bernard.
',u) Zie de verschillende schrijvers aangehaald in noot 33. Of idiotisme, imbecilli-teit en dergelijke vormen tot do âziekelijke storingenquot; moeten worden gebracht, is practisoh onverschillig met hot oog op de gelijkstelling van âgebrekkige ontwik-kolingquot; in ouzo wet.
309
§ 36. TOEREKENINGSVATBAAnHEID,
Het bestaan van eene ziekelijke storing tijdens het feit begaan werd, is niet voldoende. De wet eiscbt dat tusscben de storing en bet feit het verband bestaat waardoor de toerekenbaarheid van dat feit is uitgesloten. Van rechtskundig gezichtspunt is deze eisch in theorie wel verdedigbaar. Maar men bedenke, dat de psychiatrie vrij algemeen van de vroegere leer der partieele krankzinnigheid â waarop dan parti-eele toerekeningsvatbaarheid gebouwd werd â is teruggekomen; en dat ook waar zekere uitingen een scherp bepaald karakter dragen, â b.v. wat men vroeger monomaniën noemde â zij deze in verband brengt met een algemeenen toestand van psychische degeneratie41). Eindelijk vergete men nooit dat veroordeeling naar de wet toch eerst dan zal kunnen volgen, indien het ontbreken van iederen invloed zelfs niet betwijfeld kan worden.
De rechter heeft over een en ander, ook ter onderkenning van âsimulatiequot;, de voorlichting der psychiatrische wetenschap te vragen. Aan hem de moeilijke beslissing, of er aanleiding bestaat die voorlichting in te roepen; eene taak waartoe bekendheid van den jurist met de psychiatrie en hare litteratuur noodzakelijk is. Toch had ook de wetgever niet iedere nadere aanwijzing beboeven achterwege te laten 4:!).
Over hot bestaan van de toerekeningsvatbaarheid zelve, een rechtskundig begrip, beslist, ook naar art. 37, de rechter. Voor het geneeskundig advies kan hij dan drie hoofdvragen als leiddraad stollen: 1 of de beklaagde tijdens het begaan van het feit aan eenige ziekelijke storing der verstandelijke vermogens leed, zoo ja, aan welke; 2. of die storing opheffend of beperkend werkte op zijne geschiktheid om zoowel de feitelijke strekking als bet ongeoorloofde van het begane feit
41) Vg. boven n. 2. â- De leer der partieele krankzinnigheid, vooral als leer der monomaniën, van Eaquirol (1772âIS-IO); hot verlaten dier leer vooral tengevolge der degeneratieleer van Morel (1809â1873). Vg. Cullerre, Traité des maladies mentales 18; id. Les frontières eto. 26; Kriipelin 1. o. 142; Krafft-Ebing, (irund-ziige 104; Pr. wissensch. Dep. 1. c. I. â Zie ook C. v. R. Smidt I 345 (370).
(2). Vg. Wyss 1. c. 31; Pott I.e. 52; Krafft-Ebing, Qrundr. 47; over de opleiding van juristen dezelfde 8 v.
SI O
TOEUEKENINGSVATBAARHEID. § 36.
to beseffen alsmede om ten aanzien daarvan zijnen wil te bepalen ; 3. of althans niet kan worden verklaard, dat bot feit volstrekt buiten dien invloed stond quot;).
Wordt bet gemis van toerekeningsvatbaarheid aangenomen, dan volgt buitenvervolgingstelling of ontslag van allo recbts-roebtsvervolging (a. 83, 127 al. 4, 216 Sv.). Intusscben kan roods dadelijk, buiten do gewone vormen der wet op liet krankzinnigenwezen, voorloopig plaatsing in oen krankzinnigenge-stiebt, gedurende een proeftijd van ten boogsto één jaar, worden gelast door den reobtor die in do strafzaak voormelde beslissing geeft, ook, naar de algemeene woorden en de geschiedenis dor bepaling, door don rechter in raadkamer M).
10. Gebrekkige ontwikkeling der verstandelijke vermogens 45). â⢠Deze grond is, in gedeeltelijke afwijking van bet Duitsche voorbeeld , uitdrukkelijk genoemd (art. 37), omdat ziekelijke storing niet ruim genoeg scheen âbij aangeboren gebrekenquot;. Men had hierbij op het oog niet slechts teruggehouden horsenontwik-koling, idiotie in baar verschillende graden; ook gebreken de zintuigen betreffond, als âaangeboren doofstornhoid of blindheidquot;. âGebrekkige ontwikkeling door onvoldoende opvoedingquot; is, blijkens do M. v. T. on do afzonderlijke voorschriften dor artt. 38, 39., hieronder niot begrepen. Evenmin kunnen, naar bot stolsel van onzen wetgever , personen die, tot wilde volkstammen beboorende, alleen gezegd kunnen worden eeno andere, niet oene gebrekkige ontwikkeling der verstandelijke vermogens te vertoonen, zich c. q. op dit artikel beroepen41quot;'). Wel
quot;) Den geneeskundige mag niet kortweg de vraag naar do toerekeningsvatbaarheid worden voorgelegd. Vg. Donkersloot, Gids November 1880. Pott 1, c. 47 en de litt. aid,: ook Pr. wissensch. Dep. 1, c, I.
â quot;) Mom Visoh, Opm. over art. 37 al. 2 enz. in Themis 1887,425 v. â Deze bepaling is opgenomen op voorstel der C. v, R. Vg. vóór de werking v. b, Swb. a, 18 al. 2 W. 27 April 1884, Sb. 96 âtot regeling van het staatstoezicht op krankzinnigenquot;, welk artikel is afgeschaft bij a. lO16 Inv.w.; vg. ook a, 10!u van eerstgenoemde wet, â Vóór de bevoegdheid van de raadkamer II. R, 14 Nov. 1889, W. 5796; gelijke beslissingen van andere colleges T. v. Sr. III 536, V 559. Ook de Pinto, Herz, wb. v. Sv. I 345. Anders Mom Visch 1. c. 436.
^») M. v. T. Smidt I 340 (366); M. v. A, aid. 346, (371). â Ramoer 1. c. 42,â Vg. § 51 Dwb,
â ^) Vg. hierboven § 33.3. â Anders, krachtens analogie, v. Liszt 158 (168); Binding Ildb. I 221; Meijer 140 o. a.
311
§ 36. TOEREKENINGSVATBAARHEID.
zij die in eenzaamheid, verwilderd zijn opgegroeid. â Ook den invloed van dezen grond wil de wet â in theorie â in verband gebracht zien met het bepaalde feit.
11. Storing van hel bewustzijn â âBewusteloosheidquot;, in overeenstemming met het Duitsche wetboek in de ontwerpen van het onze uitdrukkelijk als uitsluitingsgrond vermeld, komt in de eindredactie van art. 37 niet meer voor; bij de beraadslaging der Tweede Kamer is het woord door de Rogeering zelve verwijderd. Daartoe leidden ee tier zij ds vrees voor niet-toerekening van delikten in dronkenschap gepleegd, anders-zijds de overweging dat handelingen in âvolslagen bewusteloosheidquot; begaan, toch niet anders kunnen worden toegerekend , dan in verband met aan de bewusteloosheid vooraf-gegaan opzet of schuld 47). Dit laatste is juist en sta bij het beoordeelen van doen of laten in eenigen toestand waarin het bewustzijn gestoord was, op den voorgrond48). Maar de opvatting dat storing van het bewustzijn alleen als z. g. n. âvolslagen bewusteloosheidquot;, opgevat als verdooving van het bewustzijn, de toerekeningsvatbaarheid zou opheffen, miskent èn liet feit dat in zulk een toestand (stupor) niet gehandeld worden kan, èn het uit de schuldleer noodwendig voortvloeiend beginsel dat, waar de dader zich van de feitelijke strekking van zijn doen of laten niet bewust was, vatbaarheid voor schuld op dat tijdstip is uitgesloten; gelijk ook de âBewuszt-losigkeitquot; van het Duitsche wetboek in den ruimen zin van âverduistering of opheffing van het bewustzijnquot;, het Neder-landsche âonbewusheidquot; wordt opgevat 4'J). Hoezeer dan de weglating van het woord uit art. 37 te betreuren tvalt, zijn
â¢quot;) liet woord verdedigd on toegelicht in M. v. ï., Rapport v. d. Minister Smidt, advies van Staatsraad Swart, Heg. Antw. en als âvolslagen bewusteloosheidquot; in een verworpen amend. C. v. R. Do bestrijding reeds bij R. v. St., voorts in de afdd. der 2e Kamer en vooral bij do openb. beraadslaging door Mrs. Rutgers v. Rozenburg en Gooman Borgesius.
â ^) Vg. hierboven in deze n. 4, bepaaldelijk noot 12 en § 33 noot 77. â ,9) Zie in dezo ji n. I en 6. â Van âonbowustbeidquot; sproken ook Ramaer 1. o. 10 en Wellonbergh, Themis 1881, 576; W. 4681. â Vg. v. Krafft-Ebing,Qrundz. 164; v. Liszt 160 (170); Olshauson, Komm. § 51,6.; Wellonb. âdroomtoestanden van liet wakende lovenquot;.
312
tOEREKENINGSVATBAAlUIEID. § 36.
toch of op evengenoemden grond, öf ook wegens âziekelijke storingquot; van het bewustzijn, niet slechts handelingen gedurende een transitorische storing bij epilepsie, of in koortsijlen, maar ook handelingen gedurende slaapwandelen en in slaapdronkenheid begaan, niet toerekenbaar50).
12. Dronkenschap''1). â De strafrechtelijke beoordeeling van feiten in dronkenschap begaan , heeft de geheele rechtsgeschiedenis door moeilijkheid gebaard. Met den eisch der toerekeningsvatbaarheid was scliuldigverklaring bij onbewustheid â waarvan immers de oorzaak onverschillig moest zijn â niet te rijmen. Aan den anderen kant was dronkenschap een toestand waarin misdrijf zeer licht en zeer dikwijls begaan werd, een toestand in het maatschappelijk leven herhaaldelijk voorkomend en in zijne gevaarlijke gevolgen algemeen bekend, slechts zelden anders dan vrijwillig veroorzaakt en waarbij de graad der beneveling van het bewustzijn moeilijk in ieder geval viel na te gaan. Daarom ontwikkelden zich: eenerzijds de leer van volle aansprakelijkheid, zoodat âwateen dronken misdoet, nuchteren moet geboetquot;, somtijds zelfs met straf-verzwaring; anderzijds die van straf verzachting, althans bij volkomen onbewustheid en tegenover de zwaarste straffen; eindelijk de onderscheidingen tusschen opzettelijke, vrijwillige, toevallige en onwillige dronkenschap, in welke twee laatste gevallen zelfs straffeloosheid kon intreden. Aldus o. a. het Grim. Wetboek van 1809 (art. 23) quot;). De Fransche G. P. zweeg; ook de Nederlandsche rechtspraak nam onder dat wetboek in den regel volle aansprakelijkheid aan.
i0) Ramaer 1.o. 10 v.; Wolleiibergh I.e.; v. Krafft-Ebing Grundz. lü-l v.
^1) Verloren van ïheraaat, Iets o. d. invloed der dronkenschap op de toerekenbaarheid, (Pr. 1881); J. Kraseman, Strafrecht en Alcoholisme, Tijdschr. v. Sr. VII, I v.; Ramaer 1. c. 25 v.; v. Schwarze, Gerichtss. 3Igt;-, 430; Actes du Congrès Pén. de St. Pétersbourg (1890), Rapporten van v, Lilienthal en Heinze.
5!) Zie ook de ontww. v. 1801 en daarover Verloren I.e. 30 v. âOverzicht bij Geib II, 73 v.; Chauv. Hélie 857 v,; en voor de opvattingen in 'l vaderlandsch recht, waar eigenlijk alles aan 'a rechters oordeel gelaten was, Kemper Grim, Wb. Aanm. 91 v.; ook v. Deinse, Alg. Beg. ji 100 v. â Het Rom. r. nam verlichting van straf aan. Reeds het Kan. recht erkende straffeloosheid van de handeling maar strafbaarheid van de dronkenschap.
1. 20
313
§ 86. TOEREKENINGSVATBAARHEID.
Het zwijgen van het Ned. Wetboek, hoezeer bedoeld, kan de beginselen der schuldleer niet omverwerpen. Bij pathologische gevoeligheid voor alcohol zal art. 37 kunnen gelden; bij afgedwongen dronkenschap art. 40. Maar ook overigens moet worden aangenomen: evenzeer dit, dat bij geheele onbewustheid noch opzet nog schuld bestaat; als dit, dat tot het toerekenen der daad als te wijten aan opzet of schuld van vóór de dronkenschap, bepaaldelijk schuld verband met het begane feit moet vaststaan. Intusschen schijnt geheele onbewustheid niet licht aan te nemen en komt bij beneveling 's rechters vrijheid bij de straftoemeting te stade quot;). Doch èn het voorafgaande, èn de overweging van dengrooteninvloed door chronisch alcoholisme op de criminaliteit uitgeoefend, rechtvaardigen veeleer eene speciale, uitgewerkte regeling van deze stof, ter oplegging van straf, wellicht met andere maatregelen daarneven, zoowel bij rechtskrenking in dronkenschap als bij dronkenschap met rechtskrenking 5J).
13. Gemoedsbewegingen. â Den bijzonderen invloed van gemoedsbewegingen , neerdrukkende en opwekkende, op het begaan van delikten erkent het Wetboek uitdrukkelijk in twee gevallen (a. 41 al. 2, a. 290, 291); in andere is de invloed op de straftoemeting den rechter overgelaten 65). Nogtans kunnen gemoedsaandoeningen met pathologischen grond binnen het begrip vallen dor âziekelijke storingquot; 5lt;i); en zal bij hevige aandoeningen welke, zonder dit karakter te dragen,
S3) Belangrijke beslissingen onder Svvb. bij onderscheiden misdrijven in W. 5594, 5637, 5947, 5963, â Over het verband tussehen onbewustheid en het ontbreken van latere herinnering wordt verschillend gedacht, v. Krafl't-Ebing, Lehrb. 278. W. 5594. â De Dnitsche leer begrijpt onder do âBewustlosigkeitquot; van | 51, ook die in dronkenschap.
Bijzondere overtredingen in dronkenschap begaan in a. 426, 453 Swb, â Bijzondere regeling o. a. in ,Ned. ontw. 1839, a. 60; W. v. 10 Juni 1810, Sb. 24, ï. V. a. 4; Ontw. 1847, B. I, T. V, art. 9; Ontw. 1859, a.30; Cod, Ital.a.48, 49. De bijzondere bepaling van art, 16 Mil. Cr Wb. is bij de herziening v. 1879 afgeschaft. â Uitvoerig v. Lilienthal, Ileinze, Kruseman, Vgl. Ontw. Zwitsersch Wb, a, 25,20,
55) De artt, 311 , 330 O, H, O, zijn ingetrokken, Smidt II 428, 433, 456 (450, 456, 479). Vg, Ramaer 1, c, 32 v, â De meeste wetgevingen gewagen uitdrukkelijk van âuittartingquot;,
5I1) Uitvoerig v, Krafft-Ebing, Lehrb, 300; Ramaer 1, o, 38
814
TOEREKENINGSVATBAARHEID. § 80.
het bewustzijn mochten opheffen, leiddraad voor beslissing gezocht moeten worden in het betoogde omtrent onbewustheid in 't algemeen en omtrent schuld van vóór het tijdstip der onbewustheid s7).
c. Hijznlulei'ft leerstukken hetrellemle liet strafbaar feit. § 37. Poging ').
1. Een delikt is, maar is ook eerst dan voltooid, wanneer het gevolg in het teweegbrengen waarvan het naar de wettelijke begripsomschrijving bestaat, is ingetreden1). Toch brengt de beteekenis van liet bij het delikt betrokken rechtsvoorschrift (Norm) en brengt de gevaarlijkheid van hem die met de overtreding van dat voorschrift aanving of voortging, noodwendig mede, dat hij die dergelijke handelingen verrichtte, op grond hiervan, ook dan gestraft kan worden, al is het niet tot voltooiing gekomen
Op grond hiervan. De strafbaarheid uif anderen hoofde, b.v. wegens het binnendringen in de woning waarin doodslag moest worden bedreven, ware eene toevallige en valt hier buiten. Wat in aanmerking komt is: V\bijzondere strafbaarstelling van met name genoemde handelingen van aanvang of voortzetting , als zoodanig, ofschoon als zelfstandige delikton (delicta sni generis) (a. 96, 103; 92â94, 108, 115; 214. 223, 234); 2U. algemeens strafbaarstelling van poging (a. 45 jquot;. 78).
315
1
') Ramaer 1. c. 42 v.; en rto blz. .!() aangehaalde schrijvers. Aldus ook de leer naar Dwb.
J 37. ') Zie behalve de onderscheiden leer- en handboeken en commentaren, Zacharia, die Lehre v. Versnch (1836, 1839); L. Oohn, â /.. Lehre v. versuchten n. unvollendeten Verbrechen I (1880); Baumgarten, Die liehre vom Versuch d. Ver-brechen (1888); A. Capadose, Het beprip v. poging ^Pr. 1882); P. A. Greup, üptnm. over poging (Pr. 1893); II. v. d. Hoeven in Rechtsg. Mag. V, 25.
!) Zie boven (i 2-1, 1. Do onderkenning van liet moment der voltooiing behoort bij de leer der bijzondere delikten.
3) De formuleering der schrijvers verschilt, toch komt in hoofdzaak bij allen do grond der strafbaarstolling van poging hierop neder. Vg. v. d. Hoeven I.e. 31; v. Liszt 191 (203).
S? 37. POGING. -
316
GESCHIEDENIS.
2. Historisch heeft zich de algetneene strafbaarstelling uit de bijzondere ontwikkeld. Intusschen is die ontwikkeling bemoeilijkt geworden. Eensdeels door de bezwaren aan liet zoeken van een principieele grens tusschen strafbare en straffe-looze poging van zelf verbonden: anderdeels omdat liet algemeen maken van de strafbaarheid bij poging in den gang-dier ontwikkeling scheen te moeten leiden tot eene in vele gevallen aannemelijke, maar ook, wegens do zware levens-straffen en de objectieve opvattingen der vergeldingsleer, dikwijls onaannemelijke gelijkstelling van onvoltooid en voltooid delikt.
In het Rom. recht waren het de leges publ. jud., met name de L. Corn, de sic., die vele bijzondere, vooral levensgevaarlijke handelingen aanwezen; in het Germ, recht waren het onderscheiden volksrechten. Doch de ontwikkeling van een algemeen begrip is allereerst te danken aan de Italiaansche practici uit de middeleeuwen en den aanvang der nieuwe geschiedenis. Meestal werd dan de strafbaarstelling beperkt tot de âdel. atrocioraquot;, de gelijkstelling met voltooid delikt tot de âdel. atrocissimaquot; en tot âconatus proximusquot;. Hiermede stemde overeen art. 178 C. C. 0., dat voor de ontwikkeling van het gemeene Dnitsche recht de grondslag is gebleven. Ook in ons vaderland was het een strijdvraag, of de strafbaarheid van poging bij enkele bepaalde delikten (hoogverraad , doodslag, vruchtafdrijving) of algemeen gelden moest. Algemeen was reeds het Crim. Wb. van 1809. In het Fransche recht kende de Code van 1791 strafbare poging, en wel strafbaar als de voltooide misdaad, bij moord en vergiftiging. Dit stelsel werd voor âcrimesquot; algemeen gemaakt bij de Wet van 22 Prairéal An IV, welker begripsomschrijving, in hoofdzaak, in art. 2 C. P. van 1810 en door don invloed van dat Wetboek in bijna alle nieuwere wetgevingen overging').
4) Vg. Qeib I, 286 v. on de litt. v. noot 1 dezer â¢â⢠Bom, r.: Tegenover 1.1 ^ 2 D. quod quisq. jur. (2, 21); L. 21 ^ 7â9 1). de furt. ('17, 2); L. 27 J 17 D. ad 1. Aquil. (9, 2); zie L. 1, 1. 7 D. ad. L. Corn, de sic. ('18, 8); L. 1 D. de 1 Pomp. de parr. (48, 9); L, 1^2 1). de extraord. crim. (-17, 11); Pernice. Labeo II, 40; Secger, Versuch d. Verbr. n. H. R. (1879). âGerm. r.: Wilda 1. c. 598 v.;
BEGRIP. § 37.
317
POGING. -
8. Begrip. â Wat nu is pof/iiiy en wanneer is poging strafbaar? Alleen de tweede vraag heeft de wet op te lossen.
Ter beantwoording van de eerste worde opgemerkt, dat poging, naar de beteekenis van het woord, onderstelt: opzet en niet-intreden van het gevolg; dat men zich dus hebbe te beperken tot die delikten welke bestaan in liet opzettelijk veroorzaken van een constitutief gevolg; en dat men zich daarbij het intreden van dat gevolg hebbe weg te denken. Waaruit in liet algemeen volgt, dat poging tot eenig delikt kan heeten: al het doen of laten dat door het vereischte opzet heheerscht werd en, indien het gevolg wel was ingetreden, het â mede zou hebben te weeg gebracht. Elke daad (elk laten) daartoe behoorende, is dus eene daad van poging (een stuk poging). Maar niet elke daad van poging behoeft strafbaar te zijn; en er zijn omstandigheden denkbaar, waaronder de geheele poging straffeloos kan blijven s).
Ook do Nederlandsche wetgever bedoelde blijkbaar niet, in de wet eene âeigenlijke definitiequot; te geven (M. v. T.); alleen, âop het voorbeeld van den Code Pénal de voorwaarden of vereischten der strafbare poging in de wet uit te drukkenquot; (art. 45 al. 1): âPoging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen tengevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooidquot;.
de plaatsen dor volksrechten bij Geib. 292 v,; Capit, VII, *151. â Ital. auteurs; Gandinas, Aretinus, Bossins (Pract. T. de horn,), Clams (Sent. V qu. 91, 92), Farinacius (Prax. IV qu. 123, 124); Seeger, Ausbildung v. d. Lehre d. Versuchs i. d. Wissenschaft d. Mittelalters (1869) â 0. C. C, 178; vg. 119, 172, 173. â Nederl.: Damhouder c. 72, 67, 74, 88, 95, 103; vooral S. van Leeuwen, Proces crimineel en Rechtelijke beweiring over den voorval, of en in hoeverre in Lijfstraffelijke saken den wil voor de daedt mag opgenomen en gestraft worden (Leiden 1677); Cr. Wb. T. II, a. LIâ16. âFransch recht: Fr. D. Tronchet, Bapportsur la Resolution du 15 Prairéal An IV, concernant la tentative du crime (Paris 1796). Eisenmann in Z, f. d. ges, Sw. XIII, 515,â Wetgevingen; Dwb. ? 43â46; C. P. a, 2, 3; 0, P. B- 51â53; C. Ital. 51, 62; Zwitsersch Ontw. a' 15.
5) M. v. ï. Ned. Swb. âPoging tot misdrijf is de begonnen maar niet voltooide uitvoering van een misdrijf; of wel de door een begin van uitvoering geopenbaarde wil om een bepaald misdrijf te plegen.quot; Reeds uit mijne beschouwingen over âopzetquot; is het duidelijk, waarom ik togen deze terminologie bezwaar heb; bovendien bevat zij menige petitio principii, Vgl. Polenaar c. s. 170.
§ 37. POGING. - ONDERSCHEIDINGEN.
Hierin is dus voor do strafbaarheid drieërlei gevorderd: 1. het opzet) 2. eeno daad van poging die oen begin van uitvoering heeten kan; 3. liet niet-intreden van het gevolg alleen tengevolge van omstandigheden van des daders wil onafhankelijk.
Dit voorschrift geldt voor liet geheele Nederlandsche strafrecht (a. 91); âtenzij de wet anders bepaaltquot;, wat in de bestaande wetgeving niet voorkomt. Zoowel dus voor de poging tot misdrijf, strafbaar krachtens het algemeene art. 45; als voor die, strafbaar krachtens eene bijzondere bepaling, zij het ook als zelfstandig delikt (a. 93 v. j0. 79 Swb., 205 Alg. W. 26 Aug. 1822). Het moet ook, voorzoover deze is strafbaar gesteld, voor poging tot overtreding gelden; waar dit niet reeds 't geval is ingevolge duidelijk voorschrift der wet (a. 25 al. 2 Inv.w.), dan toch krachtens analogie6).
Aan de ontleding van de drie genoemde vereischten moeten enkele algemeene opmerkingen voorafgaan.
4. Onderscheidingen van poging kent onze wet niet; noch practisch, in verband met een verschil in rechtsgevolgen; noch theoretisch, in de begripsomschrijving. Alles wat tus-schen begin van uitvoering en voltooiing ligt, is gelijkelijk âpogingquot;.
318
Bij vroegere en latere schrijvers, ook bij sommige wetgevers, wordt echter wel eene onderscheiding aangetroffen. Niet alleen eene gradueele of âquantitatievcquot; (de oude onderscheiding tusschen conatus remotus en proximus); maar ook eene z.g.n. principieele: eenerzijds niei-voleindigde poging (nicht be-endeter Versuch, tentative inachevée), zoolang het doen of laten nog niet is afgesloten (het pistool is aangelegd, nog niet afgetrokken); anderzijds voleindigde poging (beendeter Versuch , tentative achevéo, del. perfectum), zoodra het doen of laten wel is afgesloten, maar het intreden van het constitutief gevolg uitbleef, of vooralsnog (de door het pistoolschot getrof-
quot;) a. 11 al. 2, a. 19, luv. w.; art. 274 Gem. w. ingevolge a. 25 al. 2 Inv. w. Zie de gevallen zelve beneden 5, noot. Zie ook 't Rijks fiscaal recht; en 't militaire strafr. (a. 16 al. 3 W. v. 14 November 1870, Sb. 191 en a. 17 al. 3 W. van 14 November 1870, Sb. 103 j. a. 9 al. 1 Inv. w.)
POGING. -â ONDERSCHEIDINGEN. § 37.
fene is nog ziek), of voorgoed en zeker (de kogel miste, de getroffene is hersteld). In dit laatste geval heet dan de voleindigde poging mislukt misdrijf (fehlgeschlagenes Verbrechen , délit manqué)7).
De practische vraag omtrent den noodzakelijken invloed dezer onderscheiding nog daargelaten , ontmoet reeds de theoretische vraag omtrent de juiste yyenshepaling tusschen beide âsoortenquot; van poging overwegende bezwaren: vooreerst dit geschilpunt, of de poging âvoleindigdquot; moet heeten zoodra de dader alles deed wat zijnerzijds te doen noodig was (het aansteken van de lont die aan de geleiding bevestigd was), of wat hij zijnerzijds voor to doen noodig hield, (het aansteken van de lont die hij bevestigd dacht), een punt waaromtrent het antwoord verschilt naarmate het geheele leerstuk der poging uit objectief of subjectief gezichtspunt beschouwd wordt; voorts de bedenking, dat dikwijls, al is quot;s daders doen afgesloten, toch de mogelijkheid van een causaal laten overblijft (door 't slachtoffer te verzorgen had hij den dood kunnen voorkomen); eindelijk, dat de grensbepaling veelal in de toepassing toch alle scherpte mist.
Aan deze moeilijkheden ontkomt ook geene der omschrijvingen welke van het eigenlijke âdelit manquéquot; gegeven zijn. Daarom beeft de Nederlandsche wetgever ze alle willen vermijden 9),
Hier ligt het zwaartepunt: het verloop der poging vertoont graden naarmate het de voltooiing nadert, en daarmee de kans op voorkoming van 't gevolg door den dader zeiven geringer , de kans der voltooiing dus grooter wordt. Deze laatste kans is het grootst geweest bij die handeling, na welke voor vrijwillige voorkoming alle kans wegviel. Tot dezen graad
') De onderscheiding, met verschil in rechtsgevolgen, in vele vroegere Duitsche wetboeken; niet meer in Dwb., hoewel de formuleering van | 46 aan haar herinnert ; ditzelfde geldt van a. 2 C. P., 51 C. P. B. Eenigszins anders Cod. Ital. a. 61, 62; Cr. Wh. 1809 a. 14; Ontw. 1827 a. 24â26. â¢â Schrijvers: Geib 11, 302; Feuerb. Mitterm. ^ 43; Schwan-e bij Holtzend, II, 279; Berner 5 78: Meyer 'i 39; v. Liszt § 45; Ortolan n°. 990; Chauveau PMie nquot;, 576; Haus. I, 68 v.
s) Smidt T, 392 (421); v. Schwarze bij Holtzend. II, 282; vooral Berner 3 78.
319
â FEITEN WAARBIJ UITGESLOTEN.
§ 37. POGING.
320
behooren gevallen van z.g.n. délit manqné (de op moord aangelegde helsche machine is ontploft zonder te dooden); maar oollt; andere (de helsche machine is wel ontdekt vóór de ontploffing, maar de dader was toen reeds ver weg en tot waarschuwen buiten staat).
5. Niet hij alle strafbare feiten is poging strafbaar.
Hare strafbaarheid kan uitgesloten zijn: A. logisch, wegens den juridischen aard der feiten; B. ingevolge voorschrift der tref.
A. 1°. Bij cnlpose misdrijven â dit werd reeds opgemerkt â is de poging zelve ondenkbaar quot;). 2°. Op soortgelijken grond is strafbare poging ondenkbaar bij die doleuse misdrijven, waarbij , als bijkomende voorwaarde voor de strafwaardigheid, gesteld is eene omstandigheid die slechts als gevolg van het voltooide delikt voorkomen kan (b.v. a. 152; 306)3n. Ten aanzien van misdrijven die in strafbaar laten bestaan, wordt over de vraag verschillend geoordeeld. M. i. moet onderscheiden worden. Bij de oneigenlijke omissiedelikten bestaat voor afwijking van den regel geen grond (eene vrouw poogt haar kind door onthouding van voedsel te dooden; door ontdekking wordt de toeleg verijdeld). Bij de eigenlijke omissiedelikten is pogen, streven naar de voltooiing zeker denkbaar; maar daarbij ligt de moeilijkheid hierin dat, vermits het voltooid misdrijf bestaat in de enkele niet-nakoming van een gebod, de niet-voltooiing, d. i. de wel-nakoming van het gebod dooiden dader, niet licht denkbaar is als âgevolg van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijkquot; ; toch is ongewilde nakoming b.v. onder den drang van overmacht â de schipper (a. 414) wordt door zijn scheepsvolk gedwongen hulp te ver-leenen â mogelijk, en ware in zulk een geval strafbare poging aan te nemen quot;). 4°. Eindelijk volgt uit den onzelfstandig en
») Zie ? 37, 3. â Vg, ook ? 35, 3, 2quot;. en noot 8.
10) Ofschoon daarbij vooral niet worde voorbijgezien dat, indien bijkomende voorwaarden voor strafverzwaring ook bij poging kunnen voorkomen â¢â b.v. doodelijk gevolg bij poging tot vruchtafdrijving â deze, krachtens a. 78, ook daarbij de straf verzwaren. Vg. § 26, 3, n. 7.
u) Ten aanzien van oneigenlijke o. d. evenzoo o. a. Schwarze l.c. 286; Meyer I.e. 209. Ten aanzien van eigenlijke o. lt;1. wordt veelal strafbare poging onmogelijk
POGING. â FEITEN WAARBIJ UITGESLOTEN. § 37.
(accessoiren) aard der strafbare vormen van deelneming aan de daden van anderen (a. Alquot;1quot;, 48), dat poging tot zoodanige deelneming, waarbij het niet tot pogingsdaden van anderen kwam, niet qua talis strafbaar is. 5°. Al is poging tot misdrijf zelf misdrijf (a. 78). toch is poging tot poging logisch ondenkbaar; gelijk ook poging tot âaatmlagquot;, in zo over deze poging is fa. 92â94, 108, 115, j0. 7^. Gu. De door vele criminalisten verdedigde uitsluiting in beginsel van strafbare poging bij misdrijven met formeele omschrijving, wordt hier, in verband met het vroeger (§ 24. 5) betoogde, verworpen; of bij eenig misdrijf poging in roncreto denkbaar of bewijsbaar is , zal afhangen van de meer eenvoudige of samengestelde wijze waarop het misdrijf feitelijk gepleegd wordtI:).
B. De wetgever kan uitgaan van het beginsel dat poging toch niet bij allo delikten waarbij zij denkbaar is, strafbaar moet zijn. Aldus, in overeenstemming met de geschiedkundige ontwikkeling, de nieuwere wetgevingen die strafbaarheid van poging tot de zwaardere delikten beperken, b. v. haar voor crimes, Verbrechen, aannemen algemeen, voor délits, Ver-gehen, slechts bij bepaald aangewezen feiten ':'). Nu de drieledige verdeeling niet werd aangenomen. moest hot Ned. Wetboek ter beperking wel een eenigszins anderen weg kiezen 1'). â 1°. Het verklaart nu in a. 45 â dit, niet a. 78 is hiervoor het beslissende voorschrift â poging tot elk misdrijf' strafbaar; het kent alleen uitdrukkelijk genoemde uitzonderingen voor: mishandeling (a. 300) wegens het betrekkelijk lichte karakter van het feit; voor dierenmishandeling (a. 254) als
geacht; zie Schwarze I.e.; v. Liszt acht bij o. d. poging alleen als âmislukt mis-drijfquot; denkbaar, wat m. i. niet juist is voor do oneigenlijke o. d, M. v. ï. op a. 45 Swb,, verklaart zonder moer poging bij alle d. o. ondenkbaar. Zoo ook R. v. St. Vg. Smidt .1, 402 (432).
12) Anders de schrijvers aangehaald boven ^ 24 noot 23; en ook M. v T, v. Ned. Swb., ouder verwijzing naar Haus, de la tentative légalement impossible; Principes I, nü. 426â428; Smidt 1. c.
1:') C. P.; Dwb.; C. P. B. e a. Soortgelijk stelsel nog in ons militair strafrecht, a. 16 al. 1 W. v. 14 Nov. 1879 S. 101 ; a. 17 al. I W. v, 14 Nov. 1879 S. 19:!; a. 9 al. 2 en 18 Inv. w.
H) Het. Ned. stelsel aangeprezen door v. Liszt, afgekeurd door Meyer i.e.
321
. {â
'rU
1 J
CA*-1
Mi-vv
,l£*~
ArCV
322 § 37. POGING. â FEITEN WAAHBIJ UITGESLOTEN.
consequentie van de vorige uitzondering; voorgt;4weegevecht (a. 154), vooral om het inroepen van de tusschenkomst der overheid ter voorkoming van een voorgenomen tweegevecht niet te belemmeren15). In 't O. R. O. waren nog andere, in het Wetboek niet opgenomen uitzonderingen voorgesteld l6).
De keuze is hier altijd willekeurig. â 2°. Hoewel de uitslni-ting der strafbaarheid van poging bij overtreding reeds uit het woord âmisdrijfquot; in art. 45 volgt, heeft a. 46 haar nog uitdrukkelijk voorgeschreven om, krachtens art. 91, lagere wetgevers te binden quot;). Afwijkingen krachtens de wet komen -voor in de jachtwet, de begrafeniswet, de wet betreffende het vervoer van vergiftige stoffen, de wet op de zeevisscherijen u,.
en, voor poging tot ontduiking van plaatselijke belastingen, i in de gemeentewet1quot;). De voor de uitsluiting aangegeven grond, dat poging, wegens het vereischte âvoornemenquot;, bij âovertredingenquot; niet strafbaar kan zijn, berust op de bekende eigenaardige en onzekere opvattingen der ontwerpers van het wetboek omtrent âovertredingenquot; en de schuld daarbij l9).
Nogtans is de geringere beteekenis van deze feiten voor de rechtsorde reden genoeg20). â 3°. Vermits poging tot^olt;/»(lt;7,
ook al wordt die met een zelfstandigen deliktsnaam benoemd
15) Voor a. 300 M. v. ï, ad a. 4S, 300; voor a. 254 M. v. T. ad a, 45; voer a. 154 M. v. A. ad a. 154; in M. v. T. was hiervoor als grond opgegeven, dat de uitdaging zelve â immers naar het later vervallen a. 167 O. R. O. â- tosh strafbaar was. 1
'quot;) n.1, voor: openlijke geweldpleging (a. 141 Swb.); wederspannigheid (a. 180 Swb.); eenvoudige mishandeling met voorbed, rade (art. 301 Swb.); de lichte vormen van opzettelijke beschadiging van goederen (a. 350 Swb , 381. O, R. O.);
misdrijven door middel van de drukpers gepleegd (a. 5(gt; O. R. O.); vgl. te dien aanzien de belangrijke vraag, of hier strafbaarheid van poging in stiijd zou zijn met het grondwettig beginsel der vrijheid van drukpers, eene vraag, bepaaldelijk door R. v. St. en 0. v. R. ontkennend beantwoord, doch m. i. met het oog op de bevoegdheden bij opsporing van misdrijven, met M. v. T. bevestigend te beantwoorden. Vg. D. Simons, Do vrijheid van drukpers (1883), 159.
â ') Aldus eerst in G. O. op aandringen der 0. v. R. Smidt 1, 400 (430).
IS) a. 20 W. v, 13 Juni 1857, Sb. nquot;. 87; a. '106quot;, 438°40 W. v. 10 April 1869,
Sb. n0. 65; a. 2 al. 2 W. v. 28 Juni 1876 Sb. n0. 150; a. 18j0. 10 W. v. 21 Juni 1881, Sb. n0. 150; a. 271 Gem. w. j0. a. 25 Inv. w. Vg. a. 11 al. 2,a. 19Inv. w.
Zie vooral in deze ^ 37, 3, noot 6.
Smidt I, 391, 400, (420, 430). Terecht hiertegen R. v. St. ââ Zie in dit werk. J 23. 5; ^ 33. 6.
ï0) De uitsluiting geldt ook in C. P., C. P. B., Dwb. C. Ital. e. a.
i
â OPZET. § 37.
323
POGING.
{aanslag, vg. A, 5°), ondenkbaar is, is de vraag gerezen, of bij zelfstandige delikten die bestaan in daden van voorbereiding A tot een ander misdrijf â samenspanning (a. 96, 103 j0. 80) A voorbereidingshandelingen bij sommige soorten yan valschheid \ ' (a. 214, 223, 234) â de strafbaarheid van poging niet is (' uitgesloten. Die uitsluiting zou inderdaad in het stelsel der wet wel passen. Maar zij volgt noch uit de woorden noch uit â â dat stelsel noodwendig21).
6. Opzei. â Uit de omschrijving van poging (n. 3), volgt, dat . het opzet in elke schakeering en elke bepaaldheid waarin het bij voltooid delikt aan het begrip opzet voldoet, ook voldoende is voor poging, 't Verschil immers ligt alleen in de niet-vol-tooiing quot;). Dat de wetgever dit opzet aanduidt als âvoornemen1', toegelicht als âde geopenbaarde wil om een bepaald feit dat de wet als misdrijf strafbaar stelt, te plegenquot; â wordt verklaard door zijn aan de âwilstheoriequot; ontleende terminologie en hierdoor dat bij poging in den regel alleen het opzet als oogmerk bewijsbaar zal zijn. âEen bijkomend oogmerkquot; of âvoorbedachte raadquot; bij eenig delikt door de wet gevorderd, is ook vereischt voor de poging daartoe. Het bewijs van bet opzet kan ook hier geleverd worden door do handelingen of van elders.
7. Begin van uitvoering. â Wie het âvoornemenquot; beeft, kan, naar goede regelen van strafrecht, eerst strafbaar worden, wanneer hij het door âuiterlijke bedrijvenquot;, door op de uitvoering gericht doen of laten, âopenbaartquot; S3). Maar, komt hier reeds de eerste openbaringsdaad in aanmerking ; zoo neen , welke dan? Immers, binnen het begrip âpogingquot; valt eene
S1) Aldus ook v, d. Hoeven, Rechtsg. Mag. V, 35; Olsh., Meyer. 209 on de daar n. 22, 23 aangehaalde auteurs. Anders v. Liszt 206, 208; Klein, Strafbare voor bereidingshandelingen bij sommige soorten v. valschheid (Diss. 1891), 32.
!!S) Aldus ook de meeste Duitsche schrijvers. Vgl. Meyer, 211, v. Liszt 207, Berner. Bij do Fransche schrijvers is eeu betoog over deze vraag niet te wachten. Toch bedoelt hun eisch der âintentionquot; niets anders dan beperking van poging tot de âdt'lits intentionnelsquot;. Ch. Hél, 560. ââ Dwb. Entschlusz; das beabsichtigte Verbrechen. â¢â⢠C. P. B. resolution. â ââ Cod. Ital. nel line.
!3) Ook in 'c oude recht vooral op grond van 1. 18 D. de poenis; uitdr. Ontw. 1804 I, 1, a. 52; ('r. Wh. 1809 a. 16. Vg. Kemper ad art. â â C. P. a. 2.
§ 37. POGING. â
324
BEGIN VAN' UITVOERING.
gansche reeks handelingen (laten), van de eerste openbaringsdaad af. En terwijl nu bij voltooid delikt al deze bandelingen voor de strafbaarheid in rekening kunnen worden gebracht, vermits do weg ten einde toe is afgelegd, en elke stap zijn afzonderlijke beteekenis door bet geheel verloren heeft; komt bet bij niet-voltooiing juist op de afzonderlijke beteekenis van een enkelen stap of eene enkele reeks van stappen aan.
Hierop nu valle de aandacht, dat juist als openbaringen van bet voornemen de bedoelde daden een verschil vertoo-nen: hoe verder zij van de voltooiing verwijderd zijn, hoe geringer nog de vastheid, de onwankelbaarheid van bet voornemen, boe geringer ook zijne bewijsbaarheid is. Op deze gronden , vooral o]) eerstgenoemde, hebben wetenschap en wetgeving, zoodra een algemeen begrip van poging begon gesteld te worden, tusschen de meer en de minder verwijderde daden onderscheiden. Deze tegenstelling heette in de oudere leer conatus remotus, propior, proximus (verwijderde, nadere, naaste poging, Ned. Ontw. 1804); de beoordeeling in concrete berustte dan geheel bij den rechter. Naar de latere leer en de nieuwere wetgevingen wordt zij, onder den invloed der : terminologie van het Franscbe recht, teruggegeven als die tusschen voorbereiding en begin van uitvoering (commencement d'exécution, a. 2 C. P.; Anfang dor Ausführung, §43 Dwb. e. a.). Intusschen kwam te voren deze onderscheiding practisch veelal slechts neder op lichtere of zwaardere bestraffing; naaide nieuwere opvatting ligt in die onderscheiding de grens tusschen strafbaarheid en straffeloosheid. Zoo ook naar art. 45 Ned. 8wb. quot;).
Wettelijk nu is de. grens tusschen daad van voorbereiding en begin van uitvoering niet nader getrokken ; de rechter beeft te beslissen ânaar de omstandighedenquot; (M. v. T.). Hoe onzekere leiddraad hij echter in de woorden vindt, mag uit de
M. v. ï. Ned. Swb. noemt alleen den eerste der bovenvermelde gronden, en wel als een grond van ârechtvaardigheidquot;. Do Fransche auteura hechten aan beide gronden; bovendien blijven h i. voorbereidingshandelingen bij straffeloosheid minder verborgen. Ch, Hél. 561; Rossi II, ch. 37; Feuerb. Mitterm. 5 42, II, VI. -Ook v. Liszt (208). â Overzicht bij Geih II, 296, .TOO; Kemper I.e.
â BEGIN VAN UITVOERING. § 37.
325
POGING.
opsomming der volgende verscheidenheid van opvattingen blijken. Begin van uitvoering dan heet: 1°. of elke daad waarmede aan 't voornemen wordt gevolg gegeven; 2U. óf elke daad waaruit van 't voornomen duidelijk blijkt; 3U. óf elke daad welke, aangenomen dat het voornemen bewezen is, de vastheid daarvan teekent; 4°. óf elke daad die met het voorgenomen misdrijf in noodzakelijk en onmiddellijk verband staat, in concreto; 5°. óf elke daad die een bestanddeel uitmaakt of begint uit te maken van het voorgenomen delikt of den deliktsvorm, in abstracto, naar de wettelijke omschrijving; 6°. óf elke daad die een bestanddeel uitmaakt of begint uit te maken van den grondvorm van het delikt. Bij sommige dezer opvattingen overweegt nu eene subjectieve, bij andere eene objectieve richting.
Taalkundige verklaring kan hier den weg niet wijzen. Als âbegin van uitvoering van het voornemenquot; â streng taalkundig juist â zou de uitdrukking reeds de eerste daad van voorbereiding omvatten, b.v. het uitgaan om het pistool voor den aanslag te koopen, wat de wetgever juist niet wil (opvatting 1)
Als âbegin van uitvoering van hot misdrijf in abstractoquot; leidt de uitdrukking tot m. i. even onaannemelijke consequenties: óf (naar opvatting 5) tot ongerijmde formalistische onderscheidingen zonder innerlijken grond, wanneer b.v. het binden van het slachtoffer bij poging tot doodslag niet, bij poging tot diefstal met geweld tegen personen wel âbegin van uitvoeringquot; heet; óf (naar opvatting 6) tot straffeloosheid van wat ongetwijfeld als poging strafbaar moet zijn, b.v. braak bij poging tot âeenvoudigenquot; diefstal.
Daarom kan de uitdrukking alleen historisch verklaard worden. In aanmerking komt dan mot name de wording der Fransche wet van 22 Prairéal An IV, de gedachte die bij de
^5) De taalkundige juistheid der verklaring âbegin van uitvoering van het voornemenquot; is nadrukkelijk geleerd door den Nederlandschen taalkundige M. de Vries; zie v. d. Hoeven, Rechtsg. Mag. V, 27. â Bij het raadplegen van Duitscheschrijvers worde niet voorbijgezien dat § 13 Dvvb. van â An fang der Ausführung dieses Verbrechens oder Vergehensquot; gewaagt. Domela Niouwenhuis T. v. S. VI, 100.
- BEGIN VAN UITVOERING.
samenstelling dier wet tot de eerste keuze der uitdrukking geleid heeft. En dan stond toen ontegenzeggelijk op den voorgrond, dat de wetgever daarmede die handelingen wilde aangeven, welke op zich zelve, maar onder de concrete omstandigheden, eene groote vastheid van het voornemen teekenen (opvatting 3) quot;).
Aldus opgevat blijft âbegin van uitvoeringquot; toch , naar den eisch der wet, een wettelijk begrip, waaraan de rechter, ook die in cassatie, de vaststaande feiten te toetsen heeft. Naar dat begrip nu zullen b.v. begin van uitvoering kunnen opleveren , handelingen welke zelve reeds aanrandingen van rechtsbelangen zijn, zooals bij eene poging tot doodslag het binden van het slachtoffer, bij eene poging tot diefstal het breken van de glasruit; zal ook dezelfde handeling, b.v. het laden van het pistool, op het eene tijdstip â nog in de eigen woning â voorbereiding, op 't andere â reeds in de tegenwoordigheid van 't slachtoffer â begin van uitvoering kunnen zijn.
De beslissingen der Nederlandscho rechtsspraak dragen veelal een casuistisch karakter; met de omschrijving dat âonrechtmatige bedrijven, die met de volvoering van een misdrijf in noodzakelijk en onmiddellijk verband staan en alleen met dit doel zijn gepleegdquot;, daden van uitvoering zijn (opvatting 4), is voor zekere groep van daden eene ruimere aanwijzing gegeven; toch is het standpunt onzeker quot;).
2li) Vgl. ïronohet en Eisenraann, aangehaald in noot 4.
=7) H. R. 12 Jan. 1891 (W. 5990); 15 Juni 1886 (W. 5293, zaak Bnlldey); voorts uitvoerig bij Schooneveld, ad a. 2 C. P.; bij âHet W. v. S. metaantt.door de Bed. v. b. T, v. S.quot; (Leiden, 1893) ad a. 45 Swb,; daaronder zijn ook beslissingen en conclusieu v. O. M., waarbij de eisch schijnt gesteld te worden dat de gepleegde handeling tot de âwettelijke bestanddeelenquot; van het delikt behooren ; naar 't schijnt voor deze opvatting ook Polenaar c. s. ad a. 45. 6. â Deze laatste eisch, op grond van de woorden in | 43 Dwbk, (Anf. d. Ausf. des Verbrechens) in Duitschland gesteld door R. G. (E, 9, 81; 15, 5G) en door vele schrijvers, als Olsbausen ad § 43 n. 14; v. Liszt 196 (209); van do onderen Zachariae; terwijl anderen, als v. Schwarze, Komment., Halschner, System 1, 336 willen volstaan met don eisch dat uit de daad hot voornemon duidelijk valt at' te leiden. â Zie over de nog beperkter Fransche opvatting Ch. Hél. 590â597 en de daar aange-arrn. en schrijvers. Ontw. Zwitsersch Wb. verklaart, de redactie omkoerend, actes préparatoires straffeloos.
87. POGING.
â OORZAAK DER NIET-VOLTOOllNG. § 37.
327
POGING.
8. Oorzaak der nief-voltooiing. â De derde voorwaarde voor de strafbaarheid van poging betreft de oorzaak der niet-vol-tooiing. Noodig is, dat âde uitvoering alleen ten gevolge vai; omstandigheden van 's daders wil onafhankelijk niet is voltooidquot; (a. 45). Hiermede is dus het beginsel erkend, dat, anders dan bij werkdadig berouw na voltooid delikt, hier 't vrijwillig voorkomen van de voltooiing de strafbaarheid uitsluit2S).
Reeds 't Rom. recht kende hiervan een enkel voorbeeld; de C. C. C. huldigde het beginsel (wider seinen willen)ook vele oudere en nieuwere schrijvers en wetgevers, ofschoon vele anderen daartegenover stonden. In den zin dezer laat-sten â alleen lichtere bestraffing toelatend â in Nederland het Ontw. van 1804, het Crim. Wb. van 1809 en het Ontw. van 1827 !9). Het Fransche recht besliste ten gunste van het beginsel der straffeloosheid; op zijn voorbeeld alle nieuwere wetgevingen. Enkele schrijvers bepleiten nog het tegendeel; althans voor gevallen van voleindigde poging, waarin alleen 't constitutief gevolg is afgewend 30).
J)o vrij algemeen aangevoerde hoofdgrond ia-van âcriraineeel-politischenquot; aard: het uitzicht op straffeloosheid kan van voltooiing terughouden; aan hot berouw moet worden tegemoet gekomen31). Bovendien heet liet, dat de misdadige wil âniet zoo vast en onherroepelijk bleek gevestigd te zijnquot; om straf te rechtvaardigen; of dat die wil âvernietigdquot; is; of dat a posteriori de wil niet-misdadig, de persoon niet-gevaarlijk bleek te zijn; of dat de storing van den rechtsvrede heeft
!8) Zie, behalve in de onderscheiden handboeken , Iforzog, Rücktritt vom Vorsuch u. ïhiitige Reue (1889); Bijvoet, Iets over het vrijwillig terugtreden bij poging. (Pr. 1893).
:9) L. 19 pr. D. L. Corn, de fals. (48. 10); Paul, Sent. Ree. V, 28 ^ 3. â Overzicht bij Feuerb. Mitterm. $ 42. V; Geib II, 310; Kemper, Aanm. 38. 39. Ontw. 1827, a. 23â26, bij welks behandeling hierover een bijzonder vraagpunt (3) gesteld werd. Noordziek I, 13; II, 2S, 73, 99, 112, 123,169, 247,398, 455.â-Pruiss. Landr. erkende aanspraak op gratie.
30) B. v. Colin, Versuch I, 556; v. Buri, Oausalitiit (1885) 141. Zie v. Liszt 202 (216).â Zoo ook anderen, als Geib II, 313 en daar aangehaalden. Afwijkend ook 't Engelseh recht; vg. Bijvoet 1. c. 31.
31) Zoo ook M. v. ï. Swb.; en M. v. T. W. 22 Prairéal An IV. De onderscheiden theoriön der Duitsche schrijvers bij Herzog 1. c.
OORZAAK DHR NIET-VOLTOOIING.
§ 37. POGING. â
828
opgehouden. Tot volkomen straffeloosheid kan echter zelfs de eerste grond ook m. i. niet iu alle gevallen leiden; b.v. wanneer de poging toch mislukt zou zijn quot;).
De vorm waarin het beginsel is uitgesproken, verschilt. De meeste wetgevingen, ook de onze, nemen, op 't voetspoor van de Pransche, de onvrijwillige niet-voltooiing als bestanddeel in de begripsomschrijving der strafbare poging op. Het Duitsche recht (§ 46) stelt, in den vorm eener uitzondering, de vrijwillige niet-voltooiing als grond van straffeloosheid. Dit verschil in vorm kan niet leiden tot een verschil omtrent het bepalen van den bewijslast; ingeval van twijfel kan veroordeeling niet volgen quot;). Maar wel is de opvatting van sommige Duitsche schrijvers dat, bij deelneming van meer personen, de vrijwillige verhindering der voltooiing dooreen der deelnemers, als persoonlijke grond voor de opheffing der strafbaarheid, alleen dezen, maar ook altoos dezen ten goede komt, bij de Fransch-Nederlandsche redactie â voor 't laatstbedoelde geval ten onrechte â niet verdedigbaar; trad de dader terug, dan zijn ook uitlokker en medeplichtige straffeloos ; verhinderde do uitlokker of de medeplichtige de voltooiing door den dader, dan blijft hij niettemin in diens strafbaarheid deelen 34).
Omstandigheden âvan 's daders wil onafhankelijkquot; zijn ook de zoodanige die de dader wel heeft âgewildquot;, maar niet heeft gewild a/s oorzaken der niet-voltooiing; wat zij dan buiten of tegen zijn wil geworden zijn; b.v. de onvoldoende lading-van het pistool35).
De niet-voltooiing moet âalleenquot; van deze omstandigheden (âne-quequot;) 't gevolg zijn geweest. Hieruit, in verband met
32) Vg. Bijvoet l.o. I!7 vg.
aa) Ygi, 28. i inf. â Over de leer van wettelijke vermoedens op dit stuk Oeib 1. c. 314.
Zoo ook H. R. 17 Jnni 1889, W. 5742. â Voor de in den tekst genoemde Duitsche opvatting b.v. v. Lisnt, Geyer, Halsohner; ook 'tRG. (E. 4, 290 16, 347). Daartegen echter Berner, Meyer, Ãlsliausen, Herzog. Zie de plaat-en aangehaald bij v. Liszt, 204 (218).
36) Misvatting te dien aanzien, in verband met ondeugdelijke poging, bij 0. v. R. en Reg, Antw. ad a. 45. Smidt 397 (525, 420).
POGING. OORZAAK DKR N1ET-VOLTOOI1NG. § 37.
liet beginsel dat deze bepaling wil teruggeven, volgt: dat de strafbaarheid vaststaat, indien uitwendige omstandigheden den dader, die willens was voort te gaan, in de voltooiing-feitelijk hebben verhinderd (het wapen is hem uit de hand geslagen); doch ook, indien hij van de voltooiing afzag in de meening verhinderd te zijn (h.v. wegens ontdekking). Aan den anderen kant dit: dat aan vrijwillig terugtreden straffeloosheid verbonden is onafhankelijk van het motief; berouw, vrees, zelfzucht staan gelijk3quot;). Is de niet-voltooiing door bedoelde omstandigheden een feit geworden , dan heeft daarna â b.v. na do ontdekking â de wilsverandering geen invloed meer; evenmin als na de voltooiing37). De andere redactie-vorm van het Duitsche Wetboek leidt m. i. op deze punten niet tot eene andere conclusie 38).
Iedere niet-voltooiing komt gelijkelijk in aanmerking. Zoowel die welke bestaat in staking van verdere handelingen; als die waarin, in gevallen van z.g.n. âvoleindigde pogingquot;, alleen 't constitutief gevolg is afgewend; zoo zelfs b.v. wanneer, bij poging tot doodslag, door tegengif, dooi- redding nit hot water, de dood word voorkomen. Behoudens de strafbaarheid van het reeds verrichte uit eigen hoofde, b.v. als mishandeling39).
9. Straf. â Welke moot de wettelijke straf bij poging wezen? Dit was van ouds de gewichtigste strijdvraag40). Van subjectief standpunt werd gelijke straf bij voltooid en gepoogd delikt bepleit, met name â ook m. i. terecht â bij âmisluktquot; misdrijf; zoo besliste, algemeen, ook de Fransche wetgever, van wiens voorbeeld do Nederlandsche reeds in 1854 afweek quot;).
829
I I
KMA I
I â
â .X v â
y-«.
yi't
,vvVv 1
- ',-v.
1
c. Vg. uitdr, ? 10. 2 Dwb. â Zie voor 't tweede C. Ital. a. 61; | 47 Dwb. âals soldierquot;; en 'thierna, n. 12 omtrent âgequaliftceerde pogingquot; opgemerkte.
4I)) Uitvoerige overzichten bij Ch. Hél. 507â5S03U; Feuerb., Mitterm. ^ 42. II; Geib 1. o. 304.
â quot;) a. 10, 17 W. v. 20 Juni 1854, Sb. 102. I. 21
§ 37. 1'OÃING. SÃHAP.
Van objectief standpunt werd voor poging een lagere straf of strafmaat verdedigd; zoo, gelijk ook in de meeste nieuwere wetgevingen, in ons a. 45, wat do hoofdstraffen aangaat. Het maximum dier straffen â tijdelijke gevangenisstraf of geldboete â wordt met een derde verminderd; tegenover levenslange gevangenisstraf op gevangenisstraf van vijftien jaren gebracht. De bijkomende straffen zijn, wegens hare eigenaardige strekking, voor poging dezelfde als voor 't voltooide misdrijf. Eene afwijking, eveneens in do meeste nieuwere wetboeken terug te vinden, geldt ten aanzien van âaanslagquot; (a. 92). De strafbare poging bij overtredingen heeft als âzelfstandige overtredingquot; (a. 11 Inv.w., 271 Gem.w.) hare bijzondere straffen. Dit geldt van voorbereidings-handelingen als delieta sui generis evenzeer.
Intusschen heeft de oude strijdvraag â behalve daar waar doodstraf geldt â met name in wetgevingen die bij de straftoemeting den rechter groote ruimte laten, veel van hare beteekenis verloren. Op 't nieuwere standpunt, wanneer 't zwaartepunt gelegd wordt in de geaardheid van den misdadiger â met name ook als gelegenheids- of gewoontemisdadiger â moet zij die beteekenis geheel verliezen.
10. Ondeugdelijke poging. â Het kan voorkomen dat de niet-voltooiing veroorzaakt werd of zeker veroorzaakt zou zijn geworden door eene, den dader onbekende, ondeugdelijkheid van voorwerp of middel der handeling. Is dan de poging, ceteris paribus, strafbaar?
Deze vraag, te voren reeds naar aanleiding èn van 't Rom. recht èn van art. 178 C. C. C. bij sommige misdrijven verschillend beantwoord, heeft het karakter eener algemeen dogmatische strijdvraag vooral gekregen in den aanvang dezer eeuw onder den invloed eerst van Feuerbach, later onder dien van Mittermaier en de na te noemen onderscheiding door dezen hierbij gemaakt. Zij heeft sints dien tijd eene rijke afzonderlijke litteratuur erlangd, met eene groote verscheidenheid van inzichten omtrent hare oplossing, zoowel in thesi generali, als in verband met de gewone
330
POGING. OMDEUGDELIJKE. § 87.
(Fransche) wettelijke omschrijving der strafbare poging 4:!).
Hierbij zijn dan twee hoofdrichtingen te onderscheiden.
De eene â een steunpunt zoekend in de objectieve opvatting van poging â sluit zich aan bij Mittermaier's splitsing in absolute en relatieve ondeugdelijkheid. Zij noemt haar absoluut; indien de voltooiing in geen geval mogelijk ware geweest wegens het onder alle omstandigheden ongeschikte van het gekozen middel (bij poging tot levensberooving suiker voor arsenic, een ongeladen pistool), of van het bedoelde voorwerp (bij poging tot levensberooving, b.v. kindermoord, een persoon die reeds gestorven was, bij poging tot diefstal eene res nullius). Zij noemt haar relatief: indien in het bijzondere geval middel en voorwerp ongeschikt waren, maar zij het onder andere omstandigheden niet zouden zijn geweest (een te geringe hoeveelheid arsenic, een geladen pistool waarvan de haan weigerde; een door een pantserhemd beveiligd persoon, een toevallig ledige offerbus). Zij wil bij relatieve ondeugdelijkheid de strafbaarheid van poging handhaven; maar verwerpt haar bij absolute en wel wegens: het ontbreken van alle gevaarlijkheid, de vrees om anders in bestraffing van 't enkele voornemen te vervallen, het gemis van bewijs van 't voornemen uit het feit zelf en de z.g.n. âonmogelijkheid van een begin van uitvoeringquot;.
Deze richting is het meest doorgedrongen: bij de Fransche criminalisten zoo goed als algemeen , bij do meeste Italianen, bij vele Duitschers, met name bij de ouderen , en in Nederland quot;).
De andere richting â haar steunpunt in de subjectieve op-
4S) Duitsoli: Feuerb. Mitterm. § 42, 3 en VII, YIII; Geib II, 305; voorts , behalve de hand- en leerboeken en de monograflën over poging in 't algemeen , üoldfeld, Ueber den Vers. m. untangl. Mitteln u. s. w. (1882) en onderscheiden opstellen in üoltdamnier's Archiv Bd. 36 en 37, Clerichtssaal 31 (v. Buri), 41, 43 (Kroschel), Z. f. d. ges. S\v. I (v. Buri). â Fransch; uitvoerig Ghauveau-Hélie 58630. Ortolan 1027, Kossi II, 30, e. a. â Nederl.: Proefschriften v. J. G. ö. Bevers (Leiden 1877); A. van Rijckevorsel (Utrecht 1881); Th. G. Dentz van Schaïck (Amsterdam (1883). â J. Domela Nieuwenhuis, Kechtsonzekerheid betr. de z.g. ondeugdelijke poging tot misdrijf, ï. v. S. VI, 393.
4:ij Duitschers, b.v. Zaoharia , Berner. â Nederl., b.v. v. Deinse, de Staatscommissie Swb., do Regeering in M. v. ï. en M. v. A. Swb., de meerderheid der C. v. R., Polenaar c. s.. Bevers, Greup, volgens wien echter absoluut ondeugdelijke poging geen poging is.
