quot;fe , V. (gt; ; ;X^. v/^v,';,
quot;â¢x^ »V ' â¢' 1 .iTj^ â '' ^.: *,..;}
lt;r:
â X v ^ '4
j.y 's. t**'- 'fi*i / .v^'
\
A
C. _viL - *«»r
: ^ * \ / ^ 'N' ! ^ ^.-V '.^â¢â¢A^-, wr^\ J ^58
y-A ;__A 'V-gt;' ⢠⢠^ gt; Ji
:V'; . V
Nv *
A
^ ' ' V''' .â ''**' '
IND. STUD. ⢠1
J*
.
' â
'' '
j, hiïi â
â
â H- ,-â â ;â â »fe
|
: -...,. mm .....mm mgikü ' -'â â â â â -â¢'â¢' quot; quot;â¢quot;= â¢'- t ,.â â â â¢â¢â m '.y^i â â â â -%amp; ^ ^ 'quot;*quot; |
- â #â â ^ â â ' ... -... . , ,,,... -. :. â - â â ' ..... |
1
......
- â :⢠.-v.-.-
⢠i ⢠.....
-iquot;- .....
.....
.....â â ......
û
â
â
f
-
'
â
' WÂ¥ 1 Uw,
â
H'0i
â
1 â
,
H
â
|Vlt;.', hi
ra
â . ' .. . , - â â
â , ,.. . ,.; â , â .â¢; ⢠,. , â
-
â â . â
⢠â â â â â :-. .. ;â - .
â - â â â
â
.'; .' i
,
â ^â¢V' â â¢
/
(
(
;
o i \
BK
IF
J J, J
TOELICHTING
1 /
Vx
DER
f /
OP
JAVA EN MADOERA.
vy
VASTGESTELD BIJ DE ORDONNANTIE VAN 29 FEBRUARI 1896 (STAATSBLAD Nquot;. M),
T'onds ten behoeve van InWologisrh» Studiën aan de Rijks Universiteit
te Utrecht. ^
BATAVIA
LANDSDRUKKERIJ 1898.
VOORWOORD,
üe ordonnantie, houdende herziening der regelen omtrent de ontginning van grond door Inlanders op Java en Madoera, is vastgesteld hij artikel t van het besluit van 29 Februari 1896 n0. 2, en afgekondigd in het Staatsblad van dat jaar onder nquot;. 44, terwijl bij artikel 2 van die beschikking werden bekrachtigd de Voorschriften tot uitvoering der verordening, zoomede de Nederlandsche tekst van het daarbij behoorende model-vergunningsbewijs en model-ontginningsregister.
Die modellen zijn met de Voorschriften opgenomen onder n0. 5086 van hel Bijblad op het Staatsblad van Nederlandsch-Indié.
De vertalingen van het model-vergunningsbewijs in bet Soendaasch, Javaansch en Madoereesch zijn voorts, evenals de Maleische tekst van het model-ontginningsregister, vastgesteld bij het besluit van 19 Maart 1896 n0. 29.
Evenals bij de herziening der regelen omtrent de z. g. Inlandsche grondverhuringen op Java en Madoera (Staatsblad 189B n0 247), is bij de samenstelling der nieuwe ontginnings-ordonnantie uifgegaan van de gedachte dat zij slechts behoorde te bevatten wat inderdaad wettelijke voorziening vereisebte, terwijl de daarmede verband houdende administratieve bepalingen nopens de toepassing der regelen zijn bijeengevoegd in de hoogerbedoelde Voorschriften, die, zoo noodig, bij eenvoudigen maatregel van inwendig bestuur zullen kunnen worden aangevuld of gewijzigd.
INHOUD.
blauz.
VooRWoono............................
Considerans en aanuep.
1. De regeling geldt alleen voor Java en Madoera................. j
Artikel 1.
2. Ontginning door Inlanders......................................^
3. liet reclitsgehied der ordonnantie ................................j
4. Op welke gronden de ordonnantie niet toepasselijk is........................14
Artikel 2.
5. De strekking van dit artikel............................................je
6. Verschillen met de vroegere redactie...............
7. De in alinea 3 bedoelde lieslissing....................................jjj
8. Verlies van hel door de ontginning verkregen recht.............. ly
Artikel 3.
9. De ambtenaren, die de vergunning verleenen................................26
10. Voorwaardelijk gebruik van grond...................
11. Vergunningen voor sawah-aanleg......................................32
12. liet onderzoek der aanvragen..........................................33
13. Weigering der vergunning, liooger beroep......................................35
Artikel 4.
14. De voorwaarden der vergunning..................................3^
Artikel 5,
15. Het onderzoek der ontginningen......................................43
16. liet recht op den ontgonnen grond............
Artikel 6.
17. Overdracht der vergunning..........................................5Q
Artikel 7.
18. Straf op clandestiene ontginning..........................................52
Artikelen 8 en 9
53
VI
B IJ L A G E N.
bladz.
I. Ordonnantie van 29 Februari 1896 (Staatsblad nquot;. 44).
Herziening der regelen omtrent de Inlandsclie grondontginningen op Jam en Madoera. 57
II. VoonscmuFTEN tot uitvoering der ordonnantie in Staatsblad 1896 nquot;. 44 (Bijblad n0. 5080). 61
III. Model-bewijs van vergunning tot ontginning van grond.
Nederlandsche tekst......................................................65
Soendaasche â ........................................................67
Javaansche ⢠......................................................69
Madoereescbe â ........................................................71
IV. MoDEL-nEGisTEn van aanvragen om vergunning tot ontginning van grond.
Nederlandsche tekst............................ 73
Maleiscbe ⢠............................ 77
V. Bijblad nquot;. 2963. Wenken omlrenl bet aanleggen van terrassen. Circulaire van don Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 21 Februari 1876 n°. 1814........ 81
VI. Bijblad n0. 4716. Beschouwingen over de afbakening van het onvrije Staatsdomein. Circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 12 Juni 1888 n°. 3306 . . 86
Vil. Bijblad nquot;. 4911. Bescherming van het erlelijk individueel gebruiksrecht. Circulaire
van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 20 October 1893 u0. 6048 ..... 93
Vlll. Bijblad n°. 5161. Schema voor de bijdrage lol bet Koloniaal Verslag (onderdeel Inlandsclie grondontginningen). Circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 16 October 1896 nquot;. 5260 ......................... 97
NIEUWE UEGELING.
OUDE REGELING.
|
Dal llij, wenschende gevolg te geven aan § i van hel Koninklijk besluit van 3 December iS73 nquot;. 19 {Indisch Staatsblad 1874 71quot;. 78); Lettende op de artikelen SO, 29, 31 en 33 van het Reglement op het beleid der Itegcerihg van Nederlandsch-lndië; |
Dat Hij, hel wcnschelijk achtende de ingevolge § i van het Koninklijk besluit van 3 December 1873 nquot;. 19 [Indisch Staatsblad 1874 nquot;. 78) voor Java cn Madocra gestelde regelen omtrent het recht der Inlanders om gronden, deel uitmakende van het Staatsdomein en niet als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen behoorende, te ontginnen, door andere bepalingen te vervangen; lettende op de artikelen 20, 29, 31 cn 33 van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch-lndië; |
Heeft goedgevonden en verstaan;
Eerstelijk: Met intrekking van de ordonnantie van 7 Maart 1874 [Staatsblad n°. 79), te bepalen als volgt;
Artikel 10. Deze verordening is, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van artikel 27 van het Reglement op het beleid der Regcering van Nederlaudsch-liidië, alleen van toepassing op Java en Madoera,
I. De regeling geldt Volgens artikel 10 van de oude regeling was deze, he-alleen voor Java en houdens het bepaalde bij bet 2° lid van artikel 27 van het Ma doe ra. Regeerings-reglement, uitsluitend van toepassing op Java en
Madocra.
Heeft goedgevonden en verstaan;
1
s2
De nieuwe regeling beval cenc dergelijke uitdrukkelijke weisbepaling niel, doch doet daarentegen in hare considerans uitkomen dat zij de regelen vervangt, welke omtrent bel Inlandscbe ontginningsrecht voor Java en Madocra zijn gesteld ingevolge § 1 van het Koninklijk besluit in Indisch Staatsblad 1874 n0. 78. Bedoelde paragraaf nu wijzigt slechts de redactie van een der artikelen van het z. g. Agrarisch besluit in Indisch Staatsblad 1870 n0. 118, hetwelk, luidens zijn artikel 20, in zijn geheel slechts van toepassing is op de Gouvernementslanden van Java en .Vaf/ofm, waaruit voldoende blijkt dal de nieuwe ontginnings-ordonnantie geen uitgebreider rechtsgebied heelt dan de oude regeling.
Al is nu de ordonnantie in Staatsblad 1874 n0. 79 inge-Lrokken, daaruit volgt nog niet dat alle in verband met die ordonnantie gegeven administratieve voorschriften mede als vervallen moeten worden beschouwd. Immers, de aanbevelingen omtrent het terrasseeren in Bijblad n0. 2963 zijn ook thans nog van toepassing, evenals het verbod in Bijblad n0. 4716 aangaande de afbakening van het z. g. onvrije Staatsdomein (').
Daarentegen zijn voor de modellen in Bijblad n0. 3886 andere in de plaats gekomen en is het voorschrift in Bijblad n0. 5596 vervangen door de 2e alinea van artikel 7 dei-nieuwe onlginnings-regelen, terwijl onder n0. 5161 een nieuw schema is opgenomen voor de bijdrage lot het Koloniaal Verslag voorzooveel verhuring en ontginning van grond betreft.
(') Door dil verbod waren ile voorschriften in Bijblad nquot;. 3279 en enkele andere circulaires reeds builen werking gesteld.
3
|
Autikel 1. Voor ontginning van grond, deel uit makende van het Staatsdomein, en niet als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tol de dorpen hehoorende, behoeft de Inlander eene door het bestuur verleende vergunning. |
Artikel 1. Voor hel ontginnen door bilanders van grond, deel uitmakende van het Staatsdomein en niet als gemeene weide of uil eenigen anderen hoofde lot de dorpen hehoorende, wordt eene door het bestuur te verkenen vergunning vereischt. |
2. Ontginning door De ordonnantie spreekt, met geringe afwijking van de inlanders. redactie der oude regeling, van liet «ontginnen door Inlandersquot;,
en zegt verder in artikel 8, dal onder Inlanders niet de mei hen gelijkgeslelden worden verstaan.
Dat onder Inlanders moeten worden begrepen inboorlingen, onverschillig uit welk gedeclle van den Nederlandsch-Indischen Archipel zij afkomstig zijn, is meer dan eens door de Regeering beslisl.
Niet alle Inlanders kunnen echter, waar zij dit verlangen, gronden op den voet der ordonnantie ter ontginning hekomen.
Luidens de ordonnantie in Staatsblad 1886 n0. 244, houdende wijziging van artikel 4 der Instructicn voor de Regenten en Districtshoofden op Java en Madoera (Staatsblad 1867 n0. 114), mogen die Inlandsche ambtenaren in het regentschap of district, waarover zij zijn aangesteld, geen grond ontginnen op den voel der onlginnings-ordonnanlie, en hetzelfde verbod geldt voor de Patihs en de Onderdistrictshoofden, doch is voor de eersten beperkt tol hel regentschap of de afdeeling en voor de laatsten tol het onderdislrict, waarin die ambtenaren werkzaam zijn.
Wat onder ontginnen moet worden verstaan bepaalt de ordonnantie niet, omdat geen voldoende aanleiding kon worden gevonden om den politierechter, door eene bindende omschrijving, de zelfstandige waardeering van het feit van eenige clandestiene ontginning te ontnemen, terwijl zoodoende tevens eene explicatie zou worden gewettigd, die hoogstwaarschijnlijk niet voor alle gevallen dienst zou kunnen doen en dan ongestraft zou doen blijven wat te voren steeds als ongeoorloofd was aangemerkt.
4
3. Het rechtsgebied Welk is het rcc'.ilspebied der ordonnanlieP der ordonnantie. Op deze vraag geelt artikel 1 j0. de considerans ten antwoord:
het is dat gedeelte van liet Staalsdomein op Java en Madoera, hetwelk niet als gemeene weide ol'uil eenigen anderen hooide tot de dorpen behoort.
ïer verduidelijking van deze ontwijkende formule zij do volgende uitweiding veroorloofd.
De Agrarische wet (Indisch Staatsblad 1870 n0. öö) beval geene voorziening omtrent het ontginningsrecht der Inlaudsche bevolking. Wel waren daaromtrent enkele voorschriften opgenomen in artikel 19 van deoiitwerp-cultuurwel van den Minister Fransen van dk I'utte en in artikel 4 van het daarna door diens opvolger Trakbanen ingediende wetsontwerp tot regeling der uitgifte in erfpacht van gronden in JSedcrtandsch-lndié, doch toen ook dit ontwerp door de Regecring moest worden teruggenomen, oordeelde de iMinister de Waal het raadzaam in zijne wetsvoordrachl tol aanvulling van artikel 62 van het Ucgeerings reglement zich slechts tot enkele hoofdpunten te bepalen, welke zouden kunnen strekken, tot oplossing van hel «koloniale vraagstukquot;, waarvan hel recht van Inlanders om ten eigen behoeve gronden te ontginnen geen bepaald onderdeel uilmaakte.
Nochtans ontging deze aangelegenheid den Minister niet; hij behield zich voor daaromtreul eene voorziening te treffen bij bel besluil tot uitvoering van de Agrarische wel.
Die voorziening vindt men in het Koninklijk besluil van 20 Juli 1870 nu. lö, bekend onder den naam Agrarisch besluil (Indisch Staatsblad 1870 n0. 118), waarvan arlikel 7 luidde:
*Ona/hanlcelijli van de algemeene regeling, bij arlikel 2 * bedoeld, worden bij ordonnantie regelen gesteld op het recht 'der Inlanders om gronden buiten hel gebied, krachlens arlikel »6 bepaald, le ontginnen.
»lJie regelen bevorderen het stichten van nieuwe gemeentenquot;. Ter toelichting schreef de Minister de Waal in zijne ten geleide van voormeld besluil strekkende dépêche van 2B Juli 1870, 1». Aaz, n0. U6/1028 ('):
(') Gepubliceerd als bijlage van de Slemorie van Antwoord (1° Kamer) tol de Indische onlwerp-liegrootinp voor 1871 en mede le vinden op bl. 19/37 van Muer's Agrarische verordeningen, 3° druk.
ö
«De wensclielijkheid van nieuwe nederzettingen, terwijl »de bevolking zich meer en meer opeenhoopt, het landbezit «onder haar zich versnippert, en het getal niet-geërfden zeer «toeneemt, behoeft geen betoog. Maar aan den anderen «kant is bet volstrekt noodig regelen te stellen omtrent het «ontginnen van gronden buiten het dessagebied, ten einde «die te beveiligen tegen den roofbouw, waarmede eene «zwervende klasse den grond bederft ter wille van een «enkelen oogst, om dien daarna te verlaten en haar vernie-«lingswerk elders le hervatten. Wel is waar zijn 'slands «houtbosscben op Java en Madoera thans, door het reglement «in Indisch Staatsblad 1865 ti0. 96, tegon dergelijke ver-«nieling voldoende beschermd, en behelst hst reglement op «de uitoefening der politie enz. onder de Inlanders en daar-«mede gelijkgestelden op Java en Madoera voorzieningen «tegen het verspreid wonen buiten de dessa's (art. 30, 51), «doch daarnevens zullen voorzorgen aangaande de niet met «hout begroeide wildernissen geenszins overbodig blijken, «Voorzorgen evenwel, die zouden strekken om het vestigen van «nieuwe nederzettingen (gehuchten die lol gemeenten kunnen «wassen) tegen te gaan, worden door het artikel verboden.
«Tot de ontginningen Innnen het dessaqehied kunnen de «regelingen niet worden uilgestrekt zonder op de gemeente-«lijke huishouding en hel onbelemmerd gebruik van den «grond der gemeente door hare leden inbreuk te maken.
«Tegen willekeuiige beschikkingen van Europeanen over «stukken woeslen grond waakt, naar't schijnt, genoeg artikel »569 van hel Indisch Wetboek in verhand met artikel 1 van «het tegenwoordig besluitquot;.
Alzoo, volgens de aan bel Indisch bestuur gedane opdracht zou de samen le stellen ordonnantie zich niet mogen uitstrekken tol de ontginningen binnen bel «dessagebiedquot;; zij zou uit-sluilend moeien regelen de ontginningen huilen dat gebied en moeten worden vastgesteld onafhankelijk van de bij artikel 2 van hel besluit bedoelde «algemeene regelingquot;.
Welke was die regeling en wat begreep de Koninklijke wetgever onder hel «dessagebiedquot;?
6
Artikel 2 van het Agrarisch besluit bepaalde:
»Zgt;e rechten der Inlandsche bevolking op grond, volgens hare godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, worden, voor zoover noodig, bij algemeene verordening omschreven.
Het ontwerp van zoodanige verordening wordt, een geruimen lijd, in de dorpen bekend gemaakt, en de bevolking uitgenoodigd, om de bezwaren, welke bij haar mochten bestaan, aan de daartoe aan te wijzen Europeesche ambtenaren mede Ie deelen. De hoogste Inlandsche ambtenaren worden over het ontwerp geraadpleegd.
Zoolang de hier bedoelde omschrijving niet heefl plaats gehad, geschiedt het onderzoek naar de rechten der Inlandsche bevolking, krachlens de tweede bepaling der voormelde Wet vereischt, op den voel door den Gouverneur-Generaal vastgesteld of vast te stellenquot;.
En artikel 6 schreef voor:
quot;üe Gouverneur-Generaal bepaalt voor elke Inlandsche gemeente de lot haar behoorende gronden.
Dit gebied bestaal tul hare rijstvelden', uil de overige gronden, die bij hare leden, met uitsluiting van de leden van andere Inlandsche gemeenten, in gedurig gebruik zijn; en uit de gronden, die de Gouverneur-Generaal haar toevoegt met het oog op hare behoefte aan uitbreidingquot;.
Door deze twee bepalingen, meende de Minister de Waal, zou, zonder verkorting van de rechten der Inlandsche bevolking, do beschikking over het Staatsdomein, dat luidens artikel 1 van het Agrarisch besluit, allen grond omvat, waarop niet door anderen recht van eigendom wordt bewezen, mogelijk en practisch uitvoerbaar wezen.
De in artikel 2 beoogde codificatie zou den Gouverneur-Generaal in staat stellen om in werkelijkheid er voor te zorgen â zooals hem bij het tweede lid van de Agrarische wet was opgedragen â dat geenerlei afstand van grond inbreuk maakte op de rechten der Inlandsche bevolking, vermits uit de omschrijving dier rechten zou volgen tot hoever, d. i. over welke gronden, deze geacht moesten worden zich uit te strekken, en met die wetenschap gewapend zou het dessagebied, niet het politioneel, maar het priiaatrechtelijk dessagebied,
7
voor elke premeenle moeien worden bepaald. Al de gronden, waarvan door de gemeenteleden een duurzaam gebruik werd gemaakt, benevens heigeen daaraan zou worden toegevoegd niet liet oog op de behoefte aai! uitbreiding, zouden hel dessa-goiiied vormen in den zin van artikel G, en voor elke gemeente omschreven, begrensd en afgebakend moeten worden; wat daarhuilen viel zon wezen hel vrije Staatsdomein, de z. g. woeste grond, waarover de beschikking bij uitsluiting zou berusten bij den Gouverneur-Generaal, en voor de ontginning door Inlanders van dal vrije Staatsdomein nu zou eene regeling moeien worden ontworpen.
De gedachte, welke in het vorenstaande ligt opgesloten, is echter niet verwezenlijkt kunnen worden, omdal in de practijk aanstonds de onuitvoerbaarheid bleek van de evengenoenide artikelen 2 en 6.
De bedoeling van artikel 2 was, luidens de hooger gemelde ministerieele dépóche, om de rechten der Inlandsche bevolking op grond, zooals zij zelve die van oudsher opvatte en toepaste, m. a. w. om de grondrechtslheoriën en de grondrechtspractijk der Inlandsche bevolking le formuleeren in algemeene verordeningen, hetzij voor geheel Java, hetzij voor elk gewest afzonderlijk.
Do uilkomsten van hel in 1867 aangevangen onderzoek naar de begrippen der bevolking omtrent haar recht op grond zouden de basis zijn van de bij artikel *2 voorgeschreven codificatie.
Uit dat onderzoek was intusschen niets zoo duidelijk aan bet licht gebracht dan dil feit: dat de begrippen der bevolking omtrent hare rechten op grond, niet alleen in de verschillende deelen van Java, niet alleen in de verschillende gewesten, maar ook in de verschillende dessa's van één gewest zoozeer uiteenliepen, dal hel onmogelijk was eene codificatie van die begrippen te maken, zij hel ook slechts voor geen grooleren kring dan een gewest. Wilde men de begrippen der bevolking in verordeningen boekslaveu, men zou verordeningen moeten maken voor elke dessa of verzameling van dessa's, waar die begrippen overeenstemden, en aan iels dergelijks was natuurlijk niet te denken.
8
Over hel opgemerkt verschil in de volkshegrippen omtrent het recht op den grond, behoefde men zich geenszins te verwonderen, wonl inderdaad kon men van de bevolking niets anders vernemen dan wat, door allerlei omstandigheden en ook door zulke, welke met de ontwikkeling van het rechtshewustzljn der bevolking niets gemeen hebben, plaatselijk gebruik geworden was.
Wat in de verschillende dessa's vernomen was omtrent de rechten op den grond naar de begrippen der bevolking, moest noodwendig eene combinatie zijn van oude instellingen en nieuwe regelingen of gebruiken, overal verschillende naarmate van de omstandigheden waaronder en de personen door wie zij in het leven geroepen waren. Men kon nauwkeurig berichten verzameld hebben over den feitelijken toestand, over de plaatselijke gebruiken, maar het was minstens hoogst twijfelachtig of die berichten inderdaad de rechtsbegrippen der bevolking wedergaven, wier boekstaving de ontwerper van artikel 2 beoogd had.
Het verheffen van den feitelijken toestand tot wet is niet altijd gelijk en zou ook op Java niet gelijk zijn aan het geven of verzekeren van recht. De Minister de Waal zag dit niet over hel hoofd en verzuimde niet bij de toelichting van hel aangehaald artikel er op te wijzen, dal hetgeen op eenige plaats als recht werd aangeduid, Ie dikwijls, bij vergelijking met elders ontvangen inlichtingen, gebleken was misbruik te zijn. Maar hij meende dat het Gouvernement, door langdurige ondervinding, velerlei nasporingen en inzonderheid door het jongste opzettelijk onderzoek van 1807, in staat zou zijn de opgaven te toetsen, de wezenlijke rcchlen op elke plaats te onderscheiden en die voor elk gewest te boekstaven.
