ocr page 1
ocr page 2

--

ocr page 3
ocr page 4

■PPPI

ocr page 5
ocr page 6

Werp u voor de voeten van Jezus den gekruiste, zeg Hem dat ge ® ^vurig verlangt met Hem te lijden.

i-

(01'

JÊm

ocr page 7

. A ' lt; v

/u.^z^ ^ ^c^/tc^

L U~.

(Py^: /y/ 3

far rW'

ecstcfijfic ^tonbsMfijt^n

EN

ONDERRICHTINGEN,

ten dienste van aan quot;(xcd toegewijde ^Personen,

ixeestelijke ^Bestuurden en ixeloovigen, die Jjun zielefjeiL en volmaaktheid behartigen.

VAN DEN E. P.

JOSEPH PERGMAIJR, S. J.

IN HET NEDERLANDSCH VRIJ BEWERKT

door een R. K. Priester.

Br, Alexander van M jur i k. O. F. M

M ! n d rr br o r sx I o ost sr

Br-ecla,

De Prins-Cardinaal, D, 64,

EDUARD VAN WEES,

UITGEVER.

1892,

mm

ocr page 8

t

I

k

€( a

Imprimatui'.

Datum in Seminario Ypelaar, hiic 19 Sept. 1891.

•J. J. Hopstakeu,

lieg. Sein. Libr. Cens.

ei

Zi Z( te VI

nt hi V(

bc

dt er vc in ht

hi

f m\ ec, hij SG. op he.

, 9e

ocr page 9

vooewooed.

Geen beter aanbeveling voor onderstaand werkje dan eene korte levensschets von den vromen schrijver.

Wie was Pater Pekgmayr?

Pater Pekgmayr was een Beier van geboorte, die op twintigjarigen leeftijd in de Sociëteit van Jesus trad, en na een welbesteed, uiterst vruchtbaar leven, zijne schoone ziel aan haren Schepper- wedergaf, ^munchen,(/e?ï 23 Maart 1765.

Zoo zivak en tenger zijn lichaam was, zoo krachtig, frisch en levendig was daarentegen zijn geest. Zeer streng voor zich zeiven, was hij voor de anderen louter goedheid en zachtmoedigheid, met raad en daad allen helpende en troostende; voor de zondaars vooral toonde hij zich een liefdevollen, medelijdenden vader, een barmhartigen Samaritaan, naar het voorbeeld van zijn goddelijken Meester. — Had hij iets gewichtigs voor, moest er eene moeilijke bekeering verkregen worden , dan nam hij zijn toevlucht tot het scherpe boetekleed, omgordde zijne lendenen met een ijzeren ketting.

Gedurende vele jaren verkondigde hij het woord Gods in de Sint Michaëls kerk te Munchen, onder grooten toeloop en met ongemeen gevolg. Zijn machtig, echt apostolisch, van gloeien den zielenijver tintelend woord, vond weerklank in de zielen, werkte wonderen van bekeering, omdat het bij hem gepaard ging met daad en voorbeeld.

Op lateren leeftijd werd hij lam aan beide handen, zoodat hij, om leesbaar te schrijven , de rechterhand met de linker moest ondersteunen. Dit belette den onvermoeiden apostel echter met talrijke schriften in het licht te geven, waarin hij de vrucht zijner grondige studie en kennis van het rnen-sehelijk hart en zijner langjarige ervaring, vooral door hem opgedaan, in zijne hoedanigheid van geestelijke leidsman en bestuurder van verscheidene kloostergemeenten, heeft neergelegd. — Ze ademen alle een kinderlijke, warme godsvrucht,

ocr page 10

VOORWOORD.

getuigen den geestelijken rijkdom zijner hoog begaafde ziel, leer en ons in Pater Pekgmayr den man kennen van praktische deugd en praktische leiding, — zijn heel bijzonder geëigend om de kleinmoedig en en zondaren op Gods eindelooze goedheid en barmhartigheid een onbegrensd vertromven in te boezemen, dat zich op treffende, onweerstaanbare wijze in al zijne geschriften uitspreekt.

In Duitschland herhaaldelijk herdrukt, werden ze voor jaren reeds ook in het Fransch vertaald. —

Het werkje waarvan hier een overzetting en dat, naar het oordeel van alleszins bevoegde mannen, een rijken schat van even ware als diepe beschouwingen, behartenswaardige leeringen , praktische wenken en raadgevingen, hartelijke en tevens krachtige opwekkingen tot het oefenen van deugd en volmaaktheid bevat, achtten zij daarom eene Nederlandsche vertaling overwaardig.

Ik heb getracht deszelfs degelijken, rijken inhoud, zoo getrouw mogelijk in onze taal iveder te geven. Alleen heb ik me veroorloofd de grondstellingen en leeringen, die er in voorkomen, telkens als ik het noodig of wenschelijk achtte, duidelijkheidshalve en tot juister begrip, van doorloopende verklaringen en ophelderingen in den tekst zeioen te voorzien. Treffende, rijke gedaehten, nieuwe qerichtspunten, maar door den schrijver slechts ter loops aangeduid, heb ik breeder uitgewerkt, meer op den voorgrond geplaatst om er het volle licht op te doen vallen, mij daarbij nochtans zoo trouw mogelijk houdende aan den gedachtenqang en redeneertrant van den even vromen als geleerden schrijver.

Ziedaar, waarde lezer, wat ik u omtrent dit werkje meende te moeten mededeelen, ik voeg er den wensch bij dal het veel nut stichte, en voor allen die het ter hand zullen nemen, een welkome handleiding moge zijn op den weg van deugd en volmaaktheid, en onder Gods zegen, een geschikt werktuig voorde tot bevordering van het zielenheil van velen.

DE BEWERKER.

ocr page 11

1C J foo f^o ti ill.

Hoe men op heilige en volmaakte wijze zijne dagelijksohe bezigheden zal verrichten.

Ons leyen biedt dagelijks de vier volgende punten aan, die het voorwerp moeten zijn van onze voortdurende zorg:

1° De ongeregelde neigingen van onze zintuigen en van onze begeerlijkheid, die ons tot kwaad aansporen ; wij moeten dezelve bestrijden en overwinnen door voortdurende versterving.

2° Onze dagelijksche en gewone zaken die het tijdelijke en onzen staat betreffen; wij moeten dezelve met een heel zuivere meening verrichten en in de tegenwoordigheid van God.

3° De gebeden, die ons door onzen staat zijn opgelegd; wij moeten dezelve met den meesten ijver en met groote vurigheid verrichten.

4° De onaangenaamheden en kruisjes, die niemand kan ontgaan, omdat het leven van den mensch er als mede bezaaid is; wij moeten ze verdragen met eene volmaakte onderwerping aan Gods heiligen wil en liefdevolle beschikkingen.

Onderhoudt men deze vier punten goed, dan wordt de dag op heilige en volmaakte en tevens aangename wijze doorgebracht, en men verrijkt zich met oneindige verdiensten voor den hemel. In de volgende afdeelingen zal men de wijze leeren om ze goed te onderhouden.

ocr page 12

§§ 1.

TFij moeten geene gelegenheid laten voorbijgaan . om ons te versterven.

Zonder versterving is het onmogelijk eenigen voortgang te doen in het geestelijk leven. Ons hart is als een mierennest, waar dagelijks duizenden mieren in- en uitgaan; want bij duizenden gaan de ongeregelde neigingen er dagelijks in en uit, door liet gezicht, het gehoor en de andere zinnen. Indien men zich niet toelegt op de beoefening der versterving , zal het onvermijdelijke gevolg er van wezen, dat het hart vol is van zonden en onvolmaaktheden.

Moet de versterving zich uitstrekken tot alle gelegenheden, zy moet nochtans heel bizonder beoefend worden in de volgende:

1° Aangaande alle lichamelijk gemak.

a. Nooit toegeven aan den slaap. Onmiddellijk op klokkeslag opstaan

h. Door den dag, zonder noodzakelijkheid nooit iets gebruiken buiten etensuur.

c. Aan tafel, zich bij eiken maaltijd in het een of ander versterven, waartoe r^en lust gevoelt.

d. Voor altijd zich deze of gene spijze ontzeggen, waarop men bijzonder gesteld is.

2° Aangaande het gebruik der tong:

a. Zonder noodzakelijkheid nooit spreken gedurende den tyd van stilzwijgen.

h. Nooit over iemand of iets klagen , noch morren over wat het ook zy.

c. Van zijnen evenmensch nooit iets zeggen wat hem zou bedroeven, wanneer hij het kwam te vernemen of zelf moest aanhooren.

ocr page 13

7

d. Voor ons houden wat anderen in ons zouden bewonderen of prijzen.

3° Aangaande het gebruik van het gehoor en het gezicht moet men:

a. Niet alleen niet aanhooren, maar met bescheidenheid onderbreken elk gesprek tegen de oversten of andere personen gericht.

h. Zonder menschelijk opzicht beletten de betrekkingen, het kwaadspreken, in één woord, alles wat anderen zou kunnen schaden.

c. De oogeii neergeslagen houden op den weg, op straat en in de kerk.

d. Zich zeiven overwinnen, om niet te kijken naar iets wat onze nieuwsgierigheid zou kunnen opwekken.

4° Om de gramschap tegen te gaan moet men;

a. De eerste opwellingen er van onderdrukken.

h. Nooit er iets van laten merken, noch door gebaren, noch door woorden.

c. Stilzwijgend verdragen het onrecht wat ons wordt aangedaan.

d. Bij gelegenheid een liefdedienst bewijzen aan hem die ons beleedigd heeft.

§§ 2.

Onze dagelijksche handelingen verrichten met vurig en ijver, en in Gods tegenwoordigheid.

Daartoe is slechts noodig dat men twee zaken goed in het oog boude, die ons leven buitengewoon aangenaam maken aan God en die onze ziel ver-rijken met bemelsche goederen en ontelbare genaden. Die twee zaken zijn;

1° By het begin van al onze werken moeten wij

ocr page 14

8

ous in Gods tegenwoordigheid plaatsen, en dezelve aan God met eene zeer zuivere meening opdragen. Zulks kan volgen derwijze geschieden; »Mijn Heer en mijn God! ik bemin ü boven alles, omdat Gij het opperste goed zijt. Ik draag ü dit werk uit louter liefde op, uit geen ander beweegreden dan om U te eeren, te behagen en uwen heiligen wil te volbrengen.quot;

Indien het werk eenigea tijd duurt, zal men van tijd tot tijd deze goede meeniug vernieuwen door het hart tot God te verheffen.

2° Men zal zich gewennen:

a. Overal en altijd en in al onze zaken God als tegenwoordig in ons te beschouwen en zich met Hem te vereenigen door warme verzuchtingen.

b. Maar, daar deze voortdurende vereeniging met God niet alleen eene lange oefening, maar ook eene buitengewone genade vereischt, moeten wij er ons langzamerhand op voorbereiden; bij voorbeeld in den tusschentijd van het eene bezoek tot het andere aan het H. Sacrament, tien of twaalf akten van liefde en andere deugden maken Hebben wij ons deze gewoonte eens eigen gemaakt, dan zullen wij het getal dier akten vermeerderen, totdat wij daartoe zullen gekomen zijn, dat heel ons leven een aanhoudend gebed zij en eene ononderbroken samenspraak met God in ons tegenwoordig.

§§ 3.

Over de wijze om onze gebeden goed te doen.

Het gebed is de eenige bron, waaruit Gods genaden in onze ziel vloeien. Zonder gebed geene genaden, zonder genaden geene deugden , noch het middel om

ocr page 15

9

ze te verkrijgen. De twee volgende punten zullen ons leeren wat men moet doen.

I. Men zal zich vlijtig toeleggen op het inwendig gebed of de meditatie.

1° Men zal ze nooit beginnen, zonder er zich zoo goed mogelijk op voorbereid en het voornemen vernieuwd te hebben dezelve met de meeste zorg te doen.

2° Onder de meditatie zelve, zal men zijn uiterste best doen om dien tijd door te brengen op eene aan God aangename wijze.

3° Wij moeten nooit de meditatie achterlaten,, noch verkorten, hoe weinig ook, onverschillig of God ons in dezelve verlicht en troost, of dat Hij, ons dor laat,'koud en verlaten.

4° Valt de meditatie ons hard en lastig, dan moeten wij, om ons te overwinnen, juist ze wat langer doen dan voorgeschreven is.

II. Men zal zich toeleggen het mondeling gebed zoo goed mogelijk te doen. Te dien einde zal men zich in de tegenwoordigheid van God plaatsen; men. zal het voornemen maken hetzelve naar behooren te doen, weshalve men Hem ootmoedig zal bidden om zijne genade; men moet hetzelve doen zonder haastigheid, met veel vuur, en de invallende bekoringen en verstrooidheden bestrijden. Indien de bekoringen te sterk zijn, zal men het gebed een poos onderbreken, om zich op nieuw in Gods tegenwoordigheid te stellen; daarna zal men het gebed met-nieuwen ijver voortzetten.

ocr page 16

10

§§ 4.

Zich in alle moeielijkheden, rampen en tegenspoed aan Gods wil onderwerpen.

Talrijk en velerlei zijn de moeielijkheden, rampen en ■wederwaardigheden, waarmede wij te kampen hebben. T3enige komen van God, zooals de hitte, de koude, de ziekten, de verlatenheid, enz.; andere komen van den duivel, zooals de bekoringen; weer andere komen van onze medemenscher, zooals de verachting, het kwaadspreken en dergelijke; andere ontstaan uit ons zei ven, zooals de zorgen, de kommer, het verdriet, de droefheid. In al deze gevallen zal men zich op de volgende wijze gedragen:

1° Men zal vastelijk gelooven, dat al deze beschikkingen en moeielijkheden, zoo niet onmiddellijk, dan toch middellyk van God komen, die ze toelaat voor ons welzijn; dat Hij ze van alle eeuwigheid voorzien en wijselyk geschikt heeft, door goedheid, uit loutere liefde en voor O'as waar geluk.

2° Zich tot God wenden aoodra men eene kwelling gevoelt, zeggende: Mijn Heer en mijn God, dit is eene beschikking van uwe goedheid: ik erken het ten volle; ik wil dit kruis dragen, alleen om U te behagen en uwen goddelyken wil te volbrengen.

3° Allen inwendigen spijt, toorn en de droefheid onderdrukken; zich over niets of niemand beklagen; die kwelling stilzwijgend en bedaard lijden, zoodat onze gemoedsrust er niet door gestoord worde.

4° Zoolang de kwelling aanhoudt, voortgaan met God te loven, te beminnen en te danken, met ons aan Hem op te dragen en geheel te onderwerpen aan zijn heiligen wil.

ocr page 17

11

Deze levensregel voor eiken dag van ons leven is uiterst aangenaam aan God.

Brengt men de voorschriften, in deze vier afdee-lingen vervat, in praktijk, zoo zal men in korten tijd tot eene hooge volmaaktheid geraken en een schat van verdiensten vergaderen voor den hemel.

3Cooföïki/iamp;.

Over de zuiverheid der meening.

Op de reinheid der meening komt het vooral aan, dus moeten wij er heel bijzonder werk van maken. In al onze handelingen geeft God alleen acht op de reinheid onzer meening. Is onze meening rein, volmaakt en met eene vurige liefde bezield , dan rekent God ons de nietigste en geringste daden als de grootste aan: hij vindt er zijn innigst welbehagen in, en beloont dezelve met uitgelezen genaden. Is onze meening niet zuiver, is ze onvolmaakt of lauw, zoo hecht Hij niet de minste waarde aan de verhe-venste daden. Hij vindt er geen welgevallen in. Hij beloont ze niet of beloont ze slechts luttel. O! hoe dikwijls gebeurt het niet dat eene vrome dienstmeid meer verdient in een half uur in haren dienst, dan een geleerde in eene week door de verhevenste bespiegelingen en diepste studiën, indien gene hare dienstbezigheden verricht met eene volmaakte meening en eene vurige liefde, terwijl de geleerde zijne verhevenste studiën doet met een koud hart en met lauwheid. Wat al wonderbare geheimen zullen ons eens in het dal van Josaphat ontsluierd worden! Wij

ocr page 18

12

zulleu er heiligen zien, die in hun heele leven slechts gewone zaken gedaan hebben, en die desniettegenstaande tot de hoogste glorie zijn opgeklommen, omdat al hunne handelingen met de reinste en van liefde gloeiende meening gedaan werden. Wij zullen er duizenden anderen zien, gansch arm aan verdiensten , ofschoon ze in het oog der wereld schitterden door luisterrijke daden, — dewijl ze slechts handelden uit ijdelheid en praalzucht en met louter wereldsche inzichten.

Zkbeles. In ons gansche gedrag deze reine en volmaakte meening hebben, om alleen aan God te behagen.

§§ I-

Beweegredenen voor de reinheid der meening.

Eerste beweegreden. De daden, die goed zijn in zich zelve, worden beter, verdienstelijker en aangenamer voor God door de reinheid der meening. Bidden, vasten, aalmoezen geven, zich versterven en andere goede werken, indien ze uit een hooger, bovennatuurlijk beginsel geschieden, zijn altijd goed, aangenaam en verdienstelijk bij God, maar ze zijn oneindig beter, aangenamer en verdienstelijker in het oog van God, als ze vergezeld zijn van eene heel reine meening. Het kortste gebed en de geringste versterving met die meening gedaan , hebben meer waarde dan duizend andere, waarvan de meening minder volmaakt is.

Tweede beweegreden. De zuivere meening maakt zaken, die in zich onverschillig zijn, zeer aangenaam en verdienstelijk voor God.

ocr page 19

13

God let niet op dat wat wij doen, maar Hij geeft acht op de meening, waarmede wij het doen. Het minste wat wij doen met eene zuivere meening, is hem uiterst aangenaam Hij zal het met de eeuwige glorie beloonen en beloont het reeds hier op aarde door groote genaden

Derde beweegreden. De reine meening maakt de kleinste kruisjes en kwellingen verdienstelijk en aangenaam voor God.

Het kleinste kruisje, dat slechts een oogenblik duurt, een kleine beleediging door een enkel woord ons aangedaan, wanneer men ze met eene zuivere meening verdraagt, verdienen den hemel, eene eeuwigheid van geluk. Iemand kwetst u door een grievend

O O

woord: gij zwijgt, gij verdraagt het; gij keert u tot God en zegt: »Mijn God en mijn al! ik lijd deze beleedigiug met geduld, alleen om U te eeren, te behagen, uit liefde tot U, om uwen heiligen wil te volbrengen, omdat Gij het opperste goed zijt.quot; Een kleine miskenning, een enkel hard woord dat gij met eene reine meening, zwijgend verdraagt, is van zoo groote waarde, dat God het met een eeuwig geluk beloont. Indien God u voor dat kwetsend woord, wat u werd toegevoegd en dat gij verduldig verdroegt, de wereld gaf met al hare goederen, hare rijkdommen en genoegens, om dezelve gedurende de eeuwigheid te genieten, zoudt gij daarvoor voldoende beloond zijn? Neen, die belooning zoude veel te klein zijn. Indien God n het aardsche paradijs schonk voor de gansche eeuwigheid, met het genot wat Adam er van had in zijne onschuld, zoudt gij dan althans voor dat grievend woord voldoende beloond zijn? Neen, ook deze belooning zou veel te klein zijn. God moet u ter belooning de eeuwige glorie schenken;

ocr page 20

14

Hij moet u bij zich nemen in den hemel; ziedaar ^ d

de belooning die gij er van verwacht; ziedaar wat v voor u, in de oogen vaa God, een enkel hard woord,

dat ge met een reine meening verdroegt, waard is. v

Vierde beweegreden. De reine meeniug maakt die G handelingen, welke uit zich zelve aan de natuur i ei

aangenaam zijn, kostbaar en behagelijk aan God. t

Wat is er allerdaagscher dan drinken, eten, rusten, n

slapen , schertsen, gezellig kouten ? En toch, indien o

dit alles op welgevoegelijke wijze geschiedt, en men z(

het aan God met eene reine meening opdraagt, zullen g

deze daden vol verdiensten zijn en genaden. ir

§§ 2. I tf

is

Eigenschappen van de goede meening. G

hi

Eerste eigenschap. Zal onze meening rein en vol- bi

maakt zijn, dan moet ze vrij zijn van alle eigenliefde, m

Wilt ge eene reine en volmaakte meening hebben, ra

dan moet ge in al uwe handelingen niets anders K

begeeren en zoeken, dan Gods eer, zijn welbehagen le

en de volbrenging van zijn heiligen wil Wat aan 01

God behaagt, moet ge boven alles verkiezen. Om 01

aan God te behagen, moet ge bereid zijn Hem uw di

lichaam op te offeren, uw bloed, uw leven, in één h?

woord, alles. H

Laat u niet door uw eigen belang leiden. Ge moet m

u slechts afvragen: wat wil God van mg; hebt ge aa

dat erkend, zoo moet ge niets anders meer zoeken. le(

't Is een oneindig groote zaak alleen te doen wat he God behaagt, het eenige en oneindige Goed.

Ziedaar wat de volmaakte meening uitmaakt. Om al;

aan God te behagen, behoeft men zich niet te ver- st:

ocr page 21

15

diepen in verhevene gedachten, er wordt niets ander» vereischt dan eene reine meening.

Van tijd tot tijd zal men die meening wat uitvoeriger uitdrukken, bijvoorbeeld: »0 mijn Godr Gij zijt de eenige liefde, het eenig verlangen, de-eenige vreugde van mijn hart! ik bemin en omhels U met alle krachten en vermogens mijner ziel, en meer dan alles wat in den hemel is en op de aarde, omdat Gij alleen het hoogste goed zijt. Daarom zoek ik slechts U in al mijne handelingen, in mijn gansche gedrag. Ik draag U dus deze handeling op in vereeniging met de liefde, waarmede Gij U zeiven van alle eeuwigheid bemint, ten einde ü den eerbied te betuigen die aan uw heiligen Naam verschuldigd is, en uw aanbiddelijk Hart te behagen. O mijn God! liefde, verlangen en eenige vreugde van mijn hart! 't Is uw heilige wil, die me aanzet nu deze handeling te verrichten. Ik draag U dezelve dus op met dezelfde meening, die Gij zelf hebt, in mij, en met mij medewerkende, om dit werk te verrichten.quot; Kort en bondig kan die meening ook zoo geformuleerd worden: »0 mijn God! ik bemin U bovenal, omdat Gij het opperste goed zgt. Uit liefde tot Ü, om U te eeren, ü te behagen, ü te gehoorzamen, draag ik U dit werk op,quot; Deze meening maakt onze handelingen zeer verdienstelijk en aangenaam bij God. Het onbeduidendste werk in die meening gedaan, heeft meer waarde dan duizend andere van verhevener aard, maar waaraan die meening ontbreekt. Deze leer is zoo zeker, dat God ze meermalen bevestigd heeft door buitengewone genaden en wonderen.

Twetde eigenschap. De reinheid der meening moet algemeen zijn; zij moet zich tot al onze daden uitstrekken. Dit punt eischt een byzondere oplettendheid.

ocr page 22

16

't Is ongeloofelijk met welke snelheid en hoe vaak de eigenliefde en het eigen belang in onze handelingen binnensluipen. Een appel schijnt uiterlijk zeer schoon en goed, maar snijdt ge hem open, dan bevindt gij dat hij van binnen bedorven is. Eveneens meenen wij dikwijls iets goeds gedaan te hebben, omdat wij het laten voorafgaan door eene goede meening; en toch, als wij die daad eens goed onderzoeken onder het oog van God, vinden wij er slechts uiter-lijken schijn in, dat, wat in het oog valt der menschen; voor het overige is er niets goeds aan; het inwendige is bedorven door de eigenliefde en andere fouten.

Om dit kwaad tegen te gaan, moet men zich ijverig toeleggen, aan God, van ganscher harte al onze daden op te dragen en iedere in het bijzonder; alle verkeerde neigingen zorgvuldig uitsluiten en zich nooit een andere beweegreden veroorloven dan Gods welgevallen.

't Is niet genoeg alleen 's morgens al zijne handelingen aan God op te dragen, door eene goede meening. Wie God wil toebehooren, neemt de zaak ernstiger' ter harte.

Om juist te schieten, moet men scherp op het doel mikken, wat men wil bereiken. Eene ziel, die naar volmaaktheid streeft, vestigt allereerst haar oog op God, daarna draagt zij Hem, met een heel zuivere meening, de zaak op die ze gaat verrichten; en dan eerst gaat ze aan 't werk.

Wie dezen regel verwaarloost, zal duizende dingen doen die wellicht schitteren zullen in het oog der menschen, welke hun als zoovele heilige en volmaakte handelingen zullen toeschijnen; maar in het oog van God zullen ze verachtingswaardig, ijdel zijn, zonder ■verdienste, zonder vruchten.

ocr page 23

17

Bij het begin van elke handeling moet men zich in Gods tegenwoordigheid plaatsen, zich tot Hem keeren uit geheel zijn hart, dezelve aan God opdragen met eene vurige liefde en eene zeer reine meening; daarna moet men het werk beginnen. Op die wijze hebben de heiligen hun leven ingericht. Men zal dus op de volgende wijze te werk gaan;

1° 's Morgens zul men neerknielen in Gods tegen-j woordigheid; men zal Hem op de volgende of eene | andere wijze al de handelingen van den dag opdragen: »0 mijn God! mijn eenig en hoogste goed! ik bemin I U uit geheel myn hart, uit geheel mijne ziel en met 'al mijn krachten, meer dan alles, eenig en alleen omdat Gy het opperste goed zijt, waardig bemind to worden boven alle dingen, waardig bemind te I worden om U zeiven. Uit liefde tot U draag ik U op al mijne gedachten, al mijne begeerten, al mijne neigingen, al mijne woorden, al mijne schreden, alle bewegingen van mijn lichaam, al mijne handelingen , mijne gebeden, mijne innigste gesprekken met U, mijne bekoringen, de kruisen en moeielijk-heden, de uren en oogenblikken, kortom alles wat ü gedurende dezen dag kan opgedragen worden. Dat alles draag ik U op in vereeniging met de meening, waarmede Jesus U al zijne werken op aarde heeft opgedragen en verricht, alleen tot uwe , meerdere eer en glorie, om uwen heiligen wil te ^ volbrengen, en voor het doel, waarmede Gij in mij 'i en met mij werkt gedurende dezen dag. Mocht ik | U, elk oogenblik van dezen dag, zooveel eer en jglorie en voldoening kunnen geven, als de geluk-| zaligen in den hemel U geven; daarvoor, Gij weet | iet, o mijn God! zoude ik bereid zijn elk oogenblik lyn bloed en mijn leven te geven. Maar omdat

I 2

ocr page 24

18

liet mg niet mogelyk is U die eer en glorie te verschaffen, bid ik U, in plaats daarvan, mijne goede meening aan te nemen, en mij de genade te geven dien wensch en die meening geen oogenblik uit het oog te verliezen.quot;

2° By het begin van elke handeling moet ge u gt; in Gods tegenwoordigheid plaatsen en een vurige akte van liefde tot God richten. Nooit moet men iets beginnen, zonder het aan God door eene goede actueele meening te hebben opgedragen; wie anders zou handelen, zou weinig of geen nut van zijne handelingen hebben.

3° Is het werk van eenigen duur, zoo zal men het van tijd tot tgd onderbreken, om zich op nieuw in de tegenwoordigheid Gods te plaatsen en zijne r meening met veel zorg te hernieuwen.

Die tegen den stroom moet opvaren, mag de roeiriemen niet loslaten, op gevaar af door den stroom * teruggedreven te worden. Zoo is het ook met onze goede meening; om die niei te verliezen, moet men zijn oog steeds gevestigd houden op Gods welgevallen, op gevaar af anders door onze ongeregelde neigingen te worden medegesleept.

Derde eigenschap. Opdat onze meening goed zij, moet ze steeds met versl erving gepaard gaan.

Opdat onze meening volmaakt zij, zooals ze door God gewild is, moet ze al onze werken en al der- | zeiver omstandigheden bezielen, van den morgen tot den avond, zoodat we geen oogenblik op iets anders doelen dan den wil van God en zijn welgevallen.

Men kan hieraan niet te veel zorg besteden, en nog zal men nauwelijks het noodzakelgke doen. Ik ben van oordeel dat niemand een heelen dag ononderbroken de zuiverheid van meening kan onderhouden,

ocr page 25

19

zoo hij niet aanhoudend zich op versterving toelegt en steeds in Gods tegenwoordigheid wandelt.

Er zijn allerhande ongeregelde genegenheden, die de zuiverheid der meening bederven; ik zal er hier eenige aanstippen:

1° De zinnelijkheid, welke natuurlijk die handelingen binnensluipt, waarvoor we een bijzonderen lust gevoelen , zooals drinken, eten, slapen, schertsen en dergelijke.

2° De ongeregelde liefde die we hebben voor een persoon, aan wien we een dienst bewijzen, en wiens genegenheid we zoeken.

3° De natuurlijke afkeer dien we gevoelen van dingen die ons lastig zijn, die ons tegenstrijden, ons verdriet en moeite veroorzaken, of die ons tegen onzen wil zijn opgelegd.

4° De eerzucht, die bijna alle onze handlt;llingen bederft.

5° Het menschelrjk opzicht, waardoor we iets zeggen, doen of nalaten te doen ter wille van een mensch, dien we meer beminnen en vreezen dan God.

6° Ons eigenbelang, dat ons steeds aanspoort om tijdelijk voordeel te zoeken en nadeel te vermijden.

O! welke zuiverheid van meening is er noodig om al die listen en lagen van den duivel te ontdekken en te verijdelen! O! hoe noodig is hier de versterving, ten einde de zuiverheid van meening te bewaren, als men bestormd wordt door zoovele verkeerde neigingen !

Twee dingen worden er vereischt zonder dewelke het onmogelijk is de zuiverheid van meening te bewaren. Het eerste is: voor dat ge iets begint, moet ge onderzoeken of er soms in uw hart geen verkeerde neiging schuilt Is dat zoo, dan bestrijd

ocr page 26

20

en verafschuw dezelve alvorens uw werk te beginnen. er iet

Het tweede is: nadat gij die slechte neiging bestreden ^ m

hebt, moet ge u tot God wenden en Hem die hande- span:

ling met eene vurige liefde en reine meening opdragen. intus:

Vierde eigenschap. Om zuiver en volmaakt te zijn, evem moet onze meening gestadig en ononderbroken zijn. , Want

Omdat gij den vijand moedig bestreden hebt, daarom gebre

hebt ge hem nog niet verslagen, veel minder over- qoci

wonnen Gij moet u op een nieuwen aanval gevat ^e bi

houden en derhalve de wapenen niet afleggen, maar 2°

kruit en lood droog houden. Zoo zullen ook onze (je z

booze hartstochten, de zinnelijkheid, het eigenbelang meen

en zoovele andere, die wij bij het begin van ons spijs

werk bestreden, ons wel een poos met rust laten, lijkhf

edoch na korten tijd komen ze terug en doen een ' tussc

nieuwen aanval; men moet ze dus op nieuw bestrijden jn p]

en de goede meening hernieuwen, wil men de eind- toe, zegepraal niet verliezen. De H. Bernardus kreeg i imm(

eens, terwijl hij preekte, eene bekoring van ijdele ziune

glorie; de heilige zweeg een oogenblik en hernam 30

toen: »ik heb voor jou deze predikatie niet begon- ijdele

nen, ik zal ze niet voor jou voltrekken.quot; Daarna voorl

zette hij zijne rede voort. maak

Ik herhaal dus wat ik hiervoren reeds zeide, dat biedt

de zuiverheid der meening om volmaakt te wezen zien,

en volgens Gods wil, al onze daden en al derzelver ondei

omstandigheden moet bezielen, van den morgen tot te be

den avond. Men kan daaraan niet genoeg zorg be- 40 steden, en die zielen geraken er alleen toe die zich ' als n

voortdurend versterven en in de tegenwoordigheid natui

van God wandelen. Laat ons nu nog verder uit- regel

eenzetten waardoor en hoe de goede meening onder- meen

broken wordt. kome

1° De goede meening wordt onderbroken, zoodra den

émbIM

ocr page 27

21

er iets wat God mishaagt, binneusluipt. Bijvoorbeeld: ik maak een goede meening voor den tijd der uitspanning of recreatie, en ik begin ze goed, maar intusschen zondig ik tegen de liefde jegens den evennaaste; ziedaar de goede meening onderbroken, want men kan toch geen goede meening over een gebrek aan liefde maken, noch zulke handeling aan God aanbieden; beware ons God van Hem iets aan te bieden wat zondig; is.

r-v • .

2° De zuivere meening wordt onderbroken door de zinnelijkheid. Bijvoorbeeld: ik maak de goede meening, als ik mij naar den refter of de eetzaal begeef, spijs en drank slechts te gebruiken uit noodzakelijkheid, om Gods wil hierin te volbrengen; onder-tusschen komt de zinnelijkheid er zich in mengen; in plaats van haar te onderdrukken, geef ik er aan toe, ziedaar de goede meening onderbroken, ik eet immers niet om God te behagen, maar om mijne zinnelijkheid te voldoen.

3° De goede meening wordt onderbroken door de ijdele glorie en andere menschelijke inzichten. Bijvoorbeeld, alvorens een loffelijk gesprek te beginnen, maak ik een goede meening, doch onder het gesprek biedt zich de gelegenheid aan mijn verstand te laten zien , waaraan ik toegaf; daardoor is de goede meening onderbroken, aangezien ik niet handel om aan God te behagen, maar uit ijdele glorie.

4° De reine meening wordt onderbroken, telkens als men een werk begint, voortzet of voltrekt uit een natuurlijken beweeggrond of uit een of andere ongeregelde genegenheid. Bijvoorbeeld: ik maak de goede meening mijnen tijd goed te besteden; ondertusschea komen twee personen mij om eenen dienst verzoeken; den eenen verleen ik mijne hulp omdat die persoon

ocr page 28

22

mij bevalt, terwijl ik zeden anderen weiger, omdat hij mij mishaagt; ziedaar de goede meening alweer onderbroken, omdat ik handel uit een natuurlyke genegenheid en niet om aan God te behagen.

§§ 3.

Op welke wijze men 's morgens eene goede meening moet maken.

Bij bet ontwaken zal men zorg dragen zijnen ijver op te wekken, zijn hart voor God uit te storten; zich zeiven en alle werken van den dag met een volmaakte liefde en zuivere meening aan God op te dragen met veel ijver en vuur. Aangaande de wijze waarop men dat zal doen, zal ieder de ingeving van den H. Geest volgen: ik zal er een aangeven die men kan volgen en waaruit men veel vruchten zal trekken

»0 mijn God en mijn hoogste goed! ik stort mijn hart voor ü uit, ik werp mij voor uwe voeten neder en vernietig mij voor uwe oneindige majesteit. Gij zijt het oneindige Wezen, één in wezen, drievuldig in personen, de Vader, de Zoon en de H. Geest. Gij, o Zoon des Vaders, Gy zijt uit den hemel nedergedaald voor mijne zaligheid; Gij hebt de men-schelijke natuur aangenomen en zijt voor mij den dood des kruises gestorven. Gij beloont het goed en straft het kwaad. Gij zijt het opperste goed, waardig bemind te worden om U zeiven en boven alles. Deze mysteriën en alle andere waarheden die de heilige Kerk mij voorstelt om te gelooven, geloof ik, omdat Gij, die de opperste waarheid en wijsheid zijt, dezelve geopenbaard hebt. In dit geloof wil

ocr page 29

23

ik leven en sterven; voor dat geloof ben ik bereid mijn bloed en mijn leven te geven. Mgn God! mijn eenig en hoogste goed! uwe barmhartigheden jegens mij zijn oneindig groot en oneindig iu getal; en toch verlang ik er nog meer en nog grootere. Mijn God, schenk mij de vergiffenis van al mgne zonden, de volharding in uwe genade tot aan het einde mijns levens en de eeuwige zaligheid. Schenk ons heden de genade U volmaakt te beminnen, en alle oogen-blikken van dezen dag in uwe liefde door te brengen. Ik hoop eu verwacht al deze genaden van ü, en ik verwacht ze met het grootste vertrouwen, omdat Gij almachtig zijt en oneindig goed; Gij kunt ze mij geven en wilt ze mij geven; Gij zijt oneindig getrouw, Gij hebt het mij beloofd, om wille van de verdiensten en de genade van Jesus Christus, onder voorwaarde dat ik medewerk met uwe genade.

O mijn God! eenig en hoogste goed! ik bemin U boven alles wat in den hemel en op aarde is. Uit liefde haat en verafschuw ik alle zonden van geheel mijn leven, meer dan alle kwalen en pijnen van dit leven en het andere, alléén omdat ik U daardoor vergramd heb. O! dat ik dezelve kon ongedaan maken. 01 dat de dood mij toch in uwe liefde van de aarde hadde weggenomen vóór dat rampzalig uur toen ik U voor de eerste maal vergramd heb. 0 engelen en heiligen des hemels, en Gij zelf, o mign God! ik neem ü tot getuigen, dat ik thans met vreugde mijn leven zou willen geven, indien ik daardoor kon maken, dat ik U nooit vergramd had! Maar wat gedaan is, kan niet meer ongedaan gemaakt worden, ik doe wat ik kan. Ik heb berouw over mijne zonden; ik haat en verzaak dezelve uit geheel mijn hart; ik maak het vaste voornemen nooit

ocr page 30

24

meer te zondigen, liever duizend maal te sterren, dan U nog ooit te vergrammen, o mijn God!

Mijn God en mijn al! ik bemin en omhels U boven alles wat er bestaat in den hemel en op aarde. Door deze liefde offer ik U de liefde op die Jesus voor U gehad heeft; ik vereenig met deze liefde al de gedachten, genegenheden en verlangens mijner ziel; alle woorden, schreden, bewegingen van mijn lichaam, al mijne handelingen, al myne gebeden, verzuchtingen tot en gesprekken met ü, o mijn God, alle bekoringen, kruisen en kwellingen, de uren, minuten en oogenblikken, kortom alles wat ü van daag kan worden opgedragen.

Ik offer U dat alles op, om door mijne nederige aanbiddingen te toonen dat Gij mijn God zijt; door myne diepe onderwerping, dat Gij mijn Heer en opperste Meester zijt; door mijne dankbaarheid, dat Gij de eenige bron van alle goed zijt; door mijne lof- eer- en eerbiedbewijzen, dat Gij het hoogste goed zijt in den hemel en op de aarde. Ik zou U al deze eer- en plichtbetuigingen willen doen met alle volmaaktheid, welke uwe oneindige Majesteit verdient.

Ik offer U dat alles op met de oprechtste dankbaarheid voor alle genaden en barmhartigheden, welke Gij mij tot heden toe bewezen hebt en in de toekomst mij nog zult bewijzen Ik erken, o mijn God, dat ze ontelbaar zijn en oneindig kostbaar in uwe oogen; Gij hebt ze mij geschonken zonder verdienste van mijnen kant en ondanks ik dezelve heel onwaardig was, alleen door uwe oneindige genegenheid, goedheid, liefde en goedertierenheid jegens mij.

Ik offer ü dat alles op om althans een gedeelte mijner schulden jegens U af te betalen. Mijn God! Gy ziet mijn hart; ik wensch dat het dierbaar Bloed

ocr page 31

25

van Jesus-Christus U tot verzoening mijner zonden opgedragen worde, zooveel raaien als ik van daag zal ademhalen. Ik wensch U mijn bloed op te dragen, zooveel malen als er oogenblikken zijn in dezen dag, en daardoor zou ik wenschen al mijne zonden zoodanig te vernietigen, alsof ze nooit bestaan hadden.

Ik draag ü dat alles op tot meerdere glorie van uwen heiligen Naam, tot de grootste voldoening van uw aanbiddelijk Hart, alle liefde waardig, kortom tot alle doeleinden, waarvoor Gij in mij en met rnij werkt. Ik belgd, o mijn God! dat Gij verdient oneindig bemind te worden om ü zei ven. Ik heb alleen uwe eer, uwe glorie en uwen heiligen wil op het oog; daaraan wil ik alle oogenblikken van dezen dag toewyden. Ik zoek geene belooning; doch, omdat ik weet dat Gij oneindig goed zijt, dat Gij niets onbeloond laat, ofschoon men geene belooning zoekt, zoo bid ik U, om wille van de verdiensten van Jesus bloed en van alles wat ik vandaag uit liefde voor U zal doen en lijden, mij de volgende gunsten te verleenen:

1° de genade mijne zonden af te boeten gedurende mijn leven;

2° de genade mij zeiven en de wereld af te sterven; U volmaakt te beminnen en innig met U vereenigd te big ven;

3° in uwe liefde te sterven;

4° my met ü voor altijd te gaan vereenigen, onmiddellijk na mijnen dood.quot;

O God van liefde en barmhartigheid, ontferm U mijner.

ocr page 32

26

i ■

§§ 4. wi

in

Op welke wijze men, gedurende den dag, eene

reine meening moet maken, aa

bc

Ik heb reeds gezegd, dat het voor eeue ijverige

ziel uiet voldoende is 's morgens eene goede meening 't

te maken, 't Is bovendien noodzakelgk hot oog ten ujj

hemel te richten bij het begin van elk werk, en en

duurt dit wat langer, de meening die men 's mor- ^

gens gemaakt heeft te vernieuwen. Daarvoor bestaan ye

vele oefeningen, ik zal er hier eenige van aangeven. (Jq

Eerste oefening. Aan God het werk opdragen, m(

uitsluitend om hem alleen te behagen. Bijvoorbeeld: te »Mijn God en mijn al! ik bemin U boven alles,

omdat Gij het hoogste goed zyt; quot;t is uit liefde tot ve

U, dat ik U dit werk opdraag in vereeniging met vc

bet H. Bloed van Jesus Christus en ik beoog daarbg ^

niets anders dan U te eeren, te verheerlijken en te te

beminnen, en uwen heiligen wil te volbrengen. hj

Tweede oefening. Aan God het werk opdragen ai wat men gaat verrichten, tot hetzelfde einde wat

God zich voorstelt bij dat werk. de

Om dit goed te verstaan, dient men op deze twee g waarheden te letten. De eerste: ik vermag niets

■zonder Gods bijstand, zonder zijne dadelijke genade; XJ

de tweede: daar God oneindig heilig is, kan Hij bij m ■dit werk geen ander dan een heilig doel hebben.

Wil ik dus eene volmaakte meening vormen, dan moet ze met die van God volkomen overeenstemmen.

Bijvoorbeeld; Myn God en mijn al! ik bemin U l)óven al, omdat Gij het hoogste goed zijt. Ik draag U dit werk uit liefde op, uitsluitend om U te eeren, te verheerlijken, te beminnen, en uwen

ocr page 33

27

wil te volbrengen en tot hetzelfde doel, wat Gij hebt in dit werk, in en met mij werkende.

Derde oefening. Het werk dat men gaat verrichten, aan God opdragen met een vurig verlangen Hem te behagen. Bijvoorbeeld: Mijn Heer en mijn God! ik bemin U boven al, omdat Gij het opperste goed zijt; 't is uit liefde voor ü, dat ik U dit werk opdraag, uitsluitend om U te eeren, te behagen, te beminnen en uwen heiligen wil te volbrengen O dat ik U daardoor kon eeren, beminnen en gehoorzamen, zooveel als de Ser;ifijnen dit in den hemel op dit oogenblik doen. Ik neem U tot getuige, mijn God, dat ik met blijdschap mijn leven zou willen geven om dit te kunnen doen, en 't is met deze meening en met het ofi'er van mijn leven dat ik dit werk wensch te verrichten. Zulke verlangens zijn niet onnuttig, onder voorwaarde dat ze uit het hart komen. De gelukzalige Alphonsus Rodriguez wenscbte eens de heele wereld te kunnen bekeeren, en hem werd geopenbaard dat hij voor dezen wensch zooveel glorie zou ontvangen, alsof hij werkelijk de wereld bekeerd had.

Vierde oefening. Aan God het werk opdragen door eene verkorte herhaling van de morgen-meening. Bijvoorbeeld: Mijn God en mijn al! ik bemin U boven al, omdat Gij het hoogste goed zijt. Ik draag U deze handeling uit liefde op en met dezelfde meening, waarmede ik U van morgen alle handelingen van dezen dag heb opgedragen.

ocr page 34

28

3e 3 Coof6gt;t'i/ilL

Gemakkelijke wijze om de meditatie goed te doen en er nut uit te trekken.

§§ 1.

Over de voorbereiding tot de meditatie.

Om voordeel te doen met de meditatie, is het noodig dat men er zich goed op voorbereide. God is de opperste Heer, en Hij wil dat wij Hem met den meesten eerbied behandelen. Indien wij voor Hem verschijnen, zonder er ons vooraf op voorbereid te hebben, maken wij ons zijne genaden en zegeningen onwaardig. Men zal die voorbereiding op de volgende wijze doen:

1° Lees daags te voren reeds aandachtig het mysterie of de waarheid die ge 's anderen daags moet overwegen, prent dezelve zoo levendig in uw geheugen, dat ge dezelve, zonder boek, aan andere personen kunt verhalen, met alle omstandigheden, waarmede dit mysterie of feit heeft plaats gehad

2° Onderzoek welke onderrichting gij uit dit mysterie kunt trekken voor de verbetering van den tegenwoordigen staat uwer ziel; zoek daarna eenige beweegredenen die u nopen die onderrichting in praktijk te brengen. Die beweegredenen kunnen zijn het voorbeeld van Jesus Christus, van de heilige Maagd Maria, of van andere Heiligen; de hemel, de straffen die in de andere wereld de lauwe ziel wachten; de gerustheid en de vreugde, waarvan de

ocr page 35

29

vurige zielen overstroomd wordeu gedurende het leven en in het uur van den dood, en dergelijke beweegredenen meer.

3° Stel u eenige heilige gevoelens voor die ge in u wilt opwekken, na het een of ander mysterie overwogen te hebben. By voorbeeld: gevoelens van berouw, van vertrouwen op God, van liefde, van onderwerping aan den wil van God, een heilig verlangen naar kruisen , druk en lijden, en meer andere dergelijke gevoelens. Gij zult verder zorg dragen u deze punten te herinneren, voor dat gij u ter ruste begeeft, ten einde ze in uw geheugen te prenten voor den tijd, waarop ge 's anderen daags 's morgens uwe meditatie zult doen.

§§ 2.

Over de naaste voorbereiding tot de meditatie.

Deze naaste voorbereiding is van groot gewicht, want in den regel is de meditatie zooals die voorbereiding geweest is. Als men met ijver en vuur begint, zal men met vuur en ijver voortgaan en eindigen, begint men integendeel met lauwheid en tegenzin, dan zal men ook met lauwheid en tegenzin voortgaan en eindigen.

Men zal de inleiding tot de meditatie volgender wijze beginnen:

1° Plaats u in de tegenwoordiorheid van God. Men _ , 0.

kan daarbij niet beter doen dan zich de heilige Drievuldigheid voor te stellen: dat zij in uw hart is als in een levenden tempel; dat zij er alles ziet; dat zij er alles hoort en gadeslaat, de gedachten en de geheimste gevoelens van ons hart. Nadat gij u dit

ocr page 36

30

alles met een levendig geloof zult hebben voorgesteld , kniel neder en aanbid God met diepen eerbied.

2° Maak eene zuivere meening, draag aan God de meditatie op die ge gaat doen, uitsluitend uit liefde voor Hem en om Hem te eeren; voor de meerdere glorie van zijn heiligen Naam en zijn aanbiddelijk Hart; ten einde Hem te behagen en zijn heiligen wil te volbrengen.

3° Draag u op en geef u geheel over aan Gods welbehagen. Die opdracht bestaat in twee punten: a. Bied u aan God aan met eene algeheele onverschilligheid omtrent licht of duisternis, troost of verlatenheid, zoete gewaarwordingen of droog- en dorheid des harten; dat alles u onverschillig zij; het zij u genoeg dat het van God komt.

h. Bied u aan God aan met de gesteltenis alles te doen wat Hem zal behagen ea zoodra Hij u zijuen wil daaromtrent zal hebben doen kennen.

4° Draag met eene diepe ootmoedigheid, in het bewustzijn van uwe onwaardigheid, en tevens met een kinderlijk vertrouwen, aan den heiligen Geest op het dierbaar bloed van Jesus Christus, en vraag Hem door een vurig gebed deze twee genaden: de eerste, uw verstand te verlichten en u zijn heiligen wil te doen kennen; de tweede, uw hart te roeren en met heilige aandoeningen te vervullen; u krachtdadig bij te staan om zijn heiligen wil te volbrengen.

ocr page 37

§§ 3.

Ocer de oefening van het geheugen en het verstand gedurende de meditatie.

Deze oefening is van groot belang, wil men nut doen met de meditatie. De wil is blind; om de deugd te beminnen, moet bet verstand bem de scboonbeid ervan doen kennen; 't is dus noodzakelgk dat de overdenking van het verstand voorafga en met veel zorg gedaan worde. Niets is daarvoor geschikter dan zicb bet mysterie in vorm van vragen voor te stellen en er door nadenken op te antwoorden.

Eerste vraag. Welk mysterie moet ik van daag overwegen ?

Om bierop te antwoorden, herinner u bet mysterie met alle omstandigheden, waarmede het plaats badr juist of moest gij het aan een ander verhalen. Indien ge daarin niet slaagt, lees dan langzaam en aandachtig alle punten, totdat ge alles goed verstaan hebt. Verwek daarna een akte van geloof op dit mysterie.

Tweede vraag Welke onderrichting moet ik uit dit mysterie trekken, ten einde mijn leven te beteren?

Herinner u die onderrichting en overdenk de een of andere beweegreden, geschikt om u aan te sporen om dezelve in oefening te brengen. By voorbeeld r 1° Hoe hebben mijn goddelijke Meester en Zaligmaker, de heilige Maagd en andere Heiligen in dit geval gehandeld? 2° Wat zon ik wenschen in het uur van mijnen dood, voor Gods rechterstoel, gedaan te hebben? 3° Welke belooning zal ik ontvangen gedurende mijn leven, bij mijnen dood en gedurende de gansche eeuwigheid, wanneer ik deze leering in praktijk breng? 4° Indien ik niet leef naar deze leering, welke rampen heb ik dan te

ocr page 38

32

■vreezen bij mijnen dood, in het vagevuur en in de iel? Wat vraagt in dit geval de regel, dien ik aan God beloofd heb te onderhouden? Wat vraagt mijne roeping? Indien ik deze leering in oefening breng, welke voldoening zullen daarover mijn goddelijke Meester, zijne Moeder en mijne heilige patronen hebben ?

Houd u met deze beweegredenen bezig, totdat uw hart er heel van doordrongen is.

Derde vraag. Hoe heb ik tot dusverre geleefd? Heb ik mij gedragen zooals ik het had moeten doen «n ik nu klaar heb ingezien?

Onderzoek uw geweten omtrent de onvolmaaktheden en fouten, welke gij begaan hebt aangaande dit punt; herinner u de gelegenheden waarin gy gevallen zijt; zoek naar de oorzaken van uwe veelvuldige afwijkingen, of het soms de luiheid was, de hoovaar-digheid, het ongeduld of andere slechte genegenheden.

Vierde vraag. Wat zal ik in de toekomst doen? Hoe wil ik mijn leven inrichten, ten einde televen volgens deze leering?

Maak een oprecht voornemen omtrent de wijze waarnaar gij voortaan uw leven zult regelen, maar vooral voor den dag van heden. Bij voorbeeld: de meditatie handelt over het kwaadspreken en vreemde zonden; maak dus een besluit van volgenden aard: 1° Vandaag tien tot twintig maal akten van liefde te verwekken jegens God en den evennaaste, en vernieuw tevens bet besluit, van anderen slechts goed te spreken. 2° Onderzoek de plaats, den tijd, de gelegenheid waar gij vroeger daar tegen gezondigd hebt, en maak het voornemen die gelegenheid te vermijden, indien gij het kunt, of u zeiven te over-quot;\vinnen, indien gij ze niet kunt vermijden.

ocr page 39

33

§§ 4.

Over de oefening van den wil.

De oefening van den wil is het voornaamste deel der meditatie, weshalve men zich met veel ijver en zorg zal toeleggen op het opwekken vau heilige genegenheden en gevoelens.

Ofschoon de H. Geest alléén ons op volmaakte wijze de oefening dier heilige gevoelens kan leeren, geven wij nochtans hier eenige aanwijzingen waarmede men zijn voordeel zal kunnen doen.

1° Leedwezen, berouw. Leg al uwe zonden en onvolmaaktheden aan de voeten van den gekruisten Jesus, beween en verfoei ze uit geheel uw hart; bied God tot vergoeding het kostbaar bloed van Jesus Christus aan.

2° Dankbaarheid. Loof God voor zoovele weldaden, die gij van Hem ontvangen hebt, dat Hij u zoo lang en met zooveel geduld verdragen heeft; prijs zijne oneindige goedheid, die u ook nu nog uitnoodigt Hem te beminnen.

3° Ootmoedigheid. Erken dat gij zoo zwak zijt, dat gg uit u zeiven niet in staat zijt u te bekeeren; dat gij niet waardig zijt dat God een enkelen blik zijner barmhartigheid op u laat vallen; dat er voor u geen andere uitkomst bestaat dan zijne oneindige goedheid en barmhartigheid.

4° Hoop en betrouwen. Stel aan God zijne oneindige, onbegrensde goedheid en goedertierenheid voor; de oneindige waarde van het bloed, dat Jesus voor ons gestort heeft; zijne oneindige getrouwheid die ons beloofd heeft ons te hulp te komen; zeg Hem dat gij vastelijk en onwrikbaar op die goedheid en goedertierenheid hoopt.

3

ocr page 40

34

5* Liefde tot God. Eer en bemin Hem boven alle schepselen; bied Hem uw hart aan met alles wat gij hebt en alles wat gij zijt; betuig Hem dat gij bereid zijt alles te doen, wat Hij van u verlangt, alles te lijden wat hij u zal overzenden.

6° Overgeving in Godswil. Bied aan God uw leven, uw lichaam, uw eer en goeden naam, uwe krachten en gezondheid, alles wat gij bezit en zijt. Bid Hem over dit alles te beschikken, zooals het Hem belieft, verzeker Hem dat gij niets anders verlangt dan dat zijn heilige wil op volmaakte wijze in u geschiede.

7° Verlangen om God volmaakt te beminnen. Betuig aan God dat gij Hem wenscht te beminnen en volmaakt te beminnen, meer dan alles wat er in den hemel en op de aarde bestaat; dat gij bereid zijt alles te doen met den bijstand zijner genade; bid Hem u te helpen en uit uw hart weg te nemen, al wat daar aan zijne liefde tegenstrijdig is.

8° Gods genade afsmeeken. Vraag Hem om genade en bijstand, ten einde uwe goede voornemens gestand te doen; belijd uwe onwaardigheid; stel Hem zijne oneindige goedheid, goedertierenheid en getrouwheid voor, zijne beloften, het lijden en den dood, het bloed en de verdiensten van Jesus Christus, uwe armoede, ellende en ongestadigheid. Zeg Hem, dat gij niet zult ophouden tot Hem te roepen, vooraleer Hij barmhartigheid aan u zal gedaan en zich over u zal ontfermd hebben.

Leg u toe om met God met veel vurigheid om te gaan door deze en dergelijke opwekkingen. Men moet niet te gauw van de eene opwekking tot eene andere overgaan, maar zich bij iedere zoo lang ophouden tot het hart er goed van doordrongen is en men er smaak in vindt.

ocr page 41

I

35

ren §§ 5.

ja^ Over het einde der meditatie.

gt, Nadat gy de meditatie op die wijze gedaan liebt, moet gij de middelen zoeken, die u uwe besluiten

en, zullen helpen ten uitvoer brengen; let tot dat einde

we op de volgende punten:

ijt. 1° Hoeveel en welke akten van inwendige deugden

iet wilt gij dien dag doen ?

sr- 2° Welke uitwendige akten?

jze 3° Wanneer ea bij welke gelegenheid ?

Neem daarna uw kruisbeeld in de hand en eindig

lig uwe meditatie met deze of dergelijke oefeningen:

ikt 1° Wek u tot eene vurige liefde tot God op,

iel bied Hem het voornemen aan, dat gij bij de medi-

te tatie gemaakt hebt, met den vasten wil het uit te u • voeren, wat het ook koste, uit loutere liefde voor God,

rat 2° Erken uwe zwakheid en onmacht, en zeg aan God, dat gij dit voornemen niet beter zult nakomen

de dan zoovele andere die gij gemaakt en niet uitgevoerd

ad hebt, indien Hij zelf u niet te hulp komt.

ae 3° Werp u in den schoot zijner barmhartigheid

id en zeg Hem dat gij hoopt en vastelijk gelooft dat

et Hij u zal helpen dezen dag heilig in zijnen dienst

ve door te brengen , en uw besluit nauwkeurig uit te

at voeren.

er 4° Vraag te dien einde den gekruisten Jesus om

u zynen zegen, en bid Hem aan zijn goddelijken Vader het bloed aan te bieden, dat Hij voor u gestort heeft,

m en voor u de noodige hulp te verkrijgen,

sn 5° Kus ten slotte zijne heilige wonden; betuig

ie Hem uwen nederigen dank, dat Hij u zoolang ver-

p- dragen heeft; maak het kruisteeken en sta met veel

m eerbied op.

ocr page 42

36

Van de zorg die men aan het hartroerend gebed moet besteden.

Op de meditatie volgt liet hartroerend gebed; want nadat gij uw hart gezuiverd hebt van alle verkeerde genegenheden, en het licht des hemels erkend hebt; nadat gij de liefde, de schoonheid, de goedertierenheid en de andere volmaaktheden van God overwogen en gy Hem door eene oprechte liefde gevonden hebt, is het niet meer noodig dat het verstand zich lang bezig houde met de overweging van soortgelijke waarheden: een enkele blik van haren goddelijken Bruidegom is voor de ziel voldoende om zich onmiddellijk in liefdevolle verzuchtingen uit te storten, zij omhelst Hem ouder teedere liefdebetuigingen, zij vermeit zich stil en rustig in zijne beminnelijke tegenwoordigheid.

Deze wijze van gebed is veel volmaakter dan de meditatie. Men behoort er zich niet aan over te geven, zoolang men niet heel vrij is van de onrust en de verwarring der zonde en ongeregelde genegenheden. God zelf trekt gewoonlijk de ziel tot zich en vervult haar met zoo heilige aandoeningen, dat ze zich zonder moeite en zonder eenige meditatie met Hem bezighoudt; dat is het bewijs dat God haar tot zoodanig gebed roept. Ziehier de wijze hoe men daarbij moet te werk gaan:

1° Men zal er zich zorgvuldig op voorbereiden; men zal zich vooraf de waarheid herinneren, welke men kort wil beschouwen; men zal te voren eenige heilige gewaarwordingen kiezen , welke uit die waarheid voortvloeien, en het oprechte voornemen vast-

ocr page 43

37

stellen dat men uit liefde voor God wil maken. Voor de voorbereiding is verder niets vereischt.

2° Wanneer de tijd daar is om dat gebed te doen, zult gy u in de tegenwoordigheid van God stellen, en na de inleiding of naaste voorbereiding gedaan te hebben, u de waarheid voorstellen die het onderwerp van uw gebed zal zijn; beschouw die waarheid b.v. een kwartiertje, ten einde haar goed te begrijpen.

3° Geef u, na afloop daarvan, aan vurige liefdebetuigingen over, stort uw hart voor God uit, vereenig u met Hem zooveel gij kunt, stap niet te gauw van de eene ontboezeming tot de andere over, maar houd u met elke zoo laug bezig als uw hart er zich toe getrokken voelt.

4° Eindelijk om uw gebed te sluiten, moet gij u geheel aan God opdragen, opdat Hij over u beschikke naar zijn welbehagen, en zijne inzichten in u tea uitvoer brenge.

§§ 1-

De oefening der dankbaarheid.

De dankbaarheid voor de ontvangen weldaden is het gewone onderhoud met God eener ziel, die Hem uit geheel haar hart bemint. Daar zij door een bovennatuurlijk licht de goedheid en barmhartigheid kent, die God voor haar gehad heeft en nog heeft en gedurende de gansche eeuwigheid voor haar wil hebben, kan zij zich onmogelijk weerhouden en zwijgen. Zij gaat gansch in bewondering op en houdt niet op God voor al zijne weldaden te bedanken. En daar de dankbaarheid aan God zoo bijzonder aangenaam is, stort Hij eiken dag zooveel genaden in die ziel, dat ze eindelijk heel ontstoken en gloeiend is van

ocr page 44

38

het vuur der goddelijke liefde. Zij zal dus wel doen de oefening der liefde Gods door deze ontboezeming te doen, opdat God haar meer en meer door dit goddelijke vuur verwarme en verteere.

Eerste oefening. Dank God voor de schepping.

Overweeg kort deze waarheid: »Mijn God! wat was ik voor honderd jaren?quot; Niets. Mijn lichaam, mijne ziel, alles wat ik ben en bezit, is het werk uwer almacht, en een geschenk uwer goedertierenheid en goedheid. Maar, mijn God! door welke liefde hebt Gij mg deze buitengewone genaden bewezen? In plaats van my hadt Gij millioenen en millioenen zielen kunnen scheppen, die U zoo dikwijls en zoo zwaar niet zouden beleedigd hebben, die U vuriger zouden bemind, die U veel meer dan ik eeuwig zouden bemind hebben; niettemin hebt Gij ze in het niet gelaten, terwijl Gij er mij hebt uitgetrokken , niettegenstaande dat Gij voorzaagt hoe vaak ik U zou vergrammen, hoe weinig, hoe koud en lauw ik U zou beminnen.

Maar indien Gij mij hebt willen scheppen, waarom hebt Gij mij gevrijwaard tegen zoovele ellenden, waarin anderen moeten leven? Hoeveel duizenden leven in de uiterste armoede en moeten hun brood bedelen, terwijl ik voldoende voorzien ben van tijdelijke goederen, en van niemand behoef af te hangen ! Hoeveel duizenden zijn kreupel, doof, blind, gekweld door allerlei ziekten en aan hun ziekbed als gekluisterd , en Gij hebt mij voor al die ellenden en krankheden bewaard! Aan wien dank ik dit alles ? aan U alleen, o oneindige goedheid! Gij alleen hebt uw oog op mij laten vallen en hebt mij met zoo overvloedige genaden overladen, bij voorkeur aan zooveel duizenden !

ocr page 45

39

n Na afloop van het beschouwen dier goddelijke

g goedheid, ga tot de volgende overpeinzingen over: ^ 1° Bewonder Gods oneindige goedheid en mild

dadigheid , die u, bij voorkeur van zoovelen, bemind en voorkomen heeft door zoovele genaden en weldaden.

2° Loof en zegen God uit geheel uw hart, ver-1) heerlijk Hem en betuig Hem uwe erkentelijkheid Ij voor zooveel weldaden; vraag alle Heiligen God met L_ u en voor u te danken en te zegenen. :e 3° Verfoei uwe vroegere ondankbaarheid, betreur

i dat gij God niet vurig bemind hebt van het eerste ;n oogenblik af dat uw geest ontwaakte, vraag Hem Is vergiffenis uw hart aan het schepsel te hebben ge-[j hecht en den besten der Vaders te hebben bedroefd, k was het ook slechts door een enkele zonde, .jj 4° Wek in u een vurige liefde tot Hem op; offer

Hem voor altyd uw lichaam en uwe ziel, alles )e wat gij zijt en wat gij bezit; en maak het vaste lc[ voornemen wel te leven en zijn wil te volbrengen.

Tweede oefening. Dank God voor de weldaad der m verlossing.

I Overweeg kort deze waarheid: O mijn God! uwe .jj goedheid, liefde en barmhartigheid schitteren in alle

mysteriën, maar nochtans niet zoo helder en klaar 3_ als wel in dat der verlossing.

II De verdiensten van uw lijden zijn overvloedig, [(j Een enkele traan was voldoende om mij te verlossen, 3_ en Gij hebt er zoo veel uit liefde voor mij willen ,n storten. Een enkele druppel van uw bloed was genoeg ,9 om voor mij den hemel te verdienen, en Gij hebt al

uw bloed tot den laatsten druppel voor mij willen )0 geven. Een enkele kniebuiging ware genoeg geweest in voor mijne zaligheid, en Gij hebt de vreeselijkste pijnen en smarten willen lijden. Een enkele zucht

ocr page 46

ton my met uwen hemelschen Vader verzoenen en Gij lt;

zijt voor mij aan liet schandelijk kruishout gestorven. gei

Uw lijden is buiten al mijne verdiensten geweest. hei

Ik had het levenslicht nog niet aanschouwd, en toch hai

bemindet Gij mij reeds en hadt Gij reeds uw bloed mi

voor mij gegeven. Gij wist dat ik U veel en vaak ges

zou vergrammen, en desniettegenstaande hebt Gij Wc

mij bemind en uw leven voor mij gegeven; Gij hadt lor

mijne hemeltergende ondankbaarheid voorzien, dat be1

heeft U echter niet verhinderd mij te beminnen tot wa

den dood toe. Hoe ondankbaar zou ik dus zijn, O

indien ik niet van liefde voor U brandde. joc

Na de overweging dezer waarheid, geef lucht aan u uw dankbaar hart en beken voor God: 1° dat uwe \ ge(

verlossing een werk is van louter goedheid en barm- ha

hartigheid. te

2° Loof en dank Hem uit al uwe krachten voor ge1

alle tranen en druppelen bloeds, die Hij voor u ver- vai

goten, en voor alle pijnen en smarten, die Hij voor me

n geleden heeft. kir

3° Offer u gansch aan God op; draag Hem uw bai

lichaam en uwe ziel op, uwe gezondheid, uw leven, In

uw eer en goeden naam, in êén woord, alles wat pe:

gg zijt en hebt, opdat Hij er volkomen over be- Gr

schikke volgens zijn welgevallen. Betuig Hem dat te gy niets anders wenscht, naar niets anders tracht,

dan zijn heiligen wil te volbrengen. Go

4° Wek u tot een vurige liefde tot Hem op; en

maak het besluit in uw hart nooit eene andere liefde, vei

eene andere genegenheid toe te lateu, die niet God aai

tot voorwerp zou hebben, God die u tot zoo hoogen tig prijs vrijgekocht en zoo vurig bemind heeft.

Derde oefening. Dank God voor de genade uwer va:

heiligmaking. va:

ocr page 47

41

Gij Overweeg zakelijk deze waarheid; O mijn God, welke

en, genade en hoe groot eene weldaad is het, mij tot de ast. heilige, alleen zaligmakende Kerk geroepen en ia 3ch haren schoot te hebben opgenomen. Wat zou het sed mij gebaat hebben, dat Gij mij voor den hemel lak geschapen, en toen ik verloren was, ten koste van uw Gij bloed, vrijgekocht hadt? Ik zou desniettemin ver-adt loren gaan, indien ik buiten de Kerk was. Thans dat bevind ik mij in die heilige Kerk, ik bewandel den tot waren weg, ik ga iu rechte lijn naar den hemel, jn, 0 hoeveel duir.ende zielen zijn er niet onder de joden, heidenen, ketters en andersdenkenden, die lan u met veel meer getrouwheid, toewijding en liefde iwe i gediend zouden hebben, indien Gij hun de genade m- hadt geschonken in de ware Kerk geboren eu opgevoed | te worden! Gij hebt toegelaten dat ze in de dwaling oor geboren werden en opwiesen; mij echter hebt Gij, er- van mijne geboorte af, in uwe armen genomen, oor met uwe genaden overladen, en onder het getal uwer kinderen opgenomen; O welke liefde, welke dank-uw baarheid moet die genade niet in mijn hart ontsteken! en, In waarheid, ik moet U meer beminnen dan al die vat personen te samen , die buiten uwe Kerk zijn, omdat be- Gij mij alléén meer bemind hebt dan al die personen dat te samen.

ht, Besluit uit de overweging dier waarheid: 1° Dat

God u ver boven de ongeloovigen heeft geplaatst, 3p; en beken dat gij de gave des geloofs veel minder de, verdiend hebt dan zij, en dat gij haar alleen dankt rod aan Gods goedheid en heel onverdiende barmhar-fen tigheid.

2° Bied tot dankzegging aan den heiligen Geest ver van wien die gave komt, het leven, lijden en dood van Jesus Christus aan.

ocr page 48

42

I

3° Betreur dat gij tot dusverre zoo ondankbaar

zijt geweest; dat gij die groote genade als eene schuld jn

hebt beschouwd en slechts met vele zonden en on- jje

deugden beantwoord hebt. go

4° Wek u tot eene vurige liefde jegens God op,

bid Hem uw hart van al de schepselen te onthechten t01 en hetzelve door de grootste en reinste liefde te

■ontvlammen. is

Vierde oefening. Overweeg de bijzondere weldaden, z0(

welke gij van God ontvangen hebt. Beschouw dezelve de

met godsdienstigen ernst in u zeiven en dank er te

God voor. de

Het is niet noodig en ook niet mogelijk al die ^

weldaden hier op te sommen; gij behoeft slechts zei uw oog te laten vallen op uw voorgaand leven, gij . ni( zult daar een oneindig getal genaden vinden, waarvan

gij het voorwerp waart. Laat ik u er eenigen, bij 0y,

wijze van voorbeeld, voorstellen. de

1° Een dier weldaden is een lang leven. daj Alle dagen kunnen wij iets af boeten voor onze zouden en zoodoende de pijnen van het vagevuur vermin-

deren. Wij kunnen dagelijks nieuwe goede werken ma

verrichten en onze glorie in den hemel vermeerderen. }3e]

Dagelijks kunnen wij voortgang doen in de deugd ]jU en een grootere mate van geluk voor den hemel

verkrijgen. O! indien God een langer leven had tg geschonken aan die ougelukkigen, die zich in hunne

jeugd verdoemd hebben, wat zouden zij boetvaar- ^ej

digheid gedaan hebben. O! indien God zekere zielen dui

van het vagevuur langer had laten leven , door welke en strenge boetvaardigheid zouden zij hunne zonden

afgeboet hebben. Hoeveel duizende heiligen zouden eri

hunne verdiensten en glorie door een langer leven v0(

vermeerderd hebben! Da

ocr page 49

43

ar Die genade, welke God aan zooveel duizende zielen

■ld in den hemel, het vagevuur en de hel geweigerd n- heeft, heeft Hij mij vrijgevig geschonken uit loutere

goedheid en barmhartigheid.

P» 2° Eene andere bijzondere genade is, dat Hij ons

611 tot de deugd en volmaaktheid geroepen heeft, te Hoeveel duizende christenen ontmoet men, die wel

is waar braaf leven, maar die door arbeid en zaken 'D) zoodanig overladen zijn, dat zij nauwelijks gedurende 've den dacr kunnen denken eene deugd te beoefenen of

3 O

er te verkrijgen. Hoeveel duizende landlieden onder de eenvoudigen van stand, die niet weten waarin de ware deugd en heiligheid bestaat! Hoeveel dui-tits zenden die, gedurende den ganschen dag den tijd gïï J niet hebben een goed boek te lezen, eene H. mis te ran hooren, noch de eene of andere eeuwige waarheid te bij overwegen! Hoevelen die van den hemel noch van de menschen een andere leering ontvangen hebben, dan juist zooveel als noodig is om de hel te vermijden ! |en Mij behandelt God heel anders. Hij geeft mij alle

inquot; middelen niet alleen om mijne zaligheid te bewerken, ien maar ook om een hoogen graad van heiligheid te engt; bereiken, en dat bij voorkeur aan zooveel anderen, die Jgd hunne jeugd in onschuld hebben door- gebracht, ^el Na deze en andere dergelijke genaden overwogen tiad te hebben, zult gij de volgende gevoelens in u op-nne wekken : gij kunt en moet nu Gods oneindige goed-lar- teid grootelijks bewonderen, die u goedgunstig zooveel slen duizende buitengewone genaden geschonken heeft, ilke en dat zonder eenige verdiensten van uwen kant; den nu tunt en moet gij met volle overtuiging God loven den en zegenen en Hem uit geheel uw hart bedanken ven -voor zijne oneindige goedheid en barmhartigheid. Daarna kunt gij, in plaats van Hem uwe erkente-

ocr page 50

44

Igkheid te betuigen, Hem den lof en zegeningen aanbieden , welke Hem ten allen tijde door het heilig Hart vau Jezus gegeven werden. Een ander maal kunt gy uwe ondankbaarheid betreuren: dat gij God zoo dikwijls en zoo zwaar beleedigd hebt, niettegenstaande dat gij zoovele genaden en weldaden van Hem ontvangen hebt. Dan weer kunt gij een vurige liefde in u opwekken en uit dankbaarheid u gansch aan Hem opdragen.

§§ 2-

Over de liefde der achting.

De liefde der achting is eene oefening van den wil, waardoor de ziel God boven alle schepselen acht en schat; waardoor ze den geringsten wil, het geringste welgevallen van God verkiest boven alle goederen dezer wereld en der andere; waardoor ze de onbeduidendste zaak, die Hem mishaagt, meer haat en verfoeit dan alle rampen en kwaden dezer wereld. Dat is de eerste oeiening van de liefde der achting jegens God en het begin en de inleiding van alle andere; want een hart waarin die liefde brandt en steeds grooter wordt door eene dagelijksche en aanhoudende beoefening, zal weldra het vuur der goddelijke liefde meer en meer gevoelen, die de ziel geheel zal vervullen en haar tot dusverre ongekende zoetigheden zal doen smaken. Tot dat einde is het nuttig en zelfs noodzakelijk zich met zorg op die oefening toe te leggen, totdat men het vaste besluit heeft gemaakt zijn dagelijksch leven daarnaar te schikken.

De eerste oefening bestaat hierin, dat men eene zoo groote achting voor God heeft, dat men het vaste besluit maakt liever alle kwalen van dit leven

ocr page 51

45

; en het andere te lijden, dan Hem vrijwillig en met voorbedacht door de kleinste zonde te vergrammen. Overweeg tot dat einde de volgende waarheid: God is het hoogste goed, oneindig volmaakt in alle volmaaktheden , oneindig machtig, oneindig schoon, oneindig heilig, oneindig barmhartig, oneindig goed, oneindig wijs. Een oneindig goed beleedigen, is het grootste kwaad wat men kan doen of zich kan verbeelden. Beter ware het dat alle schepselen in het niet terugzonken, dan eene zonde te bedrijven of iets te doen wat aan de Bron van alle goed mishaagt.

Na die waarheid goed overwogen te hebben, wek de volgende gevoelens in n op:

1° Acht en eerbiedig God boven alle schepselen en erken dat Hij alleen eene oneindige liefde verdient; dat Hij alleen eene oneindige liefde waardig is, omdat Hij alleen oneindig volmaakt is in zich zeiven ; erken dat men geen grooter kwaad kan doen of zich kan verbeelden, dan Hem het geringste ongenoegen te veroorzaken; dat het beter ware dat alle schepselen tot het niet terugkeerden, dan den ; Schepper van alle dingen te beleedigen.

2° Erken met oprechtheid dat gij, op het oogenblik dat gij God door uwe eerste zonde beleedigdet, | verdiend hebt in de hel geworpen te worden. Druk uwe verwondering uit dat God, ondanks zijne on-» eindige heiligheid, zooveel beleedigingen heeft willen verdragen, zonder ze te straffen, zooals ze het verdienden ; dat Hij ze van u, ellendige aardworm die gij zijt, heeft willen verdragen.

3° Verwek een oprecht berouw over al uwe zonden, onvolmaaktheden en slechte neigingen; verfoei ze uit geheel uw hart. Betuig aan God, dat gij bereid zijt op dit oogenblik den vreeselijksten dood te

ocr page 52

46

sterven, indien gij daardoor de beleedigingen kondt te niet doen, welke gij Hetn aangedaan hebt.

4° Maak het besluit, ten aanhooren van den hemel, alle nooden en kwalen te lijden, eerder dan God uw opperste Goed nog te beleedigen, al ware het maar eenmaal en door de geringste zonde.

De tweede oefening der achting bestaat hierin, dat men het vaste besluit maakt steeds en elk oogenblik te doen, wat men weet aan God het aangenaamste te zijn.

Overweeg te dien einde de volgende waarheid: God alleen is het opperste Wezen, volmaakt en oneindig, dat verdient geloofd en bemind te worden om zich zeiven en boven alles. De engelen, de menschen, hemel en aarde, alle schepselen te samen zijn in vergelijking bij God, nog minder dan het kleinste stofdeeltje in vergelijking bij den onmetelijken aardbol. Aan dezen grooten God een kleine voldoening geven is derhalve een goed van oneindige waarde, dat alle ander goed, wat men aan welk schepsel dan ook, zou doen, te boven gaat.

Na deze waarheid overwogen te hebben, zult gy de volgende gevoelens in u opwekken:

1° Verheug u, en dank God uit geheel uw hart, dat Hij in zijne oneindige goedheid, zich gewaardigd heeft u in eenen staat te plaatsen, waar gij God kunt kennen , prijzen , beminnen en behagen. Betuig Hem dat gij Hem ook in de onbeduidendste zaken wilt behagen , dat gij Hem acht en hoogschat boven den hemel en de aarde, boven alle goederen van dit leven en het andere.

2° Offer u uit geheel uw hart aan Hem op, als een volmaakt brandoffer van liefde, en verklaar u bereid steeds en ten allen tijde te doen, wat Hij

ocr page 53

47

van u verlangt, wat Hij u zal ingeven, of op eene of andere wijze zal doen kennen; alles en ten allen tijde te lijden, wat Hem zal behagen u te overzenden, en dat alles uit reine liefde tot Hem en om Hem te behagen.

3° Betreur uit geheel uw hart, dat gy zoovele jaren en zoo vurig gezocht hebt aan de wereld te behagen, en zoo laat begonnen hebt de middelen te zoeken om God te behagen.

4° Tot aanvulling van hetgeen er ontbreekt aan uwe achting, liefde en toewijding, bied Hem aan alles wat aan liefde en toewijding het heilig Hart van Jezus gedurende zijn leven Hem bewezen heeft.

De derde oefening van achting bestaat hierin, dat men bereid moet zijn steeds stilzwijgend en met vreugde te lijden, alles wat Hem zal behagen ons te overzenden.

God is het opperste Wezen, een onmetelijk Wezen, het volmaaktste, het beminnelijkste. Wat ik ook doe, is van geene waarde in vergelijking met hetgeen Hij verdient. Indien ik alleen kon doen, al wnt de Heiligen uit liefde voor Hem gedaan hebben, van het begin der wereld af; indien ik alleen kon lijden, al wat de martelaren uit liefde geleden hebben van het begin der Kerk af; indien ik alleen kon lijden uit liefde voor Hem en om Hem te behagen, al wat alle schepselen ooit geleden hebben, dat alles zou niets zijn in vergelijking bij hetgeen God verdient; en de reden daarvan is: wat God verdient, is oneindig, terwijl wat gij doet, wat en hoeveel het ook zij, eindig is.

Wek n na overweging dezer waarheid tot de volgende gevoelens op:

ocr page 54

48

1° Wek in u op eene vurige liefde tot Hem; offer i

Hem uit liefde uwe tijdelijke goederen, en verklaar | Hij

u bereid zijnen heiligen wil te aanbidden in alles 1 sch

wat u zal overkomen, dus ook indien God goed 1 zijr

vond u deze goederen te ontnemen. gel

2° Doe een nieuwe liefdeverzucbting tot God en offer sch

Hem uit liefde uw lichaam en gezondheid; zeg Hem lt;

dat gij u gansch te zijner beschikking stelt, indien ind

Hij goed vond u met ziekten, kwalen en smarten ged

te slaan; dat gij dan ook zijne aanbiddelijke inzichten ' ■ ver

zult loven en zegenen. ^ san

3° Wek u tot groote liefde op en offer Hem alle

uw eer en goeden naam, en verklaar u bereid die een

te verliezen , indien Hem zulks mocht behagen, en ven

ook in dit geval zgn heiligen wil te zegenen. ; diet

4° Offer Hem met dezelfde gesteltenis uwe ziel, zalij

den innerlijken vrede en gerustheid, en verklaar u 4

bereid zijn heiligen wil te zegenen, ook dan wanneer ik i

Hij, tot beproeving, u bekoringen, gewetensangsten gehi

of verlatenheid mocht overzenden. leve

Die oefening is van het grootste gewicht, want ik 1

door dezelve te verrichten gedurende deze beproe- goei

vingen, erlangen wij eene groote liefde tot God en tot i

de grootste versterving van ons zei ven. zou

I)e vierde oefening der achting is: zich zeiven 5'

gansch te vergeten, zonder eenig voorbehoud, om war*

^ich geheel ter beschikking van God te stellen. Over- God

weeg tot dat einde nu deze dan gene der goddelijke 6C

volmaaktheden. 200

1° De macht van God is zoo groot, dat Hij door iquot;eldlt;

een enkel woord, in een oogenblik, zonder eenige geen

moeite, uit het niet kan trekken zooveel hemelen, zijn

zooveel werelden, als er zandkorrels zijn op den 7°

oever der zee. ware

ocr page 55

49

3r 2° De schoonheid van God is zoo groot, dat, indien

ir 1 Hij iederen dag zooveel millioenen engelen en men-es 1 schen schiep als er kleine stofdeeltjes in de lucht jd 1 zijn, die engelen en menschen oneindig en eeuwig ■ gelukkig zouden zijn, indien ze slechts Gods aan-er ' schijn konden aanschouwen.

m 3° De barmhartigheid van God is zoo groot, dat,

jn indien ik alleen alle zonden begaan had, welke ooit sn gedaan zijn geworden, dagelijks gedaan worden en m verder zullen gedaan worden door alle menschen te samen, en zelfs als ik de zonden bedreven had van m alle duivelen en verdoemden, en ik voor die zonden lie een enkelen zucht tot God richtte, mits met een 3n vermorseld en van liefde gloeiend hart, God om ; dien enkelen zucht, mij vergiffenis zou schenken en gt;1, zalig zou maken.

u 4° Gods milddadigheid is zoo groot, dat indien ■er ik geen enkel goed werk verricht had gedurende en geheel mijn leven, en ik op het einde van mijn leven deze verzuchting tot Hem richtte: »0 Heer! nt ik bemin U boven alles, omdat Gij het opperste ie- goed zijt, ik verfoei al mijne zonden uit reine liefde en tot uquot;. God mij voor dien enkelen zucht den hemel zou geven.

en 5° Gods heiligheid is zoo groot, dat het beter jm. ware dat alles in het niet terugkeerde, dan dat men 3r- God door de kleinste zonde zou vergrammen, jke 6° De oneindige alomtegenwoordigheid Gods is zoo groot, dat, indien God zooveel millioenen we-3or relden schiep als er zandkorrels aan de zee zijn, er ige geene plaats zou zijn waar God zich niet bevond met jn, zijn gansche natuur en wezenheid.

len 7° De liefde van God voor mij is zoo groot, dat, ware het noodig, Christus op nieuw voor mij zou

4

ocr page 56

50

sterven, indien liet kon, want zoo onbegrijpelijk groot is zgne genegenheid en liefde voor mij.

8° Gods rechtvaardigheid is zoo groot, dat Hij in de hel en gedurende de gansche eeuwigheid met de verschrikkelijkste pijnen een enkele doodzonde zal straffen.

Na deze goddelijke volmaaktheden overwogen te J

hebben, geef u aan de volgende liefdebetuigingen over: in

1° Verneder u tot het diepste van uw niet, en ü

aanbid Gods oneindige grootheid met onbegrensden de

eerbied; bewonder zijne oneindige majesteit en ver- ;neilt;

heerlijk haar door onuitsprekelijke wenschen voor |sch

zijn oneindig geluk. igini

2° Stem met innige vreugde, lof- en zegeliederen stre

aan Gode ter eere. 'ove

3° Nbodig alle schepselen uit om met u den Heer in (

van hemel en aarde te loven en te verheerlijken. in

4° Verfoei al uwe ongerechtigheden, waardoor gij Ik

zoo dikwijls en zoo zwaar dien grooten God belee- hee'

digd hebt, en betreur dat gij zooveel jaren hebt mot

laten voorbijgaan, zonder Hem te beminnen , zooals zijn

Hij het verdient. Stort tranen over de wereld en sma

beklaag haar dat dit opperste Goed zoo weinig door I

haar gekend, zoo weinig bemind, maar integendeel 1

zoo dikwijls en zoo zwaar en door zoovelen vergramd woi

wordt. in i

5° Wek u tot den grootsten eerbied en achting van

voor God op; bied Hem de heiligste besluiten aan, geh

een vurige liefde en uwe volle onderwerping aan al 2

zijne bevelen. voo

6° Wek een vurig verlangen in u op, om door rein

zijne liefde te branden en als verteerd te worden, den

en uit den wensch dat de groote God door alle zoo(

menschen gekend en geëerd worde. als

ocr page 57

51

lijk

5e M'oofbyl'i vfi.

Eenige bemerkingen over het gebed.

i te Eerste bemerking. Welk doel behoort men zich er: in het gebed voor te stellen?

en Men moet zich als doel des gebeds voorstellen den de algemeene versterving van al zijne verkeerde 'er- neigingen, en de algeheele onthechting van alle oor {schepselen. Op dat doel moeten al onze overwe-igingen gericht zijn. Indien wij niet dagelijks daarnaar iren Istreven, indien wij van de eene stof tot de andere jovergaan, alleen omdat de eene of de andere volgt [eer in de meditatieboeken, zullen wij ons honderd jaren i. in het gebed oefenen zonder er God in te vinden. ■ gij Ik zal hier de punten aanduiden, waarin deze alge-lee- heele en algemeene onthechting bestaat, welke men lebt moet bezitten, wil men dat God ons al de zoetigheid oals zijner liefde en innige vereeniging met Hem zal laten en smaken.

oor 1. De voortdurende versterving der zinnelijkheid. ieel 1° In liet eten en drinken, in onze kleeding en bind woning, in het slapen, in onze recreaties, kortom in alle lichamelijke gemakken, moeten wij ons nooit ting van meer bedienen, dan de noodzakelijkheid, de tan, gehoorzaamheid of liefde eischen.

i al 2° Wat wij gebruiken, waarvan wij ons bedienen voor deze handelingen, wij moeten dit doen met de loor reinste meening, alleen om God te behagen, daarbij len, den natuurlijken lust geheel en al onderdrukkende, alle zoodat wij bereid zijn ons dit alles te ontzeggen, als God het verlangde.

Hij

net nde

ocr page 58

52

3° Wij moeten getrouw zij a in het verrichten van zekere akten van boetvaardigheid, nochtans zooveel als de gehoorzaamheid ons dit veroorlooft.

II. Eene voortdurende versterving van al ome verkeerde neigingen.

Men moet voortdurend een waakzaam oog houden op al de bewegingen des harten. Vier neigingen zijn vooral strijdig met den wil van God: de liefde, de haat en de gramschap, de vreugde, en de droefgeestigheid. Men moet er aanhoudend acht op geven, en zich beijveren zich nooit een van die bewegingen of opwellingen te veroorloven, tenzij God ze in ons opwekke Tot dat einde moeten wij ons in de tegenwoordigheid van God stellen, zoodra wij die aandoeningen gevoelen, en ons hart onderzoeken om te weten uit welke bron ze voortkomen. Wanneer wij zien dat die aandoeningen ^an liefde of elke andere neiging niet van God komen, maar uit de zinnelijkheid, de een of andere geheime gehechtheid, uit verborgen hoogmoed of andere soortgelijke neigingen voortkomen, moeten wij ze van den beginne af uitdooven en verstikken en ze uit geheel ons hart verfoeien.

III. De voortdurende versterving van onzen wil.

1° Wij moeten ons geheel en al en zonder eenig

voorbehoud overgeven aan onze oversten, en aan hen die ons geweten bestieren; wij moeten trouw hunne verordeningen en voorschriften nakomen.

2° Wij moeten ons dagelijksch leven regelen volgens de regels, de constituties en goede gebruiken der gemeente, en er trouw aan blijven.

3° Wij moeten steeds den wil van een ander aan onzen eigen wil voortrekken, en denzelven volgen

A

ocr page 59

53

i zoo dikwijls wij dit kuunen zonder aan onze regels : eu constituties te kort te doen.

4° Wij moeten goed acht geven op de goddelijke 1 inspraken en ze trouw volgen, want daarvan hangt 1 de geheele leiding van God voor ons af.

IV. De liefde der verachting.

1° Wij moeten uit ons hart uitroeien het verlangen naar achting, loftuitingen, eeretitels en genegenheid der menschen voor ons; zoodra er een vonkje van in ons opflikkert, moeten wij het terstond uitdooven.

2° Ons recht op onzen goeden naam bij anderen moeten wij God ten offer brengen, met den oprechten wensch, zooveel het ons mogelijk is, van steeds tot ï onzen dood toe onbekend te blijven.

3° Indien God toelaat dat wij te recht of ten onrechte, volgens ons verlangen , miskend of veracht worden, moeten wij die verachting en miskenning stilzwijgend als eene buitengewone genade uit zijne hand aannemen, en Hem daarvoor danken.

V. Eene oprechte liefde en groote zachtmoedigheid jegens den evenmensch.

1° Wij moeten alle menschen hartelijk beminnen, zelfs hen, wier karakter van het onze verschilt of misschien met het onze strijdt, ook hen die kwalyk jegens ons gezind, of ons tot last zijn; en wij moeten elke beweging vaa afkeer, die onwillekeurig in ons opstijgt, onmiddellijk onderdrukken.

2° Wij moeten dagelijks eenige akten van liefde jegens hen maken, en het bloed van Jesus Christus tot hetzelfde doel aan God opdragen en God bidden hun alles te schenken wat hun voor tijd en eeuwigheid zalig is, en een buitengewone genade voor dien , dag zeiven.

ocr page 60

54

3° Wij moeten hen met de grootste zachtheid, V ] liefde en vriendschap behandelen, zonder acht te J| dei slaan op hunne handelwijze jegens ons, hoedanig I hat die ook zijn moge. | hat

4° Wij moeten kwaad met goed vergelden, en sm geen gelegenheid laten voorbijgaan hun dienst te ge\ bewijzen. get

VI. Ken onbeperkte, algeheele overgeving in de -1 handen van God. s vaJ

Dit is het hoogste en volmaaktste punt in het I vri geestelijk leven; ziehier hoe het in praktijk moet 1 -gebracht worden: ' I zlj

1° Wij moeten geheel onverschillig zijn omtrent doe onze toekomst, alles van de Voorzienigheid ver- nul wachten , alles aan haar overlaten, met eene volledige ms onderwerping. ^ei

2° Wat ons ook moge overkomen, wij moeten het als een beschikking van Gods H. Voorzienigheid hie aanzien; valt het ons nog zoo hard, wij moeten het uit met een goed hart aannemen, en er ons zonder tegenspraak aan onderwerpen. val

3° Wij moeten ons nooit met iets belasten, zelfs niet voor een oogenblik, tenzij wij weten dat het Z1J de wil van God is, en dan moeten wij het alleen Tye doen met de meening om God te voldoen en aan quot;he Hem te behagen. ^es

4° Al ons inwendig of uitwendig lijden moeten ei'l; wij aanzien als van God komende; wij moeten ons daarover niet verontrusten, maar integendeel God er Ult onophoudelijk voor danken en zegenen.

vei

§§ 2.

Ticeede bemerking. Hoe moet men zich gedragen me in den toestand van gewone godsvrucht? PU1

ocr page 61

55

1

leid, \ Door toestand van gewone godsvrucht versta ik t te i den toestand waarin zich eene ziel bevindt, als God anig I liaar niet met buitengewone genaden bezoekt, maar 1 haar ook niet door buitengewone moeielijkheden en , en f smarten beproeft, in één woord, haar langs den it te gewonen weg leidt. In dien toestand ontvangt zij geen groote genaden: zij heeft ook niet met groote n de duisternis te kampen; zij is zonder groote rust, vrij . van grooten strijd, zonder grooten troost, maar ook het f vrij van groote droefheid.

moet ^ Zij erkent de w:iarheden, maar zonder groot licht;

' zij maakt heilige besluiten, maar zonder er sterk trent ; door geroerd te zijn; zij kan den tijd des gebeds ver- nuttig doorbrengen, maar niet zonder moeite en ■dige inspanning. Daar Gods leiding in dien toestand den gewonen weg volgt, moet de ziel er ook hare leten gewone wijze van bidden in volgen. Waarop zij ;heid hierbij dient te letten, wordt in de volgende punten i het uiteengezet.

nder I. Zij zal zich als volgt gedragen, ten opzichte

van de oefening des verstands:

zelfs 1° Zij zal zich slechts ééne waarheid voorstellen;

het zij zal dezelve aandachtig beschouwen in rust en Heen vrede; zij zal die beschouwing voortzetten totdat zij aau die waarheid volkomen begrepen heeft en er eene les zal uitgetrokken hebben om de deugd trouw en (eteu ernstig te beoefenen.

ous 2° Wanneer het hart bewogen is en tot heilige tl er uitboezemingen geneigd, moet men er zich gansch aan overgeven en in dien tijd het onderzoek en alle verdere beschouwingen staken.

II. Wat aangaat de oefening van den wil, dient :10-eu men zich te herinneren, dat dit het voornaamste punt is van het gebed, waar de ziel haar vermogens

*

ocr page 62

58

opwekken, groote pogingen doen om dat goddelijk vuur te ontsteken, en God met onstuimigheid ontvangen , is iets wat de werkingen van den H. Geest belet, eu Hem het verblijf in de ziel, waar rust en kalmte moeten heerschen, onbehagelijk maakt.

III. De ziel moet zich niet lichtvaardig en vermetel aan de leiding van den H. Geest toevertrouwen, noch ook dezelve hardnekkig wederstaan: twee dingen worden vereischt om hierin den juisten middenweg te volgen:

1° Men moet zich zorgvuldig op het gebed voorbereiden , en ondervindt men noch buitengewone opwekking noch een andere werking van den H. Geest, zoo moet men het gebed verrichten op de wijze, welke ik in de vorige afdeeling heb aangegeven.

2° Begint de werking van den H. Geest, zoo moet men zacht eu rustig hare beweging volgen, en oogen-blikkelijk de stof laten varen, die men voorbereid had. Onverschillig of Hij de ziel op een heel andere stof brengt, of op twee of drie stoften in een of twee uren tijds. Hij is God, Hij spreekt aan de ziel de taal die Hem belieft. Wij hebben slechts te gehoorzamen en zijne beweging te volgen,

§§ 4.

Vierde hemerlcing. Hoe behoort men zich te gedragen in den toestand van duisternis en verlatenheid?