331
§ 37. POUING. ONUEUGüELIJKK.
vatting zoekend â ontkent, m. i. terecht, de principioele juistheid der onderscheiding, omdat h. i. elke ondeugdelijkheid alleen in concreto te beoordeelen valt en uit dat oogpunt de eene gelijkelijk oorzaak van niet-voltooiing is, m. a. w. voor het veroorzaken van de voltooiing al even ongeschikt was, als de andere. Deze richting, die in beginsel voor alle gevallen van ondeugdelijkheid â behoudens sterk sprekende uitzonderingen â strafbaarheid eischt, werd reeds vroeger in Duitsch-land door gezaghebbende auteurs verdedigd en wordt er vooral in den laatsten tijd, te meer 'sints zij in de Duitsche rechtspraak is opgenomen, principieel door vele criminalisten voorgestaan; zij vindt ook hier te lande voorstanders44).
Als tusschenschakeeringen komen bepaaldelijk twee in aanmerking: die waarnaar de oplossing eene andere is bij ondeugdelijkheid van het voorwerp dan bij die van het middel, wat dieperen grond in. i. niet heeft of op misvatting berust; en die, welke geen principieele afwijking erkent, maar een verschil in strafmaat vordert45).
Intusschen, al wordt ook hier principieel de tweede der genoemde hoofdrichtingen gehuldigd, toch wordt gaarne erkend, dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de dwaling des daders omtrent de deugdelijkheid van middel of voorwerp zoo groot onverstand verraadt, dat de dader niet slechts volkomen ongevaarlijk is, maar zelfs zijn handelen naar buiten geen indruk van gevaarlijkheid maakt. Voor die gevallen heeft ook m. i. de wet, naar 't voorbeeld van enkele vroegere en latere wetboeken en ontwerpen, uitdrukkelijk straffeloosheid te verzekeren 46).
4lt;) Te noemen zijn hier, al trekken niet allen de consequenties even ver, voor Duitschland, van de vroegeren : Köstlin, Halschner, Schwarze; van de lataren: v. Buri, v. Liszt, Ãeuffert; voor Nederland v. d. Hoeven 1. c. (33), DomelaNieuwen-huis 1. c. (420), de Savomin Lobman (Smidt I, 398), Capadose, Dentz. â v. Swin-deren, Strafr. II, 214, verwerpt ook de onderscheiding, maar concludeert tot al-geineene straffeloosheid.
,5) Zie vooral bij Geib.
4e) Vroeger Hessen § 67. Braunschw. 30, Thans Ontw. Rusl. ( 45 âmiddelen die de dader uit grove onwetendheid of grof bijgeloof heeft gekozenquot;; ook g 30 Kant. Schwyz. Hiertoe zou dan ook 't âdoodbiddenquot; van Feuerbach behooren.
332
POGING. ONDEUGDELIJKE. § 87.
In ieder geval ware 't gewenscht dat de wet de strijdvraag oploste *').
Waar zij â zooals in de wetboeken naar de Fransche formuleering â zich niet nadrukkelijk uitlaat, knoopt zich aan de principieele vraag eene vraag van wetsverklaring. De meest algemeene verklaring nu der Fransche formule â met name de rechtspraak in Nederland â ziet de bovenvermelde eerste hoofdrichting â strafbaarheid bij relatieve, straffeloosheid bij absolute ondeugdelijkheid â in de wet gehuldigd 48). Hare voorstanders zoeken den hoofdgrond in do uitdrukking âbegin van uitvoeringquot;, oordeelende, gelijk reeds werd aangestipt, dat, waar âuitvoeringquot; volstrekt onmogelijk is, deze ook niet âbeginnenquot; kan. Hiertegen geldt: vooreerst dat de opmerking eigenlijk een woordenspel is, en, wegens de historisch te verklaren beteekenis der gemelde uitdrukking (zie boven 7), zóó verre strekking niet hebben kan; voorts het over de âonmogelijkheidquot; ook bij relatieve ondeugdelijkheid boven betoogde. Geheel anders dan ook is de, thans vaststaande rechtspraak van 't Reichsgericht, die het Duitsche Wetboek in den zin van de strengere hoofdrichting â strafbaarheid ook bij z.g.n. absolute ondeugdelijkheid â met uiterste consequentie toepast
Bij de samenstelling van 't Nedcrlandsche Wetboek is van Regeeringswege, in overeenstemming met de minderheid der C. v. R., nadrukkelijk verklaard, dat, ofschoon het gevoelen
Hierbij wordt ilus voor de uitzondering 't zwaartepunt gelegd in de gevaarlijkheid van den persoon. Anders m.i. in de oplossing van v. Liszt: straflos bleibe der un-gefahrliche Versuch.
'ï) Vg. vooral D. Nieuwenhuis en v. d. Hoeven 1. c. â God. Ital. eischt uitdrukkelijk voor strafbaarheid mezzi idonei; omgekeerd laten verscheidene/iwitsersche wetboeken haar uitdrukkelijk ook bij ondeugdelijke middelen t.oe.
48) Schooneveld ad a. 2 C. P. 10â13, bep. H. R. \Vgt; 1789 (absolute ondeugdelijkheid bij poging tot meineed), W. 2663 (relatieve bij poging tot diefstal): âW. v. f5. door Red. ï. v. S.quot; ad a. 45 Swb. 15, 16. Zie over het belangrijke geval H. R. 6 Juni 1851, W. 1547, Modderman in M. v. A. op a. 45 Swb.
â¢^) R. G. E., I, 439 (arrest v. d, vereenigde kaniers); I, 451 ; VIII, 198, 351; XVII. 158; de drie eerste ook vermeld bij Dentz, v. Schaïck 1. c. Belangrijke literatuur vóór en tegen het R. G. aangehaald o. a. bij v. Liszt, § 47 n. 1. â Opmerking verdient dat toch Dwb. uitdrukkelijk spreekt van âAnfangd. Ausführung des Verbrechensquot;.
333
§ 37. POGING. «EQUALIFICEERDE.
van Staatscommissie, Regeering en meerderheid der C. v. R. eenstemmig was in éénen zin (zie noot 43), toch de wet de strijdvraag niet uitmaakte, maar dit aan de wetenschap overliet. Intusschen zondep de woorden der wet, ook na zoodanige verklaring, toch binden. Dat echter m. i. art. 45 de strengere opvatting toelaat, volgt uit wat boven betoogd is.
11. Plaats en tijd. â De beginselen vroeger omtrent plaats en tijd van het delikt verdedigd (§ 27) vinden ten aanzien van poging gemakkelijk toepassing. Daden van voorbereiding komen daarbij niet in aanmerking; de daden van uitvoering alle.
12. Gequalificeerde poging. â Het leerstuk van wat oudere schrijvers, zonder reden, gequalificeerde poging noemden â wanneer dezelfde handeling beschouwd kan worden èn als poging tot een misdrijf èn als een zelfstandig ander misdrijf â behoort tot de leer van den samenloop en heeft voor de leer van de poging geen bijzondere beteekenis. Is de handeling-van dien aard dat zij bij voltooid misdrijf in dat misdrijf zou opgaan (doodslag door verwonding, diefstal met braak), dan heeft die ineenvloeiing ook plaats bij strafbare poging; blijft de poging wegens vrijwillige niet-voltooiing straffeloos, dan is er â bij eene juiste dolusleer â geen reden de handeling niet als zelfstandig misdrijf voor strafbaar te houden. Eene handeling die ook niet in 't voltooid misdrijf als deel daarvan zou opgaan (diefstal van 't wapen voor den doodslag) behoudt haar zelfstandig karakter ook bij poging quot;).
§ 38. Deelneming ').
1. Eenvoudig daderschap. â Dader (auteur, Thater) van een delikt â voltooid of gepoogd â is, naar de oorspronkelijke
i0) Zie de oude opvattingen en meeningsversohillen bij üeib II, 315.
§ 38. ') Algemeene litteratuur. Behalve de hand- en leerboeken en commentaren, monografiën van: Noderl. Besier, Proeve v. een bist. onderzoek betr. de leer v. mede-pliobtigbeid naar bet Ned. Strafr. (Pr. 1852); de Hoop Scheller. Het wetonsohappelijko standp. bij het beoordeelon dor strafbaarh. v. deelneming aan misdr. (Pr. 1870);
334
DEELNEMING. DADERSCHAP. § 38.
en eenvoudige beteekenis vau liet woord, hij â eu alleen hij â in wien en in wiens doen of laten, met de gevolgen daarvan, alle in- eu uitwendige bestanddeelen aanwezig zijn die in de wettelijke begripsomschrijving van het delikt,resp. van de poging, worden opgenoemd. Hij dus die alleen an zelf het feit pleegt (a. 4710) of begaat.
Bij het zich voordoen van dezen eenvoudigen vorm vau misdadige werkzaamheid is 't meestal gemakkelijk te onderkennen of zij aan dit begrip beantwoordt. Eveneens, al zijn meer personen bij de handeling betrokken, wanneer tot de bestanddeelen van het delikt ook persoonlijke (subjectieve) omstandigheden behooren, welke de hoedanigheid van den persoon zei ven betroffen of zijne betrekking tot personen of zaken ; wanneer hij b.v. âkoopmanquot; moet zijn of âvaderquot; (§ 20, 3). Is het delikt eenvoudig omschreven als de niet-nakoming van verplichtingen, b.v. reglementaire, dan moet voor de aanwijzing van den dader overwogen worden op wien die rusten J).
Daderschap wordt niet vermoed: hot moet steeds worden bewezen. Eéne uitzondering bevat het Wetboek in a. 51, bepalende dat âin de gevallen waarin wegens overtreding'1 â niet wegens misdrijf â âstraf wordt bepaald tegen bestuurders, leden van eenig bestuur of commissarissenquot; â als zoodanig â alleen die bestuurder of commissaris niet strafbaar is, dus niet als dader wordt beschouwd, âvan wien blijkt dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd.quot;
Deze bepaling, ontleend aan nu in haar opgeloste artikelen der Armenwet en der Spoorwegwet, is â m. i. zwak â toegelicht met de opmerking, dat anders krachtige handhaving der bedoelde voorschriften op de bewering van een bestuurder
v. Ittersum 'X'. v. S. I, '186; Boessingh, ï. v. S. V, 27.â⢠Duitsohl. Berner, ïheilnamo (1847), v. Bar (1859), v. Buri (1860), Hermes (1878), Birkmeyer (1890). â Ook Borchert, die strafr. Verantwortlichkeit für Handlungen, Dritter (1888); Foinitzky, Die strafr. Doktrin d. Theilnalime in Z, f. d. ges. Sw. XII, 55 (standp. der nieuwere richting).
quot;) Zoo is b.v. de machinist van een stoomtram niet de overtreder van een reglement dat verplichtingen oplegt aan ondernemers en vervoerders. H. B. 24 Juni 1880, W. 5741. Vg. âW. v. S. door Bed. ï. v. S.quot; op a. 47, aantt. 2,5, 8 e. a.
335
336 § 38. DEELNEMING. ALGEMEEN BEGRIP.
dat hij tot de overtreding niet hnd meegewerkt, afstuiten en daardoor onmogelijk worden zou. Het in de Inv.w. (art. lO11quot;) gehandhaafd art. 57 al. 5 der Wet betrekkelijk het bouwen binnen zekeren afstand van vestingwerken (21 Deo. 1853, S. 128) schijnt zelfs geen tegenbewijs toe te laten 1).
Kan een delikt door personen van beiderlei kunne worden begaan, dan kan de wet, naar taalgebruik, don manlijken vorm voor beide bezigen (âHij diequot;).
2. Deelneming. â De omschrijving van den alleen- en zelf-han-delenden dader in het Swb. (a. 47'°) is van leerstelligen aard. In andere wetgevingen ontbreekt zij. Ook behoort het begrip van het daderschap niet tot het leerstuk der deelneming (participation, complicité, Theilnahme). Maar wel beheerscht het dit leerstuk als een grondbegrip. Immers: hij wiens handeling bij eenigdelikt niet binnen dit begrip valt en die toch daarvoor aansprakelijk is, moet het zijn onder anderen titel; en het delikt waarvoor ook anderen aansprakelijk zijn, wordt door de handeling van den dader bepaald.
Het leerstuk der deelneming is, als algemeen leerstuk, de leer der aansprakelijkheid en aansprakelijkheidsverdeeling voor het geval een delikt, dat, naar 't wettelijk begrip, door één zelf handelenden dader had kunnen gepleegd zijn, begaan is door de vereenigde werkzaamheid. â psychische (intellectueele) of materieele â van tiree of meer personen 2). Dan is wel do werkzaamheid van elk dezer medeoorzaak, dus oorzaak van het constitutief gevolg (§ 24, 6); maar brengt niet iedere werkzaamheid strafrechtelijke aansprakelijkheid of gelijke aansprakelijkheid mede.
1
) F. v. Lennep, Art, 51 W. v. S. (Pr. 1887); De Leaó Laguna in Reohtsgel. Mag. VII, 258. â Dit artikel ook veroordeeld uit het oogpunt der schuldleer, § 33 , 5. Zie vooral noot 17 aid. â De beperking tot strafbepalingen tegen bestuurders als zoodanig schijnt inconsequent. Men denke b.v. aan bepalingen tegen âeigenaarsquot; en daarbij aan eigendom van eene corporatie. â De in den tekst bedoelde artt. zijn II , 12, 14 Armenvï., 54 al. 1 Spoorwegw. Over do beperkte strekking van a. 51, H. R. 26 Nov. 1888, W. 5645.
2
1) âVereenigdequot; werkzaamheid van twee personen; niet hel âsamentreffenquot; van twee op zich zelve staande handelingen.
DEELNEMING. § 38. «ROEPEERING. GESCHIEDENIS.
Over de groepeering der verschillende vormen van deelneming loopen de gevoelens nog uiteen.
Aan de hand van het Ned. Wetboek, B. I, T. V. zijn de volgende te onderscheiden:
1. middellijk daderschap, inzoover de onrechtmatige psychische werkzaamheid uitsluitend van den één, de inaterieele uitsluitend van den ander is (a. 47'° âdoen plegenquot;);
2. uitlokking, inzoover 't psychische bestanddeel zich bij beiden vertoont, 't feitelijk handelen bij één (a. 47 20);
3. mededaderschap, inzoover de psychische en feitelijke werkzaamheid van twee (of meer) personen aan allen de aansprakelijkheid geeft van dader (a. 47quot;' âmedeplegenquot;);
4. medeplirhiigheid, inzoover de psychische en feitelijke werkzaamheid van twee (of meer) personen den een de aansprakelijkheid geeft van dader, den ander die van medeplichtige (a. 48, 49) 1).
3. Geschiedenis*). â Dit leerstuk vertoont in zijne historische ontwikkeling eene groote verscheidenheid, vooral eene groote onzekerheid, veelal onnauwkeurigheid, in de rechtsregelen en rechtsopvattingen omtrent de vormen van strafbare deelneming, de onderscheiding van die vormen, den omvang der aansprakelijkheid en de mate van strafbaarheid. In 't Rom. R. geldt als regel gelijke bestraffing van alle deelnemers, uitlok-kers en helpers. Zoowel bij delicta privata als vooral naar de
337
1
) Over de waarde dezer verschillende onderscheidingen later Andere, sommige dor onderscheidingen samenvattende tegenstellingen; Thaterschaft, Theilmihtne; Ur-heber, Gehiilfe, waarbij het eerste; auteurs, complices, waarbij het laatste begrip te ruim is; participation principale et secondaire; p. avant et pendant l'exécution.
fc) Rom. R. b.v. i, 11 I. de obl. ex del. (4. 1); ^ 11 I. de inj. (4. 4); L. 34, 36 1). de furt. (47. 2); L. 8 D. ad Ij. Jul. do adult. (18. 5); L. 15 D, ad L. Corn, de sic (48. 8); L. 6, 7 ]). de L. Pomp. de parr. (48. 9); L. 6 2 D. de L. Fab. de plag. (48. 15); zie verder Geib II, 325. â Germ, R. Wilda 627; Geib 330, waar eene reeks van voorbeelden. â Italiaansche practici; Gandinus, Mftlef., de poenis n. 12,quot; 13; Glarus qu, 88; Farinacius qu, 129, 130, Zie verder Geib II, 338 v.â Nederl. Damhouder c, 133, 134; Matthaeus, de Grim, Prol. c, 1 , 7 v,; id. de poenis c. 4, 14 v,; Ontw. 1801: Inl. 11, 128 v.; Lijfstr. ,Wb. I, 11 v,, II, 69 v. IV, 19 v. (hoofdoorzaak, bijoorzaak, mindere oorzaak); a, 17 v. Wb, 1809; vg. vooral Kemper, Aanm. 40 v. â 0. P. a. 59 v.; Dwb. ^ 47 v.-âOver âcomplotquot; en âbendequot; als vormen van deelneming, zie Feuerb,, Mitterm. lt;i 47; in Ned. Swb, a. 96, 103, 140.
§ 38. DEELNEMING. GESCHIEDENIS.
338
leges publ. ju cl. met hare bekende formule: hac lege tenetur, cuius ope consiliove, cuius dole malo id factum erit, qui id fieri jusserit faciendumve curaverit; ook qui persuaserit, so-cius erit etc. Later gold mede ten aanzien van begunstigers 't zelfde. â Terwijl naar Germ. 11. in den tijd der volksrechten veelal voor uitlokkers en helpers een mindere boete gold, werd in do periode der stadrechten en der rechtsboeken meer en meer voor hen dezelfde straf als voor den dader aangewezen. Althans bij vele misdrijven. Bij sommige echter, b.v. tooverij , schijnt de wreedheid der hoofdstraffen zelve tot minder zware bestraffing van deelgenooten te hebben geleid; terwijl dit laatste ook meer algemeen kwam te gelden bij meer verwijderde hulpverleening. In dezen laatsten zin onderscheidden mede de Italiaansche practici der middeleeuwen den noodzakelijken helper, auxiliator principalis, qui delicto causam praebuit, van anderen wier medewerking meer bijkomstig was, auxiliator simplex. Voor den uitlokker, quia mandans plus delinquit quam mandatarius, eischten zij zelfs een zwaardere straf. De C. C. C. (a. 177) noemt, in een algemeene bepaling, allen dooreen die âeinicherley bilff, beistandt oder fürderung, wie das alles namen batquot;, verleenen, en laat de keuze der bestraffing âin einem Fall anders deun in dein anderenquot; den rechtskundigen over. Alleen voor den âanrichterquot; tot meineed wordt âgleiche peenquot; gevorderd. In de richting der oud-Ita-liaansche praktijk werden nu verder de onderscheiden boven aangeduide strijdvragen met groot verschil van schakeeringen opgelost. Ook hier te lande. Zeer uitvoerig nog de Ontww. van 1804; veel vereenvoudigd en verduidelijkt, daarbij ook zeer veel aan 's rechters oordeel ânaar de omstandighedenquot; overlatend, het Grim. Wb. v. 1809. â Een juiste rechtsontwikkeling op den grondslag van dit Wetboek is verbroken door het, vooral van Romeinschrechtelijke gelijkstellingen doordrongen stelsel van den Franschen C. P. van 1810, onder één naam, âcomplicequot;, alle deelnemers, intellectueele en ma-terieele, van vóór, tijdens en na de handeling (begunstigers), met dezelfde straf als den hoofddader bedreigende en over den
DEELNEMING, DE HOOFDVRAGEN. § 38.
omvang der aansprakelijkheid zwijgend. â Het Ned. Wb., den Franschen voorganger geheel verlatend, heeft zich in vele opzichten bij het Duitsche recht aangesloten: uitdrukkelijke vermelding van mededaders; aanwijzing van den omvang dei-aansprakelijkheid der uitlokkers en der medeplichtigen; mindere strafmaat voor den medeplichtige; duidelijke vermelding van den invloed der persoonlijke omstandigheden; het opvatten van begunstigingshandelingen, gelijk ook â in afwijking in zoover van het oudere Duitsche recht â van samenspanning (complot) en misdadige vereeniging (bende), als delicta sui generis , plaatsing daarvan dus buiten 't leerstuk der deelneming. In andere is het daarvan afgeweken: in Ned. Wb. uitdrukkelijk vermelding van het middellijk daderschap; beperking der middelen van uitlokking; niet overneming der (in Dwb. later ingevoegde) strafbaarstelling van uitlokking zonder gevolg.
4. De hoofdvragen. â De hoofdvragen uit het leerstuk der deelneming betreffen drieërlei: de wettelijke onderscheiding der deelnemingsvormen, de voorwaarden der aansprakelijkheid bij elk dezer en den omvang dier aansprakelijkheid. Practisch geldt het daarbij de beslissing somtijds over strafbaarheid, somtijds over strafmaat. Voorzoover nu dit laatste liet geval is, moeten bij vereenvoudiging van het straffenstelsel en uitbreiding van 's rechters bevoegdiieid tot straftoemeting, die vragen aan beteekenis verliezen, 't Maakt practisch zoo weinig verschil of de rechter iemand te veroordeelen heeft als mededader of als medeplichtige; hem naar de wet voor zekere gevolgen hoeft aansprakelijk te stellen, al dan niet. Zelfs is het thans in de rechtsovertuiging opgenomen, dat een meer verwijderd medeplichtige feitelijk zwaarder dan de hoofddader gestraft kan worden. Dit moet nog sterker gevoeld worden van 't gezichtspunt der nieuwere richting, die er naar streeft 't zwaartepunt te leggen in iederen persoon zei ven, zijn gevaarlijkheid, zijn schuld7).
') Vg. v. Liszt, Lelirb. § 49; Foinitzky I.e.; A. J, Blok, Het onderscheid tus-schen inedaplegen en raedeplichttg zijn (Pr. 1893), 49.
339
340 § 38. DEELNEMING. ZELFSTANDIGE EN ONZELFST. AANSPRAKELIJKHEID.
5. Zelfstavdiye en onzelfstandige aansprakelijkheid ^). â Op den voorgrond staat deze beginselvraag, of de aansprakelijkheid van die deelnemers die geen eigenlijke daders zijn, n itlokkers dus en medeplichtigen, een zelfstandig, dan wel een onzelfstandig {accessoir) karakter draagt; d. w. z. of zij bepaald wordt uitsluitend door hun eigen werkzaamheid met hare gevolgen en hun eigen schuld, dan wel, eenerzijds door deze, anderzijds door de feiten welke de bovenbedoelde âdaderquot; pleegde.
Theoretisch gaat de leer van het onzelfstandig (accessoir) karakter uit van twee gronddenkbeelden: vooreerst, dat het alleen de eigenlijke dader is, door wiens handelingen het gebeurde teweeggebracht, het delikt gepleegd, het constitutief gevolg veroorzaakt is, en voorts, dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid der andere deelnemers toch alleen in verband met hun aandeel aan dat gevolg, aan dat delikt, moet worden beoordeeld; â opvattingen waartegen is op te komen èn op grond van de nieuwere causaliteitsleer, welke alle, ook zijdelings werkende oorzaken van het in concreto gebeurde oorzaken daarvan noemt (§ 21, 7), èn op grond van eene
R) In theai generali wordt over deze vraag verscliillend gedaclit. Vg. reeds oudere solirijvers en wetgeving⢠bij Geib II 10(), bop. blz. 347; voorts Meyer ^ 40,7, v. Liszt 5 49 II; Olsh. ad ^ 48 n. 24; e. a. aangehaald bij Ooben Tervaert z. o.; Stooss, Grundr. d. Sobweiz. Strafr. I (1892) 226; Foinitzky 1, c. 74. â â Dat naar positief Duitscb recht het accessoir karakter moet worden aangenomen, is â op een enkele uitz. na (b.v. Kohier, Strafr. Studiën I, 106) â hetalgemeene gevoelen bij rochtspr. en auteurs, Vg. ook de aanvulling van Dwb. niet ? 49a. â Evenzoo Franaoh recht. Vgl. Ghauveau-Hélie 697. â â Cr. Wb. 1809, a. 18, verklaarde, als de misdaad niet volgde, de uitlokkers uitJr. strafb. wegens poging. â Nederl, Zie M. v. T. en Beraadsl. passim. Voor verklaring van 't Swb. overgenkomstig het in den tekst betoogde Polenaar c. s. ad a. 47 n. 30 v.; II. R. 17 Juni 1889, W. 5742; Red. W 5758, 5842, 5849; D. S. in P. v. .1. 1890, 27. Anders, m i. onjuist, Cohen Tervaert, âUitlokkingquot; ï. v. S. IV, 333, 347; ook ïiboel v. d. Ham , Uitlokken en opruien, ï. v. S. VUI, 126. Bij de meening van deze schrijvers (Mr. C. T. ietwat onzeker, 350, 349, 371 , Mr. T. v. d. II.. 138) dat toch mislukte uitlokking tot misdrijf niet reeds strafbare poging oplevert, omdat het uitlokken nog geen âbegin van uitvoeringquot; is, schijnt te zijn voorbijgezien dat, waar h. i. het misdrijf door uitlokking begaan wordt, die uitlokking zelve zeker een begin van uitvoering is. â C. P. B. zegt ook dat de provocateurs âseront punis comme auteursquot;. â Belangrijk in de richting van zelfstandige aansprakelijkheid der desl-nemers, Russ. Ontw 47 al. 4.
DEELNEMING. ZELFSTANDIGE EN ONZELl'ST. AANSPRAKELIJKHEID. § 38. 341
juiste criminologische opvatting, welke 't zwaartepunt legt in iederen persoon zeiven en zijne gezindheid. Immers moeten deze tegenopvattingen beide â hoezeer dan op dogmatisch verschillenden grondslag â er toe leiden, dat alle z.g.n. daden van deelneming zuiver worden beoordeeld en behandeld naar haar zelfstandig karakter.
Practisch brengt de leer van het onzelfstandig karakter mede: dat do uitlokker tot en de helper bij misdrijf aansprakelijk zijn voor 't voltooide delikt wanneer het tot voltooiing-kwam, voor 't gepoogde wanneer slechts strafbare poging bereikt werd; niet aansprakelijk wanneer de uitlokking, de hulpverleening zelfs dat resultaat miste; dat voorts bij poging 's daders strafbaarheid ten hunnen laste komt, ook al waren zij het die de voltooiing verhinderden; zijne straffeloosheid ten hunnen bate, ook al hadden zij aan 't verhinderen geen deel; â consequentiën togen sommige waarvan op zich zelve stellig bedenking rijzen moet.
Intusschen is deze leer van het onzelfstandig (accessoir) karakter der aansprakelijkheid van uitlokkers en medeplichtigen m. i. zeer stellig â in overeenstemming met de traditioneele ontwikkeling van het leerstuk der deelneming en met de meeste der tegenwoordige wetgevingen â ook de leer vau het Wetboek. Dit volgt uit de strekking der onderscheidene bepalingen van art. 47J° en al. 2, 48, 49 al. 4, 50. âHet feitquot; ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid der onderscheiden deelnemers moet worden vastgesteld , is het door den dader gepleegd en als zoodanig strafbaar gesteld feit. Noch a. 472U, noch a. 48 bevatten de zelfstandige qualificatie van een delikt; zij geven slechts aan hoe men voor een delikt aansprakelijk kan wezen zonder het gepleegd te hebben. Ook uit de toelichting en de beraadslagingen blijkt dat aan een ander stelsel niet is gedacht. Hteeds had men het oog op de âverhouding tusschen do strafbaarheid der andere deelnemers en die van den daderquot;. Ook de causaliteitsopvatting der samenstellers van ons Wetboek (vg. § 24, 8) is hiermede in overeenstemming. Daarom is 't in. i. onjuist een tegengestelde opvatting
842 § 38. DEELNEMING. ALGEMEENE KEGELS EN UITZONDERINGEN.
ten aanzien der âuitlokkersquot; af te leiden uit de woorden von art. 47, dat dezen gestraft worden âals daders van een strafbaar feitquot;. Deze uitdrukking, die (vg. § 48 Dwb.) had kunnen worden vermeden, beoogt alleen het begrip van het z.g.n. âintellectueel daderschapquot; terug te geven, den rechtstreekschen invloed des uitlokkers, als van den âcausam dansquot;, te stellen tegenover den meer verwijderden invloed van den medeplichtige ; allerminst een nieuw stelsel aan te kondigen dat verder nergends in de wet is uitgewerkt, en toch, zal het in een wetgeving kunnen gelden, in bijzondere voorschriften uitgewerkt moet zijn.
6. De alyemeene regels en de uitzonderingen. â De algetneene beginselen omtrent deelneming zijn vervat in B. I, T, V, artt. 47â52. Zij beheerschon hot geheele Wetboek en ook het»ielt;-(jecodificeerd strafrecht, algemeen en plaatselijk, âtenzij de wet anders bepaaltquot; (a. 91). In verband hiermede worde nadrukkelijk herinnerd, voor het Rijks fiscaal strafrecht aan a. 7 al. 1 en uit. Inv.w.; voor het militair strafrecht aan a. 9 al. 1, 2 en 29 Inv.w. 9).
De bepalingen dan welke â buiten 't rijksfiscaal en 't militair recht â nevens de artt. 47â52, in of buiten het Wetboek , vraagstukken van deelneming betreffen of daarmede verband houden, zijn in groepen, met verschillend karakter , te onderscheiden.
a. Zij houden in aanvullingen. Dit geschiedt in a. 203, 204 Swb., als noodig gevolg der niet-toepasselijkheid van het militair strafrecht op âbijzondere personenquot; 10).
b. Zij houden in afwijkingen. Dit geschiedt in a. 53, 54 (waarover § 39), 156 al. 1 , 198 al. 3, 199 al. 2 Swb., a. 60 Schutterij wet, a. 271 Gem.w.
c. Zij houden in uitwerkingen; zooals vele bepalingen omtrent âmededaderschapquot; of het handelen âin vereenigingquot;
'â¢') De toepasselijkheid van het geraeene recht omtrent deelneming op militaire misdrijven behoefde na a. 91 niet meer, als in 1879, te steunen op uitdrukkelijke wetsbepaling. Vgl. Smidt V, 271 , 295.
'O) a. 8 Cr. Wb. Kr. t. W.; a. 9 id. Kr. t. L.
DEELNEMING. NOODZAKELIJKE. § 38.
(b.v. a. 96. 126, 141, 182, 206, 237, 241, 306, 345, 396 Swb.) â waarmede ook het leerstuk der ânoodzakelijke deelnomingquot; samenhangt â; en sommige bijzondere bepalingen betreffende âmiddellijk daderschapquot; in de spoorwegwetten en enkele andere.
d. Zij houden in de omschrijving van zelfstandige delikten, welke zich onder zoodanige omstandigheden kunnen vertoo-nen, dat zij, als zoodanig, tevens een der hoofdvormen van deelneming aan een ander misdrijf opleveren (b.v. a. 131, 152, 177, 179, 284 Swb.). Dan geldt de leer van den samenloop (a. 55).
7. Zjj.n. noodzakelijke deelneming quot;). â Er zijn (vg. 6c) de-likten of deliktsvormen waarvan de begripsomschrijving medebrengt dat zij altijd, dus noodzakelijk, worden begaan door feitelijke samenwerking van meer personen. Men heeft dit genoemd gevallen van noodzakelijke deelneming (concursus neces-sarius) tegenover niet-noodzakelijke (c. facultativus); en dan de vraag gesteld â eene vraag, bij de samenstelling van het Swb. niet opzettelijk behandeld â of niet daarbij de toepassing der algemeene regelen van deelneming in beginsel is uitgesloten.
Intusschen moet hier in dubbelen zin worden onderscheiden.
Vooreerst luidt de vraag aldus te algemeen. De twijfel kan niet alle vormen van deelneming betreffen, doch slechts die waaronder de ânoodzakelijkquot; beschermde deelnemingshandeling als zoodanig te brengen ware. Zoo kan b.v. betwijfeld worden of de minderjarige van art. 250 door zijne ontucht naar art. 48 als medeplichtige van den koppelaar strafbaar is; doch is voor twijfel omtrent zijne cventueele strafbaarheid als uit-lokker naar art. 47au m. i. geen goede grond.
343
In de tweede plaats moeten twee groepen van gevallen worden
quot;) Litt. H. J. Wervelman, Noodzakelijke deelneming in liet strafrecht (Disa. Amst. 1892). â Schütze, Notwendige ïheilnahme, Leipzig 1869. â Verder vele der commentaren en leerboeken; de meeningen verschillen; onjuist m. i. ook l'olo-naar c. s. ad a. 47, 19. Belangrijke, maar uiteenloopende Duitsche rechtspr., vermeld bij Wervelman 1. c. 39, 44.
§ 88. DEELNEMING. NOODZAKELIJKE
onderscheiden : A. die waarin de wet elk der deelnemers vUdruk-kelijk en zelfstandig strafbaar stelt â hetzij dan eenvoudig door de omschrijving zelve van het delikt (b.v. a. 9G, 141, 152, 182), hetzij afzonderlijk (a. 12G, 206, 237, 142, 345); B. die waarin de uitdrukkelijke strafbaarheid slechts één der deelnemers betreft (b.v. a. ISO1quot;, 20.quot;), 244, 247, 249, 250, 252, 253, 281quot;', 34130, 362, 367, 413).
In groep A. heeft de wet, de leer der deelneming eenvoudig uitwerkend of aanvullend, zelve voorzien. De gestelde vraag betreft dus alleen de niet uitdrukkelijk strafbaar gestelde deelnemers van groep B., voorzoover de noodzakelijke feitelijke deelneming van dezen als zoodanig ook schuldige deelneming is.
Maar een algemeen antwoord op die vraag is niet te geven, vooral niet met een gevaarlijk âargumentum a contrarioquot;. Er bestaat ânoodzakelijke deelnemingquot;; maar niet één algemeen âleerstuk van noodzakelijke deelnemingquot; als uitzondering op de andere. Elk delikt is hier te beoordeelen op zich zelf, naar eigen karakter; gelijk b.v. de straffeloosheid van den gevangene die aan eigen bevrijding medewerkt (a. 189) of van den minderjarige tot wiens bescherming eenige strafbepaling strekt (a. 249, 250), wel vast staat; doch van den crediteur die zich laat bevoordeelen (a. 341 30) dit niet zoo zeker kan zijn.
344
8. Middellijk daderschap (inittelb. Thaterschaft, mittelh. Selbst-hegehu/ig) l!). â Het z.g.n. middellijk daderschap â niet als âgefingeerdquot;, noch als enkel âintellectueelquot; daderschap op te vatten â wijst a. 47'quot; uitdrukkelijk aan, door als âdadersquot; ook strafbaar te stellen hen die het feit âdoen plegenquot;.
1J) Speciale litteratuur: Nederl. VVeve, Ned. Bijdr. XIII, Ulo; Lucasseii, De intell. dader (Pr. Utrecht 1883), 37; de Leaó Laguua, Strafr. aansprakelijkh. voo:.' derden, Rechtsg. Mag. Vil, 217, 2(i3; Koskott, Strafr. aansprh. v. ouders en voogden voor de strafbare feilen door hunne minderj. kinderen en pupillen gepleegd (Pr. 1887); v. Ittersum 1. c. 190, 496. â- Voorts de litt. v. n. 1, bep. v. Liszt ji 50; Binding, Grundr. ^ 70; Halschner 1, 368; Olshausen § quot;18, 3; Geyer bij lloltz. II, 310; voor de ouderen Qeib II, 346; ook Nypels op Chauveau-Hélie 04I!',. â-Nederl. rechtspr. onder C. P. vermeld bij Schooneveld ad a. 60, 13 v.; onderSwb. in âW. v. S. door Red. T.. v. S.quot; ad a. 47, 23 v.; b.v. H. R. 27 Dec. 1887, W. 5521; ook H. R. 4 April 1893, W. 6326. â Duitsche rechtspr. K. T, 146, III, 96, IV, 256.
DEELNEMING. MIDDELLIJK DADEUSCHAP. § 38,
345
Punt van uitgang is hierbij de onbetwistbare stelling dat iemand dader blijft, onverschillig of hij handelde zonder of met een werktuig; of hij het gestolene wegnam met de hand, naar zich toehaalde met een haak of liet wegkapen dooreen hond. Wordt nu een ander mensch als werktuig gebezigd, als zelf niet verantwoordelijk orgaan, dan kan de beslissing geen andere zijn en is hij die dit middel aanwendde, de middellijke dader. Veelal worden beiden als âmanus ministraquot; en âmanus dominaquot; onderscheiden. De meeste wetgevingen noemen dezen vorm van deelneming niet uitdrukkelijk, toch wordt hij ook dan door wetenschap en rechtspraak erkend. Zoo mode in Nederland onder 't Fransche recht.
Voor deze verhouding is allereerst noodig, dat de een, door doen of onrechtmatig laten den ander bezigt tot liet begaan van eene handeling (laten) welke zelve do materiëele bestand-deelen van een delikt oplevert13). Maar verder dat het voor dat delikt vereischte schuldbestanddeel â enkele schuld, opzet, bijkomend oogmerk â uitsluitend aanwezig is bij hem die het feit deed begaan, dus bij hem die het feitelijk beging, ontbreekt (vg. § 38, 2). Zij kan zich dan voordoen in velerlei vormen. De een kan het feit door den ander hebben doen begaan; lu. óf door op dezen uit te oefenen ahsoluten dwany, pbysisch of psychisch, waardoor mot diens weerstandskracht ook diens eigenlijke âactiviteitquot; is uitgesloten (hypnotisme, somnambulisme, §30,1); 2°. of door op hem uit te oefenen zoodanigen psi/chischen drang of hem te geven zoodanig hevel, waardoor de onrechtmatigheid van diens doen of laten is uitgesloten (overmacht a. 40, §30,5 ambtelijk bevel a. 43 al. 2, §31,7); 3U. of door zijne werkzaamheid te gebruiken terwijl hij niet-toerekeningsvatbaar is, waardoor zijne schuld in't algemeen is uitgesloten (krankzinnigen, niet-verantwoordelijke kinderen, in 't bewustzijn gestoorden); 4°. óf door gebruik te maken van eene dwaling, waarin hij is gebracht of gelaten, en waardoor zijn opzet â c. q. zijn bijkomend oogmerk âis
u) Vg. Laguna I.e., 25.'!. I.
§ 38. DEELNEMING. MIDDELLIJK DADERSCHAP.
uitgesloten, onverschillig of hem enkele âschuldquot; (culpa) te wijten is, (de dader doet een aan een andere behoorendgoed wegnemen door zijn bediende, die niet weet dat het niet aan den meester behoort); 5°. öf door â bij delikten die slechts of ook door enkele schuld (culpa) kunnen worden begaan , zooals bij de meeste overtredingen â van de werkzaamheid des anderen gebruik te maken, terwijl de vereischte schuld bij dien ander ontbrak, doch bij den middellijken dader bestond (iemand doet bekendmakingen van 't openbaar gezag afscheuren, a. 447 Swb., door een bediende die den aard dier stukken of 't gemis aan recht tot afscheuring noch koude, noch kennen kon).
Voorwaarde voor 't bestaan van deze verhouding is dus naar algemeene rechtsbeginselen, dat voor het bepaalde delikt 't welk door beider samenwerking gepleegd is, iiij die 't feitelijk beging, strafrechtelijk niet verantwoordelijk kan worden gesteld. En ook het wettelijk begrip âdoen plegenquot; van a. 47''' Swb. mag m. i. buiten de grenzen dezer verhouding niet worden uitgebreid. De opvatting onzer rechtspraak echter is eene andere. Deze acht den meester die â zonder een der middelen te gebruiken van a. 472,1 â zijnen arbeiders eene overtreding-opdroeg, op grond van a. 47'quot; strafbaar, ook al zijn de arbeiders zeiven mede verantwoordelijk. Toch schijnt deze-opvatting reeds onvereenigbaar èn met de M. v. T., èn met den beperkten zin van a. 47!°. Waar het in dit werk verdedigde stelsel in de praktijk, met name bij overtredingen van reglementen, het handelen zonder vergunning en dgl., den schijn van onbillijkheid mocht wekken, ligt de oorzaak daarvan in een onvoldoende regeling of toepassing van de schuld-leer, een onvoldoende erkenning van den invloed eener verklaarbare ignorantia facti of juris H).
346
Verder is aan de zijde van den âmiddellijken daderquot; noodig dat, voorzoover het delikt opzet vordert, zijn opzet, in eenige der mogelijke schakeeringen, ook gericht zij op het âdoen plegenquot; door een niet verantwoordelijk persoon; eu dat, voor-
u) Vgl. Laguna 1. o, 2(57; H. R. 28 Juni 1864, âZie do reohtapr. in noot 12.
DKELNRMING. UITLOKKING. § 38.
zoover culpa geëischt wordt, mogelijke dwaling dienaangaande aan zijne schuld te wijten zij '5).
't Eigenaardig karakter van het middellijk daderschap brengt mede, dat iemand zeer wel een delikt kan âdoen plegenquot; waarvan het persoonlijk âplegenquot; hem wegens 't noodwendig ontbreken van eenig feitelijk bestanddeel onmogelijk is; bv. een vrouw die het misdrijf doet plegen van a. 242 Swb.
Bijzondere vermelding en omschrijving van middellijk daderschap komt voor in die wettelijke voorschriften waarbij ook andere dan ambtelijke bevelen als rechtvaardigingsgronden erkend zijn18). Waar het in bijzondere, naast het wetboek gehandhaafde bepalingen als âdoen plegenquot; wordt aangeduid, zal zelfstandige verklaring van die uitdrukking buiten den beperkten zin van a. 47|ü mogelijk wezen (a. 91) '7).
0. Uitlokking (provocation, Anstiftung) l8). â a. Als uitlokkers zijn strafbaar (a. 47 2°) âzij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding het (strafbaar) feit opzettelijk uitlokkenquot;.
De deelnemingsvorm der uitlokking bestaat dan â in afwijking van den vorige â in 't opzettelijk beicegen, met door de wet aangeduide middelen, van een zeif-verantwoordetijk â of ook van een door den uitlokker voor toerekeningsvatbaar gehouden maar ingevolge a. 50 alleen zelf niet strafbaar â persoon tot een strafbaar feit, dat deze, aldus betrogcn, opzet-telijk pleegt.
De uitgelokte pleegt dan het feit, is de dader; bij hem ver-toonen zich beide bestanddeelen van het delikt, èn 't psychische â behoudens de zooeven gemaakte opmerking in verband met a, 50 â èn 't feitelijk handelen; hij is voor't geheel
15) Anders, naar 't schijnt, v. Liszt g 50 n. 1.
quot;') Vg. boven 3 32, noot 1; de daar aangehaalde W. v. 9 Aug. 1878 is sints vervangen door W. v. 28 Oct. 1889, Stbl. n. 146.
â ') Vg. a. 272 öem.w.
18) Speciale litteratuur. Lucassen, De intellecweele dader (Pr. 1881! Cohen ïervaert, Uitlokking, in T. v. !â ). IV, 326; Tieboel v. d. Ham, Uitlokken en opruien, in ï. v. S. VIII, 126; Jentink, Het z.g.n. Duchesne-misdrijf (Pr. 1881 Een woord onzer taal (o. a. bij Hooft) âaanstichtingquot; ware rnisscbien te herstellen.
347
§ 38. DE1CLNEM1NG. UITLOKKING.
aansprakelijk; de invloed door den uitlokker op hein uitgeoefend, kan zijne aansprakelijkheid met het oog op de straftoemeting verzwakken, niet rechtens opheffen. Bij den uitlokker vertoont zich alleen 't psychisch bestanddeel; daarom heet hij wel âintellectueelquot; dader. Hij oefende opzettelijk invloed uit en is daarvoor aansprakelijk. Maar de omvang zijner aansprakelijkheid wordt in 't algemeen bepaald door wat die invloed bewerkte, zijne aansprakelijkheid is naar het Ned. Wb. â ook al âstraft de wet hem als daderquot; âeene onzelfstandige, accessoire (zie boven n. 5).
Eerste eisch is dus, niet dat de uitgelokte worde gestraft, zelfs niet dat hij strafbaar is â wat âpersoonlijke omstandighedenquot; kunnen beletten (a. 50) â maar 1quot;. dat liet feit waartoe werd uitgelokt, door hem gepleegd zij of dat hij het te plegen hebbe gepoogd; en 2°. dat het verichte â de strafbaarheid uitsluitende persoonlijke omstandigheden buiten rekening gelaten â een strafbaar feit oplevert, strafbare poging daaronder begrepen.
Heeft de uitlokking geen gevolg gehad of niet meer dan een straffelooze daad van voorbereiding, of eene poging die de uitgelokte zelf opgaf, dan blijft â behoudens bijzondere uitzonderingen (a. 97, 126, 131, 133, 177, 178, 179 en 284 j0. 45) de uitlokking â of âpoging tot uitlokkingquot; â straffeloos; anders, m. i. terecht, ingevolge eene later ingevoegde bepaling, het Duitsche recht19).
b. De uitlokker wordt gestraft âals daderquot;; de wettelijke strafpositie is voor hein dezelfde als voor dezen.
c. Uitlokking â zie ook a. 472U â is niet denkbaar zonder opzet. Allereerst, in eenige schakeering, het âopzet om de daad van een ander uit te lokkenquot;. Men kan door âschuldquot; tot eens anders delikt âaanleiding gevenquot; en hiervoor, uitdrukkelijk of naar do algemeene leer omtrent âculpaquot;, aansprakelijk worden gestold (a. 198 al. 4, 199 al. 3, 367 al. 2, 307, 308); niet hot âuitlokkenquot; 2U).
19) a. lüa âDuohesne-paragraaf.quot;
!!0) De strijd tusschen de rneening vau sommige Dnitsche schrijvers (b.v. Meyer
DEELNEMING. UITLOKKING. § 38.
Doch dit opzet moet nog een andèr karakter dragen. De uitlokking is een vorm van deelneming, niet een zelfstandig daderschap; in verband hiermede worden de aansprakelijkheid van den uitlokker en die van don uitgelokte als gelijkwaardig beschouwd; immers acht de wetgever den ui ;raf-
waardig, niet vermits hij een ander strafbaar wil doen worden , maar vermits hij het verbodene. het delikt, wil gepleegd hebben, ofschoon niet door eigen daad. Daarom moet ten aanzien van het delikt zelf en zijne bestanddeelen het opzet des uitlokkers met dat van den ander juridisch identiek zijn;
al kunnen de schakeeringen bij beiden verschillen 2').
Uit dit vereischte volgt, dat de lokbeambte â âagentprovocateurquot; â wiens oogmerk het is den uitgelokte te bewegen tot een delikt, maar, door eigen tusschonkomst of door andere verwachte omstandigheden, het stadium van poging niet te doen overschrijden, straffeloos blijft, al is tengevolge van zijne uitlokking de door hem beoogde strafbare poging gepleegd;
in dien zin heete bet dat âuitlokking tot pogingquot; niet strafbaar is; art. 78 staat, wegens het voorbehoud aan 'tslot,
hiertegen niet in den weg. Heeft echter de âlokbeamtequot; het voltooide delikt zelf willen doen plegen â wat bv. bij âover-^ , .v--
tredingenquot; denkbaar is â dan sluit zijne verdere bedoeling/Aa 1 om den dader te betrappen, zijne aansprakelijkheid als uit- /quot;
lokker niet uiti:). J:
»
| 42, 3, Olsh. n. 6) dat, hoezeer ook Dwb. haar niet toelaat, in beginsel tegen aansprakelijkheid voor culpose uitlokking geen bedenking bestaat, en anderen (b.v.
v. Liszt § 52. 2 en | 53, 1) schijnt mij op een woordenstrijd neer te komen.
'*) Behoort tot de bestanddeelen een bijkomend oogmerk (a. 310) of een motief (a. 2502°) dan moet de uitlokker ook 't opzet hebben dat deze bij den dader aanwezig zijn. Dit is echter geen afwijking v. d. identiteitsleer. â Vgl. hierover Olsh,
n. 14; 11. G. E. IV, 252. Behoort tot de bestanddeelen een feitelijk element, waarop ook 's daders opzet niet behoeft gericht te zijn, waarvan 't âobjectiefquot; aanwezig zijn voldoende is (b.v. de leeftijd in a. 247, vg. 5 33, 9), dan geldt dit ook voor den uitlokker.
22) Vgl. Westholf, Lokbeambten (Pr. Amst. 1893), die echter (blz. 44 vg.) m. i.
ten onrechte den lokbeambte die slechts âpogingquot; wilde teweegbrengen, alleen dan straffeloos acht, indien de niet-voltooiing aan zijn ingrijpen is te danken, â Zie de uiteenloopende litteratuur aldaar. In den zin van den tekst o. a. v. Liszt, Qeyer bij Holtzend, II, 349, IV, 161, R. G. Entsch. 15, 315. Anders vooral Olshausen
349
§ 38. DEELNEMING. UITLOKKING.
d. Objectief is de eerste eisch (zie boven a) dat liet strafbaar feit waartoe uitgelokt werd, door den uitgelokte als voltooid delikt of als strafbare poging gepleegd zij.
Tweede eisch is deze dat de uitgelokte tot wat hij strafwaardigs wilde en deed, door de uitlokking is heirogen geworden. Tusseben uitlokking en delikt moet causaal-verband bestaan. Dit verband moet worden bewezen. Al volgt dat bewijs meestal reeds hieruit dat nitlokkingsmiddelen van voldoende kracht aangewend zijn, en dat het feit waarop ze gericht waren, begaan is, toch is 'tdenkbaar dat de bewegende kracht geheel van andere drijfveeren, vroeger of later opgekomene, by. van 's daders eigen motieven of van eene andere uitlokking, uitging. De oude theorie sprak dan van een âalias facturusquot;. Heeft de uitlokking met andere oorzaken, bv. met andere uitlokkingen sanmgewcrkt, dan is zij als medeoorzaak toch oorzaak geweest (vg. § 24, 7). Sommigen willen in zoodanig geval, wanneer het misdadig besluit van den dader door aangewende nitlokkingsmiddelen niet âgewektquot;, doch âversterktquot; is geworden, niet van mede-uitlokking, doch van intellectueele medeplichtigheid gewagen ; wat naar Ned. recht m. i. noch mogelijk, noch noodig is. Heeft de uitlokker zijne uitlokking herroepen en is 't feit toch gepleegd, dan is 't verband daarom nog niet verbroken geworden quot;).
Uitgelokt moet wezen â a posteriori bezien â het door den bepaalden dader gepleegde bepaalde feit. Staat dit vast, dan is het onverschillig, of de uitlokker bij zijne? uitlokking een bepaalden persoon op het oog had of zich wendde tot een groep, zelfs eene menigte; of hij den uitgelokte kende of deze hem !1). Onverschillig ook of de door het uitlokkingsmiddel, bv.
n. 21, ofschoon ook met voorbehoud. â Andere vragen zijn: lioe liet alleen op poging gerichte opzet te bewijzen is; en of tegen do praktijken van lokbeambten niet bijzonder zou moeten worden gewaakt.
!3) Vg. over een en ander Geib 11 § 106. Geyer bij Holtzend, II, 378; Meyer § 42, 7.
21) Vg. Tiboel v, d. Ham 1. c. 128, 131 ; tegenover wien echter m. i. deze conclusie niet uitsluitend af te leiden is uit de opvatting van uitlokking als âdaderschapquot;. â Cf. Olsh, n. 8, Geyer in Holtz. IV. 151. Anders naar't schijnt, M. v. T. op a. 131 8wb.
350
DEELNEMING. UITLOKKING. § 38.
geweld, misleiding, bewogene wist dat dit van een uitlokker uitging 25).
e. Misdrijven en overtredingen beide kunnen voorwerpen van uitlokking zijn. 0missiedelikten evengoed als commissiedeliklen.
Uitlokking tot culpoos delikt â of tot een delikt in zoover het culpoos is â is uitgesloten. Vooreerst wegens het karakter van het opzet des uit lokkers (boven c); en dan omdat de uitgelokte wel hetrocjen kan worden tot iets dat bv. schuldig verzuim oplevert, maar onmogelijk tot verztiim zelf. Het opzettelijk uitlokken van handelingen die den dader voor een culpoos delikt aansprakelijk doen zijn, kan alleen opgevat worden; óf als het âdoen plegenquot; van een doleus delikt, of als eigen culpa
Dat het strafbaar feit waartoe werd uitgelokt, kan bestaan in handelingen van eigenlijk daderschap, middellijk daderschap of mededaderschap, is duidelijk. Doch ook in medeplichtigheid (a. 78) en in uitlokking âin zoover onder âdaderschapquot; begrepen â â mits deze zelve wegens den uitslag strafbaar isquot;). Dat uitlokking tot poging niet strafbaar kan zijn, is betoogd (boven c).
f. De aansprakelijkheid van den uitlokker heeft twee grenzen. Zij kan, wegens haar accessoir karakter, niet meer omvatten dan 't geen werkelijk is geschied, ook al was tot meer uitgelokt; maar, ook wegens haar eigen grondslag niet meer omvatten dan waartoe werd uitgelokt, ook al is meer geschied. De eerste stelling kwam reeds ter sprake (n. 5 en 9^). De tweede gaf bij de vroeger gezochte analogie tusschen strafrechtelijke uitlokking en burgerrechtelijk mandaat aanleiding tot eene bijzondere ontwikkeling der leer van de afwijkingen, met name van de âexcessus mandatiquot; met veel verscheidenheid
!5) Vg. Olsh. n. 13; sommigen anders.
26) Enkele duitsohe schrijvers anders; Olsh. n. 18; Binding Grundr. 124. Vg. v. Liszt } 52, noot 1 inf.
9®Voor 't. Duitsohe recht verschil v. gevoelen èn over de practische oplossing On over do dogmatische opvatting. Vg. Meyer | '10, 13; v. Liszt | 53 III, 1; Olsh. n. 23.
351
§ 38. DEELNEMING. UITLOKKING.
van opvatting 28). Intusschen, de stelling zelve is in beginsel onbetwistbaar en hare uitwerking , de beantwoording der vraag welke handelingen opzettelijk zijn uitgelokt, welke niet, is hoogst eenvoudig voor wie zich ook hiervoor enkel houdt aan de logische toepassing der leer van het opzet, van zijne schakeeringen en van zijnen omvang (§ 34, 4, 14 v.). Zoo volgt men m. i. een vasten leiddraad: bv. bij werkelijk voorbijstreven van de uitlokking (tot mishandeling werd uitgelokt, doodslag werd gepleegd); bij gevallen van âverwissellingquot; en âafdwalingquot; (§ 34, 15); bij het bezigen van andere middelen van uitvoering (§34, 16); bij het verrichten van de handeling op eene strafverzwarende wijze (tot eenvoudigen diefstal is uitgelokt, diefstal met braak is gepleegd); bij het intreden van strafverzwarende gevolgen (§ 33, 10) ï'J). Het Ned. Swb. heeft blijkbaar deze eenvoudige leer uitdrukkelijk gehuldigd in art. 47 al. 2, bepalende dat âten aanzien der uitlokkers alleen die handelingen in aanmerking komen die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgenquot;; terwijl liet woord âgevolgen quot; â hier van het opzet en ook van de schuld des uitlok-kers losgemaakt â daarbij alleen die gevolgen omvat welke ook voor den dader buiten alle schuldverband de strafposhie verzwaren ^0). âObjectievequot; bestanddeelen echter van liet delikt zelf, bv. do leeftijd bij het misdrijf van a. 247 (§33, 9), maken ook voor den uitlokkcr deel uit van de âhandelingquot; waartoe werd uitgelokt, al kende hij ze niet31).
y. Vermits, bij het werkelijk bestaan van causaalverband tusschen een bepaalde uitlokking en een bepaald delikt, het
2S) Vg. voor de ouderen Geili II, 349, 353 v. (met name aid. Clarus q. 89, n.5; Carps, q. 4 n. 17â26; Mattliaous do crim. 48, 5, 3 n. 16.)
M) Aldus ook v. Liszt §53 I; Geyer bij Holtz, II, 360; Meyer | 42, 9, Ook, behalve voor âverwisselingquot;, Olsh. n, 15'â17; vg. de daar aangehaalden. Over âver-wiasolingquot; bijzondere litteratuur naar aanleiding van 't geval Rose-Rosahl, vernield boven § 34, 15 noot 74; Rose doodde abusief een ander dan dien te dooden Rosahl hem gelast had.
30) Over deze gevolgen uitdr. bij beraadsl. op a. 47 Min. Moddermanen C. v. R. Smidt I 407â409, 412 (437, 438, 442). â Over overschrijding en over strafverzwarende handelingen M. v. ï. op a. 47 I.
:l1) Vg. in deze f n. 9 litt. c noot 21.
352
DEELNEMING. UITLOKKING. § 38.
onverschillig moet wezen welke middelen van uitlokking zijn aangewend, is in theorie de opnoeming van bepaalde middelen, als aanwijzing (enuncatief) onnoodig, als beperking (limitatief) onmogelijk. Intusschen gelden in de nieuwere wetgevingen juist deze twee stelsels: of â zoo bv. in'tDuitscbe Wbk. â 't enuneiatieve, om den rechter een leiddraad te geven, die echter uit zijn aard in de moeilijkste gevallen faalt; óf â zoo op 't voetspoor van 'tFransche recht in a. 47 Ned. Wbk. ââ 't limitatieve , in 't belang der rechtszekerheid, wegens de moeilijkheid van 't bewijs en de dikwijls geringe betrouwbaarheid der verklaringen van den uitgelokte.
Op dezen grond laat zich dit inderdaad aanbevelen, indien maar de limitatieve opsomming de meest aangewende en invloedrijke middelen omvat3::). In concrete moet dan bewezen worden èn dat een wettelijk middel aangewend, èn dat daarmede werkelijk uitgelokt is. Voorts worde daarbij nooit voorbijgezien , dat middelen van denzelfden naam, bv. bevelen, geweld , misleiding, kunnen zijn uitlokkingsmiddelen of bestanddeel en van middelijk dadersehap en dat daartusschen streng moet worden onderscheiden ^).
Art. 47 Ned. Swb. noemt dan: Giften; alle, niet slechts van goed en geld, ook van vrijheden en gunsten, immers in zoover vervulde âbeloftenquot;. â Beloften] van eiken gunsti-gen aard; waarop de uitgelokte blijkt te hebben vertrouwd; ook al was dit vertrouwen lichtvaardig. â Minhvuik van gezag; ecu gezag met minder verre strekking dan dat bedoeld in a. 43; toch altoos gezag; meer dan enkel invloed; veeleer eene door publiekrecht, privaatrecht, of ook door verkeer en zeden erkende verhouding die aan den kant des daders ondergeschiktheid medebrengt34). Misbruikt is dan ieder
:i:) Voor do verdediging van 'tFransoh-Nederl. stelsel: M. v. ï. en Modd. bij be-raadsl. Ook Tiboel v. d. Ham 1. c 127. â 't Stelsel v. Dwb. reeds in de Pruisische praktijk; ook vroeger (Geib II, 343). 'tFransche in C. P. 1791, ontleend aan de casuistische ontwikkeling van 'tEom. recht. â Naar Dwb. is toch de rechter verplicht 't middel dat hij als gebruikt aanneemt, te noemen.
33) Hierover uitdr. M. v. T.
^1) C. P. Abus d'autorité ou do pouvoir. Dwb. âMis?,branch des Ansehensquot;, Daarover Hillschner I 101. Geyor bij Molt/, 352.
353
§ 38. DEELNEMING. UITLOKKING.
gezag dat uitlokte tot een strafbaar feit, zonder door een rechtvaardigingsgrond gedekt te zijn. â Geweld; krachtige feitelijkheden tegen personen of goederen, ten bezware van den dader, of van anderen door wier lot hij bewogen is, en â minder ver reikend dan âovermachtquot; (§ 30, 1) â gebezigd als vis compulsiva, als middel tot het uitoefenen van psychischen drang; terwijl de gelijkstelling met geweld van âhet brengen in een staat van bewusteloosheid of onmachtquot; (a. 81) hier uit den aard der zaak meestal falen zal. â Bedreiging; mits ook deze niet 't karakter dragend van âovermachtquot;. Zeker bedreiging met feitelijk geweld , maar niet â zooals bij de dwangmisdrijven (bv. a. 121, 180, 284) â bedreiging met geweld alleen; ook met beleediging, openbaring van geheimen of eenige andere bejegening van onaangenamen aard. â Misleiding; alweer niet misleiding die eene dwaling wekt welke 't voor het âdelikt noodige opzetquot; uitsluit; maar misleiding die bv. op valschen grond motieven wekt, als minnenijd, wraaklust.
De uitlokking kan van een dezer middelen vergezeld gaan; ook er door gevolgd worden, mits dan zóó dat ze daarmede één geheel vormt. Ze kan, in zoover 't middel pas geeft, gedaan worden mondeling of schriftelijk; ook zonder woorden, door teekenen of andere feitelijkheden; evenzeer (bv. bij misleiding) stilzwijgend; zelfs in schijnbaar onschuldigen vorm. Ze kan, in zoover 't middel pas geeft, gedaan worden in 't openbaar of niet, gericht tot een enkele of tot velen. Onverschillig is 't of de uitgelokte 't initiatief nam, zich aanmeldde, of niet. Goedkeuring post factum is nooit uitlokking voor dat, misschien voor een later feit.
In het Swb. niet erkende middelen zijn dus bv. overreding, aanbeveling, verzoek36).
10. Medeplichligheid (complicité, Beihülfe). â u. Waar het delikt gepleegd wordt door de psychische en feitelijke samenwerking van twee of meer personen, zou de wet, zonder daarmede
Uitvoerig Geyer bij Iloltz. 1. c. Olsh, 11, 12,
354
DEELNEMING. MEDEPLICHTIGHEID. § 38.
haar stelsei omtrent strafrechtelijke aansprakelijkheid te verlaten, kunnen â en ook m. i. moeten â volstaan met eene algemeene strafbaarstelling van allen die op eenige wijze opzettelijk daaraan of daartoe medewerkten, den rechter alsdan , binnen de voor ieder delikt gestelde wettelijke grens, de keuze der strafmaat latende, naar gelang uit den aard van ieders medewerking de mate zijner strafwaardigheid bleek ^).