Intusschen had men de zekerheid verkregen, dat die verwachting niet gerechtvaardigd werd door de uitkomsten van het vermelde onderzoek, en dat die uitkomsten niet waren te benutten voor de samenstelling van gewestelijke verordeningen omtrent het recht tier lulandsche bevolking op den grond.
Bleek het onmogelijk om aan artikel 1 uitvoering te geven, dan lag liet voor do hand dal het moest worden ingetrokken.
9
Ook zonder codificalic zouden de Inlanders zich op hunne godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken kunnen beroepen ter handhaving van hun recht op den grond, waar dit door die godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken beheerscht werd. Waar die godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken aan liet recht op den grond geen ander karakter gaven dan omschreven is in het Burgerlijk Wetboek voor Europeanen, was bet oneindig beter, en was het ook meer in overeenstemming met het Regeer!ngs-reglement, dit Wetboek op den Inlander van toepassing te verklaren, dan naast het Burgerlijk Wetboek nog eene afzonderlijke codificatie voor de Inlanders in bet leven te roepen. En waar de rechten der Inlanders op den grond een ander karakter droegen dan in het Burgerlijk Welhoek is omschreven, daar was dit veelal het gevolg van die willekeurige ol'toevallige vermenging van oude instellingen en nieuwere regelingen of gebruiken, waarop hierboven gewezen is, of bad men te doen met zuiver plaatselijke gebruiken, gelijk in elk land naast het beschreven recht beslaan, en daar kon eene codificatie, eene wettelijke bevestiging of bestendiging van den hestaanden toestand, inderdaad niet wenschelijk geacht worden.
Evenmin als artikel 2, kon gehandhaafd blijven bet voorschrift in artikel G omtrent de bepaling van het dessa-gebied.
Dat gebied zou moeten bestaan uit:
]e. de rijstvelden van de dessa;
üe. de overige gronden, die bij hare leden, met uitsluiting van de leden van andere Inlandsche gemeenten, in gedurig gebruik zijn;
5e. de gronden, die de Gouverneur-Generaal haar zou moeten toevoegen met bet oog op hare behoefte aan uitbreiding.
Omtrent de eerste categorie van gronden was niets op te merken.
De moeilijkheid begon echter bij de tweede categorie. In de meeste Inlandsche gemeenten lagen gronden, die toebehoorden aan en in gedurig gebruik waren bij leden van
10
andere Inlatidsclie gemeenten, en zulke gronden zouden, volgens de redactie van artikel 6, niet mogen gerekend worden lot hot gebied der gemeenten, in welke zo lagen. Dit kon natuurlijk bij liet ontwerpen van artikel 6 niet in de bedoeling gelegen bebben; men had slechls te denken aan eene fout in de redactie, welke door eene kleine wijziging gemakkelijk zou zijn te verbeteren.
Van meer gewicht was echter het bezwaar, 't welk gevonden was in bet voorschrift, dat de Gouverneur-Generaal, bij de bepaling van het dessagebied, aan iedere dessa gronden zou moeten toevoegen, met het oog op hare behoefte aan uitbreiding. Men was er niet in kunnen slagen een billijken maatstaf te vinden ter bepaling van de in elke dessa bestaande behoefte aan uitbreiding.
Het was uit den aard der zaak ondoenlijk vooruit te zien in welke mate, gedurende welk tijdsverloop en zelfs naar welke richting eene gemeente zich zou willen uitbreiden; achtte men bel noodig, ter wille van de eventueele uitbreiding der Inlandsche gemeenten, om de door haar in gebruik genomen gronden een kring te trekken, binnen welken geene gronden in erfpacht zouden mogen worden uitgegeven, door de kunstmatige grensbepaling, bij artikel 6 voorgeschreven, was men niet gevrijwaard tegen de mogelijkheid, dal de Inlandsche gemeenten na verloop van lijd behoefte zouden gevoelen om zich builen de gestelde grens uil te breiden, terwijl van de andere zijde de kans bestond, dat in de meeste gevallen de grenzen te ruim waren gesteld, en, zonder eenig nul, eene groole uitgestrektheid grond onttrokken zou wezen aan bet domein, waarover de Staal kon beschikken Ier bevordering van de vestiging van ondernemingen van landbouw of nijverheid, of lot andere doeleinden. Trouwens, er was vooralsnog hoegenaamd geen grond voor de vrees, dal de uitbreiding der Inlandsche gemeenten zou worden belemmerd door de uitgifte van gronden in erfpacht en reeds daarom zou bet trekken van een kring om dessa's als grenslijn voor de landbouwondernemingen niet te rechtvaardigen zijn, al bestonden overigens tegen den bij artikel 6 bevolen maatregel geene pracliscbe bezwaren.
11
Kou artikel 6 alzoo in den oorspronkelijken vorm niet behouden blijven, er bestonden overwegende redenen om bet voorscbrift omtrent de bepaling van bet gebied der Inlandscbe gemeenten gebeel in te trekken.
Ter verklaring van artikel 6, was in de aanschrijving van den Minister van Hosse van 24 April 1872, la. Aaz, n0. 5/614 (â¢) aan den Gouverneur-Generaal gezegd dat het alleen betrekking had op het privaalrechlelijlc geliied der dessa's en de bepaling barer grenzen alleen voorschreef met bet oog op de bezit- of eigendomsrechten, welke binnen die grenzen door de dessa â do totaliteit barer ingezetenen oi de individuen â werden uitgeoefend. Deze verklaring was voorzeker geheel juist; een voorschrilt betreffende de bepaling van het administratief, publiekrechtelijk gebied dlt;:r Inlandscbe gemeenten zou dan ook in een besluit tot uitvoering der agrarische wet geheel misplaatst zijn. Artikel 6 doelde dus alleen op privaatrechten, maar juist daarom veroordeelde bet zich zelf. want bet is niet de taak der Uegeering om uitspraak te doen over de privaatrechten der gemeenten oi barer leden, om aan te wijzen tot welke grens de gemeenten of de gemeenteleden recht van eigendom, bezit, gebruik op grond uitoefenen of zullen uitoefenen. Eene bepaling van het privaatrechtelijk dessagehied zou dan ook tot allerlei misverstand aanleiding geven, zonder eenig nut op te leveren.
Wel was bij de toelichting van artikel 6 in de reeds vermelde aanschrijving van 25 Juli 1870 opgemerkt, dat eene bepaling van bet dessagehied noodzakelijk was voor eene goede werking der agrarische wet, zoowel als voor andere regelingen, b. v. van de heerendiensten. Maar de vermelding van de regeling der beerendiensten wettigde den twijfel of hij deze toelichting wel genoeg was in het oog gehouden dat artikel 6 slechts doelde en op niets anders doelen kon dan op het privaatrechtelijke dessagehied. En in welk opzicht do goede werking der agrarische wet bevorderd zou worden door de uitvoering
(') Die dépèclie sliekt tul toelichting van de eerste wijziging van hol Agrarisch besluit en is als bijlage N gevoegd bij hel Koloniaal Verslag van 11!72.
Zij is mede le vimien op bl. 38/60 van Mvkr's Agrarische verordeningen, 3' druk.
12
van artikel 6, was niet aangetoond. Daarentegen is lüer-boven gebleken dat bet artikel in meer dan een opzicht belemmerend werken kon. Voor de goede werking der agrarische wet zou liet zeker dikwijls noodig wezen nauwkeurig te constateeren welke gronden tol de dessa's hebooren, maar dit kon in elk voorkomend geval door een onderzoek worden uitgemaakt, evengoed en zelfs veel beter dan hel zou kunnen geschieden ten behoeve van de door artikel 6 aan den Gouverneur-Generaal opgedragen bepaling van het gebied van elke Inlandsche gemeente.
Op de vorenstaande gronden gaf de Minister Fransen van de Putte hel Opperbestuur in overweging om de artikelen 2 en 0 van hel Agrarisch besluit in te trekken en in verband daarmede artikel 7, waarin gewag gemaakt was van de evengenoemde artikelen 2 en 6, te doen luiden als volgt:
»flnor den Gouverneur-Generaal morden bij alge,meene verorde-nninfi refielen (j es leid omtrenl het recht der Inlanders om gronden, ygt;niet als r/emeene weide of uit eenigeu anderen hoofde tot de ^dorpen hehoorende, te ontginnenquot;.
Aan dat voorstel werd gevolg gegeven bij bet Koninklijk besluit van 3 December 1873 n0. 19 ('), afgekondigd onder n0. 78 van bet Indisch Staatsblad van 1874.
Uit bet zooeven vermelde ziet men dat en waarom het denkbeeld van den ontwerper der Agrarische wet, om door eene omschrijving, bepaling en afbakening van hel quot;privaatrechtelijkquot; gebied van elke dessa aan te duiden welk gedeelte van het Staatsdomein beschikbaar zou zijn voor de ontginning door Inlanders en voor de vestiging van particuliere landbouwondernemingen, in de practijk falen moest (J), en boe de Koninklijke weigever dientengevolge zich verplicht heeft gezien om ter aanduiding van bedoeld gedeelte van hel Staatsdomein, tevens hel rechtsgebied van de ontginnings-ordonnantie, zijn toevlucht Ie nemen tol eene onischrijvende
(') Bij dil hpsluil is nok ile corsle alinea van artikel 9, handelende ovnr crl'pachl, eenigszins gewijzigd, wijl in dal arlikel mede gewag was gemaakt van hel â¢dessagobiedquot;, bedoeld in artikel 6. O Vergelijk hierbij de circulaire in llijhlad nu 4710, hierachter opgenomen onder Bijlage VI.
fonnule, overigens aan de belrokken amblenaren overlatende om in elk concreet geval te onderzoeken of eenig ter ontginning begeerd stuk grond al dan niet aan die formule beantwoordt.
Het is een der grondbeginselen van onze vigeerendeagrarische wetgeving â en daarop kan niet genoeg de aandacht gevestigd worden â dat het vrije Staatsdomein, m. a. w. de woeste grond, niet hepaald wordt door zijn uiterlijk aanzien, maar door het ontbreken van privaatrechten op dien grond; dat, in den zin dier wetgeving, alleen die grond woest heet, die niet als rjemecnc weide oj uit eenigen anderen hoofde lot de dorpen behoort (').
Welke gronden daartoe wel beboeren leert artikel 2 van de vroegere en van de nieuwe ontginnings ordonnantie (zie lager § B).
Het zijn, behalve eenige categorieën, die veelal op het eerste gezicht reeds te herkennen zijn als gronden, waarop hetzij de gezamenlijke gemeenteleden, hetzij enkelen hunner gebruiksrechten kunnen doen gelden, ook o. m. de «door Inlanders voor eigen gebruik ontgonnen en niet kennelijk verlatenquot; gronden.
Ten aanzien van deze gronden, waaromtrent in den regel (2) geen geschreven rechtstitel bestaat, kan in sommige gevallen twijfel rijzen aangaande den rechtstoestand, waarin zij verkeeren.
Te dier zake beslist bet Hoofd van gewestelijk bestuur, zonder dat zijne beslissing nochtans in het minst te kort kan doen aan ecne posterieure uitspraak van den bevoegden rechter ingeval diens tusscbenkomst wordt ingeroepen, gelijk nader onder § 7 is toegelicht.
Wanneer moet de grond nu geacht worden «kennelijk verlatenquot; te zijn?
Dat hangt van omstandigheden af; de ordonnantie bevat daaromtrent geene voorziening en kon ter zake ook geene voorziening bevatten, zooals onder § 8 is betoogd.
(') Zie o. m. lüjblad n0. 3ÃÃ0 en de missive van de» 1«quot; üouvernemcnls Secretaris van 14 October 1889 n° 2392, opgenomen in liet lüjblad onder nquot;. 5'27ü,
(2) In den regel, omdat ook Itilamlers liet eigendomsrecht, bedoeld in artikel 570 van liet Hurgeiiijk Wetboek, op door ben bezeten grond kunnen erlangen, zie lüjblad n°. 34(55; terwijl zij afgescheiden daarvan ook liet reebt van opstal dan wet bet z. g. agrarisch eigendomsrecht (Staatsblad 1872 n0.117 jquot;. 1897 in 234) op den grond kunnen verkrijgen.
14
Js de grond onwellig, d. i. clandeslicn ontgonnen, dan spreekt het van zelf dal de ontgiuner geen beroep op de ontginningsordonnantie kan doen om een zakelijk en erfelijk recht op dien grond te vindiceeren.
4. Op welke gron- Uit het hooger aangeteekende volgt reeds dat de ordonnantie tien de ordonnantie niet niet toepasselijk is op de gronden, die wèl als gemeene toepasselijk is. weide of uil eenigon anderen hoofde tot de dorpen behooren.
Voor de ontginning door Inlanders van die gronden zijn geene beperkingen gesteld, in. a. w. zij kunnen met instemming van de dessabestuurders door de ingezetenen worden ontgonnen, voorzoover zij voor ontginning in aanmerking kunnen komen, wal echter alleen hel geval kan zijn met de gemeene weiden en de binnen het privaalrechlelijk dessa-gebied gelegen open stukken grond.
Dal ten aanzien van de ontginning van dergelijke gronden geene regelen zijn gesteld, is geheel in overeenstemming met de door den Minister de Waal aan de Indische Regeering gedane opdracht, waarbij immers werd opgemerkt, dal de regelen omtrent de Inlandsche grondontginningen niet zouden kunnen worden uitgestrekt lol »de ontginningen binnen hel «dessagebied, zonder op de gemeentelijke huishouding en «liet onbelemmerd gebruik van den grond der gemeente ⢠door hare leden inbreuk te maken (')quot;.
Ten onrechte is dan ook wel eens in zoover een leemte gezien in artikel 1 van de regeling van 1874, dal zijne redactie toeliet â gelijk ook in Bijblad n5. 5279 was opge merkt â om lol de dorpen behoorende gemeene weiden zonder vergunning van het Europeesch bestuur te ontginnen.
Ten aanzien van de ontginning van gemeene weiden mist de Indische Regeering de bevoegdheid om daaromtrent regelen te stellen, hetzij om haar toe te laten, hetzij om haar te verbieden. Zoodanige regelen zouden een voorafgaand Koninklijk besluit vereiscben tot wijziging of aanvulling van
(') Zie liicrvoren bl. 5.
15
artikel 7 van het Agrarisch besluit, waartoe echler niet de minste urgentie bestaat.
Immers, welke gemeene weiden ziju bet, die zonder vergunning zouden kunnen worden ontgonnen? Alleen de grond, welke tot weideplaats voor het «uitsluitend gebruik van een of meer dorpen bepaaldelijk is afgezonderdquot;, gelijk het eerste lid van artikel 2 der ordonnantie Ie lezen geeft.
Die afzondering nu moet ingevolge de circulaire van den Directeur van Binnenlandscb Bestuur van 22 Januari 1878 n0. 857 hebben plaats gehad voor de uitvaardiging der ordonnantie in Staatsblad 1874 n0. 79, lerwijl reeds in 1877 bij de circulaire in Bijblad n0. 5279 het op nieuw afzonderen van gemeene weiden verboden werd. Het mag dus aangenomen worden dal in den zin der wet thans óf in het geheel geen óf slechts weinige gemeene weiden bestaan, zoodat bel geducht gevaar van ontginning dier weiden niet van eenige beteekenis kan ziju.
16
|
Artikel 2. Onder (jemccnn weide wordt verslaan de grond, welke Ie dien einde voor hel uilsluitend gebruik van een 0/meer dorpen is afgezonderd. Onder grond, uil anderen hoofde lol hel dorp behoorende, worden verslaan de grond, door Inlanders voor eigen gebruik onlyonnen en niet kennelijk verlaten] de woonerven; de wegen, die ten laste zip van hel dorp; gewijde gronden; begraafplaatsen; de erven der moskeeën en alle binnen de kom der dorpsgemeente gelegen pleinen en andere openbare plaatsen. Ingeval verschil of onzekerheid beslaat ten aanzien van de vraag, of eenig stuk grond behoort lot de gronden, in de vorige alinea's bedoeld, beslist hel Hoofd, van gewestelijk bestuur nadat hel dorp in zijn belang is gehoord en na plaatselijk onderzoek. |
Artikel 2. (1) Omler gemeene weide wordt verslaan de grond, welke tot weideplaats voor het uitsluitend gebruik van een of meer dorpen is afgezonderd. (2) Onder grond, uit anderen hoofde tol de dorpen behoorende, worden verstaan de door Inlanders voor eigen gebruik ontgonnen en niet kennelijk verlaten, zoomede de door hen of anderen met eenig persoonlijk of zakelijk recht bezeten gronden; de wegen, waterleidingen en materreservoirs, die ten laste van de dorpen zijn; begraafplaatsen; gewijde gronden; de erven der moskeeën en alle binnen de kom der dorpen gelegen pleinen en andere openbare plaatsen. (3) Ingeval verschil of onzekerheid bestaal ten aanzien van de vraag of eenig stuk grond behoort tot de gronden, in de vorige alinea's bedoeld, beslist het Hoofd van gewestelijk bestuur, nadat het dorp in zijn belang is gehoord en na plaatselijk onderzoek. |
5. De strekking van Dit artikel is le liesclioiiwcn als een hulpmiddel voor de dit artikel. riclilige toepassing der agrarische wetgeving overeenkonislig
het daaraan ten grondslag liggende beginsel, dat der Regeering slechts de vrije beschikking tockonil over de builen hel dessagebied gelegen gronden.
Hel is dus eene wettelijke interpretatie van de omschrijvende formule, welke de Koninklijke wetgever in 1874 in de plaats heelt moeten stellen van de practisch onuitvoerbaar geoordeelde afbakening der z. g. dessagronden ('); het artikel duidt aan wal al zoo gerekend moei worden
(') Missive van den lcquot; Gouverncuients Secretaris van 4 April 1889 n0. 731.
17
lo behooreii (ol, dut gedeelte vaa liet Staatsdomein, waarover niet anders kan worden gt;gt;beschiktquot; dan op den voet van het derde lid der Agrarische wet.
Zonder zoodanige wetlclijke interpretatie zon inzonderheid de uitdrukking »uit eenigen anderen hooide tot de dorpen hehoorendequot; tot misverstand aanleiding kunnen geven; alle grond, van de zee tot de toppen der hergen, behoort uit eenigen hoofde tol de dorpen, vorn;t het politioneel of administratief gebied der betrokken dorpen; men zou dus allicbt â doch geheel ten onrechte â kunnen meenen dat een dergelijke publiekrechtelijke verhouding bedoeld wordt, terwijl zeer bepaaldelijk de wet slechts een privaatrechtelijke op het oog heeft.
Dit diende in verbindenden vorm te worden uitgedrukt, en daartoe strekt hel onderwerpelijk artikel, hetwelk bijgevolg niet zou kunnen worden weggelaten, zooals wel eens vermeend werd op grond dat de omschrijving van hetgeen onder de dessagronden moet worden verstaan gevoeglijk eene plaats zou kunnen bekomen in ambtelijke voorschriften lot uitvoering der ontginnings-ordonnantie.
Aan die voorschriften zou men niet gebonden zijn, en bijgevolg vrijheid hebben naar eigen oordeel eene uillegging te geven van hel principe, dat de onderscheiding van het vrije en het onvrije Staatsdomein beheerscht, en dit bezwaar was â evenals in 1874 is geschied â alleen te ondervangen door bij eene wettelijke verordening te doen uitkomen dat alleen het bestaan eener privaatrechtelijke verhouding tot den grond de grens bepaalt van het dessagebied in engeren zin, tevens de grens van het territoir, waarover hetzij ter ontginning door de bevolking, hetzij ter exploitatie door de landbouwnijverheid, dan wei len eigen gebruike door de Regeering, mag worden »beschiktquot;.
6. Verschillen met De vermelding der gronden in alinea 2, die uit anderen de vroegere redactie, hoofde lol de dorpen behoor en, is thans eenigszins uitgebreid.
De voor eigen gebruik ontgonnen en niet kennelijk verlaten gronden zijn uit den aard der zaak aan het ontginnings-
2
18
reclil van anderen onllrokKen, maar dit is natuurlijk evenzeer het geval met vroeger ontgonnen grond, bijv. door koop of erfenis in handen der bezitters gekomen, welke grond echter niet behoort tot de door de bezitters »voor eigen gebruikquot; ontgonnen gronden.
Met hot oog daarop zijn de woorden toegevoegd: »zoomede »de door hen of anderen met eenig persoonlijk of zakelijk ⢠recht bezeten grondenquot;, welke uitdrukking ruim genoeg gesteld schijnt om alle gevallen te omvatten.
De vermelding van »waterleidingenquot; en »waterreservoirsquot; behoeft geene toclicliting.
«Gewijde grondenquot; zijn naast «begraafplaatsenquot; en »erven der moskeeënquot; voor allo zekerheid behouden, omdat er gewijde gronden (wakap's) kunnen zijn, die noch begraafplaats, noch moskee-erf zijn.
7. De in alinea 3 Met betrekking tot de derde alinea zou de vraag kunnen bedoelde beslissing. rijzen of de daarbij aan het Hoofd van gewestelijk bestuur
opgedragen beslissing niet aan de rechterlijke macht had behooren te zijn voorbehouden.
Daarvoor scheen, afgescheiden van de practische bezwaren, geen aanleiding te bestaan, omdat de bedoelde beslissing slechts een administratief karakter heeft.
Beslist hot bestuurshoofd, na plaatselijk onderzoek en na het betrokken dorp in zijn belang te hebben gehoord, dat eenig stuk grond niet in den engeren zin behoort tot het gebied van dat of een ander dorp, en dus deel uitmaakt van bet vrije Staatsdomein, dan vloeit uit die beslissing zelve nog volstrekt niet voort dal op bedoeld stuk grond geene zakelijke rechten worden uitgeoefend, dan wel, dat die rechten hebben opgehouden Ie bestaan. Krenking van bestaande rechten zou toch eerst dan kunnen plaats hebben, wanneer de Kegeering er toe mocht overgaan over het stuk grond in quaestie te beschikken. In dat geval zou c. q. de rechthebbende, zoo deze er is en bijgevolg de beslissing van den Resident verkeerd was, zich bekend kunnen maken en dan zou de beschikking achterwege blijven, want in opvolging van het bepaalde bij
19
liet tweede lid van de Agrarische wet, houdende dal Ae Gouverneur-Generaal zorgen moet door geenerlei afstand van grond inbreuk te maken op de rechten der Inlandsche bevolking, heeft de Regeering als beginsel aangenomen en consequent in toepassing gebracht om zich voorzichtigheidshalve te onthouden van elke beschikking over grond, waarop door Inlanders rechten gevindiceerd worden, zelfs waar een gegrond vermoeden bestaat dat die rechten geusurpeerd zijn.