Door tijd of toestand van duisternis versta ik een toestand of tijd, waarin God aan de ziel alle inwendige godsvrucht onttrekt, en alle vermogens als verdroogd eu verdord zijn. Het verstand is zonder licht en niet in staat zijn aandacht op eene waarheid

ocr page 63

59

te vestigen; slaagt bet al door groote inspanning zich dezelve voor te stellen, liet vindt er nochtans geen smaak, noch voldoening in. De wil is hard en weerspannig, hij gevoelt geeneu indruk, en wekt hij al een gevoelen op, dit verdwijnt terstond, zonder een enkel spoor van voldoening achter te laten, juist als een mensch die volstrekt geenen eetlust heeft. Die toestand gaat vaak gepaard met een groote vreesachtigheid, een groote droefheid, een onge-meenen afkeer voor alle geestelijke oefeningen, een ondragelrke moeite om de oefening des gebeds

O tJ o O

voort te zetten, groote verwarring des geestes, verstrooiingen , zeer zware bekoringen, en veel andere inwendige miseries. In dien zielstoestand moet men op twee punten letten, te weten:

1° 't Is zeker, dat van alle toestanden des gebeds, te beginnen met den laatsten trap tot aan dien van vereeniging met God, er geen is die aangenamer is aan God, noch nuttiger aan den mensch, dan die van verlatenheid, want in dien toestand toont de ziel dat zij God bemint om zich zeiven; eendeels bewijst ze dat zij door beoefening eener algeheele versterving, zich berooft van de uitwendige vertroosting; anderdeels toont zij in die verlatenheid, dat zij de berooving van den inwendigen troost gaarne verdraagt. Daaruit volgt dat de bezigheid dier ziel eene aanhoudende oefening is van de zuiverste liefde Gods, waardoor zij Hem in een uur tyds meer eer bewijst, dan zij op eene andere wijze zou hebben kunnen doen in eene maand. — Daarenboven, de ziel kan nooit aan God een volmaakter offer brengen, dan met eene volle onderwerping te verdragen dat het licht in duisternis verandert, de teederheid des harten in droogheid, de vrede, de zielerust, in ver-

ocr page 64

60

warring en bekoringen; de hemelsche troost in droefheid, verveling, bitterheid; want toen zij zich reeds geheel en al verstorven had in de uitwendige dingen, en voor eiken uitwendigen troost volkomen dood was, vond zij nog haar vreugde en haren vrede in de inwendige vertroostingen. — Maar thans, nu zij daarenboven met geduld derzelver berooving lijdt, draagt zij aan God op wat haar nog overbleef, en bevindt zich daardoor als in eene dorre zandwoestijn, waarop van den hemel geen enkele dauwdruppel neervloeit, en daar zij desniettegenstaande God getrouw blijft, looft en verheerlijkt zij Hem op de volmaaktste wijze, zij aanbidt Hem in geest en in waarheid.

Men begrijpt gemakkelijk hoe voordeelig die staat aan den mensch is; want aangezien de ziel zich in alles aan God onderwerpt, en zij in nederigheid al zijn beschikkingen aanbidt, kent God haar waardig en geschikt om door zijne goddelijke wijsheid en goedheid bestuurd te worden. Alsdan ontneemt Hij haar dagelijks een gedeelte harer verkeerde neigingen en onvolmaaktheden; Hij zuivert haar meer en meer, en ofschoon zij zich in een toestand van duisternis bevindt en zonder eenig gevoelen is, doet Hij het vuur zijner liefde in haar hoog opvlammen, totdat zij geheel onthecht is van alle schepselen, om slechts in Hem alleen nog te rusten. — Er is geen weg, welke hij ook zijn moge, langs welken de ziel spoediger en zekerder tot den staat van vereeniging komt, dan die der verlatenheid; en indien God door geheime inzichten zijner Voorzienigheid haar niet tot die innige vereeniging doet komen gedurende haar verblijf hier op aarde, zoo zal Hij haar in het andere leven in een staat van glorie plaatsen, dien

L

ocr page 65

61

zij ternauwernood zullen bereiken, die hier beneden in innige gemeenschap met Hem geleefd hebben.

2° Aangaande het tweede punt, waarop de ziel behoort te letten om te weten hoe zij zich moet gedragen in den tijd der verlatenheid, zal ik eenige oefeningen aangeven, waarvan zij met nut zal kunnen gebruik maken in dien tijd.

Eerste oefening. Stel u beknopt door een enkelen oogslag de waarheid voor den geest, die gij hadt voorbereid voor het gebed; of zijt gij daartoe zelfs niet in staat, lees dan langzaam die waarheid in een boek; vorm een of twee gevoelens, herhaal dezelve met den mond en het hart negen of tien maal, zoo vurig mogelijk, en gaan ze voorbij zonder een indruk in uw hart achter te laten, of waart ge verstrooid en werdt ge ieder oogenblik onderbroken, ga trouw door tot aan het einde toe, totdat de tijd is afgeloopen, dien ge u hadt voorgenomen aan het gebed te besteden. Maak ten slotte een vast voornemen, u dat geweld aan te doen, uit liefde tot Clod, en wees verzekerd dat die staat u groote genaden zal verkrijgen.

Tweede oefening. Indien het verstand volstrekt niet verder kan in de overweging eener waarheid, werp dan een eenvoudigen blik op Gods tegenwoordigheid , en wek u tot de volgende of soortgelijke gevoelens op;

1° Verneder u diep; erken oprecht dat ge de hel verdiend hebt, dat ge niet waardig zijt dat God u verlichte en in doen,

2° Dank Hem, dat Hij u de genade gegeven heeft, op het voorbeeld van Jezus Christus, de inwendige verlatenheid te lijden.

staat stelle heilige overweginsen te

o o o

I

ocr page 66

62

3° Geef u ganscli over aau Gods hauden; betuig Hem dat ge bereid zijt die verlatenheid te lijden, tot aan uwen dood, uit liefde voor Hem.

4° Verheug u hartelijk, dat God u volstrett niet noodig heeft; dat zijn geluk volstrekt geen vermeerdering krijgt door uwe godsvrucht, noch eenige verraiadering door uwe lauwheid.

Derde oefening. Plaats u in de tegenwoordigheid van God, laat alle overpeinzing van het verstand varen, en leg u op eene algeheels vernietiging van u zeiven toe, op deze wijze:

1° Stel aan God uwe onmacht voor, die zoo groot is, dat ge zonder zijn genade en barmhartigheid, niet in staat zijt een enkele goede gedachte te hebben of een heilig gevoelen te vormen; en verheug u over die machteloosheid en armoede.

2° Stel Hem uwe lauwheid en ongetrouwheid voor; erken oprechtelijk dat gij u niet te beklagen hebt, als Hij u in dien staat laat strijden tot aan uwen dood, en dank Hem voor al zijne beschikkingen ten uwen opzichte.

3° Herinner u al uwe zonden; zeg Hem dat ge volmondig bekent de hel verdiend te hebben, en dat u in deze wereld noch verlatenheid noch rampspoed kan overkomen, die ge niet duizend maal verdiend hebt. Kus zijne vaderhand; zegen Hem, omdat Hij de eeuwige straffen voor u in zoo kleine en kortstondige wederwaardigheden veranderd heeft.

4° Beken aan God alle genaden eu inspraken, die ge verwaarloosd hebt; erken dat het met rechtvaardigheid is dat God u thans zijne genaden weigert of onttrekt, omdat ge dezelve zoo vaak veracht en misbruikt hebt; onderwerp u geheel en al aan zyn heiligen wil.

ocr page 67

63

Vierde oefening. 1° Plaats u in Gods tegenwoordigheid , staak alle overweging van het verstand, en onderwerp u volkomen aan zijn wil. Draag Hein uw verstand op, uwen wil, uw hart, al uwe in- en uitwendige vermogens ; bid Hem er over te beschikken voor immer en in alle eeuwigheid, volgens zijn heiligen wil.

2° Wek u tot een vurige liefde op; betuig Hem, dat ge niet meer en niet minder wenscht voor de ziel en voor het lichaam , dan wat Hem behaagt.

8° Bied Hem u zeiven aan met eene volkomen onverschilligheid, om die armoede en inwendige verlatenheid te lijden, zoolang het Hem zal behagen.

4° Bid Hem uwen wil tot zich te trekken en uw hart zoo te stemmen, dat ge niets anders acht, niets anders wenscht, zoekt en bemint, dan zijn heiligen wil en welbehagen.

Vijfde oefening. Stel u de mysteriën voor van het lijden van uw goddelijken Verlosser; zie zijne geopende wonden, het bloed dat er uitvloeit; overweeg zijne benauwdheden en smarten en ga eenigen tijd met die overweging voort, en beijver u dan heilige gevoelens van aanbidding, dankbaarheid, berouw, medelijden, liefde, overgeving, en het verlangen Hem vuriger te beminnen, in u op te wekken.

Ziedaar op welke wijze men den tijd van verlatenheid aan het heil zijner ziel moet dienstbaar maken. Edoch, dat alles zal u weinig baten , indien ge niet trouw pal staat. Ge moet weten dat die tijd van verlatenheid een tijd is van moeite en ver-moeienden arbeid, gedurende den welken gij uw geestelijk brood in het zweet uws aanschijns moet verdienen. Heiligheid en heiligmaking lijden geweld; wie dezelve wenscht te verkrijgen, moet veel ver-

ocr page 68

64

dragen, veel ontberen, veel lijden en zich op alles,, waa wat den zinnelijken menseh hard valt, gevat houden, j Zij

€n hij moet met gelijkheid van humeur, de duisternis f voo

en het licht, de bekoringen en den vrede der ziel, de f zou

bitterheid des harten en de vreugdetranen aannemen, 3

gev

§§ 5. het

Vijfde hemerking. Hoe behoort men zich te ge- zelc

dragen in den toestand van gebed van beschouwing? was

Om deze stof, die uit haren aard uiterst duister one

is, zoo helder en duidelijk mogelijk te behandelen, wo:

moet ik allereerst verklaren wat het gebed van be- lan

schouwing is en waarop daarbij dient gelet. - rus

I. Het gebed van beschouwing is een eenvoudige 1

blik, waardoor de ziel, verlicht door het licht des in

hemels. God tegenwoordig aanschouwt, zijne mysteriën 1

geniet en zich daarin vermeit, zonder inspanning en

en zonder moeite. woi

Welk verschil is er tusschen de overweging of doe

meditatie en de aanschouwing ? een

1° De overweging bestaat im eene ernstige over- lev

peinzing of beschouwing, waardoor men zich eene en

waarheid in hare bijzonderheden voorstelt en onder- dat

zoekt. De aanschouwing daarentegen bestaat in eenen one

eenvoudigen blik der ziel, die in hetzelfde oogenblik we

en in eens, de gansche waarheid doordringt, waarvan wo

ze den levendigen indruk ontvangt, zonder eenig aai

voorafgaand onderzoek. tig

2° De overweging kost moeite en inspanning; men gre

moet er het verstand voor gebruiken en de waarheid : me

quot;trachten te doorgronden, door onderzoek en redeneering. I dig

De beschouwing eischt volstrekt geene inspanning; ! ecl

het licht dat ze meebrengt, doet de ziel de gansche ze.

ocr page 69

65

alles, waarheid zien, zoodat ze geeu moeite te doen lieeft. uden, Zij behoeft de waarheid slechts te beschouwen; bij teruis voorbeeld, als iemand die voor een schoon portret sl, de ' zou staan, wat hij met lust zou bekijken.

smen. 3° Bij de overweging moet de ziel zich toeleggen gevoelens op te wekken, of althans van het eene tot het andere gevoelen overgaan.

In de beschouwing wekt ze zich niet of slechts 8 ge- zelden tot gevoelens op, maar ze rust uit in de ring? waarheid, welke ze kent; in plaats dier gevoelens, jister ondervindt ze in haar hart een gevoelen van ver-elen, wondering, van liefde, van vrede, van rust, dat 1 be- lang duurt en alle aandoeningen overtreft; en de ziel

- rust en volhardt in dit gevoelen.

idige Deze beschouwing is niet altijd dezelfde; zij brengt t des in het begin verschillende gevolgen voort.

eriën II. God deelt zich aan de ziel mede op heldere ning en gevoelige wijze, zij kent en ziet klaar Gods tegenwoordigheid , zij heeft er het gevoel van, zonder het g of door woorden te kunnen verklaren; helder ziet ze een of meer waarheden; zij ziet helder in of haar )ver- leven tot dusverre er aan beantwoordt al dan niet, eene en wat ze voor de toekomst te doen heeft. Zij ziet ider- dat alles in een oogenblik, zonder overweging noch enen onderzoek; en ofschoon ze inwendig heel verlicht is, iblik weet ze nochtans niet van waar dat licht haar ge-rvan worden is. Intusschen stijgen er in den wil zoete enig aandoeningen op van bewondering, van zelfvernietiging, van levendig berouw, van overgeving, van men groot verlangen naar volmaaktheid, en dergelijken ■heid 1 meer. En hoewel dat alles in de ziel op zeer leven-ring. 1 dige en gevoelige wyze plaats heeft, drukt de ziel ing; 1 echter die gevoelens niet uit door woorden; zij voelt sche ze, zooals ze haar door de genade ingeprent worden;

5

ocr page 70

66

\

zij geniet dezelve in rust, en in dat stil genot geeft aans ze zich aan de genade over. i het

III. God deelt zich aan de ziel mede op geheel maa geheimzinnige wijze, en om zoo te spreken, in duis- is, ternis gehuld. Zij kent en bemerkt de tegenwoor- zich digheid Gods en niets meer. het

Het verstand is verrukt en aan iets goddelijks heel

gehecht, zonder te kunnen zeggen waaraan. Indien D

het al iets erkent, bemerkt het nochtans dat het wijz

bovendien met iets anders bezig is, wat het niet den

kent, en wanneer het tracht door redeneering daar alle«

binnen te dringen, vindt het allen toegang afgesloten. alles

Gelijk het licht, op dit oogenblik, nog minder moe

dan schemerlicht is, zoo is de wil eveneens heel hij ^

dor, zonder ontroering, en men kan er slechts een aan

zekere rust en tevredenheid gewaar worden, die hoe denc

• • T7

weinig gevoelig ook, het hart zoo zeer verblijden, v

dat het zich slechts met moeite daaraan kan ont- zicli

trekken; en tracht htjt dit door geweld te doen, ontl;

zoo vermag het dit niet, of het verliest den imven- met

digen vrede; het is verward en weinig getroost. mee

IV. God deelt zich aan de ziel mede te midden het der duisternis, der verlatenheid en bekoringen. L

De verbeelding wordt onrustig en dwarrelt zonder 1'

richtsnoer door de wereld; de zinnelijkheid komt in maa

verzet en wekt bekoringen op; de duivel ontsteekt deult;

in toorn en valt de ziel door allerhande voorstellingen deel

aan. Maar dewijl de werkingen van God en van de 2' ziel plaats hebben in het binnenste van den geest, | hoolt; terwijl de verstrooiingen en bekoringen slechts de [; met uitwendige zijden der verbeelding en zinnelijkheid I bezi aanvallen, zoo vermogen ze niet die werkingen te | geb( schaden Want schoon het licht zeer duister is, ^ van trekt het nochtans het verstand tot zich; het verstand 1

ocr page 71

67

1

3eft aanschouwt stil en aandachtig Gods tegenwoordigheid;

het is er heel van doordrongen, er druk meê bezig,

teel maar op zoo duistere wijze, dat, als de tijd verloopen

ris- is, het ternauwernood kan zeggen, waarmede het

or- zich bezig hield. Dit alleen kan het zeggen, dat het met God bezig en van zijne tegenwoordigheid

yks heel doordrongen was.

ien Daar de werking van het verstand op heel duistere het wijze geschiedt, volgt hier uit, dat de werking van riet den wil zich schier niet doet gevoelen. De wil merkt aar alleen op dat hij tevreden is en in rust. Hij is tot ;en. alles bereid; na die rust voelt hij zich sterk, kloekder moedig om alles uit liefde voor God te ondernemen; leel hij voelt zich daarenboven sterk getrokken en geneigd een aan God getrouw te blijven, zelfs in de onbedui-hoe dendste dingen.

en, Verder voelt de ziel een groote verachting van

nt- zicli zelve; kracht en gelatenheid in tegenspoeden,

sn, onthechting van de schepselen; een vurig verlangen

en- met God vereeuigd te zijn en dergelijke aandoeningen meer, welke eigenlijk de ware kenteekenen zijn van

ien het volmaakte en ware gebed.

Let bovendien nog op de volgende punten: der 1° De volmaaktheid bestaat niet in het gebed, in maar in de liefde Gods en in de beoefening van die ekt deugden, welke ik behandeld heb in de eerste afren deeling van het vierde hoofdstuk.

de 2° De ziel is daarom niet heiliger, omdat ze een

jst, hoogere gave van gebed bezit; want indien eene ziel

de • met de eenvoudige meditatie meer van die deugden

icid | bezit, dan is ze heiliger dan zij, die de gave des

te | gebeds bezit en der aanschouwing, maar met minder

is, ! van die deugden.

md

ocr page 72

66

)

zij geniet dezelve in rust, en in dat stil genot geeft aans

ze zich aan de genade over. bet

III. God deelt zich aan de ziel mede op geheel maa

geheimzinnige wijze, en om zoo te spreken , in duis- is,

ternis gehuld. Zij kent en bemerkt de tegenwoor- zich

digheid Gods en niets meer. liet

Het verstand is verrukt en aan iets goddelijks heel

gehecht, zonder te kunnen zeggen waaraan. Indien C

het al iets erkent, bemerkt het nochtans dat het wijz

bovendien met iets anders bezig is, wat het niet den

kent, en wanneer het tracht door redeneering daar alle(

binnen te dringen, vindt het allen toegang afgesloten. alles

Gelijk het licht, op dit oogenblik, nog minder moe dan schemerlicht is, zoo is de wil eveneens heel i hij 1

dor, zonder ontroering, en men kan er slechts een aan zekere rust en tevredenheid gewaar worden, die hoe ' dem

weinig gevoelig ook, het hart zoo zeer verblijden, »

dat het zich slechts met moeite daaraan kan out- zich

trekken; en tracht het dit door geweld te doen, ontl

zoo vermag het dit niet, of het verliest den iuwen- met

digen vrede; het is verwt.rd en weinig getroost. mee

IVquot;. God deelt zich aan de ziel mede te midden het

der duisternis, der verlatenheid en bekoringen. L

De verbeelding wordt onrustig en dwarrelt zonder 1

richtsnoer door de wereld; de zinnelijkheid komt in mas

verzet en wekt bekoringen op; de duivel ontsteekt deiij

in toorn en valt de ziel door allerhande voorstellingen deel

aan. Maar dewijl de werkingen van God en van de 2 ziel plaats hebben in het binnenste van den geest, t hooj terwijl de verstrooiingen en bekoringen slechts de 1 met uitwendige zijden der verbeelding en zinnelijkheid | bezi aanvallen, zoo vermogen ze niet die werkingen te | geb schaden Want schoon het licht zeer duister is, I van trekt het nochtans het verstand tot zich; het verstand

ocr page 73

67

]

eeft aanschouwt stil en aandachtig Gods tegenwoordigheid;

het is er heel van doordrongen, er druk meê bezig, leel maar op zoo duistere wijze, dat, als de tijd verloopen iris- is, het ternauwernood kan zeggen, waarmede het lor- zich bezig hield. Dit alleen kan het zeggen, dat het met God bezig en van zijne tegenwoordigheid ijks heel doordrongen was.

lien Daar de werking van het verstand op heel duistere het wijze geschiedt, volgt hier uit, dat de werking van aiet den wil zich schier niet doet gevoelen. De wil merkt [aar alleen op dat hij tevreden is en in rust. Hij is tot ben. alles bereid; na die rust voelt hij zich sterk, kloek-ider moedig ora alles uit liefde voor God te onderiiemen; leel ; hij voelt zich daarenboven sterk getrokken en geneigd een ! aan God getrouw te blijven, zelfs in de onbedui-hoe ' dendste dingen.

en, Verder voelt de ziel een groote verachting van »nt- zicli zelve; kracht en gelatenheid ia tegenspoeden, en, onthechting van de schepselen; een vurig verlangen en- met God vereenigd te zijn en dergelijke wandoeningen meer, welke eigenlijk de ware kenteekenen zijn van den het volmaakte en ware gebed.

Let bovendien nog op de volgende punten: der 1° De volmaaktheid bestaat niet in het gebed, ; in maar in de liefde Gods en in de beoefening van die iekt deugden, welke ik behandeld heb in de eerste af-gen deeling van het vierde hoofdstuk.

de 2° De ziel is daarom niet heiliger, omdat ze een 3st, hoogere gave van gebed bezit; want indien eene ziel de | met de eenvoudige meditatie meer van die deugden leid I bezit, dan is ze heiliger dan zij, die de gave des i te I gebeds bezit en der aanschouwing, maar met minder is, van die deugden.

and

1

ocr page 74

68

Eerste vraag. In hoeverre is het berouw noodzakelijk om het heilig Sacrament der Biecht te

ontvangen? 'bedie

Het berouw is volstrekt noodzakelijk, daar ik jes ^

zonder berouw dit Sacrament niet ontvang. Tndieu berou

ik zonder berouw biecht, bega ik een heiligschennis ^ ^

en doe ik eene zware doodzonde; indien ik biecht zijn;

zonder een voldoend berouw gevoeld te hebben, zoo Welk€

nochtans dat ik er mij op toegelegd en pogingen zullei;

aangewend heb om het te verkrijgen, in dat geval -maar

bedrijf ik geen heiligschennis, maar de biecht is /berou

voor mij zonder nut, en er is geen Sacrament voor js

mij. En men moet die leer verstaan, niet alleen c|er j

voor het geval dat men doodzonden te biechten zou je

hebben, maar ook als men zich slechts van dage- eeuwi lijksche zonden te beschuldigen heeft; want indien ik slechts dagelijksche zonden te biechten heb en er volstrekt geen berouw over heb, ga ik uit den biechtstoel , besmeurd met eene doodzonde, ik heb eene

3° De ziel moet zicli uitsluiteud aan de leiding berou Gods houden, en moedig voortstappen op den weg van ( waarop God haar geleidt. Nalatigheid op dit punt ieenig berooft de ziel van veel genaden. Lai

volsti

i^^=^^================== Sacra

, ofwel mij v Tu Me het S Men dan • de C ik zo naar

Van de Biecht.

Eenige vragen omtrent de Biecht.

2° het quot;V 3° inspn

heiligschennis gedaan; of indien ik geen voldoende ^ ve

ocr page 75

69

berouw, geen behoorlijk leedwezen beb gehad, althans van ééne dagelijksche zonde, heb ik gebiecht zonder ieenige vrucht uit dit Sacrament te trekken.

Laat ons daaruit besluiten hoezeer het berouw volstrekt noodzakelijk is voor het ontvangen van het Sacrament der Biecht: want zonder berouw doe ik ofwel een heiligschennis, of ik maak de biecht voor mij vruchteloos.

Tiveede vraag Van welk nut is het berouw? Men dient zich te herinneren dat de kracht van het Sacrament der Biecht afhangt van het berouw. Men kan zich van geen betere vergelijking bedienen, dan waarvan de Heilige Vaders zich bedienen voor de Communie. Indien ik naar eene bron ga, kan ik zooveel en zoo weinig water scheppen als ik wil, naar gelang den omvang der kruik, waarvan ik mij bedien: gebruik ik een groote kruik, zoo schep ik des te meer water. Zoo staat het ook met het berouw. Hoe grooter en vuriger mijn berouw is, des te volmaakter zal de vergiffenis mijner zonden zijn; des te grooter en overvloediger ook de genaden, welke ik zal ontvangen. Twee soorten van berouw zullen het ons bewijzen, te weten: het onvolmaakt maar voldoend berouw en het vurige of volmaakt berouw.

Is het berouw voldoende om het heilig Sacrament der Biecht te ontvangen, zoo verkrygt het ons:

le Eene algeheele vergiffenis der zonden en der eeuwige straffen.

2° Kwijtschelding van een gedeelte der straffen van het Vagevuur of tijdelijke straffen.

3° De ziel verkrijgt een zeker recht op heilige inspraken, en daarenboven kracht en genade tegen ende (10 verkeerde neigingen en bekoringen.

ocr page 76

70

Ziedaar wat de ziel steeds verkrijgt, wanneer het berouw opreclit en bovennatuurlijk is. Maar is het berouw daarenboven vurig of volmaakt, dan zijn de uitwerkselen daarvan bovenmate groot, immers:

1° Verkrijgt ze dan de algeheele vergiffenis van alle zonden en der eeuwige straffen.

2° Zij verkrijgt meer kwijtschelding van de tijdelijke straffen in deze wereld en in het Vagevuur, tn kan zelfs algeheele kwijtschelding dier straffen verkregen , indien het volmaakt berouw namelijk zeer innig en vurig is.

3° Het volmaakt berouw tempert krachtdadiger onze booze driften en geeft ons overvloedige sterkte om dezelve te temmen, door de kracht te verzwakken, welke ze hebben om ons te verwarren ën tot zonde op te wekken.

4° Het verkrijgt ons een menigte nog grootere genaden. De ziel ontvangt al die dadelijke genaden niet op het oogenblik der Biecht, maar ook by gelegenheid; te weten de genade om onze kwade neigingen te bedwingen, om getrouw te blijven ten tijde der bekoring, om alle lijden geduldig te verdragen,

Ziedaar de vruchten eener biecht met een vurig of volmaakt berouw gesproken. Een laatste uitwerksel is, ons heel bijzonder te wapenen tegen nieuwe zonden. Want indien we de beide Sacramenten, de Biecht en H. Communie, ontvingen, zooals het hoort, zou het eene onmogelijke zaak wezen nog zoo dikwijls te zondigen, en niet meer voortgang in de deugd te doen.

Derde vraag Welke zijn de eigenschappen van het berouw?

Het moet zgu 1° bovennatuurlyk, 2° oprecht, 3° algemeen.

1° Bovennatuurlijh v/W zzggen, dat het moet voort-

ocr page 77

71

het komen èn uit een bovennatuurlijk beginsel èn uit een het | bovennatuurlijke beweegreden. De beweegredenen zijn de j natuurlijk, als wy slechts tot berouw aangezet worden door schaamte of moeielijkheden van den kant der ran meuschen, of om eenig tijdelijk verlies Heeft men echter berouw over zijne zonden, omdat ze een beleediging de- zijn van Gods oneindige Majesteit, een versmading t-u lt; van zijne oneindige goedheid en barmhartigheid enz. ■er- i enz., dan zijn de beweegredenen bovennatuurlijk. ;eei- 2° Oprecht wil niet zeggen dat ik het berouw moet voelen, dat bet gevoelig moet zijn, maar dat het uit het o-er bart moet komen; ik kan immers in mijn zinnelijke hte natuur gramschap voelen, en terzelfder tijd nochtans in ah- niijn bovenzinnelijke natuur, niet mijn verstand en tot mijn wil de gramschap verfoeien. In dit geval kan ik geen beteren raad geven, dan dat men zich tot het ;ere heilig Sacrament wende of een kruisbeeld in handen jeil neme, en zich levendig Gods tegenwoordigheid voor-ge. stelle en zegge: Mijn Heer en mijn God! Gij ziet mijn iei_ hart, en Gij weet wat ik bereid zou zijn te doen, als ik ijde mÜn zonden kon uitwisschen. Indien men dat oprecht ■en, meent, moet men niet letten op den tegenstand der |rjfr natuur, die de oprechtheid niet kan schaden.

cgel 3° Het moet algemeen zijn wat de doodzonden eu_ betreft, zonder er een enkele uit te zonderen, want cht zonderde er ik een enkele uit, zoo zou ik een heilig-zou schennis bedrijven,

5 Wat de dagelijksche zoude betreft, is het genoeg

ejj. voor de geldigheid der biecht, dat men berouw hebbe ran I ovei' een enkele. Bij voorbeeld: ik biecht drie dage-I lijksche zonden, een leugen, een verstrooiing en een Ijt i I ontevredenheid over den naaste; heb ik berouw over 1 de leugen, maar niet over de twee andere, zoo is dat voldoende voor de geldigheid der biecht, maar

ocr page 78

72

't is zeer gevaarlijk. Zoo ook zoude het zijn, indien | zal I

ik het algemeen besluit maakte dagelijksche zonden 1 en b

zoo vaak niet meer te bedrijven; dat zou voldoende 1 kon

zijn, maar even gevaarlijk; 't is dus beter een zoo- M

danig berouw te maken, dat het zich tot alle dage- mak lijksche zonden uitstrekke.

Men kan nog vragen of men zich in korten tijd F tot een vurig berouw kan opwekken? Ja, voor eens ziel, die wel geoefend is in de vereeniging met God;

maar zoo is het, althans gewoonlijk niet, voor iemand E

die zich niet in dezelfde gesteltenis bevindt. Dat wil nooc

nochtans niet zeggen, dat men er een geruimen tijd te o

aan behoort te besteden, maar dat het moet gedaan H

worden met volle bewustzijn en aandacht, en zonder Biec

haastigheid. Men kan beginnen met eene overwe- 5 hart

ging betrekkelijk tot God: Bij voorbeeld, stel u God ■ om

als uwen Vader voor en zeg Hem: Mijn God, mijn heid

Vader! van u heb ik alles wat ik bezit; voor mij lijks

hebt Gij willen sterven op het kruis, en uwen laatsten zooc

druppel bloeds vergoten. Gij zijt oneindig goed en goec

beminnenswaardig. Ik beken het, en daarom ware liet,

het oneindig beter geweest dat alles tot het niet ik €

ware teruggekeerd, dan dat ik U beleedigd had. zou

Overweeg daarna hoe slecht ge gehandeld hebt gev(

met te zondigen, en hoeveel verachting gij om die 2

reden verdient; die overweging zal uwen wil gemak- goei

kelijk roeren. Zeg derhalve: Mijn God! niets vervult 1

mijn hart zoozeer met smart en leedwezen, dan de dad

herinnering ü vergramd te hebben, mijn opperste a niet

Goed! Is het hart goed bereid, zoo kan men zich in 1 zijn

die vurigheid zoo hoog verheffen als men wil; waartoe 1 gra

ik niet raad, als de ziel niet goed gesteld is. 1 2

Op die wijze is er vereering van God door het | als

verstand, en vurigheid van den wil, die aan God enk

ocr page 79

73

eu zal betuigen, dat ik oprecht bereid ben mijn leven

en | en bloed te geven, indien ik daardoor mijne zonden

de | kon uitwisschen en mij beletten verder nog te zondigen,

o- II Men zal daarna het besluit of goed voornemen

e- maken, waarvan ik thans ga spreken.

gd Verklaring van eenige vragen omtrent het goed

us t voornemen.

d; |

ad Eerste vraag. In hoeverre is het goed voornemen

ril ; noodig om het heilig Sacrament der Biecht waardig

jd te ontvangen ?

a,n Het goed voornemen is een wezenlijk deel der

er : Biecht eu zoo noodzakelijk als de droefheid des

e- i harten, zoodanig dat het Sacrament niet bestaat,

ad i om het even of het goed voornemen of die droef-

jn heid er aan ontbreekt, en dat geldt voor de dage-

aij lijksche zonden even zeer als voor de doodzonden;

3n zoodat, indien ik door vrijwillige nalatigheid het

jn goed voornemen vergat en geheel en al achterwege

re liet, bij het biechten van enkel dagelijksche zonden,

et ik een heiligschennis zou begaan, zooals ik er eene zou begaan als ik er geen leedwezen of smart over

bt . gevoelde.

.ie Tweede vraag. Welke eigenschappen moet het

k- goed voornemen hebben?

ilt De volgende: 1° Het goed voornemen moet werk-

ie dadig zijn, dat wil zeggen, ik moet vast besluiten

te niet meer te zondigen, en dat besluit moet zoodanig

in zijn dat God ziet dat ik Hem niet meer wil ver-

De grammen.

2° Het goed voornemen moet algemeen zijn, even

et als het berouw. Indien ik in dit voornemen eene

)d enkele doodzonde uitzonderde, die ik niet zou willen

ocr page 80

74

laten, zou ik een heiligschennis begaan; voor de geldigheid echter van de biecht van dagelijksche zonden, is het genoeg een goed voornemen te maken omtrent eéne dagelijksche zonde, ofschoon het algemeen voornemen van alle dagelgksche zonden te vermijden , beter is.

3° Het goed voornemen moet zich uitstrekken tot alle verplichtingen, die het gevolg zijn van de zonde, vooral van de doodzonde. Bij voorbeeld: iemand bezit op onrechtvaardige wijze iets wat aan een ander toebehoort ; hij moet het vaste voornemen maken het terug te geven, zoo niet is hij in de naaste gelegenheid van zonde; hij moet het vaste voornemen maken die gelegenheid te mijden ; een ander heeft aan de eer van den naaste te kort gedaan in gewichtige zaken: hij is verplicht het kwaadspreken of den laster te herstellen en het vaste voornemen te maken het te doen. Men moet den oprechten wil hebben aan die verplichtingen te voldoen, zoo niet is het goed voornemen nul en van geene waarde.

Ziehier eenige twijfels, die zich kunnen voordoen.

De eerste is, of ik een oprecht voornemen kan maken in den tijd dat het hart onderhevig is aan een hartstocht, in den tijd dat ik werkelijk gramschap gevoel, booze verlangens koester, afkeer gevoel voor zekere personen. Het is klaar dat men het kan; men moet een onderscheid maken tusschen wat in en niet in mijne macht is. De tegenstand en het verzet mijner natuur, de bekoringen en de aanvallen van den duivel zijn niet in myne macht; want God kan dat toelaten ook voor de heiligste zielen.

Wat is dan in mijne macht? In mijne macht is niet te bezwijken onder die aanvallen, aan die bekoringen niet toe te geven, maar aan God te zeggen:

ocr page 81

75

Heer, ik onderga deze of gene bekoring, maar het is tegen mijn wil, ik ben bereid ze te verdragen, maar ik heb vast besloten er niet in toe te stemmen; op die wijze kan ik een goed voornemen maken te midden van den hevigsten tegenstand mijner natuur en oneindig nut trekken uit het H Sacrament der Biecht.

Tweede twijfel. Eene ziel, die door veeljarige ondervinding weet, dat ze altijd dezelfde oude zonden gebiecht heeft, zonder er zich ooit van gebeterd te hebben, kan die ziel staat maken op haar goed voornemen? in één woord, is haar voornemen geldig geweest?

Indien ze omtrent haren staat zeker wil zijn, moet ze met oprechtheid en rechtschapenheid met God in de biecht handelen; indien ze desniettegenstaande in hare oude zonden hervalt, korten tijd na dien, en haar geweten getuigt dat ze met oprechtheid handelde, toen ze haar goed voornemen maakte, zoo mag ze gerust zijn omtrent de geldigheid harer biecht.

Deze leer verdient behartigd te worden om de angstvalligheden te vermyden en er zich tegen te wapenen.

Derde twijfel. Eene angstvallige, vreesachtige ziel, die God en haar zelve mistrouwt, die denkt dat haar niets baat, dat biecht en berouw haar tot niets dienen, kan die ziel een oprecht en geldig goed voornemen maken? Wat moet zulke ziel doen?

Zij moet zich tot een groot vertrouwen op God opwekken. Ofschoon een groot vertrouwen steeds de biecht moet vergezellen, behoort de vreesachtige ziel zich toch heel bijzonder tot hoop en vertrouwen op te wekken vóór de biecht en haar wantrouwen op zijde te zetten; want dat wantrouwen kan goed en heilig zijn, maar kan ook kwaad zijn. Het is goed en heilig, als het voortkomt uit de kennis mijner zwakheid en ongestadigheid, als ik voor God erken

ocr page 82

76

dat ik mij door eigen krachten niet vermag te beteren ; want in dat geval beoefen ik de nederigheid. Dat wantrouwen is verkeerd, als het mij terneer-drukt en ontmoedigt; want de ontmoediging kan niet van God komen, op wien ik mijn gansche vertrouwen moet stellen; immers zooïang Hij my de gelegenheid geeft te biechten, zoolang is Hij ook bereid mij de genade te schenken, om mij te beteren. Weshalve ik Hem zal zeggen: Mijn Heer en mijn God! ik weet dat ik van o-edrag niet zal veranderen, byaldieu Gij mij geen buitengewone genade daartoe geeft. Gij ziet dat het mij oprecht gemeend is mij te beteren; ik zou ü niet meer moeten vergrammen, maar mijne zwakheid en ongestadigheid zijn zoo groot! Kom mij dan te hulp, o mijn God, en scheuk mij de genade U steeds trouw te blyven.

Vierde en laatste twijfel. Hij betreft eene ziel aan veel dagelijksche zonden en slechte gewoonten onderhevig; zij gaat te biechten en blijft dezelfde als te voren. Wat moet ze dan doen om zonder vrees te kunnen zijn ?

Ziehier wat ze doen moet om het heilig Sacrament der Biecht met meer zekerheid te ontvangen.

Zij zal zich zekere dagelijksche zonde, welke ze

weet niet meer te zullen bedrijven met Gods genade,

— want elkeen kent wel deze of gene zonde, welke 1 •• • • . 0 ..

ai] niet meer in gevaar is te bedrijven, waaraan

het hart niet meer gehecht is, of waarvoor hij geen

neiging meer gevoelt. •— Zij zal dan een of twee

van die zonden nemen en er het onderwerp van

maken van haar berouw en goed voornemen. Ja,

ik raad ieder aan, voor meerdere zekerheid, op

die wijze te handelen. Bij voorbeeld, iemand maakt

zijn bijzonder onderzoek over de gramschap, of

ocr page 83

77

)e- over zijne gesprekken tegen den naaste. De zonden id. | waaraan hij zich hieromtrent plichtig maakt, zal 3r- hij nauwkeurig en met alle omstandigheden biechten, au ei hij zal hoofdzakelijk hierover zijn berouw en he goed voornemen maken, niet alleen voor de biecht, de maar ook voor de heilige Communie en meditatie; ok hij moet volharden in dit berouw en goed voornemen .n. over die zonden, gedurende weken en maanden, tot-ijn dat het hem blijke dat hij er van gebeterd is. m, Indien wij de Sacramenten op die wijze ontvingen,

oe zouden wij ongetwijfeld grooten voortgang doen in lij onze bekeering. Maar de reden, waarom wij geen n, voortgang doen, is dat we geen gebruik maken van

00 dit machtig middel. Niemand, of hij zou slagen, 3n ook den sterksten hartstocht te overwinnen, indien

hij dit geneesmiddel wilde gebruiken.

el Wij hebben nu over het berouw en goed voornemen

311 gehandeld, ea wij hebben gezien wat ze zijn moeten, le welke de eigenschappen er van zijn, om gerust te er kunnen zijn omtrent de geldigheid der biecht; thans gaan we handelen over de eigenlijke biecht. Wij hebben dienaangaande twee vragen te beantwoorden.

Eerste vraag. Wanneer is de biecht ongeldig om reden dat iemand zijn zonden niet gebiecht heeft? 'g Zij is ongeldig, wanneer ik vrijwillig en met voor-

n bedachten rade of door eene schuldige nalatigheid eene doodzonde verzwijg, terwijl zij het niet is, ie wanneer ik zelfs meerdere dagelijksche zonden vrijwillig nalaat te biechten.

1 Andere vraag. Indien mij na de biecht invalt p dat ik een doodzonde onvrijwillig vergeten heb te

1 biechten, en ik de gelegenheid had ze te biechten vóór de Communie, zoude ik in dit geval onwaardig

ocr page 84

78

communiceeren, indien ik ze niet vóór die Communie . biechtte?

Eene doodzonde, onvrgwillig, buiten onze schuld I vergeten, is vergeven met de andere; valt ons dat j' later in, zoo is men verplicht die vergeteue doodzonde in de volgende biecht te zeggen. Gij zijt dus in staat van gratie, en ik veronderstel dat ge wel ter dege voornemens zijt dezelve in de naaste biecht te zeggen; gij moogt dus communiceeren zonder vrees van heiligschennis, al kunt ge nog zoo gemakkelijk * tot den biechtvader terug gaan, vóór dat ge tot de heilige tafel nadert. Nochtans zal teruggaau tot den biechtvader, als het mogelijk is, u zeer nuttig zijn, zonder daarom verplichtend te worden. Eensdeels,

nadat gij uw geweten hierdoor heel in orde gebracht hebt, zult ge daardoor een groote rust smaken, zoodat ge u gausch kunt overgeven aan de groote zaak, die ge gaat verrichten. Anderdeels zal uw yver, om een ootmoedige bekentenis van uwe zonden af te leggen, u ongetwijfeld vele genaden en zegeningen bekomen van wege Hem, die hen bemint, die met een grootmoedig hart geven. en die zijn bijzondere gunsten beloofd heeft aan de ootmoedigen . van harte.

Tweede vraag. Hoedanig moet mijn biecht zijn, er opdat ik van God verkrijge de vergeving mijner zonden, en krachtige genaden, die noodzakelijk zijn om tot de heiligheid te komen?

Wij zullen alle dagelijksche zonden met alle oml standigheden biechten, welke tot onze beschaming dienen. Maar men moet wel weten dat dit niet noodig is voor de geldigheid der biecht, maar wel zeer voordeelig om voortgang te doen in de deugd en aan alle genaden vau het Sacrament deelachtig te

ocr page 85

79

worden. Ongelooflijk groot is de heilzame uitwerking dier algeheele en volmaakte beschaming van ons zeiven.

Iets over de omstandigheden, die de zonden vergrooten.

Onder de omstandigheden, die de zonden kunnen vergrooten, komen de volgende;

1° Zich wetens en willens onder het gebed eene te groote nalatigheid veroorloven, zoodat men bij volle bewustzijn va'i zijn lauwheid, zijne verstrooiingen , zijne nalatigheid, er nochtans mee voortgaat uit loutere luiheid.

2° Iemand zegt me iets dat me onaangenaam aandoet, mij mishaagt; op hetzelfde oogenblik voel ik den toorn in mij ontsteken, maar tevens hoor ik eene inwendige stem die mij zegt: zwijg en verdraag; ik hoor echter naar den toorn, ik laat hem begaan, ik beklaag mij zelfs over dat gezegde bij anderen. Ziedaar eene omstandigheid, die eene nieuwe vrijwillige dagelijksche zonde veroorzaakt.

3° Indien ik eene gelegenheid wensch en zoek om hem te benadeelen, die mg kwaad berokkend heeft, zoo handel ik zeer verkeerd, indien ik mijn besluit ten uitvoer breng; inderdaad, op die wijze worden er veel meer zonden gedaan als we wel meenen; want in die gesteltenis dagen en weken blijven voortleven , en gestadig naar eene gelegenheid uitzien om zich te wreken; 'tis schier onmogelijk dat zoo iets zou kunnen geschieden zonder zich aan vele zouden plichtig te maken; omdat de wrok, dien ik niet wil afleggen, maar integendeel opzettelijk voed, mij gedurig aanzet tot nieuwe zonden.

4° Indien ik door ergernis zondig, bijv. door iets over te brengen; ik hoor tegen iemand uitvaren,

ocr page 86

80

ik haast mij liet liera terug te zeggen, heel goed weei

wetende dat hij zich daarover boos zal maken; ik 1 te b

zondig alsdan door ergernis, omdat ik de oorzaak I zijn

ben van een anders zonde, van zijn toorn, zijn ; dooc

afkeer enz. Nog schuldiger maak ik mij, indien bekc

ik een ander aanzet, oprui, hem bijv. zeggende: of h

waarom verdraagt ge dat? waarom onderwerpt ge schi(

u ? Dat nooit. Dat zijn geen kleine zonden, want zij zone

kwetsen de liefde zeer; vooral in een geestelijk gesticht zoo

is zoo iets een allergevaarlijkst gift, dat alle deugden van

verwoest. Heil

5° In de zonde volharden. Ik voel in mijn hart ^

een wrok, een afgekeerdheid tegen zeker iemand, en 1

waarvan ik me maar niet wil ontdoen, bij gelegen- in o

heid laat ik dit blijken, enz. Indien ik die booze N

drift mijner bedorven natuur niet krachtig bestrijd, de ?

indien ik haar niet overwin, maak ik mij plichtig men

aan een zonde die mij niet zal vergeven worden, Ir

zoolang ik er mij aan overgeef. Beter ik mij daarvan mij

niet, dan kan ik nog zoo dikwerf te biechten en kom

te communie gaan, niets baat me; de zonde blijft besc

voor mij zonde, en zal me nooit vergeven worden. het

De laatste omstandigheid, welke de zonde vergroot, duid

is wanneer ik halsstarrig bij mijn gevoelen blijf, en lang

mijn fout verdedig. Men leest in het leven van den andi

H. Martinus, dat er te Tours, waarvan hij bisschop vooi

was, een klooster bestond van tachtig monniken, ring

waaronder er een, Brice genaamd, er genoegen in al 1

scheen te scheppen den heilige te beleedigen en tegen vers

hem uit te varen in zijn aan- en afwezigheid; al wat de | zeg^

heilige Bisschop deed, werd door hem afgekeurd en geb:

gelaakt. Zijn medebroeders spaarden niets om hem | gew

tot betere gedachten te brengen , vergeefsche moeite! 1 of

Hij bleef halsstarrig bij zijn gevoelen volharden, be- hau

ocr page 87

81

;oed weerde recht te hebben en ging voort den Bisschop

; ik j te bedroeven en te beleedigen, totdat de heilige man

;aak | zijn schocne ziel aan God teruggaf. Diens heilige

zijn ■ dood bracht verandering: hij keerde in zich zeiven,

lien bekeerde zich met oprechtheid des harten, wie weet

ide: of het niet door de voorspraak van den Heilige ge-

ge schiedde, deed strenge boetvaardigheid over zijne

b zij zonden tot aan het einde zijns levens, leefde voortaan

icht zoo heilig, dat hij zelfs waardig gekeurd werd Bisschop

den van Tours te worden; de Kerk vereert hem als Heilige.

iart Wij zien daaruit hoezeer wij ons zelven bedriegen

nd, en hoeveel schade wij ons zelven berokkenen als wij

en- in onze afgekeerdheid voortgaan.

oze Nadat wij de omstandigheden gezien hebben welke

ijd, de zonde vergrooten, zullen we thans verklaren hoe

itig men ze moet biechten.

en, Indien ik voortgang wil doen en God gunstig voor ran mij wil stemmen, om van Hem de genade te been komen mij te beteren, moet ik mij in den biechtstoel 'ijft beschuldigen van alle omstandigheden, welke mij en. het meest beschamen, ik moet de boosheid der zonden )ot, duidelijk bekend maken, te weten den min of meer en langen duur, de gevolgen daarvan in mij en in len anderen; dat het heel vrijwillig is geschied en met lop voordacht. Onnoodig in al te uitvoerige verkla-jn, ringen te treden ; men kan in weinig woorden zeggen in al wat men moet zeggen. Bijv. ik ben vrijwillig ;en verstrooid geweest in het gebed. Ik moet derhalve de | zeggen, ik heb een kwartier of een half uur door-en | gebracht in vrijwillige verstrooiing. Ik ben vertoornd em | geweest en ben daarmee vrijwillig voortgegaan zoo te! | of zoo lang, heel goed wetende dat ik verkeerd je- ■. handelde.

6

ocr page 88

82

Om te besluiten zullen we nog het een en ander zeggen over het laatste deel van dit Sacrament, namelijk over de voldoening of het volbrengen der penitentie. Gewoonlijk is de opgelegde penitentie gering. Welnu, omdat de penitentie, welke men bezit ons oplegt, door de kracht van het Sacrament eeno Al ^ buitengewone kracht heeft om de zonden uit te zijn wisschen, geef ik den raad elke maand zijn biechtvader een penitentie te vragen met het oog op het Sacrament en deszelfs kracht. Daarvoor is het niet noodig iets buitengewoons te doen; 't is voldoende dat men tot dat doel de gewone werken van boetvaardigheid van iedere week of maand verrichtte:

zooals zijn hart dikwijls tot God te verheffen door heilige verzuchtingen, zijn lijden met geduld te verdragen , of dat wat de biechtvader aan den biechteling zal opleggen; dat men dat alles verrichte met het oog op het iSacrament en deszelfs kracht, om reden dat deze werken een groote kracht bekomen om de zonden uit te wisscben, en om meer en meelde verdiensten van het bloed van Jesus Christus op ons toe te passen, die de bron is van alle genaden , die door het Sacrament worden voortgebracht.

J2,

Over de liefde Gods.

De liefde Gods is bet eenige doel waarnaar wij moeten streven en reikhalzen in deze wereld. Alle verstervingen , de strengste boetplegingen, onze zegepralen over onze slechte neigingen en ongeregelde

ocr page 89

83

nder 1 genegenheden, al onze goede werken en oefeningen ient,j|van godsvrucht, zijn slechts middelen en voorbe-

der 1 reidingen tot de liefde Gods.

sntie I Wie de liefde Gods erlangd heeft en haar volkomen men Ibezit, heeft niets meer te verlangen op deze wereld, eene Al wat men heiligheid en volmaaktheid noemt, vindt zijn oorsprong in de liefde. De liefde nu is een vurige genegenheid, welke de H. Geest in ons hart ontsteekt, die het aan God hecht en met God ver-eenigt door zoete arindoeningen. Een tweevoudige uitwerking heeft er plaats in het hart, waar die liefde brandt, een tweevoudige werking die men evenmin van de liefde kan scheiden, als het licht van de zon.

liet eerste gevolg of de eerste uitwerking is een gestadige en wonderbare ingetogenheid of eenzaamheid des harten. De ziel welke tot die eenzaamheid om van haar hart geraakt, ziet er aanhoudend God en men ^ wendt nooit haar oog van Hem af. Hare genegenheden leer I zijn in vrede en rust, en zij laat alles aan haar 3 op Welbeminde over, zonder den geringsten hinderpaal ge- te stellen; zij onderhoudt zich onophoudelijk met cht. Hem, en rust zachtjens tusschen zijne armen. Vurige verzuchtingen, brandende verlangens, genegenheden van warme liefde vervullen steeds haar hart; geen | afleiding, geen bezigheid, geen gezelschap is in staat haar die heilige eenzaamheid, die zoete ingetogenheid

O ' o O

1 te doen verlaten. Het hart brandt en gloeit en i schiet aanhoudend nieuwe liefdevlammen, totdat het er van verteerd wordt, en de dood voor immer de ziel met haren Welbeminde vereenigt in den schoonen hemel, waar zij Hem zal aanschouwen van aanschijn tot aanschijn, om niet meer van Hem gescheiden te worden.

ocr page 90

84

De tweede uitwerking is een aanhoudend streven om God te behagen en zijn heiligen wil in alles tel volbrengen. De van liefde gloeiende ziel bekommert 1 zich om niets ter wereld, haar eenig verlangen, haar eenige zorg is Gode te behagen. Tot dat einde isl ze bereid alles te doen, alles te lijden, alles te verlaten. God te behagen, Gods heiligen wil te volbrengen is haar eenig streven, daarin vindt ze haar rust, haar eenig genoegen; tot eiken prijs, 't zij lijden, 't zij doen wat God beveelt of verlangt, zij is tevreden, mits zij er den wil van God in zie.

Ziedaar haar onafgebroken leven tot aan haar laatsten levenssnik. Leven en beminnen, beminnen en leven, is voor haar een en dezelfde zaak. Dat gaat te samen en houdt te gelijkertijd op. Ziedaar het innerlijk wezen der ware liefde. Wie zoo bemint, bezit de volmaakte liefde. Wie niet zoo bemint,! heeft de ware liefde niet.

Opdat de ziel tot dien gelukzaligen staat gerake, 1 zal ik hier een kort onderricht bijvoegen, waarvan de beoefening tot doel h'jeft ons tot dien staat op te voeren met den bijstand van den H. Geest.

Om tot die heilige eenzaamheid en innige gemeenschap met het hoogste Goed te komen, waarin lift hemelsch leven hier op aarde bestaat, behoort de ziel onophoudelijk twee zaken in acht te nemen en in oefening te brengen. De eerste is, het oog steeds op God gevestigd te houden, die in haar tegenwoordig is. De tweede, zich onophoudelijk met Hem te onderhouden. Wij gaan de eene en de andere verklaren.

ocr page 91

85

■ EEESTE ARTIKEL,

es tea

imertl Van de eenzaamheid des harten.

haaide is I §§ 1.

ïs te

vol- Hoe we God moeten aanschouwen in onze ziel haar tegenwoordig.

't zij

zij

e.

id a ar Bint, nint,

op

Onze natuurlijke nalatigheid en onwetendheid zijn de eenige oorzaak van de moeite, welke wij gevoelen l' om ingetogen te zijn eu ons in Gods tegenwoordig-

nnen ^ouc'en-

De onwetendheid is schuld dat wij de groote zaken,

die in ons hart plaats hebben, niet beseffen; en onze nalatigheid belet ons dat wonderbare te beschouwen en pogingen te doen om het te kennen. O, dat de ziel den onwaardeerbaren schat kende, welke zij in haar hart draagt! O, dat ze het groote geheim kende, dat elk uur, elk oogenblik in haar binnenste plaats grijpt! O, indien ze het groot wonder erkende, dat aanhoudend in haar plaats heeft, met welk gemak zou ze dan die geheimen kunnen aanschouwen eu er met liefde en verwondering haar rust in nemen. Gaat dan uw binnenste in, en beschouw er de volgende waarheden.

Eerste waarheid.

In eene ziel, met de heiligmakende genade versierd, woont de allerheiligste Drievuldigheid, in al hare glorie, met al hare oneindige volmaaktheden, zooals ze in den hemel woont, maar met dit verschil, dat in den Hemel hare godheid zonder sluier is, terwijl ze zich in mijn hart onder den sluier des

ocr page 92

86

geloofs verbergt. Werd die sluier ■weggenomen, zoo zoude ik God in mij zien en ik zou hier beneden den hemel in raijn hart omdragen.

God de Vader, God de Zoon, God de H. Geest zijn er tegenwoordig in de gansche natuur en wezenheid der godheid. Tegenwoordig zijn er die almacht welke hemel en aarde geschapen heeft; die oneindige wijsheid, welke de engelen en de menschen regeert; die onbegrijpelijke schoonheid, welke de zaligen in den hemel eeuwig gelukkig maakt; die wonderbare onmetelykheid welke hemel en aarde vervult; die aanbiddelijke rechtvaardigheid, welke de rechtvaardigen in den hemel beloont en de verdoemden in de hel straft. In één woord. God is er aanwezig, zooals Hij is, met al zijne volmaaktheden.

Tweede waarheid.

De geheele heilige Drievuldigheid woont in mijn hart en wrocht er onophoudelijk het grootste wonder harer barmhartigheid. — Dagelijks bedrijf ik nieuwe zondige fouten, dagelyks beleedig ik God op nieuw. Dat alles heeft plaats voor zijn oogen en grieft eu kwetst Hem; des ondanks zwijgt Hij, verdraagt Hij mijne lichtzinnigheden en wreekt zich slechts door weldaden. Na mijn val betoont Hij mij zijn teeder-heid, Hij heeft medelijden met mij; Hij legt mij goede gedachten in het hart; Hij schenkt mij het berouw, om niet genoodzaakt te zijn mij te straffen. Na myn berouw denkt Hij niet meer aan mijne fouten; Hij vermeerdert zijne genade in mij; Hij stelt mij in zijne vriendschap hooger dan te voren; en Hij schenkt mij weer zijn goedheid en welwillendheid, alsof ik nooit gezondigd had.

ocr page 93

87

Ofschoon ik niet ophoud te zondigen, wordt Hij mij niet moe. Ieder uur van den dag bega ik nieuwe zonden en ieder uur scheukt Hij mij nieuwe genaden, nieuwe weldaden, bemint Hij mij op nieuw. Mijn hart is zijn woning; mijn hart is de plaats waar Hij de wonderen zijuer barmhartigheid verricht.

Derde waarheid.

In mij, in mijn hart woont de gansche heilige Drievuldigheid; zij wrocht er aanhoudend de wonderen barer rechtvaardigheid. — Er gaat geen oogenblik van mijn leven voorbij, waar zij niet haar oog op mij gevestigd houdt om al mijne daden gade te slaan. Doe ik kwaad, zg ziet het; die daad mishaagt haar, zij straft mij er voor, met mij de genaden te onttrekken, welke zij mij zou geschonken hebben, indien ik die daad niet gesteld had. Doe ik goed, zij ziet het insgelijks en neemt er baar behagen in; zij beloont er my voor, met hare genade, hare liefde, hare vriendschap in mij te vermeerderen. Indien ik my aan zinnelijkheid overgeef, mij meer dan noodig is met aardsche zaken bezighoud, mijn troost zoek by de schepselen, betuigt ze mij hare ontevredenheid, onttrekt me hare genade, en laat mijn hart overgelaten aan de dorheid, droefgeestigheid, aan de vrees, de verwarring en de bekoringen.

Toon ik me getrouw, overwin ik mij kloekmoedig, weiger ik alle vertroosting van wege de schepselen, zoo betuigt ze mij bare bijzondere welwillendheid; zij vervult mijn hart met inwendige vreugde en vertroosting. Al deze verrichtingen der goddelijke rechtvaardigheid hebben plaats in het binnenste van mijn hart.

ocr page 94

88

Vierde waarheid.

In mijn hart woont de heilige Drieëenheid en oefent er onophoudelijk hare almacht uit. — Zonder Gods hulp kan ik onmogelijk leven, leder oogenblik moet God door zijn almacht mijne ziel behouden, vermits ze anders onvermijdelijk in het niet zou terugvalleu; ieder oogenblik moet God mijn lichaam steunen en behouden, zoo niet, zou het tot het stof terugkeeren; dat God in mij aanwezig zij en mij elk oogenblik steune , is veel noodzakelijker voor mij, dan de lucht welke ik inadem. Zonder Gods bijstand ben ik niet in staat de geringste beweging te doen. Gaan, spreken, schrijven, ademen enz., al deze verrichtingen mijner ledematen kan ik slechts met Gods hulp doen. Zonder Gods bijstand kan ik geen enkele goede daad verrichten, 't Is God die mij op de eerste plaats de goede gedachte geeft eene goede daad te verrichten, 't Is verder God die mijn wil beweegt, in mijn hart eene bovennatuurlijke genade legt, die eene goede daad met mij begint, voortzet en voltooit. Zonder God, zonder zijne hulp , kan ik zelfs het kwade niet doen; want, ofschoon Hij het kwaad verafschuwt, en er hoegenaamd geen deel aanneemt, en het kwaad uitsluitend het werk is vau mijn vrijen wil, daar God me nochtans de vrijheid gegeven heeft, zonder dewelke ik niet zou kunnen handelen, diensvolgens verleent Hij mij in die vrijheid om te handelen, den bijstand zijner almacht: en zoo verder.

Vijfde waarheid.

De gansche heilige Drieëenheid woont in mijn hart en oefent er voortdurend de grootste milddadigheid

ocr page 95

89

uit. — God staat niet ledig in myne ziel, maar houdt zich voortdurend onledig met goed te doen. Indien j| ik een goede gedachte, een goed gevoelen in mij opwek, bemint Hij mij en vermeerdert in mij zijn genade en zijne liefde. Indien ik de onbeduidendste zaak uit liefde voor Hem verricht, omhelst Hij mij, en schenkt mij een nieuwen schat van hemelsche giften. Overwin ik uit liefde voor Hem een kleine bekoring van een oogenblik, zoo verhoogt Hij mij een trap in zijne vriendschap. Draag ik met geduld het kleinste kruisje uit liefde voor Hem, zoo betuigt Hij mij zijn bijzonder welbehagen en voert mij hooger op in de gelukzaligheid.

Op die wijze werkt God onophoudelijk in mij; zoo smukt en versiert Hij aanhoudend mijne ziel. Zoo houdt Hij zich steeds met mij bezig, of bestond er geen ander schepsel waarvoor zijne Voorzienigheid moet zorgen.

Zesde waarheid.

De heilige Drievuldigheid woont in mij en bemint mij teederlijk. — Geen moeder, hoe feeder ook, is zoo bezorgd voor haar kroost, als God voor mij. Elk uur van den dag en den nacht denkt Hij aan mij, zorgt voor mij, bemint en omhelst Hij my. Nu eens liefkoost Hij mij, schenkt mij inwendige vertroostingen, en laat mij zoetjes aan zijn minnend hart rusten; dan Aveer houdt Hy zich schuil en laat my aan de dorheid over, om mij door zijne afwezigheid te toonen, dat ik zonder Hem en buiten Hem niets goeds te hopen heb, en dat er buiten Hem voor mij geen geluk mogelijk is. Nu weer verlicht Hij mij door zijn inwendige genade, moedigt Hij

ocr page 96

90

mij tot liet goede aan, spoort mij aan mij te overwinnen , en mij tot heilige ondernemingen aan te | gorden; gehoorzaam ik Hem, zoo troost Hij mij eu | toont mij zijne hooge tevredenheid, zooals eene teedere 1 moeder doet, die haar kind des te inniger liefheeft, naarmate het meer goed doet. Een ander maal toont Hij mij zijn ontevredenheid, wanneer ik mij van Hem terug trek, wanneer ik mijne inwendige eenzaamheid (de ingetogenheid) verlaat en mij tot de schepselen keer, om eene vertroosting bij hen af te bedelen; dan laat Hy mij aan duisternis en droefgeestigheid over, en doet mij gevoelen dat Hij over mij niet tevreden is, even als een bruidegom die niet kan verdragen dat zijne bruid haar hart tusschen hem en een ander verdeelt. Kortom, God woont in mij. Hij bemint mij allerteederlijkst: Hij schept er zijn behagen in, wanneer bet me wel gaat. Hij denkt aan mij, Hij houdt zijn oogen op mij gevestigd, ten einde mij meer en meer gelukkig te maken. Ziedaar hoe God aanhoudend te mijnen opzichte handelt.

Ziedaar, mijne ziel, de geheime en grootsche dingen, welke ieder oogenblik, ieder uur in uw hart plaats hebben. Peins dan, overdenk, overweeg, verdiep u in de gedachte aan uwen Schepper, totdat de gedachte van God u zoo natuurlijk en gemakkelijk | zij als de ademhaling, en wend het oog uwer ziel j niet meer van Hem af, O! inderdaad gelukzalig te prijzen is de ziel, die dit oogwit bereikt! Zij bezit i den hemel op aarde, zij smaakt eene zielevreugde, een zielevrede, welke niemand ter wereld haar kan benemen.

Indien we ons ernstig bevlijtigden om tot dien staat te geraken, en wij er door Gods genade toe

ocr page 97

91

kwameu, o, hoe gemakkelijk zou het ous alsdau ziju ons hart te onthechten van alles wat geschapen is. O! welke onuitsprekelyke vreugde zou het voor ons zijn, ons in het geheim met God te onderhouden, in de eenzaamheid van ons hart, in gestadige ingetogenheid. O! welke liefdevlammen zouden in

O O

ons hart ten hemel opstijgen! O, zoete rust en tevredenheid, welke wij zouden smaken Wij herooven ons van alle zaligheid en vertroostingen, aan dien gelukzaligen staat verbonden, omdat wij niet willen wonen en ous opsluiten in het binnenste onzer ziel, waar de bron van al die genaden en zegeningen

o O D

vloeit.

Indien gij tot dien gelukkigen staat wilt geraken, o mij tie ziel! leg er u dan met veel zorg op toe, in de tegenwoordigheid van God. Volg in het begin de wijze , welke ik verklaard heb in de eerste waarheid. Het overige zal van zelf komen, als gij er u dikwijls meê bezig houdt in de dagelijksche overweging, als ge er u gemeenzaam meê maakt door veelvuldige herinneringcen.

O

§§ 2.

Hoe men zich met God behoort te onderhouden -------- in het gebed.

Het zou weinig baten God in ons hart tegenwoordig te aanschouwen , indien wij ons daarbij wilden bepalen en het bij die aanschouwing laten. Het hoofdpunt van die ingetogenheid, van die eenzaamheid des harten, bestaat in zijnen Welbeminde door heilige verzuchtingen en liefdebetuigingen te aanbidden, te prijzen, te beminnen en te omhelzen.

ocr page 98

92

De heiligen houden zich in den hemel met twee zaken bezig en zij besteden er de gansche eeuwigheid aan, te weten: 1° God te aanschouwen. 2° Hem te aanbidden, te loven, te eeren en te beminnen. Wij moeten op aarde doen wat de heiligen in den hemel doen. Derhalve moeten wij Hem ook aanschouwen, aanbidden, loven, eeren en beminnen, en dat deel der innerlijke ingetogenheid, wat tot den wil behoort, is voordeeliger en noodzakelijker dan het andere deel, hetwelk van het verstand ressorteert, hoewel het eene zonder het andere niet passend kan, noch moet bestaan. Daarom moet de ziel zich niet verontrusten, als ze niets buitengewoons gewaar wordt van den kant des verstands, mits ze haar voordeel doe met de werking van den wil. Want is er ijver en vuur in den wil, zoo trekt deze het verstand krachtig aan. En hoe meer de wil van liefde gloeit, des te meer zal het verstand verlicht zijn.

— Voor dat we handelen over de heilige liefdebetuiging, waarmede de ziel zich moet bezig houden, gaan we in het kort verklaren, hoe ze zich moet gedragen om die liefdebetuigingen te vormen.

1° Zij zal wel degelijk zorg dragen het onderhoud en de liefdebetuigingen nooit lang te onderbreken, maar dezelve, zooveel doenlijk, te onderhouden. Ten allen tijde en overal, hetzij alleen of met andere personen ; hetzij ze het stilzwijgen beware of in gesprek zy, te huis of elders, steeds moet ze haar oog gevestigd houden op Gods tegenwoordigheid; zij moet zich nauw met Hem vereenigen door heilige gevoelens, en zonder hare heilige gesprekken met haren Welbeminde veel te onderbreken. Zij moet zich beyveren tot die hoogte te komen, dat haar heel leven een leven worde van gebed en liefde, onop-

ocr page 99

93

ü

;wee boudelijk brandende voor God; en dat ze zoo ingetogen

vig- zij op straat, te midden der bezigheden, in gezelschap,

iem dat ze daar zoo vurig met God vereenigd zij, als

aen. ze dat gewoon is te zijn gedurende het gebed. Dat

den is met onmogelijk, noch zoo heel moeielijk, als

tan- men deze heilige oefening met ijver en overleg be-

, en gint en dezelve niet meer nalaat. 1° Men zal het

Jen vast besluit maken zich met God te vereenigen door

dan eene heilige genegenheidsbetuiging, bijv. twintig

5or- maal, van het eene tot het andere bezoek aan het

end heilig Sacrament. 2° Wanneer men, na dit een paar

dch weken te hebben gedaan, zich de gewoonte daarvan

aar zal hebben eigen gemaakt, zal men die liefdebetui-

laar gingen vermeerderen met een derde bijv. 3° Heeft

ant men zich dat ook tot gewoonte gemaakt, zoo zal

het men het alweer met een derde verhoogen en zoo

van verder, totdat men tot een onondei'broken gemeen-

iju, zamen omgang met God kome. Zoo deed de groote

jSe_ dienaar Gods, Didacus Martinez, van de Sociëteit

[en) van Jesus, dien men den Apostel van Peru noemde,

oet wegens de vele mirakelen, door hem gedaan, en de duizende ongeloovigen door hem bekeerd. Hij was

)ud zoo innig met God vereenigd, dat hij de nachten

an ? in het gebed doorbracht , op zijn reizen , onder den blooten hemel, in het open veld, waar God hem zoo

ere zeer van zijne liefde ontvlamde, dat hij in verrukking

ye_ of extase van de aarde werd opgeheven tot boven

iar de boomen; zoo vond men hem heel omgeven met

jd; hetnelschen glans, tusschen twee vuurkolommen.

icre Die nachtelijke aanschouwing was hem niet vol-

•en doende; wat deed hij dus? Dewijl hij daags in die

[gjj eenzaamheid niet kon blijven , wegens zijn vele werk-

eeI zaamheden, vergoedde hij dat door aanhoudende en vurige liefdeverzuchtingen, welke hij in zijn hart

ocr page 100

94

verwekte vier tot vijf duizend maal eiken dag. —■ Hij trac kwam tot die bewonderenswaardige vereeniging door , ^ai een klein begin. Gedurende zijn noviciaat maakte [ hij liet besluit zijn hart tot God te verheffen zeven maal daags. Van lieverlede bracht hij het tot honderd. wB]ki Voor het einde van zijn noviciaat V7as hij reeds tot drie honderd gekomen, ten laatste namen de genade en de gewoonte zoo een hooge vlucht, dat hij dagelijks, en tot aan zijnen dood, vier tot vijf duizend van die liefdebetuigingen maakte.

2° Men zal in het begin niet zoo zeer letten op het getal dier liefdebetuigingen , als wel op den ijver en de vurigheid, waarmede men ze zal maken. De reine meening, de innerlijke vurigheid en ijver maken den prijs en de verdienste uit van onze handelingen, zoo inwendige als uitwendige; een enkele liefdeuitinoquot;,

O O ' O7

voortkomende uit een reine meening, een heiligen ijver en vurige liefde, treft God meer dan vijftig andere, voortkomende uit een lauw en koud hart. En zelfs dau wanneer men in het begin slechts ééne liefdebetuiging zou kunnen verwekken in het uur,

over de tegenwoordigheid van God in ons, maar niet ijver en het verlangen aan God te mogen behagen, zoo zou dat voordeeliger zijn dan ze aanhoudend en onafgebroken te doen, maar koud en oppervlakkig.

Door ijver versta ik een eenvoudige en levendige blik, van wege het verstand op de tegenwoordigheid van Gods majesteit, en van wege den wil slechts een oprechte genegenheid voor die aanbiddelijke Majesteit;

zoodat nochtans het hart inderdaad zoo zij, als gij het aan God betuigt in die liefdeuiting.

Aan hoofd en borst geweld aandoen om er een gevoeligen ijver aan te ontlokken; door ijverige pogingen een zoete godsvrucht en hartuitstortingeu

ocr page 101

95

Hij trachten te bekomen, dat is alles vergeefsche moeite, oor ; Want, behalve dat dit niet in onze macht is, is ikte f daarenboven heel nutteloos, indien wij ze op veu »die wijze zoeken; ze zijn zelfs zeer schadelijk, zooals 3rd. WÜ zullen zien aan het einde dezer onderrichting.

Nadat de ziel geleerd zal hebben met ijver en vurigheid te handelen, zal ze zich afvragen op welke wijze zij hare liefdebetuigingen zal vermeerderen en hoe zij er in zal kunnen volharden, volgens hetgeen wij er nu over gezegd hebben.

3° Men zal toch vooral zorg dragen met God in eenvoudigheid des harten, hartelijk en met veel vertrouwen om te gaan. 't Is niet wel gedaan voor God te verschijnen, sidderende en bevende, wantrouwend en kleinmoedig; maar met Hem te ver-keeren, hartelijk, vertrouwelijk en eenvoudig, is een handelwijze of praktijk vol zoetigheid en genade. O wat misslagen begaan we hierin! O wat onbetamelijke gedachten vormen wij ons van God! Wij stellen Hem ons niet veel beter voor, dan een ongeduldig mensch, die gansche weken doorbrengt, zonder ons een vriendelijk gelaat te toonen, als we het ongeluk gehad hebben hem door een of ander woord te beleedigen. Neen, mijne ziel! zoo is God niet gesteld. Gij moet met God omgaan als met den besten der vrienden, dien ge bereid weet, elk uur zijn hart met u te deelen. Gij moet met God handelen als raet uw vader, die dag en nacht peinst hoe u gelukkig te maken. Gij moet u God voorstellen als een bruidegom met de reinste liefde bezield, die zijn grootste vreugde, troost en tevredenheid vindt u bij zich te zien, en zijn hart en zijne liefde in u uit te storten. Geloof niet dat men hierover te veel zou kunnen zeggen. Alles wat ik kau schrijven.

I

6

ocr page 102

en gij kunt denken, is veel te weinig in vergelijking met hetgeen men werkelijk in Gods vriendschap kan vinden.

Nooit heeft er een zoo liefdevolle mensch bestaan, die zyn geliefde bruid zoo gaarne bij zich had, als God wenscht u bij zich te hebben; want daar God een i oneindig is in al zijne volmaaktheden, zoo is Hij zon(j derhalve ook oneindig en onmetelijk in zijne vriend- js. , schap en gemeenzaamheid. Daardoor wil ik echter i ^ a niet verstaan hebben, dat men God zou mogen na- ^ deren of met Hem omgaan zonder nederigheid en eerbied. Duizendmaal neen, men moet deze oneindige ous Majesteit met een diepen eerbied eeren , zulke eerbied gene schaadt echter in geenen deele aan eeu heilige vertrou- ] welijkheid, gaat zelfs best samen met een heilige ver- :en jj trouwelijkheid; want hoe beter ik mijne onwaardigheid inzie, om zoo meer ontvlamt mijn hart van liefde, als het overweegt dat een zoo ellendig schepsel als i iian(j ik, desniettegenstaande door een zoo grooten God, f ]y[( zoo vurig en zoo hartelijk bemind wordt.

4° De ziel moet, ten opzichte van Gods leiding, ( met eene heilige onverschilligheid bezield zijn; zij ft moet geen nuttelooze pogingen doen, maar van eene matige vrijheid gebruik maken, en zich aan die ; liefdegevoelens overgeven, waarin ze oogenblikkelijk in z behagen vindt. _ _ 1^

De ziel verkeert niet altijd in denzelfden staat. Somwylen is ze treurig, ontmoedigd, terneergeslagen,: verward; alsdan moet ze zich opwekken tot smart over hare zonden, zich overgeven in den wil van God, groot wee en leed verduren om liefde vau Jesus, om Hem te behagen.

Een ander maal is ze vroolijk gestemd, verheugd i en getroost; dan is het oogenblik daar dat ze zich I

voor verni f moet uitstlt; haar

ocr page 103

97

voor God diep moet vernederen en als het ware vernietigen; zicli over het oneindig geluk van God moet verheugen, zich in lofzangen en zegeningen uitstorten, en naar de aanschouwing en liefde van haar God moet smachten. Dan weer legt God zelf ■ een heilige aandoening in het hart van den mensch, zonder dat deze weet van waar en hoe die gekomen ; is: alsdan vordert de getrouwheid, welke wij aan de goddelijke inspraken verschuldigd zijn, dat wij al het andere op zijde zetten, om ons alleen bezig te houden met dat, wat God door zijne genade in ons hart heeft gestort. Nu gevoel ik een heilige genegenheid, die me op de een of andere wijze in het hart werd geprent; ik behoor haar te volgen en mijn hart er aan over te geven, zoo lang het er behagen in schept. Maar de ziel is vrij; indien ze zich in geen van die toestanden bevindt, kan ze ï bandelen zooals ze verkiest.

Men mag deze bemerking wel in het oog houden, daar ze van meer gewicht is, dan men wellicht deukt. Dit dient tot voorrede.

Thans gaan we over tot de verklaring der heilige | liefdeuitingen, waarmede de ziel zich kan onledig houden gedurende hare ingetogenheid, wanneer ze in zich zelve gekeerd is, in de eenzaamheid baars harten.

jking ) kan

taan, , als God ; Hij iend-chter

i na-

ii en idige •bied irou-ver-;lieid ;fde, 1 als iod,

iag, ; zij

eene die elijk

taat. gen, j mart, van van

;ugd zich '

ocr page 104

98

De aanbidding is niets anders dan een hulde- en eerbiedsbetoon aan God, als ons laatste doel, aan onzen Heer en Meester, om wille van zijn oneindige grootheid en volmaaktheid. Die aanbidding komt Hem alleen toe. Ze komt aan geen engel, geen heilige toe, hoe hoog ook verheven in heiligheid en waardigheid in den hemel, omdat zij ons laatste doel, onze Heer en Meester niet zijn, maar slechts dienaren Gods, het werk zijner handen. De aanbidding is derhalve een erkenning, een betuiging van den eerbied aan God alleen verschuldigd.

Uit hetgeen wat wij over de natuur en de waarheid van God gezegd hebben, kan men gereedelijk afleiden hoe kostbaar en aangenaam aan God derge-lijke gevoelens zijn. Want daardoor werpen wy ons voor God neder, in erkenning van ons eigen niet, en leggen de getuigenis af dat wij het werk zijner handen zijn, en dat wij van Hem ontvangen hebben,

alles wat we hebben en zijn. Daardoor belijden wij dat God de bron is van alle goed, van wie voortkomt alles wat er groots en edels bestaat in den hemel en op de aarde. Daardoor betuigen wy aan' Jlecl God de onderwerping, die we Hem verschuldigd zijn, en dat wij Hem erkennen en huldigen als den oppersten Heer, aan wien alle schepselen onderworpen zijn. Kortom, daardoor eeren wij God als God, als

TWEEDE ARTIKEL. Ij een (

y onde

Over de gevoelens van aanbidding. | de G

I jestei

§§1- I zich

Waarin dat gevoelen of die genegenheid bestaat, (iaar, en hoe kostbaar het is. veje

Ai

het | verm vinei dag diep( die met naar hij 2 den wij Is

Op

E

als verc

wyz 7 dat als

ocr page 105

99

een oneindig Wezen, aan wien al het geschapene onderworpen is en van wien alles afhangt. Ziedaar de God verschuldigde eer en die zijn oneindige Majesteit behaagt; dat is de reden, waarom de heiligen zich met zoo'n buitengewone zorg hebben toegelegd op dergelijke gevoelens en huldebetuigingen. Ik zal daarvoor een enkel voorbeeld aanhalen, dat voor vele moet dienen.

Antonius Criminalis, apostolisch missionaris van het gezelschap van Jesus, in zijne menigvuldige en vermoeiende reizen, toen hij dag en nacht de provincie. Biscaje, in Mexico, doorliep, wierp zich iederen dag dertig maal op zijne knieën, om God met eene diepe nederigheid te aanbidden, 't Is wellicht wegens die heilige oefening, dat God hem beloond heeft met een glorievollen dood. Want toen afgodendienaars hem overvielen, uit haat van het geloof, wierp hij zich op de knieën naar gewoonte en onderging den marteldood in de houding, waarin hij zoo dikwijls God aangebeden had op aarde.

§§ 2.

Op welke wijze men die gevoelens en genegenheden kan en moet vormen.

Er zyn zoovele wijzen van aanbidding van God, als er volmaaktheden in Hem zijn, waarvan elke verdient aangebeden te worden met een diepen eerbied en groote nederigheid. Wij zullen eenige dier wijzen aanhalen.

De eerste. Aanbid God als het hoogste Wezen, dat alle volmaaktheden in oneindigen graad bezit: als de eenige schoonheid, in staat alle schepselen

xt,

J- en , aan idige komt geen id en gt;atste echts aan-

'ging

? aar-lelijk prge-j ons niet, ijner )beu, i wij Dort-den aan' zijn, op-' ■rpen , als

ocr page 106

lOO

gelukkig te maken; als de onmetelijkheid, welke hemel en aarde niet kunnen bevatten; als de almacht,; die door haar woord alles geschapen heeft, en door aï^ een enkel woord ook weer alles kan te niet doen; 1 , als de heiligheid, die om de zonden uit te roeien, / ^ den Godmensch niet gespaard heeft,

n n n ï

De tweede. Aanbid God als het eerste beginsel, van wien hemel en aarde, engel en mensch hetl bestaan ontvangen hebben. ^

De derde. Aanbid God als die oneindige almacht, | ^ ^ die niet alleen alles geschapen heeft wat bestaat in %zoncj den hemel en op de aarde, maar die ook al het geschapene behoudt; want zooals het licht verdwijnt, I^ zoodra de zon zich verbergt, zoo zouden ook alle I ^ j schepselen tot het niet terugkeeren, als God zijne almachtige hand terug trok, om ze niet meer te ^ steunen en te behouden. jer

De vierde. Aanbid God als den edel moedigsten li ^ en gulsten Vergelder, die voor zijn uitverkorenen dat schoon paradijs geschapen heeft, waar Hij hun i onuitsprekelijke vreugde en zaligheid bereidt, waar gcjio Hij zich zonder sluier aan hen te aanschouwen geeft, | waar zij zijne liefde zullen genieten gedurende de lp-gansche eeuwigheid. van

De vijfde. Aanbid God als den barmhartigstev | moe1 Vader van alle schepselen; want Hij is het die ons I ^ j dagelijks voeding en kleeding verstrekt; Hij is het iffen-die de vogelen voedt; Hij is het die het gras en 0 de planten voortbrengt, het onderhoud van de dieren i der aarde; Hij is het die elk oogenblik, elk uur, | voorziet in alles wat noodzakelgk is.

De zesde. Aanbid God als den rechtvaar dig sten ; B,echter, die het kwaad straft, die de pijnen der hel li heeft bereid voor de goddeloozen en in wier vlammen voe|(

ocr page 107

101

relke •

ac^ zij eeuwig de zonde zullen boeten, zijne goedheid en

door! barmhartigheid veracht te hebben.

0en. i -Öê zevende. Aanbid God als de oneindige heilig-

• ' heid, die uit haat der zonde het vagevuur ontstoken ' heeft, waar zijn beste vrienden boete doen voor

^ hunne zonden , en van waar ze niet zullen uitgaan om het I ffaan aanschouwen , dan na geheel gelouterd

'en gezuiverd te zijn van alle vlekken der zonde.

De achtste. Aanbid God als de bron der genaden en den heiligmaker der zielen, die de ziel van hare zonden zuivert in de heilige Sacramenten; die haar heiligt en versiert door zijne bovennatuurlijke genade; aïlel^i6 al' ^oor zij11 inspraken opwekt tot het goede, •• „ ^ en haar steeds doet vooruitgaan op den weg der

• 'te ■ volmEitiktheid.

De negende. Aanbid God als den teedersten minnaar 3|.eii der zielen, die er onophoudelyk in woont; die haar neii doet gloeien van zijn vurige liefde; die haar smeekt jiuii door zijne genade, en die steeds bedacht is haar meer raar eB meer waarclig te maken voor zijn gelukzalige aan-ft ï schouwing in den hemel.

de' 1 ^en(^e- Aanbid God als uw laatste einddoel. 'Gij komt van God, tot God zult gij terugkeeren; van God hebt ge alles ontvangen, om God te eeren moet ge alles doen; in God moet ge uw geluk zoeken, en in Hem zei ven moet ge het eeuwig bezitten en • genieten.

§§ 3.

Praktische oefeningen van aanbidding.

Ofschoon, algemeen gesproken, het beter is, in den omgang met God, zijne genegenheden en ge-i 'voelens uit te drukken met de gedachten en woorden,.

ocr page 108

102

welke de heilige Geest op het oogenblik zelf aan de ziel ingeeft, zullen wij er nochtans eenige aangeven om de ziel in het begin behulpzaam te zijn; zij kan er zich van bedienen naar believen, inzonderheid ten tijde van dorheid en verlatenheid Die oefeningen bestaan uit weinig woorden, opdat men bij gelegenheid er zich gemakkelijker van zou kunnen bedienen. |

1° O mijn God! Gij zijt het volmaaktste Wezen; 1 in u zijn alle volmaaktheden oneindig. Ik werp me i aan uwe voeten neder in den afgrond mijner nietigheid en ik aanbid ü met dezelfde liefde en onderwerping, waarmede het Hart van Jesus U op aarde heeft aangebeden.

2° O mijn God! Gij zijt de eerste en eenige bron ; van alle goed, van wie alle goed uitvloeit in den hemel en op de aarde. Ik werp me voor U neder in het diepste van mijn niet, en ik aanbid U met dezelfde liefde en onderwerping, waarmede het heilig d Hart van Jesus ü aangebeden heeft op aarde.

3° O mijn God! Gij zijt de oneindige almacht; | uw almachtige arm ondersteunt alles wat in den j hemel en op de aarde is. Uit de diepte van mijn ; nietigheid verhef ik daarom mijne oogen tot U, en aanbid ik l) uit gansch mijn hart. O! dat ik U ; kon aanbidden met denzellden ijver en dezelfde i vurigheid, waarmede de Serafijnen TJ aanbidden in 1 den hemel

4° O mijn God! Gij zijt de mildste Vergelder van alle goed, en voor onze nietswaardigste handelingen schenkt Gij ons den hemel; Gij verzadigt ons met | onuitsprekelijke vreugde en zaligheid; en Gij schenkt : ons ü zeiven en voor immer. Daarom richt ik uit i de diepte mijner nietswaardigheid mijne oogen tot ü, eu aanbid ü uit geheel mijn hart. Helaas! dat |

ocr page 109

103

I

ik U niet aanbidden kan met denzelfden ijver en dezelfde vurigheid, waarmede de Serafijnen U aanbidden in den hemel

5° O mijn God! Gij zijt voor mij en voor alle schepselen de barmhartigste Vader; Gij hebt ons geschapen door uwe almacht, en Gij voedt en onder-| houdt ons door uwe goedheid. Ik onderwerp mij | aan U met de diepste nederigheid, en ik aanbid U met denzelfden eerbied, waarmede U het heilig Hart van Maria aanbidt.

ö0 O mijn God! Gij zijt oneindig rechtvaardig, Gij hebt de hel geschapen met al hare verschrikkelijkheden , en Gij onderhoudt het vuur, dat eeuwig diegenen zal pijnigen, die U niet beminnen. Aan Ü onderwerp ik mij met de diepste nederigheid, en ik aanbid U met dezelfde eerbiedigheid, waarmede het vlekkelooze Hart van Maria U aangebeden heeft.

7° O mijn God! Gij zijt de heiligheid zelve, de oneindige heiligheid. Zoo zeer hebt Gij den mensch bemind, dat Gij hem hebt vrijgekocht door het bloed van uwen goddelijken Zoon; en in weerwil daarvan, als eene ziel voor U verschijnt, besmeurd met de kleinste zonde, veroordeelt Gij haar zoo lang te branden in het vuur van het reinigingsoord, totdat de vlek dier zonde geheel uitgewiscbt is. Daarom aanbid ik ü met mijn geheele ziel. O! dat ik U kon aanbidden, zoo volmaakt als U in den hemel alle hemelsche geesten aanbidden.

8° O mijn God! Gij zijt de eenige bron van alle genaden. Gij alleen kunt mijne zonden uitwisschen en mijne ziel heilig en behagelijk maken in uwe oogen. Daarom aanbid ik U uit ganscher harte. O! dat ik U kon aanbidden met dezelfde volmaaktheid, waarmede de hemelsche geesten U aanbidden.

ocr page 110

104

9° O mijn God ! Gij zijt de teederste minnaar mijner ziel; Gij woont in mij, Gij hebt my lief; Gij schenkt mij ieder oogenblik nieuwe genaden. Ik erken uwe liefde, o oneindig Goed! ik aanbid U uit geheel mijn hart. O! dat ik U kon aanbidden op een oneindig volmaakte wijze! Maar omdat ik dit niet vermag, bied ik ü, in stede van mijn hoogst gebrekkige aanbidding, de aanbidding aan, waarmede het heilig Hart van Jesus ü aanbidt.

10° O mijn God! Gij zijt mijn laatste doel, mijn heil en zaligheid, hier en hiernamaals. Van U kom ik voort, tot U moet ik wederkeeren, zal ik niet eeuwig ongelukkig wezen. Ik erken het, o mijn hoogste goed! en ik aanbid U uit geheel mijn hart. O! kon ik U toch op oneindig volmaakte wyze aanbidden! Maar omdat ik zulks niet vermag, bied ik U, in plaats van mijn onmacht, de aanbidding aan, waarmede U het heilig Hart van Jesus aanbidt.

Deze liefdeuitingeu zouden inderdaad heel goed en nuttig zijn, om zich inwendig met God te onderhouden; maar, daar ze een weinig te lang zijn, zal de ziel, die nog niet voldoende bekend is met het inwendige leven, er moeielijkheden in ontmoeten, vooral wanneer ze uitwendig zal moeten handelen met andere personen. Opdat nu die moeielijkheden haar niet ontmoedigen en haar niet van de inwendige ingetogenheid afwenden, zal ik op beknopte wijze die liefdebetuigingen teruggeven; men zal er zich naar believen van bedienen.

1° O mijn God! ik aanbid U als het hoogste en volmaaktste goed; en ik bied u de toewijding aan, waarmede het heilig Hart van Jesus ü aanbidt.

2° 0 mijn God! ik aanbid U als de hron van alle goed, en ik bied U de liefde aan, waarmede het heilig Hart van Jesus ü aanbidt.

ocr page 111

105

3° O mijn God, ik aanbid U uit ganscher harte als den Schepper van alle dingen.

4° O mijn God, ik aanbid 0 uit geheel mijn hart als den Vergelder van alle goed.

5° O mijn God, Gij zijt voor mij een Vader van larmhartigheid. Ik aanbid ü derhalve en wensch U te aanbidden met een oneindigen eerbied.

6° O mijn God, ik aanbid U als het beginsel van alle genaiden, en wenschte het te doen met oneindige eerbiedigheid.

7° O mijn God, ik aanbid U als de oneindige heiligheid, en ik wensch dat de gansche wereld U erkenne en aanbidde.

8° O mijn God, ik aanbid U als de hoogste gerechtigheid, en ik wensch dat de heele wereld U erkenne en aanbidde.

9° O mijn God, ik aanbid U als den getromvsten minnaar mijner ziel, en in stede van mijne aanbidding, bied ik U die aan waarmede het heilig Hart van Jesus U aanbidt.

10° O mijn God, ik aanbid U als mijn laatste einddoel, en in stede van mijne aanbidding, bied ik U die aan, waarmede U het heilig Hart van Jesus--aanbidt.

ocr page 112

106

Sc

Over de naastenliefde.

EEUSTK GRONDSTELLING,

{reen day laten voorhij gaan zonder het eene of andere liefdeiuerk te verrichten.

Als wij de hooge waarde kenden, die de liefdewerken in de oogen van God hebben, zouden wij met gretigheid elke gelegenheid aangrijpen om ze te beoefenen, en wij zouden die gelegenheid met vreugde en jubel begroeten. Als God ons in gelegenheid stelt een liefdewerk te verrichten, geeft Hij ons daarin het middel om een groote deugd te beoefenen en groote genaden van den hemel over ons ^ af te trekken.

Niets ter wereld verplicht God zoozeer vrijgevig jegens ons te zijn, als de beoefening van werken van naastenliefde. Wie wenscht door God bijzonder bemind, en door Hem met edelmoedigheid en vrijgevigheid behandeld te worden, heeft slechts liefdewerken te verrichten, en zich bereid te toonen aan den naaste dienst te bewijzen; want God zal zich jegens hem gedragen, zooals hij zich jegens den naaste gedragen heeft. Ik zal u, zoo zegt die groote lt;jod in zijn evangelie, met dezelfde maat meten, waarmede gij uwen naaste zult gemeten hebben! 't Is alsof Hij zeide: gelijk gij zult handelen met uwen naaste, zoo zal ik met u handelen.

Laat ons nu zien welke de werken van naastenliefde zijn, die wij kunnen beoefenen.

ocr page 113

107

EERSTE LIEFDEWERK.

Zacht en minzaam zijn jegens den naaste.

§§ I-

BeweegreJenen der zachtheid en minzaamheid.

Eerste beweegreden. Ik wensch dat God mij zacht en minzaam behandele; Hij verlangt dus — en dat is heel billijk — dat ik ook den naaste met zachtheid en minzaamheid behandele, uit liefde tot dien zoo zachten en minzamen God.

O ! hoe knelt en beklemt onze eigenliefde ons hart. Met welken ijver en vurigheid zoeken wij niet onze eigene tevredenheid, en hoe weinig zoeken wij onzen naaste tevreden te stellen ! — God heeft ons slechts eenmaal per week een droevig gelaat te toonen, in de H. Communie, en er ons zonder troosten godsvrucht te laten; Hij heeft ons slechts zijn licht te onttrekken, en ons in de duisternis, in de dorheid en in de ongevoeligheden des harten te laten; Hij behoeft ons slechts eens wat hard te behandelen; Hij heeft slechts toe te laten dat de duivel ons door zware bekoringen aanvalle en ons eenige dagen eeu harderen oorlog aandoe; Hij heeft slechts toe te staan dat het vleesch de aanvallen gevoele en den inwen-digen strijd der ons aangeboren begeerlijkheid; Hij heeft slechts toe te laten dat onze ongeregelde neigingen tot oproer overslaan en onze zielerust storen.

O God, wat komt ons die handelwijze hard voor! Hoe bitter men zich beklaagt! Hoe slinken dan onze liefde en ons vertrouwen op God 1 Men wil

ocr page 114

108

altoos een innemend en minzaam voorkomen, men wenscht steeds van God nieuwe bewijzen zijner liefde te bekomen, ofschoon wij niet ophouden Hem te vergrammen. Kan God dan ook niet willen dat wij den naaste zoo behandelen, zoo als wij wenschen dat God ons behandele? Dat wij den naaste dezelfde liefde, dezelfde vriendschap betoonen, die wij wenschen van Hem te ontvangen? 't Is een onverdra-gelijke hoogmoed, te willen dat God goed en genegen jegens ons zij, en van den anderen kant er niet toe kunnen besluiten goed en minzaam jegens den naaste te zijn, uit liefde tot God.

Tweede beweegreden. Ik wensch dat iedereen mij zacht en met goedheid behandele; maar eveneens wenschen de andere menschen door mij behandeld te worden. Niets zoo blind en zoo onrechtvaardig als de eigenliefde! Wat ze meent of zich verbeeldt haar verschuldigd te zijn, eischt ze met onverbiddelijke strengheid van de anderen; en van wat ze heel goed weet aan anderen verschuldigd te zijn, wil zij niets weten.

O mijne ziel, keer in u zeiven, gij zult er die wanordelijkheden, in eene op zoo in het oog loopende wijze, vinden, dat gij ze als met de hand kunt tasten.

Mijn God! wie zijn we, hoe ellendig hoe zwak! Is een zaak van minder belang niet in staat groot verdriet in onze ziel te verwekken? Men toont u b. v. een boos gelaat, voegt u een ietwat hard woord toe, maakt u toornig; men laat u merken, dat uwe tegenwoordigheid onaangenaam is, geeft u een bits antwoord, wantrouwt u en verbergt wat gij wenschtet te weten; men gispt uw gedrag en mort achter uwen rug; men bewijst u geene liefde en wat gij verlangt, wordt u geweigerd; men draagt

ocr page 115

109

geen zorg voor u, en heeft geen medelijden met u in uw leed en wee. Op den keper beschouwd , al te maal kleinigheden! Eu toch wat droefheid en verdriet gij om die handelwijze lijdt! welke verbittering ontstaat daardoor in uw hart! Gij wilt dat iedereen u goed zij en u bemiune, u met goedheid, zachtheid en minzaamheid behandele, dat iedereen medelijden met u hebbe in ramp en tegenspoed! Hebben de anderen dan niet evenveel recht van u te vorderen, dat gij hen even zoo behandelt? Doet aan de anderen wat gij wenscht dat ze u doen, zegt het Evangelie.