Dit stelsel echter volgen de tegenwoordige wetgevingen , ook de Nederlandsche, nog niet. Historisch ontwikkelde zich tegenover het begrip van den dader, den z.g.n. rechtstreok-schen bewerker, dat van den medeplichtige (complice, Gehülfe), den meer verwijderden medewerker, die het feit niet mede pleegt, maar toch mede pUchtig, d. i. mede verbonden, mede schuldig is 37). Dit begrip wordt in alle wetgevingen omschreven. Ook in a. 48 Ned. 8wb., volgens 't welk âals medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft: 1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf; 2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijfquot;. Ook hunne aansprakelijkheid is â wat geen tegenspraak vindt â een accessoire (boven n. 5).
Eerste eisch is dus ook hier dat de dader het feit waartoe de hulp verstrekt werd, pleegde of poogde te plegen, en dat het verrichte â den invloed van persoonlijke omstandigheden daargelaten â een strafbaar feit oplevure, strafbare poging daaronder begrepen. Gepoogde doch mislukte hulpverleening â poging tot medeplichtigheid, â is dus niet strafbaar (vg. n. 9 a). Art. 78 8wb. belet, wegens de slotwoorden, deze gevolgtrekking niet.
h. Medeplichtigheid wordt â ook m. i. ten onrechte â in beginsel als een minder straf waardige vorm van deelneming aangemerkt38); evenals bij poging en naar denzelfden maatstaf
squot;) Vg. boven n. 4 met name A. J. Blok, 1. o. 49. Dit gevoelen ook vermeld, ofschoon bestreden, in 't verslag der C. v. R. op a. 47 Swb.
37) Zie Prof. de Vries bij Smidt 1 407 (438). Vg. ârekenpliohtigquot;, âschuldplichtigquot;.
38) /.oo ook Dwb.; anders a. 59 C. P.
355
§ 38. DEELNEMING. MEDEPLICHTIGHEID.
wordt het maximum der hoofdstraffen verlaagd â behoudens bijzondere uitzonderingen , als in a. 198 al. 3, 199 al. 2 Swb. â; de bijkomende straffen echter zijn, wegens hun eigenaardig karakter, ook hier dezelfde als voor hot misdrijf zelf39).
c. Medeplichtigheid eischt â uitdrukkelijk ook a. 48 â des medeplichtigen opzet, en wel zóó dat het, in eene der meergenoemde schakeeringen, gericht is op; zijne handeling als medewerking tot een bepaald misdrijf; m. a. w.: op die handeling, op dat misdrijf en op het causaalverband tusschen beide. Dat dit opzet reeds aanwezig is bij opzettelijk handelen met de enkele âwetenschapquot; dat het verstrekte middel voor het bepaalde misdrijf zal, somtijds zelfs dat het daartoe kan dienen, volgt uit het omtrent âopzetquot; betoogde (§ 34, 4)4l1).
Omtrent het door âschuldquot; bevorderen van eens anders daden geldt het bij uitlokking gezegde (9 r).
Voorts geldt hier, naar analogie van het omtrent âlokbeambtenquot; betoogde, dat, waar het opzet slechts gericht was op medewerking tot eene poging, tot een mislukkend misdrijf, bv. omdat de helper de ondeugdelijkheid van het door hem verschafte middel kende, van medeplichtigheid geen sprake en dat dus in dien zin medeplichtigheid aan poging niet denkbaar is.
d. Objectief is de eerste eisch (zie boven a) dat het misdrijf waartoe hulp verstrekt werd, als voltooid delikt of als strafbare poging gepleegd zij.
De tweede eisch, dat er moet zijn medegeicerkt tot het gepleegd misdrijf, volgt uit het begrip der âmedeplichtigheidquot; zelf, dat causaalverband tusschen de handeling van don medewerker en die van den dader vordert. Is het verstrekte middel gebruikt, dan is er medeplichtigheid, ook al had het
39) In a. 45 is sprake van âdo bijkomende straffenquot;: in a. 49 komt eene nadrukkelijke opsomming voor waarin eone dier straffen, do plaatsing in oenc rijkswerkinrichting, ontbreekt; dit verschil is thans onnoodig, doch een overblijfsel van 't stelsel van 't O, 11. O. volgens 't welk bedelarij en landlooperij, onder omstandigheden , misdrijven waren, terwijl de wetgever voormelde bijkomende straf wel bij poging tot, doch niet bij medeplichtigheid aan die misdrijven wilde stellen.
^0) Vg. a. 60 C. P. âsachant qn'ils devaient y servirquot;; âavec connaissancequot;. ^49 Dwb. âwissentlichquot;.
356
DEELNEMING. MEDEPLICHTIGHEID, § 38,
misdrijf zonder 't middel evengoed gepleegd kunnen zijn. Is het middel verstrekt maar werd het misdrijf op een andere wijze uitgevoerd, dan is hij die het verstrekte niet mede-plichtig. De woorden van a. 482quot; âzij die middelen enz. verschaffen tot het plegen van liet misdrijfquot; mogen ietwat dubbelzinnig schijnen tegenover die van a. GO C, P, of van a. 49 Dvvh., de zin is geen andere, wat ten overvloede uit a. 48'quot; Swb. blijkt41).
De hulp moet verstrekt wezen â a posteriori bezien â tot het door den bepaalden dader gepleegde bepaalde feit. Staat dit vast, dan is het onverschillig, of do medeplichtige bij zijne hulpverleening een bepaalden persoon op het oog had, ot hij den uitgelokte kende of deze hem. Onverschillig natuurlijk ook, inzoover de aard der verschafte hulp dit toelaat, of de dader met het feit der hulpverleening bekend was 42),
f. Medeplichtigheid is â gelijk âpogingquot; â alleen strafbaar gesteld bij misdrijf; niet bij overtreding. Dit volgt reeds uit het woord âmisdrijfquot; in a, 48; maar is op voorstel der C, v. R., nog uitdrukkelijk bepaald (a. 52), wegens a. 91; zoodat uitzonderingen, als die van a. 271 Gem.w,, alleen op de wet kunnen steunen. Voor motiveering van dit stelsel werd verwezen naar den grond die bij âpogingquot; was aangevoerd â men zie over dien grond en over zijne waarde § 37 â en naar wat onder 'tFransche recht steeds gegolden had 43), Ten aanzien van omissiedelikten en van culpose delikten is het bij uitlokking opgemerkte (9 e) m, i, ook hier van toepassing.
Dat het misdrijf waartoe opzettelijk werd medegewerkt, kan bestaan in handelingen van eigenlijk daderschap, middellijk daderschap of mededaderschap is duidelijk. Ook in uitlokking bv. wanneer A aan B hot geld gaf waarmede deze den dader omkocht. Zelfs in medeplichtigheid (a, 78), bv, wanneer A het wapen scherpte door B aan C verschaft tot het plegen van
quot;) bO 0. P. âCenx qui auront procure . , . . tout autre moyen qui aura serviquot;;
a. 49 Dwb.; ...... wer durch Rath oder That____Hülfe geleistet hat.quot;
43) Vg. boven 9 e inf. âBepaald feitquot;; ook M. v. ï.
C. P. Liv. II. Zie ook ^ 49 Dwb.
357
§ 88. DEELNEMING. MEDEPLICHTIGHEID.
den moord; wat echter evenzeer en dus met toepassing van a. 55 al. 1 als medeplichtigheid aan het hoofdmisdrijf zelf kan worden aangemerkt, eene opvatting voor het strafmaximum van beteekenis 44). Dat medeplichtigheid aan iwging niet strafbaar kan zijn, is betoogd (boven c).
/'. Ook de aansprakelijkheid van den medeplichtige heeft tiree grenzen. Zij kan wegens haar accessoir karakter niet meer omvatten dan 'tgeen werkelijk is geschied, ook al had de medewerking meer beoogd ; maar zij kan ook, wegens haar eigen grondslag, niet meer omvatten dan dat waartoe opzettelijk werd medegewerkt, ook al is meer geschied. De eerste stelling kwam reeds ter sprake (n. 5 en 1(W). De tweede is voor de aansprakelijkheid van den uitlokker ontwikkeld (n. 9 /quot;); al het daarvoor geschrevene omtrent den vasten leiddraad die gevonden wordt in de eenvoudige toepassing der vroeger omtrent opzet ontwikkelde denkbeelden, geldt m. i. ook hier. In a. 49 al. 4 is dezelfde leer gehuldigd; de uitdrukking âhare gevolgenquot; heeft daar gelijken beperkten zin als in a. 47 al. 2. 't Redactieverschil in den aanhef van beide bepalingen, bij 'tG. O. in a. 47 aangebracht, heeft een zuiver formeele strekking. Bij de schuldigverklaring van een medeplichtige zou, meende men, anders dan bij die van een uitlokker, de qualificatie van zijn handelingen altoos moeten stemmen met die van het gepleegde misdrijf des daders; zoodat, waar de medeplichtige 't wapen verstrekte voor eene mishandeling doch de dader daarmede een doodslag beging, schuldigverklaring moest volgen aan âmedeplichtigheid aan doodslagquot;, maar strafoplegging als werd veroordeeld wegens âmedeplichtigheid aan mishandelingquot; 45).
(/. In 't algemeen kan de medewerking van den medeplichtige
â ^) Vg. deze § n. 9, 6. Voor Duitsch recht, waar eene bepaling als a. 78 Swb. ontbreekt, v. Liszt §53 III; Olsh. ad §49 n. 21 vg.; blijkens de lüer aangehaalde litteratuur wordt over de vraag of medeplichtigheid aan medeplichtigheid al dan niet âmittelbare ïheilnahmequot; aan het hoofdmisdrijf is, en, zoo neen, of ze dan wel strafbaar is, verschillend gedacht. Geyer bij Holtz 387; Meyer §43, 12; Halschner I, 383; Berner Lehrb, §85 en Theiln. acht âBeihülfe zur Beihülfequot; niet strafbaar.
lt;5) R, A. op 0. v. R. bij Smidt I, 407 (437).
858
DEELNEMING. MEDEPLICHTIGHEID. § 38.
onderscheiden worden in âphysischequot; of âintellectneelequot;. De eerste verhoogt de materieele, de tweede do intellectueele of ino-reele kracht waarmede de dader het misdrijf pleegt. Sommige wetgevers laten hier voor de toepassing groote ruimte; zoo de Duitsche, alles samenvattend als hulpverleening âdurch Rath oder Thatquot; Het Ned. Wb. wijst, ook hier tor wille der rechtszekerheid, de middelen limitief aan, en wel als hulpverleening bij het plegen (a. 481quot;) en vóór liet plegen (a. 48!U). Tot de eerste soort behoort, zonder nadere aanduiding, elk behulpzaam zijnquot;; dus ook intellectueel of moreel; gelijk bv. in M. v. T. en rechtspraak als medeplichtigheid erkend is âwerkzaamheid tot voorkoming van ontdekkingquot;, die veelal uitsluitend moreele hulpverleening is ,;). Do tweede soort moet bestaan in: 't verschaffen van gelegenheid (bv. 't openstellen van de deur der woning) of van middelen (bv. werktuigen) iris materieele; van inlichtingen (bv. omtrent de inrichting van een huis) als intellectueele medeplichtigheid. Ruime opvatting van de genoemde vormen is echter toegelaten en noodig : wie het zwaard van den dader voor dezen scherpt, moet toch gezegd worden, hem het aldus bruikbaar geworden middel te hebben verschaft. â Beide soorten kunnen ook in laten bestaan (bv. 'tgeopend laten van een deur), indien dit laten onrechtmatig was (vg. § 28, G). â Na voltooiing van 't misdrijf kan hulpverleening niet meer medeplichtigheid, slechts begunstiging zijn (a. 189, 416); het toezeggen van begunstiging kan echter moreele hulp opleveren. ( gt; '
11. Mededaderschapquot;). «. Bij opzettelijke materieele sameu-werking is niet altijd plaats voor de tegenstelling tusschen den âdaderquot; die âpleegtquot; en den âmedeplichtigequot; die âbehulpzaamquot; is. 'tKan zijn dat de werkzaamheid van elk der deel-
lt;(i) Ruime opvatting in do rechtspr. Zio Olsh. n. 10â^12.
â ,7) âBelralpzaani zijnquot; en âhulp verleenenquot; in M. v. T. dooreen gebruikt. â De in den tekst bedoelde rechtspr. bv. H. R. 20 Febr. 1888, W. 5221. De erkenning van versterking der moreele kracht is van verre strekking.
^8) Zie vooral A. J. Blok. Over het onderscheid tusschen medeplegen en medeplichtigheid zijn. (Pr. Leiden 1893); bij wien een uitnemende uiteenzetting en beoor-deeling der onderscheiden theoriën.
359
§ 38. DEELNEMING. MEDEDADEUSCIlAl'.
nemers, op zich zelve beschouwd, afgescheiden van die dei-anderen, volledig daderschap oplevert: A en B dragen samen de te ontvreemden kist uit het huis van den bestolene; werpen samen het slachtoffer van hun beraamden doodslag in het water. Wetenschap en wetgeving spreken dan van âmededadersquot; (Mitthater, coauteurs), die het feit âmedeplegenquot; (a. 47'quot; Swb.) 19). Intusschen ware voor zulke gevallen het enkelvoudig begrip âdaderschapquot; voldoende; dat hier opzettelijk wordt samengewerkt, verandert aan den aard van ieders daderschap als zoodanig niets; evenmin aan het zelfstandig â niet accessoir â karakter van ieders aansprakelijkheid voor hot door hem verrichte.
Maar tusschen deze eenvoudige, feitelijk geheel gelijkwaardige samenwerking van âdadersquot; en de even eenvoudige feitelijk geheel ongelijkwaardige samenwerking van den âdaderquot; en den âverwijderden helperquot; liggen eene menigte overgangsgevallen van allerlei schakeering. Wetenschap on wetgeving-hadden criminologisch juister, juridisch verstandiger gedaan door al deze gevallen saam te vatten onder het eene begrip âopzettelijke samenwerkingquot; en de strafwaardigheid van iederen medewerker te bepalen naar zijne gebleken misdadige gezindheid60); zoo noodig voor geringe delikten (overtredingen) de verwijderde medewerking straffeloos latend. Thans hebben zij , door de begrippen âmededaderschapquot; en âmedeplichtigheidquot; tegenover elkaar te stellen en aan die onderscheiding rechtsgevolgen te verbinden, er toe geleid dat men elk der bedoelde gevallen onder een van beide groepen tracht te brengen en daarom dogmatisch een grenslijn tusschen beide tracht te vinden.
h. Omtrent de wettelijke rechtsgevolgen 't volgende: Over 1° en 2°, het lagere strafmaximum voor medeplichtigheiden
49) §47 Dwb.: âWenn Mehrere eino Handlung gemeinschaftlich ausfiihren, so wird Joder als ïluiter bestraft.quot; â Het begrip âcoauteursquot; ook ontwikkeld onder den Franschen C. P. ofecboon deze er van nwijgt. Chauveau Hélie 680'!quot;; Nederl. rechtspr. bij Schooneveld ad a. 60 aant. 18. â¢â De uitdr, âmedeplegenquot; v. a. 47'quot; Swb. komt eerst voor in G. O. Zij verving terecht, ook na kritiek dor C. v. R., de te ruime woorden âopzettelijk tot liet plegen medewerkenquot; v. O. R. O.
i0) Vg. boven n. 10b; Blok 1. c. 3.
3üU
UEELNEMIiNG. MEDEDADERSCHAP. § 38.
hare straffeloosheid bij overtreding is gesproken (n. 10). B0. Hoewel m. i. in strijd met eene logische toepassing der schuld-leer, wordt vrij algemeen en zeker in 't Ned. Swb. â ingevolge liet uitdrukkelijk voorbehoud in a. 47 al. 2 en a. 49 al. 4 en blijkens de M. v. T. â aangenomen, dat de verantwoordelijkheid van den âmededaderquot; het c/eheele delikt om-vat, ook âalleobjectieve verzwarende omstandighedenquot; (braak, inklimming, geweld enz.) al lagen die buiten zijn handelen en zijn opzet51). Betwijfeld mag worden of 4° strafverzwaring ingeval een delikt gepleegd is âmet vereenigde krachtenquot; (bv. a. 182, 3101ü), alleen geldt bij samenwerking in âmededaderschapquot; s:). En wie meent dat 5quot; bij culpose delikten wel van mededaderschap â immers niet van medeplichtigheid â zou kunnen worden gewaagd, maakt in. i. eene hier geheel onnoodige tegenstelling, vermits het bij beide verhoudingen uitsluitend aankomt op ieders eigen aansprakelijkheid voor eigen schuld a3).
Ook middellijk daderschap, uitlokking en medeplichtigheid kunnen in mededaderschap worden gepleegd.
c. De bovenbedoelde dogmalische gremlijn tusschen mededaderschap en medeplichtigheid wordt op 't voetspoor der Duitsche wetenschap gezocht in twee hoofdrichtingen: de objectieve en de subjectieve.
De objectieve, welke blijkbaar ook bij de samenstelling en behandeling van het Ned. Swb. voor den geest stond, zoekt het verschilpunt in den juridischen aard der handelingen. Volgens haar begaat do medeplichtige eene ondersteuningshandeling , de mededader eene uitvoeringshandeling, neemt hij deel aan eene âwelke behoort tot de constitutieve elementen van het misdrijfquot; (C. v. R. 'fhatbestandshandlung), aan eene âwelke het misdrijf uitmaaktquot; (M. v. T.). Intüsschen, vermits
51) Zie vooral g 33, 9. â- De bedoelde plaatsen der M. v. T. op a. 47 I en a. 50 III. Schrijvers: v. List §51 I; Olsh. n. 16; Meyer §41, 1. Dwb. zegt uitdr. dat ieder âals ïliüterquot; gestraft wordt.
52) Wel aldus bv. v. Lis/.t 1. c.
^3) Onjuist m. i. R. A. op a. 47. De meest algemeene meening ia Duitscbland conf. den tekst. Olsh. n. 10; litt. en rechtspr. aldaar, v. Liszt § 5i II âNebenthaterquot; I. 23
861
§ 38. DEELNEMING. MEDEDADERSCHAl'.
nemers, op zich zelve beschouwd, afgescheiden van die der anderen, volledig daderschap oplevert; A en B dragen samen de te ontvreemden kist uit het huis van den bestolene; werpen samen het slachtoffer van hun beraamden doodslag in liet water. Wetenschap en wetgeving spreken dan van âmededadersquot; (Mitthater, coauteurs), die liet feit âmedeplegenquot; (a. 47'quot; Swb.) quot;). Intusschen ware voor zulke gevallen het enkelvoudig begrip âdaderschapquot; voldoende; dat hier opzettelijk wordt samengewerkt, verandert aan den aard van ieders daderschap als zoodanig niets; evenmin aan hot zelfstandig â niet accessoir â karakter van ieders aansprakelijkheid voor het door hem verrichte.
Maar tusschen deze eenvoudige, feitelijk geheel gelijkwaardige samenwerking van âdadersquot; en de even eenvoudige feitelijk geheel ongelijkwaardige samenwerking van den âdaderquot; en den âverwijderden helperquot; liggen eene menigte overgangsgevallen van allerlei schakeering. Wetenschap en wetgeving hadden criminologisch juister, juridisch verstandiger gedaan door al deze gevallen saam te vatten onder het eene begrip âopzettelijke samenwerkingquot; en de strafwaardigheid van iederen medewerker te bepalen naar zijne gebleken misdadige gezindheid 5U); zoo noodig voor geringe delikten (overtredingen) de verwijderde medewerking straffeloos latend. Thans hebben zij , door de begrippen âmededaderschapquot; en âmedeplichtigheidquot; tegenover elkaar te stollen en aan die onderscheiding rechtsgevolgen te verbinden, er toe geleid dat men olk der bedoelde gevallen onder een van beide groepen tracht te brengen en daarom dogmatisch een grenslijn tusschen beide trachtte vinden, h. Omtrent de wettelijke rechtsgevolgen 't volgende; Over lu en 2quot;, liet lagere strafmaximum voor medeplichtigheiden
4'J) §47 Dwb.; âWenn Mehrere eiue Handlung gomeinschaftlich ausführen, so wird .Teder als ïhiiter bestraft.quot; â⢠Het begrip âcoauteursquot; ook ontwikkeld onder den Pransohen O. P. ofechoon deze er van zwijgt. Chauveau Hélie 680'JU; Nederl. reolitspr. bij Schooneveld ad a. 60 aant. 18. â De uitdr. âmedeplegenquot; v. a. 471U Swb. komt eerst voor in (i. O. Zij verving terecht, ook na kritiek der 0. v. R., de te ruime woorden âopzettelijk tot het plegen medewerkenquot; v. O. R. O.
5quot;) Vg. boven n. 10b; Blok I. o.
360
DEELNEMING. MEDEDADERSCHAP. § 38.
hare straffeloosheid bij overtreding is gesproken (n. 10). 3°. Hoewel m. i. in strijd met eene logische toepassing dor sohuld-leer, wordt vrij algemeen en zeker in 't Ned. Swb. â ingevolge het uitdrukkelijk voorbehoud iu a. 47 al. 2 en a, 49 al. 4 en blijkens de M. v. T. â aangenomen, dat de verantwoordelijkheid van den âmededaderquot; het yeheele delikt omvat, ook âalle objectieve verzwarende omstandighedenquot; (braak , inklimming, geweld enz.) al lagen die buiten zijn handelen en zijn opzet51). Betwijfeld mag worden of 4° strafverzwaring ingeval een delikt geploegd is âmet vereenigdo krachtenquot; (bv. a. 182, 310^), alleen geldt bij samenwerking in âmededaderschapquot; 5:). En wie meent dat 5° bij culpose delikten wel van mededaderschap â immers niet van medeplichtigheid â zou kunnen worden gewaagd, maakt m. i. eene hier geheel onnoodige tegenstelling, vermits het bij beide verhoudingen uitsluitend aankomt op ieders eigen aansprakelijkheid voor eigen schuld 53).
Ook middellijk daderschap, uitlokking en medeplichtigheid kunnen in mededaderschap worden gepleegd.
c. De bovenbedoelde dogmatische grenslijn tusschen mededaderschap en medeplichtigheid wordt op 't voetspoor der Duitsche wetenschap gezocht in twee hoofdrichtingen; de objectieve en de subjectieve.
De objectieve, welke blijkbaar ook bij de samenstelling en behandeling van het Ned. Swb. voor den geest stond, zoekt het verschilpunt in den juridischen aard der handelingen. Volgons haar begaat do medeplichtige eene ondersteuningshandeling, de mededader eene uitvoeringshandeling, neemt hij deel aan eene âwelke behoort tot de constitutieve elementen van het misdrijfquot; (C. v. U. Thatbestandshandlung), aan eene âwelke het misdrijf uitmaaktquot; (M. v. T.). Intusschen, vermits
51) Zie vooral § 33, 9. â De bedoelde plaatsen der M. v. ï. op a. 47 I en a. 50 III, Schrijvers; v. List §51 I; Olsh. n. 16; Meyer §41, I. Dwb. zegt uitdr. dat iodor âals Tlüiterquot; gestraft wordt.
62) Wel aldus bv. v. Liszt 1. o.
53) Onjuist m. i. R. A. op a. 47. De meest algemeeue meening in Duitschland oonf. den tekst. Olsh. u. 10; litt. en rechtapr. aldaar, v. Liszt^SIII âNebenthaterquot; I. 23
361
§ 38. DEELNKMING. MEDEDADERSCHAP.
362
elk dolikt bestaat in het teweegbrengen van een gevolg en dat gevolg immers veroorzaakt wordt door alle handelingen die daartoe medewerkten, zoo blijkt van dit standpunt in beginsel het trekken van een scherpe grenslijn onmogelijk. Zeer stellig althans bij die misdrijven in welker omschrijving het gevolg wordt genoemd, maar eene bepaalde wijze van veroorzaking niet (misdrijven met materieele omschrijving), bv. doodslag. Hij die het wapen verstrekt âveroorzaaktquot; het levensverlies evenzeer als hij die daarmede den stoot geeft. Voor zulke misdrijven wil men dan â zoo ook in het Reg. Antw. betrekkelijk het Ned. Swb. â eene nadere aanduiding zoeken in het verschil tusschen ârechtstreeksquot; en âniet reciit-streeksquot; medewerken; eene formule van juridische scherpte ten eenenmale ontbloot en geheel aan den rechter overlatend wat men juist aan den rechter wilde onttrekken. Bij de misdrijven in welker omschrijving een nadere aanduiding van de handeling voorkomt (misdrijven met formede omschrijving), schijnt de oplossing gemakkelijker, omdat hierbij dan voor medeplegen geëischt wordt eene daad welke naar de woorden der omschrijving zelve âtot het wezen van het misdrijf behoortquot;; bv. wegnemen bij diefstal, 't stellen der valsche schriftuur bij valschheid. Maar vooreerst kunnen ook hier de omstandigheden gelijke moeilijkheid scheppen, bv. bij diefstal van gas, valschheid met chemische stoffen, valsche munt (§24, 5); en bovendien ontstaat op die wijze tusschen deze groep en de vorige een onredelijke tegenstelling , waar bij doodslag hij die 't slachtoffer vasthoudt dat de ander doodslaat, tot rechtstreeksch mededader; bij diefstal hij die de zak openhoudt waaruit de ander de geldstukken ontvreemdt, tot medeplichtige verklaard wordt54). Eindelijk nog dit; bij z.g.n. samengestelde deliktsvormen bv. schaking met geweld, diefstal met braak, wordt, van voormeld stan-
54) In den tekst wordt onderscheiden tusschen delikten met materieele en met formeele omaohrijving. Deze formuleering is mij bij nadere overweging geschikt voorgekomen om do (§ 24, 5) afgekeurde onderscheiding tusschen materieele en formeele delikten te vervangen.
DEELNEMING. MEDEDADERSCHAP. § 88.
punt, reeds het verrichten viin het eene gedeelte van het delikt, de geweldpleging, de verbreking, beschouwd als eene handeling die âtot het wezen van het misdrijf behoortquot;; maar dan hangt de beslissing af van de vrij willekeurige keuze des wetgevers om veel of weinig zoodanige deliktsvor-raen op te nemen.
Al deze gebreken, boven alles de principieele overweging-dat ten aanzien van haar causale beteekeuis in beginsel geen onderscheid tusschen de handelingen der onderscheiden deelnemers kan worden gemaakt (§ 24, 7), hebben geleid tot pogingen in subjectieve richting, het verschil zoekend in de gezindheid der deelnemers zeiven, wat ook al voor scherpe dogmatische begrenzing ongeschikt is. De tegenstelling dat de mededader zou handelen âanimo auctorisquot;, de medeplichtige âanimo sociiquot;, is reeds onjuist omdat voor 't eerste geval van âanimo coauctorisquot; moest worden gesproken en dan de formule de moeilijkheid slechts herhaalt en verplaatst. De formule eischt dus uitwerking. Aan een verschil in eigenlijk opzet kan niet worden gedacht, vermits die in beide gevallen gelijke lijk gericht was op het âbijbrengen van een wezenlijken factorquot; voor het begaan delikt. Daarom ook wordt de besproken animus veeleer opgevat als een der ruimere begrippen âbijkomend oogmerkquot;, âmotiefquot;, âbedoelingquot;. Doch hoe? â De mededader, heet het, wil met een ander meedoen, de medeplichtige wil helpen; eene tautologie; wel eene aanwijzing voor sommige gevallen, wanneer bv. een aan den dief vreemde jongen voor loon op den uitkijk gaat staan, om dezen te waarschuwen; maar voor andere niets oplossend, wanneer bv. de wachter een kameraad is die op zijn aandeel in de buit rekent. De mededader, heet het, heeft het oogmerk om mee te doen in eiyen belang, de medeplichtige om een ander te helpen in diens belang; eene aan 't begrip âdaderschapquot; geheel vreemde en met de werkelijkheid strijdige stelling. De mededader, heet het, heeft de bedoeling om het begaan van het misdrijf wede te doen afhangen van den eigen wil, de medeplichtige om het ten slotte te doen afhangen van eens anders wil; eene opvat-
363
§ 88. DEELNEMING. MEDEDADERSCHAP.
ting welke uit de omstandigheid dat aan een der deelnemers de beslissende daad werd overgelaten, bv. het aansteken van de lont, ten onrechte afleidt dat de anderen het oogmerk niet zouden hebben gehad om die daad over te nemen, indien de eerste had geaarzeld quot;).
De Nederlandsche rechtspraak is onvast. Somtijds in subjectieve richting, wanneer zij bv. in 't gemeenschappelijk beramen van het delikt 't zwaartepunt zoekt. Dikwijls echter consequent objectief; terwijl dan daarnevens in 't nevelachtig begrip van ârechtstreeksche medewerkingquot; eenige aanwijzing gezocht wordtbe).
Mede in aansluiting nu aan 't bij de samenstelling van het Swb. voorgevallene, schijnt ook mij bij de wetstoepassing een objectieve leer nog de meest aangewezene. Maar dan ook consequent: en dus beperkt tot de in den aanhef genoemde, misschien zeldzame gevallen waarin de werkzaamheid van elk der deelnemers, op zichzelve beschouwd, volledig daderschap oplevert. Dan alleen kan ook de stelling worden doorgevoerd, dat de aansprakelijkheid van den medeplichtige een accessoire, die van den mededader een zelfstandige is.
12. Voor de verschillende deelnemers bepalen dus, naar bovenvermelde onderscheidingen, het feitelijk voorgekomene en het opzet de (jrenzen hunner aansprakelijkheid.
Intusschen kunnen zich daarbij ten aanzien van den een of ander persoonlijke (subjectieve) omstandiyheden vertoonen waaraan
65) Voorstandera der âobjectievequot; richting o. a. van Liszt §51 I; Berner Lehrb. §85; Meyer §41; Halschner I, 370, 377; Geyer bij Holtz. II, 381, 408; IV, 168; Birkmeyer, ïheilname; ofsolioon sommigen naar een vermenging van beide utand-pnnten zoeken; zoo o. a. uitvoerig Olsbausen ad §47 n. 4. â Voorstanders dor âsubjectievequot; richting o. a. v. Buri, ïheilname, 2; id. in Z. f. d. ges. Sw. II 276; Binding Grundr,; v. Schwarze en vele andoren; consequent vooral de rechtspraak v. 'tRG. bv. E. II, 160; III, 181; XIV, 28; XV, 295. â Overzichten bij v. Liszt, Olsh., Blok.
5li) Zie voorbb. der rechtspraak: H. li. in W. 5524, 5644, 5910, 6039; voorts andere beslissingen in âHet W. v. Ã. door Red. van T. v. S.quot; op a. 47 aantt. 17â22; deze alle voortreffelijk ontleed en beoordeeld door A. J. Blok, 1. c.53vg. Ook v. Ittersum in ï. v. S. IV, 243. Voor rechtspraak onder 0. I'. Schooneveld op a. 60 aant. 18: waar de tegenstelling in rechtstreeksche en meer verwijderde medewerking gezocht wordt.
364
DEELNEMING. PEKSOONLIJKE OMSTANDIGHEDEN. § 38.
rechtsgevolgen verbonden zijn. In hoever gelden die gevolgen voor hem dien ze betreffen, in hoever ook voor anderen? Onder 't Fransche recht heorschte hier onzekerheid 57).
Thans geldt a. 50 Swb.: âDe persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten , verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtige wien zij persoonlijk betreffenquot;; â dus ook ai kende de ander daarvan het bestaan. En deze regel geldt gelijkelijk voor alle groepen van deelnemers.
Wat zijn âpersoonlijke omstandighedenquot;? Ongetwijfeld 1. hoedanigheden of betrekkingen (M. v. T.; âEigenschaften oder Verhaltnissequot; in §50 Dwb.) dus iets eigen aan den persoon zeiven, ook buiten verband met zijne werkzaamheid ten aanzien van hot delikt; zooals leeftijd, nationaliteit, ambtelijke hoedanigheid, beroep, familiebetrekking, recidive. Maar â wat de algemeenheid onzer uitdrukking toelaat en sommige Duitsche schrijvers ex analogia aannemen â ook 2. omstandigheden die, ofschoon dan speciaal in verband met de werkzaamheid van dader of medeplichtige ten aanzien van het delikt, toch in zoover inhaerent zijn aan den persoon; eenige schakeering van opzet, oogmerk, bedoeling, motief; waartoe dan ook behoort de voorbedachte raad 58).
Voor beide groepen is a. 50 volkomen gerechtvaardigd en duidelijk; waar het geldt: verhooging der strafbaarheid (a. 44,
6quot;) Uitvoerige studie over 't onderwerp en over de regeling in quot;t Swb. Bouberg Wilson, Aant. op a. 61 v. h. Ontworpen Nationaal Swb. (Pr. 1875). â Vg. voor 'tFransche recht, Chauveau Hélie n0. 709 v.; Ned. rechtspr. bij Schooneveld ad a. 59 n. 3, 4. â Vg. voor 't oudere Duitsche recht Geib 3 107 III; §50 Dwb. verschilt in hoofdstrekking niet van a. 50 Swb., maar spreekt alleen vanstrafver-hooging en vermindering, niet van uitsluiting der strafbaarheid.
68) Hierover vooral D. Simons in Rechtsg. Mag. IV (1S85), 545, bep. 557. Sommige schrijvers gewagen hier van âvoorbijgaande qualiteitenquot; tegenover âduurzamequot;, zooals Ortmann in Gerichtss. 22, 391; anderen vatten de analogie ruimer op, als Berner en Hjilschner; anderen weer kennen niet aan deze omstandigheden een uitsluitend persoonlijken invloed toe; vg. Olsh. ad ^ 50 n. 5. Bij beoordeeling van auteurs en rechtspraak op dit punt worde echter bedacht, dat naast de vraag of bv. premeditatie een âpersoonlijke omstandigheidquot; is, altoos nog deze andere staat, of zij de strafbaarheid enkel verhoogt, dan wel bepaalt.
365
§ 38. DEELNEMING. PERSOONI.IJKE OMSTANDIGHEDEN.
140, 176, 198, 199, 258, 271 al. 2. 298, 301, 303, 304quot;', 309, 322, 323, 382, 385'°, 401, Tl II, T, XXXI), vermindering der straf baarheid (a. 39, 2r)9), of ook uitsluiting der strafbaarheid. voor en om den persoon (a. 5, 37, 38, 39, 137, 189 al. 2, 316 al. 1 en de gevallen van persoonlijke immuniteit, waarover § 18 en § 20 4, 5).
Het art. zwijgt echter van de gevallen waarin dergelijke omstandigheden de strafbaarheid bepalen, d. w. z. waarin de persoonlijke omstandigheid een âconstitutief vereischtequot; is van het delikt, waarin zonder haar â(jeen strafbaar feit of niet dit strafbare feit aanirezig isquot; (M. v. T,); delicta propria tegenover d. communia. De bedoeling en het gevolg van dit zwijgen is, dat in die gevallen de persoonlijke omstandigheden met andere hestanddeelen gelijk staan en dus â met inachtneming van de voor iederen deelnemingsvorm bepaalde aan-sprakelijkheidsgrenzen â allen kunnen worden toegerekend. Deze juiste, onder 'tFransche recht veel bestreden, in de M. v. T. uitvoerig uiteengezette leer â volgens welke bv. een niet-ambtenaar kan medeplichtig wezen aan, of uitlokken tot ambtsmisdrijf â is dus impHcite in a. 50 uitgesproken. Uitdrukkelijke vermelding werd niet noodig geacht en niet wenschelijk wegens mogelijke onderscheidingen ten aanzien der âmededadersquot;69). Gevallen van zoodanige d. propria zijn: 1. ambtsdelikten (B. II, T.'XXTIII ; R ill, T. VIII); 2. he-roepsdelikten (de koopmansdelikten v. B. II, T. XXVI, schoep-vaartdelikten, B. II, T. XXIX; B. Ill, T. IX, o. a.); 3. betrekking sddikt en zooals sommige delikten tegen de zeden (a. 249, 2501''), of zooals vroeger vadermoord, verwantenmoord.
36G
Intusschen kan bij sommige delikten, die een algemrenen grondvorm hebben, bv. doodslag, vrijheidsberooving, verduistering; maar waarbij, indien ze begaan worden onder eene persoonlijke omstandigheid, de wettelijke straf posit ie, verandert bv. kinderdoodslag door de moeder, vrijheidsrooving door
59) R. Antw. Zie Sraidt I 419 (450). Vg. hot hier boven n. 11J omtrent 3eaan-sprakelijkheidsgrenzen der mededaders opgemerkte.
DEELNEMING. PERSOONLIJKE OMSTANDIGHEDEN. § 38.
een ambtenaar, verduistering door een bediende, d. mixta â twijfel bestaan. Immers kan de persoonlijke omstandigheid hier beschouwd worden óf als constitutief bestanddeel van een bijzonderen deliktsvorm, óf eenvoudig als grond tot verhooging of vermindering der strafbaarheid. Uit algemeen theoretisch gezichtspunt is de keuze vrij willekeurig en m. i. vrij ij del. Maar de wet onderscheidt, en van hare opvatting kan blijken óf uit eenig voorschrift (bv. a. 292 jquot;. 290, 291; 363, 364 j0. 177); óf uit eene bijzondere qualificatie (bv. moord als gepremediteerde doodslag, a. 289, tegenover gepremediteerde mishandeling, a. 301, 303) óf uit do plaatsing (bv, a. 359, 361, 365, 367, 370 in T. XXVIII); óf zij blijft onzeker (bv. a. 322, 323). Opmerking verdient dat in verband hiermede eenige z.g.n. âgemengde ambtsmisdrijvenquot; (in tegenstelling tot de âzuiverequot;) uit het O. R. O. gelicht zijn quot;0).
De leer omtrent den invloed der persoonlijke omstandigheden die de strafbaarheid bepalen, eischt voorts, en terecht, dat, waar persoonlijke omstandigheden wel de strafbaarheid uitsluiten, doch niot voor en om den persoon, maar omdat rte handeling zelve, de aanranding van het rechtsbelang, er door gerechtvaardigd wordt â bv. het tuchtrecht van ouders of onderwijzers (§ 32) â â die omstandigheden niet onder de in a. 50 genoemde begrepen zijn en de daar voorkomende uitdrukking dus in ietwat beperkten zin op te vatten is.
Feitelijke of rechtstoestanden waarbinnen de persoon staat en die buiten hem liggen â als nood, noodweer, opdracht van wettelijk voorschrift of bevoegd gegeven bevel (a. 40â43) â zijn m. i. geen âpersoonlijke omstandighedenquot; en, al waren zij dit, ook zij strekken tot rechtvaardiging van de handeling, niet tot strafopheffing voor den persoon61).
13. Bijzondere bepalingen omtrent deelneming bevat het Swb. om verschillende redenen. Zoo a. 156 al. 1 om den bijstand
o») Smidt III, 16 (47).
^1) Veelal in gelijken zin Polenaar o. s. op a. 40, 1 ; a. 41, 2; a. 42, 4; a, 43, 8. Wegens het zwijgen in Dwb. van gronden die de strafbaarheid uitsluiten, bestaat in de Duitsohe leer tegen eene engere opvatting als de in den tekst verdedigde te minder bezwaar.
367
3G8 § 38. DEELNEMING. BIJZONDERE BEPALINGEN. TIJD EN PLAATS.
van getuigen en geneeskundigen te bevorderen. Zoo a. 198 al. 2, 199 al. 2, wegens niet-toepasselijkheid van a. 44 in dezen. Zoo a. 203, 204 betrekkelijk deelneming van niet aan den militairen rechtsdwang onderworpen personen aan eenige zuiver militaire delikton, en zulks wegens niet-toepasselijkheid van de militaire wetboeken op dezen quot;â ). Zoo a. 292, 359, 361, 367 reeds vermeld. Zoo a. 294 betrekkelijk deelneming aan eene niet-strafbare handeling.
14. Tijd en plaats van het deliht. Er bestaat geen reden om niet ten aanzien van deze punten elke deelnemingshandeling als âstrafbaar feitquot; op zichzelve te beschouwen en daarop de in § 27 ontwikkelde beginselen toe te passen. Zoo kunnen de onderscheiden deelnemings-handelingen onder verschillende wetgeving begaan zijn, zóó dat voor sommige daarvan transitoir recht in aanmerking komt, voor andere niet. Zoo geldt, zijn uitlokking of medeplichtigheid in Nederland begaan, daarvoor altoos a. 4 en 5; ook al werd het hoofddelikt geploegd aan de overzijde der grensquot;). Wel kan het accessoir karakter van vele deelnemingsvormen de strafbaarheid der eene handeling doen afhangen van den tijd waarop of van de plaats waar de andere gepleegd werd. Mits deze invloed hadden op de wettelijke onrechtmatigheid en strafwaardigheid der handeling zelve, niet op de strafbaarheid van den persoon des daders. Immers in zoover geldt ook hier a. 50.
Zoo zal bv. indien uitlokking en hoofddelikt onder verschillende wetgevingen werden gepleegd, de uitlokker reeds op grond van a. 1 al. 1 niet strafbaar zijn, indien het hoofdfeit niet strafbaar was of onder de wet waaronder het zelf begaan werd, óf onder die waaronder werd uitgelokt. Zoo zal bv. eene hier te lande gepleegde handeling van medeplichtigheid aan een buiten s'lands gepleegd hoofdfeit: 1. strafbaar zijn indien dat feit gebracht kan worden onder a. 4 of 5, zelfs al was in 't laatste geval de dader een vreem-
62) Vg. Cr. Wb. t. W. a. 8; id. t. 1. a. 9. Vg. voor deelneming aan andere militaire delikten a. 102, 104, 116, 417, 439.
Ii3) Aldus ook H. R. 29 Januari 1894, W. 6467.
DEELNEMING. TIJD EN PLAATS. BEGUNSTIGING. § 38.
deling en dus voor hem de strafbaarheid uitgesloten 6quot;'); 2. niet strafbaar zijn, indien dat feit, door wien ook gepleegd, buiten de werking van de Nederlandsche strafwet ligt.
15. Begunstiging van een reeds gepleegd delikt was onder 'tFransche recht deelneming (a. 61, 62 G. P.). Op't voetspoor van 't Duitsche recht behandelt ook 't Ned. Swb. begunstigingshandelingen , onder verschillend gezichtspunt, als delicta sul generis (a. 189, 191, 207 e. a.; B. II, T. XXX).
§ 39. Deelneming bij druk persdelikten').
1. Bij misdrijven door de drukpers gepleegd â d. w. z. bij als zoodanig strafbare openbaring van gedachten en gevoelens, tot het publiek gericht en door middel van de drukpers geschied (bv. opruiing, bcleediging) â heeft de toepassing der deelnemingsleer aan alle nieuwere wetgevers moeilijkheden gegeven 2).
't Beginsel van drukpersvrijheid verbiedt maatregelen van voorkoming (preventie). Het verzet zich niet tegen strafrech-
fl4) Vg. H, R. oit. c. Rb. on Hof Arnhem.
? 30- ') Nederl. Litt. D. Simons, l)e vrijheid van drukpers in verband met liet W. v. S. (1883). â E. von Noël, De praktijk i. z. drukpersdelioten sedert 1 Sept. 1886 (Pr. 1890). â G. W. Schimmel, De periodieke pers in verband met de verantwoordelijkheid voor drukpersdelikten (Pr. 1882). P. Markus, Art. 418â420 Swb. (Pr. 1892). Hand. Jur. Ver. 1878 I, 205 met praeadviezen van Mrs. Polak en de Sitter (van wien ook: De drukpers als middel tot misdrijf, Pr. 1869); id. Hand. 1879 11, 133. â Noyon in Themis 1878, 269; de Pinto in Themis 1885, 90. Buitenl. wetten; Frankrijk, 29 Juli 1881, met wijzigingen tot in 1894,(Traité v. Celliez et Le Senne 1881); Duitsche Rijk 7 Mei 1874 (v. Liszt, Reichs Pressr. 1880); Belgie, a. 18 Gonst., Deer. v. 20 Juli 1831 (comment, v. H. Schuermans, 1861); Engeland, het recht omtrent âLibelquot;, Stephen Dig. 197; Hist. II, 298 v., bep. 343, 349, 383; behalve de C ommon Law ook verschillende Acts; Zwitser!, bij Stooss , system. Zusammenstellung 843; id. Qrundzüg d. Schw. Strafr. 1, 207 (1892), Italië, W. 1848 e. v. (Tamburo, Le legge sulla stampa etc. 1892); Ned.-Indië, Regl. op de drukwerken 8 April 1856, I. Sb. 74, in Lion's Verzameling blz. 970. â voor verdere buitenl. litteratuur uitvoerig Simons passim.
2) Deze omschrijving ontleend aan Simons 1. c. 30â46. M. i. terecht aid. betoogd, dat ook 'tmisdrijf v. a. 335 Swb., bij opwekking door de pers, drukpers-delikt is. Historisch is men aan deze uitbreiding niet gewend, toch is ze rationeel. Ook wordt hier wel opzettelijke onware mededeeling gevorderd, doch dit geldt evenzeer bij âlasterquot;.
369
§ 39. DKELNEMING BIJ DRUKPERSDELIKTEN.
telijke achterhaling (repressie) van wie verantwoordelijk is (a. 7 Grw.)3). En , vermits lt;loze handelingen krachtens hare natnnr hegaan worden door de principieel niteenloopende werkzaamheden van velen â schrijver of teekenaar, uitgever, drukker (photograaf), redacteur, verspreider â levert de vraag naar aard en mate van ieders verantwoordelijkheid onvermijdelijk eigenaardige gezichtspunten op. Daarover handelen in 't Ned. Swb. a. 53, 54 en 418â420.
2. Hoe zou nu naar 't gem een e recht omtrent deelneming de verantwoordelijkheidsregeling zijn?
1°. Wie is de materieele dader, die 't misdrijf âpleegtquot;? Sommigen (zoo o. a. de meerderheid der C. v. R. bij a. 53, 54) achten het misdrijf gelegen in do publicatie en dader hem die deze bewerkt, den uitgever. Ook m. i. ten onrechte. âNiet in 't geschrift, maar in den inhoud ligt 't misdrijf; 't geschrift is 't instrumentnm delictiquot; (Simons); evenals 't gesproken woord , waar 't delikt mondeling wordt begaan. Dader is dus hij die opzettelijk de misdadige (beleedigende, opruiende) uitdrukkingen stelt, of, zijn ze van een ander, ter publicatie kiest, en ze opzettelijk laat publiceeren. De publicatie sluit het delikt af, maar niet daarin alleen is het delikt gelegen. Dit is, blijkens zijne geschiedenis, ook het stelsel van het Swb. De dader zal dus meestal zijn de schrijver; maar kan ook zijn een ander; of de schrijver en een ander1).
â¢r) Theorien ten gunste eener onbeperkte dmkpersvrijheid bij E, de Girardin, Les droits de la pensee. Questions de Presse (1830â1864); Mr, Buyn, Het recht tot een volkomen onbelemmerde gedachtenuiting (1867).
') Uitvoerig in dezen zin Simons 1. c. 48, .73; tegenover de Sitter en vele bui-tenl. auteurs. â¢â Oeschicdcnis Swb. In. O. R. O. stond, met betrekking tot den uitgever âals medeplichtigequot;; de verandering in âals zoodanigquot; beoogde niet eene wijziging van opvatting. Bovendien werd een amend, der C. v. R. dat van dc andere opvatting heette uit te gaan, verworpen. Voorts uitdrukkelijk Min. Modderman (âDader is hij die de publicatie wil, niet in 't algemeen van het geschrift, maar van datgene waarvan de openbaarmaking een strafbaar feit oplevertquot;) en de minderheid der C. v. R. tegenover de meerderheid in 't Verslag, Smidt I, 426(456) en bij de beraadslaging (de Savornin Lohman). De woorden der M. v. T. dat niet de schrijver als zoodanig dader is, beoogt slechts te stellen dat tot het daderschap ook behoort, het willen der publicatie. â¢â liechlspr. Hof 'sBosch W. 5804; waarbij, ten onrechte een âstroomanquot; dio 't anoniem geschrift bij den uitgever bracht, âdaderquot; werd verklaard. â Over 't daderschap v. d. redacteur beneden.
370
DEELNEMING BIJ DRUKPERSDELIKTRN. § 39.
Dat ook de uitgever of drukker, zolf schrijvende of door anderen latende schrijven, of op andere wijze, alleen of met anderen, het initiatief der publicatie nemend , dader of mededader kan zijn, is duidelijk5).
2quot;. lu welke deelnemingsverhouding staan gemeenrechtelijk uitgever en drukker, die zich tot hunne beroepswerkzaamheid bepalen ?
Bij de zooeven verdedigde opvatting omtrent âdaderschapquot; zijn zij medeplichtigen, hulp verleenend bij, gelegenheid en middelen verschaffend tot voltooiing van het delikt; mits dit geschied zij opzettelijk.
Dit opzet behoeft echter niet in een bijzonder oogmerk te bestaan, 't Is 't gewone opzet voor medeplichtigheid; het opzet in eene der bekende schakeeringen, om de opzettelijke handeling van den dader te bevorderen; en, in zoover het opzettelijke van die handeling â de heleediging, de opruiing â uit den misdadigen inhoud van het geschrift duidelijk blijkt, zal ook, terwijl immers het uitgeven of drukken zelf opzettelijk geschiedt, de enkele bekendheid met den misdadigen inhoud als âvoorstelling van de onvermijdelijkheidquot; voldoende zijn quot;).
Bij de zooeven bestreden opvatting van het daderschap heeten zij onder dezelfde omstandigheden âmededadersquot; ; wat in hoofdzaak slechts op een theoretische tegenstelling neerkomt.
8°. Wat geldt omtrent den redacteur van een periodiek geschrift, in zoover hij stukken van anderen, correspondenten, medewerkers, inzenders plaatst? Bij hetzelfde âopzetquot; geheel hetzelfde. Voor 't minst is hij dan medeplichtig. Nogtans zal wegens zijn geregeld toezicht 't bewijs van 't opzet hier allicht gemakkelijker vallen. Naar de gangbare, ook hier niet afdoende te begrenzen onderscheiding, zal hij mededader heeten , in zoover hij in de verwezenlijking van 't misdadig opzet
s) Uitdrukkelijk aldus M. v. 'f. â zoo ook m. i. 't geval van W. 5804.
quot;) Aldus o. a. ook Modderman, Smidt I 438 (160); ook C. v. R. blijkens het laatste lid der artt. in haar amendement. In de Jur. Ver. (1879) verdeelde meenin-gen. Naar het schijnt afwijkend, althans eischond âopzet om de verwezenlijking van des daders dolus ie bevorderen, do wil dat gebgure wat de dader wil dat gebeurtquot;, Simons 1. c. 102.
371
§ 39. DEELNEMING RU DRUKPERSDEI.IKTEN.
rechtstreeks aandeel had1). Het persklaar maken van het gezondene is m. i. daartoe niet voldoende.
4°. Wat geldt omtrent den verspreider? 't Drukpersdelikt is voltooid met de publicatie. Zijne handelingen zijn dus slechts onder 't begrip âbegunstigingquot; te brengen.
3. Uitsluitende en consequente toepassing van 't gemeene recht is zeldzaam s). â¢
In de afwijkingen zijn tweeërlei stroomingen te onderscheiden : eene die tot verscherping, eene die tot verzachting strekt.
Tot verscherping leidt de overweging dat dikwijls, zoowel wegens anonymiteit van den dader, als wegens gemis aan bewijsbaar opzet bij de onderscheiden deelnemers, de repressie te kort schiet. Tot verzachting leidt de overweging, dat wanneer gevaar voor vervolging uitgevers en drukkers tot te groote omzichtigheid noopt, dit allicht werkt als preventie. De laatstbedoelde strooming had invloed bij de samenstelling van 't Ned. Swb. De eerste, veel krachtigere, leidde tot onderscheiden âstelsels van verantwoordelijkheidquot; 2).
Plet stelsel der successieve en exclusieve verantwoordelijkheid (responsabilité par cascades; n'a-t-on pasassez d'une victime?) vindt zijn type in 't recht en de rechtspraktijk van België. âAuteur, uitgever, drukker en verspreider zijn in deze volgorde voor 't gepleegde delikt aansprakelijk. Is de auteur bekend en vervolgbaar, dan zijn de volgenden ontslagen; is hij onbekend of onvervolgbaar, dan blijven dezen aansprakelijk, doch altijd zóó, dat bekendheid en mogelijke vervolging van een eerder genoemde de later genoemden bevrijdt; hunne aansprakelijkheid vloeit voort uit 't enkele feit dat zij tot de publicatie medewerktenquot; (Simons); opzet wordt niet gevorderd. â Iets soortgelijks â wat het âsuccessievequot;, niet tevens wat liet
372
1
) In dien zin ook de aanwijzing van den redacteur als âdaderquot; in de M. v. ï. Vg. Simons 1. o. 75, 126. Schimmel 1. o. ö9 v,
2
Uitnemend overzicht bij Simons 1. c. 73 v.
DEELNEMING 13U DHUKPEKSDELIKTEN. § 39.
âexclusievequot; betreft â gold in Nederland vóór 't Swb., krachtens a. 4 Souv. Besl. v. 24 Jan. 1814 Sb. n0. 17, betrekkelijk den boekhandel enz., aldus toegepast, dat bij onbekendheid van den schrijver de drukker als hoofddader aansprakelijk was; bij onbekendheid of onvervolgbaarheid ook van dezen, de uitgever aan de beurt kwam; terwijl bij geen van beiden naar opzet gevraagd werd. Verder nog ging a. 2 W. v. 28 Sept. 1816, Sb. n0. 51, op beleediging van vreemde mogendheden, de vervangende aansprakelijkheid van drukkers enz. die de geschriften hadden âdoen drukken of in het licht gevenquot; zelfs handhavend indien de dader wel bekend en vervolgbaar was, maar niet schuldig bevonden en gestraft kon worden 'quot;). Dit stelsel vestigt dus de aansprakelijkheid op ficties.
Het stelsel der aanvullende strafbaarheid icegens culpa â waarover straks ook naar aanleiding van a. 418, 419 Swb. â vindt zijn type in 't Duitsche recht (§ 21 D. PrG.). Naar dit stelsel kan 'tgemeene recht den regel blijven vormen, maar zullen redacteur, uitgever, drukker, verspreider, wanneer zij naar dien regel niet kunnen worden aansprakelijk gesteld, nogtans wegens culpose medewerking strafbaar zijn, tenzij ze den dader of hun voorman aanwijzen en deze vervolgbaar is, of zij hun gemis aan culpa bewijzen.
Het stelsel van don verantwoordelijken redacteur (verantwort-licher Redakteur, éditeur responable, gérant) vindt zijn type in 't Fransche zoowel als in 't Duitsche rechtquot;). Dit stelsel geldt voor de periodieke pers; eisebt voor die pers de aanwijzing van een verantwoordelijk redacteur, die als hoofddader wordt beschouwd, terwijl do âauteurquot; als zijn medeplichtige in de zaak kan worden betrokken. Deze aansprakelijkheid kan
10) A. 4. Souv. Besl. âEen ieder ia verantwoordelijk voor hetgeen hij schrijft, drukt of uitgeeft; indien de schrijver niet bekend is of aangewezen kan worden, is de drukker alleen aansprakelijk.quot; â Gelijk in den tekst werd opgemerkt werd dezen âsuccessievequot; verantwoordelijkheid hier niet tevens als een âexclusievequot; opgevat; bij bekendheid van den schrijver bleef de mogelijkheid eener vervolging van den drukker als âmedeplichtigequot; in de rechtspraak erkend. Rechtspr. bij Schoo-neveld op a. 367 0. P. aant. 116.
quot;) Belangrijke monographien in Duitschl. Loning (1880) Oettker (1893).
373
§ 39. DEELNEMING BIJ DRUKPERSDELIKTEN.
een geheel fictieve zijn (homme de paille, Sitzredakteur) '2).
Het stelsel der objectieve vervolging (âsachliche Haftungquot;), zijn type vindend in 't Oostenrijksche recht, en hierop neerkomende dat, al kunnen geen personen worden vervolgd en veroordeeld, toch verbeurdverklaring of vernietiging van de gepubliceerde geschriften toegelaten is, raakt eigenlijk de deelnemingsleer niet.
Eindelijk mag worden herinnerd aan bijzondere bepalingen ter bestrijding van unonymiteit, haar type vindend in artt. 283â286 C. P. en a. 5 Souv. Besl. v. 24 Jan. 1814 Sb. n». 17, waarnaar verspreiders en drukkers van, ook niet misdadige, geschriften waarop de ware naam enz. van schrijver of drukker niet uitgedrukt is, reeds te dier zake worden gestraft u).
4, Hot stelsel van 't Ned. Sicb. omtrent uitgever en drukker is, ongeschonden, neergelegd in a. 53, 54. Wat de Staatscommissie dienaangaande voorstelde is gebleven. Het vond zijn voorbeeld in 't ontw. 1859. Ook werd het vóór de vaststelling van 't Wb. in en door de Ned. Juristenvereeniging krachtig gesteund 1').
Het breekt met elke fictieve verantwoordelijkheid en moet dus consequent medebrengen dat in de eerste plaats naar den dader (zie boven) gezocht en deze vervolgd worde.
Ten aanzien van uitgever en drukker bevat het eene afwijking van 't gemeene recht. Niet ter verscherping, maar ter verzachting (zie n. 3), opdat niet âuitgevers en drukkers in hot belang van hunne eigen veiligheid gedwongen zijn, een streng toezicht te houden over alle werken tot welker openbaarmaking zij hunne tusschenkomst of hunne pers leenenquot;. Ook âcensuurquot; van die zijde moet worden vermeden.
Verleenen zij nu op regelmatige en nauwgezette wijze hunne beroeps medewerking dan behoeven zij âals zoodanigquot; â
374
1
205.
DEELNEMING BIJ DHUKPERSDELIKTEN. § 89.
daargelaten, dan de theoretische strijdvraag of die medewerking als daderschap of als medeplichtigheid te qualiiiceeren is (zie n. 4) â d. i. uitsluitend te dier zake, vervolging niet te duchten, ook al handelden zij met het opzet dat naar 't gemeene recht aansprakelijkheid wegens deelneming zou medebrengen.
Wegens den eisch van regelmatige en nauwgezette beroepsuitoefening is dan deze gunstige afwijking aan de volgende voorwaarden gebonden; voor den uilgever (ook den drukkeruitgever), 1. dat âhet gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldtquot;, hij dus voor zijne beroepsmedewerking uitkomt; 2. dat hij den dader (zie boven) aan de justitie bekend maakt, uiterlijk âop de eerste aanmaning na den rechtsingangquot; â dus niet na de dagvaarding, ook al ging geen rechtsingang vooraf â terwijl met zoodanige bekendmaking in werking gelijk gesteld wordt de feitelijke bekendheid van den dader, uit welke bron ook, vóórdat de vervolging tegen den uitgever aanving (âindien de dader bekend isquot;); 3. dat de bekendgemaakte of bekendgeworden dader âop het tijdstip der uitgavequot;, d. i. der verkrijgbaarstelling â voor latere veranderingen in den toestand kan de uitgever niet verantwoordelijk zijn â âstrafrechtelijk vervolgbaarquot; â dus noch ontoerekeningsvatbaar, noch overleden â en niet âbuiten het rijk in Europa gevestigdquot;, dus feitelijk niet buiten het bereik der justitie was. â Voor den drukker geldt hetzelfde, doch wordt de âdaderquot; vervangen door âden persoon op wiens last het stuk is gedruktquot;, zijn voorman â veelal den uitgever â den eenigen dien hij behoeft te kennen; en komt, in plaats van het tijdstip dei-uitgave, âhet tijdstip van het drukkenquot; in aanmerking.
375
Ontbreekt eene dezer voorwaarden', dan treedt het gemeene recht weder in ; dan mogen dus uitgever en drukker wegens hunne beroepsmedewerking als medeplichtigen (mededaders) worden vervolgd en zullen zij worden schuldig verklaard indien hunnerzijds het vereischte opzet bewezen is l5).
1S) Vg. over den aard van dit opzet, boven n, 2, noot 6.
§ 39. DEELNEMING Bij DRUKPEKSDELIKTEN.
Intusschen is de wetgever met dit stelsel niet tevreden gebleven ; maar is ook hier te lande het stelsel van âaanvullende strafbaarheid voor culpaquot; gehuldigd. De vrees dat het opzet dikwijls bezwaarlijk te bewijzen zal zijn en de overweging dat, waar eene der voorwaarden voor het privilege ontbreekt, toch op zijn minst aan de nalatigheid van uitgever en drukker moet worden geweten dat een geschrift met misdadigen inhoud uitgegeven en de dader niet âgrijpbaarquot; is, had reeds geleid tot een amendement der C. v. R. op a. 53, 54 (laatste lid): âIndien niet blijkt dat de uitgever (drukker) met den inhoud van het stuk is bekend geweest, wordt het maximum der hoofdstraf (door C. v. R. als straf op daderschap aangemerkt) met een derde verminderdquot;. Bovenal om zijn theoretisch onaanneme-lijken grondslag werd dit amendement bestreden en verworpen. Maar de hoofdgedachte herrees bij de behandeling van B. II, T. XXX en leidde, door overeenstemming van minister en C. v. R. tot a. 418â420:
Artt. 418, 419. «Hij die ecnig geschrift ol' eenige afbeelding uitgeeft (drukt) van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste honderd gulden, indien:
1°. de dader (de persoon op wiens last het stuk gedrukt is) noch hekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekend gemaakt;
'2U. de uitgever (de drukker) wist of moest verwachten, dat de dader (de persoon op wiens last hel stuk gedrukt is) op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn ,6)».
376
Dit misdrijf bestaat aldus in het enkele uitgeven (drukken) van eenig geschrift of eenige afbeelding van strafbaren aard op onregelmatige en niet nauwgezette wijze: nl. óf 1°. zóó dat de dader (de persoon op wiens last het stuk gedrukt werd) tijdens de vervolging voor de justitie niet bekend is, noch uiterlijk op de eerste aanmaning na den rechtsingang haar
lli) Art. 420 verklaart dit misdrijf ondor sommigo omstandighedon tot klaoht-delikt.