Dit voor zooveel de practische zijde der zaak aangaat; maar ook uit een theoretisch oogpunt bestaat geen bezwaar tegen eene beslissing van den Resident als hoogerbedoeld, want gesteld al dat door die beslissing eenig stuk grond ten onrechte van bet dessagebied was uitgesloten, legen de gevolgen van die uilsluiting, d. w. z. tegen de ontkenning van het beslaan van rechten op dien grond waakt de rechter; de rechthebbende kan zich toch altijd lot den rechter wenden met verzoek om handhaving in zijn bezit dan wel c. q. schadeloosstelling voor bet verlies van recht ingeval de llegeering of een ander eigenmachtig over den grond mocht hebben beschikt.
8. Verlies van het Meermalen is de vraag gesteld of de ordonnantie niet eene door de ontginniny ver- voorziening zou moeten bevatten omtrent bel te niet gaan kregen recht. vaquot; hel krachtens de ontginning verkregen erfelijk individueel
gebruiksrecht op den grond.
Die voorziening zou dan kunnen beslaan in de bepaling dot de in ontginning gebrachte grond van rechtswege tot hel vrije Staatsdomein terugkeert, wanneer die door den onlginner of zijne rechtverkrijgenden kennelijk is verlaten, waaronder te verstaan zou wezen dal de grond gedurende drie of vijf jaren onbebouwd is gelaten en daarvan geen landrente is betaald.
Voor dal denkbeeld werd o. a. het volgende aangevoerd: »Ilel is niet in hel algemeen belang dal gronden, eenmaal »in ontginning gebracht, weder worden verlaten en aan »verwanrloozing prijs gegeven.
iO
»Oni die reden is het vvensclielijk dat op den aard en de ⢠degelijkheid der ontginning worde toegezien; dat niemand «meer grond ter ontginning erlange, dan zijne krachten hem «toelaten naar behooren in cultuur te brengen; dat aan den-»geiie, aan vvien reeds eenmaal vergunning tot ontginning »werd verleend, geene nieuwe vergunning worde gegeven, quot;wanneer de vorige niet vooraf naar behooren zij tot stand «gebracht; eindelijk, dat geen grond aan het vrije Slaats-»domein onttrokken blijve â en dus niet beschikbaar voor «anderen lot ontginning â waarop geen landbouw van ^welken aard ook wordt gedreven.
»In menige streek van Java vindt men grond in meerdere ooi' mindere uitgestrektheid die woest en ledig ligt, niet tot «algemeene weide voor eene ol meerdere dessa's dient, door «niemand wordt geëxploiteerd en feitelijk Staatsdomein is, gt;maar waarover men bet niet waagt te beschikken voor «welk doeleinde dit ook moge zijn, eenvoudig omdat die «grond, heizij geheel, hetzij ten deele, wel eens in ontginning «en bebouwd is geweest en de ontginners of wel hunne «rechtverkrijgenden nu meenen daarover ten eeuwigen dage «te kunnen en mogen beschikken ten prejudice van de «gemeenschap en zonder dat zij feitelijk eenig voordeel van «hun bezit hebben.
«Natuurlijk moeten eenmaal verkregen rechten worden «geëerbiedigd. Maar tegenover rechten, die men geëerbiedigd «wenscht te zien, staan verplichtingen, die men als lid der «gemeenschap beeft te vervullen; kan of wenscht men dat «niet, dan dient men van zijne rechten afstand te doen. Nu «erlangt men door ontginning bet individueel bezitsrecht op «den grond, maar daartegenover staat de verplichting o. a. «om dien grond in cultuur te brengen en te houden en «c. q. de daarvoor verschuldigde landrente te betalen.
«Deze wordt echter veelal ontdoken door den eenmaal «geacca pa teerden grond slechls in geringe mate te beplanten «en overigens â dan wel in zijn geheel â onbeplant te «laten, op grond waarvan dan telken jare, meestal voor «belangrijke bedragen, afschrijving van landrente wordt «gevraagdquot;»
â¢21
Deze beschouwingen hebben niet geleid tot eene wets-voorziening als hooger bedoeld.
Daargelaten dat in elk geval rekening gehouden zou moeten worden met force majeure als weersgesteldheid, ziekte enz., ter voorkoming dat, ook wanneer de grond onafhankelijk van den wil van den bezitter braak was l)li)ven liggen, zijn recht op dien grond verbeurd zou zijn, helgeen intusschen de bedoelde voorziening niet weinig zou compliceeren, meende de Ilegeering dat het niet geraden zou mogen heeten ten aanzien van de gronden van Inlanders in onze wetgeving een nieuw beginsel op te nemen dat de deur voor willekeur wijd zou opeuzetten en zelfs in strijd zou wezen met de Proclamatie van den Koning aan do bevolking op Java, in verbindenden vorm opgenomen in Staatsblad 18ü6 n0. 80?
Die Proclamatie verzekerde aan de Inlanders, gt;'die grond «bezitten in individueel en erfelijk of gemeentelijk gebruikquot;, de erkenning van het recht op dal gebruik, en gaf verder te kennen;
«dat derhalve zeer ernstig zal worden gewaakt tegen alle
⢠inbreuk op hun gebruiksrechten, van welke zijde die ooit »mocht morden beproefd-,
»dat het Gouvernement over gronden, bij de Inlandsche «bevolking in individueel en erfelijk of gemeentelijk gebruik, quot;nimmer zal beschikken dan met inachtneming der voorschriften van het Reglement op hel beleid der Ilegeering »van Nederlandsch-Indië;
«eindelijk, dal de Koning en Zijne Ilegeering, zich voorbehoudende, na een in te stellen plaatselijk onderzoek, te
⢠overwegen, of de rechten der Inlanders op den grond voor «uitbreiding of nadere bevestiging vatbaar zijn, het noodig quot;hebben geoordeeld, de voorafgaande plechtige verzekering »aan de bevolking van Java niet le onlhoudenquot;.
Bepaalde de wet nu dat een Inlander, die zijn grond niet minstens eens in de drie jaren bebouwd en daarvan land-renle betaald heeft, zonder eenige tusschenkomst van den rechter, zijn erfelijk individueel recht op dien grond verloren heeft, dan zou daarin niels anders kunnen worden gezien dan een
22
zeer ver gaande beperking van hel uil ontginning geboren erfelijk individueel gebruiksrecbl, dal zoowel door de aangehaalde Proclamalie als door de 2° alinea van de Agrarische wel legen alle inbreuken »van welke zijde ookquot; wordl beschermd, en lol zoodanige beperking kon do Indische wetgever zich niel bevoegd achten.
Hel eigenlijke doel van de gewenscble bepaling, le welen hel voorkomen dal groole uitgestreklhedeii legalgrond jaren achtereen onbenut blijven liggen, zou des noodig bereikt kunnen worden door wijziging te brengen in de voorschriften nopens bel afschrijven van landrente wegens hel onbeplanl blijven van grond, vermits de Inlander zich alsdan wel zou onldoen van den grond, dien hij te veel beeft, doch hel zou ongetwijfeld niel raadzaam zijn door de wet hel verlies van hel grondrecht te doen uitspreken bij ongeregelde bebouwingen.
Bovendien zou de gewcnschle bepaling alleen betrekking kunnen hebben op de gronden, welke onder vigeur daarvan zijn ontgonnen; zij zou geen terugwerkende krachl kunnen hebben; daaraan zouden dus niel onderworpen zijn do houders van bel krachlens vroegere ontginning verkregen erfelijk individucel gebruiksrecbl.
üe bepaling zou alzoo tengevolge hebben dal uil ontginning van woesten grond door Inlanders op Java en Madoera voortaan een recbl voor den ontginner en de latere verkrijgers van zijn grond zou worden geboren, hetwelk wel met bel grondrecht van alle andere erfelijke individueele bezitters den naam zou gemeen hebben, maar overigens onderworpen zou zijn aan eene wellelijke beperking, die voor de andere houders van hel gelijknamige recht niet geldt, le welen: dal hel recbl van rechtswege le niel gaal zoodra de grond drie achtereenvolgende jaren onbebouwd is gebleven.
Hel behoeft geen betoog dal daaruit lal van moeilijkheden zouden kunnen voortvloeien waar van de bepaling gebruik mocht worden gemaakt om, legen den wil der bezitters, te beschikken over door Inlanders ontgonnen gronden, terwijl die bepaling zelfs in meer algemeenen zin al de houders van hel erfelijk individueel gebruiksrecht aan willekeur zou kunnen blootstellen.
Zou deze praclische bedenking reeds afdoende mogen heelen om af le zien van de verwezenlijking van hel in de voorgeslelde bepaling opgesiolen denkbeeld, ook om andere redenen kwam hel welsvoorschrill niel raadzaam voor.
De beschouwingen van de voorslanders der voorziening sleunden kennelijk op de praemisse, dal de Slaal den Inlander een zeker gebruiksrechl op den door hem onlgonnen grond »verleenlquot; en dal bijgevolg ook de bevoegdheid beslaal om aan de loekenning van dal rechl de voorwaarde le verbinden, dal hel bij voorlduriug daadwerkelijk worde uilgeoefend, allhans zonder inlerruplie gedurende zeker aanlal jaren.
Rij de beschouwing van hel vraagsluk der Inlandsche grondonlginningen bad men echter rekening lo houden mei Iwee nimmer door de Regeering belwislle rechlen der inbeemsche bevolking; ln. hel persoonlijk rechl om grond, builen hel dessagebied, le onlginnen, 2U. het zakelijk erfelijk individueel gebruiksrechl, dal een Inlander zich door onl-ginning kan verzekeren.
De ontginnings-ordonnanlie regell in hel algemeen belang slechts de wijze van uiloefening van liet eerste rechl, geeft slechts aan waaraan de Inlander voldoen moet om dat rechl len uitvoer le leggen op eeti bepaald, door hem begeerd gedeelte van hel vrije Staatsdomein; de rechtsgevolgen der ontginning regell zij niel, omdat die rechtsgevolgen door de volksinslellingen en gebruiken zijn aangewezen, en aan die aanwijzing geeft de ordonnantie alleen een wettelijke sanctie door de verklaring dat de onlginner erfelijk individueel bezitter is van den door bem ontgonnen grond.
Er is dus geen sprake van hel »verleenenquot; van eenig grondrecht aan don Inlander, die grond op den voet der ordonnantie heeft ontgonnen.
Aldus is hel in 1874 begrepen en lol eene andere opvatting bestond dan ook geen vrijheid.
Want, bepaalde de wel dal de erfelijk individueele bezitter den grond niel behoudt zoolang hij dit zelf verkiest ('), maar zijn erfelijk recht verliest, ook zonder vrijwillige
(') De onteigening ten algemoencn mille tegen voorafgaande schadeloosslelling, c. q. door den rechter te bepalen, kan Kier nil den aard der zaak liuiten bespreking blijven.
abandonnecriug en dus tegen zijn wil, door hel enkele feil dat de grond eenige jaren braak is blijven liggen, dan zou zonder twijfel een greep zijn gedaan in het recht zelf, hetwelk dientengevolge een precair recht zou zijn geworden, waarvan het heslaan afhankelijk is van de geregelde bebouwing van den grond.
Het erfelijk individueel gebruiksrecht, dat in 1874 wettelijk is erkend als het recht, hetwelk een Inlander zich door ontginning kan verzekeren, dient inlegraal te worden gehandhaafd ; de Indische tvelciever is niet bevoegd om thans le decreteeren dal een recht van minderen omvang uil de ontginning geboren wordt.
Geelt de Inlander zijn recht op den grond prijs, verlaat hij dien grond, dan spreekt hel van zelf dat deze, ontheven van het daarop rustend servituut, terugkeert lot hel Staatsdomein, waarover vrijelijk door de Regeering kan worden beschikt en voor de weder-ontgiuning waarvan eene nieuwe vergunning vereischt wordt, maar hel zou niet te verdedigen zijn bij de wet de fictie le decreloercn dal het feit der «kennelijke verlatingquot; aanwezig is wanneer de grond eenige jaren, hetzij dan 3 of ö jaren, onbeplant is gebleven.
Het bestuur kan ingevolge het 5® lid van artikel 2 der ordonnantie die fictie aannemen, maar hel daarop gegrond besluit, dal eenig bouwveld niet meer behoort lol hel dessa-gebied in engeren zin, kan nimmer rechlskracht hebben, kan nimmer rechten ontzeggen aan dengeen, die ze op dat veld wil doen gelden, gelijk hiervoren op bladz. 18/19 reeds is loegelicht.
2t5
|
Aiitikel 5. Ve vergunning tol ontginning wordt verkend: a. door het Hoofd van gewestelijk bestuur, wanneer de grond wel djati- 0/ wildhoul, hamboe- of nipabosch is begroeid, als ook in ieder geval, wanneer de aanvraag tien bouw of meer betreft; I). door hel Hoofd van plaatselijk bestuur, wanneer de aangevraagde grond zich niet aansluit aan- of niel gecnclaveerd is tusschen gronden, bedoeld in de twee eerste alinea's van artikel 2, of daarvan door natuurlijke beletselen gescheiden is, als ook wanneer eenige aanvraag betreft meer dan vijf en minder dan lien bouw; c. door het districtshoofd in ieder ander geval. Bij weigering der vergunning kan de aanvrager zich in het geval van 1) en c met zijne bezwaren wenden tot hel Hoofd van gewestelijk bestuur en in het geval van a lot den Directeur van Dinnenlandsch Bestuur â¢, deze autoriteiten beslissen dan in hel hoogste ressort. Artikel 4. De vergunning wordt verleend schriftelijk op ongezegeld papier. Het districtshoofd houdt een algemeen register aan, waarin hij aanteekening houdt van alle bij hem ingekomen aanvragen tot ontginning en van de daarop door hem genomen beschikkingen, alsmede van de |
Aüitikel 3. (1) De vergunning lol ontginning wordt schriftelijk verleend'. a. door het districtshoofd, wanneer de aangevraagde grond, onmiddellijk grenzende aan reeds door de bevolking bezeten grond, geen groeitere uitgestrektheid heeft dan één bouw en niet begroeid is met opgaand geboomte; 1), door hel Hoofd van plaatselijk bestuur in alle andere gevallen. (2) Zij kan geweigerd worden op grond dat de belangen van den Lande of van derden dit vereischen. (3) Bij weigering der vergunning is hoog er beroep toegelaten, in het geval sub a op het Hoofd van plaatselijk bestuur, en in dal sub 1» op het Hoofd van gewestelijk bestuur, tvel/ce bestuurshoofden in hoogste ressort beslissen. |
26
vergunningen, die door de Hoofden van plaatselijk en van gewestelijk bestuur zijn verleend.
De beide laatstgenoemde hoofden houden mede een register aan van de bij hen ingekomen verzoeken en daarop door hen genomen beschikkingen.
De inrichting van deze dorpsgewijze aan te houden registers wordt door of namens den Gouverneur-Generaal vastgesteld.
9. De ambtenaren, Waren volgens de ordonnantie van 1874, behalve de die de vergunning vor- Assislenl-Residenten en de dislriclslioofden, ook de Hoofden leenen. van gewestelijk bestuur belast niet bet afgeven van vergun
ningsbewijzen, thans hebben de laatsten daarmede geene bemoeienis meer, terwijl ook ten aanzien van de bevoegdheid ten deze der districtshoofden in zoover is afgeweken van de vroegere regeling, dat zij slechts vergunning mogen ver-leeneii voor de ontginning van ten hoogste één bouw.
Sedert de uitvaardiging der regelen van 1874 is voortdurend geklaagd over onvoldoende medewerking als gevolg van gebrek aan belangstelling, niet alleen hij de dessahoofden, maar ook bij bet districtsbestuur, en algemeen was men het er over eens dat aan de districtshoofden een te groole bevoegdheid was toegekend ten aanzien van de vergunning om woesten grond te ontginnen.
Omtrent de vraag in hoever die bevoegdheid zou kunnen worden beperkt, bestond echter verschil van gevoelen. Meende de eene autoriteit dat het Inlandsch bestuur geheel moest worden uitgesloten en de zaak in handen kon worden gegeven van hel Europeesch bestuur, eene andere was van oordeel dat de bemoeienis ten deze van de districtshoofden niet kon worden ontbeerd.
«Hij de vaststelling der bepalingen in artikel 5 der ordon-»nan tie in Staatsblad 1874 n0. 79 beeft de bedoeling voor-»gezelenquot;, â aldus leest men in een der over deze aangelegenheid uitgebrachte adviezen â »dal het verleenen van
27
quot;vergnnning lol onlgimiing door de dislriclshoofden regel »zou zijn, zulks in weerwil dal men zich niel onlveinsde de «mogeiijklieid, dat de hepalingon niei in alle opzichlen naar «behooren zouden worden loegepasl en wollichl roekelooze »beschikking over hel vrije Slaalsdomein daarvan hel gevolg
⢠zou wezen. Ofschoon mi de vrees dis men aangaande de quot;sicchle loepassing der onlginnings-ordonnanlie koeslerde en
⢠de Ireurige gevolgen daarvan volkomen len rechte is gebleken »te zijn, vermeen ik toch dat het verleenei; der vergunning
⢠door de districtshoofden ook voor den vervolge als regel
⢠moet worden aangenomen, al ware hel maar alleen omdat â¢zij â hoe men de zaak ook trachte te regelen â inderdaad »dc personen zullen zijn die, hetzij rechtstreeks; dan wel «langs een omweg feitelijk de beslissing in handen zullen quot;hebben. Zoolang het Inlandsch bestuur in de zaak gemoeid «moet worden â en eene regeling zonder zoodanige inmen-
⢠ging is niet mogelijk â zijn hel de districtshoofden alleen,
⢠van wie, door behoorlijke controle van hooger hand, eene quot;goede uitvoering verwacht kan worden.
«Die coutróle uit te oefenen door alle ambtenaren van
⢠hel Binnenlandsch Bestuur, ieder voorzooverre zijn ressort »cn zijn werkkring dit medehrengt, kan voor den vervolge â quot;meer dan lot nu toe het geval was â verzekerd worden quot;geacht door de behoorlijke toepassing van de voorschriften â¢aangaande het onderzoek der aanvragen en die betreffende
⢠het al dan niet nakomen der gestelde voorwaarden.
»In afwijking van hetgeen thans gebruikelijk is, worde »hel districtshoofd slechts de bevoegdheid gegeven vergunning
⢠tot ontginning te geven voor eene uitgestrektheid van quot;hoogstens één bouw. Verreweg de meeste ontginningen quot;hetrefl'en toch geene groolere uitgestrektheid en is dit
⢠wel het geval b. v. waar, bij ontginning van tegalvelden, »ook op wisselbouw moet worden gerekend, ...... dan
⢠kan het algemeen belang te zeer bij de zaak betrokken
⢠zijn om die niet ter beoordeeling te doen blijven van
⢠hooger autoriteit, hel Hoofd van plaatselijk bestuur.
»Ook gaat het niet aan do vergunning tot ontginning â¢over te laten aan hot districtshoofd, wanneer de grond
28
«bedekt is met aaneengesloten opgaand geboomte of kreu-«pelbout. Immers ook buiten de eigenlijk gezegde onder
⢠geregeld beheer gebrachte bosschen, vindt men op menige «plaats, veelal in do onmiddellijke omgeving van bronnen »en rivieren, bosch, dat óf om don watertoevoer niet te quot;verminderen niet moot worden ontgonnen óf wel ook, wan-»ncer tegen de ontginning op zich zelf geen bezwaar bestaat, «waardevol hout bevat, dat wellicht ten algemeenen nutte â »h. v. voor den houw van bruggen â kan worden gebezigd, in «allen gevalle niet eenvoudig aan den eersten den besten «aanvrager zonder eenige beperking moet zijn overgelaten.
«In zulke gevallen is niet immer van het Inlandsch bestuur »â wanneer het Europeesch bestuur niet in de zaak gemengd «wordt â een onvertogen oordeel te verwachten.
«In alle andere gevallen verleent het Hoofd van plaatselijk «bestuur de tol ontginning gevorderde vergunning, dm ook â â¢wanneer het betreft grond voor Gouvernements doeleinden 'fiereserveerd.
«Tot nog toe was de beschikking daarover overgelaten «aan het Hoofd van gewestelijk bestuur.
»Doch wanneer men bedenkt, dat de djatibosscbeu bij ver-â¢schillende verordeningen zijn onder geregeld beheer gebracht, «en diensvolgens zijn of worden afgebakend, gemeten en in «kaart gebracht; dal de onder geregeld beheer gebrachte «wildboutbosschen bij Staatsblad 1890 n®. 115 zijn aan-«gewezen; dat op dezelfde wijze zijn aangegeven de streken, «die voor de uitbreiding der Gonvernements-koHiecultuur «moeien beschikbaar blijven; dal, zoo niet op dezelfde wijze, «dan toch immer ingevolge last van hoogerhand over som-«mige andere gronden b. v. degenen, die in de richting van
⢠eenen van Staatswege aan te leggen spoorweg zich bevinden, «niet kan worden beschikt, zoodat, alvorens eenige vergunning «tot ontginning van dergelijke gronden kan worden gegeven, «van de Regeering de machtiging tot beschikking daarover «moet zijn verkregen, dan ligt het voor de hand, dat, is «die machtiging eenmaal door toedoen en op voorstel van «het Hoofd van gewestelijk bestuur verleend, het ten uitvoer «brengen der formaliteiten voor de vergunning tot ontginning
29
tgt;zelve noodig, zonder eenig bezwaar aan het Hoofd van plaatse. »lijk bestuur kan worden overgelalen. In verband met de ⢠eischen van het algemcon belang is locb bet Hoofd van gewes-«telijk bestuur in de zaak gemoeid en deze zal, waar bet meer quot;locale belangen geldt, wel nimmer bandelen, zonder vooraf »bet Hoofd van plaatselijk bestuur geraadpleegd te hebben.
«lleslriclie te brengen in bo!. aantal op eenmaal aan één «persoon Ier ontginning te gevéfn bouws grond komt mij â »in weerwil van betgeen ter zake daarvan in Bijblad 3279 »is opgemerkt â niet noodzakelijk voor. Dit moet aan de «prudentie der Hoofden van plaatselijk bestuur, naar bebooren «gecontroleerd door hunne cbefs, worden overgelatenquot;.
Na herbaalde overweging is in vorenstaanden zin beslist.