Derde beweegreden. Gelijk ik wensch dat God mij met goedheid en zachtheid behandele gedurende mijn leven, zoo verlangt God ook dat ik, om wille van Hem, zal handelen met mijnen naaste. — Is het niet waar, mijne ziel, dat ge groote genaden van God verlangt en verwacht? Gij wenscht dat God u verlichte in uwe gebeden en godsvrucht-oefeningen, dat Hij u late deel hebben aan zijne liefde, zijne innige ver-eeniging, aan zijne vertrouwelijke mededeelingen; gij wenscht dat God u trooste in uw lijden, u zijn vaderlijk hart toone in al uwe benauwdheden ; gij wenscht dat God u al uwe zonden en beleedigingen kwijtschelde en u nieuwe genaden schenke; gij wenscht dat God u te hulp kome in uw stervensuur, u sterke tegen de laatste aanvallen van den duivel en u de genade schenke in zijne liefde en vriendschap te sterven; gij wenscht dat God u genadig zij in zijn oordeel en gij met Hem vereenigd wordet voor de gansche eeuwigheid. Is het niet waar? Is dat niet zoo? Wenscht gy niet al die genaden van God? Welnu, hoe kunt ge zooveel genaden, zooveel goedheid van God verlangen, indien ge, ten opzichte van uwen naaste, niet gelijkelijk handelt, om wille

ocr page 116

110

van God ? De maat en de regel, waarnaar God u zijne liefde betoont, is de maatstaf en regel der liefde en barmhartigheid, met welke gij uwen naaste moet behandelen. Al wat ge voor uwen naaste doet, beschouwt Hij als aan Hem zelven gedaan, en de liefdebewijzen welke Hij van ons in den persoon van onzen naaste ontvangt, vergeldt Hij met zijne liefde, goedheid en minzaamheid met duizendvou-digen woeker.

Doen wij echter niets voor den naaste, dan hebben we dat alles ook niet van hem te verwachten.

Vierde beweegreden. Ik wensch dat iedereen me met goedheid en zachtheid behandelt, alhoewel ik heel goed weet dat ik een groote zondaar ben; is het dan niet billijk dat de anderen eene gelijke handelwijze van mij vorderen ten hunnen opzichte, te meer omdat ze beter zijn dan ik? Ik kan zonder te liegen zeggen, dat ik niemand ken die zooveel gezondigd heeft als ik, die van God zooveel genaden en middelen om zalig te worden, om mij te heiligen, ontvangen en vruchteloos ontvangen heeft, als ik; ja, ik ken niemand die zich meer ondankbaar, meer ongetrouw jegens God getoond heeft, dan ik, die meer dan ik verdiend heeft, door God voor immer verstooten te worden; in weerwil van dat alles, wensch en wil ik dat iedereen mij goed zij, mij met goedheid en zachtmoedigheid behandele en mij goed doe.

Kunnen de anderen dus niet met volle recht even veel van mij vorderen, zij die in de oogen van God veel meer waard zijn, en die in den hemel een veel grootere glorie zullen ontvangen dan ik? Wee mijnen hoogmoed die zich niet kan overwinnen om mijnen naaste te beminnen, ofschoon ik heel goed weet dat ik niets anders verdiend heb dan

ocr page 117

111

de hel, de verachting voor altijd van God en vau de menschen, en eeuwige pijningen van wege de duivelen!

O oer de praktijken of oefeningen van liefde en zachtmoedigheid.

Eerste oefening. In den omgang met den naaste, in onze woorden en gebaren, iets zachts, innemends,, liefderijks hebben; eene heilige vroolijkheid, waarin zich onze opgeruimdheid uitspreekt.

Wij moeten ons toeleggen ons meester te maken van onze verkeerde natuurlijke neigingen, en dezelve zoodanig in bedwang te houden, dat men er nooit eene bemerke in onze gesprekken en onzen omgang met den naaste. Onze woorden moeten zachtmoedigheid en goedigheid ademen, het gelaat helder en vriendelijk zijn; al onze gebaren moeten eene heilige en bescheidene vroolijkheid aan den dag leggen. Men moet zich nooit verdrietig toonen, verbittering noch droefgeestigheid laten merken; nimmer met anderen twisten, nimmer een bits antwoord geven; nooit den naaste bedillen noch beknibbelen, noch iemand toespreken met harde en luidruchtige woorden, nooit iemand kwetsen; kortom, men moet zich van. deze handelwijze door niets ter wereld laten afbrengen, om welke reden dan ook, maar men moet in zijne minzaamheid en heilige opgeruimdheid voortgaan.

Tweede oefening. In onzen omgang met den naaste moeten wij ons schikken en plooien naar den stand, de hoedanigheid, het karakter en zelfs het bizonder humeur van ieder.

esöa

ocr page 118

112

Heeft men te doen met iemand die driftig en lichtgeraakt van aard is, zoo moet men in alles voor tem onderdoen, waar het mag, en niet hard tegenover hard stellen; is iemand bedroefd en gedrukt, zoo moeten we de redenen zgner droefheid met geduld aanhooren, hartelijk deelnemen aan zijn leed, en hem troosten zooveel wij kunnen; moet men handelen met iemand die geluk heeft in zijne zaken, zoo moet men er zich oprechtelijk over verheugen, hem gelukwenschen en toonen dat men deel neemt in zijne welvaart.

Moet men met een praatzuchtig mensch verkeeren, tjoo moet men hem aanhooren en laten praten, al zou hg ons slechts een ja of neen toestaan in een uur tijds; want men zal dan des te meer tijd hebben om zich in Gods tegenwoordigheid te houden, inwendig heilige gevoelens op te wekken, en zich te onthouden van anderen te spreken. Die oefening is van groot gewicht.

Voorbeeld. Jan Fernandez had eens een visioen: het scheen hem of zag hij een tuin van ongehoorde schoonheid, en in dien lusttuin een paleis van gelijke schoonheid en pracht, waarin hij de heilige Drievuldigheid meende te kunnen aanschouwen. Terzelfder tijd ontstak ia hem een levendig verlangen dat onwaardeerbaar voorrecht te genieten; hij wil dus dat paleis binnengaan, maar hij wordt tegengehouden , en in plaats van die gunst, wordt hij op slagen onthaald, en dat om drie redenen, waarvan eene hem door een engel verklaard werd, deze namelijk: Kloosterling zijnde, schepte hij er zijn vermaak in, onder de recreatie zijne medebroeders tegen te spreken, hunne gesprekken té onderbreken, en op die wijze tegen de liefde te handelen. Hij maakte zich dat visioen zoo goed ten nutte, dat hij een man werd van hooge heiligheid.

ocr page 119

113

Derde oefening. De ondcrhoorigen berispen of hunne fouten verbeteren met liefde en zachtheid.

Wat tot dusverre gezegd werd, mag niet zoo verstaan worden alsof men de fouten zijner ondergeschikten door de vingeren zou moeten zien, zonder ze te verbeteren; neen, ieder mensch die over anderen gesteld is, die hg moet onderrichten en leiden, is verplicht hen te waarschuwen en het zijne te doen, opdat ze zich van hunne fouten zouden beteren. Maar, om niet mis te tasten in dit punt, behoort men vooral op twee zaken te letten: 1° De berisping of waarschuwing moet met beslistheid en op ernstige wijze gedaan worden. 2° Met liefde.

Men doet het met beslistheid en op ernstige wijze, wanneer men den onderhoorige zijne fout onder de oogen brengt en hem al het kwaad daarvan goed doet inzien; wanneer men hem oprechtelijk aanspoort zich te beteren en hem verzekert dat men er de hand aan zal houden, totdat hij er werk van zal maken; wanneer men er een waakzaam oog op houdt en tot de werkelijke berisping of ook bestraffing overgaat, als de vermaning geen uitwerking heeft gehad.

Men handelt met liefde, als men bij de vermaning met veel kalmte te werk gaat, zonder toorn en opgewondenheid of iets dergelijks; als men daarbij geen harde of bijtende woorden gebruikt, hem in weerwil van het gebeurde de verschuldigde achting betoont, en hem betuigt dat men zich gelukkig zou achten, indien men een verschooning voor zijne fout kan vinden; verder, indien men, nadat de onderhoorige zich gebeterd heeft, het gebeurde vergeet, en hem met nog meer welwillendheid dan vroeger behandelt.

ocr page 120

114

Vierde oefening. Zich onderwerpen aan de mee-ning en den wil der anderen, overal en in alles waar dit kan geschieden zonder aan God of aan de regels in iets te kort te doen.

Het gebeurt vaak dat twee personen te samen moeten werken bij zeker werk, aan het een of ander bedrijf; het gebeurt vaak dat meerdere personen zich te samen bevinden in de recreatie, of om de eene of andere reden. Is dit zoo, en geschiedt er niets tegen God, noch tegen de regels van het instituut, noch tegen de verordeningen der oversten, in al die gevallen behoort men altijd en onder alle omstandigheden zich te onderwerpen aan den wil en de opinie der anderen. Men zal niet licht de waarde dezer praktijk, dezer oefening der naastenliefde overschatten. Deze handelwijze verhoogt de deugd oneindig in het oog van God, schenkt haar een eigen-aardigen glans en maakt haar aantrekkelijk voor de menschen Zoo handelde eene edele dame: zij weuschte en zocht niets zoo zeer dan voor de wereld veracht te worden, zij legde zich met den meesten ernst toe op algeheele zelfonthechting en zelfverloochening en streefde onophoudelijk naar inniger vereeniging met God. Eens gebeurde het, dat eenige personen, die gezag over haar hadden, verlaagden dat ze deel zou nemen aan een feest. Zij gehoorzaamde terstond en toonde zich tevreden; maar vóór dat ze zich er heen begaf, diende ze zich een geheime lichamelijke kastijding toe, als boetedoening, die den ganschen tijd duurde dat ze het feest bijwoonde, en haar groote smart veroorzaakte.

Hoeveel groote deugden heeft ze in die daad niet in oefening gebracht! üe zelfverloochening, de ver-

O o O '

sterving der zinnen en weekelijkheid, de verborgen

ocr page 121

115

ootmoedigheid, de liefde en een uitgelezen inschikkelijkheid.

TWEEDE LIEFDEWERK.

De zwakheden van den naaste geduldig en met liefde verdragen.

§§ I-

: Over de beweegredenen die ons tot geduld en liefde moeten aansporen.

Eerste beweegreden. God verdraagt mijne zonden ; met geduld en liefde. Het is derhalve recht en redelijk, dat ik ook de zonden en gebreken van den naaste met geduld en liefde verdrage.

Indien ik door een straal van uw goddelijk licht verlicht, de afgrijselijkheid mijner zonden, mijner boosheid, goed kende, o mijn God! wat zoude ik er van verschrikken! Geen dag of ik toonde me weerspannig aan God en verachtte zijne inspraken. Geen dag of ik ontving van God nieuwe genade, nieuwe weldaden, en telkens misbruikte ik dezelve om God te vergrammen. Geen dag ging er voorbij, waarop ik God niet gevoelig bedroefde, en toch hoe handelde God te mijnen opzichte? Hg verdroeg met geduld mijne zonden en ondankbaarheden en Hg verdraagt ze nog voortdurend; te midden mijner ^ ondankbaarheden ging Hij voort en gaat Hij nog voort mij te beminnen.

Eene dusdanige barmhartigheid en lankmoedigheid geven die niet aan God het recht van mij te vergen , dat ik op mijne beurt medelijden hebbe met mijnen ! naaste, en dat ik zijne gebreken geduldig verdrage?

ocr page 122

116

Is een zoo boos en ondankbaar mensch als ik niet verplicht den wil van God te doen en zijnen naaste eene oprechte liefde te betoonen, in weerwil van zijne gebreken, daar God zelf zooveel liefde voor mij heeft, niettegenstaande ik veel grooter gebreken heb.

Tweede beweegreden. Ik wensch dat de andereu mijne gebreken met geduld en liefde verdragen; 'tis dus billijk dat ik de hunne op gelijke wijze verdrage.

Het zou een verregaande verblindheid en een ver-bazenden hoogmoed in mij verraden, indien ik meende dat de anderen niets van mij te lijden hebben. Ik vind in de anderen veel zaken die mij tegenstrijden; had; zouden zij in mij nog niet meer dingen vinden, die 1 zilve hun mishagen; ik vind dat ze veel zwakheden eu onvolmaaktheden hebben, is het met mij soms niet erger gesteld? ik lijd vaak door hetgeen ik van de anderen te verdragen heb, kunnen zij niet hetzelfde zeggen om het leed dat ik hun aandoe. Wee mijne eigenliefde! Hoeveel harde, bijtende woorden, die als een vlijm door het hart gingen en misschien tranen deden storten; hoeveel personen hebben niet van mij te lijden gehad! Welke onbeleefdheid, welke ruwheid,

welke norschheid, welk wantrouwen, welke kwetsende achterdocht, welk slecht humeur, welke stijfhoofdig- j beid hadden de anderen niet van mij te verdragen? Hoe dikwijls heb ik me in het geheim verheugd, als hun iets onaangenaams wedervoer? Hoe weinig medelijden heb ik met hen gehad, als ze in leed waren, en wat heb ik me aan hun welzijn weinig laten gelegen liggen? Hoe vaak heb ik rnijne tong 1 tegen hen gescherpt en hun gedrag bedild? Mag iemand als ik zich wel beklagen over de onhebbelijkheden der anderen? Heb ik niet alle reden mij door de heele wereld met voeten te laten treden ,

ocr page 123

117

en te zwijgen, al zou ook de gansche wereld tegen mij opstaan ?

Derde beweegreden. Wat ik ook vau wege mijnen evenmenscli te lijden moge hebben, het kan in de verste verte niet vergeleken worden bij hetgeen Christus van mg heeft te lijden gehad. Welk leed zou mij door mijnen evenmensch kunnen aangedaan worden wat Jesus niet uit liefde voor mij geleden heeft? Niets smart zoo zeer als ondankbaarheid :

Judas was een dergenen die Jesus het meest bemind en aan wie Hij de meeste weldaden bewezen jden; ; en toch heeft hij Hem verkocht voor dertig die zilverlingen , om ter dood gebracht te worden! Is er grooter, zwarter ondankbaarheid denkbaar?

De valsche bedoelingen, welke men ons toeschrijft, en de valsche beschuldigingen, waaraan we bloot staan, grieven en kwetsen ons gevoelig. Welnu, men beschuldigt Jesus van dronkenschap, van tooverij, van godslastering, van opruiing van het volk. Is u dat ooit overkomen?

Welk onnoemelijk leed hebben de vervolgingen niet gebracht! Men heeft Jesus gekneveld als een moordenaar, men heeft Hem gebonden, voor de rechtbanken gesleurd, met schreeuwende onrechtvaardigheid veroordeeld en op allerwreedste wijze gekruisigd. Wie werd ooit zoo gruwzaam behandeld?

Waar is nu uwe liefde? Hoe volgt gij Christus na, als ge zelf niet met geduld kunt verdragen het klein leed, een weinig verdriet, wat u door uwen naaste wordt aangedaan?

Vierde beweegreden. Wat ik ook van mijnen naaste moge te lijden hebben, nooit zal ik lijden zooveel als ik verdiend heb te lijden.

Ik heb gezondigd, en door mijne zonden heb ik

3

ocr page 124

118

de hel verdiend; zoo heb ik dan verdiend door God voor immer verlaten, als een vijand van God, dooide engelen en heiligen voor immer vervloekt te worden; ik heb verdiend door de duivelen en verworpenen eeuwig gepijnigd te worden.

Ziedaar wat ik verdiend heb, en ik dank het niet aan mijne verdiensten, tot nog toe niet in dien rampzaligen staat vervallen te zijn, maar ik moet het alleen aan Gods goedertierenheid dank weten.

Waarlijk, God is oneindig goed en barmhartig, daar Hij zich gewaardigd heeft eeuwige straffen in kleine tijdelijke straffen in deze wereld te veranderen.

Ik zou inderdaad oneindig dankbaar wezen, wilde ik niet eenige kleine tegenspoeden uit liefde voor Hem verdragen, die oneindig barmhartig jegens mij geweest is.

§§'!•

Over de praktijken of oefeningen dezer liefde en van dit geduld.

Eerste oefening. Nooit de welwillendheid des harten veranderen of wijzigen, noch de zachtheid of minzaamheid van het gelaat, onverschillig met welk slag van personen wij te doen hebben.

Er zyn allerhande soorten van personen in de wereld: valsche, hoogmoedige, ondankbare, wantrouwige, achterdochtige, opbruisende, terughoudende, koppige, vervelende, treurende, bitse en bijtende, minachtende, kwaadsprekende, aan inbeelding lijdende, listige en sluwe, stoutmoedige en vermetele, nijdige en jaloersche, en aan andere soortgelijke fouten onderhevig. Hoedanig ook het karakter zij der lieden met wie we te doen hebben, wij moeten steeds met hen handelen in een geest van liefde.

ocr page 125

119

Tot dat einde moeten wij op twee zaken goed letten r

1° In ons hart nooit een plaats afstaan noch aan het ongeduld, noch aan den spijt, en merken wij iets dergelijks in ons op, zoo moeten wij het terstond verstikken of uitdooven en ons met ijver tot liefde opwekken.

2° Wij moeten ons geweld aandoen en groote zorg dragen, op alle manieren onze liefde, welwillendheid en minzaamheid aan zulke personen te betoonen.

De heilige Francisca, eene romeinsche dame, genoot het buitengewoon voorrecht steeds twee engelen bij zich te zien en in alle voorkomende gevallen door hen onderrichtte worden. Gebeurde het dat de heilige een weinig toegaf aan de menschelijke zwakheid en zich wat ontevreden toonde over het gedrag van haren man, zoo trokken zich de engelen aanstonds van haar terug, totdat ze hare fout erkende en er zich van gebeterd had.

Tweede oefening. Geen achterdocht koesteren, niet lichtvaardig of vermetel oordeelen, nooit of nimmer ten nadeele van iemand spreken, onverschillig waarin en om welke reden.

Het komt God alleen toe, maar niet aan mij over het gedrag der menschen een oordeel te vellen. Worden wij door dergelijke gedachten geplaagd, zoo moeten wij den evenmensch öf wel in ons hart ver-schoonen, of, zoo wy dit niet kunnen, moeten wij ons aan onze eigene zonden herinneren en ons beneden onzen evenmensch vernederen, en oprechtelijk bekennen , dat hij beter is dan wij, of voor den naaste een akte van liefde verwekken en op die wijze de nadeelige gedachten afleiden. (1)

Tquot;

1

De heilige Franc, van Sales zegt: Indien het gedrag van den naaste op honderd manieren kan beschouwd worden, negen en negentig ten kwade, e«n enkele ten goede, zoo moeten wy het op die laatste wijze beschouwen, ten einde den naaste niet schuldig te bevinden en de Helde niet te kwetsen

ocr page 126

120

Bevinden wij ons ergens waar men den naaste bedilt of kwetst, zoo moeten wij hem verdedigen, of, zoo wij hem niet kunnen verdedigen, zonder eenig menschelijk opzicht, het stilzwijgen bewaren.

Derde oefening. Graag met lastige menschen omgaan , en hen nimmer vluchten, onder welk voorwendsel dan ook.

Velen vermijden zulke personen, niet uit haat of afkeer, maar uit vrees van te zondigen of te misdoen. Men beschouwt die voorzichtigheid als eene deugd, maar het is slechts eene zwakheid.

De liefde wil dat wij die menschen nooit vluchten, maar dat wij dezelven, bij elke gelegenheid, met goedheid en liefde behandelen; de liefde wil dat wij hen opzoeken, opdat wij op die wyze onze natuur zouden overwinnen en de deugd in geheel hare zuiverheid beoefenen.

Vierde oefening. De gelegenheid zoeken een dienst te bewijzen aan krakeelers, twistzieke en lastige personen, en hun dien dienst met ijver en liefde bewijzen.

De heilige Catharina van Senen vernam eens, dat in een hospitaal zich een arme vrouw bevond, door melaatschheid zoo zeer aangetast, dat haar niemand wilde naderen. De heilige haastte zich haar te bezoeken , bood haar hare diensten aan, belovende haar goed op te passen.

Van stonde aan bezocht zij haar dagelijks twee maal, bezorgde haar al het noodige en bewees haar alle denkbare diensten met de meeste liefde. Ten spijt van dit alles, betoonde dit boos wijf haar niet de minste dankbaarheid: zij vervolgde, mishandelde, lasterde en schold de heilige; zij bespotte haar gedurig en op de wreedste wijze; zij snauwde haar harde,

ocr page 127

121

grievende, toornige woorden toe, niet anders of had ze een slavin voor gehad. De heilige, in weerwil dier allerslechtste behandeling, liet hare liefde daardoor niet in het minst verkoelen; integendeel zij verzorgde haar nog met meer liefde en getrouwheid, zij trachtte haren toorn te stillen door liefkozingen en goede woorden. De heilige zette hare liefdevolle bediening voort tot aan den dood dier vrouw, die tusschen hare armen stierf. Alsdan wieseh zij haar lichaam en droeg het op hare schouderen naar het

sraf-

O mijn God! wat zijn wij nog verwijderd dit. heerlijk voorbeeld na te volgen! hoe weinig bezitten wij dien geest van liefde !

L:

DERDE LIEÏDEWEHK.

Geene gelegenheid laten voorbijgaan zonder den naaste eenig goed te doen.

§§ 1-

Over de beweegredenen dier inschikkelijkheid en welwillendheid.

Eerste beweegreden. De dienst of liefdedaad die ik den naaste bewijs, bewijs ik aan Christus zelf in den persoon van den naaste.

Dit is eene waarheid, welke Christus zelf ons geleerd heeft: wat gij zult gedaan hebben aan eenen der geringsten der mijnen, dat hebt gij aan Mij gedaan. Wie deze waarheid loochent, heeft het geloof niet, hg is geen christen. Derhalve, wanneer ik iemand bijsta in zijn nooden en moeielijkheden, dan.

ocr page 128

122

is het of had ik Christus verlicht en gelaafd, Christus gezeten bij den put, vermoeid en uitgeput van de reis, honger en dorst hebbende; indien ik iemand bijsta in vermoeiende en pijnlijke werkzaamheden, of hem hierin vervang, zoo is het of had ik Christus geholpen zijn kruis te dragen; als ik een zieke bezoek en troost, zoo is dat als of ik Jesus bezocht had op Calvariën en Hem getroost had in zijne smarten op het kruis.

Ziedaar wat het geloof ons leert. Wat zoekt ge, wat verlangt ge toch op aarde, o mijne ziel! indien ge de gelegenheid om de liefde te beoefenen, niet op prgs stelt en zoekt? Denken wij niet met verwondering aan het geluk, dat Maria Magdalena te beurt viel, toen ze Jezus in haar buis mocht ontvangen ? aan het geluk van Simon van Cyrenen, die Christus zijn kruis hielp dragen? van Joseph die het onschatbaar geluk had in Jesus voeding en kleeding te voorzien, door zijnen arbeid en het zweet zijns aanschijns? Zijn wij thans minder gelukkig als die heiligen het alstoen waren ? Zalig diegenen, zegt de Zaligmaker, die geloofd hebben, zonder gezien te hebben. Zalig zijn wij, o mijne ziel, wanneer we goed doen aan onzen naaste en Jesus in hem beminnen, Jesus, dien we in hem slechts kunnen zien door ■de oogen van het geloof, maar van een levendig geloof.

Tweede beweegreden. De liefdewerken die ik verricht ten opzichte van den naaste, zijn mij nuttiger dan aan hem voor wien ik ze verricht.

Waarlijk, wij moeten hem dankbaar zijn die een •dienst van onzentwege aanneemt, indien we dien dienst eventjes willen beschouwen in het licht des geloofs. Want wat krijgt hij aan wien we dienst bewijzen? «en kleinen troost, een voldoening van korten duur,

ocr page 129

123

een kleine tydelijke hulp. En ik die dien dienst bewijs, wat krijg ik? welke is mijne belooning? een nieuwe bovennatuurlijke genade, eene vermeerdering van verdiensten, een hoogeren graad in de eeuwige glorie. Moeten we derhalve niet vurig wenschen en niet de grootste vreugde de gelegenheid waarnemen een zoo voordeelig werk te verrichten ? O! was ons geloof wat levendiger, en ons verlangen naar de eeuwige goederen vuriger, wat zouden wij niet doen?

Men zag eertijds adellijke vrouwen, vorstinnen en prinsessen, vóór de melaatschen neergeknield, met hare handen de smetstof der akeligste wonden verwijderen en zieken met walgelijke zweren en puisten bedekt, reinigen en wasschen; eertijds ook zag men machtige, adellijke heeren de armen en zieken dienen; men zag hen de dooden op hunne edele schouderen naar hunne laatste rustplaats dragen, als schitterende glorietropeeën.

Waren wij met denzelfden geest bezield, hadden wij de liefde dier edele menschen, wij zouden ons veel minder verwonderen over deze daden, dan over de lauwheid en verblindheid van zoovele christenen, die men niet bewegen, er niet toe brengen kan een werk van echte liefde te verrichten.

Derde oefening. Het liefdewerk, waarvan ik mij kwijt ten opzichte van den evenmensch, is geene weldaad, maar eene schuld.

Heb ik de rede niet geheel verloren, heb ik de menschelijke natuur niet gansch afgeschud, dan moet ik erkennen, dat ik aan God meer schuldig ben dan ik Hem ooit zou kunnen betalen, zelfs indien ik uit erkentelijkheid mijn leven en bloed voor Hem zou geven als een dank- en zoenoffer voor de gansche eeuwigheid. Alle dagen van mijn voorgaand leven

ocr page 130

124

waren van den kant van God, dagen vervuld met liefde, genade en barmhartigheid; de tegenwoordige dagen zijn vervuld met zegeningen en weldaden; de komende dagen zullen, naar ik hoop, nog luider Gods buitengewone goedheid en goedertierenheid voor mij verkondigen. Ts het derhalve voor mij geen dure en heilige plicht my dankbaar te toonen jegens eenen zoo goeden en vrijgevigen God? Waarom zou ik my van dien plicht niet kwijten?

God is oneindig gelukkig; ik kan aan zijn geluk niets, hoegenaamd niets bijbrengen; Hij heeft me volstrekt niet noodig. Daar die alwijzeGod op geenerlei wyze iets van mij ontvangen kan, en niettemin myne erkentelijkheid eischt, zoo wil Hy klaarblijkelijk dat ik aan den naaste doe, aan den naaste geve, wat ik aan Hem zeiven niet kan doen, aan Hem zeiven niet kan geven. Ik kan den naaste goed doen, en het goed dat ik den naaste doe, neemt God aan als had ik het aan Hem zei ven gedaan.

Daar ik dus nooit zooveel voor God kan doen, of ik blyf Hem nog oneindig meer schuldig, en ik my aan eene groote ondankbaarheid jegens Hem zou plichtig maken, indien ik een enkele gelegenheid liet voorbijgaan om Hem te eeren en te behagen, zoo bega ik ook eene groote ondankbaarheid jegens Hem, wanneer ik eene enkele gelegenheid verwaarloos om mijnen naaste goed te doen.

Vierde beweegreden. Ik schaad mij zeiven en niet mijnen naaste, wanneer ik hem een dienst, een liefdewerk weiger.

Welke schade doe ik hem, wanneer ik hem een dienst weiger? ik beroof hem van een kleinen troost, een kleinen bijstand, een klein genoegen, dat hy van mij zou hebben kunnen ontvangen; ziedaar de

ocr page 131

125

gansche schade, die hij gemakkelijk kan vergoeden; want indien hij deze weigering met geduld en liefde verdraagt en zich tot God wendt, zal hij, ter vergoeding, van God een oneindig goed erlangen, dat ik hem niet zou hebben kunnen bezorgen, dan zelfs wanneer ik mijn bloed gaf om het hem te bekomen.

De zaak verhoudt zich heel anders van mijnen kant. Weiger ik een dienst aan mynen evenmensch, dan beroof ik mij van eene genade, die voor mij voor altijd verdwijnt. En wie weet welke genade? wellicht eene genade, zonder dewelke ik de bekoringen niet kan overwinnen, die mij bij deze of gene gelegenheid zullen aanvallen; misschien eene genade gevolgd van vele andere, die mijn verstand zouden verlicht hebben, mijnen wil krachtig geroerd, die mij de vertroostingen des hemels zouden hebben doen smaken, en mijn hart door heilige gevoelens zouden hebben bewogen ; wie weet misschien eene genade, die gevolgd zou zijn geweest door eene zeer zuivere liefde van God, door eene zeer innige vereeniging met deze oneindige goedheid!

God is wonderbaar in de wegen, waarlangs Hij zijne schepselen leidt. De berooving van een enkele genade is vaak oorzaak, dat men blijft stilstaan op den weg der volmaaktheid, zonder er voortaan nog verder op voort te gaan voor heel het overige leven. En dikwijls is de kracht van eene enkele genade oorzaak dat men steeds meer en meer vooruitgaat totdat men zijn einddoel bereikt heeft, zijn heilige, veilige rustplaats, in één woord, totdat men sterft in de laatste genade.

ocr page 132

126

Over de oefeningen der welwillendheid.

Eerste oefening. Nooit of nimmer een dienst weigeren, dien men ons vraagt, mits het in onze macht zij.

Om deze deugd te beoefenen, is het noodig dat men een levendig geloof hebbe. Wie vastelijk gelooft dat de dienst, den naaste bewezen, aan Christus zelf bewezen geldt, zal nooit zoo hardvochtig en ongevoelig wezen, dat hij zijnen evenmensch eenen dienst zou durven weigeren. Wie zou laag en onmenschelijk genoeg zijn geweest ten tijde dat Jesus nog op aarde verkeerde, om niet met de meeste vreugde te doen wat Jesus hem zou gevraagd hebben? of indien thans Jesus uit den hemel nederdaalde, wie zoude zoo godsdienst- en liefdeloos zijn om aan den Godmensch het gevraagde te weigeren?

Tweede oefening. De gelegenheid aangrijpen en ze met blijdschap aangrijpen om goed te doen en den evenmensch een dienst te bewijzen, dan zelfs wanneer men er ons niet om gevraagd heeft.

Dusdanig was de geest der heiligen van alle tijden. De liefde is onscheidbaar van de ware heiligheid en men verheugt zich de gelegenheid te hebben een liefdewerk te verrichten, als men den geest der heiligen heeft. Zijn wij anders gesteld, dan kan meu van ons zeggen dat wij de ware liefde niet bezitten; en hoe minder wij verlangen, er ons genoegen in scheppen, onze vreugde in vinden aan anderen goed te doen, des te meer zijn wij verwijderd van de ware deugd. Het vuur en de liefde kennen geen stilstand. Het vuur grijpt alles aan en verteert wat door hetzelve omringd wordt en onder deszelfs

ocr page 133

127

bereik valt; de liefde strekt zich ook uit en werkt voor het welzijn van al degenen, voor dewelke zij kan werken. O welke heldendaden werden ten allen tijde door de heiligen verricht! en welke even bewonderenswaardige daden zouden wij ook in onze dagen zien, waren wij met dezelfde liefde bezield. Men kan niets schooners lezen op het gebied der liefde, dan wat de gelukzalige Juliana van het Kruis, carmelietesse, deed. In haar klooster bevond zich eene bejaarde religieuze, die een walgel^ke en stinkende zweer aan het oog had; de heelkundigen hadden verklaard dat er slechts eene hoop op genezing bestond, namelijk den etter door een hond te laten uitzuigen , waartoe de religieuze onmogelijk besluiten kon. De heldhaftige liefde van Juliana kwam de zieke te hulp; zy zoog met hare reine lippen den etter niet eens, niet tweemaal, maar zoo lang tot de zieke geheel genezen was.

Derde oefening. Met een geest van volmaakte liefde de handelingen verrichten, door de gehoorzaamheid in eene communauteit voorgeschreven.

Er zijn vele handelingen van deze soort. Bijv. men gelast ons de kinderen in de school te onderwijzen , de anderen te dienen en te bedienen; deze-of gene zaak te verrichten; een ander in zijn werk te vervangen, een zieke op te passen; men heeft niemand bij de hand om deze of gene werkzaamheid te verrichten, men belast er ons mede, en dergelijke dingen meer. Is men door hooger licht niet goed verlicht, zoo zal men moeielijk begrypen hoe kostbaar zulke werken in de oogen van God zijn en voordeelig voor de volmaaktheid. De volmaaktste deugd, zooals de zelfverloochening, de gehoorzaamheid, zyn in den regel verbonden met de liefde.

ocr page 134

128

welke God heel bgzonder bemint. Wie de kunst verstaat elke gelegenheid gretig aan te grijpen om •de liefde te beoefenen, heeft een goudmijn gevonden, waaruit hij onwaardeerbare schatten voor den hemel opdelft. Maar men moet opmerken dat de liefdewerken moeten verricht worden met een geest en eene geneigdheid, die meer en meer tot de volmaaktste liefde overhelt. Hiertoe zijn vier dingen noodig:

1° Zich tot een levendig geloof opwekken bij het begin eener handeling, namelijk dat met ze te verrichten ten behoeve van den naaste, men ze voor Christus zelf verricht.

2° Daarna eene volmaakte meening maken die handeling te verrichten, enkel uit liefde tot God en te zijner eere, ten einde Hem te behagen, met de formeele verklaring, dat men ze voor Jesus verricht en niet alleen voor den mensch.

3° Zoolang de handeling duurt, zal men zorg dragen dien tijd door te brengen in inwendige en uitwendige vreugde, opdat men zien kunne dat die daad ons behaagt en wij er groot belang in stellen,

4° Indien de handeling van wat langeren duur is, zal men zich meermalen gedurende dien tijd aan deze waarheid herinneren, dat men voor Jesus werkt en niet voor de menschen. Wat men in dezen geest doet, is uiterst kostbaar in de oogen van God.

Vierde oefening. Een oprecht en innig medelijden hebben met de zieken, de treurenden, of door ramp en tegenspoed beproefden; ze dikwijls bezoeken, troosten, de hun toegezonden kruisen zoo veel mogelijk verlichten en ze hun helpen dragen.

Doet aan de anderen wat ge zoudt willen dat u gedaan werd: ziedaar het gebod der naastenliefde.

ocr page 135

129

kunst ^/quot;ie onzer, wie we ook zijn, wenscht niet getroost n om |j en geholpen te worden in droefheid, ramp en tegen-nden, I Sp0ed? Wij moeten derhalve ook in dien geest • I handelen, üe heiligen zijn altijd medelijdende zielen, lerde- | en eeil }larj; Waarin de liefde heerscht, is even ge-st en ~ voelig voor anderer ellenden als voor eigen leed. Vele vo^quot; heiligen hadden zelfs een teeder medelijden met lijdende n§ei1 wilde dieren, zooals men het kan zien in de levens der lieilige Rosa van Lima, van den H. Franciscus van Assisiën en van anderen.

VIERDE LIEFDEWERK.

Het kwaad met goed vergelden.

Beweegredenen dezer liefde van weldadigheid,

Eerste beweegreden. Wie me onrecht of leed doet, geeft me de gelegenheid een groot gedeelte mijner schulden af te doen, welke ik anders in het vagevuur zou hebben moeten uitboeten.

Niets is aangenamer aan God dan het stilzwijgen te bewaren over een ongelijk ons aangedaan en het als eene weldaad aan te nemen. Zulke deugd spruit voort uit eene vurige liefde, treft op gevoelige wijze het hart van Jesus eu dwingt hem goed en genadig jegens ons te zijn. Men kan soms daardoor de zonden van vele jaren uitwisschen en zich menig jaar lijdens in het vagevuur besparen. Zouden wij ons dus niet moeten verheugen, telkens als zich de gelegenheid aanbiedt eene zoo nuttige en voordeelige deugd te

O O O

beoefenen? Maar de verblindheid onzer natuur en de regelloosheid onzer eigenliefde zijn zoo groot, dat

9

ocr page 136

130

wij ons verheugen over dat wat brandstof is voor ons vagevuur en het vuur voor ons ontsteekt, en wij ons bedroeven en ons boos maken over dat, waardoor wij aan het vagevuur ontsnappen en wat het vuur voor ons uitdooft. Geloof mij, christen ziele! de gelukkigste stonden uws levens tot hieraan waren die, toen ge een ongelijk, een onrecht, eene beleediging te lijden hadt. Geloof me, de gelukkigste uren van die u resten, zullen die zijn als ge zult te lijden hebben van wege uwen evenmensch.

Tweede beweegreden.. Wie me ongelijk doet of eene beleediging aandoet, geeft me gelegenheid van God nieuwe genaden te bekomen, welke ik anders nooit zou verkregen hebben.

Een enkele genade van God is meer waard dan heel deze zichtbare wereld. Ziedaar wat het geloof mij leert. Wie me dus een ongelijk of beleediging aandoet, bezorgt me daardoor, ofschoon tegen wil en neiging, een grooter goed, dan als hy mij heel deze zichtbare wereld ten geschenke gaf om ze te bezitten en er, naar eisch van recht, alle genot van te hebben gedurende de gansche eeuwigheid. Een enkele graad van Gods genade verschaft ons meer geluk voor de gansche eeuwigheid, dan het bezit van alle goederen dezer wereld.

Ziedaar wat het geloof mij leert. Wie me dus een onrecht, eene beleediging aandoet, vereffent voor mij, zonder het nochtans te weten en te willen, den weg tot een grooter goed, dan wanneer hij mij alle kroonen, alle schepters, alle rijkdommen, alle eeretitels, alle vermaken der wereld schonk, met het recht dezelve te bezitten, en naar eisch van recht, het volle genot er van te hebben gedurende de gansche eeuwigheid. Een zoo groot en onwaardeerbaar goed verschaft

ocr page 137

131

voor I ^ i di6 mÜ een onrecht of beleediging aandoet, ) en tl en zonder hem zoude ik het gedurende de ganscbe dat, I eeuwigheid nooit gehad hebben, ik zoude het nooit wat 1 verkregen hebben. Heb ik dus niet alle reden dien isten '1 mensch te beminnen en het eeuwig goed, wat hij raan ' mÜ bezorgt, te vergelden, met hem een tijdelijk goed eene ; bezorgen ? Heb ik dus niet alle reden een teeder gste medelijden te hebben met een mensch, die, met mij zult zoo groot een goed te bezorgen, voor zich zeiven , een zoo groot kwaad schept, bij voorbeeld, dat van ; 0f het vagevuur.

van Derde beweegreden. Wie me ourecht of leed doet, iers verschaft mij de gelegenheid dieper in te gaan in het heilig Hart van Jesus en van hetzelve nieuwe 3an genaden te bekomen, welke ik zonder hem nooit zou loof gehad hebben. Elk liefdewerk heeft twee gevolgen: ing het eerste is de ziel met Jesus nauwer te verbinden, wil haar inniger met Hem te vereenigen dan tot hieraan, eel want, daar Jesus oneindig goed is, wendt Hij zich te tot de ziel op hetzelfde oogenblik, als deze zich tot 'an Hem wendt, met Hem een liefdedienst te bewijzen len in den persoon van den evenmensch; Hij neemt 3er haar hartelijk op en vereenigt haar met zich door zit eene vermeerdering van liefde. Dan wordt die ver-eeniging niet Jesus hechter; de liefde, de vriendschap, en het vertrouwen groeien meer en meer aan, zoodanig ij, dat God en de ziel slechts een hart en êénen wil eg vormen. Het tweede gevolg is van niet alleen de n, heiligmakende genade in de ziel te vermeerderen, le maar ook haar voor de toekomst meer te verlichte ten en haar hart meer en meer te roeren. — le Jesus is oneindig vrijgevig en edelmoedig. Hij neemt r. niets van ons aan zonder het duizendvoudig te beft . loonen. Een enkel liefdewerk, vooral als het gepaard

ocr page 138

132

gaat met eene groote overwinning op ons zeiven,

is niet zelden niet alleen het begin van ons eeuwig geluk, maar ook van grootere genaden en eene hooge | 00i heiligheid. | jTj

Vierde beweegreden. Wie me verongelijkt of be- '

leedigt, geeft me gelegenheid eenen hoogeren trap vail

van heerlijkheid te bereiken, dien ik zonder hem nooit j),

zou hebben kunnen bereiken. (wee

Het beste en kostbaarste wat me God in zijne eu hi

goedheid en barmhartigheid kan schenken, is mij aanz

in de gelegenheid te stellen eene nieuwe glorie voor toes]

den hemel te erlangen. Het beste wat een mensch vaa

door zijne liefde en al zijne vermogens aan een ander ]a^ei

kan bezorgen is, wanneer hij hem doorzijn gedrag, mor

zijne vermaningen of anderszins de gelegenheid aan Yan

de hand doet eene nieuwe glorie voor den hemel ^ te erlangen. Welnu, wie me beleedigt of veronge- :

lijkt, stelt me in de gelegenheid een zoo groot en |a.0l

onschatbaar goed te bekomen, welke gelegenheid ik j

zonder hem nooit zou gehad hebben. Indien ik in zan]

het licht des geloofs beschouw en overweeg welk aan

onwaardeerbaar goed me die mensch verschaft, zie goc

ik dat ik hem veel meer verplicht ben dan alle (jg

anderen die me teeder beminnen, maar die aan raa mijne volmaaktheid weinig toebrencren. 't Is eene

onbetwistbare waarheid, dat mijne grootste weldoe- me

ners hier beneden zij zijn die me haten, me ver- (fiu

achten, die zich tegen mijne grillen, driften, tegen on]

mijnen wil verzetten, want zij roeien mijne eigenliefde dei

uit, zij verrijken mijne ziel met hemelsche goederen, iie]

en bereiden mij voor en maken mij geschikt, tot eene z0(

innige vereeniging met God. nu

br gt; va

ocr page 139

133

§§ 2.

Over de oefeningen dier liefde van weldadigheid.

Eerste oefening. Stilzwijgend en met zachtaardigheid onrecht en beleedigingeu lijden, hoedanig en van welke zijde zij ons ook worden aangedaan.

Deze oefening, zooals reeds gezegd werd, vraagt twee dingen. Het eerste is, dat we met een kalm en helder gezicht zij die ons verongelijken of beleedigen aanzien; dat wij hen met goedheid en vriendschap toespreken, met liefde behandelen, en hun nooit iets van wat naar toorn, verdriet of ontevredenheid zweemt, laten blijken. Het tweede is, dat wij nooit daarover morren , bij anderen ons beklagen of geraakt toonen. Van welken aard ook de verongelijking of beleediging zij, wij moeten ze in een eeuwig stilzwijgen begraven. Wij vinden daarvan een treffend voorbeeld in de kronijken van de Sociëteit van Jesus.

Een broeder van de Sociëteit had aalmoezen ingezameld voor het klooster te Lissabon. Hij klopte aan bij een groot portugeesch heerschap, die de Sociëteit een vinnigen haat toedroeg. Nauwelijks had de broeder een woord gesproken, of de staatsman raakte van woede buiten zich zeiven en begon tegen den broeder en de Sociëteit allerhande beschuldigingen met laster, verguizing en de afschuwelijkste beleedi-gingen vermengd, uit te braken. De broeder blijft onbewegelijk, en hoort met een kalm en helder gelaat den lasteraar tot het einde toe aan. Daarna zei hij hem op zachten toon: Mijnheer, gij hebt me daar zoo even eene geestelijke aalmoes gegeven; geef me nu ook, bid ik u, eene stoffelijke aalmoes voor mijne broeders. Door dat nederige antwoord werd het hart van dien man zoodanig getroffen, dat hij den broeder

ocr page 140

134 -

vergiffenis vroeg, en hem eene rijke aalmoes schonk; i wat meer is, van dien tijd kreeg hij de gansche i Sociëteit zoodanig lief, dat hij haar beminde als een vader zyne kinderen; overal verkondigde hij haar lof.

Tweede oefening. Nooit de inwendige liefde en welwillendheid laten verflauwen, veel minder laten uitdooven, jegens hen die ons verongelijken of be-leedigen.

Ook bij deze oefening dient op twee dingen gelet. Het eerste is, toch nooit in ons hart toegang te geven aan iets wat op toorn, wrevel of ontevredenheid lijkent, en de eerste opwellingen daarvan te verstikken en te onderdrukken. Het tweede is, zoolang wij die koortsige hitte en ongeregelde bewegingen gevoelen, moeten wij ons hart tot God verheffen, door aanhoudende liefdebetuigingen.

Derde oefening. Zoodra men in de gelegenheid 1 is, aan hem, die ons verongelijkt of beleedigd heeft, een dienst bewijzen of goed doen.

't Is een der beste dingen, welke de mensch gedurende zijn leven kan verrichten, 't Is duidelijk, dat hij die in deze oefening volhardt, de tempel is van den Heiligen Geest, die in zijn hart woont en hem in de liefde reeds volmaakt heeft.

Laat ons hier een voorbeeld aanhalen van den Apostolischen man Emmanuel Fernandez. Hij had zich vele vijanden gemaakt door zijn krachtige, echt , apostolische predikatiën tegen de ondeugden. In [ hunnen haat tegen dezen gverigen dienaar, overvielen en vermoordden hem eenige booswichten. Daar hij nog ademde, toen zij hem voor dood verlieten, begon hg hen terug te roepen en zeide hun: Waarom vlucht gij, mijne broeders? gij hebt uwe ziel met eene veel

ocr page 141

135

doodelijkere wond gekwetst, dan die ge aan mijn lichaam hebt toegebracht. Keert terug en vraagt vergiffenis uwer zonde. Komt toch terug en schenkt mij den troost u vóór mijnen dood het leven uwer ziel te kunnen teruggeven. Dat echt apostolische woord, keert terug, door den stervende gesproken, 't kon niet anders, het moest een diepen indruk maken op deze hardvochtige gemoederen. Een van zijn moordenaars komt terug, erkent zijn zonde met de grootste rouwmoedigheid eu krijgt er vergiffenis en kwijtschelding van; daarna geeft de heilige man den geest, vol vreugde en troost het leven der ziel te hebben kunnen geven aan hem, die hem van het leven des lichaams beroofd had.

Vierde oefening. Heeft men de gelegenheid niet goed te doen aan hem die ons kwaad gedaan heeft, men bidde dan ten minste voor hem of verrichte voor hem een werk van boete.

Een uur geknield voor zijn kruisbeeld doorbrengen, uit het hart talrijke liefdeuitingen ten hemel sturen, zich lichamelijk kastijden, of elk ander boetewerk voor hem doen, die ons beleedigd heeft. Dat zijn zoovele akten van deugden, welke men heldhaftig kan noemen; ze trekken vele groote genaden van God op ons af' en zullen eens door God in den hemel met onsterfelijke glorie gekroond worden.

TWEEDE GRONDSÏKLLING.

Door den band der liefde omstrengeld, innig vereenig d, leven met hen, die met ons samen wonen.

Een huis waarin goede verstandhouding en liefde heerschen, is een aardsche paradijs en het levend beeld van het hemelsch vaderland.

ocr page 142

136

Bevindt zich iemand wel, allen verheugen er zich over en vermeerderen door dié onderlinge deelneming aller en ieders geluk; is iemand ongesteld, is hij lijdend, allen deelen in zijn leed en trachten zijn kruis te verzachten; heeft iemand hulp noodig, allen zijn bereid hem te helpen; is iemand bedroefd, allen wedijveren om strijd hem te troosten en op te beuren, 't Is de gelukkigste, de benijdenswaardigste staat der wereld, 't is een echo, een navolging van het paradijs. Integendeel, waar geen eensgezindheid en liefde heerschen, is het verblijf allerakeligst, 't is een ware hel in het klein. Alles is er bezaaid met distelen en doornen; waar men den voet ook zet of de hand uitstrekt, overal loopt men gevaar zich te kwetsen; is men geacht, in goeden doen en welvarend, in één woord, gaat het iemand wel, dan moet hij zich verwachten op nijd, afgunst, haat; is iemand lijdend, bedroefd, ter neer geslagen, dan wordt hij tot overmaat van leed, uitgelachen en bespot; in dien staat wordt men van alle kanten onderdrukt, men is als de druiventros onder de pers, men zwemt dag en nacht in tranen; er bestaat geen ongelukkiger leven onder de zon; zoo een verblijf is een huis, waarover een ongelukswolk hangt.

Daarom wijst deze onderrichting er met den meesten nadruk op, dat de leden eener familie, gemeenschap of communauteit groote zorg moeten dragen elkander van harte te beminnen, en alles in het werk moeten stellen, om in het bezit te blijven eener ongestoorde eendracht en innige vereeniging. Wij gaan dat alles kort verklaren.

ocr page 143

137

§§ 1.

Alle menschen oprecht, hartelijk beminnen.

Niets is zeldzamer dan eene volmaakte liefde jegens den evenmensch. Wij beminnen, maar Let is om natuurlijke beweegredenen, naar luim eu gril. Deze is ons genegen; hij doet ons niet liet minste leed, hij is uiterst welwillend en vriendelijk jegens ons, zoo iemand beminnen, is iets heel natuurlijks; zoo beminnen de heidenen en ongeloovigen elkander.

x .

Iemand heeft een goed, lief humeur, is steeds vroolijk en opgeruimd, doet niemand leed, toont zich inschikkelijk jegens allen; zoo iemand beminnen is louter menschel^ke, natuurlyke liefde; zulke liefde hebben ook de heidenen.

Een andere is gunstig voor ons gestemd, hij staat, ons voor en begunstigt ons, waar hij maar kan; hij spreekt bij elke gelegenheid ten onzen gunste, en geeft ons dagelijks nieuwe bewijzen zijner heel bizondere genegenheid; hem alleen om die redenen beminnen, is een zelfzuchtige liefde. Aan dergelijke liefde ontbreekt het den wereldliugen, den kinderen der wereld niet. De ware liefde, de oprechte liefde verheft zich boven de natuur, zij ziet slechts Christus in alle menschen, zij neemt alle menschen zonder onderscheid op en omhelst ze in haar hart, zij is er steeds op bedacht aan alle menschen goed te doen.

Ten einde deze zoo zeldzame en teedere liefde diep in het hart te prenten, wat God onvoorwaardelijk van allen vraagt, die verlangen zich met Hem te vereenigen, moet men dikwijls de volgende waarheden overwegen, naar de methode van het hartroerend gebed. (Oraison affective.)

ocr page 144

138

Eerste waarheid.

Alle huisgenooten, alle leden eener familie of coramunauteit, zijn allen kinderen van den hemelschen Vader. Een vader bemint zijne kinderen en wenscht ze daarom ook door anderen bemind te zien. Hij ziet graag dat men ze liefkoost en goed behandelt. Het doet hem pijnlijk aan als hij ziet dat men ze veracht of mishandelt. Het onrecht en leed hun aangedaan, treffen en kwetsen zijn hart op gevoelige wijze. Het doet er niet toe dat zijn kind afzichtelijk leelijk, kreupel, lam, ruw en onbeleefd is, trots dat alles staat de vader er op dat men zijn kind beminne. Thans, mijne ziel! wend uwe oogen van dien aardschen vader af om ze te vestigen op den hemelschen Vader, die ons allen geschapen heeft. Hij is het die ons alles gegeven heeft: ziel en lichaam, alles wat we zijn, al wat we bezitten; hij bemint al zijn kinderen met teedere liefde.

Hoe zal hij de verachting opnemen, welke men voor zijne kinderen toont? Wat dunkt u? Behandel eens een groote, een machtig vorst dezer aarde, zooals ge de kinderen van den Allerhoogste behandelt, o welke geduchte straf staat u dan te wachten! Na die waarheden wel overwogen te hebben, vorm dan de volgende liefdebetuigingen:

1° Wek u op tot een vurige liefde tot God en degenen die met u samen wonen.

2° Wek u tot berouw op over alle zonden die ge begaan hebt tegen de liefde, welke gij hun verschuldigd zijt.

3° Verheug u oprecht over de natuurlijke gaven en genaden, welke ze ontvangen hebben.

ocr page 145

139

4° Heb oprecht medelyden met hen, hetzij ze naar de ziel of het lichaam lijden.

5° Offer aan God voor allen op het dierbaar bloed van Jesus Christus, opdat zijn genaden op allen rijkelijk nederdalen.

Tweede waarheid.

Alle huisgenooten , alle leden eener familie of com-muuauteit, zijn alle kinderen van Jesus Christus. Gods Zoon, zoowel als zijn hemelsche Vader, bemint hen allen teederlijk als zijne kinderen. Hij heeft hen allen gebaard op het kruis, Hij heeft hen bemind, ja zoo bemind dat hij zijn laatsten druppel bloeds voor hen vergoten heeft Daarom wil Hij dat wij op onze beurt hen met teederheid zouden beminnen en met oprechte genegenheid behandelen als zijne kinderen. En om ons daartoe op te wekken, voegde Hij deze woorden aan zijn gebod toe; Waarlijk, waarlijk, ik zeg het u, wat gij deu gering aten der mijnen suit gedaan hebben, hebt gij aan mij gedaan.

Wat vreeselijke woorden voor wie de liefde niet hebben! Wat ik den naaste doe, doe ik aan Jesus Christus! Dus, indien ik in mijn hart een geheimen wrevel, haat of gramschap voed tegen den naaste, zoo is dit hetzelfde alsof ik Christus haat toedroeg met de Pharizeeërs. Bevit ik, oordeel of veracht ik mijnen naaste; bedil ik zijn gedrag, bespot en verneder ik hem, dan is het of vervolgde ik Christus met de Joodsche priesters.

Maar hoe troostvol zijn die woorden integendeel voor hen die hunnen evenmensch oprecht beminnen. Wat ik den naaste doe, doe ik aan Christus; derhalve als ik hem troost en bijsta, staat dit gelijk

ocr page 146

140

met alsof ik Christus in zijne groote droefheid in het hofken van Oliveten getroost had. Als ik mijnen even-mensch verdedig en ondersteun, dan geldt dit evenveel alsof ik Christus op zijn kruis ondersteund en tegen zijne vijanden verdedigd had. Deze gedachten zijn geen menschelijke gedachten, maar eeuwige waarheden van het Evangelie. Na ze goed overwogen te hebben, wek u tot de volgende liefdebewijzen op:

1° Maak met vurigheid een akte van liefde jegens

i i • O J n

bod en hen die met u samenwonen, om God.

2° Dank Hem oprecht voor alle genaden en barmhartigheden, welke Hij hun geschonken heeft, bid Hem hun die genaden eu barmhartigheden te bewaren en te vermeerderen.

3° Offer aan God voor hen het dierbaar bloed van Jesus Christus, en bid Hem, hen te vrijwaren tegen alle kwaad naar de ziel en het licliaam, en steeds grootere genaden en barmhartigheden over hen te doen nederdalen.

4° Maak het goed voornemen nooit tegen de liefde te zondigen, en nimmer eene gelegenheid laten voorbij gaan om den naaste eenen dienst te bewijzen.

5° Bid God u eene oprechte en teedere liefde jegens den naaste te schenken, eene liefde die alle menschen als Gods kinderen omvat.

§§ 2.

In alles en altijd Je fouten en gebreken van den naaste met geduld verdragen.

De fouten en gebreken van den evenmensch met geduld verdragen, is een uitstekend liefdewerk. Het bestaat in de volgende praktijken of oefeningen:

ocr page 147

141

Eerste oefening. Men moet de inwendige rust of den vrede der ziel niet verliezen wegens de gebreken

O o

van onzen naaste, noch zich om die reden eenig ongeduld, toorn of ontevredenheid veroorloven; maar men moet zich in de tegenwoordigheid Gods bewaren, als men zijn ondanks de gebreken van den naaste moet zien of zich daarmede bezighouden, en men moeb dan eenige inwendige akten van liefde maken.

O O

In eene familie of communauteit zullen er wel altijd gebreken te verdragen zijn. Er zijn gebreken die uit de natuur voortkomen, en ze zijn juist niet gemakkelijk te verbeteren. Zoo zijn er personen, die van nature somber en droefgeestig zijn , langzaam en slordig in hun werk, die altoos morren en knorren, over alles klagen en op alles iets af te wijzen hebben Wat hun vandaag behaagt, zal hun morgen mishagen, zijt daar zeker van; ze weten niet wat ze willen, en zijn er overal en steeds kwalijk aan toe. Andere gebreken ontstaan uit 's menschen boosheid. Zoo zijn er menschen die uiterst ruw, onbeschoft, opvliegend, ontvlambaar als buskruit zijn, die de anderen verachten en door het slijk halen, hoogmoedig zijn en opgeblazen ; anderen weer hebben een losse en scherpe tong en draven door, in hunne bedilzucht niemand of niets ontziende; anderen zijn wars van allen arbeid en inspanning, en laten gaarne aan anderen de eer over zich met een lastige en netelige zaak bezig te houden; anderen zijn nieuwsgierig, bemoeial, onderzoeken, bedillen en hekelen al wat ge doet en niet doet In die gevallen behoort men zich volgender wijze te gedragen:

1° Beschouw de heilige Drievuldigheid in hem, die aan dit of dat euvel lijdt, overweeg dat ze in zijn hart woont en hem teederlyk bemint, ondanks zijne

i

ocr page 148

142

gebreken. Wend uwen geest nooit van deze heilige beschouwing af.

2° Daar God deze fout in zijn schepsel duldt, duld gij ze even zoo, en onderdruk te dien opzichte elk gevoelen van toorn en ontevredenheid, ü God in dien mensch voorgesteld hebbende, onderhoud u inwendig met zijn goddelijke Majesteit en wek gevoelens van vernedering, erkentelijkheid, van liefde in u op, alles ten gunste van dien man.

Tweede oefening. Verdraag stilzwijgend de gebreken van den evenmensch, en laat nooit iets blijken van ontevredenheid, noch door harde woorden, noch door eenen onvriendelijken of verontwaardigden blik.

In die omstandigheden zwijgen, en met goedheid spreken tot hen die jegens ons ruw, onbeschoft en kwaadgezind zijn, is eene uitnemende deugd, die vele genaden over ons aftrekt; wie die deugd heeft, toont den waren geest van den zachten en bemin-nelijken Jesus te bezitten. Zoo handelen allen die waarlijk de ootmoedigheid van Jesus navolgen. Wie anders doet, weet niet wat beminnen is

Derde oefening. Wij moeten ons niet beklagen over de gebreken van onzen naaste, nooit en bij niemand; maar onze woorden moeten zoodanig zijn, dat ze den evenmensch niet het geringste leed zouden doen, als hij ze kwam te vernemen.

Zwijgen, steeds zwijgen, is eene handelwijze aan de ware liefde en ootmoedigheid eigen. Zoo handelde een heilig religieus van de Sociëteit van Jesus, An-tonius Baldinuccius genaamd, op eene reis die hy deed in gezelschap van een wereldsch priester. In vollen dag kwamen zij in eene groote weide aan; de wereldsche priester verzocht den pater daar een poos te mogen uitrusten; de pater stond het hem

ocr page 149

143

ige met liefde toe; hierop raakte de priester in een zoo diepen slaap, dat hij bij het vallen van den nacht dt, j nog niet wakker was. Wat meent ge, zou een on-bte I geduldig mensch in dit geval gedaan hebben ? op od | welke wijze zou hij den slaper wakker hebben gemaakt?

u En wat deed pater Antonius ? Om zijn reismakker in fe- zijnen slaap niet te storen en hem tegen de koude Ede i nachtlucht te beschutten, legde hij een vuur aan van bijeengeraapt hout, doode, afgevallen takken; en terwyl de priester rustig bleef doorslapen, bracht an Pater Antonius den nacht geknield in het gebed 'Or door, totdat de priester bij het krieken van den dag ontwaakte.

sid

§§ 3.

lie

ft, De voorkeur geven aan allen, die met ons samenwonen, a-

ie Dit werk wat ons in deze afdeeling bijzonder wordt

ie aanbevolen, bevat de volgende oefeningen:

Eerste oefening. Men moet niet afgunstig of na-m ijverig zyn wegens de genaden en natuurlijke en )g bovennatuurlijke gaven, waardoor de evenmensch n, 5 ons overtreft, maar wij moeten er ons integendeel in oprecht over verheugen.

Natuurlijke gaven zyn: de gezondheid des lichaams, m ; een helder oordeel, aangename manieren, een vroolijk le humeur, nuttige kundigheden, uitstekende talenten, i- die den weg banen tot allerhande hooge posten, de iij eene verkieselijker dan de andere; genadegaven zijn: n eene vurige godsvrucht, ijver voor het gebed, inge-i; togenheid en gedurige vereeniging met God, en veel n andere genaden die vaak het vuur van nijd, nay ver n en haat in het hart der anderen ontsteken.

ocr page 150

144

Wilt ge waarlijk de liefde in al hare volmaaktheid beoefenen, handel dan als volgt:

1° Verheug u oprecht over alle natuurlijke en hovennatuurlijke gaven der anderen, of waren het de uwe.

2° Dank er God voor en bid Hem dat Hij ze hun behoude.

3° Bid Hem ze voor hen te vermeerderen en zelfs in ruimere mate dan voor u, indien het Hem zoo behagelyk is.

4° Bemerkt ge dat nijd en afgunst in uw hart het hoofd opsteken, onderdruk ze terstond, en wek u in stede daarvan tot de gevoelens op, welke ik zoo pas heb aangegeven.

Ziedaar waarin de inwendige geest en de ware liefde bestaan.

Tweede oefening. In alle dingen, sta aan de anderen

het beste af, indien zulks in uwe macht is; worden

de anderen geëerd, bemind en geacht, gij integendeel

veracht; hoort men hen aan en handelt men volgens ... ~ hun advies, terwijl men het uwe verwerpt en als

ondoordacht beschouwt; staat men aan de anderen toe wat ze verlangen, terwijl men het u weigert; wordt aan de anderen het beste gegeven in kleeding, voeding, huisvesting en andere benoodigdheden, aan u integendeel het slechtste; worden de anderen voor hoogere bedieningen gebruikt, terwijl men aan u niet eens denkt, daar men er u totaal ongeschikt voor acht; heeft men voor de anderen meer zorg, dan voor u in voorkomende ziekten; zoekt men de anderen en vermijdt men u; in één woord, zijn de anderen gebieders of gebiedsters en gij slaaf of slavin, zeg dan tot u zei ven dat God u in een staat geplaatst heeft, waar ge de liefde in hare eerste zuiverheid.

ocr page 151

145

in baren hoogsten graad kunt beoefenen. Let dus op volgende punten:

1° Biedt zich een der aangehaalde gevallen aan, verheug n dan met uwen naaste, en dank God dat de anderen er beter aan toe zijn dan gij.

2° Toon ook uiterlijk uw tevredenheid daarover, door uw woorden en gebaren, en beklaag er u nooit over.

3° Voelt ge daarover in uw hart droefheid, wrevel of nyd, onderdruk ze onmiddellgk, verblijd u op nieuw over het geluk van uwen naaste en prijs er God in uw hart over. Dat noemt men den hoogmoed met tak en wortel uitroeien; de naastenliefde in al hare bekoorlijkheden beoefenen, zooals ze in het hart van Jesus is, en haar nauwkeurig navolgen.

§§ 4.

De anderen wel doen, zooveel het in onze macht is.

De liefde kan niet werkeloos zijn. Aan anderen wèl doen, is een gevolg dier liefde, en dat gevolg is onafscheidbaar van de ware liefde. De oefeningen of praktijken dezer liefde zijn de volgende:

De eerste oefening is aan niemand te weigeren wal men hem zonder zonde of onvolmaaktheid kan geven. De anderen helpen morren en mokken, klagen, tegen de overheid uitvaren, overdragen en verklikken; de regels overtreden ten believe van anderen; dat is niet beminnen, dat is niet liefde hebben; dat is eenvoudig ergernis, omverwerping van orde en tucht en geestelijke opleiding. In alle andere zaken moet men den naaste geenen dienst weigeren.

Pater Picino had van eenen engel een kruisbeeld ontvangen, waarvan de stof onbekend was. Hoe

10

ocr page 152

146

groot moest zijne vreugde over dit kostbaar geschenk zijn! Eenige jaren later verstoutte zich een andere pater, die met het geheim bekend was, hem dit kruisbeeld te vragen. En wat was het antwoord van den heiligen man? Vader! ge vraagt me eenen schat, waaraan mijn hart gehecht is; maar voor de liefde moet alles wijken. Aldus gesproken hebbende, reikte hij het hem toe, en vroeg het uooit meer terug.

De tweede oefening is geene gelegenheid laten voorbijgaan zonder den evenmensch een dienst te bewijzen. — Die handelwijze is zeer gemakkelijk en vol zoetigheid, indien men zorg draagt in Gods tegenwoordigheid te wandelen, en vastelijk te ge-looven, dat men aan Jesus Christus doet wat men den naaste doet. Dat levendig geloof, van levendige gevoelens van liefde vergezeld, neemt alle moeielijk-heden weg.

DERDE GRONDSTELLING.

In den omgang met den evenmensch geen aardsche en vleeschelijke, maar een inwendige en hoven-natuurlijke gedragslijn volgen.

Ik weet niet of men in heel het geestelijk leven iets vindt van zoo groot gewicht als deze onderrichting. Ze is zeer nuttig en bevat een hooge volmaaktheid. Ik zal haar in weinige woorden verklaren , en wie er de proef van wil nemen, zal door eigene ondervinding er veel meer nut door opdoen , dan hem deze onderrichting zegt.

1° Wie er zijn leven naar inricht, bezit een algemeen en onfeilbaar middel tegen vele bekoringen, en eene voorbereiding niet alleen tot het gewone gebed en de meditatie, maar ook tot het beschouwend

ocr page 153

147

lenk T gebed en de innige vereeniging met God, die liet dere gewone gevolg is van dit gebed.

dit r- Wat ons verstrooit en aan de godsvrucht schaadt, )ord ;| is niet de omgang met den evenmensch, maar onze men t achteloosheid, omdat we in den evenmensch slechts r de | het uiterlijk beschouwen, en daarom Gods tegen-ide, : woordigheid en de ingetogenheid des geestes verliezen. :ug. : Handelden wij ten opzichte van den evenmensch iten ^ volgens den geest des geloofs en van het inwendig ; te leven, wij zouden in het gewoel en gedruisch der en wereld ingetogen, en in de drukste stad als in eene ods | eenzaamheid zijn. Wie een anderen weg volgt, zal ge- slechts over de aarde kruipen en in zijn oude on vollen maaktheden voortleven, hij zal nooit de genade er-lige langen zich met God te onderhouden en innig zich ijk- niet hem te vereenigen.

2° Wie overeenkomstig deze leer leeft, beoefent voortdurend de volmaaktste liefde jegens God en den naaste. Alle heiligheid is er ia opgesloten.— O ! hoeveel vlekken van onvolmaaktheid ontsieren niet ons gedrag jegens den naaste! Nu eens is onze liefde te driftig en te zinnelijk; dan weer mengt er zich afkeer, wrevel en toorn bij en toonen wij onze ontevredenen heid uitwendig; van daag betuigen wij onze vreugde 3r- en tevredenheid aan onzen naaste, omdat onze zin-ge nelijkheid er voedsel in vindt; morgen zullen wij jr- hem verachten en misschien met hem spotten; straks ior zullen we hem vermijden, omdat zijn humeur en zijn n, neigingen niet met de onze overeenkomen. O! wat treft men de ware liefde slechts zelden onder ons il- aan! slechts Jesus in den naaste beminnen, o! hoe n, zeldzaam is die liefde! — Onder duizend personen die

ae zich openlijk voor deze deugd verklaren, bevindt er id , zich nauwelijks een in wiens hart die deugd werkelijk

ocr page 154

148

wortel geschoten beeft Er is nochtans geen ander middel om ze te verkrijgen, dan zijn inwendige naar deze leer in te richten en een inwendig en bovennatuurlijk leven te leiden in den omgang met zijnen naaste. Nu doet zicb de vraag voor: uit welke handelingen en praktijken bestaat het inwendig en bovenuatuurlijk leven in den omgang met den even-mensch ?

Die vraag gaan we behandelen in het volgende artikel, er de praktijken van verklaren de eeue na de andere, en een uitvoerig onderricht over dit belangrijk punt geven.

Artikel I.

Den evenmensch beschouwen niet naar zijn lichaam, zijn uiterlijk, maar naar zijne ziel en zijne inwendige vermogens

1° Men kan den naaste beschouwen als een kind van den eeuwigen Vader. — Men geloove toch niet

O O

dat dit een schoon beeld is, door den mensche-lijken geest uitgedacht; neen, 't is een eeuwige waarheid welke het geloof ous leert. Die waarheid steunt op twee gronden: de eerste is dat de naaste bet werk is van de almachtige hand des eeuwigen Vaders; de tweede is dat de hemelsche Vader mijnen naaste vurig en teeder bemint als zijn kind. Wat den eersten grond aangaat, 't is aan den hemelschen Vader dat de naaste zijnen oorsprong dankt; Hij heeft zijne ziel uit het niet voortgebracht, Hij bewaart en behoedt ze; Hij is het die aan mijnen naaste kleeding en voeding bezorgt en in al zijne benoodigdheden voorziet. Wat den tweeden grond betreft, — kan men wel een teederder liefde uitdenken.

'

ocr page 155

149

dan die welke de hemelsche Vader voor mijnen naaste heeft? Hij heeft hem uit het niet getrokken, hg is het werk zijner almacht; Hij heeft hem geschapen om eens de erfgenaam te zijn van het hemelsche rijk; Hij heeft hem tot leidsman , tot bewaarder een hemelschen Vorst, zijnen Engelbewaarder gegeven, om hem te bewaren, te beschermen en overal te vergezellen; uit liefde voor hem heeft Hy zijn eenigen Zoon op aarde gezonden, met last voor hera te | sterven aan het kruis; Hij schenkt hem dagelijks | nieuwe genaden, nieuwe middelen, welke Hij van

! eeuwigheid voor hem bereid heeft, opdat hij door het goed gebruik dier middelen zijn eeuwige gelukzalige erfenis kunne erlangen. eeuwigheid voor hem bereid heeft, opdat hij door het goed gebruik dier middelen zijn eeuwige gelukzalige erfenis kunne erlangen.

Heeft er ooit een vader bestaan die zijn kind zoo I beminde en zoo teeder kon beminnen, als de hemelsche Vader mijnen evenmensch bemint?

Gij ziet daaruit, mijne ziel, hoe zeer God wenscht dat ge uwen naaste beminnet. — Een vader is er op gesteld dat men zijn kind beminne, en men treft hem in zijnen oogappel, indien men zijn kind verstoot of verongelijkt.

2° Men kan den naaste beschouwen als het kind van Gods Zoon.

Om te begrijpen met welke vurige vaderlijke liefde de Zoon Gods de menschen bemint, zon men God moeten wezen, en zooveel licht en wijsheid hebben als Jesus Christus zelf heeft. Wij zullen de uitingen dier liefde slechts oppervlakkig beschouwen, en nochtans zal die vluchtige beschouwing voldoende zijn om ons te doen zien dat ze onschatbaar geweest zijn, zonder maat, zonder eind; dat ze, in een woord, oneindig geweest zijn. — Uit liefde voor den mensch is hij uit den hemel nedergedaald en is Hij mensch

ocr page 156

150

geworden; uit liefde voor den mensch wilde Hij in een armoedig stalleke geboren en in een kribbe gelegd worden; uit liefde voor den mensch heeft Hij in een nederig, arm huisje gewoond, zijn brood door handenarbeid verdienende, als eea arme werkman, in het zweet van zijn aanschijn; uit liefde voor den mensch heeft Hij honger en dorst, hitte en koude, armoede en ontberingen, leed en ellende van allerlei aard willen lyden. — Hoeveel treffende getuigenissen zijner teedere liefde heeft Hy niet gegeven, nadat Hij het huisje van Nazareth verlaten had? Veertig dagen en nachten heeft Hij gewoond in de woestijn, de nachten doorbrengende in het gebed. Hoe dikwijls heeft Hij niet bittere tranen gestort, water en bloed gezweet door de hevigheid zijner droefheid, en dat alles uit liefde voor den mensch. Heeft Hij zijne liefde niet tot het uiterste gedreven bij het naderen van zijnen dood! de liefde deed Hem zijne almacht verbergen en vergeten: uit liefde liet Hij zich binden en knevelen als een boosdoener, geeselen en met doornen kronen; uit liefde voor den mensch heeft Hij den geest gegeven onder de vreeselykste pijnen.

Na al die bewijzen zgner liefde heeft Hij deze ondankbare wereld verlaten, en is Hij in zgn ko-ninkrgk teruggekeerd; maar heeft Hij de menschen, in zijne glorie, vergeten? Hoor liever! Hij is gezeten ter rechterhand zijns Vaders, waar Hij Hem onop- • houdelijk zgn wonden toont om vergiffenis en barmhartigheid voor de menschen af te smeeken; op onze altaren, in het heilig Sacrificie der Mis, draagt Hij zich zeiven dagelijks, op onbloedige wijze, aan zijnen hemelschen Vader op voor de levenden en de dooden; J met lichaam en ziel, met zijne Godheid en mensch-heid woont Hij in onze kerken, opdat allen zich

ocr page 157

151

^ ?ertrouwelijk met Hem zouden kunnen onderhouden, Hem hunnen nood klagen, en hulp en troost bij Hem zouden kunnen vinden.

Hij voedt ons met zijn vleesch en bloed. — O onbegrijpelijk geheim, o afgrond van liefde! — Maar heeft de Zoon Gods onzen naaste zoozeer bemind, hoe vurig wenscht Hij dan ook dat wij op onze beurt onzen naaste zouden beminnen? Luistert naar dit woord uit zijnen goddelijken mond: Wat gij aan den minste der mijnen zult gedaan hebben, hebt gij aan mij gedaan. Jesus beminnen en onzen naaste beminnen is een en dezelfde zaak. Jesus haten en den naaste haten is een zelfde wandaad. Hij wil en kan niet bemind worden, zonder dat de naaste tevens bemind worde, 't Is een even groote misdaad den naaste te haten, als Jesus te haten, — met dit onderscheid nochtans dat men door gene Jesus treft in en door den persoon van den naaste, door deze Jesus rechtstreeks aanrandt. — Hoe kan Jesus bemind en tevens gehaat worden in den naaste ? — Denzelfden persoon tegelijkertijd haten en beminnen, is eene onoplosbare tegenstrijdigheid ; welnu, Jesus heeft zich met den naaste vereenzelvigd.

3° Men kan den naaste beschouwen als het kind van den Heiligen Geest.

Hoe laag en afzichtelijk ook de mensch naar zijnen natuurlyken staat zy, des te grooter en verhevener is hy volgens zynen bovennatuurlijken staat. Den dag, waarop hy gedoopt werd, heeft de H. Geest 1 zijne ziel met de heiligmakende genade versierd, en ; tot welken zaligen staat heeft Hij hem door die genade niet verheven? hy is zijn kind geworden; hij wordt van Hem zoo zeer bemind, als nooit een aardsche vader zijn kind bemind heeft. Hy is erf-

i

J ..

ocr page 158

152

genaam geworden van het hemelsch koninkrijk, hij heeft het recht het eeuwig te bezitten. Hij is een groote Prins geworden, zoodat, indien hij op dit oogenblik te sterven kwam, hij zijne plaats zou innemen tusschen de hemelsche geesten en hun geluk zou deelen; en hij heeft een zoodanig recht op al die titels en waardigheden, dat God ze hem nooit kan afnemen, — als hij ze zelf niet vrijwillig verliest door eeue zware zonde. — Dit moet nochtans niet van alle menschen op gelijke wijze verstaan worden; deze zijn niet allen op zulke wijze de kinderen van den heiligen Geest, omdat niet allen in staat van genade zijn; 't is echter zeker dat de heilige Geest alle menschen teeder bemint en ze allen tot den staat van genade wil brengen; Hij noodigt ze daartoe uit door zijne geheime inspraken en inblazingen; Hij waarschuwt en vermaant hen door zijn heilige engelen , Hij spoort hen krachtig aan door hun doelmatige middelen te schenken; Hij zoekt hen op door zijn onvermoeibare liefde en zachtmoedigheid. En wie weet of zy, die thans de lauwsten en verkeerdsten zijn, op het einde van hun leven niet de heiligsten en volmaaktsten zullen wezen? 't Is ontwijfelbaar dat de heilige Geest hen tot hunnen laatsten levensadem vurig zal beminnen, en wij hen ook zoo en zoo lang moeten beminnen.

Overweeg nu hoezeer ge den heiligen Geest bedroeft, wanneer ge den mensch niet bemint, dien deze Geest van liefde als zijn kind heeft aangenomen en misschien eeuwig zal beminnen veel meer dan u.

4° Men kan den naaste beschouwen als den tempel van den heiligen Geest — Waren wij als de engelen verlicht, die geesten aan wier hoede God ons heeft quot;toevertrouwd en die ons begleiden op al onze wegen,

ocr page 159

153

hij dau zouden wij dit groote wonder beter bevatten, dat

een i namelijk de mensch het edelste werk is van Gods al-

dit macht, dat Hij de levende tempel is, waarin de gansche

zou heilige Drievuldigheid woont. — Dezelfde oneindige

luk .1 God, wien de engelen en zaligen in den hemel aan-

al bidden, is tegenwoordig in de ziel van mijnen naaste,

oit j en voert er zijne al wijze raadsbesluiten uit; Hij is

est ) er met die verrukkelijke schoonheid en volmaakt-

iet heden stralende, die het geluk en de zaligheid des

111 gt; i hemels uitmaken; diezelfde God van liefde, die gezegd

an heet: wat gij zult gedaan hebben aan een der ge-

an ; ring sten der mijtten, dat hebt ge aan mij gedaan,.

-st J is tegenwoordig in mijnen naaste en wil in hem

en bemind worden. Wee hem die den mensch niet

oe ; bemint, in wien een zoo groote God woont, en ia

lij wien Hij wil bemind worden! — dat zijn de waarheden,

e- ; en grondregels waarop de ware liefde steunt. Wie die

?e liefde wil verkrijgen en volkomen bezitten, moet deze

ju waarheden zoo grondig en zoo lang overwegen, totdat

16 hij het punt bereikt, dat hij er bij elke gelegenheid

n, over beschikken kan en in alle aanrakingen met den.

n evenmensch, en zij heel zijn gedrag leiden.

it

n Artikel II,

0 Te midden der wereld, in den omgang met den naaste,

zich in de tegenwoordigheid van God houden en zijn

hart met heilige gedachten en heilige gevoelens bezig

1 houden.

M Tot dusverre hebben wij gezien op welke wijze

1 men vooral in de eenzaamheid de liefde moet beoefenen,

i ' van de wereld gescheiden. Wij zullen thans zien hoe

i ' men ze in werkelijkheid moet beoefenen, in onze

i betrekkingen met den naaste, opdat ons gedrag in

ocr page 160

154

alle dingen volmaakt zij en bovennatuurlijk. Daartoe dienen de volgende practyken en oefeningen.

De eerste oefening is een oprecht medelijden te hebben met hen die bedroefd zijn. Komt ge in aanraking met zulke personen, stel u dan voor dat Jesus Christus bedroefd en verlaten, in die personen u om bystand en troost bidt; bij die overwegingen kunt ge in uw hart allerlei liefdeuitingen opwekken.

1° Een vurige liefde jegens God en die personen, die Hy van u wil bemind zien om wille van Hem.

2° Wegens hunne droefenis, een innig medeleden met hen hebben.

3° Aan God het heilig bloed van Jesus Christus opdragen en Hem bidden dat Hg hen trooste en van hunne kruisen verlosse.

4° Ze in de liefdewonde van Jesus Hart aanbevelen , en Hem bidden ze in hun lijden te sterken; hun het geduld en de de overgeving aan zijn heiligen wil te schenken. — Voeg dan bij die inwendige ook de uitwendige liefde. Toon haar in heel uwe houding, door uwe blikken, door uwe zachte en troostende woorden, kortom in uw gansche gedrag, zoodat die treurende personen kunnen zien, dat ze in u een echten vriend en een medelijdend hart gevonden hebben.

De tweede oefening is in de vreugde en tevredenheid te deelen van hen, die in blijde stemming verkeeren. Hebt ge dus te doen met iemand die tevreden leeft, die in vreugde is, öf om zijnen levensstaat, of omdat hij geslaagd is in eene belangrijke zaak, öf om elke andere goede reden, stel u dan eenvoudig voor dat het Jesus Christus is die deze ziel troost door zijne oneindige goedheid. Maak dan bij die gedachte allerlei liefdebetuigingen.

1° Wek u tot een warme liefde op tot God en

ocr page 161

155

tot dien mensch, dien God wil dat ge zult beminnen | om wille van Hem.

2° Verheug u oprecht om het geluk dat die mensch geniet door de genade Gods.

3° Draag voor hem aan God het bloed van Jesus | Christus op en bid Hem dat geluk, die tevredenheid, voor hem te vermeerderen.

4° Beveel hem in de heilige wonden van Christus aan, en bid God hem op dezen dag nieuwe genaden en barmhartigheden te schenken. Toon de liefde die ge in uw hart koestert, ook uitwendig, door uwe innige deelneming in het geluk van uwen evenmensch.

De derde oefening is met de meeste zachtheid de personen van een lastig karakter, of voor wie men afkeer gevoelt, te behandelen. — Hebt ge met zoo , iemand te doen, stel u dan eenvoudig voor dat de gansche Drieëenheid in hem woont, en wil dat gij Haar in hem als haar kind zoudt beminnen. Dat die gedachte aan uw hart heilige ontboezemingen ontlokke.

1° Eene vurige liefde tot God en den evenmensch, die Hij door u wil bemind zien, om wille van Hem.

2° Hem danken voor alle genaden eu ontfermingen, welke Hij aan den naaste geschonken heeft.

3° Bied aan God het bloed van Christus aan als zoenoffer voor alle zonden, welke de naaste ooit begaan heeft.

4° Bid God door de verdiensten van dat kostbaar bloed, het hart van den naaste met genaden en barmhartigheden te vervullen.

Behalve die inwendige gevoelens draag zorg uiterlijk slechts liefde en zachtmoedigheid te vertoonen.

De vierde oefening is, hen met zachtheid en inschikkelijkheid te behandelen, die ons om raad of bystand komen vragen.

ocr page 162

156

Komt dus zoo iemand om zulke reden tot u, stel u dan voor boe Jesus door u wil bemind worden in dien persoon. Dat die gedachte heilige gevoelens in uw hart wekke.

1° Een warme liefde tot God in dien persoon, om God.

2° Een heilig verlangen hem te helpen en aan zijn verzoek volkomen te voldoen.

3° Smeek Gods genade en barmhartigheid voor hem af, opdat God hem bijsta in al zijne moeielgk-heden.

4° Beveel hem aan in het hart en de wonden van Christus, bid Hem voor denzelven een vader van barmhartigheid te zijn. Met die stemming des harten, handel ook uitwendig en voldoe aan het verzoek van dien man, indien ge kunt, en hij niets vraagt wat strijdt met Gods wil.

Aetikel III.

Zich dikioijls, veel en vurig bezig houden met liefdegevoelens en liefdeuitingen.

Een hart bezield met de liefde, bezit steeds die gevoelens die hetzelve nimmer verlaten

1° gevoelt oprecht vreugde over het geluk en welzijn van den evenmensch.

2° Hij gevoelt innig medelijden met hem als hij in druk of leed is.

3° Hij wenscht oprecht zijn tijdelijk en eeuwig geluk. 4° Het is voor hem een waar genot, een behoefte wèl te doen aan de menschen.

Aan die viervoudige stemming des harten zal men erkennen, dat de ware liefde er in woont en ten troon zit. Om die viervoudige gesteltenis des harten

ocr page 163

157

.

stel te verkrijgen, is het noodig ze dikwijls te beoefeuen, iea ze te overwegen, ten einde ze dieper en dieper in ens ; bet hart te prenten. Men kan het op tweeërlei wijze doen.

)n) 1° Men kan daarvoor een zekeren tijd bestemmen, by voorbeeld, wanneer men de heilige Mis hoort, of tan bij het bezoek aan het heilig Sacrament, alsdan kan men een kwartier of een half uur in deze gevoelens jor doorbrengen aan den voet van het kruisbeeld, jk. 2° Men kan ook die liefdegevoelens vormen in het gewoel der wereld, in den omgang met de menschen. an Het eerste gevoelen, zooals we gezegd hebben, is an een oprechte vreugde over bet geluk en het welzijn ju, van den evenmenscb. — Stel u levendig de hemelsche an woningen voor, of zaagt ge ze met uwe oogen; ■at stel u de heilige Drievuldigheid daar voor in al hare glorie; stel u op de aarde alle menschen voor, zooals ze eens zullen vereenigd zyn in het dal van Josephat. Ziet boe in den hemel God vaderlijke blikken werpt r op eiken mensch, boe Hij hem teederlijk bemint, en hem tot de glorie des hemels uitnoodigt, boe Hij ieder met genaden en tijdelijke en geestelijke wel-ie daden overlaadt.

Beschouw de menschen op de aarde hoe ze door n God gezegend zijn met velerlei goederen naar de ziel en naar het lichaam; dat hij aan dezen tijdelijke, jj aan genen geestelijke goederen geschonken heeft; den eenen weinig, den anderen veel; aan genen meer geschenken en van hoogere waarde uitgedeeld e 1 heeft dan aan u; aan dezen minder en van geringere waarde dan aan u, aan elk volgens de maat, welke i . Hij in zijn eeuwige raadsbesluiten heeft vastgesteld; j beschouw ze zooals ieder op dezen dag er mee be-i giitigd is. Na u deze waarheden levendig voorgesteld

*

ocr page 164

158

te hebben, wek dan met vurigheid de volgende gevoelens in u op:

1° Een vurige liefde jegens God en jegens eiken mensch in het bijzonder, om wille van God, het opperste goed, maar alleen omdat God hem bemint, en dat het zgn wil is dat ook gy hem beminnet als ! zgn kind en als u zei ven

2° Verheug u oprecht over alle genaden en wel- : daden, waarmede ieder begiftigd is naar de ziel en naar het lichaam, wensch ze hem met dezelfde oprechtheid en liefde toe als ge ze u zeiven toewenscht.

3° Loof en zegen God voor alle genaden, welke God aan iederen mensch in het bijzonder gegeven heeft, tot hieraan, en voor alle zegeningen, welke Hij nog in de toekomst aan iederen mensch zal schenken, volgens zijn heiligen wil.

4° Bid Hem die genaden voor den evenmensch te willen bewaren en vermeerderen, en een ieder van daag, om wille zijner goedheid en barmhartigheid, j deze of gene bijzondere genade te schenken, welke tot zijne meerdere glorie en het heil van den naaste zal strekken.

Het tweede gevoelen is, een heilig medelijden in leed en lijden van den evenmensch.

Verhef uw oog ten hemel en aanschouw hoe in dat zalig vaderland alle hemelsche geesten en uitverkorenen met onuitsprekelijke vreugden overstroomd zijn; richt daarna uw blik naar de aarde, en zie hoe ze met distels en doornen bezaaid is; stel u daar alle menschen voor: geen enkele van hen is : vrij van smart, van wonden; deze is in diepe armoede en ellende gedompeld, gene veracht en vervolgd; de eene door vrees en droefheid terneergedrukt, de andere door hevige pijnen en ziekten hard beproefd; deze

ocr page 165

159

ge- door verwarring en zware bekoringen gekweld, gene-met gebreken beliept en zonden beladen; geen enkel ken vrij van leed en ellende. Na die beschouwingen het verhef uw hart tot God en wek met vurigheid de int, volgende gevoelens in u op:

als 1° Een warme liefde jegens God, het hoogste Goed, en jegens eiken mensch, om wille van God, alleen rel- omdat het zijn heilige wil is dat gij hen allen en beminnet.

op- 2° Wend u tot den naaste, en wek u tot een ïht. ' innig medelijden op wegens alle ellenden, waarmede ilke hij als overstelpt is, en doe dat met dezelfde liefde ven en oprechtheid, waarmede gij uw eigen ellenden slke betreurt.

zal 3° Wend u op nieuw tot God, beveel alle men-schen in zijn vaderlek hart aan, en bid Hem oot-i te moedig hun doeltreffende genaden te willen schenken, ran opdat ze hun zwaren last met geduld dragen tot :id, verheerlijking van zijn heiligen naam en voor hun Ike eigen heil en zaligheid.

iste 4° Bid Hem vurig hen vaderlijk te helpen in hunnen grooten nood en verlatenheid, hen te verin kwikken, te troosten, op te beuren, als het tot zyn glorie en hun heil kan strekken; hen er geheel van in te bevrijden, indien het zijn heilige wil is, of, lit- heeft Hij er anders over beschikt, hun althans andere md genaden te schenken.

zie Het derde gevoelen is, een oprecht verlangen naar

1 u ; liet tijdelijk en eeuwig geluk van den evenmensch. is | Stel u Jesus voor den Verlosser der wereld, Judea, ide l Galilea, Samaria, steden en vlekken doorloopend, de de i woningen der rijken en de hutten der armen binnen-3re ? tredende, overal tijdelijke en geestelijke weldaden 3ze uitdeelende. Hier geneest Hij de kreupelen en me—

ocr page 166

160

laatscheu; elders de lammen, verminkten en blinden; ginds geeft Hij de spraak aan de stommen, het gehoor aan de dooven; elders bevrijdt hij de bezetenen van den duivel, bekeert Hy de zondaren, wekt Hij de dooden op; overal verricht Hij werken van barmhartigheid en deelt Hij overvloedige genaden uit. Na die beschouwingen onderhoud u met uwen Verlosser en wek de volgende gevoelens in u op:

1° Een vurige liefde jegens God en de menschen, om God, omdat Hij ze bemint en wil dat gij hen ook zoo beminnet en hun dienst bewyzet.

2° Wend u tot den naaste en verblijd u over hun tijdelijk en geestelijk welzijn, en heb medelijden met hen in al hunne nooden en droefheden.

3° Wensch oprecht hen te kunnen verlichten en helpen; betuig aan God dat gy zoudt wenschen heden aan alle menschen dienst te kunnen bewijzen, als dat in uwe macht was.

4° Bid God al uwe verlangens te vervullen, volgens zijne barmhartigheid en almacht, en heden aan iedereen zijne barmhartigheid en eene bijzondere genade te schenken.

Het vierde gevoelen is een heilige gesteltenis en genegenheid van welwillendheid en inschikkelijkheid om aan elkeen goed te doen.

Stel u alle menschen vereenigd voor op den berg Tan Calvarië, zooals zij het eens zullen zijn in het dal van Josaphat. Stel u daar Jesus voor, te midden van hen, aan het kruis hangende, zijn bloed latende voor zijne vijanden, zijne beulen, voor allen; hen allen aanschouwende met oogen vol tranen en bloed; aan zijnen hemelschen Vader, zijn leven, zijn bloed, zijn lijden, zijnen dood opdragende. Stel u daarna Jesus zeiven voor en doe dan vurig de volgende liefdeverzuchtingen:

ocr page 167

161

1° Beveel in de wonde van Jesus linker voet alle zieken en krauken, alle armen en veriatenen aan, en bid Hem, om wille van het bloed dat Hij door die wond gestort beeft, aan ieder bunner een bijzondere genade te schenken of hun hulp te verleenen, althans de kracht, hunne kwalen en rampen met geduld te verdragen.

2° Beveel in de wonde van Jesus rechter voet al uwe bloedverwanten en vrienden, die u eenig goed gedaan hebben, en al uwe vijanden, die u eenig kwaad gedaan hebben, en bid Hem, om wille van het bloed dat Hij door die wonde gestort heeft, aan ieder hunner eene bijzondere genade te schenken, hen met hemelsche goederen te verrijken.

3° Beveel in de wonde van Jesus linker band alle rechtvaardigen en boetelingen, en bid Hem, om wille van het bloed dat Hij door die wonde gestort heeft, hen tegen alle gevaarlijke bekoringen te vrijwaren; hen in zijne genade te bewaren tot aan hunnen dood en hun zyn paradijs te schenken.

4° Beveel in de wonde van Jesus rechter band alle zondaars, die op dit oogenblik in Gods vyand-schap leven, en bid hen door de verdiensten van het bloed dier wonde hun eene bijzondere genade te schenken; hun hart te roeren, en hun een waar berouw over hunne zonden te verleenen.

5° Beveel in de liefdewond van Jesus heilig Hart allen die vandaag zullen sterven, en bid Hem ide door de verdiensten van dit heilig bloed hen in hunnen doodstryd bij te staan, en hun in zijne barm-; hartigheid een waar berouw en eenen zaligen dood I te verleenen.

11

ocr page 168

162

tob der S

kan drul

De liefde is vindingrijk, en vindt duizend gele- en : genheden waar ze zich betuigen kan.

Wij zullen hier eenige geheime akten dier liefde ontsluieren, waaruit we leeren zullen dat we nog vele soortgelijke akten kunnen verrichten. Men wete dan dat er in de wereld vier klassen van personen en zgn, of in zekere stad, of in zeker land, of over den aardbol verspreid. Slaan we de menschen gade.

1° Gaan we de menschen na in hunnen natuurleken staat, dan zullen we overal vinden; kranken en zieken, armen en behoeftigen, onderdrukten en gedrukten; door allerlei vrees, droefheid en ongerustheid geplaagde personen; gelukkige en eene goede gezondheid genietende personen.

2° Beschouwen wij de menschen in hunnen bovennatuurlijken staat, dan zullen we overal vinden: rechtvaardige, vrome, trouwe en onschuldige zielen, zondaars en zondaressen, boetelingen van beider kunne; personen die hun einde nabij zijn en voor wie de doodstrijd reeds aangebroken is. Voor al deze klassen van personen kunt ge uw hart voor God uitstorten, en de heilige liefde op de volmaaktste wijze beoefenen. Ik zal hier eenige praktijken of oefeningen dier liefde aanduiden slechts voor één klas van personen, daarna zal ik eenige gelegenheden aanwijzen; het overige laat ik aan uwen heiligen ijver over.

Artikel IV.

Over verschillende gelegenheden, waarin men zich han toeleggen op gevoelens en betuigingen van liefde.

Eerste oefening en eerste gelegenheid. Gaat men buiten 's huis, zoo moet men over den weg zijn hart

a

ocr page 169

163

tot God verheffen en aan God alle zieken en kranken der stad of plaats aanbevelen.