DEELNEMING BIJ URUKI'EKSDELIKTEN. § 39.
door den vervolgde is bekend gemaakt17); of 2U. terwijl de uitgever (drukker), tijdens hij uitgaf (drukte), wist (opzet) of ook moest verwachten (schuld) dat hij (de dader enz.) op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn 18). Dit stemt âmet uitzondering van het hier niet herhaalde verbod van uitgave zonder naamsvermelding enz. â overeen met de voorwaarden welke voor het privilege der a. 53, 54 gesteld zijn, Intusschen kan zuiver dogmatisch alleen de onder 2° genoemde omstandigheid âbestanddeelquot; van het delikt heeten; en is die onder 1° genoemd, welke zich immers eerst na de voltooiing van de handeling-vertoont, eene â bijkomende voorwaarde der strafwaardigheidquot; 1B).
De deugdelijkheid dezer bepalingen is betwistbaar. Zij zijn theoretisch in hoofdzaak zeer wel te verdedigen !quot;). Maar zij scheppen het gevaar, dat de justitie met hare toepassing volstaat, den âdaderquot; van het drukpersdelikt niet opspoort, zoo den indruk wekt dat uitgever en drukker wegens deelneming aan het drukpersdelikt zelf terechtstaan, en op die wijze het verlaten systeem van fictieve verantwoordelijkheid feitelijk herstelt. Dat dit gevaar niet denkbeeldig is, heeft de ervaring afdoende geleerd 2I).
De plaatsing van deze delikten als âbegunstigingquot; schijnt niet juist. Begunstiging komt na het delikt. Plaatsing of onder de misdrijven tegen de openbare orde, óf, boter nog, nevens de artt. omtrent âverspreidingquot;, ware juister geweest.
Enkele opmerkingen over de onderdeden.
'') De invoeging in den tekst van de woorden âtijdens de vervolgingquot; en âdoor den vervolgdequot; is m. i., al ontbreken zij in de wet, door 't verband met a. 53, 54 gerechtvaardigd.
18) âMoest verwachtenquot; duidt ook culpa aan. Niet âvoorwaardelijk opzetquot;; anders Modderman in Antw. aan le Kamer.
'9) Vg. 'i 26. 2, 3. ïoch moet ook de âbijkomende voorwaardequot; in de dagvaarding worden opgenomen. Vgl. H. R. 3 Juni 1880, \V. 5729 en de verdere rechtspr. in âHet W. v. S.quot; door Red. T. v. S. op a. 418, aant. 2. â Vgl. v. Noëll. c. 21,
20) Vgl. boven n. 3; Min. Modderman, die reeds bij do behandeling v.a,53,54 geen principieele bedenking had, verklaarde er zich bij neer te leggen, omdat de verspreidingsartikelen verzwakt waren (zie beneden). Dit verband is niet duidelijk. ^
21) Zie v. Noèl 1.o. 29 v.; en de rechtspr. in âW. v. S. door Red. T. v. S.quot;
1. 24
377
§ 39. DEELNEMING U1J DHUKPERSDEL1KTEN.
Terwijl ia a. 54 als voorwaarde voor 't privilege van den drukker genoemd wordt de vervolgbaarheid en bereikbaarheid van zijn voorman op het tijdstip van het drukken, eischt a. 4192quot; voor zijne aansprakelijkheid dat hij â bij het drukken â wist of verwachten moest de onvervolgbaarheid of onbereikbaarheid van dien persoon op het tijdstip der uitgave. Dit kan een later tijdstip zijn, zoodat de afwijking niet wel verklaarbaar is. Toch geeft zij practisch geen bezwaar.
De drukker heeft slechts zijn lastgever aan te wijzen , de uitgever moet den dader bekendmaken. Dus den dader van het delikt, naar 't bovenomschreven begrip (n. 2'°). Intusschen â dit volgt uit de geschiedenis der redactie op dit punt en wordt m. i. door 't woord âbekend makenquot; niet bestreden â is 't voldoende dat hij bekend maakt den persoon dien hij redelijkerwijze voor den âdaderquot; kon houden; ook al blijkt deze niet als zoodanig te kunnen worden veroordeeld !!).
De wet verbindt in a. 53, 54 de verbeurte van't privilege, in a. 418, 419 do aansprakelijkheid, aan de enkele voorwaarde der onbekendheid of niet-bekendmaking, onafhankelijk van de vraag of daarbij schuld in 't spel is
De verhouding van de niet-bekendmaking tot de misdrijven van a. 192 of 207 Swb. moet naar de regelen omtrent samenloop worden beoordeeld 21).
5. Voor den redacteur van periodieke geschriften als tus-schenpersoon zijn bijzondere bepalingen niet noodig geacht!5). Voor dezen geldt dus 't gemeone recht. Hij zal, naar 't boven
52) De oorspr. redactie v. a. 418 in 't amend, d. O. v. R. sprak van âhij op wiens laat de uitgave is geschiedquot;, en van âde anteur of hij die zich als '/.oudanig tegenover don uitgever gedragen heeftquot;. De verandering in âdaderquot;, voorgesteld door Mr. v. Gennep; vg. nu diens rede bij a. 53, 54, bep, in fine. Vg. Rb. Rotterdam, P. v. J. 1800, 9. â Anders v. Noel 1. c. 17; en naar 't schijnt de rechtspr. vóór 't Swb. betrekkelijk het aanwijzen van den âschrijverquot;. Schooneveld op a. 367 C. P. aantt. 114, 117. â Over den âredacteurquot; als dader, boven 25', en beneden n. 5.
23) Anders de Duitsche wet 5 21. Vg. hierover ook Simons I.e. 85, 117.
Sl) Hierover Simons I.e. 115; v. Noül I.e. 19.
!5) Mom. v. ï.; M. v. A. en bij de beraadslagingen Min. Modderman tegenover Mr. Goeman Borgesius. â Vg. Schimmel I.e. 69, 141; Simons I.e. 126; v. Noel 1.0. 49.
378
DEELNEMING DU DKUKPEHSDEUKTEN. § 39.
betoogde (2:il,j, bij bewijsbaarheid van 't opzet meestal medeplichtige, somtijds mededader zijn van het drukpcrsdelikt. Intusschen geldt nu â ofschoon daarvoor veel te zoggen ware â voor hem in geen geval het uitzonderingsrecbt van den uitgever. Het noemen van den vervolgbaren dader kan hem van medeaansprakelijkheid niet ontheffen; en, is zijn âopzetquot; niet bewezen, dan treedt voor hem geen âbegunsti-giugsdeliktquot; in de plaats. Intusschen kan ook hij naar ons recht niet de verantwoordelijkheid van anderen dekken.
6. De verspreider (colporteur) van het geschrift treedt op na de publicatie; de verkrijgbaarstelling is niet deelnemen aan een persdelikt. Maar hij begunstigt het delikt, hij bevordert de bekendheid.
Een volstrekt verbod van verspreiding van gedrukte stukken op den openbaren weg zonder vergunning van de overheid, ware ongrondwettige preventie; eene bepaling, de verspreiding onderwerpend aan voorschriften in 't belang der openbare orde, niet28).
379
Het eidcel verspreiden van anonieme geschriften, ook van niet-misdadigen inhoud, is niet meer verboden quot;). Maar opzettelijke verspreiding van geschriften of afbeeldingen met inisdadigen inhoud is strafbaar gesteld. Niet in een algemeen voorschrift; doch in de titels betreffende onderscheiden de-likten die door de drukpers kunnen worden gepleegd: belee-diging, a. 113, 119, 271; opruiing en misdadige aanbieding , a. 132, 134; oneerbare voorstelling of beschrijving, a. 240. Met verspreiden (distribuer) van het geschrift â niet van den inhoud, wat ook door voorlezing kan geschieden â d. i. met het in omloop brengen van meerdere exemplaren â openlijk of ook in 't geheim â staat gelijk openlijk ten toon stellen (exposer), en aanslaan (afficber). Van groot belang is de eisch omtrent den schuldvorm hiervoor gesteld. Volgens
iquot;1) H. R. 7 Nov. 1892, W. (3259; vg. W. (3L5;i, 0187; on over tegenovergestoWe Lioslissing van Cass, in Belgie, W. 6185, 6258, 6315, Ook T. v. S. VII, 512,513. 3') Vg. boven 3 inf.
§ 39. DEELNEMING U1J UUUKFEKSDEUKTEN.
O. R. O. eu G. O. zou voldoende zijn dat de dader handelde met opzet, d. i. den misdadigen inhoud kennend. Bij de beraadslaging is do verdere eisch van een âbijkomend oogmerkquot;, het oogmerk om aan den misdadigen inhoud zeiven ruchtbaarheid te geven, in de omschrijving gebracht. De scherpe opvatting van de oorspronkelijke redactie zou , vreesde men, voor do verspreiding, dus slechts op een ander punt dei-circulatie, allicht iets soortgelijks bewerken als men voor do publicatie wilde vermijden:8). Dit oogmerk wijst op eene gezindheid van den persoon. â In a. 240 is de oude redactie gehandhaafd. Of dit bedoeld is geworden, blijkt niet; het ware, bij klaarblijkelijk onzedelijken inhoud, te verdedigen. Ook verbiedt dit art. reods het âter verspreiding in voorraad hebbenquot;.
7. Herdruk, nadruk, overneming, vertaling zijn niet vormen van verspreiding van het geschrift. Zij leveren zelfstandige handelingen op â herdruk misschien een voortgezet delikt â, dus, indien daarvoor verder de materieele en schuldvereischten aanwezig zijn, zelfstandige delikten, door de drukpers geploegdS9).
§ 40. Samenloop en verwante leerstukkon ').
1. In haar eenvoudigen vorm vertoont zich de strafrechtelijke aansprakelijkheid, wanneer iemand wordt aansprakelijk
28) Het initiatief bij Mr. van Houten. Zie beraadsl. op a. 113 en 271. â Vg. over den verspreider Simons 1. o. 129, â Noodzakelijke onderscheiding door den rechter tusschen 't enkele opzet en dit oogmerk. H. R. 28 Nov. 1892, W. 6278.
-quot;) Aldus Simons I.e. 139 en do schrijvers daar vermeld; uitvoerig de Sitter, Hand. J. V. 1878 I, 284; v. Noel 1. o. 13. Anders, zonder vermelding van gronden. Modderman in E. A. op a. 53, 51.
g 40. ') Litt.; monogralien: Lublink Weddik, Iets over samenloop v. misdrijven (Pr. 1864); Hanlo, Over samenloop v. misdr. (Pr. 1867); Breukelman, Hot voortgezette delikt (Pr. 1882); v. Petersom Ramring, Bijdrage tot do loer va.i de(i samenloop v. strafbare handelingen (Pr. 1885); ten Bokkel Huinink, Do rechtspr. naar aanleiding v. a. 56 Wb. v. Sr. (Pr. 1894); Plate, Eonige opmerkingen naar aanl. v. a. 59 Swb. (Pr. 1890). â Het zwaartepunt bij deze leerstukkou ligt in do loer van het voortgezet delikt; dus vooral in de litteratuur over dit ouderworp, waarover in buitsohl., nevens do handboeken, verschillende monogralien: Krug, v. Schwarze (1857); John (1860); Merkel (1862); v. Buri, Einheit u. Mohrheit d. Verbrechen (1879); Rosenblatt, Strafonkonkurrenz (1879); Heinomann, Die Lehro v. d, Idealkonkurrenz (1893); ook tijdschriftartikelen als Schütze, Z. f. d. ges. Sw. III. 48; Bünger ib. VIII, 520, 661; Hiller, Grünhutzeitschr. XIII, 12(...
380
SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN. § 40.
gesteld voor één feit, dat, èn als feitelijke handeling èn naar zijn rechtskundige qualificatie, zich als eiilcdvoudige eenheid vertoont.
Daartegenover staan â altoos ten aanzien der aansprakelijkheid van één persoon: 1. samenloop van delikten (concursus realis); 2. de samengestelde eenheidsvormen; 3. samenloop van straf bepaling en (concursus idealis).
De groote moeilijkheden welke de beide eerste der genoemde leerstukken aanbieden en welke in de Duitsche dogmatiek tot zeer ingewikkelde behandeling hebben geleid, moeten in een strafrechtelijk stelsel naar de nieuwere richting, waarbij het zwaartepunt ligt in de gezindheid van den dader, mee-rendeels wegvallen.
2. De aansprakelijkheid ondergaat, theoretisch, wat haren aard betreft, geen verandering, wanneer de dader wel wordt aansprakelijk gesteld voor meer feilen samen, doch elk van deze, feitelijk en juridisch, eene zelfstandige eenheid vormt; wanneer zich daarbij vertoont een âsamenloop van meerdere (nog niet berechte) feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere (gelijksoortige of ongelijksoortige) misdrijven (overtredingen) opleverenquot; (a. 57, 58, 62 Swb.). Dit zijn de gevallen van eigenlijken samenloop van delikten (meerdaadscho samenloop, concursus realis homogeneus of heterogeneus, Realkonkurrenz, Verbre-chenskonkurrenz, concours de délits). Zoodanige samenloop kan echter wel, practisch, twijfel doen rijzen, en heeft ook in de rechtsgeschiedenis twijfel doen rijzen omtrent aard en mate van bestraffing 2). In een strafrechtelijk stelsel naar de nieuwere richting zou deze samenloop een grond kunnen zijn voor scherper repressie, voor eene behandeling naar analogie van die der recidivisten. In 't stelsel dat elk delikt zijn âgerechte strafquot; heeft mede te brengen, voert hij consequent tot cumulatie, opeenhooping van straffen (Strafenkonkurrenz). In- 4
â ) Zie over do gescliiedkundige ontwikkeling der opvattingen Breukelnian 1. c. 7 v.; Qeib II, § 78.
381
382 § 40. SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN.
tusschen is deze consequentie â bij doodstraf en levenslange vrijheidsstraffen reeds ondenkbaar â door de wetgevers, uit vrees voor âte groote hardheidquot;, niet zonder meer aanvaard. Zij overwegen â gelijk ook onze M. v. T. â dat de langere duur der vereenigde vrijheidsstraffen in den regel mede op eene niet bedoelde intensieve verzwaring dier straf zou neerkomen ; wat analogice van geldboeten kan gelden en zeker geldt van vervangende hechtenis 1).
Aldus komen vier stelsels in aanmerking. Als uitersten: 't stelsel van zuivere cumulatie, zooeven aangeduid; en dat van absorptie, waarnaar âalleen de straf tegen het zwaarste misdrijf bedreigdquot; wordt opgelegd, wat formeel dus straffeloosheid voor een der delikten medebrengt. Als middenstelsels: het stelsel van gematigde cumulatie, dat aan de hardheid der theorie practiscli tegemoet komt, door aan de opeenhooping der maxima grenzen te stellen; en dat van verscherpte absorptie (of van de collectieve straf, Gesammtstrafe), dat het lichtere delikt opvat als een verzwarende omstandigheid van het zwaardere, waarvan de strafpositie stijgt2).
In de Nederlandsche wetgeving was te voren, op 'l voetspoor van 't Fransche recht, 't absorptiestelsel hoofdstelsol en gold het zuivere cumulatiestelsel ten aanzien van geldboeten (a. 207 Sv. oud.). In het Wetboek v. S. is, op bovenvermelde gronden, bij samenloop van misdrijven en wat de hoofdstraffen aangaat, het stelsel gehuldigd der gematigde cumulatie (a. 57, 58). Ten aanzien van overtredingen echter is, omdat hier âwegens de lagere strafmaximaquot; de bedenking der hardheid minder scheen te wegen en de repressie anders te zwak zou kunnen worden, in beginsel het stelsel van zuivere cumulatie aangenomen, edoch met een algemeene grens voor 't gezamenlijk maximum der vrijheidsstraffen (a. 62). Ten aanzien
1
) Over dezen grond en zijn bestrijders uitvoerig Ramringl. o. 61. â-Intussohen wordt hierbij blijkbaar uitgegaan van de onmogelijkheid eener voldoende splitsing dor executies.
2
Hoofdstelsels: Frankr. (3650.1,), Oostenr. (34,35) absorptie; Duitschl, (§ 74), Italië (a. 67 v.), verscherpte absorptie (? 74); Belgie, Denemarken gematigde cumulatie.
SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN. § 40.
vmi de bijkomende straffen geldt, wat hare strekking noodwendig vordert, zooveel mogelijk zuivere cumulatie (a. ÃO2quot;30), edoch ook met een maximaal-grens voor de vervangendo hechtenis bij verbeurdverklaring; en is bij andere zuivere absorptie aangenomen (a. 60'°, 62 al. uit.).
Een overzicht van de uitwerking in bijzonderheden geeft 't best de lezing dor artikelen 6):
57. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren, waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt ééne straf uitgesproken.
Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan ren derde hoven het zwaarste maximum8).
58. Rij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop oncjelijksoorlige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elke dier straffen uitgesproken. doch mogen deze te zamen in duur de ' langstdurende met niet meer dan een derde overtreffen').
Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het maximum der bedreigde vervangende hechtenis.
59. Bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in beslag genomen voorwerpen , en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak8).
60. In de gevallen der artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien van hij komen de straffen de volgende bepalingen:
1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden opgelost in óóne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf jaren Ie boven gaande, of ingeval lt; geene andere hoofdstraf dan geldboete is opgelegd, in éóne straf van ten minste twee en ten hoogste vijfjaren9);
5) De hier aangegeven cursiveering ontbreekt natuurlijk in de wet.
6) Bij alternalieve strafbedreiging hangt van 's rechters keuze der op le leggen straffen af, of hij staat voor een geval waarin gelijksoortige of waarin ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld. Vg. v. Styrum ï. v. S. 1,249, â Dat hier âééne straf wordt uitgesprokenquot; is alleen bepaald âter wille der eenvoudigheidquot;; ofschoon met het oog op appèl en gratie, en zeker bij gevallen van ongelijktijdige berechting, die eenvoudigheid twijfelachtig mag hceten (zie noot 15), Theoretisch geldt hier nu ook wel gematigde cumulatie; praktisch is deze hier identiek met verscherpte absorptie; b.v, 9-1-6 â 3 â 9 -f- 3.
') âDe langstdurendequot;, d, i. ook hier ,het zwaarste maximumquot; derycsieZA straffen.
8) Met het oog op mogelijke gratie theoretisch betwistbaar. Voor Duitsch recht, waar de wet zwijgt, verschil v. meening. Vg, Plate J. c, 24.
quot;) Hier zuivere absorptie, wegens; âgenoegzame verscherping door verhooging
383
§ 40. SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN.
2°. rle straffen van ontzetting van verschillende rechten worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd;
3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen worden, evenals de vervangende hechtenis bij niet-uitlevering dier voorwerpen, voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd.
De straffen van vervangende hechtenis mogen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan 10).
02. Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven , betzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd quot;).
De straffen van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder begre-l pen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van acht v .maanden niet le boven gaan i:).
tDe straffen van plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden opgelost in ééne straf, waarvan de duur wordt bepaald binnen de grenzen van artikel 32 De straffen van plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden opgelost in ééne straf, waarvan de duur wordt bepaald binnen de grenzen van artikel 32 ,:l).
De hier besproken samenloop vertoont zich uit zijn aard alleen bij gelijktijdige berechting, cl. i. wanneer de beklaagde wegens do âmeerdere feitenquot; bij eenzelfde reebterlijke uitspraak wordt veroordeeld. â Hebben do veroordeelingen plaats bij afzonderlijke vonnissen, zelfs door denzelfden rechter op do-zelfde zitting, dan is er ongelijktijdige berechting. Om nu niet de toepasselijkheid van voorschreven beginselen te laten afhangen van de feitelijke of processueelo gronden die het gelijktijdige of ongelijktijdige van de berechting bepalen, zijn, in overeenstemming mede met a. 208 Sv. (oud), uitdrukkelijk (a. 63) de voorschriften omtrent samenloop uitgebreid tot het geval waarin âiemand, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding, vóór
der vrijheidsstrafquot; in verband met a. 31squot;; en âtc groote hardheidquot; bij enkele veroordeeling tot geldboete (M. v. ï.).
10) Vg. noot 12.
11) Bij âmisdrijven'' ter zake van rijksbelastingen is nu, ingevolge a. 7 al. uit. Inv.w. j°. a. 62 al. 1 Swb., eene, blijkbaar niet bedoelde ongetemperde cumulatie van âgevangenisstrafquot; mogelijk (W. 5390, 5396).
13) Deze bepaling, in afwijking van Stso. op advies B. v. S. reeds in O. R.; Smidt I, 460 (491). Het maximum v. 1 j. op 8 m. gebracht in G. O.; wegens a. 23; Smidt I, 309 (329). â Dit heeft echter eene anomalie doen ontstaan bij âovertredingenquot; met hooger strafmaximum krachtens a. 10, 11 Inv.w. W. 5320.
ls) âten minste 3 maanden, ten hoogste 3 jarenquot;. âDe aard dezer straf laat verhooging niet toequot; (M. v. T.). (?)
884
SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN. § 40.
die veroorcleeling gepleegdquot; M). Dit geldt naar de algemeenheid der bepaling ook al zon bij zuivere cuinnlaMe van straffen opeenvolging van executie tocb volstrekt uitgesloten zijn, wanneer n.1. reeds tijdens de latere veroordeeling de vroegere straf geheel ondergaan , verjaard of kwijtgescholden werd. Voor eene uitzondering in deze gevallen â m. i. wel logisch en ook in het Duitsche recht aangenomen (§ 79) â acht de M. v. T. geen aannemelijken rechtsgrond aanwezig. â Bij ongelijktijdige berechting kan intusschon a. 57, volgens 't welk âééno straf wordt uitgesprokenquot;, niet naar de letter worden toegepast; tocb is ook dan het âin rekening brengen van de vroegere strafquot;, niet zuivere cumulatie gewild15).
Voormelde bepalingen gelden ook voor delikten buiten het Wetboek (a. 91). Bijzondere voorschriften betrekkelijk âgelijktijdigquot; begane overtredingen komen in speciale wetten voor quot;').
3. Do regelen omtrent samenloop gelden alleen indien de âmeerdere feitenquot; zelfstandige feiten zijn. Bij alle derhalve die, wegens jurisch dan of feitelijk verband, binnen het negatief begrip der onzelfstandigheid vallen en samen als eenheid zijn te beschouwen, moeten ten aanzien van de strafoplegging dezelfde regelen gelden als wanneer slechts één enkelvoudig feit gepleegd is. Deze gevallen zijn wellicht onder den naam saamgestelde eenheidsvormen van delikten saam te vatten. In overeenstemming ook met onze M. v. T., vermijde men verwarring en spreke hier niet van concursus idealis; bier is eenheid, hier is geen samenloop17).
14) Vroeger de heerschende mcening anders; Geib 11, 119. â Over mogelijke processucele moeilijkheden bij vrijspraak in appèl G. v, R. Hierin heeft Sv. echter niet voorzien. â 't Woord âdie veroordeelingquot; bedoelt, in geval van appèl of cassatie, altoos âdie veroordeeling krachtens welke de straf wordt ton uitvoer gelegdquot;, ï. v. S. V, 487, aant. 1 op a. 63.
15) Vg. W. 5452. â Dit is ook een arg. tegen de redactie van a. 57. Vg. noot 6.
lli) a. 44 jachtw., absorptie; a. 33 W. betr. maten en gewichten, gematigde cumulatie; vg. a. 10quot;°, quot;0 Inv.w.
quot;) Voor de terminologie van conc, idealis zie Geib II, 119; aldus ook nog, gedeeltelijk althans, Ramring 1. c.; Breukelman 1. c. 14;, ook de meest verspreide meening der Duitsche schrijvers, waarover v, Liszt § 57. Zie verder beneden ad n. 8.
385
§ 40. SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN.
Van de bedoelde vormen kennen de wetgevingen sommige onder hare bijzondere delikten. Deze maken altijd, krachtens hun wettelijke omschrijving zelve, een eenheid uit. Aldus het voortdurend en het collectief delikt.
Maar ook krachtens hunne omschrijving enkelvoudige en zelfstandige delikten (bv. doodslagen , diefstallen) kunnen zich feitelijk voordoen, elk voor zich onzelfstandig, samen als eenheid. Dit zijn de gevallen van voortgezet delikt, en die van eenheid, van handeling.
4. Het voortgezette delikt (d. continuatum), in onze vroegere wetgeving niet bekend, in de toenmalige rechtspraak echter wel, wordt thans (a. 56) uitdrukkelijk vermeld en zeer terecht omschreven als een waarbij âmeerdere feiten , ofschoon elk op zich zelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verhand (staan) dat zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handelingquot;quot;). Bv. een kantoorbediende besteelt de kas dagen achtereen; ouders mishandelen hun kind voortdurend; een gehuwd man oefent herhaaldelijk bijslaap uit met dezelfde vrouw. De regelen van samenloop vallen dan weg; âslechts ééne strafbepaling wordt toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteldquot; (a. 56); terwijl voor berekening van de betrekkelijke zwaarte een leiddraad ligt in a. 61 quot;).
Op de vraag, welk verhand moet bestaan, antwoordt de wet niet uitdrukkelijk. Voor 't Dnitsche recht zijn velerlei objectieve en subjectieve theoriën verdedigd; evenwel zonder bevredigend resultaat!0). Zeer aannemelijk ware dan ook een stelsel waarbij de aanneming van het âverbandquot; geheel werd overgelaten aan den judex facti. Onderscheidene gronden
18) Hierover vooral Brenkelman 1. c. Over de historische ontwikkeling van dit leerstuk en de uiteenloopende theorien , id. 15 v.; vg. Geib II, 120. â Voor onze vroegere rechtspr. Léon-Teixeira ad a. 207 Sv. (oud) n. 7. â In Duitschland zwijgt de wet.
I!l) De laatste woorden van a. 56 al. 1 âbij verschilquot; enz. zijn, wegens a. 55 al. 1 overbodig. â Onjuist schijnt, a. 61 al. 2; bij alternatieve strafbedreiging moest de door den rechter gekozene beslissend zijn. Vg. echter ook a. 44 al. 3 lav.w.
2U) Uitnemend overzicht bij Brenkelman 1. c. 15. v
386
SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN. § 40.
konden daarbij , afzonderlijk of vereenigd, beslissend zijn : zooals eenheid of samenhang in 't misdadig besluit (om een tegenstander met beleedigingen te achtervolgen); in het te bereiken doel (om een vriend op verschillende personen te wreken); in het objekt (verduisteringen uit eenzelfde kantoorkas); in de plaats; in den tijd; in de gelegenheid (gewelddadigheden bij een oploop); in het gebezigde middel ('t werpen van dy-namietbommen); alles naar de omstandigheden 2'). De cassatierechter hadde dan alleen toe te zien dat over het bestaan of het ontbreken van voldoend verband uitdrukkelijk werd beslistJ2). Onze M. v. T. echter, â het overige blijkbaar als âbloot feitelijkequot; vragen beschouwend â schijnt van drieërlei rechtseisch uit te gaan: dat de delikten zijn gelijksoortig, dat er zij eenheid van besluit, dat de afstand van tijd niet te groot zij. Deze opvatting is ook in de rechtspraak, bepaaldelijk van H. R. en H. M. G., de meest gangbare23). Toch is de rechter, waar de wet hem mocht vrijlaten, aan de M. v. T. niet gebonden. Maar de wet zelve eischt ook m.i. gelijksoortigheid van de delikten, naar hun qualificatie. Dit volgt: èn uit het woord âvoortgezette handelingquot;; want een doodslag is niet de voortzetting van een diefstal; èn vooral uit a. 56 al. 2, waarbij een verband als dat van al. 1 niet van zelf aangenomen, maar bij uitbreiding van de wet door deze gelegd wordt tusschen de niet gelijksoortige, maar overigens innig verband houdende delikten van âvalschheid, valsche munt of muntschennisquot; eenerzijds, anderzijds âhet gebruikmaken van het voorwerpquot; ten opzichte waarvan het delikt gepleegd is3'). Intusschen bestaat deze gelijksoortigheid ook tnsschen het delikt in zijn grondvorm en in een gequa-lificeerden vorm (bv. diefstal van a. 310 en a. 311); daarom
sl) Aldus Breukelman 1. c. 52, Ramring l.c. 42; Meyer, Lehrb., Sohütze, Lehrb.
!5) Dit blijft altijd oen cassatievraag. H. R. 5 Nov. '8S, W. 5635; vg. 19 Jan. '91 r W. 5989.
23) IT. R. 21 Nov. '92, W. 6273; 2 Febr. '91 W. 5995; vg. 30 April '88 W. 5556; H. M. G. T. v. S. VI aant. 21 op a. 56. â Gelijksoortigheid niet aangenomen Utrecht W. 5487. Zie verder ten Bokkel Huiniuk 1. o. 23 v.
â *) Dat de wet hier den regel van al. 1 uitbreidt, ook II. R. 25 Jan.'92 W. 6154,
387
§ 40. SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN.
gewaagt ook a. 56 al. 1 van mogelijk verschil in strafpositiet5).â Tijdverband is ongetwijfeld voor âvoortzettingquot; noodig; maar hoever dit reikt, is dadelijk qnaestio facti. â De eisch : eenheid van besluit ligt echter m. i. niet in de wet; samenhang der besluiten, bv. bij wederopvatting van een na de eerste handeling vrijwillig opgegeven besluit, kan voldoende zijnquot;).
De leer van het v. d. geldt ook voor overtredingen quot;). Ze is m. i. niet uitgesloten voor culpose delikten, inzoover deze immers ook begaan kunnen worden ingevolge een âbesluitquot;, niet op 't gevolg, maar op het doen of laten gerichtquot;).
Wordt de reeks van handelingen afgebroken door bekeuringen , waarschuwingen van de overheid, dan wordt het verband gestoord quot;).
5. De wettelijke erkenning en begrenzing van het voortgezet delikt geeft nu leiddraad voor de vaststelling van het begrip der eenheid van handeling.
De eisch immers der gelijksoortigheid verbiedt, dat eene zaakbeschadiging, eene verwonding en een doodslag als âééne voortgezette handelingquot; worden opgevat, ook wanneer de dader deze gevolgen teweegbracht door meerdere âvoortgezettequot;, onderling verband houdende daden, b.v. door drie elkaar snel opvolgende slagen in één voortgaande drift. In zoodanig geval gelden dan naar Ned. Wb. altoos a. 57 v. (concursus realis).
Hieruit volgt dan dat in dit stelsel ook verboden is, eenheid van handeling aan te nemen en op grond daarvan a. 57 vg. uit te sluiten, wanneer voormelde ongelijksoortige gevolgen veroorzaakt werden door slechts ééne daad, b.v. één geweerschot. Zoo kan aan het begrip van eenheid van handeling niet voldoen ééne daad, onafhankelijk van de veelheid dergevol-
!s) Breukelman 1. o. 95.
so) Vgl. Breukelman 53, 94.
3') Anders 't O. E. O. zooals liet bij den R. v. S, werd ingediend, Smidt I, 449. Vgl. ook M. v. ï. dor iSt.sc. op a. 73, in strijd echter met den tekst van liaar a. 66.â Voorb. jagen zonder vergunning op gronden van verschillende eigenaren. H. R. 30 April '88, W. 5556.
Ja) Vgl. g 35,2; Geib 120; Breukelman 67, 96.
2'J) Vgl. bv, H. R. W. 2084.
38S
SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN. § 40.
gen; maar wordt vereischt één gevolg, onafhankelijk van de veelheid dor daden. Het toebrengen van meerdere wonden aan één persoon of aan meerderen, door vele slagen of door één schot, levert gelijkelijk op meerdere handelingen, naar omstandigheden saam te vatten als âééne voortgezettequot;. Het mededeelen van één beleedigende aantijging aan onderscheidene personen levert op één delikt van smaad, het in brand steken van een huis op verschillende plaatsen, ééne brandstichting.
Deze positiefrechtelijk uit a. 56 voortvloeiende leer stemt overeen met die theorie welke, vermits elke handeling bestaat in het veroorzaken van een gevolg en vermits het gevolg het karakter der handeling bepaalt, in 't algemeen de eenheid of veelheid der handelingen uitsluitend wil laten afhangen van de eenheid of veelheid der gevolgen. En hoezeer deze theorie noch onbetwist, noch onbetwistbaar is, vormt zij toch een logisch geheel1quot;).
Do eenheid of veelheid der gevolgen is hier te beoordeelen naar hunne feitelijke beteekenis, niet naar de rechtskundige qualificatie der handeling. Bij ontucht van een onder wij zei-met zijne leerlinge benedon de twaalf jaren heeft de daad slechts één gevolg, al zijn twee normen geschonden (a. 244, 249quot;' j0. 55).
6. Hot voortdurende delikt (d. continuum) bestaat, naar zijne wettelijke omschrijving, in het veroorzaken en doen voortduren van een verboden toestand; b.v. deelnemen aan een verboden vereeniging (a. 140), van de vrijheid beroofd houden (a. 282), verboden waar voorhanden of in voorraad hebben (a. 209 , 214, 240 e. a.), een huis van hazardspel houden (a. 456) ^).
389
1
') Breukelraan 60. Vg. de litt. over 't voortgezette d, De tegenstelling heet dan âoogenblikkelijkequot; delikten, délits momentanés tegenover continus. â Niet te verwarren met de voortgezette, wat m. i. geschiedt bij H. R. 5 Nov. '88, W. 5635
§ 40. SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN.
Wordt iemand voor dien toestand aansprakelijk gesteld â wat m. i. geschiedt bij de dagvaarding, niet bij de bekeuring â dan mag die aansprakelijkstelling den geheelen voorafgaanden toestand omvatten, doch ligt in dien toestand, voorzoover deze niet feitelijk onderbroken is, altoos slechts één strafbaar feit. Met het doen voortduren na zoodanige onderbreking of na de dagvaarding begint echter een nieuw strafbaar feit gepleegd te worden. Al is het delikt op onderscheiden plaatsen begaan â iemand reist met zijn verboden voorraad â dit verandert aan de eenheid van zijn delikt niets. Ten aanzien van den tijd waarop het delikt begaan zou zijn, wordt elk tijdstip van den voortdurenden toestand op zich zelf beoordeeld (bv. een kind wordt inmiddels 1G jaar); tenzij de wet bijzonder beslist (a. 712ü). â Met het voortdurend delikt niet te verwarren is dat waardoor wel een onrechtmatige toestand veroorzaakt wordt, doch waarbij het voortduren daarvan strafrechtelijk onverschillig is, b.v. bigamie.
7. Het collectieve delikt bestaat uit xwee of meer gelijksoortige handelingen, welke, inzoover zij op zich zelve staan, straffeloos zijn, maar als verzameling één strafbaar feit opleveren :'5). Aldus het gewoonte-delikt (a. 250i°) en het beroepsdelikt (a. 274, 436, vooral onbevoegde uitoefening der geneeskunst)quot;). Analoog zijn die gevallen, waarin de gewoonte een gequa-lificeerden vorm van het strafbaar feit oplevert (a. 417). â Voor het gewoontedelikt zijn ten minste twee handelingen noodig. Van het beroepsdelikt ligt het eigenaardige niet in de herhaling maar in het oogmerk om te herhalen; vandaar dat, mits in de uitoefening van een beroep gehandeld werd, ééne handeling â immers reeds de eerste âvoldoende is 3').
v. Lilienthal, Beitr. z. Lehre vom Kollektivdelikt (1879).
33) Het Dwbk. kent veel meer gevallen; § 144, 150, 180 , 260, 284 , 302 d. â Uuitsohe solirijvers onderscheiden gewerbsmaszige, geschat'tsinaszige, gewohnheits-maszige. â Rechtspr. op a. 43ö. Kg. 1 Amst. W. 6112. Zoo ook vroegere betr. onbevoegde uitoefening dor geneeskunst, bij Grataraa, Qeneesk. wetten(1881) 136; betr. a. 334 C. P. Schooneveld aant. 15â21,
34) Vg. H. R. 26 Febr. '67, W. 2882.
390
SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN. § 40.
Hieruit volgt ten aanzien van den tijd van het clelikt dat tot staving van beroepsuitoefening kunnen dienen feiten waarvoor reeds veroordeeld werd of die verjaard zijn; wat niet geldt voor het gewoontedelikt, inzoover niet in het handelen uit gewoonte, maar in het gewoonlijk handelen het delikt bestaat. In gelijken zin worde de vraag naar de plaats van het delikt beantwoord.
8. Eén feit â enkelvoudige handeling of saamgestelde eenheidsvorm â kan onder zoodanige omstandigheden gepleegd zijn, dat het onderscheiden normen overtreedt, âin meer dan ééne strafbepaling valtquot; (a. 55 al. 1). Verkrachting op den openbaren weg schendt a. 239 en 242; bedrog,door een valsch stuk a. 32(j en 225 al. 2. Minder duidelijk is hier de benaming âsamenloop van vergrijpenquot; (M. v. T., Verbrechens konkurrenz); juister: âsamenloop van strafbepalingenquot; (Geset-zeskonkurrenz). Tegenover den meerdaadschen samenloop kan deze do eendaadsche heeten; tegenover concursus realis, in overeenstemming met de terminologie onzer M. v. T., concursus idealis 3S).
Vermits de wet onmogelijk voor al deze gecombineerde gevallen bijzondere strafposities kan stellen, moet een algemeen voorschrift hier de keuze bepalen. En vermits iemand voor hetzelfde concrete feit niet meer dan eens gestraft kan wor-den (M. v. T.), geldt hier geen cumulatie van straffen, maar absorptie, toepassing van slechts ééne bepaling (a. 55). Bij quot;T verschil in strafpositie is het, ook ten aanzien der qualifi-catie, die bepaling âwaarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteldquot; ;
anders â dus ook wanneer wel de hoofdstraffen evetr zwaar zijn, maar in de bedreiging van bijkomende straffen verschil mocht liggen â staat de keuze aan den rechter 36). Bij do vergelijking beslist voor ongelijksoortige hoofdstraffen de volgorde â ?
â ^) Over dezen samenloop § 73 Dwb. De hier besproken samenloop v. strat* bepalingen door Duitsche schrijvers veelal als c. idealis heterogeneus gesteld k
tegenover o. idealis homogenens, waaronder dan liet dogmatisch geheel verschillend geval vandeliktseenheid gebracht wordt. Hiertegen boven noot J.7. Vg. Heinemann 1.
36) Voorbb. in de rechtspraak H. R. W. 5505 , 551.1, 5680i /ie voorts âHet W. v. S.quot; door Red. T. v. Ã. op a. 55. » '
391
§ 40. SAMENLOOP EN VERWANTE LEERSTUKKEN.
van art. 9 ; voor gelijksoortige het maximum; bij alternatieve strafbedreiging komt â m. i. ten onrechte â alleen de zwaarste straf in aanmerking (a. 61). 37).
Opeenvolgende terechtstelling voor 'tzelfde feit uit de onderscheiden juridische gezichtspunten is door a. 55 al. 1 uitgesloten.
9. Samenloop van strafbepalingen doet zich niet voor, wanneer voor het feit, ook al levert het juridisch eene aanranding op van onderscheidene rechtsbelangen, blijkbaar ééne âbijzondere strafbepaling bestaatquot; en dus deze âalleen in aanmerking komtquot; (a. 55 al. 2). Zoo b.v. verkrachting, afpersing (a. 242, 817 ju, 284), diefstal met geweld (a. 312 jquot; 300). Dat de wet dit uitdrukkelijk voorschrijft, is, hoezeer overbodig , een voordeel3S). Zij noemt bepaaldelijk 't meest voorkomend geval, wanneer 't feit tevens âin eene algemeene strafbepaling valtquot; ; b.v. bij alle gequalificeerde deliktsvormen. Deze formuleering is echter te beperkt. Toch belet zij niet voor gevallen waarin de onderlinge verhouding der strafbepalingen niet die van genus en species kan heeteu, in gelijken zin te beslissen, indien de beteekenis der bijzondere bepaling de toepasselijkheid van andere uitsluit. Zoo zal een geval van wederspannigheid (a. 180) niet tevens als poging tot ambtsdwang (a. 179) kunnen worden beschouwd
Of de bepaling eene âbijzonderequot; is, kan uit geschiedenis, verband, naam van het delikt enz. blijken.
Geldt uitsluitend de âbijzonderequot; bepaling, dan komen ook de omstandigheden die bij toepassing van de âalgemeenequot; een zwaardere straf zouden medebrengen, niet in aanmerking4quot;).
37) Vg. in deze § n. 4, noot 19.
3S) Zie M. v. ï. Dwb. zwijgt. Toch is de leer daar dezelfde.
3'J) van Hamel, T. v. S. I, 253 v. Dat de toepasselijkheid v. a. 268 niet uitsluit de medetoepasselijkheid v. a. 188, terecht H. R. W. 6167; anders Hof Arnhem W. 6125.
w) Zoo b.v. bij diefstal in de chambree, een militair delikt, door twee ot meer vereenigde personen. H. M. G. ï. v. IS. VI, 451, aant. 10. â Zie echter I. aid.
392
HET POHMEEL BEGRIP VAN DE STRAF. § 41.
HOOFDSTUK III. â De straf en de strafsoorten.
§ 41 Het formeel begrip van de straf.
1. Straf is een bijzonder leed, tegen den overtreder van een door den staat gehandhaafd rechtsvoorschrift, op den enkelen grond van die overtreding, van wege den staat als handhaver der openbare rechtsorde, door het met de rechts-bedeeling belaste gezag uit te spreken ').
Aan dit begrip ligt de idee van âvergeldingquot;, âboetequot;, âherstel van ideëel nadeelquot; ten grondslag. Historisch gevormd, stemt het nog met de heerschende opvatting overeen. Bij den voortgang der nieuwere richting is het bestemd voor het ruimer begi'ip van âmaatregelen tot bestrijding van de misdaadquot; te wijken. Reeds de dwangopvoeding, de plaatsing in prisons-asiles, de opzending naar een werkhuis, hoezeer in een strafwetboek geregeld, voldoen niet aan voormeld begrip van straf.
Do in n. 2â5 te noemen andere mogelijke rechtsgevolgen van strafbare feiten zijn, naar hun begrip, van straf onderscheiden. Daarom gelden ook de algemeene leerstukken van strafrecht â zoo ook verjaring, gratie â daarvoor uit zich-zelve niet. Daarom zijn de bepalingen die ze regelen niet âstrafbepalingenquot; (a. 3 al. uit. Inv.w.). Daarom kunnen ze nevens strafoplegging worden toegepast.
2. De privaatrechtelijke verplichliiKj tot vergoeding van geleden nadeel (a. 1401â1416 B. W.) beoogt niet het toebrengen van een bijzonder leed; alleen, het slachtoffer te ontheffen van den last der natuurlijke gevolgen van het feit2). Mede waar zij rechtstreeksch herstel van ideëel nadeel bedoelt, zooals bij beleediging (a. 1408 v. B. W.). Daarom ook is hare vervulling
i 41. ') Vg. boven blz. 8. â Zio over de vermoedelijko afleiding van het woord, dat voor 'teerst in de latere middeleeuwen voorkomt en wellicht met oijw/ftv samenhangt, Z. f. d. ges. Sw. V. 516.
5) Hierover Binding, Normen 1 ^ 40, 41. Busse bijquot; beleediging en mishandeling Dwb. § 188, 231; daarover een uitvoerige literatuur; o. a. Doohow, die Busse (1875).
1. 20
393
§ 41. HET FOUMEEL BEGRIP VAN DE STKAP.
niet noodwendig aan den persoon des daders gebonden en vervalt zij niet mot zijn dood3). Materieel-rechtelijk en processueel zijn straf en verplichting tot vergoeding zelfstandig, behoudens een beperkte uitzondering in 't procesrecht '). Prac-tisch kan en moet tusschen straf en schadevergoeding als middelen van repressie veel nauwer band worden gelegd; door den veroordeelde ook voor de vergoeding te doen arbeiden en door maatregelen ten zijnen gunste aan het betalen van vergooding als voorwaarde te binden ^).
3. Dwangmiddelen, administratieve of jadicieele, beoogen direkt of indirekt, te bevorderen het feitelijk herstel van den veroorzaakten onrechtmatigen toestand. Zoo terugbrengen van een deserteur (a. 402 W. v. K.); amotie of demolitie (a. 180 Gom.w.); medebrenging en gijzeling van weigerachtige getuigen (a. 117 liv., a. 158, 1G6 Sv.).
4. Preventieve politiemaatregelen, hoezeer tengevolge van een strafbaar feit toegepast, beoogen uitsluitend voorkoming van herhaling; niet tevens toevoeging van een leed aan den dader. B.v. hot doen uiteengaan van een vergadering na misdrijf (a. 22 W. v. 22 April 1855, S. 32); uitzetting van wegens bedelarij veroordeelde vreemdelingen (a. 5 Inv.w.); verwijdering van een verbodsovertreder uit de rechtszaal (a. 24 Rv., a. 151 Sv., vg. ook a. 289 Sv.) ; vernietiging van voorwerpen waarmede een delikt gepleegd is (a. 219 al. 2 Sv.).
5. Tuchtmiddelen, disciplinaire straffen zijn niet zoo gemakkelijk van straf te onderscheiden. Te minder omdat reeds nu somtijds gelijksoortige maatregelen als straf en als tuchtmiddel dienst doen: lichamelijke tuchtiging, opsluiting, ontneming van rechten, degradatie, berisping. Naarmate het begrip dor straf ruimer wordt, zal de grenslijn minder scherp worden.
') Art. 1415 B. W.; andera voor de actie v. a. 1409 B. \V.
4) Art. 3â5, 202 vg. Sv.
5) Bulletin de 1' Union Intern, de Dr. Pén. Vol. II, III. â Zie ia Avant-Projet d' un G. P. Suisse a. 22, 29, 46, vermeld in T. v. S. VIII, 374. â Zie a. 21 W. o. h auteursrecht v. 28 Juni 1881, S. 124 (afgifte van verbeurdverklaarde exemplaren aan den benadeelde). In de \V. v. 1817 droog hier de strat bepaald een privaat karakter.
394
HET PORMÃEL BEGRIP VAN UE STRAF. § 41.
Vooralsnog is èn ingevolge de traditie èn ingevolge het positief recht die onderscheiding te maken 6). Hare noodzakelijkheid is o. a. neergelegd in de bepaling van a. 3 ai. uit. der Invoeringswet, dat van de daarin vervatte regeling omtrent afschaffing en handhaving van strafrechtelijke bepalingen de âdisciplinaire voorschriftenquot; uitsluit.
De strekking der tuchtmiddelen is niet handhaving dei-openbare rechtsorde; maar verzekering van plichtsvervulling binnen een bijzonderen rechtskring.
Zij zijn toe te passen in publiekrechtelijk c/eoryaniseerde kringen, zooals in ambtelijken dienst, bij leger en vloot, onder de bevolking van gevangenissen en analoge gestichten. â Maar ook in andere kringen, als het gezin, de kerk, onder de bemanning van een vaartuig; waarbij do bevoegdheid tot toepassing wettelijk erkend is, óf naar 't gemeene recht, öf in bijzondere voorschriften.
De aanwijzing der tuchtmiddelen en hunne toepassing behoeft niet speciale regeling in de wet. Zij kan, krachtens eene algeineene wettelijke of wettige bevoegdheid in reglementen of instructiën zijn neergelegd of overgelaten aan het vrije oordeel van het gezag.
Hunne toepassing is niet gebonden aan het begaan van vooraf wel omschreven feiten ; een niet-plichtmatig gedrag is in 't algemeen voldoende.
Niet aan den strafrechter is de toepassing opgedragen , doch aan het gezag dat in iederen kring heerscht. De rechterlijke macht vormt zelve dat gezag in haren eigen ambtelijken kring; zij kan ook elders hot toezicht oefenend gezag zijn, b.v. bij 't notariaat.
395
Het onderzoek naar de begane plichtverzaking is niet aan de regelen van het strafproces gebonden; het gezag heeft hier
f') M. de Pinto, Bijdrage tot de leer der disciplinaire bestraffing (1867). Scherpe formuleering van het onderscheid bij J. A. Levy, De Amsterdamsche kerk-tuchtzaak naar rechten (1886) 6. â Wat bij Daitsche schrijvers âOrdnungsstrafenquot; heeten, bv. tegen ambtenaren v. d. burg. stand, tegen weigerachtige getuigen, zijn naar ons recht gewone straffen.
§ 41. HET FOHMKRL BEGItlP VAN DE STRAF.
formeel volle vrijheid, tenzij de wet of reglementen regelen hebben gesteld.
Cumulatie van straf- en tuchtmiddel voor 'tzelfde vergrijp â dus ook tuchtoefening na verjaring van de straf of gratie â is niet uitgesloten, noch in theorie, noch door de wet 1). Tenzij in 't volgende geval.
Krachtens bepaalde wettelijke regeling, zooals h. t. 1. voor leger en vloot, kan voor een strafbaar feit aan het gezag de keuze zijn gelaten tusschen disciplinaire afdoening of strafrechtelijke vervolging, met volstrekte uitsluiting van 't niet gekozen middels).
Cumulatie van disciplinaire bestraffingen voor 'tzelfde vergrijp indien iemand onder meer dan één tuchtverband staat, is ook rechtens denkbaar.
De algemeene leerstukken van strafrecht gelden bepaaldelijk ook bij deze bestraffingen uit zicli zelve nietquot;).
Voorbeelden van regeling der disciplinaire machtsuitoefening hier te lande zijn:
1. bepalingen betreffende afzetbare ambtenaren (voor rijksambtenaren verschillende Kon. Besl. en instructiën, b.v. politie K. B. 17 Dec. 1851, S. 166, 11 Nov. 1856, Sb. 114, gew. 15 Mei 1893, S. 84; voor prov. ambtenaren a. 156 Pr.w.; voor gem. ambtenaren a. 179q, 191 Gein.w.);
2. de reglementen van discipline voor het krijgsvolk te water en te lande (boven § 13, blz. 108);
3. de bijzondere bepalingen voor 't ontslag van officieren fa. 21v. W. v. 28 Aug. 1851, S. 126; a. 26 v. W. v. 28 Aug. 1851, S. 128);
4. de voorschriften der wet op de Rechterlijke Organisatie (a. 11, 13, 14);
5. het reglement, van orde en discipline voor de advocaten en procureurs, en dat op de organisatie der deurwaarders (Reg). Ill, IV a. 14j0. 96, 271, 845 W. v. Rv.);
6. de bepalingen omtrent het toezicht op de notarissen (a. 50 v. Notariswet);
7. de onderwijswetten (a. 17 H. O.; a. 29 M. O.; a. 29 v., 53 L. O.);
8. de bepalingen omtrent de tucht in de gevangenissen, rijksopvoe-
396
1
) M. de Pinto 1. o.; v. Liszt $59 IV; Teixeira do Mattoa in W. 4725; zie daarentegen opmerkingen in W. '1723, 4740, 4756.
STRAFMIDDELEN. ALGEMEENE OPMERKINGEN. § 42.
dingsgestichten en rijkswerkinrichtingen (a. '20â23 , 28 W. op de beginselen v. h. gevangeniswezen; a. '107â116 K. H. v. 31 Aug, 1886 betr. de gevangenissen; K B. v. 20 Januari 1887, S. 19, houdende een Regl. v. lucht voor de rijkswerkinrichtingen;
9. de Wet omtrent de tucht op de koopvaardijschepen (W. v. 7 Mei 1856, S. n». 32, aangevuld bij W. v. 13 Nov. 1879, S. 190);
10. het alg. regl. op den loodsdienst (a. 82, 83 K. B. 23 Jan. 1879, S. 25);
11. de wethsepalingen omtrent makelaars (a. 71, 72 W. v. K.);
12. de artikelen van het Burgerlijk Wetboek omtrent de «correction paternelle» (a. 357 v., 442 B. W.);
13. do inwendige reglementen omtrent de kerkelijke tucht.
§ 42. Strafmiddelen. Algemeene opmerkingen1).
]. âHet eenig doel der straf is handhaving van de rechtsorde. Zij kan dit bereiken; tegenover den dader door af te schrikken, te verbeteren, onschadelijk te maken; tegenover andoren; door af te schrikken, door bet ideëel nadeel te herstellen. Zij moet dit doen binnen de grenzen der noodzakelijkheid en met eerbiediging van de wezenlijke belangen der gestraftenu.
Bij de keuze der strafmiddelen moeten deze opvattingen richtsnoer zijn. Naar wat daarin ideau! is, worde voortdurend getracht; toch zal het wegens de eischen der noodzakelijkheid dikwijls niet te bereiken zijn. Hieruit volgt dat de keuze wel verschillen moet naar tijden, landen, omstandigheden, in verband met de innerlijke kracht der rechtsorde, de uitwendige kracht van den staat, de heerschende rechtsbegrippen.
2. In de historische ontwikkeling der straf hebben tot in 't laatst der vorige eeuw vooral twee hoofdgedachten tot een keur van wreede levens-en lijfstraffen geleid ; de afschrikkingsidee en de vergeldingsidee met hare symboliek.
Naar de tegenwoordige opvattingen gelden voor eene goede keuze de volgende beginselen; a. de straf mag haar karakter van gevoelig leed nooit inboeten, ofschoon, waar het doel door
| 42. i) Vg. mot dezo ^ boven ^ 5 passim, bop, blz. 33 vg., 36.
397
398 § 42. STRAFMIDDELEN. ALGEMEENE OPMERKINGEN.
minder ingrijpende maatregelen evenzeer bereikbaar is, deze den voorrang hebben; h. een strafmiddel met betrekkelijke voordeden, kan toch om zijne specifieke mdeelen verwerpelijk zijn; c. het stel der gezamenlijke strafmiddelen, het strafstelsel, moet door zijne eenvoudigheid en door zijn samenhang onderlinge vergelijking en vervanging dor strafmiddelen mogelijk maken; d. die strafmiddelen zijn de beste waardoor de veelzijdigheid van het doel der straf het meest tot haar recht komt; e. een strafmiddel moet door zijne qualita-tievo en quantitatieve deelbaarheid gelegenheid geven dat bij de toepassing rekening worde gehouden met de schakeeringen der schuld en den aard der individuen; f. een strafmiddel moet door zijne herstelbaarheid zooveel mogelijk de gelegenheid geven tot horstel bij rechterlijke dwaling; g. van een strafmiddel moet zekerheid in de toepassing gewaarborgd zijn , doordat het noch uitwendig aan onuitvoerbaarheid, noch innerlijk aan strijd met de volksovertuiging lijdt; h. een strafmiddel mag rechtstreeksch alleen den schuldige persoonlijk treffen; i. een strafmiddel dat vernietiging van de physieke persoonlijkheid medebrengt is niet dan bij wezenlijke noodzakelijkheid toe te laten, een dat vernietiging van de zedelijke persoonlijkheid medebrengt, nooit.
§ 48. De doodstraf1).
1. De doodstraf is èn als overblijfsel uit de periode van wraak en veete, èn als afdoend verdedigingsmiddel tegen gevaarlijke personen van zelf in het oude strafrecht de hoofdstraf geworden bij zware misdrijven. Zij vooral werd door afschrikkingsleer en vergeldingsleer gehandhaafd en verscherpt. Bij de hervormingsbeweging der 18e eeuw vond ook zij prin-cipieele bestrijding. Wel heeft die beweging een enkele maal
§ 43- ') Hetzel, dio ïodesstrafe in kulturhistoriacher Entwicldung (1869); Holt-zendorff, Diis Verbreclien d. Mordes u. die Todesstrafe (1871); d'Olivecrona, De la peine de mort (2° ed. Paris 1892); de Mantel, Etude ethnographique sur la peine de mort (1894); de M. v. T. voor onze Wet van 1870 en de Eede van min. Modderman bij ons Swb. (afz, uitgegeven 1881); waartegen Pfotenhauer (1882).
DE DOODSTRAF. § 43.
tijdelijke afschaffing bewerkt (Toscane 17S()â1795) 1); haar groote verovering op dit punt was echter alleen verwijdering der wreede executievormen en vermindering van het aantal capita,le misdaden. Intusschen is sints dien tijd tusschen voor-en tegenstanders een strijd ontstaan die, vooral waar zij principieel werd gevoerd (vergelding eenerzijds, onschendbaarheid rechtens van het leven anderzijds), tijdperken van groote heftigheid heeft gekend 2).
2. Alleen onafwijsbare noodzakelijkheid ter afschrikking en ter onschadelijkmaking, kan de doodstraf rechtvaardigen. Zij mist de karaktertrekken van een goed strafmiddel te zeer. De grens tusschen haar en de andere straffen, tusschen dood en leven, is absoluut. Zij snijdt den veroordeelde den weg af, om tot een in de rechtsorde passend leven terug te keeren. AVegens onbekendheid van het post mortem past zij kwalijk in de hand der menschelijke gerechtigheid. Hot wel overlegd ter dood brengen door de overheid werkt op het zedelijk denken en voelen der bevolking ongunstig, wekt afkeer, misplaatst modelijden, ruwheid van opvattingen en zeden. Het hier wegens de hevigheid der straf ruim aangewend gratie-recht vermindert de zekerheid van hare toepassing. Zij is onherstelbaar. Bovendien is haar afschrikkende kracht, bepaaldelijk tegenover impulsieve handelingen, hoogst twijfelachtig.
3. Nederland kende haar onder zijn eigen recht (1S09) en onder het Fransche. Een aanzienlijke vermindering van het aantal misdaden waartegen doodstraf gesteld werd, bracht de hervormingswet van 1854, rechtstreeks en zijdelings '). De geheele afschaffing werd voorbereid door een krachtige openbare meening, door zeld-
399
1
) De tijdelijke vervanging in Oostenrijk (Joseph II, 1787) beoogde scherper af-Bohrikking.
2
) Litt. uit do lo helft d. eeuw bij v. Deinae Alg. Beg. 373; die uit do 2e heifin M. v. T. voor onze W. v. 1870. Ook Modderman, De hervorming onzor straf-wetg. (1863) 112. â Geschriften v. Mittermaier (1862), Berner (1861), John (1867), Ducpétiaux (1865), Haus (1867), Pfotenhauer (1863), Sheldon (1861). Vereenigin-gen ter bevordering der afschaffing in Engeland en Belgie (1863â1806); in Frankr. vooral do onvermooide abolitionnist Ch. Lucas (sints 1827â-1870). â H. t. 1 vooral van Bommelen (o. a. populaire voordracht 1864/65), A. de Pinto (in W.).
§ 43. DE DOODSTRAF.
zaamheid van executiën, later (sints 1861) door geregelde gratie. De formeele afschaffing volgde bij de wet v. 17 Sept. 1870, S. 162. Deze werd door de Regeering uitsluitend verdedigd op grond van hare niet-noodzakelijkheid 1). Zij gold voor de âburgerlijkequot; strafwetgeving onbeperkt; voor de militaire alleen âten aanzien van misdrijven in tijd van vrede en niet voor den vijand gepleegdquot;; en van deze laatste werden nog uitgezonderd âalle gevallen van oproer, opstand, zamenzwe-ring, zamenrotting of muiterij, voorzien bij artt. 85 tot 92 Cr. Wb. voor het krijgsvolk te water, voorzoover deze misdrijven aan boord worden gepleegd in volle zee of in den vreemde, ook in tijd van vredequot;. Dit is nog de rechtstoestand (a. 3, 9 Inv.w.). Bij de behandeling van het Wetboek is een amendement tot invoeging van de doodstraf, na uitnemende bestrijding door den minister Modderman, verworpen6). De voorstanders wilden vooral het recht van den staat op dit punt in de wet erkend zien.
4. Van de andere Europeesche staten hebben thans in hunne burgerlijke wetgeving de doodstraf afgeschaft2): Rumenië (1834); Portugal (1867); Italië (1890, Toscane reeds 1847â1852 en 1859); San Marino (1848); de Zwitsersche kantons, behalve Appenzell i. Rh., Obwalden, Uri, Schwyz, Zug, St. Gallen, Luzern, Wallis3); voor vrouwen Montenegro. Voorts in enkele staten van N. eu van Z. Amerika. Ook is afschaffing voorgesteld in de avant-projets voor Noorwegen (1892) en den Zwitserschen Bond (1893). â In Rusland is (sints 1754) de doodstraf vervallen voor niet-politieke misdaden (behalve voor vergrijpen tegen quarantaine-voorschriften in geval var. pest).
400
1
) Uitnemende M. v. ï. Hand. S. G. 1869/70 Bijl. nquot;. 80, blz. 785, 1513, 1564; beraadsl. 2' K. 1418, 1° K. 561; aid. aangenomen 20 tegen 18 st. â Veroordeelingen wegens ex-capitale misdrijven zijn na 1870 niet toegenomen. Vg. Modderman bij Smidt I 180(193), de Pinto W. 5241; Revne penitentiaire 1894, â 103. De doodstraf gehandhaafd in ontw. Milit. Swb. Hierover Domela Nieuwenhuis T. v. S. VIII, 210.
2
0) Smidt I, 155 (168), Modderman's rede 166 (179; vg. boven noot 1). Verwerping van 't amend. Bichon v. IJsselmonde c. s. met 41 tegen 21 Rtemmen.
') Zie in La législation pénale oomparée (Berlin, Liebmann 1894).
3
) Vg. Stoosz, Die Grundzüge d. Schweiz. Strafr. 285; na de daar (298) vermelde laatste executie v. 1868 heeft nog ééne plaats gevonden in 1892 (Luzern).
DE DOODSTRAF. § 43.
In Duitschland, Wciar na de verklaring der Nationale Vergadering te Frankfort (1848) onderscheiden staten haar afschaften , ten deele echter weder invoerden, werd bij de vaststelling van het Wetboek van 1870 in tweede lezing de afschaffing aangenomen, doch bij do derde lezing daarop teruggekomen 9). In vele landen (b.v. België, Noorwegen) is zij door langdurige niet-toepassing geheel in onbruik geraakt. Overal zijn de gevallen waarin ze bedreigd is, verminderd; 't hoofdmisdrijf blijft moord; nu ook gemeengevaarlijke aanslagen met ontplofbare stoffen 10).
5. De wijze van executie verschilt. In sommige staten (Frankrijk, Duitschland, Zweden, Finland) onthoofding; in andere (Engeland, Rusland, Oostenrijk) ophanging; in enkele (Servië, Montenegro) fusilleeren; in Spanje verworging (garotte); in New-York dooding door electriciteit quot;). Hier te lande gold sints de wet van 1854 alleen ophanging boven een valluik; te voren (Wb. v. 1809 en Souv. Besl. v. 1813) wettelijk strop en zwaard, feitelijk alleen het eerste middel l2).