Mits hunne bevoegdheid zooveel noodig beperkt en bet loezicbt op hunne handelingen zooveel doenlijk verscherpt werd, zou ook in dit opzicht van de diensten der districtshoofden een ruim gebruik kunnen worden gemaakt. Ging men locb bet enorm groot aantal vergunningen na, dat blijkens de Koloniale Verslagen telken jare voor de ontginning van woesten grond wordt gegeven, dan kwam eene regeling, welke de bemoeienis ten deze uitsluitend aan de liuropeesche bestuurshoofden opdroeg, moeilijk uitvoerbaar voor, tenzij bet afgeven der vergunningen een bloote formaliteit werd.
Nocbtans kon niet gebeel met de booger geciteerde beschouwingen worden ingestemd.
In de eerste plaats werd bet onnoodig geoordeeld de bevoegdheid der districtshoofden zoozeer te beperken, dat zij zicli te onthouden zouden hebben wanneer het aangevraagd stukje grond van ten hoogste I bouw met »kreupelhoutquot; is begroeid, wat of een doode letter zou blijven, of in de over-groote meerderheid der gevallen de beslissing zou overbrengen bij het Hoofd van plaatselijk bestuur; en in de tweede plaats is in de ordonnantie geen gewag gemaakt van het verleenen van vergunning lol ontginning van gronden, welke van Uegeerings- of bestuurswege voor bepaalde doeleinden zijn gereserveerd.
30
10. Voorwaardelijk Volgens ^ h van artikel 3 geeft hel Hoofd van plaatselijk gebruik van grond. bestuur vergunning tot ontginning in alle andere gevallen,
d. w. z. in de niet onder § a genoemde gevallen.
Daaruit volgt echter img niet dal ook de boscb-, kollie-en andere gronden, welke voor speciale doeleinden voor het Gouvernement zijn gereserveerd, aan Inlanders, op den voet der ordonnantie, ter ontginning mogen worden afgestaan, met het daaraan verhonden gevolg dat de ontginners erfelijk individueele gebruikers worden van de ontgonnen gronden.
Wèl mag daarentegen een gedeelte van dergelijke gronden aan Inlanders tijdelijk ten gehruike worden afgestaan, doch dit geschiedt dan buiten de ontginnings-ordonnantie om, en alleen wanneer tot bedoelde in gebruikgeving van Ilegeerings-wege, hetzij in een speciaal geval, hetzij in meer algemeenen zin machtiging is verleend.
Men onderscheide wel tusschen ontginning van grond krachtens de ontginnings-ordonnantie, waaruit een zakelijk en erfelijk recht op dien grond voor den ontginner voortvloeit, en bebouwing van een tol hel vrije Staatsdomein hehoorend stuk grond krachtens eene mondelinge of schriftelijke, doch in elk geval niet op den voel van de bedoelde ordonnantie door bel hestuur verleende vergunning, waaraan de houder slechts een persoonlijk en tijdelijk recht van gebruik op den grond kan ontleenen.
Met het laatste houdt de ontginningsordonnantie zich niet op.
Dimmersquot; â aldus is dit punt toegelicht â «geeft ont-quot;ginning van grond door den Inlander hem van oudsher «recht op erfelijk individueel bezit van den ontgonnen grond, »en de ordonnantie bedoelt alléén het recht lot die ontgin-«ningen zoodanig Ie regelen, dat roofbouw daarbij wordt «geweerd. Ontginningen, waardoor slechts gedurende een «bepaalden tijd bezitsrecht verkregen wordt â bijv. van «gronden voor djati- en onder geregeld beheer gebrachte «wildboutbosschen ol van terreinen voor de kofliecultuur »of voor herwouding aangewezen â gelijken meer op eene â¢gt; overeenkomst van hruikleeningquot;.
51
Dat de Rogcering ook vroeger ontginningen als evenbcdoeld niel begreep onder die, waarop de ordonnantie in Staatsblad 1874 n0. 79 betrekking iiad. bewijst o. a. Haar besluit van 2 Mei 1878 n0. 6, waarbij de Directeur van llinnenlandsch Uestuur gemacbtigd werd »0111 iti overleg met de betrokken quot;Residenten de noodige maatregelen te tiefien tot bet tijdelijk, niiaar gelang van de behoeften, aan de Inlandsche bevolking quot;ter ontginning afstaan van de gedevasteerde bosebgronden »op Java en Madoera, welke bestemd zijn om te eeniger tijd «weder kunstmatig met boomen te worden beplant;
quot;met bepaling dat die gronden niet voor den aanleg van â¢sawab's mogen gebezigd worden, en dat in elk zich voor-«doend geval behoorlijk bij proces-verbaal moe! worden «geconstateerd voor boe lang de in gebruikgeving geschiedt, «zullende daarvan bovendien aanteekening moeten worden «gehouden in daartoe te bestemmen registersquot; (').
Ten aanzien van voor de Gouvernemontskolliecultuur gereserveerde gronden is bij artikel 1 ^ E van bet besluit van 28 Juli 1887 nu. 56 (Bijblad n0. 4757) bepaald, dat
⢠bij gebleken werkelijke behoefte voor de uitbreiding van «den Inlandschen landbouw of voor den aanleg van vrijwillige
⢠koilieplantsoenen door de Inlandsche bevolking dan wel voor «uitbreiding van dessa's ofgehuchten, beschikt (kan) worden over «de terreinen, die voor verplichte bijplantingen aangewezen zijnquot;.
Deze beschikking zou, luidens § VI van de in 1887 gepubliceerde «Gids betreffende dc Gouvernements-koUie-«cultuur op Java enz.quot;, kunnen geschieden op den voet der ontginnings-ordoniiantie, doch onder verschillende bijzondere voorwaarden, welke in het betrekkelijk vergunningsbewijs zouden zijn te vermelden.
Sedert zijn de inzichten van de Regeering ten deze gewijzigd (2); Zij acht het niel gewensebt toe te laten dat voor de koffiecultuur gereserveerde gronden ten behoeve van den Inlandschen landbouw ontgonnen worden op den voet der ontginnings-ordonnantie, d. w. z. met het daaraan ver-
(') Vergelijk hierbij arlikel 2 1quot;. a van het nieuwe Keglemenl voor hel heliocr dor bosschen van den Lande op Java en Madoera in Staatsblad 1897 nquot;. 01.
(') Missive van den Gonvernements Secretaris van 19 September 1895 11quot;. 1907.
32
honden gevolg dat de onlginncr het erfelijk individueel gebruiksrecht op den grond verkrijgt; wol zullen dergelijke gronden, huilen de genoemde ordonnantie om, tijdelijk ten gehruike kunnen worden afgestaan, in verhand waarmede eerlang wijziging zal moeien worden gebracht in voormeld hesluit van 28 Juli 1887 n0. 5(5 en in g VI van de daarhlj helioorende Gids.
In het algemeen aan do Hoofden van gewestelijk bestuur de bevoegdheid toe te kennen om, onder zekere conditiën, een gedeelle van het, voor bepaalde doeleinden aangewezen Staatsdomein tijdelijk nan Inlanders in gebruik af te staan, zooals wel eens is voorgesteld, scheen niet geraden en onnoodig, zoodal voor dergelijke in gcbruikgeving, in do gevallen waarin de bevoegdheid daartoe niet uitdrukkelijk aan de bestuurshoofden is toegekend, met het oog op het algemcene voorschrift in Staatsblad I8Ã4 n0. BI, de machtiging vereischt wordt van den Gouverneur-Generaal.
II. Vergunningen voor 1,0 ordonnantie bevat geene bepaling, meldende dat de sawah-aanleg. vergunning, waar sawab-aanleg beoogd wordt, zoo noodig
ook omval de beschikking over den, voor den aanleg van irrigaliewerkcn benoodigden grond.
In dit opzicht kwam eene wettelijke voorziening noch noodig, noch gewenscht voor.
Niet noodig, omdat bet irrigatie-wezen op .lava wellicht eerst in een verre toekomst zoodanig geregeld kan zijn, dat het eenig nut zou hebben om elke aftapping uit eenige leiding of stroom ten behoeve van den Inlandschcn landbouw in hel algemeen aan eene voorafgaande vergunning van hel bestuur of van de met hel toezicht over de bevloeiing belasle speciale ambtenaren le binden, zoodal in afwachting daarvan een Inlander, die van de bevoegde autoriteit uitdrukkelijk vergunning verkreeg om op een bepaald sluk grond een sawah aan te leggen, zich nok bevoegd kan achten besproeiingswaler daarheen te leiden, mits bij zoodoende geen rechten van anderen verkort en niet zondigt tegen ter zake beslaande of nader uit tc vaardigen bepalingen.
55
Het spreekt van zeil' dat uit een legaal oogpunt vergunningen lot ontginning niet in algemeenen zin in zich sluiten »het recht tot hel aanleggen van leidingen en aftappingenquot;. Dat behoeft ook niet, want al berust in theorie het recht van beschikking over het water alleen bij de Regeering, stilzwijgend beeft de Inlander de bevoegdheid om, zonder bonadeeling van anderen, van dal water voor zijn landbouw gebruik te maken, zoolang die bevoegdheid hem niet ontzegd of aan regelen gebonden is, en dit is tot dusver nog voor verreweg het grootste gedeelte van Java niet het geval. En waar de Inlander in bet algemeen die bevoegdheid heeft, kan hij a fortiori geacht worden daarvan, ook zonder formeele toestemming, gebruik te mogen maken waar hij, krachtens eene wettige vergunning, den aanleg beoogt van bewater-bare sawah's.
Niet gewenscbt scheen de hoogerbedoelde voorziening, omdat' zij eene omschrijving zou verderen van den grond, welke de ontginner voor den aanleg van eene leiding zou moeten bezigen, wat bij voorbaat in de meeste gevallen ondoenlijk of zeer moeilijk zou wezen, terwijl zoodoende: 1quot;. de verantwoordelijkheid voor de verkorting der rechten van derden door den aanleg der leiding zou worden overgebracht hij dengeen, die de vergunning gaf, wat niet raadzaam kan zijn;
21u. de ontginner erfelijk individueel bezitter zou worden van den door zijne irrigatiewerken ingenomen grond, wat niet noodig is.
Op deze gronden is eene voorziening ter zake weggelaten.
12. Het onderzoek Artikel 4 der oude regeling bevatte slechts administratieve der aanvragen. voorschriften, die in eene wettelijke verordening gevoeglijk
konden worden weggelaten, doch in gewijzigden vorm worden teruggevonden in de Voorschriften tot uitvoering der ont-ginnings-ordonnantie, bierachter opgenomen onder Bijlage II.
Op welke wijze de aanvragen om vergunning tot ontginning moeten worden behandeld is omschreven in de §§ 1 t/m 3 dier Voorschriften.
54
Volgens liet 3e lid van § 1 zal er slechts één ontginnings-register behoeven lo zijn, dessa'sgewijze aan te leggen en bij te houden door het districtshoofd, dat, onder rechtstreeksch toezicht van de Europcesclie conlroleerende ambtenaren, de gcbeele administralie der ontginningen zal hebben le voeren.
Natuurlijk sluit dit niet uit dat ook de Hoofden van plaatselijk bestuur voor zicb, zoo zij dit noodig achten, een contróle register kunnen aanleggen van de door ben verleende vergunningen.
Het districtshoofd wordt in kennis gesteld niet alle aanvragen, onverscliillig hij wie zij zijn ingekomen (alinea 1 en 2 van § 1), en neemt ze alle in zijn register op, ook wanneer vooraf reeds kan worden aangenomen dal de verzoeken niet voor inwilliging vatbaar zijn.
Alle aanvragen moeten ingevolge § 2 door daartoe bij bescbikking van het Hoofd van plaatselijk bestuur aangewezen commission, die in den regel wel zullen bestaan uit bet onderdistrictshoofd of een ander Inlandsch ambtenaar en bet betrokken dessahoofd, plaatselijk onderzocht worden, inzonderheid om na te gaan of de aanvrager niet le veel grond begeert, of de grond niet behoort tol de voor eenig doeleinde van Gouvcrnementswege gereserveerde gronden en welke voorwaarden c. q. aan de vergunning zouden behooren te worden verbonden (artikel 4 der ordonnantie).
Luidens het 2° lid van § quot;1 hebben de controleerende ambtenaren het in de hand om de werkzaamheden der commissiën zoodanig te regelen, dat het onderzoek zoo goed mogelijk plaats bebbe; onmiddellijke aanduiding der grenzen door bamboestaken e. d. overeenkomstig de aanwijzingen der commissie en globale opmeting van den begeerden grond zal in den regel aanbeveling verdienen.
Nadat het districtshoofd met de bevindingen der commissiën in wetenschap is gesteld, gaat hij na op welke aanvragen hij bevoegd is zelf te beschikken (artikel 3, sub a, der ordonnantie), en brengt de overige op een voorstelstaat, de gegevens bevallende, welke het Hoofd van plaatselijk bestuur in de gelegenheid kunnen slellen eene beschikking te nemen.
5S
Die voorstelstaal wordl ingediend door tusschenkomst van den llegcnl (Patih), die daarop van zijn gevoelen doel blijken, en wordt, voorzien van de beslissing van hel plaalselijk he-sluurshoofd en vergezeld van de door dezen ingevulde en onderleekende vergunningsbewijzen, langs denzelfden weg, aim hel dislriclsboofd leruggezonden Ier opberging in zijn archief en om hem in staal te stellen zijn register verder in te vullen.
Zijn er aanvragen afgewezen, dan worden de redenen van weigering in de kolom »ltijzonderhedenquot; vernield, terwijl de vier daaraan voorafgaande koloninien oningevuld blijven.
Vloeit hel een en ander uit § 5 voort, bij § 4 is voorgeschreven tial de vergunnings-hewljzen in de landstaal moeten worden opgemaakt, overeenkomstig hel vastgestelde model, hetwelk zoo eenvoudig mogelijk is ingericht.
bedoelde bewijzen zijn in rood gedrukt ten einde ze gemakkelijk op hel eerste gezicht van andere schrifturen te kunnen onderscheiden. In verband met de aanleekening aan den voet der ontginnings-bevvijzeii en het bepaalde bij artikel o der ordonnantie, kunnen die stukken, na volledig volbrachte ontginning, als een schriftelijke titel van aankomst van hel erfelijk individueel gehruiksreebt gelden.
De voorschriften in de §§ ö en 6 zijn ter sprake gebracht onder het volgende artikel; die in § 7 strekken om de verantwoordelijkheid voor de richtige toepassing der ont-ginnings-regelen, en vooral ook voor de zorgvuldige bijhouding van hel register, met de districtshoofden te doen deelen door de controleerende liuropeesche ambtenaren.
13. Weigering der vroegere regeling bevatte geene bepaling, waaraan de
vergunning. Hoogerbe- artikel 3 genoemde ambtenaren de bevoegdheid konden roep. ontleeneu om eene aanvraag lot ontginning af te wijzen,
doch erkende in het tweede lid van dat artikel implicite dat de vergunning kon worden geweigerd.
In de nieuwe regeling is uitdrukkelijk aan de betrokken ambtenaren de bevoegdheid verleend om de vergunning te weigeren wanneer de belangen van den Lande of van derden
36
dit vereischen, terwijl als correctief hel bepaalde geldt omtrent hel hooger beroep.
Met voordacht is de formule zoo algemeen gesteld; een scherpe begrenzing der redenen van weigering kwam minder gewenscht voor en zou ook niet in alle gevallen kunnen voorzien.
Bedoelde algemeene omschrijving maakt het mogelijk de vergunning hetzij voor hel geheel, hetzij voor een deel van den aangevraagden grond te weigeren, wanneer liet gebleken of te verwachten is dat de aanvrager geen degelljken landbouw beoogt; zoo ook wanneer het nielraadzaam geoordeeld wordl een nieuwe vergunning le geven aan een Inlander, Jie een vroeger toegestane ontginning niet naar behooren heefl volbracht
Vermits lhans, in afwijking van de oude regeling, geene vergunningen meer worden verleend door het Hoofd van gewestelijk bestuur, behoefde ook geen hooger beroep le worden loegelalen op den Directeur van Binnenlandsch Bestuur.
37
|
Artikel b {alinea i). De vergunning wordt verleend onder voorwaarde: 1®. voor eene aanvraag van drie bouw en minder, dal binnen twee jaar de grond in bebouwing zij gebracht. Indien de aanvraag een groolere uitgestrektheid betreft of den aanleg beoogt van vischvijvers, wordt in de beschikking zelf een termijn bepaald mar gelang van omstandigheden; '2e. dal de verkrijger den grond dadelijk dour duurzame grensteekenen zal al ha kenen ; 3e. bij hellend terrein, zoo er gevaar beslaat voor afspoeling van de bouw kruin, dal de aanleg geschiede lerrasgewijze, en voorts onder zoodanige voorwaarden, als plaatselijke omstandigheden wenschehjk maken. |
Artikel 4. (1) De vergunning wordt verleend onder voorwaarde: a. dat de ontginning zij volbracht binnen den in het vergunningsbewijs vermelden termijn; I). dat de grond, alvorens met de toegestane ontginning een aanvang wordt gemaakt, op de voornaamste hoekpunten door duurzame grensteekenen worde afgebakend', c. dat bij hellend terrein, zoo er gevaar bestaal voor afspoeling vnn de bouwkruin, de aanleg lerrasgewijze geschiede-, en voorts onder zoodanige voorwaarden als plaatselijke omstandigheden wenschehjk maken. (2) Van het bepaalde sub c kan worden afgeweken ten opzichte van terreinen, waar, ter beoordeeling van de Hoofden van ge-westelijk bestuur, tegen het aanleggen van terrassen, in verhand met den aard van den grond, overwegend bezwaar bestaat. (3) Behalve van die sub a, wordt ook van de overige aan de vergunning tot ontginning verbonden voorwaarden melding gemaakt in het vergunningsbewijs. |
14. De voorwaarden De aan de vergunning te verbinden voorwaarden zijn, der vergunning. mei cenige wijziging, uit de oude regeling overgenomen.
Dat in het vergunningsbewijs een termijn moet worden vermeid, binnen welken de ontginning moet zijn volbracht,
38
lichoeft geene toelichting. Terwijl hel vroegere artikel 5 echter bepaalde, dat die termijn voor een aanvraag van drie houws of minder twee jaren zou bedragen, en slechts vrijheid liet om een anderen termijn te stollen wanneer de aanvrager den aanleg beoogde van visclivijvers of eene grootere uitgestrektheid dan drie houws in ontginning wenschte te brengen, is in de nieuwe bepaling geen bindende termijn genoemd, doch is aan de betrokken ambtenaren overgelaten om in elk geval, naar omstandigheden, eene behoorlijke tijdsruimte voor de ontginning in het vergunningsbewijs te vermelden. In de meeste gevallen zal een termijn van één jaar wel voldoende mogen heeten voor de ontginning van kleine uitgestrektheden, en er zou dan ook geene overwegende bedenking zijn gevonden om dien termijn in de ordonnantie tc bepalen, ware bet niet dat met het oog op aanvragen van meer dan één bouw en op de bezwaren, welke bij terrasvorming voor sawah-aanleg zoomede bij terrasseering van droge gronden zouden kunnen worden ondervonden, de voorkeur moest worden gegeven aan het vrijlatBii der ambtenaren om ten deze naar bevind van zaken te handelen.
Wat de grensteekenen betreft tot afbakening van den hegeerden grond, daartoe kunnen gevoeglijk groote steen-hoopen, eene ter plaatse gemakkelijk groeiende boomsoort e. d. gebezigd worden ; in elk geval ligt het niet in de bedoeling het plaatsen van sleenen pilaren of djatihouten palen te vorderen.
Ook in dit opzicht zijn geene bindende voorschriften gegeven, ten einde de ambtenaren in de gelegenheid te stellen zich bij de keuze der in bet vergunningsbewijs tc omschrijven grensteekenen te richten naar plaatselijke gebruiken.
Over de derde voorwaarde omtrent het aanleggen van terrassen bij hellend terrein, zoo er gevaar bestaat voor afspoeling van de bouwkruin, is sedert 1874 zeer vaak geschreven en getwist. In tal van ambtelijke en andere geschriften werd die voorwaarde besproken en bijkans even vaak veroordeeld als in bescherming genomen.
59
Alvorens in dezen strijd van meeningen eene beslissing to nemen, is in November 1889 aan den houtvester Berkhout een onderzoek opgedragen naar de practisclie resultaten, welke het aanleggen van terrassen voor den landbouw had opgeleverd, en eerst nadat het door dien ambtenaar ter zake uitgebracht verslag ten volle bevestigd had wat door verschillende adviseurs voor het behoud der voorwaarde was aangevoerd, sprak de Ilegeering in September 1891 als haar gevoelen uit, dat er niets vexatoirs in gelegen kon zijn aan den afstand van Staatsdomein in het algemeen belang eene voorwaarde te verbinden, die, zoo zij den ontginner in den aanvang ook eenigszins bezwaarlijk valt, op den duur in zijn welbegrepen belang zou zijn, den roofbouw zou tegengaan en de berghellingen voor roekelooze ontwouding zou behoeden, terwijl daarentegen de opheffing der verplichting tot terrasseering, ondanks alle aanmoediging om met het aanleggen van terrassen voort te gaan, er toe zou leiden dal het door de nog te weinig van hel nul doordrongen en van den dag op den dag levende Inlandsche bevolking allengs zou worden nagelaten.
Ook na 1891 werd nog herhaaldelijk gewezen op de wenschelijkheid om de voorwaarde in quaeslie te behouden.
Zoo leest men daaromtrent o. m. in een ambtelijk verslag van 1893:
«In weerwil van al hetgeen is aangevoerd geworden tegen »het opleggen der verplichting tol terrasseering waar voor â¢afspoeling van de bouwkruin wordt gevreesd: in weerwil quot;Van de geheel onvoldoende wijze, waarop dal voorschrift »lol nog toe gehandhaafd is kunnen worden en de treurige «ondervinding, die men ter zake heeft opgedaan, meen ik »dal die verplichting ook voor den vervolge moet behouden «blijven. Ik ben overtuigd dat dit kan, wanneer men maar «niet te doctrinair te werk gaal en te veel op eens vordert, «zooals men tol nog toe veelal heeft gedaan, terwijl er legelij-⢠kertijd gebrek aan controle en toezicht was; wanneer men «zich naar plaatselijke gebruiken en inzichten schikt en de «zaak overlaat aan de regeling van de plaatselijke ambtenaren. «De Inlander ziel hel nut van terrasseering zeer goed in,
40
«zelfs voor droge velden, en iian zich zclven overgelaten »neeml hij menigen maatregel, om zooveel mogelijk weg-»spoeling van de bouwkruin te voorkomen en dientengevolge »zijn grond langer beschikbaar en bebouwbaar te houden.