Stel u door een eenvoudige gedachte van den eenen kant God als den Vader van alle bedroefden en bedrukten voor, van den anderen kant alle kranken en zieken der plaats, groote pijnen en smarten lijdende. Wek daarna de volgende liefdegevoelens in u op:

1° Een vurige liefde tot God en de zieken, om God. 2° Een innig medelijden met hen in hun pijnen en droefheden.

3° Bid God ootmoediglijk, dat Hij zich gewaardige door de verdiensten van Jesus' bloed aan die arme zieken zulke genaden te schenken, die deze zieken tot groot voordeel en heil doen strekken, voor de zondaars hunne bekeering bekomen, voor de rechtvaardigen grooteren voortgang in de deugd, voor allen vermeerdering van verdiensten en hunne eeuwige zaligheid.

4° Draag aan God het bloed van Jesus Christus voor ben op, opdat Hij ze trooste in hun lijden, hen daarvan verlosse, als het hun zalig is.

Tweede oefening en tweede gelegenheid. Ligt iemand te huis ziek, bezoek dikwerf het heilig Sacrament des Altaars, en beveel aan Jesus in het Sacrament zijner liefde dien armen zieke aan, alsook alle kranken en zieken.

Stel u dan met een levendig geloof van den eenen één .| kant uwen goddelijken Verlosser in zijn heilig Sacrament voor, van den anderen kant uwen zieke en alle andere zieken der stad of plaats, en wek n dan tot de volgende gevoelens op:

men 1° Geloof vastelijk dat al wat ge voor de menschen hart doet, ge aan Christus zeiven doet.

ÜÜÉ.

ocr page 170

164

2° Wek een vurige liefde voor Jesus in u op, alsook voor uwen zieke en alle zieken der plaats, era Jesus wille.

3° Beveel ze allen in de heilige wonden van Jesus aan, en bid Hem ootmoedig hun de gezondheid terug te geven, of, indien God er anders over beschikt heeft, hen te troosten, en hun de genade te schenken hunne ziekte met geduld te verdragen voor zijne glorie en voor hunne meerdere verdiensten.

4° Bid Jesus hen allen te zegenen, en hun nieuwe genaden en ontfermingen te schenken.

Derde oefening en derde gelegenheid. Verneemt men dat deze of gene ziek is, beveel hem terstond aan de heilige Maagd Maria aan. Stel u dan van den eenen kant de heilige Maagd voor, als de Moeder der kranken, van den anderen kant alle zieken en kranken Betuig daarna uwe liefde volgender wijze:

1° Zeg aan die goede Moeder dat ge dien zieke en alle anderen bemint, als u zeiven, omdat Jesus Christus gezegd heeft, dat men aan Hem zeiven doet wat men voor den evenmensch doet.

2° Heb dit kinderlijk vertrouwen in de Moeder des Heeren, dat zij, om wille van Jesus Christus, voor u zal verkrijgen, wat gij haar zult vragen.

3° Beveel dien zieke en alle anderen in haar moederlijk hai't aan, en bid haar ootmoediglijk bij haren Zoon het herstel hunner gezondheid te verkrijgen , of, indien Hij er anders over beschikt heeft, hen te troosten, en hun de genade te geven hunne ziekte met geduld te verdragen, tot Gods glorie, en tot vermeerdering hunner verdiensten.

4° Bid die heilige Moeder hen allen te zegenen en voor hen nieuwe genaden en barmhartigheden te bekomen.

ocr page 171

165

Vierde oefening en vierde gelegenheid. Bevindt men zich bij voorbeeld in zijn kamer of cel, zoo bevele men alle zieken der stad of plaats aan kunne engelen bewaarders aan. Stel u dan van den eenen kant de engelen bewaarders voor, van den anderen kant alle zieken der plaats als bunne kinderen, wek daarna de volgende gevoelens in u op:

1° Zeg ootmoedig dank aan de engelen bewaarders voor alle genaden en gunsten, welke zij voor hen verkregen hebben.

2° Wek u tot eene oprechte liefde voor alle zieken op, als zijnde de kinderen van den Allerhoogste en de beschermelingen der heilige engelen, met een waar verlangen hen allen te troosten en te helpen in hun lijden.

3° Bid de heilige engelen bewaarders die zieken te troosten, in uwe plaats, en hun van God het herstel hunner gezondheid te bekomen, of, indien God er anders over beschikt heeft, hen te helpen hunne ziekte met geduld te verdragen, tot meerdere eer en glorie van God, en tot vermeerdering hunner eigene verdiensten.

4° Bid de heilige engelen bewaarders ook die zieken te zegenen en hun nieuwe genaden van God te bekomen.

Ziedaar het inwendig leven eener ziel, die de liefde bezit. Zoo denkt ze, zoo verzucht ze, zoo handelt ze; dat zijn de genegenheden en aandoeningen van haar hart. Nemen dergelijke gevoelens eens bezit van uw hart, weet dan dat de ware geest der liefde u bezielt.

Tot hieraan behartig die oefeningen of praktijken, waaraan we nog de volgende punten zullen toevoegen, welke gij in acht te nemen hebt.

ocr page 172

166

1° Wat ik in deze oefeningen gezegd heb, moet niet zoo verstaan worden of moest het volstrekt nagekomen en gedaan worden onder alle omstandigheden. Neen, men moet het zoo verstaan dat men die akten van liefde op die wyze veel en dik-wyls moet verrichten, tot men er zich van lieverlede een heilige gewoonte van gemaakt heeft. Ook moet het niet zoo verstaan worden, of moest men in die omstandigheden al die liefdeuitingen, welke ik aangegeven heb, tegelijk doen. Neen, een enkele verzuchting, een enkel gevoelen is voldoende.

2° Men moet zich niet angstvallig aan die aandoeningen overgeven, maar men moet een heilige vrijheid bewaren, en zich daarheen laten voeren, waar het hart zich getrokken voelt door eene beweging van den heiligen Geest. Men behoort nooit de inwendige rust te verliezen, noch de vrijheid van den geest af te staan.

;!

Cj^

Van de reinheid des harten.

EERSTE GEONDREGEL.

Een religieus dient zich steeds te herinneren tot welken verheven staat God hem geroepen heeft, en om die reden moet hij groote zorg dragen aan God dagelijks meer en meer te behagen, door de volmaaktste reinheid des harten en de schoonheid zijner

ocr page 173

167

aoet ziel, en zich steeds Gode aangeuamer te maken, rekt door alle vrijwillige zonden, zoo goed mogelijk, te ban- vermijden.

dat

Een kort voorwoord hij dezen grondregel:

lede De reinheid des harten is de eerste stap eener ziel, aoet die naar de volmaaktheid streeft in het religieuze die leven. De reden waarom heiligheid zoo zeldzaam is lan- op aarde, is dat er zoo weinig menschen zijn die ver- zorg dragen hun Lart geheel van zonden en onvolmaaktheden te zuiveren. Men vindt er die zich lan- | toeleggen op het gebed en andere deugden, maar zeld-ilige zaam, mag men gerust zeggen, zijn zij, die den moed ren, ' hebben den bodem hunner ziel scherp te onderzoeken be- ^ en na te vorschen, ten einde de slechte neigingen, tooit driften en hartstochten, zonden en onvolmaaktheden van die daar schuilen, zonder genade uit te roeien. Men blijft halverwege staan, men houdt niet van krachtige, doortastende, doeltreffende maatregelen; men heeft den moed niet het kwaad in zijn wortel aan te tasten • en het met wortel en tak uit te roeien, men houdt meer van schipperen en laveeren; — halfheid en karakterloosheid kenmerken verreweg de meeste menschen van hunne eerste jeugd tot den hoogsten ouderdom. Men ontziet en spaart zich zooveel men maar kan. Men is zoo bang zich leed te doen! O, die teergevoeligheid , dat gebrek aan mannelijkheid, die weeke-lijkheid! Hoe weinigen die een ietwat moeielyke zaak aandurven, flink aanpakken met ernst en be-i tot slistheid! Hoe weinigen die de van moed en onver-, en ; zettelijke wilskracht getuigende leus: »het moet, dus God het zalquot; in hun wapenschild voeren. — Men loopt vol- van heilige gedachten, verlangens, wenschen en ijner aspiraties over, maar men durft op het doel niet

ocr page 174

168

I

recht afgaan; men huivert alleen bij de gedachte aan • de moeite en inspanning, aan eene ernstige zelf bestrijding, zelfverloochening, zelfoverwinning, zelfvernietiging verbonden. — Men houdt er niet van, men gruwt er zelfs van zich zeiven leed te doen. Men ziet er dan ook maar liever van af, en zoo ' blijft men halverwege staan, en zoo leeft en sterft men op dien ellendigen middenweg van het zoogenaamde juste milieu, —- vol van onvolmaaktheden.

God is een geest van oneindige heiligheid en reinheid, weshalve Hij nimmer eene ziel tot een innige vereeniging zijner liefde toelaat, tenzij ze te voren alle vuil en smet hebbe afgeschud. Eene ziel die naar God streeft en zich door de liefde met Hem wil vereenigen, waarin de heiligheid bestaat, moet de reinheid des harten als grondslag bezitten, en dat is het juist waarop deze onderrichting aandringt. Weet dan, dat de reinheid des harten niets anders is dan eene gestadige oplettendheid en zorg om zich van alle zonden en vrijwillige onvolmaaktheden zorgvuldig te onthouden, zoodat men steeds en elk oogenblik in Gods tegenwoordigheid, vrij van zonde en smet wandelt. Wie die deugd van zuiverheid wenscht te verkrijgen, moet zich op twee zaken toeleggen: de eerste is een grooten afkeer te hebben van alle dagelyksche zonden; de tweede, zich van alle vrijwillige onvolmaaktheden steeds te onthouden.

Artikel I.

Dit artikel handelt 1° over den afkeer van alle dagelijksche zonden; 2° verklaart het de beweegredenen die, wanneer ze door den kloosterling overwogen worden, hem aansporen de dagelijksche zonde te vluchten.

ocr page 175

169

aan . §§ 1.

be-

elf- Ten einde de volmaakte zuiverlieid des harten te in, verkrijgen, zonder dewelke een ware liefde van God leu. ondenkbaar is, behoort de ziel dikwijls en aandachtig zoo | in het licht des geloofs te overwegen, hoe leelijk en srft afschuwelijk ook de kleinste dagelijksche zonde in de ge- oogen van God is. Men moet zich zeiven dus onderen. zoeken, overwegeu, het licht des hemels afroepen, iin- zoo dikwijls en zoo lang, tot men een werkelijken ige afkeer van de dagelijksche zonde gevoelt, en men ren vastelijk besloten heelt liever duizendmaal te sterven, die dan een dagelijksche zonde te begaan.

em Tot dat einde moeten de volgende waarheden dienen,

oet Eerste waarheid. De dagelijksche zonden zijn in

en staat mij van de genaden en gaven te berooven,

igt. welke God gewoon is zoo overvloedig aan zijn heiligen

ers uit te deelen.

ich Wanneer we van groote genaden spreken, bedriegen

rg- we gewoonlijk ons zeiven en hebben we gaarne dat

elk de anderen ons ook misleiden: — Men vindt heiligen,

ide die den gewonen weg volgden, en die nochtans met

eid heel buitengewone genaden begiftigd, andere aan God

een gewijde personen ver overtroffen hebben; heiligen in

jen het gewoon leven der wereld, wier nederigheid zoo

rau groot was, dat ze hun grootste vreugde en grootsten

en. troost in de hevigste vervolgingen vonden; heiligen zoo geduldig, dat ze in het smartelijkste lichaams-en zieleleed een volkomen gerustheid van ziel, een

ille onveranderlijken vrede en onverstoorde tevredenheid

Bg- en opgeruimdheid genoten; heiligen zoo innig vroom,

er- dat hun hart op was geleek , bij het vuur geplaatst;

ide heiligen zoo ingetogen en van liefde zoo vervuld,

dat hunne ziel zich allernauwst met God vereenigd __

ocr page 176

170

Meld in de grootste drukte van zaken en te midden van het gewoel en gedruisch der wereld. — Als wij zulke voorbeelden zien of hooren, dan zeggen wij dat dit de vruchten zijn van buitengewone genaden, welke God, in zijne goedheid, slechts aan weinige uitverkorene zielen verleent, en wij zouden graag •hebben dat de anderen ons in denzelfden zin spraken, s ten einde gerust en ongestoord in onze onvolmaaktheden te kunnen voortleven.

God is oneindig goed en oneindig vrijgevig; God wenscht van ons heiligen te maken; Hij is bereid en wenscht vurig ons zijn genaden in rijke mate te schenken. Onze geestelijke armoede en ellende, het gebrek aan buitengewone genaden komt niet van God, want Hy heeft een grooter verlangen ons die genaden te schenken dan wij om ze te ontvangen. — Wilt ge weten waaraan het ligt dat we die buitengewone genaden derven? — Daarvan zijn onze lauwheid en onze dagelijksche zonden de schuld. Laten we ons hart eens ter dege zuiveren en we zullen spoedig zien dat God niet minder edelmoedig en vrijgevig jegens ons is, dan Hij het voor zijn heiligen geweest is. Alles zal ons weinig baten, zoolang wij ons hart niet voor goed gezuiverd hebben. Een enkele dagelijksche zonde, welke wij in ons hart dulden, is soms voldoende om de bron der hemelsche genaden te doen opdroogen. De heilige Catharina van Bologna zeide eens: ik geloof niet dat, na eene zoo langjarige ondervinding, de duivel mij nog zou kunnen verschalken. Die taal was van haren kant eene kleine fout, een dagelijksche zonde, maar zij mishaagde aan God.

Tweede waarheid. De dagelijksche zonden zijn in staat mij zoodanig te hinderen en tegen te werken

ocr page 177

171

len op den weg der deugd, dat ik in heel mijn leven

wij niet tot de heiligheid en volmaaktheid zal kunnen

iat komen.

in, Om tot de volmaaktheid te komen, zijn vele groote

ige genaden noodig. Met behulp dier genaden komt men

tag de hoogste deugd steeds meer nabij en snel ook en

en, s spoedig, en bereikt men zijn doel in weinig tijds:

kt- zonder haar blijft men achter en bereikt men het

; nooit. — Hoe kan nu eene ziel, die God dagelgks

od beleedigt, van God die bijzondere hulp verwachten?

en 't Is de reinheid des harten, die de genaden des

sn- hemels over ons aftrekt. Zonder haar is er niets

rek te hopen. Onze verblindheid zal met den dag toe-

mt nemen; van het noodige licht verstoken, zullen we

te genoodzaakt zijn in het duister rond te tasten; het

ge hart zal dagelijks ongevoeliger worden, met den dag

me meer versteenen en verharden; Gods hulp en bijstand

en zullen met den dag minder worden, terwijl de beko-

ms ringen verwoeder en heftiger zullen optreden; met

iig den dag zullen de verkeerde neigingen, driften en

rig hartstochten de plaats innemen der heilige verlangens,

est —Zoo komt men er ongemerkt toe de volmaaktheid

art als eene onmogelijke zaak te beschouwen, zoodat men

je- er ten slotte voor goed van afziet. Zoo blijft men

nis voortleven of liever voortsukkelen; men brengt zijn

te jaren in aanhoudende lauwheid door, en bij den

:na dood is men van de volmaaktheid zeer verwijderd,

ige vaak zelfs meer verwijderd dan men het in de eerste

31- jaren van het kloosterleven was.

ïne Wij zijn niet in staat den angst en de vrees te

;de begrepen, waardoor, in het uur des doods, een persoon die zoo een betreurenswaardig en afschrikkend leven

in leidt, zal verontrust en gekweld worden,

en Derde waarheid. De dagelijksche zonden zijn in

ocr page 178

172

staat, na mijnen dood, mij in langdurige en aller-vcrschrikkelgkste pijnen in het vagevuur te storten.

God is oneindig rechtvaardig in zijne oordeelen; Hy kan en mag dus geen enkele zonde ongestraft laten. Na den dood oordeelt God met groote gestrengheid ; Hy zal dus de kleinste zoude met hevige en groote pijnen straffen. — Veronderstel een kind dat vandaag tot de jaren komt, waarop het goed van kwaad kan ouderscheiden. Het begaat een dagelijksche zonde, waarna het sterft: dat kind zal God naar het vagevuur verwijzen tot het geheel en al gelouterd en gezuiverd is. Indien zoo iets aan een jeugdig kind overkomt, wat staat u dan te wachten voor zooveel dagelijksclie zonden, voor zooveel verkeerde neigingen, welke ge niet beteugeld, voor zooveel ongeoorloofde genegenheden, waaraan ge toegegeven hebt?

§§ 2.

O oer zekere dagelijksclie zonden, welke een kloosterling vooral met groote zorg moet mijden.

De eerste is, luiheid of traagheid in de geestelijke oefeningen, gebed en meditatie.

Door luiheid zijn oefeningen van godsvrucht achterlaten , ze verkorten, ze zorgeloos of slordig verrichten, met weerzin, met een vrijwillig verstrooiden geest, zonder ijver en in onwelvoegelijke houding, zonder aandacht: dat zijn grootere zonden dan men wellicht denkt. — Zonder de genade Gods vermogen we niets. In den regel schenkt God zijn genade niet aan een gebed met koudheid, slordig en zonder vurigheid verricht? Wat volgt hieruit? — Wee den kloosterling die den moed niet heeft zich hierin geweld aan te doen en te overwinnen.

a.

ocr page 179

173

De tweede dagelijksche zonde, welke men moet vermijden, is de gevoelige liefde, onverschillig jegens wie.

Een kloosterling behoort elk uur bereid te zijn zonder de geringste inwendige ontroering of stoornis, de personen te verlaten aan wie hij het meeste gehecht is, zonder te verlangen ze nog in dit leven terug te zien. Is hij of zij zoo niet gesteld, dan is zijn of hare liefde een ongeregelde liefde. — O hoe groot kwaad kan een ongeregelde genegenheid van dien aard veroorzaken. De heilige Theresia zag eens in een visioen de plaats, welke voor haar in de hel bestemd was, hadde ze niet aan zekere gevoelige vriendschappen, welke zij voor wereldsche personen gekoesterd had, vaarwel gezegd.

De derde dagelijksche zonde, die door ons moet vermeden worden, is toorn of gramschap en ongeduld.

In zijn hart toegang verleenen aan ontevredenheid, aan iets denken of over iets nadenken met gevoelens van toorn en wrevel, of in zijn hart dergelijke gevoelens voeden; de gejaagdheid en verstoordheid der : ziel door zijn verbolgenheid, door harde en bitse ^ woorden toonen en verraden, dezen of genen persoon uit tegeningenomenheid mijden; tegen zekere personen in zijn hart heimelijken wrok voeden.

Ziedaar zoovele zonden die God misvallen, omdat we aan den persoon van Christus zelf misdoen, wat we aan den naaste misdoen. Immers, welke zonde zou het niet zijn, indien we Christus behandelden zooals we onzen evenmensch wel eens behandelen? De derde te vermijden zonde is de weekelijkheid. Er zijn menschen die in alles hun gemak zoeken en in niets willen gestoord worden. Woning, kleeding, voedsel, alles moet naar hunnen smaak, luim of gril, naar den eisch hunner eigenliefde zyn. Gaab

ocr page 180

174

het hun niet naar den zin, zoo preutelen, morren, kijven en klagen ze; ze zijn ontevreden en wrevelig. Zulke personen zijn een ware plaag voor een com-munauteit, 't is bovendien een groote schande zulke onhebbelijkheden en gebreken te hebben; want, zijn ze niet eens in staat zulke kruimels te slikken, na ■ zich aan de versterving plechtig verbonden te hebben, wat hebben ze dan geleerd en welken voortgang hebben ze na zooveel jaren gemaakt?

De vijfde zonde is over de fouten eu gebreken van anderen lichtvaardig te spreken.

Over het slecht gedrag, de verkeerde neigingen, de onhebbelijke manieren, het lastige karakter en andere gebreken van den naaste spreken; zich over hem beklagen, met hem spotten; met minachting, misschien zelfs met verachting van hem spreken, op bitsen en bijtenden toon; dat zijn zooveel zonden, ten zeerste strijdig met de christelijke liefde en de reinheid des harten. Wie zijne tong niet kan bedwingen , zal nooit waren voortgang maken in de volmaaktheid

De zesde dagelijksche zonde, die men behoort te vermijden, is het gebabbel, de praatzucht.

Slechts weinig meuschen zijn van die fout heel vrij. Wat men weet, wat men hoort, wat men ziet, wat men hier en daar opraapt en uitpluist, alles moet voor den dag komen. Men vertelt aan dezen of genen wat een ander van hem of tegen hem gezegd heeft; men hitst hem op, men doet hem achterdocht vatten, vermetele oordeelen vellen, men wekt gevoelens van gramschap, bitterheid, onvriend-schap en duizend andere verkeerdheden bij hem op. O, welke vrede, welke liefde, welke eenigheid zouden er heerschen, konde men dien snapper, dien ver-

ocr page 181

175

klikker den mond snoeren. O, met hoeveel zorg' moeten wij trachten er ons geheel van te beteren. Had de gelukzalige Joanna van Jesus Maria het ongeluk gehad door de tong te zondigen, dan legde zij zich daarvoor als penitentie op den ganschen dag een keisteen in haren mond te houden

De zevende te vermijden dagelijksche zonde is, tegen den naaste te lichtvaardig achterdocht te vatten, ijdele en vermetele oordeelen over hem te vellen.

Deze fout is eene noodlottige vrucht van onzen hoogmoed, van onze verwaandheid en zelfoverschatting. Zy doet ons het gedrag, de neigingen, de meeningen van den naaste, die God alleen kent, verkeerd uitleggen; wij veroorloven ons dezelve te onderzoeken , er valsche en vermetele oordeelen over te vellen, er ons inwendig mee bezig te houden, en wat erger is, — onzen argwaan, onze oordeelen aan anderen mede te deelen en ze voor waarheid uit te geven. O hoezeer mishaagt aan God die vrijheid, welke wij ons veroorloven! Het is gewoonlijk om harentwille, dat God ons zijn genade onttrekt en toelaat dat wg juist in die zonden en fouten vallen, welke wij op zoo vermetele wyze aan den evenmensch hebben toegedicht.

De achtste te vermijden zonde is, de ijdelheid en de hoogmoed.

Die zonde kan men op velerlei wijze begaan. Nu is het de dwaze ingenomenheid met ons zeiven, die schuld is dat we ons zoo gaarne met ons zeiven en met zotte zelfvoldoening bezig houden; dan weer vatten we minachting, misschien verachting voor den naaste op en ontzien we ons niet zijn gedrag te bedillen; een ander maal wenschen wij door de men-schen geacht en geprezen te worden, en slagen wij

ocr page 182

176

€r in, dan zijn we over dien ijdelen rook in de wolken; somtijds doen we deze of gene zaak opzettelijk om aan de nienschen te behagen en door hen geacht en geprezen te worden; zelfs ontzien we ons niet -ons zeiven te prijzen en met ons persoontje te pronken. Die enkele zonde is voldoende om ons de barmhartigheid Gods te ontnemen en ons in de grootste ellende te storten. Wij zullen hier een afschrikkend voorbeeld van die ijdelheid of dien hoogmoed aanhalen.

Ochin, beroemd generaal der Capucijnen, en daarna berucht ketter, bracht eens een bezoek aan den heiligen Ignatius te Rome. Pater, zeide hij, ik heb vernomen dat ge een nieuwe Orde gesticht hebt en dat ge bezig zijt de regels en constituties er van vast te stellen. Bij die woorden stroopte hij de mouw van zijn habijt op en toonde aan den heilige zijn ontvleesden arm, er bijvoegende: zoo heb ik mij gekastijd en mijn Jichaam door vasten en boetedoen uitgeput De heilige Ignatius slaakte een diepen zucht en zeide hem: Pater, ik bid en smeek u den duivel den toegang tot uw hart te sluiten.

Het vervolg heeft bewezen hoe noodig deze vaderlijke vermaning was; want Ochin verliet de Orde en wierd apostaat. Men zegt dat hij zich nochtans voor zijnen dood bekeerd heeft.

Artikkl IT.

Over eenige middelen om zijn hart van de dagelijksche zonden te zuiveren.

Het eerste middel is een vast besluit te maken nooit in eenige dagelijksche zonde toe te stemmen. Tot dat einde moet een geestelgk persoon in zijn

ocr page 183

177

gebed en meditaties dikwijls een vast voornemen maken liever duizend maal te sterven, dan de kleinste dagelijksche zonde te bedrijven. Hij zal dit voornemen dagelijks meermalen vernieuwen bij zijn bezoeken aan het heilig Sacrament; daar zal Hg ootmoedig zijn zwakheid en onmacht belijden; hij zal God om zijne genade en zijnen zegen bidden en zal Hem het bloed van Jesus Christus opdragen om de noodige kracht te erlangen. De heilige Catharina van Genua zeide; Indien de zee in plaats van water met vuur gevuld was, zoude ik er mij liever inwerpen, dan de geringste dagelijksche zonde te doen.

Het tweede middel is spoedig op te staan, wanneer men in de zonde gevallen is.

Valt een geestelijk persoon door menschelijke zwakheid in de eene of andere dagelijksche zonde, zoo moet hij geen oogenblik wachten er boete over te doen; te dien einde zal hij zich voor het heilig Sacrament gaan wei-pen of voor zijn kruisbeeld. Indien hij op dat oogenblik daarin verhinderd is, zal hij zorg dragen in zich zeiven tc keeren, om ootmoedig voor God zijn fout te erkennen, om haar te betreuren en God tot voldoening het bloed van Jesus Christus aan te bieden. Daarna moet hij zijn goed voornemen vernieuwen en God op nieuw om bijstand en genade vragen. De spoedige penitentie of boetedoening is zeer voordeelig, daar zij ons vaak met meer moed, genaden en verdiensten doet opstaan dan wij vóór den val hadden.

Het derde middel is ons zeiven met eene heilige verontwaardiging te straffen.

Men kan zulks op volgende wijze doen: 1° zich eenige inwendige dingen opleggen, tegenovergesteld aan de fout, welke men begaan heeft; 2° er uitwen-

12

ocr page 184

178

dige handelingen aan toevoegen, ten einde die fout 1 te herstellen of het kwade voorbeeld, wat men daardoor zou kunnen gegeven hebben; 3° zich een boetewerk opleggen om zich te straffen over de ongetrouwheid, waaraan men zich plichtig heeft gemaakt. Bijvoorbeeld, ik laat me tegen iemand toornige woorden ontvallen; die fout moet ik op deze wijze uitboeten: 1° ik zal inwendig een tiental akten van liefde verwekken , en zooveel malen zal ik aan God het bloed van Jesus Christus opdragen voor hem tegen wien ik me boos heb gemaakt, opdat God hem met genaden overlade; 2° ik zal de gelegenheid zoeken hem eenigen dienst te bewijzen; 3° ik zal me geeselen, de eene of andere versterving of een ander boete-werk doen.

De heilige Antonius zich tot woorden van ongeduld hebbende laten vervoeren, deed zich een ketting om het lijf, en droeg ze zeven jaren om er boete over te doen.

TWEEDE GRONDREGEL.

Zijn hart rein en vlekkeloos voor God heiuaren.

De zuiverheid des harten is eene deugd waardoor de ziel boete doet voor de vroegere zonden, en zich zorgvuldig wacht er nieuwe te begaan; en op die wijze wandelt ze in de tegenwoordigheid van God rein en vlekkeloos.

Om die deugd te verkrijgen, moet men zich op de twee volgende punten toeleggen: 1° de bedrevene zouden afboeten; 2° zorgvuldig waken geen nieuwe te bedrijven.

Met Gods genade gaan wij thans over tot eene uitvoeriger verklaring dezer twee punten.

ocr page 185

179

fout f §§ 1.

00' Over de inwendige oefeningen waardoor men

^ de begane fouten kan af boeten.

)or- Door de inwendige boete-oefening verstaat men den ; een gestadige oplettendheid en zorg om zich de begane en: zonden te herinneren en voor te stellen ten einde ze voor 7er- God met eeu waar berouw te verfoeien , ze door boete oed uit te wisscheu, en de verkeerde genegenheid, waarden door men zich aan de schepselen gehecht had, gan-ge- schelijk uit te roeien. Men kan nauwelijks gelooven tem hoe voordeelig die inwendige boetvaardigheid aan en , de ziel is, — want daar God oneindig goed en barm-jte- hartig is, volgt daaruit dat het leedwezen der ziel Hem uiterst aangenaam is; Hij vergeet aanstonds uld de fouten, welke die ziel jegens Hem begaan heeft, om en bemint haar vuriger en teederder dan eene andere ver die Hem niet vergramd heeft. Het schijnt als of hij haar somwijlen in meer fouten laat vallen, om haar daarna des te meer liefde te betoonen.

De onschuld is zonder twijfel een groot geluk; nochtans kan men zich overtuigd houden, dat er in den hemel veel heilige boetelingen zijn, die vele andere oor duizenden overtreffen, welke in onschuld geleefd hebben, ich De volmaakte liefde, aan het einde van het leven, die , verschaft een grootere welwillendheid van den kant rod van God en een schitterendere kroon in den hemel.

Een fout, waaraan men zich plichtig maakte, is vaak op oorzaak of beter aanleiding dat men daarna des te ;ne meer ijver heeft; zoodat, ware men niet gevallen, we men niet zoo'n blakenden ijver zou gehad hebben; de ziel zou op zekere middel-hoogte staan gebleven, en ;ne nooit zoo hoog opgeklommen zijn. Kortom, God gt; laat de ziel niets verliezen, Hij belast haar niet met

1

ocr page 186

180

straffen voor vroegere fouten. —Wie Hem het vurigste • bemint, is Hem het liefste; onverschillig of hij een rechtvaardige en onschuldige, of een boetvaardige zij. Wat Hij echter volstrekt vereischt, is een ver-morseld en rouwmoedig hart; zonder dat kan men geen aanspraak maken op zijne liefde en vriendschap.

't Is waar, de heilige Geest leert eene ziel, die Hij met zich wil vereenigen, meer dan ze ooit van de menschen zou kunnen leeren. Nochtans om haar te hulp te komen, indien ze nog novice is in de wegen Gods, zullen we haar eenige oefeningen aanwijzen , die haar zullen doen zien hoe ze hare zonden moet verfoeien onder het gebed. Bij die oefeningen moet men op de volgende punten letten:

1° Men moet dagelijks minstens een half uur met Turigen ijver aan die oefeningen besteden.

2° Men moet er mee voortgaan tot men zich over zich zeiven ontevreden en verontwaardiffd gevoelt.

O o

3° Is het hart van leedwezen vervuld, zoo moet men vooral zorg dragen dat er zich geen vreesachtigheid noch wantrouwen van Gods goedheid in menge. Wantrouwen mishaagt God grootelijks. Heeft God niet opgehouden de ziel te beminnen , toen ze Hem ontrouw was en Hem veel vergramde, zoo zal Hij haar des te meer thans beminnen, nu ze hare zonden oprecht betreurt en Hem ootmoedig om vergeving vraagt.

Eerste oefening. Neem uw kruisbeeld of stel het u in den geest voor oogen en zeg bij u zeiven: »O mijn gekruiste Jesus! indien ik kwam te sterven na deze zonde en voor uw rechterstoel moest verschijnen, welke wederzijdsche blikken zouden wij dan niet wisselen over mijnen toestand? Gij zoudt mij kunnen zeggen dat ge my meer bemind hebt dan een vader.

ocr page 187

181

?ste En ik, wat zou ik U kunnen zeggen? Dat Ge my met een oneindige liefde reeds bemindet, toen ik nog niet geboren was, en dat Ge uw laatsten druppel i bloeds voor mij gestort bebt op den Calvarieberg. [ Ik was nauwelijks tot de jareu van verstand gekomen, 1 of ik begon U reeds te bedroeven en door honderden | zouden uwe oneindige goedheid te vergrammen; en 1 Gij, mijn God! Gij hebt dat alles stilzwijgend en ; met geduld verdragen, of hadt Ge die beleedigingen noch gezien, noch gekend. Vele jaren ben ik voortgegaan met U te miskennen en te verachten; Gij integendeel, in plaats van mij niet verachting voor immer van u af te stooten, Gij hebt niet opgehouden het verdoolde schaap op te zoeken en na te speuren, en het uit te noodigen tot inkeer te komen. Hoeveel inspraken, waardoor Ge trachttet mij tot ü te trekken, | heb ik niet spottend in den wind geslagen? Gy echter i liet U daardoor niet ontmoedigen, maar gingt onvermoeid voort het verloren schaapje langs lastige wegen op te zoeken, en rusttet niet vooraleer Gij het gevonden hadt. Gij handelt met mij als kondt Ge mij niet missen en ware zonder mij het geluk des hemels niet volmaakt.quot;

Overweeg die waarheden ernstig; prent ze diep in uw hart; wik en weeg ze aandachtig. Stort uw hart daarna dezer wijze uit:

1° Erken dat ge slecht gehandeld hebt met een zoo goeden Vader te vergrammen, voor zijn liefdevolle en vaderlijke uitnoodigingen zoo lang doof te blijven; met uw hart aan de schepselen te hechten, met verachting van Hem voor wie uw hart geschapen j is en aan wien alleen het bijgevolg toebehoort,

2° Betreur en verfoei de dagen, uren en oogen-blikken, dat ge een zoo goeden God beleedigd hebt;

ocr page 188

182

beween oprecht uwe zonden; wensch uit geheel uw [ 0Pe hart die ongelukkige oogenblikken te kunnen her- i stellen, dat ge tegen God gezondigd hebt, die zoo ?

goed voor u was.

3° Bewonder de oneindige goedheid van uwen Verlosser, die zooveel beleedigingeu en versmadingen van een zoo ellendig schepsel als gij, heeft willen verdragen; die zoo lang en zooveel boosheden en ondankbaarheden van u heeft willen lijden, die in zijne onbegrijpelijke lankmoedigheid u zoo lang opspeurde en zocht, u zijn hart aanbiedende om er u in op te nemen, niettegenstaande dat ge steeds wederspannig en doof bleeft.

4° Maak een vast voornemen liever alles te willen lijden in deze wereld en in de andere, dan voortaan nog ooit te zondigen. Bied Hem uw hart aan met alles wat ge bezit en zijt. Maak het vaste besluit Hem voortaan boven alles te beminnen, met denzelfden ijver, dezelfde vurigheid te beminnen, waarmede ge Hem vroeger bedroefd en vergramd hebt.

5° Omhels uwen Zaligmaker, druk Hem tegen uw hart; kus zijne heilige wonden en bid Hem om vergiffenis.

Tweede oefening. Neem uw kruisbeeld en vestig er uw oog op met aandacht; overweeg dan in bijzonderheden alle smarten en pijnen, die Jesus Christus voor u geleden heeft. Aanschouw zijn aanbiddelijk hoofd, met scherpe doornen doorstoken, zijn haren druipende van bloed, zijn met bloed gevulde oogen,

zijn door de slagen zwart en blauw geworden wangen,

zijnen mond met gal en edik gelaafd. Beschouw de wonden door het kruis in zijne schouderen gemaakt,

zijne handen en voeten met nagelen doorboord, zijn gansche lichaam door de geeseling verscheurd en

ocr page 189

183

opengereten, zgne spieren verrekt, zijne ledematen ontwricht. Beschouw zijne ontvleesde armen en voeten en gansche lichaam, en zijn vleesch in flarden afhangend, met gestold bloed heel doortrokken. Overdenk hoe Jesus door onmenschelijke pijnen en smarten gefolterd en afgemarteld werd; welke droefheid en benauwdheden Hij moest lijden, van allen troost verstoken, door allen verlaten, aan den bittersten spot en versmadingen der omstanders blootgesteld; overweeg eindelijk hoe Hij zijn geest geeft in de hevigste pijnen en folteringen van geest en lichaam. Na al dat lijden rijp overwogen te hebben, vraag er de oorzaak van aan uwen Verlosser. — Wie heeft Hem tot dien beklagenswaardigen staat gebracht? Wie heeft Hem al die pijnen aangedaan? En na ingezien te hebben dat uwe zonden de eenige oorzaak zgn geweest van zooveel lijden, stel uwe zonden, uwe boosheden, uwe ondankbaarheden tegenover de on-begrijpelijk groote liefde van Jesus eu geef u dan aan de volgende liefdebetuigingen over:

1° Bewonder eenerzijds de oneindige goedheid van uwen Verlosser; bewonder hoe Hij u zoo zeer heeft kunnen beminnen, zooveel voor u kunnen lijden, ofschoon hij van eeuwigheid voorzien had op hoe schandelijke en verfoeielijke wijze gij hem indertyd behandelen zoudt; anderdeels sta verbaasd en verstomd over uwe zwarte, ongehoorde ondankbaarheid, vraag u zeiven af hoe het toch mogelgk is geweest dat ge den beste der Vaders zoo diep hebt kunnen bedroeven , zoo onmenschelijk behandelen.

2° In zijn heilige tegenwoordigheid stort u in den geest in de diepte der hel te midden der verdoemden, en erken dat ééne hel niet genoeg is om uwe zonden te straffen zooals zij het verdienen en zeg tot u

ocr page 190

184

zeiven, dat ge ook nu nog verdient voor immer verworpen te worden.

3° Aanschouw zijn bebloed lichaam en bid Hem toch medelijden met u te hebben om wille van dien oneindigen losprijs, en vertrouw met een kinderlijk geloof dat hij u de volle vergiffenis van al uwe zonden zal schenken, zelfs dan indien ze oneindig grooter en talrijker waren.

4° Verzamel al uwe krachten ten einde al uwe zonden, ongeregelde genegenheden en onvolmaaktheden uit den grond van uw hart te verfoeien; en betuig aan God dat ge u met vreugde levend zoudt willen laten verbranden, ten aanzien der wereld, indien ge daardoor uwe zonden ongedaan kondt maken en u zeiven in den staat stellen als hadt ge nooit gezondigd.

5° Omhels uwen Zaligmaker, vertrouw uwe ziel en uw lichaam aan de wond van zijn hart, en bid Hem beiden andermaal te zuiveren, zooals dat eens in het heilig Sacrament des Doopsels geschiedde.

Derde oefening. Sluit de oogen en stel u levendig de helsche kerkers voor; doorloop de rampzalige oorden, het akelige verblijf der verdoemden in alle eeuwigheid. Zie daar, te midden van dat verschrikkelijk vuur, die jonge dochter die slechts een maand in de zonde van onzuiverheid geleefd heeft, of die andere, die slechts enkele doodzonden gedaan heeft; iets verder ontwaart uw oog iemand, die op eene andere wijze gefolterd wordt, ofschoon hij nooit door onzuivere werken, maar slechts door begeerten gezondigd heeft; zie hoe verschrikkelijk die persoon lijdt die slechts eenmaal op onwaardige wijze de HH. Sacramenten ontvangen heeft, en leer daaruit hoe groot de boosheid eener heiligschennis is. Werp

ocr page 191

185

daarna een blik op u zeiven en vraag u af aan wie gij het moet dank weten dat ook gij niet onder het getal dier ongelukkigen zijt? Overweeg daarna dat het God is die u door zijne oneindige barmhartigheid voor zoo groot onheil heeft bewaard. Laat vrijen loop aan uwe gevoelens van liefde en dankbaarheid.

1° Eeuwig lof en dank aan God voor zijn oneindige goedheid en barmhartigheid, waardoor Hij u van uw eeuwig ongeluk heeft bewaard; eeuwige dankbaarheid aan God voor den tijd dien Hij u geschonken heeft en verder nog zal schenken, om uwe zonden door een oprecht berouw en plichtmatige boetvaardigheid uit te wisschen.

2° Erken voor God uwe boosheid, het groot getal en de afgrijselijkheid uwer zonden en de lange jaren die ge er in hebt doorgebracht.

3° Wek u tot levendigen smart over dezelve op, verfoei ze uit den grond uws harten en wensch ze nooit bedreven te hebben.

4° Maak het vast besluit nooit en voor niets ter wereld in de minste zonde toe te stemmen.

5° Beween uwe zonden bitterlijk voor God en bid Hem u nooit in zonden te laten vallen, en u liever uit de wereld tot zich te roepen, dan toe te laten dat gij Hem nog ooit ontrouw zoudt worden.

Vierde oefening. Verhef uw oog hemelwaarts en aanschouw Gods oneindige Majesteit, die ge door uwe zonden beleedigd hebt. O groote God! o oneindig , grenzeloos goed! Gij spraakt slechts één woord en alles, hemel en aarde, kwam uit het niet te voorschyn; Gij zoudt slechts één woord behoeven te spreken om duizende nieuwe hemelen en werelden met nieuwe schepselen te doen ontstaan ; zoo ook zoudt ge slechts één woord behoeven

ocr page 192

186

te spreken om alles in het niet te doen terugkeeren. Aanschouw Gods almacht, welke de engelen sedert zes duizend jaren genieten en de heiligen in alle eeuwigheid met onuitsprekelijke zaligheid zullen genieten. Indien God nog zooveel engelen en men-schen schiep als er zandkorrels zijn op den oever der zee, allen zouden oneindig gelukkig zijn in het aanschouwen van Gods aanschijn. O oneindige schoonheid, o oneindige goedheid van mijn God! een enkele verzuchting tot Hem, een woord ter zijner eer, een geringe daad uit liefde voor Hem, een klein kruisje, een weinig pijn tot zijne meerdere eer en glorie verdragen; dat alles beloont Hij in den hemel, door eene eeuwige gelukzaligheid.

Ziedaar hoe goed God is! Om wille eener verzuchting, voor een traan, voor een enkele goede biecht vergeeft Hij een oneindig getal der zwaarste zonden; Hij wacht op den zondaar dertig, veertig, vijftig jaren; Hij zwijgt, Hij spreekt geen woord over de grootste misdrijven, Hij roept en smeekt den zondaar, Hij achtervolgt hem, loopt hem na, alles uit louter liefde, alles om zijn arme ziel te redden; heeft Hij hem eindelijk gevonden, dan neemt Hij hem op zijne schouderen, — en er heerscht vreugde in den hemel, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen die geene bekeering noodig hebben. — Zoodanig is Gods oneindige barmhartigheid!

o r)

Nadat ge die oneindige grootheid van God goed hebt ingezien, moet ge uw oogen naar u zeiven keeren en uwe nietigheid en ellende aanschouwen. O hoe ellendig en nietswaardig zijt ge! Gij zijt louter niet, een beetje stof, een handvol slijk. Gij zijt in zonde opgevoed, in zonde zijt ge vergrijsd en oud geworden. Gij hebt de hel verdiend; gij hebt meer

ocr page 193

187

zonden gedaan dan de duivelen, gij hebt verdiend eeuwig verworpen te worden, meer dan duizende anderen die in de hel branden. Besluit hieruit hoe snood ge gehandeld hebt met tegen God op te staan, zijne oneindige Majesteit als het ware uit te lachen en te bespotten, eiken dag, ieder uur, gedurende zoovele jaren, en door zoo vele miskenningen en versmadingen. Geef u daarna aan de volgende beschouwingen over:

1° Overweeg met een levendig geloof Gods oneindige volmaaktheid, hoezeer Hij verdient bemind te worden en hoe beminnenswaardig Hij in zich zelf is; overweeg dat de zonde het grootste en eenige kwaad is; dat God oneindig goed is en een door berouw vermorzeld hart nimmer verwerpt.

2° Wek u tot deze vaste hoop en dit kinderlijk vertrouwen op, dat God, uit zich zeiven reeds genegen oneindig lankmoedig en barmhartig te zyn, uwe zonden zal vergeven om uwe goede gesteltenis, dat Hij er niet meer aan zal denken; en dat Hij ze u bovendien zal vergeven om wille van de oneindige verdiensten van Jesus Christus en zijne eigene beloften , met het oog vooral op uw oprecht berouw.

3° Wek u op Hem vurig te beminnen, alleen omdat Hij verdient bemind te worden om zich zeiven en boven alle schepselen.

4° Wek u ook op tot een levendigen smart en oprecht leedwezen over de zonden van heel uw leven; bid Hem om vergeving, door u diep voor God te vernederen en het vaste besluit te maken Hem nooit meer te vergrammen,

5° Druk deu vurigen wensch uit de beleedigingen, welke gij God hebt aangedaan, zooveel doenlijk te herstellen, voor dezelve te boeten; bied Hem

ocr page 194

188

uw lichaam aan, uwe ziel, uw eer en goedeu naara en alles wat ge hebt; verheug u dat al uwe zonden in het laatste oordeel zullen gekend worden door alle engelen, alle heiligen en alle verdoemden, — opdat alle schepselen weten hoe groot Gods barmhartigheid jegens u was, en Hij er eeuwig voor geloofd en geprezen worde.

§§ 2.

Over de uitwendige oefeningen en praktijken, waardoor men de zonden kan uiiwisschen en af hoeten, welke men begaan heeft.

De eerste oefening of praktijk is, de heilige Mis godvruchtig bij te wonen.

Van alles wat men God kan aanbieden tot af boeting zijner zonden, is niets te vergelijken bij de heilige Mis. Leg in de eene schaal het bloed van alle martelaren, de strenge boetedoeningen van alle kluizenaars en woestijnbewoners, de zuiverheid van alle maagden, den vurigen ijver der Apostelen, de gloeiende liefde van alle engelen, alle deugden van alle uitverkorenen; en leg in de andere schaal een enkele verzuchting van uwen goddelijken Verlosser, om van zijn hemelschen Vader vergiffenis af te smeeken voor uwe zonden; een enkelen tot dat einde door hem vergoten traan, een enkelen door Hem gezetten stap, een enkelen tot dat einde door Hem vergoten druppel bloed; dat alleen is oneindig meer waard om al uwe zonden uit te wisschen, dan al hetgeen we hiervoren opsomden. Welnu , wat draagt men aan God den Vader op in de heilige Mis ? Het gansche leven en lijden, alle smarten, alle folteringen, alle tranen en al het bloed, alle verdiensten en alle

T

ocr page 195

189

deugden, de ziel en het lichaam, in één woord, men draagt aan God den Vader zijn eenigen en welbeminden Zoon op, den ganschen Christus met zijn godheid en menschheid. O dat ge dit geheim eens goed mocht begrijpen! O dat ge er uw voordeel meê wist te doen, hoe gemakkelijk en hoe gauw zoudt ge daardoor al uwe zonden kunnen uitwisschen. Alles bestaat in de volgende punten:

1° Verwek bij het begin der Mis, uit geheel uw hart, een akte van berouw over al uwe zonden en boosheden; verfoei en verafschuw ze meer dan alle ander kwaad; maak een vast voornemen liever duizendmaal te sterven dan nog een enkel, zelfs maar kleine dagelijksche zonde te begaan, enkel en alleen omdat gg louter niet zijt, God daarentegen, het hoogste goed, hetwelk om zich zelf verdient oneindig bemind te worden.

2° Draag met den priester, na het Evangelie, de heilige Mis in deze wijze op: O hemelsche Vader, mijn Heer en mijn God! ik draag U de H. Mis op met dezelfde liefde, denzelfden ijver, dezelfde meeuing waarmede uw goddelijke Zoon zich aan U opoffert op het Altaar. Aanvaard, o eeuwige Vader! den lof, de eer en de glorie, welke uw welbeminde Zoon U hierdoor betuigt, ten einde de beleedigingen en

o quot; o o

versmadingen te herstellen, die ik ellendig schepsel uwen heiligen Naam heb aangedaan door de zonden van heel mijn leven. Aanvaard het dankbaar hart van Jesus, hetwelk Hij u uit erkentelijkheid opdraagt voor de oneindige barmhartigheid, welke Gij mij bewezen hebt, door mij zoo vaderlijk te beminnen, ondanks mijne zonden, door mij op den rand van den gapenden afgrond der hel staande te houden, toen ik op het punt stond mij, in mijne onbezonnenheid.

ocr page 196

190

luchthartig daarin te storten. Neem het kostbaar bloed dat Jesus u opdraagt aan, tot algeheele voldoening voor alle zonden en ongerechtigheden, waarin ik me gedurende zoovele jaren gewenteld heb, niettegenstaande dat Gij intusschen voortgingt met volle handen, nieuwe genaden over mij uit te storten. Aanvaard deze goddelijke offerande, welke Jesus voltrekt voor uw aanbiddelijk aanschijn; en door de verdiensten van dit heilig Sacrificie, schenk mij de genade, niet alleen U niet meer te vergrammen, maar ook U eindelijk met zooveel vurigheid beginnen te beminnen, als ooit een menschelijk hart U op aarde bemind heeft. Schenk mij toch deze genade, o mijn God! volgens uwe oneindige goedheid en barmhartigheid.

3° Als de heilige Hostie opgeheven wordt, verzamel al uwe krachten en stuur deze verzuchting ten hemel: O hemelsche Vader! mijn Heer en mijn God! aanschouw de heilige Hostie, deze vlekkelooze offerande , welke U thans uw eenige Zoon op het altaar opdraagt, en uit liefde en hoogachting voor Hem, vergeef mij alle zonden, welke ik tegen uwe oneindige Majesteit bedreven heb!

Bij de opheffing van den kelk: O eeuwige Vader! mijn Heer en mijn God! sla uw genadig oog op dit kostbaar bloed, hetwelk uw goddelijke Zoon voor mg op het kruis gestort heeft; laat daarvan op mijne ziel een druppel vloeien, en door deszelfs verdienste zuiver mijn hart van alle zonden, waarmede het besmeurd is.

4° Bij de heilige Communie, verdubbel uwe godsvrucht en verwek met groote vurigheid akten van geloof, hoop, vertrouwen, nederigheid, berouw en verlangen uwen God in werkelijkheid te mogen ont-

ocr page 197

191

vangen, indien u dit geoorloofd was. Men kan het overige van den tijd tot aan het einde der Mis doorbrengen met mondelinge of inwendige gebeden te verrichten.

De tweede oefening is dikwijls te biechten le gaan. De biecht is die fontein welke Jesus, onze Verlosser, door zijn lijden en dood heeft doen ontspringen om er ons van al onze, na het doopsel begane zonden, at te wasschen. Een enkele biecht, met de vereischte gesteltenis gesproken, is voldoende om eene ziel, die jaren lang in zonden, al waren ze nog zoo groot, geleefd heeft, heel rein te wasschen.

Put iemand zulke groote genade niet uit die bron, zoo is het zijn eigene schuld. — Gods goedheid is oneindig: Zij is steeds bereid aan eene boetvaardige ziel veel meer zonden te vergeven, dan zij er ooit zou kunnen bedrijven. Verlangt eene ziel deze genade, dan behoort ze de volgende punten te behartigen :

1° Na haar geweten goed onderzocht te hebben, zonder vrees en angstvalligheid en zonder onnoodig tijdverlies, moet ze veel zorg besteden zich tot een oprecht berouw op te wekken. Het beste middel zou zyn een kwartier vóór de biecht te besteden aan de inwendige oefeningen, die we behandeld hebben in de eerste paragraaf of afdeeling, en hare zonden, zooveel als ze kan, te verfoeien, met een oprecht en Vast voornemen liever te sterven, dan nog ooit vrijwillig, al was het ook maar eene dagelijksche zonde te begaan; ze zal vooral het besluit maken zich ernstig te beteren, wat het koste, van zekere dagelijksche zonde, waarin ze dikwijls valt.

2° Men moet biechten met eene diepe nederigheid, die bestaat in niets te verbergen noch te verbloemen.

ocr page 198

192

niets te verminderen, zich ia niets te rechtvaardigen, maar met de meeste oprechtheid alles te zeggen wat het geweten ons verwijt. Men moet een levendig geloof hebben, — waardoor we den biechtvader niet als een mensch beschouwen, maar als God, die alles weet, en in wiens naam de priester ons van onze zonden ontslaat. Men moet tot het Sacrament naderen met een rouwmoedig en vermorzeld hart, wat zich niet tevreden stelt zich eens beschuldigd te hebben van de zonden die men bedreven heeft, maar hetwelk door een heiligen haat tegen zich zei ven gedreven en te zijner beschaming, telkens een of meer zonden van het vroegere leven, die ons het meest tot schande strekken, er bijvoegt. Men behoort bij de biecht een grooten ijver te hebben voor de glorie van God, een grooteu ijver om God een eerherstel aan te bieden, door de ellenden van zijn hart te openbaren.

3° Wanneer de priester de absolutie geeft, moet de boetende ziel zich voorstellen dat ze met Maria Magdalena neergeknield ligt aan de voeten van den Verlosser, en zij moet Hem bidden een druppel van het kostbaar bloed, dat Hij voor haar op het kruis vergoten heeft, op haar te laten afvloeien, en haar door de verdiensten van dat bloed, van alle hare zonden te reinigen.

4° Na de biecht moet ze zicli niet tevreden stellen met de kleine penitentie, die de biechtvader haar heeft opgelegd, maar om zich op haar lichaam te wreken, moet ze zich flink geeselen, ten einde op die wijze de beleedigingen te herstellen, die ze God heeft aangedaan. O! welken troost bereidt zich de ziel als ze op die wijze biecht! welke geruststelling en zekerheid voor het uur des doods! welke vreugde ■en glorie in den hemel!

ocr page 199

193

De derde praktijk is groote zorg te hebben om I aflaten te verdienen. Het is treurig te zien hoe weinig men bezorgd is uit dien grooten schat te putten. Een enkele volle aflaat is voldoende om voor de ziel volle kwijtschelding te verkrijgen van alle straffen, welke ze door hare zonden verdiend i heeft. Om voordeel te doen met die allerheilzaamste i oefening moet ge volgender wijze handelen;

1° De werken voorgeschreven voor het verdienen der aflaten, moeten met de meeste godsvrucht verricht worden, en terwijl men ze verricht, moet men zorg dragen zooveel mogelijk van alle dagelijksche zonden vrij te blijven.

2° Men zal die werken met de volgende meening aan God opdragen: Mijn Heer en mijn God! Gij die de eenige liefde en het eenig verlangen zijt van mijn hart, ik draag U dit werk op in vereeniging met de intentie, waarmede U Jesus Christus al zijn werken heeft opgedragen, tot meerdere eer en glorie van uw heiligen Naam, om uw goddelijk Hart te behagen, enkel en alleen omdat Gij het hoogste goed zijt, wat ik bemin en hoogschat meer dan alles, om zich zeiven. Ik ben een arme, ellendige en zondige ziel, en ik ben onwaardig de geringste genade van ü te ontvangen; daar Gij echter oneindig goed en barmhartig zijt, durf ik U te vragen en hoop ik van uwe goedheid veel groote genaden te bekomen. S Maak, o mijn God! dat de eer van uwen heiligen Naam meer en meer over de wereld verspreid worde, en alle volkeren voor de eer en glorie van uwe heilige Kerk, in edelen wedstrijd, steeds opkomen en ijveren! Maak, o mijn God, dat alle christene vorsten en koningen in vrede en eendracht leven; dat ze de wapenen alleen gebruiken tegen de vijanden van uwen

13

ocr page 200

194

men redelijker wijze niet twijfelen denzelven deelachtig te worden.

De vierde praktijk is de gewoonte van zekere boetewerken te verrichten. heid

De geest der heilige zielen is een geest van boet- ,1 enke vaardigheid. Alle voetstappen door de heiligen achtergelaten, zijn met het bloed geverfd, dat ze vergoten hebben, met hun lichaam vrijwillig te geeselen. Men zal moeilijk een enkelen heilige aantreffen, ook onder dezulken die tot aan hunnen dood in onschuld geleefd hebben, die zijn lichaam niet door strenge boetvaardigheid gepijnigd heeft Onder de uitgele-zenste genaden, welke God in den regel aan eene ziel schenkt, die Hij tot zich wil trekken, is het verlangen, de wil om zich te versterven door allerhande gestrengheden. Men moet hieromtrent de volgende punten in acht nemen;

4° Men moet met toestemming van zijn biechtvader zich voornemen eenige boetewerken te verrichten en ze zonder dringende reden nooit achterlaten. Op dit punt wordt nog al eens verkeerd gehandeld. Men

heiligen Naam! Schenk me de genade, o mijn God, ;; laat volmaakt de intentie te vervullen, welke onze heilige f- schal Vader de Paus, uw plaatsbekleeder op aarde, had, ■ redei toen hij dien aflaat verleende! Geef, o mijn God! I schij door uwe oneindige barmhartigheid, dat ik dezen [ die aflaat winne en daardoor de volle kwijtschelding van ' dan alle straffen, die ik door mijne zonden verdiend heb, j heeft verkrijge. '

3° Als ge het laatst voorgeschreven werk verricht,

verwek dan een volmaakt berouw, en maak een vast voornemen liever te sterven, dan vrij willig een dagelijksche zonde te begaan. Als men op deze wijze | zich zijn best doet om eenen aflaat te verdienen, kan : en r

mijn persi ü t(

moec kind te bi 2°

maal bem: zoo ü t mijn dooi ben verv verd vooi ovei liefd der zelv ster miji

ocr page 201

195

schijnredenen en voorwendsels zijn, dat wij meenen die werken te mogen achterlaten. Men moet zich f van dan vermannen en toonen, dat men een kloek hart heb, i heeft, dat zich zoo licht niet laat afschrikken en den moed heeft de verkeerde natuurlijke liefde en het richt, i kinderachtig medelijden dat we met ons zelven hebben,

een 1 te bestrijden en te overwinnen.

; een i 2° Alvorens een boetewerk te verrichten, zal men wijze ' zich voor God nederwerpen om Hem hetzelve moedig kan i en met deze intentie op te dragen: O mijn God en deel- ■ mijn Al! ik bemin U boven alles, omdat Gij het op-j perste goed zgt; en van ganscher harte wensch ik skere i ü te kunnen beminnen met evenveel ijver en vurigheid als ü ooit een mensch op aarde bemind heelt, enkel en alleen omdat Gij oneindig groot en volmaakt , oneindig beminnelijk eu waardig zijt oneindig bemind te worden. Ik draag U dit boetewerk met zoo eene liefde op, alleen om U te verheerlijken en U te behagen. Ik herstel hierdoor, zooveel dit in mijn vermogen is, de eer en glorie waarvan ik ü door mijne ondeugden en zonden beroofd heb. ik ben ü oneindig dankbaar dat Gij mij niet voor altijd verworpen hebt, zooals ik het door mijne zonden verdiend heb; ik geef U de voldoening, die ik U voor mijne zonden verschuldigd ben; ik bid U, U over mij te ontfermen; onthecht mijn hart van de liefde der schepselen; ontsteek in mijn hart het vuur der goddelijke liefde; schenk mij de genade mij zelven en alle geschapene dingen ganschelijk af te sterven, ü alleen uit al mijne krachten en met al mijne vermogens te beminnen, en mij geheel met

God, ij laat zich door de eigenliefde zoo gemakkelijk ver-ïilige | schalken. Zij, zoo sluw en geslepen, weet ons zooveel had, redenen aan de hand te doen, die eigenlijk slechts

God! lezen

boet-hter-'oten Men mder l ge-•enge gele- | eene 3 het iller-t de

rader in en Op Men

ocr page 202

196

De eerste oefening is, dikwerf het vast voornemen te vernieuwen, meer dan den dood, alle dood- en dagelijksche zonden te vluchten.

Te dien einde zal men tweemaal daags 's morgens en bij het avond-onderzoek, voor het kruisbeeld, al zijne zonden verfoeien, en men zal zich ernstig en vastelijk voornemen liever alle rampen en kwaden te verdragen, dan God door de kleinste zonde te vergrammen; maar men moet tevens zorg dragen zijne zwakheid wel te beseffen, zijn vertrouweu alleen te stellen op Gods almacht en goedheid; men moet Hem door de oneindige verdiensten van Jesus' kostbaar bloed de genade vragen tot aan het einde toe in dit goed voornemen te volharden.

De tweede oefening is de bekoringen terstond te bestrijden en met Gods genade te overwinnen.

Zonder levensgevaar kan men geen oogenblik een giftige slang aan zijnen boezem bewaren; om er niet door gebeten te worden, moet men er zich terstond van bevrijden Zoo moet ook de ziel, wil ze in de bekoringen niet bezwijken , bij den eersten aanval, alle slechte gedachten, alle verkeerde genegenheden die in het hart opkomen, verwerpen, en ze onmiddellijk verstikken door zijne gedachten op andere zaken te vestigen, of wel een vurige akte van liefde

U te vereenigen. Alles wat ik vau U verlang, o verwe mijn God! is U van ganscher harte te beminnen, Je ^ in die liefde te sterven, en ü zoo blijven te beminnen gedurende de gansche eeuwigheid. j j)e

§§3. tSp^

Praktijken en oefeningen om verdere zonden te i daarv vermijden. leen d

boost meer zich i neder betrei ze ve schap voorn Buite te pr een v

ocr page 203

197

8' 01 verwekken. Dit is onvoorwaardelijk noodig om in nen' f de bekorinsf niet te bezwiiken en overwinnaar te in,en ( blijven.

De derde oefening is, nadat men gevallen is, | spoedig boete doen.

Heeft men gezondigd, zoo moet men terstond te I daarvoor boeten. Is men zwak geweest, en in leen dagelijksche zonde gevallen, zij het door eigen boosheid, èf door list van den duivel, of min of .men meer joor verrassing, zoo moet men zich haasten 611 zich aan de voeten van den gekruisten Jesus te gaan ^nederwerpen, zijn zonden ootmoedig bekennen, dezelve betreuren en verfoeien, genade en hulp vragen om ' ze verder te vermijden. Daarna zal men met blijd-schap, moed en een kinderlijk vertrouwen zijn goed je voornemen vernieuwen, zonder vrees noch droefheid.

Buitengewone vrees of droefheid na den val is niet 3jgen , te prijzen. God bemint een vermorzeld, maar niet moe't eeü vreesac^g en ontmoedigd hart.

jost-i toe

d te

een

niet ===============^^=

tond '

n de ival, J edeu mid-dere iefde '

ocr page 204

198

10e Jfooföytwji.

Over de versterving.

GRONDREGEL.

Geen dag laten voorbijgaan zonder zich dikiuijls en flink te overwinnen,

§§ I-

Beweegredenen om zich te overwinnen.

Eerste beweegreden. Ik heb God beleedigd door al de ledematen van myn lichaam en alle vermogens mijner ziel; ik moet mij derhalve in alle ledematen van mijn lichaam en iu alle vermogens mijner ziel, uit liefde tot God versterven.

Ondankbare ziel! keer in u zelve en onderzoek uw geweten, overweeg alle beleedigingen, welke gij God hebt aangedaan door alle ledematen uws lichaams en alle vermogens uwer ziel. Wat hebben uwe oogen, uwe tong, uw mond, uwe handen en voeten en alle ledematen van uw lichaam ten opzichte van God, uwen Schepper, gedaan? Wat, uw geheugen, uw verstand, uw wil? Welke waren de gedachten, de begeerten, de genegenheden, de inzichten, de intenties of meeningen dier vermogens uwer ziel? Zoo groot is het getal der beleedigingen, die ge God hierdoor hebt aangedaan, dat ge moeite zoudt hebben ze te tellen. Zou het dan niet billijk en rechtvaardig zijn aan God nu evenveel verstervingen in die ledematen. en vermogens aan te bieden, als gij Hem door die-i zelfde ledematen en vermogens beleedigingen hebt aangedaan ? Dien grooten God de kleinste beleedigiug

ocr page 205

199

aandoen, is, volgens de godgeleerden, een zoo groot kwaad, dat de strengste boetvaardigheid, uit eigen kracht, ze niet vermag uit te wisschen; hoe weinig dus zal ik op die schuld afbetalen, als ik een kleine versterving doe voor elke beleediging door mij aan dezen groeten God toegevoegd?

Tweede beweegreden. In alle ledematen van zijn lichaam, in alle vermogens zijner ziel heeft mijn Zaligmaker om mijnentwille, voor mijne zonden, de grootste pijnen geleden; ik moet mij derhalve, uit liefde tot Hem ook in alle leden van mijn lichaam en vermogens mijner ziel versterven.

Aanschouw mijne ziel de tranen waarvan Jesus' oogen overstroomd zijn, gij zijt het die ze deedt vloeien; die doornen waardoor zijn hoofd doorstoken is, gij zyt het die ze er in gedrukt hebt; het bloed dat langs zijn lichaam stroomt, hebt gij uit zijn aderen geperst, die gapende, onmenschelijke wonden waarmede zijn lichaam overdekt is, gij zijt het die ze Hem hebt toegebracht. Hebt ge na dit alles niet alle reden om u tegen u zeiven op te zetten, en die misdrijven op u zeiven te verhalen en te wreken ?

Pater Gebellus zonderde zich vaak gedurende den nacht in eenen boek van den tuin af om zich zonder medelijden met een ketting te geeselen, zeggende; Zoo moet hij behandeld worden die den Zoon van God heeft doen sterven.

Derde beweegreden. Geen lidmaat van mijn lichaam, geen vermogen mijner ziel of zij hebben de hel verdiend ; ik moet derhalve alle ledematen mijns lichaams en alle vermogens mijner ziel uit liefde en dankbaarheid jegens God versterven.

O mijne ziel! Hoezeer heeft God u bemind! Herinnert gij u nog het uur waarop ge het ongeluk hadt

ocr page 206

200

in zware zonde te vallen? Op dat uur verloort ge uw recht op den hemel, en God had er u voor [ altijd van kunnen berooven met u toen in dien staat te laten sterven. Op dat uur hebt ge de hel met | hare straffen verdiend en God zou u toen uit de wereld hebben kunnen roepen en u voor eeuwig | verdoemen zonder u den tijd te laten boetvaardig- l heid te doen. Had God u toen op die wijze be- | handeld, wat zoudt ge thans zijn? O ongelukkige! | ge zoudt thans verdoerad zgn, zonder hoop van zaligheid. Uwe oogen, uwe ooren, uwe handen en voeten, uw hart, uwe ledematen waardoor ge gezondigd hebt, zouden nu in de hel branden, en zouden er eeuwig branden. Die straf, die onbeschrijfelijk gruwelijke pijnen eener nooit eindigende eeuwigheid. God heeft er u van bewaard, uit loutere liefde, uit loutere goedheid, uit loutere barmhartigheid. En zou dan een zoo goede en beminnelijke God niet verdienen , dat gij u aanhoudend en ernstig verstervet uit liefde en dankbaarheid jegens Hem?

Vierde heweegreden. Geen lidmaat van mijn lichaam, geen vermogen mijner ziel, of het verwacht een eeuwige glorie, een geluk zonder einde in den hemel.

Om aan die glorie deelachtig te worden, zal ik me zonder ophouden in al die ledematen en vermogens versterven. O dat we wel beseften welke groote hemelsche glorie de belooning is dier deugd van versterving! Elk geweld dat men zich aandoet, hoe klein ook en kort van duur, verdient een bijzondere en eeuwige glorie.

Welke vreugde en tevredenheid, welke glorie en zaligheid, zouden eens ons aandeel zijn als we ons maar een tien keeren daags wilden versterven! Luister naar de schoone woorden van Ludovicus van Blois

ocr page 207

201

den geleerden en uitmuntenden schrijver en meester in het geestelijk leven : Twee personen, zegt tij, wandelen langs eenen tuin waar vele heerlijke bloemen bloeien; beiden hebben hetzelfde verlangen, namelijk een fleurig bloempje te plukken om die onschuldige voldoening te smaken; de eene echter verheft zijn oog ten hemel, draagt dit genot, dien lust aan God op, vervolgt zijnen weg en berooft zich van die voldoening, niet zonder eenige moeite. De ander» daarentegen bukt zich en plukt schoone, lieve bloemjes voor een ruikertje. De eerste ontzegt zich dit klein genot, de tweede veroorlooft zich hetzelve: dat schijnt-gering in de oogen der menschen, maar niet zoo is het in de oogen van God; maar hoort wat Ludovicus van Blois zegt: Indien deze twee personen dezelfde verdiensten hadden, afgezien van deze kleine versterving, en ze verlieten te samen deze wereld, dan zou de eerste zoover boven de tweede verheven zijn in den hemel, als de hemel verheven is boven de aarde.

§§ 2.

Eerste wijze om zich te versterven.

De eerste manier om zich te versterven is, zich om God geoorloofde genoegens of voldoeningen te ontzeggen, van die soort van voldoeningen, welke men zich mag gunnen zonder zijn geweten te kwetsen.

Ik zou op dit punt verscheidene praktijken kunnen aanwijzen; voor meerdere helderheid zal ik er bier eenige van nader ontwikkelen.

Eerste praktijk Nooit den slaap, ook geen oogen-blik, rekken, uit zinnelijkheid of gemakzucht, als men zich gezond gevoelt.

ocr page 208

202

Deze versterving behelst twee zaken. De eerste is door den dag nooit te slapen; de tweede, op den voorgeschreven tijd, oogenblikkelijk, zonder talmen, op te staan. Men kan moeielijk zeggen hoeveel uitgelezen genaden die eerste overwinning op ons zeiven, door den dag op ons aftrekt en hoeveel genaden wij dien dag zouden moeten missen, indien wij in die «erste versterving te kort bleven.

Tweede praktijk. Zich twee of driemaal onder den maaltijd overwinnen uit liefde tot God.

Men kan het op allerhande manieren doen; bij voorbeeld een spijze laten voorbijgaan, zonder ze aan te raken; zich gedeeltelijk ontzeggen waarvan we het meest houden; van tafel gaan zonder zijn eetlust voldaan te hebben. Zoodanige versterving is zoo noodzakelijk, dat men zonder haar geen voortgang van eenige beteekenis zal doen in het gebed, noch tot eene heilige innige gemeenzaamheid of bijzondere vereeniging met God zal toegelaten worden.

Derde praktijk. Buiten den maaltijd nooit drinken noch eten.

Alle meesters van het geestelijk leven, zonder uitzondering , prijzen deze versterving, als ons krachtig helpende om tot de volmaaktheid te komen. Maar steeds met dit voorbehoud: dat de slechte staat onzer gezondheid, de liefde, de gehoorzaamheid of de wel-voegelijkheid ons niet gebieden anders te handelen. Een heilig religieus, Petrus genaamd, had te voet een lange reis afgelegd in de grootste zomerhitte; eindelijk kwam hij van dorst smachtende en heel uitgeput aan een vrouwenklooster aan; waarvan hij het bestuur had. Eene religieuse, ziende in welken staat hij zich bevond, bood hem een glas frisch water aan; de heilige nam het aan, sloeg de oogen

ocr page 209

203

ten hemel en sprak: Ik gevoel den grootsten trek om dit glas water te drinken, maar beter is het aan God op te dragen; daarna schudde hij het uit en leed dorst tot den avond toe.

Vierde praktijk. Een of tweemaal per week, zonder overslaan , vasten, uitgenomen in de gevallen als hierboven. De levens der heiligen zijn vol van zulke voorbeelden , en men zal des te beter handelen, als men ze trouwer zal navolgen, mits men niet verder ga dan de gehoorzaamheid of gezondheid ons veroorloven,

§§ B.

Tweede wij se om zich te versterven.

De tweede wijze om zich te versterven, bestaat hierin dat men zijn lichaam kastijdt door eenige akte van vrijwillige boetvaardigheid om op die wijze het lichaam aan den geest te onderwerpen. Gelijk men bij soortgelijke kastijding niet onbedachtzaam of lichtvaardig moet te werk gaan, zoo moet ze ook niet te zacht en te zwak zijn, op die wijze zou ze den opstand van het vleesch voeden. Onder dit opzicht is het beste zich aan de gehoorzaamheid onderwerpen. De werken van boetvaardigheid en kastijding, die men nuttig zou kunnen aanwenden, zijn de volgende:

Eerste oefening van kastijding. Geen dag laten voorbijgaan, zonder zich te geeselen, op passende wijze. Immers had Jesus ook maar een enkelen traan, een enkelen druppel van zijn heilig bloed voor my vergoten, dan nog zouden wij ons lichaam niet met zachtheid en toegevendheid mowen behandelen. Welnu,

O O 7

aanschouw Jesus aan de geeselkolom gebonden, zie zijn opengereten en gekerfd lichaam; zijn vel en

ocr page 210

204

vleesch zijn aan flarden gescheurd; zijn ledematen zijn gezwollen; zijn lichaam is slechts één wonde, en Hij is heel met bloed bedekt van het hoofd tot onder de voetzolen.

Maar wie is de schuld van dit bloedbad? Kunt ge, zonder dat het geweten het u verwijte, loochenen dat uwe zinnelijkheid, de overdreven liefde, waarmede gij uw lichaam streelt en koestert, de beul van Jesus geweest is?

Heeft Jesus nu zijn lichaam zoo deerlijk om uwentwil laten mishandelen, volgt daar dan niet uit dat gij redenen te over hebt om een heiligen haat tegen u zeiven op te vatten en uw lichaam door een flinke kastijding te beteugelen en te bedwingen. O, waartoe zouden wij niet in staat zijn, indien we een waar leedwezen over onze zonden hadden en den voor ons gekruisten Jesus waarlijk beminden.

Tweede oefening van kastijding. Door de week eenige malen een haren kleed of een ijzeren gordel dragen.

Deze soort van kastijding was bij de heiligen veel gebruikelijk, en de meesten stelden zich zelfs daarmede niet tevreden, maar bedekten daarenboven hun heel lichaam met haren kleederen of van een andere stof, grof genoeg om hun lichaam te doen lijden, vooral degenen die vroeger een vadsig, weekelijk, wereldsch leven geleid hadden. — Zoo deed onder anderen de gelukzalige Sancia Caviglia, Spaansche hofdame. Zij was zoo ijdel, zoo wereldschgezind, dat ze schier niet in staat was andere gedachten te hebben dan die haren hoogmoed en wereldschgezindheid streelden Maar God die in haar de schatten zijner barmhartigheid wilde toonen, en van eene groote wereldlinge eene groote heilige wilde maken, trof

ocr page 211

205

plotseling baar hart. Zij was bij den biechtstoel van den vermaarden pater Joannes van Arila, een zeer geacht redenaar, gezeten, zooals gewoonlijk prachtig uitgedost en met ijdele sieraden en edelgesteenten behangen. Niet zoo dra had deze apostolische man haar ontwaard, of hij wierp baar een strengen blik toe en voegde haar, zonder aanzien van persoon of rang, dit verwijt toe: Mevrouw, heel uw uiterlijk en al uwe sieraden en juweelen dragen het merk der hel. Deze woorden schoten haar als een bliksemstraal door de ziel en verpletterden hare ijdelheid. Zij sprak hare biecht met een buitengewoon berouw, verliet het hof en voerde van nu aan een zoo streng leven, dat men het kon vergelijken bg dat der Vaders der woestijnen. Onder veel gestrengheden, welke zij beoefende, droeg ze onder anderen op haar lichaam een haren kleed met scherpe ijzeren punten bezet.

Derde oefening van kastijding. Wekelijks twee of driemaal op een hard leger slapen.

Iemand voor wie onze goddelijke Zaligmaker zooveel nachten, in gebed, geknield heelt doorgebracht; om wiens wille Hij veertig dagen en veertig nachten, den blooten grond voor legerstede hebbende, in de woestijn heeft doorgebracht; uit liefde voor wien Hij den geest gegeven heeft, niet op een mollig bed, maar genageld aan het kruishout, zoo iemand mag niet aarzelen af en toe op den blooten grond of vloer te slapen, om Jesus eenige wederliefde te be-toonen, tenzij hij om redenen van gezondheid niet mag. Maar hoe dikwijls wendt men niet redenen van gezondheid voor, die eigenlijk slechts voorwendsels «n schijnredenen zijn, terwijl het alleen geschiedt uit eigenliefde en om de zinnelijkheid en gemakzucht te voldoen.

ocr page 212

2Ö6

Vierde oefening van kastijding. Geen dag laten voorbijgaan zonder het lichaam door eenige kleine boetewerken te kastijden.

De ijver is vindingrijk en vindt duizend middelen om zich te overwinnen. De levens der heiligen bieden ons van dergelijke voorbeelden eene rijke keuze aan. Men vindt er die gewoon waren huune gebeden steeds op de knieën, zonder eenigen steun, te verrichten; anderen baden met uitgestrekte armen, anderen wederom verhieven hun hart tot God, het gelaat tegen de aarde gedrukt, voor een kruisbeeld uitgestrekt; weer anderen hielden alsem of iets anders bitters in den mond. De wereld steekt den draak met zulke kleine verstervingen, maar God schat ze hoog en beloont ze met groote genaden. Men zal nauwelijks eenen heilige aantreffen, die deze heilige werken niet beoefend heeft.

Rodriguez verhaalt een schoon voorbeeld uit het leven der heilige Vaders der woestijn. Een heilig kluizenaar, ten einde in de gelegenheid te zijn zich te versterven, had zijn kluis gebouwd op een half uur afstand van de bron waar hij dagelijks het water ging putten wat hij noodig bad, zoowel in den winter als in den zomer. Oud en blind geworden zijnde, bood zich een ander kluizenaar aan om voor hem het water te halen; de heilige sloeg die liefdedienst dankend af, om de gelegenheid niet te missen zich te kunnen versterven; hij ging voort zelf het noodige water, strompelende te halen, zich vasthoudende aan een touw, dat hij van zijn kluis tot aan de fontein gespannen had.

ocr page 213

207

§§ 4.

Derde wijze om zich te ver-sterven.

De derde manier om zich te versterven bestaat hierin, dat men zijn nut doet met de kleine moeilijkheden en kwellingen , minder aangename gebeurlijkheden en dagelijksche wederwaardigheden geduldig te verdragen, ten einde zich te versterven.

Eene door de genade verlichte ziel, die deze gelegenheden dankbaar aanneemt als haar van God toegezonden ter harer heiliging, heeft een goudmijn gevonden , waaruit ze in korten tijd groote schatten kan opdelven. Ziehier hoe men in deze behoort te handelen :

Eerste oefening. Zich nooit en bij niemand verontschuldigen , waarin en waarover het ook zij, en wat men ons ook ten laste moge leggen. Deze regel is heel algemeen en laat slechts op drie punten een uitzondering toe.

1° De eerste is als iemand die in overheid boven ons gesteld is en in deze hoedanigheid de macht heeft in den naam van God ons iets te gebieden, ons uitdrukkelyk vraagt of de zaak zoo of zoo is.

2° Als onze naaste zeer ontsteld is en veel lijdt wegens een achterdochtig vermoeden, dat hij tegen ons heeft opgevat.

3° De derde is wauneer de beschuldiging van dien aard is dat ze niet ons alleen, maar ook anderen, de heele communauteit of de heele Orde kan schaden.

In al deze gevallen mag eu moet men spreken en zich rechtvaardigen, maar onder uitdrukkelijke verklaring dat men het slechts om hoogere beweegredenen

O ^ o O.

de gehoorzaamheid, liefde en rechtvaardigheid doet;

ocr page 214

208

want in deze gevallen moet de wil om zich te versterven voor deze deugden wyken. — In alle andere gevallen moet men zwijgen, en van zijn eer en goeden naam, ter liefde Gods, afstand doen.

Tweede oefening. Zich nooit over niets en tegen niemand hoos maken, wat er ook gebeure.

Uitzondering op dezen regel maken slechts zij die in hunne hoedanigheid van overste aan anderen moeten gebieden en hen over hunne fouten moeten berispen. In die gevallen moeten ze twee voorzorgen nemen.

De eerste is, zijn ondergeschikten nooit te berispen als men opgewonden of wellicht in gramschap is; men moet dan daarmede wachten tot men in zijn gewone plooi, zijn gewoon humeur is.

De tweede is op ernstige wijze den ondergeschikte xijn fout voor oogen houden en hem hierover berispen , echter zonder bitse of kwetsende woorden; de bittere pil der terechtwijzing moet vergezeld en verzoet worden door den balsem eener teedere en oprechte liefde. — De liefde en de zachtmoedigheid zijn steeds het ware kenmerk der heiligen geweest en die twee deugden bevinden zich immer in een hart dat met den geest van Jesus bezield is. Wij treffen daarvan een schoon voorbeeld aan in het leven der heilige Juliana, priorin van het klooster Mont-Cor-nillon te Luik, geboortig van Retinne bij Luik, door wier ingevingen, aansporingen en vurigen ijver het feest van het heilig Sacrament werd ingesteld. Eenige barer religieuzen, die haren ijver afkeurden en ontevreden waren over de strenge geestelijke tucht, waaraan ze trouw vasthield, ruiden een deel dei-burgers tegen haar op, die daarop het klooster verwoestten , en de heilige met steenen en stokken

rr—

ocr page 215

209

aanvielen. Wat deed nu de heilige? Ontstak ze soms in toorn ? Riep ze den bijstand der gewapende macht in? Niets van dat al, ze lag voor het heilig Tabernakel neergeknield, vreedzaam en in ongestoorde gemoedsrust God biddende voor hare vervolgers.

Derde oefening. Nooit en voor niets ter wereld, van anderen kwaad spreken, noch in hunne af- noch in hunne aanwezigheid.

Deze handelwijze is niet alleen een akte van groote versterving, maar tevens eene daad van uitstekende liefde. Er zijn nochtans omstandigheden, waarin het geoorloofd is over de gebreken van den naaste te spreken, dan namelijk als iemand, die de macht heeft mij te gebieden, het van mij verlangt; ook dan als ik overtuigd ben dat het noodig of nuttig is voor liet welzijn van hen van wien men spreekt; verder als ik een goeden raad noodig heb, dien ik niet kan verkrijgen zonder het gebrek van mijn evenmensch bekend te maken. In deze gevallen is bet geoorloofd hierover te spreken, daarbuiten moet men zwijgen en zich uit liefde voor God overwinnen.

Vierde oefening. Nooit en om geenerlei reden zich over iemand of iets beklagen.

Zijne lichamelijke of geestelijke gebreken aan hen openbaren bij wie men hulp of goeden raad hoopt te vinden, dat is niet klagen of zich beklagen, noch ook wanneer de hevigheid der pijnen ons zuchten doet slaken of tranen doet storten. Een en ander kan plaats hebben zonder letsel van de deugd, mits men zich inwendig ganscb aan Gods wil onderwerpe. Wat we hier willen zeggen is, dat men zich niet moet ergeren, zich beklagen, noch morren over een vervolging, een kruis, den slechten uitslag eener

14

ocr page 216

210

gewenschte zaak, noch over een of andere wederwaardigheid, door God ons toegezonden; men moet integendeel stilzwijgen en God prijzen en loven in al zijn raadsbesluiten, hoe onbegrijpelijk en onnaspeurlijk ze voor ons ook zijn mogen.

De H. Franciscus van Borgia ziek zijnde, werd hetn door een novice een bord soep gebracht, waarin deze onvrijwillig een groote hoeveelheid alsem gedaan had. De heilige at ze heel uit en betuigde er groote tevredenheid over, zonder den novice een enkel woord te zeggen over de vergissing door hem begaan. Toen de novice in de keuken teruggekeerd zijnde, bemerkte wat hij gedaan had, haastte hij zich den heilige er vergiffenis over te vragen, terwijl deze minzaam glimlachte en hem zeide: God zegene u, mijn zoon, gij alleen wist wat mij het meeste noodig was.

Wat men moet doen om zich van alle schepselen te onthechten.

Heeft eene ziel vast besloten God ernstig te zoeken en te vinden, zoo moet haar eerste zorg zijn zich zelve heel af te leorrren en zich van alle liefde voor de schepselen gansch te ontledigen, zoo niet zal ze vergeefs werken. Tot dat einde moet ze vier voornemens , of beter gezegd, vier grondregels hebben, waarnaar ze haar heele leven en heele gedrag moet regelen.

De eerste grondregel is geene gelegenheid te laten voorbijgaan, zonder ons in den eigenwil, het zingenot, zinnelijk- of weekelijkheid te versterven.

De tweede is bij elke gelegenheid den hoogmoed en de ijdelheid beteugelen.

ocr page 217

211

De derde is bij elke gelegenheid overdreven teergevoeligheid tegengaan.

De vierde: elke gelegenheid te baat nemen om zijnen eigenwil, zijne eigenliefde te versterven.

Wij zullen deze vier grondregels, den eenen na deu anderen, verklaren.

EERSTE GRONDREGEL.

Geene gelegenheid laten voorbijgaan zijn eigenwil,

zingenot, zinnelijk- of weekelijhheid te bestrijden.

§§ 1-

Eerste gelegenheid waarin men zijn zingenot zal bestrijden.

Het gehoor biedt ons de eerste gelegenheid aan ons zingenot te versterven. Soortgelijke versterving is niet alleen zeer nuttig, maar zeer noodig om de stille aandacht en gemoedsrust te verkrijgen, waarin de voorbereiding of vereischte gesteldheid bestaat, om zich met God te kunnen vereenigen:

1° Men moet zich nooit bezighouden met nieuws-tydingen, die ons, hetzij door brieven, goede vrienden, couranten of nieuwspapieren, of op elke andere wijze geworden. Navragen of met nieuwsgierigheid luisteren naar hetgeen er binnen of buiten's huis omgaat, wie aangekomen, wie vertrokken is; wie bij het hof in blakende gunst staat, wie in ongenade is gevallen enz., dit zijn altemaal nietigheden en beuzelarijen.

2° Men moet nooit luisteren naar verdichte feiten, kluchten of ydele vertellingen. In die gevallen moet , men het gesprek onderbreken en over geestelijke zaken beginnen te spreken, of, indien men het niet kan

ocr page 218

212

zonder anderen leed te doen, zal men zoo goed als 'tkan de ooren sluiten ten einde zich elk ijdel genot te ontzeggen.

3° Nooit naar sprookjes luisteren, nooit kwaadsprekers, verdacht ra akers, verklikkers noch vleiers aanhooren. Dit is een gewichtig punt: men moet nooit vragen wat de anderen van u denken, zeggen of gezegd hebben. Komt iemand u iets van dien aard zeggen, onderbreek hem dan, indien ge kunt, en zeg: Niemand kan van mij zooveel kwaad zeggen als ik verdien; ik wil het niet weten.

4° Nooit aan den naaste zijn eer benemen, noch luisteren naar achterklap of lastertaal. Achterklap of lastertaal niet welgevallen aanhooren is in de oogen van God eene even groote zonde als zich aan die zonden plichtig maken. Wie God bemint, belet naar vermogen zulke taal, verwijdert zich, of toont door stil te zwijgen dat het hem mishaagt.

§§ 2.

Tweede gelegenheid om zich in den eigenwil en het zingenot te versterven.

Die tweede gelegenheid bestaat in het bedwingeu der tong.

Indien we zorg droegen enkel deze versterving te

O O O

beoefenen, zoo zou dit voldoende zijn om daarvoor een groote belooning te bekomen in den hemel. Ik vat alles te saam in vier punten:

1° Onder den tijd van stilzwijgen, zonder noodzakelijkheid nooit iets zeggen. De stilzwijgendheid is de moeder der heilige gedachten. Als men de stilzwijgendheid niet lief heeft, is het mijns erachtens onmogelijk de ingetogenheid des geestes te hebben.

2° : moei ' zegg heid 3° iets een dillei 4° | onaa of h( dan £ f grooi Deze 1 eerst , verpl De t van : mum : ook i mijn 'ijk.

De-,

De

in he gelegi Wi heid Die v

ocr page 219

213

d al a i; 2° Nooit tot zijn eigen lof spreken. In den regel jenot I moet men noch goed noch kwaad van zich-zelven zeggen. Het eerste is meestal een bewijs van ijdel-heid, het tweede is zelden oprecht.

3° Men moet nooit in tegenwoordigheid van anderen

| iets zeggen wat hun leed kan doen. Nooit iemand een gebrek verwijten, hem doen blozen, hem bedillen, of hem harde woorden toevoegen.

4° Nimmer van afwezenden iets zeggen wat hun onaangenaam zou zijn indien ze tegenwoordig waren of het kwamen te vernemen. Dit is een akte van meer noch [j dan gewone voimaaktheid, want het is een bewijs eener rklap | groote liefde en het gevolg eener groote versterving, n de'; Deze regel laat slechts twee uitzonderingen toe: de zich eerste, wanneer ik om een goeden raad te bekomen, mint, verplicht beu de fouten van anderen bekend te maken, h, of De tweede, als ik in geweten verplicht ben de fouten ,gt. i van iemand bekend te maken, die anders de com-munauteit of derden zou kunnen schaden; verder ook als me zulks geboden wordt of ik daartoe door mijn rechtmatige overheid word aangezocht, einde-| lijk, als ik er mij door mijn ambt toe verplicht zie.

ingeul §§ 3.

no ^e[ Derde gelegenheid, de zinnelijkheid te beteugelen

of te versterven.

il. Iki J

De smaak, de lust, het natuurlijk genot dat wij

nood- in het eten en drinken vinden, biedt ons de derde

dheiil igelegenheid de zinnelijkheid te versterven.

en dejWie zulks goed ter harte neemt, heeft gelegen-

ihtens||heid uit liefde tot God, veel verstervingen te doen.

ibben. Die verstervingen bestaan:

raad-leiers moet iggen dien iunt, sggen

ocr page 220

214

1° Door den dag, nooit iets te gebruiken buiten etens-tijd, tenzij de gezondheid of de welvoegelijk-beid bet eiscben; is zulks het geval, zoo moeten wij ons hart tot God verheffen, ten einde den eetlust te beteugelen en Hem wat wi} gebruiken opdragen met de intentie hem te behagen.

2° In zich een vaste maat voorteschrijven in het eten en drinken, die men nooit zal overschrijden. De juiste maat is, zooveel te gebruiken als noodig is om zijne krachten en gezondheid te onderhouden. Kent men de daartoe noodige maat, zoo moet men zich daarbij bepalen en ze nooit overschrijden.

3° In bet doen vau vele onthoudingen of verstervingen bij het gebruiken van het maal. Zoo zal men iets over laten van die spijze vooral die ons het beste smaakt. Wat ons tegenstrijdt heel opeten. Men kan de zinnelijkheid beteugelen die men gevoelt in het gebruik van het maal, door eene hoogere meening: met het te doen uit liefde Gods en Hem die spijzen tot die intentie op te dragen.

4° Met minstens wekelijks tweemaal te vasten. Vasten is de gewone oefening der heiligen, en vele heiligen hebben er op bijzondere wijze in uitgemunt.

4.

Vierde gelegenheid de zinnelijkheid te versterven.

De boetewerken waardoor we ons lichaam kastijden , biedt ons de vierde gelegenheid aan de weeke-lijkheid te versterven.

De meeste heiligen hebben die soort van versterving met veel ijver en zorg beoefend. Ik raad de volgende werken aan:

JL

ocr page 221

215

1° Geen dag laten voorbij gaan zonder zijn lichaam op een of andere wijze te kastijden, indien er althans van wege de gezondheid of gehoorzaamheid niets tegen is; bg voorbeeld, zich dagelijks tweemaal geeselen, 's ochtends en 's avonds. Den boetegordel wekelijks vier maal dragen, eiken keer eenige uren.

2° Nu eu dan een dag uitkiezen om hem bij voorkeur in werken van boetvaardigheid door te brengen.

Ziehier onder anderen de werken welke de heiligen beoefend hebben. Deze hebben uitgemunt door by-zondere onthouding in het eten en drinken; gene hebben hun voedsel met alsem vermengd of door | den dag iets bitters in den mond gehouden; andere hebben de planken vloer als legerstede gebruikt; weer anderen brachten den dag door zonder zitten; weer anderen hebben andere werken verricht, want de liefde is vindingrijk.

TWKEDE GRONDREGEL.

Geene gelegenheid laten voorbijgaan den hoogmoed en de ijdelheid te bestrijden.

Wat ons de meeste gelegenheden aanbiedt ons te versterven eu te overwinnen, zijn de hoogmoed en de ijdelheid, die ons aangeboren zijn. Op dat punt kan een vurige ziel veel en vele verstervingen doen; ik zal er er hier vier aangeven, die eigenlijk het karakter en de natuur eener volkomen ootmoedigheid uitmaken.

Gaan wij daarmede voort, zoo lijdt het geen twijfel of God zal ons gaandeweg de ware kennis van ons zelveu schenken en van al onze verachtelijkheid. Ziehier de oefeningen of praktijken.

ocr page 222

216

§§ 1-

De eerste versterving van den hoogmoed en de ijdelheid.

De eerste versterving is louter inwendig. Zij bestaat in een groote en oprechte verachting van ons zeiven. Men moet de verachting dagelijks goed onderhouden en dezelve al dieper en dieper in het hart prenten door vurige liefde verzuchtingen. Dat zal de ziel in het begin hard vallen, maar daarin volhardende, zal ze meer en meer verlicht worden en voor zich zelve een ware verachting gevoelen. Ziehier op dat stuk de voornaamste liefderijke praktijken:

1° Vernietig u voor God; breng Hem uw lichaam en ziel, de gaven van natuur en genade, alles wat ge hebt, kunt en zijt, ten offer; en erken ootmoedig dat dit alles het werk is zijner almacht, en louter een gave zijner oneindige goedheid, die ge in geenen deele verdiend hebt.

Deze erkenning van ons niet, dat alles ons van God komt, die de bron is van alle goed, zonder eenige verdienste onzerzijds, is de eerste grondslag waarop de ootmoedigheid rust.

2° Verneder u diep voor God in uwe onmacht en hulpeloosheid en erken dat ge zonder zyne genade dezelfde zonden zoudt bedrijven als waaraan zij zich plichtig gemaakt hebben, die thans reeds in de hel branden, en de slechtste menschen der wereld nog dagelijks bedrijven; en verder dat ge zonder zijne genade in alle misdaden zoudt vallen dergenen die nog zullen verdoemd worden; in één woord dat ge de grootste booswicht der wereld zoudt worden.

3° Daal in Gods tegenwoordigheid tot op den bodem neder uwer boosheid en ondankbaarheid, en

ocr page 223

217

erken dat ge reeds lang verdiend hebt van God gansch verlaten te worden; dat ge ook thans nog verdient dat God u zijne genade en ontferming ont-trekke; dat Hij u aan uwe slechte neigingen en booze hartstochten overlate, dat Hij eenvoudig toezie, terwijl ge uw eeuwig ongeluk tegemoet rent, zonder u eenige vaderlijke hulp te schenken, zonder zelfs nog aan u te denken.

4° Daal andermaal tot op den bodem uwer boosheid neer en erken, dat ge, wegens alle zonden die ge bedreven hebt, wep;eiis zooveel genaden die ge misbruiktet, zoovele weldaden die ge door wandaden beantwoorddet, wegens zoo langen tijd dat ge doof bleeft aau het liefdevolle Hart van Jesus, dat u als het ware vervolgde; dat ge zeg ik duizendmaal verdiend hebt eeuwig van God verstoeten, door hemel en aarde vervloekt te worden, als het ondankbaarste aller schepselen, en dat er noch in deze noch in de andere wereld, verachting en vernedering groot genoeg is om u naar mate uwer ongeboorde ondankbaarheid te straffen.