De executies zijn van ouds openbaar. In sommige landen geschieden zij, m.i, terecht, intra muros l3).
§ 44. Andere lijfstraffen ').
1. De lijfstraffen, verminkende en niet verminkende, werden als middelen van afschrikking en van, meestal symbolische, vergelding, in het oude Europeesche strafrecht kwistig bedreigd. â De verminkende vervielen na de hervormings-
9) Voor de doodstraf redo v. Bismarck i. d. Rijksdag, 23 Mei 1870.
10) B. v. Buitsche Wet v. 9 Juni 1884; Fransche Wet v. 2 April 1892.
quot;) Lhoye, La mort par dóoapitation (Paris 1888). â Mac Bonald, The infliction of the death penalty by means of electricity (1892).
12) Vg. Modderman, De hervorming onzer strafwetgeving 1. c. 138 v.
,3) Engeland, Rusland sints 1881, Duitschland ? 486 Strpr.O., Noorwegen, Finland. Een in Frankrijk door den Senaat (1885) aangenomen ontwerp van gelijke strekking is 19 Mei 1894 door de Chambre des Députés verworpen. Vg. Revue pfnitentiaire 1894, 272, 924.
5 44- ') Over de mogelijke beteekenis der lijfstraf in het nieuwere strafrecht Mittelstfldt, Gogen die Freiheitstrafen (1879) en de naar aanleiding daarvan verschenen strijdschriften (Z. f. d. g. Sw. 1, 480). â Schmölder, die Körperl. Znchtigung (1892); Lanz, Die Priigolstrafe insbesondere ein Strafmittcl für Jugendlichen (1893).
401
§ 44. ANDERE LIJFSTRAFFEN.
beweging van 't einde der vorige eeuw. In den Franschen Code van 1810 bleef nog bij vadermoord de handafkapping onmiddellijk vóór de executie (a. 13); eene verscherping, in Frankrijk wettelijk vervallen in 1832, hier te lande in 1854 1). Do niet-verminkende geeselstraf bleef nog in de eerste helft dezer eeuw een geregeld strafmiddel.
2. Van physiologisch gezichtspunt is niet te ontkennen èn dat de vrijheidsstraf evenzeer physiek lijden meebrengt, èn dat tusschen z.g.n. physiek en psychisch lijden generiek onderscheid niet bestaat, èn dat sommige personen alleen voor rechtstreeksch physiek lijden gevoelig zijn 2). Nogtans zijn de lijfstraffen onaannemelijk. Zij maken eer den indruk van machtsuitoefening dan van rechtsbedeeling. Zij missen iedere kiem van zedelijke verheffing. Zij verlagen en verbitteren den gestrafte; zij verlagen de rechtsopvattingen der bevolking; zij vorderen een verlagenden beulsdienst. Het geloof aan hare afschrikkende kracht is door de historie gelogenstraft. De onvermijdelijke ongelijkheid in den druk der straf werkt hier veelal in de slechtste richting. Ook hangt de scherpte der straf te veel af van een niet te controleeren tenuitvoerlegging.
8. In Nederland kende liet Wh. v. 1809 (a. 32) geeseling en brandmerk; de geeseling verviel door den C. P. (1811); zij werd hersteld door 't Souv. Besl. v. 1813. Beide straffen waren niet opgenomen in 't strafstelsel der niet ingevoerde ontwerpen v. 1839â1847; een voorstel tot partieele afschaffing in 1848 werd verworpen door de le Kamer3); beide straffen vervielen intnsschen uit het gemeene strafrecht door de hervormingswet v. 1854 (a. 3, 24); wegens het nominaal voortbestaan van de lijfstraf in enkele oude wetten volgde een algemeene afschaffingsformule in de Wet v. 4 April 1870, S. 56; uitbot militaire recht verdwenen de lijfstraffen door de wetten v. 14 Nov. 1879. Het Swb. kwam hierop natuurlijk niet terug 4).
402
1
) Modderman, De hervorming onzer strafwetgeving 1. c. 147.
2
:l) Dr. Dallemagne, La peine corporelle et ses bases physiologiques (Brussel 1894).
3
) Ontw. 2 Juni 1848; Hand. S. G. 1848, 334,423,457. Vg. Modderman 1. o. 12 v.
4
s) Toch waren er toen âwarme voorstandersquot;, Smidt I, 156 (168).
ANDERE LIJFSTRAFFEN. § 44.
Als mogelijk tuchtmiddel voor gevangenen is de lijfstraf onder de tegenwoordige wetgeving, niettegenstaande hevige bestrijding, aangenomen, doch alleen voor de strafgevangenis te Leeuwarden quot;).
4. Met het oog op 't (niet-militaire) strafrecht in Europa worde drieërlei toepassing onderscheiden.
Als strafmiddel tegenover volwassenen bestaat do lijfstraf in Engeland en Ierland krachtens de Garotters-Act van 1863 7), ook in Montenegro (bastonnade) bij diefstal.
Meer verspreid is zij in lichteren vorm als tuchtmiddel tegen jeugdige delinquenten tot 16 of 18 jaar. Aldus in Groot-Brittanië , Ierland , Denemarken, Noorwegen , Zweden 8). Bij deze toepassing verliezen ongetwijfeld vele der genoemde bezwaren aan boteekonis. Nogtans zijn voor een land waar deze strafoefening geheel onbekend is, liever andere middelen te beproeven (schoolarrest).
Al uiterste tuchtmiddel in gevangenissen is de lijfstraf nog in vele staten hekend, doch terecht van bevoegde zijde in beginsel krachtig bestreden 9).
§45. Verbanning, deportatie, transportatie, r elegatie.
1. Eenvoudige uitbanning buiten land of stad was in het oude strafrecht een veelvuldig aangewende straf. Bij het toenemend internationaal verkeer moest zij vervallen; èn omdat de internationale verstandhouding haar verbiedt, èn omdat zij veel van hare scherpte verloren heeft. Hier te lande gold zij onder den 0. P. voor enkele delikten, vooral togen ambtenaren en geestelijken '); ook nog naar de, nu door
«) A. 22 Beginselen W.; a. 116 Alg. Regl. Smidt IV, 604, 631. A. A. dePinto, Bedenkelijke reactie op strafrechtelijk gebied (1886, ook W. 5241). SchaalT, Do lijfstraf als disciplinaire straf (Pr. 1886).
') 26/27 Vict, o. 44, s. 1. â Vg. Législation pönale oomparCe (1894) 655. fl) Over Engeland v. Loyden T. v. S. VII, 381. gt;
il) Vg, boven noot 6. â Dit tuchtmiddel veroordeeld op de intern, pornitentaire congressen v. Londen (1872) en Stockholm (1878).
f 45. ') C. P. a. 32, 33, 35, 102, 110, 115, 124, 155,158, 160, 202â204,208,229.
403
§ 45. VERBANNING , DEPORTATIE ENZ.
a. 355 Swb. vervangen bepalingen der Wet o. d. ministerieoio verantwoordelijkheid van 22 April 1855, S. 33. In enkele Europooscho landen bestaat zij nog 2). â Als administratieve maatregel bestaat overal uitzetting van vreemdelingen 3).
2. Deportatie, transportatie, relegatie bestaan alle in overbrenging naar een bepaald oord van ballingschap in een verwijderd, meestal ovorzeesch, gedeelte van het staatsgebied 4). Als straf heeft zij groote beteekenis voor uitgestrekte rijken, zooals vroeger 't Romeinsche rijk, thans Rusland; en voor koloniale mogendheden. Haar doel is allereerst verwijdering van gevaarlijke elementen; dan het scheppen van gelegenheid tot een ordelijk leven in een nieuwe omgeving; nevendoel het bevorderen van kolonisatie. Zij is bekend in de genoemde drie hoofdvormen, 't scherpst onderscheiden in de tegenwoordige Fransche wetgeving: deportatie, levenslange verwijdering, meestal tegen politieke misdaden , als verscherpt bannissement (bepaalde gedeelten van Nieuw-Caledonië); transportatie, net zwaren dwangarbeid in 't oord van ballingschap (Guyana, Nieuw-Caledonië) en verplicht verblijf ook na't einde der straf, als poena morti proxima bij zware misdaden; relegatie van tot lichtere straffen veroordeelden, als bijkomende straf na 't einde van hun straftijd , bepaaldelijk met het doel van kolonisatie , zooals in Frankrijk ten aanzien der recidivisten (Guyana , N.-Caledonië)5).
In Engeland bestond de deportatie of transportatie, vooral
â ) In Frankrijk (bannissement), Spanje, Montenegro; in Oostenrijk en rmilsch-land alleen tegenover vreemdelingen.
3) Vg. a. 9, 10, 13 W. v, 13 Aug. 1849, Sb. 39; ook a. 5 Invw. j0. a. 19 W. 29 Juni 1854, S. 102. â In de koloniën ook uitzetting van nationalen, mits aldaar niet geboren; a. 45 Ind. R. B.
4) v. Holtzendorff, Die Deportation als Strafmittel (1859); van den Velden, Deportatie in verband met strafrecht en het koloniaal belang (1861); Beltrani Scalia, La deportazione (1874); Actes du CongrÃs Pén. de Stockholm v. ^TSiNe-derburgh, Beschouwingen over transportatie en relegatie, vooral in verband met kolonisatie (Pr. 1890).
6) Deportatie: a. 17, 82, 84, 94, 98, 124, 198, 200, 205 C. P.; W. v. 8 Juni 1856; dép. dans une enceinte fortifiée en dép. simple. Transportation als vorm v. tenuitvoerlegging der travaux foreés W. v. 30 Mei 1854 en een Decreet v. 1863. lleléyation collective ou individuelle W. v. 27 Mei en Decreet v. 26 November 1885. â Overzicht bij Rivière in La législation pénale comparée (1894) 10, 13.
404
VERBANNING, DEPORTATIE ENZ. § 45.
naar Australië (1786â1857), in haren bloeitijd in het wegzenden, met latere of ook dadelijke voorwaardelijke in vrijheidsstelling, van veroordeelden voor wie het moederlai-d geen gevangenissen had. Met hare vervanging door âpenal servitudequot; is zij feitelijk geheel vervallen 1).
Rusland kent de deportatie naar Siberië vooral als dwangarbeid (Katorga); voorts nog in lichtere vormen 2).
3. Deze straf biedt schijnbaar groote voordeden, doch heelt nog grooter gebreken. Komt zij neder op het houden van over-zeesche tuchthuizen, bepaaldelijk voor veroordeelden tot zware straffen, dan is eene goede organisatie uiterst kostbaar. Beoogt zij, op ruimer schaal aangewend , bevordering van kolonisatie, dan stuit bovendien haar goede werking af op de ongeschiktheid of de gevaarlijkheid van vele getransporteerden en op den tegenstand der vrije kolonisten. Daarom moest Engeland haar opgeven; daarom wast in Rusland de tegenstand. Ook in Frankrijk is de uitkomst verre van onbetwist gunstig3). Het Penitentiair Congres van Stockholm oordeelde over deze straf ongunstig. Een deportatieoord voor arbeid van Europeanen geschikt en gunstig gelegen, is natuurlijk eerste voorwaarde.
4. In Nederland zijn in de 17C en 18e eeuw enkele transportation van misdadigers voorgekomen. Het heeft de straf der deportatie onder den C. P. slechts in naam gekend. Intus-schen is het vraagstuk er herhaaldelijk ter sprake gebracht in parlement en literatuur. Als straf op zware misdaden is zij reeds wegens 't gering aantal der daarvoor veroordeelden om de practische en financieele bezwaren niet aannemelijk. Voor ruimer toepassing is zij 't evenmin, reeds wegens de tropische ligging onzer koloniën en het ontbreken van een geschikt deportatieoord aldaar. Terecht is dan ook deze straf in 't Swb.
405
1
) 20, 21 Vict. c. 13 (1857). Wettelijk bestaat de bevoegdheid nog. â Overzicht bij Nederburgh 1. c. 1. vg. v. Duyl, Ue voorw. invrijheidstelling (Pr. 1881).
2
') Foinitzky in La legislation oomparée 1. c. p. 538 v.; ladrintzéw, La Sibérie comrae colonie (1882).
3
) Voor Rusland, zie Foinitzky 1. c. Voor Frankrijk o. a. H. Joly, Le combat contro le crime 108; hier ligt de fout ook in de tegenwoordige organisatie.
§ 46. DE VRIJHEIDSSTRAFFEN.
niet opgenomen, al schijnen niet alle in de M. v. T. tegen haar aangevoerde gronden afdoende quot;).
§46. De vrijheidsstraffen1).
1. De vrijheidsstraf treft de vrijheid van beweging door den veroordeelde binnen een gevangenis in te sluiten en zijn leven aldaar onverpoosd aan vaste regelen van tucht streng te binden; in den modernen vorm met verplichting tot beloonden arbeid.
Zij heeft zich eerst kunnen ontwikkelen bij het afnemen van dood- en lijfstraffen. Toch bestonden in de middeleeuwen en in do 16e en 17e eeuw, daargelaten de kloostergevangenissen, gevangenissen in torens, poorten, kasteelen, wel voornamelijk ter bewaring van beschuldigden en ter dood veroordeelden, toch ook als plaatsen voor het ondergaan van vrijheidsstraffen, of wel zeer korte, of voor bet leven. De verdere ontwikkeling der straf uit deze onbeholpen vormen heeft in alle landen een rijke, en een eigen geschiedenis. Alleen op de voornaamste punten van algemeene beteekenis worde hier gewezen.
2. De hehandeling van de gevangenen was maar al te dikwijls, ook in de latere tuchthuizen, onmenschelijk. Tot verzachting hebben hier de geestelijken (St. Vincentius a Paolo
9) Over de vroegere transportatien v. d. Velden 1. c. 2. â Over C. P. zie noot 5; vg. voorts a. 10 W. 29 Juni 1854 S. 102 en 25 Deo. 1860, S. 102. â Parlementaire bespreking bij do wetsontww. v. 1839, 1817, 1859 en bij do afsohafF.ng der doodstraf. Litt. zie noot 4 , en over een mogelijk deportatieoord , adres v. Vlissingen c. s. betreffende Europeesche kolonisten in N. I. (nitg. 1858); nota v. Dr. Wijnmalen over cene correspondentie tusschen de departementen v. koloniën en justitie in Hand. Indisch Genootsch. 1875, 32 v., (ook uitgegev. 1875) en de Pinto, ïhemis 1876, 100. â Bij 't Swb. uitvoerig, Smidt I, 149 (161).
? 40 ') v. Holtzendorff u, Jagernann, Handb. d. Gefangnisswesens 2 dln. (1888); Krohne (Lehrb. d. Gefangnisskunde (1889, zeer aanbevelenswaardig; litteratuuropgave aid. XV). De handelingen der internationale penitentiaire congressen: London 1872 (Pears, Prisons and Reformatories at home and abroad); Stockholm 1878 (Le congrès pénit, etc.); Rome 1885 (Actes du C. etc.); St. Petersburg 1890 (Actes du C. etc.). In de Actes du G. d. Rome (II, 1) Notices historiques sur la réforme penitentiaire et 1'6tat des prisons dans les différents pays depuia le commencement du siècle. â Tijdschriften: Revue Penitentiaire, Bulletin de la Socióté gén. des prisons (Paris sints 1877); Eckert, Blatter f. Gefangnisskunde (sints 1864); Beltrani-Scalia, Rivista de discipline carcerarie (sints 1868).
406
DE VRIJHEIDSSTRAFFEN. § 46.
1619) een weldadig werk verricht. Ook philantropen, wijs-geeren , criminalisten uit de 17°, vooral uit de 18e eeuw''zie § 6) kwamen er tegen op. Maar een wereldhervormende invloed is hier uitgegaan van den Engelschman John Howard (f 1790), in wiens streven do kiem der geheele volgende hervorming vervat is J).
Bijzondere gehouwen als tucht- eu werkhuizen werden in de 17e en 18e eeuw in vele landen op- of ingericht. Allereerst die van Amsterdam (1595) en van de Hanzesteden. Maar als eerste voorbeelden in Europa van systematischen gevangenis-bouw met penitentiaire bestemming gelden het verbeterhuis voor jongens S. Michele te Rome (1703, Clemens XI) en bot uitnemend ingerichte tuchthuis te Gent (1775, Vilain XIV, Maria Theresia).
Voor alle hervorming was noodig dat der gevangenisstraf een eigen doel werd gesteld, niet enkel ter bewaring en afschrikking, maar ter opheffing en verbetering, bovenal door stelselmatige tucht en arbeid. â Arheidsdwang dus uit dat beginsel; niet, als bij de in sommige landen bekende âgaleienquot;, in 't economisch belang van vorst of staat. En ook dit beginsel vond zijn eerste uitdrukking in de tucht-, rasp- en spinhuizen van Holland en de Hanzesteden; bestemd mede om bedelaars, vagebonden, publieke vrouwen en de voor misdaad opgroeiende jeugd aan een arbeidzaam leven te gewennen. â Aan dit doel stond voorts wel niets meer in den weg dan de opsluiting in gemeenschap van zoovele verdorven of tot verderf neigende elementen. De âvrije kamerquot; tegen betaling (pistole) was eene onrechtvaardigheid te meer. Do veel voorkomende afzondering van zeer gevaarlijke personen was meer een maatregel van veiligheid eu tucht. Doch in de betere gestichten ontstond, naast de reeds bestaande afsluiting naar het geslacht, ook die naar den leeftijd; en de genoemde gestichten van
!) Howard, State of prisons in England and Wales with preleminary observations and an account of some foreign prisons (1777). â Dixon, Life of Howard (185-1); Bellows, John Howard in âPrisons and reformatoriesquot; (1872); Pols, Ilede in de Alg. Verg. v. h. Prov. Utrechtsoh Gen. 1893.
407
§ 46. DE VRIJHEIDSSTRAFFEN.
Rome en Gent waren op nachtelijke afzondering ingericht.
liet bewuste streven naar voorschreven doel vond echter zijn zuiverste uitdrukking eerst in de onderscheiden yevatigenisstel-sels en den strijd tusschen hunne voorstanders.
Het stelsel van afzondering bij dag on nacht, 't cellulair stelsel, ontstond in N. Amerika, in den Quakerstaat Pensyl-vanië (Pensylvanisch stelsel). De hervormingsdenkbeelden waren daar door Benjamin Franklin uit Europa gebracht. De door hem (1776) gestichte Philadelphische Prison-Society drong uit een ascetisch beginsel aan op âunremitted solitudequot;, trouwens met arbeid, voor verharde misdadigers; wat krachtens eene wet (1790) verwezenlijkt werd in cellen aangebracht in de gevangenis van Wallnutstreet (solitary system)1). Tegen die puriteinsche strengheid reageerden vereenigingen in Boston en New-York door, nevens afzondering bij nacht, het zwaartepunt te zoeken in de psychische afzondering, in het verplichte zwijgen bij den gemeenschappelijken arbeid; wat (1820) verwezenlijkt werd in het tuchthuis te Auburn (Auburnstelsel, silent system). Intusschen ging men in Pensylvanië voort in de gekozen richting, met verzachting echter van de solitary confinement, met handhaving niet alleen van den eisch van gestatigen arbeid maar met het stellen ook van dien van geregeld bezoek. Nu worden ook bijzondere cellulaire staatsgevangenissen gebouwd, waarvan de Eastern Penitentiary te Philadelphia met haren vleugelbouw, (3 vleugels voltooid 1825, de 4 andere 1836) voorwerp is geworden van bewondering on navolging ook buiten Amerika. Uit Frankrijk, Engeland en Duitschland werden delegaties tot onderhoek gezonden 2). In dezen vorm heeft het'stelsel zijn weg in Europa gemaakt; de bouw der âmodel-prisonquot; van Pentonville (Londen 1842) was een eerste navolging.
Intusschen ontbrandde ook in Europa dezelfde strijd. Het
408
1
) Over de misvatting alsof hier arbeid uitgesloten was, Krohne 1. c. 40 n. 2.â De wdlen bezigen de uitdrukkingen solitary en seperate conl'mement promiscue.
2
) De Beaumont en do Toqueville 1831 (Du sysfcème p6nitentiaire aux Etats Unis 1833); Crawford 1833; Julius 1834.
DE VRIJHEIDSTRAFFEN. § 40.
bovendien minder kostbare Auburnstelsel vond er evenzeer zijn aanhangers; terwijl zich nog een z.g.n. derde stolsel deed gelden, welks voorstanders in enkele, doch dan zeer uitgewerkte classificatie van de gevangenen, met afzondering bij nacht, een middel van bevrediging, en in de organisatie der maison penitentiaire te Genève (1833) een tijdlang hun model zagen.
Engeland ging een zelfstandigen Aveg bij zijne regeling van de penal servitude. Tegen langdurige celstraf had het bedenking. Een strenge afzondering met zwaren arbeid en zeer strenge behandeling zou gedurende 9 maanden een eerste of proef-stadium (probation) vormen. Daarna volgde, met afzondering bij nacht, arbeid in gemeenschap aan openbare werken (public work prison) als tweede stadium; en hierbij, in navolging van wat voor de gedeporteerden gegolden bad, progressieve plaatsing in drie, door het genieten van bepaalde voorrechten onderscheiden klassen , naarmate de gevangene een zeker aantal marken bij goeden arbeid en goed gedrag verdient had (mark system). Eindelijk, als dorde stadium , na het verstrijken van 3/4 van den straftijd, voorwaardelijke invrijheidstelling. In Ierland werd, naar de voorstellen van Sir Walter Crofton (1853) iets soortgelijks ingevoerd , met wijziging nogtans en bepaaldelijk met de toevoeging van oen tusschenstadium na het tweede, de plaatsing n.1. uit de hoogste klasse der public work prison in een intermediate prison, waarin zekere zelfstandige vrijheid van beweging, ook buiten de gevangenis, werd toegestaan. Zoo is in do gevangeniswetenschap nog een afzonderlijk stelsel, het progressieve, veelal als hot lersche aangewezen , tegenover de andere met nadruk gesteld en verdedigd 5).
Het cellulair stelsel is in bijna alle landen in de wetgeving opgenomen, echter met een zeer uiteenloopenden maximalen duur; in België tot 10, in Italië tot 7 jaren. Maar zelfs waar de wet het beveelt of toelaat, is de praktische invoering dikwijls nog gering en ongelijk. a).
5) v. Iloltzendorff, Das irische Gefangnissystem (1859); v. d. Brugghen, Etudes sur le système penitentiaire Irlandais (1864).
^) Vg. Kroline 1. c. 75 v.; La legislation pénale comparée, passim.
1. 20
409
§ 46. DE VKIJHEIDSSTRAFFEN.
3. In de meeste landen worden de vormen der vrijheidsstraf nog onderscheiden naar hare ziraarte, samenhangend met de categoriën der delikten. Aldus geldt, nevens den lichtsten vorm voor overtredingen (emprisonnement de police, Haft, arresto) de onderscheiding tusschen de zwaardere tuchthuisstraf (réclusion, Zuchthaus, reclusione) en de lichtere gevangenisstraf (emprisonnement, Gefangniss, prigione); eene onderscheiding, de onteercnde gevolgen en den huigeren duur der eerste soort daargelaten, dikwijls meer in naam dan in wezen. Wel draagt een ander karakter de als custodia honesta voor sommige politieke en soortgelijke delikten bekende vestingstraf (Festunghaft, detention).
4. De vrijheidsstraf is langs een gezonden ontwikkelingsweg in den modernen staat de gewone straf geworden. Zij voldoet het best aan de in § 42 gestelde voorwaarden. Intusschen hangt hare beteekenis geheel af van hare inwendige organisatie, waarvan strenge tucht en verplichte arbeid de grondslagen moeten vormen. Ten aanzien van jeugdige delinquenten moet een paedagogisch doel op den voorgrond staan; bij ge-woonte-misdadigers de maatschappelijke beveiliging; bij allen het streven, zoo mogelijk, naar zedelijke en maatschappelijke opheffing door jisyciiische en physieke hygiene. Steun aan ontslagenen (patronage) is hierbij onmisbaar. Aan het beginsel dat in de opbrengst van den arbeid eene tegemoetkoming-moet liggen voor de kosten van onderhoud, behoort te worden vastgehouden.
Waar doodstraf en deportatie ontbreken, is de mogelijkheid van levenslange vrijheidsstraf noodzakelijk. Aan den duur dor tijdelijke, waarbij terugkeer in de maatschappij voorzien wordt, is een redelijke algemeene grens te stellen.
Bij het opleggen van korte vrijheidsstraffen komt het op strengheid der uitvoering dubbel aan, en moet den rechter de gelegenheid tot verscherping openstaan 8).
') Doraela Nieuwenhuis, De vrijheidsstraf de beste der straffen (188-1). Uitvoerig over alle onderdeelen Krohne 1. c. 219 v.
8) Denkbeelden over verscherping in Buil. de 1' Un. Intern. V. 1894.
410
DE VRIJHEIDSSTRAFFEN. § 46. 411
Het cellulair stelsel is de meest rationeele grondslag '). Negatief ligt hier het voordeel in vermijding der gemeenschap; positief in de mogelijkheid van individualiseering. De uiterste duur kan slechts in verband met den volksaard en opgrond van ervaring beoordeeld worden. Het is niet bewezen dat afzondering van redelijken duur op zich zelve physiek en psychisch noodlottig zou zijn lu). Ook zonder dat oen âprogressief gevangenisstelselquot; gehuldigd wordt, verdient progressie, naar deugdelijkheid van gedrag en arbeid, aanbeveling. Classificatie, afzondering bij nacht, verbod van vrije samenspre-king zijn, inzoover er opsluiting in gemeenschap bestaat, noodzakelijk.
5. De voorwaardelijke, d. i. bij onvoldoende uitkomsten herroepelijke invrijheidstelling is, blijkens n. 2, van Engelschen oorsprong. De meerdere of mindere ingenomenheid daarmede beeft veelal van de nauwgezette of minder nauwgezette toepassing afgehangen (Saksen, Pruisen). Thans bezit zij het burgerrecht in de meeste strafwetgevingen; zoo naar 't Ita-liaansche wetboek, naar het Duitsche, naar een Fransche wet v. 1885, een Belgische v. 1888 e. a. m.
De mogelijkheid van hare toepassing is, bij vrijheidsstraffen van langeren duur, van een deugdelijk gevangenisstelsel de onmisbare sluitsteenquot;).
6. '2). In ons vaderland is de gevangenisstraf, met tucht,
9) Krohne !. c. §49. Füsslin, Einzelliaft (1855); Wahlberg, Das Princip d.Indi-vidualisirung (1879), Astor, Essai sur 1'eraprisonneraent cellulaire (1887). â Scherp veroordeeld door Perri, Sociologie criminelle (1893) 550.
10) Vg. Krohne 1. c. 252; Application du régime individuel en France (officieele verslagen 1885).
quot;) Ook over de historische ontwikkeling de proefschriften van v. Duijl, Claring-bould, E. A. Smidt, over de voorw. invrijheidstelling (1881); Pols in de Handelingen van 'tcongres te Stockholm; Vcrh. d. XVIII Deutschen Jnristentages.
1!) Vg. Pols, Rapport over Nederland in de Notices historiques vermeld in noot 1; Domela Nienwenhuis, De straf d. afzond, opsluiting, vooral in hare betrekking tot ons vaderland (1859); Quintus, Be cell, gev.straf in Nederl. sints hare invoering b. d, W. v. 28 Juni 1851 (Pr. 1887); bij beiden uitvoerige litteratuur; Hand. Nederl. Jur. Vor. 1872. âSuringar, Gedachten over de eenzame opsluiting der gevangenen (1842); den ïex, Stuart, e. a.; warme strijd h, t. 1. tusschen voorstanders van 't cellulair stelsel, als Cool, Jolles, Ploos v. Amstel, Domela Nieuwenhuis, en die van 't âlerschequot;, als v. d. Brugghen, Alstorphius Grevelink, Eijssell e. a. â Zie ook Hand. Ncd. Jur. Ver. 1872.
§ 46. DE VRIJHEIDSSTRAFFEN.
arbeid en onderwijs, reeds vroeg, buiten het gemeene recht om, toegepast. Daarvoor werden te Amsterdam opgericht het Rasp of Tuchthuis (1596) en liet Spinhuis (1597). In het Cr. Wb. v. 1809 was de vrijheidsstraf, met een algemeen maximum van 20 jaren, de gewone straf; en dit stelsel werd onder den C. P. (tuchthuis voor crimes, gevangenis voor délits), ingevolge het Souv. Besl. v. 1813 en de Wet v. 1854 (zie § 8) gehandhaafd. Bij de afschaffing dei' doodstraf werd de maximum-duur uitgebreid tot 25 jaren en voor het leven, 't Was echter opsluiting in gemeenschap, met afscheiding nogtans naar geslacht on leeftijd. Afzondering was ook hier alleen bekend ten aanzien van gevaarlijke individuen en als âpistolequot;. De organisatie steunde op het Kon. Besl. v. 4 Nov. 1821. In liet Ontw. 1839/40 was het Auburnsche stelsel aangenomen, in het Ontw. 1847 het streng cellulaire tot een maximum van 15 jaren (zie § 39). Nadat reeds sints 184.0 in enkele gevangenissen cellen aangebracht en later kleine cellulaire gebouwen gesticht waren, werd de eerste groote cellulaire gevangenis (208 cellen) geopend te Amsterdam in 1850. Wettelijk werd het stelsel, als proef, onder den naam âeenzame opsluitingquot; doch in den zachteren vorm van afzondering met arbeid en verplichte bezoeken, ingevoerd bij de Wet v. 28 Juni 1851. Het was den rechter overgelaten om, waar hij daartoe bijzondere aanleiding vond in liet feit of de geaardheid van den dader, dezen strafvorm op te leggen. De straftijd werd dan op de helft gesteld; het maximum was een half jaar. Toenemende ingenomenheid bij de rechters en in de openbare meening, ofschoon ook daar strijd bleef heerschen , bracht tot uitbreiding van het maximum tot 1 jaar bij de W. van 29 Juni 1854, tot 2 jaar bij die v. 24 Juli 1871. Een ontwerp om het te brengen op 3 jaar en afzondering verplicht te stellen (1874) werd ingetrokken wegens de aanstaande indiening van het Ontwerp voor het nieuwe strafwetboek quot;). De Staatscommissie voor dat Welhoek had het maximum nog op
'3) Outw. 187i, Hand. S. G. 1873/74 Bijl. 105. Verslag over do werking v. h. stelsel h. t. 1. Bijl. Staatsbegr. 1874 nquot;. 1266.
412
DE VERMOGENSSTRAFFEN. § 47.
3 jaren gehouden; bij de parlementaire behandeling werd het, wegens de toenemende ingenomenheid, op 5 jaren gebracht. De voorw. invrijheidstelling is eerst bij het Swb. ingevoerd. Het âGenootschap tot zedelijke verbetering van gevangenenquot; (patronage) werkt sints 1823.
§ 47. De vermogensstraffen. ').
1. In 't moderne strafrecht bestaan de vermogensstraffen in geldboete en verbeurdverklaring van bijzondere voorwerpen.
De verheurdverklaring van het vermoeien, ontleend aan de baatzuchtige strafrechtspolitiek der Romeinsche Keizers, speelde in 't oude strafrecht een belangrijke rol. Ook nog in den C. P. van 1810 (a. 37â39), Hier te lande was zij reeds in de 18e eeuw afgeschaft, in Holland (1732), Zeeland (1735) en Gelderland. Zoo geschiedde het ook in liet Souv. Besl. v, 1813 en in de wet v. 1854. Doch men ging verder. De staatsregeling van 1798 (A. B. a. 35) verbood den wetgever haar op te loggen, een verbod in de opeenvolgende grondwetten herhaald (a. 1G0 Gw. 1887).
413
2. De geldboete, de geheele rechtsgeschiedenis door bekend, draagt een dubbel karakter. Zonder voorbehoud is zij aanbevelenswaardig als een gevoelige waarschuwing van lich-teren aard dan de zooveel dieper ingrijpende vrijheidsstraf, zoowel bij in abstracto, als bij in concreto lichtere delikten Als zoodanig kan /.ij bij de eerste groep uitsluitend, bij de tweede alternatief bedreigde straf zijn. Zij wordt echter terecht mede verdedigd als doelmatig strafmiddel bij delikten uit winzucht begaan; en moet logisch dan ook welâzij betook maar in enkele daartoe bijzonder geëigende gevallen â cumulatief, naast vrijheidsstraf, kunnen worden opgelegd, wat in
547 ') Uitgewerkt overzicht van do beteekenis der geldboeten ia de wetgeving, de oudere en nieuwere literatuur, in eene studie van v. Liszt, v. Hippel en Rosen-feld als praeadvies in Buil. de l'Un Intern, d. Dr. Pén 111 (ISDl) 135 v.
§ 47. DE VEUMOGENSSTRAFFEN.
de meeste wetgevingen erkend is, ^iet echter in de onze. 5).
Zij vertoont vele aan een goed strafmiddel passende eigenschappen; bepaaldelijk is wegens hare deelbaarheid het bedrag in de wet en door den rechter gemakkelijk in overeenstemming te brengen met de zwaarte van het delikt en van de schuld. Maar zij kan, onredelijk toegepast, een voorrecht vestigen voor vermogende schuldigen tegenover onvermogende. Op dien grond heeft zij somtijds â en de ervaring onder 't oude strafrecht gaf daartoe aanleiding genoeg â principiëele bestrijding gevonden 1). Dit gevaar is alleen te vermijden door erkenning â liefst ook uitdrukkelijk in de M'et â van 't beginsel dat het op te leggen bedrag telkens, naar een stelsel van progressie, in redelijke verhouding moet staan tot de financieele draagkracht van den veroordeelde 2).
De bedenking dat ook deze vermogensstraf mede het onschuldig gezin treft, geldt voor alle straf. Deze andere, dat, indien het geld door derden verschaft wordt, de straf aan den schuldige voorbijgaat, heeft in 't algemeen slechts theoretische waarde.
3. Plet grootste bezwaar ligt in de moeilijkheid om de geldboete te innen en bij onvermogen te vervangen. Het dwangmiddel van lijfsdwang (Fransch recht) is even onbillijk als onpraktisch; beslag op do goederen heeft dikwijls onevenredig zware gevolgen, ook wegens de kosten; voor het afverdienen van de boete door arbeid in vrijheid (Arbeit ohne Einsper-rung, prestations en nature) is zelden een bruikbare organisatie te vinden, ofschoon deze instelling op Heine schaal voorkomt 5). Vrij algemeen is dan ook geworden het stelsel
414
1
) Merkwaardig o. a. die v. Koning Lodewijk tijdens de beraadslaging over 't
2
Cr, Wb. v. 1809. Zie v. Hamel ï. v. S, Hl 20. â Vg. Buil. Un Intern. 1. c. 137.
DE VERMOGENSSTRAFFEN. § 47.
van vervangende vrijheidsstraf. Dit noodmiddel is echter in theorie onlogisch en werkt in do praktijk de betaling van geldboeten tegen. Voor eene goede regeling, waarbij wordt uitgegaan van bepaling der geldboete naar de draagkracht, zullen onderscheiden middelen moeten samenwerken: 'srechters bevoegdheid om betaling bij gedeelten en in termijnen te vergunnen; de gelegenheid om boeten af te dragen spoedig en zonder administratieven omslag; executoriaal beslag althans op contant geld en inschulden; zoo mogelijk de gelegenheid tot afverdienen in vrijheid; vervangende hechtenis niet anders dan met verplichten arbeid; de bevoegdheid des rechters om die hechtenis te verscherpen. â Zooveel mogelijk moeten bij een en ander de gevallen van onwil en onvermogen om te betalen worden onderscheiden.
§ 48. Straffen in eer en rechten ').
1. Eene veroordeeling tot straf treft allicht van zelf den schuldige in zijne eer: in zijn eergevoel en in de schatting van anderen. Maar de straf zelve mag niet anders doen dan het juiste beginsel tot zijn recht te doen komen, dat âhet misdrijf, niet de straf onteertquot;; en behoort dus de gevolgen voor de eer uitsluitend te laten afhangen van de sociaal-ethische beteekenis van het gepleegde feit voor het geweten van den veroordeelde en van het volk. Straffen waarvan de bijzondere strekking is de eer te treffen, brengen hot gevaar mede dat in dezen wordt misgetast, ou bovendien dat het zedelijk en maatschappelijk herstel van den veroordeelde wordt tegengewerkt. Daarom zijn de eigenlijke âeorstraffonquot; in het moderne strafrecht misplaatst.
415
Dit neemt niet weg dat ontneming van maatschappelijke ârechtenquot; als straf zoor goed verdedigbaar is; wanneer in hot
| 48- ') Ouderelitt. en wetg. bij Geib II §120; verder Wahlberg, Ebrenfolgen der Strafger. Verurtheilung (1864); Actes du Congrès Pén, Intern, de Rome (1885), (o. a. praeadvies v. Pols) en daarover Köline in Z. f, d. ges. Sw. VUL 439.
§ 48. STRAFFEN IN EEK EN RECHTEN.
gepleegde feit een grond ligt den schuldige de uitoefening dier rechten tijdelijk niet toe te vertrouwen.
2. De ruwe zeden onder het oude strafrecht gaven aan den drang om openlijk van minachting te doen blijken, gaarne toe. Vandaar de veelsoortige âbeschimpende straffenquot;, waarvan de openlijke tentoonstelling (te pronkstelling) of kaakstraf (carcan) 't langst is gebleven. In ons vaderland in 't gemeene recht tot do wet van 1854; in enkele bijzondere wetten in naam nog tot 1870 1).
De straffen âin eer en rechtenquot; hebben onderscheiden vormen gekend. De monsterachtige fictie van den âburgerlijken doodquot;; onder 't Fransche recht, dat haar kende (a. 18), in ons vaderland grootendeels reeds feitelijk vervallen in 1S13, in haar geheel opgeheven krachtens a. 4 B. W. De Fransche âdegradation civiquequot; (a. 34 C. P.) en de âeerloosverklaringquot; in 't Cr. Wb. v. 1809 en 't Souv. Besl. van 1813 2). Maar bovenal het stelsel der âonteerende straffenquot;, waarnaar do enkele vervoordeeling tot sommige zware straffen, van rechtswege en voor het gansche teven, den veroordeelde belangrijke burgerlijke en staatsburgerlijke rechten deed verliezen. Dit stolsel heeft groote kracht ontleend aan het Fransche recht, dat karakter toekennend aan alle âpeines en matière criminellequot;, waartoe ook de tuchthuisstraf behoorde (a. 6, 7, 28). De beide genoemde eigenaardigheden veroordeelen dat stelsel onbepaald. In Nederland heeft het gegolden zoolang de C. P. er gold. In Frankrijk geldt het nog. In het Duitsche recht in naam niet, inderdaad nog eenigermate (§ 31 Dwb).
De âontzetting van bepaalde rechtenquot; werd en wordt als bijkomende straf algemeen erkend 3).
416
1
a. 4, 5, 23, 24 W. v. 29 Juni 1854; W. v. 4 April 1870, Sb. 56. â In Frankrijk is de carcan vervallen 1848.
2
) De ck'gr. civ. in 1813 vervangen door eerloosverklaring, in 1854 door een gevangenisstraf met bijkomende ontzetting v. rechten.
3
â !) Vg. a. 42 C. P.; a. 8 W. 1854; Dwb. J 32.
ANDERE STRAFFEN EN MIDDELEN TER BESTRIJDING DER CRIMINALITEIT. § 49. 417
§ 49. Andere straffen en middelen ter bestrijding van de criminaliteit.
1. Hoe ruimer de bestrijding van de criminaliteit wordt opgevat, hoe ernstiger hervorming der strafmiddelen en aanvulling daarvan met andere bestrijdingsmiddelen wordt overwogen. Op dit gebied heerscht thans, bepaaldelijk als prac-tisch uitvloeisel der oplevende studie van de anthropologische en sociale oorzaken der criminaliteit, levendige beweging. Deze studie beweert allerminst door een geheel nieuw stel maatregelen het bestaande te willen vervangen. Wel hoopt zij te leiden tot verbetering en aanvulling; daarbij zoowel zich aansluitend aan beproefde oudere strafmiddelen, als zoekend naar nieuwere instellingen, waarvan er reeds nu in sommige wetgevingen bekend zijn. Haar kostelijkste vrucht zal echter zijn het wekken of versterken van ruimer en dieper opvattingen omtrent de criminaliteit als een socialen misstand, die in zijn diepsten grond niet door rechtstreeksche middelen is te bestrijden, maar door anthropologische, ethische en economische verheffing van het geheele sociale leven ').
Op enkele bijzondere middelen worde hier gewezen.
2. Voor jeugdige overtreders is dwang opvoeding reeds van oudere dagteekening en een vrij algemeen verspreide, beproefde maatregel (§ 30). Intusschen wordt overal uitgezien naar verbetering en uitbreiding daarvan, ook met bijstand van particulieren; terwijl als dienstige maatregelen voor lichtere gevallen in aanmerking komen : berispingen schoolarrest1).
3. Nog ouder zijn de iverkinrichtiugen (§52), veelal te zeer
§ 40. ') Uiteenzetting der onderscheiden hervormingsdenkbeelden: bij v. Liszt, Kriminalpolitisehe Aufgaben in Z. f, d. ges. Sw. IX, 452, 737; X, 51; XII, 161. Verder o. m. Prins, Criminalité et repression (188(5); Joly, Le combat contro Ie crime (1892); Ferri, Sociologie criminelle (1893), 429 v.; het Bulletin de l'Union Intern, de Droit Pénal (sints 1889).
2) Verbetering en uitbreiding v. dwangopvocdiny: M. Boissevain , Samenwerking tus-schen overheid en bijzondere personen bij de dwangopvoeding enz. (Pr. 1894); Appelius, Die Behandlung jugendlicher Verbrecher u. verwahrloater Kinder (1892); Lenz , Die Zwangserziohung in England (1894). â Berisping: in Engelsen, Duitsch, Italiaansch recht, de avant-projets van Frankr, en Zwitserland; v. d. Plas, De enkele beris-ping als strafmiddel (Pr. 1894). â Schoolarrest: Kanton Neuchatel (arrets scolaires).
418 § 49. ANDERE STRAFFEN EN MIDDELEN TER BESTRIJDING DER CRIMINALITEIT.
beperkt tot bedelaars en vagebonden; doch, goed georganiseerd, ook geschikt voor anderen wier misdrijven onlust voor arbeid teekenon. Eenigennate in dezelfde lijn ligt de door den rechter te bevelen plaatsing van den alcoholist-misdadiger in een dronkaardsasyl en van den krankzinnigen misdadiger in een voor hem geëigend gesticht.
4. Beperking van de vrijheid met overwegend preventieve strekking werd beoogd met: het stellen ondor politietoezicht na afloop van den straftijd; een oude, in vele landen gehandhaafde instelling, met den C. P. ook hier te lande ingevoerd, doch als antinationaal in 1813 afgeschaft; een maatregel goed bedoeld, maar wegens onvermijdelijke hardheid en willekeur bij de toepassing, hoogst bedenkelijk. Wel kunnen in aanmerking komen onderdeelen daarvan als: ontzegging van verblijf in sommige deelen van het staatsgebied; beperking van het verblijf binnen bepaalde kringen; ontzegging van het bezoek van herbergen en soortgelijke plaatsen 4); ook de mede in het Swb. bekende ontzegging van een beroep.
5. Als een de straf met hare nadeelen vermijdend en juist daardoor te werkzamer middel ter voorkoming van herhaling van misdrijf, mag gelden de z. g. n. voorwaardelijke veroonlee-ling , juister âvoorwaardelijke schorsing der tenuitvoerleggingquot; : wanneer den rechter de bevoegdheid toekomt om, in lichtere, daarvoor bepaald geschikte, in de wet aangeduide gevallen, te gelasten dat de uitgesproken straf niet zal worden ten uitvoerge-legd indien de veroordeelde binnen een bepaald tijdsverloop niet opnieuw misdrijf pleegt. Deze maatregel is m.i. alleszins aan te bevelen, mits een nauwgezette toepassing verhoede dat de meening veld wint alsof oen eerste delikt straffeloos gepleegd kan worden.
3) Werkinrichtingen in bijna alle landen; zeer ontwikkeld in Engeland, Zwitserland, België. â Dronlcaardsasylcn in de wetgeving v. St. Gallen (1891) en 't Av. Proj. v. Zwitserland (a, 29). â Volgens sommigen bepaalde prisom-asiles: Aotes du 3óme congrès d'Anthrop Grim. (Brussel 1893), 127, 195; vg. boven 36,
^) Polilidoezicht C. P. a. 44 v.; in Frankrijk in 1885 vervangen door ontzegging van verblijf; Dwb. J 38, 39; C. Ital. a. 28; litt. vooral Berner in Gerichtssaal 33, 321; Krolino Lebrb. d. Gefk. 237; Braune Z. f, d. ges. Sw. IX, 807. â Voor de andore beperkingen 0. F. a. 229; Fr. w. v. 1885; Cod. Ital. a. 18; Av. Proj. Suisse (a. 25).
HET NEDEltLANDSCIIE STliAFSTELSEL § 50.
De âborgstelling voor 't bewaren van den recbtsvredequot; is een gelijksoortige instelling, wellicht met de andere te verbinden 6).
6. Ernstige overweging verdient tegenover professionneele of andere z.g.n. âonverbeterlijkequot; misdadigers, bepaaldelijk recidivisten, bet stelsel om den duur der vrijbeidsberooving niet aanstonds bij de schuldigverklaring te bepalen, maar later, na periodiek te herbalen onderzoek van de kans dat de veroordeelde na zijn ontslag een ordelijk maatschappelijk leven zal leiden. Dat is bet z.g.n. stelsel der onbepaalde vonnissen, of der âvonnissen met later te bepalen straftijdquot; 0).
7. Om den opheifenden en verbeterenden invloed der straf te verzekeren, is het z.g.n. patronaat ten behoeve van ontslagen gevangenen, door particulieren met ondersteuning door den staat, onmisbaar 'â¢).
Op den band die tusschen bet opleggen van schadevergoeding en van straf gelegd moet worden, werd gewezen 8).
§50. Het Nederlandche strafstelsel.
1. Het Nederlandsche strafstelsel is omschreven in B. I, T. H, (a. 9â36) Swb ; wat de vrijheidsstraffen betreft, ingevolge a. 22, uitgewerkt in de Gestichtenwet, de Beginselenwet van
6) Deze instelling als âcondamnation conditionnellequot;, âsursis a rexcécutionquot;, âsuspension de l'exéoutionquot; âbedingte verurtheilungquot;, âconditional dischargequot;, ârelease upon probation of good conductquot;, âsuspension of punishmentquot; is bekend in de wetgeving van Engeland (1870, 1887), BelgiO (VV. v. 31 Mei 1888) Frankrijk (W. v. 2iï Maart 1891, Loi Bérenger) Neuchatel (C. P. 18f)l), Genève (W. v. 29 Oct. 1892), Massachussets (1878), Nieuw Zeeland (1886), Queensland (1886); in re-geeringsontwerpen van Oostenrijk (1891), Italië (1893); in officieele avant-projets in Frankrijk (revision du C. P. 1889), Zwitserland (1893); in ontwerpen van onderscheiden criminalisten. Overzicht bij v. Zanten, De grenzen der voorw. veroord. (Pr. 1892), waar ook uitvoerig literatuur. Vg. Buil. de l'Un. Intern. I, II, III; Hand. Ned. Jur. Ver. 1890; Sandberg, Eenige bezwaren tegen de v. v. (Pr. 1892). Vg. over de oude instelling v. d. âFriedonbürgschaftquot;, Sohierlinger (1877) en 't Engelsch recht.
6) âIndeterminate sentenoesquot;, âsentences indéterminéesquot;, of âs. ultérieurement dé-terminéesquot;. Vg. Bull. Un. Int. 1893; ten Bruggen Gate, De onbepaalde vonnissen (Pr. 1893).
') Iloltz. u. Jagemann 1. c. II, 351; Handelingen v. h. Genootschap tot zedel. verbet, v. gevangenen (sints 1824).
8) Zie 42.2; vooral Prins, Buil. Un. Intern. III. 121.
419
§ 50. HET NEDERLANDSCHE STRAFSTELSEL.
het gevangeniswezen met den Algemeenen bestuursmaatregel en de Huishoudelijke reglementen der gestichten '). Menige hepaling der beginselenwet behoorde in het Wetboek 2).
2. De straffen zijn; hoofdstraffen, die alleen of met een bijkomende straf; bijkomende straffen, die niet anders dan met eene hoofdstraf worden opgelegd,
Er zijn drie hoofdstraffen: gevangenisstraf, hechtenis , geldboete; vier bijkomende straffen: ontzetting van bepaalde rechten , plaatsing in eene rijkswerkinrichting, verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen , openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
Het cumulatief stellen van meer dan ééne hoofdstraf, bepaaldelijk van vrijheidsstraf en geldboete op éénzelfde delikt, kent het Wetboek niet 3). Waar dit in andere wetten of in verordeningen voorkwam, is het door de Invoeringswet (a. 10, 27), opgeheven. Ook in latere wetten komt het niet voor. Aan provinciale, gemeentelijke en waterschapswetgevers is het verboden (a. 23, 24, 26 Inv.w.) Plet alternatief aieWbn van vrijheidsstraf of geldboete komt veel voor; ook wel van de beide vrijheidsstraffen (a. 158v., 307v.).
De oplegging van bijkomende straffen is altijd facultatief; behalve, wat de verbeurdverklaring aangaat, in a. 214 al. 2, 223 al. 2, 234 al. 2, 349bis en tc,r Swb., wat een misstelling schijnt, alsmede bij overtreding tor zake van plaatselijke belasting (a. 271 Gem.w.) en in enkele speciale wetten (§ 52).
3. Andore hoofdstraffen kent de niet-militaire wetgeving niet '). De enkele âverklaringquot; van te hebben âgehandeld in strijd met de wetquot; , volgens a. 9 der wet op do kerkgenootschappen v. 10 Sept. 1853, Sb. n0. 102, is eerder eene schuldverklaring zonder straf dan eene afzonderlijke straf. âSluiting
? 50- ') W. v. 3 Jan. 1884, S. 3 ; gew. 28 Aug. 1886, ö. 130, 29 Oct. 1892, S. 241. â W. v. 14 April 1886, S. 62; gew. 10 Dec. 1888, S. 176. â K. B. 31 Aug. 1886, S. 159; gew. 20 Juli 1887, S. 139, 19 Nov. 1889, S. 171, 30 Juni 1891, S. 143. -) Juister a. 13â20 O. Stsc, en O. R. O.
'') Vg. ? 47 noot 2.
4) Zie over oude straffen in de wet op de waterschapsbesturen v. 9 Oct. 1841 Smidt V, ad a. 10»° Inv. w. â a. 91 Swb. beslist niets omtrent de straffen zelve.
420
HET NEDERLANDSGHE STRAFSTELSEL. § 50.
van herbergen of andere publieke plaatsenquot; kent het gehandhaafd a. 7 der Zondagswet nog als bijkomende straf, imperatief. Het fiscaal recht kent bijzondere ontzeggingen van beroepsuitoefening. Het bij bijzondere wetten als gevolg van strafoplegging voorgeschreven verlies van bevoegdheden is, vermits niet door den rechter uitgesproken, daardoor, ofschoon alleen formeel, van straf onderscheiden (§ 52).
4. Het strafstelsel onderscheidt zich door bijzondere, uit nieuwere gezichtspunten wel te groote eenvoudigheid 5). Zijn hoofddeugd is strenge doorvoering van de cellulaire opsluiting en verwerping van doodstraf, lijfstraffen, deportatie, verbanning, ont-eerende straffen6). Maar het kent evenmin; eenerzijds mogelijkheid tot verscherping van korte vrijheidsstraffen en strengere maatregelen tegen recidivisten; anderzijds, de âvoorwaardelijke veroordeelingquot;, de berisping en onderscheiden andere gewenschte maatregelen tegen jeugdige overtreders en elders bekende bijkomende straffen met preventieve strekking (§ 49); de deugdelijkheid der âhechtenisquot; wordt betwijfeld; de regeling van de straf der geldboete is inderdaad onvoldoende.
5. Strafoplegging is rijkszaak (a. 35). Daarom zijn alle kosten aan het ondergaan van vrijheidsstraffen verbonden, ten laste van den Staat; niet meer gedeeltelijk voor de gemeente. Vergoeding der kosten door den gevangene wordt â behoudens de âpistolequot; â slechts zijdelings gevonden uit zijn arbeids-produkt. Van âopenbaarmaking der rechterlijke uitspraakquot; draagt de veroordeelde de kosten (a. 36). â Daarom is ook alle opbrengst van vermogensstraffen ten bate van den Staat; niet meer ook van gemeenten of stichtingen. Uitzonderingen gelden : ten bate der gemeenten, wegens overtreding van de schutterij wet en in zake plaatselijke belastingen; ten bate der waterschappen, wegens overtreding hunner keuren, voor boeten bij schikking opgelegd 7).
') Smidt I, 21 (26) âEenvoudiger strafstelsel is nergens bekendquot;.
Toelichting v. deze verwerping bij Smidt 1, 145 v.
1) a. 36 W. v. 11 April 1827, S. 17; a, 282 gem. .w.; a. 22 W, v. 9 Oct. 1841, S. 42 en IQ5quot; Inv. w. Vg. Smidt V 313.
421
§ 51. DE HOOFDSTRAFFEN. GEVANGENISSTRAF.
§ 51. De hoofdstraffen.
I. Gevangenisstraf.
1. De gevangenisstraf is de zwaardere vrijheidstraf. Bij âopzettelijk gepleegde misdrijvenquot; is zij als zoodanig de eenige. Tegen âcnlpose misdrijvenquot; is zij alleen alternatief met hechtenis gesteld. Tegen âovertredingenquot; komt zij niet voor. Bij een stelsel dat èn de onteerende straffen èn de speciale straf-minima verwierp, was voor het behoud van een onderscheiding tusschen tuchthuis en gevangenis geen plaats ').
2. Naar den duur is zij of levenslang, of tijdelijk met een algemeen minimum van één dag, een algemeen maximum van 15 jaren 1). De maximaalg-rens der tijdelijke is ontleend aan het Duitsche recht, waarvoor zij uitvoerig gemotiveerd was geworden Die grens wordt dan bij uitzondering uitgelegd tot 20 jaren: bij bedreiging alternatief van tijdelijke met levenslange straf en in de gevallen van wettelijke strafverzwaring, algemeene (a. 44, 57, 421 v.) of bijzondere (a. 304 j. 30S) '). Dit alleruiterste mag intusschen, ook wanneer eenige van deze omstandigheden samenloopen , niet overschreden worden (a. 10).
De straftijd wordt door den rechter aangewezen in geheele dagen (van 24 uren), weken (van 7 dagen), maanden (van 30 dagen) of jaren (van 365 of 366 dagen) (a. 21, 88),
Naar den regel moet de straftijd onafgebroken verloopen; 't zijn âachtereenvolgendequot; dagen enz. (a. 10). Uitzonderingsgevallen zijn: een herroepen voorwaardelijke invrijheidsstelling (a. 15 al. 3); toerekening van den tijd der verzekerde bewaring bij gemis aan dadelijke aansluiting bij den straftijd (a. 27)s); ontvluchting (a. 77 al. 2)°).
422
1
'2) Het algemeen minimum was in O. R, O. 6 dagen.
2
§ 51- ') Vóór de onderacheiding, doch zonder zuivere belijning, minderheid C. v. R. en nota Lenting; Smidt I, 137 (149).
DE HOOFDSTRAFFEN. GEVANGENISSTRAF. § 51.
De straf gaat in op den dag der tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak (a. 26). Dus niet eerst bij de opneming van den veroordeelde in de strafgevangenis; maar reeds bij zijne aanhouding ter overbrenging daarheen (M. v. T.). Wegens a. 27 kunnen begin van de straf en van den straftijd uiteenloopen.
3. Afzonderlijke opsluiting is regel, tot een maximum van 5 jaren; zoodat straffen van dien duur of kortere geheel, langere gedurende de 5 eerste jaren aldus ondergaan worden (a. 11 al. 1). Verlenging boven dat maximum bij éóne zelfde straf is toegelaten indien de veroordeelde het verlangt en de Minister van Justitie het vergunt (a. 11 al. 2)1). Uitgesloten is de afzonderlijke opsluiting, op gelijksoortige gronden, voor drie cate-goriën (a. 12): 1°. voor âhen die tijdens hunne veroordeeling den leeftijd van 14 jaren nog niet hebben bereiktquot; , ook nog nadat zij dien leeftijd zullen hebben overschreden2); 2Ã. voor âgevangenen boven den leeftijd van 60 jarenquot;, dus zoodra die leeftijd bereikt is, âtenzij op eigen verzoekquot;; 3°. voor gevangenen die wegens lichaams- of zielsziekte, immers âna geneeskundig onderzoekquot;, vóór of gedurende den straftijd, daarvoor ongeschikt blijken te zijn, wat ter beslissing staat, niet van den rechter, maar van het O. M., in hoogste ressort van den minister8). Onder de gevangenen die, om eenige reden, hunne straf in gemeenschap ondergaan, geldt altijd scheiding van mannen en vrouwen (a. 5 Beg.w.); voorts, behoudens afwijking in âbuitengewone gevallenquot;, afzondering gedurende den nacht (a. 6 Beg. w., a. G Alg. K. B.); eindelijk verdeeling in klassen (a. 13 Swb.) quot;').
423
1
) Wegens de mogelijkheid dat onderscheiden straffen achtereenvolgens ondergaan worden, kan iemand ook zonder zijne toestomming meer dan 5 jaren achtereen in afzondering doorbrengen.
2
a) O. R, O. had hier 10 jaren. Tegen de imperatieve uitsluiting voor kinderen zijn, terecht, veel bedenkingen ingebracht door Domela Nieuwenhuis, v. d. Hoeven, 't Genootschap tot zedelijke verbetering v. gevangenen W. 4453 e. a.; zie vooral A. II. Büchler, De cellulaire gevangenisstraf voor jeugdige misdadigers in Nederland (Pr. 1894) blz. 83 v.; T. v. S. 1, 98.
424 § 51. DE HOOFDSTRAFFEN. GEVANGENISSTRAF.
4. Voor het gevangenisleven gelden voornamelijk de volgende regelen: verplichting tot het verrichten van opgedragen arbeid (a. 14 Swb.), met toekenning van loon, ook met liet oog op een uitgaankas; uitsluiting der âpistolequot;; voeding van rijkswege, met water- en brood-régime gedurende de twee eerste etmalen van den straftijd als regel (a. 8, 9 Bcg. w.); verplicht onderwijs in verband met leeftijd en strafdnur, mogelijkheid van zorg voor voortgezet en vakonderwijs, zorg voor de godsdienstige belangen (a. 17 Beg. w.); bij slecht gedrag tuchtmiddelen in de wet aangewezen en geregeld (a. 20 v. Beg. w.) quot;).
5. De gevangenisstraf wordt ondergaan in de strafgevangenissen, de gewone, de bijzondere en de (tijdelijke) hulpstrafgevangenissen, naar de regelen der gcsticbtenwet (a. 2 , 5â7 , 10, 11) !!).
6. De voorwaardelijke invrijheidstelling van tot gevangenisstraf veroordeelden is geregeld in a. 15â17 Swb. en in K. B, v. 17 Augustus 1889 Sb. 107. Zij is slechts schoorvoetend in liet wetboek gebracht13). Zij is beperkt tot veroordeelden die â3/4 van hun straftijd en tevens ten minste 3 jaren in de gevangenis hebben doorgebrachtquot; l4). Zij is dus uitgesloten bij veroordeeling tot gevangenisstraf van minder dan 4 jaren en bij levenslange gevangenisstraf, tenzij deze door gratie in tijdelijke is veranderd l5). Zij kan niet na herroeping, gedurende den-
!1) Vorder uitgewerkt in a. 12 v. Beg. W., 83, 92 K. B. (arbeid, loonsbestera-ming); a. 60 v., 88 K. B. (zakgeld, kantine); a. 64, 91 v., 102 v. K. B. (onderwijs, godsdienst); 3, 19 v., 157 v., 65,67, 69 K. B. (verpleging, kleeding, celkap, lioofdliaar, baard); 107 v. K. B, (tucht). Over het âwater- en brood-régimequot; bij het achtereenvolgens ondergaan van verschillende straffen. Min. Circ. W. 5339; Pols. T. v. S. 1, 328.
11!) De âbijzonderequot; voor hen die levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van meer dan 5 jaren moeten ondergaan, zijn gevestigd, voor mannen te Leeuwarden, voor vrouwen te Gorincliem; die bestemd voor hen die wegens leeftijd of gezondheid buiten de cel moeten blijven, bij oen straftijd tusschen 3 m. en 5j., voor mannen te 's Bosch, voor vrouwen te Eindhoven, voor personen beneden 18 j. te 's Bosch (jongens), te Montfoort (meisjes); voor hen die bij een straftijd van minder dan 3 m. in deze termen vallen, zijn lokalen in gewone strafgevangenissen bestemd.
13) Hoewel reeds in Gr. O. de grenzen waren ingekort, werd toch a. 15 slechts aangenomen met 46 tegen 12 stemmen.
H) O. R. O, had !/3 en een minimum van 1 j., zooals } 23 Dwb,; België heeft '/a en 3 m.; Frankrijk '/j en 3 m.
15) Over laatstgenoemde uitsluiting Ascher in ï. v. S. I 164. Vg. Smidt I 270 (285), In geval van gratie komt voor de berekening als begin van den straftijd in aanmerking de dag der tenuitvoerlegging van het vonnis. Smidt I, 260 (278).
DE HOOFDSTRAFFEN. VOORW. INVRIJHEIDSTELLING. § 51. 425
zelfden straftijd, opnieuw worden verleend (a. 15 al. 4)16). In de wet zijn formeel geen andere eisclien gesteld. Ook niot de toestemming van den veroordeelde l7).