⢠Zoo b. v. bet opstapelen van de bij de ontginning gevonden «steenen in rijen dwars op de helling van bet terrein; zoo »het op dezelfde wijze opstapelen van hel bij de ontginning »dan wel later los gemaakte onkruid; zoo bet op het ontgin-Miingsterrein onaangeroerd laten van strooken grond waar
⢠de belling Ie groot is of wel de grond te steenachtig; zoo
⢠bet op gelijkmatigen afstand en dwars op de terreinhelling »0. a. in bet Karangkobarscbe (tiavjoemas) met een soort
⢠van troiïcl losmaken, omkeeren en in rijen nederleggen van »het aanwezige planten bekleedsel, tengevolge waarvan ondiepe
⢠voren ontstaan, in welke men tweede gewassen plant, üit â¢alles kan in practijk worden gebracht, zooveel mogelijk en
⢠noodig op verstandige wijze gewijzigd, maar is heel wal
⢠anders dan het vorderen reeds terstond en op meestal (jroots «uitgestreluheid van goede regelmatige terrassen, waarbij
⢠dan nog menigmaal, allhans aanvankelijk, de grond in vruebt-»baarheid achteruit gaat. De personen, die gewoonlijk tot â¢ontginning overgaan, zijn in den regel arm, weinig aan
⢠eene bepaalde woonplaats gebonden; zij hebben uit den â¢aard der zaak weinig oecononiisch weêrstandsvermogen en
⢠men moei hel hun dus, wanneer zij zich eenmaal gevestigd
⢠hebben, zoo gemakkelijk maken als mei bet doel â om
⢠tot eene geregelde en vooral voortdurende occupatie van â¢den grond le geraken â slechts ecnigszins vereenigbaar isquot;.
Het zou inderdaad weinig consequent en niet le verantwoorden zijn indien de Inlander werd vrijgelaten om uit gemakzucht of onverschilligheid de vruchtbaarheid van de bouwkruin door afspoeling le doen te loor gaan, terwijl de Staat door middel van reboisatie, aanleg van irrigatiewerken als anderszins er naar streeft om de productiviteit van den bodem te verboogen.
Dit sluit echter nog niet in, dat het raadzaan zou mogen beeten met de uiterste gestrengheid bij de toepassing van het voorschrift te werk te gaan.
41
Slcll men zijne eischen niet te hoog en houdt men zich daarlnj aan lt;le aanbevelingen in de circulaire van den Directeur van Hinnenlandsch Bestuur van 21 Februari 1876 nft. 1814 (Bijblad nu. 2963), welke hierachter is opgenomen onder Bijlage V, dan zal, vooral wanneer voor geterrasseerde ontginningen gedurende enkele jaren vrijstelling van landrente verleend mocht kunnen worden, een en ander er belangrijk toe kunnen bijdragen om het in sommige streken nog impopulaire voorschrift omtrent de terrasseering heter ter harte te doen nemen dan tot dusver het geval was.
Met bedoelde vrijstelling is in de landrente-ordonnantie voor de Preanqer-Uegenlschappen (Staatsblad 1896 n0. 126) reeds rekening gehouden (vergl. de artikelen 2 en 14), terwijl zij voor de overige gewesten van Java en Madwru wellicht mede zoude kunnen worden toegelaten.
Is de ontginner niet genegen de ontginning terrasgewijze uit te voeren, dan zal zijn verzoek in verhand met het vorenstaande, behooren te worden geweigerd op grond dat het belang van den Lande dit eischt (tweede lid van artikel 3).
Maar er zijn streken, waar de aard van den grond het aanleggen van terrassen onmogelijk maakt; waar de humus-laag van zoo geringe dikte is dat men verstandig doet zoo min mogelijk in den grond te woelen, wil men geen gevaar loopen binnen zeer korten tijd de padas-laag te zien bloot komen.
Voor dergelijke sireken moet afwijking van het imperatieve voorschrift mogelijk blijven en de gelegenheid bestaan om langs anderen weg, d. w. z. door andere middelen op In-landsche wijze, afspoeling van de houwkruin tegen te gaan.
Met het oog daarop is aan artikel 4 de tweede alinea toegevoegd, welke aan de Hoofden van gewestelijk bestuur de bevoegdheid geeft om van de voorwaarde tot terrasseering af te wijken ten opzichte van «terreinenquot;, waar tegen het aanleggen van terrassen »in verband met den aard van den grondquot; overwegend bezwaar bestaat.
Wel is het denkbeeld overwogen om, ter bevordering van de eenheid in de toepassing, de voormelde bevoegdheid aan
42
den Directeur van Rinncnlandsch Resluur toe le kennen, doch daarvan is afgezien, omdat die Hoofdambtenaar de aan zijne beslissing onderworpen gevallen toch niet zelfstandig zou kunnen beoordeelen, terwijl te minder bezwaar kon bestaan om de beslissing aan de Hoofden van gewestelijk bestuur over te laten, vermits tegen eene te vrijgevige toepassing der bepaling zou kunnen en moeten worden gewaakt dooiden Hoofdinspecteur van Cultures.
43
|
Artikel 7. Zoodra aan alle voorwaarden, hij de vergunning gesteld, is voldaan, is de verkrijger erfelijk individueel hezitter van den door hem ontgonnen grond. Artikel 5 (alinea 2). Bij gehlehcn onwil of onvermogen om de gestelde voorwaarden na te komen, wordt de vergunnwg door den Resident ingetrokken. |
Artikel 15. (1) Zoodra, blijkens een daaromtrent in te stellen onderzoek, is voldaan aan alle voorwaarden, bij de vergunning gesteld, is de on tg inter erfelijk individueel bezitter van den door hem ontgonnen grond. (2) Is aan een of meer der bij de vergunning gestelde voorwaarden niet voldaan, dan kan het Hoofd van plaatselijk bestuur de vergunning intrekken. |
15. Het onderzoek I)c ordonnantie eischl een onderzoek van de tol stand der ontginningen. gebrachte ontginningen, welk onderzoek, iuidens 5 der uitvoerings-voorschriften, wordt opgedragen aan dezelfde commissiën, die de aanvragen tot ontginning hebben nagegaan.
Zooveel mogelijk heeft dat onderzoek plaats in de maanden April en October; blijkt daaruit dat aan de hij de vergunning gestelde voorwaarden is voldaan, dan wordt daarvan door het districtshoofd aanteekening gehouden op het vergunningsbewijs en in het register, waartoe in het laatste de kolom «Uitgestrektheid, waarover de ontginner erfelijk individueel bezitter is gewordenquot;, wordt ingevuld.
Uit den aard der zaak mag wel minder, maar niet meer grond ontgonnen worden dan toegestaan werd; is er meer ontgonnen, dan kan deze handeling echter ingevolge artikel 7 sub 2 der ordonnantie worden gewettigd.
Is aan de gestelde voorwaarden niet naar beboeren voldaan, dan wordt daarvan blijkens § 6 der Voorschriften, door tusschenkomst van den Regent (Patih), kennis gegeven aan het Hoofd van plaatselijk bestuur, waartoe van een eenvou-digen geleidestaat, met vermelding der geconstateerde tekortkomingen en onder hijvoeging der betrekkelijke vergunningsbewijzen, kan worden gebruik gemaakt. Die geleidestaat wordt, nadat gemeld bestuurshoofd daarop zijne beslissing heeft aangeteekend, c. q. vergezeld van nieuwe vergunnings-
44
l)ewijzen, aan lid districlslioofd terug gezonden en blljfl in zijn arcliiel' berusten.
Hel Hoofd van plaatselijk bestuur, aan vvien het intrekken der vergunning, ook al was zij verleend door bet districtshoofd, is voorbehouden ten einde willekeur zooveel mogelijk uit te sluiten, is, blijkens bet tweede lid van artikel !gt; der ordonnantie, niet verplicht om van die bevoegdheid gebruik te maken.
Hij kan de vergunning intrekken, in welk geval bel ver-guniiingsbewijs moet worden vernietigd om bet misbruiken van niel meer geldige bewijzen te voorkomen (sub 4 van ^ 6 der Voorschriften), maar hij is evenzeer bevoegd de vergunning voor bel geheel of een gedeelte van den begeerden grond, zoo noodig ouder gewijzigde voorwaarden, door eene nieuwe vergunning te vervangen of dit over te laten aan het districtshoofd ingeval de grond in quaestie behoort tol die, bedoeld in artikel 3, 1quot;. a, der ordonnantie. Met de nieuwe vergunning wordt dan op de gewone wijze te werk gegaan, zooals bepaald is bij § 3, sub 2 en 3, en de §§ 4 en 5 der Voorschriften.
16. Het recht op Bij de overweging van de vraag of het in artikel 7 der den ontgonnen grond, vroegere regeling gehuldigd beginsel behouden kon blijven,
mochten de gebruiken niel uil het oog worden verloren, welke in de dessa's mei gemeentelijk grondbezit bestonden ten aanzien van de uit ontginning verkregen individueele rechten op den grond.
Omtrent die gebruiken vindt men in hel Eindresumé van het bekende grondonderzoek o. m. aangeteekend (Deel I, pag. 64/65);
»lt;§ 6. In een grool aantal dessa's met gemeen bezit van »sawabs is aangenomen, dat de nieuwe ontginningen in «erfelijk individueel bezit van de ontginners blijven. Elders «worden in dessa's met gemeen bezeten sawahs de nieuwe quot;ontginningen na een zekeren termijn in het gemeen bezit «opgenomen.
«Voor zoover de ontginners nog geen aandeelhebbers waren, «worden zij het dan rechtens bij den overgang van hunne ogrcndeu in bet gemeen bezit.
4B
»§ 7. Ontgiiiniiig geeft dus in laatstbedoelde dessa's »recht op individueel bezit gedurende zekeren termijn.
⢠Die termijn is drie jaren in alle dessa's in Cherihon, en
⢠bijna alle dessa's in//aw/oemfM', waai de nieuwe ontginningen «nog in het gemeen bezit komen. Ook in Semarang, Kedin, »Pnsoeroean is de driejarige termijn gebruikelijk. Hij is van «vier jaren in een dessa in Semarang, dito in Madioen en in
⢠eenigo dessa's van Kediri. üok komt voor een vijfjarige gt;gt;en een zesjarige, ja soms nog van meer jaren in verband «niet de meerdere ol' mindere bezwaren, die aan de ontgin-»ning verbonden zijn.
»In enkele dessa's is de duur van het individueel bezit »aan de willekeur van het dessaiioofd overgelaten olquot; afltan-«kelijk van de gelegenheid lot ontginning, ol'hel duurt voort «totdat de meerderheid der bezitters van de gemeene savvahs quot;beslist, dat de individueel bezeten savvahs in het gemeen «bezit moeten overgaan.
»Er zijn ook enkele dessa's, waar het individueel »bezit aan den ontginner gelaten wordt gedurende zijn «leven.
«Ofschoon slechts weinige voorbeelden zijn vermeld, waarbij «beschikking had plaals gehad, is in de meeste dessa's ver-«klaard, dat het tijdelijk individueele bezitreclit van den «ontginner de vrije beschikking geeft over de ontgonnen «sawah, voor zoolang zijn individueel bezit duurtquot;.
Daaruit blijkt, dal in sommige streken de adat den ontginner slechts individueel gebruik toekent voor zeker aantal jaren, en dat daarna de ontgonnen gronden onder de gemeenschappelijk bezeten gronden worden opgenomen.
In deze omstandigheid is aanleiding gevonden om het denkbeeld in overweging te geven ten aanzien van de uit ontginning voortvloeiende rechten af te wijken van het in 1874 bepaalde.
«Het komt mij niet wel mogelijk voorquot; â aldus werd dat denkbeeld toegelicht â «om in deze gewoonte voor de «streken waar zij wortel heeft gevat, verandering te brengen; «ware zij slechts in enkele dessa's in zwang, dan zou het «een ander geval zijn, maar nu zij nog zoo veelvuldig bestaat
46
»als uit het Eindresumé blijkt, zal er rekening mede gehouden »moeten worden.
»Veel is daar ook niet tegen, want deze regeling, «voortgesproten zijmie uil de begrippen en het verlangen quot;der bevolking zelve, zoo behoeft geen vrees te bestaan, »dat het tot stand brengen van nieuwe ontginningen er «door onmogelijk gemaakt of te veel belemmerd zal worden.
»Op de plaatsen waar ik in de gelegenheid was om den «toestand waar te nemen, ontstaan uit den strijd tusschen »dil voorschrift van de ontginnings-ordonnantie en het ge-»woonterecht, daar had liet laatste gezegevierd en was door »het eerste alleen onzekerheid en verwarring ontstaan, in »de gevallen namelijk dat kwesties over deze aangelegenheid »bij bet bestuur waren voorgebracht.
»üe bepaling, dat de uit ontginning voortspruitende rechten nbeheersebt worden door het gewoonterecht is ook, meer gt;dan hetgeen te dier zake voorkomt in de thans vigeerende «ontginnings-ordonnantie, in overeenstemming met hetstand-«punt, waarop de Hegeering zich later gesteld heeft ten «aanzien van de rechten der Inlandscbe bevolking op den «grond, zooals dal is omschreven in de hierboven reeds «gereleveerde overweging, voorkomende in bet Koninklijk «besluit ter regeling van den overgang van communaal in «erfelijk individueel bezit van 11 April 1885, dat de Inlandsche «bevolking het recht heeft voor baar grondbezit den vorm »le kiezen waaraan zij de voorkeur geeftquot;.
In aansluiting aan deze beschouwingen, zou in de nieuwe ordonnantie de bepaling moeten worden opgenomen, dat in elk speciaal geval zou bebooren te worden nagegaan welk recht naar de plaatselijke ailat uit de ontginning zou kunnen voortvloeien.
Van andere zijde werd met die bepaling echter niet ingestemd.
liet zou toch weinig bevorderlijk zijn aan de deferentie voor bet gezag van den bestuurder wanneer het in artikel 7 der bestaande regeling gehuldigd principe weder werd prijsgegeven op grond van dessagebruiken, welker beslaan ook in 1874 reeds bekend was.
47
Hoe prijzenswaardig ook liet streven was om cene practisch goed uitvoerbare regeling te ontwerpen, mocht niet uit het oog worden verloren dal daartegenover, vooral in een land als Indië, een andere eisch slontl, te weten »dal de ordonnantie ophouwend werkequot;.
En wat het beroep betreft op do considerans van het Koninklijk besluit in Staatsblad 1885 nquot;. 102, daaraan km toch moeilijk een motief worden ontleend om den individu-eelen outginner van grond te dwingen zich te onderwerpen aan een dessa-adat, welke medebrengt dat de ontginning na zekeren tijd aan de dessa vervalt, ook dan wanneer de ontginner zijn individueel recht wil houden.
In beginsel zou daarom artikel 7 der bestaande regeling behouden moeten blijven, doch met dien verstande, dat den ontginner het individueel bezitsrecht niet moet worden opgedrongen, wanneer hij, alvorens tol die ontginning over te gaan, te kennen geefl op het erlangen daarvan geen prijs te stellen, hetgeen dan zou moeien blijken uit het vooraf nopens elke aanvraag in te stellen plaatselijk onderzoek.
Noch met het eerste, noch met hnt andere denkbeeld kon de llegeering zich vereenigen, omdat naar haar oordeel in het aangevoerde voor den weigever geen voldoende aanleiding bestond om ten deze een nieuw beginsel le aanvaarden.
Het vaak genoemde Koninklijk besluit, betreHende de conversie van communaal in erfelijk individueel bezit, gaat uit van de praemisse dat de Inlandsche bevolking niet gehouden is om genoegen te nemen met den bezitsvorm van den grond dien zij heeft, en dat zij bijgevolg het recht heeft om een anderen bezitsvorm te kiezen
Daaruit volgt dat erfelijke individueele bezitters niet verplicht zijn dien bezitsvorm te behouden, dat zij, daartoe genegen zijnde, hunne gronden kunnen doen opnemen onder de dessagronden, maar anders of meer volgt er niet uit en zeer zeker mag niet op dat besluit een beroep worden gedaan om communale ontginningen aan te bevelen of het goed recht te betoogen van eene andere regeling der rechtsgevolgen van de ontginning dan tot dusver gegolden heeft.
48
Daarvoor kan Staatsblad 188!) n0. 102 geen dienst doen; liet pleit noch voor noch tegen de hooger toegelichte denk-heelden. De aan het hoofd daarvan voorkomende overweging werd dan ook slechts gebezigd voor het in hel leven roepen van cene wettelijke hepaling, waardoor de meerderheid der bevolking eener dessa de minderheid kan dwingen om communaal bezit te veranderen in erfelijk individueel. Zij bepaalt niets omtrent rechten op den grond, geeft geen voorkeur te kennen, conslaleerl alleen dat er twee hoofdsoorten van grondbezit zijn, en geeft dan regelen hoe men heeft te handelen om van communaal bezit ontslagen te worden, wat anders alleen zou kunnen geschieden in overeenstemming van alle deelgerechtigden.
Artikel 7 van het Agrarisch besluit in Staatsblad 187ü nquot;. 118, waaruil de ontginnings-ordonnantie is voortgevloeid, schenlit bovendien, gelijk reeds op hl. 23 is opgemerkt, aan de bevolking niet het recht om Staatsdomein te ontginnen; dat rechl werd als bestaande aangenomen en slechts voorgeschreven nopens de uitoefening daarvan op een bepaald stuk grond regelen le stellen. Zoodanig recht is ook door den wetgever hier le lande steeds als bestaande erkend, niet alleen op Java, maar ook daarbuiten. Vandaar dat bijv. in artikel 1 der erfpachtsregeling voor Sumatra (Staatsblad 1874 n0. 94/') sprake is van het »ontginningsrecAlt;quot; der inheemsche bevolking.
Voorts heeft het nimmer een punl van twijfel uitgemaakt of uit individueele ontginning wel individueele rechten voortvloeien. Als vaststaande is te allen tijde aangenomen dal overal in ons insulair gebied de ontginning van woesten grond het erfelijk individueel bezitsrecht op dien grond voor den ontginner doet geboren worden. Dal dit recht niet onder alle omstandigheden door den houder wordt gehandhaafd, doel aan de zaak, aan hel principe, niets af.
Is die meening nu onjuist gebleken?
In geenen deele; hare onjuistheid is volstrekt niet aangetoond, terwijl menige enquête nopens de rechten op den grond van de inheemsche bevolking hier le lande de bevestiging van voormelde meening beval, ook waar men mei zuiver
49
coiumunale toestanden te doen heeft, want ook daar wordl de ontginner erfelijk individueel bezitter.
Evenmin als de ontginnings-ordonnantie van 1874 aan de Inlaudsche bevolking het recht tot ontginning van Staatsdomein toekent, verleent zij het recht van erfelijk individueel gebruik op den ontgonnen grond.
De ontginner is erfelijk individueel bezitter â zoo stond in artikel 7 te lezen; â van afstand of uitgifte van gemeld grondrecht was geen sprake; de geheele ordonnantie regelde slechts de toepassing van een in de volksinstellingen wortelend gebruik hetwelk, door ons als een recht der Inlandsche bevolking is erkend, terwijl de gevolgen van die loepassing, de aanspraken van den ontginner op den door hem aan den landbouw dienstbaar gemaakten grond mede door diezelfde volksinstellingen worden bepaald.
Vergl. in verhand met het vorenstaande de circulaire in Bijblad n0. 4911, opgenomen onder Bijlage VH.
4
80
|
Artikel 6. Het door de vergunning verkregen recht lol ontginning lean alleen aan Inlanders worden overgedragen. |
Artikel 6. (1) De vergunning tot ontginning lean niet aan anderen worden overgedragen. |
|
Wanneer dit recht, hetzij door overdracht, hetzij door erfopvolging overgaat, is de rechtverkrijgende verplicht binnen één maand na den overgang, op verbeurte eener geldboete van één tot tien gulden, daarvan kennis te geven aan het dorpshoofd, die het mededeelt aan het districtshoofd ter opneming in diens register. 17. Overdracht der In afwijking van de vroegere regeling, welke het door de vergunning. vergunning verkregen recht tot ontginning vatbaar verklaarde voor overdracht doch alleen aan Inlanders, vermits ook alleen Inlanders het eigendomtnelijke ontginningsrecht kunnen uitoefenen, is bedoelde overdracht thans geheel uilgesloten, met dien verstande echter dat bij overlijden van den aanvrager zijne erfgenamen, zonder nadere vergunning, de ontginning mogen voortzetten. Die erfgenamen kunnen derhalve gebruik maken van de aan den aanvrager verleende vergunning, waaruit echter volgt dat ook zij, de ontginning voortzettende, dit J)ehooren ^ te doen met inachtneming der aan die vergunning verbonden voorwaarden. Daargelaten, dal het toezicht op clandestiene ontginningen vergemakkelijkt wordt door de beitaling dat, hij het leven Tot hetzelfde doel geeft deze van den overgang kennis aan hel Hoofd van gewestelijk of dal van plaatselijk bestuur, indien deze de vergunning hebben verleend. |
(2) Bij overlijden van den aanvrager mogen zijne erfgenamen de ontginning voortzetten. |
KI
van den aanvrager, de aan dezen verleende vergunning niet kan worden overgedragen, is die liepaling in het leven geroepen omdat de onlginnings-ordonnantie wel ten doel heelt om den Inlander de gelegenheid te openen oin het landbouwbedrijf uit te oefenen ten einde in zijn levensonderhoud te voorzien, maar niet om hem het middel te geven om in grondaanvragen te speculeeren, wat allicht door toelating van de overdracht, zij 't ook enkel aan Inlanders, zou kunnen worden in de hand gewerkt, terwijl zoodoende tevens de laak der bestuursambtenaren, die immers elke grondaan-vraag moeten onderzoeken, nutteloos zou kunnen worden verzwaard.
Opmerking verdient overigens nog, dat de bepaling niet meer spreekt van het door de vergunning verkregen recht tol ontginning, en zulks wijl dat recht van oudsher bestaat eu niet verkregen wordt door de vergunning, welke slechts de bevoegdheid geeft om het ontginningsrecht onder zekere conditiën op een bepaald stuk grond ten uitvoer te leggen.
82
|
Artikel 8. Ontginning van grond zonder vergunning wordt gestraft met len arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van één tol vier weken. |
Abtikel 7. (1) Ontginning van grond zonder vergunning wordt gestraft mei ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van zeven dagen tot één maand. (2) De onwettig ontgonnen grond mag niet verder worden bearbeid of benut zonder de vergunning, bedoeld in artikel i dezer ordonnantie. |
18. Straf op clan- De in 1874 gestelde slraf op onwettige ontginning is niet destiene ontginning. verzwaard. Wol is er aan gedacht om dergelijke ontginning
met strengere straffen te bedreigen, omdat in weerwil van de gestelde straf telken jare een groot aantal clandestiene ontginningen werd geconstateerd, doch voorshands is er de voorkeur aan gegeven om door eene hetere regeling, welke een scherper toezicht mogelijk maakt, er naar te streven dat zoo min mogelijk overtreders aan de, op zich zelf zwaar genoeg geoordeelde, straf ontkomen.