5° Werp u aan de voeten van den gekruisten Jesus en beween oprecht uwe verblindheid en uwe vroegere ijdelheid en hoogmoedigheid; verfoei al uwe gedachten van ijdelheid en zelfbehagen; betreur alle woorden welke de gdelheid u deed zeggen, en alle daden, waartoe ge door uwen hoogmoed gebracht werdt. Draag God tot voldoening op alle versmadingen, Jesus in zijn lijden aangedaan, en bied u aan om verder zoovele versraadingen geduldig te lijden als ge zonden van hoogmoed en ijdelheid gedaan hebt.

6° Werp u aan de voeten van Jesus den gekruiste, en draag Hem als liefdeoffer op alle recht dat ge hebt op de achting der menschen en op uw goeden

ocr page 224

218

naam. Zeg Hem dat ge opreclit verlangt, dat liet uw goed overwogen wenscb is, dat niemand verder aan u denke, u achte, prijze, beminne, noch zich om u bekreune. Zeg Hem dat ge oprecht verlangt te lijden alle soort van verachting, onrechtvaardigheid , achterklap en lastertaal, boosaardige berichten en uitdagingen. Zeg Hem dat ge voortaan die slechte behandelingen verkiest en zult verkiezen boven alle eeretitels eu eerebetoon der wereld, omdat ge u bewust zijt ze door uwe zonden verdiend te hebben. Men moet op het volgende letten bij het uiten dier liefdebetuigingen;

1° 't Is niet noodig ze allen te doen. Men kan eiken dag de een of andere kiezen, en ze tien of twaalf maal door den dag vernieuwen.

2° Men moet ze langzaam eu ernstig verrichten en er niet meê ophouden zoolang we niet voelen, dat het hart overeenstemt met de uitingen der tong.

3° Terwijl men zijn hart zoo in liefdeontboezemingen uitstort, kan men zich nu en dan het aangezicht ter aarde werpen, opdat ons uiterlijk overeenkome met ons hart dat zich met God onderhoudt.

4° Men kan af en toe zich een kwartier of een half uur bezighouden met die liefdeuitingen en gevoelens van verachting van ons-zelven.

§§ 2.

De tweede wijze waarop men den hoogmoed en de ijdelheid zal bestrijden en overwinnen.

De tweede versterving van den hoogmoed en de ijdelheid bestaat in de loftuitingen der menschen oprecht te verfoeien, te verachten en te vluchten.

ocr page 225

219

God laat ons alles wat we verdienen door onze werken; Hij laat ons de rust en de vreugde des harten die de vruchten zijn der deugd en der versterving; Hij laat ons de glorie en het geluk die de belooning daarvan zullen zijn in den hemel; maar de eer hier beneden, laat hij ons niet, Hij wil ze voor zich alleen ; — daar immers al onze goede werken slechts uitwerkselen zijn zijner genade, die hij ons uit loutere barmhartigheid verleent, zonder eenige verdienste onzerzijds, wil hij dat wij hem deswege onze erkentelijkheid betoonen en hem er de gansche eer van laten, en de gausche glorie van geven in deze wereld. Daarom is het noodig dat wij het oprecht besluit vormen allen lof der menschen te verachten, opdat God in alle dingen geloofd en geëerd worde. Ziehier wat men daaromtrent met onverbreekbare trouw moet doen.

1° Voor immer elke ingenomenheid met ons zeiven, alle zelfbehagen verzaken : daarom moeten wij nooit met het geringste zelfbehagen deuken aan onze natuurlijke gaven, deugden en goede hoedanigheden, aan de ambten die ons toevertrouwd zijn, aan de betrekkingen die we bekleeden, noch aan de eer en achting welke de anderen ons betoonen. Wij moeten terstond al die gedachten onderdrukken, daar ze de anderen tot niets dienen en slechts onze ijdelheid voeden; of, als we soms aan die gaven, deugden, ambten denken, laten we ze dan steeds beschouwen als zoovele blijken van Gods barmhartigheid die hij ons uit loutere goedheid schenkt, zonder eenige verdiensten onzerzijds.

2° Nooit iets zeggen, nooit iets doen met het inzicht daarvoor ijdele glorie en eer in te oogsten. Wij moeten nooit een woord spreken noch een

ocr page 226

220

vinger verroeren met het geheime doel daarvoor geprezen en geëerd te worden door de menschen. Wij moeten nooit verlangen dat anderen ons achten, eeren, beminnen, of iu hun hart zich met ons bezig houden. Dergelijke gedachten mosten we onmiddellijk onderdrukken, ze uit geheel ons hart verfoeien , ons alleen tot doel van al onze gedachten en handelingen de glorie van God stellen.

3° Worden we ous ondanks door de menschen geprezen, zoo moeten we er volstrekt geen behagen inscheppen, noch vrijwillig daarover met zelfbehagen aan ons denken. In die gevallen, moeten we aan het gesprek een andere wending geven, of, als dit niet handig gaat, terstond ous in den geest in Gods tegenwoordigheid plaatsen, en Hem alle eer en glorie daarvan geven, omdat hij de bron is van alle goed; wat ons aangaat, we moeten ons vernederen tot onder de voeten der verdoemden.

4° Wij moeten ons nooit eene fout veroorloven zonder ze te bestraffen. Gebeurt het dat we ons een klein zelfbehagen toestaan, een weinig voldoening in de eer en den lof der menschen, zoo moeten we nooit nalaten ons wegens die afwijkingen te straffen.

Ziehier wat ge alsdan moet doen:

1° Ga u neerwerpen voor het kruisbeeld ten einde uwen hoogmoed te verfoeien en er God oprecht vergiffenis over te vragen.

2° Leg u een zeker getal inwendige akten van nederigheid op en vorm dezelve terwijl ge neêrge-knield blijft.

3° Straf u wegens uwe fout door de een of andere onthouding aan tafel, of een lichamelijke kastijding of door een ander boetewerk.

4° Voeg er een of andere uitwendige akte van

ocr page 227

221

nederigheid bij. Zonder deze akten en handelingen zal men te vergeefs beproeven den hoogmoed en de ijdelheid met wortel en tak uit ons hart uit te roeien.

§§ 3.

De derde wijze om onzen hoogmoed en onze ijdelheid te bestrijden.

De derde versterving van den hoogmoed en de ijdelheid, bestaat in de verachting niet te vreezen, er geen afkeer van te hebben, maar integendeel ze uit liefde Gods gaarne te lijden.

Men kan in eene communauteit niet leven zonder eenigszins veracht te worden. Heden mort men tegen en spreekt men ongunstig over ons in onze afwezigheid , of men valt ons in onze tegenwoordigheid aan met harde en scherpe woorden; heden zijn het onze medebroeders of medezusters die ons beleedigen; morgen komt de beurt aan de oversten die ons zullen berispen; dan zullen minder waardige personen ons voorgetrokken worden, dan weer zal men zich ontevreden toonen over de wijze waarop we ons vau onze ambten en plichten kwijten; van daag zullen we een vinnig verwijt moeten verdragen, morgen een openlijke boete. Dat zijn van die dingen waaraan men moeielijk kan voorbij komen in een geestelijk huis; maar hier zgn tevens zooveel gelegenheden om de nederigheid, in den hoogsten graad en in al hare reinheid te beoefenen. Zalig de ziel die haar voordeel er mee weet te doen.

Opdat dit zoo zij, onderhoude men de volgende praktijken:

1° Men legge zich een onveranderlijk stilzwijgen in al die gevallen op. Nooit hebbe men een hard

.

é

ocr page 228

222

woord voor die ons beleedigen; men beklage zich nooit over, noch spreke kwaad van hen in hunne afwezigheid; men spreke over het gebeurde niet met anderen, noch tooue hun zijn leed daarover, om van hen beklaagd en getroost te worden; wij moeten niet luisteren naar degenen die ons medeliiden betoenen wegens de geleden vernederingen en onaangenaamheden , maar met een vroolijk gelaat aan het gesprek een andere wending geven. Dat alles is vervat in het woord stilzwijgen dat we hier voren bezigden.

2° Wij moeten al die gevallen met een waren geest van ootmoedigheid aannemen. — Men verdraagt vaak een beleediging niet uit ootmoedigheid maar uit hoogmoed. Wij verachten die ons beleedigen, en wij zwijgen, — wijl we door hoogmoed en trotsch-heid meenen dat ze niet eens zooveel waard zijn dat we ons tegen hen verdedigen. Een waarlijk nederige ziel volgt een heel anderen weg. In dergelijke omstandigheden daalt ze tot op den bodem barer zonde; ze aarzelt niet oprecht te erkennen dat ze de hel en bijgevolg die verachting en al die vernederingen, die voor niets moeten geteld worden in vergelijking met wat eigenlijk haar lot moest zijn, ten volle verdiend heeft; zij daukt er God voor uit geheel haar hart en biedt zich aan om nog meer te lijden.

3° Zich met zorg in de nederigheid en liefde oefenen zoolanff men den inwendigen weerstand der natuur

O O

voelt. Verachting snijdt en dringt diep in het hart door, prikkelt het gestadig, ■—• en het is alles behalve gemakkelijk de herinnering er aan uit den geest te verwijderen. Daai-over echter verontruste men zich niet, men beschouwe die inwendige verwarring als

' O O

ocr page 229

X

223

een striid, waaronder men God kan bewijzen wat men bereid is uit liefde voor hem te verdragen. In deze omstandigheden zullen de volgende praktijken de volkomenheid dier akte voltooien; men zal dikwerf een inwendige akte van nederigheid verwekken waardoor men zich alle verachting waardig erkent, en men zal God deswege oprecht danken.

Men zal tevens herhaaldelijk een vurige akte van liefde jegens God en om Hem verwekken, opdat God vergiffenis schenke aan die ons beleedigd hebben. Men kan af en toe zich voor een kruisbeeld werpen, ten einde ons zeiven te verachten wegens die zwakheid en teergevoeligheid onzer natuur, en onze ijdel-heid en boosheid te verfoeien.

Men oefene zich daarbij in de naastenliefde, door het bloed van Jesus Christus aan God op te dragen voor die ons leed aangedaan hebben.

., O

4° Bij elke gelegenheid, dienst bewijzen aan die ons beleedigen. Vinden we eene gelegenheid hun dienst te bewijzen, zoo neme men die uit de hand van God aan, en beschouwe die als een groote genade. En we moeten al die diensten bewijzen met een gevoel van diepe minachting voor ons zeiven, eener vurige liefde jegens God en jegens hen aan wie men deze diensten bewijst, en dat alles uit liefde voor Hem.

De vierde versterving der ij delheid en des hoogmoeds.

De vierde wijze den hoogmoed en de ijdelheid te bestrijden, bestaat hierin dat men de verachting niet alleen moet vreezen en vluchten, maar zelfs haar tegemoet gaan en uitlokken.

ocr page 230

224

Dit is een oefening van heldhaftige deugd en een daad, waardoor men in weinig tijds een volkoruene nederigheid verkrijgt, en die bovendien nog buitengewone genaden over ons aftrekt. — Daardoor toont men zich niet te willen sparen, maar integendeel zijn hoogmoed onverbiddelijk te willen bestrijden. De zoetigheid der vereeniging met God en het verkrijgen der ware heiligheid verdienen wel dat men zich daarvoor late minachten en bespotten door de wgzen dezer wereld. Ik raad de volgende oefeningen aan:

Eersten*. Gaarne onze fouten en gebreken erkennen tot onze eigen beschaming, wat op vierderlei wijze kan geschieden:

1° Als men bij een priester biecht, die uw vroeger leven niet kent, beschuldige men zich op nieuw van eenige zonden waarover we ons het meeste schamen.

2° Doen de oversten ons eenig verwyt, zoo hoore men hen zwijgend aan, erkenne men deemoedig zijne fout en werpe zich op de knieën om er vergiffenis van te vragen.

3° Wij zelf moeten somwijlen aan onze oversten eene fout openbaren, waarover we ons het meeste schamen, er op de knieën vergiffenis over vragen en eene openlijke of althans geheime boete.

4° Berispt men ons of doet men ons verwijtingen zoo moeten we onze misslagen en fouten in nederigheid erkennen en vergiffenis vragen aan die ons te recht wezen.

Tweedens. Nooit of nimmer, zelfs dan wanneer men ons heel ten onrechte zou berispen of straffen, moet men een enkel woord zeggen te zijner verdediging of verschooning, tenzg de zaak van dien aard zij, dat de eer van anderen of der communau-

ocr page 231

225

teit daaronder zoude lijden. Vier gevallen kunnen zich in deze voordoen:

1° Het kan gebeuren, dat men van de oversten een verwijt moet hoeren tengevolge eener tegen ons ingebrachte klachte, die heel ongegrond en slechts denkbeeldig was, slechts op een los vermoeden berustte , misschien zelfs uit kwaadwilligheid geschiedde.

2° Kan het gebeuren dat men bij anderen beklad en gelaakt wordt, met het doel hen tegen ons op te zetten.

3° We bemerken wel eens dat iemand valsche vermoedens van ons koestert en kwaad van ons denkt.

4° Is het volstrekt niet zeldzaam dat men ons iets ten laste zal leggen waaraan we ons niet schuldig kennen. In al die gevallen moeten we zwygen. Willen we nochtans niet zwijgen maar spreken, dan geschiede het om in alle eenvoudigheid te zeggen, dat we ons vol gebreken kennen en we vergiflenis vragen voor het leed wat we door onze onhebbelijkheden anderen aandoen.

Derdens. Voor zich de onaangenaamste en nederigste bezigheden kiezen, telkens als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, zooals het huis en de kamers onzer huisgenooten vegen en schrobben, in de keuken of refter dienst bewijzen, een ander bij zijn werk helpen of vervangen enz. Is men er werkelyk op uit de ootmoedigheid te beoefenen, zoo zal men er gemakkelijk gelegenheid voor vinden; dergelijke oefeningen van nederigheid worden ons door de meesters van het geestelijke leven met den meesten nadruk aanbevolen, ten spijte van de waanwijzen der wereld die er meê lachen, alsook de lauwe religieuzen.

Vierdens. Gaarne en met blijdschap de onvoorziene gebeurtenissen aannemen, waardoor onze goede

'

15

ocr page 232

226

naam zoude te lijden hebben. Een ijverige ziel vindt overal en in alles gelegenheid de deugd te beoefenen; b. v. men geeft ons een ambt dat tot de nederigste en zeker niet tot de aangenaamste hoort, terwgl men meer aanzienlijke ambten aan minder waardigen dan mij geeft; anderen worden geëerd en geloofd, terwijl niemand aan ons denkt; men vindt ons met iets bezig waarover we ons schamen. In al die omstandigheden moeten wij gevoelens van diepe ootmoedigheid in ons opwekken en die vernedering, die verachting verdragen zonder een enkel woord te onzer rechtvaardiging te zeggen.

DERDK GRONDREGEL.

Geene gelegenheid laten voorbijgaan zonder onze gevoeligheid en lichtgeraaktheid te bestrijden en te versterven.

Door gevoeligheid en lichtgeraaktheid versta ik heel bizonder hier eene neiging of zeker ingeboren gevoel, dat in nauw verband staat met den toorn als aanleidende oorzaak daartoe, die zooveel verwarring en storing in het hart teweegbrengt. Wien het gelukt is deze neiging te boven te komen, heeft den grootsten tegenstander der deugd neergeveld. Er zijn voornamelijk twee middelen, die we in dezen strijd moeten aanwenden: ik zal ze verklaren.

§§ I-

Het eerste middel om de teergevoeligheid te overwinnen.

De eerste versterving der teergevoeligheid of de eerste strijd tegen den toorn, bestaat in het goed gebruik maken der dagelijksche gelegenheden, voorbijgaande of van korten duur.

ocr page 233

227

Dusdanige gelegenheden doen zich in een commu-nauteit herhaaldelijk voor.— Nu wordt men ruw bejegend en op scherpe, bijtende woorden onthaald, dan weer ontsteekt men onzen toorn met ons be-lachelyk te maken en den draak met ons te steken; een andermaal verdenkt men ons heel ten onrechte van verkeerde dingen en verwijt men ons iets, waaraan we in de verste verte niet gedacht hebben; meu legt alles vei'keerd uit, men laakt ons gedrag, we kunnen het bij velen niet treffen, en dergelijke gevallen meer, die men bij ondervinding beter kent, dan ik ze hier zou kunnen verklaren. Dit zijn al-tegaar kostbare gelegenheden om onze teergevoeligheid te overwinnen en het hart van God al meer en meer voor ons te winnen. Die strijd bestaat in volgende dingen:

1° Is er iets geëigend om ons tot toorn te ontsteken , wat het ook zij, zoo moeten wij de eerste opwellingen van dien toorn zorgvuldig onderdrukken. Wordt ge gewaar dat de gal stijgt, dat het hart ontvlamt, plaats u dan onmiddellijk in Gods tegenwoordigheid , en bedwing deze ongeregelde beweging door een gevoel van ootmoedigheid of door akten van liefde jegens hen die u tot gi-amschap reden gaven. Vernieuw die gevoelens met veel vm'igheid telkens als ge uw geprikkeld bloed weer voelt koken.

2° Wat er ook hatelijks voor u zich moge voordoen, weet te zwijgen en geef daarover geen enkel blijk van ontevredenheid. Dus zwijgen, hoe men u ook behandelt, of beken deemoedig uwe fout, of zoo ge onschuldig zijt, vraag vergiffenis aan anderen dat leed aangedaan te hebben.

3° Zoek de gelegenheid dienst te bewijzen aan die u bedroefden. Die diensten zijn van tweeërlei soort. De

ocr page 234

228

eeneu zijn geheim en inwendig, de anderen uitwendig. Wat de eerste betreft kan men eenige malen, bijv. tien of twaalf raaien, het bloed van Jesus Christus voor hen aan God opdragen, Hem biddende ze met zgne genaden te verrijken. Men kan zich ook voor die personen lichamelijk kastijden, of andere boete-werken verrichten. Wat de tweede betreft, dit zijn de uitwendige diensten die men hen bewijst.

§§ 2.

Het tweede middel om de gevoeligheid te ovenoinnen.

Het tweede middel om de lichtgeraaktheid te overwinnen bestaat in het goed gebruik maken van zekere gelegenheden, die wel is waar niet zoo dikwerf voorkomen , maar die ons zeer hard vallen wegens hunnen langeren duur of andere omstandigheden. Bijvoorbeeld ambtshalve ben ik verplicht gestadig te werken met iemand van een lastig humeur en heel tegenstrgdig karakter; een andere voedt een geheimen wrok tegen mij, mort en vaart in mijne afwezigheid tegen mij uit waar hij kan; is hij by mij, zoo plaagt en bespot hij mij onophoudelijk. Een ander heeft me in den tijd veel leed aangedaan , en sinds dien heb ik een natuurlijken afkeer van hem. Dit zijn zoovele kostbare gelegenheden; daar ze ons in de gelegenheid stellen akten van heldhaftige deugd te verrichten, waarvan een enkele meer waard is in Gods oogen dan duizend andere.

Het goede gebruik dier gelegenheden bestaat in volgende dingen:

In zyn hart een oprechte liefde bewaren voor zulke personen. Tot dat einde dient gelet op twee dingen.

ocr page 235

229

Ten eerste, uit het hart voor immer verbannen alle verbolgenheid en gramschap of vrijwilligen wrevel tegen die personen. Zulke gevoelens moet men oogen-blikkelijk onderdrukken, zoodra men ze gewaar wordt.

Tweedens, moeten wij bij elke gelegenheid in werkelgkheid de liefde jegens hen beoefenen, en dat is zoo lastig niet. Ziehier wat men voor hen kan doen.

1° Nu en dan in zijn hart akten eener oprechte liefde jegens hen verrichten of voor hen bidden; een anderen keer het bloed van Jesus Christus voor hen aan God opdragen; zich versterven, een boetewerk of elk ander goed werk voor hen verrichten.

2° Tegenover hen nooit afkeer of ontevredenheid toonen, ze vriendelijk en minzaam behandelen en in hunne afwezigheid niet dan op loffelijke wijze van hen spreken.

3° Bij gelegenheid hun dienst bewijzen en zich aan hunne bevelen en verordeningen deemoedig onderwerpen. Dit punt behelst twee zaken :

De eerste is hunnen wil steeds boven den onzen stellen, hun gevoelen of advies volgen, mits de regel er niet onder lijde; de tweede is, steeds bij de hand zijn om hun dienst te bewijzen. Op die wijze handelen, en dat van den eersten tot den laatsten dag des jaars, tegenover pesonen die slecht op ons te spreken zijn, wellicht een pik op ons hebben, ik aarzel niet dit eene deugd en zelfoverwinning van hoogere orde te noemen.

ocr page 236

230

VIERDE GHONDllEGEL.

Bij elke gelegenheid onzen wil en alle zelfzucht verzaken.

Zijn eigen wil voor goed verzaken, gansch en geheel, zonder voorbehoud afstaan, is zeker de volko-menste oefening van het geestelijk leven. Zonder dien algeheelen afstand van ons eigen ik, kan niemand een enkele volmaakte deugd, welke ook, noch welke waarlijk innige vereeniging ook, met God verkrijgen. Deze hoogere graad van versterving en zelfoverwinning strekt zich uit tot en is toepasselijk op alle oefeningen van het religieuze leven. Men kan haar nochtans kort te samen vatten in eenige punten die we gaan verklaren ; met ze te onderhouden zal het ons gelukken ons heel en al van onzen eigen wil te ontdoen en geheel en al ons aan Gods wil, waarmede de onze als vereenzelvigd moet zijn, te onderwerpen.

§§ I-

De eerste gelegenheid zijn eigen wil te verzaken.

De eerste gelegenheid van zelfverloochening, van wilsversterving, steunt op de gehoorzaamheid, en eischt dat we onzen wil, zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk aan dien van onze rechtmatige oversten onderwerpen. Deze zelfverloochening en volkomen afstand van ons eigen ik, wat we tot dusverre zoo lief hadden, is begrijpelijk zeer verdienstelijk en wordt door God hoog gewaardeerd. De, in zich zelve beschouwd, onbeduidendste zaak, mits uit gehoorzaamheid verricht, is duizendmaal meer waard dan de schitterendste daden, zoo ze namelijk daarom verricht worden, omdat wij het willen. Ziehier de beoefeningen dezer zelfverloochening:

ocr page 237

231

1° Zich door de oversten laten leiden en bestieren, zonder eenig voorbehoud onzer zijds. Ik moet, zegt de H. Ignatius, als de stok zijn van den grijsaard; hij hanteert hem naar believen; eveneens moet ik me laten behandelen, als een willoos werktuig in de hand van den meester. Ik moet niets verlangen, niets vreezen , niets vragen , niets weigeren ; ik moet steeds bereid zijn alles te doen wat men van mij vraagt. Wat ons in die gesteltenis bizonder helpt en sterkt, is: dat meu dagelijks zijne geloften ver-nieuwe en zich heelemaal aan God opdrage, opdat Hij over ons in alles ten volle beschikke, — door tus-schenkomst en bemiddeling onzer oversten.

2° In den overste, niet den mensch, maar God zeiven erkennen en huldigen. Daarin ligt het zwaartepunt der gehoorzaamheid. — De dag waarop ik de belofte van gehoorzaamheid heb afgelegd, op dien dag werd er tusschen God en mij een verdrag gesloten. God beloofde mij alsdan mij zijnen heiligen wil slechts door tusschenkomst mijner oversten te doen kennen, mijnerzijds beloofde ik toen aan God in alles zijnen heiligen wil, dien Hij mij door mijne oversten zou bekend maken, te volbrengen. Wil ik dus de belofte van gehoorzaamheid, die ik deed. trouw blijven, zoo moet ik mijnen overste niet als een gewoon mensch beschouwen, maar als een mensch die de plaats van God bij mij bekleedt, en door wiens mond ik zyn goddelijken wil te mijnen opzichte moet vernemen. Om deze deugd inderdaad te beoefenen , moet ik op hetzelfde oogenblik dat ik van mijnen overste een bevel ontvang, mijn hart tot God verheffen, ten einde vastelijk te gelooven, dat dit bevel de uitdrukkelijke wil van Jesus Christns is.

3° Wat de oversten ons gelasten, moeten wij zoo

ocr page 238

232

volmaakt mogelijk en met veel ijver volbrengen. Daartoe zijn vier dingen noodig:

1° Alle bedieningen aannemen en uitoefenen, zonder tegenspraak of eenige tegenwerping, zonder zich te beklagen, zonder morren.

2° Ze met de meeste zorg en nauwgezetheid uitoefenen.

3° Niet vragen om van deze of gene bediening ontheven te worden, maar wachten tot het God be-hage ons er van te ontlasten, — door tusschenkomst onzer oversten.

4° Trouw en letterlijk de regels en constituties der orde of congregatie, waartoe wij behooren, onderhouden en naleven.

Grooter lof kan er van een kloosterling niet gezegd worden, dan dat hij de regels der orde of congregatie trouw en volmaakt, allen tot voorbeeld, onderhoudt; daarom moet men die regels herhaaldelijk lezen, ze zich eigen maken, en ze nimmer of nooit voor niets ter wereld overtreden.

§§ 1-

De tweede gelegenheid den eigenwil te versterven en te overwinnen.

De personen met wie we leven, bieden ons deze gelegenheid aan. 't Is onmogelijk dat de personen, die in eene communauteit samenwonen, allen hetzelfde karakter, denzelfden wil, dezelfde zienswijze en gedachten hebben; wat mij pleizier doet, doet een ander leed; en wat mij genoegen doet, mishaagt aan anderen, 't Is dus noodig dat men van zijn eigen wil afstand doe, ten einde de liefde en eendracht te bevorderen en de versterving gestadig te beoefenen. Men herkent

ocr page 239

233

gemakkelijk waar de geest van versterving en volkomen zelfoverwinning Tieerscht. — Zij die slechts ten halve verstorven zijn en zich, om mij zoo eens uit te drukken, met de kruimels der heiligheid tevreden stellen, zijn grillig, eigenzinnig, aan hun eigen zienswijze en wil gehecht en volgen ze in veel dingen. Onderbreekt men ze om de een of andere reden, kunnen ze hun gebed niet op den gestelden tgd verrichten; moeten ze een deel hunner gewone gods-vrucht-oefeningen achterlaten; worden ze verhinderd de bijzondere dagorde, die ze zich voorgeschreven hebben, na te komen, zoo ontstellen ze, worden ongeduldig en driftig.

Zielen daarentegen die met den waren geest van versterving bezield zijn, worden van boven verlicht en weten dat de afstand van den eigen wil, de zelfoverwinning en de liefde den voorrang hebben boven alle andere deugden, alle andere deugden overtreffen. Om die reden voegen zij zich naar alle tijden en omstandigheden en weten zich in alles te vinden^ zij bewaren steeds den inwendigen vrede, de gerustheid des harten. Ik vraag de volgende oefeningen

1° Nooit weigeren iemand van dienst te zijn^ Daartoe heeft men in een communauteit steeds gelegenheid. Nu eens word ik persoonlijk er om gevraagd , dan weer vraagt men er mij wel niet om, maar het is duidelijk dat het veel genoegen zou doen, indien ik uit eigen beweging, zonder er toe uitge-noodigd te worden, mij aanbood. Deze en dergelijke gelegenheden moet men met graagte aangrijpen. Immers al wat we voor onzen naaste doen, neemt God aan als aan zich geschied. En wie zou niet graag en met de meeste liefde God, indien Hij zichtbaar onder ons woonde, een dienst bewijzen?

ocr page 240

234

2° Men moet voor iedereen terugstaan, zich naar elkeen voegen, — mits men het zonder zonde kan doen en geweten en regels het niet verbieden. Gelegenheid hiervoor bestaat te over, bijvoorbeeld: ik arbeid met iemand die er op staat dat ik zijn zienswijze, zijnen wil volge. Er is iets in mij wat hem misvalt, hij ■vermaant mij mij daarvan te beteren. Hij is van een tegenovergestelde meening aan de mijne en eischt dat ik van mijne zienswijze afsta om de zijne te volgen. In dit alles moet ik toegeven en afstand doen van mijn eigen wil, en zou de zaak zelve nog zoo onbeduidend wezen, die afstand van mijn wil is uiterst kostbaar in de oogen van God.

§§ 3.

De derde gelegenheid om zijnen wil te versterven.

Onspoed, rampen en wederwaardigheden biedt ons de derde gelegenheid aan onzen wil te versterven. Het gaat nu eenmaal niet in dit tranendal vrij van kruisen te leven. — Verheugen wij ons in het bezit van den zoeten vrede des harten, dan komen de menschen ons uitwendig plagen. Hebben wij al uitwendig niets te lijden, inwendig des te meer. Worden wij door God getroost, zoo komt de duivel, die jaloersch is op ons geluk, ons kwellen door bekoringen; laat de duivel ons gerust, zoo is het God die ons zijn licht onttrekt en ons in duisternissen en dorheid laat. — En wat nog bedroevender is, — wanneer wij den vrede van alle zijden hebben, zijn wij zeiven de rustverstoorders; wij kwellen en matten ons af met allerhande gedachten, vermoedens en duizend andere dingen.

ocr page 241

235

Wij zullen dit alles elders in bijzonderheden bespreken. Hier bepaal ik mij bij het noodige voor de beoefening der versterving. Zij bestaat iu volgende punten:

1° Men moet alle rampen en wederwaardigheden beschouwen als beschikkingen van Gods voorzienigheid , die God van alle eeuwigheid voor ons heil en welzijn heeft voorzien en vastgesteld. Daarom moeten we als ramp of onspoed ons treft, onze oogeii hemelwaarts richten om Gods heilige raadsbesluiten te aanbidden en dat kruis uit zijne hand met diepe nederigheid aan te nemen. Deze gesteltenis is uiterst kostbaar en hoogst verdienstelijk bij God.

2° Men moet al zijn leed, rampen en wederwaardigheden aan God opdragen met een reine meeuing. God is oneindig wijs; Hij kan dus niets doen dan om een doel, dat met zijne wijsheid volkomen strookt. God is daarenboven oneindig heilig, Hij kan zich dus in zijne verordeningen geen ander doel voorstellen, dan dat volkomen beantwoordt aan zijne heiligheid.

Overkomt ons nu ramp of tegenspoed, zoo moeten wij onze meeuing met de zijne vereenigen en ze hem tot hetzelfde doel opdragen, weshalve hij zoo met ons gehandeld heeft. Zoo kunnen wij b. v. bidden: Mijn God! ik bemin u boven alles, wijl gij oneindig goed zijt, 'tis uit liefde voor U, dat ik deze wederwaardigheid van uwe vaderlijke hand aanneem; ik dank u er voor uit geheel mijn hart, ik draag ze u uitsluitend tot dat doel op, hetwelk Gij u voor-steldet toen Gij in uwe eeuwige en oneindig wijze raadsbesluiten vaststeldet mij dit kruis te overzenden. Tot dat einde moet men op drie dingen letten: Het eerste is uitwendig nooit eenig ongeduld te laten blijken.

ocr page 242

236

Het tweede is, alle inwendige opwellingen van ongeduld en ontevredenheid terstond te onderdrukken en de goede meening die men gemaakt had te onderhouden en te vernieuwen. Het derde is, in zijn hart gevoelens op te wekken overeenkomstig met onzen tegenwoordigen toestand, zooals gevoelens en verdere uitingen van liefde, dankbaarheid, van lof jegens God, van offerande, van onderwerping aan zijn heiligen wil, en dergelijken meer.

GRONDSTELLINGEN EN KEGELS VOOR EENE ZIEL DIE GOD OPRECHT ZOEKT TE BEMINNEN.

Zijn hart rein en vrij houden van alle ongeregelde neigingen en driften.

Eene ziel die God uitsluitend wenscht te beminnen, die zich dat vast voorgenomen heeft, moet diensvolgens op besliste en kordate wijze er werk van maken haar hart van alle schepselen te onthechten en het van alle ongeregelde neigingen te zuiveren.

De H. Geest eischt onvoorwaardelijk deze gesteltenis, vóór dat hij zich zal gewaardigen ons hart in bezit te nemen en er het vuur zijner liefde te ontsteken. Om eene zoo belangrijke leer goed uit een te zetten en te verklaren, gaan wij eenige regels aanbieden wier naleving eene ziel in korten tijd tot de volmaaktheid zal brengen.

EERSTE REGEL.

De eerste voortgang dien men in de versterving moet doen, is aan de zinnelijkheid nooit iets toe te geven. Ik kies als voorbeeld eenige verstervingen der Heiligen.

ocr page 243

237

Eerstens. De Heiligen droegen zorg hunne oogen te bewaken op verscheidene wijzen;

P Zij vestigden hunne blikken nooit op iets dat voor hen aanleiding of oorzaak kon zijn van de kleinste bekoring.

2° Om de nieuwsgierigheid te overwinnen, wendden zij hun oog terstond af van dat wat ze graag zouden gezien hebben.

3° Om zich de versterving zelfs van een onschuldig genot op te leggen, keken ze nooit door een raam van waar men uitzicht had op schoone tuinen of andere behagelijke plaatsen.

4° Meestal gingen ze met neergeslagen oogen om zich zoo gemakkelijker in de ingetogenheid en Gods tegenwoordigheid te houden.

Tweedens. De Heiligen waren verklaarde vijanden van alle zinnelijkheid in eten en drinken.

1° Buiten etenstijd gebruikten ze nooit iets door den dag, tenzij de gehoorzaamheid, de noodzakelijkheid of de gebruiken van het huis dit eischten.

2° Zij klaagden over niets, waren met alles tevreden; zij namen voor zich het slechtste en lieten aan de anderen het beste over.

3° Zij onthielden zich eenigen tijd van die spijze, waartoe ze het meest lust gevoelden.

4« Op zekere dagen namen ze bittere kruiden of alsem in den mond, ten einde zich den smaak van het eten en het drinken te benemen.

Derdens. De Heiligen hielden hunne ooren zorgvuldig gesloten.

1° Nooit wilden ze hun eigen lof hooren en trachtten , zooveel ze konden, te beletten dat iets loffelijks van hen gezegd werd; konden zij dit echter niet

ocr page 244

238

beletten, zoo keurden zij het in het hart af, of verwekten eene akte van ootmoedigheid.

2° Werd hunne nieuwsgierigheid geprikkeld om het een of ander nieuws te vernemen, zoo vroegen zij naar niets en bedwongen die nieuwsgierigheid.

3° Zij leenden nimmer hun oor aan achterklap of kwaadspreken, en wilde men hun vertellen wat anderen van hen gezegd hadden, dan antwoordden ze dat ze er niets van wilden weten.

4° Zij gaven nooit gehoor aan een gesprek over de gebreken van den evenmeusch, zij onderbraken zulke gesprekken, en konden ze dit niet, zoo zwegen ze ten minste en keurden ze door hunne houding zichtbaar af.

Vierden». De Heiligen hielden met veel zorg hunne tong in bedwang.

1° Zij waren zeer streng omtrent het stilzwijgen; gedurende den heelen tijd dat het stilzwijgen moest bewaard worden , spraken ze zonder noodzakelijkheid geen enkel woord.

2° Zij beklaagden zich over niets of niemand, morden over niets, bedilden niemand, en al hunne gesprekken waren vol goedheid, liefde en zachtmoedigheid.

8° Zij gispten de anderen nooit over hunne gebreken of fouten, krakeelden of twistten met niemand; zij y verden steeds en overal voor vrede en liefde.

4° Zij spraken nooit over de gebreken van anderen en plaatsten de eer en den goeden naam der anderen ver boven den hunnen.

Vijfdens. De Heiligen kastijdden hun lichaam door allerlei boetvaardigheid: door de boetekoord, door gordels en riemen van ijzeren punten voorzien, met op den plankenvloer te slapen, en door alle

ocr page 245

239

soorten van andere verstervingen. Gij behaagt aan God het meeste, als ge dat doet wat de gehoorzaamheid u veroorlooft te doen.

TWEEDE REGEL.

Nooit of nimmer aan toorn of ontevredenheid toegeven.

Dit is een der gewichtigste verstervingen. Ziehier de oefeningen ervan:

Eerste oefening. De eerste opwellingen van toorn tegengaan en bedwingen. Raakt ons bloed aan 't koken, zoo moeten we onmiddellijk het hart tot God verheffen, dien opstand der natuur onderdrukken, bidden en het bloed van Jesus Christus voor hen opdragen, op wie we op het punt staan toornig te worden.

Tiveede oefening. Met zachtheid harde en kwetsende woorden beantwoorden. Niets moet in staat zijn onzen toorn te ontsteken.

De zachte, liefdevolle woorden, waarmede Jesus Judas, die Hem verraden had, toesprak, moeten onze regel zijn als we op harde, kwetsende ons toegevoegde woorden antwoorden.

Derde oefening. Personen van een lastig, terugstootend, twistziek karakter, moeten we met bijzondere voorkomendheid, goedheid en zachtheid behandelen. Met personen verkeeren van aangenaam en innemend karakter, vredelievend, vroom, hartelijk jegens allen en van goede zeden, kost geen moeite, integendeel 't is een pleizier met hen om te gaan; zulke personen met zachtheid en goedheid behandelen is geene deugd, 'tis een plicht dien men met liefde volbrengt. Wie zou zulke personen niet liefhebben? Maar met goedheid en zachtheid lastige, korzelige,.

ocr page 246

240

opvliegende, twistzieke, terugstootende karakters behandelen, die u daarenboven minachten en geringschatten, inderdaad, dat is eene deugd van groote versterving en een handelwijze van grootmoedige, uitstekende liefde.

Vierde oefening. Kwaad met goed vergelden. Heeft men ons verongelijkt of eenig leed aangedaan, zoo moeten we terstond trachten het te vergelden door een goeden dienst. Zoo leerde en handelde Jesus Christus. Beteren leermeester kan men niet hebben. Hem moeten we in alles volgen. Wie dit doet kan nooit falen.

DERDE KEGEL.

In alles den eigen wil verzaken.

Deze regel bestaat in de volgende oefeningen:

Eerste oefening. Onzen wil aan God opdragen, onverdeeld en zonder eenig voorbehoud. Wij moeten derhalve dagelijks God 07izen wil zonder voorbehoud afstaan, uit geheel ons hart Hem denzelve opdragen met het vaste voornemen willens en wetens nimmer iets tegen Gods wil te doen.

Tweede oefening. Den ganschen dag aan deze offerande van onzen wil trouw blijven. Gedurende den dag alleen dat doen en ondernemen, wat we weten God op dat oogenblik het aangenaamste te zijn. Twijfelen we welke van twee daden Hem het aangenaamste is, zoo moeten we die kiezen, welke het meeste strijdt met onzen wil en neigingen. Op die wijze kunnen we zeker zijn Gods wil te doen.

Derde oefening. Ons volkomen en onvoorwaarde-Igk onderwerpen aan onze oversten en hen die ons geweten bestieren. Dit punt is wellicht het gewich-

ocr page 247

241

tigste in het heele religieuze leven. Daarvan hangt geheel af of Gods wil ten onzen opzichte al dan niet zal uitgevoerd worden, daarvan hangen groote genaden ter heiliging en volmaking en menigmaal zelfs het eeuwig geluk onzer zaligheid af.

Vierde oefening. Zich gaarne aan den wil van anderen onderwerpen, waar men het kan, zonder aan regel of constituties in het geringste te kort te doen. Dit is een soort van versterving die de Heiligen bij alle gelegenheid beoefend hebben en die wij moeten navolgen, willen wij dezelfde deugd verkrijgen en aan dezelfde glorie deelachtig worden, die het loon was van hunne grootmoedige handelwijze.

11e

Van de onthechting der schepselen.

GRONDBEGINSEL.

Zijn hart van alle schepselen onthechten en het aan God schenken, het onverdeeld en zonder voorbehoud aan God afstaan met al zijne genegenheden.

Geen vriend zoo heilig als God, maar ook geen vriend zoo jaloersch als Hij. — Hij duldt volstrekt geene gehechtheid aan het schepsel in het hart dat hij voor zich heeft uitverkoren. Hij staat er op het hart voor zich alleen te bezitten op strafie van noch

16

ocr page 248

242

zich zeiven noch zijne genade aan dat trouweloos hart mede te deelen. Van het kwaad dat de ziel gedaan heeft houdt liod geen rekening meer, van het oogenblik dat zij het door een oprecht leedwezen of ware boetvaardigheid heeft uitgewischt; maar niet eer heeft Hij zich eene ziel uitverkoren, tot innigheid van liefde geroepen, in zijne vriendschap opgenomen, of Hij duldt de minste trouweloosheid niet meer in haar.

Zoo lang zij de liefde voor en de gehechtheid aan de schepselen uit haar hart niet heel en al heeft uitgeroeid, behoeft zij er niet aan te denken tot een innige vereeniging met God toegelaten te worden.

Waarom overzendt God aan de getrouwe zielen zooveel kruisen en wederwaardigheden? Het geschiedt omdat God weet dat er geen ander middel is om ze van de liefde der schepselen los te rukken. En hetzij de ziel zelve uit haar hart verbanne het voorwerp waaraan ze zoo gehecht was, of dat God het haar met geweld ontrukke, het geschiedt niet zonder uiterst pijnlijk hartzeer en veel tranen; maar 't is een uitgemaakte zaak, dat, goed beschouwd, die ziel het gelukkigste is die door God het meest beproefd wordt; en waarom ? Omdat ze spoediger haar doel bereikt dat God is. Alleen valt het te betreuren, dat niet zelden zulke ziel haar geluk niet beseft, omdat ze dien toestand, die het eerste begin is van haar grootste geluk, beschouwt als een staat van verlatenheid en ellende. Deze genaden van God hebben we niet in handen; heden worden ze ons aangeboden, morgen gaan ze aan ons voorbij; van daag roept ons God en noodigt Hij ons dringend uit, morgen neemt Hij geen notitie van ons, en gaat Hij eene getrouwere ziel opzoeken. Verlangt de ziel

ocr page 249

243

werkelijk naar God, zoo moet zij Hem haar hart open maken, zoodra Hij klopt, vooral indien Hij eenigen tijd blijft kloppen. — Hoe ze zich omtrent dit allernoodzakelijkste punt van gansch het religieuze leven te gedragen heeft, gaan wij thans de ziel leeren, die haren Zaligmaker volkomen verlangt te beminnen, door het schoone voorbeeld dat de gekruiste Zaligmaker voor ons in deze gegeven heeft.

§§ 1-

Eerste punt. Jesus op het kruis, is van alle have en goed beroofd, en Hij sterft in de uiterste armoede. — Kan men zich eenen armere uitdeuken dan den gekruisten Jezus? — Hij is zelfs van zijue kleederen beroofd. In plaats van eene legerstede om er voor zijn door vermoeienissen en smarten heel uitgeput lichaam, rust en verkwikking te vinden, is Hij aan het smadelijk kruishout genageld. Hij heeft niets waarop zijn, door zooveel doornen doorboord aanbiddelijk hoofd, zou kunnen rusten; en hij moet het tot aan zijnen dood, zonder tusschenpoozen, op eene wgze houden die Hem de grootste smarten veroorzaakt. In plaats van den van dorst versmachtenden Jesus te laven en zijn uitgeputte krachten wat op te frisschen, biedt men Hem gal en edik aan. O! wie werd ooit zoo onmenschelyk behandeld ? Ook de armste heeft ten minste bij zijn sterven een weinig stroo tot leger. De beruchtste boosdoeners, die ter dood gebracht worden, hebben ten minste het noodige om zich zedig te dekken. Vóór den dood, misgunt men zelfs aan de moordenaars en struikroovers een kleine versterking en verfrissching niet. Alleen Jesus sterft aan een kruis zonder dat er ook maar iets

ocr page 250

244

gedaan wordt om zijn vreeselijk lijden een weinig te verzachten.

Tweede punt. Jesus aan het kruis sterft in het grootste denkbaar lichamelijk ongemak, ten prooi aan de hevigste smarten. — Nooit heeft een mensch zooveel en zoo smartelijk in zijn lichaam geleden als Jesus op het kruis. Geen enkel zijner ledematen of het heeft zijne eigenaardige bijzondere smarten. Zijn hoofd is met doornen doorstoken; zijn gelaat is blond en blauw tengevolge der slagen; zijne schouderen zijn ontwricht en verscheurd door de zwaarte vau het kruis; zijne handen en voeten zijn door nagelen doorboord; zijn rug en borst door de geeseling opengereten. Geen enkel zijner ledematen of het heeft zijn eigenaardige smart geleden. Zijne oogen zijn doortrokken van bloed en door de tranen opgezwollen; Zijne ooren worden pijnlijk aangedaan door godslasteringen en valsche beschuldigingen; zijn brandende mond wordt met gal en edik gelaafd; Zijn reuk lijdt door het walgelijke spog dat de Joden Hem in Zijn aanbiddelijk aangezicht spuwen. Hij heeft den laatsten druppel vau zijn bloed vergoten en het beetje bloed dat nog in zijn hart aanwezig was werd na zijnen dood gestort, toen dat goddelijk, van liefde gloeiend hart met eene lans doorstoken werd.

O! welke wreedheid, welke smarten! zoo lang de wereld bestaat werd nooit een boosdoener, ook de grootste niet, met zulke onmenschelijke barbaarsch-heid behandeld, als Jesus aan het kruis. Geen zieke werd ooit zoo gefolterd, doorstond zulke pijnen als Jesus op het kruis.

Derde punt. Jesus aan het kruis moet alle liefde, alle deernis der menschen derven en sterft in de

ocr page 251

245

T

uiterste verlatenheid. — De oiidragelykste pynen en de grootste verlatenheid, men zag ze nimmer ver-eenigd als in den gekruisten Jesus. Om het kruis stond veel volk geschaard, — maar niemand had medelijden met Hem.

Onder hen bevonden zich ongeloovigen en afgodendienaars, die de vreeselijkste godslasteringen tegen Hem uitbraakten. Hem uitmaakten voor een bedrieger, een valschen koning die het volk zocht op te ruien tegen zijn wettigen vorst. Daar bevonden zich Joden, maar zij bespotten Hem als een meusch die met den duivel omging, als een eerzuchtige die door verregaande verwaandheid en grenzenloozen hoogmoed gedreven, zich voor den Messias wilde laten doorgaan. Onder die menigte bevonden zich ook vele zieken, die Hij van hunne ongeneeslijke kwalen en ziekten genezen, anderen die Hij van den duivel verlost had, maar zij hadden den moed niet de onschuld van Jesus, ook niet door een enkel woord, te betuigen. Van hen, die Hij het teederste bemind had, had Judas Hem verraden en verkocht. Petrus had Hem verloochend en de overigen hadden schandelijk de vlucht genomen. Zijne Moeder alleen met Joannes en Magdalena stonden onder het kruis, maar zij vermeerderden en verergerden zijn lijden door hunne tranen. Geen sterveling die zich om Jesus bekreunde! O welke verlatenheid! Waar ter wereld zag men bij de terechtstelling van een berucht moordenaar de toe-

O m

schouwers den ongelukkige bespotten en honen m zijn stervensuur, vermaak scheppen in zijn leed en lijden; integendeel, men heeft deernis met den boosdoener aan wien de doodstraf voltrokken wordt, men beklaagt hem in zijn hart, men wenscht dat de beul spoedig en handig het hoofd van den onge-

ocr page 252

246

lukkige doe vallen, opdat hij toch maar weinig zou lijden. Met Jesus alleen heeft men geen medelijden; men hoont en bespot Hem in zijn vreeselijk lijden; tot in zijnen doodstrijd wordt Hij uitgelachen, beschimpt en verwenscht.

Vierde punt. Jesus op het kruis moet allen in-wendigen troost derven, en Hij sterft in de uiterste droefheid. — Waarheen toch zou Hij van het kruis zijn oogen wenden om eenigen troost te vinden ? Valt zijn oog op de heidenen, zoo ziet Hij dat voor de meesten hunner zijn bloed te vergeefs vergoten is geworden en dat ze zullen verloren gaan. Denkt Hij aan de Joden, Hij ziet niets dan onmenschen en ondankbaren van de ergste soort; zij honen en bespotten hem in zijne hevigste pijnen en smarten. Denkt Hij aan zijn leerlingen. Hij ziet dat ze zich over Hem schamen en Hem lafhartig verlaten en aan zijn lot overlaten. Richt Hij zijn oog ten hemel, naar zijnen hemelschen Vader, ook van Hem krijgt Hij niet den minsten troost, ook zijn Vader in den hemel heeft Hem verlaten!

0 welk leed, welke ongehoorde droefheid! Wie leed ooit zulke zielsfolteringen, zulke smarten! Inderdaad Hij is de man der smarten, van wie Isaias gewaagt! De heilige martelaren die het meeste te lijden hadden, kregen het bezoek der engelen, die hen kwamen sterken en troosten; Jesus echter sterft aan het kruis, van hemel en aarde verlaten, verzadigd van droefheid, benauwdheid en zielsangsten, zonder troost, zonder eenige verlichting in zijn vreeselijk lijden.

Na de armoede, de ellenden, het onmenschelijk lijden van Jesus goed overwogen te hebben, prent de volgende waarheden diep • in uw hart:

ocr page 253

247

1° Jesus is op de wereld gekomen om mij door zijn voorbeeld den weg der heiliging en volmaking le toonen. — Dus moet de beste weg om tot heiligheid en volmaaktheid te geraken, die van armoede, verlatenheid, smarten, droefheid, lijden naar de ziel en naar het lichaam zijn; immers had Jesus een beteren weg gekend. Hg zou hem ons ongetwijfeld gewezen hebben.

2° Jesus is op aarde verschenen om ons door zijn voorbeeld de hoogste heiligheid, de verhevenste deugd en volmaaktheid te leeren; — derhalve moet het zich losmaken van alles, de onthechting van alle schepselen , de liefde voor kruis en lijden, de volle overgeving in Gods heiligen wil, in zijn heilig welbehagen, dat alles, zeg ik, moet dus de hoogste deugd en verhevenste heiligheid zijn; immers, had Jesus iets kostbaarders en verheveners in de oogen van God gekend. Hij zou het ons ongetwijfeld door zyn woorden en werken geleerd hebben.

3° Jesus heeft ons een voorbeeld gegeven, opdat wij hetzelve zouden navolgen; daaruit volgt dat het geene onmogelijke zaak kan zijn, immers in dit geval zou Hij onberaden en lichtzinnig gehandeld hebben, met ons dringend aan te sporen iets na te volgen, wat onze krachten overschrijdt.

4° Jesus heeft zooveel geleden uit loutere liefde voor mij, schoon Hij voorzien had en heel goed wist hoe ondankbaar ik me zou toonen; daarom vorderen recht en billijkheid dat ik op mijne beurt mij aan-biede uit liefde voor Hem dat te lijden, wat Hij het eerst uit liefde voor mg geleden heeft.

5° Jesus heeft langs dien koninklijken weg des kruises zijne eigene Moeder, zijne Apostelen en alle Heiligen, die Hij bizonder beminde, gevoerd; dus

ocr page 254

248

moet ik als een groote eer en uitstekend voorrecht beschouwen, als Hij zich gewaardigt ook mij, ellendig schepsel, langs dienzelfden weg te leiden. Hebt ge u van die waarheid goed doordrongen, ga dan met de volgende oefeningen voort:

§§ 2.

Oefeningen om Jesus in de voorgaande punten na te volgen.

Eerste oefening. Een volle onthechting en afstand van alle aardsche goederen. Deze onthechting bestaat in volgende dingen:

1° Gij moet ten volle tevreden zijn met dat wat God, in zijne oneindige goedheid en barmhartigheid, goedgevonden heeft u edelmoedig te schenken, en gij moet volstrekt niets meer verlangen dan wat God in zijn oneindige wijsheid en goedheid vastgesteld heeft u te laten toekomen.

2° Gij moet een betamende zorg hebben en de geschikte middelen aanwenden om goed te behouden en te bewaren wat' u toebehoort, nochtans zonder ongerustheid, vrees of gejaagdheid; dewijl ge u overtuigd moet houden en vastelijk gelooven, dat, nadat ge zelf het noodige daaromtrent gedaan hebt. God zal toonen dat Hij uw Vader is die u niets zal laten ontbreken wat u ter zaligheid nuttig of noodig is.

3° Gij moet uw hart sluiten voor al het aanlokke-lyke, verleidelijke, aangename en zoete aan de aardsche goederen verbonden, opdat ge ten bekwamen tijde, dat wil zeggen elk uur bereid moget gevonden worden dat te verlaten en geheel aftestaan wat u toebe-

ocr page 255

249

hoort en waaraan uw hart nog zoo zeer gehecht is, en alles te verliezen en te derven, gelijk Christus aan het kruis, Indien God dit van u mocht eischen. Tot dat einde zult ge dikwerf en met een goed hart u aan Jesus aanbieden en tot Hem spreken: Zie Heere, ik ben bereid alles te doen wat U zal behagen mij op te leggen.

4° Zou het in Gods raadsbesluiten liggen u, wat de wereld noemt, een ongeluk te overzenden, waardoor ge nadeel zoudt lijden in uwe bezittingen, have of goed, zoo behoort gij het uit Gods hand met volle onderwerping en overgeving aan te nemen, hem deswege te prijzen en te zegenen en vast te gelooven dat dit verlies u meer waard is dan alle goederen der wereld.

De tweede oefening is een volle onthechting van alle genoegens, gemak en gerief des lichaams. Deze onthechting bestaal in volgende dingen:

1° Gij moet het lichaam nimmer koesteren of streelen, iu wat het ook zij, in eten of drinken, rust of slaap, kleeding en andere dingen, niets meer toestaan dan wat strikt noodzakelijk is volgens uwen staat.

2° Gezondheid, welvarendheid behaagt zeker het meest aan het lichaam; maar daar ze niet altoos dienstig en zalig is voor de ziel, moet ge noch naar gezondheid, noch naar ziekte of krankheid verlangen, maar alles aan Gods wil overlaten — en dat uwerzijds met een oprechten wil uit Gods hand dat het liefst aan te nemen, wat Hem zal behagen u te overzenden, hoedanig het dan ook zijn moge.

3° Zou God goedvinden u een ziekte te overzenden, zoo moet ge uw oog ten hemel richten en zijn vaderhand ootmoedig kussen , waarvan alle dingen komen;

ocr page 256

250

Hem loven en zegenen om al zijne beschikkingen, en u geheel en zonder voorbehoud aan zijn heiligen Wil onderwerpen.

4° Schoon ge noch ziekte, noch lijden, noch smart of pijn moet vragen, moet gij nochtans dikwerf uw lichaam aan God opdragen, opdat Hij er over be-schikke volgens zijn heilig goedvinden en welbehagen, en hetzelve doe boeten voor de zonden waaraan het zich vroeger schuldig maakte, alles volgens zijnen heiligen Wil.

De derde oefening is een volle onthechting en afstand van de genegenheid en liefde der menschen. Deze onthechting komt hier op neer:

1° Men mag wel iemand beminnen b. v. zijn echtgenoot, zijn kind, een waren vriend; maar die liefde moet zonder overdreven gehechtheid zijn, zonder letsel of schade van de liefde Gods, zoodat de ziel elk uur, ieder oogenblik, bereid zij al die ons dierbaar zijn te verliezen en af te staan, zoo het God mocht behagen dezelven van ons door den dood of anderszins weg te rukken.

2° Men moet niet te gevoelig zijn indien men van zekere personen ondankbaarheid ondervindt; in dergelijke gevallen moet men minder letten op de schuld der menschen dan wel op den wil Gods en deszelfs beschikkingen; Hem in alles en voor alles danken en zegenen, en, alsof er niets gebeurd ware van wege de menschen, voortgaan hen met liefde en minzaamheid te bejegenen.

3° Zou het God behagen den eenen of anderen uwer dierbaren van de wereld weg te nemen, zoo moet ge u aan Gods wil zonder de minste tegenspraak onderwerpen, u niet beklagen noch verontrusten , maar de zaak liever zoo beschouwen, dat

ocr page 257

251

God wellicht een grooten hinderpaal aan zijne liefde in uw hart heeft weggeruimd.

De vierde oefening is de volle onthechting van eiken inwendigen troost.

Talrijk zijn de inwendige kruisen, zooals de bekoringen tegen God, tegen het geloof, tegen de zuiverheid ; verder twijfel, kleinmoedigheid omtrent onze eeuwige zaligheid, dor- en droogheid, hulpeloosheid en verlatenheid in het gebed; tegenzin en afkeer, mismoedigheid in de beoefening der deugd, droefheid en zwaarmoedigheid des harten en veel andere inwendige kwellingen.

Hoe behoort men zich te gedragen in dien toestand?

1° Gij moet steeds den gulden middenweg volgen, noch vertroosting noch groote droefheid en verlatenheid verlangen, maar u geheel aan Gods welgevallen overgeven en altijd bereid zijn uit zijn vaderhand alles aan te nemen wat Hem zal behagen ons toe te zenden.

2° Overvalt u een bekoring, zwaarmoedigheid of droefheid, — vooral den moed niet verliezen, maar nederig erkennen dat ge niet waardig zijt den ge-ringsten troost van Hem te ontvangen; gij moet die droefheid en zware beproeving stilzwijgend aannemen, ze gelaten en geduldig met volle overgeving aan Gods heiligen wil verdragen, en verder in dien geest met de meeste bedaardheid afwachten alles wat God voor u zal beschikken: 't is ja voor ons welzijn, al wil dat er juist niet altijd bij ons in, — immers wat God doet is wel gedaan en steeds voor ons best, daarom zij gezegend ten allen tijde de Naam des Heeren!

ocr page 258

252

19^ yfcofbïtuifl.

Van den geestelijken dood en de onthechting van alle schepselen.

Eene ziel die God verlangt te bezitten, Hem volkomen te beminnen, in vertrouwelijke en innige vereeniging met God, ons opperste Goed, wil treden, bij Wien alleen de menscli zijn waar geluk kan vinden, moet zich zelve afsterven, uit haar hart alle liefde voor de schepselen verbannen, en in deze wereld zóó leven of was zij er alleen met God. Zonder dezen geestelijken dood kan eene ziel, ja, wel veel goede werken doen en veel verdiensten voor den hemel verzamelen, maar volmaakt worden en de zuivere liefde Gods bereiken of erlangen, neen, dat kan ze niet. Zoolang ze een ongeregelde gehechtheid en liefde voor een of ander schepsel, hoedanig het ook zijn moge, in haar hart bewaart, behoeft ze er niet aan te denken zich met haar eenig en hoogste goed, God, op de innigste wijze te kunnen vereenigen.

God een oneindig zuivere geest zijnde, zal eene ziel er nooit toe komen vertrouwelijk met Hem te worden, zoolang ze in haar hart eene verkeerde genegenheid zal blijven koesteren jegens de schepselen. Het is niet genoeg zijn hart te zuiveren van groote en hevige genegenheden: — groote en kleine behooren er uit verbannen, wil men zijn hart tot eene waardige woonplaats maken voor God, den Heer en Meester van hemel en aarde.

Wat is zwakker dan een draadje, nochtans is het in staat het vogeltje gevangen te houden en te beletten dat het zich in de lucht verheffe. Kortom,

ocr page 259

253

zoolang eene ziel niet heel eu al onthecht is vau alle schepselen zonder uitzondering, zal ze vergeefsche moeite doen om haar doel van innige vereeniging met God te bereiken. Ze moge dan nog zooveel bidden en vragen, nog zooveel goede werken en verstervingen doen, jaren lang zelfs, -— zonder die algeheele onthechting zal ze nooit toegelaten worden tot dien hemelschen wijnkelder, waar, zooals de H. Schrift zich uitdrukt, de H. Geest zijn welbeminde, de gelouterde , reine ziel, binnenleidt.

Daar van deze oefening alles afhangt, zullen we haar ietwat uitvoeriger in bijzonderheden verklaren; 't is derhalve zaak deze leer diep in zijn hart en geest te prenten, ten einde er zijn dagelijksch doen en laten naar in te richten.

Artikel I.

Va?i den geestelijken dood en de volle onthechting van alle schepselen, door terzijdestelling van alle menschelijk opzicht, en minachting voor de achting der menschen.

§§ 1-

Ocenveging over het voorbeeld dat Jesus Christus in zijn lijden aan de ziel gegeven heeft, die Hem wensc/it te beminnen en zich innig met Hem te vereenigen.

Eerste punt. Jesus Christus, uw goddelijke Verlosser , was de opperste Heer van hemel eu aarde, de Schepper van alle dingen, de bron van alle goed, en nochtans heeft Hij uit liefde voor u willen gehouden worden voor den minsten der menschen, nietig als een aardworm. Hij heeft deze zelfverlaging

ocr page 260

254

en geringschatting heel zijn leven in oefening gebracht , gansch bijzoader in zijn lijden, waar ze haar hoogste toppunt bereikte. Op den vooravond van zijn bitter lijden werd Hij door Judas, een zijner uitverkoren leerlingen, voor dertig zilverlingen, den prijs van een heel gewoon dier, verkocht; voor dertig zilverlingen werd de Heer van hemel en aarde verkocht en overgeleverd aan zijn bitterste en bloed-dorstigste vijanden. Was het mogelijk de geringschatting en verachting verder te drijven ?

Daarna trokken de dienaren van den Hoogepriester en de soldaten in den nacht naar den Olijfberg, en Jesus gevangen genomen hebbende, hebben ze Hem de handen op den rug gebonden, een ketting om den hals geworpen, een koord om de lendenen geslagen , en zoo geboeid en gekneveld hebben ze Hem, bij fakkellicht, naar Jerusalem gesleurd, of ware Hy eeu gevaarlijke moordenaar en struikroover, — vergezeld van eene groote menigte ruw volk, dat Hem bitter hoonde en lasterde.

Zoodanig was het begin dier ongehoorde verlaging. Het vervolg was nog ijzingwekkender. Hoe werd Hij niet veracht en bespot bij Caïphas! Hier gaf Hem een dienaar een kaakslag, die Hem het bloed uit neus en mond deed springen; anderen blinddoekten Hem, sloegen Hem, wierpen Hem met slijk en spuwden Hem in het aangezicht onder de wreedste bespottingen. Wie ter wereld werd ooit op zoo bar-baarsche wijze veracht en verlaagd?

En toen Hij ter dood veroordeeld werd, wat moest Hij toen niet lijden, hoe werd Hij toen veracht en vernederd! Het was de gewoonte als iemand veroordeeld was om gekruisigd te worden, dat een ander het kruis droeg tot op de plaats der terechtstelling;

ocr page 261

255

Jesus echter moest zelf het kruis dragen, als ware er nooit iemand geweest die zoo zeer verdiende vernederd te worden.

Tweede punt. Jesus, uw goddelijke Verlosser, was de onschuld en heiligheid zelf; en nochtans heeft Hij uit liefde voor u willen doorgaan als de grootste booswicht, de grootste misdadiger.

Overweeg wel, mijne ziel, en hoor de godslasteringen , schimpwoorden en valsche beschuldigingen, die men tegen Hem uitbraakt. Deze zeiden, dat Hij aen bedrieger was, een valsche leer verspreidde en het volk misleidde; gene dat Hij een trotschaard was, een heerschzuchtige, die zich opdrong oin koning van Israël te worden; anderen zeiden dat Hij een dronkaard was, een wellusteling, van den duivel bezeten, die geheimen omgang onderhield met de hel en op die wijze wonderen deed; weer anderen verweten Hem dat Hij een godslasteraar was, die zich voor den Zoon Gods uitgaf en voor den beloofden Messias wilde gehouden worden; kortom, ze betichtten Hem van alle mogelijke misdaden. Al die aantijgin-geo. en beschuldigingen bewijzen, dat men Hem voor den slechtsteu en goddeloosten der menschen hield.

Er was toen een berucht moordenaar, Barabbas genaamd, in de gevangenis; nog kort te voren had bij een moord gepleegd, zijne handen waren nog warm en geverfd van het bloed dat hij vergoten had. Pilatus plaatst hem naast Jesus en vraagt aan het woeste, van woede tierende volk, wie van beiden het wilde dat hij zou loslaten!

Luister, mijne ziel, o schande, onuitwischbare schande! uit die groote menigte, uit al dat volk, stijgt geen enkele stem op om Jesus te verdedigen; allen schreeuwen en brullen om het hardste: Laat

ocr page 262

256

Barabbas los en kruisig Jesus! Is er wreeder en grooter verachting en vernedering denkbaar? — Aan den eisch des volks werd voldaan; Jesus werd ter dood veroordeeld en gekruisigd tusschen twee moordenaars. Overweeg thans die onvergelijkelijke verachting en vernedering waaraan Jesus ter prooi was. Waar ter wereld en wanneer werd ooit een ter dood veroordeelde — was het ook de grootste boosdoener — in zijn lijden beschimpt en bespot? Hoe groot ook zijn euveldaden waren, niemand denkt er aan ze hem in zulk een oogenblik te verwijten; integendeel men heeft deernis met den ongelukkige.

Hoe anders handelt men met Jesus! Hij blijft drie uren lang, levend aan het kruis hangen; eene groote menigte volks omringt Hem; niemand heeft medelijden met Hem; met een grijnslach bespotten en bonen ze Hem allen. Waar is nu uwe macht? Zoo heet het. Zie! Hij beweerde den tempel af te breken en in drie dagen weer op te bouwen; Hij heeft de anderen verlost eu nu kan Hij zich zeiven niet verlossen. Zij schudden het hoofd, zeggende: Indien gij de Zoon Gods zijt, kom dan van het kruis af en wij zullen in U gelooven. Onder al die beleedi-gingen en spotternijen, te midden der vreeselykste pijnen, gaf Jesus den geest.

Derde punt. Jesus was de eeuwige wijsheid — en ioch wilde Hij uit liefde voor u voor een zot gehouden worden, 't Is zeker een der gevoeligste be-leedigingen als men een eerlijk en braaf mensch voor zinneloos uitscheldt.— Jesus heeft die verachting willen ondergaan gedurende zijn lijden. Geboeid en gekneveld werd Hij voor Herodes gevoerd die Hem uit loutere nieuwsgierigheid wilde zien en ondervragen; en Jesus op alles niets antwoordende, werd Hij door

ocr page 263

257

Herodes voor een zot gehouden en als dusdanig met een wit kleed omhangen, door het gansche hof en omstaand volk als zot bespot en onmenschelijk uitgelachen. Zoo ging Hij door de straten van Jerusalem onder algemeen gelach en gejoel, vermengd met woest en ruw, van innigen haat getuigend geschreeuw. Zoo kwam Hij hij Pilatus terug. Hier wachtten Hem nieuwe lasteringen en spotternijen en onbeschrijfelijke folteringen. Hij werd van zijne kleederen ontdaan in tegenwoordigheid van het gansche volk, men wierp Hem een ouden, versleten purperen mantel om de schouderen, gaf Hem een rietstok als schepter in de hand en plaatste een doornenkroon op zijn hoofd; dan knielden ze, grijnzende en spottende voor Hem neder die ruwe krijgsknechten , woestaards allen en spraken: Ik groet ü, Koning der Joden; zij spuwden Hem in 't aangezicht , namen Hem den rietstok uit de hand en sloegen daarmede zoo geweldig op de doornenkroon, dat de scherpe doornpunten diep in het hoofd doordrongen en het bloed in breede stralen uit al die wonden gudste en den grond rood verfde. Zonder het geringste medelijden met Jesus weergaloos lijden, voegden zij bij al die folteringen de wreedste spotternijen; zij wenschten hem geluk met zijn koninklijke waardigheid, als huldigings-kus bespuwden ze Hem en noodigden het volk uit de knieën voor Hem te buigen. Wie heeft ooit zoo geleden, wie werd ooit zoo bespot en versmaad? Waarlijk, Hij is de verachte, de versmaden , de verworpene, van wie de profeet gewaagt!

Vierde punt. Neem uw kruisbeeld in de hand, vestig uw oog op den lydenden Jesus en stel u levendig voor, dat Hij u van het kruis deze woorden

17

ocr page 264

258

toespreekt: Innig dierbare ziel! ik zie wel dat ge verscl vurig verlangt innig met my vereenigd te worden | j schep door den band der liefde; weet echter dat al uw verlangen ijdel en vruchteloos zal blijven, zoo lang uw gedrag zoo zeer van het myue verschilt. Gij ziet toch zelf in hoe weinig uw levens- en denkwijze op de mijne gelijkt.

In ben de groote Heer van hemel en aarde , de eenige bron van alle goed, en toch uit liefde voor u wilde ik vernederd en veracht worden, zoo als nooit iemand vernederd is geworden; ik heb de bitterste en grievendste versmadingen, het meest krenkende onrecht geleden, zooals nooit de grootste boosdoener geleden heeft. Ik ben de Onschuld en Heiligheid zelve, en toch liet ik me uit liefde voor u van de zwaarste euveldaden beschuldigen; ik liet me van den eenen rechter naar den anderen sleepen, of ware ik de grootste booswicht, en eindelijk ter dood veroordeelen. Ik ben de eeuwige Wijsheid, en nochtans liet ik mij uit liefde voor u bespotten en beschimpen , voor eenen onnoozelen dwaas uitschelden,

in het aangezicht spuwen! Bij al die onmenschelijke mishandelingen, liet ik nooit den geringsten toorn of wrok in mijn hart opkomen, niets kon mijne zachtmoedigheid en minzaamheid storen; ik heb geen enkel woord gesproken om mij te rechtvaardigen, den mond niet geopend om mij te beklagen; ik heb nooit tegen iemand haat gedragen; in een woord ik heb alles, zwijgend, met het grootste geduld verdragen. Ik heb in mijn hart gebeden voor die me versmaadden en op het kruis heb ik mijn leven gegeven, mijn bloed gestort voor hun heil en zaligheid. Welnu, o ziel die ik zoo teeder bemin, beschouw thans uw eigen leven en zie welk hemelbreed

ocr page 265

259

, 1 verschil er tusscben mij eu u is: gij zijt een arm Ij schepsel, een nietige aardworm, een louter niet, en ; gij verlangd geëerd te worden, geacht en bemind door de menschen; gij tracht zelfs u boven anderen te verheffen, door ambt en waardigheid over hen op gesteld te worden; gij beeldt u veel in op uwe gewaande voortreffelijkheid en meerderheid op uwe medemenschen, of ware niet alles wat ge zijt en hebt eene gave mijner mildheid en vrijgevigheid, eu dat durft ge u toeëigenen! Gij zijt een arme zondaar door vele zonden bezoedeld, met vele onvolmaaktheden en gebreken behebt, aan verkeerde neigingen en driften onderhevig, eu gij wilt voor vroom, godvruchtig, voorbeeldig eu heilig doorgaan; gij verlangt, er heimelijk naar dat men u prijze en u wegens uwe deugden en goede werken bewondere en duldt niet dat men uwe meeningen eu ondernemingen bedille of hekele; komt men u in uwe eer te na, zoo bruischt ge, althans inwendig op, van verontwaardiging; een werkelijk of ook maar vermeend blijk van minachting doet u ongeduldig eu wrevelig worden; — het uit liefde voor mij lijden, kunt ge niet; wordt ge in iets verongelijkt, bij anderen achtergesteld, miskend, gij beklaagt u terstond en soms bitter; hoe kan in dit alles sprake zijn van gelijkvormigheid met Mij?

Ga zoo voort de tegenstrijdigheid van uw leven met dat van uwen goddelijkeu Verlosser te overwegen, totdat ge uw eerzucht en hoovaardigheid goed erkennet en inziet. Omhels daarna uwen Zaligmaker, verfoei uwe ijdelheid, verneder u diep voor God, maak het vaste besluit u op de nederigheid ernstig toe te leggen, en u te oefenen in de verachting en versmading van lof en achting der menschen, in de wijze die ik thans ga verklaren.

ocr page 266

260

§§ 2.

Inwendige oefeningen, waarmede zich de ziel moet bezig houden, ten einde Jesus Christus in die deugd na te volgen.

Eerste oefening. Beschouw u zeiven volgens uwe natuur en doordring u van deze waarheid: van nature ben ik een louter niet, een handvol slijk, een beetje stof der aarde. Tnsschen mij en een handvol stof of slijk der aarde bestaat geen ander verschil dau dat God dit laatste in zijn oorspronkelijken staat gelaten heeft, terwijl Hij van mij een mensch gemaakt heeft, zonder eenige medewerking of verdienste mijnerzijds. Van al wat ik ben en bezit is niets mijn eigen werk, maar alles is het werk van Gods almacht en oneindige goedheid.

Indien God in dit oogenblik ophield mij te ondersteunen en te behouden, zoude ik oogenbükkelijk in het niet hervallen, waarin ik mij voor duizend jaren bevond. Indien dit zoo is, en bet is een onfeilbare waarheid, hoe durf ik dan mij zeiven achten, mij verheffen, mij op mijn persoonlijkheid iets laten voorstaan; hoe kan ik verlangen, ik nietige aardworm , door de anderen geacht en geëerd te worden ? Wie acht toch een handvol slijk ? Bij wie zal het opkomen dat beetje slijk en stof te eerbiedigen , te prijzen en te beminnen? Men spreekt er ongaarne en slechts met verachting van: 'tis maar slijk; meu treedt het met voeten, men houdt het voor het laagst wat op aarde bestaat: 'tis stratenvuil.

Ben ik derhalve slechts een handvol aarde, een beetje slijk, en bestaat er inderdaad in de oogen van God geen verschil tusschen mij en het stof der aarde, hoe kan ik dan iets anders verlangen dan

ocr page 267

261

dat wat aan slijk eu stof der aarde te beurt valt? Ik weet wel, dat ik thans een meuschelijk lichaam heb, een onsterfelijke ziel, aardsche goederen en natuurlijke eigenschappen en vermogens; maar daarvan 'behoort me niets toe, 't zijn louter giften en gaven van God. Eigen ik het niij zelf toe, durf ik er op roemen , wensch ik deswege geacht en geërd te worden, zoo maak ik mij aan eeue groote onrechtvaardigheid jegens God schuldig; — ik ontneem Hem de eer die ■ Hem alleen toekomt, ik ontsteel Hem het grootste goed, dat Hij in zijn schepsel beoogt en nastreeft. Hebt ge deze waarheden grondig overwogen,

1° Verneder u dan diep in uw niet, erken oprech-telijk dat ge slechts niet zijt, een handvol aarde; dat ge uit u zeiven niets hebt waarom ge u aan het stof der aarde zoudt kunnen voortrekken.

2° Leg aan de voeten van God al uwe natuurlijke gaven en vermogens neder; erken dat het louter liefdegiften zijn van zyn vaderhand, waarvoor ge Hem in alle nederigheid moet danken.

3° Verfoei de ijdelheden en de zucht naar eer en achting der menschen, waaraan ge u plichtig maaktet gedurende uw leven; maak het vast voornemen nooit meer een gedachte van ijdelheid in u toe te laten.

4° Bid God dat Hij nooit toesta dat iemand u love, eerbied of achting betoone, tenzij God er door geloofd en verheerlijkt worde.

Tweede oefening. Beschouw u zeiven, opzichtens ; den zedelijken staat, waarin ge vele jaren geleefd hebt, en overweeg wel deze waarheid: wil ik niet vrijwillig de oogen sluiten en mij mijne eigene ellende verborgen houden, zoo moet ik erkennen dat ik, helaas! de hel verdiend heb en er reeds jaren lang had moeten branden, zonder hoop er ooit uit verlost

ocr page 268

262

te worden. Ik heb gezondigd, liet geweten verwijt het mij; na vegiffenis bekomen te hebben, ben ik! in mijne oude zonden hervallen, ik weet het bij ondervinding. — Een enkele doodzonde is genoeg ora verloren te gaan, dit leert me het geloof. Hoe durf; ik me dus verheffen, mij op mijn persoonlijkheid ietsj laten voorstaan? Welk onderseheid is er dan tus-i schen mij en de verdoemden in de hel? Zij hebben gezondigd, ja, ze hebben de hel verdiend, maar deed ik hetzelfde niet? Om hunne zonden werden ze naar de hel verwezen, voor eeuwig verworpen, door hemel en aarde, engelen en menschen vervloekt.;

Hun rampzalige staat, hunne straffen en pijnen moesten de mijne zijn, daar ik evenzeer plichtig ben : als zij. En toch leef ik nog, zoo ik vertrouw, ben ik in staat van genade, zelfs hoop ik, met Gods genade, eenmaal in den hemel te komen om er eeuwig gelukkig te zijn. Maar, aan wie moet ik dat toeschrijven? Wie moet ik daarvoor danken? O Vader der barmhartigheden! o mijn God! TI alleen moet ik het dank weten, dat ik nog niet in de hel ben, verwezen naar de helsche vuurkolken om er eeuwig te branden, door hemel en aarde en alle schepselen Gods vervloekt. Aan LF alleen, o oneindige goedheid, ben ik deze genade verschuldigd. Uwe rechtvaardigheid strafte de verdoemden, gelijk zij het verdienden! Uwe barmhartigheid heeft mij, ellendige, ontzien en gespaard ; ik kus uwe hand! U alleen, o God, zij alle lof en eer in eeuwigheid! quot;J wat mij betreft, het lot der eeuwig verworpenen ' moest het mijne zijn, ik verdiende door de gansclie schepping versmaad en verwenscht te worden.

Na ernstige overweging dier waarheden, neem uw kruisbeeld in de hand:

ocr page 269

263

1° Erken in alle oprechtheid dat ge een zondaar zijt, dat ge God herhaaldelijk vergramd en de hel verdiend hebt, dat ge er lang had moeten branden, dat Gods goedheid en barmhartigheid alleen u daarvoor bewaard hebben.

2° Verneder u en verplaats u in den geest te midden der verdoemden; erken dat gij evenzeer als zij de eeuwige straffen eu de verwenschingen der schepselen verdiend hebt, en dat er tusschen hen en u slechts dit onderscheid bestaat, — dat zij onboetvaardig gestorven zijn, terwijl God u door zijne oneindige goedheid bewaard en behouden heeft.

3° Geef er God de gansche eer van, daar Hij niets in u vond, waardoor ge zulke groote barmhartigheid verdiendet; prijs en dank Hem uit geheel uw hart.

4° Verfoei uwen hoogmoed, uwe eerzucht en ijdel-heid uit den grond uws harten, en maak het besluit voortaan in Gods tegenwoordigheid te wandelen, steeds meer en meer vooruitgaande in de wegen der nederigheid.

Derde oefening. Beschouw u zeiven in den staat waarin ge u thans bevindt, en overweeg ernstig de volgende waarheden:

Ik vertrouw een kind Gods te zijn, versierd met zijne genade, voor den hemel bestemd. Ik heb God sedert vele jaren gediend en veel verdiensten voor de eeuwigheid vergaderd. Sinds lang heb ik me onthouden van groote zonden en ik heb vast besloten liever duizendmaal te sterven, dan God door eene enkele doodzonde te vergrammen. Ik tracht aanhoudend mij met God inniger en inniger te vereenigen en ik leg me meer en meer toe veel goede werken te doen. — Maar hoe onbeduidend is dat alles! Blijf ingetogen, mijne ziel, beschouw eenerzijds alle

T

ocr page 270

264

genaden, welke God u geschonken heeft en anderzijds de weinige en geringe goede werken die ge gedaan hebt, — en vergeet nooit in rekening te brengen dea lof en de eer die ge daarvoor ingeoogst hebt. Wat meent ge wel, zou een dier ongelukkigen, die in i de hel zijn, gedaan hebben, had God hem na zijnen val zoo veel genaden geschonken, als Hij aan u schonk? Ongetwijfeld zou hij meer boetvaardigheid gedaan hebben, tot Gods meerdere eer en glorie meer gewerkt hebben, meer deugden hebben beoefend, in de liefde Gods meer zijn vooruitgegaan in ééne maand, dan gij in een heel jaar.

Zet uwe beschouwing voort. Wat dunkt u, zou de ongelukkigste der verdoemden gedaan hebben, indien God hem zooveel genaden en licht, zooveel heilige bewegingen en ontroeringen des harten geschonken had, als Hij tot dusverre u schonk ? Geloof me, hij zou in ééne maand meer gedaan hebben uit liefde Gods, dan gij tot hieraan in heel uw leven gedaan hebt.

Dring steeds dieper door! Wat meent ge wel, zou de grootste zondaar, die er bestaat, doen, verondersteld dat God hem in den staat stelde waarin gij u bevindt, hem evenveel stoffelijke en geestelijke hulp, evenveel goede inspraken schonk als aan u ? Welken ommekeer ten goede, welke wonderen van liefde zoude Hij ons te aanschouwen geven! Welke strenge boetvaardigheid zoude hij niet doen! Wat snellen voortgang zou hij maken iu de liefde Gods! Tot welken hoogen trap van heiligheid zou hij niet opklimmen!

Sla thans uwe oogen op u zeiven, en wik en weeg wat waarlijk goeds en deugdelijks zoovele genaden Gods in u hebben uitgewerkt. — Gij moest thans van

ocr page 271

265

liefde voor God smelten, gelijk de H. Theresia; gij kondt en moest thans van vurigheid en vroomheid in het gebed en vereeniging met God ontvlamd zijn,, zooals de H. Francisca van Chantal. Gij kondt en moest gezuiverd en gelouterd zijn van alle ijdellieid, eerzucht, van uwe onvolmaaktheden en verkeerde gewoonten. Gij kondt en moest thans reeds een groote heilige wezen, daar de u door God geschonken genaden meer dan voldoende waren om het te zijn. Toon nu, bid ik u, de vruchten welke zooveel weldaden in u hadden moeten voortbrengen en zeker in den grootsten zondaar zouden voortgebracht hebben, hadde God ze hem geschonken, zooals hij ze aan u schonk? O oneindige goedheid van mijnen God! zie, ik sta beschaamd voor U, ik durf mijne oogen niet opslaan, ik erken de waarheid; de genaden die ge mij in uwe goedheid schonkt, waren voldoende om mij duizendmaal heilig te maken. Beschouw ik mijne zwakke medewerking, zoo moet ik bekennen, dat ik de ondankbaarste ziel ben, die zich op aarde bevindt. Tot den dag van heden, heb ik me van geen enkele ondeugd gebeterd; ik heb nog geen enkele deugd volkomen verworven; ik verricht mijn gebed met veel verstrooiingen en op slordige wijze. Het is vinnig koud in mijn hart, daar binnen gloeit geen vuur van liefde en ware, innige godsvrucht; de ijdel-heid bederft mijne liefde, ik breek het stilzwijgen door nuttelooze woorden en gesprekken; ik ben ongestadig in de ingetogenheid. De geringste tegenspraak doet mij de zachtmoedigheid uit het oog verliezen, mijne nederigheid is van dien aard, dat ze de geringste minachting niet kan verdragen, zonder er onder te Ijjden; mijne gehoorzaamheid wil steeds haar eigen ziens- en denkwijze volgen; mijne ver-

ocr page 272

266

sterving heeft een verbond gesloten met mijne gemakzucht , zoo dat deze ongestoord haar gang gaat. Zoo staat het met mijne deugden. Zij hebben alle hare gebreken; geen enkele of er hapert iets aan. Had ik zelfs geen zonden op mijn geweten, dan nog zouden mijne hoogst onvolmaakte deugden voldoende zijn om mij te doen verachten. Hoe is het mogelijk, o Heer! dat ik mij zei ven kan achten, in mij zeiven behagen schep en dat — om mijne onvolmaaktheden; dat ik me voor rijk houd terwijl ik doodarm ben, dat ik verlang geprezen te worden om iets waarvoor ik eigenlijk moest gestraft worden? O Heer! hoe afzichtelijk zijn mijne deugden in uw oneindig reine oogen ! Hoeveel berispelijks vindt ge er in! wat al vreemde onordelijkheden ontdekt ge in mijn hart!

Na deze waarheden goed overwogen te hebben, zult ge de volgende gevoelens in u opwekken:

1° Verneder u diep in uwe nietswaardigheid, werp u neder niet alleen onder de voeten van alle Heiligen maar ook onder die der verdoemden en duivelen, en erken in alle oprechcheid dat ge geen schepsel kent dat, na zoovele en zoo uitstekende genaden ontvangen te hebben, zich zoo ondankbaar heeft betoond als gij het sedert vele jaren deedt.

2° Verwonder u hoe het mogelijk was dat God een zoo lange en hoogst laakbare lauwheid in u kon verdragen, dat hij u zooveel genaden kon schenken, niettegenstaande dat Hij vooruit wist hoe weinig voordeel gij er mede zoudt doen: Ja, hoe is het mogelijk, dat hij tot heden toe voortgaat en niet moede wordt u goed te doen en u dringend en allerminzaamst uit te noodigen tot zijne liefde!

3° Herinner u en leg aan uwen bemiunelijken Verlosser bloot al uwe zonden, al uwe verkeerde nei-

ocr page 273

267

gingen, al uwe onvolmaaktheden, uwe deugden, ja, maar hoe gering en gebrekkig; erken dat ze niets anders verdienen dan den toorn Gods en het terugtrekken zijner genaden, en dat, wat er goeds in u is, niet uw werk is, maar het werk van Gods almacht en oneindige goedheid.

4° Verfoei opnieuw uwe hoovaardigheid en ijdelheid, bid hem dat Hij uw verstand verlichte en uwen wil sterke, opdat ge uwen hoogmoed wel moget inzien en hem voor goed uit uw hart moget uitroeien.

Vierde oefening. Overweeg hoe ge tot dusverre jegens God gehandeld hebt en druk de volgende waarheden in uw gemoed:

1° Ik laat geen dag voorbijgaan zonder God te vergrammen; een enkele dagelijksche zonde is een zoo groot kwaad, dat ze God meer leed en ongenoegen aandoet, dan alle goede werken van mijn gansche leven Hem genoegen verschafpen. Desniettegenstaande ga ik maar voort dagelijksche zonden op dagelijksche zonden te stapelen, en om de onbeduidendste oorzaken; nu eens bedrijf ik ze uit men-schelijk opzicht, en beleedig ik God om aan de menschen niet; te mishagen; dan weer is het om mijn gemakzucht te voldoen, omdat ik den moed niet heb mij te versterven; soms, om eene kleine beschaming te ontwijken, beleedig ik God door aan de waarheid te kort te doen. ik weet maar al te wel dat God, de oneindige Majesteit, mijn teermin-nende Vader en grootste weldoener is, eu toch ga ik voort met zondigen en Hem te beleedigen en te bedroeven.— Om een goede kennis, den een of anderen vriend niet te beleedigen, hem geen ongenoegen of leed te berokkenen, weet ik me wel te overwinnen en zelfs veel onaangenaams te verkroppen, om toch

ocr page 274

268

maar niets te doen wat hem zou kunnen mishagen; maar is er sprake van God te mishagen, dan komt het er zoo erg niet op aan, dan behoeft men het zoo nauw niet te nemen, — en zoo beleedis ik Hem

, # 7 o

of het niets was, en ik doe het dagelijks. Als ik mijn leven onderzoek, zoo vind ik dat ik menigmaal de menschen verongelijkt heb; maar dagelijks iemand verongelijkt en bedroefd te hebben, vriend, huisgenoot of zelfs vijand , neen, dat heb ik niet gedaan ; — God en God alleen beleedig en bedroef ik dagelijks, niet zelden zelfs op elk uur van den dag. Wat zou ik denken, indien een mijner onderhoorigen, dienstknecht of dienstmeid mij dagelijks openlijk, wetens en willens beleedigde? Hoe zoude het mij te moede zijn, indien iemand, aan wie ik veel goed deed, mij dagelijks en met voorbedachtheid beleedigde? Als een medeburger, mijn buurman, mij dagelijks zonder de minste reden kwam verachten, versmaden en bespotten in mijn eigen huis, wat zoude ik er onder lijden, hoe diep zou me dit grieven ! — en ik, wie ben ik dan? en wie is God?— Er gaat geen dag voorbij, waarop ik niet het een of ander aan God, de oneindige Majesteit, weiger; geen dag gaat voorbij of Hij geeft me allerlei goede inspraken. Nu eens vraagt Hij me dat ik mij in een of andere zaak, uit liefde voor Hem, geweld zal aandoen; dan, dat ik om zijnentwille deze of gene deugd zal beoefenen. En wat doe ik? Ik gehoorzaam af en toe, maar ik doe het met tegenzin; meestal beantwoord ik zijn liefdevolle uitnoodiging door eene weigering en versmaad ik zijn heilige wil. Vraagt mij een bloedverwant om iets, ik haast me het hem te geven en verheug me hem dit genoegen te kunnen doen. Ik doe wat een man, dien ik acht, me vraagt; — vraagt God me

ocr page 275

269

echter iets, zoo doe ik het niet, ik weiger het kortaf. Ondertusschen vraag ik Hem dagelijks nieuwe genaden, en staat Hij ze mij niet terstond toe, ben ik er dan wel erg tevreden over? — Vraagt Hij me echter iets, zoo weiger ik het Hem eenvoudig en bekommer er mij verder niet over.

2° Er gaat geen dag voorbij of ik bega nieuwe ongetrouwheden jegens God. Hoe veel goede voornemens maak ik dagelijks niet bij mijne ochtendmeditatie? maar is de tijd daar om dezelve te vervullen , dan is het of ware er niets geschied, ik breng geen enkele van mijne goede voornemens ten uitvoer. Hoe dikwijls heb ik God niet beloofd deze of gene zonde niet meer te doen? en toch bedrijf ik dezelve zoodra ik door de kleinste bekoring word overvallen. Hoe dikwijls heb ik me niet aan God zonder voorbehoud opgedragen, met het besluit al zijne verordeningen te onderhouden, stoot ik echter op den geringsten tegenstand, zoo laat ik mijn besluit varen. Hoe dikwerf heb ik God niet vergiffenis gevraagd van deze of gene zonde, van deze of geue onvolmaaktheid ? En nadat God ze mij vergeven heeft, bega ik ze op nieuw en zelfs dikwijls. Waarlijk, zoo gemeen en diep krenkend zou ik den grootsten schavuit niet durven behandelen. Brak ik mijn woord twee of driemaal, al was het ook maar jegens een eenvoudigen mensch, ik zoude er diep beschaamd over wezen; ik schaam mij een geschenk aan iemand terug te vragen; vraag ik vergiffenis aan iemand voor

O O ' O o

eene beleediging die ik hem aandeed, en schenkt mij de edelmoedige man dezelve, zoo zoude ik mij in den grond schamen, indien ik een uur daarna hem een nieuwe beleediging toevoegde. — En toch dat alles doe ik tegenover God en veel meer, en desniettegen-

O ' O

T

ocr page 276

270

staande laat ik mij nog al iets op mij voorstaan, ik houd me voor een gehoorzaam kind, een vurige dienaar of dienaresse van Jesus Christus, eene ziel die meent aanspraak te mogen maken op groote gunsten van God. Zoude ik mijnen evenmensch, die eveneens handelde, niet heel anders beoordeelen? En welke slechte gedachte zoude ik niet van hem hebben, indien hij jegens mij handelde, gelijk ik jegens God handel.

Na deze waarheden diep in uw hart gegrift te hebben, wek de volgende gevoelens in u op:

1° Erken voor God, dat ge ouder alle schepselen geen enkel kent, dat, bij zoo groote kennis van deszelfs verplichtingen, zoo lauw en onvolmaakt is; dat, na zooveel genaden ontvangen te hebben, zoo ontrouw, zoo verkeerd, zoo ondankbaar is als gij.

. 2° Erken dat ge duizendmaal verdiend hebt dat God u zyne genade onttrekke en ze aan andereu schenke, die er een beter gebruik van zullen maken; eindelijk dat ge verdiend hebt dat God zijne vaderhand van u terugtrekke en u wegens uwe tergende, zwarte ondankbaarheid voor eeuwig verwerpe.

3° Loof en zegen Hem met al uwe krachten eu vermogens, dat uwe snoodheid en ondankbaarheid, dat al uwe zonden de bron zijner onuitputbare liefde niet vermochten uit te droogen , Hem zijne lankmoedigheid niet deden verliezen, daar hij niet ophield u goed te doen, nieuwe genaden te schenken, uw verstand te verlichten, uw hart te sterken, uwe ongetrouwheden met nieuwe weldaden te vergelden, ondanks uwe dagelijksche trouweloosheid eu ondankbaarheid.

4° Verheug u uit geheel uw hart, dat op den laatsten dag des oordeels God alleen door alle schepselen zal geloofd worden, wegens alles wat Hij in u en voor u deed.

ocr page 277

271

§§ 3.

OtCT de oefeningen of praktijken van nederigheid r die men uit deze xo aar heden moet trekken.

Eerste oefening. Ik zal mij nimmer, ook geen enkel oogenblik met een gedachte van ijdelheid bezig houden, en ik zal nooit in mij zei ven behagen scheppen; integendeel, ik zal mijn best doen ze te onderdrukken, zoodra ze in mij opkomen. Niets is meer te vreezen dan gedachten van ijdelheid. Een enkele dusdanige gedachte, waarin men vrijwillig behagen schept, schaadt de ziel meer dan alle duivelen. De duivel immers vermag ons wel tot zonde te bekoren , ons echter in zonde doen vallen, daartoe is hij niet in staat. — De zonde is ieders eigen werk. Daarom moet ge ten opzichte van die gedachten handelen, zooals ge zoudt doen bij het zien van den helschen vijand, namelijk, ge moet terstond uw toevlucht tot God nemen, en volstrekt geen toegang aan die gedachten in uw hart verleenen.

Tweede oefening. Ik zal nooit een woord spreken om geprezen te worden, nooit iets doen met het doel een ijdele loftuiting der menschen uit te lokken. De natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, die God me in zijn vaderlijke goedheid schonk, zal ik voor het oog der menschen in het diepst van mijn hart verbergen, ik zal er alle eer en allen lof van aan God geven, die de bron is van alle goed.

De genaden die God ons schenkt, onze deugden en goede werken, niemand moet ze kennen dan God, wij en onze geestelijke Bestierder. Maakt men de kooi open, zoo ontvliegt ons de vogel en verheft zich hoog in de lucht; zoo ook ontvliegen ons onze deugden en gaan voor ons te loor, indien we den

ocr page 278

272

mond openen om ze aan anderen bekend te maken. Om dien kostbaren schat voor ons te bewaren, is niets zoo doelmatig als het nederig stilzwijgen.

Derde oefening. Zou me iemand prgzen , zoo zal ik in mijn hart keeren, er mijne zonden beschouwen, mijne ellende en armoede; verpletterd onder den last mijner zouden, zal ik mij in den geest onder de voeten der helsche geesten en verdoemden werpen en aan God alleen alle eer en glorie geven; en den mij toegezwaaiden lof zal ik zoo mogelijk trachten te ontvluchten door een kleine scherts, om zoodoende het gesprek op iets anders te brengen, of zal ik op een of andere wijze te kennen te geven, dat het mij onaangenaam is. Ontmoet de reiziger in het holle van den nacht, in het woud, een struikroover, zoo wordt hij van vrees bevangen; zóó verschrikt eene ootmoedige ziel als ze geprezen wordt, want door vleierij en ijdele loftuitingen loopt de ziel evenveel gevaar van hare verdiensten en de genade Gods beroofd te worden, als de reiziger van zijne beurs en alles wat hij bij zich draagt, door den roover.