Voor de beslissing zal in aanmerking komen de kans op een ordelijk bestaan, af te leiden èn uit liet verleden, buiten zoowel als in de gevangenis, èn uit de mogelijkheid om in eigen onderhoud te voorzien (a. l3quot; K. B.).
Het besluit tot v. i. wordt genomen door den minister van justitie, op voorstel of na bericht van het bestuur der gevangenis waarin de veroordeelde zich dan bevindt (a. 16). Den ontslagene wordt door dat bestuur een âverlofpasquot; uitgereikt, dien hij naar bij het K. B. gestelde regelen aan het gemeentelijk politiegezag in do plaatsen van vestiging vertoonen moet.
De invrijheidstelling is voorwaardelijk, d. w. z. âte allen tijde herroepbaar ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaardenquot; (a. 15 al. 2), als hoedanig o. m. kan worden gesteld âhet verblijf in of buiten een bepaalde plaatsquot; (a. 15° K. B.).
Ook de herroeping geschiedt bij ministerieel besluit, behoudens de mogelijkheid van voorloopige aanhouding door den burgemeester ter plaatse waar de ontslagene zich bevindt, of den officier van justitie; in welk geval eene hierop gevolgde herroeping van den tijd der aanhouding dagteekent (a. 16).
Het nog te vervullen gedeelte van den straftijd wordt gerekend van den dag der herroeping (a. 15 al. 3). Is de straftijd zonder herroeping verstreken, dan âwordt de gevangenisstraf geacht geheel te zijn ondergaanquot; (a. 15 al. 4).
II. Hechtenis (a. 18 v.).
7. De hechtenis wordt opgelegd als principale of als vervangende (a. 23, 34) I8).
16) Smidt I, 261 (278); âgedurende denzelfden straftijdquot;; deze beperking volgt m. i. èn uit de toelichting èn uit de woorden âop nieuw''.
17) Wel in O. R. O. en G. O.; amendement van C. R. door Reg. overgenomen Smidt I, 262, 275, (280, 293).
18) Over deze straf Hand. Jur, Ver. 1880; v. d. Hoop, Hechtenis als straf. (Pr. 1881); Smits, Vervangende hechtenis vlgs, h. W. v. S. (Pr. 1881).
I. 27
§ 51. DE HOOFDSTRAFFEN. HECHTENIS.
Zij dankt hare invoering als lichtere vrijheidsstraf aan twee gedachten, die echter bij de toelichting m. i. niet voldoende zijn uit elkaar gehouden.
Vooreerst bleef behoefte bestaan aan een zeer eenvoudigen vorm van vrijheidsstraf voor de kleinere delikten; op den-zelfden voet als de emprisonnement de police van den C. F.; dus als custodki simplex 1'J). Zoo is zij nu de eenigc vrijheidsstraf geworden bij overtredingen.
Ten tweede â en deze overweging vooral gold bij de toelichting â werd de wenschelijkheid betoogd van eene minder krenkende vrijheidsstraf voor delikten die âuit hunnen aard noch het kenteekcn zijn van zedelijke verdorvenheid, noch eenigen boozen hartstocht aan liet licht brengenquot;; op soortgelijken voet als de Fransche détention, de Fruisische Ein-schliessung, de Duitsche Festungshaft; dus als custodia honesta. Als zoodanig was zij door de Staatscommissie bestemd voor culpose misdrijven en voor enkele doleuse, als tweegevecht, eenvoudige bankbreuk e. a. In O. R. O. werd zij echter, uit dit gezichtspunt, beperkt tot culpose misdrijven. Karakteristiek is zij evenwel voor deze groep niet meer, nu in vele gevallen hechtenis en gevangenisstraf alternatief bedreigd zijn 2U).
8. De hechtenis is van de gevangenisstraf onderscheiden naar den duur, de (jestichten, de inwendige organisatie (a. 18â20).
Duur. 't Algemeen minimum is ook hier één dag; 't algemeen maximum slechts één jaar. Voor de gevallen vin al-gemeene wettelijke strafverzwaring wordt de grens uitgelegd tot 1 jaar en 4 maanden. Dit uiterste mag nooit overschreden worden (a. 18)2I) Bij hechtenis behoeft de straftijd niet onafgebroken te verloopen; eene afwijking die bedoeld is, met het
19) Grootendeels de Haft v. h. Dwb.; do arresto v. d. Cod, Ital. â Amend. Gratama om hechtenis uitsluitend bij overtredingen te bedreigen, verworpen. Smidt 1 187 (203).
'â !0) In B. II ï. VII; voorts a. 307, 308, 418, 419. Vg. reeds C. v. R. bij a. 18. 21) Noch wanneer eenige der genoemde omstandigheden sameuloopen, noch bij opeenhooping van straffen voor misdrijf en overtredingen naar art. G2; voor de gezamenlijke overlredingen alleen is 't maximum 8 maanden. Vg. Smidt I 289 (307). Strafverhooging wegens herhaling van culpose misdrijven kent liet öwb. zelf niet.
426
DE HOOFDSTRAFFEN. HECHTENIS. § 51.
oog op de mogelijkheid dat tijdens de hechtenis een misdrijf gepleegd wordt22). Omtrent de aanwijzing van den duur en het ingaan van de straf gelden ook hier a. 21 en 26 Swb.
Gestichten. Hechtenis mag niet in hetzelfde gesticht als gevangenisstraf worden ondergaan (a. 19). Voor haar zijn de, ook aan andere doeleinden dienstbare huizen van bewaring â mede onder den naam âgevangenissenquot; begrepen â bestemd (a. 1, 3 Gest.w.). Bij uitzondering kan hechtenis in eene strafgevangenis ondergaan worden: 1°. als vervangende hechtenis, terstond na het eindigen van eene gevangenisstraf, op verzoek van den veroordeelde (a. 25) quot;); 2°. ingeval een bestaand gebouw tijdelijk èn als huis van bewaring èn als hulpstrafgevangenis dienst doet (a. 10 Gest.w.).
Inwendige organisatie. De hechtenis wordt niet in afzondering ondergaan, tenzij de veroordeelde het verlangt en hij niet valt binnen eene der uitzonderingscategoriën van a. 12 (a. 19 al. 2, 3) 24). Voorts geldt ook hier: afscheiding naar het geslacht, afzondering bij nacht, verdeeling in klassen 26). â Verplichting tot het verrichten van opgedragen arbeid bestaat hier niet, behalve in geval van ledigheid; overigens is vrij: én de keuze van te verrichten arbeid â binnen de grenzen der voorschriften van orde en tucht â èn de beschikking over do opbrengst (a. 20)!6). â De tot hechtenis veroordeelden kunnen genot hebben van âpistolequot; (a. 9 Beg.w. K. B. 29 Sept. 1875), â Bij regeling van werktijd, loon, kantine, verkeeren zij in gunstiger conditie (a. 7 Beg.w.).
De regelen betreffende het water- en brood-régime, onderwijs en tucht gelden ook hier; ook zij die deze straf ondergaan, heeten âgevangenenquot; (a. 8, 10, 17 v. Beg.w.).
2!) Reg. Antw. op a. 18; Smidt I 288 (306).
!3) Volgens de woorden beperkt tot lieclitenis ter vervanging van geldboete. 34) Vlgs. O. R. O. zou de lieclitenis van drie dagen ol' minder altijd cellulair zijn; ter wille van noodzakelijke onderscheiding van gevangenisstraf werd dit in G. O. veranderd. Vermeden wordt, meer dan 5 personen bij elkaar te plaatsen (a. 5 Alg. K. B.). Vg. ook Smidt V, 22 (Novelle).
55 a. 5, 6, 11, Beg. W.; a. 6, 82 Alg. K. B.
M) Het loon wordt hier geheel als zakgeld beschouwd (a. 88 Alg. K. B.).
427
§ 51. DE HOOFDSTIIAFFEN. GELDBOETE.
III. Geldboete (a. 23 v.).
9. Geldboete is hoofdstraf bij misdrijven en overtredingen. Voor haar geldt een algemeen minimum van 50 cents Een algemeen maximum bestaat niet. Het wetboek kent onderscheiden speciale maxima quot;). Dat geldboeten boven het minimum alleen in veelvouden van een halven gulden kunnen worden opgelegd, is niet uitdrukkelijk bepaald, doch volgt uit het voorschrift omtrent de berekening der vervangende hechtenis (a. 23 al. 4).
De boete moet worden betaald ten kantore der ontvangers van de registratie 29). Omtrent eene , zeer gewenschte bevoegdheid tot betaling bij evenredige gedeelten bestaan geen voorschriften in de wet, dan alleen voor 'tgeval van betaling na aanvang van de uitvoering der vervangende hechtenis (a. 24 al. 3) 3U).
Vrijwillige betaling van de geldboete kan geschieden zoodra de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. Die mogelijkheid houdt eerst op, wanneer de vervangende hechtenis ondergaan is, of geheel, óf althans in zoover dat verdere bevrijding door gedeeltelijke betaling feitelijk niet meer mogelijk is. (a. 24).
Middelen van executie of van dwang kent het stelsel van het wetboek niet31).
10. Vervangende hechtenis. â Bij gebreke van betaling, uit onwil of uit onvermogen, wordt de geldboete vervangen door de hechtenis; onafhankelijk van den aard van het strafbaar feit 31).
Stac. en O, R. O. /1.
!8) In B. II is 't laagste Æ 60, (a. 310), 't hoogste Æ 10,000 (a. 347); in B. III t laagste /15, (a. 424), 't hoogste Æ 3000 (a. 456).
29) a. 16 W. v. 16 Juni 1832, Sb. 29.
3U) Vg. ook Smidt 1 303 (322) Rapp. a. d. K.
3') Gehandhaafd zijn in Inv.w.; 1. voor 't fiscaalrecht de executie op goederen en de lijfsdwang (a. 7 al. 3â6; vg. Smidt V aid.; Nijpels in T. v. S. I 203, die terecht opmerkt dat de in al. 4 genoemde âgevangenisstraf tot verhaalquot; niet dient tot verhaal maar tot vervanging); 2. 't provoostarrest v. d. schutterijwet (a 10'°). 0. P. kende 't stelsel v. lijfsdwang; dit door dat der subs. gev. vervangen bij W. v. 22 April 1864, S. 29.
3S) Inzoover afwijking v. d. W. v. 1864. Smidt I 301 (320).
428
DE HOOFDSTRAFFEN. VERVANGENDE HECHTENIS. § 51. 429
Deze vervanging geschiedt: of vrijwillig, en kan dan plaats hebben zoodra de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd (a. 24 al. 1); of gedwongen, en kan dan eerst geschieden wanneer, maar ook van rechtswege zoodra na dien dag twee maanden verstreken zijn, zonder dat betaling is gevolgd 33). Eene formeele aanmaning wordt niet meer, als vroeger, vereischt 34). Intusschen is de veroordeelde âaltijd (nog) bevoegd zich van de hechtenis te bevrijden door betaling van de (geheele) boetequot; (a. 24 al. 2). Is de uitvoering der hechtenis reeds aangevangen, ook dan nog is bevrijding toegelaten, doch alléén van het geheele âoverblijvend gedeeltequot;, naar volle dagen berekend, en wel door betaling van zoodanig âevenredig gedeeltequot; der boete dat âin dezelfde verhouding staat tot de geheele boete als het nog overblijvend gedeelte der hechtenis staat tot den geheelen duur der hechtenisquot; (a. 24 al. 3). Is zoodanige berekening niet meer mogelijk, dan is ook de bevoegdheid tot bevrijding vervallen.
De duur der vervangende hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak bepaald en berekend bij dagen, naar een maatstaf in het Wetboek aangegeven: een algemeen minimum van één dag; een algemeen maximum â opdat deze straf haar vervangend karakter niet verlieze â van 6 maanden, voor do gevallen van algemeene wettelijke strafverzwaring te verhoo-gen tot 8 maanden; speciale maxima naar een tweevoudige berekening: een maximum, bepaald door het in iedere utruf-hepaling bedreigde maximumcijfer der boete, n.1. zoovele dagen als dit vijftallen guldens bevat ^6); een tweede maximum, bepaald door de in het vonnis opgelegde boete, n 1. zoo âdat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden in do plaats treedtquot;. Zoo is dus b.v. bij een bedreigde boete van ten hoogste f 15 , het maximum der bedreigde hechtenis 3 dagen; en kan
33) De dag âwaarop liet vonnis kan worden ten uitvoer gelegdquot; verschilt van dien waarop het âin kracht v. gewijsde gaatquot;, a, 335 v. Sv.; H. R. 27 Oct, 5Nov. 1890; W. 5960, 5961.
34) Wel naar O. R. O. Smidt I, 302, 301 (321, 324 v.); nota Bachiene,
3i) Vg. H. E. in W. 6163, 6265, 6356, 6423 T. v S. VII, 451. â Uitz. in a. 23 al. 4 Inv.w. (Smidt V 433).
430 § 51. DE HOOFDSTRAFFEN. VERVANGENDE HECHTENIS.
dit cijfer reeds, maar ook eerst worden gekozen bij het opleggen van /'1.50. Met dit stelsel is bedoeld: ook voor deze straf de onderlinge verhouding der strafposities van het Wetboek te bewaren , en, terwijl de rechter de boete heeft te stellen in even-redigheid met het vermogen, toch te zorgen dat ook niet de minder gegoede belang hebbo hechtenis te kiezen boven betaling
De mogelijkheid van eene vervanging door hechtenis wijzigt den aard van de straf der geldboete niet 3:).
§ 52. De bijkomende straffen.
I. Ontzetting van rechten (a. 28â31 ').
1. Als straf wordt deze ontzetting krachtens eene strafbepaling bij een strafvonnis uitgesproken. Daarin verschilt zij, formeel, van andere dergelijke ontzettingen, intredend, óf van rechtswege of krachtens beslissing van de administratieve macht, zelfs indien die mot eene strafrechterlijke veroordeeling samenhangen *).
De ontzetting omvat verlies van de rechten die men bezit, verlies van de bevoegdheid om zulke rechten te verkrijgen. De strafrechtelijke sanctie bevatten a. 195, 196 Swb. Deze werking vangt aan op den dag zclven waarop do uitspraak
M) In Ontw. Stsc. was voor elke Æ5 opydeyde boete 1 dag als fixum, in 0. R. O, als maximum gesteld. 0. P. Beige geeft den rechter alle vrijheid beneden een algemeen maximum. Weer anders Dwb., de Ned. W. v. 1864 e. a.
37) Vg. het later teruggenomen a. 1 Novelle, naar 't oorspr. ontw.; en a. 11, M E. O. Smidt V 38 (I 332), IV 270, 278.
$ 52 ') Kronenberg, Iets over de ontzetting van rechten. (Pr. 1882).
â ) M. v. ï. B. v. Pensioenverlies a, 71 W. v. 28 Aug. 1851, Sb. 127 ; a. 70 \V. v. 28 Aug. 1851, Sb. 128 (a. 15 Inv.w.); (al moet hier de rechter den duur van het verlies bepalen, toch doet de veroordeeling tot straf âhet genot ophoudenquot;; anders Pols, aant. A. op a. 36 in Fruin's Wetboeken); a. 8, 22 W. v. 0 Mei 1890Sb. 78; a. 36 W. v. 18 Juli 1890 Sb. 109; a. 5, 38 W. v. 18 Juni 1892 Sb. 144. â Verlies van ridderorden: a. 10 \V. v. 30 April 1815 Sb. 33; a. 12 W. v. 29 Sept. 1815 Sb. 47; K. B. v. 30 Maart 1821; (a. 14 Inv.w.). â Ambtsverlies van leden der rechterl. macht: a ll1quot; R. O. â Verlies van bevoegdheid om onderwijs te geven : a. 10 W. L. O. e. a. Iets dergelijks geldt van 't verlies der bekwaamheid om te getuigen (165 Sv., 1950 B. W.), trouwens geen eigenlijk rechtsverlies. Anders a. 8 W. v. 29 Juni 1854.
DE BIJKOMENDE STRAFFEN. ONTZETTING VAN RECHTEN. 5 52. 431
rechtens kan worden ten uitvoer gelegd (a. 31 Swb. j. 335 Sv.) Haar einde wordt altoos door den rechter in zijn vonnis aangewezen. Bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf moet het zijn de dood; in de andere gevallen kiest de rechter een duur, en wel: indien geldboete de hoofdstraf is, tusschen een minimum van twee en een maximum van vijf jaren; indien tijdelijke vrijheidsstraf de hoofdstraf is, een tijdsverloop berekend naar den duur dier hoofdstraf met ten minste twee en ten hoogste vijf jaren vermeerderd ').
2. De lijst der bedoelde rechten (a. 28) is, hoewel uitgebreid, ontleend aan art. 8 der wet v. 29 Juni 1854 Sb. 102 (C. P. a. 42). Zij omvat zes rubrieken.
1°. Het recht om ambten, (d. i. eenig ambt) of bepaalde (d. i. door den rechter met name te noemen) ambten te be-kleeden. Het begrip âambtquot; wordt in B. I T. IX niet nader aangeduid. Intusschen geldt het woord hier alleen van openbare ambten; bedieningen in andere maatschappelijke kringen, b.v. vereenigingen, kerkgenootschappen, zijn âberoepenquot; 1). Aldus omvat het: elke, door het publiekrecht be-heerschte betrekking welke eene bepaalde taak oplegt, die ten behoeve van den Staat of van zijne deelen (provincie, gemeente, waterschap) vervuld behoort te worden 2); met uitzondering van wat afzonderlijk begrepen is in a. 282° ^0. De straf dezer ontzetting omvat niet en mag niet betreffen â omdat daarvoor, krachtens de Grondwet, bijzondere voorschriften der ivet gelden â âontzetting van leden der rechterlijke macht, die hetzij voor hun leven , hetzij voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, of van andere voor hun leven aange-
1
) Vg, a 86 W. v. 1854. â Zie ten aanzien van een predikant W. 6427, 6430, 6432, 6433.
2
b) Aldus Buys, De Grondwet I 53. Vg. Dittliuger, De zin der woorden ambt en ambtenaar. (Pr. 1885); v. Hamel in T. v. S. I 33; over lidmaatschap v. een waterschapsbestuur Smidt I 326 (351). â⢠Een ambtstitel kan ook eeretitel zijn en niet aan het bekleeden van ambt verbonden. Buys 1. c.
432 § 52. DE BIJKOMENDE STRAFFEN. ONTZETTING VAN RECHTEN.
stelde ambtenaren, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteldquot; (a. 28 al. 2) quot;).
2quot;. Het recht â niet, zooals de W. v. 1854 luidde, om wapenen te dragen, wat thans geregeld is bij de W. v. 9 Mei 1890 Sb. 81âmaar om te âdienen bij de gewapende machtquot;. Deze macht omvat de Nederlandsche zeemacht, landmacht, militie en schutterij, rustende of dienstdoende; niet de weerbaarheidscorpsen'). âBij haar dienenquot; moet hier, ook wegens a. 84 Swb., slechts beteekenen âtot haar behoorenquot;, organiek 8).
3U. Het recht om âbij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingenquot; â d. i. naar 't geldend recht voor staten-generaal, provinale staten , gemeenteraad, c. q. waterschapsbesturen en kamers van koophandel en fabrieken â kiezer te zijn of daarbij verkozen te worden quot;).
Dit voorschrift doet, m. i. ook theoretisch , niets te kort aan de bevoegdheid van Grondwet of Kieswet om verlies van het actief of passief kiesrecht nog op andere wijze met eene strafrechtelijke veroordeeling in verband te brengen; mits niet door altijddurende ontzegging aan zekere strafoplegging te verbinden, wat met de beginselen van het Swb. strijden zou 'ü). Ten aanzien van liet recht om te kiezen brengt hot formeel karakter der voor vele verkiezingen wettelijk ingevoerde kiezerslijsten mee, dat de ontzetting eerst dan werkt en ook zoolang werkt als krachtens haar de naam van den ontzette op die lijsten ontbreektquot;). Ten aanzien van de verhiesbaar-heid komt, naar de woorden van a. 28, in aanmerking het
«) a. 166, 179, Grw.; a. 11, 37, 51, 62, 84 E. O.; a. 3 W. 5 Oct. 1841 Sb. 40.
') Vg. Sinidt op a. 29 cu 84. â Weerbaarheidacorpaou georganiseerd naarK.li. v. 12 Mei 1867 Sb. 49 zijn uiot tot do gowapendo macht gebracht; wel in a. 4 Wapenwet. Vg. v. Hamel I.e. 38.
8) Zie a. 2 Cr. Wb. Kr. t. L.; a. 2 Cr. Wb. Kr. t, W. Dat o. a. marketenBtere hierbuiten vallen, ook door de regeering opgemerkt bij a. 84.
9) Vg. a. 84, 125 en Sinidt aid.; ook v. Hamel 1. c. 37: over âwettelijk voorschriftquot; boven ^ 31.3. Sommige waterschapsbesturen worden door de regeering benoemd. â Kamers v. Kooph. K. B. 9 Nov. 1851 Sb. 142 (gew. 11 Aug, 1859 Sb. 80, 12 Juli 1873, Sb. 108.)
10) Vg. Buys, Grondw. 111 155; Fame, Bijdr. tot do kennis v. h. Staatsbest, enz. 29, 426; W. 6298, 6302, 6342, 6452.
quot;) Vg. a. 33 Kiesw. v. 4 Juli 1850 Sb. 37.
DE BIJKOMENDE STRAFFEN. ONTZETTING VAN HECHTEN. § 52. 433
tijdstip waarop iemand verhozen is, ook al is op daf, van de aanneming of do toelating de duur der ontzetting verstroken 1:). Omgekeerd zou eene ontzetting, eerst na de verkiezing uitgesproken of ingegaan â welke niet tevens met ontzetting uit het ambt gepaard ging â geen invloed hebben, indien niet die invloed toch uitdrukkelijk in Grondwet en Kieswet ware erkend l3).
4°. Het recht om te zijn: âraadsmanquot; van de moedervoogdes; âgerechtelijkquot;, d, i. in eenig bij do wet aangewezen geval door den rechter te benoemen , âbewindvoerderquot; ; âvoogd , toeziende voogd, curator of toeziende curator over anderen dan eigen kinderenquot;, waaronder dus begrepen is do medevoogdij van den man der moeder-voogdes, de voogdij van den gestichtsregent, het curatorschap over de ongeboren vrucht, het curatorschap over den echtgenoot H). De ontzetting van voogd of curator naar het B. \V. heeft een meer beperkte strekking.
5°. âDe vaderlijke macht, de voogdij en de curateele over eigen kinderenquot;, ook natuurlijke, wettelijk erkende16); een straf die, indien de aard van het deli kt dit toelaat, mede tegen kinderloozen of ongehuwden voor de toekomst kan worden uitgesproken. Ontzetting van de vaderlijke macht kent het B. W. niet; de C. F. kende haar alleen in a. 335, en dan nog slechts ten aanzien van een bepaald kind. Hier geldt zij voor alle kinderen, ook later geborenen. De verplichting om de kinderen te onderhouden vervalt echter ook m. i. hiermede niet; evenmin 't vruchtgenot van de goederen l6). Zeer noo-dige nadere wettelijke voorzieningen in verband met deze
'2) Vg. Buys, De Grondvv. op a. 79 (oud) I 442, 474.
!3) Gr.w. a, 84 (âom lid te kunnen zijnquot;), 90, 127, 143; Kiesw. v. 4 Juli 1850 Sb. 37, a. 97, gew, bij a. VII Add. artt. Gr.w. 112; Prov.w. a. 23. Gem.w. a. 25.
14) a, 401 B. W. â a. 495, 519, 1026, 1067, 1173 B. W., a. 33 W. v. 27 April 1881 Sb. 96; â a. 403, 406, 409 , 413 , 421 , 422 , 503 , 504 , 505 B. W. â Niet het zijn van curator in een faillissement.
's) a. 353 v , 400, 405, 408, 503 B. W.
'quot;) a. 353, 158 B. W. Vg. Smidt 1, 324, 325 (348, 349).
434 § 52. DE liUKOMENDE STRAFFEN. ONTZETTING VAN RECHTEN.
ontzetting zijn uitgebleven 17). âToeziende voogdij en curateelequot; zijn hier, waarschijnlijk abusief, niet ingevoegd ,8).
6°. âDe uitoefening van bepaalde beroepenquot;. quot;Bepaaldequot;, d. i. door den rechter aan te wijzen beroepen. De bepalingen waarin het Svvb. deze straf bedreigt, beperken haar tot het beroep tijdens het delikt uitgeoefend en âwaarin het begaan isquot;. I9).
3. Ook van deze ontzettingen is, naar den regel, het uitspreken facultatief. Voorts is het alleen toegelaten in de, ten aanzien van elk der noa uitdrukkelijk âbij de wet bepaalde gevallenquot;. Het Swb. heeft er verscheidene aangewezen in bijzondere strafbepalingen van B. II (b.v. a. 106), niet in B. III; voorts in de meer algemeene gestelde artt, 29 en 30. Art. 29 heeft, voor de ontzetting sub 1° en 2°, op 'toog de groep ambtsmisdrijven van B. II, T. XXVIII en de gevallen van misdrijf (niet overtreding) bedoeld in a. 44 so). Art. 30 wijst voor de ontzetting van ouderlijke macht, voogdij en toeziende voogdij, curateele en toeziende curateele, over eigen kinderen of anderen, aan: 1°. alle misdrijven (niet overtredingen) waaraan ouders of voogden (niet toeziende) âopzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige deelnemenquot;, onder welken juridieken vorm van deelneming ook; 2U. misdrijven omschreven in de Titels 13, 14,15, 18, 19, 20 van B. II door âouders of voogden (niet toeziende) tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige gepleegdquot;, d. i. waarvan deze naaide begripsomschrijving van het misdrijf rechtstreeks het object was 1').
Tusschen do gevallen waarin art. 30 en die waarin a. 28 sub 5Ã rechtstreeks wordt toegepast, bestaat nu, wat den mogelijken
1
I0) a. 106, 176, 240, 261, 252, 325, 339, 417, â Disciplinaire ontzetting van beroepsuitoefening b.v. van advocaten, scheepsgozagvoerders, onderwijzers.
DE BIJKOMENDE STRAFFEN. RIJKSWERKINRICHTING. § 52. 435
omvang der ontzetting aangaat, eene, vermoedelijk niet bedoelde antinomie2!). »
II. Plaatsing in eene Rijkswerkinrichting (a. 32) s3).
4. Ook deze straf is overgenomen uit den rechtstoestand onderden C. P., waaronder zij evenwel niet formeel eene straf hee-ten kon 24).
Ook hare oplegging is altijd facultatief; mits beperkt tot âde bij de wet bepaalde gevallenquot; (bedelarij, landlooperij , openbare dronkenschap bij de dorde of volgende herhaling a. 484, 453) en tot personen âdie tot werken in staatquot; (valide) Rijn. 2S).
De duur wordt door den rechter bepaald binnen een algemeen minimum van 3 maanden en de speciale maxima van 3 jaren in a. 434, van 1 jaar in a. 453. Art. 32 erkent de 3 jaren ook als algemeen, blijkbaar niet te verhoogen, maximum; uitdrukkelijk aldus bij samenloop (a. (32 al. 3). Dit maximum wordt vrij algemeen te laag geacht. De duursaan-wijzing geschiedt als bij de andere vrijheidsstraffen (a. 32 ju a. 21). Continuiteit is hier niet noodzakelijk2quot;). In dc uitvoering moet deze straf zoo spoedig mogelijk aan de hoofdstraf (hechtenis) aansluiten; billijkheidshalve gaat zij daarom van rechtswege in op den dag waarop deze eindigt (a. 32).
Al iieet zij bijkomende straf, in baar ligt feitelijk het. zwaartepunt. Z j wordt ondergaan in de rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen I, II, III â ook voor veldarbeid bestemd â en te Hoorn door mannen, onder Oegstgeest door vrouwen (a. 8 Gestichten wet) 27). De verplichting tot arbeid steunt op het Swb. (a. 32 j0. a. 14). De uitwerking ook van deze straf in
â â¢) Hier ook toeziende voogdij en t. eurateele. Vg. noot 18.
23) Vg. Hand. Ned. Jur. Ver. 1894 Praeadvisours A. A. de Pinto, Snijder v. Wis-senkerke; Bierens de Haan, De Ned Strafbep. tegen bedelarij enz. (Pr. 1895); â v. Hippel, Die korrektionelle Naehhafc (1889) en Z. f. d. gea. Sw, 13, 711; Belangrijke Belgische wet v. 27 Nov. 1891.
3t) Smidt I 330 (354); a. C. P. a. 274 v.; a. 19 W. v. 20 Juni 1851 Sb. 102.
ss) Min. Giro. 2 Oct. 1891, W. 6084. Over de validiteit moet afzonderlijk onderzocht en beslist worden. H. E. W. 5378, 5446; ook W. 5595.
2r') Smidt I, 331 (356).
:') Belangrijke strijd over de wenschelijkheid van -gestichten voor enkel fabriek-matigen of ook voor veldarbeid Smidt IV, 44 v.
436 § 52. DE BIJKOMENDE STRAFFEN. VERBEURDVERKLARING.
bijzonderheden is, ingevolge a. 22 en 32, overgelaten aan de beginselenwet, llot Algem. K. B., hnishourlelijke reglementen cn een afzonderlijk reglement van tucht voor Veenhuizen 2a). De namen ârijkswerkinrichtingenquot; en âverpleegdenquot; staan tegenover âgevangenissenquot; cn âgevangenenquot;.
III. Verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen (a. 33â35) 29).
5. De verbeurdverklaring ten behoeve van den staat is een vermogensstraf en kan dus alleen betreffen voorwerpen âden veroordeelde toebehoorendequot;; en wel uitsluitend hem 3quot;). Die voorwerpen moeten voorts met het delikt in verband staan: óf uls daardoor âverkregenquot;, b.v. vervaardigde valsche munt, ontvangen geld bij omkooping; óf als middelen daarvoor gebruikt, b.v. een wapen 3'). De straf is gesteld A., krachtens het algemeene a. 33, lu. ten aanzien van verkregen voorwerpen bij alle misdrijven, bij overtredingen alleen in de bij de wet bepaalde gevallen; 2°. ten aanzien van tot het plegen gebruikte, bij misdrijven âopzettelijk gepleegdquot;, d. w. z. waarvan het constitutief gevolg opzettelijk veroorzaakt is, in alle, bij misdrijven âniet opzettelijk gepleegdquot; cn bij overtredingen alleen in de bij do wet bepaalde gevallen ls); terwijl B. in het Swb. zelf (a. 214, 223, 234, 349 bis en ter) bij enkele âopzettelijkequot; misdrijven bijzondere, overbodige, voorschriften voorkomen quot;). De oplegging is facultatief.
!8) Zie in 't bijzonder Beg.w. a. 2. al. 4, 7, 8 (geen water- en broodrégime), 21 (verplaatsing uit Veenhuizen naar Hoorn als disciplinaire straf); Alg. K. B. a. 21 v., 28 v., 81, 85, 87, 108 (gew. 19 Nov. 1889 Sb. 171, 30 Juni 1891 Sb. 143), 114, 115; Regl. v. tucht K. B. v. 20 Januari 1887 Sb. 19).
29) Vooral B. v. Boyen in Rechtsg. Mag. 8, 211; ook Sohadee, Iets over verbeurdverklaring enz. (Pr. 1882); Barbas, Art. 33 en 34 Swb. enz. (Pr. 1883).
30) Uitsluitend; zie Schadee 1 e. 57; anders Smidt I, 335(360). In beslaggenomen voorwerpen aan andoren âwederrechtelijk onttrokkenquot;, worden dezen teruggegeven; a. 219 Sv. Over âtoebelioorenquot; bij omkooping H. E. W. 5969.
31) Niet het corps of ohjcl du dólit. *0. P. a. 10.
:!:) Swb. a. 175 (culpoos misdrijf), 440 (overtreding). Voorbb. bij âovertredingenquot; in speciale wetten; a. 7 Zondagswet v. 1 Maart 1815 Sb. 21 (a. 10'quot; Inv.w); a. 45 Jachtw. v. 13 Juni 1857 Sb. 87 (a. 10Hquot; Inv.w.); a. 34 \v. betr. de maten enz. v. 7 April 1869 Sb. 57 (a. 10JJquot; Inv.w.); a. 35 Veeartsenijk. \V. v. 20 Juli 1870 Sb, 131 (a. 10!6 Invw.); a. 2 al. 8 W. o. h. vervoer van vergiftige stoffen v. 28 Juni 1876 Sb. 150 (a. lO5quot;quot; Inv.w.); a. 161, 271 Gem.w. (a. 24, 25 Inv.w.); hot rijksfiscaal strafr., waarvoor ook a. 7 al. 7 Inv.w.
33) Keg. Antw. achtte a. 214, 223, 234 niet overbodig; a. 349 bis en ter zijn woordelijk overgenomen uit W. v. 28 Juni 1881, Sb. 124.
DE BIJKOMENDE STRAFFEN. VERBEURDVERKLARING. § 52. 437
De voorschreven beginselen van a. 33 zijn door a. 91 algemeen gemaakt. Intusschen komen uitzonderingen voor, uit de woorden van bijzondere wetsbepalingen noodwendig af te leiden, veelal niet aldus bedoeld , doch m. i. nooit te rechtvaardigen ^).
6. Zijn de voorwerpen in beslag genomen, dan behooren zij krachtens de (onherroepelijk geworden) uitspraak van rechtswege aan den staat 'ii). Anders kunnen zij alleen vrijwillig worden uitgeleverd; kan die uitlevering altoos worden vervangen door betaling van het geldelijk bedrag waarop de voorworpen bij de uitspraak geschat zijn38); en kunnen executie- of dwangmiddelen tot het erlangen van goed of geld niet worden aangewend; maar treedt, bij gebreke van een en ander, binnen gelijken termijn als bij de geldboete, vervangende hechtenis in (a. 34). Plet algemeen minimum is hier één dag; het algemeen maximum 6 maanden; de speciale maxima worden alleen berekend naar do opgelegde straf, n.l. niet meer dan één dag voor eiken halven gulden der geschatte geldswaarde. De verdere regelen betreffende de vervangende hechtenis bij geldboete (§ 51.10) gelden ook hier (a. 34 al. 4); uitlevering van oen deel der voorwerpen nadat een deel der hechtenis geleden is, schijnt echter niet toegelaten (a. 34 al. 5).
7. Van deze verbeurdverklaring is geheel onderscheiden de last tot vernietiging of onbruikbaarmaking naar a. 219 al. 2 Sv.; toegelaten ook bij niet aan den veroordeelde bohoorende goederen en ook bij vrijspraak 37).
quot;) N.l. Verbeurdverklaring, somtijds ook v. goederen niet aan den veroordeelde be-hoorende, altoos imperatief ; in a. 214, 223, 23'!, 340 iis en Jer Swb. en in de meeste bijzondere bepalingen y. noot 32; A. 175 en440S\vb. zijn toepassingen v. a. 33. A. 161 Qem. w. (a. 24 Inv. w.) vergunt aan den gemeentewetgever voor 't vervolg blijkbaar alleen facultatieve bedreiging; do imperatieve in bestaande verordeningen ia gehandhaafd (a. 27 Inv.w.) Aldus o. m. H. R. W. 6064 (vg. W. 6013).
:,r') Over voorloopigen verkoop, a. 28, 29 W. v. b. tarief in strafz. v. 18 Sept. 1874 Sb. 66.
M) Wegens do in de plaatsstelling v. geldswaarde is liet bestaan van de voorwerpen tijdens het delikt voldoende, tijdens de uitspraak onnoodig. H. R. W. 5971, 6064.â-Verbeurdverklaring van âniet aangehaaldequot; goedsrén uitgesloten bij a. 277 280 jü. 271 Gem, w. H. R. W. 5973.
37) H. R. 21 Januari '95; W. 6616.
438 § 52. UK BIJKOMENDE STUAFFEN. OPENUAAHMAKINà VAN DE UITSPRAAK.
IV. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak (a. 86) 38).
8. Deze straf beoogt âgrootere openbaarheidquot; in het algemeen belang (M. v. T.). Zij kan alleen in de bijzondere gevallen bij de wet aangewezen, worden gelast. Het Swb. stelt deze straf slechts in er.kele artt39). En wel wegens den aard van het misdrijf, niet, als in den C. P., wegens den aard der straf. Hoofdzakelijk als waarschuwing tegen lieden die in hun beroep bedrog of roekeloosheid pleegden.
Voor de uitvoering zorgt het O. M. (a. 342 Sv). In het vonnis moet worden bepaald op welke wijze die zal geschieden. Ook dat de kosten komen ten laste van den veroordeelde. Do vereffening van deze kosten zal wel moeten geschieden als van de gerechtskosten; uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang is echter hier niet toegestaan 40).
HOOFDSTUK IV. â De mate van straf.
§ 53. Wettelijke strafbedreiging en rechterlijke straftoemeting ').
1. Op den wetgever rust de taak der strafbedreiging; op den rechter die der straftoemeting. De wetgever stelt bij iedere ânormquot; of groep van nonnen haar penale sanctie; derhalve voor ieder delikt âin abstractequot; eene straf positie. Do rechter legt voor ieder delikt âin concretequot; een qualitatief en quan-titatief bepaalde straf op. Eerst in de straftoemeting vindt de strafbedreiging haar uitdrukking.
2. In verband met het veelzijdig doel van de straf (§ 5) moeten onderscheiden overwegingen 's rechters beslissing bepalen. De vergeldingsleer met hare z.g.n. tarieven naar de
^8) Boddaert, De straf van openbaarmaking der rechterlijke uitspraak (Pr. 1885). Andere strekking lieef't a. 1409 B. W.
39) a. 106, 176, 309, 325, 339, 349. Het ontvv. Stsc. is op dit punt uitgebreid. Vg. Smidt ad artt. Bevreemdend is de algemeenheid v. a. 325.
^0) a. 215 Sv. a. 74 ïaricfvv. v. 18 April 1874 Sb. 60.
'i 53- ') Ter Spill, Het algemeen strafminimum volgens het W. v. S. (Pr. 1887); ïiboel v. d. Ham, Strafbedreiging en straftoemeting, in T. v. S. VII, 225; Roder in öerichtss. 26 , 89; Medem ib. 4, 173; verder Z. f. d. ges. Sw. 9. 627.
WETTELIJKE STRAFBEDREIGING EN RECHTERLIJKE STRAFTOEMETING. § 53. 439
objectieve en subjectieve zwaarte van het delikt blijven buiten invloed, ook bare terminologie van âverdiendequot; straf worde liever vermeden. In de opgelegde straf moet dan liggen: een element van afkeuring, duidelijke, gevoelige afkeuring van de bandelii/g en de gezindheid die er toe leidde; een element van afschrikking, waarschuwing, van den dader tegen berba-ling, van anderen tegen navolging; tegenover dieper gewortelde misdadige gezindheid en grooter gevaar voor herhaling, een element van verbetering; een element, bepaaldelijk tegenover gevaarlijke en gewoonte-misdadigers, van omchadelijkniaking; een element van herstel van vertrouwen op de waakzaamheid van bet recht, in den kring dor benadeelden en in de gan-sche rechtsgemeenschap. Bij bet overwegen van dit alles moet dan worden gelet op de beteekenis dor handeling voor bet rechtsleven en op de natuur, bepaaldelijk de door do handeling gebleken gezindheid des daders.
3. Dat de strafbedreiging met dit alles rekening boude, is onmogelijk; daarom zijn absolute strafposities onverdedigbaar. Aan den anderen kant mag, op dat rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd, misbruik van gezag en absoluut overwicht van 's rechters subjectiviteit vermeden worden, niet alles worde overgelaten aan de straftoemeting; en is daarom een arbitrair strafrecht even verwerpelijk ').
Historisch is de absolute strafbedreiging overal de oudste, wat ook de vergeldingsleer en de aard der strafmiddelen medebrachten. Reeds de leemten in de rechtsbronnen, de behoefte aan andere strafmiddelenen de aard dier andere, immers deelbare straffen leidden tot uitbreiding van 's rechters macht tot straftoemeting, ten slotte verloopend in het arbitrair strafrecht waartegen de omwenteling der 18« eeuw gericiit was 1). Als reactie stak een enkele maal, b.v. in den Pranschen C. P. van 1791, een volledig stelsel van absolute strafposities het hoofd op. Al spoedig echter leidde het toenemend bewustzijn omtrent de groote verscheidenheid der concrete delikten tot een stolsel van re-
1
) Vg. boven ^ 6, blz. 48, 54.
440 § 53. WKTTELIJKE STRAFBEDREIGING EN RECHTERLIJKE STRAFTOEMETING.
latieve stmfposities, dat thans, zij het ook binnen onderscheiden grenzen en hier en daar met uitzonderingen, b.v. ten aanzien van de doodstraf, in beginsel overal gehuldigd is 1).
Het vindt zijne uitdrukking: a. in 's rechters vrijheid van beweging tusschen een wettelijk minimum en maximum van dezelfde strafsoort; h. in het alternatief stellen van meer dan ééne strafsoort; c. in het facultatief stellen van sommige straffen.
4. Hiernevens nu heeft zich nog ontwikkeld en is tegenwoordig in de meeste wetgevingen aangenomen het stelsel van verzachtende omstandigheden (circonstances atténuantes, mil-dernde Umstande): waarnaar, in geval van omstandigheden die naar 's rechters oordeel zoodanig karakter dragen, hij beneden het minimum, tot een lager grens, dalen kan, of ook de vrijheid van alternatieve of facultatieve strafoplegging erlangt 2).
Hier te lande heeft dit stolsel een belangrijke geschiedenis. Do C. P. van 1810 kende liet slechts bij délits en op beperkte schaal (a. 4G3). Het Souv. Besluit v. 1813 voerde het ook in bij âmisdadenquot; voor quot;confinementquot; (a. 12), terwijl a. 209 Wetb. v. Strafvord. dat voorschrift verduidelijkte. De W. v. 1854 regelde het stelsel bij misdaden op veel ruimer schaal (a. 9) en breidde het bij wanbedrijven nog uit (a. 20). In alle speciale wetten werd het toepasselijk verklaard. Voor doodstraf heeft het nooit gegolden 3); wel bij de levenslange tuchthuisstraf die de doodstraf verving. De omstandigheden moesten in het vonnis worden genoemd. De wet wees slechts enunciatief enkele aan.
Dit stelsel is theoretisch niet te verdedigen, vermits een
1
) In Dwb. (ji (i 80, 211) is de doodstraf absoluut bedreigd; in Frankrijk sints 1832 niet. In Engeland kan de jury den veroordeelde aanbevelen in de gratie dor Kroon. Zie over facultatieve bedreiging van doodstraf; Modderman, De hervorming onzer strafwetgeving, 123.
2
) Duitsehland, Frankrijk, België, Italië (a. 49), Spanje (met specifieke gradaties), Portugal (met uitvoerige opsomming) o. a.; ook Avant-Projet d'un (J. P. Suisse (a. 36â39).
3
) Modderman 1. c.
WETTELIJKE STRAFBEDREIGING EN RECHTERLIJKE STRAFTOEMETING. §53. 441
wettelijk minimum juist met het oog op de lichtst denkbare gevallen behoort gesteld te zijn. Het is dau ook nieis anders dan een practisch, maar onoprecht correctief tegen to hooge strafminima. Het werd op zeer ruime schaal aangewend ; maar het belemmerde de vrijheid onzer rechters kunstmatig en had aldus ten gevolge, dat dezen dikwijls de strafoplegging niet bepaalden naar de omstandigheden, maar omstandigheden
1 ' rquot; |s in
de Nederlandsche wetgeving van 1886 verlaten^
5. Ten aanzien van rechterlijke straftoemeting geeft de Ne-derlandsche wetgeving thans meer vrijheid dan eenige andere.
Alternatief gesteld zijn: de eenige ondeelbare straf, de levenslange gevangenisstraf, altijd; de verschillende hoofdstraffen onderling herhaaldelijk. (§ 51).
Facultatief is de oplegging van bijkomende straffen , behoudens zeer enkele uitzonderingen, altijd.
Speciale minima zijn in de strafposities met tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete niet bekend; alleen speciale maxima. Het algemeene minimum der strafsoort (1 dag, 50 cents) is naar beneden de uiterste grens bij alle strafposities.
Het Ontw. der Staatscommissie had nog bij eenige zware misdrijven speciale hoogere minima gesteld ; dit is reeds in O. li. O. veranderd. Ook m. i. consequent en juist1).
Het stelsel is neergelegd, niet in een algemeene bepaling, doch in de bijzondere strafposities. In navolging van het Swb. zijn, bij de invoering daarvan, de gehandhaafde wetten en verordeningen alle in denzelfden geest gewijzigd; latere zijn in dien geest gesteld; alleen bij geldboeten in rijksftscale zaken is het stelsel niet doorgevoerd 2).
I.
1
) Het stelsel der Stso. in de Jur. Ver., 1. o. nog sterk verdedigd ook door sprekers die 't later prijs gaven. Daarover vooral ter Spill 1, o. 7-1 v. Do verde-digingsgrond was vooral de etliische beteekenia der strafbedreiging. â Over de verlaging in ü. O. van het algemeen minimum der strafsoort bij gevangenisstraf van 6 d. op 1 d., zie § 51.
2
!l) Inv. w. a. 7 al. 2 (Smidt V. 253), 9, 11 al. 3 en 4, 19 al. 2, 22, 23, 24, 26.
442 §53. WETTELIJKE STRAFBEDUEIGINà EN RECHTERLIJKE STRAFTOEMETING.
6. Tusschen het speciale maximum en het algeraeene mi-uimum is dus de rechter volkomen vrij. Zelfs tot motiveering-van zijne beslissing is hij niet verplicht. Wettelijke verplichting ware hier ook ijdel. Toch verdiende motiveering rechtsgebruik te worden. Want, zijne strafmaat kiezende naar de boven (n. 1) omschreven beginselen, drukt de rechter daarin uit, mag en moet hij er in uitdrukken zijn wetenschappelijk gevormd oordeel over de beteekenis van het begane delikt voor het rechtsleven, over de psychologische en sociale oorzaken van het delikt en over de sociale functiën der op te leggen straf. Zoo opgevat ware motiveering van groote waarde voor de juistheid en voor den invloed der rechtspraak.
De wettelijke strafbedreiging met haar speciaal maximum heeft m. i. voor de straftoemeting uitsluitend een negatieve beteekenis. Zij stelt den rechter een grens. De wetgever wil voor het krenken (of in gevaar brengen) van bepaalde rechtsbelangen, op een bepaalde wijze, onder bepaalde omstandigheden en bij een bepaalden schuldvorm (bv. a. 307 , 287, 289) nooit meer dan dat maximum opgelegd zien. Daarvoor heeft hij zijne algemeene, evenzeer aan de beteekenis van misdrijf en straf ontleende motieven, welke echter aan de vrije werking der veel meer te specialiseeren motieven van den rechter niets te kort doen. Daarom is die strafbedreiging hem ook geen leiddraad. Allerminst in dien zin dat hij, bij strafoplegging voor twee naar hunne soort onderscheiden delikten, zich naar de onderlinge verhouding der daarop gestelde maxima zou moeten richten 1()).
De rechter beoordeelt, gelijk gezegd is, voor het bepalen van de straf ook de beteekenis van het begane feit voor het rechtsleven, voor de rechtsorde. Ook in dat oordeel over het feis is hij vrij. Mits hij zich daarbij niet plaatse op hot hem
27. Hel tractatenreoht blijft natuurlijk onaangetast (a. 6 Inv. w.; vg. b. v. a. 29 Regl. betr. scheepvaart op de Schelde (boven ji 12 noot 10).
10) ïe eng en daarom m, i. onjuist de scherpzinnige tegenstelling van Tiboel v. d. Ham 1. c. (272) alsof do strafbedreiging zou zijn vastgeknoopt aan het feit, do straftoemeting aan den dader.
WETTELIJKE STRAEBEDHEIGING EN RECHTERLIJKE STRAFTOEMETING. §53. 443
verboden standpunt eener beoordeeling van âde innerlijke waarde of billijkheid der wetquot; zelve (a. 11 A. B.)
7. De wetgever is tot zijn stelsel gebracht door inzicht in het onlogische en onbruikbare van het stelsel der âverzachtende omstandighedenquot;; door inzicht in de eindelooze verscheidenheid der gevallen en behoeften; door den eenvoud van zijn strafstelsel; door zijn vertrouwen in de rechterlijke machtI:). Hij had een voorbeeld in het Grim. Wb. v. 1809.
Klachten over misstanden en ongelijkheden in dc praktijk zijn niet bekend. Intusschen belet de onvoldoende inrichting onzer statistiek en het gemis aan motiveering een nauwkeurig onderzoek naar de werking.
§ 54. Verhooging of vermindering van de we11e 1 ij ke strafbedreiging.
1. Het Ned. Swb. heeft bij de keuze der strafbedreigingen, met name der speciale maxima, voor de onderscheidene de-likten eene stelselmatige verhouding trachten te bewaren, naar de betrekkelijke beteekenis, objectief en subjectief, van elk delikt, z. g. n. zijn âbetrekkelijke zwaartequot;1).
2. Als alle wetgevers heeft ook de onze zich hierbij niet bepaald tot het stellen van een ruime strafbedreiging voor den grondvorm van elk delikt, het verdere geheel aan de straftoemeting overlatend.
Ook hij kent gronden voor strafhaarheidsverhooging (verzwarende omstandigheden , Strafscharfungsgründe , circonstan-
quot;) Over de beteekenis van 's rechters vrijheid, behalve de litt. v. noot 1, S. van Houten, âBesohonwingen naar aanleiding van het algemeen strafminimum vanéén dagquot; in Vragen des Tijds 12, blz. 323, 321; die ook m. i. te ver gaat door hier van een omkeering in de verhouding tusschen wetgever en rechter te spreken. Hiertegen de in vele opzichten juiste argumentatie v. Mom Visch, W. 5341, 5312.
12) Over die gronden Smidt 1, 199, 201, vooral 206 (213, 216, 220). Het stelsel ook verdedigd in rapporten van het Int. Pen. congres te Rome (1885) door Pols en van Hamel.
$ 54. ') Zie de vergelijkende overzichten der strafmaxima van O, R. O, en Swb. bij Smidt 111, 323, 330 (363, 370).
444 §54. VÃKH00G1NG0P VKRMINDERINà V. I). WETTELIJKE STRAFBEDREIGING.
ces aggravautes), in de strafbedreiging zelve leidende tot: verhooging van liet maximum (bv. a. 44, 140, 300, 311), verandering van de strafsoort, imperatief of alternatief (bv. a. 300, 311, 453), of toevoeging van eene bijkomende straf (bv. a. 325, 453); en gronden voor strafbaarheidsvermindering (Strafmilderungsgründe, in den C. P. ten deele bekend als âexcuses légalesquot;, âverschoonende omstandighedenquot;), iu de strafbedreiging zelve leidende tot: verlaging van het maximum of liet wegvallen van oen bijkomende straf (bv. a. 39):). Zij zijn ontleend aan den persoon des daders, de omstandigheden, de gebezigde middelen, de gevolgen 1).
Zij zijn bijzondere (speciale), inzoover zij als zoodanig erkend zijn voor een bepaald delikt of een bepaalde soort; aige-meene, inzoover zij als zoodanig erkend zijn voor alle delik-ten of voor uitgebreide groepen.
De bijzondere leiden in de vele gevallen van verhooging tot het omschrijven van z. g. n. âgequalificeerdequot; deliktsvormen (types a. 300 v., 311 v.); in het enkele geval van vermindering (a. 290, 291) tot het omschrijven van een âgeprivilegieerdenquot; deliktsvorrn.
De algemeene zijn: voor strafbaarheidsverhooging de ambtelijke hoedanigheid en de herhaling; voor straf baarheids vermindering de jeugdige leeftijd.
Bij ons stelsel van een algemeen strafminimum konden de gevallen van strafbaarheidsvermindering wegens âverschoonende omstandighedenquot; zeer gering in aantal zijn ^).
De regeling der strafbedreiging bij samenloop draagt een bijzonder karakter (§ 40.2).
3. Waar de wet op voormelde gronden het strafmaximum verhoogt of vermindert âmet '// (a- 39, 44, 57 v. 140,804,
1
veelvuldig aangenomen âprovocatiequot;, B. v. C. P. a. 321 v. Dwb. ü 213. Ook Swb. O. R. O. a. 311, 330. Daarover Ãmidt II 128, -133, 45ü (461, 406, 480).
VERHOOGING OF VERMINDERING V. D. WETTELIJKE STRAFBEDREIGING. §54. 445
421 v.), doch het maximumcijfer, herleid tot de laagst mogelijke eenheden, d. w. z. tot dagen en halve guldens (a. 21, 23), niet door 3 deelbaar is (bv. 1 jaar, 25 gulden), is zuivere berekening niet mogelijk en moet het maximum een fractie lager worden gesteld s). In verband hiermede zij tevens herinnerd aan de bijzondere bepalingen omtrent verhooging van het algemeen maximum in a. 10, 18, 23 en aan art. 32 1).
3. Over samenloop, ambtelijke hoedanigheid en herhaling zie §§ 40, 55, 56.
Over jeugdigen leeftijd (a. 39 al. 4) is gesproken in § 36.8. Hierbij wordt het maximum van alle hoofdstraffen verminderd met 'Z,; gevangenisstraf voor het leven veranderd in eene tot ten hoogste 15 jaren; terwijl twee bijkomende straffen , ontzetting van rechten en openbaarmaking van de uitspraak , vervallen quot;).
5. Over vervanging van eene straf wegens hare onuitvoerbaarheid (Strafumwandlung) zie §51.10, § 52.6.
Over toerekening van een ander, reeds ter zake van het delikt ondergaan leed op do straf zie § 57.
§ 55. Ambtelijke hoedanigheid.
1. De ambtelijke hoedanigheid is als algemeene grond voor strafbaarheidsverhooging erkend in a. 44, bepalende dat âindien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, do straf met '/3 kan worden verhoogdquot;.
Dit voorschrift vindt zijn, trouwens gebrekkige en beperkte,
1
«) Vg. | 51. 2, 8, 10; l 52. 4.
§ 55. AMBTELIJKE IIOEIIANIGHEID.
voorloopers in a. 198 en 462 C. P. '). Het beoogt dit: bij geioonc of gemeene, d. i. bij ook door niet-ambtenaren te plegen de-likten, den ambtenaar die daardoor zijn ambt schond of misbruikte , strenger te kunnen straffen dan een ander.
2. Het geldt voor alle strafbare feiten, ook overtredingen 2); uit den aard der zaak echter en ingevolge a. 55 al. 2, niet voor amhtsdelikten, zuivere of gemengde3).
Het geldt bij daderschap en bij eiken vorm van strafbare deelneming, ook medeplichtigheid, actieve of passieve; eveneens bij poging (a. 78)4).
3. Het geldt alleen voor ambtenaren. Wie dit zijn, zegt het Swb. niet. Naar wetenschappelijk begrip kunnen als zoodanig worden aangemerkt zij die, tijdelijk of blijvend, bezoldigd of niet, krachtens aanstelling door liet openbaar gezag een publiekrechtelijk ambt (zie daarover boven § 52.2'°) bekleeden âals deelen van eene zekere organisatie , welke bepaalde dienstvoorschriften, toezicht en ondergeschiktheid meebrengtquot;. Het Swb. (a. 84) wil voorts nadrukkelijk als ambtenaren beschouwd zien allen die tot de gewapende macht behooren (vg. § 52.2'°) ook al doen zij dit niet ingevolge eene aanstelling; en begrijpt, bij uitbreiding, onder hen âalle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingenquot; (§52.23°) alsmede scheidsrechters. Krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling eindelijk zijn ambtenaren de notarissen (a. 1 Notariswet) 5)).
4. Art. 44 geldt voorts alleen in twee gevallen. 1. Wanneer
? 55. ') Algemeoner a. 266 C. P. B In Dwb. is dit goen algemcono grond. Vg. | 128, 129.
2) Anders O. R. O.; uitgebreid in G. O. Smidt I ad art.
3) Zie uitvoerig over de delicta communia en propria van ambtenaren in verband met het leerstuk der deelneming, naar aanleiding van a. 50; boven ^ 38. 12.
A) Over 't geval van passieve medeplichtigheid nadrukkelijk Modderman en C. v. R. Smidt 1. o.
5) Vg. over het begrip: v. Hamel in T. v. S. I (over wederspannigheid) 32 v., 174 v. (in afwijking van bet daar verdedigd gevoelen acht ik toob het vereisehte van eene aanstelling meer in overeenstemming met M. v. T. op a. 84); Dittlinger, De zin dor woorden âambtquot; en âambtenaarquot; (Pr. 1885); Krabbe, De burgerlijke staatsdienst in Nederland (Pr. 1883); Buys, Grondw. I. 54. â Deurwaarders vallen m. i. binnen het begrip; vg. ï. v. S. I, 175. â De gelijkstelling van sommige personen met ambtenaren in a. 183, 371, 374 Swb. heeft een beperkte strekking.
446
AMBTELIJKE HOEDANIGHEID. § 55.
de ambtenaar door het delikt, niet slechts zijn algemeenen plicht van trouw aan 'slands wetten, maar een âbijzonderen ambtsplichtquot; schendt, bv. door diefstal van goederen aan zijne bewaking bijzonder toevertrouwd, door overtreding van wetten op welker nakoming hij heeft toe te zien, wat bij ambtenaren van al-gemeene politie een algemcene strekking beeftquot;). 2. Wanneer bij het begaan van het delikt ambtsmisbruik heeft plaats gevonden op een der drie bovengenoemde wijzen. De opsomming macht, gelegenheid, middel, is limitatief; zoo valt bv. eene door het ambt verkregen bekendheid met eenige gunstige omstandigheid er buiten'). In genoemde opsomming is het begrip âambtsmisbruikquot;, zooals het in O. R. O. genoemd werd, saam-gevat. Derhalve omvat âgebruik van machtquot; ook machtsoverschrijding; b.v. bij vrijheidsberoovingquot;). Het drievoudig ambtsmisbruik moet hebben plaats gevonden hij het hegaanvamp;n hetcon-crete delikt; bij daden van voorbereiding dus of van uitvoering.
5. Do strafverhooging bestaat in verhooging der straf-maxima met '/,. Van aUe strafmaxima. Dus ook, al werd dit niet bedoeld (vg. a. 140, 304), van de maxima van bijkomende straffen; nl. die van a. 31 (ontzetting van rechten)9). Het maximum van a. 32 (plaatsing in eene rijkswerkinrichting) is blijkbaar niet voor verhooging vatbaar 10).
Ontzetting van de rechten genoemd in a. 28'° en 20 kan altijd worden uitgesproken; doch alleen in geval van âmisdrijfquot; (a. 29). Inzoover zijn deze misdrijven dus met âambtsmisdrijvenquot; gelijk gesteld.
Ditzelfde is geschied â doch nu ook voor âovertredingenquot; â ten aanzien van het forum privilegiatum van a. 92 R. O.
r') Nadrukkelijk over den bijzonderen ambtsplicht, Reg. Antw. â O R. O. had een minder principieele redactie. â Voorbb. «it de rechtspraak in ï. v. S. III en VI, Overzicht ad art.
7) Vg. Heomskerk-Polennar ad art. n. 8.
a) Zie C. v. R. en Reg. Antw. bij Smidt ad art.
^ Vg. Heemskerk-Polenaar ad art. u. 10. Verhooging van de minima dezer straffen echter ligt niet in de woorden.
'0) Vg. ü 54. 3 n. en ? 52. 4.
447
§ 5(3. IIEUlIAUNti
§ 56. Herhaling ').
1. Er is, in werkelijken, niet juist altijd ook in wettelijken zin, herhaling (récidive, Rückfall), wanneer iemand een delikt pleegt, nadat hij wegens een delikt veroordeeld werd.
Vroegere veroordeeling is noodig; anders kan slechts sprake zijn van samenloop. Zij is voldoende; de straf behoeft niet te zijn ondergaan. Dit althans is, na vroegeren strijd, nude meest aangenomen leer. Ook die van het Ned. Swb. !).
2. De herhaling wordt in de nieuwere wetgevingen algemeen, met onderscheiden schakeeringen in de uitwerking, opgevat als een wettelijke grond van strafbaarheidsverhooging, als een verzwarende omstandigheid, leidend tot verzwaring van de gewone strafbedreiging. Somtijds naar een progressieve schaal; in verhouding tot het klimmend aantal herhalingen. De herhaling brengt immers een âernstiger misdadige gezindheidquot; en een âgrooter gevaar voor de openbare ordequot; aan liet licht. Zoo heeft het begrip zich historisch ontwikkeld. Dit is ook de opvatting van het Ned. Swb.
In den laatsten tijd echter is de herhaling van ruimer, anthropologisch en sociologisch, gezichtspunt bezien. Onder de recidivisten toch behooren de habitueele, met name de professioneele misdadigers. Vooral in eene onderscheiding van de eenvoudige en de professioneele récidive ligt het zwaartepunt voor verdere ontwikkeling van dit leerstuk, theoretisch en practisch. Theoretisch, doordat, waar bij eenvoudige récidive de eisch der gelijksoortigheid van de delikten gesteld mag worden,
$50. ') Schim v. d. Loeft', Do omvang en het gevaar der récidive, hare oorzaken en de middelen om haar te bestrijden (Pr. 1890); voorts over het leerstuk der récidive, hep. naar Nederl. recht, proefschriften van de Ridder (1880), Basch (1884). â Algemeen, bepaaldelijk over de habitueele misdadigers: Buil. de l'Un Intern, de Droit Pénal 1889 v.; Actes du Congres Pén. de St. Petersburg (1890); alle nieuwere geschriften over crimineele anthropologie en sociologie. Vg. v. Hamel, T, v.S. VI, 118. â Zie over de historische ontwikkeling van het leerstuk en al do daarbij voorgekomen strijdvragen vooral Geib II, 91 v.. To voron hier a. 56 v. C. P., a. 11 W. v. 1854.
2) Vg. beneden n. 5. Vroeger veelal anders; vg. Geib. Nu nog b. v. ? 244, 245 Dwb. â Of het ondergaan der straf invloed moet hebben op de verjaring der récidive, is een andere vraag (a. 421 vg. Swb.).