Behalve de straf van ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van zeven dagen tot één maand, risqueert de overtreder toch dat hem het genot van den grond wordt ontnomen, tenzij aanleiding gevonden wordt om de clandestiene ontginning te wettigen, waartoe de slotwoorden van artikel 7 aan de in artikel 3 genoemde autoriteiten de bevoegdheid geven.
S3
|
AnTiKEL 9. Onder Inlanders worden in deze verordening niel verslaan de met hen gelijkgeslelden. Artikel 11. Deze ordonnantie treedt in werking op i Juli 1874. |
Abtikel 8. Onder Inlanders worden in deze ordonnantie niel verslaan de mei hen gelijkgestelden. Artikel 9. Alle op deze ordonnantie heirekking hebbende of op den voel daarvan op te maken geschriften zijn vrij van zegel. Ten tweede: Deze ordonnantie treedt in werking op 1 Juli i890. |
Deze artikelen vereisclien geene toclicliting.
-
_____
BIJLAGEN.
Bijlage 1.
ORDONNANTIE van 20 Februari 1896 (Staatsblad nquot;. 44). Herziening der regelen omtrent de Inlandsehe grondontginningen op Java en Madoera.
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEÃR-GENEKAAL VAN NEDERLANDSCH INÃIÃ.
Den Raad van Nederlandsch-hidic gehoord:
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, Saluut!
doel te welen:
Dat Hij, het wenschelljk achtende [de ingevolge § 1 van het Koninklijk hesluit van 3 Decemher 1873 n0. 19 (Indisch Staatsblad 1874 n0. 78) voor Java en Madoera gestelde regelen omtrent hel recht der Inlanders om gronden, deel uitmakende van hel Staatsdomein en niet als gemeene weide ol' uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen hehoorende, te ontginnen, door andere bepalingen te vervangen;
Lettende op de [artikelen 20, 29, 31 en 33 van het Reglement op hel beleid der Regeering van Nedetiandsch-Indté;
Heeft goedgevonden en verslaan.
Eerslelijk: Met intrekking van de ordonnantie van 7 Maart 1874 (Staatsblad n0. 79), te bepalen als volgt:
88
Artikel 1.
Voor hot ontginnen door Inlanders van grond, deel uitmakende van liet Slaatsdomein en niet ais gemeene weide ol uit eonigeu anderen hoofde lot de dorpen behoorende, wordt eene door het bestuur te verleenen vergunning vereischt.
Artikel 2.
(1) Onder gemeene weide wordt verslaan de grond, welke tot weideplaats voor hel uitsluitend gebruik van een ol' meer dorpen is afgezonderd.
(2) Onder grond, uil anderen hoofde tol de dorpen behoorende, worden verslaan de door Inlanders voor eigen gebruik ontgonnen en niet kennelijk verlaten, zoomede de door hen of anderen met eenig persoonlijk of zakelijk recht bezeten gronden; de wegen, waterleidingen en waterreservoirs, die ten lasle van de dorpen zijn; gewijde gronden; begraafplaatsen; de erven der moskeeën en alle binnen de kom der dorpen gelegen pleinen en andere openbare plaatsen.
(3) Ingeval verschil ol' onzekerheid bestaat ten aanzien van de vraag of eenig stuk grond behoort tot de gronden, in de vorige alinea's bedoeld, heslist het Hoofd van gewestelijk bestuur, nadat het dorp in zijn belang is gehoord en na plaatselijk onderzoek.
Artikel 3.
(1) De vergunning tol ontginning wordt schriftelijk verleend:
n. door hel districtshoofd, wanneer de aangevraagde grond, onmiddellijk grenzende aan reeds door de bevolking bezeten grond, geen grootere uilgcstrektheid beeft dan dén houw en niet begroeid is met opgaand geboomte;
h. door het Hoofd van plaatselijk bestuur in alle andere gevallen.
(2) Zij kan geweigerd worden op grond dat de belangen van den Lande of van derden dit vereischen.
(3) Bij weigering der vergunning is hooger beroep toegelaten, in het geval sub a op het Hoofd van plaatselijk bestuur, en in dat sub b op hel Hoofd van gewestelijk bestuur, welke bestuurshoofden in hoogste ressort beslissen.
69
Artikel 4.
(1) De vergunning wordt verleend onder voorwaarde;
a. dal de ontginning zij volhraclil binnen den in hel vergunningsbewijs vermelden termijn;
b. dal de grond, alvorens met de toegestane onlginning een aanvang wordt gemaakt, op de voornaamste hoekpunten door duurzame grensleekenen worde afgebakend;
c. dal bij hellend terrein, zoo er gevaar bestaat voor afspoeling van de bouwkruin, de aanleg terrasgewijs geschiede;
en voorts onder zoodanige voorwaarden als plaatselijke omstandigheden wenschelijk maken.
(2) Van het bepaalde sub c kan worden afgeweken ten opzichte van terreinen, waar, ter beoordeeiing van de Hoofden van gewestelijk bestuur, legen hel aanleggen van lerrassrn, in verband met den aard van den grond, overwegend bezwaar beslaat.
(3) Behalve van die sub a, wordt ook van de overige aan de vergunning tol ontginning verbonden voorwaarden melding gemaakt in het vergunningsbewijs.
Artikel 5.
(1) Zoodra, blijkens een daaromtrent in te stellen onderzoek, is voldaan aan alle voorwaarden, bij de vergunning gesteld, is de ont-ginner erfelijk individueel bezitter van den door liem onIgonnen grond.
(2) Is aan een of meer der bij de vergunning gestelde voorwaarden niet voldaan, dan kan het Hoofd van plaatselijk bestuur de vergunning intrekken.
Artikel 6.
(1) De vergunning tol ontginning kan niet aan anderen worden overgedragen.
(2) Bij overlijden van den aanvrager mogen zijne erfgenamen de ontginning voortzetten.
Artikel 7.
(1) Ontginning van grond zonder vergunning wordt gestraft met lenarbeidslelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van teven dagen lol één maand.
60
(2) De onwettig onlgonneii grond mag niel verder worden hearlicid ol' benul zonder de vergunning, bedoeld in artikel 1 dezer ordonnantie.
Artikel 8.
Onder Inlanders worden in deze ordonnantie niet verstaan de met hen gelijkgestelden.
Artikel 9.
Alle op deze ordonnantie iietrekking hebbende of op den voet daarvan op te maken geschriften zijn vrij van zegel.
Ten tweede: Deze ordonnantie treedt in werking op 1 Juli 1896.
En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, zal deze in het Staatsblad van NederImdsch-lndië geplaatst en, voor zooveel noodig, in de Inlandsche en Chineesche talen aangeplakt worden.
Gelast en beveelt voorts, dat alle hooge en lage Colleges en Ambtenaren, Officieren en Justicieren, ieder voor zooveel hem aangaat, aan de stipte naleving dezer de hand zullen houden, zonder oogluiking of aanzien des persoons.
Gedaan te Buitenzorg, den üG8quot;quot;1 Februari 1896.
VAN DEIl WIJCK.
De Alyemeetie Secretaris, A. I). H. HEitINGA.
Uilgcgeven den tweeden Maart 1896.
De Algemeene Secretaris,
A. D. H. HERINGA.
lilJLACiE II.
VOORSCHRIFTEN O tot uitvoering der ordonnantie in Staatsblad 1896 n0. W (Bijblad n0. 508Ã).
§ i.
(1) üe aanvraag om vergunning lol onlginning kan mondeling of schrilielijk zoowol lot hel heirokken dorpshoofd als lol he! onderdislricls- ol' dislriclshoofd worden gerichl.
(2) De dorpshoofden zijn verplichl de hij hen ingekomen aanvragen op den eerslvolgenden rapporldag voor le brengen hij hel onderdisU'iclshoofd, dat gehouden is alle le zijner kennis gekomen aanvragen aan hel dislriclshoofd mede te deelen op den eerslvolgenden le diens huize gehouden rapporldag.
(3) Het districtshoofd hoekt alle aanvragen in een dessa'sgewijze aan le leggen register, ingericht overeenkomstig hel aan dit hesluit gehecht model.
§ 2.
(1) Het Hoofd van plaatselijk bestuur benoemt voor elk onderdistrict Wn of meer permanente commissien, helast met het onderzoek der aanvragen.
(2) De werkzaamheden van die commissien worden door bet districtshoofd geregeld, in overleg met den betrokken Controleur of Adspirant-Controleur bij het Binnenlandsch Bestuur.
§ 3.
(1) Na afloop van het hij de vorige paragraaf bedoeld onderzoek, worden de aanvragen, waarop ingevolge artikel 3, sub b, van voor-
(') Vastgesteld bij artikel 2 van het besluit van 29 Februari 1896 n0. 2.
62
melde ordonnantie door het Hoofd van plaatselijk bestuur behoort te worden beschikt, bij voorstelslaat van hel districtshoofd, ingediend door tusschenkomst van den Regent, die mede op dien staat van zijn gevoelen doet blijken.
(2) Hel Hoofd van plaatselijk bestuur zendt bedoelden voorstelslaat, voorzien van zijne beschikking en vergezeld van de c. q. door hem verleende vergunningen lot ontginning, door lusschenkomst van den Regent, aan het districtshoofd terug.
(3) Zoowel van de door hem zelf genomen beschikkingen als van die van hel Hoofd van plaatselijk bestuur, wordt door het districtshoofd aauteekening gehouden in het bij het 3C lid van § 1 bedoelde register.
§ 4.
De bewijzen van vergunning tot ontginning worden in de landstaal opgemaakt, overeenkomstig het mede aan dit besluit gehecht model.
§ 8.
(1) Telken jare wordt, zoo mogelijk in de maanden April en October, door de bij § 2 bedoelde comniissién een onderzoek ingesteld naar den staat der ontginningen, voor welke de toegestane termijnen van ontginning in bel afgeloopen semester zijn verstreken.
(2) Is aan de bij de vergunning gestelde voorwaarden naar behooren voldaan, dan wordt door hel districtshoofd op het vergunningsbewijs en in zijn ontginningsregislor daarvan aauteekening gehouden.
§ 6.
(1) Blijkt aan een of meer der bij de vergunning gestelde voorwaarden niet naar behooren te zijn voldaan, dan wordt hel betrekkelijke vergunningsbewijs bij eenvoudigen geleideslaat, waarop door het districtshoofd de tekortkomingen van den ontginner zijn aange-teekend, op de hooger aangegeven wijze aangeboden aan het Floofd van plaatselijk bestuur.
65
(2) Dal bestuurshoofd kan de verleende verfrunning intrekken. Maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan kan hij de vergunning voor hel geheel oi' een gedeelte van den begeerden grond door eene nieuwe vergunning, zoo noodig onder gewijzigde voorwaarden, vervangen of dil aan het districtshoofd overlaten ingeval de grond behoort lot die, vermeld in artikel 3, sub a, der voorschreven ordonnantie.
(3) Voor de nieuwe vergunning gelden verder na. m. de voorschriften, vermeld in § 3, sub 2 en 3, en de §§ 4 en 5.
(4) De ingetrokken vergunningsbewijzen worden vernietigd.
§ ?â¢
(1) De Controleurs en Adspirant-Controleurs hij het Binnenlandsch Bestuur zijn verplicht op hunne dienstreizen zich te vergewissen van de goede naleving door het Inlandsch besluur van de bepalingen der ontginnings-ordonnanlie en de bij dit besluit gegeven Voorschriften.
(2) Zij zijn mede inzonderheid belast met het toezicht op de richtige bijhouding van het ontginningsregister en zorgen dat dit register hij verwisseling van districtshoofden aan den nieuwen titularis wordt overgedragen.
(3) Van die overdracht wordt proces-verbaal opgemaakt, waarvan één exemplaar aan hel Hoofd van plaatselijk bestuur wordt aangeboden.
§ 8.
fl) De nopens de werking der ordonnantie in te dienen periodieken worden door den Directeur van Binnenlandsch Besluur vastgesteld.
(2) Het Hoofd van gewestelijk bestuur voorziet de districts- en ondcrdistrictshoofden van een in de Maleische taal overgebracht exemplaar der eerste zeven paragrafen dezer Voorschriften.
â â â .....
....... : â
:' â â â ' i 1 â ' ⢠i
,. â , â ⢠. â . , â â¢
..... . â , â â
......... .... ..... ..â . ..
â .
SiljiPM^
â â ⢠â â â â â ,',.â -â â â â â â â¢â â â ...... â
...
â¢, â
â
,i
.....,â .......
'
.........
. ... .... .. .
â
â â ' m
1
â
6S
iklLAGE III.
MODEL-BEWIJS van vergunning tot ontginning van grond. M
REGENTSCHAP......................................ONDERDISTRICT ....
DISTRICT..............................................DESSA.............
Naam (ook dien als kind gevoerd) en woonplaals van den aanvrager.
Doel waarvoor de grond wordt aangevraagd.
Aanduiding van de ligging van den grond.
üilgcslrektlieid van den grond.
Do vergunning is verleend onder voorwaarde: 1. dat de ontginning zij volbracht binnen . ...
2. dat, vóór de ontginning, de grond zal worden afgebakend door middel van (').
(') Slccnhoopen, bepaalde boomsoorlen e. tl., te omsclinjven.
66
3. dat de aanleg lerrasgewijze zal geschieden C).
4. dat (J)
..den ........... 189..
A ssislen l-Resident Wedono '
De
De vergunning is, overeenkomstig de gestelde voorwaarden, volbracht op eene uitgestrektheid grond van..................
............... den ............189..
De Wedono,
(') Door le lialen bij locpassing van het 2C lid van artikel 4 der ordonmnlie in Staatsblad 1U9611°. 44. {') Zoo noodig kunnen nog andere voorwaarden worden gesteld.
Sociidaasche vertaling.
lt;-1 u /
jj i j gt;; asi] gt;1} u t (i:tj inn Ka-Jj mn ) a n ihï ^
cv
mn auj art /yj asti ito jj .......
Q Q
................
Q O
(ujt^ IHÃ ^
........
O Q Q /
O/
KI,
(in KI (K| (HJj| OJÃj Knu (UI tM (CT1 Cl in It) IHÃ
icï|Otj(jtin ij (Hi
Q CX O (101 (KJ) (KI M t
L Q
^(BTI (ISÃl (KI ^ 0 âAïj Tf) (Kt) IJl «j Hill (KI ÃJ) (KI jj t
- o/
(KÃ1 dSTIl Tl (in (Hl -Jl (Hl ^ KI C^dsn ICTII (10
c^rm MI isti (Hi
Q Q O Q i»CV . Q
(UI (IJl UlTll H] (U IJl (IK IJl (IK (IK a/Ul (HIJ :
, o 1 ao
1 ⢠(ü 0| (HUI (Hl (K1)l (KI ^ Htj ilJj (KJ) Ij U (101 (IK KI 1
â OQQQQ OO Q Cl Q
2. 114 «j (fcfi «j (tii ^ mi c, asm (Km ihï ^ ooi (tJi cm ct (uji (hi (0|(Km \ ui asm (Kj ir,in u inqao] xji w» quot;ïi
O /n ^
(urn (Ki iKiJi ) .................... ...................
(') Disetioelkan: tueiiipoekan lialoe, pohon kajoe apa, oetawa landa lain lain.
lih
T ü ' /U
.1. ^hlll iuiliiu ^iTj(U|0«j:jJI«jllUll^lKl| (
4. (2)
asm nin «ut«
f Q Q
(3 ^n.(ui _^iij fMrj (ui nrw. «j ui atijj
171 (U 1K1
^ (J / CV . Q
Tri 'Mi -A cj rj mm o| tui Ki (M iism 'Mj ij mi iu (KJi uij'jji ojri dfl up, if; iuji iu| gt; ooiïi an k|
Kin nm lïvnj
O 101 «1
IF; M 6 -Aftiin
aj
(') lni dilioenocli djikaloc lida oesah di Jiikin ainliallan (songkeddan, andan-andan). (2) Djikaloe ada pcrdjangdjian lagi, diseboetkan disini.
(gt;9
lavnaiisclic vcrlaliiiK.
U nj} (vin afh aa /} urn £) nm ooi /) «ajj lt;amp;) w
.M'
tun luy ajt rj /isn (Hijj
i^rji .....
CV O O
(Uj tp aj} quot;^yi
(rj (ia (tJi ... ⢠â¢
q a fhJ} idJt run
Q Q
sum Tl ï) on m (Ui j «111 (oni) tui «1 -jïi «1 mi i \ ;)
;ïlj lUj (KI JÃI (I,C1 (Kljj â
(CTi (I/ui iri ij Kjimi annm013(M
HtjlCKKJlKj^V
rj^iH yui'i (kij 01 Min afin jïi m
«inn (ïïj ^aji'Mi ^ Kj urn o|o \
| ||||||
|
ia «ui quot;im dn ij»i 10 (Ki ciji iiaji mi (-ji ok rïin iaji «1 a: (Hl, ^ lt;Sgt; c.Jl , O QO Q . O 1 â ui eji 01 n 'j;iii 01 (jj (til a-A'in (O âJIM jk m Tn mm «) («O G)J\ |
. oa O- O QOüQOO/Q,
-!⢠wi iiq Ti tl in 111 mi aïiii jin (til 13 iKiii (isTi (ïi wi -aoi 01 (Eji a-iuui asm cniiünofvn ;
J )\ V) O i J G) '
('j Ãisclioelkan: locuiitoekkan lialoc, pohon kajoe apa, oelawa (anda lain lain.
70
3. in a^nnn ^iflUüiiii Minui (Kin (ajuirmiiiHi^iiii miiiii imil) \ (') CJ I «i «u c-H CJ CJ a
4. I1)
aswi nm ïtn -Ji . ⢠............189
kïj w^iij (Hi cm ij o (Kijj \
o
(UUXIMI \
O Q . / OO Q , Q . Q
IJl (O ICT1 dl (Kil O (JJI (!J1 â11 Wl (ISÃ1 (Uil (KI (Kin (UI ~J] 1 (IJl (IK Oïl IflJl (KI 1 \ (UT (UI dl KIKÃI (Uldll .... C9 I ku ui J rf ^ c-l ai 1(3
, Q Q
(unwi -Am ;iji an (Ki tmn
...................(Kin a/Ti (in ^ji..............189
(KI \
oia
(') Ini diboenoeh djikaloe tidn oesah diliikin amhallan (sengkeddan, andan-andan). (3) Djikaloe ada |icrdjaiidjian lagi, diseboelkan disini.
71
Madoereesche vertaling.
IjvjiKni t? vj fiiv ~jn t?) run 'quot;gt;7 ti n ^Jtr^ * ) w
.NS
(UT) r,^ OJl (TJ 0571 (H1JI Q Q
aj) ........
crv o o
uj^ (Hi a~J) Mnjj
a
xa (ui
ïj !M inj on j ^ tj (um i au -in om ie (a^nm juj
Q \
mi) til «I am ^ kïi ) \
Ct^ a
dim oi lt;| hu j n| (um mi fKn %
quot;1
(iin (u \
o
O] lï) (EU fl «t »1 TH O CT ij Tl } üj (U*l «ïl OfV) Ol
(Kin nSmno(kikÃi hi(tnMloim(eji \
dJ\
/
tj i*u annfi oi ij f ji \
l^ïf-
d
q » q cv Q (ui tj «i dj (um ia (ui fiK a^uui ju
1 O- a
| ui ui (Kti quot;ï k ui oi w _AOj «j (eji (ai «j a^iKn ui a/ui ij 1*1 aoi L^iOjj
/ o o
, KMnsm ...
®ö.9 -(it,
l'Kiii (tj (Ui mi «in m: (wiimnnjiiKiifcJi ij(Hgt;*iiiKi ^iniioKMiÃiniKJi j|.(c:iq(i)(EJi(f-j| «jfkJijqun cv q
o Ti ikïi cin (Ki|; ( )
(') Disoboelkan: loempoekkan ba loc, |iiihiiii kajoe apa, oetawa limda laiii-lain,
72
|
O / 1 (Kin ijïi on iïhi i (ui (Kin ui: |
I I ^ til !ii;u tim urn aim -Ui int (Kt (GJ CJ O Jll Oil (KI 11 \ CJ «Jl |
O /
jKatdiv) i ii -Ji ^ui«onTi:
ih
icti mn «in it............. 1H9
aZJl
6 -A(kJ| Al| M Otj (Hl (UW. tj Wl (Kl| Ol «XI (KI
O Q / Q
| (UT1 Ol (IJl -^t-lUKI «j (Ã1 _J1 ï au -AdOl dlUI (Hl 'Ij KI 3 Ij 1111 ISTIJ lH IK Kt 1IUI tj (KI JWÃI Ilj 'UI i KI
fM oiiï) (bin -jm a«i kti (Mj| \ tj «ui oi ki t] (i.ji in ui;
'jv | (
......icti nm iuih j ........... ⢠189
O
n
(CXI 0X1 (KI
Ini diboenoeli tljikaloe tida ocsali (iibikin amballan (sengked, amlan-nmlan). l)jik:ilii(' ada [tenljaiidjian lagi, discboelkan disini.
73
Bi.i lags IV.
Regentschap.
District.....
Onderdk'trict Dessa.......
MODEL-REGISTER van aanvragen om vergunning tot ontginning van grond.
74
DESSA
Iteschikking (niet opgave door wien).
loc- of
Omschrijving van
Doel, waarvoor de grond werd aangevraagd.
Uil strek
Afwijzing.
Nanm (ook dien als kind gevoerd).
Aanvrager.
Aanduiding van de ligging van den grond.
75
|
Bijzondere voorwaarden (andere dan die vermeld sul) b en c van artikel 4 in Staal sl)lad 1896 n». 44. |
Uitgestrektheid waarover de ont- ginner erf. individueel bezitter is geworden. van i|. loc- ol' afwijzende licscliikkinf!. Termijn voor de ontginning gesteld. Uilge-slreklheid. |
Byzon derheden. (Vertnelding van de redenen van weigering der vergunning, van de intrekking der vergunning met verwijzing naar het nummer der eventueel verleende nieuwe vergunning, e. d.). |
77
Kaboepaten .
District.....
Onderdistrict Desa------ â
DAFTAR PERMINTAAN IDIN BOEKA TANAH.
78
DESA
Kalrangai poeloes
Jaug minla idin.