Vierde oefening. Betuigt men mij achting en eerbied, welke ik niet kan beletten, zoo zal ik daarin geen ijdel behagen scheppen, maar veeleer in mijn hart een oprechte verachting van mij zelvea opwekken; ik zal God vurig bidden mij op aarde in verachting en slechte behandelingen te laten leven, iu stede van lof en achting. Men prijst u of om het goede wat in u is, öf omdat ge in hunne meening vrij zijt van kwaad, daar ze het kwaad wat werkelijk in u is, niet kennen. Prijzen u de menschen, in den waan dat ge vrij zijt van zekere fouten en gebreken , die ge helaas maar al te veel hebt, hetgeen ze natuurlijk niet vermoeden, zoo wees in uw hart

ocr page 279

273

bedroefd over dien lof, beschouw uwe geheime gebreken en stel u levendig voor den geest, dat God, die nieren en harten der menschen doorvorscht en alles kent, daar voor zyn oogen niets verborgen is, heel andere gedachten van u heeft.

Wordt ge geprezen wegens het goede wat in u is, zoo beklaag deze verblindheid en wees er bedroefd over, daar God alleen de bron is van alle goed en Hij alleen alle eer en glorie waardig is. — Wie zich eenig goed toeschrijft, is een dief, hy berooft God van de eer en glorie, welke Hij, als Schepper, Heer en Meester van alles, in de schepselen beoogt en bedoelt en er van verlangt te ontvangen.

Vijfde oefening. Ik zal me toeleggen geen enkele week te laten voorbijgaan, zonder eenige vernederingen aan te nemen, uit verachting voor mij zei ven. Van tijd tot tijd zal ik mij onthouden van een of andere spijs, waarop ik vooral gesteld ben; ik zal ze voor een arme of zieke bestemmen, die ze beter verdienen dan een ellendige zondaar als ik. Af en toe zal ik een arme bij mij ter tafel uoodigen, ik zal mij met hem onderhouden over geestelijke zaken; de beste spijzen mijner tafel zullen voor hem zijn, wijl hij meer gelijkenis met den armen en verlaten Jesus heeft, dan ik; een ander maal zal ik de armen en zieken gaan opzoeken in hunne schamele hutten; ik zal ze opbeuren en tot geduld aansporen door vrome en stichtende woorden; ik zal ze met aalmoezen bedenken. 0 mijn God! hoeveel armen zijn er niet die duizend maal beter zijn dan ik, die meer verdienste hebben dan ik en daarom een veel hoogere plaats in uw hart innemen dan ik; o, hoe lijden ze niet duizendmaal meer voor den hemel dan ik! Welke reden zou ik kunnen aanvoeren om hun geen goed

18

ocr page 280

1?

274

te doen, daar Jesus op aarde heeft willen verschynen in hunnen staat van armoede en lijden, en niet in den mijnen. — Er is niemand met wie Jesus op het kruis meer gelijkenis heeft, dan zij die in armoede leven en door de wereld veracht en versmaad worden.

Zesde oefening. Het zal voortdurend mijn ernstig streven zijn meer en meer in mijn hart het verlangen op te wekken door niemand geprezen, bemind, ge-eerbiedigd te worden; maar integendeel door iedereen veracht, vervolgd en vernederd te worden.

Het is maar al te waar dat ik de hel verdiend heb.— Wie zou me loven, wie me achten en beminnen, als ik me in de hel bevond? Hemelenaarde, engelen en menschen zouden mg om strijd eenparig verwen-schen en voor altijd. Heb ik dus de hel verdiend, hoe durf ik dan nog verlangen geacht en geprezen te worden? Met welk recht kan ik weigeren voor een tijdje in dit leven aan verachting en versmading ter prooi te zijn, dewijl ik verdiend heb zulks gedurende de gansche eeuwigheid in de hel te zijn V Alle soort van onrecht, verachting en oneer, die men mij op aarde zou kunnen aandoen, is niet te vergelijken bij hetgeen ik inderdaad verdiend heb.

Zevende oefening. Verachting, hoon, verongelijking, achterklap, laster of nog erger, in één woord, wat me ook moge overkomen, ik zal alles blijmoedig uit de hand van God aannemen, daar ik dat alles en nog veel meer door mijne zonden en onvolmaaktheden verdiend heb. 't Is mijn vaste wil mij daar nooit over te beklagen; ik zal me nooit rechtvaardigen, veel minder deswege tegen iemand wrok koesteren; integendeel zal ik, met quot;den bijstand van Gods genade , de bewerkers dezer ongerechtigheden uit geheel mijn hart beminnen; ik zal dagelijks voor hen bidden

ocr page 281

275

als voor mijn beste vrienden, hun bij elke gelegen-: heid achting en eerbied betoonen, en zooveel mogelijk het kwaad, dat ze me deden, met goed vergelden.

Ziedaar de ware geest eener nederige ziel, die Jesus den gekruiste wenscht na te volgen.— Zoolang ongerechtigheid, versmading en vervolging u leed doen en bitterheid in uw hart verwekken; zoolang gij u er bij uwe bloedverwanten en vrienden over beklaagt en er u over tracht te verontschuldigeu en te rechtvaardigen, zoolang, weet het wel, heeft de ware ootmoedigheid in uw hart geen wortel geschoten. Zulke voorvallen stemmen een nederige ziel tot blijmoedigheid, zij ziet er een bewijs in dat haar Zaligmaker haar waardig acht denzelfden weg, den koninklijken te bewandelen, dien Hij bewandeld heeft. Iets verheveners bestaat er niet dan uit liefde voor Jesus veracht en versmaad te worden, uit liefde voor Jesus te lijden, wat Hij zelf uit liefde voor ons wilde lijden. Een enkele verachting, een enkele spotternij, een enkele vervolging, een enkele lastering uit liefde voor Jesus geleden, is meer waard, dan wat velen in heel hun religieuze leven verrichten. Een enkele dergelijke bejegeningis aangenamer aan eene ziel, die oprecht naar volmaaktheid streeft, dan alle eeretitels en loftuitingen der wereld. Maar hoe weinig zielen treft men aan met dien geest bezield, van dat gehalte! Hoe weinig bereiken dien trap van volmaaktheid! Middelerwijl staat het vast dat we volstrekt geen hoogeu dunk van onzen zielstoestand moeten hebben, zoolang wij dergelijke gevoelens en verlangens niet koesteren, op het voorbeeld van den gekruisten Jesus.

Achtste oefening. Ik zal dagelijks aan mijn ge-kruisten Verlosser als liefdeofïer opdragen, myne eer,

ocr page 282

276

mijn goeden naam en alles wat daarmee in betrekking staat. Ik zal Hem deemoedig bidden dat Hij er volgens zijnen heiligen wil over beschikke, telkens en overal waar ik door den hoon en de verachting, waaraan ik zal bloot staan, iets kan bijdragen tot vermeerdering zijner glorie. Ik zal Hem vragen alle boosheden te beletten en slechts die toe te laten, waardoor mijn goede naam aangerand en gekwetst wordt; voor mijn goede werken vraag ik geen andere belooning, geen ander blijk zijner liefde, dan met Hem veracht en versmaad te worden, wel te verstaan, zoo dat kan strekken tot zijne glorie, en ik zal Hem bidden mij kracht en genade te schenken om alles uit liefde voor Jesus met vreugde, geduld en liefde te verdragen.

De volgende waarheden moet ge beschouwen als behoorende tot de gewichtigste lessen en grondregels van het H. Evangelie en ze u daarom diep in het hart prenten:

De voornaamste oefening die eene ziel kan verrichten , is uit liefde voor Jesus gehoond en versmaad te worden. Een der grootste genaden, die God aan eene ziel verleent, is, wanneer Hij hare eer en haar goeden naam overgeeft, om door de venijnige tong der boozen aangerand, beklad en bevuild te worden. Korter weg om bij God aan te landen bestaat er niet, dan die van verguizing en verongelijking, waaraan we bloot staan. Als de Heiligen op aarde terugkeerden om een nieuw leven te beginnen, zouden ze geen anderen weg kiezen dan den weg van verachting en vervolging, den koninklijken. Denk er niet aan tot de ware volmaaktheid te komen, zoolang gij van deze waarheid niet ten volle overtuigd zijt.

Jesus wilde uit liefde voor ons verguisd, gehoond

ocr page 283

277

en vervolgd worden; had Hij een veiligeren en beteren weg gekend, Hij zou hem ons zeker door z^jn voorbeeld geleerd hebben. Het is te verwonderen dat aan zoo vele zielen, die zich jaren lang op de deugd toelegden , deze waarheid genoegzaam onbekend bleef, althans niet door haar in toepassing werd gebracht, 't Is dus hoog tijd dat ze eindelijk eens voor goed beginnen , — eens begonnen , standvastig volharden en volharden ten einde toe. Zoolang ik in eene ziel dezen geest niet ontmoet, hecht ik geen groote waarde aan hare gebeden, haar nachtwaken , de tranen die ze stort bij hare gebeden, hare inwendige vertroostingen , hare aalmoezen, liefdewerken en wat dies meer zij. Die werken, zeer zeker, zal ze God in den hemel beloonen, maar zij maken eene ziel niet heilig en volmaakt. Zonder den bovengenoemden geest ontbreekt de grondslag, waarop het gebouw onzer volmaaktheid moet opgetrokken worden. — Hoe liooger een gebouw zich verheft, des te spoediger stort het in, zoo de grondslag niet hecht en diep genoeg is gelegd.

Ziedaar de oefeningen der ware volmaaktheid en echte ootmoedigheid. Alle middelen dienen aangewend om deze deugd te verkrijgen. Deze waarheden moet men gedurig overwegen en diep in het hart prenten; door aanhoudend bidden vrage men God de zoo zeer noodzakelijke kennis van zich zeiven en de liefde voor verguizing en miskenning; door onwankelbare volharding in deze oefeningen zal men fiindelijk de behoorlijke achting voor deze gronddeugd der volmaaktheid verwerven.

ocr page 284

278 Artikkl IT.

Van de onthechting der schepselen door verachting van alle lichamelijk gemak en gerief.

§§ I-

Overweging over het heerlijke voorbeeld dat de Zaligmaker ons, te dezer zake, in zijn lijden gegeven heeft.

Eerste punt. Overweeg wat onze goddelijke Verlosser geleden heeft in zijn allersraarteliikste geeseling, Verbeeld u een groot plein vóór het paleis van Pilatus; in het midden van het plein een steenen kolom of zuil; daar buiten eene groote schare volks, vreeselijk tierende en woelende, door Jesus vinnigste vijanden, de Farizeërs, tegen den onschuldigen, zachtmoedigen Jesus opgezweept; afzichtelijke menschen, ruwe, woeste beulen spoeden zich ter plaatse; zij rukken Jesus' kleederen af, omknellen zijne handen met scherpe koorden, binden Hem stevig vast aan de kolom eu beginnen nu het gruwelijk werk der geeseling; volgens den H. Hieronymus waren deze beulen of krijgsknechten ten getale van zes. Twee hunner wareu gewapend met scherpe roeden, twee met riemen, eu de twee laatsten met zwepen, voorzien van spitse ijzeren punten. Het geheele lichaam vuu Jesus werd verscheurd en opengereten, zoodat het ééne wond was; door smarten uitgeput valt Jesus ter aarde neder, badende in zijn bloed, altijd volgens den H. Hieronymus. Zoo werd bewaarheid wat de Psalmist van Hem voorspelde: de zondaars hebben op mijnen

rug (als op een aanbeeld) gesmeed.....ploegers hebben

op mijnen rug geploegd en lange voren getrokken.

ocr page 285

279

Na u deze waarheden levendig voorgesteld te hebben, zult gij u tot volgende liefdegevoelens opwekken:

1° Bewonder de oneindige goedheid van uwen goddelijken Verlosser, die, uit liefde voor u, deze allerwreedste geeseling heeft willen lijden.

2° Betuig Hem uwe oprechte erkentelijkheid voor alle die slagen, welke Hij ontvangen heeft, voor al het bloed dat Hij vergoten, voor alle smarten die Hij om uwentwil geleden heeft.

3° Erken dat uwe zinnelijke lusten, uwe gemakzucht , de oorzaak waren dezer onmenschelijke geeseling; verfoei ze uit geheel uw hart.

4° Wek u tot een teeder medelijden op jegens Jesus in zijn bloed badende; maak het onwankelbaar besluit uw lichaam niet te sparen, en met een heilig geduld en volle overgeving de pijnen en smarten te verdragen, die Hij zal goedvinden u te overzenden.

Tweede punt. Overweeg de onbeschrijfelijke pijnen van Jesus, toen Hij met doornen gekroond werd. Nadat de woestaards een weinig uitgerust hadden van hun onmenschelijk werk, werpen ze zich met vernieuwde woede op Jesus, trekken Hem bij de haren en den baard, werpen Hem op den grond: zij hebben een nieuwe foltering verzonnen, die tot dusverre nog nooit op een boosdoener werd toegepast. Zij hebben namelijk vernomen dat Hij zich voor Koning der Joden wilde laten doorgaan; welnu, zoo spotten zij grijnslachend: een koning passen koninklijke sieraden, kroon, schepter en purper. Zij doen Hem dus neerzitten op eenen steen, werpen Hem een versleten, purperen soldatenmantel over de schouderen, geven Hem eenen rietstok in de hand, en drukken Hem eene doornen kroon op het hoofd.

ocr page 286

280

O mijne ziel! overweeg de allervreeselijkste, onvergelijkelijke smarten, welke Jesus in zijn aanbiddelijk hoofd moet geleden hebben, toen de doornen kroon met ruw geweld daarin gedrukt werd! Overweeg hoe onmenschelijk, hoe wreed de beulen bierbij te werk gingen! Volgens den H. Vincentius Ferre-rius werd Jesus' allerteederst hoofd door twee en zeventig scherpe doornen doorboord en letterlijk doorploegd; uit die vele wonden vloeide zijn bloed bij dikke stralen, overstroomde zijn oogen, ooren en mond, zoodat Jesus onherkenbaar was.

Na deze waarheden wel overwogen te hebben, wek u tot volgende gevoelens op:

1° Een oprecht berouw en leedwezen over uwe zonden, ijdelheden, hoovaardigheid en slechte gedachten , die de oorzaak waren dat Jesus met doornen gekroond werd.

2° Schaam u voor God over uwen hoogmoed, die oorzaak is dat ge niets kunt verdragen, bij de geringste wederwaardigheid ongeduldig wordt en steeds alles naar uwen zin wilt hebben; schaam u over uw onverstorvenheid, die oorzaak is dat ge den moed mist om een kordaat besluit te maken, uit liefde voor Jesus, u in uw zingenot en laakbare gemakzucht ter dege te versterven.

3° Vorm een akte van volmaakte liefde jegens God en maak het vaste voornemen uw lichaam slechts het noodzakelijke toe te staan; hetzelve te bedwingen en onderdanig te maken, door aanhoudende boetvaardigheid en versterving te onderwerpen aan alle beschikkingen der Voorzienigheid, de moeielijkste zelfs.

4° Erken en belijd uwe zwakheid, uwen weerzin waarmede gij uwe kruisen draagt; bid uwen Zaligmaker door de verdiensten van zijn bitter lijden,

ocr page 287

281

r

i dat Hij in uw hart een vurig verlangen ontsteke voor Hem te lijden, en u sterkte en kracht schenke dit verlangen, bij gelegenheid, uit te voeren.

Derde punt. Beklim den Calvarieberg en overweeg de allerbitterste pijnen en smarten die Jesus er geleden heeft. De berg is bezet door eene groote menigte volks; te midden van woeste beulen en soldaten bevindt zich Jesus, maar in welken afzichtelijken , deernisvollen staat! Hij wordt andermaal van zijne kleederen beroofd, ondragelijke smarten doen Hem rillen en beven in al zijne ledematen, met zijn betraande en bebloede oogen aanschouwt Hij het kruis, waaraan Hij zal geklonken worden. Wat ging er toen in Jesus' Hart om? Uit de volheid van zijn van liefde gloeiend Hart richt Hij tot het kruis, dat Hem drie en dertig jaren voor oogen stond, waarnaar Hij drie en dertig jaren zoo vurig verlangde, en waaraan Hij thans het verlossingswerk gaat volbrengen, de teederste verzuchtingen, de liefdevolste groetenissen. O Boom des Levens! Alle uren mijns levens heb ik naar u verzucht, om den toorn mijns hemelschen Vaders te verzoenen! O heilige rustplaats, waar ik mijn afgemarteld, ontvleesd lichaam wil neerleggen, om aan het menschdom de poorten des hemels te openen!

O kruis! neem uwen Schepper op, die u tegemoet snelt met vlammende verlangens en die u uit geheel zijn hart omhelst en aan zijn minnende borst drukt!' O kruis, met hoeveel liefde zal ik aan u, heilbrengend schandhout, vastgeklonken, den geest geven t mijne laatste bloeddruppelen vergieten, — wilden de arme, afgedwaalde zondaars door mijn bloed van hunne zondenschuld afgewasschen, zich maar bekeeren en hunne onsterfelijke ziel zalig maken!

ocr page 288

282

Dat waren de laatste gedachten, de vurige wenschen en verlangens van Jesus van liefde brandend hart. Middelerwijl grijpen de woeste beulen Hem met on-menschelijke wreedheid aan, rekken zijn heilig, aller-teederst Lichaam op het kruis uit, rijten daardoor ^ijn wonden op nieuw open; zijn H. Lichaam krimpt in een door onverdragelijke smart; maar meedoogen-loos grijpen de beuleu onmiddellijk zijn voeten en handen, rukken die tot de plaatsen voor de nagelen bestemd en door elke band en eiken voet dringt de punt der nagels, waarmede het onschuldige Offerlam aan het altaar des kruises wordt vastgeklonken. Hoort de hamerslagen weergalmen over den ganscheii berg. Zijn goddelijk bloed springt in breeJe stralen uit zijne handen en voeten; zijne zenuwen zijn gescheurd en van een gereten, zijn beenderen ontwricht. Daarna werd het kruis met een vreeselijken schok in de rotsopening geplaatst, tusschen die der twee moordenaars, die met Hem gekruisigd werden.

0 naamlooze smarten, o onbeschrijfelijke, wreede folteringen van mijnen Jesus, wie kan ze beseffen, wie begrijpen, wie de diepte van zulk een lijden peilen! O gij, die voorbij gaat langs den weg, let op en ziet, of er een smart is gelijk aan de zijne!Zijn er anderen gekruisigd, — wie werd gehoond en bespot, geslagen en bespuwd, wie, tot bezwijkens toe, ge-geeseld en met doornen gekroond als Hij? En bovendien, was Jesus niet de onschuldige bij uitnemendheid en werd zijne volkomene onschuld en rechtvaardigheid zelfs niet door een Pilatus, tot zes malen toe, verkondigd, ten aanhooren van het gansche volk? Sprak Pilatus niet ten zesden male: »Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! Gij lieden moogt toezien!quot; Tk herhaal het dus, o

ocr page 289

283

Jesus, Gij de onschuldigste, de beste onder de kinderen der menschen, wie schetst, wie beseft de wreedheid uwer folteringen, de felheid, de onverdragelijkheid uwer pijnen, wie schetst, in 't bijzonder, hoe allerwreedst, allerbitterst, allerschrikkelijkst uw kruisdood was, wie peilt de volle diepte van uw weergaloos lijden?— Hadde men Jesus zelfs met zijden banden aan het kruis gebonden, dan nog ware zijue smart onverdragelijk geweest, zoo afgemarteld en afgebeuld was zijn arm lichaam, — maar niet gebonden met zijden banden, maar met scherpe nagels werd Jesus aan het kruis geklonken!

Na deze waarheden aandachtig overwogen te hebben, wek dan volgende liefdegevoelens bij u op:

1° Een vurige liefde tot uwen Zaligmaker, die uit loutere liefde voor u, gedreven door zijn oneindige goedheid en barmhartigheid, dezen allersmartelijksten en smaadvolsten dood vrywillig verkoos en wilde lijden.

2° Draag uwen goddelijken Verlosser uw lichaam op met een vurig verlangen, uit liefde voor Hem en te zijner eere, alle smarten en ziekten te lijden, die Hij zal goed vinden u te overzenden; het kruis moedig op uwe schouderen te nemen en Jesus voetstappen zooveel mogelijk te volgen.

3° Sta beschaamd voor Hem, daar ge niet kunt zeggen dat ge in uw geheele leven iets zoudt geleden hebben met een waar geduld en uit liefde voor Hem, terwijl Hij toch zooveel voor u leed.

4° Werp u in den schoot der goddelijke Voorzienigheid, bid haar dat ze u in staat stelle met de genade Gods trouw mede te werken tot vervulling van alle inzichten en oogwenken , die God van alle eeuwigheid nopens u had, zonder acht te slaan op uwe

ocr page 290

284

eigenliefde en teergevoeligheid. Maak een oprecht besluit uit zijn vaderhand met blijmoedigheid alle wee en leed aan te nemen; ze met gelatenheid en dankbaarheid te dragen, het kruis niet af te leggen vooraleer Hij zelf het u afneme.

Vierde punt. Stel u levendig den gekruisten Jesus voor, beschouw Hem oplettend en denk dat Hij u zegt: Zie, mijn kind, waartoe mijne liefde voor u mij gebracht heeft. Van het hoofd tot onder de voetzolen is mijn gansche lichaam slechts ééne wond; mijn geheele hoofd werd door de doornen doorboord en als doorploegd; haar en baard werden me uitgerukt, mijn wangen zijn gezwollen door de kaakslagen; zie, op zulke onmenschelijke wijze werd dat gelaat, hetwelk de engelen zoo vurig 7erlangden te aanschouwen, deerlijk misvormd en mismaakt.

Zie de diepe wonden, die het kruis in myne schouderen maakte; mijn ontvleesde borst, mijnen rug door de geeselslagen verscheurd, het vel van mijn lichaam aan flarden gei'eten. Zie, zoo heeft men den eenigen Zoon van den Hemelschen Vader behandeld: zijne handen en voeten werden aan het kruis genageld, zijn pezen gerekt en gescheurd, zjjn ledematen gekneusd en ontwricht; ieder oogenblik vergrootte en verergerde zijn onvergelijkelijk lijden. Zooveel heb ik uit liefde voor u willen lijden, om uwe arme ziel te redden, uwe onsterfelijke ziel zalig te maken, den verloren Hemel te heroveren. — En dan durft ge nog voor mij verschijnen zonder verstervingen, zonder boetewerken, zonder l^den, zonder kruis! Hoe durft ge toch verlangen dat ik in uw hart mijne liefde uitstorte, de grootste aller genaden, in een hart dat zich zei ven niet afgestorven is, noch gezind uit liefde voor mij te lijden?

ocr page 291

285

Na dit goed ter harte genomen te hebben, spreek uwe liefde volgender wijze uit:

1° Erken dat ge nog niet waardig zijt van God de genade zijner liefde te verkrijgen, en die innige vereeniging, — waartoe die zielen alleen toegelaten worden, die hare onwankelbare getrouwheid aan Hem bewezen hebben, door eene aanhoudende onthechting van zich zelve, door een hard en boetvaardig leven, door kruis en lijden, manhaftig en geduldig gedragen.

2° Draag God uw lichaam als zoenoffer op, wijd het Hem heel toe zonder voorbehoud, stel u willoos geheel en al te zijner beschikking en verklaar u bereid uit zijne vaderlijke hand alle kruisen te aanvaarden , die het Hem zal behagen u op te leggen.

3° Vraag God de genade u den onwaardeerbaren prijs van het kruis klaar te doen kennen en in uw hart een vurig verlangen te ontsteken uwen Zaligmaker op den koninklijken weg des kruises, naar uw beste vermogen, te volgen.

4° Bid Hem u aan deze proef te onderwerpen, u de daartoe noodige genaden te schenken en u daarin te doen volharden ten einde toe.

§§ 2.

Van de oefeningen die deze overweging moeten volgen.

Eerste oefening. Eene ziel die den gekruisten Jesus wil navolgen, moet aan haar lichaam, zonder noodzakelijkheid of redelijke oorzaak, geen enkel genot, geen enkele voldoening schenken; zou ze hetzelve een klein genot willen schenken, zoo moet ze alvorens dit te doen in haar hart het verlangen naar die kleine voldoening versterven en ze God met eene heel reine

ocr page 292

286

meening opdragen. Wilt gij deze oefening met vrucht doen, zoo behoort ge zorgvuldig op u zei ven te letten, opdat ge u niet wijs maket, — de duivel is zoo sluw — dat u iets uit noodzakelijkheid of om een andere wettige reden geoorloofd is, — wat eigenlijk slechts moet dienen om uw zingenot en weekelijk-heid te voldoen. Onderzoek nauwkeurig of ge niet langer slaapt dan noodig is, of uw bed niet te zacht, uw voedsel niet te smakelijk en misschien overvloedig is; of uw gesprekken niet te druk en te menigvuldig, te wereldsch of te zinnelijk zijn, insgelijks duizend andere zaken. Om allen twijfel omtrent dit punt weg te nemen, zal ik in de volgende paragraaf een zeker getal van dergelijke verstervingen vaststellen , die eene ziel in deze oefening zullen doen slagen, mits zij er goed aan houde.

Wel te verstaan nochtans, dat men somwijlen die verstervingen zal kunnen achterlaten, als b. v. onze gezondheidstoestand, de welvoegelijkheid, de naastenliefde of een andere goede reden zulks vorderen; maar ia die gevallen moet men goed acht geven dat heilig besluit niet te onderbreken, alvorens aan God verlof gevraagd te hebben die versterving, om een van bovengemelde redenen, achter te laten, en Hem alles te hebben opgedragen met een zuivere meening en het verlangen Hem te behagen.

Tweede oefening. Eene ziel die den gekruisten Jesus verlangt na te volgen, moet geen enkele gelegenheid laten voorbijgaan, zonder haar vleesch en het natuurlijke verlangen naar allerhande zingenot te versterven, tenzij de noodzakelijkheid of eene andere deugdelijke reden er zich tegen verzetten.

Wie zal zeggen hoeveel genaden en verdiensten eene ziel, die aan dezen regel en aan deze oefening

ocr page 293

287

trouw is, dagelijks kan vergaderen! Maar eene ziel' behoort wel verlicht te zijn om, in al deze omstandigheden, behoorlijk te kunnen onderscheiden tusschen de genade en de natuur; wat deze vraagt en wat gene eischt. Daartoe wordt vereischt een goede wil, bereid om al de ingevingen van den H. Geest te volgen, een heilige zelfbeheersching, een algeheele zelfonthechting, een groot verlangen naar verstervingen; een vurige liefde Gods, die God meer en meer tracht te behagen. Oppervlakkig schijnt deze oefening van minder belang, en toch is het onbetwistbaar, dat men door aanhoudend en volhardend doen dier verstervingen, eene heldhaftige deugd zal erlangen; dat men met buitengewone genaden zal gezegend worden en het hart een grooten stap nader zal gebracht zijn tot de innigste en vertrouwelijkste vereeniging met God.

Wij zijn zelden in de gelegenheid tot Gods ver-lieerlyking groote zaken te verrichten; — bijgevolg, indien we nu daarbij ook nog verwaarloozen ons in kleine zaken te versterven, of het slechts met weerzien doen, met een lauw of koud hart, zoo zal ons leven bitter weinig schoone vruchten voor God hebben opgebracht.

Van vele soorten van kleine verstervingen die men dagelijks kan doen, door toepassing en uitbreiding der voorgaande regels.

De eerste versterving is een matige onthouding-in' spijs en drank.

Hiertoe dient op volgende punten gelet:

ocr page 294

288

T

1° Zich voor het eten en drinken een vaste maat voorschrijven, genomen naar den eisch van ieders gezondheid, en die maat nooit overschrijden.

2° Aan tafel een of andere spijze laten voorbij gaan, om zijnen eetlust te versterven.

3° Het slechtste voor zich zelven nemen, het beste voor de anderen laten.

4° Is een of andere spijs bijzonder van onze gading, zijn wij er erg op gesteld, juist van die spijze afzien, grootmoedig het offer daarvan aan God doen en ze voor een armen zieke bestemmen.

5° Zich eenige vastendagen voorschrijven, dezelve trouw onderhouden zoolang de gezondheid het toelaat.

Al deze oefeningen zijn zeer heilzaam en loffelijk en God bijzonder aangenaam; men moet nochtans met zijn gezondheid raad houden en in den twijfel zijn biechtvader raadplegen en zijnen raad volgen.

De tweede versterving is eene matige onthouding van rust en slaap.

Ziehier hoe deze versterving in oefening behoort gebracht te worden:

1° Door den dag nooit slapen, want die slaap of rust is volgens alle meesters van het geestelijk leven zeer nadeelig aan de ziel; meestal geschiedt het uit zinnelijkheid en gemakzucht;— hard of druk werk, ziekelijkheid, hooge jaren zijn natuurlijk uitgezonderd.

2° 's Nachts hoogstens zes of zeven uren slapen, en dan zonder talmen opstaan.

3° Velen versterven zich hierin met op stroo of planken te slapen. Deze versterving kan heimelijk geschieden — men zorge slechts de plank te verbergen — en ze kan der gezondheid niet schaden, mits men zich behoorlijk dekke.

De derde versterving is het stilzwijgen, het in

ocr page 295

289

bedwang houden zijner tong, het vermijden van elk misplaatst of nutteloos gesprek. Deze versterving is een der nuttigste en noodzakelijkste in het geestelijk leven.

1° Men moet de bezoeken vermijden en er niet meer brengen dan de liefde en welvoegelijkheid ver-eischen, en in dit geval moeten ze kort zijn en dient men zijn tong goed te bewaken.

2° Onder het eten en eenigen tyd na het eten, is het geoorloofd zich passend te onderhouden, liefst over geestelijke dingen. Zwijgen doet de ziel goed, stemt tot ingetogenheid en pleit voor bescheidenheid, terwijl veel snappen en praten der ziel meer schaden dan de menschen gewoonlijk wel denken.

De vierde versterving bestaat in het bewaken der ooren. Op volgende punten dient gelet:

1° Men moet niet vragen naar dingen die ons niets aangaan, niet belust zijn op nieuwtjes en dergelijke beuzelarijen, — die ons zeker niet verder brengen in deugd en heiligheid. — Jacobus Alvarez, een uitstekend leermeester van het geestelijk leven, zegt dat iemand die op nieuwtjes gesteld is, de ingetogenheid niet kan beoefenen en onmogelijk tot een vertrouwelijke vereeniging met God kan komen. — Streng maar waar oordeel.

2° Verkeert men in het geval dat men tegen wil en dank nuttelooze gesprekken moet aanhooren, zoo moet men ongemerkt en met bescheidenheid het gesprek op geestelijke zaken trachten te brengen; kau dat niet, zoo wekke men heilige gevoelens in zijn hart tot God op.

3° Geen nieuwtjes of onnuttige zaken lezen, noch er zijn aandacht op vestigen. Dat is tijdverspilling en dient tot niets anders, dan om den geest te ver-

i

19

ocr page 296

290

strooien en met ijdele gedachten te vullen, het hart te spenen van de zoetigheid der geestelijke zaken en het van de ingetogenheid af te trekken.

De derde versterving bestaat in het gestadig bewaken der oogen, Hoe men zich in deze moet versterven?

1° Te huis, nooit door het venster kijken om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, onverschillig bij welke gelegenheid.

2° In de kerk en op straat de oogen neêrgeslagen houden, tenzij men aan voorbijgangers eene beleefdheid zou moeten bewijzen.

3° In zekere vergaderingen kan men zijne oogen steeds neêrgeslagen houden, zonder dat het iemand merkt.

De vierde versterving bestaat hierin, dat men er werk van make zich in alles weten te beheerschen, zich gestadig te overwinnen en zijne verkeerde neigingen, driften en hartstochten, in alle omstandigheden, te beteugelen en te onderdrukken.

Het zou mij te ver voeren, wilde ik alle gelegenheden daartoe aangeven en verklaren; wien het ernstig gemeend is zich zei ven af te sterven, zich volkomen in alles te beheerschen; naar niets anders te trachten dan aan God te behagen, biedt zich daartoe ieder uur, ik zou haast zeggen, elk oogen-blik de gelegenheid aan. 't Komt er maar op aan of het ons werkelijk gemeend is; — gelegenheden te over. Overigens moet men bij de beoefening dezer deugd zonder vrees en gejaagdheid te werk gaan, kalm en bedaard blijven; de volle vrijheid des geestes behouden is hoofdzaak.

Is men al eens te kort gebleven aan zijne besluiten, daarom den moed niet opgegeven, maar met nieuwen ijver begonnen en met nog grooter vertrouwen op God.

ocr page 297

291

Artikel HL

Van de volmaakte onthechting van alle schepselen, als men van allen inwendigen troost verstoken is.

§§ I-

Overwegingen over het schoone voorbeeld dat onze goddelijke Zaligmaker ons, in deze, in zijn lijden gegeven heeft.

Eerste punt. (ledurende heel zijn lijden, heeft Jesus geen enkelen troost van de menschen ontvangen. Stel u levendig Jesus, aan het kruis hangende, voor, overweeg hoe Hij daar van iedereen verlaten is. Een groote menigte menschen, die Hij met weldaden overladen had, zijn bij Zijn sterven op Golgotha tegenwoordig: onder hen bevinden zich blinden aan wie Hij het gezicht, dooven aan wie Hij het gehoor, lammen en kreupelen aan wie Hij het gebruik hunner ledematen teruggaf; zieken door Hem genezen, melaatschen door Hem gereinigd, bezetenen door

Hem van den duivel bevrijd..... Niet een onder hen

die den moed heeft voor Jesus op te komen, zijne onschuld te betuigen; — hebben ze al medelijden met Hem, ze houden hun medelijden zorgvuldig in het hart opgesloten uit vreeze voor de Joden; ook van hen zal Jesus geen woord van troost, van deelneming hooren; — weergaloos moest Zijn lijden zijn , van allen menschelijken troost moest hy verstoken

blijven..... En wie weet of er zelfs onder hen aan

wie Jesus zooveel weldaden bewees, niet waren die met de ruwe soldaten en bloeddorstige Farizeërs, Hooge priesters en schriftgeleerden schreeuwden: Dat Hij sterve! Hij heeft den dood verdiend! En Jesus,

1

ocr page 298

292

die alles wist wat er omging, voor wiens oog niets verborgen is, die harten en nieren der menschen doorgrondt, hoe moet Hij geleden hebben, hoe moet deze gedachte hem gegriefd hebben: — ook zij hebben mg verlaten, ook sij schreeuwen en tieren: dat Hij sterve! Dat Hij sterve! Ook zij bespotten en honen my in myne ondragelijke smarten!

Het einde van Jesus nadert; de laatste bloeddrup-pelen vloeien uit zijne aderen, zijne krachten begeven hem , de doodstrijd begint. Hoe branden zijne wonden, hoe krimpt zijn lichaam in een van smarten, hoe gloeit zijne keel en tong, hoeveel lijdt niet zijn arm hart! Versmachtende van dorst, roept Hij uit: Ik heb dorst! Hebt ge het gehoord soldaten, Hooge-priesters en Schriftgeleerden, Jesus roept, Jesus lijdt zoo vreeselijk, Jesus heeft dorst! Haast u Jesus' brandenden dorst te lesschen; gij zult toch zoo on-menschelijk niet zijn den stervenden Jesus eenen dronk water te weigeren ; — 't is de laatste troost dien

Hij u vraagt..... En toch o schande! O verlatenheid

zoo groot! Onder die duizenden menschen is er geen enkele die genoeg medelgden met Jesus of althans den moed heeft aan Jesus, die van dorst vergaat, een dronk waters te geven! — Wat zeg ik, de aller-vreeselijkste, de allersmartelgkste kwelling van den gekruisten Jesus, de dorst, wordt door een nieuwe beschimping, een nieuwe bespotting beantwoord; om zijn brandenden dorst te lesschen, bieden ze Jesus eene spons aan in gal en azijn gedoopt. Ondankbaar volk! Jesus heeft dorst, Jesus vergaat van dorst en om Hem te laven, zijnen dorst te lesschen, hebt ge niets voor Hem over dan bitterheid en azijn. — O wreedheid! O verlatenheid! Waar ter wereld werd ooit aan den grootsten boosdoener een dronk water

l

ocr page 299

293

geweigerd, in zijnen doodstrijd! — Jesus is de eenige die in zulke algeheele verlatenheid moest sterven.

Na die waarheden wel overwogen te hebben, moet ge uwe liefde volgender wijze uiten:

i0 Heb innig medelijden met uwen Verlosser en beween oprecht uwe zouden, die de oorzaak waren van deze algeheele verlatenheid van Jesus.

2° Veracht alle ijdele vertroostingen die gij zoudt kunnen verlangen of verwachten van den kant der menschen, en maak het vaste besluit nooit te verlangen door iemand getroost of bemind te worden.

3° Vat een vurige liefde op voor Jesus in zijne verlatenheid; bied u aan om Hem na te volgen, bied u aan om verlaten, miskeud en verguisd te worden door alle menschen, uwe bloedverwanten, uwe vrienden, — door hen zelfs die ge goed deedt.

4° Bid God dringend dat Hij u een groote liefde schenke voor versmading en lijden, en Hij zich ge-waardige u te volmaken en te heiligen door beproevingen van dien aard.

Tweede punt. Was Jesus in zijn lijden van allen menschelijken troost beroofd, ook van zijnen hemel-schen Vader mocht de inniggeliefde, eeniggeboren Zoon geen troost ontvangen. — Stel u Jesus voor in de uiterste verlatenheid in den Olijventuin.

Nauwelijks is Jesus den tuin binnengaan, of Hij begon ontroerd en zeer beangst te worden. Mijne ziel, zoo klaagt Hij, is bedroefd tot der dood toe. Hebt ge het gehoord? Jesus' ziel is bedroefd tot der dood toe. Hij is doodsbenauwd, geheel bedioefd, door en door bedroefd, tot der dood toe, dat wil zeggen tot stervens toe bedroefd. En waarom zoo geheel bedroefd, tot stervens toe bedroefd? Omdat zijn aanstaande dood, zijn allerbitterst lijden Hem

ocr page 300

294

levendig voor oogen staat, omdat de wrangste en bitterste kelk, die ooit door Gods gerechten toorn voor een mensch werd vol geschonken, voor Hem was bestemd. Waarom zoo bedroefd, zoo beangst? Door de gedachte aan de folteringen der martelaren, die tot aan het einde der eeuwen om zijnentwille zouden lijden: hunne folteringen zijn zijne folteringen, zgne smarten; —het Hoofd lijdt in zijne ledematen! Waarom zoo doodsbenauwd, zoo door en door bedroefd ? Jesus ziet in den geest zijn vreeselijk lijdende Moeder met rood geschreide oogen op den kruisweg staan; zij staat nu reeds vóór Hem zijn onvergelijkelijke Moeder, de Moeder der smarten, met haar doorboord hart, zooals Hij ze van het kruis zal aanstaren. Onuitsprekelijk, tot. brekens toe, moet het teerminnend hart van zulk eenen Zoon, den besten der zonen, bij dit gezicht geleden hebben. — En dan de lauwheid, de lafhartigheid zijner leerlingen, de ondankbaarheid van zijn volk, het bevoorrecht volk Gods, de onbegrijpelijke onverschilligheid en hardnekkigheid van zoo velen voor wie zyn kruis eene ergernis, zijn lijden eene dwaasheid zal zyn. Nog eens, waarom zoo bedroefd, tot stervens toe bedroefd? En wist Jesus dan niet wat de Profeet van Hem voorzegd had? Ons aller misdaden heeft God op Hem geladen. En dat andere verpletterende woord? Hij is een vloek geworden , factus maledictum. O ! hoe moeten die duizenden, millioenen gruwelijke zonden en misdaden Hem, die een onuit-sprekelijken, een goddelijken afschuw heeft van alles wat naar zonde zweemt, den armen Jesus terneder-gedrukt en verpletterd, zijn liefdevolle ziel tot stervens toe geprangd en geprest hebben!

Als in een zee van smarten gedompeld, valt hij

ocr page 301

295

plat op zijn aangezicht ter aarde neder. Zijn zweet werd als druppelen bloed, dat op de aarde neder-droop, zegt de Evangelist, en uit zgn hijgenden boezem stijgt deze bede op: Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat dezen kelk mij voorbijgaan; nochtans niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Maar zijn Vader zal het smeekgebed van zijn geliefden Zoon niet verhoeren, den kelk zal Hij niet van Hem laten voorbijgaan; — den wrangsten, den bittersten der kelken Jesus zal hem ledigen tot de hefie toe; zoo is het besloten, onveranderlijk besloten in Gods eeuwige raadsbesluiten. En zoo werd in Jesus bewaarheid wat de Psalmist van Hem voorspeld had; zoekende naar eenen vertrooster, en er geen vindende, omziende naar iemand, die met Hem lijdt, en er is niemand. Ik ben een worm, geen mensch, der menschen smaad en des volks verachting.

Stel u verder Jesus aan het kruis hangende voor, van smarten overstelpt, in ziel en lichaam gefolterd zooals nooit een mensch gefolterd werd; van allen verlaten, door niemand getroost, door velen tot in den dood toe gehoond, beschimpt en bespot. — Van allen menschelijken en goddelijken troost verstoken, van allen, ja zelfs van zijnen hetnelschen Vader verlaten. O verlatenheid, ondragelijker dan de vreese-lijkste smarten. 0 zielesmart, grooter dan de grootste zielesmarten. Daarom slaakt de stervende Jesus met luider stem dezen hartroerenden kreet: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten!

Van de marteling der wonden, zegt de H. Cypria-nus: »terwijl de nagels uwe handen en voeten doorboren , daarvan spreekt Gij niet; over de doornen die uw hoofd diep binnendringen, klaagt Gij niet,

ocr page 302

296

maar dat uw Vader, ondanks uwe bede, ü zoo Ter-laten laat sterven, dat is uw groote zielesmart, daarom die hartroerende klacht: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten!quot; Gij helpt allen die U hunnen nood klagen, Gij zijt immers de beste der Vaders; uw Vaderhart deelt smart en leed met uwe kinderen, het lijdt met de lijdenden, treurt met de treurenden; de rouwmoedige zondaars troost Gij in hun stervensuur , verkwikt hun hart met hemelsche vertroostingen en zoetigheden, giet balsem in hunne wonden, verzacht hunne pijnen; — voor uwen Zoon alleen hebt Gij geen Vaderhart, uw Zoon alleen moet ongetroost van ü weggaan. Zoo was het besloten in uw eeuwige raadsbesluiten, zoo moest het geschieden. Gij, de oneindig Almachtige, zyn teerminnende Vader, kondt hem bevrijden van den dood, maar wildet Hem niet bevrijden, omdat Hij het zelf niet wilde, ten einde ons te verlossen. O verlatenheid, o troosteloosheid zoo groot! o grenzelooze liefde van mijn goddelijken Zaligmaker!

Na deze waarheden goed overwogen te hebben, laat vrijen loop aan uw hart:

1° Beween en verfoei al uwe zonden, die de eenige oorzaak waren van Jesüs uiterste verlatenheid en troosteloosheid.

2° Dank uwen Zaligmaker deze onbeschrijfelijke, weergalooze zielesmarten geleden te hebben om uwe zonden en om U te toonen hoezeer Hij u bemint.

3° Verneder u diep voor Hem en schaam u dat ge niets uit liefde voor Hem kunt, of liever wilt lijden, zonder er toe aangespoord te worden door inwendige vertroostingen.

4° Offer u uit geheel uw hart aan uwen god-delijken Verlosser op, met den wil uit liefde voor

ocr page 303

297

Hem alle inwendige kwellingen en pijnen te lijden..

Derde punt. In zijn lijden vond Jesus geen enkelen troost in zich zelf.

Wat Jesus in zyn allerbitterst lijden zou hebben kunnen troosten, was het vooruitzicht en de blijde hoop dat het de arme zondaars te goed zou komen, dat ze tot inkeer gekomen, zich met een rouwmoedig hart, oprecht zouden bekeeren en zoo hunne onsterfelijke ziel zaligmaken. Helaas! ook dezen troost, den eenigen, die Jesus vreeselijk lijden kon verzachten , zijne onvergelijkelijke zielesmarten in blijdschap zouden veranderd hebben, moest Jesus' minnend hart derven! Geen sprankje van hoop mocht de dikke duisternis van dat arm liart verlichten, geen enkel druppeltje balsem mocht er in Jesus' van liefde brekend hart vloeien.

Voor Jesus den Godmensch, lag de nacht der toekomst bloot, in al hare akeligheid, helaas, beschenen door het helderste zonnelicht zijner alwetendheid; voor zijn alziend oog ontsluierde de duistere toekomst al hare geheimen. Het boek der geschiedenis lag voor Hem open; zijn alles doordringende blik zag de volkeren zich opvolgen, in den loop der eeuwen, op de aarde door zijn zweet besproeid, door zijn bloed gedrenkt. Hij zag hoe het Joodsche volk met blindheid geslagen , ten spotte der gewijde Bladen, met onver-zettelijke halsstarrigheid, tot straffe hunner zonden,. Jesus den Verlosser, den verwachten Messias, zouden blijven miskennen en verloochenen; hoe dat Godtergend woord: zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! op verschrikkelijke wijze aan hen zoude in vervulling gaan, hoe het Joodsche volk, geen volk meer, zonder koning en koningsstam r zonder tempel en offerande, zonder vaderland en

ocr page 304

298

■eigen haard, verstrooid, geen rijk, geen maatschappij meer vormende, versmaad, verstoeten en verbannen, als een andere Caïn het brandmerk der vervloeking met zich omdragende, over de aarde zou rondzwerven nergens rust vindende, alle volkeren tot een afschrikkend teeken hoe Gods rechtvaardigheid den gepleegden Godsmoord wreekt aan een hardvochtig, halsstarrig, onboetvaardig volk! En toch, — wilden de Joden zich bekeeren, rouwmoedig hunne schuld bekennen, ook zij de Godmoordenaars zouden genade bij den oneindig barmhartigen God vinden! Voor alle menschen immers, dus ook voor u, o diepbeklagenswaardige natie, heeft Jesus zijn bloed gegeven; uwe vaders hebben het vergoten met misdadige baud, maar de liefdevolle Jesus wenscht niets vuriger dan hunne schuld en die hunner kinderen er in af te wasschen! Ziet Jesus' wijd uitgestrekte armen aan het kruis. Naar alle eeuwen, naar alle volkeren, naar alle menschen tot aan het uiteinde der wereld houdt Jesus ze uitgebreid om alle menschen te omhelzen, om er ook u, o arme Joden, in op te nemen en aan zijn hart te drukken! En de schoone woorden door Christus aan het kruis gesproken, het hartroerend , echt goddelijke gebed door den stervenden Jesus tot zijnen Vader gericht: Vader! Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, gold het niet vooral u, die den Onschuldige aan het kruis hechttet en vermoorddet! O! vergiffenis ja, door Jesus' eindelooze liefde, in zijn stervensuur, van zijnen hemelschen Vader afgebeden, zal de Vader u schenken, mits gij schuld bekennet en Hem rouwmoedig vergiffenis vraget. O Joden, o arme Joden, diep ongelukkige Joden — beseftet ge toch hoe diep begaan een christen hart is met uw rampzalig lot —

ocr page 305

299

keert toch terag tot uwen Vader, schenkt toch Jesus den troost, waarnaar zijn door liefde gebroken hart zoo vurig verlangt, ook u zijn bevoorrecht, geliefd-koosd volk van weleer in zijn bloed te mogen af-wasschen! — Verder zag Jesus aan het kruis in den loop der eeuwen, ergerlijke tooneelen plaats grijpen, zedebederf on- en wangeloof binnensluipen in de christelijke maatschappij, binnendringen tot in het heiligdom der door Hem gestichte kerk; scheuring, tweespalt, ketterij en afval ontstaan in den boezem der Kerk, ontaarde kinderen opstaan tegen de Kerk, zijne Bruid, hunne Moeder; ketters, scheurmakers of afvalligen van nijd en haat ontvlamd, samenspannen met de machtigen dezer aarde om de Kerk, zijn werk, zijne stichting omver to halen, te verdelgen, en zoo mogelijk, echt satanisch, Haar in het slijk te smoren, en ten gevolge daarvan groote rijken en volkeren Haar afvallen. Hij hoorde de stormen loeien. Hij zag de golven hoog gaan die het scheepje van Petrus met ondergang bedreigen; Hij zag diezelfde Kerk door list, verraad en ruw geweld, door sekten, geheime genootschappen, niet zelden met rechtstreek-sche , bijna altijd met zijdelingsche medewerking van Keizers en Koningen en Hoofden der staten, — steeds in verbond met de Hel, Hij zag de Kerk, zeg ik, zijne Kerk voortdurend op de felste wijze bestookt, belaagd en vervolgd. De Kerk, zijn vlekkelooze Bruid, door Zijnen Geest verlicht, zag Hij in hare onfeilbaarheid aangetast, de Waarheid, die zij verkondigt door onwetendheid ruaar erger nog door eene verwaande, hoogmoedige Wetenschap driest geloochend; de Kerk door zijne Liefde bezield, zag Hij tot zelfs in datgene miskend waarvoor de harten der boozen doorgaans nog ontvankelijk zijn, miskend

ocr page 306

300

in hare grenzelooze, voor geene offers terugschrikkende Liefde, miskend en gelasterd in hare reinste ; en heerlijkste uitingen, haar schoonste sieraad, haar roem en trots, het Wonder van alle eeuwen, namelijk in hare over den ganschen aardbodem verspreide wonderbare , alle vergelijking uittartende, onnavolgbare liefdewerken en liefdestichtingen, die, hadden we geen andere bewijzen voor de goddelijkheid dei-Kerk, de goddelijkheid barer stichting klaarder dan het helderst zonnelicht bewijzen.

O! hoe moet het hart van Jesus aan het kruis geleden hebben door de gedachte aan de versmading, miskenning en vervolging, waaraan zijne Kerk in den loop der tijden zou blootstaan, bij de gedachte aan het grenzelooze wee dat oyer haar zou komen. Hoe moet vooral zijn ziel gebloed hebben, zijn hart ingekrompen zijn van smarte, bij het gezicht van al die duizenden en millioenen, die ondanks zijn aller-vreeselijkste smarten, ondanks zijn allerbitterste lijden en eindelooze liefde, bij miskenning en verstooting van de genade, door eigen schuld zouden verloren gaan; voor eeuwig verloren gaan! Voor hen zoude zijn bloed dus te vergeefs vloeien, wat meer is, een oorzaak zijn van diepere verwerping. Hij wil deze redden, verlossen, Hij zou ze zoo gaarne gered hebben, — maar zij, zij wilden niet gered zijn.

Overstelpt van droefheid, in de vreeselijkste pijn, van allen verlaten, zonder eenigen troost van wie of van waar ook, geeft Jesus den geest.

Na overweging dezer waarheden, geeft volgender wijze lucht aan uw bedroefd gemoed:

1° Beween en verfoei, uit ganscher harte, uwe zonden die de oorzaak waren van Jesus' matelooze droefheid.

ocr page 307

301

brik- 2° Wek ia u eea teedere liefde voor Jesus op inste 1en een levendig verlangen uit liefde voor Hem te lijden.

3° Bid Hem u deelachtig te maken aan zijn lijden en u, indien Hij het goedvindt, met wederwaardigheden te bezoeken.

4° Omhels Hem uit geheel uw hart en bid Hem vurig toch niet toe te staan, dat ook gij eens onder het getal dergenen zoudt behooren wier eeuwige verwerping van al zijne zielesmarten de smartelijkste was, van al zijne folteringen de onverdragelijkste.

Vierde punt. Neem uw kruisbeeld, vestig er uwe oogen op en verbeeld u dat Jesus deze woorden tol u richt:

Teerbeminde ziel, zie het groote verschil dat er tusschen mijne liefde en de uwe bestaat. Uit liefde voor u wilde ik in mijne ondragelijkste pijnen verlaten worden door alle menschen, door mijne vrienden, mijne naastbestaand^n, in één woord, door hen die my het dierbaarste waren; niemand van hen allen was medelijdend genoeg mijnen brandenden dorst met eenen dronk water te lesschen. — En gij, gij kunt of beter wilt niet eens uit liefde voor mij lijden, dat ge door eenigen verlaten en miskend wordt. Uit liefde voor u heeft zelfs mijn hemelsche Vader, die allen, ook de nietswaardigsten troost, mits ze Hem deemoedig om troost vragen, heeft mijn hemelsche Vader, zeg ik. Mij zijn eeniggeboren, veelgeliefden Zoon verlaten en aan mijn onvergelijkelijk schandelijk ien smartelijk lot overgelaten, als ware ik het uitschot der aarde geweest, een worm, geen mensch, der menschen smaad en des volks verachting. — En gij, igij hebt den moed niet uit liefde voor mij een kleine jbeproeving te verdragen; de geringste tegenspraak

ocr page 308

[ 302

maakt u ongeduldig en korzelig; miskenning en verguizing doen uwen toorn ten top stijgen, by ramp en tegenspoed toont ge eerst recht hoe kleinmoedig en liefdeloos gij zijt; gij tracht naar niets anders dan naar onverstoorde rust en vrede, gij zoudt den hemel op aarde willen hebben. Uit liefde voor u heb ik mij overgeleverd, overgeleverd tot den dood des kruises, — en gij wilt om mijnentwille niet de geringste inwendige dorheid en verlatenheid lijden. — Uwe liefde is niet rein, zoolang gij in uw Igden troost en opbeuring zoekt.

Uit liefde voor mij lijden, is lijden zonder elke hoop op vertroosting, alleen om Mij te behagen, aan Mij gelijkvormig te zijn. Zoo heb ik voor u geleden, zoo moet ook gij voor Mij lyden. — Na het lijden de troost, eerst lyden, dan verheerlijkt worden, door het kruis tot het licht! De knecht is immers niet beter dan de meester.

Vergeet het niet, dat wat u het laatste gegeven wordt van eeuwigen duur is; is het eene belooning voor uwe goede werken, uw trouwe diensten, zoo zal ze eeuwig zijn en overgroot, zoo groot dat geen oog het gezien, geen oor het gehoord heeft, dat het nooit in 's menscheu geest is opgekomen, wat heerlijkheid, wat gelukzaligheid God bereidt voor die Jiem beminnen.

Na deze woorden uit den mond uws Verlossers vernomen te hebben, wek de volgende gevoelens by u op:

1° Beween uwe verblindheid die u den weg des kruises, den koninklijken, tot dusverre zoo deed geringschatten, die oorzaak was dat ge zoo gretig zocht en verlangdet naar gemak en zingenot en u zoo weinig toelegdet den gekruisten Jesus na te volgen.

r

ocr page 309

303

2° Wek u tot een vurige liefde jegeus Hem op en maak het oprecht voornemen Hem voortaan zoo volmaakt mogelijk in zijn lyden na te volgen, het koste wat het koste.

3° Draag Hem op alles wat ge zyt, alles wat ge hebt, met volle overgeving aan zijn H. Wil, mocht Hij u ook de zwaarste beproevingen toezenden.

4° Bid Hem door de verdiensten van zijn heilig bloed u de genade en de kracht te schenken dit besluit trouw ten uitvoer te brengen, wat er ook gebeure.

§§ 2.

Van de oefeningen die op de overweging dezer waarheden moeten volgen.

De eerste oefening is met blijmoedigheid en geduld de verlatenheid der «nenschen te verdragen.

Niets is nuttiger aan de ziel dan van de menschen verlaten te zijn, dat noopt en dwingt haar immers hare blikken tot God te richten, op God alleen hare hoop te vestigen, alleen Hem te beminnen. Wordt ge van de menschen miskend, door uwe grienden verlaten, uwe liefde met ondankbaarheid betaald door die aan wie ge wel deedt, gedraag u in dit geval op volgende wijze:

1° Verblijd u van ganscher harte dat Jesus u in ,fcija inwendig lijden laat deelen, u een druppel laat proeven vaa den bittersten kelk dien Hij tot op den bodem moest ledigen, dat Hij zich gewaardigt u. fiaa Hem gelijkvormig temaken; schat naar waarde fet uitstekend voorrecht wat uw Verlosser u daardoor

Schenkt.

ocr page 310

302

maakt u ongeduldig eu korzelig; miskenning en verguizing doen uwen toorn ten top stijgen, bjj ramp en tegenspoed toont ge eerst recht hoe kleinmoedig en liefdeloos gij zijt; gij tracht naar niets anders dan naar onverstoorde rust en vrede, gij zoudt den hemel op aarde willen hebben. Uit liefde voor u heb ik mij overgeleverd, overgeleverd tot den dood des kruises, — en gij wilt om mijnentwille niet de geringste inwendige dorheid en verlatenheid lijden. — Uwe liefde is niet rein, zoolang gij in uw lijden troost en opbeuring zoekt.

Uit liefde voor mij lijden, is Igden zonder elke hoop op vertroosting, alleen om Mij te behagen, aan Mij gelijkvormig te zijn. Zoo heb ik voor u geleden, zoo moet ook gij voor Mij lijden. — Na het lijden de troost, eerst lijden, dan verheerlijkt worden, door het kruis tot het licht! De knecht is immers niet beter dan de meester.

Vergeet het niet, dat wat u het laatste gegeven wordt van eeuwigen duur is; is het eene belooning voor uwe goede werken, uw trouwe diensten, zoo zal ze eeuwig zijn en overgroot, zoo groot dat geen oog het gezien, geen oor het gehoord heeft, dat het nooit in 's menschen geest is opgekomen, wat heerlijkheid, wat gelukzaligheid God bereidt voor die Hem beminnen.

Na deze woorden uit den mond uws Verlossers vernomen te hebben, wek de volgende gevoelens bij u op:

1° Beween uwe verblindheid die u den weg des kruises, den koninklijken, tot dusverre zoo deed geringschatten, die oorzaak was dat ge zoo gretig zocht en verlangdet naar gemak en zingenot en u zoo weinig toelegdet den gekruisten Jesus na te volgen.

ocr page 311

303

2° Wek u tot een vurige liefde jegeus Hem op en maak het oprecht voornemen Hem voortaan zoo volmaakt mogelijk in zijn lyden na te volgen, het koste wat het koste.

3° Draag Hem op alles wat ge zijt, alles wat ge hebt, met volle overgeving aan zijn H. Wil, mocht Hij u ook de zwaarste beproevingen toezenden.

4° Bid Hem door de verdiensten van zijn heilig bloed u de genade en de kracht te schenken dit besluit trouw tea uitvoer te brengen, wat er ook gebeure.

§§ 2.

Van de oefeningen die op de overweging dezer waarheden moeten volgen.

De eerste oefening is met blijmoedigheid en geduld de verlatenheid der menschen te verdragen.

Niets is nuttiger aan de ziel dan van de menschen verlaten te zijn, dat noopt en dwingt haar immers hare blikken tot God te richten, op God alleen hare hoop te vestigen, alleen Hem te beminnen. Wordt ge van de menschen miskend, door uwe vrienden verlaten, uwe liefde met ondankbaarheid betaald door die aan wie ge wel deedt, gedraag u in dit geval op volgende wijze:

1° Verbied u van ganscher harte dat Jesus u in zijn inwendig Igden laat deelen, u een druppel laat proeven van den bittersten kelk dien Hij tot op den bodem moest ledigen, dat Hij zich gewaardigt u. aan Hem gelijkvormig te maken; schat naar waarde het uitstekend voorrecht wat uw Verlosser u daardoor schenkt.

ocr page 312

304

2° Neem dat alles uit de hand Gods zwygend, geduldig, blgmoedig en dankbaar aan, zonder ontroering noch klachte, doe niet de geringste moeite om er van bevrijd te worden.

3° Tracht hen die u leed deden met liefde te bejegenen , en doe hun, als de gelegenheid zich voordoet, alle goed dat ge kunt.

4° Schenk uwe liefde aan Jesus alleen; verheug u dat ge juist door dergelijke bejegeningen van de schepselen afgetrokken wordt, en toon u bereid alles met liefde en vreugde aan te nemen wat geschikt is u zeiven af te sterven en voor Jesus alleen te doen leven.

De tweede oefening is met geduld en vreugde de bekoringen te verdragen welke God voor ons waarachtig goed toelaat.

Talrijk zijn de bekoringen die de trouwe zielen te lijden hebben. De eenen hebben voortdurend twijfel tegen het geloof, de anderen voelen den prikkel des vleesches en worden zwaar bekoord tegen de zuiverheid; deze lijden aan moedeloosheid en zijn nooit gerust over hun voorgaand leven, gene worden gekweld door gewetensangsten en allerlei verwarring, zijn steeds bevreesd niet in staat van gratie te zijn en verloren te gaan.

Hoe moet een getrouwe ziel in de bekoringen, hoedanig ze ook zijn, zich gedragen?

1° Zij zal bedenken dat het een deel is in den allerbittersten kelk dien Christus uit liefde voor haar gedronken heeft in zgn lijden; zij zal haar deel dus met blijdschap aannemen uit zijn vaderlijke hand.

2° Zij moet dien zielstoestand met al de daaraan verbonden moeilijkheden zwijgend, geduldig en inwendig bly moedig verdragen, en dien tgd beschouwen

ocr page 313

305

als een tijd van genade waarin ze God het meest kan behagen en de reinste liefde jegens God beoefenen.

3° Zij zal zich bevlijtigen vooral deze deugden te beoefenen, namelijk: eene diepe nederigheid, erkennende dat ze zonder de hulp Gods dergelijke beproevingen niet kan overwinnen; een kinderlijk betrouwen en de hoop dat God ons niet zal verlaten; zij zal God loven en danken haar dat kruis te hebben overzonden; zij zal zich eindelijk tot een vurigere liefde en een voile overgeving in Gods heiligen wil opwekken.

4° Zij zal vooral van hare gewone oefeningen niets achterlaten wegens den tegenzin die aan dezen staat eigen is; en zij mag wel overtuigd zijn dat men nooit aan God behagelijker is, dan wanneer men door zware bekoringen beproefd, dezelve glansrijk overwint.

De derde oefening bestaat hierin, geduldig en opgeruimd de duisternis, dorheid, den tegenzin en afkeer te verdragen die men gedurende de godsdienstoefeningen ondervindt. Men zal niet licht eene ziel vinden die van zulke ellenden vrij bleef. Somwijlen is de geest in zoo dikke duisternis gehuld, dat hij zich in de onmogelijkheid bevindt aan de eeuwige waarheden te denken; een ander maal is de wil zoo dor, zoo gevoelloos, zoo koud dat men niet in staat is een enkel goed gevoelen op te wekken; bet gebeurt zelfs dat de ziel door zoodanigen tegenzin gekweld wordt, dat al wat geestelijk is haar tegenstaat en walgt.—Hoe zich in dien toestand te gedragen?

1° Men zal zich overtuigd houden , dat men nimmer beter door de daad zijne liefde en getrouwheid aan God kan bewijzen; immers wat wonder dat men God getrouw blijft zoolang Hij ons op geestelijke

20

ocr page 314

306

lekkernijen, inwendige vertroostingen en zoetigheden onthaalt, welke verdiensten zou men daarvan wel hebben? Maar in liefde en trouw pal staan en volhouden ook dan wanneer het schijnt dat God zich van ons heeft teruggetrokken om ons aan verwarring, bekoringen en beproevingen prgs te geven, — dat noemt men met Jesus aan het kruis genageld blijven en hem navolgen tot in den dood.

2° Zoolang de bekoring en beproeving aanhoudt, niets van zijne gewone godsdienst-oefeningen achterlaten noch dezelve verkorten. Een enkel verzuim, een enkele nalatigheid, waaraan men zich in zulk geval zou schuldig maken, kan ons wellicht van eene groote genade berooven, die ons later nooit meer zal gegeven worden. Hij daarentegen, die zich ten tijde der beproeving vooral getrouw toont, zal het hart van God weldra gewonnen, volle heerschappy over zich zei ven en zijne ongeregelde driften verkregen hebben, en tot dien beuijdens waardigen staat gekomen zijn dat de Heilige Geest zijn meester zal zijn die hem in alles zal leiden en bestieren.

3° Men zal zich aanhoudend op de beoefening dei-diepste nederigheid toeleggen, — erkennende dat men niet waardig is van God troost of licht te ontvangen ; men zal God om eene vurige liefde bidden, en zich aanbieden Hem geheel zijn leven te dienen, zonder den geringsten troost te ontvangen, indien Hij het zoo wil of goedvindt; men zal Hem eindelijk loven en van harte dank zeggen, dat Hij ons dit kruis oplegde.

ocr page 315

307 Artikel IV.

Over het leven eener ziel die der wereld en zich zeiven geheel afgestorven is.

Eene ziel, der wereld en zich zelve geheel afgestorven, ondervindt in zich twee dingen.

Het eerste is dat ze niets zoo hoog schat als de verachting en vertrapping harer eer, pijnen en smarten in haar lichaam, vervolging en verlatenheid van den kant der menschen.

Het tweede is dat ze bereid is dat alles te lijden met evenveel vreugde en voldoening of had ze alle schatten der aarde gevonden. In deze punten bestaat de onthechting aan zich zelf, de zoo uiterst kostbare geestelijke dood, de ware navolging van den ge-kruisten Jesus, de kern en het merg der heiligheid. Wij zullen thans aantoonen hoe men er kan komen.

Door welke middelen kan de ziel tot eene zoo hooge achting en waardeering van kruis en lijden komen ?

Daarvoor zijn twee middelen:

Het eerste is met vurigheid en volharding er om bidden; daar onze harten in Gods hand zijn, is het Hem gemakkelijk er deze achting diep in te drukken.

Het tweede middel is volgende waarheden dikwijls te overwegen :

Eerste waarheid. Jesus is op de aarde verschenen om ons door zijn voorbeeld den weg der volmaaktheid en heiligheid te toonen: derhalve moet de weg der armoede, der verlatenheid, de weg van droef-beid, van miskenning en verguizing, van lijden in de ziel en in het lichaam de beste, de veiligste wezen;

ocr page 316

308

— immers, had Jesus een beteren weg gekend, Hij zoude hem ons ongetwijfeld door ziju voorbeeld aangewezen hebben.

Tweede waarheid. Jesus is op aarde verschenen, heeft onder de menschen geleefd om ons te leeren niet eene gewone heiligheid, eene alledaagsche deugd en volmaaktheid, maar om ons den weg te toonen langs welken men tot de hoogste heiligheid, hoogste deugd en volmaaktheid opklimt; diensvolgens moeten de onthechting van alle schepselen, de vrijwillige afstand van al het geschapene, de liefde voor kruis en lijden ons de verhevenste deugd en heiligheid doen verkrijgen; — immers, had Jesus eene hoogere heiligheid gekend, Hij zoude ons den weg om er toe te geraken door zijn woorden, leer en voorbeeld aangetoond hebben.

Derde waarheid. Jesus heeft ons bruis en lijden tot voorbeeld nagelaten, opdat wij Hem zouden navolgen : wij moeten dus daaruit besluiten dat het geene onmogelijke, maar eene voor onze krachten bei'ekende, alleszins mogelijke zaak is; —-immers, ware dat onmogelijk en boven onze krachten, zoo zou Jesus dwaas gehandeld hebben met ons zoo dringend uit te noodigen zijn voorbeeld toch na te volgen. Dat zou in den mond van Jesus bittere spotternij geweest zijn.— Spotternij in den mond van Jesus, de Waarheid en de Liefde zelf, is dit niet de grootst mogelijke denkbare tegenstrijdigheid!

Vierde waarheid. Alles wat Jesus geleden heeft, heeft Hij uit liefde voor mij geleden, schoon Hij mijne ondankbaarheid voorzien had. Het is derhalve niet anders dan billijk dat ik uit wederliefde voor Hem lijde, wat Hij het eerst uit liefde voor mij geleden heeft.

ocr page 317

309

Vijfde waarheid. Jesus heeft langs den weg des kruises ziine heilige Moeder, zijne Apostelen, de grootste Heiligen, hen die Hij het meeste liefhad, geleid; 't is dus voor mij de grootste eer, indien Hij zich gewaardigt ook mij langs denzelfden weg te leiden, 1 die deze uitverkorenen , hoog bevoorrechte zielen tot zoo verheven trap van heiligheid opvoerde.

Deze eeuwige, onveranderlijke waarheden diene men aanhoudend te overwegen en voor oogen te hebben, totdat men er zal toe gekomen zijn alle ijdelheden der wereld als slijk te beschouwen, het kruis daarentegen boven alles te achten en te beminnen volgens den geest van Jesus Christus.

§§ 2.

Door welke middelen kan men zulke liefde voor kruis en lijden verkrijgen ?

Er zijn twee middelen om die liefde te verkrijgen. Het eerste is Hem aanhoudend te bidden, die alleen ons deze groote genade kan verleenen. Het tweede is zich met veel ijver en zorg aanhoudend toeleggen op volgende practijken :

Eerste practijk of oefening. Zich aan de voeten werpen van den gekruisten Jesus, ons aan Hem zoo volkomen mogelijk als liefdeofFer opdragen; Hem onze eer, onze goederen, onze gezondheid, ons lichaam en onze ziel zonder voorbehoud ten offer brengen, in de gesteltenis en met den oprechten wil uit liefde voor Hem alle leed te verdragen dat Hem zal believen ons te overzenden. — Men zorge toch nooit te vergeten hoe zwak men is en vrage daarom God kracht en moed om te lijden.

ocr page 318

310

Tweede oefening. In ons hart een groot verlangen naar kruis en lijden opwekken, er om vragen en bidden, er naar haken in onze gebeden en andere oefeningen, daar we nergens beter door onze liefde en getrouwheid aan God kunnen betoonen, naar het voorbeeld van de H. Theresia, die gedurig verzuchtte: O Heer! of sterven, of lijden.

Derde oefening. Vindt God goed ons een kruis te overzenden, zoo moeten wij onze oogen opslaan tot den gekruisten Jesus, het kruisbeeld omhelzen, Hem de handen kussen; dat kruis aan Jesus met liefde en eene reine meening opdragen en Hem genade en sterkte vragen hetzelve te dragen.

Vierde oefening. Zoolang ons kruis duurt, zij men bezorgd de inwendige rust en tevredenheid te bewaren en met God, door gevoelens en verzuchtingen van liefde, vereenigd te blijven. Nu storte men zijne ziel uit in lofzangen en dankzeggingen; dan weer vernedere men zich diep onder de hand Gods en betuige zijne liefde door vurige verzuchtingen. Een ander maal aanbidde men Gods heiligen wil, onder-werpe zich volkomen aan zyne verordeningen en onderhoude zich met God op zulke wijze, als de Heilige Geest het der beminnende ziel zal ingeven, naar omstandigheden.

Vijfde oefening. Als men inwendig lijdt, gekweld en geplaagd wordt, wende men de middelen aan die de biechtvader voorschrijft; lijdt men lichamelijk, zoo houde men zich aan de voorschriften van den geneesheer, maar zorge steeds de rust der ziel daarbij niet te verliezen. Men moet by God vooral niet aandringen dat Hij ons van een kruis verlosse, wat Hij ons oplegde; men behoort zich integendeel aan

ocr page 319

311

Gods heiligen wil te onderwerpen in alles wat Hij in zijne goedheid en liefde voor ons beschikte.

Ziedaar de verklaring van den geestelijken dood en de algeheele onthechting van alle schepselen. Wie in waarheid verlangt tot dien staat te geraken, die is de gelukkigste der menschen; — immers, daar God verlangt dat alle menschen van zijne liefde ontstoken worden, zal Hij het vuur dier liefde, in een hart dat oprecht wenscht te lijden, zoodanig voeden en aanwakkeren, dat het nimmer zal uitdooven.

13e 2ïco(bgt;tuL Van de nederigheid.

BEGINSEL.

Steeds met eene diepe nederigheid in Gods tegenwoordigheid wandelen.

God bemint de nederigen, de ootmoedigen van harte. In eene nederige ziel slaat Hij bij voorkeur zijne woning op en vertoeft met bijzonder welgevallen bij haar; Hij spijst en laaft haar met hemelsche genaden en zegeningen, en die genaden en zegen vloeien steeds ruimer en weldadiger. God deelt zich niet mede aan eene ziel die niet in waarheid ootmoedig is; verre van daar, Hij onttrekt zich steeds verder van haar. Hoe dieper wij ons vernederen, hoe dichter God tot ons afdaalt; hoe meer wy ons in onze verwaandheid verheffen, des te meer trekt zich God van ons terug. De regen die van den hemel valt,

ocr page 320

812

blijft niet op de kruin, der bergen maar vloeit van de bergen naar vallei en dal. Zoo ook glijden de genaden des hemels langs den steilen rotswand eener trotsche, hoogmoedige ziel weg, zonder dat ze er voordeel van heeft; — in de ziel der nederigen daarentegen druppelen ze als een weldadige regen, bevochtigen en besproeien naar alle zijden die welvoorbereide, heel effene aarde, dringen diep in haar door, zoodat ze duizendvoudige vruchten voortbrengen.

Zoolang eene ziel niet ter dege gegrondvest is op de rots der nederigheid, blijft ze machteloos, ongeschikt om tot hoogere deugd opgevoerd te worden. — De nederigheid is de grondslag waarop het geheele gebouw der volmaaktheid moet rusten. Is de grondslag niet diep genoeg gelegd, dan kan bij gebreke daarvan het gebouw niet hoog opgetrokken worden en moet men maar aan den grond timmeren; zoude men roekeloos genoeg zijn om, ook bij onstentenis van een breed en diep fundament, het gebouw hoog op te voeren, zoo zoude het spoedig instorten. — De oorzaak daarvan is dat God de hoogmoedigen wederstaat. — Wat kan dan, in 's hemels naam eene ziel verrichten die niet alleen door den duivel, maar ook door God wordt tegengewerkt, op wie, — om mij eens gemeenzaam uit te drukken — God en de duivel het gemunt hebben.

Daarom is het volstrekt noodzakelijk, dat de ziel alles in het werk stelle om deze deugd van God te verkrijgen en er zich meer en meer in te bevestigen.

De ootmoedigheid is eene zedelijke deugd, waardoor men zich zeiven veracht en verlangt dat ook de anderen ons verachten en aan God alleen met alle oprechtheid alle eer en lof toekent. Wij zullen dit in eenige paragrafen nader betoogen.

ocr page 321

313 §§ 1-

Over de kennis van ons zeiven.

Eerste oefening. Stel u levendig voor wat ge geweest zijt en overweeg wel deze waarheid: indien ik mij niet vrijwillig blinddoek om aan mij zeiven mijne ellende en schande te verbergen, moet ik klaar inzien dat ik eigenlijk al lang in de hel moest branden. Ik heb gezondigd, mijn geweten verwijt het mij. Na vergiffenis bekomen te hebben, ben ik in mijne oude zouden hervallen; mijne levensgeschiedenis bewijst het. Een enkele doodzonde is genoeg om voor eeuwig verloren te gaan, dit leert my bet geloof. Hoe komt het dan dat ik , des ondanks, mij nog durf verheffen en in mijn hart ook maar eene eene enkele hoovaardige gedachte durf toelaten? Welk verschil is er tusschen mij en de verdoemden in de hel? Zij hebben gezondigd ja, maar heb ik ook niet gezondigd? Zij hebben de hel verdiend, 't is waar, maar ik heb ze niet minder verdiend. Door hunne zonden zijn ze schuld dat ze zich in eenen staat bevinden, waarin ze eeuwig veracht en verwenscht zullen worden door hemel en aarde, door engelen en menschen ; — hetzelfde lot heb ook ik verdiend. Zonder twijfel ben ik nog in leven, in staat van gratie, zooals ik vertrouw; met Gods hulp en bijstand hoop ik eens in den hemel te komen. Maar aan wie moet ik dat toeschrijven? Aan wie dat alles dank weten? Aan ü alleen. Vader van barmhartigheid! ü alleen dank ik dat ik nog niet in de hel lig, dat ik me nog niet in dien ongelukkigen staat bevind, waarin ik eeuwig door alle schepselen zou vervloekt worden. Dat is uw werk, o oneindige goedheid van mijnen God, ü alleen komt daarvoor

ocr page 322

314

alle eer, lof en dank toe! Uwe rechtvaardigheid heeft de hoovaardige, ongehoorzame engelen uit den hoogen hemel in den afgrond der hei neergebliksemd; — uwe barmhartigheid heeft mij gespaard, omdat Gij mg beniindet. Ik kus uwe hand, en wensch ü van nu af tot in alle eeuwigheid daarvoor te loven. Wat mij betreft, ik heb slechts het lot dier gevallen engelen verdiend en ik heb het meer verdiend dan zy.

Na deze waarheid ernstig overwogen te hebben, spreek uw hart in dezer voege uit:

1° Erken in alle oprechtheid voor God, dat gij meer verdiend hebt door hemel en aarde, engelen en menschen eeuwig verwenscht te worden, dan de duivel, omdat de duivel niet zoo dikwijls gezondigd heeft als gij. Het was in die gevoelens, dat de H. Franciscus van Borgia, in zijne lange overwegingen , zich zijne plaats in de hei voorstelde beneden alle duivelen.

2° Houd u overtuigd en erken, dat alle veron-gelgking, miskenning er. verguizing, die ge ooit zult te lijden hebben, niets zijn, vergeleken by dat wat ge door uwe zonden verdiend hebt.

3° Verfoei en verwensch uwen hoogmoed en uwe ydelheid , die, — na zoovele zonden , u nog doet verlangen door alle menschen bemind, geacht en geëerd te worden.

4° Bid God dat Hij voor zijne eer en glorie toelate, dat men u verachte en met beleedigingen en versmadingen verzadige, mits Hij u kracht en genade schenke ze in nederigheid en geduld te verdragen.

Ticeede oefening. Stel u voor wat ge thans zijt en hoe ge nu gesteld zijt, en overweeg wel deze waarheid: ik hoop en vertrouw op dit oogenblik een kind van God te zijn, versierd met zijne genade,

ocr page 323

315

uitverkoren en voorbestemd voor den hemel. Ik Leb God tal van jaren gediend en veel verdiensten voor de eeuwigheid vergaderd. Ik tracht meer en meer voortgang te doen in de vriendschap Gods en in alle soort van goede werken. — Maar wat is dat van weinig beteekenis! Wat zou een duivel of verdoemde niet gedaan hebben, verondersteld, dat God hem na zijnen laatsten val nog zooveel genaden geschonken had als aan mij? Wat meent ge wel, mijne ziel? Ongetwijfeld zou die ongelukkige God vuriger bemind, meer boetvaardigheid gedaan hebben, dan ik in heel mijn leven. Had God aan den ergsten der verdoemden zooveel genaden en goede inspraken gegeven als aan mij, wat zou hij die ongelukkige niet gedaan hebben ? Hij zou misschien in eene maand meer vooruitgegaan zgn in de liefde Gods en in andere deugden, dan ik in mijn gansche leven.— Want wat hebben zooveel genaden door God mij geschonken, in mij uitgewerkt? Hadde ik, zooals het behoort, beantwoord aan al die genaden, zoo moest ik al van liefde branden als eene andere heilige Theresia, moest ik van yver en innige godsvrucht smelten als eene heilige Francisca; hadde ik al zooveel tranen van berouw en liefde moeten storten als eene heilige Magdalena; ja, hadde ik naar behooren met de genade medegewerkt, zoo moest alle hoovaardigheid, alle ij del heid, elke ongeregelde neiging voor goed uit mijn hart verbannen zijn.

Nog eens, waar zijn de vruchten van zooveel genaden? O oneindig heilige, volmaakte God! Ik moest van schaamte vergaan in uwe tegenwoordigheid ! Als ik eenerzijds die genaden beschouw, dan zie ik maar al te klaar in dat ze voldoende waren om mij al lang heilig te maken; beschouw ik daarentegen mijne gebrekkige medewerking met de geuadei

ocr page 324

316

zoo moet ik bekennen dat ik de ondankbaarste der menschen ben.

Ik heb nog geen enkele ondeugd geheel uitgeroeid, noch eene enkele deugd volmaakt beoefend, noch verkregen. Ik bid nog met lauwheid en veel verstrooidheden, mijne liefde is flauw en zonder vurigheid ; ik onderbreek het stilzwijgen door nuttelooze woorden.

Hoe is het met mijne ingetogenheid? Ik ben ongestadig, wispelturig; en met mijne ootmoedigheid is het zeker niet beter gelegen, want de kleinste miskenning doet me zeer, ik duld geene tegenspraak. Staat het soms beter met mijne liefde voor de eerbaarheid, de engelachtige deugd van zuiverheid? Helaas, ook op dit allergewichtigte punt kan ik me niet van zorgeloosheid en nalatigheid vrij pleiten.

En hoe is het dan met mijn geduld? Mijn geduld, ik moet het tot mijne beschaming bekennen, schiet in alles te kort, blijkt tegen de kleinste beproeving niet bestand. — Dat is nu de werkelijke, gewis niet verkleinde staat mijner deugden, -— een voor mij alles behalve vleiend tafereel. — Hoe is het toch mogelijk, o Heer, dat een schepsel zoo arm aan deugden en daarentegen zoo rijk aan ellenden nog tevreden met zich zelf kan zijn, in de nijpendste armoede zich nog ryk wanen? Ja, hoe is het bij God mogelijk, dat een nietige aardworm, als ik ben, zich durft verhoovaardigen en verheffen, op dat wat slechts straffe verdient! O mijn God! hoe afgrijselijk moet ik zijn in uwe allerreinste oogen!

Na ernstige overweging dezer waarheid, onderhoud u met God in dezer voege:

1° Verneder n zoo diep mogelijk niet alleen onder de voeten der Heiligen, maar tot onder de voeten

T

4

ocr page 325

317

der verdoemden en duivelen en beken rondborstig dat ge onder alle schepselen geen enkel kent, dat, na zoovele genaden ontvangen te hebben, zich zoo ondankbaar jegens God toonde als gij.

2° Verwonder u over Gods lankmoedigheid die uwe boosheid en lauwheid zoo lang verdroeg; bewonder Gods onuitputbare goedheid, daar Hij, niettegenstaande het slechte gebruik dat gij van zijne genaden maaktet, niet ophield u nieuwe gunsten te schenken en ook nu nog voortgaat u wel te doen en u dringend aanspoort uwen Heer en God uit geheel uw hart te beminnen.

3° Openbaar al uwe ongerechtigheden en onvolmaaktheden aan uwen goddelyken Zaligmaker; erken dat gij ten volle verdient dat Hij zijn gelaat van u afwende en u alle verdere genaden onttrekke, en zie toch eindelijk in dat het beetje goeds wat er aan u is, niet van u komt, maar eene onverdiende gift is van zijne vaderlijke goedheid.

4° Verfoei en beween uwen hoogmoed, en maak het vast voornemen uw gansch verder leven in zijne tegenwoordigheid , in groote nederigheid, te wandelen.

Over de verachting van zich zeiven.

Eerste oefening. Eene waarlijk nederige ziel moet alle ijdele eer, loftuitingen, alle betoon van achting en liefde van den kant der menschen, zorgvuldig vluchten. Hebt gij de waarheid, die in de vorige paragraaf behandeld werd, goed ingezien, zoo moet ge ronduit bekennen dat ge den minsten lof, de minste achting niet verdient noch voor hetgeen gij geweest zijt, noch voor hetgeen gij thans zijt.—Immers,

T

ocr page 326

318

vroeger waart gij door zonden bezoedeld en — thans zijt gij nog vol onvolmaaktheden.

Daarom moet ge, in het licht dier waarheid, de volgende besluiten maken in Gods tegenwoordigheid:

1° Ik zal nimmer toestemmen in eene ijdele gedachte van zelfbehagen, maar ze terstond verwerpen en, zoo mogelijk, in haren oorsprong smoren.

2° Ik zal nooit een woord tot mijn eigen lof zeggen. Ik zal zooveel mogelijk, voor het oog der menschen verbergen al het goede, alle natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, die mij God in zijne barmhartigheid mocht geschonken hebben of nog mocht schenken, ik zal in het geheim des harten, God erkennen als den oorsprong van alle goed in alle dingen, aan God alleen zal ik allen lof, alle eer opdragen die daaruit kunnen volgen.

3° Indien iemand meende mij te moeten loven, zal ik in mijn hart keeren, om er mijne zonden te beschouwen, mijne ellende en onvolmaaktheden, en mij, bij het gezicht mijner zonden, in den geest beneden de verdoemden te werpen, op God alle eerbewijzen en loftuitingen overdragende; uitwendig zal ik mij al schertsende, er van af maken, zoo ik ze althans niet geheel kan beletten, daardoor hun te verstaan gevende dat ze mij mishagen.

4° Indien men mij eenigen eerbied bewijst, dien ik niet kan beletten, zal ik mg daarover in mijn hart niet verheugen, veeleer zal ik daaruit aanleiding nemen om mij zeiven des te dieper te verachten en ik zal God bidden dat mijn deel hier op aarde niet eeretitels en loftuitingen moge zijn, maar liever verongelijking , verachting en miskenning.

Tweede oefening. Een nederige ziel moet zich toeleggen steeds meer te verlangen toch niet geëerd.

ocr page 327

319

geprezen en bemind te worden hier op aarde, maar liever aan vernedering, miskenning en vervolging bloot te staan.

De gewone gedachten waarmede eene ootmoedige ziel zich behoort bezig te houden, zijn deze: Wat ik eigenlijk verdiend heb, is de hel, ik kan dit niet ontkennen, wil ik waarheid spreken. Welnu, indien ik in de hel was, wie zou me dan loven ? Wie mij eerbied bewijzen, wie mij beminnen? Hemel en aarde, engelen en menschen zouden mij eenstemmig eeuwig vervloeken.— Als ik dan inderdaad deze straf verdiend heb, met welk recht kan ik dan hopen en verlangen bemind en geprezen te worden? Met welk recht kan ik in het kort bestek van mijn leven verachting, miskenning en vervolging van den kant der menschen van mij afweren, terwijl ik toch volgens alle eischen der rechtvaardigheid dit alles zou moeten lijden in alle eeuwigheid?

Hoe ik ook ooit mocht verongelijkt worden, het heeft alles niets te beduiden bij dat wat ik zon moeten lijden om eene enkele doodzonde uit te boeten.

O! waarom valt het mij zoo hard dat hij dien ik wel deed, mij verlaat en miskent! —- Heb ik dan ook niet in vroegere jaren God verlaten en schandelijk miskend, God, die mij met weldaden overlaadde?

Waarom lijd ik dan thans niet, als boete mijner verachtelijke ondankbaarheid jegens God, dat hij dien ik beminde, mij den rug toekeert? Heb ik in jongere jaren mijn hart niet van God, zynen schepper, gewelddadig losgerukt, van God die het voor zich geschapen had en met oneindige liefde beminde, — om het weg te schenken aan een ellendig schepsel I Heb ik zoodoende den Schepper, bovendien mijn grootsten Weldoener, niet achtergesteld bij zijn schepsel?

ocr page 328

320

— Wat zou uu wel aaa verongelijkiug, miskenning, verguizing en ondankbaarheid mij kunnen overkomen, wat ik niet meer, duizendmaal meer vroeger God heb aangedaan ?

Derde oefening. Eene waarlijk ootmoedige ziel moetin staat zijn alle beleedigingen , verdachtmaking, ! miskenning en lastering, ook de gevoeligste krenking in hare eer en goeden naam niet alleen met geduld maar zelfs met blijdschap te verdragen, in de overtuiging dat zij dit alles en meer verdiend heeft voor bare zonden.

Men moet met beslistheid de volgende besluiten maken, niet slechts voor den tijd der versterving, maar als leiddraad voor ons heel verdere leven: ik zal in soortgelijke gevallen nooit aan droefheid toegeven; ik zal me nimmer beklagen, nimmer verontschuldigen; veel minder zal ik eene gedachte van wraak in mijn hart laten opkomen; integendeel, ik zal uit geheel mijn hart hen beminnen die me aldus behandelen, ik zal dagelijks voor hen bidden, als voor mijne beste vrienden; ik zal hen prijzen en bij elke gelegenheid den verschuldigden eerbied be-toonen; in een woord het kwaad dat zij mij deden, zal ik met goed vergelden. Ziedaar de ware geest, de ware inborst eener nederige ziel, die het ernst is den gekruisten Jesus na te volgen. -— Laten miskenning, achterstelling en verguizing, wrevel en bitterheid achter in ons hart, beklagen wij er ons over en lijden wij er misschien veel onder; haasten wij ons, ons te verontschuldigen en te rechtvaardigen, — zoo is dit een zeker teeken dat de geest van nederigheid van Jesus den gekruisten nog niet in ons woont. — Hij die werkelijk ootmoedig is, gevoelt in deze omstandigheden slechts vreugde en voldoening, dewijl hij

ocr page 329

321

juist daaraan erkent dat zijn Verlosser hem waardig heeft geoordeeld aan zich gelijk te maken, en hem denzelfden weg wil doen bewandelen dien Hij zelf het eerst doorloopen heeft. — Er is niets verheveners denkbaar dan om God veracht te worden, en uit liefde voor Hem te lijden wat Hij zelf uit liefde voor ons geleden heeft. Eene enkele verongelijking, eene enkele miskenning, versmading of lastering is eene volmaakte ziel welkomer dan alle eeretitels en loftuitingen dezer wereld. O, hoe strijdig is daarmede uwe gesteltenis! Hoe is al uw zinnen en peinzen, hoe zijn al uwe verlangens op iets heel anders gesteld! O hoe weinig menschen treft men aan van wie men in waarheid kan getuigen dat ze van dezen geest van nederigheid doordrongen zijn. En toch is het onbetwistbaar dat wij volstrekt geen reden hebben met ons zeiven tevreden te zijn, zoo lang wij ons hart niet hecht bevestigd hebben in deze echt christelijke gevoelens.

Vierde oefening. Eene nederige ziel moet aan God als liefdeoffer opdragen haar eer en goeden naam en al het recht dat zij er op heeft in het oog der menschen; zij moet God bidden er over te beschikken volgens zyn welbehagen. Haar goede naam is nooit beter besteed, dan wanneer zij hem prijs geeft, ten einde Gods glorie te vermeerderen.

Gelukkig, driewerf gelukkig de mensch die dit offer aan God brengt, waardoor hij Jesus den ge-kruisten verheerlijkt, doordien hij, op zijn voorbeeld, miskenning, versmading en vervolging lijdt uit liefde voor Hem. Hoe verblind zijn toch de meeste menschen , die dan vooral tevreden zijn, als zij de goede werken van hunne keuze ongestoord en in vrede kunnen verrichten. Dat alles is ja niets in verge-

T

21

ocr page 330

322

lijking bij eene enkele beleediging die men blijmoedig om de liefde Gods verdraagt. Vóór dat men miskend wordt, moet men in zijn hart reeds vurig verlangen veracht en versmaad te worden, komt later de miskenning, zoo neme men dezelve dankbaar en blijde aan, daar men verkregen heeft wat men sedert lang zocht.

Na ze gekregen te hebben, verlange men naar nieuwe miskenning. Dusdanig is de geest der Heiligen, zoo was hun gansche peinzen en handelen. Al het andere is slechts ijdelheid.

§§ 3.

Middelen om tot de kennis van zich seleen te komen.

Het eerste is met vurigheid en volharding bidden. Het verlangen naar eer en achting is iu ous hart zoo diep ingeworteld, dat het er slechts door eene buitengewone genade Gods kan uitgeroeid worden. Daar God nu, volgens den gewonen loop zijner Voorzienigheid, geene genade en vooral geene buitengewone pleegt te verleenen, zoo men er niet vurig om bidt, zoo volgt daaruit dat het volstrekt noodzakelijk is, door vurige en aanhoudende gebeden die groote genade van verachting van eer en achtiiiff van Hem

O O

af te smeeken. Daarom is het noodig dat men volgende punten toch wel in acht neme:

1° Wij moeten nooit nalaten aan onze zonden en ellenden te denken, wij moeten daarenboven God bidden dat Hij ons verstand verlichte, opdat wij ( derzelver boosheid wel mogen kennen en inzien.

2° Wij moeten God dringend bidden het verlangen om geëerd en geacht te worden van de menschen uit

ocr page 331

323

ons hart weg te nemen, en ons in stede daarvan een vurig verlangen naar miskenning, versmading en vervolging te geven.

3° Maar omdat de goede gedachten en verlangens, die wij bij de overweging vormen, de deugd niet met zich brengen, moeten wij God bidden ons, volgens zijn heiligen wil, de gelegenheid om te lijden te verschaffen, en ons tevens de kracht en de genade te schenken om zynentwille verongelijking, miskenning en vervolging te lijden.

Het tweede middel is de nederigheid gestadig beoefenen.

Eene nederige ziel moet geen dag laten voorbijgaan zonder eenige akten van nederigheid te verrichten. Zij zijn tweederlei: inwendige en uitwendige. De eersten kan men op deze wijze in oefening brengen:

1° O mijn God! Gij zijt de bron van alle goed, ik daarentegen ben louter niet, een handvol stof.

o

Daarom verfoei ik uit geheel mijn hart alle ydele eeretitels, alle achting, elke gedachte van zelfbehagen die ik voor mij gekoesterd heb, het spijt me dit gedaan te hebben; aan U alleen ken ik toe en draag ik op voor alle eeuwigheid allen lof, alle eer, alle achting.

2° 0 mijn God, ik ben niets, ik heb niets, ik vermag niets, ik verdien niets dan straffe. Uit mij zelven ben ik slechts zonde en boosheid, waardoor ik de hel verdiend heb. Het weinige goeds wat er in mij is, komt van ü. Bij de overweging van mijn niet, ken ik U toe en aan U alleen allen lof, alle eer en alle glorie, als aan den oorsprong van alle goed.

3° O mijn God, ik beken met alle oprechtheid, dat ik maar al te zeer verdiend heb veracht en ver-

ocr page 332

324

smaad te worden. Daarom wensch ik van ganscher harte dat niemand mij love, achte en beminne, maar dat men mij verafschuwe en vervolge, eene gerechte straffe voor mijne zonden. Ik heb immers de hel verdiend; hoe kan en durf ik dan nog wenschen, dat men mij achte en eere?

4° O mijn God, ik offer ü als zoen- en liefdeoffer op mijn goeden naam, mijne eer en alles wat ik in de oogen der menschen achtens- en beminnenswaardig mocht hebben. Sta toe dat mijn goede naam beklad en verscheurd worde, daar, wanneer en hoe het u zal behagen. Ik heb verdiend veracht te worden, ik wil derhalve miskend en veracht leven.