448
§ 56. herhaling.
die eisch voor de professioneele behoort te vervallen. Practisch, doordat tegenover professioneele recidivisten het nemen van bijzondere maatregelen van maatschappelijke veiligheid meer en meer noodig zal blijken 3).
De recidivisten-statistiek is hot belangrijkst onderdeel van de crimineele statistiek J).
3. De herhaling heeft zich historisch niet als algemeene grond van strafbaarheidsverhooging ontwikkeld; doch werd als zoodanig slechts aangenomen bij enkele delikten, wier kring zich uitbreidde. Meer algemeen was de C. P. (a. 56 v.), vooral onze W. v. 1854 (a. 11). Onder de Duitsche wetboeken van 't begin dezer eeuw bestond verschil van stelsel, 't Ned. Swb. achtte, in overeenstemming met het Duitsche wetboek doch op ruimer schaal dan dit, slechts bij âenkele vergrijpen en categoriën van vergrijpenquot; nog verzwaring van de strafbedreiging boven het gewone maximum gemotiveerd 6).
Het zijn nu; van de misdrijven een reeks bedriegerijen en vermogens-misdrijven (a. 421), een reeks gewelddadigheden (a. 422), een reeks beleedigingsmisdrijven (a. 423), do ver-spreidingsmisdrijven (a. 113, 119, 132, 134, 271), de misdrijven van a. 184, 240, 254, 314, en een reeks overtredingen (a. 424, 426, 436, 437, 438, 439, 449, 453, 455). In speciale wetten komen onderscheiden gevallen voor. In de keuze is altijd iets willekeurigs. Bij kleinere overtredingen is verscherpte waarschuwing bij herhaling zeer doelmatig.
De stof is dus ook niet geregeld in een algemeene bepa-
s) Ned. Swb. Smidt I 386 (414). III 160 (167). â Historisch: roods Rom, on oud Germ, r,; ook C. C. C. 161, 162. Invlood der theorie van Feuorbach , meer nog van die der speciale preventie; volgens sommigen is, krachtens de zuivere vergel-dingsleer, het vroegere gestrafte delikt een afgeciane zaak; Geib 1. c. 98. â Bijzondere maatregelen tegen professioneele recidivisten; Prankr W. od. relegatie (1885, zie hoven 3 45.2); a. 40. Zwitsersch Av. Proj. (T. v. S. VIII. 341); âonbepaalde vonnissenquot; (boven $ 50. 6). â Progressieve strafverzwaring: Pén. Congres v. Stockholm (1878); Belgisch Ontw. o. d. rócidive (1800). Ook in a. 453 Swb.
^1) Statistiek: casiers judiciaires of âstrafbladenquot; v. Fr. oorsprong; anthropome-trisch signalement tot herkenning v. recidivisten (Alph. Bertillon). Zie H. v. d. Hoeven, over onze recidivisten-statistiek in ï. v. S. V.
6) Smidt I 1 o. â⢠Algemeen b. v. Pruisen, beperkt Beieren, Oostenrijk, C, P. crime a crime, crime iv délit, délit a délit (dit nu in W. v. 26 Mars 1891).
449
§ 56. HERHALING.
ling en a. 91 geldt hiervoor niet. Noodig waren dus a. 11 al. 5 en 6, 24, 26 Inv.w.
4. Belangrijk is de strijdvraag over de betrekkelijke waarde van het stelsel der speciale récidive (type Duitsch wetboek) en dat der generale recidive (type Fransch wetboek). Naar het eerste moeten , indien herhaling strafverzwaring wettigen zal, de beide delikten zijn juridisch gelijk, identiek, of althans gelijksoortig, verwant, analoog; naar het andere is dit onverschillig en korat, opdat niet ook geringe overtredingen meetellen, alleen de zwaarte der vroeger opgelegde straf in aanmerking. M. i. (zie n. 2.) zal hier tusschen do gewone en de professioneele récidive onderscheiden moeten worden, vermits door professioneele misdadigers als zoodanig allerlei, ook juridisch niet verwante delikten bij herhaling worden begaan quot;).
Het Ned. Swb. huldigt het stelsel der speciale recidive. Plet eischt analogie in artt. 421, 422, 423, 426, 453; in de overige artikelen identiteit. Strafbare poging en medeplichtigheid zijn onder de opgenoemde misdrijven begrepen (a. 78). Analogie met sommige militaire misdrijven is nadrukkelijk erkend, (a. 421, 422). Voor transitoir recht is het beginsel uitgewerkt in a. 29 Inv.w.
5. Het Swb. eischt vroegere veroordeeling ; in a. 421, 422 , 423 bepaaldelijk tot gevangenisstraf. Niet tevens dat de straf ondergaan zij. 't Spreekt van zelf dat de veroordeeling onherroepelijk moet zijn geworden. Met veroordeeling staat gelijk afdoening buiten proces naar a. 74; voor deze bepaling geldt a. 91. Alleen veroordeeling door een Nederlandschen rechter kan in aanmerking komen ;).
6. De strafverzwaring naar het Swb. en de speciale wetten
6) Oencrale: Frankrijk, België, Portugal, in Zwitserland sommige kantons en 't Av. Projet. Speciale.: Duitsohland, Oostenrijk, Zweden, Spanje , Gr. Brittannië (in Engeland met den eisch van identiteit). Ikide, met verschil in do werking, o. a. Italië, Belgisch ontw.
') Veroordceliny: zie ook a. 12 W. o. d. kerkgenootschappen. Onherroepelijkheid: uitdrukkelijk Rapp. a. d. Kon. Smidt 1 1. c. Strijdvraag onder W. v 1854; juist H. R. 3 Jan. 1872, W. 3427; vg. W. 4726, 4728. Bij verstekvonnis zal dus deze werking meestal later intreden; a. 266 Sv. Nederlandsche rechter; v. Bel, Het huitenl. Strafvonnis (Pr. 1884), 81-
450
HERHALING. § 56.
bestaat: in verhooging van het maximum der hoofdstraf, meestal met 'j3, somtijds in verdubbeling daarvan (a. 439); in strafverandering, facultatief of imperatief (bv. 424, 426); in toevoeging van een bijkomende straf (bv. 132, 453 al. 3) 1).
7. In afwijking van den C. P., in overeenstemming echter met do meeste wetgevingen, ook de Duitsche, kent hetSwb. in alle gevallen verjaring der récidive, hierin bestaande dat herhaling na zeker tijdsverloop niet meer als zoodanig in aanmerking komt2). De grond hiervoor ligt deels in noodzakelijke analogie met verjaring van de straf; vooral echter in de opvatting dat bij werkelijk sterke en gevaarlijke misdadige gezindheid do herhaling niet lang uitblijven kan, terwijl ook de indruk der vroegere veroordeeling, als waarschuwing, met den tijd verzwakt.
Het Swb., en ook de speciale wetgeving, kent hier drieërlei termijnen: één jaar (de meeste overtredingen); 2 jaren (bv. a. 184, 240, 271, 436â439), 5 jaren (bv. a. 132, 134, 421â423, a. 11 Inv.w.). De keuze heet samen te hangen met de betrekkelijke zwaarte.
Voor de berekening van die termijnen komt tweeërlei aanvangspunt in aanmerking. Meestal, ook naar a. 11 al. 5, 6 Inv.w., de dag waarop âde vroeger veroordeeling is onherroepelijk gewordenquot;, d. w. z. daartegen door geen rechtsmiddel meer kan worden opgekomen. In de gevallen echter van a. 421, 422, 423 â omdat daarbij allicht een langdurige gevangenisstraf den veroordeelde buiten de mogelijkheid van récidive houdt â de dag waarop die straf geheel of gedeeltelijk ondergaan of geheel kwijtgescholden is ; terwijl dan bij niet-uitvoering en niet-kwijtschelding de verjaring der récidive samenvalt met die van de straf 'quot;).
451
1
) De verhooging der tijdelijke gevangcniButraf van a. 92 e. a, in a, 422 ziet alleen op de gevallen waarin hier het maximum 15 j. beloopt (a. 39, 45, 49; zie M. v. ï.). â Groote verscheidenheid vroeger en later in den aard der strafverzwaring. Geib I, 100.
2
') C. P. alleen bij overtredingen a. 483.
452 § 57. TOEREKENING VAN DEN TIJD DER VERZEKERDE BEWARING.
§57. Toerekening van den tijd der verzekerde
bewaring ').
1. Strafoplegging bestaat tbans hoofdzakelijk in vrijheidsbeneming. Maar ook de preventieve hechtenis is reeds vrij-beidsbeneming. Schoon theoretisch geheel verschillend, werken beide dus practiscb in zeer veel opzichten gelijk. Hierom en om de vele bezwaren aan de preventieve hechtenis als rechtsinstelling verbonden, is de vraag, in hoever de tijd dier hechtenis op den duur der uitgesproken straf moot of raag worden toegerekend, een der nieuwere algemeene leerstukken van strafrecht geworden 2).
2. De Nederlandsche wetgever vond zijne voorbeelden op dit punt bepaaldelijk in bet recht van België en van Duitsch-land. Ook in het eigen a. 21 der Wet v. 1854, naar 'twelk, in geval van hooger beroep of beroep in cassatie, de tijd der preventieve hechtenis na de uitspraak in eersten aanleg, doch ook alleen deze, van rechtswege werd toegerekend.
Belangrijk echter was het verschil tusschen het Belgische stelsel der imperatieve en van het Dnitsche der facultatieve toerekening 3). In O. R. O. werd het eerste, in G. O. en in het wetboek zelf (a. 27) is het laatste gehuldigd ^). Ook m. i. terecht. Het zuiverst standpunt toch wordt ingenomen wanneer men
âonherroepelijk is gewordenquot; hebben, krachtens a. 1, 3 Novelle, vervangen de oorspronkelijke âsedert de schuldige onherroepelijk i's veroordeeldquot;, wat na het onherroepelijk worden den termijn deed terug rekenen en zoo (H. R. 7 Mei 1883, W. 4916), tegen de bedoeling, tot ongelijkheden en moeilijkheden leidde, bepaaldelijk in geval van verstek; Smidt V. 45. ââ De oude redactie is in a. 340 Drankwet, niet echter in. i. in de strafbepaling v. a. 18, gehandhaafd (Inv. w. a- 10 nr'. 44),
| 57. ') Proefschriften van Slotemaker (1882); Marcus (1885); Lasserre ot Villanova, De riraputation de la detention préventive (Paris 1893); Gorclü, De la détention prév. etc, (Paris 1894).
2) Sporen reeds in Rom. r. en elders. Vooral ontwikkeld in de Duitsche wetboeken v. 't begin dezer eeuw. Vg. Geib. 11 102; Slotemaker 1. c. 52.
3) a. 30 C. P, B.; § 60 Dwb. Zie ook Ned. Ind. Sv. a. 295 (facult.); C. Ital. a. 40 (imperatief); Fransche W. v, 15 Nov. 1892, ter herziening v. a. 23, 24 0. Instr. crim. (van rechtswege tenzij de rechter de toerekening uitsluit); facultatief verder o. a. Hongarije, Denemarken, Ontw. Rusl., Av. Proj. Zwitserland. De strijdvraag is oud.
*) Uitvoerige behandeling in M. v. T. en verder; voor facultatieve toerekening reeds B. v. S., ook 0. v. B. , Min. Modderman.
TOEREKENING VAN DEN TUI) DER VERZEKERDE BEWARING. § 57. 453
de toerekening bij veroordeeling, evenals de schadeloosstelling bij vrijspraak, opvat als een billijkheidsmaatregel, al of niet toe te passen naar de omstandigheden van het geval; zij hot dan ook met vrijgevigheid. Wettelijke grensbepaling loopt gevaar te ruim of te eng te zijn en zou ook niet den waarborg geven dien men beoogt.
De groote vrijheid van onzen rechter bij de straftoemeting maakt deze instelling niet overbodig. Om twee redenen. Omdat ook geheele oplossing van den strafduur in den tijd der verzekerde bewaring mogelijk moet wezen; en om de moreele betee-kenis welke het door den rechter bepaalde strafcijfer, als uitdrukking van zijn afkeurend oordeel over het delikt, behouden moet.
3. Art. 27 luidt dan aldus:
«Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaalt! dat de tijd, dooi' den veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak voorloo-pig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of' gedeeltelijk zal worden in mindering gebracht; wat de geldboete betreft volgens den in het derde lid van artikel quot;24 bepaalden maatstaf».
«De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wegens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de veroordeelde zich in verzekerde bewaring bevindt».
Het stelsel is dus dit. De toerekening is altijd facultatief. Zij kan worden gedaan op alle hoofdstraffen, tijdelijke gevangenisstraf, principale hechtenis, vervangende hechtenis, zoodat dan de vrijheidsstraf inzoover voor geleden, de geldboete inzoover voor betaald wordt gehouden. Zij kan worden gelast bij elke ârechtelijke uitspraakquot; die een veroordeeling inhoudt, in eersten aanleg, in appel, c. q. in cassatie. Zij kan betrekking hebben op elke verzekerde bewaring, vóór die uitspraak geleden of ook na haar, doch vóór de tenuitvoerlegging, nog te lijden, ter zake van een feit waarover bij die uitspraak vonnis gewezen wordt5). De toerekening kan ver-
5) â01' na haar, doch vóór de tenuitvoerlegging nog te lijden.quot; De woorden van het art. brengen deze opvatting ongetwijfeld mede, Zie ook Simons in ï. v. S. 1352.
454 § 57. TOEREKENING VAN DEN TIJD ÃEIl VERZEKERDE BEWARING.
klaard worden te omvatten den geheelen tijd der detentie, een evenredig gedeelte daarvan, of een bepaald tijdsverloop, liechtstreeksche aansluiting van den tijd der verzekerde bewaring en den tijd der straf wordt niet gevorderd6). Daarom ook kan de toerekening â althans in het geval van het le lid , waarvan de algemeene bewoordingen deze opvatting toelaten â eene verzekerde bewaring betreffen die reeds vóór de uitspraak ophield 7). In het geval van het 2e lid moet echter â al is dit een ongemotiveerd verschil â naar de duidelijke woorden , de veroordeelde zich tijdens de uitspraak in verzekerde bewaring bevinden; invrijheidstelling bij die uitspraak belet echter ook in dat geval toerekening niet.
HOOFDSTUK V. â Opschortende en ontbindende
voorwaarden voor het recht tot straffen.
§ 58. De opschortende en ontbindende voorwaarden in 't algemeen.
1. Is een strafbaar feit begaan, d. w. z. een feit, onrechtmatig, strafwaardig en aan iemands schuld te wijten, dan is voor de overheid een recht ontstaan om don schuldige te straffen.
De uitoefening van dit recht is verder aan eischen van vorm en tijd gebonden naar regelen van het procesrecht.
Doch daarnevens zijn rechtens erkend omstandigheden, welke liet strafwaardig karakter van liet feit niet raken, doch van welker intreden het ontstaan of het voortbestaan van het recht tot straffen afhangt; zoodat óf hot niet-intreden daarvan het ontstaan van dat recht belet, óf haar intreden het reeds beslaand recht opheft of' doet vernallen. Hare werking is dus die van opschortende en ontbindende voorwaarden. Zij oefenen dien invloed op het recht tot vervolging en veroordeeling of op liet recht tot strafvoltrekking.
8) Over de berekening bij de execuüe Min. Giro. W. 0711.
7) Aldus ook Simons 1. c. 365 noot 3; anders HeemskerkâPolen lar, aant. 9 ad art. â Vg. Hof, 's Bosch W. 5685.
OPSCHORTENDE EN ONTBINDENDE VOOHWAAUDEN. § 58.
2. Zij zijn algemeene (bij allo delikten of bij zekore groepen); bijzondere (bij enkele delikten).
Opschortend werken: 1. liet verei.schte eencr Idachtv, bij klacht-delikten; 2. het vereisohte van een civiel vonnis, bij verduistering van staat (a. 236 Svvb. j0. 323 B. W.), bedrog bij huwelijksvoltrekking (a. 23^), overspel (a. 241), schaking waarop een huwelijk is gevolgd (a. 281).
Ontbindend werken: 1. een bestaand gewijsde; 2. afdoening buiten proces; 3. verjaring; 4. gratie, amnestie, abolitie; 5. de dood ').
3. Zij zijn te onderscheiden: eenerzijds van de deliktsbe-standdeelen en de bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid , omdat zij, hoewel eveneens het recht tot straften zelf betreffend, toch het strafwaardig karakter van het feit niet raken; anderzijds van de zuiver processueele voorwaarden, omdat zij, hoewel eveneens tot niet-ontvaukelijkheid van strafvordering of strafvoltrekking leidend, toch niet de wijze van uitoefening van het recht betreften, maar het recht zelf.
Daarom is betwistbaar en betwist de vraag of deze stof behoort tot het materieel of tot het formeel recht. Zoo werd zij ook h. t. 1. te voren meerendeels in het Wetb. v. Strafvordering behandeld. Bij de enge begrenzing echter van 't formeel strafrecht tot de vraag âhoe de publieke actie moet worden ingesteld en vervolgdquot; (M. v. T.) is terecht deze ge-heele stof thans tot het materieel recht gebracht r).
Daarover handelen dan â nevens de aanwijzing van de klacht-delikten in B. II, de bovengenoemde bepalingen omtrent het
'i 58 ') Over do systematische beteekenis van het âwerkdadig berouwquot; in § 163, § 310 Dwb. v. Liszt § 76. â Bij poging vg. boven g 37 n. 8.
3) Over de bedoelde onderscheiding vooral boven ^ 21 n. 7, % 26 n. 2; zie ook
2; â en in de rechtspraakquot; Rb. Heerenveen en Hof Leeuwarden W. 5679,5699; ook 5680, 5684, 5818. â- Vroeger recht: a. 22, 218, 44;6â465 Sv. (oud); 336, 357 (J. P. â Herhaalde bespreking der vraag bij Smidt 1, 38, 108, 462, 470 (44, 118, 493, 502); togen de opvatting in Swb, E. v. St.
Do strijd betreft vooral do eerste groep (ProzeszVoraussetzungon, Strafklage-voraussetzungon); minder de tweede groep (Strafaufhebungsgründo), Vg. v. Liszt g 43, ^ 76; v. Krios, Z. f. d. ges. Sw. V. 1; Binding, Hdb. I, 595 v.; Dwb. | 61 v. â In Frankrijk -zijn do âcauses d'oxtiüctiun de l'action ou de la peinequot; nog in O. d'Instr. crim. behandeld. â- Anders 0. P. B. a. 86 v.; God. Ital. 85 v.
455
§ 59. KLAGHTDELIKTEN.
civiel vonnis en a. 68 Grondwet â B. I Tit. VII Swb. over âIndiening en intrekking der klachtequot;, en B. I Tit. VIIl over â Verval van het recht tot strafvordering en van de strafquot;. Eene uitzondering, 't fiscaal strafrecht betreffend, komt voor in a. 410-414 Sv. 1)-
§ 59. Klacht dolik ton ').
J. Het publiekrechtelijk karakter van de strafrechtsbedee-ling is in de moderne rechtsontwikkeling onbetwist. Daarom ook is de der overheid toevertrouwde âpublieke actie doorgaans onafhankelijk van den privaten wil, vervolging ambtshalve dus regel, afhankelijkheid der vervolging van den wil van hem tegen wien dat misdrijf is gepleegd, eene zeldzame uitzonderingquot; (M. v. T. Swb.).
In bijna alle moderne wetgevingen echter is zoodanige uitzondering erkend in de âklachtdeliktenquot;, delikten âalleen op klachte vervolgbaarquot;, âAntragsdeliktequot;.
Historisch hebben deze zich voor een deel ontwikkeld uit do âdelicta privataquot;, zooals die in het gerecipieerde Hom. recht van den lateren keizertijd werden opgevat. Voorts is vooral het Duitscho recht hier de ontwikkelingsbodem geweest; reed,# de O. C. C., 't meest de wetboeken van 't begin dezer eeuw. Zóó zelfs dat het Dwb. aanvankelijk meer dan 30 Antragsdelikte kende, welk cijfer intusschen door de novelle van 1876 sterk is verlaagd. De 0. P. (a. 336, 339, 357) en ons Wetb. v. Strafvord. (a. 22 oud) waren veel minder mild !).
Het geldend Ned. strafrecht heeft de uitzondering zeldzaam
456
1
) De erkenning van opgekomen krankzinnigheid als grond tot schorsing van het proces of van de executie (a. 415 , 418 al. 2 Sv.) behoort tot het procesrecht; zij betreft do âProzeszfiihigkeitquot; van den persoon,
$ 50 ') Godefroi, De iis delictis qnae non nisi ad laesorum querelam vindicantur (Diss. 1837); Ãchönfeld, Klachtdelikten (Pr. 1886); Hand. Ned. Jur. Ver. 16,77, Praead-viezen O. van Swinderen (I. 138) en H. J. Kist (ib. 158); ïeixeira de Mattos. Themis 1877; Sprenger, Is do opname van klachtdelikten noodzakelijk? (Pr. 1881).â De onderscheiden buitenlandsche leer- en handboeken op verschillende plaatsen van het systeem; v. Liszt § 44; Berner ^ 160 v.; Dochow in Holtzendorlï IV. 628 v.; Meyer | 62; Binding I. ^ 127 v. Monografiën: o. a. Fuchs, Anklage u. Antragsdelikte (1.873); verder bij Binding l.c.
a) Geschiedenis: Geib li. 165; C. G. C. 118â120, 169.
KliACHTDELIKÃEN. § 59.
willen houden en brengt daaronder alleen de volgende misdrijven: overspel, cohabitatie met een vrouw tusschen 12 en 16 jaren, schaking, beleediging en verwante delikten, schending van geheimen, familiediefstal en verwante vermogens-delikten, inbreuken op het auteursrecht3).
2. Hoofdzakelijk twee gronden worden voor deze instelling bijgebracht. Eensdeels heet het dat bij sommige delikten het bijzondere nadeel van den rechtstreeks getroffene, ook het ideëele, volstrekt overweegt boven het algemeene (v. Swinderen, Schönfeld), of dat alleen indien de rechtstreeks getroffene de handeling als rechtskrenking gevoelt, het feit voor de openbare rechtsorde van beteekenis is (o. a. v. Liszt, Berner). Als tweede grond wordt aangevoerd de mogelijkheid dat wegens hot storend ingrijpen van de overheid âhet bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactiequot; (M. v. T. en de meeste schrijvers). Somtijds wordt een dezer gronden als de algemeene en eenige opgevat; somtijds worden de klachtde-likten naar deze beide gronden juridisch in twee groepen onderscheiden (Berner, v. Liszt, Dochow e. a.).
Ook in den eerstgenoemden grond ligt waarheid. Maar die waarheid behoeft niet tot het aannemen van klachtdelikten te voeren; veeleer tot een onderzoek in elk concreet geval, een onderzoek bij vele delikten gerechtvaardigd, of er voor de overheid aanleiding tot vervolging is. De tweede grond is in de M. v. T. van het Svvb. als de eenig aannemelijke erkend, maar ook als afdoende. M. i. terecht; ook omdat het oordeel over de beteekenis van het bijzonder belang wel bij den bijzonderen persoon berusten moet. Mits als klachtdelikten slechts die weinige worden aangenomen, waarbij
S) a. 241; 245; 28L; 269â271, 2845quot;, 420; 272, 273, a. 20 VV. v. 5 Mei 1889, Sb. 48 (arbeidswet; vg. a. 3 der na 1 Oct. 1892 vervallen W. v. 19 Januari 1890 Sb. 1), a. 47 al. 4 W. v. 27 Sept. 1892 Sb. 223 (vermogensbelasting), a. 47 § 2 al. 3 W. v. 2 Oct. 1893 Sb. 149 (bedrijfsbel.); 316, 319, 324, 338, 348, 353; 349 bis â quater. Vg. voorts a. 164 Grrw., 301 Sv., 4 W. v 22 April 1855 Sb. 33 â De bijzondere bepaling v. a. 39 jachtw. is- vervallen wegens a. 3d en 10 n. 14 Inv.w. Vg. W. 5556.
1. 29
407
§ 39. KIlt;AC11TDEUKTEN.
de kans op voorschreven mogelijkheid bijzonder groot is.
Intusschen wordt door anderen de instelling in beginsel bestreden, als onnoodig en schadelijk1).
3. De Machte bestaat in mededeeling aan het bevoegde gezag van het verlangen tot vervolging, met duidelijke aanwijzing van het bedoelde feit; noch meer, noch minder wordtgeëischt.
Voor Nederland wijst nu het procesrecht alleen aan hoe en waar de klachte moet worden ingediend en ingetrokken (a. 13â15 Sv.) De verdere regelen omtrent het recht tot indiening en intrekking zijn opgenomen in de artikelen welke de klachtdelikten aanwijzen, en in B. I Tit. VII Swb. De redactie van laatstgenoemden titel laat aan volledigheid en duidelijkheid wel te wenschen over; toch moet daaruit het stelsel der wet worden opgebouwd 1).
In beginsel dan, is âtot de klachte gerechtigdquot; alleen en persoonlijk hij âtegen wien het misdrijf gepleegd isquot;; d. w.z. de naar den aard van het misdrijf rechtstreeks getroffene. Deze uitdrukking komt, behalve in a. 64 en 65, voor in a. 269, 272, 284 al. 2, 316, 349 quater, 420 en levert daarbij geen moeilijkheid. Bij de misdrijven van a. 241, 270, 273, 281 is de bedoelde persoon nader aangewezen; a. 245 spreekt â ingevolge een redactiewijziging tijdens de beraadslaging aangebracht â enkel van vervolgbaarheid âop klachtequot;, doch naar de toelichting en naar analogie is ook hier voorzegd beginsel toepasselijk en is de misbruikte vrouw de âgerechtigdequot; 2).
De wet heeft (a. 66) den gerechtigde een termijn gegeven van beraad; aanvangende dus ânadat hij van het feit kennis heeft bekomenquot;; op welke wijze ook 3).
458
1
) Vollediger Dwb. g 61â65.
2
«) Ook H. R. 21 Maart 1892, W. 6167.
3
') Kennisneming komt eerst na de voltooiing in aanmerking; vg. een geval v. verduistering; P. v. J. 1893. 54, 84. â van het feit; niet ook van den persoon des daders (zooals ^ 61 Dwb.), behalve in do gevallen van a. 316 o. s., waarin alleen de handeling van een bepaald persoon klachtdelikt is.
KLACHTDKLIKTKN. § 59.
Die termijn is voor de indiening onder alle omstandigheden fataal, is âvervaltermijnquot;; èn opdat de gerechtigde niet jaren lang âeen wettelijk zwaard in handen hebbequot;, èn in 't algemeen belang van âspoedige vervolgingquot; (M. v. T.). De duur is 3 of 9 maanden â n.1. maanden van 30 dagen (a. 88) â naar gelang de gerechtigde binnen of buiten Europa âverblijf houdtquot;, d. w. z. naar gelang aldaar de plaats is van zijn âwerkelijk verblijfquot; (a. 74B. W.), ook al is zijn domicilie elders (M. v. T.). M. i. telt nu de dag waarop hij van het feit kennis bekwam, niet mede; eene meening gegrond op het woord ânadatquot;, op de duidelijke redactie van het om andere redenen uit O. R. O. vervallen 2e lid van het artikel, en op de analogie met a. 67 en 71 8).
Behalve het verloop van dezen termijn kent de wet in het algemeen â anders immers bij a. 241, al. 2 â andere redenen voor het verval van het klachterecht niet 9).
Is de klachte binnen dien termijn ingediend, dan is de vervolging ontvankelijk geworden. Alleen heeft de wet (a. 67) hem âdie de klachte indiendequot; â hij mocht dit ah irato hebben gedaan â uitdrukkelijk nog de bevoegdheid gegeven tot intrekking van de klachte âgedurende 8 dagen na den dag der indieningquot;; bij overspel (a. 241) âzoolang het onderzoek ter terechtzitting niet is aangevangenquot; (a. 152 Sv.) quot;').
Na de intrekking is, blijkens de uitdrukking âde klachtequot; en in overeenstemming met 's wetgevers bedoeling, een nieuwe klachte niet ontvankelijk quot;).
8) Ook Schonfeld 1. c. 38; Polenaar-Heemskerk bij a. Gij,6; M. v. T. spreekt dus minder juiat Tan âmet den dagquot;. â Anders wegens het ânut dem ïagequot; van ? 61 Dvvb. Rg. E. 1. 40.
9) Dus noch verzoening na, noch zelfs, ev. toestemming tot een delikt dat hierdoor zijn onrechtmatig karakter niet verloor; anders Tiboel v. d. Ham, T. v. S. VII 101.
10) Binnen de 8 dagen de vervolging aan to vangen, is niet verboden; zij wordt echter niet-ontvankelijk door latere intrekking; vg. W. 5601; P. v. J. 1893,44.â
0. R. O. had 3 dagen. Over de vroegere onzekerheid op dit punt en het voor en tegen van deze bevoegdheid Smidt 1 ad art. â¢â ? 64 Dwb. kent de bevoegdheid alleen in sommige gevallen toe, doch dan altoos tot aan het wijzen van het vonnis.
quot;) Reg, Antw. aan le Kamer ad a. 66; M. v. T. ad a. 67. Aldus ook Schonfeld
1. c. 48 en de Duitsche auteurs. Anders, op grond der woorden âblijft bevoegdquot; van a, 67, Polenaar-Heemskerk I, 271.
459
§ 59. KLACHT DEUKTEN.
Is eenzelfde misdrijf tegen meer dan één persoon gepleegd, dan is, bij het zwijgen van de wet, ieder zelfstandig tot de klachte gerechtigd '2).
De klachte maakt âhet misdrijf vervolgbaarquot;; d. w. z. machtigt tot vervolging van allen die daaraan naar het oordeel van het O. M. deelnamen. De klachte is dus niet splitsbaar; behoudens bij de ârelatievequot; klachtdelikten van a. 316 c. s. n).
4. 't Kan voorkomen dat een ander dan âhij tegen wien het misdrijf is gepleegdquot; de âtot klachte gerechtigdequot; is.
Als feitelijk beletsel van den rechtstreeks getroffene waaraan een bijzonder rechtsgevolg verbonden is, erkent de wet (a. 65j slechts zijn overlijden binnen den voor hem loopenden termijn van beraad. Dan gaat zijn nog niet uitgeoefend klachterecht over gelijkelijk op elk van âde oudersquot;, elk van âde kinderenquot; en âden overlevenden echtgenootquot;; doch is hun recht gebonden aan dien zelfden termijn, zonder dat het tijdstip van hun eigen bekendheid met hot feit in aanmerking komt. Intus-schen is het klachterecht niet op hen overgegaan, indien âblijken mocht dat de overledene eene vervolging niet gewild heeftquot;; indien dus ten genoege van den rechter bewezen wordt, niet de aarzeling van den overledene, maar diens bepaalde, tijdens het overlijden blijkbaar nog bestaande wensch tot niet-vervolging u). Overleed hij voordat hij van het misdrijf kennis droeg, dan staat de wet, die voor dat geval immers geen termijn aanwijst, eene opvolging niet toe l5).
Wettelijk is hij tegen wien het misdrijf gepleegd is, dan, maar ook alleen dan niet de gerechtigde, indien hij âden leeftijd van 16 jaren nog niet had bereiktquot; of âanders dan wegens verkwistingquot;, dus wegens onnoozelheid, krankzinnigheid, razernij of zwakheid van vermogens, âonder curateele
l:!) Vg. Sclionfeld 1. c. 39; Polenaar-Heemskerk bij a. (34,4. Duidelijk 62 Dwb.
13) Vg. Sohönfeld l.c. 35. Ook Reg. Antw. aan le Kamer bij a. 241. Uitdrukkelijk § 63 Dwb.
14) Vg. Sclionfeld l.c. 35; van bewijslast moet echter niet gesproken worden. Antinomie tusschen de gevallen van overlijden van oen beleedigde of beleediging van een overledene (a. 270).
14 Vg. Polenaar-Heemskerk bij a. 65.3.
4G0
KLACHTDELIKTEN. § 59.
gesteld isquot; Dan is de uitsluitend gerechtigde âzijn wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zakenquot;; ten ware âdeze de persoon is tegen wien de klachte moest geschiedenquot;, d. w. z. die op de klachte als dader of medeplichtige zou kunnen worden vervolgd; in welk laatste geval âde vervolgingquot; â niet slechts van hem, maar ook van anderen â evenzeer en gelijkelijk âkan plaats hebben op klachte van den toezien den voogd of (toezienden) curator, van de echtgenoote, van een bloedverwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze (alle3i), op klachte van een bloedverwant in de zijlinie tot denderden graad ingeslotenquot; (a. 64)
In het geval dat een der in a. 64 al. 2. en 65 genoemde verwanten verkeert in het geval van a. 64 al. 1 is niet voorzien.
5. De vraag doet zich voor: quid juris wanneer hij tegen wien het misdrijf gepleegd is, wel toen het gepleegd werd geen 16 jaren oud was of onder curateele stond, maar later, binnen den termijn van a. 66, dien leeftijd bereikte of van de curatele ontheven werd. De redactie van a. 64 {âhad bereiktquot;, âonder curatele gesteld isquot;) lijdt ongetwijfeld aan onnauwkeurigheid. Intusschen mag wel als vaststaand worden aangenomen dat voor beide categoriën van personen hetzelfde stolsel geldt. Hij nu wiens curateele opgeheven is heeft, van dat tijdstip af niet meer een âwettigen vertegenwoordigerquot; en is dus zelf gerechtigd geworden; doch dan moet ook voor den 16-jarige 't zelfde gelden; en slaan de woorden âhad bereiktquot; en âgesteld isquot; niet op den tempus delicti, maar op
Wettige vertegenwoordiger: de medevoogd der moeder-voogdes (a, 406 B. W.) moot medewerken; H. R. 21 Maart 1892, W. 6167; â gestichtsregenten (a. 421 B. W.) vertegenwoordigen slechts collectief; vg. Polenaar-Heemskerk n. 5 ; anders Ecg. Antw. bij a. 64. â Tegen wien de klachte moest geschieden; deze uitdrukking is in liet stelsel der wet onjuist gekozen; vg. bij noot 13; de omschrijving in den tekst schijnt nu aangewezen. â¢â⢠Evenzeer: formeel is het recht van den vertegenwoordiger zelven niet uitgesloten; hij kan vervolging wensohen van zijne medeschuldigen. â ââ De echtgenoote: abusief is de man, die toch van het curatorschap kan verschoond of ontzet zijn, niet genoemd; vg. Polenaar-IIeemskerk n. 7. â Bij gebreke: het tijdstip van het ontbreken is niet genoemd, doch zal wel moeten zijn dat waarop de bloedverwant in de zijlinie de klachte indient, mits bovendien de prhffir geroepenen óf reeds dadelijk ontbraken, bij 't plegen van het misdrijf, óf binnen hun termijn van beraamp;d zijn komen te ontbreken; vg. Heernsk.-Polenaarbij a. 64.9.
461
§ 59. KLACHTDEMKTEN.
den tijd waarop de klachte kan worden ingediend. De/,e oplossing van de vraag stemt ook overeen met het motief dat tot uitsluiting van de bedoelde personen leidde, hunne ongeschiktheid tor beoordeeling van de wenschelijkheid der klachte ,7). Naar 't zelfde stelsel zal nu ook beslist moeten worden, indien hij tegen wien 't misdrijf gepleegd is, later onder curateele wordt gesteld. Voorts kan natuurlijk binnen den termijn een vertegenwoordiger door een ander worden vervangen.
Vooral deze overgangen geldt echter niet de termijnregeling van a. 65. Ingevolge a. 66 zal dus voor iederen nieuwe âtot klachte gerechtigdequot; een zelfstandige termijnsberekening gelden, waarbij echter ook m. i. zijn persoonlijk bekend worden met het misdrijf voordat hij âgerechtigdequot; werd, mede in aanmerking komt '8).
6. Heeft eenmaal een gerechtigde de klachte ingediend , dan is het O. M. gemachtigd; en hoeft de zienswijze vaneen later gerechtigde geen invloed meer.
Het recht tot intrekking van de klachte is ingevolge a. 67 uitsluitend een persoonlijke bevoegdheid van hem âdie haar indiendequot;; en die persoonlijke bevoegdheid behoudt hij de volle acht dagen, ook al verloor hij inmiddels het klachte-recht.
7. De hoedanigheid van klachtdelikt heeft nog invloed op de behandeling van jeugdige overtreders (a. 38, 39)'9); en op vervolging wegens laster (a. 264).
17) Aldus ook, ofschoon op eenigszins andere gronden, H. R. 15 Oct. 1894, W. 6561; ook Eed. W. v. h. R, 6599; rolenaar-Heemskerk bij a. 64,3. Anders O. M. II. R. aid.; Rb. 'sHagc W. 6499; R. Feith in ï. v. S. Vlll. 464. 65 Dwb. kent bij 't bereiken van bet 18e jaar bet klaagrecht toe ftn aan den 18-jarige èn aan zijn vertegenwoordiger.
'quot;) Aldus Polenaar-Heemskerk bij a. 66.4; togen het aannemen van zelfstandige termijnen Feith 1. c. 476; de wet liet hier te veel onzekerheid,
â ^) De wet onderscheidt hier m. i. niet tusschen absolute en relatieve klachtde-likten. Rb. 's Hage P. v. J. 1888, 103; anders Red. aid. 109.
I)E KRACHT VAN HET ONHEHROEPELIJK GEWIJSDE. § 60. 463
§ 60. De kracht van het onherroepelijk gewijsde ').
1. Ook de rechtsstrijd in strafzaken, de vervolging, wordt door de uitspraak van den eindrechter afgesloten. Zijn de tot waarborg van eene deugdelijke einduitspraak toegekende gewone rechtsmiddelen uitgeput, dan is over het lot van den beklaagde âbij rechterlijk gewijsde onherroepelijk beslistquot;. In de meeste nieuwere wetgevingen is heropening van den strijd op nieuwe gegevens, ,,herzieningquot;, ârevisiequot; van het gewijsde slechts bij uitzondering toegelaten; meestal alleen in favorem rei. Ook aldus, ofschoon op te beperkte schaal, naar het Nederlandsch procesrecht (a. 375 v. Sv.).
Het aanvangen van een nieuwen strijd behoort uitgesloten te zijn, naar het beginsel âne bis in idemquot;, dat als rechtsbeginsel volkomen gerechtvaardigd is ter wille der waardigheid van den staat en der rechtszekerheid van den individu. Dat beginsel beoogt dan niet slechts dubbele beslissingen te vermijden, maar reeds herhaalde vervolgingen te voorkomen.
De juistheid van dit beginsel is de geheele rechtsgeschiedenis door gevoeld, zij het dan ook in verband met godsdienstige opvattingen omtrent den gerechtelijken eed, het gerechtelijk tweegevecht, de godsoordeelen of het vere dictum eener jury. Aldus zijn van de erkenning van dat beginsel sporen in het Romeinsche, het Germaansche, het Kanonieke recht, bij de oudste en de latere rechtsauteurs; in de oerste plaats ten aanzien van vrijspraak. In liet vroegere strafrecht werd die erkenning tegengehouden door de grondgedachte van het inquisitoir proces en door de instelling der slechts onvolkomen vrijsprekende âabsolutio ah instantiaquot;. De nieuwere denkbeelden na de revolutie der 18e eeuw moesten het beginsel tot zijn volle recht doen komen. Zoo werd het erkend
§ 60. ') Van de Rivière, Over de kracht van gewijsde zaak in het strafproces (Pr. 1894); B. v. Royen, Rechtsgol. Mag. 10.56; Ortolan, Elements de droit pénal II , 282; Qlaser, Handb. d. Strafprozesses (1-885) II, 62 (mot uitgebreide literatuur); Borgmann, Die Idontitiit der That (1891).
464 DE KUACÃT VAN 11KT ONHERROEPELIJK GEWIJSDE. § 60.
in het Fransche recht. Op 't voetspoor daarvan in 't Ned. Wetb. v. Strafvordering, a. 218 (oud); doch uitdrukkelijk alleen voor âvrijspraakquot;, wat door de rechtspraak tot âontslag van rechtsvervolgingquot; werd uitgebreid 2).
2. Het Ned. Wetboek heeft het nu zoo algemeen mogelijk gehuldigd in a. 68 al. 1, bepalende âdat niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van den Nederlandschen rechter, of van den rechter in de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddeelen, onherroepelijk is beslistquot;; â âbehoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijnquot;. Na zoodanige onherroepelijke beslissing is het recht tot strafvordering verbruikt.
Dit geldt van de beslissing van iederen âNederlandschen rechterquot;; ook dus., al mocht later nog op goeden grond aan zijne bevoegdheid tot beslissen kunnen worden getwijfeld.
Met den Nederlandschen is de Koloniale rechter gelijk gesteld, omdat zijne vonnissen binnen het rijk in Europa uitvoerbaar zijn 3).
De consulaire ambtenaar die rechtsmacht uitoefent, is een Nederlandsche rechter.
3. Het beginsel geldt niet het feit waarvoor, maar den persoon die vervolgd en geoordeeld is. Vervolging van anderen is door eene beslissing âte zijnen aanzienquot; niet verboden.
Het beginsel belet zijne vervolging âandermaal wegens een feit waarover te zijnen aanzien is beslistquot;; d. i. inzoover beslist is over zijne schuld aan dat feit. Derhalve alleen in geval van veroordeeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging. Onbevoegdverklaring van den rechter, nietigverklaring van de dagvaarding, niet-ontvankelijkv er klaring van het O. M. beletten niet een nieuwe vervolging voor een bevoegden rechter, op een andere dagvaarding, met een ontvankelijke actie ').
quot;) O. a. H. R. 21 Juni 1872, W. 3485. Zie over do geschiedenis v. d. Rivièro 1. c.
3) Vg. boven (j 17, noot 22.
4) O. a,. Rhk. Rotterdam 27 Januari 1887, P. v. .1,1887 n.6. Vroegere rechtspr. in donzelfden geest bij Lfion-ïeixeira op a. 218 Sv. n. 5.
DE KHACHT VAN HET ONHERROEPELIJK GEWIJSDE, § 60. 465
Of een onherroepelijk gewijsde omtrent deze punten een nieuwen rechtsstrijd over die punten verhindert, is een zuiver processueele vraag van geheel anderen aard 1).
4. Grcote moeilijkheid biedt de vraag: wanneer is het feit wegens hetwelk vervolgd wordt, hetzelfde waarover reeds beslist is?
De drie aan het burgerlijk proces ontleende stellingen, dat er moet zijn: identité de la chose demandée, identité des parties, identité de la cause de la demande, zijn hier van geen nut n).
De ruimste opvatting (/1.) met historie en doel van het beginsel het meest in overeenstemming, ware die van âhetzelfde feitquot; in don zin van hetzelfde misdadig voorval waarin de beklaagde beschuldigd wordt betrokken te zijn. Volgens haar zou dan, ook al verrichtte hij daarbij meerdere handelingen die van juridisch en van feitelijk gezichtspunt te onderscheiden zijn â verkrachting en moord op de verkrachte vrouw , verwonding van twee personen bij ééne mishandeling, wegneming en verberging van de ontvreemde goederen â eene vervolging met daarop gevolgde beslissing omtrent eene dier handelingen ook een nieuwe vervolging wegens de andere uitsluiten. Intusschen is zoodanig âvoorvalquot; geen juridisch begrensd begrip en ware dit stelsel ook processueel, bepaaldelijk bij deelneming van anderen aan eene der handelingen, niet wel bruikbaar. In de Ned. rechtspraak verdedigd, is deze opvatting ook m. i. terecht door den H, Raad verworpen. Ons rechtssysteem en de zin van het woord âfeitquot; in het Swb. laten haar niet toe.
De engste opvatting (7i) is die van feit in den zin van de handeling zooals zij is te laste gelegd. Volgens haar zou dus na eene beslissing â met name vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging â welke aldus uitviel tengevolge van eenige onjuistheid , onvolledigheid of onnauwkeurigheid in de feitelijke
1
) De terminologie der Fransche auteurs; Ortolan I.e. 285; Garraud Précis do Ur. (Jrim. 706,
466 § 60. DE KRACHT VAN HET ONHERROEPELIJK GEWIJSDE.
voorstelling of de juridieke opvatting der aanklacht (dagvaarding) , een nieuwe vervolging met verbetering van deze fouten geen bis in idem zijn. Zoo zou bij vrijspraak van een mishandeling âin den avondquot; omdat zij bleek âin den morgenquot; gepleegd te zijn, een nieuwe vervolging met juiste tijdsopgave ontvankelijk wezen; bij vrijspraak van voltooid delikt, eene vervolging wegens poging; bij vrijspraak wegens opzettelijken doodslag een vervolging wegens het veroorzaken van denzelfden dood door schuld; bij ontslag van rechtsvervolging-wegens het gemis in een aanklacht van diefstal der vermelding van het âwederrechtelijkequot; van het oogmerk, eene nieuwe vervolging wegens dezelfde handeling met herstel van die onnauwkeurigheid. Deze leer wordt dikwijls aangeduid als eene die âhetzelfde feitquot; opvat als âhetzelfde misdrijfquot;, voor het âidemquot; niet slechts feitelijke, maar ook juridieke identileit verlangt; op deze eigenaardigheid komt zij dan ook wel dikwijls neder, maar niet altijd. Zij is vroeger veelal en wordt ook thans nog in onze rechtspraak aangenomen, bepaaldelijk wordt zij verdedigd door het O. M. bij den H. Raad. Doch zij strijdt ten eenemale met het beginsel; zij is thans met den zin van het woord âfeitquot;in het Swb. niet in overeenstemming; zij is onvereenigbaar met de omstandigheid dat a. 68 ook na ontslag van rechtsvervolging een âidemquot; mogelijk acht.
Een tusschenliggende opvatting (C) neemt âhetzelfde feitquot; in den zin van dezelfde materieele handeling (doen of laten) welke het onderwerp is van beide vervolgingen. Eenerzijds neemt dus h. i. verschil van omschrijving in de beide aanklachten de identiteit niet weg. Anderzijds acht zij vervolgingen wegens verschillende materieele handelingen welke deel uitmaken van hetzelfde misdadige voorval niet identiek. Deze leer schijnt onder het Swb. de leer van den H. Raad. Zij is ook m. i. in overeenstemming met den zin waarin het woord âfeitquot; in het Swb. wordt gebezigd (a. 1 v., 37 v., 47 v., 55, 56 e. a.). Processueel echter behoeft zij aanvulling door wet-
t)E KRACHT VAN HET ONllERROEPELUK GEWIJSDE. § 60. 467
telijke toelating van verbetering der dagvaarding vóór de beslissing 7).
5. Heeft het bestaan van een huitenlandsch gewijsde denzelfden invloed ? 8)
Naar 8,. 10 Sv. (oud) had het dien in beperkte mate en alleen ten aanzien van sommige buiten 's lands gepleegde delikten. Naar a. 68 al. 2 heeft het dien ingeval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging absoluut; ingeval van veroordeeling â vermits vreemde vonnissen hier niet uitvoerbaar zijn â alleen indien de veroordeeling gevolgd werd door geheele uitvoering, terwijl gratie of verjaring der straf met zoodanige uitvoering worden gelijk gesteld.
Vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging zijn hier alle beslissingen van den vreemden eindrechter in den geest van ons a. 216 al 1,2 Sv. âGratie is alleen die welke de geheele of de verdere uitvoering der straf doet vervallen; het woord omvat hier amnestie; niet ook abolitie, welke immers het wijzen van een vonnis voorkomt. â De verjaring moet beoordeeld worden naar de vreemde wet; dit volgt èn uit het verband dezer bepalingen, èn uit de bepaling van de verjaringstermijnen in het Swb.g).
') Rechtspraak: Stelsel A: hiertoe ra. i. te brengen Rbk. Groningen, 4 Juni 1891, W. 6092 (vg. H. R. in W. 6020). â Stelsel B: O. M. H. R. 13 April 1891, W. 6020, 6022 en daar aangehaalde vroegere jurispr. H. R,; O. M. Hof 's Bosch W. 6437; O. M. Rbk. en Hof Arnhem, alsmede Hof Arnhem , W. 6281; vroeger ook wel H. R. b.v. 22 Febr. 1865 en 25 Jan. 1870, W. 3186 vermeld bij Léon-ïeixeira op a. 218 Sv. n, 4, n. 8. â Stelsel O: H. R. 13 April 1891, W. 0020, 6022; Hof Arnhem 12 Maart 1891, P. v. J. n. 27; Rbk. 's Bosch 21 Deo. 1893, W. 6437; Rbk. Arnhem 6 Oct. 1892, W. 6281. Belangrijk vroegere rechtspraak H. R, 14 Sept. 1840, W. 99, 122, 127 waarover Léon-Teixeira op a. 218 Sv. n. 4. âOver do geheele vraag in verband met de slotopmerking in den tekst: v. Baar, Iets over gebreken en leemten in de dagvaarding in strafzaken (Pr. 1890) 76, waar ook rechtspraak. â⢠De meening (Polenaar-Heemskerk ad art. n. 3) dat geheel dezelfde handeling toch twee âfeitenquot; oplevert wanneer zij nit tweevoudig âstrafrechtelijk oogpuntquot; kan worden bezien, m.a w. wanneer üij als een krenking van onderscheiden rechtsbelangen kan worden beschouwd en dus een geval oplevert van concursus idealis (bv. wanneer a. 249 en a. 244 toepasselijk zijn), schijnt mij te strijden tegen de beteekenis van hot woord âfeitquot; in a. 55, te strijden niet hot beginsel van a. 68 en in de praktijk allicht te leiden tot willekeur en onzekerheid.
8) v. Bel, Het huitenlandsch strafvonnis (Pr. 1884).
quot;) Vg. boven ^ 17, noot 6,7.
468 § 60. DE KRACHT VAN HET ONHERROEPELIJK GEWIJSDE.
Het is onverschillig of het feit buiten of binnen het rijk begaan werd; door een vreemdeling of door een Nederlander.
6. De hier ten aanzien van het buitenlandsch vonnis go-huldigde leer wordt veelal en is ook bij de samenstelling-van het Wetboek zeer bestreden Zij huldigt een onbe-paald vertrouwen in de justitie, de rechtspraak, de x-egee-ring en de wetgeving van iederen vreemden staat. In do geldende vreemde wetgevingen vindt zij haar voorbeeld niet. De meeste die haar erkennen, beperken haar althans, uit kracht van het territorialiteitsbeginsel, tot misdrijven buiten 'slands gepleegd, wat echter geen dieperen grond beeft, omdat bet do principieele bedenking tegen het erkennen van vreemden invloed op nationale rechtsbelangen niet raakt. Die het verst gaan (b.v. ontw. Rusland) sluiten echter misdrijven tegen dc nationale staatsinstellingen uit en laten na veroordeeling in den vreemde nog het opleggen van bijkomende straffen door den nationalen rechter toe; m. i. beide terecht. Een voorschrift dat mét de in den vreemde ondergane straf worde rekening gehouden, is vrij algemeenquot;). Internationale regeling, met beding van reciprociteit, ware ook voor deze stof aangewezen.
De volle erkenning van een ontslag van rechtsvervolging-is reeds met het stelsel van het Swb. â niet van a. 5'°, maar van a. 4 en 5'quot;. â niet in overeenstemming.
§ 61. Afdoening buiten proces ').
1. De afdoening van strafzaken buiten proces heeft misschien haar belangrijkst verleden in de rechtsgeschiedenis van ons vaderland. Haar rechtskarakter was dat van transactie tus-
10) Mr. v. d. Werk bij Smidt ad art.; ook v. Bel. 1. c.
quot;) Vergelijkende inededeelingen omtrent bnitenlandsche wetgevingen bij v. Bol. 1, c. 18,46 (Dwb. ? 5, 7).
? 61. ') liaan, Afdoening van strafzaken buiten proces (Pr. 1.888); Spoor, Transactie in strafzaken (Pr, 1893); Hand. Ned. Jur. Ver. 1884 (vereenvoudiging der procedure voor den kantonrechter). â Historisch ook.: J. A. Fruin, Het rechten de rechtsbedeeling onder de Rop. d. Ver. Ned. (Vaderl. Letteroef. 1867); v.d.Bergh, Do Baljuwen, in Hot Nod. llijks Archief I (1857) 235.
AFDOENING BUITEN PROCES. § 61.
schen den verdachte die zekere mate van straf vrijwillig aanvaardde, en de overheid die daarin toestemde. Hare twee vormen waren: het zich âsubmitteeren in de arbitraige van den Hovequot; en het coinposeeren met de lagere officieren, de baljuwen en de schouten. De misbruiken waartoe dit stelsel leidde, gaven herhaaldelijk aanleiding tot voorschriften van beperking of verbod. In het Grim. Wetb. v. 1809 wilde de de Koning âgeenerlei afkoop wegens misdadenquot; toelaten. Het Fransche recht was voor transactiestelsels niet gunstig. De wederopleving van voorstellen be treilende submissie en compositie in ons Ontw. Strafvord. v. 1815 stuitte vooral op den tegenstand der Zuid-Nederlanders af â ).
In het gemeene recht werd toen ten slotte, hoezeer ook nog na strijd, niets anders opgenomen dan de gelegenheid tot betaling van het maximum der geldboete (a. 254 Sv. oud). Daarnevens gold het eigenlijke stelsel van schikking of transactie in enkele bijzondere wetten (zie n. 3).
2. Ook thans geldt, krachtens a. 74 Swb., voor het for-meele recht aangevuld door a. 254 Sv., als wijze van afdoening buiten proces waardoor âhet recht tot strafvordering vervaltquot;, voor het gemeene recht alleen âvrijwillige betaling van het maximum der boetequot;, d. i. submissie aan de volle strengheid der wet.
Zij is wegens den aard dezer afdoening beperkt tot feiten âwaarop geen andere hoofdstraf gesteld is dan geldboeteook niet alternatief. En dan nog tot overtredingen. Slechts bij deze geringere feiten wordt het beginsel dat alleen de rechter ook de schuld vaststelt, prijs gegeven.
Formeel is eene schriftelijke machtiging noodig van den âbevoegden ambtenaar van het Openbaar Ministeriequot;. De rechter is er buiten; ook diens visum (a. 254 Sv. oud) wordt niet meer gevorderd 3).
Is tot vervolging besloten of de vervolging aangevangen,
'*) Voorduin Gesoh. enz. VI. 508, 382.
3) Smidt Strafvord. II. 69.
4G9
§ 61. AFDOENING BUITEN PROCES.
en valt naar 't oordeel van het O. M. het feit in de omschrijving van a. 74, dun kan die machtiging niet worden geweigerd; dan is de vervolgde gerechtigd deze afdoening te verlangen (a. 254 al. 2 Sv.). Bij verschil van meening over den aard der overtreding zal ingeval van vervolging de rechter over de ontvankelijkheid daarvan hebben te beslissen 1).
Bij het verleenen van de machtiging stelt de ambtenaar een termijn binnen welken de betaling aan den ontvanger der registratie moet zijn gevolgd. Na dien termijn is de machtiging vervallen. Het recht om een nieuwe te eischen bestaat dan niet. Intusschen sluit de uitdrukking âdoor hem te stellenquot; niet uit de bevoegdheid van den ambtenaar om dan nog den termijn te verlengen.
Deze submissie moet zijn èen âvrijwilligequot;. De machtiging kan dus alleen door den te vervolgen persoon of met diens goedvinden voor hein worden gevraagd. Dit volgt ook uit a. 254 Sv. 2).
Is ook de bijkomende straf van verbeurdverklaring op het feit gesteld âdan moeten tevens de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen worden afgegeven of de waarde waarop zij geschat zijn, worden voldaanquot;. Evenzeer, âindien er reeds vervolging (d. i. dagvaarding) heeft plaats gehadquot;, de gemaakte kosten. De waarde der voorwerpen zal, bij het zwijgen der wet, naar analogie van a. 34 Swb. door het O. M. moeten worden vastgesteld 3).
Art. 91 Swb. is op deze afdoening toepasselijk. Vooral wegens de vele booge boetemaxima in B III Swb. is de werking van a. 74 zeer beperkt; in de laatste jaren ± 3 en 20/0.
3. Het eigenlijke stelsel van transactie werd reeds door de Staatscommissie, gelijk ook door de C. v. R. en de Regeering âvolstrekt verwerpelijkquot; geacht.4). Daarom zwijgt daarvan het
470
1
) Vg. H. R. 3 Jan. 1843 W. 391.
2
6) Smidt Strafvord II. ö8.
3
) De door de regeering toegezegde regeling van dit punt in het W. v. Sv. (Smidt bij a. 74) is niet gevolgd.
4
quot;) Smidt I bij T. VIII aanhef en a. 74; en V. 390.
AFDOENING BUITEN 1'llOflES. § 01.
Swb. eu goldt, in verband met den algemeenen inhoud van B. I, T. VIII, ook voor dit punt de afschaffingsbepaling van a. 3d Inv.w.
Zoo is het vervallen uit de, sints vervangen, wet op de brievenposterij van 12 April 1850 (a. 31) en uit die tot .quot;egeling dar jacht en visscherij v. 13 Juni 1857 (a. 51), eene wet historisch en practisch op dit punt juist bijzonder belangrijk s).
Gehandhaafd is het nu in drie groepen van gevallen, a. In het rijksfiscaal strafrecht, waarvan de Invw. do beginselen grootendeels onaangetast liet; hier is liet transactie met de administratie, b. In het waterschapsstrafrecht, waaraan men deze in het volksleven ingeweven en gunstig werkende instelling niet wilde ontnemen; hier legt het waterschapsbestuur boete op en komt de zaak alleen voor den rechter indien de bekeurde daarin niet berust, c. In de wetgeving betreffende de visscherijpolitie in de Noordzee buiten de territoriale wateren, waar de instelling op eene internationale conventie berust; hier is het echter eene schikking omtrent de schadeloosstelling welke, bij overtredingen niet van ernstigen aard, het recht tot strafvordering doet vervallen quot;).
4. Wel vinden deze afdoeningen haren historischen achtergrond in de oude compositiën en het vredegeld uit den tijd dei-volksrechten , maar het eigenaardige is , dat zij zich hebben gehandhaafd ook nadat de strafrechtspleging geheel publiekrechtelijk geworden was. Velerlei belangen leidden daartoe. Het belang der composeerende ambtenaren in den tijd der misbruiken. Het belang van den staat, dat gebaat is bij vermindering van omslag en kosten, verzekering van inkomsten. Het belang
s) Vg. a. 1090 en ltquot; Inv.w. De Jaclitw. v. 1852 kende transactie niet; zie vooral M. v. ï. en Verslag op Ontw. W. v. 1857.
'â ') liijksfiscaal recht; ook hier in de geschiedenis strijd, vg. Spoor 1. c. 28; thans krachtens a. 7 Inv.w., a. 229, 230. Algem. W. v. 26 Aug. 1822 Sb. 38; a. 51 al. 2 W. v. 29 Maart 1833 Sb. 4 en a. 17 W. v. 9 April 1869 Sb. 59 (Personeel); a. 100 al. 3 W. v. 18 September 1852 Sb. 178 (Waarborg); a. 51 W. v. 2 Oct. 1893 Sb. 149 (Bedrijfsbelasting). â Waterschapsrecht: a. 22 W. v. 10 Oct. 1841 Sb. 42 j° a. lO6quot; Inv.w. Smidt V. 314. â Visscherijpolitie: a. 33 Oonv. v. 6 Mei 1882, Sb. 1884 40; a. 8 Uitvw. v. 7 Dec. 1883 Sb. 202.
§ 61. AFDOENING BUITEN PROCES.
van den vervolgde, die aldus aan een rechterlijk onderzoek en eeu openbare rechtspleging ontkomt.
De bestrijding steunt op de theoretische stelling âdat de strafactie geen onderwerp moet uitmaken van overeenkomsten tusschen het staatsgezag en den verdachtequot; (Stsc.), een loven en bieden; op de vrees dat ook een verdachte die zich niet schuldig acht, toch afdoening boven vervolging verkiezen mocht, dat er ongelijkheid heerscht bij de afdoening, dat een voorrecht ontstaat voor vermogenden.
Toch blijft voormeld belang van den vervolgde zijn betee-kenis behouden, ook waar de berechting van kleine zaken wordt vereenvoudigd en bespoedigd. Afdoening door betaling van het maximum is in de vele gevallen van hooge maxima onvoldoende. En 't is zeer de vraag of niet, door invoering van eenige controle door den rechter op het te vorderen bedrag en door beperking tot gevallen van overtreding voor de eerste maal gejdeegd, eenig transactiestelsel de gevreesde nadeelen zou kunnen verliezen , de voordeden behouden lu).
In verband hiermede worde herinnerd aan de âpolizeiliche Strafverfügungquot; en het âamtsrichterliche Strafbefehlquot; van het Duitsche recht quot;).
§ 62. Verjaring ').
Het Ned. Swb. kent, evenals bijna alle nieuwere wetgevingen, de verjaring, zoowel van âhet recht tot strafvorderingquot; {oervolgingsverjariny a. 70â73) als van âhet recht tot uitvoering van de strafquot; {strafverjaring a. 75â77).
'quot;) Vorg. Ned, Jur. Ver. I.e.; opstellen ia VV. 4776, 4782, 4787.
quot;) 447 v., 453 v. D. StrafprozessO. Vg. Ned. Jur. Ver. I.e.; Pols Themis 1884. 3.
| 02. i) Ned. proefschriften van Spin (1879) Wolfson (1890). Vele monographii-n : Göttinger dissertaties van Koopmann (1888); Rindfleisch, bep. o. d. strafverjaring, (1892). Van de hand- en leerboeken vooral Binding I, 816; litt. aid. Van de oudere monografiën bep. de âïraité's v. Hoorbeke (1847) en Cousturier (1849); Dambach, Beitriige z. Lehre der V. (1860): Abegg, Verjahrung rechtskraftig er-kannter Strafen. (1862). Bestrijding door nieuwere schrijvers als Qarofolo, Criminologie (2e ed.) p, 397.
472
VERJARING. § 62.