Poetocssannja.
|
Namiinja (dan namanja koclika misih anak). Tanggal boelannja poeloessan. s a O S5 |
.lang kasih 1 , , , .. j Jang loelak. ulin. |
Itoe lanah di minla boowal apa, |
Kalrangan pcrnalinja dan wales-watesnja lanah. |
1
79
|
Dikasili tempo bcrapa lamanja aken menghabis-ken peniboc-kanja lanali. |
Perdjandjian Iain-lain (lain dari jane; terscboet bab b dan c (II dalcin falsal 4 Staatsblad 1890 nquot;. 44). |
Lebarnja tanab jang socdab djadi jasannja orang jang bouka. anpai pocloessan. i lan ;iija Lebarnja. Baoe. Toembak pesagi. |
Disinl di scboelken: djikaloe di toelak apa sebabnja; djikaloe soerat idin di larik kombali scrta di kasib idin la^i, apa nommernja soerat idin baroe; dan sebaginja. |
I
Bijlage V.
WENKEN omtrent het aanleggen van terrassen. Cireulaire van den Directeur van Binnenlandseli Bestuur van 21 Februari 1876 n0. 1814 (Bijblad nquot;. 2963).
Bij artikel 5 der ontginnings-ordoiinanlie, Staatsblad 1874 n0. TQC), is onder de voorwaarden, waarop liet recht tot ontginnen wordt verleend, in de derde plaats genoemd:
«dat bij hellend terrein, zoo er gevaar bestaat voor afspoeling van de bouwkruin, de aanleg geschiede terrasgewijze, en voorts onder zoodanige voorwaarden als plaatselijke omstandigheden wenschelijk makenquot;.
Dit voorschrift wordt slechts bij uitzondering nageleefd. Nu eens heet het dat het handhaven daarvan de krachten der besturende en controleerende ambtenaren te boven gaat; dan weder wordt gewaagd van onwil of onvermogen der bevolking; ja zelfs heeft men den tragen voortgang dezer deugdelijke ontginningswijze geweten aan het gemis van gedrukte ontginningsbewijzen.
Slechts bij uitzondering zijn tegen het voorschrift ernstige bezwaren geopperd.
Nu schaadt niets het gezag meer dan het moedwillig of oogluikend verwaarloozen van verordeningen, die in wettigen vorm zijn afgekondigd. Bestaan er bezwaren van overwegend belang tegen de toepassing, dan dient men die ter kennis van de Regeering te brengen. Dit na te laten is plichtsverzuim.
Het aanleggen van terrassen op hellende gronden is onvermijdelijk, wil men zich hel behoud van de bouwkruin verzekeren; elke nieuwe ontginning moet eene vermeerdering van den nationalcn rijkdom zijn, in stede van dien te verminderen. Bovendien, naar
(') Zie artikel 4 der nieuwe ontginnings-ordonnanlie in Staatsblad 1896 n0.44.
6
82
mate de Inlander op degelijker wijze ontgint, erlangt zijn bezit meer waarde, wordt er minder Staatsdomein in beslag genomen en blijft er dus meer over voor de kofliccultuur en de Europeescbe nijverheid, die wederom op bare beurt nieuwe bronnen van welvaart openen. Meent men, dat, spoelt al de bouwkruin weg, de verweering der rotsgesteenten gestadig voortscbrljdt, en zoodoende bet evenwicbt bewaard wordt, men vergete niet dat de slordige en roekelooze wijze van bebouwing in één dag meer verkwist dan de natuur in Jaren opgaart.
Er is zacbt golvend terrein, waar, betgeen de hoogste gedeelten verliezen, den laagsten ten goede komt; maar zondert men zulke gronden uil, dan mag worden aangenomen dat er overal gevaar voor afspoeling van de bouwkruin bestaat, waar het te ontginnen terrein eene doorloopende helling heeft, 't zij dat die flauw of steil is. Is de noodzakelijkheid van lerrasgewijzen aanleg in het eerste geval minder groot, die aanleg vordert dan ook daar minder moeite en arbeid.
Dat bij goede controle het voorschrift dan ook niet onuitvoerbaar is, bewijst de regeling der kofllecultuur in de Preanger-Hegentscbappen (Bijblad n0. 2738), waarbij o. a. is bepaald, dat overdracht en afstand van tuinen kan geschieden op voorwaarde dat, waar de grond bellende is, en vrees voor afspoeling van de bouwkruin bestaat, geleidelijk terrassen worden aangelegd. Dit voorschrift nu wordt behoorlijk nageleefd.
Maar ik wil toegeven dal velen bij den aanleg van terrassen voorlichting noodig hebben; doch de Europeescbe ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur zijn daar om die te geven. Zij zei ven kunnen haar putten uit de beschrijving, die voorkomt in de Handleiding voor de Gouvernemenfs ho/fiecultuur, en uit eene bijzondere Handleiding voor den aanleg van terrassen, door de N. I. Maatschappij van Nijverheid en Landbouw uitgegeven, en van Begeeringswege verspreid. Eene vertaling er van in bel Soendaasch is op landskoslen gedrukt en op de Inlandsche scholen en onder do hoofden verspreid. Hetzelfde zal geschieden met eene Javaanscbe overzetting, die voor den druk gereed ligt.
In afwachting eener algemeene verspreiding dier werkjes kunnen de Europeescbe ambtenaren de Inlandsche ambtenaren en hoofden, zoo noodig, onderrichten omtrent hel doel en de eischen van terras-
83
gewijzen aanleg, en evenals bij de rijstcultuur, za! de goede uitslag ook hier afhankelijk zijn van ijverige en beleidvolle bemoeienis, die het geven van voorbeelden insluit.
Ook die landbouwers, welke ontginningsrechten uitoefenen, die van vóór dc ordonnantie dagteekenen, en tegenover wie dus slechts van overreding sprake kan zijn, Iracbte men tot een beteren aanleg van hunne gronden te bewegen.
Ten slotte laat ik hier eenige wenken volgen die, naar de ervaring geleerd heeft, bij het bestudeeren van de handleiding, niet overbodig zijn.
Vele ambtenaren hebben, in strijd met hetgeen op hl. 9 der handleiding omschreven is, al dadelijk zeer breede terrassen van 5â6 voeten gevorderd, en voorts eene beplanting der kanten met gras of antanan.
Diepe uitkappingen, tot 3 a 4 voelen, waren daarvan wel eens het gevolg.
Anderen weder lieten zelfs dijkjes maken, en vormden zoodoende sawah's in stede van terrassen.
Op steile hellingen, kan men beginnen met zeer smalle terrassen, die den arbeid aanvankelijk beperken, en in elk volgend jaar gemakkelijk kunnen worden verbreed, door b. v. eerst van 5 terrassen 4, van deze later 3 en zoo voorts te maken, totdat de terrassen elk eene voldoende breedte hebben gewonnen. Ieder Inlander zal die werkwijze begrijpen en zijne vrees voor «zuren grondquot;, zooals hij den ongenoegzaam verweerden ondergrond pleegt te noemen, laten varen.
Door die werkwijze toch staan alle grondlagen behoorlijk bloot aan den invloed van lucht en licht en heeft er eene geleidelijke vermenging plaats.
Waar de terrassen niet breed zijn, en in den regel zullen zij dit op den Inlandschen akker niet zijn, kan men wijders over de geheele lengte van hel terras eene zelfde breedte houden, hetgeen den aanleg vergemakkelijkt. De inkappingen zullen dan slechts weinig verschillen.
Het beplanten der kanten mei yras enz. is niet noodig, alleen in kofïietuinen is het aan te bevelen.
Men Icgge dan slechts 2, 3 ii 4 voet «djadiquot;, d. w. z. de horizontale, niet de verticale projectie.
84
Elk terras wordt dan eenvoudig met een stokje hier en daar nagemeten, en vóór men met een nieuw terras begint, door middel van «tampingenquot; op eene zooveel mogelijk gelijke breedte gebracht.
In de practijk zal dit blijken zeer eenvoudig te zijn en niet boven de krachten ol' bevatting der bevolking te gaan.
Een meermalen opgemerkte fout is het, dat men den ontginner laat beginnen met het omwerken, «patjoelquot;, van het geheele terrein, hem daarna de kluiten laat fijn slaan, om vervolgens het onkruid te vergaren, »kirabquot;, en weg te dragen, en eerst dan den aanleg der terrassen te aanvaarden. Niet alleen wordt het werk hierdoor aanmerkelijk verzwaard, maar men derft ook het voordeel, dat het onkruid als groene bemesting kan aanbieden en vermindert de stevigheid van de terrassen. In de bandleiding is tegen die verkeerde werkwijze gewaarschuwd, maar velen schijnen daarop minder gelet te hebben.
Volgens de voorschriften komt de geheele arbeid neder op: a. het kappen van het struikgewas en hooge onkruid, dat men,
waar reeds veel humus voorhanden is, kan verbranden;
h. het voor de eerste maal spitten »paljoelquot;, met gelijktijdige regeling der kluiten, zoodat ten'asvorming plaats heeft;
c. het klein slaan der kluiten en het «tampingenquot; en eindelijk
d. het iiabarken, gelijk maken en verdeelen van den bouwgrond. Deze werkwijze verschilt schier niet van die, welke men o. a. in
de Preanger altijd gewoon was, en de kosten kunnen dan ook geen bezwaar zijn, tenzij men het oog hebbe op den z. g. gaga-bouw, met:
a. kappen en verbranden van struikgewas en hoog onkruid;
b. uitzaaien met den poolstok.
Deze meest primitieve werkwijze is zeker zeer goedkoop, maar verdient den naaam van «ontginnenquot; niet, schept altbans geen duur-zamen akker en wordt gelukkig, door de bepalingen van het nieuwe boschreglement, ook meer en meer zeldzaam.
Op bladzijde 25 der handleiding, wordt een waterpas-instrument beschreven, waarvan bet gebruik evenwel in geenen deele onmisbaar behoeft geacht te worden.
Om zich echter van te voren reeds van goed waterpas liggende terrassen te verzekeren, verdient de uitzetting van merkteekenen, «adjirsquot;, op verschillende punten van de, op hl. 11 der handleiding bedoelde rijen, «galengansquot;, «palintangsquot;, aanbeveling.
8S
Voordat men het paljoelen en leggen der kluiten begint, kan men op geschikte punten die merkteekenen overzien en valt een verkeerde richting ïn liet oog, zoodat zij dadelijk te herstellen is.
Het leidt geen twijfel, dat een oordeelkundig raadplegen van de handleiding, nevens de gegeven wenken, tot eene gewenschle uitkomst zal leiden en vertrouw ik dan ook op Uwe krachtige njedewerking, om den aanleg van terrassen in Uw gewest zooveel mogelijk te helpen bevorderen.
Van de vertaling der handleiding zullen UwEdG. zoodra mogelijk exemplaren ter verdeeling onder de Inlandsche ambtenaren worden aangeboden.
Bulagk VI.
BESCHOUWINGEN over de afliakcning van liet onvrije Staalsdomein. Circulaire van den Directeur van Binnenlandscli Bestuur van 12 Juni 1888 n0. 3306 (Bijblad n0. 4716).
Zooals bekend is, zijn bij de ordonnantie van 7 Maart 1874 (Staatsblad n0. 79) (') regelen vastgesteld omtrent het reebt dei-Inlanders om gronden, niet als gemeene weide of uit eenigen anderen boofde tot de dorpen behoorende, te ontginnen, met het doel niet alleen om zekerheid te geven uoiiens de rechten uit ontginning geboren, maar ook en vooral om de nadeelen op te heffen, die voortspruiten uit een zoo ver om zich heen grijpenden roolhouw, die meer dan eens de zoo heilzame uitgifte van woeste gronden van landswege in den weg stond.
De ondervinding heeft nochtans geleerd, dat die roofbouw door de ontginnings-ordonnantie niet beperkt is geworden.
In de circulaire van een mijner ambtsvoorgangers, dd. 2 November 1877 n0. 11269 (Bijblad n0. 5279) wordt de oorzaak daarvan toegeschreven, niet zoozeer aan de bepalingen der ontginnings-ordonnantie zelve, als wel aan haar gebrekkige toepassing, omdat, behalve in de gewesten, die statistisch waren opgenomen, nog bijna nergens de aanwijzing of afbakening van de grenzen der dessa's (of, beter gezegd, de grenzen van het onvrij Staalsdomein, daar immers de grenzen van het vrij Staatsdomein samenvallen met die van het dessagebied) had plaats gevonden, welke aanwijzing noodig zou zijn om te weten, waar het vrij Staatsdomein begint.
»De toepassingquot;, zoo luidt het in die circulaire, «van de eerste ⢠bepaling der ordonnantie is echter een onmogelijkheid, wanneer op »het terrein niet een scherpe grenslijn getrokken is tusschen de
(') Lees llians: Staatsblad 1896 n0. 44.
87
â¢gronden, lot hel Slaalsdoniein helioorende en die, waarop door
⢠anderen reeds rechlen worden uilgeoefend; wanneer men dal
⢠vrije Staalsdoiuein niet kent, doordat men niet weet, welke gronden
⢠tot de gemeenten behooren. De aanwijzing en afbakening zoo â¢noodig van deze laatsle gronden moet dus aan de toepassing van »de ordonnantie voorafgaan. Dit nu heeft nog bijna nergens plaats â¢gehad en van daar de onmogelijkheid om te waken voor een juiste
⢠uitvoering der bepalingenquot;.
Daarom werd het noodig geoordeeld onverwijld een aanvang te maken met bet aanwijzen en zoo noodig afbakenen van alle gronden tol de dorpen hehoorende, welke afbakening, blijkens de aangehaalde circulaire, zicli alleen behoefde uit te strekken tol de tegalvelden, lipar's, gaga's en hoema's, aangezien de woonerven, de openbare plaatsen, de gewijde gronden, de sawab's, boomgaarden of tuinen en vischvijvers en de voor gemeene weiden afgezonderde gronden eener dessa van zelf reeds te herkennen waren.
Dienovereenkomstig werd met kracht de hand geslagen aan de afbakening der tegalgronden, zoodat in het Koloniaal Verslag van 1879 reeds kon worden aangeteekend, dal die in de eerste helft van dat jaar was beëindigd.
Het is thans na de ondervinding van een achttal jaren gebleken, dat men bet doel met die afbakening beoogd, geenszins bereikt heeft.
Volgens het oordeel toch van den Ingenieur, belast met de leiding van den kadastralen dienst in Nederlandsch-Indië, is dat werk en de daaraan verbonden opmeting en in kaarl hrenging op onvoldoende wijze, met weinig zorg en dikwijls ook zonder de noodige juistheid uitgevoerd geworden.
Door het Bestuur schijnt veelal weinig meer gedaan te zijn dan aan de Inlandscbe ambtenaren en hoofden te gelasten om door teekens aan te geven lol boever de bevolking de gronden binnen haar dessagebied len eigen gebrnike wenschte le behouden, terwijl dan die aanwijzing plaats vond door het stellen van losse bamboezen bakens of andere kenleekenen van niet blijvenden aard, die spoedig verdwenen, zoodat, al werden die gronden nu ook opgemeten en in kaart gebracht, binnen korten lijd op het terrein niets meer van de afbakening te bespeuren was.
88
Bovendien was men zeer stelselloos le werk gegaan; hier wenl veel grond Itij hel vrij Slaalsdomeiii gevoegd, die eigenlijk geen vrij Staatsdomein zou moeten zijn, omdat die grond hij de hcvolking in gebruik was, en zulks uit vrees dat men landrente zou moeten hetalen voor al de afgebakende velden; daar werd weder voel grond als bij de bevolking in gebruik aangemerkt, die eigenlijk tot het vrij Staatsdomein moest worden gerekend
De geheele afbakening werd buitendien grootendeels afgedaan tusschen de dessahoofden en de mantri's van de statistieke opname, zoodat het voor de hand lag dat er op die wijze niel overal volgens een vast stelsel of dezelfde gedachte gewerkt werd of kon worden.
Alles was voorts met een spoed en gejaagdheid behandeld, waarvan een allertreurigste uitkomst wel het gevolg moest zijn.
De tegenwoordige toestand is dan ook van dien aard, dat al eens aannemende, dat vooreen goede uitvoering der ontginnings-ordonnantie eenige waarde aan die afbakening zou te hechten zijn, men daarmede weder van voren af aan zou moeten beginnen.
De vraag is nu, hoedanig zou moeten worden te werk gegaan om de vroeger begane fouten te vermijden?
Daartoe zon in de eerste plaats noodig wezen de afbakening op zichtbare en blijvende wijze te doen plaats hebben, maar dan ook niet alleen de tegalvelden, doch tevens alle andere gronden der dessa.
Want bij de opvatting, die bij de vroegere afbakening heeft voorgezeten, werd dat werk te omvangrijk. Als Staatsdomein werd toch beschouwd, elk stukje grond, dat tijdens dat werk onbeplant was. Dergelijke stukken grond liggen dikwijls geönclaveerd tusschen de overige gronden der bevolking, en zijn soms niet grooter dan 'Ao baoe, al welke stukjes grond, bij de in kaart brenging elk afzonderlijk moesten worden uitgemeten. Eenvoudiger zou het dus zijn om al de gronden eener dessa een cordon te trekken en de daarbinnen vallende stukjes vrij Staatsdomein prijs te geven aan het toezicht op de ontginning.
De afbakening zou dan moeten geschieden door naar den aard van het terrein op afstanden van ongeveer 300 tol 600 meters als hoofdpunten â welke zooveel mogelijk gelegen zouden moeten zijn op de meest verheven terreingedeelten â goede stcenen pilaren of dikke djatihouten palen te plaatsen, dan wel ter plaatse aanwezige
89
gezonde flinke boonien zoodanig te waarmerken, dal luin beslenuning duidelijk in liet oog vall.
Doch daarbij sluit men al dadelijk op liel bezwaar, dal, wanneer de albakening door de betrokken dessa's zou moeien geschieden, men van baar moeilijk bet stellen van steenen pilaren en djatibouten palen kan vorderen, terwijl, wanneer de daaruit voortvloeiende uitgaven door den Slaat zouden moeten worden gedragen uit overweging dat de afbakening uitsluitend in bet belang van den Staal geschiedt, de kosten een hoogst aanzienlijke geldsom zouden beloopen.
Zou dat een bezwaar zijn tegen de toepassing van dien maatregel, na ernstige overweging hen ik lot het besluit gekomen, dat eon behoorlijke en blijvende afbakening van de gronden, lot de dorpen beboorende, bet zoogenaamde onvrij Slaalsdomein, niet alleen practmch onuitvoerbaar, maar vooral ook voor het beoogde doel onnoodlg is.
Practisch onuilvoerhaar, omdat men niet alleen de pegagans zal moeten afbakenen, maar het gebeele gebied eener dessa, en alle stukjes vrij Staatsdomein, die daarin geënclaveerd liggen tot dat gebied zal moeten rekenen.
Kan nu daartegen geen bezwaar beslaan, wanneer zich dat tot kleine uitgestrektheden bepaalt, veelal zal dal ondoenlijk blijken, wanneer men al het onvrij Slaalsdomein, dat tol bet gebied eener dessa behoort, in Wn kring wil samentrekken. Vele dessa's beslaan toch uit 2, 4, 6, 8 en meer kleine gehuchten, die dikwijls zeer ver van elkander liggen, en veelal zijn de pegagans bovendien ver verwijderd van hel centrum der dessa of van het gehucht, d. w. z. van het aaneengesloten groote complex van erven, sawah's, tuinen enz., zoodal men groote stukken (soms meerdere vierkante palen) Staatsdomein hij hel dessagehied zou moeten voegen om een aaneengesloten complex te krijgen. Er zou dus in de meeste gevallen meer grond aan het Slaatstoezicht worden onttrokken dan noodig is, en daarvan kan natuurlijk geen sprake zijn.
Nu zou men, ten einde die moeilijkheid te voorkomen, wel kunnen bepalen, dat bij elke dessa en bij elk gehucht een uitgestrektheid grond zal worden gevoegd in verband lot haar behoefte aan uitbreiding, maar het is niet alleen niet mogelijk om vóóruit die behoefte te bepalen, doch ook niet om de gronden aan te wijzen, welke aan die behoefte zullen voldoen.
90
üc Inlander zal zich l)ij zijn behoefte aan ontginning volstrekt niet storen aan de aangewezen gronden. Hij zal toch bij voorkeur de plekken uitkiezen, die hem door omstandigheden het hest zullen bevallen. En die omstandigheden zijn niet vóóruit bekend.
Doch ook, al kon men die omstandigheden eenigszins nagaan, dan nog zou het ondoenlijk blijken om vóóruit te zien in welke mate, gedurende welk tijdsverloop en zelfs in welke richtiug een gemeente zich zal uitbreiden.
Ook kan zich het geval voordoen, dat de grenzen voor de uitbreiding te ruim worden gesteld, en dat dus zonder nul een groote uilgestrektheid gronds aan hel vrij Staatsdomein wordt onttrokken, waarover de particuliere nijverheid zou kunnen beschikken.
Een ander bezwaar legen de uitvoerbaarheid der afbakening ligt in de moeilijkheid om, wanneer zij eenmaal in kaart is gebracht, de kaarten behoorlijk bij te houden. En zonder die bijhouding zouden reeds na verloop van enkele jaren de kaarten niels geen waarde meer hebben.
Want neemt men het jaar 1886 tot grondslag, waarin door het kadaster hel belangrijk aanlal van 4442 nieuwe ontginningen werden opgemeten, terwijl er gemiddeld jaarlijks 22700 nieuwe ontginningen plaats hebben, dan kan men uit die cijfers reeds afleiden, hoe de toestand der kaarten over eenige jaren zou zijn, om daarmede lot de treurige ervaring te komen ook nu wederom vergeefsch werk te hebben verricht.
Maar aangenomen ook al, dal de hierboven door mij uiteengezelte bezwaren niet bestonden, en dal dus de afbakening wel uilvoerbaar zou blijken te zijn, dan nog ben ik van oordeel, dal zij voor een goede toepassing der ontginnings-ordonnantie niet nooilig is.
Er zijn toch, behalve die, welke met eenigen tilel worden bezeten, slechts twee soorten van gronden, die afscheiding zouden behoeven, namelijk:
a. gronden, als gemeene weide of uil eenigen anderen hoofde tol
de dorpen behoorende, hel onvrij, en h. alle andere gronden, uitmakende het vrij Staatsdomein.
Tol de eerste categorie behooren: woonerven, dorpswegen, gewijde gronden, begraafplaatsen, erven van moskeen en alle binnen de kom der gemeente gelegen pleinen en openbare plaatsen.
91
Die gronden zijn alle zonder eenig bezwaar te herkennen, zooals ook de reeds aangehaalde circulaire van 2 Novemher 1877 n0. ir269 erkent, en behoeven dus niet meer afgebakend te worden.
Hetzelfde kan gezegd worden van de door de inlanders ontgonnen gronden, die, hetzij ze al dan niet kunstmatig geïrriteerd worden, voortdurend bij ben in bebouwing zijn, als sawah's, tegals, boomgaarden, tuinen en vischvijvers.