De uitwendige akten van nederigheid zijn zekere goede werken, die men kan verrichten, bijv.:

1° Voor eenen arme of zieke zekere spijze van zijne tafel bestemmen, waar men nog al van houdt, overtuigd dat die arme of zieke het meer verdient dan wij.

2° Armen, zieken en verlaten personen bezoeken en troosten.

8° Zwijgen als men gelasterd, miskend, versmaad en bespot wordt, en dit alles geduldig en blijmoedig lijden.

ocr page 333

325

1i|e Mcoföïtuiïi.

Van het vertrouwen op God.

§§ 1.

Over de beiveegredenen van dit vertrouwen, die in God zelf hunnen grond hebben.

1° God is oneindig machtig, kan mij dus heilig eu volmaakt maken. Om zijn werk te verrichten beeft God geen tijd noodig: al wat Hij wil, Hij kan het in één oogenblik tot stand brengen. Daartoe heeft Hij noch hulp noch bijstand noodig: Hij wil en op hetzelfde oogenblik is het geschied. Arbeid, moeite en vermoeidheid kent God niet; dit zijn zoovele onvolmaaktheden en derhalve strijdig met het begrip van een oneindig volmaakt Wezen; arbeid, inspanning, vermoeidheid kleven alleen het schepsel aan, 't zijn altemaal noodzakelijke gevolgen van deszelfs onvolmaaktheid en beperktheid. God behoeft slechts te willen en wat Hij wil, is in hetzelfde oogenblik reeds geschied. — Wat maakte Paulus tot zoo eenen grooten Apostel, van eene groote zondares als Magdalena eene boetelinge, een van liefde gloeienden Serafijn, van Matthëus een Apostel en van yver blakenden boeteling? Eén woord uit den hemel gesproken wierp Paulus ter aarde neder; een enkele vlammende schicht uit Jesus van liefde gloeiend hart trof het hart van Magdalena en zij was bekeerd en voor goed bekeerd, een toonbeeld van rouwmoedige boetvaardigheid voor alle zondaars, ten eeuwigen dage; een enkele blik van Jesus maakte van Matthëus, den tollenaar, een Apostel. En wat

ocr page 334

326

zou er voor mij noodig zijn. ora mij heilig te maken? Eén woord slechts en een oude doode, verdorde boom zoude zich met bloemen tooien en de schoonste vruchten voortbrengen; een enkel woord slechts en mijne ziel zal heilig zijn en met God innig vereenigd.

2° God is oneindig edelmoedig en vrijgevig, steeds bereid mij heilig en volmaakt te maken. Wat oneindig is, kent perk noch paal, kan niet uitgeput worden. God is bereid mij veel meer te geven, dan ik ooit van Hem zou durven verlangen en hopen. Gods grootmoedige milddadigheid is grenzeloos, kent geen einde; kleinmoedigheid en wantrouwen mijnerzijds stellen er slechts een beletsel aan. Zoover zich mijn vertrouwen uitstrekt, zoo ver strekt zich ook Gods milddadigheid uit in het verleenen zijner genaden. Zooveel ik kan vragen met een levendig geloof en een vast vertronwen, — mits het mij zalig is en dienstig ter zaliprheid — zooveel kan en moet

O .

God mij geven. Uit de zee kan ik water scheppen zooveel als ik wil, — men zal althans de zee niet licht leeg scheppen ; bij God is het nog heel anders; ga ik tot Gods hart, eene onuitputbare bron, een oceaan van goedheid en barmhartigheid, zoo kan ik daaruit genaden scheppen, zooveel als ik wil; en naderde ik Hem even vertrouwvol als de groote Heiligen, zoo zoude ik even groote genaden bekomen als zij er bekomen hebben. God blijft nimmer in gebreke; Hy geeft u zoovele genaden als gij vraagt en hoopt.

3° De liefde Gods is oneindig; hij wil, verlangt, wenscht mij zalig, heilig, volmaakt te maken. God bemint mij, Hij bemint mij teederder dan de liefdevolste moeder haar kind, Hy wenscht mij gelukkig, zalig, volmaakt te zien, vuriger dan ik zelf; Hij wacht slechts op eene gelegenheid om mij met uit-

ocr page 335

327

stekende, talrijke genaden te beschenken, en Hij verlangt de gelegenheid daarvoor vuriger dan ik zelf. Al wat ik daar van God gezegd heb, leert ous de H. Schrift. Wat kan ik dus niet hopen van eenen aan liefde zoo rijken God, van God die liefde is, Deus r/ui rit as est ?

Verondersteld, dat iemand op zijne knieën voor u nederviel en u smeekte hem toch de genade te verleenen God volmaakt te beminnen en zich innig met Hem te vereenigen; verondersteld verder, dat gij van God de macht gekregen hadt hem die genaden te scheuken of te weigeren. Zeg me nu zelf wat zoudt gij in dit geval doen? Zoudt gij hardvochtig, liefdeloos genoeg zijn om eene zoo redelijke, heilige bede af te slaan V Wis niet. En zoudt ge kunnen gelooven dat God die Liefde is, wiens edelmoedigheid geen grenzen kent, zou willen en kunnen weigeren, wat zelfs gij niet van uw eerlijk gemoed zoudt kunnen verkrijgen , te weigeren ?

God, die oneindig goed is, die u teederder, oneindig meer bemint dan gij ooit dien persoon zoudt kunnen beminnen, zoude deszelfs zoo redelijke en heilige bede afslaan, die zelfs gij u zoudt schamen af te slaan? Foei! verre van u eene voor Gods liefdevol hart zoo beleedigende gedachte!

De gevolgtrekking nu voor u is deze: ik kan en moet van Gods onuitputbare, eindelooze liefde alles hopen, mits dat wat ik vraag strekke tot zijne verheerlijking en tot mijn waarachtig geluk en zaligheid.

4° God is oneindig barmhartig, zijn eenig verlangen, zijn gansche streven is mij zalig, mij volmaakt te maken. God vraagt er niet naar wie ik vroeger was, maar wel wie en wat ik thans ben. Bemint ge God thans, zoo zal Hij u ook beminnen en u

ocr page 336

328

de genade verleenen Hem steeds volmaakter te beminnen en u steeds inniger met Hem te vereenigen, mits gij er zelf geen beletsel aan stelt. God let niet op het getal en de grootte uwer vroegere zonden, maar waar Hij wel op ziet, is, de vurige liefde waarmede gij Hem thans en voortaan meer en meer wilt beminnen; en, weet het wel, hoe meer gij Hem zult beminnen, hoe meer gy door Hem zult bemind worden. — En wat mag hij niet van God verwachten, die door God bemind wordt! Tn gemoede, zou God, die de Liefde zelf, de Goedheid zelf, de Barmhartigheid zelf is, wel iets kunnen weigeren aan eene ziel, die Hij bemint?

Bemin God oprecht, bemin God vurig en van ganscher harte en gij zult door God bemind worden, en gij zult ondervinden wat het wil zeggen door God bemind te worden; met reuzenstappen zult ge vooruitgaan op den weg der deugd en de hooge vlucht die uwe ziel zal nemen naar het ideaal der christelijke volmaaktheid, door God aan alle menschen ter nastreving voorgesteld, zal voor u getuigenis afleggen dat God zich in edelmoedigheid en liefde door niemand laat overtreffen. Uwe leus zij: steeds streven uaar hooger, naar beter! En als prikkel daartoe zweve u steeds deze spreuk voor oogen: de maat mijner liefde kan my tot zoo hooge volmaaktheid opvoeren, dat ik de reinste ziel kan overtreffen en voorbij streven.

God is oneindig barmhartig: ieder heeft toegang tot zijn goddelijk hart, ieder kan daar die eereplaats innemen, welke hij zelf wil. Hij maakt geen onderscheid tusschen een onschuldig en schuldig hart; — wie Hem het meest bemint, is Hem het liefste. Wie hadden Hem gevoeliger gekrenkt, zwaarder beleedigd

ocr page 337

329

be- dan Petrus en Magdaletia? En toch, wie heeft Jesus ;en, teederder bemind dan deze beide boetelingen? Zij waren de bevoorrechten, aan wie Hij het eerste verschenen is na zijne verryzenis, om hen te troosten in hunne droefheid,— Maria, zijne Moeder, natuurlijk uitgenomen, die, wanneer er sprake is van bevoorrechten, steeds de eerste bevoorrechte en de meest bevoorrechte moet wezen. — Bemin dus, mijne ziel, bemin, hoop en betrouw en vraag daarna alles wat u zal believen.

Overweeg deze waarheden en prent ze u diep in ; het hart, totdat ge een kinderlijk vertrouwen zult verkregen hebben, en houd u verzekerd dat ge uw vertrouwen op God nooit kunt uitputten; het kan steeds aangroeien, sterker en onwrikbaarder worden,, en dat is het juist wat God wil.

§§ 2.

Over de beweegredenen tot vertrouwen die hunnen grond in Jesus Christus hebben.

De eerste beweegreden is de liefde van Jesus. Wilt ge u eene gedachte van Jesus liefde vormen, let dan op de vergelijkingen vol goedheid, minzaamheid en zachtmoedigheid die Hij van zich zelf maakt.

Voor het gemak zijner toehoorders die veelal landlieden waren, om beter door hen verstaan te worden, placht onze goddelijke Meester zijne parabels en vergelijkingen aan veld en akkers, in een woord aan hunne dagelijksche omgeving te ontleenen. Zoo vergelijkt Hij zich nu eens bij eene hen. Geen dier heeft zijne jongen zoo lief als de hen hare kiekens. Ze teert uit en wordt mager van liefde en moeder-

ocr page 338

330

lijke zorg; al zou ze zelf van honger vergaan, hare hee jongen mogen geen gebrek lijden, ze staat haar rny voedsel aan hare kiekens af; en wat nog treffender mei is, de van nature schuwe en vreesachtige hen kent kui straks, als er onraad in de lucht is, geen vreeze meer en zal zich liever door den vraatzuchtigen roofvogel laten verscheuren, dan hare kiekens te verlaten. Dan weer vergelijkt zich Jesus bij eene moeder in barensnood. O, hoe vurig verlangt de liefdevolle moeder naar hare verlossing! Maar zoodra heeft ze niet haar kind aanschouwd, of ze is hare smarten vergeten; het kind, dat ze in smarten gebaard heeft, is haar alles; zij drukt haren kleinen lieveling aan het warme moederhart, kust en liefkoost haar wichtje teederlijk, besproeit het met tranen van liefde. O, onbeschrijfelijk schoon is moederliefde!

Verder vergelijkt zich Jesus bij den goeden herder.

Heeft de goede herder een schaap verloren , zoo is hij daarover in het hart bedroefd en gevoelig aangedaan; hij verlaat zijne negen en negentig schapen om het ééne schaapje wat verdwaald is, op te zoeken; hij doorkruist berg en dal, en rust niet vooraleer hij zijn geliefd schaap heeft teruggevonden. En het teruggevonden hebbende, let wel met hoeveel liefde hij het op zijne schouderen legt! Hij jaagt het niet voor zich uit, hij doet het niet gaan, o neen; uit vreeze het arme dier te vermoeien, laadt hij het op zijne schouderen en voert het in den schaapstal terug, wie zegt met hoeveel vreugde op het gelaat, met hoeveel vreugde vooral in het hart!

O mijne ziel! keer nu in uw hart en spreek tot u zelve: Zoude Jesus zelfs niet meer liefde voor mij hebben, dan eene hen voor hare kiekens, eene moeder voor haar kind, de goede herder voor zijn schaapje

ocr page 339

331

heeft, dan nog zoude ik verzekerd wezen dat Hij mij niet zal verwerpen; immers, hoe zou eene hen met zulke liefde hare kiekens den wreeden roofvogel kunnen prijsgeven? Hoe zou eene moeder haar pas geboren kind, dat zijne onschuldige handjes naar haar uitsteekt, kunnen verlaten, eenen wissen dood ter prooi? Hoe zou eene moeder haar eigen kind kunnen vermoorden? Hoe zou de goede herder, die het verloren schaap met zooveel liefde gezocht heeft, het kunnen verstooten, als het van zelf tot hem terugkeert? — En hoe zou Jesus dan, van wiens grenzelooze, onpeilbare, onvergelijkelijke liefde, de liefde der hen, de liefde van de teederste der moeders, de liefde van den goeden herder slechts zwakke schetsen, flauwe afbeeldingen zijn, hoe zoude Jesus, zeg ik, die de Liefde zelf is, Deus charitas est, eenen rouwmoedigen zondaar, — om wien te redden en zalig te maken, naar het vaderlijk huis, naar het vaderlijke hart terug te voeren , Hij op aarde is nedergedaald en al zijn bloed heeft vergoten, hoe zou Jesus, die de Liefde zelf is, ik herhaal het nogmaals, mij armen, rouwmoedigeu zondaar van zijn hart, aan liefde zoo rijk, kunnen verstooten! Weg van mij deze Jesus' hart, op de teederste plek, zoo diep krenkende gedachte!

En heeft Jesus niet van zich zelf betuigd: Kon al eene moeder haar kind vergeten, Ik, Ik zal u nimmer vergeten, omdat gij in mijne handen geschreven zijt? Ja, Jesus heeft ons in zijne handen geschreven met zijn eigen bloed. En verder, heeft Hij niet juist van het gebod der liefde gezegd: dit is mijn gebod, en was het ook Hij niet die sprak: Niemand heeft grootere liefde dan deze, dat iemand zijn leven geeft voor zijne vrienden. En wat Hij

ocr page 340

332

met woorden sprak, heeft Hij dat niet ten volle bewaarheid? Heeft Hij het door de daad niet getoond, door zijn gansche leven getoond, overvloedig zelfs getoond ?

O ja. Gij zijt gestorven voor uwe vrienden, o Jesus, en dit was overgroote liefde; maar Gij zijt niet alleen gestorven voor uwe vrienden. Gij zijt ook gestorven en den dood des kruises gestorven voor uwe ergste vijanden, die u dood martelden, Gij zijt gestorven voor al uwe vijanden, voor alle zondaars, — o toppunt eener goddelijke liefde!

En dan zou diezelfde Jesus, wiens liefde onveranderlijk blijft in eeuwigheid , eenen armen , berouw-vollen zondaar van zich kunnen stooten en doemen, en doemen kunnen tot de hel! »Wat vreest ge, zondaar, die berouw hebt over uwe zonden, zegt de heilige Thomas a Villa nova? Hoe zal Hij u veroordeelen, die gestorven is om u niet te moeten veroordeelen ? Hoe zal Hij u kunnen verstooten, nu ge berouwvol tot Hem wederkeert. Hij die uit den hemel is nedergedaald om u op te zoeken, toen ge van Hem wegvluchttet? quot; Wie zoo denkt, weet niet wat liefde is en nog veel minder wat Goddelijke Liefde is.

De tweede beweegreden is het teeder medelijden van Jesus en zijn oprecht en allervurigst verlangen alle menscben zalig te maken.

O mijne ziel, verbeeld u Jesus naar Jerusalem opgaande, op eene ezelin gezeten. Van den Olijven-berg slaat Hij zijnen bedroefden blik op de stad; dit gezicht ontroert zijn liefdevol hart, doet Hem zuchten en bittere tranen storten. Eens richt Hij vol droefheid zijn oog ten hemel, dan weer laat Hij weemoedig zijne betraande oogen op Jerusalem neerzakken.

Maar wat is dan de oorzaak van Jesus' groote

ocr page 341

333

droefheid, waarom weentHij zoo bitterlijk?—Verneem er de reden van uit zijn eigen mond: Jerusalem! Jerusalem ! indien ook gij op dezen uwen dag erkendet hetgeen u tot vrede strekt! Maar nu is het voor uwe oogen verborgen, 't Is of Hij zeggen wilde: Jerusalem! ongelukkige stad! Mijn hart is van medelijden bewogen, ik ben diep begaan met uw lot, wanneer ik denk aan de schrikkelijke straffen, die u boven het hoofd hangen, aan uwen ondergang, aan de verwoesting van uwen Tempel. Want er zullen over u dagen komen, dat uwe vijanden u met eenen wal zullen omgeven en u omsingelen, en u van alle zijden benauwen. En zij zullen u en uwe kinderen, welke in u zijn, ter aarde nederwerpen, en in u geenen steen op den anderen laten: omdat gij den tijd uwer bezoeking niet hebt erkeud.

Weende Jesus zoo bitter over den tijdelijken ondergang van Jerusalem, over de verwoesting van haren tempel, hoeveel meer bloedde zijn hart niet bij de gedachte aan den geestelijken ondergang barer kinderen, de verwoesting van den tempel hunner hielen door de zonden, hunne eeuwige verwerping door Gods gerechte gramschap, — omdat zij den tijd zijner bezoeking, dat wil zeggen, den tijd der genade en ontferming niet erkend hebben. Mij dunkt, ik hoor Jesus weeklagen : Jerusalem! Jerusalem ! bevoorrechte stad, die ik zoo teeder bemind heb, hoe gaarne zou ik mijn hoofd met doornen laten doorboren, al de folteringen eener allerwreedste geeseling lijden, hoe gaarne zoude ik al mijn bloed vergieten, aan het kruis sterven, van allen troost verstoken, door allen verlaten , iu onvergelijkelijke , naamlooze pijnen, — indien uwe kinderen zich wilden bekeeren en boetvaardigheid doen voor hunne zonden!

ocr page 342

334

Kleinmoedige ziel! Jesus lijdt, Jesus weent, Jesus hart bloedt by de gedachte dat de inwoners van Jerusalem wegens hunne hardnekkigheid zullen verloren gaan, — en Hij zou u meedoogenloos van zich kunnen afstooten, u die rouwmoedig aan zijn hart klopt. Hem biddende en smeekende den verloren zoon er weer in op te nemen! Neen, een God, die van medelijden bewogen, weent over de zondaars, kan niet anders handelen dan de Vader van het Evangelie, — een voorafbeelding van den Zaligmaker, — die zijn terugkeerenden zoon te gemoet snelde, hem om den hals viel en teederlijk kuste. Zoo ook zal Jesus u boetvaardige zondaar, te gemoet snellen, omhelzen en den kus van vrede en verzoening geven. En er zal meer vreugde zijn in den hemel over de bekeeriug van eenen zondaar, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene bekeering noodig hebben.

De derde beweegreden is het teedere medelijden van Jesus.

O mijne ziel, verplaats u in den geest op den Calvarieberg, onder het kruis van Jesus! Wat Jesus daar lijdt in zijne ziel, in zijn lichaam, in al zijne ledematen, gaat alle begrip te boven, is voor geen uitdrukking vatbaar.

Hadde Jesus niet eenen onverzadiglijken honger en dorst gehad naar onze zielen, ware zijn hart niet brandende geweest van medelijdende liefde, van eene voor ons verstand onbegrijpelijke liefde, waarlijk de Heidenen zouden recht gehad hebben, toen zij hoorende van Jesus lijden, van zulk een lijden, uitriepen: dat was waanzin, dat was dwaasheid!

Kan iemand die waarheden gelooven zonder tevens het grootste vertrouwen in Jesus op te vatten?

ocr page 343

335

Spoort u, mijne ziel, het geloof aan deze waarbeden niet aan, dwingt het u zedelijker wijze niet een onwankelbaar betrouwen op Jesus te hebben?

Ja, vertrouw op den Heer, die nooit teleurgesteld heeft, nooit verlaten wie in Hem zijn vertrouwen stelde. Op U, o Heer, zegt de Psalmist, heb ik gehoopt, in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.

De vierde beweegreden is het ambt van voorspreker, van middelaar, dat Jesus in den hemel bekleedt.

Jesus zit in den hemel aan de rechterhand Godsf zijns Vaders, en bekleedt er het ambt van middelaar en voorspreker, zoo leert ons de Heilige Schrift.

Welke reden van vertrouwen voor ons! Het woord van zulken Middelaar heeft eene oneindige kracht, is alvermogend, en zijn hart is vol goedheid en ontferming. Ontsteekt straks zijn Vader in gerechten toorn tegen onze zonden en ondankbaarheid, dreigt reeds het vlammend zwaard zijner gerechtigheid te verdelgen alle zondig vleesch, dan zal Jesus Hem wijzen op zijn doorboord hoofd, op zijne doornagelde handen eu voeten, op zijne doorstoken zijde, op zijne tranen, zijne naamlooze pijnen, het hartebloed door Hem gestort,— en bedaren zal de verbolgenheid des Vaders en sparen zal Hij het zondige, maar thans rouwmoedige volk. Hoe zou ik ü iets kunnen weigeren, mijn welbeminde Zoon, — zoo zal de Vader spreken, — aan U die om Mij te gehoorzamen, door liefde gedreven, ü hebt opgeofferd tot den dood des kruises, om te redden alle menschenkind; hoe zou ik kunnen veroordeelen , voor eeuwig verwerpen, die Gij vrijgekocht hebt ten koste van uw bloed, die bijgevolg ü toebehooren, uw eigendom zijn; — voor wie Gij bidt, voor wie Gij borg spreekt. Een enkele

ocr page 344

336

zucht, een enkele traan, een enkele druppel bloeds ware genoeg geweest om te voldoen voor de zonden van alle menschen, al waren die zonden nog zoo talrijk, nog zoo afschuwelijk,... en Gij hebt al uw bloed voor hen vergoten. Gij hebt hen opgezocht, toen ze u den rug toekeerden, — en Ik zou ze ver-stooten nu ze berouwvol tot U terugkeeren! Hadde Judas niet gewanhoopt, maar met een rouwmoedig en vermorzeld hart om barmhartigheid en vergeving gesmeekt, ook aan Judas zou ik om de verdiensten van uw bitter lijden vergiffenis geschonken hebben, — ook Judas in uw kostbaar bloed rein gewasschen , zou ik even als den goeden moordenaar Dismas, vreugdevol in het hemelsche Paradijs opgenomen hebben.

Dat is de taal van God, die rijk is aan barmhartigheid en ontferming. Hoe kunt ge, o mijne ziel, na deze taal vernomen te hebben, nog twijfelen aan Gods barmhartigheid, twijfelen of God, de beste der Vaders, zich ook over u zal ontfermen!

Vertrouwen dus, een grenzeloos, onwankelbaar vertrouwen, gegrond op uw oprecht berouw en Gods eindelooze goedheid en barmhartigheid. — Besef het wel en vergeet het nooit, de verdiensten van Jesus Christus zijn oneindig en onvergelijkelijk krachtiger om ons zalig te maken, dan onze zonden om ons te verdoemen.

ocr page 345

337

15e JCvcfSyfavfi.

Hoe men zich gansoh en geheel, zonder voorbehoud, aan de leiding van G-ods voorzienigheid moet overgeven.

Om volmaakt te zijn is het niet genoeg ingetogen te leven, in de tegenwoordigheid van God te wandelen, door onafgebroken liefdebetuigingen met Hem vereenigd; — hoofdzaak is afstand te doen van zijn eigen wil, wel acht te geven niet alleen op Gods uitdrukkelijke bevelen en voorschriften, maar ook op al zijne verlangens en wenschen en dezelve met de meeste nauwgezetheid op te volgen. Van dien regel een oogenblik afwijken, één oogenblik, in deze vurige liefde, waarin men moet leven en sterven, misschien een tijdje verslappen, verflauwen, staat gelijk met de volmaaktheid te verlaten.

Onderhoudt men deze twee dingen: innige rer-eeniging van het hart en nauwgezette vervulling van den wil Gods in de uitwendige zaken, zoo bezit men de volmaaktheid en behoeft men er slechts in te volharden. Om daartoe te geraken, moet men de volgende waarheden diep in het hart prenten en er

zijn leven naar inrichten.

§§ ••

Fan de grondwaarheden in dit hoofdstuk vervat.

EERSTE GRONDWAARHEID.

Gods wil is oneindig icijs, mijn wil daarentegen blind en vol onwetendheid.

God kent op volmaakte wijze den trap van volmaaktheid, waartoe Hij mij geroepen, de maat van

22

ocr page 346

338

glorie welke Hij voor my bestemd heeft, en alle middelen en gelegenheden die er mij toe moeten brengen. — Mijn wil daarentegen is met blindheid geslagen, ja, is de onwetendheid zelf. Zeg mij, zoo gij het weet, wat zal u spoediger en zekerder tot de volmaaktheid voeren, eer of miskenning, gezondheid of ziekte, troost of verlatenheid, bemind dan wel vervolgd te worden, een hooger of een lager ambt te bekleeden, zullen het deze dan wel gene gelegenheden zijn? Ge weet het niet, God alleen weet het! —Is het derhalve geene beweenenswaardige dwaasheid, niet Gods wil, de oneindige wijsheid, maar zijn eigen blinden en onwetenden wil tot gids te nemen? Wat zoudt ge zeggen van een blinde, die, de hulp versmadende van een ervaren gids, op goed geluk zijn weg zou vervolgen langs diepe waters en gapende afgronden ? 0 vermetelheid, o dwaasheid! zoudt ge zeggen. — Hetzelfde geldt voor u, mijne ziel, als ge uw eigen wil volgt met versmading van Gods wil.

TWEEDE GRONDWAARHEID.

Gods toil is oneindig sterk en machtig, mijn wil daarentegen zwak en machteloos.

Gods wil is zoo sterk en alvermogend, dat hij de ziel tot dien trap van volmaaktheid kan opvoeren waartoe hg ze geroepen heeft, al zouden ook alle schepselen zich daartegen verzetten. Al stond ook de heele wereld tegen mij op om mij te belagen en te bestoken; zouden vriend en vijand, oversten, naastbestaandeu en vrienden mijnen ondergang ook gezworen hebben; zoude alleman mij willen beletten mijn doel te vervolgen, het zou alles vergeefsche moeite wezen, mij het minste niet deren, mijne

ocr page 347

339

stappen, ook geene seconde, kunnen vertragen. Gods wil beschikt over een oneindige kracht en macht; beter gezegd. Hij is de kracht en de macht zelf. Wil Hij mij redden en zalig maken, zoo zal Hij mij redden en zalig maken; en alle machtsontplooiing, list en geweld van wereld en' hel om mij te beletten tot dit doel te komen, zullen huns ondanks juist de middelen zijn, waarvan God zich zal bedienen, om er mij toe te brengen.

Mijn wil integendeel is uiterst zwak en machteloos: op mij zeiven aangewezen, aan mij zeiven overgelaten, beu ik niet bestand tegen den geringsten aanval der hel, kan ik aan de verlokkingen der wereld, aan de kleinste zelfs niet, wederstaan. Wat staat me dus te wachten, indien ik mijn wil involgende tegen den wil van God, my zeiven blootstel, mij overgeef aan die gevaarlijke gelegenheden? Ik zelf ben zwak en van God is geeue hulp te verwachten. Ik moet en zal derhalve noodzakelijker wijze bezwijken en verloren gaan, gerechte straffe daarvoor — dat ik mijn eigen wil gevolgd heb.

O hoe goed en verstandig handelt de ziel, die zich door God, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud, laat leiden! Hij leidt en bestiert haar op al hare wegen, en dewijl ze een gedwee werktuig is in zijne hand, en Hem in alle nederigheid onderworpen is, schenkt Hij haar steeds grootere genaden om haar te sterken en te steunen. O hoe dwaas en verkeerd handelt de ziel, die zich ook maar een enkelen dag onttrekt aan Gods leidenden wil. Hij leidt haar niet. Hij bestiert haar niet, en daar ze de teugels vrij laat schieten, en zich tegen zijnen goddelijken wil in gevaarlijke gelegenheden begeeft, zal Hij toelaten dat ze in den afgrond neerstort, en zal haar niet te hulp komen.

ocr page 348

340

DEKDB GRONDWAARHEID.

Gods wil is oneindig heilig en volmaakt, mijn wil daarentegen is bedorven en vol hoosheid.

De wil Gods is oneindig heilig en volmaakt, juister gezegd, de heiligheid en volmaaktheid zelf. — De schitterendste daden, geschieden ze in strijd met den wil Gods, met Gods bevelen, zijn nog minder dan het slijk en vuil der straten; de onbeduidendste, onaanzienlijkste verrichtingen daarentegen, worden ze overeenkomstig den wil en op bevel Gods gedaan, zijn zoovele heldhaftige en bewonderenswaardige daden. Een bord of schotel wasschen uit gehoorzaamheid aan Gods wil, is loffelijker en verdienstelijker, dan in strijd met Gods wil de wereld te doorkruisen om het Evangelie te verkondigen aan de ongeloovigen. Cit gehoorzaamheid een wandeling doen is beter dan zich geeselen legen den wil Gods. In één woord, de wil Gods is regel, norm en maatstaf der heiligheid. Den wil Gods volbrengen en heilig zijn, is een en dezelfde zaak. De grootste Heilige op aarde is hij, die den wil van God het volmaaktste volbrengt.

Mijn wil daarentegen is bedorven en vol boosheid. Uit zich zeiven is hij slechts geneigd tot wat verkeerd is, tot ondeugd en zonde. Zoo vaak ik hem volg en gehoorzaam, zoo vaak misleid en bedrieg ik mij zeiven en verwijder ik mij van de heiligheid. Dit is de leer die de Zoon van God zelf verkondigd heeft. Er bestaat geen andere regel, geen andere weg om heilig te worden, dan zijn eigen wil af te sterven en van denzelven volkomen afstand te doen, om zich zonder voorbehoud, gansch en geheel over te geven aan den wil van God.

ocr page 349

341

VIKllDE GRONDWAARHEID.

Gods wü is oneindig goed en beminnenswaardig , mijn wil daarentegen is hoos en schadelijk.

De wil van God is oneindig goed en beminnenswaardig, is in waarheid de goedheid en liefde zelf. Maar ofschoon God krachtens zijn natuur en innigste wezenheid, alle menschen die Hij geschapen heeft, oprecht liefheeft, bemint Hij echter niemand zoo innig en vurig, dan wie zich zonder voorbehoud aan de leiding zijner Voorzienigheid toevertrouwt, en met eenvoud van geloof, vertrouwensvol in al hare beschikkingen berust. Hij bemint hem teederlijk en verzorgt hem als eene liefdevolle moeder; ja, eerder zou eene moeder haar kind, dat ze innig liefheeft, verlaten, dan God eene ziel die zich geheel en al aan Hem heeft toevertrouwd.

Onze heilige Vader Ignatius placht te zeggen: «Wil iemand in korten tijd een groote Heilige worden, zoo behoeft hij zich slechts, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud, aan de leiding der Voorzienigheid toe te vertrouwen.quot;

Mijn _wil daarentegen is boos en schadelijk. Met volgens mijnen wil te handelen, meen ik uit liefde voor mij te handelen, — in werkelijkheid echter is het haat van de ergste soort. Ik bemin mij nooit meer, dan wanneer ik mijn eigen wil verzaak om slechts den wil van God te doen, ik bemin mij nimmer minder dan wanneer ik mijn eigen wil doe, mijn wil stel boven den wil van God. Ik kom nooit dichter bij God en de ware heiligheid, dan wanneer ik mijn eigen wil wedersta om hem te onderwerpen aan den wil van God. Ik ben nooit verder van God

ocr page 350

342

en de ware heiligheid verwijderd, dan wanneer ik mijn eigen wil doe en den wil vau God wedersta.

§§ 2.

Over de gevoelens of liefdebetuigingen eener ziel,

die zich geheel en al toevertrouwt aan de leiding der goddelijke Voorzienigheid.

De eerste en voornaamste liefdebetuiging is de offerande of opdracht van zijn eigen wil aan Gods wil en leiding. — Daar er voornamelijk vier soorten van goederen zijn die de inensch op aarde bezit en uit eene heel natuurlijke genegenheid bemint, zoo moet die algeheele opdracht van zich zeiven aan God ook die vier soorten van goederen tot voorwerp hebben: het eerste dier goederen is, zijne vrijheid en zijn eigen wil; het tweede is, gezondheid en leven; het derde, zijne eer en goede naam; het vierde.

rust en inwendige vrede en de bovennatuurlijke gaven. Ze, De ziel moet van al die goederen volkomen afstand ^et doen, de genade alleen uitgezonderd, en ze aan God bes( als liefdeoffer opdragen, zal hare liefde vrij zijn van alle ongeregelde gehechtheid, en wil zij tot dien staat van eenvoud en reinheid geraken, dien God van haar verlangt alvorens haar toe te laten tot een innige en vertrouwelijke vereeniging met Hem. Te dien einde behoort men zijn hart te zuiveren van alle ongeregelde gehechtheid en zich ten volle en zonder voorbehoud te onderwerpen aan den wil Gods door gedurige liefdebetuigingen. Wij gaan thans die gevoelens en betuigingen van liefde uitdrukken.

De eerste liefdebetuiging is een algeheele en on-voorwaardelyke offerande en afstand van onze vrijheid en van onzen eigenwil aan den wil van God.

ocr page 351

343

er ik Stel u levendig den geopenden hemel voor oogen ersta. en aanschouw er God in zijne volle glorie; beschouw u daarna zeiven op aarde in al uwe armzaligheid en ellenden. Beschouw God in den hemel als de oneindige Majesteit die verdient dat alle schepselen onderdanig zich voor Hem buigen en zijn heiligen 1 wil volbrengen. Erken u daarna als een arm schepsel

dat Gods almachtige hand van een weinig aarde ;s ^ maakte, opdat het Hem zou dienen en zijn heiligen Gods wil volbrengen.

orten Na deze waarheid wel overwogen te hebben, wek ;it en : in u zeiven op;

, zoo 1° Eene vurige liefde voor God, als voor het op-i God j perste goed, die boven alles verdient bemind te •werp worden, en draag Hem, uit liefde, uwe vrijheid en ij beid uwen wil op, opdat Hij er voor immer over beschikke even; volgens zijn welbehagen.

erde, 2° Sta uwen wil en uwe vrijheid af en onderwerp aven. ze) uit liefde voor God, aan uwe oversten, maak stand het vast besluit een wenk, een woord van hen te i God beschouwen als een wenk, het woord van God zelf, i van en u door hen, volgens hunnen wil te laten leiden dien en bestieren.

God 30 Onderwerp, uit liefde voor God, uwe vrijheid it een ea uwea wq aan uwen evenmensch, met het vaste ■'•e besluit den wil van uwen evenmensch steeds boven i vau uweri gtellen, — in alle dingen waar gij het

le en kunt doen zonder letsel van regels en geweten, bod^ verder stilzwijgend alle leed te verdragen wat uw is die naaste u zou kunnen aandoen.

4° Onderwerp, uit liefde voor God, uwe vrijheid i.. .j en uwen wil, aan zijne heilige inspraken, vast be-sloten spoedig en trouw die inspraken na te komen.

i

ocr page 352

344

5° Bid God ootraoediglijk uwe offerande te aau- | gene vaarden en u de genade te schenken aan deze voor- ' Hij nemens en besluiten tot aan uwen dood getrouw te blijven.

De tweede liefdebetuiging is een algebeele en onvoorwaardelijke offerande of afstand van uwe gezondheid en leven tusschen de handen van God.

Stel u levendig God in al zijne heerlijkheid, in den hemel voor, en u zeiven in al uwe armoede en ellende op aarde. Daar boven, God, de groote, de eenige Heer en Meester, aan wie alle schepselen onderworpen zijn en die Hij bestiert door zijne onbegrensde macht; hier beneden, gij zijn schepsel, zgn gewrocht, het werk zijner handen, aau wie Hij op aarde eene plaats heeft aangewezen, maar zóó dat ge steeds in zijne hand blijft en van Hem geheel afhangt, zoodat Hij u van daar kan terugroepen, wanneer en gelijk het Hem behaagt.

Een vergelijking ter verduidelijking; Een groote heer heeft een prachtigen bloementuin met de zeldzaamste gewassen en keurigste bloemen bezet; naar luim en gril plukt hij hier een bloem, die pas ontloken is, en laat er daar een staan totdat ze verwelkt. Wie zal hem dat euvel duiden, hem er een verwijt van maken ? Hij doet toch niemand onrecht. Is hij er niet meester van, zijn tuin en bloemen niet zijn eigendom ?

Niet anders handelt God; met dit voorbehoud nochtans dat God nooit naar luim en gril, maar met de grootste wijsheid en goedheid te werk gaat, en aan niemand rekenschap behoeft te geven, daar Hij niemand boven zich heeft, — wat met aardsche heeren, de machtigsten niet uitgezonderd, niet het geval is. — Den een dan laat Hij in het ongestoorde

ocr page 353

345

aan- I genot en bezit eener bloeiende gezondheid, terwijl oor- 1 Hij aan een ander slechts een kwijnende gezondheid iv te schenkt en toelaat dat hij aanhoudend door ziekten bezocht worde; dezen schenkt Hij een lang leven, en genen roept Hg in de prilste jeugd, in de lente des ge- levens tot zich.

Wie kan daar iets onrechtvaardigs, onbillijks in , in vinden? Ts Hij niet de Schepper, Heer en Meester, ï en en zijn wij uiet zijne schepselen, zijn gewrocht en ote, bijgevolg zijn volle eigendom? Weten wij daaren-elen boven niet dat Oods raadsbesluiten en beschikkingen, on- hoe ondoorgrondelijk en onnaspeurlijk ook voor ons, sel, onbetwistbaar allerwijst en allerliefdevolst zijn, daar Hij Hij de Volmaaktheid, de Wijsheid, de Liefde zelf is. zóó Na ernstige overweging dezer waarheid, maak met ieel vurigheid de volgende liefdebetuigingen, en, 1° Erken op de eerste plaats dat God eene oneindige Majesteit is; dat zijn heerschappij over alle )ote schepselen, in den hemel en op de aarde, onbeperkt 3ld- is en onbegrensd; dat al wat Hij beschikt oneindig iaar heilig en rechtvaardig is, en zijn schepsel niet heiliger int- en volmaakter kan handelen dau zijne beschikkingen Ikt. te aanbidden en eerbiedig aan te nemen.

pvijt 2° Neem dankbaar en onverschillig uit de hand hij Gods aan, gezondheid en ziekte, welzijn en lijden, zijn leven en dood; en maak het besluit nooit iets anders te vragen noch te verlangen, dan dat zijn heilige wil aud aan n geschiede.

net 3° Draag aan God uwe gezondheid op en bid Hem en er naar welbehagen over te beschikken, als over eene Hij zaak waarvan ge volkomen afstand hebt gedaan tus-ehe schen zijne handen.

het 4° Draag Hem in dezelfde gesteltenis uw leven op. rde 5° Vraag Hem de genade Hem te beminnen in

r

ocr page 354

346

gezondheid en in ziekte, zijne liefde in u meer eu meer te vermeerderen, in die liefde te mogen leven en sterven.

De derde liefdebetuiging is eene algeheele offerande en afstand van uw eer en goeden naam.

Stel u God, in den hemel, in al zijn Majesteit en glorie levendig voor, en u zeiven, op aarde, in uw ellende en armzaligheid. Beschouw God, in den hemel, als de bron van alle goed, door wie aan alle schepselen, in den hemel en op de aarde, al wat er goeds en voortreffelijks in hen is, geschonken werd en behouden wordt; beschouw u zeiven op aarde als het werk zyner handen, aan wie hij uit barmhartigheid schenkt en voor wie hij bewaart al wat goeds, edels en loffelijks in u is. Overweeg in God deze oneindige waardigheid, aan wie alle schepsel, eer, lof en zegening verschuldigd is, als aan de bron van alle goed; overweeg verder de strenge verplichting die ge hebt, u zeiven en al wat ge bezit te besteden tot meerdere eer en glorie van dezen grooten God, en in alles zyn heiligen wil te volbrengen.

Is het derhalve niet recht en billijk dat ge uwe eer en goeden naam prijs gevet, miskenning, lastering en verguizing geduldig en zwijgend Igdet, indien dit kan strekken tot Gods meerdere eer en glorie? En zal deze offerande en afstand van dat, waaraan ieder rechtgeaard mensch met recht zoo gevoelig is en moet zijn , aan God niet des te aangenamer en kostbaarder zijn in zijne oogen , — daar eer en goede naam een goed zijn der hoogere orde, een kostbaar kleinood, ftan ieder weldenkend mensch dierbaarder dan het leven, weshalve dan ook onze oud adellijke geslachten in hun wapenschild deze schoone spreuk voerden: liever sterven dan mijne eer besmeuren !

ocr page 355

347

Daar God dus Heer eu Meester is van alles en wij bygevolg Hem alles, dus ook het ons kostbaarste en dierbaarste — en wel op de eerste plaats dat moeten ten offer brengen, zoo moeten wij niet aarzelen van eer en goeden naam afstand te doen, miskenning, lastering en verguizing geduldig en grootmoedig te lijden, indien dit kan strekken tot Gods meerdere eer en glorie,— met dit voorbehoud echter dat men om andere, hoogere redenen niet verplicht zij over zijne eer en goeden naam zorgvuldig te waken, zijne eer en goeden naam hoog op te houden, niet te dulden dat er onverdiend door anderen een smet op geworpen worde, en men diensvolgens wel degelijk verplicht is elke, althans werkelijke aanranding van onzen goeden naam af te weren, lastering en bekladding in gewichtige zaken tegen te spreken en te wederleggen , mits dat herstel van eer en goeden naam, waarop we recht hebben en dat we verplicht zijn te vorderen, niet op eene andere wijze kunne geschieden. — In dit geval verkeeren zij die in overheid gesteld zijn en allen aan wie belangen van derden zijn toevertrouwd. Zij zijn verplicht hunne eer en goeden naam niet alleen zelf niet te schenden, maar ook volstrekt niet te dulden dat hij door anderen, althans in groote zaken geschonden wordt; des noods dus moeten ze den aanrander hunner eer, leugenaar en lasteraar wederleggen, tegen hem optreden, ontmaskeren , — en heeft de leugen en laster uitgebreidheid gevonden, — leugenaar en lasteraar publiek op de kaak stellen; zoo niet, worden de onderhoorigen geschokt in hun vertrouwen, kan de inrichting aan wier hoofd gij staat, niet meer dat goed doen wat ze moest doen, worden de belangen van derden geschaad, — en geen van al mag. — Zoo mag ook een

ocr page 356

348

iamilievader zijn eer en goeden naam niet prijs geven — al deed hij dit ook met de beste bedoeling, — maar is wel ter dege verplicht aan zijne kinderen een onbesmetten naam achter te laten, — voor velen de eenige, voor allen de beste nalatenschap.

Degenen die in dit geval verkeeren, volstaan met inwendig aan God en om God afstand te doen van hunne eer en goeden naam, — indien ze althans zoo gesteld zijn dat ze van hunne eer afstand zouden doen, lastering en verguizing zouden willen lijden, waren ze om hoogere redenen niet verplicht hunne eer en goeden naam ongeschonden te bewaren; zij hebben diensvolgens dezelfde verdiensten ot hadden ze werkelijk eer en goeden naam prijs gegeven, inderdaad miskenning, lastering en versmading geleden , — daar hun goede wil bij God geldt voor de daad.

Na u deze waarheid levendig voorgesteld te hebben, spreek uw hart volgender wijze uit:

1° Erken dat God het oneindige goed is en de bron van alle goed; dat Hij verdient dat alle schepselen zich aan Hem geven en opdragen met al wat ze hebben, om Hem te verheerlijken en te believen zelfs in de kleinste zaken; verder dat het schepsel nooit gelukkiger is, dan wanneer het God kan verheerlijken door prijsgeving van zijn eigen eer en goeden naam.

2° Draag aan God uwe eer en goeden naam op en vraag Hem ootmoedig er over te beschikken naar zijn believen.

3° Streef naar volkomen onverschilligheid voor eeretitels en onderscheidingen, verlang naar miskenning en versmading, en maak het vaste voornemen nooit iets anders te verlangen noch te vragen dan de vervulling van Gods wil.

ocr page 357

349

4° Verlang vurig deel te hebben aan de verama-üingen en vernederingen van Jesus, ten einde Hem althans eenigzins gelijkvormig te worden.

5° Bid God vurig om de genade, slechts zijn wil te beschouwen, hetzij gij geëerd of wel veracht wordt, zijn wil alleen te beminnen, in dezen wil te leven en te sterven.

De vierde liefdebetuiging is een volkomen afstand of offerande van den inwendigen vrede en allen in-wendigen troost en van alle bovennatuurlijke gaven, de genade alleen uitgezonderd.

Stel u God levendig in den hemel voor in al zijn Majesteit en heerlijkheid, u zeiven daarentegen op aarde met al uwe armzaligheid. Doordien God het oneindige goed is, rijk aan alle volmaaktheid en geluk, heeft Hij geen enkel schepsel noodig om gelukkig te zijn; Hij de groote Heer en Koning, wiens macht onbeperkt is, moet noodzakelijker wijze van allen onafhankelijk en aan geen enkel schepsel iets schuldig zijn; — gij integendeel zijtin uwe armzaligheid, het hulpeloosste van alle schepselen, van allen afhankelijk; vrede en geluk kunt ge slechts bij God vinden; gij zijt een arme bedelaar, die gebrek heeft aan alles, aan wie God niets verschuldigd is en die op niets recht heeft.

Na ernstige overweging dezer waarheden, wek u tot volgende liefdegevoelens op:

1° Erken dat God, de oneindige goedheid , niemand noodig heeft om volmaakt gelukkig te wezen; dat zijne heerschappij onafhankelijk en onbegrensd is en aan geen enkel schepsel iets schuldig is; en verder pat het schepsel verplicht is zich volstrekt, gansch, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud te onder-Werpen aan alle verordeningen van dit Opperwezen.

ocr page 358

350

2° Bereid uw hart voor op een volkomene ouver-schilligheid voor inwendigen vrede of bekoringen, voor licht of duisternis, voor troost of droefheid, voor bezoeken of verlating van God, met het vast en uitdrukkelijk voornemen nooit om iets anders te verlangen noch te vragen dan wat God wil.

3° Draag uwe ziel aan God op en bid Hem er naar believen over te beschikken.

4° Wek in u eene vurige liefde voor God op en betuig Hem dat ge bereid zijt, uit liefde voor Hem, uw gansche leven u te spenen van alle buitengewone gunsten, bekoringen , duisternis, verlatenheid en wederwaardigheden geduldig te lijden, juist zooals het God zal believen over u te beschikken.

5° Bid Hem vurig u de genade te verleenen Hem van ganscher harte te mogen beminnen, en nooit iets anders te verlangen noch te vragen dan de volkomenste vervulling van zijn heiligen wil in u, gedurende de gansche eeuwigheid.

§§ 3.

Hoe men zich dagelijks aan God behoort op te dragen.

Eene ziel die wenscht voor God alleen te leven, moet dagelijks een bepaalden tijd besteden om met veel vurigheid haar hart voor Hem uit te storten, en zich gansch aan Hem op te dragen met al wat ze bezit, zonder eenig voorbehoud. Men zal het op deze wijze kunnen doen:

»0 God, mijn eenig, hoogste, oneindig Goed, Gij zijt het eenige Goed en de bron van alle goeds, ' schoons en edels in den hemel en op de aarde. Waarlijk Gij zijt het opperste Goed en al wat er in u is, is oneindig verheven boven al het geschapene.

ocr page 359

351

Ik erken het, o mijn God, Gij zijt oneindig waardig dat ik ü beminne, en ik ben oneindig verplicht U boven alles te beminnen. Ik verneder mij derhalve diep voor ü, ik omhels (J, ik bemin ü uit geheel mijn hart, met mijnen ganschen geest, uit al mijn krachten, boven alle schepselen. O kon ik U beminnen zoo en zooveel als Gij het verdient; ik wil althans ü beminnen, zooveel het in mijne macht is. Tot getuigenis dezer liefde, sta ik U af en draag ik U op, van dit oogenblik af en voor immer, al wat ik ben en al wat ik bezit, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud.quot;

Gewaardig U dit offer aan te nemen en beschik er over volgens uw welbehagen.

»Ik sta ü af en draag ü op mijn wil en vrijheid. Van dit oogenblik af wil ik noch wenschen, noch vragen om dit of dat ambt, om deze of gene bediening, noch om op deze of gene plaats te zijn. Wilt Gij dat ik mijn leven lang de geringste der dienaren zal zijn, de minste in tel van het gansche huis, zoo wil ik het ook; wilt Gij dat men mij slechts zal gebruiken om de anderen te bedienen en de nederigste zaken te verrichten, zoo wil ik het ook. De vervulling van uw heiligen wil is mij dierbaarder dan de heerschappij over de gansche wereld. Aanvaard mijnen wil, ik stel hem gansch in uwe handen, beschik er over naar uw believen. Ik zal naar de stem mijner oversten luisteren als naar de uwe en met denzelfden eerbied, zonder er ooit van af te wijken; ik zal hun steeds en in alles stipt gehoorzamen, door het geloof voorgelicht, in den persoon van den overste den persoon van God zelf erkennende.

»Ik draag U op, o myn God! myne gezondheid

ocr page 360

352

en mijn leven. In mijne verlangens en wenschen zal ik geen verschil maken tusschen ziekten, smarten en gaafheid en gezondheid des lichaams, tusschen leven en dood, daar ik niets anders wensch dan wat U zal believen over mi} te beschikken. Gij zijt oneindig heilig en al uwe beschikkingen zijn het even eens. Wilt Gij dat ik schielijk sterve en mijn lichaam spoedig in verrotting overga, in het graf, zoo wil ik het ook; wilt Gij dat ik een lang en smartelijk ziekbed hebbe en slechts langzaam weg-kwijne, door ondragelijke pijnen uitgeput, zoo wil ik het ook. Ik verlang en vraag slechts goed en zalig te sterven in uwe liefde, üw wil is steeds goed en heilig; ik loof en zegen dien wil in alles wat Hij van alle eeuwigheid voor mij besloten heeft.

»Ik sta U af en draag U op, o mijn God! mijn eer en goeden naam. Ik zal me nooit gelukkiger schatten dan wanneer ik uwen naam zal kunnen verheerlijken en uwen wil volbrengen, door met een goed hart en uit liefde voor U miskenning, verongelijking en versmading te lijden.

O wat voorrecht, wat benijdenswaardige eer, welke groote genade, om Jesus wille gelasterd en versmaad te worden, uit liefde voor Jesus te lijden, wat Hij zelf in oneindig, oneindig grootere mate, uit liefde voor mij geleden heeft! Gij alleen, o mijn God! kent eenerzijds alle omstandigheden en gevallen, waarin miskenning, bekladding en lastering van mijn goeden naam kan strekken tot nwe eer en glorie. Anderzijds hooren mijn eer en goede naam Ü toe; beschik er dus over gelijk Gij besloten hebt. Wordt mijn goede naam beklad en verscheurd, spuwen Tenijnige tongen haar vuil gitt op mijne eer. God lof!

»ik sta ü af en draag ü op, o mijn God! den

ocr page 361

353

vrede van mijn hart en alle bovennatuurlijke gaven, de genade alleen, vooral de heiligmakende genade uitgezonderd. Uw wil is mij verkieslgker boven alle inwendige vertroostingen en zoetigheden, boven alle bovennatuurlijke gaven eu buitengewone genaden; ik verlang er niet meer dan Gg zelf wilt; ik ben bereid er van beroofd te worden, wanneer en op die wijze als Gij het zult willen. Ik wensch liever, mits het uw wil zij, mijn leven te slijten in bekoring en verwarring, in duisternis en droefheid, in inwendige verlating en geestelijke ontberingen, dan tot den derden hemel opgevoerd te worden, als dit niet uw wil is. Uw wil is mijn paradijs, uw welbehagen mijne zaligheid.

Ziedaar, mijn God en eenig Goed! mijn laatste en onherroepelijk besluit: ik wil niets anders wenschen, niets anders vragen dan de volmaakte vervulling van uw heiligen wil in mij en door my, gedurende mijn leven en de gansche eeuwigheid.

Opdat ik dit besluit inderdaad volbrenge, maak ik nog, in uwe tegenwoordigheid, dit tweevoudig voornemen:

1° Ik zal steeds dat doen wat ik weet het volmaaktste en aan uw heiligen wil het aangenaamste te zijn.

2° Ik zal me nooit tegen uwe beschikkingen, plannen, bevelen en verlangens wederzetten, maar zal ze loven en zegenen uit geheel mijn hart, niet het minst in de kruisen en wederwaardigheden, welke ik zal moeten verduren.

Ziedaar mijn besluit voor dezen dag en mijn overige leven. O mijn God, ontferm U myner, schenk mij de genade uwen wil steeds beter te kennen en steeds volmaakter te volbrengen.quot;

.L

23

ocr page 362

354 §§ 4.

Hoe men zich in deze liefdeuitingen moet oefenen door den dag.

De heilige Theresia verlangt dat men zich dagelijks aan God van ganscher harte, vijftig maal opdrage. Men kan ook met een minder getal volstaan. Ik zal er hier eenige oefeningen van opgeven.

Eerste practijk of oefening. Zich gansch aan God opdragen voor alles wat Hem zal believen. Bijvoorbeeld; Mijn God en mijn al! al wat ik ben en bezit, heb ik door ü, heb ik van uwe goedheid ontvangen. Ik offer het U op en schenk het U terug, zonder uitzondering; handel met mij voor leven en dood en voor de gansche eeuwigheid, volkomen volgens uw wil en welbehagen.

Tweede practijk. God dank zeggen voor alles wat Hij ooit voor ons beschikt heeft. — Bijvoorbeeld: 0 mijn God en miju al! ik weet niet wat Gij voor de toekomst met mij voor hebt; niettemin berust ik er bij voorbaat volkomen in, met volmaakte alge-heele onderwerping; ik wil ü loven, zegenen, U danken voor alles wat het U zal behagen in eeuwigheid voor mij te beschikken.

Derde practijk. God prijzen en zegenen voor allo wederwaardigheden, welke het Hem zal behagen ons te overzenden. — Bijvoorbeeld: Mijn God en mijn al! ik weet hoe ellendig en zwak ik ben, hoeveel het mij kost wee en ramp geduldig te verdragen; nochtans neem ik ze van ganscher harte uit uwe vaderhand aan en omhels die kruisen, hoe zwaar en talrijk ze ook zijn mogen.

Vierde practijk. Een vast voornemen maken Gods quot;wil zoo volmaakt mogelijk te volbrengen. Bijvoor-

ocr page 363

355

beeld: Mijn God en mijn al! ziehiei-wat ik besloten heb: ik zal steeds doen wat het volmaaktste is en aan uw heiligen wil het behagelijkste. Ik zal nooit tegenstribbelen tegen uwe heilige beschikkingen , maar ik zal U loven en zegenen in alles wat ei- gebeurt. 0 God, mijn hoogste goed! scheuk me de genade uw heiligen wil volmaakt te kennen en steeds volmaakt te volbrengen. Amen.

Oefeningen of praktijken éener ziel die zich geheel en al aan Gods leiding toevertrouwt.

EERSTE OEFENING.

De dagelijksche hezigheden verrichten volgens de aansporing van Gods wil.

§§ 1-

Beweegredenen dezer oefening.

Eerste beweegreden. Zijne dagelijksche bezigheden verrichten volgens de aansporing van Gods wil, is van alle practijken van het geestelijk leven , de noodzakelijkste. Men kan niet altijd groote boeten, groote verstervingen doen. Zwakke gezondheid, lichamelijke ongesteldheid, drukke zaken, vermoeiende arbeid, de wil der oversten stellen daar vaak een beletsel aan. Het is niet altijd en voor iedereen doenlijk groote dingen te verrichten, heldhaftige deugden te beoefenen. Er gaan weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat zich eene gelegenheid aanbiedt zulke daad

O O

te verrichten, zulke deugd te beoefenen. Ons gansche

'O O

leven bestaat en gaat schier uitsluitend voorbij in het doen van gewone, alledaagsche zaken. Verwaar-

O ' O

loost men dus dat gewone, dagelijksche werk, ver-

ocr page 364

356

richt men het oppervlakkig en slordig, zoodat het slechts broddel- en sleurwerk is, wat zullen de gevolgen daarvan zijn? Ziehier welke de gevolgen daarvan zullen zijn:

1° Dat er dagen, weken voorbij gaan, zonder dat men, met de hand op het geweten, ook maar van eene enkele zaak kan zeggen, zie zoo dat is goed gedaan, zoo hoort het, zoo wil het God.

2° Dat ge uw geheele leven in lauwheid en onvolmaaktheden slijt, zonder een enkele ware verdienste voor den hemel te vergaren; 't is zoo wat uitschot, knoeiwerk, overal hapert wat aan.

3° Dat ge oud wordt en straks aan de deur der eeuwigheid aanlandt zonder tot de volmaaktheid, zelfs niet tot eenige volmaaktheid gekomen te zijn.

4° Dat, wanneer God ons voor zijn rechterstoel zal dagen, wij voor Hem zullen verschijnen arm aan deugden, overrijk echter aan zonden en gebreken, die ons ten vagevuur zullen doemen. O wat nare en droevige gedachten zullen uw ziel overstelpen en verpletteren, als ge in uw doodstrijd, bij het schemerlicht der gewijde kaars, die men u in de hand zal geven, zult inzien hoe slecht ge de jaren uws levens hebt doorgebracht, hoe weinig gij voor de eeuwigheid gedaan hebt.

Tweede beweegree!ert. Zijn dagelijksche bezigheden, zoo volmaakt mogelijk, volgens den wil van God verrichten, is van alle practijken van het geestelijke leven de nuttigste, de meest voordeelige

Twee resultaten bewijzen het groote nut en voordeel van deze handelwijs: 1° de menigte der verdiensten; 2° het buitengewoon toenemen van de genade en de liefde Gods.

Legt ge er u op toe en betracht ge het als eene

ocr page 365

357

zaak van het grootste gewicht al uwe handelingen met ijver en nauwgezetheid, zoo volmaakt mogelijk, te verrichten, alsdan gaat er geen enkele dag voorbij, geen uur, geen minuut, dat uwe verdiensten voor deu hemel niet toenemen en vermeerderen. Gaat ge zoo voort, tien, twintig, dertig jaren, wie zal dan uwe verdiensten kuuneu berekenen? Indien een koopman elk kwartier van den dag en van den nacht vijf gulden verdiende, en dat dertig jaren laug, zou zijn fortuin een verbazend cijfer bereiken. En wat we daar zeiden van het toenemen onzer verdiensten geldt ook voor de vermeerdering der liefde en der genade Gods. — De genade en de liefde Gods nemen toe en vermeerderen door elk bovennatuurlijk werk. Inderdaad, zulke ziel is een levend altaar, waarop onafgebroken het vuur der goddelijke liefde brandt, een Godslamp met hooge, heldere, rookvrije vlam, die al wat der ziele ongeregelds aankleeft, öf loutert of verteert. In zulke ziel slaat de heilige Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de heilige Geest met welbehagen hare woning op.

Derde beweegreden. De dagelijksche bezigheden, zoo volmaakt mogelijk, volgens den wil van God verrichten, is van alle praktijken van het geestelijk leven de meest aangename aan God.

Twee zaken vooral behagen God grootelijks; de eerste is, uitsluitend letten op den wil van God en dat doen wat Hij van ons wil en zoo als Hij het wil; de tweede is: dat wat men moet doen met deu vurigsten ijver en de reinste meeuing, in één woord, zoo volmaakt mogelijk doen. Wie deze twee zaken op die wijze doet, het kan niet anders, hij moet God bijzonder aangenaam zijn, bij God hoog aangeschreven staan.

ocr page 366

358

Hoe komt liet dat de heilige Maagd het heiligste en God welgevalligste van alle schepselen is? De stille huiselijke werkzaamheden, waaraan ze als zorgen liefdevolle moeder en trouwe echtgenoote het grootste deel haars levens besteedde, waren dat dan zoo buitengewone, schitterende handelingen? Wat meent ge, was dit stille, werkzame, afgetrokken leven van Maria, wat zich door niets buitengewoons althans voor het oog der menschen onderscheidde, was dat leven dan zoo bizonder geëigend om Maria aan üod zoo welgevallig te maken? Volgens het oordeel der menschen zeker niet, want die zoeken het voortreffelijke, het volmaakte juist waar God het in den regel niet zoekt, namelijk in buitengewone, schitterende daden. Nu kan het niet ontkend worden dat vele heiligen heel wat schitterender dingen gedaan hebben dan de Moeder Gods. Eu toch niet zij, die huns ondanks het oog der wereld op zich trokken, waren het voorwerp van Gods grootste en innigste welbehagen, maar Maria, de nederige, aan de wereld schier onbekende echtgenoote van Jozef, den timmerman.

Wat was er de reden van? De reden? Ik duidde ze hierboven reeds in het voorbggaan aan, en ze is alleszins geschikt om ons aan te moedigen en te verblijdeu. Verneem ze dus. Voorzeker, schitterende, opzienbarende dingen deed Maria niet, integendeel heel gewone, maar daar juist die gewone werkzaamheden haar door God als levenstaak waren opgegeven en zij zich daarvan met de meeste zorg en vurigheid, in één woord, op uitmuntende, volmaakte wijze kweet, met het eenige doel God te verheerlijken; omdat zij verder in deze levenswijze tot haar laatsteu snik volhardde, — daardoor maakte zich Maria zoo

ocr page 367

359

bizonder aangenaam aan God, om die reden is het dat ze alle schepselen overtreft.

Dat God u dus verlichte en sterke, opdat ook gij de u door God opgelegde werkzaamheden wel, zoo volmaakt mogelijk, moget verrichten. Dan zal de goddelijke Zaligmaker ook op u met bizonder welbehagen zijn oog vestigen.

Vierde beweegreden. De verhevenste van alle handelingen van het geestelijk leven zijn: de zoo volmaakt mogelijk verrichte dagelijksche werkzaamheden, mits naar den wil van God.

Het is klaar dat er veel goede werken en geestelijke oefeningen zijn, die heel wat schitterender dan de dagelijksche bezigheden zijn. Werken van boetvaardigheid verrichten, die ons bizonder veel moeite kosten, ons weedoen, geduldig en zwijgend veron-gelijking, miskenning en versmading lijden, is vrij wat moeilijker dan een half uur een stichtende lezing doen, en zoo voorts.

Beschouwt men daarentegen de dagelijksche werkzaamheden in het algemeen en in haar geheel, zoo lijdt het geen twijfel dat door den ijver, de nauwgezetheid waarmede men dezelve zoo volmaakt doenlijk verricht, zij alle andere werken van het geestelijk leven overtreffen en wel om de twee volgende redenen:

1° Wijl om de dagelijksche bezigheden wel te verrichten, — die omdat ze lang duren, steeds terug-keeren, eentonig en vervelend worden — men zich meer geweld moet aandoen, dan om buitengewone, schitterende zaken te doen, die dan ook uit haren aard voorbijgaande zijn en van korten duur. Wie zich een strenge boete oplegt moet zich geweld aandoen, maar slechts gedurende een half uur; wie zwijgend een zware beleediging lijdt, moet zich over-

ocr page 368

360

winnen; het doet zeer maar duurt niet lang; — wie daarentegen al zijne dagelijkscbe bezigheden wèl wil verrichten, kan nooit zijn eigen wil doen, zelfs geen oogenblik gedurende het heele jaar; hij moet gestadig tegen zich zeiven strijden, stadig zich overwinnen; juist waaraan hij bet meeste hecht, zijn eigen ziens-wijze, zyn eigen wil moet hij gestadig verzaken, onder de voeten trappen; deze volle, algeheele onthechting en afsterving van zijn eigen ik, van zijne eigen persoonlijkheid, kost der nature van den menscb, die vooral vry wil zijn, heel wat meer dan alle verstervingen.

2° Omdat de dagelijkscbe werkzaamheden, op die wijze verricht, een grootere en standvastigere liefde voor God aantoonen, dan alle andere werken en oefeningen van het geestelijk leven. Eene groote, uitmuntende daad, een schitterend werk, eischt slechts een buitengewone genade, waardoor het hart in dat oogenblik, bij die gelegenheid, getroffen wordt; zoo ziet men niet zelden dat lauwe en onvolmaakte zielen zich weten te overwinnen, wanneer God haar met zijn genade bezoekt, haar troost en met zoetigheden spijst; — maar zich steeds gelijk blijven, maar gedurende het heele jaar, gestadig, al zijn werkzaamheden, stipt, vurig, zoo volmaakt mogelijk verrichten, in tijd van vertroosting en verlatenheid, van bekoringen en kwellingen, dit is het kenmerk der volmaaktheid, het zekere teeken waaraan men eene verstorven, God minnende ziel kent.

Laat ons nu overgaan tot de oefening of practijk zelve, die in deze twee punten bestaat. Het eerste is, steeds het volmaaktste te doen. Het tweede, het volmaaktste op de volmaaktst mogelijke wijze verrichten. Wij gaan thans een en ander toelichten en verklaren.

.

ocr page 369

361

§§ 2.

Steeds en onder alle omstandigheden doen wat men als het volmaaktste kent.

Wat in zich zelf en uit zijnen aard het verhevenste en voortreffelijkste is, is daarom nog niet altoos het volmaaktste.

Het volmaaktste is, wat de wil Gods van ons in dit oogenblik, onder de gegeven omstandigheden vraagt. Deze verricht het volmaaktste, die steeds doet wat God van hem vraagt. Nu rjjst van zelf de vraag: aan welke teekenen kan men den wil van God kennen? We zullen die vraag kort beantwoorden.

Het eerste teeken, waaraan men den wil van God kent, is de wil der oversten en de wil van den biechtvader.

Dit teeken is heel zeker en onfeilbaar. Tot waarborg daarvoor hebben we de eigen, uitdrukkelijke uitspraak van God zelf: Wie u hoort, hoort mij, wie u veracht, veracht mij.

Nu redeneer ik zoo: Wie doet wat God wil, wie naar God luistert, aan God gehoorzaamt, kan niet missen, niet falen. Welnu, met naar oversten en biechtvader te luisteren, aan oversten en biechtvader te gehoorzamen, gehoorzaamt men aan God zelf; bijgevolg kan iemand die naar oversten en biechtvader luistert, aan oversten en biechtvader gehoorzaamt, nooit missen, nooit falen.

Dit middel om den wil van God te kennen, is veel zekerder en veiliger dan inwendige verlichting, beweging en aandrang des harten, visioenen en verschijningen, woorden uit den hemel, die men vermeent gehoord te hebben, en wat dies meer is;

■■

ocr page 370

362

want dit alles kan werk van den duivel zijn, ten einde de ziel te verschalken en beet te nemen; wie daarentegen aan oversten en biechtvader gehoorzaamt, kaa niet falen, niet missen; hun wil immers is de wil van God zelf, — wij hebben dat zoo even nog gezien. — Laten we dat goed vast houden.

De reden van dit alles is gegrond — wij zagen het hierboven — op het woord van God, die oneindig wijs is, en bijgevolg alles weet, alles ziet; op het woord van Hem, die oneindig getrouw is in zijne beloften en bijgevolg ons nimmer kan bedriegen noch teleurstellen; op het woord van God, wiens liefde eindeloos is en die de gehoorzame ziel met de meeste zorg bestiert en leidt.

Zoo lang ik gehoorzaam blijf, zoo lang ben ik volkomen zeker dat God me op onfeilbare wijze zijnen wil bekend maakt. Wijk ik van de gehoorzaamheid af, laat ik het plechtanker der gehoorzaamheid los, op hetzelfde oogenblik ontzinkt me de vaste grond, waarop ik stond, twijfel en onzekerheid maken zich van mij meester. Ik ben gelijk aan het wrakke scheepje dat op den woesten oceaan heen en weer wordt geslingerd, een speelbal van storm en orkaan, tot straffe van de roekeloosheid des stuurmans, die het kompas der gehoorzaamheid, waarmede hij met volle zekerheid op veilige haven aanstuurde, prijs gat. Daarom moet men zoodra men den wil dei-oversten en van den biechtvader vernomen heeft, al het andere laten varen en hunne stem volgen, omdat hunne stem de stem van God zelf is; ja, zelfs dan wanneer men volgens zijn eigen gedachte het zeker zou meenen te zijn, dat God dit of dat van ons vraagt, moeten we geen oogenblik aarzelen van onze meening en overtuiging zelfs afstand te

ocr page 371

363

doen, als deze in strijd zou zijn met den ons zeker bekenden wil der oversten. ,

Jesus zeide eens aan de heilige Tlieresia van naar zekere stad te gaan en er een klooster te bouwen te zijner eere. De Heilige maakte terstond alles voor de reis gereed, en toch ging zij er niet heen en waarom ? Omdat de Provinciaal het haar verbood. En hoe oordeelde nu God over deze handelwijze van Theresia? Hy berispte gewis de Heilige wegens haar, schijnbaar God krenkend gedrag? Het tegendeel van dien: Hij verscheen andermaal aan de Heilige, prees haar om hare gehoorzaamheid aan haren Provinciaal en voegde er bij, dat tot belooning daarvoor, het klooster toch zou gebouwd worden, zonder dat zij er heenging.

Het tweede teeken om den wil van God te kennen zijn: de regel des huizes waar we wonen; de bediening of het ambt waarvoor wij door de overheid zijn aangesteld; de bezigheden die we moeten verrichten volgens de gebruiken der communauteit.

Wie in een geestelijke inrichting leeft, behoeft niet lang te zoeken om den wil van God te kennen. De voorgeschreven dagorde, de plichten verbonden aan het ons toevertrouwd ambt, de goede gewoonten en rechtmatige gebruiken die gaandeweg in en voor de gansche communauteit ingevoerd worden, dat alles zonder uitzondering geschiedt door en volgens Gods wil, dat alles behoort tot de orde van Gods wil; en omdat God ons tot den geestelijken staat geroepen heeft, wil Hij derhalve ook dat wij onze uren en onze dagen doorbrengen volgens de regels, goede gewoonten en gebruiken van den staat waartoe Hij ons riep. Blijft ons daarna nog vrije tijd over, zoo moeten wij ons voor dien tijd een reglement voorschrijven

ocr page 372

364

en het door ouze oversten laten goedkeuren. Hebben wij dat gedaan, aoo kunnen wij verzekerd zijn dat wij den wil van God in alle dingen doen, en verder moeten wij van dit reglement of beter gezegd van deze levenswijze niet meer afwijken, tenzij de gehoorzaamheid , de liefde, de noodzakelijkheid of een onvoorziene zaak dit vorderden.

Het derde teeken om den wil van God te kennen, is de versterving. — Vier dingen zijn er in ons, die strijdig zijn met den wil Gods, en die vier dingen moeten we aanhoudend bestrijden en in bedwang houden , het zyn: de zinnelijkheid, de gemakkelijkheid en alle lichamelük gemak; hooge dunk van ons zeiven; gevoeligheid en afkeer; eindelijk de eigen wil en de hebbelijkheid in alles zijn zin te willen doen, zijn eigen zienswyze te volgen. Wilt ge weten welke van twee zaken de volmaaktste en God welgevalligste is, onderzoek en zie slechts welke het meest aan-druischt tegen uwe natuurlijke neigingen en aandriften , uwe bedorven natuur wee doet; hebt ge dit erkend, zoo kunt ge niet meer twijfelen aan den wil van God; — voor hen immers, die naar de volmaaktheid streven, heeft Christus gezegd: Wie mijn leerling wil zijn, dat hij zich zeiven verloochene, zijn kruis opneme en mij volge.

Maar hierin mag men niet onbezonnen te werk gaan, integendeel dient met voorzichtigheid gehandeld en moet men op volgende dingen letten; 1° den wil der oversten; 2° de noodzakelijkheid; zoo moeten bijvoorbeeld onze boete werken, versterving en onthouding in eten en drinken, in rust en noodzakelijke ontspanning, niet overdreven zyn, onberaden, wellicht schadelijk voor de gezondheid; vooral dient hierop gelet als men toch al niet heel wel, misschien

ocr page 373

365

zelfs aan de een of andere kwaal onderhevig is; 3° de liefde en de welvoegelijkheid, bijvoorbeeld als men zich van iets niet kan onthouden zonder de anderen leed te doen. Buiten deze gevallen moet men verstervingen lyden, als een zekeren toetsteen van Gods wil beschouwen.

Het vierde teeken waaraan men den wil van God kent, is de liefde. — De liefde is de hoofddeugd, en 't is onbetwistbaar dat God deze noodzakelijkste aller deugden bij voorkeur door ons beoefend wil zien. Zijt ge in twijfel welke van twee zaken de volmaaktste en God welgevalligste is, let dan slechts hierop door welke van beiden de naaste het meeste gebaat wordt, welke hem het nuttigste en noodzakelijkste is, waaraan hij het meeste behoefte heeft, wat hem den meesten troost schenkt. Hebt ge dit erkend, zoo kunt gij er zeker van zijn dat dit het volmaaktste is en het meeste beantwoordt aan den wil van God, altoos met dit noodzakelijk voorbehoud dat het in geenen deele strijdig zij noch met den regel, noch met het geweten. Zoo handelden de Heiligen. Om een treurende te troosten, brachten zij het offer van de zaligheid die zij smaakten in het gebed; om een armen zondaar op te zoeken en hem tot inkeer te brengen, verlieten ze hunne geliefde stille spelonk of kluis waar ze in zaligen vrede God dienden in gestadige versterving en nederigheid; om eenen zieke bij te staan, aarzelden zij niet hun hard en streng leven, hunne boetewerken te onderbreken.

Op zekeren dag gebeurde het dat men den heiligen Franciscus van Assisië, den van God zoo bizonder verlichten Heilige, die den ganschen dag in strenge vaste had doorgebracht, in den nacht kwam wakker maken, om hem te melden dat een zijner religieuzen.

ocr page 374

366

die ziek was, uit liefde voor de onthouding, geen vleesch wilde gebruiken, waaraan hij nochtans, wegens zijn groote zwakheid, groote behoefte had. — Franciscus begaf zich terstond naar den zieke, deed vleesch brengen en at er met den zieke zelf van, ten einde hem gerust te stellen en hem de schaamte te ontnemen er alleen van te eten.

Voor de liefde moet alles wijken, beoefent men de liefde, zoo doet men wat het volmaaktste is. Kunt ge na voorafgaand rijp onderzoek niet besluiten welke van twee dingen het volmaaktste is, zoo maak u nooit ongerust, maar verhef uw hart tot God en zeg: »0 mijn God, mijn eenig en hoogste goed! Gij weet dat ik niets anders verlang en vraag dan uw heiligen wil te volbrengen. Wist ik wat U in de gegeven omstandigheden het aangenaamste is, zoo zou ik er mij oogenblikkelijk met geheel mijn hart op toeleggen.quot; Kies daarna van beiden wat ge wilt en houd u verzekerd dat ge den wil van God doet.

§§ 3.

Wat het volmaaktste is, op de volmaaktste wijze doen.

Het is niet senoeg steeds en in alle omstandig-

O O o

heden het volmaaktste te doen, maar men moet het nog op de volmaaktste wijze doen. Zoedoende zal men zich bij God zeer aangenaam maken en de kleinste zaken, de onbeduidendste dingen zullen groote verdiensten hebben bij God. Ziehier hoe deze regel dient in oefening gebracht te worden.

Eerste oefening. Nooit iets beginnen alvorens het aan God met de reinste meening en de volmaaktste liefde opgedragen te hebben.

ocr page 375

367

Nadat ge erkend hebt wat in de gegeven omstandigheden het volmaaktste en God welgevalligste is,, stel u in zijne tegenwoordigheid en verwek met groote vurigheid een akte van liefde tot Hem; onderdruk alle verkeerde inzichten en neigingen en draag Hem met eene heel reine meening uwe handeling op. Geen haastigheid, geen gejaagdheid, er i? ja geen beter bestede tijd dan die waarin men uit liefde Gods werkzaam is, dien men in zijne liefde doorbrengt. En zegt u uw hart dat ge in de zaak die gij voor hebt, enkel den wil Gods zoekt, steek dan de armen uit de mouw en begin uw werk. O mijn God! hoeveel grooter zou niet het getal der Heiligen zijn, indien alle aan God toegewijde personen dezen regel, deze wijze van handelen ernstig ter harte namen; welke glorie zoude ons in den hemel wachtenr indien we al onze werken, ook maar een jaar lang, in dezen geest verrichtten.

Tweede oefening. Nimmer een werk oppervlakkig, slordig en nalatig verrichten, maar steeds met ijver en vurigheid.

Wij moeten elk werk, zegt de groote Kerkleeraar, de Heilige Thomas van Aquine, met dien ijver, die vurigheid verrichten, of de gansche glorie Gods, de zaligheid onzer ziel en van alle menschen van dit werk alleen afhingen. Nemen wij deze woorden wel ter harte, want zij zijn de uitdrukking der zuivere waarheid en hebben vasten grond. Door elk werk met ijver en vurigheid verricht, schenkt men aan God een nieuwe glorie, en stijgt de ziel zelve een trap hooger in glorie in den hemel, glorie die in eeuwigheid haar deel zal blijven. Tot dat tweevoudig doel kan men nooit vlijt en ijver genoeg aanwenden. Daarom was de H. Ignatius onverbiddelijk bij de^

■

ocr page 376

368

geringste nalatigheid of slordigheid, welke hij bemerkte, al was het ook in onbeduidende dingen. Hij zag eens hoe een zijner religieuzen, in de keuken lui en nalatig het werk verrichtte dat hem opgelegd was. Hierop vroeg hem Ignatius, voor wie arbeidt gij? »Voor Godquot;, antwoordde de religieus. »Dan verdient ge een voorbeeldige straf, hernam de heilige, daar ge zoo lui en slordig voor een zoo grooten Koning werkt.quot;

Derde oefening. Nooit in zijne werkzaamheden en bezigheden zich aan eene vrijwillige dagelijksche zonde of onvolmaaktheid schuldig maken. Wat men aan God opdraagt, behoort gansch rein, volmaakt en heilig te zijn.

Wie zou aan een vorst dezer aarde een bedorven spijze durven voorzetten ? Voorzeker zou hij aan zoodanige minachting uiterst gevoelig zijn en zijn maar al te gegronde verontwaardiging daarover te kennen geven. Wat is nu een handeling, een werk, besmeurd met eene vrijwillige dagelijksche zonde of onvolmaaktheid? God heeft er meer walg van dan een vorst dezer wereld van bedorven spijs. Welnu, wat ge u wel zult wachten te doen tegenover een aardsch vorst, durft ge u veroorloven jegens God, den Koning van hemel en aarde! De ontevredenheid van een machtige dezer aarde hindert u, — wat u echter niet hindert, is de oneindig meer gerechte toorn van Gods oneindige heiligheid en Majesteit!

O, wil toch zorg dragen, mgne ziel, dat al uwe handelingen zuiver, heilig en volmaakt zijn, daar de oogen van God veel te rein zijn en zijn hart veel te heilig, dan dat eene handeling, waaraan deze eigenschappen ontbreken, Hem zonder meer zou kunnen behagen. Met een door eene dagelijksche zonde

■■■ük

ocr page 377

369

of onvolmaaktheid besmet werk, mag men voor zoo groot eene Majesteit niet verschijnen; ik vraag het u, zijn zulke werken wel geschikt Gods genade en barmhartigheid over ons af te trekken, of verdienen zij niet veeleer zijnen toorn en zijne gerechte verontwaardiging over zoo vermetel een bestaan?

Vierde oefening. Gedurende onze werkzaamheden nooit de tegenwoordigheid van God vergeten en nimmer onze inwendige gesprekken met Hem lang onderbreken.

Wij moeten ons gedragen zooals de engel Raphael die den vromen jongeling Tobias op zijne reis vergezelde. Hij ging met hem over den weg, sprak hem over verschillende zaken, gaf hem allerlei goeden raad, behandelde voor hem gewichtige zaken, was bij zijne bruiloft tegenwoordig; maar bij dit alles verloor hij geen oogenblik de tegenwoordigheid Gods uit het oog; hg wandelde steeds in zijne tegenwoordigheid , Hem lovend en zegenend, en bleef volmaakt met Hem vereenigd. — Ons leven, ons gedrag moet gelijkvormig zijn met dat van dezen goeden engel. Wat we zien en hooren, wat we spreken en doen moet ons geen oogenblik Gods tegenwoordigheid doen vergeten. Gedurende al onze bezigheden moeten we niet ophouden Hem te beschouwen, te loven, te beminnen , te omhelzen, en in de innigheid van ons hart zijne tegenwoordigheid te genieten. Men zegt wel: Wie steeds voor God arbeidt, enkel om Hem te behagen, 't is of hij onafgebroken bad en hij is met God innig vereenigd; — een aan God toegewijd persoon echter moet veel hoogere eischen aan zich zelf stellen. Dit kan voldoende zijn voor eene ziel die in het gewoel der wereld leeft, maar zeker bevredigt het haar niet, die zich geheel aan God

24

ocr page 378

370

gegeven geeft en er ernstig naar streeft zich steeds inniger met Hem te vereenigen. Men zegge toch niet dat dit onmogelijk is. Er zijn immers altijd zulke zielen geweest en daar zgn er nog. Voor iemand die van goeden wil is, en, bewust van zijne zwakheid, in alle nederigheid voortdurend Gods hulp en bijstand afsmeekt, voor zoo iemand wordt alles mogelijk en gemakkelyk.

Een vrome broeder van onze Sociëteit was zoo ver gevorderd in de vereeniging met God en in die vertrouwelijke onderhouding met Hem, — het geheim der God welgevallige zielen — dat hij twee honderd akten van liefde verwekte gedurende den korten tijd dat hij aan tafel diende. Probeer het maar eens, flink en moedig begonnen, en gij zult in weinig tijd meer doeu dan ge mogelijk achttet. Heeft de genade zich eenmaal meester gemaakt van- het hart, zoo verricht men meer in één uur, dan vroeger in een ganschen dag.

TWEEDE OEFENING.

Eene ziel die zich onverdeeld en onvoorwaardelijk aan Gods leiding toevertrouwt, moet trouw en heilig aan alle inspraken van God beantwoorden.

§§ I-

Over de beweegredenen dezer oefening.

Eerste beweegreden. Een enkele inspraak waaraan men beantwoordt, is in staat talrijke genaden van God over ons af te trekken. — God is een oneindig volmaakt Wezen, dat in zich zelf, van zich zelf en door zich zelf oneindig gelukkig is. Werden ook alle menschen zalig, het geluk, de gelukzaligheid van God

k

ocr page 379

371

zoude er niet de minste vermeerdering door ontvangen; en gingen ook alle menscben verloren, het geluk, de gelukzaligheid van God zoude er niet de geringste vermindering door lijden. Hij is en zal in eeuwigheid oneindig gelukkig, in zich zelf en door zich zelf, blijven. — Maar omdat Hij tegelijker tijd oneindig goed is, wenscht Hij ons aan zijne gelukzaligheid deelachtig te maken; Hij vraagt echter daarvoor dat wij deze gelukzaligheid zullen verdienen door ons geweld aan te doen en de deugd te beoefenen. Tot dat einde geeft Hij ons, om ons door dit middel te trekken, nu eons zulke inspraak, dan weer eene andere. Beantwoorden wij aan die inspraak, zoo geeft Hij ons eene tweede, eene derde, en zoo verder, — zoodat vaak een enkele trouw gevolgde inspraak duizenden andere na zich trekt, die ons hart met hemelsche genaden vervullen.

Beantwoorden wij echter aan die inspraak niet, zoo geeft hij er ons, een geruimen tijd, geene meer; laten we zoo ook eene tweede en derde ingeving vruchteloos aan ons voorbij gaan, zoo zwijgt God ten laatste, zoodat vaak ongetrouwheid aan een enkele ingeving, ons berooft van duizenden genaden. In één woord, getrouwheid aan een enkele inspraak kan het begin wezen, een rijke bron van duizenden genaden; ongetrouwheid echter, het begin en eene niet minder rijke bron van droevige verlatenheid en groote geestes- en zieledorheid.

Tweede beweegreden. Een enkele ingeving, waaraan wij beantwoorden, kan soms buitengewone genaden over ons aftrekken.

God is oneindig vrijgevig en milddadig, en Hij wenscht niets vuriger dan ons rijkelijk met genaden te beschenken; daarom wacht Hij slechts de gele-

ocr page 380

372

genheid af dat de ziel zich voorbereidt en waardig maakt om ze te ontvangen. Alsdan stort Hij in die ziel allerhande soorten van genaden, zelfs onge-gemeene, buitengewone. Bij eenige zielen wacht Hij slechts op eenige overwinningen op zich zelve behaald, eenige liefdewerken of andere werken van godsvrucht; alsdan kent zijne milddadigheid geene grenzen meer. Hij laat haar vrijen loop.

Ten einde eene ziel op zulk een geluk voor te bereiden en haar daarvoor waardig te maken, schenkt Hij haar eenige inspraken, roert haar hart, spoort haar nu eens aan om eene beleediging, haar aangedaan , stilzwijgend te verdragen; dan weer om goed te doen aan wie haar verongelijkte; een andermaal, ter liefde Gods, miskenning en versmading geduldig te lijden; eindelijk, om hare, ten gevolge der erfzonde bedorven natuur, ernstig te bestrijden en te overwinnen.

Beantwoorden wij trouw aan deze inspraken, 700 acht Hij den tijd van eene rijke bedeeling met genaden gekomen en gebeurt het soms, dat Hij eene ziel hoog tot zich verheft, haar toelaat tot de aanschouwing zijner aanbiddelijke geheimen, zelfs tot het zalige genot zijner heilige tegenwoordigheid; zoodat die gelukkige ziel, op gevoelige wijze, al de zoetigheid zijner liefde smaakt, en andere dergelijke uitwerkingen gevoelt, welke Hij pleegt te weeg te brengen in die zielen, welke bijzonder door Hem bemind worden.

Derde beweegreden. Een enkele inspraak, waaraan wij trouw beantwoorden, kan vaak het middel zijn om grooten voortgang te doen in deugd en heiligheid.

Om in deugd en heiligheid voortgang te doen, hebben wij gestadig groote genaden noodig. Is de bron der godsvrucht uitgedroogd, zoo vermoeien wij

ocr page 381

373

ons op den weg van het inwendige leven, wij bliiven althans stilstaan, zoodra onze ziel niet meer door hemelscheu genaden-dauw verkwikt wordt. Zoo lang het echter dauwt in onze ziel en zij door de genade weelderig besproeid wordt, gaan wij met reuzenstappen en zonder moeite vooruit op den weg der deugd. Welnu, dit gestadig erlangen van genaden hangt hoofdzakelijk af van onze trouwe opvolging der goddelijke inspraken; eene zaak is zeker. God zal nooit de eerste zijn om ons ontrouw te worden of te verlaten. Doet echter eene ziel haar voordeel niet met deze genaden, keeren die genaden dus onverrichter zake tot God terug, zoo staakt God zijn genaden-dauw en regen, en in den eersten tyd, wees er zeker van, zal er geen overvloed van dauw of regen vallen op dit ondankbaar, steenachtig aardrijk. Ja, het geschiedt soms, dat God de genaden, waarvan wij ons onwaardig maakten door onze nalatigheid en ongetrouwheid er aan te beantwoorden, ons onttrekt en ze aan eene andere ziel schenkt, die er beter haar voordeel meê zal doen en trouwer aan zal beantwoorden. Wie eenige ervaring heeft in het inwendige leven, kan hiervan getuigenis afleggen door hetgeen hy zelf ondervond. — Men behoeft slechts aan eene ongeregelde genegenheid toe te geven, ondanks de waarschuwende stem van het geweten; te weigeren zich geweld aan te doen, waartoe men door God aangespoord wordt; zich te vrijelijk met uitwendige dingen bezig te houden met verwaarloozing van het inwendige zieleleven; en men zal weldra ondervinden totgroote schade der ziel, dat gaandeweg de ziel verflauwt in het goede, lauw, dor en traag wordt- in het behartigen van haar zieleheil. Zij zal wellicht in vele jaren de inwendige zalving en zalig-

ocr page 382

374

lieid niet meer smaken, welke zij door hare ongetrouwheid verloren heeft.

Hiernamaals slechts zullen wij het groot getal dei-genaden kennen, waarvan die ziel door hare schuld beroofd werd; dan, als het helaas te laat is, zal ze klaar zien hoe ver ze zich, door hare ongetrouwheid in het beantwoorden aan de genade, verwijderde van de deugd en de heiligheid, hoeveel verdiensten zij daardoor verloren heeft. Dit zal trouwens niemand verwonderen die bedenkt dat elke genadegaaf is als een tweesnijdig zwaard ten goede of ten kwade. Werkt zij het goede niet uit, waarvoor ze geschonken werd, zoo keert ze onverrichter zake tot God terug en zal God het afwijzen van dit kostbaar geschenk zijner goedheid, het ongebruikt laten, misschien misbruik maken van zijne genade zeker niet ongewroken laten. — God immers is oneindig rechtvaardigen laat niet met zich spotten.

Vierde beweegreden. Een enkele inspraak, waaraan men beantwoordt, is vaak het middel om tot groote heiligheid te geraken.

Kleine oorzaken hebben soms groote gevolgen: zóó het mosterdzaadje van het Evangelie dat tot een grooten , krachtigen , schaduwrijken boom opgroeide. Zoo groeit die dunne, heldere waterstraal, welke langs gindschen steilen rotswand zijpelt, weldra aan tot eene aanzienlijke beek, straks tot een breeden, machtigen stroom. Die groote, fiere eik daar ginder ontstond uit een nietigen eikel.

Zoo is het in de orde der natuur, —niet anders, wellicht nog bewonderenswaardiger en treffendev draagt het zich toe in de orde der genade; de grootste heiligheid is vaak met iets heel gerings begonnen. Wij weten ja, dat God zelfs bij voorkeur het zwakke,

ocr page 383

375

het brooze en nietige uitkiest ten einde alle aardsche macht en grootheid beter te beschamen. — Waren zij, die de Zaligmaker uitzond om de wereld te bekeeren, niet arme visschers, en hebben zij inderdaad de wereld niet bekeerd, de wereld veroverd, zij, de ongeletterde, de verachte visschers? Zien wij dagelijks nog niet hetzelfde gebeuren ? Zeg me, hoe ontstonden al die heerlijke geestelijke orden, congregaties, vrome stichtingen, die haren zegen over de geheele wereld verspreiden, zij, de trots en troost der H. Kerk, de roem der menschheid, zij, in wie de genade hare schitterendste triomfen viert? Begonnen ze niet meestal klein, heel, heel klein, zoodat de wijzen en machtigen dezer wereld, medelijdend de schouders ophaalden over zoo dwaas een ondernemen ? Hadden ze niet alle met schier onoverkomelijke bezwaren te kampen, waaronder ze onfeilbaar zouden zijn bezweken, werden ze niet door Gods hand gedragen; hadde niet de Geest Gods over haar geblazen, het levensvonkje dat Hij gelegd had in deze geraamten, aangeblazen tot een groot en machtig vuur, hetwelk zijn licht en weldadige warmte verspreidt over den ganschen aardbodem, de door den ijskouden adem der zonde verkleumde en verstijfde ledematen der menschheid opwekt tot een nieuw leven, overal moedige kracht, leven, verkwikking, bezieling verspreidend?

God is Heer en Meester van zijn genaden; Hij deelt ze uit gelijk Hij wil, wanneer Hij wil, aan wie Hij wil; en om te toonen hoe goed en vrijgevig Hij is, beloont Hij niet zelden onbeduidende handelingen met zeer groote genaden. Soms is het voor God genoeg dat men aan een enkele goede inspraak trouw beantwoordt, om Hem te nopen die ziel met zgnen genadenregen te besproeien, waarmede Hij

ocr page 384

376

niet ophoudt, vooraleer Hij die ziel tot hooge heilig heid opgevoerd heeft. Ten bewijze dier waarheid I strekke wat te Sevilla gebeurde met een lid onzer Sociëteit. Vóór zyne intrede in de Sociëteit voerde hij een losbandig, ergerlijk leven. Op zekeren dag had hij zich voorgenomen den ganschen dag in liederlijkheid door te brengen. Maar zie, toen hij daar langs de straten slenterde, zijnen tijd in ledigheid en losbandigheid verbrassende, ontmoette hij eenen priester, die het H. Sacrament aan eenen zieke bracht. Op hetzelfde oogenblik dat hij zijn oog vestigt op het H. Sacrament, verneemt hij in zijn hart eene stem die hem zegt, zijnen Zaligmaker te begeleiden tot bij den zieke, om God althans een kwartier te eeren, na Hem een ganschen hal ven dag vergramd en bedroefd te hebben. En zie, het tot dusverre verharde en versteende hart van dezen losbandeling werd vermurwd, hij volgde de stem, die hg vernomen had, en begeleidde het H. Sacrament; — en deze trouwe gehoorzaamheid aan de ingeving Gods was genoeg om van hem een heilige te maken. Op hetzelfde oogenblik voelde hij groote smart over zijne zonden en keerde huiswaarts onder eenen vloed van tranen van het grootste berouw. Nadat hij zijne biecht gesproken had, verscheen hem de goddelijke Zaligmaker en zeide hem in de Sociëteit te treden, waar God hem zooveel buitengewone genaden schonk, dat hij in korten tijd een groote heiligheid bereikte.

ocr page 385

377

Over de verschillende wijzen, waarop God zijne inspraken pleegt te geven.

De eerste wijze waarop God tot het hart pleegt te spreken, bestaat hierin dat Hij ons zijnen wil openbaart door ous verstand inwendig te verlichten. Ik zal dit kort verklaren.

In of buiten het gebed schijnt er in het verstand een licht, waarin de ziel klaar ziet wat in deze of gene omstandigheden aan God behaagt. Zij erkent in dit oogenblik, dat zij zich moet overwinnen, en bijv. het stilzwijgen bewaren over een haar aangedaan onrecht; in dit licht ziet zij, dat ze het kwaad met goed moet vergelden ea een liefdedienst bewijzen aan wie haar beleedigde. Zij erkent dat ze zich in deze of gene zinnelijkheid, in deze of gene ijdelheid behoort te versterven, deze of gene akte van nederigheid moet verrichten. Dit is de eerste wijze r waarop God ons zijnen wil door ingeving te kennen geeft. Wie zich slechts eenigermate oefent in de tegenwoordigheid van God en in het inwendige leven, zal ongetwijfeld dikwyls die inwendige stemme Gods vernomen hebben. Wie dusdanige inwendige opwekkingen niet gevoelt, die stemme Gods niet verneemt, bewijst dat zijne ziel verstrooid is, dat hij de ingetogenheid verwaarloost en de versterving vlucht, en met de genade Gods niet trouw medewerkt-

De tweede wijze waarop God tot de ziel spreekt, bestaat in eene prikkeling van onzen wil, waardoor Hij aan de ziel zijnen wil doet kennen en haar aantrekt en aanspoort denzelven te volbrengen.