Beide instellingen zijn aan bedenking onderhevie: en hebben ook allerminst in de rechtsgeschiedenis haar plaats vroeg veroverd. De straf verjaring is als algemeene rechtsinstelling eerst opgenomen in de Fransche interimaire wetgeving van 1791 en 1795; in enkele Dnitsche wetboeken eerst in 1888. Ze ontbrak in ons Crim. Wb. van 1809; evenzeer in liet Pruisische Wb. van 1851 ; en ze ontbreekt nog in het Engelsche recht. De vervolgingsverjaring schijnt in het Dnitsche recht niet bekend vóór de 16e en 17® eeuw; haar oorêprong ligt in het Rom. recht; in de 5-jarige verjaring naar de 1. Julia de adulteriis en de algemeene 20-jarige sints de 3e eeuw n. C.. Zij is dan ook in het gerecipieerde recht erkend. Maar altijd, ook in 't Rom. recht, zijn uitzonderingen bij zware misdrijven aangenomen. Bij toongevende auteurs in de 18e en 't begin der 19e eeuw vond zij principieele bestrijding (o. a. Feuerbach); door anderen werd als voorwaarde gesteld het bewijs dat de dader zich had verbeterd (o. a. de prijsverhandeling v. GIo-big en Huster); door velen bleef zij afgekeurd bij zware misdrijven (o. a. Beccaria); en nog het Engelsche recht kent haar slechts voor enkele delikten !).
2. De hoofdgrond, in velerlei schakeering ter barer algemeene verdediging aangevoerd, is de erkenning der macht van den alles veranderenden, alles, ook de indrukken van de misdaad uitwisschenden tijd. Bijzondere verdedigingsgron-den, zooals dat de onrust en de ballingschap van den dader surrogaten worden voor de straf, of dat het tijdsverloop het zuivere bewijs van schuld of onschuld belet, missen die ver reikende beteekenis. Maar dan ligt ook de verklaring van deze instelling wel vooral in haren theoretischen samenhang met de opvatting dat de straf eene schuld is ter vergelding van de misdaad. De opvatting dat de straf vooral strekt ter beveiliging van de rechtsorde, met name tegen gevaarlijke
!) Over de geschiedenis o. a. Spin. 1. c.; Geib II 138, Rom. r. 1. 29 D. ad L. Jul. de adult. (48.5); L. 12 C. ad L. Corn, de fals. (9.22). â Feuerbach, Lehrb. § 64; Beccaria § XIII. â Crim. Wb. 1809 a 379 v.; Engdsoh recht. Stephen Digest of Crim. Proc. art. 15.
J- ' yo
473
§ 61. AFDOENING BUITEN PROCES.
van den vervolgde, die aldus aan een rechterlijk onderzoek en een openbare rechtspleging ontkomt.
De bestrijding steunt op de theoretische stelling âdat de strafactie geen onderwerp moet uitmaken van overeenkomsten tusschen het staatsgezag en den verdachtequot; (Stsc.), een loven en bieden; op de vrees dat ook een verdachte die zich niet schuldig acht, toch afdoening boven vervolging verkiezen mocht, dat er ongelijkheid heerscht bij de afdoening, dat een voorrecht ontstaat voor vermogenden.
Toch blijft voormeld belang van den vervolgde zijn botee-kenis behouden, ook waar de berechting van kleine zaken wordt vereenvoudigd en bespoedigd. Afdoening door betaling van het maximum is in de vele gevallen van hooge maxima onvoldoende. En 't is zeer de vraag of niet, door invoering van eenige controle door den rechter op het te vorderen bedrag en door beperking tot gevallen van overtreding voor de eerste maal gepleegd, eenig transactiestelsel de gevreesde nadeelen zou kunnen verliezen , de voordeden behouden '0).
In verband hiermede worde herinnerd aan de âpolizeiliche Strafverfügungquot; en het âamtsrichterliche Strafbefehlquot; van het Duitsche recht quot;).
§ 62. Verj ari ng ').
Met Ned. Swb. kent, evenals bijna alle nieuwere wetgevingen, de verjaring, zoowel van âhet recht tot strafvorderingquot; {vervolgingsverjaring a. 70â73) als van âhet recht tot uitvoering van de strafquot; {strafverjaring a. 75â77).
,0) Verg. Ned. Jur. Ver. I.e.; opstellen ia W. 4776, 4782, 4787,
quot;) ^ 447 v., 453 v. D. StrafprozessO. Vg. Ned. Jur. Ver. 1. c.; Pols Themis 1884. 3.
| 62. i) Ned. proefschriften van Spin (1879) Wolfson (1890). Vele monographicn : Gottinger dissertaties van Koopraann (1888); Riudfleisoh, bep. o. d. strafverjaring, (1892). Van de hand- en leerboeken vooral Binding I, 816; litt. aid. Van de oudere raonografiën bep. de âTraité's v. Hoorbeke (1847) en Cousturier (1849); Dambach, Beitriige z. Lehro der V. (1860); Abegg, Verjahrung reohtskraftig er-kannter Strafen. (1862). Bestrijding door nieuwere schrijvers als Garofolo, Criminologie (2e ed.) p. 397.
472
VERJARING. S 62.
Beide instellingen zijn aan bedenking onderhevig en hebben ook allerminst in de rechtsgeschiedenis haar plaats vroeg veroverd. De straf verjaring is als algemeene rechtsinstelling eerst opgenomen in de Fransche interimaire wetgeving van 1791 en 1795; in enkele Duitsche wetboeken eerst in 1838. Ze ontbrak in ons Grim. Wb. van 1809 ; evenzeer in het Pruisische Wb. van 1851; en ze ontbreekt nog in bet Engelsche recht. De vervolgingsverjaring schijnt in het Duitsche recht niet bekend vóór de 16e en 17e eeuw; haar oorSprong ligt in het Rom. recht; in de 5-jarige verjaring naar de 1. Julia de adulteriis en de algemeene 20-jarige sints de 3eeeuw n. C.. Zij is dan ook in het gerecipieerde recht erkend. Maar altijd, ook in 't Rom. recht, zijn uitzonderingen bij zware misdrijven aangenomen. Bij toongevende auteurs in de 18e en 't begin der 19° eeuw vond zij principieele bestrijding (o. a. Feuerbach); door anderen werd als voorwaarde gesteld het bewijs dat de dader zich had verbeterd (o. a. de prijsverhandeling v. Glo-big en Huster); door velen bleef zij afgekeurd bij zware misdrijven (o. a. Beccaria); en nog liet Engelsche recht kent baar slechts voor enkele delikten !).
2. De hoofdgrond, in velerlei schakeering ter barer algemeene verdediging aangevoerd, is de erkenning der macht van den alles veranderenden, alles, ook de indrukken van de misdaad uitwisschenden tijd. Bijzondere verdedigingsgron-den, zooals dat de onrust en de ballingschap van den dader surrogaten worden voor de straf, of dat het tijdsverloop het zuivere bewijs van schuld of onschuld belet, missen die ver reikende beteekenis. Maar dan ligt ook de verklaring van deze instelling wel vooral in haren theoretiscben samenhang met de opvatting dat de straf eene schuld is ter vergelding van de misdaad. De opvatting dat de straf vooral strekt ter beveiliging van de rechtsorde, met name tegen gevaarlijke
s) Over de geaclüedenis o. a. Spin. 1. o.; Geib II 138; Rom. r. 1. 29 D. ad L. Jul. de adult. (48.5); L. 12 C. ad L, Corn, de fals. (9.22). â Feuerbach, Lehrb. | 64; Beccaria § XIII. â Crim. Wb. 1809 a 379 v.; Engelsch recht. Stephen Digest of Crim. Proc. art. 15.
!⢠' au
473
§ 62. VERJARING.
personen, kan met zulk eene algemeene begrenzing van het recht tot straffen kwalijk vrede hebben.
Niettemin is de macht des tijds onmiskenbaar. Zeker moet ook de strafrechtspleging daarmede rekening houden en kan dat niet wel anders dan door algemeene grenzen. Naast de rechtsveiligheid heeft ook de rechtszekerheid hare eischen; vermits immers een vervolging en een bestraffing na ettelijke jaren in nieuw gevestigde toestanden zouden ingrijpen met dikwijls twijfelachtig nut, wat de eerste betreft ook met on-zekeren uitslag. Maar dan ware toch naast zulk een alge-meenen regel de onverjaarbaarheid van sommige zware misdrijven en van misdrijven door habitueele misdadigers begaan , te erkennen.
De M. v. T. van het Ned. Swb. voert (bij a. 72 en 76) twee hoofdgronden aan: het wegvallen van de herinnering aan het gebeurde en (voor de vervolgingsverjaring alleen) van de mogelijkheid van het bewijs; terwijl zij ook (bij a. 70) wijst op s' daders vrijwillige ballingschap als surrogaat voor de straf.
Het publiekrechtelijk karakter van deze verjaring eischt dat ambtshalve op haar worde acht gegeven (a. 419 Sv.).
3. De keuze van verjaringstermijnen heeft altijd iets willekeurigs. De Nederlandsche wetgeving erkent:
A. voor de vervolgingsverjaring:
4°. één jaar voor alle overtredingen en voor de misdrijven door middel van de drukpers gepleegd; 2° zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; 3°. twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld; 4°. achttien jaren voor alle misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld (a. 7U Swb.); 5° twee jaren voor overtredingen van de Wel op bet notarisambt (a. 55 W. v. 9 Juli 1842 Sb. 20 j0. a. lü6 Tnv.w.) en van de Wet op de kerkgenootschappen (a. '13 al. 2 W. v. 10 Sept. 1853 Sb. 102 j0 a. 1010 Inv.w.) 3).
:l) Nog worde opgemerkt dat do vordermg tot toepassing van a. 38 al. 2 Swb. binnen één, jaar na het begaan van het feit moet worden gedaan (a. 1 W. v. 15 Januari 1886, Sb. 7).
474
VERJARINfi S} 62.
B. voor de straf verjaring:
1° twee jaren hij overtredingen; vijf jaren bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd; 3° bij andere misdrijven een derde langer dan de termijn der verjaring van het recht tot strafvordering (a. 76 al. 2); terwijl 4° in geen geval de termijn der verjaring korter is dan de duur der opgelegde straf (a. 76 al. 3).
Aangaande deze voorschriften valt het volgende op te merken.
In 't algemeen is de termijn der vervolgingsverjaring terecht, in den geest van de instelling, in zekere verhouding gesteld tot de betrekkelijke zwaarte van het delikt, waarmede immers èn het belang der vervolging èn de zwaarte van den tevveeg-gebrachten indruk samenhangen; en is de termijn der straf-verjaring gesteld in zekere verhouding tot dien der andere, maar toch iets langer dan deze, omdat een der werkingen van den tijd, de bemoeilijking van het bewijs, hier toepassing mist.
Nevens deze twee algemeene overwegingen hebben twee andere eenigen invloed gehad: dat 's daders âvrijwillige ballingschap in don regel langduriger moet zijn dan het maximum der tegen het hem ten laste gelegde misdrijf bedreigde strafquot; (M. v. T. bij a. 70); en dat bij hot stellen van te lange termijnen verder zou worden gegaan dan voor het doel gewenscht en voor de openbare orde noodig ware. De eerste opmerking-is vrij specieus; bij de vervolgingsverjaring niet eens logisch; ook heeft zij bij de strafverjaring alleen geleid tot de bepaling dat de termijn hier âin geen geval korter is dan de duur der opgelegde strafquot;, eene bepaling welke medebrengt dat een uitgesproken levenslange gevangenisstraf niet verjaart. Op grond van de tweede overweging is bepaaldelijk het eenvoudige stelsel van verdubbeling van a. 462 Sv. (oud) niet overgenomen geworden ').
Ten aanzien van overtredingen was voor de vervolgingsver-
4) De termijnen der strafverjaring gesteld in evenredigheid tot do opgelegde straf in ^ 70 Dwb. â Al. 3 v. a. 76 Swb. werd gemist in O. Stsc.; zie R. v. S. en Uapp. a. d. Kon. bij a. 76.
§ 62. VEKJAHING.
jaring oorspronkelijk voorgesteld zes maanden. Het handhaven van de twee uitzonderingen hierboven onder A n0. 5 genoemd, schijnt, ofschoon niet speciaal gemotiveerd, te verklaren uit den algemeenen wensch om in deze twee wetten geen wezenlijke veranderingen te maken') Intusschen is nu hier, in afwijking van het stelsel van het Swb., de termijn voor de beide soorten van verjaring gelijk (a. 76 Swb., a. 11 Inv.w.).
De kortere termijn voor dnikpersdelikten schijnt een bevoorrechting, die èn op zich zelve èn zeker tegenover soortgelijke delikten mondeling gepleegd, niet wel houdbaar isquot;).
4. De termijnen vangen aan op den dag na dien waarop, voor de vervolgingsverjaring het feit is gepleegd, voor de straf verjaring de rechtelijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd (a. 71 al. 1, a. 77 al. 1). Deze keuze van den volgenden dag, in afwijking o. a. van de vroegere regeling (W. v. Sv. oud) â de computatio civilis tegenover de computatio na-turalis â voorkomt de moeilijkheid eener berekening naar oogenblikken 1).
5. Voor de berekening der vervolgingsverjaring moet de vraag beantwoord worden wanneer â ten aanzien van dit leerstuk â âhet feit geacht moet worden gepleegd te zijnquot; (§27.3); en welk der hierbij denkbare stelsels het Swb. heeft gekozen. Nu zou ook m. i. met den hoofdgrond 't meest in overeenstemming zijn geweest de keuze van het tijdstip waarop het delikt wordt voltooid, waarop dus het constitutief gevolg intreedt, bv. bij doodslag het tijdstip van den dood. Dit was vroeger do meest gevolgde opvatting en in dezen zin ware ook het woord âfeitquot; van a. 71 als âstrafbaar feitquot; te verklaren. Maar dat woord heeft hier blijkbaar de zuiver feitelijke beteekenis van 's daders doen of laten. In het Ontw. Stsc. en het O. li. O. werd nog gelezen âde daad;* deze uitdrukking was, blijkens de M. v. T., âmet opzetquot; gekozen, juist om uittesluiten âhet tijd-
476
1
7) Verzuimd is a. 55 .Notariswet in denzelfden zin te wijzigen. Juist was a. 81 O. Stsc.
VERJARING § 62.
stip waarop het gevolg is ingetreden waardoor het misdrijf werd voltooidquot; Nu is wel in G. O. âdaadquot; in â/cti!''veranderd, doch zonder eenige motiveering, en zeker niet om. een ander stelsel aan te duiden, maar waarschijnlijk om ook het âlatenquot; te omvatten. Bovendien verwijst de M. v. T nog naar de h. i. met het Ontw. overeenstemmende § 67 Dwb., volgens welke het tijdstip âdos eingetretenen Erfolgesquot; niet in aanmerking komt. Het Swh. heeft derhalve het belang van den dader laten overwegen. Het wil het tijdstip waarop het misdrijf voltooid en dus het recht tot vervolging eerst geboren wordt, als zoodanig niet in aanmerking genomen zien; alleen het tijdstip van des daders doen of laten, natuurlijk in zoover een en ander het karakter van âuitvoeringquot; niet nog slechts van quot;voorbereidingquot; draagt. Hoeveel nu theoretisch en prac-tisch tegen deze leer valt aan te voeren , zij zal consequent moeten worden toegepast; iets wat bepaaldelijk bij het handelen âdoor tusschenkomst van een instrumentquot; en bij cul-pose delikten zeer bedenkelijk is.
Voor de daad van den uillokker, en evenzeer voor die van den medeplichtige, zal in dit stelsel de verjaring zelfstandig moeten worden berekend.
Bij voortgezette en bij collectieve delikten kan âgeene daad of handelingquot; die in de reeks behoort, in de vervolging worden begrepen, âals sedert zij gepleegd is, de termijn van verjaring is verstrekenquot; (M. v. T.) Bij voortdurende delikten geldt hetzelfde ten aanzien van de onderscheiden tijdperken waarover de toestand loopt.
Bij omissiedelikten, de eigenlijke zoowel als de oneigenlijke, komt als laatste tijdstip in aanmerking dat waarop de verplichting tot doen en daarmede het onrechtmatig laten ophoudt 1).
477
1
) Hot hoofdstelsel van het Swb. anders opgevat dooi' Wolfson 1, c. 80, 87. â Vg. ook de zeer uiteenloopende beschouwingen van Heemskork-Polenaar bij a. 71 â Over de juistheid en den zin van $ 67 Dwb. bestaat veel verschil van gevoelen. Willekeurig blijf ik de leer achten die bij het handelen door tusschenkomst van een instrunient de werking van dat instrument als een deel en niet als een gevolg van do âdaadquot; des daders beschouwt; zooals v. Liszt | 79 II, e. a.
§ 6'2. VEHJA1UNG.
(J. De wetgever heeft voor sommige delikten bijzondere aanvang stijdstippen der ver volging verjaring gesteld :
1°, bij valschheid, valsche munt. of muntschonnis vangt de termijn aan op den dag na dien waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is (a. 71 Swb.);
'2°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen '278, 279 en '282 (Swb.), op den dag na dien der bevrijding, of van den dooi! van hem tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is (a. 71 Swb.);
3°. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 465, 466 en 467 (Swb.) o]) den dag na dien, waarop ingevolge art. 2'2 13. W. do aldaar bedoelde registers (van den burgerlijken stand) waaruit zoodanige overtreding blijkt ter griffie van do arrondissementsrechtbank zijn overgebracht (a. ü W. v. 31 December 1887 Sb. 205);
4°. hij overtredingen der wet op het Notarisambt, op den dag «waarop de overtreding, op de wijze bij art. 59 dezer wet vermeld, heeft kunnen worden geconstateerd» (a. 55 Notariswet).
Do algemeene grond voor deze uitzonderingen is hierin gezocht, dat anders de vervolging allicht verjaard zon zijn voordat het delikt kon worden ontdekt; wat echter ook bij andere delikten mogelijk is, ofschoon hot hier, en zeker in de gevallen n0. 3 en 4, bijzonder klemt. Ditzelfde geldt van den voor uitzondering nquot;. 2 bovendien opgegeven grond, dat de onrechtmatige toestand door deze misdrijven geschapen, voortduurt9).
Intusschen zal nu krachtens het bepaalde bij n0. 1 een valschheid waarop geen gebruik van het voorwerp gevolgd is, onverjaarbaar zijn quot;').
7. Door de bepaling van het aanvangstijdstip der drafver-jaring in verband met den dag waarop de uitspraak âkan worden ten uitvoer gelegdquot; in plaats van, zooals naara. 462 Sv. (oud), met dien waarop zij âkracht van gewijsde heeft
^ Do uitz. n0. 1 bestond reeds naar a. 452 Sv. (oud). Do voor haar in M. v. 1'. nog opgegeven grond dat anders voor den falsaris en don gebruiker do verjaring niet gelijktijdig zou loopen, strijdt tegen het boven omsohreven hoofdstelsel van het Swb., dat ieders daad in aanmerking moet komen. Do vermolding ook van den dood in uitz nquot;. 2 was gevolg van een amendement.
10) Hoomskork-Polonaar bij a. 71 n. 11.
'178
VERJARING. § 62.
bekomenquot;, is aan een anomalie bij verstekvonnissen een einde gemaakt (M. v. T.)11).
8. Stuiting en schorsing breken beide den loop der verjaring-af. Maar de eerste vernietigt den reeds gesponnen draad, zoodat daarna âeen nieuwe verjaringstermijn aanvangt, (a. 72 al. 2). De andere doet alleen de werking van den tijd een poos rusten, zoodat daarna de draad weder wordt opgenomen. . Het Swb. kent beide voor beide verjaringsoorten: de stuiting in a. 72 en a. 77 al. 2, de schorsing in a. 73 en a. 77 al. 3. »
Bij vervolgingsverjaring is de rechtvaardigheid der stuiting zeer betwistbaar; zij doet eer aan den invloed van civielrechtelijke overwegingen denken. De voor het Ned. Swb. aangegeven grond, de zorg id. âdat de verjaringtermijn niet verstrijke gedurende de vervolgingquot; zou slechts voor schorsing pleiten quot;). Intusschen heeft het Swb., ook om aan deze instelling niet te groote uitbreiding te geven, âde bloot subjectieve werking-der stuiting aangenomenquot; (M. v. T.) en bepaald, dat âelke daad van vervolging de verjaring stuit, mits die daad den vervolgde bekend of hem op de bij de wet voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zijquot; (a. 7 Sv.). âNa de stuiting (d. i. wel den dag daarna) vangt een nieuwe verjaringstermijn aanquot;. â Schorsing is bij deze verjaring slechts op zeer beperkte schaal erkend. Niet wanneer de aanvang of de voortgang der vervolging alleen feitelijk wordt -verhinderd, maar zelfs ook niet in alle gevallen van wettelijk oponthoud. Alleen âbij schorsing der strafvervolging ter zake van een praejudicieel geschilquot; (a. 6 Sv.). Niet dus bv. wegens bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid, wegens z. g. n. âquestions préjudicielles a 1'actionquot;, gedurende den termijn voor indiening eener klachte, bij krankzinnigheid van den beklaagde e. z. m. Maar bij een
quot;) Vg. H. R. 26 Febr. 1877, W. 4040, 4049, 4053, 4054, 4055; en wetsontww. tot regeling dezer aangelegenheid ingediend (zitting 1877/78 n, 105, 1879/80 n. 122).
l2) Cf. Wolfson 99. Tegen de stuiting vooral Binding 1. c. 1, 848. Ook bezwaren bij C. v. E.
479
§ 62. VERJARING.
praejiulideel geschil heeft de beklaagde den duur van hot de vervolging schorsend geding dikwijls te zeer in de hand, terwijl ook dat geding de herinnering aan het feit levendig houdt en dus van zelf de werking van den tijd allicht verzwakt.
Do straf verjaring wordt terecht gestuit door âontvluchting van den veroordeelde uit het gesticht of de inrichting waarin hij zijne straf ondergaatquot; en door âherroeping eener voorwaardelijke invrijheidstellingquot; (a. 77 al. 2). Zij wordt geschorst âgedurende de bij de wet bevolen schorsing der tenuitvoerleggingquot; (a. 336, 339 Sv.) en âgedurende den tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroor-dceling, in verzekerde bewaring isquot; (a. 77 al. 3). Het onderscheid met do vervolgingsverjaring is hier in 't oog vallend ; vermits ook het karakter van beide verschilt.
§ 63. Gratie ').
1. Gratieverleening in algemeenen zin is een verklaring van het souvereine gezag, dat de strafrechtelijke gevolgen van sen delikt geheel of ten deele worden opgeheven; de staat ziet daarmede van zijn recht om die te doen gelden, af; strafrechtelijk is dat recht daardoor vervallen.
Vier vormen zijn te onderscheiden, ook naarNederlandsch recht: gratie (in engeren zin) d. i. ontheffing van door rechtelijke uitspraak opgelegde straf; rehabilitatie d. i. teruggave van de rechtsbevoegdheid welke krachtens veroordeeling tot eon onteeronde straf werd verloren; abolitie d. i. het opgeven van het recht tot strafvervolging of tot het voortzetten van een aangevangen vervolging; deze drie zijn allo speciale verklaringen, betrekking bobbende op een bepaald persoon of bepaalde personen; amnestie d. i. een algemeene verklaring
'i 03. ') Oratie: Buys, Grondwet I, 272, III 110; Snijder v. Wissenkerke, Art. 68 Grw. in T, V. S. II, 293; v. d. Brandeler, Het recht v. gratie (Pr. 1880); Coenen v. 'a Gravesloot, De gratie als oorzaak van verval van straf (Pr. 1882); Visser, Eenige opmerkingen over art. 68 Grw. (Pr. 1895).
GRATIE. § 63.
krachtens welke opgeheven worden alle strafrechtelijke gevolgen van een zeker delikt of van een zekere groep van de-likten ten behoeve van allen, veroordeelden en nog niet veroordeelden, vervolgden en nog niet vervolgden bekenden en onbekenden, die zich daaraan mochten hebben sehuldig gemaakt. Practisch heeft de gratie de grootste beteekenis.
2. Het gratierecht als eene in den gang der justitie ingrijpende souvereiniteitsdaad ontwikkelde zich vooral in den Romeinschen keizertijd, erlangde zijn groote beteekenis in de germaansche rechtswereld door het gerecipieerde recht en is vooral onder de monarchale staatsinstellingen versterkt.
Deze rechtsinstelling heeft warme verdedigers en ernstige tegenstanders gehad en heeft die nog. Opmerkelijk is dat, terwijl de oudere schrijvers der natuurrechtelijke school haar prezen, groote publicisten, wijsgeeren en criminalisten uit de laatste helft der 18° en het begin der 19° eeuw haar afkeurden , of op absoluten rechtsgrond onbepaald (Kant), of althans als normale instelling, omdat zij de straftoepassing onzeker maakte, de preventieve kracht der strafbedreiging verzwakte en slechte wetten in het leven hield (Beccaria, Filangieri, Bentham, Feuerbach). Ook tegenwoordig wordt zij door sommige toongevende auteurs dor nieuwere richting (o. a. Garo-falo) in 't belang van de sociale ree hts veiligheid bestreden 2).
Toch, niettegenstaande haar onmiskenbare gebreken en gevaren, blijft zij eene rechtsinstelling van booge waarde, bestemd om daarvoor te waken dat niet de toepassing van de wet op een bepaald geval tot onbillijkheid leide, öf wegens de onvermijdelijke algemeenheid der wet, öf wegens na 's rechters uitspraak veranderde omstandigheden.
3. Krachtens a. 68 Grondwet (a. 66 G\v. 1848) heeft de Koning het recht van gratie van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd, maar ook alleen dit. â Amnestie of abolitieâ
3) Geschiedenis: Geib II $ 82, 83, â Kant, Metaph. Anfgr, d. Rechtslelire; Beo-aria ^ XX; Filangieri Soienza della legisl. IV, 225; Bentham, Traités de législ. II, 190; Feuerbach, Lehrb. § 63; Garofalo, Criminologie (2e ed.) 399.
481
§ 63. ÃKAT1K.
liet 3e lid zegt dit ten overvloede â worden niet dan bij eene wet toegestaan. Door deze laatste bepaling werd in 1848 een twijfel omtrent den omvang van 's Konings bevoegdheid onder de Grondwetten van 1814 en 1815 opgeheven. â De behoefte aan rehabilitatie kan zich slechts voordoen ten aanzien van hen die veroordeeld werden onder 't Fransche recht met zijn âonteerende straffenquot;. Onze wetgeving gewaagt wel hier en daar van quot;rehabilitatiequot;, bv. a. 14e Jachtwet, maar heeft nergends bepaald door welk gezag en hoe zij verleend wordt. Anders was dit' vóór 1838 onder den C. d'Instr. Grim.; anders ook bij onderscheiden ontwerpen voor een wetb. v. Strafrecht. Intusschen werd zij in de praktijk opgevat als vallende onder het recht van gratie, een meening door gezaghebbende rechtsgeleerden en door den H. Raad gedeeld , door anderen bestreden. Nu is wel formeel het wettelijk rechtsgevolg eener veroordeeling tot straf iets anders dan een opgelegde straf; maar materieel is het toch een deel der straf zelve. En, al heeft zich de rehabilitatie historisch ontwikkeld onafhankelijk van en anders dan gratie, er bestaat m. i. geen innerlijke grond om beide instellingen te onderscheiden 1).
4. De gratie is geregeld bij a. 68 Gw. en het K. B. v. 13 December 1887 Sb. 315, dat dient èn tot uitvoering van a. 68 al. 2 en tot vaststelling van eenige andere regelen 2).
Zij kan verleend worden op verzoek door of voor den veroordeelde ingediend, langs den weg van a. 337 Sv. of recht-streeksch. Maar ook zonder verzoek, uit eigen beweging, gelijk nu uitdrukkelijk erkend is in a. 16 K. B. 3).
482
1
) Uitvoerig en met strenge onderscheiding tusschen gratie eu rehabilitatie; Lens, Iets over de rehabilitatie in 't strafproces (Pr. 1881). â Behalve a. 14 jachtw. ook a. 71 en 70 der mil. pensioenwetten v. 28 Aug, 1851 S. 127,128. â 0. d'Instr. Cr. a. 619 v; Ned. Ontww. v. 1839/40, 1846, 1847; Voorduin Qesch. XI) 377; v. d. Honert, Het W. v. S. (1847) 127. â Voor de ook in den tekst voorgestane meening H. R. 23 Feb. 1841 W. 166; v. Maanen conol. aid.; v, Deinse,
2
Alg, Beg, 455; Buys I 277; Heemskerk, Praktijk I, 78. Daartegen o. a. Diephuis Opm. en Med. IX, 253; Lens 1. o. 43 v.
3
^) Over de gesoh. v. a. 68 en over het K. B. uitvoerig Snijder v. Wisaenkerke 1. c.
GKATIE. § 63.
Zij kan zich uitstrekken tot alle straffen, hoofdstraffen of bijkomende, bij rechterlijk vonnis opgelegd, voor welke strafbare feiten ook. Niet tot disciplinaire straffen. Evenmin tot plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht; veroordeeling in de gerechtskosten; dwang- of politiemaatregelen; al berusten die op rechterlijk vonnis quot;).
Zij kan bestaan in geheele ontheffing of in vermindering van de straf. Ook in verwisseling van een zwaardere hoofdstraf tegen een lichtere (a. 6 K. B.); aldus is de opvatting der praktijk 7).
Dat gratie onder een opschortende voorwaarde verleend wordt, schijnt ook mij met a. 68 Grw. niet in strijden is in onze praktijk wel bekend 8).
Feitelijk noch rechtens bestaat bezwaar tegen gratie van opgelegde vermogenastraffen waarvan do betaling reeds volgde 9). Restitutie van ingevolge a. 74 Swb. betaalde geldboete is echter niet bij wege van gratie mogelijk quot;').
De verhouding der staatsmachten brengt mede dat zoolang tegen het vonnis nog de gewone rechtsmiddelen openstaan, gratie niet verleend kan worden quot;).
5. De Koning âoefent het gratierecht niet uitquot; dan na ingewonnen rechterlijk advies. Over de vraag van welken rechter, is bij de samenstelling van a. 68 langdurig beraadslaagd; a. 66 Grw. v. 184iS bleef aan bedenking onderhevig en moest wegens de invoering van het Swb. toch worden herzien. A. 68 al. 2 heeft toen de aanwijzing overgelaten aan een algemee-nen maatregel van bestuur. Het reeds vermeld K. B. van 13
quot;) Disciplinaire straii'eu : oen administratief hooger beroep is hier natuurlijk zeer goed denkbaar. â Kijksopvoedingsgestioht; vóór 't Swb. werd de tijd wol door gratie verkort; 'thans a. 38, 39 Swb. j0 a. 13 W. 15 Jan. 1886 S. 7. â Uitz. bij veroordeeling van ministers in Engeland, Pruisen, Belgii;; zio üuys I, 274.
') Snijder 1. c. 313.
8) Vg. bv. Missive Min. v. Justitie v. 13 Oct. 1893 (Luttenberg Verz. blz. 243). Anders bij de beraadslagingen over a. 15 vgg. Swb.
') Snijder 1. c. 312.
'») Zie W. 5614, 3.
quot;) Snijder 1. c. 313. M. i. zal ook bij verstekvonuisson ditzelfde gelden, ofschoon hiervoor een uitzondering gowenscht ware.
483
GRATIE. § 63.
December 1887 huldigt nu dienaangaande dit stelsel: in den regel adviseert de rechter die de straf heeft opgelegd; zijn echter sints de strafoplegging meer dan driejaren verloopen, dan adviseert, wegens mogelijke mutatie van het personeel, die rechter niet meer, doch de strafkamer van den Iloogen Raad; terwijl de regeering altoos beider advies kan inwinnen indien zij dit wenscht. Bijzondere bepalingen gelden voor straffen door den kolonialen, den consulairen of den militairen rechter opgelegd. Omtrent gratie van de doodstraf adviseert altijd de Hooge Raad in algemeene vergadering '2).
Op gratieverzoeken mag ook niet afwijzend worden beschikt zonder inwinning van 's rechters advies (a. 1 K. B.) ^).
6. De invloed der gratie op het ondergaan van de straf brengt mede dat wanneer de rechterlijke uitspraak nog niet werd tenuitvoer gelegd, het indienen van een gratieverzoek of het vragen van 's rechters advies door den Koning de tenuitvoerlegging moet schorsen, naar het beginsel âdelibe-rante principe nihil innovandum.quot; Regelen dienaangaande stollen: voor verzoekschriften door den veroordeelde ter gritiie ingeleverd a. 337 Sv.; voor andere verzoeken, ingediend âovereenkomstig de wettelijke voorschriftenquot; â bepaaldelijk dus met inachtneming van a. 8 Grw. en van de zegelwet â a. 6 al. 2 K. B.; met betrekking tot den termijn van 'sKonings deliberatie over een verzoek a. 339 Sv.; terwijl in de gevallen van 's Konings initiatief een bevel tot schorsing van de regeering zal uitgaan 1').
Is de executie van de rechterlijke uitspraak reeds aangevangen, dan wordt de straftijd niet onderbroken15.)
I!l) a. 1, 2, 3, 4, 1(5, 13 K, li, â Vg. Snijder v. W. 1. c. 293, 302, 315 v. Zie ook a. 79!quot; Algera. llegl. I.
13) Over den vroegeren toestand krachtens een K. B. v. 21 October 1856. Snijder v. W. 1. o. 308.
14) Over de gelegenheid om de executie nog vóór het indienen van het verzoek op tc houden, a. 336 Sv.
ls) Zie over de vraag âof de plaatsing in eene rijkswerkinrichting wel behoort in te gaan , wanneer daarvan kwijtschelding wordt verzocht tijdens de hoofdstraf der hechtenis ondergaan wordtquot;. Snijder v. W. 1. c. 307; v. Hamel ï, v.S, III. 88.
484
DE DOOI). § 64.
§ 64. De dood.
1. Hot recht tot strafvordering vervalt door den dood van den verdachte, a. 69 Swb.); het recht tot uitvoering van do straf door den dood van den veroordeelde (a. 75).
Het persoonlijk karakter van de straf, in het nieuwere strafrecht niet meer betwist, leidt tot deze algemoene regelen. Extinguitur crimen raortalitate ').
De dood doet van rechtswege den voortgang van de vervolging feitelijk ophouden; eeno vervallenverklaring door den rechter is niet noodig; doch zal wel moeten volgen wanneer de dood valt op een tijdstip waarop eeno rechterlijke beslissing wordt gewacht
2. Art. 75 Swb. geldt voor alle straffen die nog moeten worden geëxecuteerd. Ook voor verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen. Het vonnis van verbeurdverklaring vestigt âvoor den Staat niet een recht op het goed,
maar alleen op de strafquot;; bovendien had de veroordeelde,
indien hij was blijven leven, de uitlevering van de goederen door hechtenis kunnen laten vervangen :').
3. In strijd met de aanvankelijke bedoeling van Staatscommissie en Regeering zijn de van 't beginsel der artt. 69 en 75 geheel afwijkende bepalingen in artt. 410 -414 en 418 al. 1 Wb. van Strafvord. bestendigd en daarmede tevens in het Wetboek
van procesrecht blijven staan. De zeer betwistbare grond was ^^Jj-deze dat in fiscale zaken de boete ook werkt als schadeloosstelling voor (vermoedelijk toegebrachte maar niet ontdekte) benadeeling van den fiscus '). Intusschen is deze bestendiging
j) 64 L. 11 D, ad L. Jul. majest. (48,4)- Do rechtsgeschiedenia kent echter stratfen in effigie of aan het lijk; memoriae darnnatio; vooral de vermogensoon-fiscalie die door den dood niet ontgaan werd. Voor de geschiedenis: öeibll, g 79. Afwijkend van 't nieuwere beginsel $ 30 Dwb.
â¢) Voorb. v. een dood tusschen de conclusie van O. M. in cassatie en het uitspreken van het arrest; H. R. 24 Deo. 1894 W. 6600.
3) Bestrijding van dit stelsel door minderheid C. v. K. ook met een beroep op a. 50 Tit. 13, Ontw. Strafvord. 1863.
Aanvankelijke bedoeling: M. v. ï. Ãtsc. en O. E. O. op a. 69 Swb. (Smidt 1 ad art.); onzeker M. v. ï. op a. 29 Ontvv. der wet tot wijziging v. h. Wb. v. Sv.;
485
§ 64. DK DOOD.
nu, wat het rijksfiscaal recht bstreft, in overeansterrrning met het stelsel van a. 7 Inv.w. Wat meer zegt, de handhaving der genoemde artikelen, welke immers dagteekenen van vóór 1 Maart 1886 en niet bij de W. v. 15 Januari 1886 S. 5 op nieuw zijn vastgesteld, steunt m. i. formeel alleen op genoemd a. 7 al. 1. Daarom ook acht ik de uitzondering ten aanzien van âplaatselijke en andere belastingenquot; zeker door a. Inv.w. vervallen.
sterk voor het handhaven der intz. R. v. St. en C. v. R. op laatstgenoemd ontw.; daartegen weer amend. Beelaerts, dat verworpen werd (Smidt Strafvord. II 199 v.; zie ook Smidt W. v. S. V. 259); Vg. over 't beginsel dor afwijking Loseoaat Vermeer, Iets over a. '147 W. v. Sv. (oud) Pr. 1885).
486
AANHANGSEL.
W ij z i g i n g e n e n a a n v u 11 i n gen van d c wetgeving sinds de verschijning van de vorige afleveringen.
(Aan te brengen in 11, 12, 14, 17, 19.)
§11. (blz. S3, 84). igt;« met het Wetboek sanienliangemle wetten.
1. Geslichtenwet: gew. W. v, 29 October 1892, Sb. 241 (vg. 50 noot 1).
12. Algcm. maatregel v. bestuur bedoeld in a. 22 W. v. Sv: gew. K. B. v. 19 Nov. 1889, Sb. 171; K.B. v. 30 Juni 1891 Sb. 143 (vg. ? 50 noot 1).
§ 12. (blz. 92, 93). (ieliandliiiafde wetten.
1850. (Postwet), Deze is vervangen door de W. v, 15 quot;April 1891, Sb. 87.
1866, (Inkwartieringen). Nader gewijzigd bij W. v. 10 Mei 1890, Sb. 83; de tekst der gewijzigde wet in zijn geheel in het Staatsblad opgenomen ingevolge K. B. v. 27 Aug. 1892, Sb. 214. (Zie ook K. B. ter uitvoering v. 10 November 1892 Sb. 253).
1872. (Besmettelijke ziekten). Nader gewijzigd bij W. v. 8 April 1893, Sb. 61,
1875. (Hondsdolheid). Aangevuld bij W. v. 15 April 1891 , Sb. 80.
1877. (Quarantainewet), Gewijzigd bij W. v. 8 April 1893, Sb. 63.
1878. (Iiager Onderwijs), Nader gewijzigd bij W. v. 8 December 1889, Sb. 175 (zie nog W. v. 30 December 1892, Sb. 292). De tekst der gewijzigde wet in zijn geheel in liet Staatsblad opgenomen, ingevolge K. B. v. 14 December 1889. Sb. 147.
§ 12. (blz. 94). Strafrechtelijke bepalingfen in wetten van na 1 Maart 18S(i.
1889. Art. 2 W. v. 26 October, Sb. 135 tot vaststelling van bepalingen tegen het visschen door opvarenden van vreemde vaartuigen in de territoriale wateren van het Rijk.
â Art. 1, 3 W. v. 28 October, Sb. 146 op het gebruik van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd.
1890. Art. 2 W. v. 9 Mei, Sb. 81, houdende verbodsbepalingen tegen herdragen van wapenen.
1891. Artt. 4 vgg. VV. v. 15 April, Sb. 84 (gew. bij \V. v. 30 December 1893, Sb. 262) betr, het tegengaan van misbruiken, voortvloeiende uit den verkoop van sterken drank, onder de vissehers op de Noordzee buiten de territoriale wateren en in de territoriale wateren des Rijks.
â Artt. 27, 29 W. v. 15 April, Sb. 87 tot regeling der brievenposkrij (In werking getreden 1 April 1892).
§ 12. (bl. 95, 96). Internationale verdragen.
noot 7 en 8. â 1 De gewijzigde Conv. betrekkelijk de politie op de visscherij in de Noordzee is vertaald geplaatst in Sb. 1889 n0. 199 â 1. Conv. v.
' AANHANGSEL. WETGEVING.
16 November 1887 (gdgk. W. 7 Aug. 1888, Sb. 123) i. z. hot tegengaan van miabmiken, voortvloeiende uit den verkoop van sterken drank onder dc visschers op de Noordzee buiten de territoriale wateren; met de Uitv.w. v. 15 April 1891, Sb. 81 (gew. bij W. 30 December 1893, Sb. 2,i2). Nader protocol v. 11 Februari 1893 (gdglc. W. v. 22 Juni 1893, Sb. 92).
noot 9. â Oonv. betr. den induslrieelen eigendom (voor a. 26 lees a. 2 en 6). Nadere conventie v. 14 April 1891 (gdgk W. v. 12 December 1892, Sb. 270).- in verband liienneds \V. v. 30 September 1893, Sb. 116.
noot 10. â Regl. betr. loodswezen gew. bij tract, v. 4 Mei 1891, Sb. 19 Februari 1892 nquot;. 45; Regl. betr. visscherij gew. bij tract, v. 27 Februari 1890, Sb. 1 Maart 1890 nquot;. 29.
§ 12. (bl. !)(5 vgg.). Algemeeiie maatregelen van bestuiii'.
blz. 98. â De Wel v. 6 Maart 1818, Sh. 12, eerst herhaaldelijk van jaar tot jaar gehandhaafd, is nu vervallen sints 1 September 1893. In de behoefte aan regeling is nu voor sommige onderwerpen voorzien: bv. W. v. 28 Februari 1891, Sb. 69 tot vaststelling von bepalingen betreffende 's Rijks waterslaatsioerken met K. B. van 18 Aug. 1891, Sb. 158; \V. v. 1 Aug.
1893, Sb. 133 betrekkelijk de wrucriinp'en (met tijdelijk karakter), verlengd tot 1 Jan. 1896 bij W. v. 9 Juli 1894, Sb. 104.
blz. 99 noot 22. â De wetgever heeft nu bij de hiervoor aangehaalde W. v. 28 Februari 1891 het stelsel gehuldigd dat, naar a. 56 Grw., de wet den Koning kan opdragen, strafbedreigingen vaststellen binnen door haar aan tc wijzen grenzen.
§ 12. (blz. 100). Verhouding van algemeen en i»laatselijk strafrecht.
noot 26. â De Fransche voorschriften âconcernant le port des annesquot; zijn vervallen krachtens de W. v. 9 Mei 1890, Sb. 81.
§ 12. (blz. 105 vgg.). Ilijks-liscaal strafrecht.
A. Dihectu belastingen.
1. W o. d. Invordering enz. Nader W. v. 2 October 1893, Sb. 149.
2. Grondbelasting. â Nader W. v. 31 December 1892, Sb. 315.
3. Personeel. â Nader W. v. 15 April 1891, Sb. 88.
4. Patentrecht. â Afgeschaft 1 Mei 1891 bij de invoering van de
5. Bedrijfsbelasting. â W. v. 2 October 1893, Sb. 149 (bep. artt, 47â53).
6. Vermogensbelasting. â- W. v. 27 September 1892, Sb. 223 (bep. artt. 33
al. uit., 47).
15. Rechten op den invoer en accunsen.
1. Algemeene wet. â Nader W. v. 18 Juni 1892, Sb. 143; \V. v. 20 April
i895, Sb. 54.
2. Accijns op suiker. âNader W. v. 15 April 1891, Sb. 89; W. v. 11 Januari
1894, Sb. 6.
3. Accijns op gedistilleerd. â Nader W. v. 27 September 1892, Sb. 226.
5. Accijns op zont. â Nader W. v. 27 September 1882, Sb. 227.
6. Accijns op zeep. â Afgeschaft bij W. v. 27 September 1892, Sb. 225. (Het
invoerrecht gewijzigd).
C. Indirecte Belastingen.
2. Uegistratierechten. â- Nader W. v, 27 September 1892, Sb. 224; W. v. 29 December 1893, Sb. 245.
D. Waahborg enz. â iSader a. 58 § 2 W. v. 2 Oct. 1893, Sb. 149.
488
AANHANGSEL. \V E TG E VI MG.
§ 14. (biz. 111). l!iiit«iiliiii(lscli strafrecht.
Daarvoor het sints verschenen standaardwerk van Prof, F. von Liszt c. s. uitgegeven door de Union Internationale de Droit l'énal:
La legislation pénale oomparée (Die Strafgesetzgebang der Gegen vart (I Etats européens) Berlin, O. Liebmann, 1894.
§ 17. (blz. 142 n. 7) Slavenhandel.
Intern. Conventie v. 2 Juliâ30 Dec. 1890 (gd^lc. W. v. 24 Juni 1891, Sb. 142).
§ 17 (blz. 145). Nederlanderschap.
Deze geheele materie sints I Juli 1893 nieuw geregeld bij W. op het Nederlandschap en ingezetenschap v. 12 December 1892, Sb. 2(38.
§ 19. (blz. 150 vg.). Ultlevcrlngstractaten.
Heigit': Additioneele overeenkomst, houdende uitbreiding tot de Ned. Kolouiiiii van het verdrag v. 31 Mei 1889, 14 Februari 1895, Sb, 1895 n. 32.
Denemarken: thans 18 Januari 1994, Sb. 1894 n. 41.
Luxemburg: thans 10 Maart 1893, Sb. 1893 n. 80.
Monaco: thans 28 Juni 1894, Sb. 1894 n, 147.
Oranje-Vrijstaat: thans 24 April 1893, Sb. 1891 n. 01.
Rusland: thans 4 November 1893, Sb. 1891 n. 7.
Spanje: thans 29 October 1894, Sb. 1895 n. 38.
§ 19. (blz. 151). Nederlanderschap hij uitlevering.
489
Krachtens de slotbepaling der W. v. 12 December 1892, Sb. 208, worden in a. 22 der Wet v. 1875 de woorden âvolgens het Burgerlijk Wetboekquot; vervangen door: âvolgens de wet op het Nederlandschap en het ingezetenschap alsmede hen die in de Nederlandscho koloniün of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren.quot;
Si
INHOUDSOPGAVE
DEEL I.
ViN
(N.B. Voor de studio van dit Algameeue Deel scheen een eenigszins uitgewerkte, systematische inhoudsopgave nuttiger dan een alphabetisch register.)
INLEIDING.
Hoofdstuk I. â Strafrecht en strafrechtswetenschap.
Blz.
§4. Het strafrecht...............'
§ iJ. De wetenschap vau het st ral recht als rechtswetenschap ...............1^*
§ 3. De wetenschap van het strafrecht als sociale
wetenschap................^
fcj 4. De beoefening tier wetenschap van het strafrecht ..................
§5. Wijsgeerige grondslagen van het strafrecht. '20 [Inleiding (20â22); De strafrechtstheorien (22â32); Uiteenzetting van eigen gevoelen (32â3t)); De theorie van het Wetboek van Strafrecht (36â38).]
Hoofdstuk 11. â Ontwikkelingsgeschiedenis en bronnen van
het nederlandsche strafrecht.
§6. Bronnen en karakter van het Nederlandsche Strafrecht vóór de eerste algemeene codificatie ..................^
[Het oudste strafrecht (38âi2); De volksrechten enz. (41â44); Kanoniek en Romeinsoh recht (44â4ö); De Carolina eu da Ordonnantiën van Philips 11 (47â49); Auteurs (50â53); Karakter van het oude strafrecht (53â57); Do hervormingsbeweging in de 18e eeuw (57â60).]
§ 7. Het crimineel Wetboek voor het Koningr^jk
Holland.................
§8. DeGodePénal...............ö4
§ 9. De mislukte pogingen tot het samenstellen
van een nationaal Wetboek van stralrecht. /0
inhoudsopgave. 491
Blz.
§ 10. Geschiedenis en algemeen karakter van het
quot;Wethoek van Strafrecht.........75
[Gesohiodonis (75â79); Algemeen karakter (79â8i).] § 11, De heteekonis der met de invoering van het Wethoek van Strafrecht samenhangende
wetten.................82
Aanvulling. . . 487 12. De hronnen van het in Nederland geldend
strafrecht................88
Aanvulling, . . 487 [Inleiding (88â90); De invoeringswet, de gehandhaafde en de
latere wetten (90â95 , aangevuld 487); Internationale verdragen (95â96 , aangevuld 487); Algemeene maatregelen van bestuur (96â99, aangevuld 488); Plaatselijk strafrecht(100â103, aangevuld 488),]
^13. Het fiscaal en het militair strafrecht. . . 104
Aanvulling. . . 488 [Fiscaal strafrecht (104â107, aangevuld 488); Militair strafrecht (108â111).]
^ 14, Bronnen van huitenlandsch strafrecht. . . 111
Aanvulling. . . , 489
DE ALGEMEENE LEERSTUKKEN.
Hoofdstuk I. â Df, Strafwet.
§ 15. Algemeene beschouwingen over de strafwet
en hare verklaring...........117
[1, 2, Algemeene opmerkingen (117â120); 3. Geschreven en ongeschreven recht (120â-122); 4, De wettelijke bepaling en hare afkondiging (122,â124); 5, Codificatie (124â-126); 6, Wetsver-klaring (126â130),]
§ 16. Omvang van de werking der strafwet naar
den tijd.................130
§ 17. Omvang van de werking der strafwet naar
deplaats................135
Aanvulling. . . 489 [1, Algemeene beschouwing (135â136); 2, De hoofdbeginselen (136â138); 3â9, De beginselen van het Nederlandsch recht; territorialiteitsbeginsel, passief nationaliteitsbeginsel, bescherming van algemeene belangen, actief nationaliteitsbeginsel (138â145).]
§18. Volken rechtel ij ke uitzonderingen.....14ö
[1. Art. 8 Swb, (146); 2, 3, Souvereinen, gezanten, consuls, krijgsmacht (146â148),]
492 inhoudsopgave.
Biz.
§19. Uillevering................148
Aanvulling. . . 489
[1. Geschiedenis (148â149): 2. Het Nederlandsohrecht, verdragen , vreemdelingen, Nederlanders (149â153, aangevuld 489); 3. Wettelijke uitwerking (153â154); 4. Politieke misdrijven (154â155); 5. De uitlevering regeeringsdaad (156).]
Hoofdstuk II. â Het strafbaar feit.
A. Algemeene besclioinvingeii.
§2(3. Het subject der strafbare feiten......15B
[1. Dieren (156â157); 2. Rechtspersonen (157â159): 3. Persoonlijke omstandigheden (159): 4. Do Koning (159); 5. Leden der Staten-Generaal enz. (159â161).]
§ 21. Algemeen begrip en hoofd bestand deel en van
het strafbaar feit............löl
[1. Het begrip (161â162); 2. De feitelijke bestanddeelen (162);
3. De onrechtmatigheid en de strafwaardigheid (162â163);
4. Do schuld en de toerekeningsvatbaarheid (163); 5. Het ingebeeld delikt (164); 6. De aanwijzing in de wet (164â165); 7. Opschortende en ontbindende voorwaarden voor de uitoefening van hot strafrecht (165â166).]
§22. Algemeen karakter van het strafbaar feit. 166 [1, 2. De leer der rechtsbelangen (166-â168); 3â5. Strafrecht, moraal, privaatrecht (168â172); 6. Krenking en gevaar voor krenking (172â174).]
§ 23. A Ige m ee ne v er d eel in g va n de strafbare feiten.
[1â3. Oudere verdeelingen (174â177); 4. Do Franscho drieledige verdeeling (177â178); 5, 6. De Noderlandsche tweeledige verdeeling (179â182); 7. Quantitatieve verdeeling (182â183).]
li. Dc lioofdbesfanddeelen van liet strafbaar feit. § 24. Dc handeling: daad en gevolg.......184
[1. Doen en laten (184); 2â4. De daad, physisch en psychisch (184â188); 5. Het gevolg (188â190); 6â8. Do leer der causaliteit (190â-196).]
§ 25. Hetlaten................196
fl, 2. Dó omissiodelikten (196â197); 3. De causaliteit van het laten (197â200); 4 , 5. Onrechtmatigheid van het laten eaz. (200â201).]
§26. Andere uitwendige bestanddeelen.....201
|1. Algomeene beschouwing (201â-202); 2, 3, Bestanddeelen en bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid (202â204).] § 27. Plaats en tijd waarop het strafbaar feit bega a n i s .................204
[1. Het vraagstuk (204â205); 2. De stelsels (205â207); 3. Het juiste beginsel (207â209); 4, 5. Toepassing ophotNc-doi'landach recht (200â210).1
-Twvr ^. m_⢠_. â¢lt; 'â ^ 4
â m
V.
INHOUDSOPGAVE. 493
Blz.
§ '28. Do onrechtmatigheid en de strafwaardigheid
van het strafbaar doen en laten . . . â . 214
flâ3. Het algemeen karakter der onrechtmatigheid (211'â213); 4. Rechtvaardigingsgronden (213â214); 5. Uitdrukkehjke opneming in de wet (214â215); 6, 7. Het onrechtmatig laten (215â218); 8 Strafwaardigheid (218),]
55 20. N o o d w e e r................218
[1. Algemeene beschouwing (218â-220); 2â7. De besta.id-deelen naar Nederlandsch recht (218â225); 8 , 9. Overschrijding enz. (225â226),]
^ 30. Overmacht................227
[1, 2, Algemeene en geschiedkundige beschouwingen (227â 231); 3â8. Dwang, drang, nood, gemoedsaandoening (231â
236),]
§31. Wettelijk voorschrift. Ambtelijk bevel. . . 236
[1â5, Wettelijk voorschrift (236â241); 6â8, Ambtelijk bevel (241â243).]
§ 32. An de re rechtvaardigingsgronden.....243
[1. Algemeene beschouwing (243); 2. Beroepen (243â244);
3. Tuchtrecht (244â245); 4, 5, Zelfkrenking en toestemming (245â248); 6, 7, Rechteloosheid, eigen richting (248).]
§ 33, Schuld e ti schuldverband in het algemeen . 240 f 1, De schuldvormen (249â250); 2, Opzet en culpa bij één delikt (250â252); 3, Schuld en onrechtmatigheid (252â253);
4, Wilsvrijheid (253â^255); 5, Algemeen vereischte van schuld (255â256); 6â8, Schuld bij overtredingen, fiscaal strafrecht, drukpersdelikten (256â258); 9, Bestanddeelen waarvoor de wet geen schuldverband vordert (258â259); 10, Schuld en gevolg (259â261); 11. Schuld en bijkomende voorwaarden der strafwaardigheid (261); 12, Geschiedenis (262â263),]
5; 34. Opzet . . ...............263
[1, 2. Begrip (268â-265); 3. Opzet en doen of laten (256â 267); 4. Opzet en veroorzaking van het gevolg; do schakeeringen van het opzet (267â271); 5 Opzet en de verwezenlijking der overige deliktsbestanddeelen (271â272); 6â9, Omvang en aard van het opzet naar Nederl, recht (272â277); 10â12, Boos opzet en rechtsdwaling (277â282); 13, Opzet en accidentalia (282); 14, Bepaald en minder bepaald opzet (282â 284); 15, Verwisseling en afdwaling (284â285); 16. Opzet en de wijze van veroorzaking (286â287); 17. Tijd van het opzet, actiones liberae in causa (287â288); 18, Voorbedachte raad (288â289),]
§ 35. S c h u I d (culpa)..............280
[1, 2. Begrip (289â290); 3. Culpose delikten (290â292); 4â6. De noodige voorzienigheid en voorzichtigheid (292â 295); 7. Soorten, graden (295â296); 8, 9, Tijd; straf (296),]
494 inhoudsopgave.
Biz,
§ 36. Toerekeningsvatbaarheid.........296
[1â6. Begrip, onderBcheidingen, gronden (296â302); 7. Psychische dwang (302); 8. Jeugdige leeftijd (302â307); 9. Ziekelijke storing der verstandelijke vermogens (307â311); 10. Gebrekkige ontwikkeling der verstandelijke vermogens (311â312); 11. Storing van het bewustzijn (312â313); 12. Dronkenschap (313â314); 13. Gemoedsbewegingen (314â315).]
C. Bijzondere leerstukken betreffende liet strafbaar feit.
§ 37. Poging..................315
[1. Voltooid delikt (315); 2. Geschiedenis (316); 3. Begrip (317â318); 4. Onderscheidingen (318â320). 5. Delikten waarbij poging niet strafbaar is (320â323); 6. Opzet (323); 7. Begin van uitvoering (323-â326); 8. Oorzaak der niet-voltooiing (327â329); 9. Straf (329â330); 10. Ondeugdelijke poging (330â334); 11. Plaats en tijd (334); 12. Qequalificeerde poging (334).]
^ 38. Deelneming...............334
[1. Eenvoudig daderschap (334â336); 2. Begrip van deelneming (336â337); 3. Geschiedenis (337â339); 4. De hoofdvragen (339); 5. Zelfstandige en onzelfstandige aansprakelijkheid (340â342); 6. Algemeene regels en uitzonderingen (342â343); 7. Noodzakelijke deelneming (343-â344); 8. Middellijk daderschap (344â347); 9. Uitlokking (347â354); 10. Medeplichtigheid (354â-359); 11. Mededaderschap (359â364); 12. Persoonlijke omstandigheden (365â-367); 13â15. Bijzondere bepalingen,
tijd en plaats, begunstiging (367â369).]
^39. Deelneming bij drukpersdeiikten.....369
(1. Algemeene beschouwing (369â370); 2. Toepassing van 't gemeene recht (370â372); 3. Afwijkende stelsels(372â374); 4. Stelsel van't Ned. Swb. (374â378); 5. Redacteur (378â379); 6 , 7. Verspreiding, herdruk enz. (379â380).]
40. Samenloop en verwante leerstukken . . .
[1. De vormen (380â-381); 2. Meerdaadsche samenloop (381â 385); 3â7. Samengestelde eenheidsvormen; voortgezet delikt;
eenheid van handeling; voortdurend delikt; collectief deükt (385â391); 8, 9. Eendaadsche samenloop (391â392).]
Hoofdstuk III. â De strak en de strafsoorten.
^ 41. Het formeel begrip van de straf......393
[1. Straf (393); 2â5. Schadevergoeding; dwangmiddelen; politiemaatregelen ; tuchtmiddelen (393â-397).] ^ 42. Strafmiddelen. Algemeene opmerkingen . . 397
^ 43. D e d o o d s t r a f...............398
^44. Andere lijfstraffen............4Ã1
§ 45. Verbanning, deportatie, transportatie, re-
legatie .................403
inhoudsopgave. 495
Biz.
§46. Devrijheidsstraffen...........406
[1, 2. Geschiedenis en stelsels (406â409); 3, 4. Zwaarte,
duur enz. (406â407); 5. Voorwaardelijke invrijheidstelling (411); 6. Geschiedenis in Nederland (411â413).]
§ 47. Ue vermogenssiraffen..........413
§48. Straffen in eer en rechten........415
§ 49. Andere straffen en middel en ter bestrijding
van de criminaliteit..........417
[1. Algomeene beschouwing (417); 2. Dwangopvoeding, berisping, schoolarrest, werkinrichtingen e, a,, politietoezicht e. a., voorwaardelijke veroordeeling, onbepaalde vonnissen, patronaat.
schadevergoeding (417â419).]
§50. Het Neder la ndsche strafstelsel......419
§ 51. De hoofdstraffen.............422
[1â5. Gevangenisstraf (422â424); 6. Voorwaardelijke invrijheidstelling (424â425); 7, 8. Hechtenis (425â-427); 9. Geldboete (428); 10. Vervangende hechtenis (428â430).]
§ 52. De bijkomende straffen..........430
438
443 445 441
452
[1â3. Ontzetting van rechten (430â435); 4. Rijkswerkinrichting (435â436); 5â7. Verbeurdverklaring (436â437); 8. Openbaarmaking van de uitspraak (438).]
Hoofdstuk. IV. â De mate van straf.
§53. Wettelijke strafbedreiging en rechterlijke
straftoemeting.............
[1, 2. Beginselen (438â439); 3, Absoluut en relatief bepaalde straffen (439â440); 4. Verzachtende omstandigheden (440â441); 5â7. De vrijheid des rechters naar Nederl. recht (441â443).]
§54. Verhooging of vermindering van de wettelijk e s t r a f b e d r e i g i n g ..........
§ 55. Ambtelijke hoedanigheid.........
§ 56. H e r h a 1 i n g................
[1. Begrip (448); 2. Verzwarende omstandigheid (448â449); 3. Delikten (449â450); 4. Speciale en generale recidive (450); 5. Vroegere voroordeeling (450); 6. Aard der sirafverzwaring (450â451); 7. Verjaring (451).]
§ 57. Toer ekening van den tij d der verzeker de bewaring................
Hoofdstuk V. â Opschortende en ontbindende voohwaarden
voor het recht tot straffen.
§ 58. De opschortende en ontbindende voorwaarden in 't algemeen ...........454
k 5 .Urgt;.? ri
490 INHOUDSOPGAVE.
Blz.
§ 59. Klachldelikten..............459
[I. Geschiedenis (456â457); 2. Gronden (457â458); 3â7. Ne-derlandsch recht; de tot klachte gerechtigde, indiening, intrekking enz. (458â-462).]
§ (iÃ. De kracht van hot onherroepelijk gewijsde. 403 [1. Beginsel (463â-464); 2, 3. Art. 68 Swb. (464â4b5); 4. Hetzelfde feit (465â467); 5, 6. Het buitenlandsoh gewijsde (467â468).]
^ 01. Afdoening buiten proces.........408
[1. Geschiedenis (468â469); 2. Art. 74 Swb. (469â170); 3, 4. Transactie (470â472).]
§ 02. Verjaring................47',2
[1. Begrip (472â473); 2. Gronden (473â475); 3â7. Ter-mijnen en berekening daarvan (474â 479); 8. Stuiting en schorsing (479â480).]
§ 0)gt;. Gratie......:...........480
[1â3, De vormen van gratievorloening: gratie , rehabilitatie, abolitie, amnestie (480â-482); 4â6. De eigenlijke gratie (482â
484).]
S 04. De dood.................485
Aanhangsel, houdende wijzigingen en aanvullingen van de
wetgeving, aan Ie brengen in §§ 11, 12, 14, 17, 19. . 487