Ook de gemeene weiden loopen geen gevaar van aan haar besleni-ming te worden onttrokken, iiij oen eventueele poging daartoe zouden belanghebbenden zich dadelijk en met kracht daartegen verzetten.
Alleen de gaga's, hoeina's, tipar's of hoe men die gronden al verder moge noemen, velden die nu en dan bebouwd worden om daarna een paar jaren weder verlaten te worden, leveren eenige moeilijkheid op.
Doch, daargelaten dat de onlginner of bezitter zeer zeker die gronden weet aan te wijzen, zijn ze ook bij bet Bestuur bekend; het is dus ook zonder afbakening, niet alleen mogelijk, maar zelfs ook niet moeilijk te welen of een sluk grond al dan niet vrij Staatsdomein is.
Zonder eenige kans te loopen zich te vergissen, is het alzoo gemakkelijk genoeg overtreding van de ontginnings-ordonnantie te constateeren.
Geen Inlander, die gronden ontgint zonder vergunning, beseft niet dat hij roofbouw pleegt.
En, is hij niet bekend met de wettelijke bepalingen op dat punt, dan zal zeker een omheining van de ontgonnen gronden hem dat niet leeren.
Zoo is er ook geen dessahoofd, dat niet zou weten, wanneer ergens binnen zijn gebied clandestien ontgonnen wordt.
In de meeste gevallen echter laat hij die ontginningen toe, want rapporteert bij ze, dan is hij bevreesd, dat de landrente van zijn dessa zal worden verhoogd.
Systematisch verzwijgen de dessahoofden elke vermeerdering van bouwgrond evenals elke toename van bevolking ten einde verhooging van landrente en vermeerdering van heerendienstplichtigheid te voorkomen.
Het dessahoofd zal dus, of de afbakening al dan niet bestaat, niet medewerken om de clandestiene ontginningen tegen te gaan.
92
In den regel zal liij ze niel rapporloeren en blijven die daardoor bij liel Bestuur veelal onbekend, want dergelijke ontginningen komen meestal tot stand op afgelegen plaatsen, die door de Europeesche en Inlandsche ambtenaren zelden bezocht worden.
En daarmede komt men tot de gevolgtrekking, dat, al ware het onvrij Staatsdomein ook op zichtbare en blijvende wijze afgebakend, de roofbouw daardoor niet in bet minst zou worden beperkt, met andere woorden:
dat de afbakening voor een behoorlijke toepassing der ontginningsordonnantie geen practisch nul zal opleveren.
Op grond van het bovenstaande, heb ik, met voorkennis van de llegeering ('), de eer UHEdG. te verzoeken om daar, waar weder de hand aan de afbakening van hel onvrij Staatsdomein is geslagen, dat werk onmiddellijk te willen doen staken en de circulaires van 2 November 1877 n0. 11269 (Bijblad n0. 3279) en 10 Augustus 1887 n0 4lgt;61 als vervallen te willen beschouwen.
(') Missive van den 1°quot; Gouvcrnemcnls Secretaris van 23_Fel)niari 188à nquot;. 284.
Bulagb VII.
BESCHERMING van liet erfelijk individueel gebruiksrecht. Circulaire van den Directeur van Binnenlandscli Bestuur van 20 October 1893 n0. 6048 (Bijblad n0. 4911).
De overweging van hetgeen in de, in opvolging van mijn rondschrijven van 26 November 1892 n0. 6952, ontvangen rapporten is bekend gesteld omtrent miskenning der rechten, welke Inlanders, die grond in erfelijk individueel bezit hebben, op dezen kunnen doen gelden, heelt de llegeering geleid tot de volgende uiteenzetting Harer inzichten nopens het door liet bestuur, tegenover het individueel grondbezit in te nemen standpunt (').
Inbreuken op het erfelijk individueel grondbezit, als waarvan in voormeld rondschrijven sprake is, moeten de waarde van dat bezit in de oogen van de Inlandsche bevolking beduidend doen dalen; wat meer zegt, de onvoldoende zekerheid, welke zelfs de erfelijk individueele grondbezitter in de streken waar de communale bezitsvorm overheerschend is, heeft dat op zijnen grond niet te eeniger tijd de regelen van het gemeen televen zullen worden toegepast, en hem die grond niet wegens de eene of andere tekortkoming zal worden ontnomen om opgelost te worden in het dessaverband, is een dreigend gevaar te achten voor het welslagen van het streven der Regeering om den Inlander een heler begrip zijner individualiteit te schenken en hem tol hoogere oeconomische ontwikkeling op te voeren.
Het is van voldoende bekendheid dat het door ontginning van woeslen grond verkregen erfelijk individueel grondbezit in de even-bedoelde streken slechts langzaam zich uitbreidt, in weerwil dat telken jare niet onbelangrijke uilgeslreklheden grond ter ontginning worden uitgegeven.
(') Missive van den Gouvernemenls Secretaris van 3 Oclobcr 1893 nquot;. 25ÃOa.
94
De verklaring van dat verschijnsel zal wel gezocht moeien worden in de meermalen vernomen klacht dat, hoezeer artikel 7 van de ordonnantie in Staatsblad 1874 n0. 79 den Inlander het erfelijk individueel gehruiksrecht op de door hem ontgonnen gronden waarborgt, die gronden in vele gevallen slechts enkele jaren in het bezit van den ontginner blijven om daarna deel uit te maken van de gemeentevelden.
Zoo ook erkent het Koninklijk besluit van 11 April 1885 n0. 22 (Indisch Staatsblad nft. 102) het recht van de Indische bevolking in de Gouvernementslanden op Java en MaJoera om voor haar grondbezit den vorm te kiezen, waaraan zij de voorkeur geeft, doch waai' lot de bij dat besluit bedoelde conversie van communaal in erfelijk individueel bezit is overgegaan, ziet men vaak de geconverteerde gronden na korteren of langeren tijd weder opgelost in de gemeenschap, terwijl elders aan het door de conversie verkregen grondrecht servituten verbonden worden, welke met het begrip van erfelijk individueel bezit niet vereenigbaar zijn.
Het zou onbillijk wezen van een en ander uitsluitend den dessa-bestuurders een grief te maken, want, zooals in de hooger bedoelde rapporten wordt bevestigd, werkt soms de gebeele gemeente mede om, hetzij hij wanbetaling van landrente of wanprestatie van verplichte diensten, hetzij om andere redenen, bet individueel grondbezit zoo mogelijk te beperken of toe te voegen aan de gemeentevelden, opdat de op den grond rustende lasten over een grooter aantal personen kunnen worden verdeeld.
Doch al moge zij meenen daartoe de bevoegdheid te bezitten en in de bestaande regelingen tot zekere hoogte eene verschoonende omstandigheid voor gemelde handelingen worden gevonden, het bestuur mag niet toelaten dat op onrechtmatige wijze inbreuk gemaakt wordt op een wettelijk erkend en bevestigd recht van de Inlandsche bevolking, ten gevolge van welke inbreuk het erfelijk individueel grondbezit niet altijd de waarborgen voor het ongestoord behoud van dal bezit verschaft, welke in de bedoeling en het streven der Ilegeering liggen opgesloten en die de bevolking behoeft om tot het besef te komen, dat zij door conversie van haren communalen grond in maatschappelijken en oeconomischen zin vooruitgaat. En dat besef dient krachtig te wezen, wil het lot daden rijpen hij een volk dal, aan bestaande gebruiken en instellingen gehecht, ten deze
95
in den regel ook niet op medewerking van zijne dessahesluurders kan rekenen.
De beperking en de betere regeling van heeren-, gemeente- en cultuurdiensten zullen ongetwijfeld haren invloed ten goede doen gelden, terwijl ook andere indirecte middelen kunnen worden toegepast om de in vele streken niet te miskennen neiging aan te moedigen tol uitbreiding van bel individueel grondbezit, betzij door conversie, betzij door ontginning van woesten grond; docb van al die tol verlicbling van de lasten op den grond strekkende maatregelen zal eerst dan een afdoend resultaat verwaebt mogen worden, wanneer tevens de erfelijk individueele grondbezitter de zekerheid erlangt, dat hij niet willekeurig uil zijn bezit kan worden ontzet, al ware bet met medewerking zijner dessagenooten. Die zekerheid blijkt hein door de Europeesche en Inlandsche bestuursambtenaren niet altijd in voldoende male te zijn geschonken, niettegenstaande de Regeering toch zeker niel in gebreke is gebleven om Haar ver langen ten deze duidelijk te formuleeren.
Dal verlangen blijkt uit de proclamatie van 25 Juli 1866, opgenomen onder n0. 80 van bel Staatsblad van dat jaar, waarbij, in naam des Konings, der Indische bevolking is verzekerd dal zeer ernstig zal worden gewaakt legen alle inbreuk op bare gebruiksrechten op den grond, «van welke zijde die ook mocht worden beproefdquot;; zoomede uit de artikelen 29, 25 en 22 van de in Staatsblad 1867 n0. 114 in weltelijken vorm afgekondigde Instrucliën voor de Hoofden van gewestelijk bestuur, de Regenten en de districtshoofden op Java en Madoera. Maar afgescheiden daarvan zouden lal van bijzondere en algemeene regelingen in herinnering kunnen worden gebracht, alle getuigende van bel ernstig verlangen der Regeering om, zooveel in Haar vermogen ligt, hel uitdrukkelijk voorschrift in artikel 55 van bet Regeeringsreglement, dat de Inlandsche bevolking zal worden beschermd legen willekeur van wien ook, lot een levend woord te maken.
Niet onwaarschijnlijk hebben de bestuurshoofden, in bel aan artikel 71 van gemeld reglement ten grondslag liggend beginsel van onthouding van inmenging in de huishoudelijke aangelegenbeden der Inlandsche gemeenten, een beletsel gezien om de booger bedoelde inbreuken op bel individueel grondbezit krachtig en slelsehnatig tegen te gaan, even als voor enkele jaren nog hetzelfde beginsel
96
als wellelijk bezwaar gold tegen eene regeling en inkrimping van hestuurswegc van de gemeentediensten, het aantal dessabestuursleden en hunne amhtsvelden. Maar in dat geval is ook in dit opzicht aan bedoeld beginsel een te wijde strekking toegekend en is voor volksgebruik aangezien wat macbtsoverscbrijding heeten moet. Gaat men toch de uitkomsten na van het, in voldoening aan de bij voormelde proclamatie gedane toezegging, ingesteld onderzoek naar de rechten van den Inlander op den grond op Java en Madoera, dan vindt men daarin geenszins bevestigd dat het een volksgebruik zoude zijn, om de regelen van hel gemeenteleven toe te passen op de individueel bezeten gronden, al is dit vroeger â en vermoedelijk in meerdere mate dan thans â voorgekomen. Integendeel, inzonderheid uit het '2d'! deel van het Eindrésumé blijkt, dat het volksbewustzijn, behoudens waar krachtige invloeden daarop hadden ingewerkt, duidelijk spreekt voor de ongestoorde handhaving van het erfelijk individueel grondbezit, in tegenstelling met het communaal bezit dat;, onder verschillende omstandigheden, volgens de inzichten der bevolking, kan verloren gaan (') ook daar, waar de gemeentelijke aandeden vast zijn dan wel verdeeling voor langer duur gebruikelijk is.
Niet alleen dus omdat hel niet aangaat handelingen, welke ook bij de jongste heerendienslonderzoekingen als misbruiken zijn moeten worden aangemerkt, (oe te laten; maar vooral ook omdat een gewichtig Staatsbelang daarbij op den voorgrond treedt, is het der Ilegeering noodig voorgekomen, mij op te dragen, UHEdG. alsnog in wetenschap te stellen mei Haar beslist verlangen, dat zooveel doenlijk, door de Europeesche en Inlandsche bestuursambtenaren worde gewaakt tegen inbreuken van de zijde der dorpsbesturen of der gomeenteleden op de rechten, welke de erfelijke individueele bezitters van grond op dien grond kunnen doen gelden.
Mij bij dezen van die opdracht kwijtende, heb ik de eer UllEdG. de nauwgezette behartiging van bet vorenstaande aan te bevelen.
(') Vergl. o. a. de conciusiën van de samenstellers van hel Eindrdsuiné in liet Algemeen overzicht, Deel II, hl. 342.
Bijlage VI11.
SCHEMA voor ilc bijdrage tot liet Koloniaal Versla.quot;' (onderdeel Inlandsehe grondontginningen). Circulaire van den Directeur van Binnenlandscli Bestuur van 16 Octokr 189(5 nquot;. 5200 (Bijlilad nquot;. 5161).
Ik heb de eer UHEdG. hierbij aan le bieden twee schema's, ter vervanging van die, bedoeld bij mijne circulaire van 10 September 1877 n0. 9370 (Bijblad nquot;. 3889), met verzoek die voortaan als leiddraad te willen doen volgen bij de samenstelling uwer bijdrage voor bet Koloniaal Verslag, betrekking hebbende op de verhuur van grond door Inlanders aan niet-Inlanders, en de ontginning door Inlanders van woeslen grond, niet tol de dessa's he hoerende, van het hoofdstuk * Agrarische aangelegenhedenquot;.
Wat enz.
7
â - â ......â â â â m'!j
..... .
mmm^mmm
â
1 , i® :
â â
r:;.
...
. , , . , ., , . . . .. ..... . .. â
â - â - â ⢠â â â â -â ⢠â - â â v,lâ
.......... .... . .....
â .. - ' ⢠.;:.... ......... :â
..
99
ONTGINNING door Inlanders van grond, deel uilinakende van lief. Slaatsdomein en niet als gemeene weide of uit eenigen anderen hoofde tot de dorpen belioorende,
Toclichling zoo noodig van liij-govoegd overzichl (1quot;. C).
Werking in liet algemeen der ontginnings ordonnanlie van 29 Fe-hruari 1896 (Staatsblad n0. 44).
Voor liet geval aan aanvragers om onlgirining van vvoesten grond vergunningsbewijzen geweigerd zijn, welke waren de redenen van afwijzing ?
In hoeveel gevallen hebben de aanvragers gebruik gemaakt van hun recht om, hij weigering dei-vergunning :
a. door de districtshoofden, lgt;. door de Hoofden van plaalse-
lijk bestuur,
in hooger beroep te komen hij: a. de Hoofden van plaatselijk bestuur,
h. bet Hoofd van gewestelijk bestuur ?
en met welk gevolg ?
Is de voorwaarde van terrassen-aanleg bij hellend terrein steeds opgevolgd en in hoeveel gevallen is daarvan onthelïing verleend?
100
Zijn cr vele overtreders der onl-ginnings-ordoniiaiilic inliet afgoloo-pen jaar gestraft? en zoo ja hoeveel ?
Ondervindt men bij liet tegengaan van de overtredingen der nieuwe onlginnings-ordonnantie de medewerking der Inlandsche ambtenaren ?
Ook van de dessalioofden ?
Zoo niet, waaraan is dat toe te schrijven ?
Is door de Controleurs of Adspi-, rant-Controleurs wel eens minder goede bijhouding van hel onlgin-ningsregister geconslateerd, zoo ja hij welk districtshoofd ? Heeft verwisseling van districtshoofden plaats gehad ? Is bij die verwisseling hel onlginningsregister aan den vervanger overgedragen ?
Heelt hel verleenen van vergunning om te ontginnen tot mishrui-ken aanleiding gegeven? Zoo ja, welke maatregelen zijn daartegen genomen ?
101
OVERZICHT DER GRONDONTGINNINGEN,
L». C.
102
Van bel totaal in de vorige )
Toegewezen
in 18..
fyv
|
de lioofde | ||||||||||||||||
|
door de districtshoofden.
door districts
A I'd cc ling.
'SI
rr. {£
ÃP O
s ^
c
re
â «:
lt;rS lt;
Op ultimo Uc- 4 comber in behaiulc-
linf!gebleven Bijgekoineu verzoeken 0111 ontginning van domein-grond.
â - j.
quot;ön £ OJ â
H- c *3 ^
Totaal der in 1«. . le bebandeien verzoeken.
]tn Cs
^ i 5 -=
door de Hooiden van plaatselijk bestuur,
105
|
J kolonnverden in 18,. 1 Afgewezen )- door de I(! [loofden van hoofden, plaatselijk bestuur. |
Zoodat op ultimo December 18.. nog in/j i behandeling | bleven de [ verzoeken. |
Oiitginuers, die in 18.. -als erfelijk indwiffTltele bezitters op de door hen ontgonnen gronden zijn erkend. |
Onlginners, die niet aan allo bij de ontginning gestelde voorwaarden hebben voldaan, en wier vergunningsbewijs mitsdien in 18.. werd inge-troljjian. ï oei ichlMi^en. |
'V C
:gt; oj lt;u
quot;3 fc-
.s ^
â .S£
5° fcr.
5 =
o a
O
Q* ^
|
3 ^
â tO rS ⢠â
2' o
s -=
o
9 |
tt
D - 2
bp
u3
|
i agt; Z, itl |
|
6 A
/
i
102
Van het totaal in de vorige
Toegewezen
in 18..
V)^
door districts
A I'd cel i ii f;.
O) 3
CO O
Op ultimo December 18..]
in belianne-ling gebleven Bijgekomen verzoeken om ontginning van domein-grond.
|
VJ | |
|
tc |
S c |
|
-a | |
|
LJ |
103
|
kiilom werden in 18.. Afgewezen door de de Hoofden van hoofden, plaatselijk bestuur. |
Zoodal op | o lginnerS)tlifi ullllmo in li.-als erfelijk cember 18.. ' non quot;1 lt; bezitters op de door behandeling hen oiugonnen |
Onlginners, die niet aan alle bij de ontginning gestelde voorwaarden hebben voldaan, en wier vergunningsbewijs mitsdien in 18. ? Wfcrd iuge- i -= . ' O V5 , â- ^ =3 tp O T o e 1 ich tingen. |
2-
A
!
X-
â â¢â t..............â ïm i# p|
,r,w, . .
ipipl WP* P -1 iWbfH
â â ⢠'.....â
J *
â
â â â â - -.....' â
.... .....-
â
L;m
⢠â ..... â¢
â
...
*k¥ mm*.......- ^
,
.,- . ........
â âi
.....â gt;...
â . ⢠. ... -....^ it'./i â . :
'
. â : ...... ..... ..... , , ..
4'i - ⢠â hir a, ^.K. $£. I
........ â â â â â â â â â . â â â .
.â¢!â¢â¢ - . . ..... ...
â â â 'â â â â .â - â â¢-' ^ â â . i...... - ...
.â ..,.. .,-â¢.â¢... , ....^.w........... .. . ⢠^ . â ,
r i v » â¢gt;»-:..«y,-..j|gt;f s... . ./^s. quot; V Tquot;*â *â¢Â» gt;7tii V/' «*
vr;K;.....V\ AV^-jir â gt;'NiNj^gt;gt;v - VTx f-;.-'
â 'quot;â /v ^ ir^V^jQc}L''N ^ W 'quot;'-;
â â¢â gt; ' iit rs r\.- ;â 'â â ,aâ â -lt;â¢â :v j . . ^ ;â¢. V -^v,w .-⢠vâ .â¢: *.
-v.- SfeS
â V ; â - i-j quot;\0 .t\,
ïfc ;-. ÃA ?t s ^*4»i^afel. -' ±4? *â ⢠is*
r^... gt; - S;gt; , ' J;0: ⢠^
. ^ .â 'ir» ^ x' «rv quot;A tquot;^-; NJv,v »y gt; f, ®s5ü / ^Vrfs ;
IIBU? -J-.A'/V' ^ JK y'Ar^., '
*£*gt; V'
v-ivV,: v n.gt;l' ,/a«:^-'.v: - s--\%gt;â -..i, Xfy /c '
^sSv iVfS'«Kgt;9gt; â¢Â«â '«y^v-«N ⢠\. s fj «vâ â¦*â¢â ' .yâ 'â
â xâi ' r.,1,.. â¢-»/»â¢â ._⢠â .;rf- ^ â \ ,N . « i-V^-^s üi'èt'Vs vgt;-. CMjftfS^W JrTP~\ â *quot; , - ^ ' /in - -x I , ________ - j/ -Lw^-S. Jv- J»»»» . * r-' â ' / ..!?.â¢.?*â¢* quot;
'⢠vâ'v/V ^V-v^ ' r-v^s â â¢' â¢^-o,,.. ⢠ir\ ,.quot;v
â y ⢠IVl b , . â. â¢. /T- . gt;S1- 4 â quot;Jl1. nk
y.; ^Ltóalï^ quot;â
Wamp;èt- ^
S^mki s WMtM^ hamp;amp;é ^
N;- ' ry .â :-.f^ i'-^^NV '^-quot;V-T./'I-S. Æ ^lgt; VV^;vfV ^
t gt; â¢
â¢quot;Ay?
â â i:/fi quot;'-\' '-TSquot;':..-: « â¢. quot;â . ' Jr--i â . â T fv . » â \ ⢠â quot;-â
(V- -«v.W â¢â ... \
/ ⢠; N n \ â -â 6 â
^ ;v' â .. f vquot;'gt; .
V/ W^v ?lt;( ^gt;v V xj^ ^gt;gt; /' amp;'â
\- ^^iKx '-^ â¢Â« ⢠⢠/* i\^ ---'V.- ' ⢠( - v ' i y^ . -gt;⢠v â ⢠,%quot;â â¢
. ... quot;-V -.J â¢â '' r V ' gt;%. . .â¢â¢â¢V..' ft ' V ., . ______lt;\ /f^
f.'.. 'gt;* 'quot;]â «.y,v ^ ' â â â ' /;' 'â¢quot;. -FMi
~.u^Vm v-- N /
- ' â â gt; «S ⢠i- â -⢠.
O/V gt;,.;
â â â¢' v-.. n /.--v.,0, â¢gt;.. fs â ⢠v .-; -a -x,. ^ - . v' - / â â '
Af vs ^ ^ ^ quot;.gt;r. * -véi w' . .'quot;'quot;l- âA» -,fX - ⢠rèquot;:''~r^A' 'â 1 'â w r* 'â¢â Iff . J .'â
'(\W- .f:/ vv^.fe ⢠^ ^ â -â / s gt; 'â¢â . â â¢w.â â¬i - Jr .,.v'-r'-quot;-
N gt;4 quot;irfw * 'A â¢lt;sA .
'⢠-â ⢠^v-v*-^^ -.quot;y v^quot;:.quot; i» /;' -quot;â .vfJ/S^s
, . .. Tquot; ,W-^l, ;â . -1LV-. â â â â /⢠. . \ ⢠.
1 ⢠â ., â â ^.V.lt;-S,-V
^4^1^ - ⢠1 - ia 1 â â ««i. '# . ^ â¢S^V.' .../^