Het draagt zich volgender wijze toe. De ziel ondergaat plotseling eenen indruk, voelt eene prik-

ocr page 386

378

deling, zonder dat ze weet waar die van daan komt; door die prikkeling wordt zij opgewekt dit of dat te doen, dit of dat te laten. — De ziel ondervindt, dat, wanneer zij aan die opwekking gevolg gegeven heeft, zij God daardoor verblijd heeft, en zij smaakt groote vreugde, vrede en tevredenheid; gehoorzaamt zij echter niet aan die inspraak, zoo bemerkt zij dat God met haar niet tevreden is en zij is daar in haar binnenste zeer ongerust over; en hoe zij ook die inwendige ontevredenheiden ongerustheid door allerlei nitvluchten tracht te sussen, het geweten verwijt haar steeds dat zij in strijd handelt met den wil van God. Zoodanige opwekkingen en prikkelingen ondeivinden alle ijverige zielen, en zij herhalen zich voor die zielen des te gestadiger en levendiger als zij getrouwer zijn er aan te beantwcorden. Zulke inspraken krijgt men nu onder het gebed, dan bij den arbeid; nu eens in de eenzaamheid, dan weer als men zich in gezelschap bevindt; eens voelt men die opwekking na eene heilige verzuchting tot God, een ander maal verneemt men die stemme schielijk en onverwacht, zonder aan God gedacht te hebben. — God is Heer en Meester van het hart der menschen: Hij treft het, roert het wanneer, waar en zooals Hij het wil. Onze zaak is het, goed te letten op die bewegingen en opwekkingen en er trouw aan te beantwoorden.

De derde wijze waarop God tot ons spreekt, heeft plaats wanneer Hij tegelijk en verstand en wil beweegt en opwekt; het verstand door het te verlichten, den wil door zekere inwendige vreugde en voldoening, waardoor God aan de ziel zijnen wil te kennen geeft. — Tot toelichting en verklaring hiervan eenige voorbeelden:

Eene ziel ziet wel, dat, om de ootmoedigheid te

ocr page 387

379

beoefenen, zij zich eene vernedering of miskenning moet getroosten, zich met eene of andere lagere bediening moet belasten; maar omdat de hoogmoed nog diep in haar hart geworteld is, kan zij daartoe nog zoo recht niet besluiten, zij schrikt bij de gedachte aan minachting, miskenning, beschaming. Alsdan gaat er eensklaps in het verstand een licht op, waarin ze klaar ziet hoeveel goeds er gelegen is in vernedering, geringschatting en verachting van zich zelven. Tezelfdertijd verwijdt en verbreedt God het hart van uie ziel door een zalig gevoel van inwendige vreugde, en zij aanvaardt en omhelst met blijdschap datgene, waarvoor ze zoo even nog grooten afkeer gevoelde. — Wat ik daar van miskenning, minachting en vernederingen zeg, geldt evenzeer voor de versterving, de liefdewerken jegens hen voor wie wij minder genegenheid hebben en dergelijke meer. Deze soort van inspraak of opwekking is de wenschelijkste en krachtdadigste onder alle anderen. Zij brengt de ziel, door een zacht geweld, tot de heldhaftigste zaken, en zoolang die toestand duurt, snelt de ziel op den weg der deugd voort, zonder zich te vermoeien.

De vierde wijze waarop God tot de ziel pleegt te spreken, geschiedt in den vorm eener inwendige berisping, waardoor hij aan de ziel zijnen wil te kennen geeft.

Dit heeft plaats op velerlei wijze: bij voorbeeld, men veroorlooft zich eene al te groote vrijheid, men houdt zich te veel met uitwendige dingen bezig; nauwelijks is dit gebeurd, heeft men die fout begaan, of de ziel voelt zich neergeslagen, moedeloos, mat en droevig gestemd, niet in staat zich op behoorlijke wijze, tot God te richten. Men weet heel goed dat

ocr page 388

380

men zich in deze of gene zaak moet versterven en overwinnen, maar men doet het niet, — men zou de gevoeligheid der natuur zoo gaarne ontzien, men is zoo bang zich eenig leed te doen. Maar de bestraffing laat niet op zich wachten: men bemerkt heel gauw dat de innerlijke godsvrucht verdwenen is, dat God ontevreden met ons is; dat men in het gebed dor en koud is en beroofd van de verkwikking van den hemelschen dauw.

Zoodanige opwekking heeft veelvuldig plaats. — God handelt met ons als een vader met zijn kind, dat hij teeder bemint; hij slaat het vooreerst niet als het iets misdaan heelt; hij stelt zich tevreden hetzelve eenige dagen minder liefelijk toe te spreken , niet zoo vriendelijk aan te lachen, ten einde op die wijze het kind te doen begrijpen, dat het verkeerd handelde.

§§ 3.

Teekenen waaraan men kent dat eene inspraak van God komt.

Men zou heel verkeerd handelen, indien men aan alle bewegingen des harten, zonder onderscheid, gehoorzaamde; men moet integendeel op die bewegingen wel acht geven, ze aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen, om te zien of zij van den H. Geest, dan wel van den duivel komen. Neemt men die noodzakelijke voorzorg niet, zoo stelt men zich in gevaar door den Booze, die een aartsbedrieger is, beet genomen en verschalkt te worden.

Wij zullen hier de voornaamste kenteekenen aangeven, waardoor men de echte inspraken van de onechte kan onderscheiden en zien kan of zij van

ocr page 389

381

den H. Geest ol van den duivel komen. — Het zyn de volgende:

Het eerste kenteeken vindt men in dt; heiligheid der zaak waartoe de inspraak ons opwekt. — De H. Geest pleegt de ziel op te wekken tot de echte deugden, zoocils daar zijn: eene algeheele onthechting aan zich zei ven, eene groote achting, eene groote liefde voor miskenning en vernederingen ; eene stipte gehoorzaamheid, liefde voor eenzaamheid, gebed en bespiegeling, de oefening van Gods tegenwoordigheid; eene oprechte liefde voor den evenmensch, eene onvoorwaardelijke onderwerping aan den wil van God en dergelijke meer.

Voelt gij u tot beoefenen dezer deugden opgewekt, zoo heeft het allen schijn voor zich dat die opwekking van God komt; het is immers de geest van het Evangelie en bijgevolg de geest van Jesus Christus. Maar omdat de duivel doortrapt en doorkneed is in alle soort van leugen en bedrog, en hij niet zelden in de heiligste zaken optreedt als een engel des lichts, zoo is dit eerste kenteeken op zich zelf alleen niet genoeg, maar moet beschouwd worden in verband met de volgende teekenen, waardoor het gesteund en aangevuld of gecompleteerd wordt.

Het tweede kenmerk dan waaraan wij die inspraak moeten toetsen, is of ze overeenkomt met onze roeping.

De inspraken Gods bewegen zich in den regel binnen de grenzen onzer roeping. Wordt ge tot iets aangespoord dat met uwen regel overeenkomt, zoo kunt gij het gerust als eene van God komende opwekking beschouwen; — daar Hij u immers tot dien staat geroepen heeft, zoo is het diensvolgens ook zijn heilige wil dat gij den regel van dien staat met de meeste volmaaktheid onderhoudet. Voelt gij dus

ocr page 390

382

dergelijke opwekking in uw hart, volg ze gerust en volbreng wat ze u zegt, met ijver en getrouwheid.

Twijfelt gij echter of eene inspraak wel overeenstemt met uwen regel, volg ze niet vooraleer gij daaromtrent uwen biechtvader of uwe oversten geraadpleegd hebt.

Het derde kenmerk waaraan men kan zien of eene inspraak van God komt, bestaat in de gerustheid, den vrede en troost, welke zy in het hart teweegbrengt.

De geest van God is zachtaardig en liefelijk, ja, de zachtaardigheid en liefde zelf. Weshalve, wanneer de H. Geest in eene ziel inkeert. Hij haar tegelijk verlicht en haar de waarheid veel helderder doet inzien dan te voren. De ziel komt daardoor tot groote rust; zij smaakt eenen zoeten vrede, zij voelt zich getroost en opgewekt, zachtjes en blijmoedig aangetrokken tot datgene wat God van haar vraagt; en terwijl zij zich tevoren zwak gevoelde, vreesachtig en kleinmoedig, voelt zij zich thans sterk, vol moed en verlangen om zich zelve ter liefde Gods te overwinnen en alle hindernissen kloekmoedig te boven te komen. Dit zijn zoovele teekenen waaraan men de tegenwoordigheid van den H. Geest kent.

Het vierde kenmerk is de gehoorzaamheid. Blyft gij nog twijfelen of eene inspraak van God komt, dan wel van den duivel, raadpleeg dan uwe oversten en uwen biechtvader. De gehoorzaamheid is onfeilbaar en nimmer zal God toelaten dat eene gehoorzame ziel bedrogen of teleurgesteld worde.

ocr page 391

383

Heilzame gedachten om de gerustheid des harten te verkrijgen in ramp en tegenspoed.

Eerste gedachte. Alle leed en lijden wat God mij kan overzenden, hoe groot het overigens ook zgn moge, zal steeds beneden hetgeen blijven dat ik verdiend heb.

Beschouw 1° God is oneindig rechtvaardig, Hij is derhalve verplicht elke zonde te straffen; bijgevolg heb ik zooveel straffen, dat wil zeggen, zooveel leed en lijden verdiend als ik zonden begaan heb, en Gods rechtvaardigheid kan en moet die zonden door leed en lijden, naar eisch van recht, op mij verhalen. Welnu, hoeveel zonden heb ik niet bedreven?

't Is immers maar al te waar, ik kan het niet ontkennen, dat er geen dag van mijn leven voorbij ging, waarop ik God niet beleedigde; 't is dus billijk en gerecht dat er ook geen dag voorbijga waarop ik niet lijd. Ik moet mij dus niet beklagen, wanneer God mij dagelijks eenig lijden overzendt, daar ik Hem dagelijks beleedig. En wil ik mijn geweten eens goed onderzoeken, zoo zal ik gemakkelijk zien dat mijne zonden mijne wederwaardigheden ver overtreffen; ik heb derhalve veel minder te lijden dan* ik verdiend heb.

Beschouw 2° Elke dagelijksche zonde, de kleinste zelfs, is in de oogen van God een afschuwelijk kwaad; derhalve kan en moet Gods rechtvaardigheid het straffen in het vagevuur, indien Hij het in deze wereld niet straft. (Zie wat de H. Augustinus zegt over de pijnen van het Vagevuur.) Is het derhalve juist geen bewijs van Gods oneindige goedheid en barmhartigheid, wanneer Hij mij, tot straffe mijner zonden, hier bezoekt met leed en lijden, om mg

ocr page 392

384

niet behoeven te straffen in het andere leven door 1« de allerverschrikkelijkste pijnen van het Vagevuur? heid Zoo heb ik derhalve steeds minder te lijden dan ik De Terdiend heb.

Liefdebetuigingen. 1° Leg al de zonden van heel uw leven neder aan de voeten van Jesus, den gekruiste; erken dat gij geen dag hebt laten voorby gaan, zonder Hem te vergrammen, zoodat ge eigenlyk verdien det dat ge door alle mogelijke ramp- en tegenspoed bezocht werdt.

2° Maak een akte van volmaakt berouw over al uwe zonden; betreur ze uit geheel uw hart; draag aan God tot voldoening het dierbaar bloed van Jesus Christus op.

3° Werp u in de armen der goddelijke Voorzie- gedi nigheid, opdat zij over u beschikke volgens haar eene heiligen wil en prijs baar voor alle kwellingen, die enk( het Haar zal behagen u te overzenden.

4° Maak het besluit alle wederwaardigheden en kruisen gelaten en zwijgend te dragen eu vraag God lt;le daarvoor noodige genade.

Maak de volgende besluiten:

1° Verricht deze week uwe gebeden met veel ijver en naarstigheid.

2° Van het eene bezoek aan het H. Sacrament tot het andere, doe met veel vurigheid een tiental liefdebetuigingen.

3° Van het eene bezoek tot het andere, doe twee of drie verstervingen, voorafgegaan door eene heel reine meening.

4° Spreek geen woord waardoor de liefde zou kunnen gekwetst worden.

Tweede gedachte. Niets is nuttiger eu voordeeliger -voor de ziel dan ramp en tegenspoed, kruis en lijden.

ocr page 393

385

loor 1° Elke, nog zoo korte en kleine wederwaardiger? heid verschaft aan mijne ziel eene nieuwe genade, i ik De genade is een zoo groot en kostbaar goed, dat God mij niets grooters, niets kostbaarders kan geven ; heel hemel en aarde met alles wat zij bevatten, hebben ge- niet zooveel waarde als een enkele graad van de irbij genade Gods. Daaruit volgt dat God mij een buiten-ilijk gewone liefde betoont, telkens als Hij mij een kruis ;en- i oplegt; zoo ook bewijst hij mij een grooten dienst, die mij miskent en verongelijkt, mij in de gelegen-f al heid stelt iets te lijden; ik erlang immers daardoor •aag eene nieuwe genade, die alle goederen dezer aarde esus te boven gaat.

2° Door elk kruis, nog zoo klein en kort, mits ■zie- geduldig en blijmoedig gedragen, stijgt mijne ziel laar eenen trap hooger in de hemelsche glorie. Een die enkele graad dier hemelsche glorie is zoo kostbaar dat hij de ziel oneindig en eeuwig gelukkig maakt, en Daarom zegt de H. Augustinus: gt;Duizend jai-en uod zouden wel besteed zijn, indien men daardoor die glorie, ook maar een enkelen dag, kon genieten.quot; Indien dit waar is, handel ik dan niet dwaas en jver tegen mijn waarachtig belang, met leed en lijden te ontvluchten ?

tent Liefdeverznchtingen. 1° Verwek een akte van ntal berouw over al uwe ongeduldigheden, al uwe verkeerde genegenheden, over al uwe gesprekken strijdig wee met de liefde, welke gij uwen evenmensch verschul-heel digd zijt.

2° Verwek een akte van volmaakte liefde tot God, zou met het vaste besluit uit liefde voor Hem, geduldig

en zwijgend nood en leed te verdragen.

iger 3® Werp u in Gods armen, en bied u Hem aan ien. voor alles, zonder voorbehoud, waarvoor het Hem zal behagen over u te beschikken. 25

ocr page 394

386

4° Bid God u eene ware nederigheid te schen- en 1 ken, kracht en moed om alles wat u tegengaat en ^oor tegenstaat geduldig te verdragen. zyne

Derde gedachte. Het verhevenste en uitstekendste Tail.-wat de mensch kan doen, is, uit liefde Gods te lijden, katie Deze stelling rust op volgende gronden: ^i

1° De eeuwige Vader heeft zijnen eenigen, wel- ^001quot; beminden Zoon op aarde gezonden, om te voldoen ^61quot; voor den smaad, door de zoude zijne Godheid aangedaan , en Hem die eer en dien lof te geven, die zijner oneindige Majesteit waardig zijn. Welken staat heeft Hij tot dat einde voor zijnen Zoon uitgekozen? beroi

2» Hij zou Hem op aarde hebben kunnen zenden als eeneu onsterfelijken mensch aan geenerlei pijn ^en of smart onderhevig; maar zoo wilde Hij het niet. 2° Hij zou Hem hebben kunnen zenden als een sterfe- lijdei lijken mensch, maar tevens als een machtigen koning, za^ ^ door de heele wereld geëerd; ook dat wilde Hij niet. Hij heeft Hem gezonden als een mensch, die van zijn geboorte tot aan zijnen dood aanhoudend zou lijden, onafgebroken zou leven in zorg en kommer, opzie in pijnen en smarten, ter prooi aan nooit gehoorde^ 4° miskenning, versmading en vervolging. te ne

Derhalve moet de weg van kruis en lijden de ^e zij geschiktste wezen om aan God de eer, den lof, de van liefde, de voldoening te geven, welke Hem ver- gena( schuldigd zijn.

3° De Zoon Gods is op aarde verschenen, niet alleen om de gekrenkte eer van zijnen hemelschen Vader te herstellen, maar ook ten einde ons, door zijn voorbeeld, den weg te toonen om tot de hoogste volmaaktheid te geraken. En welk voorbeeld heeft Hij ons dan gegeven? Doorloop zijn gansche leven: boe en van welke zijde gij Hem ook betracht, steeds

te bi hebb

den 3° u zul

ocr page 395

387

heu. I en overal ziet gij Hem lijdend: lijdend bij zijn geit en boorte in het stalleke van Bethlehem; lijdend op zijne vlucht naar Egypte; lijdend in het stille huisje idste Tan Nazareth; lijdend in zijne leeringen en predi-jden. katiën, lijdend en hoe vreeselijk in zijnen dood.

Ziedaar wat de Zoon van God ons getoond heeft wel- door zijn voorbeeld. Hadde Hij een beter en zeker-doen ^er weg gekend om ons tot deugd en volmaaktheid aan- brengen, Hy zou bem ons ongetwijfeld aangetoond , die hebben.

staat Liefdeverzuchtingen : 1° Verwek een volmaakt izen ? berouw over alie ontevredenheid, alle ongeduld van nden uw le'en i waardoor gij in strijd handeldet met

pijn den wil van God.

uiet. 2° Bied u opnieuw Gode aan voor alle kruis en terfe- lijden, voor alle wee en leed, waarmede het Hem ning, zal believen u te bezoeken, voor het leven en voor den dood.

! van Dank Hem voor alle wederwaardigheden, die

1 zou u zullen overkomen en voor alles wat Hy ten uwen imer, opzichte zal beschikken.

oorde Hernieuw uw besluit ramp en tegenspoed aan

4 te nemen als van Hem komende, en alles zwijgend, in (je te zijner eer, te verdragen. Kus daarna de wonden f, de van d®11 gekruisten Zaligmaker, en vraag Hem de ver- genade uw besluit trouw te houden.

, niet schen

door ■'

logste heeft even:

steeds

ocr page 396

388

1(5quot;e 2ïco fbïtlsl fl.

Over het testuur van geestelijke personen.

De Heilige Vaders, waar zij over het bestuurder zielen handelen, eischen vier eigenschappen van hen die God daarmede belastte. De eerste is eene oprechte liefde jegens hen die God hun als geestelijke schapen heeft toevertrouwd om ze te weiden en te hoeden in dien geest van liefde. De tweede is de toewijding en de goedheid eener ware moeder, gepaard aan groote zorg voor alles wat hun geluk en waarachtig welzijn aangaat. De derde is eene zich nooit verloochenende zachtmoedigheid in het geduldig verdragen van al hunne gebreken en zwakheden. De vierde is een heilige ijver voor hunnen geestelijken voortgang. — Ik zal de drie eerste kort nader verklaren.

§§ 1-

Van de liefde die men voor de onderhoorigen moet hebben.

Eene overste moet als eene moeder zijn, bezield met eene oprechte liefde, een teeder medelijden, eene groute bezorgdheid voor alle die God haar als hare geestelijke kinderen toevertrouwde. Zonder deze moederlijke liefde en algeheele toewijding zal men niet veel goeds stichten en valt er weinig goeds te verwachten. Daarom drukte God die liefdevolle

(1) Dit hoofdstuk werd opgesteld ten behoeve van eene geestelijke overste, maar kan ook voor ieder anderen geestelijken overste dienen.

ocr page 397

389

toewijding Mozes zoo zeer op liet hart, toen Hij hem gelastte het volk Israël aan te voeren en te besturen : Draag hen — zoo sprak God — in uwen schoot, gelijk eene moeder haar kind pleegt te dragen, en voer hen in het land dat ik hun beloofd heb. Aunt. IX. Deze liefde moet de volgende eigenschappen hebben.

T. O eer de eigenschappen dier liefde.

Eerste eiger*schap. Die liefde moet, in de oogen van God, waar, oprecht en bovennatuurlijk zijn. De beschrijving der liefde vordert slechts weinig woorden, maar hare toepassing en beoefening is van groote uitgestrektheid. Men moet zijne onderhoorigen beminnen als zich zelf, in andere woorden, men. moet haar alle goed toewenschen, gelijk men dat voor zich zelf' doet; men moet zich oprecht met haar verheugen als het haar wel gaat; men moet eeu teeder medelijden met haar hebben, wanneer zij lijden en het haar niet wel gaat; men moet steeds den wil hebben haar alle mogelijke goed te doen, uit liefde voor God, wiens kinderen zij zijn. Deze liefde bevat alle volmaaktheden; op aarde is zij niet te vinden, zij moet ons van den hemel komen.

Tweede eigenschap. Die liefde moet hoffelijk zijn, gedienstig, minzaam, beminnelijk en welwillend.

Ik kan u deze tweede eigenschap, welke de liefde behoort te hebben, niet beter uitleggen, dan met u voor te stellen de innemende, beminnelijke wijze, waarop de H. Ignatius zijn religieuzen bestierde :

1° Hij was steeds en elk uur van den dag bereid hen aan te hooren, uitgezonderd alleen, wanneer hij door eene dringende, gewichtige zaak, die geen uitstel gedoogde, verhinderd was; in dit geval gaf

ocr page 398

390

hij hun zulks te kennen en verzocht hen op een' anderen tijd te komen.

2° Hij hoorde alles met het grootste geduld aan, zonder een woord te zeggen, tot dat zijn onder-hoorige uitgesproken had.

3° Uit eerbied stond hij voor ieder op en hoorde niemand zittend aan.

4° Ontmoette hij iemand, zoo sprak hij hem aan of groette hem ten minste op vriendelijke en minzame wyze.

Derde eigenschap. De liefde moet discreet zijn, heter verstaanbaar, moet goed kunnen zwijgen.

Deze goede eigenschap, welke de liefde moet hebben, is van het hoogste gewicht, een noodzakelijk vereischte om het vertrouwen zijner onderhoorigen te winnen en te bewaren.

Deze goede eigenschap, de discretie namelijk verplicht tot het volgende:

1° Wat een onderhoorige ons gezegd heeft, moet men voor zich houden en niet verder vertellen, of het moest iets zijn dat hem tot eer strekt; men moet niets van hem zeggen wat hem leed zou doen, indien hij het kwam te vernemen.

2° Men moet aan niemand zeggen wat een onderhoorige aan anderen geschreven heeft of wat anderen hem geschreven hebben.

Vierde eigenschap. De liefde moet onpartijdig zijn en geen onderscheid van personen maken. , j

Er is geen kwaad bij, men doet niemand onrecht, indien men de braafsten het meeste bemint; immers i God ook houdt meer van de ijverigen dan van de lauwen; volgt men zijn voorbeeld, zoo handelt men altijd goed.

ocr page 399

391

Men behoort echter in het bestuur der onderhoo-rigen de strengste onpartijdigheid heel bizonder te betrachten in volgende stukken:

1° In de verdeeling der ambten en bedieningen moet men slechts letten op geschiktheid en deugd. Bg gelijke bekwaamheid moet men in den regel nooit jongeren tot hoogere bedieningen bevorderen, maar de voorkeur geven aan ouderen.

2° Bij het verleenen van vergunning of geven van verlof, moet men aan den eenen niet weigeren wat men aan een anderen heeft toegestaan, noch den eenen toestaan wat men den anderen geweigerd heeft.

3° In de verzorging der onderhoorigen zich volkomen onpartijdig toonen.

4° In den omgang, hetzij met personen van buiten of met onderhoorigen, moet men allen gelykelijk beleefd, minzaam, vriendelyk en welwillend bejegenen, de grijsaards echter behoort men met bijzondere voorkomendheid , ware achtiug en eerbied te behandelen.

II. Ernstige twijfels die men omtrent deze ■punten oppert.

Eerste twijfel. Allen beminnen en oprecht beminnen, is voor mg uiterst moeilyk, eene schier onmogelyke zaak: Immers

1° Hoe zou ik menschen kunnen beminnen, die onuitstaanbaar zyn wegens hun lastig karakter; andere zgn verdrietig van humeur, vadsig, lui, onbeleefd, soms onbeschoft, achterdochtig, wantrouwend, hoogmoedig en trotsch, grootsprekers, praters tot vervelens toe, eigenzinnig en koppig en de rest. En ik zou zulke onhebbelgke lieden moeten beminnen! 't Is al wel dat ik ze verdraag. Van zulke lui heb

ocr page 400

392

een natuurlijken afkeer, met hen vriendschappelijk verkeeren, kan ik eenvoudig niet, daarvoor heb ik te veel het land aan zulke hatelijke karakters.

2° Weer anderen kan ik niet beminnen wegens hunne kwaadaardigheid en bekende fouten en gebreken. Er is geen omgaan meê, zij zijn eenvoudig onhandelbaar, wars van regel en tucht, weerspannig aan alle gezag; zij zijn onbeschaamd en aanmatigend, hebben een scherpe tong, bedillen en kritiseren alles; zy zijn bovendien ondankbaar en vergelden goed met kwaad. In gemoede, wie kan zulke lui beminnen?

3° Nog anderen kan ik niet beminnen, wegens den te grooten tegenstand, dien ik daarvoor in mijne natuur ondervind. Dezen of genen kan ik niet velen; ben ik in de noodzakelijkheid slechts enkele woorden met hen te wisselen, zoo ben ik al naar en onplei-zierig; ik behoef ze slechts te zien of te hooren om het bloed in mijne aderen te voelen koken, zoo groot is mijn afkeer van hen; het is mij dan ook niet mogelijk hun eenig goed te doen, zelfs — onderzoek ik mij wel — zoo ontdek ik in mijn hart een zeker gevoel van wrok en vijandige stemming. En wat erger is, dit gevoel is in mijn hart zoo vast geworteld, dat ik er mij niet van kan ontdoen.

Zeg me nu, hoe zou ik, in de gegeven omstandigheden , al mijn onderhoorigen oprecht en van ganscher harte kunnen beminnen? — Alvorens op deze twgfels te antwoorden, moet ik noodzakelijk eene min of meer uitvoerige toelichting of verklaring voorafschikken, zonder dewelke men het antwoord niet kan verstaan.

De mensch ondervindt in zich twee verschillende neigingen, twee heel uiteenloopende stroomingen en richtingen; de eerste volgt de vijf zintuigen, onder-

ocr page 401

393

gaat derzelver invloed; men noemt ze het lagereT het zinnelijke, ook wel bet dierlijke deel van den mensch, omdat de mensch daarin als dier optreedt en het dier dezelfde neigingen en lusten met ons gemeen heeft. Bijvoorbeeld, als het dier met een of meer zijner vijf zintuigen iets waarneemt wat hetzelve aangenaam is, zoo voelt het onmiddellijk een zinnelijk verlangen daarnaar en den trek hetzelve te bemachtigen; waarvan het afkeerig is, ontvlucht en verstoot het; daarom noemt men het, het zinnelijk of dierlijk begeervermogen of eenvoudig instinkt. — Daar nu de mensch gelijk het dier zijn vijf zintuigen heeft, zoo heeft hij ook gelijk het dier, zijn zinnelijke neigingen, zijn zinnelijke en dierlijke lusten. De andere neiging, de andere strooming volgt de rede, wordt geleid en beheerscht door de rede; men noemt het, het hoogere, het redelijke, het geestelijke deel van den mensch, in tegenstelling met zijn stoffelijk of lager deel; zijn redelijke verlangens en begeerten, noemt men verlangens van zijn hooger begeervermogen, uitingen van zijnen wil, die bovendien vrij is, een vermogen dat de dieren niet hebben, maar alleen de mensch bezit; 'tis het onderscheidend kenmerk van mensch en dier, de een heeft het, het ander mist het.

Men lette Dp het groote onderscheid tusschen het zinnelijke en redelijke begeervermogen van den mensch. Zijn zinnelijk begeervermogen is niet vrij, maar neigt spontaan naar het voorwerp dat de zinnen aan hetzelve voorstellen, of liever wordt door dat voorwerp noodzakelijk getrokken om er zich heen of af te wenden, naar gelang dat voorwerp behagelijk of onbehagelijk is aan de zinnen. Wordt hem iets voor de zinnen aangenaams of streelends voorgesteld, onmiddellijk wendt zich het zinnelijk begeervermogen

ocr page 402

394

met een gevoel van voldoening daarheen; is het voorwerp echter, dat hij door de zintuigen waarneemt, onaangenaam en onbehagelijk aan de zinnen , terstond toont het zinnelijk begeervermogen er zich afkeerig van, wendt er zich af en ontvlucht het; dat alles gaat in ons lager of zinnelijk deel om , instinktmatig, iDuiten ons toedoen; men voelt het, zonder dat men het rechtstreeks kan beletten.

Het redelijk of rationeel begeervermogen, in andere woorden , onze wil, door de rede voorgelicht, is vrij; men kan den wil geen geweld aandoen, hij kan niet gedwongen worden, hij wordt niet noodzakelijk getrokken door het voorwerp, hetwelk hem door de zinnen wordt voorgesteld; hij kan rede en oordeel raadplegen, maar ook daarna blijft de wil vrij derzei ver raad al dan niet op te volgen.

Men moet verder ook hiermeê rekening honden dat men 1° terzelfder tijd, omtrent dezelfde zaak of hetzelfde voorwerp, twee niet alleen uiteenloopende, maar geheel tegenstrijdige neigingen en verlangens kan hebben. Bijvoorbeeld, terzelfder tijd, wordt een en dezelfde persoon, door de zintuigen aan mijn zinnelijk begeervermogen voorgesteld, als een lastig, onhebbelijk personaadje, van een terugstootend karakter , met wie niet te leven is, wat ik, by ondervinding, maar al te goed weet; onmiddellijk na die zinnelijke waarneming, rijzen er in mijn zinnelijk begeervermogen, ondanks my en tegen mijn wil, gevoelens van weerzin, afkeer en verontwaardiging op; ik voel mij bepaald afkeerig van dien persoon, ik mag hem niet hebben. Terzelfder tijd echter, stelt mij de rede, voorgelicht door het geloof, dienzelfden persoon voor als een kind van God, dien God zelf mij verplicht te beminnen, op straffe van

ocr page 403

395

verloren te gaan. Gehoorzaamt mijn vrije wil aan de stem der rede, zoo ontstaat er in mijn hooger begeervermogen, mijnen wil namelijk, een gevoel van eerbied en gehoorzaamheid aan God, die mij gebiedt den natuurlyken afkeer welken ik van dien persoon heb, in andere woorden, de ongeregelde neigingen van mijn zinnelijk begeervermogen, — ongeregeld, omdat zij strijdig zijn met den wil van God — te overwinnen en af te leggen; geleid door de rede en haren raad volgende, verfoei ik mijne verkeerde gevoelens omtrent dien persoon en onderdruk ze, zooveel ik vermag, en in stede daarvan verwek ik een akte van christelijke liefde jegens dien persoon.

Men moet verder in aanmerking nemen: 2° dat er in mij geen sprake kan wezen van zoude, — hoe hevig en ongeregeld ook de neigingen en bewegingen van mijn zinnelijk begeervermogen zijn mogen — zoo lang mijn hooger begeervermogen of redelijke wil er aan wederstaat en er zich tegen verzet.

Voelt men zich dus in zijn lager deel of zinnelijk begeervermogen opgewekt tot afkeer, nijd, afgunst, wraak of dergelijke, zoo moet ons hooger of rationeel begeervermogen, in andere woorden, onze wil er zich terstond tegen verzetten en die verkeerde gevoelens bestrijden en beteugelen. Handelt men aldus , zoo behoeft men zich niet bevreesd te maken voor zoude, onverschillig of het zinnelijk begeervermogen al dan niet zich aan den wil onderwerpt, misschien wel daartegen protest aanteekent en ondertusscheu voortgaat met razen en tieren; 't is genoeg dat de wil ernstig blijve wederstaan en strijden, en zicb vrijwillig niet late onder krijgen. Zoo lang dit geschiedt, kan er geen kwestie zijn van zonde.

ocr page 404

396

Na deze noodzakelijke toelichting voorafgeschikt te hebben, ga ik thans over tot de beantwoording der voorgestelde twijfels.

Ik antwoord dus: 1° men kan steeds in waarheid, oprecht en uit geheel zijn hart, al zijne onderhoori-gen in God eu om God beminnen, hoe het ook spoke in ons lager deel, ons zinnelijk begeervermogen. Verondersteld, gij zoudt in uw hart een hevigen afkeer van iemand hebben, gevoelens van afgunst, van haat, van wraak in u voelen; verondersteld zelfs, gij zoudt meenen uw hart ten opzichte van dien persoon nooit te kunnen veranderen , maar altijd afkeerig van hem te blijven; vrees en verontrust u daarom niet, dat alles komt van het zinnelijk begeervermogen , gaat om in de zinnen en is in zich zelf geen zonde. Wend uw redelijk begeervermogen of vrijen wil er slechts van af; verfoei dezelve, bestrijd die verkeerdheden althans zijdelings of indirect, en gij kunt verder gerust zijn; verwek een akte van liefde en welwillendheid jegens dieu persoon, en gij hebt bij God een ware eu oprechte liefde voor dien persoon.

2° Men kan steeds al zijn onderhoorigen, niet alleen in waarheid, oprecht en van ganscher harte, maar zelfs zeer volmaakt beminnen, hoe men ook in het lager deel onzer natuur, in zyn eigen zinnelijk begeervermogen, gesteld zij. De reden daarvau is, dat voor de volmaakte liefde van den naaste, slechts deze drie dingen vereischt worden, te weten;

1° Voor hem alle goed te willen en te wenschen; 2° hem alle goed te doen wat in onze macht is en 3° een en ander enkel om God te doen.

Welnu dat alles heb ik, met Gods genade, in mijne macht te doen, niettegenstaande alle oproer en

ocr page 405

397

opschuddiug in miju zinnen teweeggebracht. Ik vermag derhalve, trots allen tegenstand, volmaakt te beminnen. Wat meer is, de tegenstand van wage mijn zinnelijk begeervermogen maakt de beoefening der liefde veel kostbaarder en verdienstelijker in het oog van God; immers hij is oorzaak 1° dat ik uit geen andere neiging, geen andere beweegreden kan handelen, dan enkel om God te behagen; 2° hij is oorzaak dat ik aldus niet kan handelen , zonder mij op heldhaftige wijze te overwinnen. Deze twee punten van de beoefening der liefde verheffen deze deugd tot het hoogste toppunt der volmaaktheid.

Tweede twijfel. Als ik werkelijk afkeerig ben van een persoon en hem niet graag mag lijden, en ik •zeg hem desniettegenstaande dat ik hem oprecht en van ganscher harte bemin; dat ik graag met hem omga, dat ik lief en leed met hem deel, dat zijn geluk mij ter harte gaat als mijn eigen; is dit geen leugen, huichelarij, geen geveinsdheid, geen onwaarheid? Antwoord: Neen, indien ik die verkeerde gevoelens van mijn zinnelijk begeervermogen bestrijd en de liefde beoeten met mijn hooger begeervermogen, mijn redelijken vrijen wil, op de wijze als boven verklaard werd; omdat de eenige en ware liefde, waartoe God mij verplicht heeft en die ik aan den naaste verschuldigd ben, de liefde is, die zich in mijn hooger begeervermogen bevindt, die een handeling of uiting is van mijn vrijen wil. Daaruit volgt dat, indien ik die liefde heb, en ik tot dien persoon zeg dat ik hem oprecht en van ganscher harte bemin, ik iets zeg wat waar is en eeuwig waar zal blijven.

ocr page 406

398

§§ 2.

Over de goedheid jegens de onderhoorigen en de zorg die men voor hen behoort te hebben.

Het zoude veel te min zijn, indien ge u tevreden steldet met een goede neiging of genegenheid jegens uw ondergeschikten.

De liefde, zal zij dien naam verdienen, moet weldadig zijn; om vruchten te kunnen dragen, moet zij handelen. Het eerste en voornaamste in eenen overste, zegt de H. Ambrosius, is, dat hij zijn bestuur beginne met zich vrijgevig en milddadig te toonen, dat hij beginne het zaad der weldaden uit te strooien, alvorens de vruchten te willen plukken eener goede tucht of geestelijke opvoeding. Men mag van de onderhoorigen niet verwachten, dat zij zich met nauwgezetheid van hunne plichten zullen kwijten, zoolang zij niet overtuigd zijn dat het bestuur van hun overste een ware weldaad voor hen is; dat de overste het waarlijk goed met hen meent en zorg voor hen draagt, als een goede vader of eene goede moeder. Vervullen zy hunne plichten al, ze doen het met droefheid en bitterheid in het hart, ze klagen en morren: welnu, dusdanige geest ondermijnt de tucht, vernietigt deugd en verdienste, verwoest en vergiftigt het gausche geestelijke leven.

Wij gaan thans verklaren waarin die weldadigheid en zorg bestaan.

I. Van de zorg en de goedheid voor allen in het algemeen.

Wat vragen dan de zorg en de weldadigheid, welke eene geestelijke overste voor hare onderhoorigen moet hebben ? Antwoord, het volgende.

ocr page 407

399

1° De zorg, welke eene overste voor hare ondergeschikten moet hebben, eischt dat zij eiken schyn, iedere verdenking van gierigheid zorgvuldig mij de f dat zij hare onderhoorigen voedsel, kleeding en alle andere benoodigdheden verschaffe, en dat alles doe met veel liefde en op hartelijk gulle wijze. — Men vraagt niet dat zij haar iets meer of iets kostbaarders verstrekke, dan de staat van het huis toestaat, regel of loffelijke gebruiken voorschrijven; men eischt slechts, dat, wat verstrekt wordt, op passende en hartelijk gulle wijze gegeven worde.

Maar daar cene overste niet alles kan weten, noch alles kan hooren, moet zij:

a. Ten minste eenige malen in het jaar, als zij zich verantwoordt over haar beheer of daarvan rekenschap geeft, aan ieder harer onderhoorigen vragen of zij soms gegronde klachten heeft over de voeding of andere zaken, of haar van het noodige niets ontbreekt. Zou zij bevinden dat dit werkelijk het geval is, zoo moet zg er zoo spoedig mogelijk in voorzien.

b. Zij moet zich vergewissen of er nog meer dergelijke klachten in haar huis bestaan, maar moet zich zorgvuldig onthouden naar den naam te vragen van den persoon, van wie die klachten uitgaan. Zij moet die klachten in ernstige overweging nemen, ze wikken en wegen, — en blijken ze redelijk en gegrond, zoo behoort zij er in te voorzien.

2° De zorg eischt, dat eene overste aan niemand harer onderhoorigen weigere wat zij haar zonder zonde, zonder schade voor de tucht en zonder daardoor een slecht voorbeeld te geven, kan toestaan of geven. Hieromtrent moet zij volgende punten in acht nemen:

ocr page 408

400

a. Zij moet die vergunningen niet om beters wil, maar op aangename en vriendelijke wijze toestaan; •elke schijn van gedwongenheid of ontevredenheid moet hierbij vermeden; indien zij het gevraagde slechts schoorvoetend, op norsche of onaangename wyze toestaat, meer gedwongen dan welwillend, verliest de weldaad hare waarde en verdienste en daalt de overste ia de achting en het vertrouwen harer ondergeschikten , die met recht ontevreden zyn over zulke handelwijze.

I. Is men verplicht iets af te slaan, zoo moet men dit op zachten, welwilleuden toon doen, de reden er bij voegende waarom het niet mag.

c. De zorg eischt dat de overste niet wachte tot dat de onderhoorigen haar om iets vragen, maar y.e moet ongevraagd, op liefdevolle wijze, in hare benoodigdheden voorzien, als ze haar bekend zijn. Bijvoorbeeld: men bemerkt of hoort dat iemand ongesteld is, dat haar iets ontbreekt, dat ze iets verlangt , maar het niet durft vragen enz., in zulke gevallen moet de overste toonen, dat zij waarlijk eene liefdevolle overste is, en bijgevolg niet wachten tot haar iets gevraagd wordt. Gij moet een zoo groot verlangen hebben om uwe onderhoorigen goed te doen, als het dorstige hert heeft om zijnen dorst te lesschen. zeide eens Jesus aan de heilige Magda-lena van Pazzi. Zooals het hert niet wacht tot men hetzelve het water voorzet, maar zelf naar de bron snelt, zoo behoort ook gij niet te wachten tot ge om iets gevraagd wordt, maar moet gij uit eigen beweging de gelegenheid zoeken de u toevertrouwden goed te doen.

d. De zorg eischt dat eene overste wake over den goeden naam harer onderhoorigen. Te dien

ocr page 409

401

einde moet zij nooit 1° uitgenomen het geval van de hoogste noodzakelijkheid, aan vreemden of personen van buiten, onverschillig welke fout van eene harer onderhoorigen bekend maken, maar zij moet steeds van haar spreken zooals het behoort en niet toestaan dat de anderen in dit punt anders handelen.

2° Wanneer ouders, nabestaanden of andere personen in het klooster komen, moet de overste, zoo zij aanwezig is, hun de verschuldigde beleefdheid bewijzen, met achting van hare onderhoorigen spreken , indien de omstandigheden zulks vereischen, maar zij behoort dit te doen zonder eenige gezochtheid of gemaaktheid. De liefde vindt altoos iets te prijzen.

Dit punt schijnt van ondergeschikt belang, maar het is onmiskenbaar dat het veel bijdraagt 1° tot stichting der bezoekers; 2° tot tevredenheid en genoegen der onderhoorigen; 3° tot de eer van het huis.

II. Van de zorg en de goedheid, bizonder voor de zieken.

Wat vorderen goedheid en zorg, die eene overste voor de zieken behoort te hebben?

1° De zorg vordert dat zij voor haar een inderdaad moederlijk hart hebbe. Om aan dezen plicht te dezen opzichte te voldoen, moet zij haar 1° geloof schenken, ze nooit hekelen of bedillen, noch toestaan dat ze door anderen gehekeld worden. 2° zooveel mogelijk moet zij ze dagelijks bezoeken; haar innige deelneming betoonen, ze troosten en tot geduld opwekken. 3° Zij moet geduldig en welwillend luisteren naar

26

i

ocr page 410

402

hare klachten en moeielijkheden, en zooveel het in hare macht is, daarin voorzien. 4° Zij moet op hare hoede wezen om niet aan de ziekenoppasster meer vertrouwen en geloof te schenken dan aan de zieke zelf, tot dat ze omtrent alles goed ingelicht is. Het is volstrekt niets ongewoons, dat een ziekenoppasster het lastige van hare bediening overdrijft, even als eene zieke wel wat erg zal klagen over hare smarten en benauwdheden.

2° De goedheid vordert dat eene overste zich zeer vrijgevig, mild- en weldadig toone jegens de zieken. Diensvolgens behoort zij 1° nimmer aan de zieken iets te weigeren, wat door den geneesheer voorgeschreven is, hetzij spijs of drank, of een of ander geneesmiddel. 2° Zij moet dikwijls de zieken vragen of haar niets ontbreekt; of ze geen bizouderen trek naar iets hebben, misschien wel den een of auderen dienst noodig hebben, of men haar met een of ander geen genoegen zou doen. En indien dit het geval is, moet zij het haar bezorgen met veel goedheid en liefde. 3° Zij moet op aangename wijze en weiwillenden toon aan het verlangen der zieken te ge-moetkomen, en alles vermijden waaruit de zieke zou kunnen besluiten dat de overste van meening is, dat bij zieken inbeelding, luim en gril veelal een voorname rol spelen, soms gemakkelijkheid ook wel een woordje mee spreekt; nog minder moet zij spreken of toestaan dat er gesproken worde van de kosten, door zoo'n ziekte aan het huis veroorzaakt. 4° Is de zieke aan de beterhand, zoo moet de overste haar zoo lang in de ziekenkamer laten, als de geneesheer het voor noodig oordeelt, en haar niet aan den arbeid zetten , noch naar het koor zenden, vooraleer ze hare krachten voldoende herkregen heeft. j

ocr page 411

403

Hier rijst nu deze twijfel op: het geval kan zich voordoen dat eene voorgegeven ziekte klaarblijkelijk meer inbeelding is dan iets anders. Wat gedaan in dit geval? Hoe moet men handelen met zulke personen ?

Ik antwoord met Claudius Aquaviva en Nicolaas Lancicius, twee mannen die in hooge achting staan bij alle geestelijke personen: zulke personen, zeggen deze meesters van het geestelijk leven, moet men met even veel liefde behandelen als zij, die werkelyk ziek zijn. Men moet haar vooral niet laten blijken dat men hare ziekte voor louter inbeelding houdt. Men behoort haar dezelfde medelijdende deelneming te betoonen en overigens alles voor haar te doen wat men voor andere zieken zou doen, tot zij zelf gelooven dat ze genoegzaam hersteld zijn. Zou men met soortgelijke personen anders handelen, zoo zal men er alleen dit bij winnen dat zij alle achting, liefde en vertrouwen jegens hare overste verliezen en verder een verdrietig en ontevreden leven leiden.

§§ 3.

Van de zachtmoedigheid waarmede men moet bestieren en zijne onderhoorigen verdragen.

Niets is meer noodzakelijk voor eene overste dan de zachtmoedigheid, zonder dewelke zij noch den vrede des harten kan bewaren, noch hare onderhoorigen met vrucht leiden en besturen.

Ontbreken gematigdheid en zachtzinnigheid in leiding en bestuur, zoo zullen er zich steeds voor de overste, — wat en hoe zij ook zinne en onder-neme — nieuwe moeielykheden , nieuwe redenen van verdriet en ontevredenheid opdoen en telkens in

ocr page 412

404

grooter getale. Vloeit liet hart, om zoo te zeggen, niet over van eene onverstoorbare, zich nooit verloochenende zachtzinnigheid en zachtmoedigheid, zoo zal het voor de overste, in die omstandigheden, uiterst moeielijk zoo niet onmogelijk wezen voor haar eigen voortgang ernstig zorg te dragen en tegelijker tijd hare verplichtingen jegens den naaste trouw en nauwgezet na te komen.

Wij gaan thans verklaren hoe en jegens wie men deze zachtmoedigheid moet beoefenen.

I. Over de zachtmoedigheid in het bestuur.

Hoe behoort eene overste te handelen wanneer zij bevelen en orders moet uitgeven?

Antwoord: de geestelijke meesters schrijven de volgende punten voor:

1° Zij moet niemand boven hare krachten belasten, iu andere woorden, niemand overladen. Daarom moet zij, — alvorens iemand met eene bediening te belasten of een ambt toe te vertrouwen, — zich vergewissen of die persoon de voor die bediening vereischte kracht en bekwaamheid heeft. Is zij daaromtrent in twijfel, zoo moet zy de betreffende persoon zelf ondervragen en haar op haar woord gelooven. Op dezelfde wijs behoort zij de bezwaren en verontschuldigingen te onderzoeken, die eenige doen gelden tegen dit of dat ambt, tegen deze of gene verordening; zij moet haar met veel goedheid, met een echt moederlijk hart aanhooren. Zij moet haar niet aanstonds afwijzen, veel minder nog op terugstootende wijze behandelen, maar haar den tijd laten de zaak rijper te onderzoeken en God om raad te vragen.

ocr page 413

405

Indien, niettegenstaande al deze voorzorgen, de onderhoorigen in hare meening en verontschuldiging volharden, moet de overste, zoo mogelijk, haar toegeven.

2° De overste moet de bedieningen en ambten dikwijls veranderen of wisselen. Er zyn drie soorten van ambten in de geestelijke huizen. De eene zijn van grooter gewicht en meer eervol; de andere zijn lastiger en onaangenamer; tot de derde klas behooren de minder gewichtige.

In die drie klassen van ambten moet men dikwijls veranderingen maken. 1° in de gewichtige en eervolle, ten einde afgunst en jaloerschheid te voorkomen of tegen te gaan. 2° In de lastige en onaangename, om de lasten zooveel mogelijk gelijkelyk te verdeelen. 3° In de minder gewichtige , om aan de onderhoorigen de gelegenheid te geven de gehoorzaamheid te beoefenen en zich in de geestelijke onverschilligheid te bevestigen.

3° Bij het geven van orders of bevelen en opdragen van bedieningen en ambten, bezige zij zachte en welwillende woorden en doe dit meer op verzoekenden dan bevelenden toon. Dc.ze moederlijke wijze van handelen maakt een gunstigen indruk op de onderhoorigen en maakt haar de gehoorzaamheid gemakkelijk. Daarentegen met gestrengheid regeeren, op trotsche en hooghartige wijze bevelen en orders uitvaardigen, verbittert de onderhoorigen, en maakt een in zich zelf licht bevel, loodzwaar.

Indien, ondanks deze zachtzinnigheid, deze of gene zich toch nog beklaagt, moet de overste zich daarover niet boos maken noch ontevreden toonen, maar de onderhoorige met welwillende woorden aanmoedigen , haar betuigende dat zij zich heel goed bewust

I

ocr page 414

406

is van het lastige van dit voorschrift, maar dat zij vertrouwt dat de zuster bereidwillig deze moeielijk-heden zal verdragen ter liefde Gods.

II. Van de zachtmoedigheid in de vermaningen en berispingen.

Hoe behoort eene overste te handelen, opdat men hare vermaningen en berispingen goed aanneme en zich ten nutte make?

Voor dat ik hier op antwoord, moet ik eenige aanmerkingen maken, waaraan eene overste zich streng moet houden als aan zoovele onaantastbare regels, zoowel in de geheime waarschuwingen en bestraffingen als in die welke zij in het openbaar moet doen, en zij moet er nooit, om welke reden dan ook, van afwijken.

Eerste aanmerking. Zij moet nooit in drift, opgewondenheid of toorn iemand vermanen ot berispen, maar zij moet daarmeê wachten tot dat zij heel kalm en bedaard en haar hart vry is van gejaagdheid, wrevel of drift.

Een overste moet nooit zijnen ondergeschikte berispen , zegt de geleerde Balthazar Alvares, als hij zich in zyn hart vertoornd voelt. De reden daarvan is, dat alle geboden van God de liefde en vereeniging der harten beoogen; een en ander kwetst de overste, als hij zich door toorn en ontevredenheid laat me-desleepen.

Tweede aanmerking. Eene overste moet uiterst voorzichtig wezen om niet licht verkliksters en aan-brengsters aan te hooren, en nog meer om toch niet lichtvaardig haar geloof te schenken. Wat het eerste punt aangaat, moet zij de klachten aanbooren; bemerkt zij echter dat eenige zusters te dikwijls en

ocr page 415

407

steeds met nieuwe klachten aankomen, zoo moet zij haar zeggen dat het goed is de fouten aan te brengen waardoor de dienst van God, de eendracht of de tucht van het huis schade lijden, maar dat zij overigens niet verlangt met al die nietigheden en beuzelarijen bekend gemaakt te worden. Wat het andere punt betreft, behoort de overste nooit een oordeel uit te spreken, noch de mededeeling voor zeker te houden, alvorens zij alles goed onderzocht heeft. Zij, die steeds allerhand komen aanbrengen, zijn vaak zelve, alles behalve vrij van zwakheden en fouten; eenige doen hot uit ontevredenheid, nijd of jaloersch-heid; andere doen het uit eigenliefde en overdreven gevoeligheid, het geringste nemen zij als eene groote beleediging op; weer andere brengen aan uit overdreven, onberaden ijver. Dit staat vast, de ondervinding leert het: aanbrengers en aanbrengsters handelen niet altijd met edele drijfveren, loflelijke inzichten, ik zou haast durven beweren, handelen slechts zelden met reine inzichten en prijsbare drijfveren. Dit alles bewijst hoe uiterst voorzichtig eene overste op dit stuk moet zijn.

Derde aanmerking. Eene overste moet nooit vermanen noch berispen, alvorens de aangeklaagde zelve gehoord te hebben. Bovendien moet zij nooit overgaan tot vermaning, berisping of bestraffing, tenzij de aangeklaagde zelve hare schuld bekenne, óf dat zij overtuigd en de zaak door twee getuigen bewezen worde. Want ontkent zij hare schuld en is er slechts een getuige, zoo moet berisping of bestraffing achter wege blijven.

Vierde aanmerking. Eene overste moet niets laten blijken van ontevredenheid of afkeer, noch vóór noch na de waarschuwing of berisping. Niet vóór

ocr page 416

408

de waarschuwing; immers bemerkt de beschuldigde dat hare overste reeds ontevreden en wrevelig is, alvorens haar gehoord te hebben; wordt zij-met een streng en onvriendelijk gelaat door de overste ontvangen, met spytige woorden door haar aangesproken; — zoo houde men zich overtuigd, dat de waarschuwing of berisping nutteloos zal blijken en bijgevolg haar doel zal missen; aangezien de aangeklaagde al licht daaruit zal besluiten dat de overste te haren opzichte vooringenomen is, en het haar niets zal baten zich te verontschuldigen en te verdedigen, daar ze reeds vooraf door de overste veroordeeld is. Noch ook na de waarschuwing of berisping; omdat zulke handelwijze de ondergeschikte slechts kan verbitteren en ontmoedigen, wijl zij zich nu licht zal inbeelden dat er voor haar geen kans meer bestaat de liefde en het vertrouwen harer overste terug te krijgen. Daarom moet de overste, na afloop der waarschuwing of bestraffing, met geen enkel woord meer van de zaak reppen, noch verder het minste blyk van ontevredenheid of afkeer geven; aan alles moet de zuster kunnen zien dat de overste alles vergeven en vergeten heeft.

Thans gaan wij over tot de beantwoording der boven gestelde vraag: Op welke wijze dient eene overste de zachtmoedigheid te betrachten, bij het doen van waarschuwingen of bestraffiugen ?

1° Eene overste moet nooit daartoe overgaan, alvorens de volgende akten uit de diepte van haar hart verwekt te hebben:

a. Eene volmaakte akte van liefde jegens God, om alleen te handelen tot zijne eer en om Hem te behagen.

b. Eene volkomen akte van liefde jegens den

ocr page 417

409

naaste, ten einde alleen te handelen voor zijn geestelijk welzijn.

c. Eene akte om aan God voor haar en hare ondergeschikte de genade te vragen dat de berisping met vrucht moge geschieden.

2° Eene overste moet nimmer tot waarschuwing of bestraffing overgaan, alvorens de onderhoorige met goedheid aangehoord te hebben. Tot dat einde-behoort zij:

a. De zuster met veel goedheid te ontvangen,, zonder het geringste teeken van ontevredenheid; zij moet haar zeggen dat tegen haar eene klacht is ingebracht, maar dat zij uit haar eigen mond wenscht te vernemen hoe de zaak zich eigenlijk verhoudt.

h. Zij moet geduldig aanhooren al wat de beschuldigde daartegen in zal brengen, zonder haar te onderbreken.

3° Bekent de onderhoorige hare fout, zoo moet de overste:

a. Haar hierover hare tevredenheid te kennen geven, haar prijzen om hare ootmoedigheid en oprechtheid, en daarbij alleen dit voegen dat zij vertrouwt dat zij hare fout weer zal goed maken.

b. Hervalt de ondergeschikte dikwijls in dezelfde fout, zoo moet de overste haar eene strenge, maar door zachtheid getemperde, vermaning of berisping toedienen.

4° Ontkent de onderhoorige het haar ten laste gelegde, zoo moet de overste haar zeggen:

a. Dat zij uiterst tevreden zou zijn, als de zaak zich zoo verhield, maar dat het haar plicht is de zaak nader te onderzoeken.

b. Daarna moet zij werkelijk tot dat nauwgezet onderzoek overgaan. Vindt zij slechts een getuige v

ocr page 418

410

zoo moet zij de zaak eenvoudig laten rusten eu nocli vermaning, noch berisping doen.

c. Vindt zij echter twee getuigen, zoo moet zij die zuster streng berispen, zoo om de zaak zelve, als om baar gebrek aan waarheidsliefde.

5° Eene overste moet zicb bij het doen van waarschuwingen of berispingen, hetzij in het geheim of openbaar, stipt houden aan volgende punten:

a. Zij behoort zich zorgvuldig te onthouden van alle gramschap, en moet niet de minste ontevredenheid laten blijken noch door een barsch en streng gelaat, noch door verheffing der stem, noch door bewegingen van het lichaam of andere gebaren.

b. Zij moet zich wel wachten een enkel woord te zeggen wat tot nadeel, verachting of minachting van hare onderhoorige zou kunnen strekken, zooals bijv. zou geschieden met te zeggen; gij zijt hoo-vaardig, ongehoorzaam , koppig, weerspannig; gij zijt meedoogenloos, gij hebt geen enkele deugd, gij doet geen verstervingen. Zulke hatelijke uitdrukkingen beletten en vernietigen niet alleen de vrucht der vermaning of berisping, maar ontmoedigen, verbitteren en ontstemmen bovendien iemand ten zeerste, en stellen een ernstigen hinderpaal aan verandering of verbetering van levenswijze.

c. Om die reden moet zij de persoon buiten spel laten en haar alleen spreken over de fout die ze begaan heeft; haar onder de oogen brengen hoezeer de heilige vaders, de heilige oversten en veel andere heilige personen een dergelijke fout verboden en bestraft hebben; hoe door zulke fout gehoorzaamheid, liefde, eendracht en tucht ernstig geschaad en benadeeld worden, hoeveel kwade gevolgen het zou hebben, indien men dergelijke fout ongestraft liet;

ocr page 419

411

hoe gemakkelijk de anderen zich zouden laten verleiden hetzelfde te doen, indien men haar ongestoord liet begaan; welken slechten indruk het zou maken, indien men in de wereld wist dat men zich in geestelijke huizen aan dergelijke fouten schuldig maakt; hoezeer wij ons daardoor verwijderen van den geest van Jesus Christus, enz.

d. Ten einde te spreken, gelijk het in zulke omstandigheden voegzaam is, geen woord te veel, geen woord te weinig, behoort de overste, alvorens tot de berisping over te gaan, er zich in de tegenwoordigheid van God op voor te bereiden.

III. Van de. zachtmoedicjheid waarmede eene overste de beleedigingen behoort te verdragen.

Hoe moet eene overste zich gedragen jegens dezulken , die zich onbeleefd, onbeschoft, schaamteloos toonen, die lastig, koppig en schier onhandelbaar zijn, die bovendien op allerhande wijze het aan den haar verschuldigden eerbied laten ontbreken?

Antwoord: het is juist in de behandeling van dergelijke personen, dat de liefde en zachtmoedigheid zich in hare volle schoonheid moeten toonen en eene gelegenheid moeten zoeken zich te vervolmaken. De Heiligen schrijven volgende punten voor:

1° Eene overste moet er op bedacht zijn lastige personen met groote liefde en zachtheid te behandelen, steeds en in alle omstandigheden, zoowel in het geheim als openbaar, en moet haar nooit het geringste teeken van afkeer of ongenegenheid geven. Gedraagt zij zich niet daarnaar, maar handelt zij naar haar zin, zoo zullen de personen , waarvan hier sprake is, al licht zich inbeelden dat ze alle reden hebben om in haar verzet en weerspannigheid te volharden.

ocr page 420

412

2° Wat aangaat het verleenen van verlof en vergunning en andere dingen, moet de overste geen onderscheid maken tusschen die personen en de anderen. Zij moet zelfs gretig eene gelegenheid aangrijpen, om haar van hare welwillendheid te doen blijken en haar goed te doen. Wie kent niet den machtigen, haast onweerstaanbaren invloed van de goedheid en zachtzinnigheid op het menschelijk hart. Waar alle andere middelen falen, geven goedheid en zachtzinnigheid veelal een gewenschte uitkomst, zoo leert de eeuwenoude geschiedenis van het menschelijk hart. Van alle banden, waarmede men harten aan zich verbindt, blijkt de band der welwillendheid en zachtzinnigheid de hechtste en onverbreekbaarste. Geen karakter zoo weerbarstig, geen hart zoo hardvochtig, — zoo het althans door de zonde niet totaal verwoest en bedorven is — of ze zwichten op den duur voor goedheid en welwillendheid. Waar ook dit middel, ik zou haast zeggen, dit laatste middel faalt, daar bestaat weinig of geen kans, dat men door andere middelen er in zal slagen.

3° Laat zulke persoon zich door hare drift zoo ver medeslepen, dat zij in ruwe en toornige woorden tegen hare overste uitvalt, zoo behoort deze zich niet alleen te onthouden van allen toorn, maar zij moet daarenboven trachten haar door minzame, zalvende en verzoenende woorden tot bedaren te brengen en haar weerspannig hart te winnen.— Vuur wordt toch niet door vuur gebluscht, noch toorn gesust door toorn. Blijft ze ook daarvoor ongevoelig, zoo zegge zij haar, terug te komen, als ze tot bedaren zal zijn gekomen en hare gramschap zal hebben afgelegd.

5° Gaat dergelijke persoon zich te buiten door

ocr page 421

413

eene nog grootere ruwheid of maakt ze zich plichtig aan een nog zwaarder verzet, of is haar gedrag om eene andere reden erg aanstootelijk, zoo moet de overste haar door eene assistente of plaatsvervangster doen waarschuwen en berispen, die haar zal trachten over te halen om ootmoedig vergiffenis te vragen.

5° Weigert ze dit of begaat ze eene nieuwe dergelijke fout, zoo moet de overste haren raad vergaderen, ten einde aan de weerspannige zuster een strenge berisping toe te dienen. Gaat ze zich opnieuw te buiten, alsdan moet zij haar in het openbaar een strenge straf opleggen.

Wat ik hier van de zachtzinnigheid en zachtmoedigheid gezegd heb, beveel ik nadrukkelyk en dringend aan en ik besluit met den brief aan te halen, dien de H. Franciscus van Assisië schreef aan Petrus van Catana, den generaal der gansche Orde.

Deze beklaagde zich bij zijnen heiligen vader Franciscus over alle ruwheden en beleedigingen, die hij moest lijden van den kant zijner ondergeschikten, en vroeg hem hoe hij zich in deze omstandigheden moest gedragen.

De heilige antwoordde hem hierop het volgende: «De Heer zij uwe bescherming en beware u in zijne heilige liefde. Mijn lieve broeder, ik beveel u dringend aan en druk u op het hart in uw gansche gedrag een zoo groot geduld aan den dag te leggen, dat, wordt ge tegengewerkt, door een uwer broeders of door wie ook, zoude het zelfs gebeuren, dat iemand zich zoo ver te buiten ging van u durven te slaan, gij dit alles als zoovele genaden aanneemt; dat gij oprecht in deze gesteltenis en stemming wezen moget en nimmer in eene andere. Bemin hen die u op zoodanige wijze zullen behandelen en verwacht van

ocr page 422

414

liunnen kant geene verandering, totdat God u de genade schenke hen tot betere gevoelens te brengen; dit moet gij u voorstellen en beoogen met hen te beminnen. Het teeken waaraan ik wensch te erkennen , dat gij God bemint en genegenheid voor mg hebt, die zijn dienaar ben en de uwe, is dit, indien niemand onzer broeders, wat hij ook misdreven hebbe, van u weggaat, zonder de vruchten uwer barmhartigheid genoten te hebben; zou hij er u niet om vragen, zoo voorkom en vraag hem of hij dezelve wenscht; en als hij, na dezelve geweigerd te hebben, zich duizendmaal aan uwe oogen zou vertoonen, bewijs hem, ten einde hem tot het goede terug te ' brengen, meer genegenheid dan gij mij zeiven zoudt bewijzen. Heb steeds innig medelijden met hen die zich in dusdanigen staat bevinden.quot; (1)

Ziedaar dat zachtmoedige hart wat de heiligen verlangden dat alle ovei'sten zouden hebben.

(1) Leven van den H. Franciscus, door den E. P. Candidas Chalippe, Recollect. Derde boek, pag. 203.

ocr page 423

415

SLOT.

Eenige aanbevelingen voor den tijd der geestelijke oefeningen.

1° Men behoort zich streng aan de dagorde te houden. Daarom moet men, op het eerste teeken van de klok, alles verlaten om zich voor te bereiden op hetgeen voorgeschreven is. Men moet er echter de meditatie van uitzonderen, waarmede men kan en moet voortgaan, ook wanneer de daarvoor toegestane tijd verstreken is, vooral ten tijde van verlatenheid en dorheid des harten.

2° Men moet de nieuwsgierigheid zorgvuldig ver-mijden. Daarom:

a. Men moet niets anders lezen dan wat voorgeschreven is.

b. Men moet te voren niet nazien wat het volgend uur of den volgenden dag te doen, te lezen of te overwegen is, maar men behoort het oogenblik af te wachten, dat het teeken er voor gegeven wordt.

3° De ingetogenheid en het stilzwijgen moeten strikt onderhouden worden.

a. Zonder groote noodzakelykheid moet men met niemand, ook geen enkel woord, spreken.

h. Niet lachen, noch nieuwsgierig rondkijken.

c. Zelfs in den tijd van recreatie of uitspanning moet men slechts over geestelijke dingen spreken.

4° Alle gebeden en meditaties behoort men mei veel ijver en vurigheid te doen.

a. Bij het begin van elke meditatie moet men zich met een groot hart aan God opdragen voor alles, wat Hij zich zal gewaardigen ons door zijn licht te doen kennen.

ocr page 424

416

b. Men moet zich niet laten verontrusten noch ontroeren door bekoringen, duisternissen van den geest, verstrooiingen of andere moeielijkheden, maar men behoort, ten spijte van dit alles, in deze heilige oefeningen te volharden en met deze volharding voort te gaan, ten einde ons zeiven te overwinnen.

5° Om van God groote genaden te verkrijgen, moet men:

a. Dikwijls door den dag zijn hart tot God verheffen , zich gansch, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud aan Hem opdragen voor alles wat Hij van ons zal verlangen.

b. Zooveel boetewerken en verstervingen doen als de gehoorzaamheid veroorlooft.

G0 Men moet dagelijks, naar omstandigheden, aan zjjnen biechtvader rekenschap geven over volgende punten:

a. Of men bovenstaande bepaliugen of aanbevelingen trouw gehouden heeft.

b. Of de meditaties vrucht hebben gedragen.

. .

c. Of men nog van verwarring of bekoring te

lijden heeft.

d. Of men geene bizondere goede inspraken voelt en meer andere punten, waaromtrent men den raad van den biechtvader kan inwinnen.

ocr page 425

Eea Marllpniiwaartip wk.

Nevensgaande beschouwingen en raadgevingen, welke wij aan een voortreffelijk werk van den Eerw. Pater Von Lehen S. J., ontleenen, omdat ze van •groote menschenkennis en praktische wijsheid in de leiding der zielen getuigen, meenden wij aan hen, die van onderstaand boek van Pater Pergmayr een nuttier gebruik wenschen te maken, in ernstige over-

o ri 'o

weging te moeten geven en ter behartiging aan te bieden. — Ziehier wat die ervaren leidsman allen, die ernstig naar deugd en volmaaktheid streven, met

o o 7

den meesten nadruk op het hart legt.

»0p den weg der volmaaktheid — zegt hij — bevindt zich eene uiterst gevaarlijke klip, waarop velen stranden. Die klip zijn de valsche voorstellingen, welke oprecht vrome zielen al te dikwijls zich van hunne plichten maken. Zulke zielen zijn vaak in eene verregaande onwetendheid verstrikt: de werkelijke verplichtingen, welke de dienst van God met zich brengt, worden door hen miskend of althans over het hoofd gezien, en in plaats daarvan stellen zij eischen aan zich zeiven, die ver boven hunne krachten en Gods inzichten en bedoelingen reiken. Richtsnoer en maatstaf der volmaaktheid is voor hen niet de wet Gods, maar een fantasiebeeld door hunne ziekelijke verbeelding hun voorgetooverd, weshalve zij zich zeiven voorschriften maken, welke even onverstandig als onuitvoerbaar zgn.

27

ocr page 426

418

mm

Eene der riikste bronneu van boven gewraakte dwaalbegrippen zijn de valsche voorstellingen, welke men zich vaak van het leven der heiligen en van de aangeprezen navolging hunner deugden maakt. De onvolledige en onverstandige wijze waarop men niet zelden het leven der heiligen schrijft, draagt begrijpelijker wijze en in niet geringe mate er toe bij, den lezer met onjuiste en valsche denkbeelden te voeden; immers men verhaalt daarin veelal onnavolgbare wonderlijke dingen, wier glans ons be-toovert, en waarmede wij dan het wezen zelf der heiligheid verwisselen, ofschoon ze slechts toevallige gevolgen van haar zijn.

God heeft door zekere heiligen zichtbare wonderen gewrocht, om ze tot eer zijner Kerk met roem voor de menschen te kronen; ook heeft Hij hunne ziel met buitengewone genadegaven verrijkt, en hierin wortelen zekere opzienbarende daden in hun leven; dat alles nochtans is het niet wat hunne heiligheid uitmaakt. Vele anderen hebben door een vermoeiend, verborgen leven een niet geringeren schat van verdiensten voor God vergaard.

Bellarminus, die geruimen tijd geestelijke leidsman was in het Collegium Romanum , tijdens de H. Aloysius zich daar bevond, zeide herhaaldelijk, dat in den grafkelder van dit gesticht verscheidene Ordebroeders begraven lagen, die voor dezen heilige in volmaaktheid niet onderdeden. De heiligheid hangt derhalve niet van buitengewone genadegaven af; want deze zijn geen gevolg of vrucht der verdienste, maar alleen eene werking van den goddelijkeu wil.

Den eene verleent de Heer zulke schitterende voorrechten, van een andere echter verlangt Hij een stil en gewoon leven. Bij het lezen van de levens

-JTTT

ocr page 427

419

mmm

der heiligen moeten wij derhalve ons hoeden voor alle geestdrijverij en ons vooral niet blindelings overgeven aan onze geprikkelde verbeelding, die licht tot overdreven, hersenschimmige voorstellingen afdwaalt , daar ze zich alleen door het buitengewone aangetrokken voelt. Zoo niet, stellen wij ons aan het gevaar bloot, óf door vermetele eerzucht het gelezene in ons te willen verwezenlijken, óf in kleinmoedigheid en moedeloosheid te vallen, daar wij # wanhopen ooit iets dergelijks tot stand te brengen; juist alsof we, behalve het wonderbare, niets van de groote helden des Christendoms leeren konden.

Dat, wat wij van de heiligen moeten navolgen, is integendeel geheel onafhankelijk van het wonderbare, hetwelk zich in hun leven voordoet. Wij moeten een voorbeeld nemen aan de deugden, welke zij beoefend hebben; aan de getrouwheid, waarmede zij met de ontvangen genade, wat deze ook van hen verlangen mocht, medegewerkt hebben ; aan de grootmoedigheid , waarmede zij afstand deden van hunne eigenliefde, om de goddelijke inspraken te volgen; en eindelijk aan den heldhaftigen strijd tegen de ongeregelde neigingen, welke de erfzonde in hen, even als bij ons, achtergelaten had. Hier stoeten we nu op een vrij algemeene dwaling. Men stelt zich vaak de heiligen reeds tijdens hun leven hier op aarde zóó voor, gelijk zij nu in den hemel zijn, dat wil zeggen in den vollen glans der glorie en reinheid. Men houdt ze schier voor geheel ander# menschen, die vrij waren van de zwakheden en verdorvenheid onzer natuur, en die bijgevolg slechts behoefden te willen, om zonder strijd de heldhaftigste deugden uit te oefenen. Worden we derhalve uitgenoodigd en aangemoedigd heu na te volgen,

ocr page 428

420

zoo verontschuldigen wij ons met volgende woorden: Ja, maar dat waren ook heiligen! alsof deze eigenschap hen tot gansch andere wezens of tot engelen gemaakt had. Bij eenig nadenken zien we weliswaar zelf spoedig in, dat dit niet zoo zijn kan; edoch practisch blijven wij niettemin bij onze valsche opvatting, die zich dan ook maar al te veel in onze spreek- en handelwijze uitspreekt. De meeste legenden versterken ons daarin, wijl in dezelve kamp en strijd, zwakheden, fouten en tekortkomingen der heiligen stilzwijgend voorbij gegaan worden , althans nauwelijks van dat alles gewaagd wordt. Op die wijze krijgen we van wat er in hun binnenste omging, weinig of niets te zien; men toont ons niet de ellende en machtelooslieid der natuur, waaraan zij, evenals wij, en misschien meer dan wij, onderworpen waren, maar die zij moediger en standvastiger dan wij bestreden. En toch juist dat moest men ons te aanschouwen geven, om ons in beproeving en bekoring te troosten, om ons met nieuwen moed te bezielen en ons door voorbeelden te onderrichten, die we niet alleen navolgen kunnen, maar ook verplicht zijn na te volgen. Het is voor ons goed en nuttig de heiligen te zien strijden en wankelen: wij moeten den grooten apostel der volkeren hooren, als hij over den opstand van zijn bedorven vleesch klaagt, en hoe hij, door de onstuimige woede zijner driften benauwd en gekweld, uitroept: Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? [Rom. vu ; 24.]

Wij moeten ons de zwakheid van den Prins der Apostelen herinneren, die zijnen Meester tot driemaal toe verloochende; alsdan zullen wij erkennen, dat nog niet alles verloren is, zelfs dan, indien wij het

ocr page 429

421

ongeluk hadden in eene zware zonde te vallen. Daarbij echter moeten we vooral ook niet vergeten het vertrouwen van Paulus op de genade van God, Petrus' allernederigst berouw en grootmoedige boetvaardigheid , alsook diens grenzeloos vertrouwen op God; om van de andere heiligen, wier leven ons zoo velerlei te leeren aanbiedt, niet eens te gewagen!

Ja, wat de Apostel Jacobus van den hoog begenadigden Profeet Elias getuigt, geldt van alle heiligen; zij zijn rnensclieu als wij, aan lijden onderworpen gelijk wij. Ook zij voelden in zich den eeuwigen kamp tusschen vleesch en geest, dit treurig gevolg der zonde onzer stamouders. Vele van hen gingen lange jaren geboeid met de ketenen hunner hartstochten, en zelfs na hunne bekeering was de zware strijd dien ze daar tegen te voeren hadden, het dagelijksche brood van heel hun leven. Niet altijd werd volle overwinning hun deel; immers, »wij allen struikelen in vele dingenquot; [Jac. m : 2] zegt dezelfde Apostel! Kleine fouten ontsnapten zeker aan hunne zwakheid. Zij wisten echter hunne tekortkomingen spoedig weer goed te maken, en hun hart bleef recht voor God. Zij zochten den Heer met ware grootmoedigheid, en zij volhardden met zijne genade in het vaste besluit, hem niets af te slaan, wat Hij ook verlangen mocht.

Deze edelmoedigheid is het, welke wij moeten navolgen. Ongetwijfeld zullen wij meer en grootere fouten begaan dan de heiligen, en zullen ons ook niet zoo groote genaden toegedeeld worden als aan hen geschiedde; daarom echter hebben we uok geene zoo zware rekenschap af te leggen. God verlangt slechts, dat wij aan de ons verleende geringere genaden met dezelfde getrouwheid beantwoorden , waar-

ocr page 430

422

mede de heiligen de hun geschonken hooge genaden zich te nutte maakten. Doen wij dit, zoo zijn wij ware navolgers der heiligen, ofschoon we in deugd en verdienste ver bij hen achter staan; op die wijze maken wij een goed gebruik van het ons toevertrouwde talent, en dit is het, wat God van ons vordert. Alle christenen zijn tot volmaaktheid en heiligheid geroepen; voor allen nochtans beeft God niet denzelfden graad en dezelfde soort van heiligheid bestemd. De Kerk zelf zegt ons, dat niet twee heiligen aan elkaar gelijk zijn, en diensvolgens is ook de genade van een iegelijk verschillend, even als de beroeping.

Hetzelfde leert ons Christus in de gelijkenis van de op ongelijke wijze verdeelde talenten, waarin de vader des huisgezins van eiken knecht eene winst verlangt, naar gelang van het hem toevertrouwde talent of der hem toevertrouwde talenten, en hen dezelfde belooning waardig verklaart, ofschoon zij hem niet allen even groote gewonnen schatten toonen kunnen. Zoo mag ook in de geestelijke orde hij, die weinig ontvangen, maar van het ontvangene een goed gebruik heeft gemaakt, met hetzelfde vertrouwen tot God naderen, als de meer begenadigde, die rijkere gaven aan te bieden heeft. Hoe zeer zou de eerste de inzichten en verwachtingen van den vader des huizes miskennen, indien hij zich verplicht achtte, met zijn één talent zooveel te winnen, als een andere met twee! Hoe onverstandig zou hij handelen, indien hij dezelfde ondernemingen wilde beginnen en in alles zich zoo gedragen als hij, aan wie een aanzienlijker bedrag werd toevertrouwd! Zou hij echter in het geheel meer zijne eigenliefde dan de eer en het voordeel van zijnen Heer in het oog houden,

ocr page 431

423

en gevoelde hij afgunst en geheimen wrevel daarover, dat andereu door de goedheid van zijnen beer meer bevoorrecht werden, zoo ware dit de eerzucht met haren ganschen nasleep van ondeugden en gevaren van de aardsche zaken in het geestelijke leven overbrengen; dit ware een zelfbedrog, waarvoor men zich niet genoeg kan hoeden.

Krachtens de uitdrukkelijke en overduidelijke beloften vau den kant van God, mogen ongetwijfeld allen vertrouwvol van Hem de gewone genaden verwachten, die hun voor de vervulling der alge-meene christen-plichten en bizondere beroepsplichten noodig zijn. Daarenboven vermag elke ziel door gebed en trouwe medewerking met de reeds verleende genaden van Gods oneindige vrijgevigheid zooveel nieuwe genaden verwerven, als het met de bedoelingen, j welke God met haar heeft, overeenstemt. Ook wachte t / zich eene ziel aan de goedheid Gods perken te stellen daardoor, dat ze zich weigerachtig maakt zoo ver voort te gaan , naar dat punt van volmaaktheid te streven, waartoe God haar wil opvoeren. Nochtans ware het eene strafbare verwaandheid, op dezelfde buitengewone genaden en voorrechten aanspraak te maken, waarmede God de Heiligen begiftigde. Die heiligen achtten zich zeiven voor zulke genaden gansch onwaardig. De christelijke ootmoedigheid verdraagt zich niet met dergelijke eerzuchtige plannen en nog minder met de afgunst en jaloerschheid, welke zekere zielen zoo fel beroeren, als ze zien, dat aan anderen groote genaden ten deel worden, welke God hun weigert, 't Is derhalve zelfbedrog en eene verblinding der eigenliefde, wanneer men vermetele aanspraak maakt op de bizondere gunsten en voorrechten der heiligen, op de hemelsche verlichtingen en de on-

ocr page 432

424

uitsprekelyke vertroostingen, welke hun het gehed tot vreugde maakten, terwijl het voor ons wegens onze verstrooidheden en zwakheden vaak een zeer vermoeiende bezigheid is.

c5

Daaraan denken zekere personen niet genoeg: zij stellen zich niet tevreden met datgene, wat ze redelijker wyze met de hun verleende genade in staat zijn te doen; zij willen, als de H. Aloysius, bidden zonder verstrooid te zijn, als de H. Theresia, vrij blijven van allen opstand des vleesches, als de H. Ca-tharina van Henen, bij de H. Communie van gloeiende liefde tot God ontvlamd zijn, en hun onvermogen deze ijdele hersenschimmen te verwezenlijken, stort hen weldra in walg en neêrslachtigheid; en het gevolg daarvan is, dat zij laten wat zij kunnen, wijl ze niet kunnen wat ze willen. Zoo komt men, in de meening dat men naar heiligheid streeft, eindelijk zoo ver, dat men zelfs zijne strengste plichten niet meer vervult. De eenvoudige grond dezer afdwalingen is deze, dat men den in het geestelijke leven zoo onontbeerlijken regel der matiging uit het oog verliest, ondanks de dringende vermaning van den Apostel: Weest verstandig in matiging, denkt niet hooger van u dan het behoorlijk is te denken, maar denkt met bescheidenheid, en zóó als God aan een iegelijk eene mate van geloof heeft toegedeeld. [Rom. xii : 3]

Een kind zou uitgelachen worden, liet het, den op zijne krachten berekenden arbeid liggen, om dat te doen wat het een reus ziet verrichten. en toch handelen de zielen, van wie wij spreken, niet anders. Mocht men toch eindelijk eens goed begrijpen, waarin de navolging der heiligen bestaat!quot;

Br.Afexa^der ^v-i Mt j-i. O. F. M

ocr page 433

IlsriHIOXJID.

Bladz.

Voorwoord...............3^

Een behartigenswaardige wenk van Pater Von Lehen 417 le Hoofdstuk. Hoe men op heilige en volmaakte

wijze zij ne dageliiksche bezigheden zal verrichten 5

1. Wij moeten geene gelegenheid laten voorbijgaan

om ons te versterven.........6

2. Onze dagelijksche handelingen verrichten met vurigen ijver en in Gods tegenwoordigheid. . 7

3. Over de wijze om onze gebeden goed te doen . 8

4. Zich in alle moeielijkheden, rampen entegen-spoed aan Gods wil onderwerpen.....10

2e Hoofdstuk. Over de zuiverheid der meening 11

1. Beweegredenen voor de reinheid der meening 12

2. Eigenschappen van de goede meening ... 14

3. Op welke wijze men 's morgens eene goede meening moet maken.........22

4. Op welke wijze men, gedurende den dag, eene reine meening moet maken.......26

3e Hoofdstuk. Gemakkelijke wyze om de meditatie goed te doen en er nut uit te trekken. 28

1. Over de voorbereiding tot de meditatie ... 28

2. Over de naaste voorbereiding tot de meditatie 29

3. Over de oefening van het geheugen en het ver

stand gedurende de meditatie......31

4. Over de oefening van den wil......33

5. Over het einde der meditatie......35

4e Hoofdstuk. Van de zorg die men aan het

hartroerend gebed moet besteden.....36

1. De oefening der dankbaarheid......37

2. Over de liefde der achting.......44

5e Hoofdstuk. Eenige bemerkingen over het gebed 51

1. Welk doel behoort men zich in het gebed voor te stellen...........51

2. Hoe moet men zich gedragen in den toestand

van gewone godsvrucht....... 54

ocr page 434

II. INHOUD.

Bladz.

3. Hoe behoort men zich te gedragen in den toestand van licht en vertroosting . , . . 56

4. Hoe behoort men zich te gedragen in den toestand van duisternis en verlatenheid . . 58

5. Hoe behoort men zich te gedragen in den toestand van gebed van beschouwing ... 64

'ö0 Hoofdstuk. Van de Biecht......ö8

Eenige vragen omtreut de Biecht en antwoord

op die vragen...........68

1. Verklaringen van eenige vragen omtrent het goed voornemen en oplossing van eenige twijfels omtrent de noodzakelijke bestanddeelen der Biecht 73

2. Iets over de omstandigheden, die de zonden vergrooten.............79

'7° Hoofdstuk. Over de liefde Gods .... 82 le Artikel. Van de eenzaamheid des harten. . 85

1. Hoe we God moeten aanschouwen in onze

ziel tegenwoordig.........85

2. Hoe men zich in het hart met God behoort

te onderhouden..........91

2e Artikel. Over de gevoelens van aanbidding . 98

1. Waarin dat gevoelen of die genegenheid bestaat, en hoe kostbaar het is ... . 98

2. Op welke wijze men die gevoelens en genegenheden kan en moet vormen ... 99

3. Praktische oefeningen van aanbidding . . 101 Se Hoofdstuk. Over de naastenliefde. . . . 106

le Grondstelling. Geen dag laten voorbij gaan

zonder het een of ander liefdewerk te verrichten 106 le Liefdewerk. Zacht en minzaam zijn jegens den naaste..............107

1. Beweegredenen der zachtheid en minzaamheid 107

2. Over de praktijken of oefeningen van liefde

en zachtmoedigheid........111

2e Liefdewerk. De zwakheden van den naaste

geduldig en met liefde verdragen.....115

1. Over de beweegredenen die ons tot geduld

en liefde moeten aansporen......115

2. Over de praktijken of oefeningen dezer liefde

ocr page 435

INHOUD. m-

Bladz.

en van dit geduld.........

3e Liefdewerk. Geene gelegenheid laten voorbij

gaan zonder den naaste eenig goed te doen . 121

1. Over de beweegredenen dier inschikkelijkheid en welwillendheid...... • 121

2. Over de oefeningen der welwillendheid. . 126 4e Liefdewerk. Het kwaad met goed vergelden

1. Beweegredenen der liefde van weldadigheid 129

2. Over de oefeningen der liefde ven weldadigheid 133 2e grondstelling. Door den band der liefde omstrengeld, innig vereenigd leven met hen, die

met ons samen wonen.........

]. Alle menschen oprecht, hartelijk beminnen. 137

2. In alles en altijd de. fouten en gebreken van

den naaste met geduld verdragen . . . 140

3. De voorkeur geven aan allen, die met ons samenwonen........

4. De anderen wèl doen, zooveel het in onze macht is............1^5

3e grondstelling. In den omgang met den even-mensch geen aardsche en vleeschelijke, maar een inwendige en bovennatuurlijke gedragslijn volgen.........

1. Den evenmensch beschouwen niet naar zijn lichaam, zijn uiterlijk, maar naar zijne ziel

en zijne inwendige vermogens.....148

2. Te midden der wereld, in den omgang met den naaste, zich in de tegenwoordigheid van God houden en zijn hart met heilige gedachten en heilige gevoelens bezig houden 153

3. Zich dikwijls, veel en vurig bezig houden

met liefdegevoelens en liefdeuitingen . . 156

4. Over verschillende gelegenheden, waarin men

zich kan toeleggen op gevoelens en betuigingen van liefde.........

9e Hoofdstuk. Van de reinheid des harten. . 166 1« Grondregel. Een religieus dient zich steeds te herinneren tot welken verheven staat God hem geroepen heeft, en om die reden moet hij groote

ocr page 436

IV. INHOUD.

Bladz.

zorg dragen aan God dagelijks meer en meer te behagen, door de volmaaktste reinheid des harten en de schoonheid zijner ziel, en zich steeds Gode aangenamer te maken, door alle vrijwillige zonden, zoo goed mogelijk, te vermijden . . . 166

1. Dit artikel handelt 1° over den afkeer van alle dagelijksche zonden; 2quot; verklaart het de beweegreden die, wanneer ze door den kloosterling overwogen worden, hem aansporen

de dagelijksche zonde te vku-.hten . . . 168

2. Over zekere dagelijksche zonden, welke een kloosterling vooral met goede zorg moet mijden.............172

3. Over eenige middelen om zijn hart van de dagelijksche zonden te zuiveren .... 176

2e Grondregel. Zijn hart rein en vlekkeloos voor

God bewaren. ..........178

1. Over de inwendige oefeningen waardoor men

de begane fouten kan afboeten.....179

2. Over de uitwendige oefeningen en praktijken waardoor men de zonden kan uitwisschen en afboeten, welke men begaan heeft.... 188

3. Praktijken en oefeningen om verdere zonden

te vermijden...........196

10e Hoofdstuk. Over de versterving

Grondregel. Geen dag laten voorbijgaan zonder

zich dikwijls en flink te overwinnen . . . 198

1. Beweegredenen om zich te overwinnen. . 198

2. Eerste wijze om zich te versterven . . . 201

3. Tweede » » » » » ... 203

4. Derde » » » » » ... 207 Wat men moet doen om zich van alle schepselen te onthechten........210

le Grondregel. Geene gelegenheid laten voorbij gaan zijn eigenwil, zingenot, zinnelijk- of wee-kelijkheid te bestrijden........211

1. Eerste gelegenheid waarin men zijn zingenot

zal bestrijden...........211

2. Tweede gelegenheid om zich in den eigenwil

ocr page 437

INHOUD.

Bladz.

en het. zingenot, te versterven.....212

3. Derde crelegeiiheid, do zinnelijkheid te beteugelen of te versterven......213

4. Vierde gelegenheid de zinnelijkheid te versterven.............212

2e Grondregel. Geene gelegenheid laten voorbij

gaan den hoogmoed en de ijdelheid te bestrijden 215

1. De eei-ste versterving van den hoogmoed en

de ijdelheid...........216

2. De tweede wijze waarop men den hoogmoed

en de ijdelheid zal bestrijden en overwinnen 218

3. De derde wijze om onzen hoogmoed en onze ijdelheid te bestrijden........221

4. De vierde versterving der ijdelheid en des hoogmoeds............223

3° Grondregel. Geene gelegenheid laten voorbij gaan zonder onze gevoeligheid en lichtgeraaktheid te bestrijden en te versterven .... 226

1. Het eerste middel om de teergevoeligheid

te overwinnen..........226

2. Het tweede middel om de gevoeligheid te overwinnen........... 228

4° Grondregel. Bij elke gelegenheid onzen wil

en alle zelfzucht, verzaken.......230

1. De eerste gelegenheid zijn eigen wil te verzaken............230

2. De tweede gelegenheid den eigenwil te versterven en te overwinnen......232

3. De derde gelegenheid om zijnen wil te versterven.............234

Grondstellingen en rebels voor eene ziel die God

oprecht zoekt te beminnen Zijn hart rein en vrij houden van alle ongeregelde neigingen en driften.......236

le Regel. De eerste voortgang dien men in de versterving moet doen, is , aan de zinnelijkheid nooit iets toe te geven . . . 286 2e Regel. Nooit ot nimmer aan toorn of ontevredenheid toegeven.......239

V.

ocr page 438

VI. INHOUD.

Bladz.

3e Regel. In alles den eigen wil verzaken . 240 lle Hoofdstuk Van de onthechting der schepselen 241 Grondbeginsel. Zijn hart van alle schepselen onthechten en het aan God schenken, het onverdeeld en zonder voorbehoud aan God afstaan met al zijne genegenheden.......241

1. Jesus op het kruis, is van alle have engoed , van alle gemak voor het lichaam , van allen troost en medelijden voor de ziel beroofd 243

2. Oefeningen om Jesus in de voorgaande punten na te volgen........248

12e Hoofdstuk. Van den geestelijken dood en de onthechting van alle schepselen . . . 252 le Artikel. Van den geestelijken dood en de volle onthechting van alle schepselen, door terzijdestelling van alle menschelijk opzicht en minachting voor de achting der menschen. . . 253

1. Overweging over het voorbeeld dat Jesus Christus in zijn lijden aan de ziel gegeven heeft, die Hem wenscht te beminnen en

zich innig met Hem te vereenigen . . . 253

2. Inwendige oefeningen waarmede zich de ziel moet bezig houden, ten einde Jesus Christus

in die deugd na te volgen......260

8. Over de oefeningen of praktijken van nederigheid , die men uit deze waarheden moet

trekken.............271

2e Artikel. Van de onthechting der schepselen door verachting van alle lichamelijk gemak en gerief.............278

1. Overweging over het heerlijke voorbeeld dat de Zaligmaker ons. te dezer zake, in zijn lijden gegeven heeft . . ......278

2. Van de oefeningen die deze overweging moeten volgen..........285

3. Van vele soorten van kleine verstervingen die men dagelijks kan doen, door toepassing

en uitbreiding der voorgaande regels . . 287 3e Artikel. Van de volmaakte onthechting van

ocr page 439

9

INHOUD. VII.

Bladz,

alle schepselen, als men van allen inwendigen troost verstoken ..........291

1. Overwegingen over het schoone voorbeeld dat onze goddelijke Zaligmaker ons, in deze,

in zijn lijden gegeven heeft......291

2. Van de oefeningen die op de overweging dezer waarheden moeten volgen .... 303

4C Artikel. Over het leven eener ziel, die dei-wereld en zich zelve geheel afgestorven is . 307

1. Door welke middelen kan de ziel tot eene zoo hooge achting en waardeering van krnis

en lijden komen.........307

2. Door welke middelen kan men zulke liefde voor kruis en lijden verkrijgen .... 309

13° Hoofdstuk. Van de nederigheid . . . .311 Beginsel. Steeds met eene diepe nederigheid in

Gods tegenwoordigheid wandelen.....311

1. Over de kennis vamp;n ons zeiven .... 313

2. Over de verachting van ons zeiven . . . 317

3. Middelen om tot de kennis van zich zei ven

te komen............322

14® Hoofdstuk. Vau het vertrouwen op God . 325

1. Over de beweegredenen van dit vertrouwen,

die in God zelf hunnen grond hebben . . . 325

2. Over de beweegredenen tot vertrouwen die hunnen grond in Jesus Christus hebben . . 329

15e Hoofdstuk. Hoe men zich gansch ea geheel, zonder voorbehoud, aan de leiding vau Gods voorzienigheid moet overgeven.....337

1. Van de grondwaarheden in dit hoofdstuk vervat 337

2. Over de gevoelens of liefdebetuigingen eener ziel, die zich geheel en al toevertrouwt aan

de leiding der goddelijke Voorzienigheid . . 342 8. Hoe men zich dagelijks aan God behoort op

te dragen.............350

4. Hoe men zich in deze lietdeuitingen moet

oefenen door den dag........354

Oefeningen of praktijken eener ziel die zich geheel en al aan Gods leiding toevertrouwt.

ocr page 440

VIII. INHOUD.

Bladz.

le Oefening. De dagelrjksche bezigheden verrichten volgens de aansporing van Gods wil . . 355

1. Beweegredenen dezer oefening.....355

2. Steeds en onder alle omstandigheden doen

wat men als het volmaaktste kent . . . 361 Waaraan men den wil Gods kent .... 361

3. Wat het volmaaktste is, op de volmaaktste wijze doen. — Praktjjken......366

2e Oefening. Eene ziel die zich onverdeeld en onvoorwaardelijk aan Gods leiding toevertrouwt,

moet trouw en heilig aan alle inspraken van God beantwoorden..........370

1. Over de beweegredenen dezer oefening. . 870

2. Over de verschillende wijzen waarop God zijne inspraken pleegt te geven .... 377

3. Teekenen waaraan men kent dat eene inspraak van God komt.......381

Heilzame gedachten om de gerustheid des harten

te verkrijgen in ramp en tegenspoed . . . 38? 16e Hoofdstuk. Over het bestuur van geestelijke

personen............38?

1. Van de liefde die men voor de onderhoorigen moet hebben............38t

1. Over de eigenschappen dier liefde . . . 389

2. Ernstige twijfels die men omtrent deze punten oppert..........391

2. Over de goedheid jegens de onderhoorigen en

de zorg die men voor hen behoort te hebben 39 -' 1. Van de zorg en de goedheid in het algemeen 39ö 2 Van de zorg en de goedheid bizonder voor de zieken............40-

3. Van de zachtmoedigheid waarmede meu moet bestieren en zijne onderhoorigen verdragen . 403 1. Over de zachtmoedigheid in het bestuur . 404 2 Van de zachtmoedigheid in de vermaningen

en berispingen..........406

3. Van de zachtmoedigheid waarmede eene overste de beleedigingen behoort te verdragen 411

Slot. Eenige aanbevelingen voor den tijd der gees-

telijke oefeningen . ».......415

ocr page 441

idz.

gt;55 155

61 i6]

166

570 i70

577

381

38?

58?

SSfc 389

391

39.' 39ö

40.

403

404

406 411 | 415 I

J

ocr page 442
ocr page 443
ocr page 444